-ocr page 1-
HANDLEIDING
VOOR HÉT
E
l h BESCHRIJVEN 1
ontworpen in opdracht van de
Vereeniging van Archivarissen in Nederland
door
Mrs. S. MULLER Fz., J. A. FEITH
R. FRUIN Th.Az.
®tsm$è
GRONINGEN.
ERVEN B. VAN DER KAMP.
1898.
-ocr page 2-
*
-ocr page 3-
.U.
yv\\w 10*50/
HANDLEIDING
VOOR HET
(KI n BUI MS ARCHIEVEN
ontworren in opdracht van de
Vereeniging van Archivarissen in Nederland
BfBUOTHEFK DSR
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
door
Mrs. S MULLER Fz., J. A. FEITH en
R. FRUIN Th.Az.
b&mmè
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000032181616B
3218 161 6
GRONINGEN.
ERVEN B. VAN DER KAMP.
1898.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
EEN WOORD VOORAE.
Dit is een vervelend boek en een kleingeestig boek. De lezer
zij gewaarschuwd!
Wij achtten ons verplicht , dit vooraf ronduit te verklaren.
Indien de kritiek zich verwaardigt van ons geschrijf kennis te
nemen, zal zij het maar al te spoedig in het openbaar zeggen.
Wij meenden derlialve aan ons zelven verplicht te zijn haar voor
te zijn door eerlijk te erkennen, dat ook naar onze meening
Jacob van Lennep onderhoudender kon vertellen dan wij deden
,
en bovendien dat wij in het algemeen niet wenschen dood te blijven
op de quacstièn, of eeti jaartal al dan niet tusschen haakjes
wordt gedrukt en of men de stukken behoort te nomineren met
cijfers of met letters.
Waarom wij dan toch hebben gemeend tot in dergelijke klei-
nigheden toe nauwkeurig te moeten voorschrijven, hoe wij onze
archiefinventarissen wenschen ingericht te zien? Wij willen dit
gaarne verklaren.
Naar onze overtuiging is uniformiteit van behandeling der
inventarissen, zoowel in hoofdzaken als in kleinigheden , uiterst
nuttig. Zij is gemakkelijk voor den gebruiker
, die spoedig de
bet eekenis van elk constant gebruik vat, en zij voorkomt veel
misverstand.
Indien men echter meent, dat wij nu de regels dezer handleiding
als een drukkend juk op de schouders onzer ambtgenooten wenschen
te leggen, dan vergist men zich zeer. Wij zullen niet zuur zien,
indien men in enkele détails of zelfs in hoofdzaken van deze regels
üfzvijkt. Alleen dit hopen wij, dat onze ambtgenooten het door ons
gezegde zullen willen overwegen en daarvan niet zullen afwijken
dan na vooraf daarvan in de inleiding van hunnen inventaris
bericht, liefst gemotiveerd bericht te hebben gegeven. Zoodoende
-ocr page 6-
IV
zullen wij vorderen en in hoofdzaak ons doel toch bereiken. Het
publiek zal weten, welke regels zijn gevolgd. En wij zullen
weten, op welke punten onze regels nadere overzueging, wellicht
herziening behoeven.
Wij vragen om kritiek, veel kritiek. Eerst na onderlinge gc-
dachtenwisseling van de leden onzer Vereeniging zal een definitief
resultaat kunnen worden bereikt. Onze hoop is, dat over eenige
jaren ecne tweede herziene uitgave van ons werk het licht zal
kunnen zien, waarop dan de goedkeuring der Vereeniging zou
kunnen worden gevraagd en wellicht verkregen.
Deze tweede uitgave zal dan ook, naar ivij vertrouwen, minder
lijden aan een euvel, dat deze eerste proeve noodzakelijk aan-
klecft. Zij draagt de gebreken van haren oorsprong. Ieder onzer
heeft een deel bewerkt en gezamenlijk hebben wij alles herzien. Bij
die herziening is onderlinge tegenspraak, naar wij hopen, overal
verwijderd. Maar herhalingen waren uit den aard der zaak niet
altijd te vermijden, daar dezelfde opmerkingen telkens voor-
kwamen in een ander verband, waar zij niet altijd konden worden
gemist.
-ocr page 7-
EERSTE HOOFDSTUK.
Ontstaan en indeeling van
archiefdep6ts.
§ i. Een archief is het geheel der geschrevene, getee-
kende en gedrukte bescheiden, ex officio ontvangen bij
of opgemaakt door eenig bestuur of een zijner ambte-
naren, voorzoover deze bescheiden bestemd waren om
onder dat bestuur of dien ambtenaar te blijven berusten.
Deze definitie van een archief, die, als het fundament waarop alles
moet rusten, hier voorafgaat, had het geluk om zoowel in de verga-
dering der Vereeniging van archivarissen als in de vergadering van
Rijks-archivarissen met algemeene stemmen te worden aangenomen,
terwijl de Minister van Binnenlandsche Zaken ze eenigszins gewijzigd
vaststelde bij circulaire van io Juni 1897 \'). Is het in het algemeen
moeilijk eene definitie te verdedigen, in dit geval mag het dus ook
wel onnoodig heeten. Niet onnoodig evenwel is het, de verschillende
punten eenigszins toe te lichten, daar het van veel belang is, dat
de draagkracht der definitie naar alle zijden duidelijk wordt begre-
pen, omdat natuurlijk alle verdere beschouwingen daarvan uitgaan.
Het geheel. Bij de discussie over de definitie is gevraagd,
•wanneer men een archief een geheel mocht noemen, — of dit ook
was gerechtvaardigd, wanneer van een archief slechts enkele stukken
overig waren. Daarop is geantwoord : het archief is „een geheel"
zoodra het geen „deel" is, namelijk zoodra het niet bekend is, dat
elders andere gedeelten van het archief berusten. In dat laatste
geval is het wenschelijk, op de eene of andere wijze van deze deelen
weder een geheel te maken. Is er evenwel van een archief slechts
e\'én enkel stuk bewaard, dan is dit eene stuk het archief; het is op
zich zelf een geheel en moet dus ook op zich zelf worden beschreven.
ij Die wijzigingen, alleen de redactie betreffende, zijn allen door ons overgenomen met uitzon-
dering van het op blz. 2 i. f. besproken geval.
I
-ocr page 8-
2
Geschrevene, geteekende en gedrukte bescheiden. Met „geteekende
bescheiden" worden bedoeld kaarten, die veelvuldig voorkomen in
dossiers, op last van besturen of ambtenaren vervaardigd, of bij
hen ingezonden worden ter toelichting van aanhangige quaestiën.
Er is niet de minste reden, om dergelijke kaarten uit het archief
te verbannen. — Hetzelfde geldt van de „gedrukte bescheiden", die
vooral sedert het laatst der I7de eeuw veelvuldig in archieven voor-
komen. De omstandigheid, dat men een brief, die in vele exem-
plaren moest worden rondgezonden , of de resolutien (of compendieuse
resolutiën) van een college voor de leden der vergadering heeft
laten drukken in plaats van ze in verschillende exemplaren over te
schrijven, mag natuurlijk geene reden zijn, om die gedrukte stukken
uit het archief te verwijderen. — De definitie spreekt alleen van
geschrevene, geteekende en gedrukte bescheiden. Andere voorwerpen
maken geen deel uit van het archief. Dat geldt niet alleen van
antiquiteiten en diergelijken, die uit den aard der zaak in musea
of oudheidkamers thuis behooren, maar ook van zegelstempels,
hoewel die in den regel in de archiefdepóts worden bewaard.
Ex officio. Alleen de officiëele stukken, de stukken ontvangen
en opgemaakt door besturen of ambtenaren in hunne qualiteit,
behooren tot het archief. Stukken, door leden van een bestuur
of door ambtenaren in andere qualiteit ontvangen of opgemaakt,
die dikwijls in een archief worden aangetroffen, behooren niet daartoe.
Ook partikuliere brieven aan ambtenaren maken geen deel uit van
het archief. Dit alles behoort evenwel cum grano salis te worden
opgevat. Vooral in kleine en afgelegene plaatsen komt het dikwijls
voor, dat de ingekomen stukken in alles behalve officiëelen vorm
zijn opgemaakt, en men vindt in die stukken dan dikwijls zelfs
allerlei huiselijke bijzonderheden. Het zou natuurlijk ondoelmatig
zijn, om ter wille van deze vormquaestie te beweren, dat deze
stukken uit het archief verwijderd moeten worden.
Ontvangen door eenig bestuur. De verplaatsing door den Minister
van de woorden ex officio, die in de definitie van onze Vereeniging
achter ambtenaren stonden, (eene omzetting, op zich zelve gewenscht,
omdat onze redactie aanleiding kon geven tot het misverstand, dat
de woorden ex officio alleen behoorden bij ambtenaren) vestigde
er de aandacht op, dat de woorden der definitie „ingezonden bij\'
eenig bestuur"
min gelukkig gekozen waren: immers de inzender
van een brief bij eenig bestuur behoeft niet ex officio te handelen,
alleen bij de ontvangst van het stuk komt dit vereischte in aan-
merking. Wij veroorloofden ons derhalve in de overigens door
ons overgenomen ministeriëele definitie de woorden ingezonden door
te vervangen door ontvangen bij.
-ocr page 9-
3
De vraag heeft zich voorgedaan, of b v. boeken, die met bege-
leidend schrijven aan een bestuur zijn toegezonden, nu ook in het
archief van dit bestuur behooren. Strikt genomen is dit werkelijk
het geval: ze zijn de bijlagen van den geleidebrief. Doch het schijnt
wenschelijk, in dit geval in het belang der praktijk de theorie prijs
te geven : het is doelmatig, dergelijke boeken te plaatsen in eene
bibliotheek. Het geval kan zich voordoen, dat het geschonken boek
en de geleidebrief onsplitsbaar zijn: wanneer namelijk de opdracht
van den schenker voor in het boek staat geschreven. Ook dan echter
schijnt het doelmatig het boek niet ter wille van die opdracht te
verwijderen uit zijne natuurlijke en zeker door de schenkers
gewenschte bewaarplaats : de bibliotheek.
Opgemaakt door ecnig bestuur. Deze uitdrukking is gekozen
ter vervanging van de oorspronkelijk voorgestelde uitgegaan van
het bestuur,
omdat het anders twijfelachtig kon schijnen, of b.v.
de notulen van het bestuur wel onder de definitie waren begrepen.
Eenig bestuur. Onder de besture.i zijn blijkens de in de verga-
dering van Rijksarchivarissen gevoerde discussiën ook rechterlijke
colleges te begrijpen, die in den ouden zin zeer zeker tot de be-
stuurscolleges behoorden, hoewel zij volgens het tegenwoordige
spraakgebruik daaronder wellicht niet zouden vallen. Ook een een-
hoofdig bestuur (een graaf b.v.) is natuurlijk onder deze uitdrukking
begrepen. — De definitie onzer Vereeniging sprak niet van eenig
bestuur,
maar van het bestuur cener gemeenschap. Deze uitdrukking
was gekozen om aansluiting te verkrijgen bij de terminologie,
steeds gebruikt door den Algemeenen rijksarchivaris. Nu evenwel
de Minister in de aan de rijksarchivarissen opgelegde definitie de
uitdrukking gemeenschap niet heeft opgenomen , hebben ook wij die
weggelaten, te liever, omdat zij ons toeschijnt eenigszins vaag te
zijn en zonder afzonderlijke toelichting aanleiding te kunnen geven
tot misverstand.
Een zijner ambtenaren. De definitie onzer Vereeniging spreekt
van een harer beambten, namelijk van de gemeenschap. Nu dit
laatste woord uit de definitie is vervallen, moest deze uitdrukking
natuurlijk worden gewijzigd. Daar bovendien de Minister het woord
ambtenaren blijkt te verkiezen boven de uitdrukking beambten, zien
wij geen reden om hierin niet te volgen. — Niet alle ambtenaren
vormen een zelfstandig archief; deze quaestie zal nader worden
behandeld (zie § 55).
Eenig bestuur of een zijner ambtenaren. Men merke op, dat
het bestuur en de ambtenaren hier worden genoemd, niet de
gemeenschap, die door hen wordt bestuurd. De gemeenschap
zelve heeft geen archief, maar haar bestuur en hare ambtenaren.
-ocr page 10-
4
Wanneer wij spraken van het archief eener gemeenschap, dan
zouden wij dus het woord archief in eene oneigenlijke beteekenis
gebruiken: een dergelijk zoogenaamd „archief" bestaat toch gewoon-
lijk uit verschillende archieven.. Ook de Staat zelf heeft dus geen
archief en de benaming Rijksarchief is dus eigenlijk onjuist: er
bestaan alleen archieven van de verschillende Ministeriën, van de
twee Kamers der Staten-Generaal enz. (Wij spreken hier niet van
het eigendomsrecht van archieven; met betrekking tot den eigen-
dom is de naam Rijksarchief natuurlijk juist: immers de gezamenlijke
archieven van de Ministeriën, de Kamers enz. behooren aan het Rijk.)
Voor zoover deze bescheiden bestemd waren, om onder dat bestuur
of dien ambtenaar te blijven berusten.
In twee opzichten wijkt de
ministeriëele definitie hier af van die onzer Vereeniging en beide
malen achten wij de afwijking eene verbetering. Onze definitie
zeide: voorzoover de bescheiden bestemd zijn; het is duidelijk, dat
bestemd ivaren juister is, omdat verplaatsingen van een stuk door
latere beheerders daaraan het karakter van archiefstuk niet kunnen
ontnemen. De vervanging der woorden onder de gemeenschap door
onder dat bestuur of dien ambtenaar is in overeenstemming met
de weglating van het woord gemeenschap uit de definitie en ook
overigens juister. — Door de beperking, die in den aangehaalden
volzin ligt, wordt in de eerste plaats aangegeven, dat wel de
minuten der door een bestuur opgemaakte brieven tot zijn archief
behooren, maar niet de verzondene grossen, die behooren tot het
archief van den geadresseerde. Doch bovendien worden door deze
beperking meer stukken uitgesloten, b.v. de pakken gedrukte plak-
katen of gedrukte formulieren en ander materieel, dat, hoewel
voor verspreiding bestemd, in de archieflokalen is achtergebleven.
Wordt eene verzameling plakkaten ingebonden om ten gebruike
van het bestuur te dienen, dan past daarop natuurlijk de uitsluiting
niet: immers zij zijn dan wèl bestemd om onder het bestuur te
blijven berusten.
Men heeft wel eens een archief onderscheiden van eene bibliotheek
door te zeggen, dat het eerste alle handschriften bevat, die jure
publico behooren aan een bestuur, de andere alle handschriften, die
daaraan behooren jure privato. Deze omschrijving is echter onjuist:
de eigendomsbewijzen toch van huizen, door eene gemeente aange-
kocht om later voor den publieken dienst te worden verbouwd, en de
stukken betreffende huisrenten, door haar van kloosters geërfd,
behooren zonder twijfel tot het gemeente-archief, hoewel de gemeente
de huizen en renten jure privato bezit. Doch er bestaat tegen deze
omschrijving nog een ander bezwaar. Wackernagel definieerde voor
eenige jaren een archief aldus : „Das Archiv ist die Sammlung derje-
-ocr page 11-
5
nigen Schriftstilcke, welche atifdem Weg e tind zu Zwecken der öffent-
lichen Verwaltung ent standen sind, soivie derjenigen, welche au/
dem Weg privater Verzvaltung ent standen, aber dnreh Uebergang
derselben au den Staat nachtrtiglich öffcntlichen Cliarakter erlialten
haben."
Deze definitie, voor rijksarchieven juist, is als algemeene
omschrijving van een archief bepaald onjuist: immers ook privaat-
rechtelijke lichamen vormen zonder twijfel archieven (zie § 3).
§ 2. Een archief is een organisch geheel.
In de vorige paragraaf is uiteengezet, hoe een archief ontstaat ten
gevolge van de werkzaamheden van een college of een ambtenaar,
hoe het archief altijd de neerslag is der functiën van dat college
of dien ambtenaar. Een archief wordt dus niet willekeurig gemaakt,
gelijk men de eene of andere verzameling historische handschriften
samenstelt, al wordt zulk eene verzameling wel eens een archief
genoemd. (Men denke b.v. aan het Krijgsgeschiedkundig archief.)
Integendeel, een archief is een organisch geheel, een levend orga-
nisme\'), dat volgens vaste regelen groeit, zich vormt en vervormt.
Veranderen de functiën van het college, de aard van het archief
verandert mede. De regels, die de samenstelling, de inrichting,
de vorming van een archief beheerschen, kan dus de archivaris niet
van te voren vaststellen; hij kan alleen het organisme bestudeeren
en constateeren, welke de regels zijn, waarnaar het zich heeft
gevormd. Elk archief heeft dus als het ware zijne eigene persoon-
lijkheid, zijne individualiteit, die de archivaris moet leeren kennen,
alvorens hij tot de ordening er van kan overgaan. In de hier
volgende regelen is dan ook zorgvuldig vermeden een schema voor
archiefordening en -indeeling te geven. Elk archief, dit sta op den
voorgrond, moet op zijne eigene wijze worden behandeld, en deze
handleiding heeft alleen ten doel de middelen aan te geven
om den bouw van een archief te leeren kennen en uit hetgeen
daaromtrent • wordt gevonden af te leiden, hoe de regeling moet
geschieden. Zonder die voorafgaande kennisneming van den bouw
van het organisme kan het niet in goeden staat worden gebracht.
Niet de eerste de beste systematicus — en evenmin de eerste de
beste historicus — maar alleen hij, die de organisatie van het
archief heeft bestudeerd, is tot de ordening er van bevoegd.
l) Althans^ een organisme, dat heeft geleefd, want de archivaris ontvangt het archief in den
regel onder zijn beheer, als het is afgestorven, of althans alleen die gedeelten van het archief, die
als afgesloten beschouwd moeten worden.
-ocr page 12-
6
§ 3- Ook besturen of ambtenaren van privaatrech-
telijke lichamen kunnen een archief vormen.
Er zijn privaatrechtelijke lichamen, zooals kloosters, gasthuizen,
broederschappen enz., en in onzen tijd maatschappijen en vereeni-
gingen b.v. de Maatschappij tot exploitatie der Staatsspoorwegen,
de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, de
Zuiderzee-vereeniging, de Maatschappij van Nassau-La Lecq, welker
besturen of ambtenaren contracten sluiten, brieven ontvangen, no-
tulen houden enz., alles ambtshalve, en die dus in dat opzicht met
publiekrechtelijke lichamen zijn gelijk te stellen. Zelfs partikulieren
kunnen archieven hebben. Een handelaar kan even goed als eene
handelsvennootschap of eene handelsvereeniging een archief hebben,
bestaande uit journalen, kasboeken, ingekomene brieven, kopieboe-
ken van uitgaande brieven enz.
Men rekene hieronder echter niet de zoogenaamde familie-archie-
ven of huisarchieven. Deze toch zijn doorgaans een conglomeraat
van papieren en stukken, welke de verschillende leden van een
geslacht of de verschillende bewoners van een huis of kasteel, als
private personen of in verschillende functién, soms zelfs als verza-
melaars van curiosa, in handen hebben gekregen en bewaard. De
stukken van een familie-archief vormen geen geheel, zij zijn meer-
malen op de meest zonderlinge wijze bijeengekomen en missen het
organisch verband van een archief in de beteekenis, daaraan in deze
handleiding gegeven. De regels voor gewone archieven kunnen
daarom op familie- of huisarchieven niet toegepast worden.
§ 4. Men onderscheide scherp tusschen een archief
en een archiefdepöt In een archiefdepöt kan men zes
soorten van archieven vinden: i° het archief van het
college, waaraan het depot behoort; archieven van
commissiën of ambtenaren, die aan dat college onder-
geschikt zijn; 30 archieven van colleges en personen,
wier rechten of functiën op dat college zijn overge-
gaan; 40 archieven van colleges en personen, op wie
dat college toezicht moet houden, en wier archieven
door het college in zijn depot zijn geplaatst; 50 archie-
ven, die in het depot zijn geplaatst krachtens een
bestuursmaatregel; 6° archieven, die in bruikleen ont-
vangen, geschonken of gekocht zijn.
-ocr page 13-
7
Ter toelichting van deze paragraaf moge alleen dienen: i° dat
onder colleges en personen hier en elders ook zijn begrepen
besturen van stichtingen, 2° dat met bestuursmaali\'Cgel worden
bedoeld zoowel wetten en besluiten als speciale regeeringsvoor-
schriften (vgl. § 7).
Ter verduidelijking is het wellicht wenschelijk, om van elke der
zes genoemde soorten een voorbeeld te geven. Stellen wij, dat
het depot behoort aan een gemeentebestuur, dan worden b.v. met
no. 2 bedoeld de archieven van de fïnantiekamer en van den
thesaurier, met no. 3 de kloosterarchieven en de buurtboeken,
met no. 4 de archieven der godshuizen, waarvan de burgemeester
superintendent is, met no. 5 het schepenarchief, door het rijk
aan de gemeente in bewaring gegeven, met no. 6 archieven van
kerken en hofjes.
Het is mogelijk, dat een der in een archiefdepót gedeponeerde
archieven zelf archiefdepót gezveest is, m. a. w. dat dit gede-
poneerde archief, toen het nog zelfstandig was, bestond uit meer
of minder zelfstandige archieven, of dat daarin andere archieven
zijn gedeponeerd. Zoo is het b.v. met het in het rijksdepót in
Utrecht opgenomen archief van het Domkapittel, dat de archie-
ven van verschillende kamers van beheer bevat en waarin o. a.
de archieven van vele waterschappen zijn gedeponeerd. Zulk een
archief is thans niet meer een archiefdepót, maar er blijft toch
natuurlijk een zeker verband bestaan tusschen de verschillende
bestanddeelen daarvan. In hoeverre het geoorloofd is diergelijke
archieven geheel te scheiden van het hoofdarchief, waarbij zij
gedeponeerd zijn, bespreekt § 13.
De opgenoemde verschillende categorieën van archieven moe-
ten zelfstandig worden geordend; over de beschrijving van
sommigen daarvan in één inventaris vindt men hierachter regels
(zie § 70).
In bijna elk archiefdepót vindt men behalve de zes genoemde
soorten van archieven nog partikuliere handschriften. Dit zijn
evenwel geene archiefstukken, en ze zijn daarom niet onder de
verschillende categorieën opgenoemd. In het algemeen is het
gewenscht deze stukken uit het archief te verwijderen; zie daar-
over § 56.
§ 5. Met het archief van een bestuur (college of
persoon) behooren in één archiefdepót te worden ver-
eenigd de archieven van die besturen (colleges of per-
-ocr page 14-
8
sonen), wier rechten of functiën zijn overgegaan op
eerstgenoemd bestuur.
Evenals een archief een organisch geheel is. zoo is ook een
archiefdepót een historisch gevormd product. Dat bepaalde archie-
ven samen in een depot zijn vereenigd, is niet een gevolg van
het toeval, maar een uitvloeisel van de lotgevallen der organen,
wier archieven in het depot berusten. De boven gestelde regel,
die door de regeering thans bij de indeeling van \'s rijks archieven
is voorgeschreven, is dan ook gegrond op hetgeen de ondervinding
leert omtrent de wijze, waarop depots worden gevormd.
Als een bestuur wordt opgeheven en zijne rechten of functiën
op een ander overgaan, dan gaat het archief, dat de neerslag
dier functiën of rechten is, mede. Zoo is het altijd geweest. Toen
ten tijde der troebelen tal van geestelijke stichtingen werden gese-
culariseerd, maakten de Staten, op wie de rechten dier stichtin-
gen overgingen, zich zooveel mogelijk \') van de archieven meester;
dat van de abdij van Egmond, die door de Staten van Holland in
bezit was genomen, werd naar Den Haag overgebracht, op dat
van de Middelburgsche abdij legden de Staten van Zeeland, die
zich van de abdij zelve hadden meester gemaakt, beslag. Andere
stichtingen gingen over in de macht der steden, waarbinnen zij
waren gelegen, en ook dan ging het archief mede. Ook bij latere
aanwinsten werd door de Staten eveneens gehandeld. Toen de Staten
van Utrecht het burggraafschap van Montfoort kochten (1649),
verwierven zij tevens het archief. Niet anders handelde men in
1795. toen overal de Statencolleges door Representantenvergade-
ringen werden vervangen: de laatsten namen zonder meer de ar-
chieven der Staten over. Op dezelfde wijze was het archief van
den Nassauschen domeinraad het depot, waarin de archieven der
door de prinsen van Oranje verworven heerlijkheden werden gede-
poneerd. Dezelfde regel is gevolgd in de steden en plattelands-
gemeenten. Dat dezen nu nog in het bezit zijn van de archieven
van den magistraat van vóór 1795 en van de verschillende besturen,
die in den Franschen tijd elkander zijn opgevolgd, is eene toepassing
van den boven gegeven regel: de tegenwoordige gemeentebesturen
zijn de rechtverkrijgenden dier vroegere plaatselijke besturen en
daarom in het bezit hunner archieven. En wanneer thans nog twee
gemeenten worden vereenigd, dan worden de archieven dier voor-
malige gemeenten overgebracht naar het archiefdepót der nieuwe
gemeente, die beiden vervangt.
xj Dat de geestelijken zelven de archieven hunner stichtingen voor de Staten in veiligheid
trachtten te brengen, was juist een gevolg van het feit, dat zij de secularisatie en den overgang
der rechten van de stichting op den staat niet erkenden.
-ocr page 15-
9
De ondervinding leert dus, dat, zoo de functiën of de rechten
van een bestuur op een ander overgaan, de archieven mede
overgaan. Dat dit zoo geschiedt, heeft ook zijne goede reden: het
college, dat de functiën van zijn voorganger voortzet, zijne rechten
uitoefent, heeft voor het behoorlijk verrichten dier werkzaamheden
telkens behoefte aan kennisneming van de in het archief berus-
tende retroacta. Het heeft dezelfde behoefte aan het archief van
het voorafgaande college, als dat laatste er aan zou hebben gehad,
als het was blijven bestaan. De boven gegeven regel, uit de onder-
vinding afgeleid, is dus volkomen rationeel.
De redactie der paragraaf vereischt eenige toelichting. Zij noemt
naast functiën ook rechten, omdat men bezwaarlijk kan zeggen,
dat de functiën van geestelijke stichtingen, die geseculariseerd
worden, op de bezitters der voormalige geestelijke goederen over-
gaan; alleen de rechten op de goederen gaan over, de verdere
functiën houden op te bestaan. Het zij hier intusschen opgemerkt,
dat alle rechten functiën medebrengen, die aan de uitoefening
dier rechten zijn verbonden; deze functiën gaan ook op de nieuwe
bezitters der goederen over. Zoo zijn b.v. het afhooren van de reke-
ningen der geestelijke goederen en het beschikken over het batig saldo
functiën, die van de vroegere bezitters dier goederen op de
staten of de steden zijn overgegaan.
Het in de paragraaf voorkomende woord vereenigd zou tot
misverstand aanleiding kunnen geven; het is daarom gewenscht
hier duidelijk te doen uitkomen, dat de bedoeling niet is, dat de
in één depot vereenigde archieven tot één archief versmelten.
Integendeel, elk archief blijft zelfstandig bestaan, maar die zelf-
standige archieven worden in één depot vereenigd. — Het verdient
intusschen opmerking, dat somwijlen de nieuwe beheerders van
een archief de akten, die een uitvloeisel zijn van de functiën, die
van het eene bestuur op het andere zijn overgegaan, in de reeds
door het eerste bestuur gebezigde registers inschrijven. De be-
leeningen met leenen der St. Paulusabdij zijn b.v. na de annexatie
dier leenen door de Staten van Utrecht in hetzelfde boek geregi-
streerd, waarin de oudere beleeningen voorkomen. In tal van
gemeente-archieven vindt men ook de notulen der verschillende
plaatselijke besturen, die elkander achtereenvolgens in den Franschen
tijd hebben vervangen, in hetzelfde register opgenomen \').
Het komt meermalen voor, dat de rechten of functiën van een
college of persoon, bij de opheffing daarvan, over meer col-
leges of personen worden verdeeld; hoe in dat geval met het
l) In zulk een geval moet het register (desnoods met eene verwijzing) bij de beschrijving
van de archieven van beide colleges worden vermeld.
-ocr page 16-
IO
archief behoort te worden gehandeld, wordt niet gezegd in deze
paragraaf, die uitsluitend spreekt van het overgaan van archieven,
niet van gedeelten van archieven; zie over dit onderwerp § 10.
§ 6. De archieven van besturen (colleges of perso-
nen), wier rechten na 1798 op den staat zijn overgegaan,
behooren te worden geplaatst in het rijksdepöt in de
hoofdplaats van de provincie, op wier tegenwoordig
grondgebied dat bestuur fungeerde.
Ten allen tijde is van den in de voorgaande paragraaf gestelden
regel in zooverre afgeweken, dat, zoo de rechten of functiën, die
van eenig college of persoon op een ander college of persoon
overgingen, van grooten omvang waren en dus eene omvangrijke
administratie medebrachten, het bestuur, dat deze functiën ver-
wierf, voor die nieuwe functiën een afzonderlijk orgaan instelde;
in dat geval ging ook het archief over in het depot van dit nieuwe
orgaan. Toen b.v. Karel V Gelderland verkreeg (1544), bleef het
landsheerlijk bestuur in de provincie gevestigd en behield het het
archief; op dezelfde wijze werden de archieven der door de graven
van Nassau verworven Nederlandsche heerlijkheden niet naar
Duitschland overgebracht, maar werd voor de Nederlandsche goe-
deren in den Nassauschen domeinraad een afzonderlijk bestuurs-
college opgericht, dat zijn eigen archiefdepöt had; ook de archieven
van Karel V als koning van Spanje, als graaf van Holland, als
hertog van Gelder werden niet allen in één depot vereenigd. Met
het in de vorige paragraaf uitgedrukte beginsel is dit trouwens eigen-
lijk niet in strijd. De verschillende rechten, waarvan hier sprake
is, werden wel in één persoon vereenigd, maar het was toch
veeleer eene cumulatie van verschillende autoriteiten in één per-
soon, dan een overgang van rechten van de eene autoriteit op
de andere.
Eerst de moderne staat bracht hierin verandering. In 1798 werd de
provinciale souvereiniteit opgeheven, de uit die souvereiniteit voort-
vloeiende rechten gingen op den staat over. Toen de staat dus
daarna de provinciale depots (behalve voor Zuid-Holland) liet
voortbestaan, was dit inderdaad eene bepaalde afwijking van het in
de vorige paragraaf uitgedrukte beginsel. Immers de provinciën ver-
loren haar zelfstandig bestaan, zij werden bij den Nederlandschen
staat ingelijfd (terwijl zij na de vereeniging onder Karel V zelfstandig
gebleven waren); niet de departementale besturen waren de recht-
verkrijgenden der provinciale Staten, gelijk de Staten het in 1581
-ocr page 17-
II
waren geweest van den provincialen landsheer, maar het bestuur van
den Nederlandschen staat of liever van de ééne en ondeelbare Bataaf-
sche republiek was de rechtverkrijgende van al de provinciale Staten.
Intusschen had deze afwijking van den ouden regel hare goede
reden. Immers terwijl de souvereine rechten der oude provinciale
Staten en daarmede hunne archieven overgingen op den staat,
gingen hunne functiën voor een groot deel over op de Intermediaire
administratieve, en later op de Departementale en Provinciale bestu-
ren. Het spreekt van zelf, dat deze colleges bij hunne werkzaam-
heden, vooral in de eerste jaren na 1798, de archieven hunner
voorgangers onmogelijk konden missen: het was dus gebiedend
noodig, dezen op hunne oude plaatsen te laten. Dit is zóo waar,
dat men zelfs als algemeenen regel zou kunnen aannemen, dat,
indien de rechten van een college zijn overgegaan op eene autori-
teit, zijne functiën op eene andere, het archief behoort te worden
geplaatst bij de laatste autoriteit, die in den regel daarvan meer
nut hebben zal.
Volgens welke regelen nu behooren de na 1798 door den staat
verkregen archieven over de depots in de elf provinciën te worden
verdeeld? Het spreekt van zelf, dat het eigenaardig en doelmatig
is in elk depot op te nemen de archieven van de besturen, die in
deze provincie hebben gefungeerd, voorzoover die na 1798 allengs
op den staat zijn overgegaan.
Doch is het wenschelijk, daarbij aan te nemen de grenzen der
tegenwoordige provincie of die der oude provincie ? Voor het aan-
nemen der oude grenzen pleit, dat dan de inhoud van het archief-
depot overeenstemt met de later verkregen aanwinsten, zoodat men
b.v. de geschiedenis van een waterschap, dat vóór 1798 wèl, na 1798
niet tot de provincie behoorde, wanneer het in 1810 is opgeheven,
geheel in hetzelfde depot zal kunnen vervolgen : zoowel in het
archief der Staten als in zijn eigen archief, dat dan in hetzelfde
depot is geplaatst. — Daartegenover staan echter talrijke, onover-
komelijke bezwaren: i° De provinciën hebben sinds 1798 zoo
dikwijls hare grenzen veranderd, dat het somtijds moeilijk zou
worden te bepalen, welke dier grenzen men zou wenschen aan te
nemen, terwijl het gewenschte resultaat zelfs in geen geval zou worden
verkregen. In het boven gestelde geval b.v. van een waterschap,
dat in 1798 naar eene andere provincie is overgegaan, zou men
toch bij het nagaan zijner geschiedenis in het tijdvak na 1798 het
archief van het provinciaal bestuur, waaronder het waterschap na
1798 ressorteerde, moeten raadplegen. 2° Bij het deponeeren van
archieven na 1798 zijn regelmatig de toen bestaande provinciale
grenzen gevolgd; wilde men op dit beginsel terugkomen, dan zouden
-ocr page 18-
12
tallooze verzendingen van archieven van het eene depot naar het
andere noodig worden. 30 De tegenwoordige indeeling in provinciën
is de eenige, die ons geheele land omvat. Bij de indeeling van vóór
1795 zou men moeten bepalen, tot welk depot Staats-Vlaanderen,
Westerwolde, de graafschappen en heerlijkheden Buren, Leerdam,
Kuilenburg, IJselstein, Vianen en Ameland, de in 1801 ingelijfde
landen, zooals Ravestein enz., de in 1807 verworven enclaves,
zooals Huisen en Zevenaar, moeten worden gerekend. Voor Lim-
burg zou men in elk geval de tegenwoordige indeeling moeten aan-
nemen. 40 Bij het aannemen der oude grenzen zou ieder, die een
archief wilde zoeken, steeds die oude grenzen moeten kennen.
Al deze redenen schijnen het wenschelijk te maken de tegen-
woordige grenzen der provinciën als maatstaf aan te nemen van
verdeeling En wel beschouwd, ontstaat er zoodoende ook geen
strijd tusschen de grenzen, aangenomen voor het archiefdepöt vóór
1798 en voor dat na 1798. De staat plaatst in zijne provinciale depots
de archieven van alle op het tegenwoordig grondgebied gevestigde
besturen, in de eerste plaats dat der oude provinciale Staten.
Elk dezer archieven heeft van ouds zijne eigene regelen, waar-
naar het is gegroeid, en zijne eigene grenzen; het heeft in zich
opgenomen de archieven van de besturen van andere gemeen-
schappen, die soms zelfs buiten die grenzen gelegen zijn \'). Deze
regeling moet natuurlijk worden geëerbiedigd; de vroeger gede-
poneerde archieven vormen elk op zich zelf een onaantastbaar geheel.
Maar niet minder natuurlijk is het, dat die regelen niet bindend
kunnen of moeten zijn voor het rijksdepót, dat eerst sedert 1798
is gevormd, en dat voor zijne vorming zijne eigene regelen stellen
mag en moet.
De redactie der paragraaf vereischt slechts weinig toelichting. Er
wordt in gezegd, dat het archief van een na 1798 opgeheven bestuur
behoort te worden geplaatst in het depot in die provincie, waarin
dat bestuur fungeerde. Het laatste woord is gekozen, omdat het
eene enkele maal voorkomt, dat een college, dat over eene provincie
fungeerde, in eene andere was gevestigd (de Raad van Brabant b.v.
fungeerde in hoofdzaak over Noord-Brabant, maar was gevestigd te
\'s-Gravenhagej. Het is de bedoeling duidelijk te doen uitkomen,
dat de plaats van vestiging in zulk een geval onverschillig is. —
Voorts is hier, in tegenstelling met het sub § 5 geposeerde, alleen
sprake van rechten, die op den staat zijn overgegaan; de functiën
toch worden niet uitgeoefend door den staat, maar door een be-
stuurscollege of door een ambtenaar van den staat.
1) M. a. w. elk der in het provinciaal depot geplaatste archieven kan, vóórdat het in dat
depot werd geplaatst, reeds tot een archiefdeput zijn aangegroeid.
-ocr page 19-
13
§ 7- Het depot der oude rijksarchieven in eene
provincie (een stedelijk archiefdepöt) bestaat uit: i° de
archieven der voormalige provinciale en departemen-
tale (stedelijke) besturen, die van het tegenwoordig
provinciaal (stedelijk) bestuur, voorzoover die daar-
heen worden overgebracht, 30 die van de besturen
(colleges of personen), wier rechten of functiën op de
voormalige provinciale of departementale (stedelijke)
besturen zijn overgegaan, en 40 die van de colleges
en personen, op het tegenwoordig grondgebied der
provincie (gemeente) gefungeerd hebbende, die krach-
tens bestuursmaatregel in het depot zijn geplaatst.
Na hetgeen bij de beide voorgaande paragrafen te berde is ge-
bracht, behoeft deze, die, voorzoover zij de rijksdepóts in de
provinciën betreft, thans door de regeering is vastgesteld, slechts
weinig toelichting, daar zij in hoofdzaak niet anders beoogt dan
voor de provinciale en gemeentelijke depots de conclusiên te trekken,
die uit de beide voorgaande paragrafen moeten worden afgeleid.
Gelijk in de toelichting tot § 5 is opgemerkt, bleven de depar-
tementale en provinciale besturen na 1798 in het bezit van de
archieven der Staten en Representanten, die hun waren vooraf-
gegaan. Deze archieven vormen het hoofdbestanddeel der rijksdepóts
jn de provincie l) en zullen dat blijven vormen, ook al worden
later tal van andere plaatselijke archieven daarin gedeponeerd.
Een archiefdepöt in de provincie bevat vóór alles het archief van
het provinciaal bestuur, zoowel van het vroegere souvereine
als van het latere, louter administratieve bestuur. Het is niet
altijd mogelijk eene scherpe grens tusschen die beiden te trekken.
De in 1798 opgetredene Intermediaire administratieve besturen
bestonden uit dezelfde personen, die vóór de proclameering der
staatseenheid het provinciaal bestuur hadden uitgemaakt, en het
is dus niet te verwonderen, dat in sommige provinciën de
notulen van het nieuwe bestuur in de registers van het oude
werden vervolgd. De aan het provinciaal bestuur ondergeschikte
colleges bleven door de zuiver theoretische beslissing van Januari
1798 overal in hun geheel. Bovendien bestond de provinciale souve-
reiniteit in 1798 nog slechts in naam: reeds sedert de Staten-generaal
in 1796 door de Nationale vergadering waren vervangen, waren
x) Hetgeen hier van de depots in de provinciën wordt gezegd, geldt ook van het Algemeen
rijksarchief, wat de provincie Zuid-Holland betreft.
-ocr page 20-
14
de provinciale besturen van het staatsbestuur uitgesloten. Tegen-
woordig is dan ook het jaar 1813 als grens tusschen het oude en het
nieuwe provinciaal archief aangenomen. De paragraaf is intusschen
door opneming van het sub vermelde zoo geredigeerd, dat ook
het provinciaal archief na 1813 , zoo het naar het depot wordt over-
gebracht (gelijk b.v. in Noord-Brabant is geschied) onder deze bepa-
ling valt.
In de derde plaats bevat een depot in de provincie de archieven
der colleges of personen, wier rechten of functiên op de provin-
ciale of departementale besturen zijn overgegaan. Dit is eene
rechtstreeksche toepassing van het sub § 5 geposeerde en vereischt
dus geene toelichting.
Met de in de vierde plaats vermelde archieven van colleges en
personen op het tegenwoordig grondgebied der provincie, die
krachtens bestuursmaatregel in het depot zijn geplaatst, worden
in hoofdzaak de archieven bedoeld, waarvan in de vorige para-
graaf sprake was: de archieven van besturen dus, wier rechten
na 1798 op den staat zijn overgegaan. Hierbij valt intusschen
op te merken, dat de grenzen, in de vorige paragraaf voor de
plaatsing der archieven aangegeven, eveneens toepasselijk zijn,
wanneer archieven van bestuurscolleges of van ambtenaren van den
staat zelf naar de depots in de provinciën worden overgebracht,
hetzij omdat die colleges worden opgeheven, hetzij omdat eene
splitsing wordt gemaakt tusschen hun oud en hun nieuw archief.
Alle den staat in eigendom toekomende archieven, die in de depots
in de provinciën worden geplaatst, behooren over die depots ver-
deeld te worden volgens de tegenwoordige grenzen der provinciën.
Aan dezen regel heeft de staat zich ook gehouden: niet slechts
zijn de rechterlijke archieven volgens de tegenwoordige provinciale
grenzen over de depots in de provinciën verdeeld, maar ook bij
andere beschikkingen zijn die grenzen in acht genomen. Zoo zijn
de archieven der Utrechtsche kapittelen in het depot in Utrecht
geplaatst, niet in het Algemeene rijksarchief. Eveneens is het
archief der door den staat verworvene ambachtsheerlijkheid \'s-Heer-
Arendskerke in het rijksdepót in Zeeland geborgen. Ook de in
1879 niet door de gemeentebesturen opgevraagde weeskamer-archi-
even zijn gedeponeerd in de depots in de provinciën, binnen wier
grenzen de in gebreke gebleven gemeenten zijn gelegen. — Voor
de beteekenis van het woord bestuursmaatregel zie men het aan-
geteekende bij § 4.
Hetgeen hier in de eerste plaats van de depots in de provinciën
is opgemerkt, geldt mutatis mutandis ook van de stedelijke archief-
depóts. Ook daarvan bestaat de hoofdinhoud uit de archieven der
-ocr page 21-
15
stadsbesturen, die elkander zijn opgevolgd en wier functiën op
het tegenwoordige gemeentebestuur zijn overgegaan. Daarnaast
bevat zulk een depot eveneens de archieven der besturen (b.v.
opgeheven geestelijke stichtingen, ambachtsheerlijkheden), wier
rechten of functiën op het stadsbestuur zijn overgegaan. Niet altijd
komt hier de vierde categorie (gedeponeerde archieven) voor. Wan-
neer intusschen het rijk aan eene gemeente het oude rechterlijke
archief in bewaring geeft, wordt ook daarbij de thans geldende ge-
meentegrens in het oog gehouden ; zoo behooren tot het rechterlijk
archief, dat aan de gemeente Utrecht in bruikleen is afgestaan,
ook de archieven der in de stadsvrijheid gelegene gerechten, omdat
de tegenwoordige gemeente ook de voormalige vrijheid omvat.
Behalve in provinciale en stedelijke depots zal men slechts zelden
de verschillende in de stelling opgenoemde categorieën van archieven
in één depot vereenigd vinden, om welke reden dan ook in de
paragraaf van geene andere archieven sprake is. Dit neemt echter
niet weg, dat b.v. de archiefdepöts van plattelandsgemeenten , die
uit de vereeniging van verschillende dorpen zijn ontstaan, de
archieven van verschillende dorpsbesturen bevatten, en dat de
overblijfselen van de archieven der opgeheven Waalsche kerken
berusten bij de archieven der Nederlandsche gemeenten, op
welke hare rechten zijn overgegaan. Zoo was ook vóór de invoe-
ring van het Provinciaal kerkbestuur (1816) krachtens een besluit
der vier classes van Zeeland het archief dezer vier classes in het
archief van de classis van Walcheren gedeponeerd.
§ 8. De verschillende in een archiefdepöt opgenomen
archieven moeten zorgvuldig worden gescheiden. Zijn
er meer exemplaren van één stuk, danTga men na, in
welk archief elk exemplaar behoort.
Er zijn archiefdepöts, waarin alle stukken, afgezien van hunne her-
komst, zijn geordend naar eene chronologische volgorde. Er zijn
er ook, waarin alle stukken, bij verschillende besturen of ambtenaren
ingekomen, doch betrekking hebbende op verschillende takken van
staatsdienst, zijn vereenigd tot pakken of serieën. Men heeft daar
b.v. alle stukken, betrekking hebbende tot armenzorg, of alle
militaria, onverschillig of zij tot het archief van de provincie, dat
van eene stad of dat van een der kloosters behooren, tot één geheel
vereenigd. Het „respect des fonds" is alsdan niet in acht genomen.
Hoogst wenschelijk is het in zulk een geval elk stuk of charter terug
te brengen tot het archief van het bestuur of den ambtenaar,
waartoe het oorspronkelijk heeft behoord.
-ocr page 22-
i6
Allerlei hulpmiddelen kunnen den archivaris daarbij den weg
wijzen, in de eerste plaats oude archief-inventarissen. Men behoeft
natuurlijk niet het systeem van dien ouden inventaris te volgen;
men gebruike hem alleen als eene lijst van aanwijzigingen, welke
stukken ten tijde van het opmaken van dien inventaris tot het ar-
chief behoorden. Doch ook andere middelen staan den archivaris
meermalen ten dienste, zooals staatboeken, welke een staat der
bezittingen van een lichaam bevatten, en rekeningen, waarvan de
posten van ontvang aan renten en huren licht kunnen verspreiden
over de bezittingen en rechten van een bestuur, terwijl de posten
van uitgaaf aanwijzingen geven over personen en zaken, waarmede
dat bestuur in betrekking is geweest. Voor kloosterarchieven kun-
nen de cartularia uitstekende wegwijzers zijn. Zoo berust in het
archief der Middelburgsche abdij een register, aanwijzende de bene-
ficiën, waarvan de abt de presentatie bezat.
Eindelijk kunnen de stukken zelven soms door uiterlijke kenmerken
duidelijk aangeven, tot welk archief zij hebben behoord. Die uiter-
lijke kenmerken, veelal dorsale notities, zijn doorgaans wel van
zeer geringen omvang, maar van groote beteekenis. Zoo zijn b.v.
de naar allerlei partikuliere verzamelingen afgedwaalde stukken van
het archief van het klooster Selwerd weder tot het oorspronkelijke
kloosterarchief teruggebracht, doordien bij onderzoek bleek, dat
alle stukken van dat klooster dezelfde dorsale aanteekening „uut
des convents kiste" droegen. Van het Karthuizer- en van het
Regulierenklooster te Utrecht bracht men het archief weder bijeen
door middel van de blijkbaar met dezelfde hand op alle stukken
geplaatste nommers. Indien in een archiefdepot twee of meer origi-
neelen van hetzelfde stuk berusten, dan kunnen bovengenoemde en
andere soortgelijke aanwijzingen dikwijls bepalen , in welk archief elk
stuk moet worden geplaatst.
§ 9. Indien uit oude inventarissen, uiterlijke kentee-
kenen of op eenige andere wijze niet blijkt, tot welk
archiefeene oorkonde of een ander archiefstuk behoort,
moet de inhoud van het stuk beslissen. Kan blijkens
dien inhoud het stuk tot meer dan één archief hebben
behoord, dan plaatse men het stuk in één der betrok-
kene archieven en legge in de andere archieven een
verwijsblad.
Contracten kunnen blijkens den inhoud tot de archieven van de
contracteerende partijen (twee of meer) of hunne rechtverkrijgenden
-ocr page 23-
17
hebben behoord. Dikwijls zelfs vermelden contracten, dat van het
stuk twee, drie of meer eensluidende exemplaren zijn opgemaakt en
uitgereikt aan eenige der in het contract genoemde partijen of aan
andere met name genoemde personen of lichamen. Het medegedeelde
betreffende contracten geldt natuurlijk mutatis mutandis ook van andere
archiefstukken, als rekeningen enz., welke blijkens hun inhoud in meer
exemplaren zijn opgemaakt. Een archivaris moet nagaan, welke ar-
chieven in zijn archiefdepót zijn saamgebracht, en daarna het origineel
of de origineelen plaatsen in het in het depot berustende archief of de
archieven van dat bestuur of van dien ambtenaar, die öf in het con-
tract worden genoemd of de rechtverkrijgenden zijn der in het contract
genoemde besturen of ambtenaren. Nimmer plaatse hij twee origi-
neelen in één archief, tenzij daarvoor zeer overwegende en afdoende
redenen zijn. Aangezien één origineel niet in twee of meer archieven
tegelijk kan worden geplaatst, dient het verwijsblad om te kennen te
geven, dat er een origineel bestaat, hetwelk mogelijkerwijze deel van
het archief heeft uitgemaakt. Een verwijsblad vertegenwoordigt als
het ware het origineel en is daarom wel te onderscheiden van eene copie
§ 10. Een archief behoort, wanneer het reeds is
afgesloten, niet over twee of meer archiefdepóts te
worden verdeeld.
Men kan nauwelijks luid genoeg de stelling uitspreken, dat split-
sing van archieven zoowel uit een wetenschappelijk als uit een
praktisch oogpunt verkeerd is. De verschillende bescheiden van
een archief lichten elkander toe. Zoo zijn de resolutiën en de brieven
van een college even leerzaam, om ons met het beheer van een
goed en zijne geschiedenis te doen kennis maken , als de rekeningen
en de acquitten. Men maakt dus door splitsing van het archief de
volledige bestudeering der geschiedenis van een goed onmogelijk,
want al is het in den regel doenlijk de rekeningen en de acquitten
van verschillende rentambten naar ambtskringen te verdeelen, de
resolutiën en de brieven van het college zijn onsplitsbaar en kunnen
dus niet over de rentambten worden verdeeld. Eene chronologische
splitsing is reeds bedenkelijk; maar eene systematische levert oin de
boven aangeduide reden nog veel grooter bezwaren. Het is der-
halve duidelijk, dat eene verdeeling van een archief over verschil-
lende depots stellig moet worden vermeden.
Iets anders is de verdeeling van het oude en het nieuwe archief
van hetzelfde college over twee depots. Immers de beide depots
behooren dan aan denzelfden eigenaar en worden van zijnentvvege en in
Handleiding Akchivarissbn.                                                                                                 2
-ocr page 24-
18
den regel in dezelfde stad beheerd; er is hier geene eigenlijke
splitsing, maar slechts eene om zuiver praktische redenen aangebrachte
wijziging in het beheer. En toch levert zelfs hier de scheiding
bezwaren; het is daarom, dat wij elders (§ 14) voorstellen vaste
regelen voor de afscheiding aan te nemen, om zooveel mogelijk
het gevaar te voorkomen, dat een deel van het archief van een
college wordt verplaatst, zonder dat daarvoor door eene verandering
in de inrichting of de bevoegdheid van het college aanleiding bestaat.
Bij het archief van het bestuur eener nog levende corporatie
kan het door veranderingen in de bevoegdheden dier besturen soms
bepaald noodig zijn, archiefstukken, die op deze functiên betrek-
king hebben, af te staan aan hen, die deze functiên thans uitoefenen
en de stukken noodig hebben bij het volvoeren hunner taak. Men
vermelde dan evenwel steeds in den inventaris, dat ook deze stukken
tot het archief behooren, doch om redenen van praktischen aard
zijn afgestaan aan de nieuwe bezitters der functiên.
Bij het bestuur eener corporatie, die dood is, bestaat die
noodzakelijkheid niet meer. Intusschen kan juist bij den dood, de
ontbinding der corporatie, wanneer de functiên van het bestuur
gedeeltelijk op de besturen van andere corporatiën overgaan,
de verleiding groot zijn, om het archief dienovereenkomstig te
splitsen. Zoo zijn b.v. in 1811, bij de opheffing van het Dom-
kapittel, verschillende stukken uit het kapittelarchief, betrekking
hebbende op zijne goederen, toegezonden aan de domeinkantoren,
die ze voortaan zouden beheeren. Deze maatregel is, om boven
opgegeven reden, bedenkelijk. Maar zij was ook niet noodzakelijk;
immers het archief van den Dom werd bij zijne opheffing geplaatst
in een archiefdepót onder het beheer van een archivaris, die verplicht
en in staat was, aan de domeinkantoren de inlichtingen en de
afschriften te zenden, die zij behoefden. Zooals het ging met het
archief van het Domkapittel, zal het bijna altijd ook gaan met de
archieven van andere opgehevene corporatiën; immers deze archieven
worden thans steeds gezonden naar archiefdepóts, in den regel be-
beheerd door archivarissen.
§ 11. Het is gewenscht daar, waar dit zonder over-
wegend bezwaar kan geschieden, terug te komen op
splitsing van archieven, die reeds heeft plaats gehad.
Meermalen heeft het geval zich voorgedaan (zie de toelichting
tot § 5 in fine), dat de rechten of functiên van één college of
één persoon op meer colleges of meer personen zijn overgegaan.
-ocr page 25-
19
Het is de vraag, wat in zulk een geval met het archief van het
opgeheven bestuur moet geschieden. Moet het archief worden
gesplitst of moet het worden overgebracht naar het archiefdepót
van het bestuur, waarop de meeste rechten of de meeste functiën
zijn overgegaan ? Zoo men de praktijk raadpleegt, dan ziet men,
dat de vraag in verschillenden zin is beantwoord.
