-ocr page 1-
HET BINNENHOF
\'
EN
\'S LAiNDSGEBOUWEN
IN DE
RESIDENTIE
DOOE
Jhr, Mr, VICTOR DE STUERS
,?*ch-R5>3°—
.. .
■ : .
\'S GRAVENHAGE
W. P. VAN STOCK ÜM & ZOON
1891
mhage
-ocr page 2-
N N
BqK
" \'
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2816 595 3
3G3/U4
L
-ocr page 3-
V*** lOgjq
- b(cue*X
0(\\t
Vfi ^ k
HET BINNENHOF
KN
\'S LANÜSGEBOUWEN
IN DE
RESIDENTIE
DOOK
Jhr. Mr. VICTOR DE STUERS
bibü -; rntcK dêr
RijKSUNHVERSITEIT
U T R E C H T
■¥w±j^^>-
S GRAVENIIAliE
W. P. VAN STOCK ÜM & ZOON
1891                5
—-••                       il fit .
;x wurg - ^
ii n«-i" -
KUNSTHISTORISCH INSTITUUT
DER RIJKSUNIVERSITEIT UTR;CHT_
«
•
-ocr page 4-
-ocr page 5-
//Zeer zeker zijn er in Nederland weinig monumenten
van vroegeren tijd, die zoozeer de belangstelling van
allen verdienen, als de historische gebouwen aan het
Binnenhof.//
Minister Havelaar.
In het begin dezer eenw was de administratie, eerst van
het graafschap Holland en Zeeland, later van de Republiek
geconcentreerd in het Binnenhof, het onde Kasteel der graven
van Holland. De Souverein ruimde in de middeneeuwen eenige
vertrekken van zijn slot voor de toen weinig omvangrijke
administratie in: zoo gaf Karel de Stoute het gebouw dat
oorspronkelijk het woonhuis der graven geweest was, aan het
door hem georganiseerde Hof van Holland en Zeeland, en
daarin is tot op den huidigen dag het Gerechtshof van
\'s Gravenhage gevestigd. Naar mate de graven van Holland
minder vaak in den Haag vertoefden, naar diezelfde mate
konden meerdere vertrekken ten behoeve der zich allengskens
uitbreidende administratien ingeruimd worden. Ook nadat er geen
graven meer waren, doch met tusschenpozen Stadhouders het
Binnenhof bewoonden, bleven zich de bureaux in het oude
Kasteel uitbreiden, en telkens wanneer tijdens de Republiek een
stadhouderloos tijdperk intrad, nam die uitbreiding grootere
verhoudingen aan. Zoo werd onmiddelijk na den dood van
WiUiEM II van de gelegenheid gebruik gemaakt om de ver-
trekken door de stadhouderlijke familie ontruimd, voor de
administratie te bestemmen, en ten koste van de prinselijke
-ocr page 6-
4
woning de groote Statenzaal van Holland, nu de l1\' Kamer
der Staten-Generaal, te bouwen.
Het Binnenhof is de plaats geweest waar uitsluitend de
Regeering gedurende de roemrijkste eeuwen onzer geschiedenis
zetelde; daar was het dat de Staten van Holland en de
Staten-Generaal vergaderden, dat de raadpensionarissen werkten ,
dat de prinsen van Oranje, de veldheeren en admiralen der
Republiek de overwinning op de legers en de vloten van
Europa voorbereidden, dat jaren lang de gezanten der vreemde
mogendheden het lot der wereld met onze staatslieden be-
slisten. Voor hem die de geschiedenis van het Binnenhof in
bijzonderheden kent is als het ware elk vertrek, elke steen
de getuige van eenig belangrijk feit uit onze historie, en is
dit complex van gebouwen daarom alleen reeds een hoogst
interessant en eerbiedwaardig monument.
Het is zulks nog uit een ander oogpunt, uit dat der
architectuur, want het geeft in een klein bestek een staal-
kaart te zien van hetgeen op het gebied der bouwkunst
gedurende eeuwen is gewrocht, en het is een beeld van de
decoratieve kunst zooals die zioh in Holland ontwikkelde.
De kern van het Binnenhof is het tegenwoordige Gerechts-
hof door den graaf van Holland en Roomsch (d. i. Romeinsch)
Koning Willem II omtrent 1250 gebouwd, eene constructie
reeds daarom de studie van bouwkundigen waardig, omdat
het een der allereerste gebouwen in baksteen is, welke op Neder-
landschen bodem verrezen. Willem II had daarnaast nog een
groote zaal gesticht, waarvan alleen de kelderverdieping
bewaard gebleven is, omdat zijn opvolger Floi:is V daarover
heen een veel grooter en weelderiger zaal bouwde, de tegen-
woordige Ridder- of Loterijzaal. Dit bouwwerk omstreeks 1275
-ocr page 7-
5
opgetrokken vertoont reeds een aanmerkelijken vooruitgang in
de behandeling van den baksteen, en zijn thans helaas verdwenen
houten kap was een allermerkwaardigste constructie, welke
niet slechts den architect der XIIIC eeuw eer aandoet, maar
ook den hedendaagschen constructeur tot eer zou strekken.
Deze Ridderzaal verdient vrij wat meer de aandacht dan men
ten onzent gewoon is er aan te schenken: immers zalen van
die afmeting uit een zoo verwijderd verleden zijn uiterst
schaarsch, en men kan er tegenwoordig ook in het buitenland
nauwelijks hier en daar, zooals te Londen en te Rouaan, eene
aanwijzen, welke daarmede in een adem genoemd zou kunnen
worden.
De oude Hofkapel welke oorspronkelijk een weelderig ver-
sierd bouwwerk was, prijkende met liet overschoon graf-
monument van Jacoba van Beijeren, waarvan vermoedelijk de
fraaie bronzen beeldjes te Amsterdam in \'s Rijks Museum
bewaard worden, is na door brand geteisterd te zijn, verminkt,
verbouwd en thans schier spoorloos verdwenen. Uit den tijd
der Republiek echter zijn meerdere gebouwen nog min of
meer geschonden voorhanden; zoo het oude Leenhof van
Brabant, het oude kwartier der Stadhouders, waar achter-
eenvolgens Willem I, Maoriïs, Frederik Hendrik, "Willem II,
Willem IV en Willem V, ja zelfs Lodewijk Napoleon verblijf
hielden. Uit de verschillende perioden door deze namen
aangeduid, zijn nog onderdeden en decoratien voorhanden
Machtig verheft zich daarnaast de door Post gestichte Staten-
zaal van Holland (thans 1" Kamer) en iets verder de zaal der
vergaderingen der Staten-Generaal en de in 1697 gestichte
Trèveszaal, welke ook den hedendaagschen Nederlander met
rechtmatigen trots vervnlt over de weelde, den rijkdom, den
-ocr page 8-
6
kunstzin en de grootheid der vaderen. Aan de andere zijde
van liet Binnenhof getuigt de tegenwoordige Tweede Kamer
van de richting welke de kunst nu een eeuw geleden genomen
had, en in dat opzicht is dit eenigszins koude gebouw de
aandacht waard.
Toen de gebeurtenissen van het laatst der vorige eeuw een
geheelen ommekeer in \'s lands bestuur hadden te weeg gebracht
en de administratie van ons land geconcentreerd . gecentraliseerd
en aanmerkelijk uitgebreid werd, kon men met de lokalen welke
het oude grafelijk kasteel bevatte, niet meer volstaan, en zoo
moesten in den loop dezer eeuw ook buiten het Binnenhof tal
van administratiën worden gevestigd in gebouwen welke daarvoor
werden aangekocht, doch geen van allen met het oog op de
nieuwe bestemming waren gesticht. Zoo zijn thans de Ministeriën
van Buitenlandsche Zaken, van Financiën, van Marine, van
Oorlog, van Justitie, van Koloniën, zoo is\'s Rijks Archief, zoo
zijn talrijke andere administratiën en collegiën door de stad
verspreid.
Het is er verre van verwijderd dat de toestand dier gebouwen
bevredigend zou zijn. Integendeel vele daarvan voldoen zelfs
niet aan matige eischen, zoowel wat soliditeit en inrichting
als vooral wat de ruimte betreft. Natuurlijk: behalve de
Departementen van Waterstaat, van Justitie en van Koloniën,
en behalve den Hoogen Raad is geen enkel dier gebouwen althans
wat de hoofdzaak betreft voor de tegenwoordige bestemming
ontworpen geweest. Het personeel is met de administratie voort-
durend uitgebreid, de omvang der archieven neemt sinds 1813
jaarlijks in meetkunstige reeks toe, en de voorzieningen welke
-ocr page 9-
7
telkens ten koste van relatief groote uitgaven getroffen werden,
waren steeds van zoogenaamd tijdelijkeu aard; de duizenden kleine
verbouwingen, uitbrekingen, aanhechtingen van lokalen, inrich-
tingen van zolders, van boven- en benedenhuizen hebben
aanzienlijke sommen verslonden en vaak de stevigheid der oude
gebouwen benadeeld. En trots al de uitgaven welke men zich
getroostte om de bureaux te vergrooten en uit te breiden, is
men er niet in geslaagd overal een bevredigenden toestand te
scheppen. Een aantal gewone huizen moest men buitendien
langzamerhand in huur nemen, als daar zijn: een huis op den
Korten Vijverberg voor bureaux van het Departement van
Binnenlandsche Zaken, een huis op de Bierkade voor den
Inspecteur van het IJkwezen, een huis. op de Varkenmarkt
voor het IJkkantoor, een huis in de van Speijkstraat voor den
Algemeenen dienst van den Waterstaat, een huis in de Houtstraat
voor het Beheer der groote Rivieren, een huis in de Willemstraat
voor den Raad van Toezicht op de spoorwegdiensten, een huis
in de Frederikstraat voor de Permanente Militaire Spoorweg-
Commissie , een huis in de Nieuwe Schoolstraat voor de Normaal-
Schietschool, een huis op den Fluweelen Burgwal voor de
bureelen der Militaire Inspecteurs, een ander in de Korte
Houtstraat voor die van den Inspecteur van den Geneeskundigen
dienst der Landmacht, een ander op het Spui voor het bureel
voor de Artillerie, een huis op de Groote Markt ten behoeve
van het Kantoor van den Waarborg.
Het bestuur van de gebouwen bestemd voor den admini-
stratieven dienst is van ouds in éene hand geweest. Toen zij
uitsluitend op het Binnenhof gevonden werden, dat is in het
oude Hof van den Graaf, werd het gevoerd door de Grafelijk-
heids Rekenkamer, welke in de XVIIe en XVIIP eeuwen
-ocr page 10-
8
werd bijgestaan door een architect met den titel van Controleur.
In deze eeuw werden insgelijks de landsgebouwen in de
Residentie in éen beheer vereenigd dat onder den Minister
van Binnenlandsche Zaken ressorteerde, doch gevoegd was bij
de afdeeling Waterstaat, tot dat het eenigen tijd na het op-
treden van een afzonderlijken Minister voor Waterstaat, Handel
en Nijverheid met ingang van 1 Januari 1878 aan dien Minister
werd overgegeven.
Gaat men na hoe dit beheer in deze eeuw gevoerd is, dan
moet over het algemeen het oordeel ongunstig luiden. De
toevoeging van dit beheer aan den Waterstaat, waarvan het
een onderdeel uitmaakte heeft bedroevende uitkomsten geleverd.
• De voorname rede daarvan was, dat bij Waterstaat noodwendig
de twee voorwaarden gemist werden, noodig voor een goede
behandeling van gebouwen, welke meerendeels èn wegens hun
oorsprong en kunstwaarde èn wegens hun bestemming behooren
tot het gebied der Schoone Bouwkunst. Die voorwaarden
zijn vooreerst grondige kennis der architectuur en waar het
oude monumenten zooals het Binnenhof geldt, der oudheidkunde;
vervolgens belangstelling in de geschiedenis der Bouwkunst
in het algemeen en in de geschiedenis dezer gebouwen in het
bijzonder. Redelijkerwijze mag men niet verwachten deze twee
hoedanigheden vereenigd te vinden bij onze waterstaatsmannen,
wier opleiding in een geheel andere richting zich bewogen
heeft, zoo als blijkt uit de omstandigheid dat aan het hoofd
der Afdeeling Waterstaat beurtelings mannen zijn geplaatst,
die ongetwijfeld uitgebreide kennis en groote verdiensten hadden ,
doch oorspronkelijk waren opgeleid als officier der administratie
of officier der genie. Ook de ingenieurs van den Waterstaat
die jaren lang de landsgebouwen hebben onderhouden, hersteld
-ocr page 11-
9
of verbouwd, waren als officieren dei genie opgeleid, en het
zou wel een wonder geweest zijn, indien zij de speciale kennis
hadden bezeten, noodig om een omvangrijk en gecompliceerd
monument zooals het Binnenhof\' behoorlijk te behandelen. Zij
waren trouwens de eersten om zulks te erkennen, telkens
wanneer eenige ingrijpende werkzaamheid van hen werd gevorderd.
Bovenstaande opmerkingen werden meermalen ook in de
IIe Kamer der Staten-Generaal gemaakt, wanneer, gelijk vroeger
dikwijls voorkwam, over de wanstaltige bouwwerken werd
geklaagd welke van wege „ Landsgebouwen" werden gesticht.
