-ocr page 1-
-ocr page 2-
*^V«F^
^
item
::-:-7ir
fir:;::i>M^:::isnr7\':;i>^
-ocr page 3-
mmmmm
f.: • : :H?tf<::: NtfT : N*^ \' Vvrf
Sik-T S*if^ :: N**\'\' :. Njwf.^
-ocr page 4-
-ocr page 5-
LYRISCHE POÊZY
-ocr page 6-
Mm (OSJfy
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000032018875B
3201 887 5
-ocr page 7-
LYRISCHE POËZY
J. J. L TEN KATE.
De Planeeten. — De Jobeïde.
^jr
j BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
LEIDEN. -- A. W. SIJÏUOFF.
-ocr page 8-
-ocr page 9-
1)15 iPIjANEKTEN.
-ocr page 10-
-ocr page 11-
EERSTE ZANG.
PROLOG US.
DE AARDE.
Col viso ritornai per tutte quante
Le sette spere, e vidi questo globo,
Tal ch\' io sorrisi del suo vil sembiante. —
£ tutti e Bette mi si dimostr-iro
Quanto son grandi e quanto son veloci,
E come sono in distante riparo.
DAKTE,
Paradiso, C. XXIf.
In al zijn luister was de Kerstnacht weêrgekomen.
De rijp hing glinstrend aan de groene sparrenboomen.
De starren blonken als in Bethlera-Efrata;
December dekte met beur wollen winterwa
De levenskiemen, in den moederschoot der aarde
Nu schijndood slapend. Zonder bloemen was de gaarde,
En zonder vogels \'t bosch. Maar \'t helder feestlicht scheen
Alom door de ijs-bloem der bevroren ruiten heen\',
Waar achter schimmen zich bewogen, bij \'t gemengel
Van zilvren stemmen, luide en vrolijk, alsof de Engel
Der Herders daar op nieuw een Blijde Boodschap bracht.
\'Zóo was \'t! De Kerstboom, als een wonder in den nacht
Ontloken, straalde met zijn honderd sterrenlichtjens
En wijgeschenken op de blozende aangezichtjens
Der kindren, dansende om den ingebeelden schat.
Wij, groote kindren, ook, wij hadden deel gehad
Aan \'t feest. De kerkklok had de vrome dorpsgemeenle
Voorbij de rustplaats van der dierbren lijkgebeente
Naar \'t heiligdom gelokt, dat van Onsterflijkheid
En Weerzien spreekt. Daar had, in heiige majesteit
En \'t aanschijn van den glans der geestdrift overgoten.
Een andre Simeon het Levensboek ontsloten.
X.                                                                                                                      1
-ocr page 12-
\'2
„Ontsla Uw dienstknecht, Heer! in vrede; want zijn oog
„Aanschouwde Uw zaligheid." Dus, door den tempelboog,
Weerklonk het woord, dat meè door alle harten trilde.
Dat was de zaligheid, die alle smarten stilde
En alle vreugden wekte in wie haar ooit genoot:
Hrm wel te kennen, die, van uit des Hemels schoot
Des Heeren heerlijkheid uitstortende over de Aarde,
Het goddelijk geheim der Liefde ons openbaarde!
Dat was het toppunt van die Liefde, dat de kroon
Op al heur gaven: de Aard\' de voetbank van Haar troon.
De Aard\', slechts een stipje\' in \'t heir der starren, jongstgeboren
Uit millioenen, tot de woning uitverkoren
Van d\' Oudsten Zoon en heel een Goddelijk Geslacht,
Door Hem aan \'t Vaderhart als kindren weèrgebracht!
En toen op \'t voorspel nu der zwellende orgelklanken,
De schare omhoog rees om d\' Oneindige te danken,
Toen alles inviel met éen groote jubelstem
Als veler waalren: „Hoogste Heemlen, lof\'zingt Hem!
„Op Aarde vrede! en in de Menschen welbehagen!"
Toen was \'t, of de echo, naar den hemel heengedragen,
Welluidend wegsmolt in der Englen: „Gloria!"
En over \'t kerkhof ruischte een fluistrend Amen na.
De schare ging uit een. Ik trad ontroerd naar buiten.
\'t Was stil nu. Slechts de wind blies met wanluidend fluiten
Door \'t naakt getakte van den treurwilg, \'t Starrenheir
Zag uit de hoogte met een koude flikkring neer.
De maan verschool zich achter wolken. Door mijn leden
Ging kille huivering. Ik struikelde op mijn schreden —
Ik greep naar \'t voorwerp waar mijn wankle voet op stiet:
Een bekkeneel!
Hoe nu, gij groeve! kunt gij niet
Den roof bewaren, dien uw wreede honger gaarde?
Is daar geen plaats der rust, noch óp noch ónder de aarde\'?
Zoo moog\' de zwerver, in den kalmen schemerschijn
Der boekcel wonend\', mijn memento mori zijn!
\'k Zat peinzend bij den haard. De laatste vonken glommen
In d\' asch, waarop ik staarde. En \'t kwam mij voor, als klommen
Er schaduwen omhoog; en in heur schemering
-ocr page 13-
:<
Verdween het kruisbeeld, dat nabij mijn sponde hing.
Het doodshoofd grijnsde met de ledige oogenkassen
Mij aan, en \'k hoorde een stem gelijk het nachtuil-krassen
In de oude toren .... \'t Is misschien een droom geweest -
Maar \'k waakte met mijn hart, en luisterde in den geest:
„Ginds, onder zooden
„Of marmeren zerk,
„Doet bij de dooden
„De Ontbinding haar werk:
„Heeren en slaven,
„Bozen en braven,
„ Wijzen, dwazen, Klein en Groot,
„Alles slaapt in \'t slijk der graven —
„Spotter van ouds, Communist is de Dood!
„En dat geslachte,
„\'t Gewormte ten buit,
„Streefde in gedachte
„Zelfs de Englen vooruit.\'
„Éenig in waarde
„Droomden zij de Aarde
„Onder aller Starren tal, —
„Of de zandkluit die hen baarde,
„Middenpunt ware van \'t gantsche Heelal!
„Hier, van de kroone
„Des Levens omstraald,
„Hier zou Gods Zone
„Ter-neêr zijn gedaald?
„Hier, diep beneden
„\'t Goddelijk Eden,
„Een verkoren Vaderhuis?
„Hier — het lot van eeuwigheden
„Zwijgend beslist aan... het hout van een Kruis?
„Kindervertelsel!
„Uw waereld van slib,
„De Aarde, in het stelsel
„Der Zon, is een stip!
„En wat zelfs heet en
-ocr page 14-
4
„Alle Planeeten
„Die om éene Zonne gaan,
„Bij de gantsche Zonnen-keten ? ....
„Enkele droppels in d\'eeuwge\' oceaan!
„Reuzige bollen.
„Met vlammenden gloor,
„Wentlen en rollen
„De Oneindigheid door!
„Zelf moogt ge u prijzen,
„Wie zal bewijzen,
„Aarde vol ellende en strijd!
„Dat, bij al Gods Paradijzen,
„Gij het Siberië der Schepping niet zijt?"___
Een hoonlach, als van een met God en Mensch te onvreden,
In \'s broeders scha verheugd, verving de bittre reden,
En klapprend sloten zich de tanden op elkaar.
Ik werd geen schijnsel in die oogen meer gewaar.
De nevel week: \'t gestarnt\' scheen helder als zoo even
Door \'t raam .... Maar in mijn ziel was de angel nagebleven,
En lang verloor zij zich in sombre mijmerij.
Daar ruischte \'t. Iemand ging mijn aangezicht voorbij.
Hij stond, \'k Zag niets, maar voelde — een Hemelsche Nabijheid,
Mij overstroomend met een onuitspreekbre blijheid.
Als die bij \'t weerzien onzer dooden, of den groet
Van geestverwanten in den Hemel wezen moet.
Een zachte levensvlam verving de winterkilte
Rondom en in mij; en dus sprak de Hoorbre Stilte:
„Hoe zoo mismoedig \'t hoofd gebogen in den schoot?
„Daar is een Twijfel met de lippen van den dood,
„Ijskoud en dor — maar óok een onverzaadlijk Streven
„Naar de Eeuwge Waarheid, dat een heimwee is naar \'t Leven.
„Een weinig proevens voert van God af, maar \'t genot
„Der volle kennisvrucht, Gods gave, voert tot God!
„Op welke bladzij\' heeft uw bijbel u doen weten,
„Dat de Aarde, in \'t middenpunt der waerelden gezeten,
„De kroon is van \'t Heelal? — Daar zijn in \'t firmament
„Verborgenbeden, die alleen de schepper kent,
-ocr page 15-
5
„Die inensch en engel een verbijstrend raadsel bleven.
„Van éen mysterie is de sluier opgeheven:
„Van dat der Aarde en haar Planeeten! — In \'t gezin
„Dier zustren neme zij niet d\'eerezetel in,
„ Waarop heur Moederzon sints zestig eeuwen heerschte, —
„Naar zedelijken rang en roeping is Zij de Eerste!
„Zij is de Hoofdstad dier Provincie uit het Rijk
„Der starren! \'t einddoel en het toonbeeld te gelijk
„Dier Schepping, in wier kreits zij wandelt. Haar verblijden
„In de eerste plaats die Dag- en Nachtlamp, die getijden
„En jaren reeglen; ja, Gods wonderhand, wie weet?
„Ontstak ze om haar-alléen! bevoorrechte Planeet!
„Gezalfd of \'t ware met des Scheppers welgevallen,
„Wel éene uit vele, maar toch éenige onder allen,
„Volmaakte Type! En wat dien andren zusters wacht,
„Het wordt op de Aard, door de Aard, begonnen en volbracht!
„\'t Onuitspreeklijk Opperwezen
„Is geen Verre Majesteit,
„Nimmer uit de rust verrezen
„Van een vorstlijke eenzaamheid:
„Geen gevoelloos Alvermogen,
„Dat Zijn waerelden als zand
„Sprenkelt uit gevulde hand,
„Maar ze niet meer volgt met de oogen,
„Onverschillig waar en hoe
„\'t Grillig lot ze dwarrlen doe!
„God is levend, eeuwig-levend,
„Maar ook uit Zijn overvloed
„Overstroomend, leven gevend,
„Goed als machtig, mild als goed.
„Onderscheiden, niet gescheiden
„Van wat door en tot Hem werd,
„Zoekt Zijn teederminnend hart
„Zich naar \'t Schepsel uit te breiden.
„Daarom moeten in \'t Heelal
„Wezens worden, Levens rijpen,
„Die iets van Zijn wil begrijpen,
„Die Hem minnen bovenal!
„Dat vermag het Stof-gebied,
„Dat, de Lager Schepping, niet!
-ocr page 16-
6
„De Albezielende Gedachte
„In Gods werken gadeslaan,
„God vernemen, God verstaan,
„Kan alleen een Godsgeslachte!
„Zoo de Geest zich mededeelt,
„Hij moet opgenomen worden
„Door verwante geesten-orden,
„Dragers van Zijn Zeedlijk beeld,
„Die Hem met bewustheid loven,
„In hun vrijheid Hem-alléen
„Dienend door alle eeuwigheên!
„Dus — het Englendom daar Boven
„En — de Menscliheid hier beneên!
„Slechts op déze Schepslensoorte
„Die tot d\'Eeuwge „Vader" zegt,
„Rust het koninklijke Recht
„En de Plicht der Eerstgeboorte,
„De andre schepslen al te saam\'
„Tot hun laatste doel te leiden :
„God de glorie te bereiden
„Van Zijn naam.
„Hoe Daarboven de Englen leven,
„Is slechts in hun sfeer bekend: —
„Maar de Mensch, in de Aardsche dreven,
„Hij, uit ieder element
„Zijner waereld saamgeweven,
„Hij is met zijn hart en geest
„\'sWaerelds oog, — dat alle stralen
„Opvangt die Gods eer verhalen,
„En op bergen en in dalen
„Wondervolle oraaklen leest;
„\'sWaerelds oor, — dat alle klanken
„Van het eeuwig-godlijk Woord,
„Ieder toontjen, elk akkoord,
„\'t Biddend smeeken, \'t juichend danken
„Van het Lied der Schepping hoort;
„\'t Waerelds mond, — die uit kan spreken
„Welk een band, die nooit zal breken,
„\'t Schepsel aan den Schepper bindt,
„Aan den Vader \'t Menschenkind!
„Dies is h ij — Gods Plaatsbekleeder,
-ocr page 17-
7
„Hoofd en Heerscher der Natuur.
„Aarde, Water, Lucht en Vuur
„Huldigen zijn rijksbestuur;
„Hoef en horen, vin en veder,
„Alle kruid en alle boom,
„Van den hyzop tot den ceder,
„Buigt, als in een Jozefs-droom,
„Voor zijn staf eerbiedig neder.
„In de grot der zeedolfijn
„Plukt hij paerlen en koralen;
„En zijn lamp van Aladijn
„Brengt hem in het hart der mijn,
„Bij den sprinkaar der metalen,
„Die — voor hem geschapen zijn!...
„Zoo dan, in zijn Aardsche Woning.
„Groet, op \'t allerhoogst gebod,
„\'t Schepsel zijn verkoren koning,
„Zoon van Adam. zoon van God!
„En als nu die woning van alle Planeeten
—   „De hangende tuinen van \'t Zonnepaleis! —
„Eens de éenige huizing en lusthof mocht heeten,
„Voldoende aan den Mensch in zijn heiligsten eisch?
„Indien hij op Aard-slechts kon weten en willen,
—   „Dus wonder bewerktuigd, zijn waereld in \'t klein! —
„Naar lichaam en ziele zijn honger kon stillen,
„En drinken zijn teug uit Gods levensfontein?
„Als overal elders de waarheid en waarde,
„Heel \'t doel zijner menschheid, verviel met zijn naam?
„Zeg, werd dan niet eensklaps die nederige Aarde
„De kern en de kroon van die waerelden saam\'?
„Was \'t dan nog een fabel, die dwazen misleidde,
„Die God, die op Aarde Zijn Beeldtnis hervindt,
„Die daar zestig eeuwen de wieg van Zijn Kind,
„Het werk des Verlossers bereidde? ....
„Gij aarzelt nog? Welaan, gij twijflaar, kom en zie!" ....
De woorden zwegen. Maar de zoete melodie
Bleef trillen door mijn ziel.... Toen \'k plotsling scheen te zweven,
Als in éen punt des tijds veranderd, opgeheven
Van de Aard\'! Daar schemerde mijn dorpjen, met zijn kroon
-ocr page 18-
8
Van heuvelen, zijn kerk, zijn levenden en doön,
In grauwe verte! — Naar de wolken ging het henen
En door de wolken, van de wintermaan doorschenen
Met glans van paerleraoer, gelijk in Zwitserland
Wen \'t licht u opzoekt door den grijzen gletscher-wand.
Ik was verwonderd noch vreesachtig: — \'k voelde \'t schragen
Van een Onzichtbre Kracht en zachte vleugelslagen
Waarop ik voortdreef, hoog en hooger. De opperlucht
Was haast doorvlogen, als de eerste rustelooze vlucht
Ietwat vertraagde, een Hand mij aanraakte, een gefluister
Der welbekende Stem mij tegenaamde: „Luister!"
De gantsche dampkring werd bewogen, en daar viel
Een regen van muziek op mijn verdorde ziel.
REI VAN ENGELEN.
I ZANG.
Eere zij God
In de hoogste heemlen!
Laat ons Englen de Aarde omringen
Met een vrolijk lofgeschal!
Laat ons Bethlems Beurtzang zingen
Hem die is en wezen zal!
Vóór den aanvang aller dingen
Was Hij \'t Eene en Eeuwig Al.
I TEGENZANG.
Maar Hij wilde en — Levensstroomen,
Duizenden tienduizend maal,
Uit Zijn volheid voortgekomen,
Vormden naar Zijn ideaal
Zonnestelsels, als atomen
Dansende in Zijn Almachts-straal.
Eere zij God! Eere zij God!
Eere zij God in de hoogste heemlen!
-ocr page 19-
9
n zang.
Hoor die éene
Jonge, kleene,
Liefelijke Waereldsfeer,
Bij \'t ontmoeten
God begroeten
Met een: „Zie Uw dienstmaagd, Heer!"
Dag der dagen,
Toen wij \'t zagen,
Hoe zij, uit heur waterbad
Opgestegen,
\'s Heeren zegen
Als een kroon op \'t voorhoofd had!
II TEGENZANG.
Dat is de Aarde!
Wondergaarde,
\'s Hemels groene wederhelft,
Land der Lente,
Met een tente
Van albaster overwelfd!
In haar voren —
Goudgeel koren;
Op haar bergen — woudenpracht;
In haar dalen —
Nachtegalen:
Op haar troon — een Godsgeslacht\'.\'
Vrede op Aarde!
In de Menschen welbehagen!
De Mensch overtreder! de Koning gevallen!
De slang in zijn hof, en de dood in zijn hart!
Toen haperde ons Hallel, toen rouwden wij allen:
De Hemel, voor \'t éérst, kende een zweemsel van smart.
„Wie redt hem?" vroeg God. Maar de moed was gebroken,
En: „Wie?" klonk het klagend de Oneindigheid door.
Maar plotsling, daar donderde een jubelend choor,
Want: „Ik!" had de Liefde gesproken.
-ocr page 20-
10
III TEGENZANG.
Hij kwam op Aard, de lang-beloofde,
Gods sterke held, den Mensch gelijk,
Heroovrend wat de zonde roofde,
Hernieuwend Gods geschonden Rijk!
Wij, juichend bij de krib verschenen,
Wij zweefden om den kruispaal henen,
Die \'t Godlijk Huisgezin heréent —
Rn konden zaalge geesten weenen,
De Hemel had\' van vreugd geweend!
Vrede op Aarde!
Vrede! Vrede!
In de Menschen welbehagen!
TOEZANG.
In de schatiw des Troons geborgen,
Waar men eeuwig veilig woont,
Wachten wij den Grooten Morgen,
Die \'t volbrachte werk bekroont.
Reeds ontvonken de eerste stralen ....
Laatste schemerschijn,
Verdwijn!
Zal de Nieuwe Hemel dalen,
De Aard, vernieuwd, zal \'t voetstuk zijn,
Eere zij God
In de hoogste heemlen!
Vrede op Aarde!
In de Menschen welbehagen!
EINDE VAN DEN PROI.OGUS.
-ocr page 21-
TWEEDE ZANG.
URANUS.
Nu wil ons leenen,
0 Licht, uw vlucht!
En voer ons henen,
Gij, Zee van Lucht!
De weg is donker ....
Maar zie, daar blonk
Een ver geflonker,
Een tlikkervonk!
Wat Dwaalstar wemelt.
Op \'t blauw gehemelt\'
Als goud gestipt,
Vijfduizend jaren
Uw vorschend staren,
O Mensch, ontglipt?
Daar komt zij, zwevend
Aan Castors voet,
Een schijnsel gevend
Van vreemden gloed.
Want steeds verscheelen
In licht en pracht
De feestjuweelen
Op \'t kleed der Nacht,
Meer onderscheiden
In kleur en tint
Dan ge op uw weiden
De bloemen vindt!
Zie, statig drijvend
Verschijnt zij daar,
Een kring beschrijvend
Van tachtig jaar!
Hoe onbeteugeld
Onze ijzren tent,
Door stoom gevleugeld.
Het ruim doorrent,
-ocr page 22-
12
Haar vlucht, gemeten
Aan zulk een vaart,
Zou kruipen heeten
Door \'t slijk der aard . .
Zij vliegt om de assen
Met stormgeloei.
Ik zie haar wassen
Met snellen groei.
Gij, z< o reusaardig !
Hoe klein wordt nu,
Haar roem onwaardig,
Onze Aard bij U!
Toen \'t woord des Heeren
Uw kogel goot,
Werd tachtig keeren
Haar vorm vergroot!
Naast uw gevaarte
Woog achttien maal
Haar eigen zwaarte
In \'s Eeuwgen schaal!
En, vriendlijk sprenkle
De Maan heur gloed,
Zij, de éene en enkle
Die de Aard begroet;
Acht Satellieten
Omcinglen hier
Uw bol, en schieten
Heur flikkervier,
Uw wandling deelend
Door de eeuwen heen,
Als kindren, spelend
Om moeders schreên!
Wat wolk omdwaerelt
Mijn zinnen dus?....
Ontfang mij, Waereld
Van Uranu s!
De tocht is voleindigd,
Een andere schepping
de bede verhoord :
ontsluit mij haar poort.
-ocr page 23-
13
Maar blinddoekt die nevel
nog altijd mijn oog?
\'t Is duister beneden,
\'t is donker omhoog.
Ik strompel vooruit.... Voert
de Nacht hier gebied?
\'k Zie vormen noch kleuren
in \'t dommlend verschiet.
Ik wacht op de ontwaking
dier kille natuur.
En \'t is of ik jaren
doorwaak in éen uur.
\'t Moest dag zijn .... maar ginds, waar
de zonne moest staan,
Een ster als een graflamp ....
en \'t scheemren houdt aan!
Lieflijk is het Schemer-uurtjen,
na den drokken, zwoelen dag,
Als het suizend avondwindtjen
\'t gloeiend voorhoofd koelen mag,
Als het marktgewoel der waereld
met zijn laatsten wanklank zwijgt,
En de psalm der nachtegalen
trillend naar den hemel stijgt;
Als die hemel al zijn oogen
opent, en ter-neder-ziet
Met een glimlach die beteekent:
„God, uw God, vergeet u niet?"...
In \'t vertrouwlijk Schemer-schijnsel
worden alle hoeken rond,
Slaapt de Zorge, poost de Zonde,
sluit zich de open zielewond.
\'t Beter Ik hervindt zich-zelven,
luistrend naar zijn harteklop.
\'t Bloemtje\' in dauw, de Hoop in tranen,
luiken in de lommer op.
Schijndoón roepen uit de diepte:
menschen, wenschen, lang niet meer.
Vriendlijk zet uw zaalge Moeder
zich in \'t oude hoekjen neer.
-ocr page 24-
L4
De Eerste Liefde, jong als immer,
fluistert zacht: „Herkent ge mij?7\'
En de geur der witte rozen
waait u met haar schim voorbij.
Of — Verbeelding, fee der Toekomst,
vult op nieuw met gouden draan
\'t Losgereten spinrag-weefsel
uwer schoonste droomen aan,
Bouwt paleizen in de wolken,
of een hemel, die begint
Bij een drempel, groen van mirten,
bij het wiegjen van een kind!
In de scheemring zag de Geestdrift
allereerst haar Ideaal.
In de scheemring bad de Twijfel
\'t „Onze Vader" d\' eersten maal.
Welkom ons, gij wensch des Dichters:
„mocht het soms, bij \'t hoogst genot,
„Liefelijke Scheemring wezen
„in Uw zalig Huis, o God!"
Maar de droom hebbe een eind, en de scheemring een grens,
En het oog kenne en kieze zijn wegen!
Klke zegen van God is een licht voor den mensch,
Maar het Licht allereerst is een zegen.
Wij behoeven den Dag, met zijn zichtbaar heelal,
Waarvan hij-slechts de lijnen ons teekent,
Dat hij tint met zijn stralen, zoo rijk overal
In oneindige kleuren zich brekend.
Wij behoeven den Dag, met zijn glans en zijn gloed,
Om ons rustloos aan d\' arbeid te wijden,
Voor het graan op ons veld, voor de warmte in ons bloed,
Voor den moed in ons hart onder \'t strijden!. . . .
Hoe verkwikkend het licht, na den slaaploozen nacht
Bij uw smart of uw kranke gesleten,
Na den nacht van den brand, of de oneindige wacht
Op de klip, waar uw kiel is gespleten!
\'t Was de kreet der Natuur, die op \'t bloedige veld,
Van het tastbaarste donker omgeven,
Eens tot Jupiter klom uit de ziel van den Held:
„Geef ons Licht! laat bij \'t Daglicht ons sneven!"
-ocr page 25-
15
Ach, het droefst wat verbeelding zich schilderen kon,
Dat \'s een waereld met tloers overtogen,
Dat is de appel gegraven uit de oogen,
Of de hemel beroofd van zijn zon !
Toch, gij Uranus der Scheemring!
Zijt gij geen heel beroofde :
\'k Zie de zon .... Maai\' — hoe veranderd !
Bleek en met gekroonden hoofde!
Langs een baan van viermaalhonderd
Millioenen mijlen, trekken
Schaarsche stralen, zwakke boden.
Om het dolend kind te ontdekken.
Ginder staart de Zonne-Moeder,
Maar hoe onherkenbaar verre!
Van een Sterren-Koninginne
VVeggeslonken tot een sterre.
Zien hier schepslen met ónze oogen,
Ach. wat zien ze? . .,. In de eevnaar-streken
Dag en Nacht, al even treurig,
Heerschende om de honderd weken.
Aan de polen — twintig jaren
\'t Rijzend zonlicht, nauwlijks stralend,
Twintig andre trage jaren
\'t Zonlicht, zonder purper, dalend!
Dan — is \'t Nacht! . . .. een zwarte, blinde,
Als de Chaos-nacht, de aaloude,
Veertig jaar op d\' ijs-troon heerschend
Met de geeselroê der koude!
Waar\' de Menschheid hier gebannen.
Wat geslachten kwijnden henen,
Als de schimmel in een kerker,
Nimmer door den dag beschenen,
Droevig luistrend naar de saga
Van een wonder, Licht geheeten,
Uit de prille jeugd der grijzen,
Kort genoten, nooit vergeten ! . . . .
Hier besUat
Geen Vroeg of Laat!
Nutloos hier de zonnewijzer:
Zonder schaduw roest het ijzer
-ocr page 26-
16
Op de doode cijferplaat.
Avondstond noch Dageraad,
Trouwe wachters, wier verschijnen
Aan de hemelsche gordijnen
Ons van \'t keerpunt vergewist,
Dat de Rust van d\' Arbeid splist.
Hier, geen wissling der saizoenen,
Waar de magerte des velds
Bibbert in de winterpels.
Kan hier ooit een grasjen groenen !
"k Zoek vergeefs in \'t grauw verschiet
\'t Wazig dons der eerste kruiden :
Sneeuwwit klokjen aan den vliet,
Dat óns voorjaar in komt luiden!
\'k Wensch u hier — maar vind u niet.
Roosje\'! ik zie u niet ontluiken;
Meerle! ik mis uw welkomstlied
In de jonge meidoorn-struiken ;
En ik zie uw tak niet duiken,
Boogert! onder \'t zomerfruit,
Zwellende zijn bloesems uit.
Kranst Pomona hier een outer?
Zal hier ergens \'t blanke kouter
Snijden door de vette kluit ?
Waar kan hier met zilvren hoornen
\'t Zuivelvee door klavers gaan?
Waar strooit tusschen \'t rijpend graan
God Zijn muschkens hier hun koornen ?
Akkerveld noch voorraadsschuur,
Hoop noch Orde, Gang noch Duur,
Die de levenswerking reeglen;
En de Godspraak der natuur
Hier een boek met zeven zeeglen!. . . .
Moederaard, die ik verliet!
Neen, uw kind behoort hier niet!
Voor onze\' aanleg uitgelezen,
Anders, moet die waereld wezen,
Die ge als Meerdre hulde biedt!
-ocr page 27-
DERDE ZANG.
SATURNUS.
Wat wondere kogel wordt ginder bewogen?
Een waereld, zich wentlend in blauwenden gloor,
Gevat in een Ring, verdrievuldigd voor de oogen,
Die vrij haar omcirkelt, in \'t eigenste spoor!
Haar middellijn is \'t, reeds bekoeld en versteven,
Toen \'t lichaam dier waereld nog dampte in den gloed,
Gescheurd van de moeder, om steeds haar te omzweven,
Een schaduw slechts wisslend, tot eenigsten groet!
S a t u r n u s, gij zijt het! . ...
Gij drijft aan mijn voeten.
Ik nader. Hoe traag trekt ge, als aarzlend, mij aan!
Gij, zijt gij afkeerig den vreemdling te ontmoeten ?
Of wenkt ge een bedroogne terug op zijn baan ?
Is \'t Betere Land, dat onze Aard\' zal beschamen.
Gevonden? Gij, honderdmaal grooter dan zij,
Draagt gij \'t Paradijs waar de mensch zal heraamen,
Aan \'t hart als een bloem ? Gaat het open voor mij ?
Daar treedt reeds de zon door de nevelgordijnen —
Hoe verre 1.... En hoe lustloos volbrengt zij heur plicht!
Spaarzamelijk werpt ze in den schoot der woestijnen
Een aalmoes van warmte, wat sprankels van licht.
Ik ijl naar de meiren, daar ginder weêrspieglend ....
\'t Zijn sneeuwzeën, poelen van slib, heinde en veer\'!
\'k Dacht Alpen te aanschouwen, hun mastbosschen wieglend
\'t Zijn bergen van lucht, grauwe spooksels, niets meer.
En waar ge, o Waereld,
Van dras en damp,
Nog bloeit, wat voert gij
x,
2
-ocr page 28-
18
Een harden kamp!
En waar uw bodem
Naar d\' onze zweemt,
Dan nog, uw hemel
Voor ons, hoe vreemd!
\'t Oog, van d\' equator,
Daarheen gewend!
Wat balk doorsnijdt daar
Uw firmament ?
Een boog, o wonder!
Komt opgedaagd.
Die op zijn ronding
Uw koepel draagt,
Maar werp ik, wijkend
Van d\' evenaar,
Een blik naar boven, —
Hoe anders daar!
Geen balk nu langer;
Maar hemelhoog
Hijst, op twee zuilen,
Een zegeboog!
En statig wandlen
Langs de eerepoort
De zon, de starren,
Acht manen voort!
\'t Is als bemaalde
De Zomer-zelf
Met vuur den zijwand
Van \'t Ringgewelf —
Totdat .... daar achter
De zon verdwijnt,
En al \'t verguldsel
Verschiet, verkwijnt,
De boog als dreigend
Zijn armen strekt,
Millioenen mijlen
Zijn schaduw rekt:
Een kleurlooze Iris
Niet ongelijk,
Een zwarte voordeur
Van \'t Schimmenrijk!
-ocr page 29-
19
Nu zijn \'t Nacht en Winter die regeeren,
Vijftien lange jaren achtereen.
Bosch en boogert rillen, stormen scheeren
Snijdend over \'t eenzaam braakland heen :
Tot de laatste stoppelen en takken
In de stille sneeuwzee ondergaan,
Even als de dobberende wrakken
In de kolken van den Oceaan.
Lente\'s jaardag keert; maar \'t is \'t verjaren
Van een doode, slapende in haar graf:
Weenend moogt gij op haar tombe staren,
Ach, zij werpt het lijkgewaad niet af.
\'t Is éen Woest-en-Ledig om u henen.
Of hier nooit een grasjen had gebloeid,
Droever dan de puinhoop, op wiens steenen
Toch het klimop der Herinnring groeit.
Droeg deez\' Scheppings-bladzij\', slicht beschreven.
Meè heur bloemenletters, wit en rood,
Zie, Gods handschrift is er uitgeweven ....
Slechts de zegelstempel van den Dood!
Waar, o zonne! zijt gij heengevloden?
Naar de keerzij\' dezer wildernis:
\'s Waerelds weêrhelft heeft u opontboden.
Nu haar rouwtijd doorgeworsteld is.
Maar als zij, na lange krachtsvervalling,
Pas door u verjongd werd. herbezield,
Ziet! in ijs en onweer keert de balling,
Die weer vijftien jaar uw werk vernielt!
Zoo hier de Menschheid leven moest,
het leven werd haar sterven!
Een herberg vond ze, een woning niet,
gedoemd tot rustloos zwerven.
Waartoe met steen en kalk gezwoegd
aan hutten en paleizen.
De lendnen immer opgeschort,
gereed om weg te reizen\'?
Gereed om alle vijftien jaar
aan andre waereldhoeken
Een bete broods, een bulster stroo,
een straaltjen lichts te zoeken\'?
-ocr page 30-
\'20
Mij dunkt, ik zie de karavaan
dier eeuwige Nomaden,
Met luttel have, en ploeg, en spa
en — zwaarder zorg beladen!
Halfnaakte kindren op den rug
der moeders; dorre grijzen,
Die, stromplende op den pelgrimsstaf,
d\' aalouden reiskoers wijzen ;
Lang door de kranken nageschreid,
die onder weg bezwijken —
Een weg, geteekend met een lijn
van onbegraven lijken !
Ik zie ze trekken, altijd weer,
als dichte sprinkhaandrommen!
Wat dalen in- en uitgestapt,
wat zeen doorgezwommen!
In \'t eind, de pinnen uit den grond!
de tenten uitgevouwen!
Geworsteld met de gierigheid
der dooiende Landouwen!
Gewoekerd met den korten Dag
van vijf gewiekte stonden,
Die d\' arbeid storen, in zijn vaart
door tastbren nacht gebonden.
Als stroomen, naadrend van alom
in on weerhouden brui zing,
Zóo vloeien al de takken saam\'
der bonte Volksverhuizing.
De stammen hoopen zich op éen,
in hongersnood en toren,
Elkaar betwistend elke bron
en d\' eersten handvol koren!.....
Neen, hier geen saamgeschakeld snoei\'
van koninklijke steden,
Met nijvre dorpen geschakeerd,
gebouwd op tucht en zeden!
Geen Volk, vereend door éen belang,
dat rechten deelt en plichten,
Met vriendenhaard en huisaltaar
die de armste hut verlichten!
Verbrokking hier van Gave en Kracht;
een Vreemdlings-oord der tranen:
-ocr page 31-
\'21
Barbaarschheid in haar middernacht —
Wandalen en Alanen!
Neen, wij kunnen niet verscheuren
Wat ons God heeft ingeplant,
Wij, uw zegen niet verbeuren,
Liefde tot het Vaderland!
Zwerven elders heidenhorden
De Aarde rond in wilde jacht,
Dierbaar zijt gij ons geworden,
Erfgrond van ons Voorgeslacht!
Ons, der Vaadren schuldenaren
Voor den bloedstroom in onze aaren,
Voor de vruchten van hun zweet,
Van hun leven en — hun leed,
Die wij op hunne asch vergaaren! . ..
Immer blijft het Land ons lief,
Waar we een teedre Moeder vonden
Die ons tot de doopvont hief;
Waar onze eerste schreden stonden,
Waar voor \'t eerste werd gesmaakt
Wat een ziel gelukkig maakt!
\'t Land is \'t, waar uw gretige ooren
De allereerste klanken hooren
Van het groote Lofakkoord:
Waar ge, op groene zooden, luistert,
Wat het praatziek windtjen fluistert
Van zoo menig lustwarand
In der Feën wonderland;
Waar gij, door de bladgordijnen
Van de hooge linden heen,
De eerste starren ziet verschijnen,
En ze toeknikt, éen voor éen;
Of, nieuwsgierig, \'t oog laat dwalen.
Als daar over groene dalen
\'t Regenwolkjen henenvaart,
Of ge \'t plekjen kunt bespeuren
Daar de boog der Zeven Kleuren
Met zijn voeten rust op de aard;
Waar ge dartelt, waar ge kout,
Met de vlinders die er spelen,
-ocr page 32-
22
Met de vogels die er kweelen,
Met de boomen van het woud;
Waar het zalig lentgenot
\'t Jonge bloed zoo snel doet woelen,
Bij een onbestemd gevoelen:
„God in Alles, \'t Al in God!
Neen, waar ook in later tijd
\'s Hemels zegen ons verblijd\',
Onder Mie zegeningen
De eereplaals aan \'t éenig Oord,
Dat ons steeds heeft toebehoord,
Oud — als de oudste erinneringen!
Doodt de Heidensche Sa turn
Al zijn kindren, wij bewaren
In Herinnrings marmren urn
De assche hier der schoonste jaren!
Want hier hebben we u doorleeld,
Paradijs der Jonkheids-droomen!
\'t Zijn nog altijd de eigen boomen,
Door wier kruin de Godstem zweeft,
Eens door \'t schuldloos kind vernomen;
En geen plekjen, waar wij komen,
Dat niet zijn geschiednis heeft:
De eerste Poëzy van \'t harte,
\'t Morgenlicht van \'t Ware en Schoon\'.
Stralend van den Hemeltroon;
Eerste Liefde\'s vreugde en smarte,
Eerste Glorie\'s lauwerkroon! . . . .
Hier-slechts, waar de geest ontwaakte,
Voedsel vond, zijn banden slaakte,
Rijpt de gave, wast de kracht!
Tucht en Orde houdt er wacht,
Handhaaft de Eenheid in \'t Verscheiden\',
Sluit in allen de enklen in,
En maakt vorst en dienaar beiden
Zonen van éen Huisgezin!
Hier, waar wij de kindren kenden,
Kennen wij de menschenl Hier
Zien wij een Heilig Albestier
\'t Rad van \'t schijnbre Toeval wenden :
-ocr page 33-
23
Want der Menschen loon en lot
Zien we er worden uit — hun werken.
Elders — zien wij d\' Eeuwig-Sterken,
Den Jehovah-\'/.ebaoth:
Hier — een Alvoorzienig God,
Liefde-, Licht- en Levensader.
Onze en onzer kindren Vader!
Ons geen staage Pelgrimsbaan.
Immer weer naar vreemde kuste !
Waar ons wiegjen heeft gestaan.
Toen ons de eerste sluimer suste,
Mogen we eens ter laatste ruste
Tot der oudren slaapstöe gaan ! . . . .
Waar wij de eêlste banden vlochten,
Onze be.ste werken wrochtten,
In de sfeer die God ons gaf.
Waar wij menschen worden mochten, —
Kniele \'t Nakroost op ons graf,
Dekke zacht ons \'t lijkgesteente,
Wekke eens de Engel ons gebeente! . . . .
Moederaard, die ik vérliet!
Neen, uw kind behoort hier niet.
Voor ónze\' aanleg uitgelezen,
Anders, moet die Waereld wezen,
Die ge als Meerdre hulde biedt!
-ocr page 34-
VIERDE ZANG.
JU PI TER.
Wie ziet daar uit heur verre sfeer,
Van zacht-geel licht omgloeid,
Waar \'t goud in \'t zilver vloeit,
Op onze Zonnekindren neer,
Als vergt zij aller hulde en eer?
Wèl mag zij \'t vergen, Reuzenster,
Verkoren Hoofdplaneet,
Die naar den God der goden heet,
Gekroonde Ju pi ter!
Als ooit de Zon heur troon verliet,
Zij erfde troon en rijksgebied!
Als de Almacht dit gevaart\'
In vijftien-honderd stukken sloeg,
Ware elke gruizel groot genoeg
Een herberg voor onze Aard\' !
Maar dat verhoede
De Alwijze en Goede!
Want hier — zou Hij \'t blijven voor schepslen als wij?
Zie opwaards! de zon drijft in wolken voorbij,
Een hoornen lantaren, zoo glansloos, zoo droef,
Den grond nauw beroerend van de eindlooze groef,
En kón zij \'t, wat bracht zij voor wisseling aan
Op \'t vlak van een Bol, die nauw helt op zijn baan ?
Hoe lang en hoe ver zich deez\' waereld bewoog,
Haar polen staan pal, éen omlaag, een omhoog.
Zie! ginder een Winter, van eeuw en tot eeuw
Stom, roerloos, versteend, op zijn praalbed van sneeuw.
Of elders, een blijvende Lent\', maar een beeld
In doodverf: geen licht dat er kleuren penseelt!
Hier, \'t Immer-On vruc h tbr e, in een doodskleed gehuld
-ocr page 35-
25
Ginds, de Eeuwge Belofte, die nooit wordt vervuld!
Woont elders een Zomer, hoe rijpt hij zijn kruid ?
Hoe stooft, in de scheemring, die Halfzon zijn fruit?
F.n vraagt hij nooit zorgen, en geeft hij altijd.
Dan bloeit hij niet op uit het zweet van de Vlijt;
Dan dooft hij des Arbeids bezielende sprank:
Die maait zonder zaaien, geniet zonder dank!
Traag, treurig Ééntonig! te vaker herhaald,
Nu telken vijf uren de Dag is gedaald!
Te langer gerekt, waar de dansende Horen,
Bij maanden van jaren, de vleuglen verloren!
Kon tóch misschien het kroost der Aard
Die wijde Waereld wél bevolken ?
Het andwoord .... geven de wolken,
Op eenmaal dreigend saamgegaard
En vliegend in wilde vaart!
Wat doet den hemel kraken,
Den bodem golven onder mij,
Of alle stormen bij \'t ontwaken
Waanzinnig uit hun kerker braken\'.\'....
Mijn Leidsman, sta mij bij!
Wat ooit op Aarde orkaan mocht heeten,
\'t Wordt zuiderwind en zéfierzucht
Bij wat hier rondspookt in uw lucht,
Gij Stormkaap der Planeeten!
Een storm op \'t land!.... Ik ken zijn stem,
Maar half gedempt: ik wil hem hooren
In vollen toren —
Op onze Anti lies vind ik hem!
Daar rukt hij aan,
De blinde orkaan,
Om de aarde met water en vlammen te slaan.
Daar komt hij, bij wolkbreuk en dondergeluid,
En slingert zijn stroomende vlagen
Zijn hoekige bliksemen uit!
En de Aard, met bang vertsagen,
Houdt spraakloos d\' adem in,
Rillend bij zijn geesselslagen,
Een getuchtigde slavin 1
-ocr page 36-
26
Eensklaps op de volle pracht
Van een Mexikaanschen hemel
Volgt een Algemeene Nacht,
Zonder naam of stargewemel;
En door de eeuwge Lente heen
Wandelt op eens met verwoestende schreên
"t Aaklige spooksel des Winters:
Wouden, met steeds jong geblaart\'
Zestig eeuwen lang gespaard,
Scheuren tot spattende splinters,
Of tuimlen ontworteld ter aard\'!
Steenen wallen
Schudden, schokken!
Torens, kerken
Wagglen, vallen,
Kleeplend met de kopren klokken
Als van schrik!
Vlijt\'s en Arbeid\'s wonderwerken
Zwichten voor het Recht des Sterken
In éen oogenblik!
En waar gistren de oogen rustten
Op een Eden frisch en blij,
Levendige schilderij
In een lijst van groene kusten,
Nu — Verwoesting overal,
Éen, afgrijslijk, Hinnoms-dal!
Armen, zonder huis of hut,
Tot op \'t naakt toe uitgeschud,
Weenen zich het licht uit de oogen,
Bij de dooden neergebogen,
Dooden, slapende op de straat,
Zonder kist of lijkgewaad!
Andren, met bebloede vingren,
Daar zij \'t puin op zijde slingren
Met een stomme beê tot God,
Wroeten naar het overschot
Van een vader, van een broeder,
Van een gade, van een moeder,
Van een éenig troetelkind,
Pas geboren,
Toch verloren,
-ocr page 37-
\'27
\'t Zij men \'t vindt, of niet en vindt!
En het huilen van den wind.
En het woeden
Van de vloeden,
Van de donders, slag op slag
Kollend dat de rotsen schudden,
\'t Loeien der verschrikte kudden,
Menglende in het wee en ach
Van der menschen rouwgeklach, —
\'t Klinkt verward door wolken henen
Van stof en steenen ....
Zijt Gij verschenen,
Gij, Jongste Dag\'?
Een storm op zee!.... Gij kent zijn macht,
Maar half bedwongen; wilt ge aanschouwen
Hoe al zijn krachten zich ontvouwen\'.\'
Ziet toe, wat op de Indische waatren u wacht!
De lucht is klaar:
Slechts hier en daar
Wordt de stuurman een koperen wolkjen gewaar,
Een rosse damp, met vogelvlucht
Voortijlend door de lucht ....
Tot op eenmaal \'t azuur van den hemel verbleekt,
En een huivring de golven doorheeft,
Bij een aaklige stilte, als de rechtzaal doorzweeft,
Eer de vierschaar het doodvonnis spreekt.
Daar schiet onverwachts van het broedende Zuid
De boö der Vernieling, de Wervelwind, uit.
Daar rollen op eens op d\' ontroerde\' Oceaan
Vijf, zes hooge baren, als bergketens aan,
Door diepten gescheiden, zoo zwart als het graf,
En schuddend het schuim als lawinen zich af,
Zich hellend, zich krullend, een muur van kristal,
Voorover zich stortend, met dondrenden val 1
Ei, ziet nu die schepen,
Geharnaste ruiters der waatren weleer,
Uit koperen monden gebiedend van veer\'!
Zij trekken niet langer hun glinstrende streepen
Op \'t spiegelglad meir.
-ocr page 38-
28
Benard nu, benepen,
Gesold op en neer!
De bliksem slaat in, en met daavrend geweld,
Geknakt als een riet, ligt de mastboom geveld.
Nog wappert het fokzeil: \'t vliegt weg in den wind,
Als speelgoed, gerukt uit de hand van een kind.
Aan flarden de touwen!
Aan stukken het roer!
Gewoel en rumoer,
Geroep van den vlootvoogd, gejammer der vrouwen.
De loeiende golven bespringen \'t verdek,
Aan bakboord, aan stuurboord, en spuiten door \'t lek.
De vijand is boven, de vijand is onder,
Alom is de vijand!.... Vergeefs gaat de pomp!
Het schip helt op zij\', een ontredderde romp!
Ken snijdende gil, overstemd door den donder —
Nog even een stip —
Voorts, niets meer dan — de Afgrond!.... Gezonken is \'t schip!
De zee heeft hare offers bedolven;
En woest als een leeuw die daar hurkt op zijn buit,
Zoo schudt zij heur druipende golven,
En brult haar verwinnings-kreet uit!
Toch, de storm op het Land, en de orkaan op de Zee,
Drijven over. Dan keeren de kalmte, de vree!
En straks bloeit weer de kust; \'t nieuwe woud vult zijn kruin;
De oude steden staan op, als verjongd uit heur puin;
En de spiegel der zee keert glimlachend terug,
Of er niets waar\' gebeurd, zonder breuk, zonder rimpel,
En weer scheert haar het schip, als de zwaluw zoo vlug,
Met den wind in zijn zeil en de zon op zijn wimpel!
Want de spin boet heur web, en de Mensch heelt zijn werk...
\'t Leven is den Dood te sterk!
Maar op deze Jupiter
Nooit de ruste, nergens vrede!
Stormen, stormen, heinde en ver\'
Met een onverzoenbre vrede!
En, zóó soms de krijg verpoost,
Wie is hij, die wèlgetroost
-ocr page 39-
\'29
\'t Hoekjen van den haard zal bouwen,
Stééds de dreiging boven \'t dak?...
Arme vogel, aan wat tak
Kunt ge uw nestjen toebet rouwen?
Sombre Planeet!
Immer in dreigende wolken gekleed,
Jupiter waardig,
Houdt gij uw stormen en vuurpijlen vaardig.
Had\' ooit het lot
Hier ons verwezen,
Machtige God!
Werdt Ge als de Liefdrijke God nog geprezen\'.\'
Lieten wij \'t los,
\'t Schrikbeeld des grammen
Heidenschen Gods,
Slingrend ter wrake zijn doodende vlammen?
Toornige schimp
Grauwt op zijn voorhoofd, van rimpels doortrokken ;
Schudt hij de lokken,
De Eeuwige Olymp.
Davert, en bleek in hun schuilhoek gevloden,
Siddren de goden!
Menig geslacht
Heeft zich den Schepper niet anders gedacht.
Rolde de donder, dan brulde Zijn toren,
Flitste de bliksem, dan snerpte Zijn roê!
\'t Schepsel stak, angstig, in wanhoop verloren,
Smachtend de machtlooze handen Hem toe.
\'t Onheil te weeren?
De Almacht te ontwaapnen? den bliksem te keeren?
n Dwaasheid 1" vooruit was dat vonnis geveld.
Honende kreeten
Begroetten den Held,
Die zich het waagstuk het eerst zou vermeten.
Toch was dat waagstuk geen schennige waan.
Koortsig in \'t brein van een Titan ontstaan.
Denken en trachten,
Studie en strijd,
Slaaplooze nachten,
Hadden \'t doen rijpen, gebeden \'t gewijd.
-ocr page 40-
30
Ziet, daar verschijnt hij, de Ontdekker! Zijn oog
Blikt naar omhoog:
„God der Natuur! o bekroon mijn verlangen!
„(»ij die het weet, geen zelfzuchtige wensen.
„\'t Heil van den Mensch,
„Prikkelt mijn streven." — En \'t doodsbleek der wangen
Wordt van den vuurgloed der geestdrift vervangen.
„Herwaards de stang!"
En daar verschijnt ze — als de Koperen Slang,
Voor wie gelooven
Teeken des heils — op den Tempel, daarboven !
Hoog van den nok, als beschermd door het kruis,
Doet hij de strook langs het Heilige Huis
Nederwaards slingren,
Dalen in de aard,
Waar zij zich vastklemt met ijzeren vingren ...
\'t Volk staat nieuwsgierig in \'t ronde geschaard :
De ouden van dagen
Schudden het hoofd, en met spottende vreugd
Schatert de jeugd,
\'t Is een gemurmel van klagen en vragen:
„/.al dan een mensch aan een draad van metaal
„Vangen en dwingen den hemelschen straal?
„Voerde niet de enkele hand van een kind
„Eerder den woedenden leeuw aan een lint?
„Majesteits-schennis!
„Onrijpe vrucht van den Vloekboom der Kennis!
„God zal het wreken: Hij komt ten gericht!"....
Ziet toch, daar schemert
Eensklaps het licht:
\'t Onweer rukt nader — het wandelt en wemert
Boven de Kerk,
Lokpunt der wolken van \'t zwavelig zwerk !
Hoort! zij ontploffen:
\'t Bliksemvuur blaakt!
Daar volgt een slag, waai\' de hemel van kraakt —
\'t Heiligdom Gods is getroffen!___
Dicht naar den muur stuwt de menigte, en ziet —
Daar is wel waarlijk het wonder geschied !
\'t Vuur van den bliksem, de elektrische stroom,
Is door den leider gevoerd aan den toom,
-ocr page 41-
M
Om zich te ontladen
Diep in den vochtigen bodem beneên,
Zonder tot zelfs aan het spinweb te schaden.
Vlechtend heur draan over \'t bliksempad heen !,
Daar leeft een God, die den heldenmoed loont;
Franklin! uw naam is voor eeuwig gekroond.
Maar in déze Storm woestijn
Waar de stralen eeuwig kruisen,
Zou de Kunst onmachtig zijn!
In wat kazamatten-kluizen
Bomvrij tegen \'t haaglend vier
Moesten hier
De strijders huizen !... .
Of, is \'t waarheid, staat mijn voet
— Als op aarde werd vermoed —
Hier aan d\' ingang eener Waereld,
Half nog schuilende in den vloed,
Chaos, die nog gist en dwaerelt,
Wachtend, zooals de Aarde eenmaal
Na dat allereerst: „Er worde!"
Op den geest der heilige Orde,
Op des Levens zonnestraal?
Waaien zuiverende stormen
Over de oppervlakte heen,
Waar onzeekre Levensvormen
Komen, gaan, te zwak, te kleen, —
Niet verdelgd, verdaagd alleen?
Arbeidt hier een Oodsgedachte
Die pas half verwerklijkt is?
Zoekt ze een vorm ? Ontvouwt de Almachte
Straks hier Zijn geheimenis?___
Als de vrucht in heur omwindsel,
Kiemt een Paradijs misschien
In dit onvolwrocht beginsel.
Reeds voor \'t Godlijk Oog te zien!
Want — elk aangevangen Leven,
Schijnbaar reeds \'t verderf ten buit,
Rijpt, en treedt zijti doodcel uit
Om in \'t eind zijn vrucht te geven!
-ocr page 42-
39
Hartverkwikkend woord,
Woord van troost en vrede!
\'k IJl bemoedigd voort,
Want ik draag u mede.
Hier, maar ook op Aard\',
Waar veel stormen varen,
Waar we op raadslen staren,
Zijt gij schatten waard!
Vaak in \'s harten grond
Wil een Lied beginnen:
Eensklaps zwijgt de mond
Voor d\' orkaan daar binnen.
Hoe toch — \'k weet het niet —
Is hij opgestoken 1
Halfweg afgebroken,
Sterft vaak \'t Beste Lied!
Vaak aan d\' eèlsten boom
Komt het Bloesemknopjen
Met een stillen schroom,
Drinkt het morgendropjen,
Vangt wat licht en lucht,
Maar — de stormen knallen:
\'t Iiloemtjen is gevallen,
\'t Rijpte nooit tot vrucht!
Vaak met wee en smart
Wordt een Kind geboren;
Maar dat jonge hart
Laat geen polslag hooren.
\'t Kwam alleen, o Dood!
Uw geheimnis leeren,
Om tot de aard te keeren
Uil den moederschoot!
Zijn er in \'t verschiet
Elyzeesche dreven
Waar \'t gebroken Lied
Zingend zal herleven ?
-ocr page 43-
Waar de Bloem zich windt
Uit verstorven stengel?
En de bloeiende Engel
Uit het doode Kind?
Neen, Vernietiging
In Gods Rijk is logen!
Wat bestaan ontling,
Wordt voor \'s Makers oogen,
En wat wordt, zal zijn.
Niets gaat ooit verloren,
Eeuwge! uit Uw tresoren:
Slechts de Dood is schijn!
Moederaard, die ik verliet!
Neen, uw kind behoort hier niet.
Voor ónze\' aanleg uitgelezen,
Anders, moet die Waereld wezen,
Die ge als Meerdre hulde biedt!
-ocr page 44-
ZANG.
VIJFDE
11A K S.
Gelijk wanneer een moedig Emigrant,
Den vrekken grond van zijn geboort\' begevend\',
Zich opmaakt naar een beter Vaderland,
En nu, d\' Atlantische\' Oceaan doorstevend\',
Vele eilanden in \'t ronde ziet verspreid,
Maar rustloos naar zijn El-Dorado stevent:
Dus, wenschend naar een Land der Heerlijkheid,
Doorklief ik, op de onzichtbre wiek gedragen,
Het ruim dat Mars van Jovis kogel scheidt.
Wat zwerm van waerelden, die \'k op zie dagen,
Doorwandelt heel die schijnbre woestenij,
Hier — \'t dampomhulsel over \'t hoofd geslagen,
Ginds —. flikkerend in zilvren feestkleedij!
Als kindren, die in wedloop zich verblijden,
Omdansen zij de Zon in lange rij,
Soms paar aan paar; dan van twee andre zijden
Allengskens naadrend, tot ze elkanders baan! —
Ten slotte in \'t aangewezen punt doorsnijden,
En weer, voor eeuwen, uit elkander gaan! —•
Wat wil dat eindloos zoeken, volgen, vlieden?
Wat schudding, wat vijandige vulkaan
Verbrokkelde tot kleine asteroïden
Ontzachtlijke Planeeten? En wannéér?
En welk een herberg kunt ge ons menschen, bieden.\'
-ocr page 45-
35
Gij, zwerfsters! Waereldgruizels! of veeleer
Bouwstoffen voor nog latere Planeeten,
Maar nu, voor ons, koloniën, niets meer,
Te klein vaak om een koninkrijk te heeten! —
Als gij het menschdom splitsen moest, de band
Der Eenigbeid lag van elkaar gereten:
Geen volken reikten zich de broederhand,
Gescheiden door een kloof, niet te overkomen,
Elkaar voor immer vreemd, hoe nauw verwant!
Vaartwei! Bij u is \'t Land niet mijner droomen !....
Zelfs Gij niet, die daar vonkelt, rood als \'t bloed
Dat hij, wiens wreeden naam gij draagt, doet stroomen,
Gij, Mars! — Geen hope spelt uw purpargloed!
Wel zweemt gij \'t meest naar onze Moederaarde,
Toch heeft ze in u haar Meerdre niet begroet.
Gij hebt haar sneeuw — maar ook haar bloemengaarde \'?
Haar winter, tweevoud — ook haar zomerprucht ?
En zoo ge in starrenglans haar evenaarde, —
Haar schoone Zon, met volle levenskracht,
Die mist ge, bij twee-derden van haar stralen,
Door Warmte en Licht ten halven slechts bedacht.
Zij kon, met al uw heuvelen en dalen,
Tot zevenwerf u bergen in haar schoot....
Uw eigen kroost moog\' vrolijk ademhalen,
Voor Tellus\' kindren hebt gij plaats noch brood!
Tellus\' kindren al te saam\'
Moeten op éen Waereld wonen.
Al haar dochteren en zonen
Heeten naar heur Moeriernaam.
Hoe verscheiden, éen Geslachte
Zijn ze, éen enkele Godsgedachte,
Éen onsterflijk Schepperswoord.
Levende in millioenen voort!
-ocr page 46-
36
Niet naar menschen, uitverkoren
Uit die allen, \'t kleiner deel.
Maar den Mensch, als een geheel,
Is des Aardrijks kroon beschoren.
Schoon in andre lucht geboren
En door berg en zee gesplitst.
Naar wat ras of stam ze heeten.
Uit de groote Volkren-keten
Kan geen enkle schalm gemist.
Andre krachten en talenten,
Waar een eigen aart in speelt.
Zijn elk hunner toebedeeld.
Op zich-zelve slechts fragmenten.
Maar vereend, des Menschdoms beeld.
Zóo, wilt gij het Huis aanschouwen,
Waar de koning troonen moet,
Laat den wakkren Meester bouwen
Uit der schuren overvloed,
Laat hem heel die mijn van steenen.
Heel dat woud
Van eikenhout,
Tras en marmer, lood en goud,
Naar zijn Ideanl veréenen!
Straks is \'t al naar aart en eisch
Wélgeordend saamgesloten,
En als uit éen stuk gegoten
Praalt het Koninklijk Paleis.
Uit der Menschen duizendtallen
Leeft niet-éen
Zich-zelf alleen:
Dus de Volkren. groot en kleen
Allen zijn bestemd voor allen!
Daarom moeten ze eens elkaar
Naadren kennen en waardeeren,
Liefde leeren, Leven leeren.
Als éen Priestervolk des Heeren
Offrend op éen dankaltaar —
Louterend elkanders waarde.
Huilend, bij het goed der aarde.
Al den schat van Hart en Geest.
-ocr page 47-
37
Kennis, Kunsten, Gunsten, Gaven,
Die ontwikkien en beschaven.
Diensten, Deugden allermeest!
Waarom dan, zonen
Van \'t zeilde Huis!
Nog Burgeroorlog
En Krijgsgedruisch *.\'
Wat meet ge elkander
Vergramd van ver\',
Den naam benijdend
Dier Hoode Ster,
Met vlammende oogen
En tandgeknars
De vaan ontplooiend
Van d\' ouden M ars\'.\'
Bij plaats voor allen
En brood voor elk,
Wat leegt de Hebzucht
Den zwijmelkelk,
Totdat zij, dronken
Van overmoed,
Den greep durft wagen
In \'s broeders goed 1
Waarom der Lalheid
Den moed geborgd,
Waarmee de schakal
De lammren worgt\'.\'
Is \'t staal de Waarheid,
Die \'t pleit beslecht?
Staaft zeker Onrecht
\'t Onzeker Recht?___
Waar boos beginsel
Den Krijg bereidt,
Daar wijkt de Tucht voor
De Oneerlijkheid,
Waar schaamtlooze Eerzucht
De vaandrig is,
De Wraak trompetter
Aan \'s legers spits, —
Zijn alle Driften,
-ocr page 48-
38
Vergroofd, ontaart,
Het trosgeboefte
Van \'s legers staart!
Zie, achter Ca e sa r,
Die \'t zwaard ontbloot.
Op valen klepper
Altijd — de Dood!
Verwoesting, slaande
Met de eigen vlerk
Gods schoone Schepping
En \'s Menschen werk :
Kartouwen, tlikkrend
Van bliksemglans,
Den maatslag gevend
Ten doodendans;
De kogels, vallend
Zoo dicht als snel,
De dobbelsteenen
Bij \'t vreeslijk spel.
Dat duizend levens,
Bedwelmd, verwoed,
Te-samen spelen
Om \'s harten bloed !
De paardenhoeven
In \'t knikkend graan,
En bof\' en boogerd
In \'t vuur vergaan!
Of, waar de gruwel
Van \'t blind Verderf
Niet doortrok, eenzaam
\'t Ontvloden erf:
De wieg — verlaten;
De haard — in de asch;
De dierbre drempel —
Begroeid met gras;
Wel wit om te oogsten
\'t Gezegend land,
Maar om te zaamlen
Geen enkle hand:
De vrucht verrottend
Aan eigen tak;
-ocr page 49-
39
De zwaluw tjilpend
Op \'t eenzaam dak !
Alom de Wanhoop
In de enge borst;
Gestremd de Handel:
De Vaart geschorst;
Verjaagd de Muzen :
Slechts de éene kunst
Der Menschenslachting
In vloekbre gunst!
Het Huis des Heeren
Een moordnaars-hol:
De schuren — ledig,
De graven — vol;
Veel duizend harten
Voor immer stil,
Gedood op \'t outer
Van éenen wil!
Voor éenn paerel,
Wier tranenglans
De kroon moet eieren
Eens Dwingelands,
De hoofd- en hoeksteen
Van Staat en Huis,
— De Burgervrede! —
Verschopt tot gruis,
In minder uren
Ter neergeveld
Dan eens in jaren
Van rouw hersteld!....
Gij, Waereldgrooten,
Wier pennetrek
Den Krijg ontketent
En \'t bleek Gebrek!
Of gij, Beroerders
Van \'t morrend Volk,
Gelijkheid preêkend
Met toorts en dolk!
O, zoo \'t Geweten
Nog in u leeft,
-ocr page 50-
40
Droomt gij geen droomen,
Waar \'t hart bij beeft,
Waarbij geen sluimring
Op de oogen strijkt,
En de Engel troostloos
Van \'t sterfbed wijkt\'?___
Wannéér, bij \'t rijzen
Der Vrede-zon,
Wordt gij vernageld,
Gij, laatst kanon\'.\'
"Wanneer? — Als de Astrea der Toekomst kan komen,
Een Gouden Eeuw scheppend uit de Eeuw va n het
Vernielend de geessels en knellende toornen,
               [Goud,
Daar ze eindlijk den Mensch geestlij k-mondig aanschouwt.
Wanneer\'? — Als geen Vorsten de les meer behoeven,
Dat de Eeuwige Rechter reeds vonnist op Aard,
En iets van de Wet der vergelding doet proeven,
Waar de opstand verschijnt met de weegschaal en \'t zwaard.
Wanneer\'? Als de Vrede geen Volken zal schaden.
Geen schimmel der Traagheid een Kracht meer bedekt,
Nu vaak door een schok tot verheffende daden,
Charakterontwikkeling, nieuw leven, gewekt.
Tot zoolang verdraagt een Alwijze Genade
Den Krijg, mede een dienaar dier Almacht gesteld,
Die \'t licht uit den nacht lokt, het goede uit het kwade,
Den Bileams-vloek tot een zegen versmelt.
Hoe menige worstling, die bloed kost en tranen,
Bestuurd door de Hand die den draad houdt des lots,
Moest wegen op nieuw tot die Omwentling banen.
Die \'t Heidendom inlijft in \'t Koninkrijk Gods!
De bres, door \'t kanon in den ringmuur gedreven
Die China\'s vierhonderd millioenen omgal,
Werd zij niet de deur voor den Bode van \'t Leven,
Die \'t doodsgebeent\' wekt in \'t reusachtige graf\'?
Heeft zij op Caprera geen waarheid gesproken,
Die juichstem: „Niet vruchtloos, Italië! is uw strijd:
„Uw zwaard heeft de boeien des Bijbels gebroken:
„De Bijbel zij \'t zwaard, dat Italië bevrijdt!"
Heelt Neêi\'land niet ook tachtig jaren gestreden
Voor \'t Vrije Geweten, het Heiligste Goed\'?
-ocr page 51-
u
Zoo wij niet, de Kindren, ten brandstapel treden,
De vlam werd gebluscht door der Vaderen bloed!
En wee over \'t Volk, zóo verlaagd en verloren,
Dat niet, waar het aankomt op \'t Eenige en \'t Al,
Op \'t heil zijner ziel, een: ,God wil het!" doet hooien
En grijpt naar het zwaard! .... Het is rijp voor den val
Maar toch, het kwade, al diende \'t llooger Macht
Ten goede een tijd, kan niet onsterflijk wezen!
Eens komt er. rnooglijk kiemt reeds, een Geslacht,
Dat de oude wond der Menschheid doet genezen !
Dan zal die roode glans van broederbloed
In \'t purperkleed der Koningen verbleeken;
Verzoenings-Engel met een vrede-groet
Wischt van der Volkren voorhoofd \'t Kaïns-teeken.
Het oordeel, dat nu tluistrend wordt gehoord,
Gewetens stem, roept luide uit aller monden,
En de Oorlog, zónder lauwren nu: de Moord,
Wordt enkel nog bij \'t woudgediert\' gevonden!
O, dat niet spade uit eigenbaat geschied\',
Wat, nu reeds, vrije liet\'de\'s werk moest wezen,
Eer de immer-nieuwe vonden op \'t gebied
Van \'t Naaldgeweer de Heerschers-zelf doen vreezen!
Eer \'t dwaasheid weid, voor tonnen schats een heii\'
Te wapenen met doodelijke roeien,
A!s onverwachts de Vijand morgen weer
Een nieuw geschut, nog doodlijker, zal voeren!
Eer \'s Legers bloem misschien voor d\' eersten maal
Een aanval ducht, die in vier, vijf sekonden
Uit tieninaalduizend trompen van metaal
Met even zooveel schoten dreigt te wonden;
Ja, die wellicht — wie weef.\' — op zeekren dag
Een laatst, helsch W\'erktuig schept, dour stoom gedreven,
Dat door geleedren heenslormt, en den sla;;
Beslist vóór nog éen sabel is geheven!
Geen heldenstrijd, maar ook in \'t heldenhart
Geen prikkel meer tot Dapperheid, zoo \'t wapen
Machine is, dat uit ongenaakbre vert\'
De massa\'s doodt als weerelooze schapen,
-ocr page 52-
42
Geslagen door des hemels bliksemvuur,
Doorhageld als een schietschijf! — Met liet blusschen
Van krijgs-moed dooft de krijgs-lust te éener uur;
En enkel Turken nog en woeste Russen,
Beneveld door hun priestren, staan bereid
Om lijdlijk \'t moordend schot in \'t hart te ontfangen....
Aldus wierd de Oorlog een onmooglijkheid,
In \'t net van eigen gruwzaamheid gevangen___
Neen! zóo moet hij niet eindigen! Niet dus
Een schandedood, laag en gedwongen, sterven!
Geef hem een eerlijk graf, o Genius
Der Menschlijkheid! Nu hij nog kan verderven,
Nu hij nog machtig is. sla hem in hand,
Vernietig hem, vrijwillig, voor de Poorte
Des Vredes, als een heilige offerand
Der Liefde, en — groet des Waerelds weêrgeboorte!
Och, of die blijde Morgenstond
Welhaast de wolken kliefde!
Verhaast hem, gij, die vrede vondt!
Met woord en voorbeeld Hem verkond,
Den Grooten God der Liefde!
Eerst in den eigen, engen kring
Waar u de Al wijsheid plaatste,
Straks door heel \'s Waerelds ommering,
Geen vijand meer of vreemdeling:
Wat Mensch heet, is uw Naaste!
Het Rijk van Waarheid. Liefde en Licht,
Met al zijn hemelschatten
Op Aard en voor heel de Aard gesticht,
Moet al heur kroost omvatten;
Het moet, verbreid naar wijd en zijd,
Zijn zegeliedren zingen —
Slechts dat is de éenig Goede Strijd,
Waar de eêlste kracht aan mag gewijd
Van al Gods keurelingen!
En daarom, trekt in Gods naam uit,
Gij Evangelieboden!
En wekt, waar gij de Paaschklok luidt,
Het leven uit de dooden!
-ocr page 53-
43
Werpt d\' eeuwig-goddelijken straal
In \'t hart van wilde en kannibaal,
Tot elke nieuwe leerling
0|> zijne wijz\' de daad herhaal\'
Van uw Zuidzee-bekeerling,
Die, als geen inkt hem overbleef,
Zijn buskruit vloeibaar maakte,
En daarmee d\' eersten Lofzang schreef
Hem die zijn banden slaakte,
Dus meê d\' aalouden Moord verdreef,
En speer en lans versmeedde
Tot sikkels van den Vrede!
En daarom, zet uw arbeid voort,
Zeeploegers, jonger helden,
Gij, kroost van Tasman en de Noord,
Wien de erfnis van hun roem behoort
Op alle watervelden!
Vangt, waar u de innigste aandrift riep,
Gods adem in uw zeilen.
Om waar nooit meetsnoer zonk in \'t diep
De nieuwe golf te peilen!
De Ontdekkings-wimpel rijze in top
Tot tusschen \'t ijs der polen,
En zoeke \'t laatste plekjen op
Waar broeders zijn verscholen!
Gij, die Natuurkracht gadeslaat
En dwingt met uw bevelen,
Ai, schakelt aan uw tooverdraad,
Die dwars door lucht en water gaat,
De versie Heidendeelen!
Geeft Ruimte en Tijd een nieuwe wet,
Vlecht, daar gij berg en bosch verzet
Tot de afstand is verdwenen,
De mazen van uw spoorwegnet
Om \'s Aardrijks kogel henen!
Zendt zóo met bliksemsnelle vaart
Het Woord gevleugeld over de Aard!
Brengt Volkren aller namen,
De punten van uw Waereldkaart
Als op éen punt te samen!
Zoo trekk\', tot onverpoosd verkeer
-ocr page 54-
44
De Pelgrimaadje heen en weer,
Gezegend Vreêgezantschap!
Totdat — het Groot Gezin in \'t end
Het Hecht Herstelt en \'t Heil erkent
Der Bloeds- en Godsverwantscbap!
Moederaard, die ik verliet!
Neen, uw kind behoort hier niet!
Voor ónze\' aanleg uitgelezen
Anders, moet die waereld wezen,
Die ge als Meerdre hulde biedt! ....
-ocr page 55-
ZESDE ZANG.
M E R K U R IU S.
