-ocr page 1-
lo&5>
i/*vM
•
Het beginsel Yan
walleiïwet
dl<
door Mr. JOH. ENSCHEDE
DE ERVEN F. BOHN - Haarlem - 1899
IIBITOTQCCI
lww.2?-KA.MKR»|»|
EATEN-GEMillAAL,
-ocr page 2-
"^
-ocr page 3-
\'
i,
/VQ 5»«t
«•-15 E 51
Hetb<
van
ngevallenwet
doop Mr. JOH. ENSCHEDÉ
RUK iNiVt^iTJ-,1
UT.!?Ei I f
ERVEN F. BOHN - Haarlem - 1899
BIBLIOTHEEK I
A06000027813348B
2781 334 8
Juridische Bibliotheek
jT^vfM^teit Utrecht
RTiaiOTITEEF^
f
■•.-/■
^6
ÜVMKRm
\\|^
»|TAT£A-(,«•;
:kaa^
-ocr page 4-
-ocr page 5-
•Over de voorgestelde regeling is niet het gevoelen
«gevraagd van de Kamers van Koophandel en Fabrieken,
«noch dat van groote ondernemingen en van werk-
«lieden-vereenigingen. Daartoe was geene aanleiding,
lomdat het vorige ontwerp reeds in Februari 1897 is ge-
nplubliccerd, zoodat belanghebbenden ruimschoots gele-
«gcnheid hebben gehad om hunne bezwaren kenbaar
»te maken.
(Mem. van Antiv. over de vOiigevallenwet.")
„Belanghebbenden". Het woord teekent de verhoudingen.
Omdat werkgevers en werklieden de belanghebbenden bij
dit wetsontwerp zijn is het hun euvel geduid dat zij aan dezen
wetgevenden arbeid niet eerder deel genomen hebben. En
terecht indien zij inderdaad zijn de belanghebbenden.
Maar dan ook bevat dit woord een ernstige aanklacht tegen
hen, die dezen wetgevenden arbeid ondernamen. Immers zijn
werkgevers en werklieden de belanghebbenden, dan strekt dus
de regeling of vóór of tégen hun belang; een derde is
niet mogelijk. Wij zullen wel niet mistasten als wij de
gedachte der ontwerpers aldus vertolken : de ongevallenwet is
in het belang der werklieden, en in strijd met het belang
der werkgevers.
Inderdaad, het schijnt niet voor tegenspraak vatbaar. Des
wetgevers bedoeling is van den patroon een nog onbepaalde,
doch voorzeker niet onbelangrijke geldsom te heffen, en deze
ten behoeve der werklieden te bestemmen. De patroon ontvangt
daarvoor niets in de plaats; van den werkman wordt als
tegenpraestatie niets verlangd.
Ik wil in het midden laten of op den duur de uitwerking
der wet aan die verwachting zal beantwoorden, of niet op den
-ocr page 6-
4
duur het loon zal dalen, naarmate de voorrechten door de
wet aan den werkmansstand verleend, den drang om daartoe
te behooren zullen verlevendigen. De ongevallenwet is slechls
een eerste schrede; verzekering tegen ziekte en tegen ouderdom
zullen volgen; de man, heden nog zonder werk, aan armoede
ten prooi, zal door het feit alleen dat hij morgen bij een
patroon werk vindt, niet alleen zijn loon verdienen, maar
bovendien tegen allen tegenspoed verzekerd zijn, zoolang. . ..
zoolang het werk duurt. Op hetzelfde oogeublik van zijn
ontslag, houdt ook die gunstige toestand op te bestaan; hij
komt weder onder het gemeene recht. Hij kan in zijn onder-
houd op andere wijze gaan voorzien; een nering opzetten,
voor eigen rekening zijn ambacht gaan uitoefenen, maar de
wettelijke voorrechten zal hij niet anders opnieuw kunnen
deelachtig worden, dan door te trachten opnieuw als werkman
werk te vinden.
