-ocr page 1-
-
a
D
a
u
ia
n
Redevoering,
UITGESPROKEN
Dr. J. L. HOORWEG
ALGEMEENE VERGADERING
PliCIMl 1111 GENOOTSCHAP
Kunsten en Wetenschappen,
gehouden den 16 Juni 1891.
„sv*a. •"w«Nrvo»\'-*_
■■■■/.
. . UTRFCIIT
Firma L.\'E. BOSCH & ZOON.
1891.
\'1
1
J\'
.
-ocr page 2-
J
\' ■■
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000032132288B
3213 228 8
-ocr page 3-
Acf^m
\'
Redevoering ,
UITGESPEOKEN
Dr. J. L. HOORWEG
ALGEMEENE VERGADERING
Gif
IAAL
Kunsten en Wetenschappen,
gehouden den 16 Juni 18.91.
»
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
UTRECHT,
Firma L. E. BOSCH & ZOON.
1891.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
Mijne heeren! zeer geachte toehoorders!
Het jaar 1891 is een feestjaar voor de wetenschap.
Niet alleen dat straks hier ter stede het lustrum zal
gevierd worden van de Utrechtsche Universiteit, maar
ook in Engeland herdenkt men het feit, dat vóór 100
jaren F a r a d a y werd geboren , in België vierde men
reeds het jubileum van S t a s en in Duitschland maakt
men groote toebereidselen voor de waardige viering van
den 70sten verjaardag van Ilolmholtz en V i r c h o w.
In al deze gebeurtenissen vind ik aanleiding om, nu ik
geroepen word tot do eervolle taak, deze vergadering
met eene redevoering te openen, Uwe welwillende aan-
dacht in te roepen voor eenige opmerkingen omtrent de
wetenschap en de maatschappij.
In eene eenzame cel, door welker dikke muren geen
gedruisch van buiten doordringt, zit een grijsaard voor
een opengeslagen foliant.
Aan de wanden der cel ziet men de vreemdsoortigste
voorwerpen : geraamten , monsterachtige vormen , chemi-
sche preparaten , retorten en blaasbalgen, de figuren
van den dierenriem en kaballistische teekens.
De man is in eene ruwe pij gehuld , die in hare dikke
plooien het lichaam geheel verhult. Zijn perkamentachtig
-ocr page 6-
f
4
geiaat getuigt van onthouding, van waken en van inspan-
nend denken.
Men bemerkt het aan alles : voor dien man is het leven
dood ; troonen mogen verrijzen of volken ondergaan; wat
deert het dien man daar in zijne cel ?
Het is Albertus Magnus, dien wij bespieden op
\'t oogenblik, dat hij uit den samenloop der planeten het
juiste oogenblik berekent, waarop hij zjjn levenselixer
moet brouwen.
Al de wijsheid der ouden is door de hulp van geheim-
zinnige manuscripten in het hoofd van dien man gevaren
en verecnigd.
Zijne hersenen alleen omvatten alles, wat de menschheid
op dat oogenblik weet of meent te weten. Hij is niet
alleen de vertegenwoordiger, maar ook de drager, de
eigenaar van alle wetenschap.
Stil leeft hij voort in zijne kluis; ver van \'tgedruisch
der wereld, met zijne gedachten alleen.
Het menschelijk leven , in al zijn rijkdom aan vreugde
en smart, deze man deelt het niet en kent het niet.
Slechts de steen der wijzen en de bezweringsformule
der geesten trekken hem aan.
Al het overige is ijdelheid !
Zoo was de middeleeuwsche wetenschap, zelfgenoeg-
zaam , geheimzinnig schuillioek spelend, leven doodend,
onvruchtbaar !
Tegelijk was zij ondeelbaar en omvatte zoowel de theo-
logie als de loop der planeten, de kennis der talen en
wetten zoowel als de alchimie en de wiskunde en niet
ieder afzonderlijk, maar te samen gesmolten tot eene ge-
heimzinnige onherkenbare massa !
En tegenover die eenzame wetenschap stond de eigen-
lijke wereld met al het vrooljjk en bont gewoel van fiere
ridders, schoone edelvrouwen , vroolijke lansknechten en
-ocr page 7-
5
vrome monnikken; kortom dat gansche schoone ridder-
tjjdperk, waarvoor Wal tor Scott ons jeugdig gemoed
wist te ontvonken van geestdrift.
Hier is een steekspel, waar al wat dapper is en schoon,
zicb heeft vereenigd.
Ginds dwaalt Quentin Durward met de schoone
jonkvrouw door do Ardenner bosschen.
Hier vindt de dolende ridder bij den kluizenaar in het
woud een welkom onthaal.
Ginds is een ernstige strijd. Zwaarden kletteren, de
lang gevreesde vijand buitelt on het zwaard van Roland
is herwonnen door den dapperen zoon des verraders.
"Wat schoone romantische tijd ?
Mon wijdde zijn leven aan Mars en Venus! Waar
was daar nog plaats voor de strenge Minerva ? Hoezeer
was de wijze veracht! Hij werd door den hofnar bespot.
Zoo was het in het jaar 1300.
Hoeveel is er in die 600 jaren veranderd !
De man van wetenschap sluit zich niet meer op in
eene cel, buiten de maatschappij en het leven, neen,
hij neemt daaraan deel en strijdt soms vooraan in het gelid.