Toen Da n te, op zijn onsterfelijke tocht,
Zeeghaftig uit d\' Inferno opgestegen,
Het Tweede Rijk, den Loutrings-berg bezocht,
Gebeurde \'t hem, dat hij, in slaap gezegen,
liij \'t eerste krieken van den nieuwen dag,
Als Zinlijkheid en Stof zoo zwaar niet wegen,
Op eenmaal in den droom een aadlaar zag.
Op gouden pennen aan den hemel drijvend.
En schijnbaar dalend zonder vleugelslag.
En \'t was welhaast, of hij, een kring beschrijvend,
Maar snel gelijk de bliksem nedervloog.
En d\' andren Ganimeed, van schrik verstijvend,
Meevoerde tot de Sfeer des Vuurs omhoog;
En \'t kwam hem voor, dat ze in de vlammen stonden,
Wier pijn den slaap deed wijken uit zijn oog.
Als had ik meê dat alles ondervonden,
Zoo sta ik, als uit diepen slaap ontwaakt.
Hoog op een Berg. De starren zijn verzwonden
In \'t flikkerlicht, waarvan de hemel blaakt.
\'t Is of ik in een zee van vlammen wade,
Waarbij mijn dorre keel een smartkreet slaakt.
De hand voor \'t oog, daar ik in \'t zweet mij bade
En van ontzetting beef, sla \'k boven mij
Een stralenschietend Vuurverschijnsel gade.
-ocr page 56-
.\',(\',
Dat is de Moederzon! — maar zoo nabij,
Als geen der waerelden haar ooit ontwaarde.
Als \'t kopren schild eens Titans vonkelt zij,
Zes malen grooter dan de zon der Aarde,
Bij tienmaal sterker licht en feller gloed
Dan ze ooit in Sahra\'s blindend zand vergaSrde.
Gij, onbekende Dwaalstar aan mijn voet!
Wie zijt gij, dat gij \'t harden kunt en leven ? -
Wat noemen ze u Merkurius?.... U moet
De naam van Purgatorio gegeven!
Ze is heerlijk, des Levens
Weldadige bron,
I\'laneeten! uw moeder,
De alvoedende Zon,
De sints zestig eeuwen
In eindlooze jeugd,
Rijk, mild, als in Eden,
De Waereld verheugt.
Ze is Gods Profetesse,
Zijn Blik, waar ze straalt,
Die daaglijks het wonder
Der Schepping herhaalt.
Is \'t Licht niet Gods eerstling\'?
In \'t oost breekt het door:
Een zilverstreep teekent
Zijn bliksemend spoor.
Bij \'t krimpen der schaduw
Klimt de Aarde uit beur graf:
Daar scheiden de waatren
Van waatren zich af!
Omhoog trekt de sluier
Der dampende zee;
De rollende dauwwolk
Der weide gaat meê.
Nu spant weer als gistren
De hemel zijn tent,
Nu glinstert, herboren,
-ocr page 57-
47
Uw blauw firmament.
Nu groeien, getooverd
Uit nevel en nacht.
Uw boomen, uw wouden,
In wuivende pracht
Uw struiken ontluiken,
Heel \'t oude plantsoen,
Zich tooiend met bloemen,
Zich plooiend in \'t groen.
Daar vonkelt, een rand nog,
Het rozenrood wiel
Van d\' Uchtend, daar is zij,
De Zonne, de Ziel!
Nu, stemmen alomtne!
Welluidend gerucht!
Hoor, \'t plascht in de stroomen
Hoor, \'t ruischt in de lucht!
Het vogelchoor klapwiekt,
En fluit van omhoog
Het vee en \'t gedierte
Den slaap uit het oog —
Tot, laatste, schoon de eerste,
De koning genaakt.
De mensch, uit den schijndood
Der sluimring ontwaakt,
Die nu, als herschapen,
De zon in \'t gezicht,
De Zeedlijke Waereld
Beschijnt met zijn licht!
Heerlijkst na de winterdagen
Wijdt de Dagvorstin,
\'t Aadlijk purper omgeslagen,
\'t Nieuwe Leven in.
Langgevangen stroomen vloeien
Vrij en frank door-een,
Slingrend hun gebroken boeien
Dansend voor zich heen.
Haastig loopen alle knippen
Met een: , Welkom!" uit.
De Aard, van zilvren vreugdedroppen
-ocr page 58-
48
Bigglend, wordt de Bruid.
Harten, dor en koud, gaan open
Met een nieuwen moed.
Juichend: „Weder mag ik hopen,
„\'t Leven is nog zoet!"
Waar op de Aardsche kronkelwegen
Zon is, daar is God!
En waar God is daar is zegen.
Troost en zielsgenot.
Minder dof de traan die wiegelt
Op \'t bedrukt gelaat.
Als er \'t licht der Zon in spiegelt,
En — naar binnen gaat.
Minder arm de beedlaars woning.
Waar de Zon haar goud.
Rijk als bij den grootsten koning,
Giet op \'t verfloos hout,
Of met stralend glansgemengel
\'t Hoofdtje\' omkranst van \'t wicht.
Dat daar als een slapende engel
In het wiegjen ligt.
Minder blind is zelfs de blinde,
Wien haar glans omslroomt.
Waar hij bij zijn groene linde
Van de Lente droomt.
Om de lippen van den doode
Toovert zij een lach,
Weerglans van den Hemel, bode
Van den Eeuwgen Dag !
Maar — in wat plage
Verkeert de zegen,
Als Licht en Hette
Ten toppunt stegen ;
Wanneer de Kreeft-Zon
\'t Hart van Bengalen
Doorschiet met pijlen
Van gloènde stralen!
Heur schijf, ontstoken,
Van damp omkronkeld,
-ocr page 59-
49
Gelijk een bloedvlek,
Die aaklig vonkelt.
De gantsche Ruimte
Blaakt als een oven,
En splijt den bodera
Met grauwe kloven,
Als wen de sluipkoorts
De Moederborsten
Verdroogt, die \'t wicbtjen
Vergeefs doen dorsten:
Zóo zijn de wolken
Verdord, zóo droogen
De beeken, macht loos
\'t Plantsoen te zoogen!
\'t S i r i s a-bloemtjen
Verbleekt, verschrompelt;
De lotus krult zich,
In gloed gedompeld:
De palm laat moedloos
Zijn waaiers hangen.
De lucht mist d\' adem.
Het woud zijn zangen.
De bulfel stampvoet
Van dorst schuimbekkend,
Met kopren tong zich
De lippen lekkend.
Vergeefs zoekt de ever
Door \'t slijk te woelen;
Tot steen verhardde
De drab der poelen.
Schoon de elefanten
Den leeuw genaken,
Hij schudt de manen
Noch spert de kaken.
En stiailoos mogen
Des langen kruipen,
Die naar de schaduw
Der pauwstaart sluipen.
Gestaakt is de Arbeid,
De Vreugd verdorven;
Hof, Huis en Tempel
-ocr page 60-
50
Schijnt uitgestorven.
Vergeefs zoekt, zwoegend
Door dwarrelwinden
Vol stof, de pelgrim
Zijn weg te vinden.
De helden zijgen
Ter aarde, en droomen
— Maar zonder sluimring! —
Van frissche stroomen,
Van waalren, springend
Uit koele bergen,
Die \'t smachtend harle
Tot wanhoop tergen!....
Vergeefs de nachten
Gesmeekt om koelte:
Ook uit haar wieken
Doomt de eigen zwoelte,
Als ging de zonne
Nooit waarlijk onder, —
Een vonk, die voorlgloeit
In zwarten tonder!....
En wee, als plotsling
Het vuur der aarde
Aan \'t vuur des hemels
Zijn woede paarde!
Éen sprank in \'t drooge
En — roode vlammen
Omarmen dansend
De dorre stammen,
En vliegen verder,
De weiden scheerend,
De bamboes-velden
Tot asch verteerend,
Het Rand bestokend
Met smook en vonken,
Het Roofdier geesslend
Uit zijn spelonken:
Nu t\' saam voortvluchtig.
Daar ze angst en veeten
-ocr page 61-
51
In de éene vreeze
Des doods vergeten!
Maar hoe zengend vaak
De Aardsche nette blaak\',
Herl\'stkotï zou ze schijnen
Bij \'t onzichtbre vuur,
Vreeslijke Merk uur!
Uwer luchtwoestijnen.
Zoudt gij, die \'t metaal
Wegsmolt tot een straal,
\'s Menschen oog niet blinden \'!
Niet, den sterkste te erg.
Hem des levens merg
In \'t gebeent\' verslinden\'.\'
Of, zoo hij uw zon
Zien en — leven kon,
Zou hij \'t leven smaken*.\'
Aèmende in een gloed
Als de damp die broedt
Onder looden daken,
Tot de ploeg onnut,
Toerende, uitgeput,
Van de wilde gaarde, —
\'t Aandeel aan uw erf,
Kleiner twintigwerf
Dan zijn Moederaarde?
Als ook gij de Lent\'
En heur zusters kent,
Toch, hoe ras verstreken,
Vliegendsvlug als gij,
Wisselt elk Getij\'
In een drietal weken!
Wat grootsch Menschenwerk,
\'t Woèn des tijds te sterk,
Vrucht van duurzaam streven.
Wat onsterflijks ooit
Kan bij ü voltooid,
Die zoo snel doet leven,
Die de dagen telt
Als een vrek zijn geld.
-ocr page 62-
52
Vijf-en-twintig jaren
Rekent voor een Eeuw,
En der Grijsheid sneeuw
Strooit op Kinderhairen?
Moederaard, die ik verliet!
Neen, uw kind behoort hier niet!
Voor ónze\' aanleg uitgelezen.
Anders, moet die Waereld wezen,
Die ge als Meerdre hulde hiedt!
-ocr page 63-
ZEVENDE ZANG.
VENUS.
U juich ik \'t welkom tegen,
Gij Star van zilvren gloed,
Op lager pelgrimswegen
Zoo vaak en blij begroet!
Nu — Bode van den Morgen,
Die wekt tot moed en kracht,
Dan — sussende alle zorgen,
Heraute van den Nacht!
Gij steekt, des blijden glorens
Niet moede, uw feestlamp aan,
Ot\' bootst, met blanke horens,
Den sikkel na der Maan.
Gij komt, met pracht van stralen,
Van heel uw zustrenrij
Onze Aard\' wel menigmalen
Het allerdichtst nabij,
Als trokken uit heur verten
Zich soms twee starren aan,
Gelijk twee menschenharten
Die sympathetiesch slaan!
U zocht, veel\' duizend jaren,
Zoo menig minnend paar:
Gij trildet door de blaaren,
En bracht ze tot elkaar, —
Gij, wie de Heerscheresse
Van heel d\' Olymp te saam\',
De Idalische Godesse,
Vercierde met heur naam !
Sints uw verschijning rezen
De Hymnen tot uwe eer:
-ocr page 64-
54
Aan \'t hoofd van die u prezen
Onsterflijke Homeer\'!
In \'t Noord, met mist omhangen
En schuddende in d\' orkaan,
Bezieldet gij de zangen
Van Oona\'s wilde zwaan;
En Israëli profeeten
Verkondigden het Volk
In schaüw des doods gezeten,
Uw opgang uit de wolk
Als zinnebeeld en teeken
Van Beter Morgenstond,
Die in Bethlem aan zou breken
Over \'t zuchtend Waereldrond! . . .
Indien ik eens in u mijn Beter Waereld vond?
De Nacht omcingelt
Uw wandelspoor;
Toch straalt en kringelt
Een wondre gloor
Juist waar het donker
U dichtst bedekt,
Een vlamgeflonker,
Wijd uitgestrekt,
Een vuurwerk — prachtig
Een grootsch gezicht!
Maar raadselachtig,
Aschkleurig licht.
Zijn \'t eigen stralen?
Is \'t Noorderglans,
Als de Aard ziet pralen
Aan S vea\'s trans? . .
Op eens, daar steigert
Het Zonne-rad!
Geen wolk verweigert
Het gloriepad:
Den god der dagen
Wacht hier geen kamp
Met onweêrsvlagen
Of neveldamp.
-ocr page 65-
55
Hij, zegevierend,
Komt, ziet, gebiedt,
Den scepter zwierend!
Die vlammen schiet,
Wel niet verslindend
Als de ovengloed,
Die, blakend, blindend,
Merkuu r doorwoedt:
Toch schittrend, schroeiend,
Vast tweemaal meer
Dan \'t zonlicht gloeiend
In de Aardsche sfeer! . . .
Kn zoo voor \'t minst van heinde of veer\'
Een nevelljen zich repte
En \'t blaken onderschepte!
Maar nérgens in dien vonkelglans
Ken wolkjen als de hand eens mans,
Dat tot een bui zal groeien
En frisschen regen sproeien!
Is \'t waarheid, wal m\' op Aard verhaalt,
Gij Venus, die zoo helder straalt!
Neemt gij niet slechts, gelijk de Maan,
Steeds wisslende gestalten aan,
Maar mist ge, als zij, het dampenkleed,
Het gas-omhulsel der Planeet —
Als die godes, naar wie gij heet,
Met naakte aanvalligheden
Ten golven uitgetreden?
Is \'t waarheid, Venus! wat ik ducht:
Zijt gij — een waereld zonder Lucht?
Dan zaagt ge ook, gij arme! de heerlijkheid nimmer
Van \'t eeuwig azuur, dat m ij n uitspansel tooit!
Dan is ook uw Daghemel donker voor immer,
Een rouwfloers met zilveren starren bestrooid,
Als \'t zwarte fluweel om een lijkkist geplooid!
Dan hebt ge ook geen Water! in stuivende stralen
Gespat naar omhoog met een regenboogpracht —
Of springend van rotsen, bevruchtend de dalen
-ocr page 66-
56
Met leven en kracht —
Of samengegaard, van hooge Alpen omsloten,
Geglad tot een Meir, als een spiegel gegoten,
Weerkaatsend de tinten van d\' eindloozen boog
In wondere speling,
Een zuster, een tweeling
Des hemels omhoog!
Dan mist gij den polsslag der Waereldrivieren,
Slagaders, die \'t lichaam der Aarde doorzwieren,
Dan telt bij uw wondren één wonder niet meè:
Dan hebt gij geen Zee!
De Zee!... Is er machtiger teeken,
O Majesteit Gods, dat Uw grootheid verkondt\'?
De Zee kan alleen bij zich-zelf vergeleken,
Groot, grootsch evenzeer, ongepeild, ondoorgrond!
Hier — spuwen verborgen vulkanen
Hun vuur in de lucht door den waterstroom heen:
Drie hoofdelementen gemengd ondereen !
Ginds — groeien uit wijde oceanen
Koraalriffen op, die een worm heeft gebouwd,
En bieden den Mensch op zijn dobberend hout
Een wijk in de orkanen.
Is \'t Luchtruim bezaait met gesfarnt\' zonder tal,
Van eilanden wemelt de Zee overal,
Kruinvlakten van bergen, wier reuzige voet
Sints d\' Aanvang den bodem des Afgronds doorwroet.
En daar, welk een waereld,
Aan \'t strand nooit vermoed!
\'t Zijn klippen waar de eeuwige wervelkolk dwaerelt,
Doolhoven van kalksteen, woestijnen van slijk!
Maar dan weer paleizen, met pracht van portalen,
Met grotten, en loofvverk, met zuilen, en zalen,
Alhambra\'s gelijk!
Geboomten, boschaadjen
Van wisslend plantsoen,
Gekranst met pluimaadjen
Van \'t zuiverste groen,
Met parken en lanen,
Van lommer verkwikt,
Door duizend lianen
-ocr page 67-
57
Te samen gestrikt!
De weide van zeegras, het rozenkarpet,
Het paerelmos, glinstrend van zacht violet.
De olarie, wie \'t eenige reuzenblad siert,
Of de iris, die \'t purperen mantelkleed zwiert,
De nereocyst-palm, die, fier op zijn kroon,
Driehonderd voet hoog zicli verheft van zijn troon,
Hij, fenix der planten, die jaarlijks vergaat,
En jaarlijks herleeft uit onsterfelijk zaad, —
\'t Bloeit al hier in beemden, en wouden, en hoven,
Zoo rijk, zoo veelvuldig gevormd en bemaald,
Als nimmer daarboven
De Zon heeft bestraald!
En dan — wat Bevolking
Die waereld doorkrielt!
\'t Is Leven alomme,
Bezintuigd, bezield,
In schelpen gemetseld,
In schalen vermomd,
Met schubben gepantserd,
In horens gekromd;
Nu, vinvleugels reppend
In spelende vaart,
Dan, geesslend de golven
Met zwempoot en staart;
Hier, eenzaam, als pelgrims
Naar \'t bedevaartsoord,
Ginds, rukkend bij legers
In slagorde voort.
Nu, log als de walvisch,
Die de afgronden peilt,
Dan vlug als uw scheepjen,
O Nautulus! zeilt —
Maar steeds meer verscheiden
Dan al het geslacht
In Lucht of op Aarde
Ten leven gebracht!
Die vlakte, dor en padloos tevens,
Die blinde plas,
-ocr page 68-
58
Wordt, bij de starren en \'t kompas,
Een veld des levens,
Waar brood groeit, en de lauwer wast,
Die helden past.
Vaak scheiden bergen tot de wolken
Met steilen wand.
Woestijnen met verschroeiend zand,
Op Aard de Volken:
Wie spant de brug, wie gladt de baan.
Waar langs zij tot elkander gaan ?
Wie heeft een tocht, die in geen leven
Doorwandeld wordt,
Tot luttel maanden ingekort.
Waar aan de winden vleugels geven ?
Wie, reizende van \'t Morgenland
Naar \'t Land des Avonds,
Draagt aller vrucht naar ieder stand.
Vereenend met heur zilvren band
De verste havens ?
Omslingrend met heur liefdekoord
Al wat aan \'t harte
Van God tot éen Gezin behoort,
\'t Zij blanke of zwarte?. . .
Dat doet dat heerlijk element:
De Zee! de Zee, die de Aarde kent!
0 Venus! heet ze uit schuim geboren,
Uw C y t h e r é,
Maar zijt ge een Waereld zonder Zee,
Reeds hebt ge ons half uw glans verloren!
Mist ge óok nog \'t vloeibre kristallijn,
Dat trilt in de ooren
En klanken schept, wat zoudt ge ons zijn?
Een waereld der stilte, een doofstomme woest ij n!
Hoe heerlijk de Aarde,
Een speeltuig, zij,
Dat God besnaarde,
Vol melody!. . .
-ocr page 69-
r»<»
Hoe zoet te luislren
Naar d\' Uchtendstond!
Een rnurnilend lluistren
Gaat heimlijk rond.
De koeltjens suizen,
De takken rui schei),
En tikklend spat
In /.ware drupplen
De dauw van \'t blad,
En biggelt op \'t mosch, waar de krekels hupplen,
En \'t bietjen, al momlend, de reis hervat!
En half nog droomend
Door \'t zandbed stroomend,
Ontwaakt de vliet.
En zingt andante
Heur morgenlied,
Terwijl vast de pluimige waterplante
In \'t golfjen zich baadt
En wiegt op de maat.
En uit de zode.
Die ritslend bewoog.
Stijgt de uchtendbode,
De leeuwrik, omhoog,
En fluit zijn zangen
Met blij geschal,
En blijft tusschen Hemel en Aarde hangen,
Onwis wie van beide hij kiezen zal!
— En nu ook herleven, op berg, in dal,
De vooglenheiren,
En kwinkeleeren
En schudden de wiek,
Als strooiden ze al zacht met de donzen veeren
De lucht vol muziek!
En lustig loeien
In \'t klaverveld
De grazende runders, de blanke koeien,
Wie de uier zwelt;
Terwijl roept snuivend,
De manen wuivend,
Het ros overluid,
Daar \'t hinnikt en stampvoet, zijn vrijheid uit!
-ocr page 70-
tiO
Maar dompig nadert
Het Middaguur.
Het zwerk vergadert
Zijn wolken, en slingert een straal van vuur.
Dat is het teeken,
Waarop de Orkaan
In \'t Heiligdom Gods de bazuin zal steken,
Nu heffen de donders hun psalmen aan !
De wouden buigen
Eerbiedig \'t hoofd,
De Zee speelt haar orgel, de golven juichen,
De bergen weerkaatsen: „God zij geloofd!"
En als nu \'t Amen
Daarhenen rolt,
Daar is \'t of de jubel dier stemmen samen
Op eens tot een juichend allegro smolt.
Een malsche regen
Ruischt van omhoog;
En boven de Schepping, die vloeit van zegen,
De Vredeboog!
Tot — de Avond haar ruischend gordijn doet dalen,
De starren stralen,
En, vol genot,
Den lentenacht lang alle nachtegalen
\'t Refrein herhalen:
„Geloofd zij God!"
Hoe diep, hoe diep beklaag ik hem,
Wien God dit Feestmuziek onthiel\',
En bovenal, de Menschen-Stem,
Die Hoorbre Ziel!
Zij klinkt met tooverzoet geluid,
Weent, lacht, en spreekt in vreugd en smart
De heimelijkste ervaring uit
Van Geest en Hart.
Met khtnken maalt zij \'t Ideaal;
d\' Ontastbren droom schept zij een vorm.
Zoo kweelt en streelt geen nachtegaal,
Zoo dreigt geen storm!
Zij klinkt: der driften wanklank zwijgt —
Soms deinsde er leeuw en tijger voor;
-ocr page 71-
()1
En als zij naar den hemel stijgt,
Neigt God het oor!
De ziel van \'s Orgels stoutst akkoord
Is dat zijn vox humana niet?
Dus is het zielvol Menschenwoord
In \'t Scheppingslied !
De stem kan klanken geven,
Die zelfs de sterke man
In \'t bont gewoel van \'t leven
Niet meer vergeten kan.
Uw Vaders laatste zegen,
Uw Moeders jongste groet,
Huischt in den droom u tegen,
Zoodat ge ontwaken moet.
Nog hoort ge \'t Jawoord glippen,
In wonderzoete lust
Van reine Maagdenlippen
Al bevend weggekust.
Nog trilt het in uw ooren
Als op dien blijden dag,
\'t Eerste woord van d\' Eerstgeboren,
De eerste zilvren Kinderlach!
Maar ook, wat stroom3n
Van tonen, vroeg
En laat vernomen,
Maar nooit genoeg!
Het zacht vermanen
Der Teeder hei d,
Dat beeft van tranen
Nog ongeschreid.
Het fluistrend smeeken
Der schuchtre Smart,
Die \'t ijs wil breken
Om \'t weigrend hart.
Het troostend klagen
Der D e e r e n i s,
Die \'t kruis helpt dragen,
Hoe zwaar het is.
\'t Welsprekend staamlen
-ocr page 72-
62
Van blijden Dank,
Bij \'t krachlverzaamlen
Tot meer dan klank.
De storm van Tooren,
Die \'t huiclilend kwaad
Zijn Wee! doet hooren.
Met geessels slaat,
De stervensbede
Der Simeons,
Wier zielevrede
Weêrstraalt op ons.
\'t Lied der Gemeente,
Die, daar ze buigt
Op \'t lijkgesteente,
Van \'t Weerzien juicht!....
O Venus! zijt gij machteloos
Die stemmen voort te dragen.
Met Stilte\'s vloek geslagen,
Ons, Menschen, waart ge een dal des doods!
Daar blaakte ons niet alleen de dorst
Rij waterlooze bakken,
Maar ook ons hart zou snakken,
Verstommende in de borst.
Wat ware ons heel \'t reusachtig Rijk
Van uw onmeetbie bergen,
Dat de Alpen maakt tot dwergen,
Dan Hunnen-bedden boven \'t lijk
Der Menschheid, die hier sterven zou,
— Zoo ze immer hier kon leven —
Ook zonder snik te geven,
In sprakeloozen rouw! ...
O Gij, die immer smachten doet
In ongeleschte smarte,
Gij, zonder laafdrank voor \'t gemoed
En zonder stem voor \'t harte!
Wèl heet gij Venus!.... Ze is als gij,
Die wulpsche tocht, wier razernij
-ocr page 73-
63
In eindeloos begeeren
Het leven weg doet teeren!
Hoe menig, die haar gunsten zocht,
Heeft jeugd en vreugd verloren,
Voor \'t Uur zijn Eeuwigheid verkocht,
Zijn recht van Eerstgeboren\',
Zijn eigen ziel door \'t slijk gesleurd,
Heur gouden snaren stukgescheurd,
Door d\' adem uit den Hoogen
Welluidend eens bewogen!
Daar is een Liefde, rein en waar,
Die ziel aan ziele strengelt,
Gelijk twee vlammen op \'t altaar
Tot éene vlam gemengeld.
Zij gloeit, maar schroeit niet. De eêlste dorst
Verkwikt ze. Al wat eens Menschen borst
Een tempel Gods kan maken,
Doet ze op haar stem ontwaken.
Waar zij een hart verwerven doet,
Niet dwaas en onbezonnen,
Maar waar en waardig, vroom en vroed —
Een hart, dat, eens gewonnen,
Getrouw voor d\' overwinnaar slaat,
Voor hem door vuur en water gaat:
Daar heerscht zij onverdei flijk,
Zooals Gods Liefde onsterflijk!
Gelijk \'t penseel de Heilgen maalt,
Zoo draagt ze een kruis met rozen,
Van Cherubskopjens overstraald,
Die fluisteren en kozen.
Zij smelt de hoogste vreugden saam\',
En doopt ze met dien éénen naam,
Die kroonen op kan wegen,
Den naam van — Ouder zegen!
Wèl hem, wien \'t heil is weggelegd,
Dat God geen Englen leende,
-ocr page 74-
64
Wien de onverbreekbre Zielen-Echt
Dus met zich-zelf hereende!
Zijn huis, gewijd door Liefde en Trouw,
Geeft wat geen waereld geven zou.
Van Venus\' mirt omlooverd,
In Cyprus omgetooverd! . . .
Moederaard, die ik verliet!
Neen, uw kind behoort hier niet!
Voor ónze\' aanleg uitgelezen,
Anders, moet die Waereld wezen,
Die ge als Meerdre hulde biedt!
-ocr page 75-
ACHTSTE ZANG.
INTERMEZZO.
HET LIED DER PLANEETEN.
Zoo was de Reis volbracht! Geen enkle der Planeeten
Mocht dan de Meerdere der Moederaarde heeten
In aart en samenstel, door \'t Menschelijk verstand
Beschouwd met \'s Menschen lot en roeping in verband,
\'k Sloot peinzend de oogen, met een legioen van vragen
In \'t hart; maar eer ik hoe of waarom durfde wagen,
Gevoelde ik, dat op nieuw de wiekslag zich bewoog —
En \'t was me, als zag ik, met nog steeds geloken oog,
Die Wandelwaerelden zich tot een cirkel scharen.
En \'k hoorde een murmlen als het neuriën der baren,
Wanneer ze, duikende uit den diepen Oceaan,
Geheimen fluistren, door den zeeman half verstaan.
Vreemd was de taal, en snel de maatslag — toch gevoelde
\'t Instinkt mijns harten wat dat Geesten-Choor bedoelde.
HET LIED DER PLANEETEN.
CHOOB.
I ZANG.
U een Jubelgeschal,
Die \'t ontzachlijk Heelal
Met een wijsheid regeert,
x.
                                                                                        6
-ocr page 76-
66
Die van wankien niet weet;
Die Uw levendig kleed
In \'t oneindig\' schakeert,
Alle heemlen doorstraalt
En met wondren bestrooit.
Maar ten tweedenmaal nooit
Een gedachte herhaalt!
Al Uw werk, ieder deel,
Heeft zijn recht van bestaan,
En het sluit in \'t Geheel
Als een schakel zich aan.
Wat er komt, wat er gaat,
Heeft zijn cijfer en maat;
Zij het klein, zij het groot,
Stof of Geest, Goed of Kwaad,
Zij het Leven of Dood, —
Aller Eenheid zijt Gij,
En uw naam — Haimony!
I TEGENZANG.
Eer op \'t blauwende spoor
De eerste morgenstar dreef,
Eer, de oneindigheid door,
God een cirkel beschreef,
Stond de Wijsheid omhoog
Reeds gezalfd voor Gods oog!
Toen de bloeiende hof
Aller zonnen ontlook,
Was de Wijsheid er ook;
En zij stemde Gods lof,
En zij wandelde er om,
Zijn vermaking en trots,
Lieflijk spelende alom
Door de Scheppingen Gods!
II ZANG.
Heeft de vlam, die daar snort
En ten hemel zich spoedt,
Iets gemeen met den vloed,
-ocr page 77-
67
Die in d\' afgrond zich stort?
Toch. éen wet der natuur,
Regelt Water en Vuur!
Die de bergen omwolkt,
Bootst elk korrelken zand;
Die den dierenriem spant,
Heeft den droppel bevolkt!
Al wat is, naar zijn aart,
Op zijn plaats, in zijn sfeer,
Maar in \'t Godsplan gespaard,
Geev\' d\' Oneindige de eer!
II TEGENZAN U.
Gist het spraaklooze volk.
Dat daar zwemt door zijn kolk,
Hoe de vogel in \'t ruim
Zingt en drijft op zijn pluim?
In het land zonder zon
Stroomt uit andere bron
Levenslicht, levensgloed,
Door den Mensch nooit vermoed.
Waar de Mensch, ver\' van de Aard\',
Slechts een reiswoestijn ziet,
Bloeit voor andren een gaard,
Waar men rust en geniet!
Waar de Mensch van den storm
De vernietiging vreest,
Geeft de Almachtige Geest
Aan een waereld haar vorm!
Die hém hette is en hel,
Straalt verkwikking en kracht
Voor een ander geslacht;
Die h ij sprakeloos dacht,
Heeft haar stemme toch wel,
Maar door ander orgaan
Dat z ij n hooren verstaan !. ..
Wat omhoog of beneên
Ooit van God wordt gekend,
Kent elk schepsel alleen
In zijns-zelfs element.
-ocr page 78-
68
SI.OTZANG.
U een jubelgeschal.
Wet en Ziel van \'t Heelal,
In uw duizendvoud Rijk
Steeds U-zelven gelijk!
Allen waerelden saam\',
In heur roeping en lot,
Zijt Gij \'t Eene in het Al, o onwraakbare God!
Harmony, Harrnony is Uw naam!
-ocr page 79-
NEGENDE ZANG.
F.PILOOUS.
DE NIEUWE AARDE.
\'k Ontwaakte, als iemand, die, bij \'t wijken zijner droomen,
Niet weet in \'t eerst, of wat zijn ziele heeft vernomen,
Een Hemelsche muziek, ook in de werklijkheid
Nog voortklinkt. Of, misschien, werd ik als hij misleid,
Die dróómt dat hij ontwaakt? Mij dacht, ik hield nu de oogen
Ontsloten, \'k Blikte rond: neen! \'k had mij niet bedrogen,
\'k Zat op dezelfde plaats bij d\' uitgebranden haard
In de oude boekcel. Maar de nacht werd opgeklaard
Door zachte stralen, die het crucifix omschenen,
Nu zichtbaar weer. Ik vond het bekkeneel verdwenen,
Maar in zijn plaats een roos, half brekende uit den knop,
Vol zoeten geurs, en dronk dien balsem gretig op. —
En \'t ruischte:
„Zijt gij nu te vrede"? Erkent gij de Aarde
„Voor koningin van al heur zusteren, naar waarde
„Gekroond met de eer Gods Zoon te schenken aan \'t Geslacht,
„Dat hier slechts leven kan en rijpen tot zijn kracht?"
En \'k zuchtte:
O, Moederaard! schoon zijt gij, met uw stroomen
„Van melk en honig, met de vogels in uw boomen,
„De klanken in uw lucht, de bloemen in uw kleed,
„En \'t zoete zonlicht in uw hemel, toegereed
„Met duizend lieflijkheên, het eigen Huis des Menschen,
„En \'t éeniget — Maar toch, met onvervulde wenschen
„Doorzwerf ik U. Gij zijt die Paradijshof niet,
„Waarnaar mijn ziele smacht. Wat kommer en verdriet,
„Dij \'t wroeten in uw schoot, die distien geeft en doornen,
„ Die zweet en tranen eischt, en de uit uw stof geboornen
„Tot stof doet keeren! Wat bedreiging \'t aller tijd!
-ocr page 80-
70
„Strijd met de orkanen en de watervloeden I strijd
rMet koude en bette! met gedrochten, onrein, kruipend,
„Verscheurend! Naast het graan, de dolle scheerling, druipend
„Van git\'; en naast het lam, de wolf! Strijd bovenal
„Met krankten, kwalen, in onnoemelijk getal
„De lucht doorkruisend, met de longen ingedronken,
„Voortwoekrende in ons vleesch, tot dat de laatste vonken
„Des geestes dooven in \'t verstervend hulsel! Zwaard
„En Pest en Honger, de drie Furiën der aard!
„De booze in \'1 purper, en nog altijd op zijn drempel
„Die Lazarus! Nog steeds de wisslaars in den tempel,
„De heiligen aan \'t kruis! . . . Neen, neen, mijn Moederaard,
„Gij zijt het niet! — Is ons geen Beter Land bewaard,
„\'k Zal me onderwerpen; maar, schoon dan mijn lippen zwegen,
„„O Vader"! snikt het hart: „„Hebt Gij geen andren zegen?"
„Schoon is de Aarde, goed is \'t Leven,
„Maar daar waait een reuk van \'t graf.
„Leegte en onvoldaanheid bleven,
„Als de waereld alles gaf.
„\'t Menschenhart blijft zoeken, derven,
„Smachtend naar zijn vrededag,
„Simeon, die niet kan sterven
„Eer hij, ten laatsten, zijn zaligheid zag!
„Vruchtloos of de hand des rijken
„Mammons gouden sleutel drukk\':
„Vele deuren mogen wijken,
„Niet de poorte van \'t Geluk!
„Vruchtloos of \'t Genot der Zinnen
„In den droom de dorst bedriegt:
„Fata morgana! \'t Brandt dubbel daarbinnen,
„Als het spiegelbeeld vervliegt!
„Vruchtloos Caesars glans verduisterd,
„Als \'t geweten zegt: „Onrein!"
„Als een stem door \'t wierook fluistert:
„„Groote Man, wat zijt gij klein!"
„Glorie! Wat is Glorie? \'t Noemen
„Van een naam, een wind van lof,
„Smorende in de kerkhofbloemen,
„Bozen der Lethé, gegroeid uit — ons stof!
-ocr page 81-
71
„Al ons Kennen en ons Weten,
„Peile \'t ook verborgenheên,
„Wege \'t starren en planeeten.
„Wanneer schiep het brood uit steen?
„Al ons Dichten, al ons Toovren
„Met de kleur, den klank, de taal,
„Mocht het immer \'t Ideaal,
„\'t Eeuwig-vliedende, veroovren ?
„üaphné, die, bijna gegrepen, vergaat,
„Niets u dan — een lauwer laat!
„Zelfs het Heiligste en het Teerste
„Daar ooit Menschlijk hart van sloeg,
„Liefde, de oudste en immer de eerste,
„Liefde voor \'t Schepsel, zij veel — is \'t genoeg?
„Nog iets anders, — heilger, teerder, —
„Moet haar wijden, gants en al:
„Ook dit Meeste heeft een Meerder. . . .
„Zeg mij, waar ik \'t vinden zal!
„Heimwee naar \'t Waarachtig Leven,
„De Eeuwge Liefde, \'t Hoogste Goed I
„Kón u de Aard voldoening geven,
„Stierf dan niet uw hemelgloed?
„Moet misschien een Lang Begeeren
„Rijpen doen voor \'t Waar Genot?
„\'t Al ontbreekt, als we ü ontbeeren,
„Naamlooze! .... Is uw naam niet — God?"
Zoo zuchtte ik, onvoldaan, moe, bijna moedeloos.
Daar nam die bij mij was de liefelijke Roos,
Kn streek haar zachtkens mij twee driemaal over de oogen.
Zij loken zich. Maar in verrukking opgetoogen
Voelde ik me op eens verplaatst: een zoete hemelglans
Doordrong me; ik zag — maar met inwendige oogen thans!
\'k Stond op een Berg, maar niet een tastbren, noch omgeven
Van nacht en onweer, maar van zongloed; hoog verheven,
Zóó hoog, dat ik van daar de waereld overzag,
Gelijk eens Adam, als hij d\' ongeboren dag
Des heils aanschouwde van den Heuvel der Gezichten
-ocr page 82-
72
In \'t Paradijs. De zon bleef \'t Halve Rond verlichten,
Dat, immer wentlend, steeds veranderde van kaart.
Zoo trokken beurtlings al de Rijken dezer Aard
Mijn aangezicht voorbij, met al hun heerlijkheden,
Hun weiden, wateren en wouden, — dorpen, steden,
In diepe dalen vol van bloemen uitgestrooid,
Als bijenkorven in de boekweit; of, getooid
Met gouden koepels, rots en bergplateau bekroonend;
Met al hun duizendmaal tienduizenden, doorwonend
Het groote Vaderhuis! Het woelde er bont dooréén, —
Men lachte en weende, — er werd geleefd, geliefd, geleOn;
De Bruidsstoet, overal, kwam de Uitvaartstaatsie tegen,
En welk een weg men koos, steeds liepen alle wegen
Op \'t Kerkhof uit. En tot die laatste, zwarte poort,
Hoevelen traden met gebukten hoofde voort,
Als zochten ze in het slijk naar goud! Maar ook hoe velen.
Wie beter ideaal voor de oogen scheen te spelen!
Deez\' blikten opwaards, of ze iets zochten boven \'t stof.
En als dan plotsling hen de heerlijke aanblik trof
Van dien Ontastbren Berg, dan wendden zij hunne oogen
Daar niet meer af, terwijl hun lippen zacht bewogen
Als zuchtten zij: „Daarheen!"
Toen werd de Geestenstem
Door mijn ontroerde ziel ten derdeninaal vernomen:
„Gij zijt tot Sions Berg gekomen,
„Het Hemelsche Jeruzalem,
„Gods Stad! Haar open poorten wachten
„Sints achttienhonderd jaar de volkren en geslachten!
„Als zij de Menschheid heeft vergaard,
„Dan daalt van haar een stroom van Goddelijke Krachten,
„\'t Verloren Paradijs herscheppende over de Aard!"
En ziet! ik zag allengs de Volkren zich bewegen
In optocht naar den Berg. — Millioenen snelden aan
Uit elke hemelstreek. Soms kromden zich de paan,
Maar wal teruggang scheen, was voortgang toch: zij stegen!
En altijd wies de Karavaan!
Zoo werd ze een schare die wel niemand meer kon tellen,
Een heir van natiën, in \'t driftig voorwaards-snellen
Gelijk een waterstroom weêrflikkrende in het licht.
^ Eerst warrelde alles voor mijn duizelend gezicht,
-ocr page 83-
13
Maar straks ontrolde zich, als ik aandachtig beidde,
Het kluwen, tot ik klaar drie groepen onderscheidde.
Die, ieder van een andre zij\',
Al zingend naderden, met eigen melody
Elkaar verwisselend. Zóó zingen menigraalen
De vogels, in één boom maar op verscheiden tak,
In beurtzang, tot ze, in top van \'t groene looverdak,
Hun liedren smelten tot harmonische choralen!
De eerste Groep was die der Christnen —
lang de dragers van dien naam,
Nu eerst wordend wat zij heetten —
koningen en kindren saam\':
Kindren in de boosheid, needrig
en vertrouwend, vroom en vroed,
Koningen in zelfbeheersching,
zielenadel, heldenmoed.
Eeuwen hadden zij gezongen:
„Slechts den Hoogen God zij eer!
Midderwijl zij de oude goden
duldden, dienden keer op keer:
Geestontbindenden Lyaeus,
wulpsche Venus-Pandémos,
l\'lutus, kouder dan zijn munten,
\'t hart versteenend tot een rots!
Eeuwen hadden zij den Heiden
met den broedernaam begroet,
Maar zijn akkers hem ontweldigd
en doen mesten met zijn bloed,
Voor een handvol glaskoralen
hem zijn kindren afgekocht,
Hem met alkohol vergiftigd,
en tot alle kwaad verzocht.
Eeuwen hadden zij elkander
met een kouden lach gesmaad,
In der Waarheid naam belasterd,
in der Liefde naam gehaat;
In den naam van Hem verketterd,
die, door Farizeesch gespuis
Zelf verworpen en gevonnisd,
als een ketter stierf aan \'t kruis!
-ocr page 84-
74
Maar zie nu! — In geest en waarheid
baden zij den Vader aan,
Smachtend om met reine harten
voor Zijn aangezicht te staan.
„Recht voor allen!" werd de leuze:
Slavenboei en Schandbord viel.
„Hulp voor allen! Kroeg en Kerker
week voor Kweekschool en Asyl.
„Rust voor allen!" \'t zwaard werd kouter,
korenveld het worstelperk,
Menschen niet, maar stoom en ijzer
zwoegden aan \'t cyklopen-werk.
\'k Zag geen gierenzwerm van veeten
om het aas der Kerk vereend,
Maar de duif des Geestes zweven
tot de Nieuwe Godsgemeent\'.
\'t Was de ware K a t h o 1 y k e,
heilig, één en algemeen,
Die niet afsloot, die niet uitstoot,
moeder met een hart van steen!
\'t Was de ware Protestante,
éen vernietigend Protest
Tegen Zonde en Leugen, tweeling
uit het oude slangennest! —
En zij stegen altijd hooger
naar den Bergtop in \'t verschiet,
Sion reeds van ver\' begroetend
met \'d Advent-zang, \'t Nieuwe Lied:
„Liefde, meer liefde! Gij God van erbarming,
„Liefde voor U en den broeder, Uw kindl
„Hemelsche Liefde, in gezegende omarming
„Allen omvattend, wijl Ge allen bemint.
„Heil u, gij Dag onzer Wedergeboorte!
„God zij geloofd dat wij hier mogen staan!
„Neem gij, o Godsstad, ons op in uw poorte —
„Tweede, Eeuwge Volheid der Tijden, breek aan!"
De andre Groep die de eerste volgde,
waren Heidnen — van alom,
-ocr page 85-
75
Zwart, gebronsd of koperkleurig,
duizendvoude mengeldrom,
Lang den naam van Menschen dragend,
nu-eerst ware levenslust,
Menschenwaarde, Menschenroeping,
Hemelsche Alkorast zich bewust.
Eeuwen hadden zij gezworven
zonder God en zonder Hoop
\'t Wilddier jagend, of de sterren
angstig volgende in heur loop,
Voor den „Boozen Geest" voortvluchtig,
knielend voor het „Wandlend Blad",
\'t Lichaam kervend, of zich stortend
onder \'s Afgods wagenrad.
Eeuwen hadden zij gesidderd
als in koortsig bangen droom
Voor hun fetisch, menschenlijken
wiegende op zijn reuzenboom;
Voor den Vuurgod, de armen strekkend
uit de gloênde dwarrelwolk;
Voor den Stroomgod, kindren slingrend
in de krokodillen-kolk.
Eeuwen hadden zij geworsteld,
oog om oog en tand om tand,
Zonder vreugd bij elk genieten,
zonder schaamt\' bij alle schand:
Hatend, haatlijk, door der zonden
bitterheid als overstelpt,
Krijtend met bun lot en leven:
„Wie komt over die ons helpt?"
Maar zie nu! — Wat zalige omkeer
in hun leven en bun lot!
In de harten rees een altaar:
„Aan den Onbekenden God."
De Onbekende werd verkondigd,
en met juichend handgeklap
Groetten zij de Blijde Boodschap,
\'t einde van hun Ballingschap.
Met de gruwelgoön verdwenen
de oude gruwlen en — hun pijn.
-ocr page 86-
76
Mensch weer was de man geworden,
Moeder mocht de moeder zijn!
\'t Kind was \'t erfdeel nu des Heeren,
en der Engten speelgenoot;
\'t Huis, een voorportaal des Hemels;
\'t Avondpurper, Morgenrood!
Tucht en Orde, Recht en Roden
regelden des Levens tred;
En tot Gods gedachtnis klommen
Daaglijksche Aalmoes en Gebed.
Immer klaarder in de zielen
werd het alherscheppend woord
Van dien Heiland Wien de volheid
aller Heidnen toebehoort.
En zij stegen immer hooger
naar den Bergtop in \'t verschiet,
Sion reeds van ver\' begroetend
met d\' Advent-zang, \'t Nieuwe Lied:
„Licht, nog meer Licht! O gij Zonne der waarheid,
„Die ons met loutrende stralen doorschijnt!
„Goddelijk Licht, tot voor de eeuwige klaarheid
„Dwaling en waan, ook de laatste, verdwijnt!
„Gij, Eerstgeboornen, te lang ons gescheidenen!
„Trekt ons vooruit op den weg dien wij gaan,
„Roept ons in \'t Heilige uit den Voorhof der Heidenen!
„Tweede, Eeuwge Volheid der Tijden, breek aan!
Toen — de laatste Groep van allen:
I s r ê 1 s wachtend overschot, —
Eens Het Godsvolk, toen Geen Volk meer,
nu eerst recht Een Volk van God!
Eeuwen waren zij verworpen
sints den grooten oordeelsdag,
Die hen in huns volks Messias
ook hun Volk verwerpen zag.
Eeuwen doolden zij als balling,
zonder Vorst of Vaderland,
Zonder teraphim of ephod,
tempeldienst en offerand.
-ocr page 87-
77
Vogelvrij verklaard door de Aarde,
Ismêl: allen tegen éen !
Haat der Caesars, vloek der Pausen,
spot van hoog en laag gemeen;
In het leeuwenperk geworpen,
afgemaakt door rad en koord,
Doodgehongerd in woestijnen,
in de waatren doodgesmoord ;
Stervend steeds en toch onsterflijk,
levend, toch niet levend meer:
Want wie leeft er zonder blijheid,
zonder vrijheid, zonder eer?
Eindlijk — worstlend met een veerkracht,
die te sterk is voor \'t geweld,
Plaats, Ontzach en Macht heroovrend
door éen talisman — het Geld!
Aan versteende ceremonies
vastgeboeid, of losgerukt
Met een ijskoud: „Wat is waarheid?"
voor den Geest der Eeuw gebukt!
Maar zie nu! — De dorre beendren
ruischen: Leven uit het Graf!
Van het kruis, als Nikodémus,
namen zij hun Koning af.
Op de Lichtgestalte, wandlend
van het Galileesche meir
Door de Waereld, als Johannes
zien ze en fluistren: „\'t Is de Heer!"
Wat zij hoorden en genoten
in de sfeer der Christenheid,
Rijpt de kiem van \'t Godlijk Leven,
dat verborgen wortels spreidt.
Gaven, Krachten, groot en machtig,
tuigend van een adeldom,
Wel bevlekt maar nooit vernietigd,
keeren frisch. vernieuwd, weerom.
\'s Heeren Vrees — de heiligste Arke —
woont in \'t binnenst\' van \'t gemoed,
Door Geloof en Hoop en Liefde,
— de échte Cherubim — behoed.
Méér dan \'t Volk van Mozes, David
-ocr page 88-
7*
en de Zieners — de eer, de sier
Aller Volken, eerste en laatste eens,
laatste en eerste nu, is hier! . . .
En zij stegen iramer hooger
naar den Bergtop in \'t verschiet,
Sion reeds van ver\' begroetend
met d\' Advent-zang, \'t Nieuwe Lied.
„Leven! meer Leven! Gij, God, zelf het Leven,
„Leven uit U en voor U allereerst!
„Wil het ons mild, tot verzadigens geven,
„Tot het elke\' adem des harten beheerscht!
„Waren Uw giften en roeping, o Heere,
„Niet onberouwlijk, zou Isrèl hier staan?
„Kom dan, Verlosser! Uw trouw triomfeere,
„Tweede, Eeuwge Volheid der Tijden, breek aan?"
Zóo jubelde Abrams kroost; en onder Jakobs hoede
Volgde Ismêls Broederschaar.
Zoo ging al \'t Menschdom dan, één kudde van d\' Algoede,
Hun herder, bij elkaar.
Nu mengden zij hun stem: „Licht! Liefde! Leven! Namen
„Van d\' Eenen God zijt Gij!
„Onnoembre, blijf bij ons!" — En: „Amen!" klonk het: „Amen!
„Ik blijf, gij blijft in Mij!" . . .
En naar de schare \'t pad al hoog en hooger baande,
Te meer ook klom de moed:
\'t Was nog wel zwoegen vaak, maar \'t harte hield zich staande.
Al wankelde ook de voet 1
\'t Was worstlen dikwerf nog door breede dwarrelstroomen
En kloven, diep en dor,
En steile rotsen op, die dreigden neer te komen —
Maar toch: „Excelsior!"
En niemand, ook niet éen uit die ontelbaar velen,
Die niet zijn wonden had:
Maar niemand ook, die niet een balsem had te deelen
Den bloedende op zijn pad.
En als ik mij verbaasde, omdat in aller oogen
Door stille tranen heen,
Als door een regendrop de lichtstraal uit den hoogen,
Een blijde glimlach scheen,
-ocr page 89-
79
Daar luisterde ik, wat woord toch wel hun pelgrimszangen
Bemoedigend verving,
En nimmer, nimmer wijkt wat ik heb opgevangen
Uit mijn herinnering:
„Voorwaards!" heette \'t: „Moed gehouden,
„Broeders! Valt de weg soms zwaar,
„\'t Is de rechte. — Steunt elkaar!
„Eer wij ooit bezwijken zouden,
„Moest Gods Almacht zelf verouden,
„Werd Gods Liefde zelf onwaar!
„Nooit heeft de oude stem gezwegen:
„„Blinde Orion, naar Omhoog!
„„Zoek de Zon, gij vindt ook \'t Oog!"
„We ijlden de Eeuwge Waarheid tegen,
„Tot wij \'t Zielsgezicht herkregen,
„Met een hoop die niet bedroog!
„Achter ons — de schemeijaren
„Van der Zelfzucht trotschen waan,
„Uie ons elk zijns weegs deed gaan,
„Als verstrooide najaars-blaaren,
„Dwarlende aan den stam ontvaren,
„Herwaards, derwaards op d\' orkaan.
„Door de ziel van millioenen
„Trilde Liefde\'s heiige schok :
„God, die tot elkaar ons trok
„Tot een broederlijk Verzoenen,
„Doet ons nu als ranken groenen
„Aan denzelfden wingert-stok!
„Alle Schatten, Gaven, Krachten,
„Geven dien Gezegende eer,
„Wien de Wijzen van weleer
„Wierook, goud en myrrhe brachten,
„Eerstlings-offers der Geslachten,
„Nü Hem groetende als hun Heei :
„Op \'t gelaat der Volkren spreken
„Ieders eigenaardigheên:
-ocr page 90-
80
„Toch is alle\' een trek gemeen,
„\'t Nu hersteld Verwantschaps-teeken!
„\'t Godsbeeld kan niet meer verbleeken:
„Dat maakt al \'t Verscheidene éen.
„Éen zijn wij in Hem, dien Éenen,
„Die in elk en allen leeft!
„Die ons \'t Kinderhart hergeeft
„Leidt naar \'t Vaderhart ons henen,
„Dat, hoe we eens verloren schenen,
„Nimmer ons vergeten heeft!
„Samen lijden, samen strijden,
„Éen van weg en wil en zin,
„Moet het Groole Huisgezin
„Tot een Godsgemeente wijden.
„Juichend halen de Oude tijden
„\'t Feest der Alvernieuwing in!
„Voorwaards! voorwaards! Moed gehouden,
„Broedersl Valt de weg soms zwaar,
„\'t Is de rechte. — Steunt elkaar!
„Eer wij ooit bezwijken zouden,
„Moest Gods Almacht zelf verouden,
„Werd Gods Liefde zelf onwaar!"
Dus, troostende en getroost, bereikten nu die scharen
De Bergkruin van alom;
En allen knielden neer als ze op de hoogte waren,
Zelf \'t Levend Heiligdom!
Een Lichtglans, plotsling uit des Hemels hart ontsprongen,
Stroomde uit naar alle kant:
\'k Zag op de hoofden \'t vuur van nieuwe Pinstertongen,
Een palmtak in elks hand! . . . .
Nu daalde, al zacht, de Berg, en overdekte de Aarde.
Zich etl\'nend ter vallei,
Die voortgolfde, overal een Nieuwe Levensgaarde
Als rollende uit heur sprei!
De doode zeen en de aaloude wildernissen
Ontloken als een roos;
-ocr page 91-
81
•>n balsemwind, om zweet en tranen af te wisschen,
Verving den reuk des doods.
(Jog nooit was de Aard zoo schoon, nooit haar de Hemel nader,
Dan nu ze één Godsstad werd,
juor \'t algemeen gevoel van thuis-zijn bij den Vader,
Van rusten aan Gods hart!
En wat ooit Profeeten in Beeldspraak verkondden,
Verscheen nu in \'t Leven, vol waarheid en kracht:
Wat honderde Apostlen steeds zochten, nooit vonden,
\'t Werd nu door den Geest van den Meester volbracht!
Getemd was de brullende leeuw van den Toren,
Gebreideld de grijpende wolf der Begeert\',
De slange der List had heur zwadder verloren,
Het ooilam der Vreeze zijn schuwheid ontleerd.
Nu werd er in eenvoud geloofd, niet bedrogen;
Beloofd, niet verbroken; vertrouwd, niet bespot;
Gekust, niet verraden! De ziel sprak uit de oogen,
De liefde uit de ziel; uit de liefde sprak God!
Nu werden zij zalig, die armen van geeste,
Te groot voor een schat, slechts uit aarde gebootst;
Nu, zalig, die treurden: de droefsten het meeste —
Hoe wranger de smart eens, hoe zoeter de troost!
Nu, zalig, die naar Gods gerechtigheid smachtten:
Gestild werd hun honger, gelaafd werd hun dorst;
Een aandrift ten goede, in eedle, eeuwge gedachten,
Een godlijke daadkracht doorvoedde hun borst.
En zaligst van allen die zaligheid erven,
De reinen van harte! Nu zagen zij God —
In Starren en Bloemen, in Worden en Sterven,
In \'t wentlen van \'t Leven, in \'t wisslen van \'t Lot!
In \'t Deel, dat Hij één en millioenen beschikte;
In \'t Heil der Verlosten, het eind van hun paan ....
Ja, wie hier zijn broeder in \'t aangezicht blikte,
De Onzienlijke lachte uit den spiegel hem aan!
Ik ook, in mijn droom, droeg een voorgevoel mede
Van grootere dingen, bereid door Gods hand.
Mij dacht, over de Aard zweefde een adem van vrede,
Als die van een Zaturdag-avond op \'t land:
Nog ziet men de ploegschaar den arbeid niet staken,
-ocr page 92-
82
Het molenrad kleppert, geen venster nog sluit:
Maar \'t hart mag bij aanvang zijn Zondagsvreugd smaken,
Één nacht, en — de Sabbatsklok luidt!
En plotsling .... de dag was verdwenen !
Het zonlicht ging uit als een lamp die men bluscht,
Geen maan en geen starren verschenen, —
Nacht, nacht nu, van kusle tot kust.
Het vogelchoor staakte zijn zangen.
Het woud, als versteend, liet zijn bladeren hangen —
Op de aarde, in de lucht, in de zee
Doodstille! — en al \'t schepsel, van siddring bevangen,
In spraaklooze beè.
Op eenmaal een stem, die dat zwijgen kwam breken
Met een schok die de diepten der aarde bewoog.
Zij riep: „Maran atha!"... De schaduwen weken,
Nieuw licht stroomde in \'t oog,
Een schitterend Teeken
Verrees aan den boog,
Met purpergloed doopend de bergen en dalen:
Een kruis, enkel stralen,
Zich heflend van de Aarde in den Hemel omhoog!
En daai\' waar de balken van \'t kruis elkaar snijden,
De Zone des Menschen! als wilde Hij de Aard
Beschouwen in \'t licht eener Liefde die spaart,
\'t Gespaarde verlost, en \'t verloste bewaart:
Het Goddelijk licht van Zijn Lijden!
Toen breidde dat licht, ongestoord, ongestuit,
Al hooger, al breeder, al dieper zich uit.
Maar \'t purper ging over in lieflijker gloeien:
Een goudglans, maar kalmer en zilvrig van toon:
En \'k zag tot een cirkel den kruisvorm vervloeien,
Vol zaalge gestalten, met palmtak en kroon —
Maar niemand zoo schoon
Als Hij in het midden !. . . .
Gezegende Moeders!
Geen uwer gezegend als de éene, wier schoot
Dien Zoon heeft gedragen, zoo heerlijk, zoo groot,
Den Schoonste dei\' Menschen, den Koning der Broeders\'.
Ik wilde Hern zien in het Goddelijk oog,
Maar daar was een blik, zóo zachtmoedig"kastijdend,
-ocr page 93-
83
Zóo heilig-vertroostend, zóo zalig-verblijdend,
Dat schaamte en verrukking mijn ziele doorvloog,
Mijn hoofd op de borst zonk, mijn knie zich boog . . .
Zoo weende ik in stilte .. .
Een gerucht werd vernomen,
Van verre eerst; toen nader; straks luide overal —
Als haastige stroomen,
Uit allerlei richting te-samen-gekornen,
Op eens zich vereenend in ruischenden val!
Een mengling van klanken — van stemmen — van woorden,
Gesteund door de akkoorden
Van harpen, bezield zelf met leven en geest!
Ik durfde niet opzien : \'k moest hooien, \'k móest hooren....
Een Stem dicht nabij me, haar hoorde ik te voren ....
Mijn kind in den Hemel! zijt gij dat geweest?....
Dus zongen die Chooren :
REI VAN ENGELEN.
I Z A N (i.
Eere zij God
In de hoogste heernlen!
Hoogste heemlen, zingt Gods eere!
Aarde, voeg uw stem er bij!
De eeuwenoude Beurtzang keere
Met een nieuwe melody,
Hem tot lof, der Heeren Heere!
\'t Éene en Eeuwige Al is Hij.
1 T E G E N Z A N G.
Zonnen, Waerelden, Planeeten,
Myriaden, loven Hem.
Ook geen enkele is vergeten:
Elk met name, hoort Zijn stem .. . .
-ocr page 94-
84
Aarde! hoe zijt gij geheeten?
„Aller starren Bethlehem."
Eere zij God! Eere zij God!
Eere zij God in de hoogste heemlen!
II ZANG.
Was zij klein eens om te wezen
In der starren duizendtal:
Uit haar schoot is Hij verrezen,
Die alom eens heerschen zal.
Alle Sfeeren zingen mede
\'t Lied der Vreugde, God gewijd:
De Aarde-alléen zingt Vreugde uit Vrede,
Vrede uit Zege, Zege uit Strijd!
II TEGENZANG.
Andre luister is der Zonne,
Andre glans der Maan bereid,
Anders, uit der Lichten Bronne,
Vloeit der Starren heerlijkheid:
Dit is de eer die de Aard mag dragen,
Dat hier Jezus\' kribbe stond,
Dat hier God een welbehagen
In het kind des Menschen vond!
Vrede op Aarde!
In de Menschen welbehagen!
III ZANG.
Lang bleef zij krank van zonde en zorgen;
Maar wat heur Heiland achterliet,
Het Nieuwe Leven, eerst verborgen.
Ontkend, miskend, toch stierf het niet!
Het wies, door woede en waan bestreden,
Gevoed door tranen en gebeden,
Gedrenkt door kostlijk martlaarsbloed:
Het worstelde om aan \'t licht te komen,
Door \'t Godsbewustzijn opgenomen,
Dat sterven of — verwinnen moet!
-ocr page 95-
85
III TEGENZANG.
\'t Verwon! — Zing, gij Aard, zingt, gij Hemelsche Chooren,
\'t Nieuw Kerstlied! Die eens in den vleesche verscheen,
Kwam nu in den geest. In de harten geboren,
Woont Christus, alomtegenwoordig, beneèn!
Hij heeft een gestalte in de Menschen verkregen:
Hij leeft — in hun wetten, hun werken, hun wegen;
De Huizen, de Volken, Zijn lichaam zijn zij.
Hij-zelf is hun Leven en Eeuwige Zegen —
Geen kruis meer, en \'t Graf is voorbij!
Vrede op Aarde!
Vrede! Vrede!
In de Menschen welbehagen!
TOEZANG.
\'t Is geschied ! De kroon is\' d\' Aard
Boven haar gegeven,
Die, in zustrenrei geschaard,
De eigen zon omzweven!
Door haar laatste Nachtgordijn
Brak de volle Morgenschijn;
En wat verder kome,
\'t Moet uw licht, o Middag, zijn...
Dat het óverstroome!
\'t Is geschied. En \'t zal geschiên!
Alles in zijn orden
Zal zijn Eindvolmaking zien,
Meê tot Hemel worden.
Hoogste Liefde\'s wijs Geduld!
U, die kalm Haar raad vervult,
Doen wij \'t Heilig schallen.
God! Gij wilt, Gij kunt, Gij zult
Alles zijn in allen.
Eere zij God
In de hoogste heemlen!
Vrede op Aarde!
In de Menschen welbehagen!
EINDE VAN DEN EPILOGUS.
-ocr page 96-
KORTE AANTEEKENINGEN EN OPHELDERINGEN.
„De Sterrenkunde leert ons, even als de Bijbel, onzen
Aardbol kennen als het teleolo;fiesch middenpunt van OOI
Planeeten-stelsel; namelijk als de in zich-zelve voleindigde
Planeet, als de eenige voor hoogere wezens, met name ?OOi
den Mon8ch, passende woonplaats."
Db. i. u. a. ebbab».
EERSTE ZANG.
„Een der eigenaardigste en lieflijkste begoochelingen" — dus
heeft Charles Dickens ergens gesproken \') — „waar des men-
schen ziel gewoon is zich in den slaap aan over te geven, bestaat
wel in den niet zeldzamen droom, waarbij de sluimerende zieli
begaafd waant met het vermogen om te vliegen. Hij wordt als
opgeheven van den grond, en zweeft zonder moeite over een steeds
wisselend panorama. Hij strijkt over het vlak der blauwe zeen,
doorkruist de wouden der tropische gewesten, schiet de Alpen
voorbij, laat de gewone orde der landschappen verre achter zich.
en daall neder in de eene of andere vallei, wier paradijspracht
op aarde haar weerga niet heeft. Hij heeft er zelf een flauw
besef van, dat tafreelen van zulk een allesovertreffende schoonheid
slechts vizioenen zijn; en doet dus een poging om zich een ont-
waken te beletten, dat hem slechts zijn eenvoudige slaapcel zou
doen hervinden, in plaats van de bonte beeldengalerij zijner fan-
tazie. \'t Is een merkwaardig psychologiesch verschijnsel, dat gc-
heel dezellde tooneelen (die op onzen Aardbol geen voorbeeld
hebben, waaraan zij ontleend kunnen zijn) soms, na verscheidene
dagen, maanden of jaren, door den zeilden persoon weder in den
droom gezien worden. Waarschijnlijk is dit dan-alleen het geval,
wanneer men weder in den zelfden toestand naar lichaam en
ziele verkeert. Doch zeker is \'t, dat de verschijning dier droomen
grillig en onregelmatig is, zoodat zij als schaduwen komen en gaan.
\') Houscholds Words, 1858.
-ocr page 97-
87
„\'t Zou een aangenaam voorrecht zijn" — zoo gaat genoemde
-chrijver voort — „indien wij heerschappij konden oefenen over
die nachtgezichten, of bij machte waren ons naar verkiezing op
een boeiend, leerzaam en prachtig schouwspel te onthalen. De
naaste trap tot dit genot is wel liet lezen van een goed boek,
dat, door gewicht van onderwerp en kracht van stijl, den geest
naar afgelegen punten in de ruimte des heelals of naar langver-
luden tijden overbrengt.
„Éen droom bij uitnemendheid zou honderden in verbazing
brengen, wanneer zij bij machte waren hem naar willekeur op
te roepen. Te weten: niet een vluchtige blik op de dingen der
narde, maar een vogel-perspektief op het schouwtooneel des hemels.
op de groepen van waerelden en sterrenbeelden; minder om den
loop der planeeten na te gaan, dan om het groote plan en de
inrichting van dezen ons toegewezen hoek des heelals te leeren
kennen."
Welnu, in het Gedicht „De Planeeten" is een proeve ge-
nomen om iets van dien aart met wakenden geest te genieten.
De eerste aanleiding daartoe werd gevonden in de „Naturhislori-
fdie Brief\'e"
van Dr. J. H. A. Ebrard (Neue Bef. Kirchen-Zei-
tung,
Jaarg. 1855 en volg.). De tegenwoordige Erlanger Hoog-
leeraar bespreekt daar het gemaakte bezwaar, dat „de Aarde in
den Bijbel als middenpunt van het heelal (sic!) zou voor-
komen, terwijl de Sterrenkunde daarentegen leert, dat de
Aarde niet alleen niet het middenpunt is van het heeial,
maar zells niet eens het middenpunt van ons zonnestelsel,
waarvan zij immers slechts eene der kleinste planeeten uitmaakt:
welk zonnestelsel, bovendien, zich in de oneindigheid van zoovele
andere zonnestelsels verliest, die zich het eene rondom het andere
wentelen." — Hiertegen brengt Dr. Ebrard vooreerst de alge-
meene opmerking in \'t midden, dat men de innerlijke waarde
\'Ier dingen niet naar hunne stoffelijke uitgebreidheid te beoor-
\'leelen heeft. [Een stelling, trouwends, die voor een axioma gelden
kan en nauwelijks door een vergelijking, b. v. van een schepel
zands met een korrel gouds of van een zonnebloem met een
üzalia, zou behoeven opgehelderd te worden.] Maar Dr. Ebrard
doet méér dan een axioma verkondigen: hij toont ook aan, dat
\'He bedenking ten deele op een misverstand berust, want dat in
\'ien Bijbel de Aarde volstrekt niet voorkomt als middenpunt van
liet heelal (wat inderdaad een „hopelooze stelling" zou kunnen
genoemd worden!), maar wel als \'t centrale punt van een ge-
-ocr page 98-
88
de el te des heelals, zooals hij dan ook spreekt van: „Hemel
(de hemel der vaste sterren) en Aarde (onze waereld met haar
zuster-planeeten.")
„Men zou," meent hij, „het bezwaar aldus moeten formulieren:
In den Bijbel komt de Aarde voor als het centrale punt van de
haar omringende en tot haar behoorende Schep-
ping: de Sterrenkunde, daarentegen, leert, dat niet de Aarde,
maar de Zon in het midden staat, en dat de Aarde zich, be-
nevens een aantal andere Planeeten, rondom de Zon beweegt.\'\'
Maar daaruit verdwijnt bij eenig nadenken dan ook de gewaande
tegenstrijdigheid. Want immers \'t is er wel verre van daan, dat
de Bijbel zou beweeren dat de Aarde het ma them.a t iesch
middenpunt van het Planeetenstelsel zou zijn. Zulk een beweerinj.\'
— hare juistheid of onjuistheid nu zelfs geheel daargelaten! —
ligt, uit haren aart reeds, buiten de grenzen des Bijbels, als die
wel een kenbron is van Beligieuse waarheid, maar geen hand-
boek voor Astronomie of Physica. Als hij van de sterren
spreekt, geschiedt dit bij gelegenheid (occasioneel); en dan, omdat
hij niet tot astronomen, maar in \'t algemeen tot menschen
spreekt, bedient hij zich van een taal, die overeenkomt met des
menschen onmiddelijke, door de zintuigen verkregen waarneming
der dingen.
Dat echter de Aarde in den Bijbel voorkomt als het teleolo-
giesch middenpunt (d. i. als het einddoel) der haar omrin-
gende schepping, is, naar de meening van onzen Geleerde, niet
tegen te spreken. Maar hij meent evenzeer, dat de Bijbel daar-
mede in geenen deele in tegenspraak is met de Sterrenkunde.
„Wanneer ik zie" — zegt hij — „dat de Mensch, door zijne
bewerktuiging, niet maar gelijk de dieren voor de lagere, d. i.
zinnelijke, maar ook voor de hoogere, d i. geestelijke: redelijke
en zedelijke, levensverrichtingen bestemd is, dan mag ik daaruit
besluiten, dat de Mensch de kroon is der Aardsche schepping en
het einddoel dat God bij het scheppen der levende wezens be-
oogde. Welnu, indien dan eens de Aarde niet maar e en e pla-
neet, maar de planeet bij uitnemendheid ware, de éenige onder
hare ons bekende zusterplaneeten, in wie de gedachte en het
doel van het wezen eener planeet, om zoo te zeggen de god-
lijk e idé van de Planeet, geheel verwezenlijkt is? Indien zij-
alléen eens de harmoniesch ingerichte woonplaats ware voor een
wezen als de Mensch? Zouden wij dan de Aarde niet, zonder
door de Sterrenkunde weersproken te worden, het teleologiesch
-ocr page 99-
89
middenpunt van ons planeetenstelsel mogen heeten?"
Dit „indien" kan alleen tot zekerheid worden door een be-
chouwing van de gesteldheid der overige planeeten, in verge-
üjking van onze Aarde.
Die beschouwing nu hadden wij, in de voorgaande bladen, aan
• Ie hand der wetenschap, op dichterlijke wijze beproefd.
\'t Is waar, niet voor \'t eerst worden de planeeten door de
l\'oëzy bezocht. Men denke aan Dante in zijn Pa ra dis o. Maar
/onder gebruik te maken van wat de sterrenkunde aangaande
den aart der planeeten mededeelt, gebruikt de groote Zanger van
liet Katholicisme en de Middeneeuwen, de planeeten alleen ten
nutte zijner verheven symboliek. Naar aanleiding harer heidensch-
mythologische namen, neemt hij haar tot woonplaatsen van ver-
schillende orden van gezaligde geesten. Zoo herbergt bij hem b. v.
Merkurius de eer- en roemzuchtigen: zóo Venus dezulken, die
\'Ie aardsche liefde hebben gevoed, zonder de hemelsche te ver-
_eten; zóo Mars de Martelaren en Kruisvaarders; Jupiter (het
zinnebeeld der Gerechtigheid), de vroome Vorsten; zóo Saturnus
(de Gouden Eeuw), de christen Wijsgeeren en Dichters; terwijl
dan de vaste sterren de woonplaatsen zijn van Adam, Maria, de
\\postelen, enz.
