-ocr page 1-
r
JtpLz&ep.
UBU
fiCJ
2459
-ocr page 2-
v*ho l°9Q
-ocr page 3-
.122
\';-
GESCHIEDENIS
ARCHIEF DER STAD UTRE
n
m
UI
MR. S. MULLER Fz.
GEMEENTE-ARCHIVARIS.
•
UTRECHT - W. LEIJDENROTH.
.
I
*»m *oor Rechtt|eichle<ieiiik
Rllk*itnlv«rmen t« Utree*\'
-ocr page 4-
-ocr page 5-
« fw » 1 L u
2-V
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIjnS£:v...
—— l ^fc*
I. DE OUDSTE ARCHIEFBEWAARPLAATSEN.
(II 22— 1546.)
§ 1. De charters der stad. — Het archief der stad Utrecht is zoo
oud als de stad zelve. Zoodra eene stad het privilege van stadsrecht
verkreeg, deed zich natuurlijk dadelijk de vraag op, hoe en waar
men het kostbare document, dat daarvan het bewijs bevatte, zou be-
waren. Te Utrecht moeten de overwegingen ter beantwoording dezer
vraag hebben plaats gehad in 1122, toen de stad de beide keizerlijke
charters verkreeg, waarvan het eene de plaats van den stadbrief in-
neemt. Gewoonlijk werd (althans in kleine steden) de oudste parochiekerk
als bewaarplaats van het stadsarchief gebruikt, zonder twijfel omdat
de kerk het grootste, meest hechte en meest brandvrije gebouw
der stad was, en wellicht niet minder omdat zij door haar heilig
karakter zekere onschendbaarheid bezat. Utrecht schijnt echter, met
meer groote steden, deze gewoonte niet gevolgd te hebben: wij
vinden geen spoor van bewijs, dat althans het archief van den raad
oorspronkelijk in de Buurkerk is geborgen geweest. De oudstbekende
archiefbewaarplaats ligt elders.
Reeds het privilege van 1122 zelf spreekt van de ommuring der
stad; men neemt aan 1), dat aanstonds na het verkrijgen van de in
dezen brief geschonkene rechten de stad Utrecht zich heeft omgeven
met eene muur, die reeds toen denzelfden omvang moet gehad hebben,
dien de stad tot in deze eeuw toe bezat. Bij deze ommuring moet
dan ook reeds de Catharijnepoort gesticht zijn, die den weg van
Holland naar de stad afsloot. Het was een in het oogvallend gebouw,
zooals dit voor het bolwerk der stad tegenover den erfvijand paste.
Een Utrechtsch burger, die de poort gekend heeft, beschrijft haar
1) De Geor, Het oudo Trecht. p. 137 vlg.
overgeplaatst uit
Vakgebied3b?b!iDth\'
>or RechttfescMelenl?          ~
nWtr*lteH te UtrtcM
A06000007559234B
0755 9234
-ocr page 6-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
VI
als «een poort als een borch, dat sijns ghelijck in deesse Nederlanden
niet en was» i), en de geschondene afbeelding van het gebouw op
eene muurschildering in het gewelf der St. Jacobskerk 2) geeft ons
nog een denkbeeld van zijn omvang en zijne sterkte.
Het is natuurlijk niet te bewijzen, dat reeds dadelijk in of kort na
1122 deze poort zóó versterkt werd, dat hare hechtheid het stedelijk
bestuur bewogen heeft, ze uit te kiezen tot bewaarplaats van de
kostbaarste bezittingen der stad. Doch in de latere middeleeuwen was
dit zeer zeker het geval: wij vinden dan «onser stadt brieve» (bepaal-
delijk «onse privilegiën» of «brieve onser stadt rechten aengaende»)
geborgen op de St. Catharijnepoort 3). Zij werden daar bewaard in
eene «kiste» (d. i. volgens het middeleeuwsch spraakgebruik: kast),
die «der stat kiste» 4) of ook wel «sraets kiste» 5) heette. Behalve
de oorkonden plaatste men daarin enkele kostbare documenten, op
wier zorgvuldige bewaring men bijzonderen prijs stelde, zooals de
rechtsboeken der stad 6), die men voor vervalsching wenschte te be-
veiligen door ze in deze «kiste» te «besluten» 7). Ook partikulieren
maakten somtijds gebruik van deze gelegenheid, om voor hen waarde-
volle papieren, die niet van voorbijgaand belang waren, op den
duur voor ondergang te behoeden 8). Langzamerhand, naarmate het
getal der oorkonden vermeerderde, nam ook het getal der «kisten»
toe: in het laatst der 15® eeuw vinden wij er op de St. Catharijnepoort
verscheidene vermeld 9).
De charters waren daar ongetwijfeld wèl en veilig bewaard; doch
1)  Herb. v. Mijnden, Gedenkschriften. (Bijdr. en meded. Hist. Gen. XI p. 43.) Zij was dan
ook „omgraven ghelycxs een borch," d. i. met eene afzonderlijke gracht omgeven, eene ver-
storking trouwens, die denkelijk eerst dagteekendo van 1483—89, en reeds in 1490 weder te
niet gedaan schynt to zijn. (Zie: Heda, Historia. p. 303, 4.)
2)  Zie oene kopie van dezo thans vernietigdo schildering in het museum der stad Utrecht.
8) Raads dag boek 1472 Dinxd. op St. Tyb. dach, 1478 O. L. V. av. te Lichtm. — 2o Kam.
reken. 1478/79. — Zeker waren de charters daar toen reeds sedert lange jaren: althans reeds
op het laatst der 14c eeuw zullen wij zelfs bisschoppelijke charters op de St. Catharijnepoort
ontmoeten, gewis naar aanleiding van do omstandigheid, dat daar eene bijzonder uitnemende
archief kamer was. Hot is dan ook nauwelijks denkbaar, dat de stad anders dan bij uitzon-
dering enkelen harer „privilegiën" in 1440 op het stadhuis zal bewaard hebben, zooals de
instructie van den stadsklerk (Rechtsbr. v. Utr. I p. 332 art. 8) zou doen vermoeden.
4)  Rechtsbr. v. Utr. I p. 68, II p. 230. (Hot moet opgemerkt worden, dat hot niet zeker is,
dat de»» stadskist reeds op de St. Catharijnepoort stond.)
5)  Raads dag. boek 1440 Vryd. na Pinkst.
6)  Rechtsbr. v. Utr. I p. 68, II p. 230.
7)  Rechtsbr. v. Utr. II p. 230. — „In der stat kist besloten." (Vermeulen, Tijdschr. v.
gesch. v. Utr. IV p. 74, 75.)
8)  Zie: Vermeulen, Tjjdschr. v. gesch v. Utr. IV p. 74, 75, waar do bewaring van do
fundatiebriovcn van het bogijnhuis van St. Nicolaas „in der stat kiat" vermeld wordt. —
Raads dag. boek 1440 Vryd. na Pinkst. Het geldt daar do bewaring „ints raets kiste" van
een dor drie opgoinaokte cyrographen van een raadsvonnis, op welks stipte uitvoering men
prijs stolde. — Zie ook dezen inventaris: No. 578—583.
9)  2o Kameraarsrek. 1478/79.
-ocr page 7-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                     VII
de orde der verzameling, die in de 14* en 15" eeuw verbazend toe-
nam, liet naar het schijnt te wenschen over. Denkelijk heeft de
samenstelling van kopijboeken in de laatste jaren der 14" eeuw (1395,
1398 1)) aanleiding gegeven, dat de origineele oorkonden zelden meer
geraadpleegd en bijna vergeten werden. Hoe dit zij, in 1472 bleek het
noodig eene raadscommissie te benoemen (bestaande uit twee leden
van den raad, twee van den oudraad en den secretaris der stad Tielman
Momfelen van Usselaer), die de opdracht kreeg, om «onser stadt brieve
doer te zien op sunte Kathrynen poerte ende die te registreren» 2).
De bedoeling was blijkbaar, dat de leden der commissie het werk
gezamenlijk zouden verrichten; immers de raad loofde voor hen allen
eene belooning uit stadskas uit. Doch zooals te verwachten was, hadden
de leden van den raad weinig genoegen in het archiefwerk, en de
klerk «Tyelmannus> verrichtte het alleen. Meer dan zeven jaren lang
hield hij zich bezig met het «doersyen» van alle brieven en het
«uutsoeken» der «privilegiën». En dat hij in dien tijd niet ledig
gezeten heeft, blijkt uit de charters zelven, die allen in dorso eene
korte inhoudsopgave vertoonen, geschreven met Momfelen\'s kennelijke
hand. Wij vernemen, dat onze klerk de stukken ook «registreerde»
en «die copien daervan teykende als notarius.» Wij kunnen daaruit
opmaken, dat hij een inventaris der charters maakte, doch dit is on-
zeker ; denkelijk moeten wij onder het «registreren» verstaan het
aanleggen van een kopijboek, waarin Momfelen de charters (of althans
de in de oude kopijboeken niet voorkomende) afschreef. Zulk een
«boec, dair hy die brieve (in den kisten op sunte Katrinen poert) in
scrijft», heeft hij toch inderdaad samengesteld 3), en wij vinden dit
kopijboek (door Dr. C. Booth ter herinnering aan den schrijver *.Me-
moriale Tijlmannh
gedoopt) zonder twijfel terug in N°. 32 van dezen
inventaris. Dit stuk bevat inderdaad verschillende door Momfelen
gewaarmerkte afschriften van stedelijke charters tot 1444 toe, en de
omstandigheid, dat die charters grootendeels betrekking hebben op de
verhouding van de stad tot den bisschop, doet reeds vermoeden, dat het
register kan aangelegd zijn in of kort na 1477, toen de stad haar verzet
tegen bisschop Davids usurpatiën begon. Inderdaad, het was op Licht-
misavond 1478, dat de raad, op het punt van af te treden, besloot om
aan cTijlmannus» eene buitengewone toelage van 50 pond te verkenen
voor zijn schrijfwerk ter gelegenheid van de onderhandelingen der stad
1)  No. 28 en 29 van dezen inventaris.
2)  Raads dag. book 1472 Dinxd. op St. Tyb. dacli. („Jan van Veen ende Gheryt Zoudenbalch
uut don uywen raido, Jan Knijff ondo Eerst van Drakenborch uut den ouden raido, ende
Tijlmannus als een clerek, zijn gcscliict, onser stadt brieve doer te zien op sunte Kathrynen
poerte, ende die te registreren; ende daervan zei men beminden lonen by den oversten out
ende nywe.\'\')
3)  2e Kam. reken. 1478/79.
-ocr page 8-
VIII                                     GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
met bisschop David en bovendien «van dat hy vele brieven, onser
stadt rechten aengaende, die bevonden zijn op sunte Kathrinen poerte,
ghevisitiert, geregistrert ende die copien daervan gheteykent heeft als
notarius.» Toch was toen het werk nog niet geheel afgeloopen: de
klerk nam op zich, om ook «die andere, die noch niet geregistrert en
zijn», evenzoo «te registreren ende teykenen.» En blijkbaar viel dit
werk niet mede, want een jaar later moest de toen aftredende raad
aan Momfelen andermaal eene toelage van 50 pond verleenen, en
zelfs niet alleen als belooning, maar «om den orbaer voirt in desen
jair te doen.» Toen echter, in den loop van 1479, mag men aan"
nemen, dat het werk geheel zal zijn voltooid 1).
De stedelijke charters zijn blijkbaar op de St. Catharijnepoort be-
waard gebleven, totdat het sterke gebouw ter gelegenheid van de
stichting van het kasteel Vredenburg («omdat hy te nae Vredenborch
ghetimmert was») in 1528 afgebroken en door een gewonen doorgang
in den muur vervangen werd 2). Toen deze veilige archiefbewaarplaats
aldus aan de stad ontviel, moest zij hare kostbare stukken elders
bergen. Denkelijk zal zij ze voorloopig op haar raadhuis (het zooge-
naamde Schoonhuis aan den Steenweg) bewaard hebben. Voorloopig,
want reeds spoedig kwam de verhuizing van den raad naar eene andere
woning aan de orde. De stad kocht in 1537 het huis Lichtenberch,
gelegen naast het oude Hasenberch, waar de schepenbank reeds een
paar eeuwen gezeteld had: de oude scheiding tusschen raad en gerecht
was door Karel V\'s hervormingen vervallen, en er was dus alle aan-
leiding, om ook de uiterlijke scheiding der twee colleges weg te
1)  „Item zei onse camerair Tijlmannus geven vijftich pont aen gelde voer zynen dyonst,
tlien hy der stadt ende onsen oversten zonderlingen gedaen heeft, alze van vele scriften,
die hy uut bevole der oversten ende der gedeputierden in der zake tusschen onsen heerc van
Utrecht ende den Staten van den lande; ende oick van dat hy vele brieve, onser stadt
rechten aengaende, die bevonden zijn op sunte Kathrinen poerte, ghevisitiert, geregistrert
ende die copien daervan gheteykent heeft als notarius, onde die andere, die noch niet
gerogistrcrt en zijn, noch registreren ende teykenen zei." (Raads dag. boek 1478 Lichtni.
av.) — „Scepenen, raide ende oudermans bobben gegeven Tijlmannus voir zynen arbeyt ende
dyenst, dien hy in dezen jaire boven die gowoente gedaen ghehadt hoeft, in scrivcn onde
doen scrivenon ende anders: vijftich pont eens, te betalenen aen gelde." (Raads dag. boek
1479 Lichtm. av.) — „Item gegovon Tyelmannus uut overdrachten des raots L S? van dienste,
die hy int verleden jair, dat toe vergeten wert te rekenen, gedaen heeft, alse in veell
scriften ende arbeits, dat hy boven sinen dienst gedaen heeft uut bevooll der ovorster onde
gedeputierder in der saken tusschen onsen bere van Utrecht ondo den Staten van den lande;
endo oec heeft hy op sunte Katrinen poirt vocll arbeits gedaen, om alle dio brieve in den
kisten aldair te doersyen, endo onse privilogicn uutgosocht, onde een booc gemaect, dair hy
diosclve brieve in scrijft. Ende so men dit werek in don voirleden jair nyet volbrengen
en condo, so heeft hem die raet noch toegevoecht L ff, om den oirbair voirt in desen jair
te doen. Maect te samen C ffi" (2e Kamoraarsrekening 14787/9.)
2)  Zie o. a. Herb. van Mijnden. 1. c. p. 44. — De nieuwo poort was tot borging van het
archief geheel ongeschikt: zie af boeldingon op de platte gronden van Braun en Guicciardini;
eene veel uitvoeriger teokoning, dio de poort in haar verval voorstelt (vervaardigd naar eene
aquarel van Abr. Bloemaert\', vindt men in den topographischen atlas der stad Utrecht
onder No. 358.
-ocr page 9-
OESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                      IX
nemen, door ze voortaan te huisvesten in één gebouw. Karel V maakte
van de gelegenheid gebruik, om den nieuwen gevel van Hasenberch
(1520), die hem, versierd als hij was met «veel beelden van den
voorleden bisschoppen van Uytrecht», een doorn in het oog was, te
doen vallen: hij beval (1537), dat beide gebouwen nu van een unifor-
men gevel zouden voorzien worden, en dat daartoe de vooruitsprin-
gende gevel van Hasenberch zou worden afgebroken. In 1546 kon de
stad er eindelijk aan denken dit bevel uit te voeren, en zoodra zij den
25 Februari van dat jaar daartoe besloten had, werd dadelijk van de
gelegenheid gebruik gemaakt, om aan de stedelijke charters weder een
veilig onderkomen te bezorgen. «Item», zoo besloot de raad op 25
Februari 1546, onmiddellijk na de vaststelling van het bouwen van den
nieuwen gevel, «noch sal men maecken een vertreckcamer teynden
aen die raytcarner van Lichtenberch mit twee wulfsels, omme
aldairinne die secreten van der stadt te bewairen, nae vermoegen
sekere besteck dairvan zijnde» 1). Inderdaad is dit besluit uitge-
voerd: wij zullen later zien, dat er een «overkluysde camer boven de
schoutscamer» was 2), waar de stedelijke charters geborgen waren 3).
De schoutenkamer nu bevond zich in een afzonderlijk gebouwtje, ter
zijde aan het einde der zaal van het huis Lichtenberch, die van ouds
de «raetcamer» heette 4).
§ 2. Het archief van den raad. — De stedelijke charters waren
echter niet de eenige stadsarchieven, die na de stichting van het nieuwe
raadhuis daarheen overgebracht werden. Geheel onafhankelijk van de
charterverzameling der stad had zich toch sedert geruimen tijd op de
stedelijke secretarie een geheel ander archief gevormd, dat het bezinksel
was van de werkzaamheid der stedelijke secretarissen of stadsklerken.
1)  Hands dag. bock 1540 Febr. 25.
2)  Het lioofd van een inventaris der charters, door de stad verkregen uit de Choltenham-
sche collectie, luidt aldus: „Register der brieven van de stadt Utrecht, berustende op de
ocerklnysde camer hoven de schoutscamer."
Dezo inventaris, geschreven niet eene hand van do
tweede helft der 18de eeuw, is een afschrift van den ouden inventaris der stedolijko charters
uit do 17do eouw; in de oudere oxemplaron komt evenwel het gemolde hoofd niet voor. —
In 1798 was „de Archivokamer" gelegon „bove do onderschoutsk&mer" (Bijl. not. Municipaliteit
17 Dec. 17118, in: Invent. arch. 1795—1813. No 10); dit bewijst alloen, dat do onderschout toen
het vertrok van don schout had betrokken: over do localitoit kan nauwelijks quaostio zijn.
S) Ook op de Statenkamer bevond zich voor de geheime archieven eene overwelfde kamer,
„het zwijgertjo" genaamd. (Nagtglas, Voor honderd jaren. p. 97.)
4) Do ligging der „overkluysde camer" boven in het stadhuis doet vermoeden, dat de „tweo
wulfsels," waarvan hot raadsbesluit van 1540 spreekt, boven olkander golegon waren, zoodat
ook do schoutskamer zelve overkluisd was: immers had dit vertrok eene houten zoldoring
gehad, dan waro de bescherming dor charters tegen brand door het gewelf boven hen vol-
komen illusoir geweest. Een bezwaar togen deze interpretatie lovort liet bestaan van eene
groote (natuurlijk overkluisde) kelder onder do schoutskamer. (Tegenw. staat v. Utrecht. I p.
355.) Er zouden dan drie „wufsols" noodig geweest zijn. Kan do schoutskamer later ingericht
zijn door plaatsing eener tweode vloer tor halver hoogte van het aanvankelijk zoer hoogo
archiefvertrek ? Het schijnt onaannemelijk.
-ocr page 10-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
X
Aanvankelijk werd het overal voldoende geacht, de charters eener
stad, die de bewijsstukken bevatten van de door haar verkregene
voorrechten, zorgvuldig te bewaren. Wat de loop der stedelijke admi-
nistratie, destijds zeer eenvoudig ingericht, belangrijks opleverde, meende
men met vertrouwen te mogen overlaten aan het geheugen der daarbij
betrokkene personen: immers ook veel belangrijker zaken, ja zelfs het
geheele geldende recht, waren alleen door overlevering bekend en
berustten dus geheel op het geheugen van ervarene lieden. Zóó
weinig hechtte men aanvankelijk aan het opteekenen van hetgeen bij
de stedelijke administratie belangrijks voorviel, dat men zelfs niet eens
een bepaald ambtenaar met de behartiging van stadszaken belastte.
Voor de geschiedenis van het archief der stedelijke kanselarij is
natuurlijk de geschiedenis der stadsklerken, die aan het hoofd dezer
kanselarij stonden, van overwegend belang. Ik laat hier de lijst volgen
van de personen, die gedurende de middeleeuwen als schrijvers voor
de stad werkzaam waren:
Matheus Eremberti de Trajeclo, vermeld 1298 1).
Gerardus, scriptor civitatis, vermeld 1329 2).
Tideman van der Oudewijc, onser stadt schryver, vermeld 1330 3).
Johannes Tolnaer van den Gheyne 4), der stadt schryver, vermeld
i34i 5)-
Conrardus Tolnaer Johanssoon, der stadt schryver, vermeld 1367 6).
Johannes Tolnaer, scriptor civitatis Trajectensis, vermeld 1376, 1380
en 1402 7).
1)  Bijilr. en mcdod. Hist. Gen. IX p. 35.
2)  Muller, Rog. en reken. v. li. bied. Utrecht. I p. 317.
3)  In een schepenbriof, aangehaald door Dr. C. Booth in zijne ljjst der stadsklerkcn, voor-
koinonde in een smal fol. registertje, aan het Utrechtscho rijksarchief in 1886 geschonken
door Mr. J. A. Grotlie (No. 26).
t) De familie Tolnaer, die gedurende moor dan eeno halvo eeuw drie klerken aan do stad
Utrecht leverde, was blykbaar vroeger in het bezit van het ambt van tollenaar aan den
bekenden tol in het Gein. Uit dezelfde familie ontmoeten wij nog in 1386 Henric Tolnaer
Henricss. (Reg. v. h. kap. v. St. Pieter No. 585) en in 1430 Johannes Tolner als procureur
voor de pauselijke curie. (Public de la soc. histor. de Limbourg. III p. 279 vlg )
6; Bootli in zijne aangehaalde lijst citeert hierbij zeker „Keg. 3 ad 1341\'*; ik heb dit rogistcr
in het stadsarchief niet kunnen terugvinden. Ik vond echter Joh. Tolner als notaris werk-
zaam in 1330—1364. (Zie hiorna p. XIV Noot 2—5.)
6)  Zondor twijfel is hij de „Coenraordus", die in 1367 (met Heyne Craghe) het hoogste
bedrag aan lakon voor kloeding kreeg. (Rechtsbr. v. Utr. I p 84.) Als „Conrardus Tolnaer
Johanssoon" citoert Booth hem in zijne lijst uit liet „Reg. 3 ad 1392", met bijvoeging van deze.
plaats: „Johan Tolnaer den goutsinit, Conrardus Tolnaers soon, dio wileneor der stadt
schryver was, is sijn borgerschap weergegeven by don menen raed oudt endo nye, in allen
scino dat hy burger was, eer hi ze vorsumede, om gunste van sinen vader ende zinen twee
oitdevaders, die roortijts dei\' stadt clercVen etide sehrirers ijeieeest hebben."
7)  Notaricele akte van 1376 Dcc. 27 (Coll. Booth. Portef. Dorpen en heerlijkheden): „Johannes
Tolnaer, scriptor civitatis Trajectensis." — Kameraarsrek. 1380/1 fol. 82: „Item Johannes
Tolnaer voor ziin fronsiin, korsen ende voor ziin loon CC fi?." — Kameraarsrek. 1402 fol. LVI
vs.: „(Uutghegheven vn.n den wiin) .... Wilhelmus Bakerweerdo dor stat procuratoer 1
take. Geraerdus Heerman der stat notarius 1 tako. Johannes Tolnaer 1 take." — 1. c. fol. LXXIII:
-ocr page 11-
NI
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Henricus Stoeck Pouwelssoen (gewoonlijk genoemd Henricus Pauli),
gesworen clerck ende secretarius des raeds der stat van Utrecht i).
1403—1425, 1426—1440 2).
Herman van der Meer. 1441—1449 3).
Rycout van der Horst. 1449—1460 4).
Tijlman Momfelen van Usselaer. 1460—14S3 5).
Floris Tzwynnen. 1483—1509 6).
Valentijn van der Voort. 1509—1539 7).
Niclaes de Clercq. 1540—1551 8).
„Uutghcgheven van der stat cledere: In den eersten Johannes Tolnaer VI ellen ende III
verrondeel." — Vgl. reeds in 1367 (Reclitsbr. v. Utr. I p. 81\': „Johannes Tolnaer 81/.
ellen ende 1 ellen"; blijkbaar was hij toen echter slechts adjunct van zijn naast hem
genoemden voorganger, den klerk „Coenraerdus" Tolnaer. Vgl. Reclitsbr. v. Utr. I p. 93
(Roese. XXXIX 2): „Johan de clerc" (ad 1370).
1)  Zoo heet hij in het Divers v. bissch. Fred. v. Blankenheim fol LXXXVII, waar do
wedergade van het stuk Roese CXXVI iRechtsbr. v. Utr. I p. 238) afgeschreven staat.
2)  Raads dag. boek. 14"3 fol. XXXII: „In den jaor ons Heren 14\'\'3 des Diinsdaghes na sinte
Simon Judon dacli Apostelen beghan ie Henricus Pauli te scriven voir den raet van Utrecht."
Iu 1413 wordt hij genoemd: „Henricus Stoeck Pouwelssoen, gesworen clerck ondo secretarius
des raeds der stat van Utrecht." (Bijdr. en meded. Hist. Gen IX p. 69.) In 1425, na don
intocht van bisschop Zweder van Culonborch, verbannen (Barman, Utr. jaarb. I p. 318\'. koerde
hij het volgende jaar terug, want zijne hand komt op 6 Juni weder voor in het raads dage-
lijksch boek en Woensdag na Pinksteren in het Buurspraakboek. Nog in de rekening van
1440 komt hij voor; doch Vrijdag na Pinksteren van dat jaar stond het klerkambt „open." —
Honric Stock was de zoon van Pouwels Willamss., die z\'ch in akten van 1381 en 1392 in
hot kapittelarchief van St. Pictor (Regesten. No. 541 en 591) noemt „cloricus Trajectensis
dyocosis, publicus imperiali auctoritate et in curia Trajectensi juratus notarius." (Zie het in
dezen inventaris onder No 25 vermelde formuliorboek f. 56 jeto f. 13 vs.)
3)  In do reken. v. d. len en 2en kameraar 1441/42 (die van 1440/41 ontbreekt) vindt men
voor het eerst „Hormannus van der Meer onser stadt clerck" op de plaats, nog in de rekening
van 1439/40 door Henricus Pauli ingenomen. Het raadsboek zwijgt van de benoeming; doch
uit een besluit van 1449 Vryd. na Pinkst. blijkt, dat toen het „clerckampt open" was, „overmits
gebrec ons cleres op dese tijt". Van der Meer word verbannen na de overrompeling van
Utrecht door bisschop Rudolf in 1449. (Burman, Utr. jaarb. III p. 131, 147, 148, 199.)
4)  Raads dag. boek 1449 Vryd. na Mauritii: „Dio raet out onde nywe hebben eendrachtolic
gegont ende gegeven Rycout van der Horst der stad clarekampt, in allen manieren als dat
Hermannus van der Meer voirtijts te hebben plach."
ü) Raads dag. book 1410 Saterd. na St. Victoris: „Dodo Tyelman van Usler syncn oedt,
der stat clercampt truwelic te bedienen, na uutwysinge der overdrachten, so die in den
boocke bescreven staet anno 1440 enz." Hij werd ontslagen na de inneming der stad door Maxi-
miliaan in 1483. Zijn grafsteen in het Stedelijk museum van oudheden No. 164 zegt: „Int
jaer ons Horen 1489 op den 29 dach in den Aapril stol lf Tielmannus Momfelen van Usselaer.
Got hob sijn siel.\'-\'
C) Raads dag. boek 1483 Vryd. na Remigii: „Meyster Ffloris Tzwinnen is angenomen van
out rait ende nyewe voer enen secretarius oft der stat clerck, ende heeft zynen behoerliken
eedt gcdaon; onde men hoeft hem toegeseyt behoerliko brieven daervan te geven."
7)  Raads dag. boek 15C9 Saterd. op St. Gelisd. 1 Sopt.: „Alsoe onser stadt clerekanipt
overmits doedo meyster Florens Tzwinnen zaliger gedachten open geworden ende weder
vry aon onser stadt gecomen is, soo hebben scepenen, raido endo gemeen ondermannen dit
voirseydo ampt gegunt onde gegeven Valentyn van der Voert, meyster Florens voirseyt neefl\',
in alre manieren als meyster Florens zijn oem voirseyt; dat int lest zijns levens to hebben
plach enz.\'\'
8)  Reken. v. d. 2on kameraar 1539/40: „Jacob van dor Voort, van wogen Valenten van der
Voort, socrotarius was saliger gedachton, onde oick van zynre wegon, betailt dio sommo van
tachtich ponden uut saicke zy daervooro desor stadt als socretarien, alse Valontijn voirsoyt
-ocr page 12-
XII                                     GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Jacob van de Voort. 1551—1573 1).
Gosen van de Voort. 1573 vlg. 2).
Men meene evenwel niet, dat deze personen allen in dezelfde ver-
houding tegenover de stad stonden : in den loop der tijden is ook
in dit opzicht eene langzame ontwikkeling merkbaar. De oudste schrijver,
die in dienst der stad Utrecht voorkomt, is Matheus Eremberti de
Trajecto, die in 1298 de akte opmaakte, waarin de stad bisschop
Willem van Mechelen bij den paus aanklaagde 3). Hij noemt zich
<sacri imperii auctoritate judex ordinarius et notariuss en zal zonder
twijfel, evenals in 1294 4) de notaris Erembertus Henrici de Trajecto
(denkelijk zijn vader), als gewoon notaris voor verschillende corporatiën
en partikulieren werkzaam zijn geweest: zoo toch was de algemeene
gewoonte. Sedert wij in 1291 bisschop Jan van Sierck door den paus
zien machtigen, om vier personen op pauselijk gezag tot notarissen
aan te stellen 5) («cum personarum, quae contractus legitimos, acta
judiciorum et alia hujusmodi redigant in publica munimenta, defectus
in illis partibus habeatur» 6)) en sedert in 1294 en 1298 de bovenge-
noemde Erembert Henricssoon en Mathijs Erembertssoon van Trecht
voor ende nae zijn doot Jacob voirseyt, dosen goholon jaore gedient hebbon, blyckendo by
quytantie, inhoudende die voorgcruerdo somme van LXXX ft?." Ter zijde staat: „Loquatnr,
want Valcntijn soe lang niot gelooft en boeft. Dio burgermeesters scggcn, dat Jacob die
plaotso van zynen vader bcwairt beeft ende dairtoe gesurrogueert was by provisie
tonselven wedden ende emolumenten." — Reken. v. d. 2en kameraar 1540(41: „Meester Claos
de Clorcq, pensionarius ende secrotarius deser stadt van Utrecbt, betailt dio somme van
tweehondert sess ende derticb ponden, uut saicke by dairvoire desen gebelen jaer als pensio-
narius endo secretarius van deser stadt gedient . . . beeft enz."
1)  Iïaads dag. boek 1551 Jan. 5: „Die rayt der stadt van Utrecht, gohoort hebbende
tvorsueck van Mr. Niclaes de Cierck, alsnu wesendo pensionarius ende secretarius der stadt
van Utrecht, alse dat by wel zoude willen attgaon ende cederen opt believen endo consent
van den rayt voirseyt ende tot commoditeyt ende proufijt dorsolver stadt, secretariscap der
voirseyder stadt tot bohouff van Jacob Valentijnss. van der Voert, nu ter tijt zijn substituyt,
ende dat elcx zijn officium voirtaen bewaoren ende bedienen zoude nae behooren ende zulex
die rayt hem elcx ordineren sonde, soe heeft die rayt soovole in hem is int versueck voirseyt
geconsenteert endo consenteert by desen tot haorder wederseggen, ende all by provisie ter
tijt toe anders geordonneert zall zijn, ende dat opte diensten, wedden ende proufyten, van elcx
voirtaen te doen endo te genyeten zoo hiornao volcht." Volgen de instructiën van den
pensionaris (Mr. N. de CierckI en don secretaris \'J. Vz. van der Voert). — Haads dag. boek
1551 Jan. 12: „Jacob van der Voort Valentünss. beeft op huyden openbaorlicken zynen
behoirlicken eedt gedaen als secretarius der stadt van Utrecht, zoe hiernae volcht."
2)  Iïaads dag. book 1573 Augustus 13: „Op huyden is Gosen van der Voort by schout, burger-
meesteren, scepenon ende rade doscr stadt angenomen als secretarius deser stadt, in do
plaitse van Jacob van der Voort, zynen vader, ondo heeft daerop zynen eedt gedaen in dor
vougen hiernae volgende"
3)  Gedrukt door mij in: Bijdr. on medcd. Hist. Gen. IX p. 35.
i) Invontaris v. h. archief van het kapittol van St. Pieter No. 379. („Sacri imperii publicus
auotoritate notarius."; Hij komt later, in 13)1, voor als kanunnik van Oudmunstor. (Ch. dd.
1301 Febr. 28. Arch. v. Oudm.)
ü) Het oudstbekondo voorbeeld van notarissen, door of namons. don paus benoemd, in
Duitschland. (Vgl. Bresslau, Urkundenlohro. I p. 473.)
6) Brom, BuUarium Trajoctenso. I p. 171 (No. 394). — Het verlof word in 1318, 1323 en
1343 door don paus ten bchoevo van do bisschoppen Froderic van Siorck, Jan van Diost on Jan
van Arkel herhaald voor drie, twoo en drio notarissen. (Brom 1. c. I p. 260, 290, 433.)
-ocr page 13-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XIII
als keizerlijke notarissen optreden i), begon het langzamerhand te
Utrecht te wemelen van notarissen, die in de hoven der officialen van
den bisschop en de aartsdiakens zoowel bezigheid als onderhoud vonden.
Het lag dus voor de hand, dat men althans hier (zooals trouwens in
de meeste steden 2)) een notaris koos, als men iemand met het op-
maken van akten of ander schrijfwerk ten behoeve van het stedelijk
bestuur wenschte te belasten 3). Maar het schijnt zeker, dat de aldus
bevoorrechte notarissen nog geenszins als eigenlijke stadsambtenaars
moeten beschouwd worden: aanvankelijk werden zij waarschijnlijk, als
men hun het opmaken van akten ten behoeve der stad opdroeg, daar-
voor telkens per stuk betaald.
Allengs is in dezen toestand verandering gekomen: wanneer wij
in 1329 en 1330 een cscriptor civitatis» («onser stadt schryver») ont-
moeten, mogen wij aannemen, dat deze door een eed aan de stad
verbonden was en een vast traktement (zij het ook aanvankelijk geheel
of grootendeels in kleederen bestaande) genoot. Nauwer werd natuurlijk
de betrekking van den «scriptor civitatis» tot de stad, sedert in de
laatste helft der 14e eeuw stedelijke registers werden aangelegd. Was
er vroeger zeker niet veel schrijfwerk ten behoeve van de stad te
verrichten, thans werd dit anders: de klerken hadden een bepaalden
werkkring en moesten althans op vaste tijden in de week, als de raad
vergaderde, op het raadhuis werkzaam zijn. De stadsklerk van die
dagen is dan ook niet meer te beschouwen als een gewoon notaris, die
de stad bedient op geheel dezelfde wijze, als hij bij voorkomende
gelegenheden ook ten dienste van partikulieren werkzaam is. Deze
conclusie wordt bevestigd door hetgeen ons bekend is van de posilie
van den tweeden Jan Tolnaer, die als stadsschrijver voorkomt in 1376—
1402. Tolnaer was geen notaris 4) en kon dus ook, als de stad
1)  De oudstbekende voorbeelden van notarissen, die geeno Italianen waren, in Duitschland.
Bresslau (Urkundonlehre. I p. 473) kont slechts één ouderen notaris in Duitschland: Gorardus
de Sesyriaco in 1292.
2)  Zie b.v. Deventer, waar de juratus notarius civitatis in 1330 voorkomt, on waar de titu-
larisson van 1340 en 1345 als keizerlijke notarissen voorkomen. (V. Doorninck, Cameraarsrok.
v. Deventer. Inl. p. XXX.)
3)  De zoogenaamde reformatie van keizer Sigismund dd. 1438 verlangt zelfs, dat elke rijksstad
oenen notaris tot stadsklerk aanstelle, omdat allo gewichtige zaken „verinatrumentot" plegen
te worden. (Bresslau, Urkundenlehre. I p. 551.) Trouwens or was alle aanleiding, om alleen
bovoegde porsonon tot stadsklcrkon aan te stollen: do raad van Utrecht verklaarde in 1440
(Raads dag. boek 1440 Vryd. na Pinkst.1, dat hij „overmits gebroe ons clores op deso tijt, die-
welc siin hant een volcomen getmich waer,
endo so nu ons clerekampt opon is, ... tot enen
volcomon gotuyeh der stat singot op elke cedel gedruct" heeft.
4)  Dit wordt reeds waarschijnlijk door do boven (p. \'X Noot 6) aangehaalde plaats van 1392>
waaruit blijkt, dat hij burger was: een notaris toch, dio steeds do lagoro goestelijke wijdingen
(die het huwolu\'k niet belotten) bezat, kon geen burger zijn. Doch bovendion werd de boven
(p. X Noot 7) aangohaaldo akte van 1376 opgemaakt door den keizorlijken notaris Ghisclbort
Jonckaort „in domo inhabitacionis Johannis Tolnaer, soriptoris dicte civitatis Trajoctensis,
presentibus Johanne clerc fllio Tydomanni Scrodekiin ... et Johanne Tolnaor predicto, eivibus
Trajectonsibus." Zulk oene handclwh\'zo b\\j hot opmakon oenor akte ten behoeve van do stad
ware ondenkbaar, als Tolnaer zelf notaris geweest was.
