-ocr page 1-
BEKNOPTE GESCHIEDENIS
VAN DB S^
IJS
D
VOORAL IN NEDERLAND,
•~ * M. \'uk        ^            . - \' --
-ocr page 2-
h>w )offi?
-ocr page 3-
.Uni\\              L recht
BIBLIOTHEEKCENTRUM UITHOF
-PA
-ocr page 4-
•
.
-ocr page 5-
<
A l
>
ó
Schar}fffng            "*Q -L
J- H. GUfWf7r \\y/
<3
BEKNOPTE GESCHIEDENIS K^itf
VAN DE
II1
ET
E
tl
ü
lu
V X
VOORAL IN NEDERLAND,
Ü\' • • • . • •. • . - -, ...%.*
... --. - • \'.. .....^-i il
BI3UOTHEEK CENTRUM UITHOF
DOOR
Paedagornsch
Inèhtuul
"frl
p\'d R\'\'1-c:\':r;:vc:-jiieit
UTRFCH 1
f
ERSLUYS,
• UTRECHT
A06000016453072B
1645 3072
TWEEDE DRUK.
BIBLIOTHEEK DER
•je ^
RIJKSUNIVERSITEIT
.: .pedagogisch Instituut li-^fCHT
\' ly*\' a/^ Rijksuniversiteit _,____-------------
.v^              te UTRECH1.
AMSTERDAM. — 1891. — W. VERSLUYS.
-ocr page 6-
7-
VOORREDE VOOR DEN TWEEDEN DRUK.
Op verschillende plaatsen zijn kleine verbeteringen aangebracht
naar aanleiding van inmiddels verschenen opstellen of werken.
Ook heb ik het boek hier en daar eenigszins bekort, terwijl aan
het einde de gebeurtenissen der laatste jaren eenige uitbreiding
noodig maakten.
April 1891.                                          J. VERSLUYS.
Gedrukt bij Gebroeders Hoitsema te Groningen.
-ocr page 7-
DE CHINEcZEN.
Het Chineesche rijk, dat anderhalfmaal zoo groot is als Europa en
nu meer dan 400 millioen inwoners telt, staat onder een onbeperkten
heerscher. Eeuwen vóór Europa was het groote rijk reeds beschaafd.
Zijn bewoners hebben vóór de Europeanen de schilderkunst beoefend,
het buskruit, de boekdrukkunst, en het kompas uitgevonden. Reeds
voor 4000 jaar deden zij sterrekundige waarnemingen. Tot een letter-
schrift zijn ze echter niet gekomen. Intusschen is hun letterkunde zeer
omvangrijk en tevens van hoog belang. Onder hun werken staan de
zedekundige bovenaan. De oudste van deze vormen hun 5 heilige
boeken of klassieken. Ze zijn door Confucius (550 v. C.) gedeeltelijk
verzameld en gedeeltelijk zelfgeschreven. Bovendien zijn er 4 boeken,
welke de lessen van Confucius en een zijner latere volgelingen, Mencius
(300 v. C), bevatten en door hun leerlingen zijn vervaardigd.
De heilige boeken bevatten ook geschiedenis en een zeer groote
reeks voorschriften omtrent het gedrag en de houding bij allerlei ge-
legenheden en onder allerlei omstandigheden; maar de hoofdzaak is
toch de moraal. Deze is edel en door en door praktisch. De werken
van Confucius en Mencius vormen nu nog de voornaamste leerstof der
Chineesche scholen, en de zedeleer van Confucius wordt aangehangen
door de beschaafde Chineezen.
Confucius leefde in een tijd, dat welvaart en zeden zeer vervallen
waren. Hij wenschte den vroegeren toestand terug, die werkelijk in
vele opzichten zeer goed was. Vooral in nijverheid waren ze bij de
meeste of alle andere volken ver vooruit. Men kan dus begrijpen, dat
de Chineezen tevreden waren met hetgeen zij bezaten en steeds meer
op het gouden tijdperk, dat vervlogen was , of op den toestand van het
oogenblik gelet hebben, dan op mogelijke nieuwe verbeteringen. Dit
is zoo ver gegaan, dat men van China kan zeggen, dat de bestaande
instellingen voor het grootste deel 25 eeuwen oud zijn. Ook hun
onderwijs heeft weinig of geen verandering ondergaan, en wanneer
we zeggen, hoe het voor 22 eeuwen was ingericht, dan weet men
ook in hoofdzaak, hoe het nu is.
Ten allen tijde heeft men in China het grootste gewicht gehecht aan
de opvoeding en het onderwijs. Gehoorzaamheid aan de ouders wordt
-ocr page 8-
4
den kinderen van alle zijden ingeprent en de wetten bevorderen haar.
De toestand der vrouw is echter in China bijna die van een slavin. Zij
is in alles ondergeschikt aan den man, die haar koopt. Het onderwijs
der meisjes wordt verwaarloosd. In de gegoede standen worden reeds
in de jeugd de voeten der meisjes misvormd, om haar geheel aan het
huis te binden. In de lagere standen moet de vrouw hard werken
voor den man. De Chinees mag bijwijven hebben, al staan de kinde-
ren van deze eenigszins achter bij die van zijn gewone vrouw.
De vader heeft een onbeperkt recht over zijn kinderen, zoolang ze
leven. Het te vondeling leggen en verkoopen, dat wel voorkomt, is
dan ook niet strafbaar. Het verkoopen der kinderen door arme ouders
wordt niet als schadelijk voor de kinderen beschouwd, omdat deze toch
niet als slaven maar als leden van het nieuwe gezin worden behandeld.
Ook schijnt dit feit juist daardoor niet in strijd te zijn met de groote
liefde voor hun kinderen, die men algemeen aan de Chineezen toekent.
De onderwijzers worden, ofschoon hun jaarwedden niet hoog zijn,
algemeen geacht. Men behoeft geen examen af te leggen of vergun-
ning te vragen om onderwijs te mogen geven. Alles wordt in dit
opzicht overgelaten aan de ouders en de onderwijzers, die zich steeds
in voldoend getal aanbieden. Rijke lieden hebben dikwijls een huis-
onderwijzer. Andere onderwijzers hebben gewoonlijk 20 a 30 leerlingen,
die zij in een kamer van hun eigen huis of in een tempelzaal, of een
zaal aan de voorvaderen gewijd, onderrichten. De inrichting van zulk
een school is zeer eenvoudig. De onderwijzer heeft een leuningstoel
en een tafel, en ieder kind moet zelf een schrijftafel en een stoel
meebrengen evenals de benoodigde leermiddelen.
Het eerste schoolboek begint met de noodzakelijkheid en de methoden
der opvoeding. Dan worden de kinderlijke en broederlijke plichten
ingeprent door regels en voorbeelden, en daarop volgt een overzicht
van de verschillende takken der kennis, naar een zekere getalorde;
aldus: de 3 groote machten (hemel, aarde en mensen), de 4 jaarge-
tijden en de windstreken, de 5 elementen (metaal, hout, water, vuur
en aarde), de 5 hoofddeugden, de 6 graansoorten, enz. Daarop vol-
gen regels voor een cursus van akademische studiën met een opgave
van de te gebruiken boeken. Ten slotte bevat het een overzicht van
de Chineesche geschiedenis en een opgave der achtereenvolgende vor-
stenhuizen, die over China geheerscht hebben. De stof is blijkbaar
droog, en het doel is niet het verstand te oefenen, maar een voorraad
van kennis aan te brengen, die het verstand later kan verwerken en
die dan ook bij het voortgezette onderwijs wordt toegelicht.
De verdere leesboeken der lagere school zijn alle van zedekundigen
of historischen aard, en al spoedig volgen de werken van Confucius
en Mencius.
De leesleerwijze is de volgende. Ieder leerling en de onderwijzer
nemen het boek voor zich. Deze begint te lezen en de kinderen
spreken hem woord voor woord na, terwijl ze het oog onafgebroken
-ocr page 9-
5
op het boek gericht hebben en elk woord met den vinger aanwijzen.
Zoo wordt telkens slechts 1 regel gelezen en deze wordt herhaald ,
tot de leerlingen weten, hoe zij elk teeken moeten uitspreken. Daarop
gaan zij den regel van buiten leeren, wat allen hardop doen. Wie
den regel kent, gaat naar den onderwijzer, legt zijn boek voor dezen
neer, keert hem den rug toe en zegt zoo op.
Behalve het lezen wordt in de lagere school ook schrijven geleerd.
De kinderen krijgen een voorbeeld, dat aanvankelijk slechts eenvou-
dige teekens bevat en langzamerhand meer samengestelde. Die voor-
beelden worden door den leerling onder zijn papier gelegd, dat
doorzichtig genoeg is om hem in staat te stellen de letters met het
penseel na te teekenen. Is hij geoefend in dat nateekenen, dan legt
hij de voorbeelden naast zijn papier.
Andere leervakken worden op de lagere school niet onderwezen,
zoodat zij in hooge mate eenzijdig is, terwijl het onderwijs geheel
werktuiglijk is. Tot zulk een school beperkt zich het onderwijs der
meeste Chineezen. Lagere scholen zijn er echter sinds eeuwen een
bijzonder groot aantal geweest in China, en tot op den huidigen
dag kan men waarschijnlijk zeegen, dat in geen land ter wereld
het onderwijs in lezen, schrijven en goede manieren zoo algemeen
is als in China.
Wie zich verder aan de studie zvijdt, krijgt een grondige verkla-
ring van de klassieke werken en wordt geoefend in het maken van
opstellen en verzen. Dit geschiedt door geëxamineerde leeraren. Als
zoo iemand een goeden naam heeft, zijn er spoedig een groot aantal
jongelieden, die zich onder zijn leiding voorbereiden tot een exa-
men. Dergelijke gelegenheden zijn er vele, zoowel op het platteland
als in de steden. Om zich een vloeienden stijl en sierlijkheid in
het samenstellen van een opstel eigen te maken , leeren de jongelie-
den een groot aantal opstellen van buiten , die afkomstig zijn van
beroemde geleerden.
Sedert ongeveer 12 eeuwen bestaat in China een uitgebreid stelsel
van openbare examens. Deze zijn tot in de kleinste bijzonderheden
geregeld. Ze duren dagen achtereen en zijn geheel van letterkundigen
aard. Wie er een voldoend aantal van aflegt, wordt spoedig benoemd
tot staatsambtenaar. Met het volste recht kan men zeggen, dat ge-
leerde en staatsambtenaar één zijn in China. Op die wijze kan iedereen
er opklimmen tot de hoogste rangen in staat en maatschappij.
Bij de examens wordt de billijkheid streng betracht, en ofschoon er
van de zijde der kandidaten wel eens omkooperij der bedienden of van
de zijde der examinatoren begunstiging plaats heeft, het verkeerde,
dat aan den dag komt, wordt streng gestraft. Zoo werd in 1850 te
Peking openlijk een hoog staatsambtenaar onthoofd, omdat hij als
examinator iemand onverdiend had begunstigd.
De strenge afsluiting, die China tegenover het buitenland in acht
neemt, is in de laatste jaren wel iets verminderd en dit geldt ook voor
-ocr page 10-
R
het onderwijs. In 1866 is te Peking een werkplaats voor machinerie
gesticht en aan de officieren te Peking is bevolen, zich daar te onder-
richten. In 1867 is in de zeeprovincie Futschien een polytechnische
school opgericht, waarin jonge Chineezen van goeden aanleg worden
opgeleid tot werktuigkundige. Het onderwijs wordt door buitenlanders
gegeven. Eindelijk werden in 1868 belangrijke sommen toegestaan
voor de oprichting eener groote universiteit te Peking. Dit had groote
bezwaren in, omdat men hierbij niet alleen vreemdelingen moest aan-
nemen als onderwijzer, maar ook inbreuk maken op de voorrechten,
die tot dusverre uitsluitend door de geleerden, die de gewone examens
gedaan hadden, werden genoten.
Naast de „wetenschappelijke zaken" worden nog onderwezen de
volgende „zes schoone kunsten" : manieren, muziek, boogschieten,
wagenmennen, schrijven en rekenen. In het statuut der oprichting
wordt nadrukkelijk gezegd, dat het verkeerd geweest is, rekenen en
sterrekunde te verwaarloozen. Het is te hopen, dat deze uitspraak
een algemeene overtuiging wordt en dat ook het lager onderwijs er
de vruchten van plukken zal. Vooral zou de jeugd veel gebaat
worden, als men in China het letterschrift invoerde.
De Japanners.
De beschaving der Japanners komt in vele opzichten overeen met die
van hun naburen. Ze zijn leergierig en vlijtig. Hun nijverheid is goed
ontwikkeld en hun letterkunde is rijk. Tot in den laatsten tijd echter
waren de openbare scholen uitsluitend bestemd voor de aanzienlijken.
Kooplieden , landbouwers, handwerkslieden en gewone arbeiders moes-
ten zich zei ven helpen, wat ze veelal deden. Sedert 1868 is die toe-
stand veel verbeterd. De openbare scholen zijn voor iedereen toegan-
kelijk gesteld en hun aantal is uitgebreid. In 1872 werd de eerste
meisjesschool geopend en die is door vele andere gevolgd. Ook laat
men Europeesche leerboeken in het Japansch vertalen.
De Indiërs.
Ongeveer twee duizend jaren vóór den aanvang onzer tijdrekening
trok een deel van den Indo-Germaanschen volksstam, die in de berg-
landen van Iran woonde, naar Voor-Indië, onderwierp de bewoners van
dit land en stichtte eene orde van zaken, die in vele opzichten gerui-
men tijd heeft stand gehouden en nu nog gedeeltelijk voortbestaat.
Als een gevolg van de verovering werden de vroegere bewoners met
de overwinnaars in 4 erfelijke afdeelingen of kasten gesplitst. De kaste
der Brahmanen, die de priesters en alle geleerden, waaronder ook
de onderwijzers, bevat, wordt als de voornaamste beschouwd. Dan
-ocr page 11-
7
volgt de kaste der krijgslieden. In de derde plaats komen de land-
bouwers en kooplieden, terwijl de vierde kaste wordt gevormd door
de overige arbeiders, bedienden enz. Onder den naam van paria\'s
treft men ook nog afstammelingen van de oorspronkelijke bewoners
aan, die niet opgenomen zijn in de nieuwe orde van zaken en als
onrein, als verworpelingen worden beschouwd.
De vrouwen zijn onderworpen aan den man en worden niet hoog
gesteld. Het meest zijn ze nog in aanzien als moeder, en de Brahmaan
leert zelfs, dat zoo vroeg mogelijk trouwen een eerste plicht is. Veel-
wijverij is geoorloofd. Om de reinheid der vrouw te bewaren, wordt
aan het meisje in het algemeen onderwijs onthouden. Maar de dan-
seressen en de bajaderen ontvangen onderwijs en worden stelselmatig
tot kokette wezens gevormd. Bajaderen zijn zoogenaamde tempel-
dienaressen en worden aangekocht van arme ouders.
De omvang van het onderivijs verschilt naar de kaste, waartoe de
kinderen behooren. De kinderen der Brahmanen ontvangen als be-
dienaren van den godsdienst, als toekomstige vertegenwoordigers van
kunsten en wetenschappen , als raadgevers der vorsten, als rechters
of artsen een zeer uitgebreid onderwijs. Bij voorkeur laat men hen
den geheelen kring der kennis van de Hindoes beoefenen. — In de
kaste der krijgslieden ontvangen de kinderen onderwijs in lezen, schrij-
ven en rekenen en in lichaamsoefeningen, die ten doel hebben grooter
geschiktheid voor den lateren werkkring te doen verkrijgen. — In
de derde kaste ontvangen de kinderen ook onderwijs in lezen , schrij-
ven, rekenen en kennis van den landbouw. De tweede en derde
kaste mogen de heilige boeken lezen, maar slechts onder leiding van
een priester. — Slechts zeer weinig kinderen van de vierde kaste
ontvangen onderwijs.
Het onderwijs is geheel in handen der priesterkaste. Deze ontvangt
geen schoolgeld, wat als vernederend zou beschouwd worden, maar
wel geschenken. Het kind is de diepste gehoorzaamheid schuldig aan
zijn ouders; maar hij moet meer eerbied hebben voor zijn onderwij-
zer of geestelijken vader.
Over het geheele land der Hindoes vindt men scholen en men kan
niet zeggen, dat de priesters het lager onderwijs hebben verwaarloosd.
Daar het onderwijs in handen der priesterkaste is, bestaat een vrij
groot deel van alle onderricht in godsdienstonderwijs. De andere vak-
ken der lagere school zijn lezen, schrijven en rekenen. De onderwijzer
met een staf in de hand en een helper, die de roede vasthoudt, geven
onderwijs in de schaduw der boomen of bij slecht weder onder een
afdak. Het schrijven, dat nauw verbonden wordt met het leesonder-
wijs, geschiedt eerst in het zand, daarna op palmbladeren met ijzeren
griffels, en vervolgens op plataanbladeren met inkt. De kinderen
overhooren elkaar wederkeerig de lessen, de ouderen helpen de jonge-
ren voort, kortom men heeft hier, en wel voor het eerst, een soort
van wederkeerig onderwijs.
-ocr page 12-
s
De tucht is overeenkomstig den aard der Hindoes zacht.
Neemt men in aanmerking, dat de Hindoes op de lagere school
rekenen onderwijzen en overigens niet alleen den godsdienst inprenten ,
maar vooral ook opleiden tot een bepaald beroep, dan mag men niet
zeggen, dat zij op het gebied der school onpraktisch zijn. De gewone
tegenstelling van Hindoes en Chineezen geldt dan ook niet voor de
school, maar wel in menig ander opzicht.
Bijna 600 v. C. werd Boeddha in Hindostan de stichter van een
nieuwen godsdienst: het boeddhisme. Dit is in vele opzichten een
stelselmatige voortzetting van de leer der Brahmanen. De geringschat-
ting voor al wat aardsch is, de onderdrukking van alle menschelijke
wenschen en begeerten , wordt hier ten toppunt gevoerd. Een zalig
niet-zijn is het begeerlijkste lot. Een kloosterachtig leven wordt als
zeer deugdzaam beschouwd.
Tegenwoordig ondervinden de Hindoes vooral den invloed der
Engelsche maatschappij. Zij komen in aanraking met Europeesche
beschaving en bezoeken voor een deel ook scholen, die door de
Engelschen gesticht zijn.
De Perzen.
De Meden en Perzen zijn verwant aan de Hindoes. Evenals deze
hebben zij hun gemeenschappelijk vaderland verlaten, om zich in
een nieuwe landstreek zelfstandig te ontwikkelen. Oorspronkelijk
zagen zij evenals de oude Hindoes in de natuurverschijnselen de
uitingen van goede en booze machten. Deze beschouwingen werden
door Zoroaster ontwikkeld tot een leer, volgens welke de heer-
schappij der wereld verdeeld was tusschen een god van het goede,
met het licht als zinnebeeld, en een god van het kwade, wiens
zinnebeeld de duisternis was. Het was de plicht van den mensch,
den god des lichts te ondersteunen, en zoodoende de overwinning te
bespoedigen, die hij ten slotte op zijn tegenstander zou behalen. Üver
het geheel was er in de Perzen, die onder Cyrus de overhand kregen
op de Meden en andere aangrenzende volken, een streven naar
vooruitgang, dat onder gunstige omstandigheden veel goeds had kun-
nen uitwerken.
Maar in de eerste plaats hadden de Perzen met bijna alle Oostersche
volken de overtuiging gemeen, dat de vrouw niet behoort ontwikkeld
te worden. In de tweede plaats was Perzië een despotieke staat. Aan
de opvoeding van de lagere volksklassen kon weinig of niets gedaan
worden. Deze moesten hard werken, om te voorzien in eigen on-
derhoud en de groote behoeften der voornamen. Een afscheiding in
Kasten was er niet; maar er bestond niettemin een groote klove
tusschen aanzienlijken en geringen.
Om veel soldaten te krijgen, was het wenschelijk, dat jongens en
-ocr page 13-
9
meisjes zoo vroeg mogelijk trouwden. De aanzienlijke Perzen had-
den eenige gewone vrouwen benevens een aantal bijwijven.
De kinderen van de geringen ontvingen natuurlijk weinig opvoeding
en geen onderwijs. Ook bij de kinderen der aanzienlijken was weinig
of niet sprake van onderwijs in den gewonen zin. Tot hun zevende
jaar bleven zij te huis onder de leiding der moeder of van andere vrou-
wen. Daarna kregen ze van de priesters onderwijs in den gods-
dienst en werden ze opgeleid voor den krijg. Van onderwijs in
lezen, schrijven of muziek schijnt geen sprake geweest te zijn, zoo-
dat de lichamelijke opvoeding wel als de hoofdzaak zal mogen be-
schouwd worden.
De tucht was zacht bij de Perzen. In den bloeitijd van het Perzi-
sche rijk was er aan het hof een school voor de jonge prinsen en de
knapen der aanzienlijkste!! van den lande. Dit schijnt echter van
korten duur geweest te zijn, evenals de geheele bloeitijd der Perzen.
Er was al vroeg strijd tusschen een flinke opvoeding van de Perzen
en een weekelijke van de Meden. Reeds onder Cyrus moest de oud-
Perzische opvoeding gedeeltelijk plaats maken voor de Medische.
Vooral het hof gaf daarin een slecht voorbeeld. En dit is waarschijnlijk
de reden, dat het Perzische Rijk ten onder ging. Ook bij de Perzen
werd de verstandsopvoeding geheel verwaarloosd. En hun heilig
boek handelt alleen over de opvoeding der priesters.
De Egyptenaren.
De Nijl maakt Egypte voor een deel zeer vruchtbaar en stelde de
bewoners van dit land op die wijze in staat, tot een vrij hooge wei-
vaart te komen. De verschijnselen, die de Nijl opleverde, de maat-
regelen , waartoe hij de Egyptenaren noodzaakte, maakten dezen al
spoedig tot een vrij ontwikkeld volk. Zij zijn een der eerste volke-
ren , die tot een vrij hoogen trap van beschaving kwamen. — De
priesters vormden 1 der 4 kasten, waarin de Egyptenaren waren ver-
deeld. Dit aantal werd later uitgebreid tot 7. — De priesters waren
de vertegenwoordigers der wetenschap en als zoodanig hebben zij
ijverig gearbeid. In meer dan een opzicht zijn ze de leermeesters der
oude Grieken geweest. Maar ze zijn op zekere hoogte blijven staan
en spoedig overvleugeld door de Grieken. Het gezag van de priesters
over de lagere volksklassen was bijna onbeperkt groot.
De verdrukking van de lagere volksklassen was gewoonlijk zoo
^root, dat daar van geen onderwijs of van een eenigszins goede op-
voeding sprake kon zijn. In het algemeen had het oude Egypte de
groote lichtzijde, dat de vrouw er zeer in aanzien stond, dat het
huisgezin er dus, waar de omstandigheden het toelieten, een vrij ge-
zonde omgeving vormde. Ook voor de jeugd waren de omringende
natuurverschijnselen en de scheepvaart, waartoe de Nijl aanleiding
-ocr page 14-
10
gaf, zeer leerzaam, zeer geschikt, om de opmerkingsgave te ont-
wikkelen en de denkkracht te wekken.
De jeugd werd vrij streng behandeld en ook in andere opzichten
was de Egyptische geest weinig geneigd tot zachtheid. Dit had de
heilzame uitwerking, dat de verhouding der beide geslachten er beter
was dan in de meeste overige landen der oudheid.
Het onderwijs was hoofdzakelijk bestemd voor de priesterkaste,
maar ook de krijgslieden maakten er veel gebruik van. Het was uit-
sluitend in handen der priesters, die bloeiende wetenschappelijke scho-
len hadden te Thebe, Memphis en Heliopolis. Deze inrichtingen waren
in twee afdeelingen gescheiden, waarvan de eene bestemd was voor
de oningewijden en de andere voor de ingewijden. Gewoonlijk wer-
den slechts de zonen uit de priesterkaste toegelaten tot de afdeeling
der ingewijden. De leervakken waren godsdienst, lezen , schrijven,
taal, rekenkunde, meetkunde, sterrekunde, natuurkunde en muziek.
Deze was hoofdzakelijk bestemd voor godsdienstige doeleinden.
Tegenover nieuwigheden en vreemdelingen was men in Egypte
vijandig gezind, en er is waarschijnlijk weinig of geen verandering
in het onderwijs gekomen gedurende de duizend jaren, die vooraf-
gingen aan koning Psammetichus (670—616). Deze vorst sloot ver-
bonden met Grieksche Staten en de Phoenicicrs. Hij gafaanvreem-
delingen vergunning, zich in Egypte te vestigen en liet zelfs zijn
eigen zonen Grieksch leeren. Toen leerden ook voor het eerst andere
Egyptenaren een vreemde taal.
Na de verovering van Egypte door Alexander de Groote en het
stichten van de naar hem genoemde stad. werd deze een middelpunt
van beschaving en geleerdheid. Ook het onderwijs en de opvoeding
ondervonden toen den invloed van het buitenland. Tegelijk maakte
de vroegere strengheid plaats voor weelde, en in dit opzicht gaf
Alexandrië met haar vele vreemdelingen het voorbeeld.
Verder werd in Egypte de beoefening der kunsten en wetenschappen
zeer bevorderd door de Ptolemeën. Omstreeks 322 v. C. werd te
Alexandrië een koninklijk paleis ingericht tot museum. Hierin werd
huisvesting geschonken aan de Grieksche geleerden, die naar Egypte
kwamen en zij gaven en kregen er tevens onderwijs in den vorm van
samenspraken. Dit is de oorsprong van de zoo beroemd geworden
Alexandrijnsche boekerij en school. De inrichting bloeide zeer van
232—3° v- C. Toen in dit jaar Egypte een Romeinsche provincie
werd, geraakte zij op den achtergrond, om later weer te verrijzen als
de voornaamste kampplaats van Heidenen en Christenen en als Chris-
telijke kweekschool.
De Israëlieten.
Iii het aartsvaderlijk tijdvak, toen veelwijverij nog geoorloofd was,
werd de opvoeding bijna geheel aan de omstandigheden overgelaten.
-ocr page 15-
11
In een volgend tijdperk bleef de veelwijverij beperkt tot de koningen
en werd de toestand van het huisgezin verbeterd. De verhouding
van beide geslachten was al spoedig beter clan bij de omliggende
volken, zonder daarom geheel zuiver te zijn. Bij de geboorte was
een knaap meer welkom dan een meisje; de vrouw werd geërbiedigd
maar was de mindere van den man. Zelfs dankte een Israëliet dage-
lijks God, dat deze hem niet tot een vrouw had geschapen; en dit
schijnt nog bij de tegenwoordige joden te geschieden.
Van onderwijs in lezen en schrijven was voor den tijd van Mozes
geen sprake. De eerbied van de kinderen voor de ouders werd telkens
ingeprent. Even als de godsvereering van den Israëliet op vrees
berustte, steunde ook de huiselijke opvoeding op hetzelfde beginsel.
Stok en roede werden niet spaarzaam gebruikt. Arme ouders moch-
ten, als zij gebrek hadden, hun kinderen verkoopen en de macht
van den vader was vrij onbeperkt tot aan het huwelijk der kinderen.
Hij huwelijkte zijn dochter en dikwijls ook zijn zoon uit naar eigen
verkiezing. De moeder had daarbij aanvankelijk geen invloed. Het
werd bij de Israëlieten als een zeer begeerlijke zaak beschouwd,
veel kinderen te hebben.
Het onderwijs, dat aan kinderen gegeven werd, was vooral van
godsdienstigen aard en omvatte daarbij tevens de geschiedenis van
het joodsche volk. Gezang en dans werden vooral door de meisjes
beoefend en dienden tot verheerlijking van Jehova. Overigens ont-
vingen de meisjes weinig onderwijs. Te huis leerden zij van de
moeder de gewone huislijke bezigheden. De jongens werden door
den vader in een handwerk of den landbouw geoefend. Van hun
twintigste jaar af waren de mannen weerplichtig, en tegen dien tijd
werden zij in den wapenhandel geoefend.
Wanneer voor het eerst lezen en schrijven werd onderwezen, is
niet bekend. Meer algemeen werd het lezen en schrijven, nadat
David zijn psalmen gedicht en Salomo zijn hooglied en de spreuken
had geschreven.
Het zingen werd zeer bevorderd door koning David, die 4000
Levieten tot zangers aanstelde.
Na Salomo had verval plaats , dat zijn toppunt bereikte in de Ba-
belsche gevangenisschap. Na den terugkeer hieruit werd goede zorg
besteed aan het mondeling onderwijs in den godsdienst.
Intusschen bleef het lager onderwijs nog steeds huis on derwijs, dat
zonder twijfel werktuiglijk werd gegeven.
Het voortgezet onderwijs, dat langzamerhand muziek , schrijven ,
dichtkunst, heelkunde, eenige wijsbegeerte en een grondiger kennis
van de schrift en van de wetten in het bijzonder omvatte, werd soms
aan zonen van rijke ouders door een priester of een huisonderwijzer
gegeven. De kinderen van de profeten en priesters ontvingen derge-
lijk onderwijs echter in de profetenscholen, die ten tijde van Samuel
reeds bestonden, maar eerst door zijn toedoen tot bloei geraakten. Ze,
-ocr page 16-
12
werden hoofdzakelijk bezocht door jongelieden, die soms ten getale
van eenige honderden samenwoonden met de onderwijzers. De pro-
fetenscholen waren bijzondere inrichtingen.
De eerste kinderschool schijnt kort voor de verwoesting van Jeruza-
lem opgericht te zijn, en spoedig werd door toedoen der priesters de
overtuiging algemeen, dat iemand het eeuwige leven niet deelachtig
kon worden, als hij zijn kinderen niet liet onderwijzen. Op allerlei
dorpen kreeg men dus lagere scholen. De onderwijzer moest de leer-
lingen vrees inboezemen, maar tevens vriendelijk zijn. Het schoolgeld
werd niet betaald om de moeite van het onderwijzen, maar wegens
tijdverlies. De onderwijzer oefende veelal tevens een ander beroep
uit, maar stond in elk geval in vrij hoog aanzien. Het schoolonderwijs
was grootendeels van godsdiensten aard, maar bij het voortgezette
onderwijs werd dikwijls ook Grieksch onderwezen. Dit bleef eeuwen
lang zoo, ondanks de herhaalde protesten van geleerde rabbijnen.
Rabbijnen richtten dikwijls zelf scholen op, die hoofdzakelijk of uit-
sluitend voor het verdere onderwijs dienden. Dergelijke rabbijnenscho-
len
had men nog in de middeleeuwen, en ten allen tijde waren er,
die een zekeren roem genoten. Ze waren aanvankelijk uitsluitend
bijzondere inrichtingen. Zulk een school geraakte, als een geleerde
rabbi aan het hoofd stond, dikwijls tot grooten bloei. Gerechtshoven
riepen dikwijls de meening in van beroemde scholen; zoo kregen de
rabbijnenscholen geheel het karakter van openbare inrichtingen, en
de oprichting er van werd gewoonlijk gesteund door alle mannen
van gezag.
Wis- en natuurkunde, geschiedenis en politiek waren buitengesloten
van de rabbijnenscholen. Die wetenschappen werden veracht en zoo-
veel mogelijk verboden. Godsdienst en Wetskennis waren de hoofd-
vakken. Daarbij bleef men aan de letter hangen of men zocht ge-
heimzinnigheden in de beteekenis van het gezegde. De leerlingen
deden niets dan toeluisteren, en als zij na jaren gehoord te hebben
ook spreken mochten, moesten zij beloven niets anders te leeren dan
wat zij van hun meester hadden gehoord.
De lichamelijke opvoeding is in den regel geheel verwaarloosd.
-ocr page 17-
DE GRIEKEN.
De Oude Grieken waren verwant aan de Hindoes en de Perzen.
Zij vormden een krachtigen stam met een opgewekte levensbeschou-
wing en een voortreffelijken aanleg. Vooral hun kunstgevoel was
fijn, en dit werd goed ontwikkeld, toen zij in Griekenland een der
heerlijkste streken van de aarde hadden getroffen. Dit land werd
door hen veroverd en daarbij maakten zij de oude bevolking tot
slaven, die voor hen het meeste werk moesten verrichten. Zoodoende
konden zij zich zelven geheel wijden aan de ontwikkeling van den
krijgsman of den mensen, waarbij zij het in zeer korten tijd tot een
aanzienlijke hoogte hebben gebracht. De snelle vorderingen, die zij
daarbij maakten, moeten wel voor een deel worden toegeschreven
aan den aanleg, maar niet minder aan de wijze, waarop zij dien
aanleg hebben ontwikkeld, aan den ijver, dien zij daarbij hebben
aan den dag gelegd, aan de samenwerking van alle omstandigheden
tot één doel.
De Grieken hadden een aantal goden met menschelijke eigenschap-
pen, ook met menschelijke gebreken. Deze verlangden niet, dat de
Grieken deugdzaam zouden zijn, maar eischten streng, dat hun de
noodige eer werd bewezen.
De vrouw stond over het algemeen niet in aanzien. De macht van
den vader over vrouw en kroost was zeer groot. Misvormde kinderen
werden in den regel ter dood gebracht. Wie meer kinderen kreeg
dan hem aangenaam was of clan hij volgens zijn stand kon opvoeden,
schroomde somtijds niet ze te vondeling te leggen of te dooden.
Daaraan maakten niet alleen arme maar ook welgestelde ouders zich
schuldig. Toch wist men, dat de kinderen, die te vondeling gelegd
werden, in den regel slaaf werden of de ontucht moesten dienen;
zoodat het dooden minder erg was dan het te vondeling leggen.
Thebe is de eenige Grieksche staat, waarvan men weet, dat het aan
de ouders verboden was, hun kinderen te dooden of als vondeling
neer te leggen. Was iemand echter zoo arm, dat hij meende niet
in staat te zijn, om zijn jonggeborene op te voeden, dan kon hij
het bij de overheid brengen, die het als slaaf verkocht. Reeds in
het heldentijdvak der Grieken werden de kinderen van aanzienlijken
gevoed door een min, en dit is later meer algemeen geworden.
Over het geheel was er een sterke neiging, om de verzorging en
opvoeding der kinderen over te laten aan bedienden of slaven. Uit
-ocr page 18-
14
den mond van dezen of van de ouders zelven kregen de kleinen
hun eerste geestelijk voedsel in den vorm van verhaaltjes, die ge-
woonlijk aan de godenleer waren ontleend. In den regel waren,
door de vele gebreken der goden, die verhaaltjes niet bevorderlijk
aan de goede zeden. Maar ook de fabelen van Aesopus waren zeer
geliefd, en deze hebben een gezonden inhoud. De kinderspelen wa-
ren zeer talrijk en voor een groot deel dezelfde als bij ons. Dat de
ouders plichten hebben tegenover hun kinderen, is door de Grieken
nooit begrepen. Aan den anderen kant hadden zij een levendig besef
van hun verplichtingen tegenover den staat. Men voedde de kinde-
ren veeleer op ter wille van den staat dan om hunszelfs wille.
Reeds in het heldentijdvak der Grieken werd groote waarde gehecht
aan de opvoeding. Men verlangde in de kinderen gehoorzaamheid
aan de ouders en eerbied tegenover rijperen van jaren. De vader
moest door lessen en voorbeeld zijn zoon opleiden tot dapperheid en
eerbied voor de goden. Bescheidenheid werd als een groote deugd
beschouwd in kinderen, wat te meer opmerking verdient, omdat de
volwassen Grieken zeer geneigd waren tot pochen. Bij den knaap was
de opvoeding in hoofdzaak van lichamelijken en godsdienstige;\', aard.
Langzamerhand echter werd de opvoeding uitgebreid, en zoover
de geschiedenis reikt, zien we daarbij hoofdzakelijk 2 richtingen. De
eene wordt vertegenwoordigd door Sparta, de andere door Athene.
S p a r t a.
Onder den Dorischen volksstam treden de Spartanen het meest op
den voorgrond. Zij stonden in beschaving waarschijnlijk beneden het
volk, dat zij in Lakonië onder het juk brachten, maar muntten bo-
ven dit uit in dapperheid. Hierdoor konden zij met een geringer
aantal meesters worden. Maar het heeft lang geduurd eer de over-
winning vo komen was, en elke verslapping bij de heerschers zou
waarschijnlijk hun verdrijving door de oude bewoners ten gevolge
hebben gehad. Zoo was dan ook algemeene krijgsdienst bij Sparta-
nen de hoofdvoorwaarde van hun bestaan en hierop is , zoo ver de
geschiedenis spreekt, de staatsinrichting van Sparta altijd gegrond
geweest.
De verschillende gebruiken en wetten der Spartanen werden waar-
schijnlijk omstreeks het begin van de negende eeuw voor onze jaar-
telling tot een geheel vereer\' 1, aangevuld en verscherpt door den
wetgever Lykurgus. De grondslag van zijn wetten en hervormingen
lag in de opvoeding van de Spartanen in engeren zin, die tot den
Dorischen stam behoorden. Deze telden in den staat hoogstens 9000
gezinnen , omringd door meer clan 3maal zooveel Perioeci (omwo-
nenden) en een slavenbevolking van ten minste 250000 menschen.
Op die Dorische minderheid alleen hadden de wetten van Lykurgus
°aec         Fsch InsHfunf
\' -. ,-,,\\ [njl
-ocr page 19-
15
betrekking. Zijn hoofddoel was, de Spartanen tot de meest degelijke
krijgers te vormen, en daaraan werd alles ondergeschikt gemaakt of
zelfs opgeofferd. 9q ^
Van het zevomle tot het dertigste jaar was het mannelijk deel der
bevolking in de opvoedingsgestichten van den staat. Om sterke kinde-
ren te krijgen, werd als regel aangenomen, dat de man op zijn der-
tigste jaar zou trouwen met een gezonde sterke maagd. Monogamie
was geboden door de wet en werd ook stipt gehandhaafd. Maar de
innigheid van het huwelijk liet nog veel te wenschen over. Men besefte
het belang van de lichamelijke opvoeding der vrouw, en de meisjes
deden bijna naakt ongeveer dezelfde lichaamsoefeningen als de jongens.
Vooral bij de geboorte van een kind trad de ondergeschiktheid van
de burgers aan het algemeen belang op den voorgrond. De vader had
niet het recht te beslissen over de wenschelijkheid, dat zijn kind zou
blijven leven, maar moest dit overlaten aan personen, die daartoe
waren aangewezen. Was het gebrekkig of te zwak, dan werd het
in een afgrond geworpen.
Van den beginne af was de opvoeding ver van weekelijk. Men
begreep, dat het verkeerd was, de ledematen te beknellen in banden
of windsels. Aanvankelijk zoogden de Spartaansche moeders haar
kinderen zelf. Van den tijd der Perzische oorlogen af, namen de
aanzienlijksten ook wel een min uit den stand der Perioeci. Overi-
gens was de geheele opvoeding tot het zevende jaar overgelaten aan
de moeder; en het werd zelfs den vrijen burger onwaardig geacht,
zich voor dien tijd met zijne kinderen te bemoeien, ofschoon ook
hier de natuur wel eens boven de leer ging. De meisjes ontvingen
hun opvoeding hoofdzakelijk in huis.
Op hun zevende jaar verlieten de knapen het ouderlijk huis voor
een opvoedingsgesticht van den staat. Hierin werden de zoons van
alle vrije burgers, rijk of arm, opgenomen. Alleen de oudste zoon van
den koning bleef te huis. De leefwijze in zulk een gesticht was al
weer vrij streng. Het haar werd afgesneden; tot hun vijftiende jaar
sliepen ze op hooi en stroo zonder dek. Van hun vijftiende jaar af
sliepen ze op riet, dat ze zelf zonder mes van den oever der Eurotus
moesten halen. Zomer en winter liepen ze zonder schoenen en wa-
ren ze slechts licht gekleed. Hun eten en drinken was zeer eenvoudig
en nauwelijks voldoende. Maar ze mochten stelen, als ze slechts
zorgden niet ontdekt te worden. Bij ontdekking werden ze streng
gestraft. Sober eten en drinken wgrd wenschelijk geacht met het
oog op de ontberingen van den oor. , en vaardigheid in het stelen
werd een goede voorbereiding geacht tot krijgslist.
De opvoeding was hoofdzakelijk van lichamelijken aard. De cursus
duurde van het zevende tot het dertigste jaar. Op het. twaalfde en
achttiende jaar werd de tucht eenigszins strenger gemaakt. De kna-
pen werden in troepjes verdeeld, die hun lichaamsoefeningen en de
spelen verrichtten onder leiding van een der voortreffelijkste jonge-
-ocr page 20-
16
lingen. Deze had groot gezag over de knapen én i het recht om ze
lichamelijk te kastijden. Bij alle oefeningen en spelen der knapen
waren ook steeds ouderen tegenwoordig, om door hun bijzijn de
eerzucht te prikkelen. Al die oefeningen hadden aanvankelijk slechts
plaats op open ruimten. Eerst later verrezen bijgebouwen. Onge-
veer in de zevende eeuw v. C. stichtte men te Sparta eigenlijke
gymnastiek-scholen. Werktuigen had men daarbij niet.
De Spartanen beschouwden het vechten, loopen, springen, schijf-
werpen en speerwerpen als de hoofdbestanddeelen van hun lichaams-
oefeningen. Gezamenlijk vormden zij den vijf kamp, waarin zij uit-
inuntten boven de andere Hellenen, al moest een Spartaan in een
van die onderdeden gewoonlijk achterstaan bij een Griek, die zich
meer eenzijdig had ontwikkeld. Bij den vijfkamp kwamen nog het
zwemmen, het dansen en de jacht.
Oefeningen, die ten doel hadden, sommige onderdeden van het
lichaam onevenredig te versterken met het oog op de algemeene
wedstrijden, werden afgekeurd. Zoo vond men het verkeerd, de
beenen buitengewoon te versterken voor het loopen, of de schouders
voor het vuistvechten. De laatste oefening werd als doelloos ge-
vaarlijk afgekeurd, en ook het zwaardvechten was verboden te Sparta.
Terwijl dus de lichaamsoefeningen der Spartanen een vrij volledige
gymnastiek vormen, hadden zij geen bepaalde gymnastiek-onderwij-
zers. Ieder goed Spartaan was meester in al die oefeningen.
Groot gewicht hechtte men aan het harden der knapen. Jaarlijks
bij een feest werden zij gegeeseld. Wie het langst volhield zonder
klacht, werd als overwinnaar in den strijd beschouwd. Er zijn voor-
beelden bekend van knapen, die zich lieten doodslaan, zonder eenig
geschrei te hebben doen hooren.
Ook bij eenige gymnastische spelen hadden de jeugdige Spartanen
gelegenheid, hun harding aan den dag te leggen. Men leverde soms
volkomen veldslagen. De partijen streden zonder wapenen, maar
het gevecht was door het slaan, stooten, schoppen, bijten en krabben
zeer bloedig. De partij, die de andere in het water drong, behaalde
de overwinning, waarna onmiddellijk vrede wederkeerde.
Het in koor dansen werd bevorderlijk geacht aan de opleiding van
krijgslieden. Men beoefende niet alleen krijgsdansen maar ook andere.
De muziek was te Sparta zeer in aanzien; alle burgers namen
deel aan de koorzangen. Men was daarbij uit vrees voor verslap-
ping der strenge zeden zeer op eenvoudigheid gesteld. De lier mocht
niet meer dan 7 snaren hebben, en de muziek werd van overheids-
wege aan een streng toezicht onderworpen.
Lezen en schrijven werden te Sparta weinig beoefend. Ze waren
niet verboden maar maakten toch ook geen deel uit van de algemeene
opvoeding. De wetten des lands werden den jeugdigen Spartanen
mondeling ingeprent en moesten ook stipt door hen opgevolgd worden.
Bovendien waren de zangen van Homerus bij overlevering bekend.
-ocr page 21-
17
Treur- en blijspelen waren echter verboden te Sparta en redenaars
werden ook niet geduld. Men was er zeer op uit, met weinig woor-
den duidelijk en beslist te antwoorden. Hierom waren de Spartanen
beroemd, en in die kunst werden de knapen geoefend bij hun omgang
met de ouderen. In vele gevallen moest de jeugdige Spartaan het stil-
zwijgen bewaren en over het geheel eischte men in overeenstemming
met de geheele krijgstucht van hem gehoorzaamheid en bescheidenheid
tegenover ouderen en een stijve, bedaarde houding. Een jeugdig
Spartaan mocht in dit opzicht niet kinderlijk zijn.
Men kan dan ook niet zeggen, dat de zedelijke opvoeding der
jeugdige Spartanen werd verwaarloosd. Het gewennen aan ontberin-
gen kan zelfs een voortreffelijke leerschool zijn ten opzichte van de
deugd. Ook was de zoogenaamde knapenliefde der Grieken te Sparta
benuttigd voor de opvoeding. Het schoonheidsgevoel der Grieken
werd naar het schijnt eer geprikkeld door een schoongevormden knaap
dan door eene vrouw. Zoo had bijna elke Spartaan een knaap, dien
hij beminde, voor wiens vorming hij bijzonder zorg droeg en voor
wien hij in zekere mate zelfs verantwoordelijk was. Lafhartigheid of
een andere ondeugd van den knaap strekte ook tot schande van den
man, die hem beminde. In sommige Grieksche steden gaf zulk een
verhouding soms aanleiding tot walgelijke vergrijpen , maar in Sparta
schijnt dat niet het geval geweest te zijn.
Ook de vrije omgatig van knapen met meisjes had vormende
waarde. En dat zij wederkeerig hun lichaainsoefeningen bijwoonden,
die bijna naakt verricht werden, dat zij ook gemeenschappelijke gym-
nastische spelen en dansen hadden, heeft geen kwade gevolgen ge-
had. De zedelijkheid was te Sparta beter dan in de meeste andere
Grieksche staten.
Letten wij op de vruchten der Spartaansche opvoeding, dan zien
we, dat het doel van Lykurgus bereikt werd. De Spartanen waren
de beste soldaten van Griekenland. Toch moet ons oordeel over het
geheele stelsel zeer ongunstig zijn. Niet alleen dat slechts de adel
zorgvuldig werd opgevoed, maar ook bij dezen werd de mensch ge-
heel opgeofferd aan den soldaat. De ruwe wijze, waarop de licha-
melijke harding werd verkregen, moest een slechten invloed uitoefenen
op den geest. Langs dien weg moest de mensch verdierlijken. De
Spartaansche knapen, jongelingen en mannen waren zoo onderworpen
aan de tucht, als men het slechts kan verlangen van een soldaat. Dit
doel was echter bereikt door voortdurend streng toezicht en prikke-
ling van het eergevoel. Dit laatste werkte voor het beoogde doel
alleen sterk te Sparta. Daarbuiten was men wel zeer gesteld op dap-
perheid, maar men paste nergens het toezicht en de strengheid der
Spartanen toe. Het was den Spartanen op straffe des doods verboden,
zonder vergunning hun vaderland te verlaten. Zoodra dan ook een
Spartaan leefde onder hen, die zich vrijer bewogen, verwilderde hij;
hij stond dan in alle opzichten achter bij de inwoners der overige stam-
2
-ocr page 22-
18
men. Een Spartaan kon zich alleen te Sparta bewegen. Zoodra de
Spartaansche generaals het dal van den Eurotas hadden verlaten, ver-
dween gewoonlijk hun minachting voor weelde, die de geheele opvoe-
ding had aangekweekt; dan waren hun gouddorst en hun omkoop-
baarheid bijna ongeëvenaard in de geschiedenis. Na de onderwerping
van Athene, had Sparta de beste gelegenheid, die denkbaar is, om
hare meerderheid te toonen op een gunstige wijze; maar nooit is van
een schitterende gelegenheid grooter en ruwer misbruik gemaakt.
Sparta is in de eerste plaats leerzaam voor ons, omdat het ons
laat zien, hoe sterk de macht der opvoeding is, wanneer alle om-
standigheden bevorderlijk gemaakt worden aan het groote doel, wan-
neer er werkelijk eenheid en kracht heerscht bij de opvoeding. Maar
we zien er tevens uit, dat eenzijdigheid zich niet alleen moet tevre-
den stellen met een doel, dat minder verheven is, maar dat zelfs
zulk een doel niet duurzaam verkregen wordt.
De Atheners.
Het meest beschaafde deel van Griekenland was Attika met de
hoofdstad Athene. Het telde in zijn bloeitijd een half millioen inwo-
woners, waarvan ongeveer 4/5 slaven waren. Het klimaat was er
even gezond als te Sparta, en de lucht was te Athene helderder.
De geest der bevolking was in Attika tot vrijheid en vroolijkheid
geneigd. Wel was te Athene de staat ook onbeperkt meester over
de burgers, maar de wetten zelf ademden vrijheid ten opzichte van
de ontwikkeling dier burgers. Alleen was het hun niet vergund, de
opvoeding te verwaarloozen. Geschreven wetten dankte Athene aan
den wijze Solon, die 639 v. C. werd geboren. Hij schafte de voor-
rechten van den geboorteadel af en verdeelde de burgers naar hun
bezittingen in 4 klassen, waarvan de laagste werd gevormd door de
daglooners. Allen kregen aandeel in de regeering door het kiezen
der overheidspersonen, maar deze mochten slechts gekozen worden
uit de eerste 3 klassen.
Het huwelijk liet in Athene veel te wenschen over. Het meisje was
geheel aan het ouderlijk huis gehouden. Onderwijs daarbuiten ontving
ze niet. Ook de getrouwde vrouw verliet zelden het huis. Andere
mannen zag zij niet. Zij stond geheel onder voogdij van haar man, die
zoowel over haar als over de kinderen vrij willekeurig kon beschikken.
