-ocr page 1-
-ocr page 2-
•
•
"
.
•
-ocr page 3-
-
V\'
.
\'
I
*
-ocr page 4-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
III
3082 110 6
•
-ocr page 5-
H
-KOFFIECD
MET
BETREKKING TOT DE VOLKSWELVAART
dook
Dr. W. BURCK,
Wetenschappelijk Adviseur voor de Koffiecultuur.
,
\'
•
G.
BATAVIA
KOLPF & Co.
1897
JB
-ocr page 6-
-ocr page 7-
rriSCri ! AHi i-vf,-rn
_,l BlBLIOt^É^DER I
U.B. UTPFC rf
rmnci\'
DE G0ÜVERNEMENT8-K0PFIECTJLTUU» MET BE-
TREKKING TOT DE VOLKSWELVAART.
DOOR
Dr. W. Burck,
H \' ,/ƒ,,(•,; Adviseur voor de Koffiecultuur.
i.t. artikel in hei Tijdschrift voor liet Binnenlandsch
Bej\'MHf cll. 5C.II atf. V 1896 over de oorzaken van den achter-
• der koffiecult uu op Java, heb ik een antwoord gegeven
o de vraag waaraan het moest worden toegeschreven, dat de
•iddeldc jai                    igsten, na van 1864 tot 1884geleide-
,. te zijn gestegen van 797.000 tot 988.000 picols \'s jaars,
in het 5-jarig: tijdvak van 1884 tot 1888 plotseling zijn terug-
begaan tot 035.000 picols om daarna nog steeds verder te
daten, tot dat de gemiddelde jaarlijksche productie in de jaren
189-J tot 1894 nie\' i: . / bedroeg dan 375.000 picols.
Ik heb toon aang< • n ld, dat die plotselinge achteruitgang
niet mocht worden toegeschreven aan gebrek aan voor beplan-
ting n\'et koffie geschikte gronden op een redelijken afstand
nui de desaa\'s, aangezien er destijds nog geen gebrek aan grond
viel waartenemen an het zelfs bij het opmaken der cultuur-
plannoa in de jaren 1883/87 gebleken was, dat er in de na-
bijheid der deeaa\'s on in vele afdeelingen en districten veel
m?er grond vn- joe< hoedanigheid aanwezig was dan voor
de reserveeriug noodig werd geoordeeld, terwijl bovendien na
dien tyd vele gronden in erfpacht waren afgestaan.
Evenmin meent die ai;hteruitgang op rekening worden gesteld
van een mindere geschiktheid van den grond voor de teelt
van dit gewas, daar 4 HQtjo van de in de cultuurplannen opge-
nomen gronden nog nimmer foor de teelt van koffie of eenig ander
t< inde waren gebruikt; het: b ;.ren maagdelijke gronden, die ten
allen tijde zijn geacht de meest geschikte te zijn voor koffiecultuur.
1
-ocr page 8-
— 2 —
Ook werd er met nadruk op gewezen, dat de achteruitgang
zich plotseling had geopenbaard overal in elk gewest over gansch
Java, terzelfder tijd, waaruit natuurlijk de conclusie moest
worden getrokken, dat een algemeene oorzaak (of algemeen*
oorzaken) op de vermindering der gemiddelde jaarlijksche oogsten
invloed moest hebben uitgeoefend. \')
Als oorzaken werden toen aangewezen:
1°. de bladziekte.
2<> de weinig oordeelkundige cultuur-voorschriften in de
handleiding voor de koffiecultuur en in de Xota\'s van toelich-
ting bij de cultuurplannen en
3°. de enorme vrijstellingen van cultuurdienst, die het ge-
volg zijn geweest van die voorschriften.
JNTaar aanleiding van een en ander werd de noodzakelijkheid
aangetoond van een wijziging der cultuur-voorschriften op
alle terreinen waar de z. g. eenvoudige cultuur-methode van
de laatste jaren tot slechte resultaten leidde of liever van een
terugkeer tot een vroegere, meer rationeele, wijze van ont
ginning, aanleg en onderhoud, voorgeschreven in alle handlei-
dingen en instructies uitgegeven tusschen de jaren 1789 en 1887.
Mijn artikel heeft, zooals mij bij meer dan eene gelegenheid
gebleken is, bij sommigen de vrees doen ontstaan, dat bij een
terugkeer tot eene meer intensieve wijze van bewerking der
koffiegronden de last op de koffieplanters gelegd, zeer belang-
rijk zou worden verzwaard,
2) al moest dan ook toegegeven
worden, dat van eene cultuur met goede grondbewerking, be-
tere resultaten konden worden verwacht.
Wijders heeft men den twijfel uitgedrukt of wel ooit voor
de koffiecultuur weder een tijdperk van bloei \'zou kunnen aan-
breken en of het mogelijk zou zijn Iiaar alsnog te doen worden
een zegen voor de bevolking en tegelijkertijd een rijke bron
van inkomsten voor den Sraat, zooals door mij aan het slot
van mijn artikel was meegedeeld, zonder dat ik verder daar-
over in détails was getreden.
1)   Op dit onderwerp ben ik nog nader teruggekomen in een artikel
in dit Tijdschrift Dl. XII afl. 11.
2)   Zie o. a. Algemeen Handelsblad van \'26/3 1896 No. 21121.
-ocr page 9-
— 3 —
Ik wil dit onderwerp thans nader in behandeling nemen en
trachten in het ondervolgende zoowel de vi-ees voor opdrij ving
der lasten voor de bevolking bij de toepassing eener meer
rationeele cultuurwijze v<eg te nemen, als een antwoord te
geven op de vraag, op welke wijze de koffiecultuur moet wor-
<ien geregeld om wederom, even als voorheen, eene bron te
worden van welvaart voor de bevolking.
Alvorens hiertoe overtegaan dien ik uitvoerig stiltestaan bij
den cultuur-dienstplicht zelven d. w. z. bij hetgeen van eiken bij
de cultuur ingedeelden inlander volgens de bestaande voor-
schrifJ:engevorderd wordt.
Hebbeu wij eenmaal een blik gekregen in den cultuurdienst-
plichtigen arbeid en kunnen wij dezen voor verschillende streken
in dagen uitdrukken, dan kan daarop een berekening gebaseerd
worden van de inkomsten, die een cultuur-dienstplicktige uit
de teelt van koffie moet trekken, opdat voldaan worde aan
den eisch van het Eegeerings-reglement art. 56 § 4. Zooals
bekend is, wordt daarin voorgeschreven, dat de Grouvernements-
cultures den inlander bij gelijken arbeid, minstens gelijke
voordeelen moeten opleveren als de vrije teelt, onder dien ver-
stande, dat onder „vrije teelt" blijkens eene interpretatie van
den Minister van Koloniën (Memorie van Antwoord ophetVoor-
loopig Verslag der Tweede Kamer over de Begrooting van 1893)
verstaan moet worden de teelt van andere producten van eigen
landbouw; derhalve van hetgeen in een of andere streek als
meest voorkomend gewas op droge velden wordt geplant. Die
berekening opgesteld zijnde, kunnen wij verder onderzoeken in
hoever voor die dessa\'s, die thans nog bij de cultuur zijn ingedeeld
en die destijds daarvan niet werden vrijgesteld, omdat aan haar
naar het oordeel der samenstellers der cultuurplannen geschik-
te gronden, binnen redelijken afstand, konden worden aangewe-
zen, aan dien eisch van het Regeerings-reglement wordt voldaan.
Wanneer het ons daarbij zal blijken, dat dit voor zeer vele
dessa\'s thans niet meer het geval is; dat de koffiecultuur in
vele streken tegenwoordig onder zulke treurige omstandigheden
verkeert, dat zij op abnormale wijze moet in stand gehouden
-ocr page 10-
__ 4 —
worden en dat aan zeer vele der daarbij ingedeelde personen*
jaarlijks eene tegemoetkoming in geld moet worden uitgekeerd, om
aan de bepalingen van het Regeerings-reglement zoo goed mogelijk:
te voldoen, dan zal ons dit aanleiding geven om de oorzaken nader
optesporen, die tot dien abnormalen toestand hebben geleid en.
om middelen aantegeven om daaraan een einde te maken.
De berekening van den cultuurdienstplichtigen arbeid zal ons^
tevens de gelegenheid geven een blik te slaan in de beteekenisi
van de koffiecultuur als middel tot verhooging van de algemeene?
welvaart van de bevolking voorheen en thans.
I. De arbeid, die van een cultuurdienstplichtige wordt ge—
vorderd volgens de (hans vigeerende bepalingen.
Aan ieder die cultuurdienstplichtig is, d. i. ieder die in het
bezit is van bouwgronden, onverschillig van welken aard en van
welke uitgestrektheid; erven, tuinen, boomgaarden en visch-
vijvers, grooter dan \\ bouw en die niet behoort tot de categorieën-
van menschen, die daarvan zijn vrijgesteld (hoofden, ambtena-
ren, beambten, dessabestuurders, panghoeloe\'s, priesters e. a.)
wordt opgelegd om jaarlijks een stukje grond in ontginning te
brengen en met koffie en schaduwboomen te beplanten; verder
om zijn koffieplantsoentje te onderhouden en do vruchten te
plukken, te bereiden en te drogen en inteleveren in het Gou-
vernements-inkooppakhuis, waar hem voor elke picol koifie
lste soort de som van / 15 wordt uitgekeerd.
Aangezien de reserve-terreinen op zeer verschillenden afstand
zijn gelegen van de bij de cultuur ingedeelde dessa\'s, heeft
men getracht de jaarlijksche planthiak zoodanig te regelen, dat
zij, die het verst verwijderd zijn, het kleinste aantal boomen
hebben bij te planten en wel zóó, dat er naar gelang van dien
afstand worden geplant:
50 boomeu bij minder dan 4 paal,
40 „          ,          4—6 paal, .
30 „          „          meer dan 6 paal;
onder dien verstande evenwel, dat zooveel doenlijk in de naaste
omgeving der dessa\'s en kaïnpoengs zal worden geplant, bin~
nen een rayon van zes palen.
-ocr page 11-
— 5 —
Worden gronden aangewezen op grootere afstanden, welke
afstanden echter nimmer meer dan 12 palen mogen bedragen,
dan zal bepaaldelijk moeten blijken, dat de belangen der be-
volking daardoor niet geschaad worden en deze in den aanplant
van koffieboomen op zoodanige afstanden een middel kan vinden
•om haar bestaan te verbeteren.
Deze regeling is door de ontwerpers der cultuurplannen
overgenomen uit reeds te voren, in het jaar 1879, daaromtrent
gegeven bepalingen (circulaire Directeur van Binnenlandsch-
Bestuur 23 Februari 1879 No. 1511 Bijblad No. 3378), toen
voor het eerst de planttaak geregeld werd naar den afstand.
Bij die voorschriften van 1879 echter was nog verder de
bepaling opgenomen, dat 30 boomen zouden worden geplant bij
6-8 paal; 20 boomen bij 8 — 10 en 10 boomen bij 10—12
paal afstands van het plantterrein tot de woningen der cultuur-
dienstplichtigen.
Deze jaarlijksche bijplanting gaat door tot de desaa (of het
gehucht), waartoe de cultuurdienstplichtige behoort, als gemid-
delde der 3 laatste jaren eene, voor elke dessa berekende, hoe-
veelheid koffie in \'s lands pakhuizen heeft ingeleverd.
De dessa verkrijgt dan voor het volgend jaar tijdelijke vrij- c/i^.rjt^
stelling van verplichten bijplant en blijtt daarvan vrijgesteld
zoolang die berekende hoeveelheid koffie — die „minimum le-
vering" — niet vermindert. De ingeleverde koffie moet even-
wel verkregen zijn van eigen plantsoen dan wel als plukloon
«n niet door inkoop of ruilhandel.
Alhoewel dit de eenige maatstaf is voor vrijstelling, kan die
-toch ook verkregen worden wanneer de cultuurdienstplichtige
veel jong plantsoen heeft te onderhouden of een bepaald aantal
boomen wil bemesten of door bizondere omstandigheden vele
andere diensten heeft te praesteeren etc.; de betreffende voor-
stellen moeten dan evenwel bij den jaarlijks intedienen voor-
stelstaat nader worden gemotiveerd. Op die minimum-levering
kom ik later terug; hier wil ik erop wijzen, dat die planttaak
van 50, 40 of 30 boompjes per man al naar den afstand van 7>
het plantterrein tot de dessa een minder billijke regeling is \'
«ian zij schijnt.
-ocr page 12-
— 6 —
Oppervlakkig beschouwd, zou men daaruit afleiden, dat de
planter in een geringer aantal jaarlijks bij te planten boompjes
een compensatie vindt voor den meerderen afstand; maar de
billijkheid van die regeling is slechts schijnbaar; de werkelijke
taak aan iederen cultuurdienstplichtige opgelegd, regelt zich
niet zoozeer naar het aantal boompjes, als wel meer naar de
terrein-oppervlakte, die daarvoor jaarlijks moet worden ont-
gonnen en onderhouden.
Deze is afhankelijk van den ouderlingen afstand waarop de
•boompjes moeten worden uitgeplant —• de zoogenaamde plant-
wijdte — welke door den ontwerper der cultuurplannen werd
gesteld bij een vermoedelijken levensduur der koffieboomen
j f,
                      van 6 — 8 jaren op 5\'—5\'
~T~              , 8-10 „ „ G\'-G\'
„ 10-15 , „ 6\'-8\'
van meer dan 15 jaren op G\'—10\'. Hierdoor worden de taken
zeer ongelijk en voor den eenen planter veel zwaarder dan
voor den anderen.
Bij de verschillende bovengenoemde plantwijdten toch, wor-
den uitgeplant resp. 2880; 2000; 1500 en 1200 boompjes
\'J e \' 9 :
per bouw zoodat de planttaak, uitgedrukt in gronduitgestrekt-
heid, al naar de plantwijdte, bij 50 boompjes wordt:
50            50            50            50
bouw
2880 \' 2000 \' 1500 \' 1200
bij 40 boompjes
40            40            40            40
en
2880 2000 \' 1500 \' 1200
bij 30 Jboompjes
30            30            30
en .---------; bouw
2880 \' 2000 \' 1500
M. a. w. menschen, die op een afstand wonen van 0—4 palen
van de plaats waar zij moeten planten, hebben jaarlijks te
ontginnen:
dan wel op afstanden van 4—Ö paal:
\'/mi Vso! VitJ Vso bouw eu
op afstanden van 6 paal en meer
-ocr page 13-
/3<rvr^ ; ft) O
" *
t /ü&/d s Uflf trfr                            — 7 —
V965 Vee! Vso? V40 bouw-
In het algemeen varieert derhalve het jaarlijks percultuur-
dienstplichtige in cultuur te brengen terrein-oppervlak van\'/96
bouw of 5.2 □ Rh. roeden tot l/84 bouw of 21 Q Rh. roeden.
Bij gelijken afstand der dessa\'s, b. v. van 0-4 paal, loopt dit
uiteen van 8i-—21 Rh. roeden.
De arbeid, besteed aan het kappen van \'t bosch, het branden,
plantklaar maken en beplanten is derhalve voor lieden, die op
denzelfden afstand wonen van de hun aangewezen terreinen,
& r naar gelang van de plantwijdte, voor den een 2| maal zoo
zwaar als voor den ander.
Later, wanneer zij één- twee- en driejarig plantsoen hebben te
-
onderhouden heeft de een 3/58 en de ander 3/24 bouw voor zijn
rekening — al naar gelang de 150 boompjes zijn geplant op
onderlingen afstand van 5 voet dan wel 6:10.
,j«M<-i«\'-         Ook kan het natuurlijk bij zoodanige regeling voorkomen, \'
U" •               \' dat iemand, die op den maximum afstand woont, een grootere
-t L**~i £V* r^jaarlijksche planttaak heeft dan een ander, die vlak bij huis plant
,Vt?.5i"            b. v* °P zÜn eigen milik-grond; want 30 boompjes 6:10 nemen,
1 ( zooals duidelijk is, meer ruimte in beslag dan 50 boompjes 5:5
etc. zoodat men met een dergelijke regeling het doel, dat men
zich daarbij voor oogen stelde, geenszins ten volle heeft
bereikt.
In de latere jaren, toen ook Liberiakoffie in Gouvernements- /.
dienst zou worden geplant, is dan ook de jaarhjksche bijplant, Tï
omgekeerd, berekend naar de aangenomen terrein-oppervlakte
\'., -*&ffl\' van V30 bouw per cultuurdienstplichtige, zoodat op terreinen, -c Hjlrb V**
\'S waar op onderlingen afstand van 10 voet wordt geplant, 24,
boompjes, en daar, waar de plantwijdte op 12 voet is gesteld, 15
(eigenlijk 17) boompjes als taak wordt opgelegd; deze komt
dan overeen met die van 50 Java-koffieplantjes 6:8 zijnde
50         24 17
1500 720 500:
•
Al naar gelaug van de omstandigheden — afstand en plant- %:
taak — wordt derhalve thans in cultuurdienst elk jaar per man in \'~
                    " <
ontginning gebracht en beplant !/,,; 1/72! Vee! \'/ssi Vso;
V40» Vso of */i4 bouw\'               "                                                 f \'
-ocr page 14-
— 8 —                                                                      t
\\
w.c •.                   Die ontginning bestaat uit het kappen van het bosch x), het
\' opruimen van het struikgewas, branden van alang-alang of
glagah, struikgewas en takken, het maken van terrassen waar
dit noodig is, het graven en weder vullen van plantgaten, het
omwerken van het terrein, het uithalen van uitloopers van na-
                            .
deelige onkruiden etc.; kortom het plantklaar maken van het
«<
terrein. Voor die beplanting moeten eenige maanden van te
voren kweekbedden worden aangelegd en plantjes worden ge-
kweekt, die in November of\' December naar het terrein worden
overgebracht en uitgeplant.
De aanleg van het kweekbed geschiedt in den regel op zoo-
danige wjjze, dat elke dessa haar kweekbedden verkrijgt op eene
plaats, welke het best gelegen komt. Ook de ontginning ge-
schiedt gewoonlijk in gemeensch.ippelijken arbeid.
Verder is voorgeschreven om, gedurende de drie eerste levensja-^7t*~r>~~ ^ A*---
ren van het plantsoen, den aanplant naar bchooren te onderhouden •r^-\'Z^i /U*A*-«^
Dit onderhoud bepaalt zich tegenwoordig in alle streken, waar ^ww ^Aw^fc\'
bereids de cultuurplannen zijn herzien of waar reeds, in afwach-^v^jL^».^"»^
ting dier nieuwe cultuurplannen, voorloopig de cultuurmethode At*.~<fr*-ct» £»"\'—
is gewijzigd en door de Regeering is gearresteerd geworden, op /^,£,£i*/\'i~ttt\'
eene wijze, die vrij wel overeenkomt met die, welke voor een jvUtiucf»^,f^:\'
intensieve
cultuur is voorgeschreven in de Handleiding/van 1887\'^_,^*,"
pag. 38 te weten: bij gronden van vaste structuur tot het om - f
.*••• Vk-\'^\'X1^.""werken met den patjol, het eerste jaar ;i malen; het tweede en
>. -\'x-- - ** \'derde jaar 2 malen; en bij losse gronden het eerste en tweede
jaar tweemalen en het derde jaar eenmaal.
.} }ft>*~~-\'-e\'           Tusschentijds bepaalt zich het onderhoud tot het afsnijden van
! \'.o d\'K^\' ~° het onkruid boven den grond, tenzjj er nog alang^ajajig inde
,,..t*-<^*""\'\' tuinen optreedt, hetwelk met alle wortelstokken moet uitg_e-
graven worden; eindelijk worden ziekebjke of gestorven plantjes
door andere vervangen.
•1). Het planten met gedeeltelijk behoud van .\'tbosch (Handleiding
1887 pag. 43\') oen tijd lang in zwang geweest, komt niet meer voor:
ook het voorschrift om de te beplanten terreinen 1, \'2 of 3 jaren van te
voren met schaduwhout te beplanten is wegens de allertreurigste resul-
taten bij circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 18
November 1895 No. 5553 ingetrokken.
I
-ocr page 15-
T                                                                               — 9 -
De volgende jaren werd tot nu toe grondbewerking niet meer^; /j>. ^^ t£C*~—
noodig geoordeeld, tenzij bij bladziekte en bemesting.
                  v^n ^ .
Z/- /^_ri^-. Grondbewerking (na een aanval van bladziekte) en bemesting
* / . ~%, worden evenwel alleen opgelegd tegen vrijstelling van bij-óf"
(jl , plant, zoodat daarmede zoo aanstonds, bij het berekenen van
\' .jy^jOen arbeid per cultuurdienstplichtige, geen rekening behoeft
\' 7— \'w worden arehouden.
                                                _,                       _
\'                Op vele terreinen, die zich daartoe leenen^ geschiedt de /A^-"\'»
omwerking met den patjol 2 of 3 malen \'s jaars alleen in
de naaste omgeving.van het boompje, en elders weder, waar
aan de bevolking is toegestaan om tusschen de jonge plantjes
in de eerste twee jaren, tweede gewassen te cultiveeren, zon-
der dat daarvan landrente wordt geheven, vervalt een groot
deel van het onderhoud van zelf, of liever valt dit samen met
dat voor die gewassen.
Eindelijk moet de koffie worden geplukt, bereid, gedroogd
en ingeleverd.
\'.
Dit is dus in korte trekken de omvang van hetgeen den
cultuur-dienstplichtigen wordt opgelegd.
Thans wil ik trachten die opgesomde werkzaamheden uitte-
drukken in dagen arbeid.
De berekening van den arbeid per cultuur-dienstplichtige
is, zooals zich begrijpen laat, geen eenvoudige zaak. Men heeft
daarbij rekening te houden met alle mogelijke omstandigheden.
Wij zagen zooeven reeds, dat de planttaak voor den een 4 /<^-/« *~*~*- •
maal zwaarder kan zijn dan voor den ander, alleen door de
verschillende plantwijdte en in verband met het aantal plantjes,
dat hij jaarlijks heeft in den grond te brengen.
Die verschillen in den gevorderden arbeid worden nog veel
grooter in verband met den aard, de ligging en de configu-
ratie der te ontginnen terreinen, waardoor het kan voorkomen
dat de een nagenoeg niets te doen heeft in zijn tuinen en de
ander zwaren arbeid heeft te verrichten.
A. b.v. heeft permissie gekregen om zijn aanplant van 15 L) Lx tvc**. <
Liberia of 50 Java-koffieboompjes uitteplanten op zijn eigen hxA>.M£L
milik-grond, vlak bij huis en gebruikt dien grond tegelijk rv ^,„ti<;...
-ocr page 16-
— 10 —
voor tegal d. w. z. hij plant zijn boompjes uit op den voor-
geschreven afstand in zijn djagong-veld oftusschen zijn katjang
of ketella of aardappelen.
Zijn ontginning levert hem volstrekt geen bezwaar op; zijn
terrein is vlak of reeds vroegere jaren geterrasseerd geworden; a*~<-j/&-*
de grond is mul, bestaande uit zand en reeds meermalen voor fa*y
verschillende gewassen in gebruik geweest; het onderhoud van
zijn jong plantsoen kost hem nagenoeg geen tijd en geschiedt
tegelijk met het onderhoud van zijn tussclien-gewassen; vol-
doende omwerking heeft plaats reeds door en ten gevolge van
het oogsten van zijn aardappelen, of katjang-tanah eto. Voor
dien man is de arbeid dus al zeer weinig bezwarend.
B. daarentegen heeft geen eigen grond te missen en moet op
0 paal afstand van zijn woning een zwaar geaccidenteerd en
met oorspronkelijk boscli bekleed terrein ontginnen. Ter voor-
koming van afspoeling van de bouwaarde door regens, moeten
overal terrassen worden aangelegd; de grond bestaat uit min
of meer zware klei en laat zich mitsdien moeilijk bewerken;
zijn arbeid is derhalve vele malen zwaarder dan dien van A.
Het spreekt dus van zelf, dat het in \'t geheel niet aangaat
om voor dien cultuurarbeid een eenigszins vertrouwbaar mid-
delcijfer aantenemen; de arbeid moet dessa voor dessa wor-
den berekend met in-achtneming van alle factoren, die daar-
bij in \'t spel komen. Dank zij nu het onderzoek, dat onlangs
op last van de Regeering en naar aanleiding van de circulaire
van den Oouvernements-Secretaris van 9 Maart 1894 No. 673
over gansch Java heeft plaats gehad, betreffende de verhou-
ding van arbeid en loon bij de Gouvernements-koffiecultuur
ten behoeve van den „bijslag" is het thans gemakkelijker dan
te voren om het aantal dagen, door de bevolking aan de cultuur
besteed, voor elke dessa te becijferen.
Bij genoemde circulaire werden aan de Residenten van
Regeeringswege staten toegezonden ter invulling door de amb-
tenaren van het Binnenlandsch Bestuur, na gehouden onder-
zoek.
Daardoor hebben wij nu de beschikking gekregen over een
aantal gegevens, die ons bij de berekening van nut kunnen
-ocr page 17-
— 11 —
zijn. Die staten leeren ons, districtsgewijze, hoeveel dagen
arbeid er vereischt worden: 1° aan den aanleg en het
onderhoud van het kweekbed; 2° aan ontginning en bij plant
per bouw, bij de toepassing eener intensieve cultuur; 3° aan het
onderhoud van jonge tuinen en van vruchtdragende tuinen en
4° aan pluk, bereiding en transport.
Dit onderzoek heeft onseen belangrijken stap verder gebracht
niet alleen in het berekenen van den cultuurarbeid, maar ook
nog in menig ander opzicht. \')
Behalve van deze, door de ambtenaren van het Binnenlandsch
Bestuur bijeen gebrachte gegevens, ben ik ook nog in het
bezit van een aantal andere, mij welwillend verstrekt door
administrateurs van koffieondernemingen in verschillende Resi-
denties; de meeste daarvan ontving ik door tusschenkomst der
ambtenaren. Voor het zoo aanstonds te voeren betoog zal ik
van beide serieën van gegevens gebruik maken. Die van parti-
culiere koffieondernemingen hebben dit voordeel, dat zij tel-
kens betrekking hebben op een speciaal terrein, terwijl de
getallen voor de verschillende werkzaamheden in de bijslag-
staten uitgetrokken, gemiddelden zijn voor een gansch district.
Een administrateur van een koffieonderneming geeft mij b.
v. op hoeveel geld door hem is uitgegeven voor een bouw
koffietuin van af de ontginning tot aan het oogenblik, dat
het terrein met koffie en schaduwhout is beplant.
Wanneer ik nu weet het koelieloon daar ter plaatse,
dan valt daaruit afteleiden het aantal dagen voor dien ar-
1) Niet alleen toeh, dat het de berekening van den cultuurdienst-
pliehtigen arbeid gemakkelijker maakt, maai\' het geeft ons tevens in
beknopten vorm een overzicht van wat er van de gedwongen cultuur
nog is overgebleven; welke dessa\'s daarbij nog zijn ingedeeld en hoe
groot de uitgestrektheid gronds is in het bezit van elke dessa met kotfle
beplant, zoowel vrijwillig als op hoog gezag, jong en vruchtdragend;
zoodat wij daaruit met een oogopslag den ganschen cultuurtoestand
van de dessa kunnen beoordeelen en o, a. leeren kunnen, hoeveel vrucht-
dragende booinen elke cultuurdienstplichtige bezit. Door dit onderzoek
zijn wij in vele opzichten weer teruggekeerd tot de goede tijden van
de Preanger-regeling, tot den voorstelstaat van 20 December 1878 (Ind,
Bijblad No. 3325) waarop ik zoo aanstonds moet terugkomen.
-ocr page 18-
— 12 —
beid noodig. Met een vrij hooge mate van juistheid kan
ik dan zoo aanstonds meedeelen: het particuliere koffieland
A. grenst ongeveer aan een terrein woeste gronden, dat in
het cultuurplan is opgenomen ter beplanting door de bevolking
op hoog gezag. De administrateur van A heeft voor de ont-
ginning en beplanting het eerste jaar uitgegeven f 84.— per
bouw en betaalde f 0.40 koelieloon. Wanneer derhalve het
bedoelde reserveterrein door de bevolking zal worden beplant,
dan moet ik er op rekenen, dat haar dit, bijaldien zij de-
zelfde wijze van ontginning en aanleg volgt, 210 dagen arbeids
zal kosten per bouw.
Ik kan daarin dan geen groote fout maken en heb dus een
vrij juist cijfer voor mijne berekening.
Met de cijfers van de bijslag-staten komt men niet zoover,
omdat deze gemiddelden zijn voor een geheel district. Wanneer
ik in een bijslag-staat zie, dat er 210 dagen zijn uitgetrokken
voor de ontginning en beplanting van een bouw, dan mag ik
daaruit nog niet afleiden, dat de cultuurarbeid op een wille-
keurig reserve-terrein, gelegen in dit district, 210 dagen arbeids
zal kosten.
In een en hetzelfde district toch heeft men moeilijk en
gemakkelijk te bewerken gronden, geaccidenteerde en vlakke
terreinen, en de arbeid, benoodigd voor ontginning van het
eene terrein, kan- daardoor wel zwaarder zijn dan voor het
andere.
De uitersten toch, zoo even reeds genoemd, dat A plant op
zijn eigen grond en B op een geaccidenteerd reserve-terrein,
met zwaar bosch bekleed, kunnen in één en \'t zelfde district
voorkomen.
Voor zeer vele districten evenwel, waar het terrein overal
vrij wel gelijk is in configuratie en grondgesteldheid, kan ik
wel gebruik maken van de verstrekte gegevens. Want alhoewel
ook daar de uitersten nog wel min of meer uit elkander kun-
nen loopen, is de fout, die ik maken kan door daarvan gebruik
te maken bij de berekening van den arbeid per cultuurdienst-
plichtige, toch nimmer grooter dan een of twee dagen op den
ganschen cultuur-arbeid.
-ocr page 19-
— 13 —
Bovendien komen de cijfers voor ontginning en aanleg in L/|\'"~ •\'<**ƒ*
vele districten ook vrij wel overeen met die der administrateurs\'"*-""-,^y"
v. frlr
^<vvan koffieondernemingen, een bewijs, dat de ambtenaren de
e**Oe»t^e_ proeven en berekeningen met de meeste nauwgezetheid hébben
«/,,.,X_y~. •> verricht.
•U^lMjJvf\'__> Vooronderstellen wij b. v. voor een oogenblik dat in een
\', t#W£-*w-of ander district bij een middelcijfer voor de hier besproken
\'.„ .j-^-Zt-ct-werkzaamheden van 210 dagen, als uitersten zijn gevonden
170 en 250 dagen, dan is de grootste fout, die ik maken kan
door gebruik te maken van het middelcijfer van 210 dagen,
voor ieder die \'/5g bouw ontgint nog geen dag; voor een
ander die \'/4o bouw ontgint juist een dag en voor eenderde
die 1/so bouw ontgint iets meer dan een dag en dus van weinig
beteekenis.
In elk geval kan zoo aanstonds bij een voorstel tot regeling
der koffiecultuur op den grondslag van art. 54 al. 4 van het
Regeerings-reglement, d. w. z. berekend naar den te vorderen
arbeid, in \'t oog gehouden worden, dat de cultuurarbeid niet
op 1 — 2 dagen zuiver kan worden aangegeven.
Ik geef hieronder nu een staatje van de mij verstrekte
gegevens van administrateurs en yoeg daar eenige aan toe van
die, welke door de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur
zijn bijeen gebracht.1)
I. JAVA-ROFFIE.
^v^^t-^J^
/,,
/ /
c«-—
Onderhoud
vruchtdra-
gend plant-
soen per
bouw.
Kostende
prijs van
een
plantje
gereed
voor uit-
planting.
Ontginning
aanleg en
beplanting
per bouw.
Onderhoud
1,2 en 3 jarig
plantsoen
per bouw
a. Onderneming
in het district
Soekoredjo (Pa-
ree) Residentie
Kediri.
tA*4u-^
k, lO.üo
T5.é=
f 40.=
ICO d.
f 65.=
162 d.
1 et.
f
188 d.
4) Nadere toelichtingen tot dezen staat vindt men in eene hier aan
toegevoegde bijlage.
-ocr page 20-
— 14 —
Ontginning
Onderhoud.
Onderhoud
Kostende
aanleg en
1,2 en3 jarig
vruchtdra-
prijs van
een
beplanting
plantsoen per
gend plant-
plantje
gereed
voor uit-
per bouw.
bouw.
soen per
bouw.
planting.
h. Onderneming
in hetzelfde dis-
ƒ 115.=
f 55.=
f 40=
trict.
288 d.
138 d. d.Ij13
100 d.
i a f et.
c. Onderneming
in Blitar.
f 105.=
f 45.=
1 cent *M~
(Kediri.)
262 d.
110 d.
p. boom."»"
•\'t. > J^OUA—
± 1 et.
e . ,< • C
d. Onderneming
>
op den Smeroe;
district Toeren.
f 84.=
f 50.=
t 43.=.
(Pasoeroean.)
210 d.
115 d.g#l|3
110 d. U
a i
\\ cent
e. Onderneming
. ~J
in het district
Doro (Peka-
f 52.=
f 22.50.=
longan).
260 d.
112 d. < .\',\'
9
\\-\\ cent
/. Onderneming
i»*. t
op den Smeroe
(afdeeling Ma-
f 87.=
f 28=
f 28.=
lang).
220 d.
70 d.
70 d.
<j. Onderneming
ƒ 93.=
ƒ 55=
f 55
in Blitar (Kediri)
233 d.
140 d.
140 d.
h Gouv. tuinen
afd. K ad jen
(Pekalongan)
260 d.
112 d.
»\'. Onderneming
in Kandangan
f 90=
f 50.=
ƒ25— ƒ30.
(Probolinggo.)
225 d.
Lr .
125 d.
62— 75 d.
± 1 et.
-ocr page 21-
— 15 —
Onderhoud
vruchtdra-
gend plant-
soen per
bouw.
Onderhoud
l,2en3,jarig
plantsoen
per bouw.
Ontginning
aanleg en
beplanting
per bouw.
k. Onderneming
in Ranoelamo-
ngan (Probo-
linggo).
I. Ondernoming
in het district
Soekoredjo
(Kedir\'i.)
m. Onderneming
in liet district
Gondanglcgi
(Malang).
n. 4 Malangsche
koffie-landen
Zuidergebergte
f 45.:
110 d.
/ 30.
75 d.
f 80.=
200 d.
ƒ 100.=
250 d.
f 66.
165 d.
f 40.
100 d.
f 40.:
100 d.
f 86.50
gem. 190 d.
/\' 30.
75. d.
f 45.=
100 d.
90 d.
90 d.
120 d.
f 116.=
180 d. 250 d
190 d.
170 d.
295 d.
f 37.50.
20— 25 d.
25 d.
25 d.
30 d.
o. Gouv. tuinen
ét^"^ ^-- in Blitar, Wlin-
/Soi,*^ c <-\'- \'T- gi en Gandoesari
üU-Af \'r
p. Trenggalek en
Ngasinan
q. Siwallan
:\\ Lodojo
s. Gouv. tuinen
in Koeningan,
Kadoegede, Loe-
ragoeng (Cheri-
bon.)
170—238 d,
41—65 d.
12— 18 d.
-ocr page 22-
— 16 —
Ontginning
aanleg en
beplanting
per bouw.
Onderhoud
1, 2 en 3 jarig
plantsoen
per bouw.
Onderhoud
vruchtdra-
gend plant-
soen per
bouw.
Kostende
prijs Tan
een
plantje
gereed
Toor uit-
planting.
t Madja Telaga
(Cheribon.)
u. Salatiga (Soma-
rang).
v. Ambarawa (Se-
marang).
w. Oeteran-Kani-
garo (Madioen.)
x. Sine- Djogorogo
(Madioen).
ij. Parang- Bale-
pandjang (Ma-
dioen).
z. Poeloeng (Ma-
dioen).
250-283d.
248 d.
265 d.
209 d.
185-202 d.
166-185 d.
155-160 d.
73 d.
72 d.
72 d.
100 d.
96 d.
92 d.
80 d.
18— 36 d.
36 d.
36 d.
25 d.
45 d.
30 d.
27 d.
II. LIBERIA-KOFFIE.
a.  Koffie perceel in
Tjitjalengka
(Preanger-Re- f 30.= f 24.=        ƒ 17.50
gentschappen). 150 d. • [ 120 d.          87 d.
b.  Koffie perceel in
West-Bandoeng.
(Preanger-Re- ƒ 46.= ƒ 24 =         ƒ 15.=
gentschappen). 230 d.           120 d.          75 d.
4*\'/i.et-
|a| et.
-ocr page 23-
— 17 -
Onderhoud
vruchtdra-
gend plant-
soen per
bouw.
Kostende
prijs van
een
plantje
gereed
voor uit-
planting.
Ontgi ruling,
aanleg en
beplanting
per bouw.
