-ocr page 1-
.&&%\'%.
"K~& C
\'LEERREDEN
^J ju Ti
ICS£iA>.-^*?%*
•\'
ï
•
:
- •
•; \'
\' x!
.\',
\'•/•f> *\'
\',\' .\'
• (i -<-
i**J i*
Jr/T
«^ "                 . - .
*\'V V VAN
D. POST MA.
... • .Af;^^
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Vv\\yv^ \\oh^O
-ocr page 6-
-ocr page 7-
D. POS TM A.
EEN DERTIGTAL LEERREDENEN.
-ocr page 8-
)
I
J
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A06000029927948B
2992 794 8
-ocr page 9-
Oer* 2j>t, s-
*c
EEN DERTIGTAL
LEERREDENEN
DOOH
D. P O S T M A.
Dienaar den Woortts hij ile Gereformeerde Kerk te Hw**enbvrg, Z, A> Ji.
UNIVERSITEITS
BIBLIOTHEEK
UTRECHT
BOEKHANDEL
AMSTERDAM.                     voorheen                        PRETORIA.
HÖVEK ER & WORMS ER.
-ocr page 10-
60EK-, CCURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
-ocr page 11-
UIT ACHTING EN LIEFDE
AAN DB
GEREFORMEERDE KERK IN ZÜID-AFRIKA
OPGEDRAGEN
DOOR
EEN VAN HARE DANKBARE ZONEN.
UK SCHRIJVER.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
VOORWOORD.
Geliefden, reeds jarenlang heb ik in vele Gemeenten der
Gereformeerde Kerk, waarin ik door Gods genade voor korteren
of langeren tijd mocht arbeiden, of op vriendelijk bezoek, of met
kerkelijke vergaderingen mocht komen, bespeurd en vernomen
dat er groote behoefte gevoeld wordt aan meer preekbundels;
met de uitgave van dezen kleinen preekbundel heb ik dan getracht
«enigermate aan die behoefte tegemoet te komen. De Heere
zegene uit genade dezen mijn gebrekkigen en geringen arbeid
tot de eere zijns Naams!
Van harte
Uw aller br. uu dw. dr.
in Christus Jezus onzen Heere.
D. POSTMA.
Rustenburg, Z. A. II., 20 Fobr. 1899.
-ocr page 14-
-ocr page 15-
INHOUD.
Hoofdst.                                                                                                                                          Bladz.
I. Voor den avond. Gen. 8:8» ............. 1
lf. God doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons niet
naar onze ongerechtigheden. Gen. 8 : 24. . \'......11
III.     De voorbede van Abraham voor Sodom. Gen. 18 : 23—33 . 19
IV.     Gods rechterhand doet groote kracht. Ps, 9 : 14\'\'.....27
V. Ik ben een vreemdeling. Ps. 39 : 13b..........35
VI. Van kracht tot kracht. Ps. 84 : 8. . . .........    44
VII. De verwijding des harten. Ps. 119 : 32..........    53
VIII. De schat in een akker verborgen. Matth. 13 : 44.....    61
IX. De schatkist een toetssteen. Mark. 12 : 41—44......    69
X. Jezus in het huis van Simon. Luk. 7 : 44"........    79
XI. Jezus\' tranen. Joh. 11 : 35...............    86
XII. De ware adel. Rom. 16 : 1—15.............    93
XIII.    Gods genade voor den zondaar, die zich verootmoedigt.
Rom. 12 : 2a en Jes. 1 : 18..............99
XIV.     Voor Kerstdag. Eerste verkondiging van het Evangelie. Luk.
2 : 10, 11.....................109
XV. Belijdenispreek. Belijdenis en wandel. 2 Tim. 2 : 19c\' . . . .117
XVI. Voorbereiding voor het Avondmaal. Zelfbeproeving. 1 Gou.
11 : 28, 29.....................125
XVII. Voor het Avondmaal. Jezus in Gethsémané. Luk. 22 : 39—46. 134
-ocr page 16-
XII                                                                INHOUD.
Houfdst.                                                                                                                                        Blulz.
XVIII. Nabetraclitiiig. De twee moordenaars, en Jezus in het midden.
Luk. 23 : 39-43..................142
XIX. Voor het heilig Avondmaal. De liefde Gods een onberouwe-
lijke liefde. Jek. 31 : 3...............151
XX.     Nabetraclitiiig. Gods verschoonende liefde en genade. Gen.
1!) : 15, 16....................1(!0
XXI.     De verschijning van den Heere Jezus aan Maria Magdalena.
Jon. 20 : 11 18..................170
XXII. De eerste verschijning des Heilands aan Petrus. Luk. 24 : 34° . 178
XXIII.     Voor Hemelvaartsdag. I\'s. 68 : 19...........185
XXIV.     Pinksterpreek. Het werk des Heiligen Gcestes tot onze hulp.
Rom. 8 : 26....................195
XXV. De eerste Christen-gemeente. Hand. 2 : 42.......205
XXVI. Afval van Jezus. Jon. 6 : 67.............214
XXVII. De wedloop van den Christen. Heuu. 12 : 1, 2.....224
XXVIII. Het sterven der goddeloozen. Spk. 14 : 32.......231
XXIX.     Het sterven des rechtvaardigen. Spk. 14 : 32......239
XXX.     De hemel en zijne heerlijkheid. 1 Cou. 2:9.......248
-ocr page 17-
T.
VOOR DEN AVOND.
Te zingen Vs 10. : 1.
Te lezen Gen. 3.
Te zingen I\'s. 90 : 1.
Gobed.
Te zingen Fs. 3 : 3.
Tekst Gen. 3 : 8a: „En zij hoorden do stem van den Heoro God, wandelonde in den
hof, aan den wind des daags."
Dit woord verplaatst onze gedachten in eens tot bij het begin
des tijds, in den hof van Eden, het eerste Paradijs. — De
laatste morgen van onverbroken gerechtigheid was voor de aarde
voorbijgegaan, de eerste avond der zonde was over de aarde aan
\'t vallen ; de laatste morgen van ongestoorde vreugde was voor
altijd van de aarde verdwenen, en de eerste avond van zonde en
geween was begonnen. — De zonde was toegelaten, in het hart
ontvangen ; Adam en Eva waren naakt geworden, en schuldig en
beschaamd hadden zij zicb verborgen in het dichte lommer van het
Paradijs; en daar hooren zij nu: „de stem van den Heere God,
wandelende in den hof, aan den wind des daags!" Het woord:
„wind des daags" — geeft hier te kennen de avondtijd, net wan-
neer de zon aan \'t ondergaan is. En het beeld dat er van het
Paradijs door dit enkel woord voor onzen geest als getooverd wordt,
is zeer indrukwekkend en aantrekkelijk. Het werk van dien dag
was afgedaan; voor het eerst was het goede gelaten en het kwade
gedaan; de avond was aan het vallen; en gelijk als de Heere
gewoon was tegen den avond van eiken dag te doen, zoo doet
1
-ocr page 18-
2                                                  VOOR DEN AVOND.                                                  I.
Hij ook nu! Hij komt om zijne kinderen op te zoeken, om met
hen te spreken als een Vader doet, om hen te onderrichten en te
zegenen. Zoo wandelde de stem van den Heere God in den hof,
aan den wind des daags! Eu zoo komt de stem van den Heere
God ook heden nog tot geheel het menschdom op deez\' aard\', op
allerlei wijze en op alle tijden. Maar toch is het alsof de stem
van den Heere God bij voorkeur in de avondschemering op de
aarde wandelt. En juist dan is de ziel het vatbaarst en zoo
gevoelig voor goddelijke gedachten en geestelijke, bovennatuurlijke
indrukken.
I.
Daarom kan er dan ook met recht van den avondtijd gezegd
worden: dat hij dierbare voorrechten heeft en geeft!
a. De avond tijd heeft en geeft: zulk een troostvolle kalmte.
Er is iets zoo onuitspreekbaar, zoo onbeschrijfelijk aanminnigs,
liefs en vreedzaams in de zachte, stille, zoele avondschemering. Dit
gevoelt het hart als wij in de avondschaduw van onze dierbare
woning eens rustig nederzitten; of bij ons vee, of in een tuin, of
veld, of bosch langzaam wandelen; of nederzitten op een kopje of
heuvel om stil en rustig eens naar de zon te turen, als zij in het
westen haast uit ons oog verdwijnen zal. Dan werpt zij zulke lange
vreedzame schaduwen op de aarde, zulk een zacht licht over geheel
het veld, over berg en dal, en kerk en dorp en kerkhof, en plaats
en tuin en graf; en ook de wolken zien er dan zoo kalm en rustig
uit, zacht tintelend met al de rijke kleuren van de langzaam ver-
dwijnende stralen der zon; en dan wordt het hart ook stil en
kalm. Dan is alles stil op de aarde. Dan spreekt, — neen, dan
wandelt de stem van den Heere God in zijn hof, aan den wind
des daags. En:
Alles, wat rondom mij is,
Wekt mij tot erkentenis
Van don Schepper, door wiens macht
\'t Groot heelal is voortgebracht!
Als die Schepper Abraham wilde toonen, en diep in het hart
doen gevoelen, zijn trouw en goedheid, zoo leidde Hij hem uit
-ocr page 19-
I.                                                   VOOR DEN AVOND.                                                   3
naar buiten en zeide: „Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren,
indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zoo zal uw zaad
zijn!" Gen, 15 : 5. Daarom zegt ook de dichter in Ps. 19 :
Dus kan ons dag bij dag,
Tot roem van Gods gezag.
Zijn wonderen verhalen ;
Dns weet ons nacht bij nacht
Zijn onbegrensde macht
En wijsheid af te malen !
O Geliefden, indien wij dan, wanneer de laatste avondschemering
in het westen uit ons gezicht eens verdwijnen zal, indien wij dan
maar het oog omhoog en het hart naar God verheffen mogen, met-
het waarachtig woord des gebeds:
Volzalig God! die \'t al vervult,
Die waart, en zijt, en wezen zult.
De zon verdwijnt uit ons gezicht,
Beschijn ons met uw eeuwig licht!
O, dan zal dit woord nog menigen donkeren avond op aarde
voor ons verhelderen, en nog eens zelfs den doodsnacht voor ons
vervroolijken.
b.  Want die stille avondtijd heeft en geeft nog meer:
Hij geeft ons ook zulk een onschatbare vrijheid.
Des avonds wordt het alles stil; dan is het dagwerk afgedaan;
dan breekt de rust en vrijheid aan; de landman spant zijn ossen
uit, en laat den ploeg op den akker, en bergt de spade in de schuur;
de man van bezigheid of studie sluit zijn winkel of studeervertrek,
als het kan; elkeen sluit de plaats van zijn dagelijksch werk, als
het maar mogelijk is; en de reiziger, ook hij slaat zijn tent op in
het veld, of zoekt een huis of dorp om daarin te vernachten.
Dan wordt gewoonlijk de tijd aan bijna iedereen gegund om dien
naar zijn lust te gebruiken, te genieten of te besteden.
c.  Juist daarom is die stille vrije avondtijd ook in staat om ons
nog meer te geven:
Hij geeft ons zulk een zoet en lieflijk samenzijn!
Wanneer elkeen zijn dagwerk heeft voltooid, dan kan vader
met moeder en kinderen genoeglijk samenzijn; dan zoeken ouders
en kinderen elkander op; broeders en zusters, vrienden en vriendin-
-ocr page 20-
4                                                  VOOR DEN AVOND.                                                  I.
nen vloeien in een en hetzelfde huis tezamen! En dan is zulk
een avond zoo schoon, zoo lieflijk, zoo zoet! Beeld van het samenzijn
eens in het zalig vrederijk! Beeld van het altijd samenzijn eens
in den hemel aan den avond des tijds. Waarheen zoo dikwijls ook
het heilig avondmaal ons wijst, want het is bovenal aan de avond-
maalstafel dat de Heiland tot ons zegt: „In het huis mijns Vaders zijn
vele woningen; anderszins zou Ik het Ugezegd hebben: Ik ga heen
om u plaats te bereiden. En zoo wanneer Ik heen zal gegaan zijn,
en u plaats zal bereid hebben, zoo kome Ik weder, en zal u tot
Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt waar Ik ben!" Joh. 14:2,3.
II.
En zoo, Geliefden, zou elke avond voor ons geweest zijn in vol-
maakte gerechtigheid, in heilige vreugd en liefde, — was de zonde,
de zonde, niet in de wereld gekomen! Maar ach! Geliefden, se-
dert de stem van den fleere God aan den avond van dien noodlottigen
dag in den hof van Eden wandelde, en Adam en Eva Hem, hun
Vader, niet meer als heilige en juichende kinderen konden tegemoet
snellen, — van dienzelfden avond af is elke avond voor ons ook
nog iets anders geworden; nu is elke avond voor ons ook: e e n
tijd van ernstige verplichtingen!
«. Elke avondstond moet ons zijn: een tijd van ernstige
herinn ering!
Wanneer de gansche aarde zwijgt voor het aangezicht des Heeren,
die in zijnen tempel is; wanneer alles rondom ons stil en donker
wordt, dan moet de dag, die nu voor altijd, voor eeuwig daar
achter ons ligt, — dan moet die dag voor onze oogen, voor onze
ziel voorbijgaan!
Dan is het bovenal voor ons hoog tijd om met den dichter van
ouds onze wegen, al de wegen en werken van dien dag, eens
heel bedaard na te gaan. Tel dan nog eens de fouten en strui-
kelingen van dienzelfden dag op, een voor éen; beschouw nog eens
al het werk uwer handen of des geestes, waarin gij wel geslaagd zijt
en wel gedaan hebt; bloos nog eens over het kwade op dienzelfden
dag bedreven; gedenk nog eens aan het goede van dien dag, dank
nog eens voor eiken zegen van God ontvangen!
-ocr page 21-
I.                                             VOOR DEN AVOND.                                             5
b. Maar de avondplicht is nog ernstiger dan alleen eene herin-
nering, — hij is ook: eene vereffening!
Als het avond is dan moet het dagboek afgesloten worden, eer
dat de nacht komt.
De winst en het verlies moeten zuiver berekend worden; en dan
moet onze dure verantwoording ernstiglijk bedacht worden. O,
Geliefden, wanneer op eiken avond éen enkel uur door ons besteed
werd aan zulk eene zielsberekening en vereffening — o, hoe
menigen avond zal het ons dan niet gaan als eens onzen eersten
ouders in het Paradijs aan den avond van dien eersten dag der
zonde! „Voor het eerst steekt Adam het avondoffer niet aan, want
„de kroon der reinheid is hem van het hoofd gevallen, en het
,vijgeblad der schaamte heeft het priesterkleed der onschuld ver-
„ vangen. Welk een onderscheid voor Adam en Eva tusschen het begin
„en het eind van dien dag! \'s Morgens het oog nog hoopvol ten
„hemel gericht, \'s avonds het oog schaamrood ter aarde geslagen;
„\'s morgens opgestaan om in Gods nabijheid te wandelen,\'s avonds
„opgeschrikt door het ritselen van het dichte gebladerte;\'s morgens
„tezamen een vreugd voor den hemel, \'s avonds tezamen een
„speelbal der hel! En dat alles, de vrucht van éen noodlottigen
„appelbeet! En dat alles, bekend bij dien Rechter, die de schuldigen
„ten gerichte komt dagen! En dat alles, de voorproef van een
„vonnis dat zij nog niet hoorden, maar waarvan reeds de voorstelling
„hun harte sidderen doet. Neen, zij vreezen niet te veel van de
„toekomst." De stem van den Heere God wandelt in den hof! De
laatste Paradijsavond is aangebroken! En die eerste zondenacht
wordt een eeuwige hellenacht, indien God almachtig het niet gena-
diglijk verhoedt!
Daarom moeten wij elkander toch zoo ernstiglijk toeroepen:
Gedenkt toch aan uwen Schepper eer dat die eeuwige nacht komt
dalen! Of anders gaat het ook ons zoo licht als een zeker man;
uitgeteerd vanwege een ongeneeslijke ziekte, ging hij met een
vriend scheep naar een zekere haven; hij was jong, hij was geze-
gend met uitnemende gaven en talenten, maar hij had verzuimd
om zich voor de eeuwigheid voor te bereiden. Toen zij die gewenschte
haven naderden, zei zijn vriend tot hem : „Raadpleeg toch dien bekwa-
men geneesheer, die hier woont, misschien kan h ij u nog helpen!"
-ocr page 22-
I.
o
VOOR DEN AVOND.
Maar hij wilde niet! Zijn vriend drong ernstiglijk bij hem aan om
dit zeker te doen, het was voor hem toch een zaak van leven of
sterven! Maar wat was zijn antwoord? „Neen, ik zal hem niet
raadplegen!" — .En waarom niet?" vroeg zijn vriend hem.
„Niet," zeide hij toen, „niet omdat ik geen hooge gedachte van
dien dokter koester, maar juist omdat hij zoo bekwaam is, en
daarbij zoo oprecht, dat hij mij zonder twijfel net zoo zal zeggen als
het met mij is, dat mijne ziekte ongeneeslijk is, dat daar hoegenaamd
geen hoop voor mij is, dat ik sterven moet! En van zulk een
man wil ik dit niet gaarne hooren!" En ach! zoo gaat het ook
duizenden en duizenden van arme zondaren; dit weten zij, dat zij
sterven moeten en dat zij voor den dood niet gereed zijn. En nu
zijn zij bevreesd om den Heere Jezus, dien goddelijken geneesmeester,
te raadplegen, omdat zij weten dat Hij hun de reine waarheid
zeggen en schenken zal; tegen hun beter weten in trachten zij
het gevaarlijke, het eeuwig doodelijke van hun toestand voor
zichzelven te verbergen, en de oogen te sluiten voor het vreeselijk
oordeel dat hen wacht. Zij bedriegen zichzelven geheel en al
vrijwillig; dit is naar hun zin en verkiezing. Zij willen zich o, zoo
gaarne, vleien door zulk een zelfbedrog dat het toch nog beter
met hen is en beter met hen zal afloopen dan zij menigmaal
denken of anderen van hen meenen en zeggen; en daarom stooten
zij elk middel van zich weg met een ruwe hand, elk middel dat
hun de .oogen kan doen opengaan, dat hun het hart kan doen
verschrikken, dat hen verlossen kan door Gods genade van dat
helsch en duivelsch zelfbedrog, — eer dat de eeuwige nacht komt
dalen! O, Geliefden, God geve dat geen enkele avond van ons leven
ons in zulk een toestand vinden mag! God geve dat elke avond-
stond veeleer door ons mag worden aangevangen en geëindigd met
het smeekend boetgebed:
Vergeving, Heer! nu de avondstond,
Die ons opnieuw gezegend vond,
Opnieuw ons schuldig heeft bevonden !
Och, wasch in uw verzoenend bloed
De onreinheid van ons krank gemoed,
En doe ons niet naar onze zonden!"
Dan, — Geliefden, dan wordt het in der eeuwigheid geen nacht
voor onze zielen!
-ocr page 23-
7
I.
VOOR DEN AVOND.
c. Gevoelt gij het niet, Geliefden, dat onze avondplicht nog altijd
ernstiger wordt? En het kan niet anders, want de avondtijd is
niet alleen een tijd van herinnering, een tijd van vereffening, maar
ook vooral een tijd van ernstige voorbe rei d ingl
Immers, elke nacht brengt ons onzekerheid; en zoo menige nacht
gevaar; en ach! hoe menige nacht brengt ons ook niet smart en
rouw en dood! Daarom, Geliefden, moet elke avondstond ook voor
ons zijn een tijd van biddende voorbereiding! Denkt toch aan het
voorbeeld der oude vromen, een Abraham, en Izak, en Jakob, en
Daniël; waarvan een ieder niet afliet dag en nacht, hand en oog
op te heffen naar omhoog! Maar denkt bovenal aan het voorbeeld
van onzen dierbaren Heiland; des avonds onttrok Hij zich gewoon-
lijk aan het gewoel der schare en zelfs aan het gezelschap en
de tegenwoordigheid van zijn dierbaarste discipelen, om in een
woeste plaats of op een berg alleen te wezen met den Vader, als
Hij op dien dag een groot werk verricht had, of wanneer Hij van
alle zijden omringd en benauwd werd, of als Hij zich voor een
gewichtigen stap of werk ernstiglijk moest voor- en toebereiden!
Denkt slechts aan dien laatsten nacht toen Hij sterven zou! O,
als wij dat heerlijk voorbeeld volgen, als elke avondstond zoo door
ons besteed wordt, — als wij in die ernstige avondoogenblikken
van biddende voorbereiding dien Heiland Jezus vragen, ja dwin-
gen met de Emmaüsgangers, zeggende: „ Heere, Heere! blijf bij
ons, want het is bij don avond!" — laat dien donkeren nacht ons
dan brengen wat hij brengen moet, — met Jezus in ons huis en
met Jezus in ons hart zijn wij volkomen veilig!
Moeten wij aan den avond van zoo menigen dag uitroepen wat
een David van de woedende heidenen zeggen moest, — omdat
geestelijke boosheden in de lucht onze voetstappen omringen, omdat
Satan en zijne handlangers onze ziel bestoken, omdat zonden en
ongerechtigheden, ja duizend dooden, duizend zorgen ons de ziel
ontroeren en \'t vleesch benauwen: „Tegen dezen avond keeren
zij weder, zij tieren als een hond, en zij gaan rondom de stad.
Zie, zij storten overvloediglijk uit met hunnen mond; zwaarden
zijn op hunne lippen; want wie hoort het?" Ps. 59: 7, 8; —
geen nood, zoo de stem van den Heere God ons dan slechts
tegenwandelt in den avondwind; geen nood, indien Jezus de Heiland
-ocr page 24-
8
I.
VOOR DEN AVOND.
bij ons is en blijft! Dan zeggen wij ook weer met een David:
„Tegen zijne sterkte zal ik op U wachten; want God is mijn hoog
vertrek!" Ps. 59: 10. En dan liggen wij veilig neder, en zachtkens
sluimeren wij dan in, terwijl ons hart tot Jezus zegt:
O, groote Christus, eeuwig licht!
Niets is bedekt voor uw gezicht!
Die ons bestraalt, waar wij ook gaan,
Al schijnt geon zon, al licht geen maan!
Avondzang vors 1.
Bescherm ons in den donk\'ren nacht !
Omring ons met uw englenwaeht!
Doe onzer ziole uw vrede smaken!
Stort naar uw groote zondaarsmin
Ons krachten der vernieuwing in,
En doe ons gansch verjongd ontwaken !
En o, als wij dan des morgens vroeg gansch vernieuwd en gansch
verjongd ontwaken, omdat God ons gedekt heeft met zijne vlerken,
omdat wij in de schuilplaats des Allerhoogsten gezeten waren,
omdat wij in de schaduw des Almachtigen vernacht hebben, dan
zingen wij met een dankbaar hart:
Wij dankon U, barmhartig God,
Beschikker van ons deel en lot!
Voor uwe hoed\' en trouwe wacht,
Ons weer botoond in dezen nacht!
Morgenzang —
Ik lag en sliep gerust.
Van \'s Heeren trouw bewust,
Tot ik verl\'rischt ontwaakte;
Want God was aan mijn zij;
Hij ondersteunde mij
In \'t leed, dat mij genaakte.
Ik zal, vol heldenmoed,
Daar mij zijn hand behoedt,
Tienduizenden niet vreezen;
Schoon ik van allen kant
Geweldig aangerand
En fel geprangd moog wozen !
Ps. 3 : 3.
Gelukkig, ja welgelukzalig de mensch, die zoo in stilheid kan
nederliggen, wetende dat hij alles zoo heeft voor-en toebereid, dat
hem niets anders wachten kan dan veiligheid en geluk! De
morgen brengt zijn nieuwe zorgen en bekommernissen, nieuwen
-ocr page 25-
I.                                                  VOOR DEN AVOND.                                                  9
angst en strijd, — en daarom gelukkig, ja welgelukzalig de mensch,
die door Gods genade na zulk een rust en vredenacht wel
toegerust is voor den last en strijd van eiken dag!
in.
Die zal dan ook nimmer het ernstig onderwijs van eiken
avondstond vergeten.
Elke avondtijd is een beeld van het einde van ons leven. Maar
hoort dan eiken avond, Geliefden, hoe de stem van den Heere God
ons in de avondschaduwen tegenwandelt, en die stem des Heeren
zegt: „Schik u, o mensch! om uwen God te ontmoeten!" O, leeft
dan niet zóo op eiken dag, en geheel den korten of langen dag
van uw kortstondig leven, dat het u nog eens op uw sterfbed gaan
moet als eens een rijken man. Daar ligt hij op zijn sterfbed, en wat
vraagt hij? Zijn geld! Zijn geld! „Breng al mijn zakken met geld!
Al mijn geld," zegt hij! En hij drukt die éen voor éen aan \'t hart!
Maar wee, o wee! Het was een doode koude troost! Hij werpt ze
van zich met de bittere klacht: „Neen, neen, dit zal niet gaan!
Dit zal nooit gaan!"
Leeft dan nooit zóo, Geliefden, dat gij eens als een geboeide en
gevangene in de eeuwige gevangenis moet ingedreven, moet in-
gesleept worden! Maar zóo dat gij in uw sterven eens moogt
wezen als iemand die des avonds op zijn bed in vrede gaat neder-
liggen, en de warme dekens vaster om zich trekt, om des te beter
en aangenamer uit te rusten!
Ja, Geliefden, elke avondstond is een beeld van het einde van
ons leven, en elke nacht een beeld van den dood, ook van den
laatsten nacht der wereld, het begin van den tweeden dood; —
maar, Gode zij dank! voor eiken morgen, die een beeld is van het
aanbreken van den eeuwigen dageraad, daar aan de andere zijde
van het graf, — een beeld ook van den jongsten dag. Hoort dan,
Geliefden, in de avondschaduwen en de stilte van den nacht,
hoe de stem van den Heere God u tegenwandelt, en u op zulk
een ernstige, heilig plechtige wijze zegt: Mensch! Mensch! Kind
van stof en dood! Eens, eens wordt het voor \'t laatst voor u op
aarde avond en nacht, en de eeuwigheid breekt aan! Geliefden,
-ocr page 26-
10                                                VOOR DEN AVOND.                                                  I.
God geve dat elkeen van ons, oud en jong, eiken dag van ons
leven in den dienst des Heeren moge besteden, dan zal elke avond-
stond ons ook vinden als eens den kleinen Samuel, bezig in het huis
des Heeren, — in de dingen Gods! Dan blijft de Heiland Jezus
ook bij ons, ja in ons huis en hart! En als wij dan de stem van
den Heere God voor \'t laatst hier op aarde vernemen, ons tegen-
wandelende aan den wind des daags ; — o, dan zeggen wij ook met
dien kleinen Samuel: „ Spreek Heere! want uw dienstknecht hoort!"
En als de levensavond komt,
Waarop ons laatste lied verstomt,
Ontneem Gij dan, o God! <\\en dood zijn wapen!
En laat uw Woord de peluw zijn,
Waarop wij d\'eeuwgan morgenschijn,
Door U verzegeld, tegenslapen!
Amen!
Te zingen Ps. 103 : 8.
-ocr page 27-
II.
GOD DOET ONS NIET NAAR ONZE ZONDEN, EN
VERGELDT ONS NIET NAAR ONZE
ONGERECHTIGHEDEN.
Te zingen Ps. 119 : 45.
Te lezen Genesis 3 of Ps. 103.
Te zingen Ps 103 : 5.
Voorafspraak. Als wij in Ps. 103: 10 lezen wat wij daar zoo-
even opgezongen hebben: „Hij doet ons niet naar onze zonden, en
vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden," dan worden wij al
dadelijk in onze gedachten opgeleid tot dien God, die zich op
Horeb aan Mozes openbaarde als rechtvaardig, maar tevens ook als
barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van goedertierenheid.
Maar God heeft zich niet alleen aan Mozes als zoodanig geopen-
baard ; ook onze tegenwoordigheid aan deze plaats, in dit bede-
huis, bevestigt het woord des dichters; want waarlijk, de Heere
handelt met ons niet naar onze zonden en vergeldt ons niet naar
onze ongerechtigheden.
Als zoodanig heeft de Heere zich geopenbaard door al de
eeuwen heen, ja, van de vroegste tijden af. Zelfs in het eerste
strafgericht toonde de Almachtige dat Hij geen lust heeft in den
dood des zondaars, maar daarin dat hij zich bekeere en leve. Als
zulk een God openbaarde de Heere zich ook, toen, door zijne
rechtvaardigheid, het aardsche Paradijs voor den zondaar gesloten
werd, doch niet eer dan toen voor hem het vooruitzicht op een
beter, een hemelsch Paradijs ontsloten was.
\'t Is bij deze gebeurtenis, dat wij heden met uwe aandacht
wenschen stil te staan. Doch vereenigen wij ons vooraf in het gebed.
-ocr page 28-
II.
12
GOD DOET ONS NIKT NAAR ONZE ZONDEN, EN
Het gobed.
Te zingen Ps. 103 : 6, 7.
Tekst: Gen. 3 : 24: „En Hij dreef den mensch uit; en stelde cherobim tegen het
oosten des hofs van Eden; en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde,
om te bewaren den weg van den boom des levens."
In ons tekstvers zien wij den hof van Eden, het aardsche Para-
dijs, voor den zondaar gesloten; maar waarom ? Gewichtige
vraag! — en toch eene vraag waarop het antwoord zoo voor de
hand ligt en zoo eenvoudig luidt. Zien wij slechts terug op het-
geen er gebeurd was onder dien boom in het midden des hofs,
die een lust was voor de oogen, ja, een boom, die begeerlijk was
om verstandig te maken, en wij vinden als antwoord op onze
vraag: Het Paradijs was ontsierd, ontluisterd door de zonde!
Eenige der engelen, die Gods troon omringen, waren van
hun heerlijken staat gevallen; om hunne zelfverheffing gedoemd
eeuwig in de diepten der hel hunne dagen te slijten, zagen zij
met nijd en afgunst het geluk des menschen aan; verstooten van
voor Gods aangezicht, konden zij zich geen rust vergunnen voor
en aleer den naar Gods beeld geschapen mensch zijn geluk zou
ontnomen zijn; en daarom zien wij den Satan zich, daar in het
midden des hofs, van het allerlistigst dier, de slang, bedienen om
Eva te verleiden van de vrucht van den verboden boom te eten,
om haar alzoo Gods gunst te doen verliezen. En werkelijk, de
bedriegelijke belofte van als God te zullen zijn, kennende het goed
en het kwaad, klinkt te schoon en te grootsch om door Eva met
minachting te worden afgewezen; zij strekt hare hand uit naar
de begeerde vrucht, die wordt geproefd; en, helaas! op dat nood-
lottig oogenblik wordt de zonde in Eden toegelaten, om weldra
algeheele verwoesting over het gelaat des aardrijks te verspreiden.
Ook aan Adam biedt Eva van die begeerlijke vrucht aan, en zij
wordt door hem zonder eenig bezwaar in te brengen genoten. De
eerste misdaad is begaan; met alle kracht is het wezen der zonde
doorgedrongen in het wezen des menschen. En daar ziet gij nu
het Paradijs, alsook den mensch, den beelddrager Gods, ontsierd,
ontluisterd door de zonde, die reeds aan zijn leven knaagt als een
voortvretende kanker. Als hij des morgens van zijn slaap ont-
waakte, prijkte hij met het beeld des eeuwigen, heiligen en liefde-
-ocr page 29-
II. VERGELDT ONS NIET NAAK ONZE ONGERECHTIGHEDEN. 13
rijken Gods; geplaatst in een oord, in een lusthof, die bestemd
was een toonbeeld te zijn van de lieflijkheden der natuur; onder
duizend, duizend schoone boomen, onder welke de boom des levens,
zijne schaduw rondom zich spreidende en beladen met de heer-
lijkste vrucht, aan frissche wateren, die de opgaande en de onder-
gaande zon weerspiegelen. De mensch, gelukkig door al den
rijkdom, die en waarin de liefde Gods hem omringt; nog geluk-
kiger door de inspraak der liefde Gods in zijn gemoed; nog
gelukkiger door het bewustzijn met geheel zijn ziel en hart zijn
God lief te hebben; gelukkig door wijsheid, door heiligheid, door
heerlijkheid, en door het besef eener eeuwige levenskracht; geluk-
kig ook door het proefgebod, hetwelk hem vergunt goed te zijn,
niet slechts gelijk de onvrije natuur, door aangeschapen volkomen-
heid, maar door eene keuze van zijn hart; gelukkig door de
heerschappij des verstands, door de macht des geestes; en, ach,
hoe gelukkig door het bezit der hulpe tegenover hem, uit zijn
boezem genomen, ja deel van hemzelven. De mensch, machtig en
zich niet verheffende; naakt, en zich niet schamende.
Zoo zag het er in het Paradijs, zoo met den mensch uit, in den
morgen van dien noodlottigen dag, door welken eeuwen van jammer
en ellende werden ingeleid; aan den avond van dienzelfden dag
was de heerlijkheid Gods van het Paradijs geweken; de mensch
was van een beelddrager Gods een zondaar geworden. En daar
zien wij den zondaar zich nu verbergen in het door de zonde ont-
luisterd geboomte van Eden. Was het de zonde die aan Adam de
kroon der reinheid ontnam; was het de zonde die het vijgeblad
der schaamte inplaats van het priesterkleed der onschuld stelde;
\'t is nog die afschuwelijke zonde, die het Christendom ontsiert; die
onze woningen, welke voor ons als zoovele Edens zijn in de gunst
van God, verandert in zoovele grotten des duivels; die ons doet
twijfelen aan Gods beloften, het Woord des Heeren wantrouwen,
en in ongeloof en zelfverheffing Gods geboden overtreden; \'t is
nog die zonde die onze harten bevlekt, ontsiert en ontluistert.
En nu, wij hebben gezien dat het woord der slang geloof gevonden
had; aan het woord Gods was getwijfeld; van de verboden vrucht
des booms te eten was begeerlijk voorgekomen; het droombeeld
van als God te zijn, onwederstaanbaar. De vrouw had genomen,
-ocr page 30-
14                      GOD DOET ONS NIET NAAR ONZE ZONDEN EN                      II.
gegeten, medegedeeld. Ook haar man had genomen en gegeten.
Een verschrikkelijk vonnis had den Satan en de listige slang reeds
getroffen, en o wee, driewerf wee den schuldigen Adam, als de
toorn, die tegen de slang is ontstoken, ook tegen hem losbreekt.
Eén vonk van dien toorn, en het vijgeblad zengt, en het Paradijs
slaat in vlammen, en de aarde waarop Gods naam is ontluisterd
zinkt weg. Maar neen, dat komt Gods eerenaam van Vader en
Ontfermer te na, die uit liefde schiep, en uit liefde wat Hij heeft
geschapen in stand houdt. Hier hooren wij den Psalmdichter ons weer
toeroepen: .Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons
niet naar onze ongerechtigheden!" Want terwijl de Almachtige
rechtvaardiglijk den mensch verderven kon, spaarde Hij hem naar
de grootheid zijner barmhartigheid en goedertierenheid.
Maar ofschoon de eeuwige God en Vader zich over den gevallen
mensch in liefde ontfermde,
         de bedreiging, door God bij het
verbod gevoegd, moest, — ja was reeds ten deele ten uitvoer
gebracht. Want zoodra was niet de verboden vrucht geproefd, of
de mensch verloor het beeld Gods; van onsterfelijk werd hij ster-
felijk; geestelijk stierf hij onmiddellijk; verzwakking, krankheid en
gebreken toonden weldra dat ook de kiemen des tijdelijken doods
reeds in het nog levend lichaam gelegd waren; en indien God zich
niet ontfermd had over den zondaar, dan zou hij ook den eeuwigen
dood hebben moeten sterven zonder aan eenige verlossing te kunnen
denken.
Het gemis van Gods beeld, van Gods gunst, liefde en nabijheid;
van die eeuwigdurende levenskracht, en het zijn onder Gods toorn,
drukten zeker het zwaarst op den gevallen mensch ; maar ook
het gemis van het Paradijs veroorzaakte Adam en Eva groote
droefheid en smart. Het gemis van het Paradijs? —Ja, Geliefden,
ons tekstvers zegt ons dat zij ook daaruit moesten verzonden, neen,
— verdreven worden; want vervuld met treurige herinneringen
van de verloren zaligheid, heerlijkheid en genot, stonden zij als
genageld aan die dierbare plaats, in \'t midden van dien schoonen
lusthof. In genade werd de mensch uit den hof verwezen; want
de zonde met al haar onrust en begeerlijkheid woonde en woelde
in zijn hart, en zou hem, ofschoon in het Paradijs, voor het
Paradijsgenot ongeschikt hebben gemaakt. Het genot van den levens-
-ocr page 31-
II. VERGELDT ONS NIET NAAR ONZE ONGERECHTIGHEDEN. 15
boom, in welken vermoedelijk alle levengevende krachten in de
natuur verspreid, vereenigd waren, zou aan zijn lichaam, en dus
ook aan zijn gevallen en zondigen toestand, de onsterfelijkheid
medegedeeld hebben. Daarom lezen wij in ons tekstvers: „En Hij
(namelijk God) dreef den mensch uit!" En als de zondaar wel
honderdmaal omziet naar de plaats waar hij zijn geluk en zijn hart
moet laten; als hij smachtend omziet naar het verloren Paradijs
en den verboden levensboom, en de hoop in zijn hart opkomt dat
hij eenmaal, eenmaal nog wederom zal mogen ingaan en zijn
onmisbare vruchten plukken .... daar stellen zich de krachten des
hemels en de krachten der aarde tusschen hem en dien hof, tusschen
hem en deze zijne hope .... Helaas, het Paradijs is verloren, voor
eeuwig verloren! De Heere God dreef den mensch uit en stelde
cherubim tegen het oosten des hofs, en een vlammig lemmer eens
zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den
boom des levens!
Maar ofschoon het Paradijs voor den zondaar voor eeuwig ge-
sloten werd, in de schaduw van Edens poort hadden wel de woor-
den mogen geschreven worden: „Hij doet ons niet naar onze
zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden." Want de
algoede God schonk lichtende zonnestralen in de schaduwen des
doods, die over de lengte en breedte der aarde wemelden. Hij
deed liefde, hoop, vertrouwen en vrede in de harten der schuldi-
gen ontwaken, en schonk hun eene woning hier op deze aarde.
Welke ontelbare genietingen zweven nog over het nederigste dak!
God kon het oog enkel gesteld hebben om gedurig naderbij komend
gevaar te aanschouwen; maar integendeel, God heeft het zoo gela-
ten, dat het zich onophoudelijk en onwillekeurig sluit voor ieder
stofje, dat het fijn bewerktuigd oog zou kunnen beschadigen; en
welke schoone natuurtooneelen kunnen wij niet met het oog aan-
schouwen! Welke aangename en verhevene gedachten verwekt het
vermogen van het gezicht niet menigmaal in ons binnenste!
Let met aandacht op het menschelijk oor. Dit orgaan kon even-
als het oog eenvoudig zijn verordend om voor naderend gevaarte
waarschuwen; doch God heeft meer dan dit gedaan; het oor kan
de liefelijkste geluiden indrinken, en deelen in dat zoete genot,
hetwelk een schoone muziek verschaffen kan aan allen, die in de
-ocr page 32-
16                        GOD DOET ONS NIET NAAR ONZE ZONDEN EN                        II.
gelegenheid zijn haar te hooren. Zoo is het ook met het nuttigen van
spijs en drank, en vele andere dingen gesteld.
En wat heeft dit alles te beteekenen ? Het is alles een blijvende
herinnering van hetgeen was, en een bewijs dat God ons niet doet
naar onze zonden, en ons niet vergeldt naar onze ongerechtigheden.
En zelfs terwijl een vuurvlammend zwaard, door onzichtbare en-
gelenhanden gevoerd, den banneling uit het oord van vreugde en
rust verdreef; profeteerden de cherubim aan den ingang van een
wederverkrijgen van het Paradijs, en vernieuwde opneming in de
gemeenschap met dien God, van wien zij, helaas! afgevallen waren.
Openbaarde God zich aldus aan den gevallen mensch als een
gestreng, een rechtvaardig, maar tevens ook als een barmhartig
God; zijne barmhartigheid, goedertierenheid en liefde stralen ons
nog duidelijker in \'t oog wanneer wij zien, dat het Paradijs voor
den zondaar door den Almachtige niet eerder gesloten werd, dan
toen Hij voor hem, nog temidden van het geboomte des hofs, het uit-
zicht op een beter, op een hemelsch Paradijs ontsloten had. Aan
de duisternis der zonde paarde God de heerlijkheid der verlossende
liefde. Want hoe vreeselijk ook de vloek, over de slang uitgesproken,
ons in de ooren klinkt; in diezelfde woorden klinkt ons het l\'aradijs-
evangelie liefelijk tegen, wanneer de eerste belofte van den Messias
aan den zondaar wordt gegeven; en de Allerhoogste toonde dat
Hij den mensch nog zóo lief had, dat: „Hij zijn eeniggeboren Zoon
gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve,
maar het eeuwige leven hebbe!" Joh. 3 : 16.
Door den Zone Gods, door onzen Heere Jezus Christus is er een
hemelsch Paradijs voor ons verworven; een Paradijs, waarin geen
slang zich meer in het lommer zal verbergen; waarin geen verboden
boom meer zal bloeien; waarin de boom des levens aan allen zijne
schaduwe en vruchten zal bieden. Een Paradijs, het hemelsche
Jeruzalem, waar een ontelbare schare van engelen en verloste
zielen den troon Gods omringen en gedurig het oude en toch
altijd nieuwe lied zingen: „Heilig, heilig, heilig, is de Heere der
hen-scharen!", om dan weer het nieuwe lied aan te heffen: „Het
Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom,
en wijsheid, en sterkte, en eer, en heerlijkheid, en dankzegging!"
En daar in het hemelsch Paradijs genieten de gezaligden in de
-ocr page 33-
II.              VERGELDT ONS NIET NAAR ONZE ONGERECHTIGHEDEN.               17
gemeenschap van den Drieëenigen God, wat geen oog gezien, geen
oor gehoord heeft, en in geens menschen hart is opgeklommen!
Want dan zal het Lam hen weiden, en zal hun een Leidsman
zijn tot levende fonteinen der wateren. Daar zal God alle tranen
van hunne oogen afwisschen, en het Lam zal hunne tranen in
lofliederen, en hun weeklagen in vreugde veranderen. Maar, o, er
is zooveel dat ons niet is geopenbaard, dat wij ook niet zouden
begrijpen of doorgronden kunnen. Ja, hoe het dan, in die nog
verborgen toekomst zal wezen? Wie zal het ons zeggen? Het
eerste Paradijs is verloren in een hof, het tweede is herwonnen in
eene woestijn, en verzegeld op Golgotha door het bloed van den
Godmenscb. ,Gelijk wij allen in Adam sterven, zoo zullen wij allen
in Christus worden levend gemaakt! I Cor. 15 : 22. Deze laatste
is in de verzoeking staande gebleven, terwijl de eerste, beproefd
wordende, is bezweken. Bovendien hebben wij in Hem do verlossing
door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden. Zijne gerech-
tigheid is onze vrijspraak. Hij ontheft van de straf der zonde:
Immanuël, do Zone Gods, verlost van de heerschappij der zonde,
en roept ons toe: „Wie overwint, Ik zal hem geven te eten van
den boom des levens, welke in het midden van het Paradijs
Gods is!" Openb. 2 : 7.
Ofschoon wij clan met weemoed op de verloren zaligheid en
heerlijkheid mogen terugzien; ofschoon het aardsche Paradijs voor
eeuwig gesloten is; toch hebben wij overvloedige stof tot dank-
baarheid en ruime stof tot blijdschap. Geliefden, laat ons met
onderwerping smaken iedere wrange vrucht dor overtreding van
den eersten Adam; en laat ons met blijdschap plukken de zoete
vrucht, die de gehoorzaamheid van den tweeden Adam voor al de
zijnen doet groeien! Ja, verblijdt u in den Heere ten allen tijde!
Met een Paradijsbelofte achter u, en een schooner Paradijs in de
toekomst, Geliefden, wat zoudt gij angstig treuren? Neen, het
leven is niet vreugd- en hopeloos meer, want God heeft een vrien-
delijken morgenstraal in. den nacht der zonde doen blinken; en de
weg door dit tranendal wordt niet meer te zwaar, want God heeft
daarin een bron van hemelschen troost doen ontspringen. In duizend-
maal ontelbare kleinigheden zegt God ook tot ons: ,Ik doe u niet
naar uwe zonden, en vergeld u niet naar uwe ongerechtigheden!"
2
-ocr page 34-
18                    GOD DOET ONS NIET NAAR ONZE ZONDEN ENZ.                     II.
En gij, die nog lust hebt in de dingen dezer wereld; in de be-
geerlijkheid des vleesches, in de begeerlijkheid der oogen en de
grootschheid des levens; maakt u toch daarvan los, want de wereld
gaat voorbij met al hare begeerlijkheid; en hoe zal dan uwe heer-
lijkheid in rook verdwijnen! Maar allermeest, waar, waar zal dan
uwe ziel verschijnen? Bouwt u hier op aarde toch geen taberna-
kelen, maar voegt u bij ons op de pelgrimsreize, en omhelst den in
het Paradijs beloofden Messias; want Christus is de deur tot den
hemel, dat betere Paradijs. Hij is de weg tot den Vader; de
ladder Jakobs, die hemel en aarde aan elkander verbindt en op
welke de engelen afdalen, Joh. 1 : 52.
O, Geliefden, laat ons den naam onzes Gods prijzen, want Hij
is een ontfermende God en Vader; onze zonden wil Hij ons ver-
geven; een aardsch Paradijs heeft Hij voor ons gesloten, een
hemelsch Paradijs heeft Hij voor ons geopend.
Geve de Heere dan dat wij allen door Hem mogen ingaan in
die hemelsche heerlijkheid, om zijns naams wille!
Amen!
Te zingen Ps. 68 : 10.
-ocr page 35-
III.
DE VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.
Te zingen Ps. 119 : 69.
Te lezen Gen. 18.
Te zingen Ps. 119 : 88.
Gebed.
Te zingen Ps. 105 : 5.
Tekst: Gen. 18 : 23 tot het einde van het kapittel.
De woorden van onzen tekst zijn genomen uit een treffende blad-
zijde van de geschiedenis van God met Abraham. Abraham heeft zijne
tenten bij en onder de eikenbosschen van Mamre opgeslagen, en
een altaar voor den Heere wordt het minst van alles vergeten.
Zoo geschiedde het op een zekeren dag, als de dag heet werd, dat
hij in de schaduw van de deur zijner tente zat; en zie, daar gaan
drie mannen voorbij; menschlievend en herbergzaam van aard, is
zijn besluit dadelijk genomen, en onmiddellijk op zijn besluit volgt
de daad; haastig staat hij op, gaat hen tegemoet, buigt zich voor
hen en noodigt hen in de schaduw zijner tent zich te verfrisschen;
in een oogwenk worden Sara en de dienstmaagden van hun arbeid
geroepen, en spoedig onthaalt hij de vreemdelingen op vorstelijke
wijze, en zelf staat hij bij om te dienen. Zoo heeft Abrabam onwe-
tend engelen geherbergd, ja den Engel van Gods aangezicht, den Zoon
van God zelven. Nu wordt de belofte aan Abraham en Sara van
een zoon hun opnieuw bevestigd, en de tijd der vervulling wordt
als zeer nabij aangekondigd. Daar gaat nu de Heere met zijn en-
gelen heen, en hun aangezicht staat naar Sodom ; Abraham zal niet
achterblijven, hij gaat mede; en daar staat hij eindelijk in het veld
alleen met zijn God, persoon tegenover persoon; hij hoort uit den
mond des Heeren het lot over Sodom beschoren ; hij zwijgt niet, maar
-ocr page 36-
20                       DB VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                      III.
laat daarop een roerende voorbede voor die goddelooze stad hooren.
Het is die voorbede, waarbij wij heden uwe aandacht nader wen-
schen te bepalen.
I.
Wat ons allereerst in het oog valt is:
De vrijmoedigheid van Abrahams gebed. God ontsluit
zijn hart voor Abraham, God openbaart hem het verborgene zijner
gedachten! O, wat oneindig nederbuigende ontferming! De God des
hemels spreekt tot het kind des stofs als zijns gelijke. Zwijg, Abra-
ham, zwijg, buig u neer en aanbid! Maar neen, eerbiedig is Abra-
ham, en ootmoedig, ja hij buigt zich neer, neen hij treedt toe om
met God te spreken, om met God te worstelen. Vanwaar toch die
vrijmoedigheid? De naam van Abraham draagt het antwoord in
zich; zijn naam is:
1. Vader der geloovigen. Het geloof is dus de oorzaak van
die vrijmoedigheid.
a.   Het geloof in een levenden, persoonlijken God. Niet een God
die alleen in een droombeeld bestaat; een God, die de bezieling is
van het stof, éénzelfde met het stof; niet een God, die wel alle*
heeft geschapen, maar daarna aan zichzelven heeft overgelaten;
niet een God als die der oude heidenen, vol van wraak en nijd
en zonde! Neen, met zulk een God kan ik niet spreken; aan zulk
een God kan ik mij niet toevertrouwen, met zulk een God kan ik
geen omgang hebben ; veel minder een omgang, gekenmerkt door
kinderlijke vrijmoedigheid. Neen, ik kan alleen spreken en gemeen-
schap hebben met een persoon; ik kan mij alleen toevertrouwen
aan een persoon, die mij hoort, die mij liefheeft, die mijn welzijn
zoekt en bewerkt. Zulk een God is Hij, die daar tegenover Abra-
ham staat, en het geloof in Hem en het aanschouwen van zijn
aangezicht maakt een Abraham vrijmoedig. Het geloof dat de man,
die daar voor hem staat, een levende persoonlijke God is, maakt
Abraham dus zoo vrijmoedig.
b.   Doch niet minder ook het geloof in de onkreukbare
rechtvaardigheid van dien persoonlijken God. Dit geloof
doet hem nader treden en zeggen: „Zult Gij ook den rechtvaardige
met den goddelooze ombrengen ? Misschien zijn er vijftig rechtvaar»
-ocr page 37-
III.                      DE VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                       21
digen in de stad; zult Gij hen ook ombrengen, en de plaats niet
sparen, om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn? Het
zij verre van U zulk een ding te doen, te dooden den rechtvaardige
met den goddelooze! dat de rechtvaardige zij gelijk de goddelooze:
verre zij het van U! Zou de Rechter der gansche aarde geen recht
doen?" Ja gewisselijk, God zal recht doen! Zelfs de mond van een
goddeloozen Bileam moest getuigen: „God is geen mensch dat Hij
liegen zou, noch eens menschen kind dat het Hem berouwen zou!"
Dit weet, dit gelooft Abraham, en daarom is hij vrijmoedig.
c.  Vrijmoedig niet minder door het geloof, dat God bij zijn naam :
Rechtvaardige Rechter der gansche aarde, ook den naam draagt
van: „God, genadig en barmhartig, lankmoedig, en groot van
goedertierenheid en waarheid!" Die daarom geen lust heeft in
den dood des zondaars, maar daarin dat zich bekeere en leve tot
in eeuwigheid. Die zijn straf en oordeel dikwijls jaren, eeuwen
lang uitstelt, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat
allen tot bekeering komen. Zou God daarin lust hebben om die
schoone paradijsvlakte met haar prachtige steden van den aardbodem
te verdelgen, te slaan de moeder met de zuigelingen ? Voorwaar,
Abraham weet van anders! En dit geloof maakt hem vrijmoedig.
d.  Vrijmoedig bovenal, omdat hij weet dat hij een kind van
God is. Alleen de man die met Abraham tot God zeggen kan: „Mijn
God en mijn Vader!" — alleen die man kan ook met Abraham
zoo vrijmoedig met God spreken en worstelen. Een vreemde mag
tegenover een vader niet zoo vrijmoedig zijn als een eigen recht-
geaard kind. Wat een vreemde niet eenmaal durft vragen, dat mag
een eigen kind wel tot zes en tien malen toe ! Wat een goddelooze
niet eenmaal van God durft vragen, Abraham vraagt het tot zes-
maal toe! Abraham is een kind van God, en daarom is hij zoo
vrijmoedig. —
e.   Toch is er nog een ding, dat hem ook vrijmoedig maakt; het
is: de liefde.
Is Lot niet in Sodom met de zijnen? En is Lot niet zijn eenige
vriend in het vreemde land? En is Lot niet zijn neef? Heeft hij
niet zelf Lot in zijn huis en schoot gekoesterd? Is hij hem niet
dierbaar als een eigen zoon? En die Sodomieten, hoe goddeloos
ook al, zijn zij niet menschen, hebben zij geen zielen, die mis-
-ocr page 38-
22                       DE VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                      III.
schien nog behouden kunnen worden ? En zal God het gebed der
liefde kunnen afwijzen? Is God dan niet de liefde zelve? Zoo
redeneert de liefde van Abraham, en die liefde, en het geloof in
Gods liefde, dat maakt hem zoo vrijmoedig. O, Geliefden, hoe
beschaamt Abraham ons niet door zijn voorbeeld. „Zet mij als een
zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm ; want de liefde is
sterk als de dood, de ijver is hard als het graf; hare kolen zijn
vurige kolen, vlammen des Heeren. Vele wateren zouden deze
liefde niet kunnen uitblusschen; ja, de rivieren zouden ze
niet verdrinken; al gave iemand al het goed van zijn huis voor
deze liefde, men zou hem ten eenenmale verachten!" Hoogl.
8 : 0 en 7.
2. Alleen door het geloof wordt Abraham dus zoo vrijmoedig
met God. Maar dat geloof, hoe wordt dat geloof toch zoo vrijmoe-
dig? Het leven van Abraham antwoordt ons: Door een gemeen-
zamen omgang met God.
Wanneer menschen voor elkander vreemd zijn, dan zijn zij ook
niet vrijmoedig tegenover elkander. Krijgen zij omgang met elkan-
der, dan worden zij ook vrijmoedig; hebben zij dagelijks omgang
met elkander, dan worden zij vrijmoediger; worden zij vrienden,
dan worden zij nog vrijmoediger; en hoe beter zij elkander leeren
kennen, des te vrijmoediger worden zij dan ook nog altijd tegen-
over elkander. Zoo gaat het met den geloovige tegenover zijn
God. Zoo was het ook met Abraham. Zijn geloof wordt zoo vrij-
moedig door een gemeenzamen omgang met God. Van Henoch
wordt er gezegd: „Henoch wandelde met God!" En voorwaar, dit
kan ook van Abraham gezegd worden: „Abraham wandelde met
God!" Dagelijks had hij omgang met God. In Ur der Chaldeën
roept de Heere hem; in Haran spreekt de Heere tot hem en
wijst hem zijn pad. In Kanaan zwerft hij rond, heden hier en
morgen daar; maar waar hij ook zijn tent opslaat, daar is zijn
eerste werk het bouwen van een altaar! En dit is hem nog niet
genoeg; hij zoekt zijn God niet alleen des morgens en des avonds
in zijn tent en bij zijn altaar, — neen, waar zijn tent ook staat,
daar heeft hij in het veld een stille plaats voor het eenzaam
gebed, voor een gemeenzaam verkeer met zijn God. En overal
komt de Heere tot hem en spreekt met hem; ja ook daar, waar
-ocr page 39-
III.                     DE VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                        23
hij des nachts zijne knieën in de stiJJe eenzaamheid buigt, ook
daar komt de Heere tot hem, leidt hem uit naar buiten, en zegt
tot hem: „Zie nu op naar den hemel en tel de sterren, indien gij
ze tellen kunt! Zoo zal uw zaad zijn." Nog meer, de Heere zit
bij hem, de Heere spreekt met hem, de Heere eet met hem. De
Heere wandelt met hem, en staat met hem te spreken als mensch
tegenover mensch. Zoo is Abraham nooit van zijn God gescheiden,
en God is altijd bij hem. Hij wandelt met God gelijk als een
teerbeminde zoon voor het oog en aan de hand van een dierbaren
vader wandelt. En daarom wordt Abrahams geloof ook zoo vrij-
moedig als de liefde en het vertrouwen van zulk een kind.
11.
Het gebed van zulk een kind is vrijmoedig; doch niet alleen
vrijmoedig, maar ook krachtig. Niet anders was het met het gebed
van Abraham.
Zijne voorbede voor Sodom vertoont ons in de tweede plaats:
de kracht des gebeds. Voorwaar, „het gebed des rechtvaardigen
vermag veel." Daar staat de Heere bij Abraham, maar hij is reeds
op weg om Sodom te verderven, en wie is Abraham, dat hij God
op zijn weg zou staande houden ? Ja, Gods slaande hand is aireede
over Sodom uitgestrekt, en wie is Abraham, dat hij Gods hand zou
tegenhouden? En toch Abraham doet het, en hij mag het doen!
Hij treedt toe en neemt den Heere als het ware bij den arm, en
pleit voor Sodom, — en zie, de Heere laat zich verbidden! Een-
maal, tweemaal, — ja tot zesmaal toe! O, heerlijke kracht van
het gebed! Om vijftig rechtvaardigen zal God dan de stad sparen ;
ja om vijf en veertig, om veertig, dertig, twintig, zelfs om tien
rechtvaardigen zal de Heere de stad sparen! Zoo geeft de Heere
zich aan Abraham gewonnen. En waarom ? Omdat Abraham naar
den wil van God bidt! Ja, het is niet meer Abraham, die bidt,
maar de Geest van God bidt in hem! En zulk een gebed is nooit
tevergeefs!
„Nooit tevergeefs?" zegt iemand misschien, — „prediker, de
rook van Sodom zal u wel anders leeren!" En waarlijk, Geliefden,
als gij u in den geest aan de zijde van Abraham schaart, waar
-ocr page 40-
24                       DE VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                     III.
hij des morgens vroeg zijn bed en tent verlaat en zich naar Sodom
henenspoedt, om te zien wat er van zijn gebed geworden is, —
daar hoort gij het misschien uit zijn mond, op het zien van vuur
en vlam: „God heb ik door mijn gebed overmocht, en toch is mijn
gebed niet verhoord." En toch kunnen wij boven dat negentiende
kapittel van het boek Genesis, dat ons vuur en zwavel uit den
hemel en een gansche vlakte vol van rook en vuur en vlam voor
de oogen schildert, — toch kunnen wij boven dat kapittel het
opschrift plaatsen: „het gebed van Abraham niet verhoord, en toch
verhoord !" Niet verhoord — want Sodom vergaat! Toch verhoord —
want Lot is veilig in Soar!
III.
En ziedaar in de derde plaats: de vrucht van Abrahams
g e b e d.
Abraham bedoelt vooral de behoudenis van Lot en de zijnen: al
noemt hij Lot niet eens, al bidt hij ook niet alleen voor Lot, en
ook niet rechtstreeks; toch heeft hij voornamelijk Lot op het oog!
Daar zijn Lot en zijn twee dochters veilig en behouden te Soar
aangekomen. Zoo heeft God dan het gebed van Abraham gehoord!
Ja, God heeft zelfs boven bidden en denken gedaan; want de
Heere had niet beloofd Lot te sparen; en zekerlijk had Lot zich
het oordeel van Sodom waardig gemaakt. Maar de Heere is groot
van goedertierenheid. En al waren ook Lot en de zijnen met
Sodom vergaan, — dan nog zou Abrahams gebed niet tevergeefs
zijn geweest. Of was dan misschien ook het driemaal herhaald gebed
van Paulus tevergeefs geweest? Is dan ook wellicht het smeeken
en worstelen van den Heiland in Gethsemané tevergeefs geweest?
Maar zie toch hoe zij veranderd zijn in hun gebedsworsteling.
Beproef het zelf, zoo gij wilt, hoe gij hier een nieuwe mensch
wordt, in wien al wat menschelijk en goddelijk groot is ver-
sterkt wordt, en in wien alle vrees, lijdensschuwheid, haat, nijd en
boosheid verdwijnt. Wat bij den aanvang der dingen geschiedde:
„God blies den mensch in zijne neusgaten den adem des levens",
dat geschiedt in zekere mate opnieuw in het ware gebed. Dat is
de belangrijkste gebedsver hooring; het is die welke ieder ernstig
-ocr page 41-
III.                      DE VOORBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                        25
bidder, ieder bidder, die rein van hart is, ondervindt. En dat geldt
niet het minst van Abraham. Hoe ruim heeft zich bij deze gebeds-
onderhandeling Gods hart voor hem geopend; hoe ruim heeft hij
zijn hart opengesteld voor God. Het is een wonderbaar, zalig vinden
en verbinden der liefde, dat wij daar aanschouwen. En toen „Abra-
ham wederkeerde naar zijne plaats," toen was het niet dezelfde
plaats meer, die hij verlaten had ; neen, de schaduw der eeuwigheid
lag op de toppen der palmen, — waarlijk het gebed heiligt elke
plaats! En hij was niet dezelfde man meer, die hij geweest was.
Ook hij had „den Heere van aangezicht tot aangezicht gezien en
zijne ziel was gered geworden!" Van nu aan hooren wij niet meer
dat er een wankeling in het geloof van den aartsvader voorkomt,
ofschoon de zwaarste beproeving nog komen moest. Nu is hij be-
kwaam zelfs een Izak over te geven tot in den dood! Ja, zoover
moeten wij door het geloof komen, dat, al verkrijgen wij niet wat
wij van God begeeren, — wij toch gelooven dat elk gebed ver-
hoord wordt. Want de verhooring van elk waarachtig gebed be-
staat allereerst daarin, dat gij zelf warm, en levend, en stil en
sterk wordt in Gods tegenwoordigheid. Het overige zal dan de
eeuwigheid ontsluieren!
Hoe ongelukkig toch dat er ook nog zoovele menschen zijn van
wien de apostel Jakobus zeggen moet: „Gij bidt, en gij ontvangt
niet!" — En waarom niet? — Onbekeerde, „omdat gij kwalijk bidt,
opdat gij het in uwe wellusten zoudt doorbrengen!" — Christen,
omdat gij geen vrijmoedigheid hebt! Onbekeerde, waag het niet
zoo vrijmoedig met God te spreken! Bij u is het vermetelheid!
Het zal uw verderf zijn! Abraham mag zoo bidden! Maar Bileam
niet! Hij doet het, en God laat hem toe naar Balak te gaan; maar
de engel Gods met een uitgetogen zwaard ontmoet hem. Hij gaat
verder, en het einde van dien weg is zijn dood! Kind van God,
sta toch, jaag toch naar die waarachtige kinderlijke vrijmoedig-
heid! „Ik heb geen geloof," zegt gij? O, bid God dan om geloof
en zeg: „Heere, vermeerder mij het geloof!" —Maar dat geloof is
alleen te vinden in een gemeenzamen omgang met uw God! O,
leef dan zoo, dat er ook van u kan gezegd worden: Hij wandelt met
God! Zij wandelt met God!
-ocr page 42-
26                     DE VOOKBEDE VAN ABRAHAM VOOR SODOM.                    III.
,Gij bidt, en gij ontvangt niet!" En waarom niet? — Omdat
gij niet genoeg bidt. Bidt zonder ophouden; bidt en vertraagt niet.
Gedachtig aan de arme weduwe, die het den onrechtvaardigen
rechter lastig maakte; waarvan de Heere Jezus zegt: „Zal God
dan geen recht doen zijnen uitverkorenen, die dag en nacht tot
Hem roepen, hoewel Hij lankmoedig is over hen?" O, laat uw
gebed dan niet zijn een daarheen werpen van een paar onbedachte
woorden, maar een werk des harten. Doch vergeet daarbij eerbied
en ootmoed niet. Als Abraham toetreedt, dan is het eerste woord:
„Zie toch, ik heb mij onderwonden te spreken tot den Heere,
hoewel ik stof en asch ben!" En wederom: „ Dat toch de Heere
niet ontsteke, dat ik spreke!"
„Gij bidt, en ontvangt niet!" En waarom niet? Uw gebed is te
beperkt, te zelfzuchtig; uw gebed toont geen liefde voor den
naaste ; en nog minder voor den vijand! Abraham bidt niet zoo-
zeer voor zichzelven, — hij bidt voor Lot, hij bidt voor Sodom.
Laat Jezus toch uw voorbeeld zijn; laat het ons toch niet tot
een verdriet zijn, maar laat het ons vurigste streven wezen zijn
beeld meer en meer gelijkvormig te worden; zelfs nog aan het
kruis bidt Hij: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat
zij doen!"
Zoo menigmaal geven wij God de schuld dat onze gebeden
onverhoord blijven, en zeggen: Zoo lang bid ik, zoo lang bidt
gij al — en nog geen hulp, nog geen verlossing, nog niets ont-
vangen dan ellende op ellende!
De hand op het hart, — hebt gij in der waarheid gebeden?
Was uw gebed recht voor God ? O, ziet hier, — het ontbreekt
altijd aan onze zijde, maar nooit aan God! En toch doet de Heere
nog altijd ver, oneindig ver boven bidden en denken! Geeft God
dan de eer, en zegt: „Heere, leer ons bidden!"
Amen!
Te zingen Ps. 86 : 6.
-ocr page 43-
IV.
GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT!
Te zingen Ps. 116 : 1 en 7.
Lezen Ps. 9.
Te zingen Ps. 66 : 5.
Gebed.
Te zingen Ps. 118 : 7.
Tekst: Ps. 9 : 14c: „Gij, die mij verhoogt uit de poorten des doods!"
David dankt God met groote vreugde voor de overwinning, die
Hij hem over zijne vijanden had verleend; hij bespot hun ijdelen
roem en trotsche aanslagen, hij prijst Gods gerechtigheid in het
haten en straffen der goddeloozen, hij prijst Gods trouw in het
verlossen der verdrukte vromen, die hij noodigt om God te loven ;
en eindelijk bidt hij om voortduring van Gods genade en om ver-
nietiging van de macht en aanslagen zijner vijanden. En in zijn
gebed om de voortduring van Gods genade roemt hij den Allerhoogste
als dien God, die hem verhoogt uit de poorten des doods.
En hiertoe had David ruime stof, niet alleen met het oog op de
heerlijke overwinning over zijne vijanden, waarvan hij in dezen
Psalm spreekt, maar ook met het oog op geheel zijn leven, dat
daar achter hem lag, zoo vol van wisselende gevaren; zoo kon hij
spreken met het oog op zooveel heerlijke uitreddingen; uitredding
naar het tijdelijke, maar ook naar het geestelijke. Denkt maar in
verband met Davids geschiedenis aan Goliath, aan Saul, aan
Bathseba.
Maar niet minder ruime stof dan David, heeft elke geloovige om
zijn God alzoo te roemen en te prijzen als den God, die hem verhoogt
uit de poorten des doods!
-ocr page 44-
28                      GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT.                      IV.
1.   Zulk een God is de Heere van alle eeuwigheid af voor zijn
volk geweest. Laat uwe gedachten slechts voor een oogenblik,
zooveel mogelijk, teruggaan naar den tijd, eer „de morgensterren
tezamen vroolijk zongen, en al de kinderen Gods juichten," en
beluistert Gods eeuwige raadslagen! — Daar heette het uit den
mond des Vaders, naar het woord van Jesaja: , Wien zal Ik zenden ?
en wie zal ons henengaan ?" — En daarop was het antwoord van den
Zoon, naar Ps. 40: „Zie, Ik kom; in de rol des boeks is van Mij
geschreven. Ik heb lust, o mijn God! om uw welbehagen te doen; en
uwe wet is in het midden mijns ingewands!" Vandaar vloeien reeds
Gods gedachten van vrede en ontferming ons tegen. God zag zijn
volk in zijn bloed vertreden, en God ontfermde zich over hen,
en breidde zijn vleugel der liefde over hen uit, en kwam met
hen in een verbond. God verordineert hen ten eeuwigen leven!
Laat al Gods volk dan jubelend zingen: „Gij, o Heere, mijn God!
hebt nwe wonderen en uwe gedachten aan ons vele gemaakt!"
Gij, die ons verhoogt uit de poorten des doods!"
2.   Maar van uit de eeuwigheid treden wij over in den tijd: en
dan aanschouwen wij een gansch heerlijke schepping, door het
woord van Gods almacht voortgebracht; en in die schepping eene
aarde, waarin gerechtigheid woont; en op die aarde een weelderig
Paradijs, een lust voor de oogen; en in dat Paradijs den mensch,
vereerd met Gods bijzondere toegenegenheid en zorg, beelddrager
Gods, koning over al het schepsel. Maar daar dringt de zonde binnen,
en het wordt al ontluisterd en bedorven. En zal God nu het gansche
werk zijner handen verdelgen en vernietigen ? Geliefden, verplaatst
u in de schaduw van het geboomte des hofs en luistert toe! De
stemme Gods wordt daar gehoord, en Adam wordt ter verantwoor-
ding geroepen. En o wee, driewerf wee den schuldigen Adam, als
de toorn des Eeuwigen tegen hem losbreekt. Eén vonk van dien
toorn, en het vijgeblad zengt, en het Paradijs staat in vlammen,
en de aarde waarop Gods naam is ontluisterd zinkt weg! — Maar
neen, dat komt Gods eerenaam van Vader en Ontfermer te na!
Door de belofte van het zaad der vrouw verhoogt God Adam uit
de poorten des doods, en in Adam geheel zijn volk. O, kind van
God, ook daar heeft God u verhoogd uit de poorten des doods;
en daarom kunt gij ook nog, — ja juist daarom nog te meer op
-ocr page 45-
IV.                   GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT.                     29
den puinhoop van dat verloren Paradijs uitroepen met den dichter
van ouds: «God doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons
niet naar onze ongerechtigheden! Hij, die ons verhoogt uit de
poorten des doods!"
3.  En dit deed God niet alleen gedeeltelijk noch alleen door de
beloftenis, maar de Waarachtige en Almachtige heeft ook zijn woord
bevestigd en zijn werk voleind. God is geopenbaard in het vleesch,
door en in Christus „den Zoon zijner liefde." Christus leeft, en lijdt,
en sterft, en daalt in het graf terneder. Maar niet om verderving
te zien. Nauw rijst de zon ter kimme aan den morgen van den
derden dag, of ook de Zoon van God verrijst uit het graf; niet
met eene heerlijkheid als van de rijzende zon, maar met de heer-
lijkheid van het leven, en de macht, en de majesteit Gods des
Vaders! „Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning?
Graf, waar is uw verslinden?" — Daar, o kind des Heeren, daar
zijt gij in Jezus uit den dood opgestaan! Daar heeft God u in zijn
Zoon verhoogd uit de poorten des doods! En u met Hem voor
eeuwig in den hemel gezet aan zijn rechterhand, oneindig hoog
verheven boven dood en graf en hel! Buig u daar dan ook voor
Hem neer! Werp u daar dan ook, met eene Maria, aan zijne
voeten ter aarde; ontledig uzelven geheel en al, en vraag dan
in diepe zielsontroering:
„Mijn God, wat is de mensch dan op deez\' aarde!
De broze mensch! hoe klimt hij tot dio waarde,
Dnt Gij aan hem in zooveel gunst gedenkt,
En \'s inensehen zoon uw teerste liefde sdienkt!"
Ja — uw teerste liefde, — daar gij hem alzoo verhoogt uit
de poorten des doods! Laat een ieder en al Gods volk dan vroolijk
zingen: „Loof den Heere, mijne ziel, en al wat binnen in mij is
zijn heiligen naam! Die uw leven verlost van het verderf, die
u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden!"
