-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
yV) yV\\ 106ij<A
\'
•
; UTRECHT
A06000032132122B
lllllllllllllllllllllllin......»""""""
-ocr page 5-
c                     >£J ^\'^
HET CHRISTELIJK IDEAAL
JONGELINGSCHAP.
TOESPRAAK,
GEHOUDEN BIJ GELEGENHEID
VAN DE
OPENLIJKE HERDENKING VAN HET TIENJARIG BESTAAN
DER
Christelijke Jongelingsvereeniging
TH
ENSCHEDE
ONDER DE ZINSPREUK PRED. 12 : I».
DOOR
I». O. "V-A.TST OOSTERZEB,
Predikant te Gent (Ö.-/>\\),
EERELID DES BESTUURS.
UITGEGEVEN VOOR REKENING EN TEN VOORDEEI.E DER GENOEMDE
JONGELINGSVEREENIGING.
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
->i*Hg-
NEERBOSCII.
S\'l\'OOMDRUKKERIJ DER WEESINRICHTING.
1899.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
Het eenvoudig, woord, hierbij op verzoek van het Be-
stuur der Christelijke Jongelings-vereeniging te Enschede,
onder de zinspreuk Pred. 12 : la, in breeder kring verkrijg-
baar gesteld, werd uitgesproken in eene openbare samen-
komst, op Vrijdag-avond 14 October 1898, in het Evangeli-
satie-locaal aldaar.
Voorafgegaan door het zingen van Ps. 10,\'! : 1, en van
het Gebed des Heeren : 1 en 2, werd deze toespraak afge-
wisseld door \'t aanheffen van Gez. 62 : 1 en 9, en de samen-
komst aan het eind besloten met \'t zingen van Ps. 72 : 11.
P. C. v. O.
•
-ocr page 8-
-ocr page 9-
Is \'t mij eene oorzaak van dankbare blijdschap, Geliefden
in den Heer, te dezer ure nog eens weder, gelijk weleer,
in uw midden te mogen optreden in dit vergader-locaal,
waar ook ik in vroeger jaren, toen ik nog als leeraar der
gemeente alhier werkzaam was, zoo menigmaal op mijne
beurt het evangelie der zaligheid heb mogen verkondigen: —
een bijzondere dankstof is het mij, uw voorganger te mogen
zijn meer bepaald bij de feestelijke gelegenheid, die ons
hier thans te zaam vereenigd vindt, immers de herdenking
van het tienjarig bestaan der hier gevestigde Christelijke
Jongelings-vereeniging onder de zinspreuk: »Gedenk aan
uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap\', welke
Vereeniging ik indertijd met medewerking van sommige
christenvrienden uit uw midden te dezer plaatse mocht
oprichten in een moeilijk tijdsgewricht, toen zoo menige
soortgelijke vereeniging, zoowel hier als elders, ingevolge
den toenmaligen heilloozen kerkdijken strijd, hetzij te niet,
\'t zij in andere handen was overgegaan.
Het waren er niet zoo heel velen, die zich destijds in den
beginne te zamen verbonden, om alhier eene nieuwe Christe-
lijke Jongelings-vereeniging te vormen. Doch het is eene
welbekende grondwet in het Koninkrijk Gods, die wij ook
hierin wederom bevestigd mogen zien, dat een klein begin,
maar met biddend en vertrouwend opzien naar Omhoog,
straks (indien \'t den Heer behaagt) tot een gezegenden
-ocr page 10-
•
(i
voortgang geleidt, waarbij men als van zelve herinnerd
wordt aan het zinrijk woord des Zaligmakers betreffende
het mosterdzaad, \'t welk allengs een boom wordt, als ook
aan die andere, niet minder treffende parabel, waarin de
hoogste leeraar der waarheid de geleidelijke ontwikkeling
in de dingen van het koninkrijk Gods in het licht stelt
met het woord: Eerst het kruid, daarna de aar, daarna
het volle koren in de aar< (Mare. 4 : 28).
Dat zelfde woord wijst ons tevens op dien grooten oogst*
dag, die aanstaande is, als wanneer de Heer eens iegelijks
werk zal brengen in zijn heilig gericht, opdat alsdan een
iegelijk wegdrage naar \'t geen hij gedaan heeft, hetzij goed,
hetzij kwaad.
Deze herinnering bepaalt reeds in hoofdzaak den gang
onzer gedachten voor dit uur. Die gedachten, ook al worden
ze bij gelegenheid van een feestelijk samenzijn als dit u
voorgesteld, mogen nochtans — het ligt immers in den aard
der zaak — niet gespeend zijn van den hoogsten en heilig-
sten ernst, ja behooren daarvan veeleer gansch doordrongen
te wezen, opdat juist alzoo de weg tot eene duurzame en
eeuwige blijdschap gebaand worde.