Het komt mij voor dat na de totstandkoming dezer door
velen voorgestane wettelijke maatregelen wij ons zullen bevinden
zeer verre verwijderd van het ideaal, dat zij nastreefden, die
den <tden Augustus 1789 alle standsvoorrechten afgeschaft ver-
klaarden, en de gelijkheid van allen voor de wet proclameerden.
„Alle Leden der maatschappij hebben, zonder onderscheiding
„van geboorte, bezitting, stand of rang, eene gelijke aanspraak
„op derzelver voordeelen."
„De Wet is.....hetzij beschermende of straffende, gelijk
voor allen."
"Wie deze grondbeginselen alsnog in eere wil zien gehouden,
moet bezwaar maken tegen het voortgaan op den weg der
zoogenaamde „Sociale wetgeving".
Door die wetgeving is opnieuw een stand in de maatschappij
ingesteld: de werkmansstand.
Nauwkeurig wordt omschreven hoe men tot dien stand
-ocr page 7-
5
toetreedt; hoe men uittreedt. Zelfs het „krachtens geboorte"
doet opnieuw zijn intrede in de wetgeving: krachtens hunne
geboorte zullen de kinderen van den werkman aanspraken doen
gelden, die alle anderen missen. "Waar één stand in de maat-
schappij door de wet wordt afgezonderd, ontstaan van zelf
andere kringen, standen, ontstaan afscheidingen: tegenstellingen.
Is er eenmaal wettelijk een werkmansstand ingesteld, nood-
wendig volgt de instelling van den werkgeversstand. De wet
op de Kamers van Arbeid strekt tot voorbeeld. Het nijver-
heidsleger bestemd om als één geheel op te treden en zijn
maatschappelijke taak te vervullen, is door de wet in twee
kampen gescheiden. In stede van het gemeenschappelijk
belang op den voorgrond te stellen, te versterken, overwegend
te maken, worden de tegenstrijdige belangen tot ontwikkeling
gebracht. Waar eendracht heerschte wordt tweedracht gezaaid,
noodwendig gevolg van het weder ontstaan der wettelijke
standsverschillen.
De 2e Kamer der Staten-Generaal staat op het punt de
behandeling aan te vangen van de „Ongevallenwet". Tegen
de uitwerking zijn vele bezwaren gerezen, maar over veel zal
men geneigd zijn heen te stappen, als het niet gelukt iets
beters er voor in de plaats te stellen. En men zal naar mijne
overtuiging over zeer veel moeten heen stappen, om het
beginsel te redden.
En dit laatste, het beginsel, bij wie ontmoet het nog tegen-
stand? Het schijnt inderdaad onaantastbaar. Hooren wij
slechts den aanhef van het voorloopig verslag: „Wettelijke
„regeling van de verzekering van werklieden tegen de gevolgen
„van ongevallen ontmoette in beginsel slechts bij zeer
„enkele leden bezwaar." Zien wij wat de 37 bij de Kamer
ingediende adressen over „het beginsel" zeggen. „Op den
„voorgrond stellen wij, dat het beginsel der aanspra-
kelijkheid van den ondernemer voor de gevolgen van
-ocr page 8-
6
„ongevallen in zijn bedrijf, die de daarin werkzame personen
„overkomen, door ons ten volle wordt beaamd." (No. 3).
„Wij wenschen allereerst mede te deelen, dat het beginsel
„der regeling van de aansprakelijkheid enz. onze volkomen
„instemming heeft gevonden". (No. 4). „Hoewel ondergetee-
„kendcn het beginsel der aansprakelijkheid van den onder-
„nemer voor de in zijn bedrijf voorkomende ongevallen niet
„bestrijden, meeuen zij toch. . enz." (No. 10). En in dien geest
gaat het voort, zoodat dan ook ten slotte in het laatste adres
van den Eaad van Adm. van den Holl. IJzeren Spoorweg-Mij.
kon gezegd worden (blz. 3). „Het beginsel van het wetsont-
„werp wordt door alle belanghebbenden aanvaard."