-ocr page 14-
XIV
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
notariüele akten behoefde, die niet opstellen; wij zien nu naast hem
(en boven hem) een notaris Geeraerd Heerman aanwijzen als ider stat
notarius» en daarvoor emolumenten van de stad genieten 1). Het is
dus duidelijk, dat de stadsklerk destijds, behalve het opmaken van
akten bij voorkomende gelegenheden, ook reeds geregeld andere werk-
zaamheden te verrichten heeft, waarvoor hij trouwens een vast loon trekt.
Maar van den anderen kant mogen wij toch den stadsklerk van
omstreeks 1400 nog volstrekt niet beschouwen als een stadsambtenaar
in den zin, dien wij aan dat woord hechten. De meeste stadsklerken
bleven tegelijkertijd werkzaam als notarissen en stonden in die qualiteit
aan de officialen en ook aan partikulieren ten dienste. Den oudsten
Jan Tolnaer (als stadsklerk in 1341 vermeld) vinden wij waarschijnlijk
in 1330 als getuige bij het opnemen der rekening van den tol te
Renen door den bisschop 2); doch zeker in 1333 als procureur van
het kapittel van St. Pieter in een proces voor den officiaal van den
Domproost 3), in 1337 als notaris in eene overeenkomst van het Dom.
kapittel met den Domproost over de rechten der proosdij 4), en in
1364 weder als notaris bij het opmaken van akten voor de kapittelen
van Oudmunster en St. Pieter over \'s bisschops visitatierecht 5). Ook
de stadsklerk Henricus Pauli (1403—1440) treedt herhaaldelijk op als
gewoon notaris bij het opmaken van oorkonden ook voor andere
corporatiën als de stad Utrecht 6). Wij moeten ons dus de positie
van den stadsklerk in deze periode denken als b.v. die van den vroe-
geren stedelijken pensionaris of van den tegenwoordigen stadsadvocaat,
die tegen genot van een vast traktement de zaken der stad behartigt,
wanneer ze zich voordoen, doch overigens vrij is zijn tijd te wijden aan
zijne eigene belangen of aan die van anderen.
Eerst in 1440 werd de stadsklerk geheel als vast ambtenaar aan de
stad verbonden 7): voordat men Herman van der Meer tot opvolger
van Henricus Pauli aanstelde, maakte de raad eene cordinancie opter
1) Rekening v. d. len en 2en kameraar 1402/3. Op dezelfde wijze is gewis do in do vorige
noot vormclde notaris Glüs. Jonckaert werkzaam geweest.
3) Muller, Heg. en rek. v. li. bisdom Utr. I p. 266.
3)  Oh. van 14 October 1333. (Arcli. St. Pieter. No. 1. fol. 100 vs.)
4)  Ch. van 5 April 1337, opgenomen in H. "Wstinc\'s reclitsboek van den Dom. (HS. van het
kap. v. St. Pieter. Inv. No. 3. fol. LXV vs.) Hij heet daar „Johannos dictus Tolnaer do Ghono
clericus Trajectonsis, publicus imperiali auctoritate notarius."
5)  Ch. v. 9 Februari 1364, onder do te Clieltenham aangekochte charters van St. Pieter.
6)  B.v. in 1110 bij het opmaken eener akte van de uitspraak van den proost van St. Jan
in een geschil tusschen het kapittel van St. Pieter en den heer van Buren. (Eeg. van St. Pieter,
No. 762.)
7)   Op Donderd. na O. L. V. Nativitas 1445 besloten raad oud en nieuw, om de stads-
ambten voortaan allen te vorloten of te verkoopen, behalve het ambt van stadsklerk. „Item
na dier tijt noch oick daerbovooren," zegt de stadsklerk Valentijn in de memorie, vermold
hierna No. 823, „en heeft die stadt hoer clerckampt voirsoyt nyo vercoft, nier altyt enen man,
dio hem nut ende bequaeiu dairtoo heeft gedocht, dairmedc uut gracien versyen endo begtfticht
gehadt, omdat se (als men merekon mach) wederom te meer gebots dairover hebben souden."
-ocr page 15-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                     XV
stat clerckampt» i), waarvan het eerste artikel luidde: «In den yersten
van deser tijt voert soe en sell gheen man, die der stat clerc wezen
zeil, niemant anders dienen dan alleen die stat van Utrecht in gheeste-
liken off in weerliken zaken» 2). Daarmede was dus de betrekking van
stadsklerk tot een bepaald ambt gemaakt en hem de verplichting
opgelegd, om zich uitsluitend aan stadsbelangen te wijden. Het ligt
voor de hand aan te nemen, dat de toeneming van het schrijfwerk ten
behoeve van de stedelijke administratie ook aanleiding gegeven zal hebben
tot het inrichten van een geregelden dienst op het raadhuis. Doch wij
behoeven dit niet te gissen: het tweede artikel der bovengenoemde
instructie van den stadsklerk luidt aldus: «Voert soe sel een clerc
in der tijt op Hasenberch boven off beneden, daer hem die overste
out ende nywe wysen zeilen, een scrijfstede maken, daer hy off zijn
knecht daghelijcx zitten ende wesen zeilen, den oversten in der tijt
ende onsen borgeren 3) te dienen met scrift van des zy behoeflic
wezen zeilen.» Het blijkt dus, dat er op het raadhuis voor 1440 nog
geene «scrijfstede» was, en het is dus ook zoo goed als zeker, dat het
«daghelijcx zitten» van den klerk of zijn knecht op het raadhuis almede
in 1440 eene nieuwigheid was.
1)  Rechtsbronnen van Utrecht. I p. 331. (Rooso. CCXIX.)
2)  De latere stadsklorkon komen nog herhaaldelijk als notarissen voor in akton, niet voor
de stad opgemaakt; doch bijna altijd in de jaren voor of na den tijd, dat zij in stadsdienst
waren. Zoo Herman van der Meer in 1430 als notaris van den bisschoppelijkon officiaal in
een erfpachtbrief van het kapittel van St. Pietor (Reg. v. St. Pieter No. 941\\ — Tielman
Momfelen in 1452/3 en 1457 als notaris van het kapittel van St. Marie (Liber pilosus /. f. —
Lijst van het kapittelarchief van Momfelen\'s hand in 8°.) en in 1487—1489 als „notarius ot
scriba juratus capituli ecclesie S. Salvatoris Trajectensis." (Formuliorboek v. h. kap. v. Oud-
munster uit de 14e eeuw i. f.) Het rekenboek van Fl. Tzwynnen als notaris van don officiaal
(hierna No. 815) eindigt dan ook juist in 1483, toen hij tot stadsklerk benoemd werd, en nog
Val. van der Voort verklaarde in 1525 (zie hierna No. 823), dat hij „zekere andere goedo
profltelickc dyensten dairom (d. i. wegens zijno benoeming tot stadsklerk) laten most ende
noch moet." In hoofdzaak werd dus de bepaling van 1440 gehandhaafd. Maar er komen toch
wel uitzonderingen voor: zoo treodt Herman van dor Moor in 1443 tweomaal op als notaris in
stukken, waarin de stad slechts indirect betrokken was (Reg. v. St. Pietor No. 1087, 1098), en
zoowol het rekenboek als het protocol van Fl. Tzwynnen (hierna No. 818 en 20) leveren
verscheidene bewijzen, dat hij, al was hij niet meer goregeld als notaris van het officialaat
werkzaam, toch nog meer dan eens voor partikulioren tegen betaling schrijfwerk verrichtte.
3)  Uit deze mededeclingcn zou men kunnen opmaken, dat de klerk toch inderdaad ook par-
tikuliercu mocht bedienen; dezo conclusie zou echter onjuist zijn. Art. 10 derzelfdo instructie
licht dit punt eenigszins toe door te spreken van door den klerk goschrevono „zeendebrieven,
die onso borgers ce doen hebben van vorderscappon." Bij de aanstelling van Valentijn van der
Voort op 1 Sept. 1509 wordt dit duidolijker aldus omschreven (Raads dag. boek 1. c.): „Dat
Valentijn allo alsulko missiven oft brieven van behulpo, die onso borgeren behoeven zeilen
moegen, dio voor der stadt renthen ofto sculdon beset werdon, maken ende scrivon zei." In de
instructie van Jacob van do Voort dd. 5 Jan. 1551 wordt gezegd: „Endo voorts zeil hy die
proufyten van de partyen, alse van do burgergelden, machten, certification, missyven, extracten
ende andere scriftuoron te scryven, bobben ende gonyeten." Ik vat dus „zeondebrieven van
vorderscap" op als circulaires, openc brieven van do stad, dio iemand tor bevordering van
zijno eigene belangen niedenecmt, b.v. de verklaring, dat hij burger is en dus rocht hoeft om
to profiteeron van de stadsprivilogiëu van tolvrijdom; gewis worden bedoeld do zoogenaamdo
„attestatiën ende procuratiën" (hierna No. 22).
-ocr page 16-
XVI                                   GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Van het oogenblik, dat de stadsklerk zich zoodoende eene plaats
op het stadhuis veroverd heeft i), dagteekent het ontstaan der kanse-
larij. Ook toen echter mag nog niet geconcludeerd worden tot de
dagelijksche aanwezigheid van den klerk op het raadhuis, zonder daarbij
ééne belangrijke restrictie te maken. Toen de stadsklerk geregeld
ambtenaar der stad was, werd hij ook van zelf haar eerste ambtenaar.
Door zijn werkkring van zelf ingewijd in de geheimen der stad, was
het natuurlijk, dat zijn invloed voortdurend klom, en in eene middel-
eeuwsche stad, die altijd hare eigene politiek had, moest hij natuurlijk
ook min of meer een politiek persoon worden. Terwijl in de rekening
van 1402 nog een afzonderlijk persoon als «der stat procuratoer»
voorkomt 2), zien wij nu allengs den stadsklerk, die als notaris (en
dus met de rechten eenigszins bekend) en als vertrouwd persoon van
de stad daartoe de aangewezen man was, de stad in rechte vertegen-
woordigen en kleine diplomatieke missiën vervullen. Geen wonder dan
ook, dat zoowel Henric Stoeck als Herman van der Meer zijn gevallen
als slachtoffers, toen de stad door hare vijanden overrompeld werd.
Ook van Tijlman Momfelen vernemen wij, dat hij «veell.scriften ende
arbeyt gedaen heeft boven sinen dienst uut beveell der overster ende
gedeputierder in der saken tusschen onsen here van Utrecht ende den
Staten van den lande» 3) : en natuurlijk, ook hij werd het slachtoffer
eener revolutie.
De machthebbers van dien tijd schijnen echter het bezwaar, dat de
stadsklerk nu en dan buiten de stad afwezig was, niet bijzonder hin-
derlijk gevonden te hebben: de secretaris der stad bleef verrichten,
wat men in lateren tijd den pensionaris opdroeg. Eerst \'veel later,
toen de stad door de annexatie van het sticht en door hare onderwer-
ping aan Karel V reeds geheel opgehouden had eene eigene politiek
te hebben, dwongen de toenemende drukke bezigheden van den secre-
taris hem, zich tot zijn eigenlijk ambt te beperken. Het was in 1551,
dat Mr. Niclaes de Clerck, «alsnu wesende pensionarius ende secretarius
der stadt van Utrecht», verklaarde, dat hij «tot commoditeyt ende
proufijt der stadt» afstand van het secretariaat wenschte te doen ten
behoeve van zijn substituut. De raad keurde het plan goed en stelde
1)  Het moet erkend worden, dat dit te Utrecht bijzonder laat geschiedde: te Deventer werd
roods in 1345 eene afzonderlijke kamer voor den stadsklerk op liet stadhuis gebouwd. iVan
Doorninck, Do cameraarsreken. v. Doventor Inl. p. XXXI.)
2)  Reken. v. d. len en 2en kameraar 1402. — In 1298 komt in de aangehaalde akte van appel
do „clericus, advocatus curie Trajoctensis" Jan van Gent (Johannes do Gandavo) voor als
procureur dor stad Utrecht. Evonmin als de notaris Mathijs van Trecht was hjj alleen aan de
stad verbonden, daar hij in 1314 en 1318 voorkomt als procureur van het kapittel van
St. Picter en van don Domdoken. (Rog. v. h. kap. v. St. Pieter. No. 96. — Reg. v. stn. ov. do
rechten v. d. aartsdiaken v. d. Dom. fol. III vs. Arch. v. d. Dom: „cloricus advocatus in curia
Trajectensi, procurator docani.\'\')
3)  Reken. v. d. 2en kameraar. 1478/79.
-ocr page 17-
Geschiedenis van het archief.                          xviï
een pensionaris en een secretaris aan op twee afzonderlijke instruo
tiön i). Eerst sedert dien tijd kon de stads-secretaris zich geheel aan
zijn eigenlijk ambt wijden en was hij zonder twijfel dagelijks voort-
durend op het stadhuis aanwezig.
Reeds boven heb ik met een enkel woord medegedeeld, dat in de
tweede helft der 14» eeuw de stedelijke registers allengs ontstaan zijn.
De twee oudste, het Liber albus, het oudste stedelijke rechtsboek, in
drie exemplaren aangelegd, en de twee gelijkluidende exemplaren der
registers, thans aangeduid met de vreemde letters © 1 en 0 2, waarin
de voornaamste besluiten en vonnissen van den ouden en nieuwen raad
werden opgeteekend 2), dagteekenen beiden van 1342. In 1374 volgde
het Liber hirsutus minor, waarin de besluiten van den ouden en
nieuwen raad geboekt werden, terwijl in 1395 en 1398 de twee privi-
legieboeken werden aangelegd. Al deze registers zijn geschreven op
perkament: zij waren dus bestemd om te dienen ad aeternam rei
memoriam en zijn dan ook tot heden toe bewaard gebleven 3). Doch
ook andere zaken, die een minder ernstig karakter droegen, begon
men allengs op te teekenen, — zaken, die men tijdelijk wenschte te
onthouden, doch op den duur gemstelijk aan de vergetelheid meende
te kunnen prijsgeven, en die daarom op papier geschreven werden.
Wij bezitten eene kameraarsrekening van 1380; het publicatieboek
is bewaard sedert 1385 4); het Rode boec dagteekent van 1389, en
het boek Die roese in zijn oudsten vorm van 1392; de raadsbesluiten
van 1380 en 1387 worden vermeld 5), hoewel zij eerst bewaard zijn
sedert 1402, toen men, naar het schijnt, begonnen is ook de besluiten
van den oudraad in het resolutieboek op te nemen. In de kameraars-
rekening van 1402/3 vinden wij behalve de bovengenoemde registers
nog vermeld: een register van uitgaande brieven, een register van raads-
commissiën en nieuwe burgers, een manuaal van de stadsgoederen, een
manuaal van de lijfrenten, twee schepenboeken en eenige registers,
die niet nader aangeduid zijn. Later vernemen wij nog van een «weyboec»
(een register over het beheer der stadsweide), een «banboeck», een
lijfrenten- en erfrentenboek enz. 6).
1)  Raads dag. book 1551 Januari 5-
2)  Vgl. over dit register: Muller, Reclitsbr. v. Utrocht. lul. p. 363.
3)  Er waren er moer, tliaus vorloren: naast liet Witte book (Liber albus) bestonden in
1380 het Rode boec (niet het ons bekende, dat in 1389 werd geschreven op papier) en het
Swerte boec, en bovondien bezat men meer dan een perkamenten „boec van den oordelen"
(Kamer, roken. 1380/81. fol. 16 vs.); ook oen Liber glaucus, met stukken van 1371, wordt
vermeld (Recbtsbr. v. Utrecht. Inl. p. 385 Noot 2). Er zijn meer booken vorloren : Booth
noemt in zijne aantcekoningou sub Ullrajecliim nog: Liber furvus het Schoponrecht van
1456 ?), Liber flavus en \'t Houte libor glaucus, doch hun leeftijd bhjkt niet.
4)  Het wordt reeds in 1377 vermeld: Reeso. XXII 2. (Recbtsbr. v. Utrecht. I p. 190.)
5)  Zie: Muller, Rechtsbr. v. Utrecht. I p. 207 (Roese. LXU) en Inl. p. 377.
6)  Reken. v. d. len en 2en kameraar. 1402/3, 1427/28. — Reken. v. d. leu kameraar. 1431/32.
2
-ocr page 18-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XVIII
Natuurlijk moest rle raad dadelijk, toen zich op de bovenbeschrevene
wijze een archief der kanselarij begon te vormen, er op bedacht zijn,
waar dit geborgen moest worden. De «scrijfstede» van den klerk werd
reeds dadelijk als bewaarplaats aangewezen: hem werd opgedragen
«alle boiken, privilegiën, brieve ofte scriften, der stat van Utrecht aen-
dragende», in zijne kamer te deponeeren en niet van daar te verwij-
deren i). De raadsbesluiten («der stat dagelijcsce boiken») en de
brievenboeken worden onder deze registers met name vermeld; voor
de bewaring van losse papieren zijn gewis bestemd geweest de «kof-
feren», die in de «scrijfcamere» eene vaste plaats moesten hebben.
De «scrijfcamere» lag (wij zagen het reeds) sedert 1440 op het
huis Hasenberch 2), — een feit, op zich zelf vreemd genoeg. Immers
Hasenberch diende sedert het midden der i4e eeuw als schepenhuis .3),
en het is geheel onverklaarbaar, hoe de raad, die steeds in wedijver
was met de schepenbank, er toe is kunnen komen, hare kanselarij te
vestigen op het terrein harer mededingster, die daar, blijkens de eveneens
in 1440 gemaakte regeling 4), ook eene eigene kanselarij («scrijfcamer»)
had. Het is waar, de raad was niet ver van daar gevestigd. Het oudste
raadhuis stond (zooals te verwachten was) in de onmiddellijke nabijheid
der oudste parochiekerk: het was het zoogenaamde Schoonhuis op den
Steenweg ten noorden der Btturkerk.
De verhuizing van den raad, die in het laatst van 1536 het Schoon-
huis verliet 5), gaf den stoot tot maatregelen om den toestand van
het archief te verbeteren. Blijkbaar had het beheer van den secretaris,
zonder eenige controle, voor het archief geene goede vruchten ge-
dragen : wij kunnen vermoeden, dat vrij wat stukken vermist werden.
Althans de stadhouder, graaf van Hoogstraten, vond aanleiding zich
met de zaak te bemoeien en te gelasten, dat men «alle registeren,
brieven, munimenten, rekeninghen ende alle andere pampieren, der
1) Bedoeld word de centralisatie van liet goheele stadsarchief (behalve do chartors) in dit
depot: „in dor voerscreven camor ende nei\'</ent anders," staat er. Vooral op het „thuis-
dragen" dor archieven had men het blijkens art. 3 reeds in de 15e oeuw niet begrepen. Het
Rechtsbook van Den Briol (p. 75\' bevoelt nog bovendien uitdrukkelijk aan, dat er zorg ge-
dragen worde, dat na het overlijden van den klerk „sijn boken ende scriften van zaken, die
dos horen, dor steden of der poirtoren rocht aonrorcnde sijn," afgegeven worden: immors „sy
sijn sculdich te comen onder der steden."
~) Nog een raadsbesluit van 1491 Donrod. na Lucio beveelt, dat do burgcmoosters alle aan
de stad gerichte brievon bij hun aftroden zullen deponooren „op Hazenberch in die middelste
camer, daor men die brioven in ordinantie in eonro kisten besluten zei."
3)  Nog in do Ie kamoraars-rekoning van 1530/37 (fol. tl vs.) wordt gesprokon van „der
scoponon huys genoemt Hasenberch."
4)  Rechtsbr. v. Utrecht. I p. 330. (Roeso. CCXVIII.)
5)  Hot octrooi van Karol V, waarbij liet huis Lichtenberch uit het leonverband ontslagen
werd, dd 9 Februari 1537, zegt, dat het Schoonhuis „onlangs" ingoricht werd tot een „halende
coophuys." In het Raads dagolijksch book van 1540 Augustus 4 wordt het gebouw genoemd
„deser stadt oude raythuys, nu desor stadt coophuys genoempt." Het werd in 1014 door de
stad verkocht.
-ocr page 19-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                    XIX
stadt van Utrecht aengaende, rustende onder meester Valentijn secretarys,»
van dezen zou overnemen op eenen in duplo opgemaakten inventaris,
waarvan een exemplaar zou gelegd worden «in de kiste» i), terwijl
het andere zou blijven in handen van den secretaris zelf. Een nauw-
keurig onderzoek naar archiefstukken, die in handen van partikulieren
waren gekomen, zou volgen. Het geheele archief zou worden «gestelt
in goeden bewaernisse ende oerdene opt stadthuys ter plaetse, daer die
wel bewaert zullen zijn, ten eynde dat in toecomende tyde die stadt in
geen zwaricheyt en come, by gebreke van eenige registeren, brieven
ende pampieren, die men soude moegen vermissen». Voor de bewaring
van het archief zou een afzonderlijk vertrek («camptoir») ingericht wor-
den, «ende totten camptoir, daer die voorseyde registeren, pampieren
ende anders inne bewaert zullen worden, zal men maecken twee sloe-
telen, daervan deen hebben zal de overste burgermeester ende dander
de secretarys der voorseyde stadt Utrecht» 2).
Indien deze maatregelen zijn uitgevoerd, dan is er omstreeks 1540
op het Utrechtsche stadhuis eene afzonderlijke archiefkamer ingericht,
waarin het stadsarchief welgeordend opgesteld en geheel geïnventari-
seerd is. Doch ik meen, dat er reden is te betwijfelen, of men het
schoone plan inderdaad verwezenlijkt heeft. Niet onwaarschijnlijk heeft
de onzekere toestand van de kostbare charters der stad, die (naar wij
zagen) sedert 1528 geene vaste bewaarplaats hadden, tot de bezorgd-
heid van den stadhouder aanleiding gegeven. Inderdaad kan zijn bevel
den stoot gegeven hebben tot het stichten der overkluisde kamer in
het nieuwe stadhuis, die wij reeds vermeldden, en mogelijk is toen
ook de eerste inventaris der stedelijke charters opgemaakt, waarvan wij
nog eene omwerking bezitten. Doch van een ouden inventaris van het
kanselarij-archief is geen spoor bewaard gebleven, en zelfs het bestaan
in de i6e eeuw van eene afzonderlijke kamer voor dit archief wordt
onwaarschijnlijk, daar wij de verzameling later (wanneer wij zijne
verdere lotgevallen zullen bespreken) in de stedelijke secretarie zullen
terugvinden.
§ 3. Het archief der schepenbank. — Het raadsarchief was geens*
zins het eenige, dat de stad Utrecht in de middeleeuwen bezat. Niet
minder oud dan het archief van de raadskanselarij was dat van de
schepenbank. Maar veel minder is ons van de geschiedenis van dit
depot bekend, en de leemten in onze kennis kunnen hier minder goed
dan bij het raadsarchief aangevuld worden, omdat van het schepen-
archief vóór het jaar 1500 slechts zeer onbeduidende overblijfselen
zijn bewaard gebleven.
1)  Namelijk in de stedelijke charterkast. (Zie hiervoor p. VI Noot 4, 5.)
2)  Ordonn. v. d. graaf van Hoogstraten dd. 26 Jan. 1537, in: Kron^jk v. li. Hist. genootschap.
1858. p. 191 art. 8. — Een „comptoir"\' kan trouwens ook beteekenen eene kast.
-ocr page 20-
x\\
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Het schepenarchief schijnt ontstaan te zijn kort na het raadsarchief,
omstreeks het midden der 14e eeuw. Een perkamenten schepenregister
over 1350—1390 schijnt nog (buiten het stedelijk archief) te bestaan 1);
het register van vonnissen, gewezen door de schepenen en de oud-
schepenen (N<>. 672), dat voor de vorming van het stedelijke recht eene
bijzondere beteekenis had 2), begint met 1351 3); het register van de
afkondigingen der overgedragene vaste goederen (No. 708) wordt in
1378 vermeld 4). Doch hoewel het schepenarchief dus bijna even oud
was als het raadsarchief, schijnt het op verre na niet den omvang
daarvan verkregen te hebben. Waarschijnlijk heeft men zich behoudens
de uitzonderingen, voor bijzonder gewichtige stukken gemaakt, aan-
vankelijk bepaald tot den aanleg van ééne serie registers, waarin de
korte inhoud van alle akten der vrijwillige rechtspraak werd aange-
teekend, terwijl de minuten in extenso los daarbij lagen. Niet onwaar-
schijnlijk is zelfs de gerechtsrol met den korten inhoud der civile
sententiën aanvankelijk in deze registers opgenomen 5).
Zulk een primitieven toestand vinden wij in de archieven van vele
kleine gerechten nog in de i8u eeuw. Te Utrecht is de in 1378 voor
het eerst vermelde 6) serie van dergelijke registers nog in 1500, wanneer
wij haar kunnen bestudeeren 7), weinig veranderd: alleen de gerechtsrol
met de vonnissen komen dan niet meer in de primitieve registers voor.
Nog tot 1552 duurde deze toestand voort: toen werden naast de oude
registers (de zoogenaamde Plecht- en procuratieboeken, No. 703) twee
andere seriën aangelegd, waarvan de eene de afschriften der gepas-
seerde transporten en plechten (N°. 705), de andere die derzoo genaamde
«Alderley acten» (N°. 711) bevatte. Het oude register zelf werd
verder in 1558 gesplitst in twee seriën, waarvan de eene aanteekenin-
gen betreffende plechten (schuldbekentenissen) (N°. 706), het andere
betreffende procuratiën (N°. 707) bevatte.
Was dus het schepenarchief voor het midden der 16° eeuw niet
volumineus, ook de blijkbaar slordige bewaring moet nog een ongun-
stigen invloed op den omvang daarvan geoefend hebben. Reeds in
1)  Het berust volgens den inventaris in hot archief van het huis Almelo. Ik heb hot stuk
nog niet kunnen zien.
2)  Vgl. Muller, Rechtsbr. v. Utrecht. Inl. p. 390/91.
3)  Het wordt vermeld: Libor liirsutus minor. XXV 1 (Rochtsbr. v. Utr. I p. 87). Hot thans
aanwezige exemplaar is eene kopie over 1351 — 1447, uit de eolloctie Booth door do stad ver-
kregen Er heeft een vervolg daarop bestaan. (Zie: Muller, Rechtsbr. v. Utr. Inl. p. 397.)
i) Liber hirsutus minor. I.XXIX 1 (Rechtsbr. v. Utr I p. 123).
5) Althans in 1546—1548 komt zulk eon „dagelijksche lap" plotseling weder voor. (Zie hierna
No. 703 Noot.) — Daar de crimineole rechtspraak bij den raad berustte, kwanion rogisters betref-
fende crimineele zaken niet in aanmerking, behalve in tijdelijk abnormale toestanden, waarop
betrekking hebben do registers No. 055 en 050.
0) Liber hirsutus minor. LXXIX 1.
ï) Zie de serie, bewaard sedert IIUP, hierna onder No. 703.
-ocr page 21-
XXI
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
1637 toch bevatte het oudste gedeelte van het schepenarchief in hoofdzaak
niets meer dan thans 1). De plecht- en procuratieboeken met de minuten
van akten begonnen toen evenals nu met 1500; ook van het transport-
register en van het afkondigingsboek waren geene oudere deelen dan
de thans bewaarde van 1552 en 1514 overgebleven. Alleen van de
Alderley—acten—registers zijn sedert 1637 drie deelen over 1552 —1565
verloren 2), terwijl dit voor de civile en crimineele sententieboeken
onzeker is, daar het jaartal der oudste in 1637 bewaarde deelen dezer
seriën niet opgegeven wordt 3). Alles, wat voor 1500 den inhoud van
het schepenarchief had uitgemaakt, was dus reeds in 1637 verloren.
De gebrekkige ontwikkeling en de slordige bewaring van het middel-
eeuwsche schepenarchief is wellicht te wijten aan het ontbreken van
een schepenklerk in de oudste tijden. Eerst in 1427 vindt men zulk
een ambtenaar vermeld 4). Dit kan toevallig zijn; doch onmogelijk
is het niet, dat in de stad Utrecht, waar men de notarissen slechts voor
het kiezen had, deze dignitarissen tot 1427 regelmatig de zittingen van
het gerecht hebben bediend, evenals zij dit voor de geestelijke recht-
banken gewoon waren 5). Het verdient althans opmerking, dat het
verbod, om anderen dan de stad te dienen, dat aan den stadsklerk in
1440 gegeven werd, in de oudste instructie van den schepenklerk van
hetzelfde jaar niet voorkomt: alleen wordt hem in art. 2 verboden,
om zich als advocaat te laten gebruiken in zaken, die voor de schepen-
bank
thuis behooren 6).
Het schepenarchief zal natuurlijk geborgen zijn geweest in het
gebouw, waar de schepenbank gevestigd was. De oudste verblijfplaats
van schepenen, die ons bekend is en die zeker ook wel de alleroudste
is, lag, evenals het oudste raadhuis, in de onmiddellijke nabijheid der
1)  Hot voor do hand liggende vermoeden, dat tijdens liet verblijf van liet archief op de zol-
ders der rechtbank in het begin dezer eeuw al het oudere verloren kan zijn gegaan, wordt
niet bevestigd. Zie eene korte opgave van den inhoud van het archief in 1637 van de hand
van Dr. C. Booth, gebonden achter in het van Bondam afkomstige oxemplaar van den stede-
lijken charter-inventaris.
2)  Booth vermeldt 14 Alderley-acton-registron over 1552 tot 1636. De thans bewaarde serie,
beginnende niet 1565, telt tot 1636 4 deelen en lacunes van ongeveer 7 deelen.
3)  Het is echter gewis niet toevallig, dat do oudste thans bewaarde civilo en crimineelo
sententieboeken juist beginnen na do twee stedelijke ordonnantiën van 1532 en 1550. Zoo er
oudere sententieboeken bestaan hebben, zullen dio gewis een ganseh anderen vorm gehad
hebben, die zich niet aansloot bij dien van de sedert de ordonnantiën van Karel V aange-
legdo registers.
4)  „Tyman Janss. der schepenen schryver," door Dr. C. Booth in het boven (p. X Noot 3)
aangehaalde registertje met het jaartal 1427 aangehaald uit „Keg. 4." In 1428 komt reeds
voor „Dirck Bor der scepen scriver." (Baads dag. book 1428 Vryd. na St. Cath.)
5)  In dat geval zal het schepenarchief voor 1427 niet veel betoekend hebben : do notarissen
voor de geestelijke rechtbanken schijnen althans alleen aanteekening van het voorgevallene
op de zittingen gehouden te hebben in hunne partikuliero registers, die zij medenamen.
6)  Zie deze instructie: Eechtsbr. v Utrecht. I p. 330 (Roese. CCXVIII). Alleen de artikelen
6—9 zijn trouwens nieuw: de rest was blijkens hot Raads dag. boek v. 1428 Vryd. na St. Cath.
reeds toen vastgesteld bij de aanstelling van Dirck Bor.
-ocr page 22-
XXII
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Buurkerk, doch ten westen daarvan op het Buurkerkhof i). Toen de
schepenbank tusschen 1343 2) en 1359 3) verhuisde naar het huis
Hasenberch, heeft zij haar archief, zoo dit toen reeds bestond, natuurlijk
medegevoerd. Omtrent de oudste bergplaats daarvan zijn geene bijzon-
derheden bekend: alleen blijkt het uit de cordinancie van dat scepen-
klerckampt» 4), dat erin 1440 eene «scrijfcamer» bestond, die natuurlijk
op het schepenhuis (Hasenberch) moet gelegen hebben. De verhuizing
van den raad in 1536 naar het naast Hasenberch gelegene gebouw
Lichtenberch schijnt geene noemenswaardige veranderingen voor het
schepenarchief ten gevolge gehad te hebben. Althans de secretarie van
het gerecht en het schrijfvertrek van de klerken dier secretarie lag nog
in de 17e eeuw beneden in Hasenberch; wij moeten aannemen, dat
daar van ouds het archief bewaard werd.
Charters kan de schepenbank uit den aard der zaak niet bezeten
hebben, zoodat wij naar eene afzonderlijke bewaarplaats daarvan niet
behoeven te zoeken.
§ 4. Het archief der ouder mannen. — De derde afdeeling van het
middeleeuwsche stadsarchief was het archief der oudermannen, die
evenals de schepenen deel uitmaakten van den «menen raet.» Ook
over dit archief valt weinig mede te deelen. De instructie van den
klerk der oudermannen («dat scrijffampt voir die oudermanss) van
Dinsdag na St. Jan te Midzomer 1451 5) vermeldt alleen de verplich-
ting van den klerk, om «altoes als die oudermans opten huise sitten,
dairby te wesen, gelijc der stat clarc voir den rade is». Van de door
hem te houden registers wordt alleen genoemd een notulenboek, waarin
geschreven werden «alle zaken van overdrachten, gebliven, slitingen
ende wilcoren, die voir den oudermannen vallen ende geschien» 6):
een register dus , welks inhoud geheel analoog moet geweest zijn aan
dien van het raads dagelijksch boek (de raadsnotulen). Ook de vorm
van beide registers was dezelfde: immers de instructie bepaalt, dat
«dat boec, dair men desen overdrachten enz. in sel scriven, so groet
wesen zei alst voir den rade is», opdat men het niet jaarlijks zou
behoeven te vernieuwen. Zeker heeft het archief der oudermannen
1)  „Een huis ende hofstede, dio gelegen is aent westendc van Buurkerchof, dair Jaeob
van de Tyner wileneer op te woenon plach, ende dair der stat rechthnys van Utrecht voertijds
te staen pUtch aen die ziii/taide."
Charter van 1359 Woensd. na St. Lucas Ev. Arcli. Buurkerk.)
2)  In dat jaar werd Hasenberch door de stad aangekocht. (Zie dezen inventaris No. 243.)
X) Zie het charter van dat jaar, geciteerd hierboven Koot 1.
4)  Hechtsbr. v. Utrecht. 1 p. 330 (Rocse. CCXVIII).
5)  Raads dag. boek 1. c. — Latero instructién van 1487 en 1536: V. d. Water, Plac.b. III p.
313,258. (Ook de oerstgenoemdo hooft op den oudorniansklerk betrokking: vgl. Muller, Rechtsbr,
v. Utrecht. Inl. p. 261.)
6)  Dit register wordt, als „der oudermans boeck onder der clereken bant," ook vermeld
in 1464 (V. d. Water, Placaatb. III p 88 art. 7), — nogmaals in 1484 (1. e. III p. 313 art. 6) —
eu eindelijk nog in 1536 1. c. III p. 258 art. 9, 12).
-ocr page 23-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                XXIII
meer registers bezeten, die op de rechtspraak van het college betrek-
king hadden, doch wij weten daarvan slechts zeer weinig i). Zonder
twijfel was het geheele archief geborgen in een vertrek achter op het
Schoonhuis (het oude raadhuis); immers de oudermannen waren
gewoon daar te vergaderen, en dit gedeelte van het raadhuis heette
dan ook het «Oudermanhuys» 2).
Behalve dit archief, dat van de kanselarij der oudermannen af-
komstig was, bezat het college echter een archief van geheel andere
soort, dat (stellig ter veiliger bewaring van den kostbaren inhoud)
geborgen was in «der ouderman kiste», die in de sacristie der Buurkerk
stond 3). In die kist zullen in de eerste plaats geborgen zijn geweest
de registers, waarin de rechten van het college omschreven waren, de
rechtsboeken van het oudermansrecht 4), en verder charters, die de
rechten der gilden in het algemeen betroffen ; wij weten dit niet met
zekerheid, doch het ligt in den aard der zaak. In de tweede plaats vond
men in de kist eenige registers, behoorende tot het stadsarchief, doch
waarover de oppermachtige gilden zich zekere controle hadden voor-
behouden, zooals een der drie exemplaren van het Liber albus (het
oudste stedelijke rechtsboek) 5) en een der beide exemplaren van het
oudste register van besluiten van den ouden en nieuwen raad 6). In
de derde plaats vond men er charters en wellicht ook andere stukken,
behoorende aan partikulieren, die de eigenaars, hetzij om de veilige
1)  Zoo wordt in eono ordonnantie van 1484 (V. d. Water, Plaeaatb. III p. 313 art. 10) ver-
meld „oon boeck, (waarin) geteykont zeilen (worden) diegene, die geboden werden endo niet
voir en koenien"; zeker hetzelfde boek, waarin vlg. art. ö werd aangeteekond, dat de eischer
den decisoiren eed had afgelegd. — Vgl. ook: Kechtsbr. v. Utr. I p. 338 (Hoese. CCXXII
art. 3) dd. 1441.