Een physioloog wordt gouverneur eener kolonie, een
medicus senator van \'t Romeinsche rijk, een ingenieur
minister van oorlog.
Een professor in de logica ziet men ijveren voor lands
defensie en twee doctoren in de heilige godgeleerdheid
drijven vlijtig hunne kiezers naar de stembus.
Omgekeerd wordt een lord professor, een keizer lid
der Academie; de bierbrouwer Joule vestigt de me-
chanische warmte-theorie en de muzikant H e r s c h e 11
ontdekt de nevelvlekken. De loopjongen Paraday
schenkt ons het electrisch licht en de kantoorklerk
Schliemann zoekt en vindt de overblijfselen van het
oude 11 i u m.
-ocr page 8-
()
Geene afscheiding meer tusschen de maatschappij en de
wetenschap. Zij hebben elkander doordrongen.
De wetenschap geeft aan de maatschappij den stoom ,
het gas , de electriciteit en wetten ; de maatschappij geeft
aan de wetenschap velen harer beste zonen en een ge-
deelte harer inkomsten.
De hooge muts en de schitterende gordel des sterre-
wichelaars zijn verdwenen : de man van wetenschap be-
weegt zich als een gewoon menscli onder de menschen.
Menig vergrijsde wijsgeer herinnert zich den tijd , dat
hij een lief vers maakte, menig professor van naam
geniet van Thackeray of Daudet of van een schil-
derstuk of opera.
Een jurist vertaalt Dan te, een natuur-historicus
Shakespeare en een ingenieur schrijft eene novelle
over theerandjes.
Menig ster der wetenschap overtreft zelfs Lucullus,
wanneer het aankomt op het opstellen van een menu en
menig hooggeleerde volgt gewillig de luimen van zijne
jonge vrouw of sleept met edele zelfopoffering zijne doch-
ters door het gedrang van de feestzaal.
9Nü humanum a me alienum puto" , zegt de geleerde ,
en schaamt zich niet den lach bij \'tvroolijk kindergesnap
noch den warmen handdruk aan den gelukkigen vriend,
noch den traan bij \'t graf der dierbaren !
Nog meer dan de toestand van den man van weten-
schap , is de aard van de wetenschap zelve veranderd.
Uit het verborgene , misvormde en door onkruid bijna
verstikte struikje is een machtige boom verrezen, die
wijd in \'t rond zijne takken uitspreidt en fier zijne bloemen
en vruchten naar \'t heldere zonlicht keert.
Zoover uiteengespreid zijn die takken, dat de eene
nauwelijks meer een begrip heeft van het bestaan der
-ocr page 9-
7
anderen. Iedere tak waant zich ccn afzonderlijken boom
en strijdt dan soms met eene andere om hoogeren rang
of oorsprong. Dan ziet de jurist neder op den mathe-
maticus , de medicus op den jurist en de philosoof op al
de anderen, hierin handelende naar het klassieke voor-
beeld van den dansmeester en den schermmeester van
ft[ o 1 i è r e\'s „bourgois gentilhomme".
Het is goed , wanneer dan een man als Moleschott
optreedt, om in eene treffende rede over de eenheid der
wetenschap
aan dien waan een eind te maken.
Somtijds ook denken die takken in verklaarbare ijdel-
heid , bij hunnen snellen groei den hemel te kunnen be-
reiken,
Het is goed wanneer dan een man als Du B o i s-
R e y m o n d , in de wetenschap vergrijsd , het strenge :
„Ignorabimus", laat hooren.
Ook gebeurt het, dat eene tak zich beschouwt als zelf-
standige boom, gegroeid op den eigenaardigen bodem
van een bepaald volk.
Dan gaat men spreken van Duitsche en Fransche en
vaderlandsche wetenschap.
Dan scbeldt ï a i t op Mayer en Bottomley op
van der Waals, alzoo bewijzende hoe mooielijk het is,
overdreven nationaliteitsgevocl te vereenigen met billijke
achting voor de groote verdiensten van anderen.
Men roept dan uit: „la cliimie est une science franeaise"
en men houdt opgewonden redevoeringen over : „science
et patrie". Dan juicht de fransche wetenschap bij de
overwinningen van den grooten Napoleon en omhult
zich droevig het hoofd bij de nederlagen van 70.
Ook hier te lande is een redenaar er eens in geslaagd
zijne hoorders te boeien met de aanwijzing van het ver-
band van nationaliteit en wetenschap. Maar bij nader
overleg rest er van dat alles niets dan bewondering voor
-ocr page 10-
8
de welsprekendheid en scherpzinnigheid van hem, die
twee zulke heterogene zaken tijdelijk en schijnbaar wist
te verbinden.
Alsof de wetenschap uit de cel ontsnapt ware , om in
dienst te treden van een enkel volk !
Alsof het niet juist de wetenschap ware, die den scheids-
muur tusschen de volken langzaam maar zeker afbreekt!
Voor haar bestaan geene Pyreneeën of Alpen, voor
haar zijn er geene landengten of zeeën , voor haar geene
douanen of verwarring van talen.
Als ooit alle menschen broeders worden, dan zal dat
niet zijn door dagorders en zendbrieven van vorsten en
prelaten, maar door den stillen, voortdurenden invloed
van den arbeid en de wetenschap.
