-ocr page 1-
\\**mfff
"mimi i
PROEFSCHRIFT,
DOOR
E\\. T H S "QT ^-
LEIDEN,
S. C. VAN DOESBURGH.
1885.
-ocr page 2-
mnvY) l0$&/
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
ONTWIKKELING EN VERBAND
VAN DE
Rijks-, Provinciale" en Gemeentebelastingen
IN NEDERLAND.
Ou n\'aurait qu\'unc incomplete idéé du
système fiscal d\'un pays si 1\'on nc s\'oc-
cupait que des impóts uationaux.
Paul Leroy-Beauliku.
-ocr page 8-
LKIUEN : UOEKDRUKKElilJ VAN L. VAN NIl\'TKIUK 117..
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000010038770B
1003 8770
-ocr page 9-
hkh^
ONTWIKKELING EN VERBAND
VAN DE
RIJKS-, PROVINCIALE- EN GEMEENTE-BELASTINGEN
IN NEDERLAND.
EERSTE DEEL.
PROEFSCHRIFT,
TEK VEKKUIJGING VAX DEN GKAAD VAN
IN DE eSGHTSWSTKMSCHAP,
AAN DE KIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT,
NA MACHITGING VAN DEN RECTOR-MAGNIFICUS
D*. N. W. P. RAUWENHOFF,
HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER W1S- KN NATUURKUNDE,
VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNIVERSITEIT,
TEGEN DE BEDENKINGEN VA» DE
FACULTEIT DER RECHTSGELEERDHEID TE VERDEDIGEN
op Dinsdag, den 31s,en Maart 1S85, des namiddags te 2 uren,
Marie Willem Frederik Treub,
GEBOREN TE VOORSCHOTEN.
LEIDEN
S. C. VAN DOESBURGH.
1885.
otf-
,..^,»pWöt
Instituut voor staats^eri\'             <c&&^\'
administratief recht cjer -^X-V^
Rijksuniversiteit Utrecht
-ocr page 10-
-ocr page 11-
€X<x\\x /w\\X\\wc 0-tdDcz-y.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
Mijne verhandeling over de ontwikkeling en het verband van
de rijks-, provinoiale- en gemeentebelastingen in Nederland, waar-
van thans het eerste deel als proefschrift verschijnt, heeft haar
ontstaan te danken aan de uitschrijving eener prijsvraag over dit
onderwerp, in Mei 1882 door de Rechtsgeleerde Faculteit te
Utrecht gedaan.
Het antwoord door mij op die vraag ingeleverd, had het geluk
gunstig te worden ontvangen. Aangezien de bedenkingen dei-
Faculteit in hoofdzaak waren gericht tegen de door mij gevolgde
methode, heb ik getracht door eene omwerking mijner verhandeling
aan de gemaakte bezwaren zooveel mogelijk te gemoet te komen.
Mocht mij dit niet geheel zijn mislukt, zoo heb ik het voor
een groot deel te danken aan U, hooggeleerde heeren d\'aulnis
en de louter. Voor Uwe welwillende en hooggewaardeerde kritiek
betuig ik U mijn oprechten dank.
-ocr page 14-
-ocr page 15-
INHOUD.
EERSTE HOOFDSTUK.
taait.
De toestand onder de republiek der Vereenigde Nederlanden..... 1
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het overgangstijdperk......................    43
§ 1. 1795—1798.....................    43
§ 2. 1798—1801.....................    63
§ 3. 1801—1805.....................    86
DERDE HOOFDSTUK.
Het stelsel van Gogel......................102
§ 1. Algemeene belastingen................106
§ \'2. Departementale" en gemeentebelastingen........170
VIERDE HOOFDSTUK.
Het Fransche stelsel.......................218
Stellingen..........................249
-ocr page 16-
-ocr page 17-
EERSTE HOOFDSTUK.
De toestand onder de republiek der Vereenigde
Nederlanden.
Ieder, die zich ten doel stelt de geschiedenis der
financiën en in het bijzonder der belastingen gedurende
het bestaan van de republiek der vereenigde Nederlan-
den na te gaan, wordt als van zelf er toe gebracht, zijn
onderzoek bij de bepalingen van de Unie van Utrecht
aan te vangen. Veel, wat onverklaarbaar schijnt, wordt
opgehelderd, wanneer men zich rekenschap geeft van
de eigenaardige plaats door deze akte van verbond
gedurende meer dan twee eeuwen ingenomen. Immers
„ het oogmerk der Unie van Utrecht was geenszins het
afzweren van den koning van Spanje, en het instellen
van een nieuwen regeringsvorm, maar alleen om zich te
vereenigen tot een verdedigend verbond, als het ware
tot één ligchaam, om des te beter den gemeenen vijand
l
-ocr page 18-
2
tegen te staan.\'\' (Schets van Neêrlands Staatsbestuur,
Dordrecht 1841, bl. 55).
En toch, door den loop der omstandigheden moest
deze akte van verbond weldra een rol vervullen, waar-
toe zij allerminst was bestemd geweest.
Bij het verbond van 1579 verklaarden de gewesten
uitdrukkelijk geene verandering te willen maken in de
bestaande rechten en verplichtingen van elk hunner.
Tegenover elkander geheel zelfstandig, bleven de ver-
bondenen aan hun landheer, althans in naam, onder-
worpen. Van daar dat de samenstellers der Unie zich
bepaalden tot de regeling van de betrekking, waarin
het verbond tot gemeenschappelijke bestrijding van den
gemeenen vijand hen bracht. Doch van daar ook, dat
deze akte van verbond al zeer weinig geschikt was, om
na de afzwering van Philips, als grondwet voor de
nieuwe republiek dienst te doen.
Niet het minst in de bepalingen over de financiën
vertoont zich deze eigenaardigheid. Volgens art. 5 zou-
den tot voorziening in de kosten van defensie „ in alle
die — geünieerde Provinciën eenpaerlick ende op eenen
voet" worden geheven verschillende accijnsen en enkele
andere daaraan nauw verwante belastingen. Mochten de
opbrengst der aangewezen belastingen en de inkomsten
uit de koninklijke domeinen tot bestrijding der kosten
van defensie onvoldoende blijken, dan zouden nog andere
belastingen hiertoe kunnen worden ingesteld, mits „by
-ocr page 19-
3
gemeen advys ende consent." Ook voor verhooging of
verlaging der middelen werd volgens art. 6 eenparige
toestemming vereischt, terwijl bovendien nog uitdruk-
kelijk werd bepaald, dat de opbrengst der gencraliteits-
middelen alleen zou mogen strekken tot „ die gemeene
defentie. ende tot het ghene die generaliteyt gehouden
sal wezen te draegen.\'\'
Voor het doel der Unie waren deze bepalingen bij
uitstek geschikt. Men wilde „dat tot verval van de
lasten van de gemeene defensie eenparige middelen van
consumptie souden geheeven worden op verschelde spe-
cien over alle de Provinciën." (Mr. D. van Slingelandt,
Staatkundige geschriften. Amst. 1784, II, bl. 30)1).
Voor het overige zouden de verbonden gewesten zich
van inmenging in elkanders bijzondere financiën ont-
houden; evenwel onder een voorbehoud. Door de ver-
eeniging hadden alle verbondenen belang bij de wei-
vaart van elk hunner, en ten einde nu te voorkomen,
dat het eene gewest zich ten koste van het andere zou
trachten te verrijken, zou volgens art. 18, ,, d\' eene
vande Geünieerde provinciën Steden ofte leden van dijen
tot Laste ende prejudicie van d\' andere, ende zonder
1) Vlg. Mr. G. W. Vreede, Bijdragen tot de geschiedenis der
omwenteling van 1795—1798. Amst. 1847. Dl. I, bl. 72.
Vrije gevoelens over de beste staatsgronden tot regeling van het
bestuur in de Nederlandsche vereenigde Gewesten, den Haag, 1802.
(Door J. Meerman.) Dl. I, bl. 85.
-ocr page 20-
4
gemeen consent geen Imposten, convoygelden, noch
anderen diergelijken Lasten moegen opstellen, noch
enyge van desz. bontgenoten hoeger moegen bezwaeren,
dan hun eygen ingesetenen."
Aan het doel der Unie, eene uit den aard der zaak
tijdelijke vereeniging van tegenover elkander zelfstandige
en aan denzelfden landheer onderworpen gewesten, be-
antwoordden deze bepalingen volkomen. Voor de taak,
welke de Unie geroepen werd te vervullen, waren zij
niet berekend.
Het groot verschil in welvaart tusschen de verbon-
den gewesten legde aan het in praktijk brengen van
art. 5 der Unie groote moeilijkheden in den weg \'), al
werd ook van de daar aangewezen waren hier te lande
reeds sinds lang accijns geheven. Doch de uitvoering
van deze bepalingen stuitte, wat betreft de middelen
1) Vlg. Pieter Paulus, Verklaring der Unie van Utrecht, I, bl.
379—408.
Nederlands Staatsgebreken en derzelver geneesmiddelen, 1797
(door Tollius) bl. 31.
Exposé des maux de la Ilollande et des remèdes a y apporter.
Arast. 1796, bl. 21. (Dit anoniem verschenen geschrift munt uit
door degelijkheid en gematigdheid).
C. H. Trotz, Coinmentarius legum fund. foeder. Belgii, Ilarl. &
Amst. 1778, bl. 382.
Vrije gevoelens enz. I, bl. 86.
C. Zillesen, Wijsgeerig onderzoek wegens Neêrlands opkomst enz.
Amst. 1796, bl. 275.
Jhr. Mr. .1. J. de la Bassecour Caan, Schets van den Eegeerings-
vorm van Nederland, \'s Hage, 1866, bl. 191.
-ocr page 21-
5
te lande, geheel af op het recht der provinciën van
niet overstemd te worden in belastingzaken 1). Wel werd
verschillende malen onder de Republiek getracht tot
dekking van de kosten der verdediging te land en van
het tekort komende voor de marine gemeenschappelijke
belastingen in te voeren; doch steeds zonder gevolg 2).
Door de afzwering van den landheer was de souve-
reiniteit van dezen op de provinciën zelve overgegaan;
van hunne souvereiniteitsrechten nu wilden de gewes-
ten, althans het meerendeel van hen, in geen opzicht
afstand doen. Zoo ook wilde elk gewest het recht tot
het uitschrijven van belastingen over zijne inwoners
ongeschonden bewaren. En mochten al sommige pro-
vinciën inzien, dat eene vereeniging krachteloos wordt,
indien geen der bondgenooten eenig deel van zijn recht
aan de gemeenschap afstaat, mochten enkele al geneigd
zijn tot het daarstellen van algemeene belastingen, een-
parigheid omtrent dat belangrijke punt was niet te
verkrijgen. De gemeenschappelijke belastingen bleven
achterwege; art. 5 der Unie was en bleef eene doode
letter.
Alleen de middelen te water maakten hierop eene
gunstige uitzondering. Deze, de convooi- en licentgelden,
waren naar het schijnt reeds in 1577 gemeene middelen
1)  Vgl. v. Slingelandt, t. a. p. II, bl. 113.
Mr. J. R. Thorbecke, Historische schetsen. \'sHage, 1860. bl. 69.
2)  Vgl. v. Slingelandt, t. a. p. II, bl. 32 vv., en III, bl. 74 vv.
-ocr page 22-
6
van de generaliteit, zoodat ten opzichte van deze be-
lastingen art. 5 der Unie slechts de bestendiging van
een bestaanden toestand voorschreef. Dit neemt echter
niet weg, dat men bij de heffing dezer belastingen op
eenparigen voet met groote moeilijkheden te kampen
had. De naijver tusschen verschillende provinciën belette
dikwijls de richtige invordering dezer middelen, het-
geen te eer kon geschieden, daar in den aanvang
de admiraliteitscollegiën, aan welke de heffing van- en
de beschikking over de convooi- en licentgelden was
opgedragen, provinciale collegiën waren. Wel werd in
1584 het oppertoezicht over de middelen te water op-
gedragen aan den Raad van State en in 1588 over-
gebracht naar den Admiraal-Generaal, bijgestaan door
een collegie-snperintendent van de Admiraliteit, doch
dit toezicht, dat bovendien door het spoedig vervallen
van het superintendent-collegie nog werd verzwakt, kon
niet beletten, dat bij de admiraliteits-collegiën het pro-
vinciaal belang vóór het algemeene ging. De nieuwe
regeling der admiraliteitszaken van 1597, waarbij aan
vijf collegiën l) de heffing en het beheer der middelen
te water werd opgedragen bracht wel eenige verbete-
1) Eén in Noord-Holland te Amsterdam, één in West-Friesland
en het Noorderkwartier, dat ora de drie maanden beurtelings te
Hoorn en te Enkhuizen zitting hield, één in Zuid-Holland te Rot-
terdiim, één in Zeeland te Middelburg, en één in Friesland eerst te
Dokkum, sedert 1645 te Harlingen.
-ocr page 23-
7
ring, door deze collegiën aan de Generale Staten te on-
derwerpen en verantwoordelijk te maken; doch ten ge-
volge der geringe macht dezer staten en van het
wegvallen der waardigheid van Admiraal-Generaal slopen
in den loop der tijden weder vele misbruiken in 1).
Omtrent het karakter der convooi- en licentgelden
zegt Pieter Paulus (t. a. p. I, bl. 437): „ Het vrijge-
leigeld (convooigeld) strekte tot beveiliging van de
schepen en goederen der kooplieden ter zee, tegen de
vrijbuiters en anderen, die op de bestelbrieven des
Prinsen ter zee voeren: en werd daarvoor eene somme
gelds betaald, naar mate van de grootte der schepen en
koopmanschappen, of naar de verafgelegenheid der plaat-
sen. \'t Verlofgeld (licentgeld) gaf hun, die \'t verzogten,
vrijheid, om hunne goederen en waren naar \'s vijands
bodem te mogen voeren" 3).
1)  Vgl. Pieler Paulus, t. a. p. I, bl. 436—467.
V. Slingelandt, t. a. p. IV, bl. 289—340.
(V. d. Spiegel.) Nadenken van een staatsman wegens zijn minis-
terie in Holland. 1800, bl. 60, 61.
Mr. F. N. Sickenga, Bijdrage tot de Gesch. der Bel. Leiden,
1864,   bl. 121.
De la Bassecour Caan, t. a. p. bl. 175—180.
Mr. P. H. Engels, De belastingen en de geldmiddelen. 2de dr.
Utrecht, 1862, bl. 39—41.
C. H. Trotz, t. a p. bl. 437—440.
2)  Vlg. Sickenga, t. a. p. bl. 133.
Mr. O. van Rees, Geschiedenis der Staathuishoudkunde. Utrecht,
1865.  Dl. I, bl. 182.
Engels, t. a. p. bl. 49 v.v.
-ocr page 24-
s
Oorspronkelijk droegen dus de convooi- en licentgel-
den het karakter van vergoedingen voor bewezen dien-
sten en verleende vergunningen; spoedig evenwel ver-
loren zij dit karakter en werden belastingen in engeren
zin, geheven bij in- en uitvoer. Deze overgang kwam
echter niet op eens tot stand. De convooien werden
reeds in 1603 tot rechten op eiken in- of uitvoer van
goederen; de licenten ondergingen in ^1633 uitbreiding
en werden sedert dien tijd ook geheven bij doorvoer
van waren uit en naar vijandelijke of onzijdige landen.
Doch het oorspronkelijk karakter dezer rechten ging
geheel te loor, toen bij den vrede van 1648 de heffing
niet werd gestaakt. Van toen af werden zij belastingen
op den buitenlandschen handel, welke van oorlog of
vrede onafhankelijk waren.
In 1652 werden naast de convooien en licenten nog
ingevoerd het last- en het veilgeld. Het lastgeld, eene
belasting naar de grootte der schepen, geheven bij aan-
komst en afvaart, bestond reeds vroeger voor enkele
takken van scheepvaart, doch werd in 1652 algemeen
gemaakt]). Het veilgeld was eene belasting op alle
goederen zonder onderscheid tot een bedrag van 2 °/0 der
De la Bassecour Caan, t. a. p. bl. 130.
Vrije gevoelens enz. I, bl. 91.
Mr. H. J. Koenen, De vroegere en latere Nederl. Handelspolitiek.
Haarlem, 1857, bl. 70 v.v.
1) Vgl. van Rees, t. a. p. I, bl. 193.
-ocr page 25-
9
waarde bij in- en van 1 °/0 bij uitvoer. Naast deze
beide rechten bestonden bovendien nog afzonderlijke
belastingen op verschillende takken van handel en
zeevaart.
Langen tijd bleven deze verschillende belastingen naast
elkaar bestaan en veroorzaakten door verscheidene ver-
hoogingen, die zij ondergingen, eene aanmerkelijke be-
lemmering van handel en scheepvaart. Hierin werd
althans tot op zekere hoogte verbetering gebracht door
het plakkaat van 1725, dat den druk der verschillende
rechten verminderde en alle middelen te water aan
eene grondige herziening onderwierp. Wel werd later
getracht op den ingeslagen weg krachtiger voort te
gaan, doch te vergeefs; de wijzigingen welke na 1725
in het bedrag van de last- en veilgelden gebracht
werden, waren van weinig beteekenis, zoodat het
plakkaat van 1725 tot op de omwenteling van 1795,
en zelfs gedurende langen tijd daarna, de grond-
slag voor de heffing der rechten van in- en uitvoer
bleef1).
De opbrengst der middelen te water mocht niet naar
verkiezing voor de verschillende uitgaven der generali-
1) Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 134—137 en 243 v.v.
Engels, t. a. p. bl. 54 v.v.
A. Elink Sterk Jr., De belastingen, vooral die op den handel.
Delft & Arast. 1828, bl. 27 v.v.
-ocr page 26-
10
teit worden besteed. Van den aanvang af waren de in-
komsten uit de convooien en licenten bestemd tot be-
strijding der kosten van de marine *). Uitdrukkelijk werd
dit voorgeschreven in de instructie voor den Raad van State
van 1584, en later werd het nog verschillende malen her-
haald; ook door de invoering van het last- en veilgeld
kwam hierin geen verandering. Gedurende het gansche
bestaan der Republiek bleef de opbrengst der middelen
te water speciaal bestemd voor de kosten van de zee-
zaken. Door het geheel afgezonderde beheer dezer mid-
delen, waarover wij zoo even spraken, kon hieraan
gemakkelijk de hand gehouden worden. Bovendien was
het geven van dergelijke speciale bestemming, regel
ook ten opzichte der provinciale en plaatselijke belas-
tingen. Dergelijke gewoonte zou thans te recht weinig
bijval vinden; voor eene goede controle wordt dit hulp-
middel niet meer vereischt, en het maakt de admini-
stratie der financiën hoogst ingewikkeld. Het geven
van zoodanige speciale bestemming is bovendien in
beginsel alleen juist voor zoo ver betreft retributiën,
vergoedingen voor bijzondere voordeden; het heeft
geen zin ten opzichte van belastingen in de engere be-
teekenis van het woord. De retributiën toch zijn bij-
dragen in de kosten van den bijzonderen tak van dienst,
1) Vgl. Pieter Paulus, t. a. p. bl. 453.
De la Bassecour Gaan, t. a. p. bl. 128.
-ocr page 27-
11
waaruit de genoten voordeden voortspruiten; hier der-
halve bestaat een nauw verband tusschen ontvangst en
uitgaaf. De belastingen in engeren zin daarentegen
strekken tot dekking der staats-, provinciale- of ge-
meenteuitgaven in het algemeen en niet tot dekking
van eenigen bijzonderen tak dezer uitgaven. Dit neemt
echter niet weg, dat, waar de financiëele controle nog
minder ontwikkeld is, zooals ten tijde der republiek bij
ons het geval was, het geven van speciale bestetnmin-
gen aan de verschillende belastingen voor de praktijk
gewenscht kan zijn.
Doch keeren wij tot ons onderwerp terug.
Hoewel de rechten van in- en uitvoer de eenige be-
lastingen waren, welke overeenstemden met de bepaling
van art. 5 der Unie, toch waren er nog andere, welker
opbrengst onmiddellijk in de generaliteitskas vloeide.
Immers werden de generaliteitslanden (Staats-Vlaanderen,
Staats-Braband, Maastricht en Ovevmaze) als overwon-
nen landen beschouwd, over welke de souvereiniteits-
rechten door de Staten-Generaal werden uitgeoefend,
en welker belastingen derhalve ook door dit collegie
werden geregeld. Daar echter deze belastingen geheel
afgescheiden zijn van die, bedoeld in art. 5 der Unie,
en uit den aard der zaak groote overeenkomst hebben
met de provinciale belastingen, zullen we deze bijzon-
dere generaliteitsmiddelen te gelijk met de provinciale
middelen bespreken.
-ocr page 28-
12
Vóór wij hiertoe overgaan, hebben we met een enkel
woord er op te wijzen, hoe de generaliteit in hare be-
hoeften voorzag, voor zoo ver zij deze niet door hare
eigen middelen kon dekken.
De kosten van de marine werden uit de opbrengst
der rechten van in- en uitvoer — en dit nog slechts
gedeeltelijk l) — bestreden. Tot dekking van het tekort-
komende en van de kosten der defensie te land „ge-
raakte men al vroeg in de noodzakelijkheid om de
contributie in de Generaliteits Lasten aan te nemen
bij wijze van quote tegen zoodanig een proportie
als de Provinciën goed vonden te consenteeren" 3).
(V. d. Spiegel, Reflexiën over de Gebreeken in de
Gesteldhyd der Regeering der Vereenigde Nederlan-
den. Handschrift behoorende aan de Thysiaansche Bi-
bliotheek).
Meermalen tijdens de Republiek werden de quoten
herzien. Voor het laatst werden zij geregeld den 21sten
Mei 1790, en daarbij voor 25 jaren vastgesteld in de
volgende verhouding:
1)  Vgl. v. Slingelandt, t. a. p. III, bl. 214.
P\'xposé des maux de la Hollande, bl. 19.
De la Bassecour Caan, t. a. p. bl. 130.
2)  Vgl. Pieter Paulus, t. a. p. I, bl. 403.
Engels, t. a. p. bl. 28.
Vrije gevoelens enz. I, bl. 87.
-ocr page 29-
18
In den ordinaris en extraordinaris staat van Oorlog.
/ 6:
—
10
„ 62
1
—
„ 3:
16
—
„ 4
10
—
„ 9:
7
—
„ 3
9
6
„ 5:
7
8
19
10
„ 4:
8
2
/100:
—
—
Gelderland ....
Holland.....
Zeeland.....
Utrecht.....
Friesland.....
Overijsel.....
Stad en Lande . . .
Drenthe.....
Generaliteitskas]) . .
In de extraordinaire Petitie».
/ 6
7
9
,, 65
11
10
„ 4
—
4
„ 4
15
2
„ 9:
17
8
„ 3
13
5
., 5:
13
10
ƒ100
—
—
Gelderland ....
Holland.....
Zeeland.....
Utrecht.....
Friesland.....
Overijsel.....
Stad en Lande. . .
Zelfs bij oppervlakkige beschouwing dezer beide staten
blijkt de groote fout der quoten. Holland betaalde te
veel in de ordinaire petitie of te weinig in de extra-
1) De quote van de generaliteitskas berustte op de bovenvermelde
omstandigheid, dat de belastingen van de generaliteitslanden onmid-
dellijk in die kas vloeiden.
-ocr page 30-
14
ordinaire. Immers hoe men ook denken moge over de
billijkste verdeeling der lasten; bij ieder staat vast, dat
wanneer plotseling eene groote geldsom moet worden
bijeengebracht, zoowel billijkheid en rechtvaardigheid,
als algemeen belang eischen, dat de meer vermogende
betrekkelijk sterker wordt aangesproken dan de armere,
die eene kleine buitengewone bijdrage al ternauwer-
nood zal kunnen opbrengen. Holland nu, dat blijkens
de gewone petitie bijna dubbel zoo rijk werd geacht
als alle overige gewesten te zamen, werd in de buiten-
gewone petitie slechts 3°/0 verhoogd; Zeeland daaren-
tegen droeg ƒ3:16: — in de gewone- en ƒ4: — : 4
in de buitengewone petitie. De verhouding der quoten
op de gewone en op de buitengewone petitie berustte
dan ook — zoo al op eenigen — op een verkeerden
grondslag. De ervaring staaft dit betoog \').
Ten einde nu tot het werkelijk bedrag der provin-
ciale quoten te komen, werd door den Raad van State
jaarlijks eene begrooting der kosten van de generaliteit,
staat van oorlog genaamd, opgemaakt en met de gene-
rale petitie aan de provinciën gezonden. Daarop zonden
de provinciën hare consenten terug en verbonden zich
op deze wijze tot betaling van haar aandeel in die kosten 2).
Bleven de provinciën in gebreke hare geconsen-
1)  Vgl. Fr. J. Neumann, Die progressive Einkommensteuer. Leip-
zig, 1874, bl. 141.
2)  Vgl. Pieter Paulus, t. a. p. II, bl. 148—157.
-ocr page 31-
15
teerde quote te voldoen, dan kon de Raad van State
haar executeeren, krachtens de volmacht daartoe bij de
instructie van 1584 gegeven1). Evenwel werd deze
executie meer bedreigd dan toegepast j in de tweede
helft der 17de en in den loop der 18de eeuw kwam zij
in het geheel niet, of althans hoogst zelden meer voor.
Nemen we in aanmerking, hoe de Provinciale Staten
er steeds op uit waren de macht van den Raad van
State te verzwakken, dan kan ons dit niet bevreemden 2).
Voldeden de Provinciën hare quoten niet, dan moest
Holland gewoonlijk het tekort dekken. Holland toch
had het grootste belang bij de zelfstandigheid der
Republiek, op dit gewest kwamen derhalve veelal de
kosten van de handhaving daarvan neer. Vandaar zijn
hooge schuldenlast3). Gebrek aan een centraal gezag
V. Slingelandt, t. a. p. III, bl. 110 v.v.
Engels, t. a. p. bl. 20.
Vrije gevoelens enz. I, bl. 85.
Cobden Club Essays, 1875. Local government and taxation. E.
de Laveleye, Belgiura and Holland, bl. 250.
1)  Vgl. Pieter Paulus, t. a. p. II, bl. 158, 159.
V. Slingelandt, t. a. p. I, bl. 270 en 271, waar de instructie is
overgenomen.
2)  Vgl. v. Slingelandt, t. a. p. I, bl. 187 en 252, II, bl. 83 v.v.
III, bl. 76 v.v. en 117 v.v.
3)  Vgl. (v. d. Spiegel), Nadenken enz. bl. 45—47.
C. Zillesen, t. a. p. bl. 269.
Mr. R. Metelerkamp, De toestand v. Nederl. Il, bl. 64.
Mr. J. C. Naber, De staatkunde van J. de Witt, Utr. 1882, bl. 70—76.
Rapport over de financiën van Holland, 1687, bl. 12.
Rapport over de financiën van Holland, 1797, passim.
-ocr page 32-
16
was ook op financieel gebied de groote fout van de
Staatsregeling der Republiek.
Doch het stelsel der quoten bestond niet slechts ten
opzichte van hetgeen de provinciën ten behoeve der
generaliteit hadden bij te dragen ; in Gelderland vormden
de drie kwartieren (Nijmegen, het Graafschap Zutphen
en de Veluwe) ten opzichte der financiën drie afzon-
derlij ke gewesten.
„Wanneer de provincie in het geval kwam van be-
zwaard te worden, werd bij den landdag het aandeel
bepaald, dat ieder kwartier daarin te dragen had, maar
de wijze van heffing werd aan ieders beschikking over-
gelaten. — In de lasten welke door de provincie ten
behoeve van de gemeene zaak moesten worden bijge-
dragen, betaalde:
Het kwartier Nijmegen f 46 : 19 : 5
Zutphen „ 21 : 18 : 5|
Veluwe „ 31 : 2 : 5|
/ 100 : — : — 1)"
(Mr. C. L. Vitringa, Gedenkschrift I, bl. 70 en 73).
Waarlijk, bij dergelijke regeling van de wijze, waarop
door de ingezetenen in de kosten van de algemeene
zaak moet worden bijgedragen, behoeven wij ons niet
1) Ook in Holland, Overijsel en Stad en Lande bestond eene
grootere of kleinere afscheiding tusschen de financiën der deelen dier
gewesten, maar toch werden daar de belastingen naar algemeene
provinciale ordonnantiën geheven. Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 285—287.
-ocr page 33-
17
te verwonderen over de klacht door Van de Kasteele
in het einde der 18de eeuw geuit: „dat de last van
hetgeen ten genieenen behoeve opgcbragt moot worden,
op zulk eene ongelijke wijs en met zulk eene oneven-
redige zwaarte drukt, dat in liet ééne gedeelte der
Republiek de ingezetenen in \'t zelfde tijdvak 12 per-
cent hunner bezittingen moeten fourneeren, terwijl in
een ander gedeelte nauwlijks 1 of 2 percent geheven
wordt." (Dagverhaal van de Nat. Verg. III, bl. C83, v.)
De klacht moge overdreven zijn geweest, ongegrond
was zij zeker niet.
Het bedrag der op te brengen quoten en de kosten
harer eigen huishouding bestreden de provinciën voor
een groot deel uit de opbrengst harer belastingen.
Deze onderscheidden zich in twee groepen, de onbe-
schreven en de beschreven middelen, of in thans gang-
bare termen, de indirecte en de directe belastingen.
Wij spreken eerst met een enkel woord over de onbe-
schreven middelen, welke verreweg het belangrijkst waren.
Ofschoon deze niet in alle provinciën op denzelfden
voet geheven werden en vooral in bedrag aanmerkelijk
van elkaar afweken, drukten zij toch in de verschil-
lende gewesten, behoudens enkele uitzonderingen, op
dezelfde objecten, zoodat we voor ons doel kunnen
volstaan met eene bespreking van deze middelen ge-
zamenlijk, zonder voor elke provincie afzonderlijk hun
werking na te gaan. We hebben hierbij slechts in het
2
-ocr page 34-
18
oog te honden, dat de druk dezer middelen in de ver-
schillende provinciën zeer ongelijk en vooral in Hol-
land bijzonder zwaar was.
De onbeschreven middelen nu bestonden in hoofd-
zaak uit: accijnzen op wijn, brandewijn, bier, gemaal,
geslacht, zout, zeep, steur, zalm, fruiten, kaarsen, brand-
hout, pek en teer, turf, steenkolen, bouwmaterialen, olie,
gezouten visch en haring, boter, koffie, tabak, gouden
en zilveren lakens en fluweelen, zijden en andere goe-
deren; het waaggeld, verschillend naar de onderscheiden
goederen en geheven van alle zaken, welke bij het ge-
wicht werden verkocht, en de belasting op de ronde
maat, te betalen door hem, die tarwe, rogge, gerst,
haver, boekweit, erwten, boonen enz., bij het last ver-
kocht, (verkoop bij kleine maat was vrijgesteld); een
provinciaal invoerrecht op de wollen, lakens, tapijten,
dekens en gemaakte kleederen j het klein zegel te be-
talen voor alle akten, requesten enz., het recht te vol-
doen door hem, die een proces wilde voeren; de
veertigste penning van den koopprijs van schepen en
onroerende goederen en van alle kustingbrieven (hy-
potheekakten) en los- en lijfrenten, het recht van col-
laterale successie; het ambtgeld; en eindelijk het recht
op het trouwen en begraven J).
1) Zie de la Bassecour Caan, t. a. p. bl. 191, wiens opgave echter
niet volledig is.
-ocr page 35-
19
Deze korte opsomming doet de groote fout der ge-
meene middelen terstond in het oog vallen. Hielden ook
al enkele met de draagkracht der ingezetenen eenigszins
rekening, met het meerendeel was dit geenszins het
geval. De meeste accijnzen waren gelegd op noodzake-
lijke levensbehoeften, drukten zwaar op den hand-
werksman, deden dientengevolge de loonen stijgen en
belemmerden de nijverheid. De tolliniën, die het nood-
zakelijk gevolg waren van de provinciale invoerrechten
en accijnzen, bemoeilijkten bovendien den binnenland-
schen handel, evenals de buitenlandsche door de in- en
uitvoerrechten werd gedrukt:).
Schier alles wat maar belast kon worden, was be-
last; ja het was zelfs „ niet geoorloofd te sterven zon-
der boete te betalen." Belastingen, die zoo weinig met
de draagkracht rekening hielden, waren niet alleen on -
billijk tegenover het meerendeel der ingezetenen en
daardoor strijdig met het algemeen belang, zij bewerk-
ten ook, dat de minder gunstig gelegen steden en
Engels, t.a. p. bl. 57—143.
Sickenga, t. a. p. bl. 364—439.
1) Vgl. (Ace. de Sérionne.) La Richesse de la Hollande, Londres,
1778. II, bl. 47—67.
E. W. de Rooy, Geschiedenis van den Nederlandschen Handel.
Amst., 1854, bl. 22 en 793.
Prof. N. Ypey berekende dat de belastingen op allerlei voor\\ver-
pen van verbruik in Friesland gemiddeld 15 °/0 van het inkomen
van elk huisgezin beliepen !
Zie Engels, t. a. p. bl. 137, 138.
-ocr page 36-
20
plaatsen betrekkelijk zwaarder getroffen werden dan de
meer welvarende, hetgeen eene hoogst bedenkelijke on-
gelijkheid was 1).
Doch dit waren nog niet de eenige bezwaren aan
verschillende der onbeschreven middelen verbonden.
Een groot nadeel was ook, dat art. 18 der Unie ge-
heel werd uit het oog verloren. Dat dit geschiedde, is
niet moeilijk te verklaren. „Immers, daar de bijzon-
dere Provinciën het regt hadden, om, elk in \'t zijne,
zoodanige belastingen op te stellen als zij tot onder-
houd en bestier harer bijzondere zaken zouden van noo-
den hebben; ja daar zelfs de gemeene middelen over
de geheele Republiek, welken strekken moesten tot het
dragen der kosten tot de gemeene bescherming van \'t
geheel ligchaam van den Staat, nimmer hebben kunnen
in trein gebragt worden, en dus het instellen van Iin-
posten, belastingen, enz., niet alleen tot onderhoud
harer bijzondere zaken, maar ook tot \'t dragen harer
quoten in de gemeene lasten van de Unie, in handen
der bijzondere Provinciën gekomen is: daar kon \'t niet
wel anders zijn, of de Waren, Koopmanschappen, enz.,
die uit de eene in de andere Provincie gebracht wier-
den, moesten in die Provincie, waarin ze gebracht
wierden, hooger belast worden, dan diezelfde Waren,
1) Vgl. La Rich. d. 1. Holl. II, bl. 33.
Nadenken enz. (y, d. Spiegel), bl. 5-1.
-ocr page 37-
21
Koopmanschappen, enz., belast waren in die Provincie,
in welke ze gemaakt en vertierd wierden. Daar toch
elk Gewest zoodanige belastingen, enz., kon opstellen
als het zoude goedvinden: daar kon \'t zeer ligt gebeu-
ren, dat, b. v., \'t Geniaal, de Hop, de Gerst, enz., in
Holland hooger belast waren, dan te Utrecht; en, dit
zoo zijnde, kon het Bier, uit Utrecht in Holland ge-
bragt wordende, aldaar meer Impost moeten betalen,
dan het Bier in Holland gebrouwen: om dat het Hol-
landsch Bier, eer \'t vertierbaar was, misschien zoo veel,
zoo niet meer aan \'t Land betaald had, als \'t meerdere
bedroeg, waarmede \'t Utrechtsch Bier boven \'t Hollandsch
belast was. —• En dus zou het Utrechtsch Bier, als het
maar juist zoo hoog belast was, als \'t Hollandsch, in
de daad minder Impost in Holland betalen, dan \'t
Hollandsch Bier zelf. — Dit zelfde kan ook met be-
trekking tot andere Waren, Koopmanschappen, enz.,
gezegd worden." (Pieter Paulus,-t. a. p. III, bl. 8, 9).
Hoe onmiskenbaar juist deze verklaring ook zij, zij
rechtvaardigt het feit niet. Door de hoogere belasting
op uit andere gewesten ingevoerde goederen — en
voor die hoogere belasting bestond niet altijd de door
Pieter Paulus aangewezen grond — werden de provin-
ciën afgesloten Staatjes, die hun inlandsche nijverheid
ten koste hunner naburen beschermden. Het algemeen
belang werd ten behoeve van het provinciale te eenen
male verwaarloosd.
-ocr page 38-
22
Alvorens over te gaan tot de bespreking der be-
schreven middelen, willen we hier nog met een enkel
woord melding maken van eenige bijzondere wijzen van
invordering, welke de betrokken accijnsen min of meer
van karakter deden veranderen of op de gemeentebe-
lastingen invloed uitoefenden. Het is bekend, dat tot
op het midden der 18de eeuw in alle gewesten als ge-
wone wijze van invordering het stelsel van verpachting
gevolgd werd\'); op dezen regel kwamen echter uit-
zonderingen voor.
Zoo kwam in enkele gewesten jaarlijksche admodi-
1) Zie: Engels, t. a. p. bl. 44—48.
Sickenga, t. a. p. bl. 299—302.
Trotz, t. a. p. bl. 383.
Onze korte bespreking van de uitzonderingen naast de bloote ver-
melding van den regel vindt haar grond hierin, dat de uitzondering
wél — de regel daarentegen geen invloed had op de plaatselijke
middelen.
Over de voor- en nadeelen der verpachting, zie:
A. Sinitb, Wealth of Nations, ed. Londen, 1802, III, bl. 386 v.
Mr. S. Vissering, Handboek der praktische Staathuishoudkunde,
Dl. III, nO. 911-915.
J. B. Say, Cours d\'ec. pol. prat., ed. Brux. 1832, IV, bl. 106—108.
Dr. W. M. Keucheuius, Nat. Balans der Bat. Rep. Amst. 1803, bl.108.
A. Wagner, Allgem. Steuerlehre, 1880, bl. 638—644.
J. Garnier, Traite des finances, 4de ed„ bl. 151.
L. Cossa, 1\'rimi Elementi di Scienza delle finanze. Milana, 1882,
bl. 66—68. Het oordeel van dezen schrijver is gunstiger dan dat
der meeste anderen.
Voor eene beoordeeliug der verpachting zijn ook belangrijk de
vele geschriften, welke handelen over de ervaring in Ned. Indie\'
hieromtrent opgedaan.
-ocr page 39-
23
atie van accijns aan fabrikanten of verkoopers van
belaste goederen voor. Dit had plaats in het graaf-
schap Zutphen ten opzichte van den wijnaccijns en in
de provincie Utrecht ten opzichte van het grutters-
gemaal. „Op meer uitgebreide schaal gingen zoo in
Stad en Lande en vooral in Friesland onderscheiden
accijnzen: op brandewijn en gedistilleerd, olie, gemaal,
voor zoover inlandsen product, allengs over in eene
heffing regtstreeks van de brouwerijen, olieslagerijen,
grutterijen, pelmolens. In andere provinciën werd slechts
een vast bedrag van verimposte waren en daarmede
van den impost bepaald, waarvoor de handelaars, gros-
siers, tappers, winkeliers, enz. als voorwaarde van hun
bedrijf jaarlijks moesten instaan" :). (Sickenga, t. a. p,
bl. 303).
Dergelijke wijze van invordering doet de accijns tot
het patentrecht naderen en kan, mits goed ingericht,
de belemmeringen voor het binnenlandsch verkeer eenigs-
zins verminderen.
Eene niet minder eigenaardige wijze van invordering,
eveneens bekend onder den naam van admodiatie, was
de afkoop van de belasting door steden en dorpen,
aan welke de invordering der middelen dan verder
werd overgelaten. Dit stelsel vond vooral in den loop
1) Vgl. Engels, t. a. p. bl. 89—92.
Sickenga, t. a. p. bl. 40(5—409.
-ocr page 40-
24
der 18dc eeuw veel toepassing 1). In Utrecht, het
kwartier Nijmegen en Braband hadden dergelijke ad-
modiatiën of redemtiën ten opzichte van onderscheiden
middelen van consumtic plaats. „In Overijssel was die
inrigting wel het sterkst doorgedreven; de groote steden
hadden hier de voornaamste Gemecne middelen voor
een bepaalden afkoopsom geheel onder eigen beheer;
hier en daar werden zelfs de belastingen tot een lager
bedrag beneden de Ordonnantiën geheven. Daartegen-
over waren aan de Ridderschap de Redemtiën op onder-
scheiden middelen van consumtie toegestaan." (Sickenga,
t. a. p. bl. 292).
Deze wijze van invordering ontnam aan de betrokken
provinciale accijnzen te eenen male hun oorspronkelijk
karakter. Van provinciale belastingen gingen zij tot
plaatselijke over, terwijl daar tegenover de admodieerende
steden en dorpen volgens vooraf bepaalde quoten in de
kosten van het provinciaal bestuur bijdroegen. Onge-
lijke druk was hiervan een noodzakelijk gevolg 3).
Eene lichtzijde evenwel dezer wijze van invordering
was, dat hierbij tegenwerking der stedelijke magistra-
ten — een factor tijdens de Republiek niet gering te
schatten — niet te duchten was. Doch hier tegenover
1)  Vgl. Rapport van 17 Pebr. 1798, over een stelsel van alg. bel.
door Siccama en van Hees, bl. 90 der 8° uitg.
2)  Vgl. Dr. W. M. Keuchenius, t. a. p. bl. 109.
-ocr page 41-
25
stond, dat de steden moeilijk tot het opbrengen hunner
quoten te dwingen waren, en achterstallen tot groote
hoogte meer en meer voorkwamen.
Eene andere vermeldenswaardige wijze van heffing
van accijns, welke zich in de 18de eeuw hier en daar
vertoonde, was de omzetting van de imposten op koffie,
thee, zout en enkele andere consumtiemiddelen in eene
vaste jaarlijksche quotisatie per hoofd of per huisgezin,
berekend naar het geschatte verbruik. Al wat meer
ingeslagen werd dan de geraamde hoeveelheid, werd
aan den gewonen accijns onderworpen 1).
Wij hebben hier te doen met een overgangsvorm van
den accijns tot de uit vertering opgemaakte inkomsten-
belasting, die echter ten gevolge van de verbruiksvoor-
werpen, waarop hij werd toegepast, grootendeels als
hoofdgeld werkte.
Ten slotte maken we nog melding van het stelsel
van monopolie, waarbij ,,de opbrengst der belasting in
verpachting gegeven werd aan den meestbiedende, met
het voorregt van monopolie van verkoop van de ver-
imposte waar." (Sickenga, t. a. p. bl. 304). In de Gel-
dersche kwartieren werd het in den loop der 18de eeuw
toegepast ten opzichte van den accijns op brandewijn
en gedistilleerd en van dien op tabak, in Overijsel en
1) Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 308, 373 en 409—412.
Engels, t.a. p. bl. 70—73 en 108—110.
-ocr page 42-
26
Utrecht alleen ten opzichte van eerstgenoemden accijns.
Dit stelsel vereenigt in zich de nadeelen der ver-
pachting van belastingen en die van het bedrijfsmono-
polie. Het doodt de particuliere nijverheid, is bezwarend
voor verbruikers en verkoopers, vooral voor den kleinen
tapper, en nadeclig voor de schatkist. Bovendien heeft
het geen enkel der voordeelen van het Staatsbelasting-
raonopolie: bemoeilijking van ontduiking, belasting vol-
gens de waarde der verschillende soorten, eenvoudige
administratie en dientengevolge hooge opbrengst1).
Geen wonder dan ook, dat de Overijselsche Gecom-
mitteerden het stelsel in 1780 veroordeelden: „een
wezenlijk bezwaar als het was voor de ingezetenen, die
ze (de verimposte dranken), zonder het Monopolie voor
een minderen prijs konden bekomen, — terwijl de
pachtende monopolist veel meer zou kunnen geven dan
hij betaalt." (Aangehaald bij Sickenga, t. a. p. bl. 305).
Na deze bespreking der onbeschreven- zijn wij ge-
naderd tot de behandeling van de beschreven middelen 2).
Ten einde van deze belastingen een kort en toch
niet onvolledig overzicht te geven, zal ik mij houden
1)   Vgl. L. v. Stem, Lehrbuch der Finanzwissenschaft, ed. 1871,
bl. 558—561.
A. E. F. Schaffle, Die Grundsatze der Steuerpolitik uiid die schwe-
benden Finanzfragen, bl. 441—445.
L. Cossa, t. a. p. bl. 106—109.
2)  Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 331—373.
Mr. H. J. Koenen, De Nederl. Boerenstand, Haarl. 1858, bl. 60—64.
-ocr page 43-
27
aan hetgeen hieromtrent vermeld wordt op bl. 78—80
der 8° uitgave van het rapport den 9 Juli 1800 door
Appelius c. s. in de vergadering van het Vertegenwoor-
digend Lichaam uitgebracht.
„Bovenaan mag zeer zeker worden gesteld het Fa-
millegeld in Zeeland geheeven, ten bedrage van twee
ten honderd van alle de Inkomsten dier geenen, welke
in dit middel waren aangeslagen, op te brengen of onder
Eede of met de driedubbelde som van den aanslag, dat
is zes ten honderd van de som, op welke men ten
aanzien van de Inkomsten was berekend. Een middel
meer drukkend door deszelfs zwaarte, dan eenig ander
in het geheel gemeenebest, en dubbeld drukkend, omdat
alles afhing en van de eerlijkheid van de betaalders, en
van de naauwkeurigheid van de Quohieren, meestal met
veel willekeur en plaatslijke oogluiking te zamen ge-
steld. In dit zoo drukkend middel moest de Eigenaar
en Bruiker der Landerijen met en benevens andere
Ingezetenen draagen, en den Bruiker was bovendien
eene belasting opgelegd van 12 stuivers voor \'t Gemet
of f 1—4 voor de morgen, in plaats van het Hoorn-
geld en de bezaaide Landen, en dan moest nog van al
hetgeen voor Boomgaarden was aangelegd, \'s jaarlijks
ƒ 2—5 voor \'t Gemet of 4—10 voor de Morgen wor-
den betaald.
„ In Gelderland, Friesland, Overijssel, Stad en Lande
en Drenthe was Haardsteden of Vuurgeld in gebruik
-ocr page 44-
28
en bovendien de Hoofdgelden bekend, vooral drukkend,
voor zoover zij als in Gelderland — niet zijn veranderd,
omdat een ieder nagenoeg evenveel aan dezelve betaalde,
en zij dus vooral kwamen ten laste van de meest be-
hoeftige Classe der Ingezetenen; — maar bovendien
was in deeze onderscheidene gewesten eene belasting op
de Hoornbeesten, en in de meeste ook op de bezaaide
Landen, in sommige op alle Paarden ingevoerd, zoo
hoog, dat dezelve in het kwartier van Nijmegen en in
het gewest Stad en Lande moge gereekend worden
ruim 10 ten honderd van de onzuivere huuren, en in
de beide Kwartieren van Zutphen en de Veluwe, na-
genoeg agt ten honderd belopen te hebben. In Drenthe
mogt dit minder zijn, doch het Hoofdgeld, het welk
insgelijks van alle Werkboden moest betaald worden,
maakte de onmiddelijke belastingen ook aldaar vrij
zwaar; en in Overijssel, waar de Verpondingen tot twee
en veertig ten honderd van de opkomsten zijn opge-
geven, liepen dezelven (hoornbeesten en bezaaide lan-
den) zoo hoog, dat — van ieder Rundbeest door el-
kanderen betaald wierd f 2—10 en van de bezaaide
Landen f 4—10 de Morgen, een last zoo ondragelijk,
dat men zich billijker wijze verwonderen mag, dat de
Landlieden niet geheel onder denzelven bezweken zijn.
In Vriesland zijn de Schoorsteengelden wel is waar be-
rekend onder de belasting op de vaste goederen, en ook
daar was het Hoorn geld en het middel op de bezaaide
-ocr page 45-
29
Landen minder drukkend, maar daar en tegen was het
Hoofdgeld zwaarder ten aanzien van allen, die aan het-
zelve waren onderworpen, waaronder zeer zeker alle de
middelmatige Landlieden moeten worden gereekend \').
,, In Utrecht was de belasting op de bezaaide Landen
vrij zwaar, daarentegen was het Hoorngeld minder
drukkend, doch ook hier bestond het Haardstedengeld.
welks ongelijkheid hier voor reeds is aangetoond.
„Misschien waren de middelen op het bezaaid en
het Rundvee het laagste in Bataafsch Braband, doch
ook dit Gewest bestaat voor een zeer groot gedeelte
uit schraal Land, hetwelk het minst kan veelen, en ook
daar was men bedagt geweest op het Hakhout een e
Belasting bij den hak in te vorderen. (Bovendien houde
men in het oog, dat in de Meyerij met haar schraal
land de verponding bijzonder hoog was opgevoerd2).
„Wat het Gewest Holland betreft, is het genoegzaam
bekend, dat hoe zeer noch Hoofd- noch Famille- noch
Haardstedengeld3) was ingevoerd, de middelijke Be-
1)  Vgl. de redevoering van Beyma, Dagverh. IV, bl. 77, en die
van Gorter, ibidem VI, bl. 156.
2)  Vgl. de redevoering van Verhees, Dagverh. IIT, bl. 789, en die
van de la Court, ibidem V, bl. 149.
3)    In 1716 was wel in Holland met het familiegeld een proef
genomen, doeh het hield geen stand. Veel overeenkomst met dit
middel had de personeele quotisatie, ingevoerd in 1742, en geheven
naar het vermoedelijk inkomen. Beide deze belastingen hadden een
stijgend percentage van 1 tot 2 en van 1^ tot 2{.