Van het standpunt uitgaande, dat de belanghebbenden bij dit
wetsontwerp zijn de patroons en de werklieden, schijnt het
beginsel dus wel stevig gegrondvest. Van de zijde der
werklieden in wier belang de verzekering is liet zich die
meening verwachten. Hooren wij slechts adres n°. 5. „Geven
„met verschuldigde achting te kennen de ondergeteckendcn alle
„werklieden-vereenigingen te Vlissingen, dat tot groote
„schade der arbeidersklasse het ontwerp tot verzekering
„enz. nog niet tot wet is geworden."
Doch dat ook alle werkgevers, tegen wier belang dus
de totstandkoming der wet zoude zijn, het beginsel aanvaarden,
is inderdaad merkwaardig, zoo niet bevreemdend.
Intusschen ontstaat daardoor eene leemte. Als niet een tegen-
stander van het beginsel zich voor doet, kan het beginsel zelf
niet ter sprake komen. Is er dan niemand die het beginsel
zelve verwerpt? Niemand die ook maar twijfelt?
Mijne stem moet wel verdacht klinken, als ik mij als tegen-
stander opwerp; immers zij is de stem van een werkgever,
van eenen in zijne geldelijke belangen bedreigde. In mijne
schatting weegt het bezwaar weinig; ik geloof niet aan den
zwaren druk waaronder deze wet de werkgevers zal doen gebukt
-ocr page 9-
7
gaan; zooals reeds gezegd, acht ik het veeleer aan te nemen
dat de loonen zich goeddeels naar de nieuwe verhoudingen
zullen schikken. Toch ware het mij welkom geweest zoo van
andere zijde de twijfel over de juistheid van het beginsel ware
geopperd geworden.
Intusschen de zaak ligt er toe, en ik wil in de volgende
regelen trachten mijne bezwaren te ontwikkelen.
Eigenlijk is de hoofdreden van mijn tegenstand reeds hier-
voren in het licht gesteld. Het geldt hier eene wet, die bedoelt
voorrechten toe te kennen aan eenen bepaalden stand in de
maatschap}»], en die tegelijkertijd eene klasse van burgers
beroofd van een recht dat tot nog toe als onaantastbaar gold.
Over dit laatste nog een enkel woord. Wordt nog als
beginsel in ons Staatsrecht erkend wat in de Staatsregeling
van 1798 aldus werd geformuleerd: (art. 4.)
„leder burger is volkomen vrij, om te beschikken over
„zijne goederen, inkomsten, en de vruchten van zijn vernuft
„en arbeid, en voorts, om alles te doen, wat de rechten van
„een ander niet schend" ?
Zoo ja, dan is het beginsel van de „ongevallenwet" in
strijd met eene fundamenteele bepaling van ons Staatsrecht.
Immers waar de wetgever aanneemt, dat de kosten van de
verzekering behoorcn tot het loon dat den werkman toekomt,
is hij niet bevoegd hem de vrije beschikking over
dat deel van zijn loon te ontnemen.
En dat nu is wel bezien het beginsel der wet. Verre van
mij het nuttige van verzekering te betwisten, verzekering tegen
brand, tegen diefstal, ongevallen, ziekte enz. enz. Gold het
eene wet die bevordering van het verzekeringswezen ten doel
had, tegen het beginsel ware dunkt mij niets in te brengen,
en ik kon mij de algemeene instemming met het beginsel
gereedelijk verklaren.
