-ocr page 1-
\\0$2ö
KMW
Prijs f 0.90.
T^Sj            (i^s         ~xf-
TOELICHTING
OP DE
y
_a^S?)
Melodieën der fsalmen
3
A. J. DE WIT.
$
\'
BOTTERDAM,
G. ALSBACH & Co.
1894.
Bij dezelfde Uitgevers vroeger verschenen:
A. J. DE WIT, Accoordenleer...........
f 1.80
■■■■■■■■■■■■^
r->\'
-ocr page 2-
\'
-ocr page 3-
6#u-m
V
-
\'o.
<
TOELICHTING
fi? <s7
OP DE
MELODIEËN DER PSALMEN
DOOR
A. J. DE WIT.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT*
RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT
A06000025608682B
2560 868 2
ROTTERDAM,
G. ALSBACH & Co.
1894.
yW^
-ocr page 4-
-ocr page 5-
VOORWOORD.
Deze toelichting op de melodieën der psalmen kan wellicht van dienst
wezen voor hen, welke wel hebben opgemerkt dat er verscheidene psalm-
melodieën noch in de majeur- of groote terts toonsoort, noch in de
mineur- of kleine terts toonsoort staan, doch echter niet met de oude toon-
ladders bekend zijn. Ook voor hen, die de psalm- of gezang-melodieën
uit een vierstemmig gezet koraalboek spelen of die koralen zelf
harmoniseeren, voor deze laatste zijn in dit werkje eenige accoorden
op melodie-gangen in bijzondere gevallen aangegeven.
Wanneer en door wie vermoedelijk elke melodie werd gemaakt en
ingevoerd, heb ik niet noodig geacht te vermelden, zoo ook niet uit
welke gezangen de Eoomsche, Lithurgische of Gregoriaansche zang
bestaat.
Dikwijls is ter verduidelijking, of wanneer op den gang of het slot
der melodie dient gewezen te worden, ook naar de Evangelische
Gezangen (ouden bundel) verwezen.
Als door dit werkje voor koraalspelers de melodieën der psalmen
cenigzins zijn verduidelijkt, n.1. in welken toon zij staan enz., dan
heeft de schrijver zijn doel bereikt.
A. J. DE WIT.
Eotterdam, Februari 1894.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Bezigt men nu ongeveer al twee eeuwen bijna uitsluitend de bekende
twee soorten van toonladders, nl. de groote en kleine terts-toonlad-
ders, voor dien tijd waren er twaalf verschillende toonsoorten in gebruik,
onder den naam van kerk-toonsoorten; de meeste Roomsche kerkliede-
ren en koraalmelodieën der Protestanten dateeren reeds van vóór twee
eeuwen en staan dus in die oude toonsoorten.
Een viertal dier toonsoorten zijn reeds in de vierde eeuw door een
beoefenaar van het kerkgezang vastgesteld, nl. door den bisschop
Ambrosius, van Milaan; in de zesde eeuw zijn zij met een viertal
anderen (eigenlijk afgeleid van de vier reeds bestaande) vermeerderd
door paus Gregorius den Groote; uit deze acht toonsoorten, kerktonen,
(zoo geheeten, omdat zij door kerkelijke hoogwaardigheidsbekleeders
zijn vastgesteld, en de gezangen, welke in die tonen staan, voor kerk-
gebruik waren bestemd) staat de Gregoriaansche zang, (naar den
zooeven genoemden paus Gregorius). Wanneer de laatste vier toonlad-
ders zijn vastgesteld, is niet met zekerheid bekend, doch met één dezer
vier laatsten zullen wij aanvangen de oude toonsoorten nader te bezien,
en wel met die onder den nu bekenden naam van Groote terts-toon-
ladder.
De Groote terts-toonladder of majeur-toonladder heette toen de
Jonische-toonladder.
Jonisch is een Grieksche naam, zooals al de overige elf toonsoorten
Grieksche namen dragen; de oude Grieken hadden andere toonsoorten,
doch de namen dier soorten heeft men voor de oude kerktonen gebe-
zigd. De Jonische stamtoonladder heeft O tot grondtoon en er komen
twee halve toonafstanden in voor, welke evenals in de stamtoonladder
der Groote terts-toonladders liggen tusschen de derde en vierde en
tusschen de zevende en achtste noot, en bestaat dus uit de toonop-
volging c, d, e, f, g, a, b, c. De zes eerste noten van deze toonladder
zijn de grondtonen van de zes verschillende authentieke oude kerk-
-ocr page 8-
6
toonsoorten; authentieke toonladder beteekent zelfstandige of echte, in
tegenstelling van de zes plagale of afgeleide toonladders.
De authentieke toonladder welke de noot C tot grondtoon heeft,
is, zooals reeds is gezegd,
de «Tonische toonladder;
en verder, die welke tot grondtoon heeft:
de noot d de Dorische              toonladder
„ , c „ Phrygische            ,
„ f , Lydische                »
„ g „ Mixolydische
, „ a „ Aeolische
               „
De dorische, phrygische, lydische en mixolydische toonladders zijn
die, welke door den zooeven genoemden bisschop Ambrosius zijn
vastgesteld.
Al deze toonladders bestaan geheel uit stamtonen ; er komen dus
geen verhoogde of verlaagde tonen in voor; iedere toonladder werd
in twee deelen verdeeld, nl. ten eerste in een reine quint, do afstand
vanaf den grondtoon tot den vijfden toon, en ten tweede in een reine
quart, de afstand vanaf den vijfden toon tot het octaaf. Zie No. 1,
de boogjes wijzen genoemde verdeeling aan.
Zooals reeds is gezegd zijn
■^°- *■\' Dorisch authentiek.                   nevenstaande toonladders de
---------------------------------------—zz----- authentieke of echte oude kerk-
----------------f ê—o-----
———-—,—»—*----------------toonsoorten. Plaatst men nu
reine quint. reine quart.
de reine quart van iedere toon-
ladder voor den grondtoon —
Phrygisch authentiek.                 zoodat genoemd interval vóór
__________________________________  of onder den grondtoon en de
------------—-—w=^0\'==s=^^——  reine quint boven den grond-
g" " —-^           ^^          toon komt te liggen — dan
reine quint. reine quart.          verkrijgt men een plagale of
afgeleide toonsoort. Deze toon-
.Lyaisch authentiek.                              , .,,                    , , ,
\'                                               soort duidt men aan door het
----------------0 —a—i^^-----------woord Hypo, hetwelk onder of
~~a^~----------~^3^z—~~~z^------beneden beteekent; men spreekt
reine quint. reine quart.           dus van de hypo-dorische, hypo-
-ocr page 9-
Mixolydisch authentiek
phrygische toonsoort, enz. Zie
: No. 2.
: In No. 2 staan al de authen-
tieke en plagale oude kerk-
tonen.
De hypo-dorische, hypo-phry-
: gische, hypo-lydische en hypo-
- mixolydische toonladders zijn
i
reine quint. reine quart.
Aeolisch authentiek.
i=^
reine quint. reine quart.
Jonisch authentiek.
de bedoelde afgeleide toonlad-
ders, welke door paus Grego-
~=~fs~— rius aal1 <le reeds bestaande
-----
          \' dier vier authentieke toonsoor-
ten werden toegevoegd.
-,-----0-
reine quint. remc quart
Dorisch authentiek.
No. 2.
Dorisch plagaal of Hypo-Dorisch.
fei^i
reine quint. reine quart.
Phrygisch authentiek.
reine quart. reine quint.
Phrygisch plagaal of Hypo-
Phrygisch.
TJd
reine quint. reine quart.
Lydisch authentiek.
reine quart. reine quint.
Lydisch plagaal of Hypo-Lydisch.
i^^^
reine quint. reine quart.
Mixolydisch authentiek.
reine quart. reine quint.
Mixolydisch plagaal of Hypo-
Mixolydisch.
-S2._
fe=Ê
z^z^tz
-o—•-
reine quint. reine quart.
Aeolisch authentiek.
reine quart. rome quint.
Aeolisch plagaal of Hypo-Aeolisch.
i
zsrzÊz
reine quint. reine quart.
reine quart. reine quint.
-ocr page 10-
s
Jonisch authentiek.                 Joniseh plagaal of Hypo-Jonisch.
:=»:
i^fc
♦ » f
reine quint. reine quart.                  reine quart. reine quint.
Een authentieke toonladder van b en de plagale van dien toon, is
niet in de oude toonsoorten opgenomen, om reden de verdeeling dier
authentieke toonladder dan zou bestaan uit een verminderde quint en
een overmatige quart.
b c d e f g a b
I____________I I__________I
verminderde overmatige
quint.
              quart.
en de plagale toonladder van b uit een overmatige quart en een ver-
minderde
quint
          f \'I « b c d e f.
I__________11________________I
overmatige verminderde
quart.
                quint.
Zooals men hierboven ziet, moeten al de toonladders verdeeld
kunnen worden in een reine quint en een reine quart.
Men lette er op, dat de grondtoon bij de authentieke toonsoorten
de eerste noot is, en de grondtoon bij de plagale de vierde noot. Zie
de open noten welke den grondtoon aanduiden; alzoo hebben de
dorische en de hypo-dorische toonsoort denzelfden grondtoon, zoo ook
de phrygische en de hypo-phrygische enz.
Bij een authentieke toonladder ligt de quart boven en de quint
onder, b. v.
Dorisch authentiek
dcfqabcd
I                                            M________________I
quint onder.              quart boven.
en bij een plagale toonsoort ligt de quint boven en de quart onder, b. v.
Hypo-Mixolydisch
defgabcd
I_____________I I___________________I
quart onder.             quint boven.
Oogenschijnlijk zijn de authentieke dorische en de hypo-mixolydische
toonladders dezelfde, zoo ook de hypo-dorische en de aeolische enz.,
-ocr page 11-
9
omdat deze toonladders met denzelfden toon aanvangen ; doch dit is
niet zoo, want van de authentieke dorische toonladder b. v. is d (de
eerste noot) de grondtoon, en van de hypo-mixolydische toonladder
is g (de vierde noot) de grondtoon. Juist in den grondtoon verschillen
deze twee toonladders.
Een authentieke toonladder begint met den grondtoon en loopt tot
het octaaf van den grondtoon, beweegt zich van grondtoon tot octaaf;
doch een plagale toonladder zet niet in met den grondtoon, maar met
de eerste noot van de quart onder den grondtoon en eindigt met de
laatste noot van de quint boven den grondtoon; deze toonladder .be-
weegt zich dus van de onder-quart tot de quint boven den grondtoon.
Over dit verschil in beweging van beide soorten van toonladders,
later meer.
Al de hierboven aangegeven toonsoorten zijn de authentieke en
plagale oude stamtoonsoorten, er komen geen verhoogde of verlaagde
tonen in voor. Vanzelf kan men de oude toonsoorten in alle tonen
transponeeren; men zorge dan, dat de halve toonafstanden in iedere
toonladder op dezelfde hoogte blijven. Zie b. v. hieronder in No. 3
de toonladders van de eerste helft van den quinten-cirkel, (nl. tot en
met de toonladder welke zeven kruisen heeft) van de authentieke
dorische toonsoort, en in No. 4, de toonladders van de eerste helft
van den quarten-cirkel van de authentieke mixolydische toonsoort.
De boogjes wijzen de halve toonafstanden aan.
No. 3.                             Dorisch authentiek.
Stamtoonladder.
fis
cis
m^s^m
s=fëE$Ez
e
b
dis
-ocr page 12-
10
No. 4.
Stamtoonladder.
Mixolydisch authentiek.
Es
=^S^
SS3Fi^
■^êTSXZ
|==5E3==Ë
Z?cs                                                         Ces                                 . .
Ir
Zooals nu hierboven in No. 3 en 4 de authentieke dorische en
mixolydische toonsoort zijn getransponeerd, kan men al de authen-
tieke en plagale toonsoorten in alle tonen transponeeren.
De plagale toonladders hebben bij transpositie dezelfde voorteekens
als de authentieke waarvan zij zijn afgeleid, omdat de grondtoon bij
deze dezelfde toon is.