-ocr page 46-
30
lastingen allen tot eene zeer groote hoogte gesteegen
waren, en dat het Heeren- en Redemtiegeld en het
Koffij- en Theegeld, tot zulk eene hoogte door verschil-
lende Klassificatien gebragt was, dat het billijk voor
een gedeelte eene plaats beslaan mag onder de onmid-
delijke Belastingen, van welke thans wordt gehandeld.
(Niet alleen om hare zwaarte behooren deze belastin-
gen hier tehuis; hoewel zij — althans sommige —
oorspronkelijk het karakter van imposten op handels-
en verbruiksartikelen hadden gehad, werden zij later
door de heffing van gebruikers of verkoopers, volgens
omslagen op grond van vermoedelijk gebruik of debiet,
in wezen beschreven middelen):). En wat de Landlieden
betreft, deze waren onderworpen aan het Oorgeld,
Hoorngeld, Koehouders-zoutgeld, en het recht op be-
zaaide en beteelde Landen, welke te samen naar eene
middelbare berekening van negen jaren niet minder
dan f 961.247 : 8 : 0 \'s jaars in \'s Lands schatkist
stortten."
Vgl. Engels, t. a. p. bl. 131—133; Sickenga, t. a. p. bl. 444,445;
en het Weekblad de Gemeentestem n°. 1231.
Het haardstedengeld was, nadat het op 27 Maart 1536 (1537)
van wege de landvoogdes Maria aan de Algemeene Staten was voor-
gesteld, door de Staten van Holland in de vergadering van 7 April
d. a. v. niet ingewilligd, op grond, dat „ die armen bijna zoe veele
souden geven als die rijcke."
Zie Mr. Aert v. d. Goes, Register van alle Dagvaarden enz. van
de Staten Generaal, Dl. I, bl. 538—541.
1) Zie boven, bl. 22—24.
-ocr page 47-
81
Onder de belastingen van de provincie Holland moe-
ten voorts worden genoemd de heffingen van het ver-
mogen in portefeuille, welke daar als 100e, 200e en
400e penningen vooral in den loop der 18e eeuw meer
en meer onder de gewone middelen werden opgenomen.
Dat in alle gewesten, behalve de genoemde belastin-
gen, verponding werd geheven tot een veelal hoog be-
drag, behoeft nauwelijks uitdrukkelijke vermelding. Ook
kwamen in de meeste gewesten belastingen op rij- en
vaartuigen, paarden en dienstboden voor.
De verpondingen werden bij repartitie over de ver-
schillende steden en dorpen omgeslagen naar de ge-
taxeerde waarde van de daarin gelegen onroerende
goederen J). De steden en dorpen waren ieder voor zijn
quote aansprakelijk; bij wanbetaling konden zij worden
geëxecuteerd. Het ging echter met deze executiën,
vooral wat de steden betreft, evenals met die der pro-
vinciën bij niet voldoening harer quoten in den staat
van oorlog. Zij bleven achterwege, en vele plaatsen
werden, vooral in den lateren tijd der Republiek, in het
opbrengen van haar aanslag achterstallig 2).
1)   Vgl. Mr. M. v. (1. Pot, Verh. over de Verponding. Staatk.
Academie-verhandelingen, I, bl. 300—315.
Rapport v. Appelius c. s. bl. 51 — 60.
2)  Vgl. Rapport van finautiën, 1797, bl. 23.
V. d. Pot, t. a. p. bl. 358 v.v.
Engels, t. a. p. bl. 42 en 113—123.
Sickenga, t. a. p. bl. 293.
-ocr page 48-
32
Moesten wij bij de bcoordeeling der gemeene mid-
delen van consutntie vooral wijzen op de belemmeringen
van handel en nijverheid, die zij te weeg brachten; ten
opzichte der beschreven middelen valt de druk, door
deze aan landbouw en veeteelt opgelegd, het meest in
het oog l). Ook hielden ze, behoudens enkele gunstige
uitzonderingen, met de draagkracht der belastingplich-
tigen al even weinig rekening als de gemeene middelen.
In verband met elkander legden zij een schier on-
dragelijken last vooral op de schouders der minder
gegoeden.
Dat aan de opbrengst van elke provinciale belasting
gewoonlijk eene bepaalde bestemming werd gegeven,
merkten we boven reeds met een enkel woord op. Naar
die bestemming nu werden de middelen onderscheiden
in consenten, de belastingen wier opbrengst moest strek-
ken tot voldoening van de quote in den staat van
oorlog, en huislasten, wier opbrengst ter bestrijding
van de huishoudelijke kosten was bestemd. Voorts was
aan elk der huislasten weder eene bijzondere bestemming
aangewezen. Als gevolg hiervan kwam men tot dezen
eigenaardigen toestand, dat, toen het onderhoud der
vestingwerken in de meeste gewesten allengs ten laste
der betrokken steden werd gebracht, aan deze ook werd
afgestaan de opbrengst der provinciale belastingen, die
1) Vgl. Metclerkamp, De tocst. v. Nederl. II, bl. 71, 72.
-ocr page 49-
33
tot bestrijding der kosten van dat onderhoud waren
bestemd geweestl). Een nieuw voorbeeld van den nau-
wen, maar weinig rationeelen samenhang, waarin tijdens
de republiek de financiën der provinciën en der gemeen-
ten met elkaar stonden.
Bespreken we nu in het kort de plaatselijke belas-
tingen, dan ontmoeten we van dit verschijnsel nog ver-
schillende voorbeelden. Bij de uiteenzetting dezer belas-
tingen is het echter noodzakelijk tusschen de steden
en het platte land te onderscheiden.
Onder de stedelijke middelen nemen de accijnzen op
levensmiddelen eene eerste plaats in, zij rustten gewoon-
lijk op bier, brandewijn en gedistilleerd, veelal ook op
gemaal, geslacht, brandstoffen, zout en andere waren 2).
De heffing dezer accijnzen was rechtens aan hooger
goedkeuring onderworpen. Ten tijde der graven hadden
de steden, tot het heffen van accijns, octrooi van den
landheer noodig; Karel V handhaafde deze verplichting
in het jaar 1518 uitdrukkelijk 8). Toen nu door de on-
1)  Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 289 en 290.
2)  Vgl. v. Leeuwen, Rooms-Holl. Regt, Bk. V. Dl. XXX, n<>. 6.
Siekenga, t. a. p. bl. 472, 473.
Engels, t. a. p. bl. 143.
V. Rees, t. a. p. I, bl. 85.
3)  Vgl. Nederl. Placaet- en Rechtsk. Woordenboek, Dl. II. Excijnsen.
Pieter Paulus, t. a. p, I, bl. 85.
H. Keer, De rechten der gemeente volgens deGw. Leiden, 1864, bl. 16.
3
-ocr page 50-
34
afhankelijkverklaring de staten der provinciën souverein
waren geworden, ging het recht tot het verleenen van dit
octrooi op hen over a). Maar het kan ons niet verwon-
deren, dat, bij den grooten invloed dien de steden op
het provinciaal bestuur uitoefenden, verschillende van haar
zich niet te vergeefs aan de verplichting tot het vragen
van octrooi zochten te onttrekken. In Friesland kregen
de steden de bevoegdheid zonder vergunning accijnzen
te heffen op wijn en inkomend bier. In Holland kon-
den zij zonder speciaal verlof accijns heffen, mits
tot geen hooger bedrag dan dat van den provincialen
accijns op dezelfde objecten. In de meeste provin-
ciën werd bij de ordonnantiën op de gemeene lands-
middelen een maximum voor de stedelijke accijnzen op
dezelfde waren vastgesteld 2). Of de steden zich aan
deze bepalingen wel zeer stipt hielden, mag met grond
worden betwijfeld. De stedelijke accijnzen waren over
het algemeen hoog en verzwaarden den druk der pro-
vinciale accijnzen nog aanmerkelijk.
Zij werden tot op de helft der 18e eeuw gewoonlijk
1)  Het recht tot het verleenen van octrooi voor de heffing van
accijnzen aan steden in de Generaliteitslanden behoorde aan den
llaad van State. Zie v. Slingelandt, t. a. p, III, bl. 169.
2)  Vgl. Pestel, Commentarii de ltep. Bat. L. B. 1795, II, 2, bl. 663.
V. Leeuwen, ll.-H. liegt, V, XXX, 6.
Ph. W. van Heusde, De autonomie der gemeente in Nederland.
Utrecht, 1871, bl. 24.
Sickenga, t. a. p. bl. 472 en 473.
-ocr page 51-
35
verpachtl). In die provinciën, waar voor sommige pro-
vinciale accijnzen het stelsel van monopolie werd inge-
voerd, vervielen de stedelijke; als equivalent werd een
deel van de door den monopolist betaalde pachtsom
aan de steden uitgekeerd. Hierdoor bracht het stelsel
van monopolie een voordeel met zich: de vergemakkelij-
king namelijk van het binnenlandsch vervoer der betrok-
ken waren. Beter werd hetzelfde voordeel bereikt door
de admodiatie van enkele stedelijke accijnzen aan de ver-
bruikers, welke, evenals ten opzichte van sommige provin-
ciale imposten geschiedde, hier en daar ingevoerd werd 2).
In Friesland trachtte men de belemmeringen van het
binnenlandsch verkeer in inlandsch bier en gedistilleerd te
verminderen door de belasting, evenals den provincialen
accijns, rechtstreeks van de brouwerijen en branderijen
te heffen in verhouding tot het te bezigen graan 3). De
meest beslissende stap in de goede richting werd in 1749
in de provincie Utrecht gedaan ; daar werden in dat jaar
de stedelijke accijnzen afgeschaft en opgenomen in de
provinciale imposten; als schadevergoeding werd aan de
steden zeker deel in de opbrengt van de provinciale
1)  V. Leeuwen, R.-H. Regt, V, XXX, 6.
Nederl. Plac.- en Rechtsk. Woordenboek. II: Excijnsen.
Siokenga, t. a. p. bl. 462.
Engels, t. a. p. bl. 44—48.
2)  Vgl. Advies van de Mist, Dagverh. IV, 499.
3)  Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 473, 474.
-ocr page 52-
30
accijnzen toegekend. Door aan de steden dit equivalent
voor hun derving van inkomsten te geven, kwamen de
provinciale en de stedelijke financiën echter in veel te
nauwen samenhang. Ook miste de afschaffing der stede-
lijke accijnzen voor een groot deel hare uitwerking,
doordien de zoogenaamde beneficieerende imposten, be-
lastingen geheven bij in- en uitvoer van verschillende
waren tusschen plaatsen binnen de provincie, in stand
gehouden werden \').
Naast de accijnzen hieven de steden hooge retribu-
tiën in den vorm van poort-, markt-, haven-, hal-,
waag-, kraangelden en dergelijke, als ook schoolgelden.
De opbrengst dezer retributiën vloeide slechts ten deele
in de stadskas, deels was zij eene belooning voor de
stedelijke ambtenaren.
Vele dezer rechten drukten niet slechts op de in-
woners der steden, maar ook en vooral op die van het
omringende platteland. De steden trachtten ook wel
zich ten koste van elkander te verrijken, doch hielden
elkander daarbij wederkeerig min of meer in toom; het
machtelooze platteland daarentegen moest het in den
strijd met accijnzen, poort-, tol-, markt- en waagrechten
ontgelden. Het werd des te zwaarder getroffen, doordien
de octrooien voor markten zooveel mogelijk tot de
steden beperkt bleven; het platte land moest zijne pro-
1) Vgl. Sickeuga, t. a. p. bl. 377.
-ocr page 53-
37
ducten in de steden ter markt brengen en bovendien
voor zijn reeds gewogen goederen daar nogmaals waag-
geld betalen l).
Met de accijnzen en de retributiën verwant, is in de
eerste plaats de 80ste penning op den verkoop van on-
roerend goed in sommige steden van Holland boven
den provincialen 40en penning geheven, en zijn voorts
het poorterrecht en het recht van issue of exue 2).
Het poorterrecht was eene belasting, verschuldigd
door hem die het poorterschap verkreeg, het was
deels — somtijds ook geheel — een vacatiegeld voor
de leden van het gerecht, deels eene heffing ten bate
dor stadskas. Het recht van exue werd geheven van
nalatenschappen, welke werden geërfd door personen
buiten de stad gevestigd, en van poorters, welke met
hunne have de stad verlieten. Vooral in den late-
ren tijd der Republiek werden door vele steden over-
eenkomsten gesloten tot wederzijdsche opheffing van
dit recht3). Voor de heffing van het recht van exue
1)  Vgl. Exposé des maux de la Hollande, bl. 22.
V. Rees, t. a. p. bl. 160 v.v.
Vreede, t. a. p. I, bl. 101.
SickeDga, t. a. p. bl. 460—470.
V. Heusde, t. a. p. bl. 38, 39.
Naber, t. a. p. bl. 10, 11.
2)  Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 458, 459.
3)  Zoowel over omvang als oorsprong van het recht van exue be-
staat veel verschil van gevoelen. Men zie hierover: Boeij, Woorden-
tolk, \'s Hage, 1773: Issue; Nederl. Placaet eu Rechtsk. Woordenboek:
-ocr page 54-
38
behoefden de steden, evenals voor de heffing van ac-
cijnzen, octrooi van de staten, doch hier evenmin als
daar werd aan deze verplichting streng de hand ge-
houden.
Daarentegen schijnt het, dat de staten voor de hef-
fing van directe belastingen, althans later, geen octrooi
behoefden *). Tot deze soort van belastingen behoorden
de straatgelden, welke meestal werden omgeslagen over
de straatbreedte der huizen, lantaarngelden, pompgelden,
torengelden en dergelijke, voorts nachtwacht", waak- en
wachtgelden op te brengen door de schutters, die van
den dienst waren vrijgesteld, logiesgelden voor den
afkoop van inkwartiering bij doormarsch van troepen,
en andere meer. Behalve voor de straatgelden werd de
straatbreedte der huizen veelal ook voor andere be-
lastingen in aanmerking genomen, eveneens kwamen
omslagen naar de huurwaarde der huizen in verschil-
lende steden voor. Ook ambtgelden werden in vele
Exue; Zurck Codex Batavus: Exue; v. Leeuwen, R.-H. Regt, Bk.
III, Dl. XT, nO. 13; Publ. v. h. Prov. bestuur v. Holland. 6 April
1797, n°. 225; Keer, t. a. p. bl. 17; van Heusde, t. a. p. bl. 30.
1) Vgl. v. Heusde, t. a. p. bl. 23.
Redevoering van Farret, Dagverh. III, bl. 785.
V. Rees, t. a. p. I, bl. 85, 86.
Oorspronkelijk oefenden de poorters onmiddellijk invloed uit op
het uitschrijven der belastingen; dit geraakte later in onbruik.
Zie Mr. R. Metelerkarap, Het staats-, stadh.- en stedelijk Bestuur,
bl. 389, 390.
-ocr page 55-
39
steden, in enkele zelfs tot hooger bedrag dan de pro-
vinciale, geheven 1).
Evenals de provinciale hadden ook de stedelijke be-
lastingen ieder eene speciale bestemming 2), bij vele duidt
de naam dit reeds aan, bijv. straat-, markt-, haven-,
pomp-, lantaarngelden, enz. „ Hetzelfde had plaats ten
opzichte van iedere buitengewone of nieuwe belasting;
voor ieder middel van ontvangst werd terstond steeds
de bepaalde post van uitgave waarvoor bestemd aange-
wezen." (Sickenga, t. a. p. bl. 457).
Behalve de besproken belastingen hieven sommige
steden uit kracht van de heerlijkheidsrechten, die zij
over het omringende platte land hadden weten te ver-
krijgen, buiten de stad, tollen, veren, weggelden en
andere dergelijke rechten.
Stelt men zich op het standpunt der heffende steden
dan maken deze middelen deel uit van de stedelijke
middelen, in wezen en werking echter waren het platte-
landsbelastingen 3).
Onder de belastingen welke ten platten lande tot
goedmaking van eigen uitgaven geheven werden, be-
kleedden de omslagen eene eerste plaats. Deze omslagen
1)  Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 467—471.
2)  Vgl. Kluit, Hist. der Holl. Staatsregeling, Amst. 1802, Dl.
IV. bl. 163.
3)  Vgl. v. Heusde, t. a. p. bl. 36, 37.
Sickenga, t. a. p. bl. 377.
-ocr page 56-
40
waren deels hoofdelijk, d. w. z. gegrond op het geschat
vermogen der belastingplichtigen1); „meer algemeen
echter was de verdeeling der omslagen, over de erven
en boerehofsteden, naar de opgaven in de Lands-kohie-
ren: gelijk in Drenthe die der Boerlasten, in Friesland
der Dorps- en Grietenyfloreenen, in de andere provin-
ciën van andere soortgelijke omslagen." (Sickenga, t. a. p.
bl. 485, 486).
Voor het heffen van omslagen hadden de plaatselijke
besturen waarschijnlijk geen octrooi noodig; toch schijnt
het niet ongewoon geweest te zijn, alvorens tot de hef-
fing over te gaan, consent van de Staten te vragen 2).
Ook accijnzen werden in vele dorpen geheven. Ge-
woonlijk waren deze gelegd op wijn, brandewijn, gedis-
tilleerd en dergelijke waren; in vele dorpen, vooral in
Holland en Friesland, waren ook gemaal, geslacht, visch,
1)   In 1666 werd door de Staten van Holland en West-Friesland
aan den Ambachtsheer, Schout, Ambachlsbewaarders en Schepenen
van de heerlijkheid Voorschoten octrooi verleend tot het heffen van
een omslag, waarin „yder naer dat hij gegoet sal wesen,
sal behooren gestelt te worden." In dit octrooi wordt van dezen
omslag gezegd, dat hij is „ gelijck in alle, immers \'t merendeel van
alle de dorpen in Rhynlant onder de naem van hooft of huyslasten
andere ouder den naem van steeck, kerff of beden wierde gedaen."
(Dit octrooi bevindt zich in het oud-archief der gemeente Voorschoten).
Vgl. over de omslagen: v. Leeuwen, R.-H. Regt, Bk. I, Dl. II, n°. 22.
2)  In het zoo even vermeld octrooi komt voor onder de redenen,
waarom het werd gevraagd, „ dat de supplianten soodanige omme-
slngen van hooftlasten te doen, niet wel en dorsten onder-
nemen, sonder ons voorgaende consent ende Octroy."
-ocr page 57-
41
turf en andere meer noodzakelijke artikelen met accijn-
zen belast. Heffing van accijnzen zonder octrooi was
niet geoorloofd \').
Meer algemeen nog dan de heffing van accijnzen was
die van retributiën, zooals waaggelden, in enkele dor-
pen ook marktgelden j dergelijke rechten ontbraken
schier nergens. „ Voor het onderhoud der vuurbakens in
de visschersdorpen werd veelal opgebragt een pondgeld
op den afslag van de visch." (Sickenga, t. a. p. bl. 482).
Ook op het platte land werd aan elke belasting zoo-
veel mogelijk eene bepaalde bestemming gegeven, even-
wel kon dit stelsel hier slechts ten deele in toepassing
komen; de omslagen maakten in de meeste dorpen een
zoo belangrijk deel der inkomsten uit, dat met de op-
brengst daarvan zeer verschillende uitgaven moesten
gedekt worden.
Vatten wij thans de slotsom onzer korte uiteenzetting
in enkele woorden samen:
De middelen der verschillende belastingheffende cor-
poraties stonden in bijzonder nauwen, maar weinig ra-
tioneelen samenhang.
Een belangrijk deel der provinciale belastingen, de
consenten, waren inderdaad niet anders dan ongelijk
drukkende generaliteitsmiddelen.
1) Vgl. Pieter Paulus, t. a. p. II, bl. 396.
Zurck, Cod. Bat.: Dorpen, § 8.
Keer, t. a. p. bl. 16.
-ocr page 58-
42
Door verschillende wijzen van invordering kregen de
provinciën bovendien deel in de stadsmiddelen, de steden
in de provinciale middelen.
De geringe macht, die de generaliteit over de ge-
westen, deze over de steden bezaten, verergerde den
verwarden toestand nog aanmerkelijk.
De verschillende belastingen te zamen genomen waren
hoogst drukkend, en belemmerden handel en nijver-
heid; naar billijkheid in de verdeeling der lasten
werd zelfs niet gestreefd. Verreweg het grooter deel
der publieke inkomsten werd uit accijnzen getrokken;
verreweg het grooter deel der accijnzen was op nood-
zakelijke levensbehoeften gelegd.
-ocr page 59-
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het overgangstijdperk.
§ 1. 1795—1798.
Zoo was in hoofdzaak de verhouding tusschen de
financiën van de deelen der republiek, toen in 1795
het oude staatsgebouw met instorting werd bedreigd.
Vernietiging van provinciale souvereiniteit en stedelijke
autonomie, oprichting van een allesomvattend centraal
gezag: dit was het doel der omwenteling. Doch het
werk van meer dan twee eeuwen was niet opeens te
verbrijzelen, wel werd het oude gebouw door den storm,
dien het had te doorstaan, hier en daar beschadigd *),
instorten deed het niet.
Het provincialisme mocht zich een tijdlang schuil hou-
1) Vgl. C. Eogge, Tafereel van de Geschiedenis der jongste om-
wenteling in de Vereenigde Nederl. Amst. 1796, bl. 416.
-ocr page 60-
44
den, spoedig stak het het hoofd weer op:). Slechts
waren de partijen scherper geteekend; unitarissen en
federalisten stonden als vijanden tegenover elkaar, ge-
scheiden door eene kleine, maar uitgelezen schaar van
gematigden. Zonder zich te laten medesiepen door de
voortvarende revolutionairen, trachtten deze het beginsel
der eenheid en ondeelbaarheid binnen zijn juiste gren-
zen te beperken. Zij vergeleken den ondeelbaren staat
„met een wel georganiseerd bezield gezond natuurlijk
lichaam, waarvan alle de deelen, tot het bestaan en de
voortduuring van hetzelve medewerken, en aan dat groot
oogmerk dienstbaar zijn. — Tot het daarstellen van
zulk eene Maatschappij wordt vereischt eene éénheid
van belang, van bestuur, van werking, — eene evenre-
digheid in de verdeeling der machten, — eene even-
redige draging der lasten en het genieten der voordee-
len; eene gelijke en gezamentlijke ondergeschiktheid van
die Macht of Machten, welke zeer gevoeglijk het hoofd
van het Maatschappelijk lichaam kunnen genaamd wor-
den." (Janus verrezen, 1787—1796 (door van den Bosch)
Dl. II, bl. 287; vgl. Dl. 1, bl. 372)3).
1)  Vgl. Rogge, t. a. p. bl. 606 v.v.
Vreede, t. a. p. II, bl. 24.
Mr. G. Groen van Prinsterer, Handb. der Gesch. v. h. Vaderl.
Amst. 1852, Dl. II, bl. 863 v.v.
2)   Vgl. C. Rogge, Gesch. der Staatsregeling voor het Bat. Volk
Amst. 1799, bl. 19 v.v.
Redevoeringen van Schimmelpenninck, Vitringa, van Maanen e. a.
in de Nat. vergadering.
-ocr page 61-
45
Doch mochten al enkelen eene dergelijke rationeele
opvatting van het staatsorganisme huldigen, geen der
beide strijdende partijen kon zich daarmede vereenigen.
Voornamelijk op het gebied der financiën bewoog zich
het verschil tusschen unitarissen en federalisten; de
eersten wilden samensmelting der schulden en algemeene
belastingen, de laatsten bestendiging van den feitelijken
toestand ï). Ware hier, gelijk in Frankrijk, de omwen-
teling met hervorming van het centraal gezag voldon-
gen geweest, wellicht hadden de unitarissen in den
eersten roes hunner overwinning ook bij ons de oude
belastingen terstond afgeschaft.
Het is geen toeval, dat de zaak zich hier anders toe-
droeg. In Frankrijk was reeds vóór de revolutie het
centraal gezag de spil waar \'t al om draaide2), hier
hadden de Staten-Generaal slechts een schaduw van
macht, de provinciën regeerden den staat, de steden de
provinciën. Hier moest de omwenteling in de steden
haar uitgangspunt zoeken, om vervolgens op te klimmen
tot de besturen der provinciën. De Staten-Generaal bleven
voorloopig, zelfs zonder ingrijpende wijzigingen, bestaan3).
1)  Vgl. Appelius, De Staatsoraw. v. 1795, bl. 52.
Dagv. I, 396 v.v., 495, II, 41—84, III, 683, IV, 47 v.v.
2)   Vgl. A. de Tocqueville, L\'ancien Eégirae et la HéVolution,
vooral Bk II, hfdst. II.
3)  Vgl. Kogge, Gesch. d. Omw. bl. 270—351, 391, 404.
Jhr. Mr. J. de Bosch Keraper, De Staatk. Gesch. v. Nederl. v.
1795—1814, Arast. 1867, bl. 259.
-ocr page 62-
46
Voordat de behandeling der zaken van algemeen be-
lang aan de orde kwam, had men tijd gehad tot wik-
ken en wegen; het gevaar, dat roekeloos met bestaande
toestanden zou worden gebroken, werd door het lang-
zaam verloop der omwenteling veel verminderd.
Een der eerste gevolgen van de omwenteling was de
vervanging der vijf admiraliteits-collegiën door een „ com-
mitté tot de zaaken van de Marine," waartoe de Staten-
Generaal den 11 Maart 1795 besloten 1). Hoezeer wei-
licht de wijze, waarop deze verandering tot stand kwam,
moet worden gelaakt3), was de zaak zelve zonder twij-
fel eene verbetering. De administratie door de verschil-
lende admiraliteitscollegiën was veelal strijdig met het
algemeen belang; meer eenheid te dezen opzichte was
reeds lang als wenschelijk erkend.
Naar aanleiding dezer verandering scheen er in de
Generaliteitslanden twijfel te ontstaan over de heffing
der middelen te water, waarom de Staten-Generaal bij
hunne publicatie van 26 Juni 1795 (Verz. II, n°. 53.)
uitdrukkelijk verklaarden, „ dat de voorsz. Middelen op
den Ontfang der Convoyen en Licenten alomme weder
zullen worden ingevorderd, provisioneel op den
1)  Zie: Volledige Verzameling der Publicatiën van de provisioneele
Repraesentanten van het Volk van Holland en der Staaten Generaal,
Dl. I n°. 26.
2)  Vgl. Appelius, t. a. p. bl. 26.
-ocr page 63-
47
ouden voet, en agtervolgens de daar op bevorens en tot
nu toe vastgestelde Placaaten en Ordonnantiën."
Ten opzichte der gewestelijke middelen hadden de
provisioneele representanten van het volk van Holland
reeds bij publicatie van 27 Januari 1795 (Verz. I, n°. 1.)
verklaard, „dat alle ordinaire en extraordinaire Belas-
tingen, welke tot dusverre in deeze Provintie zijn ge-
heeven, provisioneel zullen zijn en blijven gecontinueerd
op den ouden voet." Dit voorbeeld werd door de
overige provinciën gevolgd, zoodat alle oude belastingen
voorloopig onveranderd bleven J).
Spoedig evenwel werd door het bestuur van Holland
eene niet onbelangrijke verandering in den bestaanden
toestand gebracht, op grond van het beginsel der ge-
lijkheid van alle ingezetenen voor de wet. Bij publica-
tie van 5 februari 1795 (Verz. I, n°. 7.) werd het
besluit bekend gemaakt, „dat voortaan niemand onder
welk voorwendsel ook eenigen vrijdom zal genieten van
\'s Lands, Stads of Dorps-Lasten, of Impositiën, Tollen,
Pont of Poort-Gelden en wat dies meer zij, maar in
tegendeel, dat alle deeze en andere Lasten, door een iege-
lijk op een gelijken voet zullen moeten worden gedraa-
gen en betaald, zonder eenige de minste uitzonderinge."
Dit voorbeeld van het omwentelingsgezinde Holland
vond navolging bij Gelderland, Stad en Lande en Zee-
1) Vgl. Rogge, Gesch. d. Omw. bl. 349 en 464.
-ocr page 64-
48
land; ook daar werden alle privilegiën in zake van be-
lastingen afgeschaft. In andere gewesten — met name
in Overijsel — bleven ze voorloopig voortduren ]).
Met de vernietiging der privilegiën bedoelde men
echter niet, die vrijdommen of voorrechten te doen
vervallen, welke in het belang van instellingen van
weldadigheid of ter bevordering van handel of nijver-
heid waren toegekend. Men beoogde slechts de afschaf-
fing van die vrijdommen, — zoo werd door de provi-
sioneele representanten van Holland, ter voorkoming
van misverstand, bij publicatie van 19 Maart 1795
(Verz. I, n°. 29.) verklaard — welke „ ten behoeve
van eene of van eenige weinigen (waren) toegestaan
geworden."
De vernietiging der privilegiën was niet nieuw, reeds
Karel V had bij plakkaat van 2 November 1553 alle
nog bestaande vrijdommen afgeschaft. Doch ook op dit
punt waren langzamerhand misbruiken ingeslopen. „In
Overijssel stond tegenover de groote voordeelen der
steden, voor de Ridderschap een vrijstelling van de
Verponding voor de Ridderhofsteden ; in Holland tegen-
over de (overigens veel minder uitgebreide) bijzondere
voordeelen der steden, het regt der Ridderschap o. a.
op de halve opbrengst der Verponding over twee der
1) Vgl. Rogge, Gesch. d. Omw. bl. 476.
Mr. F. N. Sickenga, Gesch. der Nederl. Belastingen, Amst. 1865, bl. 4.
-ocr page 65-
49
groote Abdijen in de provincie. In Zeeland genoten
enkele Vrije Heerlijkheden vrijdom van alle belastingen,
alleen niet uitzondering van de gemeenc middelen van
consumtie. In Gelderland waren de Vrije Heerlijke
Goederen, in Drenthe de Havezathen binnen zekeren
omtrek vrij van lasten." (Sickenga, t. a. p. tijdv. der
republiek, bl. 293)1).
Met hetzelfde doel, waarmede het de afschaffing der
privilegiën had ondernomen, decreteerde het bestuur
van Holland, bij publicatie van 3 Juni 1795 (Verz. I,
n°. 44.), dat zoolang niet alle kerken aan de verponding
zouden onderhevig zijn, ook die van de Roomsch Ca-
tholieke of van eenige andere gemeente, welke in die
belasting waren aangeslagen, daarvan zouden bevrijd
worden. Van meer ingrijpenden aard was het besluit,
den 5<kn Maart 1795 (Verz. 1, u°. 19.) door hetzelfde
bestuur genomen, tot afschaffing van ,, de Graaflijkheids-
tollen en plaatselijke Privilegiën op de passage van
Personen en Goederen." Men wilde door dit besluit
de belemmering doen vervallen, door dergelijke tollen
en privilegiën aan den handel toegebracht, waartegen
het voordeel van de provincie of van eenige plaats niet
kon opwegen of mocht in aanmerking komen 3). Hoe-
1)  Vgl. v. d. Pot, t. a. p. bl. 323—358, vooral bl. 338.
Engels, t. a. p. bl. 41 en 42.
2)  Vgl. Zillesen, t. a. p. bl. 446.
De zorg van het bestuur van Holland voor vrijheid van verkeer
4
-ocr page 66-
50
zeer in abstracto de beweegreden, door de provisio-
neele representanten voor hun besluit aangevoerd, als
juist moet worden erkend, dient toch te worden in het
oog gehouden, dat bij den toenmaligen financieelen nood
der provincie van geene inkomsten afstand mocht worden
gedaan, zonder dat tevens een equivalent voor dat ge-
mis werd in de plaats gesteld. In de gegeven omstan-
digheden was de maatregel minstens onvoorzichtig :).
In Friesland begreep men dit beter, daar werden bij
publicatie van 2 Mei 1795 (Bat. Jaarb. III n°. 25) al-
len, die minder dan f 600 gegoed waren, vrijgesteld
van het halve hoofd- of familiegeld, doch daar tegenover
werden eenige artikelen van weelde — of, zooals men
toen zeide, van vrijwillig gebruik — door het provin-
ciaal bestuur belast.
Evenwel, hoe loffelijk de pogingen dezer gewesten tot
verbetering hunner belastingen ook mogen geweest zijn,
er waren dringender eischen. Den nijpenden geldnood,
waarin Prankrijks vriendschap niet minder dan Enge-
spreekt ook duidelijk uit een octrooi den 21 December 1795 aan
het plaatselijk bestuur van Voorschoten verleend. Men had verzocht
te mogen heffen accijnzen op tarwe, wijn, brandewijn en gedistilleerd,
bier en turf; hierop besloten de provisioneele representanten: „in
plaats van de bij voorsz. requeste verzogte belastingen de supplianten
te octroijeeren en te qualificeeren, — om — te heffen den tachtigsten
penning" van alle binnen het ambacht getransporteerde onroerende
en aldaar publiek verkochte roerende goederen.
I) Vgl. Redevoering van de Mist, Dagv. II, bl. 528.
-ocr page 67-
51
lands vijandschap de republiek bracht, moest het hoofd
geboden worden; het gold middelen van inkomst te
vinden. In alle gewesten waren de publieke kassen leeg,
maar in Holland was de toestand nog ellendiger dan
ergens anders l).
Algemeen werden twee wegen ingeslagen ten einde
in den dringenden nood te voorzien; men verhoogde
bestaande belastingen — bijv. in Holland het klein ze-
gel, in Utrecht de meeste imposten — of voerde nieuwe
in — bijv. de belasting op speelkaarten eerst in Utrecht,
later ook in Holland, de belasting op jachthonden in
Overijsel, het recht op geboorte-, huwelijks* en doods-
berichten in couranten in Holland opgelegd, — en men
schreef buitengewone heffingen uit 2).
Dit laatste middel werd verreweg het sterkst aange-
sproken. Gedurende het gansche tijdvak van 1795 tot
1798 werden de hooge buitengewone uitgaven van den
staat bijna uitsluitend bestreden uit buitengewone pro-
vinciale heffingen. Deze heffingen, welke meerendeels
1)  Vgl. Rogge. Gesch. d. Omw. bl. 77, 399 v.v. 445, 446.
Metelerkamp, De toest. v. Nederl. bl. 45—52.
Zillesen, t. a. p. bl. 400.
2)  Vgl. Dagv. IX, bl. 624 v.v.
Rogge, Gesch. d. Omw. bl. 466—476.
Metelerkamp, t. a. p. II, bl. 84 v.v.
Mr. E. van Voorthuijsen Hzn., De directe Belastingen, inzonder-
heid die op de inkomsten, ütr. 1848, Dl. II, bl. 192—196.
Sickenga, t. a. p. 12—17.
Vreede, t. a. p. I, bl. 105.
-ocr page 68-
52
bestonden in een zeker percent van de bezittingen of
van de inkomsten der ingezetenen, hadden gewoonlijk
het karakter van gedwongen leeningen, doordien voor de
opbrengst rentegevende obligatiën werden uitgegeven *).
Onder den druk der heffingen gingen alle gewesten
zwaar, niet alle echter even zwaar gebukt. Juist in dezen
tijd bleek de fout van de aloude staatsregeling weer
duidelijk. Niet deze of gene provincie, maar de staat
was in nood, en toch konden geene algemeene, maar
moesten provinciale heffingen worden uitgeschreven.
Terwijl de heffingen \'s lands welvaart ondermijnden,
kwam onder invloed van Holland, na heftige tegenkan-
ting vooral van de provinciën Friesland en Zeeland,
den 30 December 1795 een reglement tot stand voor
de bijeen te roepen Nationale Vergadering, die de Sta-
ten-Generaal zou vervangen 2). Dit reglement, als het
ware eene voorloopige constitutie, gaf o. a. eenige be-
palingen omtrent de verhouding tusschen de verschil-
lende machten in den staat en omtrent de financiën 3).
Volgens art. 92 zouden de inkomende en uitgaande
rechten tot nadere regeling op den bestaanden voet
1)  Zie Bat. Jaarb. IX, n°. 2.
Vlg. Rogge, Gesch. d. Ormv. bl. 355.
2)  Vgl. Rogge, Gesch. d. Omw. bl. 572—607.
Appelius, t. a. p. bl. 28—43.
De Bosch Kemper, t. a. p. bl. 260.
3)  Zie Publ. 7 Januari 1796, Verz. III, n». 122.
-ocr page 69-
53
blijven1). Art. 86 bepaalde dat ieder gewest in den
staat van oorlog zou worden aangeslagen „volgens de
thans plaats hebbende Quota\'s; — en zal het aandeel
van Bataafsch Braband, alvorens de Repraesentanten in
dat Gewest verkooreu, in de Nationaale Vergadering
zullen kunnen verschijnen, bepaald moeten weezen."
De laatste zinsnede van dit artikel vereischt eenige
toelichting. Bij de vaststelling van het plan tot bijeen-
roeping eener Nationale Vergadering, had men de vroe-
gere opvatting, als zouden Braband en Drenthe over-
wonnen landen zijn, laten varen; zij zouden gelijke
rechten hebben als de overige gewesten en evenals deze,
hunne afgevaardigden naar de Nationale Vergadering
zenden. Tegenover deze gelijkheid in rechten moest
natuurlijk gelijkheid in plichten staan; van daar het
voorschrift dat Braband, evenals de overige gewesten,
volgens cene bepaalde quote in de kosten der genera-
liteit zon bijdragen; voor Drenthe had de regeling der
quote reeds vele jaren vóór de omwenteling plaats ge-
vonden. Ten einde nu de voor Braband vast te stellen
quote te vinden, berekende men hoeveel de inkomsten
van Braband gedurende de laatste 10 jaren door el-
1) In den loop «lezer jaren werden enkele rechten op den in- en uit-
voer verhoogd, voor een deel tot bescherming der inlandsche nijverheid ;
zie Verz. V, n». 193, VI, n». 219 en 232, VII, n». 269. Van eenige
weinige artikelen werden de rechten verminderd; zie verz. VII, n°. 275.
Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 32 v.v.
-ocr page 70-
54
kander hadden bedragen; daarop werd de som bepaald,
welke Braband jaarlijks in de algemeene kas zou moeten
storten, en voorts vastgesteld, „dat Bataafsch Braband
zoude genieten en voor zich ontfangen alle zoodanigen
inkomsten, die schoon over den Jare 1795 vervallen,
volgens de gewone Cijnosure met den 1 Januari] 1796
beginnen moesten ontfangen te worden, en alle verdere
ordinaire en extraordinaire van dien tijd af loopende
lasten." Den 29s*™ Februari 1796 werd Braband in de
plaats van voor eene bepaalde som, evenals de andere
gewesten, percentsgewijze aangeslagen in de algemeene
kosten; voor het overige bleef de oorspronkelijke rege-
ling onveranderd l).
Art. 88 van het reglement gaf aan de vergadering
het recht, om, indien eene provincie in gebreke bleef
hare quote te voldoen, „van de gezamenlijke Ingezete-
nen van zoodanige nalaatige Provintie of Gewest te
heffen een 400ste, 100ste, 50ste of zoodanige buitenge-
wone Penning, als vereischt zal worden tot voldoening
van haare voortz. Quote." Ten aanzien van Gelderland
zou, volgens art. 90, laatste alinea, uit hoofde van de
bijzondere financieele huishouding van dat gewest, „ de
gemelde executie eerst gedirigeerd worden tegen de
Ingezetenen van het in gebreken gebleven Quartier."
Het recht van executie, bij art. 88 van het reglement
1) Zie Dagv. I, bl. 530, 531, II, bl. 132 v.v.
Vgl. Sickenga, t, a, p. bl. 5.
-ocr page 71-
55
aan de Nationale Vergadering toegekend, was niet van
belang ontbloot. Dat het niet onnoodig was deze ver-
ouderde bevoegdheid van de generaliteit in nieuwen
vorm te doen herleven bleek spoedig \'). Bij publicatiën
van 11 en 12 October 1797 (Verz. VII, 264 en 265.)
werd bekend gemaakt, dat de Nationale vergadering had
besloten ter executie van de provinciën, die in het vol-
doen harer quoten achterstallig waren: „1°. eene bui-
tengewone heffing te doen, welke bedraagen zal van de
bezittingen der Ingezetenen van Gelderland een 100sten,
of zoodanige anderen Penning, als bij de executie zal
blijken van de Quartieren of \'t Quartier noodig te zijn;
van de bezittingen der gezamenlijke Ingezetenen van
Holland, Zeeland, Utrecht, Stad en Lande en Drenthe
den 80sten, van Overijssel den 100sten, en van Eataafsch
Braband den 200sten Penning; ten ware door vroegere
betaaling voor den 15den November eerstkomende, de
achterstand van elk in gebreke gebleeven Gewest, of
geheel aangezuiverd, of zoodanig verminderd mogte zijn,
dat de heffing van den bovengemelden buitengewonen
Penning of geheel konde vervallen, of zoodanig vermin-
derd worden, als nader op denzelven 15 November zal
worden gefixeerd en bepaald." 2°. bovendien van elk
ingezeten van Holland te heffen „een 80steu penning
van deszelfs bezittingen" 3).
1)  Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 6.
2)  Zie Dagv. VI, bl. 357, 387 v.v.
-ocr page 72-
56
Van die heffingen zouden zijn vrijgesteld diegenen,
wier bezittingen geen ƒ 300.— zuiver bedroegen; ter-
wijl er bovendien voor gezorgd zou worden, dat zij,
die aan hunne verplichtingen hadden voldaan, niet dub-
bel zouden worden belastJ).
Evenwel de executie was gemakkelijker te decreteeren,
dan uit te voeren. Eerst na lang dralen hadden de
heffingen in Januari 1798 plaats in Holland, hetkwar-
tier Nijmegen, Stad en Lande, Utrecht en Zeeland;
de overige gewesten hadden inmiddels hunne quoten
voldaan 2).
Belangrijk ook waren de bepalingen van art. 100 en
101 van het reglement. In de zaken van algemeen be-
stuur zouden de provinciën zich niet mogen mengen,
daar tegenover zou de Nationale Vergadering zich niet
mogen inlaten met de huishouding der gewesten.
„ Ingevolge hier van zal het Provintiaal bestuur ten
aanzien van het Huishoudelijke, speciaal met relatie tot
het — Finantieele — zoodanige besluiten mogen nee-
men, als het dienstig zal oordeelen." Een nuttige uit-
zondering op dezen algemeenen regel behelsde art. 94:
„En zal na den 1 September des jaars 1796 geen —
meerder bezwaar op den uitvoer of invoer van eenige
Goederen van de eene Provintie of Gewest, in of uit
1)  Zie Publ. 11 Augustus 1797, Verz. VI, n». 250.
2)  Zie voor Holland, Publ. 18 Jan. 1798, Verz. VII, n». 281.
Vel. Sickcnga, t. a. p. bl. 42.
-ocr page 73-
57
de andere mogen gelegd worden, dan het welk den 1
Januari 1795 plaats gehad heeft." Men kon de belem-
meringen van den binnenlandschen handel niet uit den
weg ruimen, maar belette althans, dat ze zouden worden
verergerd.
Met de hier gehuldigde provinciale souvereiniteit in
eigen gebied strookte weinig het besluit, dat de Natio-
nale vergadering den 2den December 1797 met geringe
meerderheid doordreef1). Na langdurige en heftige de-
batten werd namelijk besloten, dat tot herstel van de
vloot na de nederlaag den Uden October 1797 voor
Egmond geleden, eene buitengewone heffing van 8 °/0
zou geschieden van elk ingezeten der republiek,
wiens jaarlijksch inkomen gemiddeld, berekend over de
laatste drie jaren, meer bedroeg dan f 300.—, na af-
trek van f 50.— voor elk kind, waarvan het onderhoud
op hem rustte. Voor zoo ver de opbrengst der heffing
meer mocht bedragen, dan de kosten tot herstel der
vloot zouden beloopen, zou het meerdere strekken tot
dekking van een deel der kosten van de marine over 1798.
Het besluit tot deze heffing was van groot gewicht.
Tot nog toe waren voor de behoeften der algemeene
kas slechts rechten op den in- en uitvoer als algemeene
belastingen geheven, nu zou eene — zij het dan ook
buitengewone — directe belasting naar het inkomen
1) Zie Dagv. VH, bl. 773—807 en bl. 866—VIII, bl. 56.
Publ. 5 December 1797, Verz. VII, n". 273.
-ocr page 74-
58
als zoodanig plaats grijpen. Of het besluit even rechtmatig
als belangrijk was, mag met grond worden betwijfeld *).
Het is zeer wel mogelijk, dat het eene zoo spoed-
eischende zaak gold, dat de gewone weg niet kon wor-
den bewandeld 2); doch dit neemt niet weg, dat die
leden der vergadering gelijk hadden, welke de heffing
in strijd achtten met het reglement. Men brak eigen-
machtig met het stelsel der quoten, dat door het regie-
ment uitdrukkelijk was erkend.
De provinciale souvereiniteit op financieel gebied bleef
wel in het algemeen bestaan, voor dit bijzonder geval echter
werd zij op zijde gezet. Deze halfheid moest tot moeilijk-
heden aanleiding geven. Met recht werd dan ook bij de
beraadslagingen gevraagd, wat te doen, indien een of meer
gewesten weigeren tot de heffing mede te werken 3) ?
Te meer was men gerechtigd omtrent den goeden afloop
der heffing twijfel te opperen, daar Holland eenige da-
gen te voren had getoond, niet te willen bukken voor
het gezag der Nationale vergadering. Immers het be-
stuur van dat gewest had in de maand November het
besluit genomen, niet langer volgens de bestaande quote
1)  Vgl. Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 877.
Kogge, Gesch. d. Staatsr. bl. 459—466 ; Appelius, t. a. p. bl. 80—82.
Sickenga, t. a. p. bl. 42, 43; de Bosch Keraper, t. a. p. bl. 275.
C. Zillesen, Gesoh. der Nederlanden. Dl. VI, bl. 150.
2)  Zie redevoering van v. d. Kasteele, Dagv. VII, bl. 803.
3)  Zie Frouhoff, Dagv. VII, bl. 795.
-ocr page 75-
59
te zullen betalen J). Al had ook dit besluit kennelijk
ten doel, de vergadering te dwingen tot het invoeren
van algemeene belastingen; van andere gewesten was
verzet in tegenovergestelden zin niet minder te duchten.
De vergadering werd echter van alle moeilijkheden
bevrijd; eene nieuwe omwenteling hakte de knoop door.
Alvorens de gevolgen dezer nieuwe revolutie na te
gaan, moeten we ons evenwel nog een oogenblik met
eenige andere werkzaamheden van den Nationale Ver-
gadering bezig houden.
Het hoofddoel waarmede de vergadering was bijeen-
geroepen, was het samenstellen eener nieuwe constitutie
voor de Bataafsche Republiek. Terstond benoemde zij
dan ook eene commissie uit haar midden tot het ont-
werpen van zoodanige constitutie; zoodra deze haar
ontwerp, in federalistischen geest opgesteld 2), gereed
had, werd het in behandeling genomen 3) en na ver-
schillende meer of minder ingrijpende wijzigingen voor-
loopig vastgesteld. De hoofdtrekken van het alzoo vast-
gesteld ontwerp komen, voor zoo ver het voor ons
onderwerp van belang is, op het volgende neer.
De bestaande provinciale belastingen zouden wel voor-
loopig voortduren, maar overgaan tot nationale middelen,
1)  Zie Dagv. "VII, bl. 795.
2)  Vgl. Dagv. III, bl. 757.
3)  Zie het oorspronkelijk ontwerp in Dagv. III, bl. 611 vv.
-ocr page 76-
00
wier opbrengst zou vloeien in de kas der republiek
(art. 432). Zoo spoedig mogelijk zouden de oude mid-
delen worden vervangen door een stelsel van algemeene
belastingen bestaande uit: de oude reëele middelen,
belastingen op de aanwinst van bezittingen, op bedrijven
en op vrijwillige verteringen, eene belasting op de in-
komsten en de huishuren, een algemeen collateraal en
een nationaal klein zegel (art. 420):). Het oorspronke-
lijk ontwerp ging veel minder ver en sloot zich in
hoofdzaak aan het oude quotenstelsel aan (art. 405-409)2).
De departementale behoeften zouden volgens het de-
finitief ontwerp worden bestreden uit departementale
middelen (art. 003). In het uitschrijven hunner belas-
tingen zouden de departementale besturen geheel vrij
zijn (art 604). Slechts zouden hunne belastingen niet
mogen drukken op dezelfde objecten als de rijksbelas-
tingen; departementale in- of uitvoerrechten werden
verboden, en in het algemeen zouden de departementale
besturen geene belemmeringen aan het verkeer mogen
in den weg leggen (art. 605—010)3).
Volgens de meening van Schimmelpenninck was op
deze wijze aan de departementen gelaten „het billijk
zelfsbestuur van hunne huisselijke belangen, voor zoo
verre de algemeene belangen daar mede niet gemoeid
1)  Vgl. Dag. IV, bl. 47 en 425 v.v. V, bl. 117—156, 589 en 780.
2)   Zie ook de art. 427—439 v. h. oorspronkelijk ontwerp.
3)  Vgl. Dagv. V, bl. 747 v.v.
-ocr page 77-
()1
zijn." (Dagv. V, bl. 753). Naar onze tegenwoordige be-
grippen echter, was aan de departementen wel iets meer
overgelaten, dan het billijk zelfbestuur hunner bijzon-
dare huishouding; immers hun bijna volkomen onaf-
hankelijkheid in het uitschrijven hunner eigen belastin-
gen zou aan het algemeen belastingstelsel, hoe dit ook
mocht zijn ingericht, groote nadeelen berokkend hebben.
Ook de gemeentebesturen zouden bij het uitschrijven
van belastingen niet gebonden zijn aan eenige goedkeuring
van hooger gezag. Slechts zouden de plaatselijke mid-
delen geene belemmeringen voor het verkeer mogen op-
leveren en zou het recht van exue worden afgeschaft
(art. 652—659)1).