Onderhoud
1,2 en 3 jarig
plantsoen
per bouw
c. Koffiepereeel in
Kanoelamongan
(Probolinggo).
il. Koffiepercoel in
Bodja (Sema-
. rang).
e.   Onderneming in
Pekalongan; dis
trict Doro.
f.   Onderneming in
het district Oen-
garan (Semarang)
g.    Andere onder-
neming in dit
district.
h. Opgave vanamb
tenareninKediri.
i. Opgave vanamb-
tenaren in Ma-
doen.
k. Opgave van
ambtenaren in
Kadoe.
I. Opgave van amb-
tenaren in Se-
f 109.=
275 d.
j
f 25.=
100 d. f \'
f 70=
175 d.
1 et.
f 10.:
50 d.
f 15.40=
61 d.
f 42.=
210 d.
f 95=
352 d.
f 43.=
160 d. 1 "
150-250 d.
187-230 d.
108-175 d.
163-262 d.
250 d.
ƒ 10.25
52 d.
f 13.50
67 d.
V. "let.
/"25-ƒ11.50
92 d.- 46 d.
f 25.
92 d.
1 et.
f 12=
45 d.
f 16.=
60 d.
1 -1- et.
83-120 d.
20-35 d.
85-90 d.
20-40 d.
48-53 d.
25 d.
60-90 d.
25-36 d.
»». Opgave van den
Controleur van
Paree.
90 d.
35 d.
-ocr page 24-
Ontginning,
Onderhoud
Onderhoud
Kostende
aanleg en
1, 2en 3jarig
vruchtdra-
prijs van
een
beplanting
plantsoen
gen plant*
plautje
per bouw.
per bouw.
soen pe
gereed
voor uit-
1
bouw.
planting
n. Onderneming in
de afdeeling Soe-
kaboemi (coutro-
le- afdeeling Tji-
f 61.90
f 20 =
1 cent.
tjoeroeg).
310 d.
100 d.
o. Onderneming in
de afdeeling
Soekaboemi (con-
trole- afdeeling i 7 0
f 30.=
f 25.=
Lengkong). 357 d.
150 d. . y,
125 d.
1 cent.
De medegedeelde cijfers geven ons een idee van den duur
van de werkzaamheden bij de cultuur van koffie. Wij weten
nu hoeveel dagen arbeids noodig zijn voor ontginning en be-
planting van een bouw op de eene plaats en hoeveel op eene
andere; hoeveel dagen men besteedt aan het onderhoud van het
jonge en hoeveel aan dat van het vruchtdragende plantsoen.
Kan men nu naar deze gegevens den cultuurarbeid bereke-
nen, gevorderd van een bij de (jouvernements-koftiecultuur iu-
gedeelden dessaman?
Niet zoo dadelijk.
De Grouvernenieuts-kofnecultuur wordt onder ganscb andere
omstandigheden gedreven dan de particuliere.
Bij de beoordeeling der eerste moet men letten op omstaa-
dighedeu, waarmee bij de cultuur op ondernemingen o-fin het
geheel geen öf slechts in mindere mate rekening behoeft te
worden gehouden.
Een eu ander zal uit hetgeen hier volgt duidelijk wor-
den.
Op de erfpachtsperoeelen worden in den regel de kweekbed-
den aangelegd op de onderneming; op betrekkelijk geriugen
. J
j * ; iA / t t
\' i«« i •.\'. .
-( .
-ocr page 25-
— 19 —
afstand dus van de plaats waar de boompjes zullen worden uit-
geplant.
Bij de Grouvernements-koffiecultuur is dit gewoonlijk niet het
geval.
In den regel legt men de kweekbedden aan in de nabijheid
van de dessa, ten einde het toezicht daarop en de verzorging
gemakkelijker te maken.
Tegenover dit meerdere gemak staat echter het ongerief, dat
.
tegen den tijd van uitplanting, de gekweekte planten dikwijls
over vrij aanzienlijke afstanden moeten worden vervoerd en met\'\'
dit transport moet rekening worden gehouden bij de beoordee-
ling van den cultuurdienstplichtigen arbeid.
Dit toch vereischt een groot aantal dagen, verschillend natuur-
lijk naar het aantal planten, dat per bouw wordt uitgeplant.
Plant men op onderlingen afstand van 5 Rh. voet, dan is dit
getal 2880; bij eene plantwijdte van 6:6 voet 2000; bij 6:8 *£
/
voet 1500; bij 6: 10 voet 1200 en eindelijk bij 10: 10 of
"
12: 12 voet (bij de cultuur van Liberia-koftie) 720 of 500 per
bouw.
Het is de gewoonte, die kweekplantjes over te brengen met
een flinke aardkluit, zoodat wanneer de afstand, waarover zij
moeten worden vervoerd, nog al belangrijk is, één persoon niet
meer dan 14—15 planten te gelijk kan transporteeren.
Het in de staten genoemde aantal dagen voor ontginning,
aanleg en beplanting dient men derhalve nog te vermeerderen —-—•
met raap. 205; 133; 100; 80; 48 of 33 dagen voor het over-
brengen van kweekplanten naar het terrein.
Dit zijn natuurlijk maximale cijfers, d. w. z. tot haar volle
bedrag alleen in rekening te brengen wanneer de afstand zóó
groot is, dat de man, die zijn planten overbrengt en ter plaatse
             /L«A*"*\'\'\'
uitplant, geen gelegenheid heeft om op denzelfden dag een k**                  .*,
nieuwen voorraad te halen.                                                            f.\'!v«G / vI,
Ik wil aannemen, dat dit het geval is bij het vervoer over / a^juv*\'
een afstand van 4—6 paarën dat hij tweemaal 15 plantjes per *
dag kan overbrengen, wanneer zijn plantterrein op 2—4 paal
(gemiddeld 3 paal) afstands gelegen is en zulks driemalen kan L
doen bij een afstand van 0-2 (gemiddeld 1 paal) van het terrein./~V ^*"
rv z,* lij»"
v*~\'.
/^v^
<•>
^
«* \'r/\'
f*
U
-ocr page 26-
— 20 —
Er volgt hier dus uit, dat men wel degelijk rekening moet
houden met den afstand van het kweekbed tot het terrein, wan-
neer men den cultuurdienstplichtigen arbeid in cijfers wil uit-
drukken.
Dit maakt de berekening lastig. Wil men den aarbeid voor
de ontginning en beplanting van een bouw, een halve bouw
of kwart bouw in werkdagen uitdrukken, dan dient men dus
nog te weten: 1° de plantwijdte ter berekening van het aantal
te transporteeren plantjes en 2° den afstand, waarover ze ver-
voerd moeten worden.
Het eerste valt weg, wanneer men de rekening opmaakt voor
iemand, die in cultuurdienst volgens den voorstelstaat 50 öf 40
boompjes in den grond heeft te brengen, maar het tweede be-
zwaar blijft bestaan.
Voor elke dessa en elk terrein krijgt men andere cijfers.
Een middelcijfer daarvoor aantenemen is niet doenlijk, zelfs niet
voor dessa\'s, die op een en \'t zelfde reserveterrein zijn inge-
deeld, omdat de afstanden voor die dessa\'s kunnen uiteenloopen
van 0—6 palen.
Voorts moet in aanmerking genomen worden, dat wanneer
in den regel hier in Indië de werkdag op 10 uur wordt gesteld,
zulks bij de Grouvernements-koffiecultuur — mede door den ver-
schillenden afstand der dessa\'s tot de plantterreinen — niet aan-
gaat. Voor afstanden van 0—2 (of gemiddeld 1) paal stel ik dan
ook den werkdag op 9 uur; voor afstanden van 2—4(ofgemid-
deld 3 paal) op 7 uur en voor afstanden van 4—6 (of gemiddeld
5 paal) op 6 uur.
Eene andere omstandigheid, waarop ik wijzen moet, is deze,
dat het op zeer vele terreinen noodig is om vóór het planten
z. g. plantgaten te maken, die eenigen tijd open blijven liggen
o;n later weder gevuld te worden.
Dit vullen der plantgaten geschiedt volgens de voorschriften
eenigen tijd vóór het overplanten, opdat de ingeworpen aarde
gelegenheid hebbe voldoende samen te pakken, ter voorkoming
van latere verzakking.
Bij de becijferingen van de ambtenaren van het Binnen-
landsch Bestuur en ook bij die der erfpachters is met den tijd,
-ocr page 27-
— 21 —
benoodigd voor het graven en weder vullen der gaten, wel de-
gelijk rekening gehouden.
Maar wanneer het graven plaats vindt tijdens het z. g. plant-
klaar maken van het terrein, geschiedt de wedervulling op een
anderen tijd na de ontginning en v óór het planten. Bearbeid
vereischt slechts eenige uren per cultuurdienstplichtige, maar
in hoe korten tijd ook 50 of 40 plantgaten zijn gevuld het
kost toch in elk geval den cultuurdienstplichtige een dag, ten-
zij zijn plantterrein dicht bij de dessa ligt. Die dag moet
natuurlijk in rekening gebracht worden, aangezien den planter
de gelegenheid wordt ontnomen om hem te besteden aan eigen
cultures of in koeliedienst op een naburig perceel.
Men ziet dus dat het aantal dagen in de staten genoemd
voor den arbeid aan ontginning en beplanting niet zoo voet-
stoots kan worden overgenomen bij de berekening van den
cultuurdienstplichtigen arbeid.
Diezelfde opmerking moet ook gemaakt worden ten aanzien
van de getallen, uitgetrokken voor het onderhoud van jong eir
vruchtdragend plantsoen.
Men dient in \'t oog te houden, dat alle werkzaamheden zijn
berekend naar ontginningen en beplantingen in het groot, al-
thans van een bouw.
Bij de koffiecultuur op hoog gezag worden per persoon
slechts kleine onderdeelen van een bouw ontgonnen en onder-
houden ; dit maakt verschil.
Is het mij te doen om te weten hoeveel arbeidsdagen een
cultuurdienstplichtige zal moeten besteden aan ontginning en
beplanting van een bouw gronds van een reserveterrein, dat
in ligging, configuratie, physischen toestand des bodems, plant-
bekleeding enz. ten naastenbij overeenkomt met dat van de
in den staat II genoemde onderneming sub b. (West-Bandoeng),
dan neem ik het cijfer over uit den staat en voeg daar nog
bij het aantal dagen benoodigd voor het transport van het
plantmateriaal.
Na die correctie daarin te hebben aangebracht, kan ik daar-
bij geen belangrijke fout meer maken.
Verder kan ik uit denzelfden staat overnemen de getallen
-ocr page 28-
— 22 —
daar uitgetrokken voor het onderhoud van het jonge en vrucht-
dragende plantsoen.
Wil ik de berekening opmaken voor een ]/2 bouw of \'/4
bouw, dan kan ik nog van dezelfde gegevens gebruik maken
en wellicht ook nog bij ontginning, beplanting en het onder-
houd van een 1j8 bouw.
Maar worden nu de terreingedeelten kleiner, dan beginnen
de moeilijkheden, zooals door het volgend voorbeeld duidelijk
zal worden.
Gesteld aan een bij de cultuur ingedeelde dessa is opge-
dragen om te planten op een reserveterrein, dat meer dan
4 paal van de dessa verwijderd is. Volgens de bestaande
bepalingen zal dus ieder cultuurdienstplichtige uit die dessa
40 boompjes moeten planten.
Is nu bij \'t eultuurplan van het district voorgeschreven,
dat op bedoeld terrein geplant zal worden op onderlingen
afstand van 5 Rhijnlandsche voeten, dan is het aandeel in de
ontginning, per persoon \'/72 bouw.
Twee en zeventig personen ontginnen en beplanten derhalve
te samen een bouw van 500 Q Rh. roeden; ieders aandeel
is dus 7 Q Rh. roeden.
Wanneer wij nu in den staat vinden aangegeven, dat voor
het onderhoud van een bouw jong plantsoen 120 dagen wor-
den vereischt, mogen wij dan aannemen dat een cultuurdienst*
plichtige die \'/72 bouw heeft te onderhouden daartoe slechts
lli= 1.7 dag behoeft?
Men voelt dadelijk dat dit geheel onjuist is, of liever
gezegd, dat dit getal van 1.7 dagen wel aangeeft den tijd
benoodigd voor het onderhoud van 1/72 bouw maar niet
hoeveel dagen de planter daardoor wordt verhinderd elders
zijne diensten te praesteeren. Het is aantenemen, dat de
arbeid niet veel meer tijd zal kosten dan ± 17 uren
maar die 17 uren arbeids worden verricht op verschillende
dagen.
Het is de gewoonte, dat de planter voor het onderhoud van
zijn plantsoen eens per maand naar de tuinen gaat; in het
tweede jaar wordt dit minder en in het derde jaar is het vol-
-ocr page 29-
— 23 —
doende, wanneer de aanplant om de twee maanden wordt be-
werkt \').
Ook op erfpachtsperceelen is zulks gebruikelijk, wanneer men                >
ten minste over voldoende werkkrachten beschikken kan en de
tuinen spoedig wat men noemt „in \'t vuil loopen"; anders\'
doet men dit ook daar eens in de twee maanden.
Ik neem dus in plaats van 1, 7 dagen hiervoor aan, een getal
i
van 12 dagen per jaar voor het onderhoud van 1, 2 en 3 jarig
plantsoen.
Een cultuurdienstplichtige die dus behalve een nieuwe ont-
ginning ook nog een aanplant van \'/7, bouw van \'t vorige
•
/LU*
U"-X
.
, jaar heeft te onderhouden, verliest daarmee 12 dagen, al is som-
wijlen — vooral wanneer het onderhoud zich bepaalt tot het
afsnijden of wieden van het onkruid — het werk in een oogenblik
afgeloopen.
Het volgend jaar heeft hij twee en het derde jaar drie aan-
plantingen van \'ƒ72 bouw te onderhouden. Verliest hij daar-
door nu meer tijd dan 12 dagen ?
Dit is niet het geval; het 3<!e jaar heeft hij 3/7 2 of ljai bouw te
bewerken, zijnde 21 Q Rh. roeden, maar zooals zoo even reeds
in een noot hieronder werd meegedeeld, is dit nog steeds
een e lichte dagtaak.
Het aantal dagen noodig voor den aanleg en het onderhoud
van een kweekbed, valt almede niet gemakkelijk te berekenen,
hetgeen duidelijk zal worden, wanneer in herinnering wordt
gebracht op welke wijze die arbeid, in de dessa, gewoonlijk wordt
geregeld.
Het is de gewoonte dat het kweekbed gemeenschappelijk ,/,
wordt aangelegd door alle cultuurdienstplichtigen van de dessa,
die dan ook gemeenschappelijk daarvoor de materialen leveren:
bamboe, atep etc.
Is het kweekbed gereed, dan worden de zaden uitgepoot door
, |,
                         den loerah en dat lid van het dessabestuur, dat door den
\') In de Preanger-Regentschappen berekent men dat een koelie per /^a^s,~t- •-*.&s
/- y
<..\'• werkdag ± 35 □ Rh. roeden kan omwerken, d. w. z. wanneer reeds een
J^x,
              paar malen bij de ontginning het terrein is bewerkt geworden. Per uur
kan derhalve een koelie 8% D Rh. roeden en in twee uren 7 Q Rh. naar
eisch onderhouden.
-ocr page 30-
— 24 —
loerah wordt belast met de zorg van koffie- aangelegenheden,
dan wel door enkele, daarin ervaren, cultuurdienstplichtigen.
Voor het onderhoud worden enkelen aangewezen onder een
lid van het dessabestuur, dat in die speciale werkzaamheden
meerdere routine dan de anderen heeft gekregen. In compen-
satie voor de werkzaamheden aan het onderhoud der kweekbed-
den verbonden, worden andere werkzaamheden (b. v. onderhoud
van hun aandeel in reeds bestaand plantsoen) door de overige
cultuurdienstplichtigen verricht. De werkzaamheden aan het
eigenlijke planten verbonden, geschiedt weer door allen tegelijk.
De meest daarin bedrevenen zijn belast met het uitplanten van
de jonge boompjes; weer anderen met het met de kluit uithalen
van de kweekelingen; de overigen gaan op en neer om debibit
aantedragen.
Is alles uitgeplant, dan eerst gaat men tot de verdeeling over.
Veelal wordt er meer bjjgeplant dan waarvoor authorisatie
verleend is; dat wordt dan meestentijds als aandeel afgestaan
aan de dessabestuurders, die bij de cultuurwerkzaamheden heb -
ben gesurveilleerd en dikwijls geen andere vergoeding voor
deze werkzaamheden genieten; ook wordt tot dat doel vaak op-
zettelijk meer bjjgeplant.
Zij, die dus met het onderhoud waren belast, worden feitelijk
vrijgesteld van andere cultuurwerkzaamheden. Daardoor wordt
de arbeid der anderen wel is waar grooter; doch in den regel
verdeelt zich dit zoo over de massa, dat het niet mogelijk is
dien meerderen arbeid in uren uittedrukken.
Wil men derhalve den arbeid aan kweekbedden berekenen,
dan zou men eigenlijk alleen het aantal dagen, besteed aan den
aanleg, moeten deelen door het aantal cultuurdienstplichtigen
en dit is niet gemakkelijk. N"u eens werken daaraan weinig
en dan weer veel menschen, naar gelang van het aantal cultuur-
dienstplichtigen. Het komt mij daarom juister voor om die
berekening op te maken naar de kostende prijzen van gekweek-
te planten op ondernemingen. Deze loopen uiteen van \'/8
cent tot >/2 cent, 5/8 cent en 1 cent per plant; dit laatste is
zeldzaam; in den regel is daaronder dan ook gerekend de in-
koopprijs van het zaad.
-ocr page 31-
— 25 —
In dezen prijs zijn dus begrepen de kosten van aanleg van het
kweekbed, aankoop van materiaal daarvoor en het onderhoud.
Hoe nu hieruit te berekenen de kostprijs van een plant, wan-
neer het onderhoud daarbuiten valt en ook voor bamboe en atap
geen inkoopprijs maar alleen het transport in rekening moet
worden gebracht?
De zaak wordt nog gecompliceerder, doordien bij de Gouver-
nements-cultuur liet langzamerhand gewoonte is geworden—en
dit is ook voorgeschreven — om driemaal zooveel zaden uit te
pooten als men planten noodig heeft. Het gebruik van niet al
te best zaad maakte dit noodzakelijk.
Men wist vooruit niet hoeveel procent er van terecht zou
komen en bovendien was het gewenscht na het planten eene goede
hoeveelheid op de bedden overtehouden voor inboetingen, die
nog al belangrijk konden zijn.
Erfpachters gebruiken veel minder zaad, maar weten ook, dat
zij wegens een nauwkeuriger zaadkeus veel minder verlies
lijden. Dit maakt dat de kweekbedden van de bevolking in
den regel 2 maal grooter zijn dan noodig zou wezen bij gebruik
van goed uitgezocht zaad, zoodat elk plantje ook tweemaal
duurder wordt dan bij een erfpachter.
Alles te zamen overwogen, geloof ik, dat ik niet ver mis kan
tasten wanneer ik voor den arbeid, besteed aan het kweeken van
50 Java-koffieplantjes, 2 dagen in rekening breng en voor dien
van 24 Liberiaplanties 1 dag.
Die 50 plantjes kosten dan in streken waar het dagloon f 0.25
bedraagt / 0.50 of een cent het stuk; daar waar het dagloon
f 0.15 bedraagt 3/B cent, enz.
Ik kom nu tot de volgende berekeningen van het maximum
aantal dagen per jaar van een cultuurdienstplichtige gevorderd
bij verschillenden afstand van de dessa van het te beplanten
terrein.
Eenvoudigheidshalve neem ik in dit overzicht niet op de be-
rekening van den arbeid bij een afstand van meer dan 6 palen,
omdat er tegenwoordig — op hoog gezag — nergens op groote-
ren afstand dan 6 paal geplant wordt.
-ocr page 32-
— 26 -
Evenmin en om dezelfde reden, houd ik rekening met eene
plantwydte van 5: 5 voet, die wel is waar nog hier en daar wordt
toegepast, doch overal reeds gewijzigd is waar nieuwe cultuur
plannen gemaakt zijn, aangezien bij de toepassing eener meer
rationeele cultuurwijze de boomen weder meerderen omvang
verkrijgen zooals voorheen.
I. JAVA-KOFFIE.
A. Afstand van het reserve-terrein 0—2 of gemiddeld 1 paal.
De dag wordt gerekend op 9 uur. Planttaak in aantal boomen
= 50. Kweekbedden gemiddeld 1 paal van het terrein. De
ontginning vereischt 288(l) dagen per bouw.
Plantwijdte
6: 6
             6: 8
2
6: 10
2
\'/„«b.12
1
2
3/2*b. 12
/ -„ , Kweeken van plantjes .
Ontginning, aanleg en be
planting........
Vullen van plantkuilen.
Liöm^\' Transport plantjes. . .
Onderhoud 1-2-3-jarige
boompjes.........
Onderhoud vruchtdragend
plantsoen.........
Pluk bereiding en trans-
port...........
7aob. 9
1
2
1
2
»/40b.l2
3/30b.l2
pro memorie ASS\'
pro memorie / ;
Totaal
29
dagen
24
20
B. Afstand van het reserve-terrein 2—4 of gemiddeld 3 paal.
De werkdag wordt met het oog daarop gesteld op 7 uur.
Planttaak in aantal boomen 50.
Kweekbedden gemiddeld 3 paal van het terrein.
(i) Uit is het hoogste getal aangegeven in het Staatje op pag. 13—16.
-ocr page 33-
— 27 —
Plantwijdte
6: 8          6: 10
2                  2
6: 6
2
V4ob. 9
1
2
8/4„b.l2
Kweeken van plantjes . .
Ontginning, aanleg en be-
planting........
Vullen van plantkuilen .
Transport plantjes. . . .
Onderhoud 1-2- en 3-jarige
boompjes.........
Onderhoud vruchtdragend
plantsoen.........
Pluk bereiding enz. . . .
Totaal. . . .
»/ï4 b. 15
1
Vsob.12
1
2
2 ^ Ij
»/80b. 12 */24b. 12
pro memorie
pro memorie
32
dagen
26
2!)
C. Afstand van het reserve-terrein 4—6 of gemiddeld 5 paal.
De werkdag wordt met het oog daarop gesteld op 6 uur.
Planttaak in aantal boomen 40.
Kweekbedden gemiddeld 5 paal van het terrein.
Plantwijdte
6: 6
6: 8
6: 10
2
2
2
V6ob. 9
1
i
/asb.ll
1
Vaob.14
1
3
3
3
12
12
12
pro
memorie
pro
memorie
27
29
32
dagen
Kweeken van plantjes . .
Ontginning aanleg en be-
planting.........
Vullen der plantkuilen. .
Transport plantjes. . . .
Onderhoud 1, 2, 3 jarige
boompjes........
Onderhoud vruchtdragend
plantsoen........
Pluk, bereiding. . . .
Totaal.
Derhalve bij gelijken afstand van de woningen der planters
-ocr page 34-
— 28 —
tot het terrein, varieert de cultuurarbeid naar gelang van de
plantwijdte als volgt:
bij 0—2 paal (50 pi.) 24, 26, 29.
bij 2—4 „ (50 pi.) 26, 29, 32.
bij 4—6 „ (40 pi.) 27, 29, 32.
Bij verschillenden afstand en gelijke plantwijdte als volgt:
6: 6.......24, 26, 27.
6: 8.......26, 29, 29.
6: 10.......29, 32, 32.
De maximum-arbeid in Gouvernements-dienst gevorderd bij
de cultuur van Javahoffie vereischt derhalve 32 dagen in het
jaar behalve den tijd beuoodigd voor den pluk en bereiding
van liet product.
LIBERIA-KOFFIE
A. Afstand van het reserveterrein 0—2 of gemiddeld 1 paal.
De dag wordt gerekend op 9 uur.
Planttaak in aantal boomen 15 of 24.
/
Kweekbedden op gemiddeld 1 paal van het terrein.
De ontginning vereischt 357(\') dagen per bouw.
Plantwijdte 12:12
1 das
Plantwijdte 10:10
1 dag
i Kweeken van plantjes.
Ontginning, aanleg en
beplanting.....
Vullen van plankuilen
Transport plantjes.
Onderhoud 1-2-en 3-
jarige boompjes. .
Onderhoud vruchtdra-
gend plantsoen
Pluk bereiding en tran
sport......
r
? f 7
Vgsbouwll
/,„*•
12
1
1
1
1
12
» hl\'
7,o b. 12
3 3
\'Sr
~21
pro memorie
pro memorie
Totaal.
26
(1) Dit is het hoogste getal dagen in de beide Staten voor ontginning
uitgetrokken (Zie pag. 18 Onderneming o.)
-ocr page 35-
— 29 —
B. Afstand van het reserve-terrein 2—4 of gemiddeld 3 paal.
De dag wordt gerekend op 7 uur.
Planttaak als boven. Ontginning als boven.
Kweekbedden op gemiddeld 3 paal van het terrein.
Plantwijdte 12:12
1 dag
\'/88 bouw 14 „
1 .
Plantwijdte 10:10
Kweeken van plantjes.
Ontginning, aanleg en
beplanting ....
Vullen van plantkuilen
Onderhoud 1-2-3-jarige
boompjes ....
Transport plantjes.
Onderhoud vruchtdra-
gend plantsoen. .
1 dag
3(1
12 .
Vso b.
12
V
1 ,
1
1
pro memorie
pro memorie
Pluk
bereiding etc.
Totaal.
29
:!1
De maximum-arbeid bij de teelt van Liberia-koffie op hoog
gezag vereischt derhalve 31 dagen, behalve den tijd voor den
pluk en de bereiding.
Ik heb hier opzettelijk den maximum-Arbeii berekend om-
dat het uiterst moeilijk is het minimum-axo.tal dagen bij be-
nadering te leeren kennen.
Men dient dit bij de beoordeeling in het oog te houden;
ik hoop, dat de lezer daaruit niet zal opmaken, dat ik het
wenschelijk vind, dat de cultuurdienstplichtigen elke maand
naar de tuinen gaan, onverschillig of dit noodig is of niet.
Dit is natuurlijk geenszins het geval. Evenmin ben ik er
een voorstander van om daar waar de eenvoudige cultuur-
methode de laatste jaren niet tot slechte resultaten heeft geleid,
zonder eenig motief die menschen opteleggen om het terrein
eerst met den patjol diep omtewerken en zulks de eerste jaren
S of 2 malen te herhalen
Hoe eenvoudiger arbeid, hoe liever het mij is en bij de
herziening der cultuurplannen is het reeds herhaaldelijk voor-
-ocr page 36-
— 30 —
gekomen, dat er geenerlei wijziging in de cultuurniethode
behoefde te worden voorgesteld.
Opvele terreinen en in gansche streken, kan men met een
minimum-arbeid zeer goede resultaten krijgen.
Ook is het niet mijne bedoeling, dat doorloopende terrassen
worden gemaakt, daar waar men \'t zelfde doel — het behoud
van de bouwkruin voor de toekomst — op eenvoudiger wijze
bereiken kan, hetzij door kleine terrasjes bij elk boompje,
kotakan\'s, of door z. g. palintangs, die men verkrijgt door het
gevelde hout op rijen te leggen, dwars op de helling, waardoor
dan langs natuurlijken weg, terrassen ontstaan. Dat men op
die wijze goede resultaten verkrijgen kan is mij meer dan eens
gebleken en vaak heb ik op inspectie niet kunnen uitmaken
of het terrein opzetteljjk bij den aanleg was geterrasseerd of
dat de terrassen waren verkregen langs den weg van palintang.
Ik maak hier opzettelijk melding van, aangezien enkelen, na
kennismaking\'! met mijn vorig artikel, zich op eene wijze, die
mij niet recht duidelijk is geworden, hebben voorgesteld, dat
ik alleen heil zag in een zeer intensieve cultuur, gepaard met
herhaalde en diepe grondbewerking, overal en algemeen voor-
geschreven voor gansch Java, terwijl het tot nu toe mijn
streven is geweest, plaatselijk en in overleg met de mij ver-
gezellende europeesche en inlandsche ambtenaren, voor elk
terrein afzonderlijk, de cultuurwijze vast te stellen, die ons
voorkwam de beste te zijn.
Herhaaldelijk wordt er ook gewezen op de goede resultaten
verkregen met de eenvoudige cultuurmethode in Pasoeroean
en Probolinggo en men gaat wel eens zoo ver van te beweren,
dat die resultaten beter zijn dan die, welke ooit verkregen zjjn
door de toepassing van eene meer intensieve methode.
Nu moet daaromtrent worden opgemerkt, dat leeken in den
regel met die monosoeko-cultuur in Pasoeroean en Probolinggo,
heel wat meer op hebben dan de Regeering 1) en inspectee-
rende ambtenaren, die nimmer zoo bizonder tevreden daarover
waren, zooals mij uit eenaantal inspectie-rapporten van vroeger
jaren gebleken is.
1) Zie Kol. Verslag 1878 pag. 181.
-ocr page 37-
— 31 —
Ook stelt men zich de cultuurwijze van die monosoeko-
planters in den regel gansch anders voor, dan zij werkelijk is.
Dit is zeker, dat de cultuur op uiterst eenvoudige wijze
gedreven wordt, maar wanneer men denkt, dat daarbij het
bosch gespaard bleef en dat er niet in den grond geroerd
werd, dan maakt men zich voor verreweg de meeste monosoe-
tuinen een gansch verkeerde voorstelling van de zaak.
Regel was het voorheen bij den aanleg van monosoeko-tuinen in
den Tengger van Probolinggo in Malang en in den Tengger van
Pasoeroean en verder in het district Modjoroto van Kediri en
ook in Siwallan, dat het bosch werd gekapt en dat het terrein
eerst een paar jaren werd gebruikt voor de teelt van andere
gewassen, djagong, aardappelen etc, waarna dan later de koffie
werd geplant in den herhaaldelijk omgeploegden of omge-
werkten bodem. Elders werd dadelijk, nadat het bosch was
geveld, koffie geplant in enkele of dubbele rijen, bjjwijze van
dichte paggers, op een voet onderlingen afstand, welke rijen
20 a 24 voet van elkander verwijderd waren.
Die tusschenruimte werd dan soms jaren lang (5—7) ge-
bruikt voor de teelt van andere gewassen en eerst dan wanneer
de paggers reeds zooveel schaduw begonnen te geven, dat de
cultuur dier gewassen daaronder ging lijden, werd de tusschen-
ruimte volgeplant met koffie, zoo dicht opeen, dat er in zulk een
koffie-wildernis vele duizenden boomen op een bouw kwamen te
staan. Slechts hier en daar in den Tengger van Pasoeroean
en ook in de afdeeling Bondowoso werd de koffie geplant in
het bosch, en werden de woudboomen eerst uitgekapt wanneer
de boompjes begonnen te groeien. Hier ging de cultuur dus
niet gepaard met grondomwerking, maar zooals reeds gezegd
is, was dit eerder uitzondering dan regel.
Slaan wij nu, alvorens verder te gaan, nog eens een blik op £.
de zoo even meegedeelde berekening van den arbeid in dagen,.
en vragen wij ons dan af op welke wijze wij nu door toepas*
sing eener meer eenvoudige cultuurwijze den arbeid zouden
kunnen verlichten; op welken post er bezuinigd kan worden;
wefke cultuurwerkzaamheden in minder tijd kunnen verricht
worden dan zooeven werd aangegeven, dan zien wij dadelijk,
-ocr page 38-
— 32 —
dat zulks niet wel mogelijk is ten aanzien van het kweeken
van plantjes; het aantal daarvoor vereischte dagen is zoo
gering, dat daarop moeilijk bezuinigd kan worden; evenmin is
zulks mogelijk ten aanzien van het transport der plantjes en
het aantal dagen uitgetrokken voor het onderhoud van het
jonge plantsoen. De vereenvoudiging moet dus gevonden worden
in inkrimping der werkzaamheden bij de ontginning en den
aanleg.
Door een deel van het bosch ongeveld *e laten, door het
struikgewas, de alang-alang en de glagah slechts boven den
grond af\'tesnijden, geene plantgaten te maken, die dan ook niet
weder behoeven te worden gevuld, zou het aantal daarvoor
uitgetrokken dagen wellicht tot op de helft kunnen gebracht
worden en daardoor een vermindering kunnen worden verkregen
van 3 — 7 dagen in het jaar, maar, zooals wel duidelijk zal zijn
aan ieder, die begrip heeft van soortgelijke zaken, on die bij
ondervinding weet, dat men alang-alang niet meester wordt
wanneer niet zorgvuldig de wortels worden uitgegraven, zal
het onderhoud daardoor aanzienlijk worden verzwaard en de
verlichting op slot van rekening uitloopen op een aanzienlijke
vermeerdering van den arbeid. Wanneer nu 12 dagon worden
uitgetrokken voor het onderhoud van de jonge tuinen als
maximum, dan kan men er wel zeker van zijn, dat dit maximum
bij onzorgvuldige ontginning en slordigen aanleg minimum zal
worden, terwijl men bovendien ook nog terdege zal moeten
werken in de 4, 5 en 6 jarige tuinen, wil er iets van den
aanplant terecht komen.
Deze zaken zijn natuurlijk aan deskundigen wel bekend;
vraagt men een administrateur van een koffieland, waarom hij
zooveel werk maakt van zijne ontginning en waarom hij zijne
tuinen zoo schoon houdt, dan zal hij antwoorden, dat dit hem
het goedkoopste uitkomt en het komt mij voor, dat wel ieder-
een moet voelen, dat die man gelijk heeft. De koffiecultuur
maakt in deze geen uitzondering op den algemeenen regel,
dat slecht werk, duur werk is; geldt dit voor wegen-aanleg,
bruggen-bouw, huizenbouw etc. dan geldt dit evenzeer voor
den aanleg van een koffietuin. Van ambtenaren, in wier con-
-ocr page 39-
— 33 —
tróle-afdeeling de laatste twee jaren volgens meer rationeele
methode wordt ontgonnen, kreeg ik dan ook reeds bericht, dat
terwijl die betere ontginning eenige dagen arbeids meer gekost
had, reeds het eerste jaar aan het onderhoud minder dagen
behoefden te worden besteed en dat het te voorzien was, dat
na verloop van het tweede jaar zou kunnen worden gerappor-
teerd, dat het aantal dagen, tot dus ver aan de tuinen besteed,
geringer was dan voorheen bij de toepassing der eenvoudige
cultuurwijze.
Waarlijk, die ambtenaren, die nog steeds van oordeel zijn,
dat eene vereenvoudigde cultuurwijze eene verlichting moet
zijn voor de bevolking, mogen die zaak nog wel eens terdege
overwegen en zich de vraag stellen of de vermeende verlich-
ting niet uitloopt op eene verzwaring.
Hierbij is dan nog niet in aanmerking genomen, dat verreweg
de meeste koffiegronden zich niet leenen voor de toepassing
van zulk eene eenvoudige cultuur, zoodat men gevaar loopt,
dat alle arbeid, daaraan ten koste gelegd, door het uitsterven
van het plantsoen vóórdat de boomen tot vruchtdracht zijn
gekomen, zal blijken vergeefs te zijn geweest.
Ik acht het niet voor tegenspraak vatbaar, dat het verstan-
diger is om 32 dagen te doen werken in de tuinen wanneer
men zoo goed als zeker kan zeggen, dat de daaraan besteden
arbeid rijkelijk zal worden beloond, dan 25 dagen zonder dat
die zekerheid gegeven kan worden.
Aan algemeene cultuur-voorschriften zijn wel steeds groote
bezwaren verbonden geweest; maar men kon er eertijds niet
buiten. Thans is die tijd voorbij en ik zou niet gaarne zien,
dat er weder in de toekomst moest worden gewerkt volgens
de voorschriften in een of andere Handleiding. Nu in zoo-
vele districten, waar de Gouvernements-koffiecultuur gedreven
wordt, ook de Europeesche landbouw zich toelegt op de teelt
van hetzelfde gewas, is eene Handleiding overbodig.
De wijze, waarop koffie moet worden geplant om daarvan
eene loonende cultuur te maken, is vrij wel bekend. De Eu-
ropeesche ambtenaren, die niet de leiding en het toezicht op
de Gduvernements-cultuur zijn belast behoeven thans niet meer
3
-ocr page 40-
— 34 —
als voorheen te zoeken naar een geschikte methode of proeven
te nemen om te weten, hoe zij moeten planten.
In alle districten, waar door particulieren koffie wordt ge-
plant, zou dan ook voor den controleur het allereenvoudigste
cultuur voorschrift zijn: volg bij ontginning, aanleg en onderhoud
het voorbeeld van dien erfpachter, koffieplanter in uwe contróle-
afdeeling, die de beste resultaten krijgt.
Wordt zulk een voorschrift gevolgd, dan heeft men alle
recht om te verwachten, dat de resultaten der Gouvernements-
cultuur meer nabjj zullen komen aan die der erfpachters; in
elk geval, dat er niet meer zulk eene kolossale wanverhou-
ding zal bestaan tusschen de producties der Gouvernements-
tuinen en die der particuliere koffieondornemingen.
Dat door zulk een maatregel de producties der eersten gelijk
zullen worden aan die der laatsten, mag natuurlijk niet worden
verwacht, omdat het snoeien en veelal ook het bemesten der tuinen
achterwege moet blij ven, wegens gebrek aan geoefend personeel.