Zoo zeide Mr. Tak van Poort vliet in 1874 *):
, De wijze waarop de Minister de opdracht (van het beheer
der gebouwen aan ingenieurs van den Waterstaat) verdedigde,
doet mij genoegen. Zij toont aan, dat hij met mij overtuigd
is, hoe verkeerd het is, om den ingenieurs van den Waterstaat
het beheer der Rijksgebouwen in het algemeen op te dragen.
Staat deze overtuiging ook bij hem vast, dan beschouwt hij de
algemeene opdracht slechts als een tijdelijke, dan zal de Minister
zeker zoödra mogelijk overgaan tot de toepassing van het juiste
beginsel , , . . dat het beheer der gebouwen, behoort afge-
scheiden te worden van dat der Waterwerken en van dat der
bruggen en wegen".
Evenwel in 1878 vertrouwde Mr. Tak van Poortvmet, Minister
van Waterstaat geworden, de zaken der Landsgebouwen aan een
Hoofdingenieur van den Waterstaat toe......
De toestand was niet beter, toen men ruim dertig jaren
geleden op het denkbeeld kwam om tot architect der Lands-
gebouwen aan te stellen den heer Rosé, een bouwmeester
*) Bijblad 1874-75 bldz. 426.
-ocr page 12-
10
van wien men zich kort te voren te Rotterdam verheugde ont-
slagen te zijn. De wanstaltige, ondoelmatige, onstevige doch
kostbare gebouwen , welke deze buitengewone middelmatigheid
stichtte, zooals de Hooge Raad, het Ministerie van Koloniën,
liet Magazijn van geneesmiddelen, de ijzeren kap der groote
Hofzaal, staan helaas nog daar, en moeten ons tegenover den
vreemdeling, en tegenover ieder man van smaak het schaam-
rood op de wangen jagen. Het is wel een bewijs van onze
achterlijkheid, dat in 1860—1862, toen in geheel Europa de
architectuur sinds geruinien tijd een hooge trap van volmaakt-
heid bereikt had, de Nederlandsche Regeering nog zulke
ondingen stichtte. Men moet rillen bij de gedachte, dat indien
deze architect niet afgetreden ware, hij het gcheele Binnenhof
zou hebben omvergehaald en vervangen door een aantal steenen
en ijzeren kasten volgens het model van Koloniën: de\'ontwerpen
voor dit monsterplan waren gereed en zijn nog aanwezig niet
alleen op het papier maar zelfs in hout.
Dat zulke zaken konden gebeuren is gemakkelijk verklaar-
baar. Zooals hierboven gezegd is, zou men te vergeefs bij
Waterstaat specialiteiten voor Schoone Bouwkunst of zelfs
belangstelling daarin gezocht hebben; en daarenboven ontbrak
elke deskundige voorlichting. Een klasse voor Schoone Kunsten
bij de Kon. Academie van Wetenschappen , zooals men die in
andere beschaafde landen aantreft, bestond en bestaat niet. Eene
commissie van advies voor bouwkundige ontwerpen en monu-
menten evenmin. In 1875 trad wel als zoodanig het collegie van
Adviseurs op, dat in korten tijd ontegenzeggelijk een gunstigen
invloed oefende, ook door sommige ellendige ontwerpen te
ontraden, doch deze instelling werd weldra weder opgeheven,
en sinds dien tijd is er voor den Minister belast met het beheer
-ocr page 13-
11
der Landsgebouwen geen vaste gelegenheid om deskundige
adviezen in te winnen. De toestand is dan ook deze , dat terwijl
aan Waterstaat zelf geen deskundige beoordeeling kan geschie-
den, men geheel afhankelijk is van de inzichten van den bouw-
meester met de ontwerpen en hun uitvoering belast, die uit-
sluitend gecontroleerd wordt ten aanzien van de comptabele
zijde der cpiestie. Wil het toeval dat die bouwmeester voor
zijn taak berekend is, dan is er kans dat hij behoorlijk werk
zal leveren; is hij toevallig een onbekwaam man, zijn gebouwen
zullen slecht zijn. Controle op de deugdelijkheid der ontwerpen
zoowel wat betreft hun doelmatigheid, als het beantwoorden
aan de eischen der Schoone Bouwkunst en der geschiedenis is
er hoegenaamd niet.
Dit euvel is vooral noodlottig ten aanzien der gebouwen
van het Binnenhof. De bijzondere archeologische, historische
en architectonische waarde van de meeste dezer gebouwen
moest reeds nopen om hier nooit dan na nauwkeurig deskun-
dig onderzoek te handelen. Doch uit een ander oogpunt is
aandachtige voorbereiding en voorzichtig overleg hier een
vereischte. Deze gebouwen waren en zijn zeer ongelijksoortig
en geen van allen is oorspronkelijk bestemd geweest voor de
daaraan later gegeven bestemming. Men vindt en vond er
prinselijke verblijven uit verschillende eeuwen, feestzalen en
galavertrekken, uitgebreide ontvangzalen, conciergerien, mili-
taire wachthuizen, wapen magazijnen , reclitsgebouwen, kan-
toren en zelfs eene kapel, alles meermalen ter zake van
tijdelijke behoeften vergroot, verkleind, verbouwd; sommige
deelen in goeden staat, andere gebrekkig of zelfs bouwvallig.
Daarin huizen allerlei administraties, die in den loop der
tijden, men weet nauwelijks hoe, ieder een deel in beslag
-ocr page 14-
12
genomen hebben. Sommige zijn, tengevolge van veranderde
toestanden en gebrek aan controle ruim gehuisvest, andere
bekrompen. nog andere bezetten links en rechts verspreide
lokalen. Verschillende lokaliteiten hebben verder een bestem-
ming gekregen welke niet te verdedigen valt, andere, en
daaronder soms ruime, staan leeg.
Het is duidelijk dat men, eer men ingrijpende verbouwingen
wil uitvoeren waaraan groote uitgaven verbonden zijn, nauw-
keurig die verwarde toestanden behoort te onderzoeken, en
in bijzonderheden moet nagaan welke de behoeften der ver-
schillende administratiën zijn, die men in dit complex van
gebouwen wil vestigen, en op welke wijze, door welke ver-
bouwingen of nieuwe stichtingen men die behoeften het best
zal bevredigen. Doet men dit niet, getroost men zich niet de
moeite vooraf een goed doordacht algemeen plan vast te
stellen, waaraan, zij het ook slechts in een aantal jaren,
uitvoering gegeven zal worden, dan stelt men zich bloot aan
allerlei misrekening, waarvan de gevolgen zijn geldverspilling,
misstanden en geheel onvoldoende lokalen voor de belangheb-
bende administraties.
Het is nauwelijks te gelooven, en toch is het waarheid dat
dit elementaire beginsel niet nageleefd wordt. De geschiedenis
der laatste dertig jaren kan aantoonen hoe lichtvaardig met
de Landsgebouwen in het algemeen en met het Binnenhof in
het bijzonder is omgesprongen en tevens hoe weinig men zich
vaak rekenschap heeft gegeven van de eischen welke hier te
bevredigen waren.
-ocr page 15-
13
Hoe Rosé het Binnenhof wilde behandelen of liever mis-
handelen is reeds boven aangestipt. Onder de door hem ge-
stichte gebouwen behoort ook het Magazijn van geneesmiddelen,
een groote onoogelijke kast achter het Ministerie van Oorlog.
Dit gebouw was bestemd gedeeltelijk voor genoemd magazijn,
gedeeltelijk voor het Topographisch bureau. Of die combinatie
verstandig was, daarom bekommerde men zich niet. Weldra
echter bevond men het tegendeel. Het Magazijn van genees-
middelen behoorde niet te \'s-Gravenhage maar te Amsterdam
te staan, om talrijke in het oog loopende redenen in verband
met \'s lands defensie en met de verzending van geneesmiddelen
naar de Koloniën.\' Voorts was het samenvoegen onder hetzelfde
dak van een topographisch bureau met een kostbaren schat van
kaarten en documenten, en van een chemisch laboratorium,
waar tal van ontplofbare stoffen verwerkt worden, allerge-
vaarlijkst. Het slot is geweest dat men in 1890 een nieuw
magazijn van geneesmiddelen te Amsterdam heeft gesticht en
dat het Haagsche gebouw taliter qualiter wordt ingericht voor
de nieuwe bestemming die men er uu voor gevonden heeft.
Rosé was destijds niet de eenige die absoluut koud was voor
de historische en monumentale beteekenis van het Binnenhof.
Toen de wet van 1 November 1863 het stichten van een paleis
voor de Staten-Generaal bevolen had, om »het grondwettig
verbond van het Koninklijk Stamhuis met het Nederlandsche
volk, waartoe de grondslagen in November en December 1813
gelegd zijn, op waardige wijze te doen herdenken", meende
de Regeering dit edele doel niet beter te kunnen bereiken dan
door van het aloude Hol, waarin de Zwijger, Maurits, Frederik-
Hendrik en zoovele andere Oranjevorsten geleefd en gearbeid
hadden, tabula rasa te maken en een prijsvraag uit te schrijven,
-ocr page 16-
14
om op die door Neêrlands historie geheiligde grondslagen een
gewrocht te stichten, dat gelukkig voor de eer van ons land
nooit verrezen is. Men staat verstomd wanneer men de koel-
bloedigheid ziet waarmede de architecten (Metzelaak , Rosé ,
Godefkoy, Vogel, Gugel) plannen inzonden, volgens welke
nagenoeg het geheele Hof afgebroken werd.JOp al deze plannen
werd alleen het Mauritshuis gespaard (waarop Gugel een ver-
dieping wilde plaatsen) en — risum teneatis — ook Koloniën en
de Hooge Raad. Zelfs de Groote Hofzaal (vulgo Loterijzaal)
vond niet bij allen genade!
Het was toen een slechte tijd voor het Binnenhof. Bleef
het paleisplan buiten uitvoering, hier en daar werden losse
grepen gedaan. Zoo kwam men op het denkbeeld om het
Stadhouderlijk kwartier, de oude woning der prinsen, te
sloopen, waaruit derhalve de bureelen van \'s Konings Kabinet
vertrekken moesten. Men begon op den Fluweelen Burgwal
een nieuw gebouw op te trekken voor die bureelen bestemd,
doch toen het gereed was, weigerde de Directeur van het
Kabinet halsstarrig het te betrekken. Niets hielp, zelfs niet
de valschelijk „pour les besoins de la cause" voorgewende bouw-
valligheid van het Stadhouderlijk Kwartier, welke de toen-
malige Minister poogde in het oogloopend te maken door
onder eenige bogen van de Binnenhof-galerij de lompe houten
stutten te doen plaatsen, die men er jaren lang heeft kunnen
zien staan. Gelukkig bleef de Directeur weigeren; hadde
hij toegegeven, het Stadhouderlijk Kwartier ware wegge-
broken en vervangen door een bouwsel zooals de Staats-
architectuur van die dagen er ons helaas zoovele nagelaten
heeft. De Minister wreekte zich intusschen op de volgende
wijze: hij gelastte der Directie der Landsgebouwen om voortaan
-ocr page 17-
15
het Stadhouderlijk Kwartier buiten elk onderhoud te laten
en derhalve uit het onderhoudsbestek te schrappen. *) Inder-
daad is aan dit gebouw, dat inwendig met prachtige gesneden,
geschilderde en gestukadoorde zolderingen en lambrizeeringen
prijkte, gedurende tien jaren, hoegenaamd geen herstelling
uitgevoerd; geen goot is nagezien, geen lei is gespijkerd.
Aan alle zijden vertoonden zich lekken, en de conciërge van
het Kabinet had er op uitgevonden op den zolder, daar waar
het water binnen druppelde, hopen turfmolm te leggen om
dat water te absorbeeren en het dieper doordringen ervan te
voorkomen! Natuurlijk dat toen men in 1881 —1882 besloot
het Stadhouderlijk Kwartier te herstellen, de verwaarloozing
van dit gebouw grooter uitgaven noodzakelijk maakte dan
anders het geval ware geweest.
Wat men op de plek van het Stadhouderlijk Kwartier zou
hebben te zien gekregen , indien het toenmalig losse denkbeeld
tot uitvoering gekomen ware, kan men opmaken uit een ander
rijksgebouw dat korte jaren daarna werd gesticht, nl. den
vleugel bij het Ministerie van Financiën aan de Parkstraat. Dit
gebouw dat een der voornaamste punten der residentie ontsiert,
is niet alleen smakeloos, het is zoo prullerig gebouwd dat het
stellig binnen een eeuw zal moeten worden afgebroken; en
openbare gebouwen behoorden voor langeren tijd bestemd te
zijn. Ik heb een opgave van de talrijke gebreken welke aan
dezen vleugel kleven, doch zal er maar een paar noemen, die
typisch zijn Toen het gebouw in gebruik genomen zou worden,
wenschte een ambtenaar een kast met boeken en archieven te
") Jaren lang is ilc Gi-enailiei\'spoort, een der schilderachtigste gebouwtjes
vim het Hof, evenmin in liet onderhoudsbestek opgenomen geweest. Hier
was geen systeem, maar alleen nalatigheid in het spel.
-ocr page 18-
16
plaatsen: dit moest hem belet worden! Daarop was het huis
niet gebouwd! Eindelijk vond men er dit op: men bevestigde
de kast met ijzeren stangen, die door het plafond loopen, aan
de kap! De ontwerpen waren aan de afdeeling Waterstaat niet
onderzocht; wie zou dit gedaan hebben ? Van daar dat men
vergat een toegang naar het binnenplein te ontwerpen , waardoor
de wagens met brandstoffen konden binnen rijden. *) Jaren lang
moest het afladen, afwegen en aftellen op straat geschieden.