Den 8 Augustus 1797 had de stemming over het
ontwerp in de grondvergadering plaats; het werd ver-
worpen. Men oordeelde — en niet geheel ten onrechte —
dat het te veel op federalistische leest geschoeid was.
Eene hervorming van veel minder beteekenis dan die
der geheel e staatsinrichting, zocht de Nationale Verga-
dering op het gebied der plaatselijke financiën te weeg
te brengen; haar streven had hier een eenigszins bete-
ren uitslag. Den 27 Februari 1797 werd namelijk be-
sloten aan de gewestelijke besturen te verzoeken het
recht van exue reeds dadelijk af te schaffen 3). Aan dit
1)  Vgl. Dagv. III, bl. 715 en 735, V, bl. 764 en 771 v.v.
2)  Zie Dagv. V, bl. 33, 34.
-ocr page 78-
62
verzoek werd door Holland en Utrecht gevolg gegeven
bij hunne publicatiën van 6 April van dat jaar J). Hol-
land evenwel schafte het recht niet af ten opzichte van
inwoners van plaatsen, gelegen in provinciën, waar het
recht tegenover Hollands ingezetenen behouden bleef.
Ter bevordering der gelijkheid werd door het bestuur
van Holland ook bepaald, „dat de waagen in de zoo-
genaamde kleine steden en op het platte Land, even
en in dier voegen voordaan zullen worden gerespecteerd,
als die der groote steden, en dat mitsdien de Inwoon-
ders van de zoogenaamde kleine steden en het platte
Land, zullen worden ontheft van het bezwaar om, naar
vertooning hunner Waagcedullen, andermaal het recht
op de waag te moeten voldoen." Ter vergoeding van
de schade, die hierdoor ook aan de provinciale kas
werd berokkend, werd het waagrecht van enkele arti-
kelen verhoogd 2).
Voor het overige bleven ook de plaatselijke belastin-
gen voorshands op den ouden voet8), en behielden de
steden hunne oude onafhankelijkheid op financieel ge-
bied. Daar niet alleen de gewesten, maar ook verschil-
leude steden in groote geldverlegenheid verkeerden, kwa-
1)  Zie Verz., Dl. V, n<>. 225, en Bat. Jaarb., Dl. X, n«. 71.
2)  Zie Pnbl. 26 Juni 1797, Verz. Dl. VI, n». 238.
Vgl. Vreede, t. a. p. I, bl. 100, 101.
3)  Zie Bat. Jaarb. I, n°. 47 en n". 141.
-ocr page 79-
63
men ook stedelijke buitengewone heffingen, op gelijken
voet als de gewestelijke, in deze jaren voor.
§ 2. 1798—1801.
Al was de val van het ontwerp-constitutie van 1797 voor
de unitarissen eene overwinning geweest, toch was hun
vreugde niet onverdeeld; vooral niet, toen in de tweede
Nationale Vergadering, die den 1 September 1797 bij-
eenkwam, hun partij weinig sterker was dan in de
eerste. Na dien uitslag meenden zij, dat langs rechtma-
tigen weg hun doel niet was te bereiken, en eene nieuwe
revolutie moest bewerkt worden.
In December 1797 maakten 43 leden der Nationale
Vergadering eene verklaring bekend, waarin als hunne
beginselen waren neergelegd: volkomen eenheid en on-
deelbaarheid der republiek, storting van alle inkomsten
uit elk deel der republiek in ééne nationale kas, af-
schaffing der quota\'s gewijze heffing, algemeene belas-
tingen gegrond op het relatief vermogen der ingezete-
nen. Geen plan van constitutie zou door hen worden
aangenomen, tenzij daarin al deze beginselen waren
verwezenlijktl). Deze verklaring was de voorbode van
hetgeen spoedig zou volgen.
1) Vgl. Rogge, Gesch. d. Staatsr. bl. 472 v.v.
ZiUesen, Gesch. d. Nederl. Dl. VI, bl. 136.
Appelius, t. a. p. bl. 82.
-ocr page 80-
64
Den 19 Januari 1798 werd in de Nationale verga-
dering een besluit genomen omtrent de beginselen, die
aan de nieuwe staatsregeling moesten ten grondslag lig-
gen; als hoofdbeginsel werd erkend: „ Eenheid in be-
staan en bestuur, zoo naar binnen als naar buiten in
het politieke en finantieele." Evenwel werd geene alge-
meenmaking van alle gewestelijke belastingen gevorderd.
„De Finanties zouden blijven onder het beheer der
Gewestelijke Bestuuren, maar het overschot der pennin-
gen, na aftrek der huislasten, in de Nationale schatkist
gestort worden; zullende voor het overige het te kort
komende bij algemeene heffingen over alle de ingezetenen
gevonden worden." (Rogge, t. a. p. bl. 490).
Met dit besluit achtten de unitarissen de maat vol-
gemeten. Den 22 Januari 1798 zuiverden zij de Nati-
onale Vergadering van hunne tegenstanders; de over-
blijvenden verklaarden zich als de wettige Constituee-
rende Vergadering representeerende het Bataafsche volk,
en vernietigden het reglement der Nationale Vergade-
ring. Een Uitvoerend Bewind van vijf personen zou
worden gekozen; alle gewestelijke en plaatselijke be-
sturen zouden voorloopig blijven, maar slechts als louter
administratieve lichamen, onderworpen aan de Constitu-
eerende Vergadering 1).
1) Zie Dagv. VIII, bl. 419 v.v.
Publ. 22 Januari 1798. Verz. VIII, n°. 1».
Vgl. Rogge, t. a. p. bl. 491—513,
-ocr page 81-
65
Reeds aanstonds bracht deze omwenteling een groo-
ten omkeer in de verhouding tusschen de rijks- en de
provinciale financiën. Als „ blootelijk Administrative
Lichaamen" verloren de provinciale besturen alle tot
dusver uitgeoefende macht; de constitueerende Verga-
dering kreeg de beschikking over de provinciale kassen,
alleen de zorg voor de loopende ontvangsten en uit-
gaven bleef aan de gewestelijke bestuven toevertrouwd J).
Toen de unitarissen zich op deze wijze de leiding
der zaken eenmaal in handen hadden gespeeld, zaten
zij niet stil. Den 25 Januari stelden zij in de constitu-
eerende Vergadering de gronden vast, waarop de nieuwe
staatsregeling zou rusten. „ Alle Provintiale verdeeling
werdt vernietigd; — alle Provintiale inkomsten werden
in één Kas gestort; de quota\'s vernietigd" 2). (Rogge,
t.a.p bl. 529).
Tengevolge van deze beslissing verdwenen de provin-
ciale belastingen van het tooneel; de oude itnpositiën
werden wel niet vernietigd, maar van provinciale wer-
den zij nationale middelen. De kosten van het bestuur
De Bosch Kemper, t. ap. bl. 278, 279.
Appelius, t. a. p. bl. 94.
Zillesen, Gesch. d Nederl. Dl. VI, bl. 187 v.v.
Groen van Prinsterer, t.a.p. bl. 878 v.v.
1)  Vgl. Kogge, t. a. p. bl. 520.
2)  Zie Dagv. VIII, bl. 443—450,
5
-ocr page 82-
GO
der gewesten zouden voortaan uit rijksmiddelen bestre-
den worden.
Het laten voortduren van de oude belastingen was
evenwel slechts een voorloopige maatregel; zoo spoedig
mogelijk moesten zij door algemeene belastingen worden
vervangen. Om hiertoe te geraken werden de burgers
J. Hora Siccama en B. van Rees, aan wie den 4 No-
vember 1797 het ontwerpen van een uitgewerkt plan
van algemeene belastingen was opgedragen, door het
Uitvoerend Bewind aangemaand, met hun arbeid spoed
te maken. Den 19 Februari hadden zij hun plan ge-
reed en boden het aan de commissie voor het ontwer-
pen der constitutie aan. Hoewel het hier niet de plaats
is, dit in vele opzichten belangwekkend rapport in bij-
zonderheden na te gaan, moet toch wegens den invloed,
dien het op de staatsregeling van 1798 heeft uitgeoe-
fend, met een enkel woord over de hoofdtrekken van
het plan gesproken worden.
Men stelde voorop, dat het recht van belasten rust
„ op de bescherming en beveiliging welke de Maatschappij
verleend aan leeven, bezittingen en inkomsten;" zoodat
het aandeel, dat ieder burger in de lasten van den staat
draagt, behoort te zijn „het equivalent voor het aan-
deel, welke hij in de algemeene bescherming en be-
veiliging van den Staat geniet of genieten kan" (bl. 5
en 8 der der 8° uitg.). Uit deze in die dagen algemeen
aangenomen theorie werd afgeleid, dat alleen belasting
-ocr page 83-
07
naar het vermogen rechtvaardig is. Steunende op de
leer van het contrat social, wilden de ontwerpers de
minvermogenden ontlasten, doch niet geheel vrijstellen.
Immers „de Maatschappij is een Compagnieschap, waar
van alle Leden participanten zijn; ieder moet kunnen
zeggen, dat hij ook iets toebrengt om haar in stand te
houden en te draagen in haare lasten, daar hij in haare
voordeelen deelt." (bl. 8.)
Uitgaande van deze algemeene stellingen, stelden de
ontwerpers voor: de heffing van eene reëele belasting
op huizen en landerijen en van „eene tweeledige quo-
tisatie van alle de Ingezetenen, naar derzelver presum-
tief vermogen."
De grondbelasting op de gebouwen zou bedragen
l°/o van de waarde, die op de landerijen moest blijven
op den ouden voet. Aangezien „ de prijs der Landerijen
overal en altijd gegrond is op derzelver zuivere opbreng-
sten, vooral na aftrek van de Landslasten, naar welken
zich ook de waarde en de Huur der Landerijen heb-
ben bepaald, zouden alle veranderingen, welke hierin,
op grond van gelijkheid in het dragen der belastingen
gemaakt wierd niets anders zijn dan eene gelijkheid in
schijn en eene wezentlijke ongelijkheid in de belasting
voortbrengen."
Ik zou bij deze stelling der rapporteurs niet stil staan,
ware het niet, dat zij langen tijd als schier onbetwist-
baar is aangemerkt en ook thans nog vele aanhangers
-ocr page 84-
08
vindt. Met de juistheid of onjuistheid dezer theorie
hangt de beoordeeling van al hetgeen over de geschie-
denis der grondbelasting nog te vermelden zal vallen
nauw samen; reden genoeg, naar het mij toeschijnt, om
hier ons standpunt tegenover deze vraag uiteen te zetten.
Stellen wij ons een oogenblik een staat voor, waarin
geene enkele belasting wordt geheven en waar de op-
brengst van den grond gemiddeld 5°/0 van de koop-
waarde bedraagt. Nu wordt eene grondbelasting inge-
voerd van l°/0 dier waarde, het gevolg zal zijn, dat
de eigenaars voortaan in plaats van 5°/0 der waarde
slechts 4°/0 trekken, of juister uitgedrukt, dat de waarde
20°/0 zal dalen. Immers deze belasting zal de vraag
naar grondeigendom niet verhoogen; wanneer dus grond
ter markt wordt gebracht, zal de kooper niet toeslaan,
tenzij het grondbezit hem nog evenveel voordeden op-
levert, als het vóór de invoering der grondbelasting zou
hebben gedaan. M. a. w. hetgeen van de opbrengst
van den grond, na aftrek der belasting, voor den eige-
naar overblijft, zal minstens 5°/0 van den koopprijs moe-
ten bedragen, en de prijs zal derhalve het gekapitali-
seerd bedrag der belasting, ter hoogte van 20°/0, lager
zijn dan de oorspronkelijke koopwaarde.
In deze onderstelling nu wijken wij in twee opzichten
van de werkelijkheid af. In de eerste plaats is de op-
brengst van den grond niet constant; stijgt deze, dan
stijgt ook de koopwaarde, de constant gebleven belas-
-ocr page 85-
69
ting zal dus niet meer bedragen 1 °/0 van de werkelijke
koopwaarde en de gekapitaliseerde belasting in werke-
lijkheid lager zijn dan 20 °/0 der waarde van den grond.
Daalt de opbrengst dan heeft juist het tegenovergestelde
plaats. Daar nu de opbrengst en dien ten gevolge ook
de waarde van elk stuk grond aan schommelingen on-
derhevig is, zal het gekapitaliseerd bedrag der onver-
anderlijke grondbelasting in telkens wisselende verhou-
ding tot de waarde van den grond staan. Bij rijzing der
waarde ontvangt derhalve de staat van de grondeige-
naren een telkens kleiner, bij daling ontneemt hij hun
een telkens grooter wordend deel hunner inkomsten.
Bij dit eerste bezwaar tegen de theorie van de onver-
anderlijkheid der grondbelasting op grond van de kapi-
taliseering van haar bedrag, komt nog een tweede.
In den door ons onderstelden staat wordt alleen de
grond belast, doch hoe, wanneer — zooals in de wer-
kelijkheid het geval is — ook andere bronnen van in-
komst direct of indirect belast zijn ? Wanneer, bijv. ten
gevolge van patent- of bedrijfsbelasting, de rente van
kapitalen, welke in nijverheidsondernemingen belegd
zijn, ook daalt en wel van 5 °/0 tot 4^2 %> zoodat de
kapitalist, op welke wijze hij zijn geld ook belegge, toch
niet meer dan 4^2 % kan trekken, zal hij dan van
den grond, die onbelast 5 °/0 opleverde, ook nu nog
5 °/o kunnen vorderen? Immers neen, ten gevolge van
de „ Gleichheitstendenz" van alle soorten van interest,
-ocr page 86-
70
zal ook de grondeigenaar zich met 41/,; °/0 van den door
hem betaalden koopprijs moeten vergenoegen ? Voor het
grondstuk, dat zonder belasting f 100.— zou gegolden
hebben, zal hij nu niet slechts / 80.— maar / 90.—
besteden; slechts de helft der belasting slaat zich in dit
geval in den prijs neer. In eiken staat derhalve, waar
de grondbelasting niet de eenige belasting is, hangt het
van de hoogte der gemiddelde belasting van de andere
bronnen van inkomst af, welk deel der grondbelasting
door kapitaliseering zal worden geamortiseerd, doch kan
dit nooit met de geheele belasting het geval zijn1).
Hiermede ontzinkt aan de theorie van de onverander-
lijkheid der grondbelasting haar bodem.
Doch hervatten wij den draad van ons verhaal.
De tweeledige quotisatie door Siccama en van Rees
voorgesteld zou bestaan in: 1°. eene belasting naar de
huurwaarde der huizen te heffen van de bewoners. „Zij
rust op de onderstelling, dat de menschen over het
algemeen beetere of slegtere huizen bewoonen, naar-
mate van hun vermogen en middelen van bestaan."
(bl. 26); 2°. eene belasting van 4 °/n der zuivere in-
1) VgL Dr. K. H. Rau, Grundsatze der Finanzwissenschaft, 4e dr.,
1860, Dl. ir, bl. 21—23.
Schaffle, Steuerpolitik, bl. 183.
Dr. Josef Kaizl, Die Lehre von der Ueberwalzung der Steuern,
Leipz. 1882, bl. 85—89.
Paul Leroy-Beaulieu, Traite de la science des finances, Paris, 1877,
Dl. I, bl. 299—301.
-ocr page 87-
71
komsten. Deze beide personeele belastingen zouden
strekken ter vervanging van de oude „ genieene midde-
len, haven-speciën en dergelijke indirecte belastingen,"
welke door de ontwerpers strijdig met hunne voorop-
gestelde beginselen werden gekeurd (bl. 78). Zij meen-
den, dat de vier door hen voorgestelde belastingen
voldoende zouden zijn tot dekking der staatsuitgaven.
Voorzichtigheidshalve stelden zij echter voor, uit de be-
staande belastingen nog over te nemen, „het recht op
de collaterale successie, het recht op aliënatien en Hy-
potheken van Goederen en het recht op het Klein
Zegel." Ook de rechten op den in- en uitvoer, tot een
bedrag van twee millioen gulden, vonden voorloopig
genade in de oogen der ontwerpers. Zij achtten al deze
middelen evenwel niet beter dan de andere indirecte
belastingen, en bevalen ze alleen uit noodzaak aan.
Op deze voorstellen kwam het plan van Siccarna en
van Rees in hoofdzaak neer. De commissie tot het ont-
werpen der staatsregeling zat intusschen ook niet stil.
Na den 22 Januari herzag zij het grootendeels reeds
voltooide ontwerp, voor zoo ver het noodig bleek, en
leverde haren arbeid den 17 Maart bij de Constitu-
eerende Vergadering in; zonder beraadslaging werd het
ontwerp in zijn geheel aangenomen x). Vervolgens werd
het aan het volk aangeboden, en den 23 April namen
de, vooraf wijselijk gezuiverde, grondvergaderingen het
1) Vgl. Kogge, t. a. p. bl. 538 v.v.
-ocr page 88-
72
met groote meerderheid aan. Het Bataafsche volk had
eene Staatsregeling verkregen *).
Art. 210 behelsde de grondslagen van het nieuwe
stelsel van algeraeene belastingen, dat binnen één jaar
na de eerste zitting van het Vertegenwoordigend Lichaam2)
door het Uitvoerend Bewind aan die vergadering moest
worden ingediend. Het zou zoodanig moeten ingericht zijn,
„dat alle de belastingen en ieder derzelven, zoo veel moog-
lijk, geëvenredigd zijn aan het betreklijk vermogen der
Ingezetenen, en opgemaakt uit de vergelijking van der-
zelver bezittingen, inkomsten en bekende verteeringen.\'\'
Daarbij zouden de volgende regelen in acht genomen
moeten worden:
De belastingen op onroerende goederen zouden —
met afwijking van het voorstel van Siccama en van
Rees — in de geheele republiek op gelijke wijze naar
de waarde belast worden 3).
Bij voorbaat werd de in Friesland afgeschafte reëele
belasting weer ingevoerd, zonder opheffing evenwel van
de belasting op de rijtuigen, die gedeeltelijk ter ver-
vanging der eerste had gestrekt4).
1)  Zie Publ. 6 Mei 1798. Verz. VIII, n<>. 37a.
Vgl. Rogge, t. a. p. bl. 560 v.v.
Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 881.
De Bosch Kemper, t. a. p. bl. 282.
2)  De Constitueerende Vergadering werd met de aanneming der
Staatsregeling Vertegenwoordigend Lichaam.
3)  Vgl. Zillesen, Gesch. d. Nederl. Dl. VI, bl. 333.
4)  Vgl. Siukenga, t. a. p. bl. 55.
-ocr page 89-
73
Er zou geen hoofdgeld zonder evenredigheid aan het
vermogen geheven worden, en overal, waar dat nog
plaats had, zou zoodanige belasting ophouden met het
einde van het eerste jaar na de aanneming der Staats-
regeling.
Ten gevolge van deze bepaling werden de hoofdgel-
den in Overijsel, Stad en Lande en Drenthe vervangen
door eene in de drie gewesten op gelijken voet geheven
belasting naar het inkomen \').
Er zou ten spoedigste over de geheele Republiek
eene belasting op de collaterale successie en eene op
het klein zegel worden ingevoerd.
Alle belastingen „op het consumtieve, indien en voor
zoo verre die plaats zullen hebben," zouden noodzake-
lijke levensbehoeften vrijlaten.
Naar gelang het nieuwe stelsel van belastingen in
werking zou komen en voldoende blijken, zouden de
oude worden afgeschaft. De nieuwe belastingen zouden
uiterlijk binnen twee jaren na de aanneming der Staats-
regeling ingevoerd moeten worden (art. 211).
De beginselen neergelegd in art. 210 weken alzoo
weinig af van die, gehuldigd in art. 426 van het ont-
werp 1797 en in het rapport van Siccama en van Rees.
Ter voldoening aan art. 211 werd door het Uitvoe-
rend Bewind in Juli 1799 tot het Vertegenwoordigend
]) Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 56.
-ocr page 90-
74
Lichaam een brief gericht, waarin een nieuw stelsel
van algemeene belastingen werd ontvouwd *). Deze brief
werd den 31 dier maand in het Vertegenwoordigend
Lichaam ter tafel gebracht, waarna eene commissie van
9 leden werd benoemd tot onderzoek van het daarin
opgesloten belastingstelsel. Deze commissie deed echter
meer; zij onderzocht niet slechts den inhoud van den
brief van het Uitvoerend Bewind, maar werkte in een
uitvoerig rapport een zelfstandig stelsel van belastingen
uit3). Natuurlijk was zoowel het plan van het Uitvoe-
rend Bewind, als dat der commissie gegrond op de be-
ginselen, neergelegd in art. 210 der Staatsregeling3).
Ook kwamen de beide stelsels in hoofdpunten bijna
geheel met elkander overeen. Zoowel het stelsel van
het Uitvoerend Bewind, als dat van de commissie be-
rustte op de toen algemeen geldende leer, dat de be-
lasting de ruilpraestatie is voor de diensten door den
1)  Zie Besluiten der le Kamer van het Vertegenw. Lich. Augus-
tus 1799, Dl. XIII, le stuk, 2e bijlage van de besluiten van 31 Juli.
2)  Zie Handelingen van het Vertegenwoordigend Lichaam, IX, bl.
507. Naar den eersten onderteekenaar is het rapport bekend als het
rapport van Appelius c. s.
Het rapport is ook afzonderlijk verschenen.
3)   Eene partijdige en weinig billijke critiek op het plan van Ap-
pelius c. s. leverde G. K. van Hogendorp in zijne Gedachten over
\'s Lands finantië\'n. Zie bijv. bl. 82, waar hij de commissie verwijt te
veel te blijven hangen aan het beginsel van eenheid der belastingen,
als ware zij aan art. 210 der constitutie niet gebonden.
Meer waardeerend is het oordeel van Zillesen, Gesch. d. Nederl.
Dl. VI, bl. 234.
-ocr page 91-
75
Staat aan het individu bewezen. Evenals Siccama en
van Rees leidden zoowel het Uitvoerend Bewind, als de
commissie hieruit af, dat de belastingen in juiste even-
redigheid aan het vermogen moeten gedragen worden.
Toch waren de stelsels door het Uitvoerend Bewind
en de commissie voorgedragen veel minder revolutionair
dan het plan van Siccama en van Rees. In het rapport
der commissie werd dan ook vooropgesteld, dat de een-
heid in zake van belastingen, hoe wenschelijk ook, be-
hoedzaam moest worden ingevoerd, daar „ eene gezonde
staatkunde zich zooveel mogelijk naar oude vooroordee-
len, naar oude gebruiken en vooral naar den bekenden
volksgeest schikt." Ten gevolge van deze concessie aan
de eischen der historische school viel het stelsel der
commissie iets minder stelselmatig, maar daarentegen veel
praktischer uit, dan het plan van Siccama en van Rees.
Wij zullen hiermede van den brief van het Uitvoe-
rend Bewind en het rapport der commissie afstappen,
en alleen nog mededeelen, welk stelsel van algemeene
belastingen, naar aanleiding der gedane voorstellen, door
het Vertegenwoordigend Lichaam, na langdurige en dik-
wijls heftige beraadslagingen, den 25 Maart 1801 werd
aangenomen1). Er werd besloten, dat zou worden in-
gevoerd :
1) Zie Handelingen, IX, bl. 752, XI, bl. 186—202, 810—831.
Vgl. Appelius, t. a. p. bl. 153—157.
Sickenga, t. a. p. bl. 63—75.
-ocr page 92-
7fi
Eene verponding van alle vaste goederen naar de
huurwaarde; fabrieken en trafieken zouden hierin een
derde lager worden aangeslagen dan andere onroerende
goedereu 1).
Een land- en huisgeld, eene belasting op de onzui-
vere huur ten laste van den gebruiker van huizen en
landerijen, tot een bedrag van 7°/0 der jaarlijksche
huur2). Deze huur werd beschouwd als kenmerk van
de gegoedheid der gebruikers. Het is echter eene klaar-
blijkelijke dwaling huur van woningen en huur van
landerijen in dit opzicht gelijk te stellen.
Een progressief dienstbodengeld, waarvan werkboden
zouden zijn vrijgesteld, en dat voor mannelijke dienst-
boden hooger zou zijn dan voor vrouwelijke 3). Al deze
bepalingen verdienen onverdeelde instemming.
Een eveneens progressief ,, pleiziergeld" op de paar-
den. Werkpaarden zouden hiervan zijn vrijgesteld en
paarden tot werk en vermaak dienende lager belast
worden 4).
Een lastgeld van vaartuigen, afhankelijk van de grootte
en de vaart en verschillend voor vrachtschepen, beurt-
schepen en pleiziervaartuigen 5).
Verschillende indirecte belastingen, waartoe zouden
1)  Zie Handelingen, IX, bl. 579—628, 746, XI, bl. 244—253, 398.
2)   Handelingen, IX, bl. 628, 739, 751. XI, bl. 276, 386—398.
3)  Handelingen, IX, bl. 629, 630, 639. XI, bl. 286—289.
4)  Handelingen, IX, bl. 632. XI, bl. 290.
5)  Handelingen, IX, bl. 697, XI, bl. 308.
-ocr page 93-
77
behooren in- en uitgaande rechten, accijnzen op niet
noodzakelijke levensbehoeften (hetgeen niet belet, dat
ook zout, zeep, tarwe en vleesch daaraan onderworpen
zouden zijn), rechten op de waag en op de ronde maat,
een recht op het klein zegel, een recht op de collate-
rale successie en een collectief zegela). Deze laatste be-
lasting, een recht op kwitantiën van betaalden impost,
zou voornamelijk strekken ter controleering van de in-
vordering der andere onbeschreven middelen.
De opbrengst van alle middelen te zamen zou, vol-
gens de raming voorkomende in het rapport van Appe-
lius c. s., omstreeks 41 millioen gulden bedragen. Ruim
25 millioen zou uit de onbeschreven-, nog geen 16 mil-
lioen uit de beschreven middelen gevonden worden.
Ten opzichte der indirecte belastingen bestond alzoo
een groot onderscheid tusschen het aangenomen stelsel
en het plan van Siccama en van Rees. Terwijl in het
laatste slechts noode eenige indirecte belastingen waren
opgenomen, zou volgens het eerste de opbrengst dier
belastingen het belangrijkste deel der staatsinkomsten zijn.
Aan het einde van het besluit tot vaststelling van
het stelsel van algemeene belastingen werden de oude
1) Handelingen, IX, bl. 644, 661—669, 677—698, Xi.bl. 290—308
en 402.
Tot het invoeren van eene belasting op de inkomsten werd eerst
besloten, doch dit besluit werd later weer vernietigd. Zie Handelin-
gen, XI, 392, 412, 503.
-ocr page 94-
78
belastingen, die door de invoering der nieuwe zouden
vervallen, met name aangewezen.
Volgens art. 208 der staatsregeling zou het Verte-
genwoordigend Lichaam na de invoering der algemeene
belastingen jaarlijks beslissen of daarin veranderingen
zouden gebracht moeten worden. Geene wet, waarbij
eene nieuwe belasting werd ingevoerd, zou langer van
kracht zijn dan één jaar, indien zij niet uitdrukkelijk
vernieuwd werd. De afzonderlijke administratie van de
middelen te water zou bij de invoering van het nieuwe
stelsel ophouden (art. 210 f.)
Doch niet alle hervormingen op financieel gebied zou-
den afhangen van de invoering der algemeene belastin-
gen. Als gevolg van de aan het hoofd der staatsrege-
ling gedecreteerde een- en ondeelbaarheid van de Ba-
taafsche republiek stempelde art. 200 alle inkomsten
der generaliteits-, provinciale- en kwartierskassen tot
nationale inkomsten van het geheele volk.
Hierdoor werd de overgang der provinciale tot rijks-
belastingen, welke reeds bij het besluit van 25 Januari
was bepaald, voor het vervolg bevestigd. Aan de de-
partementale besturen bleef slechts de verplichting op-
gedragen hunne medewerking te verleenen bij de invor-
dering der nationale belastingen (art. 179).
Volgens art. 3 zou de republiek worden verdeeld in
acht departementen; zoolang deze verdeeling nog niet
was ingevoerd, zouden echter volgens het IXde derad-
-ocr page 95-
79
ditioneele artikelen de administratieve besturen der oude
gewesten in functie blijven. Deze voorloopige toestand
bleef voortduren tot den 17 November 1798, op wei-
ken dag de nieuwe verdeeling in departementen in
werking trad 1). Het Vertegenwoordigend Lichaam was
evenwel genoodzaakt te besluiten, dat ,, niettegenstaande
het in trein brengen der nieuwe Departementale ver-
deeling — voor zooverre de oude of thands nog be-
staande belastingen betreft, de voormaalige verdeeling
der Republiek, form en wetten zullen blijven in haar
geheel en zulks voor elk middel, zoo lang tot dat het-
zelve door een ander werkelijk zal zijn vervangen of
vernietigd" 3). (Publ. 18 Januari 1799, Verz. X n°. 69).
Op de voortduring der oude belastingen, welke hier
opnieuw3) gedecreteerd werd, moest echter ingevolge art.
52 der staatsregeling eene uitzondering worden gemaakt
voor die belastingen, welke eene belemmering oplever-
den voor den doorvoer van vaderlandsche producten
door alle departementen en plaatsen.
Hiertoe was den 6 Augustus 1798 eene commissie
1)  Zie Verz. X, n°. 53.
2)  Zie Handelingen, III, bl. 372 v.v.
Voor het beheer der financiën kwamen in de plaats van de ge-
westelijke besturen „ commissarissen tot de Administratie der Finan-
ticn in de voormalige Gewesten der TSataafsche Republiek." Deze
moesten o. a. „ administreeren de invordering van alle \'s Lands Mid-
delen en Inkomsten, gewoone en buitengewoone." Zie de instructie
dezer ambtenaren in publ. 22 Februari 1799, Verz. X, n°. 81.
3)   Zie Publ. 10 Mei 1798, Verz. VIII, >i°. 40a.
-ocr page 96-
80
benoemd, ten einde te adviseeren, op welke wijze het
spoedigst aan het voorschrift der constitutie kon worden
gevolg gegeven \'). Den 7 September bracht deze com-
missie een voorstel ter tafel. Binnen drie maanden na
het in werking treden van het te nemen besluit zou-
den de belemmeringen op den doorvoer van bezwaarde
goederen worden opgeheven. Voor het overige zouden
de bepalingen omtrent den in-, uit- en doorvoer tus-
schen de verschillende oude gewesten voorloopig onver-
anderd blijven 2).
Den 17 September werd overeenkomstig het voorstel
der commissie besloten 3), ten gevolge waarvan met den
1 Januari 1799 de tollen op den doorvoer door de oude
gewesten vervielen. Die op den in- en uitvoer en evenzoo
de tollen en andere belastingen, gevorderd tot onder-
houd van bruggen, wegen, enz., bleven onveranderd *).
Daar dit besluit, volgens art. 208 der constitutie,
slechts gedurende één jaar van kracht was, werd het
in de beide volgende jaren, telkens in October, ver-
nieuwd 5).
1)  Handelingen, II, bl. 348.
2)  Zie Handelingen, II, bl. 466.
3)  Zie Handelingen, II, bl. 550—556. III, bl. 398 v.v. en 528.
Publ. 1 October 1798. Verz. IX, n°. 38.
Publ. 28 December 1798. Verz. X, n". 65.
4)  Vgl. Advies van Appelius, Handelingen, III, bl. 950.
5)  Zie Publ. 5 October 1799, Verz. XII, n». 133.
Publ. 11 October 1800. Vfirz. XIV, n«. 204.
-ocr page 97-
81
Volgens art. 175—177 werden „de huislijke Depar-
tementaale Kosten, voor ieder Departement, —jaarlijks,
door het Vertegenwoordigend Lichaam bepaald;" en
werden ter bestrijding dier kosten aan de departemen-
ten bepaalde sommen uit \'s rijks schatkist toegestaan.
Departementale belastingen kende de staatsregeling van
1798 niet1).
De plaatselijke bleven door de staatsregeling onaan-
getast, slechts verklaarde art. 26 der algemeene begin-
selen het recht van exue binnen de republiek voor ver-
nietigd en maakte daardoor de afschaffing, die in Hol-
land en Utrecht reeds vroeger had plaats gevonden,
algemeen. Men was het er echter niet over eens, of de
bepaling van art. 26 het recht van exue ook tegenover
buitenlanders deed vervallen 2).
Het recht der gemeentebesturen tot het uitschrijven
van nieuwe belastingen werd te recht zeer beperkt.
Volgens art. 194 zou geen gemeentebestuur eenige plaat-
selijke belasting mogen vaststellen, „dan na alvoorens
Eene hervorming van minder beteekenis had plaats in Overijsel
door de opheffing van het monopoliestelsel op de dranken. Vgl.
Sickenga, t. a. p. bl, 56.
1)  Vgl. Mr. J. N. Basterl, De Provincie in Nederland, Utrecht
1883, bl. 10.
Hetgeen Mr. Sickenga hieromtrent meedeelt (t. a. p. bl. 55), is te
eenen male onjuist en berust deels op verwarring van de tot rijks-
belastingen geworden provinciale middelen met departementale be-
lastingen, deels op verkeerde lezing van art. 188 der Staatsregeling.
2)  Zie Handelingen, IX, bl. 751.
6
-ocr page 98-
82
daaromtrent te hebben gehandeld, en te zijn overeen-
gekomen met gevolmagtigden uit de Stembevoegde Bur-
geren binnen deszelfs gemeente — en onder opvolgende
goedkeuring van het Vertegenwoordigend Lichaam."
Kwamen voorstellen tot het heffen van nieuwe plaat-
selijke belastingen bij het Vertegenwoordigend Lichaam
in, dan liet deze vergadering zich bij hare goed- of af-
keuring gewoonlijk leiden door de overweging, of de
beginselen in de staatsregeling omtrent belastingen neer-
gelegd in de voorstellen al of niet waren gehuldigd.
Accijnzen op noodzakelijke levensmiddelen en plaatselijke
invoerrechten werden slechts zelden toegestaan *).
Het reglement voor de gemeentebesturen, dat inge-
volge art. 191 door het Vertegenwoordigend Lichaam
werd vastgesteld en hetwelk eerst den 6 Februari 1801
(Verz. XV, n°. 229) kon worden afgekondigd, gaf nog
enkele nadere voorschriften over de plaatselijke fman-
ciën. Nieuwe plaatselijke belastingen moesten volgens
art. 107 „worden omgeslagen over alle de Ingezetenen
van de Gemeente, na alvorens, over de wijze van Om-
slag, de bekrachtiging van het Departementaal Bestuur
bekomen te hebben."
Een nieuwe voorzorg werd derhalve ingevoerd. Niet
alleen zou elke voorloopig vastgestelde belasting aan
de goedkeuring van het Vertegenwoordigend Lichaam
1) Vgl. Sickenga, t. a. p. bl. 57.
-ocr page 99-
83
onderworpen zijn, maar bovendien zou het departementaal
bestuur telkens onderzoeken, of de kenmerken van ge-
goedheid door het gemeentebestuur voor de verdecling
van zijnen omslag aangenomen, werkelijk als zoodanig
mochten gelden.
Werden twee plaatsen onder één gemeentebestuur ge-
bracht, dan zouden de geldmiddelen dier plaatsen afge-
scheiden blijven, totdat de ingezetenen bij meerderheid
van stemmen zouden hebben beslist, of zij al dan niet
vereeniging in het financiëele wenschelijk keurden (art.
101, 102 en 104). De beginnende reactie tegen de over-
dreven zucht tot centralisatie doet zich in deze artikelen
reeds merkbaar gelden.
Aangezien de voorschriften van constitutie en regie-
ment — op eene kleine uitzondering na — alleen de
nieuw in te voeren plaatselijke belastingen raakten en
de bestaande op den ouden voet lieten, hleef de feite-
lijke toestand der gemeentelijke middelen onder de wer-
king der staatsregeling van 1798 vrij wel onveranderd.
Voor wij van deze staatsregeling en hare gevolgen
afstappen, moet nog met een enkel woord over de bui-
tengewone heffingen worden gesproken.
Volgens art. 209 der constitutie zouden buitengewone
uitgaven zooveel mogelijk uit buitengewone heffingen,
als dons gratuits, evenredig aan de inkomsten en de
verteringen der ingezetenen moeten bestreden worden.
Werden dergelijke uitgaven uit leeningen bekostigd, dan
-ocr page 100-
84
zou voor rente en aflossing eene tijdelijke belasting moeten
geheven worden. Dit voorschrift moest maar al te dik-
wijls worden nagekomen. Reeds dadelijk na zijn optre-
den moest het Uitvoerend Bewind bekend maken, dat
alle uitgeschreven buitengewone heffingen zouden voort-
gang hebben J); met name werd op de voldoening van
de onder het vorig bestuur zoozeer aangevochten hef-
fing voor de marine aangedrongen 2). Maar hierbij bleef
het niet; ettelijke buitengewone heffingen van een deel
der inkomsten of der bezittingen van de ingezetenen
der republiek volgden elkander op 3). Elke nieuwe hef-
fing werd zwaarder dan de voorgaande gevoeld, en daar
voor de opmaking der kohieren het stelsel van eigen
aangifte gevolgd werd, hielden de ontduikingen met de
stijging van den druk gelijken tred. De opbrengst der
heffingen verminderde dan ook telkens, zoowel door
den achteruitgang der volkswelvaart, als door de toe-
neming der ontduiking.
Dat de heffingen eene ware plaag voor het land waren,
ligt voor de hand. Men zij echter niet te haastig in de
veroordeeling dezer belastingen. Het was eene zeer goede
1)   Zie publicatie van 30 Januari 1798, Verz. VII, n°. 3».
2)  Zie publicatie van 20 Maart 1798, Verz. VII, n°. 17".
3)  Vgl. Zillescn, Gesch. d. Nederl. Dl. VI, bl. 342.
Van Voorthuijsen, t. a. p. II, bl. 206—216.
Metelerkamp, De toest. v. Nederl. tabel III achter Dl. II, bl. 86.
Appelius, t. a. p. bl. 128 v.v.
Sickenga, t. a. p. bl. 57—63.
-ocr page 101-
85
staatkunde buitengewone uitgaven zooveel mogelijk met
buitengewone belastingen te dekken. Het kon dan ook
niet de vraag zijn, of er al dan niet buitengewone be-
lastingen zonden geheven worden, maar alleen of men
buitengewone inkomsten- en kapitaalbelastingen dan wel
andere heffen zou. De oude provinciale belastingen nu
drukten te ongelijk, dan dat eene eenigszins afdoende
verhooging van deze middelen billijk, ja mogelijk ge-
weest zou zijn. Was het wonder, dat men zich in die
omstandigheden aan de heffingen van kapitaal en in-
komen vastklampte?
Men kan den achteruitgang der volkswelvaart onder
den druk der buitengewone heffingen betreuren; de uit-
schrijving dezer belastingen aan de staatslieden van die
dagen verwijten, kan men in billijkheid niet. Zouden zij,
wier critiek te dezen opzichte gewoonlijk zoo scherp is,
een minder verderfelijk middel van inkomst voor den
staat hebben weten te vinden?
De buitengewone heffingen waren gedurende dit tijd-
vak, naast de middelen te water, de eenige belastingen,
die over de geheele republiek op eenparigen voet ge-
heven werden. De provinciale belastingen waren wel
rijksbelastingen geworden, maar drukten daardoor niet
gelijker; een stelsel van algemeene belastingen was wel
aangenomen, maar niet in praktijk gebracht. De ge-
meentebelastingen hadden zelfs geene ingrijpende rege-
ling ondergaan.
-ocr page 102-
Sfi
§ 3. 1801—1805.
Hoewel de staatsregeling van 1798 in art. 304 ver-
bood vóór het einde van het jaar 1803 eenigerlei ver-
andering in de constitutie te maken, werd reeds voor-
dat ten volle drie jaren sedert hare vaststelling verloopen
waren, een voorstel tot wijziging uitgebracht. De over-
dreven centralisatie gaf tot zooveel moeilijkheden aan-
leiding, dat de bepaling van art. 304 moest worden op
zijde gezet.
Het Uitvoerend Bewind deed den 2 Maart 1801 een
voorstel tot herziening der staatsregeling aan het Ver-
tegenwoordigend Lichaam toekomen. De Eerste Kamer
stelde het in handen eener commissie, welke den 17
dier maand adviseerde het in overweging te nemen; bij
dit advies sloot de Kamer zich aan a). Ten gevolge van
dit besluit werd het voorstel andermaal in handen der
commissie gesteld, ten einde een nader onderzoek daar-
omtrent in te stellen. Den 19 Mei was zij hiermede
gereed en bracht zij haar rapport in de vergadering uit,
vergezeld van een ontwerp voor eene nieuwe staatsre-
geling als bijlage 3). Heftige discussiën ontsponnen zich
over het rapport en de bijlage, met dit gevolg dat den
11 Juni 1801 het voorstel van het Uitvoerend Bewind
1)  Zie Handelingen, XI, bl. 757.
2)  Zie over het rapport: Handelingen, XII, bl. 265, 282—290; en
het ontwerp ibidem, bl. 290-312.
-ocr page 103-
87
en het ontwerp der commissie beide werden verworpen :).
Men wilde art. 304 der bestaande constitutie niet schenden.
Deze uitslag was niet alleen hoogst onbevredigend voor
hen, die verandering wilden, maar strookte ook weinig
met Frankrijks wenschen. Doch ook nu weer werd met
geweld doorgedreven, wat langs anderen weg niet was
te verkrijgen geweest.
Den 18 September lieten drie leden van het Uitvoe-
rend Bewind de deuren der vergaderzaal van het Ver-
tegenwoordigend Lichaam verzegelen en de toegangen
door militairen afzetten. Deze daad was een gevolg van
het besluit, vier dagen te voren door die vergadering
genomen, tot schorsing van de proclamatie van het
Uitvoerend Bewind, waarbij aan het volk werd aange-
boden het ontwerp eerier nieuwe Staatsregeling in vele
opzichten overeenstemmende met het ontwerp, dat eenige
maanden te voren door de Eerste Kamer was verworpen.
De schorsing der proclamatie bleef nu zonder uit-
werking. Het volk werd tegen den 1 October tot
stemming over het ontwerp opgeroepen 3) en den 16
dier maand werd het ontwerp ten gevolge — of liever
niettegenstaande — deo uitslag der stemming als Staats-
regeling geproclameerd s).
1)  Zie Handelingen, XIT, bl. 547—549.
2)  Zie Vere. XVI, n». 269 en 270.
3)   Zie Verz. XVI, n<>. 273.
Vgl. Appelius, t. a. p. bl. 162—166.
-ocr page 104-
8S
Evenwel, al kwam men terug van de overdreven
centralisatie, men wilde geenszins den toestand van
vóór 1795 doen herleven. Ook volgens de nieuwe Staats-
regeling was het Bataafsche Gemeenebest een en on-
deelbaar (art. 20). De belastingen, welke strekken moesten
tot bestrijdiug van de kosten van het Staatsbestuur
zouden bij voortduring onmiddellijk in de nationale kas
vloeien. Toch was er op financieel gebied groote reactie.
Volgens art. 90 van het door de Eerste Kamer ver-
worpen ontwerp zouden de grondlasten in de geheele
republiek op den bestaanden voet blijven, en „ voor \'t
overige het stelsel van Algemeene Belastingen op den
25 Maart 1801 gedecreteerd ten spoedigste worden
ingevoerd." De Staatsregeling zelve ging echter veel
verder. Haar art. 57 bepaalde: ,, De tegenwoordige
Belastingen zullen blijven op den voet, zooals dezelve
thans in ieder der voormalige Gewesten plaats hebben,
zijnde echter alle Wetten en Ordonnantie!! dienaangaande
aan herziening onderworpen1); en kunnen dezelve
Belastingen, bij het opleggen van soortgelijke algemeene,
worden afgeschaft of veranderd."
Mocht de opbrengst dezer belastingen niet voldoende
Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 894 v.v.
De Bosch Kempcr, t. a. p. bl. 297—302.
Bastert, t. a. p. bl. 12, 13.
1) Het monopoliestelsel voor de invordering van den accijns op gedis-
tilleerd werd in Overijsel weder ingevoerd. Vgl. Sickenga, t. a. p. bl 78.
-ocr page 105-
59
zijn tot dekking der gewone Staatsuitgaven, dan zon
het Staatsbewind nieuwe algemeene belastingen aan liet
Wetgevend Lichaam voorstellen (art. 40). Deze nieuwe
gewone lasten zouden „ gelijkelijk door alle de Inge-
zetenen der Republiek naar gelang van derzelver ln-
komsten gedragen worden" (art. 58).
Volgens het oorspronkelijk ontwerp moest het Wet-
gevend Lichaam, evenals onder de vorige Staatsregeling,
jaarlijks beslissen „over het continueeren, vermeerderen
of verminderen der gewoone Belastingen" (art. 92).
Doch ook hieromtrent week de Staatsregeling van 1801
van haar voorgangster af; wel zou het Staatsbewind
jaarlijks aan het Wetgevend Lichaam de inwilliging
der vereischte geldmiddelen vragen, maar alleen buiten-
gewone lasten zouden niet langer dan voor cén jaar
voorgedragen worden (art. 40).
Het voorschrift, buitengewone uitgaven met buiten-
gewone belastingen te dekken, werd ook in de nieuwe
Staatsregeling teruggevonden.
Maar daarentegen verviel de bepaling (welke het
oorspronkelijk ontwerp nog had willen behouden)*) dat
ook de buitengewone lasten aan de bezittingen of de
inkomsten der ingezetenen evenredig moesten zijn.
Ten gevolge hiervan bestaat er dan ook geen con-
stitutioneel bezwaar tegen de besluiten van April en
1) Zie Handelingen, XII, bl. 301, art. 92.
-ocr page 106-
90
Mei 1803, waarbij de gemeene middelen, in de depar-
tementen geheven, met een tiende werden verhoogd \').
Daarentegen was het lijnrecht in strijd met art. 40 der
Staatsregeling deze verhooging voor den tijd van twee
jaren vast te stellen.
Doch de vermeerdering van inkomsten, die van dezen
maatregel het gevolg was, kon de groote behoeften op
verre na niet dekken. Alweer moest het middel der
buitengewone heffingen worden te baat genomen. Ver-
scheidene van die heffingen hadden gedurende de jaren
1801 tot 1805 plaats3); eerst het nieuwe Staatsbestuur,
dat in 1805 optrad, maakte aan deze kwelling een einde.
Eigenaardig is het op te merken, dat sedert 1795 een
geleidelijke overgang in het karakter der buitengewone
heffingen plaats greep: eerst waren het overwegend
gedwongen leeningen, van 1798 tot 1801 bleven de
1)  Zie Verz. XVIII, n". 353, 354, 358, 360—362, 364 en 366.
Bij publicatie van 28 Februari 1805 (Verz. XX, n°. 441) werd
deze verhooging in alle departementen voor één jaar verlengd.
2)   Vgl. Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 838.
Engels, t. a. p. bl. 180.
Van Voorthuijsen, t. a. p. bl. 219 v.v.
E. J. Schimmelpenninck en eenige gebeurtenissen van zijnen tijd,
1845, Dl. II, bl. 67—72, 119 en 124.
J. A. Sillem, De polit. en staathuishoudk. werkzaamheid van I.
J. A. Gogel. Amst. 1864, bl. 161.
Sickenga, t. a. p. bl. 81—91. Ten onrechte meent deze schrijver,
dat door de publicatie van 17 Februari 1803 (Verz. XVII, n<>. 352)
werd gebroken met het stelsel van geheimhouding der aangiften van de
belastingplichtigen. Zie ook de publ. van 9 Juli 1804 (Verz. XIX, n°. 420).
-ocr page 107-
91
heffingen van een deel der bezittingen dit karakter be-
houden en werden de heffingen van een deel der in-
komsten dons gratuits, van 1801 tot 1805 namen alle
heffingen het karakter van dons gratuits aan. Deze
overgang laat zich uit de schrikbarende stijging van
den schuldenlast gereedelijk verklaren.
Ten opzichte der verdeeling van het rijk keerde de
staatsregeling van 1801 schier geheel tot den ouden
toestand terug. Slechts de naam departement bleef be-
houden1), de grensscheidingen kwamen overeen met
die der vroegere gewesten; Braband maakte het achtste
departement uit, Drenthe werd met Overijsel tot één
departement vereenigd.
Aan de departementale besturen werd het toezicht
op de invordering der nationale middelen, maar ook
niet meer dan dat, opgedragen 2). Hieromtrent slopen
echter spoedig zulke groote misbruiken in, dat het
1)  „La province se distingue d\'un departement comme d\'une pure
circouscription territoriale arbitraire, surtout au point de vue histo-
rique, par la commuuauté d\'affections, par les traditions, les souve-
nirs des families, des communes, même par les idiömes par lesquels
les diverses parties se trouvent unies." Ahrens. Cours de droit na-
turel; ed. 18(58, II, bl. 460.
2)  Zie de reglementen voor de departementen van 1802.
Vgl. Missive van 18 April 1803 van Thesaurier-Generaal en Raaden
van finantiën aan het Staats-Bewind (Rijksarchief). Deze missive is
hoogst belangrijk voor de kennis der verhouding van het gezag van
het Staatsbewind en dat van de departementale besturen ten opzichte
der financiën.
-ocr page 108-
92
Staatsbewind den 13 September 1802, uit overweging
„dat sommige departementale besturen, overschrijdende
de hun toegekende beheering over de fin anti ën van den
Staat, en derzelver Departementen, zich veroorloofden
ruimschoots te disponeeren over de Nationale Cas,"
zich genoodzaakt zag, tot die besturen eene aanschrijving
te richten, opdat zij zich binnen de perken hunner
bevoegdheid zouden houden J).