Zooals men ziet, komen de kruisen en mollen steeds voor dezelfde
tonen te staan, als in de toonladders van den quinten- en quarten-
cirkel der groote of kleine terts-toonladders; evenals in de toon-
ladder van de groote of kleine terts-toonsoort met één kruis de f
wordt verhoogd, staat ook in de dorische toonladder van a (de toon-
ladder met één kruis) het kruis voor de f enz. Ook do opvolging dei-
kruisen en mollen staat gelijk; D groote terts of b kleine terts heeft
twee kruisen, het f- en e-kruis; do toonladder met twee kruisen krijgt
er dus het e-kruis bij, even ook hier, zie No. 3 e-dorisch enz. Even-
eens is het met de mollen. De toonladder van F groote terts of d
kleine terts heeft ééno mol, de J-mol, ook in de toonladders der oude
kerktoncn met ééne mol is de b verlaagd, enz.
In zeven van de twaalf toonladders komen de halve toonafstanden
op verschillende hoogten te liggen; in de dorische, en evenzoo in de
hypo-mixolydische, liggen zij tusschon den tweeden en derden en tus-
schen den zesden en zevenden toon; in de phrygische, zoo ook in de
hypo-aeolische, tusschen den eersten en tweeden en vijfden en zesden;
-ocr page 13-
11
in de lydische tusschen den vierden en vijfden en zevenden en acht-
sten ; in de mixolydische, en evenzoo in de hypo-jonische, tusschen
den derden en vierden en zesden en zevenden; in de aeolische, zoo
ook in de hypo-dorische, tusschen den tweeden en derden en vijfden
en zesden ; in de jonische en hypo-lydische, tusschen den derden en
vierden en zevenden en achtsten en in de hypo-phrygische tusschen den
eersten en tweeden en vierden en vijfden toon. Elk der oude toonsoorten
komt of onze groote, of onze kleine terts-toonsoort nabij; de jonische
is, zooals men weet, geheel gelijk aan de Groote terts-toonladder, evenzoo
is de aeolische geheel gelijk aan de kleine terts-toonsoort; de dorische
heeft het karakter van de kleine terts-toonsoort, en staat daar het
dichtst bij; de terts der dorische toonladders is, evenals de terts dei-
kleine terts-toonladders klein, en verder heeft men slechts de sext
vanaf den grondtoon een kleinen halven toon te verlagen, om een
kleine terts-toonladder te verkrijgen ; de dorische stamtoonladder b. v.
is dus bijna gelijk aan de kleine terts-toonladder van cl; want deze
laatste toonladder verschilt slechts in één toon mot haar, nl. met
den toon b, de sext, deze is in de kleine terts-toonladder van d klein,
verlaagd men dus de toon b in de dorische rf-toonladder (de sext
vanaf den grondtoon) in bes, dan verkrijgt men de kleine terts-toon-
ladder van d; a dorisch, de toonladder met een kruis, staat na de
verwijdering van het kruis voor den sext, de f, gelijk aan de kleine
terts-toonladder van a enz.
Vergeleken bij de kleine terts-toonladders, hebben de toonladders
van den dorischen quinten-cirkel een kruis te veel en die van den quar-
ten-cirkel een mol te weinig.
De phrygische toonsoort heeft ook het karakter van den kleinen
terts-toonaard. Verhoogt men de seconde vanaf den grondtoon, hetzij
door er een kruis voor te plaatsen of de mol weg te nemen, clan is
zij geheel gelijk aan de kleine terts-toonladder; bij deze laatste verge-
leken, hebben dan de toonladders van den phrygischen quinten-cirkel
een kruis te weinig, en die van den quarten-cirkel een mol te veel.
De lydische toonsoort komt de Groote terts-toonsoort het dichtst
nabij; verlaagt men steeds van iedere toonladder de quart, hetzij
door er een mol voor te plaatsen of het kruis weg te nemen, dan
verkrijgt men een groote terts-toonladder; vergeleken met deze toon-
soort, nl. de groote terts-toonladders, dan hebben die van den lydi-
schen quinten-cirkel een kruis te veel en de toonladders van den
quarten-cirkel een mol te weinig.
-ocr page 14-
12
De mixolydische heeft eveneens het karakter van den grooten terts-
toonaard. Verhoogt men steeds van iedere toonladder de septime (door
er een kruis voor te j)laatsen of de mol weg te nemen), dan zijn zij
gelijk aan de groote terts toonladders. De toonladders van den mixoly-
dischen quinten-cirkel hebben, vergeleken bij de groote terts-toonladders,
een kruis te weinig, en die van den quarten-cirkel een mol te veel.
De aeolische en de jonische toonsoorten zijn, zooals wij reeds gezien
hebben, gelijk aan de kleine en de groote terts-toonsoort.
Hiermede zij ons kort overzicht over de oude kerktonen besloten.
Bij het behandelen in welken toon de verschillende koraalmelodieën
staan, wordt een en ander nog verduidelijkt.
Waaruit kan men nu zien in welken toon eene melodie staat?
Vooraf echter eenige opmerkingen.
Alle koraalmelodieën staan in de stamtoonladders der verschillende
oude toonsoorten, zij staan dus in rf-dorisch, e-phrygisch. /"-lydisch,
^-mixolydisch, a-aeolisch en c-jonisch, of in de plagale toonsoorten
dier authentieke; hierbij zij alvast gezegd, dat niet ééne melodie voor-
komt welke uit lydisch of hypo-lydisch staat.
Bij het zingen der koralen levert de hoogte of de laagte der noten
geen bezwaar op, omdat men zoo hoog of laag kan inzetten als men
wil, men transponeert dan onwillekeurig eene melodie welke b. v. in
de mixolydische toonsoort staat in een of meer tonen hooger of lager,
met behoud van de namen der stamtoonladder, dus met behoud van
de toonreeks g, a, b, c, d, e, f, g; doch met klavierspel-begeleiding
moet men verscheidene koralen een of meer tonen hooger of lager,
transponeeren als in het psalmboek staat aangegeven, omdat men
op het klavier aan de toonhoogte gebonden is; psalm 42 b. v. staat
uit C, zet in met de toon C2 (de.„hooge" C) en in den zesden regel
komt zelfs de a9 (de „hooge" a) voor; speelde men nu dien psalm
op het klavier volgens dien toon, dan was het niet om bij te zingen,
bijgevolg moet men dien psalm transponeeren in F of G; het
koraal mag niet lager gaan dan b (de „lage" b) en niet hooger dan
/a (de „hooge" f).
Zooals men in het stukje „Muziek-onderwijs," hetwelk veelal vooraan
in de berijmde psalmboeken staat, kan zien, staat de noot ut of Cals er
eene mol bij den sleutel staat op de eerste, en staat er geen mol voor
den sleutel, op de derde lijn van den notenbalk.
Zien wij nu verder in welke toonsoort de verschillende koraalmelo-
dieën staan, volgens het kerkpsalmboek. Melodieën waar eene mol voor
-ocr page 15-
18
den sleutel staat en met de noot d1 (de „lage" d) sluiten, staan in
den regel in de eerste of dorische toonsoort (zonder bijvoeging van
het woord hypo bedoelen wij steeds de authentieke toonsoort). Het „in
den regel" ziet op de slotnoot, want gezang 109 sluit niet met d1
(de „lage" d), doch met d2 (de „hooge" d), dus toch ook met de
noot d, want sloot het niet met deze noot, dan stond het ook niet in
den dorischen toon. De slotnoot geeft aan in welke toonsoort het
koraal staat;
sluit het met de noot d dan staat het in den dorischen
toon. De melodieën die in de dorische toonsoort staan beginnen
of met den grondtoon, d1 (de „lage" d) zie de Psalmen 2, 5, 8, 9, 13,
24, 33, 34, 37, 80, 91, 104, 107, 114, 128, 137, 143, de Tweede
Berijming van de Twaalf artikelen des Geloofs, en Gezang 24; of met
de terts van den grondtoon, de noot f, zie de Psalmen 45, 48, 148 ;
of met de quint van den grondtoon, de noot a, zie de Psalmen 10,
11, 12, 20, 41, 50, 78, 88, 92, 112, 115, 125, 130, het Gebed des
Heeren, de Bedezang voor de predikatie en Gezang 36 ; of met het
octaaf van den grondtoon, d" (de „hooge" d) üe de Psalmen 14, 59,
96, 149; of met de quint van den grondtoon, de noot a, zie Gezang
109 hetwelk, zooals hierboven is opgemerkt, als uitzondering sluit met
het octaaf van den grondtoon, d* (de „hooge" d). Melodieën welke
met d sluiten, staan dus in de dorische toonsoort.
Soms ziet men in koraalboeken voor melodieën welke in de dorische
rf-toonsoort staan, eene mol voor den sleutel geplaatst, dus die mol
staat er te veel, want rf-dorisch heeft, zooals men weet, noch kruisen
noch mollen; zoo ook in plaats van twee kruisen slechts één kruis
als het koraal in e getransponeerd is, dus één kruis te weinig, want
e-dorisch heeft twee kruisen of, zoo de melodie in g is getransponeerd,
twee mollen, waar er eigenlijk dan één moest staan enz.
Dit geschiedt, omdat menigmaal de sext van den toon, waaruit de
melodie staat, is verlaagd, en dus de mol als voorteeken, bij eene
melodie, welke uit d staat, geoorloofd is; of het c-kruis in eene melodie
die uit e staat, dikwijls toch moet hersteld worden; daardoor (nl.
door eene mol als voorteeken te plaatsen bij eene melodie, welke uit
rZ-dorisch staat, of slechts één kruis welke uit e staat) schijnt het alsof
een koraal niet uit d, of e-dorisch staat, doch uit d of e kleine terts;
evenwel blijft de verlaging der sext een toevallige. Over deze toevallige
verlaging eenige opmerkingen. Wij hebben er reeds op gewezen, dat
al de melodieën in de stamtoonladders der oude kerktonen staan, en
niettegenstaande dat, komen er toch, zooals wij daareven opmerkten,
-ocr page 16-
14
verscheidene toevallige verlagingen en ook verhoogingen in voor, zie
b. v. Psalm 11 tweeden regel enz. ; nu gebruikte men vroeger ook
toevallige voorteekens, al werden zij vóór de zestiende eeuw, wegens
het onnauwkeurige notenschrift van dien tijd niet altijd aangegeven.
In melodieën, die in den authentieken dorischen toon staan, komt de
mol alleen als toevallig voor de sext voor, en meestal volgt de quint
er op, doch ook wel is de volgende noot de quart, zooals in Psalm 10
derden regel; soms gaat of de terts aan de toevallig verlaagde sext
vooraf, zie Psalm 11 derden regel ; of de quart, zooals in Psalm 8
derden regel, een enkele maal het octaaf, of de septime, zie Gezang 24
tweeden en zesden regel, of de regel begint met de toevallig verlaagde
sext, zooals den laatsten regel van Psalm 80, doch meestal gaat de
quint aan de verlaagde sext vooraf; de overmatige quart f—b (welke
onwelluidend klinkt) is, als de melodie zich naar of om de terts, de
noot f, beweegt; of als de regel met de terts sluit, veranderd in de
reine quart f—bes.
In den loop der tijden is de dorische toonladder eenigszins ver-
vormd naar die der kleine terts-toonladder, vandaar de verlaging dei-
sext, en ook menigmaal de verhooging der septime; evenals in de
harmonische kleine terts-toonladder is dan de septime inleider gemaakt;
is de septime groot gemaakt, (óf de onder-seconde klein) zie b. v.
Psalm 11 vierden regel en Psalm 20 vierden regel, dan volgt het
octaaf of de grondtoon er op, en meestal gaat ook het octaaf of de
grondtoon vooraf, zie b. v. Psalm 20 vierden regel en Psalm 41
derden regel; soms ook wel gaat de sext aan de toevallig groot ge-
maakte septime vooraf, zie Psalm 11 slot van den vierden regel, waai-
de melodie zich opgaand naar het octaaf beweegt, en ook een enkele
maal gaat de none vooraf, zooals in de Tweede Berijming van de
Twaalf artikelen des Geloofs, vijfden regel.