-ocr page 10-
8
Doch het beginsel is anders: omdat het nuttig geacht wordt,
dat men tegen ongevallen verzekerd zij, daarom zal de wet
eene klasse van personen, de werkmansstand, verplichten een
deel van hunne inkomsten te besteden om zich tegen onge-
vallen te verzekeren, nog meer, de wet zal haarfijn regelen
de bijzonderheden der verzekering, zóó en niet anders. Ziedaar
een landsvaderlijke zorg, eene onder curateele-stelling van den
vrijen werkman, tot nog toe zonder voorbeeld in onze wet-
geving. Het geschiedt, ik erken het gaarne, in het (veronder-
stelde) belang van den werkman zei ven, maar juist daarin ligt
het nieuwe, tot nog toe in onze wetgeving onbekende element.
Tot nog toe was het algemeen belang de toetssteen voor de
wenschelijkheid eener wet; in het algemeen belang worden
belastingen geheven; in het algemeen belang werden tot nog
toe verplichtingen door de wet opgelegd. Hier niet alzoo;
hier voor het eerst zal de wet den werkman voorschrijven hoe
hij in zijn eigen belang een deel van zijne inkomsten zal besteden.
Zal dat beginsel zonder tegenspraak, onopgemerkt, zijn
intrede in onze wetgeving maken?
Dat mijne voorstelling juist is, dat deze wet met het alge-
meen belang niets uitstaande heeft, dat er met geen enkel
woord op het algemeen belang een beroep is gedaan, is licht
te bewijzen. Lezen wij hoe de Ministers het doel der wet in
de Memorie van Toelichting omschrijven: „Het doel is, den
„werkman het geheel of gedeeltelijk verlies van inkomen te
„vergoeden, dat voor hem het gevolg is van ernstige onge-
„vallen, hem in de uitoefening van het bedrijf overkomen."
In het V. V. zijn „sommige leden" iets dieper op de vraag
ingegaan. Na uitgemaakt te hebben, dat de ongevallenverzekering
niet te beschouwen is als een tak van armenzorg, bleven twee
beschouwingen mogelijk: uit een sociaal of een rechtsstand-
punt. Het eerste werd verworpen; het was niet waar „dat de
Staat hier optrad tot verzorging van de bijzondere belangen
-ocr page 11-
9
der burgers/1 waaruit dus zoude volgen dat het doel der wet
in de toelichting niet juist was omschreven. Maar laat ons
zien waarom de Staat dan wel optreedt: omdat, zoo lezen wij,
„de werklieden een natuurlijk recht hebben op schade-
loosstelling voor de gevolgen van bedrijfsongevallen". Voor
wien dit nog betwijfelt volgt deze toelichting: „Dat den werk-
„man zoodanig natuurlijk recht toekomt is duidelijk, wanneer
„men in het oog houdt, dat hij niet is een aanhangsel van
„de machine, doch als mensch eeue zelfstandige positie in het
„bedrijf inneemt. Met de eischen, die het bestaan als mensch
„medebrengt, dient (door den wetgever) rekening gehouden te
„worden. Waar nu de vergoeding, die de werkman in ruil voor
„zijne diensten ontvangt, ontoereikend is, om hem in de gelegen-
„heid te stellen zelf voor verzekering tegen ongevallen te zorgen,
„en hij evenmin in staat is den werkgever te dwingen die
„verzekering voor zijne rekening te nemen, behoort zijn recht
„op verzekering van overheidswege te worden gewaarborgd."
Mij is de zaak nog allesbehalve duidelijk. Ik zie hier geen
zweem van bewijs. Toegegeven dat „de werkman niet is een
„aanhangsel van de machine", dat „de werkman eene zelf-
standige positie in het bedrijf inneemt". Toegegeven ook, dat
„de wetgever rekening moet houden met de eischen, die het
„bestaan als mensch medebrengt", wat wordt daarmede dan
nog bewezen ? Met andere woorden: „de werkman is een
mensch." „De wetgever heeft te zorgen dat de voorwaarden
voor het bestaan van den mensch vervuld worden." Maar dat
is het beginsel van onze armenwet! Niet alleen voor den werk-
man, maar voor ieder, wie hij ook zij heeft de wetgever
gewild dat de voorwaarden voor het bestaan als mensch
zullen vervuld worden. Ware op dat beginsel deze onge-
vallenwet gebouwd, mijne bedenkingen zouden geen grond
hebben. Maar ik zal u bewijzen dat de „sommige leden", die
hier aan het woord zijn, zich vergist hebben.