Volgens art. 65 kregen de departementale besturen
de bevoegdheid tot regeling der kosten hunner eigen
huishouding. Behalve uit leeningen en opbrengsten van
bezittingen jure privato zouden deze kosten worden ge-
dekt met departementale belastingen. Dit onderwerp
werd op de volgende wijze nader geregeld.
Tot goedmaking der gewone departementale kosten
moesten de departementale besturen begrootingen aan
het Staatsbewind voordragen, ,, alsmede welke artikelen
der thans in hetzelve Departement geheven wordende
Belastingen voortaan tot stijving van dezelve kosten in
de kas van hetzelve zouden behooren te worden gestort
en in het vervolg als Departementale Belastingen aan-
gemerkt. In gevalle deze in vervolg van tijd niet toe-
reikende bevonden mogten worden, draagt het Depar-
tement nieuwe Departementale Belastingen voor, welke
1) Notulen van het Staats-Bewind, besluit van 13 September 1802,
n°. 60. Vgl. besluiten van 15 Juni 1802, n°. 68a en van 8 Augus-
tus 1803, n°. 23.
-ocr page 109-
98
echter niet zullen mogen gelegd worden op den door-
voer door, den uitvoer naar, of den invoer uit eenig
ander departement. Zullende mede de voortbrengzelen
van den grond of de nijverheid van andere Departe-
menten nimmer mogen worden bezwaard, boven die
van het Departement zelve, alwaar de Belasting geheven
wordt" (art. 66).
De belastingen die aan de departementen werden af-
gestaan tot bestrijding der huishoudelijke uitgaven, zou-
den, volgens art. 57, naar gelang van de vermeerdering
of vermindering dezer uitgaven door de departementale
besturen worden verhoogd of verlaagd ]).
Moesten nieuwe departementale belastingen worden
ingevoerd, dan zou het departementaal bestuur een
voorstel, daartoe strekkende, aan het Staatsbewind doen,
dat hierop de bekrachtiging van het Wetgevend Lichaam
moest verzoeken; „ welke bekrachtiging niet geweigerd
zal mogen worden, dan om redenen, dat de Belasting
of wijze van Heffing voor de algemeene Belastingen
schadelijk zoude zijn, of strijdig bevonden worden met
de bepalingen in art. 66 vervat."
Deze bepaling kan niet anders dan onverdeelde in-
stemming vinden; zij vereenigt op uitstekende wijze de
gewenschte zelfstandigheid van het gewest met zijne
1) Vgl. Bastert, t. a. p. bl. 13.
-ocr page 110-
94
noodzakelijke afhankelijkheid van het Staatsbestuur \').
Had de staatsregeling het maken eener wet houdende
algcmeene regelen voor de departementale belastingen
voorgeschreven, en de goed- of afkeuring der voorstellen
laten afhangen van het al of niet opvolgen dezer regelen,
zij zou in dit opzicht een model geweest zijn.
De voorschriften in de staatsregeling omtrent de in-
voering van nieuwe departementale belastingen gegeven,
werden nog aangevuld door eene bepaling voorkomende
in de meeste der reglementen voor de departementen,
welke in 1802 werden vastgesteld.
Hier werd namelijk bepaald, dat de departementale
besturen geene nieuwe belastingen zouden mogen heffen
zonder de goedkeuring van gecommitteerden uit de in-
gezetenen. Zoo kwam men voor het meerendeel der
departementen langs een omweg terug tot art. 116 van
het oorspronkelijk ontwerp, dat men eerst had laten vallen.
Van al deze bepalingen bleef in de uitvoering even-
wel weinig over. Gedurende de beide eerste jaren van
het in werking treden der staatsregeling bleef het her-
stel der departementale belastingen geheel achterwege.
Bij voortduring werden op de algemeene begrooting
1) Vgl. de Bosch Kemper, t. a. p. bl. 302 v.v.
Appelius, t. a. p. bl. 189 — 203.
Vitringa, t. a. p. III bl. 202.
Mr. E. Metelerkamp, De regeeringsvorra der vereenigde Nederlanden
\'sllage, 1814, bl. 20.
-ocr page 111-
95
zekere sommen uitgetrokken tot bestrijding der huis-
houdelijke kosten van de departementen. Eerst hij be-
sluit van het Wetgevend Lichaam van 17 December
18031), genomen overeenkomstig de voordracht door
het Staatsbewind den 28 November 2) gedaan, had de
definitieve regeling plaats:
De huishoudelijke departementale kosten waren ge-
raamd:
Braband. .
• «F /
158,050 : -
-: 0
— : 0
Friesland .
• )) >9
484,698 : -
-: 15
— :14
Gelderland.
>9 93
397,557 ; -
-: 0
— : 0
Stad en Lande
ï) ïï
417,395 :-
-;19
— : 0
Holland. .
ï) ))
1053,700 : -
-: 0
— . 0
Overijsel . .
)» )ï
267,040 : -
-: 0
—; 0
Utrecht. .
)> )J
306,212 :-
-: 0
— : 0
Zeeland. . .
J) ȕ
470,800 : -
-: 5
— : 0
Het is niet van belang ontbloot, bij deze raming
reeds aanstonds op te merken, dat het gewest Holland,
welks bevolking ruim een derde van die der geheele
republiek bedroeg, voor kosten van departementale huis-
houding nog geen derde behoefde van de som dier
1)   Te vinden in het Register der besluiten van het Wetgevend
Lichaam op die dagteekening (Rijksarchief).
2)  Zie Notulen van het Staatsbewind, 28 Nov. 1803, n°. |$.
Rij secreet besluit van 24 Januari 1803 was eene voorloopige re-
geling voorgesteld en aan den Thesaurier-Generaal en Raaden van
Finantiën opgedragen met afgevaardigden van de departementale be-
sturen hierover te onderhandelen. Van deze onderhandelingen was de
voordracht van 28 Nov. 1803 het gevolg.
-ocr page 112-
96
kosten in alle gewesten der republiek te zamen, zoodat
hetgeen per hoofd tot bestrijding dezer kosten in Hol-
land moest worden opgebracht een weinig lager kon zijn,
dan gemiddeld in de andere departementen het geval was.
Ingevolge de artt. 58 en 66 der Staatsregeling werd
vervolgens besloten aan de departementen aan te wijzen,
„tot het vinden van de Departementale Lasten, een
Aandeel in alle Middelen, immers zoo na mogelijk; —
en zulks in de plaats van de geheele afzondering van
sommige Middelen tot bestrijding van voorsz. Lasten."
Dat de Staatregeling voorschreef aan de departemen-
ten afzonderlijke belastingen en niet zekere aandeelen
in alle rijksmiddelen af te staan, ontveinsde men zich
geenszins. Men achtte deze afwijking van de constitutie
echter gerechtvaardigd door de overweging, dat men
,, bij eene geheele splitsing der middelen volstrekt be-
dugt moest zijn, dat de Nationaale Finantiën ten kosten
der Departementaale zouden moeten worden verwaar-
loosd 1)." Eene overweging die hoogstens tot verontschul-
diging, maar zeker niet tot rechtvaardiging der gevolgde
handelwijze kan strekken. Vooral niet, daar deze eene
afwijking van de constitutie eene tweede ten gevolge
had. Immers de bepaling van art. 57, dat de departe-
mentale besturen de hun aangewezen belastingen zou-
ij Brief van 18 Ootober 1803 Thesaurier-Generaal en Itaadeu van
Finantiën over fleze aangelegenheid (Rijksarchief).
-ocr page 113-
97
den mogen verhoogen of verlagen naar gelang van de
vermeerdering of vermindering hunner uitgaven werd
door de vastgestelde regeling tot eene doode letter.
Op grond nu van de gemaakte raming der departe-
mentale kosten werd het aandeel aan elk departement
toe te kennen in de binnen zijn gebied geheven mid-
delen bepaald voor:
Braband                      op 13 %
Friesland                     „18 % (van de havenmiddelen en
de belasting op de rijtui-
gen 20 %).
Het kwartier Nijmegen „ 23°/0
Zutphen „ 23%
„
        Veluwe „ 28°/o (van het middel op de
dranken 25%).
Stad en Lande
„ 30 °/o (van het collateraal en het
middel op de vrijwillige
verkoopingen 34 %).
Holland
„ 5 °/0 (van het middel op den
boter 14 %).
Overijsel
                       „ 26 °/0 (van den 50sten penning
en het collateraal 24 °/0).
Utrecht
                         „ 14 % (van het eene deel oud-
schildgeld 24 °/0).
Zeeland
                         „ 22 % (van het middel op de
dranken 29%).
-ocr page 114-
98
Hieruit blijkt dat het gewest Holland tot dekking
zijner departementale kosten slechts 5 °/0 der binnen
zijn gebied geheven middelen behoefde, de andere ge-
westen daarentegen gemiddeld ongeveer 22 °/0. Aange-
zien nu, gelijk we zagen, de departementale kosten van
Holland in verhouding tot hare bevolking iets lager
waren, dan die der andere gewesten in gelijke verhou-
ding, mogen we, zonder al te ver mis te tasten, aan-
nemen, dat in Holland een bedrag van 5 °/0 der mid-
delen een gelijke last per hoofd der bevolking was als
in de andere gewesten gemiddeld 20 °/0, met andere
woorden, dat Holland in verhouding tot de bevolking
ongeveer 4 maal zwaarder belast was, dan in de andere
gewesten gemiddeld het geval was. Al neemt men nu
in aanmerking dat Holland welvarender was dan de
andere gewesten en dus tot de bestrijding der kosten
van het rijksbestuur in verhouding tot de bevolking
niet alleen meer kon-, maar ook meer moest bijdragen
dan de andere departementen, dan nog springt de on-
evenredig zware last van dit gewest duidelijk in het
oog. Men wachte zich echter bij de beoordeeling dezer
aangelegenheid voor de overdrijving, waaraan de regee-
ring van 1805 zich wel niet bepaald schuldig maakte,
maar die zij toch in de hand werkte door het volgende
voorbeeld: „Hij toch die, om een voorbeeld daar te
stellen, aan het Departement Holland, slechts l/20 ge-
deelte der voorheen Gewestelijke Inkomsten, tot Depar-
-ocr page 115-
yy
tementaal gebruik, behoefde af te staan, terwijl hij zich
genoodzaakt vond, aan dat van Stad en Lande van
Groningen a/s gedeelte, en van Overijssel en Zeeland
nagenoeg l/t daarvan aan te wijzen, bekwam daardoor
tevens eene in het oog loopende overtuiging van de
ongelijkheid, waarmede de Ingezetenen dier beide
Gewesten, in de Lasten van het Gemeene Vaderland,
tot dusverre hadden voorzien" J). Dit voorbeeld op
zich zelf beschouwd bewijst hoegenaamd niets.
Voor wij van de regeling der departementale lasten
volgens het besluit van December 1803 afstappen,
moet nog worden vermeld, dat enkele middelen geheel
voor het rijk bleven, (dat dit ook met de middelen te
water het geval Avas, spreekt van zelf). Werd eene be-
lasting door eene andere vervangen, dan zou aan het
betrokken departement een gelijk aandeel in de nieuwe
belasting worden toegekend, als het in de oude had
gehad.
Het geheel draagt de duidelijke kenmerken van den
invloed van het Fransche stelsel der sous additionnels.
Bij de aangenomen regeling behoefde men geene split-
sing der bestaande belastingen te maken in nationale
en departementale, en bracht men bovendien te weeg,
dat de departementale besturen onmiddellijk belang-
1) Rapport van den Raadpensionaris behoorende bij het Stantsbe-
sluit van 11 Juni 1805, n». 14».
-ocr page 116-
100
hebbenden bleven bij de richtige invordering der rijks-
middelen.
Hetgeen de staatsregeling van 1801 omtrent de plaat-
selijke belastingen bepaalde, kwam voor een groot deel
overeen met hare voorschriften voor de departementale
middelen. Dat de oude plaatselijke belastingen niet
werden opgeheven, behoeft nauwelijks te worden ver-
meld. Iedere gemeente kreeg de vrije beschikking over
hare financiën. Het plaatselijk bestuur mocht echter
geene belastingen opleggen, dan in overleg met gecom-
mitteerden uit de ingezetenen en onder goedkeuring
van het departementaal bestuur (art. 75)1). Ten op-
zichte der gemeentebelastingen werd niet bepaald, dat
afkeuring alleen zou mogen geschieden op grond van
strijd met de wet of schade voor de algemeene of
departementale belastingen. Dergelijke bepaling voor de
departementale belastingen wel-, voor de plaatselijke
1) Te recht bestrijdt Mr. C. Duijmaer van Twist (Over de bevoegdheid
der Gemeentebesturen, Deventer 1800, bl. 19) de meening, welke door
Boissevain en de Vries schijnt te worden voorgestaan, dat namelijk
onder de Staatsregeling van 1801 de gemeenten geene goedkeuring
tot het heffen van belastingen zouden hebben noodig gehad.
Zie Mr. J. II. G. Boissevain, De gemeentewet opgehelderd door
eene aanteekening, aangevuld door Mr. G. van Oosterwijk, Arnhem
1864, bl. 20 en 21.
Mr. G. de Vries Az., De wetg. macht der pi. besturen, Haarl. 1846, bl.7.
Vgl. Ph. W. v. Heusde, t. a. p. bl. 60.
Mr. J. B. Baron van Hugenpoth tot den Berenclaauw, De Gemeente,
hare vrijheden en hare linantien. Utr. 1867, bl. 17.
-ocr page 117-
101
niet op te nemen, was eene groote inconsequentie.
In de bepalingen omtrent het toezicht op de in-
voering van plaatselijke belastingen verschillen de staats-
regeling van 1798 en die van 1801 alleen hierin, dat
de eerste de goedkeuring aan het centraal gezag, de
laatste aan het departementaal bestuur opdroeg. Ten
einde te beletten, dat de gemeentebelastingen nadeel
toebrengen aan de rijksmiddelen, is goedkeuring door
het centraal gezag zeker wel zoo wenschelijk.
Nieuw op te leggen plaatselijke belastingen mochten
evenmin als de departementale, den in-, uit- of door-
voer belemmeren, of producten uit andere plaatsen
meer bezwaren dan die der gemeente zelve.
Gedurende het overgangstijdperk kwam geenc noe-
menswaardige verandering in de oude belastingen. Alleen
de rechten van staat en gewest op de opbrengst daar-
van waren aan sterke schommeling onderhevig. Eerst
vloeide de opbrengst der middelen te lande geheel in
de provinciale kassen, daarna geheel in de rijksschat-
kist, en ten slotte voor een deel in de laatste, voor
een ander deel in de eerste. De gemeentebelastingen
bleven wat en voor wien ze waren.
-ocr page 118-
DERDE HOOFDSTUK.
Het stelsel van Gogel.
Ook aan de staatsregeling van 1801 was geen lange
levensduur beschoren. Vooral Frankrijks invloed, die
hoe langer zoo machtiger was geworden, deed het
staatsbewind vallen. Had Napoleon als primus inter
pares met welgevallen gezien, dat een aristocratisch
bestuur bij ons de teugels in handen nam, als alleen-
heerscher wilde hij ook hier een eenhoofdig gezag in
het leven roepen. Tot drager van zoodanig gezag scheen
hem Rutger Jan Schimmelpenninck, dien hij had leeren
kennen, toen deze als gezant te Parijs verblijf hield, de
geschikte persoon.
Na lange onderhandelingen keurde Napoleon een
hem door Schimmelpenninck aangeboden ontwerp eener
nieuwe staatsregeling goed, volgens welke het staats-
bevvind door een Raadpensionaris zou worden vervan-
-ocr page 119-
103
gen. Na deze goedkeuring, welke in het begin van het
jaar 1805 plaats greep, werd het ontwerp ook door de
grondvergaderingen van het volk aangenomen, en dien
ten gevolge den 26 April als staatsregeling afgekondigd 1).
Den 29 dierzelfde maand aanvaardde R. J. Schim-
melpenninck de waardigheid van Raadpensionaris2).
De bevoegdheden aan dit hooge ambt verbonden waren
uitgebreider, dan die welke het staatsbewind had ge-
had; de regeering zou niet langer verplicht zijn zich
te vergenoegen met praten over het herstel van \'s lands
zaken, maar eindelijk ook eens handelend kunnen op-
treden. Overigens werden de beginselen, die aan de
staatsregeling van 1801 ten grondslag lagen, in hoofd-
zaak behouden. Departementen en gemeenten bleven
zelfstandige — maar niet onafhankelijke — deelen van
den staat3).
Doch al te spoedig kwam weder verandering in dezen
stand van zaken. De proefneming was aan Napoleon niet
bevallen 4). Nederland moest een koninkrijk worden, en
1)  Publ. 26 April 1805, Verz. XX, n°. 446.
2)  Vlg. Schimraelpenninck, t. a. p. II, bl. 89—127.
Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 919 en 920.
Zie publ. 29 April 1805, Verz. XX, n°. 447.
3)  Vgl. de Bosch Kemper, t. a. p. bl. 308 v.v.
Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 921.
Schimmelpenninck, t. a. p. II, bl. 128 v.v.
Metelerkamp, De regeeringsv. d. Ver. Nederl. I, bl. 24.
Basted., t. a. p. bl. 16.
4)  Vgl. Thorbecke, Historische schetsen, bl. 155, 156.
-ocr page 120-
104
dat wel met een Franschen prins tot koning: zoo
bracht het de Europeesche politiek des keizers mede.
Als ware het een weldaad ons bewezen, werd ons prins
Lodewijk als koning opgedrongen1), en aan Schimmel-
penninck de regeering ontnomen, onder voorwendsel
zijner zwakke gezondheid. Den 24 Mei 1806 kwam het
beslissende tractaat tusschen Napoleon en de vertegen-
woordiging der Bataafsche republiek tot stand2), en
den 5 Juni aanvaardde koning Lodewijk de regeering.
Bij die aanvaarding werden uitgevaardigd de ,,con-
stitutioneele wetten van staat," welke zouden gelden tot
de definitieve constitutie zou zijn vastgesteld3). Het
eerste artikel dier wetten luidde: ,, De constitutionele
wetten thans vigeerende, inzonderheid de constitutie
van den Jare 1805, gelijk mede de — wetten, tegen-
woordig in de Bataafsche Republiek in gebruik, —
zullen in hun geheel bewaard blijven, met uitzondering
alleenlijk van de zoodanige, welke uitdrukkelijk door
de tegenwoordige constitutionele wetten zullen vernie-
tigd zijn."
1)  Vgl. de Bosch Kemper, t. a. p. bl. 322—326.
Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 925—927.
A. Réville, Revue des deux Mondes, 1 Juni 1870, La Hollande
et Ie roi Louis Bonaparte, Ire part.
2)  Zie Mr. .T. van de Poll, verzameling van vaderlandsche wetten
en besluiten, Amst. 1840, bl. 347.
3)  Zie v. d. Poll, t. a. p. bl. 353.
-ocr page 121-
105
Koning Lodewijk haastte zich echter aan dezen voor-
loopigen toestand een einde te maken; ten gevolge van
zijn aandrang werd reeds den 7 Augustus van hetzelfde
jaar de definitieve\' ,, constitutie voor het Koningrijk
Holland" afgekondigd ]). Te gelijk met de constitutie
werd ook eene wet gepubliceerd, welke verschillende
algemeene bepalingen bevatte en met de constitutie als
het ware één geheel vormde 2).
„In de organieke wetten op de departementale en
plaatselijke besturen week Lodewijk af van de begin-
selen van het gematigde unitarisme van Schimmelpen-
ninck, zonder geheel in het euvel der Fransche centra-
lisatie te vervallen" 3) (de Bosch Kemper, t. a. p. bl. 334).
Niet alzoo ten opzichte der financiën. Op dit gebied
drukte koning Lodewijk geheel de voetstappen van
Schimmelpenninck *). Wat onder het koninkrijk Hol-
land op het gebied der belastingen plaats greep, was
slechts eene voortzetting van de regeling door Schim-
1)  Zie v. d. Poll, t. a.p. bl. 357.
2)  Zie denzelfde, bl. 368.
3)  Vgl. Metelerkamp, De regeeringsvorm, bl. 29.
Van Hugenpoth, t. a. p. bl. 17, 18.
Boissevain, de prov. wet, bl. 18 en de gemeentewet, bl. 21.
De Vries, t. a. p. bl. 8.
Van Heusde, t. a. p. bl. 83, 64.
Bastert, tap. bl. 18, 19.
4)  Vgl. Louis Bonaparte, Docuraens historiques et Eéflexions sur
Ie gouvernement de la Hollande, Paris, 1820, I, bl. 177 en 178.
-ocr page 122-
106
melpenninck begonnen en bijna voltooid. En geen won-
der! De financieele wetten van Lodewijk, zoowel als
die van Schimmelpenninck waren afkomstig van den
grootsten financier, dien Nederland ooit bezeten heeft,
van Isaac Jan Alexander Gogel.
Van daar dat voor ons doel eene scheiding tusschen
de regeeringen van Rutger Jan en van Lodewijk niet
gewenscht is.
§ 1. De algemeene belastingen.
Aanvankelijk bleven volgens de staatsregeling van
1805 evenals te voren „de middelen van Financiën —
voortduren op den voet, zooals dezelve in ieder der
Departementen" toen bestonden.
Evenwel moest het „ onder de eerste en voornaamste
zorgen van den Raadpensionaris" behooren „ Ontwerpen
van Wetten voortedragen, het zij om de tegenwoordige
Belastingen te verbeteren, het zij om een algemeen
systema van Finantiën te doen aannemen, waardoor de
tegenwoordig bestaande Departementale BelastingenJ)
zouden kunnen worden vervangen" (art. 60).
Bij het hem gestelde alternatief koos de Raadpen-
1) De Staatsregeling bevat hier eene verkeerde uitdrukking, men
bedoelde de belastingen „ zooals dezelve in ieder der Departementen
egenwoordig bestaan."
-ocr page 123-
107
sionaris, onder Gogels invloed, het voordragen van een
stelsel van algemeene belastingen. „Dit stelsel", zeide hij
den 15 Mei in de vergadering van het Wetgevend
Lichaam, „ Dit stelsel, voor de relatieve krachten der
ingezetenen in de onderscheidene gewesten gelijkelijk
werkende, zal, zoo door deszelfs eenvoudigheid, als door
de zekerheid der perceptie, in staat zijn om \'s Lands
ressources zeer aanmerkelijk te vermeerderen; — die
vermeerdering met de vermindering der uitgaven ge-
paard, moet \'s Lands schatkist in staat stellen, om in
gewone tijden voor de algemeene behoeften te voldoen,
en, wanneer oorlogen of andere rampen buitengewone
uitgaven vorderen, zal het beloop daarvan moeten ge-
vonden worden door eene voorzigtige verhooging van
die middelen, welke, door derzelver drukking, daarvoor
het meest zullen vatbaar zijn", (Schimmelpenninck,
t.a.p. II, bl. 134).
Gelukkig bleef het ditmaal niet bij de toezegging.
Bij missive van 20 Juni 1805, n°. 17/3, werd door den
Raadpensionaris aan het Wetgevend Lichaam de voor-
dracht van een plan van algemeene belastingen inge-
diend. Het ontwerp werd in handen gesteld van eene
commissie, die over het voorgedragen stelsel met de
regeering in onderhandeling trad, en, nadat enkele kleine
wijzigingen in de voordracht waren gemaakt, den 10
Juli tot aanneming adviseerde. Het Wetgevend Lichaam
sloot zich bij het rapport zijner commissie aan, en bij
-ocr page 124-
108
staatsbesluit van 12 Juli 1805, n°. 3, werd het plan
van algemeene belastingen vastgesteld l).
De voordracht begon met eenige algemeene beschou-
wingen over het voordeel van een stelsel van algemeene
belastingen boven de bestaande. Zij wees er op, hoe
het reeds in de bedoeling der ontwerpers van de Unie
van Utrecht had gelegen, algemeene belastingen op
voorwerpen van vertering te leggen, en hoe dit belang-
rijk punt der Unie nooit was ten uitvoer gebracht.
Het nieuwe stelsel moest niet slechts de bestaande
en naar de verschillende departementen onderscheiden
belastingen vervangen; ook de buitengewone heffingen
moesten daardoor vervallen. De nieuwe belastingen
moesten meer opbrengen en tevens zoo zijn ingericht,
dat zij zoo noodig tijdelijk verhoogd konden worden. Zoo-
danige verhooging van de bestaande middelen kon zon-
der onbillijkheid niet geschieden, aangezien deze geen
rekening hielden met de vermogens der ingezetenen.
Aan wederinvoering van de belastingen, welke sedert
1795 waren afgeschaft, was nog minder te denken. Deze
afschaffingen hadden immers juist plaats gehad ten ge-
volge van de groote nadeelen aan de betrokken mid-
delen verbonden; hier bijv. zouden het hoofdgeld, ginds
1) Zie alle de Publicatiën en Notificatiën, betreffende de Algemeene
Belastingen, den Haag, 1806, I, bl. 50.
Vgl. Siekenga, t. a. p. bl. 112, 113.
-ocr page 125-
109
de impost op de rogge, elders de grafelijkheidstollen
moeten worden hersteld.
Het stelsel van algemeene belastingen daarentegen
zou evenredig drukken op alle ingezetenen. Eenvoudig-
heid en zuinigheid in de invordering en het beheer,
het verdwijnen der gedwongen heffingen en „ het ge-
heel cesseeren der belemmeringen op den in- en door-
voer van en door het eene departement naar het andere,"
waren bijkomende, maar niet gering te schatten voor-
deelen van het stelsel.
De algemeene belastingen zouden de minvermogende
gewesten niet te zwaar treffen. Niet de meer of min-
dere rijkdom der gewesten, maar die der belastingplich-
tigen moest worden in aanmerking genomen. Het is
immers billijk, zoo werd in de voordracht zeer te recht
betoogd, dat de meervermogenden in de rijkere en in
de armere gewesten op gelijken voet behandeld worden.
De weelde was bovendien in de landgewesten minder
groot dan bijv. in Holland, en tengevolge van de min-
dere waarde van het geld in laatstgenoemd gewest, kon
men in de landgewesten met minder vermogen even
welgesteld leven als in Holland. Aangezien nu de nieuwe
belastingen zooveel mogelijk gelijken tred moesten hou-
den met de op geld gewaardeerde vermogens der inge-
zetenen, en daartoe ook het gebruik van verschillende
weeldeartikelen belast werd, zou een inwoner van Hol-
land gewoonlijk meer in de belastingen bijdragen dan
-ocr page 126-
110
een inwoner van een der landgewesten, die even wei-
gesteld mocht heeten. Immers de inwoner van Holland
zou voor huishuur, huur van dienstboden, meubelen
enz. heel wat meer geld moeten uitgeven dan een even
welgesteld inwoner van een der landgewesten, en de
belasting, naar deze kenmerken geheven, zou dus voor
hem heel wat hooger zijn dan voor zijn op gelijken
voet levenden medeburger.
De algemeene belastingen zouden ook de financiëele
grenzen der gewesten en kwartieren vernietigen; dien ten
gevolge zou de sluikerij belangrijk verminderen en zou
men bovendien zijne waakzaamheid geheel kunnen rich-
ten op het tegengaan der smokkelarij aan de rijksgrenzen.
Dit argument had te meer kracht, daar het ten tijde
der republiek niet ongewoon schijnt geweest te zijn,
dat de besturen van verschillende gewesten den inwo-
ners in den sluikhandel ten koste hunner naburen be-
hulpzaam waren, zooals blijkt uit verschillende Staats-
rapporten, „waarbij de Bestuuren der gewezene Provin-
tiën — beschuldigd zijn — ter beneficering hunner ln-
gezetenen derzelver sluikerijen in de nabuurige Gewesten
te hebben geprotegeerd."
„De meerdere circulatie van consumtieve Waaren,
door het opheffen van de meeste dwangmiddelen, welke
ofschoon daaraan hinderlijk zijnde, door den bestaanden
staat van zaken noodwendig gevorderd wierden, en de
meerdere consumptie, welke daarvan het weldadig ge-
-ocr page 127-
111
volg (zou) zijn:" ook dit waren voordeelen, die men
van het nieuwe stelsel verwachtte.
De gelijkheid onder de ingezetenen zou het nieuwe
stelsel ook nog bevorderen, doordien ,, de bewoners van
niet minder dan 112 Hollandsche Dorpen aan de con-
finiën der Departementen Gelderland, Utrecht en Bra-
band gelegen, aldaar op halve, één of twee derdens
Belasting gesteld geweest, — met hunne Medeburgers
onder eene gelijke verplichting gebragt" werden J).
Het stelsel nu, dat al deze voordeelen in zich moest
vereenigen en dat ten gevolge van de aanneming der
voordracht met één enkele uitzondering reeds in 1806
in werking werd gebracht, bestond uit de volgende be-
lastingen:
A. Beschreven middelen.
1. Verponding, „ eene reëele Belasting van alle vaste
en onroerende goederen," geheven naar de waarde dier
goederen. Deze waarde zou worden berekend tegen
zestien en twee derde maal den jaarlijkschen huurprijs,
na aftrek van dijk-, polder- en dergelijke lasten en
voor gebouwen van een derde van dien prijs voor
reparatiekosten. Kerken en godshuizen, alsmede alle ge-
1) Vgl. Gogel, Memorién en Correspondentiën, bl. 86—93,128—145.
Mr. J. A. Sillem, De pol. en staathuishoudk. werkzaamheid van
I. J. A. Gogel, Amst. 1864, bl. 175—224.
Sickenga, t. a. p. bl. 109—112.
-ocr page 128-
112
bouwen „het onmiddellijk eigendom van den Lande,
Steden of Dorpen zijnde, voor zoover dezelve zijn die-
nende tot publieke dienst," werden vrijgesteld. De
verponding zou bedragen Vj9 °/0 der waarde en voor
fabrieken en trafieken tot de helft worden terugge-
bracht. (Ordonnantie van 20 Januari 1807, Publ. Alg.
Bel. II, bl. 433).
Hoewel men zich in het begin van het jaar 1806
geenszins ontveinsde, dat de regeling dezer belasting
geruimen tijd zou kosten en dus in den loop van dat
jaar niet zou kunnen worden ingevoerd, werd toch den
3den Januari 1806 (Publ. Alg. Bel. II, bl. 1) besloten
ook de oude reëele belastingen op vaste goederen op
te heffen ï). Het Wetgevend Lichaam werd tot dit be-
sluit gebracht door de toezegging van den Raadpen-
sionaris, dat het middel der verponding in den loop
van dat jaar zou worden geregeld, en dat hij voor-
nemens was „voor te stellen, dat de Verponding over
1806 niet dan met het jaar 1807 (zou) worden be-
taald." (Missive van 26 December 1805). Op dit be-
sluit moest echter reeds den 9den October van hetzelfde
jaar worden teruggekomen, daar de regeering aan de
gedane toezegging onmogelijk kon voldoen. Volgens
art. 1 der wet van 9 October 1806 (Publ. Alg. Bel.
1) De mededeeling van Mr. Sickenga, t. a. p. bl. 114, is niet vol-
komen juist.
-ocr page 129-
113
II, bl. 344) moest over het jaar 1806 worden opge-
bracht „even zooveel als was het beloop van alle —
reëele Belastingen, onder welke benaming ook, als over
den jare 1805, uit eenige vaste en onroerende Goe-
deren en Bezittingen, door of vanwege de Eigenaren
derzelve aan den Lande zijn of hebben behooren te
worden opgebragt." De heffing der oude reëele lasten
werd derhalve feitelijk bestendigd.
Ten einde tot de heffing der nieuwe verponding te
kunnen geraken zouden volgens de wet van 1807 de
vaste goederen in den loop van dat jaar naar hunne
huurwaarde worden getaxeerd en op grond dezer waar-
deering de kohieren worden samengesteld. ,, In den
loop van den jare 1815, zullen de Quohieren worden
vernieuwd, en weder in stand blijven, tot en met en
over den jare 1830. Gelijke vernieuwing zal vervolgens
telken vijftien jaren plaats hebben.
„Ter wegneming nogtans der ongelijkheden, die wei-
ligt uit de eerste approximative opgaven, waarnaar de
provisionele betaling dezer Belasting geschiedt, kunnen
geboren worden, zal zoo spoedig mogelijk een plan
worden geformeerd, volgens hetwelk binnen eenen daar-
toe door den Koning te bepalen tijd, eene algemeene
opneming van Landerijen binnen het Rijk zal kunnen
geschieden, om tot grond eener permanente evaluatie
der Huren, gedurende het eerste Verpondingstijdperk,
te kunnen strekken" (art. 14).
8
-ocr page 130-
114
Doch, hoe ijverig men ook aan de uitvoering van dit
voorschrift werkte, het kan ons niet verwonderen, dat
een zoo omvangrijk werk als eene nieuwe kadastreering
van het gansche rijk tijdens Lodewijks kortstondige
regeering niet kon worden ten einde gebracht. Ook de
voorloopige waardeering kostte meer tijd dan men zich
had voorgesteld. Over de jaren 1807 en 1808 moesten
de verpondingen „ over alle zoodanige Districten, over
Welke de nieuwe Quohieren nog niet (hadden) kunnen
ingebragt worden,\'\' nog op denzelfden voet worden
geheven als die over 1806 l). Eerst met het jaar 1809
kon hierin ten aanzien van de verponding op de ge-
bouwen verandering komen: met uitzondering der be-
lasting op fabrieken en trafieken werd deze verponding
over dat jaar geheel volgens de nieuwe kohieren opge-
bracht. De reëele lasten op de landerijen bleven daaren-
tegen onder het koninkrijk Holland op den ouden voet.
(Wet van 13 Februari 1809, P. A. B. IV, bl. 64)\').
Dat het voortbestaan dier oude reëele lasten naast de
nieuwe algemeene middelen eene groote ongelijkheid
te weeg bracht, erkende men gereedelijk. „ Zoo (werd)
7)  Zie de wetten van 28 September 1807 en 14 April 1808. Publ.
Alg. Bel. III, bl. 166 en 203.
8)   Den 12 April 1809 werd afgekondigd, dat Oost-Vriesland en
Reiderland over de jaren 1809 en 1810 in de plaats van verponding
jaarlijks zouden opbrengen f 350.000, welke som over de onroerende
goederen zou worden omgeslagen. Publ. Alg. Bel. V, bl. 42.
-ocr page 131-
115
om een enkel voorbeeld van deze ongelijkheid en
moeijelijkheid bij te brengen, het Departement Vries-
land boven mate gedrukt, bijaldien alle de overige
Belastingen in hetzelve moesten worden geïntroduceerd,
en tevens het Floreen en het Reëel geheven (bleven),
welke de vaste Goederen in dat Departement zoo zeer
buiten alle proportie met de meeste andere (bezwaar-
den)." (Missive van den Raadpensionaris van 26 Decem-
ber 1805). Men wijte echter deze ongelijkheid niet aan
de toenmalige regeeringen. Al wat mogelijk was, werd
gedaan om haar zoo spoedig mogelijk te doen verdwij-
nen; het ligt evenwel in den aard der zaak, dat hier-
toe veel tijd noodig was.
De grondslag door het stelsel van 1805 voor de
heffing der verponding aangenomen, de berekening
naar de huurwaarde na aftrek van lasten en kosten,
berust op een volkomen juist beginsel. De zuivere
huurwaarde toch regelt zich naar de netto opbrengst,
zoodat belasting in verhouding tot die huurwaarde aan
den staat een evenredig deel van de zuivere opbrengst
doet toekomen, hetgeen juist het doel der verponding is.
Zoodanige evenredigheid wordt in de praktijk even-
wel hoogstens ten naasten bij bereikt. In de eerste plaats
is eene volkomen gelijkmatige taxatie over het geheele
rijk niet te verkrijgen, en zelfs al zou deze te bereiken
zijn, zij zou slechts korten tijd met de bestaande toe-
standen in overeenstemming blijven. De vcrdeeling der
-ocr page 132-
116
verponding gaat met zooveel moeilijkheden gepaard,
dat zij, eenmaal doorgevoerd, noodwendig gedurende
betrekkelijk langen tijd onveranderd moet blijven en
derhalve zich niet kan regelen naar de telkens wisse-
lende waardeverhoudingen. Doch hoe verder men zich
verwijdert van het tijdstip der taxatie, hoe grooter de
afwijking der belasting van eene aan de werkelijke
opbrengst evenredige heffing wordt; van daar dat perio-
dieke herziening, bijv. om de vijftien jaren, zooals de
wet van 1807 voorschreef, noodzakelijk is, zal de
grondbelasting aan haar doel zooveel mogelijk beant-
woorden.
De algemeene regelen der wet van 1807 verdienen
dan ook onverdeelde instemming; aan het doel, dat
men zich voorstelde, beantwoordden zij volkomen.
2. Personeel, „zijnde eene Belasting van tien Gul-
dens van elke honderd Guldens der onzuivere Huur,
zooals dezelve door den Huurder betaald wordt, of van
eigen vaste Goederen, naar de Huur, welke van dezelve,
bij Verhuuring, zoude worden betaald, en mitsdien van
alle Woonhuizen, of gedeelten van dien, Buitenplaat-
sen, Stallen, Landerijen, Visscherijen enz., te betalen
door den Bruiker, hetzij dezelve Eigenaar zij van het
Goed, het geen hij in gebruik heeft of niet — met
uitzondering van zoodanige Woonhuizen, welke geen
dertig Guldens in Huur doen." (Ord. 23 Mei 1806,
P. A. B. II, bl. 281).
-ocr page 133-
117
Het personeel moest vervangen „een aantal Belastin-
gen, onder allerlei benamingen, in de onderscheidene
deelen der Republiek geheven wordende, als daar zijn
Hoofd-geld, Famielie-geld, Haardstede-geld, Schoorsteen-
geld, koffij- en Thee-geld, bezaaide Landen, Schapen-
geld, Hoorn-geld, Koehouders Zout-geld, en meer
anderen."
Deze belasting hinkt, evenals het in 1801 vastgestelde
land- en huisgeld, op twee gedachten. Deels eene be-
lasting van de inkomsten opgemaakt uit de huur der
woning, deels eene belasting van het landbouwbedrijf,
was zij een samenvoegsel van twee geheel heterogene
bestanddeelen. Het feit dezer even onlogische als on-
praktische samenvoeging laat zich verklaren uit de om-
standigheid, dat de belastingen, die door het personeel
moesten worden vervangen, ook deels belastingen op
de vertering, deels belastingen op het landbouwbedrijf
waren. Dit rechtvaardigt evenwel de samenkoppeling
van twee belastingen, die niet bij elkander behooren,
in het minst niet.
Beschouwen we eerst een oogenblik het personeel
voor zoo ver betreft de huur van woningen. Door alleen
woningen van eene onzuivere huurwaarde van minstens
ƒ 30 voor de belasting in aanmerking te nemen, werd
te recht ,, het onontbeerlijke tot huisvesting van den
Minvermogenden daar van vrijgekend." Daarentegen
was het eene fout de belasting proportioneel aan de
-ocr page 134-
118
huren te maken. Immers is het van algemeene bekend-
heid, dat het deel van het inkomen, dat voor kosten
van woning besteed wordt, stijgt naar mate het inko-
men zelf daalt1).
Wordt dus de belasting geheven in gelijke verhouding
tot de huren, dan wordt het inkomen zwaarder belast
naar mate het kleiner is. Voor eene billijke belasting
der inkomsten op grond van huur van woning is der-
halve progressie noodzakelijk ~).
Doch zelfs al ware de belasting progressief geweest,
dan nog zou zij als rijksbelasting niet billijk hebben
kunnen werken. De huurprijzen zijn voor een groot deel
afhankelijk van de gemeente binnen welke de woningen
liggen, zij stijgen met de welvaart en de volkrijkheid der
gemeente. Binnen dezelfde gemeente geven de huurprijzen
van woningen althans eenigszins een maatstaf voor de
gegoedheid der bewoners; zoodra men daarentegen huur-
prijzen uit verschillende plaatsen tot maatstaf gaat aan-
nemen, begaat men eene groote ongerijmdheid. Wie ziet
niet in, dat de bewoning van een huis van/800 huur-
prijs in eene kleine plaats op veel grooter gegoedheid
wijst, dan de bewoning van een huis van gelijken huur-
1)   Voor zeer vermogende personen, die paleizen of kasteelen be-
wonen, gaat deze regel dikwijls niet door.
i
2)   Vgl. Dr. Leon lütter von Bilinski, Die Gemeindebesteuerung
und deren Reform, Lcipzig, 1878, bl. 302.
-ocr page 135-
119
prijs in Rotterdam of Amsterdam J) ? En wanneer dit
zoo is, hoe kan dan eene belasting naar de huishuur
als rijksbelasting billijk werken? Voor gemeente-
belasting is zij uitstekend geschikt, als rijksbelasting is
zij een onding.
De proportioneele belasting naar de huren van lande-
rijen enz. is veel rationeeler. Wil men de opbrengsten
van het landbouwbedrijf proportioneel belasten, dan
valt voor het in aanmerking nemen der landhuren veel
te zeggen. Men zal zoodoende zijn doel wel niet vol-
komen bereiken, maar kan toch tot ten naasten bij
juiste uitkomsten geraken, een resultaat waarmede men
zich in belastingzaken steeds moet tevreden stellen 2).
3. Mobilaire belasting, ten bedrage van 1 °/0 van alle
inboedels ter waarde van f 500 tot f 4000, V/é %
van die tusschen / 4000 en / 8000, en l1/, % van
die boven / 8000. Juweelen en gouden en zilveren
werken werden voor de halve waarde in aanmerking
genomen. Bibliotheken, kabinetten van schilderijen, in-
1)  Vgl. Mr. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde,
Haarlem, 1884, I, bl. 124—129.
2)   Den 11 April 1807 (P. A. B. II, bl. 484.) werd een nieuwe
wet op het personeel uitgevaardigd; het bedrag der belasting werd
hierdoor echter niet gewijzigd. Er zou nader worden bepaald, hoeveel
in volgende jaren voor dit middel zou betaald worden. Het perso-
ueel bleef echter gedurende de jaren 1808—1810 onveranderd. Zie
de wetten van 14 Maart 1808, 19 Januari en 18 December 1809,
(P. B. A. III, bl. 292, IV, bl. 15 en bl. 528).
Vgl. L. Bonaparte, Doe. hist. I, bl. 281.
-ocr page 136-
120
strumenten, gereedschappen enz., alsook inboedels be-
neden / 500 waren vrijgesteld. (Ord. 23 Mei 1806. P.
A. B. II, bl. 250).
Deze belasting is een noodzakelijk correctief van de
belasting naar de huur der woning. Immers al staat
deze laatste steeds in eenig verband met het inkomen,
zij hangt dikwijls voor een groot deel af van omstan-
digheden, welke van de grootte van het inkomen ge-
heel onafhankelijk zijn, bijv. van de talrijkheid van het
huisgezin. Bewoont nu iemand een huis, waarvoor hij
meer huur betaalt, dan even welgestelde personen ge-
middeld doen, dan zal zijn meubilair gewoonlijk wel
beneden de gemiddelde waarde blijven ; bewoont daaren-
tegen iemand door bijzondere omstandigheden een klei-
ner huis, dan hij zich met reden zou kunnen veroor-
loven, dan zal zich gewoonlijk meer weelde in zijn
meubilair vertoonen. Van daar dat de belastingen naar
de huishuur en naar het meubilair elkanders fouten
compenseeren of althans tot kleiner afmeting terugbren-
gen. Natuurlijk gelden voor progressieve belasting naar
het meubilair dezelfde redenen als voor progressie der
belasting naar de huishuur. Het stelsel van 1805 er-
kende dit hier wel in zekere mate, maar ging in hare
progressie lang niet ver genoeg.
4. Belasting op de haarsteden, geheven „van elk
Huisgezin, \'t welk meer dan twee Haardsteden ten ge-
bruike heeft" tot een bedrag „van twee Guldens van
-ocr page 137-
121
iedere Haardstede." Deze belasting was oorspronkelijk
in het stelsel van 1805 niet opgenomen, maar werd bij
de ordonnantie van 9 Juli 1807 (P. A. B. II, bl. 378)
ingevoerd. Het moest zijn ,, eene belasting op gemak
of weelde. Vier vijfden der bevolking koken de pot en
verwarmen zich bij ééne of twee haardsteden, en meer
heeft ook een huisgezin in den striksten zin niet nodig.
Het is dus alleen de meerdere a i s a n c e, welke het
bewonen van een locaal waarin meer dan twee stook-
plaatsen voorhanden zijn te kennen geeft, welke hier
belast wordt" (Gogel, Mem. en Corr. bl. 153). Terecht
was deze opvatting in het rapport van Appelius c. s. niet
gedeeld, zij hadden in het haardstedengeld eene oneven-
redige verhooging van het huisgeld (personeel) gezien. En
dit niet zonder grond: of het aantal haardsteden houdt
gelijken tred met den huurprijs en dan is deze belasting
slechts eene gelijkmatige verhooging van het personeel,
of — en dit zal wel gewoonlijk het geval zijn — de huur-
prijs staat slechts in verwijderd verband met het aantal
haardsteden, en in dit geval is het aantal stookplaatsen een
zeer onvolkomen bewijs van meerdere of mindere gegoed-
heid, en de belasting derhalve slechts eene onevenredige
verhooging van het personeel. Zoodanige belasting kan
bovendien tot eene voor de volksgezondheid schadelijke
beperking van het aantal stookplaatsen aanleiding geven.
5. Dienstbodengeld, eene belasting op de dienstbo-
den van f 5 voor één tot / 250 voor 10 dienstboden
-ocr page 138-
122
en f 50 voor elk daarboven; voor eiken mannelijken
dienstbode moest / 30 meer worden opgebracht. Voor
inwonende werkboden moest worden betaald / 3, indien
zij in het geheel geen- en f 8, indien zij enkele malen
persoonlijke diensten verrichtten. (Ord. 9 Mei 1806,
P. A. B. II, bl. 180).
De sterke progressie voor deze belasting aangenomen,
zoowel als de hoogere belasting voor mannelijke dienst-
boden was volkomen rationeel. Daarentegen was de be-
lasting voor werkboden niet op hare plaats; „ deze staan
toch gelijk met de werktuigen, die een ieder tot zijne
kostwinning gebruikt," zooals in het rapport van Appe-
lius c. s. zeer te recht was aangemerkt. Het dienstbo-
dengeld wilde eene belasting naar de vertering zijn, het
was echter voor een deel eene belasting der productie,
en wel voornamelijk van den landbouw.
6. „ Impost op de paarden en het Plaisier-, mitsga-
ders het Land-Passagegeld, — eene Belasting op alle
Paarden boven de drie jaren oud, welke tot vermaak,
gemak of noodzakelijk gebruik, zoo mede tot verhuring
aan anderen en vervoering van Passagiers, in eigendom
of in huur worden gehouden." Voor paarden tot ver-
maak dienende moest worden betaald f 25 van 1 tot
/ 310 van 6 paarden, en f 50 van elk daarboven. Paar-
den tot fabriek- of neringwerk dienende werden belast
met / 6, paarden van landlieden met 1—10 per stuk.
Werden evenwel de paarden der fabrikanten en land-
-ocr page 139-
123
bouwers ook voor vermaak gebruikt, dan werd de aan-
slag verhoogd met f 5 per stuk. Verhuurders van paar-
den voor vermaak betaalden voor elk paard, behalve
f 6 als neringdrijvenden, nog ƒ 25 voor landpassage-
geld. Het was de bedoeling, dat de verhuurders deze
laatste belasting van de gebruikers zouden terugvorde-
ren door den huurprijs te verhoogen. (Ord. 9 Mei 1806,
P. A. B. II, bl. 199).
Ook bij deze belasting berust de progressie op goe-
den grond, doch merken we weder eene grenzenlooze
verwarring tusschen belasting van verbruik tot verte-
ring en belasting der nijverheid.
Bij wetten van 22 April 1809 (P. A. B. IV, bl. 199
en 218) werden het paardengeld en het landpassage-
geld opnieuw geregeld. Het eerste middel onderging
geene voor ons onderwerp belangrijke wijzigingen. Het
landpassagegeld werd voortaan geheven volgens eene
berekening, waarbij het gebruik, waartoe de paarden
verhuurd werden, in acht genomen werd, en welke voor
de zomer- en de wintermaanden verschilde.
7. „ Land-Passage-Geld van vreemde Voerlieden en
Reizigers, — eene Belasting van drie Guldens van elk
Paard, waarmede buiten \'s Lands wonende Voerlieden,
hetzij onder het Zadel of voor eenig Rijtuig gespan-
nen, en Passagiers vervoerende 1), hunne Vrachten ver-
1) Van voerlieden, die alleen goederen vervoerden, werd een lager
recht geheven, evenzoo van vreemde reizigers, die hun eigen paarden
-ocr page 140-
124
der zullen willen brengen dan binnen de eerste be-
sloten Stad of Plaats binnen de Grenzen, telkens bij
het inkomen te betalen." (Ord. 7 Maart 1806, P. A. B.
II, bl. 117).
Naar haar karakter zou deze belasting niet hier,
maar onder de onbeschreven middelen te huis behoo-
ren; zij werd echter in de voordracht onder de be-
schreven middelen opgenomen om haar verband met het
binnenlandsch landpassagegeld. Zij staat tot dit middel
in dezelfde verhouding als het invoerrecht op eenig
artikel tot den accijns daarop; zonder het buitenlandsch
landpassagegeld zou in en bij grensplaatsen de buiten-
landsche voerman van gunstiger conditie zijn geweest
dan de binnenlandsche. Door deze belasting daarentegen
werd ook de vreemde voerman verplicht zijn prijs te
verhoogen en zoodoende het bedrag van den impost
op de reizigers te verhalen.