Daar de melodieën, welke in den authentieken dorischen toon staan,
veel naar den dominant uitwijken (hierover aanstonds meer) is dikwijls
de quart, als zij voorafgaande noot is, toevallig verhoogd. Zelfs komt
de verhooging der quart veel meer voor dan die der septime; daardoor
schijnt de melodie zich menigmaal te bewegen in de kleine terts-
toonladder op den dominant, en is nu ook weder van die toonladder,
nl. van de kleine terts-toonladder van ei, de septime groot gemaakt;
is de quart verhoogd, dan volgt ook altijd de quint er op, (of, ziet
men de quart voor de septime van de kleine terts-toonladder van a
aan, de grondtoon of het octaaf) schier meestal gaal ook de quint
-ocr page 17-
15
aan de toevallig verhoogde quart vooraf; de stemmengang a a me
de kleine onder-seconde gis er tusschen, klinkt bevredigender voor
het gehoor, dan de groote onder-seconde {/, a, vooral als de regel met
de quint sluit en de voorafgaande noten de quart en de quint zijn ;
een enkele maal gaat de sext aan de vergroote quart vooraf, zie
Psalm 91 tweeden en vierden regel.
De sext is dus meest toevallig verlaagd als de voorafgaande noot
lager ligt, en de septime en de quart verhoogd, als de voorgaande
noot hooger ligt.
Al de toevallige verlagingen zijn algemeen aangenomen, doch som-
mige der toevallige verhoogingen niet, nl. eenige later bijgeplaatsten;
sluiten de regels met de quint, de quart en de quint, dan is de ver-
groote quart een erkende, want dan kan men die regels aanmerken
als te sluiten op den dominant, nl. in a kleine terts, en dan wordt
ook het kruis hetwelk geplaatst is voor de quart die tusschen twee
(juinten in den regel, welke op de daov even genoemde wijze sluit,
voorkomt, meer algemeen gebezigd; (ofschoon men het ook kan weg-
laten) men laat hem dan, (nl. den regel) meer bewegen in de har-
monische toonladder van a, zie bv. Psalm 20, eersten regel, derde en
achtste noot; doch eenige verhoogingen in de regels, bv. als de regel
niet op bovengenoemde wijze sluit, of als de sext de voorafgaande
noot aan de vergroote quart is, zijn niet algemeen aangenomen. Wat
dit laatste betreft, nl. als de sext de voorafgaande noot aan de ver-
groote quart is, zij opgemerkt, dat de groote onderterts van b (de sext)
de g, bevredigender voor het gehoor klinkt, dan de kleine onderterts
yis; dit laatste interval behoeft nu niet naar de harmonische kleine
terts-toonladder van a te zijn, de dalende quart, de noot volgende oji
de sext (de groote onderterts van b) klinkt niet onharmonisch. De niet
algemeen erkende kruisen treft men in de melodieën, welke in den
authentieken dorischen toon staan, voor de navolgende noten aan.
Psalm 2, vijfdon en zevenden regel, beide voor de negende noot.
„          5, derden regel, vierde noot.
„ 10, vijfden , vijfde ,
, 11, tweeden en laatsten regel, beide voor de tweede noot.
„        12, tweeden regel, derde noot.
„ 50, tweeden en vijfden regel, vierde en vijfde noot.
„ 91, tweeden en vierden „ beide voor de vijfde noot.
„ 96, laatsten regel, tweede noot.
» 130, derden „           „           „
-ocr page 18-
16
Psalm 137, eersten regel, zevende noot.
„ 143, eersten en derden regel, beide voor de vierde noot.
De Tweede Berijming van de Twaalf artikelen des Geloofs, achtsten
regel, vierde noot.
Deze toevallige verhoogingen treft men in sommige Psalmboeken
aan, doch in andere weer niet; in de koraalboeken zijn zij in\'t geheel
niet aangegeven, of tusschen twee haakjes geplaatst, als willende te ken-
nen geven dat men deze kruisen kan nemen of ook weglaten ; door vele
der latere bijgeplaatste toevallige voorteekens evenwel, ook in de
melodieën welke in een andere oude toonsoort staan dan de dorische,
bewegen er zich niet meer geheel in haar oorspronkelijken gang; er
is trouwens sprake van om althans bijna allo verhoogingen te laten
vervallen, de synode van het Jsederlandsch-Hervormd Kerkgenootschap
o. a. wendt daartoe pogingen aan.
Zooals wij daar straks reeds opmerkten, wijken de melodieën, welke
in den authentieken dorischen toon staan, veel naar den dominant
uit, veel meer dan naar den grondtoon; dit is juist een der kenmerken
welke de melodieën, die in den authentieken dorischen toon staan,
onderscheiden van die welke in den hypo-dorischen toon staan, want
de melodieën welke in den hypo-dorischen toon staan, wijken meer
naar den grondtoon uit. Zie tot verduidelijking onderstaande vergelijking.
Xo. 5.              Psalmen in den dorischen toon.
D. B.
D. S.
D. R.
G. B.
G. S.
G. R.
2
0
1
13
7
5
10
5
2
2
8
2
1
3
8
1
2
7
2
1
6
9
1
3
4
1
1
3
10
5
3
9
1
3
4
11
5
2
14
1
3
5
12
3
1
9
1
2
4
13
3
2
4
1
1
4
14
1
2
9
1
2
4
33
1
5
10
3
1
4
22 X
23 X
87 X
20 X
20 X
47 X
-ocr page 19-
17
In No. 5 staat van eenige dorische psalmmelodieën aangegeven
hoeveel regels met den dominant-toon inzetten zie D. B., hoeveel
regels er sluiten met den dominant-toon zie D. S., en hoeveel maal
die toon in de regels voorkomt zie D. R. en bij G. B. hoeveel regels
beginnen met den grondtoon, bij G. 8. hoeveel er sluiten met dien
toon en bij G. R. hoeveel maal die toon in de regels voorkomt.
Onder uitwijking naar den dominant verstaat men evenwel als de
regel met dien toon sluit, of dat de melodie in den regel naar dien
toon zich beweegt om dan weer b. v. een terts te dalen, b. v. f1, g1,
ü,1, f1;
zijn do opeenvolgende noten o. a. f1, g1, a1, l1, e8, dan stelt
men niet dat de melodie naar den dominant uitwijkt, al komt dan ook
dien toon in dien stemmengang voor.
Doch waaruit men hoofdzakelijk kan opmaken of eene melodie in
een authentieken dorischen, dan wel in een hypo-dorischen toon staat,
(want ook de melodieën welke in een hvpo-dorischen toon staan
sluiten met de noot d), is, dat eene authentieke dorische melodie, en
alle melodieën welke in een authentieken toon staan, zich bewegen
van den grondtoon tot het octaaf van den grondtoon; hetgeen wil
zeggen, dat de ambitus, de omvang, de afstand van den laagsten tot
den hoogsten toon in zoo\'n melodie een octaaf is ; in één woord: de
grondtoon en het octaaf van den grondtoon komt er in voor, en vanzelf
de tonen welke daar tusschen liggen, hetgeen niet wil zeggen dat er nu
nooit één toon in voorkomt, welke onder den grondtoon ligt, of soms
ook zulke welke boven het octaaf liggen, doch het octaaf is, om het zoo
eens te noemen, de hoofdspanning, alles wat daar buiten ligt is toevallig.
In de Psalmen 5, 9, 10, 12, 18, 14, 48, 59, 78, 88, 91, 92, 96, 112, 125,
128, 143, 148, 149 en in Gezang 24, komt niet één toon voor welke
onder den grondtoon of boven het octaaf van den grondtoon ligt, in
deze is de omvang: van den grondtoon tot het octaaf. In de Psalmen
8, 33, 37, 41, 45 en 107 strekt de ambitus, de omvang, zich uit van
den grondtoon tot één toon boven het octaaf gelegen, en in het
Gebed des Heeren en Gezang 36, van den grondtoon tot zelfs twee
tonen boven het octaaf, tot f (de „hooge* f). In de Psalmen 2, 11,
104, 114, 115, 130 en Bedezang voor de predikatie komt de toon
één toon lager dan de grondtoon gelegen, voor, de c\' (de „lage" c);
evenzoo in de Psalmen 20, 24 en 34, doch in deze drie laatsten komt
geen hoogere toon voor, dan die, welke één toon beneden het
octaaf blijft, de c2, in deze psalmen heeft dus de melodie de ambitus,
de omvang, vanaf één toon beneden den grondtoon tot één toon be-
2
-ocr page 20-
18
neden liet octaaf van den grondtoon, evenwel worden zij toch gerekend
te behooren tot de authentieke melodieën.
Zoo ook de melodie van Psalm 137, waar de ambitus zich uitstrekt
vanaf den grondtoon tot één toon beneden het octaaf; in Psalm 50
wordt eveneons de octaaftoon niet gevonden, doch de toon, een halve
toon lager gelegen dan den grondtoon, wordt er in aangetroffen, de
toon cis1, (de „lage" cis); in Psalm 80 strekt de melodie zich uit
van den grondtoon tot het octaaf en komt eveneens de toon een halve
toon onder den grondtoon gelegen voor, en in de Tweede Berijming
van de Twaalf artikelen des Geloofs, komt ook de toon een halve toon
onder den grondtoon gelegen voor en de toon een heele toon boven
het octaaf, in deze laatste is dus de ambitus, de omvang der melodie,
van cis1 (de „lage" cis) tot de o2 (de „hooge" e), en in Gezang 109
strekt de ambitus zich uit vanaf één toon boven den grondtoon (als
men de lage d voor den grondtoon houdt, dan komt de grondtoon er
feitelijk niet in voor) tot den toon twee tonen boven het octaaf gelegen,
dus vanaf e1 (de „lage" e) tot f2 (de „hooge" f).
Zooals reeds is gezegd, worden al deze melodieën gerekend te staan
in den authentieken toon, want schier de meeste intervallen, zoowel
de kleinen als de grooten, komen boven den grondtoon te liggen, alleen
de seconde onder den grondtoon gelegen, treft men aan.
Beginnen de melodieën met den grondtoon of met het octaaf van
den grondtoon, dan zet men in met het accoord op den grondtoon zie
No. 6, 1; beginnen zij met de terts van den grondtoon, dan zet men ook
in met het accoord op den grondtoon in de tertsligging, zie No. 6, 2;
beginnen zij met de quint van den grondtoon, dan eveneens met het
tonika-accoord ingezet in quintligging, zie No. 6, 3; soms ook wel wordt
het dan wel ingezet met het klein dominant-accoord, bijgevolg is als-
dan de melodie-toon de grondtoon van het accoord, zie No. 6, 4.
Hierbij zij nogmaals opgemerkt dat men sommige melodieën moet
transponeeron in een toon hooger of lager om ze bereikbaar voor de
stem te maken, of ook dat men ze transponeert in een toon hooger
of lager, naar gelang de inhoud der verzen is, hetzij biddend, treurend
of opgewekt.
-ocr page 21-
19
n
::q=nj=:q=:j=qq
=i-j il -p
_ .1          ._ :_rJ d-
ij53=a
No. 6.
of
Of
L
4
1
ÏÊÏ
—6»—i
-<e>-
--V-
Zooals wij weten, sluiten de melodieën welke in de dorische toonsoort
staan met den toon d, men sluit deze koralen met een authentieke
sluiting. Onder eene authentieke sluiting verstaat men dat het voor-
laatste accoord eener melodie het dominant-aecoord, of het dominant
septime-accoord, en het laatste accoord het tonika-accoord is, zie No.
d                                                     e
7*).
sM
___
0-
w
No. 7. \' \' \'......\':
mm
Sluiten de regels met den dominant en is de voorafgaande melodie-
toon de verlaagde sext van den toon waaruit het koraal staat, of
den onder-dominant, dan kan men sluiten met het groot dominant-
aecoord of met het /-accoord. Zie No. 8.