Toen b.v. ten gevolge van den opstand tegen Spanje, de band,
die Holland en Zeeland tijdens het grafelijk bewind had vereenigd,
bijna geheel werd verbroken, bleven de Hollandsche besturen en
ambtenaren oorspronkelijk wel in het bezit van de archieven der
gemeenschappelijke besturen en ambtenaren, die zij slechts voor
een deel vervingen, maar Zeeland slaagde er na eenige jaren
toch in, de oude rekeningen, die in de vroegere rekenkamer van
Holland en Zeeland berustten en op Zeeland betrekking hadden,
te verkrijgen. Toen bij den vrede van Utrecht het hertogdom
Opper-Gelder werd gesplitst, bleef het archief in zijn geheel, maar
elk der rechtverkrijgenden kreeg het recht, het te raadplegen. Toen
in 1798 de rechten en functiën der vroegere souvereine provinciale
besturen deels op den Staat deels op de administratieve departementale
besturen overgingen , bleven de archieven onder de laatsten berusten.
Toen in 1811 de dorpsgerechten werden opgeheven en hunne functiën
deels op den maire en den conseil municipal, deels op de nieuw
opgerichte rechtbanken en de hypotheekbewaarders overgingen, wer-
den ook de archieven tusschen die colleges en ambtenaren verdeeld.
De moeielijkheid om de gestelde vraag te beantwoorden, ligt hierin ,
dat twee verschillende beginselen hier met elkander in strijd zijn;
het eene, dat de archieven de neerslag en dus ook een sequeel
van zekere functiën en rechten zijn, zoodat bij de splitsing der
laatsten ook de eersten moeten worden gesplitst, het andere, dat
een archief een organisch geheel is, dat niet uit elkaar kan worden
gescheurd. In het algemeen behoort het laatste beginsel te prae-
valeeren, en zoo het geval zich thans voordeed, zou zeker niemand
wenschen, dat het archief uit elkander werd gescheurd (zie de
voorgaande §). Het archief behoort onder een der rechtverkrijgenden
te worden gedeponeerd en kan door allen worden geraadpleegd.
Dat dit vroeger niet steeds is geschied, berust hoofdzakelijk op twee
gronden, die thans zijn vervallen. Eensdeels hadden de toen zooveel
moeilijker communicatiën het gevolg, dat het uiterst bezwaarlijk
was de elders geplaatste archieven te raadplegen; men scheurde
liever het archief uit elkander en behield voor zich zelf die stukken,
die men dacht noodig te hebben, dan dat men telkens de verre
reis ondernam voor een onderzoek in het elders bewaarde archief.
Bovendien vertrouwden beide partijen , die gezamenlijk de rechtvcr-
-ocr page 26-
20
krijgenden waren geworden van het opgehevene college, elkander
niet; zij vreesden, dat die hunner, welke het archief onder zich had,
bezwaar zou maken onder alle omstandigheden aan de tegenpartij den
toegang tot het gemeenschappelijk archief toe te staan. Waar het nu
vaststaat, dat juist die bezwaren indertijd tot eene splitsing van
het archief hebben geleid, is er geene reden dien op zich zelf
afkeurenswaardigen toestand thans nog te handhaven, en verdient
het alle aanbeveling op de splitsing, die heeft plaats gehad, terug
te komen, te meer, daar thans alle provinciale depots één en
denzelfden eigenaar hebben, n.1. den Staat, en bovendien elk depot
onder het beheer staat van een archivaris, die in staat en verplicht
is anderen voor te lichten.
Intusschen kunnen tegen zulke maatregelen onoverkomelijke
bezwaren bestaan. Gesteld , dat het archief van Opper-Gelder in
1715 tusschen de verschillende rechtverkrijgenden was verdeeld,
dan zou het toch moeielijk vallen daarop nu terug te komen, daar
de gedeelten van het archief dan aan verschillende eigenaren (Neder-
land, België, Pruisen) zouden toebehooren. Eene andere mogelijkheid
is deze: een gedeelte van het gesplitste archief kan zijn vast-
gegroeid in het depot, waarin het misschien reeds eeuwen berust.
Zoo zou het ook op zich zelf zeker gewenscht zijn, de in 1811 uit-
eengescheurde archieven der oude dorpsgerechten in ééne hand en
in één depot te vereenigen; maar er zouden toch overwegende
bezwaren zijn, die beletten de behoorlijk geregelde rechterlijke
archieven terug te geven aan de gemeentebesturen om ze met hunne
niet geregelde archieven te vereenigen. In het algemeen kan men
zeggen, dat overbrenging van een gedeelte van een archief om het
met de rest er van te hereenigen slechts dan plaats mag hebben, wan-
neer de zekerheid bestaat, dat de ordening van het zoodoende heree-
nigde archief onmiddellijk wordt ter hand genomen en met kracht
doorgezet. Ontbreekt die zekerheid , dan blijft het bezwaar bestaan ,
dat de elders gevestigde rechtverkrijgende de stukken niet kan raad-
plegen, wel niet omdat hem de toegang tot het gemeenschappelijk
archief wordt geweigerd , maar dan toch omdat er de weg niet in
te vinden is.
Er is één geval, waarin het ook minder noodig is op eene
splitsing, die eens heeft plaats gehad, terug te komen, nl. wanneer
het gesplitste archief uit verschillende afdeelingen bestond en de
grens tusschen die afdeelingen samenvalt met de grens, die door de
splitsing der functiën en rechten tusschen twee colleges of ambtenaren
werd getrokken. Iets diergelijks schijnt b.v. omtrent de Hollandsche
rekenkamer te mogen worden aangenomen. Eene hoofdafdeeling
van het archief dier kamer, thans te Utrecht berustende, had uitslui-
-ocr page 27-
21
tend betrekking op de provincie Utrecht. Hier is dus minder reden
om op de splitsing terug te komen dan elders, waar zulk eene grens
niet heeft bestaan.
§ 12. Indien het bezwaarlijk is op de splitsing van
een archief terug te komen, behooren toch de ver-
schillende deelen van dit archief, waar zij ook geborgen
mochten zijn, door één ambtenaar in één inventaris te
worden beschreven, met vermelding, waar zich de ar-
chiefstukken bevinden.
De mogelijkheid bestaat — het is in de vorige § aangetoond —
dat er overwegende bezwaren zijn, die het onmogelijk maken de
membra disjecta van een archief in één depot te hereenigen. In
dat geval is er althans een middel om den last, aan het raadplegen
van het gesplitste en verspreide archief verbonden, wel niet op te
heffen maar toch aanzienlijk te verlichten. Wanneer nl. aan belang-
stellenden de gelegenheid wordt gegeven een overzicht te beko-
men van den inhoud van het geheele archief, dan zal het hun
gemakkelijk vallen te constateeren, welk gedeelte er van voor hunne
nasporingen vooral van belang is, en dan zal het waarschijnlijk dik-
wijls blijken, dat alle stukken, die zij wenschen te raadplegen, in
een en hetzelfde depot berusten. Zulk een overzicht geeft een inven-
taris. Deze overweging heeft tot het aannemen van bovenstaanden
regel geleid, waarbij daarom ook de eisch is gesteld, dat in den
inventaris, die het geheele archief beschrijft, moet worden aange-
wezen, waar elk stuk of elk nummer van den inventaris zich
bevindt.
Bovendien is door de beschrijving van een archief in één inven-
taris dat archief uit een wetenschappelijk oogpunt weder een geheel.
Uit dat oogpunt beschouwd, is het onverschillig, waar de archief-
stukken zijn geborgen (zie § 6y), hoewel natuurlijk het bijeen-
brengen dier stukken in één depot om praktische overwegingen aan-
beveling blijft verdienen. Dat laatste behoort dan ook op den
voorgrond te staan. Bestaan daartegen echter bezwaren, dan is
het hier gegeven voorschrift een middel, om althans aan de grootste
inconvenienten tegemoet te komen.
Dat de inventaris, waarin de gedeelten van het archief tot een
geheel worden vereenigd, ook door één persoon moet worden ver-
vaardigd, springt in het oog. Zoo men ieder ambtenaar liet
beschrijven, wat zich in zijn eigen depot bevindt, zou de zoo
noodige gelijkmatigheid in de beschrijving verloren gaan. Boven-
-ocr page 28-
22
dien mag worden betwijfeld, of elk dier ambtenaren een voldoend in-
zicht zoude hebben in den bouw van het "archief en het verband zijner
deelen, zoo hij niet al die deelen had bestudeerd. Ieder hunner zou
dus toch kennis moeten nemen van het geheele archief, ook van
dat gedeelte, dat elders berust. — Het spreekt van zelf, dat de
boven gegeven regel niet belet, de verschillende gedeelten van een
verspreid archief ook elk afzonderlijk, hetzij in verband met het
archief, waarbij zij zijn gedeponeerd, hetzij in verband met andere
gedeponeerde archieven te beschrijven. Het laatste geschiedt b.v.
regelmatig met het rechterlijk gedeelte van de dorpsarchieven. —
Zelfs wanneer de stukken in quaestie reeds naar een ander depot,
waar zich de rest van het archief bevond, zijn overgebracht,
kan het wenschelijk zijn ze toch te blijven vermelden bij de
beschrijving van het archief, waarbij zij een tijd lang hebben berust.
Zoo b.v. het archief der Staten van Overijsel wordt beschreven,
zal er wellicht aanleiding zijn om daarbij melding te maken van
het feit, dat de oudere leenregisters , de judicialia enz. van het Over-
sticht in het bisschoppelijk archief te Utrecht berusten. Ue inlei-
ding en de noten bij de betrokkene nummers van den inventaris zijn
daarvoor de aangewezene plaats.
Het behoeft geen verder betoog, dat hetgeen in deze § is
gezegd omtrent de beschrijving van de gedeelten van een archief
in één inventaris, evenzeer van toepassing is op hunne beschrijving
in ééne regestenlijst.
§ 13. Archieven, die door bijzondere omstandigheden
reeds bij hun ontstaan in een vreemd archiefdepót zijn
opgenomen, mogen in hun geheel worden verplaatst.
Het geval, hier bedoeld, komt niet zelden voor; zoo vindt men
het oudste gedeelte van het archief der Staten van Utrecht in het
archief van het Domkapittel, omdat de Staten in het kapittelhuis
ten Dom vergaderden; zoo was om eene dergelijke reden het archief
der Staten van Zeeland vóór den opstand gedeponeerd in het archief
der Middelburgsche abdij; zoo zijn de archieven van zeer vele
Utrechtsche waterschappen gedeponeerd in het archief van een der
vijf kapittelen, omdat de gezamenlijke geërfden, waartoe een der
kapittelen behoorde, bij het ontbreken van een vast vergaderlokaal,
gewoonlijk in de kapittelkamer werden samengeroepen.
Het spreekt van zelf, dat deze stukken, die geheel niet samen-
hangen met het archief, waarin ze zijn gedeponeerd , zonder bezwaar
kunnen worden overgeplaatst. Noodzakelijk schijnt dit zelfs, indien
-ocr page 29-
23
andere stukken, behoorende tot het archief van hetzelfde college,
elders berusten: het is dan toch doelmatig, de gescheidene deelen
te hereenigen. Immers wanneer het college, eene andere vergader-
plaats kiezende, zijn archief in de oude vergaderplaats achterliet,
dan is dit natuurlijk alleen toe te schrijven aan eene nalatigheid, die
wij in het belang eener goede regeling verplicht zijn te herstellen.
Men lette er evenwel op, dat het noodig is, dan het geheele
archief, voorzoo verre het in het vreemde depot berust, te ver-
plaatsen ; want doet men dit niet, dan is de verplaatsing, die
de hereeniging van de verspreide deelen van het archief beoogt,
doelloos. Nu kan het evenwel zijn, dat een gedeponeerd archief
gedeeltelijk met het hoofdarchief is samengegroeid. Zoo vindt
men de oudste resolutiën der gecombineerde vijf kapittelen in
het resolutieboek van het Domkapittel; zoo vindt men in het
archief van hetzelfde kapittel enkele liassen, waaraan stukken, be-
hoorende tot het archief van het Domkapittel, zijn samengeregen
met stukken uit het archief der Staten. Zijn die gevallen talrijk,
dan is afscheiding van het gedeponeerde archief onmogelijk; zijn
ze zeldzaam, dan behoort men de niet af te scheiden stukken in
het hoofdarchief achter te laten en zich te behelpen door het opne-
men van verwijzingen in den inventaris van het overgebrachte archief.
§ 14. Het is wenschelijk, dat de in het archiefdepót
opgenomene archieven geleidelijk worden aangevuld
uit de bureaux der administratie. Als beginsel van
scheiding behoort te worden aangenomen, dat stukken
van een bepaalden tak van administratie worden over-
gebracht, voorzooverre die voorafgaan aan de laatste
belangrijke verandering van beheer. Ook wanneer
dergelijke verandering sedert 25 jaren niet heeft plaats
gehad, behooren de stukken, die ouder zijn, naar het
archiefdepót te worden overgebracht.
Deze stelling is (met eene geringe redactie wijziging) de conclusie,
welke de vereeniging van archivarissen op hare eerste jaarvergade-
ring , van 9 Juli 1892, bij meerderheid van stemmen heeft aange-
nomen. Doorgaans wordt, hetzij de aanvang der Fransche heer-
schappij , hetzij de bevrijding van het Fransche juk beschouwd
als het feit, dat hier te lande het oud-archief afsluit. Die
regeling, stammende uit het midden de 19° eeuw, vindt haren
grond in eene vroeger algemeen gangbare, doch thans als verkeerd
-ocr page 30-
24
veroordeelde beschouwing der oude archieven als louter wetenschap-
pelijke instellingen en niet als bureaux van rijks- of gemeente-
administratie. Zij heeft bovendien een groot bezwaar: sinds
1811 of 1813 is bijkans eene eeuw verloopen en de bescheiden
der administratie hebben zich allengs op onrustbarende wijze op-
gehoopt. Het gevaar dreigt, dat, waar voor de stukken van
vroegere eeuwen meer en meer wordt gezorgd, de archieven der
19"= eeuw worden verwaarloosd. Wil men aan het gevaar ontkomen,
Jat er om ruimte te verkrijgen, zal worden vernietigd zonder sor-
teering en zonder onderscheiding, dan dient het sluitingsjaar van het
oud-archief te worden verplaatst en dient tevens ook voor het ver-
volg het beginsel te worden vastgesteld, waarnaar de grens tusschen
oud-archief en nieuw-archief zal worden bepaald. Dat beginsel moet
zijn, dat tot het ressort van den archivaris behooren alle stukken,
die tot een opgeheven tak van dienst betrekking hebben, en bij be-
staande takken van dienst alle stukken, die aan de laatste ingrijpende
verandering van beheer voorafgaan. Het spreekt van zelf, dat een
tijdperk van overgang daarbij niet uit het oog mag worden verloren.
Voor den loopenden dienst hebben bedoelde stukken grootendeels
hunne waarde verloren. Het is gewenscht, eenige voorbeelden te
noemen. De administratie der gemeentelijke accijnsen is in 1865
afgeschaft: haar archief behoort dus in zijn geheel in het oud-archief
tehuis. De provinciale wet van 1851 , de gemeentewet van 1852,
de onderwijswet van 1857, de militiewet van 1861 enz. geven zulke
grenzen aan; de archieven van die verschillende takken van admini-
stratie van vóór die termijnen kunnen naar het oud-archief worden
overgebracht. Men neme daarvoor echter niet een termijn als de
grondwetsherziening van 1848 , omdat toen wel het staatsrecht doch
niet de administratie veranderd is. De veranderingen in de admini-
stratie van verschillende takken van beheer vinden haar oorzaak
niet in die grondwet, doch in de tengevolge der nieuwe grondwet
later in het leven geroepene organieke en andere wetten. Om deze
reden is dus ook de thans nog geldende grens van 1813 onjuist
gekozen.
Deze paragraaf bevat eigenlijk meer een wensch dan wel een
stelregel. Immers machten buiten den archivaris moeten de nakoming
van dit voorschrift mogelijk maken. Toch is het gewenscht haar in
onze handleiding op te nemen, wijl het een regel is voor de ordening
der archieven, waarvan de archivaris bij het geven van zijn advies ge-
bruik kan maken en waardoor hij allicht invloed zal kunnen uitoefenen.
In de genoemde conclusie der vergadering van 9 Juli 1892 volgden
nog achter het woord „beheer" de woorden: „die, al of niet door
eene wet geprovoceerd, heeft plaats gehad." Het schijnt niet
-ocr page 31-
25
noodig deze woorden over te nemen, omdat zij geen bepaalden regel
stellen, doch meer eene verduidelijking of verklaring bevatten.
Groot bezwaar hebben wij ook tegen de laatste alinea der paragraaf.
Met eerbiediging van het besluit der genoemde vergadering
is de termijn van 25 jaren door ons opgenomen als maximum-
termijn, gedurende welken stukken bij de loopende administratie
mogen blijven berusten, indien geene belangrijke verandering
van beheer in dien tak van administratie heeft plaats gehad.
Deze termijn is echter geheel willekeurig en past niet voor de ar-
chieven van alle takken van administratie. Zoo is het voorzeker
gewenscht, dat de Burgerlijke-Standsarchieven veel langer dan
25 jaren in de bureaux van den Burgerlijken Stand blijven berusten
en zou eene overbrenging van de registers van dezen tak van dienst
zelfs van 30 a 40 jaren geleden naar de archiefdepóts zeker hoogst on-
praktisch zijn. Omgekeerd zijn er andere stukken, b.v. kohieren van
plaatselijke belastingen, rekeningen van aan het toezicht van den ge-
meenteraad onderworpene gestichten en gasthuizen, welke reeds na
een veel korteren termijn dan 25 jaren zouden kunnen worden over-
gebracht naar de archiefdepóts. Een vaste termijn is in dezen als
algemeene regel niet te stellen, de stukken van eiken tak van
dienst moeten op zich zelf worden beoordeeld, üe termijn van
25 jaren mag dus alleen als een „Durchschnitt"-getal worden be-
schouwd, om aan te geven, dat het wenschelijk is, na een zekeren,
niet al te langen termijn de bureaux der administratie te ontlasten
ten behoeve van de archiefdepóts, waarin de stukken, behoorende
tot het verleden en niet meer noodig voor den loopenden admini-
stratieven dienst, worden bewaard.
-ocr page 32-
TWEEDE HOOFDSTUK.
Het sortheren der archiefstukken.
§ 15. Een archief moet systematisch worden in-
gedeeld.
Deze regel werd door de Vereeniging van archivarissen aangenomen.
Behalve aan eene systematische indeeling zou men kunnen denken
aan eene alphabetische en aan eene chronologische indeeling \').
De alphabetische indeeling vindt, naar het schijnt, geene voor-
standers. De eenige archiefinventarissen, die min of meer alpha-
betisch zijn ingericht, zijn die van Deventer en van Vlissingen. In
den eersten zijn de stukken geplaatst in de orde, waarin ze toevallig
in de kasten werden gevonden, terwijl achter deze geheel ordelooze
opsomming eene zeer uitvoerige alphabetisch gerangschikte lijst
der stukken volgt, zoodat de alphabetische orde feitelijk de eenige
is, die in den inventaris aanwezig is. Een gedeelte van den Vlis-
singschen inventaris is zuiver alphabetisch gerangschikt. Het is echter
niet noodig, over deze indeeling vele woorden te verspillen. Op
het archief zelf is zij, zoover ons bekend is , nooit toegepast. Ook
de alphabetische indeeling van den inventaris schijnt geene voor-
standers te hebben. Het springt dan, ook in het oog, dat een
alphabetische index op den inventaris dezelfde voordeden aanbiedt,
die een alphabetisch gerangschikte inventaris zou hebben; zulk een
index kan, als de stukken behoorlijk zijn beschreven en geordend,
betrekkelijk kort en dus gemakkelijk te gebruiken zijn.
Veel meer voorstanders heeft de chronologische indeeling van het
archief; althans de inventarissen der archieven van Groningen, Over-
ijsel, Zeeland, Kampen en Middelburg, (om van kleinere niet te
1) Reeds uit deze tegenstelling blijkt, dat hier, evenals elders, het woord «systematisch» in
beperkten zin is gebezigd; zoo men de stukken chronologisch of alphabetisch indeelt, volgt men
ook een systeem, maar die meer algemeene beteekenis van «systeem» en ((systematisch» is hier
natuurlijk niet bedoeld.
-ocr page 33-
V
spreken) zijn aldus ingericht. En dit is geen wonder, want inderdaad
heeft deze indeeling een groot voordeel. Voor de beschrijvers der
politieke geschiedenis zijn aldus ingerichte inventarissen gemakkelijk
in het gebruik; want men vindt daarin met één oogopslag alles
bijeen, wat op eene bepaalde periode betrekking heeft. Archivaris-
sen echter, die uit den aard der zaak de samenstelling van den
inventaris meer van nabij bezien, zijn minder blind voor de aan
deze indeeling verbondene bezwaren. Werkelijk zijn die bezwaren
zeer groot. Bestaat een archief (of liever een archiefje) bij groote
uitzondering uitsluitend uit losse stukken, dan is het althans mo-
gelijk
de chronologische rangschikking consequent toe te passen.
Maar ook dan nog bestaat een bezwaar: het systeem eischt, dat
elk stuk een bepaalden datum hebbe. De in elk archief zéér tal-
rijke ongedateerde stukken kunnen dus slechts bij gissing worden
ondergebracht en zullen natuurlijk in tal van gevallen verkeerd
geplaatst en bij een onderzoek over het hoofd gezien worden. Daar
het gestelde geval zich natuurlijk alleen kan voordoen bij zeer weinig
omvangrijke archieven, is dit bezwaar dan echter niet overwegend.
Veel ernstiger wordt het, wanneer men met eenigszins omvangrijke
archieven te doen heeft. Tegelijk doen zich dan tal van andere be-
zwaren op. Het meest in het oog vallende bezwaar is wel, dat de
gebondene deelen , die in elk archief verreweg het hoofdbestanddeel
(meestal 9/,0 van den omvang) uitmaken, niet, zooals de zooeven
aangeduide losse stukken, geen datum, maar meer dan één datum
hebben. Zij kunnen dus in een chronologisch ingedeeld archief geene
plaats vinden. Reeds dadelijk verkrijgt men dus het eenigszins
ridicule resultaat, dat het belangrijkste deel van het archief (de
gebondene deelen) buiten den inventaris wordt gesloten en of ver-
bannen naar eene rubriek Handschriften, die in een archiefinventaris
alle reden van bestaan mist, bf zelfs feitelijk geheel uitgesloten,
zooals nog onlangs in den inventaris van het archief van Leeuwarden
is geschied. Immers het is onmogelijk de gebondene deelen uit elkaar
te nemen. Bij de serieën rekeningen , de liassen met brieven , de
dossiers met stukken enz. is dat uiteennemen wel mogelijk, en ten-
einde het chronologische systeem althans zooveel mogelijk consequent
door te voeren, moet men daartoe ook wel komen, wil men de
rekeningen, brieven enz. stuksgewijze in de chronologische rang-
schikking opnemen. Doet men dit echter inderdaad (sommigen zijn
begrijpelijkerwijze daarvoor teruggedeinsd), dan wordt allereerst de
beschrijving zoo ontzettend omvangrijk, dat de voltooiing van den
inventaris nauwelijks kan worden gehoopt. Maar dit is niet het
grootste bezwaar. Ernstiger is het, dat het bij een zuiver chrono-
logisch ingericht archief absoluut onmogelijk is een overzicht van
-ocr page 34-
28
den inhoud te verkrijgen: men denke slechts aan de moeielijkheid,
om b.v. na te zien , of de serie rekeningen eener stad compleet is.
Verreweg het ergste bezwaar is evenwel, dat men door het uit-
eennemen der talrijke dossiers het natuurlijk verband der stukken
verstoort. Een voorbeeld, dat indertijd voortdurend werd herhaald
door den betrokken leeraar aan de Parijsche Ecole des chartes
(waar steeds met aandrang „Ie respect des fonds" wordt gepredikt),
zal dit duidelijk maken. Er bevonden zich in verschillende afdeelingen
dezer archieven talrijke losse papieren uit het laatst der i8eeeuw,
meestal ongedateerd en ongeteekend, grootendeels niet zeer begrijpe-
lijk, maar steeds handelende over zaken van belang. Uit eene aan-
teekening bleek toevallig, dat al deze ter" wille eener chronologische
orde verspreide papieren waren gevonden in het kabinet van Lodewijk
XVI. Men haastte zich natuurlijk ze bijeen te zoeken en te vereeni-
gen, hetgeen door uiterlijke kenteekenen toevallig nog mogelijk was.
En nu bleek het, toen het eene stuk het andere toelichtte, toen de
data door vergelijking der stukken aan het licht kwamen en de meeste
handen daardoor te herkennen waren, dat men eene verzameling
stukken bezat, die, toegelicht door het feit dat zij in het koninklijk
kabinet was gevonden, voor de kennis der politiek van Lodewijk
XVI in zijne laatste regeeringsjaren van het grootste gewicht was.
Het is waarschijnlijk, dat dit voorbeeld (dat elke archivaris
uit zijne ondervinding met tallooze andere zou kunnen vermeer-
deren) de meeste historici zal doen aarzelen, om aan een chro-
nologisch ingericht archief op den duur hunne voorkeur te
schenken. Trouwens het is niet waarschijnlijk, dat die voorkeur
zou blijven bestaan, indien het getal der chronologisch ingerichte
archiefinventarisssen aanzienlijk was. Wat zou men b.v. wel zeggen
van een inventaris, die alle in het Algemeene rijksarchief geborgene
archieven (dat van de Staten-Generaal, van den Raad van State,
van de Indische Compagnieën, van de Staten van Holland, de rech-
terlijke archieven enz.) in eene enkele chronologische volgorde
stuksgewijze beschreef? vooral wanneer die inventaris werd ver-
volgd tot het jaar 1813 toe ? De voorkeur der historici schijnt
daarom verklaarbaar, omdat de chronologisch ingerichte inventa-
rissen zich bijna allen tot de middeleeuwen bepalen, wanneer de
betrekkelijk kleine voorraad stukken en vooral de nagenoeg totale
afwezigheid van deelen en liassen eene dergelijke inrichting van het
archief weinig bezwaarlijk maakt. De bezwaren komen eerst opda-
gen, wanneer in latere tijden de deelen en liassen zich op den
voorgrond dringen. En dit is dan ook blijkbaar de reden, dat de
bewerking der chronologisch ingerichte inventarissen zoo dikwijls
met het einde der middeleeuwen wordt gestaakt.
-ocr page 35-
29
De systematische indeeling (het schijnt uit het voorgaande te volgen)
is dus de meest aanbevelenswaardige. Daarmede is echter niet
gezegd, dat het niet zeer nuttig en zeer aanbevelenswaardig kan zijn,
om van een systematisch ingericht archief chronologisch ingerichte
lijsten van regesten der belangrijkste stukken (b.v. der oorkonden)
uit te geven (zie § 72 en vlg.). Daardoor komt men aan de wenschen
der historici op zeer doelmatige wijze tegemoet. Maar deze lijsten
bedoelen iets anders als de inventaris. De inventaris moet de
systematische indeeling van het archief voor goed vaststellen; eerst
daarna kan men zonder gevaar voor die orde de regestenlijsten
gaan bewerken.
§ 16. Het systeem van indeeling moet worden gegrond
op de oorspronkelijke organisatie van het archief, die
in hoofdzaak overeenstemt met de inrichting van het
bestuur, waarvan het afkomstig is.
Deze regel, aangenomen door de Vereeniging van archivarissen,
is de belangrijkste van allen, daar het hoofdbeginsel er in geformu-
leerd wordt, waarvan alle andere regels uitgaan.
Wij zagen zooeven, dat eene systematische indeeling van het
archief de meeste aanbeveling verdient. De vraag is nu echter,
volgens welk systeem moet het archief worden geordend ? Twee
systemen komen in aanmerking. Het eerste systeem neemt aan
verschillende willekeurig vastgestelde rubrieken (b.v. Bestuur, Finan-
tü\'ti, Armwezen
enz.), overeenkomende met de rubrieken, die ge-
woonlijk voorkomen in den catalogus eener bibliotheek. Het andere
systeem daarentegen stelt geene willekeurige rubrieken vast, maar
alleen die, welke worden aangegeven door den aard en de inrichting
van het archief zelf, namelijk rubrieken, overeenkomende met de
verschillende takken van het bestuur, waarvan het archief afkomstig is.
De twee systemen schijnen oppervlakkig soms slechts te ver-
schillen in de namen der rubrieken: aan de afdeeling Bestuur
van het eene systeem schijnt in het andere te beantwoorden het
Archief van den raad, aan de afdeeling Fmantiên het Archief der
finantiekamer
, aan de afdeeling Armwezen het Archief der Aal-
moe zenierskamer.
Maar die overeenstemming is slechts schijn.
Allereerst zullen er tal van rubrieken van het eerste systeem in
het tweede ontbreken, b.v. de afdeelingen Kerkelijke zaken en
Geneeskundige dienst, omdat voor deze onderwerpen gewoonlijk
geen afzonderlijk bestuursorgaan was geschapen. Maar ook de
schijnbaar met elkander overeenkomende afdeelingen van beide
-ocr page 36-
3o
systemen zullen nooit hetzelfde bevatten. Ontleenen wij een paar
voorbeelden aan het archief der stad Utrecht. De rubriek Finantien
zal aan de eene zijde veel meer bevatten dan de rubriek Finantie-
kamer,
daar zij niet alleen opneemt de finantiëele stukken, behan-
deld door de Finantiekamer, maar bovendien de veel talrijker
stukken, behandeld door den Raad zelf; zij zal aan de andere zijde
veel minder bevatten, daar de Finantiekamer niet alleen het beheer der
finantien had, maar ook was belast met de zorg voor de publieke
werken, een tijd lang ook voor de inkwartiering, zoodat haar ar-
chief tal van stukken bevat, die het andere systeem zou rang-
schikken onder Publieke werken en Militaire zaken. Sterker voor-
beeld nog levert het armwezen, dat te Utrecht was verdeeld tus-
schen de Aalmoezenierskamer en de Ambachtskamer, welke laatste
werd onderhouden door uitkeeringen, gedaan door de tappers,
de parochiekerken, de voerlieden, de portiers der stadspoorten en
de neringdoenden in de buitengerechten. Terwijl dus in een volgens
het tweede systeem ingerichten inventaris de rubriek Armwezen
in twee afdeelingen zou uiteenvallen, zouden de stukken betreffende
de bedoelde uitkeeringen moeten worden ondergebracht in tal van
andere rubrieken (Nijverheid, Kerkelijke zaken enz.), waar zij een
zeer onbevredigend geheel zouden leveren.
Het aangevoerde is meer dan voldoende om te bewijzen, dat de
beide systemen geheel in aard verschillen , en dat men dus tusschen
beiden moet kiezen.
Het eerste systeem heeft één onmiskenbaar voordeel: het schijnt
den bezoeker van het archief in staat te stellen om dadelijk zonder
moeite te weten, in welke rubriek hij het stuk of de stukken over
een bepaald onderwerp, dat hem belang inboezemt, zal vinden.
Doch dit voordeel, hoe groot ook, is niet afdoende. Het sys-
teem neemt rubrieken aan, vreemd aan het archief en zijne inrich-
ting. Evenzoo zou men eene bibliotheek kunnen rangschikken
volgens de soorten der banden of volgens de watermerken van het
papier en zoodoende aan de onderzoekers der geschiedenis van het
bindwerk en van het papier werkelijk een grooten dienst bewijzen,
maar ten koste van de veel talrijker onderzoekers, die den inhoud
van het boek wenschen te raadplegen. De straf van het wringen
van het archief in een vreemd keurslijf blijft dan ook niet uit:
terwijl het systeem den onderzoeker in het archief aan de eene
zijde voorthelpt door hem aanstonds de afdeeling aan te wijzen,
die hij moet raadplegen, brengt het hem aan de andere zijde van
den weg. Heeft hij b.v. met behulp van den index gevonden,
wanneer de resolutiCn van het bestuur iets over het door hem be-
handeld onderwerp bevatten (en dit is in alle gevallen de aangewezen
-ocr page 37-
31
weg om het onderzoek te beginnen), dan kan hij niet zonder
een ingewikkeld onderzoek ontdekken, waar de bij die notulen
behoorende brieven en andere stukken berusten, die juist voor hem
van het meeste gewicht zullen zijn.
Reeds dit schijnt een groot bezwaar tegen de aangeduide me-
thode. Maar er bestaat een veel grooter, een afdoend bezwaar: de
archivaris kan die methode niet, althans niet consequent, toepassen.
Terwijl in eene bibliotheek doorgaans elk boek door den schrij-
ver met een bepaald doel wordt samengesteld en dus ook een
bepaald onderwerp behandelt of althans eene zekere eenheid verte-
genwoordigt, komt het telkens voor, dat een archiefstuk (b.v. een
brief) twee of meer zeer heterogene onderwerpen behandelt en dus
in twee of meer afdeelingen van het aangeduide systeem eene plaats
zou moeten vinden. Dit bezwaar is zeer ernstig, maar in een
archief, dat uitsluitend bestaat uit losse stukken en van geringen
omvang is, zou het niet onoverkomelijk zijn. Veel gewichtiger echter
wordt het bezwaar in een normaal archief, waarin gebondene deelen
en liassen verreweg de overhand hebben. Gaat men toch na,
hoe deze banden en liassen zijn gevormd, dan komt men al spoedig
tot de ontdekking, dat slechts hoogst zelden de materiëele inhoud
der stukken aanleiding heeft gegeven ze met elkander te vereenigen ;
geregeld gaf de formeele inhoud der stukken daarbij den doorslag.
Men bestemde een deel voor de resolutiën of sententiën van een
college, een deel voor de transporten, die voor het college werden
gepasseerd; men vereenigde in liassen de ingekomene brieven of
requestcn, de quitantiën eener rekening enz. Doch slechts bij
groote uitzondering en wanneer bepaalde omstandigheden daartoe
aanleiding gaven, werden er deelen volgeschreven met verschil-
lende stukken betreffende één bepaald onderwerp. Minder zeld-
zaam komen op deze wijze bijeengebrachte dossiers voor, maar
hun aantal is met de deelen vergeleken zeer gering. Nu is het
natuurlijk onmogelijk de deelen uiteen te nemen. Met de liassen
en dossiers is dit strikt genomen mogelijk, maar daartegen pleiten
dezelfde bezwaren, die wij reeds hebben aangevoerd bij de beschrij-
ving van het chronologische systeem, welks consequente toepassing
denzelfden eisch stelt. Wil men derhalve niet alle deelen en liassen
onderbrengen in eene niets zeggende rubriek Algemeene zaken, die
dan 9/, 0 van het archief zal bevatten, dan is men alweder met het
hoofdbestanddeel van het archief verlegen. De uitweg, om de reso-
lutiën onder Bestuur, de sententiën onder Rechtswezen te plaatsen
enz. helpt niets. Immers bij een onderzoek, b.v. over het recht
eener gemeente op een stuk grond, zal men dan genoodzaakt
zijn alle afdeelingen van het archief door te zien, omdat men zeer
-ocr page 38-
32
zeker in de eigenlijk aangewezene rubriek Finantiën vrij wat
minder belangrijk stukken kover dit onderwerp zal vinden dan
juist in de andere rubrieken, die men geneigd zou zijn ter zijde
te laten.
Alleen de systematische indeeling van het archief, die gegrond is
op de oude inrichting daarvan, leidt tot bevredigende resultaten;
alleen op die wijze kunnen ten slotte de tallooze quaesties, die zich
bij de ordening van een archief voordoen, goed worden opgelost; alleen
dit systeem is consequent toe te passen op een archief van eenigen
omvang. In elk archief heeft van ouds zeker verband bestaan: de
secretarissen , die het hebben gevormd , hebben, bewust of onbewust,
zekere regelen voor de bewaring en ordening der stukken vastgesteld.
Doorgaans kan men aannemen, dat deze regels beter zijn, meer
overeenkomstig met den aard van het archief, dan die waartoe wij
ons zouden kunnen laten verleiden; immers deze contemporaine
beheerders kenden den aard van hun archief en de eischen der
praktijk stellig veel beter dan wij. Maar al hebben de oorspron-
kelijke beheerders soms op volgens onze begrippen zonderlinge wijze
gehandeld bij het vereenigen van verschillende onderwerpen in één
register of in ééne rekening, het is toch onmogelijk daarop thans nog
terug te komen. De eenheid van dat register of die rekening belet
ze uiteen te nemen. Die eenheid bepaalt weder de eenheid van
de bij dat register en die rekening behoorende liassen van inge-
komene stukken en quitantiën, die ze op deze meest gewenschte
wijze toelichten. Alleen zoo doen deze liassen het nut, waarvoor
ze bestemd zijn, — een veel groot er nut dan wanneer men ze
uiteen neemt, de stukken over het archief verspreidt en in den
vorm van losse stukken rangschikt volgens de daarin behandelde
onderwerpen, waarover ze slechts kleine, op zich zelf onbeduidende
inlichtingen kunnen verschaffen. Het is dus niet meer mogelijk,
de oude organisatie van het archief geheel te verstoren en ze vol-
komen consequent door eene andere te vervangen. En waar dit bij
uitzondering
kan geschieden, brengt men aan het archief een onher-
stelbaar nadeel toe, buiten verhouding tot het voordeel, dat men
daardoor wenscht te bereiken. Het is dus niet zoo zeer voorkeur
voor dit systeem, dat ons dringt het aan te bevelen, als wel de
overweging, dat de archivaris, die zijn plan vooraf bedaard over-
weegt en geheel consequent wil doorvoeren, wel gedwongen zal
zijn het onze aan te nemen.
De oorspronkelijke organisatie van een archief moet natuurlijk
in hoofdzaken overeenkomen met de oude inrichting van het bestuur,
waarvan het archief afkomstig is. Dit spreekt van zelf. Immers
niet willekeurig is de oude organisatie van het archief tot stand
-ocr page 39-
33
gekomen ; zij is niet de vrucht van het toeval, maar het logisch
gevolg van de inrichting van het bestuur, van welks functiën het
archief de neerslag is. Dat bestuur bouwde als het ware zijn archief
op en hield daarbij rekening met zijne eigene organisatie en zijne
eigene behoeften. Ieder bestuur van eenig belang heeft in zijn
beheer, naarmate het ingewikkelder werd, zekere splitsingen aan-
gebracht. De voorbereiding of zelfs de behartiging van sommige
afdeelingen der bestuurstaak werd dikwijls toevertrouwd aan speciale
permanente commissiën of ambtenaren, die min of meer zelfstandig
waren, zelfstandig genoeg althans in vele gevallen, om hen in
staat te stellen een eigen archief te vormen. De archieven dezer
commissiën (hare notulen, de bij haar ingekomene stukken enz.)
mogen volgens onze definitie niet met het eigenlijke archief van het
hoofdbestuur worden vermengd : immers deze stukken zijn niet door
dat hoofdbestuur opgemaakt of daarbij ingekomen. De beide serieën
van stukken loopen parallel naast elkander voort, al hebben zij dikwijls
op dezelfde onderwerpen betrekking, en de archieven van dergelijke
commissiën moeten derhalve noodzakelijk afzonderlijke afdeelingen
in het archief van het hoofdbestuur vormen. Zoodoende zal het
archief van een bestuur noodwendig in hoofdzaken de samenstelling
van dat bestuur reflecteeren.
Bij de behandeling der stelling door de Vereeniging van archi-
varissen deed zich een punt van verschil voor. „Was het wel juist" ,
vroeg men , „om de ordening van het archief te doen afhangen van
de soms gebrekkige oude organisatie van het archief, ook wanneer
min ervarene secretarissen eene organisatie hadden aangebracht,
niet overeenkomende met de organisatie van het bestuur ? Was
het niet juister zich geheel te houden aan de organisatie van dat
bestuur zelf, dat toch de leiddraad was geweest voor de organi-
satie van het archief?" Geantwoord werd: „Niet de organisatie
van het bestuur, maar die van het archief moet den doorslag geven.
Het is nauwelijks denkbaar, dat zelfs de onervarenste klerk eene
regeling zal hebben aangebracht, die in hoofdzaken strijdt met de
inrichting van het bestuur: het was toch eenvoudig ondoenlijk, om
op den duur de stukken, ingekomen bij verschillende zelfstandige
takken van bestuur, te vereenigen. Doch mocht dit onverhoopt
het geval zijn, dan is het toch nog deze regeling, die den doorslag
voor de nieuwe regeling moet geven. Want het is niet ons doel,
langs theoretischen weg eene organisatie van het archief te ver-
krijgen , die overeenkomt met de oude bestuursorganisatie. Die
bestuursorganisatie is ons betrekkelijk onverschillig en wij zouden
wellicht niet op de gedachte zijn gekomen, die als leiddraad aan
te nemen voor de organisatie van ons archief, indien wij daartoe
Haholbioing Akciuvakisskn.
j
-ocr page 40-
34
niet feitelijk waren gedwongen. Gedwongen juist door de organi-
satie van het archief, die eenmaal in hoofdtrekken door het feit
van de vereeniging der bijeenbehoorende stukken in banden, li-
assen en dossiers onveranderlijk is vastgesteld, en waarbij wij ons
dus goedschiks of kwaadschiks hebben neder te leggen." Na deze
toelichting bekrachtigde de vergadering de stelling.
Het is niet zonder voldoening, dat wij kunnen constateeren , dat het
boven geschetste systeem van indeeling, dat ons door de ervaring
als het eenig juiste, het eenig mogelijke is aan de hand gedaan,
geheel onafhankelijk van onze meening is aanbevolen door vak-
genooten binnen en buiten de grenzen van ons vaderland, op wier
oordeel wij prijs stellen. De Utrechtsche provinciale archivaris
Dr. Vermeulen verklaarde reeds in 1875, dat „in een catalogus
van een archief eene schets van het samenstel der vroegere besturen
zichtbaar wezen kan en moet." De archivaris van Keulen Dr.
Hansen schreef onlangs: „Auch beim Kölner Archiv ist meines
Erachtens der einzige Weg zur Begründung einer für alle Zukunft
ausreichenden Ordnung die Befolgung eines Grundsatzes, der jetzt
wohl in der Mehrzahl der grosseren Archive Deutschlands Annahme
gefunden hat, die Anwendung eines formalen Eintheilungsprincips,
die möglichst vollsttlndige Wiedcrherstelhmg der Registraturen der
alten Behorden."
En Clemente Lupi, archivaris te Pisa, herhaalde
reeds in 1875 met instemming eene uitspraak van Leopoldo Galeotti,
directeur van het archief van het Italiaansche kroondomein: ,,Un
archivio ben ordinato deve offrire nella distribuzione de\' documenti
la immagine esteriore della struttura organica dello stato, come il
buon architetto fa indovinare nella facciata la destinazione e la
struttura interna dell\' edifizio."
Wanneer in het bovenstaande scherp tegenover elkander gesteld zijn
de systematische indeeling volgens bestuurscolleges en die volgens
onderwerpen, is daarmede niet bedoeld, dat deze laatste verdeeling
ook voor onderafdeelingen absoluut is te verwerpen. Indien b.v.
de ingekomene stukken bij eene commissie niet chronologisch geli-
asseerd zijn en dus natuurlijk slechts fragmentarisch bewaard zijn
gebleven, dan kan er niet het minste bezwaar tegen zijn , om de
rubriek, die deze stukken bevat, als zij omvangrijk is, onder te
verdeden in verschillende afdeelingen volgens den inhoud der stuk-
ken, indien die zich tot zulk eene verdeeling leent. Ook in onze
inventarissen zal men dus rubrieken kunnen vinden, b. v. getiteld
Archief van den raad, maar verdeeld b. v. aldus: i° Resolnti\'ên,
Ingekomene stukken, welke laatste rubriek dan weder onderver-
deeld kan zijn als volgt: Finantiën, Publieke werken, Kerkelijke
zaken
enz.
-ocr page 41-
35
Nog moet ééne opmerking worden gemaakt. De oude organisatie
van het archief moet om de boven opgegevene redenen behouden
blijven. Maar het is onnoodig en zelfs ongewenscht, om binnen
deze grenzen ook de oude ordening der stukken in alle details over
te nemen. Onze oude archiefbeheerders, die in hunne inventarissen
een ander doel nastreefden dan wij, leverden tot ver in de i Se eeuw
werk, dat voor onze behoeften geheel onvoldoende is. Hunne
hoogst oppervlakkige ordening der stukken mag dan ook niet alleen,
maar moet bepaald veranderd worden.
§ 17. Bij de ordening van een archief behoort der-
halve voor alles zooveel doenlijk de oorspronkelijke
orde te worden hersteld. Eerst daarna kan worden
beoordeeld, of en in hoeverre het wenschelijk is van
die orde af te wijken.
Deze regel berust niet op eene slaafsche ingenomenheid met de
oude organisatie van een archief; zij eischt niet, dat die oude orde
worde hersteld, omdat die per se onverbeterlijk is, integendeel zij
neemt aan, dat er aanleiding kan zijn om van de oude orde af
te wijken. Zij stelt echter overeenkomstig het in de vorige §
uitgesproken beginsel op den voorgrond, dat die oude orde in den
regel gevormd is overeenkomstig de behoeften der oude organisatie
en daarmede nauw samenhangt. Wil men die oude organisatie
leeren kennen, — en hoe kan men een archief beschrijven, zoo
men de organisatie van de corporatie niet kent, waaraan het zijn
ontstaan dankt? — dan heeft men voor alles de inrichting van het
archief, zooals het zich heeft gevormd en vervormd, toen het nog
een levend organisme was, te bestudeeren.
Het komt er dus hier op aan, deze vraag te beantwoorden: is
het, om de oude orde te leeren kennen, noodig dat men haar herstelt ?
Het schijnt inderdaad, dat het zeer wel mogelijk is uit enkele
serieën en registers de oude inrichting van het archief althans
in groote trekken vast te stellen en daarnaar te beoordeelen in
hoeverre het wenschelijk is die orde te behouden, in hoeverre
van haar af te wijken. Somtijds zal dit inderdaad geene bezwaren
opleveren, maar van te voren weten kan men dat nooit. Wat
aanvankelijk eene fout scheen in de oude inrichting van het
archief, kan later blijken een gevolg te zijn van eene eigen-
aardigheid in de oude organisatie van het bestuur. Wat bij eene
oppervlakkige beschouwing onopgehelderd bleef, kan door latere
vondsten volkomen duidelijk worden en rationeel blijken te zijn.
-ocr page 42-
tf
En het kan zijn, dat men die ontdekking eerst doet, als men de
oude orde reeds heeft vernietigd en het veel moeite kost of zelfs
onmogelijk is haar te herstellen. Het is daarom voorzichtiger de
oude orde eerst in haar geheel, d. w. z. voor zoover er nog sporen
van overig zijn, te herstellen en dan zoo noodig aan het verbeteren
te gaan of de leidende gedachte, die uit de oude ordening blijkt,
ook toe te passen op die archivalia, waarin de orde reddeloos is
verstoord. Maar het is zaak er ernstig tegen te waarschuwen, dat
men zich niet uit onvoldoende gegevens eene voorstelling maakt van
de vroegere inrichting van een archief en daarop voortbouwt of er
aan verandert. Men komt er dan zoo licht toe zich de taak wat
gemakkelijk te maken, en door het verwaarloozen van eenige gege-
vens voor zich zelf eene onjuiste voorstelling aan te nemen. Men
volge liever den raad van dien onderwijzer, die aan zijne leerlingen
toestond de vrouwelijke e achter een, mijn enz. achterwege te
laten, maar alleen als zij in de hoogste klasse zaten. Zoo is het ook
hier: hoe meer archieven men heeft geregeld, des te meer vrijheid
mag men op dit gebied nemen, maar des te zekerder is het ook,
dat men, door ondervinding geleerd, den veiligen weg zal volgen.
Het kan zijn, dat men, dus de oude regeling hersteld hebbende, ten
slotte ziet, dat zij op verscheidene punten onhoudbaar is; het kan
zijn, dat men dus die oude orde, die men eerst, met moeite misschien,
heeft hersteld, weder gedeeltelijk moet verstoren. Geheel nutteloos
zal echter het werk nooit zijn geweest, want het is ondenkbaar,
dat van de geheele oude archiefinrichting niets gehandhaafd blijft.
Somtijds is een oude inventaris aanwezig en zal het mogelijk
zijn zich reeds uit dien inventaris een denkbeeld te maken van de
oude inrichting van het archief. De meeste oude inventarissen zijn
echter opgemaakt naar aanleiding van een of ander bijzonder feit,
b.v. eene overdracht van het archief van den eenen ambtenaar op
den anderen; zij zijn dan in der haast opgemaakt en de beschrij-
vingen, nog korter dan anders, geven niet altijd den inhoud der
stukken juist weer. Zulke inventarissen (er is er b. v. in 1649 een
opgemaakt, toen het Montfoortsche archief aan de Staten van
Utrecht kwam) zijn absoluut waardeloos; het zou dus voorbarig
zijn, op grond daarvan de oude archiefinrichting af te keuren
§ 18. De oorspronkelijke orde van een archief mag
worden gewijzigd, om afwijkingen van den algemeenen
bouw van het archief te verbeteren, onverschillig of
die afwijkingen aan vergissingen van beheerders van
-ocr page 43-
37
het archief zijn toe te schrijven, dan wel zijn voortge-
vloeid uit eene wijziging van voorbij gaanden aard in
het systeem van bewaring der archiefstukken.
Zoo de vroegere beheerders van een archief nooit eene fout hadden
begaan en elke beheerder zich altijd bij de ordening der archief-
stukken had gehouden aan de door zijn voorganger gevolgde
beginselen, dan zou er geene aanleiding zijn om af te wijken van
de orde, die op die wijze in het archief was ontstaan. Maar de
vroegere beheerders hebben niet altijd consequent de beginselen
toegepast, die zij zelf of hunne voorgangers voor de archiefregeling
hadden aangenomen , en zoo komen in elk archief onregelmatigheden
voor, die het wenschelijk is te herstellen.
Dit geldt in de eerste plaats van zuivere vergissingen. De archi-
varis behoort in dat geval te doen, wat de vroegere archiefbeheerder
zou hebben gedaan, zoo deze de begane fout had opgemerkt: hij
behoort haar te herstellen. Wanneer b.v. in een rechterlijk archief
zoowel van de minuten der akten van eigendomsoverdracht als van
de minuten der plechten afzonderlijke serieën of liassen zijn gevormd,
maar eene der plechten is abusievelijk bij de transporten geliasseerd,
dan behoort de archivaris die vergissing te herstellen. — Een eenigs-
zins ander geval is het volgende. In vroegeren tijd is het meermalen
voorgekomen, dat ten behoeve van een proces of ter bijeenbrenging
eener verzameling retroacta een in het archief berustend stuk uit de
serie, waartoe het behoorde, werd gelicht en bij dien later gevorm-
den bundel processtukken of retroacta werd gevoegd. Het ware
ongetwijfeld regelmatig geweest, dat stuk later weder op zijne
plaats te brengen; maar dit is meermalen verzuimd, ja het verzuim
heeft, zoo vaak plaats gehad, dat men moet aannemen, dat dikwijls
het stuk opzettelijk bij het latere dossier, waarvan de archief-
beheerder voorzag dat hij het nog meermalen zou moeten raadplegen ,
is gelaten. Toch behoort ook in dat geval de archivaris het bedoelde
stuk terug te brengen in de serie, waartoe het heeft behoord; immers
de vroegere beheerder had dit ook moeten doen, en had in het later
gevormde dossier hetzij een afschrift van het stuk moeten opnemen,
hetzij eene aanteekening, waarin werd verwezen naar de serie, waar
dit stuk was te vinden. Wanneer dus de archivaris dat stuk uit
het dossier verwijdert, behoort hij ook zulk eene aanteekening er
voor in de plaats te leggen. — Het kan ook noodig zijn zulk eene
aanteekening aan te brengen, in geval een stuk abusievelijk in eene
verkeerde serie ingevoegd en daaruit later verwijderd is. Wanneer
b.v. de serie stukken , waarvan men er een verwijderen moet, genum-
merd is, is het wenschelijk, dat in de serie eene aanteekening wordt
-ocr page 44-
opgenomen, die aanwijst, hoe het komt, dat hier een nummer
ontbreekt, opdat hij, die de serie heeft te raadplegen, niet meene,
dat zij incompleet is.
Het komt ook vaak voor, dat een nieuw opgetreden archiefbe-
heerder bij de berging der archivalia in eenig opzicht anders te werk
gaat dan tot dusverre gebruikelijk was. Terwijl vroeger b.v. de trans-
porten en plechten in ééne serie werden bijeengevoegd, zal hij er twee
van vormen; terwijl vroeger de ingekomene en uitgaande stukken
bij de resolutiön werden bewaard, zal hij ze afzonderlijk opbergen.
Het is mogelijk, dat de door hem ingevoerde veranderingen stand
houden, omdat zij blijken in overeenstemming te zijn met de ontwik-
keling van het bestuur, waarvan het archief afkomstig is; maar het
kan ook zijn, dat al spoedig blijkt, dat de oude inrichting beter was,
en dus tot haar wordt teruggekeerd. In het laatste geval heeft dus de
nieuwe archiefbeheerder eene fout gemaakt, die hij zou hebben ver-
meden , zoo hij alles had kunnen voorzien ; het is dus de taak van den
archivaris die fout te herstellen voor de enkele jaren, dat van de
gewone orde is afgeweken. Kortom de archivaris mag alle veran-
deringen in de oude organisatie aanbrengen, die ten doel hebben
de leidende gedachte, waarvan de oude ordening is uitgegaan, tot
haar recht te doen komen.