H e 1 m h o 11 z wordt reeds te Montpellier verheerlijkt,
Hertz verkrijgt den prijs der Fransche academie; de
Fransche medici worden toegejuicht in de hoofdstad van
het Duitsche rijk, en de oude echt Britsche Colleges zijn
bezig zich te vervormen naar \'t model der Duitsche en
Nederlandsche universiteiten.
In \'t Pantheon der wetenschap prijken niet gelijken
glans de namen van Descartes en Huygens, van
Newton en Gralilei, van Lavoisier en Priestley,
van F i\' a n k 1 i n en F a r a d a y.
De wetenschap is niet nationaal, ook niet internationaal;
zij staat buiten de natiën en behoort de geheele mensch-
heid toe.
Eerst toen de wetenschap uit den dorren grond der
eenzaamheid werd overgeplant in den vruchtbaren bodem
der maatschappij, eerst toen is zjj gaan ontwikkelen en,
naarmate zij naar buiten hare takken wijder uitspreidt,
dringen hare wortels dieper in de menschheid, de deelen
daarvan vereenigende.
Zij kent geene volken , slechts arbeiders en hare be-
-ocr page 11-
9
oefenaren vormen een groot aaneengesloten corps , welke
taal zij ook spreken en welke zon of welke woning hen
ook zag geboren worden. Ieder lid van dat eorps werkt
op zijne wijze, in zijne eigenaardige richting, met de
gaven , hem geschonken en met eigen doel.
Voor den een is de wetenschap de melkgevende koe,
die hem een onafhankelijk bestaan oplevert, voor den
ander is zij do schoone godin, aan wie hij in verrukking
het leven offert en die hem lachend de kroon der onsterfe-
lijkheid wijst; voor den ander weer is zij de liefelijke
troosteres, die met zachte hand de zorgen des levens
wegvaagt!
De een strompelt voort op het nauwe maar moeielijke
pad der speciale studie, de andere zweeft op des geestes
breede vleugelen, op de grootste hoogte van \'t menschelijk
denkvermogen.
De een denkt over God en eeuwigheid, over het ik
en niet ik, over tijd en ruimte, over de wetten der ge-
dachten , over den samenhang der moleculen of over de
structuur van den ether en den ouderdom der sterren.
De ander klassificeert wormen, cultiveert bacteriën of
berekent integralen.
Hier breekt er een zijn hoofd over eene enkele letter
van een oud handschrift en waakt een ander wegens eene
fout in eene formule.
Ginds meet men den duur van den bliksem of peilt
men de diepte van \'t heelal.
Hier wordt in kunstige tabellen de misdaad in statistiek
gebracht; ginds telt men de stofjes in de lucht of ver-
deelt men de hcrsenschors in hokjes.
Hier wordt berekend de kracht der projectielen, ginds
onderzoekt een ander den geslagen wond.
Ieder werkt schijnbaar voor zich zelvea en onafhan-
kelijk van den ander, maar, als hij nagaat, hoe hjj
-ocr page 12-
10
werkt en hoe hij nadert tot zijn doel, dan ziet hij dui-
delijk , hoezeer hij overal de hulp van anderen behoeft.
De theoloog meent vrij zich in zijn dogmatiek te kunnen
opsluiten , maar wordt onwillekeurig , door zijne meerdere
kennis der natuurwetten, gedwongen tot een anderen ge-
dachtengang dan zijne voorgangers.
De criminalist denkt ongestoord aan het aloude straf-
recht te kunnen voortbouwen , maar wordt medegesleept
door de lessen der psychiaters en gaat over tot de
Italiaansche school.
De medicus is machteloos zonder de hulp van de
physica en de chemie, twee wetenschappen, die zusterlijk
samengaan , met de mechanica als derde in \'t bond.
Botanie en zoölogie reiken elkander de hand en steunen
den physioloog in zijne belangrijke onderzoekingen.
De mathesis zelve, die zich de meest zelf genoegzame
waant, zou niet kunnen bestaan zonder aanstoot van
buiten. liet zijn de problemen , die anderen haar voor-
legden , door welke deze wetenschap zich het meest heeft
ontwikkeld. Niet te vergeten, dat de mathematicus veel
minder dan iemand anders buiten de inkpot kan , die de
scheikunde hem heeft geleverd Zijne manier van werken
vereischt voortdurende controle en overzicht over \'t geheel
der bewerkingen. Zijne manier van redeneeren is won-
derbaar scherpzinnig en zuiver , maar vereischt zichtbare
teekens.
In dat opzicht wint het de theoretische philosoof.
Deze zet zich neer in het stille studeervertrek en laat
zijne gedachten den vrijen loop .. .
Maar toch, al spoedig moet hij nazien wat deze of
gene medicus heeft gezegd over de functie der hersenen,
dan weder wat de physica leert over de standvastigheid
der energie of wat de bioloog zegt over de verander-
lijkheid der rassen en over de spontane generatie.
-ocr page 13-
11
De linguist bestudeert de woorden en vergelijkt de talen,
maar hij heeft behoefte aan de medcdeelingon der
geografen en vindt in den phonograaf een uitstekend
hulpmiddel voor zijne studie.