=3=n
l=-l
i^lES
3£=g=3ö
H-----Si"
No. 8.
of
^=Lxl
m
^
*) Deze sluiting heet eene volkomen authentieke sluiting, zooals men ziet staan de
sluitings-accoorden in No. 7 in stamtoonligging; is nu het voorlaatste aceoord of
zijn beide accoorden niet in die ligging geplaatst, doch in de eerste, tweede, of (bij
het septime-accoord) in de derde oinkeeriug, of staat het slotaccoord in de terts- of
quintligging, dan heet zulk eene sluiting: eene onvolkomen authentieke sluiting.
•
-ocr page 22-
20
Deze accoorden kan men ook nemen als de dominant in den regel
als melodie-toon voorkomt, en den daaropvolgenden melodie-toon
(volgende op de twee, welke in No. 8, 1 en 2 staan) de quint, terts
of het octaaf is. Zie No. 9.
3=t=d
%
:ï=j=q=:qiq:ö
m
-l
ÊGepeE
wmm
"p"
No. 9.
j.
1
j
S=a
m,
m
fczrg.
3=3.
In de No. 8, 1 en 2 en 9, 1, 2 en 3 heeft de accoordengang, dooi-
de verlaging der noot b in bes, het karakter van d kleine terts, de
aj- io.
                             melodie wijkt nu uit naar het groot do-
——r-—|~TT~I-----l~T) minant-accoord dier toonladder.
1-{§—"É~-|:---^—-^ --j-j Ook kan men deze accoorden nemen als
de melodie-tonen bes en a zijn. Zie No. 10.
Zijn de melodie-tonen de grondtoon,
| of I ,1
|         fit JJ fi( ij
te
Ö==É====;
(het octaaf) seconde, (de none) en de
grondtoon; (het octaaf) of de grondtoon
g (het octaaf), de seconde (de none) en de
terts (de decime), dan kan men op de seconde (none) het groot domi-
nant-accoord nemen. Zie No. 11, 1 en 2.
I
~s)-------<g—
33
i\'
ff
%f
"2T
I I |
jlLjU
No. 11.
m
—=1-
J-
-o-
J
a
1
■4?--
rr-H-----1— «1 i I
i-tt-i
Sluiten de regels met den grondtoon, dan kan men, als de voor-
gaande melodie-toon dit mogelijk maakt, het groot dominant-accoord
-ocr page 23-
21
vooraf laten gaan, zie No. 7. Ook kan men als finale sluiting, zoo
de voorlaatste melodienoot de groote
seconde is van den grondtoon, deze
nemen, zie No. 12.
Zooals men ziet gaat eerst het sep-
time-accoord in de eerste omkeering,
voorkomende op den tweeden trap
der toonladder, vooraf; door de ver-
laging der quint in dat accoord is
liet nu het verminderd klein sep-
time-accoord geworden, hetwelk
voorkomt op den tweeden trap der kleine terts-toonladder van cl; dit
accoord lost zich op in den drieklank welke vier trappen hooger ligt,
in het groot dominant-accoord van (/-mineur, en dit laatste accoord
wordt dan het dominant-septime-accoord van cl kleine terts, dus deze
sluiting is weder geheel gelijk aan eene sluiting op het tonika-accoord
van d-mineur.
Hiermede zijn slechts eenige accoordgangen in de melodie aange-
geven, het gaat natuurlijk niet aan om allen in voorbeeld te brengen.
Melodieën, welke eene mol voor den sleutel hebben, en met cl1 (de
„lage" cl) sluiten (uitgenomen Gezang 109, welke met d* (de „hooge"
d sluit), staan dus in den eersten of authentieken dorischen toon.
De authentieke dorische melodieën en alle authentieke melodieën,
bewegen zich van den grondtoon tot het octaaf, gelijk wij behandeld
hebben, en zij wijken over het algemeen meer naar den dominant,
dan naar den grondtoon uit.
De hypo-dorische toon
heeft evenals de authentieke dorische de noot cl tot grondtoon.
Alle melodieën, welke geene mol voor den sleutel hebben en met de
cl\'2 (de „hooge" cl) sluiten, nl. de grondtoon der hypo-dorische toon-
ladder welke de vierde toon dier toonladder is, staan in den hypo-
dorischen toon. (Zooals men weet, staat er voor de koralen die in den
authentieken dorischen toon staan wel eene mol bij den sleutel.
De koralen welke in den hypo-dorischen toon staan, beginnen of
met den grondtoon, (men zou ook kunnen zeggen, volgens het Psalm-
boek, met het octaaf, omdat zij inzetten met cl2, de „hooge" (/, doch
transponeert men eene melodie b. v. in a, dan is die a wel degelijk de
-ocr page 24-
22
grondtoon en niet het octaaf van a; wij zullen ook dus de hooge d
als den grondtoon aanmerken, doch de intervallen, die wij vervolgens
aangeven, b. v. de terts, quint, het octaaf enz., zijn berekend op d1
de „lage" d); deze melodieën dan, zetten in of met den grondtoon,
zooals de Psalmen 7, 23, 28, 77, 120 en 129, öf met de quint, de
noot a, zie de Psalmen 40 en 61, of met de none (het interval vanaf
de „lage" d); zie Psalm 146.
Deze koralen moeten allen lager getransponeerd worden dan in de
Gezangboeken staat aangegeven, daar zij anders voor de stem, bij
klavierspel-begeleiding te hoog worden; Psalm 7, 23 kan men b. v.
transponeeren in g, Psalm 61 in a enz.
In de melodieën welke in dezen toon staan, komen ook toevallige
verhoogingen voor, doch alleen de septime is in deze toevallig ver-
hoogd; op ééne uitzondering na, nl. in Psalm 146, daar is éénmaal
in den tweeden regel de quart verhoogd, de quint volgt er op; die
regel sluit op den dominant. Overal waar de septime is verhoogd,
gaat steeds het octaaf vooraf, en eveneens is de volgende noot het
octaaf; de septime is dus weder inleider gemaakt, evenals in de har-
monische kleine terts-toonladder; de kleine onder-seconde ets, is bevre-
digender voor het gehoor dan de groote onder-seconde C, d; in den
laatsten regel van Psalm 23 vijfde noot is ook de septime verhoogd,
doch daar gaat niet het octaaf aan die verhoogde noot vooraf, doch
de none, deze verhooging vindt men in enkele Psalmboeken, doch
in andere weer niet; zij is trouwens dan ook eene zeer twijfelachtige ;
de groote onderterts van e, de toon c, (de septime) en het octaaf (of
de grondtoon) volgende op de kleine septime, klinkt niet onharmonisch.
Deze toevallige verhooging treft men dan ook in de meeste koraal-
boeken niet aan.
Toevallige verlagingen komen in de melodieën, welke in den hypo-dori-
schen toon staan, niet voor; zooals wij gezien hebben is in de authentieke
dorische koralen veel de sext verlaagd; nu is in sommige koraalboeken,
volgens de voorteekcns bij den sleutel, toch ook in deze melodieën de
sext verlaagd, want men ziet soms voor de koralen welke b. v. in g
staan getransponeerd twee mollen als voorteeken staan in plaats van
slechts ééne, doch natuurlijk moet dan de sext, de noot es, telkens in
de melodie
hersteld worden, want de intervallen moeten gelijk zijn aan
die in het psalmboek; ik zeg: in de melodie hersteld worden, want
in de harmonieseering kan meestal de sext-verlaging blijven bestaan,
om reden men ook deze koralen veelal kan bewerken als staande in
-ocr page 25-
23
de kleine terts-toonsoort; want de hypo-dorische toonladder van a
b. v. is, zoo men den eersten toon dier toonladder als den grondtoon
aanmerkt, gelijk aan de kleine terts-toonladder van a en de hypo-
dorische toonladder van g, getransponeerd vanaf de hypo-dorische
toonladder van a, gelijk aan de kleine terts-toonladder van g, do
toonladder met twee mollen; men kan dus, als men een koraal in a
transponeert do /"-kruis als voorteeken bij den sleutel weglaten, zoodat
men het koraal bewerkt als staande in a kleine terts, met inachtneming
evenwel dat men de sext groot maakt, als dit interval in de melodie
voorkomt, zoodat het schijnt alsof de /\'-kruis eigenlijk als toevallige
verhooging in de melodie voorkomt; doch dit is niet zoo, do fis behoort
in eene melodie welke uit a staat; doch door het kruis als voorteeken
weg te laten, schrijft men dan uit a hypo-dorisch, namelijk, zooals wij
daareven reeds opmerkten, als men den eersten toon der hypo-dorische
toonladder als den grondtoon aanmerkt, doch zoo men weet is de
hypo-dorische toonladder van a afgeleid van do authentieke dorischo
stamtoonladder, waarvan d de grondtoon is, en welke toon ook de
grondtoon is van de hypo-dorische toonladder van a; do eerste authen-
tieke dorische toonladder met één kruis is die van «, en do plagale
toonladder dier toonladder is die van e, waarvan de vierde toon de
grondtoon is, dus eveneens de noot a; bijgevolg behoort wel degelijk
het /"-kruis in do toonladder van a; men duidt de plagale toonladders
aan naar den grondtoon, welke daarin de vierde en van de authen-
tieke toonladders de eerste noot is.
Ook deze koralen zet men in met het tonika-accoord, hetzij in
grondtoon- of in quint-ligging, van den toon waaruit zij staan. Zie No. 13.
In No. 13, 1 is het tonika-accoord aangegeven volgens de toon-
hoogte der Psalmboeken, doch zóó ingezet gaat de melodie te hoog
voor de stem, in No. 13, 2 en 3 zijn daarom die accoorden getrans-
poneerd in g.
Psalm 146 begint met de none; deze melodie zet men in met het
groot dominant-accoord van den toon waaruit zij staat, in quint-
ligging, dus de melodie-toon wordt de quint van het accoord. Zie
No. 14.
-ocr page 26-
24
No. 14.                „
1 I 2 *
__örq=_]_3=d_qq
ir-
ËpiÖ_kt!?y
=§_=feö__y=H|
Het eerste accoord van No. 14 is het groot dominant-accoord op
den grondtoon, waaruit Psalm 146 in het Psalmboek staat, doch op
die toonhoogte ingezet, wordt de melodie te hoog voor de stem, daarom
transponeert men dat koraal in a of b, en dan wordt het groot domi-
nant-accoord op die grondtonen, zooals in No. 14, 2 en 3 staat uit-
gewerkt.
De hypo-dorische melodieën kan men, evenals de authentieke
dorische, sluiten met eene authentieke sluiting, dus het groot-dominant
of het dominant-septime-accoord op de slotnoot laten voorafgaan, zie
No. 7; van zelf moet men deze sluitingen weer transponeeren in
eenige tonen lager of hooger.