Eindelijk heeft men een doorgang getimmerd. De voorbijganger
die bij gelegenheid dat er brandstoffen binnen gereden worden,
een kijkje door de geopende deur neemt, zal verbaasd staan
over dien doorgang met zijn rails, trapjes, kleppen en val-
bruggetjes bestemd om midderwijl de circulatie binnen het
gebouw te verzekeren. Intusschen is die latere doorgang toch nog
zoo onbruikbaar, dat men voort gaat de brandstoffen op straat af te
laden! Trouwens de geheele vleugel werd op kosten der gemeente
gebouwd, aan wie men dezen last had opgelegd tot vergoeding
van een strook gronds die het Rijk ter verbreeding der Parkstraat
afstond. De stad vertrouwde alles aan een speculatiebouwer
toe, en Waterstaat keurde zonder behoorlijk onderzoek goed.
In 1876 echter zou Waterstaat zelf gaan bouwen, en de
wijze waarop zulks geschiedde is leerzaam voor de kennis der
toestanden. Er stonden destijds op den hoek van Plein en Lange
Pooten twee gebouwen: het eerste was hetdoor Huijgens gebouwde
huis, dat door hem zelven meermalen als een pronkstuk van
architectuur in verschillende talen was bezongen, en inderdaad
een fraai specimen van de Nederlandsche bouwkunst omstreeks
de helft der XVII1\' eeuw vormde. Het andere was een nagenoeg
\') Vóór de opening der Paleisstraat kon geen brandspuit de achterzijde
dezer omvangrijke gebouwen bereiken!
-ocr page 19-
17
gelijktijdig ambassadeurshotel, in gebruik bij het Ministerie van
Justitie. Het hoofd van dit Departement vroeg aan Binnen-
landsche Zaken, waaronder destijds de Landsgebouwen ressor-
teerden, om een nieuw Departementsgebouw, en zonder meer
werd besloten daartoe de beide bestaande gebouwen te sloopen
en op het vrijvallend terrein te bouwen. Men besteedde al vast
den afbraak van het Huygenshuis aan en vroeg aan de Kamer
een eerste krediet voor een nieuw Ministerie-gebouw op een
volkomen in de lucht zwevende begrooting; men ontzag zich
daarbij niet een alledaagsch voorwendsel te bezigen en het
Huygenshuis als bouwvallig voor te stellen, zoodat afbraak en
een nieuwe stichting onvermijdelijk heetten. Toen de Kamer over
die bouwvalligheid inlichting vroeg, moest men wel verklaren dat
het zoo erg niet was, en toen het gebouw onder de herhaalde
mokerslagen eindelijk bezweek, bleek zonneklaar dat op dit
punt onwaarheid gesproken was De Kamer was niet terstond
tot het toestaan van gelden te bewegen; verschillende leden
wezen op de afschuwelijke gebouwen welke de Regeering aller-
wege stichtte en waren huiverig gelden toe te staan zonder
zekerheid te hebben dat men iets goeds zoude krijgen. De
Minister stelde echter de vergadering gerust door te beloven
dat het een monumentaal gebouw zou zijn en dat de plannen
aan het oordeel van het collegie van Adviseurs zouden worden
onderworpen. Aldus werden de eerste gelden verkregen.
De zaak welke men aanvatte was intusschen geenszins
voorbereid: de Hoofd-Ingenieur van den Waterstaat belast
met het beheer der Landsgebouwen had te kennen gegeven
dat hij zich niet berekend achtte een monumentaal ontwerp
te leveren, en vroeg dat hem een bouwkundige zou worden
toegevoegd. Daartoe werd aanbevolen en benoemd de heer
2
-ocr page 20-
18
Vogel, zonder dat men onderzocht had of de man voor de
taak geschikt was. De gelden waren reeds gevoteerd doch
het ontwerp en wat erger is de denkbeelden aangaande het-
geen men nu en later doen moest, stonden geenszins vast,
zoo weinig dat men het niet eens was of men achter het
Ministerie al dan niet een nieuw Kantongerecht zou bouwen.
Waarom men er een Kantongerecht wilde plaatsen ? Geenszins
omdat men — zooals behoord had — een begin wilde maken met
een voorziening in den jammerlijken toestand der vier Haagsche
rechtsgebouwen (Hooge Raad, Hof, Rechtbank, destijds in een ge-
meentelijk huis waaruit men kon en weldra zou verdreven worden,
en Kantongerecht,) waarvoor geenerlei plan was bestudeerd. Och
neen. Men meende wat meer bouwterrein te hebben dan
Justitie noodig had, en zoo dacht men, dat daar ook wel een
Kantongerecht kon komen. Toen men later het ontwerp
voor het Departement wat grooter teekende, ging het
Kantongerecht weer in de doos.
Voordat aan den Hoofdingenieur de opdracht gedaan
werd om definitieve plannen in te zenden, vond de Minister
van Binnenlandsche Zaken goed den chef van Kunsten
en Wetenschappen te raadplegen. Deze betoogde dat men
hier een grooten hoek van \'s Rijks terreinen ging bebouwen,
rakende aan die van den Hoogen Raad en van Koloniën,
dat deze laatste gebouwen zoo slecht en leelijk waren,
dat het de vraag was in hoeverre men met den tegen-
woordigen vorm daarvan rekening moest houden, dan wèl
volgens andere denkbeelden moest ontwerpen, ware het ook
dat de uitvoering gedeeltelijk eerst veel later zou plaats
vinden. Zoo kon het zijn dat het raadzaam zou schijnen den
nieuwen Ministeriebonw langs het Plein voor den Hoogen
-ocr page 21-
11)
Raad door te trekken, waardoor dit onoogelijk gebouw aan
het gezicht en den spob van het publiek zou onttrokken
worden; ook de toen nog aanhangige qnaestie van een kan-
tongerecht moest in verband met den toestand der overige
rechtsgebouwen worden overwogen; eindelijk behoorde in
overleg met Justitie een goed doordacht programma van eischen
ten behoeve der architecten te worden opgemaakt; in een woord
hij adviseerde tot voorzichtige voorbereiding der bouwplannen,
vooral ook met het oog op de omgeving en de voorzieningen
aan aangrenzende gebouwen noodig. Men moest niet aan een
hoek van de Binnenhofterreinen beginnen, zonder te toeten wat
men verderop zou doen.
De Minister beaamde deze denkbeelden en droeg dien ambtenaar
op die met zijn collega voor Waterstaat te bespreken en hem
een gemeenschappelijk voorstel te doen. Doch deze collega vond
drie weken later goed van een onbewaakt oogenblik gebruik te
maken om den Minister. wien vermoedelijk de zaak niet recht
helder meer voor oogen stond, te bewegen, eenvoudig aan den
Hoofdingenieur de opdracht te geven om de plannen en aanbe-
stedingsstukken gereed te maken en in te zenden. Nadat deze
ingekomen waren, werd daaromtrent — overeenkomstig de
belofte aan de Kamer gedaan — het advies van het Collegie van
Rijks Adviseurs gevraagd. Toen de heeren ter beoordeeling
der ontwerpen het programma van eischen vroegen, waaraan
deze moesten beantwoorden, werd hun dit geweigerd. Het bleek
dat daarvoor een goede, reden bestond: er was namelijk geen
program! Men had zich bepaald tot eenig gekeuvel met den
Minister en den Secretaris-Generaal van Justitie. De Adviseurs
stelden zich nu hunnerzijds met deze heeren in betrekking en
schreven hun eischen en wenschen op, en toen bleek het dat
-ocr page 22-
20
de ontwerpen daaraan geenszins beantwoordden. Uit een archi-
tectonisch oogpunt waren zij overigens ellendig: de gevels
die Vogel ontworpen had waren in den geest van de leelijke
Koningsstallen die hij eenige jaren later in den Princessentuin
bouwde. Het breed gemotiveerd advies van het Collegie was
noodwendig zeer ongunstig. Het werd medegedeeld aan den
Hoofdingenieur, en deze maakte zich van de zaak af door op
de eene helft van de bezwaren niet te antwoorden en op de
andere een volstrekt onvoldoende repliek te leveren, waarop
de chef van den Waterstaat, oordeelende dat het voldoende
was nu de belofte aan de Kamer gedaan formeel vervuld was,
den Minister voorstelde de ontwerpen en bestedingsstukken
definitief goed te keuren. De Minister deinsde echter voor de
verantwoordelijkheid terug en ziende dat hij van den chef
van Waterstaat geen bruikbare adviezen kreeg, besloot hij de
zaken der Landsgebouwen toe te vertrouwen aan den chef
der afdeeling Kunsten en Wetenschappen. Nu volgde een
schier eindeloos gehaspel met de ontwerpen, hetwelk eindigde
met het ontslag van den heer Vogel. Inmiddels drong de
Minister er op aan dat de gevoteerde gelden althans voor een
gedeelte nog in den loop van het jaar verwerkt zouden
worden, want als men voor de tweede maal bij de Kamer
kwam, zonder dat de zaak een begin van uitvoering had
gekregen, ware deze in staat geweest moeilijkheden te
opperen en de gelden te weigeren. Hals over kop werd nu
met behulp van den architect Peters , dien men van het
Ministerie van Financiën leende, een ontwerp tot stand gebracht
en werd nog voor 31 December de aanbesteding van de fun-
deering van de helft van het ministeriegebouw gehouden.
Ziedaar in groote trekken de wordingsgeschiedenis van het
-ocr page 23-
21
Departement van Justitie. Nu de hartstochten bij de stichting
daarvan opgewekt, bedaard zijn, wordt erkend dat het zeer
gunstig afsteekt bij hetgeen voor dien tijd van Regeerings-
wege was gebouwd. Maar men ziet uit de wordingsgeschie-
denis hoe slecht de administratie der Landsgebouwen berekend
was voor de taak die van haar mocht verlangd worden en
hoe van bedaarde studie en voorzichtig overleg geen spoor
te ontdekken was geweest.
Het publiek kon in al die miseries niet doordringen, en het
liet zich aanvankelijk opzweepen door sommige personen die
.destijds om redenen van persoonlijken aard, uit camaraderie, uit
afgunst, uit godsdienstige onverdraagzaamheid, tegen den chef der
afdeeling Kunsten en Wetenschappen een veldtocht ondernamen.
Men nam zijn toevlucht tot allerlei laster, men schroomde niet het
nieuwe Ministerie van Justitie een gothiek gebouw, een klooster
en een kerk te noemen, in de hoop daarmede de papenvrees
der naturellen gaande te maken; zelfs de protestantsche
architect Peters werd door velen voor „verdacht" gehouden.
Toen deze aardigheden niet best gelukten, legde men er zich
op toe te verhalen dat het gebouw schandelijk kostbaar was,
en een onverantwoordelijke weelde vertoonde, en men verge-
leek daartoe de bouwsom welke nu uitgegeven werd met die
waarop het gebouw indertijd door den Hoofdingenieur was
geraamd. Indien ik hiervan melding maak, is het om de
gelegenheid te hebben den ongunstigen indruk wegtenemen,
dien men destijds geheel ongemotiveerd tegen den chef der
afdeeling Kunsten en Wetenschappen te weeg bracht, en die
bij sommigen nog heden zoo sterk leeft, dat een advies van
dien persoon afkomstig met zeker wantrouwen wordt ont-
vangen. Het is in de eerste plaats onbillijk zonder meer de
-ocr page 24-
22
primitieve raming van den Hoofdingenieur te vergelijken met
de werkelijke kosten van het gebouw van den architect Peters.
De rechtvaardigheid en het gezond verstand vorderen, dat
men zich eerst afvrage wat die primitieve raming omvatte
(gesteld dat zij bij uitvoering juist ware gebleken). Deze nu
was eenvoudig een globale gecubeerde raming van een in de
lucht zwevend plan, en betrof uitsluitend den bouw, zonder
afwerking noch binnenbetimmeringen. Bij dit gebouw zou,
zooals later bleek, geen sprake geweest zijn van een gewelfd
onderhuis noch van steenen trappen, zooals de architect Peters
ontwierp tot beveiliging van het archief en voorziening in
geval van brand, noch van tal van lokalen en gemakken
welke later geleverd zijn. De geheele bouw was overigens
niet half zoo stevig en duurzaam ontworpen en eindelijk was
er van sierlijkheid geen sprake hoegenaamd.
Die eerste lage raming beloofde derhalve een weinig stevig,
bekrompen, ondoelmatig, niet brandvrij en onsierlijk gebouw.
De hoogere werkelijke uitgave heeft iets geheel anders bezorgd.
Men mag dus niet de kosten van een goed gebouw met die van
een slecht gebouw vergelijken. Wil men billijk zijn, dan verge-
lijke men monumentale gebouwen onderling, en men vergete
niet dat hier de Kamer zelve een monumentaal gebouw had
verlangd. Ik heb die vergelijking indertijd elders *) in het licht
gegeven, en aangetoond dat terwijl de nieuwe Ministerie-
gebouwen te Londen per M: ƒ948 kosten, het paleis van Justitie
aldaar f 730, het Archiefgebouw aldaar f 650, de Beurs te
Brussel ƒ621,80, ons Departement van Justitie ƒ 404,60 en met
inbegrip van het binnenwerk / 533,20 kost. Nu kan wel toe-
*) Eigenhaard van 1881. blz. 237.