-ocr page 12-
/
10
In tweeërlei opzicht. Als zij de gevolgtrekking maken „dat
„alsnu de overheid het recht op verzekering behoort te waar-
borgen, daar waar de vergoeding, die de werkman iu ruil
„voor zijne diensten ontvangt ontoereikend is om hem in de
„gelegenheid te stellen zelf voor die verzekering te zorgen"
zien zij, naar mijne meening twee zaken voorbij: 1° dat voor
het bestaan als mensch niet geeischt wordt, dat iemand na
een ongeval in dezelfde maatschappelijke verhoudingen blijve
geplaatst als vroeger. Als de wetgever daarvoor te zorgen had,
ware zijn taak inderdaad eene onmogelijke. Maar ik geloof
niet dat iemand de verdediging van die stelling zal willen op
zich nemen. Slechts deze gevolgtrekking is m. i. geoorloofd
dat de overheid een recht op onderstand kan waarborgen.
En ܰ zien zij voorbij, dat als de overheid dat recht slechts
behoort te waarborgen daar waar het loon van den
werkman ontoereikend is o m hem in de gelegen-
heid te stellen zelf er voor te zorgen de taak van
de overheid zich noodwendig beperkt tot de laagste loonen.
Hetgeen meer verdiend wordt kan in de eerste plaats dienen
oin te voorzien in de gevolgen van ongevallen. Of het
daarvoor in de eerste plaats werkelijk aangewend zal worden
is een andere vraag, waarop het antwoord niet in verband
staat met de beginselen waarvan de ongevallenwet volgens de
„sommige leden" heet uit te gaan; en voorzeker valt uit die
beginselen niet af te leiden, dat de overheid hem daartoe
alsnu behoort te verplichten.
Ik kan dan ook tot geen ander besluit komen, clan dat
deze ongevallenwet gegrond is op de door de „sommige leden"
terecht verworpen sociale beschouwing, de verzorging van de
bijzondere belangen der burgers, en dat de zinsnede boven
aangehaald uit de Memorie van Toelichting, die dat denkbeeld
nauwkeurig uitdrukt, volkomen in overeenstemming is met de
wet zelve.
-ocr page 13-
11
Wie dat beginsel niet aanvaardt, kan deze wet niet willen.
Maar omgekeerd wie het wel aanvaardt zal naar mijne meening
in de voorgestelde regeling weinig ingrijpende wijzigingen
kunnen aanbrengen. Waar de 37 adressanten verklaard hebben
het beginsel der wet te aanvaarden, worden in de Nota
van inlichtingen hunne redeneeringen met bijna wiskundige
zekerheid wederlegd. Is eenmaal het beginsel toegegeven dan
is er geen ontkomen aan deze wet. De vraag is echter of de
37 adressanten zich wel voldoende rekenschap gegeven hebben
van het beginsel waarvoor zij zich eenstemmig verklaarden?
Ik betoogde hierboven, dat deze ongevallenwet niet gegrond
kan zijn op de overweging, dat de overheid de bestaansvoor-
waarden als mensch behoort te waarborgen aan hem wiens
inkomen ontoereikend is om daarin zelf te voorzien. De
toepassing van dat beginsel zoude al op zeer onvolmaakte wijze
in de wet zijn uitgewerkt!