2)  Gildenbrief v. 1450 („after opt Oudormanhuis.\'\' V. d. Wator, Placaatbook. III p. 77). —
Overdracht v. 115") art. 10, 11 (1. c. III p. 79). — Gildenbrief v. 1455 art. 4 f,after opter Ouder-
maii lmys." 1. c. III p. 81). — Eaminge van 1491 art. 5 („after op dat Ouderiuanhnys." 1. c. III
p. 89). — Gildenbrief v. 1491 art. 5 („broeken, after opten liuse gesleten." 1. e. III p. 91). —
Raadsbesluit v. 1493 („after opten buse zijn gescict ute oudermannen". 1. c, III p. 92). —
Vgl. Raads dug. boek 1489 Donrod. na Seolastico: „Itom sellen die oude oversto oudermans
mitton gemeynen oudermans weder eomen opter onderman huys ende zeilen berechten van
den vijif boscrovon punten ende van hoeren gilden, ende voert roer sitton van zaken alleno,
die de stadt ende lant aengaen." — 1. e. 1489 Manend, na Ass. Marie: „Item die overste ouder-
mans endo die oudermans, die rnon nu op onser Vrouwon avont Nativitatis kiosen zei, en
zeilen glieen regiment hebben, dan alleen van hoeren vijf punten te berechten after opter
ouderman hnys
ende hoer gilden, na iiutwysinge der ouderman boeck; dan als men van
statzaken spreket, zoo zeilen zy mede voer opten hitse zitten\'\' td. i. in den raad).
3)  Recntsbr. v. Utrecht. II p. 212: „in der onderman kiste, die nu in die Buerkerc in de
gervcamer staet." Xu; vroeger (d. i. voor 1390) stond ze dus denkelijk orgens anders.
4)  Zie b v. Recntsbr. v. Utrecht. I p. 273 (Roeso. CLIH art. 23): „na inhotit dor oudermanne
boeck". — Raadsbosluit van 1489 Maand, na Ass. Marie: „Item die overste oudermans ende die
oudermans ... en zeilen ghcen rogiment hebben dan alleen van hoeren vyf punten te beroch-
ten after opter Ouderman huys endo hoer gilden, na ttutwytiinge der ouderman boeck." (Vgl.
Rechtsbr. v. Utr. lol, p. 248.)
5)  Rechtsbr. v. Utrecht. I p. 88.
6)  Rechtsbr. v. Utrecht. lul. p. 363.
-ocr page 24-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXIV
bewaring te verzekeren of op bevel van den raad, daarin hadden
gedeponeerd i).
Wij kunnen den inhoud van het oudermansarchief slechts bij gissing
bepalen, want het is geheel verloren. In 1528, bij den val der stede-
lijke zelfstandigheid, werden aan het college dadelijk alle politieke
bevoegdheden ontnomen 2). Ook de rechtspraak van oudermannen,
voorloopig nog in gewijzigden vorm gehandhaafd, werd opgeheven door
de invoering van het regeeringsreglement van 1550 3). Dientengevolge
werd het ambt van klerk der oudermannen vereenigd met het ambt
van schepenklerk 4); men liet het archief van de kanselarij der ouder-
mannen berusten onder den laatsten titularis, die daaruit extracten zou
geven, wanneer de burgerij ze noodig had 5). Inderdaad een bewijs,
dat de raad geen prijs op het behoud van het archief stelde. Toen
het na eenige jaren alle belang voor de praktijk verloren had, is het
dus natuurlijk te gronde gegaan. Er is geen spoor meer van te vinden,
en ook de nog belangrijker inhoud van de oudermanskist is geheel
verdwenen 6).
S 5. De Utrechtsche landskist. — Thans blijft nog eene laatste
afdeeling van het stadsarchief te bespreken over: de Utrechtsche lands-
kist. In het ie diversorium van bisschop Frederik van Blankenheim
(1393—1423) wordt nu en dan een «kiste» vermeld, die als cdes stichts
kist» of «des lants kiste» wordt aangeduid 7). Deze kist (waarschijnlijk
eene kast met laden) bevond zich op de Catharijne-poort, dus in de
bewaarplaats der stedelijke charters; de sleutels waren echter niet in
het bezit van den raad, maar zij berustten onder de schepenen van
Utrecht en de vijf kapittelen, derhalve onder twee van de drie leden
der Statenvergadering van het Nedersticht. Eene dergelijke landskist,
waarvan de sleutels berustten onder ridderschap en steden (d. z. de
Staten) van het Oversticht, bevond zich in de sacristie der St. Lebuinus-
kerk te Deventer. De inhoud van deze kist is ons nauwkeurig bekend:
1)  Eeclitsbr. v. utrecht. II p. 212.
2)  Bechtsbr. v. Utrecht. Inl. p. 123.
3)  Beclitabr. v. Utrecht. Inl. p. 262.
4)  Aant. v. C. Booth in z\\jn bovenaangehaald 8vo registertje: „Gijsbert van der Voordt
Valentijnss. is geweest de laetste oudermannen-clerck, also vermits de ordonantie van Keyser
Cavel anno 1550 \'t selve ampt geannexeert is aen het schepenen-secretarisanipt.\'\' Als schade-
vergoeding werd aan Van der Voort cene lijfrente gegeven. iRaada dag. bock 1550 Sept. 24.)
5)  Baads dag. bock 1550 Sept. 24: „Oick sal Gijsbert onderhouden alsulcke rogistron van willo-
koern, als nu onder hem bemestende syn, onimc conon yegolycken daormode te geiïefen endc
betoen daervan onder sijn handt te geven naer behoiron."
6)  Slechts één stuk is ons daaruit overgebleven: een der beide exemplaren van het register 0
(No. 226 en 227).
7)  Ie Divers, v. bissch. Fred. v. Blankenheim. fol. 18: „Dio brieff is in des stichts kist
tUtrecht." — 1. c. fol. 21: „Ende den brieff dairvan sel men vinden tUtrocht up sunter
Katherinen poorte in des lants kiste." — 1. c fol. 30: „Der brieve sh\'n twee, een tUtrecht, die
ander tot Deventer in des lants kist." — 1. c. fol. 31: „(Littera) est in Trajecto in cista
scabinoruin, de qua capitula eciam habent claves".
-ocr page 25-
GESCHIEDENIS VAX HET ARCHIEF.
XXV
het blijkt, dat de daarin bewaarde stukken allen behoorden tot het
bisschoppelijk archief. Daar de vier charters, die ons uit de Utrechtsche
landskist bekend zijn, allen op denzelfden oorsprong wijzen, kan het
nauwelijks betwijfeld worden, dat ook de inhoud van de Utrechtsche
landskist tot het bisschoppelijk archief behoorde.
Over de reden, waarom de bisschop deze stukken afgescheiden van
zijn hoofdarchief in den Dom te Utrecht heeft doen bewaren, is ons
niets bekend. Ook de geschiedenis der kisten is onzeker. Bij den val
van het bisschoppelijk bestuur bleven zij onbeheerd: Karel V, die de
stukken der Deventersche kist terecht opeischte, schijnt de Utrechtsche
vergeten te hebben. Zoo lag het voor de hand, ze mede te nemen,
toen de afbraak der St. Catharijne-poort den raad noodzaakte zijne
charters te doen verhuizen. Inderdaad schijnt dit geschied te zijn:
twee van de vier charters, die ons uit de Utrechtsche landskist bekend
zijn, vinden wij in het Utrechtsche stadsarchief terug, terwijl een derde
daar volgens een ouden inventaris vroeger ook berust heeft i). Ook
de rest moet dus allerwaarschijnlijkst daar gezocht worden, en inder-
daad meen ik den inhoud der landskist te mogen herkennen in het
groot aantal oorkonden, zonder twijfel afkomstig uit het bisschoppelijk
archief, dat wij nog thans in het stadsarchief aantreffen. Trouwens
ook den inhoud der Deventersche landskist vinden wij met zeer enkele
uitzonderingen in het archief der stad Deventer terug.
1) Nam. No. 728 en 804 van dezen catalogus en een charter van graaf Jan van Bentheim
over den afstand van leengoederen aan den bisschop dd. 1328. — Ook een der beide
exemplaren van No. 144 (dd. 1435.\' behoort blijkbaar in de landskist. Er waren drie con-
tractanten, de bisschop, de kapittelen en de stad: nu blijkt liet, dat 2 van de 3 exemplaren,
die volgene den tekst van het stuk opgemaakt werden, afgogeven zjjn aan de stad; het tweedo
moet dus voor den bisschop bostemd zijn geweest. Denkeljjk is het eveneens gesteld met
No. 471 (b), welk stuk volgens den inhoud door den hertog van Gelder zou teruggegeven
worden „onsen neve den postulaet off den tween borgernieisteren1\' (van Utrecht\'.
-ocr page 26-
XXVI                               GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
II. HET ARCHIEF OP HET OUDE STADHUIS.
(1546—1828.)
§ 1. De charterkamer. — Met het Oostenrijksch bestuur begon
voor de stad Utrecht eene periode van meer orde en beter beheer.
Deze verbetering deed zich dadelijk bemerken ook in de behande-
ling van het stadsarchief. Wij hebben reeds vernomen, dat de stad-
houder zelf zich in 1537 voor de goede bewaring van het archief
interesseerde, en onder deze impulsie moest wel de vereeniging der
vergaderplaatsen van het geheele stedelijke bestuur op het in 1546
gestichte nieuwe stadhuis ook voor het archief heilzame gevolgen
hebben. Het was natuurlijk, dat nu ook alle stedelijke archieven, voor
zoover zij de moeite van het bewaren waard schenen, dadelijk daar-
heen werden overgebracht.
Wij zagen reeds, dat de stedelijke charters, waarbij waarschijnlijk
die der Utrechtsche landskist gevoegd waren, geborgen werden in een
in 1546 nieuw gesticht overkluisd vertrek achter de raadkamer in
Groot-Lichtenberch. De archieven der kanselarijen van den raad en de
schepenbank werden geplaatst in de secretarién van beide colleges in
Klein-Lichtenberch en in Hasenberch. Het archief der oudermannen,
evenals de inhoud der oudermanskist, was te gronde gegaan. Allengs
kwamen echter nieuwe afdeelingen van het archief de ledige plaatsen
innemen. Naarmate de stedelijke administratie zich uitbreidde, splitste
zij zich in verschillende onderafdeelingen, die natuurlijk ook tot het
ontstaan van nieuwe rubrieken in het stadsarchief aanleiding gaven.
De oprichting in 1623 en 1655 van de Momboirkamer en de Finantie-
kamer gaf het aanzijn aan twee nieuwe archiefdepots, die geborgen
werden daar, waar deze colleges zetelden: de Momboirkamer in een
vertrek boven het kantoor der klerken van het gerecht in Hasenberch,
de Finantiekamer aanvankelijk in eene kamer, die ik niet kan aanwijzen.
De archieven van twee andere stedelijke kamers van beheer, omstreeks
denzelfden tijd opgericht, werden niet op het stadhuis gedeponeerd :
de Aalmoezenierskamer (opgericht in 1628) vestigde zich met haar
archief in het oude St. Brigittenklooster op den hoek der Brigitten-
straat, terwijl de Ambachtskamer (opgericht in 1619) in 1674 werd
overgebracht naar het St. Agnietenklooster, waar haar archief tot in
deze eeuw bleef berusten. Wij zullen de geschiedenis van elk dezer
archiefdepots afzonderlijk nagaan.
Het overkluisde vertrek achter in Groot-Lichtenberch, dat als de
«archivenkamer» bekend stond 1), was, zooals wij zagen, sedert 1546
1) Inventaris van het stadsarchief door Dr. Peiü\'ers Scheidlus dd. 1800.
-ocr page 27-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXVII
de bewaarplaats der stedelijke charters i). Slechts 25 jaren mochten
de kostbare stukken daar ongestoord blijven rusten: eene gedwongene
verhuizing stond hun te wachten, die de geheele verzameling op den
rand van den ondergang bracht. Den 14°" Juli 1570 had de hertog
van Alva tegen de Staten en de stad Utrecht wegens hun accoord
met de beeldstormers een vonnis gewezen, waarbij de stad Utrecht
verklaard werd «verbeurt te hebben alle haere privilegiën, hoedaenich
die zijn, vryheyden ende exemptien, goeden ende incommen, compe-
terende die voornoemde stadt ende die gilden der stadt voorschreven»,
welke privilegiën werden «gheconfisqueert tot prouffijt van Syne Majes-
teyt» 2). De veroordeelden hadden dadelijk op den koning geappel-
leerd, en het is dus niet te verwonderen, dat er aanvankelijk van de
uitvoering van deze bepaling geen sprake was. Doch den 12en December
1571 bracht de eerste burgemeester den raad der stad in groote ont-
steltenis door het bericht, dat de president van het Hof hem had
ontboden en verrast met de mededeeling, hoe de hertog van Alva hem
schriftelijk had gelast «alle de originale charteren, privilegiën ende
ordonnantien van der stadt» op te eischen.
Zooals te begrijpen was, verkeerde de raad der stad, reeds zwaar
gedrukt door Alva\'s ontevredenheid over het weigeren van den tienden
penning, in de grootste verlegenheid. Na vele deliberatiën en na het
aanvoeren van verschillende uitvluchten, werd 29 December besloten, om
kopiün der stukken aan Alva aan te bieden. Doch natuurlijk, dit baatte
niet: den non Januari 1572 werd een brief van den hertog ontvangen
met den eisch, dat alle «excusen terstont (souden) cesseren»; geschiedde
het niet, dan zou hij «daer anders inne versien». Toch werd 18
Januari de opeisching, die «scheen te tenderen in prejuditie van de
hangende appellatie», nogmaals «so civilick alst mogelick es» afgewezen.
Maar den 4™ Februari ontbood de president van het Hof den schout,
den eersten burgemeester en eenige leden van den magistraat nog-
maals bij zich: Alva had hem weder geschreven, aandringende op
afgifte der charters, «omme te eviteren andere remedien ende mid-
delen, die men anders daerinne soude moeten gebruycken, die men
liever verhoet sage» ; «het zoude», dus had de president er bijgevoegd,
«quader voir de stadt wesen, dat zijt nyet en leverden dan dat men
se leverde». In eene conferentie op den volgenden dag werd dit nog
nader aangedrongen: de raad voerde nieuwe uitvluchten aan, maar
de president «riede ende bad», dat de stad «goetwillich» zoude zijn,
«want er zeeckere dreygementen in zijn missive geroert waren, die hy
1)  Nog ecu afschrift van den chartor-iuventaris uit do 2o helft der 18o eeuw vermeldt, dat
ze daar geborgen waren. (Zie hiervoor p. IX Noot 2.)
2)  Zie de sententie bij: Bor, Neder], oorlogen. I fol. 229 vs.
-ocr page 28-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXVIII
nyet ontdecken en cost», en cdaer soude meer zwaricheyt of commen,
sulcx dat zy de stadt ende sommige heur selffs personen in meerder
last brengen souden».
De raad was in wanhoop. Een kort uitstel werd nog gevraagd,
rechtsgeleerden werden geraadpleegd over middelen om te ontsnappen
aan het alternatief: ongehoorzaam zijn aan den gevreesden stadhouder
èf prijsgeven van het recht der stad en schenden van den ambtseed.
Niets hielp, de president verklaarde eindelijk ronduit, dat hij last had,
cdie van der stadt (tot afgifte) te bedwingen*. Toen nam de raad zijn
besluit en stelde 8 Februari definitief het finale antwoord vast. Dat ant-
woord, zeer uitvoerig en voorzien van eene lange inleiding, die het
verwijt van ongehoorzaamheid moest afwenden, was nog altijd weige-
rend: de raad hield vast aan zijn appèl en wilde dit in niets preju-
diciëeren, evenmin als hij eenig privilege der stad mocht prijsgeven.
Maar ten slotte werd verklaard, dat men den president niet zou
verhinderen in de uitvoering van des stadhouders bevelen, alleen
maar verzocht men, dat hij «\'tgene Zijn E. te doen mochte hebben»,
zoo stil mogelijk zou verrichten zonder hulp van soldaten, uit vrees
voor oproer; men beloofde hem, «dat men hem noch andere, die Zijn
E. tot hem soude mogen nemen, geen belet doen soude». De president
waagde het blijkbaar nog niet, om van dezen duidelijken wenk gebruik
te maken en de charters met geweld te komen halen; hij schreef aan
Alva, die hem beval «alle de chartres, privilegiën, statuten ende ordon-
nantien der stadt Utrecht» te brengen naar het kasteel Vredenburg;
daar zouden zij door den president met gecommitteerden van den
raad worden geïnventariseerd en verder bewaard in eenige «kisten ofte
cofferen», waarvan de president en de magistraat elk een sleutel zouden
hebben. De president gaf 26 Februari van dit besluit kennis aan den eersten
burgemeester, die het noodig achtte daarvan aan den raad mededeeling
te doen. Doch de raad weigerde ook ditmaal om het vervoer der charters,
zelfs in dezen verzachten vorm en zijdelings, goed te keuren: hij nam
geen besluit. Toen eindelijk tastte de president door: kapitein Valdez
haalde de stukken af en bracht ze op Vredenburg 1).
Daar bleven de stukken drie volle jaren. Evenmin als het resolutie-
boek van den raad bijzonderheden bevat over den roof zelf, vernemen
wij daaruit iets over de pogingen, door den magistraat ondershands
aangewend, om de stedelijke privilegiën terug te krijgen. Den 3en
Augustus 1574 worden wij plotseling verrast door de mededeeling, dat
de burgemeesters aan den stadhouder De la Roche hadden overgegeven
«sekere missive» aan zijn adres, door hen den vorigen dag ontvangen,
1) Zie over deze geheele zaak: Raadsresol. 12, 13, 27, 29 December 1571, 2, 11, 15, 10, 18
Januari, 4, 5, 6, 7, 8, 26 Februari 1572.
-ocr page 29-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXIX
houdende den last, cdeser stadt te restitueren alle de previligen, chartres
ende munimenten, die by Valdez tanderen tyden afgehailt zijn». De
stadhouder schijnt echter den last van den ongenoemden schrijver
niet vertrouwd te hebben, en eerst 23 Maart 1575 kon de secretaris
der stad in het resolutieboek aanteekenen, dat de president van het
Hof, volgens de machtiging, door den gouverneur-generaal aan het Hof
gegeven, aan de stad gerestitueerd had de charters, haar vroeger «deur
beveel van der Excellencie van den hartoge van Alva ofgehailt» 1).
Zoo was dus het dreigende gevaar voor de stedelijke charters
gelukkig afgewend. Natuurlijk werden zij naar de overkluisde «archiven-
kamer» in Lichtenberch teruggebracht. Daar bleef de verzameling
eeuwen lang ongestoord, weinig gebruikt en weinig gezien, doch
hoog geacht. Terwijl men het archief van de secretarie en andere
afdeelingen der stedelijke administratie blijkbaar beschouwde als eene
verzameling van zuiver administratief belang (eenigszins als tegenwoordig
het zoogenaamde «nieuw archief»), hechtte men reeds destijds aan de
charters eene hoogere waarde, — eene waardeering, die, naarmate hun
praktisch belang sedert het einde der middeleeuwen meer op den
achtergrond geraakte, langzamerhand ook hun karakter als historische
documenten gold. Zoo kwam het, dat men bleef voortgaan enkele
archiefstukken, waaraan men om hunne oudheid eene bijzondere
waarde hechtte, «in archivis te leggen by stadts oude brieven» 2),
(zooals, naar wij weten, reeds van ouds de gewoonte was), en dat zich
langzamerhand in de «kassen en laaden» der archief kamer behalve vele
«diplomata van bisschoppen (en) grave», ook «andere oudheden» op-
stapelden, die niet nader gespecificeerd worden 3).
De bijzondere waarde, die het stedelijk bestuur aan de in de archief-
kamer geborgene documenten hechtte, bleek overtuigend uit het voorstel,
op 28 October 1654 (zonder twijfel op aandrang van het oudheidminnend
lid Dr. C. Booth, die reeds in 1640 tot stadsbibliothecaris benoemd
was 4)) door den eersten burgemeester Van Deuverden in de vroed-
schap gedaan: «off niet goedt soude wesen te committeren, die de
archiven deser stadt jaerlijcx eens off meermael souden visiteren, ende
tot beter bewaringe van stadts privilegiën ende oude brieven naerder
ordre stellen, soo by \'t reformeren van den catalogue ofte register van
dien, als by \'t vernieuwen van cassen ende laden omme d\'selve daerinne
1)  Raadsresol. 3 Aug. 1574, 23 Maart 1575.
2)  Vroedsch. resol. 22 Oct. 1649. De Ijedoeldo bouken waren „d\'oude boeeken van stadts
statuten endo privilegiën, gonaemt Libor hirsutus, Libor albus, Liber rosarum ende wat dier-
gelyeke moer is". Blijkens don Inventaris van het arehief van Poiffers Seheidius waren deze
boeken oehter in 1800 woder ter secretarie toruggekeerd.
3)  Zie den inventaris van bot arehief der socrotarie door Peuters Seheidius dd. 1800.
4)  Vroedsch. resol. 30 Nov. 1640, 21 Oct. 1643, 16 April 1814.
-ocr page 30-
XXX                                  GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
te leggen». De vroedschap, onder den indruk der treurmare van den
grooten brand te Delft, «achtte tselve nodich» en machtigde de burge-
meesters, daartoe jaarlijks in October eene commissie te benoemen i).
Zooals te verwachten was, werd thans dadelijk zulk eene commissie
samengesteld, waarin de heeren Booth, Van Deuverden, Van Wijckerslooth
en Ram zitting hadden, en ik meen sporen gevonden te hebben, dat
zij zich inderdaad aan het werk gezet heeft.
Wij vernamen zooeven, dat er in 1654 een «catalogue ofte register»
van de charters bestond, die evenwel dringend «gereformeert» moest wor-
den. Wij bezitten dien oorspronkelijken catalogus niet meer; doch hij
is ons overgeleverd in twee verschillende latere redactiën. Van de
oudste dier twee redactiën bezitten wij een afschrift van het laatst der
17° eeuw, gebonden in een band met het stadswapen (dus blijkbaar
het exemplaar, dat later als het officiëele gold 2)), en een i8« eeuwsch
afschrift van het zooeven genoemde exemplaar, dat uit de Chelten-
hamsche collectie door de stad is aangekocht en alleen merkwaardig
is om het hierboven 3) medegedeelde opschrift. Volgens dezen inven-
taris waren de charters verdeeld in 17 afdeelingen, gemerkt met de
letters A—R; deze afdeelingen bevatten charters tot aan het jaar 1612.
Toch is de oorspronkelijke inventaris waarschijnlijk veel ouder, den-
kelijk zelf reeds voor het jaar 1528 opgemaakt. Immers aan het slot
van het stuk vindt men de talrijke door de stad van de Oostenrijksche
vorsten verkregene octrooien alleen met een enkel woord vermeld, als
«octroyen sedert des Keysers tyden, den jaere 1528»; het vermoe-
den ligt dus voor de hand, dat deze aanteekening en de enkele andere
verspreide vermeldingen van charters uit den tijd na 1528 in het origi-
neele exemplaar van den inventaris later aan het slot en op den kant
zijn bijgeschreven.
De tweede redactie van den catalogus is ons in drie exemplaren
bewaard gebleven. Het oudste exemplaar, geschreven door een der
stedelijke klerken in het midden der 17» eeuw, en waarin tal van
vermeerderingen van de hand van Dr. C. Booth voorkomen, werd
eerst onlangs aan het archief geschonken door Mr. J. A. Grothe. Het
tweede exemplaar is begonnen met eene hand van het midden der
17e eeuw en sedert het midden der derde lade voortgezet met eene andere
bekende hand uit dienzelfden tijd. Het derde exemplaar, een afschrift
van het tweede uit de tweede helft der i8e eeuw, dat in het bezit was van
Bondam, werd uit Musschenbroek\'s nalatenschap door de stad verkregen.
Deze tweede redactie van den ouden catalogus, grootendeels woor-
delijk met de eerste overeenkomende, bevat aan het einde drie nieuwe
1)  Vroedsch. rcsol. 28 Oct. 1654.
2)  Het wordt als zoodanig vermeld in den inventaris van Pciffei\'9 Schoidius van 1800.
3)  Zio hiervoor p. IX Noot 2.
-ocr page 31-
GESCHTEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXXI
afdeelingen (gemerkt S tot V), die de octrooien en andere akten uit
den tijd van het Oostenrijksche bestuur stuk voor stuk beschrijven.
Ook in andere opzichten wijkt zij van de oudere redactie af: bepaal-
delijk ontbreken in het stuk vele oude charters, die nog in de eerste
redactie voorkomen en dus blijkbaar sedert het opmaken daarvan ver-
loren gegaan zijn.
Uit de in eiken inventaris vermelde charters blijkt, dat de eerste
redactie waarschijnlijk dagteekent van de jaren 1599 tot 1603 1). Van
de tweede redactie, die niet ouder kan zijn dan 1613 2), is het oudste
exemplaar (dat van Booth) afgeschreven voor 1646 3), terwijl Booth
daarin na 1652 4) zijne bijvoegingen schreef; het tweede exemplaar
dagteekent van 1646—1651 5) en het origineel van Bondams afschrift
werd daarnaar vervaardigd tusschen 1658 en 1682 6).
Uit het bovenstaande meen ik de gevolgtrekking te mogen maken,
dat de inventaris der stedelijke charters vervaardigd is vóór 1528,
wellicht in 1478 door den stadsklerk Tijlman Momfelen. In dit stuk
werden dan langzamerhand enkele stukken bijgeschreven tot 1599,
toen het werd gekopieerd en dus de eerste ons bekende redactie van
den catalogus ontstond. In de eerste helft der 17c eeuw (vóór 1646)
werd het stuk omgewerkt en vermeerderd met de beschrijving der aan
het einde van de verzameling geplaatste octrooien en andere akten
van het Oostenrijksche bestuur; tevens werd de inventaris met de
charters vergeleken, zoodat vele ontbrekende stukken in den inven-
taris geschrapt en enkele later verkregene bijgeschreven konden worden.
In latere afschriften van den catalogus werden nu en dan nieuwe
aanwinsten bijgeschreven, doch eerst Dr. C. Booth ondernam na 1652
eene nauwkeurige herziening, waarbij enkele misstellingen gerectificeerd
en verscheidene overgeslagene stukken bijgeschreven werden 7). In
1)  Een charter van 1599 wordt nog in boido redactiën op dezelfde plaats vermeld en stond
dus reeds daar, toen do lc redactie afgeschreven word ; een ander charter van 1603 is echter
eerst in de 2o rodactie opgenomen, on dus na het afschrijven der lc redactie in liet origineel
bijgeschreven. — Er komt in do Ie redactie een charter van 1012 voor; doch dit is denkelijk
in het origineele stuk later bygeschroven, daar het in do afschriften dor andere redactie of
niet of op eene andere plaats voorkomt.
2)  Do lijst der octrooien aan het oindo loopt toch in alle drie do ons bekende afschriften
(dus ook in hot origineel) tot 1613.
3)  Eerst hot tweede exemplaar dozer 2e redactio vermeldt toch het vidimus der vier oudste
keuren (No. 1 van dezen inventaris), dat van 1640 dagtookent.
4)  Verschillende vidimusson van charters door het Hof dd. 1651 on 1652 z(jn toch in zijn
exemplaar bijgeschroven.
5)  Hot bovonvermelde vidimus van 1046 komt toch reeds voor, die van 1651/2 nog niot.
6)  Een charter van 1058, in liet twoedo exemplaar (in lade D) later bygeschreven, wordt ook
in dit afschrift op dezelfde plaats vermeld; torwijl er een charter van 1082 (in dozolfdo lade
aan hot einde) voorkomt, dat in liet tweede exemplaar ontbreekt.
7)  Onmogelijk is het niet, dat dezo bflgovoegdo stukken slechts verplaatst waren uit andere
afdeelingen dor charterkast en dus reeds vroeger aanwezig waren.
-ocr page 32-
XXXII
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
dezen arbeid van Dr. Booth nu meen ik het werk te herkennen
van de in 1654 benoemde raadscommissie. Zeker is trouwens dat werk
niet voltooid, want de inventaris is onder Booth blijven berusten en
eerst in onze dagen uit zijne papieren te voorschijn gekomen 1); van
daar dat Booth\'s verbeteringen niet in de latere afschriften van den
inventaris zijn overgenomen.
Wellicht is de arbeid der commissie in een ander opzicht van meer
praktisch nut geweest. Men had haar opgedragen, ctot beter bewaringe
van stadts privilegiën ende oude brieven» zorg te dragen voor het
cvernieuwen van cassen ende laden». De oudste redactie van den
inventaris nu bewijst, dat de archiefkast minstens 17 laden of afdee-
lingen 2) bezat; wij vonden dit getal in de tweede redactie tot 20 aange-
groeid. Doch omstreeks 1800 bevatte de archief kamer teene meenigte
kassen en laaden met diplomata» 3), zoodat het niet onwaarschijnlijk
is, dat de commissie van 1654 eene nieuwe archiefkast met kleinere
laden heeft laten maken, voor de bewaring der charters beter ge-
schikt. — Minder nuttig schijnt mij geweest te zijn een derde arbeid,
die wel niet tot den werkkring der commissie behoorde, doch dien hare
leden vrijwillig op zich genomen schijnen te hebben: het doen afschrij-
ven van de belangrijkste en oudste oorkonden door den bekenden
calligraaf Johan Van Attevelt. De bestelde afschriften, waarop meestal
eene fraaie afteekening in kleuren van het aan de oorkonde gehechte
zegel voorkomt, werden door de twee voornaamste personen der com-
missie, Booth en Van Deuverden, aan het Hof aangeboden en door
dit lichaam gevidimeerd. Er zijn in het archief zulke vidimussen
voorhanden van 1646—1657, vooral van 1651 en 1652 4); doch van
elders blijkt, dat nog in 1665 door Van Attevelt dergelijke kopièn
vervaardigd zijn 5), terwijl ook de partikuliere handschriften-verzameling
van Dr. Booth verschillende soortgelijke stukken bevat.
Of de jaarlijksche inspectie der archief kamer door eene raadscom-
missie, waartoe in 1654 besloten was, lang is volgehouden, blijkt niet;
doch zeker is zij althans niet in de gewoonten van den Utrechtschen
magistraat opgenomen geworden, want wij vernemen er later niets meer
van. Met den dood van Dr. Booth in 1678 hield de belangstelling van
1)  Niet onwaarschijnlijk ia hot zolfs, dat Booth\'s werkzaamhoid aan de stodelijke charters
meer nadeel dan voordeel heeft toegebracht: immers tal van stedeln\'ko charters zijn uit zhne
verzameling handschriften tu voorscliïjn gekomen en eorst onlangs door het rijk aan de ge-
meente gorestitueerd.
2)  De 2o redactie noemt inderdaad „laeyen"; doch hot schijnt oonigszins twijfelachtig, of
elke afdeeling mot eene lade gecorrespondeerd heeft, daar o. a. afdecling M Ï00 stuks bevatte.
3)  Inventaris van Poilfers Scheidius i. f.
4)  /,io No. 1, 37—41, 43, 341 enz. van dezen catalogus.
5)  „Item Jo. van Attevelt voor \'t copiëren van oude privilegiën 11 gl. 10 st." \'Kam. reken.
1605, bü: Dodt, Archief. III p. 317.)
-ocr page 33-
xxxiii
Geschiedenis van het archief.
de vroedschap in hare archieven op, en gedurende meer dan eene
eeuw hooren wij niets van de stedelijke charters en hunne bewaarplaats.
Eerst op 5 September 1768 besloot de vroedschap, op voorstel van
haar medelid Wieling, aan de Finantiekamer op te dragen, «om de
chartres en archiven van deze stad te revideren, in order te doen bren-
gen en van dezelve een catalogus (te) formeren» 1). De Finantiekamer
schijnt zich niet gehaast te hebben, om aan de haar gedane opdracht,
die trouwens eigenaardige moeielijkheden opleverde, te voldoen: van
hare werkzaamheid blijkt althans niets en nog omstreeks 1800 gold
het bovenvermelde officiëele exemplaar van de eerste redactie van den
catologus der charters, dat in het begin der i8de eeuw geschreven is,
blijkbaar als éénige leiddraad in de laden der archief kamer 2).
Zoo sluimerden de charters voort door de eeuwen. Niemand zag er
naar om: zij lagen achter slot en grendel, en de toegang tot de
«archivenkamer» was aan een ieder ten strengste verboden. Toen er
in 1776 een geschil ontstond tusschen de provinciën Utrecht en Gel-
derland over de heerlijkheid van De Marsch bij Renen, kon zelfs de
secretaris der Staten Vos (nog wel oud-lid der vroedschap) slechts
krachtens een speciaal besluit der vroedschap, «in aanmerking ge-
noomen zijnde het nut en dienst, welke de provincie daardoor zoude
konnen geschieden», «in dit speciael geval en om de geallegeerde reden»
verlof verkrijgen, om in tegenwoordigheid van een der stads-secreta-
rissen te onderzoeken, of wellicht een der in de charterkamer geborgene
stukken licht over het aanhangige geschil zou kunnen geven 3). Toch
leverde deze angstvallige zorg van de vroedschap, waardoor het bezoek
en het gebruik der archief kamer natuurlijk uitermate beperkt werd,
geen waarborg, dat de daar bewaarde schatten in behoorlijken toestand
bleven verkeeren: in 1800 «bevatte (de) kamer, bekend onder den
naam van Archivenkamer», wel «eene meenigte kassen en laaden met
diplomata van bisschoppen, grave en andere oudheden», doch deze
stukken waren «meestendeels onleesbaar en werden in een zoo verwarde
toestand gevonden,
dat een kundig archivarius een zeer geruime tijd
zoude moeten besteeden, om dezelve in een behoorlijke order te
brengen» 4).
Gelukkig scheen toen echter redding op te dagen. Gevolg gevende
aan het decreet van het Vertegenwoordigend lichaam der Bataafsche
republiek dd. 29 Mei 1800, besloot het Uitvoerend bewind den 31°"
Mei 1800, «dat alle collegien of persoonen, die, hetzij alleen, hetzij
1)  Vroedsch. resol. 5 Sopt. 1768.
2)  Alleen dit exemplaar toch wordt nog vormeld in den inventaris van Peiffers Selieidins.
(»Copie van liet register der brievon, inhoudende do privilegiën van de stad van Utrecht.
Folio. Franscho band met hot stadswapon gemerkt.")
3)  Vroedsch. resol. 28 Oct. 1776.
4)  Aldus do secretaris Peiffers Selieidins aan hot slot van 7.(jn na te melden archief-inventaris
3
-ocr page 34-
XXXIV
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
onder andere werkzaamheden, belast zijn met de administratie der
justitie, mitsgaders alle municipaliteiten, collegien of persoonen, welke
het toezigt hebben of administratie uitoeffenen over het werk der
politie, ten spoedigsten (zouden) doen inventariseeren alle archiven,
boeken en papieren, op hunne secretarien berustende* i). De maat-
regel werd genomen met het oog op eene voorgenomene afscheiding
van de rechterlijke en de waterschaps-archieven van de gemeente-
archieven, waarbij zij tot nog toe bewaard waren; doch zij gaf natuurlijk,
toen zij op 30 Juni 1800 door het Departementaal bestuur van den
Rijn ter kennis werd gebracht van het Intermediair gemeentebestuur
van Utrecht 2), aanleiding, dat dit lichaam zich moest bezighouden
met den toestand zijner archieven. Inderdaad droeg het Intermediair
gemeentebestuur dan ook 4 Augustus 1800 aan zijne secretarissen op,
om tmet den meesten spoed de archiven, boeken en papieren, ter
secretary van dezer stads policie en ter financiekamer berustende, be-
hoorlijk te inventariseren» 3). Een van de secretarissen Dr. W. Peiffers
Scheidius nam de moeielijke taak op zich 4) en voltooide ze ook,
voor zooverre het archief der secretarie betrof. Doch aan de charter-
kamer gekomen, bevond hij de daar geborgene stukken zoo onleesbaar
en zoozeer in verwarring, dat hij de hoop opgaf, daarvan eene vol-
doende lijst samen te stellen en zich troostte met de overtuiging, dat
de charters «veelal in de copyboeken, ter secretary dezer stad berus-
tende, geregistreerd» waren. Toch achtte hij de aanstelling van een
«kundig archivarius» niet onnoodig.
De wenk van Scheidius werd onder den drang der omstandigheden
eerlang opgevolgd. Nadat in April 1802 de regeling der archieven bij
het Staatsbewind aanhangig gemaakt was en tengevolge daarvan op
17 Juni 1802 Mr. H. Van Wijn tot archivaris der Bataafsche republiek
was aangesteld 5), besloot het Departementaal bestuur \'s lands van
Utrecht op 13 April 1803, om Mr. P. Van Musschenbroek tot archivaris
1)  Besluiten van de 2e Kamer en Deci\'. v. h. Vertegenw. Licli. d. Bat. volks. XXII p. 717—
721. — Extr. uit het Reg. d. besluiten v. h. Depart. Best. v. d. Rhjjn dd. 11 Juni 1800. (Not.
Gem.best. ad 30 Juni 1800.)
2)  Miss. v. h. Departem. Best. dd. 11 Juni 1S00, in: Not. Gem.best. ad 30 Juni 1800.