-ocr page 25-
23
gegeven worden, dat op den prijs van dit gebouw ad f 850.000
iets had kunnen bezuinigd worden. doch veel zou dit werkelijk
niet hebben kunnen zijn, indien men althans aan de stevigheid
en de doelmatigheid van het gebouw geen afbreuk had willen
doen. Men zou iets hebben kunnen bezuinigen op de overigens
min kostbare beeldhouwwerken uitwendig, en op het binnen-
werk; doch indien die besparing ƒ15000 hadde bedragen, zou
het al wel geweest zijn, en dit verschil is op een totaal van
ƒ850.000 van weinig beteekenis, te minder wijl niet uit het
oog mag verloren worden , dat de zoogenaamde weelde bij den
bouw van Justitie vertoond, indirekt een weldadigen invloed
heeft geoefend op het bouwvak en op verschillende aanver-
wante kunstindustrieën, die tengevolge dezer artistieke stichting
een duidelijk zichtbare en gelukkige ontwikkeling hebben
verkregen.
Doch ik wensch nog iets op te merken, dat ons tot het onder-
werp van dit schrijven terug voert. Ten onrechte zou men de
moreele verantwoordelijkheid althans van de inwendige weelde
van Justitie op de schouders van den chef van Kunsten en
Wetenschappen laden. Toen met 1 Januari 1878 het gebouw
overging naar het nieuw gevormde Departement van Waterstaat,
was het metselwerk van de eerste helft niet eenmaal voltooid;
al het verdere, en de geheele inwendige afwerking werd onder
toezicht niet van de afdeeling Kunsten en Wetenschappen,
maar van Waterstaat uitgevoerd; en als ik zeg „toezicht", dan
gebruik ik een geijkten doch in casu zinledigen term, want
het is een feit, dat noch de Minister, noch diens Secretaris-
Generaal , noch de chef van Waterstaat ooit gedurende den
bouw een voet op het werk hebben gezet, en dat de plannen
en voorstellen van den architect nooit meer aan eenig onderzoek,
-ocr page 26-
24
laat staan aan eenige inkrimping zijn onderworpen geweest.
En hoe kon het ook anders? Er was aan het Departement
niemand in staat om zulke plannen en voorstellen te beoordeelen.
Blijft men derhalve over weelde klagen , men weet nu tegenover
wien men zulks hoort te doen.
De Landsgebouwen bleven nauwelijks een paar jaren aan
de afdeeling Kunsten en "Wetenschappen toevertrouwd en in
een tijd toen allerlei omstandigheden het den chef dier af-
deeling niet gemakkelijk maakten ingrijpende voorstellen te
doen. Hij werd door zekere lieden openlijk en in het geheim
uitgemaakt voor een gevaarlijken ultramontaan en voor een
geldverkwister, redenen genoeg om den man te wantrouwen;
het personeel waarmede gewerkt moest worden, maakte de zaak
niet gemakkelijk; de Hoofdingenieur toonde grooten onwil,
de zoogenaamde Architect-Ingenieur was een ex-spoorweg-
opzichter voor zijne taak ten eenenmale ongeschikt. Des-
niettemin werden sommige misstanden verbeterd. Aan de
schandelijke verwaarloozing van het Stadhouderlijk Kwartier
werd een eind gemaakt, de herstelling van den voorgevel
van de groote Hofzaal werd met behulp van den Architect
Cuypers — het gewoon personeel was daarvoor niet berekend —
aangevangen. Van administratieven aard was de zuivering der
gebouwen van allerlei dat er niet in hoorde. Bij eene inspectie
bleek het dat tal van lokalen en gebouwen werden misbruikt.
Men vond er een afdeeling van het Roode Kruis, een afdeeling
van den Scherpschuttersbond, een verzameling geraamten en
misgeboorten op liquor van een particulier, en vooral vond
men er tal van gezinnen, achtergebleven familien en klein-
kinderen van lang overleden boden en conciërges, en zelfs een
-ocr page 27-
25
koppel verouderde modisten, allen zonder eenigen titel hoege-
naamd. Al dat goedje werd niet dan met moeite verwijderd, behalve
de familie van een vrouw die voorgaf aan kanker te sterven, doch
nu na 14 jaar nog op het Binnenhof leeft, indien ik mij niet bedrieg.
Trouwens nadat de gebouwen weder onderWaterstaat zijn terugge-
keerd, zijn ook de lodgers langzamerhand teruggekomen, zoodat er
thans op het Binnenhof behalve een opzichter en 8 regelmatige
conciërges, nog wonen een oud-concierge, een kamerbewaarder,
een titellooze weduwe en 4 boden, van welke sommigen een
derisoiren huur betalen; stellig zou een groot aantal der aldus
weggeschonken vertrekken best dienst kunnen doen om althans
tijdelijk te voorzien in den nood aan bureaux.
Nadat met 1 Januari 1878 de landsgebouwen aan het Depar-
tement van Waterstaat waren toegevoegd, dat reeds sedert
eenigen tijd ook de gebouwen van Financiën had overgenomen,
moest het beheer daarvan geregeld worden, en ook hier bleek
hoe weinig stelselmatig men te werk ging. Met de. landsge-
bouwen van Binnenlandsche Zaken had men den zoogenaamden
Ingenieur-Architect overgenomen, die ad interim de functies van
den afgetreden Hoofdingenieur van den Waterstaat waarnam;
met de gebouwen van Financiën kreeg men den architect van
het Departement Peters , die reeds belast was met den bouw
van Justitie. Bij ministerieele beschikking van 19 April 1878
werd de dienst over het geheele land zeer onpractisch gesplitst
in twee geheel onafhankelijke bureaux, het eerste belast met
den aanbouw van nieuwe gebouwen, het andere met het
onderhoud. Het eerste werd opgedragen aan den heer Peters,
het andere aan den zoogenaamden Ingenieur-Architect, omtrent
wiens onbekwaamheid men geen twijfel koesterde.
Aan het Departement zouden de zaken behandeld worden
-ocr page 28-
26
door den Raad-adviseur Fijnje, niet uit hoofde van \'s mans
speciale kennis op het gebied der architectuur, want daarop
liet hij zich te recht geenszins voorstaan, maar om hem een
werkkring te bezorgen. Toen dan ook later deze Raad-adviseur
aftrad, werd hij niet vervangen, en werden de zaken behandeld
eenvoudig door de afdeeling Waterstaat, waarin ook op den
huidigen dag te vergeefs een specialiteit in architectuur zou
worden gezocht, iets dat zeer te betreuren valt waar het geldt
het beoordeelen van architectonische zaken en questiën.
Alhoewel nu de heer Peters was aangewezen voor de stichting
van nieuwe gebouwen, werd de eerste nieuwe bouw dien men
ondernam, — de transformatie van de Hofkapel en het nieuw
Ministerie van Waterstaat — hem onthouden. De man die het
„ gothiesche ultramontaansche klooster" bouwde, dat het
Departement van Justitie moest worden, heette „verdacht".
Men achtte het geen geldverspilling voor dat nieuwe werk
een particulieren architect uit Utrecht, den heer Nieuwenhuijzen
te betalen, omtrent wiens bekwaamheid wel niets gebleken
was, doch die niet , verdacht" was.
Inmiddels werd de zoogenaamde Ingenieur-Architect ziek en
moest men den 18Je" September 1880 den architect Peters
tijdelijk belasten met het geheele beheer van \'s lands gebouwen.
Nadat hij dit beheer anderhalf jaar lang op de loffelijkste
wijze had waargenomen, kwam zijn collega te sterven. Het
ware in het belang van den dienst geweest het beheer in een
hand te houden, want de praktijk had reeds geleerd hoe on-
zinnig het was het onderhoud van een gebouw en het aan-
bouwen van nieuwe lokalen in hetzelfde gebouw aan twee van
elkaar onafhankelijke bouwkundigen toe te vertrouwen. Doch
de heer Peters was nog steeds „ verdacht" en zoo werd bij
-ocr page 29-
27
besluit van 22 Mei 1882 een nieuwe organisatie ingevoerd met
twee van elkaar onafhankelijke bouwkundigen , later Bijksbouw-
meesters genoemd, die elk zoowel den aanbouw als het onder-
houd zouden leiden van de hun toevertrouwde gebouwen.\' De
heer Peters kreeg de Noordelijke provinciën met Gelderland
en Utrecht; zijn nieuwe collega de overige.
Op deze regeling werd en wordt herhaaldelijk inbreuk ge-
maakt. Zoo werd in 1888 aan het le district de provincie
Noord-Holland toegevoegd.
Zoo werden aan den Bouwmeester van het 1\' district allerlei
gebouwen en ontwerpen in \'s Gravenhage en in het 2C district
opgedragen, zooals niet alleen het door hem gebouwde Depar-
tement van Justitie, maar ook de bouw van het Postkantoor
en de ontwerpen voor allerlei nieuwe gebouwen te \'s Gravenhage.
Ook werden hem na het eindigen van het werk door den Architect
Nieuwenhuïzen geleverd, op het Binnenhof de verbouwing van
het Stadhouderlijk Kwartier en de restauratie van de galerijen
toevertrouwd.
Omtrent de grenzen zelven, tot welke zich de werkzaamheid van
het beheer der landsgebouwen tegenover de andere Departe-
menten uitstrekt, is evenmin steeds hetzelfde beginsel gevolgd.
In het algemeen is aangenomen dat de Minister die dit beheer
voert, in den ruimsten zin voorziet in den aanbouw en het onder-
houd van al de gebouwen in gebruik bij de Departementen van alge-
meen bestuur. Toen in 1875 de Minister van Justitie een nieuw
Departementsgebouw begeerde en dit buiten „Landsgebouwen"
om, door zijn Architect voor de Gevangenissen wilde laten bouwen,
verklaarde de Minister van Binnenlandsche Zaken, destijds met
het beheer der Landsgebouwen belast, dat deze stichting door
hem behoorde tot stand gebracht te worden. In 1880 toen de
-ocr page 30-
28
Landsgebouwen onder Waterstaat ressorteerden, en de Minister
van Binnenlandsche Zaken zijn Departement zelf wilde verbouwen,
verklaarde de Kamer zich daartegen, onder opmerking dat die
zaak van „ Landsgebouwen" behoorde uit te gaan. Zoo ook in 1881
toen de Minister van Binnenlandsche Zaken nieuwe archieflokalen
van wege zijn Departement te \'s Gravenhage wilde doen inrichten.
In de laatste jaren wordt echter dit beginsel losgelaten. Werd
in 1880 het huis van Groen voor de Rechtbank nog door Water-
staat gekocht, in 1890 werden eenige perceelen achter het
gebouw van den Hoogen Raad en het Kantongerecht, benoodigd
voor de uitbreiding der Rechtsgebouwen, niet door Waterstaat
(Landsgebouwen) aangekocht, schoon die perceelen strekken om
in de behoefte der landsgebouwen te voorzien, maar door en
ten laste van Justitie. Zoo is onlangs door en ten laste van
Binnenlandsche Zaken een huis aangekocht bestemd om te
voorzien in de tijdelijke behoefte van een laödsgebouw, en
om naar men zegt later als landsgebouw blijvend gebezigd
en onderhouden te worden.
Er is evenwel voor de handhaving van het beginsel iets te
zeggen: wanneer aankopp van perceelen geschiedt van wege
dezelfde directie welke de bestaande gebouwen heeft te ver-
bouwen en uittebreiden, kan men zekerheid hebben, dat steeds
volgens een goed doordacht plan te werk wordt gegaan.
Koopen de verschillende Depai\'tementen elk hunnerzijds, dan
zou het kunnen voorkomen, dat daarbij niet de gewenschte
eenheid van gedachte aangetroffen werd.
In 1879 werd het Binnenhof voor het eerst sinds een eeuw
op groote schaal verbouwd. Het Departement van Waterstaat
had de aloude Hofkapel aangekocht en verbouwde in dat en
-ocr page 31-
29
de volgende jaren de geheele strook gebouwen die zich langs
den Hofvijver uitstrekt van de vergaderzaal der le Kamer tot
aan het Departement van Binnenlandsche Zaken.
De oppervlakkige wandelaar is geneigd deze verbouwing
een welgeslaagde te noemen; hij ziet slechts vluchtig het
uitwendige, en verheugt er zich over dat de gevels een oud-
Hollandsch karakter vertoonen, en dat daaraan, van den Vijver-
berg gezien, niet het gebrek van eentoonigheid aankleeft.
Dringt men echter dieper in de zaak door, dan is het oordeel
ongunstiger. Ook hier zal het blijken dat het in de eerste
plaats ontbroken heeft aan genoegzame voorbereiding.