Ik kan dus naar waarheid zeggen, dat ik een „onbetreden pad"
bewandel. Deed ik verkeerd het op te wandelen? Kunnen Poëzy
•n Natuurwetenschap elkander niet verdragen\'? Ik and woord met
en aanhaling uit het voortreffelijk opstel van den Kopenhager
lloogleeraar H. Ghr. Oersted, Over de vermeende poezy in het
Bijgeloof,
waarin hij ten slotte zegt:
„Het kan der Natuurwetenschap niet tot verwijt verstrekken,
lat zij eenige door Dichters gebruikte denkbeelden te niet doet,
ja, dat zij ook andere in de Poëzy opgenomen dwalingen ver-
lietigt, al kunnen deze dan ook niet rechtstreeks bijgeloovig
,\'enoemd worden. Al ontfing de Poëzy geen vergoeding hoege-
uaamd voor dergelijke verliezen, \'t zou geen reden van klagen
zijn, want de hoofdzaak is dat onze geest, ook door het afleggen
an dwalingen, verheven en veredeld worde. Maar de Wetenschap
iieeft inderdaad der Poëzy een rijke vergoeding aan te bieden
oor hetgeen zij haar ontnomen heeft. Iets daarvan is reeds sedert
\'ang in de Dichtkunst overgegaan; b. v. de kogelvorm der Aarde,
in plaats van het vlak, de vierhoek of de schijf; de Aarde op
!iare baan om de zon zwevende, in plaats van rustende op eenen
grondslag; een oneindige veelheid van waerelden vol leven en
-ocr page 100-
90
gedachten, in plaats van een vaststaand hemelgewelf. Waar is het.
dat de Dichtkunst tot hiertoe van deze nieuwe inzichten niet zoo
vlijtig gebruik heeft gemaakt als van de vroegere; maar het steeds
voortgaande menschelijk geslacht heeft immers de geheele toekomst
vóór zich? De geschiedenis, die de aardbol van zijn oudste tijd-
perken in de wetenschap verhaalt, is der Dichterlijke opvatting
niet vreemd gebleven; maar de leer van de ontwikkeling van den
Aardbol levert jaarlijks nieuwe en rijke gevolgen. Zij verhaalt ons
van het tijdvak toen hij door eene tot op den hoogsten graad
verhitte zee bedekt was — van de eerste eilanden, die daarin
ontstonden, en de trapsgewijze vorming van nieuwe eilanden —
van de stemlooze dieren en de bloemlooze gewassen, op de jonge
door geen geluid verlevendigde, door geen kleurschakeering ver-
sierde aardkorst. Zij toont ons aan, hoe verdere ontwikkeling grooter
landstreken vormde, en begint ons reeds van hunne grenzen te
verhalen. Zij schildert ons de voortgaande ontwikkeling van het
planten- en dierenrijk, en leert ons de wonderbare gedaanten
kennen, die de Aarde allengskens voortbracht, doodde, weder be-
groef, terwijl zij bestendig een meer volkomen schepping voorbe-
reidde. Een menigte van minder omvangrijke wetenschappelijke
ontdekkingen heeft bovendien in de Poëzy ingang gevonden: de
magneet, het buskruid, de zonnevlekken, het geleende licht dei-
maan, de snelheid van het licht, de afleiding van den bliksem,
het ademhalen der gewassen, de onzichtbare dierenwaereld in een
druppel waters, enz. Van de betrekking, waarin de Mensch, als
ontdekker der natuurgeheimen, tot de Natuur, tot zijn geheele
geslacht en zich-zelven komt, is door de Poëzy nog weinig partij
getrokken. Zou het voor een Dichter niet der moeite waardig
zijn, den toestand te schetsen, waarin zich de man bevindt, die.
voor \'t eerst in \'t bezit van een verrekijker, de manen ontdekt
van de eene planeet, de bergen van de andere? Niet der moeite
waardig zijn, den mensch de innige blijdschap voor te stellen, die
zijn hart zou aangrijpen als hij voor de eerste maal zulke ge-
heimen der natuur ontsluierde en voorzag dat zijn streven voor
de Menschheid groote vrucht zal dragen?
„Een zoodanige overtuiging kan worden voorbereid: zij zal zich
langzamerhand uitbreiden, en eindelijk de overhand verkrijgen, al
naar mate de wetenschap-zelve zich zoodanig uitbreide, dat zij
niet alleen een zaak van het verstand is, maar ook tot gevoel en
verbeelding spreekt. Alleen door deze ontwikkeling van den geest
zal zich tegenover de oudere Poëzy een nieuwe stellen, voor den
-ocr page 101-
91
geest misschien van niet minder beteekenis dan de ontdekking
van een nieuw waerelddeel voor de zoogenaamde Oude Waereld
geweest is."
Bladzijde 4, regel 9 v. o.
„Daar is een Twijfel met de lippen van den dood,
JJskoud en dor — maar óok een onverzaadlijk Streven
„Naar de Eeuwge Waarheid, dat een heimwee is naar \'t Leven."
— „Wat is de twijfel van Faust? Niet de twijfel van het wor-
stelend hart, maar de twijfel van het koude, liefdelooze, zich-zelf
genoegzame verstand, dat nu noch immer tot waarheid leidt. Want
liet verstand, alleen gebruikt, is een gif, dat niet heelt maar ver-
scheurt : voor bloote verstands-twijfel bestaan geen grenzen. Wie zal
mijn verstand bewijzen, dat ik niet zelf een phantoom, een begooche-
ling van mijne eigene zinnen ben ? dat wat ik taste of zie, wel
waarlijk is? Ik zie toch de zon op- en ondergaan, en toch weel
ik dat het niet zoo is. Welnu, kunnen aldus niet al mijne zin-
tuigen mij bedriegen? En kunnen evenzoo niet al de zintuigen
van alle menschen bedriegen? Zulk een twijfel, hetzij die dan
betrekking hebbe tot God, of tot de waereld, of tot mijne eigene
ziel, is een spel voor lediggangers. Wanneer Nathanaël, die naar
het Godsrijk verlangt, van Jezus hoort, en nu, na zoo vele be-
diiegers, een nieuwen bedrieger vermoedt, en daarom niet eerder
aan dezen Messias gelooven wil eer hij hem gezien heeft, opdat
niet het smachtend zielsverlangen op nieuw misleid worde —
dan is dat een eerlijke twijfel des harten. \\ls Perpetua, met haren
zuigeling op den arm, met haren vader aan hare voeten, die haai\'
bezweert haar leven te verschoonen, den marteldood voor zich
ziet; als zij aarzelt wien te volgen, haren vader, wien zij het
aardsche leven verschuldigd is en die haar bidt haar leven te
behouden; of den Heiland, wien zij het leven harer ziel te danken
heeft en die haar gebiedt haar leven te verliezen — dan is dat
de nood eener worstelende ziel, dan is dat waarachtige twijfel des
harten. Als, in het Nibelungenlied, de ziel van den edelen Rudiger
geslingerd wordt tusschen de Koningin, aan wie bij leenplichtig
is, en tusschen de bloedverwanten, die hij vermoorden moet; als
Luther, dag en nacht, door bittere aanvechting gekweld wordt,
of het geoorloofd zij den bijl op te heffen tegen een door eeuwen
geheiligde gewoonte van het Bijgeloof; als York in den molen
bij Tauroggen den soldatenplicht, die hem aan den Tyran ver-
-ocr page 102-
92
bindt, weegt tegen de ingeschapen liefde tot het Vaderland; als
Bunyan jaren lang de marteling van een Prometheus lijdt dooi
de vraag, of er voor hem al dan niet vergeving der zonden te
vinden is — dan is dat twijfel des harten. Dan worstelt de ziel
met God. En zulk een Twijfel leidt tot Waarheid. Mier geldt het
den innigsten zenuw des levens, en instinktsgewijze grijpt de ziel
naar de vastigheid, die alleen staande houdt op de wankelende aarde.
„Maar als Faust den bijbel openslaat, als hij het evangelie van
lohannes begint te lezen — dat evangelie, dat juist het éenige is
waarvan, naar de Middeneeuwsche legende, de duivel aan Faust
de lezing verbiedt: het éenige dat, naar het oude volksgeloof,
zulk een kracht bezit tegenover alle machten der Duisternis, dat
het, op een blandtjen geschreven en in het harnas verborgen, de
krijgers onoverwinnelijk maakt — en als nu Faust, in plaats van
voor zijn ziel datgene te zoeken waarnaar zij dorst, met het uit-
gestorven hoofd begint te expliceeren en te taquineeren, en bij
den eersten regel twijfelend stil blij ft staan — dan is dat een
Twijfel die onvruchtbaar blijft. Op dezen weg ligt de ontbinding
van het geweten, van den wil, en, daarmede, van het getuigenis
Gods in het hart. Daar wordt God tot een afgetrokken begrip,
tot een ledig gevoel. „Gevoel is \'t alles, naam is klank en rook!"
zegt Faust, bij Giithe. Dat is geen Godsdienst. Een God wiens
naam slechts klank en rook is, kan niet geëerd, niet aangeroepen
worden. Maar een God tot Wien men niet bidden kan, zal dien
die op hem steunen wil, onder de hand wegzinken. Zulk een
God is een ledig verstandsbegrip en als zoodanig eene golf onder
de vele, die het onstuimig en wankelend menschenhart bewe-
gen — geen rots!" — Dr. P. Kleinert, Augustin und Goethe\'s
Faust.
Bladzijde 5, regel 15.
„Wat dien andren zusters wacht,
„Het wordt op de Aard, door de Aard, begonnen en volbracht! \'
„ Het werk van God op den zevenden dag, die nog altijd aan-
houdt, is het Verlossings-werk in Jezus Christus; en dit is het
groote werk,dat niet alleen voor deze Aarde, maar voor de gant-
sche Schepping een eeuwige beteekenis heeft." — Hugh Miller,
Getuigenis der Gesteenten."
— Zie Joh. 1 : 3, 14. Hebr. IX: \'25. Ef. I: 10. IV : 10. Filipp. 1:16.
Hebr. II : 9. V : 9. Openb. V : 13.
-ocr page 103-
93
Bladzijde 5, regei 40 v. o.
„Onderscheiden, niet gescheiden
„Van wat door en tot Hem werd,
„Zoekt Zijn teederminnend hart
„Zich naar \'t Schepsel uit te breiden."
„Het Christelijk Theïsme erkent God boven alle dingen ver-
heven, en toch alle dingen dragende door het woord Zijner liefde
en almacht. Wanneer het dus spreekt van het zijn van God in
Ie waereld, of van het zijn van de waereld in God, dan drukt
het door de eerste dezer stellingen de levende en noodzakelijke
werkzaamheid van God op het geschapene, — door de laatste, de
even levende en noodzakelijke afhankelijkheid der waereld van
Ciod uit: door beide, de in Gods vrijmachtige wil gegronde levens-
gemeenschap tusschen Hem en al \'t Schepsel. Hierin is \'t hemels-
hreed verschil tusschen Pantheïsme en Theïsme, dat het eerste
een wezens-eenheid van de waereld en God aanneemt, het laatste
Mléen levensgemeenschap, waardoor het even ver van het Deisme
verwijderd is." — Dr. A. Tholuck, De wonderen der Kathol.
Kerk,
(in de Aanteekeningen.)
Bladzijde G, regel \'24.
„Maar de Mensch, in de Aardsche dreven," enz.
Zie Laurent, Chrisiolog. Prediglen, Mainz 1860, 11 Th.
TWEEDE ZANG.
Bladzijde 11, regel 10.
„Wat Dwaalster wemelt, —
Vijfduizend jaren
Uw vorschend staren,
O mensch, ontglipt?"
„Het erkende bestaan van Uranus, die groote ontdekking van
William Herschell, heeft het getal der zes Hoofdplaneeten, sedert
duizenden van jaren alleen bekend, het eerst vermeerderd en de
-ocr page 104-
94
middellijn van het Planetiesch Zonnegebied meer dan verdubbeld.
Uranus werd op den 13den Maart 1781, bij het onderzoek van
een kleine sterrengroep in de Tweelingen, aan den voet van Cas-
tor, toevallig ontdekt. De scherpzinnige ontdekker bemerkte, dat
de lichtsterkte van het nieuwe hemellichaam naar mate van meer-
dere vergrooting aanmerkelijk alnam, terwijl zij bij de vaste ster-
ren van gelijke (van de QAa tot de ~ie) grootte dezelfde bleef\'. —
Herschell noemde Uranus, toen hij zijn bestaan in den beginne
aankondigde, een komeet, en het was eerst door den vereenigden
arbeid van onderscheidene geleerden, dat de elliptische loopbaan
van Uranus en zijne geheel planetische elementen, met een be-
wonderenswaardigen spoed werden bepaald." — A. von Humboldt,
Kosmos, III.
Bladzijde 11, regel 18.
„Ken schijnsel gevend
Van vreemden gloed."
„De planeet Uranus ontfangt, wegends haren grooten afstand
van de zon, 360 maal minder licht dan de Aarde: desniettemin
vertoont zij zich reeds bij matige vergrooting even helder als Sa-
turnus." — Dr. A. N. Böhner, Kosmos, I.
Aldaar, regel 8 v. o.
„Zie, statig drijvend
Verschijnt zij daar," enz.
„Uranus is eeneder verst verwijderde Planeeten. Volgends Hansen
bedraagt de gemiddelde afstand van Uranus tot de Zon 396| mil-
lioenen geographische mijlen. Van onze Aarde is Uranus 380 mil-
lioen mijlen verwijderd. Zij is 82 maal grooter dan onze Aarde.
De zonnestraal, die zijn weg van de Zon naar de Aarde in 8 mi-
nuten en 18 sekonden aflegt, heeft tot zijne reize naar Uranus
2 uren, 35 minuten en 42 sekonden noodig. De Zon zou den
bewoneren van Uranus 400 maal kleiner dan onze Aarde schijnen.
De omvang van Uranus\' baan bedraagt 2400 millioen mijlen. Het
langste menschenleven is voor Uranus slechts een jaar, want deze
planeet behoeft 84 jaren, 5 dagen, 19 uren, 41 minuten, 36 se-
konden, om haren loop rondom de Zon slechts óen enkele maal
te volbrengen. Wanneer de leeftijd der Uranus-bewoners, even als
-ocr page 105-
95
lie der menschen op onze Aarde, zeventig of tachtig jaar Huurde,
/.ou een 84 jarige Uranus-burger 7.056 onzer jaren oud zijn. Een
spoortrein met de snelheid van 4 mijlen in een uur, zou tot een
nmlonp in de baan van Uranus 70.\'205 jaren noodig hebben." —
Dr. A. N. Böhner, Kosmos, I.
Bladzijde l\'2, regel 5, enz.
„Zij vliegt om de assen —
Met snellen groei."
„Bij Uranus ontdekt men duidelijk eene zeer sterke afplatting,
welke bewijst dat deze Planeet zich met groote snelheid om een
as moet wentelen die nagenoeg evenwijdig loopt aan de vlakte
van hare loopbaan." — Prof. F. Kaiser, Sterrenkunde.
Bladzijde 1\'2, regel \'25.
„Acht Satellieten
Omcinglen hier
Uw bol . . .." enz.
„Uranns — zegt Herschell, de zoon — is door 4, waarschijnlijk
door 5 of 6 satellieten omgeven. [Volgends Böhner is dat cijfer
sedert tot 8 geklommen.] Zij bieden een groote, tot dusverre nog
nergens in het zonnestelsel aangetroffen bijzonderheid aan : name-
\'ijk die, dat, terwijl alle satellieten (die van de Aarde, van Ju-
piter, van Saturnus), zoowel als alle Hoofd-planeeten, zich van
liet Westen naar het Oosten bewegen, de satellieten van Uranus
zich van het Oosten naar het Westen bewegen." — A. von
üumboldt. Kosmos, III.
Bladzijde 13, regel 15.
„Een ster als een graflamp ....
en \'t scheemren houdt aan."
„Daar Uranus ongeveer twintigmaal verder van de Zon ver-
wijderd is dan de Aarde, is het zonlicht op deze planeet dus ook
vierhonderdmaal zwakker dan bij ons. De zonneschijf vertoont
zich slechts zoo groot als bij ons Venus, en verspreidt er, zelfs
-ocr page 106-
9G
op den heldersten dag, slechts een schemering als die onzer
raaneschijnnachten. Daar met de verwijdering van de Zon ook de
warmte van het zonnelicht op gelijke wijze als de lichtende kracht
afneemt, zoo brengt het zonnelicht op Uranus een vierhonderd-
maal zwakkere verwarming te-weeg." — A. Bernstein, Phantasie-
Reise im Weltall.
Bladzijde 14, regel 17.
„Welkom ons, gij wensch des Dichters:
„ „Mocht het soms, bij \'t hoogst genot,
„ „Liefelijke Scheemring wezen
„ „in Uw zalig Huis, o God!"
De hier bedoelde Dichter is wijlen mijn vriend B. Ph. de
Kanter, die zijn dichtstukjen : TAan de Schemering" in de Aurora
voor 1841, aldus besluit:
„Scheemring, blijf gij mijn vriendin! Beik vaak mij de lier in
[uw schaduw :
Adem uw teederst gevoel mijne gezangen dan in.
En — zij die wensch mij vergund! — moog\' daar, in der Zaligen
[woning,
Soms bij het heiligst genot lieflijke schemering zijn!"
Bladzijde 14, regel 4 v. o.
„\'t Was de kreet der Natuur, die op \'t bloedige veld.
Van het tastbaarste donker omgeven,
Eens tot Jupiter klom uit de ziel van den Held:
„Geef ons Licht! laat bij \'t Daglicht ons sneven!""
Een tastbare duisternis had eensklaps het leger der Grieken
bedekt, en belette\' hen te strijden. Toen riep Ajax uit, niet
wetende wat te beginnen:
„O Vader Zeus! verdrijf den nacht die ons bedekt,
En dan — verkiest gij \'t — doe hij \'s Hemels licht ons sneven!"
— Ilias, XVII, vs. 645.
„De stoute bede van Ajax, by Homerus, altijd zoo verheven
gerekend .... Hy wil noch tegen Jupiter vechten, noch omkomen,
-ocr page 107-
97
noch zegt dit om hem te tergen: het: „Vader Zeus!" alleen toont
reeds het tegendeel. Maar hy wil Licht, hy vraagt Licht, niets
anders: maar hy vraagt het met ijver en drift, al moet hy dan
ook omkomen." — Bilderdijk, Taal- en Dichtk. Verscheid. D. H.
— Zie ook Boileau, in zijn Traite dn sublime, Chap. VII, die,
de opvatting van Longinus volgende, van die van Bilderdijk
eenigzins verschilt.
Bladzijde 15, regel 21.
„Aan de polen — twintig jaren
\'t Rijzend zonlicht, nauwlijks stralend."
„De eigenaardige stand van Uranus ten opzichte van hare baan
heelt ten gevolge dat de jaargetijden daar in de grootst mogelijke
mate verschillend zijn, dewijl de Zon, die in het voorjaar en in
den herfst in den aequator staat, en daar, even als bij ons, dag
en nacht gelijk maakt, nochtans in haren zomertijd zóo hoog
hoven de pool klimt, dat deze haar op een hoogte van 79 graden
ziet, even als de bewoners van den aequator in de lente en den
herfst. Van het tijdstip af, waarop de Zon zich 10 a 11 graden
boven den aequator verheft, ziet de Noordpool de Zon 42 jaren
boven haren horizon, ziet haar in den loop van twintig jaren tot
een hoogte van 79 graden rijzen en dan weder naar den horizon
afdalen; en van het tijdstip van de nachtevening af, ziet zij haar
i\'2 jaren lang in het geheel niet meer. Hetzelfde heeft in omge-
keerden zin met de Zuidpool plaats. De Jaargetijden bieden dus
hier de grootst mogelijke uitersten aan, doch voor het overige is
het tamelijk onverschillig waar men op deze planeet woont. Van
planten en schepselen, gelijk die welke wij op Aarde kennen,
kan hier geen sprake zijn." — Dr. Ziramerman, De Aardbol.
Bladzijde 16, regel 7.
„Hier, geen wissling der seizoenen." enz.
„Het is niet te denken, dat de uitwerking der zonnewarmte
op Uranus van veel belang is, en zoo hierdoor nog een afwis-
seling in de jaargetijden wordt te-weeg-gebracht, moet die hoogst
treurig zijn: geen trapsgewijze, maar een scherpe en geduchte;
want de as waarom Uranus wentelt, staat bijna 90 graden, dus
X.                                                                                                    7
-ocr page 108-
98
bijna loodrecht, op Jkhet vlak van haar loopbaan rondom de Zon.
Slechts in de naaste omgeving van de Evennachtslijn kan een
soort van gematigde luchtstreek te vinden zijn. Vraagt gij of er
bij zoodanige verhouding nog een plantengroei op Uranus mogelijk
zou zijn, dan andwoord ik, zoo er al een plantengroei mogelijk
is, moet die zeer onvolkomen wezen. Aan een geregelde bebou-
wing van den grond moet wel in \'t geheel niet te denken zijn;
en hoevele factoren der ontwikkeling van den menschelijken
geest, des huisselijken en maatschappelijken levens, vervallen hier-
door niet!" — Dr. J. H. A. Ebrard, Nat. Hist. Briefe.
DERDE ZANG.
Bladzijde 17, regel 2.
„Wat wondere kogel wordt ginder bewogen?"
„De siderische of ware omloopstijd van Saturnus duurt 29 jaren.
166 dagen, 23 uren, 16 minuten en 32 sekonden. Zijn gemid-
delde middellijn bedraagt 15.507 geogr. mijlen, gelijk aan 9.02\'2
middellijnen van de Aarde De wenteling om zijn as geschiedt,
uit de waarnemingen van eenige donkere vlekken afgeleid, in
10 uren, 29 minuten en 17 sekonden. Het gewest om de polen
vertoont een afwisseling in de terugkaatsing van het licht, welke
afhankelijk is van de jaargetijden op Saturnus. De pool-gewesten
worden namelijk in den winter helderder van licht, een ver-
schijnsel hetwelk het wisselend Sneeuw-gewest van Mars herinnert."
A. von Humboldt, Kosmos, III.
„Het merkwaardigste dat Saturnus ons biedt, is haar ring. Dez\'\'
bestaat onbetwistbaar uit twee, volgends Bond (te Cambridge in
de Vereen. Staten van N. Amerika) en volgends Dawes (te Maid-
stone in Engeland) zelfs uit drie concentrische ringen, welke door
tusschenruimten van elkander gescheiden zijn. De buitenste rinu
heeft een middellijn van 38.000 geogr. mijlen en een breedti\'
van 2.600 mijlen. De binnenste ring meet 33 300 mijlen, bij een
breedte van 3.700 mijlen. Tusschen den buitensten en binnensten
ring ligt. een klove van 400 mijlen breedte, door welke heen
Derbam zelfs kleine sterren gezien wil hebben. In deze klove ligt
de derde ring, welken Bond en Dawes, door een derde gedeelte
-ocr page 109-
09
van den omtrek der Aarde van elkander gescheiden, meenen
jezien te hebben. De afstand van de binnenzijde der ringen tot
Ie oppervlakte van Saturnus bedraagt ongeveer 5.000 mijlen. De
ikte der ringen zou, volgends sommigen, de 20 mijlen niet te
I oven gaan; volgends andere opgaven bedraagt die over de 100
ïijlen." — Dr. W. F. A. Zimmermann. De Aardbol.
Bladzijde 17, regel fi.
„Haar middellijn is \'t, reeds bekoeld en versteven,
Toen \'t lichaam dier waereld nog dampte in den gloed."
„De bol van Saturnus is oorspronkelijk insgelijks in geheel
gesmolten toestand en derhalven vloeibaar geweest. Tegelijk heeft
hij zich met groote snelheid om zijne as gedraaid en hierbij was
liij, ten gevolge der hitte en uitzetting aan zijnen aequator, zoo
groot als thands zijn ring is. Nu begon hij langzaam te bekoelen.
I\'aar echter uitgestrekte massa\'s eerder bekoelen dan dicht op
• Ikaar gepakte, moest de aequator van Saturnus als een stijve
ring zweven, terwijl de overige deelen nog vloeibaar gebleven
waren. Terwijl nu bij de verdere afkoeling de massa inkromp,
was de aequator reeds zoo stevig en vast, dat hij den bol in
zijne verkleining niet volgde: derhalven bleef de aequator van
Satnrnua als een stijve ring zweven, terwijl de bol-zelf van lie-
^ü\'lede kleiner werd, inkromp, en eindelijk geheel losgemaakt
•  m den voormaligen aequator, zijn tegenwoordige gestalte verkreeg.
Deze verklaring wordt ten deele daardoor versterkt, dat men
loor nauwkeurige waarnemingen ontdekt heeft, dat de ring eigenlijk
uit een groot aantal gescheidene, elkaar omgevende ringen bestaat,
die alle op de gezegde wijze achtereenvolgends den aequator der
jiianeet uitgemaakt hebben, en telkens na hunne verstijving en
het verder inkrimpen en afkoelen der planeetenmassa, als steeds
Meiner en kleiner wordende ringen om den nog kleiner geworden
kogel achterbleven." — A. Bernstein. Phanlaste Reise.
Bladzijde 17, regel 9.|
„Een schaduw slechts wisslend. tot eenigsten groet!"
„De ringen zijn, evenals de Saturnus-kogel, op zich-zelf donkere
i door de zon verlichte lichamen. Men ziet op hen de schaduw
-ocr page 110-
100
van Satumus, evenals hunne schaduw op het middenlichaam." —
Böhner, Kosmos, II.
Bladzijde 17, regel 11.
„Ik nader. Hoe traag trekt ge, als aarzlend, mij aan!"
„De Dichtheid der massa van Saturnus is achtmaal geringer
dan de gemiddelde dichtheid onzer aarde, waardoor dan ook de
aantrekkingskracht zooveel minder wordt dan bij ons. — Böhner.
Kosmos. I.
Bladzijde 17, regel 15.
„Gij, honderdmaal grooter dan zij."
„Saturnus\' oppervlakte is 95-, haar lichamelijke inhoud 928-
maal zoo groot als die der Aarde; daarentegen is hare massa no^
niet honderdmaal zoo groot als die der Aarde." — Dr. Zimmer-
mann, De Aardbol.
Bladzijde 17, regel 18.
„Daar treedt reeds de zon door de nevelgordijnen."
„Op Saturnus vertoont zich de Zon aan het oog 1 O-maal kleiner
in doorsnede dan wij haar op Aarde aanschouwen, en verspreidt
er een 90-maal zwakker licht dan bij ons. Natuurlijk staat d^
warmte die zij er opwekt, daarmede in gelijke evenredigheid,
zoodat wij mogen besluiten, dat op Saturnus, zelfs in den zomer,
een gevoelige koude heerscht. Tengevolge van de grootere helling
(nagenoeg 30 graden) van Saturnus\' as op zijn loopbaan, zijn o\\>
deze planeet de jaargetijden en klimaten iets gelijkmatiger ver-
deeld dan op Uianus. Evenwel, de beide gematigde luchtstreken
hebben er te samen slechts een uitgebreidheid van 60 graden,
waaruit volgt dat de heete en de beide koude saamgenomen, zicli
over een oppervlakte van 120 graden uitstrekken. De gematigd!\'
luchtstreken op Saturnus omvatten dus niet meer dan een derde
van zijn omvang, terwijl zij op de Aarde er de helft van uit-
maken." — Dr. Ebrard, Nat. Hist. Briefe.
-ocr page 111-
101
Bladzijde 17, regel 4 v. e.
„\'t Zijn bergen van lucht, grauwe spooksels, niets meer."
„Bij de zoo buitengewoon geringe en naar de oppervlakte al-
nemende dichtheid van Saturnus (veellicht nauwlijks drie vijfden
van de dichtheid des waters) is het moeielijk zich een voorstelling
te maken van den toestand ten aanzien der bestanddeelen of van
ile stoffelijke geaartheid des planeetenlichaams, of zelfs te beslissen
of deze geaartheid werkelijk vloeibaarheid, d i. beweegbaarheid
Ier kleinste deelen, of wel vastheid, veronderstelt. De sterren-
kundige, die den tocht van Krusenstern vergezelde, Horner, wil
lat de bergen van Saturnus uit dampmassa\'s en dauipblaasjes
bestaan." — Von Humboldt, Kosmos, III.
Bladzijde 18, regel 17 v. o.
„Acht manen."
„Behalven door het ringsysteem wordt deze reusachtige Planeet
iok nog omzweefd door acht manen, wier namen, naar Herschell\'s
voorslag, de volgende zijn: 1) Mimas, 3 Enceladus, 3) Thetis,
O Dione, 5) Rhea, 6) Titan, 7) Hyperion, 8) Japetus. Als men
•Ie verblindende Saturnusschijf met een scherm bedekt, is \'t mo-
,\'elijk ook de kleinste van deze trawanten door een tamelijk scher-
l\'en verrekijker te ontwaren." — Dr. Böhner, Kosmos, I.
Bladzijde 19, regel 12 v. O.
„Zoo hier de Menschheid leven moest,
het leven werd haar sterven I"
„Des winters werpt de ring, in plaats van Saturnus te verlichten,
"P die zijde der planeet die alsdan van de zon afgewend is, een
chaduw, die, vijftien jaren achtereen, zich over een oppervlakte
van eenige millioenen vierkante mijlen verspreidt. Welk een ver-
schrikkelijke duisternis en welk een strenge koude moet dit niet
veroorzaken! Hierdoor nu wordt de gematigde luchtgesteldheid
ildaar geheel vernietigd, en om die reden is het niet te denken
dat er op Saturnus, evenals op Uranus, een blijvende planten-
,\'roei en geregelde landbouw mogelijk is. En wat de bewoners
betreft — zoo die er zijn — deze zouden, om te kunnen blijven
-ocr page 112-
102
bestaan, telken halven Saturnus-jare, d. i. alle 15 aardjaren, hunne
woonplaatsen verlaten en naar de tegenovergestelde helft van den
bol verhuizen moeten. — Doch uithoofde der menigte wolken en
dampen, waarin Saturnus aanhoudend gehuld is, acht men het
niet onwaarschijnlijk, dat deze bol uit een halfvloeibare mass;i
bestaat. — Dr. Ebrard. Nat. Hist. Brief e.
Bladz. 20, regel 21,
„Gewoekerd met den korten Dag."
„Er bestaat op Saturnus een groote onevenredigheid tusschen
het lange jaar, dat 29 van onze jaren bedraagt, en de buitenge-
woon korte dagen, die niet langer zijn dan 10 en een kwartier
uur. Een geheele winterdag in de gematigde luchtstreek duurt
maar drie uur " — Dr. Ebrard, Nat. Hist. Brief e.
Bladzijde 22. regel 19.
„\'t Zijn nog altijd de eigen boomen." enz.
„Bij \'t schrijven dezer regels deed zich onwillekeurig de invloed
gevoelen van een bladzijde uit Scheffer\'s Laienbrevier, vroeger
door mij nagevolgd, en uitgegeven in mijne Dichtwerken, Leiden
bij A. W. Sijtholf, 1863, Hl deel.
VIERDE ZANG.
Bladzijde 24, regel 1.
„Wie ziet daar uit heur verre sfeer,
Van zacht-geel licht omgloeid,
Op onze Zonnekindren neer?"
„Met een zacht geel licht, schitterender dan Sirius, slechts
weinig zwakker dan dat van Venus, straalt Jupiter in het gezin
der zonnekinderen van haar verre post op onze Aarde neder." —
Dr. Böhner, Kosmos, I.
„De machtigste planeet van het geheele zonnestelsel is Jupiter,
die een middellijn heeft van bijna 20000 geogr. mijlen, eene
126-maal grootere oppervlakte dan die der Aarde en een 1400-maal
-ocr page 113-
103
u-ooteren inhoud. Hare dichtheid echter bedraagt nauwelijks
een vierde gedeelte van de dichtheid der Aarde. Zij omvat der-
halven, bij 1400-maal zooveel ruimte, slechts 309-maal zooveel
massa als de Aaide, heeft slechts een dichtheid gelijk aan die
\\an zeewater, en brengt ons dus bijna op het denkbeeld dat zij
hol moet wezen, ofschoon zij dan ook niet eens met lucht ge-
vuld zou kunnen zijn. De baan van Jupiter heeft een straal van
105 millioenen mijlen. De planeet doorloopt die in 11 jaren,
\'M4 dagen, 20 uren, of 4321 van onze dagen, in welk tijdsbe-
>tek zij echter 10396 Jupiters-dagen heeft, want deze duren ieder
nog geen 10 uren, \'t geen voor zulk een machtige en groote
planeet een ongelooflijk snelle omwenteling is." Dr. Zimmermann,
De Aardbol.
Bladzijde 24, regel 12 v. o.
„Zie opwaards! de zon drijft in wolken voorbij,
Een hoornen lantaren, zoo glansloos, zoo droef."
„Jupiter beweegt zich op een eerbiedigen afstand van 107 mil-
lioenen mijlen van de zon; de zonneschijf schijnt er 5-maal
kleiner dan bij ons, terwijl het zonlicht er 27-maal zwakker is.
He dagen \'zijn er kort: een dag, van den éenen avond tot den
anderen, bedraagt er 9.55 uur, de eigenlijke dag dus slechts
4.57 uur, want dag en nacht zijn hier even lang. Deze planeet
heelt een zoo geringe helling op hare baan, dat haar jaarlijksche
loop rondom de zon op hare oppervlakte bijna geene verandering
te-weeg-brengt, zoodat daar wel verschil van luchtstreken bestaat,
maar in die luchtstreken geen afwisseling der jaargetijden." —
Höhner, Ebrard, and.
Bladzijde 25, regel 10.
„Te langer gerekt, waar de dansende Horen,
Bij maanden van jaren, de vleuglen verloren!"
Een jaar van Jupiter (zie boven) staat gelijk met bijna 12 jaren
onzer Aarde. Een Jupiter-maand staat dus bijna gelijk met een
jaar op onze Aarde.
— De „Horen." Drie Zusters: Eunomia, Die e en Ei ren e,
<le Drie Jaargetijden, waarin men oudtijds het Jaar verdeelde. Zij
worden altijd vootgesteld in gezelschap van de Gratiën, de drie
-ocr page 114-
104
zusters: Aglaia, Thalia en Euphrosyne. — Biblioth.
Classica.
Bladzijde 2"), regel 22.
„Wat ooit op Aarde orkaan mocht heeten,
\'t Wordt zuiderwind en zéfierzucht
Bij wat hier rondspookt in uw lucht,
Gij Stormkaap der Planeeten!"
„Uit de beweging der wolken, die dezen bol omringen, heelt men
opgemaakt, dat er in zijnen dampkring zeer dikwerf groote en plotse-
linge veranderingen ontstaan, waardoor stormen veroorzaakt worden,
die men berekend heeft een snelheid van 7 tot 11 duizend voeten
in de sekonde te bezitten (terwijl de vreeselijkste stormen op
Aarde een snelheid hebben van GO voet in de sekonde.) Een
zoodanige storm zou noodzakelijk alles ter-neder-werpen en ver-
nielen wat op zijn oppervlakte aanwezig was. — Dr. Ebrard,
Nat. Hist. Briefe.
Bladzijde 25, regel 28.
„Op onze Anti II es vind ik hem."
„Op de Antilles, heersenen, als bekend is, menigmaal de woe-
dendste stormen, meestal vergezeld van geweldige onweders en
regenvlagen, somtijds van aardbevingen, en immer van de treurigste
verwoestingen gevolgd." — Baynal, Htst. philosoph. T. II.
Bladzijde 29, regel 9 v. o.
„Honende kreten
Begroetten den Held."
„Toen de bliksemafleiders nog tot de nieuwigheden behoorden,
had hunne invoering, veel meer nog dan thands, met het voor-
oordeel te kampen, \'t Was immers een ingrijpen in de plannen
der Voorzienigheid, — alsof die plannen door menschen gewijzigd
konden worden! — en de metalen stangen, waaruit de afleiders
hoofdzakelijk bestonden, kregen den naam van ketterstangen.
Maar de natuur-zelve nam de taak op zich, om ze te verdedigen.
Uiterst belangwekkend is in dit opzicht het verhaal van Pistoni,
-ocr page 115-
105
in een schrijven aan den Abt Rozier, van den jare 1779. De
kerk van het hooggelegen Siena had veel van den bliksem te
lijden, en er viel uit dien hoofde telkens wat aan te herstellen.
i ie opzichter waagde het den klokketoren van afleiders te voor-
zien, of al menigeen er het hoofd over schudde. Den 18den April
1777, ten 6 uur des avonds, kwam er een onweer opzetten, van
lievigen regen en storm vergezeld. De rondom de kerk woonachtige
•tedelingen liepen bij hoopen uit, begeerig om te zien wat nu
die ketterstangen wel zouden uitrichten. En ziet, daar schiet met
ren vervaarlijken donderslag een purperen bliksem neder op eene
der stangen, loopt de geleiding langs en verliest zich in een nabij-
/ijnd water, waarin de geleider uitkwam. Toen het onweer voorbij
was, onderzocht men den toren en vond dien gaaf en ongedeerd,
ja, zelfs spinnewebben, die hier en daar den korten afstand tus-
schen muur en geleider bespanden, hadden geen de minste schade
bekomen. Hoe dit voorval strekte om de bliksemafleiders door
gantsch Italië in eere te brengen behoeft nauwelijks gemeld te
worden.\' — Prof. C. J. Matthes, Elekt. verschijnselen in den
dampkring.
„Het is opmerkelijk, dat de ontdekking van de elektrische
natuur van het onweder nog geenen Dichter heeft bezield. De
ontdekking was de vrucht van wetenschappelijk onderzoek, de
invoering in het maatschappelijk leven geschiedde door een helden-
ilaad; want de ontdekker leidde de elektriciteit der onweerswolk
af op een wijze, die zijn leven in gevaar bracht. Men stelle zich
\\oor het veelvuldig geroep van het vooroordeel tegen den blik-
semafleider, maar ook de vernietiging van het vooroordeel, welke
volgde, toen de ondervinding de proef bevestigd had. De werke-
lijkheid levert een trek op, zooals de dichter niet beter had kun-
nen uitdenken. In Siena, enz" [volgt het verhaal van Pistoni,
»ok door Prof. Matthes medegedeeld]. — Prof. H. Ch. Oersted,
lh Geest in de natuur.
Bladzijde 30, regel 8 v. o.
„Herwaards de stang!"
„De vereischten van een goeden bliksemafleider zijn de voI-
uende: 1°. de afleider moet boven in èen of meer punten eindU
ken, ten einde de elektriciteit uit de lucht gemakkelijk te kunnen
inzuigen. 2°. De afleider moet onafgebroken tot in den grond
loorloopen: een metalen stang is dus doelmatiger dan een ketting.
-ocr page 116-
106
3°. De afleider moet dik genoeg zijn, om niet door den bliksem
te kunnen worden gesmolten. 4°. De afleider moet eindigen in
eenen bodem die geschikt is om de elektriciteit weg te leiden :
dus, in een vochtigen grond of in een waterput, maar niet in
een geheel ingemetselden regenbak, daar deze door den bliksem
uit-éen kan gescheurd worden. Heeft men geen water en geen
vochtigen grond daar waar de bliksemafleider moet opgericht
worden, dan laat men de onderste punten van den afleider ii>
goed uitgegloeide houtskool eindigen. Opdat de langs den atleidei
uitstroomende elektriciteit zich altijd zeker in den grond ontladc
is het goed den afleider in meer dan éen punt te laten uitloopen.
Deze punten zijn meestal ijzeren staven, welke, evenals de uitgo
breide vingeren eener hand. aan de hoofdstaaf verbonden zijn. —
Bevinden zich boven op en aan het gebouw metaalmassa\'s, zooaK
metalen daken, looden goten, enz., dan moeten deze met den
afleider in verband gebracht worden. Men moet ook zorg dragen
in de nabijheid van den afleider geen andere metaalmassa te
plaatsen, welke den bliksem nog beter dan de afleider-zelf zon
kunnen geleiden, omdat de bliksem alsdan zou kunnen overspringen
en bij dat overspringen schade veroorzaken." — W. Wenckebach.
Natuurk. Leercursus.
Bladzijde bi, regel 6.
„Franklin! uw naam is voor eeuwig gekroond."
„Men weet, dat men de gewichtige uitvinding van den bliksem-
atleider heeft dank te weten aan Benjamin Franklin, den grond-
legger der Amerikaansche vrijheid. Zij lag niet verre, zoodra men
klaar had ingezien, dat donder en bliksem elektrische \\erschijn-
selen waren, en van diegenen welke men kunstmatig te voorschijn
wist te roepen, slechts in graad verschilden. Die indentiteit was
reeds vóór Franklin vermoed geworden; te weten door Dr. Wall.
Gray, Nollet en Winkler. Hij echter wist, door proeven en rede-
neeringen, die meening meer waarschijnlijkheid bij te zetten en
gaf het middel aan de hand om de vermoede elektriciteit aan de
onweerswolken te onttrekken,
(„Eripuit coelo luimen, sceptrumque tyrannis")
bestaande in het hoog in de lucht opvoeren van een metalen-
spits toeloopenden geleider." — Prol. C. J. Matthes, Beschou-
wingen van de bestanddeelen en eigensch. der lucht.
-ocr page 117-
107
Bladzijde 31, regel 14.
„Of, is \'t waarheid, staat mijn voet
— Als op aarde werd vermoed —
Hier aan d\' ingang eener Waereld," enz.
„Om vele redenen is het aan sommige sterrenkundigen waar-
schijnlijk voorgekomen, dat de oppervlakte van deze planeet ge-
lieel, of bijkans geheel, met water overdekt is." — Dr. Ebrard,
Nat. Hist. Briefe.
VIJFDE ZANG.
Bladzijde 34, regel H.
„Wat zwerm van waerelden, die \'k op zie dagen,
Doorwandelt heel die schijnbre woestenij ?"
„De zoogenaamde Kleine Planeeten, Ceres, Pallas, Juno,
Astrea, enz., een wonderbare Planeetenzwerm, zijn meestal eerst
M\'dert het begin onzer eeuw ontdekt, in de laatste vijftien jaar
meer dan vertiendubbeld, en nemen bij voortgezet onderzoek nog
steeds toe in getale. Maar die allen zijn, wat de bewoonbaarheid
betreft, niet beter dan de reeds bezochte plaatsen, \'t Zijn misschien
niets anders dan fragmenten van groote planeeten, door de eene
of andere natuurkracht verwoest, of misschien bouwstoffen voor
een nieuwen bol — in elk geval voor ons Geslacht te klein." —
Dr. Ebrard, Nat. Hist. Briefe.
„Onder den naam van eene middelbare groep, die tot een
zekere uitgestrektheid tusschen Mars eu Jupiter eenen schei-
denden gordel voor de vier b i n n e n-hoofdplaneeten (Merkurius
Venus, de Aarde en Mars) en de vier bui t e n-hoofdplaneeten
(lupiter, Saturnus, Uranus en Neptunus) van ons Zonne-gebied
vormt, verstaat men gewoonlijk de groep der kleine planeeten
(a steroïden, planetoïden, coplaneten, enz.) Zij onder-
scheiden zich meest door hare in elkander gevlochten, sterk
lellende en zeer uitmiddelpuntige loopbanen; door hare bui-
lengewone kleinheid, naardien, b. v., de middellijn van
Vesta zelfs niet het vierde gedeelte der middellijn van Merkurius
chijnt te bereiken. In 1845 waren slechts vier van de kleine
-ocr page 118-
108
planeeten bekend; zes jaren later was het getal der kleine pla-
neeten reeds tot 14, een jaar later reeds tot 20 aangegroeid. En
de ontdekking gaat steeds voort. — Tot dus.ver schijnt
het gewest dat het naast bij de loopbaan van Mars
gelegen is, het meest gevuld te zijn." — A. von Humboldt,
Kosmos, III.
Bladzijde 35, regel 11.
„Zelfs Gij niet, die daar vonkelt, rood als \'t bloed," enz.
„In de plaats, die voor onze beschouwing het gunstigste is,
verschijnt ons Mars als een geelachtig-roode ster van de eerste
grootte. Als roode ster verscheen deze planeet reeds den oudan
(\'rrieken en Israëlieten voor twee, drie duizend eeuwen. Deze;
kleur moet dus wel haren grond hebben in duurzame gesteldheid
der natuur op die Planeet." — Böhner, Kosmos, I.
Bladzijde 35, regel 14.
„Wel zweemt gij \'t meest naar onze Moederaarde," enz.
„Van alle Planeeten heeft Mars de meeste overeenkomst met
onze Aarde." — Böhner, Kosmos, I.
„De helling van den as der Planeet Mars op hare loopbaan is
slechts weinige graden minder dan bij onze Aarde. Alzoo her-
vinden wij dan op haar bijna onze eigen verdeeling van lucht-
streken en jaargetijden. Toch, wat de saizoenen betreft, met dit
verschil, dat zij bijna tweemaal zoo lang duren, omdat Mars bijna
tweemaal zooveel tijd behoeft om hare baan rondom de zon te
loopen. Hebben wij dus vier zomermaanden, zij heeft ei\' acht,
maar hebben wij vijf wintermaanden, zij heeft er tien.
„Ook de oppervlakte toont gelijkvormigheid. Aan de polen
blinken witte plekken, uitgestrekte sneeuwmassa\'s, maar aan regel-
inatige veranderingen onderworpen. Hoe helder, als het voor de
poolgewesten winter is — hoe bijna onzichtbaar, als \'t daar
eindelijk zomert! De dagen zijn er bijna als de onze, te weten
van 24 uur 37 een en derde minuut. Maar Mars, kleiner dan
onze Aarde, is ook veel verder van de Zon, heeft dus en minder
licht en minder warmte. Bijna zou zij een menschenwoning
kunnen heeten: maar alle voordeelen, die Mars op de andere
planeeten vooruit heeft, bezit de Aarde in veel hooger mate, en
-ocr page 119-
109
van de ongerieflijkheden van Mars schijnt zij vrij. Om iets te
noemen, de as der Aarde heeft juist zulk een helling, dat van
.Ike meridiaan de helft gematigde luchtstreken doorsnijdt — de
gunstigste denkbare verhouding — terwijl bij Mars slechts een
derde gedeelte van elke meridiaan tot de gematigde luchtstreek
behoort." — Dr. Ebrard, Nat. Hist. Briefe.
Bladzijde 35, regel 12 v. o.
„Zij kon, met al uw heuvelen en dalen,
Tot zevenwerf u bergen in haar schoot."
„De middellijn van de planeet Mars bedraagt slechts 0.519
deelen van de muidellijn der aarde, of 892 geogr. mijlen." —
v. Humboldt, Kosmos, III.
„Deze planeet is dus zevenmaal kleiner dan de Aarde." —
Höhner, Kosmos, I.
Bladzijde 37, regel 4.
„Waarom dan, zonen
Van \'t zelfde Huis!
Nog Burgeroorlog
En Krijgsgedruisch ?"
Dat de naam, dien deze Planeet draagt, een Dichter aanleiding
i?eeft om van den Oorlog te gewagen, spreekt van zelf en behoeft
wel geen verdediging. Een enkel woord toch tot recht verstand
van mijne beschouwing van den Oorlog, moge hier zijn plaats
vinden. Ik ontleen ze aan mijn opstel Over den oorlog, in
Juli 1866 geplaatst in het Christelijk Album.
De oorlog predikt Gods gerechtigheid. Ook in latere dagen
is de oorlog vaak een oordeel der vergelding. Wel verre van ons
de beweering, dat de ongelukkigsten juist de schuldigsten zijn.
en dat de zegepraal, op het slagveld behaald, steeds de weiver-
diende kroon is der rechtvaardige zaak. Maar menigmaal toch is
er in den jammer der volken, niet minder dan in het lijden van
enkele personen, de vinger te zien eener goddelijke Nemesis. De
waereldgeschiedenis is het waereldgericht, meer dan wij weten
of gissen, die slechts fragmenten zien van het geheel en maar
dagen beleven van de eeuwen. „De vlammen, waardoor Karthago
-ocr page 120-
iH)
vernield werd\'\' — zegt onze Willem de Clercq — „waren een
billijk loon voor de afpersing veler volken, en het hoogmoedige
Rome werd door de Barbaren vertreden, nadat het Gods last had
voltrokken over de stad des tempels," die hare profeeten had
gedood en Hem gekruisigd op VVien alle profeeten gewezen hadden.
En is de volks-schuld soms verjaard, „omdat niet altijd haastelijk
het oordeel over de booze daad geschiedt", welnu, de Heer onze
God is een ijverig God, die de misdaad der vaderen bezoekt aan
de kinderen, in het derde en vierde lid dergenen die hem haten.
De Nakomelingschap boet telkens de zonde van het Voorgeslacht;
de schuld van Gisteren heeft de schande van Heden voorbereid.
En dat zou zóo moeten zijn, alleen reeds omdat er een onver-
brekelijk verband is tusschen Oorzaak en Gevolg, hoeveel te meer
nu God in de Geschiedenis is, en de Heer regeert!
De oorlog verkondigt Gods heerlijkheid. Want Hij die
kastijdt wien Hij liefheeft, en Wiens slaan vaak genezen is, ge-
bruikt soms de oorlog ten nutte der Zijnen. De Hemelsche Op-
voeder gaat nog steeds voort om Natiën en Personen ook dooi
de rampen van den oorlog te louteren. Zoo ontneemt hij vaak
door het zwaard der overweldigers hun de aardsche schatten, om
het Goed te doen zoeken dat nooit vergaat, om hen los te maken
uit de gemeenschap van de zondaren en de zonden, om hen te
heiligen tot Zijn eigendom.
De oorlog verkondigt Gods heerlijkheid. Want Hij die
niet wil „dat sommigen verloren gaan, maar dat ze allen komen
tot kennis der waarheid", gebruikt den oorlog niet zelden om
de komst van Zijn Koninkrijk voor te bereiden of te verhaasten.—
Ik zou hier allereerst van de tijdelijke winsten hebben kunnen
gewagen, die soms, bij alle schade, door den oorlog worden
afgeworpen. Ik doel hier natuurlijk niet op de geldelijke voor-
deelen, door den overwonnene bij het verkoopen van den vrede
te betalen, noch op het uitzetten der grenzen door het zegevie-
rend zwaard; veel minder op het raakelaarsloon, door baatzuch-
tige bemiddelaars te bedingen. Maar ik denk er hier aan, hoe
soms de gebreken en zwakheden eener burgerlijke Staatsinrichting
door den oorlog ontdekt worden. Ik denk er aan, hoe het ge-
beuren kan dat door den oorlog een Staat, die, van toereikende
hulpbronnen ontbloot, lang mishandeld en verguisd werd, een
bestanddeel wordt van een grooter Staat, door meer macht be-
schermd en beter geregeerd. Ik denk er aan, dat door den oorlog
soms de voordeelen van gewichtige verbonden met andere Mogend-
-ocr page 121-
111
leden verworven worden: ruimer bestaan, vrijer handel, hooger
nchting buiten \'s lands, grooter zelfstandigheid. Doch hoezeer al
deze dingen misschien niet geheel buiten verband staan met de
hoogste belangen eens Volks, wijs ik liever op nog treffelijker
\\ nicht, soms door Gods wijsheid gelokt uit bloedigen bodem.
Wel menigmaal breekt de oorlog de traagheid en verslapping
ui. die \'t gevolg kunnen zijn van een langdurigen vrede en ont-
vikkelt en spant hij velerlei krachten van verstandelijken en
/•delijken aard. Dan wekt hij Natiën tot nieuwe werkzaamheid
i lokt hij groote daden uit, die den heilzaamsten invloed oefenen
op de ontwikkeling van heel een geslacht. Vaak is de oorlog het
middel, waardoor volken met volken in aanraking komen, nutte
kundigheden van het eene land tot het andere worden overge-
braetat, de beschaving zich verspreidt, de horizont der volken
/ich verwijdt, vooroordelen en miskenningen worden opgeheven
uit het groote Huisgezin der Natiën, de zeden verzacht en ver-
••\'leld worden.
Nog meer! aardsche omwentelingen en bewegingen moeten
iikwijls den weg banen voor die gezegende omwenteling, die wij
\'Ie toebrenging der Heidenen tot het Koninkrijk Gods noemen
Dan wordt de oorlog het middel, waardoor de Heidenen de
Christenen of liever — wat veiliger is! — het Ghristendoni
leeren kennen, en het laatste den weg vindt tot hun land en
hart met het Evangelie der Genade.
Zoo heeft — om de voorbeelden in ons Gedicht aangehaald,
met een enkel woord toe te lichten — de opium-oorlog van
Engeland met China, hoe schandelijk op zich-zelf ook, een toe-
gang geopend tot de verkondiging van het Evangelie aldaar. Het
•Mand Chusan, in 1840 bij het uitbarsten van dien oorlog door
de Britten genomen, werd tot hun centrum en tuighuis gemaakt;
en ziet, juist van daar uit ging, twee jaren later, de zendeling
Milne naar Ningpo, en daar juist vestigde Gutzlaff zijn hoofd-
kwartier. „En wie weet" — heeft men te recht gevraagd —
of niet, in dit zelfde China, het leger der insurgenten zelf een
reusachtige Chineesche Unie moet worden, bestemd om op eigen-
: trdige, evenredige schaal den oorlog tegen den kolos van het
Ileidendom in China te voeren?"
Zijn niet, evenzoo, in Italië de gevolgen van den voorlaatste!»
i\'ijheids-oorlog boven verwachting gunstig geweest voor de Evan-
«lische beweging? Zijn er sedert geen 80000 Nieuwe Testa-
uenten binnen drie jaren verspreid? Is de vrijheid van godsdienst
-ocr page 122-
H2
er niet afgekondigd geworden als in het aangezicht van den Paus.\'
Rijzen de scholen en bedehuizen er niet overal op als uit den
grond?
Meer dan ééns is er door den oorlog een Macht gebroken, die
den zwakke onderdrukte, die slavernij en onkunde en geweten*-
dwang begunstigde. Dan werden door den oorlog deugden
beoefend, die anders niet zoo tot haar kracht zouden zijn ge-
komen: heldhaftig godsvertrouwen en onderwerping aan \'s Heerei.
wil, grootmoedige menschenliefde en edele gezindheid, onthouding
en geduld en ongeschokte standvastigheid. Dan werden uit den
oorlog voordeel en geboren, die niet verworven hadden kunnen
worden zonder het zwaard: zachter regeering, herstelling van de
rechten der Menschheid, vrijheid van Godsdienst en Geweten
Zoo hebben onze Vaderen tachtig jaar gestreden tegen de Spaan-
sche dwingelandij, en het nageslacht plukt er nog altijd de vrucht
van. — Hierin is de Voorzienigheid Gods, die over alles gaat
om de gevolgen te regelen naar Hare wijsheid en goedheid, naai
Haar eeuwig waereldplan. Uit verwarring schept God orde. Hij
neigt de harten der Koningen als waterbeeken, en stilt bel
rumoer der golven en der volken. Hij is de God van Jozef, die
ten goede denkt wat de menschen ten kwade hebben gedacht.
Hij is de God van Jezus, die ook den Judas-kus laat medewerken
tot volvoering van Zijnen raad.
Bladzijde 40, regel 7.
„Wanneer, bij \'t rijzen
Der Vrede-zon,
Wordt gij vernageld,
„Gij, laatst kanon?"
Wie ooit in Brussel het Museum-Wierts heeft gezien, herinner!
zich de schoone voorstelling van den genialen Kunstschilder. Een
stralende Engelengestalte daalt uit den hemel op de aarde neder,
die nog bedekt is met al de gruwelen van den Krijg. Al de ze-
geningen des Vredes volgen haar op den voet, hier met den oliji-
tak, ginds met den sikkel, elders met de schalmen van een ver-
broken keten. En op haar triomftocht ontmoet die Gezante des
Hemels al de bloedige wapenen, die een verjaarde barbaarschheid
zoolang voor recht en reden gelden liet. Een kanon, dreigend
op zijn aftuit gericht, belemmert haar voortgang. Daar grijpt zij
-ocr page 123-
113
het metalen werktuig des doods in de beide handen, en breekt
liet als een stroohalm door midden. Dat is het laatste kanon.
Bladzijde 42, regel 22.
„Eerst in den eigen, engen kring
Waar u de Ahvijsheid plaatste,
Straks door heel \'s Waerelds ommering."
De vrede in de Waereld moet beginnen met vrede in de Huizen,
de vrede in het Huis met vrede in het Hart. Men trekt de stra-
len niet uit den cirkelomtrek naar het middenpunt, maar uit het
nüddenpunt naar den omtrek. Het algemeene begint altijd met
liet Bijzondere. Hebben wij vrede met den Vader, dan hebben
wij vrede met hen die Zijne kinderen zijn. Dan leggen wij de
booze driften af van haat en wraakgierigheid, en geven den toorn
geen plaats. Dan verachten wij de armen niet om hetgeen zij
minder, noch benijden de rijken om hetgeen zij meer bezitten
of genieten dan wij, want wij eerbiedigen Gods Voorzienigheid
in hen, „die beide heeft gemaakt." Dan onderdrukken wij de
onreine begeerlijkheid, die de hand uitsteekt naar \'s broeders goed
ot bloed, of echtelijk geluk, of eer, of goeden naam. Dan zijn
wij den Machten, die over ons gesteld zijn, onderdanig, en eten
in stilte ons brood in het goede land, dat God ons heeft aange-
wezen. Dan gevoelen wij, dat wij jegens dat Aardsche Vaderland
plichten hebben te vervullen, waarvan ons de hoop op een He-
rcelsch Vaderland niet ontslaat; en dan toonen wij het te beseffen,
dit hij geen eervol burger van het Godsrijk worden kan, die
het versmaadt een eerlijk burger te zijn van het Rijk van zijn
wettigen aardschen Koning. Met éen woord, dan trachten wij de
belofte te verkrijgen van Hem die liefhad wie hem haatten: Za lig
de vredemakers, want zij zullen Gods kinderen ge-
naamd worden.
Hoe meer de Liefde heerscht, des te meer ook zal het levend
g :voel van Recht en Billijkheid zich verspreiden, dat door haar
gevoed en verfijnd wordt. Hoe meer de Liefde de harten door-
dringt en reinigt van de Zelfzucht, des te minder zullen de Ko-
lingen grijpen naar het onrechtvaardig goud, en te minder ook
de Volken naar het onbarmhartig staal. Geweld en Dwang wor-
den in dezelfde mate overtollig, waarin Vrede en Gerechtigheid
\'ioor de Liefde regeeren. De Vrede, daar Binnen geboren, moet
x.
                                                                                        8
-ocr page 124-
114
zich openbaren naar Buiten, de Huisgezinnen en zóo de Staten
doordringen en vereenigen, tot het voor goed en overal Vrede is.
Bladzijde 43, regel 3.
„Tot elke nieuwe leerling
Op z ij n e wijz\' de daad herhaal\'
Van uw Zuidzee-bekeerling," enz.
„Op het eiland Erromanga, een der Nieuwe Hebriden-groep.
waar het afschuwelijk gebruik heerscht, het vleesch der gevan-
gen vijanden te verteeren, werd in 1839 de voortreffelijke zen-
deling Williams vermoord en verslonden. Sedert vijftien jaren
echter wordt er het Evangelie, niet zonder zegen, verkondigd.
„He! grootste deel dier Zuidzee eilanden-waereld bestaat uit
Nieuw-Zeeland, eigenlijk drie eilanden, waarvan het tweede, Ta-
vai-Poenamoe geheeten, het langste voor het Christendom gesloten
is gebleven. Doch zie hier, op welk een merkwaardige wijze het
Evangelie ook daar doordrong, \'t Gebeurde namelijk, dat een wal-
vischvanger in dit eiland aanlandde. Het opperhoofd Rukuata
kwam met twintig zijner lieden aan boord om handel met de
schepelingen te drijven. In dien nacht keerde de wind plotseling
om. De kapitein, die deze gunstige gelegenheid niet wilde laten
voorbijgaan, zeilde af en nam de bemanning van 21 koppen, het
opperhoofd met zijn gevolg, mede, die hij op GO a 70 mijlen
noordwaarts van hunne woonplaats in de Eiland-baai aan lami
zette\'. Deze belangrijke baai, die door Britsche en Amerikaansche
walvischvaarders zeer druk bezocht wordt, is door twee voorge-
bergten ingesloten. De zendelingen in Paihia namen hen vriende-
lijk op en beloofden hen met hun zendelingschip wederom hui>-
waartst te voeren. Eenige weken later zeilde dit schip dan ook
werkelijk af. Doch het stormde zoo hevig en aanhoudend uit hel
Zuiden, dat men de overtocht moest staken, en terugkeeren. De
winter met zijne Zuidelijke stormen was aangebroken. Eerst in
den zomer kon men de overtocht hervatten om het opperhoofd
niet zijn gevolg terug te voeren. Dit gelukte. Doch den afgeloopen
winter hadden de zendelingen niet nutteloos laten voorbijgaan-
Zij hadden hunne gasten trouw onderricht. Drie jaren lang ver-
namen zij niets meer van hen. Maar in 1838 bracht een oppei-
hoofd de boodschap mede uit het Zuiden, dat de inwoners aldaar
Christenen geworden waren, den Zondag vierden, en zich tot de
-ocr page 125-
115
godsdienstoefening verzamelden. Een slaaf, die vroeger verschei-
ilene jaren op de zendingspost Waimate gediend had, gaf daar
miderwijs, en de meeste lieden konden lezen. Nu mocht men niet
* dmen: 29 bekeerlingen uit het Noorden werden als onderwijzers
derwaarts gezonden. Zendelingen volgden weldra daarna. En ziet
ichtbaar rustte de zegen op dezen arbeid. In het jaar 1849 telde
dat Eiland reeds 3000 bekeerlingen, zonder daarbij mede te reke-
non de volwassenen en de kinderen, die toen nog onderwijs ont-
fingen. Hier is het geschied, dat een bekeerling zich
een gezangboek afschreef met vloeibaar gemaakt
li us kruid, omdat hij geen inkt had! — Dat heet met recht
speer en lans in sikkels en gereedschap des vredes veranderen.
„Ook hier hebben de zendelingen het gebruik van ploeg en egge
ingevoerd; akkerbouw, nijverheid en handel bevorderd. Inzon-
(lerheid is, sedert de toenemende Engelsche bevolking op deze
eilanden, het handelsverkeer met Van-Diemens-land en Nieuw-
Zuid-Wales daar sterk toegenomen. In Londen en Edinburg heb-
hen zich genootschappen gevormd om de volksverhuizing van
Engelschen en Schotten derwaarts te bevorderen, welk getal onge-
meen is toegenomen nadat Engeland in 1840 formeel bezit van
Nieuw-Zeeland heeft genomen. Sedert dien tijd ook is het Chris-
lendom aldaar volkomen gevestigd." — De zendeling voor Stad
m Dorp. Nieuwe Handwijzer,
I. Jaargang, 20 Febr. 1854 N°. 42.
Bladzijde 43, regel 22.
„De Ontdekkings-wimpel rijze in top
Tot tusschen \'t ijs der polen!"
„Het is meer dan drie honderd jaren geleden, dat het denk-
tj\'eld van een Noordwestelijke doortocht naar de Oost-Indiën werd
1\'ekend gemaakt aan Engelands koning Hendrik VIII, schande-
lijker nagedachtenis, die zoozeer vervuld was met plannen ter
voldoening aan zijn booze hartstochten, dat hij weinig tijds kon
liesteden aan nuttige ondernemingen. Maar wat een onwaardig
Koning verzuimde werd — hoezeer dan zonder gunstigen uitslag —
i» bijzondere ondernemingen beproefd door een lange reeks groote
zeevaarders, wier namen glansrijk schitterden onder die van Brit-
tannia\'s voortreffelijke zeelieden. Het was niet voor 1807, dat de
zaak door de Britsche regeering ter harte genomen werd. Twee
Sl\'hepen werden uitgezonden onder kapitein Philip. Zijn doel was
-ocr page 126-
110
niets minder dan om de pool te bereiken en voorbij te varen,
en terug te keeren langs den Zuider poohveg. Hij werd tegen-
gebouden door het ijs, alvorens hij 81 graden Noorderbreedte bc-
reikte, en was genoodzaakt terug te keeren.
„Elf jaren later werd deze zaak in Engeland bij vernieuwing
op touw gezet. Kapitein Ross zeilde uit, het bevel voerende over
een onderzoekingstocht naar de Noordpool. Deze expeditie keerrle
terug zonder iets te hebben verricht. Talrijke tochten volgden
haar, waaraan sir John Kranklin deel nam, terwijl hij bij drie
derzelve het bevel voerde. Twee dezer tochten waren landreizen,
waarbij veel werd geleden. De merkwaardigste evenwel dezer
tochten, met betrekking tot haren duur, was die van den veteraan
Ross, die meer dan vier jaren duurde (1829—1833), en voor
wier behoud indertijd een groote vreeze gekoesterd werd. Deze
moedige oude zeeman droeg de eer weg van aan de Noordponl
Engelands vlag te planten. De altijd gedenkwaardige tocht van sir
John Kranklin ligt nog versch in ons geheugen. Zijn laatste briei
teekende van 12 Juli 1845. Onder degenen, die uitgingen Ier
nasporing van den vermisten held, behoorde ook kapitein Inghe-
field, die in 1852 met het schoenerschip Isabel uit Engeland ver-
trok en hoog in het Noorden doordrong. Hij vond inboorlingin
van een krachtige gezondheid, niet overvloed van dierlijk voedsel,
en koestert, even als kapitein Perry, de vaste overtuiging, dat de
theorie omtrent het bestaan eener groote poolkom of opene zee in
het uiterste Noorden, allezins juist is." — Quarterhi Review, 185K.
Bladzijde 43, regel 28.
„Ai, schakelt aan uw tooverdraad.
Die dwars door lucht en water gaat,
De verste Heidendeelen!"
„Wanneer men de verbazende uitbreiding van den electro»
magnetischen telegraaf in de laatste jaren heeft gadegeslagen, en
opmerkte hoe sints korten tijd zijne draden gespannen zijn over
uitgestrekte landen, breede stroomen, en langs den bodem van
zeen, zal men niet verwonderd zijn te vernemen, dat de ver-
binding van Europa met Amerika weldra geheel tot stand z<l
zijn gebracht. Te Londen spreekt men reeds met de metalen
draden met bijna alle steden van het vaste land van Europa, van
Kopenhagen of Stokholm, tot Bayonne, ja, zelfs met de steden
-ocr page 127-
117
van Italië, Piemont en het eiland Sardinië. Van kaap Spartivento,
de zuidelijkste punt van dit Eiland, loopt een draad door de
Middellandsche Zee naar Algiers, en een andere naar Malta, die
l.mgs Corfu en Morea naar Konstantinopel gaat. Een derde draad
zal van Malta naar Alexandrië, door Egypte en de Roode Zee
naar Aden loopen, van waar hij door den Indischen Oceaan naar
Kurrachee gaat, en zich vereenigt met het Indische telegraaf-
-telsel. dat reeds ruim 3000 Engelsche mijlen omvat. Van de
oostelijke grenzen van lndië is men voornemens door Pegu en
hel Burmesche gebied een lijn tot stand te brengen, die langs
het Maleische schiereiland naar Borneo loopen zal, van waar een
\'ak naar Hong-Kong zal gaan, terwijl de hoofdlijn het uitgestrekte
Kiland moei doorsnijden, om vervolgends langs den bodem der
zee naar Port-Essington in Australië te loopen. Van daar zal er
spoedig verbinding ontstaan met Sydney en de meer Zuidelijk
Leiegen streken, zoo als Hobarttown en Van-Diemens-land, zoodat
wij binnen éenen dag de berichten onzer tegenvoeters ontfangen
kunnen. Men vindt misschien iets fantastiesch in het denkbeeld
van een dergelijke uitbreiding van den wonderdraad; doch ieder
lic voor eenige jaren voorspeld had wat wij thands reeds tot
>!and zien gebracht, zou bijna voor krankzinnig zijn gehouden;
en toch, wat is niet reeds gebeurd\'? „De geschiedenis van den
• lektro-magnetischen telegraaf," zegt een Nederlandsch schrijver,
-is, meer dan eenige andere geschiedenis van uitvindingen en
ontdekkingen, het verhaal der overwinningen van den mensche-
1 ijken geest: het is de geschiedenis der al meer en meer en in
il rijper en dieper zin zich openbarende uitspraak van de Godde-
lijke Almacht, die den Mensch tot heer der Schepping stelde." —
Album van Buitenl. Lettervruchten, 1856, II D.
ZESDE ZANG.
Bladzijde 45, regel 2.
„Toen Dante, op zijn onsterfelijke tocht," enz.
Zie Dante, Divina Commedia: Purgatorio C. IX.
-ocr page 128-
H8
Bladzijde 40, regel i.
„Dat is de Moederzon! — maar zóo nabij.
Als geen der waerelden haar ooit ontwaarde."
„Wanneer men zich herinnert, hoeveel sedert de vroegste tijden
de Egyptenaren zich met Merkurius (Set Horus) en de Indianen
zich met hunnen Budha hebben bezig gehouden, hoe in West-
Arabië de sterrendienst uitsluitend op Merkurius gericht was:
hoe reeds de Oude Chaldeërs vele waarnemingen omtrent deze
planeet hebben gedaan: dan moet men zich zekerlijk verwon-
deren, wanneer Copernicus, die zijn zeventigste jaar bereikt had.
zich op zijn sterfbed beklaagde, hoeveel moeite hij er ook voor
gedaan had, Merkurius nooit gezien te hebben. En toch besteiu-
pelden de Grieken met recht deze planeet, wegends haar som-
wijlen zeer sterk licht, met den naam van „de sterkvonkelende."
„De Planeet Merkurius is op haar gemiddelden afstand weinig
meer dan 8 millioenen geographische mijlen van de Zon ver-
wijderd." — A. von Humboldt. Kosmos, III.