Omgekeerd vindt de physioloog in sommige opmerkingen
der literatoren reden om te vermoeden, dat de zin voor
kleurperceptie in den loop der tijden bij de mcnschen is
veranderd.
De astronoom bezit in historische mededeelingen kost-
bare gegevens tot berekening, van de loopbaan der kometen
en van de storingen in de beweging der maan.
De leer van Darwin doet onder hooggeleerde vlag
hare intrede in het gebied der staathuishoudkunde, het
spoor volgende van de wiskunde, die reeds zegevierend
op dat gebied is doorgedrongen.
Overal is samenwerking; bewust of onbewust steunt
de een den ander en juist daardoor groeit de boom der
wetenschap steeds hooger en hooger, in alle richtingen.
Terwijl aldus de wetenschap zich ontwikkelde, ver-
anderde, juist door haar toedoen, ook do toestand der
maatschappij.
Wel zijn wij nog niet in het land van belofte, dooi-
den schrijver van „Looking backward" geschilderd, wol
verwondert het ons dikwijls niet, dat hot volk wat heftig
en woest om verandering roept, maar wij zijn toch wel
wat vooruitgegaan in die 600 jaren.
Memand zal meer terugverlangen naar den tjjd der
leenmannen, der lijfeigenen ea der verachte poorters, naai-
den tijd van pest en hongersnood en invasies.
De maatschappelijke toestand, vooral der lagere klassen,
is verbeterd. Tal van misbruiken zijn afgeschaft en zelfs
niet meer bekend.
-ocr page 14-
12
Maar ook de behoeften zijn veranderd en toegenomen.
De wereld kan niet meer buiten gas- of clcctrisch licht,
buiten treinen en stoombootcn, buiten telegrafen en tele-
fonen, buiten couranten en photogrammen.
Voor de meeste menschen spreekt dit van zelve; maar
ieder ander ook, die meent geheel er buiten te staan,
ondervindt dagelijks den invloed der wetenschap.
De boer verzoekt voor zijne melk een macro- en mi-
croscopisch onderzoek, en spreekt van ccntrifugen.
De bakker vraagt naar bacteriën vrij e gist en naar nieuwe
afkoclers voor zijn meel.
De rentenier amuseert zich over dag met zijne jour-
nalen, zijne munten, zijne vlinders, en heeft de avonden
bezet met het luisteren naar populaire voordrachten.
Zelfs de damesgesprekken ondervinden den alom heer-
schonden invloed.
Terwijl het jongere geslacht, tegen een feest, de fluc-
tuaties van den barometer angstig nagaat en met belang-
stelling keuvelt over heilgymnastiek en suggestie, onder-
houden zich de andere dames over gesteriliseerde melk,
over kookscholen, over koortsthermometers en over do
ontdekking van Koch.
De knecht leest zijn vliegend blad, doet boodschappen
met de stoomtram . ontdooit den gasmeter en repareert
de electrische schel.
De meid kookt op een gasfornuis, stoft het skelet van
den student en praat van kunstboter, carbolzuur en desinfectic.
Het plebs roept: dood aan het kapitaal, eigendom is
diefstal, en verraadt aldus zijn grondige kennis der eco-
nomische theoriën.
Zelfs de kunst, de goddelijke kunst, kan zich niet aan
den invloed der wetenschap onttrekken, want om met
Auguste Comto te spreken, al onze subjectieve
concepties zijn uit objectieve materialen opgebouwd.
-ocr page 15-
13
Wel is er een tijd geweest, dat Victor Cousin
uitriep: „Ie génie créo, muis n\'imite pas" en dat men
zeidc: „Il n\'y a do beau que 1\'invisiblc"; een tijd toen
do la Croix voor een barbaar werd uitgescholden, omdat
hij in zijne schilderijen ook rekening hield met zulk eono
kleinigheid als de lucht; maar, dat was slechts een
korte waan en do groote kunstenaars, zooals da Vin ei,
Mie hel Angelo, Rafael leeraarden allen: „be-
studeer vóór alles de wetenschap". Zij brachten het ook
in practijk: Leonardo da Vinci gaf eene uitste-
kende handleiding voor de perspectief en was de beste
anatoom van zijnen tijd.
Schilders en beeldhouwers erkennen tegenwoordig ook
volmondig, wat zij aan den medicus Duchenne ver-
schuldigd zijn voor zijne juiste voorstelling van de con-
tracties der gelaatspieren bij verschillende aandoeningen.
Evenzoo danken zij den physioloog M a r e y voor zijne
instantane photographiën van de opvolgende standen van een
hollend paard of van eenen loopenden of worstelenden man.
De muziek heeft zich niet kunnen ontwikkelen zonder
den invloed te ondervinden van mannen als C h 1 a d n i,
B e r n o u i 11 i en H e 1 m h o 11 z , die door hunne
acustische onderzoekingen nieuwe denkbeelden aanbrachten.
En, om nu niet alle negen muzen tegelijk met de haren
er bij te sleepen, is het toch zeker, dat da Costa
eenige zijner schoonste . regelen aan de zoo verafschuwde
locomotief te danken heeft en dat ten Kat e zijne
hoogsten roem behaalde met zijn gedicht over de planeten.
De vroegere dichter had aan zijne Grieksche en Ro-
meinsche goden en fabelen genoeg.
Thans eischt men van hem ook de namen der sterren
en der bloemen , der ziekten en der werktuigen.