Uit den aard der zaak zal het niet altijd mogelijk zijn terug te
komen op eene afwijking van de regelmatige orde, die eens is
begaan. Dezelfde reden, die er toe leidt de oude orde in een archief
zooveel mogelijk te behouden, — het feit nl. dat die oude orde dik-
wijls in het archief onuitwischbare sporen heeft achtergelaten, — kan
aanleiding geven , dat ook in een bijzonder geval de eens aangenomene
orde behouden blijft. Als b.v. de transporten en de plechten in
afzonderlijke registers worden geregistreerd en eene plecht is
ingeschreven in het transportregister, dan kan daarop niet worden
teruggekomen; als het de gewoonte is, de in- en uitgaande stukken
te registreeren bij de resolutiën, doch die stukken gedurende wei-
nige jaren afzonderlijk gehouden en niet bij de resolutiën gere-
gistreerd zijn, dan is daar niets meer aan te doen. Er blijft den
archivaris dan alleen over, om ter plaatse in den inventaris, waar
de elders geborgene of geregistreerde stukken hadden moeten voor-
komen , op hun ontbreken opmerkzaam te maken en aan te wijzen,
waar zij te vinden zijn. Omgekeerd zal het zaak zijn, zoo de
archivaris zich eenige afwijking van de oude orde veroorlooft, daar-
van in den inventaris of in de inleiding tot den inventaris aantee-
kening te houden en rekenschap te geven. Het kan toch zijn, dat
in een geheel ander gedeelte van het archief of in eene studie,
geschreven toen de archivaris zijne verbetering nog niet had aan-
-ocr page 45-
39
gebracht, wordt verwezen naar de plaats, waar het stuk vroeger
ten onrechte was geborgen. Wil men ook later van die verwijzing
gebruik kunnen maken, dan moet men weten, waar het stuk is
gebleven. Trouwens in het algemeen is het gewenscht, dat men
rekenschap geeft van de aangebrachte veranderingen: men kan ze
toch niet aanbrengen zonder er zichzelf rekenschap van te geven,
waarom zou men het dan ook niet doen aan anderen?
^ 19. Bij de ordening van een archief behoort slechts
in de tweede plaats te worden gelet op de belangen
van historische onderzoekingen.
Korter, hoewel misschien minder duidelijk, zou men dezen regel
op het voorbeeld van Duitsche schrijvers aldus kunnen doen luiden:
archivalische eischen hebben den voorrang boven antiquarische. Men
verbreke dus geene seriën brieven, over de meest verscheiden onder-
werpen bij eenzelfde bestuur ingekomen, om een bundel stukken te
vormen, op een bepaald onderwerp betrekking hebbende. Nog veel
minder voege men stukken uit verschillende serieën over hetzelfde
onderwerp «bijeen , zooals jaren geleden in het Algemeene Rijksarchief
is geschied voor de samenstelling eener rubriek Stukken over Noordsche
tochten.
Zelfs wanneer men in een ongeordend archief brieven of
andere gelijksoortige stukken in zekere hoeveelheid verspreid vindt,
trachte men daaruit liefst serieën van brieven of andere gelijksoortige
stukken te vormen. Indien men een bundel of dossier stukken
betrekkelijk één onderwerp vereenigd vindt en het duidelijk is, dat
deze bundel niet eene samenvoeging van lateren tijd is, late men
dezen bundel echter natuurlijk in zijn oorspronkelijk verband. En
vindt men in een archief losse, als het ware rondzwervende stukken,
welke niet tot de serieën kunnen worden gebracht, dan kan bij de
rangschikking dier stukken zonder bezwaar op de belangen der histo-
rische onderzoekingen worden gelet. Overigens kunnen uitvoerige
regesten en uitvoerige chronologische en alphabetische indices dienen
om historische onderzoekingen te vergemakkelijken.
Bij de indeeling der Fransche archiefdepóts is in de eerste plaats
gelet op het belang der historische onderzoekingen. De archieven
zijn daardoor uit hun oorspronkelijk verband gerukt en door elkan-
der geraakt. Thans wordt dit echter ook in Frankrijk zelf vrij
algemeen betreurd. Een groot bezwaar, aan die fusie van archief-
stukken verbonden, is, dat men den werkkring van de besturen
niet meer kan nagaan. Bovendien zullen stukken, welke door
hun inhoud uit een historisch oogpunt van tweeërlei belang zijn,
b.v. voor armwezen en voor kerkelijk recht, indien zij in een
-ocr page 46-
40
bundel betreffende armwezen zijn gerangschikt, daarin door onder-
zoekers van kerkelijke rechtsvragen niet worden gezocht. Er zal
dus bij de rangschikking zijn gelet alleen op de belangen van som-
mige
historische onderzoekingen, terwijl de belangen van andere
historische onderzoekingen zullen zijn geschaad.
Reeds vroeger (§ 15) is er op gewezen, dat vele historici
cene chronologische rangschikking der stukken voor hunne studie
wenschelijk achten. Zelfs al ware die rangschikking werkelijk voor
historische onderzoekingen aanbevelenswaardig, clan spreekt onze
regel het onverholen uit, dat ook die grond niet voldoende is
om eene chronologische rangschikking der stukken te wettigen.
Immers eerst in de tweede plaats behoort op de belangen der
historische onderzoekingen te worden gelet.
§ 20. Bij de ordening van een archief houde men in
het oog, dat de bescheiden, die de handelingen van het
bestuur of een zijner ambtenaren ex officio behelzen,
het geraamte van het archief vormen.
Deze regel is aangenomen door de Vereeniging van archiva-
rissen. Wij veroorloofden ons in de redactie twee kleine wijzigingen
door het woord gemeenschap daaruit te doen vervallen en beambten
te vervangen door ambtenaren, in overeenstemming met de ter-
minologie, door ons in § 1 van den Minister overgenomen.
Tegenover de aangenomene redactie stond in de vergadering eene
andere: „De serieen resolntien, protocollen, rekeningen en andere
stukken
, die sedert hunne opneming in het archief in banden, liassen
of pakken zijn vereenigd, vormen het geraamte van het archief";
deze redactie is echter door de meerderheid verworpen. Deze loop
der zaken brengt ons in eenige verlegenheid, want (geheel afgescheiden
van alle persoonlijke sympathieën) zijn wij van meening, dat de aan-
genomene redactie strijdt met den door de vergadering eveneens aan-
genomen regel van § 16, hoewel bij de discussie over deze stelling
het punt van verschil uitdrukkelijk was aangewezen. Wij achten
ons door het besluit der vergadering gebonden hare redactie op
te nemen. Immers al veroorloofden wij ons hier en daar en ook
in dezen regel enkele kleine wijzigingen in den vorm, die de
verschillende regels onderling beter met elkaar in verband bren-
gen, wij gevoelen daartoe geene vrijheid, waar het een geheelen
stelregel betreft, die na uitvoerige discussie door de leden onzer
Vereeniging werd vastgesteld. Wij nemen dus die vastgestelde
redactie op, doch wij achten ons door den boven aangeduiden strijd
-ocr page 47-
41
verplicht, om daarnaast de verworpene redactie niet minder uit-
voerig te bespreken.
De regel bevatte (in beide redactiën) aan het slot nog zes
woorden : „waarbij de andere stukken (volgens de andere redactie :
de losse stukken) zich aansluiten". Wij hebben gemeend deze
woorden te mogen weglaten, omdat wij den zin daarvan uitvoe-
riger meenen te hebben teruggegeven in § 25.
Voordat wij den regel toelichten een paar verklaringen:
1 °. door den voorsteller der tweede redactie werd gevraagd,
waarom juist uitsluitend de resolutiën van het bestuur (nl. „de
bescheiden, die de handelingen van het bestuur eencr gemeenschap
of een harer beambten ex officio behelzen")
als leiddraad bij de
organisatie van het archief in de stelling werden genoemd. Het
kan toch voorkomen, meende deze spreker, dat juist die resolutiën
het geraamte van het archief niet vormen. In archieven van kleine
waterschappen b.v. is het de gemeenelandsrekening, die op de jaar-
vergadering wordt afgehoord, die den kern van het archief vormt;
de resolutiën werden öf achter deze rekening geregistreerd of (indien
zij op latere vergaderingen werden genomen) geschreven op losse
bladen, die dan met al wat op de resolutiën betrekking had of er
uit voortvloeide een dossier vormden. Niet de resolutiën, maar de
rekeningen vormen dus in dit geval het geraamte van het archief,
waaromheen alle andere stukken (niet alleen de acquitten) moeten
worden gegroepeerd Sterker nog komt dit uit, indien men twee
serieën waterschapsrekeningen vindt, wier aanwezigheid het dan
noodig maakt, de stukken betreffende de gemeenelandswerken tot
twee rubrieken te brengen, al naarmate de kosten daarvan in eene
der serieën werden verantwoord. Doch ook waar, zooals over
het algemeen werkelijk het geval is, de resolutiën de ruggegraat
van het geraamte vormen, daar is met die ruggegraat zelden of
nooit het geraamte geheel compleet. Het komt voor, dat een
bestuur twee of meer parallel loopende serieën resolutiën aanlegt; in
dit geval geven die twee serieën den bouw van het archief aan. In-
dien evenwel een bestuur op den inval kwam, de resolutiën in een
deel te boeken, maar de bijlagen in twee of meer sereiën te ver-
deelen, dan zouden in dit geval de liassen der inkomende en uit-
gaande stukken denzelfden dienst bewijzen, dien in het eerste geval
de twee serieën resolutiën hadden verricht. — In antwoord op dit
betoog constateerde de verdediger, dat ook volgens hem „protocollen,
rekeningen en andere stukken" moeten worden gerangschikt onder
„de bescheiden, die de handelingen van het bestuur eener gemeen-
schap of een harer beambten ex officio behelzen." Beide redactiën
bedoelen dus in dit opzicht hetzelfde, al zegt de eene het wat duidelijker.
-ocr page 48-
42
2°. Het geraamte van het archief. Over den zin dezer verge-
lijking bestond ter vergadering een misverstand, dat van belang is
voor de beteekenis daarvan. De verdediger, die de vergelijking
het eerst had uitgesproken, verklaarde daarmede te bedoelen: het
geraamte van een houten huis m. a. w. de hoofdbalken; een ander
lid, die dadelijk had verklaard den voorsteller het vaderschap
der vergelijking te benijden, bleek aanstonds gedacht te hebben
aan het dierlijk geraamte. Beide interpretatiën stellen vast, dat
de bedoelde serieën van bescheiden de hoofdlijnen aangeven, waar-
naar het archief van ouds is georganiseerd. De vergelijking met het
dierlijk geraamte, meer in overeenstemming met de bepaling, dat
het archief is een organisch geheel, houdt uit den aard der zaak
vast aan de onveranderlijkheid dier lijnen; de andere interpretatie,
die meer bijval schijnt te hebben gevonden, laat schijnbaar meer
vrijheid, doch bedoelt dit volgens haren voorsteller alleen te doen
bij de groepeering der details, „der latten en planken", die eerst
na „de hoofdbalken" moeten worden samengevoegd. Ook hier dus
is het verschil van beide redactiën meer schijnbaar dan reëel.
Wij komen thans tot het verschilpunt der beide redactiën. Het
is dit, dat de aangenomene den nadruk legt op de omstandigheid
dat de aangeduide bescheiden de hoofdlijnen aangeven der organi-
satie van het archief, omdat zij de handelingen van het bestuur be-
helzen ;
het was juist deze omstandigheid, die den voorsteller belette
de vollediger en duidelijker redactie van zijnen tegenstander over
te nemen. Deze tegenstander legde daarentegen in zijne redactie
den nadruk op het feit, dat de serieën, die hij opnoemt, de hoofd-
lijnen vormen van het archief, omdat zij seder* hunne opneming
in het archief in banden, liassen of pakken zijn vereenigd.
De
een wenscht dus de oude organisatie van het bestuur als leiddraad
voor de organisatie van het archief aan te nemen, de ander de
oorspronkelijke organisatie van het archief. Het gevoelen van den
tweede, thans verworpen, was vroeger door de vergadering bij de
vaststelling van den regel, die thans onder § 16 voorkomt, be-
krachtigd. Wij kunnen slechts herhalen, wat wij bij de toelichting
van laatstgenoemden regel hebben gezegd: niet de theoretische
overweging, dat het bestuur der gemeenschap vroeger zoo en niet
anders was georganiseerd, maar de praktische overweging, dat het
archief eenmaal in hoofdzaak in bepaalde vormen is vastgelegd,
schijnt ons de aan te brengen organisatie van het archief te moeten
determineeren.
Een ander verschil der twee redactiën , dat met het eerste nauw
samenhangt, is dit, dat de verworpene redactie nadruk legt op de
omstandigheid, dat alleen de „serieën\' de hoofdlijnen van het archief
-ocr page 49-
43
vormen , terwijl de verdediger in zijne mondelinge toelichting uitdruk -
kelijk verklaarde, dat de handelingen van het bestuur de inrichting
van het archief moesten determineeren, zelfs als die „o/> een afzonder-
lijk stuk papier" waren neergeschreven.
Voor eene dergelijke beper-
king van de vrijheid van den archivaris schijnt ons geene reden te
bestaan. Indien het om praktische redenen, ter bevordering der
duidelijkheid, wenschelijk is, schijnt men vrij het afzonderlijk
stuk papier te bergen, waar men wil: dit stuk papier kan niemand
dwingen andere stukken daaromheen te groepeeren \').
In de praktijk zal wellicht het verschil niet zoo groot zijn, als
de verschillende redactiën zouden doen vermoeden. Immers waar
de voorsteller van de aangenomene redactie verklaarde, vooral daarom
zoo te hechten aan het aannemen van de organisatie van het
bestuur als leiddraad, omdat hij vrij wenschte te zijn de fouten te her-
stellen door onervarene secretarissen, in afwijking van de inrichting van
het bestuur, in den bouw van het archief aangebracht, lichtte zijn
tegenstander, uitgaande van de door hem aangenomene interpretatie
van het geraamte als het dierlijk geraamte, zijne meening ongeveer
aldus toe: „De archivaris handelt met het archief zooals de palae-
ontoloog met de beenderen van een voorwereldlijk dier: hij tracht
uit die beenderen het geraamte van het dier weder in elkaar te
zetten. Wil hij zich echter eene voorstelling vormen van het dier,
welks gebeente hij weder heeft vereenigd, dan gaat hij wel nauw-
keurig in het algemeen den bouw van het lichaam en den vorm
der beenderen na, maar hij houdt geene rekening met de toevallige
omstandigheid, dat b.v. een poot van het dier tengevolge van een
breuk is kromgegroeid of dat een der ribben ontbreekt. Zoo mag
ook de archivaris, indien hij eenmaal het archief weder in zijn
ouden toestand heeft gereconstrueerd, kleine afwijkingen in den
bouw herstellen, die het gebruik van het archief bemoeilijken
zouden en die te-wijten zijn aan de onnadenkendheid van opvolgende
secretarissen. Doch slechts onder twee voorwaarden: i °. de ar-
chivaris geve zich rekenschap, dat door de verplaatsing geene
andere fouten ontstaan; 2°. de archivaris moet zich zeer bepaald
rekenschap geven, dat er niet voor de schijnbaar verkeerde plaat-
sing van het stuk eene goede reden heeft bestaan (resp. de palae-
ontoloog mag alleen dan verbeteren, als hij daardoor recht laat weder-
varen aan de natuur van het organisme zelf)." (Zie hierover § 18.)
„Ook in een ander opzicht gelijkt de archivaris op den palaeontoloog:
beiden kunnen slechts een bepaalden stand van het gereconstrueerde
i) Wel_ is met eene userie» natuurlijk gelijk te stellen een enkel deel, bestemd om het eerste
eener serie te worden, maar dat door toevallige omstandigheden alleen is blijven staan, b.v. omdat
het bestuur of de commissie werd ontbonden, voordat het deel was gevuld.
-ocr page 50-
44
organisme teruggegeven, terwijl het organisme bij zijn leven telkens
een anderen stand aannam. I.idien dus opvolgende secretarissen op
den duur in onderdeden niet nauwkeurig hetzelfde systeem van
organisatie hebben gevolgd, dan is de archivaris, die slechts ééne
bepaalde organisatie in zijn inventaris kan teruggeven, vrij die
afwijkingen te normaliseeren. Zoo kan het wenschelijk zijn, ver-
schillende losse stukken over hetzelfde onderwerp, maar uit ver-
schillende tijden, in één nommer bijeen te brengen; de secretaris,
die het jongste stuk afzonderlijk bewaarde, zou dit toch zonder
twijfel bij het oudere hebben gevoegd, dat zijn voorganger even-
eens afzonderlijk had laten liggen, indien het bestaan daarvan hem
bekend was geweest." (Zie hierover § 31.)
Het praktische resultaat van den regel moet dus volgens beide
redactiën dit zijn: de archivaris, die de hand slaat aan de organi-
satie van\' een ongeordend archief, beginne met het herstellen der
serieen notulen, brieven, sententiën, protocollen, rekeningen,
acquitten enz.
§ 21. Niet het onderwerp van een stuk, maar zijne
bestemming moet beslissen over de plaats, die het in
het archief moet innemen.
Deze regel is een noodzakelijk gevolg van het systeem, dat
wij (zie § 16) voor de indeeling van een archief hebben gekozen.
Zij, die een archief indeelen in zekere vakken, bepaald door
het in elk stuk behandelde onderwerp, zullen natuurlijk alle
stukken, die over hetzelfde onderwerp handelen (voor zoover dit
mogelijk is) in ééne afdeeling vereenigen. Daar het door ons
gekozene systeem van indeeling (het herstel der oude organisatie
van het archief) echter in hoofdzaak is gegrond op de oude
inrichting van het bestuur der gemeenschap. moeten de stukken
natuurlijk ook worden ingedeeld al naarmate zij zijn gericht aan
een der bestuurstakken of, door een dier takken opgemaakt,
bestemd zijn om in het archief daarvan te worden bewaard.
Vindt men derhalve twee brieven over dezelfde zaak, de eene
gericht aan Gedeputeerde Staten, de andere aan de Finantiekamer,
dan behooren die stukken niet bijeengevoegd, maar in de archieven
van Gedeputeerde Staten en Finantiekamer te worden geplaatst.
Zij zijn daar dan ook goed geplaatst en in het verband, waar zij
behooren; immers beide brieven worden in de resolutiön van Gedepu-
teerde Staten en Finantiekamer vermeld en zijn tot recht verstand
-ocr page 51-
4?
dier soms zeer korte aanteekeningen altijd nuttig, veelal onmisbaar;
terwijl omgekeerd deze resolutiën den terugslag leveren op de
behandeling der betrokkene zaak in den brief.
§ 22. Geen deel, lias of bundel mag worden uiteen-
genomen, zoolang het motief, dat tot het bijeenbrengen
daarvan heeft geleid, niet gebleken is.
Bovenstaande bepaling beveelt een maatregel van voorzichtigheid
aan, waarvan de opvolging — de ondervinding heeft het geleerd —
dringend noodig is. Slechts zelden wordt den archivaris een archief ter
regeling toevertrouwd, dat niet reeds vroeger zoogenaamd geordend
is. De secretaris of de klerk ter secretarie, die zich met die \\verk-
zaamheid heeft belast en uit den aard der zaak in de oude
organisatie van het bestuur en zijn archief geen inzicht had,
heeft in plaats van zich te beperken tot het beschrijven der deelen,
liassen of bundels, die hij in het archief vond, vaak daar waar
die bijeenvoeging van stukken niet met zijne opvatting van de
wijze, waarop het archief moest worden geregeld, strookte, de
samengevoegde stukken van elkander gescheiden en afzonderlijk of
in samenhang met anderen beschreven. De verwarring, die daar-
door is gesticht, is dikwijls onmogelijk, altijd slechts ten koste
van veel moeite te herstellen. De eens verbroken orde is niet
altijd meer terug te vinden ; zijn de stukken van een dossier eens
verspreid, dan zal het in elk geval veel tijd kosten ze weer bijeen
te brengen. Ieder, die ooit een archief heeft geregeld, dat vroeger
reeds zoogenaamd geordend werd, zal het billijken, dat tegen
dergelijke ondoordachte vernietiging der bestaande orde wordt
gewaarschuwd.
De archivaris, die (zie § 17) zooveel doenlijk de oude orde
behoort te herstellen, alvorens te beoordeelen in hoeverre het
wenschelijk is er van af te wijken, zal zich, zoo hij eenige stukken
in een deel, bundel of lias vereenigd vindt, rekenschap geven van
het motief, dat den vroegeren beheerder van het archief tot het
bijeenbrengen van die stukken heeft geleid. Eerst dan kan hij
over de juistheid van het motief oordeelen. Het bloote feit alleen,
dat de bedoelde bijeenvoeging van stukken in strijd is met de
overigens bij de ordening van het archief van ouds gevolgde rege-
len, zal hem geen voldoende grond zijn, om de bijeenvoeging te
verbreken. Immers hij erkent, dat het zijn kan, dat deze schijn-
bare afwijking haren goeden grond heeft: de geschiedenis van het
archief en van het bestuur, waarvan het afkomstig is, kan aan
-ocr page 52-
46
het licht brengen, waarom stukken, die oppervlakkig beschouwd
niets met elkander gemeen hebben, zijn bijeengevoegd. Nu is het
zeer wel mogelijk, dat bij onderzoek blijkt, dat de redenen der
bijeenvoeging verkeerd of althans voor de ordening van het archief
waardeloos zijn, of dat het motief der vereeniging, hoewel op zich
zelf goed, thans zijne kracht heeft verloren en dat dus op de
vereeniging moet worden teruggekomen (de stukken kunnen b.v.
ter wille van een genealogisch onderzoek zijn bijeengebracht, — of
het kunnen stukken zijn, die een lid van het betreffende college
bij zijn overlijden of uittreden toevallig onder zich had). In elk
geval moet men echter, om te kunnen beoordeelen of het motief
der bijeenvoeging steekhoudt of niet, thans nog bruikbaar of onbruik-
baar is, vóór alles dat motief kennen; dit schrijft dan ook deze
stelling voor. Men bedenke toch wel, dat nooit eene bijeenvoeging
der stukken heeft plaats gehad zonder motief en dat het bijna altijd
uit de stukken is na te gaan, welk motief dat is geweest.
Mocht het geval zich eene enkele maal voordoen, dat eenige
stukken op zoo zonderlinge wijze waren bijeengevoegd, dat er
geen enkele grond voor is aan te voeren, dan behoort de archivaris
aanteekening te houden van de stukken, die bij elkander waren
gevoegd; want de mogelijkheid is nooit uitgesloten, dat hij later
het motief der bijeenvoeging nog ontdekt. Trouwens dit is zelfs
vaak aan te bevelen, als de grond der door den archivaris niet
gehandhaafde bijeenvoeging niet bekend is: immers het kan van
belang zijn te weten, welke stukken eenmaal tot een dossier van
retroacta of voor een of ander onderzoek zijn bijeengebracht.
§ 23. Het uiteennemen van deelen en bundels met
losse stukken, die door latere beheerders van het
archief zijn samengesteld, is zoo noodig geoorloofd.
Is het bedoelde deel of de bedoelde verzameling echter
dikwijls door de administratie zelve of door geleerden
gebruikt en als een geheel geciteerd, dan verdient het de
voorkeur ze intact te laten en als geheel te beschrij-
ven, waarnaast dan eene afzonderlijke beschrijving der
stukken kan staan op de plaatsen van den inventaris,
waarop elk stuk behoort.
Met de uitdrukking „latere beheerders" worden bedoeld andere
beheerders dan de oorspronkelijke, die een vasten vorm van
organisatie aan het archief hebben geschonken. Vooral heeft men
het oog op archivarissen en op personen, die het archief voor
-ocr page 53-
47
wetenschappelijke doeleinden hebben bestudeerd en tegelijk ge-
deeltelijk geordend; vooral dezen, die het archief gebruikten voor
een geheel ander doel dan waarvoor het is samengebracht, waren
dikwijls geneigd ter bereiking dier aan den aard van het archief
vreemde bedoelingen de ordening van het archief volkomen te
verstoren. Doch ook zij, die het archief met een praktisch doel
beheerden en wenschten te gebruiken, hebben zich wel eens aan
dergelijke min wenschelijke handelingen schuldig gemaakt, vooral
als vreemde archieven, met welker organisatie zij niet bekend waren
en die zij dus niet wisten te gebruiken, met hun archief werden
vereenigd. Zij behandelden dan de stukken dier andere archieven
als een soort bibliotheek van handschriften, ten gebruike bij hunne
eigenlijke administratie. Een bekend voorbeeld van eene behandeling
der laatste categorie leveren de zoogenaamde „copulaatboeken" in
het Zeeuwsche rijksarchief: zij bevatten eene bonte verzameling
van allerlei stukken uit de archieven van de Middelburgsche
abdij en van de Staten van Zeeland, vermengd met afschriften uit
de Hollandsche Rekenkamer enz., die niet lang na de oprichting
der Zeeuwsche Rekenkamer onder verschillende hoofden zijn ver-
zameld en bijeengebonden. Voorbeelden van verwarring, door
vroegere archivarissen en geleerde verzamelaars door het bijeen-
voegen van heterogene stukken in archieven gesticht, kan de archi-
varis van elk belangrijk archief uit eigene ervaring mededeelen.
Hoezeer gekant tegen verstoren van eene eenmaal in het archief
aangebrachte orde, moeten wij voor zoo ontstane deelen en bundels
eene uitzondering maken. De vorming daarvan was toch in strijd
met den aard van het archief, dien ons beginsel ons beveelt te
eerbiedigen; het uiteennemen daarvan is dus niet in strijd met dat
beginsel, maar in overeenstemming daarmede.
Dikwijls doet zich echter het geval voor, in de tweede alinea be-
doeld. De copulaatboeken b.v. zijn zoowel door de Staten als door de
Rekenkamer van Zeeland niet alleen herhaaldelijk geraadpleegd,
maar ook in archiefstukken geciteerd. De bundels der tweede soort,
gevormd door archivarissen of geleerden, zijn nog veelvuldiger
aangehaald; dergelijke verzamelingen, gevormd met een eenzijdig
historisch doel, zijn bijzonder gemakkelijk voor hen, die in korten
tijd eenig materiaal voor geleerde onderzoekingen in een archief
wenschen bijeen te verzamelen ; van daar dat ieder geleerde bezoeker
op deze collecties aanvalt en ze door citaten in zijne publicatiën
bekendmaakt. Is dit het geval, dan zou men de studie in het
archief, die dikwijls van dergelijke citaten uitgaat, uitermate be-
moeilijken door de verzameling uiteen te nemen en de stukken naar
hunne oude plaatsen terug te brengen. De verzamelingen behooren
-ocr page 54-
48
dus dan bij de ordening van het archief, waarin zij zijn geplaatst,
eene zelfstandige plaats te blijven innemen en als zoodanig in den
inventaris te worden beschreven. Maar tevens moet elk der daarin
opgenomene stukken dan op zijne eigenlijke plaats worden beschreven
in den inventaris van het archief, waartoe het behoort. Natuurlijk
evenwel slechts dan, wanneer het stuk in het archief vroeger eene
afzonderlijke plaats innam; is het daarentegen b.v. van eene lias
genomen, dan kan men volstaan met aan die lias op de plaats,
waar de lacune is, een verwijsblad te hechten zonder het stuk in
den inventaris afzonderlijk te vermelden.
§ 24. Indien een archief is geordend volgens een
systeem, afkomstig van een lateren beheerder en niet
overeenkomende met de eischen der nieuwe archiefleer,
dan is het bij het voorbereiden der nieuwe inventarisatie
gewenscht, om zoo mogelijk niet tot de nieuwe ordening
en het daarmede wellicht gepaard gaande uiteennemen
van deelen en bundels over te gaan, voordat de nieuwe
inventaris geheel en al vastgesteld zij. Ook dan nog
is het van belang den inventaris der vroegere ordening
te bewaren en daarin bij elk nommer te verwijzen naar
het nommer van den nieuwen inventaris.
Ieder, die wel eens een inventaris van een archief heeft opge-
maakt, weet, dat men nooit alle stukken terstond in den in bewer-
king zijnden inventaris hunne juiste plaats kan geven. Na eene
voorloopige rangschikking volgt dikwijls eene verbeterde rangschik-
king en eerst, wanneer men alle stukken, uit- en inwendig en in
hun onderling verband kent, kan de definitieve nieuwe inventaris
tot stand komen. Het zou zeer gevaarlijk zijn, tijdens die inven-
tarisatie reeds deelen en bundels uiteen te nemen. De mogelijkheid
toch is niet uitgesloten, dat de samenvoeging volgens het systeem
van den lateren beheerder bij nader inzien toch blijkt juist te zijn
geweest. Bovendien zou het gedurende de inventarisatie voor den-
gene , die het archief wenscht te raadplegen , zeer bezwaarlijk zijn
de stukken te vinden. De inventarisatie geschiede derhalve door
wat men in de krijgskunde noemt „bewegingen op het papier":
men beschrijve alle serieën, bundels, boeken, charters enz. op losse
regestpapiertjes en verrichte de rangschikkingen met deze papiertjes,
totdat de nieuwe inventaris is vastgesteld en gedrukt. Eerst dan
rangschikke men de stukken zelven overeenkomstig den nieuwen
vastgestelden inventaris.
-ocr page 55-
49
Aangezien de aanhalingen in oudere werken en de aanteekeningen
der archiefonderzoekers veelal berusten op den volgens het vroegere
systeem geordenden inventaris of catalogus, en de archivaris anders de
stukken, die hem met verwijzing naar den ouden inventaris worden ge-
vraagd, niet gemakkelijk zou kunnen vinden , is het noodig dien ouden
inventaris of catalogus te bewaren en daarin bij elk nommer de ver-
wijzing naar het nommer van den nieuwen inventaris aan te brengen.
§ 25. De bij het ordenen van een archief allereerst
herstelde serieën (resolutiën, brieven, protocollen, reke-
ningen, acquitten enz) geven de hoofdlijnen aan, waar-
naar de losse stukken in eene bepaalde orde moeten
worden vereenigd.
Deze regel is het natuurlijk complement van § 20; zijne juist-
heid springt dan ook na het daarover gezegde in het oog. Het zou
natuurlijk, zooals boven werd toegegeven, mogelijk zijn, deze losse
stukken anders (chronologisch of systematisch) samen te voegen
als voor de serieën is aangenomen; maar het zou weinig doelmatig
zijn, voor de verschillende deelen van één en hetzelfde archief twee
systemen van ordening aan te nemen. En daar wij, zooals wij
hebben gezien, voor de serieën aan ons systeem zijn gebonden,
volgt uit deze gebondenheid ook de wenschelijkheid , om de losse
stukken volgens hetzelfde systeem te ordenen. Eene andere over-
weging brengt ons bovendien tot dezelfde uitkomst: daar het onze
bedoeling is de archieven volgens de oude bestuursorganisatie te
reconstrueeren,, behooren wij natuurlijk, op straffe van half werk
te leveren, naast de resolutiën, sententiën en andere serieën ook de
tot hetzelfde archief behoorende losse stukken te plaatsen.
Het is doelmatig, in dezelfde richting nog een stap verder te
gaan. Indien b.v. de transporten en plechten in dezelfde registers
bij elkaar geregistreerd zijn, dan is het wenschelijk ook de minuten
dezer twee categorieën van stukken in ééne serie te vereenigen.
Het is dan gemakkelijk eene minuut, als men ze ter vergelijking
behoeft, terug te vinden door raadpleging van het register. Even -
zoo schijnt ons , dat ter beantwoording der vraag, of men de ingeko-
mene brieven chronologisch of systematisch moet rangschikken, moet
worden nagegaan, of er brievenboeken aanwezig zijn, waarin de brieven
zijn afgeschreven; is dit het geval, dan schijnt eene chronologische
rangschikking de aangewezene.
De hier uiteengezette methode is het hoofdbeginsel voor de orde-
ning der losse stukken, die door de overige regels slechts toegelicht
of beperkt worden.
Handleiding Archivarissen.                                                                                                 4.
-ocr page 56-
§ 26. De losse stukken, waarvan door inwendige of
uitwendige aanwijzingen blijkt, dat zij vroeger deel
hebben uitgemaakt van serieën of dossiers, moeten
zoo mogelijk weder tot serieën of dossiers worden
vereenigd.
De vroegere archiefbeheerders waren gewoon, de ingekomene
brieven of de minuten der opgemaakte akten aan liassen te veree-
nigen; het komt ook voor, dat ze eenvoudig genommerd in porte-
feuilles werden bijeengevoegd. De stukken werden dan natuurlijk
gerangschikt in chronologische orde, zooals zij ter vergadering
waren ingekomen; hun formeele inhoud determineerde hunne plaat -
sing. Wij bedoelen daarmede dit: men lette hierbij niet op de in
de stukken behandelde onderwerpen (op de vraag, of een brief
handelde over eene staatszaak of over eene finantiëele aangelegen-
heid), maar eenvoudig op de omstandigheid, of het stuk een brief
was dan wel een request. Bij de onderverdeeling dezer serieën
werden andere criteria gebruikt, die niet van zoo zuiver uitwendigen
aard waren: men verdeelde b.v. de brieven volgens de plaatsen van
herkomst — men maakte onderscheid tusschen transporten, plechten,
decreten en andere akten. Maar de eigenlijke inhoud der stukken
was toch bij dit systeem (het seriesysteem) nooit het motief der
rangschikking.
Anders was het echter bij het andere systeem (het dossiersysteem),
dat met het eerste gewoonlijk gepaard ging. Bij het seriesysteem
was het, zooals wij zeiden, regel de stukken aan liassen te rijgen.
Doch tal van inkomende stukken leenden zich niet tot zulk eene
behandeling. Zond b.v. eene commissie een rapport met vele
bijlagen in, — deponeerde zij bij hare ontbinding haar archief,
bestaande uit ingekomene stukken en aanteekeningen, ter griffie, —
kwam na afloop van een gevoerd proces de zak met overgelegde
stukken terug, dan konden uit den aard der zaak al deze lijvige
bundels niet worden geliasseerd. Men volgde dus in die gevallen
een anderen weg, vouwde de stukken in de lengte in tweeën en
schreef bovenop eene korte aanduiding van het onderwerp, waarover
de stukken liepen; dergelijke „dossiers" of „trousseaux" werden
met een band samengebonden en gewoonlijk in eene daartoe inge-
richte loketkast „geseponeert". Dezelfde methode werd ook wel
gevolgd voor gewone ingekomene stukken, wanneer voor de behan-
deling daarvan eene commissie ad hoc was benoemd; alle verdere
stukken, over dit onderwerp inkomende, werden dan bij de eerste
gevoegd ter raadpleging van die commissie, en zij bleven dan een
dossier vormen. Ook met bijzonder belangrijke of geheime stukken
-ocr page 57-
5i
werd aldus gehandeld: zij werden als dossiers geseponeerd in de
zoogenaamde „secreete kas". Voor de samenstelling dezer dossiers
was steeds het behandelde onderwerp, de materiëele inhoud der
stukken, beslissend, hoewel niet dit, maar de uitwendige vorm der
dossiers aanleiding gaf tot de afzonderlijke berging daarvan.
Doch niet alleen inkomende bundels waren door hun uitwendigen
vorm ongeschikt voor opneming in het seriesysteem; ook op zich
zelf staande stukken leenden zich soms moeilijk daartoe en werden
daarom afzonderlijk gehouden: bepaaldelijk was dit het geval met
de van zegels voorziene oorkonden, die dan ook werden geplaatst
in de laden der charterkast. In het gekozen voorbeeld was het
trouwens niet uitsluitend, wellicht zelfs niet voornamelijk de uit-
wendige vorm, die de afzonderlijke plaatsing der stukken determi-
neerde. Immers onbelangrijke oorkonden, zooals afgeloste rente-
brieven, werden eenvoudig bij de acquitten geliasseerd; ook het
exceptioneele belang der oorkonden zal zeker van invloed geweest
zijn op hare plaatsing in de charterkast. Uitsluitend deze laatste
overweging gold bij de stukken, die in de secreete kas werden
geseponeerd, om ze aan onbescheidene blikken te onttrekken.
Het is zeer wenschelijk, deze geheele ordening der losse stukken
van een archief volgens serieën en dossiers, zoo zij verstoord is, te her-
stellen, 1° omdat de serieën dikwijls in kopijboeken zijn afgeschreven
en dus daarbij behooren, 2° omdat tallooze malen in de resolutiën
of op andere plaatsen van het archief daarnaar, vooral naar de
dossiers, wordt verwezen, 30 omdat de dossiers gewoonlijk bevatten
tal van afschriften, excerpten en aanteekeningen, door eene com-
missie gebruikt bij het samenstellen van haar rapport, — stukken,
die, op zich zelf veelal waardeloos en eene belemmering voor de
goede regeling van het archief, eerst tot hun recht komen, wan-
neer men ze leest in onderling verband en met het commissoriale
rapport, waarvan zij toevoegsels, toelichtingen of bewijzen behelzen1),
40 omdat de serieën gewoonlijk grootendeels bewaard zijn, zoodat
het doelmatig en gemakkelijk is, wanneer enkele liassen zijn uiteen-
gevallen, deze lacunes weder aan te vullen. De archivaris, die de
stukken van twee of meer dooreengeraakte dessiers eenvoudig
stuksgewijze beschrijft en niet tracht het verband te herstellen,
levert dan ook slechts half werk.
Deze herstel!ingsarbeid is lang niet altijd gemakkelijk. De serieën,
waarbij men alleen heeft te letten op de omstandigheid, of een
stuk b.v. een brief of een request is, kunnen gewoonlijk zonder
bezwaar worden gereconstrueerd, daar de datum van inkomst (die
ten dezen beslissend is) gewoonlijk weinig van den datum der
1} Uitzonderingen op dezen regel worden vermeld in de toelichting tot \\ iS en in g 68.
-ocr page 58-
$2
afzending verschilt, terwijl de aanwezigheid of het ontbreken van
het liasgaatje ons steeds den weg wijst, als wij twijfelen, of een
stuk in de serie behoort. Veel moeilijker is het reconstrueeren
der dossiers, indien ze ongelukkig uiteen zijn geraakt: immers
het is kwalijk berekenbaar, welke stukken in een bepaald proces
hebben gediend, of welke stukken eene commissie zal hebben laten
afschrijven of excerpeeren ter voldoening aan hare opdracht. Indien
de aanwezigheid van een stuk met dorsaal opschrift ons echter de
zekerheid geeft, dat een dossier aanwezig geweest is, dan moeten
wij de reconstructie daaraan beproeven. De inhoud der stukken
geeft ons de eerste vingerwijzing, die dan door allerlei kleine
uiterlijke aanwijzingen (vouwen van het papier, gelijkvormige water-
vlekken , gemeenschappelijke wormgaatjes enz.) moeten worden
aangevuld. Volledige zekerheid is hierbij echter zelden of nooit te
krijgen, behalve alleen bij processtukken, die sedert het midden der
i6e eeuw gewoonlijk in dorso aan de rechterbovenzijde voorzien
zijn van kapitale letters, ook vermeld in den daarbij gevonden
inventaris, die zelf gewoonlijk met de letter A is geteekend.
Het is gewis overbodig te doen opmerken, dat men, voordat
men den herstellingsarbeid onderneemt, nauwkeurig heeft op te
letten, of men werkelijk te doen heeft met een eigenlijk dossier
d. w. z. eene verzameling stukken over hetzelfde onderwerp, die
bij zekere bepaalde gelegenheid door het college, waarvan het
archief afkomstig is, is bijeengebracht om te dienen voor een
bepaald doel. De dossiers zijn gewoonlijk gemakkelijk te onder-
scheiden van de nu en dan voorkomende pakken met stukken,
waarin eene onervarene hand (gewoonlijk eene latere hand) gemaks-
halve allerlei papieren over hetzelfde onderwerp heeft vereenigd.
In dergelijke pakken treft men soms ook een of meer dossiers aan;
maar overigens zijn ze te beschouwen als losse papieren, die
eenvoudig opnieuw moeten worden geordend.
Wij zeiden, dat de dossiers en serieën zoo mogelijk hersteld
moeten worden. Dit is, hoeveel moeite men zich ook geeft, niet
altijd mogelijk. Het kan ook voorkomen, dat de moeite, die aan
het herstellen der oude organisatie besteed zou moeten worden,
onevenredig is aan het te bereiken resultaat. Zoo is b.v. het hier
te lande ingevoerde Fransche systeem van archiefordening, dat den
ambtenaren vreemd was, na 1813 bijna overal geheel en al verstoord.
Het is meestal niet zonder ontzaglijke moeite mogelijk, dit praktische
maar ingewikkelde stelsel weder te herstellen, en het verdient dan ook
wellicht de voorkeur, den grooten verwarden hoop met stukken
uit dien tijd eenvoudig chronologisch te ordenen als bijlagen bij
den Indicateur, voorzoover zij daarbij behooren.
-ocr page 59-
53
Verdient het om de boven aangehaalde redenen aanbeveling, de
oorspronkelijke serieën en dossiers te herstellen, het schijnt daaren-
tegen onnoodig, om op zich zelf staande stukken ook afzonderlijk
te laten, indien uitsluitend uiterlijke redenen (b.v. de aanwezigheid
van een zegel) of redenen van convenientie (b.v. het secreete van
den inhoud) de afzonderlijke plaatsing vroeger hebben gedeter-
mineerd. Zoo is het geoorloofd een huurcontract, dat toevallig
van een uithangend zegel is voorzien, bij de andere huurcontracten
te beschrijven (al laat men het ter bewaring van het zegel in de
charterkast); een vroeger secreet stuk weder te voegen in de serie,
waaruit het alleen is verwijderd, omdat vroeger de inhoud geheim
gehouden moest worden.
§ 27. Wanneer geene oude rangschikking der losse
stukken herkenbaar is, hangt het antwoord op de
vraag, hoe men ze zal rangschikken, in elk voor-
komend geval af van de bijzondere omstandigheden,
waarin het archief verkeert, vooral ook van de vol-
ledigheid daarvan. Soms kan een compromis dan
het beste zijn.
Indien alle aanduidingen omtrent de oorspronkelijke regeling der
losse stukken ontbreken, dan is de archivaris vrij bij het kiezen
van de te volgen methode. Hij heeft de keus, om stukken, die
behooren tot het archief van denzelfden bestuurstak, bijeen te
voegen volgens hun materièelen of hun formeelen inhoud of wel ze
afzonderlijk te laten. Het is zeer moeilijk om daarvoor regels te
geven. De omvang en de volledigheid van het voorhandene komen
daarbij in aanmerking, en het gezond verstand van den archivaris
moet in die gevallen ten slotte beslissen, welke methode voor den
toestand van het archief het meest geschikt is.
Enkele voorbeelden kunnen echter wellicht den weg wijzen.
Treft men b.v. in een archief, zooals dikwijls het geval is, tal van
ingekomene requesten aan, dan is het wel wenschelijk die bijeen
te voegen, maar het schijnt meer aanbeveling te verdienen ze
systematisch dan wel chronologisch te ordenen. Vooreerst omdat
een request zelden gedateerd is en eene streng chronologische
rangschikking dus nagenoeg onmogelijk is. Maar bovendien om
eene andere reden. Het was oudtijds de gewoonte de genomen
beslissing gemakshalve op het request zelf aan te teekenen en het
stuk zoo aan den requestrant terug te geven; alleen de belang -
-ocr page 60-
54
rijkste dier beslissingen werden gewoonlijk zéér kort in de resolutiën
aangeteekend. Het is dus duidelijk, dat de losse requesten, die
men in een archief aantreft, in hoofdzaak alleen de onafgedane
verzoeken bevatten. Men vindt deze dus niet in de resolutiën
vermeld en er is dan ook geene aanleiding, om ze in de orde dier
resolutiën te rangschikken. De verdeeling der requesten in verschil-
lende (chronologisch geordende) serieën volgens de behandelde
onderwerpen, die voor den gebruiker gemakkelijker is, verdient
derhalve in dit geval aanbeveling.
Moeilijker is de beslissing, wanneer men met ingekomene brieven
te doen heeft. Indien in een archief de gewoonte heeft bestaan,
dezen te vereenigen tot liassen en deze liassen zijn bewaard, dan
zal men gewoonlijk daarnaast slechts enkele onsamenhangende
brieven van weinig belang aantreffen. Het schijnt in dat geval
niet wenschelijk, eene tweede chronologische serie daarvan te
vormen, te meer omdat deze brieven niet in de resolutiën zullen
zijn vermeld, zoodat het hoofdmotief voor de vorming eener serie
ontbreekt. — Zijn de liassen daarentegen niet in haar geheel
bewaard gebleven, doch uiteengevallen, dan zal men gewoonlijk
in het archief een bijzonder groot aantal brieven aantreffen, die
over het geheel geregeld doorloopen. Daar men hierin eene
aanwijzing mag zien van het vroeger bestaan eener chronologisch
geordende (gewoonlijk geliasseerde) serie, is het herstel daarvan
aangewezen. — Weder anders is het, wanneer de gewoonte om
de brieven chronologisch te liasseeren niet heeft bestaan. In dat
geval zal men gewoonlijk slechts betrekkelijk weinige en wel
nagenoeg uitsluitend belangrijke brieven in het archief aantreffen.
Aangezien dit eene aanwijzing is, dat de brieven uitsluitend om
hunnen inhoud zijn bewaard (terwijl men de minder belangrijke
ingekomene brieven heeft vernietigd), schijnt het gewenscht deze
brieven niet chronologisch , maar systematisch te ordenen en volgens
de behandelde onderwerpen over verschillende nommers te verdeelen.
Natuurlijk geldt dit alleen voor het geval, dat de weinige bewaarde
brieven werkelijk belangrijk zijn; vindt men alleen eenige toevallig
bewaarde onbelangrijke brieven, dan is het eenvoudiger, ze in één
nommer zooveel mogelijk chronologisch te vereenigen.
Zijn er geenerlei redenen om aan het eene systeem boven het
andere de voorkeur te geven, dan verdient in den regel het
aannemen van het dossiersysteem aanbeveling. Dit systeem schijnt
toch in vele opzichten praktischer dan het seriesysteem. Iemand,
die een onderzoek in een archief wenscht in te stellen, zal toch
wel altijd het onderwerp, waarover de door hem gezochte stukken
handelen, kennen, maar niet altijd den tijd, waarop die stukken
-ocr page 61-
55
zijn ingekomen; voor hem is dus het dossiersysteem veel gemakke-
lijker. Maar ook voor den archivaris zelf is dit het geval: immers
terwijl het ordenen der stukken volgens hun materièelen inhoud in
den regel geene bezwaren oplevert, is het vaststellen van den
datum der stukken zeer dikwijls onmogelijk.
§ 28. Bij de rangschikking der losse stukken neme
men geene willekeurige hoofdafdeelingen aan, maar
alleen zulke, die gegroepeerd kunnen worden om eene
van ouds bestaande serie deelen of liassen.
Alle losse stukken van een archief behooren zich, gelijk vroeger
(§ 20) is opgemerkt, te groepeeren om de verschillende serieën deelen ,
liassen en bundels, die het hoofdbestanddeel er van uitmaken: de
ingekomene stukken om de resoluticn, de quittanticn om de rekeningen
enz. Nu kan het zijn, dat al de handelingen van een bestuur in
ééne serie registers zijn neergeschreven; in dorpsarchieven is dat
niet zelden het geval: de resolutiën, die het bestuur in dorpszaken,
in polderzaken, in rechtszaken heeft genomen, vindt men daar in
één register opgeteekend. In zulk een geval is het niet geoorloofd
dit archief in h o o f dafdeelingen te splitsen, immers het blijkt
dan duidelijk, dat ook het bestuur, waarvan het archief afkomstig
is, niet tusschen de verschillende werkzaamheden, die het verrichtte,
heeft onderscheiden. In den regel echter is de toestand meer
gecompliceerd en worden b. v. de resolutiën in polderzaken achter
of onder de polderrekeningen geregistreerd en worden voor de akten
van vrijwillige en contentieuse jurisdictie afzonderlijke registers aan-
gelegd. Op die wijze ontstaan meer serieën, en het archief behoort
dan overeenkomstig die serieën te worden ingedeeld, zal zijne orga-
nisatie overeenstemmen met de inrichting van het bestuur, waardoor
het archief is gevormd. Het kan ook zijn, dat geene afzonderlijke
registers werden aangelegd, maar dat toch de ingekomene stukken
in verschillende liassen zijn bijeengevoegd, al naarmate zij op
verschillende functiën van het bestuurscollege betrekking hebben:
de op die wijze genoemde serieën liassen wijzen dan de hoofdver-
deeling van het archief aan. De dossiers en de niet geliasseerde losse
stukken moeten dan om die serieën liassen worden gegroepeerd \').
Tusschen de hoofdafdeelingen van een archief en de serieën registers
en liassen behoort dus een nauw verband te bestaan. Evenmin nu
als het geoorloofd is, willekeurig serieën stukken betreffende eene
x) Het eenige verschil in indeeling in dit en in het vorige geval zal dan hierin bestaan , dat in dit
geval eene algemeene afdeeling noodig zal zijn om de resolutieboeken op te nemen, in het eerste
geval niet. — Eene derde mogelijkheid is nog, dat wel alle handelingen in één register zijn genotu*
leerd, maar dat daarnaast afzonderlijke registers zijn aangelegd, waarin de akten van eene pebaalde
soort zijn gecopieërd.
-ocr page 62-
5<3
bepaalde werkzaamheid van het bestuurscollege aan te nemen ofte
maken, even weinig staat het den archivaris vrij, willekeurig hoofd-
afdeelingen in zijn archief aan te nemen. Gesteld b. v. dat in het
archief eener stemhebbende stad zoowel de handelingen betreffende
het stadsbestuur als die betreffende de bemoeiingen van den magi-
straat met het provinciaal bestuur door elkander in de resolutiën
opgenomen zijn, en dat ook de ingekomene stukken betreffende
beide onderwerpen samen zijn geliasseerd, dan mag ook bij het
sorteeren der stukken niet tusschen twee hoofdafdeelingen: stadsbe-
stuur en provinciaal bestuur worden onderscheiden, want de oude
administratie heeft blijkbaar zelve die onderscheiding niet gekend.
In het archief van een stedelijken magistraat vormen zich op die
wijze b. v. van zelf de hoofdafdeelingen: stadsbestuur in het algemeen,
privilegiën, wetgeving, samenstelling van het stadsbestuur, financiën
enz., waarvan respectievelijk de resolutieboeken, de privilegieboeken,
de keurboeken, de serieën brieven houdende aanstelling van schepenen,
en de rekeningen de kern zijn. In het archief van een rechterlijk
college zal men naast eene algemeene afdeeling, waarvan de reso-
lutieboeken den voornaamsten inhoud uitmaken, de crimineele
stukken om de crimineele rol, de civiele om de civiele rol, de
stukken betreffende volontaire jurisdictie om de transportregisters
enz. vereenigen.
De hoofdafdeelingen van een archief moeten dus den bouw van
het archief weergeven. Een ander geval is het met de onderafdee-
lingen. Zij hebben een geheel ander doel. De stukken, die eene
hoofdafdeeling van het archief uitmaken en dus om eene serie deelen
of liassen gegroepeerd moeten worden, kunnen zoo talrijk zijn, dat
het voor een goed overzicht wenschelijk is, dat zij tot verschillende
rubrieken worden gebracht overeenkomstig de onderwerpen, waarop
zij betrekking hebben, of volgens een ander criterium, dat uit den
aard der stukken voortvloeit. Men zal dus, om bij het boven opge-
geven voorbeeld te blijven , misschien aanleiding vinden om te onder-
scheiden tusschen publieke werken, straatpolitie enz., om eene
onderafdeeling der privilegiën te v/ijden aan de tol- en marktbrieven,
eene onderafdeeling der afdeeling wetgeving aan de ordonnantiën op
de gilden. Men zal de financiëele stukken splitsen, naarmate zij
betrekking hebben op de inkomsten uit stadsgoederen, of op die uit
stedelijke belastingen en op die uit in admodiatie genomene provin-
ciale belastingen; men zal bij de civiele processtukken onderscheiden
tusschen het gewone civiele proces en dat in cas van preferentie en
concurrentie enz. Diergelijke onderafdeelingen zijn in den regel \')
niet aan de oude organisatie ontleend en zijn dan ook niet nood-
z) Te Veeie is eene kast bewaard, waarvan de loketten met opschriften zijn voorzien. Hier blijkt
-ocr page 63-
57
zakelijk. Alleen omdat men de nommers van den inventaris, die
tot ééne hoofdafdeeling behoorenj, niet willekeurig achter elkander
kan plaatsen, maar daarbij eene zekere orde heeft te volgen, heeft
men voor zich zelf altijd een schema te maken, volgens hetwelk
men die nommers rangschikt; ten behoeve van den gebruiker van
den inventaris kan het gewenscht zijn, dat schema in den vorm van
onderafdeelingen in den inventaris op te nemen. Bij eene hoofd-
afdeeling, die uit veel nommers bestaat, is zulk een wegwijzer
nuttig; bij eene minder omvangrijke hoofdafdeeling loopt men
misschien gevaar, den lezer door het vermelden dier onderafdeelingen
te vermoeien. Bij weinig omvangrijke afdeelingen is eene eenvoudige,
dadelijk in het oog springende volgorde b.v. de chronologische de
meest gewenschte; onderafdeelingen zijn dan van zelf overbodig \').