Kleine kinderen werden overgelaten aan de zorgen der moeder of
aan een min. Hiervoor had men gewoonlijk een slavin of een Spar-
taansche vrouw uit de klasse der omwonenden. De min werd na l
of 1 y2 jaar ook wel opgevolgd door een andere vrouw.
Als de knaap ongeveer 7 jaar was, kwam hij bij de rijkere fami-
liën onder de hoede van een pedagogos of knapenleider. Deze moest
het toezicht houden, als de knaap in huis was en hem naar en
-ocr page 23-
19
van de school begeleiden. Voor dit doel werd gewoonlijk een slaaf
gekozen, die niet zelden geheel onontwikkeld was en ongeschikt
voor ander werk. De knapenleider gaf geen onderwijs, behalve in
een goede houding en manieren.
De tucht werd te Athene op vrij strenge wijze gehandhaafd. Niet
alleen de ouders sloegen, maar ook de knapenleider en de onder-
wijzers hadden daartoe het volle recht. Van dat recht werd een
zeer ruim gebruik gemaakt. Aan jongelieden werd een zeer groote
vrijheid gegund.
Volgens de wet moest ieder kind van een burger gymnastiek en
muziek leeren, en in het eerst bleef het daarbij. Langzamerhand
echter werd dat uitgebreid, en in den bloeitijd van Athene, de vijfde
en vierde eeuw v. C., waren lezen en schrijven algemeen. Ook het
rekenen werd toen onderwezen.
Gewoonlijk gingen de knapen op hun zevende jaar naar een school.
Dit was een bijzondere inrichting. De staat oefende echter toezicht
uit op de zedelijkheid der onderwijzers. Ook was er een grens ge-
steld aan het getal der leerlingen, dat l onderwijzer mocht hebben.
Het gebouw, waarin lezen en schrijven werden onderwezen, was
gewoonlijk zeer eenvoudig. Soms was het niet eens goed afgesloten
en werd het onderwijs wel in de open lucht gegeven, op de straat
zelfs. — De onderwijzers stonden te Athene niet in aanzien en wer-
den slecht betaald.
Het lezen werd onderwezen volgens de spelmethode. Als leesstof
dienden de Grieksche dichters.
Het schrijven werd van minder belang geacht dan het lezen. Men
leerde het naar voorbeelden en later werden de werken der dichters
nageschreven. Tweeërlei letters had men natuurlijk niet.
Het rekenen werd minder algemeen onderwezen en werktuigelijk.
Daar men zich echter bij het onderwijs bediende van een rekenbord,
dat later in het dagelijksch leven dienst moest doen, was het reken-
onderwijs onwillekeurig eenigszins aanschouwelijk. Zulk een rekenbord
was door strepen verdeeld in afdeelingen, waarop men steentjes
legde. Men had een afdeeling voor eenen, een voor tienen, hon-
derden, enz. Ook had men twee afdeelingen voor breuken, die
veelal halven en kwarten moesten bevatten.
Die drie vakken vormen het lager onderwijs. Het werd gevolgd
door onderwijs in muzenkunsten. Hieronder verstond men muziek, en
alles wat op kunst in het algemeen betrekking had. Op een school,
die aan de muzenkunsten was gewijd , onderwees men in de eerste
plaats het zingen en het bespelen van de lier of de cither. Verder
werden de knapen daar onderricht omtrent versbouw en alles wat
maat en melodie betreft. Ook werden gedichten van buiten geleerd.
Vooral Homerus diende voor dit doel, omdat daarin veel geschiedenis
voorkomt en veel te vernemen valt omtrent de goden. Ook achtte
men vele der handelingen, die Homerus meedeelt, zeer geschikt om
2*
-ocr page 24-
20
ter navolging of als afschrikkend voorbeeld te dienen. Zoo noodig
werden verklaringen gegeven omtrent de beteekenis der woorden of
zinnen. Verder leerde men ook eenige drama\'s opvoeren en tafelliede-
ren zingen. Het inprenten van de koorgezangen, het oefenen in de
koordansen voor de openbare optochten en feesten had ook in deze
scholen plaats, waardoor hun praktische beteekenis verhoogd werd.
Reeds op hun negende jaar en soms iets vroeger gingen de knapen
naar een gymnastiekschool. Jaarlijks op een feest konden de knapen
in het openbaar toonen, wat ze hadden geleerd. Met het achttiende
jaar hield het onderwijs in de muzenkunsten geheel op; de jongeling
wijdde zich twee jaar uitsluitend aan gymnastische oefeningen en den
krijgsdienst. Op hun twintigste jaar werden de jongelingen burgers
en kregen zij het stemrecht.
Men kan dus zeggen, dat het onderwijs van de knapen der rijke
Atheners van het zevende tot het twintigste jaar duurde. Armere
ouders moesten zich met veel minder tevreden stellen, en de kinde-
ren der vierde klasse zullen het in den regel niet veel verder hebben
gebracht dan lezen en eenige gymnastische oefening.
De gymnastiek der Atheners bestond hoofdzakelijk uit dezelfde
oefeningen als die der Spartanen. Terwijl de laatsten echter ge-
schiktheid voor den krijgsdienst beoogden, was het de eersten vooral
te doen om een gezond en schoon gevormd lichaam. Hierom werd
het dansen ook ijverig beoefend.
De Atheners waren meer op vertoon gesteld dan de Spartanen en
daarom niet zoo afkeerig als de laatsten van vuistgevechten.
Voor de gymnastische oefeningen had men aanvankelijk niet meer
dan een open plaats met een gebouw om de kleeren op te hangen.
Men oefende zich namelijk naakt. Later werd het gewoonte, het
lichaam met olie in te wrijven, om daardoor de ledematen en het
lijf leniger te maken. Wie wilden vechten, bestrooiden vervolgens
het lichaam met zand, om elkaar beter te kunnen vasthouden. Later
werd het lichaam weer gereinigd in een bad, waarna men het nog-
maals met olie inwreef. Al spoedig had men dan ook bij de grootere
oefenplaatsen baden. Dat alles eischte veel ruimte, een groot gebouw.
En zulk een gebouw behoorde in den bloeitijd van Athene tot de
grootste en prachtigste der geheele stad. Hoe meer de welvaart
toenam en de kunsten bloeiden , des te meer werden de gymnasia
(zoo noemde men een volledige gymnastiekschool) versierd met
beeldhouwwerk en schilderijen.
Langzamerhand begaven ook de volwassen Atheners, die vrijen
tijd hadden, zich naar zulk een gymnasium, om deel te nemen aan
gymnastische oefeningen, zich te baden, toe te zien bij de oefeningen
der naakte schoongevormde knapen of jongelingen en met andere
burgers te spreken over onderwerpen van staatkundigen, wijsgeeri-
gen of aesthetischen aard. Voor dit doel had men gezelschapszalen,
parken en rijen schaduwrijke boomen. Hier maakten de kunstenaars
-ocr page 25-
21
hun studiën bij de oefeningen, hier werden de belangen van den
staat door ouderen besproken in tegenwoordigheid van jongeren; en
een wijsgeer, die iets te leeren had, deelde zijn lessen kosteloos
uit aan de weetgierigen. Zoo werden gymnastiekplaatsen of gym-
nasia kweekscholen voor de fijnste Grieksche beschaving. De
belangstelling der Atheners in kennis en kunst was zeer groot en
van de rijken onder hen kan men zeggen , dat hun opzettelijke leer-
tijd een groot deel van het geheele leven in beslag nam.
Omstreeks 350 v. C. is ook het teeketien een leervak geworden,
dat in veel Grieksche plaatsen werd onderwezen.
Het onderwijs in natuurkunde ontbrak bijna geheel ook in de vol-
gende tijden. Daarentegen hebben veel Grieksche wijsgeeren de meet-
kunde
beoefend. Zelfs heeft men deze wetenschap aan de Grieken te
danken. Eerst werd de meetkunde met de beginselen der sterrekunde
door wijsgeeren onderwezen aan de jongelingen en mannen, die dorst
naar kennis hadden. Maar reeds in de vijfde eeuw voor onze jaar-
telling werd te Athene vrij algemeen aan de knapen onderwijs in
meetkunde gegeven. Het werd echter niet zonder tegenstand inge-
voerd. Sommigen waren bevreesd, dat de jeugd te veel zou leeren
en daardoor onmannelijk zou worden. Vooral echter won de meet-
kunde als leervak voor knapen veld , toen Euklides (315 v. C.) de
leerstof van zijn tijd in een zeer goeden vorm K°()t-
Slaan wij nu een blik terug op de geheele opvoeding der Atheners,
dan zien we, dat ze vollediger is dan eenige andere, die we tot dus-
ver beschouwden. Lichaam en geest werden gelijkmatig ontwikkeld;
men had niet een bepaald beroep op het oog maar de vrije ontwik-
keling van alle vermogens. Het geheele leven, de inrichting van den
staat zelfs, bevorderde de ontwikkeling der aanzienlijkste burgers.
Mochten de Atheners als soldaten onderdoen voor de Spartanen,
groote dapperheid kan hun niet ontzegd worden. Wat men met de
gymnastiek beoogde ten aanzien der vormen van het lichaam, werd
bereikt, en ongetwijfeld hebben wij aan de Grieksche gymnastiek
voor een deel de schoonste beeldhouwwerken der oudheid te danken.
Wie de gymnasia druk bezocht, werd daar een volmaakt burger.
Hij leerde de wetten van den staat grondig kennen, hij kon er ad-
vokaat, redenaar, en generaal worden. Voor al die vakken was
een ijverig Athener in vrij hooge mate geschikt. Ten aanzien der
jeugd valt nog op te merken, dat zij ook in het dagelijksch leven
een goede oefenschool had. De kunstzin werd onwillekeurig ontwik-
keld door wat de knapen zagen en hoorden.
Naast het vele goede staan echter ook groote nadeelen. De zede-
lijke begrippen der Grieken lieten veel te wenschen over. „De innige
„waarheidsliefde, die zucht voor waarheid en recht, die het hart van
„den rechtschapen mensch doet gloeien, is noch in hun openbaar,
„noch in hun bijzonder leven merkbaar. De sluwheid is bij hen in
„eere; list en afgerichtheid prijzen zij. Wanneer iemand onder ons,
-ocr page 26-
22
„uit winstbejag en te kwader trouw, liegt en bedriegt, verachten en
„haten wij hem; maar bij de Grieken was hij een schrander man;
„terwijl daarentegen een open, rond, trouwhartig en eerlijk mensch,
„met ironischen glimlach, een goedaardig man genoemd, en daarmee
„als dom en onnoozel gebrandmerkt werd." De vrouw was niet in
eere en de openbare zedelijkheid liet veel te wenschen over. Slavernij
bleef bestaan en voor vreemdelingen had men minachting. Kortom
wat de grondslag moet zijn van alle deugd, liefde tot den naaste,
werd niet onderwezen aan de Grieksche jeugd.
Wraakzucht was gewoonlijk zeer sterk. Weelde en onmatigheid
namen bij de Atheners toe met de welvaart. Wat geestig was werd
toegejuicht, al moest het ook verkeerd heeten. De knapen liefde werd
in vele Grieksche plaatsen tot een waren gruwel. De groote vrij-
heid, die de jongelieden genoten, ging boven hun krachten : zij waren
daartoe niet behoorlijk voorbereid.
Hooger onderwijs te Athene.
Het opzettelijk onderwijs, dat we tot hiertoe bespraken, komt in
aard overeen met ons lager en middelbaar onderwijs. Tegen het mid-
den der vijfde eeuw v. C. stonden in verschillende deelen van Grieken-
land onderwijzers op, die bijna alle vroeger of later naar Athene
trokken, als het middelpunt der Helleensche beschaving. Ze noemden
zich zelf sophisten of onderwijzers der wijsheid. Zij oordeelden dat
het gewone onderwijs in veel opzichten gebrekkig was en kon ver-
vangen worden door onderwijs, dat groote waarde had voor het
praktisch leven. Al die onderwijzers kwamen in veel opzichten in
strijd met heerschende vooroordeelen, en bovenal de omstandigheid,
dat zij voor het onderwijs geld ontvingen, wekte den tegenzin der
onontwikkelden op. Ook was hun leer dikwijls gevaarlijk genoeg,
om iets bij te dragen tot het verval der Atheensche zedelijheid. Aan
den anderen kant hebben ze bijgedragen tot de ontwikkeling van het
hooger onderwijs te Athene. De zedelijke wetten der Atheners had-
den tot dusver op overlevering gesteund; de sophisten zochten er
een stelsel van te maken. En wat de sophisten eerst oppervlakkig
deden, werd later door Plato en anderen beter gedaan.
Het groote gewicht, dat zij hechtten aan het redetwisten en de wel-
sprekendheid, leidde van zelf tot eene nauwgezette studie van de
woorden en volzinnen. Het begin van de wetenschap der spraakkunst
wordt dan ook aan eenige der voornaamste sophisten toegeschreven.
Het duurde lang eer de sophisten erkend werden door de over-
heid; maar hun eigen roem was voldoende om den toeloop van leer-
lingen te verzekeren. Duizend jaar lang hebben zij te Athene hooger
onderwijs gegeven, en het is vooral aan hen te danken, dat Athene
tot lang na het begin onzer jaartelling beschouwd werd als een der
voornaamste hoogescholen van de wereld.
-ocr page 27-
23
Sokrates, 469—399.
Sokrates was de zoon van een Atheensch beeldhouwer. Zijn vader
bestemde hem voor de beeldhouwkunst, maar op den duur trok de
wijsbegeerte met de meet- en de natuurkunde, muziek en poëzie,
hem meer aan. Toen de sophisten te Athene optraden, werd hij
een hunner ijverigste toehoorders, om later hun vurigste en meest
aanhoudende bestrijder te worden. De wijsbegeerte was voor So-
krates het middel om tot zelfkennis en deugd te geraken. Hij nam
niets op gezag aan, maar zocht overal naar inzicht.
Zoodra hij tot inzicht was gekomen, trad hij ook als leeraar op.
Als zoodanig oefende hij veel invloed uit door de liefde, die hij
koesterde voor ijverige leerlingen, door zijn belangelooze zucht naar
waarheid en de overeenstemming van zijn woorden met zijn daden.
Van den morgen tot den avond was hij bezig in de gymnasia, op
de markt of in werkplaatsen, om door gesprekken anderen nader in
te lichten of tot helderheid te brengen in hun levensbeschouwing.
Het inzicht, dat voor hem zelf alles gold, wilde hij ook aan anderen
verschaffen. Daarbij maakte hij geen gebruik van den meedeelenden
leervorm, die tot dusver algemeen in gebruik was geweest, maar hij
bracht zijn leerlingen al vragende tot inzicht. Deze handelwijze is
zelfs naar hem genoemd als de sokratische leerivijze.
Onderwijs en opvoeding vormen voor Sokrates het middel, om tot
helderheid van geest en tot zelfbewuste deugd te geraken.
Door het zoeken naar eene stelselmatige op redelijke gronden ge-
vestigde zedeleer, door het veinzen van onkunde tegenover den leer-
ling en in eenige andere opzichten had Sokrates overeenkomst met
de sophisten. Dit maakte den grond uit van een beschuldiging als
zou hij den voorvaderlijken godsdienst minachten en de jongelieden
verleiden. Op 7qjarigen leeftijd werd Sokrates veroordeeld, den gift-
beker te drinken. Hij heeft zelf niet geschreven, maar zijn woorden
en daden zijn ons bekend uit de werken van zijn leerling Plato.
Plato, 429—348.
Het is waarschijnlijk door het zedelijk verval van Athene, dat
Plato er toe geleid is, als hoofddoel der wijsbegeerte te beschouwen
het leveren van een volmaakte staatsinrichting. Men vindt zijn denk-
beelden daarover vooral in een werk, dat tot titel heeft: De Repu-
bliek.
In dit zelfde werk is tevens veel over de opvoeding gezegd,
die Plato als een der voornaamste verrichtingen van zijn staat be-
schouwt. Ook in een werk, dat op hoogen leeftijd geschreven is,
onder den titel van De Wetten, vindt men nogal het een en ander
over opvoeding. Het laatste houdt meer rekening met de praktijk
dan het eerste; beide zijn daardoor niet altijd in overeenstemming.
-ocr page 28-
24
Samen vormen zij een stelsel van opvoeding, dat wel geen invloed
heeft gehad op de praktijk, maar toch onze aandacht verdient, om-
dat we hier te doen hebben met het oudste stelsel van opvoeding»
dat door een schrijver is geleverd. Het vormt tevens een der stelsels»
welke tot dusver het meest zijn gelezen.
Met de strengere tucht der Spartanen en de Atheensche hulpmid-
delen wilde Plato het ideaal van de Atheners bereiken.
Plato wil evenals men te Sparta deed de verhouding der beide ge-
slachten geheel inrichten op de manier, die naar zijn meening de beste
kinderen zou opleveren. Hiertoe wil hij zelfs het huwelijk afschaffen.
De opvoeding der kinderen van de burgers moet geheel door den
staat geschieden. De kinderen moeten terstond bij hun geboorte ver-
wijderd worden van de moeder, om te voorkomen, dat er een bij-
zondere toegenegenheid zou ontstaan. Kinderen van ongeschikte bur-
gers of misvormde kinderen moeten gedood worden. De kinderen
moeten zooveel mogelijk bewaard worden voor vrees en pijn, maar
ook ten aanzien van het vermaak moet soberheid betracht worden,
om in elke richting overprikkeling te voorkomen. De meer opzette-
lijke opvoeding moet beginnen met het zevende jaar. De beste mid-
delen zijn gymnastiek en muzenkunsten. Van 7—10 jaar moet aan
de gymnastiek gewijd worden. Vervolgens kan op den leeftijd van
10 jaren het lezen beginnen; 3 jaar moet dan aan het letterkundig
onderwijs gewijd worden. Van 13—16 jaar moet de lier bespeeld
worden. De voorliefde van den knaap doet daarbij niets ter zake.
Gedurende al dien tijd moet aanhoudend het strengste toezicht
worden uitgeoefend. De knaap verkeert dan in den toestand van
een slaaf en ieder vrij geboren burger moet hem, en zelfs zijn on-
derwijzer, straffen, als hij iets verkeerds doet.
Jongens en meisjes moeten dezelfde opvoeding ontvangen; in De
Wetten wil hij ze echter na het zesde jaar afzonderlijk opvoeden.
Ook verder moet de opvoeding voortgezet worden en het doel
moet zijn den mensch matig, dapper en verstandig te maken op
zulk een harmonische wijze, dat hij verdient rechtvaardig te heeten
en in staat is het ideale schoone en goede te bewonderen.
Met het oog op de allereerste zedelijke begrippen onderwerpt hij de ba-
kersprookjes aan kritiek. De meeste, die in omloop zijn, acht hij verkeerd.
De knapen moeten nu en dan aan verleiding worden blootgesteld,
om te zien wie daar het best tegen bestand zijn.
Hij wil een klasse van wijsgeeren vormen en de besten onder hen
aanstellen tot wachter of opvoeder. De meeste dichtwerken, te begin-
nen met die van Homcrus, werden door Plato verbannen uit zijn denk-
beeldige republiek. Hij wil alleen de staatswetten doen van buiten leeren.
Tot zooverre het stelsel. Hierbij werd de persoonlijke vrijheid even
goed opgeofferd als het huisgezin. De edelste gevoelens van den mensch
worden op die wijze verwaarloosd of stelselmatig onderdrukt. Ook wil hij
de groote meerderheid der inwoners van zijn staat zonder onderwijs laten.
-ocr page 29-
25
Aristoteles, 384—322.
Aristoteles, die te Stagira, een Grieksche volksplanting in Thracic,
geboren was, kwam op zijn zeventiende jaar te Athene en bleef toen
20 jaar lang de leerling en metgezel van Plato. In 356 was de roem
van Aristoteles reeds zoo groot, dat Filips van Macedonië hem op
zeer vereerende wijze vroeg, of hij de leermeester wilde zijn van
den juist geboren Alexander. Deze taak heeft Aristoteles op zich
genomen. Nadat de knaap twee goede onderwijzers had gehad, kwam
hij van zijn 13de tot zijn 17de jaar onder leiding van Aristoteles, die
hem heeft opgevoed tot een groot man.
Nadat Aristoteles de opvoeding van Alexander had voltooid, keerde
hij terug naar Athene, waar hij in een der 3 toen bestaande gym-
nasia, op en neer wandelende, onderwijs gaf. Toen hij 13 jaar op
die wijze werkzaam was geweest en inmiddels verschillende boeken
had geschreven over wijsbegeerte en natuurkennis, werd hij aan-
geklaagd wegens goddeloosheid. Hij vluchtte naar Chalkis, waar hij
overleden is.
In zijn werk over de staatsregeling heeft Aristoteles bijna ander-
half „boek" of hoofdstuk besteed aan de opvoeding. In veel opzich-
ten komen zijn denkbeelden overeen met die van Plato. Ook hij
beschouwt de opvoeding niet als een zaak der jeugd maar van het
geheele leven, en ook hij wil haar voor een deel aan den staat
opdragen. Zoowel handwerkslieden als slaven moesten worden bui-
tengesloten van het stemrecht en het onderwijs.
Bij de opvoeding moet in de eerste plaats het lichaam worden ge-
vormd; in de tweede plaats komen de begeerten en hartstochten;
in de derde plaats het verstand.
Alle burgers moeten dezelfde opvoeding ontvangen; maar het meisje
is van geheel anderen aard dan de jongen, en daarom moet ook
haar opvoeding verschillend zijn. Hierin verschilt hij van Plato.
Bij de opvoeding moet men den vredestijd op het oog hebben.
Aristoteles wil ook het huwelijk regeien met het oog op de ge-
zondheid en de kracht der kinderen, maar hij wil het niet afschaffen.
Hij wil misvormde kinderen laten dooden bij hun geboorte.
Veel nadruk wordt er gelegd op goed voedsel voor de kinderen.
Tot hun 5de jaar moeten ze geheel vrij gelaten worden.
Ook nuttige zaken moeten onderwezen worden, maar hierbij zij
men voorzichtig. Buitengesloten dient alles wat vernederend is voor
den man, dat is onder anderen alles wat om geld gedaan wordt.
De opvoeding moet ons in de eerste plaats geschikte middelen ver-
schaffen om den vrijen tijd te gebruiken. Men onderwijze taal en
spraakkunst, gymnastiek, muziek en teekenen. Bij de spraakkunst
sluit de redekunst zich aan. En om over verschillende onderwerpen
terstond goed te kunnen spreken in een vergadering, is oefening
-ocr page 30-
26
van het geheugen wenschelijk. Om de taal en de spraakkunst te
leeren kennen, moet men vooral de dichters lezen. — Het teeke-
nen is nuttig om de werken der kunstenaars te leeren beoordeelen
en om den zin voor het schoone te ontwikkelen. Het nut is echter
niet zoo groot als dat van de muziek. — De meetkunde kan door
jongelieden beoefend worden, omdat daarvoor geen rijpe ervaring
noodig is. Zij bevordert den schoonheidszin. — De wijsbegeerte is
het middel om tot de hoogste ontwikkeling als staatsburger en tot
geluk te geraken. — De staatswetenschap staat bovenaan bij de
praktische vakken, maar zij is geen studie voor jongelieden.
Het is opmerkelijk, dat Aristoteles even als Plato schijnt te mee-
nen, dat men geen twee verschillende dingen naast elkaar kan
onderwijzen.
Zonder zedelijke opvoeding is de mensch het wildste van alle schep-
selen. Daarom is zij van het grootste belang. Men moet haar aan-
knoopen bij het verstand; het beste richtsnoer bij de handelingen
van den mensch is een gezond oordeel over goed en kwaad. De
kracht van goede gewoonten werd door Aristoteles ten volle begrepen.
Aristoteles is minder eenzijdig dan Plato. Vooral kent hij aan de
kunst een ruimer plaats toe.
Plutarchus, 50—120 n. C.,
werd te Cheronea geboren en genoot zijn verdere opleiding te Athene.
Vervolgens deed hij groote reizen en vestigde hij zich te Rome.
Zijn roem heeft hij te danken aan een reeks levensbeschrijvingen van
beroemde Grieken en Romeinen. Die zijn veel gelezen, vooral door
jongelieden. Deze vonden veel smaak in de boeken, welke grooten
invloed hebben gehad op de staatkundige denkbeelden der vorige
eeuw.
Aan Plutarchus wordt ook het laatste Grieksche geschrift over de
opvoeding toegeschreven. Dit vormt in veel opzichten een tegen-
stelling met de theorién van Plato en Aristoteles. Hij bepaalt er
zich toe, wenken te geven tot verbetering van het bestaande en
houdt zich over \'t geheel aan de denkbeelden, die de lieden van
zijn tijd koesterden. In zooverre heeft het geschrift een belangrijke
historische beteekenis.
Van ontwikkeling der groote massa is geen sprake bij Plutarchus.
In dit opzicht stemt hij overeen met Plato en Aristoteles. (De ver-
handeling van Plutarchus over de opvoeding is opgenomen in num-
mer ÏO mijner paedagogische bibliotheek).
-ocr page 31-
DE ROMEINEN.
Het oude Italië bestond uit verschillende onafhankelijke staten of
vereenigingen van steden, wier bewoners niet alleen blijkens de taal
verwant waren aan de Grieken, maar ook in vele opzichten dezelfde
eigenschappen vertoonden. In sommige opzichten doen ze aan de
Ioniërs of Atheners denken, maar in menig opzicht komen ze over-
een met de Doriërs. Dit betreft vooral de krijgshaftigheid, den
grooteren ernst en den geringeren aanleg voor kunst. Al die ver-
schillende Italiaansche staten hebben achtereenvolgens het hoofd moe-
ten buigen voor de meest krijgshaftige van alle, voor Rome. Deze
kleine staat, die eerst gewapend moest zijn, uit zucht naar zelfbe-
houd, is al spoedig veroverend opgetreden. Zoo had de opvoeding
in den Romeinschen staat vooral het oog op den krijgsdienst. Ter-
wijl de Romeinen bezig waren met veroveren , gunde een groot deel
der Grieken zich den vrijen tijd om kunsten en wetenschappen te
beoefenen. Bovendien hadden de Grieken meer aanraking met de
beschaving van het oosten en een eenigszins beteren natuurlijken
aanleg. Vandaar dat Griekenland beschaafd was voor Italië. Later
heeft het zwaard van Rome Griekenland veroverd, maar de geest
van Griekenland was toen sints geruimen tijd bezig met de verove-
ring van Rome. Dit ging langzaam, maar de verovering door den
Griekschen geest was niet minder volkomen dan die door het Ro-
meinsche zwaard, en ze waren bijna tegelijk voltooid.
De vrouw werd bij de oude Romeinen meer geëerd dan in Grieken-
land, en had meer invloed bij de opvoeding. Dit hangt samen met
den aard van den Romein, wiens zedelijkheid beter was dan die
van den Griek.
De kinderen werden geheel als het eigendom van den vader be-
schouwd. De vader kon zijn zoon verkoopen en zelfs dooden, als
hij wilde. De openbare meening keurde echter de toepassing van
dat recht af. Het dooden schijnt alleen plaats gehad te hebben, als
het kind zich vergrepen had en niet jonger dan 3 jaar was of wan-
neer het misvormd was. En de vraag of het misvormd was, werd
niet uitgemaakt door den vader zelf maar door een familieraad. Dit
waren de algemeene opvattingen. Door de wet zijn eerst in de
tweede eeuw na C. grenzen gesteld aan de vaderlijke macht. Het
te vondeling leggen bleef toen nog vrij, al stelde ook hier de ge-
woonte of de openbare meening zekere grenzen. Over het algemeen
-ocr page 32-
28
bleef het echter veel voorkomen. Eerst in 374 n. C. schijnt een
strafbepaling tegen het te vondeling leggen gemaakt te zijn.
Kinderen kwamen eerst onder de leiding der moeder, en doordat het
huisgezin bij de oude Romeinen in aanzien was, kreeg het kind
daar een goede opvoeding. Aanvankelijk zoogden de moeders hare
kinderen zelf, later werd dat door de rijkeren ook aan een slavin
opgedragen. Behalve minnen had men ook verpleegsters. Een meisje
behield de verpleegster soms geruimen tijd bij zich, en werd dik-
wijls nog door haar vergezeld, als ze later uitging. Zelfs bleef de
verpleegster soms bij het meisje, als deze huwde.
De knapen kwamen later meer onder leiding van den vader. Ze
waren dan meestal bij dezen, niet alleen wanneer hij zijn dagelijksch
werk verrichtte of deel nam aan de zaken van den staat, maar ook
als hij feestmalen of gezellige bijeenkomsten bezocht.
Arbeidzaamheid, matigheid, stipte gehoorzaamheid aan de ouders
en eerbied tegenover mannen van rijpen leeftijd werd den knapen
ingeprent, en de oude Romeinen gaven in al die opzichten een goed
voorbeeld.
Later werd bij de aanzienlijke Romeinen ook dikwijls een slaaf
belast met het toezicht van den knaap. In den tijd van het verval
der Romeinen was dat zelfs een algemeene gewoonte. En hier ble-
ven evenmin als in Griekenland de verkeerde gevolgen van dien
maatregel uit. Over \'t algemeen stond de knapenleider te Rome
meer in aanzien dan bij de Grieken.
Als de knapen 15 of 16 jaar waren, werden zij Romeinsch burger.
Het eerste jaar zagen ze dan gewoonlijk nog toe en werden veel
lichaamsoefeningen verricht.
Scholen troffen de Romeinen reeds bij de Etruskers aan en later
verrezen ze ook te Rome. Het eerst vindt men hier melding ge-
maakt van een school in het jaar 450 v. C. Later kwam het dik-
wijls voor, dat de kinderen onderwezen werden op de open straat.
Op de gewone lagere scholen zal aanvankelijk wel niet meer onder-
wezen zijn dan lezen, schrijven en rekenen. Bij het laatste stonden
niet de cijfers op den voorgrond maar de voorstelling der hoeveel-
heden met behulp van een rekenbord. Dit kwam in hoofdzaak over-
een met het rekenbord, dat de Grieken gebruikten.
In den ouderen tijd werden op de lagere scholen ook de wetten
der twaalf tafelen van buiten geleerd; maar later geschiedde dat niet
meer.
Kenmerkend tegenover Athene is, dat de lagere scholen ook be-
zocht werden door meisjes. Veel wordt hierover echter niet gezegd
en het is niet waarschijnlijk, dat op dit punt door geheel Italië over-
eenstemming zal geheerscht hebben.
Van de tweede eeuw van onze jaartelling af, vooral na de ver-
overing van Griekenland, ondervonden de Romeinen den invloed der
Grieksche beschaving.
-ocr page 33-
29
Op de lichaamsoefeningen had het voorbeeld der Grieken aanvan-
kelijk weinig invloed. Wel hechtten de Romeinen groote waarde
aan een sterk en lenig lichaam, wel moesten de jongelingen zich
veel oefenen; maar zoo stelselmatig en aanhoudend als de Grieken
deden zij het niet. Dit was in hun oogen tijdverkwisting, die slechts
leiden kon tot verslapping der zeden. Voor de aesthetische betee-
kenis der gymnastiek hadden zij geen oog \'en den dans verwierpen
ze geheel. Wapenoefeningen, zwemmen , rijden, jagen en dergelijke
bewegingen hadden alleen waarde in hun oogen. Maar in den kei-
zerstijd kregen de Grieken ook hier de overhand en Grieksche gym-
nastiekonderwijzers namen voor een goed deel de plaats in der Ro-
meinsche onderwijzers in den wapenhandel.
Ook het onderwijs in de muziek heeft bij de Romeinen nooit een
groote rol gespeeld. De kunst werd niet geheel verwaarloosd, maar
men meende, dat het een voornaam burger niet paste, haar te be-
oefenen. De Grieksche spraakkunstenaren onderwezen haar echter
op hun scholen.
De invloed der Grieken op het taalonderwijs der Romeinen was
onmiddellijk zeer groot. Vele beschaafde Grieken vestigden zich te
Rome als onderwijzer in hun moedertaal, en deze werd spoedig al-
gemeen beoefend. Ieder beschaafd Romein moest Grieksch leeren,
en menigeen leerde de vreemde taal even goed als zijn eigene.
Zoo riepen de Grieken zelf een groot verschil tusschen hun onder-
wijs en dat der Romeinen in het leven. Deze leerden een vreemde
taal,
wat de Grieken nooit gedaan hadden. De Grieksche taalkun-
digen of spraakkunstenaren lazen op hun scholen bijna uitsluitend
dichters en zoo ging het ook op de Romeinsche spraakkunstscholen.
Velen vonden het echter verkieslijk met Grieksch te beginnen en dan
even als de Grieken Homerus het eerst te nemen. De spraakkunst
werd vrij uitvoerig behandeld, maar het ontbrak bij de beschouwin-
gen van dien tijd in dit opzicht aan helderheid en stelselmatigheid.
Ter oefening in het nauwkeurig schrijven werd ook gedicteerd. De
leerlingen werden geoefend in het voordragen, en men hechtte daarbij
groote waarde aan juistheid en sierlijkheid. Het geleerde werd niet alleen
verklaard, tot het voldoende begrepen was, maar men knoopte er
ook aesthetische en geschiedkundige beschouwingen aan vast. Voor
dat doel was kennis van de godenleer en de mythen noodig.
Op de spraakkunstscholen werden ook stijloefeningen gemaakt.
Men las fabelen van Aesopus of andere dergelijke verhalen voor, die
de leerlingen dan moesten navertellen en later opschrijven. Men liet
gedichten overbrengen in proza en wat in proza was gezegd op een
andere wijze uitdrukken. Ook liet men opstellen maken over be-
paalde onderwerpen, vooral over spreuken.
Dit behoort tot den tijd, dat de spraakkunstscholen tevens eenig
onderwijs gaven in de welsprekendheid. Langzamerhand werd deze
kunst echter uitvoeriger behandeld en kreeg men afzonderlijke scftolen
-ocr page 34-
30
voor redenaars. (Rhetorenscholen). Zulk een school werd dan bezocht
na de spraakkunstschool en was geheel aan Griekenland ontleend.
De Grieksche Rhetoren zagen n.1. in Rome een nieuw arbeidsveld.
Hier kon hun kunst nog toegepast worden in het openbaar leven.
Aanvankelijk was men te Rome echter niet ingenomen met hun
komst en in lól v. C. werden ze zelfs verbannen. Maar ze keer-
den spoedig terug en de Romeinen maakten ijverig gebruik van hun
lessen. Zelfs ervaren redenaars, die reeds op het Forum hadden ge-
sproken, kwamen zich oefenen bij de nieuwe meesters. Aanvankelijk
had men te Rome alleen Grieksche rhetorenscholen. In het begin
der eerste eeuw voor onze tijdrekening werden te Rome de Latijnsche
rhetorenscholen geopend. Dit geschiedde echter niet zonder verzet.
Men meende, dat het beter was, dergelijk onderwijs in het Grieksch
te geven, omdat alsdan minder ontwikkelden waren buitengesloten,
die op het Forum misbruik zouden kunnen maken van de kunst.
Maar de zaak kon niet tegengehouden worden en al spoedig werden
de Grieksche Rhetorenscholen verdrongen door Latijnsche. Het meest
nam de beoefening der kunst nog toe, toen zij overbodig begon te
worden, toen de staatkundige vrijheid aan banden werd gelegd. Zoo-
als in Griekenland eindigde ook te Rome de kunst in praalvertoon.
Eerst waren de Rhetorenscholen bestemd voor volwassenen. Toen
echter het letterkundig onderwijs toenam, vond men het ook noodig,
dat ieder beschaafd man zich oefende in de redekunst en de meeste
knapen en jongelingen gingen rechtstreeks van de spraakkunstschool
naar den Rhetor. En zoo bleef het ook in de volgende eeuwen:
welsprekendheid was de kroon eener beschaafde opvoeding.
Andere vakken werden niet beoefend. De reden, waarom te Rome
muziek en stelselmatige gymnastiek niet in aanzien waren, was ook
oorzaak, dat teekenen en wiskunde er niet algemeen beoefend wer-
den: de Romeinen hadden te uitsluitend het oog gericht op het prak-
tisch nut, om vakken op prijs te stellen, die men in de eerste plaats
om hun vormende waarde moet hoogschatten.
Het onderwijs der Romeinen was dus zeer eenzijdig. Behalve het
rekenen der lagere school was het geheel van letterkundigen aard,
met verwaarloozing zelfs van de muziek. De lichaamsoefeningen op
zich zelve waren ook eenzijdig. Behoeftige kinderen kregen gewoon-
lijk geen onderwijs.
Er waren te Rome in den bloeitijd van het rijk vierderlei scholen:
lagere scholen of letterscholen, spraakkunstscholen, redenaarsscholen
en gymnastiekscholen onder leiding vooral van Grieken. Veelal ging
de knaap op zijn 12de jaar naar de spraakkunstschool.
Inmiddels ging door de toenemende weelde veel van de oorspron-
kelijke strengheid der Romeinsche zeden verloren. Bij de aanzien-
lijken hadden de kinderen soms een geheele reeks van bedienden
of slaven tot hun beschikking, en de opvoeding werd door de ouders
bijna geheel overgelaten aan anderen. Tot verzorgsters der kleine
-ocr page 35-
31
kinderen had men meestal Grieksche slavinnen , zoodat de eerste taal,
die de kinderen der aanzienlijken hoorden, veelal een vreemde was.
Als knapenleider verkoos men in den regel een Griekschen slaaf of
een Syrischen, die door Atheners op de markt te Delos werd gekocht
van zeeroovers en onderricht in het Grieksch, om vervolgens naar
Rome gezonden te worden.
Vele ouders verkozen het huisonderwijs boven dat in de school en
droegen dan het werk op aan een slaaf of een jongen Griek. Zulk
een slaaf kreeg gewoonlijk later de vrijheid en vestigde zich clan als
letteronderwijzer of als spraakkunstenaar. Deze beide betrekkingen
waren niet zeer gezien, en door slagen werd de orde op de school
gehandhaafd. Toch hing het aanzien van een spraakkunstenaar voor
een groot deel af van zijn kennis. Als hij zeer bekwaam was, kon
hij ook veel geld verdienen, maar in \'t algemeen werd er geklaagd
over hun gering inkomen.
De onderwijzer der welsprekendheid genoot meer aanzien en een
hooger schoolgeld dan de spraakkunstenaar. Toch was ook in dit
opzicht de toestand zeer onvoldoende.
Het geheele onderwijs was te Rome een zaak van bijzondere per-
sonen. Augustus en eenige zijner tijdgenooten gaven aan beroemde
onderwijzers soms aanzienlijke geschenken, maar eerst onder keizer
Vespasianus (69— 79 n. C.) wordt melding gemaakt van een open-
bare bezoldiging. Later werd dat meer algemeen en kende men
aan de mannen van het voortgezet onderwijs allerlei voorrechten en
onderscheidingen toe.
Quintilianus, 42—118.
Te Rome ziet men evenals in Griekenland geen schrijvers, voor dat
het zedelijk verval doet uitzien naar middelen, om de menschen beter
te maken. En van dien tijd af hebben bijna alle schrijvers zich recht-
streeks of zijdelings over de opvoeding uitgelaten. De eerste, die er
meer uitvoerig over spreekt, is Seneca (2—65), maar zijn wenken
treden toch op den achtergrond naast zijn bespiegelingen over de deugd.
Hij wijst op de belangrijkheid eener goede opvoeding, op den eisch
om met een zachte doch vaste hand te leiden, op de noodzakelijk-
heid om acht te geven op de verschillende geaardheid der kinderen.
Meer uitsluitend over de opvoeding en het onderwijs spreekt Quin-
tilianus.
Deze was in Spanje geboren, maar kwam al spoedig te Rome,
waar hij zich ontwikkelde tot een beroemd redenaar. Eerst bekleedde
hij een rechterlijke betrekking, maar door Vespasianus werd hij aan-
gesteld tot leeraar in de welsprekendheid. Als zoodanig werd hij 20
jaar lang algemeen gevierd. De beroemdste Romeinen woonden zijn
voordrachten bij. Nadat zijn gemalin en zijn eene zoon overleden
waren, wijdde hij zich geheel aan de opvoeding van den eenig over-
-ocr page 36-
32
blijvenden. Met het oog op dezen schreef hij een werk over de op-
voeding van den redenaar,
dat gedurende de middeleeuwen en bijna
tot aan deze eeuw algemeen werd beschouwd als het beste leerboek
voor de vorming van een redenaar of een letterkundige in \'t alge-
meen. Ouintilianus bespreekt de opleiding van den redenaar van de
prilste jeugd af.
De eerste indrukken van het kind zijn van \'t grootste belang en
daarom moet men een goede min kiezen en later letten op de speel-
makkers. O. waarschuwt er voor, dat men de natuur geen geweld
mag aandoen, maar hij wil het onderwijs reeds op driejarigen leeftijd
doen aanvangen. Het eerste onderwijs wil hij door den knapenleider
doen geven en hij acht het beter, om met het Grieksch dan met de
moedertaal te beginnen. O. verkiest verder het schoolonderwijs boven
huisonderwijs, en hij somt al de voordeden van het eerste op. Vroeg-
tijdig wil Q. op het eergevoel der kinderen werken en hun geheugen
voorzien van nuttige spreuken. Men lette op den verschillenden aan-
leg en de bijzondere neigingen der kinderen. In geen geval eische men
te veel. Spelen zijn zeer geschikt, om den geest te scherpen en ze
stellen ons in de gelegenheid, om het karakter der kinderen te leeren
kennen. Lichamelijke straf moet men nooit toepassen. Men meent
ten onrechte, dat voor het eerste onderwijs een middelmatig man
voldoende is.
Verval van het Romeinsche Rijk.
Reeds onder keizer Augustus was het aantal lagere scholen in het
Romeinsche rijk vrij groot, zonder dat het aanzien der onderwijzers
toenam. Veelal waren het vrijgelaten slaven zooals vroeger, of men-
schen, die in een of ander opzicht schipbreuk hadden geleden, voor
zij een school oprichtten. Toch bleef de regeering, terwijl zij hooger
onderwijs aanmoedigde en zelfs geldelijk steunde, de lagere scholen
geheel aan haar lot overlaten. Eerst toen men bij de veldwinnende
armoede van een groot deel der bevolking bevreesd werd voor ver-
wildering, moedigde men het bezoek der lagere scholen aan.
Het vroeger zoo praktisch ingerichte onderwijs in de rechtsgeleerd-
heid werd voor een deel vervangen door het onderwijs in welspre-
kendheid en werd ook in andere opzichten meer bespiegelend. Daar-
entegen nam het onderwijs in de geneeskunst toe.
De studenten waren aan streng toezicht onderworpen. Wie zich niet
goed gedroeg of niet ijverig studeerde, werd door de overheid verwij-
derd. — Bij uitzondering zijn ook beurzen voor arme studenten ingesteld.
Inmiddels had men niet alleen hoogescholen te Athene en te Rome,
maar te Konstantinopel, dat als keizerstad alle overeenkomst moest
hebben met Rome, was er van den beginne af een geweest, en
achtereenvolgens zag men in de meeste groote steden van het rijk
-ocr page 37-
33
dergelijke inrichtingen verrijzen. De leeraren werden of uit de ge-
meentelijke kas öf door den keizer bezoldigd.
Toch gingen Rhetoren en spraakkunstenaars voort, van de eene
stad naar de andere te reizen, voordrachten te houden en scholen
op te richten, waarbij ze niet zelden rijk werden. Maar men duldde
zulke onderwijzers op den duur niet in steden, waar een openbare
universiteit was. Zoo werd dat bijzonder onderwijs, behalve aan
enkele leerlingen in de woning van den leeraar, verboden te Kon-
stantinopel, toen men aldaar in 425 de universiteit uitbreidde.
0 a 11 i ë.
Het oude Gallië was lang voor onze tijdrekening bewoond door
verschillende verwante volksstammen, die alle zeer onbeschaafd, maar
tevens leergierig waren.
Het gezag van den huisvader was aanvankelijk onbeperkt, en
nadat hij de vrije beschikking over zijn vrouw gaandeweg had ver-
loren, behield hij nog die over zijn kinderen.
De eeredienst werd geleid door de priesters of drüiden, die als de
tolken der goden voor toovenaars en waarzeggers doorgingen. Hun
gezag over de groote menigte was onbepaald groot.
De drüiden hielden de weinige kennis, die onder de oude Galliërs
in omloop was, geheel binnen hun kring. Zij beoefenden genees-
kunst, zorgden voor rechtspleging en gaven onderwijs aan de toekom-
stige leden hunner orde. Voor dit doel had men op verschillende
plaatsen van Gallië drüidenscholen. Hiertoe kon iedereen, die zich
aan den eeredienst wilde wijden, toegelaten worden, maar het waren
hoofdzakelijk kinderen van den adel, die er gebruik van maakten.
Ook was de opleiding een zeer lange en moeilijke. Al de kennis
der drüiden moest van buiten geleerd worden, voor de kweekeling
lid der orde werd, en dat duurde soms 20 jaar.
Hadden de Galliërs tot dusverre veel geestkracht aan den dag ge-
legd bij den oorlog, zoodra ze onderworpen waren aan de Romeinen,
werd al hun aandacht gewijd aan de beschaving der Grieken en Ro-
meinen. Deze werden over Gallië verspreid van de Grieksche volks-
planting Marseille uit. In dit middelpunt van klassieke beschaving,
sprak menig inwoner even goed Grieksch en latijn als de volkstaal.
Met Marseille wedijveren spoedig vele meer noordelijk gelegen steden.
Zoo groot was de ijver, dien Gallië aan den dag legde, dat de La-
tijnsche taal en letterkunde er in de derde , vierde en vijfde eeuw
ijveriger beoefend werden dan ergens anders. Zelfs uit Italië trok
men er heen , om zich te oefenen in de Latijnsche welsprekendheid.
Het was toen een groote aanbeveling als iemand in Gallië had ge-
studeerd, en waar men veel prijs stelde op zuiverheid der Latijnsche
taal, beriep men redenaars en spraakkundigen uit Gallië.
3
-ocr page 38-
KERKELIJKE SCHOLEN.
De opvoeding bij het jeugdige Christendom.
Het nieuwe testament bevat weinig of niets, dat rechtstreeks de
opvoeding betreft en tevens nieuw is. Daarentegen moest het middellijk
gunstigen invloed uitoefenen op de behandeling der kinderen. Voor-
eerst werd het huisgezin meer op den voorgrond gebracht, zoowel
door rechtstreeksche vermaningen als door de minachting van al wat
wereldsch was. Het Christendom onderscheidde zich van wat er bui-
ten stond door zachtmoedigheid, en het kon niet anders, of dit moest
ook bij de opvoeding heilzaam werken. Het voorschrift „Heb uw
naasten lief als u zelven" werd den kinderen ingeprent, waardoor de
grondslag was gelegd tot alle maatschappelijke deugden. Dit voorschrift
bleef bij de eerste Christenen niet een doode letter, en over \'t geheel
kan het als een kenmerk van de leer van Jezus worden beschouwd,
dat wezen boven schijn werd gesteld, doen boven zeggen.
Maar de levensbeschouwing der eerste Christenen had ook schaduw-
zijden ten aanzien der opvoeding. De minachting voor het aardsche
moest ook de opvoeding onpraktisch maken en hierbij zelfs tweestrijd
verwekken, daar die geringschatting niet* altijd vol te houden was.
De afkeer van genoegens deed soms kwaad zien in het meest on-
schuldige kinderspel. Het spelen van kleine meisjes en jongens werd
niet zelden bedenkelijk geacht voor de zedelijkheid. En over \'t geheel
had men te weinig vertrouwen op de menschelijke natuur, waardoor
men tot de verkeerde stelling kwam, dat de kinderlijke aanleg van
nature bedorven is.
In de derde eeuw van onze tijdrekening was er een kerkgenootschap
tot stand gekomen , en spoedig nam men als geloofsartikel aan, dat
niemand in gemeenschap met Christus kon komen, zonder aan de
zaligmakende kracht van die instelling te gelooven. Deze instelling
werd door strijd van binnen en strijd naar buiten steeds vaster; en
hoe meer dit het geval was, des te grooter werd de behoefte om
de eens vastgestelde begrippen reeds aan de jeugd goed in te prenten.
Er moest dus voor scholen gezorgd worden.
De verspreiders van het Christendom richtten zich tot de volwasse-
nen en maakten daartoe gedeeltelijk gebruik van de tempels der Joden
en de gehoorzalen der Heidenen. Daar echter zij, die gedoopt zouden
worden, eerst door lezen de heilige schrift moesten leeren kennen,
ontstonden er al spoedig inrichtingen, die zoowel onderwijs in het
lezen als opvoeding en stichting ten doel hadden. Zoo ontstond het
-ocr page 39-
35
Katechumenaat, dat aanvankelijk bestemd was voor personen
van allerlei leeftijd en later meer uitsluitend voor kinderen en jonge-
lingen. Daar werd niet alleen lezen geleerd, maar ook de Christelijke
wereld- en levensbeschouwing ingeprent. Waarschijnlijk werden kin-
deren reeds van het zevende jaar af toegelaten. Andere scholen
hadden de Christenen aanvankelijk niet. Wie wenschte, dat zijn
kinderen verder zouden onderwezen worden in het lezen, schrijven
en rekenen, moest dat onderwijs zelf geven, een bijzonder onder-
wijzer nemen of zijn kinderen naar de Heidensche scholen zenden,
die op verschillende plaatsen van het Romeinsche Rijk bestonden.