Bepalen wij ons dan voor eenige oogenblikken bij het
woord van Paulus:
1 Thess. V : 23, 24.
En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en utv
geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk
bewaard in de toekomst van onzen Heer Jezus Christus.
Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal.
Het is heden juist drie-en-veertig jaren geleden, Toehoor -
ders, dat een rijk-begaafd prediker des evangelie\'s in Parijs,
-ocr page 11-
7
die zich nog in de kracht zijns levens bevond, maar door
eene ongeneeselijke kwaal aan een langdurig ziekbed (\'t welk
straks aan het eind ook zijn sterfbed werd) gekluisterd
was, zich in en door zijnen God gesterkt voelde, om voor
een betrekkelijk klein, telkens afwisselend, heilbegeerig ge-
hoor, dat zich sinds dien zelfden christen-rustdag (14 Octo-
ber 1855) geregeld iederen eersten dag der week in zijn
ziekvertrek rondom zijne lijdenssponde verzamelde, die on-
afgebrokene reeks van korte, kernachtige en bezielde toe-
spraken aan te vangen, die straks, na zijnen ongeveer een
half jaar later gevolgden dood in het licht gezonden, eene
kostbare en blijvende herinnering mogen heeten aan den
vroeg ontslapen Adolphe Monod. In de bedoelde eerste
toespraak van dien bundel, welke toespraak het opschrift
draagt: >Alles in de Schrift is ideaal*(> doet de zoo even
genoemde evangelie-dienaar, zooveel zijn lijdende toestand
hem dit veroorloofde, op treffende wijze inzonderheid ook
dit uitkomen, dat de zichtbare dingen even zoovele typen of
afschaduwingen der alleen wezenlijkheid hebbende onzicht-
bare dingen zijn, en dat de II. Schrift den mensch ja op
het diepst vernedert, doch opdat hij juist alzoo aan \'s Heeren
hand het voorgestelde hoogste en wezenlijke ideaal eens te
zijner tijd uit genade moge kunnen bereiken.
Ook het door ons voor ditmaal gekozene woord van Paulus,
Geliefden, wijst ons in hoofdzaak op dat zelfde christelijke
ideaal, en doet ons, naar de bijzondere gelegenheid van dit
ons feestelijk samenzijn, thans meer bepaald tot u spreken
over het Christelijk Ideaal en de Jongelingschap.
Door des apostels hand zien wij ons hier, in het voor-
gelezene tekstwoord, beurtelings gewezen op eene genadige
onderscheiding, eene heilige roeping en eene welverzekerde
bestemming.
-ocr page 12-
8
1. En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en
uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onbe-
rispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heer Jezus
Christus.\'
Wel mogen we hier allereerst van eene genadige onder-
scheiding gewagen, Toehoorders! waar toch immers dit
zelfde woord des hoogverlichten heiden-apostels ons onge-
dwongen aanleiding geeft, om te zamen een aandachtigen
blik te vestigen, zoowel op de ons van God in het evangelie
geschonkene heils-openbaring, als ook op de ons door Hem
verleende bijzondere gunstbetooning.
De Allerhoogste, die hier door den apostel zoo treffend
de God des vredes<, dat wil zeggen, des waarachtigen heils
in al den rijken zin dezes woords genoemd wordt, is voor
ons geen onbekende godheid gebleven. Hij, de Schepper
van hemel en aarde, heeft zich geopenbaard van uit den
hooge, niet slechts in het boek der Natuur, waarin alle
schepselen, kleine en groote, als even zoovele letteren zijn,
die ons zijne onzienlijke deugden te kennen geven; of in
het boek der Geschiedenis, waarin zijne leidingen met vol-
ken en personen ons worden voor oogen gesteld; of in het
boek der Consciëntie, waarin zijne heilige stem, nu eens
zachter en dan weer luider weerklinkt, — maar bovenal in
het goddelijk Ileils-evangelie, waarvan Jezus Christus het
onveranderlijk levend middelpunt uitmaakt; ja, in de zen-
ding en de overgave van dezen zijnen eeniggeboren Zoon
in den dood des kruises, en in zijne daarop gevolgde licha-
melijke verrijzenis en henielverheffing.