Reeds hebben wij gezien dat de authentieke melodieën zich bewegen
van den grondtoon tot het octaaf, doch de plagale melodieën, dus
ook de plagale- of hypo-dorische, bewegen zich van de onder-quart
tot de quint boven den grondtoon, hetgeen wil zeggen dat de ambitus,
de omvang, de afstand van den laagsten tot den hoogsten toon in eene
zoodanige melodie, is: van den eersten toon der onder-quart onder den
grondtoon, tot den laatsten toon van de quint boven den grondtoon;
dus feitelijk is de toonafstand ook een octaaf groot, doch nu niet het
octaaf gerekend van af den grondtoon tot het octaaf van den grondtoon,
de toonafstand der authentieke toonladder, doch de toonafstand der
hypo-dorische toonladder, zie No. 2, bijgevolg van a1 tot a2 (van de
-lage* tot de „hooge" a) en de tonen welke daartusschen liggen, zie
de Psalmen 7, 23, 28, 40, 77, en 120 waar niet ééne noot in voor-
komt welke daar onder of daar boven ligt; dus in deze Psalmen
strekt de ambitus, de omvang van den laagsten tot den hoogsten toon
zich uit van a1 tot a2, de toonafstand van af den grondtoon tot het
octaaf van de hypo-dorische toonladder; doch let wel, ik zeg van af
den grondtoon, doch dit is niet zoo, de eerste toon dier toonreeks (a1—^)
is niet de grondtoon doch de vierde toon, de noot d, eveneens de
grondtoon dier authentieke toonladder, zie No. 2. Dus de melodie
-ocr page 27-
25
strekt zich uit vanaf de onder-quart tot de quint bovenden grondtoon,
nl. de toonreeks der hypo-dorische toonladder waarvan dde grondtoon
is. Evenals in de melodieën welke in de authentieke toonsoort staan
komen er soms ook in deze tonen voor welke hetzij lager of hooger
liggen dan de gewone omvang, zooals in Psalm 146, waarin de toon
voorkomt welke een halve toon onder de onderquart ligt, de noot gis;
doch de hoogste toon in deze melodie is die, welke ligt twee noten
beneden de quint boven den grondtoon, de noot f2, (de „hooge" f) dus
in deze melodie strekt de ambitus, de omvang van den laagsten tot
den hoogsten toon, zich uit van gis1 tot fa; (van de „lage" gis tot de
„hooge" ƒ) in de Psalmen 61 en 129 is de hoogste noot de noot gi;
(de „hooge" g) in deze strekt de ambitus zich niet uit tot de quint
boven den grondtoon, zij blijft er één noot beneden, de omvang in
deze Psalmen is van a1 tot g2; (van de „lage" a tot de „hooge" g)
evenwel worden toch deze melodieën gerekend als te staan in den
hypo-dorischen toon, omdat zij zich meer om den grondtoon bewegen,
de intervallen, zoo kleinen als grooten, liggen zoowel boven als onder
den grondtoon.
De authentieke dorische melodieën bewegen zich in den regel, zoo-
als wij gezien hebben, van den grondtoon tot het octaaf, van dl tot
d2 (de omvang der authentieke dorische toonladder) en de hypo-
dorische melodieën, bewegen zich ook van den grondtoon tot het
octaaf van den grondtoon, van a1 tot a2 (de omvang der hypo-dorische
toonladder), doch, nog eens, let wel, als men nl. den laagsten toon
eener hypo- of plagale toonladder voor den grondtoon houdt; doch
dit is niet zoo, de grondtoon der hypo-dorische toonladder van a b. v. is
de vierde toon, de toon d, dezelfde toon als de grondtoon is dier
authentieke dorische toonladder; dus de hypo- of plagale melodieën
bewegen zich van de onderquart tot de quint boven den grondtoon,
zij loopen meer om den grondtoon waaruit zij staan. Juist naar de
ambitus, de omvang van den laagsten tot den hoogsten toon kan
men zien, of de melodie zich in een authenthieke, dan wel in een
hypo- of plagale toon zich beweegt; want de grondtoon van een
authentieken toon en de hypo of plagale derzelven is, zooals wij gezien
hebben, dezelfde.
Kenmerken zich de authentieke melodieën nog hieraan, dat zij veel
naar den dominant uitwijken, die, welke in een hypo- of plagalen
toon staan daarentegen wijken meer naar den grondtoon uit dan naar
den dominant. Zie No. 15.
-ocr page 28-
26
In No. 15 staat van de psalmen welke in den hypo-dorischen toon
staan aangegeven, hoeveel regels met den grondtoon inzetten, zie G. B.,
hoeveel er met den grondtoon sluiten, zie G. S., en hoe dikwijls die
toon in de regels voorkomt, zie G. R., en onder D. B., hoeveel regels
er inzetten met den dominant, hoeveel er met den dominant sluiten,
zie D. S., en onder D. R., hoe dikwijls de dominant-toon in de
regels voorkomt. Vergelijk ook nog No. 15 met No. 5.
No. 15.            Psalmen in den hypo-dorischen toon.
G. B.
G. S.
G. R.
D. B.
D. S.
D. R.
7
4
3
13
3
2
4
23
2
3
16
2
2
6
28
2
3
10
2
1
4
40
2
3
14
5
3
5
Gl
2
2
9
2
1
2
77
2
4
12
0
0
6
120
1
4
14
4
2
2
129
2
2
11
0
0
2
146
1
2
6
2
3
5
18 X
26 X
105 X |
20 X
14 X
36 X
Onder uitwijking naar den grondtoon (of het octaaf) verstaat men
weder dat de regel met dien toon sluit, of dat de melodie in den
regel naar dien toon heenloopt en de daaropvolgende noot hooger of
lager ligt, b. v. als de stem dezen gang gaat, f1 e1 cl1 o1, of
n1 b1 r2 d2 b1 «\'; zijn de melodie-tonen b. v. c2 d2 e2 d2 enz., dan
noemt men dat geene uitwijking, al komt de grondtoon (of het octaaf)
in dien gan\'g voor.
Sluiten de regels met den grondtoon, dan kan men, als de voor-
laatste noot dit mogelijk maakt, eene authentieke sluiting maken zoo-
als in No. 7, of ook eene zooals in No. 12 staat uitgewerkt. Zie in
No. 16 beide sluitingen getransponeerd in den toonaard van g en a.
-ocr page 29-
27
No. 16. g
n
=3=3
3=1
?l^
=E
^^5E
^
*b=
f:
f;
H-t-
éü
bJlfcg * ^
«.
xmce—
i
£
sa
1T
SE=I
6             7
5
Sluiten de regels met den dominant en is de voorlaatste noot de
sext of de overmatige quart van den grondtoon, dan maakt men even-
eens eene authentieke sluiting, zie in No. 17 twee zulke sluitingen
gemaakt op den dominant der hypo-dorische (of dorische) ^-toonladder.
No. 17.
Zooals men ziet, is het eerste accoord op de voorlaatste slotnoot in
No. 17, 1 weder een klein verminderd septime-accoord, hetwelk voor-
komt op den zesden trap der dorische toonladder van g, of op den
tweeden trap der kleine terts-toonladder van d. Zie ook No. 12 en
verklaring van dat voorbeeld.
Wijkt de melodie naar den dominant uit en is de voorafgaande
noot eveneens de dominant of de quart, en de noot, volgende op den
dominant, de grondtoon, of weder de dominant, dan kan men het
groot dominant-accoord of het dominant-septime-accoord nemen. Zie
No. 18, 1 en 2, waar de melodie wordt gerekend te staan uit g.
-ocr page 30-
28
No. 18.
Hiermede zijn eenige accoord-gangen aangegeven in melodieën welke
in den hypo-dorischen toon staan.
De dorisehe- en de hypo-dorische toonsoort hebben dus het karakter
der kleine terts-toonsoort; het verschil tusschen deze toonsoorten zit in
de sext, welks interval in de dorisehe toonladders groot en in de
kleine terts-toonladders klein is; en verder kenmerken de melodieën,
welke in een authentieken dorischen toon staan, zich hieraan, dat zij
zich bewogen van den grondtoon tot het octaaf, en zij veel uitwijken
naar den dominant; bewegen zij zich daarentegen van de onder-quart
• tot de quint boven den grondtoon en wijken zij meer uit naar, bewe-
gen zij zich meer om den grondtoon, dan staan zij in den hypo-
dorischen toon.
De Phrygische toonsoort
heeft eveneens het karakter der kleine terts-toonsoort; het verschil
tusschen deze toonsoorten zit in de seconde, welks interval in de
phrygische toonladder klein en in de kleine terts-toonladder groot is.
Voor melodieën welke in deri phrygischen toon staan, staat eene mol
bij den sleutel en zij eindigen allen met de noot e; zij zetten in öf
met den grondtoon, zooals de Psalmen 26, 51, 94, 132, 141 en Gezang
123, of met de seconde op den grondtoon, de noot f, zie Psalm 17,
of met. de quart op den grondtoon, de noot a, zooals de Psalmen 31,
83 en 100, öf met de quint, de noot b, nl. Psalm 102, öf met de
onderterts van den grondtoon, de noot c, zie Psalm 147.
De terts is in de phrygische toonsoort klein, doch menigmaal is
dit interval in de melodie groot gemaakt, doch alleen dan, als de
quart er op volgt (eene uitzondering vindt men in den vierden regel
van Psalm 94, waar de laatste noot op één na, nl. de seconde, toe-
vallig is verhoogd, en de slotnoot de kleine terts is; men kan dezen
regel sluiten in G Groote terts); door de verhooging der terts, als de
-ocr page 31-
29
quart er op volgt, heeft menigmaal de melodie het karakter als te
staan in de harmonische kleine terts-toonladder van a; nu wijkon juist
de phrygische koralen veel meer naar de quart uit, dan naar de quint,
zooals de authentieke dorische doen en verder sluit men al de melo-
dieën welke in den phrygischen toon staan, met het groot tonika-
aecoord, even alsof zij uitwijken naar het groot dominant-accoord der
kleine terts-toonladder op de quart; want het groot dominant-accoord
van « kleine terts, de toonladder op zijn quart, is het -E"-accoord,
eveneens het slotaccoord der melodieën, welke in de phrygische toon-
ladder van e staan. Zooals reeds is gezegd, volgt steeds op de toevallig
groot gemaakte terts de quart, en ook gaat meestal de quart vooraf,
dus de groote onder-seconde van de quart is weder klein gemaakt.
Ook wel gaat soms de quint aan de toevallig verhoogde terts vooraf,
doch dan is het kruis voor de terts minder gewenscht, al sluit de
regel met de quart; daarom zijn ook de twijfelachtige verhoogingen,
welke men in eenige psalmboeken ziet aangegeven en in anderen weer
niet, in de koraalboeken niet aangegeven; of tusschen twee haakjes
geplaatst, als aanduidende dat men deze verhooging kan nemen of ook
weglaten, men vindt ze in de navolgende Psalmen :
Psalm 51, vierden regel vijfde noot.
„ 94, tweeden , vijfde ,
, 102, tweeden , vierde n
„ 147, zevenden , vijfde „
Ook het kruis in den laatsten regel van Psalm 83, nl. dat voor
de tweede noot, de terts, neemt men liever niet; deze regel sluit het
koraal, dus de melodie-gang is natuurlijker als die terts klein blijft,
evenals de laatste terts in dien regel klein is; de harmonische gang
«, gis, a, op de toonladder van zijn quart, is hier minder ge-
wenscht.
In den tweeden regel van Psalm 51 vindt men voor de zevende,
achtste en tiende noot een kruis (doch ook weer niet. in alle psalm-
boeken) het slot van dezen regel is naar de melodische kleine terts-
toonladder van «, de sext en de septime zijn groot gemaakt; in sommige
koraalboeken evenwel is alleen de tiende noot, de terts, groot gemaakt;
omdat de regel in a sluit, toevallige verlagingen komen in de melo-
dieën welke in dezen toon staan, niet voor.
Begint de melodie met den grondtoon, dan zet men in met het klein,
doch ook wel met het groot tonika-accoord, zie No. 19, 1, of ook wel
gebruikt men het kleine «-accoord, zoodat de melodie-toon de quint
-ocr page 32-
30
wordt van het accoord. Zie No. 19, 2 of
wel, men zet in met het groot c-accoord,
b. v. Psalm 141; bijgevolg wordt dan de
melodie-toon de terts van het accoord,
zie No. 19, 3, waar de melodie wordt
gerekend te staan uit fis.
Begint de melodie met de seconde van
den grondtoon, dan kan men inzetten
I
                   met het d-accoord, zoodat de melodie-toon
de terts van het accoord wordt, zie No. 20, 1; of, dat men den
melodie-toon als grondtoon van het accoord beschouwt, alzoo met het
/"-accoord, zie No. 20, 2, waar het accoord op den eersten melodie-toon
van Psalm 17 getransponeerd in g, op genoemde wijze is geplaatst.
Zet de melodie in met de quart op den grondtoon, dan kan
men op dien toon het kleine a-accoord nemen; de melodie-toon is
dan de grondtoon, zie No. 20, 3, of ook wel, wordt dan met het
kleine d-accoord ingezet, bijgevolg wordt dan de melodie-toon de quint
van het accoord. Zie No. 20, 4.