Herhaaldelijk wordt er op gewezen, dat het toezicht op
het onderhoud in de Gouverneuients tuinen zooveel te wenschen
overlaat. Ik spreek dit tegen. Uitzonderingen daargelaten is dit
over H algemeen gesproken zeer bevredigend. In vele streken laat
dit niets te weuschen over en kunnen de Gouvernements-
tuinen de vergelijking met die der erfpachters zeer wel door
staan.
Ik noem hier de gansche Residentie Pasoeroean, Probolinggo,
een groot deel der Preanger-Regentschappen en andere streken,
waar de jonge Gouvernements-tuinen veilig door ervaren plan-
ters mogen worden geïnspecteerd. Wanneer er aanmerkingen
te maken zijn, dan geldt dit in den regel de monosoeko,
soekahati, soekasorangan en andere soortgelijke aanplantingen,
die aan de controle der ambtenaren onttrokken zijn. Wanneer
de cultuur niet slaagt in de op hoog gezag aangelegde tuinen,
dan ligt de schuld niet aan gebrek aan zorg, maar aan gebrek
aan goede voorschriften. Daar, waar op het toezicht wel eens
aanmerkingen te maken waren, kon dit wel altijd in verband ge-
bracht worden met de omstandigheid, dat men jaren achtereen,
had geplant zonder eenig resultaat, zonder vergoeding voor
-ocr page 41-
— 35 —
den arbeid zoodat de moed en het vertrouwen in de cultuur
waren verloren gegaan.
Het onderhoud van het vruchtdragend plantsoen werd pro-
memorie uitgetrokken, omdat daaromtrent geenerlei voorschrif- P~~
ten gegeven zijn.
Ik voor mij zou er zeer voor zijn, wannneer in het vervolg
ook hierin kon worden voorzien. Men ziet uit den op pag. 13-18
gegeven staat, dat ook de particuliere koffieplanters veel zorg
besteden aan het onderhoud van hun vruchtdragend gewas en
vroeger was dit ook bij liet Gouvernement gebruikelijk Kan
men door geregeld en rationeel onderhoud het leven van het
plantsoen met enkele jaren verlengen of de vruchtdracht ver-
hoogen, dan mag dit niet worden nagelaten, ook al wordt k^tt,^.t ,
daardoor de arbeid met enkele dagen verzwaard.
Alhoewel dan ook niet voorgeschreven, is er toch bij de
staten voor het bijslag-onderzoek op dit onderhoud wel gere-
kend en de ambtenaren hebben daar ook een bepaald aantal
dagen voor uitgetrokken.
In den regel vinden wij daarvoor 20, 30 a 40 dagen aan-
gegeven per bouw, dat is wel niet veel in vergelijking met
het aantal daarvoor door particuliere planters in rekening
gebracht, maar er is een belangrijk verschil in of een bouw
4- of 5- of 6- jarig plantsoen op een onderneming moet worden
onderhouden dan wel of een cultuurdienstplichtige zijn 40 of
50 stuks 4- of 5- of 6- jarige boompjes te verzorgen heeft.
Heel veel wordt de cultuur-dienstplichtige arbeid daardoor
niet verzwaard, veelal kan dit onderhoud samen gaan met het
onderhoud der 1- 2- en 3- jarige boompjes.
Wij zagen zooeven, dat volgens de voorschriften het onder-
houd in het jonge plantsoen bestaat in 3 of 2 maal patjollen,
7t zij in de naaste omgeving van het boompje, hetzij van het
geheele terrein. De overige 9 of 10 dagen wordt dan ook
alleen het onkruid boven den grond neergeslagen en dat is
natuurlijk een arbeid, die weinig tijd in beslag neemt.
De planter derhalve heeft op die dagen ruimschoots tijd om
na afloop van zijn werkzaamheden in het jong plantsoen ook
-ocr page 42-
— 36 -
nog even zijn 4- of 5- of 6-jarig tuintje onderhanden te nemen,
nu eens dit, dan weder dat, zoodat hij daarvoor geen speciale
dagen behoeft uittekomen.
Alleen wanneer zijn vruchtdragende aanplant toeneemt en
daarin ook eens of tweemalen \'sjaars en vooral na afloop van
den oogst gepatjold moet worden, wordt het aantal cultuur-
dagen daardoor vermeerderd.
Nu hangt dit natuurlijk alles af van de uitbreiding, die het
plantsoen langzamerhand gekregen heeft en deze weder van
den leeftijd, dien de tuin bereikt; wordt hij slechts 8 jaren
oud, dan heeft een planter als maximum l\'50 resp. L\'00 vrucht-
dragende boomen te onderhouden van 4—8 jarigen leeftijd;
wordt het plantsoen 10 jaar, dan worden die getallen 350 en
800. Boven de 10 jaar vereischen de plantsoenen al heel
weinig zorg meer. Om nu een aantal dagen daarvoor aan
den berekenden cultuurarbeid toetevoegeu is niet gemakkelijk.
Wanneer ik nu uitga van de vooronderstelling, dat het
onderhoud der 4-5- en 6- jarige tuinen gevoegelijk kan samen-
gaan met dat van het jonge plantsoen en verder, dat het wen-
schelijk is, dat de bevolking uitkomt voor het onderhoud der
T-8-9- en 10- jarige tuinen, dan trek ik daarvoor het volgend
aantal dagen uit in verband met de te onderhouden terrein-
oppervlakte. Voor 4 aanplantingen van 50 boompjes 6: 6 of
V4o bouw = 50 | | Rh, roeden; voor 4 aanplantingen van 40
boompjes 6:6 of 4/30 bouw = 40 Q Rh. roeden en van 40
boompjes 6:8= ijaa bouw = 53 Q Rh. roeden — eensom
de twee maanden dus 6 dagen in het jaar.
Voor 4 aanplantingen van 50 boompjes 6 : 8 of van 40 boomp-
jes 6:10 of */ao bouw = 66 Qj Rh. roeden 9 dagen en voor
4 aanplantingen van 50 boompjes 6: 10 of 4;24 bouw = 83
□ Rh. roeden 12 dagen.
Nu zagen wij zooeven dat een cultuurdienstplichtige die 4
jaren heeft geplant, d. w. z. die het eerste jaar is begonnen met den
aanleg van het kweekbed, de ontginning en de beplanting en de
3 volgende jaren buiten en behalve deze werkzaamheden ook
nog één, twee en drie jaarlijksche bijplantingen te onderhou-
den heeft, bij den aanvang van het 5* jaar naar gelang van
-ocr page 43-
— 37 —
den afstand waarop het reserve-terrein is gelegen van zijne
woning en de plantwijdte het volgend aantal dagen aan cultuur
arbeid te besteden heeft:
Javakoffie — Plantwijdte — Afstand van het terrein.
0 — 2: 2 — 4: 4 — 6:
6: 6 | 24 | 26 | 27
6: 8 j 26 j 29 J 29
6: 10 §29 S 32 5 32
Liberia-koffie. 10: 10
             27             31
12: 12             26             29
Dit aantal werkdagen moet derhalve, zooals wij aantoonden,
alsnog worden vermeerderd met dat hetwelk noodig wordt
geacht voor het onderhoud van vruchtdragend plantsoen (7-8-
9-en 10-jarige tuinen). Gemakshalve neem ik nu aan,\'dat er
elf jaren is geplant geworden, zoodat elke cultuur-dienstplich-
tige 10 jaarlijksche bijplantingen van 50 of 40 boompjes heeft
te onderhouden te weten: 7 vruchtdragende en 3 jonge.
Bovengenoemde getallen moeten dan verhoogd worden als volgt:
Javakoffie — Plantwijdte — Afstand van het terrein.
/;
0 — 2
2 — 4: 4 —
6:
6
| 30
I
32 | 33
6:
8
I 35
3
38 | 35
6:
10
S 41
s
44 S 41
iberia-koffie. 10:
10
39
43
12:
12
38
41
6:
Eindelijk komen wij nu aan de werkzaamheden verbonden
aan den pluk, de bereiding van het product en het transport
naar het pakhuis.
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het plukken
van een picol Java-koffie in Oost-Java in den regel te staan
komt op f 4.50 a ƒ* 5.50 tenzij door gebrek aan werkvolk de
loonen worden opgedreven. Tegen een gemiddeld dagloon van
40 ets, wijst dit op 11 a 14 dagen arbeids. In West-Javaj
waar de loonen lager zijn, betaalt men daarvoor f 2.50.—
Voor het plukken van een picol Liberia-koffie wordt in
West-Java / 3.— f 5.— uitbetaald en op eene onderneming
in Midden-Java / 3.36.
-ocr page 44-
— 38 —
Bij den pluk in de Gouvernements-tuinen dient weer meer-
dere rekening gehouden te worden met den afstand waarover
de geplukte bessen moeten worden vervoerd.
Is die afstand niet groot, dan kan elke plukker of plukster
allicht 40 katti\'s plukken en vervoeren; bij grootere afstanden
is dit niet meer dan 30.
Voor elke picol droge Java-koffie moeten 500 katti\'s bessen
worden geplukt en getransporteerd en dit vereischt dus naar
gelang van den afstand 13 — 17 dagen.
Bij Liberia-koffie is de verhouding van beskoffie tot droge-
koffie eene andere en moeten er ongeveer 1000 kattis bessen
worden geplukt voor een picol droge koffie.
Wordt hierdoor derhalve het aantal oogstdngen grooter, dan
staat daar weder tegenover, dat de Liberiatuinen dichter bij
de dessa liggen; de meeste op afstanden van 1 — 3 paal.
Men mag dus aannemen, dat elke plukker of plukster 40>
katti\'s kan vervoeren, zoodat er ongeveer \'25 dagen noodig zijn
voor den pluk van een picol Liberiakoffie tegen 13 — 17
dagen voor dien van een picol Javakoffie.
Rekent men daarbij\'nog 3 dagen voor het stampen en het wannen
en 2 dagen voor het transport naar het pakhuis, dan krijgt men
voor Javakoffie 20 dagen en voor Liberia-koffie 30 dagen\'
Deze cijfers komen vrijwel overeen met die, welke daarvoor
berekend zijn door de ambtenaren van het liinnenlandsch-Bestuur.
Men ziet derhalve, dat er een geruimen tijd noodig is voor
pluk en bereiding van het product.
Neemt men evenwel in aanmerking, dat het oogsten in den
regel geschiedt door het geheele gezin, man, vrouw en kinderen,,
dan is die werkzaamheid niet zoo drukkend, als men uithetgroote
aantal dagen zou opmaken. De pluk loopt in veel minder
tijd af en het hoofd des huisgezins wordt daardoor geenszins
verhinderd om zich 20 a 30 dagen met zijne eigen cultures
te occupeeren of werk te zoeken op een naburige onderneming.
Evenwel, bij de berekening van het al of niet loonende der
cultuur moet het volle aantal dagen bij den cultuurarbeid
worden opgenomen, want niet het gezin is dienstplichtig — zooals
voorheen — maar het hoofd des huisgezins.
-ocr page 45-
— 39 —
Tot verdere verduidelijking wil ik nu omtrent dien cultuur-
arbeid nog enkele vragen stellen betrekking hebbende op locale
toestanden en het aantal werkdagen aan onderhoud van vrucht-
dragend plantsoen, pluk en bereiding, daarbij tevens in de bereke-
ning opnemen; overigens daarbij weder gebruik makende van de
mij door ambtenaren en administrateurs verstrekte gegevens.
P" Vraag.
Hoe groot is de arbeid per cultuurdienstplichtige bjj ontgin-
ning, b ijplant en onderhoud op een terrein, gelegen op den Smeroe
in het district Toeren, dat in ligging, begroeiïng, physische
eigenschappen van den bodem, configuratie etc. overeenkomt met
het terrein van de koffieonderneming in den staat genoemd d.
•»"\' De dessa ligt op 2 paal afstands van het terrein; de kweek-
bedden werden aangelegd op 1 \\ paal afstands van het terrein;
de plantwijdte is 6:8.
De cultuurdienstplichtige heeft reeds 10 jaar geplant, is dit
jaar weder belast met een nieuwen bijplant, heeft 150 jonge
boompjes en 350 vruchtdragende boomen te onderhouden.
Kweeken van 50 plantjes........... 2 dagen
Ontginning, aanleg en beplanting 1/30 bouw. . 7 „ AXi*vcX-Ce-A
Vullen van plantkuilen...........1         „
Transport plantjes.............2 n
Onderhoud 1, 2, 3 jarige boompjes 1) .... 12 „
Onderhoud vruchtdragend plantsoen.....9 n\'/.sA
Pluk, bereiding en transport in de vooronderstelling               \'
dat de tuin 5 picol per bouw of 1.19 picol van 7/30
bouw oplevert................24 „
totaal 57 dagen
Het getal van 24 dagen voor pluk etc. wordt
28 bij 6 picols per bouw
33 „ 7 „ „ „
37 n 8      „        „        „
42 „ 9 „ „ „
47 „ 10 „ „ „
56 „ 12 „ „ „
1) De administrateur van deze onderneming laat 12 maal in zijn jonge
tuinen werken; 2 keer patjollen en 10 keer babatten.
,
-ocr page 46-
— 40 —
Het totaal aantal dagen derhalve naar gelang van de productie:
57, 61, 66, 70, 78, 80 en 89.
Bij die producties zijn zijne oogsten 1.19; 1.40; 1.63; 1.86
2.10; 2,33; 2.80 picols.
2* Vraag.{\\)
Hoe groot is de arbeid per man aan ontginning, bijplant en
onderhoud op een terrein, gelegen op den Kloed in den district
Blitar, dat in ligging, begroeiing, phvsische eigenschappen van
den bodem, configuratie etc. overeenkomt met het Kloed-perceel,
waarvan de gegevens zijn opgenomen in den staat onder c.
„ De dessa ligt op 4 paal afstands van het terrein; in verband
\' daarmede wordt de werkdag gesteld op 7 uur. . .
Planttaak in boomen —40; Plantwijdte 6:10.
De kweekbedden liggen 2 paal van het terrein.
De man heeft reeds 10 jaar geplant en is nu belast met een
nieuwe ontginning en beplanting van 40/,ï00 of \'/30 bouw;
hij bezit 120 jonge en 280 vruchtdragende boomen, die onder-
houden moeten worden.
Kweeken van 40 plantjes..........2 dagen
Ontginning en bijplant werkdag 7 uur .... 12 „ Kt
Vullen van plantkuilen...........1 „
Transport plantjes.............2 „
, Onderhoud 1, 2, 3 jarig plantsoen......12 „
Onderhoud vruchtdragend plantsoen......9 „
Pluk, bereiding en transport in de vooronderstel-
ling dat de tuin 5 picol per bouw of 1.19 picol
van 7/ao bouw oplevert............24 „
totaal 62 dagen
3** Vraag.
Hoe groot is de cultuurarbeid in het district Kadjen, waarvan
de gegevens voorkomen in den staat onder h.
De dessa ligt op 5 paal afstands van het terrein en heeft
de kweekbedden aangelegd in de dessa, zoodat de plantjes
over 5 paal moeten worden vervoerd
(1) Deze en vele der hieronder volgende vragen zijn opgesteld en
berekend in overleg met de administrateurs der betrokken ondernemingen.
-ocr page 47-
— 41 —
De werkdag wordt in verband met den verren afstand gesteld
op 6 uur.
De dessa heeft reeds 6 jaar geplant en is in dezen West-
moesson belast met een nieuwen bijplant van 40 boompjes.
De plantwijdte is 6: 6 of 40/2000 = Vso bouw. .
Kweeken van plantjes............2 dagen
-rff ji *
Cüt >i"
Ontginning en bijplant; werkdag 6 uur ... 8
Vullen van plantkuilen...........1
Transport plantjes.............4
..\' .
n x-j ï**-fr.<.** 3 f*
Onderhoud van 3/so bouw jonge en van 3/So
bouw vruchtdragend plantsoen.........12 „ /, j
Pluk, bereiding en transport in de vooronderstel-
ling dat de tuin 4 picol per bouw of 24 katti van
\'-\'!-
3/so bouw oplevert.........\'.....5
At U-i ?<•
totaal 32 dagen
4de Vraag.
Hoe groot is de cultuurarbeid in het distriet Kandangan
op een terrein, gelegen in de onmiddelijke nabijheid van het
perceel genoemd onder i waarmee het in terreingesteldheid
overeenkomt.
De dessa ligt op 3 paal afstands, de kweekbedden op \'/» Pa&l
van het terrein.
De werkdag met het oog op den afstand gesteld op 7 uur.
Plantwijdte 6 : 8. Planttaak 50 boompjes = \'/\'30 bouw. De
dessa heeft reeds 3 jaar geplant en is thans belast met een
nieuwen bijplant.
Kweeken van plantjes.........2 dagen
Ontginning en bijplant werkdag 7 uur.. . . 10 „
Vullen der plantkuilen........1 „
Trantsport plantjes.........2 „
Onderhoud 3/39 bouw jong plantsoen. . . . 12
/
.
Totaal. ... 27 dagen
LIBERIA-KOPFIE.
5de Vraag.
Ik wensch te weten hoeveel dagen arbeid aan een persoon
wordt opgelegd, die in cultuurdienst een terrein met Liberia-
-ocr page 48-
— 42 —
koffie moet beplanten, dat reeds eerder gediend heeft voor de
teelt van Java-koffie, welke laatste evenwel op 4-jarigen leef-
tijd is uitgestorven wegens verkeerden aanleg en gebrek aan
onderhoud.
Het terrein ligt in de onmiddellijke nabijheid vandedessa;
do grond is mul en laat zich gemakkelijk bewerken.
Het terrein is vlak; lastig onkruid komt er niet op voor.
Aan de ontginning behoeft weinig te worden gedaan, de
doode boomen moeten worden uitgetrokken, het terrein moet
worden omgewerkt, hetzij met den ploeg, hetzij met den patjol,
en nieuwe plantgatcn moeten worden gemaakt en weder gevuld.
De dessa maakt gebruik van de vergunning om de eerste
twee jaren katjang tanah tusschen de plantjes te kweeken.
Daardoor vervalt het onderhoud in de twee eerste jaren;
alleen zal zij het tweede jaar enkele schaduwboomen moeten
bijplanten.
Het aantal dagen noodig voor het plantklaar maken van
het terrein wordt gesteld op 100, wanneer men den patjol
moet gebruiken; kan men het terrein beploegen, dan wordt
dit aanzienlijk veel minder.
De planttaak is 15 boompjes 12: 12= V33 bouw of 151 |
Rh. roeden.
De dessa heeft 3 jaar geplant en is in dezen Westmoesson
weder belast met een nieuwen bijplant.
Kweeken van plantjes.........1 dag. / •;
Ontginning, aanleg en beplanting naar gelang
van omstandigheden..........1- 3 „
Vullen van plantgaten. .          .....1         »\\ Uo^1,^\'1^
Transport van 15 plantjes naar het terrein. . 1          „ In*
\'t Onderhoud van de 1, 2 jarige boompjes, pro memorie.i.<--uf\'J\'
Onderhoud van 15 driejarige boompjes (15 | ]
Rh. roeden) 12 maal ^ dag.......6
Totaal in het vierde jaar.......10-13 dag.
Q<ie Vraag,
In het district Soekoredjo (Paree), afdeeling Kediri, ligt een
£root complex, waarbij vele dessa\'s zijn ingedeeld met ± 2000
cultuurüienstplichtigen. Voorheen werd hier Javakoffie ge-
-ocr page 49-
— 43 —
plant, doch wegens de treurige resultaten bij de toepassing der
eenvoudige cultuurmethode is men eenige jaren geleden over-
gegaan tot de teelt van Liberia-koffie.
Wanneer de dessa\'s ongeveer gemiddeld op twee palen
afstands liggen van het terrein en de kweekbedden op een
paal afstands, hoe groot is dan de cultuur-arbeid in dagen?
De plantwijdte is 12: 12; planttaak 15 boompjes per man. .
Ik ga uit van de vooronderstelling, dat men hier reeds 10
jaar heeft geplant en thans belast is met een nieuwen bijplant
en verder maak ik bij de berekening gebruik van de opgave
van den Controleur (zie pag. 17 m.), dat 250 dagen noodig
zijn voor ontginning en bijplant per bouw.
Kweeken van 15 plantjes.......1 dag.
Ontginning en beplanting.......8 „
Vullen der plantgaten........1 „
Transport plantjes.........1 „
Onderhoud 1-2-3-jarige boompjes (45 [] Rh.
roeden).............12 „
Onderhoud 4-5-6-jarige boompjes pro memorie.
Onderhoud 7-8-9-10-jarige boompjes (4/3 3 bouw) 12 „
Pluk en bereiding van \'t product van 2/33 bouw
4 en 5 jarige boomen, gerekend tegen gemiddeld
                          \'
l\'/j picol per bouw, 9 kattie, a 30 dagen per picol 6 „ W-.\'-!
Pluk, bereiding en transport van het product van
5/83 bouw volwassen plantsoen bij 7 picols per
bouw of 105 katti\'s......... 32 „
Totaal. . .73 dagen.
7lle Vraag.
"Welke is de maximum-arbeid aan een cultuurdienstplichtige
opgelegd bij de beplanting enz. van een terrein, gelegen in
Tjitjalengka, wanneer dat terrein in ligging, configuratie,
begroeiing en physische eigenschappen overeenkomt met dat
in den staat II (pag. 16) genoemd onder a. De maximum-
afstand, waarop tot dus verre Liberia wordt geplant, is 4 paal;
de planttaak is 24 boompjes op 10 voet onderlingen afstand;
de kweekbedden werden in de dessa aangelegd, zoodat de
plantjes over 4 paal moeten worden getransporteerd.
-ocr page 50-
— 44 —
Wegens den verren afstand van het terrein wordt de werk-
dag gesteld op 7 uren.
Kweeken van plantjes....................... 1     dag.
Ontginning en beplanting 1/30 bouw........... 7       „
Vullen der plantgaten........................ 1       „
Transport plantjes........................... 2      „ /, u
Onderhoud ;i/3 u bouw 1-2-en 8-jarige boompjes. 12      „
Onderhoud 4- 5- 6-jarigc boompjes, pro memorie
Onderhoud 7- en 8-jarige boomen 2/10bouw. .. 6       »/j3fc>
Pluk en bereiding van het product van 3/30 bouw
4- en 5-jarige boomen tegen gemiddeld 1^ picols
per bouw = 10 kattis......................... 3      „
Pluk en bereiding van het product van 3/30 bouw
volwassen boomen tegen 7 picols per bouw 70 katti\'s. 21       „
Totaal.. 53 dagen
II. Over het al of niet honende van de cultuur voor de
bevolking.
Ik neem nu aan, dat de Java-koffietuinen naar behooren
aangelegd en goed onderhouden, naar gelang van de bodem-
geaardheid en het klimaat 4— 12 picols per bouw zullen op-
leveren en de Liberia-tuinen 7 — 11 en stel mjj nu in de eerste
plaats de vraag of een planter, die 10 jaar heeft gewerkt, al
of niet eene loonende cultuur drijft, m. a. w. of zijn dagloon
bij de koffiecultuur al of niet gelijk is aan dat bij de teelt
van producten van eigen landbouw?
De gegevens benoodigd voor eene beantwoording dier vraag
vindt men in onderstaand staatje, waarop ik de aandacht ves-
tig na in herinnering te hebben gebracht, dat blijkens het
onderzoek der ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur de
dagloonen bij de cultuur van eigen gewassen in verschillende
streken varieeren van 15 tot 20 en 25 cents.
-ocr page 51-
— 45 —
PLANTWIJDTE.
Bl.TPLANT
PER MAN.
PLANTSOEN
PER MAN.
PR0-
DUCTIE.
Aantal dagen
arbeid per man.
INKOMSTEN PER MAN.
ND IN
EN.
53
o
o
P5
z
c/5
p
O
H
z
JONG.
VRUCHT-
DRAG.
O
e
ets
W
Z
<i
~.
CS
K
Oh
as
&:
<
H
tg
M
Ed
Q
2
ei»
a
s
o
5
5a
o
z
o
1
<
<
E-
O
Z
AFSTA
PAI
z\'
w
o
o
SQ
c/j
O
e
z\'
2
O
o
03
C/5
O
-
O
o
J
o
ö
A.
4—6
0—2
2—4
0-2
2—4
0—2
2-4
6/6
6/8
6/10
6/6
»
6/8
»
6/10
»
40
40
40
50
»
50
*
50
»
1/50
1/38
1/30
1/40
1/30
»
1/24
»
120
120
120
150
\' B
150
»
150
»
3/50
3/38
3/30
3/40
»
3/30
»
3/24
»
280
280
280
350
»
350
»
350
»
7,50
7/38
7/30
7/40
»
7/30
t>
7/24
4
»
»
»
»
»
>
»
»
0.56
0.74
0.93
0.70
»
0.93
»
1.16
»
>
29
32
24
26
26
29
29
32
6
6
9
e,
»
9
»
12
»
11
15
18
14
»
19
B
23
»
44
50
59
44
46
54
57
64
67
8.40
11.10
13.95
10.50
»
13 95
»
17.40
»
0.19
0.22
0.23i/2
0.24
0.23
0.26
0.24i/2
0.27
0.26
B.
4—6
6/8
40
1/38
120
3/38
280
7/38
6
1.10
29
6
22
57
16.50
0.29
0—2
»
50
1(30
150
3/30
350
7/30
»
1.40
26
9
28
63
21.
0.33
2-4
»
»
»
»
»
»
»
»
»
29
»
»
66
>}
0.311/2
C.
4—6
6/8
40
1/38
120
3/38
500
1/3
3
1
29
6 8
20
58
15
0.26y.,
0—2
»
50
1/30
150
3/30
500
1/3
»
1
26
9 5
20
60
15
0.25
2—4
»
»
»
»
»
»
»
»
»
29
1>
»
63
»
0.24
D.
4-6
68
40
1/38
120
3/38
750
1/2
2
1
29
12
20
61
15
0.24»/j
0—2
»
50
1/30
150
3/30
750
1/2
»
1
26
18
20
64
15
0.251/.,
2—4
»
»
»
»
»
»
»
»
i
29
»
»
67
»
0.23
-ocr page 52-
— 46 —
Wij zien hieruit, dat zij, die jaarlijks 40 boompjes hebben
geplant, in het elfde jaar, bij eene gemiddelde productie van
4 picols per bouw, nog niet overal op Java eene loonende-
cultuur drijven, maar dat zulks wel het geval is voor hen
die 50 boompjes hebben geplant bij eene plantwijdte van 6: 8
en 6: 10; bij eene plantwijdte van 6: 6 is dit ten naastenbij
het geval.
Wij staan hier juist op de grens en daar wij te voren voor
ontginning, beplanting en onderhoud maximale cijfers hebben
berekend, die hier weder werden ingevoerd, mogen wij dus-
de volgende stelling als bewezen aannemen.
Een inlander die in het bezit is van ongeveer 1j4 bouw vrucht-
dragende Java-Koffie, drijft bij eene productie van 4 picols per
bouw eene loonende cultuur.
Dit resultaat bereikt de planter echter bij de tegenwoordige
regeling eerst in het elfde jaar; vóór dien tijd heeft hij of
gewerkt tegen een onvoldoend loon öf zonder eenige ver-
goeding.
Wanneer dus zijn plantsoen geen tienjarigen leeftijd bereikt,
dan komt hij nimmer tot een loonende cultuur.
Stijgt de productie tot 5, 6, 8 en meer picols per bouw, dan
maakt hij, in het bezit van \'/4 bouw, een beter dagloon dan
met de teelt van producten van eigen landbouw (zooals blijkt
uit het staatje gemerkt B.) (1)
Ook krijgt hij dan reeds eerder, nog vóór dat hij 10 jaar
heeft geplant, een voldoend loon.
Wanneer de productie niet stijgt, doch het aantal vrucht-
dragende boomen neemt meer en meer toe tot b. v. 500 boomen,
dan wordt de cultuur, zooals van zelf spreekt, veel voordeeli-
ger en zelfs wordt dan ook reeds bij eene gemiddelde productie
van niet meer dan 3 picols vrijwel overal een behoorlijk dagloon
gemaakt (Staat Lett. C.)
Neemt het aantal boomen alsnog toe tot b. v. ieder cultuur-
dienstplichtige 1/z bouw vruchtdragend plantsoen of 750boo-
men bezit, dan reeds is de cultuur vrijwel overal loonend, ook
(1) In \'dit on het volgende staatje is eenvoudigheidshalve alleen re-
kening gehouden met aanplantingen op 6: 8 Rh. voet.
-ocr page 53-
— 47 —
«daar, waar de productiviteit der tuinen niet boven 2 picols
per bouw stijgt (Lett. D.)
Dit leidt ons tot de tweede stelling:
Het al of niet loonende van de koffie-cultuur is voor de
bevolking in de allereerste plaats afhankelijk van een voldoend
aantal vruchtdragende hoornen en verder, maar eerst in de
tweede plaats, van de meerdere of mindere productiviteit der
tuinen.
Dat wil zeggen: op zoodanige gronden, waarop een
europeesch erfpachter met geen mogelijkheid eene loonende
cultuur kan drijven, kan de bevolking nog altijd met de teelt
van koffie een dagloon maken, dat hooger is dan zijn gewone
loon bij de cultuur van andere gewassen.
Het is zeer wel mogelijk, dat de bevolking nog profijt
heeft van de teelt van koffie op gronden, die minder produ-
•ceeren dan 2 picols per bouw en zelfs komt het voor — en dit
is een bekend feit bij de ambtenaren in de afdeeling Bandoeng
— dat de bevolking wel eens van hare vrijwillig aangelegde
tuinen (monosoeko) niet meer oogst dan gemiddeld 1 picol
per bouw en volgens hare opvatting eene voordeelige cultuur
drijft.
Het geheim wordt opgelost, wanneer men in aanmerking
ueemt, dat de monosoeko-planter zeer uitgestrekte aanplantingen
bezit van vaak meer dan een bouw en niet alle jaren behoeft
hij te planten. De / 15 aan het koffiepakhuis voor een picol
uitgekeerd, wordt in weinige dagen verdiend; het onderhoud
van die tuinen kost hem nagenoeg geen tijd; het loon wordt
foijna uitsluitend verkregen in de 20 dagen aan den pluk besteed.
Deze beschouwingen geven ons een antwoord op de vraag,
hoe het komt, dat een monosoeko-planter nagenoeg altijd een
loonende cultuur drijft en een ander, die op hoog gezag plant
maar al te vaak niet?
Men verklaart dit dikwijls door aan te nemen, dat de inlan-
der door zijne buitengewone kennis van cultuur en zijn juist
oordeel over de al of niet geschiktheid van den bodem voor
<le teelt van koffie van een, voor de cultuur aangewezen reserve-
terrein, de beste plekjes weet uittezoeken en de rest overlaat
•aan hen, die op hoog gezag planten.
-ocr page 54-
— 48 —
De zaak ligt niet zoo diep; met de landbouwkundige be-
kwaamheden van den dessa-man heb ik nog niet leeren dweepen;
ik weet te goed, dat hij 1 picol maakt van gronden waarvan
een ander 8 en meer picols zou verkrijgen.
De oplossing van de vraag is veel eenvoudiger; de mono-
soeko-planter heeft boomen en de op hoog gezag plantende
dessa-man heeft ze niet. (1)
Ik stel mij voor, dat reeds zooeven, toen ik meedeelde, dat
een planter, die het nog niet zoover gebracht had, dat hij
«• zich de bezitter kon noemen van ± 350 vruchtdragende boomen,
<,\'een loonende cultuur drijft en dus jaren achtereen heeft ge-
werkt en nog altijd werkt zonder behoorlijk loon, de lezer zich
de vraag zal hebben gesteld of hier niet een gansch verkeerde
voorstelling van zaken werd gegeven ?
Men zal meenen, dat ik het laat voorkomen, alsof de koffie-
cultuur eerst elf jaar geleden op Java werd ingevoerd en de
cultuurdienstplichtigen toen van meet af aan begonnen te planten?
Iedere cultuurdienstplichtige en in elk geval iedere dessa —
zoo zal men meenen — moet toch in het bezit zijn van plantsoen;
zij hebben reeds zoo vele jaren geplant.
Was dan de beplanting in het eerste jaar, waarvan bij \'de
beschouwingen werd uitgegaan, niet optevatten als een bijplant
en was toen niet reeds de dessa in het bezit van een 350-tal
boomen per man, genoeg voor eene loonende cultuur?
Om die vragen te kunnen beantwoorden is het noodig om
een oogenblik stiltestaan bij de uitgebreidheid der plantsoenen
voorheen en thans.
III. De uitgebreidheid der koffieplantsoenen voorheen en
thans.
In vroegere jaren was aan ieder bij de koffiecultuur inge-
deeld huisgezin opgedragen een plantsoenen van een bepaald
(1) Het gemiddelde aantal vruchtdragende boomen uer man in mono-
soeko-streken bedraagt in Bandong 1540; in Malang 1422; in Tengger
tPasoeroean) 1620: in Tengger (Probolinggo) 3000; in Brebes (Tegal)
1000: in Pemalang (Tegal) 1540: in Poeloeng (Madioen) 1200.
-ocr page 55-
— 49 -
aantal boomen aanteplanten en en voltallig te houden. Voorheen
was dit aantal gesteld op 1000; daarna (omstreeks 1855)
werd het teruggebracht tot 750, terwijl het nog enkele jaren
later weer verminderde tot 600 of 500 boomen per gezin.
De jaarlijksche bijplantingen in elk district regelden zich
toen naar de afschrijvingen, die door het Bestuur noodzakelijk
werden geacht.
Eene vaste planttaak was niet voorgeschreven; het aantal
door elke dessa bijteplanten boomen werd jaarlijks op voor-
dracht van de Hoofden van Gewestelyk-Bestuur bij Regeerings-
besluit vastgesteld.
Zoolang haar aanplant vrijwel voltallig bleef of door in-
boetingen voltallig kou gehouden worden was de dessa van
verdere ontginning, aanleg en bijplant vrijgesteld en werd
daarmede eerst weder belast, wanneer naar het oordeel van
het Bestuur, de toestand van den tuin onvoldoende werd, de
productiviteit aanmerkelijk was gedaald en daarin geen ver-
betering kon worden gebracht.
Aan de dessa werd dan een nieuwe bijplant opgedragen; was
haar aanplant weder op peil, dan was zij ook weer vele jaren lang
van uitbreiding vrij en bepaalde zich de cultuurarbeid tot het
onderhoud van het vruchtdragend plantsoen (hetgeen weinig te
beteekenen had) en het inzamelen en bereiden van het product.
Bijplantingen en afschrijvingen hielden dus nagenoeg ge-
lijken tred.
In 1872 b. v. werden afgeschreven 12.805.000 en bijge-
plant 12.820.000 boomen.
Of dit voor de bevolking bezwarend was kunnen wij nu,
na den cultuurarbeid uitvoerig te hebben besproken, wel zoo
ten naastenbij beoordeelen.
Het spreekt wel van zelf, dat hierbij veel afhing van de
verdere regeling.
Werd er met de afschrijving lang gewacht, tot een groot deel
van het plantsoen tegelijk moest worden vernieuwd, dan vorderde
dit natuurlijk veel arbeid; geschiedde die afschrijving meer pleks-
gewijze, naar gelang een deel van den aanplant teekenen gaf van
achteruitgang, dan verdeelde zich de arbeid over verschillende
-ocr page 56-
— 50 —
jaren. Groote bijplantingen in eens, werden natuurlijk niet
altijd met de noodige zorg in den grond gebracht en behoorlijk
onderhouden en dit gaf aanleiding, dat in den West-moesson
van 1870 als beginsel werd aangenomen, dat in den regel
aan eiken koffieplanter, hetzij tot aanvulling of uitbreiding of
wel voor beiden, jaarlijks geen grootere bijplant werd opgelegd
dan van 50 boomen in tuinen en van 25 boomen in kampoengs
met dien verstande, voor zooveel de tuinkoffie betreft, dat
zooveel minder of niets werd opgelegd aan diegenen, die
daardoor meer dan 600 boomen te onderhouden zouden hebben.
Deze bepaling bracht orde en regelmaat in de jaarlijksche
bijplantingen en op de eenvoudigste en voor de bevolking
minst bezwarende wijze, kon er nu voor gezorgd worden, dat
de aanplant voltallig bleef.
Hier was dus voor de eerste maal sprake van eene bepaalde
planttaak en het getal van 600 boomen werd toenmaals als
maximum beschouwd voor koffie in geregelde tuinen, waarbij
dan nog kwam de erf- pagger- en boschkoffie.
Nu wij zooeven reeds berekenden, dat de bevolking in het
bezit van ongeveer 1ji bouw vruchtdragend plantsoen (350 boo-
men 6:8), eene loonende cultuur drijft bij eene productie van
4 picols (waarbij dus hare inkomsten ongeveer 1 picol bedragen)
en met >/8 bouw (500 boomen) ook reeds bij 3 picols per bouw,
kunnen wij daaruit reeds dadeljjk concludeeren, dat in die dagen
de cultuur voor de bevolking voordeelig moet zijn geweest.