§ 29. In den regel behoort men geene minuten en
grossen, geene origineelen en afschriften van gelijk-
soortige stukken met elkander in dezelfde serie op te
nemen.
Deze regel is een noodzakelijk gevolg van het vroeger behandelde
(§ 21), immers de bestemmingen van de minuut, de grosse en
het afschrift van hetzelfde stuk zijn geheel verschillend. De vereeniging
dier drie soorten van stukken in dezelfde orde behoort dan ook
tehuis in een archief, dan geordend is volgens het door ons ver-
worpene systeem, besproken in § 16.
De overweging van het doel, met het schrijven van de minuut, de
grosse of het afschrift van een stuk beoogd, zal dezen regel duidelijk
maken. Stellen wij ons b.v. voor, dat wij in het archief eener stad
van denzelfden brief de minuut, de grosse en een afschrift vinden.
De geschiedenis dezer drie stukken is met eenige waarschijnlijkheid
te bepalen. De minuut is door het stedelijk bestuur bewaard en
aan de lias der uitgaande brieven geregen. De grosse is bestemd
geweest om te worden verzonden, en zoo zij thans in het archief
wordt gevonden, kan de reden daarvan alleen zijn, dat bij nader
inzien die verzending onraadzaam is geoordeeld, of dat het stuk
later is teruggezonden met eene begeleidende nota; in beide gevallen
zijn er waarschijnlijk andere stukken, op deze zaak betrekking
hebbende, in het archief te vinden. Het afschrift eindelijk moet
dus, hoe de losse stukken van ouds om de serie resolutieboeken gegroepeerd zijn geweest. Bij eene
ordening van dit archief zou die groepeering natuurlijk behouden moeten blijven, maar eene zoo
nauwkeurige aanwijzing komt slechts zelden voor.
1) Zoo is in Archievenblad 18934 blz. 90 niet ten onrechte bezwaar gemaakt tegen de schijnbaar
niet gemotiveerde afwijking der chronologische volgorde van de nrs. 56 vlg. van het archief van
het Hof van Utrecht. Toch is die volgorde niet willekeurig, maar overeenkomstig den rang der
steden; maar dat criterium was in dit geval niet gelukkig gekozen: de chronologische orde zou voor
den lezer duidelijker zijn geweest.
-ocr page 64-
58
zijn gemaakt bij eene gelegenheid, toen de in den brief behandelde
zaak nogmaals ter sprake is gekomen: het vindt dus eigenaardig
zijne plaats met andere zoogenaamde retroacta in het dossier eener
commissie of als bijlage bij een besluit, dat genomen is lang nadat
de oorspronkelijke brief was geschreven en verzonden. De drie
exemplaren van onzen brief behooren dus in geheel verschillende
afdeelingen van het archief, en men zou de volledigheid der eene
afdeeling bcnadeelen, zoo men ze in eene andere plaatste. Nog
duidelijker blijkt dit, als men aan de minuut, de grosse en het
afschrift van een schepenbrief denkt: de minuut, behoorende aan de
liassen der schepenbank, — de bezegelde grosse, als eigendomsbewijs
behoorende aan het stadsbestuur zelf, in welks archief het berust,
— en het afschrift, afkomstig van een partikulier, die het in een
proces heeft overgelegd.
Het bovenstaande gelde als algemeene regel. Het spreekt echter
van zelf, dat dikwijls in deerlijk geschonden archieven van dien
regel kan worden afgeweken en in het belang der praktijk moet
worden afgeweken. Wanneer men b.v. in het archief eener corporatie
slechts zes geisoleerde uitgaande brieven zonder belang vindt, waar-
van twee in minuut, twee in grosse en twee in afschrift, zou het
natuurlijk dwaas zijn, indien men ze niet in hun oud verband kan
terugbrengen, deze zes brieven afzonderlijk in drie nommers van het
archief te plaatsen. Het moge volkomen waar zijn, dat dit zeer
nauwkeurig en zeer logisch zou zijn, het zou niet minder onpraktisch
moeten heeten.
§ 30. Voorzooverre stukken bepaaldelijk in de resolu-
tiën worden vermeld, kunnen zij tot eene serie bijlagen
der resolutiën worden vereenigd, met dien verstande,
dat dossiers afzonderlijk moeten worden gehouden.
In de resolutiën wordt dikwijls verwezen naar of melding gemaakt
van een rapport, eene berekening, een financieelen staat enz. Zulke
stukken zijn als eene bijlage der resolutiën te beschouwen, en kunnen
zich bij de volgorde der resolutiën aansluiten, eene serie bijlagen der
resolutiën vormen. Met de stukken uit bestaande dossiers is dit
evenwel anders. De in een dossier voorkomende stukken mogen
in de resolutiën worden vermeld, daarnaar moge worden verwezen,
het zou onlogisch en onpraktisch zijn het dossier uit elkaar te
halen en de stukken in de serie bijlagen der resolutiën in te voegen.
§ 31. Stukken, die vroeger niet bij elkander zijn
gevoegd, mogen alleen in één nommer worden veree-
-ocr page 65-
59
nigd: a. zoo zij van geheel denzelfden aard zijn,
b. zoo zij te onbelangrijk zijn om afzonderlijk te
worden beschreven.
Deze regel is hoofdzakelijk geschreven met het oog op archieven
of gedeelten van archieven, die grootendeels uit losse stukken
bestaan, waarin geene oude ordening te herkennen valt. De regel
toch is: niet te combineeren, als het niet van ouds gebruikelijk was.
Ter toelichting van dezen regel diene het volgende:
Van geheel denzelfden aard, b.v. eigendomsbewijzen betrekking
hebbende op een zelfde huis of eene zelfde boerenplaats, zelfs die op
een aantal landen onder een zelfde dorp of in eene zelfde grietenij
gelegen. Indien eene stad met tal van andere steden contracten over
het recht van exue heeft gesloten, kunnen al die contracten met
vermelding der steden en der jaren onder e\'én nommer worden ge-
bracht. Hetzelfde geldt b.v. van gelijktijdige oorvedebrieven, zooals
de ± 45 zoenbrieven, door Groningen met bijna alle Friesche
dorpen in 1496 gesloten, enz.
Zoo zij te onbelangrijk zijn om afzonderlijk te worden beschreven,
b.v. losse acquitten, niet aansluitende bij eenige rekening, kunnen
onder één nommer worden gebracht. Een ander voorbeeld: indien
eene stad een tol bezit en men vindt in het archief van de stad
rekeningen van onderhoud, requesten tot vrijdom, ceduls van ver-
pachting en andere losse stukken, niet tot eenige serie of dossier
behoorende, doch alle betrekking hebbende op denzelfden tol, mag
men die rekeningen , requesten, ceduls en andere stukken bij elkander
voegen en onder één nommer: Stukken betreffende den tol te
.....in den inventaris vermelden.
Aangezien het begrip „te onbelangrijk" vaag is en zeer subjectief,
is een bescheiden gebruik van dezen regel aan te bevelen en heeft
men bij het brengen onder één nommer door eene eenigszins uitvoerige
beschrijving van dat nummer te verhoeden, dat stukken, niet van
alle belang ontbloot, daarin schuil gaan.
Hierbij valt nog op te merken, dat ingeval van bijeenvoeging
der aldus in bijna elk archief rondzwervende stukken, er geen sprake
kan zijn van het vormen van een dossier : zie de toelichting bij
§ 26 en § 86. Hier geldt het enkel het bijeenvoegen in bundels van
om hun inhoud bij elkaar behoorende stukken, welker gelijksoortige
of onbelangrijke inhoud eene beschrijving van elk stuk op zich zelf
niet wenschelijk maakt.
§ 32. Men mag aannemen, dat eene serie ingekomene
stukken niet vroeger is begonnen dan de serie resolutiën
-ocr page 66-
6o
begon, eene serie acquitten dan de serie rekeningen
begon, waarbij zij behooren. Het is daarom gewenscht
die stukken niet tot eene serie te vereenigen, maar het-
zij elk stuk afzonderlijk te beschrijven, hetzij ze in
bundels te vereenigen.
Het hier geposeerde behoeft eigenlijk geen bewijs. Ingekomene
stukken zijn bijlagen tot de resolutiën, acquitten bijlagen tot de
rekeningen; het is duidelijk, dat de serieën bijlagen niet kunnen
beginnen voor de serieën registers, waarvan zij de bijlagen zijn.
Men lette intusschen op den in de § gebezigden term „begon"
{niet „begint"); want het is zeer wel mogelijk, dat de oudste
rekeningen of resolutieboeken verloren zijn gegaan, terwijl de bijlagen
bewaard zijn gebleven. Op dit oogenblik kan de serie bijlagen dan
eerder beginnen dan de hoofdserie, maar in vroeger tijd is dan toch
het omgekeerde het geval geweest.
De regel ontleent dan ook zijne beteekenis aan de gevolg-
trekking, die er uit valt af te leiden. Het komt herhaaldelijk voor,
vooral in middeleeuwsche archieven, dat uit een tijdvak, waaruit
nog geene serieën resolutieboeken voorhanden zijn — en dezen blijk-
baar ook nooit hebben bestaan — zich talrijke bescheiden losse
stukken en charters in het archief bevinden, die men niet zonder
grond als ingekomene stukken te beschouwen heeft. Men heeft die
stukken dus bewaard, eer men de handelingen opschreef. Maar
men heeft die stukken in het archief niet in verband kunnen bren-
gen met de niet geregistreerde handelingen; men heeft dus van die
stukken nooit eene serie kunnen maken. Zij zijn dan ook in den
regel elk op zich zelf bewaard , eene enkele maal tot een dossier
(een bundel processtukken b.v.) bijeengevoegd. Het is dan ook
niet juist, later uit die losse stukken eene serie te vormen, en
dat te meer daar een bestuur, dat zijne handelingen niet belang-
rijk genoeg vond om ze te doen opteekenen, evenmin alle ingekomene
stukken belangrijk genoeg zal hebben gevonden om ze te bewaren.
De serie, die men vormen zou, zou dan alleen uit enkele inge-
komene stukken bestaan, die men ter wille hunner belangrijkheid
of om andere redenen had bewaard: zij zou dus onvolledig zijn. Het
is daarom gewenscht die stukken niet tot eene serie te vereenigen,
maar hetzij elk afzonderlijk te beschrijven of, overeenkomstig het in
de toelichting van § 27 gezegde, eenige stukken tot bundels te
vereenigen.
Ter toelichting van het bovenstaande kan op het gemeente-
archief van Yselstein worden gewezen. De verschillende serieën
resolutieboeken beginnen daar omstreeks 1680; vóór dien tijd
-ocr page 67-
6i
komen dan ook slechts weinige brieven en andere stukken voor, doch
sinds 1680 beginnen die verzamelingen daarentegen vrij volledig
te worden. Bij de regeling van dat archief zijn daarom de enkele
van vóór dat jaar dateerende stukken afzonderlijk, of volgens de
onderwerpen bijeengevoegd, beschreven. Immers uit den toestand
van het archief bleek duidelijk, dat de bewaard geblevene ingekomene
stukken en brieven niet als zoodanig, maar om het belang van hun
inhoud waren bewaard. Zij moesten dus zoo worden beschreven,
dat hun inhoud daarbij op den voorgrond stond. Ze tot eene
chronologische serie te vereenigen was daardoor uitgesloten.
Veel zeldzamer is het geval, dat er quittantiën voorhanden zijn
uit een tijdvak, waarin geene rekeningen hebben bestaan. Vooral
in den oudsten tijd hechtte men meer waarde aan de uitvoerige
rekeningen dan aan de quittantiën; maar mocht het geval zich voor-
doen , dat eene enkele quittantie in den vorm van een charter ante-
rieur is aan de serie rekeningen, dan behooren dezelfde beginselen
te worden toegepast, die hierboven voor de ingekomene stukken
zijn uiteengezet.
Ook op praktische gronden verdient het opvolgen van boven-
staanden regel aanbeveling. Immers juist de oudste stukken zullen
volgens dat voorschrift buiten de serieën vallen en dat de oudste
stukken, die in den regel de belangrijkste zijn, dientengevolge
afzonderlijk worden beschreven, verdient toejuiching. Trouwens dat
de oudste stukken het belangrijkst zijn, is een gevolg van de zeld-
zaamheid van stukken uit de oudste tijden, en dat die oude stukken
zoo zeldzaam zijn, is althans voor een deel juist het gevolg van de
gewoonte, die oorspronkelijk gold, om niet alle stukken te bewaren ,
maar alleen de belangrijkste.
§ 33. Origineele oorkonden, hoe beschadigd ook of
in hoe kleine brokstukken ook overgebleven, mogen,
zelfs indien er duplicaten, vidimussen of authentieke
afschriften bestaan, nimmer worden vernietigd.
De oorkonde zelf is het authentieke, uit den tijd eener handeling
stammende bewijsstuk daarvan; in een brokstuk van de oorkonde
ligt het onomstootbare bewijs van haar bestaan.
De bovenstaande regel is van absoluut geldende kracht voor
archieven. Doch ook voor het behoud van partikuliere stukken,
zoogenaamde private oorkonden, die vaak b.v. in collecties van
verzamelaars voorkomen, dient men te waken. Alleen dan wanneer
het stukken van betrekkelijk jongen datum betreft, kan eene
-ocr page 68-
62
uitzondering op den regel worden gemaakt. Niet wenschelijk
mag het echter in het algemeen worden gerekend, stukken ouder
dan het midden der 17\' eeuw te vernietigen. Eenigszins anders
wordt het in de 18e eeuw, waar alle private geldleeningen, eigen-
domsbewijzen, huurcontracten enz. uiterlijk en innerlijk den vorm
van eene oorkonde dragen. Bovendien zijn dan de private oor-
konden , zoo zij niet onderhandsch zijn opgemaakt, doorgaans de
grossen van de akten, welke in minuut in de protocollen der schepen-
banken, notarissen, redgers, grietmannen, pastors en kerkvoogden,
of wie anders het recht van bezegeling bezaten, zijn opgenomen.
Men bedenke echter, dat ook voor die minuten niet alle gevaar
van vernietiging door brand is uitgesloten , en houde bovenal rekening
met de vraag, waar die minuten zijn geborgen. Het vernietigen
van eene private oorkonde, waarvan de minuut in een brandvrij
archiefdepót berust, heeft minder bezwaar dan het vernietigen van
eene gelijksoortige oorkonde, waarvan de minuut in een niet brand-
vrij raadhuis of bij een partikulier wordt bewaard.
Overigens beslisse steeds het gezond verstand, en vernietige men
niets zonder advies van deskundigen. Zoo zoude het b.v. in de
provincie Groningen zeer gevaarlijk zijn oude eigendomsbewijzen
van landerijen of contracten van vaste huur te vernietigen, aan-
gezien in die eigendomsbewijzen en huurcontracten dikwijls de regels
zijn vastgesteld, waarnaar in elk speciaal geval het recht van
beklemming is geregeld, en die dus nog altijd de regels voor den
tegenwoordigen toestand en het thans geldende recht aangeven.
§ 34. Indien het origineel van een stuk in goeden
staat aanwezig is, kunnen losse, niet tot eenig dossier
of eenige serie behoorende afschriften (niet: vidi-
mussen) zonder palaeographische waarde worden ver-
nietigd.
Dergelijke nieuwere afschriften kunnen worden vernietigd, zij
behooren niet tot eenig archief. Toch zijn er enkele praktische
redenen, welke waarschuwen om niet te spoedig tot die vernietiging
over te gaan. Men kan voor de aan het archief-depöt verbondene
bibliotheek eene serie van goede afschriften aanleggen ten behoeve van
den archivaris zelf of den onderzoeker, die niet verlangt het stuk zelf
te zien, doch wien het alleen om den inhoud is te doen, vooral
wanneer die onderzoeker met het oude schrift onbekend is. Ook
zou men om laatstgenoemde reden zulk een goed afschrift bij het
-ocr page 69-
65
stuk zelf kunnen bewaren, mits in het archiefnommer van den
inventaris daarvan geene melding worde gemaakt: immers het
afschrift maakte nimmer deel van eenig archief uit.
Is het origineel reeds hier en daar in meerdere of mindere mate
geschonden, dan is het voorzeker eene plicht die goede afschriften,
welke zijn genomen in een tijd toen het origineel nog geheel of
minder ongeschonden was, te bewaren en wel op eene der twee
boven aangegeven wijzen. Men make er echter nimmer een archief-
nommer van.
§ 35. Het is wenschelijk het archief weder te com-
pleteeren met ontbrekende stukken; men legge daarom
eene lijst dier stukken aan, ten einde ze gemakkelijker
te kunnen opsporen of in hun gemis door afschriften
van elders berustende origineelen of copieën zooveel
mogelijk te voorzien.
De wenschelijkheid van deze completeering springt in het oog.
De plicht toch van den archivaris is niet alleen, om eenig archief
te reconstrueeren uit de onder hem berustende stukken, doch ook
om die stukken te verkrijgen , welke deel van dat archief hebben
uitgemaakt, doch nu elders berusten.
De in den bovenstaanden regel bedoelde lijst moet natuurlijk alleen
die stukken bevatten, waarvan blijkt, dat zij vroeger hebben bestaan
en waarvan niet blijkt, dat zij vernietigd zijn, — stukken dus, die
misschien nog elders berusten. Dat de stukken vroeger aanwezig zijn
geweest, kan b.v. uit een ouden inventaris of uit een oorkondenboek
blijken. Alle stukken, in het cartularium van een klooster vermeld,
hebben deel uitgemaakt van het archief van dat klooster tot op het
oogenblik, dat dat cartularium werd gemaakt. Dit is wellicht vier
a vijf eeuwen geleden en van de vele charters, in het cartularium
opgenomen, zijn er misschien 2 a 3 overgebleven. Nu zoude het
nutteloos en noodeloos zijn, eene lijst te maken van de in het
cartularium opgenomene stukken, waarvan de origineele charters
thans in het archief van het klooster ontbreken. Op de lijst moeten
dus alleen die stukken voorkomen, welker bestaan nog met groote
waarschijnlijkheid kan worden vermoed. Bij stukken, zooals het
woord in deze § wordt gebezigd, denke men zoowel aan registers,
rekeningen enz. als aan charters, brieven en andere stukken van
kleineren omvang.
Indien men van de ontbrekende stukken afschriften maakt om
in de lacunes te voorzien, mogen die afschriften niet voor de
-ocr page 70-
64
ontbrekende stukken in de plaats worden gesteld; zij hebben nooit
een deel van het archief uitgemaakt en mogen dit ook in het
vervolg niet doen. — Zie ook de toelichting bij § 63.
§ 36. Stukken, die, uit een archief afgedwaald, door
schenking of aankoop weder daarin terugkomen, mogen
daarmede weder worden vereenigd, indien hunne af-
komst uit het archief duidelijk blijkt.
Men zou, oppervlakkig oordeelende, kunnen meenen, dat dit
van zelf spreekt. Werkelijk is dit echter volstrekt niet het geval.
In Engeland b.v. is het tegenovergestelde zelfs regel. Het is daar
streng verboden stukken, die eenmaal in particulier bezit zijn\'
geweest, weder in het archief te plaatsen: ze worden verbannen
naar eene bibliotheek. De reden van dezen maatregel is, dat een
officieel stuk, als het eenigen tijd buiten het depot in handen van
allerlei partikulieren is geweest, gevaar loopt niet meer in zijn
geheel, maar vervalscht te zijn. Het stuk heeft derhalve door zijne
omzwervingen als bewijsstuk veel van zijne waarde verloren en
loopt gevaar in rechte als zoodanig te worden geweigerd. De
opneming van dergelijke stukken in een archief zou dus aan dit
archief zijn geloofwaardigheid kunnen ontnemen.
Dit is volkomen logisch geredeneerd. Ook bij ons te lande vindt
men dan ook sporen, dat deze overtuiging werd gedeeld. Zoo
werden 23 December 1771 de leden van het gerecht van Utrecht door
de vroedschap uitgenoodigd, „om de nodige ordre te beramen, dat
de toegang tot de prothocolkamer niet zoo faciel mag gelaten, maar
gezorgd worden, dat \'t publiek vertrouwen in dezelve blijve gecon-
serveert"; en 24 Februari 1772 werd dientengevolge besloten, dat
de sleutels der protocolkamer alleen bij de secretarissen van het
gerecht zouden berusten en dat dezen niemand, zelfs niet de klerken,
daar onverzeld zouden toelaten.
Het is niet alleen rationeel maar ook begrijpelijk, dat in Engeland,
waar de oude archieven niet door eene revolutie van den tegenwoor-
digen tijd zijn gescheiden en dus veel meer levend zijn gebleven dan
ten onzent, dergelijke maatregelen ook thans nog worden gehand-
haafd. Immers in Engeland bestaat de presumtie, dat de ontbrekende
stukken ontvreemd zullen zijn door personen, die belang hadden
bij hun bezit om ze te verduisteren of te vervalschen; bij ons
daarentegen is de waarschijnlijkheid veel grooter, dat de stukken
in den Franschen tijd als waardeloos zijn verkocht, en er bestaat
dus geene bijzondere aanleiding om aan te nemen, dat ze gedurende
hunne afwezigheid buiten het archief vervalscht zullen zijn.
-ocr page 71-
65
Bij ons, waar de archieven, voor zoover zij aan archivarissen
zijn toevertrouwd, feitelijk dood zijn , schijnen dan ook dergelijke,
voor het gemakkelijk gebruik der stukken zeer hinderlijke maat-
regelen geheel overbodig. Onze archieven zijn gedurende de laatste
eeuw schandelijk verwaarloosd en meestal sterk gedecimeerd; later,
toen men hier en daar tot bezinning kwam, is het verlorene door
schenking en aankoop weder gedeeltelijk teruggekomen of zoo goed
mogelijk vervangen door partikuliere handschriften. Bij dezen toe-
stand mogen wij ons verheugen, zoo het ons gelukt deze
laatste categorie van stukken weder te verwijderen; verder
te gaan en stukken uit het archief te verbannen, die van ouds tot
het archief hebben behoord, schijnt daarentegen doelloos, nu de
ongeschondenheid van het archief toch eenmaal niet meer bestaat.
Handleiding Archivarissen.
5
-ocr page 72-
DERDE HOOFDSTUK.
Het beschrijven der archiefstukken.
§ 37. Bij de beschrijving van een archief sta op den
voorgrond, dat de inventaris slechts als wegwijzer
behoeft te dienen; hij geve dus een overzicht van den
inhoud van het archief, niet van den inhoud der
stukken.
Daar het voor oningewijden niet gemakkelijk is, met één oogopslag
den weg te vinden in een volgens onze methode zelfs goed geordend
archief, is het noodig hun daarbij een wegwijzer in de hand te
geven. Die wegwijzer zij praktisch ingericht, dus vooral niet te
uitvoerig; hij bepale zich er toe, een overzicht te geven van den
inhoud van het archief.
Bij het beschrijven van elk stuk dient men rekening te houden
met deze bestemming van den inventaris. Hij, die er naar streeft
den inhoud van elk stuk bekend te maken, verricht ongetwijfeld
een nuttig werk, maar hij maakt geen inventaris van het archief.
Een inventaris behoort niet alles, wat een archief bevat over een
bepaald onderwerp of een bepaalden persoon, te vermelden; streeft
men daarnaar, dan maakt men zeer zeker een slechten inventaris.
Een voorbeeld van zulk een te uitvoerigen inventaris is die van
Leeuwarden, welke, hoewel reeds afgedrukt, op advies van Mr. Tel-
ting niet is uitgegeven (zie Voorrede tot den Inventaris van den
heer Singels). De wegwijzer door het archief moet het raadplegen
van het archief zelf niet overbodig willen maken. Dit laatste is
onmogelijk en de archivaris, die dit doel wenscht te bereiken, maakt
zich zelven daarom noodeloos het leven zuur en zal bovendien steeds
halfslachtig werk leveren.
Het raadplegen van het archief moet echter zooveel mogelijk worden
-ocr page 73-
6?
vereenvoudigd en vergemakkelijkt. Daarvoor bestaan dan ook ver-
schillende hulpmiddelen: klappers, regestenlijsten , oorkondenboeken
enz. Dergelijke hulpmiddelen hebben echter een ander doel dan de
inventaris en men stelt daaraan ook andere eischen. Een reden te
meer, om deze klappers, regestenlijsten en oorkondenboeken niet
in den inventaris op te nemen, zooals wel eens is geschied.
Op dezen regel behoort men alleen eene uitzondering te maken
voor zéér kleine archieven. Aan het publiceeren van afzonderlijke
regestenlijsten en oorkondenboeken kan daar niet worden gedacht;
het is dus in dit geval wel noodig, om deze hulpmiddelen in den
inventaris zelf op te nemen. Bij den geringen omvang van deze
inventarissen loopt men trouwens veel minder gevaar dan elders, om
door de opneming der toevoegsels het overzicht van den inventaris
te bemoeilijken. Toch is het zelfs hier gewenscht, die toevoegsels
niet in het corpus van den inventaris, maar in de bijlagen op te
nemen. Het afdrukken van enkele oorkonden verstoort het verband
van den inventaris; en ook de regestenlijst, die, zal zij praktisch
zijn, dikwijls den inhoud van verschillende nommers van den
inventaris moet opnemen, past niet in het kader daarvan. Verwij-
zingen naar de bijlagen, bij de betrokkene nummers van den inven-
taris geplaatst, voldoen bovendien even goed aan het gestelde doel
als opneming dezer bijlagen in den inventaris zelf.
§ 38. Voordat men een deel of een bundel goed
kan beschrijven, behoort men zich rekenschap te
geven, welke leidende gedachte bij de vorming daarvan
heeft voorgezeten.
Naast den algemeenen regel, die in de voorgaande § werd
aangeduid, is dit beginsel de hoofdzaak bij de beschrijving der
stukken. Men mag zeggen, dat altijd bij de vorming van een
deel, eene lias, een dossier of een bundel eene bepaalde leidende
gedachte heeft voorgezeten (zie § 22). Die gedachte behoort de
archivaris te kennen, zal hij het betrokken archiefstuk goed kunnen
beschrijven: immers de uitvoerigste beschrijving van den inhoud
der stukken, die elk deel of elke bundel bevat, kan onmogelijk
van den inhoud daarvan een zoo duidelijk begrip geven als eene
korte beschrijving van den inhoud, gesteld door hem, die deze
leidende gedachte heeft gevat.
Gewoonlijk is die gedachte gemakkelijk te onderkennen. Vindt
men b.v. in een deel uitsluitend raadsbesluiten, die elkander in chro-
nologische orde met geregelde tusschenpoozen van enkele dagen
-ocr page 74-
68
opvolgen, dan weet men zeker, dat men het register van de
resolutiën van den raad voor zich heeft. Vindt men aan eene lias
uitsluitend chronologisch gerangschikte brieven, ingekomen bij het-
zelfde college, dan is er geen twijfel, dat men de serie ingekomene
brieven van dat college voor zich heeft. Dikwijls zijn echter de
gevallen iets moeilijker. Het komt b.v. voor, dat men, terwijl
aanvankelijk slechts ééne doorloopende serie registers van schepen-
brieven werden aangetroffen, later verschillende parallel loopende
serieën van zulke brieven ontmoet. Het blijkt dan, dat de serie,
die aanvankelijk één was , allengs, toen de voorraad stukken toenam,
is gesplitst. Het ligt voor de hand aan te nemen, dat men dit
zal hebben gedaan volgens de soorten van schepenbrieven, die men
in de oudste serie vereenigd aantrof. Noodig is het dus te onder-
zoeken , welke soort of soorten (b.v. transporten, plechten, borg-
tochten, testamenten enz.) in elke serie zijn opgenomen, wil men
van den inhoud eene goede beschrijving maken.
Dit alles is duidelijk en gemakkelijk uit te voeren. Maar enkele
malen is het probleem zeer ingewikkeld. Het kan nuttig zijn daarvan
een paar voorbeelden mede te deelen. In het Utrechtsche stads-
archief bevinden zich van ouds twee registers uit het laatst der
I5de eeuw, door dezelfde hand zeer slordig geschreven. Beiden
bevatten een bont allerlei van latijnsche stukken: tal van brieven,
uitgevaardigd door bisschop David van Bourgondië, — opgaven der
termijnen, in acht te nemen bij processen voor de pauselijke curie,
— brieven van de stad Utrecht, — talrijke processtukken (waar-
onder zelfs geheele registers), — zeer vele contracten, testamenten
en andere private stukken enz. enz. Daar in de namen der betrokkene
personen geenerlei eenheid te ontdekken viel, had men steeds tevergeefs
getracht de registers goed te beschrijven; ten slotte had men er in
berust ze aan te duiden als: Brievenboeken van bisschop David
van Bourgondië.
Maar daar deze omschrijving tastbaar onjuist was,
moest bij de definitieve beschrijving van het archief eene betere
worden gezocht. Toevallig viel de aandacht op de omstandigheid,
dat de hand, die de stukken had geschreven, geleek op die van
den stadsklerk van Utrecht Floris Tzwynnen, en bij nauwkeurig
onderzoek werden diens initialen op verschillende plaatsen in den
tekst ontdekt. Daar uit het slordige schrift en de talrijke door-
halingen duidelijk bleek, dat men met een minutenboek te doen had,
werd het raadsel nu spoedig opgelost. Nasporingen brachten aan
het licht, dat Tzwynnen notaris was geweest voor de rechtbank
van den bisschoppelijken officiaal, voordat hij het ambt van stads-
klerk aanvaardde. De registers bleken nu te bevatten zijn protocol,
waarin hij later bovendien allerlei akten had vereenigd, die hij in
-ocr page 75-
69
zijne qualiteit van stadsklerk had moeten opmaken, zonder
andere reden dan deze, dat ook die stukken, evenals het pro-
tocol, in het Latijn waren opgesteld. Natuurlijk werd het eerst,
nadat door dit onderzoek de aard der registers was verklaard,
mogelijk ze kort en duidelijk te beschrijven als: Protocol van
den notaris Floris Tzwynnen,
terwijl in eene noot de samen-
stelling der registers werd opgehelderd. — Een ander voor-
beeld. In het Utrechtsche rijksarchief werd onder allerlei losse
papieren ontdekt een quatern uit een register, beschreven met
afschriften van de meest verschillende stukken van particulieren
aard. Men vond er eigendomsbewijzen van landerijen, koopbrieven,
testamenten, schenkingsakten, boedelscheidingen en daarbij tal van
collatiën van vicarieën en andere geestelijke beneficiën. De stukken
noemden de meest verschillende personen, zoodat het vermoeden
uitgesloten was, dat zij betrekking hadden op het vermogen van
eenzelfden persoon. De akten dagteekenden wel allen ongeveer uit
denzelfden tijd (het midden der i6e eeuw), maar zij waren niet
chronologisch gerangschikt. De sleutel tot dit raadsel werd eerst
ontdekt, toen men zich herinnerde, dat in het archief berustte een
deel van ongeveer denzelfden inhoud, dat den titel voerde: Tituli
ordinandorum exhibiti.
Alles werd toen duidelijk: men weet, dat
de katholieke kerk, ten einde te voorkomen, dat priesters zich
gedragen op eene aan hunne waardigheid en hunnen stand min
passende wijze, eischte, dat ieder, die tot priester wenschte gewijd
te worden, vooraf het bewijs zou overleggen, dat hij de middelen
bezat, om in zijn onderhoud te voorzien. Om aan dit vereischte
te voldoen, legde de een over het testament van zijn vader, een
tweede een eigendomsbewijs van een stuk land, een derde de akte,
waarbij hem eene vicarie was geconfereerd, die hij na zijne wijding
zou kunnen bedienen. Ons deel en onze quatern bevatten, dit
was duidelijk, de afschriften van zulke akten, die een wijbisschop,
ten einde zijne wijdingen te rechtvaardigen, in een register had
doen vereenigen. Wat vroeger eene ordelooze hoop stukken had
geschenen, bleek nu een planmatig geheel, dat gemakkelijk in
enkele woorden in den inventaris beschreven kon worden.
§ 39. Bij het beschrijven van een archief bedenke
men, dat de oudste stukken van grooter belang zijn
dan de nieuwere. Het is daarom gewenscht bij de
beschrijving dier stukken meer in bijzonderheden te
treden. Wenschelijk is het voor dit verschil in behan-
-ocr page 76-
70
deling vaste punten van afscheiding aan te nemen en
die in de voorrede van den inventaris te vermelden.
De wenschelijkheid van den aanbevolen maatregel springt in het
oog. Uit de middeleeuwen, vooral uit de vroegere, is ons zóó
weinig bewaard gebleven, dat bijna elke bijzonderheid haar belang
heeft. Niet alleen het bepaaldelijk in het stuk behandelde onderwerp,
maar ook andere terloops vermelde zaken zijn dus daar van gewicht.
Terwijl men derhalve de tallooze los rondzwervende papieren uit
latere tijden, die in geene serie en geen dossier passen, gemaks-
halve onderbrengt in bundels van stukken, die over bepaalde onder-
werpen handelen, zal men verstandig handelen dergelijke stukken
uit de middeleeuwen afzonderlijk te beschrijven.
Het is rationeel om, waar men aldus in een gedeelte van den
inventaris eene behandeling invoert, die afwijkt van de in andere
afdeelingen gevolgde, met die behandeling op een bepaald tijdstip
te beginnen en dit tijdstip in den inventaris duidelijk aan te geven.
Als zeer geschikt punt van scheiding is aanbevolen het tijdstip,
waarop men begonnen is de resolutiën van een bestuur geregeld op
te teekenen, — of liever dat, waarop de voor ons bewaarde serie
resolutieboeken begint. Inderdaad is dit tijdstip het juiste voor
sommige besturen: immers het springt in het oog, dat, zoodra
men de resolutiën van een bestuur bezit, de rondzwervende losse
stukken veel van hun belang verliezen. Doch het is volstrekt
niet het juiste tijdstip voor alle gemeenschappen. In groote steden
b.v., van ouds zeer vast georganiseerd, zijn gewoonlijk reeds uit
zoo vroegen tijd resolutieboeken bewaard, dat ons van eene oudere
periode zoo goed als geene losse papieren zijn overgebleven. Staten-
colleges daarentegen waren van ouds zoo los georganiseerd, dat
eerst de Bourgondisch-Oostenrijksche landsheeren eenige vastheid in
hunne inrichting hebben gebracht; hoewel dus de resolutieboeken
der Staten gewoonlijk eerst zeer laat aanvangen, is er door het
slordige beheer uit de vroegere tijden toch nagenoeg niets van hun
archief bewaard gebleven.
Het is derhalve wenschelijk, ook andere tijdstippen van scheiding
op te zoeken, en het is meestal niet moeilijk die te vinden. In
het algemeen levert het einde der middeleeuwen een goed rustpunt;
maar de middeleeuwen eindigen niet voor alle besturen op denzelfden
tijd. Voor Statencolleges en stemhebbende steden \') heeft de
groote verandering plaats bij hunne aansluiting aan den opstand
tegen Spanje, — voor kerken bij de invoering der hervorming, —
x) Eigenlijk geeft het optreden van het Bourgondisch.Oostenrijksch bestuur het einde der middel*
eeuwen aan. Doch liet tijdvak, verloopen lusschen het optreden van het Bourgondisch.Oostenrijksch
bestuur en den opstand tegen Spanje, duurde voor de meeste steden slechts kort.
-ocr page 77-
7\'
voor gilden bij het verlies hunner politieke rechten, — voor de
Utrechtsche kapittelen in 1582, toen zij het directe recht van sessie
in de Statenvergadering verloren, — voor vele kloosters, die nog
tot 1798 in gewijzigden vorm hebben voortbestaan, bij hunne
secularisatie enz. enz. Zoo zal het bijna altijd gemakkelijk zijn,
een in het oogvallend rustpunt te ontdekken \'_).
§ 40. Tabellen behooren in een inventaris te worden
vermeden.
Het bovenstaande voorschrift steunt op eene dubbele overweging.
In de eerste plaats is het onmogelijk een geheelen inventaris in te
richten in den vorm van eene tabel, in de tweede plaats is het
ongewenscht voor een gedeelte van een inventaris den tabelvorm
te gebruiken, voor een andere gedeelte niet. Wat het eerste punt
betreft: het is even weinig mogelijk een geheelen inventaris te
dwingen in het keurslijf van eene tabel als om hem den vorm te geven
van een gedicht. Immers de beschrijving van het eene nommer
van den inventaris moet geheel anders worden ingericht als die
van het andere. In het eene nommer wordt misschien eene geheele
serie registers beschreven, in het andere een enkel stuk. Hoe zou
het mogelijk zijn die beide beschrijvingen in dezelfde tabel op te
nemen zonder ter wille der uniformiteit hier eene bijzonderheid weg
te laten, die het beter ware geweest te vermelden, ginds den
nadruk te doen vallen op eene omstandigheid, die minder gewicht
in de schaal behoort te leggen?
Inventarissen, geheel in tabelvorm ingericht, bestaan er dan ook
niet; het zijn alleen lijsten van charters of van losse stukken, die
men op die wijze heeft beschreven. Maar juist daardoor ontstaat
eene groote ongelijkmatigheid in de beschrijving, en wordt aan den
vorm der stukken te veel waarde gehecht. Het laatste ligt voor
de hand. Wanneer men slechts een gedeelte van den inventaris
in tabelvorm beschrijft, komt men er toe de nommers, die voor het
gebruik van dien vorm in aanmerking komen, bij elkander te
plaatsen en van de andere nommers, die daarvoor ongeschikt zijn ,
af te zonderen, terwijl juist eene eerste eisch van een goeden
inventaris is, dat alle nommers elkander volgen in de orde, die
hun wegens hunne plaats in het archief toekomt. Die orde mag
niet worden verstoord ter wille van overwegingen van anderen aard,
b.v. of het al of niet mogelijk is de beschrijving van eenig nommer
1) Hiermede is intusschen niet gezegd, dat het wenschelijk is alle stukken, voorafgaande aan
het vastgestelde rustpunt, even uitvoerig te beschrijven. Het is in het algemeen wenschelijk rekening
te houden met de hoeveelheid der bewaarde stukken.
-ocr page 78-
72
met den tabelvorm in overeenstemming te brengen. En ook wanneer
de archivaris door het gebruiken van den tabelvorm zich niet
laat verleiden de natuurlijke volgorde der nommers te wijzigen,
dan maakt het nu eens voorkomen dan weder ontbreken van den
tabelvorm toch den indruk, alsof er tusschen de nommers, die wel
en die, welke niet in tabelvorm zijn beschreven, eene wijde kloof
gaapt, alsof er tusschen beiden een specifiek onderscheid bestaat, —
een indruk, die nog wordt versterkt, omdat men de in tabelvorm
gebrachte nommers met kleinere letters pleegt te drukken.
Bovendien, ook als slechts een gedeelte van den inventaris in
tabelvorm is gegoten, doen zich — zij het ook in mindere mate —
voor dat gedeelte dezelfde bezwaren gelden, die aan het gebruik van
den tabelvorm voor den geheelen inventaris eigen zijn. De tabelvorm
beperkt altijd in meerdere of mindere mate de vrijheid van den
archivaris, die de nommers beschrijft. Eindelijk staat het weinig
fraai, zoo een inventaris beurtelings in gewonen en in tabelvorm
wordt vervaardigd.
Voordeden biedt het gebruik van tabellen niet aan. De onder-
vinding leert, dat het overzicht er niet door wordt vergemakkelijkt
en dat er geene plaatsruimte door wcrdt gewonnen; het integendeel
is zelfs waar. Daar dus de tabelvorm geene voordeden biedt,
maar alleen leelijk is en lastig in het gebruik, is het beter hem
te vermijden.
§ 41. Men beschrijve eerst de serieën en de deelen,
ten einde een overzicht van het archief te krijgen,
daarna de losse stukken.
Reeds toen wij de ordening der losse stukken bespraken, is dit
beginsel aanbevolen. Doch het geldt ook bij de beschrijving der
stukken. De losse stukken moeten worden beschreven in verband
met de serieën, waarom zij zich zullen groepeeren, teneinde gelijk-
heid van terminologie te verkrijgen en ongelijkmatigheden in de
beschrijving van het bijeenbehoorende te vermijden. Indien men
eerst de serieën heeft beschreven, kan men volgens dezen leiddraad
gemakkelijk de losse stukken in groepen verdeden.
Het verdient dan aanbeveling elke groep afzonderlijk te beschrij-
ven, met het oog op de serie, die daarvan de kern uitmaakt.
Deze handelwijze levert bovendien nog het voordeel, dat men bij
het beschrijven een overzicht verkrijgt van elke groep, en daar-
door in staat wordt gesteld, om, naarmate men al beschrijvende
-ocr page 79-
71
nauwkeuriger met den inhoud van elk nommer bekend geraakt,
enkele bij de aanvankelijke regeling gemaakte fouten te herstellen,
en om nog bijeen te voegen, wat verkeerdelijk gesplitst bleef.
§ 42. Serieën moeten niet stuksgewijze, maar onder
één nommer worden beschreven. Is de inrichting der
serie in den loop der jaren gewijzigd, dan kan men
verschillende onderafdeelingen vormen.
De bedoeling van dezen regel is te voorkomen, dat b.v. serieën
van honderden rekeningen onder honderden nommers van den
inventaris worden beschreven of serieën resolutiën onder zoovele nom-
mers, als zij deelen tellen. Eene dergelijke stuksgewijze beschrijving
veroorzaakt belangrijk ruimteverlies en is volkomen onnoodig, daar
de stuksgewijze beschrijving volstrekt niets er toe bijbrengt, om
den gebruiker van den inventaris een duidelijker beeld te geven van
hetgeen in het archief voorhanden is. Daarentegen heeft deze
methode een zeer groot bezwaar: zij belemmert zeer het verkrijgen
van een overzicht van den inventaris. Het is toch voor den gebruiker
van den inventaris veel gemakkelijker, om met één oogopslag te
zien, dat eene serie rekeningen van 1630—1780 compleet is, dan
om 151 nommers te moeten nazien, voordat hij hetzelfde doel
kan bereiken.
Eéne overweging schijnt vóór de stuksgewijze beschrijving te
pleiten. Het kan voor het behoud der orde in het archief van belang
worden geacht, dat elk deel en elke lias een afzonderlijk nommer
verkrijgen. Wenscht men dit doel te bereiken (hetgeen echter niet
bepaald noodzakelijk schijnt), dan kan dit geschieden door de serie
in ééne beschrijving te vereenigen, doch aan die beschrijving zoovele
nommers te geven als er deelen voorhanden zijn. (B.v. no. 11 —
161. Rekeningen van enz. 1630—1780.)
Eene uitzondering op den gestelden regel behoort te worden
gemaakt voor het geval, dat men beschrijft het archief eener Reken-
kamer, nagenoeg uitsluitend bestaande uit afgehoorde rekeningen.
Dit afhooren, waarvan het resultaat steeds onder de rekening staat
vermeld, was de hoofdbezigheid der kamer; de goedkeuringen der
rekeningen vormen hare resolutiën, of, indien de resolutiën afzonderlijk
in een register geboekt staan, de bijlagen der resolutiën. Het is
dus wenschelijk hier iets uitvoeriger te beschrijven en althans het
goedkeuringsbesluit der kamer steeds te vermelden. Logisch zou
het zijn, alle soorten van rekeningen door elkander stuksgewijze
te beschrijven, chronologisch gerangschikt volgens hetgoeikeurings.
-ocr page 80-
74
besluit. Maar dit schijnt niet zeer praktisch. Meer aanbeveling
verdient de volgende wijze van beschrijven :
No. 324. Rekeningen van den rentmeester van Zeeland Bewesten
Schelde. 1501 —1535, (Ontbreekt 1532,) 34 deelen.
a.     Eerste rekening van A. over 1501, afgehoord 1502 Mei 1.
b.     Tweede ,,          ,, ,, „ 1502,         ,,         1503 April 3.
c.     Eerste          „          ,, B. ,, 1503,         ,.          1504 Mei 6.
Men zou kunnen meenen, dat ook eene uitzondering moet worden
gemaakt voor het geval, dat de inhoud eener serie veranderd is, b.v-
door verdeeling van de bevoegdheden van den rendant over twee
ambtenaren, door combinatie der bevoegdheden van twee rendanten
op éénen ambtenaar, door verandering van de tijdsruimten, waarover
de rekeningen loopen, enz. Bepaald noodig schijnt het evenwel niet,
in zulke gevallen de serieen te splitsen in verschillende nommers:
immers men kan volstaan met eene splitsing van het nommer in
onderafdeelingen, van welke splitsing dan de reden in eene noot
onder het nommer dient te worden vermeld.
De boven gestelde regel is ook van toepassing op serieën losse
stukken, b.v. geliasseerde brieven. Zijn deze eenmaal om hun
formeelen inhoud tot serieën vereenigd, dan behoort ook alleen die
formeele inhoud in den inventaris te worden beschreven (b.v. „Inge-
komene brieven bij den raad. 1583—1794. 81 liassen."), anders dan
bij de dossiers, wier materieelen inhoud de inventaris moet vermelden.
Beperkt men zich daartoe niet, dan verliest de geheele onderscheiding
tusschen de serieën en de dossiers haren grond. Immers het aanleggen
van doorloopende serieën ingekomene of uitgaande stukken had juist
ten doel om, naarmate het archief in omvang toenam, de vroeger
afzonderlijk bewaarde of nu en dan tot dossiers vereenigde stukken
tot een geheel te vereenigen, ten einde het overzicht van het archief
te vergemakkelijken en een eventueelen inventaris te vereenvoudigen.
Eene afzonderlijke beschrijving der losse stukken, waaruit eene serie
bestaat, heft daarom het principiëele onderscheid tusschen beide
systemen op; zij behoort dan ook niet thuis in eenen inventaris,
maar in eene regestenlijst, die met een geheel ander doel wordt
vervaardigd. (Zie § 72).
§ 43. De dateering van een archiefstuk is afhankelijk
van den tijd, waarin het door het college of den per-
soon, tot wiens archief het behoort, is ontvangen
of opgemaakt. "Waar de rangschikking volgens dit
beginsel tot verkeerde opvatting aanleiding zou kunnen
-ocr page 81-
75
geven, vermelde men de dagteekeningen van opmaking
en van ontvangst beiden.
Eene uitzondering is te maken voor serieën reke-
ningen. Dezen worden niet gedateerd naar den tijd,
waarop zij zijn afgehoord, maar naar dien, waarover
zij loopen.
Uit de van een archief gegevene definitie volgt rechtstreeks, dat
de plaats van een stuk in het archief afhankelijk is van den tijd,
waarop het door het betrokken bestuur of den betrokken ambtenaar
is opgemaakt of ontvangen Die datum behoort dus bij de beschrijving
van het archiefstuk of bij zijne opneming in eene serie den doorslag
te geven. Het is duidelijk, dat de datum, waarop een stuk in het
archief wordt opgenomen, aanmerkelijk kan verschillen van dien,
waarop het werd opgemaakt. Een in 1626 opgemaakt journaal
(van L\' Hermite) is eerst in 1629 bij de Staten van Utrecht inge-
komen. Bij brieven is het verschil in den regel wel niet zoo groot,
maar de datum van den brief zelf en die, waarop hij is ontvangen
of liever ingekomen bij het bestuurscollege (gewoonlijk later op het
stuk bijgeschreven met voorvoeging van „recepta" of „geëxhibeerd"),
verschillen toch regelmatig eenige dagen, en als de brief aan het
einde van het eene jaar is verzonden, zal hij vaak eerst in den
aanvang van het volgende zijn ontvangen, zoodat dan zelfs het
jaartal van de beide dateeringen verschilt. In alle gevallen van
dien aard heeft men bij het aanwijzen der plaats, die het stuk in
het archief behoort in te nemen, uitsluitend rekening te houden
met den datum, waarop het bij het betreffende bestuur is ingeko-
men. Daarvan hangt de plaats af, die het stuk in eene serie of een
chronologisch geordenden bundel heeft in te nemen, en als de
verschillende nommers eener afdeeling of onderafdeeling chronologisch
geordend zijn, dan geeft ook bij de onderlinge ordening dezer nom-
mers de datum, waarop het stuk is ingekomen, den doorslag.
Intusschen kan, zoo het stuk in een afzonderlijk nommer wordt
beschreven, door toepassing van dit beginsel soms misverstand
ontstaan. Daar bij de beschrijving van de nommers van den inven-
taris alleen het jaartal behoeft te worden vermeld (zie § 48), kan
zulk een misverstand alleen ontstaan, als het jaar, waarop een stuk
is opgemaakt, verschilt van dat, waarop het is ingekomen. Veilig-
heidshalve is het dan wenschelijk beide jaartallen op te nemen en
dus b.v. te schrijven: „Journaal van L\' Hermite, opgemaakt 1626,
ingekomen 1629".
Bij uitgaande stukken komt zulk een verschil in dateering zelden
voor. Toch kan het zich voordoen, dat b.v. een concept, in
-ocr page 82-
76
December van het eene jaar opgemaakt, in Januari van het volgende
jaar wordt goedgekeurd en bij de minuten gevoegd \'). In sommige
dorpsarchieven vindt men b.v. onder de minuten der scabinale akten
ook stukken, die door partijen of hunne notarissen zijn opgemaakt
en eerst later door schepenen zijn goedgekeurd en door de secreta-
rissen geteekend. In al zulke gevallen komt het natuurlijk uitsluitend
op den datum van de goedkeuring aan. — Dat een afschrift, behoo-
rende tot eene serie of een chronologisch geordend dossier, moet
worden ingevoegd niet op den datum, waarop het oorspronkelijke
stuk werd opgemaakt, maar op den datum, waarop het afschrift
werd gegeven, behoeft geen betoog.
Het kan voorkomen, dat het opmaken van een archiefstuk vele
jaren duurt; dit geldt b.v. van een deel met resolutiën of gerech-
telijke akten. In dat geval moet men de jaren van het begin en van
het einde aangeven. Ook hierbij komt het herhaaldelijk voor, dat
de datum, waarop zulk een register is aangelegd, niet overeenstemt
met den datum van het oudste stuk, dat er in is opgenomen.
Cartularia en privilegieboeken b.v. zijn regelmatig eerst aangelegd,
nadat de corporatie in het bezit van verscheidene, er in afgeschrevene
stukken was gekomen. In zulk een geval behoort men in de eerste
plaats te vermelden den datum, waarop het register is aangelegd,
en ten tweede dien, waarop het laatste stuk is bijgeschreven. In eene
noot geve men dan aan, van wanneer het oudste stuk dagteekent.
Men schrijve dus b.v. „Privilegieboek der stad X, opgemaakt circa
1430 met latere bijvoegsels (of: bijgehouden) tot 1580. NB. De
oudste hierin opgenomene oorkonde dateert van 1323", —• en niet:
„Privilegieboek der stad X. 1323—1580".
Op het boven ontwikkelde beginsel wordt in de laatste alinea
eene uitzondering toegelaten uitsluitend om praktische redenen.
Er bestaat dikwijls een vrij belangrijk tijdsverschil tusschen het
tijdstip, waarop eene rekening wordt afgesloten, en dat, waarop zij
wordt afgehoord. Zoo nu de rekening, na te zijn afgehoord, wordt
geplaatst in het archief van het afhoorende college, dan zou dit stuk
behooren te worden gedateerd naar den datum van het afhooren.
Waar het eene enkele losse rekening geldt, behoort dit dan ook
te geschieden. Alleen om misverstand te voorkomen, is in
zulk een geval zaak te vermelden èn het tijdperk, waarover de
rekening loopt, èn den datum van het afhooren. Men schrijve dus
b.v. „Rekening over den bouw van het nieuwe stadhuis. 1506—1508,
afgehoord 1509". Maar een ander geval is het, zoo het eene door-
1) In de middeleeuwen kwam het vaak voor, dat tusschen het opmaken van het stuk en de
onderteekening of de bezegeling eenige tijd verliep. Op den laatsten datum , die het stuk eigenlijk
eerst tot eene oorkonde maakte, komt het dan aan. Ook tegenwoordig komt het voor, dat er zekere
tijd verloopt tusschen het teekenen van een koninklijk besluit door den souverein en het contrasig.
neeren door den minister.
-ocr page 83-
77
loopende serie rekeningen geldt, die onder ée\'n nommer worden be-
schreven. Elke rekening loopt dan over één jaar, en de tijd, waarop
de oude rekening afloopt en de nieuwe begint, is in ieder jaar dezelfde.
Men kan dan volstaan met het jaar der eerste en der laatste rekening
te vermelden. Daarentegen geschiedt het afhooren der rekeningen
veel minder regelmatig. Al voegde men dus aan de beschrijving
de datums van de afhooring der eerste en der laatste rekening toe,
men zou daardoor slechts weinig wijzer worden en voor de tusschen-
liggende rekeningen geen maatstaf hebben. Het is daarom beter
de datums der afhooring bij zulk eene serie geheel weg te laten \'),
tenzij men de rekeningen afzonderlijk beschrijft, b.v. in het archief
eener Rekenkamer (zie § 42).
§ 44. Indien in een dossier, hetzij in originali of in
afschrift, stukken voorkomen, ouder dan de zaak
waarover het dossier loopt (retroacta), dan zijn deze
als bijlagen te beschouwen. Zij mogen dus geen invloed
uitoefenen op de tijdsbepaling van het dossier in den
inventaris, evenmin op de rangschikking der stukken
in het dossier, indien die chronologisch worden geordend.