Begint de melodie met de quint op den grondtoon, zooals Psalm
102, dan neemt men het groot tonika-accoord, zie No. 20, 5; en zet
zij in met de onder-terts van den grondtoon, dan met het ffl-accoord;
bijgevolg wordt dan de melodie-toon de terts van het accoord, of ook
wel neemt men hot groote c-accoord, zoodat de melodie-toon de grond-
toon van het accoord wordt, zie No. 20, 6 en 7, waar deze twee ver-
schillende accoorden op den eersten melodie-toon van Psalm 147,
getransponeerd in g, staan aangegeven.
12
          3          4
PI
-*f:
m
T
--I—d—-pa)----
E$E
i
i
No. 20.
I
m
mm
=£=3
i
^S3*
*=
SS
Zooals hierboven reeds is opgemerkt, sluiten al de melodieën met
het groot tonika-accoord, derhalve zooals in No. 19, 1 staat aange-
geven ; is de voorafgaande melodie-toon de seconde van den grondtoon,
hetgeen het geval is in al de melodieën welke in den phrygischen. toon
staan, op Gezang 123 na, dan neemt men het rf-accoord; dus de melodie"
-ocr page 33-
31
toon wordt dan de terts van het accoord, of ook, eerst het d-accoord,
en dan het klein septime-accoord van d, zie No. 21, 1 en 2 en No.
21, 3 en 4, waar de melodie wordt gerekend als geschreven te zijn
uit fis; de voorlaatste noot in Gezang 123 is de noot g, men kan op
die noot het ^-accoord plaatsen en op de slotnoot, de e, het e-accoord,
zie No. 22, 1; of eerst het c-accoord, dan het onder-dominant-accoord
en dan het groot tonika-accoord, zie No. 22, 2.
No. 21.
12                              3                        4
Eene sluiting, zooals in No. 22, 2 staat aangegeven, noemt men eene
plagale sluiting (plagale cadenz). Onder eene plagale sluiting wordt
verstaan als het voorlaatste accoord het onder-dominant-accoord is,
en het laatste accoord het tonika-accoord, hetgeen in No. 22, 2, met
de twee laatste accoorden het geval is.
Sluiten de regels in de melodie met den grondtoon en is de voor-
laatste melodie-toon de seconde van den grondtoon, dan neemt men
eene sluiting zooals in No. 21, 1 of 2 staat aangegeven, (nl. als men
het koraal uit o speelt) of ook wel, neemt men op de voorlaatste noot
het accoord op de seconde van den grondtoon; bijgevolg wordt dan
de melodietoon den grondtoon van het accoord, en op de laatste noot
het accoord op de sext van den grondtoon, dus de melodie-toon wordt
de terts van het accoord. Zie No. 23, 1 en 2. In 2 van No. 23 is
het dominant septime-accoord van e genomen, hetwelk nu oplost in
het tonika-accoord dier toonladder.
Verder kan men ook op de voorlaatste noot het rf-accoord nemen;
-ocr page 34-
32
men legt dan de quint in de alt, en als slot-accoord het a-accoord,
met de terts in de alt, het interval tusschen de alt dier beide accoorden
vult men dan aan met de doorgaande noot b. Zie No. 23, 3.
Zijn de slotnoten van den regel d, e, dan kan men op de d het
(r-accoord nemen, en op de slotnoot het C-accoord, zie No. 23, 4, of
ook, dat men dan het voorlaatste accoord laat overgaan in het dominant-
septiine-accoord van C, doch dan niet als slot-accoord het tonika-
accoord van C, maar het groote e-accoord, dus het phrvgische tonika-
slot-accoord, men maakt alsdan een Trugschluss (eene bedriegelijke
sluiting) zie No. 23, 5.
Sluitingen, zooals in No. 21 en No. 23, 5, staan aangegeven, neemt
men meer als in een vers de volzin uit is.
nnr
3=!
wm
*T f |F|f f
If II
mm
7                                                                   2
Zijn de laatste noten van den regel de quart en de grondtoon,
zooals op den zesden regel van Psalm 51, dan neemt men de accoor-
den zooals in No. 24, 1 en 2 staan aangegeven, of zijn de drie
laatste noten de seconde, terts en quart, dan kan men sluiten als op
het groot dominant-accoord der kleine terts-toonladder van (/, zie No 24, 3.
1                      2                    3
No. 24.
Sluit de regel met de quart en de quint, dan kan men de volgende
accoorden nemen, zie No. 25, 1 en 2.
Komt de grondtoon in den regel voor, dan neemt men het accoord
meest met kleine terts, of men neemt het a- of het C-accoord, zooals
-ocr page 35-
33
in No. 24, 1 en 2 staat aangegeven; ofschoon men het accoord ook
met groote terts kan nemen, b. v. als de melodie-tonen de volgende
zijn, zie No. 25, 3 en 4, of men legt er het groote a-accoord op,
vooral als de voorgaande noot de kleine terts, en de volgende noot
de seconde is, zoodat dan de regel zich weder in d kleine terts beweegt,
men verlaagt dan in het ^-accoord de terts, zie No. 25, 5.
No. 25.
12                3                     4                      5
3
±.
zesrssL
~zt.
rr
¥êmiW^kM
T
I ,L I
w.
=fe
1
^=3t
l
,.
I *l I
Komt de quart in den regel voor, dan neemt men het kleine a-
accoord, of het d- of _F-accoord; ook kan men soms het groote quart-
accoord nemen, als de voorgaande noot weder de kleine terts, en de
daaropvolgende noot de seconde is, zie No. 26, 1 en 2.
1                                     2
m
--z\\—
i=3
"8-
-a>—
—&-
of
No. 26.
.±-H.
-_6>------H
-<g~-
—o-
Lfeï
m
—ö>-
z=sz
-fl
-»—
6
Ook de melodieën welke in den authentieken Phrygischen toon
staan, bewegen zich van den grondtoon tot het octaaf, ofschoon alleen
in Psalm 100 dit letterlijk het geval is, zie de ambitus in de overige
melodieën in No. 27 ; de open noot duidt den grondtoon aan en de
dichte de laagste en de hoogste noot in ieder koraal.
No. 27.
Psalm 17, 51,
83, 132, 147.
W1 Ps-94- I Ps-Ul- lPs-102-
Ës=ËlP|3feiËl
-ocr page 36-
34
In den hypo-phrygischen toon wordt niet één koraal gerekend te
staan, evenzoo ook staat er geen enkel in den lydischen of hypo-
lydischen toon; in deze laatste toonsoort veranderde men meestal de
overmatige quart f—b, (welke men liefst vermeed), in een reine f—bes,
doch door de verlaging van dit interval stond dan ook die toonladder
gelijk met do Groote terts-toonladder van F; want juist de quart is
het kenmerkende verschil tusschen deze twee toonsoorten, zij was in
de lydische toonsoort overmatig en is in de Groote terts-toonladder rein.
Zien wij verder welke Psalmen in den
Authentieken Mixolydischen toon
staan.
Voor do melodieën welke in dezen toon staan, staat geene mol bij
den sleutel, en zij eindigen allen met den grondtoon der mixolydische
stamtoonladder, nl. met den toon g; zij beginnen of met den grond-
toon, zooals de Psalmen 15, 19, 85, 136 en de Eerste Berijming van
de Twaalf artikelen des Geloofs; of met de quint, de noot d, zie do
Psalmen 27, 46, 57, 74 en 145, alleen Psalm 126 zet met de quart
in, de noot c.
Deze toonsoort komt het dichtst aan de Groote-terts-toonsoort; het
verschil tusschen deze toonaarden zit in de septime, welke in de Groote-
terts-toonladder groot, en in de mixolydische toonladder klein is.
Enkele malen, als de melodie naar den grondtoon of het octaaf
uitwijkt, is de septime toevallig verhoogd, dus is dan groot, evenals
in de Groote terts-toonladder; het octaaf of de sext gaat aan de toe-
vallig verhoogde septime vooraf, zie b. v. Psalm 27, eersten en vijfden
regel. Het kruis voor de septime in den vijfden en zesden regel,
zevende noot van Psalm 46, treft men niet in alle Psalmboeken aan,
die regels sluiten niet met het octaaf (den grondtoon), daarom zijn
die kruisen minder goed voor het gehoor. Zij zijn dan ook of in
\'t geheel niet in de koraalboeken geplaatst, of weder tusschen twee
haakjes aangegeven.
Daar deze melodieën, evenals die, welke in den authentieken dorischen
toon staan, veel naar den dominant uitwijken, is dikwijls ook, ja nog
meer dan de septime, de quart, als zij de quint vooraf gaat, toevallig
verhoogd, zoodat de melodie zich dan beweegt naar de Groote terts-
toonladder op den dominant; de terts of de quint gaat dan aan de
toevallig vergroote quart vooraf, en de quint volgt er altijd op, zie
-ocr page 37-
35
o. a. Psalm 19 elfden regel, en Psalm 27 zesden regel. Toevallige
verlagingen komen niet voor.
Doordat deze melodieën dus menigmaal in de Groote terts-toonladder
zich bewegen, ziet men in enkele koraalboeken voor de psalmen, die
in dezen toon staan, de voorteekens bij den sleutel weder niet beant-
woorden aan den toon waaruit zij staan.
Als eene melodie b. v. uit Q staat, dus in de mixolydische stam-
toonladder, welke geen voorteekens heeft, staat er soms een kruis als
voorteeken, even alsof de melodie uit O groote terts staat; of, staat
zij uit F mixolydisch, slechts ééne mol als voorteeken, waar er dan
twee moesten staan enz., bijgevolg wordt zoodoende ook de septime
als groot aangegeven; doch men bedenke, dat dit interval, als het
niet toevallig is verhoogd, toch weder in de melodie moet klein ge-
maakt worden, daar de intervallen moeten overeenkomen met die in
het Psalmboek.
Evenals alle melodieën welke in een authentieken toon staan, be-
wegen zich ook dezen van den grondtoon tot het octaaf; hetgeen in
bijna alle dezen letterlijk het geval is; de grondtoon en het octaaf van
den grondtoon komt er in voor, en de tonen welke daartusschen
liggen; niet één toon treft men er in aan, welke onder den grondtoon
of boven het octaaf ligt, alleen in de Psalmen 15 en 74 komt het
octaaf niet voor; de hoogste noot in deze psalmen is de sext, dus de
ambitus, de omvang van de laagste tot de hoogste noot in deze
melodieën, is van den grondtoon tot de sext; evenwel worden toch
deze melodieën gerekend te staan in den authentieken mixolydischen
toon, omdat al de intervallen boven den grondtoon komen te liggen.
Begint de melodie met den grondtoon, dan zet men in met het
tonika-accoord, zie No. 28, 1. Zet zij in met de quint, dan eveneens
met dat accoord in quint-ligging, zie No. 28, 2 en begint zij met de
quart op den grondtoon, zooals Psalm 126, dan met het accoord op
de quart, de melodie-toon wordt dan grondtoon van het accoord, zie
No. 28, 3; hierbij zij er op gewezen, dat men de meeste dezer melodieën
lager moet nemen als in het psalmboek staat aangegeven, om ze
bereikbaar voor de stem te maken.
-ocr page 38-
36
No. 28.
De slotnoten dezer melodieën zijn de seconde en den grondtoon;
nu kan men hoofdzakelijk op tweeërlei wijze sluiten, nl. dat men op
de seconde het accoord op de onder-seconde (of de septime) neemt;
bijgevolg wordt de melodie-toon de terts van het accoord, zie No. 29, 1;
of dat men het groot dominant-accoord, of dominant septime-aecoord
vooraf laat gaan, dus een sluiting alsof de melodie in de Groote terts-
toonladder staat, de septime is groot gemaakt, bijgevolg eene authentieke
sluiting. Zie No. 29, 2; of ook, dat men op de seconde eerst het klein
septime-aecoord, voorkomende op den tweeden trap van G mixolydisch
of G Groote terts, in do eerste omkeering neemt, dit dan oplost vier
trappen hooger, in het dominant-accoord, nl. in het dominant-accoord
der Groote terts-toonladder van G, en dan dit accoord laat overgaan
in het dominant septime-aecoord van G, om dan te sluiten in G-
mixolydiseh, eveneens het tonika-accoord van G Groote terts, dus
weder eene sluiting als in G Groote terts. Zie No. 29, 3 en in 29, 4
zijn deze accoorden getransponeerd in D-mixolydisch.