Vroeger vergeleek men de onrust van het geweten
met het bijten van den worm , maar reeds zag ik daarvoor
-ocr page 16-
14
in de plaats gesteld het eigenaardig knagende geluid
van de microphoon; de clectrischc vonk vervangt de
oudcrwetsehc pijl van Amor en de zachtheid van het
koeltje wordt opgegeven in grammen per M2.
De teleurgestelde minnaar sluit zich op zijn zolder-
kamertje op, luistert wanhopig naar het eentonig gezang
der telephoondraden en berooft zich van het leven door
cyankalium.
De held schaakt de heldin met den „train éclair" of
redt haar en haren wanhopigen vader door een telegram
uit Amerika
De jaloersche medeminnaar ontsteelt den genialen held
zijne prijsverhandeling over de lymphvaten , maar, terwijl
de schurk reeds met de bleeke bruid voor \'t altaar knielt,
weet onze held hem in hypnose te brengen en hem al
zijne misdaden te doen bekennen.
Of wel , er in een handschrift verloren, zeer oud en
zeer merkwaardig, en wie het vindt zal de schoone
dochter des professors tot vrouw krijgen. Grootc uittocht
der jonge geleerden.
Eén vindt het handschrift in een oude schuur, maar,
helaas, een schurkachtige collega doodt hem, om zich er
van meester te maken. Nog even echter vindt de ziel-
togende kracht genoeg om de naam zijns moordenaars in
een phouograaf te roepen en, door een samenloop van
omstandigheden , komt dit toestel jn handen van de pro-
fessors dochter , die nu als de wreekster der vermoorde
onschuld optreedt.
In dien geest zijn de romans, waarmede men beproeft,
het tegenwoordig geslacht te vermaken
Zeg ik te veel, wanneer ik beweer , dat, ook in het
rijk der verbeelding, de wetenschap van alle kanten hare
intocht heeft gedaan ?
Omgekeerd , komt oefening der verbeelding don tegen-
-ocr page 17-
15
woordigen hypothesensteller niet te onpas. Een bekend
geleerde zette eens duidelijk den invloed der phantasie
op den vooruitgang der wetenschap uiteen.
Evenzoo zal menig wetenschappelijk man erkennen dat
zijne oefeningen in de schoone teckenkunst veel hebben
bijgedragen tot het succes zijner studiën en dat zjjno
beoefening der letteren niet vreemd was aan de heldere
uiteenzetting zijner denkbeelden. Zoo gaan de kunsten
en de wetenschappen hand aan hand voorwaarts, elkander
steunende en elkander beschermende. Wanneer bv. door
de dankbare burgers aan de wetenschap de fondsen voor
eene nieuwe woning worden verstrekt, dan komt Huks
de kunst aangesneld , om met allen mogelijken spoed dit
gebouw te stichten en te voltooien.
Maar wij zijn nog niet aan \'t einde van den invloed
der wetenschap.
Niet alleen onze gewoonten, onze levenswijze, onze
behoeften zijn veranderd, niet alleen heeft de inhoud
onzer gedachten een geheelen omkeer ondergaan, maar
zelfs, zooals Molenschott terecht opmerkt, onze
manier van denken is door de wetenschap veranderd.
Door onze snelle reizen en vooral door onze telephonen
en telegraphen is onze gedachtengang versneld. Wij
hebben geleerd, spoedig te besluiten en dit besluit kort
en juist mede te deelen. Er is geen tijd tot langdurig
overleg; op het oogonblik zelf moet gehandeld worden.
Lord Chester field schreef eens : „ik heb geen tijd
om kort te zijn." Wij hebben afgeleerd om lang te zijn.
De boeken worden hoe langer hoe dunner, de preeken
en oraties hoe langer hoe korter.
Albertus Magnus schreef 21 groote folianten
vol, dus meer dan Thomson en Helmholtz en
Pasteur te samen.
Zoo leidde de ontdekking van Volta ongemerkt tot
-ocr page 18-
16
de uitvinding der briefkaarten , wier korte inhoud soms
belangrijker is dan die van menigen dikken brief.
De telephoon oetent ons in liet bedenken van korte,
zaakrijke zinnen, geeft dus, wat wij hersengymnastiek
zouden kunnen noemen.
In onze politieke en praktische overleggingen en han-
delingen pnssen wij de empirische methode toe.
Wij laten ons niet zoo spoedig meer door gvoote woorden
overbluffen en gevoelen spoediger de fouten in eene
redeneoring.
Wij willen de proef op de som.
De macht van het woord wijkt voor de kracht der feiten.
Tiet bijgeloof trekt zich terug in de schuilhoeken der
onwetendheid.
Heksen zijn eenvoudig hystericae, spoken bestaan alleen
in de eigene verbeelding of in de kermistent vap den
goochelaar en geesten vluchten voor het lampje van
C a 11 i e naar de vierde dimensie , waar zij thuis behooren.
Bij een of andor zeldzaam verschjjnsel wordt niet meer
aan wonderen gedacht, maar dadelijk vraagt men naar
verklaring, opheldering.
Niet meer laat men zich tegenwoordig, zooals in den
tijd van Sesostris gebeurde, door priesterlijke orakel-
spreuken terughouden, om de landengte van Saez te
doorboren.