Immers hetgeen in de Oudheid aan vele wijzen der wereld
eeuwen achtereen onbekend bleef, het wordt in het evangelie
van Godswege ook aan den allereenvoudigste duidelijk en
treffend geleerd en op \'t nadrukkelijkst gestaafd: »God is
liefde.«
-ocr page 13-
i)
Hoe vele millioenen echter helaas, door alle eeuwen der
Christenheid en zoo ook in onze dagen, die dezen eenigen
waarachtigen God nog altoos niet waarlijk kennen. Ja, hoe
toonen ook zelfs in de z. g. Christelijke wereld maar al te
velen zich aldus gezind, alsof de Allerhoogste, de God des
vredes en des heils, zich nimmer van den hemel had ge-
openbaard ! Van dezulken blijft het gelden: >Oogen heb-
bende, zien ze niet, en ooren hebbende, hooren ze niet.<*
Hoe jammerlijk laag staat het ideaal der zoodanigen, die
hun levensweg bewandelen, zonder ernstig naar God te
vragen, en wier leus het is: »Laat ons toch vooral de
wereld liefhebben en navolgen; ja, laat ons eten en drin-
ken, want eerlang sterven wij!« — Welk een onheilig be-
staan, gelijk althans nu en dan het eigen geweten van den
zondigen mensch daarbinnen in stilte getuigen moet! Welk
een droevig aanzijn, welbeschouwd, zoo vol van innerlijke
onbevredigdheid, tegenstrijdigheid, teleurstelling; en hoe
schrikkelijk somber het sterven, wanneer men ten einde toe
hardnekkig heeft versmaad, naar de vriendelijk dringende
heilstem des goddelijken evangelie\'s te luisteren!
Koesteren wij te dien opzichte waarlijk eene andere en
betere gezindheid, Geliefden, wel betaamt \'t ons dan alles-
zins, Gode bovenal daarvoor dankbaar te prijzen.
Hij, de God des vredes en des heils, liet reeds in onze
prille jeugd het teeken zijns heilrijken vredes ons mede-
deelen in den heiligen doop in zijnen nooit volprezen drie-
maal heiligen naam.
Hoe ver onze persoonlijke herinnering in \'t leven ook
terugreikt, nooit kunnen we ons een tijd te binnen brengen,
waarin de Algoede ons niet, zoowel in stoffelijk, als ook
bovenal in geestelijk opzicht, overvloedig wilde zegenen.
Sommiger levensweg kostte tot dusver allichtelijk meer
inspanning of strijd, dan die van anderen in hunne om
-ocr page 14-
10
geving; maar toch, bij eiken mijlpaal op den weg, gelijk ook
weder bij dien van lieden, rijst een dankbaar aanbiddend
Eben-haëzer daarbinnen in ieder welgestemd harte op,
bovenal wanneer wij daarbij geloovig leerden zien op Gods
\'beste en rijkste gave ook aan ons in den Zoon zijner liefde.
Doch dan ontbreekt \'t ons ook tevens gewis allerminst
aan een geopend oog voor de vele bijzondere gunstbetoo-
ningen Gods, van welke wij dankbaar hebben te gewagen,
wanneer we, \'t zij een ieder voor zich zelf, \'t zij allen te
zamen, bepaaldelijk ook, gelijk thans, als leden, begunstigers
of vrienden der Christelijke Jongelingsvereeniging alhier,
den weg overzien, waarlangs Gods vaderlijke goedheid haar
en ons tot hiertoe geleid heeft.
Wie, die geen vreemdeling bleef in zijn eigen binnenste,
moet, bij den blik op alle die dagelijks vernieuwde zege-
ningen Gods (niet zelden helaas zoo ongevoelig en ondank-
baar genoten) niet in diepen deemoed het hoofd ter neder
buigen en uit \'s harten grond stamelen: «Heer, wij zijn
geringer, dan alle deze weldadigheden en dan al deze trouw,
die Gij aan ons gedaan hebt!«
Gelukkig wij, Geliefden, zoo we in oprechtheid aldus ge-
zind zijn, doch zulks dan ook doen blijken door ernstig
biddend toe te zien, dat dusdanige waarachtige ootmoed
ons door Gods genade meer en meer als een bestendig
element in ons gemoed en leven bij voortduring blijve be-
zielen, opdat wij alzoo geleid mogen worden tot steeds over-
vloediger kennis en altoos onvoorwaardelijker overgave aan
dien eenigen on algenoegzamen Zaligmaker, in wien de Vader
zelf den vollen rijkdom zijner ontfermende liefde jegens zon-
daars en ook voor ons zoo aanbiddelijk wil blijven betoonen.
Daartoe wordt van zijnentwege de blijde tijding des heils
en der genadige schnldverzoening ook aan ons, telkens op-
nieuw en ook heden wederom opzettelijk gebracht. Gelijk
-ocr page 15-
11
geschreven staat: ^God was in Christus de wereld met zich
zelven verzoenende, hunne zonden hun niet toerekenende,
en heeft het woord der verzoening in ons gelegd\'.
Immers alles, wat tot eeuwige behoudenis van diep hulp-
behoevende, jammerlijk verlorene zondaren moest worden
verricht, het is ook mede voor ons van Godswege genadig
ontfermend volbracht geworden. Zullen wij daar echter
waarlijk deel, een ieder voor ons zelven persoonlijk deel
aan hebben, Gel., dan moet (het worde nimmer vergeten!)
het heilig en liefdevol genadewerk Gods in Christus in het
eigen harte van een iegelijk in \'t bijzonder door de werking-
des II. Geestes tot stand gebracht worden.