„Door Merkurius\' geringen afstand van de Zon, vertoont deze
zich aldaar zesmaal grooter dan aan ons: derhalven moet zij
daar een verblindend licht en een onuitstaanbare hette ver-
spreiden, waardoor deze planeet voor den mensch als onbewoon-
baar te beschouwen is." — Dr. Ebrard, Nat. Hist. Briefe.
Bladzijde 40, regel 11.
„Ze is heerlijk, des Levens
Weldadige bron,
Planeeten! uw moeder.
De alvoedende Zon?"
De Zon, „het waereldlicht, dat in het midden blinkt," (zooals
Copernicus het uitdrukt); „het albezielende, scheppende hart van
het Heelal," (volgends Theon van Smyrna); „de voorname bron
van licht en stralende warmte, de voortbrengster van vele aard-
sche elektro-magnetische werkingen, ja van het grootste gedeelte
der bewerktuigde levenswerkzaamheid op onze planeet. inzonder-
heid van die van bet piantenrijk," (volgends Alexander von Hura-
boldt); het „algeraeene midden- en uitgangspunt van ons Pla-
neetenstelsel," (volgends allen): — de Zon is, naar het jongste
-ocr page 129-
119
svsteem van Kosmogonie, de moeder der Planeeten. Men gelooft
toch, dat uit haar, op een wenk van den Grooten Werkmeester,
de Planeeten, en uit deze de Wachters geboren zijn, en dat ook
<i- komeeten en zoogenaamde lucht- en dondersteenen (aërolithen),
uit de Zon zijn ontstaan. „De omvang der Zon is iets verbijste-
ivnds," heeft men te recht gezegd. Zoo wij ons de Aarde voor-
stollen als in \'t hart der Zon geplaatst, gelijk de steen in een
vrucht, zoodat beider middenpunt hetzelfde is, dan zou de geheele
loopbaan van de Maan binnen het lichaam der Zon staan, zoo
ongeveer te halverwege, tusschen haar middenpunt en de opper-
vlakte. Het gewicht of de zwaarte is op de Zon \'28-maal groofer
dan op de Aarde. Zoo een volwassen mensch van een hoogte,
jolijk aan zijn eigene lengte, op de Zon viel, zou hij zoo zeker
verpletterd zijn alsof hij zich op Aarde van een toren had ge-
worpen. Indien men het bestaan van zonne-menschen zou willen
aannemen, zou men hen niet anders kunnen voorstellen dan als
kleine, brooze schepselen, licht en lenig, zooals het volksgelool
lucht- en boschgeesten voorstelt; of zooals Shakespere (in zijn
Homeo en Julia) de toovergodin Mab afschildert (Bedr. I, Toon. IV).
Do Zon, aldus, hoezeer de Moeder der Planeeten en misschien
ook van onze Aarde, zou voor ons, aardbewoners, geen geschikte
huizing zijn.
Bladzijde 46, regel 21.
„Die daaglijks het wonder
Der Schepping herhaalt."
Reeds Herder heeft hierop gewezen, in zijn Geist der Ebr.
1\'oesie.
— Inderdaad vertoont elke morgenstond het schepping*
proces in de oorspronkelijke opeenvolging. In het plan der Schep
1\'ing, zooals het door Mozes, Gen. I, aangegeven wordt, geenerlei
wanorde of belemmering, maar geleidelijke ontwikkeling des
Levens, een vast plan in het lange wordings-proces der dingen,
waarvan nimmer wordt afgeweken.
Daar ik meen te mogen veronderstellen, dat de meeste lezers
*an De Planeeten ook lezers van De Schepping zijn. geloof ik
iat het hier de geschiktste plaats is ter mededeeling van eenige
gedachten Over de Dichterlijke Schoonheid van het Mozaiesch
Scheppingsverhaal,
vroeger door mij in een kring van belang-
bellende Vrienden voorgedragen.
-ocr page 130-
120
Wanneer wij onze lezers eenige oogenblikken wenschen Ie
onderhouden over de Dichterlijke Schoonheid van eene bladzijde
dei Heilige Schrift, zijn wij daarbij in geenen deele blind voor
het gevaar eener eenzijdige, zoogenaamde aesthetische opvat-
ting en beschouwing van Bijbel en Godsdienst, die, den inhoud
om den vorm verwaarlozende, ongetwijfeld tot „onheilige kunst-
religie en menschenvergoding" leiden kan. Maar terwijl wij alzoo.
aan de eene zijde, voor alle schadelijke overdrijving op onze
hoede wenschen te blijven, behoeven wij, van den anderen kant.
de overtuiging niet te laten varen, dat het misbruik het gebruik
niet opheft, en dat de Aesthetiek, vooral de door den geest dos
Christendoms geheiligde Wijsgeerte van het Schoone, ontegen-
zeggelijk ook haar recht van bestaan heeft, in de menschelijki\'
natuurzelve gegrond. Er is toch een onverbrekelijk en zeer deup-
delijk verband tusschen elke zaak en haren vorm, tusschen het
wezen der dingen en de taal waarin zij worden te kennen ge-
geven; ja, Waarheid en Schoonheid zijn zoozeer met elkander
verzusterd, dat, zooals Da Costa te recht opmerkte, „niet alleen
elke waarheid, op elk gebied, ook hare schoonheid heeft, maar
de uitspraak van Boileau: „Rien n\'est beau que Ie vrai,
Ie vrai seul est ai ma b Ie," misschien van dieper beteekenis
is dan de man-zelf vermoedde die haar deed. — Hare uiterste
gevolgtrekking kan wel geen andere zijn dan deze, die wij gaarne
onderschrijven: „De hoogste Waarheid is ook de hoogste Schoon-
heid." Eer de Aesthetiek bestond, bestond de Schoonheid, gelijk
de Sterrenhemel bestond eer er een Astronomie was. De Schoon-
heid was van eeuwigheid in Gods wezen, van den beginne af aan
in Gods werken. En om dit laatste, ook met betrekking tot het
scheppings-proces naar de Bijbelsche oorkonde, recht levendig te
gevoelen, hebben wij ons slechts het wezen der Schoonheid te
herinneren.
Wat is Schoonheid?
„Het Schoone," zegt de een \'), „ontstaat uit veel verscheidens,
dat, onder evenwicht en harmonie, in éen overzicht wordt saam-
geval." — „De vorm van alle Schoonheid is Eenheid," zegt de
ander 2).
Zoo is \'t: geen Schoonheid zonder orde, zonder harmonie,
zonder evenredigheid. Schoonheid is de harmonie der Verschei-
Plntarchus,in zijn overtoog over het Hooren. a) Augustinus. Brief XVIII-
-ocr page 131-
121
denheid in eene Eenheid. Nog korter en nog beter misschien:
Schoonheid is Eenheid in Verscheidenheid.
En waarin bestaat die eenheid, die de verscheidenheid schoon
maakt ? Daarin, dat de voorwerpen bij elkander behooren. In de
werken der Kunst valt dit het meest in \'t oog, en bij de werken
der Natuur meer nog in \'t levende dan in \'t levenlooze. Maar
ook daar is het niet te miskennen. In een schoon Landschap,
bij voorbeeld, behoort de vruchtbare bodem bij de boomen en
planten, die daaruit opgroeien, en dezen behooren weder bij het
\\ne, dat aan hunne voeten weidt, bij de vogels die kwinkeleeren
op hunne takken. De pikante lichtmassa\'s en schilderachtige scha-
\'luwpartijen staan in noodzakelijk verband met de schikking van
hoogten en laagten, bergen en dalen. Overal staat het eene in
betrekking tot het andere; overal ziet gij een algemeenen band,
il ie de dieren vereenigt met de planten en beide met den bodem;
het licht en de schaduw met de openingen en diepten; den val
van het water met de berghelling: met een woord, een band
ilie al de verscheidenheden omstrengelt en tot eenheid brengt.
Vergelijkt het landschap met een puinhoop, en gij zult terstond
bemerken, waarom gij dezen niet schoon vindt. „Hij is niet
schoon," zult gij zeggen, „al is hij ook nog zoo groot, al bestaat
bij uit nog zoo vele en velerlei steenklompen: want deze ver-
-eheidenheid behoort niet bij-éen: de band der eenheid, alzoo,
^uitbreekt." — Bij de organische en levende schepselen is de een
leid van het Schoone gemakkelijker te vinden; want de vereeni-
^ing hunner verscheidenheden is inniger. Zij ligt in de vormende
en bezielende kracht en in het doeltreffende der deelen, en leden
met betrekking tot de vorming en de werkzaamheid van de Plant
en het Dier >). Hoe hooger en edeler de natuur der bezielde
kracht is, des te schooner is het lichaam waarin zij woont, want
iles te meer verscheidenheid zullen de deelen van dat lichaam
hebben, en des te rijker en edeler zal hunne bestemming zijn.
Kortom, alles samenvattende, komen wij tot het besluit: tot
"He Schoonheid behoort verscheidenheid en eenheid. Eenheid
/onder verscheidenheid is monotonie en eenvormigheid, en
verwekt verveeling. Uit verscheidenheid zonder overeenstemming
en harmonie ontstaat verwarring, die het oog vermoeit en den
\') ergeiykt met het hier gezegde de opmerkingen van J. A. Eberhard, in ziin
Handbach der Aesthetiek, Halle, 1S07, I. Th. S. 60 en volg.
-ocr page 132-
122
geest verdooft. Alleen uit de eenheid in de verscheidenheid wordl
de Schoonheid geboren.
Deze Schoonheid nu behoort tot het wezen Gods, waarin zij
éen is met de hoogste Waarheid; en juist omdat zij tot het wezen
Gods behoort, is Schoonheid een volkomenheid in al de werken
Gods. Of zijn Gods werken niet schoon? Had men geen reden
te vragen: „Of niet in den mensch een zekere betrekkelijke
schoonheid in verband staat tot zijn wezen en bestemming al*
mensch boven alle dieren?" of er niet nog immer, in weerwil
van des menschen zedelijke onvolmaaktheid, „ook in het lichame-
lijke een mannelijke schoonheid aanwezig is, die den aart en de
roeping van den man, een vrouwelijke schoonheid, die de be-
stemming en de eigenschappen der vrouw te kennen geeft en in
zekeren zin zelfs bevordert?" En zelfs de onbezielde natuur, is
zij, onder hare andere, veelvuldige eigenschappen, ook niet schoon ?
Alleen de stompzinnigheid van den idioot of de overspanning van
den dweeper, kan deze vraag ontkennend beandwoorden. Van
deze laatste geeft Hugh Milner \') ons inderdaad een paar opmei-
kelijke voorbeelden. Allereerst in zekeren Schotschen geleerde, P.
Mac-Farlane. Volgends dezen heer was onze Aarde vóór des
menschen val ruim dubbeld zoo groot als zij nu is en ongemeen
kunstig saamgesteld. Die hooge bergen en wijde oceanen, die
steppen en woestijnen, die gestadige sneeuw en regen, vorst en
storm, zijn alle „jammerlijke gebreken, die niet in het oorsproiv
keiijk plan lagen." Deze tegenwoordige waereld is niet alleen
niet „zeer goed," maar in geenen deele goed. „Als men" — zegt
die vermetele schrijver — „het geografiesch en hydrografiescli
voorkomen of oppervlak van den aardbol bij wijze van vogelpei-
spectief in oogenschouw neemt, dan zal ieder onbevooroordeeld
mensch moeten aannemen, dat, zoowel op het een als op het
ander gebied, nauwelijks een zweem wordt waargenomen van
dat schoone, smaakvolle en wel ingerichte ontwerp, dat wij met
recht van de erkende volkomenheden van den grooten Formeerder
mochten verwachten, noch van het kennelijk oogmerk van des-
zelfs ontwerping, noch van de beschrijving die er van werd ge-
geven, nadat het pas was voltooid." Er wordt bijgevoegd, dat onze
Aarde, in haren tegenwoordigen toestand, allezins geschikt is om
aan haar tegenwoordig oogmerk, „als het groot Siberië, de straf-
kolonie van verbannen muitelingen", te beandwoorden. Het is
\') In zijne Getuigenis der Gesteenten, 1863, bl. 382 en volg.
-ocr page 133-
123
der vermelding waardig, zegt Millner, dat de schrijver, die op
zulk een zonderlinge wijze God tracht te verheerlijken, een der
schoonste streken van Schotland bewoont, een wilde, romantische
heerlijke bergnatuur. Maar juist deze bergen zijn hem „logge,
nuttelooze gevaarten, die een groot gedeelte van onze Aarde mis-
vormen."
Een geestverwant en voorganger van dezen heer Mac-Farlane,
ontmoeten we in zekeren doctor Thomas Burnet (1684), die zich
op de zelfde wijze uitlaat over heuvelen en bergen, en aldus hun
overzicht besluit: „Aanschouw die onafzienbare bergketens! hoe
verward liggen zij dooreen! Zij hebben voorkomen noch gedaante,
schoonheid noch orde. niet meer dan de wolken van het uit-
spansel. En hoe bar, hoe verlaten, hoe naakt zijn zij ! Hoe heeft
de Natuur hen verwaarloosd ! Is er wel iets vormloozers ot wan-
sialtigers te denken\'? De regens kunnen hen niet doorweeken,
noch de dauw des hemels hun vruchtbaarheid geven. Ik merk
ilit op, om mede te werken tot het uitroeien van het vooroordeel,
wnarvoor wij zoozeer vatbaar zijn, van die dwaze opvatting, dat
di\' tegenwoordige Aarde regelmatig gevormd zou zijn."
Welk een onzinnigheid, die ons tot een treurig exempel strekt
\\;m de verblinding dier eenzijdige godsdienstigheid, die God ont-
eert juist waar zij Hem te eeren denkt, en uit louter gevoel van
onwaardigheid de vermetelste ondankhaarheid-zelve wordt! Hoe
geheel anders onze beminnelijke Volksdichter \'):
„O God, wat is Uw Schepping schoon,
Wat zijn Uw werken wonder!"
Hoe anders, in de H. Schrift, de bezielde Dichters van Israël:
„O God, onze God! hoe gevierd is Uw naam:
Heel de Aard roept U uit als den Heere;
De hemel daar ginds, alle hemelen saam\',
Weergalmen Uw grootheid ter eere!" *)
En elders:
„De hemelen vertellen ons Gods eer,
Het firmament Uw handenwerk, o Heer!" 3)
\') Tollsns.                        2) Psalm VIII.                        3) Psalm XIX.
-ocr page 134-
124
En nog verder in liet Boek der Psalmen :
„U, Heere God! U wil ik zingen,
Wiens grootheid tot aanbidding wekt,
Wien heerlijkheid en eere omringen,
En \'t licht gelijk een kleed bedekt!
Eens hebt Gij de aard met waterbaren,
Straks met Uw graskleed overspreid.
Gij geeft aan de aard haar grondpilaren:
Zij wankelt niet in eeuwigheid!
Uw beekjens hupplen van de rotsen
In dartle sprongen naar beneên.
En wandlen, met welluidend klotsen,
Door beemden en woestijnen heen.
\'t Geboomte ontvouwt zijn bladertrossen
In koestring Uwer lentezon;
Hoe saprijk staan Uw cederbosschen
Geworteld op den Libanon !
O Heer! Uw werken zijn volkomen,
Met wondre wijsheid toebereid:
De waereld, tot haar verste zoomen,
Vloeit over van Uw heerlijkheid!" \')
Of Jesaia, in zijn Profetiên:
„Wie heeft, in \'t eeuwig licht gezeten,
Waar alles aan Zijn wenken hangt.
De waatren in Zijn vuist geprangd,
De heemlen met éen span gemeten?
Wiens renbode is de wervelvlaag,
Wiens englen zijn de bliksemstralen ?
Wie woog de heuvlen in Zijn schalen,
De berggevaarten in Zijn waag\'?
Wie heeft des Heeren raad doorlezen,
En wie doorvorschte \'s Heeren geest?
Wat raadsman heeft Hem onderwezen ?
Wat machtige is Zijn gids geweest?" *)
Of Ezechiël:
\') Psalm CIV.
•J Jesaia XL.
-ocr page 135-
125
„Maak u op!" sprak de Heer, „en ga heen ter vallei,
En ik zal u Mijn wondren verhalen!"
En ik ging ter vallei, en ik zag er alom,
O mijn God! al Uw heerlijkheid stralen! \')
Of in het Boek Job:
Nu let op Gods wondren, o Mensch! en sta stil:
Hoe werkt hier des Heeren almachtige wil?
Verblindt reeds het licht ons aan \'t hemelgewelf,
Te meer dan de luister der Majesteit-zelf!
Hij grondde deze Aarde, toen \'t licht haar doordrong,
En \'t morgengestarnte het jubellied zong.
Des hemels verordning is enkel uit Hem;
De wolk volgt Zijn wenken, de zee hoort Zijn stem!" 2)
Eindelijk, zelfs in het Spreukenboek:
Ei, zegt mij! roept de Wijsheid niet:
„Toen nog geen berg stond opgericht,
„Toen Hij den hemel heeft bereid,
„Des aardrijks grondslag heeft geleid,
„Toen speelde ik voor Zijn aangezicht! -1)
Neen zeker, het moge waar zijn, dat er „een bedriegelijke,
schadelijke schoonheid is door de zonde," er is ook een ware
schoonheid, „den stempel dragende van waarheid, zaligheid, liefde,
geestelijke gave en goddelijke afkomst." En, gelijk Da Gosta verder
opmerkt *): „Ook de openbaring Gods kent en heeft en geeft
schoonheid: de schoonheid der waarheid, de schoonheid der heilig-
heid: die schoonheid, die in haar innerlijkste wezen een afstraling
is der heerlijkheid Gods." Daarom — gelijk hij ons herinnert —
„moesten in Israël de priesters, vooral de hoogepriester, niet alleen
de versiering van een prachtig ambtgewaad dragen, maar ook wei-
gemaakt en in zekere mate schoon zijn. in het land zijner vade-
ren was het oude Israëlitische volk, ook volgends Heidensche
getuigenis, gezond en schoon; Mozes was als kind reeds „schoon
voor God" (Hand. VII: 20): en hoe zouden wij ons den Wet-
gever op Sinaï, den Godsgezant voor Farao en in \'t midden van
\') EzeohiM III.                     2) Job XXXVIII.
*} Spreuken v. Salomo VIII.
*) Voorlezingen over het Oude Testament. 1843, Iste Deel Iste Stuk.
-ocr page 136-
126
Israël anders voorstellen dan rijzig en schoon? Hoe anders Davitl
en Salomo, hoe anders een Josua, een Elia, een Daniël, dan
indrukwekkend door gestalte, door gelaatsuitdrukking, door schoon-
heid zelfs, gelijk dan ook de Schrift van sommigen uitdrukkelijk
getuigt." — En wat onzen Heiland betreft, wie gelooft niet met
ons, dat hij, ook in Zijne „dienstknechtsgestalte", op gants eigen-
aardige wijze waarlijk schoon zal zijn geweest\'? De oudste Christen-
kerk moge dit niet hebben erkend, een Tertullianus moge zelfs
hebben kunnen beweeren, dat de Heiland, in de waereld komende,
in zeker opzicht zich zelven heeft willen verongelijken, zoodal
Hij grove en gemeene gelaatstrekken heeft aangenomen, te meer
omdat men hem anders misschien den schandelijken kruisdood
zou hebben gespaard; een Augustinus moge, evenzoo, hebben
kunnen verhalen, dat, indien Christus al schoon ware als Gods
zoon (inwendig?), Hij echter leelijk was als Maria\'s zoon (uit-
wendig?): dergelijke meeningen zijn niet meer van onzen tijd.
Door een innerlijke behoefte, die haren grond heeft in de over-
tuiging van het reeds vroeger besproken verband tusschen inhoud
en vorm, tusschen Waarheid en Schoonheid, kunnen wij niet
anders dan ons den reinen en wijzen en liefderijken Heiland,
den grooten Kindervriend, zelf het heerlijkste Godskind, in de
edelste menschengestalte denken \').
Welnu, gelijk het vleeschgeworden Woord, zoo heeft ook het
geschreven Woord, bij waarheids- een schoonheids-karakter. En
in dit karakter van schoonheid, het Oude Testament, ook het
Mozaïesch scheppingsverhaal, in niet geringe mate eigen, ligt een
„beduidend kenmerk van goddelijke afkomst, zoowel als van
heilige onvermengde waarheid." En zoo leiden wij uit de schoon-
heid van taalvorm en voorstelling een nieuw waarheidsbewijs af.
Da Costa zegt in zijne reeds aangehaalde Voorlezingen: „Het
karakter der waarheid brengt altijd een zekere soort of mate van
schoonheid met zich, verschillend echter in het Oude en Nieuwe
Testament. Het Oude Testament, bepaaldelijk, spreekt meer bij-
zonder van de hoogte der bergen, der wolken, des hemels, \'t Geeft
in \'t algemeen sterker indruk van verhevenheid door stijl en
voorstelling dan het Nieuwe Testament. En dat is geen wonder
onder een bedeeling vol van uitwendige vormen, plechtigheden
\') Ik moet de vrijheid nemen den belangstellenden lezer hier verder te verwijzen
naar mijn Opstel: .Over het afbeeldsel des Heer en," voorkomende in
de Vliegende Bladen, 1861, BI. 135 en volg.
-ocr page 137-
1\'27
<>n afschaduwingen; want daar zijn schoonheden van Taal en
l\'oëzy eigenaardig op hare plaats, meer dan in de Nieuwe be-
leeling, wier aanvangspunt een kribbe en wier middenpunt een
kruis is." Waar wij dit gezegde van volkomen toepassing achten
\'>p het Mozaïesch scheppingsvizioen, Genes. !, daar hebben wij
voor beschaafde lezers de schoonheid der Bijbeloirkonde wel niet
uitvoerig aan te toonen of te ontwikkelen. Wij hebben slechts
ie herinneren wat niemands aandacht kan ontgaan zijn. En daarbij
volgen wij dan wederom een wenk van Da Costa, die, op de
vraag: „Hoe nu in de schoonheid van het Oude Testament" —
hier meer bepaaldelijk van het Bijbelsch Scheppingsverhaal —
,een waarborg van goddelijke afkomst, d. i. van waarheid ge-
legen kan zijn?" het andwoord samenvat in twee opmerkingen:
die van het hoogst-eenvoudige en die van het geheel-
onopsetlelijke van de zijde des schrijvers, waardoor de
schoonheid die ons treft, de verhevenheid die ons schokt, zich
\'en kenbaarsten onderselieidt.
Laat ons dezen wenk, met opzicht tot het scheppingsverhaal,
toepassen en ontwikkelen. Keeren wij echter de aangeduide orde
om, en beginnen wij met deze stelling: „Het Mozaïesch
scheppingsverhaal is schoon, omdat het eenvoudig
is:" dat is: het rellekteert — en juist daarom is het schoon •—
;ils met de getrouwheid van een spiegel, de geschiedenis van
Uods werk, waarvan juist de eenvoud een door menschen onna-
lootsbare eigenschap is.
Waaraan herkent gij den eenvoud? Allereerst: aan iets kin-
iterlijks, tegelijk met iets koninklijks.
„In den beginne." Is er. als ik het zoo uit mag drukken,
iets nuchterders en tevens iets majestueusers denkbaar dan die
minvang aller aanvangen? „Schiep God den hemel en de
aarde." De grootste verborgenheid, tot welke geen der Heidenen
ooit kon opklimmen, wordt uitgesproken als de bekendste
zaak ter waereld: de betrekking aller dingen tot hunne eerste
en hoogste oorzaak, den levenden God. En tegelijk wordt, in die
\\ier woorden, het grootste wonder aangekondigd als de natuur-
lijkste zaak ter waereld, de wording namelijk van alles uit
niets. Gode zijn dan ook al Zijne werken van eeuwigheid af
bekend, en het is Hem natuur wat voor ons wonder is; en
\'luarover verwondert het schepsel zich wel, maar de Schepper
\'iet, noch zijn tolk, onder de aanblazing van des Scheppers Geest.
„God sprak: daar zij licht, en daar was licht."
-ocr page 138-
128
Omdat het God was die sprak, moest het ook zoo zijn. Naïef en
tegelijk ontzachlijk verheven, meer dan alle afgetrokken omschrij-
vingen van de ondoorgrondelijkheid, die Almacht heet.
„God zeide, en God zeide wederom." Steeds de hei-
haling van hetzelfde „fiat!", de herhaling van dezelfde, daarop
steeds volgende gehoorzaamheid van het wordend schepsel: het-
zelfde resultaat, maar met telkens versche verscheidenheid en
veelvuldigheid.
„En \'t was zoo, en God zag dat het goed was." Een
revisie, als na menschelijken arbeid; een zelfvoldoening, als
na menschelijke proefneming! Maar tevens, in dien kinderlijken
vorm, de aanbiddelijke waarheid van de volkomenheid Gods, afgr-
Ktempeld in Zijne werken.
„En \'t was avond geweest, en \'t was morgen ge-
weest, de eerste dag," enz. Een kinderlijke tijdsberekenin^
en verdeeling, als op de vingeren van éen tot zeven. Maar teven-
de openbaring van den God der Orde, die alle dingen bij maat
en getal heeft berekend. En die openbaring als in den vorm van
een Ghoor, als dat der zingende Morgensterren of juichende
Kinderen Gods, na elke strophe van het Scheppingslied.
dat eene periode bezingt van het Scheppingswerk, die periode
als afperkend en bezegelend.
„En God rustte ten zevenden dage." Menschelijke en
natuurlijke afbeelding wederom van de rust na de voleinding van
het menschelijk werk. Maar tegelijk, verheven voorstelling van
de voltooiing van het goddelijk wonder, van het welbehagen des
Scheppers in Zijn volbrachte daad, van de afzondering van den
Sabbat ter Zijner verheerlijking.
Wat is, al verder, het karakter van den waren eenvoud\'
\'Veel gezag bij weinig vertooning; de krachtigst\'1
uitwerkselen bij de geringste middelen.
Welnu, God kondigt het niet luidruchtig aan, als Hij Zijn
groote werk der schepping gaat beginnen. Geen engelen blazen
de bazuin voor hem uit. Hij is Zijne eigene heerlijkheid, en Zijn
enkele wil is daad. Hij heeft geen medearbeiders of helpers. Zijn
eigen woord en geest is hem genoeg. Gij ziet Hem niet —
.geen vinger van Zijn hand, geen slip van Zijn kleed. Gij hoort
Hem alleen: geen werktuig weerklinkt, niets dan Zijn stem. Hij
spreekt en Zijn: „Daar zij!" is het machtwoord, het levenwek-
kend gebod, da\', de dingen die niet zijn, bij name roept alsof zij
vwaren, en ziet! zij zijn er.
-ocr page 139-
129
Éen woord — en het Licht ontstaat, eerstgeborene der schep-
selen en heerlijk stralende; de geheimenis der schepping nog
steeds voor de zesduizendjarige menschheid; want — gelijk een
wijze gezegd heeft — „wie éen zonnestofjen kon verklaren, zou
het raadsel der geheele Natuur gevonden hebben."
Éen woord — en het Uitspansel welft zich, en voor alle
eeuwen geformeerd zijn die „schatkameren van de sneeuw, die
tuighuizen van den hagel, die voorraadschuren van den regen,"
die van geen vermindering weten.
Éen woord — en de Aarde rolt voor Gods aangezicht als een
zandkorrel, en de Zee als een waterdroppel.
Éen woord, en nog een — en een waereld van Planten beneden, en
een hemel van Sterren daarboven, bekleeden en verlichten de aarde.
Éen woord, en nog een — en in duizendvuldige vormen open-
baart zich het Leven, en in twee zielen zijn de millioenen ge-
schapen, die de Aarde zullen bevolken.
Éene uitstorting Zijns geestes in de wateren: en de bajert
wordt Waereld. Éene inblazing Zijns geestes, en uit een handvol
aarde is de Menschheid geboren.
Eindelijk, waaraan herkent gij den goddelijken eenvoud? Aan
de natuurlijkste orde, die te gelijk de hoogste ont-
wikkelingsgang is.
In het plan der schepping, zooals het voor de oogen des Zieners
ontwikkeld wordt, geenerlei wanorde of stoornis, door overhaas-
ting of vertraging ontstaan. Niets te weinig, niets te veel. Niets
te vroeg, niets te laat. Alles op zijn plaats, alles op zijn tijd.
Eerst het licht, het water, de lucht, de aarde. Dan de planten,
de visschen, de vogelen. Dan de viervoetige en kruipende dieren
des aardrijks, en eindelijk de Mensch, Gods beeld en onderkoning.
Dat is de natuurlijkste orde.
Wilt gij er u van overtuigen? Maak u op in den morgen, en
ga naar buiten en zie hoe, eiken dag, de Natuur het scheppings-
vizioen in de oorspronkelijke opeenvolging voor u vertoont. Is
het licht niet de eerstgeborene, zich aankondigende in dien bleeken
gloor in het oosten, waarvoor de schaduwen verdwijnen? De
wateren scheiden van wateren: de dampen stijgen op uit den
oceaan, en de dauw, die over de weide zweeft, wordt opgetrokken
naar boven. Daar blauwt de hemel weder, als op nieuw ge-
schapen. En gij ziet, als rezen ze op een machtwoord uit de
\'luisternis, allereerst uw hooge boomen, uw eigen planten en
kruiden, allengskéns groen gekleurd en ritselende in den mor-
X.                                                                                                                 9
-ocr page 140-
130
genwind. Daar vertoont zich de uiterste rand der zon aan de
horizont. Zij gaat op: zij. het „groote licht tot heerschappij des
daags." En nu, hoor! daar is leven in de stroomen; de vogel
geeft zijn morgenlied uit de takken, als riep hij al het vee en
\'t gedierte des velds. En als deze uilen reeds lang tot hun voedsel
zijn uitgegaan, daar komt eindelijk de Mensch, de laatstgeborene, uit
den slaap, gewekt door Hem, die allen den adem en het leven geelt!
Wat dunkt u, is elke dag, zoo vaak hij wederkeert, geen minia-
tuurbeeld van het wonder, in het groot geschied ten dage toen
God den hemel en de aarde geschapen heeft*.\'
Maar die natuurlijke orde in het scheppingswerk, zooals het
Mozaïesch scheppingsverhaal dit voorstelt, is te gelijk de aandui-
ding van den hoogsten ontwikkelingsgang van het Leven, in al
zijne gedaanten en uitingen. Want van den beginne af aan be-
heerscht een hooger wet de op éen-volging en inhoud der sche|i-
pings-perioden. en die wet heet: Vooruitgang. Geen enkele
nieuwe levensform, die geen stap nader is tot het doel, van den
beginne al kenlijk gesteld in de innerlijke eenheid van de ver-
schillende Tafreelen van het onzachlijk Drama: de wording van
den Mensch, het redelijk-zedelijk schepsel, de vrije persoonlijk"
heid, des Scheppers beeld.
Zoo dan is het wel de eenvoud, die een eerste bestanddeel van
de Mozaïsche oorkonde uitmaakt: maar het is de eenvoud der
geschiedenis-zelve, en de schoonheid van het verhaal berust dus
eigenlijk op de waarheid der feiten, die het resumeert, zonder
ander doel dan dat die feiten worden gekend en God er in ver-
heerlij kt worde.
Deze opmerking brengt ons van zelf tot de tweede stelling:
„Het Mozaïesche scheppingsverhaal is schoon, omdat het onop-
zet t e lij k is."
„Onopzettelijk — zóo wordt ons geleerd, „is de werking
op ons innerlijk schoonheidsgevoel, die een schrijver op ons te-
weeg-brengt, in zooverre het blijkbaar zijne bedoeling niet is ge-
weest, hetzij een Dichterlijk Tafereel te schilderen, hetzij door
zijn taal bij hoorder of lezer effekt te maken, hetzij zelfs door de uit-
storting zijner gewaarwordingen zijn eigen boezem lucht te geven.
Welnu, dit is volkomen met Mozes het geval. Hij verhaalt alleen;
en hij wil niets anders dan verhalen, de gebeurtenissen verhalen-
die God hem heeft geopenbaard, dien God ter eere.
„Al wat bovendien daarin tot ons komt," dus merkt Da Costa
te recht aan, „dat hart en ziel en verbeelding treft, ligt in de
-ocr page 141-
131
verhevenheid der zaak-zelve, zonder sieraad van beelden of woor-
rïen, maar allereerst met juistheid en getrouwheid uitgedrukt. De
choonheid hier, hoe wezendlijk, is iets bijkomstigs; zij is geen
oogmerk op zich-zelf, maar resultaat als van zelf, terwijl
laarentegen alle verdichting zich-zelve bedoelt, en versiering eischt.
liet gaat hier, gelijk daar buiten in het geschapene: nuttigheid
en kracht zijn het oogmerk, de schoonheid van den vorm wordt
als toegeworpen : en hoe heerlijk, b. v.. de schitterglans der zon
moge zijn, niet om te schitteren is zij gekomen, maar om te
verlichten, te bewaren en vruchtbaar te maken." „Men denke
zich een oogenblik" — zoo besluit hij — „een beschrijving van
rle schepping in louter vermelding van gebeurde zaken bestaande
maar die gebeurde zaken verdicht ; en hier zal ook geen schoon-
heid in te vinden zijn."
Ik geloof, dat wij dit proefondervindelijk kunnen bevestigen bij
de enkele herinnering van de voornaamste Heidensche Cos-
in ogoniën die ter onzer kennis zijn gekomen.
Is zij schoon — die Indische voorstelling (Bramanisme
en Buddhisme) van een Hoogste Wezen, in zijn zalige rust
onmededeelbaar, werkeloos toeschouwer bij de wording des heelals,
een substantie zonder vorm of eigenschap, ot wil, of conscientie,
samenvloeiende met de Natuur; of van dien Brahma, zijn eigen
lichaam omscheppend tot. het Heelal, en door de formeering van
verschillende kasten uit zijne verschillende leden, den broeder-
band des menschdoms verbrekende voor altijd \\\'
Is zij schoon, die Perzische voorstelling (als in de Zen d-Ave sta)
van twee eeuwige Geesten, twee ongelijke Beginselen, scheppers
beide, maar de een van het goed. de andere van het kwaad, in
eindeloozen strijd; waarbij geen uitzicht zelfs wordt gegeven op
een Hooger Eenheid, waarin de vijandige elementen zich eindelijk
met elkander verzoenen kunnen ?
Is hij schoon, die Fenicische begin- en eindeloze Bajert, die
massa van elkander aantrekkende luchtdeeltjens, waaruit het Slijk
ontstaat, dat nu de vader wordt aller schepselen, gelijk de „Oude
Nacht" hunne moeder is: een vader en moeder, voorwaar! die
de volslagen afwezigheid van een persoonlijken Schepper en Vader
niet kunnen vergoeden?
Is zij schoon, die O m o r k a der Chaldeën, gedrochtelijke waereld-
moeder, door den God Bel in tweën gehouwen, die straks op
zijne beurt zich onthoofdt, opdat uit zijn met aarde gemengd
bloed de menschheid ontsta?
-ocr page 142-
132
Is zij schoon, die Egyptische leer, die een mythologische ver-
persoonlijking voorstelt van de tegenstrijdigste eigenschappen dei
Natuur en van God; die het Heelal verbrokkelt in een oneindig,
heid van stofdeeltjens, waarvan elk stofjen zijn eigen godheid
heeft, eeuwig maar niet denkbaar dan in dat stoffelijk hulsel\'.\'
Is het schoon, dat ijzeren Scheppingsei der Japanners, zoolang
door stierenhooren (denkelijk een voorstelling van de stralen der
zon) gerold en gestoten tot het openspringt en de dobberende
waerelddojer zichtbaar wordt, waar de zevende Hemelmacht de
vader wordt van de zeven groote Eilanden van Japan, het hart
der waereld? een cosmogonie inderdaad, die zich oplost in
het kleingeestige Particularisme!
Is het schoon, dat fantastiesch-grotesk koorts-vizioen der Sineezen.
met zijn Pan kus, die, in achttienduizend-jarigen scheppings-
arbeid, den hemel eiken dag tien voet hooger brengt; met zijne
millioenen heelals, zalen alle van een reusachtig paleis, wente-
lende op een rad van metaal boven een drievoudige draaikolk van
water, lucht en ether: met zijn waereld in de gedaante van een
edelsteen, rustende in den boezem van een onmetelijken lotus,
die opwast uit een geurenoceaan, gelegen in het midden van een
nog grootere waereld, tweede schakel van een oneindige waereldketen,
oprijzende uit nieuwe oceanen en lotussen zonder getal of maat!
Zijn zij schoon, die afgetrokken philosophemen van Grieksche
of hen navolgende Romeinsche wijsgeeren, zich hoofdzakelijk split-
sende in een hopeloos Dualisme, waarbij al wat bestaat geen
andere oorzaak heeft dan de botsing van twee tegenstrijdige Be-
ginselen en geen anderen waarborg van voortduur dan de eeuwige
vijandschap der beide Opperwezens: een droomerig Pan th eis ra e,
waarbij de Godheid beperkt wordt tot de Waereldziel, en al wat
buiten haar bestaat, niets is dan schijngestalte en vorm, komende
en gaande als de dwarreling van een rookspiraal; een troosteloos
Materialisme, eindelijk, waarbij de plaats van den Oneindige»
God wordt ingenomen door hel begrip van het Onbegrensde, in
\'t welk zich de voorwerpen afzonderen door een eeuwige bewe-
ging, om er straks weder onnaspeurlijk in terug te keeren?
Is zij schoon, eindelijk, die Scandinavische waereldwording uit
het lichaam van een reus, uit ontdooide ijzeldroppelen ontstaan
en gevoed door een wonderkoe, die straks met de tong den eer-
sten mensch uit de ziltige ijsklomp te voorschijn lekt?
„Neen!" antwoordt gij: „dat alles is niet schoon; want wij
missen hier immers het eerste bestanddeel der Schoonheid: de
-ocr page 143-
133
éénheid in de verscheidenheid! Verscheidenheid was er te
over, bonte, grillige, onzinnige verscheidenheid, maar — zonder
verband. Nergens de hoogere orde der Opperste Wijsheid, ner-
gens de harmonische samenwerking van verschillende krachten,
door éene hand gevormd en bestuurd tot éen, hoogheerlijk en
minbiddelijk doel. De eenvoud ontbreekt er overal, en alles is er
opzettelijk. De fantazie moet de afwezige gedachte vergoeden, de
torm de arme gehalte dekken. In den zweem van gezond ver-
~tand, dien wij in de Heidenmythen hier en daar op den bodem
vinden, herkennen wij het overblijfsel of de terugkaatsing van
de oude Israëlitische Overlevering, en al het overige perst ons
niet meer dan een glimlach van deernis af. \'t Is opmerkelijk,
iieen der Heidensche volken heeft zich ooit kunnen verheffen tot
hot denkbeeld, dat er van alle eeuwigheid af een God bestaan
heeft, die op een bepaald tijdstip uit niets iets zou hebben
voortgebracht. In alle opvatting was de Stof eeuwig naast de
liodheid aanwezig geweest, en had deze haar slechts geordend,
>lechts een bepaalde gedaante gegeven. Hoe geheel anders nu de
Mozaïsche oorkonde! Daar is God. de éenige, eeuwige, almachtige
ook alleen de Schepper van hemel en aarde, in tegenstelling van
twee strijdige Opperwezens van elders (bij de Perzen), of van
hot Heelal dat God werd (bij de Grieken): twee denkbeelden,
die alle hoogere eenheid en schoonheid vernietigen. In andere
oosmogoniën is het Licht (in de Orphiesch-Grieksche) of het Vuur
iin de Edda-leer) een goddelijk en werkzaam hoofdelement, waar-
door de chaos geordend wordt: bij Mozes spreekt God: „Daar
zij licht!" en — er is licht. Elders (bij Feniciërs en Egyptenaren)
is de Lucht de Alformeerder, of zijn Boven- en Onderlucht de
twee oudste godheden; bij Mozes vormt God het uitspansel, dat
do aarde omgeeft, de ruimte waarin de starren wentelen. Elders
worden die starren-zelf, vooral de zon en de rnaan, die twee
gi\'oote lichten, tot den rang van godheden verheven: bij Mozes
zijn ze door God geschapen en als gouden lampen opgehangen in
de hoogte, om scheiding te maken tusschen nacht en dag. Elders
wordt de Mensch óf in de plaats des Almachtigen gesteld, óf ver-
huigd tot een (onbewijsbaren) oorspronkelijken dierstaat, zooals
b. v., een Helmers dien schildert:
„Met nacht en beestlijkheid omtogen,
Kroop de eerste mensch het aardrijk rond,
Beroofd van zeedlijk denkvermogen.
-ocr page 144-
134
Zijn hut was \'t hol geboomt\', zijn legerstee de grond.
Zie, zie hem nog op Vuurlands rotsen
De sneeuw van duizend winters trotsen,
Verlaagd beneden dier en plant!
Een vuige last en pak der aarde,
Sterft hij een leven door, onkenbaar met zijn waarde,
Gevoelloos, woest, als \'t ijzig strand!"
Bij Mozes worden beide die uitersten verzoenend in elkander
opgelost: want bij hem schept God den mensch uit het stof dei
aarde, maar —- naar Zijn gelijkenis, en bezielt Hij hem met Zijnen
geest, tot wat, b. v., een Bilderdijk in hem zag en bezong:
Nu trad de Heerscher op, die God op aard moest heeten,
Dat pronkstuk, dat God-zelf in \'t stoflijk overkleed
Des lichaams — aarde en slijk! — voor \'t zintuig schittren deed.
Onwraakbaar door den geest, uit God hem ingevloten,
Onwraakbaar door de stof, op \'t godlijk woord ontsproten,
En onverdorven als in d\'eerstgeschapen dag;
Onwraakbaar door zijn vorm, waarin Gods afdruk lag.
\'t Gedierte juicht hem toe, en knielt voor dezen koning
Van goddelijk gezag — wien de ijdle praalvertooning
Geen gloeiend kinkhoornbloed of hermelijnen vacht
Om d\' achtbren schouder hangt, noch \'t hoofd met goud bevracht.
Maar schoonheid, wijsheid, kracht, uit oog en leden blinken,
En om wiens opslag zelfs heel de aard schijnt weg te zinken,
De bosschen buigen en de golven roerloos staan."
Hoe schoon in hare waarheid, hoe waar in hare schoonheid,
is de Mozaïsche oirkonde! Hoe eenvoudig en hoe heerlijk tevens,
allereerst dat zedelijk en persoonlijk karakter Gods, waarbij noch-
tans aan Zijne metaphysische eigenschappen geer. afbreuk wordt
gedaan. Hoe treffend dat wezendlijk verband tusschen den Schepper
en de schepselen onderling, waarbij het Heelal wordt tot een
organiesch Geheel. Hoe verheven die kalme majesteit des Éenig
Eeuwigen, die zich he\\vu>t is dat Hij slechts te willen heeft, en
Wiens enkel gebod het zaad is van alle leven, zoodat alle schepsel
een uitgesproken Godsgedachte, een zichtbaar Godswoord is, en
geheel de Natuur Zijne openbaring.
En heel deze schoonheid nu der Schriftuurlijke Oirkonde, hoe
is zij ongezocht, onbedoeld, onopgemerkt door haar eigen schrijver!
-ocr page 145-
135
Hoe is zij het gevolg van den heiligsten eenvoud en juist daarom
eigenschap der heiligste waarheid!
Geen wonder dan ook, dat zelfs de Heidenen hulde hebben
gebracht aan de scheppingstheorie, die uit Israël in het Christen-
dom is overgegaan. Geen wonder, dat de physische wetenschappen
eerst sedert de ernstige kennisneming van deze eerste bladzijden
des Bijbels hare hoogste vlucht hebben genomen en dagelijks
nieuwe bewijzen voor hare waarachtigheid aanvoeren. Geen wonder.
dat Schilder- en Dichtkunst het stelsel van Mozes als het rede-
lijkste en zedelijkste, ja, als het èenig Godewaardige gretig hebben
aangegrepen, en dat het nieuwe en heerlijke werken te voorschijn
riep, waaraan de geslachten der menschen zich niet kunnen ver-
zadigen, \'t zij dan waar een Michel-Angelo de muren van het
Vatikaan met zijne onsterfelijke fresco\'s bedekt, \'t zij dat een
Milton de schoonste bladzijden van zijn Verloren Paradijs aan
de paraphrase der Mozaïsche oirkonde wijdt.
Bladzijde 48, regel 10 v. o.
„Maar — in wat plage
Verkeert de zegen,
Als Licht en Hette
Ten toppunt stegen;" enz.
Wie kennis heeft genomen van Kalidasa\'s beroemd Gedicht:
Ritusanhara, d. i. De kring der Jaa rget ij den. herinnert
zich uit den eersten zang (Grishma) de schildering van den
Zomer. Aan dat gloeiend palet heeft mijn penseel — met dank-
baarheid erken ik het — hier kleuren en tinten geleend, als
geen westerling mengen kan, die Europa\'s grenzen nooit over-
schreed. — Zie mijn Panpoëtikon, Tweede bundel,
bladz. 232, enz.
Bladzijde 51, regel 24.
„\'t Aandeel aan uw erf,
Kleiner twintigwerf
Dan zijn Moederaarde?"
„Onze millioenen, zoo zij Merkurius bewonen moesten, zouden
daar als in een kerker op-éen gepakt zijn, bijna onmachtig om
zich te bewegen; want Merkurius is misschien 25-maal, stellig
1 O-maal kleiner dan onze Aarde." — Dr. Ebrard, Nat. Hist.
Briefe.
-ocr page 146-
136
„Merkurius is, wat de ruimte betreft, minstens lG-maal, wat
de massa aangaat 5^-maal kleiner dan de Aarde. Daarentegen
heeft hare massa een 3-maal grootere dichtheid dan die der
Aarde." — Böhner, Kosmos, I.
Bladzijde 51, regel 3 v. o.
„Die zoo snel doet leven, —
Vijf-en-twintig jaren
Rekent voor een Eeuw."
Op Merkurius bestaat een groote onevenredigheid tusschen de
lange dagen en korte jaren. De eerste duren ieder 24 uur en
5 minuten, het laatste slechts 88 dagen, ongeveer 3 maanden
van onze tijdrekening. Een Aardsch-jongeling van 25 jaren zou
dus reeds gelijkstaan met een Merkurius-grijsaard van een eeuw.
ZEVENDE ZANG.
Bladzijde 53, regel 2 en volg.
„Gij Star van zilvren gloed,
Nu — Bode van den Morgen,
Dan — sussende alle zorgen,
Heraute van den Nacht!"
„De lieflijkglansende Morgen* en Avondster is, van de oudste
tijden af tot heden toe, de lust en bewondering van alle gevoelige
menschen, die het oog ten hemel slaan. Venus is inderdaad onder
alle gesternten, na de zon en de maan, voor ons de helderste
ster des hemels, die, onder gunstige omstandigheden, zelfs bij
dag voor ons ongewapend oog zichtbaar worden kan. Zij bestraalt
ons, beurt om beurt, 290 dagen lang ten oosten van de zon,
kort na zonsondergang, als Avondster; en even zoolang ten westen
van de zon, vóór zonsopgang, als Morgenster.
„De tijd, gedurende welken Venus Morgen- en Avondster is,
bedraagt 66 dagen meer dan haar omloopstijd om de zon, terwijl
zich de Aarde, gedurende den omloop van Venus, evenzoo in
gelijke richting rondom de Zon voortbeweegt." — B<">hner, Kosmos, I.
-ocr page 147-
137
Bladzijde 53, regel 13.
„Gij komt, met pracht van stralen,
Van heel uw zustrenrij
Onze Aard\' wel menigmalen
Het allerdichtst nabij."
„De gemiddelde afstand van Venus tot de Zon bedraagt 15
inillioen geogr. mijlen, De siderische of ware omloopstijd van
Venus is 224 dagen, 16 uren, 49 min. en 7 sekonden. Geene
enkele hoofdplaneet komt de Aarde zoo nabij als Venus. Zij kan
ons tot 5\'/4 inillioen geogr. mijlen naderen, maar ook tot 36
inillioen geogr. mijlen zich van ons verwijderen. Gemiddeld ver-
schijnt Venus in haar schoonste licht, wanneer zij 40 graden
oost- of westwaards van de Zon verwijderd is. De nabijheid der
Aarde geeft dan aan de smalle lichtsikkel zulk een sterk licht,
dat zij bij afwezigheid van de Zon schaduw werpt." — A. von
Humboldt, Kosmos, III.
Bladzijde 54, regel 14 v. o.
„Maar raadselachtig,
Aschkleurig licht."
„Bij het weinige, dat wij met zekerheid van het uiterlijk voor-
komen der oppervlakten en van de natuurkundige geaartheid der
nabij de Zon liggende planeeten Merkurius en Venus weten, blijtt
nok het somwijlen door Christiart Mayer, William Herschell en
Hardig waargenomen verschijnsel van een aschkleurig
licht, ja, zelfs van een eigenaardige lichtwerking in het donkere
gedeelte dier planeeten, zeer raadselachtig. Het is niet waar-
schijnlijk, dat op zulk een grooten afstand het teruggekaatste licht
van de Aarde op Venus, een aschkleurige verlichting te-weeg-
lirengt, zoo als op onze Maan." — A. von Humboldt, Kosmos, III.
Bladzijde 55, regel 9.
„Toch schittrend, schroeiend,
Vast tweemaal meer
Dan \'t zonlicht gloeiend
In de Aardsche sfeer."
Lees: viermaal meer. —
-ocr page 148-
138
„üe Zon schijnt op Venus bijna viermaal grooter dan den
tewoonderen der Aarde: alzoo moet zij daar dan ook in dezelfde
mate sterker stralen dan in onze woonplaats. De aequator van
Venus maakt met de vlakte van hare baan een hoek van 72 graden.
Daardoor worden de jaargetijden van deze planeet zeer verschillend
van de onze." — Böhner, Kosmos, I.
„Op Venus heerscht zeker niet het verblindend licht en de
bette van Merkurius, want Venus is 7 millioen mijlen verder van
de Zon dan Merkurius, maar niettemin toch nog 4 millioen mijlen
dichter bij de Zon dan onze Aarde. Zij is ook ongeveer van
dezelfde grootte, gelijk ook de duur harer dagen niet veel van
dien van onze dagen verschilt, want Venus loopt in 23 uur en
21 min. rondom hare as. Toch zou haar atmosfeer voor ónze
oogen nog te schel, hare warmte óns te drukkend zijn. Hare
jaren tellen slechts ongeveer zeven van onze maanden, zoodat ons
leven daar tot de helft zou inkrimpen. Ook is het wel te denken,
dat de helling van haren evenaar van 72 graden, een nadeeligen
en ongunstigen toestand te-weeg moet brengen, door de sterke
afwisseling der jaargetijden, waarmede geen volle plantengroei,
geen hooger organiesch leven bestaanbaar kan zijn." — Dr. Ebrard.
Nat. Hist. Briefe.
Bladzijde 55, regel 22.
„Neemt gij — gelijk de Maan,
Steeds wisslende gestalten aan."
Binnen 584 dagen neemt Venus alle schijngestalten aan der
Maan. \'t Helderst straalt zij voor ons op haren grootsten afstand
van de Zon, 69 dagen vóór en na hare onderste conjunctie (als
wanneer zij van het oosten naar het westen tusschen de Zon en
de Aarde heentrekt). Gedurende die dagen verschijnt zij aan onzen
horizont, drie uren voor zonsopgang en drie uren na zonsondei-
gang. Des avonds is de maanachtige sikkel met hare holle zijde
naar het oosten, de andere scherpafgeteekende zijde naar het
westen gericht, omdat zij de Zon dan ten westen heeft. — Tijdens
haar grootsten afstand van de Zon is haar licht, door den tele?-
koop gezien, van een verblindenden glans. — Böhner, Kosmos, L
Aldaar, regel 24,
„....mist ge, als zij, het dampenkleed,
Het gas-omhulsel der Planeet."
-ocr page 149-
•139
Over Venus\' dampkring loopen de gevoelens der geleerden
uiteen. Sommigen (b. v. Prof. Petit, Sterrenkunde,, II. D.) be-
weeren: „de dampkring van Venus moet een weinig minder
dichtheid hebben dan de onze." Anderen (b. v. Prof. Ebrard,
t. a. p.) gaan verder en meenen: vVenus\' dampkring vertoont
zich zóo wolkeloos, dat er naar alle waarschijnlijkheid op hare
oppervlakte geen water aanwezig is; terwijl daarentegen bergen
zich verheffen, vaak zevenmaal hooger dan de hoogste berg-
knlossen onzer Aarde." — Uit de verschillende gevoelens stond
het mij natuurlijk vrij eene keuze te doen, zonder daardoor zelfs
den schijn aan te nemen van iets te willen beslissen.
Indien de gissing waar is, die Venus een atmosfeer ontzegt,
jieldt van deze Planeet wat elders van de Maan is gesproken:
„Waar geen, of in allen gevalle een zoo oneindig dunne lucht
bestaat, daar kan van geen vloeistof als ons water sprake zijn.
ledere vloeistof van dien aart zou bij zulk een gebrek aan lucht
weldra verdampen. Als de lucht aan onze Aarde ontnomen werd,
dan zouden de rivieren en zeen weldra verdampen en de geheele
narde uitdroogen. Van de Maan is het zeker, dat op dit waereld-
lichaam geen water voorhanden is, zooals reeds haar uiterlijk
\\oorkomen doet vermoeden, dat er immers uitziet als een afgietsel
van gips, vol blazen en verdiepingen. Van een verfrisschend bad,
van een kabbelend beekjen, van een zeiltochtjen op een spiegel-
jilad meir, van een rondzweven op de ijsvlakte, kan de bewoner
van zulk een planeet — verondersteld dat de zoodanige bestaat —
geen begrip hebben, evenmin als hij zich een denkbeeld zou
kunnen maken van zoovele schepselen als in zulk een dichte
vloeistof kunnen leven. Maar hij zal ook, bij het ontbreken van
lucht, geen geluid kennen, omdat de lucht de draagster van
het geluid is." — Prof. E. Netoliczka, De Maan.
Een andere aanteekening betreffende de Maan moge hier te
eerder een plaats vinden, daar in dit Gedicht, ofschoon de Maan-
zelve evenmin als de Wachters der andere planeeten daar opzet-
\'elijk in bezocht kon worden, toch meermalen van de Maan
gesproken, op verschijnselen of toestanden van de Maan gezin-
speeld wordt.
Volgends de laatste natuuronderzoekers zijn er, om de Planeeten
\'iit de Zon te doen geboren worden, bij haar eigenaardigen
sleroïdaal-toestand, niets anders noodig geweest dan trillingen van
groote kracht en omvang, waardoor een gedeelte van de zelf-
*tandighcid der Zon buiten haar eigen vlammenden of buitensten
-ocr page 150-
140
dampkring geslingerd werd. Van denzelfden aart zijn de vulka-
nische uitbarstingen van onzen eigen Waereldbol, die zich door
trillingen en golvingen voortplanten. Daar de Zon hare omwen-
teling van het westen naar het oosten volbrengt, moet alles wat
van de Zon uitgaat, ook een wentelende beweging van \'t westen
naar \'t oosten, alsmede een voorwaardsche beweging in diezelfde
lichting bezitten. De wachters zijn ook gedeelten van de Zon,
doch die eerst later in de ruimte geslingerd zijn door de los-
barsting der Planeeten, rondom welke zij nu omloopen. En zoo
zal dan de Maan ook oorspronkelijk wel een dochter der Aarde zijn.
Als men die opsplijting en uitslingering van een gedeelte van
den bol in de open ruimte niet aanneemt, dan — zoo heeft men
beweerd — is het onmogelijk om de uitholling der bekkens van
de zee op een voldoende wijze te verklaren; terwijl, omgekeerd,
dit punt zich op een natuurlijke wijze laat ophelderen, wanneer
men de uitwerping van een gedeelte van den aardbol aanneemt,
welk gedeelte dan nu den bol der Maan uitmaakt. Welnu, de
dochter volgt de moeder getrouw bij hare reize rondom de Zon,
en is onder de tallooze hemellichamen ons het allernaaste. Het
licht heeft, om van de Maan lot onze Aarde te komen, slechts
\'1-j sekonde noodig, een kanonskogel slechts %i dagen. Als er
een ijzeren spoorweglijn van de Aarde naar de Maan gelegd kon
worden, zouden wij de reis in een jaar en 174 dagen kunnen
volbrengen; en dan zou het ons blijken, dat de berekening juist
was, toen men tot het besluit kwam, dat deze trawant aan inhoud
49-maal, aan zwaarte 80-maal, aan oppervlakte 14{-maal kleiner
is dan de Aarde. — Daarentegen is de massadichtheid, de eigen
zwaarte der Maan |-maal grooter dan die der Aarde, \'t Gewicht
der lichamen is daarom op de oppervlakte der Maan zesmaal
minder dan op de Aarde. Dezelfde kracht, die hier een steen
10 voet opwerpt, zou dien op de Maan 00 voet omhoog slingeren.
De Maan is veel bergachtiger dan de Aarde, en hare bergen
zijn betrekkelijk veel hooger dan de onze. De groote, donkere
vlekken op de Maan — waarin wij vroeger met ons kinderoog
de trekken van een menschelijk aangezicht meenden te herken-
nen
         zijn diepe vlakten, die \'t licht nauwelijks weerkaatsen.
Maar ook uit deze diepe vlakten verrijzen heldere strepen, die
heuvelen en bergen verkondigen. De scherpte en donkerheid der
schaduwen van het Maangebergte geven den astronomen een
maatstaf aan da hand om hoogte en vorm dier bergen met een
nauwkeurigheid te bepalen, zooals zelfs bij een Aardsch Landschap
-ocr page 151-
141
noode bereikt kan worden. De gedaanten dier Maanbergen, trou-
wends, hebben weinig overeenkomst met die der Aarde. Meestal
doen zij zich voor als ongeregelde groepen van door enge dalen
gescheiden steenmassa\'s, dikwerf gelijkende op ringvormige wallen,
die loodrechte afgronden van 2 tot 12 mijlen diameter omsluiten.
Deze wallen, van 4000 tot 8000 voet boven het omliggende land
verheven, zijn vol kloven en geulen, en op den bovensten rand
met hooge hoekige toppen gekroond. Verscheidene van deze Maan-
kraters zouden in haar binnenste ruimte genoeg bezitten om den
Ghimborasso benevens den Montblanc en de Piek van Tenerifïe
iü-samen een schuilplaats te geven. Van uit den bodem van het
keteldal verheffen zich gewoonlijk weer éen of meer bergspitsen,
soms uit de diepte met een vlucht van 5000 voet opvarende. De
grootste bergketen der Maan loopt, in een lengte van 90 mijlen,
van het zuidoosten naar het noordwesten, heeft spitsen van 170011
voet hoogte, en is van een glasachtigen huid overtrokken, vol
duizende spleten en ronde kolken.
Een zeer merkwaardig en raadselachtig verschijnsel, dat de opper-
vlakte van onze satelliet aanbiedt, en waarvan onze Aarde geen
wederga heeft, zijn die smalle lichtstrepen, die verdwijnen wan-
neer de verlichtende stralen schuins invallen, doch bij volle maan,
geheel in tegenstelling met de maanvlekken, als stralen-stelsel het
meeste zichtbaar worden. Het zijn geen bergaderen, zij werpen
geen schaduw, en loopen met een gelijke sterkte van licht uit de
vlakten tot hoogten van 12000 voet.
Het is duidelijk, dat hier nooit een Zondvloed door des afgronds
sluizen is heengebroken; ja, men zou geneigd zijn te gelooven,
dat het vormings-proces der Maan nog niet geheel gesloten is.
leder jaar toch worden nieuwe opheffingen van bergen en nieuw
ontstane afgronden zichtbaar, gelijk dan ook Herschell nog in de
Aprilmaand van 1787 er drie geweldige vulkanen te gelijk vuur
en vlam zag spuwen. Op de naar onze Aarde heengekeerde zijde
van de Maan vinden wij geen spoor van rivier of zee; want die
cirkelvormige bekkens, ten onrechte zeen genaamd, van grijze
kleur met donkergroen gemengd, bevatten geen druppel waters.
Nergens groene wouden en weiden; nergens een sneeuwkroon op
\'len top dier Alpen; nergens aan hunne voeten een klare spiegel
waar ge, van uw bootjen, de riemen in uit kunt slaan, dobberend,
•\' la Jean Paul, tusschen drie hemelen: „een daarboven, een
daar beneden, een hier binnen." Maar alom, daarentegen, de blaas-
\'orrnige opheffingen van vulkanischen aart, de verglaasde vlakten
-ocr page 152-
142
met (luizende van kleine kraters en de grachtvormige rillen of
groeven, smalle, rechtlijnige diepten, afgewisseld door groepen van
schitterende bergkegels en kale rotsklipgevaarten.
Ook blijkt het ons nu, dat de Maan geen gaz-vormig omhulsel,
geen dampkring bezit. Dus rijzen aldaar, bij gemis van alle ver-
strooid licht, de gesternten aan eenbijnazwartendaghemel
omhoog. Een azuren hemelwelfsel is er niet; en geen luchtgolving
kan aldaar het geluid, het gezang, de spraak overbrengen. „De
Maan", zegt von Humboldt, „is voor onze verbeelding een eenzame
woestijn zonder geluid."
Een der verhevenste landschappen — leert Böhner, in zijn Kos-
mos
— ligt in \'t midden der zuidoostelijke helft van de Maan-
schijf. Een statelijke, huiveringwekkende pracht! Wij aanschouwen
daar éen van die ontzachelijke walgebergten, met een uit zijn
16000 voet diepen krater opstijgenden Centraalberg, den Typho.
wiens top weêrflikkert als een kleine zon. Van hier uit verbreidt
zich een woest, fantastiesch bergland, in niets op dat onzer Aarde
gelijkend, welks donkere, hoekige vlakten met witschemerende
streepen doorlijnd zijn. De verlichte wallen rondom den zwarten
nacht der dalketels en de uit den donker als glansende edelsteenen
opflikkerende toppen der kegelbergen, behooren tot de prachtigste
natuurtooneelen der Maan. De dunne gouden randen der verlichte
wallen, vooral ten tijde van volle Maan, en de verblindende krans
der geduchte, in talïooze takken uitloopende bergketenen met haar
duizendvuldige vormen, doen ons verbaasd staan en wekken het
voorgevoel, dat ook hier, maar op een geheel andere wijze dan op
Aarde, de heerlijkheid des Oneindigen haar atschijnsel heeft.
De Maan is en blijft voor onze Aarde een liefelijk verschijnsel.
Meer dan alle andere planeeten, is zij, met haar wisselende schijn-
gestalten, „een juweel van het uitspansel." Zij verlicht, vertroost,
vervrolijkt Mensch en Dier; zij beweegt onze zeen; zij is eene
der bronnen van beweging die op onze planeet werkt — maar
een woning voor ons, menschen, zou zij niet kunnen zijn. —
Von Humboldt, Böhner, anderen.
Bladzijde 56, regel 7 v. o.
„Geboomten, boschaadjen
Van wisslend plantsoen,
Gekranst met pluimaadjen
Van \'t zuiverste groen."
-ocr page 153-
143
„De Zee heeft, evenals het vaste land, zijne wouden met booroen
en planten, zijne gaarden met schoone levendige bloemen, zijne
onafzienbare weiden, waar kudden grazen. Men kent tegenwoordig
reeds meer dan 2000 soorten van zeeplanten, meestal behoorende
tot het geslacht van wier- of zeegras, wel zonder bloesem maar
ïijk aan verscheidenheid van vormen. Vele zeegewassen hebben bla-
deren van 40 voet, die prachtig in de golven wiegen. De olariën
li. v., schieten in een naakten stam omhoog, die in een blader-
kelk en in een reusachtig blad van 40 voet lengte eindigt.
Ken bewonderenswaardige grootte bereikt de nereocystis, die
vooral in Russisch-Amerika veelvuldig voorkomt. Uit een koraal-
nchtigen wortel schiet een dunne, draadachtige stengel op, die
naar boven altijd dikker wordt, tot de knodsvormige gedaante, bij
een hoogte van 70 tot 300 voet, in een 6 tot 7 voet lange lucht-
buis eindigt, uit wier spits een kolossale kroon van 30 tot 40
voet lange bladeren nedergolfl. Deze reuzenplant groeit in eenige
maanden op, sterft jaarlijks, en kiemt weer van nieuws op uit
liaar zaad. Aan de noordwestkust van Amerika is de bodem der
zee door een uitgebreid woud bedekt. Daar beneden ligt een schit-
terend tapijt, geweven uit tallooze groene waterdraden en violet-
kleurig paerelmos. Hierover breidt de laurentia pinnatifida
haar groene sierlijke bladen uit; en daar tusschen schemeren de
reuzenbladeren der iris, als groote scharlaken ot rozen-
kleurige mantels," enz. — Böhner, Kosmos, II.
ACHTSTE ZANG.
Bladzijde 65, regel 12.
„Die Wandelwaerelden."
„Wat den oorsprong der aan de Planeeten gegeven namen en
vooral der teekens betreft, deze verliest zich in den nacht der
•ijden. Sommigen hervinden er de Chaldeeuwsche, Grieksche of
Egyptische godheden in, met hare eigenaardigste attributen; anderen
\'neenen er de latere godheden der Latijnen in te herkennen.
I\'.venwei ziet men vrij algemeen een caduceus of slangenstaf
[il \'t zinnebeeld van Merkurius; een spiegel met zijn handvatsel
\'D dat van Venus, de planeet wier schitterende schoonheid i:ider-
\'laad wel aanspraak scheen te mogen maken op het symbool van
!\'e Moeder der Gratiën. De roode kleur van Mars, die het door
-ocr page 154-
144
•den Oorlog vergoten bloed in de gedachten brengt, schijnt aan-
leiding te hebben gegeven tot de samenvoeging van een schild
en een pijl. Jupiter, de Koning des Hemels in de Klassieke Myt-
hologie, moest natuurlijk, naar men beweert, voorgesteld worden
door den zigzag des bliksems; anderen zeggen, doodeenvoudig,
door de eerste letter van zijn Griekschen naam (Zeus, God), een
Z met een streep er door. Saturnus, eindelijk, de Vader des Tijd*
kon niet beter afgebeeld worden dan door \'t hem altijd bijblijvend
moordwapen, de zeis, bestemd om de stervelingen vóór en na
weg te maaien." — Prof. Petit, Sterrenkunde, II deel.
Bladzijde 00 regel 22.
„Eer, de oneindigheid door,
God een cirkel beschreef,
Stond de Wijsheid omhoog
Reeds gezalfd voor Gods oog."
Zinspeling op het beroemde hoofdstuk van de Spreuken Salo-
mo\'s, waar, bij persoons-verbeelding, de Wijsheid sprekende wordt
ingevoerd, „als van goddelijken oorsprong, een ware hemeltelj.\'.
voedsterling der eenwige almacht, en deelgenoote van het raads-
.besluit der Schepping." (Van der Palm.)
„De Heer bezat mij als de Eersteling Zijns wegs,
Vóór al zijn werk, van eeuwigheid!
Ik ben van eeuwigheid gezalfd,
Van \'s waerelds aanbegin, ja eer de waereld was
Toen nog geen zeen waren, was ik geboren,
Geen bronnen, zwaar van water;
Toen nog geen bergen waren ingevest,
Vóór alle heuvelen, was ik geboren.
Toen nog geen land, geen woeste gronden,
Noch al het stof der waereld geformeerd was;
Toen Hij de hemelen toebereidde, was ik daar!
Toen Hij een cirkel trok langs \'t oppervlak der zee;
Toen Hij de wolken vastmaakte daarboven;
Toen Hij de bronnen des Oceaans met macht beperkte:
Toen Hij der zee haar grenzen stelde, dat
De waatren zijn bevel niet overtraden;
Toen Hij des aardrijks grondslagen vestte: —
Toen was ik voedsterling bij Hem,
En Zijn verlustiging dag aan dag,
-ocr page 155-
145
En speelde voor Zijn aanzicht t\' aller tijd,
Speelde in de waereld Zijnes aardrijks,
En mijn verlustiging was aan des menschen kindren."
— Spreuken van Salomo, Hoofdstuk VIII: 22— 31. (Vertaling
van Van der Palm).
NEGENDE ZANG.
Bladzijde 71, regel 2 v. o.
„Gelijk eens Adam, als hij d\' ongeboren dag
Des heils aanschouwde van den Heuvel der Gezichten
In \'t Paradijs."
/.ie Milton, Parad. Lost, B. XI, vs. 376, volg.
„So both ascend
In the visions of God. It was a hill
Of Paradise the highest," etc,
want ik mag zooveel Engelsen niet uitschrijven. De geheele (meer
zonderlinge dan dichterlijke) passaadje, die ik toch mede wilde
doelen, luidt, in de vertaling van Dr. van Zanten (van 1728) —
de getrouwste metrische overzetting van Milton, die wij tot nog
too bezitten — aldus:
„.. . . Hij klom
Vooruit, en Adam volgde hem in Gods
Gezichten, \'t Was een Berg van \'t Paradijs,
De hoogte, van wiens top het halve rond
Der Aard\', hoe wijd ook uitgestrekt, zeer klaar
En onderscheiden wierd gezien. De Berg
Was minder hoog, \'t gezicht was meer bepaald,
Daar Satan, tot een ander einde en doel,
Den tweeden Adam in de wildernis
Opvoerde, om voor zijn oog te brengen all\'
De Koninkrijken van de gantsche Waereld
Met al hun heerlijkheid. Daar kon zijn oog
De plaatsen zien, waar ooit een stad van naam
In vroeger of in later tijd gesticht
Zou worden, tot een zetel des gebieds
Dat machtig was. Hij zag van daar den grond,
De muren van het Tartaarsch Gambalu,
*>                                                                                                                                                             10
-ocr page 156-
146
Den rijkstroon van den Cathajaanschen khan,
Van Samarkand bij d\' Oxus, Timurs troon,
Tot aan Peking, die groote waereldstad
Van Sina, daar vandaan tot Agra, en
Lahor, des grooten Mogols; nederwaard
Den gouden Chersonesus, of alwaar
De Perziaan in Ecbatane zat,
Of sints in Ispahan, of daar de Tsaar
Der Russen woont in Moskow, of de Sultan,
Een Turkoman, in Constantinus stad.