Men streefde evenwel het doel voorbij. „Wanneer
een Verhuurders Paard slechts twee honderd vijftig
dagen in een jaar diensten doet, zal daarvoor in deze
Belasting (het binnenlandsch landpassagegeld) niet meer
dan twee stuivers daags worden opgebragt, hetwelk
gebruikten (art. 3 en 4). De lagere belasting dezer laatste reizigers
laat zich alleen daaruit verklaren, dat van hen geene concurrentie
met binnenlandsche voerlieden te vreezen was. Op zuiver fiscale gron-
den had men deze reizigers niet lager, maar hooger dan de anderen
moeten belasten.
-ocr page 141-
125
zulk een gering bezwaar oplevert, dat althans niemand
het reizen daarom zal achterwege laten." Stelt men
hiertegenover, dat de vreemde voerman telken male,
dat hij zijne reizigers verder dan de eerste grensplaats
wilde vervoeren, f 3 moest betalen, dan blijkt ten dui-
delijkste, dat met het buitenlandsch landpassagegeld
bescherming van den inheemschen voerman zoo al niet
beoogd dan toch bereikt werd. De beide middelen op
het vervoer van personen te lande strekten ter vervan-
ging van de passagegelden, welke te voren in bijna
alle gewesten werden geheven.
8. Runderbeesten, „ eene Belasting op ieder rund,
twee jaren en daarboven oud, van vijftien Stuivers
\'sjaars, voor een Rund, beneden de twee jaren oud
tien Stuivers \'sjaars." (Ord. 11 Maart 1806, P. A. B.
II, bl. 125).
Deze belasting kwam in de plaats van het middel
op den boter, zij „strekt zich, wel is waar, tot alle
runderbeesten uit, zoo wel tot de Koeijen, waarvan de
Melk tot Kaas, of in natuurlijken staat gebruikt, als
die, welke tot Boter gebezigd wordt, mitsgaders ook
tot de Ossen en het Slagtvee, maar dezelve is, van
eene andere zijde beschouwd, een Middel van Controle
op andere belastingen, als zijn het Personeel en het
Geslagt, en verschaft aan het Gouvernement het zekerst
middel om den af- of toenemenden staat van de Vee-
teelt gade te slaan."
-ocr page 142-
126
Hoe schoon de voordracht deze belasting ook voor-
stelde, zij was naast het personeel en het paardengeld
een zware last voor den veeteelt. Werden deze belas-
tingen thans nog geheven, dan zou een boer, die eene
middelmatige hoeve van 20 hectaren goed land in Hol-
land huurt tegen een prijs van f 90 per hectare, en
die daarop ongeveer 24 stuks vee benevens een werk-
paard en een paard voor werk en genoegen weidt —
eene onderstelling die der werkelijkheid geen geweld
aandoet — moeten betalen: personeel 10°/0 van/1800
of ƒ 180, paardengeld tweemaal f 1.50 en / 5, run-
derbeesten 24 maal ƒ 0.75 of f 18, dus te zamen
/ 206. Nemen we in aanmerking, dat de prijs van
runderen en paarden sedert 1806 aanmerkelijk is ge-
stegen, en dat derhalve de druk van het runderbeesten-
en het paardengeld betrekkelijk veel zwaarder was, dan
hij thans zijn zou, dan staan we verbaasd over den
zwaren last, dien de veeteelt toen te dragen had.
En als ware dit nog niet genoeg, werd eerst bij de wet
van 30 Mei 1806 (P. A. B. II, bl. 310) en later bij
de wet van 12 April 1809 (P. A. B. IV, bl. 174) de
werking bestendigd van de wet van 26 December 1799,
houdende heffing eener belasting van eenige stuivers
van elk rund, elk paard, elk achttal schapen. Deze be-
lasting stond buiten het algemeen stelsel, de opbrengst
zou „geheel onvermengd en separaat van alle andere
\'sLands Finantiën — worden geadministreerd — en
-ocr page 143-
127
alleen — mogen strekken tot nut van den Nederland-
schen Landbouw (en wel voornamelijk) — tot stuiting
van Runderpest." Zoodanige belasting heeft eenige
overeenkomst met eene premie van assurantie en kan
in sommige gevallen zeker nuttig werken. Bij het be-
staan van den toch reeds hoogen last voor den veeteelt
was de teedere zorg der regeering evenwel wat al te
groot. Zij geleek de moeder die uit louter liefde haar
kind aan de borst dood drukt.
Wij hebben hiermede de beschreven middelen afgehan-
deld, wier gezamenlijk kenmerk is — of althans zijn
moest — dat zij „ hetzij Reëel hetzij Personeel, naar
bepaalde en vaste Aan- of Omslagen volgens Quotisatie
daar van (geformeerd, werden) ingevorderd," en komen
thans tot:
B. Onbeschreven Middelen,
„die, welke dadelijk bij het gebruik, den inslag, uit-
slag, opslag, het vertier, en wat dies meer is, der be-
lastte voorwerpen gevorderd of bij het inkomen of uit-
gaan derzelve, in of buiten de Republiek (werden)
geheven."
1. „Regt van Patent op allen Handel, Neringen,
Beroepen en Bedrijven, en eenige andere (!) Objecten
van Weelde of Vermaak" (Ord. 2 December 1805, P.
A. B. I, bl. 141). Deze wet was verdeeld in vijf af-
-ocr page 144-
128
deelingen, waarvan de eerste en de tweede handelden
over het patent op beroepen en bedrijven, de derde
over dat voor openbare vermakelijkheden, de vierde
over de belasting op het dragen van gepoederd haar,
en de vijfde over het patent op de jacht. Geheel ver-
schillende belastingen derhalve werden hier onder een-
zelfden naam vereenigd.
Het recht van patent op de uitoefening van beroepen
en bedrijven leverde, volgens de missive van den Raad-
pensionaris van 14 October 1805, „eene Contributie
op — voor de bescherming welke ieder Ingezeten in de
uitoefening van zijn Beroep en van zijne Maatschappe-
lijke Regten in het algemeen geniet, — Contributie, welke
zoo na mogelijk meerder in evenredigheid met zijne
Winsten, en dus ook met de opoffering welke de Maat-
schappij redelijker wijze van hem mag vorderen, kan
worden gebragt."
Ten einde eene behoorlijke verdeeling der belasting
te verkrijgen, zou „alles daar op (aankomen), of de
hoogte der Belasting, in evenredigheid (stond) met de
voordeden, welke ieder Beroep, zoo wel aan dengenen
die hetzelve uitoefend, als aan de Maatschappij aan-
brengt.\'\' Door ook het algemeen belang voor de meer
of minder verschoonende behandeling van de verschil-
lende bedrijven in aanmerking te nemen, week men
eenigszins af van het fiscaal- en plaatste men zich met één
voet op het sociaal standpunt. M. i. volkomen te recht.
-ocr page 145-
129
Waar de staat het belang van den fiscus met het belang
van de maatschappij kan vereenigen, waar hij, door een
geldelijk voordeel voor zich te bedingen, een voor de
maatschappij wenschelijken toestand in het leven roepen
of bevorderen kan, is de staat hiertoe niet alleen be-
voegd maar ook verplicht. De moeilijkheid van de juiste
vereeniging van fiscale en sociale politiek mag hiervan
niet terughouden.
Ten aanzien van zoodanige beroepen, welker winsten
van de plaats der vestiging niet of althans weinig af-
hangen, werd „ de Belasting naar het Vertier, zonder
onderscheid van Plaats berekend." De handel in koffie,
thee, chocolade en tabak werd „ iets hooger dan die in
andere Goederen bezwaard, omdat deze Waaren of
sommige derzelve in de meeste gedeelten der Republiek
aan Belastingen (waren) onderworpen geweest, welke
thans (wegvielen)."
Voor die beroepen, welker voordeden wel van de
plaats der vestiging afhankelijk zijn, werden „ acht ver-
schillende Klassen gemaakt, in ieder van welke meer
of minder betaald (werd), naar mate der Volkrijkheid
van de Plaats, waar het Beroep (werd) uitgeoefend, en
voorts in de meest Volkrijke Plaatsen afdalende van
honderd zestig tot één, en in de minst Volkrijke van
honderd tot één, en waarbij (was) in het oog gehouden
zoowel de gelegenheid van meerdere winsten, welke de
eene Plaats boven de andere oplevert, als de meerdere
9
-ocr page 146-
130
winsten, welke de een in hetzelfde Beroep, boven den
anderen kan verkrijgen."
Het kan niet worden geloochend, dat sommige beroe-
pen en bedrijven meer-, andere minder afhangen van de
volkrijkheid der plaats van vestiging, evenmin dat be-
lasting naar het debiet somtijds wel-, somtijds ook niet
mogelijk is. De combinatie der beide middelen tot het
vinden van het billijk bedrag der belasting is derhalve
geheel gerechtvaardigd. Evenwel ging de regeling aan
enkele groote fouten mank, die de in beginsel geheel
juiste belasting, dikwijls zwaar en zonder evenredigheid
deden drukken. In de eerste plaats had men verzuimd
een voldoend stelsel van uiterlijke kenmerken uit te
werken l) en te veel laten afhangen van de eigen aan-
gifte der belastingplichtigen en het goedvinden der
plaatselijke besturen. Voorts had de verdeeling in klas-
sen en tabellen naar winstgevendheid van het beroep
en volkrijkheid der plaats aan periodieke — bijv. vijf-
jarige — herziening onderworpen moeten zijn. Immers
de volkrijkheid der verschillende plaatsen stijgt niet in
constante verhoudingen, en de kenmerken der betrek-
kelijke winstgevendheid van de verschillende bedrijven
wijzigen zich ten gevolge van den vooruitgang op tech-
nisch gebied gedurig.
1) Vgl. P. Leroy-Beaulieu, Traite de la scienoe des linanoes, I,
bl. 373.
-ocr page 147-
131
Het is dan ook zeer wel mogelijk, dat het patentrecht,
zooals het was geregeld, niet voldeed ]) j dit belet even-
wel niet, dat het, mits goed geregeld, zeer goed is te
verdedigen, ja voor elk goed belastingstelsel onmisbaar
mag genoemd worden.
Vrijgesteld van het recht waren : „ de Ambtenaren —
om dat zij bij de Ordonnantie op het Zegel reeds
(waren) bezwaard; de Schippers en Voerlieden omdat
hunne Bedrijven door het Binnen- of Buitenlandsch
Last- en Passagie-geld aan een direct bezwaar (waren)
onderworpen; de Domestieken, om dat het Dienstboden-
geld voor hen (werd) betaald (!); de Landlieden met al
hunne Inlandsche Bedienden, om dat de Landbouw, zoo
door de Verponding als meer speciaal door het Perso-
neel en de Belasting op het Rundvee — reeds een
voldoend direct aandeel in de Lasten (droeg), en omdat
deze stand aan geen overmatige Lasten behoort te wor-
den onderworpen (!); de Zeevarende Lieden en Visschers,
omdat beide deze bedrijven hier te Lande niet te veel
kunnen worden aangemoedigd; Geestelijke Personen,
uit hoofde van derzelver geringe bezoldiging; en Kan-
toorbedienden, geen salaris of voordeel genietende, en
Jongens en Meisjes, in of voor Fabrijken werkende, en
geen twintig jaren oud zijnde, omdat zij in de termen
vallen van tot nuttige Leden der Maatschappij te wor-
1) Vgl. Gogel, Mem. en Corr., bl. 230, 231.
-ocr page 148-
132
den gevormd; Renteniers en andere Personen, welke
geenerlei Handel, Beroep of Bedrijf exerceeren, (waren)
mede uitgezonderd j dan valt in het oog, dat deze onder
generlei reden aan dit regt konden worden onderwor-
pen, dat hun verblijf, immers voor zoo verre zij een
independent fortuin bezitten, reeds op zich zelven voor-
deelig is in de Maatschappij, en dat zij indirect ook in
deze Belasting (deelden), voor zoover het eene bewezene
waarheid is, dat alle Belastingen tot op eene zekere
mate ten laste komen van dengenen, die de Goederen
en Waaren gebruikt of consumeert; terwijl deze Klasse
van Ingezetenen buiten de mogelijkheid (geweest) zijn
zoude, om haren geheel willekeurigen aanslag geheel of
gedeeltelijk ten laste van anderen te brengen."
Deze passage uit de toelichting der regeering bij het
ontwerp der patentwet is zeer belangrijk. Zij doet zien,
dat het niet de bedoeling was — zooals dikwijls ge-
meend wordt, — door het patentrecht alleen het indu-
strieele kapitaal te belasten. Alle beroepen en bedrijven
vielen daaronder, hetzij voor de uitoefening kapitaal
noodig is of niet; alleen die beroepen en bedrijven
werden vrijgesteld, die reeds elders waren belast of ten
opzichte van welke men eene bijzondere belangstelling
wilde aan den dag leggen. De patentbelasting was vol-
komen terecht eene belasting zoowel op arbeid als op
kapitaal; het zou bovendien een ijdel streven zijn ge-
weest eene belasting te willen heffen, die het industri-
-ocr page 149-
133
eele kapitaal trof, maar den industrieelen arbeid vrijliet.
Bij de nijverheid hangen kapitaal en arbeid te nauw
samen, dan dat zoodanige scheiding mogelijk zou zijn
geweest.
De opbrengsten van den grond werden getroffen
door de verponding, die uit kapitaal en arbeid of uit
arbeid alleen, door het patentrecht. Slechts de opbrengst
van het kapitaal alleen, van het vermogen in portefeuille,
bleef onbelast; de reden dezer uitzondering zagen we
reeds: men vreesde hierbij vooral willekeurigen aanslag
en meende, dat het verblijf van kapitalisten reeds op
zichzelf een voordeel voor een land is.
Volgens de derde afdeeling der wet van 2 December
1805 werd recht van patent geheven van „alleschouw-
burgen, waar in door levende Personen (!) ïreur-, Blij-,
Tooneel- of Kluchtspelen, Opera\'s, Pantomimes of der-
gelijken worden vertoond." Deze belasting werd wel
geheven van de schouwburgondernemers maar met het
oogmerk, dat zij het bedrag daarvan door verhooging
van de prijzen der plaatsen van de bezoekers zouden
terugvorderen. Men had daarom „ in het oog gehouden,
dat de meer kostbare Vermakelijkheden, in welke de
rijkere standen dus ook het meest deel nemen, propor-
tioneel aan eene hoogere Belasting (waren) onderworpen."
Het recht op het dragen van poeder werd geheven
van allen, „ hetzij Man of Vrouw, welke (zouden) ver-
kiezen Haarpoeder te dragen, het zij met rond of ge-
-ocr page 150-
134
kapt Haar, Paruiken, Tourtjes of wat iets meer is."
Zeer te recht hadden de representanten Siccama en van
Rees in hun rapport van 1798 dergelijke belasting verwor-
pen. „ Eene belasting, zeiden zij, op Paruiken en Hair-
poeder is bijkans niets waardig, zoodra mode of over-
drijving van zekere beginselen geene Paruiken of Hair-
poeder gedoogd." Het recht op het dragen van gepoe-
derd haar bedroeg / 5 \'s jaars. Dat op het uitoefenen
van de jacht was even hoog. Dit laatste recht werd
geheven niet alleen van jagers van beroep, maar ook
van jachtliefhebbers.
Zoowel voor het recht op tooneelvertooningen als voor
dat op de jacht is veel aan te voeren.
De in de wet van 2 December 1805 geregelde
belastingen komen hierin overeen, dat men geen be-
last bedrijf mocht uitoefenen, geen gepoederd haar
dragen, geen openbare vermakelijkheid houden en geen
jachtrecht uitoefenen, zonder te zijn voorzien van eene
akte of patent, waarbij zulks door het gemeentebestuur
werd toegestaan. Deze patenten nu werden geschreven
op zegels ter hoogte van de verschuldigde belasting en
niet afgegeven voordat het recht betaald was.
In nauw verband met het patentrecht stond het:
2. „Regt van het Klein Zegel op eenige Voorwer-
pen van Handel en Weelde." Deze belasting werd het
eerst geregeld bij de ordonnantie van 2 December 1805
(P. A. R. I, bl. 127), en rustte toen op hoeden, hand-
-ocr page 151-
135
schoenen, kousen, pantalons, broeken en vesten, horo-
logiën en pendules, parfumeriën, platenwerken, speel-
kaarten, almanakken, couranten en andere gedrukte
werken. Zij werd over verschillende voorwerpen uitge-
breid door de wet van 11 April 1807 (P. A. B. II,
bl. 520). Haar naam ontleende deze belasting aan de
omstandigheid, dat vóór den verkoop der belaste wa-
ren daaraan door den verkooper een zegel tot het be-
drag van het verschuldigde recht gehecht moest worden.
Bij de invoering meende men, dat deze belasting, welke
slechts rustte op artikelen van weelde, gemakkelijk zou
worden gedragen en zonder bezwaar ingevorderd; doch
men bedroog zich. Gogel zelf zeide er later van: „Thé-
orétisch was het eene der beste belastingen, als tref-
fende alleen en evenredig, meest overtollige voorwerpen,
of die, welke door hunne meerdere waarde voorwerpen
van weelde wierden; de last was ook zeer matig en te
gering om van dien kant eenig bezwaar op te leveren;
dan hier schoot de kracht van den minister die met de
uitvoering der wet belast was, tegen de publieke opinie,
maar vooral tegen de kwaadwilligheid der winkeliers,
en van hen die het spel van tegenstand dreven, te kort"
(Mem. en Corr. bl. 129, 130).
Gogels uitspraak — hoe onpartijdig hij zijn eigen
werk ook telkens beoordeelde — schijnt mij te gun-
stig. Theoretisch was de hier besproken belasting lang
niet een der beste: de controle op de heffing was moei-
-ocr page 152-
13G
lijk, de opbrengst door de steeds veranderende mode
ten opzichte van weelde-artikelen geheel wisselvallig,
en bovendien behoorden lang niet alle belaste artike-
len tot de overtollige weelde 1). De belasting op cou-
ranten, almanakken en andere gedrukte stukken was
eene belemmering voor volksontwikkeling en beschaving.
Zoowel het recht van patent als het klein-zegel der
weelde-artikelen waren nieuw. Men had „in Zweden,
en vervolgens in Frankrijk, met een gewenschten uit-
slag, de faculteit om eenig Bedrijf, welke dan ook,
uitteöefenei), met eene Belasting bezwaard, door het
doen uitgeven van publieke Acten van Admissie, voor
welke, naar gelang van het Bedrijf, de Klasse van den
Contribualen, de plaats waar, zekere prijs wierd betaald.
Zoodanig iets bij ons intevoeren, doch de Belasting
door middel van het Zegel op de Acte te heffen, (was)
hier de bedoeling." De patentbelasting kwam in de
plaats van de rechten, welke vóór 1795 aan de bestu-
ren der gilden moesten worden voldaan2). De belas-
ting der artikelen van weelde werd van Engeland over-
genomen.
3. „ Binnenlandsch Last-, Water-Plaizier en Passage-
1)  Vgl. Vissering, Handb. n°. 874.
Paul Leroy-Beaulieu, t. a. p. I, bl. 421: „ vouloir taxer par Ie
menu tous les objets de luxe, ce serait donner il 1\' Etat une tfiche
inextricable et assujettir les citoyens il un controle insupportable."
2)   Vgl. Vissering, Handb. n°. 821.
-ocr page 153-
137
geld," eene belasting „geheven van alle Binnenlandsche
Schepen en Vaartuigen, van welken aard en natuur,
of tot welke einden dezelve zullen zijn geschikt, hetzij
tot Transport en vervoer van Waaren, Goederen en
Koopmanschappen, ofte tot eenig ander einde of tot
vermaak dienende, mitsgaders op het gebruik derzelve
voor of ten behoeve van Passagiers." (Ord. 6 Decem-
ber 1805, P. A. B. I, bl. 194).
Binnenlandsche beurtschepen en vrachtschuiten be-
taalden „ naar de Lasten, die dezelve kunnen laden, de
Reizen die zij doen, en de Wateren, die zij bevaren,
van eene Gulden per schuit, tot drie Guldens het Last;
alle Volks of Passagiers Schuiten — bij wijze van
Tauxatie en Quotizatie, in evenredigheid van de ver-
diend wordende Vrachten, (en) alle andere Vaartuigen
van Plaizier, naar de qualiteit van dezelve." Deze be-
lasting werd opnieuw geregeld bij de wet van 23 Ja-
nuari 1809 (P. A. B. IV, bl. 22); vaartuigen die uit-
sluitend dienst deden tot het overbrengen van passa-
giers, werden toen van het lastgeld vrijgesteld, voor
het overige kwam de nieuwe wet in hoofdzaak met de
oude overeen 1).
Bij de invoering dezer belasting vervielen „alle Tol-
len en Belastingen, welke binnen deze Republiek op den
1) Bij koninklijk decreet van 13 December 1806 (P. A. B. II,
bl. 360) waren alle schepen, welke uitsluitend gebruikt werden tot
het vervoeren van meede naar de meestoven, van het lastgeld vrijgesteld.
-ocr page 154-
138
Binnenlandschen Handel, Vervoer en Doorvoer van
Waaren, Goederen en Koopmanschappen, mitsgaders
Passagiers, zijn gelegd, zoomede de Plaizier-gelden of
Belastingen op Jagten, Boeijers, en andere Vaartuigen
van vermaak, voor zooverre deze Belastingen en Tol-
len, ten behoeve van den Lande — (werden) geheven, —
voor zooverre daaromtrent — (geene) uitzondering (werd)
gemaakt."
Het thans besproken middel was ten opzichte van
het vervoer te water, wat het land-pleizier- en «passage-
geld was ten opzichte van het vervoer te lande. Deels
vulden beide belastingen het patentrecht aan, deels
werkten zij als accijnzen.
4. Accijnzen op:
a.   „Zout, hetwelk binnen de Bataafsche Republiek
is geraffineerd, en door de Zoutzieders — wordt uit-
geslagen, — (en) Pekel (anders Woes genaamd) welke
bij hun zal worden uitgeslagen, — en wel: van iedere
zak zout vijf Guldens, en van ieder Oxhoofd Pekel van
zes Ankers, zes Guldens." (Ord. 18 December 1805,
P. A. B. I, bl. 402, vervangen door wet 24 Februari
1809, P. A. B. IV, bl. 71).
b.  Zeep, „hetzij hard of zacht, welke binnen de Ba-
taafsche Republiek is gefabryceerd, en door de Zeep-
zieders of Zeepmakers wordt uitgeslagen, — en wel
van iedere honderd ponden harde Zeep — vijf Guldens,
en van iedere Ton zachte Zeep, wegende twee honderd
-ocr page 155-
139
en veertig ponden, twaalf Guldens." (Ord. 24 Decem-
ber 1805, P. A. B. I, bl. 426, vervangen door wet 21
December 1805, P. A. B. III, bl. 509).
c.   Gemaal, ten bedrage van / 108 „van ieder last
Tarwe of Spelt, mitsgaders Mastelein of Tarwe met
Rogge, of ook Tarwe met andere Granen vermengd,"
en van ƒ 45 „ van ieder last Rogge, of Rogge met
eenige andere Granen, (Tarwe alleenlijk uitgezonderd)
vermengd." (Ord. 17 December 1805, P. A. B. I, bl.
308). Bij de wet van 8 Januari 1807 (P. A. B. II,
bl. 376) werd de accijns op rogge teruggebracht van
/ 45 tot ƒ 21.12 per last.
d.   Beestiaal, ten bedrage van drie stuivers van elke
gulden der geschatte waarde „van alle Stieren, Ossen,
Koeijen, Vaarsen, Pinken, Kalveren, Varkens, Speen-
Varkens, Schapen en Lammeren, welke binnen de Ba-
taafsche Republiek worden geslagt," (Ord. 6 December
1805, P. A. B. I, bl. 228.)
e.   Turf, ten bedrage van vier stuivers „van ieder
Ton Spon- of Bagger-turf," twee stuivers van iedere
ton „ zwarte turf, die van de hooge Veenen of uit an-
dere Veengronden alleenlijk af- of uitgestoken, afgegra-
ven of uitgegraven, en mitsdien niet tot Bagger ge-
maakt of bereid wordt," en één stuiver van iedere ton
„zoogenaamde Zand-kluiten of Zand-turf" (Ord. 10 Ja-
nuari 1807, P. A. B. II, bl. 399).
f.  „Inlandsche Koren-Brandewijn, Jenever en inland-
-ocr page 156-
140
sche Brandewijn van Wijn, gedistilleerde Wateren en
fijne Likeuren," ten bedrage van f 30 per okshoofd
jenever of moutwijn, en ƒ 40 per okshoofd brandewijn,
gedistilleerde wateren of fijne likeuren (Ord. 3 Januari
1806 P. A. B. I, bl. 476). Bij de wet van 2 December
1806 (P. A. B. II, bl. 347) werd de impost op jene-
ver en moutwijn van ƒ 30 tot / 42 per okshoofd, en
die op brandewijn van ƒ 40 tot f 48 verhoogd.
g. Wijn, ten bedrage van „van vier en twintig Gul-
dens van ieder Oxhoofd, dat binnen de Bataafsche Re-
publiek ter consumtie wordt ingeslagen" (Ord. 3 Januari
1806, P. A. B. I, bl. 514). Bij de zooeven vermelde
wet werd deze accijns verhoogd tot dertig gulden per
okshoofd.
In het belang der nijverheid waren in de accijnswet-
ten verschillende gunstige bepalingen opgenomen ten
aanzien van het verbruik van veraccijnsde waren in fa-
brieken en trafieken.
Overzien wij nu de gezamenlijke accijnzen uit het
stelsel van 1805 dan treft het ons, dat vijf van de
zeven rusten op noodzakelijk levensbehoeften, en slechts
twee min of meer rekening houden met de draagkracht
der inwoners. Bij deze overweging gevoelen we ons
geneigd terstond een veroordeelend vonnis uit te spre-
ken; „dan, hierbij komt in aanmerking, dat het Bier
geheel wordt vrijgelaten, het Kaarslicht onbezwaard
blijft, de Binnenlandsche Fruiten en Brandhout, de
-ocr page 157-
141
Aardappelen, de Azijn, de Tabak, het Mout, de Gist,
de Gerst, de Boekweit, de Haver, de Gort, Koffij, Thee,
Chocolade, Wolle Lakenen, en wat dies meer (toen)
belast (was), buiten bezwaar blijven, immers aan niets
anders onderworpen, dan aan de Belasting op de Pa-
tenten of Acten van Admissie voor diegenen, welke in
deze speciën handel drijven, en waaraan ook alle an-
deren gelijkelijk onderworpen worden."
Deze opmerking uit de voordracht van het stelsel
stemt tot nadenken. Immers vóór 1806 werd een zoo
belangrijk deel der publieke inkomsten gevonden uit
eene bonte mengeling van accijnzen, welke of in het
geheel niet of althans weinig rekening hielden met den
welstand der ingezetenen, dat het onmogelijk was al deze
middelen op eens te laten vallen zonder het evenwicht
in de staatsfinanciën geheel te verbreken. Men schafte
een aantal oude imposten af en deed daarmede eene
belangrijke schrede op den goeden weg; verder te wil-
len gaan en alle belastingen op noodzakelijke behoeften
te laten vallen zou dwaasheid geweest zijn. Maar eene
vraag moet ons toch van de lippen: waren er niet onder
de oude imposten, die in de plaats van of althans naast
de uitverkoren zeven hadden behouden moeten worden ?
Ten einde hierop een antwoord te geven is het in de
eerste plaats noodzakelijk de werking van de zeven
accijnzen van het stelsel in het kort na te gaan.
Het zout is een voor de instandhouding van het
-ocr page 158-
142
menschelijk lichaam noodzakelijk voedsel, zoowel armen
als rijken hebben het noodig. De accijns op dit artikel
houdt dan ook in het minst geen rekening met de
draagkracht en werkt als een indirect hoofdgeld. Het
verbruik van zout zou evenwel bij afschaffing van den
accijns weinig stijgen, daar deze niet zoo sterk drukt,
of de behoefte aan zout vindt zelfs bij de minder ge-
goeden niettegenstaande den accijns voldoende bevredi-
ging. Van daar dat men m. i. te ver gaat door tegen
den zoutaccijns aan te voeren, dat hij een schadelijken
invloed op de volksgezondheid uitoefent.
Minder gunstig moet de zeepaccijns in dit laatste
opzicht worden beoordeeld. Deze werkt de onreinheid
ongetwijfeld in de hand. Vooral de minder gegoeden
munten gewoonlijk niet uit door zindelijkheid. In de
plaats nu van te trachten in dezen toestand, die vooral
in tijden van besmettelijke ziekten, zoo veel gevaren
voor leven en gezondheid oplevert, verbetering te bren-
gen, werkt de staat door den zeepaccijns de reinheid
tegen. Natuurlijk zou zonder den zeepaccijns niet ieder-
een even zindelijk zijn, maar wel zou verlaging van
den zeepprijs het ook voor den minderen man gemak-
kelijker maken zich rein te houden. De staat die aan
den eenen kant de volksgezondheid wil bevorderen en
aan den anderen kant een zeepaccijns heft, werkt zijn
eigen streven tegen.
Ook de accijns op het geslacht heeft een niet te
-ocr page 159-
143
miskennen schadelijke werking; hij beperkt het vleesch-
verbruik van den minder gegoede, belet dezen daardoor
zijne lichaamskrachten voldoende te onderhouden en
werkt derhalve zwakheid en ziekte in de hand.
Van den accijns op de turf geldt ongeveer hetzelfde,
hoewel — vooral bij de vrijlating van andere brandstof-
fen — in mindere mate. Ook werkt deze accijns be-
lemmerend op de industrieën, voor welke het stoken van
turf noodzakelijk is :).
Bij de beoordeeling van den accijns op het gemaal
stuiten we op eene moeilijkheid. Verschillende malen
toch is beweerd, dat de accijns op het gemaal niet den
verbruiker maar den grondeigenaar treft.
Nemen we ter oplossing van dit vraagstuk voor een
oogenblik aan, dat de belasting werkelijk alleen den
grondeigenaar treft, en derhalve de prijs van het graan
niet doet stijgen. Wanneer nu zonder den accijns de
hoeveelheid graan, die van eenig stuk grond wordt ge-
trokken, eene geldswaarde van A vertegenwoordigt en
een accijns wordt opgelegd van een derde van den prijs
van het graan, zal naar onze onderstelling het gevolg
hiervan zijn, dat van de opbrengst A 1/i aan den staat
komt en 2/s voor grondeigenaar en pachter overblijft;
en daar dit voor alle met graan bebouwde gronden
eveneens het geval zal zijn, blijft voor alle grondeige-
1) Vgl. Economist, 1863, bl. 225—242.
-ocr page 160-
144
naars en pachters van bouwland slechts */$ van hetgeen
zij vroeger trokken over.
Maar vóór het opleggen van den accijns was al de
grond, welks bebouwing nog rekening gaf, reeds in cul-
tuur gebracht. Stel nu de minst vruchtbare grond gaf
een opbrengst B, dan moet ook na het opleggen van
den accijns voor den bebouwer minstens een opbrengst
B overblijven, en aangezien van eiken grond 1/3 der
opbrengst aan den staat komt, kan dus nog alleen de
bebouwing van dien grond rekening geven, welks op-
brengst 3/2 B bedraagt. Al de grond van minder kwa-
liteit zal of braak blijven liggen of voor andere doel-
einden worden gebruikt. De aangeboden hoeveelheid
graan zal dus met evenveel verminderen als de gezamen-
lijke opbrengst bedroeg van alle grondstukken, die tus-
schen 3/2 B en B opleverden.
In onze onderstelling nu is de prijs en derhalve ook
de vraag constant gebleven, en blijft dus een deel der
behoefte onbevredigd. Doch juist doordien de behoefte
niet geheel wordt bevredigd, zal de prijs rijzen; hier-
door zal het aanbod vermeerderen, doordien de bebou-
wing van grond, die minder dan 3/3 B oplevert, nu
weer winstgevend wordt. De prijsverhooging zal eerst
ophouden op dat punt, waar de vraag en het aanbod
tegen den verhoogden prijs elkander dekken.
Nu is het een algemeen bekend verschijnsel, „dat
de prijzen der eerste levensmiddelen bij eene vermin-
-ocr page 161-
145
dering der hoeveelheid in veel sterker verhouding klira-
men dan de hoeveelheid afneemt," (Mr. J. d\'Aulnis de
Bourouill, Het inkomen der maatschappij. Leiden, 1874,
bl. 99), en omgekeerd, dat de vraag naar eerste levens-
middelen bij eene verhooging van den prijs in veel
zwakker verhouding afneemt dan de prijs stijgt. Immers
de behoefte aan eerste levensmiddelen kan niet onbe-
vredigd blijven; bij eene verhooging van den prijs zal
derhalve een grooter deel van het inkomen ter be-
strijding dier behoefte worden besteed, en op minder
noodzakelijke behoeften worden bezuinigd.
Ten einde nu deze bijna constant gebleven behoefte
aan graan te kunnen bevredigen moet al — of ten
minste nagenoeg al — het land, dat met graan bebouwd
werd, in cultuur blijven. Doch dit is alleen mogelijk, wan-
neer de prijs van het graan met het volle — of bij-
kans het volle —• bedrag van den accijns stijgt \'). Dat
1) Ter verduidelijking van het in den tekst geleverd betoog strekke
achterstaande figuur.
Hierin meten we den bebouwbaren grond op de lijn AB af. B
stelt den minst vruchtbaren grond voor, wiens bebouwing nog juist
rekening geeft. De verticale lijnen AD, G F en R C stellen de in
geldswaarde uitgedrukte opbreugst der verschillende gronden voor.
Wordt nu een accijns geheven van 1/3 van den graanprijs en steeg
deze niet, dan zou van de opbrengst A U, slechts A Dj, van G F
slechts G Fl en van B C slechts B Cj voor landheeren en pachters
overblijven. D D1; F F1 en C Cj zouden in de schatkist vloeien, doch
in dit geval zou de grond van minder vruchtbaarheid dun G niet
meer zonder verlies kunnen bebouwd worden. Moet echter het aan-
bod constant blijven, dan kan dit alleen, doordien de opbrengst in
9
-ocr page 162-
[146
het kleine deel van den accijns, dat niet den vcrbrui-
ker treft, door den grondeigenaar en niet door den
pachter wordt gedragen, valt ieder, die doordrongen is
van de juistheid van Ricardo\'s theorie over de pacht-
waarde van den grond, terstond in het oog.
Wat wij hier voor den accijns op het gemaal onder-
zochten, geldt voor alle accijnzen op noodzakelijke levens-
behoeften, zij treffen de verbruikers bijkans met het
volle bedrag. Wel is het waar, dat dien ten gevolge de
geldswaarde van B evenveel klimt, als het deel dier opbrengst, dat
in de schatkist vloeit, bedraagt, in. a. w. doordien de prijs van liet
!           **.
V,
graan, dat B oplevert, met het bedrag van den accijns verhoogd wordt.
De opbrengst van B in geld zal dan zijn B C3 en hiervan zal C C2
aan den Staat, B C aan den landbouwer toekomen. Doch de prijs
van het graan van den grond B kan niet stijgen, zonder gelijke stij-
ging van al het aangeboden graan. De opbrengst in geldswaarde van
G wordt derhalve Gr F2 en hiervan komt F F3 aan den Staat, die
van A, A D2, waarvan ook D D3 in de schatkist vloeit, zoodat voor
landheeren en pachters de oorspronkelijke bedragen van A D, G F
en B C overblijven.
-ocr page 163-
147
loonen op den langen duur moeten stijgen, maar in de
overgangsperiode zijn dergelijke accijnzen een ware last
op de schouders der mindergegoeden. Hier tegenover
staat, dat bestendiging van sinds lang geheven accijnzen
op eerste levensmiddelen, zooals in 1806 plaats greep,
door de arbeidende klasse veel minder sterk gevoeld
wordt, dan met invoering van nieuwe accijnzen op nood-
zakelijke behoeften het geval is.
Keeren wij thans tot den gemaalaccijns van 1800
terug, dan moeten we nog wijzen op de goede eigen-
schap van dezen accijns, dat hij de rogge aanmerkelijk
lager belastte dan de tarwe, een voordeel dat door de
wet van Januari 1807 niet onbelangrijk verhoogd werd.
Doch niettegenstaande men door de lagere belasting
van de rogge den accijns op het gemaal ten minste
eenigszins rekening deed houden met de draagkracht,
geen der vijf besproken accijnzen stond met deze draag-
kracht in evenredigheid. Verre van dien; al deze accijn-
zen werkten als indirecte hoofdgelden progressief in om-
gekeerde richting. En is dan de vraag niet gerechtigd,
of het niet eene verkeerde politiek was den accijns op
tabak en den accijns op bier af te schaffen, en brood,
vleesch, zout, zeep en turf te blijven bezwaren? Ware
het althans niet beter geweest naast de imposten op
deze laatste artikelen ook de beide genoemde accijnzen
te laten bestaan? Mij dunkt ongetwijfeld. Men kan een
tegenstander zijn van de invoering van een accijns op
-ocr page 164-
148
tabak, waar deze niet bestaat, en toch moeten erkennen,
dat wanneer zoowel tabaks- als geniaalaccijns geheven
worden, de laatste voor afschaffing meer in aanmerking
moet komen dan de eerste. Men kan een accijns op bier
weinig gewenscht achten — en ook schrijver dezes is
voor een groot deel deze meening toegedaan, — maar
boven den accijns op gemaal of op zout moet hij toch
ver de voorkeur verdienen x).
De accijnzen op wijn en sterken drank zijn veel meer
in overeenstemming met de eischen, die men aan eene
belasting stellen mag, dan de vijf andere van het stelsel
van 1805. De accijns op sterken drank vervult eene
dubbele roeping. Bij de heffing van dezen impost wordt
niet alleen gelet op de draagkracht van den verbruiker,
maar ook op het maatschappelijk belang. Dit belang
nu eischt het te keer gaan van het misbruik van ster-
ken drank; kan de wetgever hiertoe het zijne bijdragen
en daarmede tevens eene bate aan de schatkist verze-
keren, zoo is hij hiertoe niet slechts gerechtigd, maar
verplicht. Immers hij doet hiermede de dubbele weldaad
van een kwaad tegen te gaan en ontlasting (positieve
1) „Ein Reich, welohes in der Lage ist, dureh Tabak- und Ge-
trankesteuerreform die Salzeiunahmen überflüssig zu machen, musz
Englands Beispiel folgen und die Salzsteuer, welche Frankreich 1848
ermiiszigt und auch 1871 wieder zu erhöhen unterlassen hat, aufheben.
Landwirthschaft und Industrie gewannen bei dieser gerechtesten, ob-
wohl negativen Steuerreform unberechenbar viel." Sohaffle, Steuer-
politik, bl. S2.
-ocr page 165-
149
of negatieve) te bewerken, daar waar belasting belem-
merend zou werken en waar belemmering schadelijk zou
zijn. De gemoedelijke tegenwerping, dat een Staat geen
voordeel mag trekken uit eene volkskwaal, behoeven
we hier niet in het breede te weerleggen. Van meer
beteekenis zijn een tweetal andere bezwaren.
Zoodra eene belastingwet wordt te baat genomen ter
bereiking van een ander oogmerk dan stijving der schat-
kist, gaat — zoo zegt men — het zuiver karakter der
belasting verloren en blijft de draagkracht niet meer
de eenige maatstaf der heffing. Deze opmerking is zeer
waar, maar meer doctrinair dan praktisch; immers de
draagkracht moet dan alleen de eenige maatstaf zijn,
wanneer men niet anders wil dan belasten, zoodra
men tevens een ander doel bereiken wil, heeft men een
tweede maatstaf aan te leggen. Dat het moeilijk is in
zoodanig geval het juiste midden te houden, kan niet
worden tegengesproken. Maar moeilijkheid in de toe-
passing mag geen reden zijn om naar de bereiking van
het gewenschte tweeledig doel niet te streven. Het is
beter een goed doel slechts ten halve te bereiken, dan
het geheel te verwaarloozen.
Eene tweede opmerking van niet te miskennen ge-
wicht is deze, dat men door de heffing van een hoogen
accijns op sterken drank den minderen man er toe brengt
een groot deel van zijn inkomen te besteden voor het
genot van jenever. Bij elke verhooging van den accijns
-ocr page 166-
150
wordt dit deel bovendien noodzakelijk grooter. Ten
eerste evenwel verliest men bij deze tegenwerping uit
het oog, dat het juist het doel is door het jeneverver-
bruik duur te maken hierin vermindering te brengen,
een doel dat in vele gevallen zeker wel bereikt wordt.
Maar er is meer; blijkt toch dat de accijns geen ver-
mindering brengt in de consumtie van sterken drank,
dan zal op den langen duur eene stijging der loonen
het gevolg zijn. In het overgangstijdperk nu zal de ac-
cijns zeker onevenredig zwaar drukken, maar men ver-
gete niet, dat hij die zijn jeneververbruik wil vermin-
deren dezen last van zich kan afschuiven en dat zoo-
danige afschuiving juist het oogmerk is, welks bereiking
men zich voorstelt.
Een hooge accijns op gedistilleerd heeft ongetwijfeld
even als elke belasting zijne bezwaren, deze worden
echter door de voordeelen ruimschoots opgewogen. Bo-
vendien houdt deze accijns wel degelijk eenigszins reke-
ning met de draagkracht; immers slechts in zeer bijzon-
dere gevallen is het gebruik van sterken drank eene
noodzakelijke behoefte, gewoonlijk is het weelde of
misbruik.
Dat de accijns de branderijen drukt en benadeelt, zal
niemand ontkennen; evenwel moet de waarde van eiken
tak van handel of nijverheid, uit algemeen maatschap»
pelijk oogpunt, worden beoordeeld naar de nuttigheid
van het product, dat voortgebracht of verhandeld wordt.
-ocr page 167-
151
Nu is de sterke drank, ook uit dit oogpunt, verre van
nutteloos, maar minder dan nutteloos is elke hoe-
veelheid daarvan, die voor het gebruik niet noodig,
voor het misbruik bestemd is. Zoolang nu meer
wordt voortgebracht en verhandeld dan gebruikt
wordt, is het in het belang der maatschappij zoodanige
nijverheid, zoodanigen handel niet te steunen, maar te
bemoeilijken. Natuurlijk moeten evenwel ook op dit
gebied geweldige schokken zooveel mogelijk worden ver-
meden. Mutatis mutandis, strekken deze redenen even-
zeer tot ontzenuwing — althans tot verzwakking —
van de bezwaren, die men voortdurend tegen de invoe-
ring van een accijns op tabak hoort aanvoeren.
Na al hetgeen over den accijns op het gedistilleerd
gezegd is, behoeft die op den wijn geene lange bespre-
king. Deze vereenigt beide voordeden van den accijns
op het gedistilleerd in zich, evenwel in andere verhou-
ding. Hij houdt namelijk veel meer rekening met de
draagkracht der verbruikers, daarentegen bewijst hij
veel minder — zoo al eenigen — dienst als middel tot
het te keer gaan der dronkenschap.
5.   „De Impost op de Waag, — een Waaggeld van
alle Waaren en Koopmanschappen, die men boven de
twintig ponden bij Gewigt verkoopt of ter Waag doet
wegen." (Ord. 13 December 1805, P. A. B. I, bl. 256).
6.   „De Impost op de Ronde Maat, — eene Belas-
ting van alle Waaren en Koopmanschappen, welke met
-ocr page 168-
152
de Ronde Maat gemeten of verkocht worden." (Ord.
13 December 1805, P. A. B. I, bl. 285).
De tarieven van beide deze middelen kwamen over-
een met die, welke in de provincie Holland hadden ge-
golden. Beide deze belastingen belemmerden den handel
en verhoogden voor een deel de accijnzen en invoer-
rechten. Zij droegen eenigszins het karakter van retri-
butiën en drukten meer door de formaliteiten der hef-
fing dan door hun zwaarte. In de toelichting bij het
ontwerp op het recht van de waag werd dit middel ge-
prezen : „ deels, als een Object van jaarlijksch inkomen
voor den Staat, het welk, ofschoon aanzienlijk door de
menigvuldigheid der Voorwerpen aan de Belasting on-
derhevig, echter bij de Ingezetenen naauwelijks gevoeld
zal worden, uit hoofde der geringheid van de telkens
gevorderde betaling; deels ook, om dat de verpligting,
om de Goederen ter Waag te brengen, de Kooper voor
de juistheid van het Gewigt vrij beter waarborgt, dan
bij aldien alles zonder Controle op eigen schalen wierdt
gewogen; en bovendien pleit ten voordeele dezer Belas-
ting, dat de Ingezetenen in de meeste Departementen,
het zij dan als eene Provinciale, het zij als eene Plaat-
selijke inrigting, aan het Middel van de Waag van ouds-
her, gewoon zijn geweest." Dit laatste argument is on-
getwijfeld het meest steekhoudend; bij de vorige wordt
de last der formaliteiten te veel weggecijferd.
7. „De Impost op onderscheidene Buitenlandsche
-ocr page 169-
153
Producten, — bij den invoer van dezelve binnen deze
Republiek, en onverminderd zoodanige gewone Inko-
mende Regten, als onder de benaming van Convoyen
en Licenten, tot dus verre zijn geheven, en in het ver-
volg zullen geheven worden.\'\' (Ord. 18 December 1805,
P. A. B. I, bl. 366) *).
„Onder de Middelen, welke bij den Invoer te perci-
pieren (werden) voorgesteld, (waren) slechts weinige
nieuwe." De meeste waren reeds vroeger hetzij in Holland,
hetzij in eenig ander gewest bekend. ,, Door dezelve bij
den Invoer te heffen, wordt dit voordeel voor de In-
gezetenen geboren, dat, voor zoo verre onze Bodem of
Trafieken de bezwaarde Artikelen mede opleveren, en
dezelve door een der andere Algemeene Belastingen
niet worden bezwaard, deze!ven geheel vrij blijven." Bij de
vaststelling der invoerrechten was dan ook niet alleen gelet
op het bedrag van de accijnzen op binnenlandsche pro-
ducten, maar bleef ook bescherming van enkele takken
van inlandsche nijverheid niet geheel buiten spel. Deze
bescherming bleef echter binnen matige grenzen be-
perkt.
Het groote voordeel der algemeene invoerrechten was
1) De impost op buitenlandsch gedistilleerd werd geregeld bij
ordonnantie van 24 December 1805 (P. A. B. I, bl. 445) en ver-
hoogd bij de wet vbii 2 December 1806 (P. A. B. II, bl. 347),
te gelijk met de verhooging van den accijns op binnenlandsch gedis-
tilleerd. Eene nieuwe regeling en verhooging onderging dit middel
door de wet van 4 Februari 1809 (P. A. B. IV,\'bl. 48).
-ocr page 170-
154
het vervallen der provinciale; dit kwam het binnen-
landsch verkeer uitnemend te stade, de gewestelijke
tolliniën werden vernietigd en daardoor eene groote
belemmering voor den binnenlandschen handel wegge-
nomen.
Het is niet oneigenaardig op te merken, dat men de
convooien en licenten onveranderd liet, en de nieuwe
algemeene invoerrechten „de gedaante van eene afzon-
derlijke Belasting en de benaming van Impost (gat),
ten einde aan geene vreemde Natiën gelegenheid te
geven, om zich te beklagen over de verhooging onzer
Inkomende Regten, en de gevolgen te vermijden, welke
zulks zoude kunnen te weeg brengen." (Missive van 11
November 1805 van den Secretaris van Staat voor de
Financiën aan den Raadpensionaris).
Ten gevolge van dit diplomatische kunstje bleef het
plakkaat van 1725 de grondslag voor de heffing der
in- en uitgaande rechten, waartoe ook het last- en
veilgeld behoorde; de wijzigingen in het tarief sedert
dien tijd gebracht, bleven behouden en nieuwe wijzigin-
gen kwamen nu en dan tot stand J).
De verhouding tusschen het buitenlandsch en het
binnenlandsch lastgeld was dezelfde als die tusschen het
1) Behalve de temporaire belastingen en ontlastingen, welke sedert
1795 bij verschillende wetten jaarlijks plaats vonden, voerde de wet
van 29 December 1809 (P. A. B. IV, bl. 534) eenige permanente
wijzigingen in.
-ocr page 171-
155
buitenlandsch en het binnenlandsch landpassagegeld,
waarover we boven spraken.
8. Recht van Successie, ten bedrage van 10 °/0 van
het zuiver saldo van elke nalatenschap binnen de repu-
bliek. Vrijgesteld was elke nalatenschap beneden ƒ300,
en voorts al hetgeen werd geërfd in de rechte neder-
dalende lijn, of wel door ouders van hunne kinderen
of door echtgenooten, welke kinderen nalieten, van
elkander. Van het aandeel hetwelk hun ab intestato
toekwam, betaalden grootouders en broeders of zusters
5 °/o> en bloedverwanten in de zijlinie in den derden
graad 71/, % (0rd- 4 October 1805. P. A. B. I, bl. 53).
Dit middel was geheel nieuw en „ van een gansch
anderen aard — dan de — bestaande Impost op de
collaterale successie. Immers deze wierdt in de meeste
Departementen slechts geheven van een zeker bijzonder
zoort van Goederen of Bezittingen, terwijl andere van
dien last bevrijd bleven; in zommige dier Departemen-
ten was zelfs geen onderscheid tusschen de graden van
Maagschap daargesteld, en de opbrengst was voor ieder
even zwaar: deze last integendeel moet worden opge-
bragt naar het zuiver overschot van eiken Boedel, die
door een Bataafsch Ingezetenen bij zijn overlijden wordt
nagelaten."