Zoo wanneer wij van die persoonlijke genadewerking daar-
binnen iets, ja, zoo \'t zijn mag, gedurig meer, bij ons zelven
beginnen te ervaren, o voorwaar, clan gevoelen en erkennen
wij ook — gelijk de Zaligmaker zelf eenmaal dienaangaande
verklaarde — dat vleesch en bloed ons zulks niet heeft
geopenbaard, maar de Vader zelf, die in de hemelen is, door
de werking van zijn Woord en Geest.
En mag men nu in dien weg gelijkgezinden ontmoeten,
die ook mede op hunne beurt in hunne jongelingsjaren den
Heer van harte wenschen te zoeken en toe te behoor en,
overtuigd als ze aanvankelijk zijn, dat er geen betere keuze
kan worden gedaan dan deze, — zie, dat is voorwaar eene
rijke dankstof te meer. Want ook hierbij, ja hierbij zeer in
\'t bijzonder, geldt de oude vaderlandsche leus: eendracht
maakt macht«. Wat meer zegt, aan zulke christelijke ver-
eenigingen, waar men saam heilbegeerig zich schaart rondom
het goddelijk Heilswoord, om dat gedurig biddend en met
een nederig hart te onderzoeken, ten einde daardoor waarlijk
wijs te worden tot zaligheid, en langs dien weg ook mede
voor anderen, ja ook en niet \'t minst, zooveel \'t zijn mag,
tevens voor de gemeente in haar geheel ten zegen te zijn,
-ocr page 16-
12
wil de verhoogde Heer der gemeente nog altoos zijne liefe-
lijke, hartverheffende en verblijdende belofte vervullen:
Waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar
ben ik in het midden van hen».
Op grond van \'s Heeren onwankelbare trouw, mogen wij
er ons dan ook alleszins en ten volle van verzekerd houden
(gelijk trouwens de ervaring aan tallooze oorden, en immers
ook hier, ruimschoots bewezen heeft), dat de Heer zulke
vereenigingen, welke op den vasten grondslag van zijn on-
bedrieglijk Heilswoord de komst van zijn eeuwig gezegend
koninkrijk wenschen te bevorderen, tot eenen rijken en
duurzamen zegen wil stellen, allereerst voor hare leden,
en voorts door dezen dan ook mede in breederen kring
voor vele anderen.
Danken wij dan den Heer onzen God, den God des heils
en des vredes in Christus, ootmoedig uit \'s harten grond,
dat Hij, gelijk op zoo menige andere plaats in en buiten
ons vaderland, zoo ook alhier, te dezer stede, eene dusda-
nige vereeniging van christelijk gezinde jongelingen, als
een levend protest tegen den ongoddelijken geest dezer eeuw,
in het leven wilde doen treden, en dat Hij deze zelfde Ver-
eeniging — welke het voorzeker wel niet aan tegenstand,
maar toch ook tevens ter anderer zijde niet aan veler me-
dewerking heeft ontbroken — een tijdperk van nu reeds
een tiental gezegende jaren in stand heeft doen blijven.
2. Dat zoo genadig verleende voorrecht bevat intusschen
niet slechts eene rijke dankstof, maar ook tegelijkertijd
oenen heilzamen prikkel tot verhoogde toewijding aan den
Heer, uit diepe erkentelijkheid voor allo Gods gunstbetoo-
ningen, en bovenal voor den gadeloozen rijkdom zijner
geestelijke zegeningen in Christus Jezus.
Mag zulks bij aanvang of bij toeneming waarlijk door ons
-ocr page 17-
L3
gevoeld worden, dan zullen we ook, ten andere, een open
oor en oog toonen te bezitten voor de heilige en dure roe-
ping, die in het tekstwoord tot ons komt, wanneer Paulus
ons daarin nadrukkelijk toeroept: »Uw geheel oprechte geest
en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toe-
komst van onzen Heer Jezus Christus.»
Geheel éénige roeping, voorwaar, gelijk ons nog te meer
duidelijk wordt, wanneer wij er nader op letten, hoe veel
zij omvat, hoe hoog zij reikt en hoe ver zij zich uitstrekt.