Hij feilde ook niet te ontdekken met zijn oog
Het Keizerrijk van Negus, en zijn grens
Ercoco, de uiterst\' van zijn havens, en
De mindre Vorstendommen aan de Zee,
Monbaza, en Quiloa, en Meiinde,
En Sofala, veelal gehouden voor
Het goudrijk Ofir, tot aan \'t Koninkrijk
Van Congo, allerverst naar \'t Zuiden toe,
Of daar vandaan, alwaar de Niger stroomt
Tot Atlas berg, de Koninkrijken van
Almanzor, Fez en Suez en Marocco,
En \'t plondernest Algiers, en Tremizen,
Van derwaards naar Europe, en Rome, dat
De gantsche Waereld eens beheerschen zou.
Misschien zag hij ook tevens in den geest
\'t Rijk Mexico, den troon van Montezume,
En Cusco in Peru, een rijken troon
Van Atabalipa; Guaiana nog
Niet uitgeplonderd, welks vermaardste stad
Van Spanjaards El Dorado wierd genoemd.
— Maar Michaél ontlastte Aartsvaders oog
Van \'t vlies, dat door de valsche vrucht, die hem
Een helderer gezicht had toegezegd,
Daar voor geschoten was, en maakte \'t zoo
Bekwaam tot edeler gezichten; toen
Wierd straks de zenuw van der oogen bol
Met ruit en oogentroost gezuiverd, want
Daar was voor hem zeer veel te zien. Toen droop
Hij daar terstond drie droppen van den wel
Des Levens in. De kracht dier artsenij
Drong door tot in het binnenst van zijn ziel,
-ocr page 157-
147
\'t Oog des Verstands, zoodat de aartsvader nu
Zijne oogen sloot, ter nederzeeg, geheel
Verbijsterd. Maar de vriendlijke Engel greep
Hem bij de hand, en hief hem overend,
En lokte zijn aandachtigheid dus op:
„Ontsluit uw oogen, Adam, en — aanschouw!"
Bladzijde 72, regel IC v. o.
„Gij zijt tot Sions Berg gekomen,
Het Hemelsche Jeruzalem."
Ontleend aan Hebr. XII: 18—24, alwaar de Apostolische schrijver
\'Ie lieflijkheid en heerlijkheid van het Nieuwe Verbond schildert.
De Christenen — zoo leert hij daar — zijn niet gekomen tot de
plaats eener Wetgeving, maar in de Stad of het Rijk der Ver-
zoening. „Betast," d. i. „tastbaar," heet daar de berg Sinaï, als
een aardsche, uit rotsmassa bestaande berg, in tegenstelling met
Jen „Berg Sion", waarmede niet de aardsche, geographische heuvel
Sion, maar het Rijk van Christus bedoeld wordt, dat op zinne-
lieeldige wijze hier Sion heet, „de stad des levendigen
Kods, het Hemelsche Jeruzalem." Dus wordt ook Gal.
IV: 26 het Rijk van Christus genoemd. Dit, nu reeds aan-
wezige hemelsche Jeruzalem, is iets anders als het
„Nieuwe Jeruzalem" uit de Openbaring van Johannes, dat,
naar zijne voorstelling, eerst na Christus wederkomst op aarde
gegrond moet worden. De „eerstgeborenen" zijn de eerstelingen
iider de wedergeborenen, de leden van het Nieuwe Verbond,
l\'aar zij niet als „in den hemel zijnde", maar als „in den hemel
"Ingeschrevenen" (Luk. X : 20, Fil. III: 20, enz.) aangeduid wor-
den, heeft men hier niet te denken aan de reeds gestorven
christenen, maar aan de nog levenden, die de Strijdende
Kerk uitmaken, welke met de reeds „Triomfeerende Kerk"
(de reeds in den hemel gezaligden) éene Gemeente vormen. —
Dr. J. H. A. Ebrard, Theol. Prof,, Der Brief an die Hebrüer
vklürt,
1850, bl. 394, 395.
Bladzijde 73, regel 16 v. o.
„Eeuwen hadden zij den Heiden
met den broedernaam begroet," enz.
-ocr page 158-
148
„De blanke man heeft den olijfkleurigen en den zwarten onder
de brandende zon op een verschroeide aarde voor zich doen
arbeiden, voor zich doen kruipen, voor zich doen bloeden. Hy
heeft den koperkleurige van zijne akkers en weiden verjaagd. Hy
heeft den naam van het Christelijk Europa stinkende gemaakt in
Azië. in Afrika, in Amerika, en op alle de eilanden. Hy heeft
den Heidenen gebracht brandewijn, opium en de afschuwelijkste
ziekten. Hy heeft met hunne vrouwen ontucht gepleegd onder
eiken groenen boom. Hy heeft hen met glaskralen verleid hunne
kinderen te verkoopen. Hy heeft gezegd: zy zijn schapen dei-
slachting." — Dr. N. Beets, Des Christens schuld aan den
Heiden.
Bladzijde 75, regel 11.
„De Booze Geest".
De God der Karenen.
Aldaar, regel 12.
„Knielend voor het „Wandlend Blad."
„De Hotten totten vereeren een sprinkhaan, het „wandelende
blad" geheeten. \'t Is een insekt, niet grooter dan de vinger van
een kind. Komt dit diertjen in een dorp, dan verzamelen zich de
bewoners zingend en dansend daarom heen, vallen er voor op de
kniën en bidden: „Geef ons voer voor ons vee, en melk voor
ons zelven!" Menigmaal brengen zij hem ook offeranden. Springt
hij bij geval op een Hottentot, dan wordt deze heilig verklaard
en als een lieveling der Goden vereerd." — G. Leonhardi, Nacht
und Morgen der Èv. Heidenmission.
Aldaar, regel 13.
„\'t Lichaam kervend."
Zie over de zelfkwellingen veler Heidenen Wilhelm Hoffmann
in zijne bekende: Missions-Stunden, bl. 489 en volg.
Aldaar, regel 13,
„.... of zich stortend
Onder \'s Afgods wagenrad."
Onder de afgodsfeesten van Hindostan is het Wagenfeest van
Jaggurnaut, bij de stad Puri, het beruchtste. Men vindt de be-
-ocr page 159-
149
<chrijving o. a. bij G. Leonhardi, in \'t genoemde werk, bl. 3
en volg.
Aldaar, regel 17.
„Voor hun fetisch, menschenlijken
wiegende op zijn reuzenboom,"
„Wy wijzen haar op den beruchten fetisch-boom aan Afrika\'s
westkust, waaronder de bekende reiziger John Lander van afgrijzen
in zwijm viel als hy hem zag, de ontzachelijke takken letterlijk
overdekt met menschenlijken, en den majestueusen stam van
onregelmatige stapels menschenschedels omringd, die men sedert
verscheidene jaren zich liet ophoopen, Gieren, zich vergaderend
waar het aas is, wemelende om zijn kruin." — Dr. N. Beets,
Des Christens schuld aan den Heiden.
Bladzijde 75, regel 6 v. o.
„De Onbekende werd verkondigd,
en met juichend handgeklap
Groetten zij de Blijde Boodschap,
\'t einde van hun Ballingschap."
De herinnering van een feit. Toen de broeders Doben en Nitsch-
mann, in December van \'t jaar 1732, op het eiland St. Thomas,
in \'t midden tusschen Noord- en Zuid-Amerika, voor \'t eerst het
Kvangelie aan de Negerslaven verkondigden, is het gebeurd, dat
de half Hoog-, half Nederduitsche prediking beandwoord werd
met handgeklap. „Dat handgeklap" •— zegt Dr. Beets — „is het
voorspel van het invallen zooveler natiën in het Lied des Lams!"
Bladzijde 79, regel 11.
„Nooit heeft de oude stem gezwegen:
Blinde Orion, naar Omhoog!" enz.
„De blinde Orion zal ziende worden," zoo voorspelde het orakel
twanneer hij slechts onophoudelijk de Zon te gemoet gaat." Zoekt
b\'ij ook maar eeuwig de Zon, gij begeerigen naar waarheid en
kennis! zoo zult gij ook het oog vinden." — Jean Paul.
-ocr page 160-
-ocr page 161-
DE JOBJ5ÏI3B.
-ocr page 162-
-ocr page 163-
HET BOEK JOB.
Job, die zijn deugd handhiaft,, het eerewoord, dat doSchep-
per voor hem gaf, rechtvaardigende, zit op zijn aschhoop als
de roem eu de trots van zijnen God. Hoe hij zijn ongeluk
zal dragen, daarop ziet God en met Hem het gantsche hemel-
sche heir ter neder. Hij overwint, en zijne overwinning is
een triomf boven de starren — Zij het geschiedenis, zij hot
verdichting, die zóo dichtte, was een Ziener Gods.
Ii:il.ni:. HEINK. JACOBI.
I.
INLEIDING.
1.
In het Landschap, Uz geheten,
Leefde Job, de knecht des Heeren; —
Vroom, oprecht en warsch van \'t kwade.
Zeven zoons, een drietal dochters,
Werden uit zijn echt geboren;
En zijn rijke kudde telde
Zevenduizend blanke schapen,
Driemaal duizend vlugge keemlen,
Vijfmaal honderd koppel ossen,
Vijfmaal honderd ezelinnen, —
Bij een talloos heir van slaven.
En zoo was dan Job de grootste
Aller kindren van het Oosten.
En bij elk geboortverjaren
Was er feestmaal bij zijn zonen,
En de zusters, meêgenoodigd,
Deelden in de vreugd der gasten.
-ocr page 164-
154
Dan, aan \'t eind der hoogtij-dagen,
Zond de vader om zijn kinders,
Wijdde biddend hen den Heere,
En ontstak bij \'t morgenkrieken
Zooveel offers als zij waren:
„Want" — zoo dacht hij — „\'t kón gebeuren,
„Mooglijk heeft mijn kroost gezondigd
„En in \'t harte God vergeten!" —
Zoo deed Job dan al die dagen.
Nu gebeurde \'t, toen Gods kindren
Eens ter plechtige begroeting
Voor Jehovahs troon verscheenen,
Dat ook Satan zich vertoonde.
En Jehovah sprak tot Satan!
„Gij, van waar zijt gij gekomen?"
\'t Andwoord was: „Ik kom van de Aarde,
„Die ik rondtrok en doorkruiste."
En Jehovah sprak tot Satan:
„Hebt gij dan ook acht geslagen
„Op mijn dienaar Job? Geen tweede
„Wordt er nevens hem gevonden,
„Vroom, oprecht en warsch van \'t kwade 1"
Toen sprak Satan tot Jehovah:
„Is dan Job om niet godvreezend?
„Hebt Gij hem, zijn huis, zijn have,
„Niet ommuurd aan alle kanten?
„Niet zijn handenwerk gezegend,
„En zijn vee verduizendvuldigd ?....
„Maar verhef Uw hand nog heden
„Om zijn schatten aan te tasten,
„Als Uw trouwe knecht niet ijlings
„Voor Uwe oogen U laat varen!"
En Jehovah sprak tot Satan:
„Nu dan, \'k geef zijn huis, zijn have,
„Al zijn schatten, in uw handen:
„Maar hem-zelven zult gij sparen!"
-ocr page 165-
155
En hiermee ging Satan henen
Voor Jehovahs aangezichte.
Eens nu. als zijn kindren allen
Aan den blijden feestdisch zaten
In het huis van d\' eerstgeboorne,
Kwam tot Job een boó gevloden.
Hijgend sprak hij: „De ossen ploegden,
„Zorgloos graasden de ezelinnen, —
„Toen een horde van Sabeërs
„Hen besprong en met zich voerde.
„Al uw knechten zijn verslagen:
„Ik alléén ben \'t zwaard ontkomen,
„Om den jammer u te melden!"
Eer hij nog had uitgesproken,
Kwam een tweede. Hijgend sprak hij:
„\'t Onweer Gods is neergeschoten
„Op uw schapen, op uw knechten :
„Ik-alléen ben \'t vuur ontkomen,
„Om den jammer u te melden!"
Eer hij nog had uitgesproken,
Kwam een derde. Hijgend sprak hij:
„Daar zijn woedende Chaldeën
„In drie benden neergevallen
„Op uw keemlen, die ze ontvoeren.
„Al uw knechten zijn verslagen :
„Ik-alléen ben \'t zwaard ontkomen,
„Om den jammer u te melden!"
Eer hij nog had uitgesproken,
Kwam een vierde. Hijgend sprak hij
„Toen zoo straks uw kindren allen
„Aan den blijden feestdisch zaten
„In het huis van d\' eerstgeboorne,
„Kwam de rukwind der woestijnen,
„Tilde aan alle vier zijn hoeken
„\'t Huis omhoog en smeet het neder
„Op de hoofden uwer kindren.
,\'k Ben alléén den dood ontsprongen,
„Om den jammer u te melden!"
-ocr page 166-
150
Toen hief Job zich van zijn zetel,
Scheurde zijn gewaad in tweeën,
Schoor zijn hoofd, en viel ter aarde
En aanbad: „Ik ben, o Moeder:
„Naakt uit uwen schoot gekomen ;
„Naakt ook zal ik wederkeeren
„Tot den moederschoot der Aarde,
„Gij, Jehovah ! hebt gegeven,
„Gij, Jehovah! hebt genomen,
„Eere zij Uw naam, Jehovah!"
Zoo bleef Job in al zijn lijden
Zonder zonde, Gode zwijgend.
VERVOLG DER INLEIDING.
II.
Weer gebeurde \'t, dat Gods kindren
Tot een plechtige begroeting
Voor Jehovahs troon verschenen:
En ook Satan was in \'t midden,
Orn den rechtsdag bij te wonen.
En Jehovah sprak tot Satan:
„Gij, van waar zijt gij gekomen?"
\'t Andwoord was: „Ik kom van de Aarde,
„Die ik rondtrok en doorkruiste."
En Jehovah sprak tot Satan:
„Hebt gij dan ook acht geslagen
«Op mijn dienaar Job? Geen tweede
„Wordt er nevens hem gevonden,
„Vroom, oprecht, en warsch van \'t kwade!
„Bij zijn deugd blijft hij volharden:
„En vergeefs was al uw tergen
„Om hem onverdiend te straffen !"
-ocr page 167-
157
Toen sprak Satan tot Jehovah!
„Huid voor huid! al wat den mensche
„Lief is, geeft hij voor zijn leven!
„Maar verhef uw hand eens heden
„Om zijn vleesch en zijn gebeente,
„Om zijn lichaam aan te tasten.....
„Als Uw trouwe knecht niet ijlings
„Voor Uwe oogen U laat varen!"
En Jehovah sprak tot Satan:
„\'k Geef zijn lichaam in uw handen,
„Maar zijn leven zult gij sparen!"
En hiermee ging Satan henen
Voor het aangezicht des Heeren.
En nu sloeg hij Job den lijder
Woedend met melaatsche zweeren
Van den voetzool tot den schedel.
En de lijder, met een potscherf,
Schrabde zich de kranke leden,
Op den aschbelt neergezeten!
En zijn huisvrouw smaalde sarrend;
„Blijft gij bij uw deugd volharden ?
„Zegen God en sterf!" Maar rustig
Klonk zijn andwoord: „Waarom spreekt gij
„Als de onzinnigste der vrouwen?
„Zou men \'t Goede wel ontfangen,
„\'t Kwade niet van God ontfangen?"
Zoo heeft Job in deze dingen
Met zijn lippen niet gezondigd.
Van zijn lot en lijden hoorden
Jobs drie vrienden. En zij kwamen,
Ieder van zijn eigen plaatse:
Elifas, een Themanieter,
Bildad, een Suchiet, en Zofar,
Een Naümathiet. — Ze zouden
— \'t Was besproken en besloten! —
Hem beklagen en vertroosten.
-ocr page 168-
158
Toen zij hem van verre ontwaarden,
Kenden zij hem niet. — Zij hieven
Luid hun stemmen op, en treurend,
Raadloos zich den mantel scheurend,
Strooiden ze assche naar den hemel
Boven hun gebogen schedel.
En zij zaten aan zijn sponde
Zeven dagen, zeven nachten,
Zonder spreken, zonder klagen,
Bij de ellende die zij zagen.
VERVOLG EN SLOT DER INLEIDING.
111.
.lob, in \'t eind, ontsloot zijn lippen,
Dus zijn levensuur vervloekend:
„Verga de dag, waarop ik ben geboren,
De nacht, waarin mijn moeder mij ontfing!
Die dag! hij zij verworpen in Gods toren,
En weggewischt uit onze erinnering!
Zijn hemel zij in duisternis verborgen,
En scheure nooit het dichte wolkgordijn;
Een doodsche mist benevele zijn morgen,
Een pestdamp moet zijn middag-sluier zijn!
Die nacht! hij moog\' in donkerheid verzinken!
Hij teil\' niet in de rij der broeders meê!
Hij hoore nooit een kreet van vreugde klinken,
Onvruchtbaar als een rotsklip in de zee!
Men moog\' hem tot de jammernachten rekenen,
Bestemd voor weegeklag en angstgehuil!
Hem moeten met hun vloek de toovnaars teekenen,
Die \'t Nijlgedrocht bezweeren in zijn kuil!
Hij wachte \'t licht, maar \'t licht blijve immer dralen:
Geen avondster verhelder\' zijn gelaat;
Nooit moet hij meer de zilvren maan zien stralen,
Of de oogleên van den purgren dageraad —
Wijl hij den schoot niet toesloot die mij baarde,
Noch tegen \'t leed mij in bescherming nam! . .. .
-ocr page 169-
159
Ach, waarom gaf de moederschoot der Aarde
Geen toevluchtsoord aan \'t pasgeboren lam *?
Ach, waarom vond ik knieën die me onttingen,
En borsten die mij zoogden\'?.... \'t Stille Graf
Zou anders met zijn schaduw mij omringen,
En niets brak ooit mijn zoete sluimring af.
\'k Sliep dan bij hen, wie de Aarde koning kroonde,
Wier hoogmoed zich een pronknaald heeft gebouwd,
Bij \'t vorstenkind, dat in paleizen woonde,
En — \'t wicht, dat nooit het daglicht heeft aanschouwd!
Daar onder houdt de booswicht op met kwellen:
Hij ligt er stom en machteloos ter neer!
Daar voelt geen slaaf zijn ketenen meer kwellen,
Daar striemt de zweep des drijvers hem niet meer!
Daar zijn zij éen, de kleinen met de grooten,
De koningen den bedelaars gelijk !,...
Waarom, o God! ons \'t leven ingestoten ?
Ons, lijders, dus geworpen in dit slijk?....
Wij smachten naar den dood, maar hij blijft toeven:
Hij is de schat, waarnaar onze onrust wroet!
Wij ijlen als gevleugeld naar de groeven,
Wij juichen als ons oog de lijkterp groet!___
Wat leeft de man, die op den weg van \'t leven
Geen uitzicht ziet? wien God in de engte sloot?
Want tranen zijn voor water mij gegeven,
En zuchten in de plaats van daaglijksch brood.
Zoo is meer dan ik vreesde, me overkomen!
Méér dan ik ooit geducht heb, is mijn lot!
Toch leefde ik niet in zorgelooze droomen:
Ik waakte, en bad — en toch verliet mij God!"
JI.
DE VERWIKKELING.
EERSTE KAMPSTItIJD.
IV.
Elifaz, de Themanieter,
Nam het woord op, en hij zeide:
-ocr page 170-
160
„Ik vrees, dat gij mijn woord verachten
En u te meer verheffen zult!
Maar wie kan luistren naar uw klachten
En tintelt niet van ongeduld?
•
Gedenk de dagen van voordezen!
Gij waart zoovelen tot een licht,
Gij hebt den dwalende onderwezen,
Gij hebt den struiklende opgericht:
Nu treft ü \'t onheil, — en gij zwicht?
\'t Zijn wanhoopstranen wat we aanschouwen:
Gij zit in zak en assche neör:
Is dan uw godsvrucht uw vertrouwen,
Is dan uw deugd uw hoop niet meer?
Bedenk toch, wanneer zijn de vroomen
Nog ooit onschuldig omgekomen ? . ...
Neen, driemaal heilig is de Heer!
Die ondeugd ploegen, kwelling zaaien,
Doet Hij aan déze zij van \'t graf
Reeds de oogst van Zijn vergelding maaien:
Hij snijdt hen zelf als halmen af!
Hij blaast hen weg als stuivend kaf!
Laat vrij den leeuw de manen schudden,
God breekt de tanden uit zijn muil,
En doet den schrik der lammrenkudde
Van honger sterven in zijn kuil!
Eens is er in mijn stille droomen,
Toen alles nederlag en sliep,
Een Godspraak tot mijn oor gekomen,
Die fluisterend mij wakker riep.
Angst en ontzetting deden me ijzen
En rilden mij door merg en been;
Ik voelde \'t hair te bergen rijzen —
Een Geest ging voor mijn aanschijn heen!
Daar stond hij.... vormloos, onbewogen;
Als door een nevel zag ik hem;
Een schaduwbeeld was voor mijn oogen,
\'t Was doodstil, en ik hoorde een stem:
„Wat stervling durft zich heilig noemen,
„Zich reiner dan zijn Maker roemen?
-ocr page 171-
161
„Zelfs in de blinkende englenrei
„Weet God gebreken aan te toonen —
„Hoe veel te meer in raenschenzonen,
„Die huizen in een hut van klei!
„Zij worden als het halt vertreden,
„Dat slechts éen zomermorgen leeft.
„Zij gaan, met hun voortreflijkheden,
„Terwijl er niemand acht op geeft,
„En zonder dat hun blinde Reden,
„De Wijsheid ooit gevonden heeft!" —
VERVOLG VAN DEN EERSTEN AANVAL VAN EL1EAZ.
V.
„Zoek liever hulp in uwe ellenden,
O gij, die moedloos murmureert!
Tot wien der Englen wilt ge u wenden *?
Wel dwaas is, wien \'t verdriet verteert!
Wel onverstandig, die zijn dagen
Verspilt in ongeduldig klagen!
Ik-zelf, ik heb een dwaas gekend,
Die vaste wortlen had geschoten:
Maar \'k zag zijn woning omgestoten
Gelijk een brooze herderstent.
Ik zag zijn kindren hulploos dolen,
Verworpen in de poorte staan:
Geen voorspraak trok zich hunner aan j
Hun oogst werd vratig weggestolen —
De weezen moesten beedlen gaan!
Neen! de ondeugd moog met bloesems pralen,
Geen vruchten rijpen uit haar zaad.
Verhardt de zondaar zich in \'t kwaad,
Straks dreigen hem de bliksemstralen.
Val dan bij tijds uw God te voet!
Laat Hern u troosten, Hem u raden,
Die ondoorgrondelijke daden,
Onnoemelijke wondren doet!
X.                                                                                                                11
-ocr page 172-
162
Die regen geeft na felle droogte,
En water als de bloemhof treurt,
Verschopten opheft in de hoogte,
Verdrukten aan Zijn zijde beurt,
En al de ontwerpen kan beschamen
Die de ongerechtigen beramen:
Al zijn hun listen fijn bedacht,
God zal ze in eigen web benauwen:
Dan zien ze op ééns een tastbren nacht
Op heideluchten middag grauwen:
Zóo redt Hij de armen uit hun klauwen,
De zwakken uit hun overmacht;
Zóo gaat Hij \'t Onrecht wrekend tegen,
Zóo voert Hij, na een korten strijd,
De Godsvrucht op gebaande wegen! —
Welzalig dien de Heer kastijdt!
Zijn tuchtiging is enkel zegen.
Hij slaat wel, maar ook balsemt Hij;
Hij wondt, maar kan genezing schenken!
In zes benauwdheên staat Hij bij,
In zeven zal u \'t kwaad niet krenken!
Gij wordt in d\' Oorlog tegen \'t zwaard,
In Honger, voor gebrek bewaard.
Gij zijt Hem de appel Zijner oogen!
De Laster, die zijn zwadder schiet,
De Pest, verwoestende aangevlogen.
De grijnzende Armoe, treft u niet!
Gij lacht, als gij den woudleeuw ziet,
Gebreideld door Gods alvermogen.
Gij werpt uw zaaisel in den grond,
En — \'t veldgedierte spaart uw koren.
Uw halmen schieten uit de voren,
Zelfs met de steenen in verbond.
De Vrede zweeft uw tenten rond;
Niets in uw woning gaat verloren.
Uw Stamboom breidt zijn loten uit,
Zoo talrijk als het heidekruid.
Eerst in uw grijze winterdagen
Wordt ge in de groeve neergevlijd,
Gelijk eerst ter bekwamer tijd
De rijpe school wordt thuisgedragen !... .
-ocr page 173-
163
Onthoud het, en laat af van klagen.
Als gij voor God onschuldig zijt!"
JOBS EERSTE ANDWOORD AAN ELH\'AZ.
* i
VI.
Toen gal\' .lob het volgend andwoord
Aan den stuggen Themanieter:
„Och, wierd slechts mijn ellend gewogen,
Gewogen mijn afgrijslijk wee!
Want nu — weent voort, mijn brandende oogen!
\'t Is zwaarder dan het zand der zee.
De pijlen des Almachten jagen
Mij \'t git\' door \'t bloed. Geen medelij\'!
Al Gods verschrikkingen en plagen
Staan in slagorde tegen mij;
Het grazend woudhert slaakt geen kreten,
Het runddier loeit niet voor de ruif.
Maar \'t zoutelooze, wie zal \'t eten?
Wien smaakt de wrange, onrijpe druif\'?
Och, of ik, na zoo vruchtloos kermen,
In \'t eind mijn hoop bekroonen zag!
Of God mij aangreep uit ontfermen
En doodde, met een laatsten slag!
\'k Zou dan getroost, \'k zou juichend sterven :
\'k Heb Zijn geboden nooit vertreén.
O, mocht ik dan die gunst verwerven,
Want andere wenschen, \'k heb er geen!
Of heeft mijn lichaam reuzenkrachten\'?
Ben ik van koper of graniet\'?
Onzinnig ware \'t hulp te wachten
Dan die de bleeke dood mij biedt.
Een ander zal bij boezemvrinden,
Als de ure des bezwijkens naakt,
Nog deernis voor zijn lijden vinden.
-ocr page 174-
164
Al had\' hij ook zijn God verzaakt.
Maar ik? — mijn broeders zijn me ontweken
Als water uit een dorre bron,
Als trouwelooze winterbeeken,
Verdampend bij een eerste zon!
Dan snellen Tema\'s karavanen,
En Saba\'s kooplien dorstende aan:
De stroom, dien ze onverdroogbaar wanen,
Is in zijn gloeiend bed vergaan.
Daar staan zij dan, vol schrik en schaamte!....
Zóo, valsche vrienden! zijt gij mij!
Gij ziet mijn uitgeteerd geraamte,
En — ijlt meêdoogenloos voorbij!
Verdiende ik dat\'.\'.... Heb ik de handen
Ooit hunkrend naar u uitgestrekt?
Begeerde ik hulp in pijn of banden?
Heeft ooit uw goed mijn lust gewekt?
Beschuldigt mij, zoo ge iets kunt vinden!
Toont me éen vergrijp, \'k zal stille zijn!
Zoet is de tucht van ware vrinden —
Uw woorden druipen van venijn!
. Veroordeelt gij mijn jammerklagen?
Zijn tranen, heeft een martiaal\' méér?
Striemt gij mijn hart met geesselslagen?
Stort ge in een kuil uw broeder neer?
Aanschouwt dit rif 1 doorvorscht mijn leven!
Proeft, of ik zonder oorzaak zwoeg!
Heeft dan mijn tong zoozeer misdreven?
Of — is het lijden schuld genoeg?"
VERVOLG VAN JOBS EERSTE ANDWOORD AAN ELIFAZ.
VII.
„Is de Mensch niet op aard
Met ellenden bezwaard ?
-ocr page 175-
165
Zijn zijn dagen geen daglooners dagen ?
Als een slaaf, die versmacht
Naar de rust van den nacht,
Zóo verlangt hij naar \'t eind van zijn plagen !
Wat al kwelling van geest
Is mijn erfdeel geweest.
Wat al maanden van nijpende zorgen!
\'k Leg mij zuchtend ter neer:
„Eindt de nacht nimmermeer?"
En ik wentel mij om tot den morgen.
Mijn webbe is bijna afgeweven:
De draad ontglipt — mijn krachten vliên.
Gelijk een damp vervloeit mijn leven:
\'k Zal nooit het goede wederzien.
Mijn beendren zijn van smart gebroken;
Mijn hart is in mijn borst doorstoken:
\'k Daal als een schim ter schimmen neer.
Dan, weggedeinsd uit aller oogen,
Aan eigen huis en hof onttogen.
Kent mij mijn eigen plaats niet meer!
Zoo dan zwijg ik ook niet
In den prang van \'t verdriet,
In de vrees die mijn ziel overvleugelt!
\'k Word beperkt voet voor voet,
Als een zwellende vloed,
Als een Nijldier bewaakt en beteugeld.
Als ik zeg: „Op mijn spond
„Droomt mijn hart zich gezond.
„En de slaap zal mijn lijden verlichten!"
Dan. o God! steekt Uw hand
Mijn verbeelding in brand,
En Ge omspookt mij met jammergezichten!
Dus stikkende van vrees en schaamte,
Is \'t vreemd, dat ik \'t geduld verlies\'?
Dat ik het rammlend Doodsgeraamte
Ver boven dit mijn rif verkies?
-ocr page 176-
16C
Laat mij met rust! .... Mijn dagen zweven
Daarheen — niet eeuwig zal ik leven:
Wie is de mensch, zoo zwak, zoo broos,
Dat ge uur aan uur, Almachtig Strijder!
Hem uitkiest tot Uw weèrpartijder,
Met wien Gij worstelt eindeloos?
Mocht Ge een enkelen maal
Mij den zengenden straal
Van het oog Uwer grimmigheid sparen!
Voer me, o God! uit het vuur
Voor den tijd van éen uur!
Laat me, éene enkele sekonde, bedaren!
Is mijn gruwel zóo groot,
Dat me Uw deernis verstoot,
Laat Uw licht mij niet langer beschijnen!
Neem een laatste besluit!
Wisch Uwe ergernis uit:
Doe de zonde en — den zondaar verdwijnen!"
DE EERSTE AANVAL VAN BILDAD.
VIII.
Toen sprak Iiildad de Suchiter:
„Hoe lang zal dus uw woordenvloed
Voortbruischen als een stroom,
Die teugel kent noch toom\'?
Is God niet wijs\'? is God niet goed?
Is Hij geen vlekloos licht ?
Verkeert Hij ook \'t gericht ?
Vertrad een zondig kroost Zijn wet,
En schoot verdiende straf
Op hen heur pijlen af, —
Zoek hem die uit genade redt!
Stort uit uw vurig smeekgebed!
En zoo gij zuiver zijt,
De zege kroont den strijd.
-ocr page 177-
167
Dan rijst, na zooveel tegenspoed,
Uw deugd in zonneschijn,
En, nooddruft moge uw aanvang zijn,
Uw einde is overvloed!
Wij zijn van gistren — diepe nacht
Omnevelt onze schreên:
Zoo raadpleeg dan het Voorgeslacht.
De ervaring van \'t Verleen!
Der Vaadren eeuwen roepen luid
De orakels hunner wijsheid uit,
Dus ruischende om ons heen\':
„Een papierstruik zag ik groeien,
Opgeschoten in der ijl.
Biezen pluimen zag ik bloeien
Buiten \'t water van den Nijl.
„Maar op eens, onafgesneden,
— Alles groende nog in \'t rond! —
Lagen ze, verlept, vertreden,
Op den dorgeroosten grond.
„Zóo vergaan de goddeloozen !
Zóo stort hun verwachting in !
Wufter is de hoop der boozen
Dan de huizing eener spin.
„Al heur fijn gesponnen mazen
Zijn als strikken uitgezet;
Maar de wervelwinden blazen,
En — aan flarden scheurt het net!
„Zie die plant daar! opgeschoten
Op een steengrond, marmerhard :
Ordloos slingren straks heur loten,
In het scherpe gruis verward —
„Tot de zon, heur vuurgloed hoogend,
Haar verteert tot stuivende asch,
Tot haar zelfs de plek verloochent,
Die haar korte herberg was!
-ocr page 178-
108
„Zoo nu is het lot, het leven
Van den trotschen Huichelaar!
Al zijn vreugde, uit stof geweven,
Valt tot stof weer in elkaür!" ....
„Ziet! God verwerpt den vrome niet:
De vaste voet houdt stand;
Maar die verdwaasd Zijn weg verliet,
Hem weigert Hij Zijn hand.
„Ken wenk — en van uw wenkbrauwhoek
Verdwijnt de wolk der smart;
De blijdschap tintelt in uw hart,
De glimlach in uw oog!
Van schaamte zal de Nijd vergaan !.,..
Maar "s Boozen tent kan niet bestaan!"
JOBS EERSTE ANDWOORD AAN BILDAD.
1\\.
Toen nam Job het woord, en zeide :
„Waarlijk, ik weet het!
Geen mensch is rechtvaardig,
Als hij zijn Schepper
Voor de oogen moet treên.
Als \'t God behaagt, met
Een zondaar te twisten,
Vragen bij duizend —
Beandwoord, niet éen!
Hij is de Algoede,
De Alwijze, de Almachte:
Wie dorst Hem tergen,
En juichte in den vree\'.\'
Bergen ontscheurt Hij
Den krakenden wortel,
\'t Onderste boven
Gekeerd in de zee.
-ocr page 179-
169
Als Hij de waereld
Beroert met Zijn vinger,
Schudden heur zuilen,
En schokt ze uit heur stand;
Zonnen verbiedt Hij
Heur stralen te geven.
Starren verzegelt
Zijn machtige hand.
Diep in de kolken
Bereidt Hij Zijn wegen;
Hij spant de wolken
Ten legertent uit,
Hij heeft den Wagen,
D\' Orion geschapen,
\'t Zevengestarnte,
De kaamren van \'t Zuid\'!
Wondren vermocht Hij,
Geteld noch begrepen;
Werken volwrocht Hij,
Die niemand vermag!
Zie, Hij omringt mij,
Nog eer ik Hem hoorde!
Zie, Hij bespringt mij,
Nog eer ik Hem zag!
Als Hij komt eischen,
Wie weigert te geven ?
Als Hij komt rooven.
Wie vraagt wat Hij doet?
Wie zal Hem storen,
Dien God in Zijn toren\'?
Machtigste helpers,
Gij kruipt aan Zijn voet !
Hoe dan, ik zwakke,
Zou i k Hem weerleggen ?
Wat zou ik zeggen,
Hoe schuldloos ik zij 1
-ocr page 180-
170
Zou Hij mij hooien,
Al smeekte ik genade,
Rekenschap geven.
De Richter? aan mij?
Mij, wien Hij brijzelt,
De wonden vermeerdert,
Gif in den beker
Der grimmigheid strooit!.. ..
Komt het op Macht aan,
Ziet, Hij is de sterke!
Komt liet op Recht aan,
Wie dagvaardt Hem ooit ?
Roem ik mijn onschuld,
Zijn vonnis blijft wegen;
Noem ik mij heilig,
Hij heet mij onrein!
Ik heb niets misdreven —
Verga dan een leven,
Dat ik versmaad als
Een dorre fontein!
Dat moet ik dragen —
En \'k zou dan niet klagen!
„Goeden en bozen
Vergaan evenzeer"?
Als daar een geessel
d\' Onnoozle doet krimpen,
Ziet de Ongenaakbre
Glimlachend ter neer!
Ligt niet de waereld
Gejukt en gebreideld
Onder de macht van
Zoo menig Tyran ?
Wordt niet het pogen
Des Braven verijdeld?
Komt dit van God niet,
Van wien komt het dan ?
-ocr page 181-
471
Zoo zijn ze ontvaren,
Mijn zorglooze jaren,
Licht als een bode, als
Een scheepjen van riet!
Zoo vloog mijn vreugde
Daarheen als een arend,
Die van zijn rots op
De lammrenkooi schiet!
\'k Zeg: n\'k Wil vergeten,
„Versmooren mijn kreeten,
„Wisschen mijn tranen,
„En dragen mijn lut!" ....
Maar daar ontzet mij
\'t Gezicht mijner rampen —
\'k Voel \'t. en \'t verplet mij.
\'k Heet schuldig bij God!
Nu dan, Geduchte!
Zoo zij ik misdadig!
\'k Geef het gewonnen,
En kwel mij niet meer!
Wiesch ik me al blanker
Dan sneeuw van \'t gebergte,
Toch, in den slijkpoel
Stiet Hij me ter neer!
Neen, de Allerhoogste
Duldt niet dat ik pleite!
Neen, de Ondoorgrondbre
Verandwoordt zich niet!
Spaar\' mij Zijn roede,
Zoo zal ik niet vreezen;
Kroon\' Hij mijn onschuld,
En — \'k zing Hem mijn lied!
-ocr page 182-
172
VERVOLG VAN JOBS EERSTE ANDVVOORD
AAN BILDAD.
X.
Mijn ziel is levensmoe. Barst los, mijn jammerkreeten!
Ween, bloedend hart!.... En Gij,
Mijn God! veroordeel niet, of doe voor \'t minst mij weten
Waarom Gij twist met mij !
FormeerderI schendt Ge uw werk\'.\' — Algoede, kroont Gij \'t booze!
Alziende, zijt Gij blind?
Zijt Ge in Uw doen gehaast Begin- en Eindelooze!
Als \'t brooze menschenkind ?
Of waarom zoekt Gij dan met Uw alwetende oogen
Een schuld, die — niet bestaat,
Met zulk een ijver, of aan Uw geducht vermogen
Uw ofler ooit ontgaat?
Gij schiept me, en Gij — verdelgt?___Gij, die me uit stof boetseerde,
Vertreedt me in \'t stof, o God ?
Terwijl Uw hand mij droeg, terwijl Uw gunst vermeörde,
Verborgt Gij mij dit lot ?
Wee, zoo \'k misdadig waar\'! Wordt de Onschuld zóo gedrongen,
Hoe zou \'t der Schuld vergaan?
Laat af!.... Maar als een leeuw verdubbelt Gij Uw sprongen:
Nieuwe angsten rukken aan!
Ware ik uit moeders schoot naar \'saardrijks schoot gedragen!
In stillen slaap gesust!
Geteld is \'t overschot van mijn verdorde dagen:
Geef mij een weinig rust!
Een druppel troost, eer \'k ga, om nooit terug te keeren,
Naar \'t Land der Duisternis,
Waar schimmen huiveren en schaduwen regeeren,
De middag doodsnachts is!
-ocr page 183-
173
DE EERSTE AANVAL VAN ZOFAR.
XI.
Zofar, de Naamathieter,
Hief zijn stem op, en hij zeide :
„Zal er dan niemand dien woordenvloed stuiten?
Duldt men dan zwijgend uw zinloozen spot ?
Roemt ge uw beginslen? en durft gij besluiten:
„Rein is mijn hart, zelfs in de oogen van God\'?
O, sprak de Heer Zijn verborgen gedachte
Luid voor u uit — door Zijn waarheid verplet,
Zoudt ge bekennen: „Rij U, o Almachte!
„Heb ik mijn misdrijf op woeker gezet."
Dacht gij den raad des Al wijzen te weten?
Waant ge, dat gij Zijn volmaaktheid verstondt?
Hoog als de hemel — hoe zoudt gij haar meten?
Diep als de helle — wie heeft haar doorgrond ?
Breeder dan de Aarde is haar omvang, en wijder
Dan alle zeen! Is Hij niet de Heer?
Als Hij zich aangordt. tot wederpartijder,
Kerkert, en vonnist, wie gaat Hem te keer?
Hij kent de boozen — in \'t hart dringt Hij binnen :
Hij legt op \'t heimelijkst misdrijf de hand.
Op dat gezicht zou een dwaas zich bezinnen,
Kwaam\' zelfs een woudezelsjong tot verstand!
Wel dan! de handen naar boven geheven!
\'t Hart tot d\'alwetenden Richter gewend!
\'t Kwade verfoeid, op wat wijze ook bedreven!
De Ondeugd geen herberg gegund in uw tent!
Dan heft gij \'t voorhoofd weer vlekloos ten hoogen,
Blozend van moed, onbekommerd en blij;
Zelfs is de erinring der kwelling vervlogen —
Want als een beek vloot al \'t lijden voorbij!
Dan bloeit uw leeftijd in zomersene frischheid;
\'t Licht scheurt de wolk, en de morgen komt meê;
Al wat gij hoopt of verwacht, wordt gewisheid;
Waar gij u neerslaat, gij rust er in vree,
Fier ligt ge er neer, in \'t besef uwer krachten;
-ocr page 184-
174
Elk zoekt uw gunst; — uw bestemming is grootsch ....
Maar het oog des Godloozen zal smachten,
En z ij o hoop is \'t gereutel des doods!
JOBS EERSTE ANDWOORD AAN ZOFAR.
XII.
Toen nam Job het woord, en zeide:
„Nu mannen! dat is taal geweest:
Als gij uwe oogen sluit,
Sterft ook de Wijsheid uit!....
Toch heb ik ook mijn sprankjen geest,
En ken — wie kent ze niet\'? —
De orakels die gij biedt!
Ik ben de vriend, wien ongestoord
Zijn boezemvriend bespot.
\'k Beroep mij op mijn God:
Er is geen ander die mij hoort!
De Deugd ontiangt tot loon
Op aard een distelkroon!
De waereld maakt, in blinden waan,
Het Ongeluk tot Schuld.
De Voorspoed wordt geduld,
Maar wankt de deugdzame in d\' orkaan,
Dan werpt men hem verwoed
De steenen voor den voet.
Waar woont de vrede\'? — In \'s roovers tent!
En wie geniet de rust?
Die naar zijn boozen lust
De majesteit des Heeren schendt,
Die plondert en verbrandt,
Zijn God draagt in zijn hand!
Voorwaar, het blind Geweld regeert!
Dat wordt in veld en woud
-ocr page 185-
175
Bij al \'t gedierte aanschouwd;
\'t Wordt door de vooglen u geleerd,
Gepredikt in de kolk
Van \'t schubbig watervolk.
En wie erkent in alles niet.
Ook daarin niet, den Heer,
Die heerscht en niemand meer,
Die over alle vleesch gebiedt,
En alle ziel die leeft
Zich onderworpen heeft\'?
Des menschen oordeel proeve \'t woord
Gelijk de tong de spijs!
Gij roemt de Aloudheid wijs,
En brengt haar gulden spreuken voort:
Welnu, ik doe als gij.
Hoort toe! wat leeraart zij\'?
„Almachtig is des Heeren hand:
Bij Hem woont kennis en verstand,
Zijn raad wordt nooit verduisterd.
„Wat Hij verwoest, wordt niet herbouwd;
De man, dien hij gevangen houdt
Wordt door geen mensch ontkluisterd.
„Hij wenkt — daar zijn de zeen droog;
Hij wenkt — zij stijgen hemelhoog,
En alle bergen drijven!
„Bij Hem is kracht en kloek beleid,
En wie verleide of word\' verleid,
Hij duldt ze en doet ze blijven!
„Hij voert, spijl al hun overleg,
Hegenten als een krijgsbuit weg,
Doet Hechters dwazen worden;
Ontbindt der Vorsten gordelband,
01 laat ze door een dwingeland
Als offerdieren gorden.
-ocr page 186-
176
„Hij sleept de Priesters van \'t altaar;
Hij werpt de Helden door elkaar
Als neêrgehageld koren.
„Hij spreekt — daar zwijgt de Gulden Mond.
Daar tast de Grijze suilend rond,
Een kind gelijk te voren!
„Hij maakt der Eedlen roem veracht;
Hij breekt der Sterken overmacht
En forsche reuzenleden.
„De Diepte ontsluit Hij voor \'t gezicht,
Het Schimmenrijk brengt Hij aan \'t licht,
Met al zijn ijslijkheden!
„Hij voert de Volkren op en neer,
Verduizend voudt en snoeit ze weer,
Herroept ze, of drijft ze verder:
„Hij spant hun blinde leidsliên voor,
Zij dwalen waglend buiten \'t spoor,
Als schapen zonder herder!.. ."
Dit alles ging mijn oor, mijn blik,
Niet onbemerkt voorbij.
\'k Ben even wijs als gij!
Geen uwer acht ik meer dan ik:
\'k Hef dies tot God mijn stem :
\'k Bepleit mijn zaak voor Hém!
VERVOLG VAN JOBS EERSTE ANDWOORD
AAN ZOFAR.
XIII.
Want allen zingt gij
Een logenlied!
Uw artsenijen
Genezen niet.
-ocr page 187-
177
Meelijdend luistren
Is medicijn:
Och, zweegt ge! — uw zwijgen
Zou wijsheid zijn.
Ik bid u, toont me
Bescheidenheid,
En hoort in stilte
Hoe de Onschuld pleit!
Is God niet langer
Een Waarheidsvriend ?
Wordt ooit met laster
Zijn zaak gediend\'.\'
Gij kiest Gods zijde,
\'t Is braaf, \'t is schoon;
Maar geldt hier aanzien
Van Zijn persoon\'?
Hebt ge iets te hopen,
Wanneer Gods geest
In al haar plooien
Uw ziel doorleest?
Meent gij te spotten
Met d\' eeuwgen God,
Gelijk ge arglistig
Met menschen spot?
Weet, dat Hij-zelf u
Het eerst kastijdt,
Als ge in \'t verborgen\'
Partijdig zijt!
Heeft niet Zijn macht u
Bedwelmd, verward?
Slaat Zijn verschrikking
U niet om \'t hart?
Uw wijsheidspreuken
Zijn asch gelijk,
Uw hooge muren
Niet meer dan slijk.
Zoo legt dan eindlijk
Uw tong in toom:
Ik-zelf wil spreken,
Wat me overkoom\'!
Neen, \'k neem mijn vleesch niel
-ocr page 188-
178
Op mijn tand!
Neen, \'k houd mijn leven
Niet in mijn hand!
God zal mij dooden;
Niets hoop ik meer,
Maar \'k handhaaf stervend
Bij Hem mijne eer!
En dit-alleen reeds
Getuigt voor mij,
Want huichlaars ijlen
Hem stom voorbij!
Zoo geeft me, o Vrienden,
In \'t eind gehoor!
Zoo leent mijn reden
Een luistrend oor!
Ik, die mij-zelven
Onschuldig weet,
Zie? \'k hort kloekmoedig
Mijn pleit gereed.
Mij spreekt in \'t einde
Het vonnis vrij ....
Welaan, mijn vijand,
Stel u partij!
Nu moet ik spreken,
Of \'k zink in \'t graf.
Maar, God? twee dingen
Bid ik U af —
Dan zal zoo waarlijk
Uw aangezicht
Mij zien verschijnen
Voor Uw Gericht!___
Neem weg een wijle
Die slaande roê,
En dat me Uw hoogheid
Niet siddren doe!....
Dan, roep me als eischer,
En \'k spreek! of Gij,
Wees Gij gedaagde,
En andwoord m ij!
Toon me onverholen
\'t Bedreven kwaad,
-ocr page 189-
179
Noem mij ten minsten
Mijn gruweldaad !
Zeg me, om wat reden
Ge Uw oog me onttrekt,
Wat bittren vijand
Ge in mij ontdekt!
Een vliegend blaadtjen
Jaagt Gij daarheen ?
Een droogen stoppel
Wilt Gij vertreên\'?
Dat Gij zoo bitter
Een vonnis velt,
En me om de zonden
Der Kindschheid kwelt!
Dat Ge in den stok mij
Den voet verplet,
Of al mijn paden
Rondom bezet;
Dat Gij met wonden
De voetzool kerft
Van een wiens lichaam
Alreè versterft.
Alreê verbrokkelt
Gelijk een kleed.
Dat, onherstelbaar,
De mot verëet!
SLOT VAN JOBS EERSTE ANDWOORD AAN ZOFAR.
XIV.
„De stervling, van een vrouw geboren.
Van dagen kort, van onrust zad,
Hij gaat gelijk een schim verloren,
Hij groent en dort gelijk een blad!
Dat schepsel nu, dat brooze en kleine.
Bespiedt Ge en sleept Gij voor \'t gericht?
-ocr page 190-
180
Ach, wanneer schonk dan ooit de onreine,
O God! een reine \'t levenslicht?
Indien Gij-zelf zijn maanden teldet,
De stonden van zijn korten dag,
Indien Gij-zelf hem perken steldet,
Die hij niet overschrijden raag:
Wend dan dien blik vol ongenoegen,
Dat vorschend aldoordringend oog,
Opdat hij, als de knecht na \'t ploegen,
Zijn huurloon minstens smaken moog\'!
Gij kunt den jongen boomstam knotten,
Toch is er hope na zijn val,
Dat hij eens weder uit zal botten,
Steeds nieuwe twijgen schieten zal!
Zijn dorre wortel zij begraven,
De vettige aarde zal hem voön,
De reuk des waters zal hem laven:
Hij maakt weer loof als jong plantsoen!
Maar machtloos stort de Mensch ter neder.
Hij geeft den geest — waar toog hij heen\'.\'
Het meir keert tot een slijkpoel weder.
De stroom verdroogt in \'t bed van steen:
Alzoo de Mensch! Hij wordt gehouden
In banden zonder wederkeer.
Schoon ook de hemelen verouden,
Hij sluimert en ontwaakt niet meer!
Borgt Gij althands, tot dat Uw toren
Bedaart, mij in der graven nacht!
Waar\' we Uw vergetelheid beschoren,
Tot Ge (eindlijk) gunstig mij herdacht!
Ja, kon ik na mijn dood herleven,
\'k Bleef lijdzaam op mijn harde post,
\'k Zou wachten, smachten, strijden, streven,
Tot ik door U wierde afgelost —
-ocr page 191-
181
Tot dat de stem van Uw erbarmen
Weer troostende in mijn ooren klonk,
En in Uw open vaderarmen
Uw schepsel juichend nederzonk!
Dan zoudt Ge, o teller mijner schreden!
Geen acht meer op mijn zonden slaan,
Verzegeld waar\' mijn overtreden;
Gij dektet al mijn euveldaan!
Maar neen! de berg ploft van zijn wortel
En wordt in \'t hart der zee verplant,
De rots slaat van heur voet te mortel
En dwarrelt heen in stuivend zand;
Door \'t water wordt de steen vermalen,
De bergstroom in zijn grammen loop
Verscheurt zijn zoom, verdrinkt de dalen :
Alzoo vernielt Gij \'s Menschen hoop!
Gij grijpt hem aan — met bleeke kaken
Zweept Gij hem neer naar \'t Doodsgebied:
En of zijn kindren vreugde smaken
Of lijden smaad — hij weet het niet!
Zijn vleesch voelt niets dan eigen smarte,
Hem nijpende in steeds enger kring:
En eeuwig eenzaam, broedt zijn harte
Op \'t schrikbeeld der Vernietiging!"
TWEEDE KAMPSTRIJD.
XV.
Elifaz, de Themanieter,
Sprak ten tweeden male, en zeide:
„Ik vraag, of dat een wijze voegt.
Dat hij, luidruchtig als de wind,
-ocr page 192-
182
In holle galmen wijsheid vindt,
En als een stormwolk zwoegt?
Dat hij met ijdle woorden kampt,
Met nultelooze klachten pleit,
Den spot drijft met Godvruchtigheid,
Het vroom Gebed verlamt?___
Uw taal verraadt uw snood bestaan,
Schoon met arglistigheid verguld:
Niet ik, uw mond betuigt uw schuld —
Gij klaagt u-zelven aan!
Bestondt ge éer de eerste mensch bestond?
Éer de eerste heuvel was gegrond ?
Zat, in de raadzaal van den Heer,
De Wijsheid aan uw voeten neer?
Wat kennis gaardet gij,
Die wij niet gaarden evenzeer?
Wat weet gij meer dan wij ?
Bij ons ook zijn er, oud en grijs,
Verzilverd door de sneeuw des tijds,
Bejaarder, verre, dan de man
Dien ge als uw vader groet!
Wat smaadt gij Gods vertroosting dan,
En \'t woord, waarmee, zoo zacht, zoo zoet,
De Vriendschap u ontmoet ?
Hoe raast uw drift zoo teugelloos?
Hoe rolt uw oog zoo wild en boos ?
Hoe randt gij God in trotschen waan
Met zulke woorden aan?
Wat is de Mensch, de zoon der Vrouw,
Dat hij zich heilig wanen zou?
De reine Geesten zelfs omhoog
Zijn niet onwraakbaar in Gods oog,
En geen der heemlen die daar blinkt,
Waar Hij geen vlekken vindt!
Veel minder \'t snoode menschenkind,
Dat zonde als water drinkt!
Ik zal u leeren: hoor dan nu!
Wat ik gezien heb, melde ik u,
Wat menig Wijze heeft verkond
Als waarheid uit der Vaadren mond,
Als overleevring uit den tijd,
-ocr page 193-
183
Toen \'t onverbasterd ras
Bezitter van een bodem was,
Nog door geen vreemde ontwijd :
„Den booze is eiken dag een kwijnende angst beschoren:
Hij rekt zijn tijd in eindloos wee!
Ken snijdend schrikgeluid is immer in zijn ooren:
\'t Verderf valt hem op \'t lijf, te midden van den vree!
„Hij-zelf, hij wanhoopt ooit te ontsnappen aan de ellenden;
Steeds vlamt daar \'t uitgetogen zwaard!
Hij bedelt rond om brood; maar waar zal hij zich wenden,
Waar de aaklige onheilsdag hem niet vooruit vervaart?
„De Jammer sluipt hem na, de Vreeze doet hem beven:
Als overweldigers beleegren zij zijn hart!
Omdat hij tegen God zijn hand heeft opgeheven,
d\' Almachtige heeft uitgesard!
„Hij waagde \'t, tegen Hem zich honende op te maken,
Gelijk een schildpad met zijn beukelaar bedekt,
Den nek verwaten uitgestrekt,
Met vetgemeste heup en schaamtelooze kaken!
„En daarom zoekt hij nu een kluis
In steden, uitgebrand, met omgewoelde straten,
Door levenden en doón verlaten,
Ten halven reeds vergaan tot gruis!
„ Hij zal geen weelde meer genieten:
Zijn grootheid werd een schim en houdt geen uur meer stand.
De schatten smelten in zijn hand —
Zijn rijkdom kan geen wortel schieten.
„Al zwarter zal het wolkgevaart\'
Rondom zijn schuldig hoofd zich dreigend samenpakken!
De bliksemvlam verzengt zijn takken,
Gods adem blaast hem weg van de Aard\'!
„De dwaas! het schijngoed zijner droomen
Bracht hem een schijngeluk, niets meer!
-ocr page 194-
184
Zijn dag is lang nog niet gekomen,
En — \'t is gedaan met hem: zijn palmtwijg groent niet weer]
„Hij is een wijnstok, die zijn druiven
Halfrijp laat vallen! een olijtboom, in zijn bloei
Geschud door plotsling stormgeloei,
Die al zijn bloesems weg laat stuiven!
„Rijs, tent des veilen Vreks! de vlam verteert u toch !
Onvruchtbaar als de rots in \'t ras der huichelaren.
Die \'t kwaad voldraagt, zal jammer baren:
Zijn troetelvrucht is — Zelfbedrog!""
JOBS TWEEDE ANDWOORD AAN ELIFAZ.
XVI.
Toen hervatte\' Job, en zeide:
„Lacy! hoeveel van dien aart heb ik alreö moeten hooren\'?
Lastige Troosters zijt gij!
Is nu die grootspraak ten end? Prikkien u rustlooze sporen
Immer ten strijd\' tegen mij ?
Waar\' maar uw ziel in mijn plaats, ik zou als gij kunnen spreken,
Hoofdschuddend blikte ik rond:
Lippentroost, kunstig gemengd, zou uit mijn redenen leeken,
\'k Moedigde u aan met — mijn mond!
Wie geeft waarachtige troost? — Spreek ik, steeds kwelt me mijn
Zwijg ik, steeds steigert mijn vrees.          [smarte.
God! Gij verwoestet mijn huis; God! Gij vernieldet mijn harte!
God! Gij verteerdet mijn vleesch.
Zie, zelfs dit rammelend rif wordt nu mijn eigen verklager,
Die mij in \'t aanzicht beticht:
\'t Zegt, dat Gods wraak mij verscheurt, dat ik ten schaduw ver-
Onder een doodlijk Gericht!
                        [mager.\'
Hoort nu dat tandgeknars aan! Ziet nu die grijnzende blikken!
Vijanden sperren den muil,
Slaan mij verwoed in \'t gelaat, vangen mij op in hun strikken,
Stoten mij neer in hun kuil!
-ocr page 195-
485
Zóo gaf mij God in hun hand ! — \'k Rustte; daar kwam hij mij storen,
Brijzelde en bracht mij ten val,
Schoot al zijn pijlen daarheen, die nu mijn nieren doorboren,
Plengen mijn bloed en mijn gal!
Zie, Hij bestormt me als een held, en onverpoosd slaat Zijn woede
Bres in mijn levende borst!
\'t Rouwkleed omklemt mij de huid; \'k weende mijn oogen ten bloede,
Stof heeft mijn voorhoofd bemorscht.
Doodschaduw dekt mijn gezicht! — Toch smet geen vlek mijn
Rein was mijn biddende zucht.               [geweten ;
Aarde, bedek niet mijn bloed ! Luchtruim, versmelt niet mijn kreeten !
Hoog naar Omhoog ga hun vlucht!
Want mijn Getuige is Omhoog! \'t Oog dat mij peilt, is daar Boven !
Schoon mij de Vriendschap bespot\',
\'k Ben bij den Hemelschen Vriend toch niet voor immer verschoven:
Weent, o mijne oogen, tot God!
Dat Hij het pleit tusschen Hem en Zijn bezochte volendig\',
Tusschen een mensch en den mensch!
Want zijn mijn jaren voorbij, nooit keer ik weer, en ellendig
Zie ik reeds, raak ik de grens!"
VERVOLG VAN JOBS TWEEDE ANDWOORD
AAN ELIFAZ.
XVII.
„Gebluscht zijn al mijn levensuren!
De kracht mijns levens is voorbij.
Hoe lang moet ik den spot verduren ?
O God, het graf, het graf voor mij!
Maar eer ik sterf, beloof me, o Heere!
Dat Gij U borg stelt voor mijn eerel
Of — zoudt Ge Uw hand d\'ontrouwe bièn?
Den valschaarts d\'eindtriomf bewaren? —
Neen. wie als roof zijn vriend laat varen,
Zal ook zijn kroost verraden zien.
Ik werd de fabel aller volken,
Daar elk zich smaadlijk van mij keert.
Mijn oog zonk weg in donkre wolken,
-ocr page 196-
186
Mijn vleesch is tot een schim verteerd.
Maar of de braven zich verbazen,
Of al de vrome drift der dwazen
Mij aanvliege en een huichlaar heet\',
Ik blijf goedsmoeds mijn weg betreden :
Hoe meerder de Onschuld wordt bestreden,
Hoe minder zij van wankien weet!
"Voorbijgevlogen zijn mijn dagen,
Voorbij, al wat de hope vleit!
Mijn jongste sponde is opgeslagen,
Mijn laatste bed in \'t stof gespreid.
O Graf! gij zult voortaan mijn moeder,
O bleeke Dood! gij zult mijn broeder,
Gewormte! gij mijn maagschap zijn.
Mijn hoop gaat naar mijn legerstede
Diep onder de ijzren grendels mede....
Vaar eeuwig wel, o zonneschijn !"
DE TWEEDE AANVAL VAN BILDAD.
XVIII.
Toen hief Bildad, de Suchieter,
Weer zijn stem op, en hij zeide:
„Hoe lang zult gij strikken spannen
in een nuttelooze twist?
Spreek ronduit! Wij zullen spreken,
tot de Rede \'t pleit beslist.
Waarom acht ge ons als de dieren?
Zijn wij enkel Onverstand?
Dwaas! verwoed verscheurt ge u-zelven
als met scherpgewetten tand.
Zal om u de steenrots wagglen,
de Aarde neigen tot den val?
Zoudt gij de eeuwige orde storen
van \'t onwankelbaar Heelal?
Neen! de lamp des goddeloozen
blijft voorzeker niet gespaard,
-ocr page 197-
187
En geen vuurvonk zal herglimmen
aan zijn uitgedoofden haard,
\'t Lichtjen in zijn tent zal sterven,
en zijn fakkel brandt nooit meer.
Eng en enger wordt zijn voetstap;
eigen raadslag werpt hem neer.
Zelve treedt hij in het warnet:
bij zijn hiel grijpt hem de strik!
Daar\'s een klem op al zijn paden,
maar verborgen voor zijn blik!
Angsten jagen hem alomme,
als zijn schaduw hem nabij;
Hongrig gaapt de muil der Smarte,
en \'t Verderf holt hem ter zij\'.
De oudste zoon des Doods — de Plage! —
met zijn rusteloos gebit
Zal hem huid en vleesch verteren,
hem verëten lid voor lid!
Uit zijn tent wordt hij verwezen,
waar hij zich beveiligd dacht,
Naar den Koning der Verschrikking
in den eindeloozen nacht.
In zijn woning heerscht de vreemdling;
sulfer regent op zijn hof:
In de lucht vergaan zijn takken,
en zijn wortel dort in \'t stof.
Zijn gedachtnis wijkt van de aarde,
niemand die zijn naam meer noemt:
\'s Waerelds balling, is hij eeuwig
tot de duisternis gedoemd,
Zoon noch kleinzoon, neef nocli naneef,
blijft er over van zijn bloed,
Niet éen gunstling, die zich eenmaal
met zijn kruimels heeft gevoed!
\'t Westen schrikt van zijn ellende,
\'t Oosten huivert van zijn lot —
Zóo vergaat het Huis des boozen,
zóo de smader van zijn God !"
-ocr page 198-
488
JOBS TWEEDE ANDWOORD AAN BILDAD.
XIX.
Toen nam Job het woord, en zeide:
„Hoe lang, in blinde razernij,
Bedroeft ge mij, verplet ge mij?
Tienmalen zonder poozen
Hebt gij nu schandlijk mij gekweld:
En of ge mij een booze scheldt,
Gij zwijgt de schuld des boozen.
Wat geeft u recht tot zulk een toon?
Mijn leed?___ Verdient dan \'t Lijden hoon?
Heeft dan de smart te blozen?
Belijdt toch liever — wat gij weet
Maar aarzelt te bekennen:
Dat God mij schreeuwend onrecht deed,
En in Zijn net liet rennen!
Ik roep geweld — maar niemand hoort!
Ik weeklaag —maar mijn wee duurt voort!
Ommuurd zijn al mijn wegen.
Wat nacht, waarin mijn ziel vertreurt!
Hoe is mijn eerekleed verscheurd,
Mijn kroon in \'t stof gezegen!
Zoo stert ik weg, alom besnoeid;
Mijn laatste hoop is uitgeroeid,
Gods woede vlamt mij tegen.
Of Hij geen erger vijand kent,
Heeft Hij Zijn benden allen
Op mijn benarde legertent
In slagorde aan doen vallen!
Geen vriend, geen broeder, die mij groet:
Vernietigd is de band van \'t Bloed,
Mijn huis heeft mij vergeten.
Mijn eigen dienstmaagd kent mij niet,
Daar elk in mij een vreemde ziet —
Mijn slaaf veracht mijn kreeten!
Mijn huisvrouw wendt het hoofd ter zij\',
-ocr page 199-
189
De kindren zelfs ontvluchten mij,
Eens op mijn schoot gezeten.
Zelfs knapen wagen \'t, al te boos,
Te spotten met mijn plagen;
En rijs ik op, \'k zoek vruchteloos
Een arm die mij wil schragen.
Ach, wie ik eens heb ingewijd
In mijn geheimen, staan om strijd
Gereed mij aan te randen.
Het liefste is tegen mij gekeerd!
\'k Ben tot de beendren weggeteerd,
Vergaan tot op de tanden!
Mijn Vrienden, ach, hebt deerenis!
Ziet, hoe uw vriend gevallen is
In Gods geduchte handen:
Waarom, waarom me, als God, gehaat
En me eindloos voortgedreven?
Zijt eindlijk van mijn vleesch verzaad,
Mijn zweet, mijn bloed, mijn leven!
Och, stond mijn woord in duurzaam schrift!
Och, wierd het met een ijzren stift
In marmersteen gehouwen:
„Ik weet het, mijn Verlosser leeft.
„Die eenig, eeuwig uitkomst geeft,
„De Rots van mijn vertrouwen!
Als lang dit stofkleed is vergaan,
Dan zal ik, van mijn vleesch ontdaan
Den hoogen God aanschouwen!
Dan reikt Hij mij als vriend de hand,
En doet de kroon me ontfangen!
Hoe smacht mijn binnenst ingewand
Van nameloos verlangen!"___
Dan zult gij zeggen: „Waartoe ons vermeten
„Hem te vervolgen?" — Mijn recht komt aan \'t licht!
Beeft dan voor \'t wraakzwaard! Geen schuld wordt vergeten
\'t Zwaard wordt gewet, en de boosdoener zwicht.
Dan zult gij \'t weten:
Er i s een Gericht!"
-ocr page 200-
190
DE TWEEDE AANVAL VAN ZOFAR.
XX.
Toen, ten tweedenmaal, sprak Zofar,
De Naamathiet, en zeide:
„Nu duldt de ontroering
Van mijn gedachten
Geen langer wachten —
Zij stroomen voort!
Uw smaadlijk dreigen
Moog\' mij verneêren,
De geest des Heeren
Geel\' mij het woord.
Zoo weet: de leugen,
Sints menschenzonen
Op aarde wonen,
Is kort van duur;
De valsche glorie
Der goddeloozen,
\'t Geluk der boozen,
Bestaat een uur!
Al rijst zijn schedel
Voor \'t oog der volken
Tot aan de wolken
Van \'s hemels trans, —
Hij daalt voor eeuwig!
En die hem zagen,
Zien rond en vragen:
„Waar is hij thans?"
Gelijk de schimmen
In onze droomen,
Zóo is zijn komen,
Zóo is zijn gaan :
Een schemerschijnsel
Nog pas verschenen,
Of reeds verdwenen,
Een wind, een waan!
Hij glipt uit de oogen;
-ocr page 201-
191
Zijn kindren erven
Zijn schande, en zwerven,
Een bedelras!
Verborgen zonde
Woelde in zijn leden,
En smeult beneden
Nog in zijne asch!
Hij braste aan \'t kwade!
Zijn lippen zogen
Bedrog en logen
Als ambrozijn :
Nu scheurt die spijze
Zijne ingewanden,
Alsof zij branden
Van slangvenijn!
Hij zwelgde schatten,
Om ze, onder beven,
Terug te geven
In barensnood.
Hij zoog zich dronken
Aan giftig zwadder:
De tong van d\' adder
Geeft hem den dood!
Geen honigbeeken,
Geen melkrivieren,
Ziet hij meer zwieren
Door zijn gebied.
Zelfs wat hij eerlijk
Zich heeft gewonnen,
Is weggeronnen —
Hij smaakt het niet!
Omdat hij de armen
Vertrad en hoonde,
Geen huis verschoonde,
Geen schaamle hut;
Omdat zijn hebzucht
Onleschbaar blaakte,
Zie tot op \'t naakte
Hem uitgeschud!
Zie hem ontsnappen
Wat zoetst hem streelde!
-ocr page 202-
19\'2
Zijn wulpsche weelde
Wordt broodsgebi ek;
Zijn handenklappen
Wordt handenwringen:
De ellenden springen
Hem op den nek.
Een andre spijze
Wordt hem beschoren :
Nu is Gods toren
Zijn daaglijksch brood!
Hij moog\' liet ijzer
Van \'t zwaard ontijlen, —
Met stalen pijlen
Dreigt hein de Dood!
Daar dreunt de donder,
Daar tluit de tlitse,
Daar boort de spitse
Dooi\' bloed en gal,
Gelijk een bliksem —
En onder \'t schrijnen
Van duizend pijnen
Komt hij ten val!
Zijn schatten smelten;
En vlammen razen,
Onaangeblazen
En ongebluscht,
Zijn tent in \'t ronde —
Tot zij, verzonken
Met vuur en vonken.
In de assche rust!
De heemlen melden
Zijn gruwelplegen,
En de aarde is tegen
Hem opgestaan.
Nu blijkt, wat voorraad
Hij mocht vermeêren:
De wraak des Hoeren,
Die hom zal slaan,
Hem overroniplend
Gelijk een zee,
Hom onderdomplend
-ocr page 203-
193
In redloos wee!...
Dit is de ellende,
Gods Erfenis,
Die \'t schriklijk ende
Des boozen is!"
JOBS TWEEDE ANDWOORD AAN ZOFAH.
XXI.
Toen nam Job het woord, en zeide
„Laat mij althands mijn boezem luchten !
\'t Is al de troost die ik begeer,
Och, hoort mijn spreken! duldt mijn zuchten!
Daarna — begeert ge \'t — hoont mij weer 1
Geen ménschen immers geldt mijn klagen —
Mijn ongeduld, is \'t ongegrond\'?
O, ziet mij aan en staat verslagen,
En — legt den vinger op den mond!
Mij-zelv, mij doet liet raadsel beven,
Dat ik vergeefs te ontknoopen tracht;
Wat blijven toch de boozen leven.
In jaren wassende en in macht"?
Hun kindren bloeien voor hunne oogen,
Hun nageslacht neemt altijd toe:
Hun Huis wordt door geen schrik bewogen,
Nooit voelen zij Gods slaande roê!
Hun kudde groeit — hun jongens springen
Zelf als een kudde voor hen uit.
Zij gaan ten reidans op, zij zingen
Bij rinkelbom en herdersfluit.
Hun leven slijten zij in \'t goede,
Ze ontslapen zacht en onverwacht....
Toch hebben zij in arren moede
De wegen van den Heer veracht!
Toch zeiden zij: „ Dien Ongezienen
Begeert ons zorgloos harte niet!