3)  Notulen Gem.bestuur 4 Aug. 1800.
4)  Het blijkt niet met zekerheid, dat de inventaris van liet stadsarchief, die blijkens het
schrift dor minuut en blijkens eene aanteekening van Musschenbrook op het schutblad door
Dr. Scheidius is samengesteld, het gevolg was van do bovengenoemde opdracht; maar er kan
toch nauwelijks aan getwijfeld worden, daar de inventaris volgens zijn opschrift bestemd was,
om te worden „ingeleeverdbij het Intermediair gemeentebestuur der stad Utrecht/\' on derhalve
samengesteld is tusschen 1798 en 1803. Hy is opgemaakt „ingevolge besluit van . . ." : zeker
wordt bedoeld het decreet van 29 Mei 1800. — De inventaris, later in het bozit van Musschen-
broek gekomen, werd voor eenige jaren door het Algemeen Rijksarchief aan de gemeente
geschonken.
5)  Zie: Bakhuizen v. d Brink, Overz. v. h. Nederl. Rijksarchief. Ie st. p. 2, 3.
\'
-ocr page 35-
XXXV
GESCHIEDENIS VAN MET ARCHIEF.
van het departement aan te stellen i). Thans was de weg voor het
Utrechtsche gemeentebestuur gebaand: den i7en October 1803 werd
Musschenbroek mede benoemd tot archivaris der stad 2).
De maatregel, die alle toejuiching verdient, "was trouwens meer in
schijn dan metterdaad afdoende; niettegenstaande de betrekking onbe-
zoldigd was, bleek het stedelijk bestuur zoo angstig, dat de benoeming
op den duur tot uitbreiding van het ambtenaarspersoneel zou leiden,
dat het met nadruk in de op 31 October 1803 vastgestelde instructie 3)
van Musschenbroek verklaarde, dat hij slechts was ede tijdelijke archi-
varius der stad Utrecht». Ook de instructie zelve bewijst nog, hoe
weinig men van den genomen maatregel een wetenschappelijk beheer
der archieven, zooals wij ons dat voorstellen, mocht verwachten. Men
achtte het nog noodig uitdrukkelijk te bepalen, dat de archivaris «zal
toegang hebben tot alle de archiven der stad, alsmede tot de manuscrip-
ten, in de stadsbibliotheek te vinden», en hem te veroorloven, «des
nodig oordeelende», de resolutieboeken der stad (nog wel met uitzon-
dering der secreete resolutiën) «ter secretarye na te slaan en te gebruiken».
Hij moest coprechtiglijk geheim houden en aan niemant wie hij zij
bekend maaken, hetgene hij in den loop zijner onderzoekingen ont-
dekken of verneemen mogt, waarvan de openbaarmaaking tot ondienst
der stad of des gemeentebestuurs zijn zoude». Zijne ambtstaak was twee-
ledig : hem werd opgedragen, het gemeentebestuur in voorkomende
gevallen te dienen van bericht, consideratiën en advies, en hij moest
tfrachten, een behoorlijk register te maaken van de archiven zelven
en die in zodanige orde schikken, dat zij des te dienstiger zijn voor
de stad». Eenige belooning voor dit werk verkreeg hij niet: wel mocht
hij verschotten voor briefport, papier, pennen «en verdere onvermijd-
lijke behoeften, tot waarneeming van zijnen post behoorende», in reke-
ning brengen, doch slechts na verkregene machtiging van den president
van het gemeentebestuur.
De dus geschetste positie was inderdaad niet bijzonder bemoedigend,
allerminst voor iemand, die alleen stond voor de regeling van twee ar-
chieven. Doch Van Musschenbroek was een ijverig man, en hij sloeg dus
moedig de hand aan het werk. Hij collationneerde de stedelijke charters
met het in zijne bibliotheek berustende afschrift van den ouden charter-
inventaris, dat hij uit Bondams nalatenschap verkregen had, en begon,
overtuigd van het geheel onvoldoende van dien ouden inventaris, met
de samenstelling van een nieuwen, die geheel voldeed aan de eischen, die
de wetenschap stellen mag. In het begin van 1804 kon Van Musschen-
1)  Notulen Depart. bestuur v. Utrocht 18 April 1803.
2)  Notulen Gem.bost. 17 Oct. 1803.
3)  Notulen Gem.best. 31 Oct. 1803.
-ocr page 36-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXXVI
broek aan zijn vriend, den rijksarchivaris Van Wijn, den inventaris
van de eerste charterlade toezenden; in Juni 1805 volgde reeds de
inventaris van de vierde lade en ook de vijfde lade werd nog be-
schreven 1). Maar toen schijnt het werk gestaakt te zijn: wij vernemen
er niets meer van.
De begonnen charterinventaris levert het eenige spoor van Musschen-
broek\'s werkzaamheid, dat wij kennen 2): zijn naam wordt in de
registers van het stedelijk bestuur na zijne aanstelling niet weder ge-
noemd. Of het tijdelijke karakter der aanstelling van den ambtenaar,
of de onverschilligheid van zijne lastgevers voor zijne stille werkzaam-
heid, de oorzaak daarvan was, weten wij niet. Zeker is het, dat Van
Musschenbroek geen opvolger had, en het is dus te vermoeden, dat
de stedelijke charters in denzelfden onvoldoenden toestand, waarin
zij in 1800 verkeerden, zullen gebleven zijn, totdat de geheele ver-
bouwing van het Utrechtsche stadhuis in 1828 het stedelijk bestuur
dwong, zich met de verplaatsing van de oude documenten der stad
bezig te houden. Wij zullen later zien, dat deze verhuizing aanleiding
gaf tot eene duurzame verbetering van den toestand; vooraf moeten
wij ons echter bezighouden met de andere afdeelingen van het stads-
archief.
§ 2. Het archief der secretarie. — Het kanselarij-archief van den
raad was geborgen in zijne secretarie 3), die sedert 1627 gelegen was
aan de voorzijde beneden in het gebouw Klein-Lichtenberch 4). Den
secretaris van politie was bij zijne instructie van 28 September 1629
1)  De Inventaris der 5 laden berust in hot Algemeono rijksarchief. Er bevindt zich bij een
geleidebrief van den 4en inventaris aan Van Wijn dd. 4 Juni 1805, mot aanbod van afschriften
der daarin vermelde charters, dio aan Van Wijn onbekend zijn. Zulk een afschrift uit de lc
lade, gedateerd 26 April 1804, ligt voor in den inventaris, zoodat dus toen de inventaris der
Ie lade reeds voltooid was. — De minuut van den inventaris der tweo eerste laden, die onder
Musschenbroek\'s papieren is blijven berusten en donkeljjk op zijne auctie door bet rijk is aan-
gekocht, werd voor eenige jaren door hot Algemeeno rijksarchief aan de gemeente ge-
schonken.
2)  Wij mogen toch niet als zoodanig beschouwen do aanwezigheid in Musschenbroek\'s nalaten-
schap van honderden uit hot stadsarchief af komstigo charters: zijno instructie verbood hom,
archiefstukken mode naar huis to nemen andors dan tegen afgifto van een recu en na ver-
kregeno machtiging van den president en gedane kennisgeving aan don secretaris van het
Gemeentebestuur. Hoogstwaarschijnlijk heeft Musschenbroek deze stukken uit Eondam\'s nala-
tenschap aangekocht.
3)  Aant. v. Dr. C. Booth dd. 1637, gebonden achter in Musschenbroek\'s exemplaar van don
ouden charter-inventaris. („Stadts dagelixo boockon..... berusten in de grote secretaryo dei-
stad Utrecht; stadts buerspraeckboecken ofte publicatieboecken de anno 1396 tot 1536 ende die
sedert noch ton delo in osse sijn, borusten \'niedo aldaer. Stats copyoboecken, Libor rufus,
ï,iber hirsutus berusten modo aldaer.") Nog in 1758 was het archief aldaar. (Tog. staat v.
Utrecht. I p. 354: „tweo secretaryen, daar Staaton- en Stads-rosolutiën on andere papieren, tot
de etads-secretarye behoorende, bewaard worden.")
4)  Op 2 Januari 1627 besloot de Vroedschap hot huis van de stads-secretarissen in te richten
tot „oen secretaryo met drie distincte samaren"; do secretaris verhuisde naar twee stadshuizen
aan de Ganzcnmarkt, die verbouwd werden, terwijl de oude secretarie daarbij van achteren
aangetrokken werd. (Vr. reaol 2 Jan. 1627.)
-ocr page 37-
xxxvii
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
opgedragen, om «alle registren ende protocollen in ordre te leggen»,
en ook om «daarvan goed ende perfect registre ofte inventaris te
maken en houden» i); zelfs werd zijnen adjunct 5 October 1629
gelast, hem «van den morgen tot den avond getrouwelijk te assisteeren»
bij het onderhouden van de orde in de stukken der secretarie 2). Wij
zullen zien, wat de uitwerking dezer aanhoudende zorgen geweest is!
Het spreekt van zelf, dat het beperkte lokaal der secretarie, inge-
richt voor den loopenden dienst, op den duur geene bergplaats kon
aanbieden voor de steeds aangroeiende massa der archieven. Inderdaad
was dit het geval: reeds in 1639 vinden wij het bewijs, dat de secre-
tarie meer dan vol was: «verscheyden schriften ende oude brieven»
lagen op de kamer boven de secretarie 3), en natuurlijk, zij verkeerden
daar niet in zeer voldoenden toestand. Natuurlijk, zeg ik, want het was
te voorzien, dat dit gedeelte van het archief, waaraan men blijkbaar
weinig waarde hechtte, ook niet zeer zorgvuldig zou behandeld worden.
Te eerder, daar zelfs het in de secretarie zelve geborgcne archief,
niettegenstaande de adjunct-secretaris zijnen chef den geheelen dag
«getrouwelijk» bij het ordenen behoorde te assisteeren, niet in de
beste orde verkeerde: wij vernemen, dat in ditzelfde jaar 1639 zelfs
de resolutieboeken, de inkomende en uitgaande brieven, de publicatie-
boeken, de registers van attestatiën en procuratiën, de verpachtboeken,
de rekeningen en acquitten «ende andere schriften ende munimenten»
(dus de belangrijkste stukken van het archief) «lange jaren in stoff
ende dreck confuse ende overhoop hadden gelegen»!
Het was dan ook dringend noodig geworden, om eenige orde in
de verwarde massa te brengen; de secretaris der stad nam de zaak
zelf ter hand, en na eenigen tijd kon hij berichten, dat hij de stukken
«e situ et pulvere geërueert ende elck by tsijn in ordre geredigeert
hadde». Toen bleven echter nog «verscheyden schriften ende oude
brieven, waeronder eenige van cleynder importantie», over, die op de
bovenkamer lagen. De secretaris was van meening, dat deze «doorsien
ende tgoede daeruyt gesocht» moest worden; de rest kon «gecasseert
ofte gebrandt worden», hetgeen natuurlijk niet zonder goedvinden der
vroedschap mocht geschieden. De vroedschap nam de zaak ter harte:
zij meende zulk eene gewichtige taak niet aan den secretaris alleen te
mogen overlaten. Daarom benoemde zij 11 November 1639 eene com-
1)  Zie de (ongedateerde) instructie van dien datum, gedrukt bij: V. d. Water, Placaatb. III
p. 260.
2)  Zie zijne (ongedateerde! instructie van dien datum, gedrukt bij: V. d Water, Placaatb. III
p. 261. — De bepaling werd nog in de instructie van 1799 en 1603 (Instr. bock B f. 162, 187)
met andere woorden herhaald.
3)  Reeds in 1631 had de Vroedschap (zooals wij zion zullen) besloten, de charters derbegijn-
huizen op dit vertrek in kasten te doen bergen (Vroedsch. rcsol. 30 Sept. 1631); doch het
besluit schijnt onuitgevoerd te zijn gebleven.
-ocr page 38-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
XXXVIII
missie, bestaande uit de ons reeds bekende leden der vroedschap
Dr. Cornelis Booth, Mr. Cornelis Van Deuverden en Gijsbert De Wijcker-
sloot met den secretaris en zijnen substituut; de opdracht, hun ge-
daan, luidde: «omme tselve ondersoeck te doen, oock alles voorts in
ordre te brengen ende perfecte registers daervan te maecken> i). Zooals
men ziet, werd derhalve van het ccasseren ofte branden» der papieren
niet verder gesproken; heeft dit desniettemin plaats gehad, dan is ons
reeds de naam van Dr. C. Booth borg, dat wij het verlies dier papieren
niet behoeven te betreuren.
Wij moeten aannemen, dat het onderzoek en de ordening der archie-
ven op de bovenkamer door de commissie voltooid is; van de «perfecte
registers» van het archief, die ons beloofd werden, is echter, evenmin
als van het «perfect registre ofte inventaris», welks samenstelling in
1629 aan den secretaris opgedragen was, eenig spoor te vinden. Booth
en Deuverden bleven echter onvermoeid werkzaam voor de monu-
menten der Utrechtsche geschiedenis. In 1648 zien wij hen moeite
doen voor het verkrijgen eener afbeelding van de oude Utrechtsche
stadsbanier 2), en waarschijnlijk zal het ook wel aan hunne bemoei-
ingen te danken zijn, dat de vroedschap in het volgende jaar een nieuw
bewijs gaf van zorgvuldigheid voor de stukken van het archief, die
zij waardevol achtte. Den 22011 October 1649 droeg zij namelijk den
secretaris op, om «d\'oude boecken van stadts statuten ende privilegiën,
genaemt Liber hirsutus, Liber albus, Liber rosarum ende wat dier-
gelijcke meer is, in stadts secretarye te doen copiëren met een moderne
handt, ende de origineele boecken voorseyt te leggen in archivis by
stadts oude brieven» 3). Denkelijk hebben wij ook aan Booth en
Deuverden te danken het herstel der onde stadskopijboeken, die om-
streeks 1640—1650 allen afgeschreven of uit verschillende losse stukken
bijeenverzameld werden, waarna zij op nieuw gebonden en voorzien wer-
den van eene doorloopende nommering A—K 4), die er op wijst, dat
1)  Vroedsch. resol. 11 Nov. 1639. — Het besluit staat niet gelieel op zich zelf: de belangstelling
in do oude geschiedenis der stad was destijds bij de vroedschap levendig. Reeds in het vorig©
jaar had zij opdracht gegeven aan den calligraaf .Tan Van Attevelt, om het register van char-
ters betreffende de temporaliteit van het Sticht, dat in het archief der provincie berustte (een
stuk, voor de stad alleen van historisch belang) te kopiëeren (Dodt, Archief. IV p. 291): het is
het hierna volgende No. 559. Ook de boven (p. XXXVI Noot 3) vernielde aanteekeningen van
Booth dd. 1637 over den inhoud van hot stadsarchief staan denkelijk in verband met deze zaak
2)  Zie: Muller, Catalogus v. h. museum v. oudh. d. gem. Utrecht. No. 1118 Noot.
3> Vroedsch. resol. 22 Oct. 1649. — Inderdaad is dit besluit uitgevoerd: de drie genoemde
boeken zijn gezamenlijk in één register afgeschreven (No. 12): ook van het Roode boek is een
afschrift gemaakt (No. 10). Doch wij zagen reeds (hiervoor p. XXIX Noot 2), dat de origineelen
niet, zooals de bedoeling was geweest, op den duur in de archiej kamer in veiligheid gebracht
bleven, maar althans op het einde der 18e eeuw weder in de secretarie berustten.
4) Zie de Nos. A—E, G hierna No. 28—31, 33, 559; het Memoriale Tjjlmaiini (No. 32), hoewel
ook door Booth samengebracht uit twee niet bij olkander behoorendo stukken (zie No. 82
Noot), is (vreemd genoeg!) niet in do serie opgenomen. E, F en G zjjn kopiën, in het midden der
17e eeuw naar oude origineelen vervaardigd. Do kopijboeken F en K vindt men in het 2e deel
van dezen inventaris No. 1 en 2; H en I achijnon verloren.
-ocr page 39-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                             XXXIX
althans het voornemen heeft bestaan om een inventaris van het archief
te vervaardigen. Jammer is het, dat de arbeid, aan de kopijboeken
verricht, in verschillende opzichten te wenschen overlaat.
Het congres van den Utrechtschen vrede, dat op het stadhuis ge-
houden werd, was niet gunstig voor de goede plaatsing der archieven:
de vroedschap besloot 16 December 1711, om behalve de groote
raadkamer, die als vergaderplaats voor het congres zou dienen, «nogh
eenige kamers tot de vertrek- en spreekkamers» in te ruimen. Zij
benoemde eene commissie om dit besluit uit te voeren: alle kamers,
«die eenighsints gemist konden worden», zouden ontruimd en gemeu-
beld worden. De opdracht, om «de chartres en papieren, in de
voorschreeve caemers tot nogh toe sijnde geweest, te verplaetsen» en
daarvoor naar eene <andere bequame plaetse uyt te sien, hetsy boven
off beneeden int stadhuys» 1), bewijst, dat ook de archief kamers voor
dit doel in aanmerking kwamen, en het zou al te naief zijn, indien
wij met de vroedschap den schijn aannamen te gelooven, dat inder-
daad «beneeden int stadhuys> een «bequame plaetse» daarvoor te
vinden zou zijn geweest. Zonder twijfel was het bij deze gelegenheid,
dat de archief kamer boven de secretarie (waar later de Finantiekamer
gevestigd was) ontruimd werd, en ik acht het waarschijnlijk 2), dat
toen de stukken eenvoudig eene verdieping hooger werden geplaatst:
immers wij vinden later «de houtzolder boven de secretarye» als
archiefkamer in dienst gesteld 3).
Of het ook aan het vredescongres te wijten is, dat het archief der
secretarie zelve weder in wanorde geraakte, weet ik niet; doch zeker is
het, dat in 1723 de archieven «in de secretarye van de politie in geene
goede ordre lagen om prompt gevonden te konnen worden», ja men be-
weerde, dat «verscheide authentycque stukken (aldaar) niet en werden
gevonden» 4). De vroedschap besloot in dien toestand verandering te doen
brengen en droeg aan de heeren De Milan Visconti en den oud-burge-
meester Van Voorst op, «omme stadts authentycque brieven in de
secretarye na te zien en op beter ordre te leggen en te bewaeren in
een casse, daertoe expresselijk door welgemelte heeren te ordonneren
in de secretarye» 5). De werkzaamheid dezer commissie heeft echter
blijkbaar niet veel te beteekenen gehad: gedurende de i8de eeuwhooren
1)  Vroedsch. resol. 16 Doe. 1711.
2)  By resolutie van 31 Juli 1713 besloot do vroedschap, „om de caemers, tot liet congres
gebruykt, weder tot voorgaende gebruyk te herstellen onde onnodige meubilen publiecq te
verkoopen"; doch het ligt voor de hand aan te nemen, dat toen meteen eenige noodigc ver-
schikkingen zyn gemaakt: althans dit is zeker voor de Momboirkamer, waarschijnlijk voorde
Finantiekamer. Zoo zullen de archieven, eenmaal op den zolder, daar gebleven zijn
3)  Vroedsch. resol. 5 Nov. 1725, 12 Febr. 1731.
4)  Vroedsch. resol. 4 Jan. 1723.
5)  Vroedsch. resol. 4 Jan. 1723.
-ocr page 40-
XI
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
wij voortdurend klachten over den onvoldoenden toestand van het
archief der secretarie. Den 23™ Juli 1735 werd het lid der vroedschap
De Milan Visconti gemachtigd, om de publicatieboeken en andere
stedelijke registers, «die slecht in den bandtzijn», «te doen herbinden»
en om de oude rekeningen van de stad en de conventen bij tientallen
te doen bijeenbinden, «om beter bewaert te zijn» 1). Doch daarmede
was de toestand niet voldoende verbeterd: den 5cn November 1725
werd aan De Milan Visconti eene commissie van drie vroedschapsleden
toegevoegd met het veel meer uitgebreide mandaat, «om de oude pa-
pieren en chartres, leggende in de secretarye en op de houtzolder, ten
grooten deele concernerende stadtsconventen en fundatiiin, na te zien,
het goede van \'t quade te schiften en in beter ordre te brengen, ook
tot derzelver bewaringe de nodige voorzieninge te doen» 2). Doch
reeds 12 Februari 1731 bleek het op nieuw noodig, den Gecommit-
teerden tot stads finantien op te dragen, «om de papieren en brieven
van stadtsfundatiën, conventen als andere, die van eenigh belangh
zijn en sedert het verhuizen van de Kamer van finantie vry wat confuis
en achteloos
leggen op de houtzolder boven de secretarye, van daer weder
op Stadts-finantiekamer te brengen, na te zien en hetgene eenigsints van
waerde is, op een bequame plaetse in ordre te leggen en te bewaren» 3).
Bestond er echter zulk eene «bequame plaetse» ? nog den icn Juli 1754
moest de vroedschap besluiten, om de groote secretarie «met kasten te
(doen) voorsien» 4). Maar toch, niettegenstaande dezen maatregel luidde
ernstiger nog dan vroeger de klacht, die 24 Maart 1761 gedaan werd,
dat «de archiven, chartres, rekeningen en papieren deser stad, in het
stadhuys berustende, sedert eenen seer langen tijt van jaren in desordre
geweest» waren; de vroedschap machtigde toen op nieuw Gecommit-
teerden tot de finantien, om die «te examineeren en in eene nette
ordre te brengen, en daartoe te gebruyken diegene, die Hun Ed. ver-
meynen \'t capabelste daartoe te wesen» 5). Waarschijnlijk heeft de
Finantiekamer aan die opdracht gevolg gegeven en heeft dan ook het
bovenvermelde 6) besluit der vroedschap van 5 September 1768 over
het ordenen en beschrijven der «chartres en archiven van de stad»
alleen op de in de archiefkamer geborgene charters betrekking.
Maar niettegenstaande al deze bemoeiingen bestond er nog altijd
geen catalogus van het archief der secretarie. Wij zagen reeds 7), hoe
eerst het Decreet van 29 Mei 1800 aanleiding gaf, dat deze aangelegen.
1)  Vroedsch. resol. 23 Juli 1725.
2)  Vroedsch. resol. 5 Nov 1725.
3)  Vroedsch. resol. 12 Fobr. 1731.
4)  Vroedsch. rosol. 1 Juli 1754.
5)  Vroedsch. resol. 24 Maart 1781.
6)  Zie hiervoor p. XXXIII Noot 1.
7)  Zie hiervoor p. XXXIV.
-ocr page 41-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                    XLI
heid met kracht werd aangevat. De secretaris Peiffers Scheidius zette
zich zelf aan het werk en vervaardigde inderdaad een «Staat en inven-
taris van alle archiven, protocollen en verdere stukken, berustende ter
secretarye der stad Utrecht» i). Dit stuk bestond uit vier afdeelingen.
De eerste, die verreweg de omvangrijkste is, bevat de stukken, ge-
borgen «in de kassen in de Groote secretary» 2); de twee volgende
(zonder hoofd, doch genommerd b en c) hebben denkelijk op twee
andere vertrekken betrekking, • terwijl de vierde afdeeling de stukken
vermeldt, geborgen in het (blijkbaar kleine) «comptoir» 3). De arbeid
van Dr. Scheidius, hoewel vlijtig en voor het gebruik voldoende, be-
antwoordt natuurlijk geheel niet aan de eischen, die men tegenwoordig
meent te mogen stellen; daar de datum in het hoofd niet ingevuld
is, schijnt het stuk trouwens niet aan het Intermediair gemeentebestuur
ingeleverd te zijn, en heeft dus de samensteller denkelijk zijn werk,
al liet hij het in het net schrijven, als nog niet geheel voltooid be-
schouwd. Intusschen had dit werk zonder twijfel aanleiding gegeven tot
eene algemeene herziening der in de secretarie geborgene stukken, en
wij mogen dan ook aannemen, dat hun toestand redelijk voldoende was
gedurende den tijd, die nog verliep totdat de verbouwing van het stadhuis
in 1828 den stoot gaf tot eene geheel nieuwe regeling van het archief.
Moge uit het voorgaande gebleken zijn, dat de vroedschap slechts
bij vlagen eenige belangstelling koesterde in de goede bewaring der
in de secretarie geborgene oude stukken, men zou zich vergissen, indien
men daaruit de conclusie trok, dat het bestaan zelf dier stukken haar
onverschillig was. Wellicht is deze verzekering eenigszins gewaagd;
wellicht moeten wij aannemen, dat het der vroedschap inderdaad
onverschillig was, of de stukken al dan niet te gronde gingen, indien
zij maar zeker was, dat geene personen buiten den kring der «vrienden»
(zooals het destijds heette) daarin vooraf een onbescheiden oog wierpen.
De plotselinge belangstelling, door het achtbare lichaam nu en dan
getoond, zoodra er sprake is van verduistering van archieven, zou dan
in een veel minder gunstig licht verschijnen. Doch hoe dit zij, het is
niet te ontkennen, dat het der vroedschap geenszins onverschillig was,
1)  Zie over dit stuk hiervoor p. XXXIV Noot 4.
2)  Blijkbaar de in 1754 vervaardigde kasten.
3)  De inventaris noemt alleen eene Groote en eene Kleine secretarie en een Comptoir, dus
drie vertrekken. Wij zagen (boven p. XXXVI Noot 4), dat inderdaad in 1627 „drie distincte
cameren" voor de secretarie werden ingericht. Doch vrij vinden op den platton grond van het
stadhuis van 1642 (Catal. v. d topogr. atlas No. 1009) vier kamers, als: „de cecrotarie", „de
cecretaris-camer", „De Eidders camertjen" on „daer de clerck schrijft", allen bij elkander in
Klein-Lichtenberg gelegen. In 1758 waren er „twee secretaryen\'\' en „do noodige vertrekken
voor stads-secretarissen en klerken" (Teg. staat v. Utr. I p. 354). In 1798 vond men er echter
nog steeds vier vertrekken: „de secretary van \'t bestuur, het klerkencomptoir van dito, een
kaniertie daarnaast, de grote secretary van \'t bestuur" (Bijl. bij Not. Municipal. 17 Dec
1798, in: Invent. arch. 1795-1813. No. IC).
-ocr page 42-
GESCHIEDENIS VAtf HET ARCHIEF.
XLII
of hare archieven al dan niet van het stadhuis verdwenen. Reeds den
2ien Maart 1717 bepaalde zij, dat de acquitten der stadsrekeningen
op het stadhuis moesten blijven en niet van daar mochten worden
«geamoveert» 1). Toen het in 1725 bleek, dat een handschrift, hou-
dende bijzonderheden over de magistraatsbestelling der stad tot 1650
uit de secretarie was verdwenen, werd dadelijk een lid der vroedschap
afgevaardigd om te trachten het terug te krijgen, en eerst na twee
jaren onderhandelens met den secretaris van het gerecht, Mr. A. De
Ruever, die het stuk bleek te bezitten, kon de vroedschap er toe be-
sluiten om in eene schikking te treden 2). Nog beslister trad de
vroedschap op in 1734, toen «eenige boeken en registers» uit de
secretarie van politie werden vermist, «ter voorvallende besoignes zeer
nodigh». Op voorstel der Commissie van finantiën bepaalde men toen,
dat alle leden der vroedschap met de secretarissen en gezworene
klerken op den eed, bij den aanvang hunner bediening gedaan, zouden
verklaren, «gene papieren off registers, tot de secretarye specterende,
te weten of onder haer te zijn berustende, en int vervolgh geen uit
\'t stadthuis te lichten off op andere plaetsen doen overbrengen» 3).
Tevens verbood men aan de klerken van het gerecht «en alle andere
bediendens, niemant uitgezonden, acces hebbende tot voorseyde pa-
pieren off boeken», om zich direct of indirect schuldig te maken aan
het «halen off verbrengen derzelve» 4), en wel op straffe van cassatie.
Alle raadsleden en de secretarissen legden dadelijk de gewenschte
verklaring af 5), die in 1746 door de toen fungeerende raadsleden
herhaald werd, terwijl toen tevens de eed der nieuw inkomende
raadsleden met deze verklaring werd aangevuld 6). Het blijkt niet,
dat een van de leden der vroedschap zich ooit ontrouw aan de in
1734 gedane belofte heeft betoond: slechts éénmaal hooren wij
nog klagen, dat archiefstukken in verkeerde handen waren geraakt.
Den 2oon September 1787 herinnerde een lid der vroedschap zijne
medeleden, dat twee houten kistjes, bevattende «verscheidene origi-
neele papieren, der stad Utrecht concernerende, welke van veel
importantie zijn» (o. a. de origineele overdracht der hooge heerlijkheid
van Vreeswijk) nog berustten onder Mr. A. H. Eyck, die in den tijd
1)  Vroedsch. resol. 22 Maart 1717.
2)  Vroedsch. resol. 23 Juli, 5 Nov. 1725, 19 Mei 1727.
3)  In 1740 werd dit laatste vergund „met voorkonnisse van de heoren Buigemeesteren in
dor tyd of Haar Ed. Secretarissen".
\'i) Trouwons het „communiceeren" van stukken aan personen, dio gccne ledon van den raad
waren, was reeds in 1629 aan den secretaris on zijnen adjunct verbodon. (Zie de instructiën b\\j :
V. d. Water, Plac.b. III p. 260, 261.) Het „laten volgen" daarvan aan raadsleden was eveneens
verboden, tonzy op recu en met verlof van burgemeestoren. (1. c. p. 260.)
5)  Vroedsch. resol. 12 April, 17 Mei 1734.
6)  Vroedsch resol. 5, 10 Sept. 1740.
-ocr page 43-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                XLHI
van de Pretense vroedschap eerste burgemeester was geweest i).
Onmiddellijk droeg toen de vroedschap aan het gerecht op, om de
beide kistjes «van daar weg te neemen> en te brengen ten huize van
den eersten burgemeester, die echter besloot deze «importante» papieren
op de Finantiekamer achter slot te brengen 2).
Wij moeten thans de geschiedenis van de archieven van de andere
afdeelingen der stedelijke administratie tot op de afbraak van het
oude stadhuis nagaan; het overzicht kan kort zijn, daar ons zeer
weinig over het lot dezer verzamelingen bekend is.
§ 3. Het archief der Finantiekamer. — Onder de archieven der
in den loop van de 17e eeuw opgerichte stedelijke kamers van beheer
komt het archief der Finantiekamer, die min of meer als eene onder -
afdeeling der secretarie kan beschouwd worden, het eerst in aanmerking.
Waar dit archief bij de oprichting der kamer in 1655 geborgen
is, blijkt niet; doch reeds in het eerste kwartaal der 180 eeuw 3) ver-
huisde het met de kamer zelve naar het ruime vertrek boven de
secretarie, dat vroeger als archief bergplaats had gediend en in i 711 ter
gelegenheid van het vredescongres ontruimd was. Het archief werd daar
geborgen in vijf kasten met verschillende vakken en laden. Omvangrijk
was het niet: de seriën stadsrekeningen, die men in de eerste plaats
daar verwacht zou hebben, blijken in de secretarie berust te hebben 4).
Op de Finantiekamer vinden wij iets anders. In de eerste plaats:
de resolutiën en agenda der kamer, het ordonnantie* en subsidie-
boek met de liggers der thesauriers- en kameraars-manualen en vele
registers betreffende de stedelijke comptabiliteit in den Franschen
tijd. Dan eenige op zich zelf staande rekeningen over verschillende
onderwerpen, met vele pakken acquitten, manualen van stedelijke
belastingen, cohieren, verhuurcontracten, oude obligatiën, registers van
de extraordinaire thesaurierskas, de stads kleine schulden, het burge-
1)  Eenige stukken van bijzonder belang (o. a. den verbandbrief van 9/j0 van de ketelgruit
on den 8on penning van den wijnaccijns dd 1555, hierna No. 197) berustten steedt onder den
len burgemeester en wel in de zoogenaamde „goude doos", waarin de transportakte der hooge
beerlijkheid Vreeswijk was besloten. (Vroedsch. resol. 1 Febr. 1762. — De nog aanwezige „goude
doos" is eigenlek „silvcr verguit", zooals liet heet: V. d. Water, Placb. IU p. 19.)
2)  Vroedsch. resol. 20 Sept. 1787, met marginale aanteekening dd. 20 Mei 1826.
3)  Vroedsch. resol. 23 Febr. 1728, 12 Febr. 1731. (De resolutie van 1728 machtigt tot het
plaatsen van acht nieuwe ramen in den stadhuisgovel, als „vier beneden in de secretarye van
de politie en vier daarboven op dezer stadts kamer van finantie".)
4)  Deze opmerking is van gewicht, daar er uit blijkt, dat het in de stedelijke kanselarij ge-
bruikelijk was, dat de goedgekeurde rekeningen door de Finantiekamer werden teruggezonden.
Was dit de algemeens regel, dan zou er geen reden zijn, om de rekeningen eener gemeenschap
te plaatsen in het archief der rekenkamer, die ze controleerde, en zou het overzicht van het
archief daardoor wellicht gemakkelijker worden. Doch het was niet de algemeene regel, inte-
gendeel eene uitzondering daarop. Uit oen schryven van do Hollandsche Rekenkamer aan de
Gedeputeerde Staten van Utrecht dd. 3 Augustus 1591 (in het Utr. rijksarchief) vernemen
w(j, dat deze kamer „de geslooten rekeningen volgende (haer)luyder instructie nyet en ver-
mochte uuvter camere te laeten gaen\', terwijl „het dubbelt van de rekeninge(n) onder den
(rendant) berustende" was.
-ocr page 44-
XLIV                                GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
meestersbeursje en het erfhuiskantoor. Verder vele stukken over de
kazemeering uit het laatst der i8e eeuw, enkele stukken over de
geestelijke goederen, bestekken en andere bescheiden over publieke
werken, en eindelijk eenige papieren, die blijkbaar hierheen verdwaald
waren zonder er thuis te behooren. Met uitzondering van deze laatste
stukken behoorde nagenoeg het geheele archief der kamer tot de i8«
eeuw i). Uit dit overzicht blijkt, dat de resolutie der vroedschap van
12 Februari 1731, die beval de archieven (voornamelijk betreffende
«stads-fundattën»), die na verhuizing der Finantiekamer in wanorde
op den houtzolder lagen, «van daer weder op stadts-finantiekamer te
brengen», niet heeft geleid tot een duurzaam verblijf dier stukken in
dit vertrek: gewis heeft men ze volgens den verderen inhoud der
resolutie aldaar alleen «nagezien» en daarna «hetgene eenigsints van
waerde was, op een bequame plaetse in ordre gelegd en bewaerd» 2).
Bij de vaststelling op 22 April 1799 van eene nieuwe instructie voor
den adjunct-secretaris der stad 3), wien van ouds de waarneming der
Finantiekamer was opgedragen, was men ook gedachtig aan het archief
dezer kamer: men gelastte den nieuwen titularis in art. 4 o. a., «zich
met ijver toe te leggen om alle charters en papieren, stadsfinanciën
betreffende en onder hem berustende, in goede orde te houden of te
brengen, (en) daarvan, zooveel noodig zal zijn, behoorlijke lijsten (te)
houden». Inderdaad was men dus overtuigd, dat iets voor het archief
moest gedaan worden. Bij de hernieuwing der instructie op 5 December
1803 werd de bepaling onveranderd weder overgenomen 4), maar voor
zooveel blijkt is er niets verricht. Eerst in 1818 kwam men er toe
het archief te inventariseeren, zonder evenwel aan de orde (of liever,
wanorde) iets te veranderen. Wij bezitten nog drie inventarissen, ge-
schreven met de kennelijke hand van den klerk ter secretarie J. De
Groot, waarvan de eerste beschrijft de «boeken, papieren etc, welke
op dezer stads Finantiekamer in de vijf eerste kasten gevonden worden»;
deze inventaris is voorzien van een alphabetisch register. De tweede
inventaris levert alleen een zeer uitvoerig «Alphabetisch register van
stukken, welke gevonden worden in de kast No. 2 of wel de laden,
getekend A—Z, en onderladen N". 1, 2, 3 en 4»; deze laden bevatten
uitsluitend losse papieren. De derde inventaris kondigt zich aan als
eene «Lijst van eenige stukken, welke in het dubbelde lessenaartje zijn
bewaard geweest», en levert slechts eene korte opgave van 43 losse
stukken. Deze geheele inventarisatie, voor het gebruik gemakkelijk,
1)  De inhoud van liet archief dor Finantiekamer blykt uit den na te molden inventaris
van 181S.
2)  Vroedsch. rosol. 12 Febr. 1731.
8) Instr. boek B. lol. 162.
4) Instr. boek B. fol. 187.
-ocr page 45-
XLV
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
heeft geene waarde meer dan alleen in zooverre zij ons bekend maakt
met den omvang van het oude archief der Finantiekamer.