In een dossier van een proces of van een rapport met voorafgaand
onderzoek uit zeker jaar zullen allicht vonnissen, eigendomsbewijzen,
contracten of rapporten van vroegere onderzoekingen, allen van veel
ouderen datum, voorkomen. Zijn de stukken van het dossier
chronologisch gerangschikt, dan behooren die retroacta te worden
ingevoegd op eene plaats in het dossier, welke wordt aangegeven
door den tijd, waarop die retroacta in het proces zijn gebracht of
bij het rapport gevoegd. Een eigendomsbewijs van 1425 b.v. moet
in een procesbundel, loopende van 1710—1714, niet als oudste en
eerste stuk worden geplaatst; doch wanneer het stuk b.v. 10 Januari
1712 aan het gerecht is overgelegd, moet het bij of terstond na de
stukken van dien laatstgenoemden datum in het dossier worden gelegd.
Niet alle dossiers zijn echter chronologisch te rangschikken, eene
systematische orde verdient soms de voorkeur (b.v. bij processtukken).
Dikwijls bevindt zich bij een dossier eene gelijktijdige lijst (rotulus
of inventaris van stukken die de orde bepaalt), of geven cijfers of
letters, op de stukken geplaatst, de volgorde aan. In zulk een
geval moet deze orde natuurlijk worden gevolgd.
x) Natuurlijk hangt de plaats, die eene rekening in het archief of het archiefdepöt inneemt, wel
degelijk van den tijd der afhooring af. Zoo men b.v. onderscheidt tusschen het archief van den
stedelijken magistraat vóór 1795, en van het provisioneele gemeentebestuur, dat er op is gevolgd,
dan behoort eene over 1794 loopende maar in 1795 door hec provisioneele bestuur afgehoorde
rekening in de tweede afdeeling tehuis.
-ocr page 84-
73
§ 45- Inhoudsopgaven van enkele banden of liassen
geve men slechts in het geval, dat de inhoud uit for-
meel en materieel ongelijksoortige stukken bestaat,
die geruimen tijd na hun ontstaan of in originali tot
een geheel vereenigd of in één band afgeschreven zijn.
Het geval, dat in dezen regel wordt ondersteld, doet zich (gelijk
reeds boven bij § 38 werd aangeduid) in een archief uiterst zelden
voor, en wel slechts dan, wanneer latere beheerders (vooral archi-
varissen en historici) aan het werk zijn geweest, zooals boven in
§ 23 is uiteengezet. Doch juist in dit geval werd daar veroorloofd
den band uiteen te nemen, hetgeen steeds de voorkeur verdient
boven het stuksgewijze beschrijven van den inhoud. Wij noemden
echter in § 23 gevallen, waarin het uiteennemen van den band
niet geoorloofd is : het zijn die gevallen, die hier bedoeld zijn. Het
is dan noodig inhoudsopgaven te geven, omdat het onmogelijk is,
eene algemeene omschrijving van den inhoud der banden en liassen
te geven.
Alleen in deze gevallen schijnt eene stuksgewijze beschrijving
noodig; immers als de band bestaat uit gelijksoortige stukken, dan
geeft eene juiste omschrijving van den inhoud, met inachtneming
van het in § 38 gezegde, den gebruiker van den inventaris
genoegzaam licht; hij weet dan voldoende, welke soort van stukken
hij mag verwachten in den band te vinden (zie § 42). Zooals
wij reeds vroeger (§ 37) zeiden, kan het gemakkelijk zijn voor
den gebruiker, daarenboven nog regestenlijsten van den inhoud van
dergelijke banden te bezitten; maar dergelijke regestenlijsten behoo-
ren niet in den inventaris, die als wegwijzer dienst moet doen.
Zij verhinderen zelfs door hunnen omvang den gebruiker van dien
wegwijzer zooveel gemak te hebben, als hij zich daarvan had beloofd.
§ 46. Origineele oorkonden behooren in den regel
afzonderlijk te worden beschreven, wanneer niet blijkt,
dat zij deel hebben uitgemaakt van eene serie of een
dossier.
Origineele oorkonden of charters (zie § 93) zijn nagenoeg
altijd geseponeerde stukken. Tot eene serie zijn charters nooit
vereenigd. Wel komt het voor, dat charters zijn opgenomen in
eene overigens uit papieren bestaande serie. Tusschen de ingekomene
stukken is b.v. soms een enkel charter gevoegd. Eveneens zijn
meermalen charters te vinden onder de bij eene rekening behoorende
-ocr page 85-
79
verzameling acquitten (b.v. afgeloste rentebrieven, verkoopakten
en dergelijken meer). Eene enkele maal komt het voor, dat eenige
charters tot een dossier zijn vereenigd, b.v. de akten van beleening
met verschillende goederen tegelijkertijd door denzelfden leenheer;
vaak ook worden charters, b.v. eigendomsbewijzen, later opgenomen
in een dossier processtukken. Al die gevallen zijn echter uitzon-
deringen. Oorkonden zijn in den regel belangrijker en gewichtiger
dan de meeste stukken, die bij een bestuur inkomen; zij betreffen
meestal bepalingen, die voor lange jaren bindend zijn; zij
onderscheiden zich bijkans altijd door hun vorm (op perkament
en bezegeld) van de andere inkomende stukken. Het is dus van
ouds gebruikelijk geweest ze te seponeeren en niet in de serie op
te nemen, nog veel minder van de ingekomene charters eene serie
te vormen. Vandaar de bovenstaande §, die het afzonderlijk beschrij-
ven van elk charter als regel voorschrijft.
Dit neemt echter niet weg, dat hetgeen elders (§31) omtrent
losse stukken in het algemeen is opgemerkt, ook voor charters
geldt. Evenals de archivaris het recht heeft in sommige gevallen
eenige losse stukken tot bundels te vereenigen, evenzoo mag hij
eenige charters in één nommer gezamenlijk beschrijven. Zeer dik-
wijls zal dit echter niet voorkomen. Immers het vormen van
zulke bundels is alleen geoorloofd, hetzij als de stukken van
geheel denzelfden aard zijn, hetzij als zij onbelangrijk zijn. Het
eerste kan ook bij charters eene enkele maal voorkomen, er schijnt
b v. geen bezwaar te zijn, waarom men niet eenige gelijktijdige
veetebrieven in één nommer zou bijeenbrengen, — hetzelfde kan
met eenige beleenbrieven geschieden; maar dikwijls zullen zulke
combinaties niet kunnen voorkomen. Nog minder vaak zullen char-
ters wegens hunne onbelangrijkheid kunnen worden bijeengevoegd.
Integendeel het feit, dat zij oorkonden bevatten, die in een bepaalden
vorm zijn opgemaakt, gezegeld zijn en grootendeels afkomstig zijn
uit de middeleeuwen, maakt het bijeenvoegen van charters, omdat
zij niet belangrijk genoeg zijn om afzonderlijk te worden beschreven,
tot eene groote uitzondering. Intusschen hoe belangrijk die stukken
ook zijn, hunne afzonderlijke beschrijving kan overbodig worden,
wanneer tegelijk met den inventaris van het archief eene regestenlijst
wordt bewerkt, en in die lijst de charters afzonderlijk beschreven
staan. In dat geval heeft de archivaris vrijheid in den inventaris
zelf de stukken meer te combineeren, dan hem anders geoorloofd
was geweest, zoo in de toelichting slechts naar de regestenlijst
ware verwezen.
-ocr page 86-
8o
§ 47. Indien verschillende getransfigeerde charters
eerst door het laatste transfïx in het archief zijn aange-
komen, dan behoort in de beschrijving ook dit laatste
transfïx op den voorgrond te treden. Transfixen, later
gestoken door stukken, die reeds vroeger in het archiet
berustten, behooren in de beschrijving niet op den
voorgrond te treden.
In de toelichting tot de vorige § is opzettelijk niet gesproken
van de meest gebruikelijke wijze, waarop van ouds eenige charters
met elkander werden verbonden : het transfigeeren. Toch was dat
eigenlijk het middel, waardoor men te kennen gaf, dat twee of meer
charters bij elkander behoorden en voortaan als het ware een geheel
moesten uitmaken. Het behoeft dan ook geen betoog, dat getran-
figeerde charters altijd in den inventaris slechts één nommer
behooren uit te maken, en dat het feit, dat die charters later bij
ongeluk van elkander zijn gescheiden door het doorslijten of door-
scheuren der perkamenten strookjes, waarmede zij waren verbonden,
daarin geene verandering brengt. Het eenige, wat nog toelichting
behoeft, is de vraag, hoe de beschrijving moet worden ingericht,
d. w. z. welk stuk bij de beschrijving op den voorgrond moet staan:
het oorspronkelijke charter of een der latere transfixen. Hier geldt nu
dezelfde regel, die vroeger bij het dateeren der stukken is toe-
gepast (zie § 43). De beantwoording der vraag hangt af van de wijze,
waarop de getransfigeerde stukken in het archief zijn gekomen.
In den regel zal eerst het laatste transfïx de charters in het
archief hebben gebracht. Zoo b.v. het eerste charter een transport
van land van A. op B. inhoudt, en daardoor later zijn getransfi-
geerd transporten van B. op C. en van C. op het Statencollege, in
welks archief thans deze stukken berusten, dan is het duidelijk,
dat eerst ten gevolge der laatste overdracht deze stukken in het
archief zijn gekomen, en dan behoort dus dat laatste transfix in
de beschrijving op den voorgrond te staan. Men beschrijve in
zulk een geval derhalve aldus: „Overdrachtsbrief van zeker stuk
land van C op de Staten, met oudere overdrachten van dat stuk
land."
Maar niet altijd is de verhouding dezelfde. Eene stad, die een
privilegie van haar landsheer bezit, kan de opvolgende landsheeren
verzoeken dat stuk te bevestigen, en die bevestigingen kunnen in
den vorm van transfixen aan het oorspronkelijke privilegie verbonden
blijven. Tot een verdrag, oorspronkelijk door twee of drie partijen
aangegaan, kunnen later meerdere zijn toegetreden, wier verkla-
-ocr page 87-
8l
ringen door de oorspronkelijke overeenkomst werden getransfigeerd.
In die gevallen berustte reeds het eerste privilegie in het archief en
dit behoort dus in de beschrijving op den voorgrond te treden.
Men beschrijve dan derhalve aldus : „Privilegiebrief van X voor
de stad N met latere confirmatiebrieven van Y en Z." en „Verdrag
tusschen A, B en C met de akten van toetreding van D en E."
Nog zij hier opgemerkt, dat de wijze, waarop de transfixen aan
het eerste stuk zijn verbonden, niet met de chronologische volgorde
der transfigeering behoeft overeen te komen. Men transfigeerde
soms het eene transfix vóór. het andere achter het eerste charter,
zonder dat daaruit voor de rangschikking iets valt af te leiden.
§ 48. Elk nommer van den inventaris bevatte:
a.    den ouden titel van het nommer (zoo die bestaat),
b.    eene algemeene beschrijving van den inhoud,
c.    het jaar of de jaren, waarover de stukken loopen,
d.    de mededeeling, of het nommer bestaat uit één
of meer deelen, pakken, omslagen, liassen, stuk-
ken of charters,
e.    eene opgave der stukken, die nog in het nommer
aangetroffen worden, buiten het verband van den
overigen inhoud.
Verdere mededeelingen omtrent den inhoud of den
vorm kunnen in noten worden medegedeeld.
Het in de eerste plaats geposeerde, dat het wenschelijk is den
ouden titel van een inventarisnummer bij de beschrijving te vermelden,
wordt gerechtvaardigd door de overweging, dat een deel, zoodra
het in een ander archiefstuk of bij een ouden schrijver wordt ge-
citeerd, wordt genoemd met den titel, dien het vroeger droeg.
Wil men hen, die het archief raadplegen, in de gelegenheid stellen
die citaten na te slaan, dan is het vermelden van den ouden titel
noodzakelijk. In den regel staat die titel afgeschreven op den band
of den omslag, soms ook op het eerste folio van het deel. Het
kan echter ook zijn, dat het deel later op nieuw is gebonden of dat
de eerste bladen er van verloren zijn, en dan blijkt de titel niet
altijd uit het register zelf. Zoo intusschen met zekerheid vaststaat —
b.v. uit verwijzingen naar dit deel — welken titel het vroeger in het
archief heeft gevoerd, dan behoort ook die titel te worden vermeld
(en op den band geschreven) te worden. Het is niet noodig, dat
de titel uit denzelfden tijd dagteekent als liet register zelf; in den
regel wordt de titel eerst later bijgeschreven en voert het deel reeds
zijn naam, voordat die er op geschreven is. Zoo komt het vaak
Handleiding Archivakissbn.                                                                                                                  6
-ocr page 88-
82
voor , dat de oorspronkelijke naam in verbasterden vorm op het deel
zelf wordt neergeschreven of door een nieuwen wordt vervangen.
Het Wijksche rechtsboek b.v. heette oorspronkelijk het Poortbock
en onder dien naam wordt het vaak geciteerd, maar het verbasterde
opschrift noemt het Poorterboek Zoo heette het Utrechtsche recht-
boek, dat thans nog als het Liber albus bekend is en ook dat opschrift
voert, oorspronkelijk Der stat boec, dier dr e alleens ziin. In zulk
een geval behooren beide namen in de beschrijving opgenomen te
worden , of de meest gebruikelijke naam worde aan het hoofd der
beschrijving geplaatst, de andere in eene noot vermeld. Eveneens
komt het bij eene serie registers voor, dat de namen der ver-
schillende deelen niet geheel gelijkluidend zijn; het is dan het
beste, den meest kenmerkenden titel in de beschrijving op te nemen
en de afwijkingen van beteekenis in eene noot te vermelden \').
Daar is ook de plaats om mede te deelen, zoo verschillende deelen
derzelfde serie elk eene bijzondere onderscheiding hebben, b.v. zoo
het eerste deel met A, het tweede met B, enz. is aangeduid.
Tot die onderscheidingen behooren ook de volgnommers der reke-
ningen van denzelfden rendant. Aangezien niet alle nommers van
den inventaris een ouden titel voeren, is het wenschelijk duidelijk
te doen uitkomen, dat de medegedeelde titel een oude titel is;
daarom bezige men de oorspronkelijke spelling en plaatse den ouden
titel tusschen aanhalingsteekens.
Ook naast den ouden titel zal eene algemeene beschrijving van
den inhoud van het nommer noodig zijn. Inderdaad is die algemeene
beschrijving van den inhoud hetgeen, waarop het het meeste aan-
komt. Die beschrijving behoort zoodanig te zijn ingericht, dat
de gebruiker van den inventaris dadelijk weet, welke stukken
hij hier vinden zal. Aan de andere zijde behoort de beschrijving
alleen rekening te houden met het verband der stukken onderling
in den inventaris. Wanneer b.v. meer stukken in een nommer
zijn vereenigd, behoort te blijken, waarom die vereeniging heeft
plaats gehad, op welke gemeenschappelijke zaak zij betrekking
hebben, of van welke functie van het bestuur zij een uitvloeisel zijn.
Zoo dus verschillende stukken zijn vereenigd, omdat zij allen
minuten van transporten zijn, dan behoort juist dit laatste in de
beschrijving te worden opgenomen; zoo andere stukken een dossier
of een bundel vormen, omdat zij allen betrekking hebben op zeker
proces, dan behoort de beschrijving dit te vermelden. Zoo verschil-
lende stukken of handelingen in een deel zijn bijeengevoegd, dan
heeft de archivaris in zijne beschrijving het motief, dat tot het opne
x) Natuurlijk kan men de verschillende oude titels ook in de beschrijving zelve opnemen, maar
als het eene serie van verscheidene deelen geldt, zal dat soms te omslachtig zijn.
-ocr page 89-
83
men juist van die stukken in dit deel heeft geleid, te doen uitkomen.
Omtrent het derde punt kunnen wij kort zijn. Reeds elders (zie
§ 43) is opgemerkt, dat het jaar (of de jaren), waarop het bij de
beschrijving aankomt, den tijd moet aanduiden, waarop de stukken
in het archief zijn opgenomen of deze zijn opgemaakt. Daar is toen
tevens uiteengezet, wanneer nog andere jaren moeten worden vermeld.
Hier zij nog alleen opgemerkt, dat, zoo in eene serie een hiaat van
een of meer jaren voorkomt, daarop opmerkzaam behoort te worden
gemaakt. Eene nauwkeurige vermelding van den datum van een stuk is
in den inventaris in den regel overbodig , het jaar alleen is voldoende.
Het is ook wenschelijk, in de beschrijving van een nommer eenige
aanwijzing omtrent den vorm daarvan op te nemen. Dit wordt
beoogd door het sub d gegeven voorschrift. Daardoor is de
beheerder van het archief te allen tijde in de gelegenheid te consta-
teeren, of al de tot een nommer behoorende deelen enz. aanwezig
zijn, en is hij, die eenig nommer van den inventaris heeft te raad-
plegen, van te voren reeds in de gelegenheid na te gaan, of het
door hem beoogde onderzoek meer of minder omvangrijk zal zijn.
De beteekenis der sub d genoemde uitdrukkingen zal in de laatste
afdeeling van deze handleiding nader worden opgehelderd.
Eindelijk kan het voorkomen , dat de beschrijving van den inhoud ,
hoewel vermeldende het motief, dat tot de bijeenvoeging van een
deel of van een nommer heeft geleid, echter niet den geheelen
inhoud van het dossier of het deel weergeeft. Het kan zijn, dat
b.v. aan de stukken betreffende zekere quaestie eenige retroacta
zijn toegevoegd, bij eene rekening eenige acquitten zich bevinden,
in een register nog het een of ander staat opgeteekend, dat men
er niet zou hebben verwacht. Zal de inventaris praktisch bruik-
baar zijn, dan moet op al die bijzonderheden de aandacht worden
gevestigd i). De omstandigheden moeten beslissen, of het wensche-
lijk is hiervan in de beschrijving zelf of in eene noot mededeeling
te doen. Maar altijd zal het noodig zijn, dat de bedoelde stukken,
waarop op die wijze de aandacht wordt gevestigd, buiten het ver-
band van den overigen inhoud van het nommer staan. Het mede-
deelen van bijzonderheden omtrent den inhoud der stukken, hoe
belangrijk overigens ook, behoort niet in den inventaris thuis. Zoo
dus de beschrijving van een nommer luidt: „Ingekomene brieven",
is het niet geoorloofd in den inventaris mede te deelen : „Hierbij
een belangrijke brief van prins Willem I". Het ligt toch voor de
hand dien brief daar te plaatsen en daar te zoeken. Door derge-
lijke bijzonderheden somtijds op te nemen, wettigt men bij den
x) Natuurlijk behoort dan ook de datum dier afzonderlijk vermelde stukken te worden medegedeeld
b.v. «Stukken betreffende het bouwen eener nieuwe sluis. 1692. Met retroacta uit 1672—1675», of
«Doopboek. 165a—1677. Achterin eene lijst der nieuw aangenomens lidmaten. 1651—1663».
-ocr page 90-
R4
gebruiker de veronderstelling, dat de stukken, waarop niet zoo
bijzonder de aandacht wordt gevestigd, niet bijzonder belangrijk
zijn, terwijl toch den archivaris, die de stukken niet van a tot z
doorleest, licht de belangrijkheid van een stuk kan ontgaan. Boven-
dien laat men eens diergelijke opmerkingen toe, dan is eene wijde
deur voor persoonlijke willekeur opengezet, de eene archivaris zal
opteekenen wat hem uit een historisch, de ander wat hem uit een
genealogisch oogpunt belangrijk toeschijnt. Wil men op zulke
bijzonderheden wijzen en dit in den inventaris zelf doen, dan is
eene inleiding daarvoor de aangewezene plaats.
Het kan wenschelijk zijn omtrent een archiefnommer nog andere
bijzonderheden mede te deelen , hetzij omtrent den vorm (b.v. dat
het stuk door het water, door het vuur of door de muizen heeft ge-
leden , dat uit een deel een of meer bladzijden zijn gescheurd), hetzij
omtrent den inhoud. De inrichting van een register kan soms
mededeeling verdienen (in één register van scabinale akten zijn soms
de verschillende soorten van akten afzonderlijk geregistreerd) of
de gegevene beschrijving eene toelichting vereischen, die om hare
uitvoerigheid niet in de beschrijving zelve past (b.v. de uiteenzetting
van het geschilpunt in een proces). Grenzen voor dergelijke mede-
deelingen , waarvoor noten de aangewezene plaats zijn, zijn niet te
te stellen. Alleen is het noodig, dat zij thuis behooren in het
kader van een inventaris.
§ 49. Bij het inventariseeren van een archief verdient
het aanbeveling de beschrijvingen van serieën, dossiers,
oorkonden, handschriften enz. elk op een afzonderlijk
gelijkvormig papier te plaatsen met een voorloopig
nommer, dat ook op de stukken wordt aangebracht.
Deze maatregel verdient daarom vooral aanbeveling, omdat deze
gelijkvormige papieren kunnen worden gerangschikt en verschikt
vóór het definitief in elkaar zetten van den inventaris. (Zie § 24.)
Het voorloopig nommer, dat op de stukken wordt aangebracht
om ze gemakkelijk bij het inventariseeren terug te vinden, wordt
bij het vaststellen van den inventaris vervangen door een definitief
nommer. Daarom is het gewenscht, dat die nommering zelf ook
een voorloopig karakter drage. Men nommere niet met inkt doch
met potlood; nog liever voege men bij het stuk een omslag of een
inliggend strookje papier, waarop het vnorloopige nommer is geplaatst.
Doet men dit laatste, dan verdient het aanbeveling de voorloopige
nommers met roode inkt te schrijven, waardoor men verwarring
tusschen voorloopige en definitieve nommers kan voorkomen.
-ocr page 91-
VIERDE HOOFDSTUK.
Het ineenzetten van den inventaris.
§ 50. De inventaris van een archief moet in hoofd-
zaak worden ingericht overeenkomstig de oorspron-
kelijke organisatie van het archief.
Deze regel is goedgekeurd door de Vereeniging van archivarissen.
Nu wij eenmaal hebben aangenomen, dat de ordening van het
archief zich moet aansluiten aan de oude organisatie daarvan,
(zie § 16) schijnt het van zelf te spreken, dat ook de inventaris
daarmede in overeenstemming moet zijn. Toch is dit volstrekt niet
noodzakelijk. Het laat zich denken, dat men het archief volgens
onze beginselen ordent, en daarna elk stuk afzonderlijk beschrijft en
deze beschrijvingen eenvoudig chronologisch rangschikt. Zulk eene
methode zou denkelijk zelfs zeer gewenscht schijnen aan sommigen,
die van onze methode van archiefbewerking niets willen weten.
Toch meenen wij, dat dit werkplan geene aanbeveling verdient.
Het ware toch verbazend ingewikkeld. Immers de beschrijving
van elk stuk zou moeten zijn voorzien van eene verwijzing naar
een nommer van den eigenlijken inventaris en het zou voor den
archivaris op den duur werkelijk onmogelijk zijn, de orde in een
zoo omslachtig georganiseerd archief te handhaven. Bovendien
zou het eenige voordeel, dat zulk eene dubbele inventarisatie van
het archief kon leveren (nl. dat de gebruiker elk stuk gemakkelijk
in den inventaris zou kunnen vinden, terwijl het archief toch niet
uit zijn verband werd gerukt) eerst verkregen worden, indien men
bij elk aan een dossier ontleend stuk verwijzingen voegde naar de
andere stukken van het dossier, terwijl de bestudeering van het
onderlinge verband dan den gebruiker weder ontzaglijke moeite zou
kosten. Een volgens het geschetste systeem ingerichte inventaris
zou ten slotte geenszins voldoen aan den door ons gestelden eisch,
-ocr page 92-
86
dat de inventaris een wegwijzer behoort te zijn door het archief.
Immers hij kan dit slechts zijn , indien zijne inrichting geheel beant-
woordt aan de ordening van het archief, daarvan een overzicht geeft
en deze door noten toelicht.
Wij moeten derhalve vaststellen, dat ook de orde van den inven-
taris (behoudens kleine afwijkingen in het belang der praktijk) zal
moeten overeenkomen met de oorspronkelijke organisatie van het
archief. Het spreekt na het vroeger gezegde van zelf, dat hij dan
ook in het algemeen zal overeenstemmen met de inrichting van het
bestuurscollege, waarvan het archief afkomstig, is.
Met dit beginsel als leiddraad behoort iedere archivaris zijn
inventaris in te deelen naar bevind van zaken; hier kan alleen het
beginsel worden aangegeven. Door enkele voorbeelden kan echter
dit beginsel wellicht nog eenigszins worden toegelicht. Bij Staten-
colleges en steden zullen de verschillende bestuurscolleges de hoofd-
afdeelingen van den inventaris aangeven \') (in het eerste geval naast
de Staten: de gedeputeerden , de directiekamer der geestelijke goede-
ren enz., — in het tweede naast den raad en de schepenbank: de
finantiekamer, de aalmoezenierskamer, de momboirkamer enz). Bij
dorpsbesturen zal dikwijls ééne afdeeling voldoende zijn, verdeeld
in twee onderafdeelingen voor het bestuur en de rechtspraak; maar
vaak ook zal men eene afzonderlijke afdeeling moeten vormen
voor het archief van kerkmeesters, enkele malen zelfs voor het
archief van het waterschapsbestuur, daar het dorpsbestuur veelal
tevens in die twee qualiteiten fungeerde en het niet altijd mogelijk is
de drie archieven zuiver te splitsen. Bij hooge heerlijkheden zullen de
stukken over de eigenlijke heerlijke rechten gewoonlijk slechts eene
kleine afdeeling vormen naast de veel talrijker familiepapieren van
de eigenaars der heerlijkheid (huwelijkscontracten, testamenten,
boedelpapieren enz.) en de stukken over de aan hen behoorende lan-
derijen, die twee nieuwe afdeelingen moeten vormen. Bij kapittelen
is naast eene algemeene afdeeling over de rechten van het kapittel
en den kerkdienst eene verdeeling volgens de kamers van beheer
aangewezen. Ook bij kloosters zal men de verschillende takken
van beheer wellicht in verschillende afdeelingen kunnen uiteen-
houden. De ervaring moet op dit punt nog uitspraak doen en zal
allengs ook voor andere archieven zekere regels aan de hand
kunnen doen.
§ 51. Bij archieven van openbare besturen is gewoon-
lijk eene splitsing in verschillende chronologische
1) Dat de archieven dezer subalterne colleges toch een deel uitmaken van de archieven der
Staten en Stadsbesturen, leert \\ 54.
-ocr page 93-
«7
afdeelingen noodig; bij elke belangrijke verandering in
de inrichting van het bestuur beginne eene nieuwe
afdeeling van den inventaris.
Vroeger (zie § 16) is opgemerkt, dat de organisatie van
een archief nauw samenhangt met den werkkring van het college
of den ambtenaar, aan wien het zijn oorsprong dankt. Hieruit
volgt dan ook, dat elke belangrijke verandering in de inrichting van
zulk een bestuurscollege of zulk een ambt eene belangrijke wijziging
in de inrichting van het archief medebracht. Werden de functiën
van het bestuur gewijzigd, dan werden ook in het archief nieuwe
verzamelingen van inkomende en uitgaande stukken , nieuwe registers
aangelegd, of althans de inhoud der bestaande verzamelingen en
registers werd aanmerkelijk gewijzigd. Het ligt voor de hand in
zulk een geval ook voor het archief eene nieuwe chronologische
afdeeling te beginnen, althans wanneer de verandering zich over de
geheele bestuursinrichting uitstrekt, terwijl men, indien de verande-
ring van minder ingrijpenden aard is, dikwijls zal kunnen volstaan
met het opnemen eener nieuwe hoofdafdeeling. De inbezitneming
van het Nedersticht in 1528 breidde de functiën der Hollandsche
rekenkamer aanzienlijk uit en gaf aanleiding tot het ontstaan eener
nieuwe hoofdafdeeling van het archief; maar het is onnoodig, daarom
met 1528 eene nieuwe chronologische afdeeling van het geheele
archief te beginnen, de overige functiën der rekenkamer toch bleven
onveranderd.
Algeheele vernieuwingen van de archiefinrichting vallen gewoon-
lijk met groote politieke gebeurtenissen samen. Als de Staten
eener provincie of de magistraat eener stemhebbende stad zich bij
den opstand tegen Spanje aansloten, dan onderging daardoor in
den regel de geheele positie van de corporatie eene zoodanige
verandering, dat het wenschelijk is, hier eene geheel nieuwe
afdeeling van het archief te beginnen. Op het dorpsbestuur had de
opstand zulk een invloed niet en evenmin op de besturen van niet
stemhebbende steden. Ja zelfs bij kleine stemhebbende steden van
weinig beteekenis (Montfoort b.v.) is de invloed, dien de opstand
op de archiefinrichting heeft uitgeoefend, onbeduidend.
Niet minder belangrijk waren de veranderingen in den Franschen
tijd. Bijna overal werd in 1795 de geheele inrichting van de stads-
en dorpsbesturen gewijzigd; de stabiliteit, die tot zoolang had
bestaan, nam een einde en de eene administratie was nog nauwelijks
geïnstalleerd, of zij werd door eene andere met gewijzigde bevoegd-
heden vervangen. Het is daarom gewenscht niet voor elke dier
organisatiën eene nieuwe afdeeling van het archief te openen, maar
-ocr page 94-
88
allen saam te vatten in ééne afdeeling, die met de afschaffing van
den ouden magistraat begint en met de instelling van den maire
eindigt. De inrichting van het Fransche gemeentelijke bestuur, dat
zich in geen enkel opzicht, noch in bevoegdheden, noch in territoriale
grenzen, aan het bestaande aansloot, zal wel overal eene nieuwe
afdeeling van het archief dienen te openen. Voor de provinciale
colleges zal de grens niet altijd in 1795 vallen. Wel veranderde toen
het provinciaal bestuur aanmerkelijk; maar deze organisatie, in 1798
bij de afschaffing der provinciale souvereiniteit reeds gewijzigd, ging
in 1799, toen eene nieuwe departementale indeeling werd ingevoerd,
geheel te niet. Het zal daarom in den regel beter zijn, eerst met
1799 eene nieuwe chronologische afdeeling van het provinciaal archief
te beginnen. Bij andere colleges zal de historische indeeling van
het archief weder eene andere moeten zijn. Men denke b.v. aan
de inlijving der niet patrimoniëele landen bij de Bourgondisch-
Oostenrijksche Nederlanden, aan de oprichting der nieuwe bisdommen,
aan de voorloopige decisie van den Landraad over de positie der
Utrechtsche kapittelen in 1582, aan de kerkelijke organisatie van
1816. Vaste regels zijn daarvoor uit den aard niet te stellen.
Op enkele punten dient nog in het bijzonder de aandacht te worden
gevestigd. Voor het aannemen eener nieuwe afdeeling is het niet
noodig, dat het bestuur geheel wordt vernieuwd, een anderen naam
aanneemt of door een uitdrukkelijk voorschrift andere functiën ver-
krijgt. Bij den opstand tegen Spanje is niets van dien aard gebeurd;
maar het wegvallen van den landsheer uit de administratie bracht
van zelf eene zoo belangrijke wijziging in de attributen der bestuurs-
colleges, dat het aannemen eener nieuwe afdeeling hier telkens
noodzakelijk zal blijken.
Het is bepaald af te keuren, bij belangrijke historische gebeur-
tenissen, zooals de afzwering van Philips II, den vrede van Munster,
het herstel der onafhankelijkheid in 1813, nieuwe afdeelingen te
beginnen. Immers hoe belangrijk ook voor de geschiedenis en het
staatsrecht van ons vaderland, op de administratie oefenden zij geen
invloed uit. De functiën van den landsheer waren reeds lang op
Staten en stadhouders overgegaan, toen de afzwering formeel aan
het landsheerlijk gezag een einde maakte; de republiek der Zeven
provinciën bestond reeds lang, toen de vrede van Munster haar
legitimeerde, en het herstel der onafhankelijkheid in 1813 bracht
voorshands niets anders te weeg, dan dat de prefecten commissa-
rissen-generaal, de souspréfets commissarissen, de maires presidenten
of burgemeesters, en de adjunct-maires vice-burgemeesters werden
genoemd. Eerst eenigen tijd later werden het provinciaal en het
gemeentelijk bestuur op nieuw georganiseerd. Daarom is ook de
-ocr page 95-
89
thans aangenomene grens tusschen oud- en nieuw archief onhoud-
baar; maar daarom zou het ook bedenkelijk zijn die grens naar
1848 te verplaatsen. Eerst de invoering der organieke wetten heeft
voor de verschillende regeeringscolleges een nieuw tijdvak geopend.
(Zie § 14.)
Ten slotte vinde hier nog de opmerking plaats, dat eigenlijk de
bestuursveranderingen van 1795 en volgende jaren aanleiding zouden
moeten geven niet tot het onderscheiden van verschillende afdee-
lingen van hetzelfde archief, maar tot het onderscheiden van ver-
schillende archieven (archief der Staten, archief der Representanten,
archief van het Intermediair administratief bestuur, archief van het
Departementaal bestuur enz. voor de provincie; voor de verschilende
gemeenten komen de namen niet overal overeen), Daar elk bestuur
echter stilzwijgend het archief zijner voorgangers overnam en soms
in dezelfde registers voortzette, is het niet altijd noodig, die archie-
ven te onderscheiden. (Zie § 53.) Natuurlijk behoort op dien
overgang van het eene archief naar het andere in de in § 61 bedoelde
noten de aandacht te worden gevestigd.
§ 52. Het archief van een zelfstandig bestuur moet
in den regel afzonderlijk worden geordend en beschre-
ven, ook al zijn de rechten en functiën van dat bestuur
op een ander bestuur overgegaan.
Deze regel, onlangs door den Minister gesteld voor de beschrijving
der rijksarchieven, komt overeen met een regel, aangenomen door
de vergadering van rijksarchivarissen in dezen vorm : De archie-
ven der besturen van zelfstandige gemeenschappen moeten in
den regel niet met die der besturen van andere gemeetischappcn
samengesmolten worden, al zijn de rechten der eene gemeenschap
op de andere overgegaan.
Gaarne nemen wij ook in dit geval de
ministeriëele redactie over, die ons eene verbetering schijnt. Na
het boven bij § 1 gezegde over de weglating der terminologie
gemeenschap spreekt het van zelf, dat dit ook hier ter wille der
consequentie moest geschieden. De door de rijksarchivarissen
gebruikte uitdrukking samengesmolten was verder niet gelukkig,
daar aan eene eigenlijke „samensmelting" van twee heterogene
archieven door niemand kan worden gedacht; \'s Ministers redactie
geeft de bedoeling juister terug. Wij hebben ons evenwel veroor-
loofd, de woorden „in den regef uit de oude definitie over te
nemen; immers de regel lijdt uitzondering in het hierboven, aan
het einde van de toelichting der vorige §, besprokene geval, dat
-ocr page 96-
9o
een bestuurscollege geheel gereorganiseerd wordt; feitelijk treedt
dan een nieuw bestuur op, dat de rechten en functiën van het oude
verkrijgt, maar, zooals wij boven uiteenzetten, het schijnt toch
niet praktisch, de bijeen behoorende archieven dier opvolgende
besturen afzonderlijk te ordenen en beschrijven. — Van meer belang
is eene andere wijziging. De definitie der rijksarchivarissen sprak
alleen van het overgaan van „de rechten" van eenig bestuur op
een ander bestuur, en zulks in verband met de ook door de rijks-
archivarissen aangenomene volgende §, die voor het geval van over-
gang van rechten eti functiën iets anders bepaalt. De verandering
van de redactie der § maakte echter ook deze wijziging voor ons
aannemelijk: immers ook bij overgang van rechten en functiën
beiden is het duidelijk, dat de archieven van twee zelfstandige
besturen toch „afzonderlijk" gehouden moeten worden, al is het
volgens onze meening geoorloofd, ze dan (volgens de volgende §)
in denzelfden inventaris te beschrijven.
Deze regel sluit zich aan bij § 5, die vaststelt, dat de archieven van
colleges of personen, wier rechten of functiën op andere colleges
of personen zijn overgegaan, in hetzelfde depot bewaard moeten
worden. De bedoeling onzer § is nu, vast te stellen, dat daar-
uit niet mag worden geconcludeerd tot eene vereeniging der in
hetzelfde depot geborgene archieven. Elk archief blijft een afzon-
derlijk, zelfstandig geheel, dat niet mag worden vereenigd met
andere zelfstandige archieven, die geheel anders georganiseerd zijn.
Elk archief heeft daarom ook, behoudens het geval van § 53, zijn
eigen afzonderlijken inventaris noodig.
Is dit reeds in het algemeen waar, somtijds zou de beschrijving
van verschillende archieven in een zelfden inventaris zelfs tot in het
oogvallende ongerijmdheden aanleiding geven, nl. wanneer de beide
archieven van heterogenen aard zijn, zooals dikwijls het geval is.
Het meest in het oog vallende voorbeeld daarvan zijn geseculari-
seerde kloosters, wier goederen en rechten zijn overgegaan op de
Staten. De vereeniging van de beschrijving van zoo heterogene ar-
chieven, als die van een souverein Statencollege en die van een
klooster, in het verband van denzelfden inventaris is: i°. onmogelijk,
want elk archief heeft natuurlijk zijne afzonderlijke organisatie, geheel
verschillend van die van het andere archief; volgens het door ons
gekozen systeem kan dus het kloosterarchief in het archief der Staten
geene plaats vinden. 2°. ongewenscht, want de vereeniging zou
slechts verwarring stichten en het verkrijgen van een overzicht van de
inrichting van elk archief bemoeilijken. 30. onnoodig, want er is
geene dringende reden om de beide archieven bijeen te voegen.
Wel is het noodig, dat in den inventaris van het kloosterarchief
-ocr page 97-
9i
duidelijk worde vermeld, dat men voor de verdere geschiedenis van
de goederen en rechten van het klooster den inventaris van het
archief der Staten hebbe te raadplegen ; maar dit is geene reden,
om den inventaris van het archief der Staten te bezwaren met de
bescheiden van het archief eener instelling, die tijdens haar bestaan
hoegenaamd niets met het bestuur der provincie had uit te staan.
§ 53. Zijn echter de rechten en functiën van een
bestuur op een ander bestuur overgegaan, zoodat het
terrein van de werkzaamheid van dit laatste bestuur
is uitgebreid, dan kan men het archief van het opge-
hevene bestuur in denzelfden inventaris beschrijven.
Dit archief behoort dan echter te worden ingevoegd
op de plaats, die daaraan logisch in de orde van den
inventaris toekomt, niet op de plaats, waar het archief
toevallig bij het hoofdarchief is aangekomen.
Deze regel is aangenomen door de vergadering van rijksarchi-
varissen, maar door den Minister niet overgenomen. (Zie echter
§ 70.) Wij veroorloofden ons twee wijzigingen: i° de weg-
lating van het woord gemeenschap, in overeenstemming met het
bij § J gezegde, de vervanging der woorden „bij het
archief van het andere bestuur" door: „in denzelfden inventaris
met het archief van het andere bestuur". Deze gewijzigde redactie
geeft de bedoeling duidelijker terug, hetgeen bijzonder wenschelijk
is, omdat tegenover de bepaling van § 52, dat bij overgang van
rechten en functiën elk archief afzonderlijk moet worden gehouden,
het noodig is duidelijk uit te spreken, dat desniettegenstaande
de opneming der beschrijving daarvan in een afzonderlijk hoofdstuk
van denzelfden inventaris in bepaalde gevallen mogelijk blijft.
In enkele gevallen kan het vreemde archief werkelijk zonder
eenig bezwaar in het verband van denzelfden inventaris worden
opgenomen. Doch het schijnt praktisch aan dergelijke combinatiën
niet te denken, wanneer alleen de rechten van het eene bestuur
op het andere zijn overgegaan. In den regel toch zijn dan
(wij beroepen ons op het reeds in de vorige § aangehaalde voor-
beeld van het geseculariseerde klooster) de beide door den loop der
omstandigheden vereenigde archieven veel te heterogeen om eene
combinatie mogelijk te maken. Zijn echter behalve de rechten ook
de functiën, of zelfs de functiën alleen, van een bestuur op een
-ocr page 98-
92
ander bestuur overgegaan, dan is de band veel nauwer. Zoo is in
den loop dezer eeuw in alle steden de administratie der buurtwerken
overgegaan op de stedelijke besturen, en zijn tengevolge daarvan
de archieven der buurten genaast; zoo zijn, toen de Burgerlijke
Stand is ingevoerd, de oude kerkregisters naar de stadhuizen over-
gebracht. Het is gemakkelijk voor den gebruiker van het archief,
die weet, dat deze functiën thans door het stedelijk bestuur worden
uitgeoefend, zoo hij ook de geschiedenis daarvan kan nagaan \').
Nog duidelijker komt dit uit, waar niet de functiën van een
college overgaan op een ander reeds bestaand college, maar de
functiën van een bestuur op een nieuw bestuur, dat het oude ver-
vangt , b.v. de functiën der Statencolleges op de Representanten en
de Administratieve besturen. Hier is het trouwens een ander geval:
de rechten en functiën van het eene college gaan eigenlijk niet op
het andere over, maar het eene college vervangt het andere en
neemt dan ook dadelijk bij zijn ontstaan het archief daarvan over.
De archieven dezer beide colleges staan daar niet als twee zelfstan-
dige eenheden tegenover elkander, maar het eene zet het andere
voort. De scheiding van twee stdke archieven zou, al wordt zij
door de strenge logica geëischt, in de praktijk natuurlijk zeer
ongewenschte gevolgen hebben (zie § 51 in fine).
Waar moet men de archieven dezer geannexeerde besturen echter
in den inventaris plaatsen ? Streng redeneerende zou voor ingevoegde
vreemde archieven slechts ééne plaats zijn aangewezen, nl. de
plaats, die hun toekomt als ingekomene stukken bij het an-
nexeerende bestuur. Zoo zouden strikt genomen, b.v. de oude
archieven der Utrechtsche buitengcrechten, die de bijlagen vor-
men van de geleidebrieven, waarmede ze in 1824 bij B. en W.
van Utrecht werden ingezonden, allen moeten worden vermeld
onder de ingekomene stukken bij het stedelijk bestuur van 1824.
Maar dit zou natuurlijk bespottelijk zijn: niemand zou de registers
op die plaats zoeken. Het is integendeel doelmatig ze te plaatsen
in eene afzonderlijke afdeeling van den inventaris, handelende over
den tijd, waarop zij betrekking hebben, — vooral in eene afzonderlijke
afdeeling, streng gescheiden van andere, stedelijke stukken, zooals
in § 52 wordt voorgeschreven. Men kan verkiezen ze onder de
kleine commissiün van gemengden aard te plaatsen; men kan er de
voorkeur aan geven ze naar een supplement te verbannen. Dit doet
1) Er kunnen zich echter gevallen voordoen, dat het opvolgen van dezen raad tot zeer onge-
schikte combinatiën zou aanleiding geven. Zoo zijn natuuilijk, toen de Staten van Utrecht in 1649
de heerlijkheid van Montfoort aankochten, niet alleen de rechten, maar uok de functiën der burg*
graven op de Staten van Utrecht overgegaan. Het archief der heeren van Montfcort is toen ook
aan de Staten overgegaan. Toch zou het zeer ongeschikt zijn, dit archief met dat der Staten in
éénzelfden inventaris te beschiijven; immers het archief van ue heeren van Montfoort is in hoofdzaak
een familiearchief, dat slechts hier en daar op de heerlijke rechten betrekking heeft.
-ocr page 99-
93
weinig ter zake; hoofdzaak is, dat zij niet worden vermengd met
archieven van andere colleges of commissiën, waarmede ze in den-
zelfden inventaris zijn opgenomen.
§ 54. De archieven van commissiën en ambtenaren
behooren bij het archief van het bestuur, bij hetwelk
zij hunne functiën uitoefenen.
Deze regel, aangenomen door de vergadering van rijksarchiva-
rissen, is thans ook door de regeering vastgesteld; het woord
„gemeenschap", dat er oorspronkelijk in voorkwam , is toen tevens
vervallen.
Commissicn en ambtenaren, die hunne functiën uitoefenen bij een
bestuur, zijn geene volkomen op zich zelf staande colleges of amb-
tenaren. Zij ontleenen hun bestaan en hun voortbestaan aan dat
bestuur, zij zijn of in dienst van dat bestuur of hebben de opdracht
om een deel der functiën van het bestuur uit te oefenen. Het spreekt
dus als van zelf, dat voorzooverre deze commissiën of ambtenaren
archieven hebben gevormd, die archieven niet als geheel op zich
zelf staande archieven mogen worden beschouwd, doch als een
deel van het archief van het bestuur, waaraan zij zoo nauw zijn
verbonden.
De commissiën en ambtenaren, in deze § bedoeld, zijn volgens
de toelichting, door den voorsteller in de vergadering van rijks-
archivarissen gegeven, uitsluitend subalterne commissicn en amb-
tenaren. Een Provinciaal Hof oefende wel is waar een deel der
functiën van den provincialen souverein, de Staten, uit; maar het
kan toch niet geacht worden een subaltern college van de Staten
of den landsheer te zijn; het nam zelfstandige beslissingen, die
ook de Staten hadden te eerbiedigen. Eene dergelijke positie
bekleedde in den regel ook de Provinciale Rekenkamer. Zulke col-
leges, meestal opgericht in den landsheerlijken tijd , zijn in deze § niet
bedoeld. Indien echter de Provinciale Staten (en hierop doelt de §)
eene commissie in het leven roepen, hetzij uit haar midden, hetzij uit
andere personen bestaande, om eenig punt te onderzoeken, voor te
bereiden of speciaal te verzorgen, dan maakt het archief van die
commissie een deel uit van het archief der Staten van de provincie.
Zoo was het toezicht op de dijken in de vorige eeuw in de pro-
vincie Stad en Lande opgedragen aan eene commissie, geheeten De
gecommitteerden tot de dijken cum plena. Het archief dier com-
missie maakt een deel uit van het archief der Staten van de provincie
-ocr page 100-
94
Stad en Lande van Groningen. Een ander voorbeeld : Het archief
van een Procureur-generaal maakt deel uit van het archief van het
Hof, waarbij hij zijne functiën uitoefent.
Men bedenke hierbij, dat niet elke commissie, dat niet ieder
ambtenaar een archief vormt. Over de vraag, wanneer commis-
siën een zelfstandig archief vormen, handelt de volgende §. Of
een ambtenaar een eigen archief vormt of niet, hangt van de
meerdere of mindere zelfstandigheid van zijn werkkring af. De
verschillende ambtenaren aan eene provinciale griffie hebben niet
ieder een afzonderlijk archief, al zijn zij ook met de zorg en admi-
nistratie van verschillende takken van dienst belast. Zij zijn onder-
geschikte ambtenaren van den griffier der Staten, en ook deze heeft
geen zelfstandig archief, doch vormt het archief van de Staten en
het archief der Gedeputeerde Staten. Men heeft het criterium,
of een ambtenaar al of niet een zelfstandig archief vormt, wel eens
laten afhangen van de vraag, of deze al of niet schriftelijk corres-
pondentie voert met het college, waarvanhij afhing. Hoewel in
vele gevallen juist, mag deze regel niet als absoluut geldend wor-
den aangenomen en moet ook in dezen elk geval op zich zelf worden
beschouwd. Zoowel een rentmeester van de bezittingen eener ge-
meente voert correspondentie met het gemeentebestuur, welks amb-
tenaar hij is, als een referendaris met den boven hem staanden
minister. Evenwel vormt de rentmeester een zelfstandig archief,
terwijl de bij een referendaris ingekomene stukken het archief van
het ministerie vormen.
§ 55. Commissiën, die resolutiën (notulen) hebben
nagelaten, hebben een eigen archief gevormd. Dit
archief behoort op zich zelf te staan. De nalaten-
schappen van commissiën, die geene resolutiën (notu-
len) hebben nagelaten, behooren te worden beschouwd
als dossiers, die een deel vormen van het archief van
het college, dat de commissie tijdelijk heeft in het
leven geroepen.
Het vraagstuk, in de bovenstaande § aan de orde gesteld, is
niet gemakkelijk geheel bevredigend op -te lossen. Op één punt
dient van te voren de aandacht te worden gevestigd. Eene com-
missie, zooals in de § wordt bedoeld, behoeft niet uitsluitend uit
leden van het college, dat de commissie in het leven heeft geroepen,
te bestaan. De raadpensionaris van Holland had geene stem in de
-ocr page 101-
95
Staten-vergadering dier provincie, maar zat in bijna alle commissiën,
die van dat lichaam uitgingen. En in menige stedelijke commissie
had de pensionaris of de secretaris zitting, hoewel hij geen lid was van
den magistraat. Ja zelfs kan een uit één persoon bestaand bestuur
eene commissie in het leven roepen, die tot hem in geheel dezelfde
verhouding staat, als eene andere commissie tot een bestuurscollege
(b.v. eene door den stadhouder benoemde commissie tot verzetting
der wet).
Er zijn zoowel door provinciale als door stedelijke colleges tal
van commissiön benoemd geworden, en het valt dikwijls moeilijk
te beslissen, of zulk eene commissie moet worden geacht een zelf-
standig bestaan te hebben geleid en dus een eigen archief te hebben
gevormd, dan wel of zij slechts een onderdeel moet worden geacht
van het college, waaraan zij haar bestaan te danken heeft, zoodat
dus ook haar archief slechts een deel van dat van het groote college
is. In beide gevallen zijn de van de commissie afkomstige papieren
teruggekeerd tot het archief van het college, dat de commissie
vormde, in het eene geval als gedeponeerde archieven, in het andere
geval als dossiers.
Men zou kunnen meenen, dat het antwoord op de vraag hiervan
afhangt, of de bedoelde commissie al of niet een tijdelijk beperkt
mandaat had, of de commissie in het leven was geroepen om eene
zekere functie te verrichten en na afloop dier functie ophield te be-
staan, dan wel of zij bestemd was zekere voortdurende werkzaanv
heden te verrichten. Tot de laatste commissiën behooren b.v. com-
missarissen tot de kleine zaken , in menig college van justitie bekend ,
commissiën van financiën (financiekamers), colleges van gedeputeerden
of gecommitteerde raden. Inderdaad hebben commissiën, die bestemd
waren om te blijven bestaan, altijd een eigen archief gevormd,
maar de commissiën ad hoc hebben het ook dikwijls gedaan.
Hoeveel jaren hebben sommige dier commissiën dan ook niet bestaan ?
Men denke slechts aan commissiën tot voorbereiding van wetsher-
zieningen, aan commissiën van inkwartiering, aan commissiën tot
grensregeling (b.v. de Chambre mi-partie), van welke vooruit bekend
was, dat zij lang zouden blijven bestaan.
Daarom verdient wellicht de boven gegevene oplossing aanbeve-
ling. De vraag, of eene commissie al of niet een eigen archief heeft
gevormd, is daarbij afhankelijk gesteld van het criterium, of zij
al of niet hare handelingen in den vorm van resolutiën of notulen \')
heeft opgeteekend. Zulke resolutiën of notulen vormen het mid-
delpunt, waarom de andere archiefstukken zich groepeeren. Waar
i) De handelingen kunnen ook in een anderen vorm zijn opgeteekend b.v. als gerechtsrol \'of
sententiën bij commissarissen van kleine zaken. Dit maakt natuurlijk geen verschil.
-ocr page 102-
96
zulk een middelpunt bestaat, heeft men iets anders voor zich dan
een eenvoudig dossier. Men onderscheide echter uitdrukkelijk tus-
schen resolutiën (notulen) en proces-verbaal of rapport. Een
proces-verbaal of rapport is bestemd om te worden overgelegd aan
het college, dat de commissie in het leven riep; het is dus
niets anders dan een ingekomen stuk, waarbij de andere van de
commissie afkomstige papieren als bijlagen behooren te worden
gevoegd. Resolutiën en notulen daarentegen zijn bestemd voor de
commissie zelve en daarom het kenmerk van de zelfstandigheid
der commissie. Soms heeft eene commissie geene resolutiën, maar
alleen eenige kladaanteekeningen nagelaten, bestemd om bij het
opstellen van het rapport tot leiddraad te dienen en dan te worden
vernietigd. Zij bewijzen natuurlijk niets voor het zelfstandig bestaan
der commissie.
Het bovenstaande neemt niet weg , dat het soms om praktische
redenen wenschelijk kan zijn het archief eener commissie, zoo het
klein en onbeduidend is, als dossier of bundel stukken, behoorende
tot het archief van het groote college, te beschrijven.
§ 56. Het archief moet volgens een zelfde criterium
in gelijksoortige afdeelingen worden verdeeld. De
stukken van algemeenen aard behooren in de eerste
afdeeling te worden vereenigd, waarna de stukken
van bij zonderen aard in verschillende afdeelingen
worden geplaatst.
Deze § behoeft geen betoog; zij is een natuurlijk gevolg van
den regel, dat een archief systematisch moet worden ingedeeld.