Wat zou het baten Hem te dienen
Met smeekgebed en offerlied?" —
X.                                                                                                                  13
-ocr page 204-
194
Als hadden ze alles niet verkregen
Door Hem, wien dus hun waanzin smaadt I
O Ondank bij verbeurden zegen!
Zij ver van mij der boozen raad!
Hoe zelden bluscht des Heeren\' toren
Hun lamp! Hoe zelden wordt Zijn straf
Als wettig erfgoed hun beschoren,
En dwarlen zij daarheen als kaf!
Of wordt, na d\' afloop veler tijden,
Hun nageslacht door God bezocht?
Voorwaar, hen-zélf moest Hij kastijden,
Opdat hun hart het voelen mocht!
Zij moesten met hun eigen oogen
Den jammer zien, hun toebereid,
En leègen zélf, bij volle togen,
Den beker van Gods grimmigheid.
Wie hunner toch zal angstig vragen
Wat boven zijnen huize zweeft,
Als hij de somme zijner dagen
Tot éenen toe ontfangen heeft?
Wil iemand Gode wijsheid leeren,
Hem, die de hoogste heemlen richt?
Zie, de eene — sterft op donzen veeren,
Vol vreugde en vrede, in \'t volle licht:
Gelijk de melkkuip in zijn stallen
Van vetten zuivel overvloeit,
Zóo worden ook zijn beendren allen
Ten einde toe met merg besproeid!
En de andre — sterft in bittre ween,
Het goede vreemd, des lijdens moè ....
Het stof ontfangt hen met hun tweën
En èen gewormte dekt hen toe!
Ik ken uw heimlijk overleggen,
Uw wreevlig mokken al te goed:
„Waar troont die dwingland?" zult gij zeggen:
„Wie heeft zijn prachttent ooit ontmoet?"
Ei, vraagt het hun, die, wél ervaren,
Heel \'t Land doorreisden! — „\'t Is een feit!"\'
Zóo spreken zij: „Gods stormen sparen
Den booze in hun verbolgenheid!"
-ocr page 205-
195
Wie heeft den moed hem aan te klagen?
En wie vergeldt hem zijn bedrog?
Plechtstatig wordt hij uitgedragen,
En in zijn pronknaald praalt hij nog!
Wel zachtkens drukken hem de zooden,
Daar waar hij slaapt in \'t schaduwdal;
En allen volgen eens den dooden,
Die zelf een schaar volgt zonder tal!
Wat komt gij bij een lijder pralen
Met woorden zonder slot of zin ?
Uw troosten is ondeugend smalen,
En houdt slechts gal en alsem in!"
DERDE KAMPSTRIJD.
XXII.
Elifaz, de Themanieter,
Nam het woord op, en hij zeide:
„Is de Mensch God tot nut?.... Kiest de brave misschien
Niet uit zelfzucht een eerlijke baan?
Wat verscheelt het d\' Almachte, of ik aardworm Hem dien?
Wat gewin brengt uw vroomheid Hem aan ?
Hoe? gij waant, dat de Heer u uit vreeze kastijdt?....
Neen! Hij treedt in een billijk gericht:
Was uw boosheid niet groot? Was uw leven geen strijd
Tegen God en uw heiligsten plicht?
Ja, \'t is bloedgeld geweest wat uw woekerzucht won:
Tot den beedlaar toe hebt gij ontbloot!
Den versmachtende gaaft gij geen teug uit uw bron,
En den hongrende onthieldt ge een stuk brood.
Aan den man van geweld liet ge strafloos het land,
En de groote der aard hield er hof:
Maar de weduw verzondt ge met ledige hand,
En de wees werd vertreden in \'t stof.
Daarom wordt ge van strikken beloerd waar ge gaat,
En van plotselinge angsten doorboord,
Door een duister omringd, dat met blindheid u slaat.
Door een stroom overstelpt, die u smoort!
-ocr page 206-
196
„Troont de Heer niet," zóo dacht ge, „in het Hemelsche Licht?
„Ziet de starren, hoe verre ze zijn!
Wat weet God van dit stof? Wie gelooft dat Hij richt
Hoog van achter zijn nevelgordijn?
Ziet! Hij wandelt daar ginds op de hemelsche sfeer
En de wolken zijn rondom Hem heen!"
Zoo dan keerdet ook gij tot de dwaalwegen weer,
Door een vroeger geslachte betreên.
Dat daarheen werd gezweept ter gerechtige straf.
Als het slib wen de wateren woên,
Dat daar zeide tot God: „Wend uw oog van ons af!"
Want: „wat zou hun de Almachtige doen?"
Toch had Hij hen gezegend! O. verre van mij
Der godloozen ondankbaar bestaan!
Bij hun plotslingen val maakt de vroome zich blij\',
Heft de brave den jubelkreet aan:
„\'t Is dan eindlijk toch waar, onze vijand vergaat!
Al zijn pracht zinkt verschroeid in elkaar!"
Kom, verzoen u met God, en — uw reddingsuur slaat
Want het Goede komt enkel van daar!
Neem de wet uit Zijn mond, leg Zijn woord in uw harl,
Keer tot Hem die behoudt uit de ellend,
En de Almachtige-zell\' heit u op uit uw smart,
Als gij \'t onrecht verbandt uit uw tent!
Zoo ge \'t stofgoud van Ofir als assche beschouwt,
Als een keisteen het goud uit de mijn,
Dan zal de Eeuwige-zelf u het smijdigste goud
En uw heerlijkste zilverschat zijn!
Dan verlustigt uw ziel zich in God, en tot Hem
Heft gij \'t oog, dat van vrolijkheid straalt:
En gij roept tot den Heer, en Hij hoort op uw stem,
Daar gij al uw beloften betaalt.
Wat gij wilt, komt tot stand. Op uw wegen schijnt licht:
Als zij dalen, gij zegt slechts: „Omhoog!"
En — zij klimmen op nieuw, en het ruimste gezicht
Gaat er op \\oor uw tintelend oog.
En om uwentwil ziet de rechtvaardige Heer
Op den schuldige-zelfs met ontferming ter neer!
-ocr page 207-
197
JOBS DERDE ANDWOORD AAN EL1FAZ.
XXIII.
Toen hervatte Job, en zeide:
.Al wederom moet ik halsstarrig heeten,
Toch is mijn plaag veel zwaarder dan mijn klacht.
Och, of ik maar tot Hem den weg mocht weten!
Waar zetelt Hij, naar Wien mijn ziel versmacht?
Als ik Hem vond, ik zou mijn recht ontvouwen,
Ik voerde om strijd al mijn bewijzen aan,
:k Zou hooren wat Hij mij mocht toebetrouwen,
\'k Zou luistergraag Zijn tegenspraak verstaan.
Ut\' zou Hij in Zijn almacht mij verdoemen\'?
Neen, zeker sloeg Zijn deernis acht op mij:
Mijn pleitgeding zou Hij rechtvaardig noemen,
\'k Ben des gewis, mijn Rechter sprak me vrij!
Al vlieg ik uit op wieken van den Morgen,
Ik vind Hem niet; naar \'t West — ik mis Hem daar:
Werkt Hij in \'t Noord — ook daar is Hij verborgen;
Schuilt Hij in \'t Zuid — ik word Hem niet gewaar!
Hij kent te wel mijn weg en mijn geweten,
Hij weet, als goud zou ik de proef doorstaan!
Nooit heelt mijn voet Zijn heilig spoor vergeten,
En rechts noch links ontweek ik ooit Zijn baan!
\'k Zocht nooit den zin van Zijn gebod te buigen,
\'k Heb als mijn wet Zijn minste woord vereerd.
Maar Hij houdt vol — wie zal Hem overtuigen?
Maar Hij besloot — wie is er die Hem keert?
Ach, Hij volvoert Zijn vreeslijk welbehagen
Dus ook aan mij, en wat nog meer misschien?
Zoo sta ik voor Zijn aangezicht verslagen!
Bedenk ik dit, de doodschrik doet mij vlièn!
Ja, God doet mij het brekend harte beven,
De Almachte maakt mijn bange ziel vervaard:
Want Hij heeft mij dit donker doen beleven,
En ook niet éen verschrikking mij gespaard 1"
-ocr page 208-
198
VERVOLG VAN JOBS DERDE ANDWOORD
AAN ELIFAZ.
XXIV.
„Waarom heeft de Almachte geen straftijd gesteld,
Er. wordt voor onze oogen geen vonnis geveld? —
Zij zetten arglistig den grenspaal vooruit,
Zij rooven de kudden, en weiden de buit.
Zij slaan aan liet lastdier der weezen de band;
Zij nemen de melkkoe der weduw te pand.
Zij vagen den arme ter zij\' op den weg,
Zij jagen den zwakke achter hagen en heg.
Als woudezels gaan ze, vóór dag en vóór dauw,
Door \'t eenzame woud en de wilde landouw.
Zij snufllen naar roof, en ze staan op hun post —
De steppe geeft hun en hun kindren de kost.
Zij maaien uw weiden tot voor van hun vee;
Zij slepen de druif uit uw wijnbergen meê.
Zij kennen geen kleêren, zij dragen geen vacht,
Die \'t lichaam beschermt voor de kou van den nacht.
De regen der bergen doordringt hun gebeent\';
Ze omhelzen de rots, die hun schuilplaats verleent.
Ze nemen der moeder heur weeskindtjen af,
Den schaamle zijn broodkorst, den beedlaar zijn staf.
Hun slachtoffers torschen al zwoegend hun graan,
Berooiden, die zelf van den honger vergaan,
Gepresten, die naakt en met hijgende borst,
Hun wijnpersen treön en versmachten van dorst!
-ocr page 209-
199
Alom schreeuwt de ziel der verslaagnen het uit,
Maar God geeft geen acht op hun jammergeluid.
En andren weer haten als \'t uilengebroed
De zon, en verzetten in \'t daglicht geen voet.
Vóór \'t krieken des daags komt de moorder, en slacht —
Hij sluipt als een strooper in \'t holst van den nacht.
Ook de echtbreker wacht op de sclieemring van \'t licht:
„Wie ziet mij?" zoo denkt hij, en dekt zijn gezicht.
De dief, over dag achter slot in zijn kluis,
Gaat uit in den donker, en breekt in uw huis.
De Nacht is hun morgen, hoe aaklig hij grauwt —
Zfo zijn ze met al zijn verschrikking vertrouwd!
Nu, — moesten deze allen, zoo boos en verwoed,
Niet ijlings verdwijnen als schuim op den vloed?
Verdienden zij niet, met Gods vloek tot hun deel,
Geen druif meer te plukken in \'t wingertpriëel?
Verdienden zij niet, zooveel gruwlen tot straf,
Als sneeuw voor de zon te verzinken in \'t graf,
Vergeten door haar die het leven hun schonk,
Verteerd door \'t gewormt\' als een rottende tronk ?
Zij vallen de onweèrbre, de kinderlooze, aan;
Zij durven de weduw in \'t aangezicht slaan —
Den sterke zelfs dagen zij uit tot den strijd,
En wie zich verzet, is ten doode gewijd!
En God, niettamin, die hen kent en hun werk,
Verstrekt hun tot steun, maakt hen veilig en sterk!
Zij sterven, maar — juichend van voorspoed ! Zij gaan,
Maar — spade verzameld, als overrijp graan!___
-ocr page 210-
200
Is \'t waarheid, of niet? — Zoo weêrspreke mij dan,
Zoo beticht\' mij van logen en onzin wie kan!"
DE DERDE AANVAL VAN RILDAD.
XXV.
Toen nam Rildad, de Suchieter,
Weer het woord op, en hij zeide:
„Ontzachlijk heerscht de Heer! — Ziet de orde Hem bewaren
In \'t eindeloos paleis, waar Hij alom gebiedt!
Wat cijfer noemt Zijn legerscharen?
Wien overschijnt Zijn luister niet?
Durft dan een sterveling waanzinnig zich vermeten
Te droomen dat hem God rechtvaardig achten zou?
Een mensen, geboren van een vrouw,
Zou zich bij God volkomen heeten ?
Zietdaar de Maan! Ze is Rem niet zonder duisternis;
Tot in de Starren toe slaat Hij nog vlekken gade.
Hoeveel te meer dan in een Stervling, die een made,
Een Mensch, die maar een aardworm is!"
JOBS DERDE ANDWOORD AAN BILDAD.
XXVI.
Toen hervatte\' Job, en zeide;
„Gij stondt den zwakke
Wel krachtig bij!
Gij bleeft den kreuple
Wel trouw ter zij\' 1
Wat licht ontstaakt gij
Voor \'t Onverstand!
Hoe troostend balsemt
Uw vriendenhand!
-ocr page 211-
201
Wiens wijsheidlessen
Deedt gij verstaan\'?
Wiens heilige adem
Blies dus u aan\'.\'....
Ziet! de schimmen ontroeren, van vreeze bewogen,
En de Heirivier beeft op \'t geluid van Gods stem.
Het Rijk van de Dooden ligt naakt voor Zijne oogen,
En de Afgrond beneön heeft geen deksel voor Hem.
Hij spant over \'t Ledig den noordlijken hemel.
Hangt de aarde aan een Niet, bindt de wateren vast
In wolken, en ziet! onder \'t wolkengewemel
Geen enkele zelfs die er berst van heur last!
(ieen schepsel heeft immer den aanblik genoten
Van d\' Eeuwigen Troon, door den Koning bekleed:
Hij houdt tot Zijn zetel den toegang gesloten....
Hij sluiert hem dicht met een wolkentapeet.
Hij heeft over \'t water een cirkel getrokken
Tot d\' uitersten grenspaal van duister en licht.
Hij torent! de zuilen der hemelen schokken,
De zee wordt ontroerd, en haar overmoed zwicht.
Hij glimlacht! daar gloeien, daar purpren de boorden
Des hemels — \'t is Morgen, \'t is Leven, \'t is Licht!
En de vluchtende Slang van het Noorden
Wordt doorboord van Zijn hand en — zij zwicht
Zie! dit \'s een schaduw,
Een schets, niet meer,
Der wonderwegen
Van onzen Heer !
Alleen een duistren
Gaat om ons heen!
Zijn Almachtsdonder
Verstaat niet éen!
-ocr page 212-
20\'2
III.
OVERGANG TOT DE ONTKNOOPING.
JOBS SLOTWOORD TOT ZIJNE VRIENDEN.
XXVII.
Toen voer .lob weer voort, zijn dichtspreuk
Op te heffen, en hij zeide:
rZoo waarlijk Hij leeft, die mijn recht heeft ontnomen,
De almachtige God, die mijn ziele doorwondt,
Zoolang door mijn longen Gods adem zal stroomen,
\'k Droeg leugen in \'t hart noch bedrog in den mond!
U kan ik, neen nooit, overwinnaars verklaren!
Ik handhaaf mijn deugd tot mijn uitersten strijd;
Mijn onschuld staat vast, en ik laat haar niet varen:
Geen dag van mijn leven, geen uur, spreekt verwijt!
Mijn vijanden juist zijn de ware godloozen;
Van schuld gaan mijn tegenpartijders gebukt.
Ik gruw van het kwaad! Wat verbeidt toch den boozen,
Als de Eeuwge hem velt en zijn ziel hem ontrukt ?
Zal God aan zijn noodkreet Zijn aandacht nog wijden,
Als plotsling \'t verderf in zijn vensteren klom?
Kan hij in een God van zijn heil zich verblijden?
Hij, bidden tot God, t\'aller tijde en alom?
Aangaande Gods hand zal ik onderricht geven,
\'k Verheel het u niet wat de Almachtige doet:
Ziet, zelf hebt gij \'t allen ervaren in \'t leven —
Waarom dan een ijdelen waanzin gevoed?
Ziethier wat de slechtaart van God heeft te wachten,
Wat God over \'t lot van den woestling besloot!
Vermeerdren zijn kindren, het zwaard zal hen slachten I
Zijn zaad zal verhongren en vinden geen brood!
Wat hem overleeft van de rest zijner zonen,
Zal de adem der Pest als een wraakengel slaan.
Geen uitvaart met eer zal hun einde bekroonen,
En hem wijdt geen treurende weduw een traan!
-ocr page 213-
\'203
Hij gare zich zilver, hij weve zich kleeren,
Als slijk van de straten, als stof van het veld,
Zijn goed zal de pronk van den brave vermeeren,
De schat van den vrome hoopt op door z ij n geld!
Hij bouwde als het huis eener motte zijn woning,
Als \'t wijngaardners-stulpje\' \'t paleis waar hij leeft;
Schatrijk slaapt hij in — levenslustige Koning;
Hij opent het oog — vindt zich Beedlaar, en — sneeft!
Daar stijgen de jammren als zwellende vloeden;
Een storm steelt hem weg in den huilenden nacht,
De gloênde Oostenwind neemt hem op in zijn woeden,
Sleept hem meê, zweept hem voort, met vernielende kracht.
God slingert zijn pijlen, God strengelt zijn banden :
Gejaagd als een wild stort de vluchtling ter neer....
Dan fluit men hem uit, en men klapt in de handen,
En men kent zelfs zijn ledige plaatse niet meer!"
VERVOLG VAN JOBS SLOTWOORD TOT
ZIJNE VRIENDEN.
DE WIJSHEID.
XXVIII.
„Daar welt, in den boezem der bergen,
Een sprinkaar van zilver en goud;
Men weet waar de koper-erts tintelt,
En waar zich het ijzer onthoudt.
De hamer daalt neer in de groeven,
En davert met rustloos geklop,
En waar maar een edelsteen sluimert,
Daar sporen de delvers hem op.
De stroom, die de schatten verheimlijkt,
Bezwijkt voor de krachten der Kunst:
Het kleinood rijst op uit Rivieren,
En d\' Afgrond ontwringt gij zijn gunst.
Wat valken noch aadlaars ontwaren,
Ontwaart er het oog van den Mensch:
-ocr page 214-
204
Gevleugeld berooft hij de Hoogten,
En \'t Schaduwdal stelt hem geen grens.
Maar Wijsheid — waar is zij te vinden?
En waar is de plaats van \'t Verstand\'?
Geen stervling bespiedde haar zetel:
Ze is niet in der Levenden Land!
Klim vrij in de kaamren der mijnen,
In \'t vochtig koraalgewelf neer —
„Bij mij is ze niet !" roept de Diepte;
„Bij mij is zij niet!" roept het Meir.
En of al een Keizer zijn scepter,
De Rijkaart kleinodiën biedt,
Geen glinster verraadt haar nabijheid,
De handlaars verkoopen haar niet!
Met haar kunt gij niets vergelijken,
Koraal noch topaas noch robijn,
Geen gloed van Arabische paerlen,
Geen goud, en geen stofgoud, hoe lijn!
Wie zal mij de Wijsheid dan geven?
Wie voert mij \'t Verstand voor het oog?
Wie zegt mij op Aard waar ze wandelt?
Wie wijst mij haar woning Omhoog?
Geen schepsel, van al die er leven.
Ontdekte haar drempel of poort;
En afgrond en doodskluft herhalen:
„Ik heb haar gerucht niet gehoord!----"
Slechts God kent haar eeuwigen zetel!
Slechts God heeft haar wegen bemerkt!
Want toen Hij den wind heeft gewogen,
Der wateren loop heeft beperkt,
Den regen zijn wet heeft gegeven,
De donderwolk leidde in haar spoor,
Toen — zag Hij de Wijsheid volkomen,
Ontvouwde ze, en drong tot Haar door!
-ocr page 215-
\'205
Hij sprak tot de wordende Menschheid,
En \'t klonk tot aan \'t uiterste strand:
„Den Heere te vreezen, is Wijsheid!
„Van \'t Kwade te wijken, Verstand!"
.TORS ALLEENSPRAAK.
Eerste deel:
MET BLIJ VERLEDEN.
XXIX.
En de lijder Job vervolgde
Dus zijn dichtspreuk op te heffen:
„Och, ware ik nog steeds als in \'t Blijde Verleden,
Toen de Eeuwige Helper mijn hand hield gevat,
Zijn lamp mij bescheen op de onzekerste schreden,
Zijn licht mij behoedde op het donkerste pad!
Toen God in mijn tente gemeenzaam verkeerde,
De Heer zich niet schaamde mijn huisvriend te zijn,
Mijn kroost aan Zijn zijde altijd bloeide en vermeerde,
De rots voor mij vloeide van olie en wijn !
Bezocht ik de stadspoort, en lichtte ik mijn voeten
Naar \'t marktplein, daar weken de jongren op zij\',
Daar rezen de grijzaards met plechtige groeten.
En lieten, al staande, me eerbiedig voorbij.
De Vorsten verstomden — geen tong had er woorden,
\'t Hing al aan mijn mond, waar mijn rede weerklonk;
Zij knikten toestemmend, wier ooren mij hoorden,
Geen oogen, waarin mij de hulde niet blonk!
Ook was ik een helper bij hooplooze klachten,
Een steun voor den wees en de weerlooze jeugd;
Op mij kwam de zegen des bijna versmachten,
En \'t harte der weduw vervulde ik met vreugd.
Ik zocht me in de Deugd als een mantel te winden,
Het Recht was mijn tulband en staatsiegewaad;
\'k Was kreuplen tot voeten, \'k was de oogen der blinden,
Den armen ten vader, den vreemden tot raad.
-ocr page 216-
206
De slagtand des boozen bezweek voor mijn slagen,
En \'k rukte uit zijn muil wie zijn slachtoffer was.
Ik zeide: „Als de feniks vermeer ik mijn dagen,
„Die sterft met zijn nest en herrijst uit zijn asch.
„Het water der beek blijft mijn wortels besproeien,
Terwijl op mijn takken de dauw overnacht!
„Zoo zal dan mijn voorspoed al heerlijker bloeien,
„De boog in mijn hand steeds verjongen van kracht!"
Wat werd er aandachtig geluisterd, gezwegen,
Totdat ik mijn oordeel den Raad had verkond!
Ook dan nog sprak niemand! mijn woord was een regen,
Waar ieder naar snakte als met dorstigen mond.
Glimlachte ik, wien \'t gold durfde \'t nauwlijks gelooven:
Een hoofdknik voerde ijlings elks vreugde ten top;
Zoo ging dan mijn gunst alle schatten te boven,
En ving men elk straaltje\' uit mijn wimperen op.
Mijn meening was regel van aller gedachten;
Ik troonde in hun kring, onder allen het grootst,
(ielijk aan een koning omringd van zijn wachten,
(ielijk aan een man die de treurigen troost!
JOBS ALLEENSPRAAK.
Tweede deel:
HET TREURIG HEDEN.
XXX
Maar nu bespotten
Mij jongerlingen.
Wier eigen vaders
Ik had veracht
Om naast mijn honden
Bij \'t vee te stellen:
En wat beteekent
Hun eigen kracht?
Zij knabblen hongrend
Aan woeste steppen.
Naakt, uitgemergeld,
-ocr page 217-
\'207
Gelijk de dood!
De zilte heester
Is hun tot spijze,
Genisten-wortel
Hun daaglijksch brood!
Mistrouwd, verdreven
Als roofgeboefte,
Is zand hun woning,
Een hol hun honk.
Gij hoort ze balken
In dorenbosschen:
Zij hurken, hokken
Bij struik en stronk.
Dat eerloos mengsel
Van bastert-heidens
Wordt weggegeesseld
Waar nienschen gaan !.
Den zulken werd ik
Een schimp, een spotlied,
Hun doe ik gruwen!
Zij spuwen me aan!
God heeft me ontzenuwd
Ter-neèr-geworpen —
Nu schudden dezen
Den breidel af:
Nu scheldt en kwelt mij
Dat vuig gebroedsel,
Het trapt met voeten
Me in slijk en draf!
Zij banen wegen
Tot mijn vernieling;
Mijn paden wroeten
Zij wild omveer\'.
Hun woede steigert
Gedurig hooger,
En stoot mij redloos
Ter diepte neer!
Dat schuim bespringt me
Door wijde bressen;
Mijn puin omringt ze,
Zij wijken niet.
-ocr page 218-
\'208
\'t Zijn duizend vreezen
Die mij bestoken —
Ik ben gebroken
Gelijk een riet!
\'t Is al verdwenen,
Mijn moed, mijn kracht —
En de laatste hoop vliegt henen
Als een wolk in de onweêrsnacht!
Daarom smelt mijn ziel in tranen —
mijn ellende stijgt ten top!
Ach, de nacht doorboort mijn heendren,
en het knagen houdt niet op.
\'t Lijden, dat me onkenbaar maakte,
kleeft mij aan gelijk mijn kleed :
\'k Lig in \'t slib ter-neèr-geworpen,
zelf tot slib en asch verkneed!
\'k Schreeuw tot U, o God der Goden!
maar Gij wilt mij niet verstaan!
Biddend sta ik voor Uwe oogen: —
onbarmhartig ziet Gij me aan !
Als een wreedaart onverzoenlijk,
heft Ge Uw hand en brijzelt Gij:
Als een korenstoppel slingert,
als een zeegolf schudt Gij mij!
Ach, ik weet het! ach, ik voel het!
God! Gij sleept mij naar den Dood.
Naar het Huis der Samenkomste
in des aardrijks moederschoot!
Maar wie slaakt, ook onder \'t vallen,
niet een laatste weegeklag?
Wie heft niet den blik naar Roven
onder den genadeslag?
Heb ik-zelf uit medelijden
met den veege niet geschreid?
Wekte niet, ook nog zieltogend,
de arme mijn barmhartigheid?
Daarom wachtte ik op het goede,
toch verscheen het kwade-alleen!
Daarom hoopte ik op den morgen, —
maar de middernacht verscheen!
-ocr page 219-
209
Ach, mijn ingewanden koken,
\'t wee bestookt mij onvermoeid.
Aaklig zwart ga ik daarhenen,
maar niet door de zon verschroeid!
In het midden van de mijnen
sta ik op en schreeuw het uit,
Maar geen troostende echo andwoordt
op mijn eindloos angstgeluid,
\'k Werd den schakal tot een broeder.
\'k werd der struissen lotgenoot.
Al mijn leden zijn verschrompeld,
mijn gebeente smolt als lood.
Zoo dan werd de stem der klachte
nu mijn jongste luitgeklank,
Zoo, de schorre kreet der wanhoop
mijn rampzalige afscheidszangk!
JOBS ALLEENSPRAAK.
Derde of laatste deel:
HET REIS GEWETEN t\' ALLEN TIJD.
XXXI.
„\'k Heb een verbond gesloten met mijn oogen,
Dat ik geen Maagd begeerig aan zou zien.
Hoe anders ook te wandlen met d\' Alhoogen,
En \'t loon der ongerechtigheid te ontvliên?
Of volgt geen wis verderf op de euveldaden?
Is \'t vonnis aller boosheid niet geveld\'?
Is daar geen God, die let op al mijn paden,
En heeft Hij al mijn schreden niet geteld?
O, laat die God mij in Zijn goudschaal wegen,
Of ooit mijn voet in leugens is verward,
Of ooit mijn mond een laag bedrog dorst plegen, —
En blijken zal de oprechtheid van mijn hart!
Of — week ik af, kón ik mijn plicht vergeten
Voor oogenlust, bezoedelde ik mijn hand,
Zoo moog\' hetgeen ik zaaide een ander eten,
14
-ocr page 220-
210
En worde ontworteld wat ik heb geplant!
Of blaakte ik ooit van een verboden minne,
Heb ik de vrouw van buur of vriend verleid,
Zoo dien\' mijn gade een ander als slavinne,
Verneêrde prooi van elks begeerlijkheid!
Hoe strafbaar zou dat zijn, hoe menschonteerend
Voor \'s Rechters oog! wat schandelijke gloed,
Tot in \'t gebeent\' het binnenst\' merg verterend,
En tot den grond vernielend have en goed!
Zoo ik den eisch eens dienstbren ooit verachtte,
Of \'t recht vertrad eens mindren! (welk een schrik,
Als ik op eens gedaagd werd voor d\' Almachten!
Als Hij bezoeking deed, wat antwoordde ik\'?
Was \'t niet éen God, die rijk en arm formeerde!
Heeft niet éen moedei klei ons voortgebracht?)
Zoo \'k d\' arme heb gesmaad, die brood begeerde,
Of ooit door mij een weduw heeft versmacht,
Zoo \'k immermeer een bete heb gegeten,
Waarvan de schaamle wees niet meê genoot!
(Neen, van der jeugd mocht ik zijn vader heeten,
En \'k was haar leidsman sints den moederschoot!)
Zoo \'k éen verkleumde ooit wreed heb afgewezen,
Éen naakte bibbren liet, bij dag of nacht!
Zoo niet veeleer zijn lendenen mij prezen,
Gekoesterd straks door mijner lammren vacht;
Zoo \'k valschlijk ooit de onweêrbre mocht betichten,
Zelfs waar \'t Gericht mij steunde bij \'t vergrijp-------
Zoo vall\' zijn schouder uit van zijn gewrichten!
Zoo moog\' mijn arm verdorren om de pijp!
Neen! \'k vreesde God, die voor den zwakke waakte.
Zijn heiligheid weerhield mij van het Kwaad!
Zoo \'k ooit het Goud tot mijn verwachting maakte,
Of tot het Zilver zei: „Mijn toeverlaat!"
Zoo \'k immer tot het peil der vrekheid daalde,
Of trotsch werd bij \'t vermeören van mijn schat,
Zoo \'k ooit de Zon aanschouwde hoe zij straalde,
De Maan, hoe fier zij wandelde op haar pad,
En \'k liet mijn hart mij heimelijk verleiden,
En bood aanbiddend haar een handkus aan, —
(Want dit ook waar\' Gods straffen zich bereiden,
Afgoderij en Godvergeten waan!)
-ocr page 221-
\'211
Zoo ooit de haat mij \'s vijands val deed zoeken,
Of vreugde gaf bij \'t klimmen van zijn nood.
Zoo \'k ooit inijn tong vergund heb hem te vloeken,
Of ooit mijn mond te wenschen naar zijn dood —
Zoo de Armoede ooit mijn tentdeur zich zag sluiten,
En klagen moest: „Hij weert mij van zijn disch!"
Zoo \'k, dag of nacht, een vreemdeling daarbuiten
Vernachten deed in barre wildernis —
Of zoo ik zelfs mijn heimlijkst overtreden,
Als Adam, ooit voor d\' Eeuwge heb verbloemd.
Mijn misdaad niet met tranen heb beleden,
Maar. snood verstokt, me onschuldig heb geroemd-------
Zoo moge ik onder \'s Hemels roede krommen,
Ten afschuw van het laatste Nageslacht!
Zoo moge ik op dees eigen plek verstommen,
En worden nooit ter deur\' meer ingebracht!....
Och, leende er nu een scheidsman billijke ooren!
\'k Heb mijn geding vrijmoedig afgepleit.
Mocht ik nu ook, o God! Uw andwoord hooren!
Hield mijn partij zijn klaagrol nu bereid!
\'k Zou, als een diadeem, er mij meê kroonen,
\'k Droeg ze, als een eereteeken, op de borst!
\'k Zou onverschrikt God al mijn schreden toonen,
En naadren voor Zijn aanschijn als een Vorst!
Als ooit mijn land een klaaggeschrei deed hooren,
Wijl op mijn akkers onrecht is geschied,
Zoo daar een wraakkreet opging uit zijn voren,
Wijl \'k vruchten plukte en ik beloonde niet,
Zoo \'k leefde maar mijn naaste niet deed leven
En d\' arbeidsliên de ziel heb uitgeperst — —
Zoo moog\' mijn land voor tarwe distels geven
En giftig bilzenkruid voor gerst!"
Hiermee eindigen Jobs woorden.
-ocr page 222-
212
IV.
DE ONTKNOOPING.
AANLEIDING TOT HET OPTREDEN VAN EI.IHU.
XXXII.
Toen nu Job zich zoo beroemde
In bewustheid zijner onschuld,
Zwegen eindlijk die drie mannen.
Maar in felle drift ontbrandde
Elihu, de zoon Barachels,
Des Duziets, uit Rams geslachte.
Tegen Job ontstak zijn toorne,
Wijl hij zich rechtvaardig achtte
Boven God — maar desgelijken
Tegen zijn drie vrienden samen
Wijl zij, zonder wederlegging,
Over Job het vonnis velden.
Elihu, geduldig luistrend,
Had naar Job gewacht met spreken,
Wijl hij jonger was dan allen.
Maar toen Elihu bemerkte,
Dat de lippen der drie vrienden
Job het antwoord schuldig bleven.
Steeg zijn gramschap, en hij zeide:
„Ik ben jong, gij hoog in jaren :
Dies bleef ik bescheiden wachten,
En ik schroomde te openbaren
Wat er woelde in mijn gedachten.
„\'k Meende: laat de dagen spreken.
Laat de grijsheid wijsheid leeren!\'
Maar \'t Verstand — hoe is \'t gebleken! —
Is een vrije gift des Heeren.
.Niet de Grijzen zijn de wijzen
Te aller tijden, en niet de Ouden
-ocr page 223-
213
Waar ze laken, waar ze prijzen,
Weten immer maat te houden.
„Daarom — leent mij gunstige ooren!
\'k Wil nu ook het mijne zeggen :
Ziet, geduldig bleef ik hooren
Hoe gij Job zoudt wederleggen;
„\'k Wachtte, en wachtte — naar uw gronden:
\'k Zag de rook, maar \'t vuur niet, stijgen.
Overtuigden mij uw vonden?
Neen, niet één bracht Job tot zwijgen!
„\'t Ware is, neen! u niet gebleken:
God, geen mensch, wierp Job ter neder!
Sprak hij niet tot mij — \'k zal spreken
Maar geef hem ü w taal niet weder!
„Ziet, hoe staan zij nu verlegen!
Ziet, hun stomme lippen beven!
Hebt gij lang genoeg gezwegen?
Zult gij gants geen andwoord geven\'?
\'k Mag dan op mijn beurt beginnen!
\'k Openbaar ook mijn gedachte;
Want ik ben zóó vol hier binnen,
Dat ik schier aamechtig smachte.
„\'k Voel den geest, mijn borst beknellend,
Zich als most naar boven dringen:
Als een nieuwe wijnzak zwellend,
Dreigt mijn hart van-één te springen!
„Spreken moet ik! ademhalen!
\'k Wil geen enkel andwoord sparen!
Moog\' de oprechtheid mij voor dwalen,
Valschheid of gefleem, bewaren!
„\'k Wil geen zoete namen kweelen,
\'k Ben tot vleien niet geschapen:
Wilde ik ooit met leugens spelen,
\'k Vrees dat God mij weg zou rapen!"
-ocr page 224-
214
DE REDE VAN ELIHU.
Eerste Deel.
XXXIII.
„Zoo worde dan mijn reden,
O Job, door u gehoord\'.
Reeds is mijn mond ontsloten,
En reeds ontspringt mijn woord.
Ik kom u niet misleiden
Met wufte woordenpraal:
Mijn spreken is waarachtig,
Mijn taal is hartetaal.
Indien gij kunt, weerleg me!
Wij zijn elkaar gelijk;
Éen God heeft ons geschapen,
En uit hetzelfde slijk:
Ik kom niet met een luister,
Verbijstrend voor \'t verstand;
Ik zal niet op u drukken
Met al te zware hand.
Maar, ziet ge! ik hoorde u morren:
„Ik ben van zonde vrij,
De Almachtige is mijn vijand,
En zoekt het tegen mij!
Hij sluit mijn beide voeten
Wreedaardig in den stok,
En laat geen uitweg open
In doodelijken wrok!"
Welnu, dat noem ik zonde\'
Ziedaar wat gij misdeedt!
Want God is eindloos hooger
Dan al wat stervling heet.
Waartoe met God te twisten?
Rechtvaardigt Hij Zijn daan? —
Toch spreekt Hij eens, ja tweemaal,
Schoon meestal misverstaan!
Vooreerst — in Droomverschijning
En scheerenend Nachtgezicht,
-ocr page 225-
215
Wanneer de Mensen bewustloos
In diepen sluimer ligt,
Dan opent God zijn ooren,
En waarschuwt en bedreigt,
Om hem aan \'t kwaad te ontrukken
Waartoe zijn ziele neigt;
Om hem zijn trots te ontnemen,
En juist nog in der ijl
Hem d\' open kuil te toonen
En d\' afgeschoten pijl!
Voorts — spreekt Hij door de Krankte,
Die hem op \'t leger werpt,
Door \'t blaken van de Smarte,
Die door zijn beendren snerpt.
Dan walgt de Mensch van spijze,
Dan wordt hem \'t brood vergif.
Dan wordt zijn vleesch verslonden,
Dan dort hij tot een rif,
Zoo ligt hij daar ter neder
In worstelenden nood!
Zijn adem neigt ten grave,
Zijn leven helt ten dood\'!
Maar heelt hij dan een Engel,
Uit honderdduizende éen,
Die als zijn pleitbezorger
Bij God wil tusschentreên,
Die, biddend voor zijn zonden,
Zijn goede werken prijst, —
Dan toont de God des levens
Dat Hij gena bewijst!
Dan spreekt Hij van Zijn zetel
Dien Engel zeegnend aan:
„Verlos hem van de groeve!
De Richter is voldaan!"
En daar ontluikt de kranke,
Veel schooner dan weleer!
Daar keert hij tot de dagen
Der frissche jonkheid weer!
Hij bidt — en God betoont zich
Zoo vriendelijk, zoo goed,
Dat hij met vreugdgejubel
-ocr page 226-
216
Zijn Aangezicht ontmoet!
Dat hij, van God herstelde
In kracht, in recht, in eer,
Voor aller menschen ooren
Dus psalmzingt tot den Heer:
,Ik was een overtreder
Die \'t rechte pad verliet.
Maar naar mijn euveldaden
Vergold de Heer mij niet!
Heeds wenkte mij de Groeve,
Reeds dreigde mij \'t Gericht,
Maar God behield mijn leven
En laaft mijn ziel met licht!" —
Zóo doet God met elk onzer
Twee-, driemaal achtereen,
Om ons naar \'t Licht te leiden,
Langs de open groeve heen!
Wilt gij aandachtig blijven,
Ü Job! zoo spreek ik voort.
Of hebt gij iets te zeggen.
Wel, neem dan eerst het woord!
U recht te doen weèrvaren,
Is al wat ik begeer ....
Gij zwijgt\'.\' Welnu dan, luister,
Dat ik u wijsheid leer\'!"
DE IIEDE VAN EL1HU.
Tweede Deel.
XXXIV.
Elihu voer voort met spreken:
„Hoort mijn woorden, o gij wijzen!
Gij ver.standigen, ai hoort!
Ons gehemelt\' proeft de spijzen:
Alzoo proeve \'t oor het woord!
-ocr page 227-
217
Onderzoeken wij geduldig
Wat hier recht en billijk zij!
Job verklaarde: „\'k Ben onschuldig,
De Opperheer mishandelt mij:
Noem ik me onbewust van zonde,
\'k Word van huichlarij beticht;
Schuldloos kwijn ik aan de wonde
Van Gods doodelijke schicht!"
Welk een man! die, onboetvaardig,
Spotternij als water drinkt,
Wegen kiest, den mensch onwaardig,
Van ondeugenden omringd!
Sprak de ondankbre niet verwaten,
Hebt gij \'t niet als ik verstaan:
„God te dienen, wat zou \'t baten?"
Daarom, mannen, hoort mij aan!
Ver is God van alle boosheid.
Ver van ongerechtigheid:
Naar uw godsvrucht of godloosheid
Heeft Hij u het loon bereid.
Ieder, in zijn najaar, oogste
Wat zijn lente heeft gezaaid!
Billijk vonnist de Allerhoogste,
Hij, die nooit het recht verdraait.
Heeft een ander aan Gods hoede
\'t Lot der Aarde toebetrouwd?
Heeft een ander dan de Algoede
\'t Mateloos Heelal gebouwd?
Gold hem-zelven slechts Zijn streven,
Nam Hij geest en adem weer,
Al het schepsel liet dan \'t leven,
\'t Menschdom zonk tot stof ter neer!
Zegt, kunt ge u een Wezen denken,
Dat het heilig Hecht schoffeert,
Dat de Hoogste Wet zal krenken, —
En nochtans als God regeert?. ..
En waanzinnig zoudt gij \'t wagen
Hem van onrecht aan te klagen,
Die zoo billijk is als goed,
Die, zoo machtig
Als waarachtig,
-ocr page 228-
\'218
\'t Alles schiep en \'t Al behoedt!
Menschen vleien en verbloemen; —
God, die logen denkt noch doet,
Durft een Koning: „Zondaar" noemen,
Booze Vorsten: Roof gebroed."
Hij, bij straffen oi erbarmen,
Vraagt niet eerst naar naam of faam,
Kent geen rijken boven de armen,
Want Hij schiep hen al te saam\'.
Dikwerf, plotsling, op zijn sponde,
In de stille midnachtstonde,
Sterft de trotsche Dwingeland,
Die de volkeren beroerde. —
En gij ziet niet eens de hand,
Die den sterke medevoerde!
Want de Heer slaat van Omhoog
Op der menschen wegen \'t oog,
En Hij let op al hun paden:
Daar is nacht noch duisternis,
Waar de man der booze daden
Voor zijn God verborgen is!
Onze zonden en gebreken
Zijn den Richter reeds gebleken
Eer wij voor Zijn vierschaar staan:
Hij heeft slechts éen blik te slaan
Om Zijn oordeel uit-te-spreken!
Zonder vonnis of verhoor,
Geesselt Hij tyrannen neder.
En vervult hun plaatsen weder —
Want Hij ziet hen door en door!
Hun verborgen gruwlen moede,
Doet Hij plotsling hen te niet,
Hen verbrijzlend met Zijn roede,
Dat het heel de waereld ziet!
Zij, die zich aan God ontrukten,
Spottend met Zijn rijksgeboón,
Deden \'t kermen der verdrukten
Steigren tot Zijn hemeltroon,
Dwongen wel Zijn heilige ooren
\'t Jammren der Ellend te hooren!
Als de Heer vergeeft en redt.
-ocr page 229-
219
Wie is daar, die zich verzet?
Maar ook, wie die Hem zal tergen,
Die Hem rekenschap durft vergen,
Als Hij achter wolk bij wolk
\'t Zeegnend aanschijn wil verbergen
Voor een Mensch of heel een Volk ?
Als de huichlaar die den vroomen
Al te lang ten valstrik was,
Zich zijn schatten ziet ontnomen
En vergaat in zak en asch . . .?
Heeft die huichlaar schuld beleden"?
Sprak hij: ,\'k Ben gestraft, o Heer!
Trek Gij toch den blinddoek neer.
Toon mij toch mijn overtreden,
En ik zondig nimmermeer\'?\'
Neen toch! — En zal God dan vragen,
Hij, de Koning van \'t heelal,
Naar uw raad of welbehagen,
Hoe Hij zulk een straffen zal\'?
Zal Hij zeggen: „Wees de rechter,
Die Mijn hooge plaats bekleedt!
\'k Stel u aan tot pleitbeslechter,
\'k Zwijg — verklaar gij wat ge weet?\'
Alle wijzen die mij hoorden,
Stemmen in met wat ik zeg:
„Job sprak onbedachte woorden,
Zonder geest of overleg."
\'t Zij dan zoo, onafgebroken
Houde Jobs beproeving aan!
Als een dwaas heeft hij gesproken,
Die geen reden wil verstaan!
Op de zonde des verblinden
Zet hardnekkigheid de kroon —
Hij beschimpt zijn ware vrinden,
En belaadt zijn God mei hoon!"
-ocr page 230-
\'220
DE REDE VAN ELIHU.
Derde Deel.
xxxy.
Elihu ging voort, en zeide :
„Is \'t wijs te noemen,
Dat gij durft roemen:
,Mijn zaak is beter
Dan die van God\'?
Dat gij durft wanen:
,Wat baat mijn onschuld?
Treft d\' overtreder
Een erger lot\'?
U en uw vrienden
Zal ik weerleggen:
Verhef uw blikken
Naar gindschen boog!
Ai zie, hoe verre
Dat wolkgewemel!
Wat is die hemel
Oneindig hoog!
Zeg, deert uw zonde
Den Ongenaakbre?
Of brengt uw braafheid
Hém voordeel aan?
Slechts menschen schaadt gij
Door booze werken;
Slechts menschen baat gij
Door goede daan! —
Wel hoort men luide
Verdrukten klagen,
Gekweld, geslagen
Door overmacht:
Maar niemand vraagt er
Naar God zijn Maker,
Die \'t hart doet psalmen
Ook in den nacht!
-ocr page 231-
221
Die door \'t ge vogelt\'
Des wijden hemels,
Door \'t wild gedierte
Tot bidden spoort,
Als Hij het schreeuwen
Der jonge leeuwen,
Als Hij het krassen
Der raven hoort! —
Zoekt de onderdrukte
Niet God d\' Al machte,
De wufte klachte
Gaat ras te loor:
De trots der boozen
Kent geen verpoozen;
Geen ijdel roepen
Bereikt Gods oor!. ..
Toch waakt de Wreker!
En wordt u bange,
Dat Hij zoo lange
Verborgen is, —
Eens doet Hij zeker
Zijn Aanschijn lichten:
De Heer zal richten,
Hij komt gewis!
Dan — wijl Zijn toren
Nog schijnt te slapen,
En duldt dat de Ondeugd
Heur netten spreidt,
Heeft Job vermetel
Den mond ontsloten
Tot groote woorden
Vol ijdelheid!"
DE REDE VAN ELIHU.
Vierde en laatste Deel.
XXXVI.
Nog sprak Elihu, en zeide
„Vertoeft nog wat! Er is nog meer
Te pleiten voor den Hemelheer:
-ocr page 232-
\'222
Laat mij u onderwijzen !
Ik breng van ver\' mijn gronden bij:
De Hoogste Waarheid spreekt uit mij —
Ik wil mijn Schepper prijzen!
Zie, God is groot, te groot, voorwaar,
Om lage drift te voeden.
Wel is Zijn wijsheid wonderbaar:
Verdrukkers jaagt Hij uit elkaar,
Verdrukten zal Hij hoeden.
Die wandlen naar zijn rijksgeboón,
Zijn immer voor Zijn oogen :
Hij zal hen op een koningstroon
Onwankelbaar verhoogen!
En treft den Brave soms de druk,
Gaat hij gebogen onder \'t juk
Van velerhande lijden,
Die heilige Openbaring Gods
Ontdekt zijn schuld, beschaamt zijn trots,
Kn loutert door kastijden.
Die roepstem der gerechtigheid
Brengt liefdevolle leering,
Die \'t harte prikkelt en bereidt
Tot levende bekeering!
Wie hoort en bukt. ontkomt den drang,
Zal jaar op jaar, zal levenslang
Weer \'t goede deel verwerven!
Maar wie des Heeren raad niet hoort,
Wordt van den pijl des doods doorboord,
Om onbekend te sterven!
De huichlaars zijn \'t verderf gewijd:
Zij houden met verkropten spijt
Den stuggen nek geheven;
Zij bidden niet als God hen bindt,
Zoodat de Plage hen verslindt,
En ze in den bloei van \'t leven
Gelijk een schandvlek sneven!
Maar wie daar lijdzaam buigt en boet.
Zal van verlossing zingen :
Door lessen van den tegenspoed
Vormt God Zijn kweekelingen !
-ocr page 233-
\'223
Ook u roept God, dien gij miskent,
Uit de open kaken der ellend,
Waarin uw ziel vertreurde,
Tot ruimte en vrede van \'t gemoed,
Tot al den weeldrige\' overvloed,
Waar eens uw disch van geurde!
Gij hebt een slechte zaak bepleit:
Dies grijpt u Zijn gerechtigheid —
Geding en vonnis volgen
Elkander vliegende op den voet.
Betreur de drift van \'t blakend bloed!
Wees niet op God verbolgen!
Acht lijdzaamheid en boetedoen
Toch niet een al te zwaar rantsoen
Als prijs voor uw herleving!
Noch waan dat gij ontworstlen zult
Door eigen kracht, in ongeduld
En woeste tegenstreving!
Zoo haak niet zinloos naar den nacht,
Waar al de heerlijkheid en macht
Der volkren in verdwijnen!
Herhaal een boozen wensch niet meer,
Die moed en hoop doet kwijnen ;
Maar kus de roede van den Heer,
En — toon u van de Zijnen!
Hoog zit de Almachtige op Zijn troon:
Wie is als Hij te vreezen ?
Wie heeft Hem ooit Zijn weg geboón,
Hem ooit te-recht-gewezen?
Kom! hef voor Hem het hallel aan,
Verheerlijk meê Zijn wonderdaan,
Der Englen lust daarboven.
En die de Mensch. met diep ontzag,
Van verre meê aanschouwen mag,
Bewondren mag en — loven!
Groot is de Koning van \'t Heelal :
Wie zou Zijn werk doorgronden?
Hem zijn de jaren zonder tal.
Heru, de eeuwigheên sekonden!
-ocr page 234-
224
Zie! uit de waatren, daar omhoog
Als dampen drijvende aan den boog,
Tapt Hij de blanke drupplen.
En zijgt ze door den nevel heen,
En giet ze in regens naar benèen,
Die op de weiden hupplen!
En waar dan nog de niensch, die weet
Hoe Hij de dikke wolk verbreedt,
Hoe Hij zijn tent doet kraken?
Zij schijnt in vuur en vlam te staan,
En \'t bliksemlicht doet d\' oceaan
Van rosschen weerschijn blaken!
Zoo richt Hij! — zoo brengt Hij heil,
Want Hij bevrucht de landen!
Hij houdt den gloênden donderkeil
Gekneld in beide handen,
En toont hem waar hij neer moet slaan —
Hij komt! Zijn voetstap, onder \'t gaan,
Doet \'saardrijks bodem schudden:
Hem kondigt zelfs het loeien aan
Der sidderende kudden!"
SLOT VAN ELIHU\'S VIERDE EN LAATSTE REDE.
VOOUISEREIDINT. TOT JEHOVAH\'S VERSCHIJNING.
XXX VII.
„Daar hebt ge \'t! . . . Mijn harte
Beeft weg van zijn plaatst
Daar davert Zijn roepstem
In \'t onweèrgeraas!
Daar flikkert Zijn bliksem
Met vliegende vaart
Den hemel in \'t ronde,
Tot de einden der aard\'.
Hoort! luider en dichter
Weerklinkt slag op slag!
Gods donderstem ratelt
• En predikt ontzag.
-ocr page 235-
225
Gij, God die daar dondert!
Ja, wondren doet Gij,
Hoogheerlijke dingen —
Wij duizlen er bij!
Der sneeuwjacht gebiedt Hij:
„Val neör!-\' en — \'t geschiedt!
De stortregens plasschen
Als Hij bet gebiedt.
Dan stremt Hij den arbeid,
En dwingt ons geslacht
Den Maker te erkennen
In \'t werk Zijner macht!...
Zelfs \'t wilde gedierte
Gaat sidderend schuil,
En duikt in zijn leger
In boschhol en kuil.
Dan klopt Hij aan \'t Noorden:
De dwarrelwind fluit,
De koude springt haastig
Heur slaapvertrek uit.
Dan blaast Hij op de aarde:
Zij bibbert in \'t grijs;
Het water wordt marmer,
Zijn adem maakt ijs!
Nu hoopt Hij de stroomen
Des regens op-éen,
Nu jaagt Hij de wolken
Als vlokken daarheen.
Zij drijven, zij draaien
Door \'t bliksemend zwerk,
En doen daar beneden
Heur goddelijk werk,
Op bergen, in dalen, —
Verwoest of verkwikt,
Gestraft of gezegend,
Naar God het beschikt! . . .
Nu let op die wondren,
O Job, en sta stil!
Hoe werkt hier des Heeren
Almachtige wil?
Hoe heeft de Volmaakte
X                                                                                                  15
-ocr page 236-
226
— Nu spreek, als gij \'t weet!
Zijn wolken gewogen,
Zijn bliksems gesmeed?
Hoe drijft Hij de druppels
Uw poriën uit,
Als de aarde zich bakert
In d\'adem van \'t Zuid?
Zet gij de pilaren
Van \'t hemeldak pal?
Spant gij \'t als een spiegel
Van blinkend kristal? . ..
Nu, leg mij de woorden
Tot God in den mond!
Hoe zullen wij pleiten ?
\'t Is duister in \'t rond.
En konden we al spreken, —
Verdedigt de Heer
Zijn doen voor de menschen?
Gedoogt dat Zijn eer?
Verblindt reeds het licht ons
Aan \'t hemelgewelf,
Te meer dan de luister
Der Majesteit-zelf! . . .
Neen, eeuwige Almachte!
Niet éen die u vindt.
Gij zwijgt op de klachte
Van \'t morrende kind.
Gij voert, hoog en heilig,
Uw eindloos gebied . ..
Dat ze allen U vreezen,
Wien niemand doorziet!\'
JEHOVAH\'S STEM TOT JOB.
Eerste Deel.
XXXVIII.
En de Heer, van uit den stormwind,
Deed dus Job Zijn andwoord hooren:
-ocr page 237-
227
„Wie durft, mijn raad met zijn dwaasheid verduistren? —
Maak, als een held, u ten strijde gereed!
Spits uw vernuft om aandachtig te luistren!
Ik zal u vragen: gij, leer me, als gij \'t weet! —
Waart gij er bij, toen ik de Aarde formeerde?
Leidde misschien mij uw godlijk verstand?
Zeg, wie haar maat mij berekenen leerde!
Hebt gij het paslood gezien in mijn hand?
In welken grond zijn haar zuilen gedrongen?
Kent gij haar hoeksteen? de plaats waar hij zonk?
Toen al de starren des Dageraads zongen,
\'t Juichen der Englen den hemel doorklonk?
Hebt gij de Zee zien ontstaan in haar kolken?
Wie sloot haar machtige sluisdeuren af,
Toen ik een sluier haar weefde uit de wolken,
En haar den Nacht tot een windeldoek gaf?
Gingt gij de vaart harer zwellende stroomen
Ulings met grendlen en poorten te keer?
Riept ge: „Niet verder dan hier zult gij komen!
„Hier buig\' de trots uwer golven zich neer!"
Kunt ge in zijn schuilhoek den morgen bezoeken?
Wekt gij hem op, dat hij \'t Oosten ontsluit?
Grijpt hij deze aard als een kleed bij de hoeken,
Schudt hij, gehoorzaam, de boozen er uit?
Volgt hij u w wenk, als de glans zijner stralen
\'t Duister gebroed der godlozen verstrooit,
Als hij de bloemen penseelt in de dalen,
Hoven en heuvlen in feestgewaad tooit ? —
Kunt gij de klippen des Afgronds beklimmen?
Hebt gij de Diepten der zeen bespied?
Zaagt gij de zwijgende wachters der schimmen?
Kent gij de Poorten van \'t Doodengebied ?
Hebt gij den aanvang der Schepping geweten?
Kent gij haar gants?... Zoo verkondig het mij!
Waar is het Licht op zijn zetel gezeten?
Waar, op heur troon, voert de Nacht heerschappij ?
Wijs mij wat grenzen hun rijken verdeelen!
Toon mij wat weg naar hun luclitpaleis gaat!
Immers, gij weet het! — Uw dagen zijn velen!
U heugt de wording van al wat bestaat!
Zaagt gij de Sneeuw in haar schatkamers wachten?
-ocr page 238-
228
Zaagt ge in zijn tuighuis den Hagel vergaard?
Wapens, bestemd voor de hand des Al machten,
Tegen den dag der Gerichten bewaard!
Langs welk een pad stort, in blinkende stroomen,
\'t Schijnsel der Zon zich zóo stil naar beneên?
Langs welk een baan is de Stormwind gekomen?
Wie gaf hem vleuglen, en waar gaat hij heen?
Wie heelt der Stortvlaag kanalen gegraven?
Wie leidt de drijvende Bui door de lucht.
Dat zij de dorre woestijnen zou laven,
\'t Grasjen zou drenken, dat eenzaam verzucht?
Wie teelt den Dauw? en wie baart er den Regen?
Wie maakt den Rijm, en wie strooit hem als asch?
Wie stolt Rivieren tot marmeren wegen,
Golvende Meiren tot spiegels van glas?
Bindt gij het Zevengestarnte aan elkandren?
Hebt ge ooit den strik des Orions geslaakt?
Kunt gij des Dierenriems teekens verandren?
Hebt gij de wetten des Hemels gemaakt?
Zendt ge de Bliksemen uit, en zij vliegen?
Keeren ze, en zeggen: „Hier zijn wij, o Heer!"
Hebt Gij de Wolken geteld, die daar wiegen?
Drupt ge uit haar flesschen de vruchtbaarheid neer,
Zoodat het waaiende stol\' op de wegen
Neêrzijgt en saamvloeit en hard wordt als steen,
En al de kluiten, besproeid van den regen,
Weeken en zwellen en kleven aanéén?"
JEHOVAH\'S STEM TOT JOB.
Vervolg van het Eerste Deel.
XXXIX.
„Kunt gij den Leeuw met zijn wulpen verzorgen?
Hebt gij de prooi in zijn klauwen gevoerd,
Waar hij, bij struiken en stronken verborgen.
Liggend op \'t nest uit zijn hinderlaag loert?
Wie heeft der Rave heur voedsel doen vinden?
Wie hoort haar klagen, en waakt voor haar lot,
-ocr page 239-
229
Als ze daar, fladdrend op d\' adem der winden,
Krijschen van honger en schreeuwen tot God? —
Hebt gij de Klipgeiten gade geslagen?
Hebt gij het werpen der Hinden gezien?
Hebt ge de maanden geteld dat zij dragen?
Weet gij den tijd hares barens misschien ?
Zoeken zij hulp in der menschen nabijheid?
Leggen zij knielend haar vracht niet ter neer?
Snel wast heur kroost, in de lucht en de vrijheid —
\'t Gaat, en het keert tot de moeder niet weer!
Zeg, wie de banden des Woudezels slaakte,
Wie hem verzond met dat woord: „Gij zijt vrij!"
Wie hem een huis in de wildernis maakte,
Herberging gaf in de zandwoestenij!
Zie! daar belacht hij \'t gewoel uwer steden,
Door geen geroep van den drijver gestoord!
Schraal is zijn spijs, maar met weinig tevreden,
Graast hij in stilte op de berghelling voort.
Slaat gij d\' ontembaren Woudstier in banden?
Zal hij vernachten waar \'t rund overnacht?
Ploegen uw akkers en eggen uw landen,
Voeren uw zaad waar de dorschvloer het wacht? —
Hoort gij \'t? —• Het klapwiekt daar ginds in \'t bosschaadje!
Wie maakt zoo vrolijk een vleugelgedruisch ?
Is dat des Eibers geveêrte en pluimaadje?
Neen, \'t is de onhartlijke moeder, de Struis!
Zij laat aan \'t noodlot hare eieren over,
Laag in het zand, waar de hette ze broedt;
Koel en lichtzinnig vergeet zij den roover,
\'t Vratig gedierte, of den plettrenden voet.
Kan zij haar kroost wel als \'t hare beschouwen?
Kent zij haar kindren? — Het jammert haar niet:
God heeft haar liefde en geheugen onthouën,
Haar, wie óók eenmaal de moeder verliet!
Zorgloos vervolgt zij haar pad door de heiden,
En als ze voortijlt in suizende vaart,
Kan wel geen renboó haar vlucht begeleiden,
Lacht ze in heur wedloop met ruiter en paard! —
\'t Paard! geeft gij \'t Paard al de fierheid der helden?
Kleedt gij zijn hals met de pracht die er wuift?
Schrikt gij het op als een sprinkhaan der velden,
-ocr page 240-
230
Als het omhoog-springt en rookdampen snuift?
Ziet, hoe het vlamoogt en stampt met de hielen,
Trappelt en steigert in brieschenden moed,
Spot met de vrees van bekroinpene zielen,
Vrolijk het weêrlicht der wapens begroet!
Ratelt de pijlbus, en trillen de lansen,
Klikklakt het zwaard, tot de slachting gewet,
\'t Schijnt op den maatslag der trommels te dansen,
\'t Schuimbekt van drift, op den klank der trompet.
Luider nog doen de klaroenen zich hooren,
\'t Hinnikt hun toe, riekt van verre den strijd,
En waar de Veldheer het drijv\' met de sporen,
\'t Blijft hem in leven en sterven gewijd! . ..
Schiept gij dat Paard ook? — — En schiept gij daarneven.
Dicht bij de wolken, den Koning der lucht?
Hebt gij den Sperwer zijn vleuglen geweven?
Gaaft gij den Arend zijn reuzige vlucht?
Leerde uw verstand hem zijn rotskasteel bouwen?
Want hij vernacht op de bergen omhoog:
Daar overziet hij de lage landouwen,
De eindloze verten, met bliksemend oog.
Daar vorscht hij rond naar zijn voedsel beneden,
\'t Aas, dat de onzinnige menschen hem biên:
Want, waar de bloedige strijd wordt gestreden,
Koven de dooden, daar zult ge hem zien! . .."
JEHOVAH\'S STEM TOT JOB.
Vervolg en slot van het eerste Deel.
JOBS EERSTE ANDWOORD AAS JEHOVAH.
XL.
Toen, tot Job, sprak dus de Heere:
„Zal nu de mensch, die met God durfde rechten,
Waanwijs zich mengde in des Eeuwigen Raad,
Zal hij het pleit nu met eere beslechten,
Toonen, hoever zijn voorzienigheid gaat?" . . .
-ocr page 241-
231
Daarop gaf toen Job dit andwoord :
„Heer uit den Hemel! mijn schuld is gebleken!
Waar is de worm, die d\'Al wij ze doorgrondt?
Ik ben te nietig, o God! om te spreken:
Ik leg aanbiddend de hand op den mond!"
JEHOVAH\'S STEM TOT JOB.
Tweede Deel.
XLI.
En de Heer ging voort te spreken
Uit den stormwind, en Hij zeide:
„Wil als een Held u de lendnen omgorden!
Ik zal u vragen, en gij — onderwijs!
Wilt gij mijn recht nogmaals onrecht doen worden?
Vonnist gij Mij, en behaalt gij den prijs?
Hebt gij een arm zooals de arm van den Heere?
Hebt gij een stem aan Gods donder gelijk ?
Kom dan, en tooi u met luister en eere,
Stel al uw pracht en uw grootheid te prijk!
Stort hem vrij uit, heel den stroom uwer wrake!
Ga met een wenk al wat hoog is te keer!
Dat alvernielend uw vlammenblik blake!
Vel met éen slag al de bozen ter neer!
Berg hen te-saam in het stof dezer aarde,
Dek met een sluier van slijk hun gelaat!
Dan zal ik immers u prijzen naar waarde,
Dat gij de kunst van regeeren verstaat! . ..
Daar is de Behemoth, reus aller dieren!
\'k Schiep hem naast u. Schoon van \'t grazend geslacht,
Zie, in die lendnen wat sterkte! en wat spieren
Maken dien buik tot een zetel der kracht!
Zijn niet zijn dijen van takken doorweven?
Zwiept hij geen staart als een pijnboom zoo zwaar?
Schijnt zijn gebeent\' niet uit koper gedreven?
Is elke knok niet een ijzren pilaar?
Hij is het pronkstuk der Schepping. De Alwijze
Heeft hem voorzien van zijn bliksemend zwaard.
-ocr page 242-
23-2
Echter — hij vindt op de bergen zijn spijze,
Waar zich al \'t dartiend gedierte vergaart.
Plaagt hem de blakende hette; onbekommerd
Duikt hij in \'t riet der moerassige kreek;
Zacht slaapt hij in, door den lotus belommerd,
Of in de schaüw van de wilgen der beek.
Dreige een Jordaan hem, het doet hem niet beven;
Geessel\' de golf hem, het baart hem geen schrik.
Kom, zoo gij durft, grijp hem aan bij zijn leven!
Vang, en doorboor hem den neus met een strik!. . .
Durf) ge ook wel dien Leviathan bespringen?
Slaat gij zijn tong als een visch aan uw haak\'?
Waagt gij \'t, een tien door zijn neusgat te wringen?
Boort gij hem mooglijk een priem door de kaak?
Zal hij met vleiende woorden u streelen?
Dient hij u ook, als een slaaf zoo gedwee?
Zult gij met hem als een vogelken spelen?
Voert, aan een draad, hem uw dochterken meê?
Zullen ter markt hem de handlaars verkoopen?
Zal hij den buik van den lekkerbek voên?
Rijt gij zijn huid met uw pijlflitsen open?
Spiest gij zijn kop met een visschersharpoen ?
Sla hem! gij zult het niet weder herhalen! —
Weet wat gij doet, eer ge een tweekamp aanvaardt!
Zie, al uw hoop hem te vangen zal falen:
Ploft ge niet reeds bij zijn aanblik ter aard?
En zoo dan ieder z ij n overmacht huldigt,
Wie dan, die koen Mij in \'t aangezicht ziet?
Wie kwam Mij voor, dien Ik iets ben verschuldigd?
Is heel de waereld mijn eigendom niet?"
BESLUIT VAN JEHOVAH\'S TWEEDE REDE TOT JOB.
XLII.
„\'k Zal van de kracht zijner leden gewagen,
\'k Prijs naar verdienste zijn fierheid en pracht.
Wie heeft ooit bres in zijn pantser geslagen?
Wie heeft zijn dubbel gebit ooit veracht?
Wie heeft zijn aangezichts deuren ontsloten ?
-ocr page 243-
233
Gaapt uit zijn muil niet de afgrijslij kheid-zelf?
Schilden, zoo vast als uit ijzer gegoten,
Dekken zijn rug met hun glinstrend gewelf.
Als met een zegel verhecht aan elkander.
Dringt door hun voegsel geen ademtocht heen:
\'t Eene grijpt steeds als een schakel in \'t ander\';
Zóo kleven ze alle onafscheidelijk aan-éen.
Niest hij, het weèrlicht; een zonnegloedblaken
Straalt uit zijn blik als hij de oogen ontsluit;
Fakkels gaan voort uit zijn gapende kaken,
Spranklende vuurvonken springen er uit.
Zie uit zijn neusgat de rookwalmen vloeien,
Of er een kokende waterplasch dampt!
Door zijn gesnuif zouden kolen ontgloeien;
Gaz is zijn adem: hij llikkert, hij vlamt!
Zetel der sterkte is zijn hals. Voor hem henen
Huppelt de schrik met gevleugelde schreèn;
Samengesmeed als gemetselde steenen,
Kleven de klompen zijns vleesches aan-éen.
Roerloos als de onderste steen van den molen,
Vast als een rots, is zijn hart. Waar hij naakt,
Houden zelfs helden zich ijlings verscholen,
Nu door de doodsangst tot lafaards gemaakt!
\'t Zwaard moogt ge trekken, geen zwaard kan hem deeren,
\'t Zwaard, noch de lans, noch de speer, noch de spies.
Wilt ge met ijzer of staal u verweeren?
\'t Is of ge strijdt met dor hout of een biez\' 1
Waag het, den pijl of den werpsteen te slingren —
\'t Valt op hem neder als dwarrelend kaf!
Zwaait met de knods, dril de lans in uw vingren —
Hij schudt de slagen als stroohalmen af!
Waar hij zijn schubbige staart heeft doen sleepen,
Is \'t of een dorschsleê zich afdrukte in \'t slijk.
Maakt hij den Nijl, door zijn golven te zweepen,
Niet aan een ziedenden ketel gelijk?
Schiet hij daarhenen, een lichtstreep blijft achter:
\'t Water wordt rimplig en grijs waar hij zwemt —
Ziel zonder vreezen en menschenverachter,
Is hij tot Roofdierenkoning bestemd! . . ."
-ocr page 244-
\'234
V.
BESLUIT.
JOBS LAATSTE, BOETVAARDIG ANDWOORD AAN JEHOVAH.
XLIII.
Toen sprak Job dus tot Jehovah:
„\'k Weet nu, o Heer! dat geen macht u kan kluisden!
Daad is Uw wil en almogend Uw hand.
„Wie durft Mijn raad met zijn dwaasheid verduis-
[t ren?"
Ja, \'k sprak van wondren, te hoog voor \'t verstand,
\'k Raaskalde, als kende ik Uw doen en beramen.
„\'k Zal u vragen, gij, leer me, als gij \'t weet!"
Zóo spraakt ge, o Heer, om een trots te beschamen,
Die zich wel nooit meer een oordeel vermeet!
\'k Hoorde voorheen slechts van U uit de verte,
Daar ik U thands met mijn oogen aanschouw!
Heer! ik verfoei mij uit grond van mijn harte,
En heb in zak en in assche berouw!"
„En \'t geschiedde, toen Jehovah
Job aldus had toegesproken,
Dat Hij straks den Themanieter
Elifaz dit woord deed hooren :
„Zie! Mijn gramschap is ontstoken
„Tegen u en uw twee Vrienden;
„Want niet, zooals Job mijn dienaar,
„Hebt gij recht van Mij gesproken!
„Daarom, neemt dan voor ulieden
„Zeven varren, zeven rammen,
„Spoedt u voort tot Job mijn dienaar
„En ontsteekt uw offeranden
„Op de stem van zijn gebeden!
„\'k Zal hem hooren en verhooren
„En u sparen \'t loon der dwaasheid,
-ocr page 245-
235
„Want niet, zooals Job mijn dienaar,
„Hebt gij recht van mij gesproken!
Daarop gingen die drie Vrienden,
Elifaz de Themanieter,
Bildad de Suchiet. en Zofar
De Naamathiet, en deden
Wat Jehovah had bevolen.
En in vurige gebeden
Knielde Job, en — Hij verhoorde!
En toen Job dus voor zijn Vrienden
Had gebeden, daar verloste
Hem Jehovah uit zijn rampen!
En Hij gaf hem dubbeld weder
Wat hij vroeger had bezeten.
En daar kwamen ze aangevlogen,
Al zijn broeders, al zijn zusters,
Al zijn oude welbekenden;
En zij aten aan zijn tafel,
Hem beklagend en vertroostend
Wegends al het bitter lijden,
Dat Jehovah hem beschikte.
En zij brachten hem geschenken,
Elk een wichtige kezite
En een gouden oorversiersel.
En Jobs laatste levensjaren
Werden, boven al zijn eerste,
Door Jehovah\'s hand gezegend.