Een voorbeeld. De laagste loonen die betaald worden zijn
toereikend om in de bestaansvoorwaarden als mensch te voor-
zien, doch zijn niet voor verdere verlaging vatbaar. Ik stel
mij voor, dat de ontwerpers der wet het tegendeel niet zullen
beweren. Toch willen zij bepaald hebben, dat bij totale onge-
schiktheid tot werken de uitkeering slechts 7/10 van het loon
zal bedragen. In de bestaansvoorwaarden als mensch wordt dus
niet voorzien. Eerst als het laagste loon met 43% over-
schreden is, zal de 7/io uitkeering in de bestaansvoorwaarden
voorzien. Een ander voorbeeld. De ongevallen-verzekering
eindigt bij een jaar-inkomen van f 1200, tot aan dien grens
bedraagt de uitkeering steeds 7/io van het loon. Maar is het
aannemelijk, dat iemand met /\'1200 inkomen geen gelegenheid
zoude hebben iets af te zondereu om in zijn bestaansvoor-
waarden als mensch te voorzien bij een onverhoopt ongeval?
Is het aannemelijk dat als het inkomen boven de/\'1200 stijgt
die gelegenheid plotseling ontstaat? Is het juist gezien, dat de
-ocr page 14-
12
bestaansvoorwaarden als mensch tot f 840 kunnen stijgen ?
Op deze vragen kan m. i. slechts een ontkennend antwoord
volgen.
Plaatst men zich daarentegen op het standpunt waarvan de
ontwerpers, naar hunne eigene verklaring, uitgingen, en dat
neerkomt op de verzorging van de bijzondere belangen der
burgers, clan valt uit den aard tegen de regeling principieel
niets in te brengen. Het staat den wetgever dan vrij naar
goedvinden den kring van burgers af te bakenen wier bij-
zondere belangen hij zich voorneemt te verzorgen, evenzeer
vrij te bepalen welke voorziening die bijzondere belangen
wenschelijk maken. Over die grenzen en bepalingen kan verschil
van meening bestaan, wat ik wilde zeggen is dit, dat die
grenzen en bepalingen niet uit het beginsel voortvloeien.
Welke vreemde verhoudingen zullen na de totstandkoming
van deze en de nog volgende sociale wetten ontstaan. Is een-
maal de grens bepaald die den werkmansstand van de overige
maatschappij afscheidt, dan zal die ook in de andere wetten
wel alzoo aangehouden worden. Wie dus een loon geniet tot
/\'1200 zal onder een andere wetgeving leven dan zijne mede-
burgers, eene wetgeving die bestemd is hem belangrijke voor-
deelen boven anderen toe te kennen. Die voordeelen zullen in
geld waardeerbaar zijn. Verhooging van een weekloon van
/* 24 of van een maandloon van /\'100 doet, die voordeelen
verloren gaan, en zal dus in sommige omstandigheden een
achteruitgang zijn in plaats van vooruitgang.
Tk gaf boven reeds te kennen, dat mijne opmerkingen tegen
de wet haren grond zouden missen, zoo deze wet inderdaad
de zuivere toepassing was van het beginsel, dat de overheid
rekening moet houden met de bestaansvoorwaarden van den
mensch, en dat zij de vervulling daarvan behoort te waar-
borgen ten opzichte van den werkman wiens loon ontoe-
reikend is om zich die waarborg zelf te verschaffen.
-ocr page 15-
13
In het wetsontwerp tref ik twee gevallen aan, die met het
hier omschreven beginsel in overeenstemming zijn. Het geval
dat de werkman iets meer dan het laagste loon verdient, waar
de uit te keeren rente dus ongeveer met het laagste loon gelijk
staat. Daar zijne inkomsten hem niet toelaten zelf zich tegen
ongevallen te verzekeren, treedt hier de overheid, niet in zijn
belang, maar in het algemeen belang op, als maatregel tot
voorkoming van armoede, en zij waarborgt hem kosteloos zijn
middelen van bestaan.
Het tweede geval dat ik bedoelde is het geval van den
werkman wiens loon verhoogd wordt tot boven de f 1200.