Het is echter zeer noodig haar goed toe te passen, want juist
daaraan ontbreekt dikwijls nog al wat, zelfs in overigens zorgvuldig
bewerkte inventarissen. Nu eens worden naast elkander gesteld:
oudste losse stukken, protocollen der handelingen van het bestuur,
losse uitgegane en ingekomene stukken na 1618, stukken betref-
fende bepaalde onderwerpen van algemeen bestuur, stukken betref-
fende onderscheidene geschillen (Inventaris van Coevorden, afd. I);
hier worden dus de stukken nu eens gerangschikt volgens een
chronologisch criterium (vóór en na 1618), dan weder volgens den
vorm (losse stukken, protocollen), en dan weder volgens de onder-
werpen. Elders (Catalogus van hel archief der stad Utrecht. II)
worden de meeste stukken van het archief van de financiekamer inge-
deeld volgens de verschillende werkzaamheden van het college; maar
-ocr page 103-
97
daarnaast komt ook eene afdeeling voor, die uitsluitend door
verschillende raadscommissièn afgehoorde rekeningen bevat, en
andere afdeelingen, die Archief van den thesaurier of Archief
van den kameraar
heeten en dus tot het archief der financie-
kamer in eene andere verhouding staan dan de vroeger vermelde
papieren. Bijna in alle inventarissen komt naast allerlei afdeelingen,
die volgens de onderwerpen, waarover de stukken handelen, onder-
scheiden zijn, eene afdeeling Resolutiën voor, alsof niet in de
resolutiën al de onderwerpen werden behandeld , waaraan de volgende
afdeelingen zijn gewijd. Toch laat die gewoonte zich wel verklaren.
In de resolutieboeken werden al de handelingen van een college
opgeteekend; men kan dus die boeken niet tot eene der afdee-
lingen, die men overigens onderscheidt, brengen. Onze § houdt
ook met die moeilijkheid rekening en zegt daarom uitdruk-
kelijk, dat de stukken van algemeenen aard (niet slechts de
resolutiën, maar ook de serieën ingekomene of uitgaande stukken,
publicatiën, requesten enz.), die niet op een bijzonder onderdeel
van de werkzaamheden van het college betrekking hebben, maar
zijn geheelen werkkring betreffen, tot eene algemeene afdeeling
behooren te worden gebracht. De § voegt er uitdrukkelijk
bij, dat die algemeene afdeeling de eerste behoort te zijn; zij
verwerpt daarmede het veelal gevolgde gebruik om de eerste
afdeeling van een stadsarchief te wijden aan de stedelijke privi-
legiën. Dat gebruik, hoe algemeen ook, verdient dan ook geene
navolging. Ook de privilegiën behooren tot de ingekomene stukken,
al zijn zij om hun belangrijken inhoud afzonderlijk gehouden. Zij
behooren dus in eene bijzondere afdeeling te worden geplaatst,
maar te worden voorafgegaan door de stukken van algemeenen
inhoud. Werd een privilegie verkregen , nadat de resolutiën van het
college werden opgeteekend, dan zal ook in het resolutieboek over
het verkrijgen van het privilegie zijn gehandeld.
Het spreekt van zelf, dat het bovenstaande alleen geldt, voor-
zooverre het zich met de oude indeeling van het archief, die op
den voorgrond behoort te staan, laat overeenbrengen. Het kan zijn
— hoewel het zelden zal voorkomen — dat de oude indeeling tot
enkele afwijkingen dwingt. Te IJselstein b.v. had men van ouds
de van den souverein afkomstige stukken, zoowel die gericht aan
den stedelijken magistraat als die bestemd voor het baroniebestuur,
tot eene bijzondere afdeeling vereenigd, die naast het archief van
het stadsbestuur en dat van het baroniebestuur stond. Deze
indeeling is ook in den inventaris gevolgd, hoewel de drie afdee-
lingen geenszins op hetzelfde criterium steunen.
Het kan noodig zijn ééne of meer afdeelingen in onderafdeelingen
Handleiding Archivarissen.                                                                                                 7
-ocr page 104-
98
te splitsen. Daarbij behoeft niet hetzelfde criterium te worden toe-
gepast , dat voor de hoofdverdeeling gold; maar wel is het noodig,
dat alle onderafdeelingen derzelfde hoofdafdeeling weder volgens een-
zelfde criterium worden ingedeeld. Zoo is eene der afdeelingen van
het archief der heeren van Montfoort verdeeld in twee andere: de
eene bevat de stukken betreffende leden der burggrafelijke familie,
de andere de stukken betreffende de aan de familie toebehoorende
zakelijke rechten. Elke categorie van stukken is nu weer in ver-
schillende rubrieken ingedeeld : die betreffende de personenrechten
zijn chronologisch, die betreffende de zakelijke rechten zijn geo-
graphisch geordend. Het criterium in elke afdeeling verschilt dus,
maar voor de onderafdeelingen derzelfde afdeeling is telkens een
zelfde criterium gebezigd.
Volgens welke gezichtspunten een archief moet worden ingedeeld,
moet aan het oordeel van den archivaris worden overgelaten, die
daarbij rekening heeft te houden met den aard van het archief.
In den regel zal in de eerste plaats moeten worden onderscheiden
tusschen het hoofdarchief en de archieven, die er zich bij aansluiten,
zal daarna eene chronologische indeeling volgen, zooals in het
boven aangehaalde geval van den Montfoortschen inventaris, of
omgekeerd zooals in den inventaris van het gemeente-archief van
Utrecht, en zullen in elk dier hoofdafdeelingen de stukken volgens
hun aard worden verdeeld over de verschillende rubrieken, die
met de werkzaamheden van het betrokken bestuur overeenstemmen.
Daarna kan het soms noodig zijn enkele rubrieken nogmaals te
verdeelen. Maar gelijk reeds is opgemerkt, elk archief wil zijne
eigene indeeling, en hoe wenschelijk het ook ware, dat daarvoor
algemeene regels konden worden gesteld, dient men zich hier van
het geven van voorschriften te onthouden.
§ 57. Het is wenschelijk, dat in alle inventarissen
van gelijksoortige archieven dezelfde volgorde wordt
gebezigd voor de hoofdafdeelingen.
Deze § is meer een wensch dan een regel. Zij is in onze
handleiding opgenomen, omdat de vervulling van dezen wensch
zeer in het belang van den gebruiker van den inventaris is.
Het gaat bezwaarlijk, hier voorbeelden of schema\'s van indeeling
ter navolging te geven, omdat de archieven van verschillende
besturen variëeren naar gelang van de inrichting der corporaties,
waarover die besturen waren gesteld. Toch zullen in de meeste
gelijksoortige archieven dezelfde soorten van stukken aanwezig zijn,
en het is gewenscht daarin een zooveel mogelijk gelijke volgorde aan
-ocr page 105-
99
te nemen. Zie verder de toelichting bij de vorige §. Eerst de onder-
vinding zal ons kunnen leeren, welke volgorde de meest gevvenschte
is. Het verdient daarom aanbeveling de nieuwe inventarissen zoo-
veel mogelijk in overeenstemming te brengen met een der weinige
inventarissen, welke tot dusverre volgens onze methode zijn saam-
gesteld , en bij afwijkingen redenen van rekenschap te geven in de
inleiding.
§ 58. Deelen, losse stukken, charters en kaarten
moeten in ééne orde, niet in afzonderlijke afdeelingen
volgens hun uiterlijken vorm worden geplaatst.
De consequentie van het door ons aangenomene systeem schijnt
mede te brengen, dat ook de deelen, charters en kaarten in afzon-
derlijke afdeelingen van den inventaris moeten worden beschreven;
immers de oude organisatie van het archief, aan welks behoud wij
verklaarden te hechten, is bijna altijd op eene dergelijke verdeeling
gegrond. Op dit punt wenschen wij evenwel bepaaldelijk van de
oude organisatie af te wijken. Immers de verdeeling van de beschrij-
ving dezer verschillende soorten van stukken over verschillende
inventarissen berustte uitsluitend op hunnen uiterlijken vorm, die
natuurlijk op hunne berging van invloed was en ook bij voort-
during van invloed zal zijn, maar die voor den gebruiker van het
archief van niet het minste belang is, terwijl er in dit geval \') ook
niet de minste aanleiding bestaat hem daarmede lastig te vallen.
En aangezien deze scheiding van het archief in verschillende afdee-
lingen zonder bezwaar uit den inventaris kan verdwijnen, moet
dit natuurlijk in het belang der praktijk geschieden.
Doch er is meer: de scheiding kan niet alleen verdwijnen,
maar zij behoort ook te verdwijnen. Immers zij sticht kwaad : de
afzonderlijke beschrijving toch van de verschillende beslanddeelen
van hetzelfde archief in verschillende afdeelingen maakt het ver-
krijgen van een overzicht van het archief geheel onmogelijk. En
de splitsing maakt ook het onderzoek in het archief zeer moeielijk;
want het komt dikwijls voor, dat geheel gelijksoortige stukken
zonder naspeurbare redenen in geheel verschillenden vorm werden
opgemaakt. Een huurcontract b.v. werd oudtijds steeds geschreven
op perkament en met een uithangend zegel voorzien; in latere jaren
schreef men het eenvoudig op papier: hoe wil men, dat de gebrui-
ker van een archieiinventaris op de hoogte zij van dit onderscheid,
1) Bij de dossiers, hoewel ook hoofdzakelijk om hun uiterlijken vorm uit de serieen afgezonderd,
is dit niet het geval. Door ze in de serieën in te voegen\', zou men met tal van stukken verlegen
zitten, terwijl het onderlinge verband der stukken eene splitsing van het dossier verbiedt.
-ocr page 106-
IOO
waarvoor niet de minste reden bestaat ? Toch zou hij dit moeten
zijn, wanneer men hem noodzaakte de gezochte huurcontracten op
te sporen in twee geheel verschillende afdeelingen van den inventaris.
Niet anders is het dikwijls gesteld met kaarten, die evenals andere
stukken inkomen bij een bestuur, of behooren in een dossier, maar
die van de plaatsen, waar zij behooren, zijn verwijderd, opdat ze
niet beschadigd zouden worden; dit behoort zoo te blijven, maar
in den inventaris moeten de kaarten de plaatsen hernemen, waar
zij volgen hunne bestemming thuis behooren.
§ 59. Titels van aankomst van vaste goederen moeten
in geographische hoofdafdeelingen worden gesplitst en
verder alphabetisch gerangschikt volgens de plaatsen,
straten enz., waar die goederen zijn gelegen. Wan-
neer echter blijkt, dat de vaste goederen over ver-
schillende rentambten (ambtskringen van rekenplichtige
ambtenaren) waren verdeeld, behoort deze verdeeling
ook voor de eigendomsbewijzen der goederen te gelden.
Het eerste gedeelte dezer § geldt alleen, wanneer er geene andere
gegevens zijn, die een regelingsysteem, dat vroeger heeft gegolden,
duidelijk aangeven. Zulk een systeem wordt reeds in het tweede
gedeelte der § aangeduid, doch er kunnen ook nog andere gegevens
zijn. Indien het cartularium van een klooster bewaard is gebleven,
dan zal men dikwijls de charters (titels van aankomst) kunnen rang-
schikken naar de volgorde, die in het cartularium is aangegeven;
dikwijls zelfs zullen uitwendige kenteekenen (letters of nommers) op
eene rangschikking volgens het cartularium wijzen. Ook de aanwezig-
heid van registers of rekeningen zal de volgorde kunnen aangeven,
vooral bij de verdeeling der goederen over verschillende rentambten.
(Rentambten is hier genomen in de beteekenis van ambtskringen
van rekenplichtige ambtenaren.) Om een voorbeeld te noemen:
de eigendomsbewijzen van den Heiligen geest te Reimerswaal zijn
naar een oud register ingedeeld, nadat was geconstateerd, welke
rubrieken het register onderscheidt. De losse charters en andere
stukken zijn overeenkomstig die rubrieken tot nommers vereenigd.
Zijn er geene voldoende aanwijzingen van eene vroegere rang-
schikking , dan neme men eenige geographische hoofdafdeelingen aan.
B.v. men neme eene hoofdafdeeling: „Goederen in de stad Gronin-
gen", eene tweede hoofdafdeeling: „Goederen in de Ommelanden",
eene derde hoofdafdeeling: „Goederen in Drente". Wanneer echter
-ocr page 107-
101
alle goederen in de Ommelanden zijn gelegen, neme men hoofdafdee-
lingen als „Goederen onder Middelstum", „Goederen onder topper-
sum" enz. In die hoofdafdeelingen neme men de alphabetische
volgorde, aangegeven door de namen der straten, de namen der
landen, de namen van een aanliggend stroompje enz. Wanneer er
geene namen van straten, landen enz. in de stukken worden
genoemd, doch de goederen enkel worden aangegeven als b.v.
begrensd ten noorden door A, ten oosten door B, ten zuiden door
C en ten westen door D, dan neme men voor die stukken eene
chronologische volgorde aan.
Bij het aannemen der alphabetische volgorde lette men op de
toelichting van § 82.
§ 60. Stukken betreffende lijfrenten, schenkingen en
legaten van roerende goederen moeten alphabetisch
worden gerangschikt volgens de namen der debiteuren,
schenkers en erflaters.
Bij roerende goederen kan natuurlijk geen sprake zijn van eene
rangschikking zooals bij onroerende goederen is aangegeven (§ 59).
Er blijft voor de rangschikking van een aantal stukken over lijf-
renten , schenkingen en legaten van roerende goederen wel bijna
geene andere keuze over dan eene chronologische of eene alphabetische.
Uit eene chronologische rangschikking is echter voor den onder-
zoeker weinig nut te trekken. Het komt doorgaans op de namen
der tot lijfrenten gerechtigden, der legatarissen en der schenkers
aan, minder op het tijdstip, wanneer de desbetreffende stukken zijn
opgemaakt. Ook zullen die namen eerder bekend zijn gebleven dan
de datum der beschikking en dus ook de desbetreffende stukken
bij eene alphabetische rangschikking naar de namen der debiteuren,
schenkers en erflaters gemakkelijker zijn te vinden.
Voor de wijze van alphabetische rangschikking vergelijke men
de toelichting bij § 82.
§ 61. Aan het hoofd van iedere hoofdafdeeling van
den inventaris plaatse men noten, die in korte trekken
de geschiedenis en den werkkring van het college of
den ambtenaar, van wien deze afdeeling afkomstig is,
beschrijven.
Wij hebben ons in het voorafgaande verklaard voor de methode
van indeeling van archief en inventaris, die, rekening houdende
-ocr page 108-
102
met de oude organisatie van het archief, in hoofdzaak is gegrond
op de oude organisatie van het bestuur, waaraan het archief
behoort. Wij hebben dit gedaan, uitsluitend omdat wij (om de
opgegevene redenen) meenden geen andere keus te mogen, te
kunnen doen. Maar wij zijn ons wel bewust, dat een inventaris,
ingericht volgens ons systeem, voor den gebruiker zekere moeilijk-
heden oplevert, en wij zijn er daarom op bedacht, deze moeilijk-
lieden zooveel mogelijk te ondervangen. De hoofdeisch, dien wij
daarom stellen, is, dat de inventaris zij voorzien van toelichtende
noten. Dit is bepaald noodig. Wij hebben reeds boven uiteen-
gezet, dat verschillende, soms tamelijk heterogene bevoegdheden
dikwijls in de handen van e\'en college of éenen ambtenaar waren ver-
eenigd. Natuurlijk moeten zich die zonderlinge combinatiën in het
archief van dit college of dien ambtenaar afspiegelen en de gebruiker
van den inventaris moet daarop voorbereid zijn. Indien, om bij de
vroeger aangehaalde voorbeelden te blijven, eene Financiekamer
behalve over de financiën ook over de publieke werken en de inkwar-
tiering het beheer voerde, dan moet de gebruiker van den inven-
taris weten, dat hij stukken over publieke werken en inkwartiering
in het archief dier Financiekamer heeft te zoeken. Indien de zorg
voor het armwezen is verdeeld tusschen eene Aalmoezenierskamer
en eene Ambachtskamer, dan moet de onderzoeker weten, dat hij
met een onderzoek in het archief der Aalmoezenierskamer niet kan
volstaan. Ook op andere zaken moet de onderzoeker attent worden
gemaakt. Zoo moet hij weten, dat hij de stukken over de inkwar-
tiering eerst sedert 1808 in het archief der Financiekamer moet
zoeken, omdat eerst toen de zorg daarvoor aan die kamer werd
toevertrouwd. Hij moet worden gewaarschuwd, dat hij geene
stukken uit de I7de eeuw in het archief eener Directiekamer van
de geestelijke goederen heeft te zoeken, indien het zeker is, dat
die kamer op het laatst der i6de eeuw hare werkzaamheden heeft
gestaakt.
Uit het voorgaande volgt, dat aan het begin van elke hoofdafdee-
ling van het archief noten moeten worden geplaatst, die den werkkring
van het college of den ambtenaar, wiens archief de afdeeling bevat,
uiteenzetten, met de veranderingen, later in dien werkkring gebracht.
Het is noodig, dat ook de jaartallen worden vermeld, waarin het
college werd ingesteld en opgeheven. Zoodoende zullen de noten
in hoofdzaak moeten bevatten eene geschiedenis van het betrokkene
college. Die geschiedenis zij nauwkeurig, vooral nauwkeurig en
zoo mogelijk volledig; maar zij zij daarbij kort.
Het voldoen aan dezen eisch levert weinig bezwaar voor den
ernstigen archivaris, die toch, wil hij zijn inventaris goed indeelen,
-ocr page 109-
io3
het raderwerk van de oude administratie moet bestudeeren, — eene
studie, die niet bij elk onderdeel grondig behoeft te zijn, maar
daarentegen dikwijls in allerlei details zal moeten afdalen. Het
materiaal voor het stellen der noten heeft derhalve de archivaris,
als hij zijn inventaris heeft voltooid, toch reeds grootendeels bijeen.
§ 62. Elk stuk van den inventaris moet worden voor-
zien van een doorloopend cijfer. Voor het aanduiden
van de volgorde van beschrijvingen van den inhoud
van stukken gebruike men in den inventaris doorloo-
pende letters, ten einde het onderscheid tusschen de
beide nommeringen duidelijk in het oog te doen vallen.
De hier gestelde eisch schijnt eene onbeduidende kleinigheid en
toch is hij van belang. In theorie schijnt het aanbrengen van rang-
cijfers bij elk stuk van den inventaris niet bepaald noodig: zij
schijnen alleen gewenscht voor het gemakkelijk citeeren. Maar in
het belang der praktijk kan niet genoeg worden aangedrongen op
het aanbrengen van rangcijfers in den inventaris zelf. Zij verhoogen
de duidelijkheid daarvan belangrijk : immers de gebruiker van den
inventaris kan dan met één oogopslag zien, waar een nieuw nommer
aanvangt, hetgeen anders bij eenigszins uitvoerige beschrijvingen
en inhoudsopgaven van sommige nommers niet altijd gemakkelijk is.
Doch er is een tweede, veel ernstiger reden om rangcijfers in den
inventaris aan te brengen en af te drukken. Wanneer men ze
weglaat, is het nimmer uitblijvend gevolg, dat ook de stukken
van het archief niet genommerd worden, en niemand zal betwijfe-
len, dat de gevolgen van deze nalatigheid heilloos zullen zijn voor
het behoud der orde in het archief. Men zegge niet, dat het aan-
brengen van geschreven rangcijfers in den inventaris even doelmatig
is; immers er is niet de minste reden, om die rangcijfers niet te
drukken, indien het inderdaad de bedoeling is ze later bij te
schrijven en voor het nommeren der stukken te doen dienen.
Dat het wenschelijk is inhoudsopgaven der nommers liever van
letters dan van cijfers te voorzien, zal wel geen betoog behoeven:
immers het is om verwarring te voorkomen noodig, de verschillende
naast elkander voortloopende nommeringen uit elkander te houden.
Men nommere derhalve aldus: i° inhoudsopgaven van nommers
met letters (liefst cursief, om ze tegenover de andere letters in het
oog te doen vallen), — 20 de nommers zei ven met gewone cijfers,
— 3° de afdeelingen van den inventaris met Romeinsche cijfers, —
-ocr page 110-
104
terwijl men 40 de inventarissen van verschillende archieven, zoo zij
in één deel voorkomen, van kapitale letters kan voorzien.
Derhalve: B. Archief uit het tijdvak van 1808—1813.
II. Archief van Gecommitteerden tot de fabricage.
855 Rekeningen van den kassier der inkwartiering 1810—1811.
a.     Rekening van alle ontvangsten en uitgaven 1810—1811.
b.     Rekening over logiesgelden, meubilair en administratiekosten
1810, enz.)
Nog een enkel woord over het nommeren der archiefstukken
zelven, dat overigens eigenlijk, als behoorende tot de materiëele
zorgen voor het archief, niet binnen het kader onzer taak valt.
i°. Het is noodig, elk archiefstuk van een rangcijfer te voorzien.
2°. Het is wenschelijk, voorloopige rangcijfers (d. z. rangcijfers
van nog niet gedrukte inventarissen) niet op de stukken vast te
maken, zoodat ze gemakkelijk kunnen worden verwijderd zonder de
stukken te beschadingen. (Zie § 49.)
30. Definitieve rangcijfers moeten daarentegen op de stukken
worden vastgemaakt. Ze te schrijven met inkt geeft licht aanleiding
tot verwarring met oude rangcijfers. Rangcijfers geplakt met gom
springen licht af, indien de zon daarop schijnt, — geplakt met
stijfsel vallen ze licht af door de vocht. Wellicht is het beste de
rangcijfers van buiten op het stuk te schrijven en dit rangcijfer te
bedekken door een geplakt etiquet met hetzelfde rangcijfer.
40. Het is aanbevelenswaardig, bovendien de gedrukte omschrij-
ving van het stuk, uit den inventaris geknipt, binnen in den band
van het deel of op den omslag van het losse stuk te plakken.
§ 63. Men neme moderne afschriften nimmer in den
inventaris op; het is principieel verkeerd een archief
aan te vullen.
Zijn ontbrekende oorkonden echter in oude inven-
tarissen vermeld, zoodat hunne vroegere aanwezigheid
in het archief buiten twijfel is, dan kan men ze in
noten in den inventaris of in de regestenlij st van het
archief vermelden.
Een archief is een organisch geheel, een archief is in den loop
der tijden ontstaan en wordt niet in lateren tijd gemaakt. Door
een archief aan te vullen met moderne afschriften van stukken,
welke misschien tot het archief hebben behoord, schept men eene
verzameling, die niet organisch is ontstaan, doch die bij elkaar is
-ocr page 111-
io5
gezocht. Men plaatst daardoor in het archief moderne papieren,
welke er niet toe hebben behoord, en welke ook de bewijskracht
der origineele archiefstukken missen.
De zaak wordt eenigszins anders, als oude inventarissen duidelijk
aangeven, dat een of ander stuk vroeger tot het archief heeft
behoord. Doch ook dan nog kan het moderne afschrift geen deel
van het archief uitmaken; het moderne afschrift heeft immers nooit
deel van het archief uitgemaakt en kan het origineele stuk niet
vervangen. Door eene noot in den inventaris kan men dan echter
het vroeger bestaan van het origineel in het archief en het thans
aanwezig zijn van een afschrift vermelden en verklaren. Ook in
de regestenlijst van het archief kan men met eene noot het afschrift
van het vroegere stuk aangeven. Men vergelijke hierbij de betee-
kenis van „regestenlijst" in deze handleiding (zie § 72).
In eene regestenlijst in wijderen zin en in een oorkondenboek,
welke niet als een inventaris enkel de mededeeling geven van de
aanwezige stukken, doch welke, als een werk van onzen tijd, ook
mogen en moeten bevatten de moderne afschriften van elders
berustende of van te loor gegane stukken, worden dergelijke
afschriften wel opgenomen. Men kan dan bij elk stuk vermelden,
of het origineel bestaat en zoo ja, in welk archief, welk afschrift
is gebruikt en van welke waarde dat afschrift is.
§ 64. De inventaris moet worden voorzien van indi-
ces. Daarvoor komen in aanmerking: a. een index
van persoonsnamen, b. een index van plaatsnamen.
Deze § stelt de noodzakelijkheid van indices vast. De systema-
tisch ingerichte inventarissen geven zoo nauwkeurig mogelijk den
oorspronkelijken toestand terug, zij zijn ingericht in overeenstem-
ming met de inrichting van het bestuur, zij zijn wetenschappelijk
en logisch. Te ontkennen valt het echter niet, dat zij niet altijd
even gemakkelijk zijn te raadplegen zonder indices. De bewerker
van den inventaris zal wellicht zelf na eenige jaren niet dadelijk
terugvinden het indertijd door hem in het archief aangetroffene en
ook geïnventariseerde stuk. Hoeveel te meer zal dit het geval zijn
voor den historicus-raadpleger. Nauwkeurige indices kunnen dit
bezwaar verhelpen, zij zijn niet alleen gemakkelijke, doch tevens
noodzakelijke wegwijzers.
Bij het maken dier indices in alphabetische volgorde lette men
op het medegedeelde bij § 82.
Een index van zaken heeft vele bezwaren. Men staat daarbij niet
-ocr page 112-
io6
voor objectieve gegevens; de subjectieve waarde, welke de maker
van den index aan sommige zaken hecht en zijne subjectieve wijze
van het kiezen der uitdrukkingen hebben hierbij grooten invloed.
Daarom kan men het maken van een index van zaken, hoewel
gewenscht, moeilijk voorschrijven.
% 65. Men onderscheide scherp tusschen archief-
stukken en handschriften. Tot de laatsten behooren
rechtsboeken, stedebeschrijvingen, verzamelboeken,
oorkonden, kaarten enz., die aan particulieren hebben
behoord.
Men vindt in een archief verschillende soorten van stukken, die
daar niet behooren :
1 °. stukken, die wel behooren tot een archief, maar niet tot
het onderhavige archief, b.v. waterschaps- en kerkarchieven, dikwijls
in de archieven van dorpen gedeponeerd, omdat de functiën van
schepen, heemraad en kerkmeester in denzelfden persoon waren
vereenigd, — de archieven der grondvergaderingen en andere com-
missiën uit den revolutietijd, die na hare ontbinding ten slotte
dikwijls op de gemeentehuizen zijn gedeponeerd, — stukken be-
treffende posten, door de secretarissen van het betrokkene bestuur
buiten hun eigenlijk ambt bekleed;
2°. stukken, die in het geheel niet tot een archief behooren,
maar door het bestuur, waarvan het archief afkomstig is, zijn
aangekocht, b.v. wetboeken, handleidingen voor de administratie,
bijbels en andere stukken, bestemd om te dienen als hulpmiddelen
bij het uitoefenen der bestuurstaak, — private handschriften van
historischen aard, bestemd om de geschiedenis van het betrokkene
bestuur, zoo die uit den inhoud van het archief onvolledig blijkt,
door volgende beheerders beter te doen kennen;
30. stukken, die bestemd waren om eene plaats in het archief
in te nemen of verzonden te worden, doch ongebruikt zijn geble-
ven, b.v. pakken gedrukte plakkaten, oningevulde staten, tabellen,
formulieren en ander materieel.
De omstandigheid, dat handschriften en particuliere oorkonden
aan het archief van eene provincie of stad door een particulier of
eene corporatie zijn geschonken, wettigt niet hunne opneming in
het archief. Men kan het feit der plaatsing van die handschriften
en particuliere oorkonden, niet in het archief, doch in de biblio-
theek (zie § 66), duidelijkheidshalve aanteekenen op den geleibrief,
-ocr page 113-
107
waarbij de schenking wordt aangeboden, welke brief natuurlijk in
het archief behoort.
                                                                      .
Eene uitzondering is natuurlijk te maken ten opzichte van die
stukken, welke vroeger tot het archief hebben behoord, een tijd-
lang in handen van particulieren zijn geweest en nu weer door
schenking of aankoop tot het archief terugkeeren. (Zie § 36.)
§ 66. De stukken, die niet tot het archief behooren,
moeten daarvan worden afgezonderd. Zij behooren te
worden overgebracht naar een ander archief of eene
bibliotheek, waar zij behooren.
Ook kunnen zij in eene afzonderlijke afdeeling achter
in den inventaris van het archief, waarbij zij berusten,
worden geplaatst; zij vormen dan te zamen eene
bibliotheek voor geschiedkundige, topographische, sta-
tistieke en andere wetenschappelijke doeleinden in het
archiefdepöt.
Deze regel is aangenomen door de Vereeniging van archivarissen.
Wij hebben ons echter enkele wijzigingen veroorloofd, die allen
uitsluitend de redactie betreffen. Van eenig belang is alleen de
wijziging der tweede alinea, waar wij in plaats van „het archief,
waaruit de stukken afkomstig zijn," schreven „het archief, waarbij
zij berusten." Dit scheen duidelijker, omdat de eerste redactie,
hoewel juist, aanleiding kon geven tot misvatting, in geval de
stukken wel strikt genomen uit het archief worden verwijderd, maar
toch als supplement bij den inventaris in hetzelfde deel worden be-
schreven. Het bijgevoegde slot van de § licht dit nog eenigszins toe
door uit te spreken, dat de stukken dan niet meer behooren tot het
archief, maar tot eene bij het archief bewaarde bibliotheek.
Al de stukken, die volgens het medegedeelde in de vorige §
geene archiefstukken zijn, moeten uit het archief worden verwijderd.
De theorie vordert dit: immers zij voldoen niet aan onze definitie
van een archief. Maar ook de praktijk eischt het: immers de
archivaris, die zijn archief volgens onze methode heeft verdeeld
naar de verschillende bestuurstakken, zal deze stukken, die in
geene der aangenomene rubrieken kunnen passen, natuurlijk van zelf
overhouden. Hij is daarmede verlegen, want deze stukken belem-
meren de goede orde van zijn depot. Het is dus bepaald noodig,
ze uit het eigenlijke archief te verwijderen.
Men kan ter uitvoering van dezen eisch op verschillende wijzen
-ocr page 114-
io8
handelen: i°. Behooren de stukken tot een ander archief, dat
geheel of gedeeltelijk bewaard is, dan moeten ze in ieder geval
daarmede worden hereenigd. Hoe dit het best zal geschieden,
hangt van omstandigheden af. Is het andere archief niet bewaard,
dan moeten de stukken toch geheel afzonderlijk worden beschreven.
2°. Private handschriften of boeken plaatse men in eene openbare
bibliotheek. Is die niet in de stad aanwezig, en meent men, dat
de verwijdering der stukken buiten de stad niet gewenscht is, of
is het telkens raadplegen dier werken door den archiefbeheerder
of de archief bezoekers te voorzien, dan kan men naast het archief
eene bibliotheek vormen, wier beschrijving bij kleine archieven
wellicht als supplement van den archiefinventaris kan worden uit-
gegeven. 30. Familiepapieren of andere private stukken, afkomstig
van magistraatspersonen, die dikwijls den inhoud van het archief
op zeer gewenschte wijze toelichten en daarbij dus eigenaardig
behooren, moeten in geen geval uit het depot worden verwijderd.
Toch zondere men ook dezen af van het archief en plaatse ze
steeds in eene afzonderlijke afdeeling van den inventaris. Schijnt
het om bijzondere redenen gewenscht het stuk bij uitzondering in
het verband van den inventaris zelf op te nemen (b.v. een index
op de resolutiën van eenig college), dan zorge men toch, het
private karakter van het stuk in eene noot bij de beschrijving
duidelijk te doen uitkomen. 4°. Het ongebruikte materieel kan,
als het niet meer bruikbaar is, zonder gewetensbezwaar worden
vernietigd. Ook met de plakkaten kan men zonder bezwaar grooten-
deels evenzoo handelen; tenzij ze ingebonden en tot eene officiëele
serie ten gebruike van het bestuur zijn vereenigd, als wanneer ze
natuurlijk tot het archief behooren en daarin moeten blijven.
§ 67. De berging van een archief is geheel onaf-
hankelijk van de indeeling en de inventarisatie. Terwijl
bij de indeelingen die inventarisatie de oude organisatie
behoort te worden gevolgd, is men bij de berging der
stukken geheel vrij. Daar beslist de zorg voor het
behoud der archiefstukken.
Bovenstaande § spreekt voor het archiefwezen een beginsel uit,
dat voor bibliotheken reeds lang heeft gegolden en dat daar nooit
tot eenig bezwaar aanleiding heeft gegeven. Het is reeds lang
gebruikelijk de folianten bij de folianten, de quarto\'s bij de quarto\'s,
de octavo\'s bij de octavo\'s te bergen, zonder dat daarom de
boeken in den wetenschappelijken of alphabetischen catalogus der
-ocr page 115-
iog
bibliotheek volgens hun formaat worden onderscheiden. De berging
der boeken stelt andere eischen dan de inventariseering. Mutatis
mutandis geldt dit van archiefstukken evenzeer. Natuurlijk bestaat
er hier, waar men voor de wetenschappelijke inventarisatie aan de
oude indeeling is gebonden, wel een zeker verband tusschen de
inventarisatie en den vorm der stukken, omdat de oude indeeling
daarmede in zekere mate rekening hield ; dossiers werden b.v. om
hun omvang uit de ingekomene stukken gelicht, maar, afgescheiden
van die enkele gevallen, is de berging der archiefstukken geheel
onafhankelijk van de inventarisatie en omgekeerd. Bij de berging
der archiefstukken heeft men niet zoozeer rekening te houden met
de plaats, die zij in den inventaris innemen, als met de zorg voor
hunne goede bewaring. Bij de berging der stukken behooren deze
dus te worden ingedeeld naar hun vorm of hun uiterlijken aard.
Men plaatse dus de deelen bij elkander, men verzamele de losse
stukken in portefeuilles, men berge de kaarten en de charters
afzonderlijk , omdat zij op andere wijze bewaard behooren te worden
dan de overige archiefstukken. Zelfs kan het ten gevolge van
plaatsgebrek noodig zijn de deelen naar hunne grootte te onder-
scheiden. En daarbij is het onverschillig, of die verschillend ge-
plaatste stukken ook in den inventaris verschillende nommers dragen
of in hetzelfde nommer zijn begrepen. Ja het is zelfs geoorloofd
stukken, die oorspronkelijk in ééne lias waren vereenigd, op ver-
schillende plaatsen op te bergen, zoo de aard der stukken dat
vereischt. (Zie § 68.)
Het zou dus als het ware mogelijk zijn om aan elk archiefstuk twee
nommers te geven, het eene aanwijzende, welke plaats het in den
inventaris, het andere, welke het in de bewaarplaats van het archief
inneemt. In den regel zal dat echter niet noodig zijn, en het
is ook gemakkelijker, zoo men de stukken, die in den inventaris
dicht bij elkander zijn geplaatst, zonder moeite bij elkander kan
vinden. Het ligt dus het meest voor de hand bij de berging der
stukken zooveel mogelijk de volgorde van den inventaris te volgen,
maar telkens, als men daarvan afwijkt, hiervan aanteekening te
houden in den inventaris, d. w. z. niet in den gedrukten inventaris,
waarvan ieder zich een exemplaar kan aanschaffen, maar in den
inventaris, die zich bevindt ten bureele van den archivaris of van
den ambtenaar, die de stukken heeft op te zoeken of af te geven.
Uit het feit, dat de berging en de inventariseering van een
archief onafhankelijk van elkander zijn, laat het zich ook verklaren,
dat sommige archiefstukken in twee of meer archiefinventarissen
worden beschreven. Zoo zijn in den inventaris der rechterlijke
archieven van Utrecht de leenregisters der bisschoppen van Utrecht,
-ocr page 116-
110
der St. Paulusabdij en der heerlijkheid Montfoort beschreven,
hoewel dezen tevens behooren te worden opgenomen in de beschrij-
ving van de archieven der besturen van die lichamen. In een der
beide inventarissen worden die stukken dan pro memorie uitgetrok-
ken, d. w. z. zonder dat zij bij de andere stukken, die in dien
inventaris staan vermeld, worden opgeborgen.
Het bovenstaande doet uitkomen, dat de berging van de archief-
stukken onafhankelijk is van de inventariseering. Het schijnt over-
bodig er nog eens bijzonder de aandacht op te vestigen, dat
omgekeerd de inventariseering geheel onafhankelijk is van de berging,
daar dit reeds in § 58 is betoogd.
§ 68. Oorkonden en kaarten, in een dossier aan-
wezig, mogen ter betere bewaring daaruit gelicht en
afzonderlijk bewoord worden, mits in de plaats daarvan
eene verklaring worde gelegd, dat het origineel is
gelicht en elders geborgen.
Het beginsel, waarvan deze § een uitvloeisel is, is reeds in de
voorgaande § uitgesproken. Ter betere bewaring van een charter
of eene kaart, die in een dossier berusten, zal het dikwijls wen-
schelijk zijn ze daaruit te verwijderen. De zegels van het charter
loopen in het samengebonden dossier gevaar, en de kaart, ter wille
van hare plaatsing in het dossier meer dan noodig opgevouwen,
loopt gevaar op de vouwen door te slijten. Niets belet den archi-
varis, deze stukken uit het dossier te verwijderen en ergers doel-
matiger op te bergen; integendeel hij is er toe verplicht. Alleen
is het noodig, dat het uit het dossier gelichte stuk worde vervangen
door een verwijsblad, dat aanwijst, waar het gebleven is.
Ook in geval eene oorkonde, die in de charterkast hare vaste
plaats had (of die vroeger in een ander verband behoorde), later
daaruit is genomen en (voor een proces of een dergelijk voorbij-
gaand belang) in een dossier is geplaatst, is het wenschelijk haar
voor goed naar hare oude plaats terug te brengen en daar ook
te beschrijven, mits de in den tekst bedoelde verklaring in hare
plaats worde gelegd. Deze verklaring, dit verwijsblad, vertegen-
woordigt het om reden van praktischen aard elders geplaatste stuk
en voorkomt de uiteenrukking of het verstoren van de orde van
het dossier. (Zie § 67.)
-ocr page 117-
III
§ 69. Het verdient aanbeveling, elk handschrift, eiken
omslag van eene oorkonde, elke serie en elk dossier te
voorzien van een opschrift, bevattende de beschrijving
van het stuk in den inventaris of in de regestenlijst
en de plaats, die het stuk in het archiefdepöt inneemt.
Een dergelijk opschrift levert zoowel voor den archivaris, die de
stukken voor den onderzoeker moet opzoeken en later op hunne
plaats terugbrengen, als voor den onderzoeker zelf groot gemak op.
Is een stuk afgedwaald of zoekgeraakt en later ergens teruggevonden,
dan zal het opschrift in vele gevallen het zekere middel ter her-
kenning zijn.
Met de in de § genoemde ^plaats" wordt natuurlijk bedoeld het
lokaal, de kast, de doos, de lade enz.
Indien de inventaris of de regestenlijst is gedrukt, doet men
natuurlijk het gemakkelijkst uit een exemplaar de verschillende
nommers te knippen en op den band, den omslag enz. te plakken
en daarna met de vermelding van de plaats bovengenoemd aan te
vullen. Als de archivaris weet, dat het stuk reeds is gedrukt, is
het gewenscht dit ook op den band, den omslag enz. aan te
teekenen. (Zie ook § 62.)
-ocr page 118-
VIJFDE HOOFDSTUK.
Verdere beschrijvingsmaatregelen.
§ 70. Voor de plaatsing van de beschrijving van een
archief in den algemeenen inventaris van het depot is
beslissend de aard van dat archief in verband met de
andere rubrieken van den inventaris, niet de omstan-
digheid, dat het door een bepaald bestuur werd over-
genomen.
Deze regel, door den Minister gesteld voor de beschrijving der
rijksarchieven, bedoelt hetzelfde als eene stelling, aangenomen door
de vergadering van rijksarchivarissen en luidende aldus: „Men kan de
archieven der besturen van verschillende gemeenschappen in één
inventaris beschrijven, als hun geringe omvang dit wenschelijk
maakt. Ten einde een gemakkelijk overzicht te verkrijgen, is het
aanbevelenswaardig, om in dit geval de archieven van de besturen
der gemeenschappen van denzelfden aard bijeen te voegen of ze in
seriecn in te deelen." Vgl. ook § 53. De oorspronkelijke redactie
spreekt juister uit wat het doel der bepaling is. Maar daartegen-
over staat, dat die bedoeling daarin niet duidelijk is geformuleerd:
immers zij spreekt van het „beschrijven van verschillende archieven
in één inventaris," terwijl blijkbaar de bedoeling was, de inventa-
rissen van verschillende archieven in één deel te doen vereenigen.
Met het oog daarop hebben wij gemeend, ook hier \'s Ministers
redactie te moeten overnemen, ons voorbehoudende de bedoeling
daarvan nader toe te lichten. Tusschen beide redactiën bestaat een
derde verschil: die der rijksarchivarissen stelt den regel facultatief,
terwijl die des Ministers imperatief spreekt, zooals te verwachten
was. Al hadden wij voor ons aan de facultatieve redactie de voorkeur
gegeven, nu het voorschrift eenmaal imperatief is gegeven, zien wij
geen bezwaar het over te nemen.
-ocr page 119-
H3
De regel is uitsluitend van praktischen aard en bedoelt het gemak
van den gebruiker der archiefinventarissen te bevorderen. Het is
toch ondoelmatig een groot getal archiefinventarissen, die elk slechts
enkele bladen bevatten, afzonderlijk uit te geven. En als men
verschillende inventarissen tot een bundel samenvoegt, dan is het
voor den gebruiker gemakkelijk, dat inventarissen van soortgelijke
archieven worden bijeengevoegd\', ook al is de geschiedenis dier
gelijksoortige archieven verschillend en al zijn zij langs verschillende
wegen en bij verschillende gelegenheden in het depot aangekomen.
Niet de omstandigheid dus, dat deze archieven bij elkander be-
hooren (want dat doen zij eigenlijk niet), maar het gemak van
den gebruiker der archieven geeft aanleiding de inventarissen daarvan
in een bundel te vereenigen. Het is wenschelijk, dit feit in de
inleiding van den inventaris te vermelden, ten einde den gebruiker
omtrent de geschiedenis der beschrevene archieven niet op een
dwaalspoor te brengen.
Deze methode komt vooral in aanmerking bij de beschrijving
van kloosterarchieven. Wij stelden boven (§ 52) vast, dat de
beschrijving van een kloosterarchief in den inventaris van het archief,
dat het annexeerde, misplaatst is. Doch waar die beschrijving
dan te plaatsen, wanneer zij te klein van omvang is om haar afzonder-
lijk te publiceeren ? Sommigen willen haar opnemen als supplement
of als bijlage bij den inventaris van het annexeerende archief. En
dit is ook onberispelijk correct, om de latere geschiedenis der
kloosterarchieven duidelijk te doen uitkomen ; in sommige gevallen
is het zelfs ook zeer doelmatig. Niet in alle gevallen echter.
Sommige steden hebben zoovele kloosters verslonden en zijn zulke
goede bewaarders geweest van de kloosterarchieven, dat de bijlagen
somtijds volumineuser zouden kunnen zijn dan het stuk, waarbij
zij behooren, hetgeen natuurlijk ongeschikt moet heeten. — Doch
er is aan de methode meestal een ernstiger bezwaar verbonden.
De kloosters van een gewest zijn meestal verdeeld tusschen de
verschillende leden der Statencolleges, en hoewel de archieven dier
leden thans overal grootendeels, hier en daar zelfs geheel, in het-
zelfde depot zijn vereenigd, zou de consequentie eischen, de inven-
tarissen der verschillende kloosterarchieven, zelfs als zij in hetzelfde
depot zijn vereenigd, te splitsen in verschillende serieën, naarmate
hunne goederen later aan een der leden van het Statencollege zijn
ten deel gevallen. Eene dergelijke overdreven beginselvastheid
schijnt weinig praktisch; zij kan geen enkel voordeel noemen, dat
gesteld zou kunnen worden tegenover den last, dien men den
onderzoeker in het archief aandoet.
Doelmatig schijnt het daarentegen, de inventarissen van alle
Handleiding Archivakissen.                                                                                                                 g
-ocr page 120-
114
kloosterarchieven van een gewest in één deeltje te vereenigen. Men
bereikt daarbij het boven beoogde doel, nl. de latere geschiedenis der
kloosterarchieven duidelijk te doen uitkomen, even goed, zoo men in
den inventaris van het kloosterarchief vermeldt, dat dit afkomstig
is uit het archief b.v. van de Ridderschap, en in den inventaris van
het archief der Ridderschap mededeelt, waar het archief van het
geannexeerde klooster is beschreven. De indeeling van het depot
(waarvoor de hoofdlijnen zijn aangegeven in § 7) zal dus wellicht in
enkele gevallen verschillen van de verdeeling der inventarissen over
verschillende deelen. In het algemeen schijnt het gewenscht, dat beide
indeelingen overeenstemmen, doch er is geen principieel bezwaar om
in enkele gevallen in het belang der praktijk daarvan af te wijken.
§ 71. De beschrijving der stukken in den inventaris
behoort later te worden aangevuld door indices op de
verschillende registers, in de eerste plaats op de serieën
resolutiën. Het is onnoodig dit te doen drukken.
Het spreekt wel als van zelf, dat de vermelding in den inventaris
van eene serie resolutiën slechts eene algemeene en geringe aanduiding
geeft. Daaruit blijkt enkel het bestaan der resolutiën, meer niet.
Voor den gebruiker der resolutiën is het een groot gemak , zoo niet
een eerste behoefte, te kunnen nazien in een index, welke zaken
en wanneer de zaken, waarover hij een onderzoek instelt, in de
resolutiën staan vermeld: hij behoeft dan niet elk deel van het
begin tot het einde na te zien. Ook voor andere registers, senten-
tieboeken, brievenboeken , requestboeken, transportregisters enz.,
geldt hetzelfde.
Op de losse bijlagen van de resolutiën of van andere registers
is het niet wenschelijk en evenmin noodig indices te maken; zij
worden gerangschikt als bijlagen dier resolutiën en registers, zoodat
zij zich bij den inhoud daarvan aansluiten.
Alleen dan, wanneer de resolutiën ontbreken of deze niet alle
ingekomene stukken of requesten vermelden, is het maken van
indices op die ingekomene stukken en requesten gewenscht.
§ 72. Wegens het exceptioneele belang van sommige
gedeelten van een archief kan het wenschelijk zijn
regestenlij sten te geven van den inhoud daarvan. Deze
lijsten behooren dan echter afzonderlijk uitgegeven
of bij kleine archieven als bijlagen achter den inven-
taris gedrukt te worden.
-ocr page 121-
iiS
Eene regestenlijst in het algemeen is eigenlijk niet anders dan
een verkort oorkondenboek; in plaats van in extenso medegedeeld
te worden, worden de oorkonden slechts in regestvorm opgenomen:
alleen hun korte inhoud wordt vermeld. Evenals een oorkonden-
boek nu alle oorkonden opneemt, die betrekking hebben op eene
serie regenten (b.v. keizers, pausen, graven van Holland) of op
een bepaald land (b.v. Friesland, de diocese van Utrecht) of
eene corporatie (b.v. de stad Groningen, de abdij Mariênweerd),
evenzoo bevat eene regestenlijst in het algemeen alle oorkonden
van eene regentenserie, een land of eene corporatie, zonder daarbij
te onderscheiden, waar de oorkonden, waarvan de regesten worden
gepubliceerd, berusten. Alleen het antwoord op de vraag of de
oorkonden betrekking hebben op dezelfde personen, corporaties
of landen, beslist over de opneming der oorkonden. Al is eene
oorkonde alleen in druk voorhanden, toch wordt zij opgenomen,
zoo zij overigens binnen het kader valt. Zulke regestenlijsten hebben
dus met de beschrijving van een archief niets te maken. Stukken,
uit verschillende archieven afkomstig, worden er naast elkander
in opgenomen.
Eene regestenlijst van een archief is iets geheel anders. Zij is
ook eene lijst van oorkonden, maar de oorkonden betreffen hier niet
allen een bepaalden persoon of een bepaald onderwerp, neen de
band, die deze oorkonden in dezelfde regestenlijst doet vermelden,
is alleen gelegen in het feit, dat de oorkonden aan hetzelfde archief
zijn ontleend. Het voordeel, dat het samenstellen van zulke regesten-
lijsten boven het vormen der eerstbeschrevene aanbiedt, is hierin
gelegen, dat men, de regestenlijsten volgens de archieven publi-
ceerende, de zekerheid heeft geene oorkonden over te slaan. Zijn
de regestenlijsten van alle archieven en alle verzamelingen gepubli-
ceerd, dan zijn ook alle oorkonden bekend. Voor de andere soort
regestenlijsten moet men telkens in alle archieven nasporingen doen;
men loopt dus voortdurend gevaar het een of ander over te slaan.
De bedoeling van den bovengestelden regel is, dat men inventaris
en regestenlijst scherp onderscheide en niet een gedeelte van den
inventaris ga inrichten als regestenlijst, omdat de stukken van dat
gedeelte van zooveel belang zijn, dat zij verdienen elk afzonderlijk
te worden vermeld. Vereenigt men beiden tot één geheel, dan
verricht men misschien een zeer nuttig werk, maar een inventaris
maakt men niet. Bij het maken van een inventaris en bij het
samenstellen van eene regestenlijst plaatst men zich op twee ver-
schillende standpunten, die niet wel te vereenigen zijn. Wie een
inventaris wil bewerken, moet zich zooveel mogelijk plaatsen op
het standpunt van het lichaam, welks archief hij regelt, en aan
-ocr page 122-
n6
dit standpunt zal hij wel eens verplicht zijn het gemak van hen,
die het archief wenschen te raadplegen en met de oude toestanden
minder nauwkeurig bekend zijn, op te offeren.
Bij het samenstellen van regestenlijsten heeft men zich een geheel
ander doel voor oogen te stellen. Hierbij staat uitsluitend het belang
van den tegenwoordigen onderzoeker op den voorgrond. Men vraagt
niet, welk belang de corporatie, in wier archief het stuk berust,
er bij had, maar welk belang de geschiedenis bij het stuk hebben
kan. Een stuk uit de ise eeuw was voor het toenmalige stads-
bestuur niet belangrijker dan een gelijksoortig document uit de
I9e eeuw voor het tegenwoordige gemeentebestuur, en behoort dus,
als men zich bij de regeling op het standpunt van den magistraat
„in der tijd" plaatst, niet anders te worden beschreven.
Twee dergelijke heterogene stukken kan men niet in hetzelfde
verband vereenigen zonder de klaarheid van het overzicht te schaden.
Door echter de regestenlijst als bijlage bij den inventaris te voegen,
zal het bezwaar worden vermeden en toch aan de belangen van den
tegenwoordigen onderzoeker worden tegemoet gekomen.
§ 73. Eene regestenlijst van een archief of een gedeelte
van een archief is eene chronologisch gerangschikte
inhoudsopgave van alle oorkonden, die in originali
of in afschrift in een archief of gedeelte van een archief
aanwezig zijn.
Voor de toelichting tot deze § kan in de eerste plaats worden ver-
wezen naar hetgeen naar aanleiding der voorgaande § is opgemerkt.
De hier gegevene definitie treedt nog in enkele bijzonderheden,
waarop de aandacht moet worden gevestigd. In de eerste plaats
wordt gezegd, dat zulk eene regestenlijst chronologisch moet worden
gerangschikt, evenals de andere soort regestenlijsten en de oor-
kondenboeken. Daarbij komt het uitsluitend op den datum der
oorkonde als zoodanig aan; de archiefdatum d. w. z. de datum,
waarop het stuk in het archief is gekomen, is daarbij geheel
onverschillig. Eene oorkonde, b.v. een eigendombewijs, kan eerst
vele jaren nadat is zij opgemaakt in een bepaald archief zijn aan-
gekomen, n.1. bij eene volgende eigendomsoverdracht. Toch behoort
zij op den datum der oorkonde zelve in de regestenlijst te worden
opgenomen. Immers eene regestenlijst is eene lijst van oorkonden,
niet van archiefstukken. Datzelfde beginsel heeft ons ook aanleiding
gegeven tot het opnemen der bepaling, dat het onverschillig is,
of de oorkonde in originali of in afschrift in het archief aanwezig
-ocr page 123-
ii7
is. Een eigendomsbewijs kan, na in het cartularium te zijn inge-
schreven, te gelijk met den eigendom zelf aan anderen zijn overge-
dragen, toch wordt het in de regestenlijst vermeld , omdat het afge-
schreven staat in het tot het archief behoorende cartularium. Het
doel der regestenlijst is het publiceeren van den inhoud van alle
oorkonden, die uit het archief kunnen worden gekend, en bij
gebreke van het origineel leert men eene oorkonde ook uit een
afschrift kennen.
In de derde plaats spreekt de gegeven definitie van een archief
en niet van een archiefdepot. Immers het eene archief kan zijn
gedeponeerd bij het andere zonder er daarom mede te versmelten;
de combinatie van verschillende archieven in één depot kan tijdelijk
en toevallig zijn. Het is daarom wenschelijk, van elk archief eene
afzonderlijke regestenlijst te vervaardigen. Daarom zijn b.v. in
de regestenlijsten van het archief der stad Utrecht niet opgenomen
de in de Utrechtsche landskist berustende charters: immers de
landskist bevatte een deel van het bisschoppelijk archief, dat bij
het stadsarchief is gedeponeerd maar er volgens § 13 te allen tijde
van kan worden afgescheiden. Wel opgenomen zijn daarentegen
die charters uit de landskist, die op last van den Utrechtschen
magistraat in een stedelijk register zijn afgeschreven: immers dat
register maakt een deel uit van het stedelijk archief.
De definitie stelt ook de mogelijkheid open om niet van een
archief in zijn geheel, maar van een gedeelte er van eene regesten-
lijst te publiceeren. In den regel toch zal men zich bij het samen-
stellen van zulk eene lijst beperken tot de middeleeuwen, hetzij
in hun geheel, hetzij ten deele. Het publiceeren van eene regestenlijst
toch heeft alleen voldoende nut voor die periode, waaruit betrekkelijk
weinig stukken bekend zijn, zoodat elk stuk, hoe onbeduidend op
zich zelf ook, van belang kan zijn tot opheldering van het tijdvak.