Want zijn rijke kudde telde
Veertien duizend blanke schapen,
Zesmaal duizend vlugge keemlen,
Volle duizend koppel ossen,
Volle duizend ezelinnen; —
Ook ontfing hij, als te voren,
Zeven zoons, een drietal dochters.
En Jemima heette de oudste;
Kezia de tweede dochter,
En de derde Keren-Happuch.
En men vond geen schooner vrouwen
-ocr page 246-
236
Heel de Landstreek in het ronde;
En heur vader liet haar erven
In het midden heurer broeders.
En Job leefde nog na dezen
Honderd veertig blijde jaren —
En hij zag niet slechts zijn kindren,
Maar de kindren zijner kindren,
Tot in drie en vier geslachten.
Eindelijk is Job gestorven
Hoog bejaard en zad van dagen.
EINDE VAN HET BOEK JOB.
-ocr page 247-
IETS OVER HET BOEK JOB.
-ocr page 248-
De uitleggers van het Boek Job volgen elkander op; de vertalers van het
Boek Job bewijzen elkander hunne laatste diensten; hunne namen en hunne
werken worden begraven in de boekerijen, die katakomben der wetenschap. Als
hier beneden die namen niet meer bekend zullen zijn dan bij eenige geleerden, die,
ten bate van de toekomstige geslachten, de fossile Litteratuur van onze eeuw
zullen onderzoeken, dan zal de verhevene gestalte van Job-zelven daar nog altijd
voor aller oogen staan, en de geheimzinnige tonen zijner stem zullen een weêr-
klank vinden in ieder hart dat door het lijden verbrijzeld ia, \'t Is vergeefs, of men
al een boek het verwijt doet dat het een oplossing is die niets oplost, een onver-
klaarbare uitlegging. Wanneer dat Boek gedurende zoovele eeuwen gelezen wordt
en op zoovele zuchten antwoordt, protesteert het oordeel van het Menschelijk Ge-
slacht tegen dat der Kritiek, en moet men wel ;i priori aannemen dat dit Boek
„iets zegt."
GODET.
-ocr page 249-
§!•
HET BOEK JOB IN \'T ALGEMEEN.
Onder de gedenkteekenen der Israëlitische Oudh«id, bekleedt
het Boek Job ontegenzeggelijk een eersten rang. Het is een ka-
noniek boek, en reeds daarom van bijzondere waarde voor allen
die den Bijbel vasthouden als regel en richtsnoer van hun geloof.
Het is een Hebreeuwsch boek, en alzoo belangrijk voor Let-
terminnaar en Historievorscher, als getrouwe getuige van Oostersche
Taal en Volksgeest. Het is een theologiesch boek, en als zoo-
danig merkwaardig voor de geschiedenis van het Joodsche Dogma,
van wege de godsdienstige en zedelijke denkbeelden die het ver-
kondigt, waarin wederom de kiemen liggen van later ontwikkeling
van het Religieus Geweten1). Het is misschien een van de oudste
boeken der Menschheid; gelijk, trouwends, naar Hamanns woord,
de poëzy de moedertaal is van het menschelijk geslacht en ouder
dan het proza, zooals de tuinkunst ouder is dan het akkerwerk.
In allen gevalle is het een dichterlijk boek bij uitnemendheid,
schitterende proeve van die Semitische poezy, te recht geroemd
als te gelijk lyriesch en spreukrijk, gloeiend van koloriet en zuiver
van lijnen, het hart verkwikkend met een geur van antieke
kracht en eenvoud. Eindelijk, het is een boek der smarte,
een Benonie, uit de smart en voor de smart geboren. „Dan
eerst\'\' — zegt Réville — „zou het boek Job niet meer gelezen
worden, als het lijden ophield: zoolang dit bestaat, behoort het
tot de eeuwige boeken."
Of en in hoeverre het Boek Job nu, boven dit alles, ook den
naam van een historiesch boek verdient, is een vraag, die
niet in allen deele met zekerheid kan worden beantwoord. Het
behandelt de lotgevallen van een man uit den aartsvaderlijken
tijd, wiens naam, eigenlijk Ijob, zooveel beteekent als „de aan-
ge vocht ene", kennelijk minder een eigen naam dan een bij-
naam of zinnebeeldige benaming, hier inderdaad wat in de Fransche
\') Zie Réville Essais de Critique roligieuse, 1860, p. 398 etc.
-ocr page 250-
240
taal eigenaardig een nom deguerre geheeten wordt. Misschien
heeft de dichter niets anders gegeven dan een schepping van
eigen fantazy, of de omwerking van een bestaande, welbekende
overlevering. Misschien — en dat achten wij wel zoo waarschijn-
lijk — heeft de werkelijke geschiedenis van een tijdgenoot ot
eigen levenservaring, hem ten deele de stof geleverd tot zijn
Poëem. In allen gevalle zijn waarheid en verdichting daarin tot
een Geheel in-éen-gesmolten; en is het Boek Job, ook al heeft
de prototype van zijn held eenmaal onder de menschen gewan-
deld, niet historisch maar didaktiesch gemeend. De regel-
matigheid van het plan, de symmetrie, niet alleen der verdeelin-
gen van het gedicht, maar zelfs der gebeurtenissen die het be-
zingt, alles verraadt den Dichter. De Job — de geldigheid der
meermalen gemaakte opmerking valt niet te loochenen — de
man, wiens verwoeste have juist met het dubbele vergoed wordt,
die zeven duizend schapen verliest en er veertien duizend terug-
krijgt, die zeven zonen en drie dochters betreurt en wederom
met zeven zonen en drie dochters getroost wordt, die van al
zijn huisvolk wordt beroofd, zoodat telkens slechts éen bode het
verderf ontkomt om den jammer hem te melden, die naderhand
zijn klachten in den vorm van het welluidendste parallelisme
uitstort en op dezelfde wijze beantwoord wordt — zulk een man
kan toch wel geen photographie zijn. Hij is den Dichter mid-
del, geen doel: geen persoon van vleesch en bloed, zooals hij
daar gaat en staat uit de realiteit gegrepen, maar de verper-
soonlijking eener groote Gedachte. Te recht zegt Godet ergens:
„De werkelijke Geschiedenis schrijdt niet voort volgends wis-
kundige wetten: en de rhythmus kenmerkt altijd de ideale Ge-
schiedenis." Men kan er ten slotte nog bijvoegen, dat bovendien
in allen gevalle dat gedeelte der handeling dat in den Hemel
speelt, uit den aart der zaak niet letterlijk maar symboliesch.
als zinnelijke inkleeding eener Religieuze Waarheid, moet wor-
den opgevat.
Denzulken, die ook nu nog, gelijk vroegere Schriftverklaarders \'),
een dergelijke beschouwing als vermetel en gevaarlijk zouden
willen verwerpen, moge hier het woord van Niemeier 2) in her-
innering worden gebracht: „Ik zie in deze opvatting even weinig
*) Spannheim, Jnrieu, en anderen.
2) Dr. A. H. Niemeier, Karakterkunde v. d. Bijbel I). I, stuk II, bl. 576
der Holt. vertaling.
-ocr page 251-
241
gevaar voor den Bijbel, als wanneer ik beweer, dat de Rijke Man
en Lazarus, dat de Koning die zijnen zoon een bruiloft aanrichtte,
en de Onrechtvaardige Rentmeester, geen ware personen geweest
zijn. Voor mij is de kern des Bijbels van aanbelang, en de schors
waaronder zij schuilt, doet daarbij niets ter zake. Ook al ware
zelfs niet éene enkele omstandigheid, in het Boek Job vermeld,
een werkelijk feit, het boek verliest daardoor niets van zijne
waarde: het behaalt des te eerder de overwinning over alle tegen-
bedenkingen der twijfelaars" \').
§ 2.
DE TIJD DER SAMENSTELLING EN DE AUTEUR
VAN HET BOEK JOB.
Gelijk de beide vragen naar den tijd der samenstelling en den
auteur van het Boek Job ten nauwsten met elkander samenhan-
gen, zoo zijn beide evenzeer met geen genoegzame zekerheid te
beandwoorden. Van de daaromtrent bestaande ontelbare en meestal
zeer uit-éen-loopende gevoelens, kunnen wij hier slechts de drie
voornaamste vermelden, die trouwends op dit oogenblik bijna al
de anderen overleefd hebben.
Van deze drie hypothesen is zeker die, welke het Boek Job
na den Salomonischen tijd ontstaan doet, wel de minst aanneem-
lijke en niet dan door zwakke argumenten gesteund. Zoo b. v.
beweeren sommigen die haar verdedigen, dat op den achtergrond
van dit Gedicht een politiesch onweer dreigt, een wolk van
bange tijden, vol verwoesting en ellende, en dat het daarom vooral
ook onder de regeering van Manasse moet geschreven zijn \').
Anderen, dat de Auteur, die Egypten zoo nauwkeurig kent, met
koning Joalias daarheen schijnt weggevoerd te zijn geworden 3).
Anderen, wederom, dat het boek het begin van de invallen van
Aziatische veroveraars, maar nog niet de verwoesting van Jeru-
zalem, veronderstelt 4). Nogmaals anderen, dat het zoo laat ge-
plaatst moet worden, omdat het slechts de rijpe vrucht kan zijn
\') Michaeli», Prol. in Job.
-) Ewald, gevolgd door Heiligstedt en in 1860 ook door Renan.
3) Hirzel.
                         4) Stiokel.
X.                                                                                                                  16
-ocr page 252-
242
van een lang reeds bloeiende Litteratuur \'). — Maar om niet te
spreken van het uit de lucht gegrepene van de meeste dezer gis-
singen en de valsche gevolgtrekkingen, daaruit niet zelden afge-
leid, reeds de veronderstelling dat een Boek, waarin zulk een
verschrikkelijke strijd in de hette der aanvechting wordt voorge-
steld, noodzakelijk in dagen van nationale rampen moet ontstaan
zijn, is onhoudbaar. Kan niet een Dichter, ook zonder deze, zijn
eigen lijden bezingen, en wordt zijn lijden niet juist des te pijn-
lijker. als hij dat draagt te midden van een welvarend volk en
van gelukkigen omringd? Het is inderdaad niet aannemelijk, dat
het beeld der „Lijdende Onschuld" niet opgedoemd zou zijn aan
den gezichteinder van het Menschelijke Leven dan eerst ten tijde
van Juda\'s koningen. Ontmoeten wij het lijk van een vermoorden
brave niet reeds op den drempel van het Paradijs? *)
Anderen 3) hebben, en zeker althands met eenigen meerderen
schijn van grond, beweerd dat het Boek Job uit den tijd der Ba-
bylonische ballingschap dagteekent, en dat Job, hoewel dan juist
geen personifikatie van Israël 4), toch een spiegel van\'s volks
beproeving en toekomstige verlossing is s). Nu eens heeft men
zich daarbij beroepen op de overeenkomst tusschen sommige plaat-
sen uit het Boek Job en uit het tweede deel der Jesaiaansche
Profeciën, een overeenkomst die zelfs sommigen verleidde tot het
besluit dat Jesaia-zelf de Dichter van Job moest zijn6); met hoe-
veel of liever hoe weinig grond, wordt aan het gezond verstand
des lezers ter beoordeeling overgelaten. Dan wederom heeft men
dit gevoelen zoeken te staven door de opsporing van gewaande
chaldeïsmen in het Boek Job; door te drukken op de daarin voor-
komende daemonologie, die een later Joodsch karakter zou ver-
toonen 7); op den gebezigden Jehovah-naam, Syrische en Arabische
taaibuigingen 8), en wat al niet meer; altemaal bewijsgronden,
die beurt om beurt hunne weêrleggers en vernietigers hebben
gevonden.
De tweede hypothese stelt dat het Boek Job, dat meestei-
stuk van religieuze bespiegeling en diepzinnige poëzy „dat reus-
achtige en prachtige boek" 9), waarin al het vreeslijk-verhevene
\') Blcuk.                        *) Godet.                   3) Bij voorbeeld Umbreit,
4 Zoouls nog v>nlangs (1868) beweerd werd door Seinecke in zijne brochure: „Der
Grundgedanko des Buches Hiob.
") Bernstein.
                  \'\') \'Jodurque.             7) Semler.
") Thomas Heath.          \'\') Luther.
-ocr page 253-
243
dat de schepping Gods en het leven der menschen kan aanbieden,
zich als een Alpenketen aan elkander schakelt, „in geen ander
tijdperk kan geboren zijn dan in dat van Salomo." Dit gevoelen,
tegenwoordig in Duitschland door de meeste Schriftverklaarders
omhelsd, is aldaar nog zeer onlangs door Prof. Delitzsch met
kracht verdedigd \'). Hij beroept zich op de Litteratuur der c h o k m a ,
die met Salomo begonnen is; op den stempel van Salomonische
gnosis en techniek, dien het boek Job draagt in zijn religieus-
bespiegelend element, en den hoogen trap van kunstvaardigheid
dien het verraadt, beide eigenschappen bij uitnemendheid eigen
aan dien tijd, waarin de Letterkunde, even als het Koningschap,
het toppunt van haren weligen bloei had bereikt. Salomo\'s wijs-
heid (meent hij) was grooter dan de wijsheid der Egyptenaren,
met wier flora en fauna de Dichter van Job nauwkeurig be-
kend is. De phyzische kennis en waereldwijsheid, waar het Boek
Job van overvloeit, kan zich slechts vertoonen binnen dien wijder
gezichtskring, dien Israël in Salomo\'s dagen zich trekken mocht.
In die dagen was de klove tusschen Israël en de Volken meer
dan ooit gedempt, en droeg de Israëlitische beschaving in \'t al-
gemeen een kosmopolitischen karaktertrek, waarin men een
eerste aankondiging mag zien van de aanstaande vereeniging aller
Volken in het Geloof aan éenen zelfden God der Liefde.
Intusschen, hoe aannemelijk dit gevoelen ook schijne, toch is
er nog al een en ander tegen in te brengen. De afwezigheid van
zelfs de allerminste toespeling op de Mozaïsche wet en eeredienst,
op de afgoderij der omliggende Heidenen, op de historische tijden,
de profecy, de volksgeschiedenis; het ontbreken zelfs van de gods-
\'lienstige terminologie van Israël: dat alles zou toch wel een al te
kunstig litterariesch procédé zijn voor zulk een tijdperk J). En
wat betreft dien univerzalistischen karaktertrek, dien de Salomo-
irische tijd en het Boek Job met elkander zouden gemeen hebben,
welk verband bestaat er tusschen het ziekelijk polytheïstiesch
univerzalisme van Salomo en het zoo jong en zoo krachtvol mo-
notheïsme van het Boek Job? Wijst bovendien het Hebreeuwsch
van het Gedicht, met zijn vele Arabische invoegselen, niet be-
paald terug naar vroegere tijden, toen de Semitische talen, gelijk
lakken die nog pas van den gemeenschappelijken stam zijn ge-
\') Dr. Franz Delitzsch Bibl. Comm. über das Buch Job, 1864,, S. 14, folg.
!) Godet, in de Revue Chrétienne, VII Année 1800, p. 18 en volg., in een
merkwaardig artikel, waarop wij nader terug komen.
-ocr page 254-
244
plukt, liare volslagen individualiteit nog niet bereikt hadden? Wel
is waar, men heeft deze bedenking trachten te ontzenuwen door
te wijzen op de volmaaktheid van den stijl van het boek; men
heelt beweerd dat men op deze wijze even goed Racine lot een
tijdgenoot van Ponsard kan maken, of staande houden dat Solon
de Ilias van Homerus en de Eumeiiiden van Aeschylus geschreven
heeft \'). Maar hebben wij in het Hebreeuwsch genoegzame pun-
ten van vergelijking? Had de Egyptische Litteratuur haar toppunt
niet bereikt ten tijde van Mozes? En wie weet tot welk een vol-
maaktheid de Hebreeuwsche Letterkunde zich in zulk een school
heeft kunnen verheffen?
De derde of laatste (eigenlijk de oudste) hypothese van een
veel vroeger tijdperk dan het Salomonische, komt daarom velen
het aannemelijkst voor: en niet weinige der uitnemendste theologen
hellen er nog altijd toe over om in den auteur van het Boek Job
een tijdgenoot, zooal niet een voorganger, van Mozes te zien.
Vroeger waren er, die aan Mozes-zelven dachten. Zooals bekend
is, noemt reeds de Talmud hem als den Dichter van Job; en
niet alleen de oudste Rabbijnsche schriftverklaarders, Aben-Esra.
Manasse Ben-Israël in de eerste plaats, maar ook oudere christe-
lijke schrijvers, Origenes, Julianus Halicarnasseus, Hieronymus.
volgen daarin zijn voorbeeld. Michaelis in zijn tijd, en Ebrani
nog geen zes jaren geleden, hebben hetzelfde gedaan. Maar het
is en blijft toch wel wat al te sterk, aan te nemen dat Mozes. in
een tijd als Abrahams nakomelingschap onder het hardste slaven-
juk gebogen lag, zich in de woestijn bezig zou hebben gehouden
met het schrijven van een Gedicht, dat als een populair huis- en
handboek, als een Algemeen Volksboek, gelijk het in onze dagen
heet, straks onder zijne rampspoedige landgenooten, als \'t ware
met de snelheid van onze drukpers, verspreid zou worden. Zo»
de dichter van dit verhevenste van alle liederen — zoo heeft
men verder gevraagd2) — niet veeleer onder Nahors nakome-
lingschap te vinden zijn? Menigmaal wordt er in de schrift des O. T.
van „Nahors God" gesproken, waarschijnlijk wel omdat hij aan-
gaande God opgeklaarde en waardige denkbeelden koesterde boven
zijne tijdgeiiooten. Welnu, zou dan de ware opsteller van de/e
geschiedenis, deze divina commedia van den voortijd, niet i»
>) Herder.
\') Heronymus, Rupertua, Bellarniijn. Later Goguet, wien Niemeicr volgde, uit wie»
het hier volgende is tosamen-getrokken (Karakt. v. d. Bijbel, t.a.p. bl 507volg)
-ocr page 255-
245
dezen stam geplaatst kunnen worden, die ook den waren God
kende? — „Als ik dat doe," zegt Dr. Niemeier — „zie ik een
menigte van duisterheden verdwijnen, die mij bij al de andere
gevoelens als onverklaarbaar voorkwamen. Dan begrijp ik, voor-
eerst, den samenhang der Godsdienstleer, die in dit boek wordt
voorgesteld. Zij komt in vele punten overeen met die van Abra-
ham, en evenwel ziet men duidelijk dat het niet die van Abra-
ham-zelf is, \'t geen zij, indien het boek van een zijner nakome-
lingen was, zoo zeker zijn zou als het waarheid is dat haar
grondtoon door al de volgende boeken des Ouden Testaments
lieenklinkt. \'t Zijn dezelfde begrippen, maar met betrekking tot
de bijzonderheden bemerkt men dat de levenservaringen van
Abraham den schrijver onbekend zijn. Indien de beproeving van
Abraham bij de offerande van Izaak een trelfende innerlijke over-
eenkomst heeft met de beproeving van Job, gelijk niet moeilijk
te bewijzen is, zou dan zoo de auteur van dat boek. bijaldien die
gebeurtenis uit het leven des aartsvaders hem bekend ware ge-
weest, het stilzwijgen bewaard hebben aangaande zulk een groot
en schitterend voorbeeld van Gods aanbiddelijke Voorzienigheid?
Hoezeer zou dat in strijd zijn geweest met de gewoonte der
Oosterlingen, om de ervaringen en voorbeelden hunner voorva-
deren in gedachtenis te houden! Maar over \'t algemeen vindt
men de grootste overeenstemming met de toenmalige Godsdienst-
begrippen. De dikwijls herhaalde vermelding van droomgezichten
en verschijningen, welke niet tot Abrahams familie bepaald bleven \');
zelfs de nog zeer eenvoudige vorm van afgoderij, waarvan alleen
melding wordt gemaakt, hoe volkomen passende is dit alles voor
de tijden waartoe wij opklommen, de tijden van het Patriarchale
leven, waarin Job reeds schijnt te behooren naar den hoogen
ouderdom welken hij bereikte? Dan worden, al verder, ook al
de gewoonten, waarop hier en daar gezinspeeld wordt, ons duide-
lijk. Niet éene gewoonte, niet éen enkel denkbeeld, dat van latere
tijden zou kunnen getuigen! En toch is het zeker, dat de moei-
lijke kunst van misleiding in een betrekkelijk nog onbeschaafden
lijd nog wel zulk een hoogen trap niet bereikt zal hebben, dat
ze dit alles met zooveel takt zou hebben kunnen verbergen. Zeer
natuurlijk is \'t nu, dat Job-zelf offert, dewijl hij tot een tijdkring
behoort waarin elk huisvader priester van zijne familie en de ge-
lieele Godsdienst nog meer een vrijwillige betooning van dankbaar-
\') Gen. XXXI: 24.
-ocr page 256-
246
heid en liefde dan een wettische plichtsvervulling was. Is het
bewijsbaar, gelijk sommige oudheidkenners beweerd hebben, dat
men ter gedachtenis van de zeven scheppings-dagen al vroeg het
slachten van zeven offerdieren heeft ingevoerd, dan is ook de
vermelding van dat gebruik, hetwelk op niets in de volgende
wetten gegrond is, in het boek Job \') des te natuurlijker naar-
mate het nader gebracht wordt aan het boek Genesis. Maar al
ware dit ook niets meer dan een gissing, dan nog zou dit ééne
vast staan, dat de gewoonte-zelve van vóór de tijden der uit-
drukkelijke offerwetten dagteekent en reeds vroeg in zwang moet
zijn geweest.
„Hoe meer bijzonderheden van dien aard men ontmoet, hoe
meer men in de overtuiging versterkt wordt, dat men het oog
op het rechte tijdstip heeft, waarin de rijkdom der menschen nog
hoofdzakelijk in rund- en zuivelvee bestaat, waarin de gastvrijheid
nog blinkt aan de spits der deugden, waarin de volkstrots, de
nationale hovaardij, nog een onbekende zaak is. Dit alles zijn
karaktertrekken, die men bij het lezen van het Boek Job niet
voorbij kan zien. Maar tevens merkt men op, dat men niet al te
ver in het verledene mag opklimmen: dat men ten tijde van Jobs
Auteur het geld reeds gekend, dat men zich van de kezita\'s
bediend heeft, waarvan bij het koopen van een stuk lands van
de Hemorieten door Jakob ten eersten male gewag gemaakt wordt,
terwijl Abraham zich nog van het gewicht bedient 2). Eindelijk
maakt de omstandigheid, dat er gesproken wordt van de „poorten
der stad" 3) te waarschijnlijker dat wij in de familie van Nahor
te recht zijn, omdat die in Haran (\'t welk dikwijls zelf „de stad
van Nahor" genoemd wordt) woonachtig is, terwijl daarentegen
Abraham en zijne eerstvolgende nakomelingen, gelijk al de oude
en vele nieuwe Arabieren, nog geruimen tijd een zwervend her-
dersleven leidden. Eindelijk is de benaming der kohanim onder
de personen die tot de rechtbanken en de overheid behoorden,
wederom zeer in overeenstemming met dit tijdperk.
Wat dit alles te meer kracht bijzet, is de opmerking, dat
juist de plaats, waarin het Jobs-drama speelt, zoo zeer met de
handeling harmonieert Nahor en zijne nakomelingen — wij heb-
ben het reeds doen opmerken — woonden te Haran in Mesopo-
tamiën: en de beste uitleggers plaatsen het land Uz — den-
") Job. XLII: 8.
3) Job. XXIX: 7.
2) Nam. XXIII :1 enz.
-ocr page 257-
247
zelfden naam dien Nahors zoon droeg\') — juist in deze land-
streek. Dus zijn Chaldea, Arabiën en Egypten de naaste grenzen.
Hoe natuurlijk is het dan, dat men van al die drie landen in
het Gedicht gewag vindt gemaakt; dat er een menigte van Ara-
bische denkbeelden, gewoonten, uitdrukkingen, een menigte van
Egyptische vergelijkingen en begrippen overal in verspreid is? Op
deze wijze worden al de genoemde landstreken, en de inval der
Sabeesche rooverbenden van den kant van Woest-Arabiën, be-
grijpelijk.
„En zou het nu geen dwaasheid zijn," — zoo besloot Nie-
meier zijn onderzoek — „te vragen, wie eigenlijk de Auteur is?
Wie zal daar op antwoorden? Wie zal het bejammeren, dat hij
hiervan onkundig moet blijven? Stellen wij ons te vreden met
de waarschijnlijkheid, dat de onsterfelijke Dichter uit een zijde-
lingsche linie van Abraham afstamt, niet zeer verre van diens
tijden, en dat hij ten minsten vóór de afkondiging der Israëlitische
wet heeft geleefd."
Toch blijft bij dit alles nog wel een plaats over voor de schoone
woorden van Herder:2)
„En waar is uw graf, o vroege Wijze! die deze Theodicee voor
God en Epopee voor de menschheid hebt uitgevonden? die ze
in deze stille daad, den toestand van een lijder op zijn aschhoop,
vereenigde en met gevleugelde spreuken uwer wijsheid, als met
de vonken van uw vluggen geest, doortintelde en bekroonde?
Waar is uw graf, verheven Dichter! vertrouwde van den God-
delijken raad, van engelen en menschenzielen! die hemel en aarde
in éenen blik te-samen-vat en uit de diepte van het schaduwdal,
waar de lijder jammert, tot aan de starren, ja, tot boven de star-
ren. uw ziel, uw hart, uw dichtgave, uw geestdrift stijgen doet?
Bloeit er een altijd groenende Cypres op uwe rustplaats? Of ligt
gij verborgen, gelijk uw naam dien gij verzwegen hebt? en laat
gij alleen uw boek van u getuigen, en zingt gij, hoog boven den
grooten aschhoop van zoovele lijders verheven, met de morgen-
starren voor den troon van uwen Albestuurder? Of waart gij de
geschiedschrijver van uw eigen lijden en triomf? van uw eigen over-
winnende en overwonnen wijsheid ? Waart gij-zelf de gelukkige-onge-
lukkige, de geplaagde en beloonde zelf? Zoo hebt gij andermaal den
\') Genes. XXII: 21.
2) J. G. Herder, De geest der Hebreeuwsche poëzy, D. 1, Aanhangsel
tot de vijfde Samenspraak, bl. 198 en volg. der Holl Vertaling.
-ocr page 258-
248
klachten lucht gegeven en uw zegepraal over eeuwen en waerelddeelen
uitgebreid! Uit uwe asch is ook, met dit boek, een feniks, een ver-
jongde palm boom voortgekomen, wiens wortelen het water zuigen.
Terwijl gij, gelijk gij wenschtet, in uw nest gestorven zijt, heeft
zich zijn wierook allerwege verspreid, en heeft dikwijls de on-
macht verkwikt, ja zal die verkwikken tot aan het einde der tijden !
„Gij trekt den hemel op aarde neder; gij legert het hemelsch
heir onzichtbaar rondom het bed des kranken: zijn lijden wordt
een voorwerp van der engelen aandacht, een bevestiging van
Gods liefde voor Zijn schepsel, waarop, als tot rechtvaardiging
van Zijne eigene zaak, Zijn blik zich beproevend richt. Ziet, zoo
houden wij dan hen gelukzalig die verdragen! Wij hebben de
verdraagzaamheid van Job gehoord en het einde des Heeren ge-
zien, want zeer barmhartig en een Ontfermer is de Heer!1)
§ 3.
TOT WELKE DICHTSOORT BEHOORT HET BOEK JOB.
Dat het Boek Job bij uitnemendheid een Dichterlijk boek is,
hebben wij reeds vroeger op grond van zijn inhoud opgemerkt.
Dat het zich als zoodanig ook door zijn form karakterizeert,
behoeft nauwelijks herinnering, en is dan ook wel nimmer ge-
loochend. Eenige verhalen, in den beginne en aan het slot, uit-
gezonderd, — zegt een reeds aangehaald beoordeelaar — onder-
scheidt zich de taal door zekeren klankmaat of rhythmus van
de overige boeken des Ouden Testaments op zeer kennelijke wijze.
Hoe ijdel en mislukt ook de pogingen van een Gomarus, Hare
en hunne volgers mogen geweest zijn om de Hebreeuwsche metra
systematiesch te regelen, toch kan niemand in twijfel trek-
ken, dat zekere boeken des Ouden Testaments zich niet alleen,
door een bijzonder verheven toon, door een zinnebeeldige en
bloemrijke uidrukking van anderen onderscheiden, maar ook dat
de zelfde stukken door zekeren numerus, zekere evenredige
afmeting (wel niet op vaste of althands bij ons bekende wetten
gegrond, maar niettemin voor ieder fijn oor merkbaar en zicli
meestal eenigzins dithyrambiesch voordoende) even zeer uit-
1 Jak. Vili.
-ocr page 259-
249
munten als er menige fijnheid der taal, menige nuance in \'t ge-
bruik van kleine woorden of woordschikkingen in doorstralen.
Over \'t algemeen, wie drukt in de gewone samenleving, wie in
het midden der smart, zich zoodanig uit als Jobs vrienden spreken?
Wie heeft ooit onder een Volk, hoe bloemrijk ook in zijne spieek-
wijze, zulk een rijkdom van tropen en overdrachtelijke uit-
drukkingen gehoord? Beklagenswaardige, gevoellooze zielen, die
hier geen waarachtigen dichtgloed, die hier geen verheven poëti-
sche vlucht gewaar worden!1)
Terwijl men het dus over het algemeen Dichterlijk karakter
van het Boek Job tamelijk eens was, werd daarentegen de vraag
naar de bepaalde Dichtsoort, waartoe men het Boek heeft te
brengen, op verschillende wijze beandwoord. Velen meenden het
Boek Job, even als de Openbaring van Johannes, een Bijbelsch
Epopee te moeten noemen en beproefden zelfs een vergelijking
van Homerus met den Dichter van Job. Aldus, nog onlangs, een
hunnera): Homerus bezingt den wrok van Achilles; hij toont
aan, hoe die noodlottige toorn ontstaat, welke jammerlijke gevol-
gen hij na zich sleept, en eindelijk, hoe hij ten offer wordt ge-
bracht op het altaar der Vriendschap bij een gapend graf. Gelijk
de wrok van Achilles de ziel is van de Ilias, zoo is het
lijden van Job de ziel van het Hebreeuwsche dichtstuk. De
Auteur begint met ons in den Hemel te verplaatsen, om ons daar
de oorzaak van dit geheimzinnig lijden te ontsluieren. Wij wonen
de goddelijke Raadsvergadering bij, en worden getuige van de
tragische weddingschap tusschen God en Satan, waarbij de deugd
van Job het onderwerp, de heerlijkheid Gods de inzet is.
Dat is de Eerste Zang.
Nu volgen de driemaal herhaalde aanvallen van elk der Vrien-
den tegen Jobs rechtvaardigheid, en de zegevierende replieken,
waarmee hij die aanvallers telkens terugslaat.
Deze worstelingen vormen, als \'t ware, de tegenhangers tot de
^\'roote gevechten in de Ilias en maken het lichaam van het
Dichtstuk uit. Daarop beproeft Elihu door zijn welwillende en
verstandige redenen het gemoed van Job te verteederen en de
bitterheid zijner smart te temperen: even als Patroklus door zijn
zachte vermaningen den wil van zijn onverzettelijken vriend zoekt
\') Niemeier, Karakterk. v. d. Bijbel t. a. p. bl. 5S0 Lowth. De sac. Poes.
Hebr. Prael. S. 1.
:) Revue Chrétionne. VII Année 1860.
-ocr page 260-
250
te buigen. Jehovah, die ten slotte zelf verschijnt, brengt Job
eindelijk tot volkomen rust en onderwerping: de Held aanvaardt
den lijdenskelk zonder dat het waarom zijner beproeving hem
opgelost is geworden, en offert zijn wil en de trotschheid zijner
Rede op het altaar des Geloofs. Op Job heeft die Godsverschijning
een soortgelijke uitwerking als op den Griekschen Held de dood
van zijn vriend. Die rouw is, als \'t ware, voor hem de bloedige
verschijning van de Goddelijke Gerechtigheid, die hem toeroept:
„Ga, breek uw zwaard, breng uwen toorn ten offer aan den wil
der Goden, en herstel het kwaad dat uw gramschap gesticht
heeft!" Job, de overwonneling Gods, maar de overwinnaar van
zich-zelven en zijne vrienden, wordt in eere hersteld, wordt ver-
heerlijkt. Onderworpen aan den wil van den Olympus, schrijdt
Achilles. evenzoo, zegepralend daarheen.
Zoo dan hebben wij hier — dus besluit de genoemde schrijver —
wel waarlijk een Epos vóór ons, de Epopee van het Gewe-
ten. In het kampperk is het woord de pijl, en de verwonderlijke
strijd neemt de gedaante aan van een dialoog.
Daarentegen verheffen weer anderen — zooals Hupfeld en zeer
onlangs Delitzsch \') — hunne stem, om te betoogen dat het Boek
Job, even als het Hooglied, geen Bijbelsch Epopee maar een
Bijbelsch Drama genoemd moet worden; en wel een Drama in
zeven Deelen of Bedrijven, naar het volgende schema:
EERSTE BEDRIJF-.
De (aanknooping. Kap. I—III.
TWEEDE BEDRIJF:
De aanvang van den kampstrijd, of het begin der
verwikkeling. Kap. IV—XIV.
DERDE BEDRIJF.
De tweede kampstrijd, of de klimmende verwikke»
ling. Kap. XV—XXI.
VIERDE BEDRIJF:
De derde kampstrijd, of het toppunt der v e r w i k k e-
ling. Kap. XXII—XXVI.
\') Dr. Franz Delitzsch, Bibl. Comment. Ubcr das Buch Job, Leipzich 1864,
S. 11 folg.
-ocr page 261-
251
VIJFDE BEDRIJF :
De overgang van de verwikkeling tot de ontknoo-
ping: Jobs alleenspraak en de redenen van Elihu.
XXVII—XXXVIII.
zesde bedrijf:
De oplossing: inwendig, voor Jobs hart.
Kap. XXXVIII—XLII.
ZEVENDE BEDRIJF.
De oplossing: uitwendig, voor Jobs leven. Kap. XLII—
het einde1)
Het Boek Job — zoo beweert Delitzsch — is een spreekzaal;
en men kan gerust aannemen dat de Dichter, \'t zij dan een tijd-
genoot voor de handelende personen, \'t zij dan uit later dagen
atkomstig, een plaats onder de woordvoerders inneemt. Het Eerste
Deel moge in verhalende form gekleed zijn, toch is het dialo-
giesch en in zooverre toch ook wederom dramatiesch. Ook
bij Euripides is de Inleiding meestal epiesch; en Sophokles
gebruikt evenzoo meestal zijnen Proloog om de belangstelling
voor de aanstaande gebeurtenissen op te wekken en de toeschou-
wers in geheimen in te wijden, die voor de handelende personen
verborgen blijven. Nadat in het Voorspel de raadselknoop gelegd
is, wordt hij in den drievuldigen kampstrijd van Job met de drie
Vrienden hoe langer hoe vaster aangehaald. In de Alleenspraak
van Job begint hij zich te ontwinden, en in het Zesde Bedrijf
volgt, behoorlijk voorbereid en dus niet ex machina, de oplos-
sing, die in den Epiloog of Exodos voltooid wordt: de knecht
Gods wordt tegenover zijn vrienden gerechtvaardigd en, overeen-
komstig de goddelijke voorspelling, als overwinnaar gekroond.
Wij hebben hier dus met een voortgaande geschiedenis te doen.
De aanmerking van Herder, dat de handeling verstijft tusschen
\') Gelijk men ziet, tamelijk wel in overeenstemming met de Aristotelische wet,
Vij Bilderdijk:
Ie Bedrijf. Voorstelling van \'t onderwerp;
Ile .. In-werking-brengen der daad;
Ille ,. Samenstelling der tegenstrijdige werkingen tegen een;
IVe „ Ten-top-voering der verwarring en de verwachting der hoorders;
V# „ Alles-bevredigende ontknoopinga
-ocr page 262-
25\'2
lange spreuken en redevoeringen, is oppervlakkig. Van het begin
tot het einde is alles aktie, al komt de uitwendige handeling
dan ook alleen in de aanknooping en in de oplossing te voor-
schijn. Van het midden des Boeks geldt wat Schlegel van Göthe\'s
Iphigenia zegt: „De gezindheden worden er tot handelin-
gen gemaakt en den toeschouwer aktief voor oogen gesteld."
Overigens wordt, gelijk in Göthe\'s Tasso, het gebrek aan uit-
wendige handeling door rijkdom en juistheid van karakterschilde-
ring overvloedig vergoed. De Satan, Jobs huisvrouw, de held-zelf,
de drie vrienden — allen zijn met rijke verscheidenheid en meestal
zeer uitvoerig geteekend.
Ook van een anderen kant nog toont de Dichter zijn drama-
tiesch talent. Met meesterlijken takt heelt hij de strijdredenen
zóo aangelegd, dat hij het hart des lezers in gelijke mate van
de vrienden afkeerig weet te maken als voor Job te winnen Hij
laat de vrienden in hunne redenen tot het laatste toe de heerlijkste
waarheden uitspreken, die echter, door de scheeve toepassing op
het tegenwoordige geval, onwaar worden. En ofschoon het Geheel
dienstbaar is aan de voorstelling van éene, groote Idee, toch
wordt deze door geene der optredende personen vertegenwoordigd,
door niemand bepaald uitgesproken. Elke persoon is, als het ware,
een medeklinker in het woord van die Idee; zij wordt door
het gantsche Boek heen verwerkelijkt, en eerst aan bet einde
komt zij te voorschijn als de somma van het Geheel. En toch
is Job-zelf niet minder een tragiesch held dan de Edipus der
beide Sophokleesche Treurspelen \'). Wat daar het onontwijkbaar,
door het orakel verkondigd Noodlot is, dat is in het Boek Job
het door Jehovah in de Engelenvergadering genomen raadsbesluit.
Als een pijnigend raadsel komt het lijden tot Job. In den beginne
valt het hem gemakkelijk in den lichter strijd te zegevieren, tot-
dat de vermaningen zijner moeielijke troosters het onbegrijpelijk
lijden nog onbegrijpelijker maken. Hij wordt daardoor in een
zwaren kamp gewikkeld, waarin hij nu eens vol hoogmoedig zelf-
vertrouwen zich ten hemel heft, dan eens in moedelooze angst
ter aarde zinkt. De God intusschen, met Wien hij worstelt, is
slechts het spooksel dat de aanvechting in plaats van den waren
God voor zijn schemerend oog heeft geplaatst, en dit spooksel is
in niets verschillend van het onverbiddelijk Noodlot der Grieksche
Tragedie. In die Tragedie tracht de Held, tegenover de geheime
\') Reeds Schultens; evenzoo Ewald (Jahrb. 9, 27.
-ocr page 263-
253
Macht die hera met ijzeren arm verplettert, zijn inwendige vrij-
heid te handhaven: evenzoo handhaaft Job, in het Semitische
Drama, zijn onschuld tegenover dien God, die hem als een mis-
dadiger aan het verderf heeft gewijd. Maar midden in deze ont-
zettende worsteling met den God van het Heden, die hersenschim
der wanhoop, grijpt Jobs geloof naar den God der Toekomst, Wien
hij te meer nabij komt, naarmate zijne vijanden hem te onbarm-
hartiger veroordeelen.
Eindelijk verschijnt Jehovah werkelijk, maar niet op Jobs on-
stuimigen eisch: Hij verschijnt eerst nadat Job begonnen is zich
te veroodmoedigen en de kastijding aan te nemen, en verschijnt
juist, om, in nederbuigende genade, die stemming te verhoogen
en te heiligen. Jehovah verschijnt, en — de Noodlotsgod ver-
dwijnt. Het Dualisme, dat in de Grieksche Tragedie onopgelost
blijft, komt hier tot verzoening. De Menschelijke vrijheid bezwijkt
niet; want het blijkt, dat niet een volstrekte willekeur het leven
des menschen beheerscht, maar dat het geregeld wordt door de
goddelijke Wijsheid, wier innerlijke drijfveer de Liefde is.
Wederom anderen meenen, dat het Boek Job toch inderdaad
te weinig handeling heeft, zoowel om een Epos als om een
Drama genoemd te kunnen worden. De een1) meent duidelijk
te zien, dat het Boek Job „in zoo verre een Leerdicht is, als
het een bepaald leerstellig onderwerp heeft," welk onderwerp in
dat Gedicht gedurig in \'t oog wordt gehouden en er als \'t ware
de eenheid van uitmaakt. Een tweede 2), vindt in het Boek Job
„de verhevenheid van de Ode," maar zou het toch juist geen
Verzameling van Oden durven noemen.
De zaak is, dat het Boek Job tot geen enkele bijzondere dicht-
soort behoort: het heeft een epiesch element, een drama-
tiesch element, een didaktiesch element, een lyriesch
element. Even als Dantes Divina Commedia, is het alleen met
zich-zelf vergelijkbaar. Geniën als de Auteur van Job en als Dante
bouwen niet met afgemeten steenen naar een bepaald bestek: zij
scheppen een kosmos, waarin alle levens-elementen tot éen or-
ganiesch Geheel verwerkt zijn.
*) Herman Muntinghe.
2) Niemeier.
-ocr page 264-
254
§ 4.
DE INHOUD VAN HET BOEK JOB.
Het Boek Job behelst, in \'t algemeen, een proeve tot oplossing
eener vraag, die in het leven van alle vroomen, vooral van die
van den vóor-christelijken tijd, voor de hand lag. Om den inhoud
recht te verstaan, is, vóór alles, een juiste blik noodig in het
leven en lijden dezer vroomen, overeenkomstig hunne begrippen
aangaande Gods waereldbestuur en Zijne Voorzienigheid. Een der
jongste Bijbel-verklaarders geeft daaromtrent de volgende opraer-
kingen \'). De overtuiging van zondevergeving was ook onder de
Oude Bedeeling de grond van den vrede Gods bij alle godvruch-
tigen; maar die overtuiging was bij hen nog maar al te zeer af-
hankelijk van het bezit der zichtbare onderpanden van Gods ge-
nade, d. i. van aardschen zegen van allerlei aart. Daarom stond
die overtuiging in die vroegere tijden veel meer dan later, onder
de Nieuw-Testamentische bedeeling, aan allerlei schokken bloot,
die de geloovigen van de hoogste vreugde tot de diepste neêr-
slachtigheid konden vervoeren. Zeker, ook onder de Nieuw-Tes-
tamentische Bedeeling staan alle ervaringen en staat elke toestand
in verband met Zonde en Genade, met Gods tuchtigende roede
of Gods vriendelijke hand; maar het geheele inwendige leven des
christens wordt gesteund en gedragen door de volheid der genade
die in Christus verschenen is, en daarom is het den christen niet
zöo moeilijk onder het lijdenskruis staande te blijven of bij elke
wankeling zich wederom op te richten, als het Israëls heiligen
wezen moest en was.
Bij den Israëliet toch, is meestal elk lijden Gods onmidde-
1 ij k werk, het uitvloeisel van Jehovah\'s straffenden toorn 2); en
juist omdat de Israëliet alzoo het lijden als een straf ondergaat,
zonder de troost der zondevergeving te smaken, die den christen
onder alle smart nabij is, ziet hij uit dat lijden geen uitkomst.
Hij is „rondom ingesloten," als „in een net gevangen;" alle „Gods
baren en golven gaan over hem heen" 3); de dood schijnt hem
het eenige wenschenswaardige, en wel de dood met al de duis-
\') Dr. Otto von Gerlach.
2) Psalm XXXIX: 12. Klaaglied. III: 1, 4, 8 enz.
») Klaagl. III. Psalm XLII, enz.
-ocr page 265-
255
ternis, die hem in den voor-christelijken tijd nog omgaf. Hier
kwam dan nog de kwelling bij, dat Gods vijanden den vroomen
lijder bespotteden en in zijne nederlaag die van Gods zaak toe-
juichten.
Het Boek Job nu schildert ons die aanvechtingen, zooals zij,
\'t aller tijde maar vooral onder het Oude Testament, onder en
door het lijden geboren worden. Het Gedicht bestaat uit een I n-
leiding of Proloog, waarop dan de overgang volgt tot de
eigenlijke handeling; de weeklacht van Job. De handeling-
zelf, waarbij het groote vraagstuk: „het Waarom van Gods be-
zoekingen," eerst hoe langer hoe verwikkelder wordt, maar straks
de oplossing nadert, heeft daarna heur loop in driemaal drie dia-
logen van Job met zijne drie vrienden, redenen en andwoorden,
besloten met een lange rede of alleenspraak van Job; in drie
redenen van Elihu, een vierden vriend, die onverwacht ten too-
neele treedt, en eindelijk een beslissing van God-zelven, waarop
dan een Slot of Epiloog volgt. „In dit Boek" —zegt Herder —
„is een dubbel Tooneel, éen in den hemel, éen op aarde; eigenlijk
wordt Boven alleen gehandeld, daaronder alleen gesproken: het
benedengedeelte weet de bedoeling van het bovengedeelte niet,
daarom waggelt het heen en weder, als zonder vasten grond —
de dagelijksche toestand van alle philosophiên en theodiceën ter
waereld!"
De Inleiding begint met een schildering van Jobs vroomheid
en voorspoed. Een blik in den Hemel toont ons de goddelijke
Raadsvergadering, gemodelleerd naar die van een Oostersch
Monarch. De Engelen verschijnen voor den Heer, en onder hen —
ook Satan, een naam die hier voor het eerst in deu Bijbel ver-
schijnt \'). Gelijk die Satan in God niets anders ziet dan een
>) In zijne Essais de critique religiense. zegt Dr. A. Réville, bl. 40O en
volg.: „Eeuwen achtereen waren de Mono-theïstische stammen onbekend met het
bestaan en den naam van Satan, ofschoon zij altijd schijnen geloofd te hebben dat
onder de Geesten die den Troon des Allorhoogston omringen, er sommigen waren
die men als uitvoerders der goddelijke gerechtigheid kon beschouwen.
„Welk een afstand nog tusschen den Satan van Job, een Hemeling, nog optre-
ilende onder Gods zonen, die den vrijen toegang heeft tot het Goddelijk Hof, die
vertrouwelijk spreekt met Jehovah; en tusschen den Satan van later tijden, die in
\'iet diepst der Helle woont, die het hoofd is der gevallen Engelen, in opstand tegen
<rod van het begin der schepping af aan, en die zijne eeuwigheid doorbrengt met
kwaad te doen. De Satan van Job moet nog gedurende twee of drie eeuwen in was-
\'lom toenemen. Dan vindt hij in een zekeren Ahriman, zijn oudsten broeder,
oen bondgenoot en een voorbeeld, waarmee hij maar al te zeer zijn voordeel zal
-ocr page 266-
256
een overmachtig Tyran, zoo ziet hij in Gods liefdebetooning jegens
eenige Zijner schepselen ook niets anders dan redeloozen wille-
keur, terwijl hij die schepselen-zelf onvatbaar acht voor het goede
en goddelijke, omdat eindigheid en zelfzucht bij hem éen en het-
zelf\'de is. Hij wendt zich tot de gunstgenooten des Heeren, de
Aarde als verzoeker doorwandelend, om de verborgen sporen dei-
zonde na te vorschen, en dan als aanklager voor God op te tre-
den. — In een op dezelfde grondgedachte gebouwd Perziesch
Gedicht, doet de Satan, om een vroome ten val te brengen, zich
voor als een getrouw dienaar Gods:
„Vol van valsche en echte munten
Is de waereld. God de Heer
Heeft tot scheidsman mij verkozen:
Vaste takken bind ik vaster,
Dorre twijgen ruk ik neer!"
terwijl hij alzoo de groote waarheid misvormt, dat ook het Kwade
God moet dienen.
doen. In den hoogmoed der boosheid, zal hij het begin zijner heerschappij terug-
plaatsen tot in de eerste dagen der waereld, en zoo zal hij de overtuiging doen wor-
telen, dat hij, in de Paradijsslang vermomd, de moeder der levenden verleidde. Op
zijne wijze zal hij een Vorst zijn, de Vorst der Duisternis, der Hel, des Kwaads.
Woestijnen en onderaardsche holen zullen zijne woningen zijn. Het nachtgevogelte,
de uil, de vleermuis, de mol, de padde, zullen zijne gunstelingen wezen. De ver-
schrikkelijke en voor de Oudheid zoo raadeolaehtige kwalen van stomheid, vallende
ziekte en waanzin, de bezoekingen, die, men weot niet van waar, den mensch over-
vallen, die het sterkte wilsvormogen verlammen, die de kalmste geesten beroeren;
die booze gedachten, die onreine begeerlijkheden, die de fterksten en besten doen
duizelen, — zullen alle zij n werk zijn. In de Middeneeuwen is het geloof aan Satan
de schrik der Christenheid. De Doop draagt dan vooral het karakter van een Dui-
velsbezweering. De Verlossing-zelve wordt dan bij uitsluiting opgevat als een wor-
steling van Christus met Satan. De moestgeliefde vertellingen zijn dandezoodanigen,
waarin de Satan ten slotte door menschen bedrogen wordt, die nog listiger zijn dan
hij. In de Xllde eeuw ontfangt zijne heerschappij een knak, vooral door de theologie
van Anselmus, waarin hem het recht op don zondaar ontzegd wordt. Op een zijnd\'
laatste reizen op aarde trad hij een Oud-Duitsche burcht in, waar een jeugdig
monnik ijverig arbeidde aan eon vertaling des Bijbels. Met zijn gewone slimheid
begreep hij terstond, dat die arbeid in strijd was met zijne belangen, en hij zocht
jus den monnik te storen; maar deze, zonder zich van zijn stuk te laten brengen.
wierp hem zijn inktkoker in \'t gezicht. Satan gaf een gil en verdween. Sedert
heeft hij zich nog maar zelden en dan slechts ter sluiks vertoond, en de vlak d*
nog altijd op zijn mantel. Luther hoeft liet ware middel, den echten duivelsban uit-
gevonden. Tegen Satan helpt inkt beter dan wijwater."
-ocr page 267-
257
Opmerkelijk is het, hoe in ons Gedicht reeds in den beginne,
terstond in de Inleiding, de oplossing van het groote raadsel is
aangeduid; en de strijd van den kortzichtigen sterveling om die
oplossing te vinden, wordt er te tragischer door. In die In-
leiding toch wordt ons de eigenlijke oorzaak van Jobs lijden
ontsluierd. Deze is niet gelegen in een of anderen zwaren mis-
stap, veel minder in een innerlijken afval van God, waarvoor de
trouwlooze dienaar gestraft zou moeten worden; want God-zelf
getuigt, „dat deze Zijn dienstknecht, op aarde in vroomheid geen
wedergade heeft." Evenmin is het lijden van Job een zoogenaamd
louteringslijden, dat hem van zijne meer verborgen zonden
moet reinigen. Neen, Job lijdt als voorden roem en de
heerlijkheid Gods: zijne plagen zijn bestemd om het woord
van eer des Scheppers, voor hem verpand, waar te maken. „Kan
er een edeler gezichtspunt van menschelijk lijden bestaan?" \')
In de gerustheid, waarmee Jehovah in dit Gedicht Zijnen dienaar
aan den Satan overlaat, ligt dan ook de zekere overtuiging uit-
gedrukt van Zijn eindtriomf. Dezen trek heeft Göthe overgenomen
in den Proloog van zijnen Faust, waar ook Satan vergunning
komt vragen om Faust te kwellen, en de Heer hem andwoordt:
„Nu goed! ik zal uw pogen niet weerstreven:
Zie dat gij dezen geest bezweert,
En wil hij u zich overgeven,
Zoo voer hem heen waar gij begeert!
Maar sta beschaamd, wanneer u de uitkomst leert,
Dat de eedle mensch, door zijn instinkt gedreven,
Op \'t rechte pad steeds wederkeert I"
Ja, reeds in de Harictschandra, de Indische .lob-sage, spreekt
C.iva tot Indra:
„Waarlijk, fiere waereldhoeders!
ik beklaag uw arm heelal,
Is Hartschandra\'s deugd de nagel,
waar zijn lot aan hangen zal.
Proeft die deugd in \'t vuur der smarte
kan zij \'t doorstaan, jubel dan,
*) Zoo vraagt Herder, die deze eigenlijke oerzaak van Jobs lijden reeds juist
beeft ingezien. Wij komen er in een volgende 8 uitvoeriger op terug.
X                                                                                                                  17
-ocr page 268-
258
Maar verhef geen leemen hutte
die geen aardschok harden kan!
Waarop dan Indra andwoordt:
„\'t Moog\' zoo wezen, gij Verklager!
hoor mijn andwoord tot besluit:
Slechts zijn leven zult gij sparen,
\'k lever u Hartschandra uit:
Plaag hem! sla hem! plunder! pijnig!
Toch ontwaart gij in het end,
Dat de man zal zegevieren,
die den hoogen God erkent!"
Heelt het lijden van Job de verheerlijking Gods ten doel, dan
is nu ook de hoofdgedachte van het Gedicht niet langer
twijfelachtig. Noch de lijdzaamheid van Job, gelijk men veelal
jiieent; niet de tegenspoeden des rechtvaardigen in deze waereld,
gelijk anderen oordeelen; niet de verdediging der Onschuld tegen-
over hare vijanden, gelijk een derde beweert; maar het ondooi-
grondel ij ke in de wegen der Goddel ij ke Voorzienig-
heid, is de groote éénheid in het Gedicht, waarop al het overige
als in een middenpunt saamloopt. Een brave lijdt, een onschuldig
martelaar. Waarom? Allerlei andwoorden worden gegeven: alleen
het ware niet; en als eindelijk de lezer-zelf, door al dat verschil
van gevoelens in het onzekere gebracht is, geeft God-zelf op een-
maal de oplossing: „Mijne wegen zijn ondoorgrondelijk!\'
Om deze hoofdgedachte te vinden, moesten wij weten wat er in
den hemel is voorafgegaan; moesten wij voor ditmaal met de
oorzaak van het lijden bekend zijn, zooals ons die in de Inleiding
werd aangeduid. „Wij weten nu het raadsel, waarover straks zo>
zeer wordt getwist, een geheim, als \'t ware uit de Raadzaal des
Hemels tot ons gekomen, maar dat door wie het niet heeft ver-
nomen, nooit kan worden gegist." \')
Als nu op deze wijze in de Inleiding al de innerlijke ver-
wikkelingen aangeduid, al de draden tot het dramatiesch weefsel
gelegd zijn, ontvouwen zij zich in het Gedicht allengskens voor
onze oogen in levendige, kunstig geordende handeling. Deze be-
gint met Jobs weeklacht (Kap. III), waarin hij den dag zijnet
•) Dr. Niemeier, t. a. p.
-ocr page 269-
259
geboorte vervloekt, en, onder de meest troostelooze aanvechtingen,
niets begeert dan de rust des graf\'s, het donker schaduwleven des
Doodenrijks.
Nu treden achtereenvolgends drie vriende.n des lijders op.
Gekomen om Job te vertroosten, behandelen zij, voor een kring
van toehoorders, met hem de gewichtige vraag, om wier beand-
woording, tot onderwijzing en verkwikking van Gods beproefde
kinderen, het den Dichter van het Boek te doen is. In heerlijke
redenen, door wijsheidslessen der oud-vaders bevestigd, dragen
zij de leer der Goddelijke Vergelding voor; Elifaz — meer met
kalme, schoon scherpe terecht-wijzing ; Bildad — met een zekeren
graad van smadelijke verachting; Zofar — met onstuimige, on-
nadenkende heftigheid en hardheid. En ofschoon die leer, op
zich-zelf beschouwd, veel waars moge bevatten, zij die haar hier
prediken, gaan daarbij uit van een wettiesch rechterlijk stand-
punt, zonder een oog te hebben voor Gods wijze, verborgene ge-
nadeleiding. Zij zijn daarbij zoo bekrompen en onbarmhartig, dat
zij in elk bepaald lijden ook een bepaalde schuld, een volstrekten
afval van God zien, zoodat zij dan ook het vonnis der verwerping
hoe langer hoe onverholener uitspreken, en niets minder dan een
openlijke en onvoorwaardelijke schuldbelijdenis van Job eischen.
„Al wat zij zeggen, troost niet, ja het verbittert. De lijder over-
treft zijne vrienden in het schilderen van Gods macht en wijs-
heid, en blijft toch ellendig: een gewoon beeld van alle aardsche
troost! Hun standpunt is te eng en te beneveld: zij zoeken gron-
den in het stof, terwijl zij die boven de sterren zoeken moesten.
Ën wie hunner kan zich zóo hoog verheffen\'? Niemand hunner
vermoedt zelfs, dat de oorzaak van Jobs lijden daar gezocht moet
worden, waar die ons is aangewezen (Kap. I—II). Hoe wordt nu
ile aschhoop van dezen rampspoedige geëerd! Hij is een schouw-
spel der Engelen en van het geheele Hemelsche heirleger. De man,
<lie voor den hemel een toonbeeld van menschelijke sterkte en
standvastigheid moet strekken, wordt op aarde in een strijd van
wijsheid gewikkeld, en hier is hij ook een mensch als de anderen.
De Dichter heeft hem een haastig karakter en een vurig gestel
gegeven, waardoor hij reeds bij de eerste toespraak wordt mede-
gesleept. Deze zuurdeesem intusschen is het hefmiddel zijner deugd
•n verlevendigt de gesprekken." \')
\') Herder, t. a. p.
-ocr page 270-
260
Elifaz, die liet eerste het woord opvat, begint met Job te heke
len over zijn ongeduld en levenswarschheid. Als Job onschuldig
is, kan het loon der deugd hem ten slotte toch niet ontgaan:
„immers"— zoo beweert de trooster — „alleen goddeloozen komen
om in de beproeving." Een Godspraak, hem in den droom ge-
openbaard, moet bewijzen, dat niemand, allerminst een men sch.
zich over Gods rechtvaardigheid te beklagen heeft. De toon van
Elifaz is nog wel niet bepaald bitter, maar tamelijk koud en grie-
vend door de stelling waar hij van uitgaat, dat Job, als hij niet
door God gered wordt, ook ongetwijfeld een ellendige huichelaar
moet geweest zijn. Hij behoort tot die redeneerders, die niet zoo
zeer spreken om anderen te troosten dan wel om zieh-zelven te
behagen met hun praatzieke wijsheid \'). Hij spreekt menig goed
en heerlijk woord; maar de „zilveren schaal" der „gouden appe-
len" ontbreekt, \'t Zijn niet allen woorden „op zijn tijd gesproken,\'\'
en juist omdat zij op Jobs omstandigheden niet passen, vergrooten
ze zijn verdriet, en — het geneesmiddel verzuurt niet zelden tol
bijtend vergift.
Gelijk wij vroeger reeds opmerkten, geen vergeldende straf i>
Gods einddoel met Jobs lijden. Daarom dan ook verzet Job zicli
tegen de aantijgingen zijner vrienden, in het gevoel zijner on-
schuld. Ja, onder zijn klimmende ellende, prikkelt dat gevoel hem
tot altijd stouter, uitdagender redenen tegen God. Was hij niei
(zoo als later een Apostel zich heeft uitgedrukt) „naar de recht-
vaardigheid Gods die in de Wet is, onberispelijk?" Had hij Jeho-
vah niet oprecht en trouw gediend? Hem niet voor de waerelil
beleden en verheerlijkt? Daarom juist werd zijn lijden, als een
schijnbaar teeken van Godlijken toorn, hem tot een rots der er-
gernis. Gelijk de Psalmisten menigmaal bidden, dat God hen
toch vergeven of redden moge „om Zijner gerechtigheid wille,
of van God roemen dat Hij „om Zijner gerechtigheid wille" hen
beweldadigd heeft, zoo wenscht ook Job, die eerst naar den dooi!
gesmacht heeft, straks wederom niet in zijn jammeren te sterven,
opdat de waereld niet mocht wanen dat hij schuldig gestorven
ware, en God om zijnentwil niet mocht gelasterd worden. 2)
Intusschen laat Job niet af geduriglijk weder tot God te roepen.
Wiens gemeenschap, bij al wat hem weérvaart, hem toch nooit
J) Xoo vut ook van der Palm het karakter van Elifaz op. Zie zijne B ij uelver-
taling, deel II, lildz. 655 (groot 8°. uitgaaf.
l) Dr. Otto von Gerlach.
-ocr page 271-
261
gantschelijk verlaat. Ja, onder al zijn worstelend lijden wordt het
gedurig helderder en kalmer in zijn ziel, en, al is het ook dat
hij nog gedurig wankelt tusschen vreeze en overmoed, tusschen
geloovig verbeiden van de uitkomst en ongeduldig verhaasten van
het einde, toch wordt het hem allengskens gewisser, dat de op-
lossing van zijn levensraadsel niet verre meer kan zijn.
Bij zijn eerste andwoord aan Elifaz intusschen, toont Job zich
nog diep gekrenkt, vooral over do harde bejegening der menschen,
in wier handen het hem, als later eenen David, nog bijna pijn-
lijker voorkomt dan in die van God. Hij verwijt zijnen vriend —
die toch nog de bescheidendste van alle is — de onvriendelijke
onmeêdoogenheid met zijne smarten; verwerpt zijne vermaningen
als smakeloos en ondoeltreffend; en. bij het ongerijmde vaneenige
blijde verwachting voor dit leven, keert hij weder tot zijn vroegere
begeerte om te sterven, terwijl hij ten slotte niet aarzelt, met
een beroep op zijn Verleden, zijne berispers-zelven tot getuigen
zijner onschuld te stellen. De diepe neerslachtigheid, die uit. deze
woorden tot zijn eersten bestrijder ademt, doet hem dan ook
daarop zijn eerste klacht herhalen. Hij verwacht geen verlossing
meer uit zijn lijden, en toch is het hem alsof God hem de ruste
des doods niet gunt. Het komt hem voor, dat de Almachtige
hem al te veel eer aandoet, als Hij een zwakken ellendeling ge-
lijk hij, tot Zijn weêrpartij uitkiest; en acht het verreweg het
beste, dat, als hij dan toch zulk een ergernis is in de oogen zijns
Scheppers, deze daaraan door zijnen dood een einde make. In
deze beide hoofdstukken (Kap. VI, VII) wisselen de hartstochten
elkander af; zij geven ons „de voortreffelijkste nabootsing van
een hart, dat onder de stormen der ellenden worstelt: nu zacht-
moedigheid — dan drift; nu hoop — dan wanhoop; nu ker-
mende — dan bijna woedende; nu — oodmoedigheid, dan be-
schuldigingen tegen God." \')
Nu treedt een tweede spreker, Bildad, op, die, scherper toon
dan zijn voorganger aanslaande, al dadelijk den lijdenden vriend
bestraft over zijn klagen. Uitgaande van de veronderstelling dat
God geen onrechtvaardigheid kan begaan, en toch niet bij machte
Job van een bepaalde overtreding te betichten, zinspeelt hij op
onkiesche wijze op het onheil, Jobs kinderen overkomen, als wilde
hij een wenk geven over de mogelijkheid dat hier de ongerech-
\'igheid der kinderen bezocht werd aan den vader. In allen gevalle
1 Niemeiei\', \',. f», p.
-ocr page 272-
262
moest Job bij God om redding aanhouden, die hem zeker, zoo
hij tot hiertoe onschuldig had geleden, alle doorgestane ellende
op het heerlijkst zou vergoeden. Met veel ophef brengt hij daarop
een oude wijsheidsles voort, die in dichterlijke beeldspraak de
wuftheid van des boozen voorspoed en de gewisheid van zijn
ondergang schildert. Eene gelijkenis is daarin opmerkelijk, (vs. AA):
„Het vertrouwen der dwazen zal zijn als een spinneweb;" een
gezegde, dat wel toepasselijk is op al de stelselmakers (ook die
van de XlXde eeuw niet uitgezonderd!) die, als de spin, alles
alleen uit hun eigen binnenste voortbrengen. „Den spinnen en
den Spinozisten, hunnen bewonderaars, is zeker de meetkunstige
bouwmanier eigen, doch — welk een huis bouwen zij?" vraagt
Hamann.
Men bemerkt, dat Bildad zich op hetzelfde éénzijdige standpunt
van Elifaz beweegt, maai\' dat hij, als spreker, eoo wat form als
gehalte aangaat, hem in een punt verre overtreft, te weten in
bijtende onkieschheid (Kap. VIII).
Bildad zwijgt. Job herneemt het woord, en in dit zijn andwoord
aan zijn tweeden bestrijder, maakt hij een fijne, tevens dichterlijk-
schoone „afwending" \'). Gelijk wij opmerkten, Bildads éenigste
bewijsgrond was eigenlijk, „dat God geen onrechtvaardigheid kan
begaan." Job neemt die stelling voetstoots over; alleen, hij vat
haar op in een anderen zin dan door Bildad bedoeld was; te
weten: „God kan niet van onrechtvaardigheid beschuldigd wor-
den; vooreerst, omdat een mensch nooit boven alle gebreken
verheven, en daarom dan ook eigenlijk nooit volkomen onbe
straffelijk is; ten tweeden, omdat een mensch, al ware hij ook
onbestraffelijk, toch wegends zijne minderheid als schepsel, geen
recht hoegenaamd tegen zijn Schepper kan doen gelden; zoodat
er dan ook, ten slotte, geen rechterstoel bestaat waarvoor men
God kan dagen." — In zooverre — meent Job — kan men dus
zeggen, dat de Heer niemand verongelijkt, ook als Hij den vroome
zoo fel beproeft. Hij is \'t, die met grenzenlooze macht der
gantsche schepping Zijne wetten geeft en in die schepping een
wijsheid ten-toon-spreidt, die oneindig verre verheven is boven
het oordeel van uit den aart bekrompene en kortzichtige sterve-
lingen. Hieruit volgt, dat het wel dwaas zou zijn, zelfs van een
onschuldig lijdei\', zijn onschuld in een openlijk pleitgeding tegen
1) Zie van der Palm, t. a. p., die den inhoud van dit hoofdstuk hij uitnemend-
heid juist gevat heeft, en wien wij hier volgen.
-ocr page 273-
263
God te willen staande houden, en vooral van een lijder zoo hard
en ontmoedigend behandeld als Job.
In weerwil van dit alles, blijft Job toch zijn onschuld hard-
nekkig handhaven, dit beweeren steunende door de stelling dat
God naar geen regelen van menschelijke rechtvaardigheid
handelt. Nu lost zijne verdediging zich ten derden male op in
een klacht; gelijk hij trouwends zijn „dichtspreuk" meestal be-
sluit met een soortgelijke roerende elegie, die in dit Gedicht
i-enigzins overeenkomt met het choor in de Oude Tragedie:
heide maken den inhoud algemeen en aanschouwelijk \').
Zijn taal is stout genoeg, maar bevat veel waarheid, terwijl
de toon, wel niet verdedigbaar, toch verschoonlijk. althands ver-
klaarbaar is, uit den prikkelenden achterdocht zijner moeilijke
troosters (Kap. IX, X).
Zofar, de derde bestrijder, die nu optreedt, doet niet veel meer
dan de grondstellingen der twee vorige sprekers, op nog be-
slister toon, te herhalen. Hij vooral bestraft Job als iemand, die
zekerlijk zwaar moest gezondigd hebben en wiens stoute zelfver-
dediging alzoo onverschoonlijk was. Daarom wijst hij hem, met
klimmende drift, op Gods almacht en alwetendheid en vermaant
hem tot schuldbelijdenis en bekeering, als den zekeren weg tot
herstel: een goede raad, die Job zeker te stade zou hebben kunnen
komen, ware hij niet op een valsch vermoeden gebouwd geweest J)
(Kap. XI).
Geen wonder derhalven, dat Job de eenzijdige moraal zijner
vrienden allereerst met bijtende ironie bejegent, straks hunne
bekrompenheid en hardheid hun ten verwijt maakt, en het schroot-
vuur hunner wijsheidsspreuken uit de Oudheid met tegenspreuken
beantwoordt, waardoor hij aantoont zeer wel te weten dat Gods
Voorzienigheid, in het bedeelen van voorspoed en lijden, hare
bodemlooze diepten heeft (Kap. XII). Hij beroept zich van zijne
vrienden op God; maar de gerechtelijke ondervraging, die bij-zelf
begint (Kap. XIII), lost zich weldra wederom op in een klacht
over het Menschelijk Leven in \'t algemeen, over het zijne in \'t
bijzonder, waarbij een onbestemd voorgevoel hem vervoert tot de
profetische verzuchting, dat het God mocht behagen, hem zoolang
in \'t üoodenrijk verborgen te houden, tot Zijn toorn mocht be-
koeld zijn en Hij hem tot het genot van een vernieuwd en nu
gezegend leven tot het lieve licht terug mocht roepen (Kap. XIV).
\') Herder.                 2) Muntiiigha, van Vloten.
-ocr page 274-
264
Hiermede eindigt de eerste der drie aanvallen, die Job achter-
eenvolgends van zijne drie bestrijders te verduren heeft; en aan
het einde van dien eersten aanval, is Job, gelijk wij bemerkten,
reeds zoo ver gebracht dat hij zich van hen, zijne beschuldigers,
op God den Hartenkenner beroept. In den tweeden aanval, die
nu met een tweede rede van Elifaz begint, wordt de draad het
meest verwikkeld, zoodat hier de eigenlijke knoop van het Gedicht
gelegd wordt, want aan het einde van dien aanval houdt Job
zelfs tegen Zofar vol, dat het juist bij uitsluiting den booze
welgaat in de waereld, een paradox, waartoe hij alleen door
de hitte des geschils verleid wordt *).