Bouwt men op een open en ruim veld, dan kan men tot
zekere hoogte veilig er op los bouwen, zonder rondom of
ver vooruit te zien; blijken later nieuwe lokalen noodig, men
kan die allicht nog aanbouwen. Maar waar men te doen heeft
met een bouwterrein zooals het Binnenhof, is het geheel
anders. Daar moet met eiken duim gronds gewoekerd worden,
want het terrein is beperkt; daar moet voorts rekening ge-
houden worden met sommige gebouwen welke men wegens
hun kunstwaarde moet of wegens hun geschiktheid kan laten
staan. Daar is het derhalve een eerste en voorname plicht
vooraf een goed „plan d\'ensemble" te ontwerpen, voordat
men een greep doet in het geheel. Ware men verstandig te
werk gegaan , men hadde vooruit nauwkeurig onderzocht, welke
de behoeften waren der verschillende administratien, die ter
plaatse of in de nabijheid hare lokalen hebben. Men badde
moeten nagaan hoeveel en welke vertrekken benoodigd
waren niet alleen voor het nieuwe Departement van Water-
staat, maar ook voor dat van Binnenlandsche Zaken en voor
de le
Kamer en zelfs voor het Kabinet des Konings. Daarna
-ocr page 32-
30
hadde men moeten bepalen, welke oude gedeelten — zooals b,v.
de Trèveszaal, de zaal der oude Staten-Generaal enz. — in
elk geval behouden zouden worden, en vervolgens een algemeen
plan samenstellen, zoo ingericht dat elke administratie de
benoodigde lokalen op de geschiktste wijze bekwam, hetzij
daartoe bestaande lokalen aangewezen en desnoods verwisseld
werden, hetzij men nieuwe moest aanbouwen. Alleen op die
wijze kon men zich voor misrekening, voor misstanden en
geldverspilling vrijwaren.
Ongelukkigerwijze geschiedde zulks niet. Er werd maar op
los gebouwd. Zoo werd ten behoeve der le Kamer naast haar
groote vergaderzaal en haar koffiekamer een 45 M. lange
reeks lokalen oostwaarts aangebouwd, die de bovenhelft der
Kapel innemen. Onder die lokalen echter strekt zicli het
Departement van Waterstaat uit en vindt men zelfs een drietal
vertrekken bij Binnenlandsche Zaken in gebruik. Onder de
vergaderzaal zelve der le Kamer liet men eenige ruime en
fraaie vertrekken, welke als aangewezen waren voor den dienst
van dit staatslichaam, aan het Kabinet des Konings tot berging
van archieven. Eenige jaren later eerst ontdekte men, dat die
archieven in het Stadhouderlijk kwartier, waarin dat Kabinet
gezeteld is, konden bewaard worden, en zij verhuisden toen
daarheen. Nu werden in die zalen archieven van het Departe-
ment van Oorlog gebracht, die dusverre in het Departement
van Buitenlandsche Zaken gelogeerd hadden en hier evenmin
op hunne plaats waren. Eindelijk zijn in 1890 ook deze archieven
vertrokken en thans worden die zalen in orde gebracht, doch
welke bestemming men aan die lokalen zal geven, dat is eerst
onlangs onderzocht en zonder resultaat, zoodat die bestemming
nog niet is vastgesteld. Dit toont wel hoe lichtvaardig men indertijd
-ocr page 33-
31
handelde. Het is waarlijk treurig, dat op het Binnenhof, waar
zooveel gebrek aan plaats is, men tengevolge van gebrek aan tijdig
overleg groote ruimten verspilt. Hadde men bij de verbouwing
der Hofkapel op de hierbedoelde lokalen gelet, men zou die b.v.
hebben kunnen bestemmen voor de bibliotheek der 1\' Kamer,
en voor anderen diensten van dit collegie, en in verband
daarmede een goed deel der Kapel aan het Departement van
Waterstaat kunnen toevoegen.
Die ruimteverspilling is vooral kennelijk in het Stadhouderlijk
kwartier. Voor den dienst van \'s Konings Kabinet, dat vroeger
een, nu drie verdiepingen bezit, zijn thans veel te veel vertrekken
ingeruimd; zonder bezwaar hadde men sommige aan de le Kamer
kunnen geven, en in verband daarmede aan de oostzijde der
le Kamer, waar de twee Departementen van Binnenlandsche Zaken
en Waterstaat elkaar verdringen, voor deze ruimte kunnen
winnen.
Doch aan dat alles is niet gedacht, ook niet toen het
geheele Stadhouderlijk Kwartier in- en uitwendig werd ge-
restaureerd en verbouwd. In de verste verte heeft men ook
niet nagegaan of de terreinen welke Binnenlandsche Zaken
behield, zouden toelaten aldaar de voor dat Departement ver-
eischte lokalen te plaatsen. Toen dan ook korte jaren daarna
het bouwen van een nieuw Ministerie van Binnenlandsche
Zaken overwogen werd, kwam het voor, dat die terreinen
onvoldoende waren, en rees het denkbeeld om tegenover dat
Ministerie, achter Koloniën een annex te bouwen, dat hetzij
met een brug, hetzij met een tunnel met het hoofdgebouw
in verbinding gebracht zou worden. Wederom later en nog
zoolang niet geleden, toen het plaatsgebrek bij Waterstaat
nijpend werd, overwoog men om dat langs hemelsche of
-ocr page 34-
32
onderaardsche wegen te bereiken annex dubbel zoo groot
te maken, ten einde ook Waterstaat te helpen aan de ontbre-
kende bureaux. Gelukkig zag men nog tijdig in dat een gebouw
op die plaats zoowel de onvermijdelijke uitbreiding, her-
stelling en inrichting van het Gerechtshof als de stichting van
een Rechtbank onmogelijk zou maken; want ook het huis
Groen van Prinsterer, waarin de Rechtbank zetelt, en omtrent
welks geschiktheid in 1880, toen de goedkeuring van den
aankoop daarvan ad f 73000 moest verkregen worden, men niet
genoeg officieelen lof kon spreken, is nu officieel volkomen on-
geschikt verklaard. Eigenlijk had men ook wel mogen over-
wegen of het nieuw te bouwen Departement wel juist voor
Waterstaat het geschiktst was; niet alleen zou men dan
hebben bevonden, hetgeen men kort na de ingebruikneming
ontdekte, dat het gebouw voor dit ministerie te klein was,
maar ook dat het twee groote weelderige lokalen zou bevatten
(de Trèveszaal, en de zaal der oude Staten-Generaal) waaraan
het hoegenaamd niets zou hebben, en waarvoor een ander
Departement (dat van Buitenlandsche Zaken) een passende
bestemming hadde kunnen vinden. Thans doet de eene zaal
nagenoeg nooit dienst, en dient de andere tot doorgang. Buiten-
landsche Zaken zou voor diplomatieke receptien en bijeen-
komsten er een gewenscht gebruik van kunnen maken.
Getroostte men zich de inspanning niet, deze principieele
vraagpunten na te gaan, de technische uitvoering van de losweg
ontworpen nieuwe gebouwen, werd evenmin onderzocht. En
inderdaad, wie zou dat onderzoek hebben ingesteld ? men kan
niet vergen dat de Minister — ook al ware hij niet water-
staatsman, maar bouwkundig ingenieur of architect — persoonlijk
-ocr page 35-
33
de bijzonderheden van ontwerpen nagaat, of de lokale toestanden
der oude Binnenhof-gebouwen bestudeert. Doch aan het Departe-
ment was er geen ambtenaar, die daarvoor berekend was of
zich als een specialiteit in architectuur of kennis van het
Binnenhof hadde willen uitgeven; en het trof dat het collegie
van Rijks-adviseurs juist in die dagen toen het goede diensten
had kunnen bewijzen, werd afgeschaft. Juist toen was het gemis
van een archaeologische commissie te betreuren. Men ging de
aloude Kapel ontmantelen, ontgraven en doorzoeken. Op die
plek meende men dat Oldenbarnevelt begraven was, doch men
wist dat daar een aantal graven en gravinnen welke over
Nederlandsche gewesten geregeerd hadden, den doodsslaap sliepen.
Ergelijk is de manier geweest waarop het onderzoek der rust-
plaatsen van deze oude landssouvereinen plaats vond. Eenige
genoodigden en een aantal „ badauds" woonden nieuwsgierig de
ontgravingen bij, als gold het een loutere aardigheid. Wel had de
Minister Mr. Veegens, griffier der Kamer, uitgenoodigd een relaas
van de bevindingen op te maken, doch verder was voor niets
gezorgd van hetgeen noodig was, om aan zulk een onderzoek
den wetenschappelijken ernst te geven, die alleen het kon
wettigen. Aan een teekenaar die de ontdekkingen in teekening
zou brengen, aan een photograaf die er lichtdrukken van zou
nemen, aan een medicus die den aard der te vinden lijken zou
determineeren, had de Regeering niet gedacht *j; de nieuws-
gierige menigte gaapte de stoffelijke overblijfselen der oude
landsvorsten aan, en van Rijkswege werd de kist waarin het
gebalsemd lichaam van een onzer hertogen eenige eeuwen lang
merkwaardig goed gebleven was, met alcohol begoten, zoodat
*) Schrijver dezer regelen zorgde gelukkig privatim voor teekeningen en
photographiën.
3
-ocr page 36-
34
het, naar mij een deskundige verzekerde, thans wel tot dril zal
zijn vergaan. Ik herinner mij nog levendig hoe verontwaardigd
wijlen Prins Alexander over dit alles was: „als het Vorsten
gold die vijftig jaren geleden overleden waren," zeide hij
mij, „ zou men hun lijkeu niet met zoo weinig eerbied be-
handelen en aangapen; met welk recht doet men het met de
overblijfselen van Vorsten die vijf honderd jaren geleden
overleden zijn?" en inderdaad zulk een grafopening is alleen
dan oirbaar, wanneer niet alledaagsche nieuwsgierigheid, maar
wetenschappelijke ernst daarbij op den voorgrond staat.
Ook bij de goedkeuring der bouwplannen ware een weten-
schappelijk advies geenzins overtollig geweest. In werkelijkheid
vond geen ernstig onderzoek der ontwerpen plaats, en de
nadeelige gevolgen dezer leemte bleven dan ook niet uit.
Het is niet mogelijk zonder uitvoerige teekeningen een
volledige kritiek van hetgeen tusschen 1" Kamer en Bin-
nenlandsche Zaken gebouwd en verbouwd werd, te leveren.
Doch enkele punten kunnen ook zonder plannen besproken
worden.
Een der hoofdfouten welke bedreven zijn, is het aannemen
van een verkeerde vloerhoogte voor de lokalen der boven-
verdieping, welke ten behoeve der lc Kamer ten 0. van
deze en in de Kapel zijn aangebouwd. Deze lokalen zijn
wat de eerste betreft, van de fundeeringen af geheel nieuw;
die welke thans in de kapel gevonden worden, zijn getimmerd
binnen de hooge ruimte dezer kerk, welke eenvoudig bestond
uit vier muren en een zeer hooge houten kap in den vorm
van een tongewelf. Om de hoogte te bepalen, waarop men
de bovenverdieping zou plaatsen, had men de keuze tusschen
twee uitgangspunten in de bestaande 1° Kamer zelve: de
-ocr page 37-
35
vloer van de bovenverdieping der bestaande gaanderij aan de
zijde van het Binnenhof, dagteekenend van 1639, ligt namelijk
lager dan die van de groote vergaderzaal welke op grootscher voet
in 1652—1658 gesticht werd. Het gezond verstand schreef
voor deze laatste hoogte aan te nemen ook voor de nieuwe
lokalen. Vooreerst omdat zoodoende de leden der Kamer „ de
plein pied" uit hunne vergaderzaal en koffiekamer in al de
overige vertrekken konden komen, terwijl het van geringe
beteekenis was of men dit kon doen van de gaanderij uit, die
slechts voor ondergeschikte diensten bestemd is. Maar er
pleitten voor die keus nog gewichtiger redenen. Het plan was
om de grondverdieping in de Kapel te bestemmen voor een
brandvrij archief ten behoeve van Waterstaat, en om die
verdieping met steenen gewelven te dekken. Men behoeft
geen technicus te zijn om in te zien dat, waar men gewelven
moet slaan, vooral over lokalen die zoo hoog mogelijke
archiefkasten moeten bevatten, het zaak is de grootst mogelijke
hoogte tusschen vloer en gewelfskruin te verkrijgen, want
hoe lager het gewelf valt, hoe minder hoog de kasten zullen
zijn, en hoe minder archief geborgen zal kunnen worden.
Ter wille der gewelfde archieflokalen was de keus van het
hoogste peil voor den vloer der bovenverdieping derhalve als
het ware aangewezen.
Evenwel .... de architect koos het lager peil, dat van de
in het gebruik ondergeschikte Binnenhof-galerij. Het gevolg is
geweest: a dat de archieflokalen te laag zijn en derhalve minder
kunnen bergen dan anders het geval ware geweest; b dat
daarentegen de sectiekamers en bureaux op de bovenverdieping
veel te veel hoogte bekwamen, zoodat men onder de oude kap
der kapel allerlei dubbele zolderingen moest timmmeren, waar
-ocr page 38-
36
men anders, bij name ten behoeve der bibliotheek een uiterst
passend, smaakvol en min kostbaar gebruik hadden kunnen
maken van het bestaande houten gewelf der oude, na den
brand van 1644 herbouwde kap der kapel; c dat er tusschen
de vergaderzaal en koffiekamer en al de nieuwe vertrekken
geen andere communicatie is dan langs een smal deurtje en een
halsbrekend kippentrapje; d dat ook een der deuren waarmede
men uit het lage gewelfde archief lokaal treedt, zoo laag is,
dat men het hoofd tegen den bovendorpel stoot.