Bevestigd wordt deze voorstelling nog verder door het hier-
onder volgend overzicht van hetgeen in de verschillende ge-
westen in het 20-jarig tijdvak van 1850—1870, gemiddeld per
hoofd, in de Gouvernementspakhuizen werd ingeleverd:
Bantam..........0.60 picol.
Krawang.........0.71 „
Preanger-Regentschappen.....1.45 „
Cheribon..........1.13 „
Tegal..........3.80
Pekalongan.........2.09 „
Japara.....           . . . . 1.0 i „
Semarang.........1 .72 „
-ocr page 57-
— 51 —
Soerabaja.........2.81 picol.
Pasoeroean.........5 35 „
Probolinggo.........1.97 „
Besoeki         ........           2.60 „
Banjoewangi.........2 57 „
Banjoemas.........0.67 „
Bagelen..........1.40 „
Kadoe..........1 03 „
Madioen..........2.70 „
Patjitan..........2.— „
Kediri..........1.42 „
In verband met hetgeen wij te voren berekenden, blijkt
derhalve, dat de cultuur toenmaals in alle genoemde gewesten
met uitzondering van Bantam, Krawang en Banjoemas niet
alleen loonend, maar zelfs rijkelijk loonend was en dat er
wel altijd voldaan werd aan den eisch van het Regeerings-
reglement (1)
Wij kunnen zelfs verder gaan. Wanneer wij toch bij de
beoordeeling der productiecijfers in het oog houden, dat er
vaak vele jaren achtereen niet werd ontgonnen en geplant,
zoodat de inkomsten uitsluitend werden verkregen met het
onderhoud van vruchtdragend plantsoen en den pluk en de
bereiding van het product, dan mogen wij veilig aannemen,
dat er soms langen tijd achtereen een zeer hoog dagloon werd
gemaakt en dat de GoHvernementskoffiecultuur in die dagen
in al die gewesten eene algemeene bron was van volkswelvaart.
Op zich zelfs beschouwd waren er dus geenerlei bezwaren
verbonden aan het bezit van uitgebreide plantsoenen en gaf
dit in elk geval het voordeel, dat de cultuur loonend was.
Het hoofdbezwaar van de cultuur in die dagen was gelegen
in de neiging om gemakshalve, zooveel mogelijk de koffie*
cultuur te concentreeren tot enkele zeer omvangrijke complexen,
waarbij vele dessa\'s te gelijk en vaak zelfs een geheel onder-
district of district waren ingedeeld.
(1) Op de uitzondering, die Bantam en Krawang maken op den alge-
meenen regel kom ik zoo aanstonds terug.
-ocr page 58-
— 52 —
Zulke enorme complexen te vinden in de meer bewoonde
streken in de nabijheid der dessa\'s was niet altijd mogelijk
en zoo kwam het meermalen voor, dat dessa\'s waren inge-
deeld op terreinen, die op kolossale afstanden waren gelegen (1).
Toen dan ook, na de hervorming van het stelsel van Be-
stuur in de Preanger-Regentschappen, de koffiecultuur in dat
gewest op betere grondslagen zou worden geregeld en het
de bedoeling was om, door het uit den weg ruimen of vermin-
deren van bezwaren en belemmeringen, de cultuur voor do
bevolking minder drukkend te doen zijn, werd de aanleg der
tuinen op verre afstanden, het voornaamste bezwaar genoemd
van de oude regeling in dat gewest. (2)
Bij die regeling (Besluit van 29 Januari 1872 No. 14. ïn-
disch Bijblad No. 2738) werd dit dan ook dadelijk opgeheven.
De aanplant werdt voortaan tot binnen den naasten omtrek
der dessa\'s en kampoengs beperkt, terwijl tevens eene nieuwe
handleiding voor de koffiecultuur werd opgesteld, omdat de
bestaande handleiding van den Inspecteur bij het Dep. der
Kultures de Munnick, niet algemeen meer gevolg werd, daar
zij in vele opzichten te drukkend was en meer eischte dan
voor eene behoorlijke cultuur noodig was. (3)
Zonder uitdrukkelijke toestemming van den Gouverneur-Ge-
neraal, mocht voortaan geen koffie op hoog gezag worden ge-
plant op verderen afstand dan twaalf palen van de woningen
der planters met dien verstande, dat in de eerste plaats in
(1)    In de Preanger-Regentschappen was dit wel het sterkste.
Volgens het Koloniaal Verslag van 1872 beliepen die afstanden als
maxima volgens opgave van Maart 1870 nog in het regenschap Bandong
tot 27 palen: in Tjandjoer tot 20; in Soemedang tot 36: in Lirnbangan
tot 15 en in Soekapoera tot 44 palen.
(2)    Een paar andere bezwaren waren reeds een jaar te voren opge-
heven te weten: de geringe betaling voor het ingeleverd product die toen
nog niet meer dan de helft bedroeg van de som die elders door het
Gouvernement werd te goed gedaan (f 0.50 per picol) en het verplicht
vervoer van de koffie van de inkoop- naar de afkoop-pakhuizen.
(3)    De samenstelling van een nieuwe handleiding voor de Gouver-
nements-koffiecultuur werd bij besluit dd. 25 December 1871 opgedragen
aan de H.H. K. W. v. Gorkom, D. P\'es en K. F. Holle. Zij werd uit-
gegeven krachtens Gouvernements Besluit, dd. 23 Februari 1873 No. 21.
-ocr page 59-
— 53 —
aanmerking zouden komen de woeste gronden voor deze cul-
tuur geschikt, gelegen om en bij de dessa\'s en kampoengs.
Die maatregel was uitnemend.
Niet alleen toch, dat daardoor het grootste bezwaar voor de
bevolking werd opgeheven, maar door betere cultuurwijze dan
de laatste jaren was gevolgd en nauwgezetter toezicht op ont-
ginning, aanleg en onderhoud, stegen de producties enorm, ten
voordeele van de bevolking en van den Staat.
Bij die Preanger-regeling werd aan de planters toege-
staan om de bestaande tuinen, waarbij zij waren ingedeeld,
te verlaten, zoo zij dit verkozen, mits zij op zich namen daar
voor dessatuinen aan te leggen, hetzij op woesten, hetzij op eigen
grond en er tevens gelegenheid bestond om de te verlaten
tuinen door het Bestuur te doen overdragen aan inlanders, dan
wel ze te doen indeelen bij dessa\'s, meer in de nabijheid dier
tuinen gelegen. Ieder planter had het recht om zijn aanplant
te bewerkstellingen op gronden door hem zelven daartoe ge-
kozen, mits zij voor de cultuur geschikt waren of door goede
bewerking of bemesting daarvoor geschikt konden gemaakt
worden. Ieder kon op die wijze zijn eigen tuintje krijgen,
waarover hij heer en meester was.
Even als reeds was aangenomen voor de bijplantingen in
den Westmoesson van 1870/71 werd de planttaak gesteld op
50 boomen, terwijl aan de pagger- en kampoeng-koffie haar
oorspronkelijk karakter van vrije cultuur werd teruggegeven,
behoudens levering van het product aan den lande, zonder andere
bemoeiing van het Bestuur dan aanmoediging, leiding en leering.
Hoe uitnemend die Preanger-regeling werkte, blijkt niet
alleen uit het feit, dat zij weinige jaren later bij Kesluiten
van 26 Mei 1875 en 23 September 1877 in de overige kof-
fieplantende residentiën van Java en ook bij Besluit van 2
Februari 1877 op Sumatra\'s Westkust van toepassing werd
verklaard, maar zeker wel het beste uit den enormen vooruit-
gang der productie.
Van 1869/73 toen de Preanger-oogst 97,500 picols be-
droeg, steeg deze in 1874/78 tot 154.000 en in 1879/83 tot
165.600 of van 100% tot 158°/0 en 170%.
-ocr page 60-
— 54 —
In die jaren werd gemiddeld \'s jaars in de Preanger-Regent-
schappen een som van ƒ 2.318.400 uit de cultuur getrokken
door 122.700 cultuurdienstplichtingen d. w. z. ƒ 19. per man
Er kwam nieuw leven in de koffiecultuur en in de jaren
1879/83 bereikte zij haar toppunt van bloei.
Dr. van Gorkom (1) in herinnering brengende, hoe de Pre-
anger-regeling de vrucht van samenwerking was vooral van
Karel Holle, Pies en Mr. Levysohn Norman (2), deelt ons mee,
dat zij bij besluit van 29 Januari 1872 No. 14 vastgesteld,
feitelijk in de Preanger reeds sinds een paar jaren geleidelijk
in toepassing was gekomen.
Ook van Gorkom noemt haar rationeel en een uitnemenden
maatregel voor bevolking en fiscus beiden en ieder, die in de
Koloniale Verslagen van 1872—1880 hare werking nagaat,
kan (zooals terecht door den Heer van Goltstein wordt opge-
merkt) (3) aan de ontwerpers een woord van hulde niet onthouden.
Het is niet mijne bedoeling, hier lang bij die Preanger-regeling
en haren gunstigen invloed op de koffiecultuur stil te staan,
maar ik meen, dat het niet voor tegenspraak vatbaar is wan-
neer ik de stelling uitspreek, dat vóór en ten tijde dier Preanger-
regeling aan het gronddenkbeeld van den ontwerper van
het cultuur-stelsel, met de voorwaarde waarop dat stelsel in
een beschaafde Maatschappij kan geacht worden bestaanbaar
te zijn, werd voldaan, dat n. 1. de cultuur, terwijl zij aan den Staat
eene gemakkelijke belastingheffing verzekerde, aan de bevol-
king tegelijkertijd een bron van bestaan en van welvaart schonk.
Voor eiken dag, dat arbeid werd verlangd als belasting, werd
den planter een loon uitgekeerd, dat minstens zoo hoog was
en meestal veel hooger dan het dagloon bij de teelt van eigen
gewassen Werd er koffiecultuur gedreven ten behoeve van
den Staat, zij was terzelfdertijd een zegen voor de bevolking,
een bron van vaste inkomsten.
(1)    De positie der Gouvernements-koffiecultuur —Indische Mercuur
van 5 Sept. 1896.
(2)    Ik voeg daar op gezag van den Heer van Goltstein nog den naam
van Gorkom aan toe.
(3)    Mr. W. Baron van Golstein »De Gouvernements-Koffiecultuur" Ind.
Gids 1888. Maart.
-ocr page 61-
— 55 —
Iu mijn vorig artikel heb ik de stelling, reeds vroeger door
Holle uitgesproken, tot de mijne gemaakt, dat het breken met
de rationeele cultuurwijze, die meer dan een eeuw lang in de
Gouvernements-koffietuinen was toegepast geworden, de onder-
gang is geweest van de koffiecultuur in menig distriet.
Ik kom hier op deze zaak niet terug, maar acht het als-
nog van groot belang om de lezers, die ik niet geheel heb
mogen overtuigen, er op te wijzen, hoe de ontwerper der
z. g. eenvoudige cultuurmethode, de schrijver van de Handlei-
ding van 1887, later als Eesident der Preanger-Regentschap-
pen, wel degelijk heeft ingezien, hoe nadeelig zijne methode
heeft gewerkt en in zijne bekende Nota van April 1890, opge-
nomen het Koloniaal Verslag Bijl. TT. I, p. 127, uitvoerig
heeft meegedeeld, dat een overgang van een gedwongen tot
een vrij willigen arbeid niet moet worden gezocht in het los-
maken der cultuur van alle regelen, zooals bij die eenvoudige
cultuurmethode heeft plaats gevonden. Bij die belangrijke
nota moet ik zoo aanstonds nog een oogenblik stilstaan.
Door die Preanger-regeling werd nu, voor het eerst, eene
wijziging gebracht in de verhouding tusschen bijplantingen en
afschrijvingen.
Dit was onvermijdelijk.
Die dessa\'s toch, die hare aanplantingen overdeden aan ande-
ren geraakten tijdelijk onder ongunstige omstandigheden; de
eerste drie jaren hadden zij nagenoeg niets dan jong plant-
soen; geen andere boomen om van te oogsten dan die uit
de paggers en kampoengs; zij arbeidden dus zonder behoor-
lijke vergoeding.
Haar optedragen om elders in den kortst mogelijken tijd we-
der een plantsoen aanteleggen van 600 boomen ging niet aan.
Men moest daarbij eene planttaak stellen en men koos die,
welke reeds een jaar te voren was aangenomen voor geregel-
den jaarlijkschen bijplant nl. 50 boompjes.
Spoedig begreep men evenwel, dat voor verscheidene, onder
zulke omstandigheden verkeerende, dessa\'s die planttaak wel
kon worden verhoogd, omdat zij geen anderen cultuurarbeid
-ocr page 62-
— 56 —
te verrichten hadden, dan het onderhoud van hun jong plant-
soen, terwijl de andere dessa\'s nog vruchtdragend plantsoen te
onderhouden en vele dagen te besteden hadden aan den pluk
en de bereiding. In eene nota „houdende voorschriften betreffen-
vde de koffiecultuur in de Preanger-Regentschappen, zooals die
„geregeld is bij Gouvernements-besluit, dd. 29 Januari 1872
„no 14 met de daarin gebragte veranderingen en ontvangen toe-
„lichtingen"
(1) welke nota bij circulaire van den Directeur
van Binnenlaudsch-Bestuur van 22 September 1874 no. 9302
den ambtenaren werd aanbevolen als leiddraad bij het onder-
zoek naar de mogelijkheid tot invoering der Preanger-regeling
in de overige gewesten van Java, wordt daaromtrent het vol-
gende meegedeeld: „Het Europeesch Bestuur legt aan iedere
„dessa in verband tot het aantal cultuurdienstplichtigen eene
„zekere taak op, maar laat aan het dessa-hoofd over, die taak
„naar billijkheid onder de cultuurdienstplichtigen te verdeelen.
„B. v. zekere dessa telt 100 cultuurdienstplichtigen; het Euro-
„peesch bestuur vindt goed die dessa te belasten met een
„nieuwen aanplant van 4000 boomen; het dessa-hoofd heeft
„dan de bevoegdheid, die taak van 4000 boomen naar de
„krachten der cultuurdienstplichtigen c. q. ter beoordeeling
„van het districts- en plaatselijk bestuur te verdeelen en A. bijv.
„90, B. 70, C. 30 en E. 10 boomen te laten aanplanten."
„In gewone omstandigheden mag het Europeesch bestuur
„geen hoogeren bij plant opleggen dan vijftig boomen per huis-
„gezin, berekend, gemiddeld bij doorslag, over al de cultuur-
„dienstplichtigen eener dessa.
„In bijzondere gevallen, b. v. door groote afschrijvingen,
„overdragt of afstand van een groot aantal boomen aan andere
„dessa\'s of aan particuliere inlanders als anderzins — waardoor
„de dessa slechts een gering aantal of in het geheel geene
„boomen te verzorgen heeft of overhoudt — mag het Euro-
„peesch bestuur, per huisgezin, meer dan vijftig boomen per
„jaar laten bijplanten, doch behoort de taak niet zoo hoog te
„worden gesteld, dat minder goede aanleg en onderhoud der
„tuinen daarvan het gevolg zou kunnen zijn.
(1) Indisch Bijblad No. 2738 III.
-ocr page 63-
— 57 —
„Het is dan ook geen vereischte, dat de koffieplanters ia
„één jaar weder al de boomen bijplanten, die zij hebben over-
„gcdragen of afgestaan.
„ Nergens en nimmer mag evenwel uit het oog worden
„verloren, dat het beter is b. v. 50 boonien goed te plan-
nten en goed te verzorgen dan 100 boonien op ondoelmatige
„wijze in den grond te brengen en slecht te onderhouden.
„Het maximum boomen, dat een huisgezin zonder bezwaar
„kan verzorgen is onmogelijk algemeen vast te stellen.
„Op de eene plaats zullen zonder bezwaar 1000 en meer
„boomen behoorlijk kunnen worden verzorgd, terwijl op eene
„andere plaats 400 boomen te verzorgen reeds eene zware taak
„kan heeten.
„Alles hangt daarbij af van den grond en van de te onder-
„houden boomen, plantwijdte, meer of minderen afstand van
„de tuinen tot de woningen der planters enz. enz. Op deze
„omstandigheid wordt speciaal de aandacht gevestigd, omdat
„vele ambtenaren en hoofden in de onjuiste meening verkeeren,
„dat 600 boomen per huisgezin een maximum is, dat nimmer
„mag worden overschreden."
Enkele worden uit dit citaat heb ik onderstreept om te
doen uitkomen welke degelijke begrippen voorheen bij de
leiding der koffiecultuur voorgezeten hebbeu, die men later
niet meer aantreft.
Later werd den cultuurdienstplichtige vaak de keuze gelaten
om zijn aanplant van 50 boompjes tot stand te brengen op
het daarvoor aangewezen reserve-terrein en volgens de bepaalde
voorschriften, dan wel op grond naar eigen keus en op eene
wijze als hij zelf verkoos, b. v. zonder terrassen of plantkuilen,
of grondbewerking en met gedeeltelijk behoud van het bosch,
mits hij in het laatste geval dan ook het dubbele aantal plantte,
bij wijze van compensatie.
Uit die geheele Nota ziet men, dat nog altijd de samen-
stellers van de Handleiding en de mannen van de Preanger-
regeling aan het woord zijn; menschen met een ruimen blik
en veel kennis van zaken
„Ieder cultuurdienstplichtige, die meer boomen aanplant dan
-ocr page 64-
— 58 —
„hem ter bijplanting waren opgelegd, geniet, voor elke vijftig
„boomen meer, een jaar vrijstelling van gedwongen bijplanting
„doch alleen, ingeval hij dien meerderen aanplant op dezelfde
„meer intensieve wijze heeft bewerkstelligd en blijft verzorgen
vdan thans bij de Gouvernements-koffiecultuur gebruikelijk is".
„Legt iemand vrijwillig een koffietuintje aan op eigen
„grond (kebon milik) of op woesten grond, door het bestuur
„daartoe afgestaan (kebon sorangan of wonosoeko) en volgt hij
„daarbij in alles de thans bij de Gouvernements-koffiecultuur
„gebruikelijke icijze van aanleg en onderhoud, ook dan wordt
„voor elke 50 boomen, op die wijze geheel vrijwillig aan-
„geplant, een jaar vrijstelling verleend van gedivongen bij-
„planting".
„Voor vrijwillige koffie-aanplantingen, die niet zijn aange-
„legd of niet worden onderhouden op de wijze, thans bij de
„Gouvernements-cultuur in gebruik, wordt de bedoelde vrijstelling
„niet verleend.\'\'\'\'
Men ziet de gedachtengang was zuiver.
In korte woorden: ik laat u vrij in de keuze van het
terrein, waar gij uwe boomen wilt planten. Ook wil ik u
wel toestaan gebruik te maken van een door het Bestuur
uitgekozen reserve-terrein maar alleen onder voorwaarde, dat
gij dit terrein naar behooren ontgint, uw tuintje naar den
eisch onderhoudt en den grond niet misbruikt en zulks in
uw eigen belang en dat van den Staat. De voorschriften, die
ik gegeven heb voor de teelt van koffie zijn de zoodanige
waarvan ik naar mijn beste weten verwacht, dat de toepassing
daarvan het voordeeligste voor u en den Staat zal uitkomen;
naar mijne overtuiging is daardoor aan uw plantsoen een lang
leven verzekerd en zal het u veel vrucht opleveren. Wilt
gij nu gebruik maken van staatsdomein om daarop voor u
zelf een koffietuintje aan te leggen, of wilt ge onder vrijstel-
ling van een bijplnnt op het aangewezen terrein uwe boompjes
op uw eigen milik-grond planten, dan staat u zulks vrij,
mits gij het doet zoonis u is voorgeschreven etc.
Later is de zienswijze omtrent monosoeko of sorangan aan-
zienlijk gewijzigd. Het zuivere principe, dat daaraan ten
-ocr page 65-
— 59 —
grondslag lag n.1. dat de ware lust der bevolking tot het
planten van koffie, de neiging om vrijwillig tuinen aan te leggen
en zich op de teelt van dit gewas met hart en ziel toe te leg-
gen, alleen zou toenemen wanneer de bevolking hare moeite
beloond zag door eene ruime opbrengst, heeft men laten varen
en dit heeft aan de koffiecultuur ontzettend veel kwaad gedaan.
Het gebrek aan vruchtdragende boomen voor die dessa\'s
die hun aanplant hadden overgedragen, duurde dus niet lang.
Spoedig waren zij weer in haar plantsoen; bovendien waren de
cultuurdienstplichtigen in dien tijd nog rijkelijk voorzien van
pagger- kampoeng- en erfkoffie.
Voorts werd er ruim gebruik gemaakt van de bepaling, dat
ieder die meer boomen plantte dan hem was opgelegd, voor
elke 50 boomen meer, een jaar vrijstelling genoot van ver-
plichten bijplant.
Het Koloniaal Verslag van 1873, p. 206 vermeldt reeds,
dat op vele plaatsen en hier en daar op grooter schaal zich
eene volkscultuur begon te ontwikkelen.
En geen wonder!
Het bezit van een eigen tuintje, waarover hij heer en mees-
ter was. waar hij zijne eigene boomen plantte en verzorgde
en de vruchten daarvan oogstte, voor het onderhoud waarvan
hij zijn eigen dagen kou kiezen; een tuin, dien hij kon
verzorgen naar eigen wil, mits hij slechts bleef binnen de
grenzen der voorschriften, had voor menig planter iets zeer
aanlokkends.
Voortaan wist hij, dat bij meerdere zorg aan zijn tuin be-
steed, de vruchten van zijn arbeid en vlijt ook hem en niet
het geheele onderdistrict ten goede zouden komen.
Het oproepen in heerendienst of in massa van de bevolking,
districts,- troep- of dessa\'s- gewijze, voor den aanplant van
koffie, het onderhoud der tuinen en het plukken der vruchten
was voortaan uitdrukkelijk verboden.
„Het aantal vrijwillig aangelegde koffietuintjes op eigen
„grond (miliktuinen) — zoo vermeldt het Kolonial Verslag —
„is vooral in de afdeelingen Bandoeng en Limbangan zeer
„aanzienlijk.
-ocr page 66-
— 60 —
„Meer dan 600 personen hebben, meest buiten het gebied
„der dessa\'s, vrijwillig aangelegde aanplantingen van 1000
„boomen en meer (enkele tot 2000 boomen); een zeer groot
„aantal anderen bezit kleinere plantsoenen."
In 1874 was dus de bijplant gesteld op 50 boomen gemid-
deld, bij doorslag over al de cultuurdienstplichtigen eener
dessa en was men er door bizoudere maatregelen op bedacht
om menschen, die tijdelijk geen voldoend plantsoen bezaten,
zoo spoedig mogelijk weder onder gunstiger omstandigheden te
brengen. Vier jaren later bij Besluit van 20 December 1878
(Ind. Bij blad no. 3325) werden nieuwe voorschriften gegeven
aangaande de opmaking en indiening van den voorstelstaat
ten dienste van het beheer der koffiecultuur.
Onder die voorschriften komen er eenige voor, die alsnog
eene belangrijke verbetering brachten in den toestand en in
de administratieve regeling.
Afschrijvingen en bijplantingen zouden voortaan naar meer
soliden grondslag worden geregeld.
De Regeering wenschte een overzicht te hebben, zoowel
vau den omvang als van de productiviteit der plantsoenen van
iedere dessa; alles in een staat uitgedrukt.
Daardoor zou Haar de gelegenheid worden gegeven om met
kennis van zaken te kunneii beoordeelen of de dessa met een
nieuwe taak kon worden belast en c. q. welke taak in bil-
lijkheid kon worden opgelegd.
Zij wenschte ter beoordeeHag daarvan eene opgaaf van de
gemiddelde jaarlijksche productie van elke dessa en zoo goed
mogelijk ook van den omvang der vrijwillige cultuur.
Een en ander zou leiden tot een betere kennis van den
toestand der cultuur.
Er werd aan herinnerd, dat de bedoeling der Preanger-
regeling, die nu voor alle gewesten op Java, waar van Gou-
vernementswege koffie werd geplant, van kracht was verklaard,
in korte woorden samengevat, de volgende was:
1° het in het leven roepen en geleidelijk ontwikkelen der
vrijwillige koffiecultuur en
-ocr page 67-
— 61 —
2° waar mogelijk, door het uit den weg ruimen of ver-
minderen van bezwaren en belemmeringen door betere rege-
ling als anderszins, de cultuur voor de bevolking zoo weinig
•drukkend te doen zijn als vereenigbaar was met de haar ge-
stelde eischen.
Een overzicht van den cultuurtoestand in bovengenoemden
ain was derhalve een volstrekt vereischte om met billijkheid
•en afdoende, voorstellen te kunnen indienen of beoordeelen tot
wijziging van het bedrag der koffieplantsoenen.
Eventueel op te leggen bijplanting moest — zoo heette het
verder — worden afhankelijk gesteld van:
1°. de arbeidskrachten, waarover men te beschikken heeft;
2°. de productiviteit der cultuur;
3°. de vooruitzigten voor het bestendigen of eventueel doen
•ontstaan der vrijwillig gedreven koffiecultuur;
4°. de bezwaren voortvloeiend uit plaatselijke gesteldheid
of economischen toestand.
Zoo behoorde van verdere bijplanting te worden afgezien
•overal waar, door het opleggen van nieuwen aanplant, de arbeids-
last zou worden overtroffen, die in verband met de plaatselijke
•omstandigheden en de behoefte aan instandhouding der cultuur
redelijkerwijze kon worden opgelegd. Verder ook daar, waar
tengevolge van het aanleggen van vrijwillige aanplantingen of
anderszins, de koffieproductie van deze of gene dessa of ook
\'dezen of genen cultuurdienstplichtige, in verband met de plaatse-
lijke omstandigheden, reeds zeer belangrijk mocht heeten.
Waar reeds veel vrijwillige aanplant van koffie bestond,
waarvan voldoende productie en inlevering werd verkregen,
behoorde men zich te bepalen tot verdere ontwikkeling en
verbetering door raad en leiding enz.
De voordeelen van zulk een staat, die een overzicht gaf van
<den geheelen cultuurtoestand van de dessa, kunnen niet te hoog
worden geschat. Ik moet er dan ook nog een oogenblik bij
stilstaan, omdat zeer ten nadeele der koffiecultuur, ook die
voorstelstaat later is ingetrokken.
Bleek er nu bijv. dat de inlevering van eene of andere dessa
te wenschen overliet, zoodat de bevolking daar alleen de lasten
-ocr page 68-
— 62 —
van de cultuur had te dragen en geen voldoend loon kreeg in
verhouding tot den gepraesteerden arbeid, dan werd er een
onderzoek ingesteld. Was de dessa wellicht ingedeeld op een
slecht gekozen terrein, zoodat de productiviteit der plantsoenen
beneden het middelmatige bleef?
De staat gaf daarop antwoord; met een oogopslag zag men
hoe groot de gemiddelde productie was per bouw.
Was deze inderdaad niet groot, dan kon dadelijk een onder-
zoek worden ingesteld naar de redenen daarvan.
Men kon nagaan of wellicht het terrein gelegen was in een
zeer vochtig klimaat, in de hoogere bergstreken, waar zeer vaak
de plantsoenen, speciaal in de maanden, die aan den bloei voor-
afgaan (Augustus en September), gebrek hadden aan licht en
zonneschijn wegens menigvuldige bewolking, waardoor de oog-
sten zeer wisselvallig waren en alleen noemenswaardig product
uit die tuinen verkregen werd na een zeer drogen en langdu-
rigen oostmoesson met heldere luchten in Augustus en Sep-
tember 1).
Men kon nagaan of wellicht de oorzaak was gelegen in een
minder zorgvuldige cultuur, weinig overleg bij de ontginning,
onvoldoend onderhoud, te volle schaduw waardoor de bloei
werd belemmerd; dan ook of wellicht de bodem minder geschikt
was voor de teelt van koffie etc.
Door de dessa een ander plantterrein aantewijzen of door
de cultuur op meer rationeele wijze te doen drijven, kon dan
in een en ander worden voorzien.
Bleek het evenwel, dat de productiviteit der gronden niet
te wenschen overliet, dan kon men verder uit dien staat nagaan
of dan wellicht de geringe inlevering der dessa het gevolg was
van een tijdelijk gebrek aan een voldoend aantal vruchtdragen-
de boomen wegens belangrijke afschrijvingen in vorige jaren,
1) Zie hierover een artikel in Teysmannia Jaargang 1896 » Over koffie -
productie in verband met den regenval"
waarin ik heb aangetoond, dat de
schommelingen in de koffieoogsten, boven of beneden een bepaald gemid-
deld bedrag, in hoofdzaak worden beheerscht door den toestand van de
lucht in de maanden Augustus en September (meerdere of mindere voch-
tigheid of bewolking, langer of korter verblijf der tuinen in de nevelen).
-ocr page 69-
— 63 —
die wellicht reeds geheel of ten deele waren aangevuld door
jong plantsoen, maar die, zoolang deze nog geen vrucht afwier-
pen, de dessa tijdelijk in ongelegenheid brachten; was dit niet het
geval, dan kon worden onderzocht of wel al het product, door de
tuinen afgeworpen, op behoorlijke wijze zijn weg vond naar
\'s Lands inkooppakhuizen en of niet een deel van het product
clandestien aan de levering werd onttrokken.
Was het plantsoen niet toereikend om de dessa in staat te
stellen eene loonende cultuur te drijven, dan kon tevens uit
dienzelfden staat — zooals reeds gezegd is — worden opgemaakt
of aan de dessa eene nieuwe taak kon worden opgelegd, en zoo
ja, welke taak in verband met den economischen toestand
der bevolking in redelijkheid kon gevorderd worden.
Nauwelijks een paar maanden nadat dit Besluit genomen
was, waarbij het model van den voorstelstaat door een nieuw
model was vervangen, werden bij eene circulaire van den
Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 23 Februari 1879
No. 1551 (Bijblad 3378) nadere ophelderingen gegeven aan-
gaande die nieuwe voorschriften, speciaal betreffende de voor
de koffiecultuur te reserveeren gronden (waarbij ik hier niet
wil blijven stilstaan) en omtrent het aantal boomen per cultuur-
dienstplichtige.
Wat het maximum-aantal boomen per cultuurdienstplichtige
aangaat, wordt in de Nota van toelichting bij den staat meege-
deeld, dat hiermede wordt bedoeld een cijfer, dat in billijkheid kan
gevergd worden en vatbaar is om naar den eisch te worden bereikt.
„Daar als regel is gesteld" — zoo wordt daarin gezegd
„ — „dat niet meer dan 50 boomen per gezin \'sjaars zullen
„worden geplant, zal het maximum niet meer kunnen bedragen
„dan genoemd cijfer, vermenigvuldigd met den levensduur der
„boomen.
„Is bijv. de gewone levensduur 6 jaren, dan zal 6 X 50
„of 300 boomen het hoogste cijfer zijn waartoe kan worden
„gekomen; is ze 20 jaren, dan zal 20 X 50 of 1000 boomen die
„grens aanduiden, enz.
„Doch niet overal kan het planten van 50 boomen als eene
„goed uitvoerbare taak worden beschouwd.
-ocr page 70-
— 64 —
„De meerdere of mindere gemakkelijkheid om haar naar
„eisch uittevoeren is toch afhankelijk:
„a. van de economische toestanden, wat men zou kunnen?
„noemen de cultuurkracht van de bevolking, d. w. z. de mate
„in welke zij bij heerendienst is betrokken, dan wel de moeiter
„die zij heeft om in haar eigen onderhoud te voorzien;
„&. van de afstanden, op welke de te beplanten gronden
„gelegen zijn van de woningen der planters.
„c. van de geaardheid van het te gebruiken terrein als::
„begroeijing, meerdere of mindere steilte, steenvermengingr
„mulle of harde grondsoort, enz.
„ad. a. Het moge zeer moeijelijk wezen om juiste lijnen
„te trekken naar de economische toestanden, toch is het zaak
„die niet buiten rekening te laten.
„Twee dessa\'s toch onder overigens vrij gelijke omstandigheden,,
„doch waarvan de eene veel — de andere weinig — heerendienst
„heeft te verrichten, of de eene vele — de andere weinige —
„ressources bezit in eigen landbouw als anderszins, mogem
„niet op eenzelfde maximum worden gesteld.
„ad. b. Ware het niet dat andere omstandigheden som&
„veel van elkander afwijken dan zou, om regelmaat te erlangen,.,
„eene zekere reeks kunnen worden aangenomen, naar welke het
„cijfer der bijplantingen kan worden bepaald.
„Men zou b. v. kunnen aannemen dat op afstanden:
„van 0 tot 4 palen 50 boomen zullen worden bijgeplant;
van meer dan 4 tot 6 palen — 40
» » »6„8„ — 30
„ „ „ 8 „ 10 „ - 20
„ „ „ 10 „ 12 „ -10
maar, de afstand is somtijds nog afhankelijk van toestanden»
van het terrein als: moeijelijke wegen enz. Verder:
„Bij de bepaling van het maximum komt alles aan op plaat-
lelijke kennis, beleid en practisch inzigt.
„Men beginne b. v. de dessa\'s te groeperen in dezulke die,.
„wat oeconomische toestanden aangaat, in nagenoeg gelijke
„omstandigheden verkeeren en tevens in dezelfde streek ge-
„legen zijn.
-ocr page 71-
— 65 —
„In verband daarmede zou men kunnen stellen, dat daar
„waar veel heerendienst gepraesteerd moet worden of waar de
„eigen landbouw weinig voordeel oplevert, zekere procentsge-
„wijze vermindering in rekening behoort te worden gebragt."
„Men zou daar al dadelijk kunnen bepalen, dat b. v. 20° 0
„minder zal worden gevorderd dan voor dessa\'s, waar beide
„omstandigheden gunstiger zijn, en zou voor zulk een groep,
„instede van anders 50, thans 20 °/0 minder of 40 boomen
„als maximum bijplanting per jaar kunnen worden aangenomen.
„Daarna houde men rekening met de afstanden en volge
„daartoe b. v. de aangegeven verhoudingen.
„Men zou er dan toe komen om de evenbedoelde dessa\'s op
„te leggen bij afstanden:
„van 0 tot 4 palen...... . — 40
„ meer dan 4 tot 6 palen — 30
» » »6„8 „ — 20
n n » 8 „ 12 „ — 10
„boomen per huisgezin.
„Dan de omstandigheden van den grond in aanmerking
„nemende, kan het nog gebeuren, dat men in omgekeerde
„reden heeft te handelen, en bij zeer goede en gemakkelijk
„te bewerken gronden, het cijfer bij een afstand van meer dan
„6 tot 8 palen, brengt op 30 en bij zeer moeijelijk te ontgin-
„nen terrein op 20, voor afstanden van slechts 4 tot 6 palen.
„Het spreekt van zelf dat de beslissing moeijelijker wordt
„naarmate men met meer bijkomende omstandigheden rekening
„moet houden.
„Waar die toch zeer gunstig zijn en de koffieboomen b. v.
„20 jaren leven en veel vrucht afwerpen, zal er wel schier
„nergens bezwaar bestaan reeds dadelijk het cijfer van 50
„boomen tot grondslag te nemen voor het te stellen maximum.
„Immers, zelfs bij grooten afstand, zal alsdan de moeite
„ruimschoots beloond worden en meestal zal men voor zulke
„streken bevinden, dat de koffiecultuur er een der voornaamste
„middelen van bestaan vormt.
„Het zal daar trouwens niet zelden gebeuren, dat het ma-
„ximum slechts pro forma bestaat, omdat, zoo de afstanden
-ocr page 72-
— 66 —
„niet te groot zijn, vrijwillige cultuur jaar op jaar tot vrij-
„stelling van verplichte bijplanting zal leiden.
Ik heb den inhoud dezer circulaire uitvoerig geciteerd; zij
bevat bepalingen, die der koffiecultuur niet ten voordeele zijn
geweest; integendeel. Tot dus verre zijn bij de regeling der
Gouvernements-koffiecultuur de financieele belangen van den
Lande steeds hand aan hand gegaan met die der bevolking.
De Staat had behoefte aan de baten uit de koffiecultuur en
de bevolking niet minder. Zoolang elke cultuurdienstplichtige
een flink plantsoen bezat van vruchtdragende boomen, zoolang
werd zijn arbeid ruimschoots beloond.
Hoe gunstiger de verhouding was tusschen het aantal vrucht-
dragende boomen tot dat van jong plantsoen, hoe gunstiger
was ook de toestand voor de bevolking.
Had zij niets dan vruchtdragend plantsoen, b. v. 500 a 600
boomen gelijkstaande met ± 1/8 bouw aanplant, dan was de
cultuur voor haar wel bizonder voordeelig, al liet ook de produc-
tiviteit van het plantsoen te wenschen over. Zelfs wanneer
de tuin gemiddeld niet meer dan 3 pikols opbracht in het
jaar, bij de cultuur van die dagen een zeer laag cijfer, dan
verkreeg ieder, die in het bezit was van \'/3 bouw, 1 picol
product, waarvoor hem aan \'t pakhuis /\' 14 werd te goed ge-
daan. (1)
Kon men rekenen op eene jaarlijksche gemiddelde productie
van 6, 8 of 12 picols per bouw, dan stegen de inkomsten tot
f 28, f 37, of f 56.