De heksenprocessen zijn afgeschaft en de brandstapel
van Giordano Bruno verandert in een zegeteeken
der vrijheid, dat dreigend de hand tegen de inquisitie
opheft.
Wie kent niet Galilei en wie kent wel de namen zijner
rechters ?
Dezelfde zon , die eenmaal de plaats zijner vernedering
bescheen , verguldt nu het standbeeld, dat het dankbare
nageslacht hem wijdde.
-ocr page 19-
17
Zoo neemt overal en in alle standen de verlichting toe,
terwijl de dwaling vliedt.
Nu heeft het moeite gekost, het zoover te brengen ,
want velen zijn do dwalingen der menschen.
Om dit in te zien , behoeven wij niet tot do fabelen
der oude dichters terug te keercn, maar slechts te ver-
melden , wat de wijsste menschen leerden
T h a 1 e s beweerde dat de aarde in eene cindeloozc
zee zwom.
Anaxagoras liet haar op samengeperste lucht rusten.
Xenophanes hing haar aan touwen aan den hemel op.
D a m i e n leeraarde dat het licht uitging van het oog,
om zich achtereenvolgens op de verschillende voorwerpen
te hechten.
H e r m e s beweerde, dat hij goud had gemaakt uit
zwavel en kwik.
Kenschetsend voor den stand der wetenschap in de
middeleeuwen zijn de meeningcn en redeneeringen van
A 1 b e r t u s M a g n u s. Zij zijn ook daarom merk-
waardig , omdat deze man in zoovele opzichten boven
zijne tijdgenooten uitstak. Daarom geef ik hier meer
uitvoerig eenige voorbeelden.
Albertus Magnus dan schreef (1260) van den
agaat: „Het is een zwarte steen, met witte en roode
„strepen. Men maakt, er cameën van — Geplaatst bij
„het hoofd van een slapenden, brengt die, welke rond
„is , droomen aan. Die van Indië vermeerdert de scherpte
„van \'t gezicht en bestrijdt den dorst en het vergift.
„De amethyst helpt tegen dronkenschap, houdt wakker
„en verdrijft de kwade droomen. Het smaragd beschut
„tegen de gevaren des oorlogs en maakt onoverwinnelijk.
„Deze steen is volgens de gcneesheeren goed tegen luiheid
„en tranende ougeu."
-ocr page 20-
18
Albortus onderscheidt 7 metalen, overeenkomende
met de zeven planeten, nl.: lood met Saturnus, tin met
Jupiter, ijzer met Mars, brons met Venus, kwik met
Mercurius , zilver met de maan, goud met de zon.
Hij houdt het er voor dat ieder metaal dezelfde samen-
stelling heeft als de overeenkomstige planeet, en ook dat
de edelgesteenten de eigenschappen bezitten der vaste
sterren.
Na eene lange wederlegging van alle meeningen der
ouden over de vorming der gesteenten, besluit Albertus
M a g n u s aldus:
„Maar als wij uit al deze hypothesen de waarheid
„destilleren, dan is het deze: de oorzaak waardoor de
„gesteenten worden gevormd, is gelegen in de „virtus
„mineralis".
Denkt men hier niet onwillekeurig aan de „vis dor-
mitiva" van Molière of aan de fraaie expectoratie van
Zacharias Brasig over de oorzaak der hecrschende
malaise nl. : „De reden van onze groote ellende is gelegen
in onze grooto „pauvreté" ?
Sprekende over het goudmaken zegt Albertus:
„derhalve , zoo men van het eene metaal tot het andere
„wil overgaan, moet men niet, zooals Her mes en
„G i 1 g e 1 gedaan hebben, bv. tin nemen en hierbij
„een geel lichaam doen, om het geel te maken, een on-
„smeltbaar lichaam om het onsm.eltbaar te maken , een
„zwaar lichaam om het gewicht te vergrooten en dan ge-
„loovcn, dat men goud gemaakt heeft, omdat men iets
„verkregen heeft, dat de physische eigenschappen van
„het goud heeft."
„Neen, dat is louter kwakzalverij."
„Men moot opklimmen tot de allereerste grondstof der
„metalen (zwavel en kwikzilver) even als men doet, wan-
„neer mcu zich bij een tweesprong in den weg vergist
-ocr page 21-
1!)
„heeft. Men keert dan terug tot bet punt van vertakking
„om weder op den goeden weg te geraken.
„Dus nemen wij kwikzilver en zwavel, maar nu zoo
„goed gezuiverd als maar eenigszins mogelijk is; wij
„mengen dit in de gewenschte verhouding en wij wachten
„tot de stand der planeten, die noodig is voorde vorming
„van goud, zich verwezenlijkt heeft, hierbij het voorbeeld
„volgende van den bekwamen geneesheer, die, om een
„zieke te genezen, begint met hem te purgeeren van
„zijne bedorven sappen en vervolgens de natuur laat werken."