Hiervan werd dan ook gebruik gemaakt, en in de eerste eeuwen
bezochten vele Christelijke jongelingen de heidensche scholen. Som-
migen beoefenden in die scholen de redekunst en de Grieksche en
Romeinsche spraakkunst, om ze dienstbaar te maken tot verdediging
en uitbreiding van het Christendom. Zoodra echter de vervolgingen
tegen de nieuwe leer ophielden, deden zich enkele stemmen hooren,
die waarschuwden tegen het bezoek der Heidensche scholen en aan-
drongen op volledige Christelijke. Zoo ontstonden scholen, waar
lezen en schrijven beoefend werden naast het van buiten leeren en
zingen der psalmen. Tot de oprichting van dergelijke scholen werd
vooral meegewerkt door kerkelijke verordeningen, die omstreeks het
jaar 400 in de Syrische kerk ontstonden en later door de geheele
Oostersche kerk werden opgevolgd.
Dat het zingen onder de leervakken der Cristen-scholen werd op-
genomen, moet vooral toegeschreven worden aan Ambrosius (333—
397), bisschop van Milaan, die een geregeld kerkgezang invoerde.
Daar het onderwijs in den Christelijken godsdienst, van den beginne
af in vragen en antwoorden bestond , noemde men de onderwijzers
in den Christelijken godsdienst Katecheten; hen, die het onderwijs
ontvingen, noemde men Katechumenen; de school of de inrich-
ting, waar het onderwijs werd gegeven, noemde men het Kate-
chumenaat; het onderwijs of de leerstof noemde men Katecheze.
De eerste wetenschappelijke school der Christenen.
In de eerste twee eeuwen van het Christendom kon een weten-
schappelijke opleiding alleen genoten worden aan de heidensche scho-
len. Voor de ambtenaren van het groote Romeinsche rijk waren
onder de Antoninen de zoogenaamde Keizerscholen opgericht en
hiervan maakten ook Christenen gebruik. Een aantal van die scholen
weerstonden de eerste stooten, welke het Romeinsche rijk ontving
en bleven voortbestaan tot in de vijfde eeuw. Zelfs nog onder de
Christen-keizers worden aan die scholen heidensche leeraren benoemd;
christelijke geleerden waren zeldzaam. Eenige kerkleeraren, die
daartoe bijzondere roeping gevoelden, verzamelden om zich eenige
3*
-ocr page 40-
36
jongelieden, die zich aan den dienst der kerk wilden wijden, en ga-
ven dezen onderricht in al wat meer in \'t bijzonder den Christelijken
godsdienst betrof. Deze gelegenheden en de heidensche scholen ston-
den zonder verband naast elkaar.
Weldra echter openbaarde zich reeds het streven om de hoogere
Christelijke opleiding te verzoenen met de heidensche beschaving.
Deze richting wordt vertegenwoordigd door de Katechetenschool
te Alexandrië. Deze stad was sinds geruiinen tijd de stapelplaats
van de Grieksche geleerdheid, en men vond er Joden naast Heide-
nen. De Katechetenschool werd omstreeks 181 n. C. opgericht. Aan-
vankelijk was zij bestemd om volwassen heidenen, die tot het Chris-
tendom wilden overgaan, nader met de nieuwe leer bekend te maken.
De voordrachten, die men hield, werden langzamerhand meer van
wetenschappelijken aard, en daarna voegde men er voordrachten
over wijsbegeerte aan toe, terwijl het doel tweeledig werd. Men
wilde n.1. zoowel Christelijke jongelieden opleiden, als geleerde Hei-
denen, vooral jongere, tot het Christendom aantrekken en hun be-
keering voorbereiden. Zoo werd de Katechetenschool een kweekschool
voor godgeleerden. De Heidensche wetenschappen werden dienstbaar
gemaakt aan de verdediging van het Christendom en de opheldering
der Heilige Schrift. Het hoofdvak van de Katechetenschool was
schriftverklaring; en daarnaast werden wijsbegeerte, meetkunde,
spraakkunst en welsprekendheid onderwezen. Geleerde mannen be-
zorgden een grooten roem aan de kweekschool te Alexandrië; maar
die roem was van korten duur, en reeds in de tweede helft der
vierde eeuw was zij zoo goed als dood. Bij de verovering van
Egypte door Amru (640) verdween de school geheel.
Het Christendom vijandig tegenover de Heidensche
geleerdheid. Kloosterscholen.
Reeds gedurende het kwijnen van de eerste Katechetenschool werd
een andere opgericht en dit was niet de eenige, die volgde en
waarin het Christendom verbonden werd met heidensche letterkunde
en heidensche wetenschap. Intusschen won langzamerhand de over-
tuiging veld, dat alles wat een Christen behoefde te weten in de hei-
lige schrift lag opgesloten en dat de heidensche letterkunde met de
heidensche wetenschap geheel aardsch was. Men had ook bezwaar
tegen de onzedelijkheden der klassieke schrijvers. Dat werd uitgespro-
ken in de kerkelijke verordeningen, die omstreeks 400 in de Syri-
sche kerk waren ontstaan. Terwijl nu de eerste bisschoppen de be-
oefening der heidensche wetenschap hadden aanbevolen, werd zoo
iets door hun opvolgers ten strengste ontraden. Door de vurige aan-
hangers van het Christendom werden die wenken, althans voor een
deel, opgevolgd. Maar toen het Christendom meer algemeen was
-ocr page 41-
37
geworden, werd het door velen aangenomen zonder overtuiging. En
dezulken gingen voort met de beoefening der heidensche wetenschap
ondanks het verbod der bisschoppen. Daarin brachten de volksver-
huizingen weinig verandering. Evenals vroeger de Galliërs de letter-
kundige beschaving hadden overgenomen van hun overwinnaars, zoo
namen later andere volksstammen (Boergondiërs, Gothen en Franken
bv.) de taal en den godsdienst over van het volk, dat zij overwon-
nen. Wel was de verwarring alom zeer groot, zoodat ongetwijfeld
veel scholen te gronde gingen, maar even goed als de nieuwe vol-
keren den godsdienst en de taal van Rome overnamen , zouden ze
ook Heidensche scholen hebben laten voortbestaan, indien de Chris-
telijke kerk dat niet had belet. De ijverigste aanhangers van deze
gingen nl. onvermoeid voort met de bestrijding der heidensche weten-
schap. Die vijandige houding wordt het sterkst vertegenwoordigd
door de kerkvaders Tertullianus, Cyprianus, Hieronymus en Augusti-
nus, en hun denkbeelden werden ijverig toegepast door hun leerlingen
en door de monniken.
Kloosters ontstonden in de 4de eeuw in de Oostersche kerk, waar
ze den vruchtbaarsten bodem vonden. In \'t begin der vijfde eeuw
werden er voor \'t eerst in Gallië opgericht. Tot de bezigheden van
deze kloosters behoorde ook het overschrijven van Latijnsche schrij-
vers en kerkvaders; maar de klassieke studiën werden er afgekeurd.
In Gallië won de invloed der kerk veel, toen Clovis zich, waarschijn-
lijk om staatkundige redenen, van \'t heidendom bekeerde tot de
rechtzinnige katholieke leer. Van toen af was het onderwijs in dat
land geheel in handen der geestelijkheid.
Ook in Italië won de kerk voortdurend aan invloed en in 529
werden door den Romeinschen keizer de heidensche scholen voor
wijsbegeerte opgeheven. Zoo kwam langzamerhand in geheel Europa
het onderwijs in handen der kerk, wat verschillend was van den
toestand in het vroegere Romeinsche rijk.
Inmiddels bleven de kloosters op zich zelf staande inrichtingen,
die tijdens de volksverhuizing grootendeels in verval raakten. In
529 stichtte Benediktus van Nursia nabij Napels het klooster van
Monte-Casino, en daarmee tevens de beroemde orde der Benedik-
tijner monniken. Zijn doel was om bij gemeenscha]) van goederen
de Christelijke beginselen gezamenlijk in toepassing te brengen. Bo-
vendien werd den Benediktijner monniken opgedragen te arbeiden, en
zoo werden zij in West-Europa niet alleen onderwijzers van den Chris-
telijken godsdienst en van de wetenschappen maar ook van den
landbouw en ambachten. Aanvankelijk werden de kloosters in de
eenzaamheid der bergen opgericht, later ook in de steden, maar
clan toch afgescheiden van de buitenwereld.
In de kloosters der Benediktijnen werden ook kinderen uit allerlei
standen opgevoed en onderwezen, om later opgenomen te worden
in de orde. Deze waren aan een strenge tucht blootgesteld; onacht-
-ocr page 42-
38
zaamheid werd dikwijls niet de roede en een zwaar vergrijp met een
geeseling bestraft. Het onderwijs werd gegeven van het vijfde of
het zevende jaar tot het vijftiende. De taal, waarin onderwezen
werd, was het latijn, dat in den regel tevens tot spreektaal diende.
Enkele klassieke schrijvers werden gelezen, en van het lezen kwam
men tot het verzen maken. Daar in den bloeitijd van de orde der
Benediktijnen de godgeleerdheid bijna hun eenige wetenschap was,
moest ook de heilige schrift het belangrijkste boek voor hun onder-
wijs zijn. De hoofdvakken van het onderwijs waren dientengevolge\',
lezen, schrijven en het zingen der psalmen.
Aanvankelijk was het onderwijs in de Benediktijner kloosters alleen
bestemd voor de kinderen, die in het klooster opgenomen waren,
om opgeleid te worden voor de orde. Daar echter weinig of geen
geschikte scholen bestonden en het onderwijs der Benediktijnen aan
het verlangen van iedereen voldeed, kregen zij van alle kanten aan-
zoek, om ook kinderen op te nemen , die geen monnik wilden wor-
den. Zoo kwam men er weldra toe, om ook zalen in te richten
voor andere leerlingen. Het onderwijs aan de kloosterkinderen werd
gegeven in de zoogenaamde binnenschool, dat aan de andere
leerlingen in de buitenschool.
In de Nonnenkloosters van Benediktus van Nursia werd ook
dikwijls onderwijs gegeven, en wel voornamelijk aan meisjes. Maar
in die kloosters ontvingen ook dikwijls knapen onderwijs, en het ge-
beurde meermalen, dat knapen eerst de beginselen leerden in een non-
nenklooster, om hun verdere opleiding te ontvangen van monniken.
De Benediktijner orde vestigde zich behalve in Italië al spoedig in
Spanje en Frankrijk. Van Frankrijk ging de orde naar Groot-Brittanje.
De monnik Beda, 677—734, werd de beroemdste van Engeland\'s
leeraren in de middeleeuwen. Zijn theologische werken vonden in de
kloosters vele afschrijvers en lezers, en hij beoefende alle wetenschap-
pen van zijn tijd. Zijn werken waren bronnen, waaruit bijna allen,
die in de middeleeuwen schreven, putten.
Van Engeland uit richtte Gallus in 613 de later zoo beroemd ge-
worden Benediktijner abdij van Sint Gallen op.
De (I0111- en stichtscholen.
Terwijl in het midden der zevende eeuw de Benediktijnen hoog in
aanzien stonden, waren de andere geestelijken voor een groot deel
overgegeven aan wereldsche vermaken en niet zelden aan ondeugd.
Vooral de scholen, die vroeger in de omgeving van de bisschoppen
bestonden, waren vervallen of verdwenen , zoodat weinig zorg werd
gedragen voor de opleiding van geestelijken. Die toestand bewoog
Chrodegang, die van 742 tot 766 bisschop van Metz was, voor
de klerken of geestelijken zijner kathedraal of domkerk een regel
-ocr page 43-
39
vast te stellen, welke veel overeenkomst had met dien der Bene-
diktijnen. Zij moesten in een klooster samen wonen, hun bezighe-
den waren nauwkeurig voorgeschreven en daaronder bekleedden on-
denvijs in de heilige schrift en in het zingen een eerste plaats. Wie
zich aan dien regel (kanon) onderwierpen, heeten Kanonieken,
•en hun collegiën kapittelen. Hun scholen, dom- of kathedraalscholen
genoemd, waren in de eerste plaats bestemd voor de opleiding van
geestelijken, en van knapen, die behulpzaam konden zijn bij het ver-
richten van den kerkdienst. De regel , dien Chrodegang alleen voor
zijn eigen kathedraal-geestelijken bestemde, vond algemeen bijval en
werd door velen overgenomen.
Aan kerken in kleinere steden en in de groote steden naast de dom-
kerk werden dikwijls scholen verbonden, die dan den naam van s t i ft-
scholen kregen. Zij hadden een beperkter leerstof dan de dom-
scholen, maar waren overigens aan dezelfde bepalingen onderworpen.
Onderwijzers en leerlingen in de klooster-
en domscholen.
Het onderwijs aan de klooster- en domscholen werd niet altijd op
dezelfde wijze verdeeld en in den loop der tijden ontstonden ook
groote veranderingen. Uit een s cholasticus, die zelf onderwijs
gaf, ontstond aan groote scholen dikwijls iemand, die slechts met de
leiding en het toezicht belast was. Hij droeg dan het onderwijs in de
elementaire vakken en later soms ook dat in de hoogere vakken op
aan een rector. Het ambt van scholasticus was zeer voordeelig
en stond in hoog aanzien, zoodat dikwijls aanzienlijke mannen er
naar dongen. De scholasticus was altijd tevens geestelijke en wel
van hoogen rang; de rector was meestal een geestelijke, maar soms
werd een leek benoemd. Op den rector volgde in rang de cantor,
die met het zangonderwijs belast was. Aan grootere scholen had men
bovendien opzichters bij de knapen, en aan de Kathedralen iemand,
die onderricht gaf in de kerkelijke plechtigheden, koorzingen, enz.
Aan de kunst van onderwijzen werd in \'t algemeen weinig zorg
besteed. Alles was geheugenwerk, en men leerde zelfs lezen in een
vreemde taal zonder dat de beteekenis der woorden werd meegedeeld.
Het volledig onderwijs der dom- en kloosterscholen werd meestal
alleen gegeven aan hen, die tot den geestelijken stand moesten opge-
leid worden. De aanzienlijken, die van de buitenscholen der kloos-
ters of kathedralen gebruik maakten, leerden daarin gewoonlijk lezen,
schrijven, rekenen, muziek en een weinig spraakkunst. Zoodra een
knaap lust had om in den geestelijken stand opgeleid te worden en
hij daartoe geschikt bleek, werd hij, als zijn ouders arm waren,
kosteloos in een dom- of kloosterschool opgenomen.
-ocr page 44-
40
De zeven vrije kunsten.
Het niet godsdienstig onderwijs omvatte: spraakkunst, logika, rhe-
torika, muziek, rekenkunde, meetkunde, en sterrekunde. De eerste
drie hebben betrekking op de taal en werden samen het trivium
genoemd. Aan de andere vier vakken samen gaf men den naam Qua-
driviuni. Toen het trivium en het quadrivium vereenigd werden
als leervakken, gaf men hun den naam van de zeven vrije kun-
sten. Veelal werd eerst het trivium behandeld, waarna het quadri-
vium volgde voor hen, die een uitgebreider beschaving verlangden.
Dit was evenwel geen regel, waaraan men zich streng hield. Op
een aantal zoogenaamde triviaalscholen achtte men naast het latijn,
kerkgezang en rekenen noodzakelijker dan logika en rhetorika. Door
het kapittel te Aken werden in 789 spraakkunst, muziek en rekenen
tot het trivium gerekend. Dat schijnt op meer plaatsen het geval
geweest te zijn. Aan de stiftscholen vond men veelal een trivium,
terwijl aan de domscholen onderwijs in de zeven vrije kunsten werd
gegeven.
De spraakkunst betrof het latijn.
Het onderwijs in de muziek stond zeer in aanzien om het kerk-
gezang.
De rekenkunde bestond niet zoozeer in aanwijzingen, hoe men
met getallen moest werken, als wel in phantasiën over de geheime
en wonderbare krachten van elk getal. Om getallen aan te wijzen,
nam men handen en vingers te hulp. Voor het praktische rekenen
bij den handel en het huishouden bediende men zich voor het uit-
voeren der vier hoofdbewerkingen van het rekenbord der Romeinen,
dat tot in de tiende eeuw het eenige Tekenmiddel bleef. Een wezen-
lijke verandering ontstond er eerst, toen men in de elfde, twaalfde
en dertiende eeuw door tusschenkomst der Arabieren in Spanje de
Indische cijfers met hun betrekkelijke waarde leerde kennen.
De meetkunde werd onderwezen volgens gebrekkige uittreksels
uit Euclides, waarbij bepalingen en onderscheidingen hoofdzaak waren.
Aan sterrekunde werd vóór den tijd van Karel den Groote
weinig of niets gedaan. Zij bleef geruimen tijd verbonden met de
sterrewichelarij. Later werd zij beter bekend door toedoen der Arabieren.
Andere vakken bleven buitengesloten. Dit was ook het geval met
geschiedenis, waarbij men echter weinig verloor, aangezien men
ter goeder trouw alles neerschreef wat een ander meedeelde.
Het geheele onderwijs der middeleeuwen is zeer juist gekenschetst
door Rabanus Maurus, die schreef: Men bestudeert de rhetorika,
om de beeldspraak des bijbels beter te verstaan; dichtkunde, om de
juiste maat voor Christelijke gezangen te vinden ; redeneerkunde, om
de ketters met des te beter gevolg te weerleggen; rekenkunst, om
-ocr page 45-
41
de geheimzinnige getallen in den bijbel te ontcijferen; meetkunde, om
zich een juiste voorstelling te vormen van de heilige gebouwen; ster-
rekunde, om de kerkelijke feestdagen te kunnen bepalen.
Het godsclienstonclerwijs bestond voor de toekomstige gees-
telijken vooral in verklaring der heilige schrift, kennis van de kerk-
wetten en den kerkdienst, dogmatische studiën en kanselwelsprekend-
heid. Voor de aanzienlijken bestond het voornamelijk in het opzeggen
van de hoofdzaken van den kathechisnuis. Bij het volk was men
tevreden met het onze vader, de geloofsbelijdenis en de kennis van
wat men aan de kerk verschuldigd was. Tot in de negende eeuw
geschiedde dit alles uitsluitend in het latijn.
Bij elk klooster had men gewoonlijk een zaal, die voor het af-
schrijven was ingericht. In een klooster van het Schwartzwald waren
in de elfde eeuw 12 monniken voortdurend bezig met het vervaar-
digen van afschriften van den bijbel en werken der kerkvaders. Ze
stonden onder een schrijfmeester, die het werk verdeelde en toezag
op de fouten. Op die wijze werden ook de schoolboeken vervaardigd.
Het eerste en voornaamste schoolboek voor beginnende
leerlingen was Cato. Dit bevattte vier boeken tweeregelige
verzen van een zekeren Dionysius Cato, een uittreksel uit het zedelijk
dichtstuk van den ouden censor Cato, benevens korte, eenvoudige
zinspreuken over de vereering van God, van de ouders, bloedver-
wanten en onderwijzers, over den omgang met brave menschen,
over zindelijkheid en bescheidenheid, over schaamte, vlijt en gehoor-
zaamheid aan de overheid. Onder de spraakkunsten nam D o-
natus (omstreeks 320) de eerste plaats in. Voor eerstbeginnenden
werd een uittreksel gemaakt, een „Donatus voor kinderen",
en dit werd gedurende de middeleeuwen bijzonder veel gebruikt.
Cappella liet omstreeks 425 een der beroemdste leerboeken van
de middeleeuwen verschijnen. Het bestaat uit 9 afdeelingen in proza
en poëzie, waarvan de laatste 7 de vrije kunsten behandelen. Elke
afdeeling begint met een inleiding, gedeeltelijk in versmaat; de schrij-
ver legt zich meer toe op beschouwingen over de zaken dan op het
aanleeren van de zaken zelf. Bij de spraakkunst wordt meer over
lettergrepen en woorden gesproken clan over de taal. Bij de meet-
kunde wordt ook de aardrijkskunde in korte hoofdstukken behandeld.
Geen leerboek heeft meer roem verworven of is langer gebruikt.
Bijna ÏOOO jaar lang stond het bovenaan in de scholen.
B o ë t h i u s schreef omstreeks 500 een werk van wijsgeerig-gods-
dienstigen aard, dat veel gelezen werd in de scholen. Bovendien
schreef hij een werk over rekenkunde, muziek en meetkunde. Dit
is degelijker dan dat van Cappella en werd veel gebruikt. Boëthius
legt eenige kennis der zielkunde aan den dag, waar hij spreekt over
de vier temperamenten en hun kenteekenen bij de jeugd ; over het
verschil in aanleg bij de leerlingen en over de verschillende behande-
ling, die men op hen moet toepassen; enz.
-ocr page 46-
42
Straffen en spelen.
Gedurende de middeleeuwen was de tucht op school en in huis
bijzonder streng. De roede was het algemeen gebruikelijke straf-
werktuig. Vasten en kastijdingen behoorden tot de schoolstraffen.
Zelfs de geestelijken in de kloosters werden, als zij tegen hun regel
gezondigd hadden, lichamelijk streng gestraft. Robert van Sarbonne
te Parijs schrijft het gebruik van den stok in de school nadrukkelijk
voor, zoowel bij de leerlingen als bij de hulponderwijzers aan de
lagere scholen. Als de hoofdonderwijzer des Zaterdags de leerlingen
hun les liet opzeggen, en het bleek, dat zij die niet kenden, doordat
een hulponderwijzer hun slecht had onderwezen, dan moest deze
niet den stok gestraft worden. Zoo ruw de leerlingen behandeld
werden door de onderwijzers, behandelden zij ook elkaar; en er zijn
verschillende voorbeelden bekend, waarbij de eene leerling den an-
deren doodsloeg. Het was ook een algemeen verspreid gevoelen,
dat een vader zijn zoon leed berokkende, als hij spaarzaam omging
met de roede.
De spelen van de knapen waren velerlei en zeker voor een groot
deel overgebleven uit een meer onbeschaafden tijd toen lichamelijke
ontwikkeling er door bevorderd moest worden. Ook had men allerlei
schoolfeesten, waarbij niet zelden optochten werden gehouden. Later
werden door de leerlingen dikwijls tooneelstukken opgevoerd.
De invoering van het Christendom en de eerste
scholen hier te lande.
De Germanen paarden bij \'t begin onzer tijdrekening aan een
krachtigen lichaamsbouw gemoedelijkheid en ernst. Zij waren gast-
vrij voor landgenooten; maar de kustbewoners maakten schipbreu-
kelingen, die in hun handen vielen, tot slaven. Ze waren eerlijk,
getrouw en onbekwaam tot voorbedacht verraad, zoodat de Ro-
meinsche keizers hun lijfwachten dikwijls uit de Germanen kozen.
Ook de verhouding tusschen de beide geslachten was beter, dan men
zou verwachten. De huwelijkstrouw werd zelden geschonden. Zij
waren vol liefde voor eigen vrijheid, dapper en oorlogszuchtig. Onder
hun ondeugden staat onmatigheid bovenaan, en ze waren zeer ver-
slaafd aan het dobbelen. Ook twistzucht en wraakgierigheid waren
eigen aan het karakter der oude Germanen. De landbouw werd
overgelaten aan de vrouwen en de ouderen, die te zwak waren,
om het zwaard te voeren. De opvoeding der kleine kinderen werd
geheel overgelaten aan de moeder, die ze zelf zoogde. De kinderen
der vrijen deelden in de spelen van de kinderen hunner slaven. Het
meisje leerde verder van de moeder al wat op de huishouding be-
-ocr page 47-
43
trekking had. De knaap leerde van den vader zwemmen, visschen,
paardrijden en den wapenhandel. De man kocht zijn vrouw en kon
zelfs over het leven van zijn kinderen beschikken. Nog in de eerste
helft van de achtste eeuw kwam het dooden van pasgeboren kin-
deren voor bij de Friezen, ook onder de aanzienlijken. Het is voor
de opvoeding van belang, dat vereering voor dapperheid en verstandig
beleid een karaktertrek der Germanen was en dus ook aan de kin-
deren werd voorgehouden.
Lezen en schrijven waren in ons vaderland voor de invoering van
het Christendom geheel of bijna geheel onbekend. Het Christendom
zelf ondervond er veel weerstand. Onder Clovis maakte het eenige
vorderingen in België, maar nog in de eerste helft der 7de eeuw
bood men er veel weerstand aan in het Noorden van België. In de
Noordelijke Nederlanden kon het bekeeringswerk eerst tegen het einde
der zevende eeuw worden aangevangen, toen koning Radboud was
ten onder gebracht. Dientengevolge verrezen er in de achtste en
negende eeuw tal van kerken en kapellen en eenige kapittelen. Het
duurde intusschen geruimen tijd, voor dat geheel Nederland christelijk
was geworden, en eerst door Karel den Grootte werd het christen-
dom er met geweld algemeen gemaakt.
Karel de Groote.
Toen Karel de Groote in 768 aan het hoofd van het Frankische
rijk kwam, wist hij het naar alle zijden uit te breiden. De volken,
die hij onderwierp, werden ook gedwongen het Christenden aan te,
nemen. Hij muntte uit door liefde voor beschaving en een voortdu-
rend streven om het onderwijs algemeen te maken.
Tot onderrichting van het volk waren de geestelijken de aangewe-
zen personen. Maar om daartoe in alle opzichten geschikt te zijn,
moest een deel van hen zich minder met de wereldsche zaken be-
moeien en meer ijver aan den dag leggen. De keizer verbood aan
de geestelijken, wapens te dragen en te jagen. Hij vermaande hen
tot matigheid en een in alle opzichten waardig gedrag. Aan de bis-
schoppen werd de verplichting opgelegd, jaarlijks hun kerspel te in-
specteeren; de geestelijken moesten elk jaar een verslag inzenden van
hun werkzaamheid. Niemand mocht priester worden, zonder daartoe
wetenschappelijk voorbereid te zijn. Hij moest niet alleen de noodige
kennis bezitten van al wat rechtstreeks den godsdienst betrof, maar
ook kunnen lezen, zingen, schrijven, rekenen en brieven opstellen.
Hij bepaalde, dat er onderwijs in het orgelspel zou gegeven worden.
Reeds in 789 werd door Karel den Groote bepaald, dat de pries-
ters in verschillende kloosters en bisdommen scholen moesten oprich-
ten, waarin lezen, schrijven, zingen en rekenen werd onderwezen.
Ten gevolge van deze verordening werden niet alleen bij de kloosters
-ocr page 48-
44
scholen geopend, als zij er niet reeds waren, maar er werden ook
afzonderlijke scholen opgericht, waaraan een priester onderwijs gaf.
Vooral droeg de bisschop van Orleans er zorg voor, dat ook op het
land onderwijs werd gegeven, en hij verbood de priesters, voor het
onderwijs iets anders aan te nemen dan geheel willekeurige geschen-
ken, opdat de armste in de gelegenheid zou zijn, de voor het prak-
tische leven onmisbare kennis op te doen. — Het was door toedoen
van Karel den Groote, dat de kerkvergadering van Mainz in 813
bijna gelijktijdig met een aantal andere kerkvergaderingen het vol-
gende bepaalde: „De priesters moeten steeds de geloofsbelijdenis en
het onze vader onderwijzen, en die, welke dat verwaarloozen, moe-
ten door vasten en andere tuchtigingen gestraft worden. Ook moe-
ten de ouders hun kinderen naar de school zenden, of naar een
kloosterschool <>f naar die van een priester, opdat zij de geloofsbe-
lijdenis en het onze vader goed leeren en te huis aan anderen kun-
nen leeren; wie niet anders kan, mag het in zijn moedertaal leeren.\'\'
Van 813 af werd door toedoen van Karel den Groote bij het
preeken en het godsdienstonderwijs ook gebruik gemaakt van de
volksstaal. Kort daarna verscheen de eerste zoogenaamde kathe-
chese in het Duitsch, die de tien geboden, de geloofsbelijdenis, het
onze vader met verklaring, de doodzonden en een afzwering van
den duivel bevatte.
De scholen op het platte land, parochiaal" of gemeente-
scholen genaamd, werden in West-Europa voor het eerst op groote
schaal door toedoen van Karel den Groote in het leven geroepen.
Doch de voortdurende oorlogen moesten belemmerend werken. Boven-
dien was de toestand der lagere volksklasse van dien aard, dat hier
slechts de grondslag kon gelegd worden voor een algemeene volks-
beschaving. De praktische waarde zou die grondslag eerst verkrijgen,
als er een flink gebouw op kwam; maar zulk een gebouw werd in
de eerstvolgende eeuwen niet opgericht. Van meer blijvenden invloed
waren dan ook Karel\'s bemoeiingen op het gebied van het hooger
onderwijs.
Om zijn grootsche plannen te verwezenlijken , riep Karel de hulp
in van onderwijzers, vooral uit Italië. De meeste hulp genoot hij
van Alcuin, die sedert 766 aan het hoofd van de school te York
stond. In 782 kwam Alcuin aan het hoofd van Karel\'s hofschool.
Deze werd door Alcuin tot grooten bloei gebracht en volgde den
Keizer naar zijn verschillende verblijfplaatsen. Men leerde in de hof-
school de toen bekende wetenschappen in den gewonen gebrekkigen
vorm, maar de godsdienst bleef het hoofddoel.
Karel de Groote werd in 814 opgevolgd door zijn zoon Lodewijk,
die niet ten onrechte „de vrome" werd genoemd en bovendien zeer
geleerd was. Hij kende zoowel Grieksch als Latijn en was even ijverig
als zijn vader bij het verbeteren van de tucht en het onderwijs in de
-ocr page 49-
45
kloosterscholen. Door de kerkvergadering te Aken in 817 gehouden
werd voor alle kloosterscholen een regel vastgesteld, geheel in over-
eenstemming met den kanon van Chrodegang. Tevens werd bepaald,
dat de leerlingen, die opgeleid zouden worden tot monnik, moesten
afgezonderd blijven van de anderen. Dit geschiedde waarschijnlijk om
bij de laatsten meer gebruik te maken van de volkstaal. De kerk-
vergadering, die in 829 te Parijs werd gehouden, verzocht den keizer
dringend, op de drie meest geschikte plaatsen van zijn rijk krachtens
zijn keizerlijk gezag groote openbare scholen te vestigen , opdat de
bemoeiingen van zijn vader en zijn eigene ten gunste der weten-
schappelijke beschaving niet zonder gevolg zouden blijven. Dit zouden
waarschijnlijk hoogescholen geworden zijn. Maar vóór dat Lodewijk
aan het verzoek kon voldoen, brak de opstand uit van zijn zoons.
In de elfde en de twaalfde eeuw was Europa geheel ontreddend.
Het leenstelsel deed zich toen van zijn ongunstigste zijde kennen. Het
gaf aanleiding tot tal van kleine oorlogen, waarbij nog de groote
invallen kwamen. Zelfs de geestelijkheid hanteerde dikwijls de wa-
penen, en een bisschop uit het begin der elfde eeuw beklaagt er
zich over, dat veel zijner ambtgenooten hoogstens de letters van
\'t a b c konden opnoemen.
Alfred de Groote.
Terwijl op het vasteland de klooster- en domscholen niet dan met
de grootste moeite in een goeden toestand konden gehouden worden
en telkens in verval geraakten, bloeiden in Groot-Brittanie de scholen
onafgebroken van de zesde eeuw te beginnen, en dit was nog het
geval in den tijd van Karel den Kale. Daardoor was mogelijk, dat
van Groot-Brittanje uit, voortdurend geleerde onderwijzers naar het
vasteland konden komen. De klooster- en domscholen van Groot-
Brittanje waren bijna uitsluitend voor toekomstige geestelijken be-
stemd. In dien toestand kwam verandering door toedoen van Alfred
den Groote, 871—901. Hij vatte het denkbeeld op, om het volk
te beschaven. De kinderen der vrijen zouden ten minste het Angel-
saksisch leeren lezen, de kinderen van den adel moesten bovendien
Latijn beoefenen. De Iersche kloosters muntten gedurende de eerste
helft der middeleeuwen vooral uit door een vrijen geest, zoodat er
meer klassieke schrijvers werden gelezen en de wetenschappen iets
beter werden beoefend dan elders.
Toen later Engeland veroverd werd door de Normandiërs , schijnen
de scholen in verval geweest te zijn. Aanvankelijk kon de verove-
ring niet gunstig werken, maar weldra nam Willem de Veroveraar
maatregelen, om de scholen tot bloei te brengen, en dit gelukte.
-ocr page 50-
46
Kerkelijke scholen in de Nederlanden.
Wat de inrichting betreft leveren de kerkelijke scholen der Neder-
landen, zoover men ze kent, niets op, waardoor zij zich onder-
scheidden van die in andere landen. De Utrechtsche school had aan-
vankelijk een beperkte leerstof en diende voorloopig alleen tot vor-
ming van toekomstige geestelijken, waaronder veel zendelingen. Van
den toestand dier school gedurende de negende en de tiende eeuw is
zeer weinig bekend. Een tijdlang was zij opgeheven, doordat de
bisschop met zijn geestelijken naar den vreemde was gevlucht ten
gevolge der voortdurende invallen van de Noormannen. Van andere
scholen in Noord-Nederland gedurende dien tijd is ons niets bekend.
Toch valt het niet te betwijfelen of men had kapittelscholen in plaat-
sen, waar een groot aantal geestelijken bijeen waren. Dat zoo wei-
nig van die scholen bekend is, doet vermoeden, dat geen van allen
in een bloeienden toestand verkeerde gedurende de negende en de
tiende eeuw. In Duitschland kwijnden de scholen terzelfder tijd door de
vele oorlogen der Duitsche keizers en de herhaalde invallen derMagiaren.
Het oudste monnikenklooster in Noord-Nederland werd waar-
schijnlijk omstreeks 866 op Ameland gesticht. Belangrijker was in-
tusschen de abdij van Egmond, die naar men meent een weinig later
werd gesticht door Graaf Dirk en bevolkt door nonnen uit Frankrijk
of Engeland. Dirk II verplaatste de nonnen naar Bennebroek en
bouwde te Egmond een steenen klooster, dat vervolgens werd be-
woond door monniken. De abdij te Egmond werd later zeer be-
roemd door hare boekerij.
In de tweede helft der tiende eeuw verhief de kathedraalschool te
Luik zich tot grooten bloei, door toedoen van den bisschop Everaklus.
Dit was zoozeer het geval, dat men Luik in dien tijd als de hooge-
school van geheel Noordwestelijk Duitschland kon beschouwen. Naast
de school te Luik bloeiden, zij het ook in mindere mate, een aantal
Belgische scholen. Everaklus deed in de kloosters scholen oprichten
en drong er op aan, dat men nauwkeurig zou onderzoeken of het
gelezene begrepen was. Den hoogsten roem verwierf deze stad door
het geslacht Notker, dat een eeuw lang voortreffelijke geleerden voort-
bracht. Luik leverde toen een aantal onderwijzers op, die zich over
de omliggende landen hebben verspreid. Hieraan is toe te schrijven
dat in de elfde eeuw Nederlandsche kloosterscholen bloeiden, terwijl
ze bijna overal elders waren vervallen. In de meeste kloosters dien-
den de menigvuldige godsdienstige gebruiken, die in de tiende en
elfde eeuw ontstaan waren, tot voorwendsel om uit gebrek aan tijd
het onderwijs te verwaarloozen. Men wilde veelal zelfs in \'t geheel
geen knapen opnemen in de kloosters, omdat zij de aandacht van
godsdienstige gebruiken afleidden. Sommigen meenden ook, dat de
kennis der klassieke oudheid moest schaden aan de eenvoudigheid van
-ocr page 51-
47
den Christen. Naast de inwendige oorzaken, die de kloosterscholen
deden vervallen, werkte ook de veranderde tijdgeest mee, die be-
hoefte had aan andere scholen.
De kruistochten waren voor onze vaderen den intocht in de kerk.
Het is dan ook eerst in de twaalfde eeuw, dat er door de Benedik-
tijner orde een eenigszins groot aantal kloosters op onzen bodem
werden gesticht. In Holland is vooral vermaard geworden de om-
streeks 1133 gestichte abdij van Rijnsburg, waar vele aanzienlijke
vrouwen aanleiding gaven niet alleen tot milddadigheid op groote
schaal, maar ook tot een weelderige leefwijze. Na 1300 schijnt de
Benediktijner orde geen nieuwe kloosters op onzen bodem gesticht
te hebben; maar het aantal abdijen en conventen van andere orden
nam voortdurend toe, en in de laatste honderd jaar, die voorafgin-
gen aan de hervorming, telde ons vaderland met niet meer dan
twee millioen inwoners ongeveer 500 kloosters of dergelijke inrich-
tingen, waarvan de kleinere 40, de grootere soms 700 geestelijken
bevatten. Van de scholen, die aan deze inrichtingen verbonden zijn
geweest, is weinig bekend.
De meest beroemde kloosterschool van Noord-Nederland was die
te Ikdum; waarbij valt op te merken, dat zij haar roem vooral
had te danken aan het toevallig verblijf van beroemde geleerden
binnen de kloostermuren. Aan dit klooster was behalve een binnen*
school ook een buitenschool verbonden. De laatste werd gewoonlijk
roode school genoemd en lag te Winsum ten noorden van Aduard.
De buitenschool was bestemd voor beginnenden en de binnenschoot
voor verder gevorderden. In de dertiende eeuw kregen de scholen
te Aduard naam, maar het toppunt van roem werd door de binnen-
school bereikt, toen beroemde geleerden er soms geruimen tijd als
gast vertoefden en zich ook met de leerlingen bezig hielden. De school
werd toen als een universiteit beschouwd, die een groot aantal leer-
gierigen uit verschillende gewesten tot zich trok.
Weet men weinig van de scholen, die verbonden waren aan de
mannenkloosters, nog minder is er bekend omtrent de scholen, die
hoogst waarschijnlijk verbonden waren aan bijna al de talrijke non-
nenkloosters van ons land.
De oorzaken, die de kloosterscholen deden kwijnen, drukten ook
de dom- en kapittelscholen. Deze waren echter minder vreemd
aan de maatschappij en konden daardoor ten tijde der kruistochten
nog eenmaal opleven tengevolge van de zucht naar kennis, die ont-
staan was bij den adel. Te Luik telde men in 1145 negen konings-
zonen, 14 hertogszonen, 30 gravenzonen en 7 vrijheeren en ridders,
die zich wetenschappelijk ontwikkelden. Naast Luik bloeiden de dom-
scholen te Doornik, Mechelen en Utrecht. Aan het bijeenzijn van
zooveel aanzienlijke leerlingen was ook een schaduwzijde verbonden.
Het maakte de geestelijken wereldschgezind en werkte een verkeerde
leefwijze in de hand. De geestelijke onderwijzers kozen dan ook
-ocr page 52-
48
spoedig plaatsvervangers, die hun werk moesten verrichten. Dit werd
in hooge mate het geval, toen de best bezoldigde ambten, aan de
kathedraalkerken verbonden, in het bezit van den adel kwamen en
dikwijls zelfs aan kinderen werden geschonken of aan gunstelingen.
Dit alles bewerkte, dat men omzag naar niet-geestelijken, die het
onderwijs zouden geven, en zoo werkte men het ontstaan van leera-
ren buiten de kerk in de hand. Intusschen zag de hoogere geeste-
lijkheid het belang van goede scholen ook voor de instandhouding
der kapittelen zelf niet voorbij. In 1215 werd bepaald, dat bij
elke kerk van eenig aanzien meesters zouden aangesteld worden,
om in het genot van een kerkelijke jaarwedde kosteloos onder-
wijs te geven , waarvan zoowel de kinderen der gemeente als de
toekomstige geestelijken gebruik zouden kunnen maken. Aan deze
bepaling werd over \'t algemeen gevolg gegeven en in ons vaderland
werd zij streng toegepast. Er waren in Noord-Nederland ongeveer
60 kerken, waaraan een zeker aantal geestelijken verbonden waren
en die gewoonlijk kapittel- of colleyiaalkerken werden genoemd. Elk
van die kerken nu had Jiare kapittelschool met een of meer onder-
wijzers. Van het onderwijs kon zoowel door leeken als door toe-
komstige geestelijken, zoowel door armen als door rijken worden
gebruik gemaakt, en dit heeft onafgebroken voortgeduurd tot in de
dertiende eeuw. Van bijna al die scholen weet men echter weinig
of niets.
De Utrechtsche domschool was tot in de twaalfde eeuw ook in de
naburige landen beroemd. Later schijnt zij evenals de meeste andere
domscholen gekwijnd te hebben en stond zij waarschijnlijk zelfs be-
neden sommige parochiescholen.
Franciskanen en Dominikanen. 13e eeuw.
Tegen het einde der twaalfde eeuw kan men rekenen, dat de eens
zoo machtige Benediktijner orde hare beteekenis verloren had, en in
de dertiende eeuw traden twee nieuwe monnikenorden, de Domi-
nikanen en de Franciskanen, met frissche krachten op. Deze
orden leverden een aantal bekwame mannen voor de kerk, de uni-
versiteiten en de andere scholen op. Vooral de Franciskanen schreven
veel nieuwe schoolboeken en bezorgden dikwijls onderwijzers in de
steden, waar men geen dom- of kapittelscholen vond. Zij hadden
nl. scholen voor de kweekelingen hunner orden en bovendien andere
scholen, waarvan de kinderen der burgers, zooveel zij wilden, ge-
bruik konden maken. Maar hun onderwijs was in het wezen der
zaak niet verschillend van dat der voorgaande eeuwen; van buiten
leeren was alles wat verlangd werd en de leerstof bestond uit het
Onze Vader, de Geloofsartikelen, de Tien Geboden, Gebeden, Kerk-
gezangen en Latijn. Op enkele plaatsen onderwezen ze ook scholas-
-ocr page 53-
49
tieke wijsbegeerte. Dat hun scholen vrij druk bezocht werden, moet,
behalve aan het gemis van betere scholen, worden toegeschreven
aan twee omstandigheden. Vooreerst lagen hun kloosters gewoonlijk
in de steden, zoodat het niet gevaarlijk was, hun scholen te bezoe-
ken. In de tweede plaats gebruikten zij leerboeken, waardoor wer-
kelijk het van buiten leeren gemakkelijk werd gemaakt. Men had
nl. de leerstof op rijm gebracht in boeken, die meestal Doctrina-
len genoemd werden; zij waren gedeeltelijk in het Latijn, gedeelte-
telijk in de volkstaal geschreven. De eerste spraakkunst op rijm ver-
scheen omstreeks 1212. Zij werd later uitgebreid tot 10560 versregels.
Ook was voor schoolgebruik in 212 zesvoetige versregels de hoofd-
inhoud van het oude en het nieuwe testament samengevat.
Op die boeken volgde een groot aantal andere, hoofdzakelijk voor
het volk bestemd en waarvan de meeste, op de wijze van het boek
van Dionysius Cato, de moraal in korte verzen bevatten.
4
-ocr page 54-
OPVOEDING EN ONDERWIJS NAAST DE KER-
KEL1JKE INRICHTINGEN.
De ridderschap.
De opvoeding van den toekomstigen ridder begon zeer vroeg.
Zoodra de eerste kinderjaren voorbij waren, achtte men de zorg van
de moeder te teeder, en de toegeeflijkheid onder het ouderlijk dak
te verweekelijkend voor iemand, die later zou dingen naar de eer-
bewijzen der ridderschap. Om die invloeden tegen te gaan, was als
eerste trap naar de waardigheid van ridder de graad van page in-
gesteld. De knaap werd gewoonlijk op zijn twaalfde jaar uit het
vaderlijk huis in dat van een baron of een dapperen ridder gedaan,
waarbij de ouders zorgvuldig naar een huis zochten, dat bekend was
om goede orde en tucht. De kinderen van de voornaamste edelen
en van de hooge kroonvassalen werden opgevoed aan het koninklijk
hof. De knaap moest leeren zedig te zijn, gehoorzaam en vaardig
in het hanteeren van wapens en in de rijkunst. Hij vergezelde zijn
heer gedurende de jacht, waarvan de regels, omdat zij een beeld
van den oorlog opleverde en in vredestijd de hoofdbezigheid van een
heer uitmaakte, zorgvuldig ingeprent werden.
Tusschen al die onderwijzingen in moest de page dikwijls dienst
doen bij de dames, als een soort van hoogere wezens, die hij veeleer
moest aanbidden en nederig dienen, dan als gewone menschen be-
handelen. De nederigste houding, de diepste eerbied moesten in
acht genomen worden tegenover deze afgoden. Het was in zulke
omstandigheden, dat den knaap meermalen door een dame regels
werden ingeprent, die hij tegenover de door hem uitverkoren schoone
moest toepassen. Het opgeschroefde van die raadgevingen maakt
het ons begrijpelijk, dat ze later tot allerlei misbruiken aanleiding
gaven.
Als de page het gebruik der wapenen goed kende en geschikt
was, de ontberingen en gevaren van den oorlog te trotseeren, werd
hij bevorderd tot schildknaap. Dit geschiedde gewoonlijk op den
leeftijd van 14 jaar of een weinig later. De schildknaap had allerlei
plichten tegenover zijn heer te vervullen. Hij moest zoowel in vre-
destijd als bij oorlog voor de wapens en het paard van zijn heer
zorgen. Hij was bovendien kamerheer of kamerknecht. Daarentegen
kwam hij alleen bij plechtige gelegenheden in aanraking met de
dames.
-ocr page 55-
51
Men verwachtte van den schildknaap ook, dat hij zich verder be-
kwaamde in de zaken, die bij de edelen onderwerpen van gesprek
uitmaakten. Hij moest het schaak- en damspel kennen en een le-
vendig gesprek kunnen heipen voeren. Als hij aanleg en lust had
voor dichtkunst en muziek, werd hem zoo iets als een sieraad aan-
gerekend.
Intusschen werden de wapenoefeningen door den schildknaap ge-
regeld voortgezet en hij verrichtte in \'t algemeen allerlei oefeningen,
die samen een vrij volledige gymnastiek vormden. Op den leeftijd
van 21 jaar werd de schildknaap gewoonlijk tot ridder geslagen.
Ook bij het ridderschap had men verschillende graden.
Als de toekomstige ridders onderwijs genoten, was het gewoonlijk
in de dom- en kloosterscholen, waar ze dan ongeveer op hun zevende
jaar werden heen gezonden; maar de meesten leerden nooit schrijven
of lezen. Bij allen daarentegen werd groote zorg gedragen voor de
lichamelijke opvoeding, en hierdoor vormde de opvoeding der rid-
derschap een tegenstelling met de opvoeding der kerk, voor welke
het lichaam niet in tel was. De ridderschap onderscheidde zich ook
van de kerk door een werkelijke waardeering van de vrouw. Ze
bereikte haar bloeitijd bij de kruistochten, en van toen af is zij lang-
zamerhand vervallen.
De oprichting der universiteiten.
Naast de christelijke scholen vond men in de tweede helft der
middeleeuwen op de noordkust van Afrika, in\'Spanje en Frankrijk
bloeiende Joodsche scholen. Nog meer bloei en hoogere weten-
schappelijkheid vond men aan de hoogescholen der Arabieren, die
in Spanje het toppunt van hun roem bereikten. Daar werden on-
belemmerd verschillende wetenschappen beoefend; men vond er uit-
gebreide boekerijen en een groot aantal studeerenden, waaronder
men niet alleen joden maar later ook Christenen telde.
Opgewekt door zulke schitterende voorbeelden, ontstonden in Italië
en Frankrijk de zoogenaamde faculteitsscholen. Dit geschiedde
alleen uit innerlijken aandrang bij geleerden en bij weetgierige jonge-
lieden en mannen. De leeraren waren onafhankelijk, en de leerlin-
gen, waaronder men ook vele volwassenen vond, stroomden uit
alle oorden samen en bewogen zich even ongedwongen als de leer-
aren. Zoo ontstond in de twaalfde eeuw de school voor R e c h t s-
geleerdheid te Bologna. Tegen het einde der twaalfde eeuw telde
men er zelfs 12000 studenten, waarvan een groot aantal uit ver
afgelegen oorden.
Te Salerno werd tegen het einde der tl de eeuw een genees-
kundige school gesticht door Constantinus Afrikanus uit Karthago,
die 39 jaren in het Oosten aan verschillende akademiën had door-
4*
-ocr page 56-
52
gebracht en door den hertog van Salerno in bescherming werd ge-
nomen. Reeds voor het einde der twaalfde eeuw werd er te Salerno
behalve geneeskunde ook rechtsgeleerdheid en wijsbegeerte onder-
wezen ; te Bologna kwamen bij de rechtsgeleerdheid ook theologie
en geneeskunde. Te Bologna en Salerno had men voor het eerst in
het Christendom der middeleeuwen vrije, wereldsche wetenschap.
Daarentegen ontstond te Parijs een universiteit, die aanvankelijk
slechts een met vrijer geest bezielde kloosterschool was. Zij ontstond
doordat eenige geleerden hun scholen samenvoegden tot een enkele.
Zij werd voor het eerst als vereeniging erkend door Filips Augustus,
die een diploma verleende, waardoor de leden der Parijsche univer-
siteit aan het wereldlijk gerecht onttrokken werden. De leervakken
waren de zeven vrije kunsten, maar de theologie was hoofdzaak,
zoodat men haar als een hoogeschool voor godgeleerdheid kan be-
schouwen. De meeste leeraars waren dan ook geestelijken, en de
toehoorders bestonden voor het grootste deel uit klerken of toekom-
stige dienaren der kerk. Aanvankelijk was de universiteit te Parijs
zoo arm, dat zij niet eens een eigen huis had en de voorlezingen
gewoonlijk gehouden werden in de kloosters van bevriende orden.