Aangenomen dat diens loon niet ontoereikend is om zich tegen
ongevallen te verzekeren is het in overeenstemming met het
gestelde beginsel, dat de overheid hem na een ongeval geen
uitkeering toekent.
Bij het laagste loon dus volle uitkeering, bij een loon van
f 1200 geen uitkeering.
Nu zoude ik meeneu, dat er slechts één natuurlijk beloop is
van de lijn die de grootte der uitkeering aangeeft bij loonen
gelegen tusschen het laagste loon en /\'1200, en wel de lijn die
van de uitkeering ten bedrage gelijk staande met het laagste
loon geleidelijk daalt om bij een loon van ƒ 1200 het nul-
punt te bereiken. Niet alzoo in het wetsontwerp, waar de uit-
keeringen of renten in evenredigheid zijn met het verdiende
loon, waar dus die lijn in plaats van te dalen, steeds stijgt,
totdat bij een loon van ƒ1200 het hoogste punt bereikt is,
en zij loodrecht afdaalt om bij de geringste toeneming boven
ƒ 1200 de uitkeering geheel te doen ophouden. In eene sociale
wetgeving zal die lijn wellicht een goed figuur maken; ik
voor mij zou vooralsnog aan de andere de voorkeur willen
geven.
Ligt het dan niet voor de hand om bij de laagste loonen,
waar de onmogelijkheid voor den werkman zich voordoet om
-ocr page 16-
14
zelf iets voor verzekering af te staan, hem zijn volle loon te
waarborgen, (voorbehoudens de maatregelen noodig ter voor-
koming van mogelijke misbruiken) en ligt het niet evenzeer
voor de hand om bij het stijgen van het loon, naarmate dus
de mogelijkheid voor den werkman om zelf iets af te staan
grooter wordt, de van overheidswege gewaarborgde uitkeering
te verlagen, oin die bij een loon van ƒ 1200 geheel te doen
ophouden ?
Intussclien is de vraag gewettigd of zoodanige regeling, hoe
verdedigbaar in beginsel, bovendien, op zich zelf, en ook met
het oog op het beginsel, praktisch zoude zijn. Met het oog
op het beginsel — immers als de maatregel moet strekken tot
voorkoming van armoede, is het niet voldoende dat bij het
stijgen van het loon de mogelijkheid om zelf in de kosten
der verzekering te voorzien toeneemt, de vraag is of ook
inderdaad door den werkman in die kosten voorzien wordt.
Bij de onzekerheid, ja onwaarschijnlijkheid daarvan, blijft de
kans dus groot, dat wat de wetgever in het algemeen belang
wil voorkomen, zich niettemin zal voordoen. Met het oog
op het beginsel zelf zal het dus aanbeveling verdienen den
werkman, onafhankelijk van het genoten loon steeds het laagste
loon als rente of uitkeering te waarborgen. Eene regeling die
ook op zich zelve zich om hare eenvoudigheid aanbeveelt. Al
de omslag toch verbonden aan de berekening van het ver-
diende loon vervalt dan van zelf. Het bezwaar van de uitkee-
ring bij f 1200 in eens te doen ophouden wordt veel minder
voelbaar, immers de tegenstelling is veel minder sterk.
Een zoodanige regeling zoude naar mijne opvatting het
uiterste zijn waartoe de wetgever met het oog op het alge-
meen belang zijne medewerking zoude kunnen of mogen ver-
leenen. Verder te gaan wordt m. i. door geen enkele over-
weging van algemeen belang gewettigd.
-ocr page 17-
15
Ten slotte nog een enkel woord over de zoogenaamde a a n-
sp rakel ijkheid van den werkgever voor de gevolgen
der ongevallen aan de werklieden overkomen.