4.   Maar, Geliefden, ook daar heeft God nog niet opgehouden
met zijn volk te verhoogen uit de poorten des doods. Neen, ook
in het leven zijner kinderen doet de Heere het nog geduriglijk.
a. Geliefden, geeft Gode de eer, en schrijft dit woord: „Gij, die
mij verhoogt uit de poorten des doods!" — schrijft dit woord gerust
boven de deur van uw huis. Of is het u nog nooit gebeurd, dat „de
-ocr page 46-
30                      GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT.                      IV.
schrik des nachts" uw huis benauwde; en „de pijl die des daags
vliegt"; en „de pestilentie die in de donkerheid wandelt"; en „het
verderf dat op den middag verwoest"? Aan uwe zijde zijn er
duizend gevallen, en tienduizend aan uwe rechterhand. Maar tot
u genaakte het niet; alleenlijk hebt gij het met uwe oogen aan-
schouwd! Heeft God uw huis daar niet heerlijk verhoogd uit de
poorten des doods? Is het u nog nooit gebeurd dat het scheen
alsof de dood met éen slag geheel uw huis in bittere armoede,
en jammer, en ellende zou storten? Maar God heeft verandering
gegeven! En heeft Hij uw huis dan ook daar niet verhoogd uit
de poorten des doods? Schrijft dit woord dan gerust boven de deur
van uw huis, en als gij het ziet, zegt dan tot uwe ziel: „Loofden
Heere, mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden!"
b. De Heere doet dit nog geduriglijk in het leven zijner kinderen.
Of is er voor u nog geen tijd geweest, waarin gij zelf aan een
bitter krankbed gebonden werdt, — dagen, weken, maanden lang?
Totdat gij ook met den dichter van Ps. 31 biddend klagen moest:
„Zijt mij genadig, Heere, want mij is bange; van verdriet is door-
knaagd mijn oog, mijne ziel, en mijn buik. Want mijn leven is
verteerd van droefenis, en mijne jaren van zuchten; mijne kracht
is vervallen door mijne ongerechtigheid; en mijne beenderen zijn
doorknaagd. Mijnen naburen ben ik tot een schrik geworden. Ik
ben geworden als een bedorven vat!" Van uwe dierbaren was reeds
afscheid genomen; voor het laatst gezien, voor het laatst een
kouden handdruk gegeven. Reeds aan en in u was het verderf!
De dood greep u aan, en het graf grijnsde u tegen! En misschien
ook de angst der hel? Maar het genaakte tot u niet, alleenlijk
hebt gij het met uwe oogen aanschouwd. En heeft God u daar
dan niet kennelijk verhoogd uit de poorten des doods?
Of misschien was reeds voor u zulk een droeve dag aangebroken,
dat gij stondt bij het krankbed van een dierbare; gij hoort hem
bidden, kermen, zuchten, klagen en schreien van pijn en smart;
gij ziet hem angstig worstelen met den dood; gij voelt het, met
hem, met haar sterfik zelf; zoo niet lichamelijk, innerlijk moet ik met
dezen dierbare sterven! Maar God ontfermt zich op het gebed, en als
uit den dood wordt weergegeven die zoo dierbaar is. — O, zeg, heeft God
u daar met dien dierbare ook niet verhoogd uit de poorten des doods ?
-ocr page 47-
IV.                      GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT.                      31
0, schrijft dan dit woord ook tegen de behangsels van uw bed.
— en als gij opstaat, en als gij liggen gaat, zegt dan tot uwe
ziel: „Loof den Heere, mijne ziel, en al wat binnen in mij is zijn
heiligen naam. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe
krankheden geneest!"
c. „Gij, die mij verhoogt uit de poorten des doods!" Geliefden,
schrijft dit woord ook tegen de tente van uwen wagen. Of her-
innert die wagen u niet aan zoo menigen dag van uwe omzwer-
vingen in de woestijn, aan zoo menigen dag, waarin gij omringd,
benauwd en bedreigd werdt door de poorten des doods? Eén en
twee bij elkander, zoo te zeggen weerloos, en toch van alle zijden
omringd door de grootste gevaren!
Of in het lager was de pest; hier worstelt er een met den
dood, en daar wordt geklag en gekerm gehoord over echtgenoot,
of vader, of moeder, of kind, die niet meer zijn. En daarbij gaat
ook nog het geschrei der kinderen op van honger en dorst; en
het gebulk der beesten vervult het veld, omdat ook hunne inge-
wanden branden van dorst! En alsof dit niet genoeg ware, „zit
ook nog de vijand -in de achterlage, in verborgene plaatsen doodt
hij den onschuldige; zijne oogen verbergen zich tegen den arme.
Hij legt lagen in een verborgene plaats, gelijk een leeuw in zijn
hol; hij legt lagen om den ellendige te rooven; hij rooft den
ellendige als hij hem trekt in zijn net. Hij duikt neder, hij buigt
zich; en de arme hoop valt in zijn sterke pooten!" Maar zie,
daarvoor heeft God u zoo menigmaal behoed; zegt dan, Geliefden,
heeft God u ook daar niet kennelijk verhoogd uit de poorten des
doods? Oost noch west, noch zuid noch noord, nergens, nergens
was meer uitkomst te zien; toen deed Gods sterke rechterhand
u zingen :
„Als mij geen hulp of uitkomst bleek;
Wanneer mijn geest in mij bezweek,
En overstelpt was door ellend.
Hebt Gij, o Heer! mijn pad gekend!"                  Ps. 142.
O, schrijft dan dit woord ook tegen de tente uwer wagens, en
als gij het ziet, overal waar gij reist of blijft, zegt dan tot uwe
ziel: „Loof den Heere, mijne ziel; die uwen mond verzadigt met
het goede, uw jeugd vernieuwt gelijk eens arends." Loof den
-ocr page 48-
32                    GODS RECHTERHAND DOET GKOOTE KRACHT.                    IV.
Heere, mijne ziel: „Want de nooddruftige zal niet voor altoos ver-
geten worden, noch de verwachting der ellendigen in eeuwigheid
verloren zijn!"
d. „Gij, die mij verhoogt uit de poorten des doods!" Geliefden,
schrijft dit woord ook op uw reistasch! Iemand zegt misschien:
„Maar wij hebben toch niet altijd zulke lange, moeilijke en gevaar-
volle reizen te maken, dat wij ons juist altijd zulk een woord
voor oogen te houden hebben!" En toch, wordt niet menigmaal de
langste en gevaarlijkste weg veilig afgelegd, en het paadje dat
iemand dagelijks heen en weder gaat, het wordt soms de plaats
waarop hij den dood moet vinden! En een ongeluk, hoe spoedig,
hoe onverwachts! Iemand gaat misschien gezond en wel uit de
deur van zijn huis, stijgt onbedacht, vroolijk en opgeruimd te
paard, of klimt op een kar of wagen of in den trein, om over
een uurtje naar gedachte evenzoo terug te zijn in het midden der
zijnen, — en ach! slechts éen ongeluk, en hij wordt in zijn huis
teruggebracht als een lijk, misschien wel als een onherkenbare
klomp vleesch en been. Maar uit hoeveel doodsgevaren worden
wij niet gered, — voor hoeveel jammerlijke ongelukken worden
wij niet menigmaal zoo kenbaar bewaard door des Heeren sterke
rechterhand op langere of kortere wegen, op paden vol van allerlei
moeite en levensgevaar, of schijnbaar zonder het minste gevaar;
en dat dikwijls zoo treffend, zoo zichtbaar, dat ons hart overstelpt
van dankbaarheid wel uitroepen moet: „O, Heere, Heere, mijn God,
wat zijt Gij toch goed en genadig, — Gij, die mij verhoogt uit
de poorten des doods!"
O, schrijft dan dit woord ook op uw reistasch, en als gij het
ziet, overal waar gij reist of blijft, zegt dan tot uwe ziel: Loof
den Heere, mijne ziel, want: „De Engel des Heeren legert zich
rondom degenen, die Hem vreezen, en rukt hen uit!" — Ja, „Hij
bewaart al zijne beenderen, niet éen van die wordt gebroken!"
Ps. 34.
o. Zijn God verhoogt hem uit de poorten des doods. En dat niet
alleen naar het tijdelijke, maar ook naar het geestelijke. Geliefden,
weet gij wat het is in der waarheid tegen Satan, wereld en eigen
vleesch te strijden, en dat menigmaal ten bloede toe ? Weet gij
wat de wedergeboorte is ? Kent gij zulk een gevoel van Gods toorn
-ocr page 49-
IV.                      GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT.                       33
tegen de zonde, tegen uwe zonde, dat gij uzelven verdoemelijk
ziet voor Gods oog, en reeds als het ware door den Satan aangegre-
pen en medegesleept wordt tot voor de poorten der helle en des
doods? Kent gij zulk een gevoel van berouw en smartelijke boete,
dat gij met David getuigen moet: „Toen ik zweeg werden mijne
beenderen verouderd, in mijn brullen den gansenen dag. Want uwe
hand was dag en nacht zwaar op mij; mijn sap werd veranderd
in zomerdroogten. Sela!"? Weet gij wat het is, maanden, jaren
lang onder allerlei ramp en leed, onder kruis na kruis, tegenover
de verbolgenheden van benauwers en de hittige gramschap uwer
wederpartijdors, uwe ziel in lijdzaamheid voor God te bezitten ?
Maar heeft God u niet gered uit de macht des Satans? Uit do
strikken der wereld? Uit de lusten des vleesches? Heeft God u
niet heerlijk tevoorschijn gebracht uit den smeltkroes der weder-
geboorte? Heeft God u niet van uit den oven zijns toorns en zijner
verbolgenheid, als van voor de poorten der helle en des doods, als
in een oogenblik doen overgaan in het licht zijner liefde, om met
het oog der ziele de heerlijkheden zijns hemels te aanschouwen,
en met het hart te smaken de zaligheid zijner gemeenschap, om
in verbazing en verlegenheid uit te roepen; „O, Heere, hoe groot
is het goed dat gij weggelegd hebt voor degenen, die U vree-
zen!"? En zijn uwe benauwers niet gevallen in den kuil, dien zij
voor u gegraven, in de groeve, die zij voor u gemaakt heb-
ben? En is de moeite van uwe tegenpartijders niet wedergekeerd
op hun eigen hoofd, en hun geweld op hun eigen schedel neêrge-
daald?
Als gij daaraan gedenkt, zegt dan tot uwe ziel: ,\'k Zal gedenken
hoe voordezen, ons de Heer heeft gunst bewezen!" Ps. 77. De
Heere, „die mij verhoogt uit de poorten des doods!"
6. Ja, Geliefden, roemt zoo in uwen God ook met het oog op
de Jordaan des doods! Want van uw God wordt er gezegd: „Hij
doet smarte aan, en Hij verbindt; Hij doorwondt, en zijne handen
heelen. In zes benauwdheden zal Hij u verlossen, en in de zevende
zal u het kwaad niet aanraken!" Job. 5. Vreest dan niet als de
wateren des doods u tot aan de lippen zullen komen, want uw
God wacht ook daar op u, om u te verhoogen uit de poorten des
doods, naar de ziele tot in alle eeuwigheid!
3
-ocr page 50-
34                      GODS RECHTERHAND DOET GROOTE KRACHT.                       IV.
7. En al moet uw lichaam dan nog misschien jaren, eeuwen
lang in het stof des doods rusten, geen nood, want:
„Gods rechterhand is hoog verheven;
Des Heeren sterke rechterhand
Doet door haar daan do wereld boven,
Houdt door haar kracht Gods volk in stand!"
Ps. 118.
Ziet, de bazuin zal slaan; en de graven zullen openspringen;
en de dooden zullen opstaan! Dan is de triomf over dood en graf
volkomen! En als dan dit ons oog God zal zien, dan zullen wij
nog met ditzelfde lied, maar op volmaakte wijze, den God des
levens loven en roemen, zeggende: „Heere, Heere, Gij die mij ver-
hoogt uit de poorten des doods, — „Gij zijt waardig te ontvangen
de heerlijkheid, en de eer, en de kracht," — tot in alle eeuwigheid!
O, godvruchte schaar, wat uw nood of ellende dan ook al zij : —
„Wacht op den Heere, zijt sterk en Hij zal uw hart versterken.
,la wacht op den Heere!" Want, „Hij vergeet het geroep der
ellendigen niet!" Pleit alleen op Gods genade, toont Hem uwe
ellende, en bidt met David : „Wees mij genadig, Heere! Zie mijne
ellende aan, Gij, die mij verhoogt uit de poorten des doods!" Ps 9.
En uwe ziel zal zich verheugen in zijn heil, en zijn ganschen lof
vertellen in de poorten der dochter van Zion!
O, zondaar, God was u genadig, en lankmoedig over u, en nog
wacht Hij om lankmoedig over u te zijn! Waar God zich over Adam
ontfermde, daar heeft God zich ook over u, ja ook over u ontfermd
en u verhoogd uit de poorten des doods! En toen, en zoovele
malen als God u reeds in uw leven gered heeft, — zoo dikwijls
heeft God u verhoogd uit de poorten des doods, om te zien of gij
daarin lust hebt, dat Hij u ook zou verhoogen uit de poorten des
eeuwigen doods! Aanschouwt Gods lankmoedigheid over u, merkt
daarop: dat God geen lust heeft in den dood des zondaars, maar
daarin dat hij zich bekeere en leve!" — Wat wilt gij nu? Wilt
gij nog in den dood blijven liggen? Wilt gij uzelven daar nog
altijd dieper in storten? Eens worden de poorten des eeuwigen
doods dan achter u gesloten, en dan is er geen ontvlieden meer!
God zij u genadig! En redde onze zielen van den dood!
Amen!
To zingen Ps. 06 : 6.
-ocr page 51-
V.
IK BEN EEN VREEMDELING.
Te zingen Ps. 90 : 1.
Te lezen Ps. 39.
Te zingen Ps. 39 : 8.
Het gebed.
Te zingen Ps. 103 : 8.
Tekst Ps. 39 : 13b: „Ik ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijne
vaders!"
I.
Een vreemdeling is iemand, die niet in zijn vaderland, of in
zijns vaders huis is.
De wereldling is thuis op de aarde. Al zijne begeerten eindigen
in het vergankelijke; zijn uiterste einde is dan ook dat hij weder-
keert tot stof en verbrijzeling, ja naar ziel en lichaam tot een
eeuwig verderf.
Zoo is het met den Christen niet, — hij is hier op aarde niet
thuis, maar een vreemdeling. Het Paradijs was eens zijn thuis en
zijn vaderland, maar sinds het Paradijs voor altijd verloren werd,
kent hij geen thuis en geen vaderland; zoolang hij hier op
aarde leeft en adem heeft is en blijft hij een vreemdeling, en eerst
en alleen in de eeuwigheid vindt hij weer een waarachtig thuis
en een waarachtig en blijvend vaderland. Met David is hij een
vreemdeling op aarde, — en met David gevoelt en zegt hij: „Ik
ben een vreemdeling bij U, een bijwoner, gelijk al mijne vaders!"
-ocr page 52-
36                                       IK BEN EEN VREEMDELING.                                        V.
II.
,Ik ben een vreemdeling!"
Een vreemdeling, Geliefden, is een zwerveling. Een wereldling
is thuis op de aarde, en daarom maakt en zoekt hij voor zich zooveel
als maar mogelijk is een vaste en altijd blijvende woning.
De Christen is een vreemdeling, en daarom een zwerveling. Op
aarde heeft en zoekt hij geen blijvende stad, — hij is gelijk aan
een vreemdeling in een vreemd land, die slechts een huis huurt
waar hij komt, — of liever als een trekker, die hier en daar waar
hij komt een tent opslaat, die elk oogenblik kan afgeslagen en
opgerold worden, — of liever nog als een reiziger, die slechts haas-
tig door een land trekt en reist. Nergens vindt en nergens zoekt
hij een blijvende stad; hier op aarde is het niet; neen, hij moet
voort, naar de eeuwigheid; — daar is de plaats der ruste,
daar is de blijvende stad, de stad „die fondamenten heeft, welker
bouwmeester en kunstenaar God is!" Geliefden, zulke vreemde-
lingen, zulke zwervelingen, zulke reizigers zijn ook wij! Haast
zullen wij doorgetrokken zijn door het land van al onze vreemde-
lingschappen, en dan is het einde van onze levensreis daar, en
dan staan wij aan de poort der eeuwigheid! Geliefden, laat het
gebed van een David dan ook het gebed zijn van ons hart en
leven: „Heere! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate
mijner dagen zij; dat ik wete hoe vergankelijk ik zij! Zie, gij hebt
mijne dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets
voor U; immers is een ieder mensch, hoe vast hij staat, enkel ijdel-
heid! Sela!" Verzen vijf en zes.
III.
„Ik ben een vreemdeling!" Een vreemdeling, Geliefden, is een
zwerveling, en een zwerveling moet veel ongemak en tegenspoed
verduren, — hij heeft te worstelen met allerhande moeilijkheden.
De wereldling is thuis op aarde, en hij is thuis in de wereld, en
daarom ook thuis in al de zeden, en gewoonten, en wegen der
wereld, en daarom komt hij dan ook meestal makkelijker door de
wereld; hoe het ook al moge wezen, en waar hij ook al is, hij
vindt wel altijd een middel, hij vindt wel altijd een vriend en
-ocr page 53-
V.                                        IK BEN EEN VREEMDELING.                                        37
vrienden. Maar de ware Christen is een vreemdeling hier beneden ;
hij is een zwerveling, en daarom moet hij veel ongemak en tegen-
spoed verduren. Zooals Israël trekt door de woestijn, veertig
jaren lang, zoo trekt hij ook door den tijd naar de eeuwigheid
heen. En wat anders is menigmaal zijn deel dan kommer en armoede,
ramp op ramp, krankheid en dood ? Ach, hoe dikwijls moet hij niet,
onder zondeschuld gebogen, of wanneer alles tegen hem is, of als
hij op een bitter krankbed geworpen wordt en door een zware,
bittere en langdurige krankheid als verteerd wordt, hoe moet hij
dan niet menigmaal ondervinden en getuigen wat een David in
dezen Psalm zegt: „Ik ben verstomd, ik zal mijnen mond niet
opendoen, want Gij hebt het gedaan. Neem uwe plage van op mij
weg, ik ben bezweken van de bestrijding uwer hand. Kastijdt Gij
iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zoo doet Gij zijne
bevalligheid smelten als eene mot; immers is een ieder mensch
ijdelheid. Sela!" Verzen 10, 11 en 12.
En hoe zelden vindt hij temidden van dit alles vrienden, die
ook waarlijk vreemdelingen en zwervelingen zijn op de aarde, —
en als hij die vindt, voor welk een korten tijd bezit hij ze dan
niet meestal! Ach, hij is en blijft toch maar gelijk aan een z\\ver-
venden vreemdeling, die misschien wel vele vrienden maakt op al
de paden zijner vreemdelingschappen, doch die de dierbare tegen-
woordigheid van die vrienden slechts voor eenige uren of da-
gen, of ten hoogste voor een paar weken of maanden kan ge-
nieten, om dan met een vluchtigen handdruk afscheid te nemen;
misschien om den een of ander nog eens weer te ontmoeten op de
aarde, maar, o, zoo dikwijls ook om voor altijd te scheiden! En
als hij dan weer alleen is met zijn kruis, en alleen is met zijn
smart en moeite en verdriet; — ach, Geliefden, hoe menigmaal
moet hij dan niet met een David biddend zuchten:
„Zie op mij in gunst van boven:
Wees mij toeh genadig, Heer!
Eenzaam ben ik en verschoven,
Ja, il\' ellende drukt mij neer.
\'k Roep U aan in angst en smart:
Duizend zorgen, duizend dooden
Kwellen mijn angstvallig hart:
Voer mij uit mijn angst en nooden!"
Ps. 25 : 8.
-ocr page 54-
38                                       IK BEN EEN VREEMDELING.                                       V.
En toch het kan niet anders, Geliefden, want de dienstknecht
is niet meerder dan zijn Heer, noch de discipel dan zijn Meester!
Door lijden alleen gaat het naar de heerlijkheid! Ja waarlijk, door
vele verdrukkingen moeten wij ingaan in het koninkrijk der hemelen!
Is \'t dan wel een wonder dat de arme vreemdeling, hoe meer hij
de kusten van zijn vaderland ziet naderen, ja die zeer gewenschte
kusten aan de kimmen ziet glimmen, — ik zeg, is \'t wel een
wonder als hij dan terugziet op zulk een leven van vreemdeling-
schap en omzwerving, is het wel een wonder dat hij dan daarvan
met een Jakob uitroepen moet: „ Weinige en kwaad zijn de dagen
der jaren mijner vreemdelingschappen geweest!" Of met een Mozes
in den 90ste" Psalm als van een Nebo\'s top en kruin: B Aangaande
de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren, of zoo wij zeer
sterk zijn tachtig jaren; en het uitnemendste van die is moeite
en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden en wij vliegen
daarheen!" Gelukkig, mijn broeder, mijne zuster, — arme vreem-
deling op deez\' aard, — gelukkig dat gij met een David naar God
in den hemel kunt opzien en zeggen: Ja, ik ben een vreemdeling,
— maar, een vreemdeling bij U, o mijn God; een bijwoner, gelijk
al mijne vaders! Gelijk als God gedaan heeft aan uwe vaders,
alzoo zal Hij dan ook aan u doen; als uwe ziel in uw binnenste dorst,
als uwe ziel mat is en hijgend naar lafenis in een barre zandwoes-
tijn, en gelijk aan iemand, die daar henen wandelt door het dal der
moerbeziënboomen, terwijl zelfs die groote en sterke boomen dorsten
naar water en hunne bladeren ineengeschrompeld en verdord zijn
vanwege de felle hittigheid van een zomerdroogte, — dan wordt gij
spoedig als gedekt door de koelte der wolken, — en als het dondert
in die wolken en als de milde regendroppels nederdalen, o, dan
is het of daar een lieflijke psalm over uwe hoofden ruischt, waar-
van gij de kracht en de vertroosting in \'t hart ontvangt:
„Welzalig hij, die al zijn kracht
En hulp alleen van U verwacht,
Die kiest de welgehaande wegen;
Steekt hen de heete middagzon,
In \'t moerbeidal, Gij zijt hun bron,
En stort op hen een milden regen,
Een regen, die hen overdekt,
Verkwikt en hun tot zegen strekt!"
Ps. 84 : 3.
-ocr page 55-
V.                                       IK BEN EEN VREEMDELING.                                        39
IV.
„Ik ben een vreemdeling!"
Een vreemdeling, Geliefden, koopt niet, en zoekt niet in een
vreemd land wat hij niet met zich kan medenemen naar zijn
vaderland. De wereldling zoekt net zooveel van de aarde als hij
kan, want de aarde is zijn thuis, en de aarde is zijn vaderland.
„De begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid der oogen,
en de grootschheid des levens!" — zietdaar den regel van zijn leven,
het eenig doel van zijn leven! Hij tracht voor zichzelven van de
aarde en het aardsche te verkrijgen zooveel als hij maar kan, en
dat alleen om daarmede zijn lust en begeerte te voldoen. Zijn
eenige en vurigste begeerte is, dat hij toch eenmaal tot zijne ziel
kan zeggen : „Ziel, gij hebt vele goederen, die opgelegd zijn voor
vele jaren; neem rust, eet, drink, wees vroolijk!" Luk. 12 : 19.
En alzoo zoekt de wereldling hier op aarde voor zich een vaste
en blijvende woning te verkrijgen, indien het mogelijk was.
Zoo is het met den Christen niet, — hij is een vreemdeling op
de aarde. Hij is gelijk aan een vreemdeling in een vreemd land;
die maakt alles tot geld, zet zijn geld op een bank, bij zich
draagt hij alleen zijn cheque- of wisselboek, en waar of wanneer
hij geld noodig heeft, trekt hij door een wissel of cheque op die
bank, en zoo wordt voorzien in al zijn nooden en behoeften. —
En ziet, dat is uw beeld, mijn broeder, mijne zuster, indien gij
met David kunt zeggen: „Ik ben een vreemdeling bij u, een bij-
woner, gelijk al mijne vaders!" Gij zijt misschien arm naar de
wereld, menigmaal in kommer en twijfel; en uw geestelijke
schat van ondervinding, van geloof, van hoop en liefde is ook
menigmaal zoo klein, zoo ontoereikend in uw oog, — en toch
zeg ik u dat gij rijk zijt; gij weet het niet, en toch is het woord
van Jezus aan de gemeente van Smyrna ook misschien juist voor
u bedoeld: „Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede, (doch
gij zijt rijk)!" Ja gij zijt in het oog der wereld een arme vreem-
deling, een arme zwerveling, een arme sukkelaar en worstelaar,
en toch zijt gij rijk; — gij hebt een bank, die nimmer falen
kan, en die bank is Gods voorzienigheid, Gods trouw, Gods waarheid,
Gods genade en liefde en ontferming! Paulus zegt aan de gemeente
-ocr page 56-
40
V.
IK BEN EEN VREEMDELING
van Corinthe: , Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij
de wereld, hetzij levend, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij
toekomende dingen, zij zijn allen uwe. Doch gij zijt van Christus,
en Christus is Gods!" En, Geliefden, uw wisselbank (als ik eens
zoo mag spreken) is uw Bijbel, dat heerlijk boek, zoo vol van
goddelijke beloften, en uw gebed is uw order, (als ik eens zoo mag
spreken); want de Heerc Jezus heeft gezegd: .Al wat gij den
Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal Hij u geven!" Ja, het
is zoo, geliefde Broeder en Zuster, gij zijt arm, al zijt gij ook rijk
in aardsche bezittingen! Wat hebt gij ? Akker aan akker ? Honderden,
duizenden van vee? Veel goed en veelgeld? Davidzegt: „Immers
wandelt de mensch als in een beeld, immers woelen zij ijdollijk;
men brengt bijeen, en men weet niet wie het naar zich nemen
zal!" Ach, Geliefden, er komt een dag wanneer elkeen van ons,
hetzij wij schatrijk zijn of doodarm, geen andere of meerdere
bezitting op de ganschc aarde zal hebben, dan het kleine, nauwe,
donkere en koude graf!
Geliefden, wat rekent gij als uw beste, uw heerlijkste en kost-
baarste schatten? Gij zegt: mijne ouders, mijn echtgenoot of
echtgenoote, mijne kinderen, mijne broeders en zusters, mijne
vrienden! Hoe arm gevoelen wij ons dan niet als wij bij het graf
van vader of moeder staan! Hoe dierbaar is een echtgenoot of
echtgenoote niet; hoe vast worden zij niet aan elkander, hoe
zoeken zij elkander niet als men in \'t huis komt, — ach, hoe
arm gevoelen wij ons dan niet als de boom gescheurd wordt, en
het éene deel ligt daar neder in het stof des doods; ach, hoe
eenzaam en vreemd gevoelen wij ons niet als wij daar alleen
moeten staan bij het graf van man of vrouw! Ja, dierbaar en
kostbaar zijn onze lieve kinderen, en broeders, en zusters, en
vrienden; wij gevoelen ons zoo gelukkig en rijk in hun bezit, —
en daarom, als de dood dan komt en rukt het eene kind na het
andere weg, broeder na broeder, zuster na zuster, en vriend na
vriend! Ach, Geliefden, als wij bij hun lijk, bij hun graf staan,
ach, hoe arm, arm en vreemd gevoelen wij ons dan niet, al heb-
ben wij nog tien andere kinderen, en broeders, en zusters, en
vrienden — en dan verlangen wij naar den hemel!
En als wij oud geworden zijn, en al de vrienden van onze jeugd
-ocr page 57-
V.                                       IK BEN EEN VREEMDELING.                                        41
zijn heengegaan naar het graf; ach, hoe arm, hoe eenzaam, hoe
vreemd zijn wij dan niet menigmaal op de aarde. En dan ver-
langen wij naar den hemel!
Ons lichaam, hoe kostbaar en dierbaar is het ons niet, — en
toch is het maar zoo vergankelijk en teer als een schoone roos;
des morgens bloeit het, des avonds wordt het afgesneden en het
vergaat; zelfs die ons in de grootste krankheid op het trouwst en
ijverigst verplegen, zelfs zij schuwen dan menigmaal ons zielloos
overschot! O, als wij daaraan en aan dit alles gedenken, ach,
hoe arm, hoe eenzaam, hoe vreemd gevoelen wij ons dan niet
op deze aarde! En dan verlangen wij naar den hemel.
En dan verlangen wij naar den dag derheerlijkeop-
standing! Geliefden, al zijn wij dan ook arm en vreemd op
de aarde, laat ons opzien naar den hemel ; daar is onze eeuwige
Vader, daar is Jezus Christus, die ons zoo uitnemend heeft lief-
gehad; daar zijn de geloovigen van ouds, — ook onze dierbaren,
thans geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar huisgenooten
Gods en medeërfgenamen van Christus in het eeuwig Vaderhuis!
En wat Gods Woord van hen zegt, Geliefden, gij die vreemdelin-
gen zijt op de aarde, het zal ook eenmaal van elk uwer gezegd
worden : „Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land
der belofte, als in een vreemd land, en heeft in tabernakelen
gewoond met Izak, en Jakob, die medeërfgenamen waren derzelfde
belofte, want hij verwachtte de stad, die fondamenten heeft, welker
kunstenaar en bouwmeester God is! Deze allen zijn in het geloof
gestorven, de belofte niet verkregen hebbende, maar hebben dezelve
van verre gezien, en geloofd, en omhelsd, en hebben beleden dat
zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren. Want die zulke din-
gen zeggen, betoonen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken. En
indien zij aan dat vaderland gedacht hadden, van hetwelk zij uit-
gegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keeren;
maar nu zijn zij begeerig naar een beter, dat is, naar het hemel-
sche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd
te worden; want Hij had hun eene stad bereid!" Hebr. 11:9, 10,
13—16.
(Zie ook Hebr. 12 : 18, 22, 23 en 24).
-ocr page 58-
42                                        IK BEN EEN VREEMDELING.
V.
V.
„Ik ben een vreemdeling!"
Een vreemdeling, Geliefden, een vreemdeling verlangt naar zijn
vaderland en thuis. Laat het dan ook zoo met u wezen; — ja:
„Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen
die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechterhand Gods.
Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want
gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in
God!" Col. 3 : 1—3. Laat uw wandel in de hemelen zijn. Laat
uw hart geduriglijk bij Jezus wezen. Roept tot Hem met vleesch
en hart! Al hebt gij hier dan geen vaderland, al zijt gij dan ook
hier een zwerveling, al is moeite en verdriet dan ook hier bene-
den uw bitter deel en lot, al zijt gij arm naar de wereld, ja arm
en krank, en al wordt gij door dit alles altijd meer en meer ge-
dreven om met een verlangen, dat elke andere begeerte verteert,
ja met heete tranen, met den dichter van ouds op te zien naar
den hemel en uit te roepen met geheel uw vleesch en hart:
„\'t Hijgend hert, de jacht ontkomen,
Schreeuwt niet sterker naar \'t genot
Van de frissche waterstroomen,
Dan mijn ziel verlangt naar God!"
Geen nood, Geliefden. „De Heer is groot, genadig, en recht-
vaardig, en onze God ontfermt zich op \'t gebed!" Ps. 116 : 3.
Als het zijn tijd is, — dan maakt God een einde aan al uwe
vreemdolingschappen, en dan brengt God zelf u daar, in dat nieuw
en eeuwig Jeruzalem, in dat eeuwig vaderland, waarvan een
Johannes in het boek der Openbaring zegt: „En ik zag een
nieuwen hemel, en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en
de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En
ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neder-
dalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid, die voor
haren man versierd is. En ik hoorde een groote stem uit den
hemel, zeggende: Ziet de tabernakel Gods is bij de menschen, en
Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf
zal bij hen en hun God zijn.
-ocr page 59-
V.                                       IK BEN EEN VREEMDELING.                                       43
En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de
dood zal niet meer zijn ; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal
meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
En die op den troon zat zeide: Ziet, Ik maak alle dingen
nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waar-
achtig en getrouw!" Openb. 21 : 1—5.
Amen.
Te zingen Ps. 89 : 19.
-ocr page 60-
VI.
VAN KRACHT TOT KRACHT.
Te zingen Ps. 118 : 1*.
Te lezen Ps. 84.
Te zingen Ps. 119 : 1.
Het gebed.
Te zingen Ps. 119 : 37.
Tekst Ps. 84- : 8: „Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zalverschij-
nen voor God in Zionl"
Het wordt ons niet gezegd, Geliefden, wie de dichter is van
dezen liefielijken Psalm; maar het is alsof wij de taal van een
Davidshart, en de snaren van een Davidsharp daarin hooren.
Wij zien de duizenden van Israël van alle kanten opgaan naar
Jeruzalem, naar den tabernakel, naar den tempel in Zion. Zij
begeven zich op weg; zij ontmoeten elkander; zij voegen zich bij
elkander; de reisgezelschappen worden altijd grooter en grooter;
„Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschij-
nen voor God in Zion!"
Dit mag wel naar het uiterlijke gezegd worden van al de dui-
zenden van Israël, die daar vroolijk opgaan naar Jeruzalem, maar
naar de diepste beteekenis van dit woord kan dit alleen gezegd
worden van den vromen Israëliet.
En niets anders is het ook heden nog op de aarde; duizenden en
millioenen gaan geduriglijk op naar de Godsgebouwen aan alle plaat-
sen der aarde ; zij ontmoeten elkander; zij voegen zich bij elkander;
de reisgezelschappen worden altijd grooter en grooter; zij gaan steeds
voort van kracht tot kracht op den weg naar de eeuwigheid, een iege-
lijk van hen zal voor God in Zion verschijnen! Dit mag wel naar het
-ocr page 61-
VI.                              VAN KRACHT TOT KRACHT.                               45
uiterlijke van alle kerkgangers der aarde gezegd worden; maar naar
de diepste beteekenis van dit woord alleen van de ware vromen. „Zij
gaan van kracht tot kracht!" Zij blijven niet in trage werkeloos-
heid nederzitten; zij wandelen, zij wandelen moedig voort; zij
vorderen op den weg des levens; dag aan dag nemen zij toe in
kracht en sterkte; zij gaan van kracht tot kracht steeds voort!
I.
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort: indeverze-
kering van de vergeving hunner zonden!
Daar ziet gij den vromen Israëliet bij zijn huis en in zijn werk.
Hij verderft zijnen weg voor het aangezicht van den God zijner
vaderen; hij arbeidt, hij treurt onder den last zijner zonden; zij
vervolgen en benauwen hem dag en nacht; hij zoekt vergiffenis
in het woord der profeten; in het woord der gewijde geschiede-
nis ; hij zoekt Gods aangezicht en genade in het gebed! Hij vindt
genade, hij vindt troost; maar de innigste begeerte van zijn hart
is met den dichter van ouds: „Wanneer zal ik ingaan en voor
Gods aangezicht verschijnen?" Hij moet opgaan naar Jeruzalem,
bij het altaar van zijn God moet hij staan; op het hoofd van het
offerdier wil hij zijn hand en zonde leggen; het bloed van zijn
offer wil hij op Gods altaar zien; van de lippen van Gods pries-
ter wil hij hooren: „Uwe zonden zijn u vergeven!" Daar zal hij
weten dat hij met God verzoend is; dat zijne ongerechtigheden be-
dekt zijn, dat zijn zonden vergeven zijn! En terwijl hij door hitte
en koude, en storm en onweder, en moeite en tegenspoed zijn
moeilijke pelgrimsreize naar Jeruzalem voortzet, gevoelt hij toch
aan den avond van eiken voorbijgaanden dag dat hij nader aan het
heerlijk doel zijner reize gekomen is; en telkens als hij van eene
hoogte de bergen van Jeruzalem altijd nader en nader ziet ver-
schijnen, schept hij nieuwe kracht en moed; éen gedachte geeft
hem troost en kracht: daar zal ik God ontmoeten als van aange-
zicht tot aangezicht, daar zal God mijn aangezicht niet afwijzen,
God zal mijn gebed het gehoor niet ontzeggen! Zoo gaat hij van
kracht tot kracht, en hij verschijnt voor God in Zion!
Zietdaar, Geliefden, het beeld van elke ziel, die waarlijk aan
-ocr page 62-
4<;
VI.
VAN KRACHT TOT KRACHT.
zichzelve ontdekt is, die waarlijk treurt over hare zonden, die
waarlijk dorst naar de vergeving van hare ongerechtigheden; maar
die ook waarlijk vrede vindt in het woord en bloed en den Geest van
Jezus Christus, en de heerlijke verzekering van God ontvangt,
dat zij eenmaal voor zijn aangezicht in Zion verschijnen zal! O,
Geliefden, als wij nog nooit met een Christen in zijn „pelgrims-
reize naar de eeuwigheid," onze zonden gezien en gevoeld hebben
als een groot afschuwelijk ondraagbaar pak en last op onze
schouders, dan hebben wij ook nog nooit in der waarheid naar
vergeving gedorst! Neen, eerst moeten wij leeren om met een
David te zeggen en te gevoelen: „Zie, ik ben in ongerechtigheid
geboren, en in zonde heeft mij mijne moeder ontvangen!" Ps. 51.
Eerst moet de ondervinding en de taal van een Bunyan ook de
onze worden. Bunyan moest van zichzelven zeggen: „Deze beden-
king scheen mijn hart te zullen dooden, dat mijne zonde volstrek-
telijk tegen den Zaligmaker was, en dat zij tot die hoogte was
gesteigerd, dat ik in mijn hart gezegd had: Wil Hij gaan, laat
Hem gaan! O, mij dacht, deze zonde was grooter dan de zonde
van een heel land, van een gansch koninkrijk, ja van de geheele
wereld; neen, niet al de zonden op malkander gestapeld, was bij
de mijne te vergelijken, de mijne ging ieder derzelver teboven.
Nu kon ik voelen dat mijn hart van God wegvlood, als van het
aangezicht eens gestrengen Rechters; nochtans was dit mijne pijni-
ging, dat ik zijne hand niet ontkomen kon; vreeselijk is het te
vallen in de handen des levenden Gods! Maar gedankt zij zijne
genade; in dezen toestand kwam mij de plaats tebinnen, waar
God door Jesaja zegt: „Ik delg uwe overtredingen uit als een
nevel, en uwe zonden als een wolk; keer weder tot Mij, want Ik
heb u verlost!" Dit zeg ik kwam mij te binnen, als ik vluchtte
voor Gods aangezicht; want mijn hart en geest zocht Hem te
ontwijken, ter oorzake van zijne hoogheid, die ik niet verdragen
konde. Ja \'t was of er een sterke stem bij was, die mij toeriep:
„Keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost!"
En dan, Geliefden, wanneer God zoo zijne genade aan onze
schuldige zielen openbaart en ons zijne liefde en genade in het
bloed van Jezus Christus toont, — o, dan keeren wij weder tot
God met al onze zonden, net zooals wij zijn, arme, schuldige en
-ocr page 63-
VI.                                      VAN KRACHT TOT KRACHT.                                      47
diep ellendige zondaren; en dan weten en gevoelen wij dat God
onze overtredingen uitdelgt als een "nevel, en al onze vuile zonden
als eene wolk! En telkens wanneer God ons dit opnieuw laat
ondervinden, en telkens als wij aan de kimmen ons vaderland
zien glimmen, o, dan scheppen wij nieuwe kracht en moed; ja,
van kracht tot kracht gaan wij steeds voort, — en het woord der
belofte is onze kracht en vertroosting: «Een iegelijk van hen zal
verschijnen voor God in Zion! *
II.
Ziet gij hen, Geliefden, die pelgrims naar Jeruzalem, die reizi-
gers naar de eeuwigheid? Zij gaan van kracht tot kracht steeds
voort; ook in het strijden tegen alle verzoeking van
Satan, wereld en eigen vleesch!
Daar ziet gij den vromen Israëliet, reizend naar Jeruzalem.
Lang is de weg en moeilijk is de tocht; storm en onweer maken
hem mismoedig; ongedierte en woeste rooverbenden dreigen hem
des nachts. En de vraag des harten is menigmaal: Zal ik het
einde halen? En Satan zegt: Thuis is het beter. Daar moet gij
zijn; alles is daar in groot gevaar! En de wereld lokt: Wat zult
gij verder sukkelen, en lijden, en strijden; hier is het goed, hier
is het beter! En de stem des harten is: Zou dit niet heerlijk zijn?
— Maar de vrome Israëliet laat zich door niets ophouden, door niets
aftrekken van zijn weg en doel! Jeruzalem, Jeruzalem is zijn
doel! Daar is zijn schat, daar is zijn hart! Hij wendt zijn oog
van de ijdelheden af, en met een zijner dichteren zegt hij: „Indien
ik u vergete, o Jeruzalem! zoo vergete mijne rechterhand zichzelve.
Mijne tong kleve aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenke,
zoo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijd-
schap!" Ps. 137. Uit diepten van angst en verzoeking roept hij
uit: „Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe
komen zal. Mijne hulp is van den Heere, die hemel en aarde
gemaakt heeft!" Ps. 121.
En telkens als hij den Satan tegenstaat, als hij de wereld
ontvlucht, als hij vleesch en hart tot zwijgen brengt, — wint
hij daardoor kracht voor het overige van zijn weg, kracht tegen
-ocr page 64-
VI.
48
VAN KRACHT TOT KRACHT.
eiken nieuwen aanvaJ, kracht tegen elke toekomstige verlei-
ding ! De God van Abraham is hem tot een zon en schild, en
aan zijne hand gaat hij voort, van kracht tot kracht steeds voort,
totdat hij eindelijk eens voor God in Zion verschijnt!
Zietdaar, Geliefden, het beeld van eiken strijder op den weg
naar het hemelsch Zion. De Satan is sterk; de wereld is listig; het
hart is bedriegelijk; de verzoeking is machtig en veel. Maar, hoe
meer wij den Satan overwinnen, hoe meer wij de wereld tegenstaan;
hoe meer wij ons eigen vleesch en hart aan den wil van God onder-
werpen, — naar die mate vermeerdert God ons de genade en de
kracht des Heiligen Geestes. En zoo wandelen wij temidden van,
en door alle verzoeking en verleiding onbeschadigd henen van
kracht tot kracht steeds voort! Want God is ons tot een zon en
schild; Hij maakt een muur rondom onze voetstappen; Hij doet
zijn Engel rondom ons legeren; daarom zullen wij ook eens, voor
eeuwig en altoos verlost, verschijnen voor God in Zion!
Intusschen te zingen I\'s. 121 : 2.
III.
Ziet gij hen, Geliefden, die pelgrims naar Jeruzalem, die reizi-
gers naar de eeuwigheid?
Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort: ook op den
weg der heiligmaking!
O, die vrome pelgrims naar Jeruzalem, zij hadden ook dag en
nacht te waken over de gedachten en de uitgangen van hun hart.
En dit konden zij niet beter doen dan door gedurig aan die ernstige
maar ook heilige en heerlijke gedachte vast te houden: „Wij zul-
len voor God in Zion verschijnen!" Daarom hooren wij ook hunne
tenten steeds weergalmen van den klank der psalmen en liederen
des opgangs, — de liederen Hamaaloths, zooals Ps. 118—120,
121—122 enz. Strijdende en biddende, juichend en zingend stern-
men zij de snaren van hun hart om in Zion het lied van lof en
dank aan te heffen:
„Looft den Heere, alle gij knechten des Heeren! Gij die allen
nacht in het huis des Heeren staat. Heft uwe handen op naar
het heiligdom, en looft den Heere. De Heere zegene u uit Zion,
Hij, die den hemel en de aarde gemaakt heeft!" Ps. 134.
-ocr page 65-
VI.                                      VAN KEACHT TOT KRACHT.                                       49
„Hallelujah! Prijst den naam des Heeren, prijst Hem, gij knech-
ten des Heeren! Gij, die staat in het huis des Heeren! in de
voorhoven van het huis onzes Gods! Looft den Heere, want de
Heere is goed; psalmzingt zijnen naam, want Hij is liefelijk. Ps. 135.
Ja waarlijk: „Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen
zal verschijnen voor God in Zion!" En niet anders gaat het eiken
waren pelgrim naar het hemelsch Jeruzalem! Dag en nacht moet
hij ernstig waken over de gedachten en de uitgangen van zijn
hart. Want „de Heere weegt de harten!"
En o, het hart is toch zoo boos en verdorven en vat het vuur
des Satans en der zonde zoo licht als vlas of tondeldoek! Dit
ondervindt, dit smart eiken waren pelgrim met groote bitterheid
der ziel. Hoort eens wat een Bunyan daarvan zegt: „Belangende
het plegen van zonde, nooit was ik teederder dan nu; mijn bui-
tenste zijden waren heel naar binnen gekeerd, niet een hout, niet
een speld, ja zooveel niet als een stroo, zoude ik opgevat hebben;
want mijne conscientie smartte mij, en zoude pijn gevoeld hebben
op elke aanraking; ja ik wist nauw hoe ik mijne woorden zoude uiten,
uit vreeze dat ik mij te buiten zoude gaan, en was zeer om-
zichtig in al hetgeen ik sprak en deed. Ik stond als in een week
moeras, dat op de minste beweging, die ik maakte, schudde, en ik
meende verlaten te zijn van God, van Christus, den Geest en alle
goede dingen. Ik oordeelde dat iedereen een beter hart had dan
ik, en wenschte het mijne te mogen verruilen, \'t Scheen mij toe
dat ik geen andere weerga had in inwendige goddeloosheid en
onreinigheid des harten, dan de duivel zelf. Ik viel dan op \'t gezicht
van mijn eigene snoodheid, in diepe wanhoop; want ik besloot,
dat de staat daar ik in was, niet bestaan kon met den staat der
genade. Och, \'t is zeker, dacht ik, dat ik van God verlaten ben;
gewisselijk, ik ben aan den duivel en aan een verworpene gestalte
des harten overgegeven!"
Hoe wonderlijk toch, Geliefden, dat wanneer God zoo krachtig
door zijne genade in een hart werkt, zulk eene ziel dan nog aan
zichzelve vertwijfelen kan. Maar zoo is het, hoe meer genade en
licht de Heere aan eene ziel geeft, zooveel te beter leert zij
hare zonden kennen en de afschuwelijkheid daarvan. Dan is het
kleinste voor haar een uitsprekelijk groote zonde. Zij dorst naar
4
-ocr page 66-
VI.
50                                  VAN KRACHT TOT KRACHT.
vernieuwing, naar heiligheid, naar het beeld van God, en zij vindt
het niet. Dan klaagt zij met den dichter van Ps. 84 : „Mijn vleesch
en mijn hart roepen uit tot den levenden God!" Maar, Geliefden,
God kan en wil die vernieuwing en heiligmaking des levens geven.
Elkeen, die waarlijk heilbegeerig van hart is, zal ze vinden,
en zal daarin toenemen van kracht tot kracht! Begeert gij dit?
Leeft dan nabij God; leeft dan zeer voorzichtig inwendig en uit-
wendig. Zet een wacht voor de deur van uwe lippen, voor de deur
van uw hart. Zoekt het gebed. Zoekt het Woord des Heeren.
Zoekt de prediking van zijn Woord en het gezelschap der vromen.
Laat den Heiligen Geest toch in u werken, beide het willen en het
werken naar Gods welbehagen. Dan zal er ook wéér van ons
gezegd worden:
„Men hoort der vromen tent weergalmen,
Van hulp en heil ons aangebracht;
Daar zingt men blij mot dankbre psalmen,
Gods rechterhand doet groote kracht!"         Ps. 118.
Dan gaan wij juichend voort, van kracht tot kracht steeds voort.
Ook in waarachtige gemeenschap met God. Ook in het geloovig
berusten in Gods beloften. Elk uur van gemeenschap met God,
elke vervulling van Gods beloften aan onze harten geeft ons dan
moed en kracht, ja vertroosting, geest en leven. Dan zal een
iegelijk van ons ook eens verschijnen voor God in Zion. De genade
van God zal ons bewaren, veilig en onbesmet, voor zijn koninkrijk
en heerlijkheid; de stormen dezes levens zullen ons niet overwel-
digen, verzoeking zal ons niet doen vervallen; onze geestelijke
vijanden zullen ons niet verwoesten. Onze namen zijn geschreven
in de hemelen, in het boek des Lams, en het Lam Gods zal zelf
onze Leidsman zijn naar het eeuwig Zion. En als wij verschijnen
voor God in Zion, dan zal Hij zeggen: „Heilige Vader! Die Gij
Mij gegeven hebt, heb Ik bewaard, en niemand uit hen is verloren
gegaan!" Joh. 17 : 12.
Maar, Geliefden, daar is ook voor den goddelooze een gaan van
kracht tot kracht in den weg der ongerechtigheid. Ja, hij gaat
ook van kracht tot kracht, om voor God te verschijnen, maar
alleen om dan voor eeuwig verdoemd te worden. Waarlijk, een
mensch wordt niet in een dag een lasteraar, of wellusteling, of
-ocr page 67-
VI.                              VAK KRACHT TOT KRACHT.                                51
dief, of gierigaard, of dronkaard. 0, weest dan toch gewaarschuwd,
en wacht u voor de eerste zonde. „Welgelukzalig is de man,"
zegt de eerste Psalm, „die niet wandelt in den raad der godde-
loozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het
gestoelte der spotters!" Wandelt dan nooit in den raad der
goddeloozen, en dan zult gij Jook nooit staan op den weg der
zondaren, en dan zult gij ook in der eeuwigheid niet nederzitten
in het gestoelte der spotters. O, wacht u dan voor de eerste zon-
den, voor de eerste verkeerde voetstappen. Salomo zegt: „Leer
den jongen de eerste beginselen naar den eisch zijns wegs; als
hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken!"
Geliefden, als dit dan aan ons gedaan is; als wij vrome ouders
hebben, die van kracht tot kracht in Gods wegen wandelen, die
eenmaal in Zion voor God zullen verschijnen, o, laat ons God
daarvoor hartelijk dank zeggen, laat ons hun voorbeeld navolgen
en in hunne voetstappen wandelen! En hebben wij vrome vaders
en moeders gehad, die thans reeds juichen voor God in Zion ? Dan
behooren wij dit met des te meer kracht en ernst te doen. Hun
beeld moet altijd voor onze oogen staan; hunne gedachtenis moet
overal en altijd in ons hart wezen; zij spreken als uit het graf,
als uit den hemel tot ons! Als wij hier op aarde verre van onze
dierbare ouders verwijderd zijn, zou het ons dan niet tot bittere
smart wezen, wanneer zij verkeerde treurige berichten aangaande
ons zouden moeten ontvangen, berichten die hun heete tranen
kostten, gebed en worsteling, kommer en zorg, ja een verdriet,
waaronder zij hun leven verkwijnen moesten? Maar als zij dan in
den hemel zulks van ons zouden moeten vernemen? Wat dan?
Kunt gij daaraan denken zonder met al de kracht van uw hart
uit te roepen en te bidden: Neen, dat nooit! O, Heere ! God van
mijn vader, God van mijne moeder!
Behoed mij voor het dwalend pad;
Daar wereld, Satan, \'t vleeseh mij leiden,
Uit d\'engen weg van \'s hemels stad,
Om mij van \'t goed en God te scheidon!"
Kinderbede.
Of is dit onmogelijk, is \'t ijdelheid om zoo te spreken ? Maar is
daar niet vreugde in den hemel ook bij de engelen Gods over
-ocr page 68-
52                               VAN KRACHT TOT KRACHT.                              VI.
elke ziel die tot God bekeerd wordt? En zouden de gezaligde
zielen onzer dierbaren daar dan niets van hooren ? Zouden zij zich
niet met de engelen Gods verblijden? Dit is zeker, Jezus hoort
en ziet het, God hoort en ziet het. Hij is onze Vader, die in de
hemelen is. O, laat ons dan in zijne wegen wandelen en het voor-
beeld van zijnen Zoon, onzen dierbaren Heiland, volgen. Daartoe
kan Hij ons door zijn genade en Geest bewerken. Zijne oogen
doorloopen de gansche aarde; Hij weet ons zitten en ons opstaan;
Hij kent al onzen uitgang en onzen ingang; Hij weegt de uit-
gangen van ons hart; en de engelen zijner kinderen aanschouwen
zijn aangezicht geduriglijk! Moge de Heere dan uit genade ook
van een ieder van ons, elkeen naar zijne mate getuigen, wat Hij
eens getuigd heeft van Job: „Hebt gij ook acht geslagen op mijnen
knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij, een man
oprecht en vroom, godvreezende en wijkende van het kwaad! Job.
1 : 8. Dan, Geliefden, gaan ook wij van kracht tot kracht steeds
voort, en een iegelijk onzer zal verschijnen voor God in Zion!
Amen.
Te zingen Ps. 84 : 4.
-ocr page 69-
VIL
DE VERWIJDING DES HARTEN.
Te zingen Ps. 119 : 83.
Te lezen Ps. 119 : 1 - 82.
Te zingen Ps. 119 : 24.
Het gebed.
Te zingen Ps. 68 : 2.
Tekst Ps. 119 : 32: „Ik zal den weg uwer geboden loopen, als Gij mijn hart rerwijd
zult hebben!"
Wij noemen deze woorden eene bede van den dichter, waarschijnlijk
van David; hij bidt: Heere, verwijd mijn hart, opdat ik in den
weg uwer geboden mag loopen.
I.
En hieruit zien wij in de eerste plaats: Dat ereengemeen-
schap des harten behoort te bestaan tusschen de ziel
en den Heere, onzen God!
Het is niet genoeg dat men zegge: Heere, Heere! — maar men
moet bovenal doen den wille des Vaders! Een louter uitwendige
betrachting van zijn gebod is den Heere een gruwel; het geeft
ons ook geen vrede voor het hart, geen zalige vreugde voor de
ziel. Het werkt ons niets dan bittere vruchten des verderfs. Over
zulk een hart- en lusteloozen godsdienst moest Jesaja zoo
bitterlijk klagen; leest eens zijne profetieën, en gij zult zien dat
zij vol van zulke bittere klachten zijn. Door Jesaja is het dat de
Heere van Israël zegt: „Uit volk genaakt Mij met hunnen mond,
en eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van
Mij!" Matth. 15 : 8. Aan zulk een lippendienst heeft de Heere
-ocr page 70-
54                                     DE VERWIJDING DES HAKTEN.                                 VIL
geen lust, daarom spreekt Hij ook verder door Jesaja: „Zou het
zulk een vasten zijn, dat Ik verkiezen zou, dat de mensch zijne
ziel een dag kwelle ? Dat hij zijn hoofd kromme gelijk eene bieze,
en een zak en asch onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten
heeten, en een dag den Heere aangenaam?" Jes. 58 : 5. —
Waarlijk niet, — wat de Heere van ons eischt is dit: „Mijn zoon,
geef mij uw hart!"
En wat is het gevolg van zulk een harteloozen lippendienst?
Verharding des harten, verblinding der oogen, tijdelijke en eeuwige
ondergang voor degenen, die zich niet bekeeren. Ziet het aan
Israël. Jesaja wordt tot hen gezonden met dit woord: „Ga henen,
en zeg tot dit volk: Hoorende hoort, maar verstaat niet, en ziende
ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak
hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogen, opdat het niet zie met
zijne oogen, noch met zijne ooren hoore, noch met zijn hart versta,
noch zich bekeere, en Hij het geneze!" En Jesaja vraagt: „Heere!
hoe lang?" En de Heere zegt: „Totdat de steden verwoest worden,
zoodat er geen mensch zij, en dat het land met verwoesting ver-
stoord worde!" Jes. 6 : 9, 10, 11. — Geliefden, laat dit ons
dan tot een gedurige en genoegzame waarschuwing zijn, om toch
niet alleen te luisteren naar het woord des Heeren door den profeet
Joel, maar om het ook waarlijk te betrachten; daar zegt de Heere:
„Scheurt uw hart en niet uwe kleederen, en bekeert u tot Mij
met uw gansche hart!" Joel 2 : 12, 13.
„Dan — zegt de Heere, Heere, — „dan zal uw licht voortbreken
als de dageraad, en uwe genezing zal snellijk uitspruiten; en uwe
gerechtigheid zal voor uw aangezicht heengaan, en de heerlijkheid
des Heeren zal uw achtertocht wezen!" Jes. 58 : 8. Dan zal onze
blijdschap onbepaald, ten hoogsten toppunt stijgen, want God zal
ons het hart verwijden.
II.
God, — zeg ik, — ja, Geliefden, die verwijding des har-
ten moeten wij van God alleen bidden en verwachten.
Dit leert onze tekst ons in de tweede plaats. De dichter zegt: „Ik
zal den weg uwer geboden loopen, als Gij mijn hart verwijd zult
hebben!"
-ocr page 71-
VII.                             DE VERWIJDING DES HARTEN.                                 55
Door „verwijding des harten" verstaan wij een ware en groote
geestelijke vreugde, wanneer wij Gods genade, liefde en goedheid
aan onze zielen ondervinden en smaken, ook menigmaal bij het
genot van reine tijdelijke vreugde. Immers, dat weet gij door on-
dervinding, dat het hart in zulke tijden als het ware los en vrij
wordt van alle banden; vroolijk, wijd en ruim is dan het hart
geopend, door de blijdschap, die daar is in Jezus Christus, door den
Heiligen Geest! Maar in dagen van duisternis en verlatenheid naar
de ziel, van kommer, zorg en jammerlijk verdriet naar het lichaam;
ach! dan krimpt het hart dikwerf van dag tot dag altijd meer en
meer ineen vanwege droefheid, angst en groote beving.
Zulk een blijdschap stort God in ons harte uit door de vertroos-
tingen van een goed geweten; waardoor wij dan met David zeg-
gen: „ Wel gelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven, wiens zonde
bedekt is. Welgelukzalig is de mensch, dien de Heere de ongerech-
tigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is! Ps. 32.
Zulk een blijdschap geeft God ons door de werking en de getui-
genis des Heiligen Geestes in ons hart; daarom bidt David, als
hij zegt: „Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uw
Heiligen Geest niet van mij. Geef mij weder de vreugde uws heils;
en de vrijmoedige Geest ondersteune mij." Ps. 51.
Zulk een blijdschap, zulk een verwijding des harten geeft God
ons door het groot vermaak dat voortvloeit uit de rechte betrach-
ting van alle godsdienstige plichten; en de verrukkende vergenoeging
en vreugde van zijn zachte juk, wanneer wij die door zijne ge-
nade mogen ondervinden. Het gemis hiervan doet den dichter in
Ps. 42 klagen: „Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen,
alzoo schreeuwt mijne ziel tot U, o God! Mijne ziel dorst naar
God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan en voor Gods
aangezicht verschijnen?" De genieting van dat zoet vermaak doet
een David uitroepen: „Ik zal mij vermaken in uwe geboden, die
ik liefheb!" — „Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten!"
En een Paulus: „Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den
inwendigen mensch!" En als de Heere David inplaats van ar-
moede overvloed, — inplaats van vervolging vrede, — inplaats
van omzwerving rust van al zijne vijanden gegeven heeft, — zoo
zegt hij: „Zie toch, ik woon in een cederen huis, en de ark Gods
-ocr page 72-
56                                     DE VERWIJDING DES HARTEN.                                 VII.
woont in het midden der gordijnen!" Vroolijk in den Heere, van-
wege de verlossingen zijns aangezichts, wordt alles wat in hem is
ijverig en volvaardig om den Heere te dienen! Hij laat de duizen-
den van Israël met hem het heerlijk woord van den 68st"" Psalm
aanheffen; hij zegt: „Geloofd zij de Heere; dag bij dag overlaadt Hij
ons. Die God is onze zaligheid, Sela! Die God is ons een God
van volkomene zaligheid; en bij den Heere, Heere zijn uitkomsten
tegen den dood!"
1.   Deze heerlijke, hemelsche en reine aardsche vreugde vindt
gij bij den wereldling niet! Ja, hij kent vreugde, menigmaal luid-
ruchtige en uitzinnige vreugde, maar de ware niet! Zijn vreugde
is geen vreugde, in eiken appel zijner vreugde is daar een kna-
gende worm verborgen, die het al vergalt en bederft; ongekende
vreugde stelt hij zich voor, zoolang hij nog hunkert, en uitziet, en
zoekt naar het begeerde; eindeloos droomt hij van niets dan
louter geluk, zoolang hij nog ziet op hetgeen zijn hart begeert, en
hoe meer hij het nadert des te vinniger klopt zijn hart van blijd-
schap en vonkelt zijn oog van vreugde; hij neemt het, — en
helaas! — teleurstelling is zijn deel! Waar is nu die gedroomde
vreugde, het voorgesteld geluk? Een adder heeft zijn uitgestoken
hand gebeten, — de angel der zonde heeft zijn hart verwond en
zijne vreugde vergald. Zoo wordt het woord der Schrift vervuld:
„De goddelooze heeft vele smarten!" Zoo wordt de wereldling gedu-
rig teleurgesteld in dit leven; en ach! hoe bitterlijk en jammerlijk
zal zijn eeuwige teleurstelling niet zijn, als hij misschien hier op
aarde zijn oogen in zulk een zoeten droom sluit in den slaap des
doods, om ze in het eeuwig verderf te ontsluiten!
2.  Maar teleurstelling is niet alleen het deel van den wereldling;
zij is het deel ook van den naam-christen, die zich vergenoegt
met een uiterlijke betrachting van Gods geboden. Ook hij mist deze
heerlijke vreugde en verwijding des harten; hij leeft in banden
gekneld, die hem hinderlijk en lastig zijn, dor en vreugdeloos;
want de dienst des Heeren is hem geen liefdedienst uit dankbaar-
heid, maar een dienst van plicht, daartoe gedreven door vreeze
voor straf. Met het Israël van de dagen van Jesaja moet hij ge-
durig klagen: .Waarom vasten wij, en Gij ziet het niet aan?
Waarom kwellen wij onze ziel, en Gij weet het niet?" Als een
-ocr page 73-
VIL                                 DE VERWIJDING DES HARTEN.                                     57
Kaïn zijn zij gedurig zwervende en dolende, zonder dat zij ruste
vinden voor hunne zielen. Zij zijn gelijk aan den rijken jongeling;
hij meent dat hij toch waarlijk de gansche wet volbracht heeft, en
dat hij nu wel gerust kan leven en zalig kan sterven; maar hij
gevoelt het ook dat hij daarbij en daardoor nog geen vrede en
rust voor het hart gevonden heeft; het is alles tevergeefs geschied,
—    al de kwelling zijner ziel en des lichaams, al het zwoegen
en het zweeten; tot Jezus komt hij met de vraag: „ Wat moet
ik doen om zalig te worden?" Maar ach! teleurstelling is zijn deel!
Het hart kan hij aan het aardsche niet ontrukken, om het Gode
alleen en onverdeeld te geven! En zoo gaat het nog met menig-
een. Dit leere ons gedurig met David te klagen en te bidden:
„Hoe kleeft mijn ziel aan \'t stof! Ai! zie mijn nood. Herstel mij,
doe mij naar uw woord herleven!" Ps. 119 : 13.
\'6. Maar ook zelfs de ware zoekende ziel mist nog menigmaal
deze vreugde; en dit doet zulk eene ziel zoo klagelijk weenen en
kermen als de Bruid in \'t Hooglied. Zij zoekt die vreugde menig-
maal tevergeefs in het gebed, in Gods Woord, in zijn huis en
bij zijne kinderen, totdat het God behaagt zich aan haar te openbaren
in de volheid zijner genade, barmhartigheid en liefde; en o, dan
weet en gelooft zij het niet alleen, maar dan ondervindt en smaakt
zij het ook op zalige en heerlijke wijze, dat „het koninkrijk Gods
vrede en blijdschap is door den Heiligen Geest!" Dan wordt daar
vreugdeolie in onze harten uitgestort, en al wat God ons gebiedt
en al waar God ons toe roept, wordt ons dan een lust en vreugde,
ja zelfs het juk der beproeving wordt ons dan zacht en zoet om
de lieflijkheid des Heeren onzes Gods wil, en vanwege de zalige
gestalte onzes harten!
III.
En verblijdt de Heere ons alzoo, naar de dagen in dewelke
Hij ons gedrukt heeft, naar de jaren in dewelke wij het kwaad
gezien hebben; is de lieflijkheid des Heeren onzes Gods over ons,
—   ziet, dan kan het niet anders, dan wordt daar een heerlijke
vrucht gezien; „dan loopen wij in den weg van Gods geboden!"
En, Geliefden, let hier op het woord: loopen! In vers éen zegt
-ocr page 74-
58                                    DE VERWIJDING DES HARTEN.                                 VIL
de dichter: „Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in
de wet des Heeren gaan!" Hier is het niet meer „gaan," een
langzaam wandelen, maar een ijverig, haastig, vurig en vinnig
loopen in den weg van Gods geboden; om met al onze macht te
doen wat onze hand vindt te doen, zoolang het nog dag is, voor-
dat de nacht komt dalen, waarin niemand meer werken kan en
geen tong God kan loven! Zooals Paulus zegt en doet: „Broeders!
ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb. Maar een ding doe
ik, vergetende hetgeen achter is, en strekkende mij tot hetgeen
voor is, jaag ik naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die
van boven is in Christus Jezus!" Pil. 3 : 13, 14. Ziet, dan zijn
wij gelijk aan een schoone roos in den vroegen morgenstond, geheel
en al opengegaan, bedekt met glinsterende dauwdroppen, rondom
zich een lieflijken reuk verspreidende; gelijk aan eene fontein, die
nu niet meer onder grond en klip verborgen is en slechts zachtjes
doorzijpelt, maar aan eene fontein, die goed open en schoongemaakt
is, waarin ook diepe gaten geboord zijn, waaruit het heldere frissche
water in sterke stroomen ontspringt! O, mochten wij altijd aan
zulk eene roos, aan zulk eene fontein gelijk zijn; en evenals de
roos een lieflijken geur rondom zich verspreidt, en de fontein water
uitgeeft tot vruchtbaarmaking des lands, o, mogen wij ook altijd
door den invloed van Gods Geest, door de genade van onzen Heere
Jezus Christus, alzoo den menschen aangenaam en Gode welbehagelijk
zijn, anderen ten zegen, door onzen godzaligen wandel, liefde en
godsvrucht! Dan alleen zullen wij ook bestendige vreugde voor
ons hart genieten; want het is goed nabij God te zijn! Alleen in
het houden van Gods gebod is de ware vreugde te vinden! Daarom
zegt ook de dichter in Ps. 19 : „ Wat is \'t vooruitzicht schoon;
Hij die op U vertrouwt, uw wetten onderhoudt, vindt daarin grooten
loon!" —
Maar, Geliefden, is dit wel altijd zoo met ons? Verkeeren wij
altijd in zulk een gelukzaligen toestand ? Ach, ik weet het, als uit
éenen mond moeten wij allen getuigen: „Helaas! het best van onze
beste dagen, baart dikwijls smart, geeft dikwijls stof tot klagen!"
Ps. 90. Is dit ook uw getuigenis, de ervaring van uw hart? Komt,
luistert dan eindelijk nog een paar oogenblikken naar eenige raad-
gevingen.
-ocr page 75-
VII.                                  DE VERWIJDING DES HAKTEN.                                     59
1.  Wilt gij die blijdschap aankweeken?
a.  Zijt dan ijverig in het lezen van Gods Woord, in ernstig en
waarachtig gebed, in het bezoeken van Gods huis. Of is zulk een
Woord voor ons niet meer noodig ? Waarlijk, ieder onzer, en ook de
allerbeste onder ons, moet toch nog maar met een der voornaamste
en vroomste leeraars der wereld bidden: „ Heere! ik ontdek een
schandelijke traagheid in mijne ziel, want als ik een kapittel in
uw Woord zal lezen, dan kijk ik eerst waar het eindigt; en
als het niet op deze zijde van het blad eindigt, dan kan ik het
niet laten om het blad om te slaan, om te zien of het kapittel
op de andere zijde eindigt; en als het zich uitstrekt tot vele
verzen toe, dan begin ik stillekens te murmureeren; gewisselijk,
mijn hart is niet recht voor U! O God! schroei en brand deze
traagheid uit mijne ziel! Want was ik waarlijk zeer hongerig naar
hemelsche spijze, dan zou ik niet murmureeren als Gij mij een
overvloed geeft. Geef dan dat het lezen van uw Woord mij geen
straf en last, maar een vermaak zij. En leer mij dat, gelijk als onder
vele stukken gouds het grootste stuk het beste is, — dat ik alzoo
ook het langste kapittel in uw Woord het kostelijkste en heerlijkste
moge achten!" Zoo mag een ieder van ons gerust den sluier voor
de ziel wegscheuren, zijn schuld belijden, om genade en verbetering
bidden, en dat niet alleen ten opzichte van het lezen van Gods
Woord, maar ook voornamelijk ten opzichte van het gebed en
het bezoeken van Gods huis! Want traagheid in dit opzicht is
even schadelijk als kokend water voor die schoone welriekende
roos, als klippen en grond geworpen in het oog van die fontein!
Door die middelen wil de Heere Jezus door zijnen Geest met ons
gemeenschap houden, ons levenssap geven; en naarmate wij dat
levenssap ontvangen, naar die mate zullen wij ook groeien en
bloeien in het huis van onzen God, naar die mate zal ook onze
vrede en vreugde toenemen.
b.   Maar sluit dan ook nooit uw hart voor de kinderen Gods;
want door de reine en lieflijke gemeenschap der heiligen wordt
onze vreugde zeer verhoogd!
2.   Wilt gij die blijdschap behouden? ,Bewaart dan uwe tong
van het kwade, en uwe lippen van bedrog te spreken. Wijkt af
van het kwaad, en doet het goede; zoekt den vrede, en jaagt dien
-ocr page 76-
60                                     DE VERWIJDING DES HARTEN.                                  VII.
na!" „God ziet de vromen en hun beê geeft Hij altoos gehoor!"
Wacht u dan zelfs voor de kleinste zonden; want een doode vlieg
doet de zalf des apothekers stinken! Ziet dan toe, dat gij die
kleine vossen der zonde zelfs niet in den verborgen wijngaard
van uw hart voor een oogenblik toelaat, — of het is met uw
blijdschap en vreugde voor een tijd, — en misschien voor een
langen tijd gedaan! En berouw en smart worden dan uw deel! Want
waarlijk, God is Israël goed, maar alleen voor hen die rein zijn
van gemoed! Doch, daar wij van en uit onszelven daartoe gansch
onbekwaam zijn, laat ons dan toch gedurig en ernstig waken en
bidden: „Leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij van den
booze!" En ook als David: „Heere, verwijd toch mijn hart, opdat
ik in den weg uwer geboden mag loopen. Bidt dan, Geliefden,
voor u en voor ons allen; eischt vrijmoedig op Gods trouwver-
bond! Dit voorrecht heeft God zijn volk gegeven door onzen Heere
Jezus Christus!
Bidt ook gij alzoo, Geliefden, gij die deze ware en zalige vreugde
nog niet kent; neemt dit éene woord toch eens mede in uw hart,
en peinst daarover na: „Wie God verlaat, heeft smart op smart
te vreezen; maar wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich
omringd met zijn weldadigheên!" Leest eens met diepen ernst en
aandacht het lste en 2de vers van Ps. 68, en kiest u een deel;
kiest het deel der vromen, en God zal u verzadigen met vreugde
hier en eeuwiglijk daarboven! Zoo doe de Heere aan een iegelijk
van ons uit genade!
Amen!
Te zingen Ps. 19 : 6.
Een paar opmerkingen.
1.| „Verwijding des harten," kan ook zien op tijdelijke uitred-
ding en verruiming.
2. [David leert ons met het woord van onzen tekst o. a. ook
nog hoe wij bidden moeten; namelijk, dikwijls ook met het doen
van geloften; vele voorbeelden worden daarvan in de Schrift gevon-
den. Maar als gij het doet, ziet dan toe dat gij uwe geloften
houdt, want God laat zich niet bespotten!
-ocr page 77-
VIII.
DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.
Te zingen Ps. 33 : 1.
Te lezen Luk. 16 : 19 tot het einde, en Openb. 21 : 21 tot 22 : 7.
Te zingon Ps. 65 : 3.
Voorafspraak.
„Mijne ziel sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij
gelijk het zijne!" Num. 23 : 106.
Zoo roept Bileam uit in een oogenblik van verrukking des gees-
tes, en dat zeker uit den diepsten grond des harten; want met
een verhelderd oog aanschouwt hij het zalig geluk der oprechten
beide in leven en sterven. Geen wonder dat hij voor zichzelven
zulk een einde begeert, maar geen wonder ook dat hij nochtans
verkiest maar voort te leven als een goddeloos profeet, bevoor-
recht zelfs met goddelijke openbaringen, en door de heidenen juist
daarom des te hooger gewaardeerd. Geen groot wonder, zeg ik,
want zoo is de mensch van nature; en heden nog wordt het
voorbeeld van Bileam door duizenden gevolgd. Als een oprechte
sterven, dat is zoo begeerlijk, dat willen zij ook, o, zoo gaarne.