Iets verder zegt Albertus:
„De elementen zijn 4 in getal: liet eene, dat alleen
„licht is, is het vuur, het andere dat alleen zwaar is, de
„aarde, de andere twee zijn tegelijk zwaar en licht, het
„water en de lucht. De aarde, inderdaad, die koud en
„droog is, is het zwaarste van alle elementen. Na de
„aarde komt het water, dat koud en vochtig is; daarna
„de lucht, die warm en vochtig is; eindelijk het vuur,
„warm en droog, heeft geen gewicht. In \'t algemeen,
„zegt hij, is de stof van een gesteente samengesteld uit
„aarde en ivater. Een van beide elementen heeft de
„overhand, maar zelfs die, waarin het water de overhand
„heeft, hebben nog iets van de aarde. Want bijna allen
„zakken, als zij in \'t water gedompeld worden, naar
„beneden , terwijl zij, indien de hoogere en ligtere elementen
„(vuur en lucht) er in heerschten, zouden gaan drijven.
„Aan de andere kant is aarde alleen niet genoeg , om er
„een steen uit te maken, want de droogheid van de
„aarde belet de samenkleving. Men moet er water bij
„doen, om de deelen bijeen te houden en zoo komt hot,
„dat het slijk, opdrogende, oenen steen kan vormen."
Al deze uitingen van Albertus Magnus kentee-
kenen de dwalingen van zijnen tijd. Maar deze dwalingen
zetten zich voort.
-ocr page 22-
20
Zelfs Chr. Huygens was niet zoo goed of hij moest
zich nog bozig houden met den horoscoop van eene voor-
name adellijke dame.
G a 1 i 1 e i geloofde nog dat de lucht geen gewicht had
en dus ook niet kon drukken. Eerst Torricelli
verdreef den „horror vacui" waardoor men tot nog toe het
opstijgen van het water in eone pomp had willen ver-
klaren. Die „horror vacui" heeft eenen sterken familictrek
met de „virtus mineralis" van A 1 b o r t u s.
K o p 1 e r zeide : „dat de kometen ontstaan uit de wereld-
„dampen , even als uit elke kluit aarde een plant groeit
„zonder zaad en even als uit het zoute water door de
„spontane generatie visschen worden voortgebracht."
Eerst na de proeven van R e d i geloofde men niet meer
aan het ontstaan van maden uit vleesch, dat bederft.
Maar de spontane generatie zelve heeft nog tot bijna
op onzen tijd hare vurige aanhangers behouden.
Hier volgen nog eenige opmerkingen van Voltaire,
kenmerkende eenen veel lateren tijd. Hij zegt: „Wat is
„zwavel ? In de scheikunde is het een principe, een
rgrondstof, maar physisch is het slechts een mengsel van
„aarde, water, lucht en vuur. Maar lucht, noch water,
„noch aarde veroorzaken de brandbaarheid; het moet dus
„het vuur zijn. Daarom ook zijn de lichamen geen voedsel
„voor het vuur, tenzij zij zwavel of olie bevatten.
Ergens anders schrijft Voltaire:
„Het verschil tusschen de uitwerking van het vuur in
„de lucht en in het luchtledige is hierin gelegen, dat het
„vuur evenals eene elastische veer werkt, die een hard
„voorwerp voortbeweegt, maar in een zacht voorwerp zich
„ontspant en hare kracht verliest."
Wanneer wij de verhandelingen nalezen der geleerde
genootschappen, die in \'t laatst der vorige eeuw zoo veel-
vuldig oprezen, dan is daar schering en inslag: de
-ocr page 23-
21
tearmtestof, die in de poriën der lichamen dringt of daaruit
als water uit eene natte spons geperst wordt.
En, om op onzen eigenen tijd te geraken, wat heeft
het lang geduurd eer de inzichten van D a r w i n door
de wetenschappelijke wereld werden gedeeld !
Op het eerste bericht uit Amerika hielden mannen van
het vak de telephoon voor eene physische ongerijmdheid.
De eerste stap van van \'t II o f f, toen nog leeraar
aan de Teeartsenijschool, op \'t gebied der nieuwere schei-
kunde, een eerste stap, die reeds dadelijk den meester
verried, werd door K o 1 b o , een bekend scheikundige ,
genoemd eenen rit op een hinkenden pegasus uit de
stallen der Veeartsenijschool!
Wat hoort men nog dikwijls de maan als weêrbe-
dwingster prijzen!
Hoe dikwijls ontdekt men nog verkeerde begrippen
omtrent desinfectie en antisepsis !
De geschiedenis der menscheljjke dwaling zet zich voort
tot op onzon tijd; en daarover heen, en zeker zullen zich
latere geslachten vroolijk maken over de vele ketterijen ,
die heden nog voor wetenschap gelden.
Dan worden onze uitspraken op gelijke wijze gewogen
en te licht bevonden als zoo straks die van Albertus
Magnus en Voltaire.
"Wat zal men in latere dagen zeggen van de ethercellen
van Thomson, van de vrije ionen van A.rrhenius,
van de zonnecyclonen van F a y e of van de inspuitingen
van Koch en van de genetische theoriën van Weismann?
Wie weet ook, of wij niet eenigzins dwalen in onze
economische begrippen en theoriën, in onze beoordeeling
der historische toestanden , in onze opvatting van de taal
der ouden, enz. enz. ?
Hadden wij straks het recht wel, te glimlachen om
de redeneeringen van Albertus Magnus?