Hoe de architect er toe gekomen is zoo onpraktisch te werk
te gaan, laat zich wel bevroeden. Denkelijk is hij bewogen
geworden door den lust om de rij vensters der Binnenhof-galerij
op dezelfde hoogte langs den geheelen gevel tot aan den ingang
van het Ministerie van Waterstaat door te trekken. Alsof
dit den doorslag had mogen geven, waar zoovele praktische
eischen in het spel waren, en alsof de schilderachtigheid
van het aanzien der gevels niet veeleer er bij hadde ge-
wonnen , indien de bovenramen der Kapel iets hooger waren
geplaatst geworden. Beziet men nu de Kapel, dan zal men.
opmerken dat de benedenvensters zeer laag bij den grond en
kleiner zijn dan die der bovenverdieping, hetgeen reeds niet
fraai staat; en voorts dat boven deze laatste ramen en onder
de dakgoot een onoogelijk kale en hooge strook metselwerk
zich vertoont, welke de dubbele zolderingen bevat „en déses
poir de cause" aangetimmerd. Hoeveel beter ware het voor den
inwendigen dienst en voor den uitwendigen welstand geweest,
zoo men beide verdiepingen hooger opgetrokken had!
Onoordeelkundig is ook het bouwen van een onnoodige
nieuwe trap vlak tegen en achter de bestaande trap van
Pietek Post ; en hoe smakeloos en onconstructief is deze nieuwe
-ocr page 39-
37
trap gemaakt! de bogen welke op de zuilen rusten zijn slechts
gedeeltelijk van steen; de helft dier bogen is zamengesteld
uit latwerk met een laag kalk en gips overtrokken!
De conciërgewoning, welke om gemakkelijk te begrijpen
redenen beneden bij den ingang behoorde te zijn, is op de
tweede bovenverdieping aan den Vij verkan t zoover mogelijk
van den ingang verwijderd en de nieuwe trap voerende naar
een der kamers van den conciërge is zoo aangelegd, dat men
bij een acrobaat les moet nemen om die zonder gevaar te
bestijgen.
Kon men in de bijzonderheden van dit bouwwerk treden,
kon men de zuiver artistieke details bespreken, de lijst der
verkeerdheden welke hier tengevolge van elk gebrek aan
behoorlijk onderzoek der plannen en teekeningen bedreven
zijn, zou een zeer lange worden. Zoo zou er op te wijzen
zijn dat de profielen, overigens alle in hout. en gips nage-
bootst, uiterst smakeloos zijn, en het is juist aan de fijne
profileeringen dat men den artistieken architect herkent. De
schoorsteenen, de deurbekleedingen in nagebootst eikenhout,
de plafondversieringen, de trappen zoowel van de nieuwe
lokalen der Eerste Kamer als van Waterstaat, zouden den
toets van een artistieke kritiek niet kunnen doorstaan. Mid-
delmatiger werk is nauwelijks aan te wijzen. Zelfs waar men
goede bestaande elementen voor zich had, werd daarmede
niet te rade gegaan. De vensters der Trèveszaal waren voor-
zien van nog oorspronkelijke ruiten, welke — een voor het
einde der XVIP eeuw ongewone weelde — bestonden uit ge-
slepen (bisauté) kristallen platen. Instede van deze ruiten te
eerbiedigen, werden zij allen weggeworpen en vervangen door
gewone glazen, welke een paar centimeter grooter zijn! Stoorde
-ocr page 40-
38
men zich niet aan den oorspronkelijken vorm der vensters, de
architect Nieuwenhuijzen stoorde zich evenmin aan den stijl van
het gebouw der Trèveszaal. Dit gebouw in 1697 gesticht ver-
tooude aan den Vijverkant een eenvoudigen niet versierden
gevel, overeenkomstig den smaak van de Architectuur in dien
tijd. Waar het een restauratie van het Binnenhof gold, hadde
de bouwmeester dit moeten eerbiedigen; in stede daarvan ont-
wierp hij voor deze zaal van 1697 den tegenwoordigen gevel,
welke een — overigens in de bijzonderheden mislukte — naboot-
sing is van een gevel van 1630, dus uit een zeventig jaren
vroegere periode. Tevergeefs vestigde ik daarop indertijd de
aandacht van den toenmaligen Minister van Waterstaat; de
belangstelling in het Binnenhof was niet levendig genoeg om
daarop te letten.
Dit bleek ook toen omstreeks dienzelfden tijd de gevel van
het Stadhouderlijk kwartier gerestaureerd werd. De noorde-
lijke helft van dien gevel, kenbaar aan de grootere steenen,
dagteekent uit het begin der XVIe eeuw en was ten allen
tijde voorzien van steunbeeren. Het overige is uit den tijd
van Eeederik Hendrik. Geheel onnoodig bouwde men ook
hier — „voor de symmetrie" — steunbeeren die er nooit
geweest zijn. Daarentegen weigerde men boven de steenen
poort een eigenaardige steenen lantaarn te herstellen, welke
er blijkens oude teekeningen gestaan had. De onkunde van
den zoogenaamden Ingenieur-Architect en het gemis aan des-
kundig toezicht bleek treffend, juist bij de herstelling der
historische, in haar soort sierlijke Stadhouderspoort. Hier had
men nu letterlijk niets te doen, dan de nog aanwezige vergane
steenen domweg te copieeren, doch zelfs daartoe bleek men
niet in staat; men gaf zich geen rekenschap, dat de geheeld-
-ocr page 41-
39
houwde bladeren welke op den boog liggen, oorspronkelijk
gekapt waren in de steenen zelven , waaruit de boog is
samengesteld, iets dat op constructieve gronden eene nood-
zakelijkheid is. De nieuwe bladeren bestaan uit losse stukken
die met cement aan den boog geplakt zijn! Eenmaal zullen zij
den voorbijgangers op het hoofd vallen.
Hetzelfde gebrek aan onderzoek en voorafgaande kritiek valt
te noteeren bij de inwendige restauratie van het Stadhouderlijk
Kwartier, alhoewel deze over het algemeen gunstig afsteekt
bij die van andere gedeelten van het Binnenhof. De gaanderij
aan de zijde van het Binnenhof door Fkederik Hendrik gebouwd,
prijkte met een houten zoldering in vierkante vakken ver-
deeld ; de vuurroode grond was met zeer sierlijke figuren in
goud beschilderd; van daar dat deze ruime gang, die toegang
gaf tot de statievertrekken der Stadhouders, de „ roode
galerij" heette. Een viertal vakken was nog aanwezig en
gemakkelijk hadde men de ontbrekende kunnen bijwerken.
Instede daarvan heeft men alles vervangen door een gestuka-
doord plafond.
Intusschen hiervan merkt het groote publiek niets. Maar
wat niet onopgemerkt kan blijven, is de ongelukkige gedachte
welke men — alweer bij gebrek aan onderzoek — heeft laten
verwezenlijken, om immediaat boven de plek waar Zijne Majesteit
onze geëerbiedigde Koning, wanneer Hoogstdezelve eenmaal
\'sjaars, Zijne getrouwe Staten-Generaal gaat toespreken, om-
stuwd door Zijn grootwaardigheidsbekleeders, begroet door een
gemengde commissie uit de Kamers in groot gala, uit de
luisterrijke glazen koets stapt, — om juist boven die plek zes
onverholen .... het woord moet er uit ... . zes onverholen
secreten uit te bouwen! Als er één hoek op het Binnenhof is,
-ocr page 42-
10
waar die architectonische dingsigheden hadden moeten vermeden
worden, dan ware het dunkt mij deze.
Men verwijte niet aan mij dat hier de Koning wordt ter
sprake gebracht, maar aan de Regeering die zonder onderzoek
plannen deed uitvoeren, welke zulke misstanden bevatten. Wil
men weten hoe men in Engeland handelde ? Daar heeft men
voor de „ Royul entrance" van het Parlement een portaal ge-
bouwd versierd met een toren ter hoogte van eventjes 103 M.
Ik erken dat wij het op het Binnenhof met wat minder
weelde konden stellen ; maar tusschen den Londenschen „Vic-
toria-tower" en de zeer intieme balcons van het Binnenhof is
het verschil te groot.
Een treffend bewijs der nadeelen van het ontbreken eener
leidende gedachte en van vooruit beraamde en goed over-
wogen plannen levert de geschiedenis van \'s Rijks-telegraaf-
kantoor op het Binnenhof. Aanvankelijk werd dit gevestigd
in een paar lokalen bij het torentje. Eenige jaren later bracht
men de zaak 50 Meter verder over, naar het vroeger gebouw
van den Hoogen Raad in het zoogenaamde Helletje, hetgeen
natuurlijk kosten veroorzaakte. Laat het zich nog verklaren
dat men de telegraaf niet in het hoofdgebouw. van Binnen-
landsche Zaken wilde behouden, ik heb nooit de mysterieuse
redenen van staat kunnen ontdekken, welke beletten die in-
richting te laten in het tweede logies waar zij gehuisvest
was. Een paar jaren later, in 1878, werd bepaald dat
het telegraafkantoor zou overgaan wederom 50 meter verder
naar het voormalig Geldkantoor, waar sinds lange jaren het
Kantongerecht op voldoende wijze gezeteld was. Met groote
kosten had die overbrenging plaats, en werd het Kantongerecht
gedreven naar een allerongelukkigste tweede bovenverdieping
-ocr page 43-
41
aan de noordzijde der groote Hofzaal, zeker de ellendigste
plek die men had kunnen bedenken. Men zegge niet dat men
twee der kamers van den ouden Hoogen Raad waaruit de
telegraaf geamoveerd werd, noodig had om er het bureau
van een der Rijksbouwmeesters te plaatsen. Indien aan dit
bureau de vertrekken ten noorden der groote Hofzaal gegeven
waren, waarheen nu het Kantongerecht moest trekken, hadde
men zonder een cent uit te geven die bureaux geholpen.
Nu werden geheel onnoodig belangrijke sommen verkwist
met dit resultaat dat de telegraaf een veel te ruim en
het Kantongerecht een allerongeschiktste lokaliteit bekwam.
Weder eenige jaren later, in 1887 , verhuisde het telegraaf kan-
toor voor de 4e maal en wel naar de Prinsenstraat, en nu werd het
Kantongerecht met nieuwe groote kosten teruggebracht in het-
zelfde gebouw waaruit het geen tien jaren vroeger verdreven was !
Soortgelijke voorbeelden van geldverspilling ten gevolge van
gemis aan goed bestudeerde en vastgestelde plannen zouden
gemakkelijk te vermenigvuldigen zijn.
Het feit is te betreurenswaardiger, wijl de gelden die aldus
worden vermorst, zoo goed te stade zouden gekomen zijn om
op andere punten dringend noodige voorzieningen te treffen,
welke jaar in jaar uit achterwege blijven.
Zoo wordt sinds lange jaren aan de om hun hooge oudheid
merkwaardigste gebouwen van het Binnenhof, de groote Hofzaal
en de daarachter gelegen gebouwen van graaf Willem II, letterlijk
geen herstelling uitgevoerd, dan in sommige der lokalen welke
de rechterlijke macht in gebruik heeft. Jaren lang bleven gaten
in een verrotten vloer van den publieken doorgang ongesloten;
en in de lokalen waarin het publiek of de raadsheeren niet komen
en die toch voor de architectuur zeer merkwaardig zijn > is de
-ocr page 44-
42
verwaarloozing absoluut. Zij zien er dan ook uit als echte
Augiasstallen en bouwvallige nog wel. Indien men zich slechts
de moeite getroost had, vooraf een algemeen goed bestudeerd
herstellings en verbouwingsplan te maken, zou men met de
gewone jaarlijksche onderhoudsgelden sinds 20 jaren dat ik het
Binnenhof dagelijks betreed, ik zeg niet alles , maar stellig
zeer veel grondig en voor goed hebben verbeterd. Maar zulk
een plan is er niet. Van daar dat toen ongeveer 15 jaren geleden
de zoldering van de Rolzaal, het oude woonvertrek der graven
van Holland, na een brand in 1507 door Plümoen hersteld,
doch later verknoeid, werd afgebroken en vernieuwd, deze
vernieuwing geheel in strijd met den stijl van het gebouw en
de bestaande oude teekeningen werd uitgevoerd. Ware een goed
plan gereed geweest, deze vernieuwing hadde met dezelfde
moeite en voor hetzelfde geld definitief en behoorlijk kunnen
zijn. Nu zal bij een restauratie welke toch niet kan uitblijven,
alles weer overgedaan moeten worden!
Zulk een deugdelijk overwogen , plan ensemble" is ook nuttig
om te weten wat men niet moet doen. Bij voorbeeld in het
geval van den Hoogen Raad. In 1881 is dit monstrum onder-
zocht. De herstellingen werden toen op f 54000 geraamd,
waarvoor men echter geenerlei verbetering in de ellendige
indeeling noch in het uiterlijk aanzien zou verkrijgen. De Rijks-
bouwmeester Peters, de Ingenieur Hubrecht en de Hoofdingenieur
Mazel rieden dan ook aan, het gebouw in beginsel te veroor-
deelen en in afwachting van een toch binnen betrekkelijk korten
tijd onvermijdelijke nieuwe stichting, daaraan alleen het hoog
noodige ten koste te leggen.