Indien ook dit als een beginsel der voorgestelde wet moet
gelden, dan mag de vraag gedaan worden hoe zich dit be-
ginsel rijmen laat met de stelling: „de werkman is niet een
aanhangsel van de machine, maar neemt als mensch eene
zelfstandige positie in het bedrijf in." Wat blijft er over van
die zelfstandigheid als mensch, als de aansprakelijk-
heid van doen en laten op een ander overgebracht wordt?
Als men voor den werkman als het ware de toerekenbaarheid
uitsluit voor het kwaad dat hij zichzelven of anderen toe-
brengt? Hem in dat opzicht gelijk stelt met een idioot?
Maar afgaande op het betoog, dat daarover in de Memorie
van Toelichting is te vinden, komt het mij voor, dat die aan-
sprakelijkheid van den werkgever den ontwerpers der wet niet
als uitgangspunt gediend heeft.
Dit wordt duidelijk als wij in genoemde Memorie deze
zinsnede lezen:
„Bij het pogen om den rechtstoestand (van den werkman)
„te verbeteren, dient op den voorgrond gesteld te worden het
„doel, dat bereikt behoort te worden. En dit doel is, den
„werkman het geheel of gedeeltelijk verlies van iukomen te
„vergoeden, dat voor hem het gevolg is van ernstige onge-
„vallen, hem in de uitoefening van het bedrijf overkomen."
En om nu dit doel te bereiken, wordt de aansprakelijk-
heid voor doen en laten van den werkman op den werkgever
overgebracht. Die door de wet aangenomen aansprakelijkheid
is slechts het middel om het gewenschte doel te bereiken.
Die aansprakelijkheid, zoo algemeen gesteld, is in strijd met de
tot nog toe geldende bepalingen. En dat die geldende bepa-
lingen ons rechtsgevoel niet zouden bevredigen, wordt in de
M. v. Toel. niet beweerd. Integendeel komen iets hooger deze
-ocr page 18-
XjziJtiQ k*
16
woorden voor naar aanleiding van de vraag of de werkgever
krachtens overeenkomst tot schadevergoeding verplicht is. „De
„Nederlandsche juristen hebben echter deze leer tot heden niet
„gehuldigd, waarschijnlijk om de eenvoudige reden dat „de
„billijkheid, het gebruik of de wet" (art. 1375 B. W.) niet
„vorderen dat de werkgever instaat voor de gevolgen van
„feiten, die niet door zijn doen of niet doen ontstaan zijn."
Duidelijker kan het niet: om de een voudige reden dat de
billijkheid niet vordert dat de werkgever instaat
voor de gevolgen van feiten die niet door zijn
doen of niet doen ontstaan zijn.
Van de ontwerpers der wet kan dus zeker niet gezegd
worden dat zij de aansprakelijkheid van den werkgever als
uitgangspunt, als rechtsgrond voor deze wet hebben aange-
nomen. Tegen de aansprakelijkheid zooals die in onze be-
staande wetten geregeld is worden geene principieele beden-
kingen geopperd, dan alleen deze dat de werkman het recht
mist op eenige vergoeding, zoo het ongeval ontstaan is of
door hoe geringe schuld ook van hein zei ven, of door over-
macht, of door niet bekende oorzaken. Al de andere bezwaren
tegen den bestaanden toestand wijzen wel op gebreken in onze
rechtsbedeeling, maar doen tot het beginsel niets af. Eu deze
ééne principieele bedenking is door de bovenaangehaalde woor-
den door de stellers der Memorie zei ven afdoende wederlegd,
voor zooverre zij althans zoude bedoelen de aansprakelijkheid
in die gevallen op den werkgever over te brengen.
De stelling is dan ook dunkt mij niet vol te houden. Was
zij juist, men zoude dan zeker wel mogen aanvangen met de
gemeentebesturen aansprakelijk te stellen voor al de ongevallen
die op den openbaren weg voorvallen!
JOH. ENSCHEDÉ.
Haarlem, 14 Juni 1899.