Ten zeerste zinrijk verdeelt de apostel in dit zijn woord
het wezen des menschen in \'t algemeen in drie deelen, te
weten in geest, ziel en lichaam. De geest, het hoogere in
den mensch, \'t welk hem inzonderheid van de dierenwereld
onderscheidt; de zetel van zijn kenvermogen. De ziel, naar
deze beschouwingswijze de middenschakel tusschen geest
en lichaam; de zetel van \'s menschen neigingen, driften,
hartstochten en zoo voorts in \'t algemeen. Het lichaam,
het stoffelijk omkleedsel, waarin de mensch leeft en streeft
en handelt, zoo lang hij zich op aarde bevindt. De geheele
mensch derhalve (wil de apostel zeggen), zoowel in geestelijk
als in stoffelijk opzicht, hij behoort Gode geheiligd te wezen;
ja, geheel zijne persoonlijkheid in haar leven en streven
moet, zal \'t wel zijn, aan den dienst en de navolging des
Heeren zijn toegewijd, overeenkomstig het woord deszelfden
apostels: Gij zijt duur gekocht; zoo verheerlijkt dan God
in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn.<
En immers helaas het leven van den mensch buiten Gods
gemeenschap, wat is \'t, bij dit licht beschouwd, anders dan
een ijdel, een verkeerd, een aan \'t eind geheel mislukt leven ?
Zulk een leven toch, het mist zijne hoogste bestemming, en
de versmading van het hier genoemde waarachtige levens-
ideaal wreekt zich als van zelve in de innerlijke onbevredigd-
heid des gemoeds bij een ieder, die zonder God en zonder
-ocr page 18-
11
hope in \'t midden dezer tegenwoordige wereld verkeert.
Ach, hoe zijn slechts al te velen, ook in onze z. g. Chris-
telijke samenleving, blijkbaar aldus gesteld, dat Paulus aan-
gaande hen zijn ernstig weemoedig woord zou hebben te
herhalen, dat zij vijanden zijn des kruises van Christus!
Hun geest toch betoont zich in den grond steeds vijandig
tegen God en zijn heilig liefderijk Woord; hunne ziel blijkt
gedurig aan velerlei ijdele, zondige driften en hartstochten
ten prooi, en hun lichaam, het dient hun dan ook dienvob
gens bovenal als werktuig tot bevrediging hunner aardsch-
gezinde, verkeerde en ongoddelijke, ja niet zelden dierlijke
neigingen en begeerlijkheden.
Diep jammerlijke toestand, voorwaar ! O, wel betaamt ons
daartegenover vurige dank, Geliefden in den Heer, wanneer
voor die natuurlijke zondige gesteldheid des menschen, gelijk
die, \'t zij dan in meerdere of mindere mate, eenen iegelijken
mensch van nature eigen is, ons, met betrekking allereerst
tot ons zelven, in waarheid de ooger mochten geopend
worden, en wij met geheel het hart onze toevlucht leerden
zoeken bij dien eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, die
nimmer uitwerpt degenen, die Hem met een oprecht, heil-
begeerig zielsverlangen naderen.
Doch vergeten wij dan ook niet, dat de Heer niets minder
dan gehéél ons hart en leven zich ten eigendom wil wijden.
>Zoo iemand achter mij wil komen<, zoo roept Hij ons toe,
die verloochene zich zelven, en neme zijn kruis dagelijks
op, en volge mij!« De Zaligmaker eischt ons onvoorwaardelijk
op, doch om langs dien weg ons in zijne gemeenschap te
vormen tot het genadig deelgenootschap aan het hoogste heil.
O, wanneer wij, tegenover die heilige en dure christen-
roeping, op ons zelven en onze diepe zwakheid zien, dan
zouden we allicht zuchtend uitroepen: »Wie is tot al deze
dingen bekwaam!«
-ocr page 19-
15
Doch ziet dan ook, Geliefden, hoe hoog die zelfde christen-
roeping reikt, namelijk in dezen zin, dat, waar zij in den
geest van waarachtig ootmoedige smeeking tot God ernstig
in het oog gevat wordt, omdat men een open blik ontving
voor dien jammerlijken toestand van eigene innerlijke ellende
door de zonde, en men nu ook niets liever wenscht, dan,
met verzaking van allen dienst van wereld en ongerechtig-
heid, Gode en den Zaligmaker onverdeeld toe te belmoren,—
de Heer nu ook van zijnen kant zich nabij toont aan allen,
die in waarheid aldus zijn gezind, ja hen liefderijk steunt
en troost en leidt, zoodat zij, in zijn eeuwig gezegend voet-
spoor, op hunne beurt blijde leeren herhalen: In deze alle
zijn wij meer dan overwinnaars door Hein, die ons liefge-
had heeft.«
Neen voorwaar, de Heer (geprezen zij zijn naam!) wil
ons niet begeven, noch verlaten. Zelf wil Hij den zijnen ten
leidsman wezen, en hen leeren, hoe zij wandelen moeten.