§ 4. Het archief der Mombo ir kamer. — Minder nog valt er mede
te deelen over het archief der Momboirkamer, die zich aanvankelijk
bij hare oprichting in 1623 vestigde in een vertrek boven het kantoor
der klerken van het gerecht (in Hasenberch) 1) en na het einde van het
vredecongres in 1713 verplaatst werd naar de vroegere kamer van den
secretaris van het gerecht 2). Deze kamer was gelegen naast de secre-
tarie van het gerecht beneden in Hasenberch; daaronder bevonden
zich de kelders, waar in 1720 de wisselbank zou gevestigd worden 3).
Het archief der Momboirkamer is door de omstandigheden steeds
van het stadsarchief afgscheiden gebleven; doch ook al ware dit niet
het geval geweest, dan zou het ons niet moeielijk vallen het te recon-
strueeren. Het is weinig omvangrijk en bestaat in hoofdzaak uit de
registers der kamer en eenige papieren betreffende verschillende door
de kamer gevoerde administratiën. Veel omvangrijker, doch niet zeer
belangrijk zijn de papieren, betrekking hebbende op de door de kamer
zelve geadministreerde boedels. Er stond in de kamer eene kast met
laden (nog in het archief aanwezig), waarin de papieren der loopende
boedels geborgen waren. Deze verzameling was niet zoo groot als men
zou kunnen meenen, daar de papieren van eenen boedel bij de afre-
kening, nadat de kamer voor haar beheer quittantie had ontvangen,
aan de gerechtigden werden afgegeven. Alleen de stukken over de
loopende boedels moesten dus aanwezig zijn en de boedelpapieren,
die thans nog overig zijn, moeten beschouwd worden als stukken,
wier teruggave door nalatigheid is verzuimd.
Toch werd langzamerhand het vertrek, dat trouwens tegelijk als
vergaderkamer van Gecommitteerden ter momboirkamer diende, te
klein om het steeds aangroeiende archief te bergen. In 1767 besloot men
(gewis in verband met de uitbreiding van het beheer der kamer door de
ordonnantie van dit jaar) «tot dienste en berging van de papieren voor
de Momboircamer» eene kast te plaatsen op «de kamer naast die der
prothocollen» (boven in het stadhuis) «en tevens een klijn camertje,
waarop eenig oud geweer staat», voor dit archief te bestemmen 4),
Daar kon dus het archief rustig verblijven en voortdurend aangroeien.
Een tijd lang was de Momboirkamer, als beheerder der Fundatie
van Evert Van de Poll, ook bewaarder van het archief dier stichting.
Bij vroedschaps-resolutie van 16 September 1720 werd de directie
dezer fundatie, wier belangen zeer verwaarloosd waren, opgedragen
1)  Vroedsoh. resol. 10 Oct. 1713.
2)  Vroedsoh. rcsol. 16 Oct. 1713.
3)  Tegonw. staat van Utrecht. I p. 353. (Het vertrek is hot tegenwoordige Bureau van den
b urgeriyken stand.)
4)  Vroedsoh. resol. 26 Oct. 1767.
-ocr page 46-
XLVI                                 GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF,
aan de Momboirkamer met de executeurs, terwijl het beheer der fondsen
zou gevoerd worden door den administrateur der Momboirkamer.
Dientengevolge werden «de effecten, charters enz., betreffende de voor-
zeide fundatie», naar de Momboirkamer overgebracht i), en zij bleven
daar berusten totdat zij tengevolge van het besluit van Burgemeester
en Wethouders van 21 Januari 18 41 werden teruggegeven aan de execu-
teurs der fundatie, «om door dezelve of derzelver secretaris-rentmeester
naar hunne convenientie te worden bewaard» 2). Slechts een klein deel
van het archief, behoorende tot de familiepapieren van den stichter,
bleef bij vergissing ter Momboirkamer achter.
Na de opheffing der Momboirkamer door de invoering der Fransche
wetgeving in 1811, bleef de kamer in functie tot liquidatie der eenmaal
onder haar beheer gestelde boedels, en zij behield dus ook haar archief.
Wij zullen later zien, dat dit archief nog vele lotwisselingen wachtten.
§ 5. Het archief der Aalmoezenierskamer. — Het archief der
Aalmoezenierskamer bleef gedurende bijna deze geheele periode be-
rusten in het St. Brigittenklooster, waar de kamer (opgericht in 1628)
sedert 1629 gevestigd was 3). Het archief was zeer weinig omvangrijk
en bestond alleen uit de resolutiën der kamer en eenige losse papieren
betreffende hare bezittingen. Natuurlijk vond men er ook de stukken
betreffende het beheer der parochiescholen, die onder toezicht der
Aalmoezenierskamer gesteld waren. Oude inventarissen van dit archief
schijnen niet bestaan te hebben.
Nadat het St. Brigittenklooster in 1816 was ingestort 4), werd de
kamer met haar archief natuurlijk verplaatst. Zij werd toen gehuisvest
in een huis in den Domtrans 5) en verhuisde vóór 1830 naar het
stedelijk gebouw, genaamd het IJzeren hek, op de Breedstraat 6), waar
zij tot hare opheffing in 1856 gevestigd bleef.
§ 6. Het archief der Ambachtskamer. — Van meer beteekenis
was het archief der Ambachtskamer (opgericht in 1619), die sedert
1674 beschikken kon over het tot Ambachtskinderhuis ingerichte
St. Agnietenklooster, waar zij zich dadelijk vestigde. Ook het archief
der kamer werd toen natuurlijk daarheen overgebracht, en het bleef
daar berusten totdat het Kinderhuis in 1810 tot militair hospitaal
werd ingericht 7). De Ambachtskamer verhuisde toen met haar archief
naar het naast het Kinderhuis gelegene gebouw der Fundatie van
1)  Vroedsch. rosol. 10 Sept. 1720.
2)  Notulen B. en W. 28 Jan. 1841.
3)  Vroedsch. resol. 12 Jan. 1629.
4)  Not. Aalm.kamer 27 Nov. 1816. — Not. Burgem. 2 Dec. 1S16. - Miss. v. d. Staten aan
Burg. dd. 10 Dec. 1816, in: Not. v. Burg. 1816. — Vgl. Utr. volksalm. 1807 p. 148.
5)  Miss. v. d. Staten dd. 1816, boven aangehaald (Noot 41.
C) Not. B. en W. 8 .T*n. 1830
7) Not. B en W. 9, 19 Juli 1810.
-ocr page 47-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                               XLVII
Renswoude; daar werd het geborgen in eene «kast in de Groote
collegiekamer», terwijl het overschot (pakken acquitten en requesten)
eene plaats vond in eene «kist op de zolder der Fundatie» t). In
dezen toestand bleef het archief nog geruimen tijd na het einde dezer
periode.
Ik moet nog spreken van eene belangrijke vermeerdering, die het
archief der Ambachtskamer reeds in 1656 verkregen had. Er bestond
sinds de middeleeuwen te Utrecht een Melatenhuis, dat sedert deze
ziekte opgehouden had in Nederland te heerschen, doelloos geworden
was. Toen in 1655 de zeer ontredderde stedelijke finantiën dringend
voorziening eischten en de vroedschap bij deze gelegenheid verschil-
lende langzamerhand ontaarde of doelloos gewordene fundatién met
een begeerig oog de revue liet passeeren, viel hare aandacht ook
op het bemiddelde Melatenhuis, dat «bynae geene lasten haddes. De
vroedschap overwoog, dat de stadj jaarlijks «merkelicke penningen!
uitgaf tot subsidie van de Aalmoezeniers" en Ambachtskamers en «dat
men tot verval van deselve oncosten de goederen, specterende tot het
Melatenhuys, soude connen mortificeren». Na inzage van den fundatie-
brief besloot de vroedschap, het beheer der goederen bij de Ambachts-
kamer over te brengen, en 28 Augustus 1656 beval zij, dat «den
huysmeester (van het Melatenhuis) aen de vroedschap sal overgeven
alle de brieven ende munimenten vant voorseyde huys, om daernae
vorders in desen gedaen te worden sulx men bevinden sal te be-
horen». Inderdaad werd in het begin van October 1656 «der Meiaten
kist met brieven ende munimenten gebracht in de secretarye der stadt»,
en de vroedschap besloot eerlang, «dat de stucken ende munimenten
vant Melatenhuys uyt de kist gelicht ende onder inventaris (souden)
worden geseponeert in een casse boven de secretarye» bij de archieven
der begijnenconventen 2). Dit geschiedde evenwel niet: ten stadhuize
bleef slechts het resolutieboek der broederschap van het Melatenhuis
achter, terwijl de rest (zeker om het beheer der goederen te verge-
makkelijken) werd overgebracht naar het archief der Ambachtskamer,
die het eerst in 1876 aan de stad restitueerde.
§ 7. Het archief der Schepenbank. — Wij moeten thans terugkomen
op de geschiedenis van het schepenarchief, dat wij verlieten, toen het
na de vernieuwing van het stadhuis geborgen werd in de nieuwe
secretarie van het gerecht beneden in Hasenberch. Daar vinden wij
het in 1637 terug 3). Doch natuurlijk ontstond er langzamerhand in
de secretarie plaatsgebrek, en men besloot daarom, de omvangrijke
1)  Vgl. een inventaris van liet archief van omstreeks 1810 door eene onbekende hand.
2)  Vroedsch. resol. 22 Maart, 19 April 1655, 12 Juli, 28 Aug., 13, 20 Oct. 1656.
3)  Aant. v. Dr. C. Booth dd. 1637, gebonden achter in Musschonbroek\'s exemplaar van den
ouden chartorinventaris dor stad. („Schepen oude registren.....berusten in de secretarie
van den gerechte der stadt Utrecht".;
-ocr page 48-
XLVIII                             GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
serie registers, die als «prothocollen» bekend waren (de registers van
stukken over vrijwillige rechtspraak), over te brengen naar een boven-
vertrek van Hasenberch, dat daarnaar «de prothocolkamer» genoemd
werd i).
Het schepenarchief verkreeg belangrijke aanwinsten sedert de ordon-
nantie der Staten van Utrecht van 22 Januari 1606 2) had voorge-
schreven, dat de protocollen der notarissen, binnen de steden der
provincie resideerende, na hun overlijden zouden gedeponeerd worden
ter secretarie van het gerecht van de plaats hunner vestiging. Deze
regeling, herhaaldelijk door de vroedschap ingescherpt 3), had ten-
gevolge, dat voortdurend de omvangrijke protocollen der talrijke
Utrechtsche notarissen het archief der schepenbank kwamen vermeer-
deren : niet onwaarschijnlijk heeft juist deze omstandigheid vooral aan-
leiding gegeven, dat de inrichting eener «prothocolkamer» noodig werd.
Denkelijk heeft op den inhoud der secretarie van het gerecht betrek -
king een «Inventaris der papieren en stukken van het voormalig
gerecht der stad Utrechts uit het begin der io° eeuw, die alle sententie-
boeken, verschillende registers van vrijwillige rechtspraak uit de i8e eeuw,
en ook tal van pakken met losse papieren uit de i8e en 196 eeuw
vermeldt, terwijl daarentegen de weinige belangrijke papieren en regis-
ters uit de middeleeuwen geheel ontbreken.
Krachtens de wet van 21 Ventose an VII, ingevoerd bij de Keizerlijke
decreten van 8 November 1810 (Buil. d. lois No. 327 bis) en 6 Januari
1811, is de fraaie serie stedelijke transportregisters in 1811 of kort
daarna overgedragen aan den hypotheekbewaarder te Utrecht, die ze
naar zijn bureau overplaatste. De rest van het schepenarchief moest
volgens het Keizerlijk decreet van 8 November 1810 (Buil. d. lois N°. 327)
overgebracht worden naar de archieven van het Hof en de Arrondis-
sements-rechtbank. Waarschijnlijk zijn dientengevolge de stukken uit
de secretarie van het gerecht dadelijk afgegeven. Eene overlevering zegt
echter, dat eerst veel later (ter gelegenheid van de verbouwing van het
achterste gedeelte van het stadhuis in 1844) op verzoek van het stede-
lijk bestuur, de overbrenging van het schepenarchief heeft plaats gehad;
ik acht het waarschijnlijk, dat bij die gelegenheid de stukken in de
1)  Deze kamer, reeds vermeld in de Vroedsch. rosol. v. 26 Oct. 1767, komt nog in 1798 op
het stadhuis voor. (Bijlage bij Not. Municipaliteit v. 17 Dec. 1798, in: Invent. arch. 1793—
1813. No. 10.) Do instructiën van den secretaris en don adjunct-secretaris van het gerecht dd.
22 Sept. 1651 en 18 Mei 1685 (Instr.boek A. lol. 117 vs., 119), verbieden de titularissen alleen,
om „registers, rollen, boocken nog schriften" zonder verlof van het gerecht „te laten volgen
buyten de secretarie*\'; ik durf echter daaruit niet op te maken, dat do protocolkamer toen
nog niet bestond.
2)  Van de Wator, I\'lac.b. I p. 459.
3)  Vroedsch. resol. 3 Sept. 1683, 23 Fcihr. 1685, 29 Mrfc, 14 Juni, 2 Aug. 1680, 17 Mei 1687,
27 Aug. 1688.
-ocr page 49-
XLlX
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
protocollenkamer, die zeker ontruimd en verbouwd moest worden,
opgemerkt en afgegeven zijn.
§ 8. Archieven van geestelijke gestichten. — Ik moet thans nog
spreken over de vermeerderingen, vóór de geheele verbouwing van het
oude stadhuis in 1828 door het archief verkregen. Deze aanwinsten
waren het gevolg van de twee revolutiën, die ons staatkundig bestaan
geheel veranderden: die van het einde der i6e en van het einde der
180 eeuw. In de eerste plaats komen hier in aanmerking de archieven
der geestelijke gestichten.
Het is bekend, dat de bestemming, na de reformatie aan de geeste-
lijke goederen te geven, niet het minst in de provincie Utrecht aan-
leiding gegeven heeft tot hevige twisten tusschen de leden der Staten-
vergadering. Vooral het eerste lid, de vijf kapittelen, en het derde
lid, de stad Utrecht, voerden een eigenaardig sustenu. Ue kapittelen,
op zelfbehoud bedacht, ijverden natuurlijk zooveel mogelijk voor be-
houd van het bestaande met betrekking tot de geestelijke goederen;
de stad Utrecht was zeer bereid tot radicale maatregelen, maar hield
vol, dat de andere leden der Statenvergadering zich niet te mengen
hadden in liet toezicht op de binnen hare muren gelegene stichtingen.
Aanvankelijk gelukte het echter, althans over eene regeling eenstenv
migheid te verkrijgen: in Juni 1580 werd eene «Ordre op de geeste-
lickheyt ende hare goederen» door de drie leden der Staten vastgesteld.
Deze Ordre, niet te best uitgevoerd, werd in October 1586, met mede-
werking van Leycester, vernieuwd als het iRedressement op de geeste-
lijke goederen» 1). Toen het echter weldra bleek, dat ook de nieuwe
regeling feitelijk onuitgevoerd zou blijven, tastte de stad Utrecht door.
Het werd meer en meer zeker, dat de vijf kapittelen hunne onafhan-
kelijkheid zouden handhaven-, de vijf jufferenstiften vielen aan de Rid-
derschap ten deel: de stad Utrecht zou nu ook een deel van den
buit trachten te verkrijgen.
Reeds een paar maanden voor de vaststelling van het Redressement
had de stad beslag gelegd op de door twee broederschappen beheerde
kleine gasthuizen van St. Jacob en St. Joost 2). Sedert 1588 besloot
men nu tot annexatie van de goederen van vier mannenkloosters, die,
daar de monniken niet meer geduld werden, voortaan doelloos en
onbeheerd waren. Achtereenvolgens werden de goederen van het
St. Hieronymushuis, het Cellebroedershuis en het Fredikheerenklooster
«aen der stadts goederen gecombineerts 3). De goederen van het
Regulierenklooster, die thans aan de beurt lagen en waarnaar de stad
1)  Beide regelingen z\'iin gedrukt liij: Verl.oren, Gesch. der vicariën in de prov. Utrecht,
p. 497, 52.».
2)  Haadsresol. 29 April 1580.
3)  Haadsresol. 14 April 1589, 31 Mei 1591, 2 Augustus 1501.
4
-ocr page 50-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
h
inderdaad in 1593 de hand uitstrekte 1), ontsnapten echter aan de
annexatie, daar zij door de stad zelve in 1597 werden gesteld onder
beheer van regenten van het weeshuis 2), die zich reeds sedert 1582
in het klooster genesteld hadden 3).
Natuurlijk toonde de stad zich voor de archieven der geannexeerde
stichtingen, die de eigendomsbewijzen harer goederen bevatten, niet on-
verschillig: reeds 1 Januari 1588 (dus meer dan een jaar voor de annexatie)
«ordonneerde» de raad Mr. Wilger Van Moerendael, kanunnik van
St. Pieter, die het beheer van de goederen van het St. Hieronymushuis
voerde, om «binnen acht dagen na insinuatie van desen in handen van
Jan Van Leemput of Gerrit Willemss. Ploos, scepenen, te leveren by
inventaris alle de brieven, rekeningen ende andere scriften, als hy onder
hem heeft van de goederen, aen denselven convent behoort hebbende
ten tyde sijnder administratie, op pene van thien gouden realen> 4).
Doch dit bevel bleef onuitgevoerd, zonder twijfel door den steun der
vijf kapittelen, die deel aan het beheer der St. Hieronymusschool
hadden. Nog 13 December 1591 moest het bevel aan Moerendael
herhaald worden 5), en zelfs een jaar later (28 December 1592) moest
de stad aan de dekens der vijf kapittelen «ende anderen, gehadt heb-
bende dadministratie van de goederen, behoorende aen St. Jheronimus-
convent», op straf van gijzeling bevelen, om «in handen van den
secretaris deser stadt binnen acht dagen naer insinuatie te leveren alle
de brieven ende andere munimenten, sprekende van de goederen des-
selven convents, ende oock alle tgunt onder hem es, dcnselven convente
toebehoorende» 6).
Van het archief van het Cellebroedershuis wordt bij de annexatie
van de goederen op 31 Mei 1591 niet gesproken 7); toch blijkt het
door de stad overgenomen te zijn, daar de overblijfselen daarvan nog
heden onder haar berusten. — Anders is het gesteld met het archief
van het Predikheerenklooster: bij het ontslag op 2 Augustus 1591 van
den rentmeester, die van stadsvvege de goederen beheerde, had de
raad niet verzuimd hem te gelasten, de rekeningen van het klooster
«ende alle andere munimenten, die onder hem berusten», aan den
eersten kameraar over te dragen 8). Maar blijkbaar hadden de Predik-
1)  Raadsresol. 15 Januari 151)3. (De raad besloot toon, op liet jaarlijksch saldo van het
beheer beslag te leggen.)
2)  Apostil van 9 Mei 1597 op het request van huismeesters van liet weeshuis in het archief
van liet weeshuis. Reeds 15 April 1588 had de raad bet/.elfde besluit genomen, doch toen was
het niet uitgevoerd.
:i) Vgl. raadsbesluit van 9 Februari 1582.
I) Minuut-akte dd. 1 Jan. 1588, in: Catal. v. b, archief. 1577—1795. No. 176.
5) Raadaresol. 1:1 December 1591.
ti) Raadsresol. £8 December 1592.
7)  Raadsresol. :il Mei 1591. Evenmin bij de herhaling van hot bevel op 28 Juni en 1 No-
vember 1591.
8)  Raadsresol. 2 Augustus 1591.
-ocr page 51-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                      LI
heeren hun kloosterarchief gered, en kon dus de rentmeester niets
anders overdragen dan de papieren betreffende zijne eigene admini-
stratie; althans het archief van het Predikheerenklooster is verloren. —
Het archief van het Regulierenklooster eindelijk kwam natuurlijk in
1597 met de goederen onder beheer van regenten van het weeshuis,
en het berust dan ook nog heden in het gesticht.
Over de verdere geschiedenis der dus geannexeerde archieven is
weinig bekend. Die van de gasthuizen van St. Joost en St. Jacob
hooren wij met het (thans verlorene) archief van het even onbedui-
dende St. Marthagasthuis in 1615 opnoemen onder de archieven der
broederschappen, zoodat het aannemelijk is, dat zij toen bij dezen
gevoegd zijn geworden. Evenzoo zijn hoogstwaarschijnlijk de archieven
van de St. Hieronymus- en Cellebroedershuizen gevoegd bij die der
lien begijnhuizen, waarmede zij later vermengd gevonden zijn.
Eerst veel later dan de kloosterarchieven zijn de archieven van
broederschappen en begijnhuizen op het stadhuis aangekomen. Had de
stad zich reeds in 1579 zeker toezicht op het beheer van de goederen
der broederschappen in de vier parochiekerken aangematigd 1), ook
over de tien begijnenconventen begon zij allengs hare beschermende
vleugelen uit te spreiden 2). Dat toezicht en die bescherming, aanvan-
kelijk zonder twijfel heilzaam, werden ten slotte zoowel voor de broeder-
schappen als voor de begijnenconventen noodlottig. Het toezicht op de
begijnenconventen werd in 1613 verscherpt door de aanstelling van
stedelijke rentmeesters 3); eene poging tot opheffing der broederschap-
pen ten bate van het nieuwe tuchthuis in het volgende jaar werd slechts
met moeite verijdeld 4), en liep uit op het stellen van de goederen van
alle broederschappen onder het beheer van een stedelijken rentmeester
(1615) 5). Het beheer van dezen rentmeester duurde tot 1655, toen de
goederen der broederschappen werden «gemortifïceert tot affdoeninge
van stadts lasten» 6). In 1674 eindelijk, bij den reddeloozen toestand
der stedelijke finantién na het vertrek der Franschen, volgde ook de
inlijving van de goederen der begijnenconventen bij die van de stad 7).
Ook de archieven van alle aldus geannexeerde stichtingen v/er-
den allengs door de stad genaast en kwamen derhalve het stads-
archief vermeerderen. Reeds 29 December 1579 committeerde de
1) Raadsresol. 29 Dec. 1579.
~) Sedert 1587/88 werden de rekeningen van de rentmeesters der hogijnhuizen afgelegd aan
het stedelijk bestuur.
8) Instr. van 9 Aug. Itil3. (Catal. arch. 1577-1795. No. 721.)
4) Zie daarover: V. Riemsdijk, Gesch. der kerspelkerk v. St. Jaeob. p. 170 vlg. Uit de reke-
ning van den bouw van liet tuchthuis (Catal. arch. 1577—1795. No. 1317) blijkt echter, dat de
goederen niet voor dit doel bestemd zijn, zoodat de poging mislukt is.
6; Raadsresol. 23 Oct. 1815.
6)  Vroedsch. resol. 19 April 1655.
7)  Vroedsch. resol. 2 Mei 1674.
-ocr page 52-
Lil
GESCHIEDENIS VAV HET ARCHIEF.
raad twee schepenen, «omme van alle die broederschappen, gelegen
hebbende in de Buyrkercke, sint Jacobs, sinter Niclaes, sinte Geert, in
de Predikers- ende de Minrebroederskercken, mitsgaders van degenen,
die bewynt hebben van de memoriën, die men in deselve kercken
plach te houden, te eysschen, nemen ende ontfangen by goede ende
pertinente inventaris alle de goederen, so mobile als immobile, mit
die originale brieven, rekeningen, munimenten ende ander bescheyt,
dairtoe dienende, die tot dselve broederschappen ende memoriën toe-
horende zijn, auctoriserende ende eernstlick ordonnerende den voir-
seyden gecommitteerden hiermede sommierlick in alder diligentie te
procederen, ende dengenen, die onwillich ende ongehoirsaem zullen
zijn, in gyselinge te doen brengen op Hasenberch totdat zy tgunt
voirseyt es geiiffectueert zullen hebben» i). Het is echter zeer twijfel-
achtig, of dit besluit is uitgevoerd: de rekeningen der broederschappen
loopen bijna allen door tot 1612 of 1613, en waarschijnlijk zijn dan ook
eerst in 1615 de archieven afgegeven aan den stedelijken rentmeester,
die toen aangesteld werd. Immers tegelijkertijd werd toen aan de procu-
rators der broederschappen last gegeven, om aan den rentmeester «ter
goeder trouw te administreren ende ter hand te stellen alle tgeene
eenichsins heure respective broederschappen angaet» 2).
Nog later zijn de archieven der begijnhuizen op het stadhuis aan-
gekomen. Zij waren gebleven in de huizen zelven, die slechts onder
stedelijk toezicht geplaatst waren; en zelfs toen stedelijke rentmeesters
met het beheer belast werden, bleef deze toestand aanvankelijk onver-
anderd. Doch op 4 Maart 1624 besloot de vroedschap, dat de commis-
sartssen en rentmeesters «elck in sijn conventen (souden) by den
anderen in een kiste vergaderen ende doen leggen alle brieven, schriften
ende andere bescheyt, dat alsnoch van de respective conventen daervan
berust, ende die alle op den sladthuyse-brengen in bewaerdcr hant» 3).
Zeven jaar later werd in de behoorlijke bewaring der aldus ver-
kregene massa voorzien: den 30\'\'» September 1631 besloot de vroed-
schap, blijkbaar opmerkzaam gemaakt op het groote finantiëele belang
dezer papieren, «dat men die brieven ende munimenten der respective
conventen sall doen inventariseren ende dselve curieuselick bewaren in
cassen, daertoe te accommoderen boven die secretaryen deser stadt,
welckc kassen geslooten sullen worden met twee sleutels, waervan
deene sall hebben deerste burgermeester in elcker tijt ende dander
den rentmeester» 4). Niettegenstaande de blijkbare zorgvuldigheid, die
1) Raadsresol. 29 Poe. 1579.
i) Raadsresol. 27 rirt. 1815.
:\'.) Vroedsch. resol, 4 Maart lti24.
l) Vroedsch. resol. 30 Sept. 1631.
-ocr page 53-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                    I.I1I
uit dit besluit sprak, was nog in 1656 het werk niet verricht 1): den
2oc" October moest de vroedschap bevelen, dat «in distincte kassen
boven de secretarye geleydt sullen worden de brieven ende bescheyden
van der bagynen conventen, soo onder de respective rentmeesters als
op den stadthuyse berustende». Eene commissie van drie vroedschaps-
leden werd benoemd om dit werk uit te voeren, terwijl haar tevens
nogmaals werd opgedragen, inventarissen der stukken samen te stellen 2).
Zooals wij reeds zagen, gaf het Utrechtsche vredescongres, dat ook
het lokaal, waarde archieven der begijnhuizen geborgen waren, in bezit
nam, aanleiding, dat de goede orde, waarin wij moeten aannemen, dat
deze archieven tengevolge van de herhaalde maatregelen verkeerden,
weder verstoord werd. In 1725 vinden wij dan ook «de oude papieren
en chartres, ten grooten deele concernerende stadts-conventen en fun-
datiën», nog op «de houtzolders boven de secretarie, waarheen ze in
1711 gebracht waren, en hoewel de vroedschap 5 November van dit
jaar eene commissie benoemde, om ze te schiften en te ordenen, en
ook om «tot derzelver bewaringe de nodige voorzieninge te doen» 3),
lagen zij nog in 17 31 «vry wat confuis en achteloos» op dezelfde
plaats. De vroedschap gelastte toen de Commissie van financiën, om
ze na te zien en «hetgene eenigsints van waerde (was), op een bequame
plaetse in ordre te leggen en te bewaren» 4).
Wat er tengevolge van dit besluit met de kloostercharters geschied
is, weten wij niet: wij verliezen ze sedert uit het oog en vernemen er
niets meer van. Als wij de verzameling meer dan eene eeuw later in
eene baliemand op den zolder van het stadhuis terugvinden, zijn het
slechts de droevige overblijfselen der eens zoo rijke archieven: enkele
charters van de begijnhuizen met een paar uit de archieven der broeder-
schappen. Eerst zéér onlangs is gebleken, waar de rest, die men
meende dat in de stormen der omwenteling verloren gegaan was, ge-
bleven was. De geschiedenis der stukken kan thans met groote waar-
schijnlijkheid vastgesteld worden.
Het getuigt niet voor de zorgvuldigheid, waarmede de charters der
begijnhuizen, sedert in 1731 de Commissie van financiën met hare
betere bewaring belast werd, behandeld werden, dat prof. P. Bondam,
die in het laatst der 180 eeuw alle oude archieven in de stad Utrecht
wist te ontdekken en te doorsnuffelen, verlof van de vroedschap, die
wij weten dat zoo geheimzinnig met hare charters omging, heeft weten
1)  In do boven (p. XXXVHI Noot 1) aangehaalde resolutie van 11 November 103V schijnt
van <lezc archieven gesproken te wordon als eene massa van „verscheyden schriften onde oude
brieven, waorondor ecnigo van cleynder importantie", die op do bedoelde bovonkamer lagen.
2)  Vrocdseh. rosol. 20 Oct. 1056.
S) Vroodscdi. resol. 5 Nov. 1725. .
•t) Vrocdsili. resol. 12 Febr. 1731.
-ocr page 54-
LIV                                   OESCIIIEDENTS VAN HET ARCHIEF.
te verkrijgen, om de honderden charters van de geestelijke gestichten,
die op het stadhuis berustten, in zijne woning op zijn gemak te raad-
plegen. Toch is dit blijkbaar het geval geweest, want bij zijn over-
lijden werden in zijnen boedel gevonden «Diplomata Trajectina
authentica, in 12 doosen» 1), wier inhoud, door den lateren archivaris
Mr. P. Van Musschenbroek op Bondams auctie in 1800 aangekocht,
voor een zéér aanzienlijk deel is gebleken uit de charters van onze
gestichten te bestaan. Een ander deel dier collectie, veel kleiner dan
Musschenbroek\'s aandeel in den buit, en voornamelijk uit stukken
van de St. Hieronymus- en St. Magdalena-huizen bestaande, verhuisde
naar elders: met eenige archiefstukken, die Bondam uit het archief
der Oud-R. C. Clerezy geleend had, werden zij aan dit archief afge-
geven. Mussclienbroek\'s stukken werden in 1826 op de auctie van
zijne bibliotheek aangekocht door den bekenden verzamelaar Sir
Thomas Phillipps te Middlehill; de aan de Oud-R. C. Clerezy ten deel
gevallene stukken berusten noch heden daar 2).
§ 9. Archieven der gilden. — De tweede belangrijke aanwinst van
het stadsarchief, die wij te bespreken hebben en die het gevolg was
der groote revolutie op het einde der 180 eeuw, was de overneming
van de archieven der gilden.
Ten gevolge van de opheffing der gilden bij art. 53 van de Algemeene
grondbeginselen der staatsregeling van 1798 beval het Uitvoerend be-
wind den 5 October 1798 de municipaliteiten, om alle gilden te ont-
binden. Dientengevolge benoemde het Intermediair gemeentebestuur van
Utrecht den 8 October Provisioneele commissarissen, met last «om alle
effecten, gelden, boeken, chartres en papieren, de gilden concernerende,
van de gewezene dekens en overheden over te nemen» en daarvan rapport
te doen 3). Den 17 December 1798 konden deze Provisioneele commis-
sarissen berichten, dat alle gilden aan het bevel hadden voldaan, met
uitzondering van het Schoenmakersgild 4), dat eerst 4 Februari 1799
toegaf 5)
Volgens art. 45 van de Algemeene bepalingen der staatsregeling van
1802, die in art. 4 de afschaffing der gilden gehandhaafd had, beval
het Reglement op het gemeentebestuur van Utrecht dd. 7 Februari
1)  Catal. auctie Bondam. 1800. p. 243, No. 57.
2)  Geheel buiten verband met liet voorgovallene met do overige Utrechtselie geestelijke
gestichten, verkroop de stad in 1B33 hot beheer over de goederen der Johanniter-konimandc-
rijen van Ingen on \'s Hoerenloo. Do archieven <lier gestichten werden echter niet verkregen :
do stukkon, die hot gemeentearchief over deze kominamlorijon bezit (Catal. v. h. areh. 1577—1795,
No. 1910—IMS), hebben allen betrekking op hot beheer van <lo stedelijke Gecommitteerden tot de
koininanderijen van Ingen on \'s Hoerenloo.
I!) Notulen In term. Gem.bost. 8 Oofc 1798.
I) Notulen Interm. Gem.bost. 17 Deo. 1798.
.">) Notulen Interm. Gom.best. 4 Febr. 1799.
6) Zie dit reglement in do bibliotheek der stad Utrecht. Catalogus No. 1930"\'.
-ocr page 55-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                    LV
1803 6) in art. 38 en 39 de oprichting van een College van koop-
handel, dat 7 Maart 1803 benoemd werd 1). Den 21 Maart gelastte
het gemeentebestuur aan de Provisioneele commissarissen tot de gilden,
om aan dit college rekening te doen van hun beheer, «met uitlevering
van alle boeken, papieren, charters en generaallijk van alles, wat
zijlieden van de voormalige gilden hebben overgenomen en in hun-
lieder bewaring gehad» 2).
Het beheer van deze archieven door het college duurde echter slechts
korten tijd: den 24 September 1804 werd het door het gemeentebestuur
gemachtigd, «om aan de onderscheidene commissarissen over de respec-
tive handelbedrijven tegens intrekking van zeker gepasseerd handschrift
terug te geven zoodanige effecten, gelden, zilvere bodetekens en verdere
documenten, als tengevolge der notificatie van het Intermediair gemeen-
tebestuur dezer stad van dato den 8 October 1798 door gewezene
commissarissen over de voormalige gilden uit handen van de overheden
der bestaan hebbende gilden waren overgenomen» 3). De uitvoering
van dezen last had, blijkens het nog aanwezige recuboek van het
college 4), plaats op iS—20 December 1804, terwijl enkele achter-
blijvers in Juni 1805 hunne stukken overnamen. Bij de teruggave
blijkt men (zooals trouwens te verwachten was) voornamelijk gelet te
hebben op papieren, die eene geldswaarde vertegenwoordigden ; daar-
naast kwamen vooral de bodeteekens in aanmerking, omdat zij van
zilver waren 5). Ook «de boeken, charters en papieren, behoord heb-
bende tot de voormalige respective gilden», werden (blijkens eene aan
het reguboek geannexeerde lijst) wel teruggegeven, doch blijkbaar
handelde men hiermede vrij slordig: immers tal van gildenboeken en
andere van de gilden afkomstige papieren, die zonder twijfel in 1798
ten stadhuize waren aangekomen, berusten nog heden in het gemeente-
archief 6).
Het verdient nog opmerking, dat uit deze overgeblevene gilden-
boeken blijkt, dat de meeste gilden (of althans de belangrijksten, wier
1)  Notulen Geiii.best. 7 Maart 1803.
2)  Notulen Gem.bcst. 21 Maart 1803.
8) Notulen Goni.bost. 24 Sept. 1804.
4)  Catal. v. b. archief. 1705-1813. No. 445.
5)  Do zilvoren bodoteekons, thans in liet Stedelijk museum bewaard (Catalogus.Na 982 vlg.),
zijn allen later verkregen.
f>) Daarvan moeten uitgezonderd worden de archieven van het Marsliedengild, van het
Chiruigijnsgild en van het ApothekersgUd, die volledig bewaard zijn, niet omdat zij door slor-
digbeld ten stadhuize zijn achtergebleven, maar omdat zij gestold zijn onder boliecr van
het College van koophandel en van de Plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorziolit,
met wier archieven zij later door do gemeente zijn overgenomen. — Eene circulaire, in 1871»
door B. en W. op mijn voorstel gericht aan de bestuurders der nog bestaande gildenbussen,
aan wie meestal de nalatenschap der gildon is ten deel gevallen, steldo de gemeente nog in
het bezit van verschillende overblijfselen van gildcnarchioven, waaronder zelfs twoo middel-
eouwsche gildenboeken.
-ocr page 56-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
r.vi
gildcnboeken zekeren omvang hadden) na de overdracht der tempo*
raliteit van het Sticht in 1528 in den geheel veranderden toestand der
gilden aanleiding gevonden hebben, om met de nieuwe ordonnantie,
die ieder hunner van keizer Karel V verkreeg, een nieuw gildenboek
te beginnen. Het behoeft geen betoog, dat bijna overal, waar dit
geschiedde, het oude gildenboek onder de bewaring eener handwerks-
corporatie met weinig historischen zin niet veilig was en in den loop
der jaren is ondergegaan, lang voordat de staatsregeling van 1798 aan
het stedelijk bestuur de gelegenheid gaf, om naar de overblijfselen
dezer archieven eene reddende hand uit te strekken 1).
1) Volledigheidshalve moet ik nog spreken van eene gebeurtenis, die echter geene nocmons-
waardige aanwinst voor het archief ten gevolge heeft gehad. Door do invoering van hot
Fransche belastingsysteem met 1 Januari 1812 werd het zelfstandig bestaan van den Utrecht-
schon Burgerkrijgsraad onwettig. Toch blcof hij gcruimen tijd weigeren te voldoon aan het
bevel van den Maire, om eeno afrokening van het gevoerde beheer aan hem af te loggen.