Door beroemde leeraren kwam zij echter spoedig zeer in aanzien.
Haar afgevaardigden zaten onder de rijksstanden en oefenden door
hun talrijke raadgevingen zeer grooten invloed uit. Door den paus
werden haar voortdurend allerlei moeilijke vragen uit de godgeleerd-
heid en de zedekunde ter beantwoording voorgelegd, en zelfs op de
staatkunde van den paus had zij grooten invloed. Dit gezag is
lang gehandhaafd, en tot in de achttiende eeuw hadden haar uit-
spraken kracht van wet.
Het was te Parijs dat de middeleeuwsche wijsbegeerte haar grootste
aanzien verwierf. Gewoonlijk noemt men de wijsbegeerte, die ge-
durende de middeleeuwen werd verkondigd, scholastieke wijs-
begeer te. Dit is geen afzonderlijke leer of op zich zelf staand
stelsel, maar spitsvondige wijsbegeerte in den dienst der kerk.
Naar Parijs kwamen de studenten van alle kanten toestroomen,
en men vond er een aantal Nederlanders. Voor een geleerde werd
het een eer gerekend, dat hij daar had gestudeerd. Sommigen bleven
er drie jaar, anderen tien tot 15. Over het geheel waren de zeden
van de studenten ruw, en dit bleef zoo, ondanks allerlei maatregelen.
De meeste universiteiten, die later opgericht werden, hadden Parijs
tot voorbeeld. In Spanje verrezen universiteiten te Salamanca,
1222, en in een tiental andere steden. Ter zelfder tijd werden even-
veel universiteiten gesticht in Italië.
In Frankrijk werd in 1233 nog een universiteit opgericht te Tou-
louse; en de veertiende eeuw zag daar nog 11 andere verrijzen. In
Portugal verrees ten jare 1308 de derde universiteit, in Ierland ver-
rees er l, in Schotland 4 en in Engeland 2. In Duitschland werden
eerst sedert het midden der 14de eeuw universiteiten opgericht.
-ocr page 57-
53
In 1426 verrees de uiversiteit van Leuven. De Nederlanders
moesten dus tot dat jaar een vreemde inrichting bezoeken. Nadat
Leuven een universiteit had gekregen en de meeste gewesten van
Noord- en Zuid-Nederland onder 1 scepter waren gekozen, was het
vooral die stad, die de Nederlandsche studenten tot zich trok.
De Joden gedurende de middeleeuwen.
Gedurende het grootste deel van de middeleeuwen waren de gees-
telijken nagenoeg de eenigen , die konden lezen en schrijven. Onder
den adel brachten het veel meisjes tot de kennis van Latijn en zelfs
ook wel van Grieksch. Maar door de adelijke heeren werd het als
priesterachtig of verwijfd beschouwd, zich met lezen en schrijven
bezig te houden. Hun zoons leerden dit dan gewoonlijk ook slechts,
wanneer ze het vooruitzicht hadden op een aanzienlijke en winstge-
vende kerkelijke betrekking. Later lieten ze in zulk een geval dik-
wijls de betrekking voor een kleine vergoeding waarnemen , om zelf
de meeste voordeden te trekken. Voor de boeren was er geen
sprake van om kennis op te doen. Vrije burgers waren er weinig,
en van een welvarenden burgerstand was in het eerste deel der mid-
deleeuwen geen sprake.
Een sterke tegenstelling met de Christenen vormen tot aan de
kruistochten de Joden. De wereldhandel was in hun handen. Daar-
door hadden zij een ruimer blik en een grooter beschaving dan de
meeste Christenen. Nagenoeg al hun zonen leerden lezen en schrij-
ven, en ook aan het voortgezette onderwijs, dat gewoonlijk den
Talmud betrof, werd door velen deelgenomen. Maar het meisje
leerde gewoonlijk niets van dat alles, juist andersom dus als bij den adel.
Met de kruistochten werd die gunstige toestand »eheel veranderd
door de vervolgingen, waaraan de Joden onophoudelijk blootstonden.
Velen werden van alles beroofd of ter dood gebracht. De wereld-
handel werd hun ontnomen door de Christenen en zij waren bijna
gedwongen de toevlucht te nemen tot kleinhandel en woeker. Nadat
zij elkaar onderling hadden verketterd, werden in 1242 op bevel
der inquisitie de Talmud en de Toelichtingen hierop verbrand. Hier-
door kregen de Joden bij hun onderwijs gebrek aan boeken.
Opkomst van de burgerij.
De kruistochten bezorgden niet alleen vrijheid aan veel lijfeigenen,
maar gaven ook aanleiding tot het ontstaan van een bloeienden han-
del en van nijverheid in West-Europa. De steden namen van dien
tijd af voortdurend toe in bloei, dorpen groeiden aan tot steden,
en de behoefte aan onderwijs werd steeds grooter. Maar men wilde
vooral scholen, die aan de praktijk beantwoordden. Zoo ontstonden
-ocr page 58-
54
stedelijke scholen, en reeds in de eerste helft der twaalfde eeuw
werd in eenige steden van Italië groote zorg besteed aan het onder-
wijs. Het onderwijs werd echter als een voorrecht der geestelijkheid
beschouwd en meermalen vroegen de burgers aan den bisschop en
zoo deze weigerde aan den paus vrijheid, om naast de kerkelijke
scholen andere op te richten. Een dergelijk verzoek werd dikwijls
van de hand gewezen. De meeste verzoekschriften van dien aard,
tot den paus gericht, beriepen zich op overbevolking van de kerke-
lijke scholen en op het gevaar, waaraan kinderen over een grooten
afstand bloodstonden door zwakke bruggen , wagens enz. Gemak-
kelijker was het in die plaatsen, waar geen kerkelijke school be-
stond. Ook in steden, waar een kerkelijke school was, konden de
geestelijken bij den toenemenden bloei der burgerij hun voorrecht
niet altijd handhaven tegenover de stedelijke regeeringen. Trachtte
men andere scholen op te richten, dan zag de geestelijkheid zich in
haar geldelijk belang aangetast. Liefst dus wilde zij de oprichting
van scholen naast de hare beletten, en als dat niet aanging, trachtte
zij het toezicht over de nieuwe scholen te verkrijgen. In vele ge-
vallen gelukte dit, zoodat dan ook tot in de 14de eeuw de meeste
stadsscholen onder het toezicht stonden van den scholasticus der
domkerk of van het stift, die soms zelfs een deel van het school-
gekl kreeg. Het vergelijk, waartoe men kwam, bestond dikwijls
hierin , dat de burgerij een bepaald aantal zoogenaamde s c h r ij f-
scholen of b ij scholen mocht oprichten, onder de nadrukkelijke
voorwaarde, dat in die scholen alleen het lezen der volkstaal en
schrijven zouden geleerd worden. In zulke scholen werd ook\' het
schrijven van brieven onderwezen , en van handelssteden mag men
aannemen , dat zij vooral het oog op den handel hadden. Er zal
dan ook al licht met het schrijfonderwijs eenige aardrijkskunde zijn
verbonden, en het rekenen zal ook niet geheel verzuimd zijn;
terwijl de leerstof bij het lezen hoofdzakelijk van godsdienstigen
inhoud was. Op veel van die lagere stadsscholen werden ook de
beginselen van het Latijn geleerd. Naast de schrijfscholen vond men
meestal ook een Latijnsche of Groote school, waar de leerlingen kon-
den toegelaten worden, als zij de schrijfschool hadden afgeloopen en
ook zonder eenige voorbereiding. De onderwijzers aan de stads-
scholen werden meestal tegen een gering loon voor 1 , 2 of 3 jaar
gehuurd, waarna men bij wederzijdsch goedvinden de verbintenis kon
vernieuwen. In veel gevallen waren die onderwijzers Franciskanen
en Dominikanen , maar ook wel eens uitgedreven monniken, verloo-
pen studenten, afgezette geestelijken en gelukzoekers van allerlei
soort. Daar de aangegane verbintenis dikwijls niet werd vernieuwd,
reisden vele onderwijzers van de eene plaats naar de andere. Het
is ook vooral in de dertiende en veertiende eeuw, dat men troepen
reizende leerlingen vond. De oudere leerlingen van zulk een troep,
bachanten genoemd, oefenden over de jongeren een onbeperkt
-ocr page 59-
55
gezag uit. De reizende leerlingen sliepen dikwijls in de scholen zelf
of waar zij slechts onder dak konden komen. Verder voorzag zulk
een bende geheel of gedeeltelijk in haar onderhoud, door te zingen.
Maar niet zelden, vooral later, moest in het onderhoud van allen
voorzien worden door het bedelen van de jongere leerlingen , en als
dit niet genoeg opbracht, moesten zij stelen. Van het leeren kwam
dikwijls weinig of niets, ofschoon dat heen en weer trekken van een
zelfden leerling soms wel acht jaar duurde.
Behalve in Italië was ook in Frankrijk al vroegtijdig de aan-
dacht der stedelijke overheidspersonen op het onderwijs der kinderen
gevestigd. Daar vond men dan ook in de dertiende eeuw vrij alge-
meen scholen, niet alleen in de steden maar ook op het platteland.
Hier werden meestal lezen, schrijven en de beginselen der spraak-
kunst onderwezen. In de dertiende eeuw werd het gewoonte, dat
leerlingen van de domscholen, die toen inderdaad alleen kweekscholen
voor geestelijken waren, van dorp tot dorp reisden en zich, waar
hun dienst door een slotheer of overheid werd verlangd, een tijdlang
als onderwijzers vestigden. Ook in de grootere Fransche steden ont-
stonden onder leiding van geestelijken in de verschillende parochieën
zoogenaamde „kleine scholen" waar lezen, schrijven en Latijn werd
onderwezen. Onderwijzers mochten in die scholen alleen knapen,
onderwijzeressen alleen meisjes leeren. Uit een algemeene vergade-
ring van de Parijsche onderwijzers en onderwijzeressen blijkt, dat er
in 1380 te Parijs 63 onderwijzers en onderwijzeressen van parochiaal-
scholen waren. Dit is de vroegste vergadering van onderwijzers,
die men kent.
In België ontstonden door het verlangen der burgers, lezen en
schrijven te leeren, kapittelscholen, die tevens voor meergevorderden
dienden en waar de volkstaal een goede plaats innam. In die scholen
werden Latijnsche spraakkunst, muziek en moraal onderwezen en de
leerlingen, die haar afliepen, konden een universiteit met goed ge-
volg bezoeken. Behalve die kapittelscholen had men kleinere of
lagere scholen, waar het onderwijs alleen lezen, schrijven en de eerste
beginselen van \'t Latijn omvatte.
In de dertiende, veertiende en vijftiende eeuw waren welvaart en
beschaving van de Zuidelijke Nederlanden grooter dan van de Noor-
delijke, zoodat het onderwijs er algemeener was en de boeken in
Noord-Nederland meestal uit België kwamen. In Noord-Neder-
land kwamen de vrije steden op in de dertiende eeuw en van dien
tijd af dagteekenen ook de stadsscholen, die vooral onder Floris V
verrezen. De oudst bekende parochieschool van Noord-Nederland is
die van Westeremden bij Appingedam, welke in het laatst der
twaalfde eeuw reeds aanwezig was. In de veertiende eeuw had men
parochiescholen op de meeste dorpen waar kerken stonden. Het
onderwijs aan die scholen werd meestal door den koster gegeven.
Daar het F r a n s c h veel gebruikt werd aan de hoven der vorsten
-ocr page 60-
56
en in staatsvergaderingen, terwijl velen later naar Parijs gingen stu-
deeren, is het te verwachten, dat men reeds in de dertiende eeuw
op scholen van Noord-Nederland Fransch zal onderwezen hebben.
Het recht scholen op te richten werd in Duitschland gewoon-
lijk door de stedelijke overheid gekocht van de geestelijken.
In Noord-Nederland was het recht, scholen op te richten voor
vele plaatsen in het bezit van den Graaf of Hertog gekomen, zoodat
deze dan ook den onderwijzer benoemde. Hoe de vorst aan dat
recht kwam, weet men niet. Het verdient opmerking, dat hij in
alle ons bekende gevallen, dat hij over de school beschikte, tevens
patroon van de kerk was; en de onderwijzer werd als een kerkelijk
persoon beschouwd. Van het laatst der 13de eeuw af zijn verschil-
lende gevallen bekend, waarin de Graaf een onderwijzer benoemde,
of het recht om dit te doen tijdelijk of voor altoos afstond aan
anderen.
Het schadelijkste gebruik, dat de Graaf van zijn schoolrecht kon
maken, was zeker het wegschenken van de school aan iemand, die
daaruit alleen geldelijk voordeel wilde trekken. Dat gebeurde o.a.
te Haarlem in 1404. Dat de schenking van een school als een
groote gunst werd beschouwd, leert ons, dat een school in dien tijd
nog al aanzienlijke voordeelen moet afgeworpen hebben en dat dus
de behoefte aan onderwijs bij een deel der burgerij sterk werd gevoeld.
Terwijl in den regel door den Graaf werd beschikt over de school,
gebeurde het soms ook door machtige leenheeren onder hem.
Langzamerhand zien we in de steden het schoolrecht overgaan op
de poorters. De eerste schenking van dien aard, welke bekend is,
betreft de groote school te Dordrecht, in 1290 door Floris aan de
poorters van die stad afgestaan. De stad stond twee jaar later die
school af aan het gasthuis, om er de zieken mee te onderhouden.
Het gasthuis verpachtte de school aan priesters of monniken, die
soms zelf onderwezen, soms „arme klerken\'\' tot schoolmeesters aan-
stelden. In de 14e eeuw kwam de school weer aan de stad, die er
van toen af zelf voor zorgde.
In de provincie Groningen is het schoolrecht van de geestelijkheid
overgegaan op de stedelijke overheden.
Hebben wij vroeger gezien, dat de geestelijkheid zich verzette, als
er scholen naast hare scholen verrezen, met de stedelijke overheid
ging het niet anders. De poorters wilden gewoonlijk ook andere
scholen oprichten.
Eerst werden de bijscholen geheel verboden, en later zag men
zich verplicht, ze toe te laten, zij het dan ook voorwaardelijk. In
den regel moest de onderwijzer van zulk een bijschool voor eiken
leerling een zekere som betalen aan den rector der groote school,
en mocht men niet verder gaan dan tot de beginselen van het Latijn.
Over het onderwijs aan meisjes wordt tot in de vijftiende eei\\w
weinig gesproken. In de bijscholen werd waarschijnlijk hier en daar
-ocr page 61-
57
ook aan meisjes onderwijs gegeven, en in de vrouwenkloosters was
dit zeer zeker het geval. De eerste openbare scholen voor meisjes
in Noord-Nederland, waarvan melding werd gemaakt, zijn een drietal
te Gouda.
De onderwijzers, die door de wereldlijke overheid werden be-
noemd, hadden in den regel vrije woning of vergoeding daarvoor.
Bovendien kregen ze soms een huurpenning, bij het solliciteeren ver-
goeding voor reis- en verblijfkosten, en andere kleine bijdragen.
Hun voornaamste inkomen was het schoolgeld. Ook bekleedden ze
te gelijk wel andere betrekkingen.
Leermiddelen.
Naast de schoonschrijvers, die voor vorsten en andere aanzienlijke
personen hun kunst uitoefenden , vond men in de bloeiende steden
schrijvers, die voor burgers werkten en ook schoolboeken vervaar-
digden. Deze moesten dikwijls gekocht worden van den onderwijzer,
die ze ook wel zelf schreef en in elk geval uit dien handel eenig
voordeel trok. De aóc-boeken van dien tijd bevatten gewoonlijk het
alfabet, het paternoster, ave-maria en credo. Van een geregelde
opklimming was daarbij geen sprake; op het alfabet volgde terstond
het Onze Vader.
In Frankrijk werd tot in de achttiende eeuw een boekje van zes
of acht blaadjes gebruikt, dat niets anders bevatte dan letters. Be-
halve het abc-boek zijn nog als schoolboekjes voor eerstbeginnenden
uit de vijftiende eeuw bekend: het boekje der mis en het boekje om
de tafel te zegenen, dat wil zeggen: een boekje met tafelgebedjes.
Die boekjes zijn wellicht reeds lang voor de veertiende eeuw in na-
genoeg denzelfden vorm gebezigd. In Noord-Nederland bleven zij
onveranderlijk en algemeen in gebruik tot aan den tachtigjarigen
oorlog. In andere landen hebben zij veel langer zonder eenige wezen-
lijke verandering stand gehouden.
Onder de schoolboeken van de vijftiende en zestiende eeuw wordt
een belangrijke plaats ingenomen door den „Dietschen Cathoen"
dat wil zeggen: een Hollandsche vertaling der Disticha van Cato.
Omstreeks 14S8 verscheen te Leiden een Spieghel der jon-
gers, geschreven door Lambertus Goetman. Hij is op rijm geschre-
ven en heeft verschillende drukken beleefd. Het boekje is volgens
een voorrede samengesteld uit den bijbel en verschillende andere
werken. Het telt 536 regels, waarvan telkens 4 een koepiet vormen.
Op vele scholen van dien tijd trof men ook de boeken aan, die
meer bekend zijn onder den naam van volksboeken, zooals „de
verduldigde Helena," de ridder met de zwaan, de fabelen van „Aeso-
pet," de verwoesting van Jeruzalem, de verwoesting van ïroje, enz.
Men oefende zich op de scholen, ook na de uitvinding der boek-
-ocr page 62-
58
drukkunst, in het lezen van geschreven schrift. Bovendien werden
het schrijven van brieven en het cijferen onderwezen.
Bij het aanvankelijk rekenen, dat echter meestal niet in de eerste
2 schooljaren werd onderwezen , bediende men zich van zoogenaamde
legpenningen. Zij vormden met het rekenbord het voornaamste hulp-
middel om te rekenen, ook\'voor volwassenen. Het cijferen werd
eerst later meer algemeen met de Indische cijfers en hun betrekkelijke
waarde. Voor het schrijven van getallen bezigde men meestal Ro-
meinsche cijfers.
De boekdrukkunst kon eerst de boeken niet veel goedkooper
leveren dan de houtsnijkunst, zoodat men dan ook op vele plaatsen
nog de boeken in hout sneed, nadat de boekdrukkunst was doorge-
drongen, evenals men het overschrijven van boeken vindt naast de
vermenigvuldiging door middel van de houtsnijkunst. Gaandeweg
evenwel konden de gedrukte boeken goedkooper geleverd worden.
Door den lageren prijs van de leerboeken voor scholieren en van
leesboeken voor volwassenen moest het onderwijs goedkooper en
meer gewild worden. Ook werden in de vijtiende eeuw papiermolens
opgericht, waardoor het dure perkament plaats moest maken voor
een goedkooper leermiddel. Hierbij kwam later nog bij velen de
lust om lid te worden van een rederijkerskamer, waardoor ze bij
zich zelf en anderen de kunst van lezen hooger moesten schatten.
De Schooltucht.
Al wat men uit de 13de, 14de en 15 eeuw leest over de jeugd
van dien tijd geeft geen hoogen dunk van de opvoeding. Klachten
over de baldadigheid zijn algemeen, waarbij men evenwel in aan-
merking moet nemen , dat de „groote scholen" gewoonlijk bezocht
werden door leerlingen van 6 tot 18 jaar. Op school waren de
straffen meest van lichamelijken aard en streng. Ze bestonden uit
slagen met een houten plak of met de roede. Op sommige scholen
werd met een bullepees of een leeren riem geslagen. Naast die
straffen waren schoppen, slagen met de vuist, enz. niet buitengesloten.
Op vele scholen had men ook een zoogenaamd schandbord , dat de
leerling een tijdlang op de uitgestrekte armen moest houden en waarop
zijn misdrijf stond geschreven of een ezel was afgebeeld als een
zinnebeeld van domheid. Spaarzaam gingen de onderwijzers niet om
met hun straffen. Ook werd een gewone plak door velen niet vol-
doende geacht, maar sneed men er een kruis in of sloeg er spijkers
in met de koppen naar beneden. Op de binnenplaatsen van sommige
scholen en weeshuizen stond een paal, waaraan men den knaap vast-
bond, als hij met de roede getuchtigd werd.
De plak is ook in andere landen veel gebruikt. Ze schijnt over-
genomen te zijn van de Romeinen.
-ocr page 63-
59
Scholieren, die op straat iets misdreven, werden soms naar school
gebracht, om daar gestraft te worden. De ouders waren echter in
vele gevallen niet tevreden over de wijze, waarop hun kinderen ge-
straft werden, en de ontevredenheid was niet zelden van dien aard ,
dat zij den onderwijzer te lijf wilden. Er is dan ook meermalen door
stedelijke overheden nadrukkelijk bepaald, dat niemand, \'t zij man
of vrouw, een onderwijzer leed zou doen.
De Broederschap van Geert Groote.
Geert Groote werd in 1340 te Deventer geboren, dat toen een
belangrijke handelsstad was, rustiger dan vele andere steden van
dien tijd. Nadat Geert Groote onderwijs had genoten aan de kapit-
telschool te Deventer en vervolgens te Aken, trok hij reeds in 1355
naar de hoogeschool te Parijs. Om zijn kennis uit te breiden, ging
hij later naar de toenmaals beroemde domschool te Keulen. Hier
genoot hij niet alleen onderwijs, maar om het geleerde vaster bij
zich zelf in te prenten, volgde hij het gebruik om zelf onderwijs te
geven. Hij hield voorlezingen over de wijsbegeerte, oudheidkunde
en godgeleerdheid , die druk bezocht werden. Na eenigen tijd onder-
wezen te hebben , werd de zucht naar den roem van een geleerde
bij hem uitgedoofd, en hij keerde ambteloos naar Deventer terug.
Nu en dan trad hij op als rechtsgeleerde en ook wel tot het beant-
woorden van gewetensvragen. Inmiddels rijpte zijn voornemen de
kerk te zuiveren. Groote had het recht om te preken, en hiervan
maakte hij ijverig gebruik. Iets nieuws was het daarbij, dat hij in
de volkstaal sprak. Hij predikte in een aantal steden en dorpen en
maakte verbazend grooten opgang. Maar zijn talrijke vijanden zaten
niet stil, en de vergunning om in het bisdom te preeken, werd in-
getrokken , zoodat hij een anderen werkkring moest zoeken.
Het onderwijs aan de kapittelschool te Deventer was alleen voor
vermogenden toegankelijk. Om ook minvermogenden in de gelegen-
heid te stellen, wijsheid op te doen, ontsloot hij voor hen zijn huis.
Hij stelde hen in staat, door het afschrijven van boeken geld te ver-
dienen, zoodat zij in hun eigen onderhoud konden voorzien en ge-
bruik konden maken van het schoolonderwijs. Zelf gaf hij ook wel
onderwijs, en in zijn eigen huis werd menig goed boek voorgelezen.
De toevloed van leerlingen bij Groote was spoedig zoo aanzienlijk,
dat hij een helper noodig had, dien hij vond in Radewijns, kanunik
te Utrecht. Deze ruilde zijn ambt voor het veel minder aanzienlijke
van vikaris eener kerk te Deventer met de betrekking van school-
voogd. Op voorstel van Radewijns werd besloten, de jongelieden
geheel te vereenigen tot een gemeenschappelijk leven met een zacht
onderling toezicht. De opbrengsten van aller arbeid zouden aan Groote
ter hand gesteld en besteed worden ten bate van allen. Hiertoe
-ocr page 64-
60
stelde Groote alweer geld beschikbaar, en zijn woning werd met die
van Radewijns vereenigd voor de huisvesting der leden van de broe-
schap. Deze telde al aanstonds mannen van naam. Toen de huizen
van Groote en Radewijns te klein werden om alle leden te huisves-
ten, boden vele inwoners van Deventer huisvesting aan. Er ontstond
in dit opzicht een algemeene wedijver. Toen Groote in 1384 over-
leed, werd hij als hoofd der broederschap opgevolgd door Radewijns.
De leden der vereeniging droegen meestal den naam „broeders van
het gemeene leven," omdat zij in gemeenschap van goederen leefden.
Groote trok den studiekring zeer eng. Wat den mensch niet recht-
streeks beter maakt of terughoudt van het kwade, werd door hem
schadelijk geacht. Dat die geest niet werd gedeeld door alle broeders,
blijkt uit het onderwijs, dat zij later «aven. Vooral werd hun geest
ruimer, toen leerlingen van hun scholen naar Italië trokken en van
daar terugkwamen, om hier de herleving der klassieke studiën te
helpen bevorderen.
Aanvankelijk was het onderwijs der broeders beperkt tot de oudere
en jongere leden van de vereeniging. Toch schijnt de blik der broe-
ders zich al spoedig op het onderwijs in \'t algemeen gericht te hebben,
zoodat zij meermalen sehooibroeders werden genoemd. In 1469
nam de broederschap te Deventer met Hegius het bestuur op zich
over een in acht klassen verdeelde school.
De mildheid der broeders, waartoe zij door talrijke schenkingen
in staat werden gesteld, en de roem der school onder Hegius, deden
tal van leerlingen naar Deventer komen, niet alleen uit Nederland,
maar ook uit Duitschland en Frankrijk. Het aantal leerlingen be-
droeg tegen het einde der 15de eeuw 2100. Toen Hegius in 1498
overleed, na 33 jaren aan het hoofd der school gestaan te hebben,
raakte deze onder zijn spoedig elkaar afwisselende opvolgers in verval
De eerste stad na Deventer, waar Groote een broederschap op-
richtte, was Zwolle. Hier kocht hij in 1384 uit eigen middelen
een huis, dat de zetel werd van een vereeniging, die onder toezicht
kwam van Johannes Cele, school voogd te Zwolle en vroeger in
dezelfde betrekking werkzaam te Arnhem. Als leeraar was Cele
zoo beroemd, dat de Zwolsche school soms tot ÏOOO leerlingen telde
waaronder zoowel uit Zuid-Nederland en Duitschland als uit Noord-
Nederland. Tot den bloei der school werkte ook hier mee, dat de
broederschap door rijke schenkingen in staat was, veel leerlingen
voor de broederschap op te nemen en veel scholieren als kostgan-
gers te huisvesten. Maar ofschoon de broeders en allen, die met
hen in nauwe betrekking stonden, meestal een uitstekenden levens-
wandel volgden, was toch te Zwolle, dat groote aantal leerlingen
hinderlijk voor de orde. Zij waren niet alleen ongehoorzaam tegen-
over sommige leeraren, maar veroorzaakten ook aan de inwoners
van Zwolle allerlei overlast. Aan die ongeregeldheden werd ook
deelgenomen door toekomstige fraters en door kostgangers van de
-ocr page 65-
61
broederschap, en dit maakte de zaak voor de overheid bijzonder
moeilijk. De jeugdige broeders, ook wel klerken genoemd, behoor-
den n.1. tot de kerk en mochten dien ten gevolge niet gestraft wor-
den door de wereldlijke overheid. Tegenover hen was de tusschen-
komst van het geestelijk gezag noodig.
Verder verrezen achtereenvolgens nog broederhuizen te Amersfoort
(in of kort na 1388), Hulsbergen bij Hattem (1407), Delft (1403),
Doesburg (1405), Gouda, den Bosch (omstreeks 1424—1617), Gro-
ningen (1457), Utrecht (1474—1586), Nijmegen (1475—1592), A1-
bergen. bij Ootmarsum, Alkmaar, enz. Maar men heeft er geen
opgericht in Zeeland, en een aantal belangrijke steden, zooals Am-
sterdam , Enkhuizen, Haarlem en Leiden.
In de Z u i d e 1 ij k e Nederlanden verrezen niet spoedig broeder-
huizen , waarschijnlijk om verschillende redenen, waaronder de onrust
der steden aldaar, de rijke kloosters en de weinig tot bespiegeling
geneigde aanleg van het volk de voornaamste waren. Toch verre-
zen er achtereenvolgens 9.
In Duitschland werden 9 fraterhuizen opgericht, maar deze
hebben over \'t algemeen niet zulk een hoogen bloei bereikt als de
meeste Nederlandsche.
De verschillende broederhuizen kunnen als zelfstandige inrichtingen
beschouwd worden. Het hoofd van elke stichting had onbepaald ge-
zag over de andere broeders. Elk broederhuis telde 4 of meer
priesters en een dubbel aantal toekomstige geestelijken, gewoonlijk
klerken genoemd. Eenmaal in het jaar kwamen de hoofden der
verschillende stichtingen bijeen, om te spreken over hun geineen-
schappelijke belangen. Daarbij oefende dan uit den aard der zaak
de meest bekwame en meest beroemde eenig overwicht uit op de
anderen. In 1447 hadden de priors der huizen te Zwolle, Deventer
en Hieronymusberg bij Hattum het recht en de verplichting, toe te
zien op de andere huizen. De voornaamste werkzaamheid der broe-
ders en hun leerlingen was het afschrijven van boeken, maar ook
allerlei andere handwerken werden verricht. Hun onderwijs had
hoofdzakelijk ten doel, geestelijken te vormen. De meeste leerlin-
gen , die later niet voor goed tot de broederschap toetraden, gingen
in een klooster en het is aan de broeders toe te schrijven, dat de
verwaarloosde en verlaten kloosters van Nederland en Duitschland
eenigszins herleefden. De betrekking van de broederhuizen tot het
onderwijs was zeer verschillend. Op vele plaatsen richtten zij zelf
scholen op. Op andere plaatsen vereenigden zij zich met de reeds
aanwezige onderwijzers, om een deel der taak op zich te nemen,
of steunden zij hen, door het schoolgeld der onvermogenden te be-
talen of leermiddelen te verschaffen. Waar de broeders zelf scholen
hadden, werden de minvermogenden niet alleen vrijgesteld van
schoolgeld, maar men verschafte hun bovendien de gelegenheid, in
eigen onderhoud te voorzien. Ook aan de scholen van de broeders
-ocr page 66-
62
zelf werd meermalen onderwijs gegeven door personen, die niet tot
de broederschap behoorden.
De leerstof was grootendeels van godsdienstigen aard. Maar ook
Latijnsche en Grieksche klassieken waren bij de broeders wel bekend
en de meeste broederscholen brachten de leerlingen zoover als een
Latijnsche school. Sommige broederscholen vormden als het ware
een universiteit. In eenige fraterhuizen werden door de leerlingen
Lithurgische spelen opgevoerd; te Luik vertoonde men blijspelen van
Terentius. We hebben er reeds voorbeelden van gezien, dat de ze-
den der leerlingen ruw konden zijn , en dit schijnt de onderwijzers
der broederscholen meermalen tot harde tuchtmiddelen geleid te hebben.
Toen de boekdrukkunst was uitgevonden, werd een voorname
bron van inkomsten van de broeders, nl. het afschrijven van boeken,
aangetast. Op sommige plaatsen hebben zij dat verholpen door
zelf een drukkerij op te richten. De ondergang der fraterhuizen
moet echter hoofdzakelijk worden toegeschreven aan de hervorming.
In de protestantsche landen mochten de broeders geen onderwijs ge-
ven, omdat zij tot de Roomsche kerk behoorden, en ofschoon de
huizen niet juist kloosters waren, werden zij toch ten aanzien van
hun goederen meestal op dezelfde wijze behandeld. Zoo zien we
dan tegen het einde der lóde eeuw de meeste fraterhuizen in Noord-
Nederland verdwijnen. In de landen, die Roomsch bleven, moesten
de broeders langzamerhand plaats maken voor de Jezuïten.
-ocr page 67-
DE NIEUWERE TIJD.
Herleving der klassieke studiën.
Gedurende de middeleeuwen waren bij de studie en het onderwijs
de heilige schrift en de werken der kerkvaders hoofdzaak. Het
Grieksch werd weinig beoefend. Latijn was de algemeene taal voor
de kerk , de geleerden en de vorsten van West-Europa, maar men
las weinig in de schrijvers uit den bloeitijd der Romeinsche letter-
kunde, zoodat die taal langzamerhand zeer verbasterd was. Ook
was de spraakkunst geheel op den achtergrond geraakt voor de lo-
gika, die de middelen aan de hand moest doen , om spitsvondig te
redetwisten over theologische vragen. In dien toestand kwam ver-
andering tijdens de veertiende eeuw. Toen begon men in Italië
Grieksche taal en Grieksche schrijvers te bestudeeren, en ook de
oorspronkelijke Latijnsche schrijvers werden ijveriger dan voorheen
gelezen. Vooral ontstond er nieuw leven in West-Europa, toen in
1453 Konstantinopel in handen der Turken viel. Grieksche geleer-
den stroomden toen in groot aantal naar Italië. Zij brachten Griek-
sche boeken mee en deden een vernieuwd licht schijnen. De beoe-
fenaars der klassieke oudheid verzetten zich tegen de bekrompen
opvattingen der scholastieke wijsbegeerte en zoo ontstond er een
strijd tusschen de middeleeuwsche geleerdheid en den vrijeren geest
der Grieksche en Romeinsche letterkunde. Die strijd duurde gerui-
men tijd en werd eerst in de zestiende eeuw beslist ten gunste der
oudheid. Voor de scholen, waar Latijn op den voorgrond stond,
was die strijd van het grootste gewicht. Het Grieksch werd niet al-
leen meer algemeen een leervak, maar het Latijn zelf werd veel
verbeterd, en de spraakkunst kwam tot haar recht.
In Nederland en Duitschland werd de nieuwere kennis der klas-
sieke oudheid in de eerste plaats bevorderd door Johannes Wessel,
in 1420 te Groningen geboren. Hij genoot zijn opleiding achtereen-
volgens te Zwolle, Keulen en Parijs, waarna hij Italië bezocht.
Rudolf Huisman (Agricola), die in 1443 te Baflo werd geboren,
is mede een grondig kenner en een ijverig beoefenaar der klassieke
oudheid geweest. Hij wilde niet als onderwijzer optreden, maar be-
vorderde toch zooveel in zijn vermogen was den bloei der scholen.
Verder moeten genoemd worden Hegius, Rudolf van Lange,
Herman van den Busch, die in de school te Deventer onder-
wijs genoot, en
-ocr page 68-
64
E r a s m u s.
Deze werd \'m 1467 te Rotterdam buiten den echt geboren en over-
leed in 1536 te Bazel. Toen hij negen jaar was, kwam hij te De-
venter op de broederschool van Hegius, waar hij zich door bijzon-
dere vlugheid in het leeren onderscheidde. Binnen de twee jaar
leerde hij Terentius en Horatius van buiten. De dood van zijn
moeder was aanleiding, dat hij op zijn dertiende jaar van Deventer
vertrok en in het broederhuis te \'s Hertogenbosch kwam, waar hij
drie jaar bleef. Zijn onderwijzer roemde hem zeer, maar trachtte
tevergeefs, hem bij zijn „kudde" in te lijven. Later liet Erasmus
zich overhalen, om in een klooster nabij Gouda te gaan. De roep
van zijn geleerdheid bevrijdde den jongen monnik reeds in 1491,
daar de bisschop van Kamerijk hem in zijn dienst nam. Later werd
hij door den paus ontslagen van zijn kloostergelofte. Hij bezocht
ook de universiteit te Parijs en leidde van zijn dertigste jaar af een
zwervend leven. Nu eens was hij in Frankrijk, dan weer in Enge-
land, Nederland, Italië, Zwitserland, of Duitschland. Meestal was hij
half onafhankelijk, gesteund door voorname beschermers; meermalen
was hij als privaat onderwijzer werkzaam, maar hij vermeed elke
vaste aanstelling, vooral aan scholen. Hij knoopte allerlei betrek-
kingen aan en zond intusschen een aantal werken in het licht, die
een verbazenden invloed hadden.
Erasmus begon Hebreeuwsch te leeren, maar zette het niet voort.
Hij kende geen Italiaansch, Engelsch, Fransch of Duitsch. Daarentegen
schreef hij met bewonderenswaardige gemakkelijkheid Latijn, als was
het zijn moedertaal.
Door zijn uitgebreide geleerdheid, scherpzinnigheid en geestigheid,
voelde hij zich verheven boven zijn meeste tijdgenooten. In het
volle gevoel van zijn waarde, richtte hij de scherpste en geestigste
aanvallen tegen de monniken, tegen hun onwetendheid, hun ruwe
taal en hun morsig leven. Hij haatte ze uit herinnering van zijn
kloosterleven en omdat hij ze als vijanden van het vrije humanisme
beschouwde. Zijn strijd tegen de geestelijkheid was dan ook van
wetenschappelijken aard en aan een kerkhervorming dacht hij niet.
Hij was 50 jaren oud, toen Luther zijn stellingen aansloeg, en van
toen af werd hij uit twee legerkampen bestookt. Die in de Room-
sche kerk bleven, beschouwden hem als een bevorderaar van de
hervorming. Luther en de zijnen duidden het hem ten kwade, dat
hij niet aan hun zijde streed. Hij echter betreurde het, dat door
Luthers toedoen de beoefening der klassieke oudheid, waaraan hij
zulk een krachtigen stoot had gegeven, naar den achtergrond werd
gedrongen.
Daar Erasmus in het bezit was van eenig vermogen, kon hij zich
onbezorgd aan zijn studiën wijden. Van 1516 af gaf hij van tijd
-ocr page 69-
65
tot tijd verzamelingen van zijn brieven in het licht. Behalve dat
deze brieven grooten invloed uitoefenden , daar ze erkend werden
als toonbeelden van briefstijl, bevatten ze veel, dat rechtstreeks en
middellijk van belang is voor de paedagogiek en hare geschiedenis.
Men kan er vooral den grooten invloed uit leeren kennen, dien Eras-
mus door zijn persoonlijke betrekking met verschillende mannen uit-
oefende, door opwekkingen, waarschuwingen en raadgevingen, door
het vormen van leerlingen, door aanbeveling en raad bij het ver-
vullen van openstaande plaatsen. Een reeks jeugdige, bekwame ge-
leerden bezorgden onder zijn leiding van een aantal klassieke schrij-
vers en kerkvaders verbeterde uitgaven, welke een belangrijke plaats
innamen op de boekenmarkt van dien tijd. Ook de meeste werken
van Erasmus zelf munten uit door degelijkheid. Een groot deel er
van heeft in meerdere of mindere mate betrekking op het onderwijs
of de opvoeding. Zijn denkbeelden hierover stippen we aan.
De echt is zeer belangrijk, vooral voor de opvoeding. Reeds ge-
durende de zwangerschap zijn plichten tegenover het kind te ver-
vullen. Het is een verwaarloozing, als de moeder niet zelf haar
kinderen zoogt. De opvoeding overtreft aan invloedrijkheid alles. In
de eerste plaats zorge men voor het lichamelijk welzijn; men voede
de kinderen met melkspijzen, men onthoude hun kruiderijen en prik-
kelende dranken, men kleede ze niet te licht en niet te zwaar. De
meeste ouders zondigen hierdoor, dat ze de teere kinderen kleeden
alsof het groote menschen waren. Men schaadt het lichaam op die
wijze, belemmert den groei, werpt geld weg voor niets en wekt vroeg-
tijdig dwaze ijdelheid op. De kinderkamer moet met zorg gekozen
worden. Baden en zalven is aan te bevelen, en men zie toe, of de
kinderen , waarmee zijn kleinen omgaan, wel vroolijk en gezond zijn.
Zoodra het kind iets leeren kan, moet hem spelend wat aangebracht
worden; maar de ernstige arbeid begint eerst met het zevende jaar.
Spelend en zeer vroeg moeten de kinderen Latijnsche en Grieksche
letters leeren schrijven en uitspreken. Evenzoo is het met de zeden:
de knieën buigen bij den naam Jezus, de handen vouwen, het kru-
cifix kussen, vormen reeds een aanvang van den godsdienst. Men
liefkooze, prijze, beloone en belove in plaats van te dreigen, te
slaan, of de kinderen ruw toe te spreken.
Men moet steeds het tweeledig doel der opvoeding in het oog
houden, het verstandelijke en het godsdienstig-zedelijke doel; maar
bovenal moet men op vroomheid letten. Uitvoerig wordt de gods-
dienstige opvoeding besproken, waaraan hij groote waarde hecht.
Het belangrijkste middel om goede zeden bij een knaap te bevorde-
ren, is het voorbeeld, dat men zelf geeft. Een andere zorg is de
keuze van een onderwijzer; en in dit opzicht moet men zich verwon-
deren over de onvoorzichtigheid der ouders. Men moet daarbij niet
alleen op geleerdheid letten, maar nog veel meer op goede zeden.
En zelfs wanneer men een goeden opvoeder heeft gekozen, houde
5
-ocr page 70-
66
men ijverig toezicht. Jongelingen op te leiden vereischt een zeer groote
degelijkheid. Ook is niet ieder, die geleerd en braaf is, geschikt,
kinderen op te voeden. Velen ontbreekt de noodige zachtheid, an-
deren zijn niet geduldig genoeg; die echter wezenlijk geschikt is,
kan niet hoog genoeg betaald worden. Zoo lang de knapen nog
klein zijn, late men ze met een opvoeder te huis. Wel is de een-
zaamheid schadelijk, maar bij de groote inrichtingen van de monni-
ken, waar dikwijls 2üO jongens in één huis wonen, is het gevaar
voor slecht gezelschap veel te groot, de zorg der onderwijzers is te
veel verdeeld en een vrije keuze van onderwijzers niet mogelijk. Het
beste is, dat men 5 of 6 knapen gezamenlijk door één onderwijzer
laat onderrichten, of men geve ten minste aan een knaap, die op
een school is, nog een privaatonderwijzer bovendien.
Een duidelijke uitspraak en vlug lezen en schrijven is voor eiken
stand de eerste eisch. Rijke ouders moesten hun kinderen ook een of
andere kunst laten leeren, zooals schilderen , beeldhouwen of bouw-
kunst. Terwijl zij dit doen, vermijden ze de ledigheid. Keert het
geluk hun den rug toe, dan hebben zij een teerpenning, en in het
andere geval blijft de spreuk waar, dat de kunst geen last is.
De opvoeding van de meisjes wordt door velen als volmaakt be-
schouwd, wanneer men ze tot aan het huwelijk opgesloten houdt en
aan den blik der mannen onttrekt, terwijl ze door de eenvoudige
vrouwen, waarmee ze leven, meer bedorven worden dan het geval
zou zijn, als ze met mannen omgingen. Het is werkelijk reeds veel,
als de eerbaarheid der jonkvrouw ongeschonden behouden blijft, maar
recht eerbaar is slechts zij, die weet wat eerbaarheid is en hoe ze
kan behouden worden. De groote hoop vindt het dwaas, de meisjes
wetenschappelijk te ontwikkelen; de verstandigen weten echter, dat
niets meer bevorderlijk kan zijn aan het behoud van een edele ge-
zindheid en kuischheid. Er zijn vaders, die door onophoudelijk te
knorren en af te keuren hun zoon zoover brengen, dat hij ontvlucht
en in den krijgsdienst of een klooster gaat, of zich in een anderen
afgrond stort. De heerschappij van den vader moet gepaard gaan
met overreding. De jongelieden begaan hun misslagen meestal uit
onkunde of door onbedachtzaamheid. Er is echter ook een verkeerde
zachtheid. Bovenal moet men misstappen voorkomen, door goede
beginselen in te prenten. Hiertoe wil Erasmus bijbelspreuken en an-
dere gezegden laten van buiten leeren.
Een boekje over de beschaving der zeden heeft verbazend grooten
opgang gemaakt. Alleen in de eerste 7 jaar na zijn verschijnen, telde
het minstens ÏO uitgaven. In dit werkje kenmerkt Erasmus zich door
een bijzonder scherpe opmerkingsgave, maar ook meermalen door
zedelijke oppervlakkigheid; zoo beveelt hij noodleugens aan, als zij
beter dan de waarheid in overeenstemming zijn met de „beleefdheid".
Men vindt in dit werkje een aantal opmerkingen over gebaren, bewe-
gingen, de wijze van gaan, staan, enz. De hovelingen worden meer-
-ocr page 71-
67
malen duchtig onder handen genomen. Hoeveel goeds dit werkje
ook bezit voor ouders en onderwijzers, het is niet geschikt, om in
handen van leerlingen gegeven te worden. En toch gebeurde dit.
Erasmus heeft uitvoerig geschreven over het juiste gebruik van
klassieke schrijvers. Hij is tegen naaping en veroordeelt alle eenzij-
digheid. Hij hecht groote waarde aan de kennis van aardrijkskunde,
geschiedenis en natuuurlijke historie, omdat ze nuttige of onmisbare
hulpmiddelen zijn bij het verstaan der klassieke schrijvers. De groote
zorg die men in de middeleeuwen en ook nog in zijn tijd er aan be-
steedde, om spitsvondig te leeren redeneeren, wordt ten zeerste afgekeurd.
Onder al de werken van Erasmus heeft in de schoolwereld geen
zulk een voorname rol gespeeld als de „Samenspraken". Dit boek
nu dat o.a. bestemd was de knapen beter te maken, bevat heftige
uitvallen en bespottingen tegen de monniken, het kloosterleven in
\'t algemeen, vasten, bedevaarten , enz. Bovendien komen in het boek
veel dingen voor, die in strijd zijn met de kuischheid. Toch werd
het ingevoerd op ontelbaar veel scholen. De meeste gesprekken
gaan boven de bevatting der leerlingen, die 8 jaar zijn of weinig
ouder; in sommige worden onderwijzers bespot; in een ander spre-
ken twee vrouwen met elkaar over hun mannen ; men vindt er het
gesprek van een man met het meisje, aan wie hij het hof maakt.
De wellust wordt op ruwe wijze geschilderd en daar worden dan
een paar stichtelijke woorden aan toegevoegd.
Even weinig geschikt als het boek was, de knapen beter te maken,
even goed was het in staat, hen meer Latijnsch te maken. Met be-
wonderenswaardig gemak spreken de personen van Erasmus over
allerlei dingen. En hierin ligt de verklaring van \'t algemeen gebruik.
Onderwijzers, die op school Terentius lieten van buiten leeren, kon-
den geen aanstoot nemen aan dingen, die wij ten eenenmale ver-
keerd achten voor de jeugd. In dit opzicht stond Erasmus niet boven
zijn tijdgenooten, maar ook niet lager dan zij.
De kerkhervorming.
De groote beweging, die Luther in het leven riep, gaf nieuw voed-
sel aan den leeslust. Zoo algemeen was in Duitschland en Nederland
de zucht om kennis te maken met den bijbel en de geschriften van
Luther, dat menigeen die zelf niet lezen kon, er door opgewekt
moet zijn, dit voorrecht althans aan zijn kinderen te schenken.
Verder moest het gunstig werken ten aanzien der opvoeding, dat
de protestanten de vrouw hooger stelden dan de katholieke kerk
haar plaatste.
Ook heeft Luther in zijn geschriften meermalen gewezen op den
plicht, om vooral zorg te dragen voor een goede opvoeding der
kinderen.
5*
-ocr page 72-
68
De school was echter in \'t oog van al de hervormers een dienares
der kerk; en werd de leerstof al anders dan vroeger, men kan niet
zeggen, dat ze beter werd. Wel wordt door Luther de groote
strengheid afgekeurd, maar het blijkt niet, dat zijn woorden eenigen
invloed hadden. De protestantsche onderwijzers sloegen even veel
en even hard als de Roomsche. Ook de leerwijze werd niet in het
minst verbeterd.
Zeer groote waarde hechtte Luther er aan, dat de bijbel in \'t oor-
spronkelijke zou gelezen worden. Daardoor kwam het Hebreeuwch
voor het Oude en het Grieksch voor het Nieuwe Testament meer op
den voorgrond. Zoo werd de leerstof der gymnasia veranderd. Dit
is vooral in de hand gewerkt door den geleerden Melanchton, die
een geheele reeks leerboeken schreef of verbeterde en ook nieuwe
uitgaven van klassieke schrijvers bezorgde.
Om de oprichting van Latijnsche scholen in de hand te werken,
richtte Luther ten jare 1524 een rondschrijven aan burgemeesters en
raadsheeren van alle Duitsche steden. Hij wijst er op, dat in elke
stad zulk een school behoorde te zijn, waar dan predikanten en re-
geeringpersonen konden opgeleid worden. Het schrijven trof doel,
te meer daar juist tengevolge der hervorming een aantal scholen van
geestelijken\' waren gesloten.
Melanchton werd in 1527 belast met het onderzoek der kerken en
Latijnsche scholen in Saksen en een jaar later gaf hij volgens de op-
dracht van den keurvorst zijn „Inspectieboekje" uit, dat een uitvoerig
leerplan voor de Latijnsche scholen bevat. Dit leerplan droeg de goed-
keuring weg van Luther en kan beschouwd worden als de grondslag
van alle andere, die men gedurende de lóde eeuw in Duitschland
vaststelde. In dat beroemde leerplan wordt op den voorgrond gesteld,
dat er geen Duitsch moet onderwezen worden, maar dat de kinderen
terstond met het Latijn moeten beginnen. In deze taal leerden ze dien-
tengevolge lezen en wel in de eerste plaats uit het boekje dat het
alfabet, het Onze Vader, de Geloofsartikelen enz. bevat. Daarop volg-
den Donatus en Cato. „Om de kinderen veel Latijnsche woorden te
leeren, geve men hun eiken avond een aantal op, die ze den volgen-
den morgen moeten kennen, zooals van oudsher de gewoonte is".
Over \'t geheel ademde het leerplan niets dan werktuiglijkheid, en
dat het Duitsch werd buitengesloten, was een nationale ramp. Daar
alleen Latijn werd onderwezen, kwam die school voor een groot
deel overeen met hetgeen bij ons in de middeleeuwen en nog lang
daarna „een groote school\'\' werd genoemd.