Het maken van regestenlijsten voor latere perioden zou niet slechts
nutteloos, maar ook ondoenlijk zijn. De groote massa oorkonden
heeft tengevolge, dat de kennisneming van tal van stukken voor
de algemeene kennis van het tijdvak overbodig is, en dat het
vermelden van al die stukken de Regestenlijsten bovenmatig zou
doen aanzwellen.
In eene periode, die nog niet ver achter ons ligt, in de periode
nl. waarin men de opvatting huldigde, dat een archief eene verza-
meling geschiedbronnen was, heeft men gemeend met het vervaardigen
van regestenlijsten in plaats van inventarissen te kunnen volstaan.
Na al hetgeen in de vorige § § is gezegd omtrent het doel van een
inventaris behoeft daarop hier niet te worden teruggekomen. In
verband met het bovenstaande mag er echter op worden gewezen,
-ocr page 124-
iiS
dat, zoo men den omvang der taak niet heeft beperkt door alle
registers, die de handelingen der betrokken corporaties vermelden,
resolutieboeken etc., weg te laten (zooals in den inventaris van Leeu-
warden), de inventarissen-regestenlijsten niet verder zijn vervolgd dan
tot het einde der middeleeuwen (inventaris van het oudarchief van
Zeeland, inventaris van Middelburg). Zoodra men verder wilde
gaan, gevoelde men zelf, dat het ondoenlijk werd den geheelen
inhoud van het archief in regestvorm mede te deelen. Inderdaad
is dit dan ook niet het doel van eene regestenlijst. Eene regesten-
lijst toch bevat alleen de oorkonden van een bepaald tijdvak; een
inventaris bevat alle stukken, die in een archief berusten. In eene
regestenlijst wordt elk stuk afzonderlijk beschreven, terwijl in den
inventaris verscheidene stukken bijeen worden gevoegd. Beiden
hebben een geheel verschillend doel: de inventaris wijst den weg in
het archief, de regestenlijst geeft het resultaat van een onderzoek
weer. Hieruit volgt ook, dat de inventaris moet voorgaan: eerst
als die gereed is en het dus bekend is, wat het archief inhoudt,
kan eene regestenlijst worden opgemaakt. Maar dan behoort het
ook te geschieden. De geschiedenis der middeleeuwen kan alleen
uit regestenlijsten worden gekend.
§ 74. Bij het samenstellen van regestenlijsten der
oorkonden van een archief behooren te worden opge-
nomen:
a alle origineele oorkonden op perkament of papier.
b alle stukken, in cartularia afgeschreven.
c losse stukken, indien afschriften er van in cartu-
laria voorkomen, indien zij van denzelfden aard
zijn als de in cartularia opgenomene stukken of
indien zij op perkament zijn geschreven.
d de oorkonden, die in extenso in registers zijn opge-
nomen, die in andere oorkonden zijn ingelascht
of in het algemeen, die in afschrift aanwezig zijn.
In de vorige § is uitdrukkelijk uitgesproken, dat in eene
regestenlijst uitsluitend oorkonden behooren te worden opgenomen
en de stukken , die verdienen daarmede te worden gelijkgesteld. In
oorkondenboeken pleegt men in den regel de grens wat wijder te
trekken en er alle historische bronnen, die geene narratieve bronnen
(kronieken) zijn, in op te nemen. Te allen tijde (de naam oorkon-
denboeken bewijst het) zijn echter oorkonden het hoofdbestanddeel
geweest. Elders is medegedeeld (§ 92), wat oorkonden zijn. Hier
-ocr page 125-
ii9
is het voldoende er aan te herinneren, dat het stukken zijn, waaraan
eene blijvende waarde werd toegekend, en die daarom in een bepaal-
den vorm werden opgemaakt. Daarom vermeldt deze § dan ook in
de eerste plaats de origineele oorkonden onder de stukken, die
in de regestenlijst moeten worden opgenomen. Of zij op perkament
of papier geschreven, al of niet gezegeld zijn, is onverschillig. Ook
eene middeleeuwsche oorkonde, die men niet gewichtig genoeg vond
om te zegelen of om op perkament te schrijven, kan bij het
verloren gaan van zoovele middeleeuwsche stukken, thans van veel
belang zijn.
In de tweede plaats neme men in de regestenlijst op alle in
cartularia afgeschrevene stukken, ook als het geene oorkonden
mochten zijn. In den regel worden alleen oorkonden daarin afge-
schreven, maar het komt voor, dat men daarin ook goederenlijsten
of brieven, die om eene of andere reden bijzonder belangrijk waren
— b. v. omdat er het een of ander recht der betrokkene corporatie
uit bleek — heeft opgenomen. Hetzelfde motief, dat bij het samen-
stellen van het cartularium aanleiding heeft gegeven om voor dat
stuk eene uitzondering te maken, geldt ook thans nog. Stukken,
die belangrijk genoeg werden geacht om in cartularia te worden
afgeschreven, verdienen nog altijd te worden gekend. — Zoo de
stukken, die in de cartularia zijn afgeschreven, ook in originali
voorhanden zijn, behooren zij natuurlijk ook in de regestenlijst te
worden vermeld; en hetzelfde geldt, wanneer niet de stukken zelf
maar anderen van geheel gelijksoortigen aard in een cartularium
zijn opgenomen. Hetgeen aanleiding heeft gegeven het eene stuk
in het cartularium op te nemen, had er ook bij het andere toe
moeten leiden.
Alle stukken, die op perkament zijn geschreven, behooren ook in
regestenlijsten voor te komen. Immers als zij belangrijk genoeg
zijn geoordeeld om op perkament te worden geschreven, zijn zij ook
gewichtig genoeg om in de regestenlijst te worden opgenomen. Het
schrijven op perkament en het afschrijven in een cartalarium hadden
hetzelfde doel: het bewaren der stukken of van hun inhoud. Aan
het zegelen van stukken heeft men minder beteekenis te hechten.
Men zegelde oorkonden om de belangrijkheid en blijvende waarde
dezer stukken, maar men zegelde ook brieven om ze te sluiten.
Het zegelen van een stuk op zich zelf bewijst dus niets voor de
waarde, die men er aan hechtte.
Behalve de origineele oorkonden en de in cartularia opgenomene
afschriften, behoort de regestenlijst ook alle andere afschriften te
vermelden, onverschillig waar die in het archief worden gevonden,
hetzij als akten van vidimus, hetzij als inserties in andere oorkon-
-ocr page 126-
120
den, hetzij als afschriften in een register of op een los blad papier.
Alleen is het noodig, dat zij in hun geheel zijn afgeschreven; akten,
waarop alleen wordt gezinspeeld zonder dat zij letterlijk worden aan-
gehaald, behooren niet in eene regestenlijst thuis. Een ander geval is
het, zoo een stuk voor een gedeelte is afgeschreven of in extract is
medegedeeld (b.v. een testament, alleen voor zooverre het eene be-
schikking geldt ten gunste der corporatie, van welke het archief af-
komstig is). Zulk een extract verdient wel in de regestenlijst te worden
opgenomen: het staat met eene akte van eigendomsoverdracht gelijk.
Het is intusschen niet altijd noodig alle stukken, die aan de
bovenstaande eischen voldoen, in de regestenlijst op te nemen.
Hetzelfde motief, dat aanleiding geeft de regesten niet verder dan
over een bepaald tijdvak voort te zetten, kan er toe leiden eene
zekere categorie van stukken, die te talrijk is, uit te sluiten. Zoo
men b.v. het archief van een college, dat volontaire jurisdictie uit-
oefende, behandelt, kan het wenschelijk zijn, alle akten van volon-
taire jurisdictie, die toch voor de corporatie zelve, wier archief
aan de orde is, van weinig of geen belang zijn, uit te sluiten.
Evenzoo kan men de vidimussen \') (niet de gevidimeerde oorkon-
den) weglaten, ten minste voorzooverre zij niet tevens strekken
tot bevestiging van het gevidimeerde stuk. Ook afgeloste rente-
brieven zijn oorkonden; in den regel zal het echter gewenscht zijn,
ook deze soms zeer talrijke stukken uit te sluiten. Zoo kan het
wenschelijk zijn de pachtbrieven, die in de renversalen worden
ingelascht en niets behelzen, wat niet ook uit het renversaal blijkt,
niet afzonderlijk in de regestenlijst op te nemen. Omgekeerd kan
het wenschelijk zijn enkele stukken, die niet in extenso in het
archief aanwezig zijn, op te nemen. Boven is daarvan reeds een
voorbeeld aangehaald. Een ander voorbeeld is aan de leenregisters
ontleend; van sommige beleeningen wordt daarin de geheele akte
opgenomen, van andere alleen een extract, zonder dat blijkt dat
daarbij eenig geldig motief den doorslag heeft gegeven. Men neme
dus öf geene bf alle akten op, ook die slechts in extract aanwezig zijn.
In den regel is het ook wenschelijk in deze regestenlijsten \') geene
brieven op te nemen, omdat zij eene geheele andere categorie stuk-
ken vormen dan oorkonden. Het kan echter zijn, dat slechts
weinig brieven zijn bewaard, en evenals men in zulk een geval
geen bezwaar zou maken ze in een oorkondenboek op te nemen,
kunnen zij ook in eene regestenlijst worden opgenomen. Het is
i) Het verschil tusschen een vidimus en een authentiek afschrift ligt juist hierin, dat het eerste
naar zijn vorm eene oorkonde is, het tweede niet. Een vidimus behoort dus als zoodanig eigenlijk
in eene regestenlijst thuis (zie § 94).
2) Over het samenstellen van afzonderlijke regestenlijsten van brieven of andere stukken zie
men de volgende g.
-ocr page 127-
121
echter reeds hierom moeilijk brieven op te nemen, omdat hun
inhoud zich veel minder tot het maken van een regest leent.
In elk geval sluite men uit die stukken, die niet voorkomen in
het archief zelf, maar in de verzameling historische handschriften,
die bij het archief wordt bewaard. Die verzameling maakt geen
deel uit van het archief (zie § 66) en behoort dus niet voor
de regestenlijst te worden geèxcerpeerd. Hetzelfde beginsel leidt
er toe kopij boeken of andere registers, die om eene of andere reden
van administratieven aard in het archief zijn gekomen, uit te
sluiten. Dikwijls zal de reden der aanwezigheid van zulk een regis-
ter in het archief alleen zijn, dat het eene college zich bij zijne
rechtspraak of administratie naar het andere richtte (b.v. de vier
Utrechtsche kapittelen naar het Domkapittel, kleine steden naar de
hoofdstad). — Wat voor deze registers geldt, geldt evenzoo voor
formulierboeken. De daarin voorkomende akten behooren niet in de
regestenlijst thuis.
§ 75. Het kan wenschelijk zijn, ook den inhoud der
brieven en andere bescheiden, die in originali of in
afschrift in een archief voorhanden zijn, geheel of ten
deele in regestvorm te bewerken.
Oorkonden zijn voor de middeleeuwen (het tijdvak, waarover in
den regel de regestenlijsten loopen) de belangrijkste stukken van
het archief. De vorm zelf, waarin zij zijn opgemaakt en die ze
tot oorkonden stempelt, is opzettelijk gekozen, omdat hun inhoud
bijzonder belangrijk was, althans in het oog dergenen, die ze deden
opstellen. Regestenlijsten worden echter samengesteld voor den
thans levenden historicus, en hoe belangrijk middeleeuwsche oor-
konden ook altijd blijven, een aantal andere middeleeuwsche docu-
menten verdient soms niet minder de aandacht van den geschied-
vorscher. Het kan daarom gewenscht zijn, ook den hoofdinhoud
van de in een archief berustende verzameling brieven te publiceeren,
waarvoor dan de regestvorm is aangewezen. Het is intusschen
wenschelijk deze regesten niet in de regestenlijst der oorkonden op
te nemen, maar ze in eene afzonderlijke lijst bijeen te voegen,
omdat oorkonden eenerzijds, brieven en andere stukken anderzijds een
eigenaardig karakter hebben, dat zich ook in de regesten merkbaar
zal maken. Eene oorkonde heeft in den regel op ééne zaak betrek-
king, een brief op meer; de inhoud van eene oorkonde laat zich
dan ook veel beter in een regest concentreeren dan die van een
brief. Alleen zoo er over een tijdvak in een archief slechts weinig
brieven voorhanden zijn, kan het zaak zijn deze in de regestenlijst
-ocr page 128-
122
der oorkonden te beschrijven. In den regel zijn echter de brieven
in zulk een groot getal voorhanden, dat zij, in ééne lijst beschreven,
de aandacht te veel van de minder talrijke, maar belangrijker oor-
konden zouden afleiden.
De § geeft nog tot twee opmerkingen aanleiding. i°. Zij spreekt
van „brieven of andere bescheiden". Door de laatste bijvoeging is
de mogelijkheid opengesteld b.v. de bijlagen tot middeleeuwsche
rekeningen in regestvorm mede te deelen. Zoo berust in het
Zeeuwsche depot eene geheele verzameling diergelijke stukken, voor
een klein deel uit quittanties, voor een groot deel uit eene corres-
pondentie tusschen de rendanten, de Hollandsche rekenkamer en de
financiekamer te Brussel, bestaande. 2°. De bijvoeging „geheel of ten
deele" heeft niet alleen ten doel om uit te sluiten, althans niet voor
te schrijven, de bewerking van regesten der brieven, postérieur
aan de middeleeuwen, maar ook om de mogelijkheid open te stellen
om uit een bepaald tijdvak niet alle brieven in regestvorm te
bewerken, maar alleen b.v. diegenen, die op de uitwendige geschie-
denis der corporatie, van wie het archief afkomstig is, betrekking
hebben.
Overigens geldt hetgeen omtrent de regestenlijsten van oorkonden
is gezegd of nog zal worden gezegd, ook van deze regestenlijsten
van brieven.
§ 76. Men houde in het oog, dat het doel eener
regestenlijst verschillend is van dat van een inventaris;
dit verschil behoort uit de beschrijving der stukken
te blijken. In eene regestenlijst behoort de beschrijving
de handeling, die in het beschreven stuk is geregis-
treerd, te vermelden; in den inventaris sta de aard
van het stuk op den voorgrond.
Reeds meermalen (zie § 73 in fine) is er aanleiding geweest te
wijzen op het verschil tusschen een inventaris en eene regestenlijst.
Een der meest kenmerkende verschilpunten is wel hierin gelegen, dat,
terwijl in een inventaris herhaaldelijk meer stukken onder één
nummer worden beschreven, hetzij dat zij tot een dossier of bundel
zijn vereenigd, hetzij dat zij in hetzelfde register zijn geregistreerd,
in eene regestenlijst elke oorkonde afzonderlijk wordt vermeld.
Maar ook wanneer in den inventaris een stuk afzonderlijk wordt be-
schreven, behoort die beschrijving geheel anders te luiden, dan in
de regestenlijst, waarin hetzelfde stuk wordt opgenomen. Dat
onderscheid is een uitvloeisel van het verschillende doel, dat met
een inventaris en eene regestenlijst wordt beoogd.
-ocr page 129-
123
In een inventaris wil men eene lijst geven van al de stukken, die
in een archief berusten met aanwijzing van het verband, waarin zij
daarin voorkomen, en met aanwijzing van den aard en den inhoud der
stukken; een inventaris is dus eene lijst van de in een archief aan-
wezige stukken, wier inhoud nader wordt omschreven. Men beschrijve
derhalve aldus : „Gerechtsbrief van N., waarbij A. land transporteert
aan B.," „Uitspraak van het hof van Y. in de zaak tusschen C.
en D," „Overeenkomst door E. en F. aangegaan om enz." of „Tes-
tament, waarbij N. zijne goederen vermaakt aan het gasthuis te Z."
Eene regestenlijst is niet eene lijst van stukken; daarbij is het
te doen om de handeling , de gebeurtenis, die in de oorkonde wordt
vermeld of zoo men liever wil, om het oorkonden of getuigen
omtrent die handeling of gebeurtenis. Het is bij de regestenlijst uit-
sluitend er om te doen, wie oorkondt en wat wordt geoorkond. De
stukken, die op de boven beschrevene wijze in den inventaris moeten
worden vermeld, zouden dus aanleiding geven tot de volgende nom-
mers eener regestenlijst: „A. draagt ten overstaan van schepenen van
X. land over aan B." (of, wat eigenlijk juister is, „Schepenen van
X. oorkonden, dat A. aan B. land overdraagt"), „Het hof van
Y. doet uitspraak in de zaak tusschen C. en D.," „E. en F. gaan
eene overeenkomst aan om" enz. en „N. vermaakt zijne goederen
aan het gasthuis te Z." (of „de notaris O. oorkondt, dat N. zijne
goederen aan het gasthuis te Z. vermaakt"). De inventaris is
dus eene lijst van stukken, de regestenlijst eene van feiten.
De bedoelde onderscheiding wordt niet altijd gemaakt. Herhaal-
delijk worden de beschrijvingen van stukken en regestenlijsten
onveranderd in de inventarissen overgenomen, terwijl men de
niet in de regestenlijst voorkomende nommers van den inventaris
op de gewone wijze beschrijft, hetgeen eene ongelijkmatigheid
veroorzaakt, die niet aangenaam aandoet. — Ook het omgekeerde
komt voor. Terwijl de meeste regesten zijn beschreven zóó dat
de handeling op den voorgrond treedt, komen daartusschen soms
enkele nummers voor, die luiden : „Gerechtsbrief van . . . waarbij",
wat even leelijk staat. Daar er nu inderdaad een goede grond is,
waarom de eene vorm in inventarissen, de andere in regestenlijsten
wordt gebezigd, is het wenschelijk de onderscheiding ook nauw-
keuriger in het oog te houden dan tot heden geschiedde.
§ 77. De beschrijving der stukken in de regestenlijst
moet uitvoeriger zijn dan die in den inventaris.
Een inventaris dient meer om een overzicht te geven van hetgeen
in een archief aanwezig is en om de volgorde der archiefstukken
-ocr page 130-
124
te bepalen. Naar die volgorde zullen de stukken ook moeten wor-
den geplaatst, een inventaris is derhalve een wegwijzer. Met eene
korte beschrijving der stukken, soms een aantal oorkonden of eene
serie handschriften onder één nommer, kan men dus volstaan.
De regestenlijst dient daarentegen om den inhoud van elke
oorkonde, in originali of in afschrift in het archief aanwezig, nauw-
keurig te leeren kennen. Eene mee ruitvoerige beschrijving is
daartoe noodig.
Het is moeilijk om hier de juiste grens van uitvoerigheid aan te
geven. In de volgende § vindt men daartoe een aantal gegevens.
Soms dient men echter bij zeer uitvoerige oorkonden een middenweg
tusschen te groote breedvoerigheid en eene korte beschrijving in te
slaan. Zoo is het b.v. (als noodmaatregel, wanneer geheel nauw-
keurige regesten te lang zouden worden) gewenscht, van de talrijke
onderwerpen, dikwijls in privilegiën en tractaten behandeld, alleen
die in het regest te vermelden, die bestemd waren om voort-
durend van kracht te blijven, terwijl bepalingen van voorbijgaand
belang onvermeld kunnen blijven. Om een voorbeeld te noemen: in
het regest van een vredesverdrag vermelde men, dat in dat verdrag
wordt gehandeld over tolrechten en beden, doch men late weg de
bepalingen over de uitwisseling van gevangenen en het betalen van
oorlogsschatting. Bevat eene oorkonde alleen bepalingen van voor-
bijgaand belang, dan gebruike men eenige algemeene termen en
dale niet in bizonheden af.
§ 78. In regestenlij sten moeten eigennamen in hunne
oorspronkelijke spelling worden medegedeeld. Titula-
turen behooren in hun geheel te worden medegedeeld,
behalve bij de landsheeren, waar men met den voor-
naamsten titel kan volstaan.
Een ander onderscheid, dat men bij het samenstellen van inven-
tarissen en regestenlijsten heeft in acht te nemen, is hierin gelegen,
dat men in regestenlijsten de spelling der eigennamen, zooals die
in het origineel voorkomt, heeft te behouden, terwijl men in
een inventaris de thans gebruikelijke spelling kan aannemen. De
grond der onderscheiding ligt voor de hand. De inventaris is een
wegwijzer door het archief, bestemd voorvhen, die thans het archief
willen raadplegen; de thans gebruikelijke spelling der eigennamen
behoort hier dus te worden gebezigd. Trouwens het gebruik der
oude spelling zou daarom reeds niet zijn vol te houden, omdat in
een dossier of een bundel misschien verschillende stukken zijn vereenigd,
-ocr page 131-
I2S
waarin dezelfde eigennaam anders wordt gespeld. Een regest geeft
daarentegen den korten inhoud eener oorkonde weer en moet zich
dus zoo nauw mogelijk aan den inhoud der oorkonde aansluiten,
de oude spelling der eigennamen moet dus bewaard blijven. Is
een regest aan meer archiefstukken ontleend b.v. aan een charter
en een cartularium, dan volge men de spelling van het oorspron-
kelijke stuk of anders van het oudste afschrift. Belangrijke afwij-
kingen behooren in noten te worden vermeld. Is de naam in de
oude spelling moeilijk verstaanbaar, dan behoort daaromtrent even-
eens in eene noot of aanteekening de noodige inlichting te worden
gegeven, evenals dat in oorkondenboeken gebruikelijk is.
Hetzelfde motief, dat aanleiding geeft in regesten de oude spelling
der eigennamen te behouden, moet er ook toe leiden de titulaturen,
die er in voorkomen, in hun geheel op te nemen. Om te weten,
welke persoon wordt bedoeld, kan het van veel belang zijn, te
weten, of hij ridder was of niet, welke heerlijkheden hij bezat,
welke hooge ambten hij bekleedde. Zonder die bijvoegselen is het
b.v. geheel onmogelijk de verschillende personen, die Gijsbert uten
Gooie of Claes van Borselen heetten, te onderscheiden. Bij lands-
heeren is het opnemen van alle titels ondoenlijk, (die van Karel V
vullen eene geheele bladzijde) en ook overbodig; juist omdat men
die niet met elkander zal verwarren. Er kan eene bijzondere aan-
leiding zijn zulk een titel te vermelden b.v. als daaruit blijkt, wan-
neer ongeveer de graven van Holland den titel van heer van Fries-
land hebben aangenomen, maar in het algemeen is bij landsheeren
het vermelden der titulaturen overbodig. Men schrijve dus b.v.
Reinald, hertog van Gelder (en late den grafelijken titel van Zutfen
achterwege), Frederik, bisschop van Utrecht (zonder bijvoeging van
geboren markgraaf van Baden), Albrecht, hertog in Beieren, Karel,
hertog van Bourgondie, Philips, koning van Castilië, Karel, Roomsch
keizer, George, hertog van Saxen, Edzard, graaf van Oost-Friesland,
enz. telkens met\' vermelding van den voornaamsten titel. Verder
dan tot de landsheeren kan men de uitzondering niet uitstrekken,
men schrijve dus niet Lamoraal, prins van Gavre, Wolferd, graaf
van Grandpré, Philips, markgraaf van Westerloo, omdat niet ieder
dadelijk ziet, dat daarmede de graaf van Egmond, de heer van
Vere of de burggraaf van Montfoort wordt bedoeld. Daar vermelde
men dus volgens den regel alle titels, althans zoovele als voldoende
zijn om volkomen duidelijk te maken, wie is bedoeld.
-ocr page 132-
126
§ 79- In eene regestenlijst moet bij elk regest voor-
komen :
10. de datum der oorkonde in onopgelosten en in
opgelosten vorm. Bij ongedateerde oorkonden
geve men eene zoo nauwkeurig mogelijke, met
redenen omkleede tijdsbepaling;
2°. de plaats, waar de oorkonde is uitgevaardigd.
Opneming van het geheele begin- of eindformulier
is onnoodig;
3°. de opsomming der voorhandene zegels;
4°. eene mededeeling over den aard van het stuk
(origineel of afschrift; — perkament of papier);
5°. eene mededeeling omtrent de transflxen, die
door eene oorkonde gestoken zijn of geweest zijn.
Ad 1°. De sub i genoemde regel geldt natuurlijk voornamelijk
voor den tijd, toen nog naar den heiligenkalender en niet naar den
dagkalender werd gerekend. Doorgaans valt de afschaffing van
den heiligenkalender samen met de invoering van den Gregoriaan-
schen kalender. In elk geval echter behoort men de dubbele dateering
te vermelden tot de invoering van den Gregoriaanschen kalender.
In Holland, Zeeland en het ressort der Generaliteit geschiedde dat
in 1582, in de andere provinciën (afgezien van de tijdelijke invoe-
ring in Groningen 1582—1594) in 1700.
Ad 2°. Het is niet noodig den sub 2° genoemden regel altijd
streng op te volgen. Bij oorkonden, uitgevaardigd door een vorstelijk
persoon, den paus, een bisschop, in één woord eene autoriteit,
welke zich nu eens hier, dan weer daar bevindt, is de vermelding
der plaats, waar de oorkonde is uitgevaardigd, zeker zeer gewenscht.
Hetzelfde geldt van verdragen en brieven. Bij oorkonden, verleden
voor eene autoriteit, welke zich niet buiten hare vaste woonplaats
begeeft, b.v. de regeering eener stad, behoeft men de plaats van
uitvaardiging enkel in geval van uitzondering van den regel te
vermelden.
Hoewel de opneming van het begin- of eindformulier eener oor-
konde niet noodig is, heeft zij dit voordeel, dat men dan tegelijk
den datum en de plaats, waar de oorkonde is uitgevaardigd, en
de taal, waarin zij is gesteld, leert kennen.
Ad 30. De regel schnjit alleen de vermelding der voorhandene
zegels voor, zij zijn alleen van belang voor den sigillograaf, en
hunne echtheid kan alleen nog worden beoordeeld. Dat neemt
-ocr page 133-
127
echter niet weg, dat het ook van belang is te weten, welke zegels
aan eene oorkonde hebben gehangen, al zijn zij nu verloren. Als
in het stuk iemand onder de zegelaars wordt vermeld en uit den
voorhanden staart of da insnijding in het charter blijkt, dat er een
zegel aan gehangen heeft, is de presumtie, dat het stuk ook door
dien persoon is gezegeld, bijna zekerheid. Daarom is het wenschelijk
ook de verlorene zegels te vermelden, maar verplichtend is het niet.
Eveneens is het gewenscht bij schepenzegels de namen der sche-
penen, die hebben gezegeld, op te nemen, vooral in het belang
der sigillographie, maar men kan, vooral waar het de vermelding
van dorpsschepenen geldt, volstaan met de mededeeling: met 2 (3 enz.)
schepenzegels, zonder de namen der schepenen te noemen. Of deze
namen al of niet moeten worden vermeld, hangt er van af, of er
veel schepenzegels in het archief voorkomen en of deze persoonlijke
zegels belangrijk genoeg zijn om afzonderlijk te worden vermeld.
Ad 40. Bij de vermelding, dat een stuk een afschrift is,
is het gewenscht zoo mogelijk iets omtrent de waarde van het
afschrift te voegen, in de eerste plaats wat betreft den tijd van
vervaardiging en verder wat betreft den vervaardiger. Bijv. men
beschrijve : i6e eeuwsch notarieel afschrift of: afschrift in een vidimus
van 24 Mei 1489. Zie ook de volgende §.
Ad 50. De transfixen, vermeld bij de getransfigeerde oorkonde,
worden (zoo zij aanwezig zijn), afzonderlijk en uitvoeriger beschreven
op hunne eigene plaats. Bijv.: No. 854. 1393 (Augustus 24) Up
sente Bartholomeusdach. Burgemeesters en raad van Groningen
verklaren, met den schulte Barwolt Calmers, Herman Velthoen te
hebben ingewezen in zes grazen land van Reyner Elmersinc,
gelegen bij Hoytinghehues ten z. van de Woltgrave te Dorkwerd.
Met een transfix d.d. 1394 (April 4) up sente Ambrosiusdach,
waarbij voornoemd land wordt overgedragen aan het Heilige
Geestgasthuis te Groningen.
Het zegel verloren.
No. 866. 1394 (April 4) up sente Ambrosiusdach. Burgemeesters
en raad van Groningen verklaren, dat Herman Velthoen het land,
waarvan de getransfigeerde brief van 1393 (Augustus 24) up sente
Bartholomeusdach spreekt, heeft verkocht en overgedragen aan
het Heilige Geestgasthuis te Groningen.
Het zegel der stad Groningen met contrazegel.
§ 80. Indien oorkonden niet meer in originali, doch
enkel in afschrift in tot het archief behoorende hand-
schriften aanwezig zijn, moet de beschrijving dezer
-ocr page 134-
128
oorkonden in de regestenlijst worden opgenomen, terwyl
in den inventaris alleen de handschriften zelven worden
vermeld.
Deze regel is de consequentie van het in deze handleiding meer-
malen (zie o. a. § Jj) besproken verschil tusschen een inventaris
en eene regestenlijst.
Vooral in verzamelingen van oude rechten, in cartularia, copiaria,
diversoria enz. vindt men afschriften van oorkonden, welker origi-
neelen niet meer aanwezig zijn. Indien die handschriften tot het
archief behooren, behooren ook de daarin opgenomen oorkonden
tot het archief en moeten zij in de regestenlijst worden opgenomen.
Bij het regest moet dan worden vermeld de plaats, waar het
afschrift zich bevindt, m. a. w. het register of handschrift, waarin
de oorkonde is geschreven. Men vergelijke hierbij het medegedeelde
bij § 73-
§ 81. De regestenlij sten moeten zijn voorzien van
indices, en wel: a. een index van persoonsnamen, b. een
index van plaatsnamen. Ook het opnemen van een
index van zegels is gewenscht.
Men lette hierbij op het aangeteekende bij § 64, hetwelk alles
ook hier volkomen van toepassing is.
Dat indices gemakkelijke en noodzakelijke wegwijzers zijn, is boven
bij de bespreking der indices van inventarissen (§ 64) reeds aange-
toond. Voor regestenlijsten, welke uit den aard der zaak door den
tegenwoordigen onderzoeker, den historicus, meer zullen worden
geraadpleegd dan de inventarissen, is dus het opnemen van indices
dubbel gewenscht. De § spreekt alleen van indices van persoons-
en van plaatsnamen. Daarnaast zijn indices van zegels (waarvan alleen
bij regestenlijsten sprake kan zijn) gewenscht. Men kan wel is waar
de namen der zegelaars ook in den index der persoonsnamen vin-
den, maar die index heeft toch een ander doel, en daarin komt
ook de vermelding der zegels van corporaties niet tot haar recht.
De vermelding van zegels in de regestenlijsten zal eerst dan nut
kunnen bewijzen, wanneer een index daarop het gebruik zal hebben
vergemakkelijkt. Zonder zulk een index heeft de vermelding der
zegels weinig praktische waarde, de zegels zijn dan in de regesten-
lijst als het ware begraven.
Wat dien index van zegels betreft, men kan ook hier een zuiver
alphabetische volgorde aannemen. Aanbevelenswaardig is het den
index van zegels te splitsen in rubrieken b.v. a. geestelijke zegels,
-ocr page 135-
129
b. wereldlijke zegels, terwijl deze laatste rubriek weder kan worden
gesplitst in zegels van i. zegels van vorstelijke personen, land-
schappen, steden, rechtsstoelen enz. 2. geslachtszegels.
In den index der zegels neme men alleen de nog aanwezige
zegels op, niet de zegels, welke, hoewel misschien in het regest
vermeld, verloren zijn.
§ 82. Bij het samenstellen van de alphabetische in-
dices van persoonsnamen, die de regestenlij sten behoo-
ren te vergezellen, houde men het volgende in het oog:
a.    Persoonsnamen moeten bij voorkeur naar de
familienamen, bij gebreke van dien naar de titu-
laturen, zoo ook die ontbreken, naar de voor-
namen worden gealphabetiseerd.
b.    Nederlandsche familienamen zijn te alphabetisee-
ren op den klank af, volgens de uitspraak; letters,
die niet worden uitgesproken, zijn als niet ge-
schreven te beschouwen.
e. Buitenlandsche familienamen zijn te alphabeti-
seeren volgens de oorspronkelijke spelling, zoo
die met zekerheid blijkt.
d.    Voornamen zijn te alphabetiseeren volgens de
in de regestenlij st meest voorkomende spel wij ze
onder inachtneming van het sub b opgemerkte.
e.   Familie» en voornamen van gelijken oorsprong
behooren in den index bij elkander worden te
geplaatst.
Oorspronkelijk had ieder mensch slechts één naam; later ontstond
de behoefte de verschillende individuen met denzelfden naam onder-
ling te onderscheiden, dit geschiedde eerst door het toevoegen van
den vadersnaam, later door het aannemen van een familienaam, waar-
door het gebruik van den vadersnaam langzamerhand overbodig
werd. Deze ontwikkeling is zeer geleidelijk geweest; in de middel-
eeuwen voerden slechts weinige personen een familienaam , bij het
invoeren van den burgerlijken stand waren er nog enkelen, die er
geen hadden. Waarop : op voornaam, familienaam of vadersnaam
moet men nu een persoonsnaam in den alphabetischen index
opnemen? De indices, die in de ise, i6e en 17° eeuw zijn aan-
gelegd, alphabetiseeren uitsluitend op den voornaam, ongetwijfeld
Handleiding Archivarissen.                                                                                                                 Q
-ocr page 136-
130
omdat iedereen een voornaam en niet iedereen een familienaam
had. Het toevoegen van den vadersnaam heeft niet ten gevolge
gehad, dat er in de alphabetische indices verandering plaats greep,
het algemeen worden van familienamen wel. Dit laat zich ook
gereedelijk verklaren. Het patronymicum diende uitsluitend om
lieden van denzelfden voornaam onderling te onderscheiden. Alle
personen, die Jan heetten, vormden als het ware ééne categorie,
onderscheiden in Jan\'s, wier vader Pieter, — Jan\'s, wier vader Klaas
heette enz. Zoolang alle familienamen niet anders waren als persoon-
lijke bijnamen, hadden zij hetzelfde doel: Jan de Bakker en Jan
de Snijder onderscheidden twee personen , even goed als Jan Pietersen
en Jan Klaassen. Maar toen Bakker en Snijder erfelijke familie-
namen waren geworden \'), veranderde de verhouding. De familie-
naam werd de terme générique, en de voornaam dient thans
uitsluitend om individuen, die tot dezelfde familie behooren, onderling
te onderscheiden. Hieruit volgt, dat men in een alphabetischen
index alle personen, die denzelfden familienaam voeren, bij elkander
moet voegen, hunne voornamen onderscheiden ze dan onderling;
terwijl men daarentegen personen, die geen familienaam voeren,
volgens de voornamen moet bijeenvoegen, hunne vadersnamen
onderscheiden hen dan nader onderling. Maar men ordene de namen
niet naar de patronymica, omdat er nooit eene categorie Jans-zoons
heeft bestaan, die men naar hunne voornamen onderscheidde.
Het bovenstaande neemt natuurlijk niet weg, dat ieder vrijheid
heeft om personen met een familienaam ook in den index op den
voornaam te plaatsen, inderdaad de mogelijkheid bestaat, dat zij
elders zonder familienaam voorkomen. Vermeldt men ze dus op
den voornaam, dan komen de plaatsen, waar zij voorkomen, bij
elkaar te staan. Maar dit ontslaat niet van de verplichting om de
namen ook te alphabetiseeren volgens den familienaam. Eveneens
kan het wenschelijk zijn de namen ook op de patronymica in
den index op te nemen, omdat dezen zoo vaak in familienamen
zijn overgegaan 2); maar dit mag geene reden zijn ze niet op de
voornamen te alphabetiseeren.
Titulaturen moeten op dezelfde wijze worden behandeld als
familienamen; in den regel zijn zij erfelijk b. v. graaf van, heer
van enz. De titels van heerlijkheden gaan ongemerkt in familie-
namen over, en dat dergelijke titels met familienamen worden
gelijkgesteld, behoeft geen betoog; maar ook bij niet erfelijke
titels, zooals abt en bisschop, proost en deken, baljuw en maar-
i) Hetzelfde geldt natuurlijk van tot familienamen gewordene patronymica.
a) Om dezelfde reden kan het gewcnscht zijn, ook persoonlijke bijnamen in den alphabetischen
index op te nemen.
-ocr page 137-
I3i
schalk, is het wenschelijk hetzelfde gebruik te volgen, daar de
personen dikwijls uitsluitend door hun titel worden aangeduid en
onder dien titel ook het meest bekend zijn. Dit neemt niet weg,
dat bij titulaturen vermelding èn van den titel, èn van den familie-
naam , èn van den voornaam in den index wenschelijk is. Jan van
\'s-Graven<;ande, abt van Middelburg, vermelde men dus bij voorkeur
niet slechts onder \'s-Gravenzande, maar ook onder Middelburg en
onder Jan, Jan van Henegouwen, heer van Beaumont onder Hene-
gouwen, Beaumont en Jan. Natuurlijk is het niet noodig telkens
alle plaatsen aan te voeren: men kan bij Jan en Beaumont naar
Henegouwen verwijzen.
Eene tweede vraag is, in welke volgorde moet men de namen
in den index opnemen. De volgorde, die de spelling aanwijst, is
hiervoor niet bruikbaar, omdat de spelling dikwijls willekeurig is.
Dezelfde persoon, die in het eene regest Looten heet, wordt in
het andere Loten genoemd; dezelfde persoon heet hier Nicolaus
daar Claes, hier Aegidius daar Gillis. Bovenstaande regels hebben
nu ten doel de namen, die in den grond gelijkluidend of gelijk
beduidend zijn, in den index bij elkander te voegen. Voor Neder-
landsche familienamen is daarom bepaald, dat zij gealphabetiseerd
worden op den klank, op de uitspraak af. De ae beschouwe men
dus als aa, den dubbelen klinker aan het einde van eene lettergreep
als een enkelen, de c, gevolgd door eene andere letter dan eene e
of i, als k \'); ei, ey worden in den regel bijeengevoegd, evenzoo
ss en ssch, th en /, ^ en i, pk en f, g en ch aan het slot van
een woord. Volgens hetzelfde beginsel ga men te werk, als twee
namen alleen verschillen tengevolge van locale uitspraak (b.v. Van
der Molen, Van der Meulen en Vermeulen, Schouten en Scholten,
Van Sulck en Van Sullick), of als een Hollandsche naam in het
latijn of eene andere taal is overgebracht (b.v. Van der Molen en
De Molendino, Schouten en Pretorius, Backer en Pistorius) of
gelatiniseerd is (b.v. Janssen en Jansonius, De Groot en Grotius).
In al deze gevallen is echter eene verwijzing in den index van den
eenen naam naar den anderen noodig. Voorvoegsels, onverschillig
of zij al of niet aan den eigenlijken naam zijn verbonden, oefenen
op de plaatsing geen invloed uit. Men plaatse dus \'t Hooft en
Thooft, Van der Hoeven en Verhoeven, De Hont en Dhont allen
op de // l).
Buitenlandsche familienamen kan men niet naar de uitspraak
alphabetiseeren, omdat de uitspraak eener vreemde taal geheel
i) Ook soms als een .\' of i volgt, b.v. Ceulen (spreek uit Keulen).
2) Hetzelfde moet gelden, zoo de eindletter van het voorvoegsel met den naam zelf verbonden
is. Van Nel en Van Es behooren beiden op de B, Van Noort en Van Oort beiden op de 0 Ie
worden gealphabetiseerd.
-ocr page 138-
132
anders is dan die der onze. Men volge dus zooveel mogelijk de
oorspronkelijke spelling van den naam en zette b.v. Pretorius op
Praetorius, De Vloois op De Valois \').
Het ware gevvenscht, zoo men met de voornamen op dezelfde
wijze kon handelen. Tot op eene zekere hoogte heeft dat dan ook
geen bezwaar; de namen, die denzelfden oorsprong hebben, zooals
Jan, Johan en Johannes, Claes en Nicolaas, Gillis en Aegidius,
Zweder en Asuerus, behooren in den index bij elkander te worden
gevoegd; maar het is moeilijk een algemeenen regel te vinden,
volgens welken men beslist, aan welken voornaamsvorm men de
voorkeur heeft te geven. De oorspronkelijke vorm kan hier niet
dienen, want Jan is afgeleid van het Fransch, Johan van het
Duitsch, Johannes van het Latijn. Het meest gewenscht ware
misschien, vooral voor middeleeuwsche publicaties, de voornamen te
rangschikken volgens hun Latijnschen vorm, wat tevens de naam
van den kerkheilige is. Maar het gaat toch niet aan, de Hol-
landsche graven Willem in den index te plaatsen op Guilielmus,
Karel op Carolus enz. Bovendien niet alle namen hebben een
Latijnschen vorm (b.v. Sjoerd). Het is daarom beter om de] voor-
namen op den index te plaatsen overeenkomstig den vorm, die in
de regestenlijst zelve het meest voorkomt. Veel inconvenient heeft
het niet, want als men op Jan te vergeefs heeft gezocht, zal men
van zelf gaan zoeken op Johan of Johannes.
§ 83. Het is wenschelijk, dat de archivaris de
belangrijkste stukken van zijn archief in het licht
geve. Men geve echter niet uit het eerste het beste
stuk, dat bij het sorteeren ter hand komt en belangrijk
schijnt. Het is gewenscht, dat men vooraf een over-
zicht van het archief neme en beoordeele, welke stuk-
ken het eerst voor eene uitgave in aanmerking komen,
en vooral of niet het stuk, dat de aandacht heeft ge-
trokken , behoort tot eene serie of een dossier, waarvan
eenige stukken tegelijk moeten worden uitgegeven. In
kleine archieven is het zelfs wenschelijk, den inven-
taris te voltooien, voordat men een stuk daaruit doet
afdrukken.
Overigens is het hier de plaats niet om over de uit-
1) Het is niet overbodig er aan te herinneren, dat hier alleen wordt gehandeld over alphabetische
indices op regestenlijsten, die allen over tijdvakken, antérieur aan de invoering van den burger-
lijken stand, toopen.
-ocr page 139-
133
gave van archiefstukken te spreken. Men volge de regels,
voorgeschreven door het Historisch Genootschap, zoo-
wel voor de uitgave van stukken betreffende de middel-
eeuwsche als voor die van stukken betreffende de
nieuwere geschiedenis.
De laatste plicht, die op den archivaris rust met betrekking tot
het archief, waarvoor hij zorg moet dragen, is het in het licht
geven der voornaamste stukken. Het is zijn plicht, maar het is
een eereplicht, geen ambtsplicht. Wij kunnen ons dus hier tot
enkele wenken bepalen. Het is geraden, dat de archivaris met
dit meest aantrekkelijke werk niet te spoedig beginne. Een
archivaris, die voor het eerst kennis maakt met een archief, loopt
gevaar bijna elk stuk belangrijk te vinden, omdat de inhoud uit
den aard der zaak voor hem nieuw is. Het spreekt echter van
zelf, dat het dwaas zou zijn al deze stukken uit te geven. Maar
ook den archivaris, die meer met zijn archief vertrouwd is geworden,
treffen natuurlijk dikwijls enkele stukken om hunnen merkwaardigen
inhoud. Zoo hij die in het licht geeft, doet hij natuurlijk niet
verkeerd; maar hij doet beter, indien hij de uitgave nog eenigen
tijd uitstelt. Welken waarborg toch heeft hij, dat hij niet over
enkele dagen of weken, wanneer het stuk juist is gedrukt, een
tweede stuk zal vinden, dat zich geheel daarbij aansluit, terwijl
beide stukken elkander ophelderen? Hij zal dit dan natuurlijk ook
uitgeven, en beide uitgaven zijn dan incompleet. Over het geheel
ontaardt eene dergelijke methode van stuksgewijze publicatie maar
al te licht in zeker dilettantisme, eene zekere liefhebberij voor
curiositeiten zonder diepere gedachte. Zij maakt het bovendien
voor historici steeds moeielijker, een overzicht te verkrijgen van het
overal verspreid uitgegevene materiaal. Maar het grootste bezwaar
tegen deze methode is wel, dat de archivaris zijnen tijd verspilt
met kleinigheden, zoodat hem de gelegenheid ontbreekt voor
werkelijk serieus werk, voor de uitgave der belangrijkste stukken
van het archief, die vóór alles de aandacht verdienen.
Eene treffende illustratie van het gezegde levert de geschiedenis
der Utrechtsche archieven. Sedert het jaar 1830 is er in deze
archieven gedurende 25 jaren bijna aanhoudend gearbeid en zijn
stukken daaruit gepubliceerd. De twee serieën van Van der Monde\'s
Tijdschrift, het Tijdschrift van Vermeulen, het Archief van Dodt
met zijn vervolg door Van Asch van Wijck, en de Utrechtsche
Volksalmanak van Bosch bevatten tallooze stukken uit deze archie-
ven, die te zamen niet minder dan 26 deelen beslaan, — nog af-
gezien van het materiaal, nu en dan gepubliceerd in de tallooze
deelen van het Archief voor kerkgeschiedenis van Kist en Royaards
-ocr page 140-
134
met zijne vele vervolgen, in Nijhofif\'s Bijdragen en in het Archief
van het aartsbisdom Utrecht. Na zoo onverdroten, prijzenswaar-
digen arbeid van jaren, verricht door mannen, die geenszins tot de
minsten behoorden, zou men allicht verwachten, dat er wel nog
stof was voor eene nalezing, maar toch slechts voor een oogst,
die uitsluitend vruchten van den tweeden of derden rang kon
beloven. Welnu, juist het tegendeel was tot voor korten tijd het
geval. In het provinciaal archief lagen de enkele bisschoppelijke
rekeningen geheel vergeten, — in het stedelijk archief had nog
niemand melding gemaakt van de keurboeken, die voor het bestu-
deeren der Utrechtsche rechtsgeschiedenis onontbeerlijk waren, —
in de kapittelarchieven rustte onuitgegeven het merkwaardige trac-
taat van Mr. Hugo Wstinc, dat de inrichting van het Domkapittel
in alle bijzonderheden beschrijft, — en de imposante reeks der
Utrechtsche keizeroorkonden kende men gedeeltelijk slechts uit
geheel onvoldoende iydc eeuwsche uitgaven, terwijl het beste hand-
schrift toch in het archief der Oud R. C. Clerezy aanwezig was.
Deze toestand was natuurlijk bedenkelijk, en wij meenen daarom
te mogen aanraden geene uitgaven te ondernemen, voordat de
archivaris van den inhoud van het archief althans een overzicht
hebbe verkregen. Is het mogelijk, dan schijnt het zelfs wenschelijk,
dat hij vooraf den inventaris van het archief voltooie, opdat hij
nauwkeurig wete, welke stukken, die in het kader zijner uitgave
passen, het archief bevat. Maar bij omvangrijke archieven zou het
met nadruk stellen van dezen laatsten eisch min of meer gelijk
staan met een verbod van uitgave van stukken door den archivaris,
hetgeen allerminst onze bedoeling is; trouwens het is in het belang
der uitgaven ook niet bepaald noodig.
Wat den vorm der uitgave betreft, meenen wij ons te mogen
bepalen tot den wenk, om geene stukken uit te geven zonder eene
toelichting, die minstens bevat eene beschrijving van het gebruikte
handschrift en de aanwijzing van het belang van het uitgegevene stuk.
Voor de bij de uitgave in acht te nemen regels kunnen wij ove-
rigens verwijzen naar de voorschriften, daarvoor vastgesteld door
het Historisch Genootschap. De Bepalingen over de uitgave van
(middclccuwsche) handschriften x)
zijn ontleend aan verschillende
gezaghebbende modellen en door nagenoeg alle Nederlandsche ver-
eenigingen en redactiön van naam, die zich bezighouden met het
uitgeven van oude handschriften, overgenomen en aanbevolen.
De Bepalingen voor het uitgeven van handschriften, betrekking
hebbende op de nieuwere geschiedenis
, bewerkt naar de door den
Deutschen Historikertag vastgestelde regels, zijn later verschenen 2).
x) Uitgegeven in 1884 (herdrukt in 1890) en voor ƒ0.25 verkrijgbaar bij de firma Kemink & Zoon
te Utrecht
2; In 1896; deze regelen zijn voor/o. 20 verkrijgbaar, eveneens bij de firma Kemink & Zoon te Utrecht.
-ocr page 141-
ZESDE HOOFDSTUK.
Over het conventioneel gebruik
van eenige termen en teekens.
§ 84. Het is in het belang der duidelijkheid ge-
wenscht, dat men in de verschillende inventarissen
steeds dezelfde terminologie gebruike.
Ook in andere opzichten is uniformiteit in de inven-
tarissen wenschelijk.
Den hier aangegeven regel wenschen wij met aandrang in over-
weging te geven. Niet echter omdat eenig gewichtig beginsel
is gemoeid met het verkrijgen van uniformiteit in de behandeling
der archiefinventarissen met betrekking tot verschillende kleine
bijzonderheden. Het is in verreweg de meeste gevallen onver-
schillig of althans van weinig belang, of men in dergelijke zaken
in den een of in den anderen zin beslist. Maar het is niet onverschillig,
of de beslissing door allen wordt genomen in dcnzclfden zin.
Wanneer het toch mocht gelukken eenige uniformiteit in dergelijke
kleinigheden te verkrijgen, dan zouden de gebruikers van den
inventaris, allengs gewend aan de beteekenis der gebruikte uitdruk-
kingen, die dadelijk van zelf begrijpen, en het zou niet noodig
zijn, de beteekenis daarvan nog afzonderlijk toe te lichten. Wij
willen dit met een paar voorbeelden ophelderen. Men is gewoon
te spreken van „Raadsnotulen", ook wel van „Statennotulen".
De uitdrukking is niet geheel juist, want men bedoelt het register
van de „resolutiön", de besluiten vanden Raad of de Staten. Maar
het verschil is van gering belang, en wij wenschen dan ook niemand
-ocr page 142-
136
over de onjuistheid der uitdrukking lastig te vallen. — In het laatst
der vorige eeuw worden de resolutiën echter allengs uitvoeriger;
in of omstreeks 1795 begint men ook zaken te vermelden, waar-
over geen besluit is gevallen, soms ook wel de gehoudene beraad-
slagingen : het worden ware notulen. Men kan dit alles in eene
noot bij de beschrijving der serie uitvoerig vermelden, en men
behoort dit ook te doen, omdat deze bijzonderheid voor den gebruiker
van den inventaris van belang is. Maar langs een veel eenvoudi-
geren weg is hetzelfde doel te bereiken: wanneer men onderling
afspreekt het boven aangeduide onderscheid tusschen resolutiën en
notulen streng in het oog te houden, is men zonder eenige toe-
lichting gereed. Een ander voorbeeld. De ouden spraken van een
register van resolutiën, wij van een alphabetisch register; het is
dus wenschelijk de beteekenis van het woord register eens voor al
vast te stellen, om verwarring te voorkomen. Bovendien kenden
de ouden nog repertoria. Wil men niet genoodzaakt zijn, den
inhoud van zulk een repertorium in den inventaris te verklaren,
dan is het wenschelijk vooraf vast te stellen, wat een repertorium
is, wat een index. — Het gebruik van verschillende omschrijvingen
voor dezelfde zaak levert dus soms gevaar voor de duidelijkheid
van den inventaris; in ieder geval kan eenheid van omschrijvingen
den inventaris zeer bekorten. Die eenheid moge dus niet noodig
zijn, zij is zeer gemakkelijk en zeer nuttig.
Hetzelfde geldt van uniformiteit in andere kleinigheden, die bij
het samenstellen van den inventaris in aanmerking komen. Het
is b.v. gemakkelijk af te spreken, dat men, indien men een onge-
dateerd stuk in den inventaris van een datum voorziet, dien datum
tusschen haakjes zal plaatsen; indien de gebruiker van den inven-
taris dan bemerkt, dat de datum onjuist is, behoeft hij zich niet
af te pijnigen met een onderzoek naar de reden dier onjuistheid.
Worden in eene afdeeling van den inventaris of in eene regestenlijst
of oorkondenboek de stukken chronologisch geordend, dan is het
voor den gebruiker gemakkelijk te weten, of hij de stukken, die
alleen een jaartal zonder verdere tijdsaanwijzing bevatten, zal
vinden vóór Januari of na December. Het spreekt van zelf, dat
de eene plaatsing even goed is als de andere; maar het is niet
goed, beurtelings het eene en het andere te doen.
Wij hopen, dat men bereid zal zijn in dergelijke onverschillige
zaken eigene gewoonten op te geven en zich naar anderen te schikken.
Het is daarom, dat wij het wagen, in de hier volgende § §
voor verschillende gevallen, zooals wij hier boven aanduidden,
zekere regelen op te geven, die wij met eenig vertrouwen in de
aandacht onzer ambtgenooten aanbevelen.
-ocr page 143-
137
§ 85. Bij deelen onderscheide men tusschen: regis-
ters, protocollen en banden. Banden zijn ontstaan
door het samenbinden van losse stukken, terwijl in
protocollen en registers de inhoud eerst is ingeschreven
nadat het deel reeds was gebonden. Protocollen
bevatten de minuten zelf, registers bevatten de af-
schriften.