Door te sluiten als in de Groote terts, zie No. 29, 2, 3 en 4, verliest
evenwel de mixolydische toonaard in het slot zijn eigenaardig karakter.
Het praeludium voor melodiën welke in dezen toon staan, moet zich
ook niet te veel in de groote terts-toonsoort bewegen.
-ocr page 39-
37
Komt de grondtoon in den regel voor en is de voorgaande noot
de seconde, dan kan men de accoorden nemen, zooals in No. 29, 1
staan aangegeven, of ook, zooals zij in No. 30, 1 staan uitgewerkt;
de twee laatste accoorden zijn de accoorden op de daaropvolgende
melodie-tonen. Sluit evenwel de regel van boven af met de quint, nl.,
liggen de voorafgaande tonen boven de quint, dan sluit men gewoonlijk
in de Groote terts-toonladder op den dominant.
Zijn de melodie-tonen de onder-seconde, (of de septime) de grondtoon
en de sext, (of de onderterts) dan kan men deze accoorden nemen.
Zie No. 30, 2 en 3.
Wijkt de melodie in den regel naar den dominant uit, dan kan
men het groot dominant- of ook het klein dominant-accoord nemen.
Zie No. 31, 1 en 2.
=R:
-!!-
:=n
ff
■#■■
I
No. 30.
J__cL
4=3:
-Sr-
■o-
X-
ma=
Si
£
:t=
^=d=p:gr^p=j=j=^=g==fpj==^r3=g=n
j^E*3)=p=S=
-g-
—o-
I
of
No. 31.
J,
J=J=L
mt^k
J=^
*3
o
Vanzelf zijn bovenstaande voorbeelden genomen naar melodieën,
welke men uit G-mixolydisch speelt.
Hypo-Mixolydischen toon
In den
staan de psalmen 30, 44, 58, 87, 93, 103, 113, 117 en 121.
Voor de Psalmen welke in dezen toon staan, staat eene mol bij den
-ocr page 40-
38
sleutel en zij beginnen en eindigen allen met den grondtoon, nl. met
den toon g, welke toon eveneens de grondtoon der authentieke
Mixolydische toonladder is.
Ook \'m deze melodieën is veel de septime (of onder-seconde) toe-
vallig groot gemaakt; de grondtoon volgt steeds op de toevallig
verhoogde septime, en de sext (of onder-terts) of den grondtoon gaat
er aan vooraf, zie b. v. Psalm 30, eersten en laatsten regel; eeneuit-
zondering vindt men in den vierden regel van Psalm 121, waar de
grondtoon
toevallig is verhoogd, de seconde gaat aan den toevallig
verhoogden grondtoon vooraf en volgt de seconde er ook op, deze
regel sluit in a kleine-terts. Niet een enkele maal is in deze Psalmen
de quart verhoogd, om reden dat ook deze melodieën, evenals die
welke in den Hypo-Dorischen toon staan, niet veel naar de quint, doch
veel naar den grondtoon uitwijken; vandaar dat menigmaal de septime
toevallig is verhoogd als zij den grondtoon vooraf gaat; in deze
melodieën vindt men weder geene toevallige verlagingen.
Ook deze melodieën worden veel bewerkt als staande in de Groote
terts-toonsoort, en wordt ook wel in enkele koraalboeken de verhooging
der septime als een voorteeken bij den sleutel geplaatst. Voor eene
melodie, welke b. v. uit Bes staat, staan dan twee mollen in plaats
van drie, dus oven alsof zij uit Bes Groote terts staat.
Deze melodieën bewegen zich weder van de quart beneden, tot de
quint boven den grondtoon, vandaar dat men ze aanmerkt als te
staan in den %po-mixolydischen toon ; dus de ambitus, de omvang
van den laagsten tot den hoogsten toon in deze koralen is van den
laagsten tot den hoogsten toon der hyjw-Mixolydische toonladder,
waarvan de vierde toon, de g, de grondtoon is; doch strikt genomen
is alleen in Psalm 30 dit het geval, zie de ambitus in de overige
melodieën in No. 32; de open noot is de grondtoon en de dichten
wijzen de laagste en de hoogste noot in ieder koraal aan.
No. 32.
Ps.44,58,103,113,117. | Psalm 87. | Psalm 93. | Psalm 121.
r    \'TT
Al deze koralen zet men in en sluit men met het tonika-accoord,
bijgevolg zooals in No. 28, 1, staat aangegeven. Zijn de slotnoten (de
twee laatste noten der melodie) de seconde en de grondtoon, dan
-ocr page 41-
39
maakt men de sluiting als in No. 29, 1, of 29, 2, 3 en 4, dus op
een der twee wijzen; de slotnotcn van de Psalmen 30 en 117 zijn
evenwel niet de seconde en de grondtoon, doch de toevallig verhoogde
onder-seconde (of de septime) en de grondtoon; deze melodieën sluiten
in de Groote terts-toonladder van O, men kan ze dus niet sluiten
zooals in No. 29, 1, staat aangegeven, doch alleen met eene authentieke
sluiting; evenzoo sluit men Psalm 44, (hoewel de slotnoten de seconde
en de grondtoon zijn), met eene authentieke sluiting, want de regel
moduleert daar eveneens naar G Groote terts.
Over de melodieën, welke in de twee laatste toonsoorten staan,
kunnen wij kort zijn, de aeolische toonsoort is, zooals men weet, onze
tegenwoordige kleine terts- toonsoort, en de jonische de Groote terts-
toonsoort.
De melodieën welke in den
Autheutieken Aeolischen toon
staan, eindigen allen met de noot a, er staat geenc mol bij den sleutel;
zij beginnen of met den grondtoon, zie Psalm 6 en de Gezangen
37 en 176, en ook, hoewel bij dezen ivcl eene mol hij den sleutel staat,
de Avondzang en de Gezangen 38 en 140, dus in deze melodieën
staat de ut of c op de eerste lijn van den notenbalk, bijgevolg de
noot a tusschen de derde en vierde lijn; stond in deze koralen de c
op de derde lijn, vanzelf zou er dan goene mol bij den sleutel staan,
doch dan zouden de noten over \'t algemeen te laag of te hoog komen
te staan, zie b. v. Gezang 38; de Psalmen 4, 22, 38 en Gezang 173
zetten in met de terts ; voor Gezang 173 staat ook eene mol bij den
sleutel, en Psalm 65 en Gezang 34 beginnen met de quint.
In de melodieën, welke in dezen toon staan, komen slechts enkele
toevallige kruisen voor. Zie b. v. de Avondzang, eersten regel, vierde
noot en Gezang 38 eersten en derden regel, zesde noot, waar de septime
(of onder-seconde) toevallig is verhoogd; de septime is weder, evenals
in de harmonische kleine terts-toonladder, groot gemaakt; de grond-
toon gaat aan de toevallig verhoogde septime vooraf en ook volgt zij
er direkt op; ook in den tweeden regel van den Avondzang staat
een kruis, doch dit is niet algemeen aangenomen, evenals het kruis
voor de vijfde noot in den zevenden regel van Psalm 65, omdat aan
de toevallig verhoogde onder-seconde (of septime) in genoemde regels
niet de grondtoon doch de seconde vooraf gaat; men kan hier
-ocr page 42-
40
beter den gang der naturel-toonladder van a behouden; de vierde
regel van Gezang 176 sluit op de toonladder van zijn dominant, de
laatste noot op één na; de septime dier toonladder is weder inleider
gemaakt; en de negende regel van Gezang 38 sluit in (i Groote terts,
de laatste noot op één na, eveneens de septime van die toonladder,
is ook groot gemaakt.
Deze melodieën bewegen zich, evenals alle melodieën, die in een
authentieken toon staan, van den grondtoon tot het octaaf, hoewel
dit niet in één dezer koralen letterlijk liet geval is; ofschoon men ze
daarom toch rangschikt als te staan in den authentieken aeolischen
toon, omdat de melodieën zich meer boven, dan om den grondtoon
bewegen; de intervallen staan schier uitsluitend boven den grondtoon,
enkel de onder-seconde van den grondtoon komt voor; verder wijken
zij meer naar den dominant dan naar den grondtoon uit.
De koralen welke in
den Hypo-Aeolischen toon
of kleine terts-toonsoort staan, eindigen ook allen met den grondtoon,
nl. met den toon a; voor de melodieën welke in dezen toon staan,
staat cene mol bij den sleutel; zij zetten in of niet den grondtoon, zie
de Psalmen 18, 110, de Lofzang\' van Maria en de Gezangen 35, 118
en 134, of met de terts, zooals de Psalmen 16 en 106, of met de
onder-quart (of de quint), zie de Psalmen 39, 55 en de Gezangen 17,
86 en 179.
Deze melodieën bewegen zich weder van de quart onder den grond-
toon tot de quint boven den grondtoon; daarom juist rekent men ze
als te staan in den /M//>o-aeolischen toon, ofschoon alleen in de Psalmen
18, 110 den Dofzang van Maria en de Gezangen 17 en 86 dit het
geval is ; in deze melodieën komt niet één toon voor welken onder
den eersten of boven den laatsten toon (den hoogsten toon) der hypo-
aeolische toonladder ligt, doch nogmaals, let wel, ik zeg komt niet één
toon voor, welke ligt onder den laagstcn en boven den hoogsten toon der
hypo-aeolische toonladder, niet onder of boven den yrondtoon; want
de grondtoon is de vierde toon dier toonladder, de toon a, eveneens
de grondtoon der authentieke aeolisehe toonladder; de overige dezer
melodieën worden echter toch ook gerekend als te staan in den
hypo-aeolischen toon, omdat zij zich om den grondtoon bewegen. De
intervallen komen zoowel boven als onder den grondtoon te liggen.
-ocr page 43-
41
Doordat de melodieën, welke in den hypo-aeolischen toon staan
weer meer naar den grondtoon, dan naar den dominant uitwijken, is
menigmaal de septime toevallig verhoogd, dus weder inleider gemaakt,
evenals in de Harmonische kleine terts-toonladder, zie b. v. Psalm 16,
vierden regel zevende noot en laatsten regel tiende noot; de grond-
toon gaat steeds aan de verhoogde septime (of onder-seconde)
vooraf en volgt er ook op; de tweede regel van Psalm 39 eindigt,
in G Groote terts ; in den eersten en derden regel van Gezang 17,
achtste noot, is ook de septime verhoogd en gaat eveneens de seconde
aan dien verhoogden toon vooraf, doch daar volgt de quint of de
onder-quart er op; in den laatsten regel van Psalm 55, vijfde noot is
ook de septime (of onder-seconde) verhoogd, doch daar gaat niet de
grondtoon, doch de seconde vooraf; deze verhooging on ook het toe-
vallig kruis voor de derde noot, nl. de septime of onder-seconde, in
den eersten regel van den Lofzang van Maria, welke men in eenige
psalmboeken aantreft en in andere weer niet, is niet algemeen aan-
genomen ; de gang der naturel-toonladder klinkt in deze regels bevre-
digender; men treft deze kruisen dan ook in de koraalboeken niet:
aan, of zijn tusschen twee haakjes geplaatst, zooals men wyeet, duidt dit
laatste dan aan, dat men het kruis kan nemen of ook weglaten.
Al de melodieën welke met den toon C sluiten staan in den
Authentieken Jonischen toon,
of, wat hetzelfde is, in de Groote terts-toonsoort, er staat eene mol bij
den sleutel.
In deze toonsoort staan de Psalmen 1, 3, 21, 29, 32, 36, 47, 52,-
73, 75, 81, 84, 97, 105, 122, 133, 135, 138, 150, de Bedezang vóór
het eten en de Dankzang na het eten. Onder de Gezangen welke in
dezen toon staan behooren ook de Gezangen 22, 42, 44, 46, 70, 82
en 163, hoewel bij dezen geene mol bij den sleutel staat. De noot c
staat in deze koralen dus weder op de derde lijn van den notenbalk;
stond zij op de eerste lijn, of tusschen de vierde en vijfde lijn,
(bijgevolg was er dan eene mol bij den sleutel geplaatst), dan zouden
de noten te hoog of te laag op den balk komen te staan.