Door de geschriften van Melanchton en Luther werd niet alleen een
verkeerde inrichting van de Latijnsche scholen bestendigd; maarzulk
een slechte school nam door hun toedoen de plaats in, die de volks-
school had moeten innemen. Het streven der steden naar Duitsche
scholen werd door Luther tegengewerkt, en het is aan hem en Melanch-
ton te wijten, dat die inrichtingen van vele zijden geminacht werden.
-ocr page 73-
69
De Latijnsche scholen moesten ook voor meisjes dienen. Luther
verkeerde in de dwaling, dat het leeren van Grieksch , Latijn en He-
breeuwsch een kleinigheid was, als het maar niet bij monniken ge-
schiedde, en dat dan ook de meisjes zeer goed die talen tusschen
hun gewoon huiswerk in konden leeren. Ze zouden dan in staat zijn ,
den bijbel in het oorspronkelijke te lezen.
Kan men dus aan Luther en Melanchton geen gunstigen invloed
toekennen op de Duitsche volksschool, nog meer schoot Luther te
kort, als men op de groote meerderheid van het volk let. Aan
schoolonderwijs op het platteland heelt hij niet gedacht. Hij is de
held der burgerij: voor de boeren had hij niets over. Toen deze
opheffing der lijfeigenschap en der willekeurige straffen verlangden,
noemde hij hun wensch roofzuchtig en strijdig met het Evangelie.
„Bij een boer past haverstroo" riep de hervormer. „De geringe man
moet met lasten overladen zijn, anders wordt hij overmoedig en
weelderig."
En de heeren dachten er niet anders over. In het Wurzburgsche
liet men de arme menschen, die bekenden, dat ze konden lezen en
schrijven, het hoofd voor de voeten leggen; en dit geschiedde onder
luid gelach en handengeklap van de jonkers, die het aanzagen.
De boeren, die bij niemand steun vonden, gingen over tot gewei*
dadig verzet. Toen deed Luther zijn stormroep tegen de „roofzieke
en moordzuchtige" boeren hooren. „Steke, sla, worge hier wie
maar kan. Sla maar zonder verschooning dood, de Heer kent de
zijnen. Zulke wonderbare tijden beleven we tegenwoordig, dat een
vorst den hemel eer verdienen kan met bloedvergieten dan met bid-
den." De boeren moesten het onderspit delven en bleven in hun
dierlijken toestand tot aan het begin dezer eeuw.
Melanchton schreef leerboeken voor Latijnsche en Grieksche spraak-
kunst, voor logika, rhetorika, physika en ethika. De Grieksche spraak-
kunst beleefde van 1518 tot 1589 minstens 25 uitgaven ; de Latijiv
sche tusschen 1527 en 1737 minstens 51. En latere spraakkunsten
komen in hoofdzaak overeen met die van Melanchton.
De universiteiten wil Luther hervormen. Het ergert hem, dat er
zoo weinig aan den godsdienst wordt gedaan en dat een heiden
zooals Aristoteles er meer te zeggen heeft dan Christus. Hij wil
sommige werken van Aristoteles geheel verbannen en andere hoog-
stens in uittreksels leeren kennen. In hoofdzaak veranderden de
universiteiten echter niet. De professoren werden niet verdraagzamer,
de leerwijze werd niet beter en de studenten bleven even ruw.
In 1529 gaf Luther een grooten en een kleinen cathechismus,
waarin anderen hem waren voorgegaan.
Zzvingli schreef voor zijn kleinzoon een boekje, dat in 1523 in
het Latijn verscheen en een jaar later in het Duitsch met den titel:
Zwingli\'s leerboekje, hoe men knapen Christelijk moet onderwijzen
en opvoeden. Daarin staat godsdienstigheid geheel op den voorgrond.
-ocr page 74-
72
prikkeld, en dit geschiedde in groote mate bij de Jezuïeten, veel meer
dan op de protestantsche scholen, waar men steeds aandrong op
nederigheid. Ten aanzien van de kennis, waren de resultaten der
scholen van de Jezuïten beter dan die der scholen in Protestantsche
landen, en in de Katholieke landen muntten de scholen der orde van
Loyola in alle opzichten uit boven de andere. Dit geldt voor de
zestiende en de twee volgende eeuwen.
Ofschoon de Jezuïeten zich in de eerste plaats met de Latijnsche
scholen en het hooger onderwijs hebben bezig gehouden, verloren zij
het lager onderwijs niet geheel uit het oog. Een lid der orde ver-
vaardigde een kathechismus voor kinderen, die veel gebruikt werd.
Over het geheel zag men in de katholieke landen het belang van het
lager onderwijs wel in.
Nederland onder Karel V.
Terwijl men in de vijftiende eeuw de bijzondere scholen, toen bij-
of winkelscholen genoemd, op vele plaatsen bepaald weerde, kon men
in de zestiende eeuw bij de toenemende welvaart en de steeds aangroei-
ende bevolking, het bijzonder onderwijs niet langer onderdrukken. Men
begon dus eenige meerdere ruimte te laten, zonder vrijheid te schenken.
Zoo werd in 1536 te \'s Gravenhage vastgesteld, dat niemand een bij-
school mocht houden, zonder jaarlijks van eiken leerling aan den „school.
meester van de groote school" twee carolus-guldens te betalen. Wie
een bijschool wilde houden, was verplicht aan den hoofdonderwijzer
der stadsschool de namen op te geven van al zijn leerlingen.
Te Leiden mochten kinderen van 7 tot 17 jaar geen andere dan de
groote school bezoeken, waartegen de poorters groot bezwaar hadden.
In 1535 werd bepaald, dat niemand „tzy mannen ofte vrouwe" binnen
Leiden bijschool voor knechtkens noch maechdekens mocht houden,
„tzy dat diezelve eerst by den Gerechte geëxamineert ende toegelaten
zal wesen. In zulk een bijschool mocht dan onderwezen worden het
lezen van „Duytsche" boeken, schrijven, het leggen van penningen,
cijferen en Fransch spreken. Wilde men aan knapen boven de 8 jaar
ook nog Latijn onderwijzen, dan moest men aan den rector der groote
school voor eiken leerling vijf stuivers in het kwartaal betalen.
Het schoolbezoek werd zooveel mogelijk bevorderd door Karel V.
Het was ook op zijn last, dat er te Douay een hoogere school werd
opgericht; dit geschiedde vooral met het doel, af te houden van het
bezoek der kettersche scholen. Ook werd streng toegezien, dat de on-
derwijzers goed Roomsch waren en niets leerden, wat tot de veroor-
deelde meeningen behoorde. Terwijl het niet mogelijk was, aan vol-
wassenen de verboden boeken te onthouden, mag men wel aannemen,
dat de scholen hun Roomsch karakter hebben behouden, tot de provin-
ciën zich hadden losgerukt van Spanje. De boeken werden gedrukt door
gezworen boekdrukkers en moesten vooraf goedgekeurd zijn. De school-
-ocr page 75-
73
boeken werden met dubbelen tekst: Latijn en volkstaal, gedrukt. Of-
schoon o.a. alles mocht gelezen worden, dat vóór 1500 was ver-
schenen , legde men het er toch op toe, een kleiner aantal school-
boeken overal te doen gebruiken.
Het onderwijs aan meisjes bepaalde zich tot het lezen, terwijl dat
aan de jongens ook het schrijven en den zang omvatte; terwijl deze
bovendien op de groote of Latijnsche school het onderwijs veel ver-
der konden voortzetten. Waar geen bepaald onderwijzer was, moest
de koster den schooldienst waarnemen, en als er ook geen koster
was, moest de pastoor het doen.
Door bepalingen als deze werd het onderwijs zeker hier en daar
bevorderd, al schijnt de uitwerking vooral op het platteland niet bij-
zonder groot geweest te zijn. Een soort van wederkeerig onderwijs
moet in de zestiende eeuw op de Nederlandsche scholen vrij algemeen
geweest zijn.
Het inkomen schijnt in dezen tijd zeer verschillend geweest te zijn
voor onderwijzers ten platten lande en van die aan stadsscholen. Dat
van de eersten was ongetwijfeld vrij slecht, en ook de inkomsten der
onderwijzers aan bijscholen waren zeker mager. Daarentegen hadden
de onderwijzers, die in bloeiende steden aan een openbare school
werkten, dikwijls een inkomen, dat voor dien tijd zeer goed was.
Werd er nadrukkelijk bepaald, dat niemand onderwijs mocht geven
zonder vergunning van de overheid, naast deze plaatste zich somtijds
een gilde, dat ook hare eischen deed. Te Antwerpen had men het
zoogenaamde Ambrosius-gilde, dat uit „schoolmeesters\'\' en „schoolvrou-
wen" bestond. Dit had reeds in 1468, 1530 en 1556 voorrechten of
erkenning genoten van de stedelijke overheid. In 1530 was bepaald,
dat niemand binnen Antwerpen mocht onderwijzen, zonder lid te zijn
van dat gilde, waarbij zeker „incomghelt" werd betaald. In 1580
telde het gilde 75 schoolmeesters en 53 schoolvrouwen. Bovendien
had men toen in de stad scholen, door de geestelijkheid voor jongens
gehouden, en waarschijnlijk ook nonnenscholen voor meisjes. Tot
de bevoegdheid van het gilde behoorde ook het onderzoek naar de
bekwaamheid van hen, die lid van de vereeniging, dat is onderwijzer
of onderwijzeres, wilden worden.
Ook in Noord-Nederland heeft men zeker reeds vroegtijdig onder-
wijzersgilden gehad op plaatsen, waar het aantal scholen groot was.
Toch is het eerste gilde uit ons land, dat men kent, het Middel-
burgsche van 1591.
De trap van beschaving onzer bloeiende steden was hoog in het mid-
den der zestiende eeuw, als men haar vergelijkt met die in vele deelen
van Europa. De kinderen der rijkere klassen genoten ten aanzien
der opvoeding groote voordeden in al de groote hoofdsteden. De klas-
sieken, muziek en nieuwere talen, vooral het Fransch, werden alge-
meen beoefend. Ook was de verstandelijke ontwikkeling niet beperkt
tot de hoogere klassen. Integendeel, zij was in opmerkelijk groote
-ocr page 76-
70
Hebreeuwsch wordt aanbevolen, omdat in deze taal het Oude Testa-
ment is geschreven, en Grieksch, omdat het in staat stelt, des te
beter het nieuwe Testament te begrijpen.
Calvijn werd te Noyon in Picardië geboren en genoot te Parijs
zijn opleiding voor de kerk. Over onderwijs in \'t algemeen heeft
Calvijn niet geschreven. Als hervormer was hij werkzaam te Genève,
waar hij in 1536 een cathechismus uitgaf, die in het Fransch was
geschreven. In 1538 verscheen die cathechismus in het Latijn. Cal-
vijn was voor een uiterst strenge opvoeding der kinderen, ofschoon
in 1563 een onderwijzer te Genève werd veroordeeld, omdat hij aan
een leerling een tand had uitgeslagen. Ongehoorzaamheid tegen de
ouders werd streng en openlijk gestraft. In hetzelfde jaar werd
namelijk een meisje drie dagen op water en brood gezet, omdat het
hare moeder had bespot; ook moest het openlijk na afloop der preek
berouw te kennen geven.
De Jezuïeten en het onderwijs in katholieke landen.
De hervorming was de aanleiding tot het ontstaan van een priester-
orde, die zich veel met het onderwijs en de opvoeding heeft bezig-
gehouden en gewoonlijk de Jezuïetenorde wordt genoemd. Ze werd in
1540 erkend door den paus. Haar stichter, Ignatius van Loyola,
was een man van groote bekwaamheid; hij bezat een ijzeren wil en
een volharding, die alles overwon. Hij was streng voor zich zelf
en anderen, zorgvuldig tot in de kleinste bijzonderheden. Het doel
der orde was, Jezus te verheerlijken, God en zijn plaatsvervanger op
aarde, den paus, te dienen , liefdadigheid te oefenen, zielen te ver-
zorgen vooral door het afnemen der biecht, het katholiek geloof te
verspreiden onder kinderen en volwassenen. Ook zou zij kettersche
meeningen bestrijden door de kracht van het woord , en hierin lag
een groot deel van haar taak. Om deze naar eisch te vervullen ,
werd van de leden niet alleen uitgebreide kennis van den godsdienst
verlangd, maar ook een grondige wetenschappelijke opleiding en
vooral menschenkennis. De blik van de jezuïeten was dan ook rui-
mer dan van de meeste woordvoerders onder de protestanten. Zij
waren vrijzinniger en menschkundiger dan de protestanten, zoodat
zij dan ook de kunst beter in hare waarde erkenden en de eischen der
zinnelijkheid bij anderen minder over het hoofd zagen. Meer dan
eenige andere vereeniging hadden ze bij wereldsche zaken het oog
op de toekomst gericht; zoodat ze van den beginne af zorg wijdden
aan het schoolwezen en de opvoeding. Reeds de stichter der orde
bracht de opvoeding in een stelsel. Hij regelde de volgorde der stu-
diën, stelde bepalingen vast omtrent leerwijze, tucht en de inrichting
van scholen. Hij schreef voor, wat men zou onderwijzen en welke
schrijvers moesten gelezen worden. Hij gebood, dat aan de hoogere
scholen der orde wis- en natuurkunde, wijsbegeerte en theologie
-ocr page 77-
71
zouden onderwezen worden. Bij het onderwijs der wijsbegeerte en
dat der theologie werd de leer der middeleeuwen gehandhaafd. Als
tuchtmiddelen werden niet alleen vermaningen en berispingen maar ook
lichamelijke straffen voorgeschreven. De inrichtingen moet voor alle
scholen van dezelfde soort gelijk zijn. Elke schooltijd moest met een
kort gebed worden aangevangen, als dit aandachtig en eerbiedig kon ge-
schieden; zoo niet, moest men zich bepalen tot het teeken des kruises.
Deze bepalingen zijn voor de volgende eeuwen in hoofdzaak van
kracht gebleven; slechts ten aanzien van bijzaken werden verande-
ringen aangebracht op raad van algemeene vergaderingen. Zoo werd
het aannemen van schoolgeld verboden; aan het hoofd der orde, den
generaal, werd de raad gegeven, zonder overwegende gronden
geen nieuwe scholen op te richten, voordat de bestaande tot een
hoogen trap van volkomenheid gebracht waren. Zoodra door het
toestroomen van een groot aantal leerlingen de behoefte aan meer
onderwijs zich deed gevoelen, besloot men tot de oprichting van
kweekscholen voor de praktische vorming van leeraren.
Tegen het einde der zestiende eeuw werd een nieuw leerplan vast-
gesteld. Dit maakt met de bepalingen van Loyola de schoolorde der
Jezuïeten uit. Daarin wordt ook de godsdienst als hoofdleervak be-
schouwd; Heidensche schrijvers mogen niet in hun geheel gelezen
worden , Christelijke lectuur wordt aanbevolen, en de leerlingen van
de scholen der Jezuïeten mogen geen boeken bezitten, die niet goed-
gekeurd zijn door den rector. Ook de schoolboeken moeten van
hooger hand goedgekeurd zijn.
Aan de lichamelijke opvoeding werd de noodige zorg besteed door
de Jezuïeten en ze begrepen zeer goed het groote nut van ontspanning.
Hun scholen stonden spoedig zeer in aanzien. De paus schonk
in 1552 aan de orde vergunning, overal scholen op te richten. Italië,
Portugal en Spanje waren spoedig in hare macht, en tegen het einde
der 17de eeuw stonden de Latijnsche scholen in alle katholieke lan-
den onder haar leiding.
Tusschen de Latijnsche scholen der Jezuïeten en die der hervormden
ontstond een soort wedijver. Men had aan de eerste vooral niet
minder bekwame mannen dan aan de laatste en zij muntten uit door
orde, zoodat zij dan ook dikwijls geprezen werden door katholieken
en protestanten. De leerwijze was aan beiderlei scholen werktuiglijk;
maar het was opvallend, dat bij de Jezuïeten alleen op de taal werd
gelet en niet op den inhoud. Het opvoedingsstelsel van de Jezuïten
bezit het groote nadeel, dat slaafsche gehoorzaamheid er een te
groote rol speelt. Ofschoon ook bij de protestanten de opvoeding
tot zelfstandige menschen niet als doel werd gesteld, bleven zij nier-
van toch minder ver verwijderd clan de Jezuïeten. Ook heeft men
soms op de kweekelingen een geregeld stelsel van bespieden toege-
past en hen zelfs aangemoedigd tot onderlinge bespieding.
Om den ijver bij het leeren op te wekken, werd de eerzucht ge-
-ocr page 78-
74
mate verbreid onder de nijvere bevolking der groote steden. Maar het
onderwijs bleef doortrokken van een werktuiglijken en bekrompen geest.
Filips II heeft de bepalingen, door zijn vader ten opzichte van het
onderwijs gemaakt, gehandhaafd en gedeeltelijk zelfs verscherpt. Maar
ook hier bleek, dat bepalingen gemakkelijker waren te maken, dan op
te volgen. Zoo bepaalde hij, dat de ouders verplicht waren, hun kin-
deren ter school en ter kerk te zenden. Ook mochten de kinderen
niet meer met penningen spelen of met andere voorwerpen om geld.
De tachtigjarige oorlog.
Als eerste gevolg van het uitbreken van den tachtigjarigen oorlog
kan men voor vele steden en dorpen een ontredderden toestand noemen,
die ook het onderwijs betrof. Niet alleen, dat de nood in vele geval-
len de gedachten geheel afleidde van het onderwijs en de opvoeding
der jeugd; maar vele bekwame onderwijzers, die de hervorming niet
waren toegedaan, namen de vlucht. Gaandeweg kon evenwel voor-
zien worden in den onderwijzersnood, want vele geestelijken, die de
nieuwe leer waren toegedaan, gingen zich aan het onderwijs wijden.
Daarbij kwam nog, dat wederkeerig bekwame mannen uit de provin-
ciën, die onder Spanje bleven , naar de vrije provinciën vluchtten,
om hier onderwijs te geven. Het grootste deel der onderwijzers
schijnt echter voortgekomen te zijn uit de vroegere Roomsche kosters ,
zoodat de kennis en geschiktheid van de meesten tegen het einde
van de zestiende eeuw veel te wenschen overliet.
Op de leerstof had de bekeering der ingezetenen dezen invloed, dat
al wat in de schoolboeken voorkwam en van Roomsen katholieken
aard was, moest vervangen worden door een Protestantschen inhoud.
Dit ging echter uiterst langzaam en tot in de zeventiende eeuw toe
moest de overheid bepalen, dat geen schoolboeken mochten gebruikt
worden, als zij niet eerst gezuiverd waren van al wat naar het
„Pausdom" smaakte. Dit zal wel geen betrekking hebben op het abc-
boek, en we mogen gerust aannemen, dat dit al spoedig den inhoud zal
verkregen hebben, dien men weervindt in de abc-boeken, welke tot
op het laatst der achttiende eeuw algemeen werden gebruikt. Zulk
een abc-boek dan droeg den naam: „Groot ABC-boek" en werd
in de wandeling „Haneboek" genoemd, naar een grooten haan, die
op de keerzijde van het titelblad staat afgebeeld. Die haan stond
daar als een voorbeeld van naarstigheid. Veelal werd het op dun
bordpapier gedrukt. De meest gewone inhoud is de volgende. Ver-
schillende alfabets; korte lettergrepen; „Dat Vader Onze"; de Tien
Geboden; Geloofsartikelen: „Het Morgengebed\'\'; „Het Avondgebed\'\';
Gebeden voor den eten; gebeden na den eten.
Men had in de zestiende eeuw in hel ABC-boek de tien geboden
onder een verkorten vorm opgenomen.
Ten tijde van Karel V, werden de elementaire schoolboeken met dub-
-ocr page 79-
75
beien tekst gedrukt nl. Latijn en volkstaal. Wanneer men begonnen
is ze uitsluitend in de volkstaal te drukken , schijnt niet bekend te
zijn. Evenmin is het bekend, wanneer men begonnen is met tusschen
het alfabet en het onze vader lettergrepen in te voegen, zooals
ab, eb, ib, ob , ub.
Dit streven om de groote ruimte tusschen het alfabet en het onze
vader aan te vullen , was natuurlijk een beweging in de goede rich-
ting; maar de beweging is zwak geweest, daar aan het einde der
achttiende eeuw het haneboek algemeen werd gebruikt. En zelfs in
deze eeuw is het nog op vele scholen gebruikt.
In oudere haneboeken vindt men, behalve het morgen- en avond-
gebed , dat voor en na den eten, een gebed voor de predicatie. Dit
is later vervallen of vervangen door een schoolgebed.
Naast het protestantsche haneboek was er ook een „Catholijk ABC
boek," eveneens op bordpapier gedrukt. De derde en vierde blad-
zijde bevatten dezelfde alfabets en lettergrepen als het protestantsche
haneboek; verder vindt men er Roomsche gebeden en formulieren.
In Duitschland had men evengoed een haneboek als bij ons en
het genoot daar hetzelfde aanzien, zoodat een verandering als ket-
terij werd aangezien.
De scholieren, die letters hadden geleerd, moesten later zien , of
zij die kenden, op een ab-bord, dat de onderwijzer op zijn lessenaar
had liggen of dat aan den lessenaar hing.
\'De legpenningen, die men gebruikte bij het eerste rekenen, qn-
dergingen ook een verandering. In plaats van de godsdienstige
teekens, die er vroeger op stonden, kwamen nu op last van de hooge
overheid des lands spreuken en afbeeldingen, die dienen moesten, om
de burgers op te wekken tot volharding in den strijd tegen Spanje.
Ofschoon het cijferen met toepassing der betrekkelijke waarde veld
won, bleven rekenborden met legpenningen vooreerst nog bestaan.
Dit was echter niet anders dan een gevolg van gewoonte en men
meene vooral niet, dat de legpenningen gebezigd werden, omdat het
nut daarvan algemeen werd ingezien. Wel moesten zij onwillekeurig
dienen, om het rekenen aanschouwelijk te maken, maar de meeste
onderwijzers bespeurden dit niet, en toen dan ook het cijferen veld
won , geraakten de legpenningen in onbruik.
De inhoud der abc-boeken bewijst, dat het godsdienstonderwijs
reeds voor de hervorming grootendeels in handen der onderwijzers
was. Na de invoering der hervorming werd dit in nog grootere mate
het geval. Niet alleen dat het abc-boek grootendeels een godsdien-
stigen inhoud bevat, maar ook aan meer gevorderden, moesten zij
godsdienstonderwijs geven. Meestal geschiedde dit tweemaal in dé
week: op Woensdagmorgen en op Zaterdagmiddag. Zij lieten dan
de tien geboden, de twaalf artikelen des geloofs, een aantal gebeden
en den catechismus van buiten leeren. Dit geschiedde in den regel
zonder eenige nadere verklaring van den kant des onderwijzers. Maar
-ocr page 80-
76
des Zondags middags na afloop van de prediking vroeg de predikant
het van buiten geleerde af en dan gaf deze er soms nadere verkla-
ringen bij. Enkele malen deed de onderwijzer dit en wel op den-
zelfden tijd in de kerk, maar de meesten waren niet bekwaam ge-
noeg daartoe. Op veel plaatsen bleef het godsdienstonderwijs geheel
achterwege. Soms waren kerkelijke twisten daarvan de oorzaak, en
andere malen lieten de onderwijzers en predikanten het na uit ge-
makzucht. Ook gebeurde het wel, dat de onderwijzer niet recht in
staat was, om eenig onderwijs te geven, of dat hij betwijfelde, of
de catechismus wel „Gods woord" bevatte. Als catechismus werd in
ons land veel gebruik gemaakt van de H eid elbergsche.
Deze verscheen in Januari 1563. Hij ontstond uit de behoefte aan
een leerboek, waarin de leer van het Christendom onder een beknop-
ten vorm was samengevat. Hij moest in overeenstemming zijn met
de leer van den bijbel en de denkbeelden van Melanchton en Calvijn.
De uitsluitende begrippen van Luther moesten vermeden worden.
Hij moest dienen tot leerboek in kerk en school en tevens aan gods-
dienstleeraren en schoolonderwijzers een leiddraad geven, die den
kleinen catechismus van Luther en alle andere moest vervangen,
0111 zoodoende meer eenheid in de leer te brengen. Hij verscheen
te gelijk in het Duitsch en met de Latijnsche vertaling er van, die
vooral bestemd was voor de gymnasia.
De Heidelbergsche catechismus was spoedig algemeen verspreid en
ook in Nederland alom bekend. De oudste Nederlandsche uitgaven
werden in het buitenland gedrukt en heimelijk ingevoerd. In 1566
werd er een in Nederland gedrukt zonder opgave van plaats of druk-
ker. In het volgende jaar verscheen er een te Delft, die aan den
drukker het leven kostte.
Aanvankelijk werden de onderwijzers en leeraren hier vrij gelaten,
ofschoon de Heidelbergsche catechismus bijzonder werd aanbevolen.
Die invoering werd eerst geheel algemeen , na het houden der synode-
nationaal van 1619.
Van groot belang is de beschikking, die de overheden der vrijge-
vochten gewesten namen ten aanzien der goederen van de Roomsche
kerk. Deze werden als staatseigendom beschouwd. Toen Friesland
in 1580 overging tot de Hervormden, werden de kloosters ontbonden
en de goederen, die er toe behoorden , werden besteed tot bekosti-
ging van den oorlog tegen Spanje , tot oprichting van wees- en gast-
huizen en tot vestiging der Hoogeschool te Franeker. De kleine
geestelijke of beneficiale goederen, waaruit de pastoors, de vicarissen
en de kosters, die in den regel met het onderwijs belast waren , hun
inkomen genoten, werden besteed tot onderhoud van eerlijke en
degelijke predikanten, van schoolmeesters, en tot ondersteuning van
behoeftigen. „De goederen die aan de kerk, aan den patroon van
de plaats behoorden, bleven ten behoeve van het kerkgebouw en
den eerclienst bestemd."
-ocr page 81-
77
„Voor zoover de beneficiale goederen zoogenaamde pastorie-goederen
waren, kwam de opbrengst ten behoeve van de predikanten; de vroe-
gere kosterie- of schoolgoederen kwamen ten bate van de school-
meesters, en waar dergelijke goederen niet aanwezig waren, moesten
de schoolmeesters volgens Staatsbesluit van 1603 uit de opbrengst
der andere beneficiale goederen bezoldigd worden."
„Ook school en schoolhuis (doorgaans één gebouw) moesten uit de
inkomsten der benificialia onderhouden worden, althans tot heden ge-
schiedde dat onderhoud uit kerkelijke fondsen, waaronder die be-
nificialia.\'\'
Zooals in Friesland, ging het in meer gewesten. Er waren om
zoo te zeggen op een aantal plaatsen vaste fondsen aangewezen ten
dienste der school, en dit was van groot belang voor den bloei van
ons schoolwezen in vorige eeuwen.
In zekeren zin was de onderwijzer een kerkelijk ambtenaar. Men
had ten allen tijde het onderwijs in de eerste plaats als de taak der
kerk beschouwd. In zooverre het onderwijs van godsdienstigen aard
was, kon het niet anders, en men dacht niet aan een afscheiding
tusschen wereldlijk en kerkelijk onderwijs. Toch mag men de uit-
drukking, dat de onderwijzer een kerkelijk persoon was, zonder
nadere omschrijving niet als juist beschouwen. De hervormde kerk
was staatskerk en alleen daardoor was ieder kerkelijk ambtenaar
reeds in zekeren zin een staatsambtenaar. De hervormde kerk was
geen zelfstandig lichaam, maar ondergeschikt aan den staat. Er is
meer. Ondanks de hervormde kleur der school was zij bestemd voor
kinderen van alle gezindheden. Er waren geen bijzondere scholen,
alleen openbare voor alle burgers van den staat. Terwijl de predikant
gekozen werd door de stemgerechtigden van\' de hervormde gemeente,
zag men dikwijls den onderwijzer kiezen door stemgerechtigden uit
alle gezindten of rechtstreeks door den patroon van kerk en school
of de stedelijke overheid. De school was dus meer een politiek dan
een kerkelijk orgaan.
Ook ging de wetgeving op het gebied der school niet uit van de
kerk maar rechtstreeks van de wereldlijke overheid. Zoo werd door
de staten van Zeeland in 1583 een schoolorde uitgevaardigd. Hierbij
werd bepaald, dat niemand onderwijzer mocht zijn, zonder dat omtrent
zijne leer en zijn gedrag onderzoek was gedaan door de Classe van het
eiland, waar hij zich zou vestigen. Het onderwijs in den hervormden
godsdienst werd opgedragen aan den onderwijzer, die ook verplicht
was, de kinderen in de kerk te brengen en daar stil te houden. Zoo-
veel mogelijk moesten er afzonderlijke scholen zijn voor jongens en
meisjes en, als dat niet kon, moesten zij toch streng uiteen gehouden
worden. De meester moest bij voorkeur zelf onderwijs geven
en dat niet geheel overdragen aan een ondermeester of aan kin-
deren. Er zouden 2 speeldagen in de week zijn. Een onderwijzer, die
tegen deze bepaling zondigde, moest door den kerkeraad, en zoo hij
-ocr page 82-
78
tegen deze weerspanning was, door de Classe onderhouden worden.
Dergelijke bepalingen werden ook gemaakt voor andere gewesten en
door den Prins van Oranje voor zijne heerlijkheden. Bovendien vorm-
den die zelfde bepalingen den inhoud van stedelijke keuren.
Een en ander omtrent den werkelijken toestand van het school-
wezen vernemen we uit een handboek voor onderwijzers, dat in 1591
verscheen onder den titel: „Een Nut ende Profytelyck Boecxken,
genaemt een regel der Duytsche Schoolmeesters, die prochie-kerken
bedienen." Dit boek is overeenkomstig de gewoonte van dien tijd
in versmaat en op rijm geschreven door Valcoogh, „Schoolmeester
tot Barsigherhorn.\'\'
De schrijver zegt dat zijn werk verschijnt met het oog op de „plomp-
heyt ende ongeleertheyt, die dagelycx wordt gheuseert by den Hol-
landtschen, Vriesschen, ende Zeeusschen Schoolmeesteren, die Pro-
chie-Kerken bedienden." Wie slechts „een naem conde schryven,
ende een Psalm onstichtelycken singhen,\'\' begaf zich tot den school-
dienst. Zulke lieden gaven clan onderwijs voor gering loon en de
„huyslieden ende onverstandige idioten zyn soo verdorven, als sy slechts
eenen Schoolmeester connen cryghen goeden coop, soo ist men hen ghe-
wonnen spel, al soude de gantsche ghemeente ende plecke daerom in-
teresten ende schade lyden ende haer lieve kinderkens in eeuweghe on-
wetenheyt van lesen ende schrijven blyven." Het doel van den schrijver
is dan ook tevens om te waarschuwen tegen dergelijke schoolmeesters.
Een onderwijzer moet zachtaardig zijn, bereidwillig, zoowel voor
armen als rijken; deugdzaam moet hij zijn en zelfbeheersching bezitten.
Hij moet twintig jaar oud zijn, een goede hand schrijven, een flinke
uitspraak hebben en mag niet droefgeestig zijn. De onderwijzer moest
voor de dorpelingen raadsman en helper kunnen zijn in alle zaken,
waarbij de schrijfkunst of de kennis der wet noodig was.
Ofschoon Valcoogh evenals zijn tijdgenooten het gebruik van roede
en plak voor onmisbaar houdt en zelfs niet denkt aan de mogelijk-
heid, om lichamelijke straf te vermijden, zegt hij: Matigh te straffen
gheve ik den prys. Vooral in den beginne wil hij zacht zijn.
Valcoogh raadt den onderwijzers ook aan, de scholieren niet zoo
hard te slaan „datse bloeden of leden breken." En als zij dit toch
gedaan hebben in woede, krijgen ze den raad, zich uit de voeten te
maken.
De school begon in den winter om zeven uur en des zomers om
zes uur. De leerlingen brachten hun boterham mee en werden ge-
woonlijk door den onderwijzer tegen een kleine vergoeding van drin-
ken voorzien. De kinderen kwamen een voor een bij den meester
om hun les op te zeggen. De leerlingen, die schreven, werden ook
één voor een bij den meester geroepen, om hun schrift te vertoonen.
Nadat een les was opgezegd en een schrift vervaardigd, genoot men
het ontbijt. De kleinere kinderen mochten, als zij meenden hun les
te kennen, naar een der oudere leerlingen gaan, om de les te laten
-ocr page 83-
79
overhooren; maar zij moesten van deze vergunning een matig ge-
bruik maken.
De kinderen kwamen, voor zij naar de kerk gingen, in de school
samen en gingen van hier onder geleide van den meester naar de kerk,
waar ze, anders dan in de school, blootshoofds zaten. Uit de kerk
gingen de kinderen weer naar de school, en hier onderzocht de mees-
ter, of de kinderen goed hadden geluisterd. Bleek dit niet het geval
te zijn, dan werden ze bestraft. Dit had plaats op Zondagmiddag,
maar gebeurde niet overal.
Voor het geval, dat één onderwijzer honderd scholieren had, geeft
Valcoogh op, hoe het moest aangelegd worden, om alle kinderen de
les te overhooren.
„Eerst zult gij de kinders hooren, die leeren in brijven,
„By thien regulen te hooren moet ghy blijven,
„Voorts die daer leeren Hoogduyts lesen, oft in Donaten,
waarvan men 12 regels moet overhooren. Dan de Historiën en Lowys
Porquyn, waarvan 16 regels kunnen genomen worden. Vervolgens
komen de leerlingen die in de „Souters, oft half Testamenten" bezig
zijn; daarvan 13 regels. Vervolgens komen de leerlingen, die uit
den Catechismus of de Fonteynen leeren, met 5 regels. Al die leer-
lingen beginnen te schrijven, als zij hun les opgezegd hebben, en
intusschen overhoort de onderwijzer 4 regels van de kinderen, die
in de Ember gebeden of het ab-boek bezig zijn.
Het schrijfonderwijs bestond eenvoudig hierin, dat men de kinde-
ren de letters een voor één liet namaken. Om het schrijven aan te
moedigen, wil hij viermaal in het jaar om een prijs laten schrijven.
Des Donderdags na twaalf uur had men in dien tijd en reeds ge-
ruimen tijd te voren vacantie.
Valcoogh beweert, dat één onderwijzer zelfs 400 scholieren kan
leeren. Hij moet dan het aantal leerlingen in 4 honderdtallen ver-
deelen en er feitelijk ook 4 schooltijden op nahouden. Terwijl hij
dan bezig is met een honderdtal, waartoe zijns inziens twee uur des
noods voldoende zijn, moeten oudere leerlingen toezicht houden bij
de andere afdeelingen.
Omdat het inkomen van de schoolmeesteren gering is, zijn ze wel
verplicht, bovendien een ambacht waar te nemen. Niet alle ambachten
zijn echter volgens Valcoogh gepast; hij noemt echter een groot aan-
tal op als wel geoorloofd, en hieronder komen de meeste, zelfs het
scheren en haarsnijden voor.
Valcoogh wil geen van die bezigheden onder schooltijd zien ver-
richten, ofschoon dit meermalen gebeurde.
-ocr page 84-
SCHRIJVERS OVER DE OPVOEDING.
I,                         Rabelais, 1483-1553.
Rabelais genoot zijn opleiding aan kloosters, waarna hij monnik
werd. Zijn uitgebreide kennis van Grieksch, Latijn, Italiaansch,
Spaansch, Duitsch, Hebreeuwsch en Arabisch bezorgde hem spoedig
een eervolle plaats onder de geleerden van zijn tijd. Hij verliet zon-
der vergunning het klooster en knoopte betrekkingen aan met per-
sonen, die de hervorming waren toegedaan. Intusschen had Rabelais
bijzondere voorliefde tot de geneeskunde opgevat en in 1530 werd hij
Baccalaureus in de medicijnen, waarna hij als professor voorlezingen
hield. Zijn eerste boeken van wetenschappelijken aard werden weinig
gelezen, maar in 1533 verscheen onder den titel Pantagruel een
werk, dat over de opvoeding handelt en vol van, grootendeels niet
zeer fijne, geestigheden is; dit boek werd in hetzelfde jaar driemaal
gedrukt. Twee jaar later verscheen over hetzelfde onderwerp een
ander boek met den titel Gargantua.
Rabelais zag evenals Erasmus de gebreken der opvoedig van dien
tijd in, maar terwijl de laatste haar openlijk aanviel, achtte Rabelais
het tegenover de onkunde en de dweepzucht van zijn landgenooten
met het oog op zijn persoonlijke veiligheid wenschelijk, zich met
zijn lezers te verplaatsen in een denkbeeldige maatschappij. Het kind
Pantagruel is even als zijn vader Gargantua een reus.
In de eerste plaats wordt aangetoond, dat de bestaande scholen
niet deugen. Het leeren is voor de kinderen een kwelling, ze worden
• er lui door, en de kennis, die ze opdoen, is vruchteloos. Men moet
de kinderen geen dwang opleggen bij het leeren. Dat is ook geheel
overbodig, als men het leeren maar aangenaam maakt, door den
leerling een werkzaam aandeel te geven bij het onderwijs en dit
vast te knoopen aan de voorwerpen en gebeurtenissen in het dage-
lijksch leven.
De leerstof wil Rabelais veel te uitgebreid maken. Hij wil niet al-
leen kennis der natuur aanbrengen, geneeskunde en technologie laten
beoefenen, maar eischt ook, dat de leerling Latijn, Grieksch, He-
breeuwsch, Chaldeeuwsch en Arabisch zal kennen. Rekenen en ge-
schiedenis worden ook niet vergeten.
Dat alles moet Pantagruel kennen, niet als geleerde maar als man
van de wereld, om des te beter werkzaam op te treden in de maat-
schappij. Als naar gewoonte wordt de opvoeding voltooid door een reis.
-ocr page 85-
81
Over \'t geheel kan men de opvoeding tegenover de toenmaals ge-
wone kenschetsen als een zeer goede: zij is zacht van het begin tot het
einde, terwijl de gewone opvoeding in alle opzichten ruw was. Bij
het leeren trad het werktuiglijke op den achtergrond voor een handel-
wijze, die de belangstelling van den leerling moest opwekken en die
hem zelf werkzame bezigheid verschafte.
Ten aanzien der lichaamsoefeningen is Rabelais uitvoeriger dan eenig
schrijver vóór hem, en waar men wilde opnoemen, wat hij beter heeft
gedaan dan zij, zou men in de eerste plaats moeten spreken over de
gymnastiek. Ten aanzien der natuurkennis staat Rabelais een wei-
nig boven Erasmus, voor wien de kennis der natuur geen doel is
maar slechts middel, maar hij is er nog verre van, het belang eener
oefening van ons waarnemingsvermogen te beseffen. Overigens kan
men het besef van de waarde der natuurkennis moeilijk als een ver-
dienste van eenig belang aanrekenen in een man, die eenvoudig alles
wil laten leeren, wat de grootste geleerde kent. Wie de natuurlijke
historie op haar rechte waarde schat, stelt haar niet op éen lijn met
een half dozijn vreemde talen. De werken van Rabelais zijn veel
gelezen om zijn geestigheid en worden zelfs nu nog door de Fran-
schen genoten. Toch hebben zijn denkbeelden over de opvoeding
weinig invloed gehad. Vooreerst was de tijd nog niet rijp voor een
afdoende hervorming van de scholen. De geleerden lazen zijn werken
om den humor en hadden verder in zijn tijd de oogen te zeer ge-
vestigd op de godsdiensttwisten, om bedaard de opvoeding na te
gaan. Ook schijnen ten allen tijde de grappen van Rabelais de aan-
dacht te hebben afgeleid van de ernstige grondgedachten. (Rabelais\'
Denkbeelden over opvoeding vormen No. 9 mijner pedagogische bi-
bliotheek. f0,36).
Montaigne, 1533—1593.
Montaigne werd met groote zorgvuldigheid opgevoed. Het leeren
geschiedde 2onder dwang, zoo aangenaam mogelijk. Nadat hij eeni-
gen tijd aan het hof van den Franschen koning had geleefd, trok
hij zich terug. De bekrompenheid en daaruit voortvloeiende twisten
onder zijn tijdgenooten ergerden hem in hooge mate. In het midden
van de burgertwisten opende hij zijn huis voor alle partijen , wier
beginselen hij alle in gelijke mate afkeurde. Evenals zijn huis wilde
hij zijn geest tot een plaats maken, waar rust heerschte. Van hier
een zekere onverschilligheid, een gemakzucht en in vele gevallen een
zelfzucht, die meer beredeneerd was dan werkelijk. Uit dezelfde
bron kwam tegenzin voor verandering, ofschoon hij zich niet ontzag
al het ongerijmde, dat hij ontmoette, te bestrijden. Ook uit zijn
afkeer van veranderingen zich niet, waar hij over de opvoeding en
het onderwijs schrijft.
Als doel der opvoeding wordt gesteld, dat de kinderen moeten
6
-ocr page 86-
82
, leeren, wat ze te doen hebben, als zij groot zijn. Daarbij wordt
deugd boven kennis gesteld.
De opvoeding van het lichaam moet gelijken tred houden met die
van den geest. Ten aanzien van de lichaamsoefening treedt M. niet in
bijzonderheden. Hij vergenoegt zich met te zeggen, dat allerlei ont-
spanningen , de jacht, de muziek, enz. „een goed deel der studie uit-
maken." Maar des te uitvoeriger spreekt hij over de algemeene be-
ginselen, die men moet volgen bij de opvoeding van den geest.
„Wij moeten de natuur volgen; het voornaamste voorschrift is, dat
wij ons naar haar richten." Het kind is geboren met een karakter,
met een natuurlijken aanleg; die moet ik leeren kennen, voor ik ze
kan leiden. „Ik zal mij er wel voor wachten, hem onophoudelijk in
de ooren te schreeuwen, alsof ik iets in een trechter goot." In plaats
van altijd zelf te praten, wil ik hem op zijn beurt laten spreken en
zal ik naar hem luisteren. Ik zal op zijn spelen letten, want „de
spelen der kinderen zijn niet spelen, en men moet ze ten hunnen op-
zichte beoordeelen als ernstige daden."
Men moet de kinderen niet naar de school zenden, omdat de onder-
wijzers te ruw zijn. „Als gij wilt, dat kinderen schande en kastijding
vreezen, verhard ze niet daarin... Ik keur allen dwang af bij de op-
voeding van een ziel tot eergevoel en vrijheid." Zonder dwang kan
men den knaap smaak doen krijgen in het vermeerderen van zijn ken-
nis en het vervullen van zijn plicht.
Het gezag, dat ik heb ten aanzien van het gedrag van mijn kwee-
keling , bezit ik niet ten opzichte van zijn verstand. Mijn zaak is, hem
zelf te leeren denken, opdat hij eenmaal zal weten zelf te willen en
te handelen. Wat ik hem zeg, zal ik toelichten. We willen van on-
zen kweekeling geen spraakkunstenaar maken. Als hij maar eerst
de zaken kent, komen de woorden van zelf.
Ook kan men het oordeel niet vormen, door alleen het geheugen te
oefenen. Men vrage niet alleen naar de beteekenis van de woorden
maar ook naar den inhoud van den geheelen volzin en de geheele les.
De leerling zal niet zoozeer het jaartal leeren kennen van de verwoes-
ting van Carthago als de zeden van Hannibal en Scipio. Hij zal niet
zoozeer zijn les opzeggen als toepassen in zijn handelingen.
Het eenige middel, om een kind te oefenen in de deugd, is dat men
haar laat toepassen. De eerste toepassingen zullen klein en zwak
zijn, maar ze zijn toch van het grootste belang.
Ook om het oordeel te vormen, moet men stof kiezen, die over-
eenkomt met de vatbaarheid der kinderen. Daartoe kieze men voor-
werpen en gebeurtenissen uit de omgeving van het kind. Hieraan
kan men zeer goed het oordeel vormen, en het kind stelt er belang
in. Is eenmaal zijn oordeel geoefend, dan leert het gemakkelijk elke
wetenschap, die het wil beoefenen.
Ten aanzien van het onderwijs zag Montaigne in, dat het slechts
een onderdeel is van de opvoeding en slechts waarde heeft, voor zoo-
-ocr page 87-
83
verre het meewerkt tot bereiking van het doel, dat we beoogen met
de opvoeding.
Bij de geheele zedelijke opvoeding spreekt Montaigne steeds over
het verstand en de rechtvaardigheid, nooit opzettelijk over goedhar-
tigheid of deugd in den volsten zin van het woord.
Ook het gevoel der ouders tegenover hun kinderen, moet volgens
Montaigne beredeneerd zijn, om grond te hebben, en hij zelf kan de
liefde van ouders voor kinderen, die nog pas geboren zijn, niet be-
grijpen. Rijke ouders raadt hij aan, hun kinderen aan een min te
geven, omdat de kinderen aan huis dikwijls verwend worden. Zeer
goeden raad geeft hij ten aanzien van de verhouding tusschen ouders
en grootere of volwassen kinderen.
Hebben we bij Rabelais te doen met opmerkingen van een helder
hoofd, hier vinden we de strenge gevolgtrekkingen van den geleerde.
Vonden we bij Rabelais meestal bepaalde gevallen, Montaigne geeft
in de eerste plaats algemeene beginselen. Terwijl Rabelais te veel wil
laten leeren, waarschuwt Montaigne tegen het overladen, om meer
bepaald op het vormen van \'t oordeel te letten. Montaigne\'s werken
zijn veel gelezen, maar naar het schijnt alleen door geleerden. (Zie
verder Montaigne over opvoeding, door J. Schippers, in No. 8 der
paedagogische bibliotheek. Prijs ƒ0,75).
Baco, 1561—1626.
Aan dezen beroemden Engelschen wijsgeer komt in de geschiede-
nis van de opvoeding en het onderwijs een plaats toe, niet om wat
hij rechtstreeks over dit onderwerp heeft gezegd, maar om zijn mid-
delijken invloed ten dezen aanzien. Hij heeft met Descartes de scholas-
tieke wijsbegeerte omvergeworpen, en dit was noodig, vóór gezonde
denkbeelden over opvoeding en onderwijs konden doordringen tot de
praktijk. De klassieke oudheid bevatte, meende men, met den bijbel,
nagenoeg alle bronnen van wetenschap. Uit enkele eenvoudige waar-
heden moesten, naar men meende, alle wetenschappen door rede-
neering worden afgeleid; en men kende bovendien aan al wat door de
klassieke schrijvers was geschreven of in den bijbel was te vinden
een groot gezag toe. Binnen de grenzen van het gezag alleen rede-
neering, dat was dus de algemeene handelwijze; dit vormde de de-
duktieve methode,
met hindernissen. Waarneming der natuur, om
langs dien weg tot nieuwe waarheden te komen, was onbekend. In
dien toestand bracht vooral Baco verandering. Hij heeft duidelijk
aangetoond, dat vóór alles noodig was: door waarneming feiten te
verzamelen en het daarbij niet te laten blijven, zooals sommige ouden,
maar uit die feiten algemeene waarheden of wetten af te leiden. Dit
is de induktieve methode, die het eerst door Baco duidelijk in het
licht is gesteld. Tevens heeft hij niet nagelaten op de overschatting
der ouden te wijzen en zoodoende kritiek geleverd van de gewone
6*
-ocr page 88-
84
leerstof, terwijl hij aan den anderen kant een nieuw vak van onder-
wijs deed kennen. Zijn geheele wijsbegeerte had uit den aard der
zaak de strekking om bij het onderwijs woorde?i, die tot dusverre
alles geweest waren, op den achtergrond te plaatsen voor zaken.
De opvoedkunde wordt door Baco beschouwd als een aanhangsel
der zielkunde. Voor het onderwijs beveelt Baco de genetische methode
aan, waarbij de onderwijzer zijn leerling langs denzelfden weg tot de
wetenschap leidt, als hij zelf heeft afgelegd, om er toe te geraken.
Hij beveelt korte gezegden aan, die het brokwerk van onze wezen-
lijke kennis vertegenwoordigen, in plaats van stelsels, die de oude
methode geeft en waarbij slechts op den schijn wordt gewerkt. De
methode moet passen bij de leerstof, daar wij niet alles over één
kam kunnen scheren.
Op Engeland had Baco terstond grooten invloed. Alle beschaafde
Engelschen legden zich op de natuurkunde toe. Het proeven nemen
werd mode.
Zoo diep als in Engeland was de indruk elders niet, maar hij deed
zich toch overal gevoelen. Voor wie Baco stelden boven de scholas-
tieke wijsbegeerte, moest kennis der natuur ten minste een deel der
plaats innemen, die tot dusverre door de oudheid was ingenomen.
Een helder inzicht in Baco\'s denkbeelden moest zelfs middelbare
scholen in het leven roepen met\' natuurwetenschap als een hoofdvak;
maar dit gebeurde eerst in deze eeuw.
- ƒ
Comenius, 1592-1681,
was de eerste groote opvoedkundige, die Baco\'s wijsbegeerte voor
een deel in de school toepaste. Hij was tevens de eerste in den
nieuweren tijd, die een volledig stelsel van schoolonderwijs ontwik-
kelde. Hij werd in 1592 tè Nivnitz in Moravië geboren. Eerst werd
hij rector van de school te Prerau en in 1618 predikant bij de Hern-
hutters te Fulneck, waar hij tevens de school bestuurde. In 1624
moest hij als hernhutter Fulneck verlaten, en in 1632 werd hij te
Lissa in Polen predikant.