Krachtens machtiging van den Préfet dd. 7 Augustus 1812 droeg daarom de Maire 10 Augustus
1812 aan don Adjoint-mairo Boolaerts en don secretaris De Roock op, om de papieren, regis-
tors, kassen, magazijnen en andere oigendommen van den Burgerkrijgsraad te doen inventa-
risoeren en verzegelon on daarna het goheolo beheer te liquideeren. (Verbaal v. d. Maire 10
Aug. 1812. — Arrêté v. d. Prcfct dd. 28 Septembrc 1812. Zie: Invent, v. h. arch. 1795-1813. No. 958.)
Door do uitvoering van dezo machtiging en do daarop gevolgde oplossing van den Burger-
krijgsraad moet dus do gemeente in het bezit gekomen zijn van do bezittingen der Utrecht-
sche schutterij. Mon zou kunnen meenen, dat zich daaronder ook bovond het archief der oudo
schutterij, dat successivelijk door de opvolgende colleges, dio het beheer daarvan gevoerd
badden, op hunne navolgers zou kunnen zijn overgegaan. Dit is echter niet het geval geweest:
do stad heeft bij dezo gelegonheid zeker de notulen en rekeningen van den Burgerkrijgsraad
over 1807—1812 (Invent. v. h. archief. 1795—1813. No. 456, 957, 958) vorkregen, maar niets
anders. Gelukkig bestond daarvoor echter eene afdoende reden: de stad bozat deze ondcro
stukken reeds. Wij vindon toch de resolutiën van kolonel en hoofdmannen tot 1794 (Invent.
v. h. archief. 1577—1795. No. 2064) reeds in den inventaris van het archief van 1800 vermeld.
Trouwens het was zoer natuurlijk, dat het woinig omvangrijko archief van kolonol en hoofd-
mannen reeds van ouds op hot stadhuis aanwezig was: immers het college vergadorde in de
Cirooto secretarie, terwijl de 2o secretaris der stad als zijn secretaris fungeerde. (Invent. v. h.
archief. 1577—1795. p. 211.) — Het middcleeuwsche schuttorboek (No. 585 van dezen inventaris)
behoort niet tot het archief der latere schutterij. Het heeft wellicht van ouds op hot stadhuis
berust, of is in ioder geval daar reeds aangekomen, toen de oude schutterij te niet ging: de
Utreohtsche schutterij, opgericht in 1572, was toch iets geheel nieuws. (Zie: Invent. v. h.
archief. 1577—1795. p. 208.)
-ocr page 57-
t.VII
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
III. HET ARCHIEF ALS WETENSCHAPPELIJKE INSTELLING.
(1828—1892.)
§ 1. Geschiedenis van het archief. — Met den herbouw van het
stadhuis in 1827 en 1828 begint voor het stedelijk archief een nieuw
tijdperk. Het oogenblik was voor eene hervorming in den toestand bij
uitstek geschikt. Het Koninklijk besluit van 23 December 1826 (No. 186)
beval in art. 5, dat de gouverneurs van alle provinciën maatregelen
zouden nemen «tot het onverwijld doen in orde brengen en rang-
schikken van alle provinciale, stedelijke en gemeente-archieven alsmede
van die van alle corporatiën, en voorts om daarvan te doen opmaken
naauwkeurige lijsten of registers, waarvan het duplicaat aan Onzen
Minister zal worden toegezonden, ten einde daarvan, voor de zamen-
stelling der Algemeene Nederlandsehe geschiedenis, in het vervolg zoo-
danig gebruik te maken, als zal vermeend worden te behooren» 1).
Eenige maanden later (1827) aanvaardde Jhr. Mr. H. M. A. J. Van
Asch van Wijck het burgemeesterschap der stad, en het was te ver-
wachten, dat deze, zelf verdienstelijk beoefenaar der Utrechtsche geschie-
denis, de uitvoering dezer bepaling van het Koninklijk besluit met warmte
zou ter hand nemen. Inderdaad werden op de bovenste verdieping
van het herbouwde Utrechtsche stadhuis twee ruime zalen voor het
archief gereserveerd, waarnaast een kleiner vertrek gelegenheid aanbood
aan studeerenden, om van den inhoud van het archief kennis te nemen.
Op dezelfde verdieping werden verschillende zalen bestemd voor een
sedert dien tijd in wording verkeerend museum van oudheden.
Te gelijk werden maatregelen genomen, om het gebruik van het
archief door het publiek verder te vergemakkelijken, door het plaatsen
daarvan onder speciaal toezicht. De beschikking van den Minister van
Binnenlandsche Zaken van 4 Augustus 1829 2), waarbij de archieven
voor het gebruik opengesteld waren, deed de wenschelijkheid daarvan
gevoelen. Nadat reeds 26 Februari 1829 bij beschikking van den
Gouverneur op het beheer van het archief der provincie was orde
gesteld door de aanstelling van P. J. Vermeulen (tot 1831 onder toe-
zicht van den archivaris van het Domein Mr. G. Dedel), werd eerlang
ook in het beheer van het stadsarchief voorzien 3). Na verleende
1)  Hubrecht, Do onderwijswetten in Nederland. Aid. V dl. 2 p. 31. — Vgl. Noordzick,
Archiefwczen. p. 1 vlg.
2)  Hubrecht, De onderwijswetten in Nederland. Aid. V dl. 2 p. 77.
3)  Aanleiding daartoe zullen ook gegeven hobben de herbaalde aanvragen om inlichtingen
over den toestand der arclijevon, tengcvolgo van het K. 13. van 23 Dec. 1826 door het rijksbestuur
gestold. Zoo kwamen nog 25 Aug. 1829 bij B. en W. in tweo dergolijke circulaires van don
üouvcrneur (dd. 17 Aug. 1829) over de archieven van de gilden en de gasthuizen.
-ocr page 58-
I.VIII                       GESC1HEDENIS VAN HET ARCHIEF.
autorisatie van den gemeenteraad dd. 21 September 1829, werd bij
besluit van Burgemeester en Wethouders van 29 September 1829 aan
den commies ter stedelijke secretarie W. A. Boers 1) het beheer der
gemeenteverzamelingen opgedragen met den titel van «Geëmployeerde
bij het stedelijk archief» en op een tractement van ƒ 200 2). Hem
werd bepaaldelijk opgedragen het inventariseeren der archieven, die
in de beide zalen van het stadhuis vereenigd zouden worden 3). Een
feit van beteekenis was het, dat de «geëmployeerde» voortaan aan
«alle bij hem bekende en vertrouwde personen, die in het algemeen
belang geschiedkundige nasporingen wenschen te doen, de toelating
bij stadsarchieven verleenena zou 4); het was de bedoeling, dat het
archief daartoe tweemaal \'s weeks zou geopend zijn 5).
Deze maatregelen gaven aanleiding tot eene geheele hervorming:
het archief, dat «in eenen toestand van onbeschrijfelijke wanorde en
veronachtzaming verkeerde» 6), werd in den loop van het jaar 1830
door den heer Boers naar de nieuwe zalen overgeplaatst en verder
door] zijne ijverige zorgen allengs in beteren toestand gebracht.
Vooral de bewaring der stukken werd afdoende verbeterd. De talrijke
seriën rekeningen werden uitgezocht, in pakken tusschen plankjes ge-
bonden en met etiquetten op den rug voorzien, tal van stukken
werden in portefeuilles geborgen, en voor het geheele archief werden
nette opene kasten in de beide bovenzalen getimmerd. Het kan
niet betwijfeld worden, dat deze maatregelen veel kwaad voorkomen
hebben: de heilzame gevolgen daarvan zijn nog bijna overal in het
archief zichtbaar.
Doch de pogingen, die werden aangewend om het archief te inven-
tariseeren, waren hoogst gebrekkig. De heer Boers was een man van
1)  Hij was 5 Januari 1814 als dagschrijvcr op liet stadhuis gekomen en is sedert opgokIom-
meii, totdat hij in 1836 Ie commies tor secretarie word, wat liij bleef tot zijn ontslag in 1863.
2)  Not. 13. en W. 18, 29 Sept. 1829. — Not. Gemeenteraad 21 Sopt. 1829. In den brief van
B. en W. aan don raad dd. 18 Sept. wordt gosprokon van de aanstelling van „een stodelijken
archivaris of bewaarder der stadsarchieven", — een weidscliore titel, doch met hetzelfde trak-
femeut! — De in do resolutie van B. en W. dd. 29 Sept. 1829 vennoldo, door den genioonto-
seeretaris te ontworpen concept-instructie is nooit vastgesteld; doch hot concept van don
secretaris W. G Van Dijk met ontwerp-boslnit van vaststelling door B. on W. is aanwozig
onder do ingekoinone stukken bij de beambten van het archief; ik ontleen daaraan enkele
bijzonderheden over de regeling.
8) Zie de aangehaalde concept-instructie; het concept-besluit van vaststelling luidt o. a.
aldus: „Zijnde voorts bij deze golegenhoid bcsloton, don goëmployoerde op to dragen, om alsnu
onmiddellijk aan te vangen met van al zoodanige stukken, als thans in onderscheidene lokalen
aanwezig zijn, do vereisohte inventaris of catalogus te formeren en die tor verdore rangschik-
king van do gedachte stukken dezer vergadering (nam. van B. on W.) aan te bieden."
I) Zie de aangehaalde concept-instructie, art. 3.
6) 1. c. De uren zijn ovenwei in liet concept niet ingevuld. — Eerst bij Resol. v. B. en W. 1
April 1873 word bepaald, dat. bot archief, evenals de secretarie, dagelijks van 9—4 uur zou
geopend zijn.
ti) Kronijk v. h. Hist. Gen. IV p. 172.
-ocr page 59-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
I.I
de praktijk zonder geleerde opvoeding, en zijn patroon zelf, de burge-
meester Van Asch van Wijck, wist niets beters in hem te prijzen dan
zijne «zoo naauwletlende zorg en netheid» als archief bewaarder i).
Hij stelde drie inventarissen samen. De eerste bevatte de stukken, die
op den zolder (later op de achterkamer) geborgen waren: rekeningen,
waarbij zich ook eenige andere stukken van finantiéelen aard (manu-
alen enz.) bevonden. Elke serie was geordend en zeer kort beschreven,
doch bij de plaatsing was hoegenaamd geene bepaalde orde in acht
genomen: alleen een alphabetisch register aan het begin van den
inventaris stelde den zoekende in staat om den weg te vinden. De
inventaris werd door Boers in het net geschreven en moet dus als
voltooid beschouwd worden.
De tweede inventaris, getiteld «Inventaris van stukken in portefuiljes»,
omvatte de meest verschillende bescheiden, die allen deel voor deel
in de bontste wanorde werden opgesomd : ook rekeningen waren weder
hierbij opgenomen. De beschrijving was zeer kort en absoluut onvol-
doende. De geheele inventaris was verdeeld in eenige rubrieken vol-
gens de behandelde onderwerpen (Oorlog, Geestelijkheid, Handel enz.);
vooraan elk nummer was met eene letter de rubriek aangegeven,
waartoe het stuk behoorde. Hoewel men had mogen verwachten, dat
deze verdeeling in rubrieken dan ook aan den inventaris in zijn defi-
nitieven vorm ten grondslag gelegd worden zou, is in het afschrift
van den inventaris niets veranderd. Toch schijnt de heer Boers ten
slotte over zijn afschrift niet geheel voldaan geweest te zijn: althans hij
voltooide dit afschrift niet 2).
Een derde inventaris beschrijft de zoogenaamde losse stukken in
alphabetische orde volgens de onderwerpen, waarop zij betrekking
hadden (Academie, Aalmoezenierskamer, Ambten enz.); deze inventaris
is in het net geschreven, dus definitief afgewerkt 3).
Een laatste arbeid, dien de heer Boers ondernam, was de inventa-
risatie der charters. Hij was tot dit werk geheel onbevoegd: het blijkt
uit enkele charterbeschrijvingen van de hand van burgemeester Van
Asch van Wijck, dat deze zich nu en dan verwaardigde zijnen nauw-
lettenden en netten archiefbewaarder zelf bij te staan. Maar desniettemin
is de chronologisch geordende lijst der charters geheel onvoldoende.
Het gebrekkige van deze inventarisatie is niet de voornaamste grief\',
1) Van Asch viin Wijck, Vergel. versla),\' aang. den toestand der stad Utrecht, p. 31.
3
8) Zijn opvolger schijnt die onvoldaanheid niet gedeeld te hebben; althans bet klad-exemplaar
is voel later vervolgd (doch niet voltooid) door Mr. J. A. Hofkes, die een tijd lang Mr.
Raven in de zorg voor hot archiof ter zijdo stond.
3) Eenige klad-inventarissen en concopton van de hand van Boors bewijzen, dat hij eerst
langzamerhand tot het vaststellen van het boven geschotsto systeem van inventarisatie is ge-
komen.
-ocr page 60-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
l.X
die tegen de regeling van het stadsarchief kan ingebracht worden: de
inventarissen hadden als proeven, als eene eerste schrede op een ge-
heel ongebaanden weg, zekere verdiensten. Maar zeer ernstig schijnt
het, dat zij onvolledig waren, — dat men daarin niet alle stukken,
die op het archief aanwezig waren, had opgenomen, — ja dat men
zich niet eens de moeite had gegeven alle oude documenten, die het
stadhuis bevatte, in de archiefkamers bijeen te brengen. Indien men
in de inventarissen te vergeefs zoekt naar de raadsbesluiten en andere
serié\'n van deelen, zal men moeten aannemen, dat de heer Boers van
meening is geweest, dat hij dezen ook zonder inventaris gemakkelijk
kon vinden. Maar mag dit excuus ook gelden voor de bevreemdende
omstandigheid, dat honderden losse stukken op den inventaris ont-
braken? Was het niet veeleer blijkbaar, dat men dezen van te weinig
belang heeft geacht om ze op te nemen ? Erger nog is het feit, dat
jaren nadat de inventaris der charters was opgemaakt, de charters der
begijnhuizen met voorkennis van den bewaarder op den zolder van
het stadhuis berustten in eene baliemand i), waarin Jhr. J. J. De
Geer van Oudegein het voorrecht had o. a. de twee oudste privilegiën
der stad (die van keizer Hendrik V dd. 1122) terug te vinden, waar-
van Boers alleen de vidimussen in zijn inventaris had beschreven 2)!
En wat mag de reden geweest zijn, dat nog in 1870 vele «bescheiden
sedert jaren op de zolders van het stadhuis verspreid lagen» 3), ter-
wijl ik zelfs in 1874, nadat deze voorraad door den arbeid van Mr.
Raven eenigszins verminderd was, daar een berg geheel verwaarloosde
papieren vond, v/aaronder stukken van belang (o. a. een deel met
minuut-resolutiën van den raad uit de 17" eeuw, pakken met acquitten
uit de middeleeuwen\' enz. 4)) werden aangetroffen ? Dit alles getuigt van
slordigheid; het bewijst, dat de snaauwlettende» Boers de regeling van
het archief wel met ijver aangevat, maar niet met volhardende zorg
voortgezet en slechts half afgewerkt heeft.
Niet aan gebrek aan volharding moet het echter geweten worden,
zoo men nog vele jaren nadat de ordening van het archief ondernomen
was, op de Finantiekamer, de Momboirkamer en elders tal van oude
stukken vinden kon, die tot het stadsarchief behoorden. Dit was eene
1) Eerst Mr. Hofkos on vooral Mr. Raven gedurende zijne langdurige ziekte liobbcn deze
charters beschreven. Ik bob zo nog buiten do cbartorkast in doozon on bakken geborgen go-
vondon, zooals zij uit do "woning van Mr. Raven waren gekomen. Onbekend met de eeuwen-
lange lijdensgeschiedenis dezer collectie, heb ik zo toen eindelijk in do cbartorkast der stad
een veilig onderkomen gegeven, — om zo cehtor later, toen ik boter ingelicht was, weder
daaruit to zoeken en afzonderlijk to bergen.
:.) Gemeenteverslag 186G. p. 40 Noot 2 (aangevuld door mondelinge modedoelingen van don
heer De Geer van Oudegein).
3) Gemeenteverslag 1870. p. 34.
t; Zie: Verslag v. h. archief. 1874. p. tó/7.
-ocr page 61-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                    LXI
fout in het systeem: aan eene centralisatie van het geheele oude stads-
archief werd toen nog niet gedacht en kon nog niet gedacht worden.
De heer Boers meende zich reeds zeer verdienstelijk te maken, toen
hij de op de Finantiekamer aanwezige stukken op een afzonderlijk
lijstje beschreef.
Hoe onvolkomen deze regeling van het archief dan ook was, zij
had de groote verdienste, dat zij daaraan eene afzonderlijke plaats in
het organisme der stedelijke administratie schonk. Trouwens nog eene
zeer bescheidene plaats: de heer Boers beschouwde zijne werkzaamheid
aan het archief geheel als bijzaak. Naarmate hij ter secretarie in rang
opklom, namen de werkzaamheden aldaar hem dan ook meer en
meer in beslag; aan de beschrijving van het archief arbeidde hij na de
eerste jaren niet meer. Sedert burgemeester Van Asch van Wijck af-
getreden was (1S39), schijnt de regeling van het stadsarchief dan ook
nagenoeg geheel te zijn blijven rusten. Alleen ging Boers voort, hoewel
hij den geheelen dag op de secretarie werkzaam was, zich in de avond-
uren voor belangstellenden beschikbaar te stellen op het archief.
Van die gelegenheid werd, nu eenmaal de aandacht op het archief
gevestigd en het depot tot op zekere hoogte bruikbaar geworden was,
ijverig gebruik gemaakt. Op het kleine werkkamertje naast het archief-
lokaal, door eene ouderwetschc hanglamp verlicht, zat avond aan
avond tegenover Boers de ijverige N. Van der Monde, die aldus de
uren, die zijn dagelijksch bedrijf als uitgever hem overliet, aan studiën
in het archief besteedde. Hij had van het Dagelijksch bestuur «goedgun-
stige toestemming bekomen lot de inzage der bescheiden, ter secretarie
voorhanden, ten einde daaruit (in zijn Tijdschrift) die stukken op te nemen,
welke aan den aard van zijne onderneming beantwoordden» 1), en daar
hij altijd braaf oppaste en zich geene stoutigheden tegen het Dagelijksch
bestuur veroorloofde 2), kon hij zich jaren lang ongestoord aan zijne
studie in het stadsarchief wijden en de 12 dikke deelen van zijn Tijd-
schrift voor geschiedenis en oudheden van Utrecht
(1835 —1S46) niet de
1) Prospectus van het Tijdschrift voorgeschiedenis, dd. 1835. (Catal. der bibl. v. Utrecht. Ko. 74.)
B) Hij gelegenheid van den intocht van koning "Willem II te Utrecht in 1841, had do zoon
van den burgemeester, Jhr. Mr. A. M. O. Van Asch van Wijck, in Van der Mondo\'s Tijdschrift.
\'VII p. 217) oen verslag daarvan geplaatst, waarin hij o. a. ook de door de Ktad op de Neude
geplaatste eerepoort zeer proes on zelfs dood afbeelden. Daartegen kwam in eon volgend
nommer de bekende Utrochtsche architect Krainm (verbolgen omdat de poort niet door een
Utrechtsen kunstenaar was ontworpen) op in een anonym artikel, dat de geheele poort be-
laclielijk maakte. (Catal. dor bibl. v. Utrecht. No. 1118.) De goedo Van der Monde achtte zich
zeker door onpartijdigheid verplicht dit geschrijf op te nemen (in dl. VII p. .\'174 vlg.), maar
het stedelijk bestuur dacht er anders over. Het stukje „moest op mondelinge order van het
stadsbestuur dadelijk uit allo exemplaren gelicht worden, op straffe dat de uitgever verstoken
zou worden van het gebruik van het stadsarchief."
Do uitgever gehoorzaamde: men vindt
hot bewuste stuk in alle exemplaren uitgesneden ; het overdrukje in de stedelijke bibliotheek
is van Kramm zelveu afkomstig. Zoo vatte men de openbaarheid der archieven, door don
Ministor van B. Z. in 1829 voorgeschreven, nog in 1841 op!
-ocr page 62-
Geschiedenis van het archief.
LXH
vruchten dezer nasporingen vullen. Ook burgemeester Van Asch van
Wijck zelf was een ijverige beoefenaar van de studie der Utrechtsche
oudheid, en zoowel hij als de Utrechtsche courantier L. E. Bosch
gaven als resultaat daarvan werken uit, die van hunnen ijver en hunne
belezenheid getuigden.
Eigenlijk grondige, volgens een bepaald plan uitgevoerde studiën,
getuigende van ernstige voorbereiding en echt wetenschappelijken zin,
zijn echter in deze periode door niemand ondernomen. De tallooze
vellen druks, die de serién van Van der Monde\'s Tijdschrift vullen,
bevatten eene menigte aardige bijzonderheden, mededeelingen over
interessante voorvallen, curiositeiten enz., kortom alles wat de aandacht
trekt van een oppervlakkig lezer van oude bescheiden, onbekend met
den tijd, waaruit zij afkomstig zijn; doch waarlijk belangrijke zaken
vindt men er zelden of niet.
Eenigszins van denzelfden aard was het werk van Bosch, die in
zijne Utrechtsche volksalmanak stukjes verzamelde, meer samenhan-
gend doch van nog lichter gehalte dan de inhoud van Van der
Monde\'s Tijdschrift, maar die toch eene enkele maal toonde ook tot
degelijker arbeid in staat te zijn. Veel hooger staat het werk van
burgermeester Van Asch van Wijck, dat inderdaad de bewijzen levert
van gezette studie, hoewel de schrijver er niet altijd in slaagde, de
kern van het behandelde onderwerp op te sporen en in het juiste
licht te stellen. Kenschetsend voor het werk van de mannen dezer
periode, die ik de periode van het dilettantisme zou willen noemen,
is het, dat door hen gcene enkele omvangrijke, waarlijk belangrijke
geschiedbron uit het stadsarchief gepubliceerd is, terwijl zoowel Van
Asch van Wijck als Bosch over het Utrechtsche hooger onderwijs en
de Utrechtsche schutterij in de middeleeuwen boeken geschreven
hebben, die, hoeveel belangrijks zij ook bevatten, de zaken, waarover
zij eigenlijk hadden moeten handelen, met geen woord bespreken!
Trouwens voor deze mannen en hunnen kring was de archiefstudie
bijzaak bij hun ernstiger dagelijksch werk; wij mogen hen niet hard
vallen, te minder wanneer wij opmerken, dat de Nederlandsche historio-
graphie van dien tijd over het algemeen niet hooger stond dan hun
werk.
Op hunne schouders stond echter eene tweede generatie met dieper
inzicht in de eischen van wat de Utrechtsche geschiedenis behoefde.
Deze generatie schonk ons Jhr. Mr. A. M. C. Van Asch van Wijck
en Jhr. J. J. De Geer van Oudegein, beiden ijverige arbeiders in de
schatten der Utrechtsche archieven, — arbeiders bovendien, die echte
paarlen van glaspaarlen wisten te onderscheiden. Van Asch van Wijck Jr.
publiceerde in de 3 deelen van zijn Archief voor kerkelijke en wcreld-
lijke geschiedenis
kostbaar materiaal; doch hij publiceerde het in ruwen,
-ocr page 63-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                 LXIII
onbewerkten toestand. Veel hooger staat dan ook het werk van De
Geer van Oudegein, die niet alleen met meer oordeel het waarlijk
belangrijke uitkoos, maar ook in zijne talrijke studiën geheel op de
hoogte bleek der moderne geschiedbeoefening, en die vooral door zijn
gulden boekje over het Oude Trecht de Utrechtsche geschiedenis voor
het eerst op vasten grondslag vestigde. Te betreuren is het alleen,
dat beide mannen in hunne latere jaren de archiefstudie vaarwel
gezegd hebben en vreemdelingen op het stadsarchief geworden zijn i)!
De eerste periode na de openstelling van het archief voor de
studie werd gevolgd door een tijdvak, dat een geheel ander karakter
droeg. Het werd geopend met de benoeming van Mr. J. W. L. Raven
tot commies-archivaris (later archivaris) op 6 Februari 1862 2). Bij
het elfjarig beheer van het archief door Mr. Raven (hij overleed 5
Maart 1873) stonden geheel andere zaken dan vroeger op den voor-
grond : niet op het wetenschappelijk belang, maar op het praktische
nut van het archief viel het volle licht. Onder leiding van den kun-
digen, met den inhoud van het archief door en door vertrouwden
wethouder Jhr. Mr. J. L. B. De Muralt, besteedde de heer Raven al
zijn tijd aan het stellen van lijvige rapporten over de rechten der stad
met betrekking tot allerlei onderwerpen, die in den loop der eeuwen
onzeker geworden waren. Doozen vol met rapporten van zijne hand
zijn nog aanwezig en vertegenwoordigen eene studie van waarlijk eer-
biedwekkenden omvang. Mr. Raven was niet zoozeer archivaris, als
wel rechtskundig ambtenaar der gemeente; nu en dan trad hij zelfs
als commies-redacteur op. Gaat men na wat er van zijne omvangrijke
correspondentie is overgebleven, dan is het eene zeldzaamheid, wan-
neer men onder de vele stukken over rechtskundige onderzoekingen
een enkel briefje verdwaald vindt, dat over een historisch feit of over
den aankoop van een onbeduidend voorwerp voor het museum han-
delt. Kenmerkend voor Mr. Raven\'s verhouding tot het archief is het,
dat hij eenmaal verklaarde, dat zelfs het houden van toezicht op het
werk van een ambtenaar, die met de inventarisatie van het archief
zou belast worden, hem te veel zou hinderen in zijne «opsporingen en
onderzoekingen ten behoeve der stedelijke administratie» 3).
1) Niet echter zoozeer, of nog hot verslag van den gemeente-archivaris van 1809 bovat een
warm woord van dank aan de heeren Vermeulen on De Geer van Oudegein voor hunnen
bijstand en hunne voorlichting bij de inventarisatie van het archief. (Dit gedeelte van het
verslag is echter bij don druk weggelaten.)
~) Notulen v. B. en W. 0 Februari 1862. — Do kommies Boers werd echter eerst 29 December
180.1 bij zijn eervol ontslag uit stadsdienst ontheven van zijne woi-kzaamhedeu als geëm-
ployeerde bij het stedelijk archief, die trouwens sedert jaren niets meer dan eene sinecure
geweest waren. Het recuboek van liet archief (waarin de heer A. M. C. Van Asch van Wijck
trouwens sedert jaren bijna de eenige bezoeker blijkt) houdt reeds op in November 1853, om
eerst in 1807 te herleven.
S) Rapport aan B. en W. dd. 25 April 1871.
-ocr page 64-
LXIV
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Ik zal de laatste zijn om te betreuren, dat deze tweede periode op
de eerstvermelde gevolgd is: het was zeer zeker hoogst nuttig, nu het
archief door de werken van Van der Monde c. s. algemeen bekend
begon te worden, dat eene volgende generatie van archiefmannen door
haren arbeid ook de harten van de mannen der praktijk wist te winnen,
die allicht eenigszins schouderophalend nederzagen op hetgeen het
Tijdschrift voor Utrechtsche geschiedenis en de Ulrechlsche volks-
almanak
uit het archief te voorschijn hadden gebracht. Maar met dat
al heb ik tegen deze periode een ernstigen grief. De heer Raven,
hoezeer in ontwikkeling staande hoog boven zijn voorganger, verdiende
niet den lof van cnaauwlettende zorg en netheid», die aan den eerste
terecht werd gegeven. Te zeer in beslag genomen door de rechtskun-
digc nasporingen, die hij met en voor den heer De Muralt in het belang
der stad moest ondernemen, kon hij zeHs niet aan de bestaande orde
van het archief de hand houden. Zoo verviel het werk, dat den heer
Boers zooveel moeite gekost had, langzamerhand geheel. Gebruikte
stukken werden niet weder op hunne plaatsen geborgen, tal van nieuwe
aanwinsten voor archief en bibliotheek in de ledige plaatsen gelegd,
naarmate het toeval ze daar deed terechtkomen. Ook aan het beheer
van het Stedelijk museum van oudheden werd niet langer de hand
gehouden : het stortte bij zijn gedurigen langzamen aanwas een deel
van zijnen inhoud over in het archief, en het was niet zeldzaam, dat
men een oud zwaard of een bak met fragmenten van oude potten en
kannen tusschen de archiefstukken zag liggen. Behalve de stukken, die
gedurig noodig waren, werd het meer en meer moeielijk iets in het
archief te vinden. I Iet zou niet al te moeielijk geweest zijn, om met
behulp van Boers\' inventarissen zijne ordening te herstellen; doch die
inventarissen (.liet teekeiU den toestand!) waren zoekgeraakt en lagen
tusschen de archiefstukken zelven verscholen.
Het Dagelijksch bestuur zelf begreep eindelijk, dat deze toestand op
<len duur onhoudbaar werd: in 186S werd Mr. J. A. Hofkes den heer
Raven als hulp toegevoegd, bepaaldelijk voor de inventarisatie van het
archief. Doch de maatregel schonk geene afdoende oplossing der
moeiclijkheid. Wel heeft de heer Hofkes inderdaad een en ander
geïnventariseerd, maar hij is spoedig (1S71) als archivaris naar Kampen
vertrokken. Het bleek toen, dat niemand met den bestaanden toestand
tevreden was: zelfs in den gemeenteraad gingen klachten op. Na lang-
durige overwegingen 1) werden op het laatst van 1872 door Burge-
meester en Wethouders verscheidene assistenten aangesteld, bepaaldelijk
met het oog op de noodzakelijkheid, om den toestand van het archief
1) Notulen Tt. en W. 22 Juni, 9 Nov. 1871, 17, 24 Dec. 1872. Vgl. «ok de rapporten van
Mr. Raven ilii. 26 April 1871 en van den wethouder De Muralt dd. 12 Dec 1872, geïnsereerd
b(j de Notulen V. B. en W. 17, 24 Dec. 1872.
-ocr page 65-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                   LXV
zelf te verbeteren. Onderwijl was de heer Raven zelf sukkelend gewor-
den en kon hij het bureau niet meer blijven bezoeken. Gedurende zijne
langdurige ziekte heeft hij tehuis nog de inventarisatie der charters
voortgezet en een goed eind doen vorderen. Maar het archief zelf was
onderwijl zonder leiding, en toen de heer Raven eindelijk op 5 Maart
1873 overleed, bleef het in de schromelijkste wanorde achter.
Het was op dit oogenblik, toen de nood op het hoogste was, dat
Mr. J. A. Fruin de reddende hand naar het archief uitstak. Ik behoef
niet te vreezen, dat persoonlijke gevoelens van warme erkentelijkheid,
waarmede ik zijne nagedachtenis in eere houd, mij zullen doen over-
drijven, wanneer ik hem de geheele eer toeschrijf van de reorganisatie
van het archiefbeheer: de herinnering aan de warmte, waarmede hij
de zaak aangreep, en de volharding, waarmede hij ze trots ernstigen
tegenstand doorzette, leeft nog in onze stad. Hij was het, die met
helder inzicht in hetgene het archief noodig had, naar het voorbeeld
van Rotterdam (dat sedert helaas! in het oude spoor is teruggekeerd)
eene zeer vrijzinnige verordening op het archief met instructiën voor
den archivaris en het verdere ambtenaarspersoneel ontwierp; en het
was zijn machtige invloed (gesteund door zijnen ambtgenoot De Geer
van Jutphaas, als altijd wakker en belangstellend, waar het de studie
geldt van de Utrechtsche geschiedenis), die dit reorganisatieplan door
zijne medeleden van den gemeenteraad wist te doen aannemen.
De kern der regeling was de splitsing van het archief in twee af-
deelingen: het oude archief en het nieuwe archief, waarvan alleen het
laatste (bevattende de stukken jonger dan 1 Januari 1814, en de
kerkboeken op het bureau van den Burgerlijken stand) volgens de
gemeentewet onder beheer van den gemeente-secretaris zou staan,
terwijl het oude archief, als wetenschappelijke instelling daarvan ge-
heel afgescheiden, zelfstandig beheerd zou worden. Sedert de regeling
van 1829 vormde het archief een afzonderlijken tak van dienst in het
stedelijk organisme; thans werd het erkend, dat die tak van dienst
recht had op een zelfstandig bestaan direct onder het gemeentebestuur,
— eene erkenning, inderdaad van groot gewicht voor de toekomst van
het archief. Die zelfstandigheid werd verder gewaarborgd door de
instelling van eene vaste commissie van vier raadsleden, gepresideerd
door een der wethouders, die zich bepaaldelijk met de belangen van
het archief en het toezicht op de aldaar verrichtte werkzaamheden
zou belasten en daarover Burgemeester en Wethouders desgevraagd
van advies zou dienen. De archivaris, benoemd door den gemeenteraad
en ruimer bezoldigd dan zijn voorganger, moest ook aan hoogere
eischen voldoen; hij zou de leiding van het archief op zich nemen en
in de eerste plaats met de ordening en inventarisatie daarvan volgens
een in overleg met de archiefcommissie ontworpen en door Burge-
5
-ocr page 66-
LXVI
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
meester en Wethouders goedgekeurd plan belast zijn. Opdat niet meer
zooals vroeger het stellen van rapporten ten dienste van de gemeente-
administratie het ordenen van het archief zou belemmeren, werd be-
paald, dat onder den archivaris een rechtskundig ambtenaar zou
werkzaam zijn, die zich in de eerste plaats en zoo noodig uitsluitend
zou bezighouden met de nasporingen in het archief ten behoeve van
Burgemeester en Wethouders en van de rechtskundige commissie: juist
omgekeerd dus als vroeger, toen aan Mr. Raven een ondergeschikt
persoon werd toegevoegd, die zich met ordening en inventarisatie van
het archief zou bezighouden. Een vaste klerk zou voor het schrijfwerk
aan het archief verbonden zijn; de gelegenheid tot het tijdelijk ver-
krijgen van meer hulp werd door tusschenkomst der archiefcommissie
geopend. Ook tot het doen van andere voorstellen in het belang van het
archief aan Burgemeester en Wethouders, werd aan de archiefcommissie
in overleg met den archivaris de bevoegdheid gegeven. Kwartaalverslagen
van den archivaris aan de commissie en een jaarverslag van de commissie
aan Burgemeester en Wethouders zouden waarborgen leveren, dat er
inderdaad voortgang met de regelingswerkzaamheden zou worden gemaakt.
Van het drukken der inventarissen werd evenwel nog niet gesproken.
Deze organisatie, aangevuld door de instructie van den archivaris
en de beambten, werd vastgesteld in de raadsvergaderingen van 9 en
16 October 1873 1). Zij kan als model dienen van de inrichting van
een stedelijk archief volgens de behoeften van dezen tijd, en heeft
inderdaad meer dan eens daartoe gediend. Duidelijk werd in deze
regeling het wetenschappelijke belang van het archief op den voorgrond
geplaatst, terwijl tevens zorg gedragen werd, dat het in een gemeente-
archief gewoonlijk zeer tijdroovende rechtskundige onderzoek in het
belang van de gemeente, hoewel aan de wetenschappelijke belangen
ondergeschikt, geenszins verwaarloosd werd. Het inrichtingsplan werd
verder uitgevoerd door de benoeming tot voorzitter der commissie
van den wethouder De Muralt, die daartoe de aangewezen man was
en tot zijn dood in 1889 de vergaderingen leidde. De commissie was
samengesteld uit vier mannen, die allen warm belang stelden in ge-
schiedenis en oudheidkunde: de heeren Mrs. J. A. Fruin, B. J. L. De
Geer van Jutphaas, H. VerLoren van Themaat en Lod. Mulder. In
de raadszitting van 18 December 1873 werd de ondergeteekende tot
gemeente-archivaris benoemd: den 2™ Februari 1874 trad hij in
functie. De archiefcommissie koos dadelijk den archivaris tot haren
vasten secretaris, terwijl de rechtskundige commissie daarvoor den
rechtskundigen ambtenaar aanwees. Spoedig volgde ook de benoe-
1) Zij is sodert herhaaldelijk gewijzigd; doch slechts eonmaal op eon punt van belang (naar
aanleiding mijner benoeming tot rijksarchivaris in do provincie) op :iü Januari 1879.
-ocr page 67-
GESCHIEDENIS VAN HEI\' ARCHIEF.                               T.XVII
ming van het overige personeel, dat eerlang (niet voor goed, maar
toch voor lange jaren) vermeerderd werd met eenen binder, die niet
zou ontslagen worden voordat de materiëele toestand van het archief
grondig en voor goed verbeterd was.
Zoodra alles in gang was gebracht, werd nu de hand geslagen aan
de ordening van het archief. Daar een inventaris niet te vinden was,
werd dadelijk het stellen van een voorloopigen inventaris van het
geheele archief door mij ondernomen. Dit stuk, dat ruim 800 nummers
telde en na de voltooiing voorloopig geordend werd, kwam binnen
eenige maanden gereed. Onderwijl hielden de andere ambtenaren zich
bezig met het maken van lijsten van de duizenden losse papieren, die
ik overal rondzwervende had gevonden, terwijl deze lijsten dadelijk in
zekere voorloopige rubrieken verdeeld werden.