Dat dit loonend was, weten wij nu reeds en volgt ook
dadelijk uit de overweging, dat die sommen van f 14, f 28,
f 37, en / 56, resp. 70; 140; 185 en 280 dagdiensten
vertegenwoordigden van f 0.20 en wanneer eene zaak vast
staat, dan is het wel deze — wij hebben het zooeven gezien —
dat men geen 70 dagen in het jaar behoefde voor het on-
derhoud van het vruchtdragend plantsoen (1/3 bouw) en het
plukken en bereiden van een picol koffie.
De cultuur was derhalve voor die menschen zeer voordeelig
ja zelfs wanneer de gemiddelde productie niet boven 2 picols
(1) De inkoopsprijs was sedert 1874 gesteld op f 14.
-ocr page 73-
— 67 —
per bouw steeg en zij derhalve jaarljjks uit de cultuur niet
meer trokken dan / 9 per hoofd, dan nog werd elke dag,
die zij in hunne koffietuinen doorbrachten, hetzij met het
onderhoud hetzij met den pluk, ruimer betaald, dan wanneer die
dag werd besteed aan de cultuur van eigen gewassen of met
het verrichten van koeliediensten.
En het geld werd niet moeilijk verdiend.
De pluk van een picol koffie, inclusief de bereiding van dit
product tot marktkoffie, kostte, wel is waar, 20 dagen arbeids,
maar die arbeid word niet verricht door den cultuurdienst-\'
plichtige doch in den regel door hem en zijne vrouw en
kinderen.
Wanneer nu zulk een man niet alleen vruchtdragend plant-
soen had te onderhouden, maar tevens elk jaar een stukje grond
had te ontginnen, kweekbedden had aanteleggen en jong plant-
soen moest verzorgen, dan werd natuurlijk de verhouding
tusschen arbeid en loon ongunstiger: de arbeid werd zwaarder
en het loon bleef hetzelfde.
Maar ook dan nog, wanneer hij jaar op jaar 50 boompjes
heeft bij te planten en drie bjjplantingen van jonge boomen
heeft te verzorgen behalve zijn vruchtdragend plantsoen en
andere werkzaamheden zoo even genoemd, maakt hij met de
teelt van koffie eene goede verdienste, zoo al niet bij eene
productie van 2 picols per bouw, dan toch zeker bij 3 picols
en meer.
Maar hoe nu, wanneer langzamerhand zijne vruchtdragende
boomen sterven en bijplant en afschrijving niet meer gelijken
tred houden ?
Dan spreekt het toch immers wel van zelf, dat de toestand
van jaar tot jaar ongunstiger wordt ?
Hoe zal nu ooit een cultuurdienstplichtige, die jaarlijks 10
boomen heeft aan te planten, in het bezit blijven van een vol-
doend aantal vruchtdragende boomen? Jaarlijks gaan er meer
dood, dan er aan het plantsoen worden toegevoegd en in kor-
ten tijd heeft hij niets meer over.
Nemen wij eens aan, dat zijn oude plantsoen is uitgestorven
en dat hij, wat terreinkeuze aangaat, onder zeer gunstige con-
-ocr page 74-
— 68 —
dities verkeert, zoodat zijne tuinen 20 jaar oud worden, welnu
dan zal hij na 20 jaren achtereen te hebben geplant, een
maximum-plantsoen hebben gekregen van 200 boomen, waar-
van 170 volwassen.
Het allereerste jaar heeft hij zijn kweekbed aangelegd, zijne
plantjes gekweekt, zijn terrein ontgonnen enz. en kreeg natuurlijk
geen vergoeding, want zijn vruchtdragend plantsoen was dood.
Het 2e en 3e jaar kon hij nog niet op product rekenen; het
4e jaar (missclien ook reeds het 3e) oogstte hij het eerste product
van zijn oudste 10, toen nog niet recht volwassen boompjes.
Als hij verstandig was en er niet toe werd aangezet door
het\' dessabestuur, liep hij geen 20 tot 24 paal (6 k 8 uur)
heen en weer om dat product binnen te halen.
Eindelijk, na 20 jaar achtereen jaar op jaar, zonder tusschen-
poozen te hebben geplant, verkrijgt hij zijn maximum-oogst
van 170 boomen ( \'/9 bouw).
Hoe groot moet nu de productiviteit van zijn plantsoen niet
zijn om van 170 boomen zooveel product te oogsten, dat zijn
jaarlijks aan de koffiecultuur ten koste gelegde arbeid naar
behooren wordt betaald?
Zooveel is met zekerheid wel te zeggen, dat wanneer zijn
tuin niet meer dan 10 of 12 picols per bouw opbracht hij
ten eeuwigen dage geen loon zou krijgen naar arbeid.
Zij die op 8 a 10 palen afstands woonden en dientengevolge
20 boomen hadden bij te planten, waren er wel iets maar
niet veel beter aan toe. Na 20 jaren onafgebroken te hebben
bijgeplant, hadden zij een plantsoen van 400 boomen waarvan
340 vruchtdragend (± /4 bouw) en daarmede konden zij ook
alleen, wegens den aanzienlijken afstand, bij een zeer goede
vruchtdracht tot eene loonende cultuur komen.
Bereikte het plantsoen geen hoogeren leeftijd dan b.v. 15,
12 of 8 jaar, zoodat hun maximum-aanplant bestond uit 240,
180 of 120 vruchtdragende boomen, dan waren ook zij gedoemd
om steeds te planten zonder behoorlijke betaling.
Zij die 30 boompjes plantten, konden na 12 jaren te hebben
gewerkt, op 270 boomen rekenen (± 1/6 bouw) en konden
dus ook alleen bij eene flinke jaarkelijksche gemiddelde productie
-ocr page 75-
— 69 —
eenmaal eene loonende cultuur drijven; maar werden de tuinen
maar 10 of 8 jaar oud, dan bereikten zij dit nooit.
Hierboven zagen wij reeds, dat bij eene planttaak van 40
boomen, zelfs het llde jaar bij eene productie van 4 picols per
bouw, nog niet overal een behoorlijk loon wordt gemaakt.
Uitgaande van de bedoeling, dat iedere cultuurdienstplichtige
van de teelt van koffie minstens evenveel voordeel moest trekken
als van de teelt van eigen gewassen op droge velden en voorts
van de meening, dat aan de bevolking niet meer mocht worden
opgelegd dan noodig was om hieraan te voldoen, had men de
volgende redeneering moeten houden: De cultuurdien8tplich-
tige A plant op zijn eigen milik grond, dus vlak bij huis;
zijne cultuurlasten zijn derhalve gering; hij is in staat om
aan zijn tuintje alle zorg te besteden en te maken, dat hij
daarvan de hoogste opbrengst verkrijgt, overeenkomende b.v.
met die van het nabij gelegen erfpachtsperceel, 8, 10, 12picol
per bouw.
Met den oogst van ± 200 boomen of 2/15 bouw maakt
die man reeds een zeer loonende cultuur; welnu, ik zal hem
geen hoogere planttaak opleggen clan van 20 boompjes.
Aangezien zijn tuin zeker wel 10 jaar oud wordt, is dit ruim-
schoots voldoende om zijn plantsoen van 200 vruchtdragende
boompjes voltallig te houden. Bestaat er vrees voor, dat zijn
tuinen niet zoo productief zullen zijn en dat hij op niet meer
zal mogen rekenen dan op 5, 6 of 7 picols, dan zal ik zijne
planttaak. stellen op 30 boomen om voor alle eventualiteiten
gedekt te zijn.
Maar B. moet op 12 paal afstands planten en heeft natuurlijk
voor dien zwaarderen arbeid lang niet genoeg aan het product
van 200 of 300 boomen.
B. moet een plantsoen hebben van 500 a 600 boomen; met
den oogst van 1/3 of 2/5 bouw, maakt hij dan ten allen tijde
eene loonende cultuur, zelfs wanneer zijn plantsoen slechts 3
picols per bouw opbrengt.
Daarom breng ik zijne planttaak op 50 boomen of zoo mo-
gelijk voorloopig op het dubbele, tot hij zijn plantsoen compleet
heeft; later kan dan worden onderzocht, hoeveel hij per jaar
-ocr page 76-
— 70 —
zal hebben bijteplanten om zijn plantsoen voltallig te houden.
C. verkeert onder zeer ongunstige oeconomische omstan-
dighedcn en heeft veel moeite om in zijn onderhoud te voor-
zien; zijne producten hebben weinig waarde wegens den niet
geregelden afzet en de enorme afstanden, waarover het vervoerd
moet worden, alvorens het ter markt komt.
Om nu dien man onder betere condities te brengen zal ik
zijne planttaak zoo hoog mogelijk stellen, opdat hij in den
kortst-mogelijken tijd een vrij belangrijk product heeft, hetgeen
hij ten allen tijde kan inbrengen in het naast bijzijnde inkooppak-
huis tegen een vasten prijs van f 14.
In stede van zijne planttaak dus 20°/o lager te stellen, zal
ik die verhoogen, zooveel dit met de heerendiensten, die hij
te praestereen heeft, in overeenstemming is te brengen.
Omdat zijn eigen landbouw hem weinig voordeel oplevert,
zal ik hem koffie laten planten.
Dit was eene redeneering meer in overeenstemming met
die van de Nota van 22 September 1874, hier te voren mee-
gedeeld, een gedachtengang in den geest van de ontwerpers der
Preanger-regeling.
De gevolgen van dien maatregel bleven niet uit; al aan-
stonds waren de bij plantingen belangrijk minder dan de af-
schrij vingen.
Het onderstaand staatje, ontleend aan de Koloniale Verslagen
van 1883 en 1882 geeft ons daarvan een overzicht:
Jaar                    afgeschreven                  bijgeplant
1876           19.256.462 21.918 431
1877           15.585.526 23.002 696
1878           18.035.296 21.854.156
1879           20.276.232 15.889.539
1880           17.805.431 12.845 275
1881           19 071.364 13.745.064
Na 1879 verminderden derhalve de plantsoenen jaarlijks
met millioenen boomen en dit was nog slechts een begin
van een algemeenen achteruitgang, die later volgen zou. Er
zou toch weldra een tijd aanbreken, waarin geconstateerd moest
-ocr page 77-
— 71 —
worden, dat er van de op hoog gezag aangelegde tuinen in
15 jaren tijds van 1880—1895, 100.000.000 boomen meer
waren afgeschreven dan bijgeplant, terwijl het met de vrijwillig
aangelegde plantsoenen niet veel beter was gegaan.
"Wij zijn nu langzamerhand met ons overzicht gekomen tot
de bepalingen en voorschriften voor de Gouvernements-Koffie-
cultuur dateerende van 1883/87, die ook thans nog geldig
zijn; meerendeels voorschriften en regelingen samenhangende
met de cultuurplannen.
Nieuwe bepalingen werden gemaakt omtrent de jaarlijksche
afschrijvingen. Vroeger geschiedden deze na bekomen inachti-
ging van de Regeering; voortaan was dusdanige machtiging
niet meer noodig; de ambtenaren van het Binnenlandsch Be-
stuur (de controleurs telkens na bekomen vergunning van hun
onmiddelijken chef) verkregen de bevoegdheid om al aanstonds
de afschrijvingen te bewerkstelligen der tuinen, waarvan hun
tijdens den bloeitijd der boomen (September en October) de
raadzaamheid gebleken was (1).
Bij de samenstelling der cultuurplannen, waarmee men in
1883 een aanvang nam, werd als regel aangenomen, dat kof-
fieterreinen van niet meer dan redelijke hoedanigheid slechts
beplant mochten worden door dessa\'s binnen een kring van
4 palen, terreinen van beteren aard, door dessa\'s binnen 6 pa-
len, terwijl alleen daar de planters op grooteren afstand werden
te werk gesteld, waar de gronden zoo uitnemend waren, dat
slechts weinig arbeid noodig was om een groot product te
verkrijgen (2).
Voorts werden overal, waar bij de onderzoekingen, die aan de
samenstelling der cultuurplannen voorafgingen, bodem, klimaat
en omgeving geen voldoende kansen voor het behoud bleken op
te leveren, de bestaande plantsoenen, zoodra zij zouden ophou-
den vruchtdragend te zijn, niet meer door nieuwe vervangen.
(1)    Koloniaal Verslag 1885. p. 188.
(2)    Met dien verstande, dat zonder de uitdrukkelijke toestemming
van den Gouverneur-Generaal nergens het maximum van 12 palen mocht
worden overschreden. (Koloniaal Verslag 1887).
-ocr page 78-
— 72 —
Gronden, die naar de inzichten van den Hoofdinspecteur
aan het koffieplantsoen geen zes jaren levensduur beloofden (1)
werden aangemerkt als voor de cultuur niet geschikt en werden
ten behoeve van de instandhouding der cultuur niet meer
beschikbaar gehouden.
Daarbij werd nadrukkelijk op den voorgrond gesteld, dat
ingeval van twijfel, de terreinen niet voor de cultuur mochten
worden aangewezen.
Dat die gronden nog al eens ongeschikt werden geoordeeld
en daaraan in elk geval getwijfeld werd, blijkt wel het beste
uit het feit, dat van de 86.757 bouws bestaande tuinen op
hoog gezag aangelegd, slechts 29.187 bouws in de leggers
werden opgenomen.
De rest, 57.570 bouws, waren de tuinen, aangelegd op ter-
teinen, die verder dan 6 paal van de dessa\'s gelegen waren
alsmede die, welke door bodem, klimaat en omgeving geen
voldoende kansen opleverden voor het behoud der cultuur en
die welke vermoed werden aan het koffieplantsoen geen zes
jaren levensduur te beloven. De dessa\'s daarbij ingedeeld,
werden van cultuurdienst ontheven, tenzij haar andere, beter
gelegene of beter geschikte gronden konden worden aan-
gewezen.
Bij duizenden werden zij vrijgesteld en de plantsoenen, die
naar matige schatting 80 millioen boomen moesten dragen?
Daarmede werd officieel afgerekend.
De registers en leggers werden bij besluit van 8 Maart 1885
no. 23 (Bijblad no. 4132) door nieuwe vervangen en in die
nieuwe leggers werden zij niet meer opgenomen;
de bevolking
kon ze nog onderhouden zoo zij dit verkoos, tot zij waren
gestorven. Hier en daar werden zij op verzoek van de bevolking
toegevoegd aan de monosoeko aanplantingen b. v. in Bangil
(Kol. verslag 1887 pag. 160).
De nieuwe leggers zouden nu „voortaan uitsluitend vermelden
(1) Wel te verstaan bij de toepassing der eenvoudige eultuurmethode;
vóór dien tijd leest men weinig in de rapporten van inspecteerende
ambtenaren van tuinen, die 6 jaar oud werden; 12, 15, 20en meerjaren
werden die tuinen eertyds.
-ocr page 79-
— 73 —
„de werkelijk te controleeren aanplantingen, namelijk de op
„hoog gezag aangelegde tuinen." De andere aanplantingen
worden in \'t vervolg beschouwd als vrijwillige.
Wat dit zeggen wil, zal zoo aanstonds duidelijk worden.
Voorheen was bepaald — ik heb dit reeds hierboven meege-
deeld —• dat wanneer men vrijwillige aanplantingen wenschte
tot stand te brengen, alsdan daarbij de toen bjj de Gouverne-
ments-koffiecultuur gebruikelijk wijze van aanleg en onderhoud
moest gevolgd worden.
Geschiedde dit niet, hield men zich niet aan de vastgestelde
bepalingen, dan werd o. a. geen vrijstelling verleend van
gedwongen bijplanting en zulks onverschillig of die boompjes
waren uitgeplant op eigen grond (kebon-milik) af op woesten
grond door het bestuur daartoe afgestaan (Kebon sorangan of
wonosoeko).
Men was daarbij uitgegaan van de alleszins zuivere rede-
neering, dat de lust van de bevolking om zich op de teelt
van koffie toeteleggen, ten nauwste verband hield met de
resultaten en dat zij eerst dan met hart en ziel zou gaan
planten, wanneer zij ondervond, dat hare arbeid bij goeden
aanleg en zorgvuldig onderhoud naar behooren werd beloond.
Dat dit principe niet alleen juist was, maar ook door de bevolking
begrepen werd, dat leeren ons de Koloniale Verslagen van dien
tijd, waaruit ik hierboven reeds een en ander heb aangehaald.
De vrijwillige teelt nam toen jaar op jaar toe; de bjjplan-
tingen overtroffen belangrijk de afschrijvingen; de productie
steeg tot de ongekende hoogte van gemiddeld 988.000 picols
en eenc som van f 14.000.000 werd jaarlijks onder 722.000
cultuurdienstplichtigen verdeeld.
Met dat principe werd nu ten eenenmale gebroken.
Had men in die dagen er zich toe gezet om eene berekening
op te maken omtrent de verhouding van arbeid en loon bij
de koffiecultuur; een onderzoek als thans allerwege op Java
in de koffie-produceerende gewesten heeft plaats gehad ten
behoeve van den bijslag, dan zou men zonder eenigen twijfel
den toestand hoogst bevredigend gevonden hebben.
(i) Circulaire Dir. IS. B. 20 Sept 1874 No. 3912 (Bijblad No. 2738 III).
-ocr page 80-
— 74 —
Bij een dergelijk gedetailleerd onderzoek zouden de bezwaren,
die aan de cultuur van die dagen in een of ander district
verbonden waren aan het licht zijn gekomen. Het zou zijn
opgevallen, dat er hier en daar een ongemotiveerd langen tijd
werd zoek gebracht b.v. aan het graven van plantkuilen en het
maken van doorloopende terrassen. Het zou dadelijk aan \'t
licht zijn gekomen, dat nu en dan bij gebrek aan behoorlijke
leiding, tijd en arbeid werd vermorst aan keurige afwerking
van de zuiver afgemeten kuilen en terrasranden etc. en ver-
lichting zou dan zijn aangebracht door de bevolking er op te
wijzen, dat men hetzelfde doel langs eenvoudiger weg kon
bereiken.
Thans bij gebrek aan grondige kennis van den toestand en al-
licht een weinig te veel het oor leenende aan de verhalen over
cultuurdwang, druk en last voor de bevolking, die ons haast
zouden doen gelooven, dat den cultuurdienstplichtige geen tijd
werd gelaten voor het onderhoud zijner eigen cultures; alleen
lettende op de lasten en niet op de lusten en meer en meer door
die eenzijdige berichten in den waan gebracht, dat de betaling in
\'t geheel niet in verhouding stond tot den aan de cultuur ten
koste gelegden arbeid, meende men eene andere richting te
moeten uitgaan.
Met trachtte de lasten te verlichten door de bovolking vrij-
testellen van werkzaamheden, die een conditio aine qua non waren
voor het welslagen der cultuur en zonder te bedenken, wat
toch voor de hand lag, of die verlichting ook misschien kon
uitloopen op eene verzwaring?
Thans werd ter kennis gebracht 1), dat voor den aanleg
van vrijwillige tuinen, de voorwaarde van terrasseering, opge-
nomen in de ontginnings-ordonnantie (Staatsblad 1874 No. 9),
voorgeschreven voor de op hoog gezag [aanteleggen tuinen,
niet van volstrekte toepassing behoefde te zijn, aangezien de
wijze, waarop de bevolking de gronden bij deze cultuur be-
handelt, voldoende waarborgen tegen afspoeling van de bouw-
kruin aanbiedt. Voorts, dat het bosch slechts gedeeltelijk
behoefde te worden geveld en dat men op andere dan bosch-
(1) Circulaire 2 Nov. 1885 No. R985 Zie ook K. V. 1887 pag. 160.
-ocr page 81-
- 75 —
gronden mocht planten naar plaatshjke ervaring en vrijen wil.
In de keuze van het kweekmateriaal, schaduwboomen en
plantwijdte werd aan de bevolking de. vrije hand gelaten ; almede
werd zij vrijgelaten in de wijze en tijden van grondbewerking,
daar hare kennis haar hierin ten beste zou raden 1).
Men meende nu hiermede de bezwaren verbonden aan de
koffiecultuur te hebben opgeheven en verwachtte thans een
kolossalen vooruitgang van de vrijwillige teelt.
Het liet zich zelfs aanzien, dat er in het vervolg van ver-
plichte cultuur — waarvoor gansch andere voorschriften gege-
ven waren 2) — ternauwernood meer sprake zou zijn en dat de
reserve-terreinen nu wel veel eerder zouden zijn volgeplant
dan waarop in de cultuurplannen gerekend was.
Ik wil bij die verschillende voorschriften en bepalingen niet
lang stilstaan, maar al dadelijk de vraagstellen of men werkelijk
met het geven van die faciliteiten het doel heeft bereikt ?
Of de monosoeko zich nu werkelijk heeft onwikkeld en men
met eene zekere gerustheid de toekomst mag te gemoet zien ?
Die vragen laten zich het beste beoordeelen door een blik
op ondervolgend overzicht van het aantal vrijwillig aangelegde
vruchtdragende boomen aanwezig in 1883 en in 1893.
1883
1893
Bantam
KI 79000
313000
Krawang
88000
—
Cheribon
2.358000
61850
Pekalongan
4.344000
3.467000
Samarang
8.585000
3.234000
Japara
152751
—
Bezoeki
1.839000
648000
Banjoemas
4.068000
1.834000
Bagelen
8.210000
124700
Kedoe
13.526000
2.827000
Madioen
4.419000
2.993000
Kediri
5.213000
1.462000
1)    Zie over, de voorschriften bij aanleg van rnonosoeko-tiiinen do Hand-
leiding 1887 p. 81
2)    Handleiding 1887 p. 9; 17—22: 38 etc.
-ocr page 82-
— 76 —
Preanger Reg.             15.300000          57.676000
Tegal                             10,354000           15.599000
Soerabaja                           442450             1.081000
Pasoeroean                    38.000000          54.281000
Probolinggo                    5.000000          12.877000
Alleen bij eene zeer oppervlakkige beoordeeling van dit
overzicht zou men tot de conclusie kunnen komen, dat die maat-
regel goed heeft gewerkt en dat, alle Residenties samengeno-
men, de monosocko zich op groote schaal heeft uitgebreid
met millioenen boomen; maar ieder, die wat dieper in de zaak
doordringt, zal met mij dien tegenwoordigen toestand met groote
bezorgdheid gadeslaan.
Wel verre dat de toestand in de 5 laatstgenoemde gewesten
bevredigend is, wekt hij de grootste ongerustheid voor de
toekomst, hetgeen duidelijk zal worden, wanneer men bedenkt,
dat dit resultaat is verkregen door het in enkele jaren tijds
volplanten der reserve-terreinen ten gevolge van die milde
bepalingen, zoodat er reeds sedert jaren in die z.g. monosoe-
ko-streken niet meer wordt bijgeplant en er reeds thans een
zeer duidelijke achteruitgang te constatceren valt.
Nog steeds zijn er 100 a 120.000 menschen op Java, die
met de teelt van koffie eene loonende cultuur drijven en
daaronder vele duizenden, die daaruit zeer belangrijke inkom-
sten trekken.
In de afdceling Bandong verkrijgt men nog altijd gemiddeld per
jaar 3 picols per cultuurdienstplichtige 1) en elders nog meer.
In Malang is dit 4.71; in het district Tengger van Probolinggo
5.16; in Tengger van Pasoeroean 7.20 etc.
Men voelt toch, dat het niet aangaat om na verloop van
enkele jaren, wanneer die plantsoenen zullen zijn uitgestorven,
ons ten opzichte van die menschen te bepalen tot een harte-
lijken gelukwensch, dat zij nu nooit en nimmer meer koffie
behoeven te planten en nu voor altijd bevrijd zijn van die zware
last en geweldigen druk van de Gouvernements KofKecultuur.
Er dienen maatregelen te worden genomen opdat die men-
schen niet plotseling van hun bestaan worden beroofd; nieuwe
1) Gemiddelde uit de inlevering van 1891—1894.
-ocr page 83-
— 77 —
koffie-centra moeten worden gezocht om de bevolking tegemoet
te komen in de voortzetting van haar bedrijf.
En zijn die tuinen nu werkelijk „vrijwillige" aanplantingeu?
Ik haal hier aan wat omtrent die monosoeko wordt meege-
deeld in het Koloniaal Verslag van 1890 pag. 188, waaruit
zal blijken, dat zij zeer vaak in de plaats traden voor ver-
plichte aanplantingen en haar derhalve de naam, „vrijwillige"
niet toekomt.
„Vooral in de Preanger-Regentschappen breidden de vnj-
„willige aanplantingen, of die welke onder dien naam in de
„plaats van de gedwongene worden tot stand gebracht,
zich
„weder belangrijk uit, hetgeen mede blijken kan uit het lager
„opgegeven aantal vrijstellingen van verplichte bijplanting,
„verleend aan onderscheidene dessa\'s in verschillende afdee-
„lingen, wegens het aanleggen van uitgestrekte vrijwillige
„plantsoenen.
„Die uitbreiding, welke in gemeld gewest een aanvang nam
„na de openstelling voor de vrijwillige cultuur van de in de
„cultuurplannen begrepen terreinen, wordt voornamelijk toe-
„geschreven aan de ontheffing van de verplichting om terrassen
„aan te leggen en van de vergunning om tusschen de jonge
„koffie polowidjo te planten, alsmede aan de verhooging sedert
„het jaar 1889 van de inkoopprijs (van / 14.— / 15 per picolj.
„Evenwel wordt bericht, dat niet alle vrijwillige aanplan-
„tingen in de Preanger-Regentschappen naar wensch staan en
„de cultuur daar niet algemeen een volkscultuur is en ook
„niet zal kunnen worden. Daartoe werken klimaat en bodem
„niet overal genoegzaam mede 1).
„Toch heeft men in meergenoemd gewest de bevolking op on-
„derscheidene plaatsen door voor haar voordeelige bepalingen,
„tot het vrijwillig planten van koffie weten te brengen, zij het
„dan ook dikwijls ter vervanging van gedwongen aanplantingen,
„die haar ander» zouden zijn opgelegd.
Men ziet, dat klinkt niet meer zóó als ten tijde van de
1) Hiertegen moet worden opgemerkt, dat de teelt van koffie in de
Preanger-Regentschappen ten tijde van de Preanger-regeling wel (iegelijk
eene volkscultuur was. Zie Kol. Versl. van 1873—4880.
-ocr page 84-
— 78 —
Preanger-regeling; er is verschil tusschen de monosoeko van
dien tijd en die van later.
In verreweg de meeste gewesten zijn dus de vrijwillige
plantsoenen van eertijds verdwenen en hierboven teekenden
wij reeds aan, dat het nagenoeg even zoo gesteld was met
de op hoog gezag aangelegde tuinen; dat er n.1. tusschen de-
jaren 1880 en 1895 juist 100 millioen boomen meer waren,
afgeschreven dan bijgeplant, zoodat de thans nog bij de koffie-
cultuur ingedeelde personen in vele streken ternauwernood;
meer boomen hebben overgehouden om van te oogsten.
Hoezeer die toestand sedert 1870 is veranderd, moge nog:
nader blijken uit het onderstaand overzicht van het aantal
vruchtdragende boomen (vrijwillige en op hoog gezag aangelegde
samen) per cultuurdicnstplichtige.
Residentie
1870
1894
Bantam
184
__
Krawang
183
—
Cheribon
480
113
Pekalongan
346
267
Semarang
562
187
Japara
390
—
Soerabaja
739
315
Besoeki
396
210
Banjoemas
414
134
Bagelen
455
37
Kadoe
210
164
Madioen
546
152
Kediri
470
190
Preanger Regentschappen
414
760
Tegal
533
987
Pasoeroean
790
1600
Probolinggo
440
900
Met uitzondering der 4 z. g. monosoeko-gewesten is dus het
gemiddeld aantal boomen per cultuurdienstplichtige in elk ge-
west gedaald beneden dat, hetwelk noodig is om eene loonende*
-ocr page 85-
— 79 —
cultuur te kunnen drijven. In 7 gewesten bezit men zelfs
geen 200 boomen meer gemiddeld per man.
Deze cijfers zijn slechts globale cijfers, die op groote juistheid
geen aanspraak mogen maken. De Koloniale Verslagen kunnen
ons ten deze geene voldoende inlichtingen geven. "Wel vinden
wij daar opgegeven het aantal boomen in elk gewest, afdeeling
of district en ook het aantal cultuurdienstplichtigen, doch dit
laatste is niet gelijk aan het aantal deelgerechtigden in de
plantsoenen. Wegens de enorme vrijstellingen van cultuurplicht
is het aantal thans nog ingedeelde personen veel geringer dan
dat, hetwelk het plantsoen destijds heeft aangelegd.
Men komt dus niet tot het aantal boomen per man door
eenvoudige deeling van het aantal vruchtdragende boomen door
de thans nog bij de cultuur ingedeelde personen; dit zou aan-
leiding geven tot gansch verkeerde voorstellingen. Wilde
men bijv. het aantal boomen per hoofd berekenen in de Resi-
dentie Bagelen in\'t jaar 1888, door de toen voorhanden 7948550
koffieboomen te deelen door 8126 cultuurdienstplichtigen, dan
zou men het kolossale cijfer vinden van 977 boomen per hoofd,
zijnde 20 jaarlijksche bijplantingen van 50 boompjes, waaruit
men zou moeten afleiden, dat in 1888 nog de gemiddelde leeftijd,
dien de koffieboom in Bagelen bereikte, 20 jaren was. Die
boomen werden echter geplant door ongeveer 55000 personen,
waarvan bij de opmaking der cultuurplannen en de daarop volgeu-
de jaren 46.874 werden vrijgesteld; deze laatste waren niet meer
niet bijplant belast, doch behielden natuurlijk hunne tuinen.
Plet bovenstaand overzicht is dan ook op die wijze berekend,
<lat het aantal vruchtdragende boomen werd gedeeld door het
gemiddeld aantal cultuurdienstplichtigen in de 10 voorafgaande
jaren, na aftrek van de drie laatste, omdat de jongste tuinen
nog niet tot de vruchtdragende konden gerekend worden.
De cijfers zijn dus niet in alle opzichten juist.
Ware de voorstelstaat van 1878, waarbij ik hierboven (op
pag. 60 en vlg.) reeds uitvoerig heb stilgestaan, niet ingetrokken,
•dan zou men weten hoeveel vruchtdragende boomen iedere cul-
tuurdienstplichtige ten naastenbij bezat, want die voorstelstaat gaf
een overzicht van den geheelen cultuurtoestand van elke dessa.
-ocr page 86-
— 80 -
Maar ook die voorstelstaat werd helaas ingetrokken en bij
besluit van 8 Maart 1885 door een anderen vervangen, die ons
niets leert omtrent het aantal boomen per dessa en per man,
doch alleen omtrent de hoeveelheid koffie, die de laatste drie
jaren per dessa werd ingeleverd.
Sedert was de koffiecultuur jaren achtereen een quaestie
van raden en van gissen en bleef\' men in onzekerheid of de
geringe inlevering hier en daar, moest worden toegeschreven aan
ongeschiktheid van den bodem voor de teelt van koffie, dan wel
aan het feit, dat er geen boomen meer waren om van te oogsten,
Het gevolg van de intrekking van dien voorstelstaat is dan
ook geweest, dat er in de latere jaren vele dessa\'s werden
vrijgesteld, alleen omdat de inlevering van zeer geringe betee-
kenis was, zonder dat door voorafgaand onderzoek was uitge-
maakt, waaraan dit moest worden toegeschreven. Al heel licht
werd dan de bodem ongeschikt geoordeeld om koffie voortte-
brengen, terwijl het nu, wanneer men die voorstellen nog eens
onderzoekt en de registers der proef\'plukken raadpleegt, blijkt,
dat de geschiktheid van den bodem voor de teelt van koffie
vaak boven alle bedenking stond, doch dat het aantal vrucht-
dragende boomen per dessa gedaald was beneden het minimum,
vereischt voor eene loonende cultuur. Later heeft men wel inge-
zien, dat de inlevering per gezin niet de ware maatstaf\' was tot
beoordeeling van de al of niet geschiktheid des bodems en dat
daarop geene voorstellen mochten worden gebaseerd tot vrijstel-
ling van dessa\'s en wordt er dan ook door den gewezen Hoofd-
inspecteur Heijting in zijne bekende Nota van April 1890 1) met
nadruk op gewezen, hoe dit tot verkeerde resultaten kan leiden.
In die Nota wijst de Heer Heijting er o. a. op, dat Bantam,
wat betreft de gemiddelde levering, berekend per bouw, boven
alle andere gewesten stond, behalve Pasoeroean, Tegal en de
Preanger Regentschappen en de bodem daar meer opleverde
dan het gemiddelde voor geheel Java, zijnde in 1887 de in-
levering 5.45 picols en in 18S8, 5.73 picol per bouw, terwijl
het gemiddelde over geheel Java voor 1888 bedroeg 4.46 en
voor 1889, 4.35 picols.
1) Kol. Verslag 1890 Bijlage T. T. I. p. 131.
-ocr page 87-
— 81 —
„Bantam behoort dus — zoo zegt de Heer Heijting — volstrekt
„niet tot de slechte koffiestreken, zoo als menigeen uit de ge-
middelde levering per gezin heeft opgemaakt. Dat komt om-
„dat Bantam per gezin zoo weinig boomen, het minst van ge-
„heel Java, te onderhouden heeft namelijk:
„verplicht — 109)
„onverplicht —182) Per *ezin in 1888-
„Totaal 241
Trekt men hier nog ± 140 af\' voor jong plantsoen, dan
blijkt daaruit, dat de geringe inlevering te wijten was aan de
omstandigheid, dat men in dat gewest slechts 100 boomen per
gezin had om van te oogsten.
Waren deze berekeningen eenige jaren eerder gekomen dan
meen ik te mogen betwijfelen of men er wel zoo spoedig toe
ware overgegaan om de koffiecultuur in dat Gewest in te trekkeu
wegens ongeschiktheid van den bodem voor de teelt van koffie.
Uit het zoo even meegedeeld overzicht van het aantal vrucht-
dragende boomen omstreeks 1870 en 1894, vinden wij ook de
verklaring van het reeds vermelde feit, dat ook in vroegere
jaren de inlevering in Bantam en Krawang veel te wenschen
heeft overgelaten. In het 20 jarig tijdvak 1850 — 1870, toen
in elk gewest (behalve Banjoemas) eene loonende cultuur werd
gedreven, werden in deze beide Residenties per cultuurdienst-
plichtig gezin slechts 60 en 71 katti\'s verkregen 1). Was dit
slechts de helft of een derde van hetgeen elders werd ingeleverd,
dan leeren wij nu, dat die productie ook verkregen werd van de
helft of een derde van het aantal planten, waarvan in de andere
gewesten in dien tijd geoogst werd. In Japara had men toen
nog 390 vruchtdragende boomen per man. juist genoeg voor
eene loonende cultuur, maar in 1880 was ook hier het aantal
zeer belangrijk gedaald, zooals het volgend overzicht ons leert:
1870               1880
Bantam                          184                225
Krawang                       183                 142\'
Japara                           390                 170
i) Zie pag. 50.
-ocr page 88-
— 82 —
boomen por gezin, alles te zamen: tuin-bosch-pagger en kam-
poeng-koffic.
In deze gewesten is dus de koffiecultuur nooit behoorlijk
geregeld geweest en was daardoor wel altijd eene drukkende
last voor de bevolking; ook met de bosch-kampong- en erfkof-
fie was het daar allertreurigst gesteld. Waar men overaf op
de erven en in de kampoengs een 200-tal boomen vond, per
gezin, maakten ook deze gewesten daarop eene uitzondering
zooals hieronder blijkt:
Bosch- erf en kampoeng-koffie 1).
gemiddeld
voor
Jaar.
alle gewesten
Bantam
•Krawang-Japai
1853
211
100
— 16
1854
202
74
26 12
1855
209
78
19 12
1856
202
82
13 12
1857
191
36
13 9
1858
191
p
23 9
1859
207
>
50 10
1860
206
p
100 7
1861
212
p
101 8
1862
209
p
70 11
1863
204
p
43 12
1864
203
p
43 10
Volgt hier niet uit, dat ook wanneer maar een weinig meer
zorg was besteed aan erf- en kampong-koffie, — toch waarlijk
geen bezwarende cultuur — de bevolking ook in deze gewesten
eene behoorlijke vergoeding zou hebben verkregen voor allen
arbeid aan de koffiecultuur ten koste gelegd? Wat de ge-
schiktheid van den bodem betreft voor de teelt van koffie,
heb ik zooeven reeds aangehaald, wat de opinie van den Heer
Heijting was betreffende Bantam en wat de beide andere ge-
westen aangaat, geeft het ondervolgend staatje gelegenheid om
daarover een oordeel te vollen.
1) Ontleend aan Bosch. Knquéte koffiecultuur.
-ocr page 89-
— 83 —
Aantal boomen waarvan een picol koffie
werd verkregen 1).