Reeds als rector in Prerau had C., om op een gemakkelijke wijze
Latijn te onderwijzen, een kleine spraakkunst geschreven. In 1627
verscheen een korte methodenleer. In Lissa, waar hij de leiding van
het gymnasium had, verscheen in 1631 het eerste van zijn meest
beroemde werken , dat in 12 Europeesche en eenige Oostersche talen
werd overgezet. De titel van dit werk was Janua of Deur. In 1633
verscheen onder den naam Vestibulwn een inleiding tot de jfanua.
Een Nederlandsche vertaling hiervan verscheen in 1673 met den titel:
Portael der saecken en spraecken. Later verscheen nog een vervolg
onder den titel: Atrium of groote voorzaal. Het geheel is bestemd,
„in een kort bestek de geheele wereld en de Latijnsche taal te ver-
toonen." De leerstof is, in overeenstemming met de denkbeelden
-ocr page 89-
85
van Baco, ontleend aan de wereld rondom ons. Zij bestaat uit
groote samenhangende stukken op elk gebied van het werkelijke leven
met een toegift der leer van engelen en duivelen. Volgens C. moesten
alle vakken onderwezen worden, maar eerst slechts in hoofdtrekken.
Later kon men dan aanvullen, en alle nieuwe kennis, die de leerling
of de volwassen mensen opdeed, kon zich bij die hoofdtrekken aan-
sluiten. Comenius hield de beoefening der Latijnsche taal voor
hoogst belangrijk, omdat ze naar zijn meening bestemd was, de
wereldtaal te worden. In 1638 was zijn roem zoo groot, dat hij
werd uitgenoodigd, in Zweden de hervorming van het onderwijs te
leiden; maar hij bedankte hiervoor om andere plannen uit te voeren.
Reeds in Lissa n.1. had hij het plan ontworpen voor een groote on-
derwij skunde.
Hiervan zond hij, nadat de uitnoodiging was afge-
wezen, een Latijnsche vertaling (Comenius was een Czech) naar
Zweden en tegelijk een uittreksel naar Engeland, dat hier in 1639
werd gedrukt. In 1641 ging hij naar Engeland, om er op uitnoodi-
ging van het parlement de scholen te hervormen, maar de onlusten,
die in Ierland uitbraken, verhinderden zijn plannen. Inmiddels had
C. een rijken beschermer gevonden in een Amsterdamschen koopman.
In 1642, nadat een uitnoodiging, om de scholen in Frankrijk te
komen hervormen, was van de hand gewezen, begon hij met het
schrijven van zijn Nieuwe methode om talen te leer en, die in 1648
verscheen. Hiermee waren de hoofdwerken voltooid; wat later ver-
scheen , betrof slechts de verdere uitwerking van onderdeden zijner
opvoedkunde.
In 1648 werd Comenius tot oudste bisschop of voorzitter der Synode
van de Hernhutters verkozen, wat hij tot aan zijn dood bleef. In
hetzelfde jaar zag hij door den vrede van Munster zijn hoop ver-
vliegen , dat Bohème weder open zou komen voor de Protestanten.
Dit was tevens de aanleiding, dat vele jeugdige Hernhutters die geen
kans meer zagen, in hun vaderland terug te keeren, zich in protes-
tantsche landen van Europa aan het onderwijs gingen wijden, waar
zij op aanbeveling van Comenius met open armen werden ontvangen
om de goede opleiding, die zij hadden genoten. C. zelf gaf in 1650
gehoor aan de uitnoodiging om naar een Hongaarsch vorstendom te
komen en daar het schoolwezen te verbeteren. Hij bleef er 4 jaar.
Na verder op verschillende plaatsen een korten tijd vertoefd te hebben,
trok Comenius in 1656 naar Amsterdam, waar hij bleef tot aan zijn
dood. Hier hield hij zich bezig met het onderwijzen volgens zijn
nieuwe methode. Hij gaf hier in 1657 de verzameling zijner didak-
tische ,werken uit in 4 folianten. Comenius overleed te Amsterdam
in 1681.
Toen C. optrad als hervormer, was de Latijnsche taal bijna het
eenige middel van ontwikkeling; het doel der schoolopvoeding was
bij alle voortgezet onderwijs: vlug Latijn spreken en schrijven; men
kende geen andere leerstof dan wat in de Latijnsche schrijvers was
-ocr page 90-
86
te vinden; men paste geen andere methode toe dan het werktuiglijk
van buiten leeren. C. stelde versterking van het lichaam op den
voorgrond. Vóór het Latijn moet eerst de moedertaal goed beoefend
zijn. De leerstof omvat alle kennis en daaronder ook die der natuur.
Deze moeten we niet opdoen uit boeken der ouden maar door zelf
waar te nemen. Voor het taalonderwijs heeft C. niet alleen zijn be-
ginselen stelselmatig uiteengezet, maar ze ook toegepast in een reeks
leerboeken. Als hoofdkenmerken zijner methode geeft hij zelf op:
de zaken gaan parallel met de woorden, men gaat zonder sprongen
trapsgewijze vooruit en het onderwijs is gemakkelijk en aangenaam
en vordert snel, daar de leerling voortdurend werkzaam is. Reeds
de inrichting der school moet aan die grondbeginselen beantwoorden.
Voor kinderen beneden de zes jaar is de moederschoot. In deze
moet het kind aan de omringende voorwerpen zijn opmerkzaamheid
en zijn zinnen oefenen, de eerste kennis opdoen en vooral door het
voorbeeld der ouders aan tucht en vroomheid gewend worden. Als
het kind 6 jaar is, komt het in de school der moedertaal. Zulk een
school moet er in elke gemeente zijn, opdat alle kinderen zonder
onderscheid kunnen onderwezen worden en blijke, wie van hen aan-
leg hebben tot een geleerd beroep. Deze gaan met hun twaalfde
jaar in de Latijnsche school over, waar zij 6 jaar blijven, om
van l8 tot 24jarigen leeftijd aan de akademie hun opleiding te vol-
tooien.
In de school der moedertaal, die uit 6 jaarlijksche klassen bestaat,
leert het kind zijn moedertaal lezen, volgens de regels der spraak-
kunst schrijven, rekenen uit het hoofd en op het schrift, meten,
gewone melodiën zingen, geestelijke liederen, catechismus en bijbel,
algemeene geschiedenis, een weinig cosmographie en het algemeenste
van de beroepen en kunsten. Dagelijks wordt 4 uur les gegeven,
waarvan de helft des morgens aan de ontwikkeling van verstand en
geheugen, de andere helft des middags aan de oefening van hand
en stem worden gewijd.
Op het gymnasium worden de moedertaal, Latijn, Grieksch, He-
breeuwsch, de 7 vrije kunsten, benevens natuurkunde, chronologie,
geschiedenis, zedekunst en theologie onderwezen.
De orbis pictus van C. (1657) heeft van al zijn werken den mees-
ten opgang gemaakt. Door dat prentenboek heeft C. iets nieuws
geleverd, dat al dadelijk zeer goed was, zoodat het noch in de
zeventiende noch in de achttiende eeuw overtroffen is. Intusschen
moet bij de beoordeeling van zulk een werk worden in het oog ge-
houden, dat de voorwerpen zelf beter zijn dan de afbeeldingen.
Ook de schoolboeken voor het Latijn zijn veel gebruikt en hebben
verschillende herdrukker, beleefd. Comenius heeft er ook toe meege-
werkt, dat goede natuurkennis werd onderwezen en zijn onderwijs-
kundige werken hebben ongetwijfeld diensten bewezen aan latere
schrijvers. Groot is echter zijn invloed op de scholen niet geweest.
-ocr page 91-
87
Eerst werden zijn geschriften met eenige geestdrift ontvangen, maar
spoedig deed men weer, alsof hij er nooit geweest was.
Wat ons bijzonder treft in den levensloop van Comenius, is de
algemeene belangstelling, die hij ondervindt. In eenige landen is men
dadelijk geneigd, het onderwijs te hervormen. Voor het uitgeven
van zijn boeken had C. een beschermer noodig, om dezen te vinden
klopte hij wel eens te vergeefs aan; maar hij vond hem toch ook
spoedig. Zijn leerlingen werden met open armen ontvangen bij het
onderwijs, omdat men begeerig was, beter onderwijs te geven. (Een
vrij uitvoerig overzicht van het Leven en de denkbeelden van
Comenius vormt No. 14 der Paedagogische bibliotheek).
Locke, 1632-1704.
Locke werd in de nabijheid van Bristol geboren uit bemiddelde
ouders en ontving vooral van zijn vader een zorgvuldige opvoeding.
Het voortgezette onderwijs genoot Locke te Londen en verder aan
de universiteit te Oxford. Hier werd hij in 1658 tot meester in de
vrije kunsten
bevorderd. Deze titel verplaatst ons in de middeleeu-
wen, en werkelijk was het onderwijs te Oxford op een zeer verou-
derde leest geschoeid. Locke legde zich dan ook met ijver toe op de
studie van Baco en Descartes en beoefende verder de geneeskunde.
Als geneesheer kwam hij in kennis met een aanzienlijk man. Met
dezen sloot hij al spoedig een vriendschap, die voor het leven duurde,
en later werd Locke de opvoeder van een zoon zijns vriends. Dit
was de aanleiding, dat hij een op studie, ervaring en nadenken ge-
grond boek over de opvoeding schreef met den titel: Eenige ge-
dachten over opvoeding.
Inmiddels bleef Locke ijverig de wetenschappen beoefenen, terwijl
hij ook op staatkundig gebied als ambtenaar en met de pen werk-
zaam was. Zijn bemoeiingen op laatstgenoemd gebied stelden hem
aan vervolgingen bloot. Locke was zelfs verplicht, geruimen tijd
een schuilplaats te zoeken in Holland. Hij keerde in zijn vaderland
terug na de troonsbeklimming van Willem III, bij wien hij zeer
in aanzien stond. Hooge staatsbetrekkingen , zelfs een gezantschaps-
post naar verkiezing, werden echter door hem van de hand gewe-
zen. Zijn zwakke gezondheid liet hem veel niet toe, en de studie
bleef zijn meest geliefde bezigheid. Het meest beroemde werk van
Locke is zijn Verhandeling over het menschelijk verstand, die in
1690 te Londen verscheen. Dit is een der meest beroemde boeken,
die ooit verschenen op wijsgeerig gebied. Door te wijzen op de
grenzen onzer kennis, heeft hij de wijsbegeerte in het rechte spoor
geleid. Meer in het bijzonder kan men Locke beschouwen als den
grondlegger der nieuwere zielkunde, gewoonlijk empirische of erva-
rings-zielkunde genoemd. Daar men in de zielkunde geen proeven
-ocr page 92-
88
kan nemen, zooals bij de natuurkunde, is het van groot belang,
hiervoor iets anders in de plaats te hebben. Locke vond dit in het
waarnemen van kinderen en wilden of onbeschaafden.
„Eenige gedachten over opvoeding" verscheen in 1693. Locke stelt
op den voorgrond als het doel der opvoeding: „een gezonde geest
in een gezond lichaam\'\' en handelt verder zoowel over het lichaam
als den geest. Eerst wordt de lichaamsopvoeding besproken. Hij
handelt deze af in 32 bladzijden, die uit een geschiedkundig oogpunt
belangrijk zijn, omdat hier voor het eerst in bijzonderheden wordt
getreden. Men vindt er eenige zeer goede wenken in naast andere,
die we nu moeten afkeuren.
Het meest verdienstelijk gedeelte van Locke\'s werk is de opvoeding
van den geest. Hij waarschuwt hier voor een aantal fouten, die men
bij de opvoeding maakte en die men voor het grootste deel ook nu
nog door sommigen of velen ziet begaan. En hij doet vooral midde-
len aan de hand, om verschillende gebreken van kinderen te genezen.
Hij begint hier met de opmerking, dat het opvoeden vroegtijdig moet
beginnen, om de kinderen te gewennen aan het goede en te voorkomen,
dat het kwade wortel schiet, en licht dit aan vele voorbeelden toe.
Met vuur trekt L. te velde tegen de lichamelijke straffen van zijn tijd.
Hij stelt de natuurlijke straffen op den voorgrond maar vervalt bij het
aanmoedigen en berispen in de fout van al te veel op het eergevoel
te willen werken. Voortreffelijk is wat Locke zegt over regels.
Even goede opmerkingen als over regels vindt men over Gemaakt-
heid, Manieren, Goed of slecht gezelschap, Dwang bij het leeren,
Bestraffen in drift, Koppigheid, Liegen, Nieuwsgierigheid, Rechtvaar-
digheid, Wreedheid, Moed, Vrees, Lusteloosheid.
Locke geeft den raad, een kind niet door ontijdige waarschuwingen
op een vergrijp te wijzen, waaraan het misschien nog nooit heeft
gedacht. Hij raadt den ouders aan, het stilzwijgen te bewaren bij
een aantal kleinigheden, die met den tijd uitsluiten en niet gepaard
gaan van boos opzet.
Locke stelt de vorming van karakter en manieren boven de oplei-
ding tot wetenschap. Daarom stelt hij ook in den goeverneur deugd
en welgemanierdheid boven uitgebreide geleerdheid.
Om kinderen op te kunnen voeden, moet men niet alleen den aan-
leg van kinderen in \'t algemeen kennen, maar ook de geaardheid
van elk in \'t bijzonder. Deze kan men het best leeren opmerken uit
hun spel, dat ook nuttig is om de oefening der geestvermogens.
Ten slotte spreekt hij over den aard en den omvang der beschaving
en over verschillende vakken van onderwijs. Reeds door tijdgenooten
werden de voorschriften van Locke ten aanzien der huiselijke opvoe-
ding in toepassing gebracht, en men mag veilig aannemen, dat hij steeds
een open oor heeft gevonden bij vele Engelschen. Hij schreef zijn
boek met het oog op de kinderen van aanzienlijken, die een gouver-
neur namen. Locke acht dit verkieslijk boven de opvoeding met
-ocr page 93-
89
behulp van een school, en hij heeft dan het oog op de Engelsche
scholen. Let men op den aard dier scholen, dan valt er weinig aan
te voeren tegen zijn bewijsgronden. Maar ofschoon hij een goever-
neur bij den knaap onderstelt, gelden zijn wenken uit den aard der
zaak ook op ruimer gebied. Zoo heeft men het dan ook al dadelijk
en nog geruimen tijd na hem begrepen. In 1752 verscheen van het
oorspronkelijke werk de twaalfde druk. Reeds in 1695 zag een
Fransche vertaling het licht, die vele malen is herdrukt.
In 1698 verscheen een Mederlandsche vertaling. Een tweede werd
in 1753 bezorgd, en in 1878 verscheen de derde als No. 2 der
Paedagogische Bibliotheek.
Was het aan Montaigne niet gelukt, zoo te schrijven, dat hij door
velen werd gelezen en begrepen, met Locke was dit wel het geval.
Fénelon, 1651—1715.
Fénelon werd voor den geestelijken stand opgeleid en onderscheidde
zich al spoedig door zijn kanselwelsprekendheid. Tien jaar lang was
hij het hoofd eener vereeniging van aanzienlijke jonge dames, die
zich ten taak hadden gesteld, katholiek onderwijs te bezorgen aan de
dochtertjes der Hugenoten, die door Lodewijk werden vervolgd en
met geweld bekeerd. De vruchten der ervaring, daarbij opgedaan,
werden neergelegd in een geschrift, over de opvoeding der meisjes.
Het boekje bevat een aantal fijne opmerkingen over den aard der
kinderen en nuttige wenken. Eenige opmerkingen over het zielsleven
der kinderen zijn ontleend aan den kerkvader Augustinus, en verder
had Fénelon door waarneming en overdenking zijn kennis uitgebreid.
Van groote beteekenis uit een geschiedkundig oogpunt is al dadelijk
het eerste hoofdstuk, dat handelt over de belangrijkheid van de op-
voeding der meisjes.
De schrijver wijst er onder anderen op, dat
de opvoeding der meisjes zelfs van grooter belang is dan die der
jongens, omdat de opvoeding der kinderen in de eerste plaats afhangt
van de moeders.
Men moet reeds zeer vroeg aanvangen met de opvoeding. Terwijl
het kind nog klein is, leert het reeds zeer veel. Het voornaamste bij
de opvoeding van een klein kind is, dat men goed zorg draagt voor
de gezondheid. Men moet veel acht slaan op de kinderen, zonder
het hun te doen bespeuren. „Men moet zich vergenoegen, de natuur
te volgen en haar te helpen." Verder wordt op het groote belang
van de nieuwsgierigheid gewezen en op het nuttig gebruik, dat men
daarvan kan en moet maken. Ook over de zucht tot navolgen bij
kinderen en over de zijdelingsche raadgevingen vindt men hier wen-
ken geheel zooals men ze nu moet geven. De opvoeder moet in elk
geval oprecht zijn en niet schromen een fout, die hij begaan heeft,
te erkennen. Men moet het gezag alleen dan doen gelden, als de
overtuiging niet voldoende is. Vrees voor den opvoeder of straf mogen
-ocr page 94-
90
slechts in de uiterste noodzakelijkheid worden toegepast. Wijs het
kind niet op een gebrek, zonder tevens een middel aan de hand te
doen, om het te overwinnen. Wat men eischt van het kind, moet
zoo aangenaam mogelijk worden gemaakt. Bijna al spelende kan
men een kind veel leeren. Er zijn een aantal kinderen, in wier aard
men zich licht vergist. Verder vindt men nuttige wenken over ja-
loerschheid, over het spelen en over het nut van geschiedenissen,
hoofdzakelijk bijbelsche. Ook spreekt hij over de middelen om de
kinderen de eerste beginselen van den godsdienst bij te brengen.
Ons oordeel samenvattende, zeggen we: Ten aanzien der opvoe-
ding stond Fénelon boven zijn voorgangers en ongeveer op éen lijn
met Locke. De wenken, die voor kinderen in \'t algemeen worden
gegeven, zijn grootendeels juist; wat meer bijzonder over de meisjes
wordt gezegd, kan meestal onze goedkeuring niet wegdragen. Vol-
ledig is het boekje volstrekt niet. Wat de schrijver over het onder-
wijs zegt, is voortreffelijk, maar van natuurkennis is geen sprake. —
Het boekje is duidelijk en in een aangenamen vorm geschreven. Ook
is het zeer veel gelezen, doch meer bepaald in Frankrijk. In 1779
verscheen een Nederlandsche vertaling en nu is het ook opgenomen
in de „paedagogische bibliotheek." (Prijs ƒ1,00; vertaald door J.
Schippers).
Op rijperen leeftijd werd Fénelon belast met het onderwijs der 3
kleinzonen van Lodewijk XIV. Nadat hij ontheven was van dit
ambt, schreef hij de Lotgevallen van Telemachus. De strekking van
dit boek is, den toekomstigen koning van Frankrijk te doen zien,
hoe belangrijk zijn taak is en hoeveel bekwaamheid en geestkracht
er noodig is, om die naar eisch te vervullen. Dit blijkt zeer goed
uit het boek, maar het geheel is volgens onze begrippen wat lang.
Voor onze voorgangers was dat echter geen bezwaar, en de Tele-
machus is van zijn verschijning af tot in de tweede helft dezer eeuw
een der meest gebruikte lees- en vertaalboeken geweest.
•
*
-ocr page 95-
DE VERSCHILLENDE LEERVAKKEN EN LEERBOEKEN VAN ONZE
SCHOLEN IN DE ZEVENTIENDE EN ACHTTIENDE EEUW.
Het godsdienstonderwijs.
n
De synode nationaal, in l_8l8 en 1819 te Dordrecht gehouden, heeft
zich ook met de opvoeding en het onderwijs bezig gehouden. In hare
Handelingen leest men: „Het ambt der ouders is \'t huis hare kinders
en ook het gansche huisgezin in de beginselen der Christelijke Religie
op het vlijtigste naar een ieders begrip te onderwijzen, ernstig en met
vlijt tot de vreeze Gods en oprechte Godzaligheid te vermanen, aan de
oeffening van heilige huisgebeden te gewennen, mede te nemen tot het
gehoor des Goddelijken woords, de gehoorde predikatiën, inzonderheid
de Catechetische vlijtig met hen te herhalen, eenige kapittelen der
heilige schrift voor te lezen, enz." Tot dien plicht moesten de ouders
openlijk en in het bijzonder aangemaand worden. De nalatigen zouden
door den predikant vermaand of zoo noodig „door des kerkeraads
censuren tot haar schuldige plicht gebracht worden."
Waar gesproken wordt over de inrichting of het stichten van nieuwe
scholen, treedt telkens op den voorgrond, dat de school een hulpmid-
del is van de kerk. Niet voorbereiden tot maatschappelijke betrekkin-
gen, niet ontwikkeling der geestvermogens, maar onderwijs in den
godsdienst te geven, dat was de taak der school, zooals de synode
zich die voorstelde. In dien geest ijverde zij ook voor de uitbreiding
van het onderwijs. „Scholen waarin de jonge jeugd in de godzaligheid
en de fondamenten der Christelijke leer behoorlijk onderwezen wordt,
zal men niet alleen in de steden maar ook in alle dorpen oprichten,
zoo ergens voor dezen geene zijn opgericht geworden; en zullen de
Christelijke magistraten verzocht worden, dat zij de schoolmeesters overal
behoorlijk bezoldigen, opdat geschikte mannen gevonden worden en
deze des te vlijtiger zijn in hun ambt. Maar inzonderheid, dat de
kinderen der armen om niet mogen onderwezen worden."
Uitvoerig is gehandeld over de beste wijze van catecheseeren. Met
nadruk werd gewezen op de noodzakelijkheid, om zich te richten naar
de vatbaarheid der kinderen. Dit werd algemeen ingezien en als een
gevolg daarvan werd bepaald, dat er voor het godsdienstonderwijs,
hetwelk in huis, in school en in de kerk zou gegeven worden, drie
leerboeken moesten zijn. Het eene zou de Twaalf artikelen des Geloofs,
de tien Geboden, het Onze Vader, de formulieren van Doop en Avond*
-ocr page 96-
92
maal, de kerkelijke tucht, eenige korte gebeden, benevens vragen en
antwoorden bevatten. Dit zou voor kleine kinderen bestemd worden.
Een tweede leerboek voor eenigszins verder gevorderden zou een kort
begrip van den Heidelbergschen Catechismus bevatten. Het derde leer-
boek was die Catechismus zelf. De onderwijzers zouden zich verbinden,
niet af te wijken van dien Catechismus. Het vervaardigen van de twee
kleinere boeken werd opgedragen aan zes leden, die zich daarbij zoo-
veel mogelijk moesten houden aan de woorden van den Heidelberg-
schen Catechismus. — Het schijnt dat in het kleinste boekje ook het
abc werd opgenomen, zoodat het een haneboekje was.
Verder werd bepaald, dat de onderwijzer minstens twee dagen in
de week zijn leerlingen zou oefenen in het van buiten kennen en be-
grijpen van een dier drie boekjes. Let men op deze bepaling, dan
blijkt, dat de praktijk verder gegaan is dan de synode verlangde. A1-
thans de kleinste kinderen werden in den regel met niets anders bezig
gehouden, dan met het kleinste der drie genoemde boekjes.
„Tot de bedieningen der scholen zal niemand dan die een lidmaat is
der gereformeerde kerk en versierd is met getuigenis van een oprecht
geloof en vroom leven, en in de catechetische leer wel geoefend, gebruikt
worden.\'\' Bovendien moesten de onderwijzers schriftelijk hun instem»
ming betuigen met alle besluiten der synode. Bij bepalingen van dezen
aard valt op te merken, dat zij eerst kracht van wet verkregen, als
zij door de overheid des lands werden bekrachtigd of overgenomen.
De schoolmeesters moesten de kinderen ter kerk geleiden en onder-
zoeken , of zij het gehoorde bij de preken over den catechismus goed
hadden begrepen. In dit opzicht werd een bestaand gebruik beves-
tigd of uitgebreid.
De aard der leerstof bracht toezicht mee van wege de kerk. In de
zeventiende zitting werd dan ook bepaald: „En opdat men wetenschap
hebbe van de naarstigheid der schoolmeesteren en de toeneminge van
de jeugd, zal het de plicht der predikanten wezen, vergezeld van een
ouderling en (zoo het noodig is) eenige uit den Magistraat, alle scholen,
zoo openbare als bijzondere, dikwijls te bezoeken, de vlijt der meesters
op te scherpen, in de wijze van catechiseeren voor te gaan, en met
haar exempel de jeugd te onderrichten: dezelve vriendelijk aanspreken,
te ondervragen en met heilige vermaningen, prijzingen en met kleine
geschenken, door den magistraat te bepalen, tot vlijt en godzaligheid
opwekken. De Meesters, indien eenige nalatig bevonden worden, zul-
len door de predikanten en zoo noodig door den kerkeraad ernstig
vermaand worden. Indien zij de vermaningen niet opvolgen, zal de
magistraat verzocht worden, dat zij op haar gezag tot hun plicht
gebracht worden of vervangen door andere."
Letten we nu op den werkelijken toestand. Deze was en bleef slecht.
Herhaalde malen klaagden de consistoriën, dassen en synoden, dat er
niet behoorlijk zorg werd gedragen voor het godsdienstonderwijs. Op
de scholen werden de catechismen werktuiglijk van buiten geleerd en
-ocr page 97-
93
elke verklaring bleef achterwege. Zij moesten er soms op aandringen,
dat men toch onderwijzers zou aanstellen, die konden lezen en schrij-
ven. Ook de predikanten bekommerden zich veelal weinig of niets
om het godsdienstonderwijs. In plaats van den meer beknopten ca-
techismus kwamen breedsprakige leerboeken, die eerst in de achttiende
eeuw verdrongen werden door beknopte boekjes. In de zeventiende
en het grootste deel der achttiende eeuw was men vrij algemeen ge-
woon, den kinderen bij het voortgezet godsdienst-onderwijs vooral
bekend te maken met de kerkelijke geschilpunten, wat uit een op-
voedkundig oogpunt nog meer afkeuring verdient dan het langdra-
dige en spitsvondige van sommige leerboeken.
Schoonschrijvers.
Ten gevolge der uitvinding van de boekdrukkunst werd langzamer-
hand minder behoefte aan schoonschrijvers gevoeld en het schoonschrij-
ven werd hoe langer hoe minder beoefend door personen, die zich
daaraan uitsluitend konden wijden. Toch stierf de kust niet uit en
waar zij vroeger den hoogsten bloei had bereikt, namelijk in de zuide-
lijke Nederlanden, vond men steeds de meeste beoefenaars. Maar de
schoonschrijvers moesten, om in hun onderhoud te voorzien, gewoon-
lijk les geven in het schoonschrijven, waartoe in een groote handels-
stad als Antwerpen gelegenheid genoeg was. Vooral in de eerste jaren
der zeventiende eeuw schijnt de kunst uit de zuidelijke Nederlanden
naar Holland overgebracht te zijn. Wel had men hier ook in de
zestiende eeuw en reeds vroeger schoonschrijvers gehad , maar eerst
van het begin der zeventiende eeuw af werd de schrijfkunst meer al-
gemeen beoefend en kwam zij tot grooten bloei. Hare beoefenaars
stonden meestal niet alleen in zooverre in betrekking tot het onderwijs,
dat zij les gaven in het schoonschrijven, maar een groot aantal on-
derwijzers beoefenden het schoonschrijven als liefhebberijvak. Schrijf-
kunst en cijferen waren de hoofdvakken onder de schoolmeesters der
zeventiende en achttiende eeuw.
Het moeilijke van de kunst bestond niet in het mooi schrijven van
gewone letters, maar in het trekken van allerlei soorten van letters.
Men sprak vooral van trekken, omdat de letters voorzien waren van
krullen of bestonden uit krullen, die dikwijls een vrij grooten omvang
hadden. Evenals in de middeleeuwen werd bijzondere zorg besteed aan
de beginletters. Dit waren soms geheele teekeningen, die bewondering
verdienden om hun regelmatigheid, om de sierlijkheid der krullen en
de fijnheid van vele trekken. En daar bleef het niet bij. Een der
meest beroemde voortbrengselen der schoonschrijfkunst is y. v. d. Velde,
Spieghel der Schrijfkonste. Rotterdam
1605. 3 deelen. De schrijver,
afkomstig uit Antwerpen, was Fransche schoolmeester te Rotterdam en
heeft, in overeenstemming met de gewoonte van die dagen, het eerste
deel van zijn werk opgedragen aan de heeren der Admiraliteit te Rot-
-ocr page 98-
94
terdam. Deze opdracht nu gaat vergezeld van een uitsluitend met
krullen getrokken schip. Zoo iets deed men toen meer, en in den
regel bediende men zich daarbij natuurlijk van dezelfde krullen, die
men gebruikte tot het vormen der letters. Het tweede deel is opge-
dragen aan Oldenbarnevelt en vooral opmerkelijk om het Italiaansche
schrift, dat er in voorkomt en dat ontstaan was in de bloeiende
koopsteden van Italië. Dat schrift was praktischer dan de toen ge-
bruikelijke letters en won dus veld in koopsteden als Antwerpen en
Rotterdam. In het derde deel worden de grondvormen der letters in
een enkel figuur symmetrisch samengevat.
Bij de meeste schoonschrijvers stond de kunst op den voorgrond.
Wel werd ook geschreven over het spoedig en goed aanleeren der
schrijfkunst, maar het meest elementaire gedeelte van de leerwijze
ging weinig vooruit. En het valt te betwijfelen, of eenigen tot het
besef kwamen, dat voordoen beter is dan het voorleggen van fraaie
geschriften.
Gedurende den loop der zeventiende en achttiende eeuw nam de
beoefening der schrijfkunst toe. Het schijnt dat de kunst haar top-
punt bereikte in de 17de eeuw en vervallen was tegen het einde der
18de. Maar het moest als een voordeel worden beschouwd, dat ge-
durende de 18de eeuw veel krullen verdwenen en een meer eenvou-
dige schrijfletter veld won. Het ronde schrift, dat toen ontstond,
was een kleine wijziging van het Italiaansche schrift.
Rekenen.
Reeds gedurende de middeleeuwen werden de voorwerpen, die
op de strepen van het rekenbord stonden, vervangen door cijfers.
Dit waren eerst Romeinsche, die langzamerhand moeten plaats maken
voor de Indische. Zoodoende kwam men nader tot de betrekkelijke
waarde der cijfers. De Indische rekenkunst geraakte in West-Europa
bekend gedurende de 12de eeuw, maar haar verspreiding ging zeer
langzaam en het duurde tot in de 15de eeuw, voor ze meer alge-
meen bekend was.
Toen de Indische cijfers met hun betrekkelijke waarde aangenomen
waren, werd het rekenbord overbodig, zonder daarom te verdwijnen.
Tot in de zeventiende eeuw is in ons land ook met legpenningen ge-
rekend. Hier hebben we te doen met een gevolg van sleur. Voor
kinderen was het rekenen met legpenningen gemakkelijker dan het
cijferen, en het zou dus goed gewerkt hebben, als men overal het
rekenen met legpenningen had doen voorafgaan aan het cijferen.
Het cijferen had dan een aanschouwelijken grondslag gehad. Maar
dit besefte men over \'t algemeen niet, zoodat dan ook dikwijls het
cijferen voorafging aan het rekenen met legpenningen.
In het meest gebruikte Hoogduitsche rekenboek (Adam Riese,
-ocr page 99-
95
1518) komt onder den titel rekenen op de lijnen een afbeelding voor,
die overeenkomt met het rekenen op een rekenbord.
In de Nederlandsche rekenboeken is dat rekenen op lijnen in geenen
deele tot zijn recht gekomen. Maar het komt voor in een plat-duitsch
boek met den volgenden titel:
M. C. Greszfelt, Rekenmeyster tho Deventer, Arithmetica. Reeke-
ninge op den Linien unde Cyfferen naar allerley Hantieringe. Daer
bij een voergereeckent Boecxken van Koome, Wijn, Botter un
Jaergelt, op Deuentersche Mate, Eycke, Gewichte unte Munte gheor-
diniert. 1557.
De meeste Nederlandsche rekenboeken werden geschreven en ver-
beterd in koopsteden, wat geheel overeenkomt met hun aard. Van
die alle noemen we slechts de meest verspreide, nl. Nicolaas Petri
1583, J. v. d. Schuere 1607, Herman Willemsz 1616, Willen Bar-
tjens
1633, David Cock 1640. Alleen in het rekenboek van Petri,
die uit Deventer afkomstig was, wordt het rekenen op de lijnen be-
handeld. In zooverre komen alle rekenboeken uit dien tijd overeen,
dat ze werktuiglijkheid moesten bevorderen; men zei eenvoudig zoo
goed men kon wat de leerling moest doen. In veel opzichten wees
men niet eens den kortsten of meest voor de hand liggenden weg aan.
Onder alle rekenboeken werd de vernieuwde cijfering van Willem
Bartjens
anderhalve eeuw lang het meest gebruikt. De voordeelen
van Bartjens zijn, dat hij zich vrij duidelijk uitdrukt en in den regel
geen al te lange volzinnen bezigt. Ook wanneer men op den gedach-
tengang let, blijkt die van Bartjens ruim zoo goed als die van zijn
mededingers. Hij gaf een zeer groot aantal oefeningen, terwijl dit
aantal bij velen te gering was, of te dikwijls de oplossing bij het vraag-
stuk was gevoegd. De omvang van het in twee deelen gesplitste reken-
boek van B. paste beter voor schoolgebruik dan die van vele andere
rekenboeken. Ten slotte moeten we nog opmerken, dat vele reken-
boeken , door de maten, die ze bij voorkeur of uitsluitend bevatten,
een plaatselijk karakter hadden. Bartjens nam maten van verschillende
steden en het meest van Amsterdam, die ook werden gebezigd in
plaatsen waar men handel dreef op Amsterdam.
Door dit alles is de voorrang, dien Bartjens heeft genoten op tijd-
genooten en oudere schrijvers, zeker voldoende verklaard.
En vooreerst kwam er geen groote verandering in de rekenboeken.
Zoo vindt men in den herdruk van Wilkens\' Arithmetica, ten jare 1719
verschenen, nog geheel dezelfde manier om de optelling te behandelen
en de deeling te verrichten als bij Bartjens en oudere schrijvers. Het
woord millioen vindt men er niet, ofschoon de schrijver aanhoudend
zeer groote getallen gebruikt. Hier zijn tevens de meeste vraagstukken
bijzonder lang. Bij „den regel van drieën in \'t geheel" leest men:
Desen reghel wordt alsoo genaeint, omdat sij is bestaende in drie
bekande ghetalen, van de welcke het eerste ende derde altijts gelijck
van name ofte Natuyre zijn, ende het tweede oft middelste is de
-ocr page 100-
96
waerdye ofte prijs van \'t eerste; gelijcker wijs mede \'t eerste somtijds
de waerde is van \'t gemelde tweede getal.\'\'
„Om dan het vierde end\' onbekende ghetal, door sulcke drie bekande
ende voorghestelde ghetalen te vinden, soo steldt het gethal, na wiens
waerde ghevraeght wort, ofte wiens waerde men begeert te hebben,
achter ter rechterhandt: \'t ghene dat van ghelijcke naem ende aerdt
is, vooren, ter slincker-handt, ende \'t restierende sijnde de waerde
van \'t eerste ghetal, stelt in \'t midden." Enz.
Wetenschappelijk gingen onze rekenboeken gedurende de 17de en
18de eeuw niet vooruit. De bewerking met gewone breuken vindt
men, het gelijknamig maken daargelaten, bij Bartjens in hoofdzaak
zooals wij ze verrichten, en in dat opzicht waren wij in het begin
der 17de eeuw reeds even ver als de Duitschers in het midden der
achttiende. Wel werd in ons land de rekenkunde beoefend door be-
roemde wiskundigen zooals Simon Stevin, Albert Girard en Metius,
maar die schreven niet voor de lagere school en over \'t algemeen bemoei-
den de beste wiskundigen zich niet met het onderwijs in de beginselen.
De eigenschappen der rekenkunde en niet het cijferen staan op den
voorgrond in de beginselen der Telkonst of Rekenkonst, van Abra-
ham de Graaf.
Amsterdam. 1662. Volgens den titel is alles naar de
wijze van Euclides meetkunde wiskundig bewezen.
In de voorrede wordt de beoefening der telkonst aangeprezen om
de vormende waarde, die zij even als de meetkunde bezit.
In den loop der achttiende eeuw ontstonden enkele rekenboeken, die
alleen voor meergevordenden bestemd waren en geheel over koopmans-
rekenen handelden. Verklaringen of uitgewerkte voorbeelden vindt
men daarin weinig. Zoo komt in de koopmansrekeningen van Adam
van Lintz wel twee en een halve duidelijk geschreven bladzijde over
de wisselrekening voor, maar over een aantal andere zaken niets dan
vraagstukken. Deze zijn in \'t algemeen duidelijk gesteld.
De algemeene handelwijze was, dat men aan de leerlingen, die had-
den leeren lezen en schrijven, een cijferboek in handen gaf, waaruit
zij dan in navolging van de uitgewerkte voorbeelden het eene vraagstuk
na het andere maakten. „Konden zij niet voort," dan schreef de
meester, in den regel zonder een woord te zeggen, het bedoeld vraag-
stuk op de lei van den leerling en deze loste dan weer andere vraag-
stukken op, zooals de meester het hem had voorgedaan. Dat voordoen
werd dikwijls aan een meer ervaren leerling opgedragen. Zoo bleef het
voortduren tot in onze eeuw, ja tot in de tweede helft van deze werd
op een aantal scholen in dien trant cijferen onderwezen. Op vele
plaatsen ging zelfs het Fransch vooraf aan het cijferen.
Intusschen schijnt er op sommige scholen aan het cijferen eenig
rekenen vooraf te zijn gegaan.
-ocr page 101-
97
Het schrijven van brieven.
Reeds voor 1ÓOO komen boekjes voor, die den titel dragen van zend-
brieven.
Met het laatste bedoelt men dan eenvoudig brieven, en de
boekjes, waarin ze stonden, dienden om de kinderen modellen te
leeren kennen van brieven. Van dien aard is Ghemeine Seyndtbrieven,
seer profytelyk voor die Ouders, Meesters en Ki?ideren, otn te leeren
Brievendichten, en oock wel te leven en de ordentlyck te schrijven. Te
Amsterdam
1597- Dit was tevens bestemd om den kinderen lessen
van welgemanierdheid in te prenten. Dat boekje nu of een ander
met ongeveer denzelfden titel is vrij algemeen gebruikt.
In 1635 liet Mostart, geheimschrijver van Amsterdam en bevriend
met Vondel, een brievenboek verschijnen, dat in 1649 herdrukt werd.
Het boek was vooral bestemd voor secretarissen en kooplieden, maar
is waarschijnlijk ook veel in handen gekomen van onderwijzers.
Rechtstreeks voor schoolgebruik bestemd waren de Genieene Zend-
brieven
van Pierre de la Cliambre, Fransche school houdende binnen
Beverwijk. Het verscheen in 1648 te Haarlem, gedrukt met dubbele
kolommen voor de twee talen , Ned. en Fransch, waarin de brieven
waren geschreven. Daar elke brief in twee talen voorkomt, leverde
zulk een brievenboek een voor dien tijd bijzonder geschikt leermiddel
der Fransche taal op. Ook betreffen de brieven meestal het schoolleven,
zoodat de leerlingen er meer belang in moesten stellen, dan in menig
ander leerboek van dien tijd.
Meer algemeen gebruikt dan dit boekje waren de Gemeene Zend-
brieven
van H. Jacobi, waarvan in 1678 een uitgave verscheen met
een school tot titelplaatje.
In 1696 of een weinig later verschenen de Gemeene Zendbrieven
van B. Hakvoord te Zwolle, die in 1774 een twaalfden druk beleefden.
Hieruit blijkt, dat de schrijver voorzien heeft in een bestaande be-
hoefte. Ook is de omvang, 40 bladzijden met 2 kolommen, wel
geschikt voor een schoolboek. Het is gedrukt met een staande schrijf-
letter, die voor ons niet gemakkelijk te lezen is. — In de eerste plaats
geeft Hakvoord algemeene regelen betreffende het schrijven van brieven
en daarbij wijst hij van een aantal zaken in bijzonderheden aan, hoe
men handelen moet. De eerste brief betreft de verplichting der ouders,
om hun kinderen van jongs af naar school te zenden. In den tweeden
brief krijgt een vader den raad, een goed onderwijzer te kiezen voor
zijn kinderen. In den derden beschrijft een jongen aan zijn vader de
kostschool, waarop hij besteed is. Verder komen rouwbrieven,
gelukwenschen op rijm, quitanties, enz. Sommige brieven bestaan
uit éen enkelen zeer langen volzin.
Leesboekjes en taalkennis.
In de tweede helft der zestiende eeuw verschenen eenige werken over
7
-ocr page 102-
98
de Nederlandsche taal, die doorgaans voor rederijkers bestemd waren ot
van dezen uitgingen. Het duurde echter nog geruimen tijd , eer men
buiten het onderwijs in lezen en schrijven op de lagere school de be-
ginselen der taalkennis leerde. Dit geschiedde waarschijnlijk het eerst
door middel eener zoogenaamde letterkonst. Een der oudste en meest
verspreide werkjes van dien aard is: Oprecht onderwijs van de Let-
terkonst, bequaem om alle Persooneti, in se er korten tijdt ivel ende
volkomelick te leer en Spellen ende Lesen; alwaer \'t oock datse in haer
Jeught noch A, noch B, geleert en hadden. Ten dienste van alle ge-
meyne schooien ende Schoolmeesteren, door C. D. Niervaert, Delft
1676.
In overeenstemming met de heerschende leerwijze bevat het boekje
vooral bepalingen en onderscheidingen en wordt steeds het alge-
meene, dat is dus het afgetrokkene, voorop gezet.
Het grootste gedeelte van \'t boekje wordt ingenomen door een ver-
klaring van verschillende bastaardwoorden en termen „die de praktizijns
dagelijks gebruiken." Zulke lijsten bestonden er reeds onderscheidene.
In het midden van de zeventiende eeuw wordt de Letterkonst
als een bekend schoolboek beschouwd. Er zijn dus reeds veel oudere
drukken van Niervaert geweest dan de bovengenoemde, of dit werkje
was reeds voorafgegaan door een of meer andere „letterkonsten."
B. Hakvoord\'s Oprecht onderwijs in de letterkonst verscheen om-
streeks het jaar 1700. Dit boekje is ook veel gebruikt en heeft
lang stand gehouden: er is nog een uitgave van verschenen in de
spelling van Siegenbeek.
In het midden der zeventiende eeuw wordt onder de bekende school-
boeken gerekend: De trap der jeugd, en onder dezen titel zijn ver-
schillende werkjes van een zelfden aard verschenen. Een der meest
gebruikte verscheen in het laatst der zeventiende eeuw te Leeuwarden
met den titel: „Het trap der jeugd." De schrijver hiervan was Carel
de Gelliers,
schoolmeester te Leeuwarden. Het boekje bestaat uit 12
trappen: 1. de letters; 2. de lettergrepen; 3. de korte en lange klan-
ken; 4. tweeklanken en drieklanken; 5. de verwantschapte medeklinkers;
6. woorden van twee en meer lettergrepen; 7. de namen der steden
en dorpen in Friesland en Groningen, Bijbelsche namen enz.; 8. ge-
beden; 9. \'t schrijfonderwijs en de punctuatie; 10. de beginselen der
rekenkunde; 11. stichtelijke rijmen; 12. recepten om inkt van allerlei
kleuren te maken; toegift: het korte vraagboekje van Borstius.
Deze toegift komt voor in den herdruk van 1725 en zal in de eerste
uitgave wel niet gevonden worden. Gelliers Trap der jeugd is in de
eerste plaats een leerboek voor eerstbeginnenden en als zoodanig ver-
tegenwoordigt het een belangrijke schrede voorwaarts. Moest een kind
bij het gebruik van \'t Haneboek na een bladzijde letters en een blad-
zijde lettergrepen terstond het Onze Vader leeren lezen, hier was een
veel geregelder opklimming. Het opnemen der plaatsnamen uit Fries-
land en Groningen was meer geschied om een reeks eenigszins moeilijke
woorden te hebben, en om den leerling in staat te stellen die namen
-ocr page 103-
99
te lezen, als hij ze ontmoette, dan om onderwijs in de aardrijkskunde
te geven. Dat die namen opgenomen werden, getuigt intusschen, dat
men de behoefte aan eenige kennis der aardrijkskunde begon te gevoelen.
Even zwak als het onderwijs in aardrijkskunde was het taalonder-
wijs, dat de jongens op die wijze genoten. Ook het rekenen had
weinig te beduiden.
Gelliers trap der jeugd was blijkbaar in de eerste plaats bestemd
voor de Friesche jeugd en in de tweede plaats voor de Groningsche.
Niet ten onrechte werd zij dan ook de Friesche trap der jeugd ge-
noemd. Daardoor kan zij tevens onderscheiden worden van een navol-
ging, die in \'t begin van de tweede helft der 18de eeuw in Gelder-
land verscheen en veelal De Geldersche Trap der jeugd werd ge-
heeten. Deze was opgesteld door Bastiaan Cratner, eerst te Arnhem
werkzaam als onderwijzer en later te Gendringen. In 1787 verscheen
de zesde druk en later werd hij verbeterd uitgegeven.
Zoo algemeen \'werd de trap der jeugd gebruikt en zoo groot was de
eerbied, dien men aan dat schoolboek toedroeg, dat ook de Maatschappij
tot Nut van \'t Algemeen een trap der jeugd deed verschijnen. Maar
velen bleven den echten trap der jeugd verkiezen. Er verscheen dan
ook nog een „Nieuwe, verbeterde uitgave, ingerigt naarde spelling bij
het staatsbewind der Bataafsche republiek op den 18 December 1804
aangenomen en bekrachtigd." Dit merkwaardig overblijfsel uit de oude
school werd nog in 1862 herdrukt. De uitgave van 1862 is een let-
terlijke afdruk van een vroegere „verbeterde" uitgave. Het kind kan
er uit vernemen, dat ons vaderland nog vereenigd is met België.
Tot aanvulling van zulk een letterkonst of een trap der jeugd
moest het volgende boekje dienen. School Boek behelsende de Namen
der Geslagten, van Adam af, tot op Christus toe: Met nog eenige
andere namen van Lauden
, Steden, Plaatsen , Ampspersonen , enz.
Vertoonende een kort beloop der H. Schrifture
, byeengesteld om van
de Jeugd in de Nederduitsche Scholen geleerd te worden. Door P.
Bakker
, Organist en Schoolmeester tot Medemblik.
Het doel van den schrijver is tweeledig; hij wil stichten, door de
leerstof aan den bijbel te ontleenen, en door de moeilijkste woorden
uit den bijbel als het ware bijeen te voegen en die aan de kinderen
te leeren, wil hij hen in staat stellen den bijbel te lezen. Het boekje
vangt aldus aan.
Namen der Geslachten.
Adam, de eerste mensche, uit het stof der aarden, ende Heva zyn
vrouwe van Adams ribbe, van God geschapen zynde, genereerden
Kain , Habel en Seth.
Cain gewan Hanoch en Hirad.
In dien trant gaat het geheele boekje voort en de latere toevoe-
gingen zijn niet beter. Het werd veel gebruikt.
Van denzelfden aard als het voorgaande is het Schriftuurlijk School-
boekje door J. Maas.
Men vindt hier ongeveer zeven honderd bijbel-
7*
-ocr page 104-
100
teksten in vier afdeelingen gesplitst. De eerste daarvan zou „dienstig
en bekwaam" tot leeringe zijn, de tweede tot waarschuwing, de derde
tot vertroosting, de vierde „om den Heere te loven, te danken en
te bidden." Overigens waren de teksten in alphabetische orde ge-
rangschikt. Dit boekje werd veel gebruikt, zelfs nog in deze eeuw.
Opvoedkundig bezwaar scheen men tegen zulk een boekje niet te
hebben; maar het ergerde sommigen, dat er zooveel teksten uit de
Apocryfe boeken in voorkwamen.
Naast deze boekjes, die in de eerste plaats dienden om te leeren
lezen, verschenen gedurende de achttiende eeuw ook grootere en
kleinere boeken, die uitsluitend aan de taalkennis gewijd waren.
In 1706 verscheen: De Nederduitsche spraakkunst ten dienste van
in- en uitheemschen, uit verscheidene schrijver en en aanteekeningen
opgemaakt
, uitgegeven door A. Moonen.
Uit de vele herdrukken zien we, dat de spraakkunst van Moonen
grooten opgang maakte. Zij was ook inderdaad het beste werk van
dien aard, dat men had, en hield bijna een eeuw lang stand. Voor
schoolgebruik vond men haar in \'t algemeen minder geschikt.
Ook enkele andere boeken over spraakkunst beleefden herdrukken.
In 1716 verscheen te Middelburg een schoolboek met den titel: De
Nieuwe voordeelige Schoollessen.
Dit werkje is feitelijk een taalkundig
woordenboekje. Het bevat 108 woordverklaringen. Die zijn doorgaans
kort en gepast, meest altijd door voorbeelden uit den Statenbijbel
verduidelijkt, nu en dan ook vergezeld door een of andere opmerking
over spelling of uitspraak. Hoe vreemd de lezer ook zal opzien over
zulk een inrichting van een schoolboek, hij zal moeten toestemmen,
dat het, alleen reeds omdat er woorden verklaard worden, een
schrede op den goeden weg vertegenwoordigt. Tot kenschetsing van
het boekje mag een voorbeeld dienen.