Maar als de oprechten te leven, zelfs de gedachte daaraan ver-
achten zij in het diepst van hunne ziel! Mocht het heden in deze
ure voor een iegelijk onzer recht duidelijk worden, dat wij tevergeefs
met een Bileam zuchten, wenschen, begeeren en bidden zullen om
het zalig einde des oprechten, zoolang wij ook met hem ons
goddeloos, boos en ondankbaar leven niet laten varen. Eén van
twee: alles verlaten om Jezus\' wil, en zalig worden, — of alles
behouden, en Jezus verwerpen, om voor eeuwig verloren te gaan!
-ocr page 78-
VIII.
02
DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.
Kiest u dan heden wien gij dienen zult.\' Maar ziet toe hoe gij
kiest, — de eeuwigheid is daarmede gemoeid!
Laat ons bidden.
Te zingen Ps. 119 : 24 of 34 : 8.
Tekst Matth. 13 : 44: „Wederom is het koninkrijk der hemelen gelijk aan een schat,
in den akker verborgen, welken een mensch gevonden hebbende, verbergde dien, en
van blijdschap over denzelven, gaat hij heen on verkoopt al wat hij heeft, en koopt
dienzelven akker!"
De gebeurtenis, waarop deze gelijkenis gegrond is, was zeer
gemakkelijk te veronderstellen. In die oude woelige tijden, toen
daar nog geen bank of dergelijke inrichting bestond, was de aarde
de eenige veilige bank, waarin men zijn geld of schatten kon be-
waren. Zoo gebeurde het dikwijls dat iemand heimelijk een grooten
schat van goud en zilver en edelgesteente in den schoot der aarde
verborg, en die schat bleef daar menigmaal jaren en eeuwen lang
verborgen; omdat de eigenaar misschien plotseling door den dood
werd weggenomen en zijn geheim met hem ten grave daalde; of
omdat hij in den oorlog sneuvelde; of als een gevangene ver-
dreven en verbannen werd, om in een ver en vreemd land zijn
graf te vinden. Jaren of eeuwen daarna wordt die schat, misschien
ongezocht, door een ander ontdekt.
Zoo zien wij ons dit in deze gelijkenis voorgesteld. Een land-
man gaat uit om te ploegen; jaren of eeuwen heeft die akker
wellicht woest gelegen; of, om den grond opnieuw vruchtbaar te
maken, drijft hij de ploegschaar diep in de aarde; opeens, terwijl
hij daar nog zoo langzaam en in gedachten achter de ossen loopt,
klinkt de ploegschaar tegen metaal; en als hij omziet, hoe ver-
baasd staart hij de zwarte ploegvoor aan, bestrooid met stukken
goud en glinsterende door den glans van de allerkostbaarste juwee-
len! Den ploeg verlaat hij, — hij zinkt op de knieën neer! — hij
is gelukkig! Maar het wordt gevaarlijk zoolang daarbij te knielen:
haastig werpt hij alles toe; ijlings keert hij huiswaarts terug ; niets
van zijn vreugde laat hij merken, maar hij verkoopt alles wat hij
bezit, ja hij zou het beddegoed van onder zijne kinderen uitgerukt
hebben, indien het niet anders kon, om dien akker te koopen. Laat
het kosten wat het wil, dien akker moet hij hebben. Hij koopt
hem; en o, welk een verbazende verandering, — hij kan het nau-
-ocr page 79-
VIII.                       DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.                            63
welijks gelooven; van arm wordt hij rijk; van ongeëerd zeer hoog
geëerd; eens veracht, nu wordt hij benijd; nu ook geen bitteren
arbeid en gesukkel meer; hij leeft in gemak en overvloed.
I.
Zoo worden wij allereerst in deze gelijkenis gewezen: o p d e
onschatbare waarde van Gods genade, waardoor wij
al de schatten van Gods koninkrijk deelachtig worden.
In deze zondige wereld wordt er menigmaal met verachting
neêrgezien op armoede, en de arme als het uitvaagsel des mensch-
doms gerekend; en de eer wordt aan rijkdom gegeven, waarop
de deugd alleen aanspraak heeft. En in zulk eene wereld behoedt
een goede bezitting een mensch tegen verachting, en rijkdom
verleent hem toegang tot de hoogste kringen der maatschappij.
En toch zijn de voorrechten nog veel hooger en kostelijker, die
de schatten van Gods genade aan den mensch geven, die arm naar
de wereld, rijk is in God. Den nederige richten zij op uit het stof,
om hem tezamen met den nooddruftige te verhoogen en te doen
zitten bij de prinsen; ja, Gods genade verleent hem toegang tot de
tegenwoordigheid van de allerhoogste Majesteit, in het paleis des
grooten Konings; tot het gezelschap der engelen en de gemeenschap
der heiligen; „tot de algemeene vergadering en de gemeente der
eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn;" tegenover
dewelken de grootste koningen der aarde nietige aardwormen zijn,
want zij zijn met hen niet te vergelijken, noch in deugd of waardig-
heid, noch in rijkdom, eer en heerlijkheid!
En wederom: die rijk is, kan en mag in een groot en prachtig
huis wonen, maar eenmaal moet dat groote huis verwisseld worden
met het kleine nauwe graf. Die rijk is, kan het lichaam voeden
met de smakelijkste lekkernijen, en toch wordt het lichaam voor
wormen toebereid. Die rijk is kan glinsteren, door het licht van
duizend diamanten omstraald, en toch moet de drager van zulk
een vroolijke, schoone en streelende gedaante ook eens in het graf
gelegd worden, het verderf ten prooi! Ach, wat is dit alles dan
zonder een deel aan Gods genade ? Neen, indien ik tusschen beiden
kiezen moest, ik koos de schatten van Gods gerechtigheid; dan is
-ocr page 80-
64                            DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.                       VIII.
hemelseh manna mijn brood; Gods liefde mijn wijn; de arm van
Christus mijn hoofdkussen ; en mijn sterkte de rechterhand van Gods
almacht; mijn eeuwig huis het hemelseh Jeruzalem, met straten
van goud en poorten van paarlen; daar ruischen de harpen der
engelen; en het feestgewaad der verlosten, van Jezus\' gerechtigheid
gewrocht, blinkt schooner dan het kleed eens engels!
Nog eens: iemand die insolvent is wordt door een of ander geluk in-
staat gesteld om zijne schulden te betalen; was daar een klad op
zijn eer, nu verbleekt en verdwijnt die geheel en al; was zijn eer
volkomen onbesproken, dan wordt hij nu toch verlost van een
last, die een eerlijk man bitter zwaar op het harte weegt. Nu
vreest hij die groote bewijzen en lange rekeningen niet meer;
elkeen ziet hij manmoedig in het aangezicht; en als hij zijn schuld-
eischers bijeen roept om hen te voldoen, dan wordt hij een gelukkig
man gerekend, zij prijken en roemen hem als een eerlijk man.
Maar hoe gelukkig en hoe hoog zal dan niet de mensch, de
oneindig schuldige zondaar, geroemd worden, die den schat van
Gods genade deelachtig wordt? Oordeelt voor uzelven, Geliefden!
Aldus verrijkt betaalt de zondaar schulden, — schulden, die het
allergrootste getal van cijfers ons niet kan voorstellen, ja een schuld,
die door een gansche eeuwigheid in de smarten der hel niet kan
uitgedelgd worden! Met Christus\' zoenverdiensten voldoet hij aan
Gods gerechtigheid; met een kwijtbrief door het bloed van Gods
Zoon verzegeld, kan hij mensch en engel in het aangezicht zien;
ja verschijnen niet alleen in de tegenwoordigheid der heilige engelen,
maar zelfs in de tegenwoordigheid van den alleen volmaakt heiligen
God; daar kan hij dan staan, veilig tegenover het geweten en de
wet, veilig tegenover dood en hel, om in triomf te vragen: „Wie
is het die verdoemt? God is het die rechtvaardig maakt!"
Is dit niet genoeg, Geliefden, om een ieder onzer in waren ernst
te doen uitroepen: Waarlijk, God alleen is het hoogste goed! God
alleen, met al de oneindigheid van zijn barmhartigheid en vergeving,
vrede, rust en zaligheid, genade, gunst en zegen, tijdelijk en geeste-
lijk! Zoodat het niet te veel is om met den dichter van Ps. 78 uit
te roepen: „Wien heb ik nevens U in den hemel? Nevens U lust
mij ook niets op de aarde. — Bezwijkt mijn vleesch en mijn hart,
zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid !"
-ocr page 81-
VIII.                       DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.                            65
Of wilt gij mij het nog niet toestemmen? Let dan nog op een
voorbeeld. — In London staat een huis, dat dag en nacht goed
bewaakt wordt; door tal van goed beschermde gangen wordt gij
in eene binnenkamer geleid, welker muren van ijzer gemaakt
zijn. Rondom u ziet ge groote hoopen gelds, niet duizenden, maar
millioenen ponden, den schat van een groot, volk, den prijs van
kronen en koninkrijken! Gij zijt in de sterkste kamer van de Bank
van Engeland, een van de wonderen der aarde. Neemt nu eens
het armste kind van God, bijvoorbeeld, een arbeider in een van de
diepste mijnen der aarde! Daar is hij gedurig aan het allergrootste
gevaar blootgesteld ; elk oogenblik kan hij door het water verdron-
ken worden, door vuur verteerd, door gas verstikt, of in de inge-
wanden der aarde voor altijd begraven door instortende rotsen en
riffen ! Neemt hem en brengt hem in het midden van die hoopen geld,
en biedt hem al die schatten aan, als prijs voor dien éenen schat,
dien hij in het harte draagt. .Gewis," zegt iemand misschien, „hij zal
zeker niet zulk een dwaas zijn, dat hij zulk een offer van de hand zou
wijzen!" Ik zeg u, zulk een dwaas zal hij zijn, een dwaas bij de
wereld, een wijze voor God; voor éen oogenblik mag het streelend
voor zijn oog schitteren, — nog éen oogenblik, en het wordt dof
en nietig bij den glans van zijn hemelsch goed! „Ga achter mij,
Satan !" zoo spreekt hij; — of: „Uw geld zij met u ten verderve !" —
En als hij uitgaat dankt hij God voor zijn grof brood en armoedig
huisje, waarbij en waarin hij vrede met God geniet, en in zijn hart
vraagt hij: „Wie zal mij scheiden van de liefde van Christus?
Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naakt-
heid, of gevaar, \'of zwaard?" — Niets, noch dood, noch leven,
noch hoogte, noch diepte! Heere, „zet mij als een zegel op uw
hart, als een zegel op uwen arm; want de liefde is sterk als de
dood; de ijver is hard als het graf; hare kolen zijn vurige kolen;
vlammen des Heeren! Al gaf iemand al het goed van zijn huis voor
deze liefde, men zou hem ten eenemaal verachten !" Hooglied. 8 : 6, 7.
Geliefden, wat wij u raden, ziet toe dat deze schat uw eigen-
dom wordt, eer dat hij eenmaal onbereikbaar hoog boven uwe
hoofden hangt, nog oneindig heerlijker, omdat gij dan naar hem
zult opzien van uit de duisternis der hel!
5
-ocr page 82-
66
VIII.
DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.
IL
Maar wat dan onverkrijgbaar voor uw oog zal blinken, is nu
nog misschien voor u verborgen. Verborgen, — zeg ik, want zoo
zegt de gelijkenis ons in de tweede plaats: dat die schat in
den akker verborgen was.
Zoo was het met de diamanten, en ook wéér met het goud in
de Transvaal. Hoeveel hooren, hoeveel zien wij thans niet van de
goudvelden, en vooral van Johannesburg. En toch kan het zijn dat op
dezelfde plaats, waar het groote en rijke Johannesburg nu staat,
eenige jaren geleden heel iets anders te zien was; waart ge toen
daar gekomen, wat zoudt gij gezien hebben? Misschien een armen
man, tevreden om honderd schaapjes dagelijks te weiden, heel
tevreden met een stuk of wat beesten, een zeer ouden ossenwagen
en een hartebeesthuis; en dat terwijl hij dagelijks wandelde op
tonnen gouds, en menigmaal daar bijna over struikelde, maar
nog zonder het op te merken. Een groote schat ligt daar onder
zijne voeten verborgen, maar hij weet daar niets van en geniet
er dus \'ook niets van.
En zoo gaat het nog heden met duizenden in een geestelijk
opzicht, \'t Is uw beeld, onbekeerde, die toch maar niets in God
en godsdienst kunt zien, dat boven alles te begeeren is, en alles
zoekt in het goud en de ijdele vreugd der wereld! En zoo is het,
niet alleen omdat gij een natuurlijk mensch zijt, van wien Paulus
zegt: „De natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Gees-
tes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet
verstaan, omdat zij geestelijk onderscheiden worden!" — Maar
\'t is ook omdat „de God dezer eeuw uwe zinnen verblind heeft!"
O, indien God u heden de heerlijkheid van die geestelijke schat-
ten voor de oogen deed schitteren, als het goud voor de oogen
van dien man in de gelijkenis, dan keert gij weldra huiswaarts,
oneindig gelukkiger dan de allerrijkste goddelooze op de gansche
aarde! Want in dit éene Bijbelboek heeft de Christen een grooter
schat dan in al de kostbaarste schatten van de geheel e schepping
bijeenvergaderd!
-ocr page 83-
VIII.                      DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.                              67
III.
En, Gode zij dank! de Heere doet dit voor menigeen, die het niet
eens begeert en het nog minder zoekt. De gelijkenis toch doet ons
in de derde plaats zien: dat die man den verborgen schat
vond, zonder dat hij hem zocht.
Zacheüs zoekt Jezus uit nieuwsgierigheid te zien, en hij vindt
een verborgen schat aan de voeten van Jezus. De Samaritaansche
vrouw gaat water putten naar gewoonte, en zij vindt bij Jezus
het water des eeuwigen levens! En zoo gaat het nog menigmaal.
De éen gaat naar Gods huis met geen ander doel dan om te zien
en gezien te worden, en vindt een Heiland, dien hij niet zocht.
Een ander gaat daarheen uit nieuwsgierigheid om een prediker te
zien en te hooren, en wordt door den Meester des predikers on-
weêrstaanbaar tot bekeering geroepen en gebracht. Een derde gaat
daarheen, misschien met een booze bedoeling, en moet daar met
een Paulus op den weg naar Damaskus uitroepen: „Wie zijt gij,
Heere! Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?" Ja dien verborgen
schat vindt de éen op het krankbed, een ander bij het lijk van
een dierbaar pand, of in het donker graf van het dierbaarste dat
hij of zij op aarde bezat! Geliefden, hoort wat de Heere u hier toe-
roept: „Zeg niet in uw hart: wie zal in den hemel opklimmen?
of, wie zal in den afgrond nederdalen? Nabij u is het woord, in
uwen mond, en in uw hart. Dit is het woord des geloofs dat wij
prediken. Namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den
Heere Jezus, en met uw hart gelooven, dat Hem God uit de dooden
opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden. Want met het hart
gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men
ter zaligheid!" — Zoekt dezen schat dan boven al wat te zoe-
ken is!
Of zou deze schat van Gods genade zooveel moeite niet waar-
dig zijn?
IV.
De gelijkenis leert ons iets anders. Wij merken eindelijk op:
dat die man alles deed wat hij maar kon om den ge-
vonden schat zijn schat te kunnen noemen.
-ocr page 84-
68                           DE SCHAT IN EEN AKKER VERBORGEN.                       VIII.
Die man verbergt dien schat, opdat niemand anders hem moge
zien voordat hij zijne is; „en van blijdschap over [denzelven,
gaat hij heen en verkoopt alles wat hij heeft, en koopt dienzelven
akker!"
Ach, wat zijn wij menigmaal toch zoo weinig gelijk aan dien man!
Vader kunnen wij verlaten, en moeder, en echtgenoot en kinderen,
ja huis en haard en goed en bloed, om naar de goudvelden heen
te snellen, en naar de diamantmijnen; en daar kan men dag en
nacht arbeiden, schande verdragen, en geen moeite of kosten ontzien,
en honger en armoede lijden, om toch een deel van die schatten
te verkrijgen, aardsche, vergankelijke schatten; maar wie doet dit
om dien geestelijken schat te verkrijgen? En toch alleen door dezen
schat kunnen wij ons leven redden voor tijd en eeuwigheid. En
hierbij komt ook nog de heerlijke belofte: „Voorwaar zeg Ik
ulieden, er is niemand die verlaten heeft huis, of broeders, of zusters,
of vader, of moeder, of vrouw, of kinderen, of akkers, om mijnentwil
en des Evangelies wil, of hij ontvangt honderdvoud nu in dezen
tijd, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven!" Geliefden,
wat hinkt gij dan nog op twee gedachten, wat draalt gij nog, wat
zegt gij nog: „Een weinig slapens, een weinig sluimerens,"—daar
is geen oogenblik tijd meer! De dood is achter u, en is zoo onzeker
dat wij als het ware met een Lot in Sodom leven, dat over weinige
oogenblikken door de vlammen moet verteerd worden ! Geloovigen,
waakt dan en houdt hetgeen gij hebt, opdat niemand uwe krone
neme! En nog zendt de Heere zijne engelen om ons tot vluchten
aan te drijven. O gij, die nog in het Sodom der zonde vertoeft,
haast u dan om uws levens wil naar het gebergte heen; als die enge-
len, willen wij u heden bij de hand nemen om u tot Jezus te leiden,
om te ontvangen een schat in den hemel, den hoogsten, den besten
schat, die blijft tot in eeuwigheid! Wilt gij niet? — Vergaat dan
met Sodom! En uw wereldliefde, en zondelust, en uw goed en
geld zij u ten verderve! Neen, — Geliefden, liever bidden wij
den Heere dat H ij u genadig zij en uwe zielen redt van den dood!
Amen!
Ps. 73 : 13.
-ocr page 85-
IX.
DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.
Te zingen Ps. 67 : 3.
Te lezen Markus 12 : 13 tot liet einde.
Het gebed.
Te zingen Ps. 32 : 3 of 116 : 10, 11.
Tekst Mark. 12 : 41—44.
En Jezus, gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de
schatkist; en vele rijken wierpen veel daarin.
En er kwam een arme weduwe, die twee kleine penningen daarin wierp, hetwelk
is een oort.
En Jezus, zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar, Ik
zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen, die in de schatkist
geworpen hebben.
Want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen; maar deze heeft van
haar gebrek, al wat zij had daarin geworpen, haar ganschen leeftocht.
Wat ons hier verhaald wordt gebeurde op den derden dag van
de laatste week van \'s Heeren leven.
Deze gebeurtenis, Geliefden, leert ons een ernstige waarheid, en
wel deze: dat de schatkist des Heeren een toetssteen is van des
menschen vroomheid en godzaligheid.
Gedurende zijne omwandeling op de aarde heeft de Heere Jezus
de menschenkinderen gadegeslagen in al hunne toestanden en in
al hunne handelingen; en vooral zeker in de uitoefening van den
godsdienst.
De Joden waren een godsdienstig volk. En nu zegt Markus ons
hier, dat de Heere Jezus tegenover de schatkist ging zitten om te
zien hoe de tempelgangers geld daarin wierpen, om daaraan de
waarachtigheid van hun godsdienst ook te beproeven, en die proeve
-ocr page 86-
70
IX.
DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.
voor ons na te laten tot onze vermaning en tot onze onderrichting.
Er is dan ook voor ons veel te leeren uit deze gebeurtenis.
En wel allereerst:
I.
Dat God een schatkist heeft in zijne Kerk.
De Heere geeft ons hier op aarde vele en vele soorten van be-
zittingen, om die te gebruiken en om die te genieten. Van al die
bezittingen is het geld de vertegenwoordiger geworden, daarmede
wordt handel gedreven en daardoor gaat eene bezitting gemakke-
lijk over van den een tot den ander. Maar hoog boven alle tijdelijke
bezittingen, die God ons gegeven heeft, staat er een voorrecht,
het voorrecht om God te dienen — de zuivere en onbevlekte gods-
dienst voor God en den Vader! En al was de mensch ook zonder
zonde, ja volmaakt heilig geweest, dan zou de godsdienst toch
voor hem een heerlijk en hemelsch voorrecht geweest zijn ; hoeveel
te meer nu niet, nu hij een arme zondaar is. Maar gelijk als
alle tijdelijke bezittingen en zaken kostbaar zijn en met kosten
gepaard gaan, zoo ook de godsdienst! De dienst des Heeren is
dierbaar en kostbaar in zijne oogen. En daarom zal de Heere het
noodige voor zijnen dienst geven en de onkosten dragen, als wij niet
kunnen. Maar, Geliefden, als wij kunnen, als de Heere ons daartoe
kracht en vermogen schenkt, waarom zouden wij het dan niet
dragen? Is dit dan niet onze dure roeping en verplichting? Wat
meer is, eert God ons dan niet buitenmate zeer wanneer Hij ons
daartoe verkiest en roept, wanneer Hij het van onze hand wil
aannemen? En wordt de ware gezindheid van ons hart dan niet
daardoor beproefd en geopenbaard? O, Geliefden, laat het ons
dan een heerlijk voorrecht zijn, dat de Heere ook uit onze hand
gaven voor zijnen dienst wil aannemen, ja laat het ons een heer-
lijk voorrecht zijn om offers op het altaar des Heeren aan te bren-
gen! Maar laat ons dit altijd daarbij in het oog houden, dat elke
wijze niet goed is!
-ocr page 87-
IX.                                 DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                                   71
II.
Deze gebeurtenis toch leert ons: dat dit gedaan wordt in
zeer verschillende mate, en uit zeer verschillende
beweegredenen! De regel, dien God daarvoor gesteld heeft, is
deze: elkeen naar zijn vermogen! Dit beginsel heeft de Heere zeer
duidelijk vastgesteld en verklaard. In Lev. 5 : 7, 11, wordt er
gezegd: „Maar indien zijne hand zooveel niet bereiken kan, als
genoeg is tot een stuk klein vee, zoo zal hij tot zijn offer, voor
de schuld, die hij gezondigd heeft, den Heere brengen twee tortol-
duiven, of twee jonge duiven. Maar indien zijne hand niet reiken
kan aan twee tortelduiven, of twee jonge duiven, zoo zal hij, die gezon-
digd heeft, tot zijne offerande brengen het tiende deel van eene efa
meelbloem ten zondoffer." Zoo vraagt de Heere dan van ons naar
dat Hij ons gezegend heeft, en naardat iemand heeft en bezit. Niemand
mocht ledig voor het aangezicht des Heeren verschijnen. Daar
waar de Heere Jezus bij de schatkist van den tempel zit, daar
gaan de tempelgangers voorbij, en daar wordt ingeworpen van het
grootste goudstuk, wel drie guineas waard, tot op het kleinste
koperstuk van de arme weduwe, slechts driekwart van een farthing
waard! Maar niet een gaat daar voorbij met een ledige hand. En
zoo verschillend als die geldstukken zijn, zoo verschillend zijn
menigmaal ook de beweegredenen waaruit die geldstukken in de
schatkist ingeworpen worden. Velen geven uit dwang en nood-
zakelijkheid; zij zouden niet geven, als zij niet verplicht waren
om te geven. Anderen geven uit een gevoel van eerlijkheid; als
zij niet geven, en niemand wil geven voor de schatkist des Heeren,
dan moet schuld en schande daarop volgen; en om dit te voor-
komen geven zij hunne gaven. Anderen geven uit hoogmoed en
eigengerechtigheid, die zij zelfs voor God niet verbergen. In den
tempel staande en biddende zegt de farizeër: „Ik geef tienden
van alles wat ik bezit!" Velen geven uit gewoonte, maar velen geven
ook uit ware liefde en dankbaarheid, met een heilige blijdschap en
vreugde; het is hun een heerlijk voorrecht en zij vinden ook
daarin hun vermaak en lust, om den Heere met hunne gaven te
dienen en te eeren; gelijk als Maria met de nardusflesch; gelijk
als die arme weduwe, waarvan de Heere Jezus zegt: „Deze arme
-ocr page 88-
72                                   DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                                 IX.
weduwe heeft meer ingeworpen dan allen; van haar gebrek, al
wat zij had, ja haar ganschen leeftocht!"
III.
En door dit te zeggen toont de Heere Jezus: dat Hij er
op let hoe wij zijn schatkist behandelen en daaraan
toetst Hij onze liefde jegens Hemzelven. De godsdienst
is de hoogste en heiligste verrichting van den zondaar, en daarom
behooren de gaven en de offers voor den godsdienst ook de beste
en de rijkste te wezen. God vraagt niet een deel, niet veel van
onze liefde, maar al onze liefde, onze hoogste en heiligste liefde!
Hij is jaloersch over zijne eer! Hij vraagt onze beste bezittingen!
Daarom heeft de Heere ook tot Tsraël gezegd door den profeet
Maleachi (1 : 8): „Als gij wat blinds aanbrengt om te offeren, het
is bij u niet kwaad; en als gij wat kreupels en kranks aanbrengt,
het is niet kwaad. Brengt dat toch uwen vorst; zal hij een wei-
gevallen in u hebben; of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt
de Heere der heirscharen."
Daar zit nu de Heere Jezus zelf bij de schatkist van zijn huis ;
Hij ziet de tempelgangers voorbijgaan, éen voor een; en Hij slaat
hen nauwkeurig gade
         niet omdat Hij hunne of onze gaven
noodig heeft. Maar woorden en daden en giften openbaren en
bewijzen en bevestigen onze liefde; wij beproeven de liefde van
onze vrienden aan hunne woorden, aan hunne daden en giften.
Zoo ook doet de Heere Jezus — Hij daagt ons uit om Gods
liefde eens te toetsen en te beproeven als Hij zegt door Johannes:
„AIzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eeniggeboren
Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet
verderve, maar het eeuwige leven hebbe!" En wederom door Paulus,
2 Cor. 8:9: „Want gij weet de genade van onzen Heere Jezus
Christus, dat Hij om uwentwil is arm geworden, daar Hij rijk was,
opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden!" En alzoo beproeft
de Heere Jezus ook onze liefde. Van die groote zondares, die
zijne voeten kuste en zalfde in het huis van Simon, den farizeër,
zeide Hij: „Zij heeft veel liefgehad," en van deze arme weduwe:
„Voorwaar Ik zeg u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen
heeft dan allen, die in de schatkist geworpen hebben!"
-ocr page 89-
IX.                                DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                                   73
Alzoo verwacht de Heere van een iegelijk onzer bewijzen van
onze wederliefde en dankbaarheid!
IV.
Alzoo toetst de Heere Jezus ons aan de gaven die wij voor zijnen
dienst geven. En nu laat deze gebeurtenis ons ook nog verder zien.
naar welken maatstaf de Heere Jezus die gaven waardeert.
De Heere Jezus waardeert onze gaven in vergelijkin g
met hetgeen wij nog behouden! Niet de grootheid van de
som. die de arme weduwe geeft, maar het beginsel, de beweegredenen
waaruit zij haar oortje geeft, dit doet haar oortje bij Jezus oneindig
hooger in waarde klimmen dan zelfs het grootste goudstuk van
den rijksten tempelganger, die zijn goudstuk uit een verkeerd
beginsel geeft. De beweegreden, waardoor de arme weduwe haar
oortje geeft, vernietigt alle gedachte aan verdienste of wederver-
gelding, doet elke gedachte aan winst of gebrek verdwijnen; dit
maakt het geven voor haar een voorrecht, een vreugde! Aan God
geeft zij het hart, de vurigste liefde van geheel het hart, en als
een bewijs daarvan geeft zij voor zijn schatkist geheel haren
leeftocht! Maar, Geliefden, het is Jezus niet zoozeer te doen om
ons goud en ons zilver; neen, Hij wil uw hart hebben, uwe liefde,
uzelven geheel en al! Dit is zijne begeerte, zijn bevel, zijn recht.
Zijn recht als uw God, zijn recht als uw Heiland en Verlosser!
Hij wil als Koning heerschen in uw hart en over alles wat gij
zijt en hebt. En ons goud en zilver vraagt Hij alleen als een bewijs
dat wij Hem als Koning van ons hart en Heer van onze schatten
erkennen! Daarom zegt Hij ook: „Geeft dan den keizer, dat des
keizers is, en Gode wat Godes is!"
1. En deze wijze van waardeering is overeenkom-
stig ons gezond verstand en onze dagelijksche on-
der vin ding.
Van een kind verwachten wij nooit wat alleen een man kan
doen. Een kleine gedachtenis van een armen vriend is voor eiken
rechtgeaarde en weldenkende net zoo goed en net zoo groot van
waarde, als een prachtig en duur geschenk van een rijken vriend.
-ocr page 90-
74                              DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                             IX.
2. Deze wijze van waardeering komt overeen met
onze algemeene handelwijze omtrent onze tijdelijke
belangen.
Naar ons vermogen geven wij gewilliglijk ons geld voor alles
wat voor ons noodig en nuttig en genoeglijk en aangenaam is. De
ware patriot betaalt gewillig de belasting van zijn land. De man,
die trouw is aan zijne echtgenoote, zorgt voor haar naar het beste
van zijn macht en kracht. De vader, die zijne kinderen teederlijk
bemint, zorgt voor hen naar het beste van zijn vermogen\' En zal
een Christen dan niet zorgen voor den dienst van zijn God en de
eere van Jezus Christus ? Daarom klaagt de Heere over Israël en
zegt door Jesaja: „Doch gij hebt Mij niet aangeroepen, o Jakob!
Mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en
met uwe slachtofferen hebt gij Mij niet geëerd. Maar gij hebt
Mij arbeid gemaakt met uwe zonden, en gij hebt Mij vermoeid met
uwe ongerechtigheden!" Jes. 43 : 22—24 en Jer. 7 : 18.
Deze wijze van waardeering stemt overeen met de
algemeene eischen van Gods Woord.
De oprechtheid, de gehoorzaamheid en het vertrouwen van
Adam en Eva heeft God getoetst en beproefd aan den verboden
boom. En de Heere Jezus toetst menigmaal onze gehoorzaamheid,
en liefde, en vroomheid aan zijn schatkist. En daardoor wil Hij
ons leeren om belang in zijn werk te stellen; en daardoor verheft
Hij het hart boven een zondig kleven aan geld en goed; en daar-
door wekt Hij onze dankbaarheid op, en bevordert en volmaakt
de toewijding van ons hart en van ons alles aan zijn dienst!
Ziet maar eens op Israël; Israël moest de tienden van alles
geven, en bovendien moest er nog een schatkist gesteld
worden om een tabernakel te bouwen, Exodus 35 en 36; en David
richt een schatkist op om een tempel te bouwen, 1 Kron. 29; en
koning Joas richt een schatkist op om den tempel te herstellen
2 Kon. 12 : 1, 9. En een blijvende schatkist wordt er in den
tempel gesteld om de gaven van het volk te ontvangen, als zij
naar Jeruzalem opkwamen om den Heere te dienen. En door
Haggaï en Maleachi klaagt de Heere dat zijn volk de tienden
achterhoudt! Hagg. 1 : 1—6, Mal. 3 : 7 en 8.
En zeer opmerkelijk is het, Geliefden, zoolang als Israël trouwe-
-ocr page 91-
IX.                                 DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                                   75
lijk die geboden des Heeren gehoorzaamde, en trouwelijk zorgde
voor zijn dienst, zoolang was Israël ook rijk en gezegend; maar
zoo spoedig als zij de tienden achterhielden, en het huis en den
dienst des Heeren verwaarloosden, werden zij verarmd en
gestraft!
Evenzoo is er ook een schatkist in de Kerk van Christus ge-
steld. Zulk een schatkist was er in Gods Kerk toen de Heere
Jezus op de aarde omwandelde. Johannes zegt: „Deze woorden
sprak Jezus bij de schatkist, leerende in den tempel!" Joh. 8:20.
Markus zegt in onzen tekst: „En Jezus, gezeten zijnde tegenover
de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist!" En
hebben de Joden, die bekeerd werden tot het Christendom, hebben
zij ook niet die gaven en offers naar de schatkist van Jezus\' Kerk
gebracht, die zij gewoon waren naar de schatkist van den tempel
te brengen? Hand. 2 : 42; 4 : 34—37; 5 : 3; 6 : 1; 11:27—30;
1 Cor. 16 : 2; 2 Cor. 8 : 9.
Israël moest de tienden van alles geven en daarenboven
was daar ook nog dit bevel des Heeren in Deut. 16 : 16, 17:
„Driemaal in het jaar zal alles wat mannelijk onder u is, voor
het aangezicht des Heeren, uws Gods, verschijnen, in de plaats,
die Hij verkiezen zal; maar het zal niet ledig voor het aange-
zicht des Heeren verschijnen. Een ieder naar de gave zijner hand,
naar den zegen des Heeren, uws Gods, dien Hij u gegeven heeft!"
Tot tweemaal toe zegt de Heere zeer nadrukkelijk en ernstig in
Exodus: (23^: 15 en 34 : 20) „Men zal niet ledig voor mijn
aangezicht vekschijnen!" En Paulus zegt in 1 Cor. 16 : 2: „Op
eiken eersten dag der week legge een iegelijk van u iets
bij zichzelven weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welva-
ren verkregen heeft!" — Aldus spreekt Paulus waar hij handelt
over de inzameling, die voor de heiligen geschiedt. Laat ons hieraan
toch ernstiglijk denken, wanneer wij op onze plaatsen zijn en niet
op \'t dorp zijn om daar onze gave in de armbeurs te werpen; laat
een ieder dan op zijn plaats eiken Zondag zelf iets wegleggen, om
ter geschikter tijd het aan zijn diaken te geven of zelf in de
armbeurs te werpen. Laat ons toch aan bovengenoemde woorden
van den Heere in Exodus, van Paulus in 1 Cor. 16 : 2 zeer
ernstiglijk denken, wanneer wij zoo makkelijk bij de armbeurs
-ocr page 92-
76                                  DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                                 IX.
voorbijgaan, zonder daar eene gave naar ons vermogen in
te werpen.
Niemand mocht dus ledig voor het aangezicht des Heeren
verschijnen. Waarlijk, als iemand mocht verschoond worden,
dan was het deze arme weduwe; als er ooit iemand was die
zich met recht en reden, menschelijker wijze gesproken, kon
verontschuldigen, dan was het deze arme weduwe! Maar neen,
de Heere oordeelt anders, en ook die arme weduwe gevoelt en
handelt anders. Zij had God zoo lief en ook zijn tempel. Daar-
heen moet zij opgaan, want haar hart brandt naar de voorhoven
des Heeren, haar vleesch en hart roepen uit tot den levenden
God. Maar een offer moet zij geven, en zij heeft slechts een
oortje, en niets op aarde meer! Maar de taal van haar hart
is: mijn alles, mijn laatste zal ik den Heere geven! En zij geeft
het! En wie kan nu haar oprechtheid in twijfel trekken; en de
waarachtigheid van haar liefde en geloof? Menigeen zal hier wel
zeggen en vragen: Ja, dit is alles goed en wel, maar heeft die
weduwe nu daarmede verstandig en voorzichtig gehandeld? Moest
zij niet liever een stukje brood gekocht hebben voor haar laatste
oortje, voor haar of haar arme kinderen? Daaraan dacht z ij niet,
Geliefden, op zulk een ongeloovige wijze. Twee dingen wist zij
zeker: het bevel van mijn God is: bezoek mijn huis, — maar
kom niet ledig! En nu, dit is mijn lust en mijn leven, om mijn
God in zijn huis te ontmoeten, om Hem te gehoorzamen; ik zal
gaan, en ik zal Hem mijn alles geven! Heden moet ik doen wat
Hij gebiedt, voor morgen zal mijn getrouwe God dan ook wéér
zorgen! Daarvoor heb ik zijn belofte. En wat dunkt u, Geliefden,
is zij van honger omgekomen? Voorwaar, Geliefden, de Zoon van
dienzelfden God en Vader, dien zij daar gediend, wien zij daar
haar laatste oortje gegeven had, Hij heeft haar gezien en gezegend!
Maar heeft zij Hem gekend? Heeft zij zijne woorden gehoord?
Heeft zij dit ooit in haar leven gehoord ? Heeft zij het ooit in den
hemel gehoord, dat dit van haar geschreven staat in het heilig
Woord des Heeren? Dit is zeker: eenmaal in den dag der dagen
zal zij het hooren! Eenmaal in den dag der dagen zullen ook wij
het aanschouwen hoe deze arme weduwe met verwondering en
eeuwige vreugde van Jezus vernemen zal wat zij eenmaal gedaan
-ocr page 93-
IX.                                 DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                                  77
heeft voor zijn dienst en eer! Geliefden, als onze daden en onze
gaven in dien dag aller dagen met de hare vergeleken worden,
wat zal Jezus dan van de onze moeten zeggen?
O, geeft dan uw hart aan Jezus. Geef dan den Heere de hand,
en dient Hem met vreugde. „Zijt niet traag in het benaarstigen,
zijt vurig van geest, dient den Heere!" Rom. 12. Gelooft het toch
dat Jezus ook nu nog bij de schatkist zijner Kerk staat om ons
gade te slaan; ja Hij staat eiken Zondag nog bij onze kerkdeur, als
de diaken daar gaat staan, en Hij slaat de kerkgangers gade, en
Hij weet het of zij ledig voor zijn aangezicht verschijnen, en Hij
weet ook met hoedanig een hart elkeen zijne gave geeft! Jezus
wacht bij de kerkdeur en bij de armbeurs, om onze gaven voor
zijn dienst en voor de armen te zien en te zegenen. Geliefden,
als Jezus dan waarlijk Heere en Koning is van ons verstand en
hart en leven, laat Hem dan ook Heere en Koning zijn van ons
goud en zilver. Laat ons Hem, van wien de engelen en de gezaligde
zielen gedurig zingen, ja van wien ook wij eens begeeren te zingen:
„Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen rijkdom en
eer!" — laat ons Hem nu reeds vereeren met geschenken! O,
gaat nimmer naar een huis des gebeds meteenledige
hand, waar dit ook moge wezen; en laat onsditonzen
kinderen van jongs af leeren en ernstiglijk inscher-
p e n! Want als wij ons goud voor ons behouden en wij geven den
Heere alleen het zilver; of als wij ons zilver achterhouden en
geven den Heere alleen het koper, — wat moet Hij dan van onze
liefde zeggen? Wien of wat hebben wij dan lief? En toch zijn er
Christenen die dit doen. Maar zoo doet de arme weduwe niet Laat
ons haar voorbeeld volgen, want de Heere, onze God, toetst en
beproeft onze liefde niet zoozeer aan breede zoomen, en rechtzinnige
gevoelens, en lange gebeden, en sterke betuigingen, maar ook
bovenal aan iets dat ons wat meer opoffering en ware
zelfverloochening kost! Ja de Heere toetst ons ook aan zijn
schatkist, bij zijn kerkdeur en bij zijn armbeurs. En als Jezus u
daar ziet zooals. Hij de arme weduwe daar gezien heeft, o, dan
zegt Hij tot u: „Gij hebt dit aan Mij gedaan! —
God geve ons zulk een hart en zulk een hand, — en dan zullen
wij nog eens in den dag aller dagen met die arme weduwe van zijne
-ocr page 94-
78                               DE SCHATKIST EEN TOETSSTEEN.                            IX.
lippen dit heerlijk woord vernemen: „Dit hebt gij aan Mij gedaan!
Over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal Ik u zetten.
Ga in in de vreugde uws Heeren! Beërft het koninkrijk, dat voor
u bereid is van voor de grondlegging der wereld."
Amen!
Te zingen: Ps. 66 : 6 of Ps. 66 : 7.
-ocr page 95-
X.
JEZUS IN HET HUIS VAN SIMON.
Te zingen Ps. 33 : 1.
Te lezen Lukas 7 : 36—50.
Te zingen Ps. 73 : 7.
Het gebed.
Te zingen Ps. 74 : 20.
Tekst Lakas 7 : 44a. „En Hij, zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon:
„Ziet gij deze vrouw?"
Geliefden, de wereld is nog altijd in vele opzichten gelijk aan
het huis van Simon, den farizeër, — de woonplaats van den
eigengerechtige en hoogmoedige. Vol van mannen en vrouwen, die
te arm zijn om zichzelven te helpen, en te hoogmoedig om te
bedelen; door de zonde verwond, willen zij toch geen hulpe zoeken
bij den eenigen Geneesmeester der ziele.
Geliefden, indien gij daarvan innerlijk overtuigd zijt, dat gij uw
hart nog nooit ontbloot hebt bij het licht der waarheid, — dat gij
uw geestelijk beginsel en uwe hope voor de eeuwigheid nog nooit
waarlijk getoetst hebt aan Gods Woord, — komt, treedt dan met
mij eens voor eenige oogenblikken het huis van Simon, den farizeër,
binnen; — mischien gaat daar voor u een licht op in de duister-
nis, — misschien vindt gij daar de genade, die gij zoekt. Daar
toch ziet gij:
Een Heiland, die genade bewijst.
Een vrouw, die weent.
Een farizeër, die zich verwondert.
-ocr page 96-
80                                   JEZUS IN HET HUIS VAN SIMON.                                  X.
I.
a.  Ja, een Heiland, die genade bewijst.
Daar zit Jezus vol van glorie in zijn zachtmoedigheid en stillen
ootmoed, slechts daarop bedacht hoe Hij het goede zal doen.
Hij is Simon naar zijn huis gevolgd, om met hem te eten. Hij
weet het, het hart van Simon kent Hem niet, — Simon zal Hem
maar weinig hoflijkheid bewijzen, en liefde zoo te zeggen geheel
en al niet. Maar toch zal Jezus met hem aanzitten, en door woor-
den van ware trouw en liefde zal Hij trachten zijn hart te raken
en zijn hoogmoed te breken. Geliefden, als Jezus altijd wachten
zou tot ons te komen totdat wij waardig zijn om Hem te ontvan-
gen, — ach, hoe weinigen van ons zouden dan zijn heerlijk aan-
gezicht zien, — wat zeg ik: neen, niemand zou dan Jezus ooit
aanschouwen! Ja, als Jezus nooit tot ons spreken zou eer dat
ons hart bereid is om zijn Woord te ontvangen, — ach, wie zou
dan ooit zijn dierbare stem vernemen?
b.   Daar zit Jezus, — en aan zijne voeten zit een weenende
vrouw — een zondares. En zoo is zij bij allen bekend, en van
haar schande heeft zij geen geheim gemaakt; maar nu is zij bij Jezus,
en zie: zij zalft zijn hoofd met kostelijke zalf, en wascht zijne voe-
ten met hare tranen en droogt ze af met het haar van haar hoofd.
Daar hoort ge opeens meer dan éene stem: ,Die zalf kon verkocht
zijn en het geld aan de armen gegeven!" Maar Jezus zwggt!
c.   En daar in de nabijheid van Jezus en die weenende vrouw
ziet gij nog een ander, die onze aandacht in \'t bijzonder trekt:
\'t is een farizeër, die zich verwondert. En ja, Geliefden, de genade
van Jezus Christus laat meer dan éen zich zeer verwonderen en
verbazen. Simon kan dit toch maar niet verstaan, dat Jezus het
kan toelaten dat die vrouw Hem aanraakt, zelfs zijn hoofd zalft
en zijne voeten wascht, — dit geeft hem een slechte gedachte van
Jezus. En in zijn hart zegt hij: „Deze, indien Hij een profeet
ware, zou wel weten wat en hoedanige vrouw deze is, die Hem
aanraakt; want zij is eene zondares!" Maar nauwelijks is dit woord
opgekomen in zijn hart, of Jezus ziet het, en Jezus spreekt:
„Simon, ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen, water
hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar deze heeft mijne
-ocr page 97-
X.                                  JEZUS IN HET HUIS VAN SIMON.                                   81
voeten met tranen nat gemaakt, en met het haar van haar hoofd
afgedroogd. Gij hebt Mij geen kus gegeven; maar deze, van dat
zij ingekomen is, heeft niet afgelaten van mijne voeten te kussen.
Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft mijne
voeten met zalf gezalfd. Daarom zeg Ik u : hare zonden zijn haar
vergeven, die vele waren: want zij heeft veel liefgehad; maar
dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief!" Ziet gij,
Geliefden, Jezus kende haar veel beter dan Simon. O, die arme
Simon, had hij zichzelven toch maar beter gekend, dan zou hij het
heerlijk liefdevolle karakter van Jezus ook beter verstaan hebben,
en inplaats van zich te verwonderen, zou zijn hart in zijn boezem
opgesprongen zijn van vreugde!
TI.
En nu, Geliefden, dat treffend gezicht, dat treffend gezelschap
in het huis van Simon, — wat heeft het ons te zeggen?
1. O, het zegt ons: dat ook zelfs de grootste zondaar
tot Jezus komen mag.
De farizeën hadden van Hem gezegd: „Deze ontvangt de zon-
daars!" Heerlijke waarheid! En toch is er nog zoo menige bekom-
merde en angstvallige ziel, die nog altijd vraagt: Maar is dit
waarlijk, — waarlijk zoo? O, mijn broeder, mijne zuster, hier
is het bewijs; gij ziet het hier in het huis van Simon. Hier is een
vrouw, zij is als een uitvaagsel van de stad; maar Jezus ontvangt
haar. Hij kent hare zonden, maar Hij verwijt haar niet. Hij weet
het hoe ver zij van God was afgedwaald ; Hij weet het hoeveel
smart en verdriet zij ook aan anderen heeft veroorzaakt, — maar
toch keert Hij haar zijn rug niet toe. Eindelijk, — eindelijk is zij
dan toch terug gekomen, diep ellendig en veracht, — en zoo
erbarmelijk staat zij daar voor Jezus!
Ook tot haar is het gerucht van Jezus gekomen, — en waar
alles haar nu begeeft en allen haar verlaten; ziet, daar vlucht
zij nu naar Jezus, met die éene angstige vraag in het hart:
Zal Hij mij ook verachten en verwerpen? Maar ziet, wie haar
ook veracht, — Jezus niet! Hij drijft haar niet uit, en terug in
de eindelooze woestenij der zonde! Voorwaar, Hij is niet gekomen
(5
-ocr page 98-
82                                  JEZUS IN HET HUrS VAN SIMON.                                   X.
om te zoeken rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering;! Broeders
en zusters, daar buiten in de wijde, wijde, wreede wereld, o, daar
dwaalt er zoo menige arme zondaar en zondares heen; van God
vervreemd, weten zij niet meer wat de zoetheid is van een
gelukkig leven. Van hunne vrienden verlaten, vernederd en veracht,
uitgedreven en verworpen, dwalen zij als vreemdelingen zelfs onder
hunne vrienden, onder hun bloedverwanten rond; \'t is of alles
wat zij aanzien hun zegt: Gij zijt buiten hoop; op uw herstel
is gansch geen hope meer! En daar is geen enkel hart dat voor
hen klopt, — geen enkele vriendenhand wordt naar hen uitgestoken
om hen, als God wil, weer op te helpen en terug te leiden naar
een leven van reinheid en vrede! Roept, roept hun toch toe: .(),
gij arme verlatenen en verlorenen; ziet toch op Jezus, roept
Hem aan; nog, ook nu nog kan zijn hart voor u voelen, zijn
hand kan u helpen en redden! Uw bitter doornenpad, al uw
vreeselijke worstelingen, al uw ontzaglijke smarten en angsten, —
o, Hij ziet en Hij kent die alle! Ziet, daartoe is Hij in de wereld
gekomen, om zulk een hulpelooze en verlorene te redden en te ver-
lossen ! Ziet Hem toch aan, daar in het huis van Simon! Daar knielt
er een vrouw aan zijne voeten neder; eene zondares. Ja, ontzaglijk
groot is haar zonde; maar Jezus heeft toch ook het gekerm
en geroep van hare ziel gehoord! O, wat uw schuld en last
dan ook zij, — vlucht toch naar Jezus heen, belijdt Hem uwe
zonden, — smeekt Hem om vergiffenis, — smeekt Hem om genade
om uw arme ziel van al hun booze smet en kracht te reinigen ! Klaagt
het Hem, dat gij geen enkelen waren vriend op aarde hebt om
u te helpen ; en bidt en smeekt Hem, dat Hij toch aan uw arme
ziel verlossing, heiligheid en vrede mag geven! Toont Hem zijn
eigen Woord: „Die tot Mij komt zal Ik geenszins uitwerpen!" Wie
u dan ook verachten en verstooten wou, ziet, Jezus zal u hooren,
Hij zal u helpen en verlossen !"
2. Ja, dat treffend gezicht en gezelschap in het huis van Simon,
wat wil het ons toch zeggen ?
Het zegt ons, Geliefden: dat het de onverdiende genade van
Christus is, die het hart van den zondaar in boete en liefde smel-
ten doet en zijne ziel met heiligheid bekleedt!
Bitterlijk weent die arme vrouw, — die groote zondares. Maar
-ocr page 99-
X.                                   JEZUS IN HET HUIS VAN SIMON.                                   83
daar aan de voeten van Jezus is die smarte zoet, — want die
tranen, zij zijn dierbaar in Jezus\' oog! Ja, lieflijker nog dan
de kostelijke zalf, die zij al weenende uitgiet op zijn hoofd! Zij
stort een vloed van tranen, en zij wascht zijne voeten met die
tranen; en wel mocht zij dit, — want zij had vele zonden! En
hoevele anderen heeft zij juist door die zonden bitterlijk doen
kermen, — thans staan daar voor haar ziel en geweten een
weenende vader en een snikkende moeder; een broeder en zusters,
en vriend, die haar weenende bidden: O, kom toch terug; kom
toch terug! — Maar \'t was alles, alles tevergeefs! En toch is
het dit niet, wat haar harte het zeerste doet, wat zulk een
bitteren stroom van tranen haar uit ziel en oogen perst! Neen,
maar hier is Jezus; Hij, die Heiland zoo liefderijk en genadig.
O, thans ziet zij het: Hem heeft zij het hart doorboord, toen zij
Hem nog niet kende: zijn liefde heeft zij veracht; zijn wet ver-
broken; Hem veracht die haar helpen wilde, toen niemand meer
haar helpen kon of wilde ; die haar heeft opgezocht in haar ellende
en verdriet; die haar nog vriendelijk wou aanzien, toen alle ande-
ren haar met toorn en spot van zich afstieten; die haar hulpe en
verlossing bracht toen zij hopeloos vastgebonden lag, — die al
haar zonden haar vergeven heeft! Dit doet haar het hart breken;
dit maakt de zonde nu zoo vreeselijk in haar oog; dit brengt
haar aan Jezus\' voeten en laat haar daar zoo bitterlijk weenen.
En voorwaar, Geliefden, \'t is ook alleen die rijke, vrije genade van
Jezus, die het harde zondaarshart waarlijk kan doen weenen! Hoe
menigmaal was zij niet vermaand en verdreven; hoe menig scherp
en bitter en verbrijzelend woord werd haar niet toegeslingerd;
veracht en gehoond had zij daar menigmaal heen gedwaald, terwijl
een ieder haar met den vinger nawees als de groote zondares!
Toch kon zij dit alles dragen, trotseeren zelfs, — het hart nog
altijd even trotsch en onbuigzaam, — door liefde verslaafd aan
haar zonden, — terwijl zij toch den bitteren last der zonde voelde;
maar hoon kan niets anders voortbrengen clan smaad en verach-
ting, harde woorden niet anders dan vuilen laster van haar
onreine lippen! Maar o, ziet het, — wat hoon en smaad niet doen
konden, dat heeft genade gedaan, dat heeft de liefde gedaan!
Broeders en zusters, tevergeefs is het dat gij zondaars boven
-ocr page 100-
84                                   JEZUS IN HET HUIS VAN SIMON.                                  X.
het vuur der helle houdt; toont hun liever het liefderijk, verwond
en bloedend hart van het Lam Gods, en dan zullen zij weenen
en hun lieve zonden varen laten tot in eeuwigheid! Zoo toch was
het met deze vrouw. Jezus zocht haar op, — Hij kwam tot daar
waar zij was, — Hij legt zijn hand op haar, — zij hoort zijne
stem, — zij luistert, — en in diepe aandoening vraagt zij: 0, wat
is dit? Wat is het dat thans haar hart zoo sterk, zoo geweldig,
maar ook zoo wonderbaar heerlijk aangrijpt? Ja, — het is de
liefde, — \'t is genade, — \'t is het leven! Zij smelt in tra-
nen weg aan zijne voeten. De diepste, teederste, heiligste snaren
van haar wezen heeft Hij aangeraakt, — heeft Hij verlost, — Hij
die gezegd heeft: „Er zij licht, en er was licht!" •— en ziet, —
op zijn bevel stroomt daar uit dat vuile zondaarshart, lang als
versteend door zonde en smart, een heilige stroom van liefde en
berouw; zoo helder, zoo krachtig en rein als het licht des hemels!
Ziet, die vrouw heeft een vriend gevonden, een waren vriend !
En o, welk een vriend! Hoe vreeselijk had zij niet tegen Hem
gezondigd, — maar Hij vergeeft! Wel mocht zij die voeten om-
helzen, die haar hebben opgezocht in hare zonden! Wel mocht zij
met hare tranen Hem de voeten wasschen, die haar geweten heeft
gereinigd van schuld en smet! Wel mocht zij dat heilig hoofd met
kostelijke olie zalven, dat zich buigen wou tot in den dood, om
ook haar het leven te geven! Wie ook die olie te kostelijk voor
Jezus acht; wat zal, wat kan zij niet brengen, die thans alles
voor Jezus over heeft. Ja, zij heeft veel lief, omdat haar zooveel
vergeven is!
3. Nog eens: Wat heeft dat treffend gezicht en gezelschap, daar
in het huis van Simon, — wat heeft het ons te zeggen?
Het zegt ons dat Christus wil dat wij letten zullen op degenen,
aan wie Hij zijne genade heeft bewezen, om ons aan hun voor-
beeld te toetsen.
Jezus zegt: «Simon, ziet gij deze vrouw?" Roemen kan zijniet
op haar reinheid, op haar daden. Maar, zij weent, zij dient, zij
aanbidt Mij! N u al heeft haar geloof meer gedaan, ja duizendwerf
meer dan gij met al uw eigengerechtige zedelijkheid in geheel uw
leven! Simon, deze vrouw heeft mijne voeten met hare tranen
gewasschen! En gij, heeft uwe zonde u ooit, — ooit doen weenen ?
-ocr page 101-
X.                                   JEZUS IN HET HUIS VAN SIMON.                                   85
Simon, gij veracht deze vrouw; — maar is uw smart wegens de
zonden zoo innig en oprecht als de hare ? Zijt gij zoo nederig als zij
is? Bidt gij zooals zij heeft gebeden? Ligt gij daar zoo diep in
\'t stof aan de voetbank van Gods genade neder als zij? Zijt gij
van uwe zonden weggevlucht, zoo ver als zij van de hare? O,
weet gij niet dat de Heere, Jehovah, woont bij dien, die gebroken
van hart en nederig van geest is? Simon, Simon, Ik zeg u, —
zoo moet ook gij eerst komen, in ootmoed smeekend komen, — of
gij wordt in der eeuwigheid niet zalig!
Geliefden, gij dan, aan wien zijt gij gelijk, — aan Simon, of aan
deze vrouw?
Amen!
Te zingen Ps. 116 : 1 en 3.
-ocr page 102-
XI.
JEZUS\' TRANEN.
Te zingen Ps. 116 : 4.
Te lezen Johannes 11 : 1—36.
Te zingen Ps. 116 : 5.
Het gebed.
Te zingen Ps. 68 : 10.
Tekst Joh. 11 : 35: Jezus weende.
Het waarachtig Christendom, Geliefden, wordt alleen in zijn geheel
en in zijne volmaaktheid gezien in het leven van onzen dierbaren
Heiland, Jezus Christus. Christus te aanbidden, Christus lief te
hebben, in Hem te vertrouwen, dat is het waarachtig Christendom.
Het karakter, het leven van Christus toont ons het waarachtig
Christendom; maar dat leven is zoo oneindig in eigenschappen,
in deugden en volmaaktheden, dat slechts weinigen veel van Jezus
leeren kennen, dat niet een Hem bevatten kan in al zijne vol-
maaktheden. Er is iets bijzonders in het leven van onzen Heiland,
waardoor elke ziel in \'t bijzonder tot Hem wordt aangetrokken.
Thans bepalen wij uwe aandacht slechts bij een gevoel, een
daad van Jezus.
„Jezus weende!"
Wij wijzen u:
pte Op de oorzaak van Jezus\' smart.
IIdc Op de hoedanigheid van die smart.
-ocr page 103-
XI.                                            JEZUS\' TRANEN.                                             87
I.
Jezus weende! Hij weende:
1.  Omdat Hij eene ziel had. Waarachtig bewijs dat de Godheid
niet slechts aan de menschheid vastgebonden was ; dat de Godheid
niet slechts in het lichaam woonde, zooals onze ziel in ons lichaam
woont. Neen, in den mensch Jezus Christus kon daar niet alleen
een lichaam, maar ook eene ziel gekend worden. Daarom kon Hij ook
weenen van smart en lijden. Dit kan de Godheid niet, en dit kan
het lichaam niet, - - maar alleen de ziel. Zoo zien wij de mensch-
heid volmaakt en waarachtig in den Godmensch, Jezus Christus;
omdat Hij een lichaam heeft, daarom wordt Hij moede en mat;
en omdat Hij eene ziel heeft, daarom kan Hij ook weenen.
2.   „Jezus weende!"
Hij weent uit medelijden. Hij weent niet alleen omdat Hij
eene ziel heeft, die weenen kan: maar ook omdat Hij met zijn heilig
oog de smart des menschen ziet en diep in de goddelijke ziel
gevoelt.
De dood van een vriend doet Hem weenen. En de smart van
twee andere vrienden, — ook die smart doet Hem weenen.
a. De dood van een vriend doet Hem weenen. Jezus weende!
En zelfs de Joden moesten daarvan zeggen: „Ziet, hoe lief Hij
hem had!" Maar hoe wonderlijk toch, hoe geheimzinnig is die
smart van Jezus over het afsterven van een Lazarus! Jezus weet
dat Hij hem opwekken kan. Hij gevoelt in zich eene wijsheid, die
alles weet, — eene kracht, die alles kan en vermag. En toch:
„Jezus weende!" Dit is echter eenigszins verstaanbaar, wanneer
wij er aan denken, dat wanneer wij ons iets krachtig voorstellen,
die krachtige en ernstige voorstelling onze ziel menigmaal zoo
sterk aandoet, alsof zij wezenlijk en werkelijk is. Dit gebeurt
ons zelfs dikwijls in een droom, — wij droomen over iets angstigs
of iets treurigs, — wij schrikken wakker, met tranen in de oogen;
dan weten wij dat het slechts een droom was, en toch kunnen wij
de treurigheid niet dadelijk verdrijven en de bittere tranen niet
keeren! Heerlijk en troostvol is dus de waarheid, die dit woord
ons vertolkt. Jezus de Godmensch was een volkomen, een waarach-
-ocr page 104-
88                                             JKZUS\' TRANEN.                                            XI.
tig mensch, van gelijke bewegingen als wij, — ons gelijk, zelfs
in het diepst gevoel van ons hart, doch zonder zonde. Jezus weende!
Want niet alleen was Lazarus nu werkelijk dood, — maar, ofschoon
hij thans zou opstaan uit den dood, — toch zou hij nog eenmaal
wéér sterven moeten, om dan naar den vleesche niet weer op te
staan dan eerst op den jongsten dag. Als die dag aanbreekt, dan
zal daar in der waarheid in het huisgezin van Bethaniê stervens-
rouw en stervenssmart gevoeld worden; dit voorziet en voelt Jezus
in zijn goddelijk hart, — en ook daarom weent Hij !
En wat Jezus hier gebeurt, het gebeurt ook ons meer dan eens
in dit smartelijk leven. De boodschap komt tot Jezus: „Dien gij
lief hebt is krank!" Twee dagen gaan voorbij, — en de laatste
droeve tijding wordt gehoord : Lazarus is gestorven ! O, zoo menig-
maal verbinden wij ons hart in dit leven aan meer dan een dier-
bare, alsof die liefde voor eeuwig zoo blijven kon, — en dan
denken wij aan geen dood, aan geen mogelijkheid van sterven.
En als die boodschap komt: Hij of zij is krank; en als die
laatste droeve tijding wordt gehoord: Hij, zij is gestorven; o,
dan wordt het hart met een schok, met een harden stoot tot
het werkelijke van dit leven teruggeroepen. Men ontwaakt als
uit een zoeten droom! Niets is vast en zeker, alles gaat voorbij, —
en het hart herhaalt in stille droefheid het woord des dichters,
zoo treurig en toch zoo waarachtig: „ Immers is een ieder mensch,
hoe vast hij staat, enkel ijdelheid! Sela! Immers wandelt de
mensch als in een beeld!" Ps. 39.
b. „Jezus weende!"
Hij weent omdat twee van zijn dierbaarste vriendinnen weenen
moeten. — Daar wordt gezegd: „Jezus dan, als Hij haar zag
weenen, werd zeer bewogen in den geest, en ontroerde zichzelven.
Jezus weende!" — Hij kan dit dierbaar huisgezin van Bethaniê
niet zonder smart aanzien. Een lieven broeder door den dood ver-
loren, twee dierbare zusters voorts alleen in de wereld! En die
zusters zoo verschillend van karakter. Martha kan nooit stil zijn,
zij moet heen en weer; zij moet doen en werken, zij moet altijd
bezig zijn, — zij leeft als in het uiterlijke. En Maria leeft als
alleen in de innerlijke wereld van gevoel en overpeinzing. Martha
drukt het gevoel van haar hart uit in woorden, in daden, in kleine
-ocr page 105-
XI.                                            JEZUS\' TRANEN.                                             89
bewijzen van oplettendheid en liefde. — Zij redeneert met Jezus
over de opstanding der dooden, en beredeneert hoe het alles anders
kon geweest zijn. Maria kan het gevoel des harten niet uitspreken.
Zij gevoelt de waarheid met het hart, niet bovenal met het verstand.
Zij leeft in stille diepe overpeinzing! En toch, hoe verschillend
ook van karakter, zij zijn voor eeuwig aan elkander vastgesnoerd;
twee zoete banden, heilige koorden der liefde binden hunne zielen
voor eeuwig aaneen: de liefde voor Lazarus, en de innige heilige
liefde voor Jezus! Maar nu is éen band, een koord der liefde
verbroken. Lazarus is gestorven.
Van hem weten wij maar weinig, en toch genoeg. Jezus beminde
hem zeer; en ook Martha en Maria hadden hem zeer lief. Daarom
werd zijn verlies ook zoo diep gevoeld. Het huisgezin was als op-
gebroken. De hoeksteen was weggenomen. En ook hierom wordt
daar gezegd: Jezus weende!
Want ook dit maakt dien dood zoo treurig, — \'t is niet alleen
dat Lazarus gestorven is, maar nu is Bethanië ook niet hetzelfde
Bethanië meer; daar is éen lichtstraal weggenomen; éen stem en
voetstap wordt daar niet meer gehoord; éene plaats blijft daar
ledig! En zoo gaat het ook ons dikwijls in dit leven. Wij nemen
zonder er om te denken een boek in de handen; wij openen het,
en daar staat de naam, de handteekening van een dierbare, — maar
die dierbare, waar is hij ? Een dag breekt aan, het is de geboorte-
dag van een dierbare; maar die dierbare, waar is hij ? Zijne plaats
blijft ledig, — en de naam, dien wij reeds op de lippen hadden,
behoort aan iemand die niet meer op aarde is!
II.
„Jezus weende!"
Geliefden, vragen wij nu naar de hoedanigheid van Jezus\'
smart, — dan wordt die ons duidelijk uit den geest, in welken
Jezus den dood van Lazarus beschouwt.
1. Jezus beschouwt zijn dood op een kalme wijze. Hij zegt:
„Lazarus slaapt!" — Hij is ingegaan in die wereld der ruste, waar
alles stil en kalm is. O, hoe menigeen heeft reeds getracht om
die rustelooze wereld te vergeten, en in te sluimeren als een kind, —
omdat hij vermoeid is, ja gansch vermoeid van hart. Als zulk een
-ocr page 106-
90                                            JEZUS\' TRANEN.                                            XI.
slapend kind ligt Lazarus waarlijk daar, — uitgestrekt voor het
oog van zijn goddelijken vriend, stil en kalm! Het werk van den
langen, langen dag is voorbijgegaan, — de handen zijn gevouwen. —
Daar is niets dat hem storen kan, dan de kleine koude worm, die
het werk der vertering volbrengen moet. Golvende schaduwen vlie-
gen daarheen over het lange gras daar boven het stille graf. Vrien-
den komen bijeen om hem te prijzen, vijanden om te lasteren,
maar hij hoort het niet. Al dat gewoel is alleen voor de levenden.
De doode hoort niet; hij slaapt! Met zulk een gevoel denkt Jezus
aan het sterven van zijn vriend, en zegt: „Lazarus, onze vriend
slaapt!" Met zulk een gevoel behooren ook wij altijd te staan bij
het sterfbed van dierbaren of vrienden, met het woord: Onze
dierbare, onze vriend slaapt!
Desniettemin wordt er gezegd: „Jezus weende!"
En dit zegt ons, hoe kalm en gelaten Jezus zich ook betoont,
toch beschouwt Hij den dood van zijn vriend met smart.
Daar wordt van Hem gezegd: „Jezus dan, als Hij haar zag wee-
nen, en de Joden, die met haar kwamen, ook weenen, werd zeer
bewogen in den geest, en ontroerde zichzelven! Vers 33. O, Ge-
liefden, zegt dan nimmer: zulk een weenen is zelfzucht, is wan-
trouwen, is ongeloof! Neen, — Jezus weende! Zulk een smart is
slechts de ware liefde, die van haar dierbaar voorwerp is beroofd
en nu daarover treurt!
Zulke tranen zijn tranen des geloofs. En als Jezus weent, dan
is het geen wonder dat ook zijne discipelen menigmaal weenen
moeten. Wien zijn de tranen pan dien man naar Gods harte onbe-
kend, van welke hij spreekt in de liefelijke psalmen Israëls?
Tranen waar vaak zijne legerstede van doornat werd; — tranen,
die hij dikwijls „tot spijze had dag en nacht!" Tranen van welke
hij mocht zeggen, dat „God ze weglegde in zijne flesch!" Tranen,
van welke geschreven staat: „Die met tranen zaaien, zullen met
gejuich maaien." — En wederom: „Zalig zijt gij, die nu weent,
want gij zult verblijd worden!" Met zulke tranen maakte de
boetvaardige zondares de voeten van dezen heiligen en recht-
vaardigen Jezus nat, en droogde die af met het haar van haar
hoofd, en hoorde het woord: „Uwe zonden zijn u vergeven!"
O hoe krachtig is de getuigenis van die tranen, waarmede de
-ocr page 107-
XI.                                           JEZUS\' TRANEN.                                            91
vader van het maanzieke kind voor den Heere Jezus beide zijn
geloof en zijne ongeloovigheid belijdt, en waarop hij zijn kind als
uit de macht van hel en dood terug ontvangt! Hoe vruchtbaar
was dat bitter weenen, waarmede Petrus, door het oog des meesters
in \'t hart geraakt, de hoogepriesterlijke zaal verliet! Hoe betee-
kenisvol, hoe aandoenlijk is die getuigenis van Paulus: „hoe hij
den ganschen tijd in Azië, den Heere gediend had, met alle
ootmoedigheid en vele tranen!" Hoe lieflijk die afscheidstranen en
gebeden tusschen den apostel en de door hem gestichte of vertrooste
Gemeente van Jezus Christus, de Gemeente van Efeze. Hoe roerend
dat woord van denzelfden dienstknecht des Heeren aan zijnen
Timotheus in het gezicht des op handen zijnden marteldoods: .Ik
ben zonder ophouden uwer gedachtig in mijne gebeden nacht en
dag, zeer begeerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uwe
tranen, opdat ik met blijdschap mag vervuld worden." Zelfs in de
gezichten op Patmos vinden wij midden onder de beschrijving der
hemelsche heerlijkheden de tranen der geloovigen. Als Johannes in
den geest hoort, hoe er niemand waardig gevonden was het ver-
zegelde boek der toekomst te openen, weende hij zeer; en een
der ouderlingen van de triumfeerende Gemeente daarboven zegt
tot hem: „Ween niet! Ziet, de Leeuw, die uit den stam van Juda is,
de wortel Davids, heeft overwonnen, om het boek te openen en
zijn zeven zegelen op te breken!"
Ja, zalig zijn die weenen, want zij zullen verblijd worden!
Doch een iegelijk onderzoeke, gelijk zijne gebeden, alzoo ook zijne
tranen! Niet aan een ieder, noch ten allen tijde is het voorrecht
gegund zijn hart in tranen gemakkelijk uit te storten, ofschoon
ook van binnen dat harte weent en roept en zucht tot den Heere; maar
ook omgekeerd, niet alle tranen zijn tranen des geloofs, der liefde
en der boetvaardigheid! De God aller genade geve ons, medezondaars
en Christenen! — de God aller genade geve ons tranen te storten
niet der weekheid, noch der vleeschelijke aandoening, die ook de
wereldsche lust begeert en opwekt, maar tranen van die droefheid
naar God, die een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid!
Zoo bij aanvang als bij vernieuwing! Laat niemand van ons zijne
tranen stellen in de plaats of nevens het bloed van Jezus Christus,
den Zone Gods, hetwelk alleen van alle zonde reinigt! Geen tranen
-ocr page 108-
92                                             JEZUS\' TRANEN.                                            XI.
van boete kunnen onze schuld afwasschen! Geen tranen van
berouw kunnen onze zonden uitdelgen. Geen tranen van smart
kunnen onze dooden levend maken! Alleen de tranen en gebeden
van Jezus Christus zijn nevens zijn dierbaar bloed een offer der
verzoening; Christus is het, „die in de dagen zijns vleesches
gebeden en smeekingen tot Dengene, die Hem uit den dood konde
verlossen, met sterke roeping en tranen geofferd hebbende, en
verhoord zijnde uit de vreeze, hoewel Hij de Zoon was, gehoor-
zaamheid geleerd heeft uit hetgeen Bij heeft geleden; en geheiligd
zijnde is Hij allen die Hem gehoorzaam zijn een oorzaak der eeuwige
zaligheid geworden." Heb. 5 : 7. 9.
Christus is het die over Lazarus weende, en hem opwekte uit
de dooden, omdat Hij gezegd had: „Lazarus, onze vriend, slaapt,
maar Ik ga heen om hem uit den slaap op te wekken!" Joh.
11 : 11. Opdat het woord vervuld werd tot zijne discipelen ge-
sproken : „Deze krankheid is niet tot den dood, maar tot heerlijk-
heid Gods; opdat de Zone Gods door dezelve verheerlijkt worde."
Vers 4. Ja, opdat zijn woord tot Martha gesproken vervuld zoude
worden niet alleen aan Lazarus, maar ook tot op dezen zelfden dag
aan een iegelijk die in Hem gelooft! Jezus zeide tot haar: „Ik
ben de opstanding en het leven; die in Mij gelooft, zal leven, al
ware hij ook gestorven; en een iegelijk, die leeft, en in Mij
gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid. Gelooft gij dat?"
Zij zeide tot Hem: „Ja, Heere! ik heb geloofd, dat Gij zijt de
Christus, de Zone Gods, die in de wereld komen zou!" Verzen 25,
26 en 27. Geliefden, gelooft gij dat? Gelooft gij dat?? O, dan
gelooft gij ook het woord dat daar zegt: „Jezus weende!"
„JEZUS WEENDE ! ! "
En daarom weet gij ook dat God alle tranen afwisschen zal van
de oogen, die naar Hem uitzien, die op Hem wachten, nu — en
eens tot in alle eeuwigheid!
Amen!
Te zingen Ps. 68 : 10 of Ps. 116 : 7 en 8.
-ocr page 109-
XII.
DE WARE ADEL.
Te zingen Ps. 95 : 1.
Te lezen Romeinen 16.
Te zingen Ps. 1 : 1.
Het gebed.
Te zingen Ps, 119 : 47.