Zoodra deze voorloopige inventaris van het archief voltooid was, werd
een grondig onderzoek in alle bureaux en op alle zolders van het stadhuis
ingesteld, terwijl eene ontdekkingstocht door alle andere stedelijke gebou-
wen volgde. De oogst, die zoodoende voor het archief verkregen werd,
was verrassend groot: geheele hoopen stukken, van wier bestaan niemand
iets wist en die om niet meer bekende redenen hunnen weg naar allerlei
verscholen hoeken gevonden hadden, werden tengevolge daarvan naar
de archierlokalen overgebracht. Ook de oude archieven van alle takken
van den stedelijken dienst, die nog op de betrokkene bureaux be-
rustten, werden thans naar het archief overgebracht. De oude archieven
van de Aalmoezenierskamer, van het College van koophandel en van de
Plaatselijke commissie van geneeskundig toevoorzicht, reeds vroeger aan
de stad overgedragen, vonden thans mede in haar archiefeene blijvende
rustplaats. Al deze zeer talrijke stukken werden gerangschikt en de
beschrijving daarvan werd aan den voorloopigen inventaris toegevoegd.
Zoodra dit allernoodigste werk aan het archief zelf verricht was,
werden nu in de jaren 1874—1877 eerst de hoognoodige zorgen gewijd
aan de verbetering van het lot der geheel verwaarloosde stedelijke
verzamelingen. Het museum, de topographische en historische atlassen
en de bibliotheek, wier inhoud gedeeltelijk met het archief vermengd
geraakt was, werden volgens vaste regelen daarvan afgescheiden en
geïnventariseerd, en in 1877 kon ik tot de ordening en beschrijving
van het archief terugkeeren. De titels der voorloopige beschrijvingen
van de deelen en de losse stukken werden beter geordend. De
vreemde bestanddeelen (de archieven van kloosters, gilden enz), die
niet in het eigenlijke stadsarchief behoorden, werden daarvan afgescheiden
en afzonderlijk geplaatst. Het stadsarchief zelf eindelijk werd verdeeld
in vier afdeelingen, gescheiden volgens de perioden, die ingrijpende
veranderingen in het stedelijk bestuur en dus ook in het archief heb-
ben gebracht.
-ocr page 68-
LXVIII                             GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Het jongste gedeelte, het zoogenaamde nieuwe archief, welks defini-
tieve ordening het stedelijk bestuur natuurlijk het dringendst verlangde
in het belang der administratie, werd het eerst onder handen genomen.
Het werd thans definitief van het oude archief afgescheiden en, naar-
mate de inventarisatie vorderde, overgebracht naar een ruim nieuw
bovenlokaal, grenzende aan de oude archiefzalen, dat bij een nieuwen
aanbouw aan het stadhuis in 1876 daarvoor bestemd was. Naast dit
nieuwe lokaal zijn twee kleinere ingericht voor de verzameling boeken
ten gebruike der stedelijke administratie en voor eventueele bezoekers
van het nieuwe archief. Deze geheele afdeeling is, toen de ordening
en inventarisatie daarvan in 1878 voltooid was, weder aan den
gemeente-secretaris in beheer overgedragen en onder zijn toezicht ten
stadhuize gebleven.
Het oude archief vertoeft daar thans niet meer. Nadat de plannen
van het gemeentebestuur, om een brandvrij archiefgebouw naast het
stadhuis te stichten, op de groote kosten en op de bezwaren der
archiefcommissie waren afgestuit 1), besloot de gemeenteraad den
15 Juli 1881, om gebruik te maken van het aanbod van den Minister
van Binnenlandsche Zaken, die zich bereid verklaard had, het stads-
archief met zijn geheele bureau als afzonderlijke instelling op te nemen
in het nieuw te stichten brandvrije rijksarchiefgebouw. Den 22 Decem-
ber 1881 werd de overeenkomst geteekend, waarbij de kleinste helft
van het in twee geheel gescheidene afdeelingen verdeelde gebouw niet,
zooals aanvankelijk het plan was, in koop, maar in huur aan de ge-
meente overging, die het afgezonderde, geheel vrije beheer van haar
archief behield. Het was de burgemeester Mr. W. R. Boer, die door
zijne persoonlijke bemoeiingen dezen zeer gewenschten maatregel wist
tot stand te brengen, evenals hij ook de eerste was, die (lang voor-
dat de zaak in den gemeenteraad ter sprake kwam) mijne aandacht
vestigde op de wenschelijkheid, om het stedelijk museum over te
brengen naar het door de stad aangekochte gebouw Hoogeland. Twee
verhuizingen, die inderdaad nieuwe periodes in het leven van beide
collectièn hebben geopend en die het burgemeesterschap van Mr. Boer
in de geschiedenis der gemeente-verzamelingen onvergetelijk zullen
maken! In de maanden Augustus en September 1883 werd het archief
naar het nieuwe gebouw overgebracht, waar het, naar ik hoop, eene
blijvende rustplaats heeft gevonden.
1) Zie over doze plannen, waarvoor bij twee raadsbesluiten in 1864 en 1867 twee huizen
naast hot stadhuis werden aangekocht, liet Gemeenteverslag van 1866 p. 38. De ontworpen van
den gemeente-architect beruston in den topographischen atlas der stad No. 1036 on 1037. De
archiefcommissie adviseerde echter in 1875 ongunstig over de reeds wegens de groote kosten
uitgostolde ontworpen (Vorsl. der archiefcomm. 1875 p. 14), en de twee huizen zijn daarop tot
bureaux voor do stedolyko administratie en bergplaats voor het nieuwe archief alleen verbouwd.
-ocr page 69-
I.XIX
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
De inventarisatie van het oude stadsarchief werd toen langzaam doch
voortdurend voortgezet: in 1884 is de beschrijving van de 3» afdeeling
verschenen, die van de 20 in 1890, het i° deel verschijnt nu, en daar-
mede is het werk voltooid 1). Alleen de beschrijving van de in het
stadsarchief opgenomene archieven moet thans nog volgen.
§ 2. Aanwinsten van het archief. — Het archief verkreeg in zijne
levensperiode als wetenschappelijk instituut meer aanwinsten dan in
de vroegere tijdvakken. Voor het eerst ontving het nu meer dan eens
geleidelijk en langs natuurlijken weg de archieven van verschillende
corporatiën in de stad, die opgeheven werden en wier nalatenschap
men terecht oordeelde, niet beter dan daar te kunnen bewaren.
Zoo besloot de gemeenteraad op 14 October 1847, om alle buurt-
werken in de stad onder stedelijk beheer te brengen 2). Dientengevolge
werd het college van Raden-commissarissen, dat tot nog toe toezicht
had gehouden op het beheer der wijken en buurten, nadat de liquidatie
was afgeloopen, opgeheven 3). Kort voor hare ontbinding had deze
commissie op 27 Februari 1851 hare medeleden uitgenoodigd, om
«al de bij HEd.achtb. berustende geschriften, kaarten enz., betrekking
hebbende tot het vroeger beheer der wijken en buurten, ter stedelijke
secretarie over te brengen» 4). En inderdaad werden dan ook de
archieven dezer commissarissen naar het stadhuis overgebracht, waar
ze in het nieuwe archief geplaatst zijn. Doch daarbij bevonden zich
ook de (trouwens vrij onbeduidende) overblijfselen van de archieven
der zeer talrijke buurten en buurtjes, die bij de liquidatie der buurt-
werken aan commissarissen waren afgegeven. Het ligt in den aard der
zaak, dat van dergelijke archieven, sedert eeuwen gedurig van den
eenen buurtschout op den anderen overgegaan 5), eindelijk niet veel
kon zijn overgebleven. Maar de aanwinst van verscheidene stukken
uit deze archieven, eerst in de laatste twintig jaren zoowel door aan-
koop als door schenking van partikulieren verkregen, heeft toch be-
wezen, dat niet alleen deze omstandigheid, maar ook groote slordigheid
bij de afgifte de reden is geweest, dat de stad in 1851 zoo spaarzame
overblijfselen van de archieven der buurten verkregen heeft. Ook in
1)  De beschrijving van het nieuwe archief is gedrukt in 1880 en ruim verspreid, doch niet
in het licht verschenen, daar dit archief niet voor liet publiek toegankolijk is.
2)  Raadsnot. 14 Oct. 1847. — Public, van B. en AV. dd. 15 Febr. 1848.
3)  Notulen B. en W. 18 Maart 1851.
4)  Besl. dd. 27 Fobr. 1851 in de Notulon v. Raden-commissarissen. (Nieuw arcli. No. 821.)
6) Alg. instr. voor do w(jkmoosters en schouten dd. 15 Mrt. 1837, art. 25 : „Bij ovorlijdeu
van een hoofd- of buurtschout is do bode der buurt vorpligt daarvan dadelijk kennis to govon
aan den wijknieester, dio gehouden is onverwijld alle papieren of gelden, tot de buurt of geeonv
hineerde buurten behoorende,
van de erfgenamen van don ovorledeno op te eisehen. Do wijk-
meestor zal hiervan aan den Raad-commissaris verslag doen en gedurende hut openstaan van
het schoutanibt do werkzaamheden daaraan verbonden waarnemen of met overleg van den
Raad-commissaris zorgen, dat daarin worde voorzien."
-ocr page 70-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
LXX
hun geruïneerden toestand hebben deze archiefjes nog hun belang, omdat
zij een duidelijk inzicht geven in de werking en het beheer dezer
overoude, nu voor goed verdwenene vereenigingen i).
Men zou allicht meenen, dat tengevolge van de opheffing van het
college van Raden-commissarissen voor de zaken der wijken en buurten,
ook twee andere categorie n van archieven, die van de oude wijken der
stad en van hare buitengerechten, naar het stadsarchief waren over-
gebracht. Het ligt toch voor de hand aan te nemen, dat de acht
Raden-commissarissen de opvolgers waren van de acht jongste vroed-
schapsleden, die van ouds als hoofdlieden der acht burgercompagnièn
fungeerden en dus de archieven dier compagniën bewaarden. Toch
zou deze conclusie onjuist zijn: de archieven van wijken en buiten-
gerechten werden in 1851 niet door de stad verkregen. En inderdaad:
de Raden-commissarissen waren ook niet de opvolgers van de oude
hoofdlieden der burgercompagniön; zij stamden af van de acht oudste
leden van den raad, aan wie eerst bij besluit van het Gemeentebestuur
van 29 Augustus 1803 het toezicht over de acht wijken was opge-
dragen, terwijl de twee jongste raadsleden toen elk als commissaris
van twee buitenwijken optraden 2). De Raden-commissarissen waren
dus van betrekkelijk recenten oorsprong en konden geene oude eigene
archieven bezitten.
Maar toch berusten de archieven van de wijken en de buitengerechten
(of althans alles, wat daarvan nog bekend is) thans in het stadsarchief. Ik
wil daarom hier mededeelen, wat mij van de geschiedenis dezer archieven
bekend geworden is en hoe zij in het stadsarchief aangekomen zijn.
De archieven van de acht wijken der stad zullen van ouds berust
hebben onder de hoofdlieden of kapiteins van elke burgercompagnie, —
eene betrekking naar wij zagen van ouds bekleed door de acht jongste
leden der vroedschap. Althans bij de compagnie Turkije schijnt het
archief aldus bewaard te zijn geworden: immers de notulen, rekeningen
1)  Het waro gemakkelijk voor het gebruik geweest en in ovorcenstomming met wat go-
schied is met de archieven der wijken en buitengerechten, zoo deze kleine archiefjes waren
opgenomen in oene afzonderlijke afdcoling van den inventaris van het stadsarchief. Dit is
verzuimd: het voornemen was, ze als afzondorlijko afdeeling op te nemon in den inventaris
der verschillende later met het stadsarchief veroenigde archieven (begijnhuizen, broederschap-
pen, gilden enz.). Maar dit schijnt toch bij nader inzien minder doelmatig: de archieven van
corporatiën, wier funetiën de stad zelve heeft ovorgenomen, behooren in hot stadsarchief
(afzonderlijk) te worden opgenomen. Het voornemen is nu, de (niet omvangrijke) beschrijving
mot die der latere aanwinsten van het stadsarchief in oen supplement te vermelden.
2)  Not. Gemeentebestuur 29 Ang„ 5 Sopt. 1803. Bij besluiten van 1 Febr. 1808 en 13 Juli
1811 werden de vior Wothouders, later do vier Adjunct-maires, als Radon-commissarisson aan-
gewezen. Den 8 Januari 1810 (Raadsnot. 8,12 Jan. 18161 bonoomde de raad weder de acht jongste
leden van bot college tot Raden-commissarissen, zoodat de oude toostand geheel hersteld
werd; de wijkmoosters, de opvolgers van de oudo hoofdlieden der burgereompagnié\'n, bleven
echter tevens in functie. Vior der acht benoemde Raden-commissarissen traden toen op als
commissarissen der vier buitengerechten. (Not. Raad 12 Jan. 1816.)
-ocr page 71-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                                 LXXI
en andere stukken betreffende het beheer dezer compagnie, die in het
stadsarchief zijn opgenomen i), zijn afkomstig uit het familie-archief
van den hoofdman Martens en door een zijner nazaten afgestaan. Reeds
deze laatste omstandigheid geeft aanleiding om te vermoeden, dat bij
de gedurige wisseling van hoofdlieden de archieven der wijken niet zeer
volledig gebleven kunnen zijn. Trouwens reeds van ouds zullen die
archieven niet veel beteekend hebben en in hoofdzaak bestaan hebben
uit de rekenboeken der compagnie (zooals althans het geval was bij de
compagnie Papenvaandel, wier archief wij bezitten), en wellicht uit
eenige naamlijsten van leden der compagnie, zooals er ons een van
Oranjestam is overgebleven. Eerst sedert de reorganisatie der schutterij
in 1783 kunnen deze archieven meer belang verkregen hebben: im-
mers de aangelegenheden der schutterij vormden het hoofdelement van
de zorgen der hoofdlieden; het is wel niet toevallig, dat het notulen-
boek der compagnie Turkije juist met het jaar 1783 begint.
De archieven der acht wijken moeten bij de hoofdlieden der burger»
compagnién gebleven zijn, totdat de revolutie van 1795 deze dignita-
rissen ten val bracht. Op 28 Januari 1795 besloot de Provisioneele
municipaliteit, om in plaats van leden der municipaliteit acht burgers
tot hoofden der burgercompagniën aan te stellen met den titel van
wijkmeesters 2). Deze wijkmeesters hebben natuurlijk de archieven der
burgercompagniën van hunne voorgangers overgenomen ; en inderdaad,
in 1831 had de heer C. A. Van der Star, wijkmeester van wijk F,
het archief der oude compagnie Papenvaandel nog onder zich; bij
zijn aftreden op 10 Juni gaf deze het archief over aan den Raad-
commissaris der wijk, die niet beter wist te doen dan het 12 Augustus
op het stadhuis te deponeeren 3). Wat het lot is geweest van de ar-
chieven der andere wijken, is onbekend: denkelijk zijn zij allengs
onder het beheer der steeds wisselende wijkmeesters te gronde gegaan.
De wijkmeesters waren echter niet alleen de beheerders van wat er
restte van de archieven der oude burgercompagniën: zij hadden ook
onder zich de veel belangrijker archieven van de oude buitengerechten.
Het Koninklijk Besluit van 10 Juni 1823 vereenigde de buitengerechten
met de stad Utrecht. Dientengevolge besloten Gedeputeerde Staten
11 Juli 1823, «om het bestuur der stad Utrecht en der vier gemelde
gemeenten uit te noodigen, om dadelijk eene onderhandeling te openen
tot het opmaken van een plan van likwidatie ..... benevens een
inventaris tot overneming van archieven, documenten en papieren» 4).
1)  Inv. v. h. archief over 1577-1705. No. 2075-2078.
2)  Not. Prov. municip. 28 Jan. 1795. Boven dozo wijkmoestors stondon sodort1803 do p. LXX
Noot 2 vermelde, nieuw ingestelde Kaden-commissarissen, dio toozicht Melden op hun behoor.
3)  Zie den inventaris van hot archief ouder de collcctio Inventarissen.
4)  Not. B. en W. 5 Aug. 1823.
-ocr page 72-
LXXII                              GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Het plan van liquidatie werd 10 October 1823 ter goedkeuring aan
Gedeputeerde Staten gezonden en 22 Mei 1824 door hen vastgesteld;
van de inventarissen der archieven hooren wij verder niets: de stad
Utrecht trof daaromtrent zelve eene andere regeling.
Vóór 1823 hadden de buitengerechten, evenals de wijken der stad,
onder toezicht gestaan van Raden-commissarissen en wijkmeesters, terwijl
onder dezen de oude schouten der gerechten werkzaam waren gebleven.
Deze schouten waren derhalve afgedaald tot ongeveer dezelfde positie,
die in de stad zelf door de buurtschouten werd ingenomen, echter met
dit verschil, dat hun werkkring veel belangrijker was, daar hun beheer
nagenoeg onveranderd den ouden omvang behouden had. Het gevolg
van de vereeniging der buitengerechten met de stad was dan ook
niet, dat dit beheer der schouten eenvoudig opgeheven of aan dat
van den wijkmeester geannexeerd werd, terwijl de schouten zelven
verdwenen; integendeel, nadat de liquidatie tusschen de stad en de
gerechten was afgeloopen, werden de wijkmeesters der vier gerechten
ontslagen, terwijl hun ambt aan de vier schouten der buitengerechten
werd opgedragen 1). Aan de aftredende wijkmeesters werd nu bepaal-
delijk opgedragen, «om alle papieren en verdere documenten (tot het
wijkmeestersambt) relatief, zoodra mogelijk aan de hen vervangende
wijkmeesters (d. z. de oude schouten) over te geven en te behandigen»,
terwijl het blijkt, dat deze nieuwe wijkmeesters tegelijk ook de papieren
der oude schoutambten bleven bewaren 2).
De nieuwe wijkmeesters der voormalige buitengerechten schijnen
echter, evenmin als hunne collega\'s binnen de stad, geneigd geweest
te zijn, om deze oude archieven op den duur onder zich te houden.
Althans het archief van de Bemuurde Weerd, tot dusver in de gerechts-
kist der Weerd berustende, werd reeds 20 September 1826 van den
kameraar overgenomen 3) en zeker aanstonds naar het stadhuis over-
gebracht. Zooals te denken was, had dit archief niet veel te beduiden:
tengevolge van het Keizerlijk Decreet van 8 November 1810 waren de
gerechtelijke stukken aan den hypotheekbewaarder afgegeven, en onder
het overblijvende waren alleen eenige door slordigheid achtergelatene
gerechtelijke akten door hunnen ouderdom eenigszins belangrijk. Van
nog veel minder belang waren de archieven der andere veel onbedui-
dender buitengerechten, die thans mede in het stadsarchief berusten
1)  Not. B. en W. 9, 13, 20 Juli, 17 Aug. 1824.
2)  In het gorecht Tolsteeg namolijk maakte de schout bezwaar, om als wijknioestor op to
tredon, torwyl de oude wijkmoestor van hot gerecht juist in dicnzelfden tijd overleed. Er werd
nu eon nicuwo wijkmeester benoemd, wien werd aanbevolen „gedachtig te zijn aan do over-
neming dor papieren, zoo van den gewezen schout Van den Well, als van den overleden wijk-
meester De Orool."
(Not. B. en W. 20 Juli, 17 Aug. 1824.)
;i) Ziu de nog aanwezige lijst van dit archief onder de collectie inventarissen.
-ocr page 73-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
I.XXIII
en die denkelijk successivelijk zijn overgenomen, hoewel men dit niet
vermeld vindt.
De Armenwet van 1854 verschafte aan het archief eene nieuwe
aanwinst: de Aalmoezenierskamer toch werd feitelijk als zelfstandig
lichaam opgeheven en tot eene afdeeling van den stedelijken dienst
hervormd. Het archief der kamer was sedert het instorten van het
St. Brigittenklooster in 1816 na eenige omzwervingen beland in het ge-
bouw, genaamd het IJzeren hek, op de Breedstraat. Burgemeester en
Wethouders noodigden nu 25 Maart 1856 de leden der voormalige kamer
uit, «om alle de onder hunne berusting zijnde stukken en bescheiden,
die op deze administratie betrekking hebben, op den ie» April e. k.
aan de nieuwbenoemde leden der Stads-aalmoezenierskamer te willen
overgeven» 1). De vergadering verklaarde zich daartoe alleszins bereid
en machtigde haren secretaris tot de afgifte 2), die ook inderdaad
plaats had volgens den inventaris, die nog in het stadsarchief berust.
Sedert werd het archief op het bureau Armwezen ten stadhuize bewaard,
totdat ik het daar in 1874 ontdekte en voor het archief overnam.
Eene laatste vermeerdering, die door den loop der omstandigheden
aan het archief ten deel viel, vulde eene lacune aan, waarover ik thans
nog te spreken heb. Nadat de Momboirkamer door de invoering der
Fransche wetgeving feitelijk was opgeheven, bleef zij ter liquidatie van
de nog beheerde boedels in functie. Naar het schijnt is de kamer, na
den herbouw van het stadhuis, niet meer daarheen teruggekeerd:
althans haar archief was in 1852 gedeponeerd in een lokaal van het
Stedelijk gymnasium in de Minderbroederstraat 3). Bij de wet van 5
Maart 1852 werd eene Algemeene commissie van liquidatie der zaken
betreffende de voormalige Wees- en momboirkamers ingesteld, die de
zaken dezer kamers ter afdoening zou overnemen en op wie dan ook
natuurlijk al hare goederen en ook hare archieven zouden overgaan.
Ter uitvoering van deze regeling verscheen op 9 October 1852 de
heer R. J. graaf Schimmelpenninck, lid der Staatscommissie tot liqui-
datie, ter Momboirkamer 4), nam het archief over en voerde het
mede naar Den Haag.
Niet voor goed zou echter de stad Utrecht dit gedeelte van haar
archief moeten missen: nadat de Algemeene commissie van liquidatie
hare werkzaamheden geëindigd had, beval de wet van 14 November
1879 (art. 9), om de voortaan voor de praktijk nuttelooze archieven
1)  Not. B. en W. 25 Maart 1850.
2)  Not. Aalm.kamer 26 Maart 1856.
3)  Miss. v. d. Comm. tot liq v. d. Moinb.kamcr te Utrecht aan de Algeni Conim. tot liqui-
datie dd. 22 Sopt. 1852. (Cat. v. h. Nieuwo archief. No. 181.»)
4)  Miss. v. graaf Schimmelpenninck aan de Comm. v. liquidatie te Utrecht dd. 1 Oct. 1852.
(Cat v. h. Nieuwe archief. No. 181\')
-ocr page 74-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
LXXIV
terug te geven aan de stedelijke besturen, van wie zij afkomstig waren,
zoo dezen dit verlangden. Dientengevolge wendden zich Burgemeester
en Wethouders van Utrecht den 6 Januari 1880 tot de Algemeene
commissie met verzoek, om het archief harer Momboirkamer te mogen
terugontvangen. Natuurlijk werd aan dit verzoek gevolg gegeven en
in de maand Juni 1880 werd het geheele archief, verpakt in 17 kisten
en 1 kast, uit Den Haag terugontvangen 1).
Waren al de genoemde aanwinsten door den loop der omstandig-
heden verkregen en zouden zij derhalve ook in de vorige periode aan
het archief zijn ten deel gevallen, ik moet thans nog verschillende
vermeerderingen bespreken, die bepaaldelijk het gevolg waren van de
veranderde positie van het archief. Nu dit eenmaal was hervormd tot
eene wetenschappelijke instelling, die niet alleen de belangen der
stedelijke administratie, maar ook den studielust van het publiek moest
dienen, scheen het wenschelijk niet alleen af te wachten, of de om-
standigheden oude archiefstukken aan de stad als het ware in den
schoot zouden werpen, maar om ook zelf de handen uit den mouw
te steken en te trachten alles te verkrijgen, wat van oude stedelijke
papieren nog hier of daar te vinden was.
Belangrijke resultaten zijn langs dezen weg verkregen. In de eerste
plaats vermeld ik de aanwinst, die niet alleen den grootsten omvang had,
maar ook het meeste belang, omdat zij eene lacune in het stedelijk
archief zelf weder aanvulde. Het schepenarchief was, naar wij gezien
hebben, in 1811 overgebracht naar de griffie der rechtbank en naar de
bergplaats van den hypotheekbewaarder; eene laatste rest was omstreeks
1844 nog naar de rechtbank overgebracht. Tengevolge van de wet
van 9 Juli 1842 op het notariaat werd van het aandeel der rechtbank
in den buit een belangrijk deel afgescheiden: de protocollen der nota-
rissen werden vereenigd in het nieuw ingerichte depot der notariëele
protocollen, dat wel in het gebouw der rechtbank zelf gevestigd, doch
geheel van haar oud archief afgezonderd werd, onder het beheer van
den bewaarder der notariëele protocollen. Dit laatste depot is nog
steeds onaangeroerd: de bepalingen der wet verhinderen de hereeni-
ging dezer stukken met het archief, waartoe zij behooren. Doch de
beide andere afdeelingen van het schepenarchief zijn heroverd: na
langdurige onderhandelingen met de departementen van Justitie en
Finantiën en niet dan nadat veel persoonlijke tegenstand ook in de
stad zelve overwonnen was, gelukte het, de beide deelen van het
schepenarchief, die onder den hypotheekbewaarder en den griffier der
rechtbank berustten, in 1877 en 1878 van deze bewaarders over te
nemen, krachtens beschikkingen van den Minister van Finantiën dd.
1) Notulon E. on W. 6 Jan., IV Juni, 22 Juli 1880.
-ocr page 75-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                              LXXV
26 Augustus 1875 1) en van den Minister van Justitie dd. 7 Maart 1878 2).
Het door den hypotheekbewaarder beheerde gedeelte verkeerde in
materieel voldoenden, doch ordeloozen toestand en was blijkbaar nooit
of bijna nooit gebruikt. De van den griffier der rechtbank overgenomene
afdeeling was echter op de gruwelijkste manier verwaarloosd en haren
ondergang nabij.
Het Koninklijk Besluit van 8 Maart 1879, dat de overbrenging van alle
rechterlijke archieven naar de rijksarchiefdepots beval, maakte echter de
ministeriëele besluiten, krachtens welke de gemeente Utrecht haar schepen-
archief juist had heroverd, weder krachteloos. Op aanvrage van Burge-
meester en Wethouders verklaarde echter de Minister van Binnenlandsche
Zaken zich gaarne bij besluit van 19 Februari 1881 bereid, om krachtens
art. 2 van het Koninklijke Besluit de schepenarchieven van Utrecht
en zijne buitengerechten aan de gemeente in bruikleen af te staan.
Zoo was dus deze meest hinderlijke leemte in het eigenlijke stads-
archief eindelijk voor goed weder aangevuld; eene andere lacune bleef
echter bestaan. Ik heb boven vermeld, dat van de stedelijke archieven
alleen die van de Aalmoezenierskamer en de Ambachtskamer in de
170 eeuw buiten het stadhuis verblijf hielden. Ook verhaalde ik reeds,
hoe het archief der Aalmoezenierskamer bij de opheffing der kamer
in 1856 naar het stadhuis werd overgebracht. De Ambachtskamer
daarentegen ging allengs over in een college van Regenten van
het Ambachtskinderhuis en ontving sedert de stichting der daaraan
toegevoegde Fundatie van Renswoude nieuwen luister. Haar archief
dwaalde hoe langer hoe verder af, naarmate het college grootere zelf-
standigheid verkreeg. Ik wendde mij daarom tot Burgemeester en
Wethouders met eene memorie, houdende het uitvoerige historische
betoog, dat de Ambachtskamer en het Ambachtskinderhuis tot aan de
uitvaardiging van het Koninklijk Besluit van 24 Maart 1824, waarbij
het stedelijke subsidie aan het gesticht werd ontnomen, te beschouwen
waren als zuiver stedelijke instellingen, wier archief deel uitmaakte
van het stadsarchief. Op grond van deze beschouwingen verzochten Bur-
gemeester en Wethouders van Regenten van het Ambachtskinderhuis
afgifte van hun archief van voor het jaar 1824. Het college maakte
echter om praktische redenen eenig bezwaar, de betrekkelijk recente
archieven uit het begin dezer eeuw af te geven, en ook tegen het
aannemen van het jaar 1813 als scheidspunt bleken dezelfde bezwaren
te bestaan. Doch bij schrijven van 22 Januari 1880 verklaarden
Regenten zich bereid, haar archief van voor 1795 aan het stadsarchief
1)  Reeds by resolutiön van 17 Juni on 9 Juli 1859 had dozo Ministor tot de overdracht
der stukkon machtiging vertoond ; maar hot gelukte eerst in 1877, om de afgifte to verkrijgen.
2)  Deze Minister had reeds 14 September, 4 October 1875 geluk verlof verleend, doch liet
13 Januari 1876 weder ingetrokken.
-ocr page 76-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
LXXVI
af te geven. Daar echter het jaar 1795 geenerlei wijziging in het
beheer van het gesticht bleek gebracht te hebben, werd ten slotte bij
minnelijke schikking de knoop doorgehakt en is het archief tot aan
het jaar 1800 door mij overgenomen.
Ook de charters der tien begijnhuizen, wier spoor men sedert het
laatst der i8<> eeuw verloren had, werden in 1890 heroverd, doch niet
zonder opoffering van de zijde der gemeente. De Minister van Binnen-
landsche Zaken bood namelijk aan de gemeente aan, een deel der
door het rijk uit de verzameling van Sir Thomas Phillipps te Cheltenham
aangekochte Hollandsche handschriften voor ƒ 750 over te nemen.
Bij onderzoek bleek deze collectie, die in hoofdzaak bestond uit onge-
veer 1300 oorkonden, te bevatten de lang gezochte charters der begijn-
huizen, met uitzondering van die van het St. Magdalena-convent 1).
Uit den samenhang der geheele collectie bleek duidelijk, dat deze
stukken uit de verzamelingen van Bondam en Musschenbroek afkom-
stig waren: zonder twijfel waren zij door den eerste van het stadhuis
ter inzage ontvangen. Bij de collectie bevonden zich nog verscheidene
charters, afkomstig uit het stadsarchief zelf, en bovendien het geheele
archief der fundatie van J. Ruysch Az., die met de Aalmoezenierskamer
vereenigd is. Burgemeester en Wethouders, door mij ingelicht over
den inhoud der aangebodene verzameling, aarzelden niet ze bij besluit
van 20 Mei 1890 voor den gevraagden prijs aan te koopen en om
zoodoende de laatste groote leemte in het stadsarchief op onverwacht
gelukkige wijze weder aan te vullen. Een paar necrologia, cartularia
en andere handschriften, afkomstig uit dezelfde archieven en naar
Cheltenham afgedwaald, waren (zooals aanstonds blijken zal) reeds ten
vorigen jare met andere archiefstukken van het rijk aangekocht.
Eindelijk moet ik nog vermelden, hoe de nauwere band, die ten
gevolge van mijne benoeming tot rijks-archivaris in de provincie en
de samenwoning in één gebouw tusschen de oude provinciale en stede-
lijke archieven ontstaan is, voor ons archief heilzame vruchten heeft
gedragen. Had reeds in 1877 het gemeente-archief van Gedeputeerde
Staten in bruikleen mogen ontvangen eene verzameling van stukken,
die in het provinciaal archief misplaatst bleken te zijn, veel belangrijker
waren de aanwinsten, door ruiling en schenking verkregen, nadat het
oude provinciale archief aan het rijk was overgegaan. In 1881 werden
niet minder dan vijf oude stedelijke registers, enkele stedelijke charters
en eenige documenten van de begijnhuizen en broederschappen geruild
tegen eenige bisschoppelijke cartularia en rekeningen, die naar het
stadsarchief waren afgedwaald In 1883 volgde eene nieuwe ruiling met
1) Do charters van dit convent zijn nauwlijk allen terechtgekomen* in het archief der
Oud-E. C. Cleiezy.
-ocr page 77-
LXXVII
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
het rijk, waardoor de gemeente o. a. verkreeg eene verzameling origi-
neele brieven aan de stad uit het begin der 16c eeuw, ontdekt in eene
in het provinciaal archief opgenomene partikuliere verzameling. In
1882, 1886, 1887, 1890 en 1891 ontving de stad voortdurend ten
geschenke losse deelen of papieren, bij de voortgaande rangschikking
van het Utrechtsche. rijksdepot ontdekt en uit het stedelijk archief
afkomstig: een formulierboek van een stedelijken schrijver van 1430,
een band met allerlei middeleeuwsche stukken uit het stadsarchief,
rekeningen van de stad en van de Hooge en Lage Weide, stukken
uit het archief van het klooster Bethlehem enz. Doch de belangrijkste
aanwinst werd verkregen in 1890/91, toen het rijk aan het stadsarchief
schonk eene verzameling van bijna 50 charters over 1250—1552, af-
komstig uit de stedelijke charterkast en ontdekt bij de regeling van
de provinciale charters, waarheen zij uit de verzameling van Dr. C.
Booth waren overgebracht. De vrijzinnige denkwijze van den Minister
van Binnenlandsche Zaken, die deze kostbare stukken zonder equiva-
lent aan de gemeente afstond, alleen op grond van het feit, dat zij
ten onrechte uit het gemeente-archief waren afgedwaald, verdient bij -
zondere vermelding: daardoor is toch door de hoogste autoriteit in
ons land het beginsel erkend, dat archieven van openbare lichamen
niet in den handel behooren te zijn en als hun publiekrechtelijk
eigendom niet tot het onderwerp van transactiën mogen gemaakt
worden. Dat de gemeente, aldus voorgelicht, bereidwillig op dezen
weg volgde, is niet te verwonderen: naarmate bij de voortgaande inven-
tarisatie van het archief daarin stukken ontdekt werden, die vroeger
door aankoop of schenking verkregen waren, doch thans bleken in het
archief van het rijk of van eene andere gemeente te behooren, werden
die steeds aan de betrokkene besturen afgestaan. Zeer vele hier mis-
plaatste stukken, die de goede regeling van het stadsarchief belem-
merden, werden zoodoende verwijderd en naar hunne oude bewaar-
plaatsen teruggebracht.
Op allerlei wijzen werd aldus getracht aan het stadsarchief zijn ouden
omvang terug te geven. Doch ik meende nog een stap verder te mogen
gaan: het archief kon en moest het depot worden, waar alles, wat voor
de praktijk nagenoeg zonder waarde onder het beheer van verschillende
corporatiën allengs dreigde te niet te gaan, van den ondergang gered
en voor de studie bewaard werd. Ook oude archieven, waarop de stad
geenerlei recht kon doen gelden, konden derhalve thans als historische
documenten voor overbrenging naar het stedelijk depot in aanmerking
komen. Ook op deze wijze werden vele en hoogst belangrijke archieven
verkregen. In de eerste plaats de archieven der fundatiën, die van ouds
onder zeker toezicht gesteld zijn en thans feitelijk door den burge-
meester en den gemeente-secretaris beheerd worden: het H. Geesthuis,
-ocr page 78-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
LxXVIII
het St. Margaretenhof en de fundatiën van Van Nykercken en Van Pallaes.
Door den nauwen band, die tusschen de stad en deze gestichten sinds
lang bestond, waren enkele stukken uit haar archief reeds naar het stads-
archief afgedwaald. De gemeente-secretaris, onder wien de rest (spaar-
zame overblijfselen van zeker veel grootere verzamelingen!) berustte,
maakte geen bezwaar, om mij ook deze op 24 \'November 1877 voor
het stadsarchief over te dragen. Een groot pak met stukken, tot deze
zelfde archieven en dat van de fundatie van Van Buchell behoorende, werd
in 1891 nog op het bureau van den gemeente-ontvanger ontdekt en
met de rest vereenigd. — Reeds vóór dien tijd was een geheel dergelijk
archief, dat van de Eleëmosynae van Oudmunster 1), volgens besluit
van Burgemeester en Wethouders van 3 Maart 1874 naar het stads-
archief overgebracht, — en in 1880 nam ik van den secretaris van Cura-
toren van het gymnasium over het archief van het Collegium Willibrordi
en het Domus pauperum, waarvan eenige stukken reeds bij het aan-
vaarden mijner betrekking door mij in het stadsarchief waren aangetroffen.
Nog verschillende kleinere aanwinsten werden allengs, naarmate
vergetene of verwaarloosde oude archieven in het bezit van verschil-
lende corporatién werden aangetroffen, voor het stadsarchief gedaan.
Zoo ontdekte ik in het archief van het Ambachtskinderhuis dat van
het Melatenhuis en vroeg dit, nadat de geschiedenis van dit depot
opgespoord en aan Regenten medegedeeld was, van hen aan : bij besluit
van 20 September 1876 werd het bereidwillig door hen afgestaan aan
de stad, die indertijd het beheer van de goederen en het archief
van het Melatenhuis aan de Ambachtskamer had toevertrouwd.