Deze melodieën bewegen zich, omdat zij in een authentieken toon
staan, van den grondtoon tot het octaaf en zij wijken ook meer naai-
den dominant dan naar den grondtoon uit, en dan is enkele malen,
nl. als de melodie naar den dominant uitwijkt, de quart toevallig ver-
-ocr page 44-
42
hoogd; de terts of do quint gaat aan dien toevallig verhoogden toon
vooraf, zoodat de melodie zich dan beweegt naar de toonladder op
haar dominant; de septime van die toonladder, nl. van de toonladder
op haar dominant, wordt groot, zie o. a. Psalm 1 tweeden regel,
negende noot, en Psalm 52, tweeden regel, vijfde noot; de vijfde regel
van Gezang 39 beweegt zich en sluit in a kleine terts, de vijfde regel
van Gezang 163 sluit in d kleine terts, en in den eersten en den
vierden regel van Gezang 178 (welke regels op den dominant sluiten)
gaat de sext aan de toevallig verhoogde quart vooraf; de zooeven
genoemde Gezangen staan mede in de jonische- of Groote terts-toonsoort.
Slechts éénmaal komt er eene mol in deze melodieën voor, nl. in den
zevenden regel van gezang 54; noch in de melodieën welke in den
aeolischen of hypo-aeolischen, noch ook in den hypo-jonischen toon
staan, treft men eene toevallige verlaging aan.
Voor de melodieën welke in don
Hypo-Jonischen toon,
of, eveneens Groote terts-toonsoort, staan, staat geene mol bij den
sleutel, zij eindigen, evenals de koralen welke in den authentieken
Jonischen of Grooten terts-toon staan, met den toon C; het zijn de
Psalmen 25, 35, 42, 43, 49, 54, 56, 60, 66, 79, 89, 99, 101, 119,
123, 124, 134, 140, de Lofzang van Zacharias en de Lofzang van
Simeon, en ook staan o. a. do gezangen 4, 40, 100 en 122 in dezen
toon, doch daar staat wel eene mol bij den sleutel; de noot e staat
dus weder op de eerste lijn van den notenbalk.
Deze melodieën bewegen zich weder van de onder-quart tot de quint
boven den grondtoon, vandaar dat men ze rangschikt als te staan in
den %po-jonischen toon en zij wijken weer meer naar den grondtoon
dan naar den dominant uit; soms is ook in deze de quart toevallig
verhoogd, als de melodie naar den dominant uitwijkt; de terts of de
quint gaat aan dien verhoogden toon vooraf, zie o. a. Psalm 35, vijf-
den regel, zevende noot, en Psalm 43, derden regel, achtste noot.
En nu ten slotte nog eene opmerking.
Wij hebben gezien dat men uit de slotnoot der melodie opmaakt in
welken toon zij staat, sluit zij met den toon d dan staat zij in den
dorischen toon, hetzij in de authentieke of in de plagale, sluit zij met
e, dan staat zij in do phrygische, met f, in de lydische (ofschoon in
die toonsoort geen koralen staan), met g, in de mixolydische, met a,
-ocr page 45-
43
in de aeolische, of in de kleine terts-toonsoort, en met C, in de jonische
of in de Groote terts-toonsoort; doch in koraalboeken waarin aange-
geven staat in welken toon elke melodie zich beweegt, ziet men boven
de opgave van enkele melodieën geene overeenstemming; zoo b. v. wordt
in de meeste dier boeken Psalm 74 aangeduid als staande in den
mixolydischen toon en in sommige andere koraalboeken weer als
staande in den hypo-jonischen of grooten terts-toon ; deze verschillende
meeningen zullen wij hier nu niet bespreken, doch wij zullen ons hou-
den aan de stelling dat de slotnoot uitmaakt in welken toon de
melodie staat, en daar dit van Psalm 74 de toon g is, het er voor
houden dat die melodie in den mixolydischen toon staat, al is ook
de veronderstelling dat zij in de hypo-jonische of Groote terts-toonsoort
staat, niet zoo geheel ongegrond.
Zoo zal men nog ettelijke koralen aantreffen, waarboven in enkele
verschillende koraalboeken de opgave van den toon waarin zij staan,
verschilt, en ook soms verschil in de aanduiding of zij in een authen-
tieken dan wel in een plagalen toon staan; wat dit laatste verschil
betreft, zie men steeds of de melodie zich van den grondtoon tot het
octaaf beweegt, of dat de intervallen schier allen boven den grondtoon
liggen ; alsdan rekent men ze te staan in een authentieken toon.
Beweegt de melodie zich daarentegen van de onder-quart tot de quint
boven den grondtoon, beweegt zij zich meer om den grondtoon, nl.,
komen de intervallen zoowel boven als onder den grondtoon te liggen,
dan houdt men zich aan de stelling, dat de melodie in een hypo- of
plagalen toon staat. Ofschoon men soms ook die melodieën rekent
als te staan in een plagalen toon, wanneer de intervallen zich niet
ver van den grondtoon bewegen, al staan dan al de intervallen boven
den grondtoon; zoo wordt b. v. Gezang 44 ook aangegeven als staande
in den /«//>o-jonischen toon.
-ocr page 46-
MELODIEËN
WELKE STAAN IN DEX
Dorischen toon,
aangeduid
door D. .
Hypo-Dorischen toon,
n
71
H. D.
Phiygischen toon,
n
n
Ph. .
Mixolydischen toon,
n
n
M. .
Hypo-Mixolydischen toon,
B
i
H. M.
Aeolischen toon,
n
n
A. .
Hypo-Aeolischen toon,
n
s
H. A.
Jonischen toon,
B
n
J. .
Hypo-Jonischen toon,
n
n
H. J.
-ocr page 47-
Aanwijzing in welken toon de Melodieën staan.
1 - J.
Psalm
31 of 71 — Ph.
2 - D.
»
32 — J.
3 - J.
n
33 of 67 — D.
4 - A.
n
34 — D.
5 of 64 — D.
n
35 - H. J.
6 - A.
1
36 of 68 - J.
7 — H. D.
»
37 — D.
8 - D.
n
38 — A.
9 - D.
»
39 - H. A.
10 — D.
n
40 — H. D.
11 - D.
n
41 — D.
12 - D.
n
42 - H. J.
13 — D.
n
43 - H. J.
14 of 53 - D.
n
44 - H. M.
15 — M.
n
45 — D.
16 - H. A.
n
46 of 82 - M.
17, 63 of 70 - Ph.
n
47 - J.
18 of 144 - H. A.
n
48 — D.
19 — M.
X
49 — H. J.
20 — D.
n
50 — D.
21 — J.
n
51 of 69 - Ph.
22 — A.
n
52 — J.
23 - H. D.
n
53 of 14 - D.
24, 62, 95 of 111 — D.
a
54 — H. J.
25 - H. J.
a
55 - H. A.
26 — Ph.
n
56 — H. J.
27 - M.
n
57 - M.
28 of 109 - H. D.
9
58 - H. M.
29 - J.
I
59 — D.
30, 76 of 139 — H. M.
60 of 108 — H. J.
-ocr page 48-
46
Psalm
61 - H. D.
Psalm 100, 131, 142 of Morgen
9
62, 24, 95 of 111 -
D.
zang — Ph.
n
63, 17 of 70 - Ph.
n
101 — H. J.
n
64 of 5 - D.
n
102 - Ph.
n
65 of 72 — A.
ff
103 - H. M.
n
66, 98 of 118 — H.
J.
»
104 — D.
n
67 of 33 — D.
ff
105 — J.
y>
68 of 36 — J.
n
106 - H. A.
71
69 of 51 — Ph.
ff
107 - D.
V)
70, 17 of 63 - Ph.
n
108 of 60 - H. J.
n
71 of 31 - Ph.
ff
109 of 28 - H. D.
n
72 of 65 — A.
i
110 - H. A.
n
73 — J.
n
111, 24, 62 of 95 — D.
n
74 of 116 - M.
ff
112 — D.
n
75 - J.
n
113 - H. M.
n
76, 30 of 139 — H.
M.
n
114 - D.
n
77 of 86 - H. D.
n
115 - D.
r,
78 of 90 - D.
n
116 of 74 - M.
%
79 - H. J.
*
117 of 127 — H. M.
n
80 — D.
ff
118, 66 of 98 — H. J.
n
81 — J.
n
119 - H. J.
n
82 of 46 — M.
ff
120 - H. D.
n
83 - Ph.
a
121 - H. M.
Tl
84 — J.
ff
122 - J.
n
85 — M.
»
123 - H. J.
n
86 of 77 — H. D.
w
124 - H. J.
»
87 - H. M.
ff
125 — D.
n
88 - D.
n
126 - M.
89 - H. J.
f!
127 of 117 - H. M.
jj
90 of 78 — D.
V
128 - D.
ïj
91 - D.
ff
129 — H. D.
71
92 — D.
ff
130 — D.
»
93 - H. M.
7!
131, 100, 142 of Morgen
1
94 — Ph.
zang — Ph.
n
95, 24, 62 of 111 —
D.
n
132 - Ph.
n
96 — D.
ji
133 — J.
A
97 — J.
n
134 — H. J.
98, 66 of 118 — H.
99 - H. ,T.
J.
»
*
135  - J.
136  - M.
-ocr page 49-
47
Psalm
i 143
—
D.
144
of
18
145
—
M.
146
—
II.
147
—
Ph
148
—
D.
149
—
I).
150
—
J.
Psalm 137 — D.
, 138 — J.                                   
, 139 - 30 of 76 — H. M.
140 of de Tien geboden des         
Heeren — H. J.
, 141 — Ph.
142, 100, 131 of Morgen-
zang — Ph.
, 144 of 18 - I
- i         - 11. I)
De tien geboden des Heeren of psalm 140 — H. J.
De Lofzang van Maria — H. A.
De Lofzang van Zacharias — H. J.
De Lofzang van Simeon — H. J.
Het gebed des Heeren — D.
De eerste berijming van de twaalf artikelen des geloofs — M.
De tweede berijtning van de twaalf artikelen des geloots — D.
Bedezang vóór de predikatie. —■ D.
Morgenzang of de psalmen 100, 131 en 142 — Ph.
Bedezang vóór het eten — J.
Dankzang na het eten — J.
Avondzang — A.
Eenige Evangelische Gezangen.
Gezang
4
—
H.
J.
Gezang
82
- J.
n
17
—
H.
A.
r?
86
— H. A
„
22
—
J.
n
100
- H. J.
»
24
—
D.
n
109
— D.
i
34
—
A.
n
118
- H. A
n
35
—
H.
A.
n
122
- H. J.
n
36
—
D.
n
123
— Ph.
n
37
—
A.
n
134
- H. A
jj
38
—
A.
n
140
— A.
i
39
—
J.
163
- J.
n
40
—
H.
J.
»
173
- A.
9
42
—
J.
n
176
— A.
»
44
—
J.
n
178
- J.
n
9
46
70
—
J.
J.
n
179
- H. A
-ocr page 50-
\'V
\\fiy»
^meFi^aan^he ÜFgel^,
Van der Werfl\'straat 1
ROTTERDAM.
#
*
•6
fr
Gl
9><
«i
^
*«*
^
cö^
(^
sof
«fc
#*
SP
döfr
?#>
1 Spel, 3 Registers, 1 Kniezw......kf 80-
\' „ o „ 1 „ .....„ „ nu.
1 „ dubb. Koppel, 7 Registers, 1 Kniezw. „ „ 135.
155.
Enz. Enz.
De ESTEY en FARRAND Orgels zijn de gezoehtste
en de beste aller bestaande soorten.
*
I
Pe yViT\'s Prgelhandel.
VRAAGT PRIJSCOURANTEN.
■* i-v -                                                         \'■ "■