Tekst Bom. 10 : 1—15: En ik bevele u Febé onze zuster, die eene dienares is dei-
gemeente, die te Kenchreën is — etc!
Er bestaan in alle koninkrijken boeken voor de namen van den
adeldom. De namen, die daarin geregistreerd zijn, hebben voor het
meerendeel hun roem verworven door slinksche streken, onder-
kruiperij en door zulke diensten te bewijzen, die den wellust, of
gierigheid, of ijdelheid, of onverzaadbare eerzucht van vorsten
en koningen bevredigden, — vorsten en koningen, wier zedelijk
karakter een schande en vloek was voor hun geslacht. Helaas!
Geliefden, er zijn ook nog in onze dagen dwazen, die zulke boe-
ken veel ijveriger en ernstiger onderzoeken dan dit groote boek
boven alle andere boeken. En dan onderzoeken en pluizen zij die
boeken uit om te weten te komen wie de edelen van het land
zijn, en of er toch misschien ook niet een weinig van dat „blauwe
bloed," zooals \'t dan genoemd wordt, ook nog in hunne aderen
te vinden is! Ach, welk een dwaasheid! Gelukkig dat er ook onder
de grooten dezer aarde kostelijke uitzonderingen zijn in dezen;
een Willem van Oranje, de Zwijger, — een Gustaaf Adolph van
Zweden, een Groen van Prinsterer, een William Gladstone, Pre-
sident Kruger, een Ed. Jan Hofmeyr.
In het woord van onzen tekst hebben wij nu ook een register
-ocr page 110-
94                                             DE WARE ADEL.                                          XII.
van namen; dit register is opgeteekend door een man, voor wiens
verstandelijke en zedelijke grootheid zelfs vele van de schitterend-
ste namen, die daar voorkomen in de registers van den adeldom dezer
wereld, niet alleen in nietsbeduidendheid verdwijnen, maar zelfs
in onmetelijke verachting. Paulus teekent op zijn register de namen
aan van arme en behoeftige vrouwen, van onbekende, anders
onberoemde mannen, van dienstknechten en slaven! In hen ziet
hij den waarachtigen adeldom. En waarom, Geliefden? Wel:
I.
Omdat iemand die waarlijk groot is, het belang dat
hij in personen stelt, in hun karakter zoekt, en niet
allereerst en meest in hun toestand en omstandig-
heden.
In dit register komen er de namen voor van 26 personen, personen
die van elkander verschillen in geslacht en ouderdom, in tijdelijke
omstandigheden en betrekkingen, in verstandelijke gaven en bekwaam-
heden. En toch schijnt het of Paulus al die dingen eenvoudig
voorbijziet, en hij ziet alleen op hun karakter. Waar een waarachtig
edel karakter zich aan Paulus vertoont, daar verdwijnt al het
overige in nietigheid voor zijn oog; hetzij van man of vrouw,
van rijk of arm, bedelaar of vorst! Wie, Geliefden, heeft er ooit
aan getwijfeld of Paulus waarlijk een man was, waarachtig groot
en edel van karakter? Niemand! Elkeen die zijn geschiedenis,
zijn geschriften leest, komt tot de erkentenis en den uitroep: Pau-
lus was een groot man! Op de bladzijden der geschiedenis mis-
schien door geen ander overtroffen. Als een reus staat hij daar
onder de geleerden van zijn tijd, onder de mannen van genie en
invloed. Door de kracht van zijn woord verbreekt hij de gods-
dienstige eentonigheid van zijn tijdgenooten, en hun gedachte en
hun streven duwt hij een gezonde, levende, heilige richting in.
En toch het voornaamste wat dezen grooten Paulus aantrok in
zijne medemenschen was hun zedelijk karakter. En waarom? Wel,
Geliefden, omdat hij weet dat het eenige wat zij hun waar-
achtig eigendom noemen kunnen, hun zedelijk karakter is.
Wat toch kunnen een man of vrouw meer hun bijzonder, hun uitslui-
-ocr page 111-
XII.                                          DE WARE ADEL.                                             95
tend en waarachtig eigendom noemen dan hun karakter! Hij maakt,
hij schept en vormt het zelf, dat wil zeggen, in zeker opzicht en
tot een zekere hoogte. Zonder hem zou het er nooit geweest zijn.
Geen ander op aarde kan daar aanspraak op maken; met eerbied
gezegd, — in zekeren zin zelfs niet de Heere, onze God! Is dat
karakter goed, dan zet de hemel daar zijn zegel op; is het kwaad,
dan vloekt de hemel het!
En Paulus weet nog meer dan dit: hij weet dat het alleen een
zedelijk recht en edel karakter is, dat een mensch met zich kan
medenemen naar de andere zijde van het graf. Al het andere, —
huizen, akkers, goud en zilver, — moet hij achterlaten. Zelfs zijn
kleed, — ja zelfs zijn eigen lichaam! Maar zijn zedelijk karakter
neemt hij met zich mede ook over de Jordaan des doods!
En daarbij weet Paulus ook nog, dat het zedelijk karakter het
eenige is en wat de eeuwigheid voor ons bepaalt en beslist, namelijk
als uiterlijke toets van onze waarachtige bekeering, naar Gods
eeuwige en vrijmachtige verkiezing der genade. Daarom ziet Paulus
dan ook al het andere voorbij, en ziet alleen op het zedelijk
karakter.
II.
En alzoo laat dit register van Christelijke namen ons dus in de
tweede plaats zien:
Dat het zedelijk karakter, waarin een groot man zijn
hoogste belang stelt, het waarachtig Christelijk
karakter is.
Zulk een waarlijk groot man was Paulus. En vraagt gij: wat
dan eigenlijk het waarachtig Christelijk karakter is? Dan duidt Paulus
ons dit aan met éen enkel woord, als hij van hen zegt: „die in
den Heere arbeiden!" En dit doet men, als men waarlijk
een Christen is. \'t Is niets anders, maar ook niets minder dan
om te leven en te werken in en door den Geest van Jezus Christus,
naar het doel en het karakter van Jezus Christus. Dit is het wat
Paulus bedoelt als hij zegt: „Indien iemand den Geest van Christus
niet heeft, die komt Hem niet toe!" In zijn register geeft Paulus
nu de namen van personen met zulk een Christelijk karakter; zij
-ocr page 112-
96                                            DE WARE ADEL.                                          XII.
arbeiden in den Heere! Hoort maar eens, Geliefden: Febé is „eene
dienares der Gemeente", ~ „een voorstandster van velen!" —
Priscilla en Aquila zijn zijne „medewerkers in Christus Jezus!"
Epénetus is „een eersteling in Christus!"
Maria heeft veel voor hen gearbeid.
Andronicus en Junias, — zij zijn niet alleen zijne bloedverwan-
ten, — maar ook zijne medegevangenen, en zijn vóór hem in
Christus geweest.
Amplias is bemind in den Heere!
Urbanus is een medearbeider in Christus.
Apelles is beproefd in Christus.
Aristobulus en Herodion zijn in den Heere.
Tryféna en Tryfósa, vrouwen, die in den Heere arbeiden.
Persis, de beminde zuster, die veel gearbeid heeft in den Heere.
Rufus en zijne moeder zijn „uitverkoren in den Heere!"
Hoe duidelijk, Geliefden, blijkt hieruit dat Paulus al deze broe-
ders en zusters hartelijk beminde; en door zijn woord kroont hij
hen met eene eere en heerlijkheid, die onvergankelijk eeuwig is en
duurt! Welk een treffend voorbeeld voor ons als Christenen. Ook
wij gaan dagelijks met Christenen om, — met broeders en zusters
in den Heere Jezus Christus. En wat is nu onze getuigenis van
hen? Ach, Geliefden, inplaats van het goede op te merken en
ons daarover te verblijden, trachten wij menigmaal alleen maar
hunne gebreken te zien en op te sporen, — en dan maakt
dit nog menigmaal een aangenaam voorwerp uit van ijverige
bespreking, soms uren en dagen lang! Is dit naar den Geest van
Christus? Naar het voorbeeld van een Paulus? Geliefden, laat ons
toch trachten het goede in alle ware Christenen op te sporen, —
laat ons daarover ons dan verheugen, laat ons dat sterken en
bemoedigen, — laat ons alzoo toonen dat wij hen waarlijk liefheb-
ben ! En laat ons alzoo altijd liever het goede dan het kwade van
onzen naaste spreken !"
Wat wil een Paulus nu met dit register ? Paulus, die wel zeker
menigmaal in aanraking kon en moest komen met de hoogste en
eerste mannen van zijn tijd, — geleerden, kunstenaars, helden en
dichters en redenaars, — hij gaat de namen van al die grooten,
wijzen en edelen naar de wereld eenvoudig met stilzwijgen
-ocr page 113-
XII.                                          DE WARE ADEL.                                             97
voorbij, en hij zet op zijn register alleen de namen van arme
mannen en vrouwen naar de wereld. Waarom ? Maar waarom anders
dan om hun waarachtig Christelijk karakter, — een karakter dat
hen maakt tot den waren adel voor hemel en aarde, voor tijd en
eeuwigheid ! En waarom zou zulk een echte Christen-adel dan toch
zulk een hooge beteekenis in Paulus\' oordeel hebben ? Geliefden:
Omdat het het hoogste, duidelijkste en heerlijkste afschijnsel
is van het beeld van zijn Heere en Meester, Jezus Christus! In
al die Christenbroeders en zusters zag hij, — al is het dan op
verre na niet in volmaaktheid, — maar toch zag hij in hen de
geestelijke eigenschappen, de zedelijke en geestelijke grootheid en
heerlijkheid van een Meester, dien hij zoo innig liefhad en vereerde,
aanbad en verheerlijkte, dat hij geheel zijn leven en wezen aan
Hem en zijn dienst kon en moest wijden! En als hij dan in iemand
iets van dat heerlijk beeld van zijn geliefden Meester vond en zag, —
o, kon hij dan anders doen dan zulkeen liefhebben om Jezus\' wil ?
O, waarlijk, in een Christen, een waren Christen, wordt er meer
zedelijke en geestelijke heerlijkheid aanschouwd dan ergens elders
op de gansche aarde! Elke waarachtige Christen is eene openbaring
van de genade en heerlijkheid van Hem, die in de hemelen woont
en daar geprezen en verheerlijkt wordt, dag en nacht, voor zijn neder-
buigende liefde aan arme zondaren betoond in Jezus Christus.
Zulk een karakter, Geliefden, zulk een waarachtig Christelijk
karakter is het sterkste bewijs voor de waarheid in Christus Jezus,
tegenover alle ongeloof! Is het machtigste bewijs dat de Bijbel het
Woord van God is!
III.
En alzoo laat dit register van Paulus ons dan nu eindelijk zien:
dat allen, die de belangstelling van een man als Paulus
gaande maken, dan ook de waarlijk edele menschen
zijn van hun tijd.
Als wij eens de hooge kringen dezer wereld gadeslaan, — ach!
hoe wordt dan niet de begeerlijkheid der oogenen de grootschheid
des levens daarin aangebeden en verheerlijkt; de gunst van vorsten
en grooten boven alles gezocht; zulke eereteekens, ridderorden,
7
-ocr page 114-
98                                            DE WARE ADEL.                                          XII.
paleizen, pracht en praal, staan bij dezulken ver boven het Christelijk
karakter, met andere woorden: boven de ware godsvrucht! Wordt
hot treurig schouwspel ook niet in onzen dag nog gezien, dat
het kwaad werkelijk aangebeden en vergood wordt ? Als het maar
machtig is, als het maar aanzienlijk is, als het maar omringd is
met veel eer en groote sommen gelds, als het maar de éene
check na de andere onder het volk kan uitstrooien! Daarentegen
ziet gij de deugd, — zelfs waar de deugd zich in die kringen
vertoont, ook naar de wereld machtig, door invloed en schatten, —
zelfs daar ziet gij de ware deugd toch maar op den achtergrond
gedreven; men trekt er de lip voor op, en als de deugd zich
dan nog in armoede en lompen vertoont, — wel, dan kunnen zij
het eenvoudig niet klein krijgen dat God het toelaat dat er ook
nog zulke armzalige menschen op aarde leven moeten; en waar
de deugd zich zoo aan hun oog vertoont, daar wordt zij eenvoudig
als oude vuilnis in de geut geschopt! Met de grootste verwondering
zien zij op naar gewelddadigere, die niets anders erkennen als
recht dan hun macht alleen — macht is recht; — naar de grootste
bedriegers, fortuinzoekers, en zelfs moordenaars; maar de Chris-
ten, die arm is, wordt als een nietswaardig ding geacht!
Geliefden, laat het anders met ons zijn; laat ons het voor de
hoogste eer rekenen, wanneer wij de belangstelling en achting en
liefde van zulke mannen als een Paulus mogen genieten! Laat dit
ons een grooter eer wezen dan wanneer al do hooge eeretitels
dezer wereld ons zouden worden aangeboden! Laat ons dan alles doen
wat wij kunnen om zulk een karakter door Gods genade deelachtig
te worden! En laat ons omzien naar zulke mannen en vrouwen,
zij zijn onze broeders en zusters in Jezus Christus; gemeenschap
met hen is een eer en zegen! Al leven zij dan ook al in de laag-
ste standen der maatschappij, al sterven zij ook den dood van een
bedelaar, en al worden zij neergelaten in een bedelaarsgraf, toch
zijn zij alle eere waard; ja zij zijn ook van de edelen van het
koninkrijk der hemelen! Want „wat baat het den mensch zoo
hij ook de geheele wereld gewint, en hij lijdt schade aan zijne
ziel!"
Amen!
To zingen Ps. 119 : 1.
-ocr page 115-
XIII.
* GODS GENADE VOOR DEN ZONDAAR, DIE ZICH
VEROOTMOEDIGT.
Te zingen Ps. 51 : I.
Te lezen Jesaja 1.
Te zingen Ps. 32 : 1.
Het gebed.
Te zingen Ps. 51 : 4.
Tekst Romeinen 12 : 2a: Wordt dezer wereld niet gelijkvormig! — en:
Jesaja 1 : 18: Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere : al waren uwe
zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmo-
zijn, zij zullen worden als witte wol!
Geliefden, \'t is mij uiterst moeilijk om thans voor te gaan. \'t Is
altijd gewichtig om den kansel te betreden ; maar, ziende op mij-
zelven, dan is het nog meer zoo vooral op een dag als deze! Ik
ben dan ook voor u opgetreden om met de hulp van Gods genade,
geen preek te leveren, maar een woord tot u te spreken naar
den eisch van het oogenblik!
Het is heden een dag van verootmoediging. Wij worden dus ge-
roepen om ons opzettelijk voor den Heere, onzen God, te veroot-
moedigen vanwege onze zonden. Dit gelooven en belijden wij
geduriglijk: dat de Heere geene straffen of kastijdingen over ons
land zou uitzenden als er geen zonden en afwijkingen waren,
die om straf roepen. Wij gelooven en zeggen, dat de Heere daar-
door tot ons spreekt!
" Uitgesproken te Steijnsbarg, K. Kolonie, op den 9den Augustus 1896, een dag van
algeinoene verootmoediging door geheel Zuid-Afrika.
-ocr page 116-
100                       GODS GENADE VOOR DEN ZONDAAR,                     XIII.
Maar, Geliefden, als de Heere dan tot ons spreekt, dan betaamt
het ons toch zekerlijk: om te luisteren; om onszelven
ernstiglijk te onderzoeken; en om ons dan ook waar-
lijk te verootmoedigen.
Als wij nu vragen of de Heere dan waarlijk tot ons spreekt,
dan zal elkeen dadelijk daarop antwoorden : Ja, zekerlijk ! De Heere
spreekt tot ons op een zeer ernstige, zelfs op een zeer vreese-
lijke wijze! Let maar op al hetgeen ons wedervaren is van het
begin van dit jaar 1896 af. — Jameson-inval! Ramp te Johannes-
burg! Spoorwegongeluk in verband daarmede ! Drummond Castle
vergaan! Ramp bij de kroning van den keizer van Rusland! Oorlog
in Matabeleland ! Runderpest, — hoe vreeslijk ! Geruchten van oorlo-
gen! Vervolging van Christenen in Armenië! Door dit alles spreekt
de Heere tot ons. En dit dringt ons om ernstiglijk te vragen: Waar-
om? Wat is dan toch onze zonde? Wat onze afwijking?
Ik denk, Geliefden, dat wij alles in een woord kunnen samenvatten,
met éen woor.d kunnen voorstellen; ik denk dat de groote zonde
van onzen tijd is: gelijkvormigheid aan de wereld!
Om nu al de gedachten, die dit éene woord ons aan de hand geeft,
uiteen te zetten, zal de tijd niet gedoogen. Met recht vraagt gij
echter naar eenige. Wij zullen trachten met Gods hulp u die nu
eenigszins voor te stellen.
I.
Het hu welijksformul ier geeft ons daarvan een paar
aan de hand.
In de wereldsche kringen van de maatschappij heerscht er een
levensopvatting, die ten eenenmale heidensch, wereldsch en on-
schriftuurlijk is. Het gebed heeft men niet noodig, en daarom
ook geen huisgodsdienst. En verder is men er op uit om te zien
wie het lekkerste en het mooiste kan leven, met éen woord,
wie het best en het meest kan pronken en zwieren en pralen;
men drinkt, en eet, en zwiert, en houdt pleizier, en vleit en wordt
gevleid; en om God en goddelijke zaken, daar bekreunt men zich
maar bitter weinig om. Treurig is het, Geliefden, dat deze verderflijke
levensopvatting zich altijd dieper en dieper begint in te dringen
-ocr page 117-
XIII.                               DIE ZICH VEROOTMOEDIGT.                                 101
in onze Christelijke maatschappij, in Christelijke kringen en huis-
gezinnen. Onze oude ernstige gereformeerde vaderen hebben dit
als zulk een ernstig kwaad beschouwd, dat zij de lieve jeugd in het
vroolijkste uur van hun leven daarvoor ernstiglijk gewaarschuwd
hebben ; opdat zij weten zouden en altijd daaraan gedachtig mochten
zijn, dat ook zelfs hun hoogste vreugde op aarde door de vreeze
des Heeren moet geheiligd worden. Dat hun geluk en levensvreugde
dan alleen bestendig zouden wezen, wanneer zij ook al de dagen
huns levens in hunne samenleving als man en vrouw, en in hun
huisgezin de vreeze Gods voor oogen houden.
a.    Daarom wordt daar tot vandaag toe nog in het huwelijksformu-
lier gezegd: „Eerstelijk zult gij man weten, dat God u gezet heeft als
een hoofd der vrouw; opdat gij ze naar uw vermogen verstandiglijk
leidende, zoudt onderwijzen, troosten en beschermen, gelijk het
hoofd het lichaam regeert; ja gelijk als Christus het hoofd, wijsheid,
troos-t en bijstand zijner Gemeente is, etc, opdat uw gebed
niet verhinderd worde!"
ü, welk een ernstig woord. Hoe menigmaal wordt het gebed niet
verhinderd; omdat het goede woord en voorbeeld van moeder verijdeld
worden door de wereldschgezindheid van vader, of die van vader
door de verkeerdheid van moeder? Kan daar zegen zijn, kan
daar huisgodsdienst gehouden worden, is daar een voorbeeld voor
kinderen en huisgenooten, hoe worden zulke kinderen groot? —
En zoo moet menig huisgezin dan nog in Gods voorhoven ver-
schijnen. Kan daar zegen zijn? O, vreest daar toch voor!
b.    Die verkeerde, verderfelijke levensopvatting besmet menig
Christelijk huisgezin dan ook nog met pracht- en praalzucht. Daarom
wordt daar in ons huwelijksformulier tot vandaag toe nog altijd
gezegd: „Ten andere zult gij, vrouw! weten etc, op uwe huis-
houding goede acht hebben, en in alle tucht en eer-
baarheid, zonder wereldlijke pracht wandelen, opdat
gij den anderen een goed voorbeeld der tuchtigheid
moogt geven!" Welke heilige en ernstige woorden, Geliefden!
Hoe dierbaar moet het in een huisgezin zijn, waar het alzoo toegaat.
Dit wil niet zeggen dat wij ons goed niet mogen gebruiken; zeker,
de Heere haat een gierigaard, maar ook een doorbrenger. Onze
gereformeerde vaderen, zij waren precies, net en deftig, maar daarbij
-ocr page 118-
102                            GODS GENADE VOOR DEN ZONDAAR,                          XIII.
eerlijk, mededeelzaam, en godvreezend. Eenvoud en soberheid
kenmerkten hun gedrag en wandel. Maar, Geliefden, dit staat vast,
daar moet in dit opzicht ook een duidelijk verschil wezen tusschen
de kinderen dezer wereld, die alleen voor zulke dingen werken en
leven, en de kinderen Gods, die ook zelfs al het aardsche aanwenden
moeten om bovenal de hemelsche en eeuwige schatten te verkrijgen.
Moeders, helpt toch! O, gij kunt toch zooveel in dit opzicht doen.
Prent dit toch uw dochters in het hart! Maar dan moet de Bijbel
weer meer in de hand genomen worden. Denkt toch aan dat schoone
woord van Petrus: „Desgelijks gij vrouwen! zijt uwen eigenen mannen
onderdanig; opdat ook, zoo eenigen den Woorde ongehoor-
zaam zijn, zij door den wandel der vrouwen, zonder
woord mogen gewonnen worden;
Als zij zullen ingezien hebben uw kuischen wandel in vreeze.
Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het
vlechten des haars, en omhangen van goud, of van kleederen aan
te trekken;
Maar de verborgen mensch des harten, in het onverderfelijk
versiersel van een zachtmoedigen en stillen geest, die kostelijk is
voor God!" 1 Petr. 3:1—4.
II.
Gelijkvormigheid aan de wereld, Geliefden, die zondige gelijk-
vormigheid aan de wereld wordt ook nog in een ander opzicht
duidelijk, — en wel in ons maatschappelijk leven, — in het
zoeken van een bestaan, en in het bestendigen daarvan, met een
bijna algeheele miskenning en verwaarloozing van de armen.
De regel in de wereld is: span alle krachten in om een bestaan
te vinden, een goed bestaan; maak net zooveel geld als gij
kunt, — om \'t even van wie of op welke wijze; kan het
eerlijk, goed; maar kan dit niet, zorg dan maar tenminste dat
gij geld maakt, — geld — daar komt het alles op aan. De
wereld vraagt niet: Wie is hij of zij? Wat is hij of zij? Wat is
zijn of haar karakter? Neen, — hoeveel geld en goed heeft
hij of zij! — dit is de eerste, de voornaamste, ja menigmaal de
eenige vraag, — en daarnaar wordt een man of een vrouw dan
-ocr page 119-
XIII.                                  DIE ZICH VEROOTMOEDIGT.                                      103
gerekend en gewaardeerd. Zoo mag en durft de Christen niet
vragen; de Christen moet in de eerste en hoogste plaats vra-
gen: Is hij of zij waarlijk een Christen ? Is hij of zij waarlijk een
kind Gods?
De wereldling zegt: Ik moet voor mijzelven zorgen en voor de
mijnen; ik werk hard daarvoor, laat elk ander dan ook maar voor
zichzelven zorgen en werken; hoe arm iemand ook is, ik kan
hem of haar niet helpen; elkeen moet maar zien dat hij klaar
komt, — zoo goed of kwaad als het dan gaat! Dit is echt hei-
densch, ja duivelsch!
Nu wil dit niet zeggen dat als iemand een ware Christen en
ware vrome is, hij dan niet behoeft te werken. Dat zij verre!
Hij of zij moet bij geen wereldling in vlijt en ijver achterstaan.
Maar het kan toch zijn dat een ware Christen op eene of andere
wijze waarlijk arm en nooddruftig wordt, \'t Is zoo, de wereld zegt:
Man of vrouw, het is uw eigen schuld als gij arm wordt, of arm
zijt, en arm blijft! En zeker heeft meer dan éen zelf daaraan
schuld, en soms bijna alleen schuld. Maar al is dit zoo, dan ont-
slaat dit ons nog niet van onze Christelijke verplichting. Als God
eens met ons zoo zou handelen, hoe jammerlijk zou het dan niet
met ons zijn?
En dit is toch ook niet altijd zoo. Waarlijk als de spreuk van
de wereld waarheid is, dat geen mensch arm behoeft te wezen als
hij maar net werken wil, - als dit Evangelie is, — dan zou de Heere
Jezus ons dit ook wel zekerlijk zoo geleerd hebben; dan zou Hij
nooit gezegd hebben: „De armen hebt gij altijd met u!" — Dit
staat dan vast, Geliefden, dat de arme een dure verplichting heeft;
de Schrift zegt: Die niet werken wil, zal ook niet eten!" Maar dit
staat ook vast. dat die meer heeft, — die bemiddeld is, die rijk
is, — evenzoo dure verplichting en verantwoording heeft! Dit
punt is waarlijk ernstiger dan wij meestal denken. Daarom hebben
onze gereformeerde vaderen zelfs in het huwelijksformulier daarvan
gesproken en gezegd: „Zoo zult gij trouweiijk en naarstiglijk in
uw goddelijk beroep arbeiden, opdat gij uw huisgezin met God en
met eere moogt onderhouden, en ook wat daarbenevens hebt,
om den nooddruftigen mede te deelen !" God wilde niet dat er onder
Israël armen zouden wezen, dit moest zooveel mogelijk verhinderd en
-ocr page 120-
104                       GODS GENADE VOOR DEX ZONDAAR,                     XIII.
verholpen worden. God stelde daartoe zelfs vaste wetten in. En
de Heere Jezus kwam op de aarde ook om voor de armen te
zorgen. En ten allen tijde zien wij dat wanneer de armen ver-
waarloosd en verdrukt worden, Gods toorn daardoor zeer ont-
stoken wordt. Zoo toch wordt het ons in Gods Woord geleerd.
Lees eens Jesaja 1 en Jesaja 58 : 1 —8. Vreeselijk zijn de bedrei-
gingen van Gods Woord desaangaande: „Die den arme verdrukt,
smaadt deszelfs Maker!" Spreuken 14 : 31.
„Die den arme bespot, smaadt deszelfs Maker!" Spreuken 17 : 5.
Zie ook Amos 4 : 1—3. Heerlijk daarentegen zijn de beloften
Gods:
„Ja, alle koningen zullen zich voor hem nederbuigen, alle hei-
denen zullen hem dienen. Want hij zal den nooddruftige redden,
die daar roept, mitsgaders den ellendige, en die geen helper heeft.
Hij zal den arme en nooddruftige verschoonen, en de zielen der
nooddruftigen verlossen.
Hij zal hunne zielen van geweld en list bevrijden, en hun bloed
zal dierbaar zijn in zijne oogen!" Ps. 72 : 11—14.
„Die zich des armen ontfermt, leent den Heere; en Hij zal hem
zijne weldaad vergelden!" Spreuken 19 : 17.
„Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, ver-
gadert dat voor dengene, die zich des armen ontfermt. Die den
armen geeft zal geen gebrek hebben; maar die zijne oogen ver-
bergt, zal veel vervloekt worden!" Spreuken 28 : 8 en 27.
Vooral, Geliefden, dat heerlijk woord van onzen dierbaren Hei-
land: „Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende:
Heere, wanneer hebben wij U hongerig gezien en gespijzigd? of
dorstig en te drinken gegeven? En wanneer hebben wij U een
vreemdeling gezien en geherbergd ? of naakt en gekleed ? En wan-
neer hebben wij U krank gezien of in de gevangenis, en zijn tot
U gekomen?
En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen : „Voorwaar
zeg Ik U; voor zooveel gij dit een van deze mijn minste broeders
gedaan hebt, zoo hebt gij dat Mij gedaan!" Matth. 25 : 37—40.
Geliefden, laat ons dit woord diep in onze harten schrijven. O,
laat ons dan ons het lot der armen aantrekken! Of hoe zal de
Heere ons anders kunnen helpen?
-ocr page 121-
XIII.                                   DIE ZICH VEROOTMOEDIGT.                                     105
III.
Gelijkvormigheid aan de wereld, Geliefden, die zondige gelijk-
vormigheid aan de wereld wordt ook nog in een ander opzicht
maar al te duidelijk, — en wel in dat groot en treurig gebrek
aan waarachtige broederlijke liefde, — ook daarin menigmaal te
zien, dat er zoo weinig waarachtige vergevensgezindheid beoefend
en getoond wordt. Geliefden, wij zijn allen menschen, onvolkomen,
arme en gebrekkige zondaren, en daarom is het volstrekt niet te
verwonderen dat er wel nu en dan verschil komt tusschen broe-
ders en zusters. Welnu, Geliefden, als de wereldling verschil krijgt,
als hij gekrenkt wordt, — dan zegt hij: „Wacht maar, dat zal ik
u betaald zetten." Dan vergeldt hij kwaad met kwaad, —en doet
dit zooveel hij maar kan, — hij is dan daarop uit om zulks
te doen, — hij zet zijn uiterste studie daarop, om te schimpen,
te smalen en te tergen. O, lieve broeders en zusters, laat dan
toch nooit zoo iets van ons gezien of gehoord worden. Laat zelfs
nooit een van ons zeggen: „Ik vergeef, — maar vergeten kan ik
niet!" — Neen, dat zou niet Christelijk zijn; neen, wat uitge-
maakt is moet voorbij zijn, moet zijn alsof het nooit geweest
is. Dit leert de Heere Jezus ons; zie Mattheus 18 : 21 tot het
einde. Geliefden, laat ons dan nooit zeggen als de wereldling: „Ik
zal u dit betaald zetten" ; of: „Ik vergeef, maar vergeten kan ik
niet"; laat ons nimmer schimpen, smalen, tergen! Want wat zouden
wij dan anders doen dan die booze dienstknecht in de gelijkenis?
O, laat het dan met ons altijd zoo zijn gelijk als daarvan gespro-
ken wordt aan \'t slot van ons heerlijk avondmaalsformulier.
„Daartoe helpe ons de almachtige God en Vader van onzen
Heere Jezus Christus, door zijn Heiligen Geest!"
IV.
Gelijkvormigheid aan de wereld, — Geliefden, — wij zouden
zoo kunnen voortgaan, en nog zoo menige gedachte voorstellen,
die ons door dit woord wordt ingegeven, (zooals over de inkorting
van bijdragen voor den godsdienst, als de tijd zwaar wordt; over
-ocr page 122-
106                       GODS GENADE VOOR DEN ZONDAAR,                     XIII.
het brengen van de politiek in gemeente, kerk en godsdienst).
Maar de tijd zal ons daartoe ontbreken. Wij keeren nu eindelijk
nog slechts nader tot onszelven in.
Ach, hoe treurig zou het zijn als een of ander onder ons nu bij
elk punt heeft gezegd: ,0, ja, dit is het beeld van dezen man, en
dat weer van dien man, dit is het beeld van deze vrouw, en dat
weer van die vrouw!" O, mijn broeder, mijne zuster, hoe treurig;
—   dan is deze dag van verootmoediging tot hiertoe nog voor u
tevergeefs geweest; dan hebt gij nog maar altijd van u afgezien
op anderen alleen, en uzelven hebt gij vergeten! O, begin dan nu met
uzelven; al zou een of ander van ons, of velen zelfs aan eene of
andere van die zonden, aan al die zonden, en aan nog veel meer
van die schuldig zijn, dan gaat dit ons nog niet boven alles aan,
—   dit is eene zaak tusschen die ziel en haren God! Onze eigene
ziel, — ons eigen leven, — daarop dan toch in de eerste plaats
gelet! Ziet gij Jezus? Daar zit Hij in het voorhof van den tempel;
een groote schare omringt Hem, en Hij leert haar. Daar komen
de schriftgeleerden en farizeën met eene vrouw, die in overspel
gevangen was. „Mozes heeft ons in de wet geboden," — zeggen zij,—
„dat dezulken gesteenigd zullen worden; gij dan, wat zegt gij?"
Maar Jezus nederbukkende, schreef met den vinger in de aarde.
En als zij Hem bleven vragen, richtte Hij zich op, en zeide tot
hen: „Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op
haar!" Joh. 8 : 1—7. Hoort, Geliefden, en verstaat, dit is het
woord dat op dezen dag bovenal ook tot een iegelijk onzer komt:
„Die van ulieden zonder zonde is, werpe eerst den steen op den
broeder of de zuster, die gij meent schuldig te wezen!"
Wie zal, wie kan, wie durft dit doen?! Niemand! Niemand!!
„Zij gingen heen, en Jezus werd alleen gelaten en de vrouw in
het midden staande!" O, Geliefden, laat ons niet heengaan! Laat
ons Hem te voet vallen, en laat ons Hem hulp en genade vragen
om altijd op onszelven het eerst en het meest te zien. Ja
waarlijk, God de Heere geve uit genade, dat waar Hij heden ziet
tot in het diepst van ons hart, — waar Hij ons ziet en kent door
en door, — Hij uit genade van niemand onzer door Jezus
Christus behoeft te zeggen: „Wat ziet gij den splinter, die in het
oog uws broeders is; maar den balk, die in uw oog is, merkt gij
-ocr page 123-
XIII.                                   DIE ZICH VEROOTMOEDIGT.                                     107
niet!" Matth. 7 : 3. „Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt.
Want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden,
en met welke mate gij meet, zal u wedergemeten worden!"
Matth. 7 : 1 en 2.
Geliefden, dit alles roept ons nu om geheel en al tot onszelven
in te keeren, om met die algemeene zonden, waaraan wij allen
min of meer schuldig zijn, en bovenal elkeen met zijn persoonlijke
zonden tot den Heere te komen en zich te verootmoedigen! God
eischt niet dat ik nu mijn en uw persoonlijke zonden openbaren
moet, nog minder dat ik die aan de kaak stellen moet! Dat zij
verre! Dit mag en dit durf ik niet! Zoo doende zou ik mij vreeselijk
vergrijpen aan de heiligheid van mijn ambt en heilige zending.
Dit is Gods recht alleen! God eischt niet dat elkeen van ons nu
zal opstaan of nedervallen, om hier in \'t openbaar zijn of haar
persoonlijke zonden uit te roepen! Neen, — maar o, roept die
nu, — heden, des te luider uit in het binnenste van uw hart voor
God; neemt die naar uw binnenkamer, heden op dezen dag van
verootmoediging, en verbergt niet éen van de grootste tot de
kleinste, voor uwen God, en verootmoedigt u onder de krachtige
maar ook genadige hand des Heeren in geest en waarheid! En,
Geliefden, als dit waarlijk uwe begeerte is; als gij waarlijk
daartoe op dezen dag zijt tezamen gekomen, — o, ziet, dan hebben
wij voor u een heerlijk troostwoord: „Komt dan en laat ons samen
rechten, zegt de Heere: al waren uwe zonden als scharlaken, zij
zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij
zullen worden als witte wol!" — Daar is slechts éene voorwaarde:
„Wascht u," — zegt de Heere — „reinigt u, doet de boosheid uwer
handelingen van voor mijne oogen weg, laat af van kwaad te doen,
leert goed doen, zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den wees
recht, handelt de twistzaak der weduwe. Komt dan en laat ons
samen rechten!" — Rechten, — alsof de Heere wil zeggen:
komt dan en brengt al uwe zonden tevoorschijn, — en ziet,
mijne genade is oneindig, eeuwig meer! Ja, al waren zij als
scharlaken, rood als karmozijn, — bloedschulden, — ziet, mijne
genade is oneindig sterker, zij zullen worden wit als sneeuw, —
zij worden als witte wol, door het bloed van Jezus Christus!
O, Geliefden, al zouden wij dan ook, om het uiterste te noemen,
-ocr page 124-
108                   GODS GENADE VOOR DEN ZONDAAR, ENZ.                 XIII.
reeds zóó geworden zijn als kerk en gemeente, als volk en land,
als maatschappij en huisgezin en persoon, gelijk als de Heere
door Jesaja van Juda en Jeruzalem in die dagen zeggen moest,
zie Jesaja 1 : 5—8; ziet, — o ziet toch, — Gods genade is
sterker dan al dit verderf — Gods genade is oneindig grooter dan
al onze ellenden! Gods genade kan oneindig hooger gaan dan al
onze zonden opeengestapeld ! Dieper nog dan de diepste verderfenis
der zonde! „Komt dan, en laat ons samen rechten, — zegt de
Heere, — al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit
worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen
worden als witte wol!"
Gods genade, — is gelijk de zon — de Zon der gerechtigheid!
Haar licht gaat over alles, haar warmte in alles! Zoo is
Gods genade in Jezus Christus! Zegt iemand nu misschien: „Maar
daar is toch nog geen oorzaak om zoo ernstig te spreken ?!" Wel,
oordeelt dan zelven, Geliefden; menigeen zegt: „In Matabeleland,
— ver, — ver — niet hier!" Wat? Zullen wij dan wachten totdat
bliksem en donder hier zijn? — door Gods genade zijn wij nog
ver!" — Hoort dan: Jesaja zegt: „De dochter van Sion is overge-
bleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje in den
komkommerhof, als een belegerde stad!" — Waarlijk, zoo is het
met ons! Daarom helpe de Heere ons u i t genade, en door ge-
nade, opdat een ieder van ons in geest en waarheid smeekende,
en als een boeteling pleitende, roepen en bidden mag:
„O, God! wees mij zondaar genadig!"
Om Jezus Christus wille!
Ja, om Jezus Christus wille alleen en eeuwig!
Amen, ja — Amen!
Te zingen Ps. 32 : 3 of Ps. 119 : 17.
-ocr page 125-
XIV.
Voor Kerstdag.
EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.
Te zingen Ps. 98 : 1.
Te lezen Lnkas 2 : 1-20.
Te zingen Ps. 98 : 2.
Het gebed.
Te zingen Ps. 118 : 12.
Tekst Lukas 2 : 10, 11: En de engel zeide tot hen: Vreest niet: want ziet, ik ver-
kondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal; (namelijk) dat u heden gebo-
ren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad Davids!
De volheid des tijds was gekomen; de tijd dat de Zone Gods,
de beloofde Messias, op aarde zou verschijnen in de gestaltenis
van een dienstknecht, om te zoeken en zalig te maken hetgeen
verloren was. Zijn voorlooper, Johannes de Dooper, is reeds ge-
boren; zes maanden zijn er verloopen van dien dag af, dat er
groote vreugde was in het huis van Zacharias en Elizabeth; daar
houden eenige herders de nachtwacht bij hunne kudde in de velden
van Bethlehem; ook zij zien verlangend uit naar den beloofden
Messias en Zaligmaker; en ziet, terwijl misschien zijn naam op
hunne lippen of hun hart vervuld is met verlangende gedachten
over zijne komst en verschijning, — ziet, daar omschijnt hen de
heerlijkheid des Heeren; een engel staat bij hen en spreekt hen
aan! Hij verkondigt hun voor de eerste maal het dierbaar Evan-
gelie; hij is de eerste prediker van het Evangelie.
-ocr page 126-
1 10                   EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                 XIV.
I.
Op dezen Evangelieverkondiger vestigen wij dan ook
in de eerste plaats uwe aandacht.
Wie is hij? Hij is een engel Gods. Waardig zulk een blijde
boodschap des hemels den menschenkinderen op aarde te brengen.
Een engel des Heeren. Eén van de reine hemelgeesten, die den
allerhoogsten God in het heilige der heiligen verheerlijken; die in
den hemel zijn wil volbrengen; zijn ijver is als een vlammend
vuur; zijne vlugheid als de snelheid des winds; een van die hemelin-
gen van wie wij in onze psalmen zingen, dat zij den Heere
dienen met heldenkrachten, en vaardig passen op het woord van
zijn mond; die zich in den hemel der heerlijkheid verheugen over
éen zondaar die zich op aarde bekeert; die altijd gereed staan om
op de vleugelen der hemelliefde heen te snellen tot hulpe dergenen
die de zaligheid beërven zullen.
Zietdaar het voorbeeld voor alle Evangelieverkondigers. Het is
de dure roeping van eiken Evangeliedienaar in heiligheid en vol-
vaardigheid als „een engel van den Heere der heirscharen te zijn ;"
in liefde „een engel der gemeente!" Daartoe is dan ook bovenal
noodig dat hij in gedurige en nauwe gemeenschap met den Heere
leeft, door den Heiligen Geest! Ach, Geliefden, wanneer ik zie op
het jaar van Gods welbehagen, dat daar alwéér achter ons ligt;
wanneer ik gedenk aan den arbeid mijner handen in dat verloopen
jaar; wanneer ik mijzelven vergelijk met dien engel des Heeren;
o, dan moet ik met Jesaja uitroepen: „Wee mij, dewijl ik een
man van onreine lippen ben!" — Moge het mij dan ook nu gaan
als een Jesaja, dat de Heere zelf mijne lippen wil aanroeren met
een gloeiende kool van zijn altaar! Vraagt de Heere dan: „ Wien
zal Ik zenden?" In de kracht en mogendheid des Heeren antwoord
ik dan nog met Jesaja: „Zie, hier ben ik, zend mij henen!" —
(), laat toch ook uwe gebeden daartoe tot den Heere geduriglijk
voor mij, en voor alle dienaren Gods, opgaan!
Ziet, dit alles, en o, zooveel meer, staat voor mijne verantwoor-
ding! Maar, Geliefden, daar is ook iets in dit opzicht dat voor uwe
rekening komt. Waarom zien wij zoo menigmaal zoo weinig vrucht
op de gedurige verkondiging van het Evangelie? Eéne reden is
-ocr page 127-
XIV.                EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                    111
deze: Zou het zijn dat God ook tot mij, tot meer dan éen van
zijne dienaren, als eens tot Jesaja, gezegd heeft: „Ga henen en
zeg tot dit volk: Hoorende hoort, maar verstaat niet, en ziende
ziet, maar merkt niet. Maak het hart dezes volks vet, en maak
hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogen, opdat het niet zie met
zijne oogen, noch met zijne ooren hoore, noch met zijn hart versta,
noch zich bekeere, en Hij het geneze!"? Jesaja 6. Dit zou voor
mij, en voor alle ware dienaren Gods, de bitterste gedachte van
geheel ons leven zijn; God verhoede het genadiglijk! Maar een iegelijk
vrage zichzelven af, of het voor hem in het bijzonder niet juist
en waarlijk zoo geweest is tot op dezen zelfden dag?
Een andere reden is deze: dat er in onze dagen zoovele menschen
zijn, die altijd meer op de gebreken en zwakheden van de dienaren
des Evangelies zien dan op het Evangeliewoord, dat zij in Gods
naam verkondigen. Zij vergeten dat de persoon een mensch is, van
gelijke bewegingen als alle menschen, terwijl het Evangelie Gods
onvervalschte Woord is; het onfeilbaar Woord der waarheid. Neemt
dit Woord dan mede, legt het in uw hart weg voor het jaar dat
spoedig komt, ja voor uw geheele leven! Een iegelijk staat en valt
zijn eigen heer! Ik, en alle dienaren Gods, wij zullen eens rekenschap
moeten geven van al onze gebreken en zwakheden: ook van de
wijze waarop wij Gods Woord verkondigd hebben! Gij zult reken-
schap moeten geven van de wijze waarop gij die zwakheden en
gebreken verdragen hebt; bovenal van elk woord dat aan u
verkondigd is! Die dag des oordeels komt! O, moge de Heere dan
een iegelijk onzer oprecht, ijverig en getrouw in het zijne maken!
II.
Een engel des Heeren was de eerste verkondiger van het
Evangelie. Hij zegt tot hen: „Vreest niet, want ziet, ik verkondig
u groote blijdschap!" Hij verkondigt groote blijdschap, en daarom
behoeven zij niet te vreezen, al verschijnt hij ook aan hen in
hemelsche heerlijkheid.
Op die „groote blijdschap," willen wij uwe aandacht in de
tweede plaats wijzen.
Wat de oorzaak van die groote blijdschap is, dat zegt de engel
-ocr page 128-
112                   EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                 XIV.
zelf; namelijk: „dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is
Christus, de Heere, in de stad Davids!"
Wat de engel verkondigt is waarlijk eene verkondiging van
groote blijdschap, opening van een bron van hartverblijding, van
een groot, waarachtig, volkomen en oneindig geluk. De oorzaak
van deze groote blijdschap was de geboorte in de stad Davids,
in Bethlehem, — de geboorte van den grooten Zoon van David,
als de Christus, de Heere, de Zaligmaker.
De groote Zoon van David wordt geboren als de „Christus;"
dat is, als degene die komen zou, en gekomen is; die van alle
eeuwen af van God toegezegd en beloofd was; in wien, „zoovele
beloften Gods als daar zijn, ja en amen zijn!" — dat is, vervuld
en verzegeld zijn. —
De groote Zoon van David, en juist daarom ook de Zoon des
menschen, — wordt nochtans geboren als de Christus, als „de
Heere!" De Heere van menschen en engelen; Hij is God geopen-
baard in \'t vleesch; van Hem zegt Johannes: „In den beginne
was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was
God. En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons
gewoond, vol van genade en waarheid!"
De groote Zoon van David is geboren als de Christus en de
Heere, maar ook als de „Zaligmaker," — dat is als Redder,
Verlosser en Behouder van zondaren; immers Hij is de eenige
Redder van het verderf, de eenige Verlosser van de zonde, de
eenige Behouder van den toekomenden en eeuwigen toorn; Hij is
voor zondaren geboren, om voor zondaren te leven, en te sterven,
en opgewekt en verheerlijkt te worden; om alzoo hun Redder,
Verlosser en Behouder te zijn, de oorzaak van groote blijdschap,
de oorzaak van onze eeuwige blijdschap.
Geliefden, heden op dezen dag komt dit heerlijk eerste Evangelie-
woord tot ons evenals tot die herders: „Vreest niet; want ziet,
ik verkondig u groote blijdschap, die al den volke wezen zal;
(namelijk) dat u geboren is de Zaligmaker, welke is Christus de
Heere, in de stad Davids!"
Als de engel Maria de geboorte des Heeren aankondigde, zoo
zeide Maria: „Zie, de dienstmaagd des Heeren; mij geschiede naar
uw woord!" Als Maria bij Elizabeth komt, wordt zij zeer aangedaan
-ocr page 129-
XIV.                 EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                    113
met groote vreugde, omdat de moeder des Heeren tot haar komt.
Ook Maria verheugt zich met groote vreugde en zingt op vroolijke
wijze: „Mijne ziel maakt groot den Heere; en mijn geest verheugt
zich in God mijnen Zaligmaker; omdat Hij de nederigheid zijner
dienstmaagd heeft aangezien!" — Eene menigte des hemelschen
heirlegers prijst God en zegt: „Eere zij God in de hoogste heme-
len, en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen!" De
herders zeggen tot elkander: „Laat ons dan heengaan naar Bethlehem
en laat ons zien het woord dat er geschied is, hetwelk de Heere
ons heeft verkondigd. En zij kwamen met haast!" Het kind Jezus
wordt voor de eerste maal in den tempel gebracht; daar komt
ook de oude Simeon door den Heiligen Geest gedreven in den
tempel, hij neemt het kind Jezus in de armen, hij looft God en
zegt: „Nu laat Gij, Heere! uwen dienstknecht gaan in vrede, naar
uw woord: want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien, die Gij
bereid hebt voor het aangezicht van al de volken; een licht tot
verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van uw volk Israël!"
Eenige heidensche wijzen komen zelfs uit het Oosten, aanbidden het
kind Jezus, en brengen Hem geschenken, goud, wierook en mirre. —
Bij welke partij behoort gij, Geliefden; bij deze Elizabeth, en
Maria, bij deze herders, en den ouden Simeon, en de wijzen uit
het Oosten? Welgelukzalig zijt gij dan! Dan zijt gij evenals de
herders deelgenooten van de vreugde der engelen Gods; dan is daar
ook voor u een licht opgegaan in de schaduwen des doods, een
heerlijke hoop voor de eeuwigheid, waar uw oog zonder het zalig
heerlijk licht van Christus\' aangezicht niets dan duisternis moet
zien; verderf, rampzaligheid, en eeuwige wanhoop in de diepten der
hel! Dan zingt gij blij temoede met eene Maria: „Mijne ziel maakt
groot den Heere; en mijn geest verheugt zich in God mijnen
Zaligmaker"; omdat Hij mijne nederigheid en geringheid heeft
aangezien!
Behoort gij bij deze kleinen, en geringen, en armen naar de
wereld, Geliefden ? Bij dezen, die wel droevig zijn, en toch altijd blijde;
ja wel droevig, maar niet met eene droefheid naar de wereld, die
den dood werkt, — neen, maar met eene droefheid naar God,
die een onberouwelijke bekeering werkt tot zaligheid! Eene
droefheid, waarvan de Apostel Paulus zegt: „Want om uwentwil
8
-ocr page 130-
114                   EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                 XIV.
worden wij den ganschen dag gedood; wij zijn geacht als
schapen ter slachting!" Kom. 8 : 36. En wederom: „Want wij,
die leven, worden altijd in den dood overgegeven om Jezus\' wil.
opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zou
geopenbaard worden. Zoo dan, de dood werkt wel in ons,
maar het leven in ulieden!" 2 Cor. 4 : 11. Geliefden,
behoort gij dan bij dezen, die wel droevig zijn en toch altijd blijde;
arm naar de wereld, maar onschatbaar rijk in God; arm en toch
velen rijk makende; niets hebbende, en (nochtans) alles bezittende ?
Of behoort gij nog bij de partij van een Herodes, die bevreesd is
voor den Koning der Joden, die Jezus zoekt te dooden, omdat hij
zijn kroon en troon niet gaarne, ja voor geen prijs wil verliezen?
Ongelukkige zondaar, koning wilt gij zijn van uw eigen hart,
koning wilt gij zijn over al wat gij ziet, en gij weet niet dat gij
een slaaf des Satans zijt! Uw eigen heer wilt gij zijn om te doen
al wat uw hart begeert, en gij weet niet dat gij een slaaf van de
wereld zijt, van zonde en ongerechtigheid! En gij weet niet dat
gij den eenigen Zaligmaker Jezus door die zonden aan het kruis
nagelt, en dat zijn bloed over u komen zal tot uw eeuwig verderf,
indien gij u niet bekeert. Komt, buigt u dan met deze wijzen uit
het Oosten voor het kind Jezus neer, en Hij zal u maken tot koningen
en tot priesters des Allerhoogsten Gods, en gij zult eens met Hem
zitten op zijnen troon! Geliefden, voegt gij u bij deze herders, bij deze
kleinen en nederigen van harte ? Of voegt gij u nog bij die eigen-
gerechtige Farizeën en hooggevoelende wet- en schriftgeleerden
en ongeloovige Sadduceën? Ongelukkig zijt gij dan! Christus is
dan voor u niet tot een hoofd des hoeks geworden, maar een
steen des aanstoots, een rots der ergenis, om daarover te struike-
len, om daardoor verbrijzeld te worden tot in eeuwigheid, indien
gij u niet bekeert! Wee u, „want tenzij uwe gerechtigheid over-
vloediger zij dan der schriftgeleerden en farizeën, gij zult geens-
zins in het koninkrijk der hemelen ingaan!" Wee u, „want God
wederstaat de hoovaardigen, maar den nederigen geeft Hij genade!"
Wee u, want „die den Zoon van God ongehoorzaam is, op hem
blijft de toorn Gods!" „Dwaalt niet, God laat zich niet bespotten;
want zoo wat de mensch zaait dat zal hij ook maaien!" Gal. 6 : 7.
O, hoort dan die blijde boodschap van dezen dag; de Zaligmaker
-ocr page 131-
XIV.                 EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                   115
is geboren! Komt dan, ja haast u, komt en knielt met die herders
bij de kribbe van Jezus neder, van den Zone Gods, in doeken
gewonden, liggende in de kribbe, in een stal te Bethlehem! Ja,
voegt u bij deze herders, want de Heere zegt: „Ik zal mijne hand
tot de kleinen wenden!" En laat het woord van Paulus ons tot ver-
troosting zijn : „Gij ziet uwe roeping, broeders! dat gij niet vele
wijzen zijt naar het vleesch, niet vele machtigen, niet vele edelen.
Maar het dwaze der wereld heeft God uitverkoren, opdat Hij de
wijzen beschamen zou; en het zwakke der wereld heeft God
uitverkoren, opdat Hij het sterke zou beschamen; en het onedele
der wereld, en het verachte heeft God uitverkoren, en hetgeen
niets is, opdat Hij hetgeen iets is, te niet zou maken; opdat geen
vleesch zou roemen voor Hem!" 1 Cor. 1 : 26—29.
Want waarlijk, Geliefden, „het woord des kruises is wel dengenen,
die verloren gaan, dwaasheid; maar ons, die behouden worden, is het
eene kracht Gods — tot zaligheid! O, voegt u dan bij die herders; zijt
klein in uw eigen oog; en verwondert zich de wereld daarover. ant-
woordt dan maar met David: „Ook zal ik mij nog geringer houden dan
alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen!" En met die herders
zullen wij dan eens verheerlijkt worden. „Want alzoo zegt de
Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam
heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien, die
van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat Ik levend make
den geest der nederigen, en opdat Ik levend make het hart der
verbrijzelden!" Jez. 57 : 15.
O, gij die klein zijt in uw eigen oog, en klein voor God, voor
u is deze goede boodschap, deze groote blijdschap, die onder alle
smarten kan troosten, die alle zorgen kan verlichten! Voor u is
de Zaligmaker geboren, machtig om te redden, om te verlossen
en te behouden tot in eeuwigheid! Gij ergert u niet aan de kribbe
van Jezus; o, neen, die kribbe bemoedigt u en trekt u aan. het
is naar uw hart! Gij gaat gaarne in uwe gedachten dagelijks met
de herders henen naar Bethlehem, naar Jezus, het brood en het
water des levens, om daar in deze rampwoestijn gespijsd en gelaafd
te worden ten eeuwigen leven! En de engel des Heeren, die dit
eerste Evangeliewoord verkondigd heeft, en de menigte des
hemelschen heirlegers, die dit woord met haar lied bezegeld heeft,
-ocr page 132-
116                   EERSTE VERKONDIGING VAN HET EVANGELIE.                 XIV.
verheugen zich over u met groote blijdschap, met eene blijdschap
waarin hemel en aarde samensmelten!
III.
Voor u is die blijdschap ; maar laat ons toch niet al te begeerig
zijn, want de engel des Heeren zegt eindelijk: „Ik verkondig u
groote blijdschap, die al den volke wezen zal!" Wat zeg ik ?
Geliefden, begeert maar gerust altijd meer en meer van die blijdschap;
want hoe meer gij begeert, zooveel te meer zult gij uit genade ont-
vangen; en hoe meer gij begeert en ontvangt, zooveel te meer zult
gij die blijde boodschap in den naam van Jezus ook aan anderen
brengen; en hoe meer gij die boodschap aan anderen verkondigt,
zooveel grooter en meerder wordt ook de vreugde van uwe ziel!
Verkondigt het dan aan Jood en heiden, dat Jezus de Zaligmaker
geboren is, verkondigt het door woord en voorbeeld! Kunt gij het
met woorden niet doen, o, bidt dan, en geeft uwe gaven ook daar
waar zielen waarlijk voor Christus kunnen gewonnen worden! Want
een vurig verlangen naar de komst van Gods koninkrijk is een
duidelijk bewijs en teeken van een waarachtig geestelijk leven!
Spreekt dan van Jezus, werkt voor Jezus, bidt dat gansch Israël
zalig worden, en de volheid der heidenen moge ingaan! Dan zullen
wij met de duizenden der engelen samen juichen, dan zullen wij
den Heere prijzen en zeggen: „Eere zij God in de hoogste hemelen,
en vrede op aarde, in de menschen een welbehagen !"
Amen.
Te zingen Gebed des Heeren vers 3, of Ps. 103 : 11.
-ocr page 133-
XV.
Belrjdenispreek.
BELIJDENIS EN WANDEL.
Te zingen Ps. 43 : 3.
Te lezen 2 Timotheus 2.
Te zingen Ps. 119 : 17.
Het gebed.
Te zingen Ps. 25 : 2.
Tekst 2 Tim. 2 : 19e: Een iegelijk, die den naam Tan Chiistus noemt, sta af van
ongerechtigheid!
Paulus is te Rome in de gevangenis; hij weet dat de dag zijner
veroordeeling door den keizer nabij is; de dag zijns doods is aan
het naderen: en daarom wil hij zijn geliefden leerling en geeste-
lijken zoon, Timotheus, gaarne nog eenmaal zien. Maar dit is heel
onzeker, daarom schrijft hij aan hem nog deze twee brieven. Vooral
in dezen tweeden brief wekt hij Timotheus op, — vaderlijk, maar
daarom niet minder ernstig en krachtig, — tot standvastigheid in
\'t geloof, tot ijver voor de zuivere leer des Evangelies, en tot
geduld en lijdzaamheid temidden van vele beproevingen. Waar
Paulus hem in dit tweede kapittel zoo ernstig waarschuwt tegen
de ketterijen, waarvan de zaden aireede in de kerk te zien waren,
ja die zich aireede begonnen te vertoonen, daar komt hij tot hem ook
met een krachtig woord van bemoediging en waarschuwing. „Even-
wel het vaste fondament Gods staat, hebbende dezen zegel: De
Heere kent degenen, die zijne zijn; en: een iegelijk, die den naam
van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid!"
Door het „vaste fondament Gods" moeten wij hier verstaan
-ocr page 134-
118                                        BELIJDENIS EN WANDEL.                                       XV.
de leer der opstanding uit de dooden, als de hoeksteen van het
Christelijk geloof. Wat de valsche leeraren dan ook al hieromtrent
leerden, Paulus was daarvan verzekerd: „het vaste fondament
Gods staat!" En was het een gebruik in dien tijd om in een
voornamen steen van het fondament éen of meer opschriften door
een zegel in te drukken, zoo gebruikt Paulus dit beeld om daar-
mede te betuigen, dat het vaste fondament Gods ook voor een
ieder kenbaar is door den zegel, waarmede het verzegeld is: De
Heere kent degenen, die zijne zijn; en: een iegelijk, die den naam
van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid!" —Om daarmede
aan te toonen dat dit geestelijk gebouw, en elke levende steen
van dit gebouw aan God behoort als zijn eigendom, en het doel
van dit gebouw en van eiken levenden steen, die daarin gebouwd
wordt, is: „Een iegelijk, die den naam van Christus noemt, staaf
van ongerechtigheid!"
Heerlijke bemoediging en vertroosting: „De Heere kent degenen,
die de zijnen zijn!" — Maar hoe ernstig is ook de waarschuwing,
die daarop volgt: „Een iegelijk, die den naam van Christus noemt,
sta af van ongerechtigheid!" —
Hier vat Paulus in een kort en krachtig woord geloof en leven,
belijdenis en wandel van den waren Christen tezamen.
I.
Hier is de belijdenis: „Een iegelijk die den naam van Chris-
tus noemt!"
Belijdenis van den naam van Christus is bijna algemeen onder
het Christendom; voor duizenden en duizenden is het gemakkelijk
den naam van Christus te belijden, den naam van Christus te noemen,
zich te noemen met den naam van Christen; maar het is nog wat
anders dit op de eenig rechte en ware wijze te doen! Jezus
zegt: „Niet een iegelijk, die tot Mij zegt: Heere, Heere! zal
ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil
mijns Vaders, die in de hemelen is."
Zoo is dan het geloof zonder het leven, zonder de werken, ijdel
en dood! Zoo is dan de belijdenis zonder een wandel, overeen-
komstig die belijdenis, bedrog en leugen. Het geloof moet door
-ocr page 135-
XV.                                   BELIJDENIS EN WANDEL.                                            119
het leven bekrachtigd worden, en de belijdenis door den wandel!
Jakobus zegt: „Toon mij uw geloof uit uwe werken!" Jak. 2: 18
En daarom zegt Paulus ook: „Een iegelijk, die den naam van
Christus noemt, sta af van ongerechtigheid!" Christus en Belial
hebben geen gemeenschap met elkander !
II.
Wat moet dan ons leven, hoe moet onze wandel zijn?
Paulus zegt: „Sta af van ongerechtigheid!" „Onge-
rechtigheid", — dat is alles wat in strijd is met Christus en
zijn Evangelie.
1. Zoo alleen kunnen wij de oprechtheid van onze belijdenis
bewijzen.
a.  Plechtig belijden wij hier voor God en zijne Gemeente en de we-
reld: „dat wij van ganscher harte gelooven, dat de boeken des Ouden
en des Nieuwen Testaments Gods eenig en waarachtig Woord zijn!"
Maar als wij door ons dagelijksch leven toonen dat de Bijbel maar
weinig waarde voor ons heeft, het voor ons van weinig belang is
of wij hem kennen of niet; als wij het toelaten dat het Woord van
God verzuimd en verwaarloosd wordt, vaneengescheurd en ge-
snipperd, veracht en vertreden wordt; — wanneer wij dat Woord
voor ons niet meer stellen tot den eenigen regel voor geloof en
leven, maar voor onszelven een regel stellen buiten en boven het
Woord van God, — wat dan, Geliefden? Komt dit overeen met
onze plechtige belijdenis? Toonen wij daardoor de oprechtheid van
onze belijdenis? Of juist het tegendeel? O, Geliefden, en vooral gij,
jeugdige broeders en zusters, acht dan het Woord des Heeren
als uw grootste schat op aarde, ja onbetaalbaar duur en dierbaar;
en toont dit door uw leven, door een heiligen eerbied voor dat
Woord, door een ernstig gebruik daarvan, door een leven naar
den regel van Gods wet. Want alzoo zegt het Woord des Heeren:
„Tot de wet, en tot de getuigenis, zoo zij niet spreken naar dit
woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben!" Vraagt
dan in alles: Wat zegt het Woord des Heeren? Want gij noemt
den naam van Christus!
b.   Plechtig belijden wij hier voor God en de wereld: „dat wij
-ocr page 136-
XV.
120
BELIJDENIS EN WANDEL.
van ganscher harte gelooven en bekennen, dat wij in onszelven
door de zonde gansch verdorven zijn, en, tot alle goed werk
onbekwaam zijnde, de zaligheid uit en door onszelven, of door
eenige onzer werken geenszins kunnen verkrijgen!" Maar, Gelief-
den, indien dit onze belijdenis is, indien wij dit van ganscher harte
belijden en gelooven, — dan mogen wij als Christenen, als leden
van Christus, geen leden zijn van geheime genootschappen; de
waarheid zoekt het licht, en de Apostel Johannes zegt: „En dit is
de verkondiging, die wij van Hem gehoord hebben en wij u ver-
kondigen, dat God een licht is, en gansch geen duisternis in
Hem is.
Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met Hem hebben, en
wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij, en doen de waar-
heid niet.
Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht
is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van
Jezus Christus, zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde!" 1 Joh.
1 : 5, 6 en 7.
Wachten wij ons voor allerlei genootschappen! Dit zij
ons genoeg dat Paulus zegt: „De zaligmakende genade Gods is
verschenen aan alle menschen.
En onderwijst ons dat wij, de goddeloosheid en de wereldsche
begeerlijkheden verzakende, matig, en rechtvaardig, en godzalig
leven zouden in deze tegenwoordige wereld!" Tit. 2 : 11 en 12.
c. En belijden wij zoo krachtig onze gansche onmacht van
nature, en dat wij door geene onzer werken de zaligheid noch ook
een stuk derzelve verkrijgen, — Geliefden, dan mogen wij ons ook
niet voegen bij elkeen die de algemeene-genadeleer verkondigt
en leert; die zegt: de zondaar is machtig om zelf op te staan!
De zondaar kan en moet zalig worden als hij maar net wil! Dit is
niet de leer van Christus. Daarom belijden wij ook dat wij van
ganscher harte gelooven: „dat wij alleen uit loutere liefde en
genade Gods, vanwege de waardigheid der verdiensten Christi,
onzes eenigen en volkomenen Zaligmakers, door de verlichting en
krachtige werking des Heiligen Geestes, door het geloof de zaligheid
ontvangen en in dezelve tot het einde toe door Gods kracht
behouden en bewaard worden!"
-ocr page 137-
XV.                                   BELIJDENIS EN WANDEL.                                            121
Geliefden, deze dingen nemen altijd meer en meer toe in onze
dagen. Waakt dan en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt!
0, lieve jongelingen en jongedochters, heden begint gij uwe loopbaan
als openbare belijders van Jezus Christus ; houdt dan aan Jezus
en zijn Evangelie vast, en waakt en bidt, opdat gij niet mede
afgeleid en afgetrokken wordt!
Zoo alleen kunt gij de oprechtheid van uwe belijdenis bewijzen en
bevestigen!
2. En zoo alleen kunnen wij ook onze waarachtige ge-
hechtheid aan Jezus en zijne leer bewijzen!
Wij zweren trouw aan Jezus en zijn Evangelie. En ach! Geliefden,
wat leert de ondervinding ons geduriglijk?
Menigeen laat het maar bij de belijdenis en bij de belofte blijven.
Elke verplichting wordt ontkend en onaangeroerd gelaten. Om
dit met een zeer eenvoudig voorbeeld duidelijk te maken; hoe
dikwijls moet een opziener zich moede en mat sukkelen om een
shilling voor den dienst des Heeren te verkrijgen? Maar, Geliefden,
als wij ons zoo gedragen, bewijzen wij dan daardoor onze trouw
aan Jezus en zijn gebod? Misschien zal menigeen zeggen: „Dit past
hier niet, dit is geen bewijs van ontrouw aan onze belijdenis!"
Maar, wat doet iemand die een plaats koopen wil ? Houdt hij niet
eiken sixpence vast, heeft elke sixpence voor hem niet groote
waaide? Zoo moet hij handelen met eiken sixpence, of nimmer
krijgt hij de gewenschte som bijeen. De wijze waarop hij handelt
met eiken sixpence, toont ons zijn ernst, zijn trouw aan zijn
voornemen. Zoo ook hier; de wijze waarop wij elke geestelijke en
stoffelijke verplichting volbrengen en betrachten, openbaart de
gezindheid van ons hart, bewijst onze trouw of ontrouw, onze
warme gehechtheid of de koudheid van ons hart! Neen, Geliefden,
zoo behoort het toch onder ons niet te wezen, voor wie Jezus
zijn bloed heeft uitgestort!
Maar wat is de ondervinding? Hier belijden wij plechtig, dat wij „de
kerkelijke regeering eerbiedigen zullen, en ons de kerkelijke straf
zullen onderwerpen als wij ons misschien komen te misgaan!" —
Maar als wij berispt, en vermaand, en gestraft moeten worden, o,
dan is daar zoo menigeen die den dag zijner belijdenis vergeet en
zijn duren eed aan God gezworen! Dan is menigeen zou gauw met
-ocr page 138-
122                                       BELIJDENIS EN WANDEL.                                       XV.
het woord: Veeg maar eerst voor uw deur! Wat hebt gij met
onze zaken te doen! Wat zijt gij beter? Wat hebt gij over ons te
zeggen ? Pas maar op dat wij ook niet eens de gelegenheid vinden om
u aan te klagen! En velen keeren Kerk en kerkeraad den rug toe
en gaan henen naar een andere Kerk! En ach! velen keeren dan
zelfs God den rug toe en wandelen naar de keuze van hun eigen
hart! Ach! Geliefden, ik bid u: laat het toch door Gods genade
nooit zoo onder ons worden; want dan kan God ons niet zegenen.
Paulus zegt: Vermaant elkander met broederlijke liefde. „Hebt
acht op elkander tot opscherping der liefde en der goede werken!"
Dan moeten de opzieners der Kerk al zuchtende en weenende
arbeiden; en zulk een arbeid kan u nooit tot zegen wezen. Al zijn
wij dan als opzieners maar zwakke en zondige menschen, o, wilt
toch bedenken dat gij u aan God en zijn Woord bezondigt, wanneer
gij u vergrijpt ten onrechte aan de opzieners, die Hij over u
gesteld heeft.
Hoort dit dan, jeugdige broeders en zusters, en betoont uwen
opzieners altijd trouw en eerbied en liefde om Jezus\' wille !
Plechtig belijden wij hier voor God en zijne Gemeente: „dat de
eenige, volkomene en genoegzame leer der zaligheid, naar Gods
Woord en naar de artikelen van ons algemeen Christelijk geloof,
in onze Kerk geleerd wordt! Ja, dat wij van ganscher harte van
voornemen zijn, bij dezelfde zuivere leer, door Gods genade tot den
einde van ons leven te volharden en in godzaligheid te wandelen !" —
O, welk een ernstige en dure belijdenis, welk een ernstige en
dure belofte!
Ouders, daarom moeten wij u zoo ernstig toeroepen: laat uwe
kinderen toch eerst tot die jaren komen, dat zij verstaan kunnen
wat zij doen, als zij belijdenis des geloofs afleggen! Laat dan uwe
kinderen ook niet leeren zoo min mogelijk, maar zooveel als maar
immer mogelijk is. Want duur is de belofte, en eeuwig de verant-
woording. Maar, Geliefden, als wij dit belijden, als wij dit beloven,
is het dan een nietigheid, een kleine zaak om eene Kerk te ver-
laten, waarin wij belijdenis afgelegd hebben ? Is het dan voor ons, als
leden van de Gereformeerde Kerk, een lichte zaak om die Kerk
te verlaten ? En dat menigmaal om nietige redenen! Neen, Gelief-
den, daar is slechts éene reden die ons het recht geeft, — neen,
-ocr page 139-
XV.                                      BELIJDENIS EN WANDEL.                                        123
die ons verplicht om onze Kerk te verlaten, of eenige Kerk te
verlaten, waartoe wij mogen behooren, namelijk: wanneer wij dit
bewijzen kunnen dat: de eenige, volkomene en genoegzame leer
der zaligheid niet meer in haar geleerd wordt naar Gods Woord
en de artikelen van ons algemeen Christelijk geloof!" Dan,
Geliefden, dan hebben wij het recht om haar te verlaten, — neen,
dan zijn wij verplicht om haar te verlaten! Want dan zegt de
Heere tot ons: „Gaat uit van haar, mijn volk! opdat gij aan hare
zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen
niet ontvangt!" Openb. 18 : 4. Dan bewijzen wij daardoor onze
trouw en gehechtheid aan Jezus en zijn zuivere Evangelieleer,
dan bekrachtigen wij daardoor onze dure belijdenis en belofte!
Want, sprekende van de ware algemeene Christelijke kerk, zegt
art. 28 van onze Geloofsbelijdenis: „Wij gelooven, aangezien deze
heilige vergadering is eene verzameling dergenen, die zalig wor-
den, en dat buiten dezelve geene zaligheid is, dat niemand, van
wat stand of betrekking hij zij, zich behoort op zichzelven te hou-
den, om op zijn eigen persoon te staan; maar dat allen schuldig
zijn zichzelven daarbij te voegen, en daarmede te vereenigen, onder-
houdende de eenigheid der Kerk, zich onderwerpende aan derzelver
onderwijzing en tucht, den hals buigende onder het juk van Jezus
Christus, en dienende aan de opbouwing der broederen, naar de gaven,
die hun God verleend heeft, als onderlinge lidmaten van hetzelfde
lichaam. En opdat dit te beter mocht onderhouden worden, zoo is
de plicht van alle geloovigen, volgens het Woord Gods, zich af te
scheiden van degenen, die niet van de Kerk zijn, en zich te voegen
tot deze vergadering, op welke plaats God dezelve gesteld heeft,
ofschoon de magistraten en plakkaten der Prinsen daartegen waren,
en dat de dood, of eenige lichamelijke straf daaraan hing. Daarom
al degenen, die zich van dezelve afscheiden, of niet daarbij voegen,
doen tegen de instelling van God!" —
3. Zoo alleen, Geliefden, kunnen wij anderen voor Chris-
tus gewinnen!
Alleen door ons geloof te beleven, en naar onze belijdenis te
wandelen! Laat ons dan door Gods genade onze daden bij onze
woorden voegen. Want woorden wekken, maar voorbeelden trekken!
Want wij noemen den naam van Jezus Christus!
-ocr page 140-
124                                        BELIJDENIS EN WANDEL.                                      XV.
4. Zoo alleen, Geliefden, kunnen wij gevormd en geschikt
worden voor den hemel!