Wanneer oude archieven zich echter in het bezit bevonden van
corporatién, die tot de stad in geene betrekking stonden en die dus
bezwaar maakten hunne archieven definitief aan haar af te staan, werd
aan deze corporatién het voorstel gedaan, om ze in bruikleen te geven
met behoud van eigendomsrecht; aan de ambtenaren van het gemeente-
archief zou clan de verplichting worden opgelegd, om die archieven te
ordenen en te inventariseeren, daarin bij voorkomende gelegenheden
de noodige nasporingen te doen en over het resultaat aan regenten te
rapporteeren. Van de dus gebodene gelegenheid, die de belangen van
beide contracteerende partijen volkomen scheen te waarborgen, werd
gaarne gebruik gemaakt door Regenten der Vereenigde Gods- en
gasthuizen, die hun omvangrijk archief bij besluit van 28 Juli 1879
aan de gemeente in depot gaven. Eene aanwinst van zeer groot belang,
daar zij de archieven van al de negen door het Koninklijk besluit
van 27 Maart 1817 gecombineerde oude Utrechtsche gasthuizen en
1) Trouwens alloon liet niouwe archiof sedert het begin dor 19o oenw; het oude archief der
stichting berust nog in het archief van bet kapittol van Ondinunster.
-ocr page 79-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                               LXXIX
dat van het fonds Armen-noodhulp bevatte, waaronder niet minder
dan ruim 1200 charters, beginnende met het jaar 1311.
De Potmeesters van St. Jacob verzochten zelven, hun in geheel
ongeordenden toestand verkeerend archief op de bovenbedoelde voor-
waarden in het stadsarchief te mogen plaatsen, hetgeen hun bij besluit
van Burgemeester en Wethouders dd. 23 December 1882 werd toe-
gestaan. De overbrenging van dit kleine archiefje, dat tevens eenige
merkwaardige antiquiteiten bevatte, had daarop plaats.
Ook het archief van den Utrechtschen Studenten-senaat, waarvoor
geene geschikte bewaarplaats kon gevonden worden, is op verzoek van
dien Senaat en volgens besluit van Burgemeester en Wethouders dd.
10 Juli 1888 in het stadsarchief gedeponeerd, echter (wegens de aan
den Senaat opgelegde geheimhouding, betreffende sommige vroeger
gebruikelijke ceremoniën bij het ontgroenen der nieuwe leden) in een
gesloten kastje. Ik meende in dit zeer bijzondere geval van den ge-
wonen regel te mogen afwijken in de hoop, dat de vermelde geheim-
houding wel eenmaal zal worden opgeheven, terwijl ik het mijne plicht
achtte te zorgen, dat dit archief, dat denkelijk niet onbelangrijke bijzon-
derheden zal bevatten over het studentenleven in het begin dezer eeuw,
op dit gewenschte tijdstip nog in bruikbaren toestand verkeeren zal.
De Academische Senaat volgde het door den Studenten-senaat ge-
ge vene voorbeeld, door bij missive van 20 Januari 1S93 haar veel be-
langiijker, zij het dan ook zeer weinig omvangrijk oud archief van
vóór de herstelling der hoogeschool in 1815 aan de gemeente in
bruikleen af te geven. Van geheimhouding was hier echter natuurlijk
geen sprake: integendeel was het juist de wensch, om het archief voor
de studie van het publiek te openen, die hier den doorslag gaf.
Op denzelfden 20 Januari 1893 namen ook de Regenten van het
Gereformeerd Burgerweeshuis het besluit, om de drie in hun archief
door het historisch verloop der ontwikkeling van hun gesticht opge-
nomene archieven van het Regulierenklooster, het St. Elisabethsgasthuis
en de Bank van leening aan de gemeente in bruikleen af te staan.
Gewichtig besluit, waardoor drie omvangrijke archieven voor de studie
geopend worden! Vooral het zeldzaam volledige archief van het
Regulierenklooster heeft voor de geschiedenis belang. Eerlang zullen
dus ook deze drie archieven, die in het Weeshuis verscholen lagen en
daar wegens hun gering praktisch belang op den duur aan beschadiging
en verlies waren blootgesteld, in het archiefgebouw veilig bewaard zijn.
Slechts zéér enkele archieven in deze stad vallen thans nog in de
termen voor eene vriendschappelijke annexatie in bovenbedoelden zin.
Stukken, uit het stedelijk archief afkomstig, bezit nog alleen het depot
der notariëele protocollen, dat door de wet van 1842 nog steeds be-
schermd wordt, — en het archief van de Oud-R. C. Clerezy, waarin
-ocr page 80-
LXXX                              GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
enkele stukken van het Begijnhof, het St. Magdalena-convent en het
St. Hieronymushuis berusten, die trouwens bij het rijksarchief in Utrecht
in bruikleen zijn. Nog één archief, waarvan de oude bestanddeelen echter
niet tot het stadsarchief behooren, zou ik (ten minste wat het middel-
eeuwsche deel betreft) zeer gaarne in het stadsarchief voor het publiek
toegankelijk zien stellen: het archief van Kerkvoogden der Nederduitsch-
Hervormde gemeente, dat de archieven van kerkmeesters der vier
Utrechtsche parochiekerken bevat. Daarnaast herinner ik aan een
kleiner archiefje: dat van het St. Eloyengasthuis, waar de overblijf-
selen van het archief van het Smedengild moeten bewaard worden.
Het is te hopen, dat de bestuurders dezer verschillende lichamen op
den duur geen weerstand zullen bieden aan den geest des tijds, die
eischt, dat alle oude archieven niet alleen zorgvuldig bewaard worden,
maar ook voor het onderzoek van het publiek geopend zijn.
Is het noodig, dan schroomt de gemeente niet, om, nu eenmaal
het bovenaangeduide doel gesteld is, voor de bereiking daarvan ook
opofferingen te doen. Dit bleek reeds in 1889, toen de Minister van
Binnenlandsche Zaken aan Burgemeester en Wethouders aanbood, eenige
stukken uit verschillende archieven, met de Cheltenhamsche collectie in
het bezit van het rijk overgegaan, voor den kostenden prijs aan de ge-
meente over te dragen: bij besluit van 11 Juli 1889 besloten Burgemeester
en Wethouders de verzameling voor de gevraagde som van ƒ 325 te
aanvaarden. Zoodoende veroverde het stadsarchief eenige cartularia en
rekeningen, afkomstig uit de archieven der Gods- en gasthuizen, een
paar afschriften van gildenboeken van het Smedengild (waarvan de
origineelen niet bekend zijn) en verscheidene andere stukken. Ook bij
den bovenvermelden aankoop van charters uit de Cheltenhamsche
collectie in 1890 bevonden er zich eenige van de gasthuizen van
St. Bartholomeus en St. Job, die van belang mogen heeten.
Alle langzamerhand verkregene aanwinsten 1), behalve de uit het
Gereformeerde Burgerweeshuis afkomstige archieven, zijn reeds in het
archiefgebouw opgenomen en voorloopig beschreven; de inventarissen
zullen later herzien en daarna gedrukt worden. Doch de beschrijving
van het oude stadsarchief is reeds definitief afgeloopen : door de
verschijning van dit eerste deel is de inventaris thans compleet, nadat
in 1884 en 1890 de beschrijvingen der tweede en derde afdeelingen
verschenen zijn. Mij rest thans ten slotte nog alleen de taak, om
rekenschap te geven van de beginselen, waardoor ik mij bij de orde-
ning en inventarisatie van het oude archief heb laten leiden: beginselen
trouwens, die ik reeds jaren geleden uitvoerig heb uiteengezet en
waarover ik in hoofdzaak niets nieuws te zeggen heb.
1) De aanwinsten van het nieuwe archief, waarin langzamerhand tal van archieven van
allorlei ontboiulono voroonigingori on comitéy worden opgenomon, venuolil ik hier niet.
-ocr page 81-
LXXXI
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
§ 3. Regelen voor de ordening en beschrijving van het archief. —
Op den voorgrond stel ik de definitie, die ik in mijn archiefverslag van
1879 van een archief heb gegeven, en die ik thans met geringe wijziging
aldus wensch te formuleeren: «.Een archief is het geheel der geschrevene,
geteekende en gedrukte bescheiden, ingekomen bij- en uitgegaan van het
bestuur eener gemeenschap of een harer beambten ex officio, voor zoover
deze beuheiden bestemd si/n om onder haar te blijven berusten*
1).
Is deze definitie juist 2), dan volgt daaruit, dat uit een archief
moeten verwijderd worden alle geschrevene, geteekende of gedrukte
stukken, die niet bij de betrokkene gemeenschap zijn ingekomen of
van haar uitgegaan, en die dus niet, zooals het archief, jure publico,
maar jure frivato aan haar toebehooren. Onder deze omschrijving
zijn begrepen: i°. Boeken of handschriften, door de gemeenschap aan-
gekocht. Van dien aard zijn wetboeken, handleidingen voor de admi-
nistratie, bijbels en andere stukken, door het bestuur dikwijls aange-
kocht als hulpmiddelen hij het uitoefenen der bestuurstaak, — private
handschriften van historischen aard, aangekocht als bijdragen voor de
geschiedenis der betrokkene gemeenschap, — pakken ongebruikt
materieel, formulieren enz. Dit alles behoort overgeplaatst te worden
naar of gevormd te worden tot eene bibliotheek, geheel afgescheiden
van het archief; het ongebruikte materieel enz. moet vernietigd worden.
2«, Alle archiefstukken, die niet zijn ingekomen bij het bestuur der
gemeenschap of bij enkele harer leden als zoodanig 3), zooals waterschaps-
en kerkarchieven, dikwijls in de archieven van dorpen gedeponeerd,
omdat de functiën van schepen, heemraad en kerkmeester toevallig
in dezelfde personen vereenigd waren, — stukken betreffende grond-
vergaderingen en andere commissiën uit den revolutietijd, die na hare
ontbinding ten slotte dikwijls op het gemeentehuis gedeponeerd zijn, —
en verder alle stukken betreffende posten, door de secretarissen der
betrokkene gemeenschap buiten hun eigenlijk ambt bekleed. Wil men al
de stukken dezer laatste rubriek niet naar andere archieven overplaatsen,
maar ze in het archief behouden (hetgeen somtijds om praktische redenen
1)  Onder deze definitie z\\jn niet begrepen zoogenaamde familie-archieven. Deze verzamelingen
van stukken, waaraan hot officiëele karakter ontbreekt on die alleen toevallig bijeon bewaard
worden, mogen goene archieven in eigenlijken zin lieeten.
2)  Het is moeiolök, de juistheid mijner definitie te betoogen, zooals ik gaarne zou wonschon
te doen. Ik kan alleen verzekeren, dat ik ze slechts na rijp beraad en na overleg met an-
deren heb vastgesteld.
8) AU zooihtnig. Bedoeld worden dus alleen officiëolo stukken. Daardoor behoeven echter
niot allo stukkon, die niet in officiê\'clen vorm zijn opgemaakt, te wordon uitgesloten. Vooral
in kleino en afgelegene plaatsen nam nion hot dikwijls met den vorm niet al te nauw, en men
vindt dus in brieven, door sommige ambtenaron in hunne qualiteit ontvangon, liikwijls zeer
huiselijke bijzonderheden in een vorm, die verro van officiëol is. Het zou echter natuurlijk on-
doelmatig zijn, deze stukken daarom alleen to verwüderen uit het archief, waarin zij thuis-
behooren.
6
-ocr page 82-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
LXXXII
wenschelijk kan zijn), dan behooren ze in afzonderlijke afdeelingen als
supplement aan het einde van den inventaris opgenomen te worden.
Bij het ordenen der overgeblevene stukken meen ik, dat het begin-
sel gelden moet, door Dr. Vermeulen uitgesproken in de voorrede
van zijn inventaris van het Provinciaal archief van Utrecht: «/« een
catalogus van een archief kan en moet eene schets van het samenstel
der vroegere besturen zichtbaar wezen*.
Ik stel dezen eisch niet, omdat
ik een volgens dit beginsel ingerichten inventaris zoo bijzonder ge-
makkelijk acht voor het gebruik: integendeel, het gebruik van zulk
een inventaris eischt eenige voorlichting en eenige studie. Doch ik
meen, dat een ernstig en nauwgezet archivaris niet zal kunnen nalaten,
aan dien eisch te voldoen. Natuurlijk behoor ik deze bewering te be-
wijzen.
Twee systemen komen voor de ordening van een archief in aan-
merking: de chronologische en de systematische rangschikking der
stukken. De chronologische is natuurlijk alleen volkomen consequent
uitvoerbaar voor een uit losse stukken bestaand archief: het behoeft
geen betoog, dat men de talrijke registers en serién slechts daarin zou
kunnen doen passen door ze uiteen te nemen, — iets wat natuurlijk
niemand in de gedachten komen zal. Men behoort daarbij te denken
aan het bezwaar, dat bij chronologische rangschikking geheel geen
overzicht verkregen wordt van den inhoud van het archief, en de
talrijke ongedateerde stukken kunnen niet geplaatst worden. Doch het
is onnoodig over dit verouderde systeem van indeeling vele woorden
te verspillen, sedert het ter laatste vergadering van de rijksarchivarissen
gebleken is, dat het door geen van hen meer in bescherming genomen
wordt: de gemeente-archivarissen zullen gewis langzamerhand volgen i).
Alleen de systematische rangschikking blijft dus over. Deze kan op
twee wijzen tot stand gebracht worden. Velen wenschen nog eene in-
deeling volgens bepaalde willekeurig aangenomene rubrieken {Stedelijk
bestuur, Finantiën, Publieke werken, Kerkelijke zaken
enz.), zooals men
die aanneemt voor de ordening eener bibliotheek. Anderen achten het
daarentegen noodig rubrieken aan te nemen, niet willekeurig vastgesteld
maar gegeven door het archief zelf. Ik voor mij acht de keuze niet
moeielijk. Het eerste systeem maakt op mij altijd denzelfden indruk,
dien men zou verkrijgen van eene bibliotheek, gerangschikt volgens
de banden der boeken (boeken in Fransche banden, in perkamenten
banden, in ribben banden enz.) of volgens hunne bewaring (boeken,
door houtworm, door water, door ijzerroest beschadigd enz.). Dergelijke
1) Het kan natuurlijk om bijzondere redenon wenschelijk zijn, naast de inventarissen chrono-
logische lijsten uit te geven van bepaalde, bijzonder belangi-yko losse stukken (b.v. regesten-
lijsten der oorkonden) Daartogen geldt geen dor opgenoemde bezwaren; men booogt trouwens
met zulk eene publicatie iets ander» dan met de uitgave van een inventaris.
-ocr page 83-
LXXXVII
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
bevoegdheden in de geschiedenis der Finantiekamer, die gedurende
bijna den geheelen tijd van haar bestaan niet alleen Commissie van
finantiën, maar tevens Commissie van fabricage (d. i. van publieke
werken) was, en een tijd lang zelfs tegelijk de zaken van de inkwar-
tiering en kazerneering behandelde, terwijl hare werkzaamheid eerst
in onze eeuw tot het gebied der finantiën beperkt werd. Terwijl dus
in den inventaris van ons archief eenerzijds de stukken, die in een
gewonen systematischen inventaris onder de rubriek Finantiën zouden
gebracht worden, verdeeld zijn over twee afdeelingen, naarmate zij
ingekomen zijn bij of uitgegaan van Burgemeester en Vroedschap of
wel van de Finantiekamer, vindt men van den anderen kant in het
archief der Finantiekamer (waarin men natuurlijk alleen finantiëele
stukken zou verwachten te vinden) wellicht nog meer stukken over
publieke werken dan over finantiën i).
Men bespeurt derhalve, dat het systeem van mijn concilianten be-
strijder voor mij geheel onaannemelijk is, want dat het volgen daarvan
in de werkelijkheid tot geheel andere resultaten zou voeren dan mijne
wijze van werken. Maar als ik de concessie afwijs en zoodoende den
schijn aanneem van onhandelbaar te zijn, behoor ik er op verdacht te
zijn, dat mijn bestrijder mij dit zal euvelduiden en thans zal gaan
opzoeken hetgene tegen mijne wijze van arbeiden pleit en zijne methode
gunstig daartegen doet afsteken. Indien hij inderdaad zoo boosaardig
is, dan durf ik met gerustheid voorspellen, dat hij het allereerst den
aanval zal richten op de ingewikkeldheid van mijne inventarissen, die
ze voor het publiek niet gemakkelijk te gebruiken maakt. Inderdaad, dit
is de zwakke plek: de indeeling van een goeden archief-inventaris kan
onmogelijk zuiver rationeel zijn, en zij is daarom noodzakelijk minder
duidelijk dan de inventaris eener bibliotheek; het is dus inderdaad
1) Een ander, niet minder sprekend voorbeeld levert hetzelfde archief op het gebied van het
armwezen. De armenzaken waren te Utrecht verdeold over twoe commissié\'n, de Aalmoozoniers-
kamer en de Ambachtskamer, die vorschillende bevoegdheden hadden. Aan de Ambachtskamer
was door de Vroedschap afgestaan de opbrengst van verschillende uitkeeringen, gedaan door do
tappers, de parochiekerken, do voerlieden, de portiers der stadspoorten en door hen, die het ver-
bod om in de buitengerechten nering te doen, overtraden. Over al deze uitkeeringen hield do
kamer registers of lijsten, of berusten althans in haar archief aanteekeningen. (Cat v. h. archief
1577—1795. No. 1898—1902.) Nu zou oene zuiver systematische verdoeling dor stukken, dio
geene rekening hield met hunnen oorsprong, medebrongon, dat de archievon van Aalmoozo-
nierskamer on Ambachtskamer vereenigd werden in éeno rubriek Armwezen, terwijl daarontogon
al do genoemdo stukken uit het archief dor Ambachtskamor verdeold zouden worden over
vorschillonde afdeolingen (Nijverheid, Kerkelijke zaken. Stedelijk bestuur enz.). Maar dit zou
zonder twu\'fel verkeerd zijn: immers al dozo stukkon lichton de rekeningen dor Ambachts-
kamer, waarin al doze uitkeeringen verantwoord wordon, op bevredigende wijzo toe: zij ver-
spreiden licht over het wezen en de geschiodenis dier uitkeeringen, en moeten dus bij onder-
zoekingen daarover geraadpleegd worden. Verdeelt men ze echter over verschillende afdeelingen,
dan doen ze geen nut, daar zij niet z(jn opgemaakt met het oog op de inrichting dor nijver-
hoid, der kerk enz. en daarvan slechts oen hoogst eenzijdig beeld kunnen lovoren, omdat zij
uit hun natuurlijk verband gerukt zijn.
-ocr page 84-
LXXXVIII                       GESCHIEDENIS VAM HET ARCHIEF.
mogelijk, dat het publiek bij het ter hand nemen van zulk een inven-
taris aanvankelijk eenigszins verlegen staat, hoe daarin den weg te
vinden. Ik ben er dan ook reeds op bedacht geweest, dit punt mijner
stelling tegen den aanval te dekken, en wel door het aanvullen van
mijn stelsel met den eisch, dat de steller van den inventaris aan het
genoemde bezwaar te gemoet komen en het publiek bij het gebruik
van zijn werk behulpzaam zijn moet. Met deze bedoeling behooren
aan het hoofd der verschillende afdeelingen van den inventaris noten
geplaatst te worden, die, waar dit noodig is, inlichting geven over
het ontstaan en de geschiedenis der gemeenschap, de inrichting en de
bevoegdheden van haar bestuur, en die dus den gebruiker van den
inventaris aankondigen, welke stukken hij in elke rubriek moet ver-
wachten te vinden i). Het voldoen aan dezen eisch levert weinig
bezwaar voor den ernstigen archivaris, die toch, wil hij zijn inventaris
goed indeelen, het raderwerk van de oude administratie moet bestu-
deeren, — eene studie, die niet bij elk onderdeel grondig behoeft te zijn,
maar daarentegen dikwijls in allerlei details moet afdalen. Het mate-
riaal voor het stellen der noten heeft derhalve de archivaris, als hij
zijn inventaris voltooid heeft, toch reeds grootendeels bijeen.
Volgens de bovengeschetste beginselen heb ik den inventaris van het
stadsarchief, die hiermede voltooid is, gesteld. Ik beschouw deze rege-
ling als eene definitieve; moge zij dit blijken ook in dit opzicht, dat
zij niet, als zoovele vroegere ordeningen, spoedig weder verstoord
wordt! Het mogelijke is gedaan om dit onheil te voorkomen: daarom
zijn de inventarissen gedrukt, — daarom zijn de stukken zooveel
mogelijk ingebonden of in portefeuilles en stevige pakken vereenigd,
de losse stukken in omslagen vastgeregen, — daarom eindelijk zijn op
elk deel of pak stempels aangebracht en nommers, die naar dezen
inventaris verwijzen.
S. M.
1) Dit is te meer noodig, daar hot door raü aangenomene systeem voor de oude archieven
van groote staatsl ie hamen, die door de stormen dor beide revolutièn van de lGo on 18e eeuw
gewoonlijk ingrijpende wijzigingen hebben ondergaan, eene vordoeling van den inventaris in
drie tgdvakken noodig maakt. Ik wonsch, om niet al te uitvoerig te worden, dit punt hier
niet nader to bespreken; in hoofdzaak volgt de noodzakelijkheid der splitsing uit hot aan-
nctnen der door mij aanbevolene methode van organisatie van het archief, daar ten gevolge
van de genoemde omwentelingon zich onmiddellijk of middellijk in byna allo groote staats-
lichamen nieuwe organen hebben gevormd, die natuurlyk ook weder eigene archiovon hebhen
verkregen, of althans niot alleon het uiterlijk, maar ook de werking der oude organen be-
langrijk gewijzigd is.
\'tmittuit voor fcechugeichHwtefti*
-ocr page 85-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.                           T.XXXIII
criteria van indeeling zouden inderdaad voor de nasporingen van enkele
bepaalde personen naar de geschiedenis van het bindwerk of naar de
ziektegeschiedenis van het papier zeer gemakkelijk zijn, maar zij zouden
daarentegen het onderzoek van de eigenlijke studeerenden in de
bibliotheek op hopelooze wijze belemmeren, omdat zij vreemd zijn aan
den inhoud en den aard der beschrevene verzameling. Zij moeten dan
ook zonder aarzeling verworpen worden: de bibliothecaris mag ze niet
aannemen.
Op dezelfde wijze meen ik, dat de archivaris niet vrij is in de keuze
van het beginsel, dat hij aan de indeeling van zijn inventaris ten
grondslag zal leggen. Hij zou daarin niet geheel vrij zijn, zelfs indien
zijn archief bestond uitsluitend uit losse papieren. Terwijl toch een
boek door den schrijver met een bepaald doel wordt samengesteld en
dus ook een bepaald onderwerp behandelt of althans eene zekere een-
heid vertegenwoordigt, komt het telkens voor, dat een archiefstuk (een
brief b.v.) twee of meer zeer heterogene onderwerpen behandelt. Maar
deze uitzonderingen buiten rekening latende, zou men toch over het
geheel een archief, bestaande uit louter losse papieren, volgens de
daarin behandelde onderwerpen systematisch kunnen indeelen in een
zeker aantal vakken op de wijze eener bibliotheek; een inventaris, op
deze wijze ingedeeld, zou zelfs zeker voor een deel van het publiek
zeer gemakkelijk te gebruiken zijn.
Maar zulk eene indeeling schijnt nagenoeg ondenkbaar bij een nor-
maal archief, dat steeds voor verreweg het grootste deel bestaat uit
seriën van deelen en liassen, — seriën, door een mijner ambtgenooten
(met eene gelukkige uitdrukking, waarvan ik hem het vaderschap benijd)
terecht chet geraamte van het archief» genoemd i). Want werkelijk,
deze seritin geven de hoofdlijnen aan van den toestand, waarin het
archief vroeger verkeerd heeft.
Nu is het natuurlijk niet mogelijk, deze seriën geheel uit elkander
te nemen en ze te herleiden tot losse stukken, die men willekeurig
onder zekere rubrieken systematisch zou kunnen rangschikken. Niet
mogelijk, maar bovendien allerminst wenschelijk: immers er heeft van
ouds in het archief zeker verband bestaan; de secretarissen, die het
hebben gevormd, hebben bewust of onbewust zekere regelen voor de
bewaring en ordening der stukken vastgesteld, en evenals het natuurlijk
verkeerd zou zijn, b.v. eene lias met quittantiën, die als bijlage bij
eene rekening behoort en deze dikwijls op zeer gewenschte wijze toe-
licht, uit elkander te nemen en over het archief te verspreiden volgens
een ander willekeurig systeem van rangschikking, even onverantwoor-
delijk schijnt het mij, b.v. de ingekomene stukken bij een college, die
1) Mr. Gratama in het Nederliiudsch lu\'chiuveublud. I No. 3.
-ocr page 86-
LXXXIV                            GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
de notulen van dat college toelichten, wanneer die oudtijds behoorlijk
bij elkander gehouden zijn, uit die oude orde te nemen en in den
vorm van losse stukken te rangschikken volgens de daarin behandelde
onderwerpen. Inderdaad, op hoe (volgens onze begrippen) heterogene
wijze het bestuur eener gemeenschap ook gehandeld hebbe bij het
vereenigen van verschillende onderwerpen in éénzelfde register of
rekening, het is onmogelijk daarop thans nog terug te komen: de
eenheid van dat register of die rekening belet ze uiteen te nemen,
en die eenheid bedingt ook de eenheid van de daarbij behoorende
liassen van ingekomene stukken en quittantiën.
Men is dus gebonden aan de oude organisatie van het archief i),
die te herkennen is in de seriën van deelen en liassen en die, wanneer
men die seriën bijeengezocht heeft, (hetgeen zonder moeite geschieden
kan) althans in hoofdzaak bijna altijd hersteld kan worden. Ook de
ordening der losse stukken, die vroeger niet in eene bepaalde orde
gebracht zijn en in wier rangschikking men dus natuurlijk iets vrijer
is, moet noodzakelijk eenigszins van de hoofdlijnen der oude orga-
nisatie afhankelijk gemaakt worden.
Deze oude organisatie nu van het archief wortelt in de oude orga-
nisatie van de gemeenschap, waarvan het archief is uitgegaan, en is
daarvan het noodzakelijk gevolg. Die oude organisatie toch is niet
willekeurig door de oude archiefbeheerders tot stand gebracht: de
vorming der seriën heeft integendeel steeds plaats gehad en moeten
plaats hebben onder den direkten invloed van de inrichting der ge-
meenschap zelve. Iedere gemeenschap van eenig belang toch heeft in
het beheer harer zaken, naarmate die ingewikkelder werden, zekere
splitsingen aangebracht. De voorbereiding of zelfs de behartiging van
sommige afdeelingen der bestuurstaak werd dikwijls toevertrouwd aan
speciale permanente commissiën, die min of meer zelfstandig waren,—
zelfstandig genoeg althans in vele gevallen, om ze in staat te stellen
een eigen archief te vormen. De archieven dezer commissiën (hare
notulen, de bij haar ingekomene stukken enz.) mogen vooral niet met
de bescheiden, die bij het hoofdbestuur der gemeenschap zijn inge-
komen, vermengd worden: immers zij zijn niet van dat hoofdbestuur
uitgegaan of daarbij ingekomen; de beide seriën van stukken loopen
parallel naast elkander voort, hoewel zij toch dikwijls op dezelfde
onderwerpen betrekking hebben. De archieven van dergelijke commis-
1) Het sproekt wel van zelf, dat liet onnoodig is de ordening der oude archiefbeheerders in
details over to Domen. Hunne archief-inventarissen waren tot zolfs in de 18o eouw uiterst
primitief en absoluut onvoldoende voor onze behoeften. Do organisatie moet behouden worden;
do ordening der stukken binnen deze grenzen mag niet alleen, maar moet bepaald veranderd
worden.
-ocr page 87-
GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
LXXXV
siën moeten derhalve noodzakelijk afzonderlijke afdeelingen in het archief
der gemeenschap vormen. Het is dus inderdaad, zooals Dr. Vermeulen
opmerkte: in het archief eener gemeenschap moet — het kan niet
anders — de samenstelling van haar bestuur worden gereflecteerd.
Ik meen thans bewezen te hebben, dat het inderdaad onmogelijk
is, indien men zijn systeem van indeeling consequent wil doorvoeren,
den inventaris van een archief anders in te richten, dan volgens de
oude organisatie, die vroeger in dat archief bestaan heeft, — eene
organisatie, die uit den aard der zaak verband houdt en verband
houden moet met de inrichting der gemeenschap, waarvan het archief
afkomstig is. Tevens ligt in het besprokene het bewijs der absolute
noodzakelijkheid van den eisch, dien ik krachtens mijne definitie van
een archief stelde, dat namelijk alle stukken, die niet tot het archief
behooren en die ik boven karakteriseerde, daaruit bij de ordening
verwijderd moeten worden. Immers indien men de ordening der stuk-
ken volgens de hierboven omschrevene beginselen voltooid heeft, zal men
natuurlijk deze boeken en handschriften, die in geer.e der aangenomene
rubrieken kunnen passen, overhouden: ze belemmeren de goede orde-
ning van het archief en moeten daarom worden overgebracht naar
andere verzamelingen, waar zij eigenaardig behooren.
Ik verwacht echter tegen den gang van mijn betoog en tegen de
conclusie daarvan nog eene tegenwerping van de zijde van hen, die,
de chronologische indeeling van een archief wegens hare onuitvoer-
baarheid verwerpende, eene bepaalde voorliefde hebben voor de boven-
aangeduide, heldere en gemakkelijk te begrijpen indeeling van het
archief in zekere willekeurig vastgestelde bibliotheek-rubrieken, overeen-
komende met den inhoud der beschrevene stukken. tWaartoe>, zoo
hoor ik dezen zeggen, «al deze omhaal van woorden? Uwe argumen-
tatie moge overtuigend zijn, maar zij bewijst niets tegen mij. In den
grond der zaak kom ik met wat minder breedsprakige redeneeringen
tot hetzelfde resultaat als gij, of althans tot een resultaat, zoozeer met
het uwe overeenkomende, dat wij beiden, als wij een weinig inschik-
kelijk willen zijn, elkander kunnen en moeten verstaan. Het is mij
toch vrij onverschillig, of de rubrieken, die ik: Stedelijk bestuur., Finan-
tien, Armwezen
enz. noem, door u betiteld worden: Archief van den
raad, Archief van de Commissie van finantiën, Archief van de Aalmoe\'
zenierskamer
enz.; in den grond der zaak zijn wij het eens, daar het
vaststaat, dat het stedelijk bestuur berustte bij den raad, het beheer
der finantiën bij de Commissie van finantiën en de zorg voor het
armwezen bij de Aalmoezenierskamer. Laat ons dus eenvoudig afspreken,
om voortaan aan de rubrieken, over wier vaststelling wij eenstemmig
zijn, dezelfde namen te geven (wat mij betreft kunnen wij er des-
noods om loten), en wij zijn het volkomen eens.
-ocr page 88-
LXXXVI                            GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF.
Aldus mijn conciliante bestrijder. Doch met zijn verlof kan ik niet
treden in deze oplossing van ons geschil, en ik veroorloof mij te
meenen, dat mijn bestrijder slechts daarom bereid is ons geschil bij
loting uit te maken, omdat hij niet inziet, welk een inderdaad diep-
gaand verschil er ook in het wezen der zaak tusschen ons bestaat.
De indeeling van een archief in eenige thans willekeurig vastgestelde
rubrieken leidt inderdaad tot geheel andere resultaten dan het behoud
of het herstel der oude organisatie. En wel om twee redenen:
i°. De losse archiefstukken zijn van ouds bijna nooit in deelen of liassen
samengevoegd volgons hun materiëelen inhoud, maar steeds volgens
hun formeelen inhoud. Men bestemde een deel voor de opname van
de resolutiën of de sententiën van een college, van de transporten,
voor dit college gepasseerd, — men vereenigde in liassen de inge-
komene brieven of requesten, de quittantiën eener rekening enz. Doch
slechts bij grooie uitzondering en wanneer bepaalde omstandigheden
daartoe aanleiding gaven, werden er deelen volgeschreven met ver-
schillende stukken betreffende één bepaald onderwerp. Minder zeldzaam
kwam het voor, dat men dossiers van dien aard bijeenbracht; maar
ook dezen zijn toch te zeldzaam en daarom geheel onvoldoende, om
op zich zelf als grondslag voor de ordening van het archief te dienen;
zij kunnen daarentegen meestal gemakkelijk met de seriën in verband
gebracht worden i).
20. De organisatie eener gemeenschap en de verdeeling der bevoegd-
heden van haar bestuur over verschillende commissiën was dikwijls
niet zeer logisch. Dit was somtijds een gevolg van de verwording der
oorspronkelijk doelmatige instelling in den loop der eeuwen en onder
den drang van verschillende omstandigheden. Maar ook zonder ver-
wording had de verdeeling der bestuurstaak dikwijls plaats op eene
wijze, die ons vreemd toeschijnt. Het Utrechtsche gemeente-archief
levert een sprekend voorbeeld van eene combinatie van heterogene
1) Het is natuurlijk moffelijk, dorgolijko dossiers uiteen te nemen. Maar dit is zéér onraad-
Uim, daar zij zijn samengesteld door personen, die gelioel op de hoogte dor behandelde zaak
waren, zoor zeker beter op de hoogte dan wij lateron. De dossiers werden gewoonlijk bijecn-
gebracht door commissiën of personen, bolast mot hot nitbrongen van een rapport, of door
den grifhor, die alle stukken over eone bepaalde zaak bijeenverzamelde, voordat hij ze in de
vergadering van het betrokkene collego ter tafel bracht. Op den datum, waarop het rapport
behandeld of het besluit gouomon werd, bohoort dan ook hot dossier in de bijlagen dor notulen
of de serie proeosstukken ingevoegd te worden. Kukt men het daarentegen uiteen, dan ver-
krifgt men een onbevredigend resultaat, ook omdat men in een dossior meestal vindt zooge-
naamdo retroacta (afschriften van oudere stukken botreffende de behaudoldc zaak, soms uit
andere archieven) en aanteekeningen van den rapportour of den griffier, waaraan men geeno
andere geschikte plaats in het archief zal kunnen aanwijzen dan in het dossior, en dio ook op
zicli zelf onbegrijpelijk en waardeloos zijn. Slechts in één geval schijnt het gowonscht, den
samenhang van het dossier te verbroken, namelijk indien de samensteller de retroacta niet
in afschrift maar iu originali lieoft opgenomen; somtijds kan dan daardoor eene lacune in ©ene
oude serie ontstaan zijn, die men weder behooit aan te vullen.
-ocr page 89-
Uitgaven van W. LEIJDENROTH, Utrecht.
CATALOGUSSEN VAN DE OPENBARE VERZAMELINGEN
DER GEMEENTE UTRECHT.
S. MULLER Fz., Catalogus van het archief. Ie afdeeling. 1122-1577. f2.-.
N.B. Deze catalogus wordt voorafgegaan door eene Geschiedenis van het
archief,
als:
I. De oudste archiefbewaarplaatsen. (1122-1546).
II. Het archief op het oude stadhuis. (1546-1828).
III. Het archief als wetenschappelijke instelling. (1828-1892).
Deze Geschiedenis van het archief afzonderlijk........f 0.60.
S. MULLER Fz., Catalogus van het archief. 2e afdeeling. 1577-1795. ƒ2.90.
S. MULLER Fz., Catalogus van het archief. 3e afdeeling. 1795-1813. f 1.40.
G. SERTON, Inventaris van het oude archief van het bureau van den
Burgerlijken stand der gemeente Utrecht............f 0.60.
S. MULLER Fz., Beschrijving van de zegels der stad Utrecht, die bekend
zijn en waarvan afgietsels aanwezig zijn in het gemeente-archief. 2e ver-
beterde druk.......................f 0.30.
S. MULLER Fz., Lijst van de zegels aan de middeleeuwsche oorkonden
der stad Utrecht, in afgietsels voorhanden bij het Utrechtsche gemeente-
archief......................... f 0.40.
N.B. Exemplaren der afgietsels zelven zijn a 30 cents per stuk verkrijg-
baar bij bestelling aan het gemeente-archief; bij bestelling van een
aantal te gelijk is de prijs lager.
S. MULLER Fz., Catalogus van de bibliotheek over Utrecht . . . f 2.-.
S. MULLER Fz., Catalogus van den topographischen atlas der stad
Utrecht.........................f 1.-.
S. MULLER Fz., Catalogus van den historischen atlas van Utrecht, f 0.60.
S. MULLER Fz., Supplement op den catalogus van den historischen atlas
van Utrecht.......................f 0.75.
S. MULLER Fz., Catalogus van het museum van oudheden. . . . f 1. — .
S. MULLER Fz., Gids door het Stedelijk museum van oudheden te Utrecht.
Met illustratiën..........•............f 0.50.
idem.                                     idem.                  zonder illustratiën f 0.10.
W. PLEYTE en TH. M. ROEST, Inventaris van de collectie oudheden,
gevonden te Vechten, aan de stad Utrecht gelegateerd door Jhr. H. W.
Bosch van ükakestein van Oud-Amelisweerd.........f 0.80.