Men was te recht van oordeel, dat „het Regt van
Successie, van een gansch anderen aard dan de overige
Belastingen is; immers daar deze laatste door een ieder
-ocr page 172-
156
moeten worden opgebragt van het geen hij werkelijk
bezit, en dus zijn effectief vermogen, even daar door,
verminderen, zoo betaald hier integendeel niemand, dan
alleen in dat geval, wanneer hij zijne Bezittingen ver-
meerderen, en zijne Finantiële vermogens ziet verbete-
ren; hij stort dus, billijk, alleen een klein gedeelte van
dat geen, het welk hij van elders verkrijgt in \'s Lands
Schatkist over, zonder iets van zijnen vorigen eigendom
daarbij te verliezen. — Dit raisonnement, (men erkende
zulks) kan, te ver getrokken wordende, tot absurde
consequentiën aanleiding geven, maar (men was) tevens
overtuigd, dat daar het belang eener Burger Maat-
schappij, van de Ingezetenen te regt vorderd, dat deze
een gedeelte hunner Bezittingen opofferen om aan de
behoeften dier Maatschappij tegemoet te komen, die
opoffering nimmer minder hard, minder drukkend is,
dan wanneer zij geschied, bij gelegenheid, dat men nieu-
wen aanwinst van Goederen doet, en dat zelfs het
Opperbestuur juist om die reden met betrekking tot
het quantum, \'t welk daarvan wordt gevorderd, een
stap verder kan en mag gaan dan anderzins deszelfs
Vaderlijke toegevenheid van zich zoude kunnen ver-
krijgen" (Verslag van de commissie van rapporteurs
over het ontwerp).
Het is bijzonder opmerkelijk, dat men, na in den loop
dezer eeuw deze eenvoudige en rationeele rechtvaardiging
van het successierecht door allerlei geleerde bespiege-
-ocr page 173-
157
lingen te hebben vervangen *), thans weer tot haar
terugkeert2). Ik aarzel niet deze teruggang een geluk-
kig verschijnsel voor de wetenschap der financiën te
noemen.
Het recht van successie behoort m. i. in het algemeen
tot de billijkste belastingen, het drukt op hen, aan wie
eene vermeerdering van vermogen ten deelt valt en
wel op het oogenblik, dat deze vermeerdering plaats
grijpt j m. a. w. het treft waar en wanneer eene ver-
hooging van draagkracht aan het licht komt. Deze ver-
hooging van draagkracht zal voor nauwe bloedverwanten
van den erflater, en wel vooral voor kinderen, betrek-
keiijk minder zijn dan voor anderen, die een gelijk
vermogen door erfenis of legaat verkrijgen. Kinderen
toch richten gewoonlijk reeds bij het leven van hunne
ouders hunne leefwijze min of meer in, naar hetgeen
hun later uit de erfenis hunner ouders ten deel zal
vallen, en ook bij andere nauwe bloedverwanten is dit
1)  Bijv. door het successierecht als eene gekapitaliseerde rentebe-
lasting op te vatten (Zie Mr. S. Vissering, Handboek, n°. 859 ; Itau,
Pinanzwissensch, 4e dr., II, § 405; J. P. Sprenger van Eijk, De
wetg. op het regt v. successie, \'s Hage, 1871, bl. 7) of door het te
beschouwen, als de betaling voor den dienst, dien de staat, als „ge-
rant de 1\'execution des volontcs du mourant," aan de erfgenamen
bewijst (Zie Paul Leroy Beaulieu, t. a. p. I. bl. 489).
2)  Zie Ad. Wagner, Allgeraeine Steuerlehre, Leipz. u. Heidelb,
1880, bl. 455 v.v.; K. Pr. Schall. Verkehr- und Erbschaftsteuern, in
Schönbergs Handb. der pol. Oek., Tübingen, 1882, II, bl. 386 v.v.
-ocr page 174-
158
dikwijls, hoewel in mindere mate, het geval. Op dezen
grond is de lagere belasting van hetgeen door nauwe
bloedverwanten wordt geërfd, zooals die naar de wet
van 1805 plaats vond, geheel gewettigd ]).
Daarentegen was de vrijlating van de rechte lijn eene
beginsellooze traditie. Het is waar, er zijn gevallen,
waarin de draagkracht der erfgenamen, bij successie in
de rechte lijn, eer vermindert dan vermeerdert: name-
lijk wanneer de overledene door de vruchten van zijn
arbeid of door welke andere persoonlijke inkomsten
ook, geheel of ten deele in de behoeften der erfgena-
men voorzag. Maar dit niet te ontkennen feit wettigt
nog niet de vr ij lating van de rechte lijn; het vor-
dert slechts, dat de belasting zoodanig worde ingericht;
dat zij in de bedoelde gevallen of in het geheel niet-
óf althans tot zeer matig bedrag verschuldigd zijn zal.
De mogelijkheid van dergelijke inrichting hoop ik later
aan te toonen.
Het bezwaar tegen de succesiebelasting in de rechte
lijn, dat de kinderen geacht moeten worden reeds tij-
dens het leven hunner ouders zeker medeëigendom in
het vermogen van deze te hebben, is van veel minder
gewicht. Zoodanige fictie kende ons recht ook in 1806
niet, en al had het die gekend, eene belastingwet heeft
met geene enkele rechtsfictie te maken, slechts de wer-
1) Vgl. Vissering, t. a. p. n<>. 860.
-ocr page 175-
159
kelijkheid is voor haar van belang. „ Mit abstracte»
Begriffen zahlt man keine Stenern," zegt Schall zeer te
recht (t. a. p. II, bl. 282).
Als bezwaar tegen de successiebelasting wordt dik-
wijls nog aangevoerd, dat zij niet kan worden bestreden uit
het inkomen van den belastingplichtige en het nage-
laten kapitaal derhalve gemeenlijk vermindert. Het zou
dwaasheid zijn het hier aangewezen feit te willen ont-
kennen, maar het bewijst niet genoeg. In de eerste
plaats merke men op, dat de belasting niet van jaar
tot jaar, maar van sterfgeval tot sterfgeval wordt gehe-
ven en dat het dus gewoonlijk zeer wel mogelijk is,
in deze periode de vermindering, die het nagelaten ka-
pitaal door de belasting heeft ondergaan, weder aan te
vullen 1). Maar bovendien, al vermindert de belasting
ook het nagelaten kapitaal, is het volstrekt niet nood-
zakelijk, dat zij het in den Staat voorhanden kapitaal
verkleine; of dit al dan niet zal geschieden, hangt af
van de wijze, waarop de Staat zijne inkomsten besteedt.
Zoodra deze daarvan evenveel tot kapitaalvorming ge-
bruikt, als hij door zijne belasting rechtstreeks aan het
kapitaal der ingezetenen onttrekt, is er geene kapitaal-
vermindering, maar kapitaalverplaatsing. Dit
belet niet, dat het successierecht de kapitaalvorming
1) Vgl. Schall, t. a. p. bl. 410.
-ocr page 176-
160
>
indirect stremt, evenwel heeft het deze eigenschap met
elke belasting, ja met elke uitgave, welke ook, gemeen.
9. „Middel van het klein Zegel — geheven en be-
taald van alle Acten, Munimenten en Instrumenten,
Geschriften, Requesten, Producten, mitsgaders van Ko-
pyen van dien" (Ord. 28 November 1805, P. A B.
I, bl. 86).
Het klein zegel omvatte niet alleen wat wij thans nog
onder het zegelrecht verstaan maar ook hetgeen wij nu tot
het registratierecht rekenen. De ordonnantie van 1805
kende zoowel vaste als evenredige rechten; het recht op
den overgang van onroerende goederen bedroeg onge-
veer 3 °/0 van de waarde, dat op aanstellingen 5 °/0
van het traktement. De nieuwe belasting verving dan
ook niet alleen het vroeger provinciaal klein zegel, maar
ook de provinciale 40e penningen en de ambtgelden.
Bij het tarief had men getracht het bedrag van het
recht eenigermate in evenredigheid te brengen met de
belangrijkheid der akten, dat hierbij evenwel veel van
de persoonlijke opvatting des ontwerpers afhing, behoeft
nauwlijks te worden gezegd.
Door de wet van 26 December 1806 (P. A. B. II,
bl. 362) werd het klein zegel uitgebreid op alle binnen
het rijk plaats hebbende rentebetalingen van leeningen
ten laste van buitenlandsche staten, maatschappijen of
particulieren; het recht was evenredig aan het bedrag
van den interest en verschuldigd door den renteheffer.
-ocr page 177-
161
In verband hiermede onderwierp de wet van 29 Decem-
ber 1806 (P. A. B. II, bl. 369) alle buitenlandsche
effecten, welke bij het overlijden van een inwoner van
het rijk in zijn boedel aanwezig waren, aan een recht
van overgang van gelijke hoogte als het successierecht.
Door dezelfde wet werd het recht van successie met
een tiende verhoogd.
Deze poging om de ingezetenen te dwingen hun geld
in binnenlandsche fondsen te beleggen verdient zeker
weinig goedkeuring, deels om de moeilijkheid der con-
trole, deels om de scheeve verhouding in de geldmarkt,
die zij veroorzaakte. Dwang in dit opzicht is zeer be-
denkelijk; indien de binnenlandsche fondsen beter zijn,
zal eigenbelang de kapitalisten er wel toe brengen
in deze fondsen hun geld te beleggen; zijn zij minder
goed dan buitenlandsche, zoo is het ten hoogste onrecht-
vaardig de kapitalisten tot eene minder voordeelige be-
legging te willen dwingen.
Over de waarde der zegelbelasting in het algemeen
durf ik geen oordeel te vellen. Is zij inderdaad niets
anders dan een vernuftig middel om aan de schatkist
eenige inkomsten te verzekeren ? Of berust zij, althans
in beginsel, op meer verdedigbare gronden? Dit vraag-
stuk is te moeilijk en te zeer betwist, dan dat ik trach-
ten zou hier ter loops eene besliste meening neer te
schrijven. Voor zoo ver het zegelrecht eene retributie
voor ontvangen diensten is, berust het in elk geval
il
-ocr page 178-
162
op verdedigbare gronden. In 1806 werd het in hoofd-
zaak als zoodanig beschouwd, doch slechts voor een
klein deel was deze beschouwing gewettigd. Het recht
op den overgang van onroerend goed was eene belem-
mering voor den landbouw en drukte voornamelijk op
het kleine grondbezit, dat veel meer dan het groote
onder den hamer komt1).
9. „ Collectief Zegel of billet-geld, — zijnde eene
Quitantie van betaalden impost, en welke zich regelt
naar de hoegrootheid der betaling." De voordracht
noemde het voorts „een der schoonste vindingen tot
controle der Middelen." Het was in werkelijkheid eene
vrij onevenredige verhooging der verschillende middelen.
Eene afzonderlijke ordonnantie hieromtrent bestond niet;
in de verschillende besproken belastingwetten kwamen
bepalingen over het collectief zegel voor. De regeering
van 1805 vond het collectief zegel niet alleen onunV
baar tot stijving van \'s lands kas, maar ook wegens
„deszelfs weldadigen invloed over de overige Middelen" 2).
Het stelsel van algeineene belastingen, waarvan ons
overzicht thans ten einde is, werd nog aangevuld door
de wet van 11 Maart 1807 (P. A. B. II bl. 461) op
het verwerken, invoeren en verkoopen van gouden en
1)  Vgl. Vissering, Handboek, n°. 857.
2)  Vgl. over de verschillende middelen:
Sickenga, t. a. p. bl. 115—167.
Engels, t. a.p. bl. 190—209.
-ocr page 179-
103
zilveren werken. Deze wet voerde namelijk tevens eene
belasting op die voorwerpen in, ter hoogte van f 4.15
van elk ons goud en 6 stuivers van elk ons zilver. Dit
recht was echter minder eene belasting in engeren zin
dan eene retributie. Door de keuring toch van het ge-
halte door staatsambtenaren konden de koopers van
gouden en zilveren werken met minder kosten en moei-
ten zich waarborgen tegen bedriegerijen, dan anders
het geval zou zijn geweest, en de belasting was niets
anders dan het loon voor dezen dienst door den Staat
aan den kooper bewezen. Het recht werd dan ook wel
door den verkooper betaald, doch met de bedoeling,
dat hij zijn voorschot in de verhooging van den koop-
prijs zou terugvinden. In dit opzicht stond deze impost
met de accijnzen volkomen gelijk 1).
De invoering van het algemeen stelsel bracht groote
vereenvoudiging in het beheer en de invordering der
belastingen met zich 2). Verpachting, admodiatie en mo-
nopolie werden afgeschaft, de invordering der belastin-
gen rechtstreeks door den Staat werd een regel zonder
uitzonderingen. De administratie der middelen te lande
werd geheel aan de departementale besturen onttrok-
ken3); ook de afzonderlijke administratie der rechten
1)  Vgl. Gogel, Mem. en Corr. bl. 459.
2)  Vgl. Schimmelpenninck, t. a. p. II, bl. 147.
3)  Zie art. 15 en 16 van het Regl. voor de Dep. Best.; en Ord.
17 Januari 1806 ( P. A. B. II, bl. 35).
-ocr page 180-
164
van in- en uitvoer werd opgeheven. „ Hoe meer raderen
hoe slechter het werktuig gaat; — eenvoudigheid geeft
klem, kracht en geraak," zoo was Gogels meening over
de administratie ]).
Het was dan ook geheel tegen Gogels wil, dat met
het eenvoudige stelsel gebroken werd door de wet van
31 Maart 1809 2), waarbij ten opzichte der rechten van
n- en uitvoer, naar het voorbeeld van Frankrijk, eene
afzonderlijke directie werd ingevoerd. De wet van 13
April 1807 (Verz. v. wetten, II, bl. 123) droeg het
toezicht en de administratie der middelen te lande we-
der op aan de departementale besturen, de landdrosten
en de assessoren 8). Doch zoozeer was toen reeds met
den gewestelijken invloed op de nationale middelen ge-
broken, dat zelfs de grenzen der departementen ten aan-
zien van de heffing eenigszins waren gewijzigd 4). In zijn
voorstel hieromtrent aan den Raadpensionaris zeide Gogel,
dat dit oppervlakkig beschouwd scheen te strijden tegen
de bepaling der staatsregeling, welke de grensscheidingen
tusschen de departementen onveranderd liet, maar zeer
te recht meende hij, „dat men het daar voor (mocht)
1)  Zie Sillem, t. a. p. bl. 237.
2)   Verz. van Wetten van Z. M. d. K. v. H., Amst. bij Allart,
III, bl. 150.
3)  Zie ook art. 22—25 van het decreet van 29 April 1807, Verz.
v. wetten II, bl. 132.
4)  Zie Notificatie 20 Maart 1806, P. A. B. II, bl. 144.
-ocr page 181-
165
houden, dat dezelve door de grenzen der departementen
te laten op den ouden voet, bedoeld heeft, zulks te
bepalen tot die objecten, welke werkelijk de par te-
men taal bleven."
Hoe het met de oude verpondingen ging, zagen we
bij de behandeling van deze belasting; de heffing van
alle andere oude belastingen werd ingevolge de wet
van 3 Januari 1806 (P. A. B. II, bl. 1) van af het
begin van dat jaar gestaakt. Tot deze gelijktijdige af-
schaffing werd besloten, „vermits het voortdurend be-
staan van sommige oude Belastingen, met en benevens
eenige nieuwe, de harmonie van het geheel — verbre-
ken zoude, — en eene ongelijkheid zoude introduceeren,
regtstreeks inloopende tegen de letter en den geest
van het genomen Besluit (tot invoering van een nieuw
stelsel van algemeene belastingen), en bovendien naau-
welijks uitvoerlijk, om dat dikwijls niet naauwkeurig
kan worden bepaald, welke der oude Middelen door
de nieuwe Belastingen worden vervangen" (Toelichtende
missive van den Raadpensionaris van 26 December 1805).
Alvorens wij nu overgaan tot de uiteenzetting van
hetgeen ten gevolge van het nieuwe stelsel met de
. departementale- en de gemeentebelastingen voorviel, eene
uiteenzetting, die onmisbaar is voor eene juiste beoor-
deeling van het nieuwe stelsel in geheel zijn omvang,
moeten we nog melding maken van eene proef met eene
algemeene inkomstenbelasting door Koning Lodewijk
-ocr page 182-
16G
genomen, en van den weinig gunstigen uitslag, waar-
mede deze proef werd bekroond.
Toen bij decreet van 30 Maart 1808 tot de uitschrij-
ving eener leening van f 30.000.000 werd besloten,
werd tevens vastgesteld, dat tot dekking van rente en
aflossing jaarlijks zou worden geheven eene som van
f 3.000.000. Voor het jaar 1808 zou deze som worden
opgebracht door „ alle de inwoners in staat om daarin
eenig aandeel te fourneeren, elk naar mate van zijnen
stand, verteringen en andere bekende omstandigheden,"
waarbij in het oog gehouden werd, „ dat de Gehuwden
met vele kinderen bezwaard, moeten worden aangemerkt
meerdere uitgaven te moeten doen, en dat de ongehuw-
den daarentegen hooger moeten worden aangeslagen" J).
Het decreet stelde het aandeel vast, dat elk departe-
ment in de belasting moest opbrengen, (alleen Oost-
Friesland was voor het jaar 1808 vrij)s). Vervolgens
1)  Alphab. Reg. op de Decreten enz. van Z. M., Amst. bij Allart,
Dl. V, artikelen: Gemeentebesturen en Quotisatie.
2)   In dit nieuwe departement van het koninkrijk Holland zou vol-
gens de wet van 10 April 1808 (P. A. B. III, bl. 299) het stelsel
der algemeene belastingen met 1 Januari 1809 worden ingevoerd.
Over het jaar 1808 zouden de ingezetenen van Oost-Friesland op-
brengen een gevensgeld van / 2.000.000. Op welke wijze deze som
moest worden gevonden, zou nader worden bepaald, doch alle in die
streken bestaande belastingen zouden daarvoor in aanmerking komen,
na aftrek van de huishoudelijke kosten van het departement. Even-
wel werd bij koninklijk decreet van 14 Maart 1809 (P. A. B. IV
bl, 157), uit aanmerking van de noodzakelijkheid om het financieel
-ocr page 183-
167
moest elke landdrost de som, waarop zijn departement
was aangeslagen over de verschillende gemeenten repar-
tiëeren, en deze repartitie aan de koninklijke goedkeu-
ring onderwerpen. De gemeentebesturen eindelijk sloegen
hunne quoten over de inwoners om en namen daarbij
de zoo even vermelde grondslagen in acht.
Ten einde de oninbare posten te kunnen goedmaken,
mochten de gemeentebesturen den aanslag van ieder
der ingezetenen met 5 °/0 verhoogen. Doch hier tegen-
over stond, dat iedere gemeente voor het aandeel,
waarop zij was gesteld, verantwoordelijk was. Eene
zuivere toepassing dus van het repartitiestelsel, dat ten
tijde der republiek o. a. ten opzichte der verponding
gevolgd was, en waarmede Gogel zoo te recht had ge-
broken.
Dit stelsel heeft voor de schatkist het groote voor-
deel, dat zij de som, die zij behoeft, juist kan bepalen
en vervolgens op de geheele ontvangst van die som
kan rekenen. Hoe men evenwel het repartitiestelsel wil
stelsel van het rijk zoo spoedig mogelijk ook in Oost-Friesland in
te voeren, het gevensgeld tot de helft verminderd.
Den 12 Juni van hetzelfde jaar (P. A. B. IV bl. 451) werd be-
paald, welke oude belastingen in het ingelijfd gedeelte voorloopig
voor afgeschaft moesten worden gehouden. „ In het generaal worden
niet afgeschaft alle zoodanige prestatiën, als anderzins, welke het on-
middelijk gevolg zijn van Huren, concessiën, contracten wegens af-
stand van grondeigendomsregt of dergelijke." Dergelijke prestatiën
hebben trouwens met belastingen niets te maken.
-ocr page 184-
168
overeenbrengen met het beginsel van belasting naar
draagkracht, vermogen of inkomen, is velen en ook mij
een raadsel.
De opvolgende verdeelingen over departement, ge-
meente en belastingplichtige kunnen alle slechts ten
naasten bij billijk zijn, en de verplichting tot het doen
van drievoudige min of meer willekeurige schattingen
zal dan ook tot allerlei schakeeringen in de verhouding
tusschen aanslag en draagkracht, vermogen of inkomen
van ieder der belastingplichtigen leiden. Immers door
de drie op elkaar volgende verdeelingen, waarvan geene
op vaste grondslagen rust, kunnen wellicht in enkele
gevallen de onnauwkeurigheden der eene haar tegen-
wicht vinden in tegenovergestelde onnauwkeurigheden
van eene der andere; doch in vele gevallen zullen die
onnauwkeurigheden elkaar vergrooten en daardoor er
toe aanleiding geven, dat déze belastingplichtige veel
meer, gene veel minder opbrengen moet, dan overeen-
stemt met de grondslagen, waarop de belasting geacht
wordt te rusten.
Door de repartitie wordt de rijksbelasting feitelijk
gemeentebelasting. Iedere gemeente heft van hare inge-
zetenen eene belasting, waarvan de opbrengst gelijk
staat met haar aanslag en keert uit hare inkomsten een
gelijk bedrag aan den staat uit. De toestand, dien men
door dergelijken omslag in het leven roept, komt in
hoofdzaak overeen met hetgeen tijdens de republiek
-ocr page 185-
169
plaats greep, toen de gewesten volgens quoten in de
generaliteitslasten droegen. Het verschil is alleen dit,
dat er toen evenveel quoten als gewesten waren, terwijl
de repartitie evenveel quoten in het leven roept als het
getal der gemeenten bedraagt.
Voor het repartitiestelsel is wel aangevoerd, dat het
de belastingplichtigen zelve belanghebbenden doet wor-
den niet alleen in den richtigen aanslag van hunne
eigene belasting, maar ook in die hunner medeburgers,
en dat hierdoor eene zelfwerkende controle van de be-
lastingplichtigen onderling ontstaat l). Dit argument
bewijst echter te veel en derhalve eer tegen dan voor
de repartitie. Immers, doordien ieder ingezeten belang
heeft bij een hoogen aanslag van zijne medeingezetenen,
zal, waar er partijschappen bestaan — en waar bestaan
die niet? — de bovendrijvende partij de leden deron-
derliggende vaak meer dan billijk belasten. De repartitie
verhoogt den strijd van partijen en klassen, waar deze
bestaat; zij wekt dien strijd op, waar hij nog sluimert.
Is het wonder, dat de proeve in 1808 genomen, jam-
merlijk mislukte ? Het gebeurde, „ dat menschen die
met elkander gelijk stonden, in A / 30 en in B/300
betalen moesten" (Gogel, Mem. en Corr. bl. 161).
Voor de jaren 1809 en 1810 werd dan ook een
ander middel tot verkrijging der som van f 3.000.000
1) Zie von Hoek, Die Finanzverwaltung Frankreichs, bl. 152.
Ad. Wagner, Allg. Steuerl. bl. 599, 600.
-ocr page 186-
170
te baat geuomen. Bij besluiten van 17 April en van
29 December 1809 l) werden de volgende middelen
verhoogd: verponding, dienstbodengeld, paarden-, plei-
zier- en landpassagegeld, runderbeesten, mobilair, haard-
stedengeld, gemaal, successierecht en recht van overgang
op buitenlandsche fondsen met een tiende; ronde maat,
beestiaal, wijn, brandewijn en buitenlandsche producten
met een achtste, en jenever met een vijfde; ook het
klein zegel op de akten en dat op de patenten onder-
gingen verhoogingen.
Buitengewone heffingen van de inkomsten of de be-
zittingen, waarvan in het overgangstijdperk zoo veel-
vuldig gebruik was gemaakt, kwamen niet meer voor.
Tot dekking der hooge uitgaven schreef men anticipa-
tiëïi op de heffing van verschillende beschreven mid-
delen uit3). Het ligt evenwel voor de hand, dat dit
middel op den langen duur weinig zou hebben gebaat,
tenzij belangrijke inkrimping der uitgaven mogelijk
ware geweest.
$ 2. Departementale" en gemeente-
belastingen.
De staatsregeling van 1805 bracht in de verdeeling
1)  Zie P. A. B. IV, bl. 188 en 530.
2)  Vgl. Louis Bonaparte, Doe. hist. I bl. 237.
Onder tle publicatiën betreffende de algemeene belastingen komen
ceu aantal van deze auticipaliën voor.
-ocr page 187-
171
van het rijk in acht departementen geene verandering;
alleen schreef zij voor, dat nadere bepalingen moesten
gemaakt worden over de vereeniging van Drenthe met
Overijsel (art. 10). Zij liet ook aan de besturen der
gewesten voorloopig hunne bestaande organisatie, maar
bepaalde toch in art. 62, dat hieromtrent eene nieuwe
regeling zou worden gemaakt.
Enkele bepalingen evenwel omtrent de macht der
departementale besturen werden in de staatsregeling
zelve opgenomen. Zoo verklaarde art. 64 deze be-
sturen niet bevoegd tot het heffen van departemen-
tale belastingen, dan na alvorens daartoe te zijn
gemachtigd door een besluit van het Wetgevend Li-
chaam, genomen op voordracht van den Raadpensio-
naris. Hieruit blijkt duidelijk genoeg, dat men
bij het maken der staatsregeling niet aan de af-
schaffing der departementale belastingen dacht, al
werd ook de heffing daarvan niet uitdrukkelijk voor-
geschreven.
Doch de bepaling van art. 64 werd grootendeels tot
eene doode letter door de invoering van het algemeen
reglement voor de departementale besturen, welke
overeenkomstig art. 62, den 9 Juli 1805 (Verz. XX,
n°. 452) plaats had. Immers art. 40 van dat reglement
bepaalde: „ Het Nationaal Gouvernement regelt voor
en adsigneert aan ieder der Departementale Besturen
en het Bestuur van het Landschap Drenthe, zekere be-
-ocr page 188-
172
paalde sommen uit de Nationale Kas, om daaruit de
Departementale Onkosten te voldoen."
Deze terugkeer tot de staatsregeling van 1798 is
volstrekt onverdedigbaar. Beschouwde men de departe-
menten, zooals in 1798 het geval was, als louter ad-
ministratieve indeelingen van het rijk, dan was daar-
raede de vernietiging der departementale belastingen
in beginsel uitgesproken. Liet men daarentegen, zooals
de staatsregeling van 1805 deed, de departementen
als zelfstandige onderdeden van het rijk bestaan, dan
»
                     behoorden deze ook hunne huishoudelijke kosten uit
eigen middelen te dekken. Het aanwijzen van zekere
sommen uit \'s rijks schatkist ter voorziening in de
departementale behoeften was in lijnrechten strijd met
het beginsel der departementale zelfstandigheid in eigen
huishouding. Ten gevolge van de afschaffing der de-
partementale belastingen toch hadden de inwoners van
het zelfstandige departement Groningen evenveel, ja
nog meer belang bij eene zuinige huishouding in
het even zelfstandige gewest Zeeland, dan de inwoners
van dit departement zelf! Bij elke uitgaaf van eenig
departementaal bestuur was niet slechts het geweste-
lijk- maar ook het algemeen belang onmiddellijk in
het spel, en toch hadden de departementen het zelf-
standig bestuur hunner eigen huishouding. Welk eene
anomalie!
Of de departementale zelfstandigheid, óf het ont-
-ocr page 189-
173
breken van departementale middelen was eene fout der
staatsregeling.
Alleen „ in geval van buitengewone Rampen, als an-
derzins," kon het Wetgevend Lichaam, volgens het
reglement, de departementale besturen machtigen tot
het heffen van eigen belastingen. Werd zoodanig verlof
gegeven, dan moesten de besturen zich gedragen „con-
form aan hetzelve, en zorgen dat zulks in allen deele
(werd) naargekomen." Alleen voor deze buitengewone
belastingen kon dus ook het verbod van art. 65 der
staatsregeling van toepassing zijn, om voortbrengselen uit
andere gewesten hooger te belasten of den in-, uit- of
doorvoer te belemmeren.
De constitutie van het koninkrijk Holland keerde
weder terug tot de voor dien tijd wellicht meer ge-
schikte beschouwing van de departementale besturen
als administratieve collegiën, „ belast met het doen uit-
oefenen der Wetten en Bevelen, welke aan hun van
wegens het gouvernement worden gegeven" (art. 62)l).
Volgens art. 7 der wet betrekkelijk tot de algemeene
bepalingen zouden de departementale besturen geene
belastingen mogen opleggen anders „dan ingevolge de
Wet en na bekomene auctorisatie van den Koning."
Maar ook deze bepaling bleef buiten toepassing ten-
1) Vgl. Thorbecke, Historische Schetsen, bl. 114, 115.
-ocr page 190-
174
gevolge van art. 26 van het decreet van 29 April 1807
tot aanvulling van de wet van 13 April 1807 (Verz. v.
wetten VII, bl. 16) over de verdeeling van het rijk en
het bestuur van de departementen. Dit artikel schreef
voor, dat „de landdrost jaarlijks, na deswegens met
de assessoren te hebben geconfereerd, aan de Ministers
van Binnenlandsche Zaken, van Justitie en Politie en
van Finantiën, (zou) doen toekomen, eene opgave van
kosten, welken hij (zou) noodig oordeelen, zoo voor
kosten der administratie, als voor andere uitgave in het
Departement, ten einde de voorschreve Ministers daar
van het noodig gebruik (konden) maken, bij het forme-
ren der begrooting voor het volgende jaar."
De regeling bleef derhalve vrij wel, zooals zij onder
de staatsregeling van 1805 geweest was. En toch moet
ons oordeel geheel anders luiden, want even weinig als
zij zich met die staatsregeling liet rijmen, even juist
paste zij in het kader der constitutie van 1806.
Evenals het departement had ook de gemeente vol-
gens de staatsregeling van 1805 de vrije beschikking
over hare huishoudelijke belangen. Hare vrijheid ten
opzichte der financiën evenwel werd zeer te recht aanmer-
kelijk beperkt. „Zij legt geene plaatselijke Belastingen
op, dan ingevolge de algemeene bepalingen, bij de Wet
vast te stellen, en niet anders dan met overleg van
Gecommitteerden uit de Gemeente, gekozen door de
-ocr page 191-
175
Stemgerechtigde Burgers, na bekomene auctorisatie van
het Departementaal Bestuur, aan het welk alle Plaatse-
lijke Belastingen, — ter goed- of afkeuring, moeten
gezonden worden" (art. 67).
Naar aanleiding van deze bepaling zegt Mr. C. Duij-
maer van Twist (t. a. p. bl. 19), „dat art. 67, con-
stitutie 1805, behalve de goedkeuring, nog daaren-
boven de autorisatie van het departementaal bestuur
voorschreef." Wat hij hiermede bedoelt, is mij niet
recht helder, en toch is de bepaling zelve niet moeilijk
te verstaan. Art. 67 vorderde machtiging van het de-
partementaal bestuur voor de uitschrijving der verkie-
zing van gecommitteerden, en goedkeuring voor de
heffing der in overleg met deze gecommitteerden door
het plaatselijk bestuur vastgestelde belasting. Naar deze
opvatting heeft het artikel een rationeelen zin; het kwam
met art. 75 der constitutie van 1801 overeen voor zoo
ver betreft het vereischte van goedkeuring der in te
voeren belasting zelve, maar het vulde dit artikel aan,
door regeling der plaatselijke belastingen bij de wet —
en voorafgaand verlof voor elke verkiezing van ge-
committeerden te vorderen. Deze aanvulling beperkte
het recht der gemeentebesturen ten opzichte van de
invoering van nieuwe belastingen aanmerkelijk. Immers
het departementaal bestuur kon, door hare autorisatie
op de uitschrijving der verkiezing van gecommitteerden
te weigeren, zelfs de beraadslaging over de belasting,
-ocr page 192-
176
die men wenschte in te voeren, onmogelijk maken. Wat
in zoodanig geval moest geschieden, indien het gemeente-
bestuur op zijn stuk bleef staan, wordt door de con-
stitutie niet uitdrukkelijk gezegd; maar uit art. 38 kan
met grond worden afgeleid, dat het geschil in dat ge-
val door den Raadpensionaris als hoofd van de uitvoe-
rende macht zou worden beslist.
Aan het voorschrift, dat bij de wet bepalingen om-
trent de invoering van plaatselijke belastingen moesten
worden vastgesteld, werd voldaan door het voor ons
onderwerp hoogst belangrijk reglement voor de ge-
meen tebesturen, van 20 December 1805 (Verz. XXII,
publ.
n°. 482) x).
Volgens het tweede lid van art. 14 van dit regie-
ment, dat woordelijk met het tweede lid van art. 67
der staatsregeling overeenstemde, was de Raadpensio-
naris verplicht de invoering tegen te gaan van plaatse-
lijke belastingen, welke den in-, uit-of doorvoer zouden
belemmeren, voortbrengselen van buiten de gemeente
1) Voor eene juiste beoordeeling van dit reglement zijn zeer be-
langrijk de missiven van:
22 Augustus 1805, van de Secretarissen v. S. voor de Binneul.
Zaken en voor de Fin. aan den Raadpensionaris, houdende het oor-
spronkelijk ontwerp van het reglement met eene memorie van toe-
lichting ;
19 September 1805, van den Staatsraad der Rep. aan denzelfde,
houdende eene beoordeeling van het ontwerp;
11 November 1805, n°. 2 van den Raadpensionaris aan het Wet-
gevend Lichaam, begeleidende het ontwerp reglement. (Rijksarchief).
-ocr page 193-
177
hooger zouden belasten, of hinderlijk zouden zijn aan
de nationale financiën.
Aangezien nu de oude plaatselijke middelen bij de
invoering van het nieuwe stelsel van algemeene belas-
tingen ongetwijfeld aan dit laatste euvel mank gingen,
zouden, volgens art. 15 van het reglement, „de ge-
meentebesturen met den meesten spoed overgaan, om,
met overleg van den Gecommitteerden uit de Gemeente,
te beramen zoodanige Plaatzelijke Belastingen, als toe-
reikende (zouden) geoordeeld worden tot bestrijding der
Plaatselijke behoeften, en de ontwerpen dezer Belastin-
gen aan het Departementaal" of Landschaps-Bestuur ter
goed- of afkeuring inzenden." Waarom voor dit bijzon-
der geval geene machtiging voor de verkiezing van
gecommitteerden werd gevorderd, ligt voor de hand.
De belastingontwerpen, die ingevolge art. 15 of in
het algemeen tot dekking van plaatselijke behoeften
aan het departementaal bestuur werden toegezonden,
zouden door dit bestuur worden onderzocht en, indien
het geene aanmerkingen daarop had, worden goedge-
keurd (art. 36).
Doch daar art. 67 der staatsregeling ook voorschreef,
dat van de goedgekeurde belastingverordeningen aan
den Raadpensionaris kennis moest worden gegeven, op-
dat hij zou kunnen beoordeelen, of deze al dan niet
in strijd waren met de in hetzelfde artikel gestelde
regelen, mocht het departementaal bestuur van die
12
-ocr page 194-
17S
goedkeuring niet terstond aan het betrokken gemeente-
bestuur niededeeling doen. Eerst zou het zijn besluit
met de daarbij behoorende stukken aan den Raadpen-
sionaris zenden, opdat deze, in geval hij strijd met art.
67 der constitutie ontdekte, de goedkeuring zou kun-
nen vernietigen, voordat het gemeentebestuur van die
goedkeuring kennis droeg (art. 37).
Schijnbaar werd door dit artikel het recht van goed-
of afkeuring van het departementaal bestuur naar den
Raadpensionaris overgebracht, dit was in werkelijkheid
echter volstrekt niet het geval. De Raadpensionaris be-
oordeelde alleen of er al dan niet strijd was met de
constitutie; in het laatste geval hechtte hij aan de goed-
keuring van het departementaal bestuur zijn zegel, in
het eerste keurde hij niet af, maar casseerde hij de
beslissing van dit bestuur \').
Deze regeling was in het reglement opgenomen, op-
dat de departementale besturen hun ontzag bij de ge-
meentebesturen niet zouden verliezen, een gevaar, dat
wel zou bestaan, indien eene door het departementaal
bestuur goedgekeurde belasting door den Raadpensionaris
niet kon worden vernietigd, dan nadat van de goed-
1) Het komt mij voor, dat door deze uitlegging, welke op offi-
cieele bescheiden gegrond is, de bedenkingen van Mr. C. J. den
Tex, geuit op bl. 32 en 33 zijner Bijdragen tot de kennis der ge-
meente-financiün, (Arast. 1883), voldoende zijn weerlegd.
-ocr page 195-
179
keuring aan het betrokken gemeentebestuur was mede-
deeling gedaan.
Keurde het departementaal bestuur daarentegen de
voorgestelde belasting af, dan bleef aan het gemeente-
bestuur geen andere weg over, dan te trachten aan de
gemaakte bezwaren te gemoet te komen of eene nieuwe
belasting te ontwerpen.
Volgens art. 38 van het reglement zond het depar-
tementaal bestuur, zoodra het de belastingverordenin-
gen van den Raadpensionaris:) had terug ontvangen,
haar aan de gemeentebesturen toe, ,, ten einde door de-
zelven als verbindende kracht hebbende, elk in den
hunnen te worden gepubliceerd, in werking gebragt en
stiptelijk achtervolgd." Het is waar, dat deze bepaling
eenigen twijfel doet rijzen over het oogenblik, waarop
de belastingverordening verbindende kracht verkreeg,
en dat zij het doet voorkomen, alsof dit met de af-
kondiging niet in verband stond 3). Toch is het anders.
Dit blijkt duidelijk uit de geschiedenis van het artikel.
Volgens het oorspronkelijk ontwerp toch, zooals het den
Raadpensionaris werd aangeboden door de secretarissen
van Binnenlandsche Zaken en van Financiën, zou de
1)  Dat dit artikel spreekt van „de approbatie op het Ontwerp
der Stedelijke of Plaatselijke Belastingen van den Raadpensionaris,"
mag, met de bovengenoemde offieieele stukken in de hand, veilig
aan slechte woordenkeus worden toegeschreven.
2)  Zie den Tex, t. a. p., bl. 34, 35.
-ocr page 196-
180
afkondiging der plaatselijke belastingen geschieden door
de departementale besturen, ,, ten einde daaruit aan de
ingezetenen zou kunnen blijken, dat aan de gemeente-
besturen de macht tot het emaneeren van wetten is ont-
zegd." Deze bepaling werd echter vervangen door het
voorschrift van art. 38, omdat zij te zeer ingreep in de
gemeentelijke huishouding. Hieruit blijkt m. i. duidelijk,
dat de verordening eerst verbindende kracht verkreeg
door de afkondiging, en dat door de goedkeuring wel
voor het gemeentebestuur de verplichting ontstond de
afkondiging te doen, maar de ingezetenen nog in geen
enkel opzicht verbonden werden. Eerst de afkondiging
door het bestuur van hetwelk de verordening emaneerde,
maakte deze tot wet. De moeilijkheid die art. 38 op-
levert, spruit dan ook alleen uit slechte woordenkeus
voort.
Art. 21 bepaalde, dat alle plaatselijke middelen in
de gemeentelijke kas moesten vloeien; geene daarvan
zouden „ mogen dienen, om regtstreeks in eenige Armen-
Kassen of Kantoren gestort te worden." Belangrijker
evenwel dan dit artikel waren die, waarin de aard en
het bedrag der geoorloofde gemeentebelastingen werden
bepaald.
In de gemeenten, welke minder dan 2000 inwoners
telden en in alle plaatsen, waar de uitgaven gering
waren, zouden deze worden gedekt door een jaarlijk-
schen personeelen omslag evenredig aan de vermogens
-ocr page 197-
181
der ingezetenen (art. 18)1). Hiermede hield men zich
zooveel mogelijk aan den bestaanden toestand; derge-
lijke omslagen toch waren in vele plaatsen op het platte
land reeds lang in zwang.
Deze bepaling was evenwel niet alleen traditioneel,
vooral door de beperking die zij bevatte, was zij ook
rationeel. Immers welke schoone regelen men ook stelle
voor de heffing van een hoofdelijken omslag — of met
wijdscher titel: van eene plaatselijke inkomstenbelas-
ting — in grootere plaatsen, in de uitvoering zal men
steeds op onoverkomelijke moeilijkheden stuiten. Elke
hoofdelijke omslag, hoe schoon ook geregeld op het
papier, is uit zijn aard willekeurig. Men make zich
daaromtrent geene illusiën. Welke grondslagen men ook
bepale voor eene heffing naar het vermogen der ingezete-
nen, in de uitvoering zal niet op deze, maar wel op den
uiterlijken staat en de van elders bekende of vermoed
wordende geldelijke omstandigheden van de verschil-
lende belastingplichtigen gelet worden. Hoe kleiner nu
de gemeente, waar de omslag geheven wordt, hoe meer
de ingezetenen elkander kennen en elkanders draag-
kracht kunnen beoordeelen, hoe minder willekeurig hij
1) Het beweren van Mr. den ïex, t. a. p. bl. 43, dat „in
1805 de hoofdelijke omslag den hoeksteen van het belastingstelsel
vormde," is verre van juist. Alleen in de kleine gemeenten was dit
het geval.
-ocr page 198-
182
derhalve zijn kan 1). Van daar dat het reglement van
1805 door de heffing van hoofdelijke omslagen tot kleine
gemeenten te beperken, eene hoogst nuttige bepaling
bevatte, welke door latere wetgevers maar al te veel is
verwaarloosd.
In plaatsen waar de uitgaven zoo groot waren, dat
zij niet door een matigen omslag konden worden ge-
dekt, zouden de gemeentebesturen, volgens art. 19,
verplicht zijn „de benoodigde Penningen te heffen, bij
wijze van Verhooging van Additionele Stuivers te Ponde,
boven \'s Lands Impositiën, onder de navolgende bena-
mingen vastgesteld : Verponding, Personeel, Dienstboden,
Paarden en Plaisiergeld, Runderbeesten, Mobilaire Be-
lasting, de Wijn, het Beestiaal, het Gemaal, het Regt
van de Waag, het Klein Zegel op de Patenten en het
Klein Zegel op de Aliënatiën en de roerende Goederen
in publieke Venduen verkocht wordende."
Hierbij moest worden in acht genomen, „ dat het
Personeel, Dienstboden, Paarden» en Plaisiergeld, de
Belasting op de Runderbeesten, de Mobilaire Belasting,
mitsgaders het Regt van Patent, en dat der Aliënatiën
1) Vlg. J. C. Bloem, De afschaffing der plaatselijke verbruiksbe-
lastingen, \'sHage 1875, bl. 99 v.v.
Vissering, Handboek, n°. 944. Deze geleerde schrijver zegt zeer te
recht: „In den engeren kring kent men elkander meer van nabij.
De verhouding van elks aandeel in de belasting overeenkomstig zijn
vermogen of zijne vertering is gemakkelijker op billijke grondslagen
ie regelen. Misleiding en ontduiking zijn moeilijker."
-ocr page 199-
183
en Venduen van roerende Goederen, als meer b ij-
zonder op de plaatselijke ingezetenen neder
komende, bij voorkeur aan de verhooging der Belas-
tingen worden onderworpen; vervolgens de Verponding,
de Wijn, het Beestiaal, het Gemaal, of wel cén of meer
derzelven, en laatstelijk het Regt op de Waag" (art. 20).
Volgens het tweede lid van dat artikel zou men bij
de heffing van opcenten op de voornoemde algemeene
belastingen van boven af beginnen. Eerst zou een stui-
ver worden geheven van het eerste middel, dus van
het personeel, dan van het volgende, en zoo tot aan
het einde der reeks. Waren nu alle middelen met een
stuiver verhoogd, en was dan de opbrengst tot dekking
der uitgaven nog niet toereikende, dan zou in dezelfde
volgorde verhooging met een tweede stuiver plaats vin-
den ; mochten ook dan de inkomsten de uitgaven nog
niet dekken, zoo werd een derde stuiver geheven en
zoo voortgaande tot de opbrengst voldoende zijn zou l).
Ten einde eene eenigszins juiste beoordeeling moge-
lijk te maken van de hier vastgestelde regeling, is het
noodzakelijk een onderzoek te laten voorafgaan naar de
waarde der bewering, dat de genoemde belastingen
meer bijzonder op de inwoners der gemeente drukten.
Voor het dienstboden- en het paardengeld en de
mobilaire belasting kunnen wij met het reglement vrij
1) Vgl Sickenga, t. a. p. bl. 99.
-ocr page 200-
184
wel instemmen. Immers alleen indien deze belastingen zoo
sterk drukten, dat velen hunne dienstboden afschaften,
het aantal paarden, dat zij anders zouden houden, ver-
minderden, of hun meubilair op zuiniger voet inrichtten
dan anders het geval zou zijn, konden de huurloonen
van dienstboden en de koopprijzen van paarden en
meubelen dalen, ten gevolge van de vermindering der
vraag, en dan nog zou deze daling op den duur tot
eene vermindering in het aanbod en dien ten gevolge
weder tot eene verhooging in de loonen en prijzen
voeren. In de werkelijkheid echter zal de druk dezer
belastingen wel niet zoo hoog geweest zijn, dat deze
schommelingen zich merkbaar voordeden, zoodat we met
het reglement veilig mogen aannemen, dat deze midde-
len schier geheel op de ingezetenen, die ze betaalden,
neerkwamen.
Ook ten opzichte der accijnzen op wijn, beestiaal en
gemaal is het motief van art. 20 vrij wel juist. Immers
al verhoogde de accijns den prijs en verminderde hij
daardoor het debiet, zoo kon deze vermindering van
debiet vooral wat betreft het gemaal en het geslacht
in verhouding tot de prijsverhooging slechts uiterst ge-
ring zijn }). Mochten derhalve deze accijnzen al voor
een klein deel de handelaars in de bezwaarde produc-
ten benadeelen, voor verreweg het grootste deel kwa-
1) Zie boven bl. 145.
-ocr page 201-
185
men zij op de binnen de gemeente wonende verbrui-
kers neer.
Van het recht op de waag, dat dan ook in de laatste
plaats werd genoemd, kon met minder zekerheid wor-
den gezegd, dat het juist de ingezetenen der plaats,
waar het waagrecht betaald werd, treffen zou. Immers
de plaats, waar de goederen in het groot werden ver-
handeld, en waar dus het waaggeld geheven werd, zou
veelal niet tevens de plaats zijn, waar de goederen ver-
bruikt werden. En dat het waagrecht even als de ac-
cijnzen in hoofdzaak op de verbruikers drukte, is buiten
twijfel.
Het recht op vervreemdingen van onroerende en op
openbare verkoopingen van roerende goederen kwam
daarentegen tamelijk wel met het aangevoerde motief
overeen. Immers het recht van overgang op onroerend
goed treft óf den kooper, of — en dit zal wel gewoon-
lijk het geval zijn — den verkooperx); doch in elk
geval drukt het op iemand, die door zijn eigendom tot
aan den verkoop aan het gemeenteverband heeft deel-
1) Lnnded property in old countries is seldom partcd with, except
from reduced circumstances, or some urgent need: the seller, there-
fore, must take what he can get, while the buyer, whose object is an
investment, makes his calculations oa the interest which he can obtain
for his money in other ways, and will not buy if he is charged
with a government tax on the transaction. J. S. MUI, 1\'rinciples of
Political Economy, People\'s edition, bl. 517.
Vgl. Vissering, Handboek, n°. 899.
-ocr page 202-
180
genomen, of die van af den aankoop daaraan deelne-
men gaat. Het drukt dus wel niet altijd op ingezetenen,
maar toch op personen, die, wat betreft de heffing van
gemeentebelastingen voor een groot deel met deze ge-
lijkgesteld mogen worden. Het recht op venduen drukt
natuurlijk den koopprijs der goederen en komt dus
op ingezetenen, gewezen ingezetenen of hunne erfge-
namen neer.
De verponding zon volgens de toen heerschende be-
schouwing de verbruikers der producten en de bewo-
ners der huizen treffen. Voor een deel zou zij dus wel,
voor een deel niet op de ingezetenen neerkomen, daar
lang niet alle producten van den grond in de gemeente
zelve, waar zij werden getrokken, ook werden verbruikt.
Om deze reden stond de verponding dan ook slechts
op den tweeden rang in de volgorde der voor de op-
centen in aanmerking komende middelen. In hoe ver nu
deze beschouwing van den druk der verponding en
derhalve hare plaatsing in de rij der middelen juist
was, moet van een nader onderzoek afhangen, dat we
hier zoo kort mogelijk zullen laten volgen.
Beschouwen we hiertoe eerst de verponding op on-
gebouwde eigendommen. Deze kan onder drie verschil-
lende vormen voorkomen: namelijk als belasting naar
de oppervlakte, als belasting naar de onzuivere opbrengst,
of als belasting naar de opbrengst, na aftrek der kosten
van bebouwing, ax. a. w. naar de pachtwaarde. De druk
-ocr page 203-
187
dezer belastingen is geheel verschillend, en daar van
elk der drie vormen onder de oude reëele lasten min
of meer zuivere voorbeelden voorkwamen, is een drie-
ledig onderzoek hier noodzakelijk.
De belasting naar de oppervlakte zal in een geïso-
leerden, of in een staat, die hoog inkomend recht op
buitenlandsch graan heft, inderdaad op de verbruikers
neerkomen en dus evenals een accijns werken. Ten
einde dit te bewijzen gaan we uit van de theorie der
pachtwaarde van Ricardo, eene theorie, die men wel
verschillende malen getracht heeft te weerleggen, maar
welke wel altijd op onbetwistbaarheid zal kunnen bogen.