-ocr page 24-
22
Om oen woord van Alexander van Humboldt
te gebruiken :\'
„Krachten, welker stille werkingen, zoowel in de anor-
ganische natuur als in de teedere cellen der organische
„weefsels, thans nog aan onze zinnen ontsnappen, zullen
„te eeniger tijd erkend, aangewend en tot hoogere werkzaam-
„heid opgewekt worden on plaats nomen in die onafzienbare
„reeks der middelen , die steeds verder voeren op den weg
„tot beheersching van elk afzonderlijk gebied der natuur en
„tot levendiger kennis van het Heelal als een geheel."
Welke wetenschap is voltooid, is «/, zoodat nergens
geen vraagteeken meer staat of hiaten voorkomen ?
Zou dat wel een wetenschap zijn , die op een goeden
dag voltooid kon hceten ?
Wie zou zijn loven willen wijden aan hare studie , die
dan geen kans meer zou hebben op ontwikkeling.
Is vooruitstreven , ontwikkeling niet het kenmerk van
alle wetenschap ?
liet kenmerk en tevens het bekoorlijke, het aantrek-
kelijke
er van.
Want den levenden monsch bekoort slechts de bewe-
ging , de strijd, de inspanning, het overwinnen.
Hetzelfde vuur, dat vroeger den fleren ridder bezielde
als hij op zijn snuivend ros gezeten zich onder den aanhef
van zijn oorlogskreet in \'t midden van den strijd wierp ,
datzelfde vuur straalt ook uit de oogen van den ont-
dekker of proefhemer, die eene geniale gedachte rus-
teloos onderzoekt en eindelijk licht ziet oprijzen uit de
duisternis.
Dezelfde geest, welke de spieren staalt van den zee-
man , die zegevierend worstelt met de woedende elementen,
dezelfde geest verheldert het oog van den observator en
geeft vastheid aan de hand van den chirurg.
K a r e 1 de G r o o t e was niet meer gehecht aan zijn
-ocr page 25-
23
slagzwaard „Joyeuse" tlan Bessel aan zijn refractor
en Humboldt aan zijn magnetometer.
Men bezingt de heldendaden van K a r e 1 s paladynen ,
van M a u r i t s dapperen , van N a p o 1 e o n\'s garde ,
maar ook sommige natuuronderzoekers hebben een hel-
denmoed getoond , die wel op kan wegen tegen dat alles.
Want het is heel wat anders in de hitte van \'t gevecht,
aangevuurd door opgewondene makkers, en met het oog
op zelfbehoud, wonderen van dapperheid te verrichten ,
dan wel, koelbloedig en met volkomen bewustzijn , zijn
loven te wagen, alleen tot bereiking der waarheid.
Wat zegt gij van Copernicus, die , in de opdracht
van zijn werk aan den Paus, het opperhoofd der gevreesde
inquisitie,\' zich niet ontziet do onder godgeleerden toen
algemeen verspreide meening van de onbewegeljjkheid der
aarde en van hare plaatsing in het middelpunt van \'t
heelal, „een ongerijmde wartaal te noemen , welke slechts
„door domkoppon en ijdele zwetsers kan worden ver-
dedigd"?
Wat denkt gij van Thomas Young., die beide
zijne eigene oogen aan do meest gevaarlijke proefnemingen
onderwierp, waarbij hij ze eigenhandig tot bijna uit de
oogkassen uitduwde ?
Wat zegt gij van de S a u s s u r e , die het aller-
eerst van alle stervelingen den moed had, den top van
den Mont blanc te beklimmen en daar zijne waarnemingen
te verrichten ?
Wat denkt gij van den astronoom Janssen, die
midden in den nacht geheel alleen in een luchtballon uit
het belegerde Parijs opsteeg ? Koelbloedig drijft hij over
de hoofden der Duitschers en bereikt bijtijds Algiers, waar
hij een zoneclips moest waarnemen.
Hoevele scheikundigen zijn niet door explosies, die zij
niet wilden vermijden , misvormd of gedood !
-ocr page 26-
24
Denkt ook aan zoovele geneesheeren, die in tijden van
hevige cholera-epidemiën geen gevaar schroomden, maar
kalm hunne onderzoekingen omtrent de temperatuur dor
lijders en de besmettelijkheid der ejecties volbrachtten.
Zijn dat geenc daden van heldenmoed, die onzen
eerbied wekken ?
Ja, waarlijk, ook de vrede heeft zjjne overwinningen ,
zijne helden, even goed als de oorlog !
Om met Bcnan te spreken :
„Met de helden, de groote mannen van ieder tijdvak,
„vergelijken wij zonder schroom die wetenschappelijke
„geesten , alleenlijk gehecht aan het onderzoek der waar-
„heid, onverschillig voor het geluk, dikwijls trotsch op
„hunne armoede, glimlachende over de eer ^ die men
„hun bewijst, even onverschillig voor den lof als voor den
„smaad , zeker van de waarde van \'t geen zij doen , en
„gelukkig; want zij hebben de waarheid."
Hulde en dank zij aan die helden der wetenschap
gebracht, want zegenrijk waren hunne daden !
En wij, leden van het Utrechtsch Genootschap, laten
wij trachten hun edel voorbeeld te volgen. Laat ons
vast houden aan dien wetenschappehjken geest, die ver-
heven is boven den strijd der partijen en de verdeeldheid
der volken !
Met dezen wensch open ik de 118de Vergadering van
het Provinciaal Utrechtsch Genootschap voor Kunsten en
Wetenschappen.