Jaar geheel Java Krawang Japara
1853
          327            370            272
1854
212
177
245
1855
201
169
191
1856
281
332
730
1857
241
333
190
1858
228
345
347
1859
298
814
286
1860
225
516
244
1861
256
530
202
1862
354
940
171
1863
207
216
177
1864
548
395
586
Uit dit overzicht blijkt, dat in Japara de geschiktheid van
den bodem weinig te wenschen overliet en dat in Krawang —
misoogsten als in 1859 en 1862 uitgezonderd — in den regel
een zeer bevredigende productie per bouw verkregen werd.
Het bijslag onderzoek heeft ons gelukkig weer een kolos-
salen stap vooruitgebracht. Daardoor zijn wij nu teruggekeerd
tot de tijden van omstreeks 1878.
In eiken — districtsgewijze opgemaakten — staat, vinden wij
nu aangegeven hoeveel jonge en hoeveel vruchtdragende boomen
ieder bij de cultuur ingedeelde persoon in \'t geheel bezit en in
\'t vervolg kan het niet meer voorkomen, dat gronden worden
afgekeurd, alleen omdat de inlevering te wenschen overlaat.
Raadplegen wij die staten dan leeren wij daaruit, dat de
toestand in vele gewesten allertreurigst is.
Er zijn districten waar de bevolking niet meer bezit dan
gemiddeld tusschen 13 en 66 vruchtdragende boomen per man
en legio is het aantal dessa\'s, dat minder dan 100 boomen heeft,
per man, om van te oogsten.
1) Ontleend van Bosch. Enquête koffieeultuur.
-ocr page 90-
— 84 —
In Ambarawa met 115 ingedeelde dessa\'s zijn er slechts 20
met een 200 tal vruchtdragende boomen of daar boven. In
de Residentie Kediri, algemeen bekend om bare goede koffie-
gronden is bij het bijslag-onderzoek aan het licht gekomen,
dat van de 264 alsnog bij de kofliecultuur ingedeelde dessa\'s,
de cultuur slechts loonend is voor 10 dessa\'s met 552 cultuur-
dienstplichtigen en niet loonend voor 241 dessa\'s met 16.558
cultuurdienstplichtigen; 13 dessa\'s met 2300 planters zijn hier
tijdelijk van bijplant vrijgesteld in afwachting van een nader
onderzoek.
Begrijpelijk wordt die zaak, wanneer men tevens ziet uit
die staten, dat er onder die 264 dessa\'s slechts zeer enkele
zijn, waarvan de ingezetenen meer bezitten dan 300 boomen en
deze zijn weer bijna uitsluitend bezitters van monosoekotuinen;
216 dessa\'s hebben hier in dit gewest minder dan 250 boomen en
er zijn er onder met 0,7, 31, 50, 60, 64, 84, 85 en 88 per man.
Dat geringe aantal boomen van 0—100 wijst er op, dat de
plantsoenen in die streken in de Gouvernements-tuinen onge-
veer 4 en 5 jarigen leeftijd bereiken. Zij zijn de eenig over-
geblevenen van twee of nieer bjjplantingen 4 en 5 en meer jaar
geleden in den grond gebracht.
De oorzaken van dien treurigen toestand heb ik in mijn
eerste artikel uitvoerig behandeld en behoef ik daarop thans
niet meer terug te komen.
Alleen zjj hier nog aangcteekend, dat enkelen van oordeel
waren, dat ik daarin te weinig rekening had gehouden met de
bladziekte; daarom wordt hier in herinnering gebracht, dat
ik onlangs in een artikeltje tegen zekeren Trisnoboemie 1)
een overzicht heb gegeven van het optreden der koffiebladziekte
in de verschillende gewesten van af 1885 tot 1895 2).
De drie algemeene oorzaken in mijn eerste artikel genoemd,
gaven eene verklaring van het feit, dat de afschrijvingen in
de laatste jaren, die bijplantingen verre overtroffen en van het
1)    Tijdschrift. B.B. Dl. XII, all. 11.
2)    Ook in 1896 is de bladziekte van weinig beteekenis geweest.
Veel meer hadden de overvloedig dragende hoornen te lijden van de
-ocr page 91-
— 85 —
verschijnsel, dat vele plantsoenen werden afgeschreven, vaak
nog vóór zij tot vruchtdracht waren gekomen of dat, wanneer
zij het zoover brachten, deze dan toch verre ten achter bleef
bij hetgeen daarvan bij eene eenigszins rationeele cultuur kon
verkregen worden.
Geven nu die oorzaken ook eene verklaring van het zooeven
geconstateerde feit, dat alle plantsoenen van eertijds letterlijk
verdwenen zijn?
Ik ben er zeker van, dat dit niet het geval is en dat er nog eene
andere algemeene, over gansch Java haren invloed uitoefenende,
oorzaak valt aantewijzen voor den treurigen toestand, waarin de
cultuur verkeert en die meer bepaaldelijk hare nadeelige wer-
king heeft uitgeoefend op de monosoeko.
Deze is de bepaling: dat eigener beweging aangelegde tuinen
zullen worden aangemerkt als vrije cultuur zonder verdere be-
moeienis van het bestuur dan aanmoediging, leiding, en leering;
dat de 57000 bouws bestaande tuinen op gronden, die niet wer-
den aangehouden, zouden worden beschouwd als vrijwillige en
dat de nieuwe registers en leggers voortaan alleen zouden ver-
melden, de werkelijk te controleeren aanplantingen, namelijk de
op hoog gezag aangelegde tuinen.
M. a. w. vrijwillige tuinen en die, welke bij de samenstelling
der cultuurplannen daaraan werden toegevoegd, vielen buiten
de controle der ambtenaren.
Ik acht dit eene groote economische fout, omdat daarbij geheel
over \'t hoofd werd gezien, dat men de zorg voor de cultuur niet
kan overlaten aan den gewonen dessa-man, die van eeuwen her, in
alle opzichten, onder controle heeft gestaan van zijn eigen hoofden.
Door deze bepalingen werden onmondigen voor mondig ver-
klaard. Men zag over \'t hoofd, dat de koffiecultuur werd ge-
dreven door den minst ontwikkelden, doodgewonen dessa-man,
van wien ieder weet, dat men hem niet kan laten werken buiten
gevolgen van overdracht, waarbij de bladeren, van de takken die veel
vruchtdragen. afvallen en een deel der bessen zwart wordt: een ver-
schijnsel, dat geen verband houdt niet de Hennileia, maar dooi\' de amb-
tenaren daarmee vaak wordt verwisseld. (Bangil. Malang. Preanger
Regentschappen).
-ocr page 92-
— 86 —
voortdurend toezicht en leiding van meer ontwikkelde hoofden.
De nadeelige gevolgen van dergelijke bepaling konden niet
achterwege blijven, al traden zij bij de koffiecultuur niet zoo
dadelijk aan \'t licht, dan bij toepassing van dezelfde beginselen
elders zou geschied zijn.
Niemand, dunkt mij, kan er aan twijfelen, dat wanneer er
een voorschrift uitging om zich ten aanzien der cultuur van
padi en tweede gewassen in den vervolge te gedragen op juist
dezelfde wijze als thans ten aanzien der vrijwillig aaugelegde
koffleplantsoenen, er reeds een volgend jaar in menige streek
gebrek zou heerschen en dat wel allerwege op Java de oogst
veel minder resultaten zou opleveren dan onder het aanhoudend
toezicht der ambtenaren.
Wanneer niet aanhoudend op eiken maandelijkschen afdee-
lings-rapportdag, op elke districts-, onderdistricts- en desa-verga-
dering bij ambtenaren en hoofden werd aangedrongen op het
tijdig bewerken der sawahs, het op juisten tijd uitzaaien, planten
en wieden van de padi en de tweede gewassen, op het behoorlijk
regelen van den water-toevoer enz. enz.; indien dit alles aan
de landbouwers zelven werd overgelaten, zou er zelfs meer-
malen vaD den sawahbouw niets terecht komen.
Dat de koffiecultuur een volkscultuur zal kunnen worden,
daaraan wordt door mij geen oogenblik getwijfeld, maar alleen
dan, wanneer zij onder leiding staat en controle d. w. z. onder
dezelfde leiding en controle als de sawahbouw en de teelt van
tweede gewassen, niet meer maar ook niet minder. Aanmoe-
diging, leiding
en leering zijn inderdaad voldoende om eene
volks-koffiecultuur tot ontwikkeling te brengen, maar die woor-
den opgevat in de beteekenis, die daaraan werd gehecht in de
tijden der Preanger-regeling, toen die woorden — naar ik meen—
liet eerst werden gebruikt om duidelijk te maken, hoever de
bemoeienis der ambtenaren zich moest uitstrekken bij den
aanleg van vrijwillige tuinen.
En in dien tijd was de koffiecultuur eene volkscultuur. Die
woorden hebben later een anderen zin gekregen. Sedert men
uitging van het denkbeeld, dat de keuze van het kweekmate-
riaal en de schaduwboomen, de plantwijdte, de wijze en tijden van
-ocr page 93-
— 87 —
bewerking der tuinen en den aanleg, veilig kon worden over-
gelaten aan de plaatselijke ervaring en den vrijen wil der
bevolking, daar hare kennis van zaken haar daarin ten beste
raadde en men daarmede feitelijk te kennen gaf, dat de bevoI-
king onx en niet wij haar zouden leeren, hoe met den aanleg
en het onderhoud der tuinen te handelen, vielen leiding en
leer ing weg en bleef slechts aanmoediging over.
Een paar voorbeelden uit mijn eigen ervaring — die met
een zeergroot aantal zouden kunnen worden aangevuld — wil
ik hier aanhalen om duidelijk te maken, wat er terecht komt
van aanmoediging zonder meer.
Nauwlijks een paar maanden geleden, op eene inspectie,
moest er worden geconstateerd, dat alle kweekbedden van
z. g. vrijwillige planters, ten gevolge van de buitengewone en
langdurige droogte ten eenenmale mislukt waren, zoodat er
in dezen west-moesson nagenoeg niet kon worden geplant,
terwijl alle kweekbedden, aangelegd door de op hoog gezag
plantende personen, even frisch en krachtig zich voordeden.
Dit was een gevolg van de omstandigheid, dat men de
vrijwillige planters niet de verplichting kon opleggen, hunne
kweekbedden nu en dan te begieten; zij vielen buiten de
controle en het toezicht der ambtenaren.
In eene naburige afdeeling werd mij een aanplant gewezen
van 8 bouw Liberia-koffie, door de bevolking „vrijwillig"
3 jaar geleden tot stand gebracht.
De aanplant was eenige weken geleden „ontdekt" door een
nieuw opgetreden assistent-wedana, d. w. z. de genoemde amb-
tenaar ontdekte op een goeden morgen, daarlangs komende,
eenige koffieplantjes te midden van een hoog opgeschoten
alang-alang-wildernis.
Bij informatie vernam hij toen, dat dit een 3 jarige Liberia
monosoeko-tuin was, onder leiding van zijn voorganger aan-
gelegd, bij wijze van proef. Na de overplaatsing van dien
assistent-wedana had men verzuimd om zijn opvolger met het
bestaan van dien proeftuin bekend te maken, met dat gevolg,
dat er niet meer naar was omgezien en de monosoeko Liberia
Koffie-tuin in een alang-alang-veld veranderde.
-ocr page 94-
— 88 —
De tuin werd nu op last van den nieuwen assistent-wedana
schoongemaakt en toen de alang-aiang was verwijderd, bleek
het, dat het terrein met veel zorg was geterrasseerd, dat veel
arbeid daaraan was ten koste gelegd; maar de plantjes waren
dood of nagenoeg; de tuin werd afgeschreven vóór dat hij
vrucht gedragen had.
Alle arbeid besteed aan het kweekeu van de plantjes, aan
de ontginning, aan het terrasseeren, grondbewerking, planten
etc. was derhalve voor niets geweest.
Ware hier de aanmoediging en ook de leiding, die dit-
maal blijkbaar in den beginne niet vergeten was, gevolgd
geworden door eenig toezicht en controle niet meer dan
zooveel als uitgeoefend wordt op alle andere cultures, dan
had die aanplant van 8 bouw Liberia-koffie reeds het volgend
jaar een vrij aardig product kunnen afwerpen en na een paar
jaren, ware de bevolking rijkelijk beloond geworden voor allen
arbeid daaraan besteed; nu heeft zij een vrij aanzienlijk
aantal dagen gewerkt zonder eenige vergoeding en zijn in
dien tijd verhinderd geweest om elders, door koeliediensten,
een dagloon te verdienen; het geval deed zich voor in eene
streek, waar de bevolking zeer arm was.
Ieder, die destijds kennis heeft gemaakt met het met veel
zaakkennis geschreven artikel van den vroegeren redacteur
van De Locomotief Mr. P. Brooshooft „ De monosoeko in hef
Koffie-vraagstuk" {stellingen met toelichting},
weet, hoe de
vrije Koffie-cultuur in Pasoeroean de bevolking in stede van
tot welvaart, tot armoede en demoralisatie dreigde te brengen
en voelt hoe anders het had kunnen zijn, wanneer het eertijds
daarbij aan behoorlijke leiding niet ontbroken had.
„Niet het woord of de idee „vrijheid" hebben voor een volk
„waarde, maar de zegeningen, door die vrijheid te verkrijgen.
„Door redeneering — zoo zegt Brooshooft — „kan de quaestie
„of de vrijheid voor den Javaan al dan niet nadeelige gevolgen
„zal hebben, niet worden uitgemaakt, daar ieder die zich met
„de Indische oeconomische vraagstukken bezig houdt, aan de
„bevolking dat karakter toekent, dat in zijn kraam het meest
„te pas komt. Slechts door „ervaring" n l. door waarneming
-ocr page 95-
— 89 —
„der gevolgen, die de vrijheid heeft waar zij geheel of gedeeltelijk
„bestaat, kan de zaak tvorden beslist.\'"
En nu mogen wij vragen, had men dan toen nog geen
ervaring opgedaan; wist men toen nog niet wat er van terecht
kwam, wanneer men de Koffiecultuur overliet aan de erva-
ring, de landbouwkennis en het beleid van den dessa-man ?
Zeker, men wist toen reeds, dat er van de erf-kampoeng-
en pagger-koffie nagenoeg niets meer was overgebleven, nadat
het toezicht daarop niet meer werd uitgeoefend *).
Omtrent den toestand in den Tengger in Probolinggo was
reeds lang bekend, dat de daar gevolgde methode om 20.000
boomen of meer per bouw te planten, aanleiding had gegeven
tot het ontstaan van koffiewildcrnissen, die minder product
gaven dan wanneer men op bolioorljjken onderlingen afstand
1000 boomen had geplant.
Ook in Pasoeroean moest de Regeering meer dan eens tus-
schenbeiden komen en wordt daaromtrent o. a. in het Koloniaal
verslag van 1878 het volgende opgemerkt: „van de meening,
„dat de residentie Pasoeroean van de toepassing dier (Prean-
") Het hier vernielde feit, dat de erf-kampoeng- en paggerkoffie
nagenoeg geheel nji .lava is verdwenen, heeft ook het hare ertoe bijgedra-
gen oin de Koffiecultuur bezwarender te maken voor de bevolking. Welke
cultuur was eenvoudiger en gemakkelijker dan die op do erven en in
de kampoengs? Wilden wij den arbeid uitdrukken in dagen, noodig
voor het uitplanten van eenige boompjes en het onderhoud daarvan in
een pagger dan zouden wij zeker op een uiterst gering bedrag uitkomen.
De plantjes krijgt de dessa-man in den regel voor niets, uit den voorraad
op de kweekbedden overgebleven en voor het onderhoud behoeft hij niet
nittekomen. Hoe gemakkelijk kwam men daardoor niet tot de vereisehte
hoeveelheid koffie, noodig voor eene loonende cultuur. Bovendien is dit
neergekomen op groote schade voor het Gouvernement. In den regel
toch werd de koffie voor eigen consumtie van de bevolking van erf koffie
verkregen en nu geelt dit verwaarloozen van deze cultuur aanleiding
tot eene onttrekking van koffie aan de levering op zeer groote schaal.
Bij de intrekking der cultuur toch in eenig district of afdeeling, hebben
natuurlijk de mensehen hunne gewoonte om koffie te drinken niet af-
gelegd en nu de erl\'koflie is verdwenen en in zulk een district ook geen
tuinkoffie meer voorkomt, wordt de voor eigen consumtie henoodigde
hoeveelheid onttrokken aan de tuinkoffie uit naburige districten, waar
de cultuur nog niet is ingetrokken.
-ocr page 96-
— 90 —
„ger) regelingen zou kunnen uitgesloten blijven, omdat
„de koffiecultuur er reeds grootendeels eene volkscultuur
„geworden was, is de Indische Regeering teruggekomen. De
„inspectiën, in den laatsten tijd in dat gewest verrigt, hadden
„de schaduwzijden doen kennen van het stelsel om de bevol-
„king geheel aan zich zelve overtelaten. Terwijl in sommige
„streken, door overmatige bijplantingen, uitgestrekte koffie-
„wildernissen waren ontstaan, waar het product niet behoorlijk
„kon worden geoogst, waren er daarentegen tal van dessa\'s
„die, ofschoon in hare onmiddellijke nabijheid de gelegenheid
„voor de cultuur zeer gunstig was, reeds sedert jaren geen
„koffie hadden bijgeplant etc.
Men had derhalve reeds in zake de koffiecultuur eene rijke
ervaring opgedaan.
Zooals ik zooeven reeds zeide, zou het mij niet moeilijk
vallen deze aanteekeningen met een groot aantal andere uit-
tebreiden en daartoe zou ik zeker overgaan, wanneer ik wist,
dat de hier meegedeelde feiten niet voldoende waren om
den lezer te overtuigen van de noodzakelijkheid van lei-
ding en leering bij den aanleg van tuinen aan de eene zijde
en toezicht en controle op die werkzaamheden van de andere
zijde. In mijn vorig artikel heb ik willen aantoonen, dat over
het algemeen de voor de koffiecultuur gereserveerde terreinen
geschikt waren voor de teelt van koffie en om dit duidelijk
te maken, koos ik 3 willekeurige gewesten uit en besprak
alle reserveterreinen uit die gewesten één voor één. Voor 2
andere gewesten bepaalde ik mij tot een paar losse opmerkingen
over de kwaliteit van den bodem. Ik heb het succes gehad,
dat ik de lezers wel heb kunnen overtuigen ten aanzien der
behandelde gewesten, maar nu maakte men mij de opmerking,
dat ik dit nu, wel is waar, had aangetoond voor 5 gewesten,
maar dat er 17 waren ? Hoe was nu de toestand in de 12 overige?
Mijn succes was derhalve maar matig; later speet het
mij, niet bij elk gewest in \'t bizonder uitvoerig te hebben ,
stilgestaan. Zoo iets dergelijks laat zich ook nu verwachten.
Lezers, die zich niet gemakkelijk laten overtuigen van de
noodzakelijkheid van toezicht op de werkzaamheden van den
-ocr page 97-
— 91 —
dessaman, zullen mij nu kunnen verwijten, dat ik mij heb
bepaald tot een paar aanteekeningen uit mijn eigen ervaring
en een paar aanhalingen uit de Koloniale Verslagen, waarmee
de lezer wordt verzocht genoegen te nemen. Wist ik zeker
dat die opmerking komen zou, dan zou ik er werkelijk toe
overgaan om vele pagina\'s hier te laten volgen met aantee-
keningen van mij zelf en die van ambtenaren van het Binnen-
landsch Bestuur, omdat ik het voor de toekomst der koffie-
cultuur van overwegend belang acht, dat men wel algemeen
overtuigd zij, dat toezicht, leiding en leering onmisbaar zijn en
zelfs eene conditio sine qua non voor de ontwikkeling eener
volkscultuur. Toch zie ik er van af om te veel mijn eigen
ondervinding te laten meespreken en wil hier liever nog
aanhalen de opinie ter zake van den gewezen Hoofdinspecteur
voor de koffiecultuur, den lateren Resident der Preanger
Regentschappen, J. Heijting. Men weet hoe de Heer Heijting
als Hoofdinspecteur volstrekt geen voorstander was van in-
menging van het Bestuur in zake den aanleg en het onderhoud
van monosoeko-tuinen en ook voorschreef, dat men don vnj-
willigen planter vrij moest laten in den aanleg zijner tuinen,
de plantwijdte, de keuze van schaduwboomen, de keuze van
bibit of opslag, in de wijzen en tijden van grondbewerking
enz. (Handleiding p. 81).
Wanneer dus de Heer Heijting in latere jaren als Resident
der Preanger Regentschappen van oordeel veranderde, zoowel
in zake controle en toezicht als betreffende het loslaten der
cultuurvoorschriften, dan is dit niet anders optevatten, dan als
een gevolg van eene treurige ervaring door den Heer Heijting
opgedaan. Zijne opinie in deze aangelegenheid heeft dan zeker
een zeer bizondere waarde.
Daarom haal ik hier aan wat daaromtrent wordt meegedeeld
in zijn reeds boven besproken Nota van April 1890 opgeno-
men in \'t Koloniaal Verslag Bijl. T. T. I. pag. 127.
Toenmaals" — tijdens de Preanger-regeling—, „kon dus ook
„de keuze van het terrein voor den verplichten aanplant aan
„den cultuurdienstplichtige worden overgelaten.
„Het gevolg daarvan was echter, dat de verplichte aanplant
-ocr page 98-
- 92 —
„in duizende plekjes verspreid werd. Men vond zelfs aan-
„deelen van 40 of 50 boomen, geplant op 2 of 3 verschil-
„lende erven of stukjes grond, met groepen van 10 tot 20
„boompjes bij elkaar. Controle werd geheel onmogelijk en
„binnen weinige jaren waren die boomen gestorven of groei-
„den ze, verstikt tusschen alang-alang en gras of kwijnende
„en vruchtloos onder te zware schaduw van andere erfboomen.
„Van die verspreide plantsoenen komeboomen in groepjes is
„bijna niets terecht gekomen ; zij hebben althans weinig of
„geen vrucht gegeven, omdat ze door hun oneindig verspreide
„ligging voor controle der ambtenaren onvatbaar waren. Dat
„feit waarschuwt mij voor herhaling van de zoo onpractisch
„en schadelijk bevonden bepaling, die de staatscommissie we-
„der in het leven wil roepen. Eenparig waren de door mij
„gehoorde ambtenaren en hoofden dan ook tegen die bepaling
„gestemd en zagen ze daarvan veel nadeel en moeilijkheid in
„\'t vooruitzicht. Het is een denkbeeld, welks vreemdheid
„en ondoelmatigheid duidelijker wordt, bij de toepassing op
„andere gedwongen verrichtingen.
„Neem bijv. den aanleg van een weg in heerendienst.
„Aan iederon heerendienstplichtige wordt opgedragen een
„zeker aantal roeden nieuwen weg te maken, maar hij mag
„dat gedeelte weg aanleggen waar hij wil, hoe breed of smal
„hij wil, al dan niet verharden, begrinden, van dijken voor-
„zien, hellend of vlak maken.
„Er zou van den nieuwen weg natuurlijk niets terecht komen.
„Desgelijks wanneer aan iederen dienstplichtige werd vrij-
„gelaten zijn weg-aandeel eigendunkelijk al dan niet te on-
„derhouden; bij het onderhoud groote steenen of fijn zand
„te bezigen; op den weg het gras weg te nemen of te laten staan;
„aan het regenwater afvoer te geven of niet. Die weg zou
„binnen enkele weken niet meer begaanbaar zijn.
„Elk dwangwerk moet noodwendig geregeld worden, om
„daarvan goede resultaten te verkrijgen. Wil men hetzelfde
„werk, vroeger in dwang verricht, tot stand brengen door
„vrijen arbeid, dan is ruime betaling \'t eenige afdoende middel.
„Zoo heeft de Regeering bij geleidelijke afschaffing van ver-
-ocr page 99-
— 93 —
„schillende heerendiensten, den overgang gezocht in voldoende
„betaling, maar niet in loslating der voorschriften, waarop de
„dienst, hetzij gedwongen dan wel vrijwillig, gedaan moet worden.
„Zoo ook moet de overgang van de gedwongen kofliecul-
„tuur tot de vrijwillige teelt gezocht worden in ruime betaling
„van den tuinarbeid en van het ingeleverde product, maar
„niet in het losmaken van alle regelen der cultuur.
(1)
„Nog dezer dagen kon men in \'t Koloniaal Yerslag van
„1889 lezen, dat de Indische Regeering gemeend heeft bij
„den Directeur van Binnenlandsch Bestuur de vraag te moeten
„aanhangig maken, of het aanbeveling verdient, bij de gewes-
„telijke bestuurders aantedringen op stiptere naleving der
„circulaire, den 288tol October 1875 door zijn ambtsvoorganger
„uitgevaardigd, bevattende uitvoerige aanwijzingen, nopens
„hetgeen op den langen weg tot eene verbeterde wijze van
„padiplanten zou kunnen leiden.
„„Slechts door jaren lang aan leiding en leering van den
„„inlandschen landbouwer de hand te houden,"" zoo staat in
„het verslag geschreven, „„zal men kunnen bereiken, dat hij
„„zijn aloude gewoonten met betrekking tot de rijstcultuur
„„naar nieuwe denkbeelden wijzigt."" „Daarop is gevolgd eene
„circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur
„dd. 24 Februari 1890 No. 1009, aan de gewestelijke be-
„stuurders, houdende een vijftiental vragen ter beantwoording,
„waarom de reeds herhaaldelijk aangegeven middelen om in
„de rijstcultuur der iulandsche bevolking op Java en Madura
„verbetering te brengen, nog zoo weinig toepassing gevonden
„hebben.
„Een dier vragen luidt:
„„In welke contröle-afdeeling is door den controleur en de
„„inlandsche hoofden voldoende gelet op het gebruik door den
(1) Uit deze woorden mag de gevolgtrekking worden afgeleid, dat
de Heer Heijting reeds in 1890 zijne z. g. eenvoudige cultuurmethode
niet meer verdedigde. Ware de Heer Heyting thans nog Hoofdinspecteur
voor de koffieeultuur, dan zouden dergelijke voorschriften als voorkomen
in de Handleiding van 1887 betreffende de monosoeko-cultuur, reeds
lang tot het verledene behooren.
-ocr page 100-
— 94 —
„„landbouwer van goed gerijpt, onvermengd en goed gecon-
„„serveerd zaad, op eene goede en tijdige bewerking vanden
„„grond, op eene niet te dichte uitzaaiing (sebar), op tijdig
„„overplanten en op behoorlijk wieden, alsmede op zijn tijd
„„bevloeien en droogleggen van den aanplant?""
„„En op welke wijze geschiedt dat? Is sinds daar, waarde
„„bevolking er toe overging met korrels uittezaaien, doch nog
„„vol genoeg, er wel op gewerkt, om geleidelijk de vereischte
„„ijlheid te verkrijgen, om op die wijze volmaakt gezonde
„„zaailingen te kweeken?""
„Kan de inmenging in eenige cultuur wel sterker zijn dan
„boven verlangd wordt, en dat bij eene cultuur, die reeds op
„Java bestond vóór dat wij Hollanders van rijstbouw iets
„afwisten, en die met recht de geliefkoosde cultuur der in-
„landsche bevolking genoemd wordt?"
„De doelmatigheid der inmenging laat ik hier buiten be-
„spreking, maar ik constateer alleen het feit, dat, zoolang de
„Regeering nog zooveel leiding en leering noodig vindt bij
„eene geheel vrije volkscultuur, zooals de rijstbouw, zij zeker
„die leiding en leering niet zal willen loslaten bij de gedwon-
„gen koffiecultuur, tenzij op de staatsinkomsten dier cultuur
„geen prijs meer wordt gesteld."
Na het bovenstaande zal men het — denk ik — wel met mij
eens zijn, dat het gebrek aan controle op de vrijwillige aan-
plantingen en op die, welke op hoog gezag eertijds aangelegd,
later uit de leggers en registers zijn aigevoerd en tot de vrij-
willige gerekend werden, eene voorname oorzaak is van het
verdwijnen van al die plantsoenen van vroegere jaren.
Wordt er naar zulke tuinen niet meer omgezien, vallen
zij buiten de controle der ambtenaren, dan worden zij niet meer
onderhouden en moeten al heel spoedig worden afgeschreven.
Wanneer het nu mogelijk is — en zoo aanstonds zal het blij-
ken, dat dit waarlijk geen moeilijk optelossen vraagstuk is
— om de koffiecultuur weder op dien voet te regelen, dat er
allerwege op Java voldaan wordt aan den eisch van art. 56
§ 4 van het Regeeringsreglement, zoo acht ik het eeue zaak
-ocr page 101-
— 95 —
eerst voor de toekomst, om haar zóó te regelen, dat bestuursbe-
moeienis kan worden gemist. Tot zoo lang het nog niet zoover
gekomen is, dat deze kan achterwege blijven bij den sawahbouw
en bij de teelt van producten van eigen landbouw op droge
velden, zal ook op de koffiecultuur moeten worden toegezien.
Aanmoediging, leiding en leering, maar alle drie uitgaande
van de ambtenaren van het Binnenlandsch Bestuur; toezicht
en controle, maar deze ook niet meer dan noodig zijn voor alle
andere zaken, zijn de onmisbare factoren voor de ontwikkeling
eener volkskoffiecultuur.
Dit is de meening van de tegenwoordige Regeering en on-
getwijfeld is dit de juiste opvatting.
„Noch door algeheele onthouding van bemoeienis, noch door
„overdreven inmenging of directe pressie van bestuurswege kan
„het beoogde doel: het in het leven roepen ecner waarlijk
„vrijwillige koffiecultuur, naar behooren worden bereikt; ook
„hier zal de middenweg de veiligste blijken" etc. (1).
IV. In hoever kan bij het behoud der tegenwoordige bepa-
ling omtrent de jaarlijksche planttaak worden voldaan aan
den eisch van art. 56 % 4 van het Regeer ing sreglement?
Na al het meegedeelde zal het niet noodig zijn om uitvoerig
toetelichten, dat de tegenwoordige bepaling, betreffende het
jaarlijks bijplanten van 40 of 50 boomen, eene herziening behoeft.
Voorheen toen een vaste planttaak van 50 boompjes het
eerst werd voorgeschreven (1870), had zij ten doel om de
plantsoenen voltallig te houden en tevens om door eene be-
hoorlijk regeling te voorkomen, dat nu en dan, de noodza-
kelijk geoordeelde bijplantingen de krachten van de bevolking
te boven zouden gaan, wanneer door langdurige vrijstelling van
bijplant, een groot deel van het plantsoen tegelijk zou uitsterven.
Thans—nu de omstandigheden zijn gewijzigd—nu in vele streken
en eigenlijk overal, waar uitsluitend op hoog gezag, koffie wordt
geplant, de plantsoenen aanzienlijk zijn ingekrompen en de
(1) Circulaire v. d. Gouverneraents-Secretaris dd. 24 September 1894
No 2405.
-ocr page 102-
— 96 —
jaarlijks bijteplanten 40 en 50 boompjes niet moeten dienen
om den aanplant voltallig te houden, maar om de planters weer
een tuin van eenig belang te doen verkrijgen, gaat het
niet aan op die wijze voorttegaan en dienen er — vooreerst
althans — andere maatregelen genomen te worden.
De zaak zou vrij wel hopeloos staan wanneer niet tevens
de cultuurmethode mocht worden gewijzigd en de bevolking ook
in het vervolg zou moeten blijven planten volgens de tegenwoor-
dige Handleiding, op zoodanige wijze, dat zij nimmer in \'t bezit
kwam van eenig vruchtdragend plantsoen.
In verschillende streken zijn nu evenwel de cultuurplannen
reeds herzien en werden de nieuwe, meer rationeele cultuur-
voorschriften door de Regeering goedgekeurd en gearresteerd.
In andere gewesten, waar nog geen gelegenheid is geweest
om nieuwe cultuurplannen optemaken, werden bereids — als
zijnde het meest urgent — de cultuur-voorschriften herzien en
van Regeeringswege goedgekeurd, zoodat thans verwacht mag
worden, dat de hoornen voortaan weder een behoorlijken leeftijd
zullen bereiken.
Maar ook nu zullen de menschen nog jaren lang moeten
planten, alvorens zij een tuintje hebben gekregen van voldoende
uitgebreidheid, om uit de winsten daarvan eene belooning te
krijgen evenredig aan den daaraan besteden arbeid. Wij be-
rekenden hierboven, dat een cultuurdienstplichtige 11 jaar moet
hebben geplant, vóór dat hij bij eene gemiddelde opbrengst
van 4 picols per bouw, voldoende inkomsten uit zijn tuin kan
trekken en dat iemand, die slechts 40 boompjes plant, ook
zelfs dan nog geene loonende cultuur drijft.
Vóór dien tijd heeft hij dus jaren lang arbeid verricht tegen
geen of tegen eene gansch onvoldoende vergoeding.
Die tegenwoordige regeling kan dus niet gehandhaafd blijven;
zij voldoet in het geheel niet aan den eisch van het Regee-
ringreglement en de cultuur is voor de bevolking niet anders
dan een zware last, waaraan zoo spoedig mogelijk een eind
moet komen.
Ook nog eene andere bepaling uit den tijd van het opmaken
der cultuurplannen, moet zonder verwijl worden ingetrokken
-ocr page 103-
— 97 —
n. 1. die omtrent de vrijstelling van bijplant, wanneer eene
vooraf berekende hoeveelheid koffie door de dessa zal zijn in-
geleverd.
„De dessa\'s, wier gemiddelde kof/ielevering van de 3 laatste
„oogstjaren het bepaalde maximum bereikt heeft of overtreft,
„worden van gedwongen bijplant voor dat jaar vrijgesteld.
„Deze vrijstelling komt der geheele dessa d. w. z. allen cul-
„tuurdienstplichtinffen ten goede, dus ook diegenen hunner, die
„hoofdelijk minder dan de vereischte hoeveelheid per cultuur-
t dienstplichtig e ingeleverd hebben."
(1)
Die hoeveelheid die „miniinum-levering" heet, wordt berekend
naar de formule           ,           waarin:
d
a.  = het aantal jaren van vruchtdracht d. i. de vermoe-
dehjke leeftijd verminderd met de 3 eerste jaren waarin de
boomen nog te jong zijn om vrucht te geven.
b.   = de jaarlijksche bijplant in boomen.
c.   = de gemiddelde productie per bouw.
d.  = aantal boomen per bouw.
Bijv. De tuin wordt vermoed een leeftijd te zullen bereiken
van 12 jaren en eene productie te zullen geven van gemiddeld
4 picols; het aantal boomen is 50 en de plantwijdte 5: 5; nu
is de minimumlevering:
m^ - 62 katti\'s
Of de tuin zal vermoedelijk bereiken een 8-jarigen leeftijd
en wordt verwacht gemiddeld 5 picols te zullen opleveren;
dan wordt bij eene planttaak van 40 boomen 6: 6; de minimum-
levering:
**ï^ = 50 katti\'s
De vraag, die zich nu al dadelijk voordoet is natuurlijk deze
of die minimum-levering wel altijd voldoende is om de dessa in
staat te stellen een loon te krijgen naar arbeid ?
In de beide genoemde voorbeelden is dit zeker niet het
geval en zulks moet natuurlijk meermalen voorkomen.
Daarmee is derhalve die bepaling reeds dadelijk veroordeeld ;
(1) Gids voor de koffiecultuur van den Hoofd-Inspecteur Heijting pag.
6 en pag 35/36.
-ocr page 104-
— 98 —
zij houdt geen rekening met den eisch van het Regeerings-
reglement.
Bovendien is het niet moeilijk aantetoonen, dat ook al ware
die inlevering voldoende om de bevolking eene loonende cul-
tuur te doen drijven, dit voordeel n. 1. dat de cultuur einde-
lijk, na vele jaren van inspanning, loonend is geworden, dan
toch slechts enkele jaren genoten wordt, terwijl de bevolking,
tengevolge van genoemde bepaling, spoedig weer van eene
loonende tot eene niet loonende cultuur wordt teruggebracht
of in het gunstigste geval van een rijkelijk loonende tot eene
minder rijkelijk loonende.
Ik zal dit trachten duidelijk te maken door een overzicht
der jaarlijksche bijplantingen in cijfers.
Ik ga uit van de veronderstelling, dat de tuin 10 jaar oud
zal worden en dat de gemiddelde productie 5 picols per bouw
zal zijn; bij een geregelden bijplant van 50 boomen 6: 3
wordt dan de minimum-levering \' iSo0 — 1*16 pocols.
Ik neem nu verder aan, dat een opbrengst van 116katti\'s,
waarvoor bij inlevering / 17.40 wordt uitgekeerd, juist vol-
doende is voor eene loonende cultuur.
"Wanneer de cultuurplichtige dan 10 jaar achtereen zonder
voldoend loon heeft gewerkt, dan bezit hij tien bijplantingen
van 50 boomen elk, die ik wil voorstellen door eene rij van
cijfers, waarin het cijfer 1 de oudste en 10 de jongste bijplant is:
10.         9. 8: 7. 6. 5. 4. 3. 2.         1.
De afscheiding tusschen jong en vruchtdragend plantsoen
is door : aangegeven.