Ter verduidelijking be-
dienen wij ons van ne-
venstaande figuur. Op de
lijn B C nieten we den
bebouwden grond af, en
op de verticale lijnen BA,
Hl, en C D de opbreng-
sten van de verschillende
grondstukken. Nemen we nu aan, dat een opbrengst
CD = BE noodzakelijk is ten einde de kosten der be-
bouwing te kunnen dekken, dan zal de grond C geene
pachtwaarde hebben, de grond I eene pachtwaarde ge-
lijk aan de verkoopwaarde der opbrengst H K en de
grond B eene pachtwaarde gelijk aan de verkoopwaarde
van de opbrengst E A. Werd nu eene belasting gehe-
-ocr page 204-
188
ven, die aan elk stuk grond eene som ontnam gelijk
aan het deel der opbrengst A F = D G, dan zou elk
stuk van minder vruchtbaarheid dan I, zoolang de prijs
der producten constant bleef, niet meer zonder nadeel
kunnen bebouwd worden. De behoefte zal in deze on-
derstelling niet verminderen, doch wel zal het aanbod
dalen en eerst dan weer tot de vorige hoogte terug-
keeren, wanneer de grond C weer juist met voordeel
kan bebouwd worden. Dit nu is alleen mogelijk, wan-
neer de landbouwer uit dezen grond juist evenveel meer
trekt als de belasting bedraagt; en daar nu de be-
laste hoeveelheid der voortbrengselen van dien grond niet
kan vermeerderen, kan het niet anders of de prijs van
de voortbrengselen van den grond C zal zoolang stijgen
tot deze eene geldswaarde hebben, welke de vroegere
waarde juist met het bedrag der belasting te boven
gaat. Hieruit volgt tevens dat zoodanige belasting —
hoe zonderling dit schijnen moge — de pachtwaarde
der gronden verhoogt in verhouding tot de opbrengst.
Immers stellen we dat de grond B jaarlijks 30, I 20
en C 10 hectoliters van zekere graansoort per hectare
oplevert en dat de prijs per hectoliter / 10 bedraagt.
Dan zal, indien de grond C juist geene pachtwaarde
heeft, die van I f 100 en die van B/200 per hectare
bedragen.
Wordt nu eene belasting ingevoerd van / 10 per
hectare, dan zal de prijs van den hectoliter graan moe-
-ocr page 205-
189
ten rijzen tot f 11, want tenzij de tien hectoliters, die
door den grond C worden voortgebracht, te zamen eene
koopwaarde van f 110 hebben zal de bebouwing van
dezen grond geen voordeel meer opleveren en derhalve
worden gestaakt.
Het gevolg zal dus zijn, dat de dertig hectoliters
van B eene gezamenlijke waarde van ƒ 330, de twintig
van I eene waarde van f 220 zullen verkrijgen; en
daar nu van de opbrengst dezer gronden / 110 per
hectare aan den bebouwer moet blijven, zal de pacht-
waarde van B thans bedragen f 220 per hectare, die
van I / 110. De eerste is derhalve met ƒ20, de tweede
met f 10 verhoogd.
Wordt de invoer van buiten niet of minder belem-
merd, dan zullen al deze gevolgen öf in het geheel niet
of slechts ten deele intreden. De belasting zal dan ten
gevolge hebben, dat de bebouwing van minder vrucht-
bare gronden wordt gestaakt en aan de grondeigenaars
een zeer onevenredig deel der opbrengst van hunne
gronden wordt ontnomen.
Minder primitief — maar toch nog weinig aanbe-
velenswaardig — is de heffing naar de onzuivere op-
brengst, de tiende. Aangezien de verhouding tusschen
de onzuivere en de zuivere opbrengst voor verschil-
lende gronden volstrekt niet constant is, ontneemt
de belasting naar de onzuivere opbrengst een zeer on-
evenredig deel aan de zuivere. En wel gewoonlijk een
-ocr page 206-
190
grooter deel naarmate de grond minder vruchtbaar en
dus de bebouwing kostbaarder is. Van daar dat de
tienden niet alleen afkeuring verdienen wegens hun on-
gelijkmatigen druk, maar ook en vooral om de be-
lemmering, die zij aan de bebouwing en de ontginning
van weinig vruchtbare gronden in den weg leggen. Ook
deze belasting is te recht reeds lang veroordeeld. Ten
opzichte van haar druk geldt hetzelfde, hoewel in min-
dere mate, als van de vorige is gezegd, ook zij verhoogt
de prijzen der producten.
De verponding naar de zuivere opbrengst treft on-
middellijk alleen de grondeigenaars. Zij kan door deze
niet op de pachters en dus nog minder op de verbrui-
kers worden afgeschoven. Immers bij zoodanige belas-
ting zal van den grond C (zie onze figuur op bl. 187)
niets worden geheven, van I eene som gelijk aan de
waarde van het deel der opbrengst H L en van B eene
som gelijk aan de waarde van het deel der opbrengst
A F. Aangezien nu de bebouwing van den minst vrucht-
baren grond C zoowel na als vóór de heffing der be-
lasting rekening geeft en dit a fortiori het geval is met
de gronden, die tusschen B en C liggen, zal ten ge-
volge der belasting het aanbod niet verminderen. De
behoefte kan natuurlijk ten gevolge der belasting niet
stijgen, en waar zoowel behoefte als aangeboden hoe-
veelheid onveranderd blijven, kan geene prijsverandering
plaats grijpen.
-ocr page 207-
191
De pachter zal de belasting evenmin van de schou-
ders van den grondeigenaar nemen. ,, Hoeveel de land-
heer van de door hem gebeurde pachtgelden aan Rijk,
provincie of gemeente moet afstaan, is den boer volko-
men onverschillig. Dat bedrag zij groot of klein, op de
betrekkelijke vruchtbaarheid en ligging van den grond
heeft het geen invloed, en door vruchtbaarheid en lig-
ging alleen wordt de betrekkelijke pachtwaarde der lan-
derijen bepaald" ]) (Mr. N. G. Pierson, Leerboek der
Staathuishoudkunde, Haarlem 1884, I, bl. 101).
Aangezien nu in 1800 niettegenstaande de invoering
van het nieuwe stelsel van algemeene belastingen de
oude verpondingen en reëele lasten bleven bestaan, en
van deze sommige met de zuivere, sommige niet de
onzuivere pachtwaarde in verband stonden en andere
bijna alleen met de oppervlakte rekening hielden, was
de beschouwing van het reglement, voor zoo ver be-
treft de verponding op landerijen, althans voor een
deel gegrond.
Onderzoeken wij thans den druk der verponding op
gebouwen, dan kunnen we voor ons doel volstaan met
de beschouwing der belasting naar de waarde, deze toch
werd wel niet te gelijk met de andere belastingen van
het nieuwe stelsel, maar toch spoedig daarna, in 1809,
ingevoerd.
1) Vgl. Paul Leroy-Beaulieu, t. a. p. I, bl. 290 v.v.
-ocr page 208-
192
Evenals bij de belasting der ongebouwde eigendom-
men zich verschillende gevallen kunnen voordoen naar-
mate de hoedanigheden van eigenaar, landbouwer en
verbruiker der voortbrengselen al dan niet in denzelfden
persoon vereenigd zijn, kan hier worden onderscheiden,
naarmate de hoedanigheden van eigenaar van den grond,
bouwer voor eigen rekening — bijv. krachtens recht
van opstal — en bewoner al dan niet in één persoon
samenkomen. Kunnen we den druk der belasting na-
gaan, indien deze verschillende hoedanigheden door ver-
schillende personen worden gedragen, dan is het natuur-
lijk zeer gemakkelijk te beslissen, hoe de zaak zijn zal,
indien één of twee personen deze hoedanigheden in zich
vereenigen. „Het valt in het oog, dat de pachter in de
meeste opzichten meer op het standpunt van den op-
staller dan op dat van den bewoner van het huis staat;
de bewoner van het huis staat niet gelijk met den
pachter, maar met den verbruiker van de landbouw-
producten. Zoowel de pachter als de opstalier\' maken,
bij het aangaan hunner overeenkomst met den eigenaar
van den grond, dien zij wenschen te bebouwen, hunne
berekeningen met het oog op winst. In verhouding tot
de hoogte der lasten, in den vorm van belastingen of
andere rechten, bieden zij den grondeigenaar eene lagere
pacht aan. Derhalve komt — en dit is een algemeeue
regel —• zoowel wanneer het land als wanneer het hui-
zen betreft, zoo dikwijls een nieuwe overeenkomst met
-ocr page 209-
193
den eigenaar van den grond wordt gesloten, het ge-
heele bedrag van de bestaande belasting uit den zak
van den landheer in den vorm van eene verminderde
pacht; daar noch de pachter noch de opstaller willens
of wetens van plan is, eenig deel daarvan uit zijn zak
te betalen" (G. J. Goschen, M. P., Reports and Spee-
ches on Local ïaxation, bl. 165).
Heeft derhalve de grond als bouwterrein eene bij-
zonder gunstige ligging en is hij ten gevolge hiervan
hoog belast, dan zal de eigenaar van den grond deze
belasting onmogelijk van zich kunnen afschuiven, üe
, huurder zal voor een huis, waarvoor een monopolieprijs
te bedingen is, juist zooveel betalen, als hij naar zijne
berekening kan geven zonder zijn winst te verliezen;
wordt dus de belasting verhoogd, dan zal voor den eige-
naar minder overblijven. De opstalier zal, tenzij de
gunstige verhoudingen eerst na het aangaan van het
contract ontstaan, niet meer maar ook niet minder dan
de gewone ondernemerswinst genieten.
Nieuwe belastingen evenwel, die op het gebouw ge-
legd worden, nadat het contract met den eigenaar van
het erf is tot stand gekomen, kunnen door den opstal-
Ier op dezen niet worden verhaald. Of hij ze op den
bewoner kan afschuiven, hangt af van de welvaart der
plaats. Neemt de bevolking toe en stijgt dus de vraag
naar huizen, dan zal de belasting op den huurder neer-
komen. Immers zullen, zooals Goschen te recht zegt,
13
-ocr page 210-
194
geen nieuwe huizen worden gebouwd dan met het oog op
voordeel, en voordeel zal niet te behalen zijn, zoolang de be-
staande nog verhuurd worden tegen een prijs, waaruit ten
hoogste de gewone winst vermeerderd met het bedrag der
belasting kan worden behaald. Aan de meerdere behoefte
zal alzoo alleen voldaan kunnen worden onder de voor-
waarde, dat de belasting op de nieuwe gebouwen door
de bewoners betaald worde. Dit geldt evenwel alleen
van de belasting, die van den opstaller geheven wordt;
die welke wegens de gunstige ligging van het terrein
verschuldigd is, kan wel wegens den langen duur van
het contract tijdelijk den opsteller drukken, maar treft
in normale gevallen den grondeigenaar en dat deze haar
niet van zich kan afschuiven, zagen we reeds. „De be-
lasting werkt voor den bewoner evenzoo, als ware, hetzij
de som der bouwkosten, hetzij de normale rentestand
met (een gelijk percent als de belasting bedraagt) ver-
hoogd" (Pierson, t. a. p. bl. 145).
Geheel anders drukt de belasting in plaatsen, waar
stilstand of achteruitgang heerscht. Daar de hoeveelheid
der huizen bij stijging der behoefte wel kan vermeer-
derd, doch bij daling daarvan niet zal verminderd wor-
den, blijft den opstallers, hetzij zij eigenaars van den
grond zijn of niet, niets over, dan zelve de op hunne
huizen rustende lasten te dragen, ja zelfs dikwijls den
huurprijs niettegenstaande de belasting te verlagen.
Wie in welvarende plaatsen ten slotte de belasting
-ocr page 211-
195
der winkelhuizen — voor zoover zij niet de eigenaars
treft — dragen, de bewoners of de klanten, is niet na
te gaan. Vooral in dit opzicht schijnt mij het oordeel
van Mr. Pierson, t. a. p. bl. 147, juist: „Niets is moei-
lijker soms, dan bij heffingen van gebouwde eigendom-
men na te gaan, op wie zij drukken. Voorzoover zij niet
drukken op de gebruikers, drukken zij wel eens op per-
sonen, die er zich nauwelijks van bewust zijn, dat hun
belangen bij de zaak zijn betrokken."
Doch hoe dit ook zij, dat de grondbelasting op de
huizen in de meeste gevallen drukt op personen, die
bij de gemeentehuishouding groot belang hebben, is
ongetwijfeld.
Het reglement van 1805 had daarom de verponding
op de huizen voor de heffing van plaatselijke opcenten
niet op den tweeden rang, maar vooraan in den eersten
moeten plaatsen.
Met voordacht liet ik deze bespreking der verponding
voorafgaan aan die over het personeel, het pleiziergeld, de
belasting op de runderbeesten en het patent. Immers na
hetgeen voorafgegaan is, kan het onderzoek naar den druk
dezer belastingen weinig moeilijkheid opleveren, ten minste
indien wij ons met globale uitkomsten tevreden stellen.
Mathematisch juiste uitkomsten zijn op dit gebied niet
te verkrijgen. Elke belasting toch strekt hare werking
meer of minder uit zoowel over hem, die haar betaalt,
als over de personen, die met dezen in eenige handels-
-ocr page 212-
196
of burgerrechtelijke betrekking staan. In welke verhou-
ding zich de druk over deze verschillende personen ver-
deelt, is niet te ontwarren, wij moeten ons tevreden
stellen met de wetenschap, op welke van deze personen
zij het meest drukt1).
Het personeel nu, voorzoover het huisgeld is, werkt
op ongeveer gelijke wijze als de verponding; op wien
het neerkomt, op den verhuurder of op den huurder,
hangt voornamelijk af van de welvaart der plaats. In
elk geval echter zal het van eenigen invloed op den
huurprijs zijn. „Wie een huis in huur neemt, wordt nu
niet tot eene, maar tot twee betalingen verplicht; twee
betalingen, die met elkander samenhangen, want hoe
hooger de huurprijs is, des te hooger is ook de belas-
ting. Zou dit niet voor velen een drangreden zijn om
op het punt van woninghuur te bezuinigen ?\'\' (Mr. Pier-
son, t. a. p. bl. 148). Het personeel treft onvermijdelijk
zoowel huurder als verhuurder; in welvarende plaatsen
1) Vgl. Vissering, Handb prakt. Staath, n°. 895, 896.
Dr. K. Meijer, Die Principien der gerechten Besteuerung, Berlin,
1884, bl. 267—269.
L. v. Stein, Lehrbuch der Finanzwissensch, 2e dr., bl. 321—326.
Ook m. i. echter gaat Stein te ver, waar hij beweert: „ Das grosze
ïtesultat ist, dasz jede Steuer von jedem auf jeden überwalzt wird,
indem jeder die Steuern, die er zahlt, nur für den andern der sein
Product braucht, auslegt, um sie ihm in irgendeiner Weise aufzu-
rechnen, gerade so gewisz, so regelmaszig und so organisch noth-
wendig, wie er das bei dem Zins seiner Kapitalien und dem Arbeits-
lohne thut."
Zie ook Kaizl, die Lehre v. d. Ueberwalzung d. Steuern, bl. 97—101.
-ocr page 213-
197
drukt het op den huurder-, in achteruitgaande op den
verhuurder het meest.
Na hetgeen over de verponding werd gezegd, be-
hoeft hier niet te worden herhaald, waarom de samen-
stellers van het reglement van 1805 door het personeel
in de eerste plaats voor de plaatselijke opcenten in
aanmerking te nemen, volkomen rationeel handelden.
Het personeel, voorzoover het landgeld was, en de
belasting op de runderbeesten, werden betaald door de
pachters. Dat deze belastingen evenwel ten slotte op de
grondeigenaren grootendeels neerkwamen, behoeft na het
voorafgaande geen betoog. Doch daar deze lasten door den
pachter werden betaald, konden zij eerst dan op den grond-
eigenaar worden verhaald, wanneer de werkelijke pacht
met de volle pachtwaarde overeenkwam. Immers eerst
in dat geval betaalt de pachter, in den vorm van pacht,
al hetgeen de bebouwing van den grond hem meer op-
levert, dan hij tot goedmaking der kosten en tot verkrij-
ging van de gewone ondernemersvvinst behoeft. Heeft
de pacht evenwel deze grens bereikt, dan kan de pach-
ter niet alleen, maar dan zal hij ook de belasting op
den landheer verhalen, door hem minder pacht te be-
talen, dan hij zonder de belasting doen zou; in dit geval
toch is dergelijke afwerping van den druk der belasting
eene noodzakelijke voorwaarde voor de mogelijkheid der
voortzetting van het bedrijf. Maar aangezien het per-
soneel naar de onzuivere pachtwaarde werd geheven en
-ocr page 214-
198
het runderbeestengeld met deze pachtwaarde slechts in
verwijderd verband stond, kwam een klein deel dezer
belastingen noodwendig op de schouders der verbrui*
kers terecht.
Door het landgeld en het runderbeestengeld in de
eerste plaats voor de verhooging met plaatselijke op-
centen aan te wijzen, bereikte men het gewenschte
gevolg, dat de landheeren en pachters, die bij de ge-
meentehuishouding ten platte lande het grootste belang
hebben, in de kosten der gemeentehuishouding in de
eerste plaats bijdroegen, althans wanneer de uitgaven te
hoog waren, om uit een matigen hoofdelijken omslag
geheel gedekt te kunnen worden. Dat men echter in
dit opzicht niet geheel billijk was, zal bij de beoordee-
ling van het geheele stelsel van 1805 blijken.
Met het landgeld en het runderbeestengeld kwamen
het patentrecht en het pleiziergeld in werking grooten-
deels overeen. Voor een deel zouden deze belastingen —
en vooral de laatste — zonder twijfel op de verbrui-
kers worden verhaald, voor een deel bezwaarden zij de
neringdoenden. Aangezien nu wel niet alle verbruikers,
maar toch — behoudens uitzonderingen — het meeren-
deel hunner, ingezetenen waren der gemeente, waar deze
rechten betaald werden, en het deel dat voor de be-
lastingbetalenden zelve bleef, in elk geval op inwoners,
of althans op personen, die bij de gemeentehuishouding
groot belang hadden, neerkwam, stemde ook de aan-
-ocr page 215-
199
wijzing van deze belastingen met het aangevoerde mo-
tief vrij wel overeen.
De slotsom van ons onderzoek is derhalve deze, dat
de keuze der middelen, wat aangaat op wien zij drukten,
behalve die van het recht op de waag, zeer goed te
verdedigen is. Slechts de volgorde was niet volkomen
rationeel: op het personeel had het meubilair en daar
achter de verponding moeten volgen. Of de keuze,
wat aangaat de zwaarte van den druk, even gunstige
beoordeeling verdient, bespreken wij later.
Behalve de genoemde opcenten werd aan de ge-
meenten door art. 27 toegestaan de heffing van „eene
matige Belasting op Prachtvertooningen bij Trouwen en
Begraven, en verdere soortgelijke Objecten van Weelde,
alsmede omslagen voor onderhoud van Lantaarnen,
Brandspuiten, Nachtwachten enz." Voorts mochten de
gemeenten krachtens hetzelfde artikel nog heffen : „Weg-,
Straat-, Brug-, Kaai-, Kraan- en Sluisgelden of derge-
lijke, van of voor het gebruik van welke, het onderhoud
en de bekostiging aan de Steden en Plaatsen incumbeert;
des nogtans, dat dezelven de kosten van aanleg en on-
derhoud van zoodanige Werken of objecten niet te
boven gaan, en in geenerlei manieren tot eene Belas-
ting op den ln- of Doorvoer aanleiding kunnen geven,
voorts Poortgelden, Marktgelden, voor het gebruik van
Plaatsen op de openlijke Markten, Hallen, Vischbanken
en dergelijke."
-ocr page 216-
200
Door de gemeenten, met uitzondering van de klei-
nere, in de eerste plaats de heffing van opcenten op
rijksbelastingen voor te schrijven, wilde men vereenvou-
diging en bezuiniging in de administratie en de invor-
dering der plaatselijke middelen invoeren, en bereikte
men tevens, dat de gemeenten belanghebbenden werden
bij de richtige invordering der nationale middelen 1).
Te recht werd op deze beide voordeden der regeling
gewezen. Niet minder juist gezien was het, naast de
opcenten, aan de gemeenten toe te staan de heffing van
belastingen op enkele artikelen van weelde, van omsla-
gen tot dekking van verschillende uitgaven — zooals
voor lantaarnen — en van markt- en andere gelden als
vergoeding voor het gebruik van gemeentewerken en
•inrichtingen.
Deze bevoegdheid der gemeentebesturen was het nood-
zakelijk correctief van het opcentenstelsel. Had men bij
uitsluiting het laatste aangenomen, men zou aan de
gemeenten alle vrijheid in de regeling hunner belastin-
gen hebben ontnomen; op plaatselijke omstandigheden
had geen acht geslagen kunnen worden; de afwijkingen,
welke elk goed ingericht stelsel van gemeentebelastin-
gen van het algemeen stelsel moet vertoonen, zouden niet
hebben kunnen plaats grijpen. Daarentegen bleven door
1) Vgl. Gogel, Mem. en Corr. bl. 90.
-ocr page 217-
201
de verbinding van het stelsel der opcenten met dat der
afzonderlijke gemeentebelastingen, de voordeel en van
beide stelsels behouden en werden beide nadeelen tot
een minimum teruggebracht. In beginsel is deze verbin-
ding dan ook onvoorwaardelijk goed te keuren; vraagt
men echter, of het reglement de juiste verhoudingen
wel in acht nam, dan kan het — dunkt mij — niet
ontgaan, dat op het stelsel der opcenten te veel-, op
dat der afzonderlijke gemeentebelastingen te weinig ge-
wicht gelegd werd.
Daarentegen verdient het onverdeelde instemming, dat
het reglement de gemeenten tot dekking van een niet
onbelangrijk deel hunner uitgaven naar retributiën vei\'-
wees. Immers zoowel volgens traditie als volgens de wet
hebben en hadden èn staat èn gemeenten te zorgen
niet alleen voor de handhaving van het recht, maar ook
voor de economische belangen der ingezetenen. Maar
terwijl de staat voornamelijk de handhaving van het
recht tot taak heeft, legt de gemeente zich meer toe op
bevordering der economische belangen 1). Bij de vervul-
ling dezer laatste taak nu komt het dikwijls- en in elk
geval meer dan bij de handhaving van het recht voor,
dat door de bevordering van het algemeen belang tevens
aan bijzondere personen voordeden worden toegekend.
1) Vgl. E. Gneist, die Preussische Finanzreform, Berlin, 1881, bl. 46.
-ocr page 218-
202
Daar nu de retributiën juist daartoe strekken, hen, die
zoodanig bijzonder voordeel genieten of genieten kunnen,
een equivalent daarvoor te laten betalen \'), is het dus zeer
juist gezien de heffing van retributiën in de gemeente
meer op den voorgrond te plaatsen dan in den staat.
Hieruit volgt tevens, dat het voorschrift van het re-
glement, dat de opbrengst der retributiën de kosten van
aanleg en onderhoud der werken, voor het gebruik
waarvan zij geheven werden, niet mocht te boven gaan,
niet genoeg geroemd kan worden.
Zoodra equivalent voor bijzonder voordeel de reden
eener heffing is, wordt het afpersing meer te heffen dan
het toekennen van het voordeel kost. „ Is het redelijk —
zoo vroeg Thorbecke in 1850 bij de behandeling der
provinciale wet, — iemand te laten bijdragen tot goed-
making van andere deelen van het provinciaal bestuur,
omdat hij van een weg of van een kanaal gebruikt
maakt? Is dat eene aannemelijke maatstaf van belasting?
Mij dunkt, het antwoord kan geen oogenblik twijfel-
achtig zijn. Onredelijker belasting is naauwelijks te ver-
zinnen" 3).
1)   Vgl. Ad. Wagner, die Communalssteuerfrage, Leipz. und Hei-
delb. 1878, bl. 31.
Die Coinmunalsteuerfrage, Zehn Gutachten veröffentlicht vom Verein \'
für Sucialpolitilc, Leipz. 1877. bl. 3 (Hoffroann).
2)   Zie Mr. ,T. C. Bijsterbos, de provinciale wet, Kampen, 1855,
bl. 259.
-ocr page 219-
203
Volgens art. 40 konden de gemeentebesturen, bijal-
dien de ingevoerde plaatselijke belastingen onvoldoende
bevonden mochten worden, te allen tijde overgaan tot
herziening der middelen op den voet bij het reglement
bepaald; „ doch indien de ondervinding mogt aanwijzen,
dat dezelve te hoog mogten zijn gesteld, (zouden) de-
zelve met en voor den aanvang van het vierde jaar,
met overleg van Gecommitteerden, zoodanig worden
verminderd, dat dezelve de noodzakelijke behoefte niet
(overschreden)."
Als vergoeding voor de invordering der opcenten,
welke te gelijk met die der hoofdsommen door rijks-
ambtenaren geschiedde, moest „door de respectieve
Gemeenten pondsgewijze worden gedragen in de Plaatse-
lijke Kosten van Perceptie, Recherche, Toezigt en Ju-
stitie op de gecombineerde Perceptie van zoodanige aan
Verhooging onderworpen Middelen vallende" (art. 24).
Eene bepaling welker billijkheid zonder toelichting in
het oog springt.
De geheele omkeer in de plaatselijke belastingen,
welke het reglement van 1805 teweeg bracht, hing met
de invoering der nieuwe algemeene belastingen nauw
samen. Voor de eigen financiën van vele gemeenten
was spoedige hervorming niet slechts wenschelijk, maar
noodzakelijk. Immers werd van ouds in sommige ge-
westen aan de gemeenten, vooral aan de steden, zeker
aandeel in alle of in eenige landsbelastingen toegekend,
-ocr page 220-
204
en waar dit niet het geval was, waren de gemeentebe-
lastingen, vooral de accijnzen, veelal feitelijk slechts
verhoogingen van \'s lands imposten. Eene verandering
in de rijksmiddelen moest derhalve wel een onmiddel-
lijken en ingrijpenden invloed uitoefenen op den toe-
stand der plaatselijke financiën. Hoewel weinig rationeel
was de samenhang tusschen de oude lands- en gemeente-
middelen toch zou nauw, dat hervorming van de eerste
zonder gelijktijdige hervorming van de laatste onmoge-
lijk was l).
Van daar de bepaling van art. 13 van het reglement:
„Met de invoering van het stelsel van Algemeene Be-
lastingen zullen zoodra mogelijk ophouden en vervallen
alle Stedelijke en Plaatselijke Imposten, welke zullen wor-
den bevonden, strijdig daarmede en met de voorschrif-
ten in de navolgende Artikelen vervat, en des noodig
geoordeeld wordende, vervangen door dezulken, welke
daarbij ter invordering worden vrijgelaten, als middelen
en voorwerpen van Plaatselijke Belastingen."
Vele gemeenten evenwel waren met de hervorming
hunner belastingen niet bij tij ds gereed, zoodat bij het
besluit van 6 Januari 1806 (Staatsbesl. Bat. Rep. IV,
bl. 59) de departementale besturen gemachtigd werden:
„om alle zoodanige Gemeente-Besturen in derzelver
1) De officieele stukken aangehaald op bl. 176.
-ocr page 221-
205
Respect, welke zulks mogten benoodigd hebben, te qua-
lificeren om provisioneel, gedurende den tijd van zes
maanden, of zooveel korter tijd als binnen welken het
algemeen Reglement op de Gemeente-Besturen zal zijn
in werking gebragt, met het heffen van alle zoodanige
Belastingen als tegenwoordig ten behoeve der Stedelijke
kassen worden opgebragt te continuëeren, met adhor-
tatie niettemin aan voorschreven Departementale Bestu-
ren en Landschaps-Bestuur van Drenthe, om de intro-
ductie van \'t voornoemd Reglement met alle mogelijke
activiteit te accelereren."
Zoo was dan bij de komst van koning Lodewijk de
hervorming der belastingen in enkele plaatsen gereed,
in andere nog in vollen gang; maar ook op dit gebied
schreed de nieuwe regeering op den door Schimmel-
penninck ingeslagen weg voort. De bepalingen omtrent
de plaatselijke belastingen van het reglement van 1805
bleven bij voortduring van kracht, voor zoo ver zij niet
door latere wetten stilzwijgend of uitdrukkelijk werden
afgeschaft.
Eene eerste afwijking had plaats door art. 7 der wet
betrekkelijk tot algemeene bepalingen. Het min of meer
tweeslachtige stelsel, waartoe het reglement van 1805
de bepalingen der constitutie van dat jaar, omtrent het
toezicht op de invoering van plaatselijke belastingen had
ontwikkeld, werd te recht verlaten. Aan den koning werd
-ocr page 222-
206
de goed- of afkeuring der ontwerpen van gemeente-
belastingen, „op rapport van de departementale bestu-
ren," opgedragen. Nader werd dit ontwikkeld in de wet
op de gemeentebesturen van 13 April 1807; de ont-
werpen van belastingen zouden door de plaatselijke
besturen worden gezonden aan den landdrost; deze
moest ze doen toekomen aan den minister van binnen-
landsche zaken, om met diens consideratiën aan den
koning te worden voorgelegd (art. 44 en 49) 1). Vol-
gens art. 35 van het decreet van 29 April 1807 deed
de landdrost de belastingontwerpen een voorloopig onder-
zoek ondergaan, en voegde hij bij de opzending der
stukken aan de regeering zijn advies daaraan toe.
Eene uitbreiding van art. 19 van het reglement van
1805 had plaats door de wet van 30 November 1807
(P. A. B. III, bl. 197). Ook de belastingen op de ronde
maat en de haardsteden werden daarbij aan de ge-
meentelijke opcenten onderworpen, en wel: ,,de Be-
lasting op de Rondemaat — onder de series van Be-
lastingen, in voorschreven Artikel voorkomende, — on-
middelijk volgende op het middel van de Waag" (art. 2);
en „de Belasting op de Haardsteden — in dezelfde
series onmiddelijk achter de Belasting op het Mobilair"
(art. 3).
1) Zie ook art. 8 der wet van 17 April 1807. (P. A. B. III, bl. 65).
-ocr page 223-
207
Het toestaan van de heffing van opcenten op de ronde
maat kwam geheel overeen met het standpunt des wet-
gevers van 1805; immers bestond er geene enkele goede
reden, het middel op de waag wél en dat op de ronde
maat niet aan de verhooging door plaatselijke opcenten
te onderwerpen. De plaatselijke opcenten op het mid-
del der haardsteden verergerden ongetwijfeld den onge-
lijken druk dezer belasting, maar toch kan het toestaan
van de heffing daarvan, beoordeeld naar het standpunt,
dat in 1807 werd ingenomen, niet irrationeel genoemd
worden.
Van meer aanbelang dan deze uitbreiding van het
reglement van 1805 was hetgeen eenige maanden vroe-
ger door de wet van 17 April 1807 (P. A. B. III, bl.
65) was bepaald l). Deze wet namelijk stond den ge-
meentebesturen toe, den invoer van brood, meel, vleesch
en wijn te onderwerpen „ aan een Impost, geëvenredigd
aan de additionele stuivers, aan die Gemeenten geaccor-
deerd, en welke (zouden) worden geheven, met relatie
tot het Vleesch, Brood en Meel, bij het te koop
brengen — en in de proportie hier onder gespecifi-
ceerd" (art. 3).
De bedoelde verhouding nu tusschen de te heffen
opcenten en invoerrechten was:
]) Zie ook Wet 30 Januari 1808, art. 1, § 10 en 11 (P. A. B.
III, bl. 265).
-ocr page 224-
208
Belaste waren.
Bedrag der opcenten.
Bedrag van den impost.
vleesch
n
n
n »
tarwebrood
«f
n
n
tarwemeel
n
n
»
1—21/;; stuiver
2i/2-5 „
5-7i/3 „
boven 71/2 „
• I-2V2 „
21/3-5 „
5-71/3 „
boven Pj.2 „
I-21/3 „
2i/2-5 „
5-7i/2 „
boven 71/2 „
1 penning per pond.
• 11 i> 11
" » 11 11
4
™ 11 11 11
5  stuivers per 100 ponden.
1 ^ n 11 n n
10 11 11 11 n
1 gulden „ „ „
6   stuivers „ „ „
\' ™ 11 n 11 »
\'" 11 11 11 n
** i) 11 ,1 n
„ Zuiglammeren, speenvarkens, kalfs- en zwijnskoppen
en dergelijken, niet bij het pond verkocht wordende,
en voor geschenken dienende, (werden) — eens vooral
berekend — tegen 16 ponden vleesch" (art. 4).
Van roggebrood moest „worden betaald een vierde
van het tarwebrood. — Van roggemeel, een vierde van
het tarwemeel" (art. 5 en 6). „Van de van buiten in-
gevoerde Wijn, elders verimpost, (zouden) dezelfde ad-
ditionele stuivers worden betaald, welke aan de Ge-
meenten (waren) toegestaan, waar de Wijn werd inge-
voerd" (art. 7).
Ter beoordeeling dezer wet, welke eene groote schrede
terugdeed op den goeden weg, dien men in 1805 had
ingeslagen, moet eene enkele opmerking over de invor-
-ocr page 225-
209
dering der accijnzen op geslacht, gemaal en wijn vooraf-
gaan. Over het algemeen namelijk was de invordering
zoo geregeld, dat de heffing niet bij den oorsprong
maar bij den uitslag tot verbruik plaats greep. Anders
evenwel bij het geslacht; deze accijns werd betaald, voor-
dat het vee mocht worden geslacht; de plaatselijke opeen-
ten vloeiden derhalve in de kas van de gemeente, waar de
slachter woonde. Het gemaal moest zijn voldaan, voordat
het graan door den molenaar mocht worden ontvangen;
de opcenten van dezen accijns kwamen door deze rege-
ling in de kas van de woonplaats des molenaars. De
impost op den wijn eindelijk werd berekend bij den
inslag door den wijnhandelaar en door hem betaald
vóór hij mocht uitslaan; ook ten gevolge van deze wijze
van heffing was de gemeente van inwoning des wijn-
koopers de gerechtigde tot de plaatselijke opcenten op
dit middell).
De werking der wet van 1807 wordt hierdoor duide-
lijk. Zij belemmerde den invoer van de genoemde levens-
middelen, door deze, zonder ontheffing van den elders
betaalden accijns, aan een nieuwen impost te onder-
werpen. Zij beschermde derhalve de binnen de gemeente
wonende bakkers, molenaars, slachters en wijnhandelaars
tegen concurrentie van buiten. Deze bescherming moge
1) Vgl. Gogel, Mem. en Corr. bl. 276 v.v., 302 v.v., 404 v.v.
Sillem, t. a. p. bl. 231—235.
14
-ocr page 226-
210
gering geweest zijn, zij had toch ten gevolge, dat alle
grenzen der gemeenten weder binnenlandsche tollinien
werden, en werkte daardoor verderfelijk genoeg.
En dan bedenke men, dat het eerste artikel derzelfde
wet verklaarde: ,, De Plaatselijke Besturen zullen den
Invoer van Brood, Meel, Vleesch en Wijn, van buiten
hunne Jurisdictie, niet mogen beletten of verhinderen."
Het heeft werkelijk den schijn, alsof men het contrast
tusschen hetgeen voorop werd gesteld en hetgeen on-
middellijk volgde, zoo duidelijk mogelijk wilde doen in
het oog springen.
De heffing der plaatselijke invoerrechten had evenals
die der opcenten door de ambtenaren der rijks onbe-
schreven middelen plaats :). Art. 24 van het reglement
van 1805, volgens hetwelk de gemeenten pondsponds-
gewijze droegen in de kosten der heffing van de plaatse-
lijke opcenten, werd door art. 5 der wet van 30 Novem-
ber 1807, welke ook de ronde maat en het haardsteden-
geld aan de opcenten onderwierp, vervallen verklaard.
Voortaan moesten de gemeenten, als bijdrage in de
kosten der invordering, 4 °/0 van de opbrengst der op-
centen en invoerrechten aan het Rijk afstaan.
Ten slotte kan nog worden vermeld, dat, evenals
de staat, ook sommige gemeenten gedurende dit tijd-
vak, in plaats van tot buitengewone heffingen, haar
1) Koninklijk Decreet, 3 Maart 1808, P. A. B. III, bl. 277.
-ocr page 227-
211
toevlucht namen tot anticipatiën op de gewone mid-
delen 1).
En nu ons oordeel. Het kan niet anders dan gun-
stig luiden. Wél bereikte het nieuwe stelsel van rijks-
en gemeentebelastingen het ideaal der samenstellers,
belasting naar de relatieve vermogens der ingezetenen,
slechts hoogst onvolkomen; wél was het eene niet te
miskennen fout de departementale belastingen af te
schaffen in de plaats van ze te regelen; maar verge-
leken met den vroegeren toestand was de nieuwe rege-
ling eene groote verbetering.
Door eene redelijke verhouding te brengen tusschen
de beschreven en de onbeschreven middelen, — de ver-
houding der opbrengsten was namelijk ongeveer als 3
tot 4, — bereikte men de bekende voordeden aan de
combinatie dezer beide belastingwijzen verbonden: de
1) Aan Amsterdam werd toegestaan :
bij deereet van 17 Maart 1806 de heffing van vijf additioneele
stuivers; deze werden ten gevolge van het decreet van 2 October
1807, met uitzondering van die op het patentrecht, verdubbeld;
bij decreet van 2 October 1807 de heffing van ambtgelden tot
een gelijk bedrag als vóór 1805 ten behoeve der provincie geheven
waren; hier tegenover zouden vervallen de nog bestaande belastin-
gen op turf, bier en azijn, alsook het stedelijk lantaarn-, brandspuit",
emmer- en straatgeld;
bij decreet van 17 Juni 1808 de heffing van 50 additioneele stui-
vers op de verponding, zegge 250 °/0.
Verz. v. Wetten II, bl. 302, en V, bl. 289.
-ocr page 228-
212
directe belastingen behoefden niet tot ondragelijke hoogte
te worden opgevoerd, de indirecte belemmerden nog wel
het verbruik der belaste voorwerpen, maar toch in veel
mindere mate dan vroeger het geval was. Door de op-
centen der gemeenten op rijksbelastingen in de eerste
plaats op beschreven en eerst daarna op onbeschreven
middelen toe te laten, trachtte men dezelfde voordeden
ook ten opzichte der plaatselijke belastingen te verkrijgen.
Evenwel zoodra we meer in bijzonderheden de rege-
ling gadeslaan, ontdekken we verschillende leemten. Dat
onder de beschreven middelen belastingen waren opge-
nomen, welke onder de andere rubriek te huis behoor-
den en omgekeerd ; dat vele der wetten en ordonnan-
tiën belastingen, welke te eenen male van elkander
verschilden, te gelijk regelden; deze en dergelijke minder
belangrijke onnauwkeurigheden en fouten gaan we met
stilzwijgen voorbij. Maar is het te billijken dat het
kapitaal in portefeuille volkomen vrij bleef? Had de
moeilijkheid der heffing en de onvermijdelijkheid van
eenigen willekeur tot deze ongelijkheid mogen voeren?
Want eene ongelijkheid was het, alle andere bronnen
van inkomsten te belasten en de kapitaalrente vrij te
laten. En mocht ook al deze ongelijkheid, ten gevolge
van den trek naar nivelleering van de voordeelen
van verschillende geldbeleggingen, in werkelijkheid min-
der zijn dan zij scheen, geheel weggenomen werd
zij daardoor volstrekt niet. Bovendien was het ook
-ocr page 229-
213
toen reeds eene erkende waarheid, dat „en matière
d\'impöt 1\'inégalité qu\'on voit, nuit plus que celle qu\'on
ressent", zooals de Tocqueville zoo juist gezegd heeft.
Deze ongelijkheid nu bestond niet alleen in de rijks-
belastingen; door het stelsel der opcenten werd zij ook
in de gemeentebelastingen overgebracht en daardoor
nog belangrijk vergroot. Alleen in die gemeenten, welke
hunne uitgaven uit hoofdelijke omslagen dekten, had
dit niet plaats; hier kon men ook het roerend vermo-
gen der belastingplichtigen, althans voor zoover het be-
kend was, ter bepaling van het bedrag van den aanslag
in aanmerking nemen.
Eene andere en nog veel minder verdedigbare on-
billijkheid in het stelsel der algemeene belastingen was
de heffing van runderbeestengeld naast het personeel,
voor zoover het landgeld was. Of hetgeen de landbou-
wers voor hunne gronden in het personeel bijdroegen,
moest als hun patentrecht worden aangemerkt, maar
op welken grond rustte dan het runderbeestengeld?
O f het runderbeestengeld kwam overeen met het patent-
recht voor andere bedrijven, maar waarom dan de be-
zaaide landen hiervan vrijgesteld ? Waarom in één woord
de veeteelt zwaarder belast dan den landbouw? Of
moest de belasting op landbouwerspaarden de ongelijk-
heid wegnemen? Het verband tusschen deze verschil-
lende belastingen was hoogst gebrekkig. Gogel zelf zeide
later dan ook, dat wanneer „de weilanden evenals
-ocr page 230-
214
de bouwlanden, reeds in het personeel zijn begrepen,
er geene reden is om het land dat door koeijen beweid
wordt, meer te doen dragen dan dat hetwelk met graan
bezaaid is, of dubbel te doen betalen" (Mem. en Corr.
bl. 154). Ook deze ongelijkheid werd weder verergerd
door niet alleen op het personeel, maar ook op het
runderbeestengeld plaatselijke opcenten toe te laten.
Voor het overige was de heffing van plaatselijke
opcenten op rijksbelastingen volkomen te billijken.
We moeten echter niet vergeten, dat het een nood-
zakelijk kwaad van deze opcenten was, dat zij de
ongelijkheden in den druk der middelen, die wij hier
en daar bij de afzonderlijke behandeling van elk
hunner hadden aan te wijzen, grootere afmetingen
deden aannemen. Vooral geldt dit ten opzichte van de
opcenten op de rijksaccijnzen. Deze middelen drukten
toch reeds onevenredig zwaar op de mindergegoeden,
en verhooging van deze bedenkelijke ongelijkheid kwam
derhalve weinig overeen met de regelen eener goede
belastingverdeeling, regelen, op welker navolging men
zich in 1805 nog al liet voorstaan. Had men naast het
opcentenstelsel den gemeenten ook voldoende objecten
voor eigen belastingen aangewezen, men had het kwaad
binnen enger grenzen kunnen beperken, ja zelfs, mis-
schien wel kunnen vermijden. Dat men op de opeen-
ten te veel gewicht legde, merkten wij reeds op.
Maar dit was nog niet de eenige fout, die men te
-ocr page 231-
215
dezen opzichte beging. Immers bij de regeling der
plaatselijke opcenten toonde men door voor de verhoo-
ging der middelen eene bepaalde volgorde aan te wijzen,
dat naar het oordeel der regeering het eene middel
voor verhooging meer geschikt was dan het andere. En
toch mocht het aantal der opcenten op het eene middel
niet hooger of lager zijn dan dat op het andere, tenzij
de laatste additioneele stuiver op het onmiddellijk vooraf-
gaande middel juist voldoende was om de uitgaven te
dekken. Dit was irrationeel.
Even bedenkelijk als het is, al het gewicht der plaat-
selijke uitgaven op het object van ééne rijksbelasting
te doen drukken, even bedenkelijk is het ook tusschen
de voor de heffing van opcenten eenmaal aangewezen
belastingen volstrekt geen onderscheid te maken 1). Had-
den niet de verponding, vooral die op gebouwd eigen -
dom, het personeel en het meubilair, om slechts eenige
voorbeelden te noemen, tot hooger bedrag moeten zijn
in aanmerking genomen dan het recht op de aliënatiën
en venduen, het gemaal en het geslacht? Dit lijdt
geen redelijken twijfel.
Voorzeker, de regeling zooals het reglement van 1805
die behelsde, was heel wat gemakkelijker dan de be-
1) Dat het ook in de praktijk niet vol te houden was, blijkt hier-
uit, dat aan Amsterdam de bevoegdheid werd toegekend 250 °/0
op de verponding te heffen. Zie noot 1, bl. 211.
-ocr page 232-
216
paling van altijd min of meer willekeurige verschillen
in de maxima der te heffen opcenten, maar beter was
ze waarlijk niet.
We kunnen hiermede onze beoordeeling als afgerond
beschouwen. De opmerkingen, waartoe de verschillende
belastingen en de bijzonderheden der regeling ons aan-
leiding gaven, behandelden we in den loop der uit-
eenzetting.
Trachten wij ons een beeld te vormen van den toe-
stand der belastingen in de republiek der Vereenigde
Nederlanden en plaatsen we daarnaast het in 1805 ge-
rijpte stelsel, dan kan het niet anders of naast dit eerste
zal ons het laatste een model van schoonheid en regel-
matigheid van vormen schijnen. Immers na eene lange
en duistere nacht wanen we in de morgenschemering
reeds het heldere daglicht te aanschouwen.
Voorwaar het contrast tusschen den toestand vóór
en dien na de invoering van Gogels stelsel is groot.
Daar gewestelijke, hier algemeene belastingen; daar
accijnzen op schier alle levensmiddelen, hier op slechts
enkele; daar gewestelijke en plaatselijke tollinièn, hier
onbelemmerd verkeer; daar ingewikkelde administratie,
hier eenvoudig beheer; daar verpachting, admodiatie en
monopolie, hier alleen collecte; daar willekeur, hier
regelmaat; diuir verwarring, hier verband tusschen alge-
meen e en plaatselijke belastingen.
Eere den grooten staatsman, die zulke verbeteringen
-ocr page 233-
217
wist tot stand te brengen. Al werd zijn werk ook door
koning Lodewijk min of meer verknoeid en door Na-
poleon geheel ten val gebracht, het was gelukkig niet
te vergeefs geweest. Bij Nederlands wedergeboorte her-
rees ook Gogels werk uit zijn asch; wél was het hier
en daar geschonden, maar hoe verminkt ook, het zou
nog lang zijn invloed doen gelden.
-ocr page 234-
VIERDE HOOFDSTUK.
Het Fransche stelsel.
Ook aan het koninkrijk Holland was slechts een
kortstondig bestaan beschoren. Lodewijks karakter leende
zich allerminst tot de taak, hem door Napoleon toege-
dacht: als koning van Holland, prins van Frankrijk te
zijn. Vooral maakte hij den toorn zijns broeders gaande
door zich niet genoeg te voegen naar diens politiek
van den „blocus Continental." Herhaaldelijk werden
hem door Napoleon aanmerkingen gemaakt over de
smokkelarij aan Hollands grenzen, en welke tegenwer-
pingen hij ook maakte, zij mochten niet baten. Zijne
bekende verzuchting: ,, Empêcher donc la peau de
transpirer!" was allerminst geschikt om Napoleon tot
toegevendheid te stemmen. Reeds was in 1807 Vlis-
singen bij Frankrijk ingelijfd en had Holland als ver-
goeding de provincie Oost-Friesland verkregen; hetgeen
-ocr page 235-
219
weinige jaren later volgde, was slechts eene voortzetting
van hetgeen in 1807 was begonnen. Bij senaatsbesluit
van 24 April 1810 werden alle landen, gelegen aan
den linker oever van den Rijn met Frankrijk vereenigd.
En alsof dit nog niet genoeg was, werd aan Lodewijk
op zijn ingekrompen gebied een goed deel van zijn
gezag ontnomen.
De bewaking onzer kusten werd aan Fransche doua-
niers opgedragen.
Deze toestand was onhoudbaar. Ten einde raad deed
Lodewijk, den 1 Juli 1810, afstand van den troon ten
behoeve van zijn zoon. Dit laatste echter werd door
Napoleon geheel over het hoofd gezien; acht dagen na
Lodewijks abdicatie onderging Nederland het lot, dat
reeds zoo lang boven het hoofd van ons volk had ge-
hangen. De aanslibbing der groote Fransche rivieren
keerde tot haren oorsprong terug! „Tout commentaire
serait superflu. La seule raison valable qne Napoleon
put alléguer, c\'était Ie quia n o minor Ie o"1).
Het keizerlijk decreet van 9 Juli, dat onze gewes-
ten tot een deel van het keizerrijk maakte, bracht
ons met de Fransche wetboeken ook de Fransche
1) A. RéVille, R. d. d. M. 1870, t. a. p. II en III.
Vgl. Prof. Th. Jorissen, De ondergang v. h. koninkrijk Holland,
Eott. bij H. Altmann.
De Bosch Kemper, t. a. p. bl. 355 v.v.
Groen van Prinsterer, t. a. p. II, bl. 942 v.v.
-ocr page 236-
220
belastingen en de Fransche centralisatiel). Van daar
dat eene bespreking van de Fransche rijks-, departe-
mentale- en gemeentebelastingen hier noodzakelijk is;
en dit niet alleen, omdat zij gedurende korte jaren hier
zijn geheven, maar vooral om den invloed, dien zij op
den loop der zaken na 1813 hebben gehad.
Ten gevolge der inlijving kwamen ook de Hollandsche
departementen onder de Fransche constitutie van 22
frimaire an 8 (13 December 1799) te staan. Wat hier-
van het gevolg was, werd geregeld bij het keizerlijk
decreet van 18 October 1810 ter organisatie van de
departementen van Holland s).
Ten aanzien der financiën werd overwogen, „ dat de
Hollandsche Departementen een stelsel van belastingen
(hadden), geheel afwijkende van dat van het Rijk; dat
men hetzelve niet zou kunnen veranderen om in 1811
het fransche stelsel in te voeren, zonder een merkelijk
verlies aan (de) finantiën toe te brengen." Op grond
hiervan werd door Napoleon besloten, „ het stelsel van
belastingen onzes Rijks trapsgewijze in de Hollandsche
departementen daar te stellen, en ons voor 1811 te be-
1)  Vgl. E. de Laveleye, t. a. p. bl. 245.