Geen mondbelijder zal ingaan in het eeuwig koninkrijk van God,
maar alleen de daders van zijn Woord! Voorwaar, niet, een iegelijk
die daar zegt: Heere, Heere! zal in het koninkrijk van God ingaan,
maar die daar doen den wil des Vaders, die in de hemelen is!"
Hoe handelen wij met een kind, — met een kind dat wij voor
een ambt of betrekking wenschen op te leiden en te vormen ?
Van jongs af zullen wij het ernstiglijk, nauwkeurig, aanhoudend
onderrichten, en onderwijzen, en leeren, ja het zelfs, als het
wezen moet, met de roede in de hand dringen en verplichten tot
alles wat het daartoe noodzakelijk doen en leeren moet, — en het
even zoo ernstig waarschuwen tegen alles wat het laten moet! Zoo
alleen zal zulk een kind met Gods zegen het gewenschte doel
bereiken! Dit behooren wij in het geestelijke met onszelven en
met onze kinderen te doen, indien wij in waarheid den naam
van Christus noemen, om voor Hem te leven, en in Hem te sterven;
om eens met Hem gevonden te worden in zijne heerlijkheid!
Zekerlijk, Geliefden, vraagt gij met mij: AVie is tot al deze dingen
bekwaam? Geliefden, juist omdat wij zoo vragen moeten, daarom
belijden wij ook dat wij, „in dezelve tot den einde toe alleen door
Gods kracht behouden en bewaard worden!" Ja „dat wij in
dezelfde zuivere leer, — alleen door Gods genade, — tot den einde
van ons leven volharden, en in godzaligheid wandelen kunnen!"
Geliefden, is dit dan in der waarheid uw voornemen, is dit het
oprecht gebed van geheel uw hart en ziel? O, houdt moed! God is
getrouw! „De Heere kent degenen, die zijne zijn!" —
De Heere bemint en bezorgt hen nu en tot in alle eeuwigheid!
Daartoe helpe de Heere ons door zijne kracht en door zijne
genade!
Amen.
Ps. 105 : 5.
-ocr page 141-
XVI.
Voorbereiding voor het Avondmaal.
ZELFBEPROEVING.
Te zingen Ps. 89 : 19.
Te lezen 1 Cor. 11 : 17 tot het einde.
Te zingen Ps. 90 : 7.
Het gebed.
Te zingen Ps. 15 : 1 en 2.
Tekst 1 Cor. 11 : 28 en \'29: Maar de mensen beproeve zichzelven, en ete alzoo van
het brood, en drinke van den drinkbeker. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die
eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Hoeren!
Paulus bevindt zich te Efeze; maar hij weet, hij voelt het dat
de zorg van al de Gemeenten op zijne schouders rust, vooral van
de Gemeenten door zijn eigen hand gesticht; Corinthe kan hij dan
ook het minst van alle vergeten; ofschoon te Efeze naar het
lichaam, is zijn hart toch menigmaal in het midden der Corinthi-
sche Gemeente. Welk een smartelijk verdriet moet het hem dan
niet geweest zijn, steeds te vernemen dat er kwaad zaad gestrooid
werd in den akker dier Gemeente. Hij bezoekt Corinthe, en met
zachtmoedigheid tracht hij het kwaad te keeren en te weren; maar
zijn zachtmoedigheid wordt voor zwakheid, en zijn lankmoedigheid
voor vrees aangezien; en nauwelijks is hij terug in Efeze of hij
bekomt bericht door het huisgezin van Chloë, dat het kwaad hand
over hand aan \'t toenemen was, zoo zelfs dat het Avondmaal des
Heeren door brasserij en overdaad en dronkenschap jammerlijk
ontheiligd werd. Nu kan Paulus dan ook niet langer zwijgen;
maar neemt de pen op om door dezen brief, zoo het mogelijk
was, het kwaad met wortel en tak uit den akker der Gemeente
-ocr page 142-
126                                       ZELFBEPROEVING.                                         XVI.
te rukken. En nadat hij in kapittel 11 over een en ander kwaad
gesproken heeft, komt hij tot de ontheiliging van het Avondmaal;
spreekt eerst over het schandelijk misbruik van dat heilig Sacra-
ment, en wijst daarna in onzen tekst op het recht gebruik van
het heilig Avondmaal, waarbij hij ook nog een ernstige waarschu-
wing voegt.
I.
Tot een recht en waardig gebruik van het heilig Avondmaal is
allereerst noodig en volstrekt onmisbaar een ern-
stige en waarachtige zei fbeproeving.
„De mensch beproeve zichzelven, en ete alzoo van het brood
en drinke van den drinkbeker!"
Aan zulk een zelf beproeving had de Gemeente van Corinthe
dringende behoefte.
a.   Door twist waren zij onder elkander verdeeld, door twist
waren zij tegen elkander verbitterd. De een zeide: ik ben van Pau-
lus; een ander: en ik van Apollos; een derde: en ik van Cefas;
een vierde: en ik van Christus! Zoo werd het lichaam van Chris-
tus vaneen gescheurd.
Geliefden, wij noemen ons misschien niet naar dezen of genen
der Apostelen, naar dezen of genen leeraar. Maar zegt een iegelijk
onzer misschien ook niet: ik ben van dien, en ik van dien, en ik
van dien! Is er onder ons eendracht en eensgezindheid? Is er
onder ons waarachtige broederliefde?
„De mensch beproeve zichzelven!"
b.   Door vrijdenkers werden de Corinthiërs afgetrokken van ge-
loof en godzaligheid. De opstanding der dooden werd geloochend,
het fundament des Christendoms; de vrijheid der kinderen Gods
werd veranderd in een vrijbrief voor het plegen van allerlei vuile
ongerechtigheid; vuile onreinheid en heidensche gruwel werd op-
nieuw gepleegd.
Geliefden, het oog van Corinthe af, en op onszelven gevestigd!
Vindt gij geen vrijdenker onder ons, te eerder vindt gij dezulken,
die daden doen, — daden, die luider en duidelijker dan woorden
het verkondigen: „Daar is geen God!" „Wie is God, dat ik naar
-ocr page 143-
XVI.                                       ZELFBEPROEVING.                                          127
Hem hooren zou ? Wie is Christus ? En wat is de Kerk ? En wat
zijn de dienaren en opzieners der Kerk, dat ik hen zou ontzien?"
Daarom: „De mensch beproeve zichzelven! *
c.    In Corinthe was er „zoodanige hoererij, die ook onder de
heidenen niet genoemd werd, alzoo dat er een zijns vaders huis-
vrouw had; en dat zelfs nog terwijl zijn vader leefde!
Geliefden, gij steekt de hand in eigen boezem en trekt die uit,
en zegt in triomf: „Van zulk een gruwel zijn wij rein!" \'t Is wel!
— Maar ik zeg u, gij hebt geen oog voor de smet der melaatschheid !
Geen hoereerder? — Maar is dan een booze gedachte, éen onreine
en overspelige gedachte niet hoererij voor God? Geen overtreding
van het gebod: „Gij zult geen overspel doen"? Geen overtreding
wederom tegen het gebod: „Gij zult niet begeeren uw naasten
huis; gij zult niet begeeren uws naasten vrouw"?
Daarom: „De mensch beproeve zichzelven!"
d.    In Corinthe was er bij onderlingen twist ook nog minachting
der heiligen en daarentegen achting voor onrechtvaardigen en
ongeloovigen. Hoort wat Paulus daarvan zegt: „Durft iemand van
ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor
de onrechtvaardigen, en niet voor de heiligen? Weet gij niet dat
de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld
geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste gerechtzaken ? Weet
gij niet dat wij de engelen oordeelen zullen? Hoeveel te meer de
zaken, die dit leven aangaan? Zoo gij dan gerechtzaken hebt, die
dit leven aangaan, zet die daarover, die in de Gemeente minst
geacht zijn. Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u
geen, die wijs is, ook niet éen, die zou kunnen oordeelen tusschen
zijne broeders? Maar de éene broeder gaat tegen den anderen
broeder te recht, en dat voor ongeloovigen. Zoo is er dan nu
ganschelijk gebrek onder u, dat gij met elkander gerechtzaken hebt.
Waarom lijdt gij niet liever ongelijk ? Waarom lijdt gij niet liever
schade!"
Daarom mocht ook wel het woord van Paulus gehoord worden:
„De mensch beproeve zichzelven!" En wederom: „Dwaalt niet:
noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch
ontuchtigen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen
lasteraars, geen roovers zullen het koninkrijk Gods beërven!"
-ocr page 144-
128                                          ZELFBEPROEVING.                                       XVI.
Met verontwaardiging zal menigeen dit woord van zich afwerpen.
— Ik een dief? Maar geeft gij in alles Gode wat Godesis? Ont-
houdt of ontvreemdt gij niemand het zijne? Verandert, verkort,
onthoudt gij zelfs dienstknecht en dienstmaagd niet het zuur ver-
diende loon? — Ik een gierigaard? — zal menig ander zeggen.
Is dan hart en oog open voor den nood der armen, voor de behoefte
der nooddruftigen, tot hulp der zwakken? Zijn dan hart en hand
open, en ziel en lichaam gewillig voor den dienst van God ? —
Ik een dronkaard? — zegt een derde. Maar is wellicht ook het
geld dat de drank verteert niet tienmaal meer dan wat God en
armen van u ontvangen? — Ik een lasteraar? —zegt een vierde.
Komt er dan over uw lippen geen enkel vloekwoord; spreekt gij geen
kwaad van den naaste; leent gij het oor niet aan eenig kwaad
gerucht; wendt gij u van de kwaadsprekers af, of gaat gij met
hen van huis tot huis? — Ik een roover? Neen, dat is toch al te
erg! — zegt een vijfde. Ontneemt en ontvreemdt gij dan niemand
met list of geweld zijn eer of goed op onrechtvaardige wijze?
e. Dezulken waren er in Corinthe, en dan kwamen zij nog tot het
Avondmaal; en als zij voor het Avondmaal samenkwamen, wat
werd er dan nog bovendien gezien ? Hoort wat Paulus daarvan
zegt: „Als gij bijeen samenkomt, dat is niet des Heeren Avond-
maal eten. Want in het eten neemt een iegelijk tevoren zijn eigen
avondmaal; en deze is hongerig, en de andere is dronken. Hebt
gij dan geene huizen, om er te eten en te drinken ? Of veracht gij
de Gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet hebben?
Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet."
Niet zoo gemakkelijk kan zoo iets onder ons gebeuren, omdat geen
liefdemaal het Avondmaal bij ons voorafgaat; maar laat ons des
te ernstiger toezien dat er niets bij ons Avondmaal plaats vinde
waardoor deze vermaning van Paulus voor ons noodig zou worden.
Zoo zouden wij kunnen voortgaan; maar ach, wie zal toch al
die ongerechtigheden kunnen opnoemen, waaraan alle menschen,
en ieder mensch in het bijzonder, zich schuldig maken en kunnen
maken? Zonde in groven vorm, of in een meer lijnen vorm, uit-
wendig of innerlijk?
Voorwaar: „ De mensch beproeve zichzelven !"
-ocr page 145-
XVI.                                        ZELFBEPROEVING.                                          129
II.
En deze allen, — mogen zij tot de tafel des Heeren naderen ?
Met Paulus kan het antwoord niet anders zijn dan : „j a" en ,neen"!
a.   Ja, zekerlijk en gewis! Want Paulus zegt: „De mensch be-
proeve zichzelven, en ete alzoo van het brood en drinke
van den drinkbeker!" Zekerlijk en gewis, als die zelfbeproe-
ving ons een inzicht geeft in het verderf van eigen hart en leven; in
onze rampzaligheid, tegenover de heiligheid, den toorn en het oordeel
van een driemaal heiligen God! Zekerlijk en gewis, als die zelf-
beproeving ons leidt tot zulk een kennis van onze zonden, dat de
genade en liefde Gods en de gerechtigheid van Christus ons
dierbaar worden en onze eenige toevlucht. Zekerlijk en gewis, als
die zelf beproeving ons alzoo leidt tot eene „droefheid naar God,
die een onberouwelijke bekeering tot zaligheid werkt!" Zoodat
wij een mishagen aan onszelven hebben en ons voor God ver-
ootmoedigen. Zoodat wij wederom geboren worden tot de levende
hoop: dat al onze zonden om Christus\' wille vergeven zijn. Zoodat
door den Geest Gods in ons hart een nieuw verlangen wordt gewekt,
een ernstig voornemen om voorts in alle goede werken te wandelen.
Van dezulken zegt Paulus: „Gij zijt afgewasschen, gij zijt gehei-
ligd, gij zijt gerechtvaardigd, in den naam van den Heere Jezus,
en door den Geest onzes Gods!" — Dezulken noodigt de Heere
tot zijne tafel door den mond van Jesaja: „O, alle gij dorstigen!
komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en
eet, ja komt, koopt zonder geld, en zonder prijs, wijn en melk!"
b.  Maar als er nu bij ons geen zoodanige zelfbeproeving voorafgaat,
of zonder, of na oppervlakkige zelfbeproeving het voornemen in ons
blijft om in de zonde te volharden, of ons althans nu nog niet te
bekeeren, — wat dan? Mogen wij dan ook tot de tafel des Hee-
ren naderen? Daarop is het antwoord van Paulus neen, en dui-
zendmaal neen! „Dwaalt niet; noch hoereerders, noch afgoden-
dienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen
liggen, noch dieven, noch gierigaards, noch dronkaards, geen las-
teraars, geen roovers zullen het koninkrijk Gods beërven! En
die geen erfdeel heeft in het rijk van God, die heeft ook geen
recht aan de tafel van Gods Zoon! Daarom zegt ook ons Avond-
9
-ocr page 146-
130                                         ZELFBEPROEVING.                                      XVI.
maalsformulier: „Deze allen, zoo lang zij in deze lasteren blijven,
zullen zich dezer spijs, (welke Christus alleen zijnen geloovigen
verordineerd heeft) onthouden, opdat hun gericht en verdoemenis
niet te zwaarder worde." Christenen, zult gij het toelaten dat
dezulken zich aan de tafel des Heeren scharen? Opzieners der
Gemeente, zult gij het weten, en zien, en gedoogen? O, ik bid u,
staat als ware wachters, als trouwe Godstrawanten, om, zoover
het u mogelijk is, de tafel des Heeren zuiver te houden, om te
verhoeden dat de tafel des Heeren ontheiligd worde! Of wilt gij
mede schuldig worden aan het lichaam en bloed des Heeren? Moet
dan de toorn Gods aangestoken worden over de gansche Gemeente ?
Zal dan ook van ons, als van de Gemeente te Corinthe, gezegd
moeten worden:
„Daarom zijn onder u vele zwakken, en kranken, en velen slapen!"
Waakt dan en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt! En
luistert naar het woord van Paulus: „De mensch beproeve zich-
zelven, en ete alzoo van het brood, en drinke van den drinkbeker!"
III.
En om beiden bekeerden en onbekeerden tot die hoognoodige
zelf beproeving des te krachtiger te vermanen, laat Paulus eindelijk
als drangreden, ]een ernstige waarschuwing en be-
dreiging hooren.
„Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven
een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren." —
Christen, laat dan een nauwkeurig zelfonderzoek bij u elke viering
des Avondmaals voorafgaan, opdat niemand zich bedriege! „Want
die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een
oordeel." Kind van God, beproef dan uzelven, ja doorzoek hart
en nieren nauwkeurig telkens eer gij tot het Avondmaal komt, eer
dat gij u stelt voor het oog van den hemelschen Bruidegom; en
doe verre, zeer verre van u alles, alles wat oorzaak kan zijn,
dat ook gij onwaardiglijk eet en drinkt!
En gij, onbekeerde, die openlijk in de zonde leeft, of heimelijk de
ongerechtigheid aankleeft; en gij, die door huichelarij en geveinsd-
heid weet vriend en broeder en opzieners te misleiden en uwe
-ocr page 147-
XVI.                                       ZELFBEPROEVING.                                          131
zonde te bedekken, — zult, durft gij het wagen u z o o onder het
oog van Christus aan zijne tafel te stellen ? God kent u, Hij ziet
u, Hij let op u! God weet het, en uw hart weet het, en gij zult
het ondervinden: „Die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en
drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam
des Heeren!"
Zal dan het lichaam des Heeren door u niet onderscheiden
worden! Zal dan het Avondmaal des Heeren voor u gemeen zijn,
als eenige andere maaltijd? „Wat mededeel heeft de gerechtigheid
met de ongerechtigheid? En wat gemeenschap heeft het licht met
de duisternis? En wat samenstemming heeft Christus met Belial?"
Voorwaar, voorwaar: „Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet
drinken, en den drinkbeker der duivelen! Gij kunt niet deelachtig
zijn aan de tafel des Heeren, en aan de tafel der duivelen! Of
tergt gij den Heere ? Zijt gij sterker dan Hij ?" Onbekeerde, on-
verschillige, roekelooze, wilt en zult gij het toch wagen? Zeg dan
nooit: „Ik heb het in onkunde gedaan, ik wist niet wat
ik deed!" Ik zal u toonen wat gij doet als gij des Heeren
Avondmaal onwaardiglijk eet en drinkt. „ Gij eet en drinkt uzelven
•een oordeel!" „Gij wordt schuldig aan het lichaam en bloed des
Heeren!" En wat beteekent dit, zegt gij? —Niets minder dan dit:
Gij wordt schuldig aan den dood des Heeren, „als die zichzelven
den Zoon van God wederom kruisigen en openlijk te schande
maken!" Ja, ga met mij, en ik zal u toonen wat gij doet! Ziet gij
Judas daar bij de overpriesters? Hoor wat hij zegt: „Wat wilt
gij mij geven, en ik zal Hem u overleveren!" — Die Judas
Iskariot, die zijt gij! Ziet gij den verrader in den hof van
Gethsémané? Een kus des duivels drukt hij Jezus op de heilige
wangen, en met dien kus levert hij Hem over aan de touwen en
stokken en zwaarden der moordenaars; en die verrader, gij zijt het!
Ziet gij Jezus in de zaal van Kajafas? Ziet gij het hoe die
ruwe soldaten Hem in het heilig aangezicht spuwen, Hem met
vuisten slaan, Hem kinnebakslagen geven? — Wat zij doen, dat
doet gij!
Hoort gij wat die onzinnige Joden daar roepen en schreeuwen
voor het rechthuis van Pilatus: „Kruist Hem! Kruist Hem! Zijn
bloed kome over ons en onze kinderen!" Onbedachte, roekelooze
-ocr page 148-
132                                          ZELFBEPROEVING.                                       XVI.
Avondmaalganger, dat doet gij, — ook gij zegt: „Zijn bloed
kome over mij en mijne kinderen!"
Hoort gij het hoe de scherpe geeselroede Jezus het vleesch van
den rug scheurt? Gij zijt het, die het doet! Ja, gij zijt het, die
Hem een doornenkroon op het hoofd drukt; gij, die Hem de nagels
door handen en voeten drijft; gij, die Hem edik te drinken geeft;
gij, die daar spot en lastert, zeggende: „Anderen heeft Hij ver-
lost, Hij kan zichzelven niet verlossen. Indien Gij de Zone Gods
zijt, zoo kom af van het kruis!" O, mijn arme medezondaar, wat —
wat doet gij? Gij wordt „schuldig aan het lichaam en bloed des
Heeren," — „als die zichzelven den Zoon van God wederom
kruisigen, en openlijk te schande maken!" O, mijn arme, arme
medezondaar, wat — wat doet gij toch? O, bedenk u toch,
houd op, houd uw hand van Jezus af eer het te
laat is! Smeek nog heden met dien moordenaar aan het kruis:
„Heere, gedenk mijner in den hemel!" — Heden wordt dan ook
nog aan u de hemel toegezegd; en hoe onwaardig gij ook in
uzelven zijt, door dienzelfden Jezus, nu niet meer uw vijand, maar
uw Heiland, — door dienzelfden Jezus wordt gij uit genade \\vaar-
dig een dischgenoot van zijne tafel te zijn!
Ja, Geliefden, ernstig, hoogernstig is dit woord van Paulus:
„De mensch beproeve zichzelven! Want die onwaardiglijk eet en
drinkt, eet en drinkt zichzelven een oordeel!\' En niet éen van al
zijn woorden, niet éen mag verzwegen of verzacht of terugge-
nomen worden; — en toch kan er menige zwakke ziel en verslagen
hart heden onder ons zijn, die veel meer aangelokt dan afgeschrikt
moeten worden. O, weet dan, mijn broeder, mijne zuster, hoe ernstig
dit woord van Paulus ook zij en blijve, — voor u is het een
heerlijk troostwoord! Ook voor u is er geen naderen tot het
Avondmaal zonder ernstige zelfheproeving; maar als er dan door
die zelfbeproeving in uw hart gevonden wordt eene vreeze en
siddering om onwaardig aan des Heeren tafel te verschijnen, en
daarbij een diep gevoel van eigen onwaardigheid, waardoor gij bij
Jezus uitkomst zoekt, — ziet, dan roept Jezus aan zijne tafel u
toe: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt,
en Ik zal u ruste geven!" Want alleen, die wetens en willens
onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oor-
-ocr page 149-
XVI.                                        ZELFBEPROEVING.                                          133
deel. Maar die zijne onwaardigheid gevoelt, betreurt, en ootmoedig
naar het kruis van Jezus vlucht, dien wil God gewisselijk in genade
aanzien, en den beelde en de vreugde zijns Zoons deelachtig
maken!
Is het heden voorbereiding voor het heilig Avondmaal, een iege-
lijk neme dan met zich het woord van Paulus: „Maar de mensch
beproeve zichzelven, en ete alzoo van het brood en drinke van
den drinkbeker. Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en
drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam
des Heeren. Want indien wij onszelven oordeelden, zoo zouden wij
niet geoordeeld worden. Maar als wij geoordeeld worden, zoo wor-
den wij van den Heere getuchtigd, opdat wij met de wereld niet
zouden veroordeeld worden. Zoo dan, mijne broeders! als gij samen-
komt, verwacht elkander!"
Ja, verwacht elkander in vrede, en liefde, tot reinheid en heilig-
making; en dan, Geliefden, zal ons Avondmaal hier op aarde een
beeld zijn van de bruiloft des Lams daarboven in den hemel, waar
ook geen zelfbeproeving meer noodig zal wezen, omdat daar geen
zonde is!
Amen!
Te zingen Ps. 86 : 3.
-ocr page 150-
XVII.
Voor het Avondmaal.
JEZUS IN GETHSÉMANÉ.
Te zingen Ps. 84 : 1
Te lezen Lukas 22 : 39—54.
Te zingen Ps. 77 : 6.
Het gebed.
Te zingen Ps. 84 : 2.
Tekst Lukas 22 : 39—46.
I.
Trachten wij in de eerste plaats ons een duide-
lijke voorstelling te maken van alles wat de Heere
Jezus in Gethsémané moest ondervinden.
De Heere Jezus had in een zekere opperzaal met zijne discipelen
het Pascha gegeten, het Avondmaal ingesteld, en vele lieflijke en
troostvolle redenen tot zijne discipelen gesproken. Maar het uur
van bitteren zielsangst en strijd was nabij gekomen; Judas was
aireede uitgegaan om de krijgsknechten en benden bijeen te roe-
pen; — en nu is de Heere ook gewillig en bereid om zich over
te geven in de handen zijner booze vijanden. Hij staat op, en gaat uit
door de Schaapspoort, over de beek Kedron, naar den hof van
Gethsémané, waar Hij gewoon was met zijne discipelen te spreken
en te bidden in de schaduw van die prachtige olijven.
Daar gaat Hij heen, ofschoon Hij wist dat Judas Hem juist daar
zou zoeken, want daar moest en zal Hij zich overgeven in de
-ocr page 151-
XVII.                                JEZUS IN GETHSEMANÉ.                                     135
handen zijner vijanden, om van hen door de Schaapspoort, waar-
door de offers naar den tempel altijd werden heengeleid, om van
hen door diezelfde poort heengeleid te worden, als het Lam Gods,
dat de zonde der wereld wegneemt. Nog sprekende tot zijne dis-
cipelen zegt Hij:
1.   „Zit hier neder totdat Ik heenga, en aldaar zal gebeden heb-
ben!" Matth. 26 : 36. De Heere Jezus zondert zich af van zijn
dierbaarste vrienden, want Hij moet alleen zijn met zijn Vader.
2.   „En met zich nemende Petrus, en de twee zonen van Zebe-
deüs, Jakobus en Johannes, begon Hij droevig en zeer beangst te
worden. Toen zeide Hij tot hen: „Mijne ziel is geheel bedroefd tot
den dood toe; blijft hier, en waakt met Mij!" Matth. 26 : 37,38.
\'t Is alsof de Heere zegt: Mijn gansche natuur moet wegzinken
onder dezen last; \'t is alsof het leven aan \'t uitvloeien is; alsof
de dood voor zijn tijd komt! Blijft hier, en waakt met Mij. \'t Is
ook voor Jezus goed, dat zijn trouwste vrienden nabij Hem zijn!
3.   Maar spoedig wordt ook zelfs hunne tegenwoordigheid Hem
te veel.
„En Hij scheidde zich van hen af omtrent een steenworp; en
knielde neder en bad, zeggende: Abba Vader! alle dingen zijn U
mogelijk; neem dezen drinkbeker van Mij weg! doch niet wat Ik
wil, maar wat Gij wilt." Markus 14 : 36.
Nog konden die drie discipelen dit zien in het helder maanlicht,
en hooren, om daarvan getuigen te zijn. De menschelijke natuur
krimpt hier ineen bij het zien op dat bitter en onnatuurlijk lijden;
die reine, heilige en teedere menschelijke natuur verheft zich in
al de kracht van haar gevoel tegen zulk een smart en dood, —
en perst den bitteren zucht uit het hart: „Mijn Vader, indien het
mogelijk is, laat dezen drinkbeker van Mij voorbijgaan! Doch niet
gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt!" Matth. 26 : 39.
O, die drinkbeker in zichzelven beschouwd, was zoo bitter, zoo
wreed, zoo afschuwelijk, dat het gansch onmogelijk was dien te
drinken! Alleen omdat het de wil des Vaders is, met wien Hij vol-
komen een van hart en zin is: alleen daarom kan en zal Hij hem
drinken. Ja, in dit licht beschouwd is Hij geheel en al bereid en
gewillig om te zeggen: „Zie, Ik kom, o God! om uwen wil te
doen!" — „Mijn Vader; indien het mogelijk is, laat dezen drink-
-ocr page 152-
136                                    JEZUS IN GETHSÉMANÉ.                                 XVII.
beker van Mij voorbijgaan! Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk
Gij wilt!"
En alzoo toont de Heere Jezus ten duidelijkste hoe Hij tot
in de uiterste volkomenheid onze arme zwakke natuur deelachtig
geworden was, — maar ook hoe Hij als de Zoon van God in-
staat was om zijn Vader volkomen te gehoorzamen!
4.    Xu is daar een oogenblik rust in het diep bewogen en
ontroerd hart van onzen dierbaren Heiland, en Hij komt terug tot
zijn drie trouwe discipelen.
„Hij kwam, en vond hen slapende, en zeide tot Petrus: Simon!
slaapt gij? Kunt gij niet éen uur waken? Waakt en bidt, opdat gij
niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het
vleesch is zwak!" Mark. 14 : 37, 38.
O, hoe zacht en liefderijk handelt de Heere Jezus toch met
arme zwakke zielen! Had Petrus dan niet kort tevoren nog met
een eed bevestigd: „Al moest ik ook met II sterven, zoo zal ik
U geenszins verloochenen!" Desgelijks zeiden ook al de discipelen.
En nu, Simon, Simon Petrus: „Kunt gij niet éen uur met Mij
waken?" Maar ziet, wat de Heere Jezus daar alleen in dien bit-
teren strijd ondervonden had, dit komt hun nu al ten goede, daar-
mede zal Hij hen niet alleen waarschuwen, maar ook vertroosten:
„De geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak!"
5.     „En een weinig voortgegaan zijnde, viel Hij op zijn aange-
zicht, biddende en zeggende: „Mijn Vader! indien deze drinkbeker
van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke, uw wil
geschiede!" Matth. 26 : 39, 42. De Heere Jezus knielt thans niet
neder, neen, Hij valt op zijn aangezicht neder, Hij kruipt, Hij
wroetelt in het stof der aarde, „als een worm en geen man!"
Ps. 22. Hij bidt, — Hij bidt hetzelfde gebed, en toch ook niet
hetzelfde. Dezelfde woorden, maar met een andere wending; — nu
is het niet: „Mijn Vader! indien het mogelijk is, laat dezen drink-
beker van Mij voorbijgaan;" maar: „Mijn Vader! indien deze drink-
beker van Mij niet voorbij kan gaan, tenzij dat Ik hem drinke!"
Nu is het niet meer: „Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij
wilt!" — maar eenvoudig, stellig, kort en beslist: „Uw wil
geschiede!"
Nu weet Hij en verstaat het, waarom de Vader Hem geen
-ocr page 153-
XVII.                                JEZUS IN GETHSÉMANÉ.                                     137
antwoord geeft; nu begrijpt Hij die geheimvolle, bange en bittere
stilte: die drinkbeker kan van Hem niet voorbijgaan, zonder dat
Hij hem tot op den droesem, ja tot op den bodem ledigt; —
maar Hij wil, Hij zal dit doen: „Mijn Vader! uw wil geschiede!"
Ja gelijk Hij zijn discipelen geleerd heeft te zeggen: „ Onze
Vader, die in de hemelen zijt, uw wil geschiede gelijk in den hemel,
alzoo ook op de aarde!" — zoo gaat Hij hen voor in de bitterheid
zijner eigen ziel; en zegt: „Mijn Vader! uw wil geschiede!"
6.    En nu voor een oogenblik weer een weinig kalmer en
verruimd van hart, — komt Hij terug tot zijne discipelen en
vindt hen allen slapende, „want hunne oogen waren bezwaard."
Matth. 26 : 43. Bezwaard van al het waken en van al die droef-
heid des harten, waaraan zij nu reeds eenige dagen en nachten
onderworpen waren geweest.
O, wij kunnen ons voorstellen hoe medelijdend de Heere Jezus
hen aanziet, — maar, ach! hoe bitter moet die stilte en eenzaam-
heid niet voor zijn angstvallig hart geweest zijn, dat aireede ter
dood toe bedroefd was.
7.     „En hen latende, ging Hij wederom heen, en bad ten derden
male, zeggende dezelfde woorden." Matth. 26 : 44.
Nog altijd hooger en hooger klimt die bittere zielestrijd, — nog
altijd feller en feller wordt die bange worsteling met vleesch en
bloed, en de macht der duisternis.
„En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem
versterkte."
Zoo gedenkt de Vader in liefde en ontferming zijn eeniggeboren
Zoon! Zoo bewaart de Vader Hem als zijn oogappel! Maar nu, —
nu moet Hij, de Schepper en God en Heer der engelen, — nu
moet Hij door een van hen gesterkt worden! Ach, die engel komt
niet om Hem, zijn God en Heer, licht en troost te brengen; neen,
hij kan ook niet! Hij komt als een gezant van den Vader om Jezus
te versterken, om Hem op te wekken en aan te sporen om nog
weer al de kracht van zijn menschelijke natuur als bijeen te ver-
zamelen voor het laatste bitter oogenblik, voor den laatsten bangsten
strijd, voor de laatste hevigste smart, — om te staan, en staande
dien bangen strijd ten uiterste, ten einde toe te strijden, — ja den
beker van Gods toorn tot op den droesem, tot op den bodem
-ocr page 154-
138                                    JEZUS IN GETHSÉMANÉ.                                 XVII.
toe uit te drinken, teug na teug en droppel na droppel, tot op den
laatsten droppel toe. En nu: „In zwaren strijd zijnde, bad Hij te
ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote droppelen bloeds, die
op de aarde afliepen!" Luk. 22 : 44.
Wat is dit, Geliefden ? \'t Is niet het bloed der verzoening, maar
een deel daarvan. Zoo hevig en machtig wordt die innerlijke strijd
bij Jezus, dat zijn gansche ziel als geschokt en uitgestort wordt,
en werkt met zulk een onmenschelijke bovennatuurlijke kracht en
geweld op zijn persoon, dat het bloed Hem uit de poriën, uit de
zweetgaten, wordt uitgeperst, en in groote droppels, — ja naar
de kracht van het grondwoord, als in groote stukken van zijn
heilig lichaam op de aarde valt! Nog eenmaal is het: „Mijn Vader!
uw wil geschiede!" En de strijd is volstreden! En de bitterheid
des doods is geweken! Hij is Overwinnaar! Hij is bereid, Hij
is bekwaam om den kruisdood in te gaan! Om zijn bloed ook aan
het vloekhout des kruises uit te storten, tot een rantsoen voor
onze zielen! „In welken wil," —zegtPaulus— „wij geheiligd zijn,
door de offerande des lichaams van Jezus Christus, eenmaal geschied. *
Hebr. 10 : 10.
8. Als overwinnaar staat Hij op, — gaat naar zijne discipelen,
en vindt hen nog slapende. En zeide tot hen: „Slaapt nu voort
en rust; het is genoeg, de ure is gekomen ; \'ziet, de Zoon des men-
schen wordt overgeleverd in de handen der zondaren!" Mark. 14 : 41.
Zoo waren zij dan voor Jezus maar moeilijke vertroosters, ja
als gebroken rietstaven! Alzoo heeft de Heere Jezus de pers van
Gods toorn alleen getreden; Hij was alleen en er was niemand
die Hem hielp. Maar, gelukkig, Hij weet hoe zwak van moed,
hoe klein van kracht wij zijn!
Maar nu was zijne ure aangebroken, en daarom zegt Hij tot
zijne discipelen: Wat slaapt gij ? Staat op en bidt, opdat gij niet in
verzoeking komt! En als Hij nog sprak, ziet daar eene schare;
en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor,
en kwam bij Jezus om Hem te kussen." Luk. 22 : 46, 47.
Met een kus verraadt Judas den Zoon des menschen! En Jezus
geeft zich over in de handen der zondaren om van hen gebonden,
en bespot, en mishandeld, en gegeeseld, en eindelijk genageld te
worden aan het vloekhout des kruises.
-ocr page 155-
XVII.                                 JEZUS IN GETHSÉMANÉ.                                    139
II.
En nu, Geliefden, wij hebben Jezus gezien, helsche angsten en
smarten daar in den hof van Gethsémané lijdende, opdat wij daarvan
voor eeuwig zouden verlost worden. Daar werd Hij gebonden, opdat
wij voor eeuwig ontbonden zouden worden, — van zonde en duivel
en hel. Daarheen wijzen ons ook die teekenen van het Avondmaal,
die teekenen van zijn lijden en sterven.
En wat zegt dit alles ons ?
1.    Het zegt ons: Als gij waarlijk een discipel van Jezus zijt,
verwacht dan ook menigmaal verdrukking en moeite zelfs tot den
dood toe, want de discipel is niet meer dan zijn Meester.
Uw Heiland ging dien bangen strijd met gebed en smeeking te-
gemoet. Wapent u dan ook door het gebed, wanneer gij den dag
der verdrukking ziet aankomen. Als het gevaar nabij is, houdt u
dan ook nabij God. Want, o wee, wee ons, als de dag der bezoe-
king ons verre van God aantreft en overvalt! Ja, het is goed nabij
God te wezen. „Dan blijven onze harten, zelfs in de grootste
smarten, in den Heer gerust."
2.    Moest zelfs Jezus zich onttrekken aan de tegenwoordigheid
van zijn dierbaarste discipelen, Petrus en Jakobus en Johannes;
o, weet dan, Geliefden, dat er ook voor ons tijden zijn, wanneer
Gods oog alleen ons aanschouwen moet in de eenzaamheid, wan-
neer Gods oor alleen de verzuchting van onze lippen, de stem
van ons hart hooren moet in de binnenkamer. Ja gedenkt aan het
woord van uwen Heiland, het woord dat heden met zooveel klem
en kracht als uit Gethsémané tot ons komt: „Maar gij, wanneer
gij bidt, gaat in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende,
bidt uwen Vader, die in het verborgen is." Matth. 6 : 6.
3.    Kon die drinkbeker niet van Jezus voorbijgaan, —• zoo zal ook
menige bittere drinkbeker van ons niet kunnen voorbijgaan. Maar,
o heerlijke vertroosting, Jezus heeft voor ons gebeden en gewor-
steld; Hij zal nabij wezen om ons te helpen en te schragen. En
wat Hij ons voor een tijd, of voor geheel ons leven onthoudt en
ontzegt — Hij zal dat gemis tienduizendmaal vergoeden met zich-
-ocr page 156-
140                                    JEZUS IN GETHSÉMANÉ.                                XVII.
zelven, en met de volheid van zijn genade en Geest en troost. 0,
dan ondervinden en getuigen wij ook met David: „Ik zeide wel
in mijn haasten: ik ben afgesneden van voor uwe oogen; dan nog
hoordet Gij de stem mijner smeekingen, als ik tot U riep." Ps.
31 : 23. Ja: „Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stem, mijne
smeekingen; want Hij neigt zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in
mijne dagen aanroepen." Ps. 116 : 1, 2.
4.  Was de Heere Jezus zoo krachtig, zoo ernstig, zoo vurig in
het bidden en smeeken en pleiten voor het aangezicht des Vaders, —
o, hoe diep moeten wij ons dan niet schamen over de traagheid,
en hardheid, en onwilligheid, en lauwheid, en koudheid van onze
zielen, wanneer wij tot God naderen in het gebed. Ach! hoe dik-
wijls brengen wij den Heere een dood offer. En als onze lippen
zich bewegen, dan is ons hart zoo menigmaal stil en koud daar
binnen in ons, of verre — verre van God verwijderd. Aanschouwt
toch Jezus\' bloed en tranen, en o, laat het hart toch eenmaal nog
vurig en warm en brandend worden van liefde en ijver in het
gebed! Dan zult gij niet meer tevergeefs tot God roepen. Dan zult
gij met David ondervinden en zeggen: Deze ellendige riep, en de
Heere hoorde; en Hij verloste hem uit al zijne benauwdheden." Ps. 34.
5.  Was Jezus Christus, de Zoon van God, in zulk een angst en
smart, vanwege Gods grimmigheid en toorn jegens onze zonden,
zelfs eer de hand van éen van zijn aardsche vijanden nog op
Hem drukte, — o, hoe vreeselijk moet het dan niet zijn om in
de handen des levenden Gods te vallen! Waarlijk, onze God is een
verterend vuur. O, mijn medezondaar, als dit aan het groene hout
gedaan is, wat zal dan niet aan het dorre geschieden! Bekeert u
dan en leeft! Of kunt gij dragen wat zelfs Christus moeilijk dra-
gen kon? Bloed, als groote droppels en stukken, werd uit zijn
heilig lichaam geperst, — en zult gij den toorn van God als niets
achten ? En zult gij spotten met den dag van Gods toorn en wraak ?
O, bidt, bidt, of misschien ook deze gruweldaad u nog vergeven
wierd, en het zal u vergeven worden. Daarvoor heeft Jezus
gebloed in Gethsémané en op Golgotha. Het zal u vergeven wor-
den, als gij slechts op zijn bloed en tranen pleit voor God om
genade en ontferming.
6.   0, Geliefden, gij die in Christus gelooft en leeft, — was het
-ocr page 157-
XVII.                                 JEZUS IN GETHSÉMANÉ.                                    141
hart van uw Heiland zoo gansch ontroerd en uitermate zeer bedroefd
en geperst in die bittere ure van voorbereiding voor zijn kruis-
en zoendood. — Hij is om uwe overtredingen verwond, en om
uwe ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. Daarom kunt gij den
dood met vrijmoedigheid tegemoet gaan; want Hij heeft de bit-
terheid des doods voor u gedronken, voor u weggenomen. Daarom
zingt en jubelt gij: „Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe
overwinning?"
7. O, Geliefden, hoe vurig moesten wij onzen dierbaren Heiland
toch niet liefhebben en beminnen, wanneer alles wat Hij voor ons
gedaan en geleden heeft voor onzen geest voorbijgaat!
Aanschouwt uw God en Heiland, worstelend in Gethsémané, als
een worm en geen man, totdat zijn bloed de aarde kleurt en drenkt
—  en o, vraagt dan: „Wat, wat is de mensch, dat Gij hem zoo teer
bemint, — ja, wat — wat is het menschenkind, dat Gij hem uw
teerste liefde schenkt?" Vraagt gij dan waarlijk, Geliefden: „Wat,
—  wat z a 1 ik den Heere vergelden voor al zijne weldaden aan mij
bewezen?" — zegt dan ook met dien dichter van ouds: „Ik zal
den beker der verlossingen opnemen, en den naam des Heeren aan-
roepen!"
En de Heere zelf geve u zijne genade!
Amen!
Te zingen Ps. 116 : 7 of Ps. 68 : 10.
-ocr page 158-
XVIII.
Nabetrachting.
DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET
MIDDEN.
Te zingen Ps. 42 : 5.
Te lezen Lukas 23 : 24—43.
Te zingen Ps. 84 : 3.
Het gebed.
Te zingen Ps. 118 : 9.
Tekst Lnkas 23 : 39—43.
Geliefden, wij hebben onzen dierbaren Heiland en Zaligmaker
heden morgen aanschouwd in de bitterheid van zijn zielsangst in
Gethsémané, en ook het heilig Avondmaal heeft tot ons gesproken
van zijn lijden en sterven. Laat ons nu, voordat wij weer van
elkander scheiden, ons oog vestigen op den Heere Jezus, hangende
aan het kruis, tusschen twee dieven en moordenaars, en wat daar-
mede in verband staat. En God geve dat wij het in onze harten
mogen bewaren.
Onschuldig was de Heere Jezus door den Joodschen Raad nog
voor dag en dauw ten doode gedoemd, door Pilatus mishandeld,
door Herodes bespot, en eindelijk gegeeseld, en gekroond met een
doornenkroon, dragende zijn eigen kruis, heengeleid naar Golgotha,
werd Hij daar ter negender ure, juist ten gelijken tijde van bet
morgenoifer der Joden in den tempel, — werd Hij, het Lam Gods,
daar genageld en verhoogd aan het vloekhout des kruises, — en
dat temidden van twee dieven en moordenaars, als nog slechter
dan zij, ja als het grootste schuim en uitvaagsel des menschdoms.
-ocr page 159-
XVIII.        DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.           143
En het volk en de oversten van het volk beschimpen Hem,
zeggende: , Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu zichzelven verlosse,
zoo Hij is de Christus, de uitverkorene Gods!" En ook de krijgsknech-
ten bespotten Hem, en brengen Hem edik, en zeggen: „Indien Gij
de Koning der Joden zijt, zoo verlos Uzelven!"
En een van die kwaaddoeners vangt zelfs die woorden op, en
lastert Hem, zeggende: „Indien gij de Christus zijt, verlos Uzelven
en ons!"
O, hoe vreeselijk, Geliefden, dat een zondaar voor de poorten
en in de bitterste smarten des doods toch zoo verhard kan wezen,
om te spotten met de ellende en smart van een, die met hem
lijdt en sterft, ja met de smart van den Zoon van God!
Maar hoort nu welk een andere, welk een heerlijke taal die
andere kwaaddoener spreekt.
I.
Rondborstig en oprecht belijdt hij zijn schuld en
zonde, en de rechtvaardigheid van zijn vreeselijk oordeel.
Hij antwoordt en bestraft hem, zeggende: „Vreest gij ook God
niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt ? En wij toch rechtvaardiglijk;
want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben;
maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan!"
O, welgelukzalig is de mensch, die zijn schuld en zonde ziet, en
erkent, en belijdt. Hij zal met een David zeggen: ,,\'k Bekende,
o Heer! aan U oprecht mijn zonden; \'k verborg geen kwaad,
dat in mij werd gevonden; maar ik beleed, na ernstig overleg, mijn
booze daan; Gij naamt die gunstig weg!" Ps. 32.
En alzoo toonde die kwaaddoener dat de genade Gods in zijn
hart aan het werken was, ja dat daar ook reeds voor zijn hart kracht
was uitgegaan uit den gekruisten Jezus, die daar hangt en bloedt
aan zijne zijde.
En hij toont dit nog meer door:
II.
De verbazing en den afschuw die hij openbaart
-ocr page 160-
144          DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.         XVIII.
tegenover den toestand van zijn medekwaaddoener.
Hij kan het niet verstaan hoe die booze man zijn schuld en
zonde niet wil zien en erkennen, niet wil gevoelen en erkennen
dat zijn straf en oordeel verdiend en rechtvaardig is; ja dat hij
nu nog zelfs met een ander spotten kan, die met hem dezelfde
smarten lijdt, en dat onschuldig! Dat hij zelfs voor den dood en
voor God niet vreest! O, als hij dit ziet en hoort, krimpt zijn hart
ineen van vrees en schrik, en zegt: O, God, zoo kon het ook
met mij geweest zijn in dit oogenblik, hadt Gij mijne oogen niet
geopend en mijn hart veranderd!
III.
Ja, hij toont dat hij waarlijk van God een hartveranderende
genade ontvangen had, daarin: dat hij zichzelven vergeet,
zijn eigen ellende en smart, zijn eigen gevaar, zijn
eigen nood en behoefte, en een uiterste poging aan-
wendt om zijn armen verblinden en verharden mede-
zondaar nog, indien mogelijk, tot inkeer te brengen.
Hij zegt niet: Ik heb geen tijd, — de dood is daar! Hij zegt
niet: „Wat zal het mij baten; als hij een onschuldige bespot,
als hij den Christus bespot, hoevoel te meer zal hij mij dan niet
uitlachen en bespotten en verachten; mij, dien hij kent als een
kwaaddoener, hier met hem aan het kruis hangende om zijn kwaad
en zonde! Neen als hij denkt aan dood en God en hel — o, dan
vergeet hij op dat oogenblik alles, — en gevoelt slechts éen drang
en plicht des harten: zijn medezondaar moet hij redden als het
mogelijk is! Hoort toch hoe ernstig en krachtig hij hem vermaant
en waarschuwt: „Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde
oordeel zijt?
En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig
hetgeen wij gedaan hebben; maar deze heeft niets onbehoorlijks
gedaan!" -
O, Geliefden, indien wij van God genade ontvangen hebben,
indien Jezus ook voor ons gekruist is, indien wij op dezen dag
waarlijk Hem aanschouwd en met Hem in zijn heilig Avondmaal
gemeenschap gehad hebben, — dan moet daar ook zulk een geest»
-ocr page 161-
XVIII. DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.             145
zulk eene gezindheid des harten door ons geopenbaard worden.
Geliefden, kunnen wij onszelven vergeten, onszelven verlooche-
nen, waar het de redding en behoudenis van onze medemenschen
geldt? Dit heeft die moordenaar in zijn sterven gedaan, —
wat doen wij in ons gansche leven? Dit heeft die moordenaar
gedaan, toen hij Jezus in zijn diepste vernedering aanschouwde,
hangende als een vervloekte aan het hout des kruises. Wat doen
wij, nu wij Hem aanschouwen in zijn hoogste heerlijkheid, gezeten
aan de rechterhand des Vaders ? O, het is vreeselijk, - en toch
is het waar, — er zijn ook nu nog zondaren, die in hun leven en
zelfs ook in hun sterven dood en God niet vreezen! Ach, hoe
menigeen van onze medezondaren en -zondaressen zien wij open-
lijk rechtuit naar het verderf wandelen; en wat doen wij om
hen tot inkeer te brengen, om hen te redden? Ach, er zijn
ook nu nog zondaren, die zoo verhard zijn dat zij niet alleen in
groote en gruwelijke zonden leven, maar daarin levende ook nog
met dood en God, en hemel en hel spotten en lasteren. O, Gelief-
den, als wij dit zien en als wij dit hooren, laat ons dan toch nooit
daar behagen in nemen; laat ons voor hen bidden, dat God hen be-
keere; en laat ons voor onszelven bidden, dat de Heere ons uit
genade beware voor zulk een verregaande verharding des harten.
IV.
„ Wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar
deze heeft niets onbehoorlijks gedaan."
Zoo spreekt die kwaaddoener en legt daardoor:
Een heerlijke getuigenis af aangaande de onschuld
van den Heere Jezus, en aangaande het recht dat Hij
had om aanspraak te maken op alles wajt Hij van zich-
zelven zeide, op alles wat Hij zich toeëigende.
En dit doet hij door woord en daad.
1. Hier is zijn woord:
„Maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan." Hoe
wist hij dit? Door Gods genade. O, hoe /wonderlijk is toch de
genade van God! Hoe wonderlijk, hoe krachtdadig, hoe verlichtend,
hoe algenoegzaam tot kennis en geloof en zaligheid!
10
-ocr page 162-
146          DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.        XVIII.
„Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan!" O, heerlijke getuigenis!
Niemand kon Hem overtuigen van zonde of schuld. Tot driemaal
toe moest Pilatus getuigen: „Ik heb geen schuld des doods in
Hem gevonden."
Hij gaf zichzelven uit voor den beloofden Messias, voor den Zoon
van God, maar daar was niets onbehoorlijks in.
Hij at en dronk met tollenaren en zondaren, en riep allen bedrukten
en treurenden van harte toe: „Komt herwaarts tot Mij, allen die
vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven!" Maar ook hier
was niets onbehoorlijks in.
Hij gaf zichzelven uit als Heer en Meester over het koninkrijk
Gods, om het toe te sluiten naar zijn wil, om het te openen naar
zijn welbehagen, zelfs voor zulke arme zondaren als wij zijn!
Maar ook hier was niets onbehoorlijks in.
„Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan." Dit is het woord van
dien kwaaddoener, — en hier is nu ook zijn daad.
2.     „Heere! gedenk mijner, als Gij in uw koninkrijk
zult gekomen zijn."
O, wonderlijke genade van God, die zulk een licht en geloof als
in een oogenblik in zulk een duister hart kan verwekken! En dat
temidden van zooveel smart en ellende!
a.     „Uw koninkrijk!"
Hij denkt niet aan een aardsch koninkrijk; neen, hij denkt niet
dat Jezus van het kruis zal afklimmen en nu een koninkrijk zal
oprichten op de aarde; hij vraagt niet om een plaatsje in zulk een ko-
ninkrijk. Neen, hij spreekt van het eeuwig koninkrijk van God aan
de andere zijde van het graf.
O wonderlijk geloof! Jezus\' eigen discipelen droomen nog van
een aardsch koninkrijk, niettegenstaande alles wat zij van hun
Heiland gezien en gehoord hebben. Maar deze gelooft in een
geestelijk koninkrijk, en hij spreekt van een geestelijk koninkrijk!
b.     En dat koninkrijk noemt hij in het bijzonder: „uw koninkrijk!"
— het koninkrijk van Christus. Daardoor erkent hij Christus als
Gods Zoon, als Heer ook van Gods koninkrijk, om het te geven
aan wien Hij wil naar zijn welbehagen.
3.     En nu, hoe nederig, hoe ootmoedig is zijn gebed, — hij
acht zich niet waardig om te bidden: Heere, geef mij dat konink-
-ocr page 163-
XVIII.        DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.           147
rijk! Heere, neem mij toch met U mede naar uw koninkrijk! Neen,
het is: „Heere! gedenk mijner als Gij in uw koninkrijk zult
gekomen zijn!" — Hij gelooft, hij weet, hij gevoelt het: nu, nu
zal Jezus, deze Jezus, die hier hangt en sterft, nu zal Hij ingaan
in zijn heerlijk en zalig koninkrijk! En o, zegt zijn hart, het is
genoeg, Heere, als Gij ook maar alleen aan mij gedenkt, wanneer
Gij in uw koninkrijk ingaat; het is genoeg als Gij mij dan maar
niet vergeet; het is genoeg als Gij dan toch nog maar kunt ge-
denken aan zulk een armen schuldige en kwaaddoener, armen zon-
daar en ellendige als ik ben, die hier aan uw zijde aan het kruis
hang. Ja, dit is genoeg; dit is zaligheid!
0, welk een heerlijk, welk een wonderlijk geloof! Hoe duister
en hoe donker was het verstand van Jezus\' discipelen daarbij
vergeleken. Zij kunnen nauwelijks gelooven dat hun Heiland sterven
moet en sterven zal; zij staan daar nabij of verre van zijn kruis
treurend en moedeloos; met Christus begraven zij als het ware
ook hun hoop en verwachting aangaande Hem en zijn koninkrijk.
Maar deze arme kwaaddoener en kruiseling, — hij vestigt al zijn
hoop en geloof hier op den gekruisten en ster venden Jezus.
Van Hem alleen verwacht hij al zijn heil en zaligheid, ja redding
en verlossing uit de klauwen des doods, uit de banden des verderfs.
Bij hem is er gansch geen twijfel. Hij zegt niet: Ik weet dat Gij
Heer zijt van een koninkrijk; ik weet dat zelfs de dood uw
macht en recht niet vernietigen kan; — neen, daarvoor is geen
tijd, geen behoefte; dit staat onwankelbaar vast in zijn hart.
Daar is slechts een nood, éen behoefte, éen gebed van geheel zijn
hart en ziel: „Heere, gedenk mijner, als Gij in uw koninkrijk
zult gekomen zijn !"
Het is alsof God, de Vader, de heerlijkste kroon des geloofs
voor den Zoon zijner liefde bewaard heeft, om die juist nu in zijn
diepste vernedering Hem op het bloedend en stervend hoofd te
plaatsen, om Hem juist nu in de bittere kruis- en stervensure
daarmede te verheerlijken, te troosten en te sterken. Ja, als de
zoetste voorsmaak in de bitterste ure van al de heerlijke vruch-
ten van zijn lijden en sterven, die Hij daarna aan de rechterhand
des Vaders zou genieten tot in alle eeuwigheid.
En als wij nu het antwoord van onzen dierbaren Heiland ver-
-ocr page 164-
148          DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.         XVIII.
nemen, — dan is het of daar een psalm ruischt in den nacht, ja
den donkersten nacht, dien de aarde ooit heeft aanschouwd. Maar
ook de heerlijkste psalm in hemel en op aarde: «Voorwaar zeg
Ik u: heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn."
De stervende Jezus spreekt als God almachtig en genadig!
Die arme kwaaddoener, — hij is tevreden, hij is zalig, als Jezus
toch maar alleen aan hem gedenken wil; — maar Jezus is
daarmede niet tevreden, niet voldaan. Lang wil hij wachten op
genade, die arme biddende kwaaddoener; maar Jezus zegt: Neen,
zelfs niet éen dag zult gij wachten; geen oogenblik zelfs zult gij
van Mij gescheiden worden; met Mij zult gij sterven; met Mij zult
gij ingaan in mijn eeuwig koninkrijk; wat geen oog gezien heeft,
wat geen oor gehoord heeft, wat niet opgeklommen is in het hart
des menschen, dit, dit is uw deel. Heden! Heden! „Heden zult
gij met Mij in het Paradijs zijn!" —
Geliefden, zoo wordt zijn gebed verhoord, zoo wordt zijn geloof
bekroond.
1. En nu, Geliefden, waar is onze hoop, ons geloof, onze ver-
wachting, onze kroon? Zijn wij nog gelijk aan die traaggeloovige,
treurende en teleurgestelde discipelen? Of zijn wij reeds door
Gods genade gelijk geworden aan dezen armen kwaaddoener, tot
God bekeerd in de stervensure?
Eén uur van gemeenschap met Jezus had deze heerlijke uit-
werking op zijn hart. En in dat éen, en enkel, en laatste uur van
zijn leven, of liever van zijn sterven, heeft hij nog heerlijke vruch-
ten der gerechtigheid voortgebracht, — vruchten die blijven tot op
dezen dag, die blijven zullen tot in alle eeuwigheid!
En wij, Geliefden, hebben wij ook niet gemeenschap met den
gekruisten, met den eeuwig levenden Christus? Wij hebben met
Hem gemeenschap, wij komen geduriglijk tot zijn Woord, tot
zijn huis en tot zijn Avondmaal. En wat is de uitwerking, de
vrucht daarvan? O, wee, wee ons, als wij nog in onze zonden
blijven; als wij nog gewilliglijk volharden in verkeerdheid en in
velerlei onheiligheid, tekortkomingen en gebrek! Neen, Geliefden,
Christus is gestorven en opgewekt tot onze rechtvaardigmaking.
Ja, Hij is gestorven en opgewekt en verhoogd, en heeft zijn
Geest rijkelijk uitgestort, opdat wij in nieuwigheid en heilig-
-ocr page 165-
XVIII.        DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.           149
heid des levens zouden wandelen! „Indien gij dan met Christus
opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus
is, zittende aan de rechterhand Gods. Want gij zijt gestorven, en
uw leven is met Christus verborgen in God!" Col. 3 : 1—3. Ja
waarlijk, Geliefden, elk uur dat wij in gemeenschap met Christus
verkeeren, moet veel in ons hart en leven veranderen en ver-
beteren. Waar wij staan, kunnen wij niet blijven, — neen, het
is voor ons een gewisse dood als wij daar en daarbij blijven
staan. Voorwaarts! Voorwaarts! dit is de leuze van den
waren Christen. Vorderen, toenemen moeten wij, ziende op het
kruis van Jezus, in geloof en hoop en liefde, in deugd en heilig-
heid en godzaligheid. Jagen moeten wij naar de volmaaktheid,
naar den prijs der roeping Gods. Naar de kroon des eeuwigen
levens. Met een woord: wij moeten altijd beter worden.
Dat is: altijd meer en meer gelijkvormig aan het beeld van Jezus,
of anders zal elk uur, en elke gelegenheid, en elk voorrecht,
waardoor wij met Jezus gemeenschap kunnen oefenen en hebben
geoefend, eens tegen ons getuigen, en verstrekken tot verzwaring
van ons oordeel.
Wat zal het ons baten als wij met elke Avondmaalsviering
opkomen naar Gods huis en Woord en Sacramenten, en wij nemen
toch niet toe in kennis, in genade, in heiligheid ?
2.    Geliefden, zijt gij misschien verlegen en gansch verslagen?
Ziet dan op dien kwaaddoener aan het kruis! Jezus heeft hem
verhoord, geholpen en voor eeuwig gered. Nog is daar voor u
tijd, nog is daar genade. Roept Hem aan in geest en waarheid,
en gij zult weten en ondervinden dat Hij ook voor u gestorven is!
3.    Maar, Geliefden, als gij nog niet met Christus gekruist en
gestorven en opgewekt zijt, — o, hoe vreeselijk, hoe gevaarlijk is
dan uw toestand! Ziet gij dien éenen moordenaar aan het kruis ? Hij
was nabij Jezus, nabij zijn bloed en genade, hij kon zijn bloed
zien stroomen, net zoo nabij als die andere kwaaddoener, — en
toch is hij voor eeuwig verloren gegaan; ja, hangende aan de
zijde van Jezus Christus is hij toch verloren gegaan! Acht
zijne genade dan niet klein, spot niet met Jezus, veracht Hem
niet; — maar vreest God, en bekeert u, en haast u naar het kruis
van Jezus; een woord in oprechtheid is genoeg: „Heer e! ge-
-ocr page 166-
150          DE TWEE MOORDENAARS, EN JEZUS IN HET MIDDEN.        XVIII.
denk mijner!" — en gij zijt behouden, voor eeuwig behouden!
Maar, Geliefden, daar was een oogenblik dat het te laat, eeuwig,
eeuwig te laat was voor dien moordenaar en spotter! Hangende
tusschen die twee kwaaddoeners, had Jezus een eeuwige schei-
ding tusschen hen gemaakt. De éen uitverkoren, de ander ver-
worpen ; de éen gezaligd, de ander verdoemd. Geliefden, de
Heere Jezus maakt ook heden eene scheiding tusschen ons,
zooals wij hier vergaderd zijn; ja Hij weet wie van ons reeds in
der waarheid tot Hem bekeerd zijn, en wie nog niet. Ja, Hij
kent degenen, die de zijnen zijn. Maar God geve uit genade, dat
toch niet éen van ons worde als die moordenaar en spotter, tot
een eeuwige verwoesting!
En eenmaal, Geliefden, als Hij komt op de wolken des hemels,
ook dan zal Hij in het midden zijn; en die Hem liefhebben
zal Hij aan zijne rechterhand stellen, en die Hem haten aan
zijne linkerhand. Wie, — o wie van ons zal dan juichen aan zijne
rechterhand, — en wie zal kermen aan zijne linkerhand?
Moge de Heere elkeen van ons dan genade geven om in ernst
en waarheid te bidden en te smeeken: Heere! gedenk mijner
in uw koninkrijk!
En als de ure des doods ook eens voor ons aanbreekt, dan
zegge de Heere uit eeuwige genade ook tot onze ziele: Heden, —
„heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn."
Amen!
Te zingen Ps. 73 : 13 of Ps. 66 : 6.
-ocr page 167-
XIX.
Voor het heilig Avondmaal.
DE LIEFDE GODS EEN ONBEROUWELIJKE LIEFDE.
Te zingen Ps. 122 : 1.
Te lezen Jeremia SI : 1—23 of Jesaja 51 : 1 — l(i.
Te zingen Ps. 105 : 5.
Het gebed.
Te zingen Ps. 138 : 4.
Tekst Jeremia 31 : 3 :
De Heero is mij verschenen van verre tijden. Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige
liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid.
Deze woorden vertoonen ons:
I.  Eene klacht van Israël.
II.   Wegneming van die klacht, door eene betuiging
van des Heeren zijde dat zijne liefde eeuwig en onbe-
rouweiijk is.
L
De bittere klacht.
„De Heere is mij verschenen van verre tijden!"
Op elke betuiging van Jeremia, van eiken Godsman, die tot
hen gezonden werd met een woord van hoop en verwachting op
een heerlijke verlossing en wederbrenging tot het land hunner
vaderen en tot den tempel te Jeruzalem, — op elk zoodanig woord
hadden zij niets anders dan deze klacht: „De Heere is mij ver-
schenen van verre tijden !"
-ocr page 168-
152              DE LIEFDE GODS EEN ONBEROUWELIJKE LIEFDE.                 XIX.
Schijnbaar had Israël wel reden om zoo te spreken.
1.    Israël, het uitverkoren volk van God, zuchtend en kwij-
nend in bittere banden van gevangenis en ballingschap.
2.     Hoe veel reeds gebeden, gezucht, geweend; hoe lang reeds
gewacht, — en nog geen verlossing.
3.    Hoe dikwijls reeds bemoedigd door het woord van zoovele
Godsmannen, — en toch, waar was de vervulling gebleven ? Kinderen
zijn groot geworden en jongelingen zijn grijs geworden; ja het
eerste geslacht was door het tweede al naar het graf gedragen;
en dat tweede was ook al aan \'t voorbijgaan; en nog bleef de
vervulling uit. Voorwaar reden te over om met schijnbaar recht
te klagen: „De Heere is mij verschenen van verre tijden!"
4.    En o, hoe bitter om dan nog dag aan dag met hoon en
schimp en spot door de heidenen van Babel overladen te worden.
Zoo diep gevoeld, dat het in een lied vereeuwigd werd voor al
de navolgende geslachten, ja tot op dezen zelfden dag. \'t Is daar
waar diezelfde Israëlieten bij de sombere treurwilgen, aan de oevers
van Babylons wijd uitgebreide stroomen, den 137sten Psalm aan-
heffen: „Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden
wij, als wij gedachten aan Zion. Wij hebben onze harpen gehangen
aan de wilgen, die daarin zijn. Als zij, die ons aldaar gevangen
hielden, de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij, die ons
overhoop geworpen hadden, vreugd, zeggende: Zingt ons éen van
de liederen Zions. Wij zeiden: Hoe zouden wij een lied des Heeren
zingen in een vreemd land? Indien ik u vergete, o Jeruzalem!
zoo vergete mijne rechterhand zichzelve! Mijne tong kleve aan
mijn gehemelte, zoo ik aan u niet gedenke, zoo ik Jeruzalem
niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap!\'
Geen wonder dat die arme Israëliet met vrouw en kind dan ook
daar bij die treurwilgen des te sterker roept en klaagt: „Hoe
lange, o Heere, hoe lang nog voordat ons oog de bergen van
Jeruzalem zien, en onze voet den drempel van Gods tempel zal
betreden ? Waarlijk: „De Heere is mij verschenen van verre tijden!"
Neergezeten in de schaduw van dien treurwilg, ziet die arme
Israëliet nog eens terug op de wegen Gods met hem en zijne
vaderen, en dan schijnen de tijden van des Heeren liefdevolle en
reddende en verlossende verschijningen toch o, — o, zoo ver,
-ocr page 169-
XIX.              DE LIEFDE GODS EEN ONBEEOUWELIJKE LIEFDE.                 153
zoo ver! Jaren, tientallen van jaren zijn voorbijgegaan, en
de Heere is alzoo niet weer verschenen. Zoo menigmaal heeft
Jehova zijn woord vervuld; maar dit woord blijft nog altijd
onvervuld. Zou God dan die wonderheden in de dagen van ouds
tevergeefs gedaan hebben? Heeft dan zijn verbond met Abraham
en David opgehouden? Zullen al zijne woorden dan verder hunne
vervulling missen ? Moet Israël, — neen het overblijfsel van Israël
dan in banden en gevangenis kwijnen, sterven, — uitsterven
en van den aardbodem vergaan ? Zoo vraagt, zoo klaagt de
weenende Israëliet, aan de zoomen van Babylons wijd uitgestrekte
stroomen.
En toch, Geliefden, herkent gij uw beeld niet in dien Israëliet?
Is zijn droeve jammerklacht ook niet menigmaal de klacht van
uw hart en leven? Als ik u aanzie, zou ik wel gaarne wil-
len zwijgen, om u te laten spreken; en als gij ons dan wijst
op al uw banden van verdrukking en ellende, en gij op al uw
moeite en verdriet, en gij op al uw zorgen en bekommernis-
sen, en gij op al uw zonden en ongerechtigheden, en gij op al
uw rampen en tegenspoeden, rampen en tegenspoeden van jaar tot
jaar ook over ons dierbaar land, ja duizend zorgen, duizend doo-
den, die het angstvallig harte kwellen; en als dan bijna alles,
alles ons zoo van alle kanten, zoo ernstig en dringend en zelfs
dreigend toeroept: Ziet, de hand des Heeren is uitgestrekt over
ons dierbaar land! Ziet het zwaard des Heeren is gewet tegen
ons en onze kinderen! „O land, land, hoor des Heeren woord!"
—  is \'t dan wel een wonder, Geliefden, als wij zoo dikwijls de een-
zame treurplaats opzoeken en daar in stilte nederzitten, en daar
menige zucht diep uit het hart oprijst, en daar menige zoute traan
uit het oog wordt weggevaagd, als wij nog eens terugzien op de
wegen Gods met ons en onze vaderen vóór ons; als wij geden-
ken aan de dagen toen de Heere ons zoo nabij was, toen de
Heere ons door een sterke hand leidde, en door een machtigen arm
behoedde en bewaarde; als wij ons oog vestigen op ons dier-
baar land, zooals het nu is, op de tijden die wij thans beleven,
—    en wij zien dan terug op ons dierbaar land zooals het vroe-
ger was, op de tijden van onze vrome vaderen ; — Geliefden, is
het dan wel een wonder, als wij met den Israëliet van dien ouden
-ocr page 170-
154                 DE LIEFDE GODS EEN ONBEROUWELIJKE LIEFDE.              XIX.
dag, op elk woord van vertroosting, van hoop, van verwachting
op betere dagen, nog maar altijd half moedeloos klagen: „De
Heere is mij verschenen van verre tijden!" Is het dan wel een
wonder als wij met een Azaf uitbreken in de bittere klacht:
„Zou God zijn gena vergeten?
Nooit meer van ontferming weten?
Heeft Hij zijn barmhartigheên
Door zijn gramschap afgesneèn?
Zoudon zijn beloftenisson
Verder haar vervulling missen,
Vrnchtloos worden afgewacht,
Van geslachte tot geslacht?"
Neen, dit is onmogelijk!
„God zal verandring geven,
D\'AUerhoogste maakt het goed!"
Hoort toch, Geliefden, en merkt toch op het antwoord dat God,
de Heere, ons zelf wil geven.
II.
Aan den Israëliet van dien ouden dag, en aan ons wordt slechts
een antwoord gegeven; hetzelfde antwoord, maar o, zulk een heer-
lijk antwoord!
„Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde,
daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid!"
Zoo is het antwoord. Laat dien treurenden Israëliet, daar in dat
heidenland, — daar waar hij de harp reeds aan den treurwilg
heeft gehangen, — laat hem daar dit antwoord eens in handen
nemen, — met dit antwoord in de hand nog eens Gods wegen
met zijne vaderen, en Gods leidingen met hemzelven gadeslaan,
— en dan wordt dit antwoord als een lamp vol goddelijk licht in
zijne hand, en door dat licht worden Gods wegen verhelderd, —
en ook zijn eigen voetstappen worden verlicht. God heeft hem
liefgehad met een eeuwige liefde, en daarom heeft de Heere hem
ook met goedertierenheid getrokken!
a. Uit goedertierenheid heeft God hem van alle eeuwigheid af
uitverkoren.
-ocr page 171-
XIX.              DE LIEFDE GODS EEN ONBEROUWELIJKE LIEFDE.                 155
En wij, Geliefden, wijst dit Avondmaal ons niet op den Zoon
van God aan het kruis, en wil de Heere daar niet tot ons zeg-
gen: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde"?
b. In Abraham heeft God hem* gekend en afgezonderd tot zijn
zaad en erve.
O, het is alsof de Heere elkeen van die vrome en heilbegeerige
Israëlieten met dit antwoord wil wijzen op het wonderlijke van
zijne goedertierenheid aan hen bewezen ook in Abraham, hun vader,
\'t Is alsof de Heere hen nog eens zijn woord door een Jesaja doet
hooren:
„Hoort naar Mij, gij, die de gerechtigheid najaagt, gij, die den
Heere zoekt! Aanschouwt den rotssteen, waaruit gijlieden gehouwen
zijt, en de holligheid des bornputs, waaruit gij gegraven zijt! Aan-
schouwt Abraham, ulieder vader, en Sara, die ulieden gebaard
heeft; want Ik riep hem, toen hij nog alleen was, en Ik zegende
hem, en Ik vermenigvuldigde hem!" Jes. 51 : 1 en 2.
En, Geliefden, als wij dan gedenken hoe de Heere uit eeuwige
vrijmachtige liefde ook ons gekend heeft reeds in onze ouders en
voorouders, ja tot in verre geslachten terug, ja ons alzoo reeds
met goedertierenheid getrokken heeft eer wij nog geboren wa-
ren, — moeten wij dan niet inplaats van bittere klacht, met een
David daarvan zeggen en zingen:
„Ik loof U, omdat ik op een heel vreeselijke wijze wonderbaar-
lijk gemaakt ben ; wonderlijk zijn uwe werken! Ook weet het mijne
ziel zeer wel. Mijn gebeente was voor U niet verholen, als ik in
het verborgene gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben,
in de nederste deelen der aarde.
Uwe oogen hebben mijn ongevormden klomp gezien; en al
deze dingen waren in uw boek geschreven, de dagen als zij ge-
formeerd zouden worden, toen nog geen van die was, Daarom, hoe
kostelijk zijn mij, o God, uwe gedachten! hoe machtig vele zijn
hare sommen!" Ps. 139.
c. Door zulk eene overpeinzing worden Gods wegen eenigszins
voor ons oog verhelderd, en ook voor het oog van dien Israëliet
in de dagen van ouds. Zoo begint hij iets te vatten van dat woord
zijns Gods: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom
heb Ik u getrokken met goedertierenheid." — Getrokken met
-ocr page 172-
156                DE LIEFDE GODS EEN 0NBER0UWELIJKE LIEFDE.              XIX.
goedertierenheid ? — Maar — zijn land ligt woest, ontheiligd
en verontreinigd door den gruwel der heidenen [ En hijzelf in
ballingschap en gevangenis! En dag aan dag moet hij boven dat
alles nog de smaadtaal hooren van die hem vragen: Waar is uw
God? Waar is nu uw hoop? En waar is nu al uw verwachting?