De aanplant is nu op het maximum gekomen: de planter
verkrijgt derhalve van zijn 7 vruchtdragende bijplantingen
116 katti\'s product.
Van bijplant is hij echter nog niet vrij, daar dit voordeel
eerst verkregen wordt, wanneer het gemiddelde over de drie
laatste jaren, 116 katti\'s heeft bedragen.
Hij plant dus bij, brengt zijn lldou bijplant in den grond,
doch verliest tegelijkertijd zijn löten, aangezien zijn tuin slechts
10 jaar oud wordt.
-ocr page 105-
Afdseüng:
Phamacographie, Qalenische Pharwmcia
en toegepaste Microbiologie
99 —
                                  CatharijnssJn^el 60
____________UTRCCII T.
Bijplant 1 valt dus weg; bijplant 2 wordt de oudste en"
alle andere schuiven, om zoo te zeggen, eene plaats op.
Onderstaand overzicht zal nu wel duidelijk zijn :
10dejaar 10. 9. 8.: 7. 6. 5. 4. 3. 2.
llde „ 11. 10. 9.: 8. 7. 6. 5. 4. 3.
12de „ 12. 11. 10.: 9. 8. 7. 6. 5. 4.
1.
2.
3.
Thans heeft hij het doel bereikt: de 13do bijplant blijft dus
achterwege.
4.
13de jaar — 12. 11.: 10. 9. 8. 7. 6. 5.
In de twee volgende jaren worden nu ook de llde en
12de
vruchtdragend:
14de jaar — — 12.: 11. 10. 9. 8. 7. 6. 5.
15de b _ _ _: 12. 11. 10. 9. 8. 7. 6.
Nog altijd heeft hij nu 7 vruchtdragende bijplantingen of
350 boomen en bereikt dus ook dit jaar nog de minimum-
levering, maar daarna verliest hij een vruchtdragenden bij-
plant, die niet wordt aangevuld, zoo dat het aantal boomen
om van te oogsten met 50 afneemt; dit gaat vier jaren zoo
door, zoodat hij slechts 150 vruchtdragende boomen over-
houdt, waarop hij nu vier jaren blijft staan, tot eindelijk zijn
aanplant weer geregeld met 50 boompjes toeneemt.
En heeft hij nu eindelijk zijne boomen weer bij elkaar, dan
moet hij nog twee jaar bijplanten, vóór hij weder vrijstelling
kan erlang
011.
16de
jaar
__
__
__
12
11
10
9
8
7
17de
!)
17
—
—
—
—
12
11
10
9
8
l8de
n
18
17
—
—
—
—
12
11
10
9
IQde
\'!
19
IS
17
: —
—
—
—
12
11
10
208te
V
20
19
18
17
—
—
—
—
12
11
21ste
n
21
20
19
18
17
—
—
—
—
12
228te
n
22
21
20
19
IS
17
—
—
—
—
23ste
»
23
22
21
20
19
18
17
—
—
—
24ste
n
24
23
22
21
20
19
IS
17
—
—
258te
»
25
24
23
22
21
20
19
IS
17
—
26ste
n
26
25
24:
23
22
21
20
19
18
17
27ste
V
27
26
25\'
24
23
22
21
20
19
18
-ocr page 106-
— 100 —
28ste „ 28 27 26:
29st* , — 28 27:
25     24 23 22 21 20 19
26     25 24 23 22 21 20
Na dus 12 jaar achtereen te hebben bijgeplant, geniet hij
het 13e, 14e, 15e en 16ejaar vrijstelling om dan van af het 17de
tot het 29de jaar weder geregeld met bjjplant te worden belast.
Wanneer het dus in de bedoeling heeft gelegen met deze
bepaling om den planter nu en dan eenige verlichting te ver-
schaffen, dan is deze toch in elk geval van luttel beteekenis.
Tegenover dit voordeel staat het groote nadeel, dat de planter,
nadat hij het zoover gebracht heeft, dat hij eindelijk eene
behoorlijke vergoeding krijgt voor zijn arbeid nu —na 4 jaren
van bjjplant te zijn vrijgesteld geweest — weer opnieuw 10 jaar
moet werken tegen een onvoldoend loon. Die „verlichting"
moet hij derhalve jaren lang ter dege voelen.
Wordt zijn aanplant slechts 7 jaar oud, dan komt er natuurlijk
een tijd, dat hij in \'t geheel niets meer te oogsten heeft en
alleen jong plantsoen heeft overgehouden.
7e
jaar
7
6
5
: 4
3
2
1
8e
»
8
7
6
5
4
3
2
9e
»
9
8
7
: 6
5
4
3
10c
n
—
9
8
7
6
5
4
lle
»
—
—
9
8
7
6
5
12»
»
—
—
—
9
8
7
6
13e
»
—
—
—
—
9
8
7
14e
»
14
—
—:
—
—
9
8
15e
V
15
14
—
—
—
—
9
168
»
16
15
14
—
—
—
—
17e
»
17
16
15
14
—
—•
—
18e
n
18
17
16
: 15
14
—
—
19e
n
19
18
17
16
15
14
—
20e
•n
20
19
18
17
16
15
14
21*
»
21
20
19
18
17
16
15
22e
»
22
21
20
19
18
17
16
23°
n
—
22
21
20
19
18
17
Eerst dan wanneer het plantsoen een aanmerkelijk hoogeren
-ocr page 107-
— 101 —
leeftijd bereikt, van b.v. 14 jaren, zoodat de planter als
maximum 11 vruchtdragende bij plantingen of 550 boomen
bezit, terwijl 7 reeds voldoende zijn om hem voor zijn arbeid
te beloonen, blijft hij een loonende cultuur drijven, maar ook
in dit zeer gunstige geval, zal hij, na enkele jaren vrij aan-
zienljjke inkomsten verkregen te hebben van zijn 550 boomen,
jaren achtereen zich met de mindere winsten tevreden moeten
stellen, die hij van 350 boomen verkrijgen kan.
Aangezien het nu de laatste jaren volstrekt geen regel was,
dat de plantsoenen 14 of meerjarigen leeftijd bereikten, moest
derhalve deze bepaling omtrent vrijstelling wegens bereikte
minimum-levering er toe meewerken, om de bevolking de lasten
van de cultuur te doen dragen zonder de daaraan verbonden
lusten.
V. Over de icijze waarop de koffiecuUuur met de bestaande
middelen en met behoud van den tegenwoordigen picolprijs zou
hunnen worden geregeld.
In het vorenstaande heb ik uitvoerig en naar ik vertrouw
ook duidelijk toegelicht, dat de Gouvernements-koffiecultuur
eertijds gedurende eene lange reeks van jaren een rijke bron
is geweest van volkswelvaart.
Zij is het thans in vele streken en zelfs in gansche gewesten
niet meer.
Het bijslag-onderzoek heeft aan \'t licht gebracht, dat aan
een groot deel der cultuurdienstplichtigen — ongeveer 40 a 50
pCt. der totaal ingedeelden—jaarlijks een som gelds moet wor-
den uitgekeerd, om ze geen schade te doen lijden bij de teelt
van koffie.
Die toestand is dus de laatste jaren enorm veranderd.
Zij, die geen bijslag behoeven, zijn voor verreweg het grootste
gedeelte bezitters van zoogenaamd vrijwillig aangelegde tuinen
in Pasoeroeivan, Probolinggo, Preanger Regentschappen en
Tegal, die zooals wij zoo even zagen, niet zoozeer — althans
niet alleen — hunne groote inkomsten danken aan de uitne-
mende eigenschappen van den bodem en het klimaat voor de
teelt van koffie, maar inzonderheid hieraan, dat zij nog altijd
-ocr page 108-
— 102 —
een groot aantal boomen bezitten, waardoor zij eene loonende
cultuur moeten drijven, zelfs daar waar, hetzij door rniiidere
geschiktheid des bodenis of door zorgeloozen aanleg en onder-
houd, de productie niet hooger wordt dan 3, 2 of zelfs minder
dan 2 picols per bouw.
Voor de overigen — maar dat zijn nagenoeg allen, die op
hoog gezag planten — is de koffie-cultuur nu reeds sedert jaren
een groote druk, eene zware belasting, waarbij beslag wordt
gelegd op den arbeid en tijd van eene bevolking, die al
te zeer hare werkkrachten noodig heeft om door productieven
arbeid in haar onderhoud te voorzien.
Geen wonder dan ook, dat van alle zijden werd aangedrongen
op intrekking, om aan dien treurigen toestand een einde te maken
met het gevolg, dat de koffie-cultuur, van jaar tot jaar, met
reuzenschreden achteruitging en een algeheele ondergang reeds
in vooruitzicht lag.
Het bijslag-stelsel heeft nu daaraan paal en perken gesteld.
De groote onbillijkheden ten opzichte van de bevolking zijn
opgeheven.
Het gevaar, dat een cultuurdienstplichtige schade lijdt bij de
teelt van koffie bestaat niet meer. (1)
Ieder, die in verplichten cultuurdienst koffie plant is thans
zeker van een behoorlijk dagloon. Het aantal dagen daaraan
besteed is voor elke dessa berekend; zoomede het loon daar-
voor verkregen bij de inlevering van koffie.
Men weet welke dessa eene tegemoetkoming noodig heeft en
hoe groot deze zijn moet om het dagloon bij de teelt van koffie
gelijk te maken aan dat bij de cultuur van gewassen van eigen
landbouw.
De enorme vrijstelling van cultuurdienst, waardoor in eene
soort van koortsachtige overijling, de koffiecultuur dreigde ten
gronde te gaan, werd er door tegengehouden en de gelegenheid
werd nu gegeven, om met de vereischte kalmte en met het
noodige overleg te onderzoeken, welke de oorzaken waren van
(1) Hiermede is natuurlijk niet gezegd, dat liet stelsel reeds thans
overal zóó goed is toegepast, dat het geene verbetering behoeft.
-ocr page 109-
— 103 —
dien enormen achteruitgang en wat er gedaan moest worden
om in dien toestand verbetering te brengen.
Zoo is het bijslag-stelsel een groote weldaad voor de bevoI-
king en terzelfder tijd een slagboom, die aan den algeheelen
ondergang in den weg werd gesteld.
Om het op zijne ware beteekenis te schatten, hebben wij ons
slechts een oogenblik voortestellen, dat het plotsling werd inge-
trokken, thans, nu wij niet meer als voorheen vermoeden, maar
zeker toeten — het onderzoek naar de verhouding tusschen
arbeid en loon heeft het ons geleerd -,dat 100 a 120.000
menschen, schade lijden bij de teelt van koffie. Wie zou onder
die omstandigheden de dwangcultuur nog willen verdedigen?
Maar het bijslagstelsel is geen regeling, in staat om de koffie-
cultuur opteheffen uit den toestand van veiwal, waarin zij ge-
komen is. Het is niet bij machte om haar weder te maken
tot eene bron van volkswelvaart en om die terugtebrengen
overal daar, waar zij is verloren gegaan. Het is als eene
barrière opgeworpen om de kofnecultuur, die van jaar tot jaar
achteruitging, in hare vaart te scuiten, vóór dat het te laat
was.
Om daarvan te eischen, dat het de cultuur weder naar
boven zal brengen is te veel gevergd; aan de ontwikkeling
van eene vrije volkscultuur kan het niet bevorderlijk zijn.
Maar ook zonder dat verdient het bijslagstelsol al onze
belangstelling.
Het is een maatregel, waardoor de ambtenaren thans met
een gerust geweten en zonder zich geweld aantedoen, de bevol-
king tot den arbeid kunnen aanzetten, daar de planter geen
gevaar meer zal loopen om bij de teelt van koffie schade te lijden.
Het was inderdaad in den laatsten tijd, in vele streken, een
alles behalve benijdenswaardige taak om de bevolking aante-
sporen tot het planten van koffie, wanneer men wist. dat die
arbeid van den cultuurdienstplichtige, niet naar behooren zoude
worden vergoed.
Het humaniteitsgevoel kwam hier in hevige botsing met
ambtelijke plichten.
Die zaak is nu veranderd.
-ocr page 110-
— 104 —
De ambtenaren weten nu, dat voortaan elke dag, door de
bevolking in de tuinen doorgebracht, betaald wordt met het-
zelfde dagloon als bij de teelt van producten van eigen landbouw.
Is dit voor ben eene groote verlichting in de moeilijke taak
hun opgelegd om controle uitteoefenen op de nakoming der
voorschriften bij de verplichte teelt van koffie, voor de bevol-
king is het bijslag-stelsel een maatregel, waardoor een einde
is gebracht aan een zwaren druk.
Het brengt echter de zaak niet verder; het mag niet worden
beschouwd als eene regeling, maar uitsluitend als een door de
billijkheid voorgeschreven voorloopige maatregel, om de bevol-
king ter hulp te komen tot dat eene regeling zal zijn ingevoerd.
En die regeling is zeer urgent, want de bevolking kan de
koffiecultuur niet missen.
De intrekking daarvan heeft aan de welvaart een zeer ge-
voeligen slag toegebracht, waarvan de gevolgen, in menige
streek, duidelijk aan den dag treden. Daar, waar de particu-
liere landbouw zich heeft ontwikkeld, kunnen thans velen, door
zich als koelie te verhuren, zich een dagloon op de erfpachts-
perceelen verzekeren en al moet nu ook gezegd worden, dat
daardoor de vrije landbouwer van voorheen, daglooner is ge-
worden, toch moet dit onder de omstandigheden, waaronder
het heeft plaats gevonden, beschouwd worden als een groot
geluk
Het leed ware niet te overzien geweest, wanneer hun bij het
wegvallen der baten uit de teelt van koffie, in \'t geheel geen
compensatie ware aangeboden.
Maar toch wanneer velen in de zoogenaamde centra van den
Europeeschen landbouw, een middel van bestaan hebben kun-
nen vinden op erfpachtsondernemingen, zijn duizenden en dui-
zenden niet zoo gelukkig geweest. Het aantal van hen, die
daarvoor niets hebben teruggekregen is vele malen grooter dan
dat der anderen; in vele streken is de welvaart zichtbaar ach-
teruitgegaan en het schijnt mij een uiterst moeilijk optelossen
vraagstuk toe, om alsnog op andere en vooral op betere en
eenvoudiger wijze daarin te voorzien, dan in het doen herle-
ven der koffiecultuur, die goed geleid en goed beheerd, voor
-ocr page 111-
— 105 —
de bevolking de meest loonende is van alle cultures en die,
flink aangepakt, binnen weinige jaren overal een ware volks-
cultuur kan worden.
Mij werd door een afdeelingschef voorgerekend, dat in een
district van zijne afdeeling door den achteruitgang der koffie-
cultuur, tengevolge van de invoering der eenvoudige cultuuv-
methode, jaarlijks niet minder dan 80.000 gulden schade werd
geleden en dat de bevolking daarvoor niets had teruggekre-
gen dan een gering bedrag aan bijslag ; en in andere districten
en afdeelingen in die schade nog oneindig veel gsooter.
Dat de bevolking de koffieeultuur mist, is nu reeds in menig
district gebleken; van daar dan ook, dat bet reeds is voorge-
komen, dat zij, afgevraagd wordende of zij zich bezwaard zou
gevoelen, wanneer zij op nieuw verplicht werd om Gouverne-
ments koffietuinen aanteleggen, verklaarde, dat dit niet het
geval was; dat zij verwachtte, dat hierdoor de oude toestanden
zouden terugkomen, toen zij zelden of nooit hare woonplaats
behoefde te verlaten om, middels koeliearbeid, geld te verdie-
nen, om hunne belastingen te kunnen afbetalen.
Elders gaat men uit eigen beweging er weer toe over om
koffietuinen aanteleggen en dit laatste zou zeker overal worden
waargenomen, wanneer het groote bezwaar, dat die lieden daar-
van terughoudt, meer en meer werd uit den weg geruimd.
Dit bezwaar is, dat een dessaman niet bij machte is zijn
tijd te geven voor de teelt van een gewas, dat eerst na 3 jaren
product afwerpt. *
Om in het dageljjksch onderhoud te voorzien, moet er dag
aan dag werk worden gezocht. Niemand kan een 50 of 60
tal dagen van \'t jaar missen voor den aanleg van een koffietuin.
Dit is de groote belemmering, die aan eene ontwikkeling van
een vrijwillige cultuur in den weg staat, terwijl het niet loo-
nende der verplichte cultuur, zijne oorzaak vindt in het feit, dat
de bepalingen, omtrent jaarlijkschen bijplant van een bepaald
aantal boomen, onder de tegenwoordige omstandigheden niet
meer voldoen.
Beide bezwaren kunnen uit den weg worden geruimd en het
komt mij voor, dat wel ieder thans een antwoord zal weten te
-ocr page 112-
— 106 —
geven op de vraag hoe en op welk eene wijze zulks geschieden
moet èn voor de verplichte èn voor de vrijwillige cultuur.
"Wat de verplichte cultuur betreft, kan alleen voor die wei-
nige dessa\'s, die nu nog in het bezit zijn gebleven van een
voldoende uitgestrektheid vruchtdragend plantsoen van 1/4
bouw of meer boomen van verschillende leeftijd, per man, de
bepaling omtrent het jaarlijks bijplanten van een aantal boomen
om den aanplant voltallig te houden, behouden bljjven met
intrekking nochthans der bepaling omtrent vrijstelling wegens
bereikte minimum-levering.
Overal waar dit niet het geval is, moet, naar mijne meening,
de bij plant weer geregeld worden volgens de denkbeelden van
de ontwerpers der Preanger-regeling, uitgedrukt in de hierbo-
ven, op pag. 79 en vlg., uitvoerig besproken Nota, welke bij
circulaire van den Directeur van Binnenlandsch Bestuur van 22
September 1874 No. 9302 den ambtenaren werd aanbevolen als
leiddraad bij het onderzoek naar de mogelijkheid tot invoering
der Preanger-regeling in de overige gewesten van Java.
In korte woorden komt dit hierop neer: de dessa\'s, die door
eene of andere omstandigheid niet in \'t bezit zijn van een piant-
soen van voldoende uitgestrektheid om eene loonende cultuur te
knnnen drijven, dienen door bizondere maatregelen zoo spoedig
mogelijk neer in het bezit daarvan te worden gesteld.
Is dit doel bereikt, dan kan verder uitgemaakt worden hoe-
veel boompje* ze jaarlijks hebben bijteplanten om het plantsoen
voltallig te houden.
En wat de vrijwillige cultuur betreft, kan de belemmering,
die haar in den weg staat m. i. alleen worden weggenomen
door betaling van den, in de eerste drie jaren aan den aan-
leg en het onderhoud van een koffietuin ten koste gelegden
arbeid, op eene wijze als reeds sedert vele jaren van ver-
schillende zijden, naar ik meen, het eerst door Mr. Brooshooft,
is aanbevolen.
Eene dergelijke regeling zou met onoverkomelijke bezwaren
gepaard gaan, wanneer niet met groote liberaliteit door de
Staten Generaal tegenwoordig jaarlijks de belangrijke som van
-ocr page 113-
— 107 —
f 500.000 werd toegestaan voor het nemen van maatregelen
in het belang van de koffiecultuur.
De tijden zijn voorbij, dat men de bevolking eenvoudig op-
legt om in den kortst mogelijken tijd, een koffietuin aanteleggen
op eene wijze als eertijds geschiedde in de Residentie Pasoe-
roean,
waar de vrijwillige aanplantingen zijn tot stand gebracht
op een wenk van den Regent van Malany. Ook zou het
moeilijk gaan, om die dessa\'s, die thans jaren lang gewoon zijn
aan een bijplanting van 40 of 50 boompjes per jaar, opteleg-
gen nu, van stonde af aan, de dubbele hoeveelheid of meer in
den grond te brengen, zooals zulks kon geschieden in 1874, toen
zij ook, na overdracht harer tuinen aan anderen, toch nog altijd
eenige baten trokken uit de pagger- kampoeng- en erfkoffie.
Thans zou een dergelijke maatregel zeer zeker hare krachten te
boven gaan, daar de bevolking haren tijd al te zeer noodig heeft
om door dagelijkschen arbeid in haar onderhoud te voorzien.
Maar wat niet op deze wijze kan tot stand worden gebracht,
kan geschieden, wanneer de planter wordt betaald voor den
noodzakelijk geoordeelden cultuurarbeid, uit de zooeven ver-
melde fondsen. Hiermede vallen de genoemde bezwaren weg.
Komt het wenschelijk voor, dat een planter in een jaar
tijds b. v. 100 of 200 boomen tegelijk aanplant, dan kan
met de gegevens, die ter onzer beschikking zijn, worden be-
rekend, hoeveel dagen arbeids daaraan zullen moeten wor-
den besteed, zoowel het eerste jaar, voor den aanleg en de
ontginning, als het tweede en derde jaar voor het onder-
houd; dit aantal dagen, vermenigvuldigd met het plaats-
lijk loon bij de teelt van producten van eigen landbouw,
kan aan den planter worden uitgekeerd.
Ik stel mij voor, dat die zaak op de volgende wijze moet
worden geregeld, verschillend naar gelang de dessa\'s als-
nog bij de cultuur zijn ingedeeld, dan wel daarvan zijn
vrijgesteld. Het eerste geldt dus de verplichte cultuur en het
tweede de vrijwillige.
Regeling voor dessa\'s, die nog zijn ingedeeld.
Voor elke dessa wordt in de eerste plaats bepaald, welke
-ocr page 114-
— 108 —
bizonder e maatregelen genomen moeten worden om haar weder
in \'t bezit te stellen van een plantsoen, van voldoende uitge-
breidheid voor een loonende cultuur, m. a. w. van l/4 bouw
vruchtdragende boomen en verder, op welk aantal boomen den
jaar lij kschen geregelden bijplant moet worden gesteld, om dit
plantsoen in \'t vervolg voltallig te houden, opdat de cultuur
loonend blijft.
Vooreerst dieat nu weder, evenals te voren, rekening ge-
houden te worden met de plantwijdte voor de verschillende
koffiereserve-terreinen voorgeschreven, aangezien zich hieruit
berekenen laat, hoeveel boomen de dessa noodig heeft.
Is de plantwijdte 6: 6 Rh. voeten, dan zijn er 500 boomen
noodig voor \'/4 bouw; terwijl bij eene plantwijdte van 6: 8
of 6: 10 voet, dit aantal wordt 375 en 300. Bij de Liberia-
koffie-teelt, waar in den regel op onderlingen afstand van 10:
10 en 12: 12 voet wordt geplant, heeft men dienovereenkomstig
voor \'/4 bouw noodig 125 of 180 boomen.
Om niet te uitvoerig te worden, neem ik in het onder-
volgende aan, dat de cultuurdienstplichtigen Java-koffie planten
bij een plantwijdte van 6: 8 voet en Liberia-koffie op 12
voet onderlingen afstand. Een dergelijk exposé eenmaal gege-
ven zijnde, zal het niet moeilijk vallen eene soortgelijke te
maken voor andere plantwijdten.
Naar deii aard der terreinen, waarop de dessa zal planten
en meer in \'t bizonder, naar den leeftijd, dien het plantsoen
verwacht wordt te zullen bereiken, zouden dan de bizondere bij-
plant en de geregelde jaarlijksche bijplant als volgt bepaald
moeten worden.
I. Vermoedelijke leeftijd van het plantsoen 15 jaar.
a. De dessa wordt voorondersteld nagenoeg geen vrucht-
dragend plantsoen te bezitten, dan wel alleen zoodanig plantsoen
waarvan men niet met zekerheid verwachten kan, dat het tot be-
hoorlijke vruchtdracht zal komen en eenen goeden leeftijd
bereiken zal. Zij heeft echter 3 bjjplantingen jonge boomen, die
-ocr page 115-
— 109 —
goed in den grond gebracht, zeker wel den vereischten leeftijd
zullen bereiken. Over drie jaar heeft de dessa derhalve 150
vruchtdragende boomen, welk aantal moet worden aangevuld
met 225 om */4 bouw compleet te hehhen.
Nu wordt de bijplant tijdelijk 3 jaren lang tot 75 boomen
opgevoerd om daarna en voor \'t vervolg te worden gesteld
op 30.
De hieronder volgende voorstelling zal dit duidelijk maken.
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
50 50 50:----------------------------------------------------
1« jaar 75 50 50: 50------------------------------------------------
2e , 75 75 50: 50 50-------------------------------------------
3° „ 75 75 75:50 50 50 ---------------------------------------
4« „ 30 75 75:75 50 50 50 ----------------------------------
5e „ 30 30 75:75 75 50 50 50 ------------------------------
6° , 30 30 30:75 75 75 50 50 50 -------------------------
7° „ 30 30 30: 30 75 75 75 50 50 50---------------------
8° „ 30 30 30: 30 30 75 75 75 50 50 50----------------
9" „ 30 30 30: 30 30 30 75 75 75 50 50 50------------
10e „ 30 30 30:30 30 30 30 75 75 75 50 50 50 -------
lle ,, 30 30 30: 30 30 30 30 30 75 75 75 50 50 50 —
12" „ 30 30 30: 30 30 30 30 30 30 75 75 75 50 50 50
13e „ 30 30 30:30 30 30 30 30 30 30 75 75 75 50 50
14" „ 30 30 30: 30 30 30 30 30 30 30 30 75 75 75 50
15e „ 30 30 30:30 30 30 30 30 30 30 30 30 75 75 75
16e „ 30 30 30: 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 75 75
17" „ 30 30 30: 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 75
18° B 30 30 30:30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30
Het 6e jaar is de cultuur loonend en blijft nu ook loonend.
Tot dat dit bereikt is geniet de dessa een bijslag, welke
bijslag natuurlijk van jaar tot jaar minder wordt naar mate
haar vruchtdragend plantsoen toeneemt. Het 66 jaar wordt
de bijslag ingetrokken.
Uit dit exposé blijkt, dat het na de invoering van dezen bizon-
deren maatregel nog 5 jaar zal duren vóór dat de dessa uit haren
tuin voldoende product trekt, om den bijslag te kunnen missen.
-ocr page 116-
— 110 —
Natuurlijk zou de cultuur reeds Teel eerder in het gewenschte
stadium treden wanneer men de cultuurdienstplichtigen reeds
dadelijk het eerste jaar kon opleggen om 225 boomen aan-
teplanten (± \'/7 bouw), in stede van dit over 3 jaar te ver-
deelen.
Na het 3° jaar was dan reeds het doel bereikt en kon de
bijslag worden ingetrokken.
Of dit mogelijk is of niet, hangt natuurlijk geheel af van
de omstandigheden waaronder de dessa verkeert.
Niet overal zal een bijplant van 225 boomen een gemak-
kelijk uitvoerbare taak zijn, die men aan de dessa kan op-
leggen.
In verscheidene streken op Java zou hiertegen wel geen
bezwaar bestaan, vooral niet daar, waar de menschen weinig
gelegenheid hebben om op andere wijze een behoorlijk dagloon
te maken; daar zou het zelfs voor velen een uitkomst zijn in
de gelegenheid te worden gesteld om in een zeker aantal
dagen, tegen een behoorlijk loon, een koffie-tuintje aanteleggen,
maar er zijn ook streken, waar dit niet zoo gemakkelijk gaan
zou en waar een zoodanige planttaak met groote bezwaren
zou gepaard gaan bijv. daar, waar de planters veel eigen land-
bouw drijven en niet veel dagen kunnen missen voor den
aanleg van een koffle-tuin.
Ook zou het kunnen voorkomen, dat een of andere naburige
landelijke onderneming, die hare werkkrachten ontleent aan
de plantende dessa\'s, daardoor in ongelegenheid zou worden
gebracht, door gebrek aan arbeiders gedurende een betrekkelijk
groot aantal dagen.
Daarom heb ik hier als regel aangenomen, dat de dessa
eerst langzamerhand en geleidelijk haar plantsoen op de ge-
wenschte uitgebreidheid zal brengen op welken regel dan
uitzonderingen kunnen worden toegelaten, naar gelang van
locale omstandigheden.
Zoo zal het hier en daar kunnen voorkomen, dat wanneer
niet de geheele dessa in staat is om in één jaar tijds 225 boo-
men aanteplanten, zulks wel kan geschieden door een zeker
percentage van het aantal cultuurdienstplichtigen.
-ocr page 117-
— 111 —
Telt bijv. een zekere dessa 75 cultuurdienstplichtigen, dan
is het niet onmogelijk, dat 25 daarvan reeds dadelijk het
eerste jaar hun plantsoen op de gewenschte uitgebreidheid
kunnen brengen, terwijl anderen dit slechts geleidelijk kunnen
doen of een volgend jaar daartoe kunnen overgaan. Men dient
derhalve ten deze naar bevind van omstandigheden te han-
delen.
De particuliere landbouw-industrie kan niet anders dan
profijt trekken van eene goede regeling der Gouvernements-
koffiecultuur. Wanneer toch de baten uit de koffiecultuur
van jaar tot jaar minder worden met het vooruitzicht, dat
die cultuur over enkele jaren geheel zal zijn verloopen, dan
spreekt het wel van zelf, dat zij daarvan in de allereerste
plaats den terugslag zal moeten ondervinden. (1)
b. De dessa wordt nu voorondersteld, behalve jong plant-
soen, ook reeds 50 vruchtdragende boomen te bezitten, die
goed geplant zijn; in dit geval is het voldoende wanneer
zij twee jaar achtereen 75 boomen plant en daarna 30.
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
50 50 50: 50----------------------------------------------------
le jaar 75 50 50: 50 50------------------------------------------------
2° „ 75 75 50:50 50 50 -------------------------------------------
3\' „ 30 75 75:50 50 50 50 --------------------------------------
4° , 30 30 75:75 50 50 50 50 ---------------------------------
5° „ 30 30 30:75 75 50 50 50 50 ----------------------------
„ 30 30 30: 30 75 75 50 50 50 50-----------------------
7" „ 35 30 30:30 30 75 75 50 50 50 50 ------------------
17e jaar 30 30 30: 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30
c. De dessa bezit reeds 100 goed geplante vruchtdragende
boomen. Het is nu voldoende wanneer zij het eerste jaar 75
boomen plant; het volgend jaar 50 en verder 30.
(1) Ik wijs hier speciaal op, omdat men wel eens de meening hoort
uitspreken, dat de gouvernements koffle-cultuur de particuliere landbouw-
industrie in den weg zit.
-ocr page 118-
— 112 —
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
50 50 50: 50 50-------------------------------------------
1" jaar 75 50 50: 50 50 50------------=---------------------
2" „ 50 75 50:50 50 50 50----------------------------------
3» , 30 50 75:50 50 50 50 50 ------------------------------
4° , 30 30 50:75 50 50 50 50 50 -------------------------
5e „ 30 30 30: 50 75 50 50 50 50 50---------------------
17e „ 30 30 30: 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30
d. Bezit de dessa reeds 150 vruchtdragende boomen, dan is
een bijplant van 75 boomen in het eerste jaar voldoende:
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
50 50 50: 50 50 50--------------------------------------
le jaar 75 50 50: 50 50 50 50----------------------------------
2» „ 30 75 50: 50 50 50 50 50------------------------------
3° „ 30 30 75: 50 50 50 50 50 50-------------------------
4e „ 30 30 30: 75 50 50 50 50 50 50---------------------
16e „ 30 30 30:30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30 30
II. De vermoedelijke leeftijd, dien het plantsoen bereiken
zal, wordt geschat op 12 jaar.
a. De dessa bezit weder alleen 3 bijplantingen jong plant-
soen, die goed zijn geplant.
Evenals in het geval sub Ia wordt haar opgedragen om
3 jaar achtereen 75 boomen te planten. Daarna is een gere-
gelde jaarhjksche bijplant van 40 boomen voldoende om het
plantsoen voltallig te houden.
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10 11 12
50 50 50:--------------------------------------
1° jaar 75 50 50: 50----------------------------------
2" „ 75 75 50 : 50 50-----------------------------
3e „ 75 75 75: 50 50 50-------------------------
4° „ 40 75 75: 75 50 50 50---------------------
5e „ 40 40 75: 75 75 50 50 50----------------
6* . 40 40 40:75 75 75 50 50 50------------
-ocr page 119-
— 113 —
7e  jaar 40 40 40: 40 75 75 75 50 50 50--------
86    „    40 40 40:40 40 75 75 75 50  50 50 —
9e    „    40 40 40: 40 40 40 75 75 75  50 50 50
10°    „    40 40 40:40 40 40 40 75 75   75 50 50
lle    »    40 40 40: 40 40 40 40 40 75   75 75 50
12e    „    40 40 40:40 40 40 40 40 40  75 75 75
13"    „    40 40 40:40 40 40 40 40 40  40 75 75
14«    b    40 40 40:40 40 40 40 40 40  40 40 75
15"    „    40 40 40:40 40 40 40 40 40  40 40 40
b.  De dessa bezit behalve jong plantsoen ook reeds 50 vrucht-
dragende boomen, die onder goede condities verkeeren. Zij
plant nu tweemaal achtereen 75 boomen en daarna 40.
c.   De dessa bezit reeds 100 vruchtdragende boomen; thans
plant zij eens 75 boomen, eens 50 en daarna 40.
d.   De dessa bezit reeds 150 vruchtdragende boomen, zij plant
dus eens 75 boomen, daarna geregeld 40.
III. De vermoedelijke leeftijd, dien het plantsoen bereiken
zal wordt geschat op 10 jaar.
a. De dessa bezit alleen 3 bijplantingen jong plantsoen.
Haar wordt weder opgedragen om de 3 eerstvolgende jaren
75 boomen te planten; daarna zal zij jaarlijks 50 boomen moe-
ten bijplanten, om den aanplant compleet te houden.
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10
50 50 50: ---------------------------------
le jaar 75 50 50: 50 ----------------------------
2e „ 75 75 50: 50 50 -----------------------
3" „ 75 75 75: 50 50 50 ------------------
4e „ 50 75 75: 75 50 50 50 -------------
5e „ 50 50 75: 75 75 50 50 50 --------
6e „ 50 50 50: 75 75 75 50 50 50 —
13e „ 50 50 50: 50 50 50 50 50 50 50
b. De dessa bezit bovendien 50 goed geplante vrucbtdra-
gende boomen.
-ocr page 120-
— 114 —
Zij plant dus tweemaal achtereen 75 boomen; daarna 50.
c.  De dessa bezit 100 vruchtdragende boomen.
Zij plant nu eenmaal 75 boomen, daarna weder geregeld 50.
d.  De dessa bezit 150 vruchtdragende boomen en plant dus
ook eens 75 boomen.
IV. Vermoedelijke leeftijd, dien het plantsoen bereiken zal
8 jaar.
Onverschillig of de dessa alleen jong plantsoen bezit of ook
reeds eenige vruchtdragende boomen zal zij in \'t vervolg, om
eene loonende cultuur te kunnen drijven 100 boomen moeten
bijplanten.
1 2 3: 4 5 6 7 8
50 50 50: — — — — —
100 50 50: 50 — — — —
100 100 50: 50 50----------------
100 100 100: 50 50 50 - —
100 100 100: 100 50 50 50 —
100 100 100: 100 100 50 50 50
100 100 100: 100 100 100 50 50
100 100 100: 100 100 100 100 50
100 100 100: 100 100 100 100 100
Eene planttaak van 100 boomen zal den lezer allicht wat
hoog voorkomen, maar hieromtrent moet worden opgemerkt,
dat een geregelde bijplant van 50 boomen niet toereikend is
voor eene loonende cultuur, aangezien de dessa daardoor
hoogstens 250 vruchtdragende boomen kan verkrijgen. Met
75 boomen komt zij tot een maximum van 375; dit zou vol-
doende zijn, wanneer niet hare ontginning etc. haar meer
arbeid kostte, dan bij een bijplant van 50 boomen.
De lezer zal zich herinneren, dat ik hierboven tot 350 a 375
boomen gekomen ben door eene berekening, waarbij werd uit-
gegaan van de onderstelling, dat er gei egeld 50 boomen werden
bijgeplant. Hiervan uitgaande toonde ik aan, dat men dan bij
eene gemiddelde minimum-productie van 4 picols per bouw
eene loonende cultuur moest drijven.
-ocr page 121-
— 115 —
Dit aantal toch beslaat ongeveer 1/4 bouw, zoodat de inkom-
sten 1 picol zijn ter inleveringswaarde van f 15.— terwijl het
aantal arbeidsdagen met inbegrip van 20 voor pluk en bereiding,
60 /ou bedragen d. i. dus het aantal arbeidsdagen waartoe ik in
mijne staten gekomen ben bij moeilijk terrein, verren afstand van
de dessa en goed onderhoud. Wordt nu de planttaak op 75
boomen gesteld, dan wordt het aantal dagen, dat vooral in de eerste
3 jaren wordt vereischt voor ontginning, aanleg, bijplant en
onderhoud grooter en moeten derhalve ook de uit de cultuur
getrokken voordeelen grooter zijn, dan die, welke van 375
boomen te verkrijgen zijn.
Daardoor komt men van zelf tot eene planttaak van 100
boomen, waardoor de dessa een maximum «aanplant verkrijgt
van 50ö boomen of 1/3 bouw vruchtdragend plantsoen, die dus
l\'/g picol of /\' 20.—• opbrengt, waardoor die meerdere arbeid
ruim wordt betaald.