Bastert, t. a. p. bl. 20.
2)  Kemper, Code Organiqtie des départemens de la Hollande,
\'sllage. 1812, bl. 110.
-ocr page 237-
221
palen tot het invoeren van zoodanige verligtingen, waar-
door de belastingen voor die Departementen veel min-
der (werden), dan zij in de voorgaande jaren bedragen
(hadden)."
De bedoelde verminderingen werden nader geregeld
door het vijfde hoofdstuk van het decreet. Met den
1 Januari 1811 werden de imposten op de zeep en het
beestiaal, het meubilair en het zegel op voorwerpen
van weelde afgeschaft; enkele imposten op levensmid-
delen werden verlaagd, en het personeel tot de helft
verminderd. Van het zegel op de rentecoupons van
buitenlandsche effecten en van de verhooging van het
successierecht ten opzichte dier fondsen werden de ef-
fecten ten laste van Frankrijk en van de daarmede
vereenigde rijken vrijgesteld. Voor het overige bleven
de belastingen over 1811 op den bestaanden voet, met
uitzondering alleen van het meerendeel der rechten op
den in- en uitvoer (art. 142). Voor de invordering
dezer rechten werd ook reeds aanstonds het Fransche
douanestelsel met al zijne gestrengheid grootendeels in
werking gesteld.
De invoering der overige Fransche belastingen had
plaats met den 1 Januari 1812 J), krachtens het decreet
1) In die departementen, welke  reeds den 24 April 1810 waren
ingelijfd, werden de Hollandsche   belastingen met den 1 Januari
1811 door de Fransche vervangen.  (Decreet van 19 October 1810,
Code Org. bl. 212).
-ocr page 238-
222
van 21 October 1811 (buil. d. 1. n°. 397). Dit decreet deed
tevens de tollinie tusschen Holland en Frankrijk vervallen.
Met uitzondering van de belasting op het vee tot
aanmoediging van den landbouw, werden alle Holland-
sche belastingen afgeschaft en vervangen door het vol-
gende stelsel:
A. Directe Belastingen.
1. De grondbelasting. Deze werd geheven volgens de
wet van 3 frimaire an 7 (23 November 1798) *). Zij
rustte op alle vaste goederen in verhouding tot hunne
zuivere belastbare opbrengst (art. 2). Als zuivere be-
lastbare opbrengt van een goed werd aangemerkt, al
hetgeen van de onzuivere opbrengst na aftrek der kos-
ten van productie en van onderhoud overbleef (art. 3)2).
Welk deel der opbrengst jaarlijks aan de schatkist zou
vervallen werd niet vastgesteld, en kon ook, ten gevolge
van de repartiëering dezer belasting, niet vastgesteld
worden.
Ten opzichte der repartitie in de Hollandsche departe-
menten, schreef het decreet van 1811, voor, dat ter
bepaling van de som, welke in elk arrondissement en
1)  L. Rondonneau, Collection des lois Francaises, Paris 1811,
Dl. IV, bl. 65.
2)  Vgl. v. Hoek, Die Finanzverwaltung Frankreichs, bl. 138 v.v.
M. Block, L\'impót et les formes variées qu\'il affecte. Paris, J.
Hetzel et Cie, bl. 36—43.
-ocr page 239-
223
in elke gemeente door de eigenaars van gebouwen zou
worden opgebracht, de bestaande kadastrale registers tot
grondslag zouden strekken, na aftrek van een vijfde van
den aanslag voor 1811. Het aandeel van elk arrondisse-
ment zou derhalve bestaan uit: 1°. de som der kadas-
trale aanslagen voor de gebouwde eigendommen, na
aftrek van een vijfde, 2°. de som, welke de landeige-
naren in het arrondissement, naar het oordeel van den
prefect, in het aandeel, waarop het departement was
gesteld, bijdragen moesten (art. 9). Voor de beoordee-
ling van deze laatste regeling herinnere men zich slechts
dat „ de belasting, welke ieder individu verplicht is te
betalen, zeker en niet willekeurig behoort te zijn." (Ad.
Smith, Wealth of Nations, Dl. III, bk. V, afd. II,
regel II).
Wel bepaalde art. 7 der wet van frimaire, dat ter
beveiliging der belastingplichtigen tegen de fouten der
repartitie, jaarlijks door het wetgevend lichaam het
maximum der verhouding van belasting en opbrengst
zou worden bepaald, maar noch in het genoemde decreet
noch in dat van 15 Juli 1811, houdende vaststelling
der belastingen voor 1812 (buil. d. 1. n°. 380), kwam
zoodanige bepaling voor. En al ware dit wél het geval
geweest, hoe zou de vaststelling van dit maximum wille-
keur hebben kunnen keeren?
De werkzaamheden tot daarstelling van een volledig
kadaster voor de Hollandsche departementen werden
-ocr page 240-
224
voortgezet. Het aandeel, dat deze departementen over
1812 in de grondbelasting moesten bijdragen, werd be-
paald op 15.400.000 francs.
2. La contribution personnelle et mobilière, geheven
volgens de wet van 3 nivóse an 7 (23 December 1798)\').
De contribution personnelle was een soort van hoofd-
geld, gelijk aan het gemiddelde loon van drie dagen
arbeid, dat echter niet lager dan 50 centimes en niet
hooger dan anderhalve franc per dag mocht gesteld
worden (art. 5). Zij werd geheven van alle ingezetenen,
zoowel vrouwen als mannen, welke in het volle genot
hunner burgerlijke rechten waren, met uitzondering alleen
van de behoeftigen (art. 20).
Ook deze belasting werd gerepartiëerd. Ter bepaling
van de som, welke door elk kanton en elke gemeente
moest worden opgebracht, stelde het departementaal
bestuur eerst de hoogte van het dagloon voor elk kanton
vast. Het aandeel van elk kanton en van elke gemeente
werd vervolgens gevonden door het vastgesteld bedrag van
het dagloon te vermenigvuldigen met een zesde van het
cijfer der bevolking (art. 7 en 11). Nadat op deze wijze ook
de totale aanslag van het departement in deze belasting
was gevonden, werd deze afgetrokken van de som,
waarop het departement voor zijn aandeel in de contri-
bution personnelle et mobilière door de wet gesteld was.
1) Rondonneau, t. a. p. IV, bl. 102.
-ocr page 241-
225
Het overschot werd als een contribution mobilière ge-
repartiëerd (art. 8). Deze repartitie over de kantons en
de gemeenten had plaats voor een derde in verhouding
tot de bevolking en voor de andere twee derden in
verhouding tot het bedrag der patentbelasting in het
kanton en de gemeente (art. 9 en 12).
Het aandeel der gemeente werd daarna omgeslagen
over de ingezetenen, die reeds in de contribution per-
sonnelle waren aangeslagen, en wel in verhouding tot
de huurwaarde hunner woningen, met dien verstande,
dat de huurwaarde der huizen of kamers van onge-
huwde mannen boven 30 jaren oud, voor de bereke-
ning der belasting met de helft werd verhoogd (art. 21
en 23). Openbare ambtenaren moesten, in de plaats van
bij te dragen in de contribution mobilière 5 °/0 en
officieren 2 °/0 van hunne bezoldiging afstaan.
De contribution personnelle et mobilière was, zooals
uit het bovenstaande blijkt, eene middellijke inkomsten-
belasting l). Dat de conüïbution personnelle progressief
was in verkeerde richting, valt terstond in het oog. In
dit opzicht was de contribution mobilière misschien iets,
maar in elk geval weinig beter 3). Bovendien staat men
verbaasd over de zonderlinge wijze van heffing. De op
1)  Vgl. v. Hoek, t. a. p. bl. 145.
M. Block, t.a. p. bl. 33—25.
2)  Zie boven bl. 117.
15
-ocr page 242-
22G
elkaar volgende repartities rustten niet op dezelfde
grondslagen en alleen bij den laatsten omslag, dien over
de belastingplichtigen, werd de huurwaarde, naar welke
de belasting heette geheven te worden, zuiver in acht
genomen. Hoe men er toe kwam bij den omslag over
de gemeenten op het bedrag der patenten te letten, zal
ons zoo aanstonds duidelijk worden. Doch reeds thans
kan het ons niet ontgaan, dat de regeling dezer belas-
ting ongelijkheden bij menigte moest in het leven roe-
pen. Schier elke repartitie doet de belasting ongelijk
drukken, maar moeilijk zal men er eene vinden, die
aan dit euvel sterker mank gaat, dan die der contri-
bution mobilière x).
3. De belasting op deuren en vensters, geheven vol-
gens de wetten van 4 frimaire an 7 (24 November 1798)
en 13 flore\'al an 10 (3 Mei 1802)3). Zij rustte alleen
op de buitendeuren en buitenvensters; haar bedrag hing
samen met den aard en het getal der deuren en ven-
sters, en met het aantal inwoners der gemeente. Oor-
spronkelijk was voor elke deur en elk venster eene
vaste som verschuldigd, maar na het in werking treden
der wet van 1802 werd ook deze belasting gerepartiëerd.
Doch de omslagen over de arrondissementen, gemeen-
ten en belastingplichtigen hadden hier ten minste vol-
1)  Vgl. Paul Leroy-Beaulieu, t. a. p. I, bl. 365.
2)  Kondonneau, t. a. p. IV, bl. 97 en 137.
-ocr page 243-
227
gens dezelfde grondslagen plaats. Behalve dit voordeel
had zij nog boven de contribution mobilière voor, dat
eene heffing naar den grondslag deuren en vensters in
de uitvoering minder willekeurig is dan eene belasting
naar de huurwaarde. Maar voor het overige was zij
eene ongelijkmatige verhooging dezer laatste belasting ]),
die tevens, door eene besnoeiing op het aantal deuren
en vensters te bewerken, voor de gezondheid schade-
lijke gevolgen hebben kon 2).
De som, welke de Hollandsche departementen over
het jaar 1812 in „la contribution personnelle et mobi-
lière, et celle des portes et fenêtres" moesten opbren-
gen, bedroeg volgens het decreet van 1811 fr. 3,400,0003).
4. Het recht op de patenten. Dit werd geregeld door
de wet van 1 brumaire an 7 (22 October 1798) *).
Deze belasting week, wat de hoofdbeginselen betrof,
weinig af van het klein zegel op de beroepen en be-
drijven. Zij had trouwens voor dit laatste middel tot
1)  Vgl. v. Hoek, t. a. p. bl. 147 vv.
2)  Vgl. Vissering, Handboek n°. 796.
Zie ook boven bl. 121.
3)  Tot eene juiste beoordeeling van dit cijfer en van het boven -
genoemde cijfer der grondbelasting moet worden in het oog gehou-
den, dat volgens het decreet van 1811 nog verschillende rijksopcen-
ten op de directe belastingen geheven werden. Zie ook het decreet
van 11 November 1813 (buil. d. 1. n°. 531), dat voor onze departe-
menten eene gunstige uitzondering op eeue verhooging der middelen
behelsde, „a raison des charges extraordinaires qu\'ils supportent."
4)  Rondonneau, t. a. p. IV, bl. 47.
-ocr page 244-
228
voorbeeld gestrekt. Sommige rechten waren afhankelijk
van de bevolking der plaats van uitoefening van het
bedrijf, andere niet. Voorts was ook de verdeeling in
vaste en evenredige rechten aangenomen. De evenredige
rechten hingen hier evenwel niet rechtstreeks van het
debiet af; zij bedroegen een tiende van den huurprijs
der woningen, fabrieken, werkplaatsen, magazijnen of
winkels, naar gelang van den aard van den handel of
het bedrijf (art. 5) *). Hieruit nu verklaart het zich,
dat voor den omslag van de contribution mobilière ook
het bedrag der patenten werd in aanmerking genomen.
De heffing van sommige der evenredige rechten naar
den huurprijs der woning berust op een redelijken
grondslag. „Het woonhuis of de woonkamer is beter
ingericht naar mate de zaken belangrijker zijn, terwijl
de werkplaatsen van ondernemingen, die weinig voor-
deel opleveren, dikwijls grooter zijn, dan die, waarin
koopwaren worden vervaardigd, welke een hooge winst
geven" 2) (Block, t. a. p. bl. 53, 54).
Het patentrecht was de eenige der directe belastin-
gen, die naar vaste tarieven en niet bij repartitie werd
geheven.
Voordat wij tot de indirecte belastingen overgaan,
1)  Vgl. Paul Leroy-Beaulieu, t. a. p. I, bl. 378 vv.
2)  Vgl. Dictionnaire de 1\'administration francaise, par M. Block:
Patentes.
-ocr page 245-
229
moeten we nog melding maken van de voor ons onder-
werp niet onbelangrijke wet van 26 germinal an 11
(16 April 1803)T). Deze wet bepaalde, dat, in geval
goederen, welke aan gemeenten toebehoorden, werden
verhuurd, de huurder elke op het goed rustende be-
lasting moest betalen „a la décharge des communes,
et en déduction du prix du bail" (art. 1). Bezat eene
gemeente getneene eigendommen, waaruit ieder der
ingezetenen voordeel trok, en waren hare inkomsten
ontoereikend om de lasten dezer domeinen te betalen,
dan werden deze omgeslagen „en centimes additionnels
sur les contributions foncière (et) mobilière — de tous
les habitants" (art. 2). Hadden evenwel niet alle inge-
zetenen een gelijk recht op het gebruik van het ge-
meene goed, dan zou de verdeeling der belasting
geschieden over de rechthebbenden, „ au prorata de la
part qui en appartiendra a chacun" (art. 3 en 4).
Tegen deze regeling zijn weinig gegronde bezwaren
in te brengen 3). Maar hiertegenover was het niet bil-
lijk, dat ten gevolge der wet van 19 ventöse an 9
(10 Maart 1801) de staatsbosschen evenmin aan de
gemeente- als aan de rijksbelasting waren onderworpen.
Het behoeft geen betoog, dat ten gevolge hiervan de
gemeenten, in wier gebied dergelijke staatsdomeinen
1)  Rondonneau, t. a. p. IV, bl. 144.
2)  Vgl. beneden bl. 246.
-ocr page 246-
230
lagen, in minder gunstigen toestand verkeerden, dan
die met welke dit niet het geval was. Deze ongelijkheid
is echter minder groot dan zij schijnt, daar, zooals
wij zullen zien, de directe belastingen slechts een klein
deel van de gemeentemiddelen uitmaakten.
B. Indirecte Belastingen.
1. De registratie-, zegel-, griffie- en hypotheekrechten.
Het registratierecht werd geheven volgens de wetten
van 22 frimaire an 7 (12 December 1798) en 27 ven-
töse an 11 (18 Maart 1801) ])- Het recht wordt onder-
scheiden in vast- en evenredig recht.
Het vast recht draagt grootendeels het karakter eener
retributie, en drukt op het geschrift als zoodanig. Het
is eene vergoeding voor den dienst, dien de staat aan
den belanghebbende bewijst, door de verzekering van
de dagteekening van het geschrift, en — wanneer het
eene onderhandsche akte geldt, — de overschrijving in
de registers, ten gevolge waarvan de belanghebbende
bij verlies van het oorspronkelijk stuk niet geheel van
bewijsmiddel verstoken is. Het vast recht rustte op
alle geschriften en andere bewijsstukken — bijv. kaar-
ten —, welke geene rechtshandeling inhielden, die aan
het evenredig recht onderworpen was.
1) Roudonneau, t. a. p. III, bl. 202 en 267.
-ocr page 247-
231
Het evenredig recht draagt meer het karakter van
belasting in engeren zin; het rust niet op het geschrift,
het instrument, maar is eene belasting op de in de
akte geconstateerde rechtshandeling. Daarom moet het
recht ook dan worden betaald, wanneer uit latere akten
is op te maken, dat de rechtshandeling geschied is. Elke
rechtshandeling, die eene verbintenis of schuldbevrijding
en elk rechtsfeit, dat overgang van rechten, hetzij onder
de levenden hetzij na doode, met zich bracht, had de
heffing van het evenredig recht ten gevolge.
Voor de berekening van het vast recht worden de
verschillende akten in klassen verdeeld. Alle akten, die
in dezelfde klassen vallen, zijn aan hetzelfde recht
onderhevig. Ook ten opzichte van het evenredig recht
heeft verdeeling in klassen plaats naar de belangrijkheid
der rechtshandelingen; het recht verschuldigd voor ver-
schillende akten, die in dezelfde klasse vallen, is even-
redig aan het uitgedrukt of geschat bedrag, waarover
de rechtshandeling zich uitstrekt]).
Het is hier te lande overbodig het registratierecht
1) Vgl. v. Hoek, t.a. p. bl. 184 vv.
Dict. de 1\'adm. franc;.: Enregistrement.
Block, t.a. p. bl. 65—71.
Onder de Nederlandsche werken over het registratierecht zijn vooral
van belang: J. B. Vroom, De wetg. op de Registratie, Zwolle, 1875,
2e druk; S. Bartstra, De wetg. op de Registratie, \'s Hage, 1869,
Dl. I; en A. van Hoyterna, Ophelderingen de Wetg. der Reg. be-
treffende, Zwolle 1857. Het tweede dezer werken is echter niet compleet.
-ocr page 248-
232
aan eene wijdloopige kritiek te onderwerpen 2). Terwijl
het vast recht bij velen, uit hoofde van zijn bijzonder
karakter, genade vindt, wordt het evenredig recht in
het algemeen veroordeeld. Het zal altijd neerkomen op
den economisch zwakkere der handelende partijen, dus
op hem, die voor eene billijke belasting juist het minst
zou in aanmerking komen. Veelal drukt het op rechts-
handelingen, welke niet getuigen van den welstand van
hem, op wien de belasting drukt, maar integendeel op
zijn benarden toestand wijzen. Het belemmert het ver-
keer; het treft den gegoeden burger niet slechts rela-
tief-, maar absoluut zwaarder dan den rijke, welke met
het goederenverkeer veel minder in aanraking komt.
Dit laatste geldt vooral van het recht van overgang op
onroerend goed, dat het kleine grondbezit over het
algemeen sterker belast, dan het groote.
Het zegelrecht werd geheven volgens de wet van 13
brumaire an 7 (3 November 1798) 3). Het is eveneens
eene belasting op rechtshandelingen en op bewijsstuk-
ken; doch hier is alleen het geschrift, dat de rechts-
handeling constateert, object der belasting. Een recht
1)   Uit den overvloed van meer of minder belangrijke beoordee-
lingen, noem ik slechts:
Gogel, Mem. en Corr. bl. 48—56.
Mr. S. van Houten, De toekomst onzer financiën, Groningen, 1869,
bl. 17—31.
Vissering, Handboek, n°. 852—857.
2)  Piondonncuu, t. a. p. Til, bl. 186.
-ocr page 249-
233
van zegel op rechtshandelingen zonder geschrift aange-
gaan, kende de wet niet.
Het zegelrecht werd evenals het registratierecht op
twee wijzen geheven: 1°. als zegel naar de oppervlakte
van het papier, hetgeen veel overeenkomst heeft met
het vast registratierecht, en 2°. als evenredig zegel op
verhandelbare obligatiën, effecten, wissels enz., eene
aanvulling van het evenredig registratierechtJ).
Volgens de wet van 13 vendémiaire an 6 (4 October
1797)2) werd ook een vast zegelrecht geheven op cou-
ranten en biljetten van afkondiging.
Het hypotheekrecht werd geregeld door de wet van
21 ventöse an 7 (11 Maart 1798)3). Het is eene be-
lasting op de inschrijving der akten van hypotheek en
de overschrijving der akten van eigendomsovergang
van onroerende goederen in de registers, berustende
op de kantoren van de bewaarders der hypotheken.
Het recht was evenredig aan het bedrag der ingeschre-
ven hypotheek of aan de waarde van het overgeschre-
ven goed. Ook aan dit recht kleefde hoofdzakelijk het
karakter van vergoeding voor een bewezen dienst.
De griffierechten eindelijk, geheven volgens de wet-
1)  Vgl. v. Hoek, t. a. p. bl. 193 vv.
Dict. de 1\'adm. franc.: Timbre.
Block, t.a.p. bl. 73, 74,
2)  Rondonneau, t. a. p. III. bl. 185.
3)  Rondonneau, t. a. p. II, bl. 30.
-ocr page 250-
234
ten van 21 ventöse an 7 (11 Maart 1799) en 22 prairial
an 7 (10 Juni 1799)*), waren deels belooningen voor
den griffier, deels belastingen bij welke het karakter
van ruilpraestatie sterk op den voorgrond trad.
2. Les droits réunis, hieronder werden verstaan im-
posten op dranken, kaarten, publieke rij- en vaartuigen,
tabak, zout en een „droit de navigation" 2). Het zou
buiten ons bestek liggen, elk dezer belastingen afzon-
derlijk na te gaan. Zij waren over het algemeen hoog,
en droegen niet weinig bij tot den haat tegen de
Fransche overheersching. Bekend is het, dat Napoleon
zelf zijn val voor een groot deel toeschreef aan het
stelsel der droits réunis. Al werd hierdoor aan deze
belastingen zeker te veel ten laste gelegd, toch maakt
dit oordeel elke uitwijding over den druk der droits
réunis overbodig 3).
De bijzondere wijze van heffing van den tabaksaccijns
verdient evenwel eene korte vermelding. Het decreet
van 29 December 1810 (buil. d. 1. n°. 339) namelijk
1)  Rondonneau, t. a. p. III, bl. 257 en 265.
2)  Vgl. Dict. de 1\'adm. franc.: Contributions indirectes, en Navi-
gation intérieure.
V. Hoek, t. a. p. bl. 355—432.
Zie Rondonneau, t. a. p. IV, wetten en decreten van 9 vendémiaire
an 6, 5 ventóse an 12 (art. 75), 3 pluviöse an 6, 5 ventöse an 12,
1 germinal an 13, 24 April 1806, 20 April 1810, 30 floréal an 10,
16 Maart 1806, 24 April 1806 en verschillende minder belangrijke
wetten en decreten.
3)  Vgl. v. Hoek, t. a. p. bl. 319 vv.
-ocr page 251-
235
bepaalde in art. 1: „ 1\'achat des tabacs en feuilles, la
fabrication et la vente, tant en gros qu\'en détail, des
tabacs fabriqués, sont exclusivement attribués a notre
régie des droits réunis" !).
Ook hier te lande werd de invordering door middel
van het staatsmonopolie door het decreet van 1811
ingevoerd.
Deze plotselinge fnuiking van de particuliere tabaksin-
dustrie en van den tabakshandel was ongetwijfeld voor
vele ingezetenen dezer gewesten een ramp. Dit neemt
echter niet weg, dat het tabaksmonopolie — mits ge-
leidelijk ingevoerd — als wijze van heffing van den
tabaksaccijns groote lichtzijden aanbiedt. Het is bijkans
het eenige middel om zonder al te moeilijke controle
de tabak, naar de verschillende soorten hooger of lager
te belasten 2).
3. De douanerechten3). Deze waren wel, zooals wij
zagen, grootendeels reeds het vorig jaar ingevoerd, maar
behooren toch volledigheidshalve hier te worden ver-
meld. Het zou echter te eenen male ondoenlijk zijn
hieromtrent in bijzonderheden te treden. Het is alge-
1)  Vgl. Dict. de 1\'adm. fran?.: Tabac.
2)  Zie boven bl. 26.
3)  Rondonneau, t. a. p. IV, zie vooral de wetten en decreten van
22 Augustus 1791, 9 floréal an 7, 8 floréal an 11, 22 ventöse an
12, 1 pluvióse an 13, 12 Januari 1810, 31 Juli 1810, 5 Augustus
1810, 14 December 1810.
-ocr page 252-
236
meen bekend, dat zij door Napoleon, niet slechts met
het oog op de schatkist, tot veelal ondragelijke hoogte
werden opgevoerd J), en dat de groote macht, waarmede
de douaniers waren toegerust tot het te keer gaan der
smokkelarij, niet weinig bijdroeg om de Fransche over-
heersching te doen verfoeien.
De tollen op de rijkswegen en wateren werden, be-
houdens enkele uitzonderingen, door het decreet van
21 October 1811, rélatif a la classification des routes
et des péages qui s\'y percoivent2), afgeschaft en ver-
vangen deels door opcenten op de directe belastingen,
deels door „ Ie droit de navigation."
Eindelijk moet nog worden gewezen op de wet van
19 brumaire an 6 (9 November 1797), regelende den
waarborg der gouden en zilveren werken3). Deze wet
stelde in art. 29 een keurloon vast, dat door den ver-
kooper moest worden betaald, doch door dezen in de
T) v. Hoek zegt van de Fransche tolwetgeving, t. a. p. bl. 236 :
„ Sie hat sich als ein so brauchbares Werkzeug der Schreckensherr-
schaft, des Kontinentalzvvanges und des Monopols begünstigter Ka-
pitalisten erwiesen, dasz sie fortdauernd mit Vorliebe gehegt, fort-
geführt und bis in alle Einzelheiten ausgesponnen wurde."
2)  Fortuyn, Verzameling van Fransche wetten, Dl. III, bl. 374.
Vgl. Decreten van 21 September 1812 (buil. d. 1. n°. 460 en 465).
7 Januari 1813 (buil. d. 1. n». 478) en 13 Augustus 1813 (buil.
d. 1. n<>. 518).
3)  Rondonneau, t. a. p. III, bl. 29.
Vgl. v. Hoek, t. a. p. bl. 432.
Dicl. de 1\'adin. franc;.: Garantie.
-ocr page 253-
237
verhooging van den koopprijs zou worden terugge-
vonden 1).
Na de inlijving bij Frankrijk, werd ons land, over-
eenkomstig art. 1 der constitutie van het jaar 8, door
het decreet van 13 September 1810 (buil. d. 1. n°, 313)
verdeeld in 9 departementen. Evenwel werd in het
jaar 1811 het Fransche stelsel der departementale be-
lastingen nog niet ingevoerd. Het decreet van 22 Octo-
ber 1811 (buil. d. 1. n°. 398) bepaalde, dat over dat
jaar door de keizerlijke schatkist aan de Hollandsche
departementen bepaalde sommen tot goedmaking hun-
ner uitgaven zouden worden verstrekt. Eerst bij den
aanvang van het volgende jaar werden, te gelijk met
de invoering der nieuwe rijksbelastingen, ook de depar-
tementale financiën hier op denzelfden voet gebracht,
als in de overige deelen van het keizerrijk.
De voornaamste wet omtrent de departementale be-
lastingen was die van 11 frimaire an 7 (1 December
1) De ticrceering wordt door mij zelfs niet als buitengewone be-
lasting opgenomen, aangezien het doel van dezen maatregel met het
opleggen eener belasting niets gemeen had. Dit neemt evenwel niet
weg, dat men den aard der ticrceering het best bepaalt, door haar
te noemen eene belasting van de schuldeischers van den staat, ten
bedrage van twee derden der rente van hunne schuldvorderingen.
Vgl. G. H. Betz. Bijdr. Adm. Eecht. 1860, bl. 235-240.
Mr. J. T. Buys, De Nederlandsche Staatsschuld. Haarl. 1857,
bl. 16, 17.
-ocr page 254-
238
1798) l). Volgens art. 15 dezer wet zouden de depar-
tementale middelen bestaan uit zooveel opcenten op de
grond- en de personeele belastingen, als tot dekking der
uitgaven noodig zouden worden bevonden. Jaarlijks werd
bij decreet van het centraal gezag het maximum der
departementale opcenten vastgesteld, en tevens aange-
wezen tot dekking van welke uitgaven de departemen-
tale inkomsten zouden strekken.
Was het vastgestelde maximum tot dekking der
uitgaven onvoldoende, dan werd hierin op de volgende
wijze voorzien. Elk departement zou namelijk heffen,
boven en behalve de gewone, twee soorten van buiten-
gewone opcenten, en wel:
1°. een jaarlijks vast te stellen aantal opcenten op de
grond- en de personeele belastingen tot het vormen van
een departementaal reservefonds, onder den naam van
„fonds de supplément," bestemd om te voorzien inde
tekorten van het departement zelf; en 2°. een eveneens
jaarlijks vast te stellen aantal opcenten, waarvan de
opbrengst, onder den naam van „fonds commun des
départemens," in de eerste plaats zou strekken, tot het
verleenen van hulp aan die departementen, welke met
hun eigen opcenten en hun reservefonds hunne uitga -
ven nog niet geheel konden bestrijden (art. 16).
Van deze combinatie, die niet weinig getuigt van de
1) Rondonneau, t. a. p. II, bl. 115.
-ocr page 255-
239
scherpzinnigheid van den uitvinder, werd echter geheel
voor het jaar 1812 afgeweken.
Volgens het decreet van 21 October 1811 tot in-
voering der Fransche belastingen werden over 1812
ten behoeve der Hollandsche departementen toegevoegd
aan de grond- en de personeele belastingen „dix-sept
centimes pour les dépenses fixes et variables admini-
stratives et judiciaires, et les quatre centimes faculta-
tifs" l). Tot dekking van welke uitgaven deze opcenten
moesten worden besteed, werd aangewezen door het
decreet van 21 September 1812 (buil. d. 1. n°. 461).
Doch door hetzelfde decreet werd tevens de belangrijke
afwijking van de wet van het jaar 7, waarop wij zoo
even wezen, ingevoerd. De achterstand van de verschil-
lende departementen over 1812 zon namelijk niet ge-
vonden worden uit de heffing van bijkomende opcenten
voor het „fonds commun," maar „au moyen d\'un pré-
lèvement sur Ie produit des octrois et autres revenus
de toutes les communes de 1\'Empire. Ce prélèvement
sera de cinq centimes" (art. 4)2).
Deze proeve vond echter weinig bijval. Zij bewerkte
dan ook eene treurige verwarring tusschen de departe-
mentale en de gemeentefinanciën. De staatsraad o ver-
woog, dat de meeste gemeenten de 5 °/0 hunner in-
1)  Zie ook Kemper, Jaarboeken, I, bl. 118.
2) Hetgeen de gemeenten in de Hollandsche departementen ten gevolge
van dit artikel moesten afstaan bedroeg eene som van 833.755 francs.
-ocr page 256-
240
komsten over 1812 reeds niet zouden kunnen voldoen,
dat men alzoo het grootste gedeelte hiervan op den
dienst van 1813 zou moeten vinden en dat het dus
niet aanging den gemeenten over 1813 nogmaals 5 °/o
harer middelen te ontnemen. Hij wees er op, dat de
wet van het jaar 7 niet was afgeschaft en kwam op
grond hiervan tot het besluit: „ qu\'il n\'y a pas lieu
d\'appliquer, dès a présent, aux années qui vont suivre
jusqu\'en 1817, Ie moyen, adopté pour 1812, de préle-
ver cinq pour cent des revenus communaux pour sup-
pléer a rinsuffisance des centimes départementaux; —
Que Ie mode indiqué par la loi du 11 frimaire an VII
parait préférable, et qu\'il vaut mieux ajouter deux cen-
times aux dix-sept déja percus\'\' (Extrait des Minutes
de la Secrétairerie d\'état, 12 September 1812, buil. d.
1. n°. 455). Dit besluit moet onze volle instemming
wegdragen; men keerde hiermede terug tot het rechte
pad, dat men voor 1812 te kwader ure had verlaten.
Ook de gemeentebelastingen bleven, niettegenstaande
onze inlijving bij Frankrijk, volgens art. 172 van het
decreet tot organisatie der Hollandsche departementen
op den bestaanden voet. Over 1811 zouden de gemeen-
ten een gelijk aantal opcenten op de belastingen heffen
als zij over 1810 hadden gedaan *).
1) Arrêté du lieuterwnt général, Publ. Alg. Bel. V, bl. 360.
-ocr page 257-
241
Met het in werking treden der nieuwe rijksmiddelen
evenwel moest ook in de gemeentefinanciën wijziging
komen. De artikelen 13 en 19 van het decreet van 21
October 1811, tot invoering der Eransche belastingen,
stonden aan de gemeenten in onze departementen toe
te heffen vijf opcenten op de grond- en de personeele
belastingen. En door art. 68 van hetzelfde decreet werd
aan alle gemeenten, wier gewone inkomsten ontoerei-
kende waren, vergunning verleend, met den 1 Januari
1812 in te voeren „des octrois municipaux et de bien-
faisance."
Wat wij nu onder de gewone inkomsten der ge-
meenten hebben te verstaan, leeren ons art. 7 en 11
der wet van 11 frimaire an 7 (1 December 1798) 1).
Behalve de inkomsten jure privato, waartoe ook be-
hoorden de huren van staanplaatsen in hallen enz.,
waren het de opcenten op de grond- en de personeele
belastingen. Het maximum van het aantal opcenten, dat
de gemeenten mochten heffen, werd jaarlijks bij keizer-
lijk decreet vastgesteld, en de gemeenteraad raadpleegde
er bij de behandeling der begrooting over, hoeveel
opcenten binnen het gestelde maximum tot dekking
der uitgaven voldoende zouden zijn (art. 68).
Eene aanvulling dezer bepalingen had plaats door
art. 41 der wet op de patenten van 1 brumaire an 7,
1) Rondonneau, t. a. p. Il, bl. 115.
16
-ocr page 258-
242
in verband met art. 7 van het arrêté van 15 fructidor
an 8 (2 September 1800) J).
Krachtens deze artikelen werd aan iedere gemeente
afgestaan 8 °/0 van het zuiver bedrag der binnen haar
gebied geheven rechten van patent.
Waren nu deze inkomsten niet voldoende, dan moch-
ten oorspronkelijk alleen de grootere gemeenten, die
meer dan 5000 inwoners telden, „taxes indirectes et
locales" opleggen.
Hiervan werd echter door art. 68 van het decreet
van 1811 afgeweken; dit decreet stond de heffing van
octrooien zonder onderscheid toe aan alle „villes et
communes de la Hollande oü les revenus ordinaires
sont insuffisans" 2).
Eene uitvoerige regeling der gemeentelijke octrooien
vinden we in het reglement van 17 Mei 1809 3). Over
de invoering van een octrooi werd door den gemeente-
raad beraadslaagd, maar de prefect had het recht om,
indien hij bij het onderzoek der begrooting de onge-
1)  Rondonneau, t. a. p. IV, bl. 131.
2)  Mr. F. N. Sickenga, Bijdr. Adm. R., Dl. XXV, bl. 80 en 81,
ziet dit over het hoofd en komt er daardoor geheel ten onrechte toe
te spreken van „ de zeer bescheiden plaats, hier (in het Fransche
keizerrijk) aan plaatselijke accijns en toegewezen."
Vgl. Paul Leroy-Beaulieu, t. a. p. I, bl. 685.
Victor van Brasch, La commune et son système financier en
France, traduit par P. de Waxel, Paris 1879, bl. 114.
3)  Rondonneau, t. a. p. IV, bl. 291.
-ocr page 259-
243
noegzaamheid der plaatselijke middelen bemerkte, den
raad te verzoeken tot zoodanige beraadslaging over te
gaan (art. 2 en 4). Weigerde de raad aan de uitnoo-
diging van den prefect gevolg te geven of nam hij een
negatief besluit, dan werd hiervan door den prefect aan
den keizer rapport gezonden (art. 7). Het schijnt dus,
dat de keizer een octrooi kon opleggen ook tegen den
wil van den gemeenteraad. Gaf daarentegen de raad
aan het verzoek van den prefect gehoor, of besloot hij
uit eigen beweging een octrooi in te voeren, dan werd
het reglement daarvoor met het tarief door den prefect
onderzocht en vervolgens door hem aan den keizer ter
bekrachtiging toegezonden :) (art. 6—12).
Volgens art. 16 mochten de octrooien slechts rusten
op: „ boissons en liquides, comestibles, combustibles,
fourrages, matéïiaux." Belasting van „grains et farines,
fruits, beurre, lait, légumes, et autres denrées" was
evenwel door art. 24 verboden.
In theorie lieten de octrooien werkelijk niet zoo bij-
zonder veel te wenschen over, maar des te meer in de
praktijk.
Over 1812 bedroeg het totaal der inkomsten van de
1) Het recht tot bekrachtiging der verordeningen op de heffing
van plaatselijke belastingen in onze departementen werd echter door
art. 68 van het decreet van 1811, ter bespoediging van de hervor-
ming onzer belastingen, voorloopig gedelegeerd aan den „ prince
gouverneur géncral."
-ocr page 260-
244
gemeenten in de Hollandsche departementen 16.615.096
francs, waarvan slechts 786.092 francs voortsproten uit
de opcenten op de directe belastingen en 15.889.004
francs uit de „ autres revenus des communes y compris
les octrois" ]). Wij slaan zeker den bal wel niet mis,
door het grootste deel van deze laatste som op reke-
ning der octrooien te brengen.
De invordering der octrooien had plaats of bij het
binnenkomen of „dans 1\'interieur de la commune";
het laatste alleen, wanneer het eerste te veel kosten
zou teweegbrengen 3). Oorspronkelijk geschiedde de in-
vordering door plaatselijke ambtenaren onder toezicht
van de directie der droits réunis. Maar het decreet van
8 Februari 1812 (buil. d. 1. n°. 420) week hiervan af,
door in het belang der gemeenten te bepalen, dat de
heffing voortaan aan de ambtenaren van de droits réunis
zou zijn opgedragen. De kosten der invordering zouden
voor 1812 worden berekend tot gelijk gedrag, als zij
over 1811 hadden beloopen, onder aftrek van 5°/0ten
1)  Tabel III behoorende bij het decreet van 21 September 1812
(buil. d. 1. n°. 461).
2)  De admodiatie der octrooien (par abonnement), volgens welke
zij van accijnzen tot directe belastingen overgingen, werd door Na-
poleon afgekeurd. Alleen ten opzichte van slachters en tappers achtte
hij deze omzetting der belasting in eene heffing naar gelang van het
vermoedelijk debiet onschadelijk. Zie decreten van 26 April 1811
(buil. d. 1. n0. 366), 4 Mei 1812 (buil. d. 1. n°. 434) en 25 Sep-
tember 1813 (buil. d. 1. n°. 526),
-ocr page 261-
245
bate der gemeenten, „pour 1\'économie présumée qui
pourra resulter du nouveau système de perception."
Daarentegen zou de directie der droits rénnis 5 °/0 ont-
vangen van hetgeen de octrooien ten gevolge van haar
bestuur meer zouden opbrengen. Eene zonderlinge ver-
warring tusschen staats- en gemeentefinanciën, waar-
van wij zoo aanstonds nog sterker voorbeelden zien
zullen.
Doch alvorens hiertoe over te gaan, moeten we nog
vermelden, dat bij decreten van 14 Juli 1812 en 15
Mei 1813 aan die gemeenten in de Hollandsche depar-
tementen, welke minder dan 2000 inwoners telden,
werd toegestaan met de heffing van hoofdelijke omsla-
gen voorloopig voort te gaan 1).
Gewone uitgaven door buitengewone belastingen te
dekken was den gemeenten verboden door het besluit
van 4 thermidor an 10 (23 Juli 1802) 2). Ditzelfde be-
sluit bepaalde tevens, dat de plaatselijke inkomsten bij
uitsluiting tot bestrijding der plaatselijke behoeften zou-
den strekken.
Hierop werd evenwel weinig gelet. Dat alle gemeen-
ten vijf percent van hare inkomsten over het jaar
1812 ten behoeve der departementen moesten afstaan,
en een deel van de opbrengst harer octrooien aan
1)  Zie decreet van 25 September 1813 (buil. d. I. n°. 526).
2)  Rondonneau, t. a. p. IV, bl. 186.
-ocr page 262-
246
het bestuur der droits réunis moesten laten, zagen we
reeds. Evenwel was al vroeger aan de gemeenten een
deel harer inkomsten ontnomen.
Volgens art. 75 der wet van 24 April 1806 *) moes-
ten alle gemeenten van meer dan 4000 inwoners, of wier
inkomsten meer dan / 20.000 bedroegen, een tiende
van de opbrengst harer octrooien aan den staat af-
staan „pour Ie pain de soupe des troupes." En het
decreet van 25 Maart 1811 (buil. d. 1. n°. 358) be-
paalde een „ prélèvement d\'un pour cent sur les octrois
et revenus des communes de 1\'Empire," ten behoeve
van het Hotel Impérial des militaires invalides.
Bovendien moesten de gemeenten, volgens art. 3 der
wet van 29 floréal an 10 2) in de rijksuitgaven voor de
verificatie der maten en gewichten bijdragen, door 10 °/0
van het plaatselijk recht van de waag af te staan. Het
decreet van 24 floréal an 133) eindelijk ontnam aan
de gemeenten 5 °/0 harer inkomsten „ pour la com-
pagnie de réserve" *).
„Het beginsel der fransche prélèvementen is onjuist.
De gemeente, als burgerlijk persoon, als bezitster jure
privato van wettelijk belaste goederen, drage, schoon
1)  Kondonneau, t. a. p. IV, bl. 217.
2)  Rondonneau, t. a. p. III, bl. 25.
3)  Eondonneau, t. a. p. V, bl. 425.
4)  Vgl. Mr. J. R. Thorbecke, Over plaatselijke begrooting, Leiden,
1847, bl. 42 vv.
-ocr page 263-
247
de opbrengst dier goederen niet bijzonder, maar publiek
belang dient, in alle gemeene lasten. Maar heffingen,
welke de eenvoudige toepassing der algemeene belasting-
wetten te buiten gaan, zijn onregtvaardig. En hetgeen
de gemeente, als publieke magt, uit belasting harer
ingezetenen heeft, kan niet ten behoeve des Lands wor-
den belast, of de plaatselijke is tevens Rijksbelasting"
(Thorbecke, t. a. p. bl. 49).
De directe belastingen van het Fransche stelsel drukten
minder zwaar op den landbouw dan die van 1805. Daar
tegenover werd te veel gelet op de huurwaarde en de
samenstelling der huizen; zoowel grondbelasting als per-
soneel, patent en belasting op deuren en vensters stonden
met deze huurwaarde in meer of minder nauw verband en
drukten door deze eenzijdigheid de huurprijzen. Dit was
evenwel niet de grootste fout van het Fransche stelsel;
meer nadeel berokkende het door het evenwicht tus-
schen de directe en de indirecte belastingen geheel te
verbreken. Zoowel in den staat als in de gemeenten
waren de indirecte middelen verreweg de mildst vloeiende
bron van inkomsten. Hierdoor werden handel en nijver-
heid belemmerd en de mindergegoeden zwaar getroffen.
Dat de departementen hunne uitgaven uitsluitend uit
opcenten op de directe belastingen dekten, kon deze
wanverhouding niet goedmaken.
Niet minder verkeerd was de verwarring tusschen de
-ocr page 264-
248
rijks- en de geraeentefinanciën, welke uit het stelsel der
prélèvementen voortsproot.
De vergelijking met Gogels stelsel kunnen de Fran-
sche belastingen niet doorstaan. Ook het verband tus-
schen de rijks- en de gemeentebelastingen was in Gogels
stelsel veel beter dan in het Fransche. Moesten we daar
er op wijzen, dat op het opcentenstelsel te veel gewicht
werd gelegd, hier moeten we een veel ernstiger beden-
king makenJ). De plaatselijke octrooien voerden ons
schier geheel terug tot den jammerlijken toestand, waarin
vóór 1806 de gemeenteflnanciën en het binnenlandsch
vertier hadden verkeerd. Noch in den staat, noch in de
gemeenten werd gevraagd hoe het billijkst kon worden
belast. Men nam, waar het gemakkelijkst te halen viel.
1) Vgl. Paul Leroy-Beaulieu, t. a. p. I, bl. G85.
-ocr page 265-
STELLINGEN,
i.
Naar het nieuwere Romeinsche recht behoeft het
voorwerp der verbintenis — behalve bij de stricti juris
judicia — niet op geld waardeerbaar te zijn.
II.
„Wenn es wirklich die Autonomie des Versprechenden
ware, welche die Verpflichtung begründet, so müsste
diese Autonomie doch auch anerkannt werden, sobald
der Versprechende das von ihm gegebene Gesetz andert,
und erklart ,,ich will nicht geben." Denn die Macht
die selbst gegebenen Gesetze auch wieder aufzuheben,
liegt ja im Begriffe der Autonomie." (Dr. S. Schloss-
mann, der Vertrag, S. 90).
17
-ocr page 266-
250
III.
De gekozen woonplaats vervalt niet door den dood
des gedomiciliëerden.
IV.
Art. 202 B. W. verbiedt zoowel voorwaarde als tijds-
bepaling in de regeling van huwelijksvermogensrecht.
V.
De erkenning van een natuurlijk kind in eene open-
bare akte van uitersten wil is voldongen van af het
oogenblik, waarop de akte is verleden, en vervalt niet
door herroeping van den uitersten wil.
VI.
Volgens art. 910 B. W. erft, indien de overledene
wettige en natuurlijke afstammelingen heeft nagelaten,
elk natuurlijk kind een derde van het aandeel, dat aan
elk wettig kind toekomt.
VII.
Het beding in eene koopakte, dat in het verkochte
perceel een bepaald bedrijf niet mag worden uitgeoefend,
werkt niet tegen volgende koopers.
VIII.
Art. 1638 B.YV. brengt wet en recht met elkaar in strijd.
-ocr page 267-
251
IX.
De schuldeischer, die eene niet opeischbare vordering
tegen den failliet heeft, kan deze niet in compensatie
brengen.
x.
In het geval van art. 614 a, W. v. K. is de ver-
zekeraar tot ristorno niet verplicht.
XI.
De acceptant eener assignatie kan tegen den houder
de exceptiones ex persona indossantis inroepen.
XII.
De nietigheid van het exploit kan door den gedaagde
worden ingeroepen na de exceptiën van connexiteit en
van litispendentie.
XIII.
Behalve in summiere zaken moet de eisch in recon-
ventie bij beteekende schriftuur van antwoord geschieden.
XIV.
De grondwet belet niet, aan den Raad van State of
aan één zijner afdeelingen eene beslissende uitspraak
over geschillen van bestuur op te dragen.
-ocr page 268-
252
XV.
Elk verband tusschen kiesrecht" en belastingplicht
moet worden vermeden.
XVI.
Ontbindbaarheid van provinciale en plaatselijke ver-
tegenwoordiging zou geschillen met de regeering niet
kunnen beslechten.
XVII.
Wijziging van art. 24 der wet van 20 Juli 1870
(Stbl. n°. 131) in dien zin, dat ook voor het reeds aan-
getaste vee de volle waarde werd berekend, die het in
gezonden toestand zou hebben, is wenschelijk.
XVIII.
Het beginsel van het ontwerp-Sannes, elke notarieele
standplaats tot middelpunt van haar ressort te maken,
verdient aanbeveling, mits de kringen ruimer worden
getrokken, dan in den staat, behoorende bij dat ont-
werp, geschied is.
XIX.
Bij eene verandering onzer wetgeving op het nota-
riaat zou het wenschelijk zijn, den notarissen het hou-
den van bij de wet aan te wijzen boeken voor te schrijven.
-ocr page 269-
253
l
|
XX.
Voor het uitoefenen van toezicht op de handelingen
der notarissen zijn de ambtenaren der registratie door
hun werkkring de aangewezen personen.
XXI.
Door een hooger recht te heffen van authentieke dan
van onderhandsche huurcontracten werkt de wet de
hoogst verderfelijke zaakwaarneming in de hand.
xxir.
De betrekkingen van notaris en van plaatsvervangend
kantonrechter behoorden onvereenigbaar te zijn.
XXIII.
Algemeene overproductie is mogelijk.
XXIV.
Oorlog veroorzaakt overbevolking.
XXV.
Verspreiding van de leer van het Neo-Malthusianisme
is wenschelijk.
XXVI.
Te recht worden wettelijke beperking van vrouwen-
en kinderarbeid en vaststelling van een maximum van
-ocr page 270-
254
het aantal werkuren per dag, door de werklieden wen-
schelijk geacht.
XXVII.
Elke directe belasting moet progressief zijn.
XXVIII.
Behalve voor kleine gemeenten is de plaatselijke in-
komstenbelasting onvoorwaardelijk af te keuren.
XXIX.
De grondslag: huurwaarde der woning, is uitstekend
geschikt voor eene plaatse!ijke-, doch past niet vooreene
rijks personeele belasting.
XXX.
Tenzij, zonder verzaking van \'s lands belang, herstel
van het financieel evenwicht hier te lande door inkrim-
ping der uitgaven bereikt kan worden, moeten aanmer-
kelijke verhooging van het invoerrecht op buitenlandsche-
en invoering van een matigen accijns op binnenlandsche
tabak tot herstel van dit evenwicht in de eerste plaats
in aanmerking komen.
XXXI.
De gedeeltelijke opdracht der strafvervolging in zake
van rijksbelastingen aan de rijksadvocaten behoort te
vervallen.
-ocr page 271-
255
XXXII.
Tusschen civiel en crimineel onrecht bestaat slechts
een quantitatief- geen qualitatief onderscheid.
XXXIII.
De bepaling van art. 156 W. v. S., dat getuigen,
die een tweegevecht bijwonen, niet strafbaar zijn, ver-
dient afkeuring.
XXXIV.
In art. 435 W. v. S. had ook de overtreding van
art. 63 Gw. strafbaar gesteld moeten zijn.
XXXV.
De verjaring der strafvordering behoorde door de
vervolging geschorst- niet gestuit te worden.
XXXVI.
Wanneer de woorden eener wet slechts ééne opvat-
ting toelaten, mag niet worden afgeweken van de on-
derstelling, dat verklaring en wil des wetgevers elkander
dekken.