Heil ons dan ook, zoo we reeds in onze jeugd op Zijne
liefdestem leerden acht geven! Immers, er is geen betere
keus, dan die vervat is in het bekende woord van Jozua:
»Aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heer dienen.\'
Die keuze alleen, met biddend opzien naar omhoog gedaan
en dagelijks weder vernieuwd voor Gods heilig en gunstrijk
aangezicht, schenkt waren vrede en oprechte vreugd aan
\'t harte. De wereld daarentegen, zij gaat voorbij met al hare
begeerlijkheden. Haar genot is slecht kortstondig, en blijkt
altoos weder bedriegelijk te zijn; ja, zij ontzinkt ons straks
geheel en al aan den rand van het graf. Ongelukkig de
mensch, die op haar zijn vertrouwen stelt! Hij waant zich
»rijk en verrijkt«, en acht, dat hij >geens dings gebrek<
heeft, en hij bedenkt niet, dat straks de gansche wereld
hem onmogelijk meer zal kunnen baten, dan namelijk, wan-
neer ook aan hem het ontzaglijk woord in vervulling zal
-ocr page 20-
16
gaan, \'t welk geschreven is, dat \'t den mensen door Hooger
macht is gezet, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel.
Moet bij dat denkbeeld de wereldling heimelijk huiveren,
— niet alzoo de christen, die uit genade mag weten, wien
hij geloofd heeft. Werd dat voorrecht waarlijk ook ons
deel, dan getuigt nu ook Gods Geest gedurig meer met
onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn. Die heilige Geest,
door welks ademtocht de Heer steeds voortgaat, in zon-
dige menschenharten het doode levend te maken, Hij ver-
licht, vertroost en heiligt ons in telkens meerdere mate,
zoovelen wij den Heer oprecht en in onverderflijkheid lief-
hebben. Die Geest leert ons onszelven te verloochenen, en
in nieuwigheid des levens voor Gods aangezicht te wande-
len, indachtig aan onze hooge en zalige christenroeping,
en tevens niet \'t minst voorwaar aan die glorierijke »toe-
komst van onzen Heer Jezus Christus," op welke de apostel
in het tekstwoord zijne medegeloovigen zoo nadrukkelijk
verwijst.
Eenmaal toch, gelijk ook de Zaligmaker zelf heeft voor-
speld, zal Hij zichtbaar in heerlijkheid op de wolken des
uitspansels ten gerichte verschijnen. >Ziet, Hij komt met
de wolken, en alle oog zal Hem zien, ook degenen, die Hem
doorstoken hebben.«
Die verwachting, zoo schrikkelijk — \'t kan niet anders —
voor den onboetvaardige, is daarentegen in de hoogste
mate troostend en bemoedigend voor iederen oprechten
vriend en volgeling des Zaligmakers. Dan toch verbeidt
allen kinderen Gods het zaligst en heerlijkst genadeloon,
een heil, dat nimmermeer vergaat. Hier beneden wandelen
wij in geloof, niet in aanschouwen. Niet zelden ook moet de
christengeloovige, gelijk geschreven staat, door vele ver-
drukkingen ingaan in Gods hemelsch koninkrijk. Hoe me-
nigwerf ook moet hij, met den blik op zich zelven, op zijne
-ocr page 21-
17
gedurige ontrouw en velerlei tekortkomingen, niet zuchten:
>Ik ellendig niensch! wie zal mij verlossen uit het lichaam
dezes doods?* Maar nochtans, hebben wij hier beneden in
\'s Heilands gemeenschap en door Zijne genade, wettig ge-
arbeid, geleden, gestreden, dan wacht ons ook, aan \'t eind
der baan, te zijner tijd hierboven het heerlijkst lot. Ja, dan
zullen wij eens, door Gods genade en trouw, tot onze eeuwige
blijdschap ten volle ervaren, wat de Zaligmaker in het
evangelie aan de zijnen beloofd heeft, als Hij hun aldaar
plechtig verzekert: >Zoo iemand mij dient, die volge mij;
en waar ik ben, aldaar zal ook mijn dienaar zijn; en zoo
iemand mij dient, do Vader zal hem eeren« (Joh. 12 :26).