VERGEEVD, VERGEVEN. 1. Vergeven is iemand de zonden
of de misdaden kwijt te schelden. Joh. 20 : 23. Zoo gij iemands
zonden vergeevd, dien worden ze vergeven.
2. Hem zelven, of een ander door vergiv, of venijn omme-bren-
gen en al zoo vergeven.
Nota. Mijn vriend had op een tijd, hem tegen mij misgaan;
Op d\' een of d\' andre wijz\' had hij aan mij misdaan;
Den Predikant die zei dat ik hem moest vergeven;
Ik dagt, vergeev ik hem, zoo kost het beid\'ons leven.
Een weinigje beter dan wat tot dusverre verschenen was, voldeed
aan de behoeften der lagere school de: Nederduitsche Spraakkunst,
voor de Jeugd. Uit verscheidene onzer voornaamste Spraakkunstschrij-
veren opgesteld, door Kor nelis van der Palm. Fr arisch en Duitsch
kostschoolhouder te Rotterdam.
Het werd in 1769 herdrukt in 4 stukjes.
Wel is de oude methode gevolgd, maar de schrijver is duidelijk.
In 1776 verscheen: Beknopte aanleiding tot de kennis der spelling ,
spraakdeelen en zinteekenen van de Nederlandse/te taal; ten dienste van
-ocr page 105-
101
thingevorderden, naar den nieuzveren smaak, ter uitgave opgesteld
door Klaas Stijl
, na des schrijvers tusschen invallenden dood uitge-
geven en vermeerderd door Lambertus van Bolhuis, predikant te
Oostwolda in den Oldambte.
De schrijver, Klaas Stijl, was school-
meester en organist te Midwolda. De heer Van Bolhuis heeft het
handschrift bijna onveranderd weergegeven. De veranderingen betref-
fen het weglaten van eenige voorbeelden, den titel en de uitbrei-
ding met tal van opmerkingen aan de voeten der bladzijden.
Het boekje volgt de oude methode. De algemeene regels gaan
voorop; dan komen voorbeelden, die nu nog vrij talrijk zijn. De
schrijver had het oog op onderwijzers en v. Bolhuis gaf het voor een
schoolboek uit. Het was echter om de methode niet geschikt voor
eerstbeginnenden. Maar voor onderwijzers kon het nut stichten. Deze
kenden n.1. de taal niet. Ze schreven haar met allerlei spelfouten ,
en uit het boekje van Stijl konden ze beter ingelicht worden. Deze
was goed op de hoogte der zaak en schreef kort en duidelijk.
Het boekje van Stijl werd veel gebruikt, en hierop had het tegen-
over de bestaande werken alle aanspraak.
Verschillende leervakken.
In den loop der achttiende eeuw begon men de behoefte aan
kennis van vakken als aardrijkskunde eenigszins meer algemeen te
gevoelen. Maar een dergelijk vak werd toch meestal uitsluitend op
Fransche scholen of scholen voor uitgebreid lager onderwijs aan
oudere leerlingen onderwezen. In den regel behielp men zich daarbij
met een samenvatting van verschillende wetenschappen, waarin de
leerling althans eenig onderricht kreeg. Een dergelijk boekje bereikte
zelfs een zevenden druk.
Intusschen werden reeds van het twaalfjarig bestand boekjes ge-
bruikt, die alleen over geschiedenis handelden. Zulk een boekje be-
vatte onder den titel „Spiegel der Spaansche Tyratmy\'\' een uitvoerige
schildering van de wreedheden, door de Spanjaarden bedreven. Het
doel was blijkbaar om den haat tegen Spanje levendig te houden.
Later gaf het jaar 1672 aanleiding tot het verschijnen van een
dergelijk schoolboek onder den titel Spiegel der Fransche Tyranny.
Het eerste geschikte leerboek der vaderlandsche geschiedenis ver-
scheen in 1759 met den titel: Wagenaars Vaderlandsche historie
verkort.
Ook voor Aardrijkskunde verschenen in de tweede helft der 18de
eeuw eenige afzonderlijke schoolboekjes. In een daarvan komen
blinde kaartjes voor; maar van wandkaarten was nog geen sprake
en de kennis, die men van \'t vak zelf had, was gering.
-ocr page 106-
HET ONDERWIJS IN NEDERLAND VAN 1600-1800.
Regeeringszorg voor het onderwijs.
De bepalingen, in het laatst der zestiende eeuw gemaakt, bleven
gedurende de eerste helft van de zeventiende eeuw kracht behouden.
Hun hoofdkarakter: in het onderwijs alles wat Roomsch was te
weren, bleef dus ook gedurende het twaalfjarig bestand gehandhaafd.
Zelfs werd in 1Ó12 het bezoek van door Jezuïten bestuurde scholen
nog eens verboden.
De handelingen der synode nationaal werden in 1619 bekrachtigd
door de Staten-Generaal, de Staten van Utrecht en die van Holland.
Dit voorbeeld werd in 1620 gevolgd door de Staten van Friesland
en in 1623 door die van Gelderland. De onderwijzers moesten dus
schriftelijk hun instemming betuigen met de besluiten der Dordsche
synode, en schooltoezicht van wege de kerk was gewettigd.
Dat ook buiten het godsdienstig gebied de onderwijzers niet altijd
vrij werden gelaten, blijkt uit de schoolorde op de Latijnsche scholen,
in 1825 vastgesteld door de Staten van Holland en West-Friesland.
Voor elk der zes klassen wordt van uur tot uur vastgesteld, wat
ze doen moeten. De leerboeken, die gebruikt en de schrijvers, die
gelezen zullen worden , zijn opgegeven. De lesuren vangen aan te
7, 9, 10, l, 2, en 4 ure, maar des Woensdags en Zaterdags zou
er na 2 uur geen onderwijs gegeven worden. Het aantal lesuren
bedroeg dus wekelijks 32. Algemeen opgevolgd schijnt echter die
schoolorde volstrekt niet.
Voor de lagere scholen werden tegen of na het einde van den 80
jarigen oorlog door de verschillende steden en gewesten van ons land
reglementen vastgesteld, die in hoofdzaak overeenkwamen en voor
dien tijd vrij goed waren. Den hoofdinhoud er van deel ik hier mee.
Vooreerst mocht niemand onderwijs geven, zonder dat hij daarvoor
na afgelegd examen een akte had verkregen van den „Raad van
State, of andere recht daartoe hebbende." Bovendien moest hij een
examen in den godsdienst afleggen voor de klasse of de gedeputeerde
der klasse, waaronder hij zich wilde vestigen. Verder omvatte
het examen „gedrukte boeken en geschrevene vaardig lezen, een
goede hand schrijven , de psalmen Davids bekwaamlijk zingen , en ter
nooddruft rekenen." Ook moesten de kandidaten een „goede methode
hebben om de jeugd ten spoedigste met een getrouwe naarstigheid te
kunnen leeren." De onderwijzer noch zijne huisgenooten mochten
-ocr page 107-
103
een tapperij houden. Hij mocht geen ontvanger zijn , noch coIlec-
teeren, noch een ambt vervullen of een handwerk uitoefenen , dat
schadelijk zou kunnen zijn voor zijn onderwijs. Hij mocht zijn taak
niet overlaten aan een hulponderwijzer.
De schooltijden moesten duren van 8— 11 en van l—4, Woensdag-
en Zaterdagmiddag was er geen school, en de vacanties bedroegen
jaarlijks 2 weken.
Tot de verplichte leerstof behoorden het Onze Vader, de Geloofs-
artikelen, de Tien Geboden, Gebeden, psalmzingen en catechismus.
De onderwijzer moest de kinderen in de kerk brengen en daar ge-
durende de godsdienstoefening toezicht houden.
Jongens en meisjes moesten, als ze op dezelfde school gingen,
afgescheiden zitten.
De onderwijzers moesten vrij woning hebben , vergoeding voor het
onderwijs der arme kinderen en er moest in \'t algemeen gezorgd wor-
den, dat ze een behoorlijk inkomen hadden. Dit voorschrift was
echter te onbepaald en daardoor bleef de geldelijke toestand van den
onderwijzer dikwijls zeer onbevredigend.
In andere opzichten traden de reglementen dikwijls in bijzonder-
heden, die nu aan den onderwijzer worden overgelaten. Zoo werd
in 1650 bepaald, dat op de lagere scholen der stad Utrecht de vol-
gende boeken zouden gebruikt worden.
Het groot en kleyn A. B. C. boeck.
Het Heydelbergsche Catechismus.
De Euangelien en Epistelen.
De Trap der Jeugd.
De Historiën van David.
Proverbia Salomonis.
De Spiegel der Jeugd van de Nederlandsche oorlogen.
De Sendbrieven van de nieuwe editie, met eenige stichtelyke dich-
ten daar achter.
Door het klein ABC boek moet waarschijnlijk een boekje ver-
staan worden, dat alleen in omvang verschillend was van het groot
ABC boek.
Te Utrecht zien we ook onderwijzers in het schooltoezicht op-
treden, en in de steden had men gewoonlijk naast het kerkelijk
toezicht toezicht van wege de wereldlijke overheid. Op de dorpen
werd dit gewoonlijk geheel overgelaten aan de kerk. Het toezicht
van wege de kerk was een noodzakelijk gevolg van den aard der
leerstof: het godienstonderwijs werd nagenoeg geheel opgedragen aan
den schoolmeester.
De reglementen , in het midden of de tweede helft der zeventiende
eeuw vastgesteld, bleven van kracht tot het einde der achttiende
eeuw. Alleen werden sommige bepalingen gewijzigd of andere bijge-
voegd, zonder dat de hoofdzaak veranderde.
-ocr page 108-
104
Toestand van de opvoeding en het onderwijs in de
zeventiende eeuw.
Bijna alle moeders zoogden haar eigen kinderen, en de schrijvers
van dien tijd steunden deze gewoonte. Toch scheen het aantal van
hen , die dat aan anderen opdroegen, in den loop der zeventiende
eeuw toe te nemen. Vooral tegen het einde van de zeventiende eeuw
werd in navolging van Parijs het zogen aan een min overgelaten.
In ons land werden even als in Frankrijk, Engeland, Duitsch-
land en Italië de kinderen gebakerd. Tot hiertoe is in Nederland
geen ernstige strijd gevoerd tegen die voor het lichaam zoo ver-
keerde gewoonte. Maar in Italië en Frankrijk schijnt men het sints
lang na te laten.
Men had toen evenals nu de meeste kinderspelen gemeen met de
oude Grieken en Romeinen. Voor de meisjes was de pop een voor-
naam speelgoed.
De meisjes zaten, als zij niet op afzonderlijke scholen gingen, ge-
woonlijk afgezonderd van de jongens.
De meisjes, die de school hadden verlaten, waren veelal aan het
huis gebonden, en over het geheel waren zij veel binnen \'s huis,
zooals ook nu het geval is. Met de jongens was het in hoofdzaak
zooals nu nog is op het platteland: in den regel waren zij op straat,
zoodat zij een groot deel van hun opvoeding op straat genoten.
Terwijl wij met genoegen kunnen denken aan dat spelen in de
frissche lucht, was er aan de 17de eeuw voor de verdere opvoeding
een groot nadeel verbonden. Men bezat n.1. bijna niets, waardoor
als uitspanning de geest aangenaam en nuttig kon bezig gehouden
worden. Als een gevolg hiervan behoorden kroegloopen en dobbe-
len tot de meest algemeene en de diepst ingewortelde misbruiken
der zeventiende eeuw.
Het schijnt, dat te Groningen gedurende de zeventiende eeuw
wie maar wilde, onderwijzer kon worden, en dat men er gesteld
was op een groot aantal meesters.
De bepaling, dat niemand zonder akte schooL of huisondervvijs
mocht geven, die bijna algemeen gold, leverde weinig vruchten op.
Vooreerst werd zij dikwijls ontdoken. En wanneer men de bepaling
niet ontdook, werd ze dikwijls slecht toegepast. Het onderzoek was
niet grondig, en aan eenigszins strenge eischen zouden al heel weinig
schoolmeesters voldaan hebhen.
De leerwijze bleef geheel werktuiglijk. Of de leerstof al clan niet
geschikt was voor den kinderlijken geest, werd niet overwogen.
De jaarwedden der meesters op het platteland bleven gering, zoo-
dat een onderwijzer tevens koster was en bovendien allerlei andere
bedieningen zooals die van klokluider, doodgraver en dikwijls nog
-ocr page 109-
105
een of ander ambacht waarnam. Soms was het schoolambt slechts
bijzaak.
In de steden bleef de plaatselijke overheid meester van de scholen.
Voor het platteland gaven de provinciale staten, voor de generali-
teitslanden de staten-generaal algemeene schoolorden. Daar naast gaf
op het platteland de Kerkeraad soms een schoolorde, die wel in
overeenstemming was met de algemeene schoolorde, maar toch
geheel van haar scheen uit te gaan. Waar de onderwijzer tevens
koster was, stond de school soms feitelijk geheel onder de kerk.
Soms werd een onderwijzer aangesteld met de voorwaarde, dat
hij een deel van zijn inkomen zon afstaan aan zijn voorganger. In
de steden gaf men wel eens pensioen uit de stadskas , en aan de
nagelaten betrekkingen van den onderwijzer wist men in den regel
een plaats te bezorgen op een hofje of in een weeshuis.
Het inwendige der scholen schijnt gedurende de zeventiende eeuw
weinig veranderd te zijn. In den regel waren het kleine, bedompte
vertrekken met slechte banken en tafels. Schoolborden waren meestal
donker blauw geverfd. De onderwijzer zat nóg wel in den catheder,
maar tegen het einde der zeventiende eeuw was de tabberd vervangen
door een lange chitschen japon met een sjerp of koord om het mid-
del vastgemaakt. De barret moest plaats maken voor een pruik.
Aan de wanden hingen nog even als in de vorige eeuw met sierlijk
geschreven letters: Het Onze Vader, de Tien Geboden, de Geloofs-
artikelen , de schoolwetten en prijsschriften. In de scholen heerschte
een oorverdoovend geraas, afgewisseld door harde klappen op den
lessenaar.
Van de oude leerboeken waren op het laatst der zeventiende eeuw
nog in gebruik: Het Nieuwe Testament, de Psalmen Divids, de
Spreuken van Salomo, de Geschiedenissen van David en Jozef. Bij
die bijbelsche boeken was in het laatst der zeventiende eeuw nog
gekomen de „Zondagsche Evangeliën" met den uitvoerigen titel:
„Epistelen ende Evangelie Boek ofte eenighe uytgelesen Texten der
H. Schrift. Uit de Grieksche in de Nederlandsche talen overgeset met
Aenteekening der versen. Bequaem om in de Schooien der vrije
Nederlanden aan de kinderen geleert te worden." 112 bl. in 240.
Dit boekje werd nog in het midden der achttiende eeuw herdrukt.
Hebben we bij het onderwijs er op gewezen , dat niets verklaard
werd, ten aanzien der zedelijke opvoeding ging het niet anders. Men
gaf voorschriften en bevelen en eischte van het kind gehoorzaamheid.
Dat het zijn nut heeft, een kind te zeggen, waarom het iets moet
doen of nalaten, kwam niemand in de gedachte. Dat bleef ook zoo
bij oudere kinderen. Een knaap, die redenen of inlichtingen vroeg
werd gewoonlijk streng berispt. Zulk een richting moest in de hand
gewerkt worden door den geest van dien tijd en door gemakzucht.
Waar men gewoon is aan gelooven op gezag, vindt men gehoorza-
men op gezag iets zeer natuurlijks, en als men weinig zorg besteedt
-ocr page 110-
106
aan de opvoeding, zijn een kort gebod, en een eenvoudige mede-
deeling geliefkoosder middelen dan redeneeringen en betoogen.
In de steden bleven de Latijnsche scholen nog dikwijls zoo inge-
richt, dat zij niet boven maar gedeeltelijk naast de lagere school
stonden. De leerlingen werden er dikwijls op hun achtste jaar
toegelaten en ontvingen dan in de eerste twee of drie jaar hoofd-
zakelijk lager onderwijs.
De lagere klassen van de Latijnsche scholen zijn langzamerhand
afgeschaft; op sommige plaatsen in de 17de, op andere in de 18de
eeuw. De leerling ging, als dat gebeurd was, van de bewaar-
school naar de Duitsche of Fransche school en vervolgens naar de
Latijnsche.
Bij al het verkeerde in de opvoeding der 17de eeuw kunnen we
op één lichtzijde wijzen. De Nederlanders hebben in den tachtig-
jarigen oorlog een voorbeeldige geestkracht aan den dag gelegd. De
omstandigheden maakten dit noodig, en aan onze voorouders komt
de eer toe, dat zij waren opgewassen tegen de omstandigheden. Dit
werkte op de jeugd. Deze zag dagelijks voorbeelden van geest-
kracht in ouders en landgenooten in \'t algemeen. Waar de omstan-
digheden zoo waren, waar de ouders zulke voorbeelden gaven,
daar behoefde men niet bij het opvoeden afzonderlijk te letten op
de ontwikkeling van geestkracht en zelfstandigheid.
En zoo is het te verklaren , hoe men bij de opvoeding der 17de
eeuw zulke flinke mannen zag opgroeien. Men heeft onze voorouders
van dien tijd groot genoemd. Daarbij had men dan het oog op
de geestkracht, op de volharding, en in zooverre is die naam ver-
diend. Maar men heeft er bijgevoegd: de opvoeding, die zulke
mannen voortbracht, kon niet slecht zijn; en dit is volgens het
voorgaande verkeerd geoordeeld.
Jacob Cats, 1577—1660.
Ofschoon de lessen van dezen zedemeester meestal op het eigen-
belang zijn gericht en daardoor in den grond vaak verkeerd zijn,
verdient wat hij over de opvoeding heeft gezegd wel onze aandacht.
Hij vat zijn denkbeelden over de opvoeding samen in de volgende
„grondregels , waarin Plutarchus en andere goede schrijvers het ge-
heele beleid van dit stuk hebben vervat."
1)     Dat het dienstig is, de jonkheyd te brengen tot haar schuldi-
gen plicht, eer door zoete, dan door harde middelen.
2)     Dat de jonkheyd overhand, naar gelegenheyd van zaken, dient
geprezen en berispt te worden.
3)     Dat men dezelfde niet te deun en moet houden, maar matelyke
uitspanning dient te geven.
4)     Dat de Ouders en Voogden zelf het oog op dezelve moeten
hebben en zich niet vergenoegen met den dienst van anderen alleen.
-ocr page 111-
107
5)    Dat de woorden en manier van spreken van de jeugd wel
dienen beleyd te worden, en in orde gehouden, en haar memorie
van de jonckheyt aen wel geoefend.
6)     Dat men dezelve moet gewennen niet moeielyk, pronkachtig,
of krakeelig te wezen, in haar dagelykschen omgang.
7)     Dat men dezelve moet afwennen van alle lekkerheid en kwis-
tigheid.
8)    Dat men dezelve moet gewennen altijd de waarheid te spreken.
9)    Dat men zeer goede zorg moet dragen, dat dezelve met geen
kwaad gezelschap omga.
10)     Dat men dezelve moet aanleiden tot de liefde van de deugd
en tot vreeze van schaamte en schande te begaan.
11 Dat men dezelve moet voorgaan met een goed exempel.
12) Eindelijk, dat men vooral de jeugd inscherpe, de vreeze des
Heeren, die het genoegzaam al begrypt, want dezelve is het beginsel
der wysheid, zooals de wyze man getuigt.
De meeste van die voorschriften heeft Cats ook berijmd in den
„Spiegel van den ouden en nieuwen tijd" waarvan het eerste gedeelte
over de opvoeding der kinderen handelt.
Verder spreekt hij uitvoedig over de opvoeding van kinderen in
het vijfde gedeelte van zijn H u w e 1 ij k, waar ook ter loops over
het onderwijs wordt gesproken. Hij geeft hier aan de moeder in
geregelde volgorde een reeks meestal zeer goede wenken.
Geen schrijver is gedurende de zeventiende en misschien ook ge-
durende de achttiende eeuw zoo algemeen door de Nederlanders
gelezen als Cats. Toch is tegen de meeste van die voorschriften
ook na Cats erg gezondigd. Men mag zelfs veilig zeggen: de lessen
van Cats hebben in dit opzicht weinig invloed uitgeoefend. Wat de
reden mag zijn van het verschijnsel, dat goede voorschriften over
de opvoeding algemeen worden gelezen en herlezen, maar bijna
even algemeen worden verwaarloosd, is wel van belang voor de
geschiedenis der opvoeding, en wij zullen daarom trachten, die vraag
te beantwoorden.
Ofschoon men hier niet kan zeggen, dat de vorm zoodanig was,
dat Cats\' woorden slechts weinig of in \'t geheel niet gelezen werden,
zal de oorzaak van \'t verschijnsel toch wel liggen in de wijze van
behandeling. De voorschriften zijn algemeen, en de voorbeelden,
de bijzondere gevallen, die er leven aan zouden moeten geven, ont-
breken. Wel verschaffen sommige spreekwoorden en zinnespreuken
eenige toelichtingen. Maar deze zijn dikwijls even algemeen als de
voorschriften zelf, en waar we met meer bepaalde voorbeelden te
doen hebben, zijn die toch altijd aan een ander gebied dan dat der
opvoeding ontleend en niet van dien aard, dat ze veel indruk konden
maken. Spreekwoorden zijn over \'t algemeen te zeer bekend, om
indruk te maken; ze zijn afgezaagd, versleten. En dit was niet
alleen het geval ten aanzien van de hoorders, maar gold ook in
-ocr page 112-
108
zekere mate voor den spreker. Terwijl Cats bij het samenvatten
zijner raadgevingen voorop stelt, dat men de kinderen eer door zoete
dan door harde woorden tot hun schuldige plicht moet brengen,
zegt hij elders, dat zachte geneesheeren stinkende wonden maken,
en hieruit kan de lezer juist het tegendeel afleiden van het eerstge-
noemde voorschrift. In zulk een geval kiest natuurlijk ieder gewoon
mensch, wat het best met zijn inzichten strookt: hij verandert er niets om.
Ofschoon nu het grootste deel der wenken, die Cats geeft, ook
wel bij oudere schrijvers zijn te vinden, ofschoon men niet kan zeg-
gen, dat een of meer groote denkbeelden over de opvoeding door
hem zijn aan het licht gebracht, toch zijn de wenken, die hij gaf,
zeer verdienstelijk. Vooreerst zijn ze voor dien tijd zeer volledig en
ten tweede blijkt voldoende, dat we hier niet alleen met boeken-
kennis maar tevens met de vruchten van eigen ervaring en zelf-
standig nadenken te doen hebben. En ten derde zijn ze vrij ge-
regeld bijeen gevoegd.
Jammer te meer, dat de werken van Cats meer geschikt waren,
om aan onze voorouders een niet altijd even gegrond gevoel van
zelfvoldaanheid te geven, en hun voorraad zedelessen te vergrooten;
dan om hen aan te zetten tot flinke daden.
Oprichting van Fransche scholen.
Reeds in de zestiende eeuw had men in sommige plaatsen van
ons land, vooral in de koopsteden, Fransche onderwijzers en on-
derwijzeressen. Hun aantal nam echter aanmerkelijk toe gedurende
den tachtigjarigen oorlog. Velen vluchtten toen om den wille van
het geloof uit de Zuidelijke Nederlanden naar de Noordelijke. Men
vond daaronder zeer bekwame menschen. Ook muntten zij in den
regel uit door beschaafde manieren, zoodat zij algemeen geacht waren.
Het aantal van die scholen was in het midden der zeventiende eeuw
sterk afgenomen, maar nam weer aanzienlijk toe bij de herroeping
van het Edikt van Nantes. Door dat besluit, door toenemenden
handel en welvaart werd de kennis van de Fransche taal tegen het
einde der zeventiende eeuw meer algemeen in ons vaderland. Zelfs
Fransche zeden en gewoonten werden nagevolgd onder de gegoede
standen. Toch was het aanleeren van de Fransche taal onder de
burgers niet zulk een alledaagsch verschijnsel als tegenwoordig.
Velen, die zich aanvankelijk als onderwijzer of onderwijzeres in het
Fransch hier gevestigd hadden, zagen zich dan ook bij gebrek aan
leerlingen verplicht, een andere betrekking te zoeken. Toch waren
tegen het einde der zeventiende eeuw in de meeste steden van ons
land zoowel Fransche schoolmatressen als Fransche schoolmeesters.
Ook op de Fransche scholen werd onderwijs in den catechismus
gegeven, waarbij men den catechismus van Calvyn of een vertaling
van den Heidelbergschen gebruikte.
-ocr page 113-
109
Over het geheel was het gehalte van \'t onderwijs aan Fransche
scholen niet beter dan dat aan andere inrichtingen van onderwijs.
Van de nieuwe onderwijzers traden sommigen hier voor het eerst
als onderwijzers op, en verreweg de meesten kenden onze moedertaal
niet. Was dit op zich zelf reeds een bezwaar, het werd nog ver-
hoogd door de omstandigheid, dat de leerlingen zelf ook nog hun
moedertaal niet goed kenden, gedeeltelijk door dat zij te jong met
het Fransch begonnen en gedeeltelijk door dat op de lagere scholen
geen of slecht onderwijs in de Nederduitsche taal werd gegeven. Op
vele Fransche scholen bepaalde men zich tot het werktuiglijk aan-
leeren van de gewone spreektaal, terwijl er eenige zorg werd be-
steed aan de beschaving der manieren.
Aan sommige Latijnsche scholen had men tegen het einde der
zeventiende eeuw voor de lagere klassen zoowel een Franschen als
een Hollandschen meester. Het Latijn bleef echter het hoofdvak.
Ook werd Latijn nog steeds door velen als een noodzakelijk bestand-
deel van een beschaafde opvoeding beschouwd. Sommige vrouwen
kenden dan ook het Latijn en beoefenden in enkele gevallen boven-
dien Grieksch en Hebreeuwsch. Maar langzamerhand begon het
Fransch de plaats in te nemen, die vroeger door het Latijn was
ingenomen: het werd de wereldtaal. Zoo kwamen de meesten, die
niet eene geleerde opvoeding zouden genieten, er toe, de Fransche
school te bezoeken. Ook werd bij ambten, waarvoor men vroeger
kennis van het Latijn eischte, nu Fransch gevraagd. Tegen het
laatst der zeventiende eeuw werd bij de toenemende verspreiding van
Fransche zeden meer gebruikelijk, dat aanzienlijken hun kinderen
aan huis lieten opvoeden door een Franschen of Zwitserschen gouver-
neur. Een gevolg van dit alles was, dat omstreeks 1700 de meeste
Latijnsche scholen kwijnden, terwijl die van kleinere plaatsen geheel
in verval raakten.
Om Fransch te onderwijzen, was een akte noodig, en dit gold
evenals ten aanzien van ander onderwijs zoowel voor privaatlessen
als voor scholen.
De oprichting van Fransche scholen werd dikwijls gesteund door
de overheid.
In de 18de eeuw werden op de Fransche scholen dikwijls Itali-
aansch boekhouden en zeevaartkunde onderwezen. De meetkunde
bestond dikwijls voor een aanmerkelijk deel uit landmeetkunde.
Van scholen, waar Hoogduitsch werd onderwezen, vindt men in
de zeventiende eeuw geen melding gemaakt. Daarentegen bracht
onze handel mee, dat in grootere koopsteden Engelsch werd onder-
wezen. Het schijnt echter, dat dit vak daar meestal door privaat-
onderwijzers werd geleerd, even als het rekenen dikwijls door afzon-
derlijke cijfermeesters werd onderwezen.
-ocr page 114-
110
Armenscholen.
Reeds in de middeleeuwen werden meermalen maatregelen geno-
men, om aan arme kinderen kosteloos onderwijs te verschaffen , als
zij dat verlangden. Ook in den nieuweren tijd sloeg de overheid
daarop herhaaldelijk acht. We mogen wel als regel aannemen, dat
kinderen, wier ouders te arm waren om schoolgeld te betalen,
maar die overigens wel tijd en lust hadden om lager onderwijs te
genieten, hiervan niet verstoken bleven. Van afzonderlijke armen-
scholen kon op dorpen geen sprake zijn, toen nog minder dan nu.
In de steden konden ze eerst verrijzen , toen de kinderen der min-
vermogenden in grooten getalle onderwijs verlangden. De eerste
armenschool, waarvan in ons vaderland melding wordt gemaakt, is
die te Vlissingen in 1586.
Voor het onderwijs der kinderen in weeshuizen werd zorg gedra-
gen. In nog grootere mate dan op andere scholen was de leerstof
daar van godsdienstigen aard. Op het platteland werden dikwijls
onderwijzers aangesteld met de bepaling, dat zij een bepaald aantal
arme kinderen kosteloos zouden onderwijzen. Voor een dorp was
dergelijke bepaling veel meer waard dan in de steden, waar de
standen scherper onderscheiden zijn, zoodat soms alleen de kleeding
een bezwaar was tegen het bezoek der groote of Latijnsche school
door arme kinderen.
In het begin der zeventiende eeuw werd er door de stedelijke over-
heid te Dordrecht een school voor kinderen van armen en weinig
bemiddelden opgericht. Deze school schijnt echter spoedig verloopen
te zijn. In 1657 verzocht de kerkeraad aan de regeering, dat zij
opnieuw zulk een school zou oprichten. Dit verzoek werd van de
hand gewezen maar herhaald; eindelijk werd in 1668 besloten, weer
een armenschool op te richten.
Te Leiden werd in de zeventiende eeuw eerst aan de Waalschè
en later aan de Hervormde kinderen onderwijs gegeven tusschen hun
werk in. In 1688 werden voor dat doel twee onderwijzers benoemd,
die binnen 8 maanden IOO leerlingen hadden, terwijl uit een nieuwe
lijst van 140 kinderen slechts IOO konden geholpen worden. Het
onderwijs bleef echter door de omstandigheden, waaronder het werd
gegeven, zonder vrucht.
De eerste stadsarmenschool te Leiden werd geopend in 1719, zon-
der dat de kerkeraad daarbij te pas kwam.
In hoofdzaak kan men zeggen, dat gedurende de zeventiende eeuw
hier en daar afzonderlijke armenscholen verrezen. Meer algemeen
werden ze eerst in de 18de eeuw en het was eerst na 1750 dat er
armenscholen verrezen te Enkhuizen, Groningen, Haarlem, Schiedam
en Leeuwarden.
-ocr page 115-
111
Toestand van ons onderwijs en de opvoeding in de
achttiende eeuw.
Over het geheel schijnen de predikanten zich in de achttiende eeuw
iets meer met het godsdienstonderwijs bemoeid te hebben dan in de
zeventiende; maar zij bepaalden zich meestal tot het overhooren of
afvragen van wat de schoolmeester had geleerd. Deze bleef dus
feitelijk belast met het onderwijs in den godsdienst. Sommige leer-
boeken voor dit vak waren nu beter dan in de tweede helft der
zeventiende eeuw , al bleef bij het voortgezette onderwijs de verkeerde
gewoonte bestaan, in de eerste plaats geschilpunten te behandelen.
In het begin der achttiende eeuw treft men in sommige steden cate-
chiseermeesters aan, die onderwijs gaven op school en aan huis.
Hun doel was, de leerlingen voor te bereiden tot de belijdenis of tot
de catechisatie der predikanten. De meeste catechiseermeesters waren
weinig ontwikkeld.
Het toezicht op het onderwijs aan de Fransche, Duitsche en armen-
scholen, dat in de steden dikwijls aan curatoren der Latijnsche school
was opgedragen, bleef even slap als in de vorige eeuw en werd
misschien hier en daar nog slapper. Wel mocht niemand zonder
akte toegelaten worden als onderwijzer, maar bij het uitreiken van
die akte maakte men het zich dikwijls al heel gemakkelijk, en
wanneer in dit opzicht een verschil bestond met de vorige eeuw,
was het waarschijnlijk alleen, dat de eischen, van wege de kerk
gesteld, minder streng werden gehandhaafd. De predikanten ver-
zuimden ook het schoolbezoek, dat hun van wege de synode was
opgedragen, en de schoolmeesters hielden zich minder met het gods-
dienstonderwijs bezig dan vroeger. Het psalmzingen raakte gedurende
de achttiende eeuw op sommige scholen buiten gebruik. Dit wordt
vooral gezegd van de scholen op het platteland, maar sommigen
klaagden ook, dat rectoren van latijnsche scholen, benevens de
meesters aan Fransche en Nederduitsche scholen, het onderwijs in
den godsdienst verwaarloosden.
Het leeren van den catechismus werd wel eens tegengewerkt door
de ouders, zoodat de Drentsche synode in 1730 noodig vond te
bepalen, „dat alle ouders moesten gedoogen, dat hun kinderen in
„den catechismus onderwezen werden."
De verwarming der schoollokalen op kleine dorpen of gehuchten
geschiedde soms op zeer eigenaardige wijze. Elke leerling bracht nl.
des morgens een weinig brandstof aan: een stuk hout of een paar
turven. Deze handelwijze heeft hier en daar stand gehouden tot in
de negentiende eeuw en zal waarschijnlijk ook vóór de achttiende
eeuw wel in gebruik zijn geweest.
Op een aantal dorpen vooral in Drente werd alleen des winters
onderwijs gegeven.
-ocr page 116-
112
Door vele kinderen werd de school in \'t geheel niet bezocht en
door andere veel te vroeg verlaten. Dit laatste werd nog onwille-
keurig in de hand gewerkt door de regeling van het schoolgeld. Een
school was gewoonlijk verdeeld in drie klassen. In de eerste werd
alleen lezen geleerd, in de tweede bovendien schrijven, en in de
derde ook nog cijferen. Ging nu een leerling naar de hoogere af-
deeling over, dan moest hij meer schoolgeld betalen. Een gevolg hier-
van was, dat vele ouders uit zulk een verhooging aanleiding namen
om hun kind van de school te nemen. Niet zelden gebeurde het
ook, dat de ouders zich met het oog op \'t schoolgeld verzetten
tegen den overgang tot een hoogere klasse. En de onderwijzer was
dan ook dikwijls gedwongen, daaraan toe te geven, wilde hij niet
een leerling en tegelijk een deel van zijn sober inkomen verliezen.
De bovenstaande indeeling der school dagteekent reeds van lang
voor de achttiende eeuw, en zij heeft met het opklimmend school-
geld stand gehouden tot in het midden der negentiende eeuw. Het
was dan wel veelal regel, dat de kinderen in de eerste klasse schre-
ven, maar slechts op de lei. Ook werd in de tweede klasse een
weinig gerekend, maar dit bleef bijzaak tot in de hoogste klasse.
Hier heeft men tevens de geschiedkundige verklaring van de drie
klassen.
In 1630 was door den landdag van Drente vastgesteld, dat de
ouders voor elk hunner kinderen, zoodra deze 7 jaren waren, zouden
betalen als schoolgeld „15 stuivers in het jaar, hetzij ze dezelve ter
school seynden ofte niet/\' Deze bepaling bleef gedurende de acht-
tiende eeuw van kracht en moest ongetwijfeld meewerken om het
schoolgaan te bevorderen.
In Overijsel was bij de schoolorde, vastgesteld door de Ridder-
schap en de Steden in 1666, vernieuwd en aangevuld in 1706, be-
paald: dat alle kinderen onder het kerkdorp, of daar ter school be-
hoorende, tusschen 8 en 12 jaar, schoolgeld moesten betalen, ten
minste voor 6 maanden, „schoon dezelve ter schooien nietquamen,
„ten ware die hare kinderen lieten gaan bij andere geadmitteerde
„schoolmeesters, binnen of buiten Karspels wonende."
In de schoolboeken moest de Duitsche letter langzamerhand plaats
maken voor de Latijnsche.
Het rekenen werd op sommige plaatsen alleen in de avondschool
geleerd.
In elk dorp van eenige beteekenis had men althans gedurende
de wintermaanden school. Maar op de gehuchten was dit anders.
Daar moesten de kinderen , als zij onderwijs wilden ontvangen,
naar het dorp gaan, waaronder zij behoorden. Bij het gure winter-
weer waren de wegen soms geheel onbruikbaar. Wilde in zulk een
gehucht iemand, die wel geschiktheid bezat, tegen een matig loon
de kinderen onderwijzen, dan werd dit meestal verboden op aan-
drang van den dorpsschoolmeester.
-ocr page 117-
113
Hoe het bij den aanvang der achttiende eeuw gesteld was met de
bekwaamheid der dorpsonderwijzers, blijkt hieruit, dat de Edel Mog.
Heeren Raaden van State in hun reglement van 20 Juli 1709 op het
aanstellen van voorlezers, kosters en schoolmeesters ten platte lande
in het district van de generaliteit bepaalden, dat zij die de noodige
bekwaamheid misten om hun ambt te vervullen , dit door een ander
mochten laten waarnemen.
De jaarwedden zijn gering. Vrije woning, 150 gulden als jaar-
wedde voor onderwijzer en voorzanger, benevens eenige voordeden
in den vorm van schoolgeld en doodgraversloon , vormden een zeer
gewoon inkomen. Er waren wel onderwijzers die meer hadden,
maar velen minder.
Soms kreeg de onderwijzer, als hij wegens hoogen ouderdom zijn
betrekking moest neerleggen , een pensioen, dat vrij hoog was ten
aanzien der jaarwedde.
Om het lot der onderwijzersweduwe te verzekeren, gaf men haar
soms vrijheid, de school voor hare rekening te laten waarnemen
door een ondermeester.
In 1750 bestond er reeds een Schoolmeesters Weduwen beurze in
Zuid-Holland, daar in genoemd jaar het reglement werd aangevuld.
In 1754 bedroeg het aantal „reeds contribueerende Leden" 80.
In 1748 werd door eenige onderwijzers een Noordhollandsche
Schoolmeesters Liefde Weduwenbeurs
opgericht.
Soms werd een onderwijzer rechtstreeks benoemd. Dit geschiedde
vooral, wanneer de benoeming een voorrecht was van een aanzienlijk
persoon, als de betrekking een tijdlang was waargenomen door
iemand, die goed voldeed, of als de zoon van den overledene naar
de betrekking dong.
In den regel echter werd een oproeping gedaan. De liefhebbers
moesten zich dan in de steden met overlegging met eenige schoon-
schriften bij de gemeentelijke overheid of het schooltoezicht vervoe-
gen. Meestal was op het platteland het ambt van voorzanger verbonden
met dat van onderwijzer, en dan gaf de kerkeraad of de predikant
gelegenheid, voor de geheele gemeente proeven af te leggen in het
voorlezen of zingen.
Later werden dan alle sollicitanten of wie om hun schrift en ge-
schiktheid voor den kerkedienst het best bevallen waren, opgeroepen
tot een vergelijkend examen. In andere gevallen volgde het onder-
zoek in de kerk op het vergelijkend examen in de gewone vakken.
Het gebeurde ook wel, dat men de kandidaten eenvoudig onder-
zocht, zoodra zij zich aanmeldden. Het vergelijkend examen liep
hoofdzakelijk over rekenen of over rekenen en Fransch. Bij stads-
scholen vroeg men ook wel naar wiskunde en in zeeplaatsen werd
soms niet alleen vlakke- en boldriehoeksmeting gevraagd maar ook
zeevaartkunde. In de steden werd het examen dikwijls afgenomen
door het schooltoezicht, een of meer leeraren van het gymnasium
8
-ocr page 118-
114
of door een hoofdonderwijzer uit de stad. Op kleinere plaatsen ge-
schiedde het dikwijls voor een deel door een bekwaam hoofdonder-
wijzer uit den omtrek, of men noodigde een ervaren rekenmeester
uit, om per brief een zeker aantal vraagstukken voor het examen
op te geven. Dit geschiedde soms ook door een liefhebber der
konst uit de plaats zelf.
Het vergelijkend examen duurde gewoonlijk éen dag, enkele malen
twee dagen. Als er veel sollicitanten waren , liet men dikwijls slechts
een deel toe tot het verg. ex. Soms gaf men aan de mededingers
vergoeding voor reiskosten.
Het kerkelijk gedeelte van \'t examen was in den regel publiek,
maar ook liet men daarop soms in tegenwoordigheid van al de kerk-
gangers cijferen. Over het geheel was de belangstelling in het cijferen
gedurende de achttiende eeuw zeer groot, zoodat het vergelijkend
examen niet zelden door een groot aantal inwoners der gemeente
werd bijgewoond. Om dit gemakkelijk te maken, hield men het
geheele examen wel eens op zondag. Opmerking verdient, dat
dikwijls vraagstukken uit zeer bekende rekenboeken werden opgege-
ven. En daar sommige van die vraagstukken bekend waren om hun
moeilijkheid , heeft waarschijnlijk menig sollicitant van dien tijd een
oplossing van buiten geleerd en zoodoende een goed examen afgelegd.
De benoeming van den onderwijzer geschiedde
door de wereldlijke overheid der plaats; (vooral in grootere plaatsen)
door den ambachtsheer of de ambachtsvrouw;
door den kerkeraad;
door de magistraat en den kerkeraad samen;
door de leden der gemeente.
Dit zijn de meest voorkomende gevallen, terwijl de voordracht
werd opgemaakt door het lichaam of de personen, die benoemden,
of door andere autoriteiten. Soms ontstond er tusschen verschillende
gezaghebbers twist over het recht, om den meester te benoemen.
Het ambt van schoolmeester was zelfstandig bij de meeste stads-
scholen, ofschoon de voorzangers aan de verschillende kerken niet
waren buitengesloten, als de betrekking open was. Ook was het
zelfstandig op eenige kleinere plaatsen. Maar hier was de onderwij-
zer in den regel tevens voorzanger en bovendien koster en dood-
graver. In dit opzicht leverden onderscheiden streken van ons land
groot verschil op. Zoo waren op een der Zuidhollandsche eilanden
bijna alle onderwijzers tevens koster; terwijl het kosterschap in
andere streken afgescheiden was van de betrekking als onderwijzer.
Dat de onderwijzer tevens organist was, kwam wel voor maar
toch zelden.
Gewoonlijk was geen bepaalde leeftijd vereischt voor het aan \'t
hoofd staan eener school. De onderwijzers, die tevens een ambacht
waarnemen, vindt men in gehuchten of in grootere gemeenten waar
men zooals te Groningen het onderwijs zeer verwaarloosde.
\'.sfituilt
-ocr page 119-
115
Groote rijkdom, gepaard aan overdreven zucht naar opschik en
genot, moest ongunstig werken op de huislijke opvoeding. Dit was
vooral het geval in de hoogere standen en bij de rijke kooplieden.
Het navolgen van Parijs en het lezen van de Fransche schrijvers
nam zeer toe gedurende de achttiende eeuw. Het aantal vreemde-
lingen , vooral Franschen, vermeerderde sterk. Kennis van het Fransch
was dan ook onmisbaar voor iedereen , die veel in de maatschappij
verkeerde , en waar de hoogere standen de opvoeding van hun kin-
deren aan vreemden overlieten, lag het voor de hand, Fransche
bonnes en gouvernantes te zoeken. Deze waren echter in den regel
alles behalve degelijk en over \'t geheel niet berekend voor de ge-
wichtige taak, die zij op zich namen.
De kinderen werden al heel vroegtijdig naar een matressenschooltje
gezonden, waar zij op hun derde jaar letters leerden, het onze
vader, de Tien geboden, verzen uit Datheen\'s psalmberijming en
de vragen van Borstius. Ook het spellen werd gewoonlijk door de
schoolmatres onderwezen.
Op de dorpen gingen de kinderen dikwijls rechtstreeks naar de ge-
wone lagere school; maar niet zelden gebeurde het ook, dat de vrouw
van den schoolmeester hun eerst de letters, het spellen enz. leerde,
zoodat zij een afzonderlijke bewaarschool had.
Van de bewaarschool gingen de kinderen op hun vijfde of zesde
jaar naar de „Duitsche" en ook wel rechtstreeks naar de Fransche
school.
Vele ouders zonden hun kinderen naar de Fransche school, omdat
het voor erg „burgerlijk" doorging, zijn kinderen niet op zulk een
school te doen, en waar de ouders volgens zulk een beweeggrond
handelden , vroegen zij er ook niet naar, of de Mossieu een wegge-
jaagde lakei of een gewezen winkelbediende was. Ondanks het be-
zoek der Fransche school konden velen zich dan ook nauwelijks
redden, als zij tot „voltooiing" hunner verkeerde opvoeding een reis
naar Frankrijk maakten. Meestal brachten zulke jongelieden uit
Parijs niet anders mee dan een versterking van hun zucht om vreemde
zeden na te volgen, en grooter onbeschaamdheid bij het toepassen
eener verkeerde leefwijze.
Vele knapen, die later naar de hoogeschool moesten, werden niet
naar de Latijnsche school gezonden maar geheel toevertrouwd aan
de zorg van een slecht bezoldigd predikant op het platteland, wiens
onderwijs niet zelden veel te wenschen overliet.
Vergelijken wij de 18de eeuw met de 17de, dan valt op te mer-
ken , dat de opvoeding en het onderwijs waren vooruitgegaan, maar
zeer langzaam. De methode van onderwijs was bijna geheel onver-
anderd gebleven; maar de leerstof was een weinig verbeterd. De
rijkdom en weelde waren in de achttiende eeuw grooter dan een eeuw
vroeger en daarvan was een verslapping het gevolg, die zich bij de
opvoeding soms uitte in vertroeteling. De tucht was in de 18de eeuw
8*
-ocr page 120-
116
iets zachter en daardoor iets beter dan een eeuw vroeger. Het gunst-
bejag, het wegschenken van \'t schoolambt aan ongeschikte personen
kwam waarschijnlijk in de t8de eeuw meer voor dan in de 17de. De
omstandigheden maakten niet langer geestkracht noodig zooals in de
17de eeuw en werkten dus in dit opzicht niet zoo gunstig als vroeger.
Terwijl er dus in alle opzichten nog veel moest verbeterd worden,
hadden zelfs de meest verlichte mannen van de eerste helft der 18de
eeuw geen juist besef van den waren toestand. Dit valt sterk in het
oog, als men de spectatoriale geschriften der vorige eeuw leest, wier
roeping het was kritiek te leveren. Daarin worden wel aanmerkin-
gen gemaakt op de scholen en de huiselijke opvoeding; maar het
wezen der zaak bleef meestal onaangeroerd. Men begreep, dat men
beter moest toezien bij de opvoeding, dat de onderwijzers bekwamer
moesten zijn, dat gunstbejag moest ophouden, dat de inkomsten der
meesters behoorden verbeterd te worden, maar men beschouwde alles
veel meer als een zaak van willen dan van kunnen. Men wilde
onderdeden verbeteren, maar met de hoofdzaak was men tevreden.
Zoo schreef Van Effen het volgende.
„Het verstand der kinderen is tegenwoordig rijp in die jaren,
waarin zij zich voorheen nog met allerlei kinderspelen vermaakten,
zonder de eerste beginselen der wetenschappen te kennen."
„Ofschoon deze opmerking op de rede gegrond is, moet men niet
meenen, dat de natuur tegenwoordig haar werken vlugger volmaakt
dan te voren. De ziel der menschen is nu niet sterker dan ten
tijde onzer voorvaderen, en dezelfde geest blijft in ons op dezelfde
wijze werken."
„De opvoeding is de eenige oorzaak dezer verandering, die zoozeer
onze bevreemding opwekt. Een schadelijk vooroordeel was in vorige
tijden oorzaak, dat men de kinderen ongeschikt oordeelde tot geestes-
inspanning, en men hen den kostelijken tijd liet doorbrengen met beu-
zelingen, waartoe zij uit zich zelven maar al te zeer geneigd zijn."
-ocr page 121-
TOESTAND VAN HET ONDERWIJS EN DE OPVOEDING IN VERSCHIL-
LENDE LANDEN GEDURENDE DE ZEVENTIENDE
EN ACHTTIENDE EEUW.
Engeland, enz.
In Engeland is een belangrijk deel van het onderwijs en de op-
voeding voor de knapen der gegoede standen steeds op kostscholen
gegeven. Men had daar reeds in het laatste deel der middeleeuwen
eenige stichtingen, zoogenaamde colleges, waarvan onderwijs een
hoofddoel was. Zulk een college bestond uit 6 of 7 mannen, die
alle een kerkelijke waardigheid moesten bekleeden en het beheer
hadden over uitgebreide goederen, waaruit niet alleen de beurzen
voor een bepaald aantal leerlingen en de jaarwedden der onderwijzers,
maar ook de jaarwedden der leden van het college moesten betaald
worden. De leden van het college ontvingen hooge jaarwedden en
stonden boven de onderwijzers. Maar ook deze hadden goede jaar-
wedden. Zoo treft men jaarwedden van 50.000 gulden voor hoofd-
leeraren aan. Bovendien hadden de leeraren een aantal kweekelingen
in huis, waarvoor zij goede sommen trokken. De onderwijzers en de
leden van het bestuur werden meestal uit oud-leerlingen gekozen.
De kerkhervorming bracht slechts weinig wijziging in die scholen, en
ook later zijn ze niet van karakter veranderd. De hoofdvakken en
bijna de eenige, zijn Latijn en Grieksch. Latijnsche opstellen en
Latijnsche verzen maken, neemt een zeer voorname plaats in. De
tucht was streng en lichamelijk, wat ze tot op dezen dag gebleven is.
De oudere leerlingen oefenen toezicht uit op de jongeren, die allerlei
meidenwerk moeten verrichten. Lichaamsoefeningen komen steeds
op het programma voor.
Die scholen zijn dus zeer eenzijdig. Daarbij komen nog allerlei
misbruiken. Bovendien is het een gewone fout, dat de groote hoop
der leerlingen, die soms eenige honderden bedraagt, wordt opge-
offerd aan een klein getal voortreffelijke leerlingen. Ten aanzien van
al dergelijke gebreken blijven de Engelschen voorloopig blind.