Later is een andere berekening der herstellingen ad/"35000
gemaakt, en op grond dat de Voorzitter van den Hoogen Raad
-ocr page 45-
43
verklaarde dat het gebouw uitstekend is voor den dienst, schijnt
thans in strijd met de technische adviezen in overweging de
som van f 35000 in verschillende termijnen daaraan ten koste te
leggen. Ik behoef mij denkelijk niet een zeer lang leven toe
te wenschen, om getuige te zijn van wederom veranderde in-
zichten en van een slooping of althans radicale verbouwing
van dit monsterlijk bouwwerk, dat — ik zeg niet in groote landen
zooals Frankrijk, Engeland, Pruissen of Oostenrijk — maar
zelfs in kleine zooals België en Beijeren, — reeds lang ware gea-
moveerd. Ten onzent is de kunstzin te weinig ontwikkeld, dan
dat men daarop zou mogen rekenen om het sloopen van den
Hoogen Raad een feit te zien worden. Maar men zal daartoe
ongetwijfeld wel moeten komen, wanneer men de hand zal slaan
aan de inrichting en stichting van de noodige rechtsgebouwen,
waarvoor de aangewezen plaats tusschen den Hoogen Raad en
de Hofspuipoort schijnt te zijn, te oordeelen naar den aankoop
van perceelen welke de Minister van Justitie aldaar onlangs
bewerkte, aankoop welke bewijst, dat de Regeering zoodanige
stichting beoogt. Alsdan zal elke gulden dien men tot instand-
houding der Hollandsche toekomst-architectuur van den Hoogen
Raad zal hebben uitgegeven, betreurd worden.
In de laatste tijden heeft het niet ontbroken aan aansporingen
van de zijde der Tweede Kamer om de ellendige toestanden
van het Binnenhof te verbeteren. Bij de behandeling van
hoofdstuk IX der Staatsbegrooting voor 1889 werd aange-
drongen op een restauratie van de groote Hofzaal „ volgens
een wel doordacht plan", voorts van de zaal van Gecommit-
teerde Staten onder de 1* Kamer en van het torentje van
Binnenlandsche Zaken.
-ocr page 46-
44
De Minister verklaarde zich bereid de restauratie van het
Binnenhof en inzonderheid van de groote Hofzaal ter hand te
nemen. Maar hij zeide te recht, dat hij alvorens voorstellen tot
restauratie te doen
, een volledig plan wenscht te doen opmaken,
en een vertrouwbare raming der kosten, niet om het geheele
werk tegelijkertijd te ondernemen
, maar om zekerheid te hébben
omtrent hetgeen te verrichten is, omtrent de wijze waarop dit
zal geschieden, en omtrent de kosten die daarvan het gevolg
zullen zijn.
Gulden woorden inderdaad.
Hij wees bij die gelegenheid er op, dat de zeer omvangrijke
en steeds toenemende archieven der Departementen bijzondere
maatregelen noodig maakten, daar weldra al de beschikbare
ruimte gevuld zal zijn, en dat bij voorbeeld al aanstonds voor
het omvangrijk archief van Binnenlandsche Zaken een bergplaats
moet aangewezen worden, wil men de groote Hof- of Ridderzaal
restaureeren. Hoe dit geschieden moest, werd juist overwogen,
terwijl ook werd uitgezien naar geschikte localiteiten om de
bureaux van Binnenlandsche Zaken tijdens de verbouwing van
dit Departement te huisvesten.
Het volgend jaar deelde Waterstaat mede, dat het noodige
overleg gepleegd werd omtrent de restauratie en verbouwing
der Ridderzaal en van Binnenlandsche Zaken, en dat weldra
mededeelingen en voorstellen te verwachten waren. Sommige
leden der Kamer drongen nu meer bepaald aan op een restauratie
van Binnenlandsche Zaken. Bij het lezen van het Voorloopig
Verslag zal ieder die onze architectuur en het Binnenhof bestu-
deerd heeft, wel eenig/.ins vreemd hebben opgekeken, waar
„sommige leden" der Kamer het denkbeeld aanprezen, om
Binnenlandsche Zaken te restaiu-eeren „ in geen anderen stijl
dan in dien, waarin sedert 1878 de restauratie van andere gedeel-
-ocr page 47-
45
ten van het Binnenhof heeft plaats gehad". De zin dezer aan-
beveling is duister: immers de stijl van die andere gedeelten waar-
aan men zich wenschte te houden, is naar gelang der gebouwen
verschillend; van het Buitenhof af gerekend, is afwisselend
gerestaureerd in de stijlen van 1500, van 1652, van 1639,
van 1680 en van 1697, dus in vijf diverse stijlen ontleend aan
eene periode van niet minder dan twee eeuwen, waarin juist
elke dertig jaren een zeer onderscheiden stijl voor den deskundige
te erkennen valt. Hoe nu bijvoorbeeld het torentje dat van
omstreeks 1550 is, kan worden gerestaureerd in den stijl van
1639, 1652 of 1697 is een ware puzzle. Maar wie weet.....
wellicht heeft men met „geen anderen stijl", bedoeld die onge-
lukkige gothiek te caveeren, welke nog sommige verlichte
mannen de nachtmerrie bezorgt. Zij mogen gerust zijn; het
zal wel in niemands brein opkomen om Binnenlandsche Zaken
gothiek te bouwen; maar aan den anderen kant hoop ik dat zij
zich zullen getroosten dat de Ridderzaal puur gothiek is en
blijft; het moge in hun oogen een groot ongeluk zijn, men
mag hopen dat zij niet er op zullen aandringen dat ook
dit monument „in geen anderen stijl worde gerestaureerd
dan in dien der overige gedeelten" welke alle minstens 250 jaren
jonger zijn.
Bij de behandeling der laatste begrooting drongen sommige
leden der Kamer op de restauratie van het Binnenhof aan;
andere meenden dat ook Buitenlandsche Zaken moest geres-
taureerd worden; nog andere daarentegen zagen van geenerlei
restauratie de noodzakelijkheid in.
Waterstaat antwoordde dat men de meening deelde van hen
die spoedige voortzetting der restauratie wenschten. Herhaald
werd dat het niet in de bedoeling der Regeering lag alles te
-ocr page 48-
46
gelijk te ondernemen; en opgemerkt werd dat ook te rade
behoorde gegaan te worden met de beschikbare middelen en
de eischen van zoo menigen anderen tak van dienst.
Eindelijk zeide de Memorie van Antwoord dat als de restau-
ratie van het Binnenhof voltooid was, de verbouwing of ver-
plaatsing van het Ministerie van Buitenlandsche Zaken een punt
van overweging zou moeten uitmaken.
Drukt deze laatste zinsnede \'s Ministers bedoeling wel juist
uit? Dat niet alles tegelijk zou ondernomen worden en dat
men ook de uitgaven in het oog moest houden, was reeds in
de Memorie van Antwoord der Begrooting voor 1889 gezegd.
Dit is inderdaad een axioma voor geen tegenspraak vatbaar;
materieel en financieel kunnen alle gebouwen van het Binnenhof
bezwaarlijk te gelijk onder handen genomen worden.
Doch er schijnt geen overeenstemming te bestaan tusschen het
antwoord in 1888 en dat in 1890 gegeven, waar in het eerste
jaar verklaard werd, dat de Minister alvorens voorstellen tot
restauratie te doen
, een volledig plan wilde doen opmaken, ten
einde zekerheid te hebben omtrent hetgeen te verrichten
is, terwijl men daarentegen nu vernam, dat eerst na de
voltooiing van de restauratie van het Binnenhof het een punt
van overweging moest uitmaken of het Ministerie van Buiten-
landsche Zaken moest worden verbouwd of zelfs verplaatst.
Hoe kan het lot van het ministerie van Buitenlandsche
Zaken hetwelk met een hoek tusschen de Tweede Kamer en
den Raad van State ingeschoven is, en waarvan het voorplein
dat aan de Binnenhof-gebouwen grenst een uitmuntend kosteloos
bouwterrein levert, — hoe kan het lot van dit ministerie
overwogen en beslist worden na, en derhalve onafhankelijk
van de beslissing omtrent het lot en de restauratie der Binnenhof-
-ocr page 49-
47
gebouwen zelven? Moet niet juist voor dat iets ingrijpends aan
het Binnenhof gedaan wordt, bestudeerd en uitgemaakt zijn
wat van Buitenlaudsche Zaken zal worden? Gesteld men komt
tot de conclusie dat, wegens de weelderige Trèveszaal en oude
Staten-Generaalzaal voor diplomatieke receptien zoo uitnemend
geschikt *), het tegenwoordig ministerie van Waterstaat aan
Buitenlandsche Zaken moet gegeven worden, zal dan ten
behoeve van Waterstaat een nieuw gebouw op de terreinen
van het ministerie van Buitenlandsche Zaken te stichten zijn,
of zal daar beter Binnenlandsche Zaken komen ? Moet dit niet
thans worden onderzocht en beslist, ook in verband met eene
verbouwing van Binnenlandsche Zaken, waarvan de uitbreiding
weer afhankelijk is van den omvang dien zijn onzekere buur-
man zal hebben?
Of indien, zooals beweerd wordt, het denkbeeld bestaat
het nu aangekocht huis van Wassenaer naast den Schouwburg
eenmaal definitief voor Buitenlandsche Zaken te bestemmen,
moet men dan niet nu bepalen waartoe Buitenlandsche Zaken
zal dienen? Dit zou nog meer klemmen, indien in het hier
veronderstelde geval Buitenlandsche Zaken terstond definitief
naar dat huis werd overgebracht, een denkbeeld dat casu-quo
wegens zijn eenvoudigheid allezins de aandacht verdient.
Het antwoord schijnt niet twijfelachtig te kunnen zijn.
Het is in alle opzichten zeer noodig dat het juiste denk-
beeld hetwelk de tegenwoordige Minister van Waterstaat in 1888
uitsprak, worde verwezenlijkt, en dat ieder , in de eerste plaats
de Kamers, hem daarin steune; namelijk dat alvorens tot welke
restauratie of verbouwing ook worde overgegaan, een
volledig
*) Tijdens de Hepubliek werden inderdaad vorsten en ambassadeurs in die
twee zalen opgewacht en ontvangen. Czaar Peter de Groote onder anderen.
-ocr page 50-
48
plan ivorde opgemaakt • ik voeg er bij: een plan niet slechts van
een raming vergezeld, maar ook met een gemotiveerd rapport
toegelicht; en voorts dat dit plan alvorens voor de uitvoering
vastgesteld te worden door eeuige deskundigen worde onderzocht.
In dit plan en in dit rapport behooren de questien overwogen
te worden, die zich hier voordoen uit het Oogpunt der ad-
ministratieve belangen en behoeften , uit het oogpunt der techniek,
uit dat van de historische, archeologische, of artistieke waarde
der gebouwen, uit het oogpunt der eischen van den uiterlijken
welstand, uit dat van het finantieel bezwaar en eindelijk uit
dat der tijdelijke maatregelen voor de uitvoering noodzakelijk.
Zoowel voor de Regeering en voor de Staten-Generaal als
voor den Rijksbouwmeester met de uitvoering belast en niet
minder voor de schatkist is die voorarbeid van gewicht, omdat
daardoor waarborgen verkregen worden voor een deugdelijk
goed doordacht geheel.
Ik zal er mij hier niet aan wagen zulk een ontwerp dat veel
studie vordert, zij het ook slechts in hoofdtrekken te omschrijven.
Maar op enkele punten wensch ik de aandacht te vestigen.
Het onderzoek zal zich aanvankelijk uitstrekken tot: a den
toestand en de ruimte der bestaande lokalen en terreinen en
b de vraag welke de behoefte aan lokalen is der verschillende
Departementen, Administraties en Collegies.
Men zal bij het eerste onderzoek aanstonds een feit waar-
nemen dat de aandacht verdient, omdat het op de beant-
woording der tweede vraag van overwegendeii invloed is. Men
zal namelijk zien dat al onze administraties gebukt gaan
onder een overgroote massa steeds toenemende archieven,
-ocr page 51-
49
feit waarop Waterstaat reeds in 1888 doelde. Slechts weinig
personen vormen zich een voorstelling van die „indigesta moles",
van de vaak erbarmelijke en onveilige wijze waarop die ge-
borgen is en van de ruimte aan vertrekken, zolders en
vlieringen welke daardoor ingenomen wordt. Na den brand van
het Ministerie van Marine, waarbij de heldenannalen van
de Rüijïer, Tromp en al onze groote admiralen verloren
gingen, en toen in 1849 toevallig het door den prins van Oranje
bewoonde huis van Amsterdam op het Plein beschikbaar
kwam, werden daarheen al de oude archieven overgebracht
er onder een afzonderlijk beheer gesteld, een maatregel
uitmuntend voor het behoud dier documenten en zeer nuttig
voor de administratien, welke van bergen nagenoeg nooit be-
noodigde stukken verlost werden. De grens toen aangenomen
was de maand November van het jaar 1813. In de tachtig
jaren die sinds dat tijdstip verloopen zijn, groeiden de archieven
jaarlijks op zoo ontzettende wijze aan, dat men hier en daar
op maatregelen bedacht was om onder dien last niet te be-
bezwijken. Zoo vond men er in sommigen Departementen op
uit, de archieven welke geheel waardeloos geacht konden
worden, te vernietigen; doch de uitvoering van dit denkbeeld,
aan onoordeelkundigen overgelaten, heeft reeds meermalen
geleid tot betreurenswaardige destructie van later noodig geblekeu
documenten; dit was o. a. het geval met de dossiers betref-
fende de Scheldetol, welke door een philusooph naar den
papiermolen werden verwezen „omdat de tol afgekocht was."