3. Voor de volkomene vervulling dier hartverheffende
heilbelofte staat \'s Heeren onwankelbare trouw ons bij
voortduring borg. Hij, die u roept,< zoo luidt \'t nog ten
slotte in het tekstwoord, »is getrouw, die het ook doen zal. •>
Waren wij in de loopbaan en in den steeds voortgezetten
schoonen, maar moeilijken kampstrijd des geloofs tegen de
macht des kwaads in en rondom ons geheel aan ons zelven
overgelaten, ach, dan stond de zaak hopeloos. Jammerlijk
dwaas voorwaar zou hij zijn, die in dezen strijd steunen
wilde bovenal op zijne eigene kracht. >\\Vaakt en bidt, > zoo
blijft de Zaligmaker in den Geest ernstig en liefderijk aan
zijne vrienden en volgelingen toeroepen, >opdat gij niet in
verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vleesch
is zwak.\' Doch heil ons, op de ootmoedig vurige smeeking
der zijnen blijft de Heer dan ook zijne goddelijke kracht
ten allen tijde in hunne diepgevoelde zwakheid volbrengen,
en wil langs dien weg ook ons doen ervaren, wat \'t zegt:
«Mijne genade is u genoeg!« Hij heeft ook ons liefgehad,
en blijft ons beminnen, in weerwil van alle gebrek, dat ons
nog dagelijks aankleeft, en ons gedurig met droefheid ver-
-ocr page 22-
18
vult, ja wil zelf ons bijblijven, en terwijl Hij ons telkens
meer reinigt en heiligt door Woord en Geest, ons blijven
leiden tot over dood en graf. Die Hij geroepen heeft,« zoo
verklaart de apostel, >dezen heeft Hij ook gerechtvaardigd;
en die Hij gerechtvaardigd heeft, dezen heeft Hij ook ver-
heerlijkt. Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zoo
God voor ons is, wie zal tegen ons zijn? Die ook zijnen
eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor
ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet
alle dingen schenken?\'
Wat de Zaligmaker eenmaal, vóór meer dan achttien
eeuwen, tot heil van diep verlorene zondaren heeft verricht,
en wat Hij sinds dien, door de werking van zijn Woord en
Geest, steeds voortging te doen aan talloos velen, het mag
ons alleszins ten onwankelbaren onderpand en waarborg
strekken van hetgeen Hij, naar zijne eigene belofte, ook
nog verder en tot in de verste toekomst ter behoudenis en
zaligheid dergenen doen zal, die naar zijne heilstem hooren.
Ja gewis, de Heer wil steeds voortgaan, zich aan al degenen,
die Hem zoeken, in gadelooze ontferming te openbaren, en
allen, die Hem op hunnen levensweg als hunnen Heiland
en Heer hebben leeren kennen, nu ook in zijne gemeenschap
meer en meer te vormen en op te kweeken tot dat zalig
heil, \'t welk God daarboven bereid heeft dengenen, die Hem
liefhebben.
Laat dan alzoo, vrienden des Heeren, oog en hart biddend
en vertrouwend opwaarts gericht zijn en blijven! Ziet —
heeft de Heer gezegd — ik ben met ulieden al de dagen, tot
de voleinding der wereld.< Daarom dan ook: >Vrees niet,
gij klein kuddeke! want het is uws Vaders welbehagen,
ulieden het koninkrijk te geven.\' Die verzekering vervulle
u met hemelschgezinde blijdschap. Ja, dient den Heer met
vreugd: Christus te dienen, het is eerst de ware vrijheid,
-ocr page 23-
1!)
terwijl daarentegen de dienst der wereld de jammerlijkste
slavernij heeten moet, ook in weerwil van allen bedriege-
lijken schijn. Laat \'t uit alles telkens overvloediger bij u
mogen blijken, dat dit in waarheid door Gods genade uwe
diepste zielsovertuiging is, waaraan gij dan ook in al uw
doen en laten, denken, spreken en trachten dagelijks ge-
trouwer wenscht bevonden te worden. Zoekt langs dien weg
ook mede voor elkander tot zegen te zijn, en alzoo in den
geest van een ootmoedig dankbaar geloof medewerkers Gods
te wezen aan eigen en anderer zaligheid. Ook het zwakst
getuigenis des geloofs wil de Heer van omhoog genadig
bekronen met zijn onmisbaren zegen. Doch moge \'t dan ook
van steeds meerderen naar waarheid kunnen gezegd worden,
dat hun blik uit genade voor de diepste behoefte hunner
ziel is geopend geworden, zoodat zij nu ook geen vuriger
wensch kennen, dan om een kind en beelddrager Gods te
zijn, die zich aan \'s Heilands hand mag geleid zien van
licht tot steeds meerder licht, van kracht tot telkens hooger
kracht, totdat de eeuwig Getrouwe eenmaal, te zijner tijd,
het waarachtig en nederig zielsgeloof met \'t zaligst aan-
schouwen verwisselt.