Elifaz dan treedt andermaal in het strijdperk. Zoo als te recht
opgemerkt is, poogt hij Job voet voor voet te weerleggen. Tegen-
over Jobs beschimping zijner vrienden (Kap. XII: 1 — 3) en schijn-
bare zelfverheffing (Kap. XIII: 1, 3) staat zijn beroep op de gelijke
wijsheid en verder gevorderden leeftijd dier vrienden (Kap. XV:
7—10); tegenover Jobs beschuldiging van averechtsche vertroos-
ting en valsche betichting, staat de tegenbetichting van miskenning
en hartstochtelijke verguizing van God en menschen (Kap. XV:
•11—13); tegenover Jobs onschuldbetuiging, staat de verklaring
van aller menschen schuld voor den Alheilige (Kap. XV : 14—16);
terwijl eindelijk ook de aanhaling van een oud Lied door Elifaz
een duidelijken weerslag geeft op een dergelijke aanhaling door
Job (Kap. XII: 12—25) 2). Maar bij dit alles doet hij niet veel
anders, dan dat hij ten deele zijne vroegere grieven nog grie-
vender herhaalt, ten deele zich beweegt in bedekte aanvallen
tegen godloozen en huichelaars, die wel op Job gemunt zijn
maar Job niet aangaan, zoodat dan ook de lijder door die schimp-
schoten te pijnlijker getroffen wordt naar mate hij ze minder
verdient.
Jobs andwoord (Kap. XVI en XVII) getuigt dan ook van de
diepe krenking die hij door de herhaalde aantijging zijner vrienden
gevoelt. De spotlach is op zijne lippen bestorven: zijn hartstocht
heeft de overhand verkregen; hij kan zich slechts beklagen en
tot God klagen, allereerst over het gedrag van hen die hem
zoozeer miskennen. Toch blijft hij er bij, dat hij onschuldig is.
en dat die onschuld, al ware \'t ook eerst na zijnen dood, een-
maal aan \'t licht zal komen door God-zelf, die nu haar eenige
getuige is. Het graf is zijn woning, de verrotting zijn vader, het
\') Herder.                 \') Muntingho.
-ocr page 275-
265
gewormte zijn maagschap, het doodenrijk zijn eenige verwachting;
maar onder de aarde zal ten minste de rust te vinden zijn, die
hij op de aarde vergeefs heeft gezocht (Kap. XVII: 13—16).
Nu grijpt Bildad, die aan de beurt is, ten tweeden male naar
de wapenen; maar legt daarbij meer gekrenkte eigenliefde dan
onbaatzuchtige!) ijver voor Gods zaak aan den dag. Geen enkele
nieuwe bewijsgrond wordt dan ook aangevoerd. De vroegere zijde-
lingsche beschuldiging tegen Jobs kinderen wordt door hem onver-
holen op den vader-zelf overgebracht, wien hij in zijne schildering
van het leven en uiteinde van den goddelooze kennelijk op het
oog heeft (Kap. XVIII). Job spaart dan ook de verwijten zijnen
hatelijken vrienden niet, maar op de overspanning volgt ontspan-
ning, en in het diepe gevoel van verlatenheid, dat hem alles-
overweldigend aangrijpt, wordt hij voor een oogenblik zóo klein,
dat hij menschen om ontferming smeekt. Maar op eens ver-
heft zich in hem de hoogste moed der onschuld, en op plechtige
wijze verkondigt hij zijn vertrouwen, dat God zijn vertrapte eer
nog eens zal handhaven, in de merkwaardige woorden (Kap. XIX:
\'25—29). Die woorden doen ons goed; dat uitzicht op een Ander
Leven verkwikt ons, om des lijders en om ons-zelfs wille — het
bevreemdt ons alleen, dat wij het niet eerder voor hem ont-
sloten zagen.
In der waarheid, deze hoop op een leven, waar „alle tranen
zullen zijn uitgewischt," is slechts een kortstondige flikkering in
den nacht van Jobs lijden. Wij kunnen het niet ontkennen, die
voorbijgaande straal geeft hem geen uitzicht over de heerlijkheid
van de lustlandouwe der Onsterflijkheid! — Haasten wij ons het
te erkennen, Jezus Christus alleen heeft de onverderflijkheid aan
\'t licht gebracht. De Onsterflijkheid der Semiten is slechts eene
aardsche \'). Eerst, was de familie, de stam, onsterflijk — toen de
Xatie: zij geloofde dat zij nooit zou sterven. Zij had eene ge-
dacht e die onsterflijk maakt: die van den Messias, en tartte
daarin alle geweld van hare veroveraars. Die gedachte — Job
nog onbekend! — deed haar volharden onder allen druk, en juist
die gedachte aan een eeuwig aardsch koninkrijk van \'t Volk be-
lemmerde veeleer dan dat zij opwekte het geloof aan de on-
ster f 1 ij k h e i d van den Individu. Eerst later, toen de I n d i-
vidu de Natie had overleefd (na de Babylonische ballingschap)
nam \'t geloof aan een Ander Leven In Israëls godsdienst vaste
\') Zie Révillo, t. a. p.
-ocr page 276-
2(50
vormen aan. Zulk geloof was natuurlijk niet de vrucht van afge-
trokken bespiegelingen: want deze kunnen nooit een vasten grond-
slag des geloofs uitmaken. Uit een levendig en zeer wezendlijk
gevoel van behoefte geboren, entte dat geloof zich van-zelf op
den stam der overige religieuze voorstellingen, die men zich
van de vroegste tijden af aan gemaakt had aangaande des Men-
schen toestand aan gene zijde des grafs.
Terwijl het lichaam terugkeerde tot de aarde waaruit het ge-
nomen was, begaf de ziel zich naar een onderaardsche plaats
(de Hades, het Doodenrijk), waar allengskens de afgestorven
leden van het Menschelijk Geslacht vergaderd werden, om er,
lioozen en goeden al te samen, denzelfden slaap des doods te
slapen. Maar die doodslaap — wij mogen niet verzuimen het op
te merken — was nochtans geen vernietiging, en liet altijd de
mogelijkheid staan van een ontwaken. Eerst later kwam de voor-
.stelling van een opvaren der zielen ten gerichte, een opstanding
ten leven of ter verdoemenis, overeenkomstig hetgeen men gedaan
heeft in liet vleesch, \'t zij goed \'t zij kwaad — straks door den
Heer in \'t ware licht gesteld.
Na deze verzuchting van Job. treedt Zofar (Kap. XX), ten
tweeden male op, zonder het zelf meer te willen ontveinzen, dat
drift en toorn hem strijdlustig maken. Zijne rede is dan ook een
stroom van gal en bitterheid; maar het is tevens de laatste die
wij van hem vernemen, want daar de andere vrienden nog een-
maal moeten spreken, is hij hiermede uitgeput. De hatelijkheid
van Jobs vrienden schijnt intusschen gedurig minder indruk op
den lijder te maken, en naarmate het einde van den strijd
nadert, wordt zijne ziel rustiger binnen in hein. Zijne toenemende
kalmte brengt dan ook blijkbaar zijne tegen part ij ders in verlegen-
heid (Kap. XXI, XXII). Elifaz, ten tweeden male weerlegd
(Kap. XXIII), vat het woord niet meer op; en Bildad, die ten
slotte niet anders doet dan kortelijk herhalen wat hij van Elifaz
gehoord had, verstomt insgelijks (Kap. XXIV, XXV).
De beurt is nu weder aan Zofar; maar verbijsterd door de
heerlijke spreuken, waarmede Job de grootheid en wijsheid des
Almachtigen had afgemaaid, durfde hij het woord niet opvatten
tegen een man, zoo onmiskenbaar door hooger Geest bestraald.
En alzoo ontstaat er dan een stilzwijgen, dat den laatsten spre-
ker — Joh — overwinnaar verklaart \'). Hij beweegt zich als
\') Van der Palm.
-ocr page 277-
2C7
een leeuw in het midden van verslagen vijanden, herroept wat
hem in de hette van het geschil onbedachtzaams ontsnapt was,
en draagt in drie afdeelingen of pauzen spreuken voor, die de
kern van het boek uitmaken (Kap. XXVII—XXXI) \').
Hoe eentonig de voorafgegane gesprekken ons mogen voor-
komen, toch zijn zij aangelegd met licht en bruin, en de ver-
wikkeling van den knoop van het verhandeld onderwerp is toe-
benomen van gesprek tot gesprek, totdat Job bedaarder werd en
zijne beweeringen matigde. Die dezen draad niet volgt, en inzon-
derheid niet opmerkt, hoe Job zijne tegenpartijders telkens hun
eigen pijl uit de hand slaat, hetzij door hetzelfde wat zij zeggen
verbeterd voor te dragen, hetzij door hunne gronden en bewijzen
voor zich-zelven te gebruiken, die mist het levendige en verboo*
gende, die mist, met een woord, de ziel van het Boek.2)
Het achttiende Hoofdstuk, waarin Job zijn Alleenspraak aan-
vangt, is een der uitnemendste van het Boek. Daarin wordt eerst
gesproken van het verstand, van de scherpzinnigheid, den triomf
van den menschelijken geest Wat de Mensen vermag, wordt aan-
getoond in een enkel voorbeeld: dat van den Bergbouw. De
Mensch weet diep onder de aarde aan de duisternis een einde
te maken, terwijl hij met de groeflamp, de onderaardsche, in
zwarten nacht gehulde rots doorvorscht. — Boven op de aarde
groeit de spijze, maar diep daaronder wordt het aardrijk met
vuur doorzocht, terwijl door het vuur gesteente van gesteente ge-
scheiden wordt. Door den bergbouw toont de mensch, dat hij
scherper zien, dat hij gevaarlijker wegen bewandelen kan dan
alle andere aardsche schepselen. Hij is door zijne kracht daarheen
gekomen, waar de blik des adelaars niet reikt, waar de leeuwen-
klauw niet staat. Dezelfde gedachte (maar minder diep opgevat)
vinden wij ook bij Sophocles in het bekende choor zijner A n-
t i g o n e: 3)
„De wondren der waereld omvademt geen grens,
Maar \'t wonder waar alles voor wijkt, is de Mensch!
Hij dwingt de onverzoenbare Moedergodin,
Deze Aarde, de voedende, elk jaar tot gewin," enz.
Job maakt van de schatten, die diep onder de aarde verborgen
liggen, den overgang tot de goederen die in den hemel zijn.
\') Herder.                        =) Herder.
* Vertalinfr van A. J. Ten Brink, 18G2, blz. (is.
-ocr page 278-
208
Terwijl op de verborgen godlijke wijsheid gewezen wordt, is er
spraak van de grenzen, welke voor het menschelijk verstand ge-
trokken zijn en die het niet overschrijden kan. In de diepte der
Godlijke Wijsheid werpt het schepsel geen blik; wij zien slechts
zooveel van de oppervlakte als God ons vergunt te aanschouwen.
Er is nu nog maar éene schrede noodig om tot Jobs besluit
te komen: „God te vreezen is wijsheid, het kwade te mijden,
ve stand." Overigens moet de Mensch zijn weg gerust aan God
overlaten; en lijdt hij onschuldig, daarom mag hij toch tegen
den Alwijze niet opstaan. De ondoorgrondelijke wijsheid Gods
bracht Zijn dienstknecht in de beproeving, maar hij had zijn
mond niet moeten opdoen. Deze gevolgtrekking maakt Job hier
(Kap. XXVIII) nog niet, maar eerst (Kap. XLII: 3) tegenover
God en voor Hem zich buigend. Waarom echter God Job heeft
laten lijden, dat wordt — het moge hier vooreerst reeds opge-
merkt worden — door God zelf niet verder opgehelderd: het
blijft er bij, de Heer wilde hem alzoo met krankheid slaan. \')
Dat die wil echter geen willekeur was, maar een diepen grond
had, zullen wij later zien.
Als Job nu op deze en dergelijke wijze; niet zelden met bijna
evangelische teederheid, over Godsvrucht en Zedenkunde zijne
denkbeelden in het midden heeft gebracht, treedt er eindelijk uit
den kring der toehoorders een vierde spreker te voorschijn, Elihn
genaamd. Tegenover oudere, eerwaardige menschen had hij tot
hiertoe, in \'t besef van zijne minderheid, het zwijgen bewaard:
maar nu meent hij dat de geest des Heeren hem heelt doen in-
zien, dat hij, zonder juist Job uit een wettiesch standpunt te ver-
doemen, Job toch door een hooger waarheid zou kunnen weêr-
leggen. Hij neemt drie stellingen aan. Vooreerst: Het lijden van
Gods kinderen is geen teeken van Gods toorn, maar van Gods
erbarmende genade, alleenlijk, van een tuchtigende, louterende
genade, waardoor Hij hen van hunne verborgene zonden reinigt
(Kap. XXXIII)- ten tweeden: Juist daarom is God nooit onrecht-
vaardig, maar is I illijke vergelding immer het einde Zijner wegen
(Kap. XXXIV); eindelijk: De Mensch, met al zijn godsvrucht,
kan God niets geven, maar wel doen zijn zonden de komst van
zegeningen vertragen, die echter, na de uitdelging zijner zonden,
hem weer mildelijk zullen worden geschonken.
De hoofdgedachte die hij uitspreekt, „de beproevingen van dit
Siinooko.
-ocr page 279-
269
leven, opvoedingsmiddelen van den hemelschen Vader," is reeds
oneindig verhevener en schooner dan die der vorige sprekers, die
het niet verder konden brengen dan tot de raeening, dat elke
ramp een straf was voor een bepaald vergrijp. Nochtans ook Elihu
beseft niet, dat er nog wel een andere oorzaak voor het lijden
kan zijn, die hier beneden nooit doorgrond wordt, die in God-
zelven ligt en niet in den mensch: dat er een lijden bestaat
tot h e e r 1 ij k h e i d Gods.
Terwijl Elihu spreekt, heeft zich intusschen allengskens een
onweder vergaderd aan den hemel, dat de naderende verschijning
ven Jehovah voorspelt. En Elihu, naar aanleiding van dat on-
weder, van de ondoorgrondelijke wonderen in het Rijk der Na-
tuur gewagende, bereidt ons voor op de goddelijke eindbeslissing,
en wijst den mensch het standpunt aan, dat hij tegenover zijn
Schepper heeft in te nemen: te weten dat van blinde onder-
werping aan den ondoorgrondlijken Schepper. Uit het slot van
Elihu\'s toespraak blijkt, dat hij, voor zich, het onwaarschijnlijk,
ja ongerijmd achtte dat God-zelf zou optreden om het pleit tus-
schen Job en zijne vrienden te beslechten. Des te verrassender
is het, wanneer dit niettemin, terstond daarop inderdaad geschiedt.
Jehovah-zelf, door Job zoo dikwijls aangeroepen, verschijnt on-
verwacht en prachtig \'). „Hij breekt de redenen van Elihu af,
terwijl deze, zonder het te weten, Gods komsl geschilderd doch
voor onmogelijk verklaard had. God laat de Wijzen, zijne ver-
dedigers, staan, en spreekt met Job. en dat wel in de eerste plaats
niet als Richter, maar ook als Wijze (Kap XXXVIII). Hij legt
hem, die nu immers al de anderen overwonnen en alle wijsheid
des hemels en der aarde uitgeput heeft, raadsels en vragen voor,
betreffende de verborgenheden der schepping en waereldregeering.
Hij toont Job zeven wilde dierengedaanten. ten laatsten de ont-
zettende watermonsters (Kap. XXXIX—XLI), die Hij, de Vader
der waereld, alle geschapen heeft, voor alle welke als voor Zijne
lievelingen Hij dagelijks zorgt. „Waarom zijn deze schepselen
gemaakt ? Zij zijn niet voor den mensch; ja, de meeste hunner
zijn zelfs schadelijk voor den mensch! De wijze der aaide staat
verstomd en beschaamd 2). Onderwerping alzoo aan liet Oneindig
____                                                                                        •
1)  Vergelijk Herder, uit wien het hier volgende wordt aangehaald.
2)  Elders zegt Herder: Leviathan en Behemoth zijn hier als de pilaren van Her-
kules: zij komen voor aan het einde van het hoek; zij zijn het non plus ultra
van deze waereld, en wijzen, om zoo te spreken, naar de grenzen eener andere.
-ocr page 280-
270
Verstand, aan het onoverzienbare scheppingsplan, aan de blijk-
bare goedheid des grooten Huisvaders, die voor de krokodil en
de rave zorgt — dit is de oplossing der vragen over het wae-
reldbestuur en des menschen lot, uit den mond des Waereldbe-
stuurders-zelven, die in het onweer en uit de werken der ge-
heele schepping spreekt. De ware theodicee voor den mensch
is: het onderzoek van de almacht, wijsheid en goedheid Gods in
de gantsche Natuur, en de nederige erkentenis, dat Zijn ver-
stand, dat Zijne ontwerpen de onze oneindig verre overtreffen.
„God verklaart dus ook Job niet, waarom Hij hem beproefd
heeft. Hij herstelt hem; Hij vergoedt hem het geleden verlies,
en meer kon des menschen kind ook niet eischen. De gemeen-
plaatsen dei- zoogenaamde God verdedigers worden zoo weinig
geëerd en beloond, dat zij veeleer door een offerande uit Jobs
handen verzoend moeten worden.
„Hoe verheven is het ontwerp van dat Boek! Indien het niet
door een Vorst geschreven is, toch is het eenen Vorst waardig,
want des schrijvers geest is koninklijk en godlijk. Overal in dit
Poéem handelt God als Koning, Huisvader en Wijze ten opzichte
van de geheele schepping: engel en mensch, rave en behemoth,
zijn in Zijne oogen gelijk. De schoonste beschrijvingen van Gods
eigenschappen en Zijne waereldregeering, de welsprekendste troost-
gronden en wat men over Voorzienigheid en Menschenlot vóór
en tegen zeggen kan, zijn allerwege door dit Gedicht verspreid.
Ecce speetaculum dignum ad quod respiciat inten-
tus operi suo Deus! Ecce par Deo dignum, vir forti s
cum ma la fortuna compositus!"
De rede van Job eindigt afgebroken: ook was er geen nieuwe
ondervraging van Job noodig. Hij erkent de heiligheid van Gods
wegen en vernedert zich onder Gods hand, om straks dan ook,
vol van dankbaarheid, uit die hand zijns hoogsten Rechters even-
zeer de stoflijke onderpanden zijner onveranderde goedheid terug
te ontfangen. De Heer-zelf heeft het den Satan bewezen, dat Zijne
liefde, ook te midden der beproevingen waarin zij geweken schijnt,
in het hart Zijner kinderen ten slotte toch zegeviert;dat Hij in hun
lijden verheerlijkt wordt; dat Zijn geest en genade hen zóo zeer
sterkt, dat zij, hoezeer dan niet zonder veel struikelens en strij-
dens, het kruis leeren dragen niet als een last maar als een glorie.
Terecht heeft men gesproken \'): „De oplossing van het groote
\') Réville, t. a. p.
-ocr page 281-
\'271
levensraadsel, dat daarin gegeven wordt, is nog even geldig voor
onzen tijd als voor dien van Job gelijk dan ook bet andwoord
hetzelfde blijft op de drie onsterfelijke vragen „Wat is Plicht?
Wat is Deugd? Wat is Wijsheid? Dit is Plicht: zich te onder-
werpen aan de ondoorgrondelijke en alwijze Oppermacht, die de
dingen zoo geordend heeft als wij ze zien. Dit is Wijsheid; geen
beschuldiging in te brengen dan tegen onze eigene onwetend-
heid, wanneer wij meenen dat verwarring en willekeur in ons
lot de plaats vervangen van de Hoogste Rede, die uit al het
andere ademt. Dit is Deugd: in eiken toestand, waarin men zich
bevindt, zijn vertrouwen en veerkracht te bewaren; zich af te
vragen, welken zedelijken eisch de gegeven toestand ons doet, en
dien moedig te volbrengen, zonder lafhartige vrees of onmannelijk
klagen."
Een ding intusschen staat vast: dat wij den tegenspoed en
het lijden in \'t algemeen, uit een ander oogpunt beschouwen dan
Job en zijne vrienden. Al kunnen wij tegenspoed en lijden nog
niet altijd in oorzaak en bedoeling doorgronden in al hunne ver-
schijnselen, wij gevoelen toch, vooreerst, dat zij een onmisbaar
deel uitmaken van de groote Huishouding:
„Ook die toon is onontbeerlijk in de waereldharmony!
Licht en duister, vrede en oorlog, hel en hemel, liefde en haat.
Maken een muziek voor God uit, onderworpen aan éen maat" \').
en ten tweeden, dat zij noodig zijn tot volmaking van redelijk-
zedelijke wezens. Men herinnere zich slechts, b. v., wat Thomas
a Kempis in zijn beroemd Boeksken over het Nut der Tegen-
spoeden zegt 2): „Het is goed dat wij somtijds rampen en te-
genspoeden hebben: zij brengen den mensch tot zich-zelven en
tot zijn eigen hart terug, omdat zij hem leeren dat hij hier in
ballingschap leeft, en hem waarschuwen zijne hoop op niets in
deze waereld te vestigen. Het is goed, dat wij soms tegenspraak
lijden, en dat men ten onrechte kwaad van ons denke, schoon
wij het goede willen en bedoelen. Dit dient om ons nederig te
houden en bewaart ons voor ijdelen waan. Want nooit vragen
wij méér naar den inwendigen getuige in ons binnenste, naar
\') Da Costa, B y r o n s Kaïn, met oorspr. reien.
*) De Navolg v. Christus van Thomas a Kempis, Xieuwe uitgave
naar h et Lat ij n door J. P. Hasobroek, Ie Boek, Xlle Hoofdstuk, 8 1.
-ocr page 282-
\'272
God, dan wanneer wij daarbuiten door de menschen onbillijk
beoordeeld en veracht worden; en dan eerst, wanneer wij in
druk of beproeving komen, gevoelen wij levendig hoe noodig
God ons is, zonder Wien wij niets goeds vermogen."
Het is een schoone bladzijde, waarmede Dr. A. Réville zijn
reeds vroeger vermeld opstel \') besluit: „Wat zou de waereld
zijn zonder de droefheid, zonder den tegenspoed? Is de zon dei
zedelijke waereld niet over de aarde opgegaan op den zelfden
dag, toen voor het eerst een menschelijk wezen de slangenbeet
in zijn hart gevoeld heeft, ook terwijl zijne zinnelijkheid werd
gestreeld\'?
„Kan de Deugd, naar onze eigen voorstelling, altijd gelukkig,
tevreden en lieflijk zijn? Of zou men, met Jobs vrienden, willen
vooronderstellen, dat lijden alleen het erfdeel der boozen is? Laat
ons de Menschheid niet ontkroonen, laat ons de schoonste paerel
niet wegnemen uit haar diadeem! Zeker, de Natuur is schoon,
en met verrukking laaft men de ziel aan bare stroomen van poëzij
en trotsche of bevallige heerlijkheid. Zeker, de Kunst en de We-
tenschap, die heide muzen en tweelingzusters uit den hemel,
hebben een recht op onze liefde, waar zij ons hare onuitspreke-
lijke schoonheid ontsluieren. Toch is er iets dat nog schooner is
dan de Natuur, nog schooner dan de Kunst, nog schooner dan
de wetenschap: dat is de mensch, die sterker is dan zijn smart
en hooger staat dan zijn lot! Wilt gij het Ideaal-Schoone ken-
nen? Aanschouw dan de moedige onderwerping en de onuit-
wischbare hoop; den plicht, volbracht in weerwil van het verzet
des vleesches, ten koste van de afgehouwen hand en het uitge-
rukte oog; den gelasterde, miskende, die zijn vreugde bewaart
en kloekmoedig voortstreeft naar het doel dat zijn geweten hem
voor oogen houdt! — Zonder het lijden, zonder den onver-
dienden tegenspoed, zouden wij beroofd zijn van de keur dei
Menschheid, en zou de aarde haar zout verloren hebben. Zon-
der het lijden, zouden wij geen Martelaars en geen Dichters
hebben, want de droefheid is vaak hunne Hemelsche Muze ge-
weest. Zonder het lijden, zouden wij onzen Heiland hebben
moeten derven. Waarlijk, wij kunnen het vraagstuk voortaan
aan de bespiegelaars en twistredenaars overlaten: al wat wij
weten is dit — en het zij ons genoeg! — dat zonder hel
\')Bo la renaissance des Etudes religieuses e n K r a n e e {Essai*
dü Critiquo relig, pag. 413, 414.
-ocr page 283-
273
lijden de waereld van haar hoogste schoonheid verstoken zou
zijn gebleven."
§ 5.
OVER DEN WAREN ZIN VAN HET ROEK JOB \')•
Job worstelt met een lijden, eerst geloovig ondergaan, maar
straks wanhopend bestreden, zoodra zijne vrienden het hem voor-
stellen als een straf Gods. Zietdaar de handeling van het drama,
dat in dit Gedicht voor onze oogen wordt opgezet en afgesponnen.
Job eindigt met in volkomen gehoorzaamheid zijn lijden te dragen
zonder er de oplossing van te ontl\'angen, en God beloont die
onderwerping des harten met het schitterendste tijdelijk herstel.
Zietdaar de ontknooping.
Dat alles is duidelijk genoeg. Maar wat niet duidelijk is en
wat het raadsel van het Boek blijft, is het doel dat God te be-
reiken zoekt met het opleggen van deze proef en het eischen van
deze blinde onderwerping. En toch is dat doel de hoofdzaak.
Zoolang dit punt niet opgehelderd is, blijft het Gedicht van
nevelen omringd. Kan het opgehelderd worden, dan zal het ge-
heele werk verstaanbaar worden. Welnu, wij achten die ophel-
dering niet onmogelijk, en willen haar in de volgende bladzijden
beproeven.
Vatten wij daartoe de zaak wat hooger op; even hoog als het
Boek-zelf haar opvat.
De volmaaktheid van een wezen is gelegen in de liefde, waar-
mede hij bemint; zijne heerlijkheid in de liefde, waarmede hij
bemind wordt. In dien zin heelt Paulus ergens gezegd, dat de
vrouw de heerlijkheid is van den man. De volmaaktheid Gods is
dus gelegen in Zijne liefde tot ons; Zijne heerlijkheid gaat uit
van onze liefde tot Hem. De gevoeligste slag, alzoo dien men
aan de heerlijkheid Gods zou kunnen toebrengen, is te loochenen
dat Hij oprecht bemind wordt, is te beweeren dat elke hulde die
Hem wordt toegebracht, niets anders is dan een baatzuchtige be-
l) Wij hobben gemeend hier ten slotte onzen Lezer den hoofdzakelilken inhoud
van het reeds vermelde belangrijke opstel van Godet in do Revue Chrétienne,
Vil annéc 18K0. niet te mogen ontbonden, voor zoo verre hut met onze voorgaande
beschouwingen overeenstemde.
X.                                                                                                                                   18
-ocr page 284-
274
rekening, een cijns alleen betaald met het oog op het voordeel
dat den aanbidder daardoor te beurte valt. Van het oogenblik at\',
waarop God in de vrije schepselen niets anders vindt dan huur-
lingen in plaats van kinderen, wordt de fakkel Zijner heerlijkheid
uitgedoofd in Zijne schepping; de vuile damp der zelfzucht be-
zwalkt het Heelal; de Serafs die daar zingen: „Hemel en aarde
zijn Zijner heerlijkheid vol," zijn schaamrood verstomd.
Indien daar in de schepping een jegens God vijandig beginsel
bestaat — en wie kan er aan twijfelen, die den strijd tusschen
Goed en Kwaad niet alleen overal rondom zich ontwaart maar
ook terugvindt in zijn eigen hart\'? — indien er wezens bestaan
die meer bepaaldelijk dat beginsel vertegenwoordigen, indien men
zich dat beginsel bij uitnemendheid vertegenwoordigd denkt in
éen enkelen persoon, dan is er voor hen en hem niets duidelijker
dan dit axioma der zedelijke waereld: „God wordt niet ver-
heerlijkt als Hij niet bemind wordt." Die Hem verheerlijken en
verblijden wil, geelt zich over aan het instinkt der liefde; die
Hem onteeren en bedroeven wil, volgt de inspraak van den haat.
En nu ontsluit de lezer het Boek Job en leze de twee eerste
bladzijden: hij zal er een tooneel aanschouwen, dat niets anders
is dan de toelichling der voorgaande opmerkingen. De vijand-
schap Gods, het booze beginsel, de zelfzucht, de haat, verpersoon-
lijkt in de figuur van Satan, loochent openlijk in de vroomheid
van den rechtvaardigste aller menschen het karakter der belan-
sfeloosheid. De „geest die steeds ontkent," meent het geheim van
Jobs vroomheid voldoende te verklaren door te wijzen op de
aardsche zegeningen, waarmede God Zijn trouwen dienaar over-
laadt. Job doet goede zaken met zijn Godsdienst, daarom is hij
Godsdienstig; dat zoogenaamd dienen van God is eigenlijk
niets meer dan een van God zich bedienen. Is deze be-
weering gegrond, dan is het niet God meer wat Job bemint als
hij God aanbidt, maar Gods gaven, maar zich-zelven; en als dit
de Godsdienst is van een Job. den vroomste der menschenkin-
deren, wat moet dan wel die der overigen zijn? Dan wordt God
niet beter door Zijn vrienden gediend dan door Zijn vijanden;
of liever, dan heeft Hij geen vrienden, dan heeft Hij niets dan
slaven, dan is Hij een machtige Heerscher, door lage vleiers ge-
huldigd. Met andere woorden: dan is de heerlijkheid Gods vernietigd.
Zietdaar juist wat Satan wil. Hij heeft goed getroffen; hij heeft
den prijs der sluwheid, indien al niet dien der waarheid behaald.
Tegenover zulk een beweering wordt de toestand van God vreeind-
-ocr page 285-
275
soortig. Die toestand gelijkt aan dien van een vader, die zijn
hoogste geluk vond in het beweldadigen van het dierbaar kind,
dat alleen leefde om hem te behagen en te dienen. Een argwanend
gast fluistert den vader in het oor, dat die zoon eigenlijk niets
is dan een baatzuchtig kansrekenaar, die zijn vader alleen gehoor-
zaamt om van hern te trekken en te erven. Wat nu te doen om
deze hatelijke beschuldiging te weerleggen? Ken middel blijIt er
over, éen enkel: de aanklager daagt den vader uit een proef te
nemen: „Neem uwen zoon de schatten af," zegt hij, „waarmee
gij hem overlaadt, en wij zullen eens zien of hij u niet den rug
toekeeren en u vervloeken zal." — De vader neemt de wedding-
schap aan. Hij ontneemt zijn kind achtereenvolgends al zijn ge-
schenken, toont hem een streng gelaat, legt hem de hardste ont-
beeringen op, doet hem de meest onverdiende mishandeling
ondergaan. Indien de zoon onder deze ongehoorde en buitenge-
wone omstandigheden zich goed houdt; indien hij de hand kust
die hem slaat, gelijk hij de hand gekust heelt die hem liefkoosde;
indien hij, gelijk een tweede Izaak, zich binden laat op der hout-
stapel zonder zich te verzetten, zijn vader aanblikkende met de
zelfde teederheid als toen deze hem aan de borst drukte, — zou
dan de ongeloovige beschuldiger niet beschaamd staan, de
echtheid der kinderlijke liefde niet uitgemaakt, de eer des vaders
niet gered zijn\'? En ten slotte, als het proefstuk op deze wijze
is afgeloopen, zal dan de onnatuurlijke houding, voor een oogen-
blik door den vader aangenomen, niet terstond veranderen, en
zullen de banden die hem hechten aan zijn kind, niet juist door
die beproeving met een verdubbelde gunstbetooning worden be-
zegeld ?
Zietdaar, onzes inziens, de geheele idee der Jobeïde.
De Inleiding «f Proloog — dat gedeelte, dat meestal slechts
in \'t voorbijgaan de aandacht boeit — is hier de sleutel van het
Gebed.
Het lijden van Job is noch het gevolg van zijn verborgen zon-
den, zoo als zijn vrienden beweeren, noch zelfs een louterings-
middel, gelijk men dikwijls gemeend heeft. De oplossing van het
raadsel ligt veel hooger, ter plaatse waar niemand op de gedachte
komt het te zoeken. Wij zien hier een proef opgelegd aan iemand,
die, met betrekking tot de vraag of zijn lijden verdiend is, als
volkomen onschuldig beschouwd moet worden, \'t Is er God alleen
\'m te doen om in hem op aarde de belangloosheid der Liefde
!e openbaren en zoodoende tot in den hemel der hemelen zich
-ocr page 286-
276
te verheerlijken. De beproeving van Job zou zelfs denkbaar zijn
in een Paradijs, in den schoot der volmaakte Onschuld. Er is
niets ongerijmde in de voorstelling, dat de Eerste Mensch, indien
hij de eerste beproeving had doorgestaan — die van het genot,
waarvoor hij inderdaad bezweken is — misschien tot een tweede
beproeving, die des 1 ij d e n s, had kunnen geroepen worden, om,
in geval van overwinning, door dezen hoogsten en laatsten triomf
den Satan voor immer tot zwijgen te brengen en Gods heerlijk-
heid voor hemel en aarde ten top te voeren. Zóo zou de Mensch-
heid hare roeping hebben kunnen vervullen, zooals de Schrift
haar voorstelt1). Uit deze gegevens zou men zelfs een normale
geschiedenis van een onschuldig Menschdom kunnen saamstellen,
en die ideale geschiedenis zou niets anders zijn dan het beeld
(de type) der geschiedenis van den Zoon des Menschen die zijnen
God verheerlijkt, in de woestijn door de zeltverloochening, daarna
in Gethsémané door het aanvaarden van den beker des lijdens.
Verhef de persoonlijkheid van Job tot haar ideaal — gij krijgt
Jezus!
Lag het intusschen bij deze verklaring van Jobs lijden in de
bedoeling dos Dichters in \'t algemeen alle verband tusschen schuld
en lijden te ontkennen? Gewisselijk niet, zooals op menige blad-
zijde van zijn Dichtsttuk blijkt. Hij geeft geen volledige theorie
aangaande het Lijden; hij ontvouwt niet opzettelijk de gewone
oorzaken van dit verschijnsel, evenmin als hij er aan denkt ze
te loochenen. Hij openbaart een nieuwe oorzaak, die tot hiertoe
onbekend was gebleven en waarbij noch de zondige daad van
eenen mensch in \'t bijzonder, noch de zondige slaat van het
menschdom in \'t algemeen, in aanmerking komt. Zoo ontgaat hij
de beperktheid van onze natuurlijke Theodicee en ontwortelt hij
het vooroordeel, dat ons bijna altijd de mate der schuld van den
individu doet berekenen naar de mate van zijn lijden. Indien
wij dezen maatstaf alleen bij ons eigen lijden aanlegden, zou ei
zeker niet veel gevaar in steken. Maar door een verborgen onwil
geprikkeld, scheppen wij er een soort van behagen in om in het
gedrag van den naaste de bron van zijn jammeren op te sporen.
Wij stellen eiken ongelukkige al zeer spoedig in staat van be-
schuldiging. De deernis met hem bekoelt juist op het oogenblik
als hij haar het meeste noodig had. Wie telt de onbarmhartige
vermoedens, de onrechtvaardige beschouwingen en handelingen.
\') Psalm VIII: 2.
-ocr page 287-
277
waar zulk een dwaling toe leidt? Het is van hoog belang dien
ijzeren cirkel te verbreken, binnen welken een kortzichtig oordeel
ons sluit en ons medelijden dreigt te stikken. Daartoe is het niet
voldoende, gelijk men gewoonlijk meent, onderscheid te maken
tusschen het wel verdiende lijden (straften) en het lijden be-
stemd om den mensch te louteren (kastijdingen ot\' beproe-
vingen, in den gewonen zin des woords.) Ook die onderschei-
ding heft nog het treurig axioma niet op: „Zoo veel lijden, zoo
veel schuld." Want evenals de bestraffingen in volkomen ver-
houding moeten staan tot de schuld, evenzoo moeten de tot lou-
tering toegezonden beproevingen in niet minder juiste evenredig-
heid staan tot de veelheid der smetten die weggenomen moeten
worden. In heide gevallen wordt de grootste lijder altijd als de
grootste zondaar beschouwd, \'t zij dan opzettelijk, \'t zij feitelijk;
en het bijvoeglijk naamwoord: verdiend houdt niet op zich als
een brandmerk vast te hechten aan het zelfstandig naamwoord:
ongeluk.
De blik der Barmhartigheid zoekt angstig naar een uitgang uit
dezen kerker: de Jobeïde nu heeft haar dien uitgang ontsloten.
God-zelf heeft ons in dit diepzinnig Gedicht een der diepste ver-
borgenheden van Zijn waereldbestuur geopenbaard. Er zijn ge-
vallen, waarin Hij den mensch treft, niet van wege diens vroeger
begane zonden, noch met het oog op diens toekomstige loutering, maar
met het oog op Zich-zelven en om den wille van Zijne eigene zaak.
Gelukkig de mensch, die geroepen wordt om zulk een rol te
spelen: Dat hij het kan, is zijne heerlijkheid; dat hij het wil,
is de heerlijkheid Gods. Zou men de stoutheid, de verhevenheid
van deze Theodicee durven betwijfelen? Ik geloof het niet. Hoe
komt de Dichter aan deze gedachte? Hier geldt wel in den hoog-
sten zin des woords het oude: „Est deus in nobis." Trou-
wends, de waarachtige Dichter ziet menigmaal verder en dieper
dan vele ofliciëele theologen en philosophen van professie in het
stof hunner boekencel kunnen droomen !
Wat de Theodicee van het Boek Job nog belangrijker maakt,
is dat het haar gelukt het gestelde vraagstuk op te lossen zonder
tusschenkomst van een element, dat anders altijd tot beandwoor-
ding onmisbaar werd geacht; te weten: de leer van belooningen
en straffen in een volgend leven. Welke denker, van Plato af
tot op Kant toe, heeft zich ooit aan een verklaring gewaagd van
de schijnbaar zoo onrechtvaardige veideeling van het menschelijk
lijden, zonder zijn toevlucht te nemen tot het dogma van de
-ocr page 288-
278
Onsterfelijkheid der Ziel? In een ander leven zouden de wissels
worden betaald, die de Voorzienigheid in dit leven had afge-
wezen met protest. Alleen de Auteur der Jobeïde maakt op dezen
vrij algemeenen regel een uitzondering. De bezielde Dichter durft
het vraagstuk aan zonder dit hulpmiddel. Is het omdat het leerstuk
van een Toekomend Leven hem geheel onbekend is gebleven\'.\'
Al ware dit ook zoo, dan nog zou het welslagen van zijne poging
er niet minder merkwaardig om blijven. Maar is het wel zoo ge-
heel waarschijnlijk, dat hij hoegenaamd geenerlei voorstelling, hoe
onvolkomen dan ook, zou hebben gehad van een leven na dit
leven? Hebben niet zelfs de onbeschaafdste volken, ook uit de
vroegste tijden, daarvan althands een onbestemd voorgevoel aan
den dag gelegd? Zou het geslacht, dat in het aartsvaderlijke tijd-
perk de zuiverste godsdienstbegrippen bezat, juist van déze hoop
geen enkelen glinster hebben gezien? — In allen gevalle, al
zwijgt de Auteur van Job dan ook over het leerstuk der Toe-
komstige Vergelding, toch spreekt hij het algemeene begrip uit,
dat deze leer tot grondslag strekt. Of, toont hij ons niet, in den
Epiloog of het Slot, den stroom der goddelijke zegeningen,
die zijn prachtigen loop hervat zoodra de beproeving van den
held ten einde is? Keert niet, naarmate Job meer geleden heeft
voor Gods zaak, de gunst des Heeren straks des te overvloediger
tot hem weder?
Wat beteekent dat? —- Dat is de uitdrukking eerier zedelijke
wet, die juist het beginsel eener godlijke vergelding in zich be-
vat. Of die wet hier of hiernamaals ten uitvoer gelegd wordt, is
den Dichter om het even. Hij verheft zich stout-weg boven dit
alternatief, want het is hem meer om de Wet-zelve dan om
hare feitelijke ten-uitvoerlegging te doen. Acht men dit te veel
van Jobs inzicht verondersteld? Men herinnere zich de beroemde
regels, waarin immers Jobs verwachtingen haar toppunt bereiken :
„Ik weet het, mijn Verlosser leeft,
Die eenig, eeuwig uitkomst geeft,
De Rots van mijn vertrouwen!
Als lang dit stofkleed is vergaan,
Dan zal ik, van mijn vleesch ontdaan,
Den hoogen God aanschouwen!
Dan reikt Hij mij als vriend de hand,
En doet de kroon me ontfangen !
-ocr page 289-
279
Hoe smacht mijn binnenst ingewand
Van nameloos verlangen!\'\'... \')
Drukt .Tob hier de hoop uit op een leven na dit leven? Of
doelt hij eenvoudig op de verwachte genezing van zijn tegen-
woordige kwaal 1 Men mag het er veilig voor houden, dat Job-
zelf met het andwoord op deze vraag even verlegen zou zijn ge-
weest als ten allen tijde zijne uitleggers geweest zijn. Weet hij
dan zelf wat er worden zal van dat lichaam, het levendig ge-
raamte. waar hij op dat oogenblik nog in verzucht? Weet hij of
de melaatschheid waaronder hij wegkwijnt, haar werk van ver-
woesting zal voortzetten, dan wel of God tot dat verterend vuur
zeggen zal: „Tot hiertoe en niet verder?" Neen, hij weet dat
niet; hij kan het niet weten, en juist daarom kan hij den aart
zijner aanstaande verlossing niet juist bepalen. Maar wat hij met
onfeilbare zekerheid weet, en wat hij hier triomfeerende uitroept.
is dit éene, dat hij herleven zal, het zij langs den weg van ge-
uezing, het zij door een ontwaking uit den slaap des doods. Hoe
dan ook, hij zal herleven, want God leeft, en Job kent Hem:
het is zijn God. Job zal leven, want zijn God, evenmin als de
God van Abraham, Izaak en Jakob, is geen God der dooden,
maar een God der levenden. Wij hooren bier uit den mond van
Job hetzelfde voorgevoel spreken, dat de mond des Heeren later
aldus formuleerde 2).
De hope eener herleving, hier door den lijder beleden, betreft
dus noch de wijze waarop, noch de plaats waar, noch den tijd
wannéér, maar eeniglijk het feit. Zij beproeft het niet eens een
vorschenden blik te werpen op de wegen en middelen, door welke
het God zou kunnen behagen haar te verwerkelijken. Deze sche-
merende verwachting is ongetwijfeld nog lange niet het afgeronde
Leerstuk van de Onsterfelijkheid der ziel; maar zij is er toch
wel waarlijk de kiem van. Latere openbaringen kunnen den in-
boud dezer woorden ontwikkelen en nader bepalen, maar zij
kunnen geen stouter uitdaging ontlokken dan die Job hier toe-
werpt aan machten der Melaatschheid en des Doods. — En zoo
is het dan, gelijk wij zeiden, den Dichter gelukt het mysterie
der Lijdende Onschuld te verklaren, zonder verwijzing naar de
leer der Zonde of het dogma van het Eeuwige Leven, en zon-
der, aan den anderen kant, iets te kort te doen aan de onkieuk-
\') Job XIX. Zie hiervoren blz. 181.
•j Malt. XXII: 32.
-ocr page 290-
280
bare rechtvaardigheid des Waereldbestuurders. In der waarheid,
indien wij aan de Jobeïde, zoo als wij haar begrijpen, een motto
moesten toevoegen, het zou geen ander zijn dan het woord des
Meesters ten aanzien van den blindgeborene. Als Zijne discipelen
Hem gevraagd hadden: „Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of
zijne ouders, dat hij blind zou geboren worden?" zoo andwoordde
Hij: „Noch deze heeft gezondigd, noch zijne ouders; maar dit
is geschied, opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard
worden" \').
De beteekenis en het doel van Jobs lijden zijn dus van den
beginne af duidelijk aangewezen, en men kan zeggen dat het
raadsel der Lijdende Onschuld zijne oplossing heeft in den Pro-
loog. De redenen van Job en zijne drie vrienden (Kap. III—XXXI)
moeten hoofdzakelijk dienen om de valsche oplossing weg te
nemen, die hij zich voorstelde te bestrijden. Eerst wanneer dat
misverstand opgeheven is, kan de mensch tot bewustheid komen
van de houding, die hem tegenover God past zoolang het ware
doorzicht van de wegen der Voorzienigheid hem nog niet ge-
opend is: en die bewustheid op te wekken, is dan ook wel het
groote doel van Elihu\'s gesprekken en Jehovah\'s stem uit het
onweer (Kap. XXXII—XXXVII en XXXVIII— XL1).
Een enkel woord nog over elk dezer afdeelingen.
Jobs vrienden, naar \'t schijnt, vormen met hem een kleinen
monotheïstischen broederkring te midden van een afgodische be-
volking; een soort van religieuze a ris tok ra t ie, te midden van
ruwe troglodyten (holbewoners) gelegerd, eenigzins zoo als
in Zuid-Afrika de Kaapsche boeren leven in het midden van
Bechuanen en Boschjensmannen. Nu wordt Job door zijne vrien-
den van niets minder beschuldigd dan van verzaking van het
gemeenschappelijk geloof en heimelijken afval tot afgoderij en al
de ondeugden die daarmede onafscheidelijk gepaard gaan. Alle
drie meenen, een iegelijk op zijne wijze, in dezen vermeenden
afval de oorzaak van Jobs lijden te moeten zien, en doen niets
anders dan onder duizend vormen deze éene gedachte herhalen :
„God is rechtvaardig: zooveel gij opentlijk lijdt, zooveel hebt gij
heimelijk gezondigd. Erken uw verborgen afdwalingen: geef God
de eer, dan zal Hij u herstellen:" Op deze wijze sprekende, fot-
muleeren de vrienden — men gevoelt het duidelijk — de Thè-
odicee van hunnen tijd. De heerschende zienswijze liet geene
\') Joh. IX: 1—3.
-ocr page 291-
281
andere uitleggiug toe dan die van eene Vergeldende Gerechtig-
heid; eene uitlegging, die, averechtsch toegepast op het geval
van Job, dezen als een dolksteek door de ziel moest gaan. Hij
had geen andere leer tegenover deze troostlooze theorie te plaat-
sen, en mocht zich dus op dogmatiesch terrein wel geslagen
voelen. Om logiesch de stoten af te weeren, waarmee men hem
overlaadt, om zich waarlijk te verdedigen, had hij de geheimen
des Hemels moeten kennen, had hij toeschouwer moeten geweest
zijn bij die goddelijke Raadsvergadering uit den Proloog; maar
dat is hij niet.
In dezen toestand en onder het gewicht van genoemde be-
schuldigingen, gelijkt Job aan dien zoon van wien wij gesproken
hebben, wanneer zijne broeders, hem door zijnen vader verwor-
pen en met klimmende hardheid behandeld ziende, elkander met
ontroering afvragen: „Wat heeft hij dan toch gedaan?" en, zich
tot hem wendende met een mengeling van deernis en afschuw,
hem vermanen om schuld te belijden en het ernstig vergrijp
weer goed te maken, dat hij ongetwijfeld moest begaan hebben.
Ue ongelukkige weet niet wat hij andwoorden zal. Hij onderzoekt
zijn geweten, maar vindt er niets dat zulk een ongewone han-
delwijze, zulk eene plotselinge verandering in Gods betrekking
tot hem, ook maar eenigszins zou kunnen verklaren. Zoo is dan
de jammerende betuiging zijner onschuld al wat hij vermag!
Ontzettende toestand, bewonderenswaardig uit het oogpunt dei-
Kunst en voor den Dichter vruchtbaar in tafreelen van waarlijk
tragische grootheid! Die innige verzekerdheid van een goed
geweten, is de rots, aan wier voet zich al de heftige beschuldi-
gingen van Jobs vrienden, heel hunne bekrompen Theodicee,
als machtelooze golven breken. Hunne doode rechtzinnigheid
verstomt ten slotte bij de kreeten van de dikwijls heterodoxe
maar altijd oprechte jammerklachten van den lijdenden Held.
Welke leer kan het ten slotte uithouden tegen het protest
van het zich-zelf onmiddelijk bewuste Zedelijk leven?
Tegenover den abstrakten God zijner vrienden, die niets
anders dan een wiskunstige formule, dan een koude, ziellooze
weegschaal is, heeft Job, wiens logika ten einde is, ongetwij-
feld niets anders te plaatsen dan een grilligen, fantastischen
God, die uit den schoot der wolk waarin Hij zich verbergt, Zijn
pijlen schiet werwaards het Hem lust, zonder reden. Maar in
elk geval is dat dan toch een levendige, vrije, persoonlijke God,
die als Hij gewond heeft, kan genezen, en als Hij gedood heeft,
-ocr page 292-
i>82
weer levendig kan maken. En zoo werpt Job zich dan ook in
de armen des Alvrijmachtigen, zich met geweld losscheurende
uit het dwangbuis, waarin de onverbiddelijke logi ka zijner vrien-
den hem dreigt te verstikken. Nu gaat hij. wel is waar, in zijne
vaak aan krankzinnigheid grenzende wanhoop, zóo ver, dat hij
als \'t ware dien God een proces wil aandoen, en Hem verwa-
ten toeroept, dat Hij hem, den zwakken sterveling, wel kan
dooden maar niet beletten zijne onschuld te blijven betuigen en
zich tot den einde toe te beroepen op het Hoogste Recht:
„God zal mij dooden:
Niets hoop ik meer,
Maar \'k handhaaf stervend
Bij Hem mijne eer!" *)
Maar het kan onze aandacht niet ontgaan, dat hij. aldus spre-
kende. God voor de vierschaar van God-zelven dagvaart, en dus
eigenlijk aan Gods aanbiddelijk wezen, op het oogenblik waarop hij
dat het ernstigste schijnt te miskennen, de schoonste hulde brengt.
Juist dit gedeelte van het Boek Job, het moeilijkste voor den
J) Job XIII; 16. Zie hiervoren bl. 177 en 178. Onze Statenvertaling hoeft: .Ziet.
zoo II ij m ij doodde, zon ik niet hopen?" De Fransche vertaling (die Godet
hier voor deu peest had), nog sterker: rVoila, qu\'il me t u e, j\'e ne lais-
serai pas d\'espércr f.*n Lui],\'1 en volgt daarin, even als de Engelsche en
Italiaan <Hic overzetting, de V u lga t a: „Etiamsi occiderit me, in ipso
spcrabo" De uitdrukking, aldus opgevat — das merkt Delitzsch op in zijn
Biblischer Commentar (S. 132, 133). — heeft een eerwaardige geschiedenis.
De keur vorstin Louise Henriette van Oranje (gest. I6fi7); de dichteres van het on-
sterfelijk Lied: „Jesu, meine Z u versie h t," koos de woorden: „Obmieh
der Herr gl ei c h tödten wird, so willichdochaufihnhoffen,"
tot den tekst van hare Lijkreden; en het woord van Job, aldus opgevat, heeft vele
stervend m gesticht, onder anderen eene Jodin, want met stervende vingeren be-
proefde Grace Aguïlar nog de woorden: „Though II e slay me, yet will I
truBt in h i m" ter neder te schrijven. De betuiging van onzen lijder, in dezen zin
verstaan, heeft een historisch recht vóór zich, dat wij niet willen bestrijden. Zelfs
de Apostelen ontzagen zich niet, Grieksche woorden uit de Septuagint, al kwamen
zij ook met den ILibreouwsch-n gronitjkst van h ;t Ondi iTestament niet overeen.
over te nem *n voor zoï vom zij schriftuurlijk waren, of wel eene van elders uit
den Rij bel erkende waarheid in een kernspreuk te samen vatteden. Zoo is het ook
met dit gezegde, dat, in don geest der Vulgata begrepen, bovendien niet in strijd
is met den geest en eindelijke gemoedsstemming van Joh. Maar anders staat er
letterlijk en ook geheel in verband met het onmiddelijk voorgaande: JZ i e, doo-
den zal II ij mij; ik hoop niet," d. i. ik verwacht geen ander en beter
uiteinde.
-ocr page 293-
283
koelen uitlegger, maar liet toegankelijkste voor het verbrijzeld
hart, behoort vooral tot de episoden, waaraan het Gedicht zijn
onsterfelijken roem te danken heeft. Vergeldende rechtvaardig-
heid, volgehouden in weerwil van de feiten die haar schijnen te
weerspreken, of — grenzenlooze willekeur, uitgeroepen ten koste
van de goddelijke volmaaktheden, zóo luidt het onveranderlijk
alternatief, waarop de redetwist van Job met zijne vrienden
uitloopt.
En nu —• wat zal de vroome toeschouwer doen, die, onbekend
evenzeer met het tooneel uit de Inleiding of Proloog, zich ge-
krenkt voelt door hetgeen er valsch is in beide theorie n? Een
derde systeem voorstellen kan hij niet, want uit het oog-
punt van het Theïsme zijn de alternativen uitgeput. Hij
zal door het besef zijner onwetendheid teruggevoerd worden tot
het praktiesch grondgebied: hij zal de gemeenplaats prediken
van de onvoorwaardelijke onderwerping, van het blinde vertrou-
wen op God, met éen woord, van het Geloof.
Welnu, dat is juist de rol die Elihu te vervullen heeft. „God
is grooter, wijzer, machtiger dan wij. Geheel het scheppingswerk
getuigt dat. Daarom dan. laat ons tegen God niet opstaan, ook
dan niet wanneer Zijne beschikkingen den stempel der 6nrecht-
vaardigheid schijnen te dragen. Beproeven wij evenmin Zijne
wegen ontijdig te verklaren. De beproeving te aanvaarden, te
trachten er winst mede te doen tot onze verbetering, en op de
uitlegging te wachten, die de Al wijze ten slotte aan onze on der-
we rping niet onthouden zal, maar die Hij aan ons ongeduld
weigert, ziet daar den weg!" Deze, ietwat alledaagsche, zoo gij
wilt, maar in den gegeven toestand toch ware wijsheid, waaraan
wij ieder oogenblik behoefte kunnen hebben, ontleent in dit Ge-
dicht hare bijzondere waarde en oorspronkelijkheid aan het kon-
trast van de dubbele dwaling van Job en zijne vrienden.
Meer dan ééns had Job God getart om te verschijnen en in
persoon Zijne houding te verklaren. Elihu had de verschijning
van Jehovah zoo goed als onmogelijk geacht, al schijnt hij die
allereerst bij Zijne nadering in den storm te hebben voorgevoeld.
Daar verschijnt nu God ten slotte inderdaad, maar bet is alleen
om op de vermaningen van Elihu het zegel te drukken. Jehovahs
stem tot Job is eigenlijk niets anders dan de voortzetting van de
Prediking des Geloofs.
Waarom verklaart Jehova zich niet duidelijker? Waarom maakt
Hij ook niet de minste toespeling op de gebeimzinnige wedding-
-ocr page 294-
284
schap in de Inleiding of Proloog? — Als men het plan van
het Gedicht goed begrepen heeft, doorziet men ook de reden van
dit allereerst zoo bevreemdend zwijgen. De proef was nog niet
geëindigd. De door God in den Proloog voorspelde onderwer-
ping van Job was twijfelachtig gemaakt door zijne vermetele en
uitdagende houding in het twistgeding met zijne vrienden. Zoo-
lang het pleidooi van het Geloof in \'t hart van Job nog niet ge-
heel en al gewonnen was, zou immers God, als Hij zich nader
verklaard had, de voorwaarden der weddingschap zelf geschonden
hebben ? Hij zou dan aan de begonnen proefneming een einde
gemaakt, en dus in zeker opzicht erkend hebben dat Hij de partij
verloren had? De ware kinderlijke onderwerping is — te aan-
vaarden niet het lijden dat men begrijpt, maar dat waar-
van men nóch oorzaak nóch doel doorziet. Juist die onderwerping
was bijzonder noodig in het geval van Job. Het kwam er juist
bij God en Satan op aan te weten, of Job in staat zou zijn te
gelooven en lief te hebben tot eiken prijs, te gelooven zon-
der te zien. Daardoor alleen wordt de offerande van het eigen
I k voltooid, dat olfer dat nooit gebracht wordt bij het volle licht
van het Weten, maar altijd in den nacht van het Gelooven.
Satan, die zelf dit offer aan God geweigerd heeft, ontkent de
mogelijkheid, dat eenig schepsel ter waereld bereid zou zijn het
Gode te brengen. Nu is de mensch geschapen om de valschheid
van deze krenkende ontkenning te bewijzen; en Job is, zonder
het te weten, op dat oogenblik de uitverkoren mensch die dat
Godverheerlijkend bewijs verschaffen zal. De proef zou dus op-
houden op het oogenblik, waarop het geheim ontsluierd werd:
van daar Gods zwijgen. Nu begrijp! men ook het doel van die
beschrijvingen, waarin Jehovah al de pracht en rijkdom Zijne)\'
scheppingswerken ten toon spreidt. Door Job te herinneren wat
Hij gedaan heeft, wil Hij hem levendig doen gevoelen wat Hij
is; en hem aantoonen, dat Hij in elk geval waardig is, geliefd,
gediend, gevolgd, aangebeden, bemind te worden. Zoo vindt Hij
het middel, om, zonder de voorwaarden der weddingschap te
schenden, Job zachtkens naar het gewenschte doel te leiden, mei
wegruiming van de hinderpalen, door de onhandige tusschen-
komst der vrienden, Zijne (Gods) eerste verdedigers, in den weg
gelegd.
Maar mij dunkt, hier verneem ik een ernstige tegenwerping.
„Indien deze dingen alzoo zijn," zal men zeggen, „dan maakt
het Boek Job alles nieuw en een tweeden Job voortaan onmoge
-ocr page 295-
285
lijk. Het Licht, dank zij dezer openbaring, bestraalt van nu af
aan het pad van den rechtvaardigen lijder zóo helder, dat er voor
hem geen gelegenheid meer bestaat tot oefening van zijn Geloof.
Indien wij het voetspoor van Job moeten volgen, dan had God
moeten zwijgen, niet alleen tot het einde van het Boek, maar tot
aan het einde der waereld."
Hierop andwoord ik het volgende:
Vooreerst: dat het Boek Job mij minder bestemd schijnt
om nieuwe Jobs voort te brengen dan wel om het geslacht der
vrienden van Job te doen uitsterven. Ten anderen: dat, in
weerwil van de lichtstralen, waarmee dit Boek het pad van den
onschuldigen lijder bestraalt, er in elk bijzonder geval nog duisters
genoeg overblijft om het Geloof overvloedige gelegenheid te laten
zich te oefenen en te ontwikkelen, naar den eisch van Elihu en
Jehovah. Ik denk hier aan dat tering-achtige kind, dat het leven
verlaat zonder er iets van gekend te hebben dan de smarte. Ik
denk hier aan die moeder daar, sedert twintig jaren bedlegerig
op een lijdenssponde, verstoken van het voorrecht om een gezin
te besturen dat zij meer bemint dan zich-zelve. Ik denk hier
aan dien vader ginds, die, braaf en vlijtig als hij van nature is,
zijn krachten voelt wegsterven onder den adem eener ongenees-
lijke krankte, en dat juist ten dage waarop zijn arbeid voor zijn
kinderen dringendst noodzakelijk werd. — Wat dunkt u, al koes-
terden ook deze allen de gedachte: „ik lijd om mijn God te ver-
heerlijken op aarde en misschien zelfs in den hemel," zou er
daarom geen duisternis meer op hun pad zijn\'.\' zouden zij daarom
niet nog menigmaal moeten gaan zonder een hand voor de oogen
te kunnen zien? Al bestond er ook geen andere geloofsarbeid,
dan de persoonlijke, praktische toeëigening der verhevene waar-
heid, die in ons Gedicht wordt geopenbaard, dan hare dagelijksche
vernieuwing voor ons hart, ook waar het vleesch bezwijkt, nog
eens, wat dunkt u, zou die taak niet voldoende zijn\'? Te midden
van het lijden zich-zelven te onderzoeken of men niet heimelijk
op een verkeerden weg is; zijn hart te laten doorleuteren
door het heilige vuur der droefheid tot God; en dan, door de
hoogste zedelijke daad des harten, het Geloof, alles aan te nemen
wat onverklaarbaar blijft in het lijden, wat onnut, wat zelfs scha-
delijk schijnt en strijdig met het doel dat God zich moet voor-
stellen ; dan, het kruis op de schouders, met gesloten oogen zich
te werpen in de armen van dien God, Wiens wezen Licht en
Wiens naam Liefde is: — zietdaar den weg, gebakend door de
-ocr page 296-
\'286
gesprekken van Elihu en Jehovah! Staat die weg niet nog open,
tot op dit oogenblik toe, voor eiken lezer der Jobeïde\'? Heeft de
duidelijke oplossing in de Inleiding of Proloog nog wel ooit
die nederige en vrome wijsheid overtollig gemaakt, en kan zij
dat ooit?
Die Gelonfsonderwerping is de grens, werwaards God Zijn dienst-
kneclit heenleidt en de overwinning, die deze ten slotte ook in-
derdaad behaalt. Als Joh den wensch vervuld ziet, dien hij zoo
menigmaal heeft uitgesproken, als hij zich in Gods tegenwoordig-
heid geplaatst ziet, gevoelt hij zijn eigen nietigheid. Vrijwillig en
welgetroost zinkt hij in dat gevoel terug, nadat hij een oogen-
blik beproefd heeft, er zich uit op te heffen. Hij neemt alles aan
uit Gods hand, omdat het de hand van God is. Het offer van
het eigen ik wordt alzoo gebracht en volbracht. De band, die
hem met God vereenigt. is des te nauwer geworden onder de
last der beproeving, die hem dreigde te verbrijzelen. De lasteraar,
die zich gedrongen had tusschen God en Zijn dierbaar kind. moet
erkennen dat de menschelijke vroomheid iets anders is dan een
schijn, en de liefde tot God hier beneden iets meer dan een holle
klank. Den Satan wordt de mond gesnoerd: Job heeft Gods triomf
beslist voor de Engelen des hemels.
Eindelijk — en dit is niet de minst beduidende trek van dit
onvergelijkelijk Poëem! — die Job, die de stoutste stellingen had
verkondigd, is juist de man die verzoenend tusschen beide moet
treden voor de deftige vrienden, wier orthodoxie toch zoo
zuiver was gebleven als goud; niemand anders dan hij is de
man, die voor hen bij God vergeving moet verwerven.
Als wij met een Heidensch Dichter te doen hadden gehad, zou
het Gedicht allerwaarschijnlijkst hier zijn geëindigd: als eens de
mensch den raad der Goden heeft uitgediend, heeft hij voor hen
geen waarde meer. Hij is een werktuig, een middel: biedt het
weerstand, het wordt verbroken; is het gebruikt, men werpt het
weg. Dat komt, omdat het Heidendom nooit ernstig geloofd heeft
aan de waarde der Persoonlijkheid, aan de Zedelijke Vrijheid, en
dat de Heidensche voorstelling van het Noodlot een Medusa-hoofd
is, welks aanblik beide, menschen en goden, versteent.
De Godsleer der Heilige Schrift berust op de liefde en voert
tot de Liefde; en daarom eerbiedigt zij, bij God en bij de men-
schen, de Vrijheid, die de voorwaarde is tot de Liefde. Nergends
in den Bijbel wordt de mensch vernederd tot de rol van een
bloot middel, zelfs niet tot bevordering der heerlijkheid Gods,
-ocr page 297-
287
\'t zij uit straf en wanneer de menscli zich met opzet de eer on-
waardig gemaakt heelt zelf\' doel te zijn.
God roept ons, ongetwijfeld, om Hem te verheerlijken; maar
maakt Hij ons daarom tot ziellooze werktuigen\'.\' Neen, Hij komt
door die roeping veeleer te gemoet aan onze eigene natuur, aan
ons eerst en eèlst instinkt. Ook, wie Hem verheerlijkt, verheerlijkt
te gelijk zich-zelven. Het zedelijk schepsel, dat de goddelijke ploeg
moeizaam heeft voortgetrokken, wordt niet gemuilband als het
oogenblik daar is om het graan te dorschen. Het neemt deel aan
liet oogstfeest, en als de Meester Zijne garven binnen brengt met
gejuich, volgt het Hem met bloemen gekranst.
Het herstel van Job in zijne vroegere grootheid — het Eind-
besluit van ons Gedicht! — beandwuordt geheel aan het grond-
denkbeeld dezer Schriftuurlijke Godsleer. Men heeft aan deze ont-
knooping het verwijt van eudemonisme gedaan: men zou het
geheele Boek van fatalisme hebben moeten beschuldigen als
deze ontknooping er aan ontbroken had.
Is het mogelijk, dat bij twee vrije wezens, die elkamier waar-
lijk liefhebben, niet elke smart, die de een om den wille des
anderen ondergaat, den band der liefde des te nauwer zou aan-
halen\'? Is het mogelijk, dat de betrekking, alzoo innerlijk ver-
ïijkt, zich niet naar buiten zou vertoonen, in nieuwe blijken van
teederheid? „En de Heer zegende (niet: beloonde!) het
laatste van Job méér dan zijn eerste." Dit woord berust niet 0]>
liet slaafsche begrip van loon —de liefde duldt zoo iets niet! —
maar op het gevoel van den prijs waarop de Liefde de Liefde
schat, op het begrip van de Beminde Liefde.
Wij hebben het hoofddenkbeeld van het Boek Job in \'t licht
gesteld en trachten aan te tonen, hoe de verschillende deelen
van het Boek zich groepeeren rondom het eerste gegeven. Wat
ontbreekt er aan dat Boek, zoo vragen wij, om de eerste plaats
in te nemen in de rij der van God-zelf geïnspireerde Boeken? —
Het lijden van den Bechtvaardige verklaard in zijne diepste oor-
zaken: de valsche oplossingen van dit vraagstuk weerlegd; de
kleine geschiedenis der Menschheid hier op aarde opgenomen in
bet onmetelijke drama, dat gespeeld wordt in de waereld der
redelijke geesten; de Aarde — niet ongelijk aan dat kleine schier-
euand, waar weinige jaren geleden de hoogste vraagstukken der
Menschelijke Staatkunde beslist werden — de Aarde, verheven
-ocr page 298-
288
tot de waardigheid van strijdperk, waar de hoogste belangen der
ouzichtbare waereld en van het koninkrijk Gods verhandeld wor-
den; de rechtvaardige, naar de uitdrukking des Apostels, een
schouwspel voor menschen en engelen; de Volmaakte Job van
het Kruis vóorafgebeeld in een historische!) type, die wel zijne
vele gebreken heeft, maar in wiens zwakte de kracht Gods wordt
volbracht, allen lijders van alle tijden tot een exempel; de
vertroostingen van het Geloof voor immer uitgestort in het hart
van hen die vergeefs zich-zelven kwelden met het vorschen naar
het Waarom hunner smart; het heilig recht der Deernis volkomen
gewaarborgd door den mensch aan den mensch; de Barmhartig-
heid die opricht, in de plaats van het Oordeel dat verplettert;
Satan overwonnen; God verheerlijkt; de Mensch, Gods kampioen
bij deze overwinning, verheerlijkt in God — wat kan men méér
vragen of verwachten van een Boek dat van boven is ingeblazen?
SOU DEO GLORIA.
-ocr page 299-
INHOUD.
DE PLANËETEN.
Bladz.
Eerste Zang. De Aarde....................      1
Tweede Zang. Uranus....................    11
Derde Zang, Saturnus....................    17
Vierde Zang. Jupiter...................    24
Vijfde Zang. Mars......................    34
Zesde Zang. Merkurius..................    45
Zevende Zang. Yenns ... ................    53
Achtste Zang. Het Lied der 1\'laneoten............    65
Negende Zang. De nieuwe Aarde...............    69
Korte aanteekeningen en ophelderingen............    86
DE JOBEIDE.
Het Doek Joh........................   153
1. Inleiding.....................  153
Vervolg der Inleiding ...............   156
Vervolg en slot der Inleiding...........  158
II. De verwikkeling. Eerste kampstrijd........  159
De eerste aanval van Elifaz.............  159
Vervolg van den eersten aanval van Elifaz.....  161
Jobs eerste andwoord aan Elifaz..........   163
Vervolg van Jobs eerste andwoord aan Elifaz. . . .  164
De eerste aanval van Bildad. . . ........  166
Jobs eerste andwoord aan Bildad..........  168
Vervolg van Jobs eerste andwoord aan Bildad. . . .   172
De eerste aanval van Zofar............   173
Jobs eerste andwoord aan Zofar..........  174
Vervolg van Jobs eerste and woord aan Zofar. . . .  176
Slot van Jobs eerste and woord aan Zofar......  179
Tweede kampstrijd.................  181
De tweede aanval van Elifaz............  181
Jobs tweede andwoord aan Elifaz.........  184
Vervolg van Jobs tweede andwoord aan Elifaz . . .  185
De tweede aanval van Bildad . .........  186
-ocr page 300-
INHOUD.
Mail.. f
Jobs tweede antwoord aan Bildad.........   188
De tweede aanval van Zofar...........   19U
Jobs tweede and woord aan Zofar..........   193
Derde kampstrijd.................   195
De derde aanval van Elifaz.............   19-">
Jobs derde andwoord aan Elifaz.........   197
Vervolg van Jobs derde andwoord aan Elifaz. . .   198
De derde aanval van Bildad............  200
Jobs derde andwoord aan Bildad..........  200
III.  Overgang tot de ontknooping. Jobs slotwoord tot zijne
vrienden....................202
Vervolg van Jobs slotwoord tot zijne vrienden . . 203
. Jobs alleenspraak. Het blij verleden........205
Jobs alleenspraak. Het treurig lieden........20f\'
Jobs alleenspraak. Het rein geweten t\' allen tijd. . . 20\'.
IV.  De ontknooping. Aanleiding tot het optreden van
Elihu.....................212
De rede van Elihu............... 214
De rede van Elihu................216
De rede van Elihu................220
De rede van Elihu................221
Slot van Elihu\'s vierde en laatste rede.......224
Jehovah\'s stem tot Job.............226
Jehovah\'s stem tot Job..............228
Jehovah\'s stem tot Job..............230
Jehovah\'s stem tot Job..............231
Besluit van Jehovah\'s tweede rede tot Job.....232
V. Besluit. Jobs laatste, boetvaardig andwoord aan Je-
hovah.................... 234
Iets over het Boek Job..............237
S 1. Het Boek Job in \'t algemeen.......239
§ 2. De tijd der samenstelling en de auteur van
het Boek Job.............241
§ 3. Tot welke dichtsoort behoort het Boek Job. 248
§ 4. De inhoud van het Boek Job.......254
ij 5. Over den waren zin van het Boek Job . . 273