En toch, — neen, juist daarom zegt de Heere: Ja — ja — dit
weet Ik, — dit heb Ik gewild, — dit heb Ik gedaan. —
en toch: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb
Ik u getrokken met goedertierenheid." Ook dit is uit liefde. Ook
dit is goedertierenheid. Nu is het hart van Israël eens en voor
altijd losgemaakt en gezuiverd van de afgoden en gruwelen der hei-
denen, — en is dit geen liefde, geen goedertierenheid ? Of was het
beter zoo God, de Heere, hen had overgegeven in den lust van
hun eigen hart tot hun eeuwig verderf? Neen, dit is liefde, dit
is goedertierenheid, ja eeuwige, — nooit ophoudende liefde en
goedertierenheid, dat de God hunner vaderen hen loutert en reinigt
en tot een gewillig en gehoorzaam volk maakt, al moet het zijn
ook met de strengste en scherpste roede in de hand, — ja als het
niet in Jeruzalem kan, dan desnoods in Babel! Nu, nu kon
de vrome Israëliet dan ook weer op een liefelijke wijze onder-
vinden hoe de Heere, zijn God, liefheeft, en hoe Hij zijne goedertieren-
heid bewijst, als het woord des Heeren Heeren tot hem komt door
de Godspraken van een Jesaja: „De Heere zal Zion troosten, Hij
zal troosten al haar woeste plaatsen, en Hij zal hare woestijn ma-
ken als Eden, en hare wildernis als den hof des Heeren; vreugde
en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en eene
stem des gezangs." Jes. 51 : 8.
En is hijzelf in banden en gevangenis, — geen nood; laat
hem nog eens het paaschlam slachten, laat hem nog eens met
vrouw en kinderen rondom dat paaschlam staan, en daar met de
lendenen opgeschort, en den staf in de hand, en bittere saus in den
mond, — laat hem daar nog eens gedenken hoe de God van
Abraham en Izak en Jakob Israël verlost heeft uit Egypte!
Diezelfde God zendt ook nu aan hem het woord van Jesaja: „Ont-
waak, ontwaak, trek sterkte aan, gij arm des Heeren! Ontwaak
als in de verledene dagen, als in de geslachten van ouds; zijt gij
het niet, die Kahab uitgehouwen hebt, die den zeedraak verwond
-ocr page 173-
XIX.              DE LIEFDE GODS EEN ONBEROUWELIJKE LIEFDE.                157
hebt ? Zijt gij het niet, die de zee, de wateren des afgronds, droog
gemaakt hebt? Die de diepten der zee gemaakt hebt tot een
weg, opdat de verlosten daardoor gingen ?
Alzoo zullen de vrijgekochten des Heeren wederkeeren, en met
gejuich tot Zion komen; en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd
wezen; vreugde en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en
zuchting zullen wegvlieden!" Jes. 51 : 9, 10 en 11.
En nu, nu geeft zijn God ook een antwoord op den smaad der
heidenen:
„Hoort naar Mij, gijlieden, die de gerechtigheid kent; gij volk,
in welks hart mijne wet is! Vreest niet de smaadheid van den
mensch, en voor hunne smaadredenen ontzet u niet. Want de mot
zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten
als wol; maar mijne gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en mijn
heil van geslacht tot geslachten. Jes. 51 : 7 en 8.
En alzoo bevestigt de Heere aan Israël, ja aan al zijn volk tot
op dezen dag het woord: „Ik heb u liefgehad met een eeuwige
liefde, daarom heb Ik u getrokken met goedertierenheid!"
Ja, Geliefden, ook ons dierbaar land zucht onder de roede van
Gods hand, en toch, — o, laat ons dit toch gevoelen, opmerken
en erkennen, toch is dit ook liefde, om ons met goedertierenheid
te trekken! Of is het beter dat de Heere niet meer zou kastijden,
niet meer tegenhouden op onze wegen, niet meer mest bij den
wortel leggen, en niet meer snoeien aan takken en ranken?
Neen, ook dit is liefde en goedertierenheid. Ja „loutre goedheid,
liefdekoorden;" — want ook dit Avondmaal roept ons weer
toe: Omdat God ons met een eeuwige liefde heeft liefgehad,
— eene liefde zonder begin en zonder einde, — daarom heeft Hij
onze zonden aan zijn lieven Zoon Jezus Christus met den bit-
teren en smadelijken dood des kruises gestraft. — En in dien
Zoon zijner liefde is dezelfde God en Vader dan ook machtig om
aan ons te doen wat de dichter zegt:
„Hij stelt de woestijn tot een waterpoel, en het dorre land
tot watertochten. En Hij doet de hongeiïgen aldaar wonen, en zij
stichten eene stad ter woning!" Ps. 107 : 35 en 36.
Al zijn wij dan ook in banden en verdrukking; al gaan wij dan
ook onder vele zorgen gebukt; al worden wij ook door onze zonden
-ocr page 174-
158                DE LIEFDE GODS EEN ONBEROÜWELIJKE LIEFDE.              XIX.
beangst en benauwd, en door den Satan fel bestreden en gezift,
— Geliefden, komt, laat ons heden het voorbeeld van dien ouden
Israëliet volgen, laat ons hier rondom deze Avondmaalstafel met
vrouw en kinderen staan, — daar hoort gij het woord van Pau lus:
„Ook ons Pascha is voor ons geslacht." En wederom: „Het bloed
van Jezus Christus reinigt van alle zonden." En wederom: „Wij
hebben eene Voorspraak bij den Vader." — En daar door brood
en wijn, — daar roept de Drieëeni^e Verbonds-God ons toe: „Ja,
Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u
getrokken met goedertierenheid." „Ziet, Ik heb u in de beide hand-
palmen gegraveerd!"
En zoo God vóór ons is, wie zal dan tegen ons zijn?
d. En, Geliefden, komt daar aan de tafel des Heeren, bij al
dien dank- en juichensstof, toch nog éene vraag van bekom-
mernis op ? Zegt gij misschien: Gode, Gode zij dank! — die m ij n e
banden losgemaakt heeft, die mijn leven verlost heeft van het
verderf; maar, o, wat zal het deel van mijn dierbare kinde-
ren zijn? Geliefden, let nog eenmaal op dien vromen Israëliet.
Daar knielt hij neder onder dien treurwilg, en onder de gebeden
voor hemzelven en zijn volk stort hij ook ernstige smeekingen uit
voor zijn dierbaar kroost. En ook op die smeekingen is het antwoord
van zijn God door den mond van Jeremia: „Ja, Ik heb u liefgehad
met een eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken met goeder-
tierenheid." — En wederom: „Zoo zegt de Heere, die de zon ten
lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren
ten lichte des nachts, die de zee klieft, dat hare golven bruisen,
Heere der heirscharen is zijn naam:
Indien deze ordeningen van voor mijn aangezicht zullen wijken,
spreekt de Heere, zoo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het
geen volk zij voor mijn aangezicht, al de dagen.
Zoo zegt de Heere: Indien de hemelen daarboven gemeten, en
de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zoo
zal Ik ook het gansche zaad Israëls verwerpen, om alles wat zij ge-
daan hebben, spreekt de Heere." Jer. 31 : 35, 36 en 37.
Ouders, vervult zulk eene bekommernis over uwe kinderen
menigmaal uw hart? Itoept gij ook menigmaal tot den Heere
voor hen met zulke sterke roepingen en smeekingen en tranen?
-ocr page 175-
XIX.              DE LIEFDE GODS EEN ONBER0UWELIJKE LIEFDE.                 159
Doet gij dit in geest en waarheid ? Weet dan: dit hebben ook een-
maal uwe ouders voor u gedaan, — omdat God hen heeft liefgehad
met een eeuwige liefde; en dit doet gij ook nu weer voor uwe
kinderen, omdat God ook u liefgehad heeft met een eeuwige liefde;
— het is een uitvloeisel van Gods eeuwige verkiezing der liefde
en der genade. Zoo heeft God onze lieve ouders met goedertierenheid
getrokken, zoo wil God ook ons en onze lieve kinderen met goe-
dertierenheid trekken. Daarom staat ook de Avondsmaalstafel weer
door Gods genade hier in ons midden, en door dit Avondmaal wil
God, de Heere, ook op al deze gebeden en smeekingen tot ons
zeggen: „Ja, Ik heb u liefgehad met een eeuwige liefde, daarom
heb Ik u getrokken met goedertierenheid!"
Zoo spreekt de Heere, — de Heere der heirscharen, — heden
tot ons op een ernstige en zeer liefdevolle wijze. En o, Geliefden,
God geve dat wij op deze ernstige en liefdevolle roepstem een
antwoord mogen hebben, — de betuiging, het gebed met de
Bruid in het Hooglied: Heere! „Zet mij als een zegel op uw
hart, als een zegel op uwen arm ; want de liefde is sterk als de
dood; de ijver is hard als het graf; hare kolen zijn vurige kolen,
vlammen des Heeren!" Hoogl. 8 : 6.
Amen!
Te zingen Ps. 122 : 3 of Ps. 118 : 12.
-ocr page 176-
XX.
Nabetrachting.
GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.
Te zingen Ps. 119 : 1.
Te lezen Genesis 19 : 1—17.
Te zingen Ps. 119 : 9.
Het gebed.
Te zingen Ps. 189 : 14.
Tekst Genesis 19 : 15 en 10.
En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak n op,
neem uwe huisvrouw en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de
ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.
Maar hij vertoefde; zoo grepen dan die mannen zijne hand, en de hand zijner vrouw
en de hand zijner twee dochteren, om de verschooning des Heeren over hem; en zij
brachten hem uit en stelden hem buiten de stad.
In deze woorden, Geliefden, zien wij de verschooning des Heeren
over Lot en de zijnen.
I.
Die verschoonende liefde en genade had God reeds
van jongs af aan hem betoond.
Maar, zegt gij misschien, hoe komt hij dan in Sodom?
Door zijn eigen schuld.
-ocr page 177-
XX.                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                      161
a.   Uit minachting van Gods zegeningen. Van jongs af was hij
door Gods voorzienigheid met Abraham verbonden, misschien wel
door Abraham zelven opgevoed. Met Abraham geroepen, geleid,
bewaard en gezegend. Maar dit alles wordt bij hem minder dan
de tijdelijke voorrechten in de vlakte der Jordaan; en zoo komt
hij in Sodom; gedreven door:
b.  Een zondige begeerlijkheid. Wereldvreugde en tijdelijke voor-
rechten schat hij thans hooger dan de vreugde Zions in de tenten
van Abraham, ja dan de zalige, en vaste, en veilige, en eeuwige
voorrechten van den dienst des Heeren, in gemeenschap met de
uitverkorenen Gods.
En komt de vraag al bij hem op, of het niet te gevaarlijk zal
worden en al te veel gewaagd zal wezen om zich zoo nabij Sodom
te wagen, en zich met geheel zijn huisgezin in zulk een nauwe
aanraking met de booze en verdorven wereld daar in de vlakte
der Jordaan te stellen; komt die angstige vraag misschien ook
al in zijn hart op, toch gaat hij naar Sodom, want hij heeft:
c.  Een vast geloof in zijn eigen deugd, en een groot vertrouwen
in zichzelven. Het zal wel goed gaan!
Geliefden, ik bid u, ziet toch niet met minachting neder op
dezen Lot. Of doen wij niet menigmaal juist hetzelfde? Ach, hoe-
vele duizenden en duizenden zijn niet reeds door deze list des
Satans gevangen, en vervoerd, en voor eeuwig verdorven! Daarom,
Geliefden, wacht u, hoedt uwe ziel toch in Gods naam voor de
eerste beginselen van zulk een weg in uw hart, en van zulk een
weg in uw leven! Zijt gij reeds op zulk een weg, o, keert weder.
„Keert weder, gij afkeerige kinderen," zegt de Heere, „en Ik zal
uwe afkeeringen genezen." Jer. 3 : 22. Staat gij nog door Gods
genade ? Die staat, zie toe dat niet hij valle! Waakt en bidt, opdat
gij niet in verzoeking komt! Ja bidt toch dagelijks en gedurig
met een David: „Doorgrond mij, o God! en ken mijn hart;
beproef mij en ken mijne gedachten. En zie, of bij mij een scha-
delijke weg zij; en leid mij op den eeuwigen weg." Ps. 139 : 23,
24. Voorwaar, Geliefden, die zoo leeft, en die zóo bidt, die zal
niet verkeeren in des boozen tent, — die zal in der eeuwigheid
niet met zijne voeten staan in de goddelooze Sodomstenten!
il
-ocr page 178-
162                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                     XX.
II.
Lot is in Sodom!
Maar ook in Sodom is Gods verschoonende liefde
en genade over hem en de zijnen.
1.    God houdt de ware godsvrucht levendig in zijn hart; God
bewaart hem bij de vroomheid en bij de oprechtheid in leven en
wandel, ja God geeft hem zelfs zooveel genade, zooveel kracht
en zulk eene vrijmoedigheid door den Heiligen Geest, dat hij niet
alleen het kwade laat, het kwade haat en vliedt, maar zooveel
hij kan daar ook tegen spreekt en werkt; en alzoo wordt hij Sodom
tot een prediker der gerechtigheid, gelijk eens Henoch en Noach
predikers der gerechtigheid geweest zijn in de eerste wereld.
2.     Maar toch kan het niet anders, hij wordt gestraft, en ook
zwaar gestraft:
a.    In Sodom vindt hij geen rust voor zijne ziel; al wat zijn oog
ziet, deert het hart.
b.    En daarbij moet hij \'t nu met rouw en smart beleven, dat
zijn dierbare echtgenoote zich altijd vaster en vaster aan Sodom
en zijne inwoners hecht, ja zich in veel bij hen voegt en aansluit.
c.    En zoo is het dan ook geen wonder dat, tot zijn bittere
smart, zijn twee dochters nog verder gaan; zij gaan met Sodom
mede; zij worden in bijna alles aan de jeugd van Sodom gelijk;
zij worden zelfs verloofd aan twee mannen van Sodom. Gewis was dit
den armen Lot tot een bittere kwelling van zijn rechtvaardige ziel; en
het bitterste van alles is: hij is machteloos, met éen woord
machteloos tegenover vrouw en dochters; uit een verkeerde liefde
geeft hij maar in alles toe, en maar altijd weer toe en toe; in-
plaats van krachtig op te treden als man en vader; en uit te
trekken en tot Abraham weder te keeren; zich van Sodom af te
scheiden en van Sodoms zonden zich te zuiveren. Vanwege Gods
verschoonende liefde en genade over hem en de zijnen, dwingt God
hem daartoe; de Heere laat hem zelfs met de Sodomieten wegvoeren,
om zijn oogen te openen; om hem op het groot gevaar ernstiglijk
te wijzen; om hem voorgoed en voor altijd voor Sodom bang te
maken. Zoo straft de Heere hem voor zijn afkeerigheid en afdwa-
lingen, maar bedoelt het bovenal tot zijne behoudenis. Maar Lot
-ocr page 179-
XX.                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                      163
wil niet verstaan, wil zich niet bekeeren, hij keert tot Sodom weder, —
hij is in Sodom en hij blijft in Sodom; en zoo geeft hij zichzelven
met vrouw en kinderen moedwillig over aan nog grooter ellende.
d. Zoo toch wordt het kwade zaad gezaaid en gekweekt en
gekoesterd, waarvan de bittere galleoogst was dat hij al zijn goed
met Sodom verderven ziet; dat hij bijna ook met vrouw en
kinderen omkomt; dat hij zijn dierbare echtgenoote als een
zoutpilaar daar buiten Sodom laten moet; dat zijn dochters er
toe komen om hun eerbaren en waardigen grijzen vader te verleiden
tot dronkenschap en nog grooter zonde, — ja zelfs tot bloedschande !
Zietdaar, Geliefden, waartoe de minachting van Gods zegeningen,
zondige begeerlijkheid en een ijdel zelfvertrouwen ons en onze
kinderen voeren en brengen kunnen.
Ongelukkig, Geliefden, indien gij tegen zin en keuze, tegen wil en
dank verplicht zijt om in een wereldsche, loszinnige, ongebonden
omgeving dagelijks te leven; God geve u dan genade om uzelven
rein en onbesmet te bewaren van de wereld; God make u getrouw-
niet alleen in de binnenkamer, maar ook openlijk in die omgeving;
ja God sterke en helpe u door zijn genade en Geest om door uw
woord, maar meer nog door een stil gebed en door een stillen god-
zaligen wandel in zulk eene omgeving een prediker der gerech-
tigheid te wezen, als eens een Henoch en Noach in de eerste
wereld, als eens een Lot in Sodom; een licht op een kandelaar
geplaatst, een licht schijnende in een duistere plaats. Ziet, dan
wordt de almachtige kracht van Gods genade in uwe zwakheid
volbracht, en dan zal er ook eens van u gezegd worden:
„Deze zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij
hebben hun lange kleederen gewasschen, en hebben hun lange
kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams!" Openb. 7 : 14.
Want: „De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader
is deze: weezen en weduwen bezoeken in hunne verdrukking, en
zichzelven onbesmet bewaren van de wereld!" Jak. 1 : 27. Ja, de
Heere Jezus zegt: „Ziet, Ik kom als een dief. Zalig is hij, die
waakt en zijne kleederen bewaart!" Openb. 16 : 15. Voorwaar,
zalig zijt gij, Geliefden, die alzoo wandelt, want God de Heere
„zal u dekken met zijne vlerken, en onder zijne vleugelen zult gij
betrouwen!" Ps. 91 : 4.
-ocr page 180-
164                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                     XX.
Ja, ongelukkig, nog eens, Geliefden, als gij tegen zin en wil
in zulk eene omgeving leven moet; maar toch, duizendmaal onge-
lukkiger nog, Geliefden, indien gij door eigen keuze in zulk eene
omgeving leeft. Zegt, hebt gij vrede met zulk een leven, i n
zulk een leven ? Hebt gij dan uw hart in uw eigen hand en macht
om het te behoeden en te bewaren, rein en onbesmet van de
wereld; om telkens waar het moet te kunnen zeggen : Tot hiertoe
en niet verder! Gij legt de hand op het hart, het klopt u angstig
in de borst, en gij zegt: God helpe mij! Maar mijzelven bewa-
ren, neen, dat kan ik niet! Maar, eilieve! waarom speelt gij dan
met zonde en wereld en Satan, alsof zij speelgoed zijn? Waarom
speelt gij dan met het vuur van zonde en hel ? Ja, waarom zaait gij
toch zelf het zaad van zooveel jammer en verdriet?
O vaders! doet maar als Lot, kiest u maar de wereld tot uw wo-
ning, de wereld tot uw vriend; geeft maar toe, uit verkeerde liefde,
in alles en altijd maar toe aan vrouw en kinderen; — en wat
moet er dan van uw toekomst worden ?
Moeders, — onder God, hebt gij het hart, het leven, ja bijna
geheel de toekomst en het levensgeluk van uw dierbare kinderen
in uwe hand; maar troetelt die kinderen op voor zonde en ijdelheid,
voor wereld en Satan, — en wat moet er dan van uw toekomst
worden? Ja ik vraag, wat moet er dan van uw lieve zoons en
dochters worden ? Wat moet er van uw huisgezin worden ? O,
ik bid u, vaders en moeders, jongelingen en jongedochters! ik
bid u: gedenkt toch de onrust en kwelling van Lot in Sodom!
Gedenkt toch aan de vrouw van Lot! Gedenkt toch aan de doch-
ters van Lot! Daarom, vaders en broeders in Jezus, — ja moe-
ders en zusters in Christus Jezus, en ook gij, lieve jeugd, — laat
ons God om zijne hulp en genade vragen om toch niet te vervallen
in het Sodom dezer wereld; om te doen, al is het menigmaal voor
het tegenwoordige ook bitter en pijnlijk en zwaar voor vleesch en
bloed, maar om toch in Gods naam en kracht te doen wat onze
heilige plicht is tegenover onszelven en onze dierbare huisgezin-
nen. Laat ons toch bijtijds acht geven op de verschoonende liefde
en genade van God over ons en onze kinderen. Hoe dikwijls heeft
God, de Heere, u niet een voor een reeds geroepen en gedrongen
om u uit Sodom uit te leiden, — waarom sluit gij toch uw hart
-ocr page 181-
XX.                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                      165
voor die ernstige roepstemmen ? God wil u leiden in het rechte
spoor, ja vaderlijk en met groote ontferming, — maar ik bid u,
laat u dan toch leiden, opdat u niet wat ergers geschiede! Maar,
ach! zoo dwaas, zoo eigenzinnig is de arme zondaar, — en niet
alleen de zondaar, maar zelfs de vrome menigmaal, dat hij tegen
alle roepstemmen Gods, tegen alle klopping en knaging en ver-
oordeeling des gewetens, en tegen alle geweldige kloppingen en
hevige twistingen des Heiligen Geestes, — tegen dit alles in, toch
maar als geblinddoekt voortgaat op zulk een verderflijken weg! O
beeft, Geliefden, beeft! Als God naar \'t recht wilde handelen! Maar
neen, Gode zij dank. zij eeuwig dank, daar is vergeving! „Daar is
vergeving altijd bij U geweest; dies wordt Gij, Heer! met beving,
recht kinderlijk gevreesd!" Ps. 130.
Intasschen te zingen Ps. 130 : 2.
III.
Gok met Lot en de zijnen wou God nog niet in \'t gerichte treden.
Neen, aanschouwt het hier, Geliefden :
Hoe de verschooning des Heer en over hem en de
zijnen geweest is tot het alleruiterste toe.
Ja, het zij met eerbied gezegd: meer kon God niet doen!
God roept, en straft, en dringt, en zendt nu zelfs twee engelen
om te roepen en te dringen; maar Lot vertoeft. Lot vertoeft, —
en Sodom moet vergaan; ja, als de zon opkomt en Lot is nog in
Sodom, — voorwaar, voor eeuwig was het met hem voorbij, voor
eeuwig te laat (in betrekkelijken zin gesproken). En toch, Lot
vertoefde. — Maar God wou niet vertoeven: „Als de dageraad
opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende: Maak u op, neem
uwe huisvrouw, en uw twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat
gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt. Maar hij
vertoefde. Zoo grepen dan die mannen zijne hand, en de hand
zijner vrouw, en de hand zijner twee dochteren, om de verschooning
des Heeren over hem; en zij brachten hem uit, en stelden hem
buiten de stad."
O, als God nu zijne hand van hem had afgetrokken, hem daar
-ocr page 182-
166                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                     XX.
in zijn ijdele, dwaze, zondige, verderflijke besluiteloosheid had laten
staan, — waar was hij dan met vrouw en kinderen heengevaren ?
Gewis, verteerd door het vuur des hemels. Gewis met Sodom en
Gomorra voor eeuwig omgekeerd. Maar, o, wonder van genade!
Gij aarde, hoor het! En gij hemel, roep het uit, opdat elk het
hoore! God wilde het werk zijner handen niet laten varen. Want
Abraham bidt! En Lot is éen van Gods uitverkorenen. En wat
een Lot dierbaar is als zijn leven, zijn lieve vrouw en kinderen,
zij zijn ook dierbaar in Gods oog. Ja, God wou niet vertoeven!
O, mijn broeder, mijne zuster, God wou niet vertoeven, opdat
Hij ook heden nog door dit woord u als bij de hand kon grijpen, om
ook u uit Sodom uit te leiden, en daar buiten de stad des
verderfs, — wijzende op het Lam Gods aan het kruis op Golgotha,
— daar ook tot u te zeggen: „Behoud, — behoud u om uws
levens wil, zie niet achter u om, en sta niet op deze gansche
vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt!"
Vers 17. O, zegt mij, Geliefden, heeft God u niet al dikwijls zoo in
uw leven bij de hand gegrepen ? En waarom weigert gij dan ?
Heeft God niet vooral in deze laatste zware tijden u zoo duidelijk
bij de hand gegrepen? Daar waar gij trekken moest met mensch
en dier? Daar waar gij bij de leege dammen, opgedroogde rivieren
en fonteinen, en het stervend vee, en de droge akkers moest
staan, en opzien naar den hemel, — en de éene wolk, zwaarder
dan de andere, over uw hoofd voorbij zaagt drijven, en éen
regendroppel op uw hand viel, alsof de Heere daarmede wou
zeggen: Laat u tuchtigen, laat u leiden, en Ik zal vergeven, en
Ik zal sparen, en Ik zal redden en verlossen! Of „is de hand des
Heeren verkort, dat zij niet zou kunnen verlossen? Is zijn oor
zwaar geworden, dat het niet zou kunnen hooren?" Jez. 59 : 1.
Neen, Geliefden, duizendmaal neen! Maar gij wilt niet, gij draalt
als Lot! Gij vertoeft als Lot! Neen, God wou niet vertoeven:
„Maar," zegt Jesaja, „uwe ongerechtigheden maken eene scheiding
tusschen ulieden en tusschen uwen God, en uwe zonden verbergen
het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort!" Jes. 59 : 2.
J a, God wil niet vertoeven; maar g ij vertoeft als Lot, en
wie weet hoe nabij is het oordeel, hoe nabij is het einde! God wil
niet vertoeven! Of heeft de Heere u niet gedrongen door ziekbed
-ocr page 183-
XX.                    GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                      167
en sterfbed? Ja gedrongen, en ook nog van gisteren af alweer
zoo ernstiglijk, zoo krachtig bij de hand gegrepen, en heden
morgen bij en door het Avondmaal ? Ja, heeft niet God, de eeuwige
Vader van onzen Heere Jezus Christus, heeft Hij niet door dat
Avondmaal, niet [alleen zijn Woord, niet alleen zijne engelen,
maar zelfs als het ware zijn eigen eeniggeboren Zoon tot ons
gezonden, en dat als hangende en bloedende aan het vervloekte
hout des kruises? En o, hoe duidelijk, hoe ernstig, hoe krach-
tig, maar ook hoe lieflijk heeft God een iegelijk van ons, oud
en jong, daardoor niet bij de hand willen grijpen om ons voor
eeuwig te redden uit de donkere, akelige, en afgrijslijke kaken
der hel! Zoo is het. Maar, Geliefden, ik vraag u, hebt gij dat
waarlijk gevoeld? Hebt gij dat in der waarheid verstaan? Laat
gij u trekken? Laat gij u leiden? Staat gij nu reeds door en met
Christus daar buiten, voor eeuwig buiten Sodom ? Haast gij u
reeds naar het gebergte heen ? Zoo niet, — o, welk een genade!
Nog is er tijd, — tijd!! Ja, — maar alleen: heden! heden! en
geen ander. O, Goddank, ik heb nog een woord van genade aan
u: „Ziet, nu is het de welaangename tijd; ziet, nu is het de dag
der zaligheid!" — 2 Cor. 6 : 2b.. jMeer mag ik niet! Maar,
Gode zij dank! minder ook niet! Maar, Geliefden, als gij dan ook
nu nog uw oor sluit, uw hart verhardt, — uw hand wegtrekt,
— ja misschien met verontwaardiging, met spot, met verachting
wegrukt; weet gij aan wie gij dan gelijk zijt? — Aan die twee
jongelingen, die schoonzoons van Lot! \'t Is wel, het zij zoo, de
dienstknecht Gods, de heilgezant van Jezus is ook in uw oog als
jokkende, en met de wereld staat het naar uw denken dan
ook toch niet zoo boos, zoo verdorven, zoo uiterst gevaarlijk en
hachelijk! Goed, — houdt u maar aan uw eigen opinie, houdt
u bij uw eigen wijsheid; gij weet het immers beter dan God
en zijn Woord; sluit dan maar oor en hart voor deze roep-
stem, voor een tweede, en derde, voor elke roepstem, en
blijft in Sodoms rust en vreugde en wellust. Maar, o, weet het!
Ik bid u, bedenkt het toch! De tijd is nabij! De dag gaat voorbij,
de avond komt, de nacht breekt aan, — en als gij de Zon der
gerechtigheid in de eeuwigheid ziet opgaan, dan is het alleen
om van Hem te hooien: „Ga weg van Mij, gij vervloekte, in
-ocr page 184-
108                      GODS VKRSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                     XX.
het eeuwige vuur!" Gewis, dan is reeds over u voor eeuwig het
lot van Sodom beschoren! Wat zeg ik — het lot van Sodom?
Neen, — Jezus, de eeuwige en waarachtige Getuige, zegt: „Doch
Ik zeg u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in
den dag des oordeels, dan u!" Matth. 11 : 24, O, trekt en rukt
dan uw hand niet meer weg, terwijl het nog het heden der genade
is; maar geeft den Heere de hand, en haast u om uws levens wil!
2. Maar, o mijn broeder, mijne zuster, doet dit toch in geest
en waarheid, — of gij wordt aan de vrouw van Lot gelijk! Gedenkt
aan de vrouw van Lot! Ook zij was reeds door de poort geleid
en buiten de stad gesteld, en hoorde het ernstig, het laatste woord:
„Behoud u naar het gebergte heen, en zie niet achter u om; haast
u om uws levens wil!" En zij liep, — maar het was louter schijn,—
het hart was nog in Sodom. De ijdelheid is in haar hart, en zij
ziet terug naar Sodoms vreugde. Gierigheid is in haar hart, en zij
ziet terug naar Sodoms schatten. O, hoe vreeselijk, hoe ontzettend!
Zóo nabij de ware behoudenis en redding, en toch veranderd in
een zoutpilaar! Verloren, — en misschien voor eeuwig verloren !
Broeders! Zusters! Wij zijn aan het Avondmaal geweest, wij heb-
ben den Heere Jezus de hand gegeven. Wij zeggen, dat wij door
en met Hem uit Sodom zijn uitgegaan, en staan daar buiten de
stad des verderfs. God geve dat dit waarheid zij, God houde
zelf onze oogen naar het gebergte heen, God trekke zelf ons
het hart onweerstaanbaar naar het kruis van Jezus, naar den
hemel! God make zelf onze voeten vaardig en ondersteune ons
met de rechterhand zijner gerechtigheid. Broeders en zusters, dan
zegt de dichter van u:
„Als zij door het dal der moerbeziënboomen doorgaan, stellen
zij Hem tot eene fontein; ook zal de regen hen gansch rijkelijk
overdekken!
Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal ver-
schijnen voor God in Zion!" Ps. 84 : 7, 8.
En daar voor God in Zion hoort en zingt en smaakt gij dan
op hemelsche wijze wat de dichter zegt:
„Hoe zalig is het volk. dat naar uw klanken hoort!
Zg wandlen, Heer! in \'t licht van \'t godlijk aanschijn voort.
Zij zullen in uw naam zich al den dag verblijden.
-ocr page 185-
XX.                     GODS VERSCHOONENDE LIEFDE EN GENADE.                      169
Uw goedheid straalt hun toe; uw macht schraagt hen in \'t lijden;
Uw onbezweken tronw zal nooit hun val gedoogen.
Maar uw gerechtigheid hen naar uw woord verhoogen!"
Ps. 89 : 7.
3. Maar waar is de wereld dan? En wat is dan haar deel?
Laat Sodom het u zeggen:
„De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam.
Toen deed de Heere zwavel en vuur over Sodom en over Gomorra
regenen, van den Heere uit den hemel.
En Hij keerde deze steden om, en die gansche vlakte, en alle
inwoners dezer steden, ook het gewas des lands." Verzen 23, 24 en 25.
\'t Is zoo, Geliefden, als de vrome weent, dan lacht de wereld;
als de vrome bidt, dan vloekt de wereld; als de vrome voor
God en zijn Woord en zijn straffen beeft en vreest, dan vraagt de
wereld: Wie is God dat wij naar Hem hooren zullen? „Dat Hij
haaste, dat Hij zijn werk bespoedige, opdat wij het zien; en laat
naderen en komen den raadslag des Heiligen van Israël, dat wij
. het vernemen!" Jes. 5 : 19. En luider en luider klinkt dan nog
vedel en trom, daar in de tenten der ijdelheid; de wereld juicht,
en drinkt, en danst, en dobbelt, en speelt, — en slaapt. — Dan,
Geliefden, dan gaat een Noach in de ark, en een Lot haast zich
naar het gebergte heen; de zon gaat op, de eeuwige Zon der ge-
rechtigheid, — en Gods kinderen staan op en zij juichen!
God staat op, en zijne vijanden worden verstrooid. Sodom en
Gomorra, Adama en Zeboïm, zij worden omgekeerd tot in het hart
der aarde.
De laatste bazuin blaast, hemel en aarde vergaan, en de we-
reld wordt omgekeerd tot in het hart der hel, eeuwiglijk en
altoos. „Maar — maar daar is geen verdoemenis voor
DEGENEN, DIE IN CHRISTUS JEZUS ZIJN! Kom. 8:1.
Amen, ja Amen!
Te zingen Ps. 89 : 7.
-ocr page 186-
XXI.
DE VERSCHIJNING VAN DEN HEERE JEZUS
AAN MARIA MAGDALENA.
of:
DE STANDVASTIGHEID EN VURIGHEID VAN DE LIEFDE
VAN MARIA MAGDALENA VOOR JEZUS; EN HOE DIE
LIEFDE DOOR DEN HEERE BELOOND WERD.
Te zingen Ps. 118 : 13.
Te lezen Johannes 20 : 1—18.\'
Te ziDgen Ps. 51 : 6.
Het gebed.
Te zingen Ps. 4 : 8.
Tekst Joh. L»0 : 11—18.
Eerst van allen is Jezus verschenen aan Maria Magdalena, uit
welke Hij zeven duivelen had uitgeworpen, bij het graf waarin Hij
gelegen had, in den vroegen morgen waarin Hij opgestaan was;
dit verhaalt Johannes, ons in onzen tekst.
I.
In de woorden van onzen tekst zien wij dan in de eerste plaats:
hoezeer Maria Magdalena aan den Heere Jezus ge-
hecht was; hoe groot en vurig hare liefde ,voor den
H eere Jezus was.
Geen wonder dat hare gehechtheid aan Jezus zoo vast, zoo
onwankelbaar vast was; en hare liefde voor Jezus zoo groot en
-ocr page 187-
XXI.                DE VERSCHIJNING VAN DEN HEEEE JEZUS ENZ.                 171
vurig. Van zeven duivelen had Jezus haar verlost; groot was de
genade aan haar bewezen; en nu was ook hare liefde groot. Zoo
had Jezus zelfs eens gezegd: Dien veel vergeven wordt, die heeft
ook veel lief." En ziet nu hoe zij haar vurige liefde openbaart.
Jezus wordt gekruisigd, maar zij is ook daar. Had zij Hem in de
dagen van voorspoed trouw gevolgd en gediend met hare goede-
ren; nu in de dagen van tegenspoed, van bittere vervolging, van
verwerping, van snoode mishandeling, nu is het of haar hart als
verteerd wordt door vurige kolen der liefde; de discipelen mogen
Hem verlaten; zij zal Hem volgen. Allen mogen van verre staan;
zij zal bij zijn kruis hare tranen storten, met de moeder van Jezus,
en de andere Maria, en Johannes. En ook zelfs wanneer Jozef van
Arimathea het doode lichaam wegneemt, ook clan nog zal zij Hem
niet verlaten; zij moet het zien en weten waar zijn dierbaar
lichaam gelegd wordt. Daar zit zij neder in diepe smart, en van
daar staat zij alleen op om weder te keeren na den Sabbat, ja
bij het krieken van den eersten dag der week, om het lijk van
Jezus te zalven. Daar gaat zij heen met de andere Maria en nog
een andere vrouw (Salome) naar het graf; en ziet, de steen is
afgewenteld; het is voor haar genoeg; o, bittere smart: zij hebben
haren Jezus weggenomen, en zij weet niet waar zij Hem gelegd
hebben; de andere vrouwen laat zij daar, maar zelf gaat zij heen
om dit aan Petrus en Johannes te zeggen en te klagen. Samen
gaan zij terug naar het graf; Petrus komt en gaat er in; nu gaat
ook Johannes in, en zij zagen de doeken en den zweetdoek; en
Johannes geloofde, uit hetgeen hij zag, dat de Heere opgestaan
was; zij keeren huiswaarts; maar Maria kan van het graf niet schei-
den : zij weent; zij bukt en ziet in het graf; en daar ziet zij twee
engelen, die haar vragen naar de oorzaak van hare droefheid;
maar die droefheid is zoo groot dat zij aan de engelen niet kan
denken, neen, alleen aan Jezus. En ziet, daar staat Jezus reeds
bij haar; ook Hij vraagt: „Vrouw, wat weent gij, wien zoekt gij?"
Maria kent Hem niet; zij wil maar weten waar de hovenier van
Jozef het lichaam van Jezus heeft gelegd; zij wil het wegnemen,
indien Jozef daarvoor geen plaats heeft, zij, die zwakke vrouw!
En nu, Geliefden, ziet hier in de treurende en zoekende Maria
het beeld van den geloovige, die in zijn vorige zonden vervallen
-ocr page 188-
172                       DE VERSCHIJNING VAN DEN HEERE JEZUS                    XXI.
is, zoodat „zijne ongerechtigheden eene scheiding hebben gemaakt
tusschen hem en zijnen God", doch die nu opnieuw berouw en
boete gevoelt en andermaal zegt: „Ik zal opstaan en tot mijnen
Vader gaan, en ik zal tot hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd
tegen den hemel en voor U, en ik ben niet meer waardig uw zoon
genaamd te worden, maak mij als een van uwe huurlingen." —
Ziet in de treurende en zoekende Maria het beeld van den geloovige.
aan wien de Heiland voor een korten tijd het vertroostend licht
van zijne nabijheid onttrekt, alleen met het doel om het geloof
van zijn dienstknecht of dienstmaagd te beproeven, om te zien of
hij, als „hij in de duisternis wandelt, en geen licht heeft, dan
nog vertrouwen zal op den naam zijns Heeren, en steunen op
zijnen God." Zulk eene ziel treurt, en zoekt, evenals Maria,
den Heere Jezus; die ziel zoekt Hem in de woorden der Schrift,
waardoor de Heere eens tot haar gesproken heeft van verzoe-
ning en vrede; die ziel zoekt Hem op al die plaatsen, waar de
Heere zich voorheen aan haar geopenbaard heeft in de volheid van
zijn genade en lieflijkheden; waar Jezus naar haar hart heeft
gesproken en haar een beker des heils gegeven heeft, overvloeiende
van blijdschap en vreugde in God, haren Zaligmaker. Maar, helaas !
die woorden, die plaatsen geven haar geen vertroosting; zij ver-
meerderen veeleer haar droefheid en smart, bij de gedachte aan
vroegere dagen van zooveel blijde genieting, in het eenzaam gebed,
of ook in huisgezin en eigen woning, of ook in Gods voorhoven
en aan de tafel des Heeren. Daar zit zij dan neder, eenzaam en
verlaten, treurende en zoekende Jezus, haren Heiland! Maria kon
geen troost vinden, ook zelfs niet bij de discipelen van Jezus en
hare vrienden; zij moet Jezus hebben, en met niets minder is zij
tevreden. Zoo gaat het ook met zulk een schijnbaar verlatene
ziel; zij zoekt Jezus ook in het gezelschap der vromen; daar toch
in hun midden is zij zoo menigmaal opgebeurd en gesterkt geworden ;
daar toch heeft zij dikwijls zooveel lieflijke uitlatingen van de liefde
van Christus voor haar hart gesmaakt; daar toch was het haar
zoo menigmaal alsof Jezus zelf in hun midden was en zijne handen
over hen uitbreidde, zeggende: „Vrede zij ulieden!" Maar ook daar
vindt zij Jezus niet. O, waar is die aangename, die zoete vrede
dan nu ? Daar zit zij neder, eenzaam en verlaten; er is geen vrede
-ocr page 189-
XXI.                                 AAN MARIA MAGDALENA.                                  17H
of vreugde, slechts groote angsten, bittere smart en bange stormen
in het binnenste van haar verbrijzeld hart. Want Jezus is van
haar geweken!
Geliefden, wie is heden onder ons, die zulk een gestalte der ziele
kent, die zich alzoo gevoelt, eenzaam en verlaten ? Wij roepen u toe:
Indien het mogelijk is, verblijdt u zelfs in uwe treurigheid; want
juist dit is een kenmerk dat gij een geloovige zijt, dit: dat gij
alleen blijdschap en vrede kunt vinden in de nabijheid van Jezus,
uwen Zaligmaker! O, gebrokenen van harte en verbrijzelden van
geest, droogt de tranen van uwe oogen; want ziet: dien uwe ziel
liefheeft, staat aan de deur; ook u vraagt Hij: „Wat weent gij?
Wien zoekt gij?" Ook tot u zegt Hij: „Doe mij open, mijne
zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte! want mijn
hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdroppen!"
Hoogl.
II.
Alzoo stond de Heiland, als het ware, ook daar bij de deur der
grafspelonk in den vroegen morgen zijner opstanding, gereed om
zich aan Maria te ontdekken! Om hare liefde heerlijk te
beloonen!
Lang heeft zij getreurd, groot was hare smart; nog grooter
blijdschap staat Jezus haar te geven. Lang heeft zij Jezus te-
vergeefs bij de dooden gezocht, heden zal zij Hem onder de levenden
vinden, \'t Is Hij die haar aanspreekt, maar zij herkent Hem niet.
Toen zeide Jezus tot haar: „Maria!" En ziet, hier is nu een
woord, éen blik, een toon der liefde genoeg. „Maria!" zegt Jezus,
en nauwelijks is die naam genoemd, of de wolk verdwijnt van
voor hare oogen en het zware pak valt af van haar hart. „Rab-
bouni!" Meester! — dit is al wat zij zeggen kan; en bedwelmd
van vreugde valt zij aan zijne voeten neder.
Ziet hierin, Geliefden, hoe de Heere Jezus zich menigmaal plot-
seling en op wondervolle wijze aan den troosteloozen geloovige
openbaart.
Hoe lang de ure van bange duisternis, van troostelooze verla-
tenheid, van vruchteloos kermen en zoeken voor zulk eene ziel
-ocr page 190-
174                       DE VERSCHIJNING VAN DEN HEERE JEZUS                    XXI.
dan ook moge wezen, te lang wordt zij nooit, want de Heere
weet in zijn onfeilbare wijsheid altijd het rechte oogenblik om zich
te openbaren. En dikwijls wanneer de treurende ziel daar een-
zaam en troosteloos terneder zit, als de Bruid in het Hooglied,
hoort zij als op eenmaal de stem des Bruidegoms; en de liefde
herkent die dadelijk en roept uit: „Dat is de stem mijns liefsten;
ziet Hem, Hij komt, springende op de bergen, huppelende op de
heuvelen." De bergen der scheiding worden in dalen en welge-
baande wegen veranderd; op de vleugelen des Geestes komt Jezus
tot de ziel; dan wordt haar geklag op eenmaal veranderd in een
blijde rei, en hare droefheid in blijdschap, ja in eene blijdschap,
bijna als die der engelen; en bedwelmd van vreugde zinkt de ziel
als aan de voeten des Heilands neder.
Zoo komt Jezus menigmaal tot de treurende ziel door een woord
der Schrift, of door de stem van een vriend; onder de prediking
des Woords, of bij het breken des broods; als Hij haar deze lief-
lijke woorden doet hooren: „Komt herwaarts tot Mij, allen die
vermoeid en belast zijt, en Ik zal u ruste geven." „Dit is mijn lichaam,
dat voor u gebroken wordt; deze drinkbeker is het Nieuwe Testa-
ment in mijn bloed, hetwelk voor velen vergoten wordt tot ver-
geving der zonden; drinkt allen daaruit." Dan kan de geloovige
zijn vreugde niet bedwingen, dan roept hij uit: „Dat is de stem
mijns liefsten! Hij voert mij in het wijnhuis, en de liefde is zijne
banier over mij. Ondersteunt gijlieden mij met de flesschen, ver-
sterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde. Zijne
linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne rechterhand omhelze mij !"
— O, Geliefden, gij die treurt vanwege uwe zonden, vanwege
duisternis en verlatenheid, vanwege druk en menigvuldige beproe-
ving, — hoort wat Jezus zegt: „Zalig zijn zij die treuren, want
zij zullen vertroost worden!" Wacht dan, ja wacht, verlaat u op
den Heere! Hij doet welhaast uw heilzon dagen.
En zijn er ook onder ons die reeds éen en andermaal in hun
leven zulke openbaringen, zulke lieflijke uitlatingen van des Hee-
ren liefde aan hunne zielen gesmaakt hebben? Wandelt dan ook
voortaan met meer blijmoedigheid des geloofs in den weg van
Gods getuigenissen; zit dan niet zoo dikwijls in trage hopeloos-
heid troosteloos neder. Of „is de hand des Heeren verkort, dat zij
-ocr page 191-
XXI.                                AAN MARIA MAGDALENA.                                   175
niet zou kunnen verlossen? Is zijn oor zwaar geworden, dat het
niet zou kunnen hooren?" Spreekt dan zelfs in de donkerste ure:
„Wat buigt gij u neder, o, mijne ziel, en wat zijt gij onrustig in mij ?
Hoop op God, want ik zal Hem nog loven, Hij is de menigvul-
dige verlossing mijns aangezichts en mijn God." Zoekt Jezus
steeds met zulk een vaste en vurige liefde als Maria, en gij zult
Hem vinden: zoekt Hem in gebed, in zijn Woord en bij zijne
vrienden, in zijne voorhoven en aan zijne tafel. Menigvuldig mogen
dan de uren en dagen zijn waarin gij met de Bruid in het Hoog-
lied zult moeten klagen: „Ik zocht des nachts op mijn leger Hem,
dien mijne ziel liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet;"
— wat nood, Geliefden, even zoo dikwijls zal ook Jezus zich in
zijne liefde aan u openbaren als eens aan Maria; dan geeft Hij u
veel vreugde in het hart, en het geklank des gejuichs op de lippen :
„Ik vond Hem, dien mijne ziel liefheeft; ik hield Hem vast, en
liet Hem niet gaan!" O, het zijn zulke heerlijke oogenblikken,
waarin onze blijdschap, onbepaald, ten hoogsten toppunt stijgt; en
het kan niet anders of het hart spreekt met een Petrus: „Heere!
het is goed dat wij hier zijn; zoo Gij wilt, laat ons hier drie
tabernakelen maken!"
III.
Maar neen, de Heere wil het niet; want nog is de morgen der
eeuwigheid en de dag der algemeene opstanding niet aangebro-
ken, wanneer wij leven zullen door aanschouwen; hier op aarde
moeten wij leven door het geloof. Daarom mag ook
Maria niet omhelzen, daarom mag zij niet langer aan
zijne voeten blijven. „Raak Mij niet aan," zegt Jezus tot
haar, „want Ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar
ga heen tot mijne broeders, en zeg hun: Ik vare op tot mijnen
Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God!" —
Slechts een oogenblik mag de vreugde des aanschouwens duren,
dan wordt zij weder vervangen door de schoone taak des geloofs.
Maria mag zich niet zoo angstig aan Jezus vastklemmen, alsof
de scheiding nu voor altijd voorbij was. Veeleer stond weldra nieuwe
scheiding te wachten, maar juist deze zou den weg tot een hoogere
-ocr page 192-
176                     DE VERSCHIJNING VAN DEN HEERE JEZUS                     XXI.
vereeniging banen. Wanneer Hij eenmaal van de aarde was heen-
gegaan, dan eerst zou het haar vrijstaan zich zoo nauw aan Hem
te hechten als zij maar eenigszins kon, juist omdat dan geen
andere dan alleen een geestelijke gemeenschap mogelijk was.
Maar bij het bevel voegt de Heere ook de belofte, dat Hij gereed
staat om het woord te vervullen, aan den laatsten avond gesproken;
het woord, dat Hij „henengaat om voor al de zijnen eene plaats
te bereiden, en om te zitten op den troon van het gansch heelal."
Daarenboven noemt Hij ook hen, die tot nog toe slechts discipelen
en vrienden waren, nu zijne broeders; en aan die broeders laat
Hij verkondigen: „Ik vare op tot mijnen Vader en uwen Vader,
en tot mijnen God en uwen God.\' — En met dit éene woord
toont Hij zoowel het oorspronkelijk onderscheid als de heerlijke
overeenkomst aan, die er tusschen zijne en hunne gemeenschap met
den Vader bestaat.
Wat Maria gehoord heeft is als éen bittere droppel, maar in een
beker, overvloeiende van vreugde. Haar vurige liefde dringt haar
niet om te treuren over een bevel, dat haar tot scheiden roept;
neen, haar vurige liefde dringt haar om nu hare dankbaarheid op
de schoonste wijze te betoonen.
, Maria Magdalena ging en boodschapte den discipelen, dat zij
den Heere gezien had en dat Hij haar dit gezegd had."
Maar Geliefden, dit was niet alleen de ondervinding van Maria.
Evenals voor Maria, zoo zijn ook voor den geloovige de oogen-
blikken van den reinsten en hoogsten voorsmaak der hemelsche
vreugde en zaligheid zeer kort; en telkens moet de taak des geloofs
opnieuw aanvaard worden. Laat dit ons echter niet ontmoedigen;
want naar zijne Godheid, majesteit, genade en Geest wijkt de
Heere nimmermeer van ons; en ook wij Tiebben de belofte dat Hij
ons voorgegaan is om voor ons eene plaats te bereiden in de
eeuwige woningen van zijnen Vader en onzen Vader, van zijnen
God en onzen God! Nog slechts weinige dagen, of maanden, of
jaren duurt het leven door het geloof; en dan openbaart zich de
Heere aan onze ziel in de volheid zijner liefde en heerlijkheid, aan
de poort des hemels, om nimmermeer van ons te scheiden! Dan
zullen wij door aanschouwen leven, en Hem volkomen en onge-
stoord genieten eeuwiglijk en altoos! Daar zullen wij met zijn
-ocr page 193-
XXI.                                      AAN MARIA MAGDALENA.                                      177
beeld verzadigd worden, ja uit zijne volheid ontvangen verzadiging
van vreugde en lieflijkheden aan zijne rechterhand tot in alle
eeuwigheid. O, mochten wij Jezus dan ook steeds met vaster en
vuriger liefde zoeken, dan zullen wij onszelven ook meer met een
vroolijke dankbaarheid verloochenen; Hem met meer ernst en ijver
dienen en verheerlijken; ja, evenals Maria, zullen wij dan ten allen
tijde, na oogenblikken van waar zielsgenot, allen broeders en zusters
ook toeroepen: „Komt, luistert toe en hoort, wat de Heere aan
mijne ziel gedaan heeft!" Dan zal er in ons hart een vreugde en
een vrede des hemels wonen; rondom ons zullen wij een vriendelijk
en vroolijk licht verspreiden; Gods volk zal zich verblijden, en
zondaars zullen tot den Heere bekeerd worden, tot roem en prijs
van zijn grooten naam!
Daartoe geve de Heere ons dan ook zijne kracht en genade.
Amen !
Te zingen Ps. 8 : 4 en 9.
12
-ocr page 194-
XXII.
DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS
AAN PETRUS.
Te zingen Ps. 104 : 17 of Ps. 111 : 2, 3.
Te lezen Lukas 24 : 1—35.
Te zingen Ps. 88 : 6.
Te zingen Ps. 105 : 5.
Tekst Lnkas 24 : 34c: En is Tan Si in on gezien.
Op den heerlijken dag der opstanding is de Heere Jezus tot
viermalen toe aan zijne discipelen verschenen; voor het eerst in
den vroegen morgen aan Maria Magdalena, voor de vierde maal
in den laten avond aan al zijne jongeren, behalve Thomas.
Daarom wenschen wij ook heden met elkander stil te staan bij
de eerste verschijning van den Heere Jezus aan Petrus. Die ver-
schijning wordt ons aangekondigd door de woorden van de disci-
pelen aan de Emmaüsgangers: „De Heere is waarlijk opgestaan,
en is van Simon gezien."
„En is van Simon gezien."
Naar aanleiding van dit woord wenschen wij met uwe aandacht
stil te staan:
I. Bij de verschijning zelve.
n. Bij de gevolgen, welke deze verschijning voor Petrus had.
I.
Allereerst staan wij dan stil bij de verschijning zelve.
In den vroegen morgen gaan Petrus en Johannes samen met
-ocr page 195-
XXII. DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS AAN PETRUS.          179
Maria Magdalena naar het graf. Johannes komt het eerst bij het
graf, maar blijft buiten het graf staan; Petrus komt daarna en
gaat in het graf; hij vindt het graf ledig en de doeken in orde; nu
gaat ook Johannes er in, ziet het, en gelooft, en gaat henen uit
den hof; Petrus gaat ook henen, doch niet gelijk Johannes, ver-
vuld met aanvankelijk geloof, maar van diepe bevreemding, „zich
verwonderende bij zichzelven van hetgeen geschied was." Gelooven
kon hij nog niet, al verneemt hij ook van de vrouwen dat de
engel gezegd heeft: „Gaat heen, zegt zijnen discipelen, en Petrus,
dat Hij u voorgaat naar Galilea; aldaar zult gij Hem zien, gelijk
Hij ulieden gezegd heeft." De gedachten vermenigvuldigen in zijn
hart; wel is zijn naam uitdrukkelijk genoemd; en zijn hart her-
kent in dat woord niemand minder dan zijn verrezen Heiland. Maar
zoowel het ongeloof van zijn verstand, als de onrust van zijn ge-
weten verhindert hem zich onbelemmerd over te geven aan den
indruk en de overtuiging, welke dat woord in zijn hart moest
wekken. Zou het mogelijk zijn dat de Meester leefde? Was het
niet veel waarschijnlijker dat de vrouwen zich vergist hadden dan dat
het graf zijne prooi zou wedergeven ? En indien Hij ook al leefde,
zou Jezus ook aan hem kunnen denken; ook aan hem zijne schuld
vergeven, die driedubbele verloochening van zijn Meester en Hei-
land? Ziet, met zulke gedachten, met zulke overleggingen zwerft
Petrus in de eenzaamheid om, — misschien daar buiten de stad,
daar in de nabijheid van Golgotha, van Gethsémané, van het ledige
graf, en ziet — daar wordt de Heere van Simon gezien!
En wat gebeurt er? En wat spreekt de Heere? En wat
antwoordt Petrus? Ach, wie zal het ons zeggen? De Evan-
gelisten zeggen het ons niet. Zij hebben geen enkel antwoord
op al de vragen, die dit eenvoudig bericht ons om strijd
op de lippen doet nemen. Dit mogen wij vrijelijk aannemen, dat
hetgeen hier tusschen den Heere en den ontrouwen discipel is
voorgevallen, een heilig geheim tusschen beiden gebleven is, een
geheim dat zelfs door zijn mede-apostelen niet nagevorscht, maar
geëerbiedigd is geworden. En slechts aan ons gevoel en onze ver-
beelding blijft het overgelaten, in te denken wat er in deze drie-
voudige gedachte ligt opgesloten:
Jezus verschijnt aan Petrus;
-ocr page 196-
180         DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS AAN PETRUS. XXII.
aan Petrus het eerst van al zijne discipelen;
aan Petrus in de stilte der eenzaamheid.
a. Merkt het op, Geliefden, Jezus verschijnt aan Petrus het
eerst van al zijne discipelen. Wie van al de jongeren was zulk
een heerlijk voorrecht minder waardig dan deze Petrus, deze ver-
loochenaar, — maar zacht; Geliefden, Petrus is geen verloochenaar
meer, hij is nu een gevallen en verbaasde boeteling. En „alzoo
zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en
wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte, en in het heilige,
en bij dien die van een verbrijzelden en nederigen geest is, opdat
Ik levend make den geest der nederigen, en opdat Ik levend
make het hart der verbrijzelden!" Jes. 57 : 15. \'t Is waar, hij
is zulk een heerlijk voorrecht het minst van allen waardig, maar
wie van allen heeft daaraan grooter behoefte dan hij? Alleen
aan die diepe behoefte gedenkt de Heere Jezus; naar waarde vraagt
Hij niet; daarom zendt Hij Petrus reeds in de eerste boodschap
aan zijne discipelen een bijzonder engelenwoord toe; maar hoe veel
dit ook zegt, de Heere wist het: zelfs dat was nog te weinig
voor den man, die door niets minder dan zijn persoonlijke aan-
schouwing kon gerustgesteld worden. Daarom verrast de Heere
hem ook het eerst van allen met een heerlijke persoonlijke ver-
schijning, terwijl hij daar buiten de muren der stad ronddwaalt
tusschen de stomme heuvelen. Het eerst aan Petrus, want niet
éen van zijne discipelen, zelfs niet de geliefde en beminde Johannes,
ligt Hem op dit oogenblik zoo na aan het hart als deze Petrus,
de boeteling, die in den nacht der verloochening\' het paleis van
Kajafas was uitgetreden, zich wasschende en badende in zijne
tranen. En alzoo geeft en doet de Heere aan Petrus naar zijne
behoefte, ver boven denken, bidden en verwachting.
En alzoo wil de Heere ook heden nog aan ons doen ; want „gelijk
zich een vader ontfermt over de kinderen, alzoo ontfermt zich de
Heere over degenen, die Hem vreezen! Zijn er dan ook heden
onder ons zielen, die aan een Petrus gelijk zijn; die vurig van
geest zijn om den Heere te dienen, maar juist door die vurig-
heid gedreven worden veel te beloven, zich veel voor te nemen,
veel te ondernemen in eigen kracht, en zich zelfs in gevaar
te begeven voor den naam en de zaak des Heeren; om dan,
-ocr page 197-
XXII. DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS AAN PETRUS.         181
helaas! door de zwakheid des vleesches menigmaal verleid te worden
om evenals Petrus den Heere te verloochenen? Zijn er dezulken
onder ons ? Vreest dan niet, en wordt niet ontroerd, want de Heere
zegt: „Troost, troost mijn volk!" — indien gij slechts ook Petrus
gelijk geworden zijt in de dagen zijner boete en van zijn berouw! Kent
gij zulk eene boete? Kent gij zulk een berouw? Gevoelt gij het met
Petrus dat gij met hem zulk een heerlijk voorrecht het meest van
allen onwaardig zijt; maar ook dat gij geen rust voor uw verbrij-
zeld hart, en geen vrede voor uw bewogen gemoed zult wedervinden,
vóór en aleer Jezus zich ook aan u geopenbaard heeft in zijn
opzoekende en vergevende en herstellende liefde en genade ? Gevoelt
gij dit ? Vreest dan niet, maar hebt goeden moed! Want ziet in
deze verschijning het woord van Jesaja door den Heere Jezus
vervuld, alwaar hij van den goeden Herder der zielen zegt: „Hij
zal zijne kudde weiden gelijk een herder; Hij zal de lammeren in
zijne armen vergaderen, en in zijnen schoot dragen; de zogenden,
zal Hij zachtjes leiden!" Ja, ziet het hier, hoe de goede Her-
der zijn eerste voetstappen richtte naar het verst afgedwaalde
schaap, en dat schaap voor altijd redde door de liefde zijns harten
en door de kracht zijner opstanding. Alzoo wil de Heere zich nog
heden openbaren aan alle afgedwaalde schapen, aan alle verbaasde
boetelingen, aan alle treurende twijfelaars, die Hem zoeken, om
ook aan hen het woord des dichters te vervullen, zooals Hij het hier
aan Petrus vervulde; dit woord: „Hij doet ons niet naar onze
zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden. Want
zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid
geweldig over degenen die Hem vreezen." En wederom: „Gelijk
zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere
over degenen, die Hem vreezen. Want Hij weet wat maaksel wij
zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn !" Ps. 103.
b. Ja, de Heere weet wat maaksel wij zijn, en Hij gedenkt
daaraan dat wij stof zijn; en juist daarom verschijnt de Heere ook
aan Petrus in de stilte der eenzaamheid. O, onuitsprekelijke
wijsheid der liefde Gods! Aan Petrus verschijnt de Heere het eerst
van allen, maar in de stille eenzaamheid; en dat omdat de Heere
wist dat Petrus niet alleen groote en diepe behoefte had aan een
bijzondere vertroosting, maar ook aan een ernstige waarschuwing.
-ocr page 198-
182         DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS AAN PETRUS. XXII.
De Heere moet hem dien blik vertolken en verklaren, waarmede Hij hem
had aangezien in den nacht der verloochening; dien blik, waarmede
de Heere in dien laatsten, bangen nacht van hem afscheid heeft
genomen; die als een tweesnijdend scherp zwaard door Petrus\'
ziel gegaan is en hem had uitgedreven om daar buiten in de
donkere, duistere eenzaamheid zijne misdaad bitterlijk te beweenen
en zichzelven jammerlijk te beklagen. Maar de Heere wil Petrus
niet verootmoedigen in de tegenwoordigheid van anderen, opdat
niemand zich boven den zwakke mocht verheffen. Was alleen de
eenzaamheid daarvan getuige geweest hoe diep hij zichzelven ver-
achtte vanwege zijne misdaad en schuld, nu zal de eenzaamheid
ook alleen daarvan getuige zijn, wat gansch andere tranen Simon
Petrus heden geschreid heeft dan twee dagen vroeger!
En ziet hierin, Geliefden, nogmaals de aanbiddelijke wijsheid der
ontfermende liefde Gods! En laat dit u tot troost en opbeuring zijn in
den moeilijken strijd des levens: „De Heere weet wat maaksel wij
zijn, en Hij gedenkt daaraan dat wij stof zijn"; en daarom spreekt Hij
ook : „Ik zal niet eeuwiglijk twisten, en Ik zal niet geduriglijk verbol-
gen zijn; want de geest zou voor mijn aangezicht overstelpt worden,
en de zielen, die Ik gemaakt heb." Laat de gedachte aan de aanbidde-
lijke wijsheid van des Heeren liefde, ontferming en genade ons dan tot
vertroosting en bemoediging zijn, wanneer wij bitter berouw en
leedwezen gevoelen en betoonen, omdat wij ons vreeselijk tegen
den Heere bezondigd en ons grootelijks schuldig gemaakt hebben.
Laat die gedachte ons dan tot vertroosting zijn; want de Heere
weet wat voor ons het best en heilzaamst is; Hij weet of het beter
is ons in de stille eenzaamheid te bestraffen, als hier aan Petrus
geschied is, dan wel in het openbaar, als een David, toen de
Heere het kind van Bathseba door den dood wegnam; toen de
Engel des Heeren het volk met pestilentie sloeg omdat David het
volk had laten tellen. Geven wij ook onze wegen in dit opzicht
over in de handen van onzen God en Vader, van onzen Heiland
en Zaligmaker, zeggende: „Al wat de Heere doet, is welgedaan!"
„Zijn doen is majesteit en heerlijkheid, en zijne gerechtigheid be-
staat in der eeuwigheid!" Ps. 111 : 3. Waarlijk, dan zal ook voor
ons evenals voor Petrus de uitkomst zoo bevredigend zijn, dat wij
met den dichter vol blijde dankbaarheid zullen getuigen:
-ocr page 199-
XXII. DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS AAN PETRUS.         183
„Als mij geen hnlp of uitkomst bleek,
Wanneer mijn geest in mij bezweek,
En overstelpt was door ellend,
Hebt Gij, o Heer! mijn pad gekend I"                   Ps. 142.
Ziet, dan zal de eenzaamheid ook getuige zijn van gansch andere
tranen dan tranen van boete en berouw; vreugdetranen zullen
voor den Heere uitgestort worden.
Het zal u gaan evenals Petrus!
II.
Voor hem had deze verschijning nog veel meer ten gevolge.
En op die gevolgen wenschen wij u in de tweede
plaats kortelijk te w ij zen.
Welke die gevolgen zijn ? Dit is gemakkelijk af te leiden uit
het woord van de bijeenvergaderde discipelen aan den avond van
dienzelfden dag tot de Emmaüsgangers; zij zeiden: „De Heere is
waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien." Wat het woord van
Maria Magdalena, wat het engelenwoord door de vrouwen tot hen
gebracht niet had vermocht, dat heeft het woord van Petrus ver-
mocht. Hun twijfel had plaats gemaakt voor zekerheid, hunne
onrust voor rust, hunne vrees voor hoop, een blijde hoop dat ook
zij den verrezen Heiland weldra zouden aanschouwen. Maar dit is
zeker: kon het woord van Petrus zooveel in hen teweegbrengen,
dan moest de verschijning des Heeren dit alles eerst bij hem ten
gevolge gehad hebben. En zoo is het ook.
a.    Was hij in den vroegen morgen van het graf heengegaan
met een hart vol van twijfel of de Heere waarlijk was opgestaan;
en indien dit zoo was, of de Heere zich ook aan hem zou willen
vertoonen, — nu twijfelt hij niet meer; den Heiland heeft hij gezien
en gesproken ; hij is daarvan zeker, dat het niemand anders is dan
zijn dierbare Meester, Jezus van Nazareth! En wat meer zegt,
nu weet hij het: Jezus denkt nog aan hem, aan hem het eerst
van allen; Jezus bemint hem nog!
b.    Was hij in den vroegen morgen van het graf heengegaan
met een hart vervuld van onrust over zijne schuld; - - hoe zou hij
den Heere Jezus weer kunnen ontmoeten? Hem weer in de oogen
kunnen zien? Hem weer omhelzen en kussen als tevoren? Zal
-ocr page 200-
184         DE EERSTE VERSCHIJNING DES HEILANDS AAN PETRUS. XXII.
hem zijne schuld vergeven worden ? — ziet, nu heeft hij weer rust
gevonden aan de voeten van zijn Heiland; Jezus heeft zijne zonde
bedekt; Jezus heeft hem zijne overtreding vergeven en zijne on-
gerechtigheid niet toegerekend.
Ja waarlijk, — hij vindt rust voor zijne ziel!
c. Was hij in den vroegen morgen van het graf heengegaan met
een hart vervuld van vrees dat de Heere hem nooit weer in het
gezelschap der Apostelen zou kunnen opnemen, deze verschijning
des Hoeren en de woorden van zijn Meester gaven hom hoop dat
hij eerlang in zijn vorigen staat en in het Apostelambt zou hersteld
worden voor het oog van zijne broederen. Daarom kon hij zich ook
weldra in de vergadering der Apostelen vertoonen met een gloed van
zalige vreugde op het gelaat, en betuigen: De Heere is waarlijk
opgestaan, en is van mij gezien!
En ook deze zijne hoop word niet beschaamd ; eenige dagen
later vervulde de Heere zijne hoop, daar aan den oever van de
Galilecsche zee; daar herstelde de Heere hem in zijn Apostelambt,
als de Heere hem tot driemaal toe vraagde: „Simon, zoon van
Jonas, hebt gij Mij lief?" Zoo sterk als tevoren mag en kan hij niet
meer spreken; hij beroept zich op de wetenschap des Heeren, en
zegt tot tweemaal toe: „Ja Heere! Gij weet dat ik U liefheb!"
En ten derden male beproefd zijnde: „Heere, Gij weet alle dingen,
Gij weet dat ik U liefheb!" Daarop laat de Heere dan ook volgen:
„Weid mijne lammeren. Hoed mijne schapen. Weid mijne schapen."
En ziet, zijn hoop is vervuld! Hij is weer in zijn heerlijk ambt
hersteld!
O, Geliefden, mocht de openbaring van den Heere Jezus aan
onze zielen in den nacht van twijfel, onrust en vrees, ook voor
ons en in ons zulke heerlijke gevolgen hebben als voor Petrus!
En al is het dan dat wij menigmaal met David moeten uitroepen:
„O, Heere! doe mij vreugde en blijdschap hooien; dat de been-
deren zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt. Geef mij weder de
vreugde uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij" ;
hoopt maar op den Heere, gij vromen! Uw Jezus is dezelfde,
gisteren, en heden, en tot in eeuwigheid!
Amen!
Te zingen Ps. 103 : 7.
-ocr page 201-
XXIII.
VOOlt HEMELVAARTSDAG.
Te zingen Ps. 24 : 5.
Te lezen Ps. 68.
Te zingen Ps. 68 : 9.
Het gebod.
Te zingen Ps. 132 : 5 en 9.
Tekst Ps. 68 : 19: Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevan-
kelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder de menschen: ja ook
de wederhoorigon om bij U te wonen, o Heero God!
Zoo Geliefden, heeft reeds een David, en de duizenden van
Israël met hem, in de dagen van ouds door den Geest gesproken
en gezongen van de heerlijke hemelvaart des Heeren.
Zoo wordt daar allereerst gejubeld als David en gansch Israël
de arke Gods opbrengen van het huis van Obed-Edom naar Zion, den
berg Gods, den berg dien God heeft begeerd, om aldaar te wonen.
Maar, Geliefden, wat daar gebeurt met de arke Gods, was, —
ofschoon meer dan éen van die blijde feestgenooten dit zelf niet
wist, — toch inderdaad eene profetie, een treffende voorafscha-
duwing van wat er eens met de eeuwiglevende Arke Gods, Jezus
Christus, zou geschieden. Duidelijk wordt dit ons, als wij bij langs
onzen tekst, ons telkens in onze gedachten voegen, nu eens bij
die jubelende schare, die met een David de arke Gods opvoert
naar het aardsche Zion, — om dan weer een oogenblik rustig stil
te staan bij de aanbiddende, bewonderende discipelen op den Olijf-
berg, om met hen Jezus na te staren, als Hij zegenend van hen
scheidt en opwaarts naar den hemel, het eeuwige Zion, vaart.
-ocr page 202-
180                                   VOOR HEMELVAARTSDAG.                             XXIII.
I.
David zegt:
„Gij zijt opgevaren in de hoogte.*
a. Hij zegt dit allereerst van de arke Gods.
Lang had die ark omgezworven met het wederspannig Israël in
de woestijn en temidden van Gods vijanden in het land van Ka-
naan; zelfs moest zij vervallen in de hand der Filistijnen; uit de
hand des vijands verlost, toeft zij nog eene wijle in het huis van
Abinadab en in het huis van Obed-Edom. Maar nu is de dag der
vreugde aangebroken; van het huis van Obed-Edom wordt die
Ark thans opgevoerd, „met gejuich, en met geluid der bazuin,
en met trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten
en met harpen"; zoo brengt gansch Israël de ark des verbonds des
Heeren op naar Zion, den berg Gods. Zoo naderen zij de poorten
van Jeruzalem met het woord van Ps. 24 op de lippen:
„Heft uwe hoofden op, gij poorten! en verheft u, gij eeuwige
deuren! opdat de Koning der eere inga!
„Wie is de Koning der eere?" — Zoo wordt er van den muur
gevraagd; en het antwoord is met geluid der bazuin, en met
trompetten, en met cimbalen, makende geluid met luiten en harpen:
, De Heere, sterk en geweldig, de Heere, geweldig in den strijd! *
Nog eenmaal wordt er gejubeld:
„Heft uwe hoofden op, gij poorten! ja, heft op, gij eeuwige
deuren ! opdat de Koning der eere inga!"
Nog eenmaal wordt er gevraagd:
„Wie is hij, deze Koning der eere?"
Nog eenmaal wordt er geantwoord:
„De Heere der heirscharen, die is de Koning der eere. Sela!"
En die poorten, en die eeuwige deuren heffen hunne hoofden
op, opdat de Koning der eere mag ingaan. Zoo treden zij Jeruza-
lems poorten in, zoo klimmen zij den berg des Heeren op, en,
waar de ark in het midden der tente geplaatst is, en waar het
gebed gehoord is: „Sta op, Heere! tot uwe rust, Gij en de ark
uwer sterkte! Dat uwe priesters bekleed worden met gerech-
tigheid, en dat uwe gunstgenooten juichen!" Ps. 132 : 8, 9 —
daar mag David nu wel met Gods juichende gunstgenooten het
-ocr page 203-
XXIII.                             VOOR HEMELVAARTSDAG.                                    187
triomflied aanheffen, met luiten en harpen: „Waarom springt gij
op, gij bultige bergen? Dezen berg heeft God begeerd tot zijne
woning; ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid. Gods wagenen
zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is
onder hen, een Sinaï in heiligheid! Gij zijt opgevaren in de hoogte."
b. Maar hooger nog, Geliefden, geldt dit woord van de eeuwig
levende Arke Gods, — van Jezus Christus! Lang had Hij omge-
zworven in Kanaan onder het wederspannig volk van God; in de
woestijn valt Hij in de hand des Satans, maar als Overwinnaar
treedt Hij tevoorschijn; in Gethsémané valt Hij in de hand zijner
aardsche vijanden; die kinderen des Satans brengen Hem naar
Golgotha en nagelen Hem aan het hout des kruises; Hij komt in
de hand des doods, in de stilte van het graf; maar ten derden
dage staat Hij op en vertoont zich in heerlijkheid aan zijne vrienden.