Maar hoe het ook zij of de dessa jaarlijks, al naar omstan-
digheden, 30, 40, 50 of 100 boompjes heeft bijteplanten, in
elk geval is de cultuur loonend voor iedereen; is zij het reeds
in streken waar het dagloon 25 ets. bedraagt, zooveel te meer
is zij het daar, waar dit op 20 of 15 ets. moet worden gesteld.
Verder moet nog worden opgemerkt, dat wanneer de cultuur
loonend mag heeten bij eene productie van 4 picols per bouw,
zij njkloonend gaat worden, zoodra de gemiddelde productie stijgt
tot 5, 6, 7, 8 en meer picols. Aangezien dit nu in vele gevallen
nauw verband houdt met de meerdere zorgen aan het plant-
soen besteed, is hierin voor de bevolking een prikkel gelegen
om hare tuinen naar behooren \'e onderhouden.
LIBERIA-KOFFIE.
Vermoedelijke leeftijd van het plantsoen 15 jaar.
a. De dessa wordt voorondersteld nagenoeg geen vruchtdragend
plantsoen te bezitten, dan wel alleen zoodanig plantsoen waarvan
men niet met zekerheid kan zeggen, dat het tot behoorlijke vrucht
dracht zal komen en eenen gewenschten leeftijd bereiken zal.
Zij heeft echter 3 bijplantingen jonge boomen, die goed in den
grond gebracht, zeker wel een goeden leeftijd zullen bereiken.
-ocr page 122-
- 116 —
Over 3 jaar heeft de dessa dus 45 vruchtdragende boomen
(3/30 bouw), welk aantal moet worden aangevuld tot 125
(1/4 bouw).
Nu wordt de bijplant tijdelijk gesteld op 25 boomen, gedu-
rende de 3 eerstvolgende jaren.
Is de aanplant dan compleet, dan zal een geregelde jaar-
lijksche bijplant van 10 boomen voldoende zijn — om de cultuur
voor \'t vervolg loonend te doen blijven.
1 2 3:4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
15 15 15:----------------------------------------------------
l«e jaar 25 15 15: 15------------------------------------------------
2         , 25 25 15:15 15 -------------------------------------------
3         „ 25 25 25: 15 15 15---------------------------------------
4         „ 10 25 25:25 15 15 15 ----------------------------------
5        „ 10 10 25:25 25 15 15 15------------------------------
6         „ 10 10 10:25 25 25 15 15 15-------------------------
7         „ 10 10 10: 10 25 25 25 15 15 15---------------------
8         „ 10 10 10: 10 10 25 25 25 15 15 15----------------
9         „ 10 10 10: 10 10 10 25 25 25 15 15 15------------
10        „ 10 10 10: 10 10 10 10 25 25 25 15 15 15-------
11         „ 10 10 10: 10 10 10 10 10 25 25 25 15 15 15 —
12        „ 10 10 10:10 10 10 10 10 10 25 25 25 15 15 15
13         „ 10 10 10:10 10 10 10 10 10 10 25 25 25 15 15
14        „ 10 10 10:10 10 10 10 10 10 10 10 25 25 25 15
15         „ 10 10 10: 10 10 10 10 10 10 10 10 10 25 25 25
16        „ 10 10 10: 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 25 25
17         „ 10 10 10:10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 25
18        „ 10 10 10:10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10
b. De dessa heeft reeds 30 vruchtdragende boomen, die
goed zijn geplant.
Het is nu voldoende wanneer zij twee jaar achtereen 25
boomen plant en later 10.
1 2 3: 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
15 15 15:15 15 -------------------------------------------
l8te jaar 25 15 15: 15 15 15---------------------------------------
2 _ 25 25 15:15 15 15 15 ----------------------------------
-ocr page 123-
— 117 —
3      jaar 10 25 25: 15 15 15 15 15-----------------------------
4         „ 10 10 25:25 15 15 15 15 15 -------------------------
5        „ 10 10 10:25 25 15 15 15 15 15---------------------
17 „ 10 10 10:10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10
c. De dessa heeft reeds 60 vruchtdragende boomen en plant
nu maar eenmaal 25 boomen te gelijk en daarna 10.
1 2 3:4 5    6 7 8 9 10 11 12 13 14 15
15 15 15: 15 15  15 15 —------------------------------
le jaar 25 15 15 : 15 15  15 15 15------------------------------
2e „ 10 25 15: 15 15  15 15 15 15 -------------------------
3e „ 10 10 25: 15 15  15 15 15 15 15 ---------------------
4e „ 10 10 10: 25 15  15 15 15 15 15 15 ----------------
16e „ 10 10 10: 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10 10
De hierboven voorgestelde regeling van de dwangcultuur is
een zoodanige, die zich geheel aansluit aan de tegenwoordige
n. 1. eene, die gebaseerd is op een jaarlijksche geregelde bij-
planting van een bepaald aantal boomen.
Zij heeft dit vóór, dat door een goede\'regeling der afschrij-
vingen en bijplantingen, de plantsoenen, die door bizondere
maatregelen weder op hun gewenschte maximum zijn gebracht,
nu ook in \'t vervolg op dat maximum gehouden worden.
Voorts nog eischt deze regeling betrekkelijk geringe gelde-
lijke opofferingen voor den Staat, want zijn eenmaal met eene
tegemoetkoming, de aanplantingen weder op de noodige uit-
gebreidheid gebracht, dan behoeft de Staat niet meer tusschen-
beide te komen, behalve in gevallen van onverwachtsche ziek-
ten en plagen en is dus de besproken tegemoetkoming op te
vatten als eene uitgaaf voor eens en voor altijd.
Van den anderen kant beschouwd, blijft echter de koffie-
cultuur eene dwangcultuur en moge nu ook al het voornaamste
bezwaar daartegen zijn weggenomen door eene voldoende of
xuime betaling voor den arbeid, toch blijven haar enkele be-
-ocr page 124-
— 118 —
zwaren aankleven, die eene belemmering zijn, om haar tot eene
gewilde volkscultuur te maken.
Het telken jare gedwongen aanplanten van een voorge-
schreven aantal boompjes, het telkens en telkens weer ont-
ginnen en plantklaar maken van een klein stukje grond en.
het voortdurend onderhoud van jong plantsoen zullen de kof-
fiecultuur nimmer tot een werkelijk vrijwillige maken.
Die regeling is ontstaan uit eene veel betere n. 1. die van
vóór 1870 toen — zooals ik hier boven uitvoerig heb mee-
gedeeld — ieder cultuurdienstplichtig huisgezin belast was met
het onderhoud en het voltallig houden van een plantsoen van
5 a 6U0 of meer boomen. Dit bracht mede, dat de planter
vaak jaren achtereen vrij was van allen cultuurarbeid, uitge-
nomen het onderhoud van vruchtdragend plantsoen, den pluk
en de bereiding.
De redenen waarom men destijds met dit stelsel heeft ge-
broken, heb ik reeds besproken; zij waren in hoofdzaak deze,
dat wegens de moeilijke controle, voornamelijk door de enorme
afstanden, noodzakelijke bijplantingen weleens werden uitge-
steld, waardoor nu en dan aan de dessa een grootere taak
moest worden opgelegd, dan naar behooren kon worden ten
uitvoer gebracht, terwijl dit tevens met een groot bezwaar voor
de dessa gepaard ging.
Hieraan heeft de bepaling van 1870, dat in\'t vervolg gere-
geld 50 plantjes zouden worden bijgeplant, haar ontstaan te
danken.
Later in 1872 en volgende jaren, bij de invoering derPre-
anger-regeling, werd deze bepaling bestendigd, vooral omdat
de dessa\'s, die op ver afgelegen terreinen waren ingedeeld,
nieuwe tuinen zouden aanleggen, dichter bij huis.
Men kon toen ook wel niet anders; het ging toch in \'t
geheel niet aan, om de bevolking opteleggen een groot aantal
dagen te besteden aan de ontginning van ongeveer 1/8 bouw,
zonder vergoeding. Men voerde de planttaak tijdelijk op tot
90 plantjes, waar dit zonder bezwaar kon geschieden, maar
verder kon men niet gaan.
Maar wat toen niet mogelijk was, kan thans wel geschieden.
-ocr page 125-
— 119 —
De groote som gelds jaarlijks door de Staten-Generaal ter
beschikking gesteld voor het nemen van maatregelen in \'t be-
lang van de koffiecultuur, stelt ons nu ia staat te doen, wat
destijds niet mogelijk was.
Met deze som kunnen de bezwaren, die alsnog aan de kof-
fiecultuur verbonden zouden blijven, worden weggenomen en
binnen niet al te langen tijd van de dwangcultuur eene loonen-
de volkscultuur gemaakt worden.
Op de volgende wijze stel ik mij voor, dat dit doel zal
worden bereikt. Men stelle den cultuurdienstplichtige, die
daartoe genegen is in de gelegenheid om in den kortst mo-
gelijken tijd 1/i bouw te ontginnen, te beplanten en ook te
onderhouden zoolang de boompjes nog geen vrucht dragen,
tegen tegemoetkoming.
Geldt het de cultuur van Javakoffie, dan wordt die bij plant
al naar de plantwijdte van 6: 6; 6: 8; of 6: 10 KA. voeten,
500, 375 of 300 boompjes of bij de teelt van Liberiakoffie
125 of 180 boompjes. In \'t 4B jaar is de aanplant vrucht-
dragend en mi wordt de planter van bij plant vrijgesteld
zoolang zijn plantsoen in leven blijft.
Al naar gelang van den
leeftijd, dien het plantsoen bereikt en ook van de mindere of
meerdere zorg aan den aanplant besteed, geniet hij nu jaren
lang de lusten der cultuur, terwijl de lasten enorm zijn ver-
minderd.
"Wordt het plantsoen 8, 10, 12, 15, 20 jaar, dan heeft hij
jaren achtereen geen anderen cultuurarbeid -te verrichten dan
het onderhoud van zijn plantsoen en den pluk en de bereiding.
Zijn inkomsten zijn daardoor vrij aanzienlijk.
Ik breng dit weer voor het gemakkelijk overzicht over in
een staatje, overeenkomende met dat, hetwelk hiertevoren is
gegeven op pag. 68
-ocr page 126-
— 120 -
BlJPLANT
TUINEN
Pro-
Aantal dagen
Z
DTE.
PER
MAN.
PER MAN.
DUCTIE.
ARBEIDS PER MAN.
ER MA
JONG.
Vrucht-
co
. Z
PLANTWIJ
IN BOOMEN
IN BOUWS.
dragende.
PER BOUW.
PER MAN.
OR JONG PLAN
SDERHOUD LAT
LUK ETC.
0 T A A L.
INKOMSTEN P
O
o
J
o
<
OOMEN.
OUWS.
OOMEN.
OUWS.
.pa
pa
pa
pa
>
O
CU
H
JAVA-KOFFIE.
—
—
—
—
375
*/«
4
1
— 115
20
35
ƒ15.—
—
—
—
—
375
6
1.50
— 15
30
45
» 22.50
—
—
—
—
375
Vi
8
2
— 115
40
55
»30.-
6/8
0/8
6/8
ƒ 0.42V2
» 0.50
» 0.54
f 0.37i/2
» 0.40
» 0.42
LIBERIA-KOFFIE
.
10/10
—
—
~
—
180
v4
6
1.501 —
15
45
60
f 22.50
10/10
—
—
_
—
180
*\'«
8
2 —
15
60
75
»30.-
10/10
—
—
—
—
180
X/4
10
2.50l —
15
75
90
»37.-
Hieruit blijkt nu, dat een Java-koffieplanter op die wijze in
\'t bezit gekomen van 1ji bouw vruchtdragend plantsoen, naar
gelang de gemiddelde productiviteit van zijnen tuin 4, 6 of 8
picola bedraagt, een dagloon maakt van resp. 42, 50 en 54
ets; en verder nog, dat dit dagloon wordt genoten gedurende
35, 45 en 55 dagen van \'t jaar, terwijl hij die Liberia-koffie
plant, gedurende 60, 75 en 90 dagen, een dagloon kan maken
van 37|, 40 en- 42 ets. al naar gelang zijne tuinen 6, 8 of
10 picols opleveren. (1)
Dit dagloon wordt niet moeilijk verdiend, daar het grootste
aantal dagen wordt besteed aan den pluk, een arbeid, dien
hij deelt met zijn gezin.
(1) Men zal hier waarschijnlijk de opmerking maken, dat het aantal
dagen uitgetrokken voor den pluk, de bereiding en het transport wel
wat hoog is gesteld. Dit is ook werkelijk het geval. Wanneer er 30
dagen noodig zijn voor 1 pieol Liberiakoffie, dan zijn er geen 2 X 30
dagen noodig voor 2 picols. Het dagloon wordt dus hooger; daar even vel
liet aantal dagen, dat dit loon genoten wordt daarmede kleiner wordt
komt dit vrij wel op \'t zelfde neer.
-ocr page 127-
— 121 —
Bovendien wordt hij daardoor niet verhinderd om 35—90
dagen op andere wijze diensten te praesteeren.
Moet zijn plantsoen worden afgeschreven, dan dient hem op
nieuw eene tegemoetkoming te worden gegeven voor den aanleg
van een nieuwen tuin. Daardoor komt deze regeling het
Gouvernement op meerdere uitgaven te staan dan de vorige,
doch zooals zoo aanstonds blijken zal, wordt toch die geldelijke
opoffering voor den Lande niet zóó hoog, dat een dusdanige
regeling daarop zou moeten afstuiten.
Natuurlijk gaat het niet aan, de cultuurdienstplichtigen nu
te dwingen, om voortaan volgens deze regeling koffie te planten.
Verkiest iemand liever geregeld jaarlijks zijn 10—100
boompjes bij te planten, dan moet hij daarin natuurlijk vrij-
gelaten worden; maar de voordeden van deze regeling zijn
zoo evident, dat \'t m. i. niet lang kan duren of de cultuur
met jaarlijkschen bijplant zal wel spoedig worden vervangen
door deze.
Verder dient hier weer in aanmerking genomen te worden,
dat het niet overal gemakkelijk zal gaan deze wijze van
cultuur al dadelijk intevoeren; in vele streken zal dit weinig
bezwaar opleveren en worden de cultuurdienstplichtigen daar-
meê belangrijk voortgeholpen, maar elders weder zal moeten
worden onderzocht, hoeveel cultuurdienstplichtigen eener dessa
zulks het eerste jaar zouden kunnen doen en hoeveel in een
tweede of volgend jaar Is de zaak eenmaal geregeld, dan
brengt zij nog dit voordeel mee, voor de particuliere industrie
o. a. van veel gewicht, dat er een groot aantal arbeidskrachten
beschikbaar komen, aangezien et* per man en per jaar, een veel
geringer aantal dagen in de tuinen zal worden doorgebracht,
wanneer er niet elk jaar behoeft te worden ontgonnen en er
niet voortdurend jong plantsoen moet onderhouden worden.
De tegemoetkoming wordt nu berekend naar de gegevens,
die wij daaromtrent reeds bezitten en zoo noodig gemakkelijk
kunnen aanvullen.
Met enkele voorbeelden wil ik duidelijk maken op welke
wijze dit dient plaats te hebben.
-ocr page 128-
— 122 —
Eene dessa wil een Javakoffietuin van J/4 bouw per cultuur-
dienstplichtige aanleggen in Kandangan, in eene streek, die
overeenkomt met die, waar het perceel gelegen is in den staat
I pag. 13 van de vorige aflevering van dit Tijdschrift, ge-
merkt met i.
Wij weten nu, dat voor ontginning en aanleg van een bouw
noodig zullen zijn 225 dagen en voor het onderhoud in de
twee volgende jaren 125 dagen of in \'t geheel in de 3 eerste
jaren 475 dagen. Tegen een dagloon bij de teelt van eigen
gewassen van f 0.20, zal derhalve hiervoor eene tegemoetkoming
moeten worden verstrekt van f 95.—; waarbij dan nog geteld
moeten worden f 12.— voor het kweeken van 1200 plantjes.
In \'t geheel dus per bouw f 107.— of f 26.75 voor \'/4 bouw.
Eene andere dessa wil een */4 bouw Javakoffietuin aan-
leggen in het district Toeren der afdeeling Malang op een
terrein, dat nagenoeg in alle opzichten overeenkomt met dat
van de onderneming in mijn staat genoemd onder d.
In het eerste jaar zal ieder cultuurdienstplichtige daartoe
noodig hebben &J-Q- = 53 dagen, waarvoor hem eene te-
gemoetkoming toekomt van 53 X / 0.25. = f 13.25 / 1.50
voor 300 planten (tegen ]/2 et. per plant); de twee volgende
jaren besteed hij - — d. = 29 dagen aan het onderhoud waar-
voor hem toekomt 29 X / 0,25 = / 7.25 het tweede jaar en
even zooveel het derde jaar of in \'t geheel voor een halve
bouw f 29.25
Een derde legt een */4 bouw Liberia-koffietuin aan in het
district Paninggaran en besteed daaraan het eerste jaar ^-~
= 65 dagen het tweede jaar i~— = 28 dagen en het derde
jaar ook 28 dagen, of in het geheel 121 dagen. Haar komt
dus eene tegemoetkoming toe van 121 X 0.20 = / 24.20
J 1.75 voor 175 plantjes of in \'t geheel / 26.
Een vierde wenscht een J/4 bouw Liberia-koffietuin tot stand
te brengen in Tjitjalengka op een terrein, dat overeenkomt met
de onderneming in staat II genoemd onder a. Het eerste
jaar werkt zij hieraan 37 dagen; het 2e jaar 30 dagen en het
3° jaar ook 30 dagen of 97 dagen in \'t geheel, waarvoor haar
-ocr page 129-
- 123 —
eene tegemoetkoming toekomt van 97 X 0.20 = f 19.40 -f-
ƒ 1.75 voor 175 plantjes = f 21.15.
Een vijfde eindelijk wil hetzelfde doen op eigen milik grond, in
haar tegals tegelijk met andere cultures. Dit kost haar — zooals
wij boven reeds uitrekenden — het eerste jaar ongeveer 25 dagen
en de twee volgende jaren nagenoeg in \'t geheel geen tijd.
De tegemoetkoming behoeft dus slechts uiterst gering te zijn.
Aangezien het nu in den laatsten tijd veel voorkomt, dat
afgeschreven Java-koffietuinon beplant worden met Liberia-
koffie en ook hiervoor de tegemoetkoming niet groot behoeft
te zijn, geloof ik, dat ik voor de volgende beschouwingen en ge-
makshalve, de gemiddelde som, die zal moet worden uitgekeerd
per bouw bij wijze van tegemoetkoming, op ƒ90.— mag stellen.
Dit aannemende, kunnen wij nu eene berekening opma-
ken van de financieele gevolgen daarvan voor het Gouver-
nement en de vraag trachten optelossen, hoc duur de picol
koffie zal worden, wanneer er gerekend wordt op eene pro-
ductie van niet meer dan 4 picols en eene gemiddelde tege-
moetkoming van f 90 per bouw?
De koffieplantsoenen op Java bereiken eenen leeftijd van
zegge: 60, 50, 40, 30, 25, 20, 15, 12, 10 en 8 jaren.
Vermoedelijke
leeftijd.
Jaren van
vruchtdr.
Productie
per bouw.
Totale pro-
ductie van het
plantsoen.
Tegemoet-
koming per
bouw.
Tegemoet-
koming per
picol.
Picolprijs.
__
__
_
__
_
__
__
60
57
4p.
228 p.
/ 90.—
/ 0.40
/ 15.40
25
22
—
88 „
—
. 1--
„ 16—
20
17
—
68 „
—
. 1-30
„ 16.30
15
12
—
48 „
—-
. 2—
„ 17.-
12
9
—
36 „
—
, 2.50
„ 17.50
10
7
—
28 „
—
„ 8.-
„ 18.-
8
5
—
20 „
—
, 4.50
„ 19.50
-ocr page 130-
— 124 —
Bij eene productie van 4 picols per bouw is dus de hoogste
prijs, dien de koffie aan het Gouvernement zal kosten ƒ19.50.
Bij 5 picols wordt deze
8 | 5 | 5 | 25 | f 90 | / 3.60 | / 18.60
Bij 6 picols
8 | 5 | 6 | 30 | ƒ 90 | ƒ 3.— | ƒ 18.—
Men ziet derhalve, dat de picolprijs door dien maatregel niet
aanzienlijk wordt verhoogd en zelfs wanneer wij eens het on-
denkbare geval aannemen, dat de productie nergens op Java
hooger was, dan slechts 3 picols en dat de tuinen nergens
ouder worden dan 8 jaar,
dan nog zou de picolprijs niet
hooger worden dan / 21.— Thans met den bijslag wordt
er nu en dan tot / 30.— per picol betaald.
Wat nu de Liberia-koffie aangaat, moet worden opgemerkt,
dat de ondervinding voor zoover deze thans reikt, geleerd
heeft, dat de plantsoenen een leeftijd bereiken boven de 20
jaren, terwijl zij in de Gouvernementstuinen 7—11 picols per
bouw oplevert.
Zij brengt derhalve in de 16 jaren, die zij vrucht draagt
minstens 7 X 16 = 112 picols op.
Bij eene tegemoetkoming van ƒ 90.— per bouw wordt dus
de picolprijs verhoogd van / 15.— tot / 15.85.
De verhooging van den picolprijs behoeft dus geen beletsel te
zijn tot regeling der cultuur op eene ivijze als hierboven uiteengezet.
Regeling voor de dessa\'s, die thans zijn vrijgesteld.
"Wat nu betreft de regeling der cultuur voor zoodanige dessa\'s
en personen, die van verplichten bijplant zijn vrijgesteld, doch
die thans uit eigen beweging en vrijen wil zich weder op de
teelt van koffie wenschen toeteleggen, moet worden opgemerkt,
dat van stonde af aan, een eind moet worden gemaakt aan de
monosoeko in den zin, zooals die in de laatste jaren werd op
gevat d. w. z. aan de monosoeko, die haar ontstaan te danken
heeft aan aanmoediging zonder leiding en leering. Zij dient
in \'t vervolg evenzoo te worden geregeld als die voor de over-
rige dessa\'s, opdat zij werkelijk bijdrage tot verhooging van de
-ocr page 131-
— 125 —
welvaart en niet meer ontaarde in cene cultuur, die in de
rapporten meermalen werd aangeduid mot den naam van „wilde
monosooko" of „koffiecultuur in \'t wilde".
Voortaan mag het aan niemand meer geoorloofd zijn om
den voor de teelt van koffie afgestanen grond naar verkiezing
te gebruiken of te misbruiken en om aan zijn plantsoen ecne
uitbreiding te geven naar hem zelf goed dunkt, zonder dat
daarbij in overweging wordt genomen of de aanplant boven
zijne krachten gaat.
Thans nu de stand der Indische geldmiddelen niet meer in
zulk eene mate betrokken is bij de koffiecultuur en het jaarljjksch
budget meer onafhankelijk is gemaakt van de baten hieruit
te trekken, moet het gronddenkbeeld voor de toekomst zijn
eene koffiecultuur te drijven ter verhooging van de volkswei-
vaart en in de tweede plaats in het belang van den Lande.
Eene schadelijke opdrijving, die in vele streken en vooral
in Pasoeroean tot misstanden heeft geleid en werkelijk eenigen
tijd gedreigd heeft tot eene demoralisatie en verarming der
bevolking te zullen voeren, in plaats van tot verhooging van
do welvaart, moet in \'t vervolg worden voorkomen. De cultuur
moet staan onder de leiding der ambtenaren. Evenals voor
de dessa\'s, die nog zijn ingedeeld, moet de wijze van aanleg
en onderhoud voor elk terrein worden opgemaakt door de
plaatslijke ambtenaren, in overleg met mij of met een der
aan mij toegevoegde landbouwkundige ambtenaren en aan de
goedkeuring worden onderworpen van den Directeur van Bin-
nonlandsch Bestuur en van de Regeering.
Het toezicht en de controle daarop moeten plaats hebben
volgens de inzichten van de tegenwoordige Regeering, mecge-
deeld in de circulaire van 24 Sept. 1894 ~No 2405.
Overdreven inmenging en pressie moeten ten strengste wor-
den voorkomen, doch de tuinen mogen niet worden gesteld
buiten toezicht en bemoeienis van het Bestuur.
Hierdoor worden toezicht en controle overeenkomstig die
voor de tegenwoordige z. g. verplichte tuinen; zooals ik reeds
boven opmerkte is dit in verreweg de meeste streken zeer
bevredigend en voldoende.
-ocr page 132-
— 126 —
Do regeling der cultuur voor de niet ingedeelde personen zal
dan verder in de eerste plaats verband moeten houden met do
omstandigheid, dat er een zoo zuinig mogelijk gebruik moet
worden gemaakt van de alsnog voorhanden terreinen en dient
men er derhalve op bedacht te zijn, evenals zulks thans ge-
regeld wordt voor de dessa\'s, die nog zijn ingedeeld, den grond,
door afwisselend gebruik en niet-gebruik, op zoodanige wijze
in exploitatie te brengen, dat de volkskoffiecultuur daarop tot
in de verre toekomst verzekerd zij.
Wordt daarvoor niet gezorgd, worden alle voorhanden ter-
rcinen en terreintjes volgeplant, dan komt men spoedig voor
het feit te staan, dat de bevolking, na ecnigc jaren achtereen
min of meer aanzienlijke inkomsten te hebbon getrokken uit
de teelt van koffie, vrij plotseling van haar middel van bestaan
wordt beroofd, wegens gebrek aan gelegenheid tot voortzetting
der cultuur.
Wanneer bijv. op een terrein van voldoende uitgestrekheid
voor 100 planters, 200 personen worden toegelaten, dan zou
de cultuur na de afschrijving van het eerste plantsoen moeten
worden gestaakt, tenzij die afgeschreven tuinen zonder braak-
ligging dadelijk, op nieuw, worden beplant, waartoe lang niet
alle gronden zich leenen.
Wat nu de tegemoetkoming betreft aan die personen uittc-
keeren, die een koffietuin wenschen aanteleggcn, deze
wordt natuurlijk op dezelfde wijze berekend als hierboven
besproken.
Reeds in het jaar 1893 werd door de vorige Regeering in
dezen geest een proef genomen met de aanmoediging der vrij-
willige cultuur in het district Kandangan der afdeeling Loc-
madjang en werd een groot aantal planters in de gelegenheid
gesteld om ieder voor zich \'/^ bouw koffietuin aanteleggcn.
De resultaten hiervan zijn zeer bevredigend en ten bewijze,
dat de bevolking daarmee is ingenomen moge strekken, dat
mij ten vorigen jare, tijdens mijn verblijf in die afdeeling, werd
meegedeeld, dat een groot aantal personen zich op nieuw bij
het Bestuur had aangemeld, met het verzoek een soortgelijk
contract met het Gouvernement te mogen aangaan.
-ocr page 133-
— 127 —
Ook in een paar andere districten zullen nu dergelijke
proeven genomen worden.
Die tegemoetkoming behoeft natuurlijk niet verder te gaan
dan noodig is om den planter te helpen een plantsoen te krij-
gen van hoogstens een halve bouw.
Daaruit trekt de bezitter voldoende inkomsten om, wanneer
hij zulks mocht verkiezen, aan zjjn tuin eene grootere uitbrci-
ding te geven; hij kan dan verder den financieelcn steun van
het Gouvernement ontberen.
Het volgend staatje geeft oen overzicht van hot dagloon
en van het aantal dagen, dat dit genoten wordt bij het bezit
van !/4J \'/a eu •/„ bouw vruchtdragend plantsoen.
.
-ocr page 134-
— 128 —
Bij-
Aantal dagen
plant
TUINEN
>ER WAN.
PR0-
ARBEIP.S
c
ca
tij •
PER MAN.
PUCT1E.
PER MAN.
H
3
Q
53
ANTW1
men.
Ë
Jong.
Vrucht
dragend.
3
a
te jaren
lioud later.
è
msten p
AGLOC
c
e
P
CU
I
1
ome
UWS
ome
UWS
m j
eers
0)
taai
nko
5
£
o
CQ
o
o
CQ
o
03
CU
Cu
-S
O)
s
o
£
c
O
JAVA-KOFFIE.
Bij
4 picols
per
bouw.
—
—.
—
—
375
]7\',
4
1
—
15
20
35
—
—
—
—
500
i „
4
1.33
—
20
27
47
—
—
—
—
750
i\'2
4
2
—
30
40
70
6\'8
»
15
211
3(1
icols per bouw.
-  I 3751 V4
-     f><>0 1 s
-    750 \' ,
Rij 6
6 II 50
—
15
30
45
221/,
6 2
—
20
40
60
30
6 |S
—
3u
60
90
45
6/8
Rij
8 pi
•ols
per bouw.
—
—
—
— 1 375
*/«
8
2
— 1 15
401 55
30
—
—
—
— 500
V,
8
2,7
— ! 20
54 74
40
—
—
—
— | 750
72
8
4
— | 30
80 [HO
60
6\'8
»
LIBERIA-KOFFIE.
Bij 6 picols per bouw.
__
__
__
__
180
%U
6
1.50
—
15
45
60
22i/o
—
—.
—
—
240
Vi
6
2
—
20
60
80
30
—
—
—
—
360
J\'2
6
3
—
30
90
120
45
10/10
»
Bij 8 picols per bouw.
__1__
—
—
180
8
2
—
15
601 75
30
__ __
—.
—
240
Vu
8
2.7
—
20
81 101
40
— 1 —
—
—
360
Vs
8
4
—
30
120 150
60
10/10
»
Bij
10 1
•icols
pei
bouw.
10 10
—
_
—
—
180
\'U
10
2.50
—
151 75
90
37V,
»
—
—
—
—
240
7fl
10
3.33
—
20 100
120
50
»
—
—
—
""""*
360
X/2
10
5
—
30 150
180
75
-ocr page 135-
- 129 —
Het middel om de bevolking met eene tegemoetkoming in
geld, te hulp te komen bij den aanleg en het onderhoud in de
3 eerste jaren is niet alleen het beste om de dwangcultuur
te doen overgaan in eene loonende volkscultuur, maar ook om
de dessa\'s, die niet meer bij de dwangcultuur zijn ingedeeld,
optewekken tot de teelt van koffie.
Binnen enkele jaren zal het onderscheid tusschen verplichte
tuinen, monosoeko, soekasorangan, soekahati-tuinen en hoe die
tuinen nog anders heeten mogen, verdwenen zijn en zal er
geen sprake meer zijn van dwangcultuur.
De koffiecultuur zal dan allerwege zijn geworden eene volks-
cultuur onder leiding der ambtenaren van het Binnenlandsch
Bestuur.
Batavia, 5 April 1897.
-ocr page 136-
Bijlage.
Toelichtingen bij tien stunt I ontleend aan de
mij door de administrateurs dier onder-
nemingen verstrekte gegevens.
a.        Het terrein is zeer hellend en met zwaar bosch bekleed;
er worden 1600 boomen geplant por bouw; het koeli-
loon varieerde van 50 — 35 cent; het werd door mij bij
v de berekening van liet aantal dagen teruggebraebt tot
gemiddeld / 0.40.
b.        Het terrein is vlak of\' zacht hellend; in den kostenden
prijs voor een plantje is begrepen de prijs van de zaad-
koftie tegen f 100 de picol; er worden 1700 boomen
geplant per bouw en met poeterans uitgeplant; onder-
houd vruchtdragend plantsoen f 40 wanneer er niet ge-
topt wordt, anders / 50. Koelieloon 40 cent voor een
man en 25 voor eene vrouw.
c.         Ontginning en aanleg / 125 per bouw waaronder / 20
voor 2000 plantjes; in een dag kan een arbeider 40 boo-
men ondiep patjollen tegen 1 cent per boom.
d.        In de jonge tuinen wordt twee keer gepatjold en 10
keer gebabat en in de 4, 5 en 6 jarige tuinen wordt
10 keer gebabat en verder nog gevorkt; in oudere tuinen
8 keer gebabat; koelieloon 40 cent voor een man en 25
voor eene vrouw.
e.        Tegenwoordig wordt hier Liberia-koffie geplant; zie on-
der e in den staat II.
i. Zwaar bosch; geaccidenteerd. Kostprijs van een plantje
in een droog jaar als 1896 toen er voel begoten moest
worden 1\' /10 et; de kosten van ontginning en beplanting
komen op f 95.50 met inbegrip van inkoop van dadap-
stekken, diversen, wachthuisjes etc; loon voor een man
40 cent; voor vrouwen en kinderen 25 cent.
-ocr page 137-
— 131 —
Matig geaccidentcerd; middelmatig zwaar bosch, hier en
daar alang-alang.
Het terrein is vlak met zwaar bosch bekleed; plant-
kuilen van 2 voet in \'t kubiek.
Ieder plantje krijgt zijn eigen terrasje (kotaan); in \'t
eerste jaar wordt 2 maal gedangird en 7 maal gedjombret;
in \'t tweede en derde jaar 1 maal gepatjold, 9 maal
gedangird; in de 4,5 en 6 jarige tuinen 10 maal ge-
djombret, voorts wordt dan de kokersnoei toegepast: hier-
door stijgen de onkosten tot f 35.
Kosten per bouw van ontginning, terrasseering etc. f 141.50
met inbegrip van /\' 20 voor 2000 plantjes en f 5.50
voor aankoop piketten; plantwijdte G: 6 voet; onkosten
aan onderhoud het eerste jaar f 50 en het tweede jaar
f 45 en het derde en volgende jaren f 35— / 40 ; koelie-
loon mannen 40—50 et. en vrouwen 25—35 et. Plukloon
f 4- f 3.50.
Toelichtingen bjj den staat II.
Moeilijk te bewerken roode klei; terrein begroeid met
glagah en alang-alang; er wordt in de jonge tuinen 4 a,
5 maal per jaar gepatjold; in de vruchtdragende tuinen
wordt 5 maal gewied en eens gepatjold; het plukloon is
f 2.50 voor Java-koffie en f 3 i\\ f 3.50 voor Liberia-
koffie per picol droog.
De kosten der ontginning en beplanting zijn met inbe-
grip van de koffieplautjes f 48 50; het terrein is begroeid
met alang-alang, glagah of\' saliara; de kosten van onder-
houd zijn het eerste jaar f 36.—, het tweede jaar f 24—;
het derde jaar / 18 en het vierde jaar en volgende jaren
f 15.—; het plukloon voor Liberia-koffie is / 4.50 a ƒ5
en voor Java-koffie /5a,/ 5.50.
Terrein zoo goed als geheel vlak, met vrij zwaar bosch
begroeid.
Terrein matig hellend, hier en daar vlak; de begroeiing
bestaat meerendeels uit kreupelgewas waartusschen sengon;
-ocr page 138-
c yiyiï
— 132 —
op de licht beschaduwde plekken komt een grassoort voor
lainooran geheeten; de grond bestaat uit roodbruine klei,
niet te vast; de bovenlagen door humus donkerder
gekleurd. Gedurende het eerste jaar wordt 5 maal om
het boompje heen gedangird en 5 maal gebabat; het 2e jaar
wordt 4 maal gedangird om den boom en 4 maal gebabat;
het 3e jaar 2 maal gedangird en 4 maal gebabat; na het
derde jaar wordt slechts gebabat en nu en dan gedangird.
e.        Terrein sterk geaccidenteerd, roodbruine klei, de bo-
/,* venlaag iets donderder gekleurd. Liberia 12:12. Kosten
van ontginning en aanleg per bouw / 49.50 met inbegrip
van ƒ 5.— voor plantjes en f 5 voor dadap aankoop en
_^                                   planten. In het eerste jaar wordt eenmaal de aarde los
(\' / f 7 \'                                  gewerkt, 2 maal gedangird en 5 maal gebabat; het tweede
jaar evenzoo; het 3° jaar wordt twee maal gedangird en
L\\ift-\'\' /
                                     4 maal gebabat; in \'t oudere plantsoen wordt een maal
gedangird en 3 maal gebabat. Plukloon per pico! ƒ3.36.
Oogstcijfers in \'t 4e jaar £ picol per bouw; in hot 5ejaar
2 picol en het 63 jaar 5 en in het 8° jaar 10 picol per bouw.
f.        Terrein zeer hellend, lichte boschgrond ; plantbekleeding
zware Lantana en hier en daar nog enkele woudboomen,
bamboestoelen en glagah; tuin onderhoud in de 3 eerste
jaren 5 malen patjollen; in het 4—6 jaar 4 malen patjollen
en 2 malen wieden of\' babattcn; later eenmaal \'s jaars
goed diep patjollen.
Arbeidsloon voor mannen 27 ets; voor vrouwen 15 ets
en voor kinderen boven de 10 jaren 10 ets.
g.        Ontginningskosten f 50.50 met inbegrip van f 7.50
voor 500 koffieplantjes.
Onderhoud: schoonmaken 8 keer in \'t jaar in de eerste
2 jaren; 6 keer in het derde jaar en later, tot dat de
boomen zoo groot geworden zijn, dat zij een aanééngeslo-
ten aanplant vormen; alsdan kan worden volstaan met
twee keer babatten, eens tegen den regenmoesson en eens
bij het einde van den westmoesson.
u
a&