Onderzoekt dan, zoo roepen we u, ten besluite, toe, onder-
zoekt ernstig, ja telkens bij vernieuwing uw eigen harte,
Geliefden, en wel bij \'t onbedrieglijk licht der H. Schrift,
opdat gij naar eisch der waarheid moogt weten, hoe gij
staat tegenover den Heer. Laat niemand uwer tevreden zijn
met een christen te heeten, zonder zulks werkelijk in op-
rechtheid en metterdaad te zijn. Laat ook niemand meenen,
dat lid te zijn van eenige Christelijke veroeniging ons op
zich zelf voor God ook slechts eenigermate zou kunnen
baten. Getuigt wellicht uw eigen geweten daarbinnen, mijn
toehoorder, dat gij de genadige roeping Gods, gelijk die
-ocr page 24-
2(1
in hot evangelie zijns Zoons tot ons doordringt, tot hiertoe
hebt wederstreefd, o keer u dan (gelijk wij in zijnen naam
u smeeken) zonder verder uitstel tot den Heer met een
boetvaardig harte, eer \'t mogelijk voor eeuwig te laat zij,
en gij, na een ijdel en zondig leven, vruchteloos in bange
vertwijfeling zoudt moeten uitroepen: >Waar berg ik mij,
waai\' vlucht ik heen!< - Nu nog, in \'t Heden van Gods
lankmoedigheid en goedertierenheid, laat de Allerhoogste
u nog dringend vermanen en opwekken, om toch onverwijld
tot Hem, als den God ook üws heils in Christus Jezus,
heilbegeerig uwe toevlucht te zoeken. Onttrek u dan niet
langer ten verderve! >Zie,< zegt de Heer in de welbekende
gelijkenis van den onvruchtbaren vijgeboom, ik kome nu
drie - ja, mogelijk kwam hij tot sommigen onzer reeds
meer dan tien of zelfs reeds meer dan twintig maal drie —
jaren, zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet;
houw hem uit: waartoe beslaat hij ook onnuttelijk de aarde?»
O, eer dat beslissend, dat ontzaglijk vonnis over ü weer-
klinkt, wie ge ook zijn moogt, oudere of jongere onder ons,
kom smeekend en heilzoekend tot den Heiland, die ook u,
wederom te dezer zelfder ure, als bij name roept! Bid vurig
den Heer, dat Hij zijn genadewerk ook aan uw zondig harte
moge volbrengen. Twijfel er niet aan, dat Hij daartoe ten
volle genegen is. Immers >Jezus Christus is gisteren en
lieden dezelfde en in der eeuwigheids
Getuigt van dien rijkdom zijner ontfermende zondaars-
liefde, vrienden des Heeren! Zijn daar wellicht jongeren in
ons midden, die den Heer wenschen te zoeken en te dienen,
docli die zicli tot dusver nog niet aansloten aan de Chris-
telijke Jongelingsvereeniging, welke lieden haar tienjarig
bestaan mag herdenken,
         misschien, dat \'t u, den zoo
gezinden, dan heden avond in uw hart wordt gegeven, om
mede door uwe persoonlijke toetreding en medewerking
-ocr page 25-
21
deze Vereeniging in haar christelijk streven te steunen.
Moge dat zoo zijn, en deze Vereeniging daarbij tevens ook
verder veel steun ondervinden van de zijde van gelijkgezinde
begunstigers en vrienden, opdat, ook mede langs dezen weg,
Gods eeuwig gezegend koninkrijk alhier gedurig meer moge
worden bevestigd en uitgebreid.
Leden der feestvierende Jongelingsvereeniging! laat het
woord des Heeren u dagelijks dierbaarder worden, en de
blijmoedig gehoorzame navolging des Heeren al uw lust.
> Waarmede,* vraagt de psalmist, »zal de jongeling zijn pad
zuiver houden?\' en het antwoord luidt: >als hij dat houdt
naar Uw Woord.< Moge dan ook het Woord des Allerhoog-
sten voor u gedurig meer worden en metterdaad blijken te
zijn een licht op uw pad, en een lamp voor uwen voet.
Zoekt de goede zaak des Evangelie\'s, zooveel door Gods
genade in u is, ook bij anderen aan te bevelen door een
opgeruimden, ingetogen, ijverigen en (in één woord) waarlijk
christelijken geloofswandel, in gedurig onverdeelder en
eenpariger overgave aan Hem, die gezegd heeft: >Zonder
mij kunt gij niets doen; blijft in mij, en ik in u!« Dan moogt
gij ook, op grond der onwankelbare heilbeloften Gods, die
alle Ja en Amen zijn in Christus, er u ten volle van ver-
zekerd houden, dat de Heer ook ulieder gemeenschappelijk
streven, Hem tot eer, en u zelven en anderen tot heil, over-
vloedig zal zegenen. Zoo >strijdt< dan »den goeden strijd
des geloofs« (roepen wij u, aan \'t eind, nogmaals met den-
zelfden apostel toe), »en grijpt naar het eeuwige leven.
Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met
eere de een den ander voorgaande. Verblijdt u in de hope,
zijt geduldig in de verdrukking, volhardt in het gebed.<
Dan zal ook gewis de vrede Gods, die alle verstand te
boven gaat, uwe harten gedurig meer vervullen en heiligen,
en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam zal onbe-
-ocr page 26-
22
rispelijk worden bewaard in de toekomst van onzen Heer
Jezus Christus.
Dat hoogste ideaal des geloofs, het worde eens aan \'t eind
voor velen, mocht \'t zijn ook voor ons allen, door Gods
genade en trouw de zaligste werkelijkheid !
Dat zij zoo!