En daar leidt Hij hen nu uit naar buiten, naar den Olijfberg.
Nog spreekt Hij met hen, — daar stijgt Hij uit hun midden op.
Nog breidt Hij zegenend zijne handen over hen uit, — daar neemt
een wolk Hem weg van voor hunne oogen!
En was daar dan geen gejuich? zegt gij, — geen bazuingeklank,
geen snarenspel? Geliefden, Jezus, onze Heiland, Hij gaat niet
op naar het aardsche Zion. Neen, Hij vaart ten hemel op vol eer,
de deuren der eeuwigheid heffen hunne hoofden op, en Hij, de
Koning der eere, Hij wordt door de ontelbre hemelscharen naar
zijn troon geleid aan des Vaders eeuwige rechterhand! Gewis, daar
was vreugde, vreugde in het hart der discipelen; maar onuit-
sprekelijk oneindig meer nog in den hemel der hemelen. Gewis,
wat een David en Israël op aardsche wijze mochten zingen:
.Waarom springt gij op, gij bultige bergen ! Dezen berg heeft God be-
geerd tot zijne woning; ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid.
Gods wagenen zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld.
De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid! Gij zijt opgevaren
in de hoogte"; — gewis, dat werd daar op hemelsche wijze bezongen!
Maar op den Olijfberg wordt thans iets anders gehoord, het woord
der engelen aan de vrienden van Jezus, die daar nog altijd aan-
biddend, luisterend staan en opzien naar den hemel: „Deze
Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzoo komen
gelijkerwijs gij Hem naar den hemel hebt zien henenvaren."
-ocr page 204-
188                                    VOOR HEMELVAARTSDAG.                                    XXIII.
En daardoor wordt er ook nu aan ons gepredikt:
„De schaduwbeeltnis is verdwenen,
Die Isrel door \'t geloof verstond !
En in zijn tempel is verschenen
De levende Ark van \'t Godsverbond I
Bnigt n voor den drempel
Van dien homeltempel,
Kerke Gods op aard!
Looft Hem in den hoogen,
Heilgen. voor wier oogen
God zich dus verklaart!"
Geliefden, komt, buigen wij ons dan ook aan den „drempel van
dien hemeltempel," door met elkander biddend te zingen: Ps 134 : 2.
II.
Ja, Geliefden, wij willen ook op dezen dag met een David en
Israël zeggen: „Wij zullen in zijne woningen ingaan, wij zullen
ons nederbuigen voor de voetbank zijner voeten! Ps. 132 : 7. Wij
willen met Gods gunstgenooten juichen; wij willen den Heere,
onzen God, loven! Want David zegt niet alleen:
„Gij zijt opgevaren in de hoogte."
Maar hij zegt nog meer; hij zegt:
„Gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd."
a. Waarom kon de arke Gods thans in vrede rusten en wonen
op Zion, den berg der heiligheid ? Het was omdat David, als voor-
beeld van de levende Ark, Jezus Christus, de vijanden van God
en zijn volk ten onder had gebracht. Thans was er rust en vrede
en veiligheid van rondom. Edomiet en Ammoniet, Amalekiet en
Kanaiiniet, — elkeen hunner gehoorzaamde Davids woord en wenk.
Zelfs Filistijn en Tyriër en Moor bracht elk zijn geschenk aan
David en zijn God. En zoo vreedzaam, en zoo veilig is het thans
voor Israël alsof de gevangenis gevankelijk gevoerd is! Dit heeft
David gedaan. Neen, dit heeft de Heere door David gedaan!
Dit heeft God aan David en Israël gedaan, omdat de arke van
zijn Verbond in hun midden en in hunne harten was gegeven.
Daarom wordt thans ook die ark des Verbonds door David en
gansch Israël als overwinnaars met gejuich naar Zion opgevoerd,
-ocr page 205-
XXIII.                                VOOR HEMELVAARTSDAG.                                      189
als de oorzaak en het teeken, als het pand en de zegen van al
hun heerlijke overwinningen.
Van deze ark jubelt David thans met het gansche volk van
Israël: „God zal opstaan, zijne vijanden zullen verstrooid worden,
en zijne haters zullen van zijn aangezicht vlieden.
Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was
voor het vuur smelt, zullen de goddeloozen vergaan van Gods
aangezicht.
Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van
vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vroo-
lijk zijn!"
En terugziende op den uittocht uit Egypte, toen Israël verlost
werd van het juk en de smaadheid van Egypteland, en ziende op
Gods wegen met hen in de woestijn, zingen en juichen een David
en Israël:
„O God! toen Gij voor het aangezicht uws volks uittoogt, toen
Gij daarhenen tradt in de woestijn, Sela.
Daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods aanschijn;
zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël."
Naar het gebruik van dien tijd werden misschien het zwaard van
Goliath, en de teekenen van al die heerlijke overwinningen voor
de arke Gods uitgedragen, misschien zelfs de gevangenen uit vele
volken tentoon gesteld, om luister aan den optocht bij te zetten,
om de vreugde te verhoogen. En met het oog op die teekenen
der overwinning, en met het oog op al die gevangenen, mocht er
wel gezongen worden:
„Gods wagenen zijn tweemaal tienduizend, de duizenden ver-
dubbeld. De Heere is onder hen, een Sinai in heiligheid.
Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevan-
kelijk gevoerd."
b. Maar, Geliefden, in nog veel hooger kracht en beteekenis is
dit woord van toepassing op Hem. die tegelijk Davids Zoon en
Heere is, de levende Ark des Verbonds, Jezus Christus. Tot in
alle eeuwigheid zal van Hem gezegd worden: „ Gij hebt de gevangenis
gevankelijk gevoerd." — Over zonde en Satan, over dood en hel heeft
Hij getriomfeerd! Te Bethlehem en in Egypte en te Nazareth;
in de woestijn en Galilea en Jeruzalem; in Kapernaüm en in de
-ocr page 206-
190                                        VOOR HEMELVAARTSDAG.                                 XXIII.
landpalen van Sidon en Tyrus; in Gethsémané en aan het hout
des kruises. „En de overheden en machten uitgetogen hebbende,
heeft Hij die in het openbaar tentoon gesteld, en heeft door het-
zelve over hen getriomfeerd." Col. 2 : 15. En toen Hij aan den
vroegen morgen van dien eersten dag des Heeren als Overwinnaar
opstond uit het graf, en de wachters vloden en zijne vijanden
met vreeze en groote beving om het hart geslagen werden; toen
Hij zich levend in heerlijkheid en kracht en majesteit aan zijne
discipelen vertoonde, en hen uitleidde naar den Olijfberg en opsteeg
uit hun midden, en ten hemel varend zijne handen zegenend over
hen uitbreidde, met de teekenen der wonden in zijne handen, het
bewijs, meer dan eens het zwaard van een Goliath, dat Hij de
groote, de eeuwige Overwinnaar is en blijft; — o, toen, toen kon
daar met recht op aarde en in den hemel van Hem gezongen
worden: „God zal opstaan, zijne vijanden zullen verstrooid wor-
den, en zijne haters zullen van zijn aangezicht vlieden.
Voorzeker zal God den kop zijner vijanden verslaan, den harigen
schedel desgenen, die in zijne schulden wandelt.
Gij zult hen verdrijven, gelijk rook verdreven wordt; gelijk was
voor het vuur smelt, zullen de goddeloozen vergaan van Gods
aangezicht.
Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van
vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en van blijdschap vroo-
lijk zijn!"
O, laat al Gods vijanden dit hooren en sidderen!
Laat al Gods kinderen dit vernemen en juichen voor zijn aan-
gezicht!
Hoort het, Geliefden, en verstaat: Jezus van Nazareth is niet
meer de man der smaadheid, de man van smarte zonder weerga;
Hij kromt zich niet meer onder doornenkroon en geeselroede; Hij
bloedt en bidt niet meer aan \'t vervloekte kruishout. Neen, Hij
is opgevaren in de hoogte, Hij heeft de gevangenis gevankelijk
gevoerd; thans zit en bidt Hij aan de rechterhand der kracht Gods
des Vaders in den hemel der hemelen!
„De glorie straalt uit dien Behouder,
Dien \'t bloedig zweet werd uitgedrukt.
De heerschappij rust op dien schouder.
Die onder \'t kruishout ging gehukt.
-ocr page 207-
XXIII.
VOOR HEMELVAARTSDAG.                                        191
Dien de heidnen hoonden
En met doornen kroonden,
Heerscht als aller Heer.
Dien de wereld smaadde,
Dien de vloek belaadde,
Leoft gekroond met eer!"
III.
Hij leeft, gekroond met eer en heerlijkheid in den hemel dei-
hemelen! 0, welk een woord des levens! Welk een bron van
troost! Het woord van Davids lied zegt ons: Gelijk Hij voor ons
gestorven is in oneer en smaadheid, alzoo leeft Hij ook thans voor
ons in zijne eer en heerlijkheid.
David zegt:
„Gij zijt opgevaren in de hoogte; Gij hebt de gevangenis gevan-
kelijk gevoerd; Gij hebt gaven genomen om uit te deelen onder
de menschen; ja ook de wederhoorigen om bij U te wonen, o
Heere God!"
En Paulus zegt:
„Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis
gevangen genomen, en heeft den menschen gaven gegeven!" Efeze 4:8.
a.     Als overwinnaar had David voor zichzelven en voor den
dienst van zijn God geschenken ontvangen en aangenomen uit de
hand van al de volken; als overwinnaar zegent hij nu het volk in
den naam des Heeren, omdat de arke van zijn Verbond thans in
Zion rust; en hij deelt een iegelijk in Israël, van den man tot de
vrouw, een kostbaar geschenk van brood en vleesch en wijn. En
het gansche volk is met hem blijde en vroolijk voor het aangezicht
des Heeren.
Alleen een Michal, de zoo teeder geliefde echtgenoote van David.
alleen zij heeft geen vreugde, maar nijd in het hart; zij veracht
hem, zij voegt hem smadelijke woorden toe; — maar zijn antwoord
is: „Ja, ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren, ook zal ik
mij nog geringer houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne
oogen, en met de dienstmaagden waarvan gij gezegd hebt, met
dezelve zal ik verheerlijkt worden!" 2 Samuël 6 : 22.
b.   Als Overwinnaar heeft ook Hij, die tegelijk Davids groote Zoon
-ocr page 208-
192                                   VOOR HEMELVAARTSDAG.                              XXIII.
en Heere is, de levende Ark des verbonds, Jezus Christus, — als
Overwinnaar heeft ook Hij zijn volk gezegend, heeft ook Hij gaven
genomen, en als Overwinnaar heeft Hij die gaven uitgedeeld onder
de kinderen der menschen, en deelt Hij die ook thans nog uit van
den troon zijner heerlijkheid, en tot in alle eeuwigheid.
En wij verblijden ons in zijn heil, en wij verheugen ons in den
God onzes heils!
Ja, \'t is zoo, Geliefden, het volk van ouds door God uitverkoren
en zoo teer door Hem bemind, ziet het, en wordt wel menig-
maal gram en nijdig als eens een Michal.
Maar hoort, Geliefden, \'t is alsof Jezus, de Heiland, als eens een
David, maar op goddelijke wijze, ook tot hen zegt: „Ja, ik zal
spelen voor het aangezicht des Heeren. Ook zal ik mij nog geringer
houden dan alzoo, en zal nederig zijn in mijne oogen, en met de
dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik ver-
heerlijkt worden!"
Laat den onbekeerden Jood en den wereldling, die in onze dagen
reeds te beschaafd zijn om nog in Jezus van Nazareth te ge-
1 ooven, laat hen, zeg ik, Jezus verachten en ons bespotten,
omdat wij nog in Hem gelooven, en op zulke feestdagen bovenal
ons met David verheugen in den God onzes heils. Maar laat ons
liever voor hen bidden dat zij de waarheid van Davids woord niet
eens tot hun eeuwig ongeluk, maar tot hun eeuwig geluk mogen
ondervinden!
Of zullen wij ons voor Jezus schamen ? Neen, laat den Godlooche-
naar en den onbeschaamden, wellustigen wereldling, — laat hen
blozen over hunne werken der duisternis, die het licht niet verdragen
kunnen, omdat zij voor ontdekking vreezen! Maar, medechristen,
schaam gij u den naam van Jezus niet! Zal de philosoof zich
schamen om uit te komen voor zijn natuurgod ? Of de Jood voor
zijn Mozes? Of de Mohammedaan voor zijn Mohammed? Of zelfs de
blinde heiden voor zijn nietig afgodsbeeld? En Christen, — zult
gij, gij u dan voor den naam van uw Jezus schamen? God
behoede ons! Neen, schamen wij ons liever vanwege onszelven
en de wereld en de zonde, — maar nimmer, nimmer voor den
naam van onzen Jezus!
-ocr page 209-
XXIII.                            VOOR HEMELVAARTSDAG.                                     193
Neen, laat veeleer het woord van David ons hart grootelijks
verblijden!
1.    Jezus is opgevaren in de hoogte.
Hijzelf is ten hoogste verheerlijkt, en dit niet alleen, — neen,
ook wij zijn met Hem ten hoogste verheerlijkt. O, hoe moest ons
hart dan niet verlangen naar dien dag, wanneer Hij wederkomen
zal op de wolken des hemels, wanneer wij allen naar ziel en
lichaam met Hem verheerlijkt zullen worden aan des Vaders rech-
terhand!
2.    Jezus heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd.
Niemand of niets kan ons meer scheiden van de liefde Gods, die
daar is in Christus Jezus, onzen Heere!
3.    Jezus heeft gaven genomen, om uit te deelen onder de men-
schen; „ja ook de wederhoorigen om bij U te wonen, o Heere God!"
Hijzelf heeft naar het vleesch de aarde verlaten, maar alleen
om ons den Trooster, den Heiligen Geest, te zenden, opdat die ons
bekeere, ons in alle waarheid leide, ons trooste en bij ons blijve
tot in eeuwigheid.
Moet gij klagen, Geliefden, ook wij zijn menigmaal zoo weder-
spannig van hart, zoo wederhoorig, — ook voor u heeft Hij hemelsche
gaven van genade en bekeering. Getuigen daarvan een David zelf,
een Paulus en Petrus, en zelfs een moordenaar aan het kruis,
die Hem heden op ditzelfde oogenblik voor die gaven van genade
in het hemelsch Zion toebrengen lof en eer en dank! Voor hen
was er genade. Ook voor u, Geliefden, indien gij waarlijk in
Christus gelooft.
O, Geliefden, welk een heerlijke wetenschap, welk een woord
des levens, welk een bron van vertroosting is dit niet, dat elk
kind van God mag weten dat Jezus, de Koning van het Godsrijk,
daarboven als een Broeder voor hem waakt, als een Vriend aan
hem gedenkt, als een Voorspraak voor hem bidt! Dat Jezus zijn
Koninkrijk van dag tot dag, van eeuw tot eeuw zal sterken, en
opbouwen, en uitbreiden, en bewaren, en eens voltooien zal! Dat
zijn Koninkrijk moet en zal triomfeeren, want de Vader is zijn
Bondgenoot, en de dood is zijn staatsdienaar, en zijn macht en
heerschappij zijn onbegrensd, en zijne vijanden zullen verstrooid
worden. Dan eerst, wanneer er geen vijanden meer zijn, omdat
-ocr page 210-
XXIII.
194
VOOR HEMELVAARTSDAG.
zonde en dood vernietigd zijn, — dan zal Jezus Gode en den
Vader alles overgeven, en dan wordt het woord van Paulus ver-
vuld:
„God zal zijn alles in allen!"
Geliefden, geeft God drieëenig, Vader, Zoon en Heiligen Geest,
dan de eer! Ja:
Laat aarde en hemel zich verbinden.
Thans door zijn bloed verzoend tezaam,
Om voor dien Name lof te vinden,
Die hooger is dan alle naam!
Van triumfzanggalmen,
Van Hosannapsalmen
Davere \'t heelal!
God is opgevaron,
Met gejuich der scharen,
Met bazuingeschal!
Amen!
Te zingen Ps. 68.: 10.
-ocr page 211-
XXIV.
Pinksterpreek.
HET WERK DES HEILIGEN GEESTES
TOT ONZE HULP.
Te zingen Ps. 43 : 3.
Te lezen Handelingen 2 : 1—21.
Te zingen Ps. 43 : 4.
Het gebed.
Te zingen Ps. 89 : 7.
Tekst Romeinen 8 : 26: En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede
te hulp: want wij weten niet wat wij bidden znllon, gelijk het behoort, maar de
Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zachtingen.
Heden is het Pinkster, Geliefden, en daarom wenschen wij heden
morgen naar aanleiding van onzen tekst uwe aandacht te wijzen
op het werk des Heiligen Geestes tot on ze hulp in
1 ij den en smart, of ook in het volbrengen van al onze
heilige en dure verplichtingen.
De hope des eeuwigen levens is als een anker voor een ver-
moeide ziel. \'t Geeft zulk eene ziel kracht en sterkte om het matte
hoofd omhoog te steken, zelfs temidden van de hevigste stormen
van dit moeilijk leven. Maar toch zou het hart van eiken geloovige
haast bezwijken, als het niet van boven kracht en steun ontving.
Zoo was het met de discipelen des Heeren, waar zij wachtende
-ocr page 212-
196           HET WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP. XXIV.
en biddende waren om de uitstorting des Heiligen Geestes. Daarom
geeft de Heere ook van den hemel op den dag van het Pinksterfeest
zijn Geest in rijke stroomen op het hoofd en in het hart van
zijne discipelen, ja zelfs over duizenden.
En zoo geeft Hij ook heden nog zijn Geest aan allen, die wel
moede en mat zijn, maar juist daarom te meer en te ernstiger
biddend op Hem wachten. En door zijn Geest geeft God hun kracht
en moed om voort te gaan op den weg van strijd en plicht.
Faulus had er op gewezen dat lijden het deel is van den waren
Christen op deze aarde; hij zegt:
„Zoo wij anders met Hem lijden, opdat wij ook met Hem ver-
heerlijkt worden." Vers 17. Op de hoop heeft hij gewezen als een
voorname steun voor de arme ziel onder zooveel lijden. En nu
wijst hij ook nog op het werk des Heiligen Geestes als een ander
middel, waardoor het hart der geloovigen onder al dat lijden wordt
gesteund en gesterkt.
I.
Zij worden zijne hulp gewaar in al hunne zwakheden.
Paulus zegt:
„En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp. *
(i. O, gij weet het, Geliefden, gij die dag aan dag verdrukking en
beproeving kent en ondervindt, gij weet het dat wij uit en van
onszelven te zwak zijn om onder zoovele beproevingen staande te
blijven. Daar is zooveel ongeduld in het hart van eiken mensch; en
zelfs in het hart en in het leven der vromen wordt het te dikwijls
openbaar, en dat nog wel menigmaal om kleine en nietsbeduidende
oorzaken. Denkt maar aan een Jona, waar hij in zondigen toorn
bij zijn dooden wonderboom uitroept: „Het is mij beter te sterven
dan te leven!" Maar: „Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn
billijk ontstoken over den wonderboom?"
Denkt maar aan het woord van Jakobus en Johannes, toen de
Samaritanen van een zeker vlek Jezus niet wilden ontvangen :
„Heere! wilt Gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel nederdale
en dezen verslinde, gelijk ook Elia gedaan heeft?
Maar zich omkeerende, bestrafte Hij hen en zeide: Gij weet niet
van hoedanigen geest gij zijt!
-ocr page 213-
XXIV. HET WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP.            197
Want de Zoon des menschen is niet gekomen om dermenschen
zielen te verderven, maar om te behouden." Luk. 9 : 54, 55.
En zoo ziet gij het, Geliefden, dat ook zelfs de allergeringste
beproeving of verzoeking sterk genoeg is om ons te overwinnen,
indien wij aan onszelven overgelaten worden.
b. Maar, Gode zij dank! De Geest van God is uitgestort. En
van Hem wordt er gezegd:
„En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te
hulp."
God zendt zijn Geest uit om zijn volk in al hunne zwakheden
te steunen en te helpen. En zoo krachtig en zoo doordringend is
die hulp des Heiligen Geestes, dat het uiteindelijk moeilijk wordt
om het werk des Geestes in de geloovigen, en het werk des Geestes
door hen, haarfijn van elkander te onderscheiden. De Heilige
Geest vereenzelvigt zich als het ware met hunnen geest; en alzoo
werkt de Heilige Geest beide het willen en het volbrengen in
hen naar Gods eeuwig en heilig welbehagen. O, hoe krachtig moest
dit ons niet aansporen om wederom op te richten trage handen en
slappe knieën. Hoe klein van kracht, hoe zwak van moed wij
dan ook mogen zijn, als die kleine kracht en zwakke moed slechts
door Gods genade in ons hart zijn gewrocht, dan zal het de innigste
begeerte en het ernstig streven van ons hart wezen om met de
hulp des Heiligen Geestes, in en door zijne kracht te leven, te
lijden en te strijden. Zijne hulp is onze kracht en troost in
al onze zwakheden en tegenspoeden; want Hij is het die ons de
bron en de vrucht van al onze bittere moeilijkheden ontdekt
en aanwijst; Hij is het, die ons de kracht vernieuwt gelijk eens
arends jeugd; die ons doet loopen zonder moede, die ons doet
wandelen zonder mat te worden. En als het moêgepeinsde hart,
onder al het bitter moeilijke van dit leven, weent en brandt en
bloedt en bidt, — dan, ook dan nog is Hij het, die het hart met
veel troostrijke herinneringen en gedachten vervult.
En alzoo vervult de Heere, onze God, aan zijn volk al zijn
heerlijke beloftenissen.
Het woord eens door een David gesproken: „Hij geneest de
gebrokenen van harte, en Hij verbindt hen in hunne smarten."
Ps. 147 : 3.
-ocr page 214-
198            HET "WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP. XXIV.
Het woord der belofte door den mond van Joè\'J:
„En daarna zal het geschieden, dat Ik mijnen Geest zal uitgieten
over alle vleesch, en uwe zonen en uwe dochteren zullen profeteeren;
uwe ouden zullen droomen droomen, uwe jongelingen zullen gezich-
ten zien;
Ja ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal
Ik in die dagen mijnen Geest uitgieten." Joel 2 : 28 en 29.
Ja ook de belofte van Jezus zelven:
„Ik zal den Vader bidden, en Hij zal u een anderen Trooster
geven, opdat Hij bij u blijve in der eeuwigheid; namelijk den
Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want
zij ziet Hein niet, en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want
Hij blijft bij ulieden, en zal in u zijn." Joh. 14 : 16 en 17.
En dit doet Hij allereerst aan zijne apostelen en discipelen;
opdat het ook daarna aan alle volken zou geschieden. Daar ziet
gij hen, nog klein van kracht, nog zwak van moed, biddend wachten
op den Heiligen Geest. En H ij ?
Hij houdt zijn woord. Hij blijft getrouw,
Hij, die de zwakken sterken zon!
Zijn jongren buigen biddend neer:
Daar drennt het huis, daar komt de Heer
Uit Sions open deuren!
Daar daalt, gelijk een stormgeluid,
De Heiige Geest van boven,
En stort zich als een vuurdoop uit
Op allen die gelooven!
Ziet nu die handvol vissehers staan,
Met englenkrachten aangedaan,
Gezalfd tot hemeltolken!
Des Heeren liefde, die hen blaakt,
Doet hen in alle talen
Het heil, dat zielen zalig maakt,
De wondren Gods verhalen!
Dat zijn die lammren, zwak en laf,
Gevloden van den herdersstaf,
Bij de oerste wervelvlagen;
Geen saamgezworen wolfsgebroed
Zal nu hun mond doen zwijgen;
Eer zullen ze in hun martelbloed
Van \'t kruis ten hemel stijgen 1
-ocr page 215-
XXIV. HET WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP.            199
II.
Ziet, Geliefden, zoo sterk maakt de Heilige Geest die zwakke
discipelen, waar Hij op hunne hoofden vlamt als vurige tongen,
en hunne harten vervult met zijn genade en gloed.
Dit wil Hij ook heden nog aan eiken discipel van .lezus doen.
Wij worden zijne hulp gewaar niet alleen in onze zwakheden, —
maar ook in onze gebeden.
Paulus zegt:
„En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te
hulp: want wij weten niet wat wij bidden zullen, gelijk
het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met
onuitsprekelijke zuch tingen."
Die Geest van God komt ons te hulp in onze gebeden.
1. a. Want Gods volk weet menigmaal niet wat zij bidden
zullen.
ü, zoo menigmaal wordt hunne ziel door zoo vele en machtige
invloeden geschud en geslingerd, ontroerd en bewogen. En dan is
het gebed dikwijls onbetamelijk en zondig. Zoo zelfs dat hart en
mond menigmaal door een gevoel van schuld, als het ware, vast-
gebonden en toegesloten worden. De ondervinding daarvan doet
een David spreken in Ps. 32 : 3:
„Toen ik zweeg werden mijne beenderen verouderd, in mijn
brullen den ganschen dag."
Maar toen de storm en het gebulder van die booze machtige
invloeden door Gods genade gestild waren, toen kon hij weer zeggen:
„Mijne zonde maakte ik U bekend en mijne ongerechtigheid
bedekte ik niet. Ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredin-
gen doen voor den Heere; en Gij vergaaft de ongerechtigheid
mijner zonde. Sela." Ps. 32 : 5. En menigmaal wordt de ziel door
veel bittere moeilijkheden als het ware geheel en al overweldigd,
zoo zelfs dat zij, als het ware, niet meer bidden kan. Denkt maar
aan Job, waar hij van alles beroofd en van allen verlaten, daar
buiten, dag en nacht in zijne ellende op den aschhoop zit, en dan
nog getergd door de redenen van zijne vrienden ! Wat een Job daar
in zijn hart gevoelde, dat heeft een Azaf ook in zijn leed gekend,
-ocr page 216-
200           HET WERK DES HEILIGEN OEESÏES TOT ONZE HULP.        XXIV.
en hij zegt het ons in Ps. 77 : 4: „Dacht ik aan God, zoo maakte
ik misbaar; peinsde ik, zoo werd mijne ziel overstelpt. Sela." —
En, Geliefden, dit heeft zelfs onze Heere Jezus in zekere mate
gekend; gij hoort het in zijn woord: „Nu is mijne ziel ontroerd;
en wat zal Ik zeggen? Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom
ben Ik in deze ure gekomen." Gij hoort het al wederom als Johannes
van Hem zegt: „Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ont-
roerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar Ik
zeg u, dat een van ulieden Mij zal verraden." Joh. 13 : 21.
En o, Geliefden, indien gij ooit in geest en waarheid gebeden
hebt, ja indien gij waarlijk weet wat bidden is, — o, dan weet gij
het ook door eigen smartelijke ondervinding, hoe arm, nooddruftig
en gansch verlegen wij menigmaal kunnen worden in het gebed.
b. En toch is dit nog het bitterste niet. Neen, wat nog veel smar-
telijker is, is dit, dat wij met Paulus getuigen moeten, dat wij
menigmaal ook niet weten wat wij bidden zullen, gelijk het
behoort!" O, het is menigmaal zoo gemakkelijk om goede en
geschikte woorden voor Gods aangezicht uit te spreken; ons eer-
biedig te houden, of eerbiedig te schijnen! Maar, voorwaar, Geliefden,
het is nog iets anders, het zegt nog oneindig meer, ja het vereischt
niets minder dan Gods eeuwige genade voor den armen zondaar,
ons in geest en waarheid tot God te bidden!
Zoo menigmaal maakt zich een onoverkomelijk, onverwinbaar,
onverzettelijk gevoel van lamheid en koudheid en hardheid mees-
ter van onze arme zwakke ziel; en dan kunnen wij maar niet
bidden gelijk het behoort." En al worden wij ook al dikwijls,
gaande in het gebed, èn vurig, èn warm, èn gloeiend, dan missen
wij toch nog de kracht en de macht en den troost des geloofs.
Zulk een geest spreekt er in het gebed van een David in Ps. 88 :
„O Heere, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.
Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.
Uwe grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al
uwe baren. Sela.
Mijn oog treurt vanwege verdrukking; Heere! ik roep tot U
den gansenen dag; ik strek mijne handen uit tot U.
Zult Gij wonder doen aan de dooden ? Of zullen de overledenen
opstaan, zullen zij U loven? Sela.
-ocr page 217-
XXIV. HET WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP.            201
Maar ik, Heere! roep tot U, en mijn gebed komt U voor in den
morgenstond
Heere, waarom verstoot Gij mijne ziel, en verbergt uw aanschijn
voor mij? Van der jeugd aan ben ik bedrukt en doodbrakende; ik
draag uwe vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig, uw hittige toornig-
heden gaan over mij; uwe verschrikkingen doen mij vergaan. Den
ganschen dag omringen zij mij als water; tezamen omgeven zij
mij." — Hoort gij het, Geliefden, David is vurig, is warm, is
gloeiend, ja zijn hart is brandend heet in zijn binnenste; maar
waar is de kracht en de macht en de troost des geloofs in dit
gebed? Zij zijn er niet! En toch is er een verborgen kracht in
zulk een gebed; zulk een pleiten openbaart een innerlijke, diep-
schuilende kracht; zulk een gebed is nooit tevergeefs. En zoo
gaat het ook ons menigmaal, wanneer wij het hart voor God uit-
storten in het schreiend en pleitend gebed, — en dan, dan kun-
nen wij niet bidden „gelijk het behoort."
2. O, hoe goed, hoe onbeschrijfelijk, onbedenkelijk zalig is het
dan niet, dat Jezus voor ons gebeden heeft! En daarom heeft de
Vader ons dien anderen Trooster gegeven, opdat Hij bij ons blijve
in der eeuwigheid; namelijk den Geest der waarheid. En daarom,
al moeten wij nu met Paulus weenend zeggen: „Wij weten niet
wat wij bidden zullen," ja, „wij weten niet wat wij bidden zullen
gelijk het behoort;" — Gode zij dank! Ja Vader, Zoon, en
Heiligen Geest zij eeuwig lof en eer en dank! Want daarom,
dat de Geest van God tot ons gekomen is, en in ons komen, en
in ons wonen, en in ons blijven wil tot in alle eeuwigheid, ziet,
daarom mogen wij nu ook met Paulus zeggen:
a. „Maar de Geest zelf bidt voor ons."
Hier binnen in ons hart bidt de Heilige Geest voor ons aan de
voetbank van Gods genadetroon. Daarboven bidt Jezus voor ons
voor den troon van Gods heerlijkheid. „De Geest zelf bidt voor ons!"
Hij maakt ons bekwaam om geheel ons hart, zonder schroom
en zonder vrees, vrij en frank voor Gods aangezicht uit te storten;
Ja, Hij doet dit zelf in ons en door ons; want Hij ontdekt aan ons
hart de diepste van al zijne nooden en behoeften; Hij maakt de
begeerten en de uitgangen van ons hart gaande en levendig;
-ocr page 218-
202            HET WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP. XXIV.
Hij getuigt in ons hart van Gods genade en van Jezus\' liefde;
en Hij verzekert ons hart dat God het gebed verhoort!
Maar, Geliefden, Hij doet dit niet altijd op dezelfde wijze.
De Geest zelf bidt voor ons, — maar Hij doet dit menigmaal:
b. „Met onuitspreke lijk e zuch tingen."
De vreugde van Gods kinderen is menigmaal groot, wel zoo groot,
zij dat onuitsprekelijk is. Zooals een Petrus ons dit beschrijft, als
hij zegt:
„Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in
denwelken gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar geloovende, u ver-
heugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde." lPetr. 1:8.
Onuitsprekelijk, — zooals een Paulus het mocht smaken
toen hij, naar zijn eigen getuigenis, werd opgetrokken tot in den
derden hemel.
Maar, helaas! zoo is het niet altijd, zoo is het zelfs niet al te
dikwijls! Menigmaal overstelpt een gevoel van angst en smart de
arme ziel, of menigmaal overweldigt een machtig gevoel van schuld
en zonde het hart, en dan is zuchting en geween de natuurlijke
taal van het hart. Maar, Gode zij dank! Hij kan, Hij zal ze niet
afwijzen of versmaden! Want de Geest van God zei ven bidt
in ons. En die ,Geest zelf bidt voor ons met onuitspreke-
lijke zuchtingen.\'\'
En hoe machtig zulk eene verzuchting des Heiligen Geestes is,
gij ziet het bovenal aan het voorbeeld van onzen Heiland. Jezus
komt naar Bethanië, want Lazarus is gestorven, en Johannes zegt
van Hem:
„Jezus dan, als Hij haar zag weenen, en de Joden, die met haar
kwamen, ook weenen, werd zeer bewogen in den geest, en ont-
roerde zichzelven.*
En nog eens:
„Jezus dan wederom in zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam
tot het graf."
Maar. waarde steen nu van het graf is afgewenteld, daar klinkt het:
„En Jezus hief de oogen opwaarts en zeide: Vader! Tk dank U
dat Gij Mij gehoord hebt." Joh. 11 : 33 en 38—41.
Lazarus was nog in het graf, — en toch wist Jezus reeds dat
de verzuchting des Geestes verhoord was!
-ocr page 219-
XXIV. HET WEEK DES HEILIGEN OEESTES TOT ONZE HULP.           203
Zóo, Geliefden, bidt de Heilige Geest ook in ons met onuitspre-
kelijke zuchtingen. Geen nood dan, Geliefden, voor het volk van
God, — al kunnen zij niet roemen, al kunnen zij niet zingen, al
kunnen zij niet spreken, anderen menigmaal niet vertellen wat zij
eigenlijk diep in het hart gevoelen en ondervinden, — geen nood.
al kunnen zij zelfs niet meer weenend stamelen als een kind van
Gods genade, — als zij dan toch maar in oprechtheid, in waar-
heid nog zuchten kunnen, en zuchtend zeggen kunnen, — moet
het zijn, met een brandend hart en heete tranen:
„Wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar
de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen."
Geen nood, — Jezus was zelf bewogen in den geest, en ont-
roerde zichzelven. En David zegt:
„De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en
verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten." Ps. 51 : 19.
Ja:
hun wenschen zweven over \'t graf,
Hun vrede daalt van boven af.
Daar boven ligt hun Eden.
Daar is hun hart, daar is hun schat,
Die alle hemelheil bevat
En englenzaligheden.
Hun .smeekgebeden vliegen uit,
En — Jakobsladders blinken,
En daaglijks grooit hun zielenbuit,
Bij \'t Hallelujah-klinken!
a. Dewijl deze dingen dan alzoo zijn, Geliefden, hoe ongelukkig
zijn degenen dan niet, die daar dag en jaar biddeloos henen leven.
Wanneer de Geest van God in ons bidt, dan gevoelen wij met
diepe smart en droefheid onze onmacht en onbekwaamheid om
te bidden gelijk het behoort; en onder een diep en smartelijk ge-
voel van al onze menigvuldige zwakheden en gebreken wordt ons
hart dan ernstiglijk uitgedreven en geperst om tot den levenden
God te roepen om de hulp en de kracht en de genade des Hei-
ligen Geestes. Maar, ach! ach! vele Christenen leven jaar in en
jaar uit, zonder het diep te gevoelen hoe onmachtig en vol van
gebrek en zwakheid zij ook in dezen zijn; bij hen is er geen
onmacht, geen gebrek, geen zwakheid, maar daarom kunnen zij
ook niet in geest en waarheid bidden, daarom kunnen zij ook
-ocr page 220-
204           HET WERK DES HEILIGEN GEESTES TOT ONZE HULP. XXIV.
niet bidden gelijk het behoort! Wat baat het om den Bijbel te
lezen, aan tafel te bidden, om huisgodsdienst te houden en de
kerk te bezoeken, — en wij kennen het gebed in de binnenkamer, het
gebed in de eenzaamheid niet. Voorwaar, een biddeloos leven is een
genadeloos leven ! Voorwaar, als wij het waarachtig bidden nog niet
kennen, dan zijn wij ook nog zonder genade! God beware ons allen
dan, en een ieder van ons in \'t bijzonder, opdat door zijn almachtige en
ontfermende genade niemand van ons het woord van Jezus vervulle:
„Gij geveinsden! Wel heeft Jesaja van u geprofeteerd, zeggende:
Dit volk genaakt Mij met hunnen mond, en eert Mij met de
lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij." Matth. 15 : 7 en 8.
b. Gelukkig zijt gij dan, Geliefden, gij, die in der waarheid
tot uwen Heiland gezegd hebt:
„Heere! leer ons bidden!"
Gij, die in der waarheid het bidden van Hem geleerd hebt!
Ja, gij wordt menigmaal zoo bitter ontmoedigd vanwege zoo-
veel moeite en kwelling ook in het leven, in de oefening des
gebeds. Menigmaal twijfelt gij aan de oprechtheid, aan de ver-
hooring van uw gebed, omdat uw hart toch zoo koud, zoo dof,
zoo zondig, zoo onbeweeglijk hard is en blijft; — maar hoort het,
Geliefden, zelfs naar het zuchten van zijn volk wil God met wei-
gevallen luisteren! David zegt immers:
,Heere! voor U is al mijne begeerte; en mijn zuchten is voor
U niet verborgen." Ps. 38 : 10.
Ja, het is zijn Geest, die zelf voor ons bidt met onuitsprekelijke
zuchtingen!
Daarom, Geliefden, houdt moed! Luistert naar het woord van
Habakuk: „Zoo Hij vertoeft, verbeid Hem, want Hij zal gewisse-
lijk komen, Hij zal niet achterblijven!" Hab. 2 : 3\\
Te zijner tijd zal God zekerlijk ook aan ons zijne belofte ver-
vullen, waarvan de dichter zoo schoon en troostend zingt:
Opent uwen mond.
Eischt van Mij vrijmoedig,
Op mijn trouwverbond:
Al wat u ontbreekt
Schenk Ik, zoo gij \'t smeekt,
Mild en overvloedig.                                     Ps. 81 : 12.
Amen!
Te zingen Ps. 81 : 12.
-ocr page 221-
XXV.
DE EERSTE CHRISTEN-GEMEENTE.
Te zingen Ps. 92 : 1.
Te lezen 1 Cor. 3 en Hand. 2 : 42—47.
Te zingen Ps. 103 : 7.
Het gebed.
Te zingen Ps. 81 : 15 en 18.
Tekst Hand. 2 : 4\'2: En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de
genieenschap, en in do breking des broods, en in de gebeden!"
Het verband waarin deze woorden voorkomen is welbekend. We
gaan dus ineens over tot de behandeling van ons tekstwoord.
Deze woorden stellen ons de eerste Christen-gemeente als ons
voorbeeld voor oogen. En daarom gaan wij nu eens met elkander
onderzoeken wat haar als zoodanig karakteriseert.
I.
„De leer der apostelen."
„Zij waren volhardende in de leer der apostelen."
1. Hoe gretig waren die duizenden niet om te luisteren naar de
onderwijzing der apostelen, naar het Evangelie van Christus,
naar den weg der zaligheid. Zij dorstten er naar om toe te nemen
in kennis en genade. „De leer der apostelen," was voor hen het
hoogste gezag, een allesbeslissende autoriteit, een lieflijke regel
des levens.
Geliefden, hoe is het thans?
„De leer der apostelen," —hoe dikwijls wordt die niet betwijfeld,
tegengesproken, achtergesteld bij de uitspraken van voortreffelijke
mannen van ouden of van onzen tijd.
-ocr page 222-
206                              DE EERSTE CHRISTEN-GEMEENTE.                              XXV.
In zoo menige vraag aangaanda het leven en het gedrag van
den Christen, huiselijk, maatschappelijk, politiek, en zelfs kerkelijk,
— in zoo menige vraag in al deze opzichten wordt niet meer de
leer der apostelen gesteld als de autoriteit om te beslissen, maar
deze of gene uitspraak van groote mannen van onzen dag, niet
eens altijd Christelijke mannen, — alsof zij onfeilbaar zijn!
Of anders bij het armzalig licht (?) van ons eigen geweten, alsof
het geweten onfeilbaar is, het hoogste gezag is, en niet Gods
Woord! Neen, neen, ook heden geldt nog het woord:
„Tot de wet en tot de getuigenis, zoo zij niet spreken naar
dit woord, het zal zijn dat zij geen dageraad zullen hebben!"
2. Zij, — die eerste Christenen, — zij dorstten er naar om toe
te nemen in kennis en genade. En wij, Geliefden ? Ach! menigeen
vindt het zoo verschrikkelijk vervelend om ook maar een enkel
uur te luisteren naar eene verklaring van Gods Woord, naar de
prediking van het Evangelie, naar het voorlezen van een predikatie.
Hoe menigeen zal niet eer honderd andere boeken lezen dan
een boek van den Bijbel? Of liever tien groote en zware stukken
werks verrichten, dan éen uur van ernstig onderzoek aan Gods
Woord geven ?
Vandaar, Geliefden, dat men zoo menigmaal treuren moet als
een kind ter catechisatie komt, of naar de belijdenis des geloofs.
Vandaar dat zoo menigeen beschaamd wordt in den strijd des
geloofs en der waarheid. Vandaar dat zoo menigeen zoo gemakkelijk
weggesleept wordt naar dit of dat genootschap, naar deze of gene
valsche leer, ja omgevoerd wordt met eiken wind der leer. Geliefden,
gij verwondert u misschien en zegt: „Wat klagen onze leeraren
toch, zóo erg is het toch met ons niet." Geliefden, God klaagten
zegt:
„Mijn volk gaat verloren omdat het geen kennis heeft!"
II.
„En in de gemeenschap!"
1. „Gemeenschap" ; dit wil zeggen: daar was geen tweedracht,
maar volkomen eensgezindheid. De arke Gods droegen zij met
een gewillige ziel en met eenparigen schouder.
-ocr page 223-
XXV.                              DE EERSTE CHKISTEN-GEMEENTE.                              207
Bij ons, hedondaagsche Christenen, Geliefden, hoeveel tweedracht
soms, en hoe weinig eensgezindheid!
Deze wil dit, — en die wil weer iets anders, — en een derde
nog weer iets anders. De groote hoofdzaak wordt uit het oog
verloren. En men twist dikwerf over kleine bijzaken en nietigheden!
Het geringste verschil laat men dadelijk de allerdierbaarste gemeen-
schap verhinderen en verbreken. Wat persoonlijk is dat moet de
Kerk vergelden. Hoort toch, Geliefden, wat een Paulus daarvan
zegt: „Gij zijt nog vleeschelijk: want dewijl onder u nijd is, en
twist, en tweedracht, zijt gij niet vleeschelijk, en wandelt gij niet
naar den mensch?" 1 Cor. 3 : 3.
En wederom:                                                                    •
„Weet gij niet, dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En
indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de
minste gerechtszaken? Weet gij niet dat wij de engelen oordeelen
zullen? Hoeveel te meer de zaken die dit leven aangaan? Zoo gij
dan gerechtszaken hebt, die dit leven aangaan, zet die daarover,
die in de gemeente minst geacht zijn.
Zoo is er dan nu ganschelijk gebrek onder u, dat gij met elkan-
der gerechtszaken hebt.
Waarom lijdt gij niet liever ongelijk? Waarom lijdt gij niet
liever schade?" 1 Cor. 6.
2. Gemeenschap." Dit wil zeggen: Zij zochten de gemeen-
schap der Christenen, — het gezelschap van Gods kinderen.
En thans, Geliefden?
Christenen, hoe vreemd blijven zij niet voor elkander, \'t Is niet
of zij zoeken hoe zij best met elkander gemeenschap zullen heb-
ben, zullen houden en oefenen in de vreeze des Heeren. Neen,
maar hoe zij het best van elkander gescheiden en verwijderd zul-
len worden en blijven!
Ach, Geliefden, als wij er eens ernstig aan denken hoe wij
dikwijls samenleven als Christenen, ja als leden van een en
dezelfde Christen-gemeente, heeft onze samenleving dan wel veel
van het beeld dat ons daarvan in Gods Woord aangewezen wordt,
dat ons zoo schoon geteekend wordt door ons heerlijk Avond-
maalsformulier, als daar gezegd wordt:
„Daar benevens, dat wij ook door denzelven Geest onder
-ocr page 224-
208                                DE EERSTE CHRISTEN"GEMEENTE.                           XXV.
elkander, als lidmaten eens lichaams, in waarachtige broederlijke
liefde verbonden worden, gelijk de heilige apostel spreekt: Eén
brood is het, zoo zijn wij velen éen lichaam, dewijl wij allen ééns
broods deelachtig zijn. Want gelijk uit vele graankorrels éen meel
gemalen en éen brood gebakken wordt, en uit vele bezien te-
zamen geperst zijnde éen wijn en drank vliet en zich ondereen
vermengt; alzoo zullen wij allen, die door het waarachtig geloof
Christus ingelijfd zijn, door broederlijke liefde, om Christus onzes
lieven Zaligmakers wille, die ons tevoren zoo uitnemend heeft
liefgehad, allen tezamen éen lichaam zijn; en zulks niet alleen
met woorden, maar met de daad jegens elkander bewijzen."
Geliefden, wel hebben wij stof om ons te verootmoedigen, te
zeggen en te bidden: „Heere, doe ons niet naar onze zonden, en
vergeld ons niet naar onze ongerechtigheden!"
Wel hebben wij stof om uit de diepte tot God te roepen, en
met den dichter van ouds te klagen en te bidden:
Hoe kleeft mijn ziel aan \'t stof! Ai! zie mijn nood;
Herstel mij, doe mij naar uw woord herleven;
\'k Lei voor uw oog mijn weg en handel bloot;
En welk eon angst mij immermeer deed beven,
ög hebt verhoord; maak voorts uw weidaan groot,
En laat uw wet mij onderrichting geven.
Ps. 119 : 13.
3. „Gemeenschap." Dit wil zeggen: zij hadden zulk een
innigen lust, zulk een groot vermaak, zulk een zalig genot in
die zalige gemeenschap, die daar gevonden wordt in de samen-
komst, in de vergadering van Gods Gemeente. O, leest het maar
eens voor uzelven daar in de Handelingen der Apostelen, en dan
zegt gij met mij: Ja, waarlijk daar was voor hen geen dag van
grooter vreugde en blijdschap, dan wanneer zij konden nederzitten
aan de voeten der apostelen, in de schaduw van Gods altaar, onder
het geklank van het dierbaar Evangeliewoord. Geen grooter vreugde
dan wanneer zij met den dichter van ouds konden jubelen:
„Dit is de dag, de roem der dagen,
Dien Isrels God geheiligd heeft;
Laat ons verheugd, van zorg ontslagen,
Hem roemen, die ons blijdschap geeft!"
Ps. 118.
-ocr page 225-
XXV.
209
DE EERSTE CHRISTEN-GEMEENTE.
Of:
„Komt, laat ons samen Isrels Heer,
Den Rotssteen van ons heil, met eer,
Mot Godgewijden zang ontmoeten!"
Ps. 95.
Of:
„Laat ons den rustdag wijden
Met psalmen tot Gods eer;
\'t Is goed, o Opperheer,
Dat w\'ons in U verblijden!"
Ps. 92.
Zoo was het ook in de dagen der Hervorming, zelfs temid-
den van de grootste gevaren. Ja zoo was het ook in de dagen
van onze vaderen in den tijd van bittere vervolging in Frankrijk
en in Holland. Wat, — o, wat hebben de vromen zich niet
menigmaal getroost om Gods Woord te hooren, om de samenkomst
der Gemeente bij te wonen!
En thans, Geliefden? Ach! voor hoe menigeen is het gaan naar
de kerk, het bijwonen van de samenkomst, van de vergadering
van Gods Gemeente meer een kruis dan een lust; meer een bit-
tere plaag dan een vermaak; meer een onvermijdelijk verdriet dan
een zalig genot! De dichter zegt:
.Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten." Maar daar is
menig Christen die dit niet meer kan zeggen, want de dienst
van God is hem toch maar een verdriet! Ja, voor die eerste
Christenen; voor die ernstige, heilbegeerige vromen in de dagen
van vervolging; voor onze ouders in de eerste dagen der schei-
ding, — o, voor hen was de dag der ruste, de heerlijke Sabbat,
toch zulk een vreugdedag; van zorg ontslagen konden zij dan den
Heere dienen met al hunne krachten.
Thans, Geliefden, thans, — geen vervolging, geen gevaar, geen
bange vrees, geen verre afstanden over het algemeen, bijna geen
moeilijkheid om de vergadering van Gods Gemeente bij te wonen;
wij wonen als in de schaduw van Gods huis; op meer dan éene
plaats kan de kerkklok zelfs gehoord worden; en is er nu blijdschap
als de dag der ruste aanbreekt ? Ja, — Gode zij dank! bij velen,
Geliefden, waarlijk blijdschap om zich in den Heere te verlustigen.
Maar ach! toch ook bij velen blijdschap slechts om evenzoo te
doen als Jesaja zegt, om „hun eigen lust te vinden."
14
-ocr page 226-
210                               DE EERSTE CHRISTEN-GEMEENTE.                             XXV.
De éen om dien dag in ledigheid, in een zoogenaamd zalig
nietsdoen door te brengen; een ander om een halven dag aan den
Heere te geven, en de andere helft voor zijn eigen lust te houden;
een derde om eenvoudig de kerkdeur voorbij te gaan ; een vierde
om dien dag met bezoeken en kuieren door te brengen; een vijfde
zelfs om dien dag aan allerlei ijdele vermaken te geven. — Maar
waar zullen wij van al deze dingen het einde vinden?
Geliefden, wat het dan ook al wezen mag, alles, waardoor wij
op dien dag onzen eigen lust vinden, is niet recht voor God!
Neen, Geliefden, neen, laat het toch zoo niet onder ons wezen
of worden. Hoort toch wat de dageraad van eiken dag des Heeren
zegt: „Gedenkt den Sabbatdag dat gij dien heiligt!"
En als de zon opgaat en gij ziet rondom u, is het dan niet als-
of alles romdom ons ons toeroept: „Gedenkt den Sabbatdag dat gij
dien heiligt" ?
Hoort, ook de kerkklok zegt:
„Gedenkt den Sabbatdag dat gij dien heiligt!"
4. „Gemeenschap." Dit wil zeggen: „Zij hadden alle dingen
gemeen. En zij verkochten hunne goederen en have, en verdeelden
dezelve aan allen, naar dat elk van noode had." Vers. 45.
Zekerlijk, Geliefden, ik stem u toe, dit was misschien alleen
mogelijk in zulk een volkomen toestand als waarin die eerste
Christen-gemeente verkeerde.
Maar toch, Geliefden, vervullen wij het woord dat daar zegt:
„De armen hebt gij altijd met u"?
„Draagt elkanders lasten"?
„Alzoo zijn wij velen éen lichaam in Christus, maar elkeen zijn
wij elkanders leden"? Rom. 12.
Of zijn deze woorden soms niet voor ons bedoeld; niet voor ons
van kracht? Zekerlijk, Geliefden. — Hoort dan wat de Heere,
onze God, reeds door een Jesaja van deze dingen heeft getuigd.
Leest daaromtrent maar eens Jesaja 5S.
-ocr page 227-
XXV.                            DK EERSTE CHRISTEN"GEMEENTE.                                211
III.
„En in de breking des broods."
Dit wil zeggen: in het uitoefenen van de ware gemeenschap der
heiligen aan liefdemaaltijden en vooral aan het heilig Avondmaal.
Hoe schoon wordt ons zulk een liefdemaaltijd en daarbij het
Avondmaal geteekend.
„En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van
huis tot huis brood brekende, aten zij tezamen met verheuging
en eenvoudigheid des harten; en prezen God, en hadden genade
bij het gansche volk.
En de Heere deed dagelijks tot de gemeente, die zalig werden."
Verzen 46 en 47.
Geliefden, denkt er toch nu eens ernstig over na, neemt onzen
toestand eens ernstiglijk in oogenschouw, en zegt dan of wij ook
nu nog zulk een liefdemaaltijd, z u Lk een Avondmaal kunnen
houden? Neen, — en toch ook weer: ja; — ja, als wij ons
maar in waarheid daartoe zouden willen opmaken, willen stellen
en voorbereiden! Maar ach, Geliefden, hoe gaat het menigmaal?
Als de heerlijke tijd des Avondmaals nader en nader komt, dan
zal menig Christen net zooveel hinderpalen voor zichzelven en
voor anderen in den weg leggen als hij kan. inplaats van te
gedenken aan het gebed: „Vergeef ons onze schulden, gelijk ook
wij vergeven onzen schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking,
ma;ir verlos ons van den booze!" Inplaats van, gedachtig aan dit
gebed, alles te doen wat hij kan om eiken hinderpaal voor zijne
voeten weg te nemen, en ook voor zijn broeder of zuster!
En als de dag van ernstige voorbereiding aanbreekt, wat dan?
O, Geliefden, dan wordt het hart dikwerf met weemoed aangedaan,
wanneer zoo menige plaats in het huis des gebeds ledig gezien
wordt; daar buiten op de straat gaat meer dan éen, daar op de
markt of in de winkels en kantoren of op andere plaatsen, —
daar is men druk bezig met de tijdelijke belangen te behartigen,
— en de eeuwige? De eeuwige worden verwaarloosd! Thuis
wordt menigmaal heel nauwkeurig en met veel zorg en bereke-
ning een notitie gemaakt van noodige dingen, die op het dorp
-ocr page 228-
212                             DE EEKSTE CHKISTEN-GEMEENTE.                              XXV.
gekocht moeten worden. Eilieve! maakt gij ook een notitie voor
de dingen die gij zoo broodnoodig hebt voor uw arme zielen?
Geliefden, hoe kunnen wij dan toch een gezegend Avondmaal ver-
wachten, als wij ons niet eens de moeite getroosten willen om ons
behoorlijk daartoe voor te bereiden, wanneer éen enkel uur van
voorbereiding ook nog menigmaal voor ons te veel is? O, broeders
en zusters, door dit woord kom ik thans tot u, en smeek en
bid u: Helpt ons, helpt ons toch, helpt toch uwe opzieners en
leeraars, opdat dit anders worde! Wat moet de wereld van ons
zeggen? Welk een voorbeeld voor onze kinderen! Hoe ernstiglijk
moesten de Israëlieten zich niet voorbereiden voor hunne feesten en
vooral voor het paaschfeest!
Hoe ernstig spreekt Paulus niet van deze dingen in zijne brie-
ven aan de Gemeente van Corinthe.
O, Geliefden, zoo dikwijls dit gebeurt, is het mij alsof ik Jezus
zie, zooals Hij daar stond op den Olijfberg, en zijne handen uit-
strekte naar Jeruzalem, en zeide: „Jeruzalem, Jeruzalem, hoe
menigmaal heb Ik uwe kinderen willen bijeenvergaderen, gelijk
eene hen hare kiekens bijeenvergadert onder de vleugelen, doch
gijlieden hebt niet gewild!" En daarom, daarom moet ons hart
met groote vreeze en beving aangedaan worden, om bevende tot
God te roepen:
Zend, Hoer, uw licht en waarheid neder,
En breng mij, door dien glans geleid,
Tot uw gewijde tonte weder,
Dan klimt mijn bange ziel gereeder
Ten berge van nw heiligheid,
Daar mij uw gunst verbeidt.
Ps. 43 : 3.
IV.
„En in de gebeden."
Dit wil zeggen: in het oefenen van de gemeenschap der heiligen
door het onderling gebed in de vergadering van Gods Gemeente,
of in het gezelschap der vromen, of in het eenzaam gebed, eer-
tijds het vasten genoemd.
Bidden! O, welk een heerlijk werk! Het ademhalen, het leven
der ziel! Een spreken met God; iets, — neen alles van God
-ocr page 229-
XXV.                            DE EERSTE CHRISTEN" GEMEENTE.                               213
te vragen, gelijk een kind het van zijn vader doet! Wordt een
kind daarvan moede of mat? En toch, Geliefden, zoo dikwijls
wordt daar geklaagd: „Het gebed is toch te lang!" En hoeveel tijd
wordt daar aan het eenzaam gebed gegeven? En van wien hoort
men dat hij of zij vast *)? Of behoeven wij niet? Wij vragen u,
legt dit woord toch weg in uw hart! Onderzoekt eens wat ook
onze plicht is in het vasten. In alle ernstige tijden toch werd het
vasten gekend.
En gedenkt, Geliefden, aan het woord van Jezus:
„Dit geslacht vaart niet uit, dan door bidden en vasten!"
Amen!
Te zingen Ps. 119 : 13.
*) Gaarne zou ik een ieder ernstig raden over het vasten eens te lezen wat Dr.
A. Kuyper daarvan zegt in zijn boek, getiteld: „Uit het Woord!"
D. P.
-ocr page 230-
XXVI.
AFVAL VAN JEZUS.
Te zingen Ps 89 : 1.
Te lezen Johannes 6 : 47—71.
Te zingen Ps. 33 : 9.
Het gebed.
Te zingen Ps. 66 : 3.
Tekst Joh. 6 : 67: Jezus dan zeide tot de twaalven: Wilt gijlieden ook niet weggaan?
Vooral het laatste gedeelte.
De Heere Jezus had gewandeld op de onstuimige golven der
Galileesche zee; Hij was tot zijn benauwde discipelen gekomen
en had hen gered, getroost en hun geloof krachtig versterkt dat
Hij waarlijk de Zoon van God was. Hij gaat vandaar naar Ka-
pernaüm, en de scharen volgen Hem. Hij spreekt tot hen over zich-
zelven als het ware levensbrood, dat van den Vader nedergedaald
is, en zegt: „Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft
het eeuwige leven; en Ik zal hem opwekken ten uitersten dage.
Want mijn vleesch is waarlijk spijs en mijn bloed is waarlijk
drank.
Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en
Ik in hem.\'
Zoo spreekt Hij, doelende op zijn lijden en sterven, als het eenige
middel ter zaligheid voor den zondaar, en ook met het oog op de
vereenzelviging van een ieder die in Hem gelooft met dat lijden
en sterven, waardoor alleen de ziel kan behouden worden. „Die
mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in Mij, en Ik
in hem."
-ocr page 231-
XXVI.                                   AFVAL VAN JEZUS.                                       215
Maar deze rede is onbegrijpelijk, is aanmatigend, is hard voor
het vleeschelijk Israël, dat Jezus volgt om de spijze die vergaat,
en niet om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven. Daarom
wordt daar ook van hen gezegd: „Van toen af gingen velen zijner
discipelen terug, en wandelden niet meer met Hem." De duizenden
van Jezus\' aanhangers krimpen tot honderden, de honderden tot
tientallen in, en terwijl de Heere voor zichzelven hun bijzijn niet
behoeft, vervult de gedachte aan hunne onvatbaarheid zijne ziel
met heiligen weemoed. Daar staat Jezus nu alleen met de twaalven ;
ook in hun hart komt voor een oogenblik de gedachte, de vraag
op: Wat zullen, wat moeten wij doen? Maar Jezus weet het, en Hij
verstaat het, en komt hun in liefde voor met de ernstige vraag : „ Wilt
gijlieden ook niet weggaan ?"
En zoo vraagt Hij, niet omdat Hij twijfelt aan hunne getrouwheid,
maar om die getrouwheid op de proef te stellen, om die getrouwheid
te doen blijken; om den aanstaanden verrader een vorschenden blik
in zijn eigen hart te doen slaan; om het aan allen te toonen dat
Hij liever geen aanhangers hebben wil, dan dat zij gedwongen moesten
worden om bij Hem te blijven.
„Wilt g ij lieden ook niet weggaan?"
I.
Wat kan toch de reden wezen waarom zoo velen een korten
tijd met Jezus en de zijnen wandelen, om zich dan weer met
tegenzin en haat van Hem af te keeren ?
\'t Is, Geliefden, omdat de natuurlijke mensch niet kan begrijpen
de dingen die des Geestes Gods zijn; omdat het bedenken des
vleesches vijandschap is tegen het bedenken des Geestes; de duis-
ternis kan het licht niet verdragen; de natuurlijke mensch kan
het niet verdragen dat het Evangelie van Christus zijn zonde en
verdorvenheid openbaart en aan dien pijnlijken kanker van zijn hart
werkt en snijdt; de teugels van zijn verstand en hart en leven
wil hij in zijn eigen hand houden. Hij kan zich niet onderwerpen
aan het Evangelie van Christus, en nog minder aan den Geest
van God. Zijn onkunde, zijn onmacht, zijn onreinheid, zijn verwaand-
heid wil hij niet erkennen. In zijn oog is hij de beste, weet hij
-ocr page 232-
216                                        AFVAL VAN JEZUS.                                   XXVI.
alles het best, doet hij alles het best; Jezus behoort het zich tot
eene eer te rekenen dat hij Hem wil volgen, — en als Jezus
dan zoo met hem niet tevreden en dankbaar is, dan keert hij
Jezus liever den rug toe en wandelt liever niet meer met Hem,
dan dat hij zich aan Jezus zal onderwerpen.
Dit is de grondoorzaak van allen afval van Jezus en de zijnen.
Maar allen doen dit niet op dezelfde wijze en om dezelfde redenen.
1. Sommigen vallen van Christus af, omdat zij be-
vreesd worden voor vervolging en smaad.
Het loon der wereld is voor hen beter dan het loon der gerech-
tigheid. De gunst der menschen is voor hen meer dan de gunst
van God. Liever door God veroordeeld dan door de menschen bespot
en uitgelachen. Liever bij de wereld in eere en aanzien, dan met
het volk van God veracht en verguisd te worden, en uitgemaakt
te worden als ouderwetsch, en bekrompen, en achterblijvers. Neen,
voor Christus zullen zij niet in de gevangenis gaan, en boeien aan
de armen laten klinken, en gebrek en honger en dorst lijden; om
des geloofs wille zullen zij zich nooit laten verbranden! Met Christus
schande en oneer verdragen? O, neen, bij de wereld kunnen zij
het immers veel beter hebben ! Tot hiertoe hebben zij Jezus gevolgd,
maar langer is het niet meer veilig, daarom keeren zij zich van
Jezus af en zoeken eene schuilplaats bij de wereld. Maar, ach!
Zij storten zich in een eeuwig verderf. En zij weten het niet!
O, Geliefden, daar is voor u ook menigmaal verdrukking en
benauwdheid en hoon en smaad! Maar hoort toch de stem van
Jezus, die u vraagt: „Wilt gijlieden ook niet weggaan?" En o,
laat ons antwoord met onze vaderen, met een Petrus zijn: „Heere!
tot wien zullen wij heengaan ? Gij alleen hebt de woorden des
eeuwigen levens." O, laat dit de taal van ons hart zijn, al wan-
delen wij ook in benauwdheid, in een dal van vele schaduwen
des doods! Dan zullen wij, als God ons levend maakt, — dan
zullen wij met Christen in zijne „Pelgrimsreize naar de eeuwigheid,"
ook van God zeggen: „Zijne lamp doet Hij schijnen boven mijn
hoofd, en bij zijn licht doorwandel ik de duisternis." Job 29 : 3.
Ja dan zingen wij met Christen:
-ocr page 233-
XXVL
AFVAL VAN JEZUS.                                           217
O wonderdaad!
Mijns Heeren raad,
Mijn Heilands maehtbotooning
Heeft me uitgeleid
In veiligheid
Door doodsschaüw\'s weg en woning.
Wat strikken daar,
Wat lijfsgevaar.
Wat schrik van allerwege!
Niet mijne kracht
Doorstond die macht:
Van God kwam moed en zege!
Alleen U, Heer,
Zij roem, zij eor,
Nu \'k, van \'t gevaar ontheven,
Den dank. de kroon.
Voor trouwbetoon,
Mijn Jezus, D mag geven!
2.   Anderen verlaten Jezus en de zuivere leer van
Gods Woord uit louter onverschilligheid.
Zij hebben het nooit met God en zijn Woord en hunne zielen
ernstig gemeend. Het was alles schijn, louter wind en stof. Alles is
voor hen omtrent even goed. Dit is hun spreekwoord: „Elkeen moet
door zijn geloof zalig worden." — God beware ons, Geliefden)
om dit woord ooit anders op onze lippen te nemen dan met het
waarachtig gebed in het hart: „O Heere! bewaar ons toch voor
zulk eene blindheid en onverschilligheid!" Zegt het Woord van
God dan niet: „Want er is geen andere naam onder den hemel
den menschen gegeven, door welken wij moeten zalig worden, dan
door den naam van Jezus!" — Zoekt het dan waar gij wilt, —
dit blijft zeker en gewis: alleen door den naam van Jezus zullen
wij den hemel binnengaan. Ja dit is een waarachtig en getrouw
woord: „Wie God verlaat, heeft smart op smart te vreezen. Maar
wie op Hem vertrouwt, op Hem alleen, ziet zich omringd van
zijn weldadigheên!"
3.   Velen worden van Jezus afgetrokken en verleid
door ijdele en booze metgezellen en vrienden.
-ocr page 234-
218                                        AFVAL VAN JEZUS.                                  XXVI.
Hoe menige zoon en hoe menige dochter was reeds de spijker
aan de doodkist van vader en moeder! Hoe menig vader- en
moederhart is niet reeds gebroken van verdriet en jammer over
zoon of dochter! O, als de geschiedenis van eiken zoon en elke
dochter beschreven was, die vader of moeder een vroegtijdig
graf bezorgd hebben door hun ondeugd en roekeloosheid, of de
grijze haren van vader of moeder met bitteren smaad en rouw ten grave
hebben doen dalen, — wat een tooneel van jammer en ellende
zou zich dan niet aan onze oogen vertoonen! En zeker is het dat
de meesten van die zonen en dochters hun eerste voetstappen
op die booze en verderflijke wegen gezet hebben aan de hand van
booze jongelingen en dochters, aan de hand van ijdele wereldlin-
gen. — O, dat zoete woord, die lieflijke glimlach van verlokking
en verzoeking en verleiding heeft toch zooveel kracht op het
vroolijk hart van den onbezonnen jongeling en onbedachtzame
jongedochter! Met sluwe list spant de verleider zijne netten. Zijn
woord is verdervend, en zijn voorbeeld aanstekelijk en verpestend!
Dit is zijn woord: „Kom, ga eens samen, vriend of vriendin! Wat
zit gij toch altijd thuis te moppen en te treuren! Kom, breng ook
eens een avondje met ons door; gij zijt toch nog niet een oude
vrouw of een oude vader. Wat zijt gij toch zoo consciëntieus; ik
ben een Christen net zoo goed als gij, en ik kan dit en dat
voor mijn pleizier doen, zonder dat het mijn geweten hindert, —
God zal het toch niet zoo nauw met ons nemen! Maak u toch
niet zoo belachelijk! Ik schaam mij voor uw part!" Ziet, dan word
de jongeling of de jongedochter medegesleept naar de wegen van
het verderf, naar al de ijdelheden dezer wereld. De stem van het
geweten wordt altijd flauwer en flauwer; de wereld wordt altijd
schooner en begeerlijker; de vermaning van vader en moeder,
van leeraar en opzieners en goede vrienden wordt niet meer
zoo diep gevoeld, wordt verworpen en veracht, en eindelijk gaat
het van zoogenaamde onschuldige vermaken altijd verder en verder,
— en menigeen zinkt reddeloos neder in diepten van jammer en
ellende, een ellende zoo diep, zoo rampzalig en schrikwekkend,
dat de beschrijving daarvan ons de haren te berge doet rijzen en
het bloed in de aderen doet stollen. O, jongeling en jongedoch-
ter, als gij de stem der verzoeking en verleiding hoort, als de
-ocr page 235-
XXVI.                                  AFVAL VAN JEZUS.                                        219
wereld voor uw oog blinkt en schittert, als de Satan u het éene
onheilig en onrein geifot na het andere in oor en hart zoet en
zachtjes fluistert, o, vlucht dan, ja vlucht naar Jezus; o, staat
toch stil aan den ingang van dien breeden tooverweg, en
vraagt: „Wat wil ik doen? Wat zal het einde daarvan zijn?"
En bidt: „O Heere, leid mij niet in verzoeking, maar verlos mij
van den booze!" Laat den besten vriend en de beste vriendin
varen en gaan, maar houdt gij aan Jezus vast en zegt: „Heere,
tot wien zullen wij heengaan? Gij alleen hebt de woorden des
eeuwigen levens."
0, mijn broeder, mijne zuster, als zorgen en nooden u dreigen,
— Jezus kan helpen! Hij zegt: „Roep mij aan in den dag der
benauwdheid, Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren." Laat
anderen uitkomst en troost zoeken waar zij ook willen, - houdt
gij aan Jezus vast, en Hij zal u nooit begeven of verlaten. En
als de wereld u dreigt of roept, en als Satan naar u grijpt, o,
strekt dan de handen uit naar Jezus, grijpt Hem aan door het geloof,
en bidt: „Schep mij een rein hart, o God! en vernieuw in het
binnenste van mij een vasten geest!" En zegt: „Heere! tot wien
zullen wij heengaan? Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen
levens."
4. Velen verlaten den Heere Jezus en zijn dienst,
om den wellust dezer aarde en de ijdelheden van dit
leven te genieten.
Zij gevoelen het dat die wellusten en ijdelheden niet overeenkomen
met het geloof in Christus, met den dienst van God. Zij gevoelen
het, twee heeren kunnen zij niet dienen, God en de wereld. De
godsdienst hindert hen in hun bezigheid en in den dienst der
wereld. Met den rijken jongeling keeren zij daarom Jezus den rug
toe, en ronddartelend door al de ijdelheden dezer wereld, wor-
den zij door een machtigen toover- en maalstroom heengesleept
naar het eeuwig verderf, waar viool en dansgezang en gelach
voor eeuwig verstommen, en niets anders gehoord en gezien wordt
dan het gekners hunner tanden en de weening hunner brandende
oogen.
-ocr page 236-
220                                            AFVAL VAN JEZUS.                                       XXVI.
O, vraagt gij dan met den dichter van ouds: „Waarmede zal
de jongeling zijn pad, door ijdelheên omsingeld, rein bewaren?"
Het Woord van God zegt, en de ondervinding van de Godgetrouwen
getuigt: „Gewis als hij het houdt naar \'t heilig blad!" Laat dit
gebed dan ook dag en nacht ons gebed tot Jezus zijn: „U zoekt
mijn hart; mijn oog blijft op U staren; laat mij van \'t spoor, in
uw geboön vervat, niet dwalen, Heer; Iaat mij niet hulploos varen!"
5. Velen verlaten Jezus en zijn dienst, omdat de
omstandigheden van hun leven of van hunne omge-
ving veranderen.
De man en vader sluit de oogen in den dood, en echtgenoote
en kinderen dwalen heen op verkeerde wegen.
De vrome echtgenoote sterft, en de man en vader geeft zich
over aan een slecht en losbandig leven.
Voorspoed lacht ons toe, en wij dienen den Heere; tegenspoed
komt, en wij zoeken hulp bij de wereld.
Het loon der gerechtigheid is klein, en wij zoeken bij de wereld
rijkdom en eer!
De overlegging van ons hart wordt verijdeld, in onze verwachting
worden wij teleurgesteld; dan verwijten wij dit aan God en
zoeken elders wat ons hart bekoort. Dezen hebben eene gedaante
van godzaligheid, doch zij verloochenen de kracht daarvan. Met
Judas gaan zij naar hun eigen plaats. Met den rijken jongeling
keeren zij tot hunne schatten weder. Met Demas krijgen zij de
tegenwoordige wereld lief. Met de menigte keeren zij Jezus den
rug toe en gaan henen. O, hoe ontzettend waarachtig is het woord
van Jezus: „Die volhardt tot den einde, die zal zalig worden!"
Wie vreest, wie beeft niet voor zichzelven bij dit woord van Jezus
op de vraag van Jezus: „Wilt gijlieden ook niet weggaan?" Ja,
wij beven als wij op onszelven zien, maar op Jezus ziende, aan
zijne voeten, zeggen wij met een David:
„Doch gij, mijn ziel, hr-t ga zoo \'t wil,
Stel u gerust, zwijg (Inde stil;
Ik wacht op Hem; zijn hulp zal blijken;
Hij i» mijn rots. mijn heil in nood,
Mijn hoog vertrok; zijn macht is groot:
Ik zal noeh wankien, noch bezwijken!"
Ps. 62.