Deel is de algemeene term om aan te duiden eene verzameling
papieren, die bij elkander zijn gebonden (of genaaid). Het is de
beteekenis, waarin het woord ook in het gewone spraakgebruik
wordt gebezigd. Deze deelen worden nu onderscheiden al naarmate
de bladen zijn beschreven, vóór- of nadat zij tot een deel waren ver-
eenigd. Het eerste komt herhaaldelijk voor. Minuutakten, hetzij
van resolutiën of notulen, hetzij van transporten of andere schepen-
brieven, rekeningen , ingekomene brieven enz. worden herhaaldelijk ,
nadat zij op afzonderlijke vellen zijn geschreven, tot deelen bijeen-
gebonden. Zulke deelen worden banden genoemd, waarbij het
geheel onverschillig is, of het deel door binden of door innaaien
is ontstaan. Alle andere deelen, die reeds bestonden voordat zij
werden beschreven, heeft men weder te onderscheiden in protocollen
en registers. Protocollen l) zijn die deelen, waarin minuten zijn
ingeschreven; in vele schepencolleges was het gebruikelijk de akten
dadelijk in het daarvoor bestemde deel te minuteeren. Ook door
notarissen werd meermalen op dezelfde wijze gehandeld. Registers
daarentegen zijn deelen, waarin akten zijn geregistreerd d. w. z.
zijn overgeschreven. Registers bevatten dus uitsluitend afschriften.
Er is geen grond om te onderscheiden tusschen registers,
waarin uitgaande, en copiaalboeken, waarin ingekomene stukken
zijn afgeschreven (welke onderscheiding Bresslau, Urkundenlehre I
blz. 92 aanneemt), deels omdat het woord „registreeren" daarvoor
eene te algemeene beteekenis heeft, deels omdat uit de beschrijving
in den inventaris voldoende blijkt, of het register ingekomen of
uitgaande stukken bevat.
Er zij hier nog in het bijzonder de aandacht op gevestigd, dat
in inventarissen het woord register altijd in de boven opgegevene
beteekenis moet worden gebezigd. Om verwarring te voorkomen
is het ongewenscht het woord register te gebruiken in den zin
van inhoudsopgave. Men schrijve dus b.v. niet „Sententieboek,
achterin: register der gecondemneerde personen" , maar : „Register
van sententièn, achterin: index der personen, tegen wie de sententiën
1) In het gewone spraakgebruik verstaat men onder protocollen ook losse beschrevene vellen
papier of later samengebondene bladen. Men denke b.v, aan notaricele protocollen.
-ocr page 144-
138
gewezen zijn". Zie voorts § 89. Ten slotte zij hier nog opgemerkt,
dat het wenschelijk is het woord „boek" in inventarissen te ver-
mijden, tenzij in de beteekenis van gedrukt werk.
§ 86. Men onderscheide tusschen een dossier en een
bundel stukken. Een dossier is gevormd, terwijl het
archief nog leefde; een bundel is, nadat het is afgestor-
ven, door een lateren beheerder gevormd.
De bovenstaande onderscheiding heeft weder hoofdzakelijk een
praktisch doel. Als in een inventaris wordt gesproken van een
dossier, dan worden daarmede uitsluitend bedoeld stukken, die
zijn bijeengevoegd en tot een pak vereenigd, toen het archief nog
leefde. Hierbij is het niet bepaald noodzakelijk, dat de stukken
reeds zijn vereenigd, vóórdat of onmiddelijk nadat zij in het archief
zijn gedeponeerd; de dossiers kunnen later zijn gevormd, zoo zij
slechts zijn gevormd in den tijd, toen het bestuur of de ambtenaar,
die het archief heeft gevormd, nog fungeerde en het archief nog
onder zich had. Bundels worden daarentegen gevormd door den
archivaris, die bij de ordening van het archief volgens § 31 eenige
stukken in één nummer bijeenvoegt en beschrijft. Een archivaris
kan dus wel een bundel maken, niet een dossier. Hij kan alleen, zoo
een dossier uit elkaar gevallen is, het herstellen. Het is niet overbodig
er hier nog eens uitdrukkelijk op te wijzen, dat niet alle in één
archiefnummer vereenigde stukken bundels of dossiers vormen.
Daarvoor is het noodig, dat de bijeengevoegde stukken op één
onderwerp betrekking hebben. Stukken, die alleen zijn vereenigd
om hun aard, b.v. omdat het allen ingekomene stukken of reke-
ningen van een bepaalden tak van dienst zijn, vormen bundels
noch dossiers, maar liassen, omslagen of pakken. Tusschen de beide
laatste woorden is geene nauwkeurige onderscheiding te maken.
Het eenige verschil is, dat een pak lijviger is dan een omslag.
(Onder het laatste heeft men in een inventaris altijd een omslag
met stukken te verstaan, niet de omslag zonder de stukken.)
Ongewenscht is het gebruik der termen eene portefeuille of eene doos.
Immers alle dergelijke uitdrukkingen worden gebezigd om den
gebruiker van den inventaris in te lichten omtrent den aard of
den omvang der verzameling stukken; daaromtrent nu geven de
uitdrukkingen portefeuille en doos geen licht. Men schrijve dus
„een pak in portefeuille", „een dossier in eene doos" enz. De term
lias kan zonder bezwaar worden gebezigd, daar eene lias altijd
een oud pak is.
-ocr page 145-
139
§ 87. Bij inhoudsopgaven van een deel onderscheide
men tusschen tafels, indices en repertoria. Eene tafel
is zoodanig ingericht, dat de inhoudsopgave dezelfde
volgorde heeft als het deel zelf; een index en een reper-
torium brengen den inhoud van een deel naar zijn aard
onder verschillende hoofden, onverschillig op welke
wijze die hoofden zijn gerangschikt.
Het verschil tusschen een index en een repertorium
is, dat het laatste van iedere plaats van het deel,
waarnaar het verwijst, eene korte inhoudsopgave geeft,
terwijl een index met de verwijzing volstaat.
Bovenstaande definitie behoeft slechts weinig toelichting. Boven
(zie § 85) is er reeds opgewezen, dat het gebruik van de uitdruk-
king register voor inhoudsopgaven afkeuring verdient, omdat het
woord register in een inventaris eene andere, daar nader aange-
duide beteekenis heeft.
Onder de inhoudsopgaven van een deel of eene serie deelen
van een archief heeft men in de eerste plaats de tafels te onder-
scheiden. Het eigenaardige van eene tafel is hierin gelegen, dat
er dezelfde volgorde in heerscht als in het deel zelf, waarvan het de
inhoudsopgave is. Zulke tafels komen dus overeen met de inhouds-
opgaven, die men in den regel in gedrukte werken aantreft. Wat
in het deel op de eerste bladzijde voorkomt, wordt in de tafel in
de eerste plaats vermeld enz. Het gevolg hiervan is, dat tafels
van eene serie deelen zelden voorkomen. In den regel wordt op
elk deel eene afzonderlijke tafel gemaakt, hoewel die van opvol-
gende deelen soms achter elkander worden afgeschreven. Geheel
met tafels overeen komen de marginale aantcekcningen, die met
korte woorden het onderwerp vermelden, waarover in den tekst
wordt gehandeld. Vele tafels zijn gevormd door het achter elkander
neerschrijven der bovenbedoelde marginale aanteekeningen.
Bij alle andere inhoudsopgaven wordt de inhoud van een deel
of eene serie onder verschillende hoofden gerangschikt. Dier-
gelijke inhoudsopgaven worden weder in indices en repertoria onder-
scheiden. Tusschen beide categorieën bestaat alleen dit verschil,
dat indices alleen de Stichwörter zelf vermelden , terwijl repertoria
uitvoeriger zijn en van elke akte of elke plaats eene korte inhouds-
opgave geven. Zoo worden dikwijls op leenregisters repertoria
gemaakt, de akten van beleening worden daar bijeengebracht al
naarmate zij op eenzelfde leen betrekking hebben, en van elk leen
vindt men dan de verschillende beleeningen onder elkander mede-
-ocr page 146-
140
gedeeld, met aanwijzing, waar de betreffende akten in extenso in
het leenregister te zijn vinden.
De verschillende hoofden, waaronder de inhoud van een deel of
eene serie in een index of repertorium zijn verdeeld, kunnen onder-
rling op verschillende wijze zijn gerangschikt: alphabetisch, chrono-
logisch , systematisch, geographisch enz. Dit dient er telkens bij
te worden aangeteekend. Bij tafels komen zulke onderscheidingen
uit den aard der zaak niet voor.
§ 88. Bij de stukken, die de handelingen van een
bestuur behelzen, onderscheide men tusschen resolutiën
en notulen. In de eersten worden alleen de beslissin-
gen van het college medegedeeld, in het tweede ook
de beraadslagingen.
De algemeene term, waaronder resolutiën en notulen beiden
begrepen zijn, is handelingen of akten. De laatste uitdrukking
wordt voornamelijk door Latijn sprekende geleerden-colleges gebe-
zigd. Een aktenboek bevat de handelingen van een kerkeraad,
een classicaal bestuur, een academischen senaat. De in de § gemaakte
onderscheiding tusschen resolutiën en notulen zal ieder treffen, die eene
serie zegisters, welke handelingen van een college bevatten, heeft
doorgezien. In den aanvang zijn de opteekeningen uiterst kort; zij
behelzen dan niet anders dan de besluiten, waartoe de vergadering
is gekomen, daarna worden zij meer volledig en ten slotte wordt
bijkans alles wat in de vergadering gebeurt, ook al is er geene
beslissing op genomen, opgeschreven. Het geheel verschillend
karakter der oudste resolutiën en der latere notulen springt duidelijk
genoeg in het oog, maar het is niet altijd mogelijk de juiste grens
tusschen beiden te trekken. In de bovenstaande § wordt de grens,
waar de resolutiën eindigen en de notulen beginnen, daar gesteld,
waar begonnen is niet slechts de gevallene beslissingen maar ook
de gehoudene beraadslagingen mede te deelen. Natuurlijk zal die
grens niet altijd even zuiver te bepalen zijn; er is eene periode,
waarin soms, niet altijd de beraadslagingen worden medegedeeld.
In het algemeen kan men zeggen, dat de grens in 1795 valt. In
de registers, die de handelingen der provinciale Staten en der
stedelijke magistraten vóór 1795 behelzen, komen in den regel
geene beraadslagingen voor. Wel worden de opinies der verschiU
lende staatsieden afzonderlijk vermeld, maar eigenlijke beraadsla-
gingen komen noch in de provinciale noch in de stedelijke akten-
boeken voor. De tijdsomstandigheden brachten daarin verandering.
-ocr page 147-
I4i
De door volkskeuze tot regeering geroepenen stelden er prijs op,
dat het door hen gezegde in de handelingen van hun college werd
opgeteekend; zoo werd met de oude gewoonte gebroken en de
handelingen, die tot heden niets dan resolutiën waren geweest,
werden notulen. De hier gegeven onderscheiding stemt met het
spraakgebruik overeen. De handelingen der Staten-generaal, der
Staten van Holland etc. werden niet in notulenboeken maar in
resolutieboeken opgeteekend, terwijl thans, nu het gebruik algemeen
is om alle handelingen, ook de beraadslagingen , van een college op
te teekenen, nimmer van resolutiën altijd van notulen (of in het
algemeen van handelingen) wordt gesproken. Met de daad is ook
het woord veranderd.
§ 89. Bij resolutiën en notulen onderscheide men:
a.   het klad of memoriaal. Dit wordt tijdens de
vergadering zelve opgemaakt.
b.   het concept. Dit is het stuk, na de vergadering
opgemaakt maar niet goedgekeurd.
c.    de minuut of lap. Dit is het stuk, gelijk het
door de vergadering is vastgesteld.
d.    het net. Dit is een afschrift der minuut, be-
stemd om onder het college, waarvan het de
resolutiën of notulen bevat, te blijven berusten.
e.    afschriften.
In den regel doorloopen resolutiën en notulen tot en met hare
definitieve vaststelling drie phasen. Op de vergadering zelve
wordt door den daarmede belasten ambtenaar eene korte aantee-
kening van het verhandelde gemaakt (klad of memoriaal); daarna
worden door dien beambte de resolutiën of notulen meer uitgewerkt
neergeschreven (concept); eindelijk wordt dit stuk, al of niet gewijzigd,
in de volgende vergadering vastgesteld {minuut of lap). \') Niet altijd
komen die drie verschillende redactiën voor; het kan zijn, dat de
secretaris op de vergadering zelve de resolutiën zoo uitvoerig
neerschrijft, dat hij ze niet later behoeft uit te werken: memoriaal
en concept vallen dan samen. Het kan ook zijn, dat het concept
ongewijzigd wordt goedgekeurd of dat de veranderingen op het
concept zelf worden aangebracht, zoodat hetzelfde stuk eerst concept
daarna minuut is; dit laatste is zelfs in den regel het geval.
Bovendien verloren klad en concept, al waren zij ook elk op een
1) Hier zij er aan herinnerd, dat de vaststelling der resolutiën of notulen vroeger in den regel niet
geschiedde door onderteekening van voorzitter en secretaris. Het onderscheid tusschen concept en
\'minuut is dus niet hierin te vinden, dat de eerste niet, de tweede wel was geteekend.
-ocr page 148-
142
afzonderlijk vel geschreven, alle beteekenis zoodra eens de minuut
was vastgesteld; zij waren niet, gelijk de laatste, bestemd om
bewaard te blijven en werden dan ook in den regel vernietigd.
Wat er van memorialen en concepten thans in archieven berust, is
dan ook onbeduidend. Tusschen klad en memoriaal is geen onder-
scheid te maken, beide woorden worden in denzelfden zin gebezigd.
Daarentegen onderscheide men tusschen minuut en lap. Lappen
zijn een bijzonder soort minuten ; zij zijn n.1. altijd op losse vellen
geschreven, die later in den regel bij elkaar zijn gehouden
Daar het gebruikelijk was, in het concept de noodige wijzigingen\'
aan te brengen en dat zoo tot minuut te maken, hadden de
minuten of de lappen niet altijd een even oogelijk aanzien. Zoo-
doende ontstond al spoedig de behoefte om naast de minuut of de
lap een net exemplaar te bezitten, dat zich gemakkelijk liet lezen,
omdat het gelijkmatig was geschreven en geene doorhalingen
bevatte. Terwijl de minuut werd geschreven door den secretaris
of een ander vertrouwd beambte, die het recht had de vergade-
ringen bij te wonen en niet om Jjne schrijfkunst maar om zijne
andere bekwaamheden tot die betrekking was benoemd, werd het
overschrijven der resolutiën of notulen in het net exemplaar aan een
klerk opgedragen, die tot dat werk werd aangewezen , vooral omdat
hij eene goede hand schreef.
Het komt intusschen herhaaldelijk voor, dat eene serie resolutiën,
die oorspronkelijk uit minuten bestond, later het net exemplaar wordt.
Deze ontwikkeling is bij de resolutiën der Staten van Utrecht nauw-
keurig na te gaan. De Statengriffier Ledenberg schreef bijna
onleesbaar: in zijn tijd was dus een net exemplaar dringend noodig;
maar onder zijn opvolger Van Hilten , sinds 1618, werd het schrift
der minuut-resolutiën zooveel beter, dat het net exemplaar meer en
meer overbodig werd. Eerst liet men toen de resolutiën zelf uit het
net exemplaar weg en nam er alleen nog maar de ingekomene stuk-
ken in op ; eenigen tijd daarna werd het net exemplaar in het geheel
niet meer vervolgd. Maar later in 1674, toen weer een nieuwe
secretaris, Van Luchtenburg, was opgetreden, gevoelde deze weer
behoefte aan twee registers; de bestaande serie, die oorspronkelijk
de minuten had bevat, werd toen als net exemplaar vervolgd, en
eene nieuwe serie minuten of lappen werd daarnaast aangelegd. Een
dergelijke overgang van de eene serie tot de andere komt ook
elders voor, o.a. bij de resolutiën van het Domkapittel.
Het behoeft geene vermelding, dat niet alle colleges hunne resolutiën
of notulen in een net exemplaar hebben laten overschrijven: met
name bij de na 1795 opgetredene bestuurscolleges is dat het geval.
Het inschrijven in het net register geschiedde altijd eenigen tijd na
-ocr page 149-
143
de vaststelling der minuut, en de regeeringscolleges uit den tijd
der Bataafsche republiek hebben meerendeels zoo kort bestaan, dat
het schrijven van een net exemplaar niet of te nauwemood was be-
gonnen, als het college reeds door een ander was vervangen, en dan
bleef het schrijven van het net exemplaar verder achterwege.
Behalve het net exemplaar, dat bestemd was voor de griffie of de
secretarie van het college zelf, komen natuurlijk nog tal van afschriften
voor. In de eerste plaats afschriften, voor de leden van het college
bestemd; soms werd daarin echter niet alles opgenomen, hetzij dat
de afschrijvers weglieten wat de staatsieden, voor wie het afschrift
bestemd was, minder interesseerde (dit is b. v. het geval bij de
resolutiën van het College tot de Nadere Unie, en komt in het algemeen
voor bij colleges, waar voor het afschrijven der resolutiën niet door
het college zelf maar door de betrokkene leden zelven werd zorg
gedragen), hetzij dat zij, wat in de resolutiën uitvoerig stond ver-
meld , in verkorten vorm weergaven (b.v. de compendieuse resolutiën
of korte notulen der Staten van Utrecht.) Toen het gebruik opkwam
de resolutiën te laten drukken (Staten van Holland en van Zeeland)
verving een exemplaar van het gedrukte werk zoowel het net exem-
plaar als de andere afschriften. Men heeft sedert in den regel slechts
twee exemplaren van resolutiën: geschrevene (de minuut) en gedrukte.
§ 90. Bij rekeningen onderscheide men:
a.    het concept, d. i. de nog niet goedgekeurde reke-
ning.
b.    de afgehoorde rekening. Onder deze uitdrukking
versta men zoowel de origineele afgehoorde reke-
ning als authentieke afschriften, zoo deze laat-
sten, dadelijk na het afhooren der rekening op-
gemaakt, bestemd zijn om te worden uitgereikt
hetzij aan den rendant, hetzij aan degenen, die
de rekening afhooren. Het is wenschelijk bij de
beschrijving te doen uitkomen, voor wie het
exemplaar der afgehoorde rekening bestemd was
c.    andere, al of niet authentieke, afschriften.
Een manuaal is een register, waarin een rekenplich-
tig ambtenaar zijne ontvangsten en uitgaven aantee-
kent onder de hoofden, waarin hij ze later in zijne
rekening zal verantwoorden.
Rekeningen worden door den rekenplichtigen ambtenaar ontwor-
-ocr page 150-
144
pen. De door hem ontworpen, maar nog niet goedgekeurde rekening
wordt het concept genoemd. Daarna wordt de rekening door het
college of de ambtenaren, met de af hooring belast, onderzocht
en in den regel weinig of niet gewijzigd goedgekeurd, waarvan
blijkt door eene onder de rekening gestelde verklaring, onderteekend
door degenen, die met de afhooring belast zijn geweest. Naast
dit exemplaar der rekening, dat met de minuut van de resolutiën
overeenstemt, komen echter altijd een of meer afschriften voor.
Immers twee exemplaren der rekening zijn altijd noodig, een voor
het af hoorend college, waaronder de rekening blijft berusten, en
een voor den rendant zelf.
Het sluiten eener rekening is eene dubbele handeling; de
rendant legt rekening af aan zijn committent en wordt tevens
gedechargeerd, beide partijen behooren dus in het bezit van een
exemplaar er van te worden gesteld. Toch wordt in den regel
slechts één exemplaar door de afhoorende personen goedgekeurd
en onderteekend, het tweede exemplaar wordt verkregen door
het nemen van een door den secretaris geauthentiseerd afschrift.
Het komt meermalen voor, dat het college, dat met het af-
hooren der rekening is belast, slechts ad hoc uit afgevaardigden
van verschillende lichamen is samengesteld. Zoo werden in de
provincie Utrecht verschillende lasten over de uit meer dorpen
bestaande kerspelen omgeslagen, de rekeningen werden dan door
de afgevaardigden der verschillende dorpsbesturen gezamenlijk afge-
hoord, en elk dorpsbestuur ontving een exemplaar der rekening.
Elders worden de armenrekeningen door de vertegenwoordigers
van het dorpsbestuur en den kerkeraad gezamenlijk afgehoord.
Ook van andere rekeningen ontvingen verschillende belanghebbende
colleges een exemplaar. Van de rekeningen der admiraliteit van
Zeeland werden b.v. exemplaren gedeponeerd in het archief der
admiraliteit, in de rekenkamer van Zeeland, onder den ontvanger-
generaal der Unie en onder den rendant.
In al deze gevallen is het wel regel, dat een bepaald college het
oorspronkelijke exemplaar en de anderen een afschrift ontvangen,
maar die regel lijdt talrijke uitzonderingen. Vooral bij dorpsadmi-
nistratiën komt het herhaaldelijk voor, dat de origineele rekening nu
eens in dit archief, dan in dat berust, en soms aan den rendant terug-
gegeven is. Nu gaat het niet aan in zulk een geval de doorloopende
serie rekeningen, die onder hetzelfde college berust, te splitsen, al
naarmate de rekeningen origineelen of authenthieke afschriften zijn.
Waar de administratiën zelven blijkbaar geen onderscheid maakten,
heeft ook de archivaris het niet te doen. In plaats van de reke-
ningen dus in origineelen en afschriften te onderscheiden, onder-
-ocr page 151-
H5
scheide men ze naar de autoriteiten, voor wie elk exemplaar van
de rekening bestemd was, wat hetzij uit de opschriften : „voor den
rendant", „voor de kamer" enz., hetzij uit het archief, waarin zij
gevonden worden, kan blijken.
Bij rekeningen valt dus de bij resolutiën gemaakte onderscheiding
tusschen afschriften, net exemplaar en minuut weg. Daarentegen
kan men bij rekeningen nog eene categorie onderscheiden, die
overeenkomt met wat bij de resolutiën de memorialen zijn. Be-
doeld worden de manualen of journalen, waarin de rekenplichtige
ambtenaar dagelijks opteekende, wat hij uitgaf en ontving, waarvoor
het manuaal in verschillende rubrieken, analoog met de hoofd-
stukken der rekeningen, was verdeeld. Dat manuaal werd bij het
opmaken der rekening ten grondslag gelegd, de meeste posten
van de manualen werden gecombineerd tot posten van de rekening.
Ook zulke manualen werden zelden bewaard, omdat zij na het
sluiten der rekening hunne beteekenis hadden verloren. Bovendien
behoorden zij tot de particuliere papieren van den rendant, die in
den regel geen lid van het afhoorend college was. Alleen in
archieven van geestelijke corporaties, waarbij dit laatste niet het
geval was (b.v. het Domkapittel te Utrecht, de St. Maria-abdij te
Middelburg) komen enkele manualen voor. Bij zeer kleine admi-
nistratiën worden ook de manualen met de concept-rekeningen gelijk
gesteld, van wier goedkeuring in het manuaal zelf aanteekening
wordt gehouden. Dit komt vooral voor bij ontvang- en uitgaaf-
boeken , collectenboeken enz. van diaconieën; de beheerende diaken
ontving dan geen exemplaar zijner rekening.
Naast de manualen, die de rekenplichtige ambtenaren onder
zich hadden, staan de liggers of blaf)\'aards, die berusten onder de
autoriteit of het college, te wiens behoeve de inkomsten door de
betreffende ontvangers worden geïnd. Het zijn registers, die aan-
wijzen, welke vaste inkomsten eene corporatie jaarlijks behoort te
ontvangen, hetzij uit pachten en cijnzen, hetzij uit belasting (b.v.
het oudschildgeld), en die geregeld bijgewerkt en ten slotte, wanneer
de bijvoegingen na lange jaren te talrijk worden, vernieuwd worden.
(Opmerking verdient, dat alleen van blaffaards wordt gesproken ,
waar het inkomsten uit den grond geldt.) Afschriften van zulke
hggers werden jaarlijks aan de rekenplichtige ambtenaren uitgereikt,
die daarin dan hunne werkelijke ontvangsten aanteekenden en die
afschriften dus tot manualen maakten.
Handleiding Archivarissen.
-ocr page 152-
146
§ gi. Bij akten onderscheide men:
a.    het concept, d. i. de nog niet vastgestelde akte,
b.    de minuut, d. i. de akte, zooals zij is vastgesteld,
c.    de grosse, d. i. de akte, die bestemd is om aan
partijen te worden afgegeven.
Eene dergelijke onderscheiding als gemaakt is tusschen de ver-
schillende phasen, waarin resolutiën en rekeningen achtereenvolgens
verkceren, is ook te maken voor de akten. De niet vastgestelde
akte heet de concept-akte, evenals boven van concept-resolutiën
en concept-rekeningen is gesproken. Het concept wordt dikwijls
niet opgesteld door dengeen, van wien de akte uitgaat, maar door
een hem ondergeschikt beambte, soms ook door dengene, aan wien
de akte moet worden uitgereikt. De geconcipieerde akte wordt dan
onderworpen aan de goedkeuring van het college, den bestuurder
of den ambtenaar, van wien de akte moet uitgaan; deze brengt
er zoo noodig veranderingen in aan en stelt de akte vast. De
vastgestelde akte wordt de minuut genoemd. Daarna wordt
het stuk in het net geschreven, en dit net exemplaar (de grosse)
wordt uitgereikt aan dengeen, voor wien de akte is bestemd. De
minuut blijft dus berusten in het archief van het college of den
ambtenaar, van wien de akte uitgaat, de grosse onder dengeen, die de
akte ontvangt. In de middeleeuwen was de grosse van het meeste
gewicht, omdat daaraan de bewijskracht werd toegekend. Thans is
het anders: de grosse heeft alleen bewijskracht, als de minuut ont-
breekt. Het spreekt van zelf, dat ook bij akten het concept dikwijls
minuut werd zonder opnieuw te worden opgeschreven, en dat in de
weinige gevallen, waarin het concept geheel werd afgekeurd, het in
den regel is verloren gegaan. Evenmin als bij resolutiën kan men bij
akten aan de onderteekening herkennen, of een stuk een concept of
eene minuut is; ook minuut-akten, behalve notariëele, werden in
den regel niet onderteekend. Dikwijls werd eene akte ook aan meer
personen uitgereikt; er werden dan meer grossen van opgemaakt.
De verschillende phasen, die hier voor eene akte zijn medegedeeld,
komen bij alle uitgaande stukken voor, bij brieven even goed als
bij akten: men spreekt van een concept-brief en van de minuut
van een brief; de naam grosse echter wordt alleen op akten toege-
past. Zoo dus van een brief of eene akte wordt gesproken, zonder
dat er uitdrukkelijk op wordt gewezen, dat de minuut of het con-
cept wordt bedoeld, verstaat men daardoor den afgezonden brief
of de afgezonden akte, dus datgene, wat men bij eene akte ook de
grosse kan noemen.
-ocr page 153-
H7
§ 92. Oorkonden zijn geschrevene stukken, die men
in den daartoe bestemden vorm opmaakt, opdat zij
als bewijs van het daarin vermelde zullen kunnen
dienen.
Het begrip oorkonde is reeds menigmaal en op zeer verschil-
lende wijzen gedefinieerd.
In deze handleiding wordt het begrip oorkonde in zijne engere
beteekenis l) genomen, niet in de beteekenis van „schriftelijk
gedenkstuk der oudheid", — eene beteekenis, waarbij oorkonde
wordt gesteld tegenover narratieve geschiedbron (Giry, Manuel de
diplomatique, blz. 3—6).
De bovenvermelde definitie, door Jhr. Mr. Th. van Riemsdijk
ontleend aan H. Bresslau, Handbuch der Urkundenlehre, I blz. 1 ,
en verdedigd in den Nederlandschen Spectator, 1890, blz. 274,
komt ons zeer gelukkig voor, omdat daarin wordt gewezen op
de essentiëele eischen, welke men aan eene oorkonde in de engere
beteekenis moet stellen.
§ 93. Een charter is de grosse van eene oorkonde.
Daar de meeste charters op perkament zijn geschreven,
is het alleen noodig aan te teekenen, zoo een charter
op papier is geschreven.
In de vorige § is uiteengezet, wat onder eene oorkonde moet
worden verstaan. Van deze bijzondere soort van akten geldt
geheel hetzelfde, wat in de vorige § van akten in het algemeen is
gezegd. Ook van eene oorkonde werd eerst het concept opgemaakt,
daarna de minuut vastgesteld en ten slotte de grosse uitgegeven.
De grosse van eene oorkonde noemt men een charter.
Hieruit volgt in de eerste plaats, dat niet alle charters op perka-
ment zijn geschreven. Immers hoewel oorkonden, omdat zij bestemd
waren om zoo noodig te dienen als bewijs van de zaken, waarom-
trent er getuigenis in werd afgelegd, in den regel op het meer duur-
zame perkament werden geschreven , tot het essentieel karakter van
eene oorkonde behoort niet, dat zij op perkament is geschreven; en
of een stuk een charter is of niet, hangt dan ook niet af van de
vraag, of het al of niet op perkament geschreven is. In den regel
is echter een charter op perkament geschreven; daarom is het
praktisch alleen dan, als een charter niet op perkament is geschreven,
zulks uitdrukkelijk in den inventaris of de regestenlijst te vermelden.
l) De oorspronkelijke beteekenis van oorkonden is getuigen: eene oorkonde is dus eigenlijk een
getuigenis; intusschen is het woord hier in meer uitgebreiden zin gebezigd, zoodat notariëele
akten er ook onder begrepen zijn.
-ocr page 154-
148
Eveneens brengt het feit, dat eene oorkonde een getuigenis
behelst omtrent de eene of andere gebeurtenis, van zelf mede, dat
eene oorkonde of liever een charter in den regel wordt bezegeld ,
omdat daaruit blijkt, dat de personen, van wie het stuk uitgaat,
werkelijk hebben getuigd wat in het stuk staat uitgedrukt; maar
het is niet absoluut noodig, dat dit getuigenis juist uit het zegel
blijkt. In ouderen tijd vindt men dikwijls cyrografen, wat toch
zonder twijfel oorkonden zijn, al zijn zij niet bezegeld, en in de
I7e en i8e eeuw komt het meermalen voor, dat eene oorkonde
niet is bezegeld maar alleen onderteekend. In den regel wordt
echter eene oorkonde gezegeld. Zoo dus een ongezegeld charter
wordt aangetroffen, dan is het wenschelijk hierop opmerkzaam te
maken. Men verstaat hieronder dus niet, dat het zegel is verloren,
maar dat er nooit een zegel aan heeft gehangen en het ook niet
de bedoeling is geweest er een zegel aan te hangen. Het komt
nl. ook voor, dat een charter niet door alle personen, die onder
de zegelaars zijn genoemd, is gezegeld. Dit is dan echter het gevolg
van een verzuim, en dient als zoodanig ook te worden vermeld.
Naast deze beteekenis van charter komt ook eene andere tech-
nische voor, waaronder men dan een gezegeld op perkament ge-
schreven stuk verstaat. Diergelijke stukken behooren in een archief-
depót afzonderlijk te worden bewaard, en diergelijke verzamelingen
heeft men niet ten onrechte charterverzamelingen genoemd, omdat
de stukken, waaruit zij waren gevormd, inderdaad charters waren
volgens de boven gegevene definitie; maar dit neemt niet weg, dat
ook andere stukken, hetzij onbezegeld, hetzij op papier geschreven,
tot de charters behooren, al worden zij niet afzonderlijk bewaard
en al is het ook niet noodig ze afzonderlijk te bewaren.
Ten slotte zij hier opgemerkt, dat het woord charter vroeger
eene veel ruimere beteekenis had, en alle papieren, ja zelfs banden
en deelen van een archief kon aanduiden. Nog in een inventaris
van het begin dezer eeuw worden onder de charters de deelen met
de Statenresolutiën gerangschikt, en chartermeester en archivaris
zijn daarom oorspronkelijk woorden van dezelfde beteekenis.
§ 94. Een vidimus is eene oorkonde, waarin, hetzij
een vorst of invloedrijk persoon een afschrift geeft van
eene andere oorkonde met het doel om die te bekrach-
tigen, hetzij een tot vidimeeren bevoegd persoon
een afschrift geeft van eene andere oorkonde, dat
algemeen geloof verdient.
-ocr page 155-
149
Een transsumpt is een authentiek afschrift eener
oorkonde.
Deze § heeft weder ten doel de uniformiteit der verschillende
inventarissen en regestenlijsten te bevorderen. Zij geeft daarom
aan, welke stukken men vidimus heeft te noemen. Een vidimus
onderscheidt zich van alle andere kopieën hierdoor, dat het de
verklaring behelst van dengene, die het vidimus geeft, dat deze
het stuk, dat wordt gevidimeerd, heeft gezien. Ook eene kopie
kan bezwaarlijk worden gemaakt, zonder dat hij, die haar maakt,
het origineel \'), dat hij overschrijft, heeft gezien; maar de af-
schrijver verklaart niet het stuk te hebben gezien. In een vidimus
verklaart daarentegen de vidimeerende persoon het oorspronkelijke
echte stuk te hebben gezien; daarom is een vidimus eene oorkonde,
eene andere kopie behoeft dat niet te zijn. Een vidimus is altijd
een getuigenis omtrent het aanwezig zijn van het echte origineel.
Anderzijds onderscheidt een vidimus zich van eene insertie
hierdoor, dat terwijl degene, die een vidimus uitgeeft, zich beperkt
tot de verklaring, dat hij het oorspronkelijke stuk heeft gezien,
hij die een stuk insereert, het slechts mededeelt, omdat hij er voor
het stuk, waarin hij het insereert, gebruik van maakt. In het
laatste geval, is het in het tweede stuk medegedeelde hoofdzaak,
en dit geïnsereerde stuk wordt slechts incidenteel weergegeven. Bij
het geven eener arbitrale sententie b.v. is die sententie hoofdzaak;
de procuratie op den rechter of van partijen op hunne vertegen-
woordigers wordt alleen geïnsereerd om de rechtskracht der uit-
spraak te doen uitkomen.
Bij een vidimus is daarentegen het gevidimeerde stuk de hoofd-
zaak, op zijn inhoud komt het aan. Alleen kan het zijn, dat de
verklaring van den vidimeerenden persoon, dat hij het stuk gezien
heeft, tevens in zich sluit de bevestiging van den inhoud daarvan,
b.v. als keizer Sigismund het privilegie, dat Karel de Groote aan de
Friezen heet te hebben gegeven, verklaart te hebben gezien en voor
echt erkend, dan sluit dat in zich, dat hij dat privilegie tevens beves-
tigt, maar dit is een gevolg van de positie van den persoon, die
vidimeert. Zoo de rechtverkrijgende van hem, die oorspronkelijk eene
oorkonde uitgaf, deze vidimeert, dan erkent hij daardoor tevens,
dat de oorkonde nog altijd rechtsgeldig is; zoo eene andere autoriteit
vidimeert, dan blijft dit gevolg achterwege, niet omdat de vidimee-
rende persoon aan de geldigheid van het stuk twijfelt, maar omdat
hij bij de handeling, waarvan het gevidimeerde stuk getuigenis
<) Het origineel n.l. der kopie; dit origineel kan op zich zelf beschouwd eene kopie lijn, evere
als ook een vidimus weer kan worden gevidimeerd.
-ocr page 156-
iSo
geeft, geene partij was. Zelfs in dat geval bevestigt de vidimee-
rende persoon toch in zooverre de oorspronkelijke oorkonde, dat
hij aangaande hare echtheid getuigenis aflegt. Vandaar de regel-
matige vermelding, dat het oorspronkelijke stuk is: non abrasum,
non cancellatum, sigillatum etc.
Wie tot vidimeeren bevoegd waren, kan niet nauwkeurig worden
bepaald. Alleen zij, die algemeen als geloofwaardig werden be-
schouwd , werden verzocht stukken te vidimeeren ; want een vidimus
is niet anders dan een getuigenis omtrent het bestaan eener oor-
konde. Men kan zeggen, dat de bevoegdheid om te vidimeeren
werd toegekend aan vorsten, hooge geestelijken, stadsbesturen,
schepencolleges en in het algemeen aan hen, die onder hun eigen
zegel mochten machtigen. Opmerkelijk is, dat notarissen nooit
vidimeeren. De grond van dit verschijnsel zal hierin liggen, dat
een notaris niet oorkondt in den oorspronkelijken zin van het
woord, d. w. z. geen getuigenis geeft. De kracht eener notariëele
akte berust juist in de vermelding der getuigen.
Een transsumpt is eigenlijk niet anders dan een afschrift; in eene
oorkonde van 25 Mei 1392 (Oorkb. v. Gron. en Drenthe no. 832)
wordt uitdrukkelijk gesproken van transsumptum sivc transscriptum.
Copiarc
en transsumere zijn woorden, die in één adem worden
genoemd. Bij voorkeur werd het woord gebezigd door de notarissen,
die zich van het latijn bedienden, en daarom hebben wij gemeend
de beteekenis van transsumpt te mogen beperken tot authentieke
kopieën. Het is mogelijk, dat een transsumpt is opgemaakt in den
vorm eener notariëele akte, maar dat is niet noodig; ook een
notarieel of ander authentiek afschrift, niet in den vorm van eene
akte geredigeerd, is een transsumpt. Dit leert een brief van
bisschop Frederik van Blankenheim d.d. 1400, die in het privilegie-
boek van Zwolle voorkomt. De bisschop laat daar een stuk
„trouwelic uutscriven" (natuurlijk door een notaris) en vervolgt dan:
„ende want wy dit transsumpt ende dese uytscrift myt vlite hebben
doen besien, examinieren ende overlesen ende hebben ondervonden,
dattet ganseliken myt allen synen tenoer ende in allen woerden
overdraecht mytten voerszeyden principaell ende originaell brieve, so
kennen, seggen ende ordelen wy, dat men desen selven transsumpte
geloven sall tot allen steden daer des te doen is, gelijc den prin-
cipael brieve voerszeyt. In oirkonde" enz. Deze oorkonde van den
bisschop heet in den index uitdrukkelijk een vidimus. Men ziet:
het gemaakte notariëele afschrift (het transsumpt) wordt vidimus
doordien de bisschop oorkondt, dat het gelijkluidend is met het
origineel. In hetzelfde register komt daarentegen een ander vidimus
voor van 1402, waarbij eerst de notaris van een stuk een afschrift
-ocr page 157-
•Si
in den vorm eener notariëele akte neemt: „iidem Conradus et
Rodolphus (twee notarissen) predictas litteras copiarunt, transsump-
serunt, publicarunt et in hanc publicam formam redegerunt"; daarna
wordt deze akte door de bezegeling der vidimeerenden bekrachtigd
en zoodoende tot een vidimus gemaakt. Het verschil tusschen beide
gevallen is dus hierin gelegen, dat het eerste transsumpt van 1400
een notarieel afschrift was, het tweede van 1402 eene in publicam
formam geredigeerde akte, behelzende het afschrift.
Men ziet dus, dat het doel van het opmaken van een transsumpt
en van een vidimus verschillend is. Een transsumpt wordt alleen opge-
maakt om het origineel als het ware te verdubbelen (vervielfiiltigen,
zegt Bresslau, Handbuch. I blz. 660), bij een vidimus is het altijd
min of meer om de bevestiging van het oorspronkelijke stuk te doen.
§ 95. Een transfix is een charter, dat aan een ander
is verbonden, doordien de zegelstaarten van het tweede
stuk zijn gestoken door het eerste, voordat het tweede
stuk is bezegeld.
Het bovenstaande behoeft weinig toelichting; het is bekend genoeg,
dat het de gewoonte was om eene oorkonde, die eene vroeger
afgegevene oorkonde kwam toelichten, bevestigen of uitbreiden, op
de bovenbeschrevene wijze aan het oorspronkelijke charter te ver-
binden. Zoo werd een confirmatiebrief van een privilegie gestoken —
dit is de technische term — door den oorspronkelijken privilegiebrief
zelf, — de brief, waarbij de eigendom eener rente wordt overgedragen,
door den rentebrief enz. Bij de beschrijving der stukken houde
men in het oog, hoe zij door elkander zijn gestoken. Het komt
b.v. voor, dat door twee charters, eigendomsbewijzen van verschil-
lende perceelen, die onderling niet verbonden zijn, gezamenlijk een
derde stuk, waarbij beide eigendommen worden overgedragen,
wordt gestoken. Dat derde stuk is dan een transfix van elk der
beide andere stukken. Maar het kan ook zijn, dat door een oor-
spronkelijk charter een ander stuk is getransfïgeerd en door dat
transfix weder een ander stuk is gestoken (b.v. bij drie achtereen-
volgende eigendomsoverdrachten van hetzelfde huis). Omgekeerd
zijn soms door een stuk twee andere gestoken (b.v. door een ver-
bondsbrief twee brieven van later toegetredene bondgenooten). Dik-
wijls ook zijn stukken, waarvan vroeger het een door het ander
was gestoken, door het afscheuren der zegels, later gescheiden.
Natuurlijk blijft in den inventaris of de regestenlijst dan toch het
eene stuk het transfix van het andere. — Zie voorts het aangetee-
kende op § 47.
-ocr page 158-
152
Twee of meer charters kunnen ook op andere wijze aan elkander
zijn verbonden {gehecht, niet gestoken), zij zijn dan in de marge
door een draad of eene pees bijeengevoegd, b.v. gelijktijdige belee-
ningen met verschillende stukken land, of een ter publicatie bestemd
stuk en het relaas van de afkondiging, of verschillende proces-
stukken. Dit zijn echter geene transfixen.
% 96. Bij zegels onderscheide men tusschen uithan-
gende, opgedrukte en geteekende zegels. Alleen als
een zegel is opgedrukt of geteekend, dient dit te
worden vermeld.
Gedurende de geheele middeleeuwen en nog lang daarna was
het gebruikelijk stukken te zegelen, ten bewijze dat zij werkelijk
waren uitgegaan van de personen, die als zoodanig in het stuk
voorkomen; het zegel vervulde de rol, die thans de handteekening
vervult. Meestal werden de zegels gedrukt op een door het oor-
spronkelijk stuk gestoken perkamenten staart of koord. Vooral bij
op perkament geschrevene stukken was deze wijze van aanhechting
van het zegel bijna uitsluitend in gebruik. Naarmate het papier
meer in gebruik kwam, ontstond de gewoonte de zegels op het
papier zelf onder het stuk en naast de onderteekening te drukken;
om beschadiging van het zegel tegen te gaan, werd het dan soms
door eene papieren ruit bedekt. Dat gebruik strekt zich ook
soms uit tot op perkament geschrevene stukken. Notarissen eindelijk
bedienden zich in den regel van geteekende zegels ]), hoewel enkele
malen wel uithangende notaricele zegels voorkomen 2). Diergelijke
zegels werden zoowel op perkament als op papier aangebracht.
Intusschen de groote meerderheid der stukken heeft te allen tijde
een uithangend zegel gevoerd. Daarom is in de bovenstaande §
bepaald, dat het overbodig is op te geven, als een zegel uithangt
of heeft uitgehangen. Zoo niets naders omtrent het zegel wordt opge-
geven, wordt daarmede te kennen gegeven, dat het een uithangend
zegel is. Is een zegel daarentegen opgedrukt of geteekend, dan
moet dit uitdrukkelijk worden te kennen gegeven.
Zegels behoeven alleen te worden vermeld, zoo zij uitsluitend of
in de eerste plaats als herkennings- of als bevestigingsmiddel zijn gebe-
zigd. Bij brieven, waarbij zij in de eerste plaats worden gebruikt
om den brief te sluiten en te beletten, dat hij door een ander dan
den geadresseerde wordt geopend, is de vermelding van het zegel
1)    In den technischen zin van het woord zijn dit geene zegels, maar handmerken. De notaris
zelf spreekt in de akten van zijn signum of sigtiature, niet van zijn sigillum.
2)    In het archief der st:id Rcimerswaal (Reg. a68) in het rijksarchief in Zeeland berust een
charter d.d. 1565 met een dergelijk zegel.
-ocr page 159-
153
overbodig. Bij transfixen dient het zegel in hoofdzaak tot herken-
ning van dengeen, van wien het transfix uitgaat, al werkt het
tevens mede om het transfix met het oorspronkelijke stuk te ver-
binden. Daar vermelde men dus wel de zegels.
Eene beschrijving der zegels en eene onderscheiding volgens hunne
gedaante of hun type behoort in een inventaris of eene regestenlijst
niet tehuis; wel daarentegen moet de aard van het zegel worden
vermeld, zoo het betrokken college of de betrokkene ambtenaar meer
zegels heeft gebruikt, b.v. het zegel ten zaken (ad causas) eener
stad, naast het zegel van verbande (ad contractus). In zulk een
geval wordt in den regel in het stuk zelf gezegd, welk zegel is
gebruikt. Zoo heeft Karel V, toen hij al koning van Spanje was,
toch een tijd lang nog zijn prinsenzegel gebruikt; ook daarop wordt
in de akten zelf gewezen.
De meeste zegels zijn van was of lak vervaardigd, dit behoeft
dan ook niet te worden vermeld; pausen en concilies bedienden zich
echter van looden zegels, en dat teekene men aan. Bij van was
vervaardigde zegels vermelde men ook de kleur, die met den rang
van den zegelaar kan samenhangen.
§ 97. Twee jaartallen, door eene liggende streep ver-
bonden, duiden het begin- en het eindj aar eener datee-
ring aan. Zoo het tijdperk, waarover eene rekening
loopt, halverwege het jaar begint en eindigt, worden
beide jaartallen door eene schuinsche streep gescheiden.
Het hier gegeven voorschrift, dat uitsluitend ten doel heeft ge-
lij kvormigheid, duidelijkheid en kortheid in de verschillende inven-
tarissen te bevorderen, zal het best door eenige voorbeelden
worden toegelicht. „Ingekomene brieven. 1620—1648" beteekent,
dat de eerste brief, in deze serie opgenomen, van 1620, de laatste
van 1648 dateert. Zoo men schrijft: „Rekeningen van den thesau-
rier. 1620—1648", dan wordt daarmede te kennen gegeven, dat
de eerste rekening over 1620, de laatste over 1648 loopt. Door-
gaans evenwel valt het • tijdperk, waarover eene rekening loopt,
niet juist met het kalenderjaar samen. Wel pleegt iedere (ordinaris)
rekening over een tijdvak van e\'én jaar te loopen, maar zulk een
tijdvak begint meestal midden in het kalenderjaar en eindigt met
denzelfden dag in het volgende kalenderjaar. Zoo nu in het boven-
gestelde geval de rekeningen b.v. van I April tot 1 April loopen,
dan schrijve men: „Rekeningen van den thesaurier, 1620/1 —1648/9".
Hieruit blijkt, dat de eerste rekening loopt over een tijdvak, dat
-ocr page 160-
154
in 1620 begon en in 1621 eindigde, de laatste over een tijdvak,
dat in 1648 begon en in 1649 eindigde. In eene noot kan men
dan nader aanduiden, met welken datum de termijn der eene
rekening eindigde en die der volgende begon. Die termijn, het zij
hier ter loops opgemerkt, kan op een vasten dag beginnen of ein-
digen b.v. op 1 April, maar evenzeer op een veranderlijken dag
b.v. Palmzondag, Sacramentsdag, Reeds vroeger (§ 48) is opge-
merkt, dat zoo in eene serie hiaten voorkomen, daarop moet
worden gewezen.
§ 98. Zoo eene dagteekening tusschen () is geplaatst,
wordt daarmede te kennen gegeven, dat de dateering
niet uit het stuk zelf blijkt, maar aan een ander gege-
ven is ontleend. Zoo eene dateering slechts bij bena-
dering is op te geven, doe men haar voorafgaan door
c. (= circa) en plaatse haar tusschen ().
Ook deze §, die zich nauw aan de vorige aansluit, behoeft
weinig toelichting. Een stuk kan ongedateerd zijn, of de dateering
kan verloren zijn gegaan of onleesbaar zijn; het is dan zaak, den
datum van het stuk op andere wijze op te sporen. Hij kan uit
een ander stuk, b.v. uit een vidimus of een elders berustend af-
schrift, blijken, — hij kan worden afgeleid uit de in de akte optredende
personen enz.; de op die wijze gevonden datum plaatse men tus-
schen haakjes, opdat duidelijk blijke, dat hij niet aan het stuk zelf is
ontleend, maar door redeneering en vergelijking met van elders
bekende gegevens gevonden is. Meermalen zal men er niet in
slagen, nauwkeurig den datum te bepalen; men zal ongeveer kunnen
vaststellen, wanneer het stuk moet zijn opgesteld, maar niet precies.
In dit geval doe men de dateering voorafgaan door c., afkorting
voor circa. Het teeken c. heeft alleen betrekking op de onmiddel-
lijk daarop volgende dateering. Zoo men dus schrijft: „Ingekomene
brieven, (c. 1620)—1648", dan beteekent dit, dat de eerste brief
dezer serie ongeveer uit 1620 dateert, de laatste uit het jaar 1648. Is
ook de juiste datum van den laatsten brief niet bekend, dan schrijve
men: ,,(c. 1620)—(c. 1648)". — In geen geval is het geoorloofd bij
eene dateering, waarvan alleen kan worden bepaald, tusschen welke
jaren zij valt, in plaats van dateering de periode, waarbinnen de juiste
datum valt, op te geven, omdat daardoor verwarring zou ontstaan met
de dateering eener serie. Zoo men b.v. bevindt, dat zeker stuk ten
vroegste uit 1620, ten laatste uit 1648 dateert, dat stelle men het
(c. 1634) en doe in eene noot uitkomen , binnen welke periode het stuk
moet zijn geschreven. Natuurlijk geldt het bovenstaande gelijkelijk
-ocr page 161-
•55
voor inventarissen en regestenlijsten, — en evenzeer voor dateerin-
gen, waarbij alleen het jaartal, als voor die, waarbij ook de dag-
teekening opgegeven wordt.
§ 99. Bij dateeringen behoort eerst het jaar, dan de
maand, en ten laatste de dag te worden vermeld.
Wanneer in eene regestenlijst een datum wordt opgegeven (gelijk
in § 48 is opgemerkt, is in een inventaris de vermelding van het jaar
in den regel voldoende), dan behoort zulks altijd op dezelfde wijze
te geschieden. Wij hebben daarvoor gekozen de boven omschrevene
volgorde: jaar, maand, dag. Hierdoor wordt het overzicht ver-
gemakkelijkt. Men kan dadelijk zien, welke stukken uit hetzelfde
jaar dateeren. — In sommige regestenlijsten (b.v. de Regesta Han-
nonensia) heeft men de gewoonte gevolgd het jaartal telkens
slechts eens te vermelden en dan alle regesten uit dat jaar alleen
met aanwijzing van de maand en den dag te laten volgen. Voor
den onderzoeker is dit echter niet gemakkelijk; het herhalen van
het jaartal verdient de voorkeur.
§ 100. Zoo men eenige stukken, hetzij in eene
serie, hetzij in eene regestenlijst, chronologisch or-
dent, plaatse men bij elk jaar eerst al de stukken,
waarvan de datum bekend is, dan die, waarvan
alleen het jaar bekend is, en eindelijk die, welke
ongeveer uit het betrokkene jaar zijn gedateerd.
Zoo men verschillende stukken, welker datum men eerst heeft
vastgesteld, chronologisch wil ordenen, zal het blijken, dat die
stukken, waarvan alleen het jaar, waaruit zij dateeren, met zeker-
heid of bij benadering bekend is, niet op hun juisten datum
kunnen worden gelegd. Immers die datum is niet nauwkeurig
bekend en kan even goed in het begin als in het eind van het jaar
vallen, ja zoo het jaar slechts bij benadering bekend is, zelfs
misschien er buiten. Die onzekerheid heeft aanleiding gegeven, dat
men bij het plaatsen dezer stukken op verschillende wijze te werk
is gegaan. Sommigen plaatsten de stukken, waarvan niet bekend
was, in welk deel van het jaar zij vielen, het eerst en daarna de nauw-
keurig gedateerde stukken van hetzelfde jaar. De § wil een ander
gebruik algemeen invoeren. Eerst plaatse men de stukken, die
nauwkeurig zijn gedateerd, dan die, welke uit hetzelfde jaar dateeren
-ocr page 162-
156
zonder dat de dagteekening zelve bekend is, en eindelijk die, welke
ongeveer uit hetzelfde jaar afkomstig zijn. Wat voor de jaren
geldt, geldt evenzeer voor de maanden. Zoo blijkt, dat een stuk
is opgesteld in zekere maand, zonder dat blijkt op welken dag,
voege men het in achter de uit dezelfde maand dateerende
stukken, waarvan de dagteekening bekend is. Men late dus b.v.
de volgende dateeringen op elkander volgen :
1520 Maart 5.
1520 April 29.
1520 April . . .
1520 November 7.
1520 .......
(c. 1520)
Het geval kan zich voordoen, dat men met zekerheid weet, dat
een stuk b.v. vóór 1391 Juni 1 is verleden, omdat een der hande-
lende personen op dien datum overleden was, zonder dat men
nauwkeurig de dagteekening van het stuk bepalen kan. Zulk een
stuk plaatse men onmiddellijk voor die, welke den datum 1391
Juni 1 voeren.
-ocr page 163-
OPGEMERKTE DRUKFOUTEN.
Blz. 7, regel 4 v. o. staat: § 56, lees : § 66.
Blz. 70, regel 1 v. o. staat: ware, lees: wordt.
-ocr page 164-
INHOUD.
Bladz.
Een woord vooraf..............III
Eerste hoofdstuk. ONTSTAAN EN INDEELING VAN ARCHIEF-
DEPÓTS ............ I
Tweede hoofdstuk.   Het sorteeren der archiefstukken . 26
Derde hoofdstuk.     Het beschrijven der archiefstukken 66
Vierde hoofdstuk.   Het ineenzetten van den inventaris 85
Vijfde hoofdstuk.    Verdere beschrijvingsmaatregelen . 112
Zesde hoofdstuk. OVER HET CONVENTIONEEL GEBRUIK VAN
eenige termen en teekens . . . .135
Opgemerkte drukfouten............157