Men is dan ook bij verschillende administratien reeds terug-
gekomen van dit geneesmiddel dat soms erger is dan de kwaal,
en overigens niet op afdoende wijze liet toenemend kwaad
kan tegengaan; want het vernietigen van archieven heeft een
4
-ocr page 52-
50
nauwelijks merkbaren invloed gehad op de groote aanwezige
massas papier. Men kan er zich van overtuigen door een
bezoek te brengen aan de verschillende bewaarplaatsen,
waarvan vele overigens hoogst onveilig zijn. Bij brand zijn de
meeste archieven niet te redden: alleen om de archieven van
het Departement van Oorlog te evacueeren, zoude men als
alles ordelijk toeging, ongeveer 18 uren noodig hebben!
De aangewezen weg om hier een verbetering aan te brengen
die bezwaarlijk lang uitgesteld kan worden, is het verschuiven
van den termijn van 1813 voor \'s Rijks algemeen archiefdepot
op het Plein tot dusver aangenomen. Zonder eenig bezwaar
voor den dienst kunnen de administraties de archieven
anterieur aan 1830 of zelfs aan 1848 aan dat depot afgeven,
waar zij bij voorkomende behoefte toch altijd te raadplegen zijn.
Daartoe zal het noodig wezen bij het algemeen depot een
bewaarplaats te bouwen, waartoe de tuin van \'s Rijks Archief
een ruime gelegenheid aanbiedt.
Tegenover de kosten van dezen maatregel — dien men
overigens binnen korten tijd wel zal moeten nemen — staan
velerlei voordeden. Vooreerst zal men niet genoodzaakt zijn
zoo groote uitgaven te doen om voor de verschillende admini-
straties behoorlijke en brandvrije archiefbewaarplaatsen te
stichten, iets wat anders onvermijdelijk is. Voorts zullen die
administraties de beschikking terug erlangen over een groot
aantal vertrekken, waarmede men op meerdere plaatsen in den
nood aan bureaux zal kunnen voorzien, zoodat uitbreiding en
aanbouw overbodig of minder aanzienlijk worden. Eindelijk
ware uit een nieuwe archiefbergplaats nog een voordeel te
trekken. Men zou met behulp van tijdelijke afscheidingen zulk
een gebouw dat noodwendig uit talrijke groote ruimten bestaat,
-ocr page 53-
51
met relatief geringe kosten, zoo kunnen inrichten, dat daarin
de bureaux van Departementen of administratiën welke ver-
bouwd moeten worden, tijdelijk een toevlucht konden vinden,
hetgeen veel grootere uitgaven zou uitsparen verbonden aan
den aankoop van huizen bestemd om voor korten duur de
administraties op te nemen.
Uit een en ander volgt dat de evacuatie der overtollige
archieven het eerste punt is dat te overwegen valt, de inleiding
en voorbereiding als het ware tot de verdere maatregelen,
omdat eerst daarna de behoefte aan lokalen voor de verschillende
departementen en collegiën met eenige juistheid is te bepalen.
Staan de programma\'s van eischen vast, dan is te onder-
zoeken hoe daaraan op de geschiktste, minst omslachtige en
minst kostbare wijze is te beantwoorden, een natuurlijk zeer
moeilijk werk, maar eo ipso zeer noodzakelijk. Daarbij zal het
raadzaam zijn niet te kortzichtig te wezen, doch een geopend
oog te hebben voor de toekomst en zich te doordringen van
het denkbeeld, dat men niet voor een paar jaren, maar minstens
voor eene eeuw werkt, en dat daar waar men om finantieele
of andere redenen niet terstond tot uitvoering kan komen, het
beter is een definitief plan te maken waarvan de uitvoering
wordt uitgesteld, dan een gebrekkig ontwerp tot stand te
brengen, dat over 25 jaren met grooter kosten zal worden
herzien. Als voorbeeld wijs ik op den zeer gebrekkigen toegang
tot het Binnenhof aan de zuidzijde. Het is duidelijk dat de
ontwerpen voor de verbouwingen aan dien kant reeds nu
rekening moeten houden met het feit,. dat men nagenoeg zeker
eenmaal zal wenschen een breeden rechten toegang van het
Hofspui naar het Binnenhofplein te maken.
-ocr page 54-
52
Eenigzins op zich zelven staan de oudste gebouwen, namelijk
de Groote Hof- of Ridderzaal met de daarachter gelegen ge-
bouwen van Graaf Willem II (het Gerechtshof), omdat dit
complex, nagenoeg uit denzelfden tijd dagteekenend, als het
ware een eiland midden op het terrein van het Oude Hof
vormt. De eigenlijke restauratie dezer oude monumenten in
den oorspronkelijken stijl is een zuiver architectonische en
archaeologische quaestie Maar bijzondere studie zal de vraag
eischen, hoe tevens voorzien zal worden in den dienst van het
hooge rechtscollegie dat thans allerellendigst in de grafelijke
woonvertrekken sinds de dagen van Karel van Bourgondie
zetelt. Het pleit wel voor het geduld en de gelatenheid onzer
landgenooten, dat zij zoo langen tijd den onmogelijken toestand
dezer lokalen hebben geduld. Wie de reis trap op, trap af,
onderneemt — en welke trappen! — die het publiek moet
doen om een zitting van het Hof bij te wonen, en daarbij om
zich heen ziet naar de vloeren, wanden, zolderingen, vensters
enz. slaat de handen in elkaar en vraagt zich af of hij in
een der hoofdsteden van een beschaafd land en niet in de
ruïne van een vuil egyptisch dorp verzeild is. Ik zal de laatste
zijn om hier als contrast het Paleis van Justitie te Brussel
aan te halen, maar ik mag wijzen op dat van Antwerpen,
op dat van Gent, op het rijk gerestaureerde oude Justitie-
gebouw te Brugge; ik behoef zelfs niet buiten ons land te
gaan: in alle de hoofdplaatsen onzer provinciën zijn de rechts-
gebouwen ware paleizen, wanneer men die vergelijkt met het
Gerechtshof te \'s Gravenhage. Toch ware ook dit zoo te
restaureeren, dat het een .der interessantste en fraaiste gebouwen
der residentie werd; want het bevat nog genoeg schoone
elementen. De met bijzondere zorg op te lossen opgave zal
-ocr page 55-
53
zijn, op passende wijze daaraan de vertrekken toe te voegen.
die ter vervanging zullen moeten strekken van de lokalen
welke het parket, de archieven, de griffie, de advokatenkamers,
de conciergerie enz. thans in gebruik hebben, en die deels
langs de Ridderzaal, deels zuidwaarts in een onaanzienlijken
vleugel gelegen zijn, en bij eene restauratie zullen moeten
verdwijnen. Daar nu het Gerechtshof ten westen tegen de
Ridderzaal stoot en ten noorden en ten zuiden door straten
begrensd is, zullen die nieuwe vertrekken noodwendig aan de
oostzijde zijn uit te bouwen, waaruit al weder voortvloeit dat
het aan die zijde aanwezig plein *) voor die bestemming be-
schikbaar gehouden moet worden.
Het is ongetwijfeld voor den dienst der Justitie wenschelijk dat
de verschillende rechtsgebouwen in elkaars onmiddelijke nabij-
heid zijn, en daar drie dezer (Hooge Raad, Gerechtshof, Kan-
tongerecht) reeds in niet ver van elkander verwijderde gebouwen
zijn gehuisvest, schijnt het aangewezen daartusschen het gebouw
voor de Rechtbank te plaatsen f), dat althans met het eerste
en het laatstgenoemde in directe verbinding kan worden
gebracht. Aan die zijde van het Binnenhof, thans uitwendig
de onaanzienlijkste, ware bij de samenstelling van een goed
doordacht ontwerp (dat ook althans den noordelijken zijgevel
van den Hoogen Raad omvatte) een fraai front te verkrijgen,
zoodat het geheele Hofplein een groot langwerpig vierkant
zou vormen, in het midden waarvan de oude monumenten van
de Graven Willem II en Floris V als de kern en oorsprong van
•) Het voorplein van den vroegeren Hoogen Raad, in de wandeling \'/het
Helletje// genoemd.
f) Natuurlijk is daarbij tevens te bepalen welke bestemming ware te
geven aan het Huis oroen, dat allicht een betere zou kunnen erlangen dan
de tegenwoordige.
-ocr page 56-
54
\'s Gravenhage zouden prijken. Alleen de achterzijde van Koloniën
zou dan nog voor het oog een misstand leveren; de verbetering
daarvan is wel aan een volgend geslacht over te laten, maar
het tegenwoordige dient er op te letten, dat die verbetering
niet onmogelijk wordt gemaakt, integendeel dat de weg daartoe
reeds nu als het ware aangewezen worde.
Gelijk boven reeds is opgemerkt, behoort het Departement
van Bnitenlandsche zaken betracht te worden in verband met de
voorzieningen voor het Binnenhof te nemen. Van dit ministerie
en het daarbij behoorend voorplein (de oude Bassecour) is zeer
veel partij te trekken door een oordeelkundig architect. Thans is
het gebouw uit- en inwendig onaanzienlijk, als men een fraaije
zaal op de benedenverdieping en een paar vertrekken op de
bovenverdieping van het hoofdgebouw uitzondert, die aan den
vroegeren luister herinneren, toen de Stadhouders Willem IV
en Willem V het bij hun paleis getrokken hadden. Indien men
dit gebouw dat slechts twee verdiepingen telt, en waarin
zeer veel plaats aan gangen en trappen verloren is, verving
door een goed ingedeeld gebouw van drie verdiepingen, zou
men reeds zeer veel localiteit winnen. Doch groote voordeden
geeft de omstandigheid, dat voor dit gebouw de ruime basse-
cour een uitmuntend, vrij en aan het rijk behoorend bouw-
terrein aanbiedt. Het is mogelijk aldaar een gebouw op te
trekken uit twee vleugels bestaande, de eerste haaks op het
Stadhouderlijk kwartier gelegen, stootende tegen de trap die
tusschen dit en het gebouw van den Raad van State gelegen
is, en zich uitstrekkende langs de rooilijn van de Besognekamer;
de andere vleugel liggende tegenover en evenwijdig aan de
Twee Steden. Deze twee nieuwe vleugels, welke de regelmatig-
-ocr page 57-
55
heid en het aanzien van het Buitenhof zouden verhoogen,
kunnen gemakkelijk ruim een dertigtal groote en kleine
vertrekken leveren.*) Het vierkante plein tusschen deze vleugels,
den Raad van State en het hoofdgebouw van Buitenlandsche
Zaken, gelegen , en dat (zooals dat van het Ministerie van Jus-
titie) door een poort waren te bereiken, zou een oppervlakte
van minstens 600 M2 kunnen behouden, zoodat al de daarop
uitziende lokalen ruim verlicht zouden zijn.
Het denkbeeld tot aanbouw van vleugels aan het Buitenhof,
al dan niet gepaard met dat tot vernieuwing van Buitenlandsche
Zaken, komt mij voor om meerdere redenen de aandacht in
hooge mate te verdienen. Vooreerst benuttigt men een uit-
muntend gelegen bouwterrein, dat aan het Kijk niets kost,
en thans ongebruikt ligt. Men heeft gelegenheid een groot
aantal bureaux te scheppen, welke met de lokalen van het
Stadhouderlijk Kwartier, van den Raad van State en van de
Tweede Kamer in verbinding konden staan. Maar vooral, men
zou deze aanzienlijke vermeerdering van lokalen kunnen bekomen,
zonder eenige stoornis te brengen in eenige andere administratie,
want daar men op een vrij terrein zou bouwen, zou geen enkel
ambtenaar ter zake van dien bouw behoeven te verhuizen. Er
is meer. Als deze vleugels gereed gekomen waren, zou men
daarheen tijdelijk en naar gelang der behoefte de bureaux
kunnen overbrengen uit die gebouwen welke successievelijk een
verbouwing ondergaan. In afwachting dat die vleugels hun
definitieve bestemming vervulden, zouden zij strekken tot een
hulpmiddel ter voorziening in de tijdelijke behoefte aan lokalen
\') Met de bestaande gebouwen van Buitenlandsche zaken zou men een
totaal van ongeveer 60 vertrekken bekomen , welk getal door een doelmatige
verbouwing van de bestaande gebouwen natuurlijk veel grooter zou worden.
-ocr page 58-
56
door verbouwingen te weeg gebracht, ten gevolge waarvan
het huren of aankoopen van woonhuizen, die in den regel
voor bureaux minder geschikt zijn, althans gedeeltelijk kon
worden vermeden.
Het komt mij voor, dat deze korte aanteekeningen voldoende
zijn om aan te toonen hoe juist het beginsel is dat, — nu te
dikwijls reeds zonder stelsel is gebouwd en verbouwd en nu elke
strook gronds benuttigd moet worden, — vooraf, zooals Water-
staat in 1888 bedoelde, een behoorlijk gemotiveerd „ plan d\'en-
semble" worde voorbereid, ontworpen, beoordeeld en vastgesteld,
met een raming van kosten, een indeeling van het werk over ver-
schillende werkjaren, en een plan tot het treffen van voor-
zieningen om gedurende de uitvoering den dienst der admini-
stratie tijdelijk met de minste kosten te verzekeren. Worden
niet bij het graven van een vaart, zooals b.v. het Merwede-
kanaal vooraf de talrijke daarbij voorkomende questiën — en
deze zijn van zeer verschillenden en vaak moeilijken aard —
nauwkeurig onderzocht, overwogen en beslist, eer men een
spade in den grond steekt ? is wat rationeel is bij een
ingenieurswerk, het niet eveneens bij dat van een architect?
en is het Binnenhof niet dezelfde inspanning, dezelfde voor-
zichtigheid waard ?