-ocr page 237-
XXVI.                                   AFVAL VAN JEZUS.                                        221
6.    Velen verlaten Jezus en zijn dienst uit schoone
traagheid en lusteloosheid.
Niets trekt hen aan; niets kan hen opschrikken uit de roestige
rust van sleur en gewoonte, van zonde en zelfzucht en zelfbehagen.
Aan zichzelven hebben zij meer dan genoeg. Het onbreekt hun
aan niets. Als tegenspoed en ziekte en dood maar voor altijd konden
wegblijven, dan zouden zij ook nooit behoefte gevoelen aan God
en den hemel. Voorwaar, een haastig verderf zal hen overkomen!
Ja zij zijn als het kaf, dat de wind henendrijft!
7.  Velen worden eindelijk van Jezus afgehouden en
afgetrokken door een valsche leer.
Home telt zijn slachtoffers bij duizenden, en het ongeloof het
zijne bij tienduizenden! Dankt God dan, Geliefden, voor de zuivere
leer van zijn Woord, waardoor wij tot Jezus gebracht worden. En
bidt God dat Hij genadiglijk de oogen aller verblinden opene, opdat
zij verlost van Rome, en het on- en bijgeloof, en van elke valsche
leer, met Petrus mogen uitroepen: „Heere! tot wien zullen wij
heengaan ? Gij alleen hebt de woorden des eeuwigen levens!"
II.
„Wilt gij lieden ook niet weggaan?"
Zoo vraagt Jezus. En, Geliefden, wat is hierop uw antwoord?
Let op de ondervinding van anderen, dieJezus ver-
laten hebben, — en antwoordt dan!
O, als ware kinderen Gods hun Heiland voor een tijd verloo-
chenen en verlaten; ach! dan ondervinden zij het dat zij diep
ongelukkig zijn; dat hun levenssap veranderd wordt in zomer-
droogten; dat hun smart zeer vergroot wordt; dat hunne been-
deren in hunne veroudering brullen den ganschen dag. Zij hebben
geen rust, zij hebben geen vreugde, zij hebben geen vrede, totdat
zij die weêrvinden aan den voet van Jezus\' kruis. Weet dan, Ge-
liefden, wat gij Jezus antwoorden zult! Maar bedenkt daarbij, dat
-ocr page 238-
222                                             AFVAL VAN JEZUS.                                       XXVI.
die ware kinderen van God, die hun Heiland eenmaal verlaten heb-
ben, nooit weer worden wat zij eens geweest zijn. Met bittere smart
wordt altijd weer gedacht aan den dag van zonde, aan den dag
van verloochening. O, zegt mij, Geliefden, zou Petrus het ooit ver-
geten hebben dat hij eenmaal, eenmaal zijn Jezus verloochend had?
Daarom, wie onder ons denkt te staan, die zie dan toe dat hij niet
valle! God alleen is machtig om ons in zijn kracht te bewaren,
hier in het strijdperk van dit leven, en voor de zaligheid die be-
reid staat om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.
Daarom moet het gebed van ons hart dag on nacht zijn met
den dichter van ouds:
,()ch, schonkt Gij mij de hulp van uwen Geest! Mocht die mij
op mijn paan ten leidsman strekken!" Ps. 119 : 3.
III.
Geliefden, anderen hebben Jezus verlaten, anderen zijn heenge-
gaan, ja honderden en duizenden; waarom zullen wij dan ook
niet heengaan ?
O, als de Hèere ons aan onszelven overlaat, dan kunnen wij
daarvoor geen reden en geen antwoord vinden.
Maar als de Heere ons in het hart grijpt door zijn genade, als
de Heere ons zijne onmisbaarheid, zijne liefde, zijne dierbaarheid
toont, — dan zeggen wij met een Petrus: „Heere! tot wien zul-
len wij heengaan?" Naar de doode letter en het harde juk der
Farizeën ? Naar de goden der blinde heidenen ? Naar het helsche
ongeloof? Naar het blinde noodlot? „Heere! Gij alleen hebt de
woorden des eeuwigen levens!" Gij hebt dat leven in ons gewekt;
uw Woord alleen kan dat leven voeden. Gij alleen kunt dat bran-
dend hartsverlangen naar eeuwig heil en onsterflijkheid verza-
digen. Neen, Heere Jezus! bij U willen, bij U moeten wij blij-
ven, wij kunnen niet anders: „Gij alleen hebt de woorden des
eeuwigen levens!"
O, moge dit dan ook de betuiging van ons hart zijn, wat een
vroom en getrouw kind des Heeren zegt:
Tot de wereld wedcrkeereu ?
Neen, dit niet in eeuwigheidI
bterk mij, gotde Gee-st des Heeren,
-ocr page 239-
XXVI.                                      AFVAL VAN JEZUS.
223
Die mij hiertoo hebt geleid!
Voed in mi] een droefenis,
Die aan God gevallig is,
Die mij straks een vreugd zal geven,
Boven alle vreugd verheven.
Heer! uw arme Magdalene
Vindt in U liaar hoogste goed;
Niets begeert zij dan dit éene :
Laat mij blijven aan uw voet!
Troost, vernieuw en heilig mij,
Tot ik ganseh gelouterd zij;
Tot ik, juichend voor uw trone
Eeuwig boven bij U wone!
Amen, ja amen!
Te zingen Ps. 119 : 3.
-ocr page 240-
xxvn.
DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.
Te zingen Ps. 105 : 1.
Te lezen Hebreen 12 : 1—15.
Te zingen Ps. 84 : 3.
Het gebed.
Te zingen Ps. 118 : 7.
Tekst Hebr. 12 : 1, 2: Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen
rondom ons hebben liggende, laat ons afleggen allen last en de zonde, die ons lichtelijk
omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan, die ons voorgesteld is;
ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezns, dewelke, voor de
vreugde, die Hem voorgesteld was, het krnis heeft verdragen, en schande veracht, en
is gezeten aan de rechterhand dos troons van God.
De apostel Paulus had gewezen op de natuur des geloofs, op
de kracht en de vruchten des geloofs, en wekt nu de Hebreen op
om naar datzelfde beginsel en voorbeeld in het Christelijk geloof
te handelen en te wandelen.
De voorstelling in deze verzen is zeer schilderachtig. De vol-
harding in het Christelijk geloof wordt vergeleken bij een wedloop,
dien men zegepralend ten einde toe volhoudt; tot dat einde legt
men alles af, wat bezwaart en in den loop kan hinderen, terwijl
men opgewekt en aangevuurd wordt door een groote menigte
van toeschouwers, die, getuigen van den wedstrijd, de loopbaan
omringen.
Dit beeld is genomen van de oude Olympische spelen. Ook sedert
Alexander den Groote zelfs in Palestina bekend. Bij \'t ontwik-
kelen van dit beeld maakt de apostel gebruik van drie omstan-
digheden in verband tot den looper in die oude wedloopen, om
juist daardoor de ernstige vermaning om in het geloof te volharden
tot den einde toe, zeer krachtig aan te dringen:
-ocr page 241-
XXVII.                    DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.                           225
1.    De looper ontdeed zich met groote zorg en nauwkeurigheid
van eiken last, die hem in \'t loopen kon hinderen. Niet alleen van
de overtollige kleederen, maar bijna van al zijne kleederen, zelfs
van het overtollige vleesch door voorgaande onthouding en oefening.
2.   Met lijdzaamheid getroostte hij zich alle opoffering, moeite,
arbeid en zelfverloochening om voor dien wedloop geschikt te
worden en te blijven.
?>. En in het loopen hield hij het oog sterk en onafgewend
gevestigd op den eindpaal van de loopbaan, waar de prijsuitdeeler
gezeten was, om de overwinning toe te kennen en de prijzen uit
te deelen.
I.
De looper ontdeed zich van eiken last.
Niet anders moet het zijn met den Christen, — looper in het
groote strijdperk van dit leven. Paulus zegt:
„Laat ons afleggen allen last, en de zonde, die ons lichtelijk
omringt."
Eiken last.
Ongeloof, die groote zonde der Joden; of schroomvalligheid in
de belijdenis van het Evangelie.
\'t Overtollige vleesch : wereldschgezindheid en vleeschelijke be-
geerlijkheden. „De begeerlijkheid des vleesches, en de begeerlijkheid
der oogen, en de grootschheid des levens;" zelfzucht en ijdelheid,
en de verkeerde zorgvuldigheden dezes levens, zelfs soms geoorloofde
dingen, wanneer zij ons in den Christelijken wedloop zouden
hinderen.
Met een woord: „de zonde, die ons lichtelijk omringt."
De lange kleederen, naar de mode van die dagen, waren hinderlijk
in \'t hardloopen; slingerden zich gedurig vast om de beenen,
en hielden alzoo \'t loopen zeer tegen. Daarom wierp de looper
die ook af, hij was bijna naakt. Denkt hier aan den blinden
Bartimeüs, die tot Jezus kwam, Markus 10 : 50. Zoo moet het
ook met ons zijn. Want dat loopen, wat is het anders dan een
gedurig komen, en altijd nader komen tot Jezus, een gedurig roepen,
15
-ocr page 242-
226                              DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.                      XXVII.
altijd ernstiger roepen: «Jezus, Gij Zone Davids, ontferm u mijner."\'
Aan een zeker hoog geplaatst zeeofficier werd dit eens op een
zeer treffende wijze duidelijk door een wonderlijke gebeurtenis, die
er met hem plaats vond. Hij was verzonken in een leven van diep
ongeloof en grove lichtzinnigheid. De ernstige vermaningen van
een trouwen broeder had hij geduriglijk versmaad Zij broeder stierf;
en veertien dagen na den dood van zijn broeder had hij een droom.
Hij zegt:
„Ik droomde dat ik met mijn broeder op den muur van het
„kerkhof van onze geboorteplaats zat. Het was in den mor-
„genstond, terwijl het ochtendlicht nog nauwelijks begon te da-
„gen. Stil en zwijgend zaten wij hier eene wijle nevens elkander.
„Toen vraagde hij mij: „Wilt gij wel met mij in de kerk gaan ?" Ik
„stemde toe; wij klommen af, gingen door de groote poort, en
„kwamen aan de binnenste kleinere kerkdeur. Door deze sloop
„mijn broeder spoedig heen; ik wilde hem volgen, toen de deur,
„van boven af als een valdeur, nederzonk en mij den weg afsloot.
„Slechts de helft der ruimte bleef nog open. Ik bukte om er ge-
„bogen door te gaan; maar toen zonk de deur nog dieper. Nu liet
„ik mij eerst op de knieën neder, toen legde ik mij plat op\'t lijf,
„en drong en perste mij zooveel mogelijk om door de enge opening
„te komen; doch tevergeefs. Diep bedroefd, en toch onwillig om
„buiten te blijven, nam ik het besluit om mijne kleederen af te
„werpen; slechts een met zilver gestikt vest (onderbaatje) was
„mij al te lief, dat wilde ik aanhouden. Daarop beproefde ik van
„nieuws af om door te dringen, doch tevergeefs. Eindelijk tot
„vertwijfeling gekomen, ontkleedde ik mij geheel, en begon nu mij-
„ zei ven er door te persen. Nu werd mijn vel wel door den scher-
„pen kant afgeschaafd, doch daar ik zag dat ik vorderde, achtte
„ik de smart niet, en zoo raakte ik er door. Nauwelijks stond ik
„weer overeind of een onzichtbare hand deed mij een rein wit
„kleed aan; ik zag aan eene tafel tot het gebruik des Avondmaals
„eene schaar van heiligen aanzitten, en onder dezen ook mijn broe-
„der. Ik zette mij bij hen neder; brood en wijn werden mij toegereikt,
„en een hemelsche vreugde, een zoo verrukkend genot doordrong
„mijne ziel, als geen sterfelijk mensch beschrijven kan. Toen riep
„mij plotseling eene stem tot driemalen bij mijn naam, en sprak:
-ocr page 243-
XXVII.                    DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.                           227
„Men mist u tehuis!" Mijne vreugde was zoo groot en overstel-
„pend, dat zij weldra de zijden banden van den slaap verbrak, en
„maakte dat ik mij op mijne legerstede oprichtte en met luider
„stem God verheerlijkte."
Ziet daar, Geliefden, hoe ernstig die strijd in den wedloop is;
van eiken last moeten wij ons ontdoen; alles moeten wij af- en
wegwerpen, tot het dierbaarste toe, en het wordt menigmaal een
strijd ten bloede toe. Want de rechterhand moet afgekapt, en het
rechteroog moet uitgetrokken worden! Hoort hier, Geliefden, het
woord van Jezus, den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs:
„Nauw is de weg, en eng is de poort, die ten leven leidt."
Treffend wordt de ernst van den strijd des Christens ons ook
nog voorgesteld door hetgeen eens met een zekeren roover gebeurde.
Hij was hoofd van een groote rooverbende. Hij had slaven en
zilver en goud in menigte; maar bij dit al vond hij geen vrede voor
\'t hart, geen rust voor zijn gemoed. Zoo ging hij op een zekeren
dag naar een kluizenaar, die eenzaam, stil en vroom in de woes-
tijn leefde. Hem deed hij de vraag: „Hoe verkrijg ik bij al mijn
macht en schatten ook nog de hope des eeuwigen levens?" De
kluizenaar leidde hem toen naar den voet van een steilen berg,
gebood hem om daar drie zware klippen op te nemen, en om achter
hem dien berg, met die zware klippen op de schouders, te be-
stijgen. De roover spande al zijn krachten in om dit te doen, doch
tevergeefs. Eén voor éen moest hij die klippen laten vallen en
toen kon hij met gemak dien berg beklimmen. En daar op den top
van dien berg klonk toen het wijze woord van den vromen klui-
zenaar: „Mijn zoon, drie zware lasten hinderen u op den weg naar
het eeuwige leven: ontbind de rooverbende, geef vrijheid aan uwe
slaven, en geef terug de schatten op oneerlijke wijze verkregen.
Eer nog kunt gij dezen berg beklimmen met die zware klippen
op de schouders, dan dat gij vrede en rust en waarachtig geluk
zult vinden in macht en wellust en rijkdom."
Geliefden, is het u van harte ernst om den prijs des eeuwigen
levens te zoeken in de loopbaan van den waren Christen, hoort
dan het woord van Paulus: „Laat ons afleggen allen last,
en de zonde, die ons lichtelijk omringt."
-ocr page 244-
228                           DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.                    XXVII.
II.
Maar hoeveel dit ook al zegt, het is nog niet genoeg om den
prijs te behalen.
De looper moest zich ook met alle lijdzaamheid
getroosten elke opoffering en moeite en arbeid en
zelfverloochening, om voor dien wedloop geschikt te
worden en te blijven.
Een paard wordt voor de renbaan getreind, zoo ook de looper
!n die oude spelen. Niemand kon voor zichzelvon een andere loopbaan
bepalen of verkiezen. Elkeen werd zijne plaats in die loopbaan
aangewezen.
Niet anders is het met den Christen-looper. Hij moet alles daar-
voor over hebben, zelfs zijn leven. En, Geliefden, als wij menigmaal
alles, alles over hebben voor wat vergankelijk is, o, hoeveel te
meer moet dit dan niet zoo zijn voor het eeuwige. Daartoe wekt
Paulus ons op:
„Want gij hebt lijdzaamheid van noode; opdat gij, den wil van
God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen." Hebr. 10 : 36.
„Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan loopen, allen wel
loopen, maar dat éen den prijs ontvangt? Loopt alzoo, dat gij dien
moogt verkrijgen. En een iegelijk, die om prijs strijdt, onthoudt zich
in alles. Dezen dan doen wel dit, opdat zij een verderfelijke kroon
zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke." 1 Cor. 9 : 24 en 25.
III.
Moeilijk en ernstig is dus die strijd. Was daar geen bemoediging,
misschien onmogelijk.
Maar de looper had een krachtige aansporing en bemoediging.
a.    De roem en het voorbeeld van vroegere helden.
b.    De groote schare van toeschouwers.
c.   Aan den eindpaal de prijsuitdeeler, zelf een overwinnaar,
met de lauwerkroon in de hand.
Zoo is het ook met den Christen.
a. Hij kan zien op den roem en het voorbeeld van vroegere helden
-ocr page 245-
XXVII.                    DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.                           229
des geloofs. „Daarop wijst Paulus ons, als hij zegt: „Daarom dan,
alzoo wij zoo groot eene wolke der getuigen rondom ons
hebben liggende."
Eenigen van die „wolke der getuigen" noemt hij met name in
kapittel elf. En zouden wij hier niet denken kunnen aan, en spreken
van apostelen en martelaars, van zooveel ware vromen, zelfs van
zoovele bekenden en dierbaren, die God uit genade heeft toege-
voegd tot die groote wolke der getuigen?
b.   Op hen ziet de Christen-looper, en wordt bemoedigd en aan-
gespoord om al zijne krachten in te spannen om uit genade de
kroon des eeuwigen levens te verkrijgen.
En daartoe moet ook het zien op allen die hem om-
ringen hem nog meer opwekken.
c.    Bovenal naar het woord van Paulus: „Ziende op den oversten
Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus."
Aan den eindpaal van het strijdperk des levens is Hij gezeten
aan de rechterhand Gods, met de kroon des levens in de hand, om
eens eiken trouwen strijder daarmede te kronen, als hij den loop
zal voleindigd hebben.
Op Hem dan, Geliefden, medeloopers, medestrijders, het oog
bovenal!
Hij is zelf Overwinnaar boven allen, ja meer dan Overwinnaar
boven allen en alles! Hij gaat ons voor niet alleen als de overste
Leidsman, maar Hij is ook de oorzaak van ons geloof. „De
Vorst des levens." „De Leidsman onzer zaligheid." „De Voleinder
des geloofs." Die het voor ons volbracht heeft op de aarde, in
de kribbe en in Egypte, in de woestijn en in Gethsémané en aan
het hout des kruises. Die het ook voor ons voleindigen zal aan
de rechterhand des Vaders.
En terwijl wij in de loopbaan, die ons voorgesteld wordt, met
lijdzaamheid loopen, steeds het oog op Hem gevestigd, waar Hij
zit aan de rechterhand des Vaders, daar sta voor ons oog bovenal
gedurig zijn voorbeeld!
Het ideaal des geloofs heeft Hij in zichzelven verwezenlijkt, als
een zoenoffer voor onze zonden, en als ons hoogste voorbeeld,
naar hetwelk wij gevormd en veranderd moeten worden. De vreugde
die Hem voorgesteld was, heeft Hem kracht en moed gegeven om
-ocr page 246-
230                              DE WEDLOOP VAN DEN CHRISTEN.                      XXVII.
lijden en kruisdood te verdragen, de vreugde om daarna te zitten
aan Gods rechterhand als Koning en Heiland, om bekeering en
vergeving van zonde te geven ten eeuwigen leven, een iegelijk die
in Hem gelooft. De schande, dien rotssteen der ergernis voor Jood
en Griek, heeft Hij veracht, voor de heerlijkheid aan des Vaders
rechterhand.
Het oog dan op Hem, Geliefden ! Dan loopen wij met lijdzaamheid
de loopbaan die ons van God wordt voorgesteld.
In de kracht en mogendheid van onzen God verdragen wij dan
ook lijden en smart voor de eeuwige vreugde, die ons voorgesteld
wordt.
Door de genade en Geest onzes Heeren Jezus Christus verach-
ten wij dan ook de schande, den rotssteen der ergernis voor zoo
menigen ongeloovige en wereldling; om uit genade, en door
genade, eens te verkrijgen de eeuwige heerlijkheid aan de rech-
terhand des Vaders!
„Ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs,
Jezus", zeggen wij dan ook eens met een Paulus, zelfs in het
heetste van den strijd, ja zelfs bij het naderen van den dood,
den eindpaal van den strijd en loop:
„Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd,
ik heb het geloof behouden.
Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke
mij de Heere, de rechtvaardige Rechter, in dien dag geven zal;
en niet alleen mij, maar ook allen die zijne verschijning liefgehad
hebben." 2 Tim. 4 : 7 en 8.
Dit geve God ons uit genade!
Amen!
Te zingen Ps. 119 : 17.
-ocr page 247-
XXVIII.
HET STERVEN DER GODDELOOZEN.
Te zingen Ps. 130 : 2.
Te lezen Ps. 1.
Te zingen Ps. 1 : 1.
Het gebed.
Te zingen Ps. 1 : 4.
Tekst Spreuken 14 : 32: „De goddelooste zal heengedreven worden in zijn kwaad;
maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijnen dood."
Het sterven van den goddelooze en het sterven van den recht-
vaardige worden hier tegenover elkander gesteld.
En ach, hoe ontzaglijk groot is dat verschil!
Heden wenschen wij met uwe aandacht stil te staan bij het
eerste gedeelte van dit vers, bij het sterven van den goddelooze.
Doch voor wij daartoe overgaan wenschon wij iets in het alge-
meen over sterfbedden te spreken, \'t Is zoo opmerkelijk dat wij
in de Heilige Schrift geen beschrijving aantreffen van het ster-
ven van eene vrome of goddelooze. De Schrift verhaalt ons niet
wat de vrome vaders en de mannen Gods op hunne sterfbedden
gesproken hebben, nog minder wat zij gedaan of gevoeld heb-
ben. Met den eersten oogopslag komt dit ons vreemd voor; meestal
verwachten wij van elk mensch, hij zij dan bekeerd of onbekeerd,
dat hij op zijn sterfbed nog een woord zal spreken dat eenig licht
zal werpen op den toestand zijner ziel in de stervensure. Doch,
op een paar uitzonderingen na, wordt daarvan geen melding gemaakt
in de Heilige Schrift. Denkt maar eens aan het sterven der aarts-
vaders, Abraham, Izak, Jakob en Jozef; wat zij kort of lang
voor hun dood gedaan en gesproken hebben, met het oog op hun
-ocr page 248-
232                           HET STERVEN DEK GODDELOOZEN.                   XXVIII.
sterven, dit wordt ons verhaald; maar niets aangaande de ster-
vensure, dan misschien de enkele uitroep van Jakob: „Op uwe
zaligheid wacht ik, Heere!"
Zoo is het ook aangaande het sterven van Mozes en Aaron,
Samuël en David, Jesaja, Jeremia, Ezechiël, en al de andere pro-
feten.
Zwijgt het Oude Testament dienaangaande bijna geheel en al,
zoo is het ook met het Nieuwe Testament. Treffend wordt het
ons verhaald hoe Johannes de Dooper aan zijn einde gekomen
is, maar geen enkel woord van hetgeen hij zou gesproken of ge-
voeld hebben. En zoo is het ook met de Apostelen en andere
mannen Gods, op twee uitzonderingen na, namelijk het sterven
van Stéfanus en van den bekeerden moordenaar aan het kruis. Niet
minder zwijgt ook de Heilige Schrift aangaande het sterven der
goddeloozen, op een enkele uitzondering na. Met recht komt nu
de vraag bij ons op: Waarom zou de Schrift aangaande de laatste
oogenblikken vooral van de vromen zulk een volkomen stilzwij-
gen bewaren, en ons niet verhalen wat zij gesproken hebben,
of wat zij gedaan hebben, of ook hoe zij gebeden hebben, en hoe
hunne zielen in heilige vervoering zijn gebracht door het zien op
de hemelsche heerlijkheid?
Is het omdat het van minder of zeer gering belang is hoe wij
sterven ?
Is het omdat God het lieflijk licht van zijn aangezicht over een
sterfbed niet wil verheffen, omdat Christus het niet heiligen en
vereeren wil door zijne tegenwoordigheid, omdat de Heilige Geest
het niet omstralen wil met het licht des hemels?
Is het omdat de engelen, die gedienstige geesten, die tot dienst
uitgezonden worden dergenen die de zaligheid beërven zullen,
weigeren den laatsten dienst hier op aarde te verrichten, om de
ontbonden zielen naar de plaats der zaligheid te geleiden, als God
het alzoo wil ?
Is het omdat de beloften, die ons in dit leven, met al zijn moeite,
verdriet en zorgen, ondersteund en vertroost hebben, in de ster-
vensure al hun waarde en kracht verliezen?
Of is het dat de geloovigen niet sterven zooals zij geleefd
hebben; dat al hun geloof, en hoop, en ervaring, en vreugde, en
-ocr page 249-
XXVIII.                   HET STERVEN DER GODDELOOZEN.                            283
verwachting, en gebeden, alles, alles hen toch ten laatste begeeft,
in dat ontzaglijk uur des doods in rook en damp verdwijnt ? Wie
durft het zoo verklaren? Dit zou immers een smet werpen op
de eer der heilige schrijvers van Gods Woord; een laster zijn tegen
Gods vrije genade; een laster op het leven der heiligen; een mis-
kennen van de waarheid en den Geest van God! Voorwaar,
niet om deze redenen, maar wel om geheel andere, bewaart de
Heilige Schrift zulk een nauwkeurig opzettelijk stilzwijgen aan-
gaande het afsterven der godzaligen. Het is om ons te lee-
ren dat het van oneindig meer belang en gewicht is hoe wij
dag aan dag en jaar na jaar leven, dan hoe wij sterven. Het is
om ons te leeren dat ons leven het voornaamste, het hoogste,
het krachtigste bewijs moet zijn voor de waarachtigheid van
ons geloof en van onze heiligmaking, hoop, barmhartigheid en
liefde; het sterven kan daarvoor slechts een ondergeschikt bewijs
leveren.
Het Woord van God zwijgt desaangaande, omdat het zoo gemak-
kelijk kan gebeuren dat een paar woorden op het sterfbed gesproken,
geheel en al verkeerd opgenomen en verstaan kunnen worden;
omdat, tengevolge van zwakheid of van den aard der krankheid,
een stervende nauwelijks instaat kan zijn nog een enkel halfver-
staanbaar woord uit te brengen eer de laatste doodssnik daar is,
dat ver, en oneindig ver te kort schiet om het gevoel des harten
en de ondervinding der ziel uit te drukken.
Het Woord van God zwijgt, opdat wij niet tot de gevaarlijke
gevolgtrekking zouden komen, dat het sterven, en niet het leven,
de toetssteen van ons geloof en onze verwachting moet wezen.
Het Woord van God zwijgt, omdat een sterfbed bed/iegelijk kan
zijn. Of kan niemand sterven en verloren gaan met een leugen
in de rechterhand? Daarom beschrijft het Woord van God ons
veeleer het leven der vromen, opdat wij het weten mogen dat
wiens leven Christus is, voor dien ook het sterven gewin zal
wezen; want alzoo zegt de Heere: „Die in Mij gelooft zal leven,
al ware hij ook gestorven." Maar meent echter niet dat het Woord
van God daarvan zwijgt omdat het onverschillig is aangaande de
wijze van het afsterven der geloovigen. Leest maar eens in Hebreen
elf die heerlijke getuigenis aangaande de wolke der getuigen, en
-ocr page 250-
234                            HET STERVEN DEK GODDELOOZEN.                   XXVIII.
gij vindt juist het tegenovergestelde. Het 13rte vers zegt: „Deze
allen zijn in het geloof gestorven." En vers 39 zegt: „Deze allen
hebben door het geloof getuigenis gehad." En wat is er meer
noodig? Was hun leven Christus, hebben zij door het geloof
getuigenis gehad, laat hun sterven dan wezen wat het wezen wil,
hetzij in triomf, hetzij in zwakheid, hetzij in geheimvolle stilte, zij
zijn des Heeren, eeuwiglijk en altoos! Zwijgt het Woord van God
desaangaande, met zooveel meer kracht en duidelijkheid leert het
ons dat er een hemelsbreed onderscheid is tusschen den dood des
oprechten en des goddeloozen. Daar staat het geschreven:
„Ik heb gezien een gewelddrijvenden goddelooze, die zich uit-
breidde als een groene inlandsche boom. Maar hij ging door en
zie, hij was er niet meer; en ik zocht hem, maar hij werd niet meer
gevonden. Let op den vrome, en zie naar den oprechte, want het
einde van dien man zal vrede zijn."
En wordt dit gedurig door ons aanschouwd? En het woord van
onzen tekst zegt: „ De goddelooze zal heengedreven worden in zijn
kwaad." Waarheen? Gewis naar het eeuwig verderf. „Maar de
rechtvaardige betrouwt," dat is, hij heeft een vaste en zekere
hoop, „zelfs in zijn dood." En is dit niet onze dagelijksche erva-
ring?
Laat de sterfbedden van zoovele goddeloozen en onbekeerden,
die wij aanschouwd hebben, waarvan wij gehoord hebben, of die
voor ons geboekt staan, dan heden voor onze ooren getuigen aan-
gaande de waarheid van dit woord van God: ..De goddelooze zal
heengedreven worden in zijn kwaad!" Hoe sterven de goddeloozen
dan ? Zij sterven op zeer verschillende wijze.
I.
Velen sterven met ij dele wenschen en begeerten
op de lippen.
Eens lag er een man van edele afkomst op sterven; daar brandt
een vuur in zijn kamer; hij ziet naar dat vuur en roept uit:
„Och, kon ik maar in dat vuur duizend jaren branden, om Gods
gunst te verwerven! Maar ijdel, ijdel is mijn wensch en tevergeefs;
-ocr page 251-
XXVIII.                   HET STERVEN DEK GODDELOOZEN.                            235
millioenen en millioenen jaren zullen mij niet nader brengen
aan het einde mijner bittere smarten. O, ontzaglijke eeuwigheid,
ontzaglijke eeuwigheid! Wie zal het zeggen wat dit woord ten
volle beteekent: eeuwig, eeuwiglijk en altoos!" Helaas, de tijd
der genade was voor hem voorbij, die lieflijke tijd, waarin hij de
gelegenheid had gehad om Gods gunst deelachtig te worden, —
niet door duizend, niet door een jaar, of zelfs een uur in een
vagevuur te branden, maar om niet, uit genade door het geloof
in het bloed van Christus!
O, ziet dan toe, Geliefden, dat gij den tijd der genade kostelijk
acht, ja, duur als uw eigen ziel en leven! En toch is het mogelijk
dat de Satan zelfs heden zijn doodelijk vergif in het oor van den een
en ander onder ons blaast! Wat fluistert hij u daar in het oor? „Er
is tijd! Er is tijd!"? Ach! scheurt u van hem los, en van uzelven,
omvat het kruis van Christus — klemt het vast! Er is geen tijd
voor een oogenblik van uitstel. Heden, „heden is het de welaan-
gename tijd, heden is het de dag der zaligheid!"
II.
Andere goddeloozen sterven in bitter zelfverwijt.
De onsterflijke worm der hel knaagt reeds aan hun hart en
geweten, eer nog de adem des levens uitgeblazen is. Zoo riep
eens een jonge man in bitter zelfverwijt uit, toen zijn leeraar
hem bezocht: „Och! dat ik u nimmer gezien en nimmer gekend
had!" — En waarom? Nu stond hem elke opwekking, elke be-
straffing, elke liefdevolle vermaning, elke preek van dien leeraar
voor den geest; nu zag hij daarin zoovele roepstemmen Gods om
hem te redden. Krachtige roepstemmen, die hij verworpen en ver-
acht had; genade en liefde Gods, die hij met de voeten in het
stof vertrapt had! Eens waren zij voor hem stemmen der red-
dende liefde, — thans brengen zij hem niets dan gal en edik, bit-
ter, bitter zelfverwijt! Nu is het te laat. Nu ontroeren zij hem als zoo-
vele stormen der hel. Hij zinkt weg in de diepten der hel! En
ach, daar is het nog erger! Niets dan zelfverwijt, dat als een vuur
brandt, als een worm knaagt! Niets dan zelfverwijt, uit eigen
-ocr page 252-
236                           HET STERVEN DER GOÜDELOOZEN.                   XXVIII.
geweten, uit den mond der onreine geesten ! Eens, eens kon het
beter geweest zijn. Helaas, thans is liet voor eeuwig te laat! —
Dat „eens", Geliefden, gij hebt het nog; maar ziet toe dat het
niet veranderd worde in een ,eeuwig te laat!"
III.
Er zijn ook goddeloozen die met
heid en in volslagen verharding
ij d e 1 e lichtzinnig"
de eeuwigheid in-
gaan.
Zoo wordt het verhaald van een zekeren zeer bekenden, geleerden
Godloochenaar (Hume), dat hij op zijn sterfbed nog al schertsende
sprak van die groote rivier in de oude fabelleer, waarover men
dan gezegd werd naar de andere wereld — het zoogenaamde
doodenrijk — te zullen gebracht worden met een schuit, waarvan
de roeiers en stuurlieden krankzinnig zouden zijn. Zelfs zijn laatste
oogenblikken waren hem te lang; die bracht hij nog door met een
zeker soort van kaartspel!
Onbegrijpelijk, onmogelijk, zegt gij misschien, dat een arme, nietige
mensch zoo de oogen sluiten kan om voor God te verschijnen! Ja,
het is vreeselijk. vreeselijk, Geliefden, maar onmogelijk en onbe-
grijpelijk niet. Zulk een vreeselijke toestand ontstaat uit een
schijnbaar klein en nietig begin. En indien gij u voor dat klein
begin niet hoedt en wacht, dan kan zulk een einde ook uw einde
worden. Heden sluit gij misschien oor en hart voor de roepstem
van Gods Woord; morgen voor de roepstem van tegenspoed;
overmorgen voor de roepstem van een treffend sterfgeval, van een
ongeluk of zware krankheid, — zoo gaat het voort, hoe langer hoe
verder op den weg van lichtzinnigheid en verharding, — en kan uw
einde dan anders wezen? „Dwaalt niet, Geliefden, God laat zich
niet bespotten; zoo wat de mensch zaait dat zal hij ook maaien."
O, mochten wij het toch eenmaal recht beseffen en ernstiglijk
ter harte nemen, hoeveel daar van dit éene oogenblik, dit heden der
genade, voor ons afhangt voor de gansche eeuwigheid! Luistert dan
naar het woord van Paulus: „Werkt uws zelfs zaligheid met vreeze
en beven; want het is God die in u werkt." Fil. 2 : 12.
-ocr page 253-
XXVIII.                  HET STERVEN DER GODDELOOZEN.                            237
IV.
Velen sterven ook nog in wanhoop.
Gedenkt aan Judas Iskariot!
Vreeselijk was ook het einde van een anderen geleerden Godlooche-
naar.
In en door een ijdele philosophie zocht hij zijne heerlijkheid. Toen
hij op sterven lag, kwam een zijner metgezellen hem bezoeken, en
deed hem de vraag, niet: Hebt gij nu berouw ? Bidt gij ? Gelooft
gij? Zijt gij eindelijk bereid om uw God te ontmoeten? Neen,
niet dat; maar wel, zooals het ook van hem te wachten was,
deze vraag: „Wordt gij nu eindelijk verzadigd met heerlijkheid?"
— En vreeselijk was het antwoord: „Wat? Verzadigd met heer-
lijkheid? Ik sterf in onuitsprekelijke smart en pijniging!" Tot
zijn geneesheer zeide hij: „Ik ben verlaten van God en mensch!
De helft van mijn rijkdom geef ik u, als gij mij nog zes maanden
in het leven houdt!" Het antwoord was: „Gij kunt geen zes weken
meer leven." „Dan," zegt de stervende man, en het bed beeft en
schudt onder de van pijn en angst trillende ziel en lichaam, „dan
ga ik naar de hel en gij gaat met mij!"
Geliefden, hoe krachtig spreekt het Woord van God, bij de
gedachte aan zulke sterfbedden, tot onze bekeering, tot onze
waarschuwing:
„Die afkeerig van hart is zal van zijne wegen verzadigd worden."
En wederom:
„Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht geweest zijn,
en de hemelsche gaven gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes
deelachtig geworden zijn;
En afvallig worden; die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot
bekeering, als welke zichzelven den Zoon van God wederom krui-
sigen en openlijk te schande maken."
Hoe duidelijk getuigen zulke sterfgevallen niet aangaande de
waarheid van Gods Woord: „De goddelooze zal heengedreven
worden in zijn kwaad!" Zijn einde is ellende en het eeuwig verderf.
En al hebben zij ook menigmaal hier op aarde geen banden tot
den dood, of in den dood, toch is hun einde niets anders dan
ellende en verderf.
-ocr page 254-
238                              HET STERVEN DER GODDELOOZEN.                     XXVIII.
Geliefden, zegt nu niet: „Zulke goddeloozen, zulke onbekeerden
zijn wij toch niet!"
Geliefden, dit heb ik ook niet gezegd! En ik zeg het ook niet!
Maar Gods Woord zegt: „De goddeloozen zullen terugkeeren naar
de hel toe, en alle Godvergetenden." Hoort dan en verstaat,
het is genoeg om den dood der goddeloozen te sterven, dat men
slechts God vergete! Een iegelijk van ons beproeve zichzelven.
Wacht u voor alle grove en openbare zonden. Maar hoedt uwe
zielen nog meer voor alle verborgen afdwalingen. En God leere
ons steeds te bidden: „Wie zou de afdwalingen verstaan? Reinig
mij van de verborgen afdwalingen. En leid mij op den eeuwigen
weg!"
Amen.
Te zingen Ps. 19 : 6.
-ocr page 255-
XXIX.
HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.
Te zingen Ps. 33 : 7.
Te lezen 2 Corinthe 5 en 6 : 1—10.
Te zingen Ps. 119 : 1.
Het gebed.
Te zingen Ps 116 : 8.
Tekst Spreuken 14 : 32b: De goildelooze zal heengedreven worden in zijn kwaad;
maai- de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijnen dood.
Naar aanleiding van het eerste gedeelte van dit vers hebben
wij uwe aandacht bepaald bij het sterven der goddeloozen; naar
aanleiding van het laatste gedeelte van dit vers bepalen wij thans
uwe aandacht bij den dood des rechtvaardigen.
Hebben wij het gezien hoe de goddelooze heengedreven wordt
in zijn kwaad eeuwiglijk en altoos; thans zullen wij het aan-
schouwen hoe de rechtvaardige een vaste, levende en heerlijke
hoop heeft ook in de ure des stervens; de rechtvaardige betrouwt
zelfs in den dood op den Heere, zijn God en Zaligmaker.
En dit zullen wij het best zien als wij ons in den geest ver-
plaatsen bij het sterfbed van zoo menig geloovige, waarvan eene
getuigenis voor ons bewaard is; als wij ons voor den geest roepen
het sterfbed van geliefde betrekkingen en bekenden, die in den
Heere ontslapen zijn; als wij acht geven op de wijze, waarop zoo
menig kind van God het leven des tijds met het leven der eeuwig-
heid verwisselt.
-ocr page 256-
240                           HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.                     XXIX.
I.
En dienaangaande merken wij in de eerste plaats op:
Dat velen dit leven biddende verlaten.
Zoo wordt het ons verhaald van een vromen Engelschen leeraar,
dat hij den dood zijns broeders beschouwde als een bijzondere stemme
Gods, persoonlijk tot hem gericht: „Schik u om uwen God te
ontmoeten!" Het was hem een ernstig en zeker voorteeken dat
ook zijn laatste ure spoedig zou slaan. Was het gebed hem altijd
dierbaar, van af dat oogenblik was zijn leven éen gebed tot-
dat hij biddende den laatsten adem des levens uitblies. Zijn gebeden-
boek was gedurig in zijne hand: had hij kracht om te spreken, dan
riep hij luide tot den Heere; scheen hij te sluimeren, ook dan
nog kon het aan hem gezien worden dat zijn geest met den Heere
worstelde. En toen hij niet meer spreken kon, hief hij nog zijn
oog en gevouwen handen naar omhoog tot den God zijns levens;
en toen tong en mond en oog en hand hun dienst weigerden,
stijf en roerloos zwegen, toen nog ging zijn hart uit in het gebed
naar den God zijns levens, totdat God zijne ziele tot zich nam,
om zijn gebed in eeuwige dankzegging te veranderen!
En hebt gij ook zelf niet reeds bij het sterfbed gestaan van
vader of moeder, van echtgenoot of echtgenoote, van kind of
broeder of zuster, waar het gebed de worsteling van het leven was,
totdat het oog brak, en de mond gesloten werd door de koude
hand des doods?
Zoo vertrouwt de rechtvaardige zelfs tot in den dood. Want:
Bidden is des Christens levensadem,
Des Christens eigen sfeer ;
Zijn wachtwoord aan de poort des doods;
Den hemel gaat hij al biddend in;
II.
Andere kinderen Gods gaan den dood met dankzeg-
ging tegemoet.
Algemeen bekend is de dood van Polycarpus, bisschop van
-ocr page 257-
XXIX.                       HET LEVEN DES RECHTVAARDIGEN.                              241
Smyrna. Hij was een leerling en vriend van den apostel Johannes,
den lieveling des Heeren. Daar staat hij, grijs geworden in den dienst
des Heeren, voor den aardschen rechter; zijne vrienden bidden
hem: ,0, geef toch zooveel mogelijk toe, opdat wij u behouden
mogen"; zijne vijanden, wien hij door zijn geloof en moed en leven
achting afdwong, dwingen hem Christus te vloeken om zijn leven
te redden. En ziet, hij doet zijn mond open, — en wat zegt hij?
„Zes en tachtig jaren heb ik Hem gediend, en nooit heeft Hij mij
kwaad aangedaan, hoe zal ik dan den Koning vloeken, die mij
gered heeft?" — Maar nu is er voor hem dan ook geen ontfermen
meer, geen oogenblik uitstel; reeds is de strafpaal ingeplant en
het brandhout hoog daar omheen opgestapeld; daarheen wordt hij
geleid, daarop wordt hij gezet; touwen worden aangebracht; men
zal hem aan dien paal binden, dat er voor hem geen ontkoming
aan de heete vlammen is. — „Neen," zegt de zesentachtigjarige
grijsaard, „bindt mij niet, laat mij zoo staan; die mij kracht
geeft het vuur te verdragen, zal mij ook kracht verleenen onbe-
weeglijk in de vlammen te blijven staan zonder touw of nagel!"
— Hij staat; aan alle zijden slaan de vlammen uit; vlam en rook
stijgen naar omhoog. Maar met die vlam en die rookwolk ook
de stem en het offer van des grijsaards dankzegging, Gode tot een
weiriekenden reuk!
Zoo toont de rechtvaardige het, dat hij op zijn God betrouwen
kan zelfs in den dood.
III.
Er zijn ook kinderen Gods, die in diepen ootmoed
sterven, maar toch vol van vreugde en blijdschap.
Let slechts op de laatste woorden van een vromen leeraar.
Dit was de taal zijner nederigheid:
„ Naar God zie ik op als naar dien God, die al mijne zonden vergeeft,
die voor mij algenoegzaam is, die al mijne schulden bedekt, die
zijn verbond houdt. Daarom werp ik mij aan zijne voeten neder
als de meest onreine van alle bezoedelden, als de geringste van alle
kleinen, als de armste van al de armen dezer aarde."
Dit is de taal zijner dankbaarheid en liefde:
16
-ocr page 258-
242
XXIX.
HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.
„Hier lig ik machteloos terneer, maar Gods vrijmachtig welbehagen
moet ik loven en psalmzingen, omdat Hij zulk een als ik ben
heeft uitverkoren; Gods ontferming, daar Hij zulk oen als ik
ben genade bewijst; Gods trouw, daar Hij zijn werk voleindigt en
zijne beloften vervult aan zulk een als ik ben!"
Dit is de taal zijns geloofs:
„Eerlang zal mijn oog al de gezaligde zielen en al de heilige
engelen aanschouwen, voor den troon van mijn God en Heiland,
die ook mij bemind heeft tot den dood toe; dan zal ik Hem
zien, dien ik liefheb, ofschoon ik Hem niet zien kan; in wien ik
geloof, ofschoon mijn oog Hem niet ziet, en geloovende mij verheug
met eene vreugde, onuitsprekelijk en vol van heerlijkheid!"
Let op zijn vrede:
„Nu," zegt hij, „is er niets anders in mijn hart dan vrede,
de zoetste vrede. Bij mij is er geen twijfel of vreeze meer, maat-
de allerzoetste vrede; meer vrede kan geen sterveling smaken!
O, welk een vrede en welk eene blijdschap in deze!"
Geliefden, is er iets schooner, stichtelijker, meer vertroostend,
meer bemoedigend dan zulk een sterfbed?
Voegt dan vrij hierbij nog zoo menig sterfbed, waarvan gij zelf
een toeschouwer waart; waar vader of moeder, man of vrouw,
kind of vriend, broeder of zuster, allen moest toeroepen: „Komt en
luistert toe, gij Godgezinden, hoort wat de Heere aan mijne ziel
gedaan heeft!" Waar in de ure des doods zooveel hemelvreugde
was, dat tong en lippen niet moede werden om den lof des Heeren
te zingen, door telkens zoo menig bekend lied keer op keer aan
te heffen, of psalmen als 116, 146, 23 en 73, en zooveel meer.
Gedenkt daaraan, en let op het woord der Schrift: „De goddelooze
wordt heengedreven in zijn kwaad, maar de rechtvaardige betrouwt
zelfs in zijnen dood." Ja: „Let op den vrome, en zie naar den
oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn."
IV.
Andere kinderen Gods gaan de n dood wéér tegemoet
met een brandend en hijgend verlangen om ontbon-
den te worden en met Christus te zijn.
-ocr page 259-
XXIX.                     HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.                           243
Jarenlang is dit de vraag huns harten: „Hoelang, o, Heere,
hoelang nog?" En wederom: „Wachter, wachter, wat is er van
den nacht?"
En hoe meer zij het gevoelen dat hun einde nadert, met des te
sterker verlangen en begeerte klimt hun gebed ten hemel op:
„Kom, Heere Jezus, ja kom haastelijk!" Totdat zij eindelijk,
eindelijk door den dood overgebracht worden in den schoot des
Lams, om eerst daar te rusten van den arbeid hunner ziele.
Dit verlangend uitzien naar den hemel, Geliefden, wordt het
ook onder ons gevonden ? Zijn er ook onder ons velen, die in der
waarheid met Azaf getuigen: „Wien heb ik nevens U in den hemel?
Nevens U lust mij ook niets op de aarde. Bezwijkt mijn vleesch
en mijn hart, zoo is God de rotssteen mijns harten, en mijn deel
in eeuwigheid." Ps 73. En wederom: „Gelijk een hert schreeuwt
naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziel tot U, o, God!
Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik
ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen?" Ps. 42. Wie van
ons zegt met Paulus: „Ik word van deze twee gedrongen, hebbende
begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want
dat is zeer verre het beste" ?
Dit verlangen om met Christus te zijn is toch zulk een duidelijk
kenmerk van ons geloof, van onze hoop en liefde! Maar wordt het
ook bij velen onder ons gevonden? Waarom niet? Geliefden, is dan
deze booze wereld te verkiezen boven het rijk der heerlijkheid ? Of
in deze booze wereld veranderd ? Zijn zonde en verdriet en geween
en zuchting dan van uit deze wereld overgebracht naar den hemel,
dat gij u zoo vast aan de aarde hecht en zoo weinig naar den hemel
verlangt ?
Kan dan het vleesch met al zijn verderf en kwaad te verkiezen
zijn boven die heerlijke wereld der reine geesten, waar geen
krankheid meer is, geen smart en geen dood? „Dit niet," zal
menigeen onder ons zeggen, „dat zij verre, maar ik heb nog een
weinig tijd van noode." O, jongeling en jongedochter, hebt gij
niet vijftien of twintig jaren tijd gehad ? Man en vrouw, telt gij
niet reeds dertig of veertig of vijftig jaren, jaren van genade?
Grijze vader of moeder, hebt gij niet zestig of zeventig jaren tijd
gehad? Zoo lang, en nog niet bekeerd? Zoo lang, en nog niet
-ocr page 260-
244                          HET STEEVEN DES RECHTVAARDIGEN.                      XXIX.
bereid ? Zoo lang, en nog niet moede van de aarde, en nog niet
zuchtend naar den hemel ? Leeft nog tien, nog twintig, nog zestig
jaren, en dan is de onzekerheid misschien nog meer, en zijn de boeien
die u aan den Satan binden nog sterker, en de banden die u aan
de wereld hechten nog lieflijker, en juist daarom bedriegelijker!
Haast u dan om uws levens wil!
Een tweede zegt: „Gaarne zou ik anderen nog langer ten zegen
zijn." Maar, Geliefden, als God ons oproept, zijn wij hier niet meer
noodig; dan heeft Hij voor ons een ander werk te doen, en voor
onze plaats heeft Hij een ander gereed.
Een derde zegt: „Gaarne had ik wat meer zekerheid." Maar,
Geliefden, God kan en zal daarop niet wachten. Zijne genade zij
u genoeg. Stelt uwe zekerheid in Christus!
V.
Er zijn ook geloovigen, die met eene vermaning op
de lippen sterven.
Hoort het woord van den stervenden David:
„En gij, mijn zoon Salomo! ken den God uws vaders, en dien
Hem met een volkomen hart en een willige ziel; want de Heere
doorzoekt alle harten, en Hij verstaat al het gedichtsel der gedach-
ten; indien gij Hem zoekt, Hij zal van u gevonden worden; maar
indien gij Hem verlaat, Hij zal u tot in eeuwigheid verstooten."
Kind, voelt gij het nog hoe de koude hand van vader of
moeder zich om de uwe sloot, u nader trok, om voor het laatst
aan het sterfbed neer te knielen? Kind, hoort gij nog dat zacht
maar ernstig woord van vermaning, met stervende lippen gesproken ?
Echtgenoot, klinkt dat laatste woord des geliefden u niet heden nog
in de ziel ? Ouders, ziet gij nog uw kind, omringd van broeders en
zusters, kleiner en grooter dan hij of zij, die door stervende lippen, in
wonderlijke taal, gedwongen worden tot gehoorzaamheid en liefde
voor elkander, voor ouders, en voor Jezus bovenal ? Vriend, voelt
gij nog dien laatsteu kouden kus van den sprakeloozen vriend
op de wangen; dien laatsten handdruk; ziet gij nog dat dier-
baar oog, zooals het op u staarde, totdat het brak door de macht
-ocr page 261-
XXIX.                     HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.                           245
des doods? Wat gaat dieper in de ziel, wat blijft meer en langer
bij dan zulk een woord, zulk een handdruk, zulk een blik des
doods? Daarom, gedenkt daaraan, Geliefden, en beproeft uzelven
of gij dat laatste woord verloochend en verworpen hebt. Zal
dan het stervenswoord van vader of moeder eens tegen u getuigen
moeten ? Vraagt, vraagt uzelven af als voor God: Zal ik dien
dierbare, dien vroeg ontslapen vriend met blijdschap voor Gods
troon ontmoeten kunnen? Of zullen zijn woord, zijn handdruk, zijn
liefderijk oog mij eeuwig als zoovele duivels vervolgen, in de
ingewanden des doods?
VI.
Er zijn ook kinderen Gods, die zegenend dit leven
verlaten.
Ziet een Jakob op zijn sterfbed, en luistert naar zijn zegenend
woord.
„Hij zegende Jozef, en zeide: De God voor wiens aangezicht
mijne vaders, Abraham en Izak, gewandeld hebben; die God, die
mij gevoed heeft, van dat ik was tot op dezen dag; die Engel,
die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongeren, en dat
in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen,
Abraham en Izak!" Gen.
Zoovele ouders zwoegen en zweeten en sloven zich af dag en jaar
om niets anders dan geld en goud en zilver en schatten aan hunne
kinderen na te laten, maar bekreunen zich menigmaal daar weinig
over. of zij ook aan hunne kinderen zulk een zegen als die van
een David en Jakob kunnen nalaten. Wat grooter schat toch
kunnen ouders hunnen kinderen nalaten dan de gedachtenis aan
een oprecht en vroom, aan een beminnelijk en deugdzaam en god-
zalig leven? En zegt de Heere ook niet in zijn gebod: „Ik, de
Heere uw God, ben een ijverig God, die de misdaad der vaderen
bezoeke aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde lid
dergenen, die Mij haten, en doe barmhartigheid aan duizenden
dergenen, die Mij liefhebben, en mijne geboden onderhouden"?
En wat schooner en lieflijker gezicht kan er gedacht worden,
dan het gezicht dat ons oog daar buiten Bethanië treft, als Jezus
-ocr page 262-
246
XXIX.
HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.
gereed staat om naar den hemel op te varen? „Hij leidde hen buiten
tot aan Bethanië, en zijne handen opheffende, zegende Hij hen.
En het geschiedde als Hij hen zegende, dat Hij van hen scheidde
en werd opgenomen in den hemel."
VIL
Er zijn ook enkele geloovigen, die als overwinnaars
met triomf den dood tegemoet gaan.
Doch dit gebeurt niet zoo dikwijls. Veel meer gebeurt het dat
menig waarachtig kind van God nooit verder komt clan tot de bede
des tollenaars: „O God, wees mij zondaar genadig!"
Menig ander sterft zelfs in geheele duisternis, om eerst in den
hemel door het lieflijk licht van Gods aangezicht omstraald te worden.
Nog menig ander, die als een kind van God in der waarheid heeft
geleefd, moet razend of bewusteloos dit leven verlaten; terwijl
daarentegen menig goddelooze den dood stil en kalm en schijnbaar
gelaten afwacht. Zoodat er nooit genoeg nadruk gelegd kan
worden op dit woord: Niet het sterven zoozeer, maar
allereerst en allermeest is het leven de toetssteen
van ons geloof en onze bekeering.
Daarom, Geliefden, vragen wij ook niet hoedanig uw sterven zal
zijn, maar wel: Hoedanig is uw leven? Juist tusschen het leven
der goddeloozen en het leven der rechtvaardigen is het allergrootste
onderscheid.
Immers, beider toestand is verschillend. De éen zonder God in
de wereld; de ander, wat hij doet en laat en spreekt, het wordt al
gedaan in den naam en tot eere des Heeren Jezus, dankende God,
den Vader, door Hem!
Beider inzicht is verschillend.
De éen bemint den lof der menschen; de ander begeert den
lof des Heeren.
Beider doel is verschillend.
De éen wordt bekoord door de dingen dezer aarde; de ander
zet zijn hart op de dingen die boven zijn, waar Christus is.
Beider vreugde is verschillend.
-ocr page 263-
XXIX.                      HET STERVEN DES RECHTVAARDIGEN.                           247
De een vraagt gedurig in ongeduld en onvergenoegdheid: „ Wie
zal ons het goede doen zien?" De ander bidt: „Heere, verhef het
licht uws aanschijns over ons!"
En ook beider wandel is verschillend.
De éen wandelt naar de wijze dezer wereld. De ander door
den Geest van God; hij draagt de vruchten des Geestes, tot roem
en prijs van Gods genade.
Geliefden, tot welke partij behoort gij? Weet dit: „De goddelooze
wordt heengedreven in zijn kwaad, maar de rechtvaardige betrouwt
zelfs in zijnen dood."
En weet dit daarbij: Zooals uw leven is, zoo zal ook uw
sterven zijn. Dit is de algemeene regel. Want aan uwe vruchten
wordt gij gekend. „Of leest men ook eene druif van doornen, of
vijgen van distelen?"
O, ik bid u, Geliefden, laat dan door en van niemand onzer het
woord van een goddeloozen spotter waar worden: „Gij wilt alles voor
den godsdienst doen, behalve éen ding; gij wilt daarvoor schrijven,
spreken, bidden, lijden, strijden, ja sterven, zoo het noodig is;
maar daarvoor leven, neen, dat wilt gij niet!"
Begeert dan niet alleen met Bileam: „Mijne ziel sterve den dood
des oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!" Maar begeert
ook, ja staat naar het leven der rechtvaardigen.
„Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet," — en uw einde
zal vrede zijn. Maar die hier leven wil als de rijke man, en toch
gaarne sterven als een Lazarus, dien kondigen wij het aan: Hebt
gij hier uwe vertroosting, hier uw hemel op aarde ; verwacht dan
hiernamaals hel en verdoemenis, indien gij u niet bekeert!
Zoo weet dan wat gij doet!
Amen!
Te zingen Ps. 83 : 10.
-ocr page 264-
XXX.
DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.
Te zingen Ps. 62 : 5.
Te lezen Openbaring 21 : 1—5 en 22 : 1—7.
Te zingen Ps. 77 : 2.
Het gebed.
Te zingen Ps. 77 : 6.
Tekst 1 Coriuthe 2:9: Hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft
gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft
dien, die Hem liefhebben.
Met deze woorden wil de apostel Paulus ons toch iets te ver-
staan geven van de onuitsprekelijke en onbegrijpelijke heerlijkheid
en zaligheid des hemels.
I.
Als wij van den hemel spreken, dan bedoelen wij allereerst daar-
mede een zekere en bepaalde plaats. Geheel het Woord des Heeren
spreekt van den hemel als van een bepaalde plaats. De Heere
Jezus zeide: „Ik ga heen om u plaats te bereiden." Henoch en
Elia moeten toch met hunne lichamen naar een bepaalde plaats
zijn opgenomen; het verheerlijkt lichaam van onzen Heiland moet
toch op een zekere plaats zijn; doch genoeg, wij gelooven het
Woord van God. Maar waar is die plaats van eeuwige gelukzaligheid?
Zietdaar eene vraag die niet zoo gemakkelijk kan beantwoord
worden. Eenigen meenen dat het onze hemel en aarde in een
vernieuwde en verheerlijkte gedaante zijn zal; zij gronden hun
gevoelen op de woorden van Petrus: , Verwachtende en haastende
-ocr page 265-
XXX.                        DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.                             249
tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen, door
vuur ontstoken zijnde, zullen vergaan, en de elementen brandende
zullen versmelten. Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe
hemelen en een nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont."
2 Petr. 3 : 12, 13. Vele andere gedachten zijn daaromtrent uitge-
sproken; doch wij gaan die alle thans stilzwijgend voorbij. De
Schrift, het Woord van God, verzekert ons dat er een hemel is
en dat er een hel is; en wat nu voor ons van oneindig meer belang
is dan te weten waar de hemel is en eens wezen zal, — wat
voor ons van oneindig meer belang is, zeg ik, is dit, dat wij toe-
zien om van de hel bewaard te worden en waarlijk in den hemel
te komen.
De vreeselijkheid der hel verschrikt ons, maar de heerlijkheid
des hemels trekt ons aan.
Daarom vragen wij nu verder: Wat voor een plaats zou de hemel
toch zijn? Het Woord des Heeren geeft ons antwoord: Het is een
onbeweeglijk koninkrijk. Hebr. 12 : 28. Het is een gebouw van God,
niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. 2 Cor. 5 : 1.
Het is een stad, die fondamenten heeft, welker kunstenaar en
bouwmeester God is. Hebr. 11 : 10. Het is een huis met vele
woningen. Joh. 14 : 2. Het is die groote stad, het heilige Jeruzalem,
nederdalende uit den hemel van God." Openb. 21 : 10. De konink-
rijken der aarde zijn het eene na het andere bewogen en voorbijgegaan;
de fondamenten van de oudste en sterkste en heerlijkste steden
der aarde zijn verwoest tot op en in den grond: sterflijke handen
hebben ze gebouwd, en sterflijke handen hebben ze verwoest; maar
het koninkrijk van God is een eeuwig koninkrijk, en alle koninkrijken
der aarde zullen daaraan onderworpen worden, zij zullen den Heere
dienen.
Als gij iets van de alles teboven gaande heerlijkheid des hemels
weten wilt, leest dan slechts de laatste twee hoofdstukken van de
Openbaring van Johannes, en gij moet uitroepen: Zoo kan geen
mensch schrijven; het is God zelf, en God alleen! „De fondamenten
zijn met allerlei kostelijk gesteente versierd. En de stad is won-
derbaar groot. De muur is van jaspis. De huizen zijn paleizen,
en die paleizen zijn van zuiver goud, gelijk doorluchtig glas. Hare
poorten zijn van paarlen, en elke poort is uit éene paarl. Hare
-ocr page 266-
250                            DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.                        XXX.
wachters zijn engelen. De troon van God en het Lam is in het
midden der stad. Een zuivere rivier van het water des levens,
klaar als kristal, komt voort uit dien troon van God en het Lam.
Aan beide oevers van die zuivere rivier staat de boom des levens,
voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende
zijne vrucht. En zijne bladeren zijn tot genezing der heidenen.
Daar is geen tempel; daar is geen nacht, daar schijnt geen maan
of ster; en de zon komt daar niet op en gaat daar niet onder;
want de Heere, de Almachtige God, is haar tempel, en het Lam;
en de heerlijkheid Gods verlicht haar, en het Lam is hare kaars,
en de verloste zielen zijn hare sterren! Voorwaar, Geliefden, het zal
nog iets anders zijn, in dat nieuwe Jeruzalem rondom den troon
van God en het Lam neder te zitten, dan hier beneden op aarde
in de schaduw van zijn huis of rondom de Avondmaalstafel! Voorwaar,
Geliefden, „hetgeen het oog niet heeft gezien, en het oor niet heeft
gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen
God bereid heeft dien, die Hem liefhebben." Zoo mogen wij wel
verrukt van zielevreugde uitroepen als wij de heerlijkheid des
hemels op zichzelve beschouwen!
II.
Maar met niet minder zielverrukkende vreugde zullen wij dit
met Paulus uitroepen als wij de heerlijkheid des hemels in de tweede
plaats beschouwen in betrekking tot degenen die haar eens ont-
vangen en genieten zullen. De onuitsprekelijke zaligheid van dien
allesovertreffenden heerlijken hemel zal aan de gezaligde zielen op
tweeërlei manier kenbaar worden: door dat daar veel bittere
zaken afwezig zullen zijn, die altijd hier op aarde gevonden worden;
en door dat daar veel zal gevonden worden dat hier op aarde
volstrekt niet, of niet zóo kan genoten worden. Thans bepalen wij
elkander alleen bij die bittere dingen, die in den hemel niet worden
aangetroffen.
1. Daar wordt geen gebrek gekend! „Zij zullen niet meer
hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet
vallen, noch eenige hitte. Want het Lam, dat in het midden des
troons is, zal hen weiden, en zal hun een leidsman zijn tot levende
-ocr page 267-
XXX.                        DE HEMEL EN ZIJNE HEEKLIJKHEID.                            251
fonteinen der wateren." Openb. 7 : 16, 17. 0, arme broeder en
zuster in het midden van ons, hoort dit en verheugt u in uw
Heiland! Ja, hoort toch hoe Hij u van den troon zijner genade en
volheid toeroept: „Ik ben het brood des levens!"
2.     Daar is niemand meer onvolmaakt of met zwakheden
geplaagd.
De beste menschen blijven hier op aarde toch nog maar menschen.
Met de beste wenschen en beste bedoelingen dwalen wij toch nog
menigmaal. Ons verstand verlaat ons ; de wil misleidt ons; beslistheid
ontbreekt; de moed begeeft ons; liefde en toegenegenheid worden
koud en zwak; of onze woorden en daden worden verkeerd opge-
nomen, verkeerd verstaan en verklaard. Ja waarlijk, Geliefden,
„wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele. Doch wanneer
het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is
teniet gedaan worden." 1 Cor. 13 : 9 en 10.
Wie is er onder ons die dit ondervinden, die dit lijden moet?
O, mijn broeder, mijne zuster, het Woord van God zegt u, hier op
aarde is er toch nog altijd Eén die u verstaat, en daar in den
hemel is in der eeuwigheid geen zwakheid of misverstand meer!
3.   Daar wordt niemand moede of mat.
„Zij rusten van hunnen arbeid." Lang hebben zij de hitte des
daags gedragen en de koude des nachts geleden; maar daar is het
voor eeuwig voorbij. Daar rusten zij. Ja, zij rusten in den hemel,
in Christus, in den schoot van den almachtigen God en Vader! O,
vermoeide en matte ziel in ons midden, hoor het; hier beneden
door zijn Woord en Geest, en daarboven van zijn troon, roept
Jezus ons toe: „Komt herwaarts tot Mij, allen die vermoeid en
belast zijt, en Ik zal u ruste geven!"
4.     Daar in den hemel wordt niemand beproefd of krank.
Een verheerlijkte ziel en een verheerlijkt lichaam, zij kunnen
niet meer lijden. „En geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek; want
het volk, dat daarin woont, zal vergeving van ongerechtigheid
hebben." Jes. 33 : 24.
Geliefden, wie is er krank in ons midden ? Wie gaat dag aan
dag onder krankheid en ziekten en jammerlijke plagen gebogen?
Wie is er, die door krankheid de krachten verliest? Voor wie een
bittere krankheid het leven vergalt en verbittert? Of komt gij
-ocr page 268-
252                             DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.                        XXX.
van een eigen krankbed? Of komt gij van het krankbed van dier-
baren? 0, hoort het toch, kranke of beproefde broeder en zuster,
hoort toch wat Jezus zegt: „Ia er geen balsem in Gilead? Is er
geen heelmeester aldaar? Ik ben de Heere, uw Heelmeester!" —
0, hoe zalig, hoe troostvol, wanneer zoo menigmaal ook de tee-
kenen van het Avondmaal het ons verkondigen: „Hij was veracht
en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en
verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het
aangezicht voor Hem ; Hij was veracht, en wij hebben Hem niet
geacht! Waarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en
onze smarten heeft Hij gedragen. Hij is om onze overtredingen
verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld. De straf,
die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door zijne striemen
is ons genezing geworden." Jes. 51.
5. Daar in den hemel zal geen smart en verdriet meer
zijn.
Hier op aarde worden onze wangen gedurig nat gemaakt door
bittere tranen. En met waarheid wordt de aarde een tranendal
genoemd. Zoo ontelbaar als de dauwdroppen des nachts, zoo ontelbaar
zijn onze tranen; en op eiken adem des winds worden onze ver-
zuchtingen naar den hemel gedragen. Maar daar in dat nieuwe
Jeruzalem, in die blinkende stad, daar is geen smart en rouw en
verdriet meer!
„God zal alle tranen van onze oogen afwisschen."
Maar zoo spoedig als een traan wordt afgeveegd, zoo spoedig
komt daar een andere! Ja, zóo is het hier op aarde. Maar, neen,
daarboven kan het oog niet meer weenen; want het oorspronkelijk
woord zegt: „God zal alle tranen u it onze oogen uitwisschen."
Daar wordt die fontein voor eeuwig gestopt. En een traan wordt
daar niet gekend. Want, „zij zullen tot Zion komen met gejuich, en
eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen ; vroolijkheid en blijdschap
zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden."
Jes. 35 : 10.
O, wie is er onder ons, die nog dag en nacht zoute en bittere
tranen schreien moet, omdat oude en nieuwe angels hart en ziel
doorboren? Nog een weinig tijds en „God zal al uwe tranen van
uwe oogen afwisschen!" En, gij, mijne broeders en zusters, gij die
-ocr page 269-
XXX.                       DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.                             253
niet anders kunt dan weenen, ja bitterlijk weenen, omdat deze dag
u opnieuw of nog altijd in zwarte rouwkleederen ziet; o, als God
u deed hooren hoe Hij tot uwe dierbaren, tot uwe kleinen
heeft gezegd: „Ga in, ga in tot de vreugde uws Heeren!" O, als
gij hen kondet zien, in lange witte kleederen, met gouden harpen
in de reine blanke handen, spelende met de engelen Gods in het
midden van die blinkende stad! O, als uwe oogen het konden zien
hoe zelfs die kleine teedere kinderen, uwe kleinen, die hier
niet eens nog spreken konden, daar voor den troon van God en
het Lam zingen, juichen, tot zijne eer en heerlijkheid! 0, zegt mij
dan, zult gij dan nog weenen? Zult gij hen dan nog weer terug
begeeren op de aarde? Neen, die Heiland Jezus, die uwe dierbaren
daar omhelst, Hij zegt ook heden tot u: „God zal alle tranen, —
ook deze tranen, van uwe oogen afwisschen!"
6. Want daar in die heerlijke stad van goud en paarlen, daar
is ook geen dood meer!
De dood, — 0, wie kent hem niet; wie vreest hem niet; wie
is daar in ons midden, die niet reeds meer dan eenmaal door zijn
ijzeren hand is gewond en verbrijzeld? O, grijze vader en moeder
in ons midden, de wereld wordt u te veel; de aarde wordt u
te nauw; gij bidt om ontbonden te worden en met Christus te
zijn. Gij voelt het, de dood trekt telkens een pin meer uit,
waarmede het huis uws tabernakels nog aan de aarde vast blijft,
en gelijk eene tent losgemaakt en opgerold wordt, zoo breekt de
dood de broze tent uws lichaams af. Gij voelt het, hij wordt
u te sterk; gij voelt het, haast, haast zal hij overwinnen. Maar
geen nood, als gij Hem kent, die de opstanding is en het eeuwige
leven ! Nog een oogenblik tijds, nog een oogwenk, en diezelfde
dood brengt u voor eeuwig daar, waar geen dood meer zijn zal
tot in der eeuwigheid!
En gij, ouders en vrienden, gij die treurt; gij komt van het
klaaghuis en van het sterfhuis. Gij komt van het graf. Nog beklemt
een bittere angst en smart uw hart als gij er aan denkt hoe gij
geleden en geworsteld hebt, — geworsteld met God om genade en
leven, geworsteld met den dood in zijn koudheid en onverbiddelijke
kracht! O, wij willen met u weenen; als wij in den geest met u
bij het geopend graf, of bij die oude of versche graven van uwe
-ocr page 270-
254                             DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.                        XXX.
dierbaren staan; dan begint ook de wonde van ons eigen hart op-
nieuw te bloeden; deze staat nog eens bij het graf van vader, en
die bij het graf van moeder. De een denkt aan een dierbaren
echtgenoot; een ander staat opnieuw bij het graf van zijn vrouw
of kind; broeders of zusters, vrienden en vriendinnen, lang reeds
geborgen in de aarde, zij verschijnen daar voor onze oogen. En
ach, wij voelen het, die dood maakt ons leven zoo vreugdeloos
en bitter; altijd en overal dood en verderf; rouw en smart; die
bange worsteling met den dood; dat koele klamme doodszvveet; die
dorstige tong en lippen; dat brekend oog; dat bleeke koude lijk;
dat lange witte doodshemd; die sombere stilte des doods, die
zwarte kist; dat laatste zien; dat bitter heengaan naar het
graf; dat dof geklank van de aardkluiten, die onze dierbaren nu
voor altijd van ons scheiden en diep in de aarde verbergen! O,
hoe verschrikt dit alles ons niet!
Maar daarboven in het nieuwe Jeruzalem wordt dit niet meer ge-
zien en geleden. Want „God zal alle tranen van hunne oogen af-
wisschen; en de dood zal niet meer zijn!"
7. En ach! \'t is niet alleen de dood, die ons zoo dikwijls van
onze dierbaarsten op aarde scheidt, maar ook zoo menige andere
omstandigheid of noodzakelijkheid. Wie tosh zal de bittere tranen
kunnen tellen, reeds door ouders en kinderen geschreid, waar zij
van elkander werden gescheurd, en menigmaal voor altijd? Waar
broeders en zusters elkander voor het laatst omhelzen. Waar de
vriend aan zijn vriend den laatsten handdruk geeft. En de vriendin
hare vriendin voor het laatst omhelst en kust. O, wie voelt het
niet met elk jaar, dat wij doorleven, altijd meer en meer: dit,
dit is toch maar het smartelijkste van dit leven, dat alles zoo
onbestendig, zoo wisselvallig, zoo veranderlijk is. Niets is er wat
gewis, en vast, en zeker is, wat altijd hetzelfde blijft! En wat het
dierbaarste voor hart en leven is, dat is dikwijls het kortst van
duur. O, wie heeft in zulke oogenblikken niet diep in zijn hart de
aangrijpende waarheid, maar ook de heerlijke vertroosting gevoeld
van het woord van dat bekende lied:
Hior op aard is leed voor \'t liart,
Hier is pijn en scheidenssmart,
Maar \'t zal eenmaal beter zijn,
Als wij eens bij Jezus zijn!
-ocr page 271-
XXX.                        DE HEMEL EN ZIJNE HEERLIJKHEID.                             255
O, laat die heerlijke stad ons dan lokken en trekken, waarheen
dit woord ons wijst, dat zegt:
„God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de dood zal
niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer
zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan." Openb. 21 : 4.
Dit heeft geen oog gezien, en geen oor gehoord, en is niet
opgeklommen in het hart des menschen, maar God geeft het dien.
die Hem liefhebben!
Amen!
Ps. 126 : 3.