Naast de groote kostscholen stonden kleinere en een aantal stads-
scholen, die alle dezelfde strekking hadden, en waarvan de laatste
dikwijls zeer juist grammarschools of spraakkunstscholen genoemd
worden. Men zou ze ook alle samen Latijnsche scholen of gymnasia
kunnen noemen.
Daar beneden stonden lagere scholen, waar lezen en schrijven, soms
ook Latijn en rekenenen, werden onderwezen; alles even werktuiglijk.
-ocr page 122-
118
Ofschoon de Engelsche scholen gedurende de zeventiende en de
achttiende eeuw geen belangrijke wijziging ondergingen, zullen we
toch enkele pogingen, om ten goede te werken, vermelden.
Nadat reeds de denkbeelden van Erasmus eenigen invloed hadden
uitgeoefend op sommige Engelsche schoolmannen, werkte Asham in
de tweede helft der zestiende eeuw een en ander uit tot een geheel,
dat verscheen onder den titel van The Schole Master. Dit is het
eerste Engelsche boek over de opvoeding en het onderwijs. Ofschoon
de schrijver meer rechtstreeks op de beoefening der klassieke talen
let, hebben zijn lessen toch een wijdere strekking.
Meer invloed had Milton, die als dichter het gemoed wist te treffen
en bovendien een der ijverigste voorstanders van een bezielde gods-
dienstige partij was. Hij wees op veel verkeerds in de opvoeding
en de scholen en deed eenige nuttige wenken aan de hand.
Miltons kritiek werd later gesteund door het werk van Locke,
en aan die twee schrijvers had men het ontstaan te danken van een
aantal scholen, die zeer verschilden van de gewone.
Van groot belang was de verschijning van den Robinson Crusoe,
die in 1719 het licht zag en terstond een verbazenden opgang maakte.
Het boek levert een voorbeeld van zelfstandigheid op, dat heilzaam
moet werken; het geeft een beter inzicht in de verhouding van de
menschen onderling en de geheele beteekenis der beschaving dan
een lange reeks van feiten kan doen.
Het Volksonderwijs is in Engeland tot aan het begin dezer eeuw
bijna geheel verwaarloosd. Dat is waarschijnlijk in de eerste plaats
hieraan toe te schrijven, dat de toestand der lagere volksklassen in
Engeland ongunstiger was dan in ons land, en in de tweede plaats
aan de omstandigheid, dat de staatskerk zich niet met de scholen
heeft bemoeid. Zonder aan ons volksonderwijs gedurende de zeven-
tiende en achttiende eeuw groote waarde te hechten, doet een ver-
gelijking met Engeland ons toch vermoeden, dat de bemoeiingen der
kerk niet zonder vrucht waren. Een goede poging werd gewaagd
in 1698 door de „Maatschappij tot bevordering van Christelijke ken-
nis." Door groote inspanning had zij het in het midden der acht-
tiende eeuw zoover gebracht, dat looo kostelooze scholen opgericht
waren. In de achttiende eeuw deden de methodisten ook iets voor
de opvoeding der arme kinderen, maar het duurde tot 1785, eer
men op groote schaal ging werken. Dit geschiedde door een ver-
eeniging tot oprichting van zondagsscholen. Deze namen zoozeer
toe in aantal, dat men tot in de tweede helft van onze eeuw kon
zeggen, dat de meeste Engelsrhen hun eenig onderwijs hadden ge-
noten aan een zondagsschool. In 1860 bezochten meer dan de helft
der kinderen van Engeland en Wales een zondagschool.
In Schotland heeft men van de hervorming af gemeentelijke scholen
opgericht, die onder toezicht van den predikant en den kerkeraad
stonden, terwijl de onkosten gedekt werden door een belasting der
-ocr page 123-
119
grondeigenaars en door schoolgeld. Bovendien werd in de steden hier
en daar afzonderlijk zorg gedragen voor arme kinderen.
Ierland levert een scherpe tegenstelling op met Schotland. Terwijl
hier de hervorming geestkracht in het leven riep, bestond zij voor
Ierland hoofzakelijk in een overdracht van de kerkelijke goederen aan
protestanten, die buiten Ierland leefden en dus het land voortdurend
armer maakten. Van onderwijs was dan ook slechts bij uitzondering
sprake. Zelden trachtte men iets goeds te doen in dit opzicht, en het
goede moest afstuiten op den jammerlijken toestand der bevolking.
Karel I bestemde niet minder dan 1ÓOOO akkers voor het onderhoud
der scholen. Er werden 7 scholen voor voortgezet onderwijs opge-
richt met eenige vrije plaatsen voor arme knapen. Maar alles te ver-
geefs. In 1730 werd van protestantsche zijde een vereeniging opge-
richt, om de arme Iersche kinderen op te voeden in de Engelsche
taal en den Christelijken godsdienst. Maar bekeering stond daarbij
op den voorgrond, zoodat de vereeniging ondanks den steun van het
parlement niet veel tot stand kon brengen.
Onder de schrijvers der achttiende eeuw, die belangrijk zijn voor de
opvoeding en het onderwijs, komt een voorname plaats toe aan Dr.
Isaac Watts, 1674—1748. Hij is in de eerste plaats de oudste en
meest beroemde Engelsche kinderdichter. Zijn „Godsdienstige en zede-
kundige versjes voor kinderen" waren gedurende de achttiende eeuw
algemeen bekend in Engeland. En ook nu nog worden ze herdrukt.
In dit opzicht is Engeland alle andere landen voorgegaan.
Bij de verjes van Watts kwamen gedurende de achttiende eeuw
nog die van Mevr. Barbauld. In 1822 beleefden zij de twintigste
uitgave. Het boekje is met een bepaald plan, voor de school, ge-
schreven en daardoor stelselmatiger dan zulke boekjes gewoonlijk zijn.
In de tweede helft der achttiende eeuw verschenen nog ten behoeve
der Engelsche jeugd, aangenaam geschreven leer- of leesboeken over
de Engelsche, Grieksche en Romeinsche geschiedenis door Olivier
Goldsmith,
1728—1774. Een natuurkunde voor kinderen leverde J.
Newbery.
Dezelfde schrijver gaf een aantal andere boekjes voor de
jeugd. Het natuurkundige boekje werd in het Nederlandsch vertaald
onder den titel „Philosophie der toppen en ballen of het Newtonni-
aansch samenstel van wijsbegeerte, door Tom Telescope. 1768."
De protestantsche staten van Duilschland.
Een groote tegenstelling wordt gevormd door Duitschland gedurende
den dertigjarigen oorlog en Nederland in hetzelfde tijdperk. Terwijl in
beide landen oorlog werd gevoerd om een zelfde zaak, bleven de
rampen van den oorlog voor Nederland beperkt tot enkele streken,
die het tooneel van den strijd waren, terwijl geheel Duitschland ont-
redderd was. Aan scholen of onderwijs kon toen in Duitschland bijna
niet gedacht worden. Ook werden gedurende den dertigjarigen oorlog
-ocr page 124-
120
een groot aantal steden en dorpen verbrand of uitgeplunderd. Waar
vaste schoolfondsen waren, werden deze of door de eene partij of
door de andere weggenomen. Na den dertigjarigen oorlog zag het
er al even treurig uit in Duitschland. Terwijl op dat tijdstip in geheel
Nederland welvaart en geestkracht heerschten, was Duitschland overal
het tooneel van armoede en zedenbederf.
De zelfstandigheid der Duitschers was geknakt en de eigen taal
werd geminacht voor het Fransch of het Italiaansch. Hierdoor werd
ten aanzien der gymnasia iets goeds uitgewerkt, nl. dat Fransch
leervak werd, ten koste van het Grieksch. Latijn bleef wel het
hoofdvak en het Grieksch nam bij voortduring de tweede plaats in,
maar men werd minder eenzijdig. Het Latijn bleef de taal der ge-
leerden , maar het hield op de taal der beschaafden te zijn. Het
Grieksch verloor in dit opzicht nog meer veld. Op het gymnasium
te Görlitz had men voor de adelijke scholieren een afzonderlijk leer-
plan, waarop geen Grieksch voorkwam. Hier bleef het echter niet
bij, en zoozeer was de slaafsche geest op het gebied der school door-
gedrongen , dat men durfde zeggen: „Wij onderscheiden de kinderen
„der adelijken en voornamen van de anderen, die van lage afkomst
„zijn, ook daardoor, dat de eersten meer van nabij, liefderijker en
„vertrouwelijker omgaan met de leeraren, altijd onder zeer beleefde
„vormen; en ook daardoor dat de eersten vrij zijn van sommige
„verrichtingen, waaraan de anderen zich moeten onderwerpen." Zoo
onstonden ook afzonderlijke ridderakademies.
Waren de meer beschaafden geneigd, onderdanigheid aan den dag
te leggen tegenover den adel, deze wist vrij te blijven van alle
lasten. Het volk bleef arm en werd als vee behandeld, en van goed
lager onderwijs kon geen sprake zijn bij zulk een toestand.
Sommige Duitsche vorsten stelden flinke pogingen in het werk om
het lager onderwijs goed te regelen. Vooral muntte hierbij uit hertog
Ernst van Gotha. Deze gaf in de zeventiende eeuw voor het vorsten-
dom Gotha een schoolreglement voor de jongens en meisjes op de
dorpen en die der laagste klassen in de steden. De leerstof was
dezelfde als bij ons en ook in strekking van het onderwijs bestond
geen wezenlijk verschil. In Gotha werd leerplicht voorgeschreven.
De opvolging van zulk een reglement stuitte echter tegen allerlei
bezwaren. De arme plattelandsbevolking gevoelde geen behoefte aan
onderwijs, en in den dertigjarigen oorlog waren de meeste kosters te-
gelijk met de scholen en kerken verdwenen. Velen waren overleden
en anderen waren verdreven, terwijl het moeilijk was nieuwe kosters
te vinden, die konden lezen en schrijven. De schoolmeesters waren in
Duitschland evenals bij ons dikwijls handwerkslieden, en daaronder
velen, die te lui of te onbekwaam waren om goed te arbeiden, be-
dienden, en niet zelden afgedankte soldaten, die een weinig konden
lezen en schrijven. Zoo was het na den dertigjarigen oorlog en zoo
bleef het tot aan het einde der achttiende eeuw. Het schooltoezicht
-ocr page 125-
121
werd nagenoeg overal door de wereldlijke overheid opgedragen aan
de geestelijkheid.
Intusschen leverde zulk een reglement, dat in het eerste deel der
l8de eeuw door verschillende Duitsche staten werd nagevolgd, een
vasten grondslag op voor verbeteringen. En deze kwamen, zij het
ook uiterst langzaam, tot stand. Maar de strenge rechtzinnigheid der
Duitsche protestanten was weinig gunstig voor de ontwikkeling der
volksschool. Intusschen ontstond in den boezem der protestantsche
kerk verzet tegen de woordelijke opvattingen, tegen werktuiglijkheid
en terzijdestelling van het gevoel. Dat verzet openbaarde zich eerst
onder den naam van mystiek, terwijl later hetzelfde verschijnsel zich
voordeed als piëtisme. Deze richting had tot stichter Spetter 1635—
1705, die vooral optrad tegen den scholastieken geest, welke uit de
Middeleeuwsche Kerk was overgegaan in de protestantsche kerk en
hare scholen. Als een zijtak van deze richting traden de Hernhutters
op, die zich tot heden hebben staande gehouden en steeds veel zorg
aan hun scholen hebben besteed. Onder de piëtisten heeft vooral
Francke zich met het schoolwezen bemoeid. Deze werd in 1663 te
Lubeck geboren en genoot een akademische opleiding in theolo-
gische richting. In 1687 stichtte hij te Hamburg een kinderschool. In
1692 trad hij op als hoogleeraar te Halle en predikant in een voor-
stad van Halle. Van toen af tot aan zijn dood was hij hier onvermoeid
werkzaam. In 1695 werd een armenschool door hem opgericht.
Al spoedig maakten ook burgerkinderen van het onderwijs ge-
bruik tegen eenige vergoeding. Intusschen werd Francke door giften
al spoedig in staat gesteld twee onderwijzers te nemen, waarvan een
voor de burgerkinderen en een voor de behoeftigen. Daar Francke
zag, dat het nut der opvoeding, die de kinderen in de school genoten,
voor een groot deel weer verloren ging in de uren, die ze op de straat
en tehuis doorbrachten, was hij er op bedacht eenige arme kinderen
geheel te laten verplegen. Door een legaat werd hij in staat gesteld,
9 weezen te doen verplegen. Om de studenten, die onderwijs gaven,
beter te kunnen helpen en tevens in de gelegenheid te zijn, hen te
onderrichten ten aanzien der opvoeding, besloot Francke hen aan
zijn tafel te noodigen in plaats van een geldelijke ondersteuning te
geven. In 1697 werd de grondslag gelegd voor een Latijnsche school.
„Daar nu, zoo zegt hij zelf, langzamerhand, niet alleen het aantal
der weezen maar ook dat der arme studenten, die met hen den
vrijen kost genoten, grooter werd, zoozeer dat het gebouw, hetwelk
voorloopig gebruikt was, te klein werd, moest ik bedacht zijn op
een grooter gebouw. Daar echter in deze landen nog geen wees-
huizen waren, waaruit men een voorbeeld had kunnen nemen, heb
ik het noodig geacht den opzichter der weezen naar Holland, als
den zetel van goede en prijzenswaardige armeninrichtingen , te zenden.
Nadat hij daarheen gereisd was en er de weeshuizen, zoowel wat ge-
-ocr page 126-
122
bouwen als inrichting en reglementen betreft, had gezien, werd in
1698 de eerste steen van het weeshuis gelegd.
Bij de stichtingen kwamen vervolgens een apotheek, een boekhandel
en een drukkerij. De laatste heeft veel voordeel afgeworpen, waar-
door Francke in staat werd gesteld, zijn stichtingen voortdurend uit te
breiden. Bij den dood van Francke in 1727 telde de inrichting voor
aanzienlijke knapen 82 leerlingen, 70 onderwijzers en andere perso-
nen; de Latijnsche school 3 inspecteurs, 32 onderwijzers, 400 leerlin-
gen, lOO bedienden, enz.; de burgerschool 4 inspecteurs, 98 ondervvij-
zers, 8 onderwijzeressen en 1725 leerlingen; het weeshuis lOO jongens,
34 meisjes, 10 opzichters of opzichteressen; als dischgenooten waren
er 225 arme studenten en 360 arme leerlingen, in de huishouding,
de apotheek en den boekhandel waren 53 personen werkzaam; een
inrichting voor jonge dames telde 15 meisjes; een kostschool voor
oudere meisjes 8, en er waren 6 weduwen opgenomen.
Ziedaar wat een braaf en volhardend man kan tot stand brengen,
waar hij gesteund wordt door den geloofsijver en de milddadigheid van
anderen. Hoofddoel was een godsdienstige opvoeding in den zin van
het piëtisme. De scholen van Francke deelden de fout van die zijner
tijdgenooten in dit opzicht, dat de godsdienst er het grootste deel
van den tijd in beslag nam. Ook in andere opzichten stond Francke
als opvoedkundige niet boven zijn tijdgenooten. Zoo was het aantal
leervakken in vele gevallen te groot. Bij de keuze van onderwijzers
werd niet op geschiktheid gelet, en hun toestand was in vele opzich-
ten vernederend. In theorie was Francke voor eenigszins zachte
tucht, maar de praktijk was ruw. Het spelen werd verboden aan
kinderen. Als opvoedkundige valt er dus van Francke niets te leeren,
maar bij het spreken over de praktijk komt hem om de uitgebreid-
heid zijner stichtingen een plaats toe. In het laatst der achttiende
eeuw begonnen de stichtingen te vervallen, maar ze herleefden onder
het bestuur van den opvoedkundige Niemeyer. Later kwamen ze
onder den invloed der Pruisische wetgevingen en werden sommige
scholen in overeenstemming daarmee hervormd. Zoo hebben ze
stand gehouden tot op dezen dag.
De koning van Pruisen werd door het streven van Francke opge-
wekt, iets voor de volksschool te doen. Zoo vermaande hij in 1715
de geestelijkheid, zorg te dragen voor de vorming van onderwijzers.
Tevens stelde hij leerplicht in, dat in den loop der achttiende eeuw
door de meeste staten van Duitschland werd gedaan. Toch bleef het
schoolbezoek zeer ongeregeld en waren de meeste scholen des zomers
geheel gesloten. In 1722 werd door den koning van Pruisen be-
paald, welke soort van handwerkslieden tevens schoolmeester moch-
ten zijn, maar in 1735 werd ook bepaald, dat alleen zulke personen
tot schoolmeester mochten aangesteld worden, die gedeeltelijk in hun
onderhoud konden voorzien door ander werk, opdat zij niet geheel ten
laste der gemeente zouden komen. Frederik de Groote gaf ook bewijzen
-ocr page 127-
123
van belangstelling in de volksschool, maar zijn herhaalde oorlogen en zijn
verregaande willekeur deden aan den toestand van het volk zooveel
kwaad, dat men moeilijk kan zeggen, dat hij den toestand hielp verbeteren.
In het midden der achttiende eeuw bestond te Berlijn een soort van
Reaalschool, die het als een deel van hare taak beschouwde, op te
leiden tot onderwijzer. De school kreeg in 1753 den titel van „Keur-
markensche Kweekschool voor kosters en meesters." Verder ontstonden
gedurende de tweede helft der achttiende eeuw een aantal scholen, die
zich de opleiding tot onderwijzers ten doel stelden, maar grootendeels
slechts aanhangsels waren van andere inrichtingen. Ook in andere op-
zichten lieten de scholen veel te wenschen over, zoodat er nog geen
sprake kon zijn van flinke kweekscholen voor onderwijzers. De beste
opleiding werd nog genoten onder het oog van schoolmannen , die
met ijver de nieuwere denkbeelden zochten toe te passen.
Ten aanzien der leerwijze bleef de algemeene toestand dezelfde, maar
de besten zagen wel eenige fouten van de gebruikelijke handelwijze in.
Zoo heeft men gedurende de achttiende eeuw in Duitschland verschil-
lende klachten gehoord over de spelmethode. Maar wat zij voor de
spelmethode in de plaats wilden stellen, was den meesten zelf niet
duidelijk. Langzamerhand echter kwam men tegen het einde der
achttiende eeuw van de spel- en lettermethode tot de „lettergreepme-
thode." Hierbij werden alleen de klinkers afzonderlijk genoemd en de
medeklinkers werden rechtstreeks met de klinkers samengevoegd tot
lettergrepen. Het kind leerde dus ten aanzien van de medeklinkers
alleen „welken invloed zij hadden, als ze bij klinkers stonden."
Het schrijfonderwijs werd in het begin der achttiende eeuw nog
overal hiermee aangevangen, dat men de leerlingen de verschillende
letters in alphabetische volgorde liet naschrijven. Dit was aanvankelijk
nateekenen. Op de meeste scholen bleef dat zoo gedurende de geheele
achttiende eeuw. In 1783 liet Heitiike echter een zeer goed boekje
verschijnen met den titel: „Aanwijzing om het schrijven op een ge-
makkelijke wijze te onderwijzen en te leeren.\'\' Hierbij wordt duidelijk
aangewezen, dat men van het gemakkelijke tot het moeilijkere moet
overgaan.
Oostenrijk, enz.
In Oostenrijk en andere Zuid-Duitsche staten was de toestand over
het geheel vrij wel gelijk aan dien in Pruisen. Men had er katholieke
leerstof in plaats van protestantsche, maar voor de kinderen, die toch
alles van buiten leerden, zonder bij iets te denken, maakte dit geen
wezenlijk verschil uit. De scholen, die de protestanten in Bohème en
Moravië hadden gesticht, waren tijdens den dertigjarigen oorlog ver-
el wenen. Toen was alles in verval geraakt en ook gedurende de acht-
tiende eeuw had Oostenrijk herhaaldelijk oorlog. Zelfs in de steden
was het onderwijs erbarmelijk. Soms liet men ook daar de kinderen
-ocr page 128-
124
3 a 4 jaar werktuiglijk spellen en lezen , voor zij met het schrijven
begonnen. Rekenen bleef veelal geheel achterwege en waar men het
onderwees, bestond evenals in andere landen de gewoonte meer
schoolgeld te eischen van de kinderen , die het leerden. De onder-
wijzer moest om in zijn onderhoud te voorzien allerlei ander werk
verrichten. Een zeer gewoon verschijnsel was, dat de onderwijzer
een herberg hield, wat in andere landen meestal nadrukkelijk werd
verboden. Zelfs was de school dikwijls tevens gelagkamer.
In 1770 werd in de Oostenrijksche staten door % der kinderen,
die onderwijs hadden moeten genieten, de school bezocht.
Tot in het midden der achttiende eeuw vertoonen de katholieke lan-
den van Duitschland geen verblijdend teeken; maar in de tweede helft
der achttiende eeuw ontstaat er leven. De Bisschop van Munster ver-
betert het lot der onderwijzers en werkt betere leerwijzen in de hand.
De keurvorst van Mainz liet zich overtuigen van de noodzakelijkheid,
om het onderwijs te verbeteren. In Beieren gaf men betere verordenin-
gen. Tegelijk was in Oostenrijk een man werkzaam, die zich voor het
onderwijs zeer verdienstelijk heeft gemaakt. Dit was Felbiger, die in
1724 was geboren, in de theologie studeerde en later krachtens zijn
kerkelijk ambt belast was met het toezicht op de scholen te Sagan en
omliggende dorpen in Silezië. Toen hij den treurigen toestand van het
onderwijs had gezien, begaf hij zich in stilte met een vriend naar Ber-
lijn, om daar de reaalschool en kweekschool van Hecker te leeren ken-
nen. Teruggekeerd in Sagan , zond hij op eigen kosten eenige jonge-
lieden naar Berlijn en stichtte vervolgens modelscholen, waar men een
betere manier van onderwijs kon leeren kennen. Ook zorgde hij in
andere opzichten voor de opleiding van onderwijzers. Zoo waren in
vrij korten tijd alle scholen onder zijn toezicht min of meer verbeterd.
In 1772 schreef hij ook een handleiding voor onderwijzers, die zich
aansloot bij het Silezische schoolreglement. De roep, die uitging van
Felbiger\'s scholen, was weldra zoo groot, dat hij door Maria Theresia
werd belast met de hervorming van het onderwijs in geheel Oostenrijk.
Dit geschiedde in 1774 en de omstandigheden waren in zooverre gun-
stig, dat men kort te voren de orde der Jezuïeten had opgeheven,
zoodat er geld voorhanden was en een aantal Latijnsche scholen waren
vervallen, waarvoor men nu Duitsche scholen kon in plaats stellen.
Nog in hetzelfde jaar werd voor alle Oostenrijksche staten een alge-
meene schoolorde vastgesteld, ter vervanging van vroegere bepalingen.
Die schoolorde vormt een vrij volledige wet. Er moesten overal ge-
wone lagere scholen opgericht worden, op grootere plaatsen moest
gelegenheid zijn, uitgebreid lager onderwijs te genieten, voor de
opleiding van onderwijzers zou behoorlijk en op uitgebreidde schaal
zorg worden gedragen. Aan de geestelijken werden bepaalde ver-
plichtingen opgelegd, en verder werden nog een aantal goede bepa-
lingen gemaakt. Er werd zelfs wat heel veel gereglementeerd. Van
buiten doen leeren werd aangemoedigd.
-ocr page 129-
125
Intusschen kon die wet alleen dan goede vruchten dragen, als er
in de onderderdeelen van Oostenrijk ijverige en welwillende meewerking
plaats had. Op enkele uitzonderingen na was dit echter niet het geval.
In steden als Weenen sloeg men ijverig de handen aan het werk,
maar op groote schaal en goed werd de wet bijna alleen in Bohème
toegepast. Hier was de invoering eener betere wet reeds voorbereid
door Ferdinand Kindermann te Kaplitz. Deze had de school, die
onder zijn leiding stond, een nieuwe inrichting gegeven, zoodat ook
rekenen, zingen en landhuishoudkunde onderwezen werden. Dit maakte
zooveel opgang, dat men van heinde en ver uit Bohème kwam om
de school te zien en haar na te volgen. In 1773 werd zijn school
van regeeringswege tot „modelschool" gekozen, bij welke gelegenheid
Kindermann de school uitbreidde tot een industrieschool. Hierdoor
werden de leerlingen tevens in de gelegenheid gesteld, hun schoolbe-
hoeften te verdienen. Zoozeer werden de verdiensten van Kindermann
op prijs gesteld, dat men hem in den adelstand verhief.
Toen Maria Theresia in 1780 werd opgevolgd door haar zoon jozef
II, ging deze op den ingeslagen weg voort. Door godsdienstvrijheid
te verleenen, werden protestantsche scholen mogelijk gemaakt. Het
aantal scholen bleef toenemen, terwijl in het eerste jaar van zijn re-
geering 2024 kloosters werden opgeheven. Inmiddels bleef het onder-
wijs geheel werktuiglijk.
België.
Terwijl de Noordelijke provinciën van Nederland als een zelfstan-
digen staat tot grooten bloei kwamen, kwijnden de zuidelijke pro-
vinciën onder de heerschappij van Filips. Handel en nijverheid vervielen
en de belastingen waren zeer hoog, zoodat de armoede algemeen was.
De vrijheid was geheel aan banden gelegd, en vele bekwame
mannen verlieten het land. Het onderwijs geraakte daarbij natuurlijk
ook in verval. Het schooltoezicht was in de tweede helft der zeven-
tiende eeuw door den Koning weer opgedragen aan de geestelijkheid
en wel aan de scholarchen, die ook in de middeleeuwen met het
schooltoezicht waren belast. Soms echter bemoeide de regeering zich
zelf met de benoemingen tot schoolopziener, terwijl eenige groote
steden voortgingen, aanspraak te maken op een recht, dat zij sints
geruimen tijd hadden bezeten. Op andere plaatsen had men weer an-
dere afwijkingen. Zoo bezat te Brugge het schoolmeestersgilde voor-
rechten, die elders aan den scholarch toekwamen.
Geen verandering van eenige beteekenis ontstond er, toen Filips
in 1588 overleed en de Zuidelijke Nederlanden onder het bestuur der
aartshertogen kwamen. En toen België onder Maurits het tooneel
van den oorlog werd, nam het verval toe.
In 1607 werd bepaald, dat de geheele leerstof van godsdienstigen
aard zou ziin. Wat toen vastgesteld werd omtrent het oprichten van
-ocr page 130-
126
nieuwe scholen en de verplichting van schoolbezoek, zal in de prak-
a, tijk wel slecht opgevolgd zijn. Het geheele onderwijs was in handen
| N i^»der geestelijkheid gekomen, en deze was maar al te zeer geneigd,
Mr\' |-T^ om de scholen alleen nuttig te achten voor hen, die later in dienst
\' ifP I der kerk zouden treden. Van methode bij het onderwijs was in België
ft*> |                evenmin sprake als daar buiten. In 1703 werd nog eens nadrukkelijk
bepaald, dat de onderwijzers de kinderen moesten vergezellen bij de
mis, de vesper en de catechisatie op alle zon- en feestdagen; er werd
bepaald, dat de onderwijzer eens in de maand naar de biecht moest
gaan en dat de pastoor de meest onverbeterlijke kinderen zou straffen.
België was in een toestand van verdooving gekomen en werd voor
de Europeesche mogendheden een speelbal. Aanvankelijk hadden de
Latijnsche scholen, door de Jezuïten op verschillende plaatsen geopend,
een goeden naam verworven, maar ook die deelden later in het al-
gemeen verval.
Eenige herleving had er plaats, toen België onder het bestuur van
Oostenrijk kwam. Welvaart en geestkracht namen langzamerhand toe
en daarmee ook de belangstelling in onderwijs, kunsten en weten-
schappen. Maria Theresia werkte die verbetering door zedelijke en
geldelijke ondersteuning in de hand. Vooral de middelbare scholen
werden toen verbeterd. Zelfs werden lichamelijke straffen verboden en
een stelsel van openbare examens en belooningen ingevoerd, dat de
eerzucht wel wat sterk prikkelde. Ook werd er wel wat veel gere-
glementeerd om eenheid te krijgen; maar veel hiervan moest afstuiten
op den toestand, waarin België nog verkeerde. De verslapping was
niet op eens geweken; welvaart en geestkracht keerden niet op eens
terug. Zoover was België intusschen reeds herwaakt, dat het over
\'t algemeen deelnam aan de nieuwe beweging, die in de tweede helft
der zeventiende eeuw van Frankrijk uitging en zich in onderscheiden
landen deed gevoelen.
Met het lager onderwijs bleef het intusschen treurig gesteld. Op
het platteland werd slechts gedurende enkele wintermaanden onderwijs
gegeven. De kinderen leerden bijna alleen godsdienstige zaken op
een hoogst werktuiglijke manier. Daarmee was men ook vrij alge-
meen tevreden. De leerboekjes waren in een geheel verouderde
taal geschreven, en het lezen bleef niet zelden evenals het schrijven
geheel achterwege, terwijl daarentegen aan het zingen met het oog
op den kerkdienst wel iets werd gedaan.
Door den opvolger van Maria Theresia, keizer Jozef II, was van
den beginne af besloten, dat de schoolorde die in 1774 voor de
Duitsche staten van Oostenrijk was vastgesteld ook tot grondslag zou
dienen bij de regeling van het Belgische schoolwezen. Maar hij wilde
te veel op eens.
Hij had stellig goede bedoelingen bij al de veranderingen, die hij wilde
aanbrengen, maar gematigdheid was hem vresmd. Aan de geestelijk-
heid werd bevolen, de ornamenten der heiligenbeelden weg te nemen;
-ocr page 131-
127
hij schreef haar voor, op welke uren zij bidden zou, welke kleeren
zij dragen zou; optochten, bedevaarten, en lijkdiensten werden ver-
boden. Het burgerlijk huwelijk werd ingevoerd, echtscheiding geoor-
loofd en hij zelf werd feitelijk het hoofd der katholieke kerk in zijn
staten. Door al dergelijke maatregelen joeg hij de geestelijkheid tegen
zich in het harnas, die met een deel van het schooltoezicht was be-
last. En ook het volk verbitterde hij, door de kermissen en andere
vermakelijkheden af te schaffen. Ook bleef men bij de regeling van het
onderwijs stuiten op een aantal plaatselijke gewoonten en voorrechten
en op de armoede van vele kleinere gemeenten.
Frankrijk.
Het lager onderwijs kon in Frankrijk niet algemeen worden door
den treurigen maatschappelijken toestand, waarin het volk verkeerde.
Dit moest, zonder voorrechten of staatkundige vrijheid te genieten, al
de belastingen opbrengen en feitelijk ook voorzien in het onderhoud
van den adel. In de steden en de grootere dorpen was de toestand
iets beter en vele handwerkslieden en kleinhandelaars hadden er na-
tuurlijk behoefte aan eenig lager onderwijs. Wie te arm waren om
schoolgeld te betalen, moesten op de meeste plaatsen verstoken
blijven van het onderwijs. Het heeft op vele plaatsen tot ver in de
achttiende eeuw geduurd, voor men van overheidswege bepaalde, dat
behoeftige kinderen kosteloos onderwijs konden krijgen. Intusschen
was ook reeds omstreeks 1ÓOO de orde der Piaristeti gesticht, die zich
ten doel stelde, de behoeftige knapen van den beginne af goed te
leeren lezen, schrijven en rekenen. Deze orde heelt in de katholieke
landen eenig goeds tot stand gebracht, maar uit den aard der zaak
moest haar streven voor een deel afstuiten op den treurigen toestand
van het volk. Een heldere blik in de behoeften van het volk werd
door den stichter aan den dag gelegd, door als leervakken te noemen
lezen, schrijven en rekenen. En de orde heeft later de fout begaan,
in navolging der overige scholen, ook het Latijn op te nemen.
Ik vind melding gemaakt van drie soorten van lagere scholen. Men
had scholen, waarop de kinderen werden toegelaten, als zij zes of
zeven jaar waren, om dadelijk na het abc te leeren lezen in het Latijn
en verder behalve het schrijven bijna uitsluitend Latijn te leeren.
Zulke scholen waren zeer gewoon.
In de tweede plaats had men scholen, waarop de kinderen eerst
werden toegelaten, als zij zeven of acht jaar waren en het abc bene-
vens lezen in huis of op een kleine school hadden geleerd. Zulke
scholen vond men waarschijnlijk in de steden.
In de derde plaats had men vooral op grootere dorpen en kleine
steden scholen, die uit drie afdeelingen bestonden en waar de kinderen
ongeveer op hun zesde jaar werden toegelaten. In de eerste afdeeling
zaten zij, die met het abc bezig waren, in de tweede afdeeling de
-ocr page 132-
128
schrijvers en in de derde de latinisten. Ieder kind dus, dat gewoon
lager onderwijs wilde genieten op een eenigszins goede school, leerde
tevens Latijn. In dit opzicht nam bij de Franschen het Latijn de
plaats in, die bij ons door het cijferen werd ingenomen. En ook op
de Fransche scholen werd in een hoogere afdeeling meer schoolgeld
betaald. Het cijferen werd echter niet overal nagelaten. Het onderwijs
der meisjes werd meer verwaarloosd dan dat der jongens. Meestal
werd het in afzonderlijke scholen gegeven door geestelijke zusters. De
dochtertjes van rijkere ouders werden gewoonlijk in nonnenkloosters
opgevoed en onderwezen.
In 1628 heeft het Parlement te Parijs de gemengde scholen ver-
boden, en in 1688 werden strenge straffen vastgesteld tegen onder-
wijzers, die meisjes, of schoolvrouwen, die knapen als leerlingen
zouden aannemen.
Het onderwijs van kleine knapen werd dikwijls door geestelijken
gegeven, maar in andere gevallen door den minst onkundige van het
dorp, door een arbeider, die des zomers handenwerk verrichtte. Een
vergelijkend examen was iets zeer gewoons in Frankrijk en kwam
zelfs voor in gevallen , dat de aanstelling slechts voor een jaar gold.
Maar op een aantal kleinere plaatsen werd het kiezen van een onder-
wijzer aan de ouders overgelaten en was men reeds blijde, als zich
een eenigszins geschikt persoon opdeed voor weinig geld.
Waar de arme kinderen kosteloos onderwijs ontvingen, werd de
meester gewoonlijk schadeloos gesteld uit de gemeentekas. Als regel
kan men stellen, dat de meisjes uit de behoeftige klassen gedurende
de zeventiende eeuw verstoken bleven van onderwijs. Tegen het einde
der achttiende eeuw was het aantal kostelooze scholen voor jongens,
meestal opgericht door een geestelijke orde, vrij groot, en ook dat
der meisjes was aanzienlijk toegenomen.
Op de kleinere plaatsen, waar de school in den regel alleen des
winters werd gehouden, had men meestal geen afzonderlijk schoolge-
bouw, maar moest men zich behelpen met een schuur, waar het koud
was, of op zijn gunstigst met een woonkamer, die niet zelden te
klein was.
Waar het parlement te Parijs zich met het onderwijs bemoeide,
was het gewoonlijk om de rechten der geestelijkheid ten aanzien der
„kleine scholen" te handhaven tegenover de stedelijke overheid.
Terwijl de Jezuïten op de Fransche scholen den geest der scholas-
tieke wijsbegeerte wisten te behouden, en over \'t algemeen meer op
het uiterlijke dan op het innerlijke letten, konden zij hun standpunt
niet altijd zonder groote inspanning handhaven. Er ontstond namelijk
verzet in den boezem der Roomsche kerk zelf. Dit ging uit van Jansen
een Noordhollander, in 1585 geboren en van af 1630 hoogleeraar in
de bijbelkennis te Leuven. Hij wilde de wijsbegeerte geheel afscheiden
van de theologie en werd de vader van het Jansenisme, dat meer recht
liet wedervaren aan de eischen van het gemoed dan de Jezuïeten, die
-ocr page 133-
129
het Jansenisme met vuur en volharding bestreden en ook wederkeeng
door de Jansenisten werden aangevallen. Van denzelfden geest door-
drongen als Jansen was de vereeniging van Port-Royal, een abdij in
de nabijheid van Chrevreuse. Een lid van die vereeniging bewerkte,
dat jeugdige weezen in het gesticht werden opgenomen, en zoo ont-
stond spoedig een kostschool voor kleine kinderen, waarin deze
zouden voorbereid worden tot een Latijnsche school. Die voorberei-
dende school werd langzamerhand uitgebreid tot een school voor
hooger onderwijs, die zoozeer in bloei geraakte, dat zij als mede-
dingster kon beschouwd worden van de universiteit. Men had de
scholen in Parijs gevestigd, maar de Jezuïten wisten te bewerken,
dat zij moesten verplaatst worden naar de nabijheid van Chevreuse
en Versailles. Toch ging de vereeniging onvermoeid voort, en haar
roem bleef gehandhaafd. Zij gaf aan de moedertaal een goede plaats
bij het onderwijs, en om de voordeden der huiselijke opvoeding zoo-
veel mogelijk te verkrijgen, werden aan een onderwijzer nooit meer
dan 5 kinderen opgedragen. Doch in 1660 moesten de scholen ge-
sloten worden. Intusschen bleef de vereeniging nog invloed uitoefenen
door een reeks beroemde leerboeken, die zij had geschreven ten
dienste van de Latijnsche scholen.
Bij al die boeken en de geheele werkzaamheid valt op te merken,
dat men ijverig naar het goede zocht en er geen bezwaar in zag,
met den sleur te breken; men wilde het leeren aangenaam maken
en volgde het voorschrift: weinig regels maar veel oefeningen. Veel
zorg werd er aan besteed, den leerlingen te doen begrijpen, wat zij
moesten kennen. Toch bleef de vereeniging ver van een gezonde
opvoeding. Met de meeste zaken begon men veel te vroeg, en ter-
wijl men wilde voortbouwen op de wijsbegeerte van Descartes, bleef
men niet vrij van de fouten der scholastieke wijsbegeerte.
In 1679 werd door den abt De la Salie de eerste kostelooze school
voor jongens gesticht, en spoedig verrezen door zijn toedoen meer
dergelijke scholen vooral in het zuiden. Het onderwijs werd gegeven
door een orde, die De la Salie voor dat doel in \'t leven riep onder
den titel Broeders der Christelijke scholen. Het hoofdvak van die scho-
len was de godsdienst, maar men onderwees ook het lezen van ge-
drukte boeken en handschriften, spelling, spraakkunst, beleefdheids-
vormen, rekenen, teekenen, zingen en kennis van de voornaamste
burgerlijke wetten. — Bovendien richtten de broeders ook scholen
op, waarin aan leerjongens, die reeds op een ambacht waren, naast
godsdienst toegepaste meetkunde, teekenen, bouwkunde, enz. werden
onderwezen.
Het denkbeeld om bewaarscholen op te richten, die een opvoed-
kundige beteekenis hebben, is men verschuldigd aan Louise Scheppler
op een dorp in den Elzas. Zij hield kinderen tusschen 2 en 6 jaar
van behoeftige ouders nuttig en aangenaam bezig. Zij begon daarmee
in 1765 en werd bij haar arbeid zeer gesteund door den pastoor Oberlin.
9
-ocr page 134-
130
Voor de Fransche jeugd was niet zonder belang de verschijning
der fabelen van Lafontaine, waarvan de eerste zes boeken in 1668
verschenen. Die fabels maakten al aanstonds veel opgang en werden
ook aan de jeugd in handen gegeven. Leerde de jeugd die fabels
van buiten, zooals dikwijls het geval was, dan had zij ook voor
later jaren iets nuttigs opgedaan. Nu heeft men de fabelen zeer dik-
wijls in handen gegeven van kinderen, die te jong waren om zonder
veel verklaring de beteekenis van alle woorden en volzinnen te be-
grijpen, terwijl de verklaring meestal geheel achterwege bleef; maar
ook dan nog had de jeugd meer aan goede Fransche fabels dan aan
Latijnsche.
Charles Perrault, 1628—1703, staat in de Fransche letterkunde
bekend als stichter van een nieuwen tak letterkundige voortbrengse-
len: die der sprookjes. In zijn vertelsels van moeder de Gans deed
hij oude volksverhalen herleven. De sprookjes van Perrault hebben
stand gehouden tot heden.
De meest beroemde kinderwerkjes, die in Frankrijk op het laatste
der voorgaande eeuw verschenen, waren een verzameling tooneeb
stukjes en verhalen, die Berquin in 1782 en 1783 deed verschijnen
onder den titel van De Vriend der kinderen, 24 deeltjes. Fen aantal
van die verhaaltjes zijn ontleend aan het Duitsch en het Engelsch:
maar zoozeer had Berquin de stof omgewerkt, dat zijn Vriend der
Kinderen
vvederkeerig in het Duitsch werd vertaald en nagevolgd.
De verhalen zijn nu verouderd, doordat Berquin bijna niet anders
dan graafjes en marquisjes laat optreden, die te veel in navolging
hunner ouders leven en spreken, om natuurlijk te zijn.
Ook op het gebied der leerwijze was men in Frankrijk ijverig aan
het zoeken naar iets beters. Vooral Berthaud heeft in dit opzicht
veel nut gedaan. Het spellen werd door hem vermeden, maar hij
gebruikte toch veel zinledige lettergrepen. Men heeft echter in zijn
geest voortgebouwd en de eerste verbeteringen, in ons land ten aan-
zien van het leesonderwijs ingevoerd, zijn minstens evenveel aan
Frankrijk als aan Duitschland te danken. — Noefchateau, die een
onderzoek instelde naar de middelen om het eerste onderwijs te ver-
beteren, prees vooral aan, lezen en schrijven gelijktijdig te leeren.
-ocr page 135-
HET LAATST DER ACHTTIENDE EEUW.
Rousseau, 1712-1778.
Rousseau werd te Genève geboren en verloor reeds bij de geboorte
zijn moeder. De vader schijnt zijn kind wel bemind te hebben maar
niet verstandig genoeg geweest te zijn, om het een flinke opvoeding
te geven. Een aantal romans, door de moeder nagelaten, werden
door vader en zoon verslonden. De geheele nacht werd soms op die
wijze doorgebracht, en Rousseau was nog geen acht jaren toen de
romans op waren. Hij had daardoor een te vroege kennis van de
hartstochten opgedaan, zijn gevoel en verbeelding waren overprikkeld.
Vervolgens, las hij een aantal werken over geschiedenis, over natuur-
kennis en eenige goede werken op zuiver letterkundig gebied. De
levens der beroemde mannen van Plutarchus vormden onder dat alles
zijn geliefkoosde lectuur. Later werd hij bij een dorpspredikant be-
steed, die hem Latijn zou leeren. Rousseau bleef daar twee jaar.
Na een tusschenpoos kwam hij in 1725 bij een kopergraveur, waar
een ouder jong mensch hem liet stelen. Maar het beviel den knaap
hier niet en hij liep de wijde wereld in, met de grootste verwachting
van allerlei wonderbare lotgevallen, die ook niet uitbleven. Hij kwam
ontbloot van alle middelen bij een pastoor aan, die hem voor de
Roomsche Kerk wilde winnen en daartoe besteedde bij Mad. Warens
te Annecy. Door deze werd Rousseau op zijn 16de jaar in een
klooster gedaan. Hij verliet dit, toen hij katholiek was geworden,
zonder hulpmiddelen en zwierf vervolgens eenige jaren rond, gewoon-
lijk als bediende of lakei. Hij had gemakkelijk in een betere positie
kunnen komen, maar zijn wangedrag belette dit. In 1732 keerde
Rousseau terug bij Madame Warens, die inmiddels verhuisd was naar
Chambéry. Hier werd hij als een kind opgenomen en in de gele-
genheid gesteld, zich verder te bekwamen. Op voorstel van Mad.
Warens werd hij haar minnaar, welke gunst hij later moest deelen,
met een ander huisgenoot. Deze verhouding duurde onveranderd tot
1741. Toen werd Rousseau een jaar lang gouverneur te Lyon. Maar
dit beviel hem niet en hij keerde terug naar Mad. Warens, om kort
daarna in Parijs zijn geluk te gaan beproeven met de muziek; dit
leverde echter weinig op. In 1745 knoopte Rousseau betrekkingen
aan met een buffetmeisje, die zijn bijzit werd en waarmee hij tien jaar
voor zijn dood gehuwd is. Deze kennismaking was voor Rousseau
een groote ramp. Zij was wel goedaardig maar geheel onontwikkeld.
9*
-ocr page 136-
132
Feitelijk heeft Rousseau haar nooit bemind en overal bleef hij later
vergezeld van haar en haar ruwe moeder. Deze verbintenis gaf ook
aanleiding tot een der grootste misslagen, die Rousseau heeft begaan.
Vijf kinderen ontstonden uit de verbintenis, en die alle werden door
hem naar het vondelingshuis gezonden. Hij deelt dit zelf mee en
voegt er tot vergoelijking bij, dat ze niet goed konden opgevoed
worden in den dampkring, waarin hij verkeerde.
In zulke omstandigheden las R. de prijsvraag: of het herstel der we-
tenschappen en der kunsten er toe bijgedragen heeft, de zeden te ver-
beteren ? uitgeschreven door de akademie te Dijon. Hij besloot hierop
te antwoorden en wel in ontkennenden zin. Zijn antwoord, dat in
1749 verscheen, maakte hem op eenmaal tot een der meest beroemde
mannen van Europa: Van dat oogenblik af maakten al zijn werken
een zeer grooten opgang. Dit was bovenal het geval met een werk
over de opvoeding, dat onder den titel Emile verscheen in 1762.
Hierin wordt op den voorgrond gesteld, dat bestudeeren der kin-
deren een hoofdzaak is voor den opvoeder, en Rousseau heeft dat
gedaan met den doordringenden blik van het genie. Menige verkeerd-
heid in de opvoeding wordt hier aangewezen op een wijze, die bijna
elk lezer moet overtuigen. Het wordt gedaan met een vuur, dat zich
onwillekeurig meedeelt aan den lezer. Menig schrijver vóór Rousseau
had gezegd, dat de moeders zelf haar kinderen moesten zogen,
zonder dat het werd gedaan. Maar toen Rousseau met al de kracht
zijner welsprekendheid hetzelfde had betoogd, werd het terstond ge-
daan door duizenden moeders, die anders hun natuurlijken plicht
zouden verzaakt hebben. Dit doel bereikt Rousseau niet met groote
woorden, maar door tal van argumenten, die van grondige kennis
en een scherpe opmerkingsgave getuigen. Hij draagt daarbij de zaken
op zulk een eenvoudige en duidelijke wijze voor, dat hij het ver-
trouwen van den lezer wint.
Hiermee is de Emile in hoofdzaak gekenschetst: het boek kan ons
kinderen leeren kennen en bestudeeren, en het geeft wenken in zulk
een vorm, dat zij doordringen tot de ziel van den lezer. Dit laatste
is een hoofdzaak bij een opvoedkundig werk en bij elk boek, dat
den lezer moet leiden bij zijn handelingen. Ook gaf hij niet alleen
lessen, die reeds door anderen waren gegeven: hij zelf spoorde ze in
grooten getale op en voegde die bij wat Locke reeds had gegeven.
In geen boek vóór de Emile vindt men ten aanzien der opvoeding
zooveel kunst gepaard aan zooveel wetenschap.
Dit wil niet zeggen, dat het boek vrij is van fouten of onjuisthe-
den. Men vindt er niet alleen overdrijvingen in, maar zelfs ten aan-
zien van een hoofdzaak heeft Rousseau verkeerd gezien. Hij begint
met te zeggen: „Alles is goed, wanneer het uit de handen van den
Schepper komt, alles ontaardt in de handen der menschen." Hij
meent dus, dat de geheele aanleg van het kind bij zijn geboorte
ten goede neigt, en dat is onjuist. Elk mensch heeft bij zijn ge-
-ocr page 137-
133
boorte neigingen ten goede en ten kwade. De onderstelling van R.
is dus niet onjuister dan die waarvan men vóór hem uitging, nl. dat
de mensch van nature geheel bedorven is. Zelfs is de zijne voor de
opvoeding veel minder gevaarlijk dan de andere opvatting, die door
het Christendom was in \'t leven geroepen. De gebreken, die Rous-
seau verder bespreekt, zijn door hem zeer goed waargenomen. Voor
een deel daarvan wijst hij nauwkeurig aan, hoe ze door een ver-
keerde opvoeding worden in \'t leven geroepen. Van andere gebreken
mag het niet juist zijn, dat de volwassenen ze in \'t leven roepen
door de behandeling, waarvan R. het verkeerde aanwijst, het is
ongetwijfeld waar, dat ze gekoesterd werden op die wijze, en de
raad van Rousseau ten aanzien van hetgeen moet gedaan of nage-
laten
worden behoudt zijn volle waarde, ondanks de verkeerde on-
derstelling.
„De opvoeding geschiedt door de natuur, door de menschen of
door de voorwerpen rondom ons. De inwendige ontwikkeling van
onze vermogens en onze zintuigen is de opvoeding der natuur; het
gebruik, dat men er ons van leert maken, is de opvoeding door de
menschen; en wat we door eigen ervaring leeren ten aanzien van de
voorwerpen, waarmee wij in aanraking komen, is de opvoeding
door de dingen."
„Ieder van ons wordt dus gevormd door drie soorten van meesters.
De kweekeling, bij wien hun verschillende lessen elkaar tegenspre*
ken , wordt slecht opgevoed en zal het nooit eens zijn met zich zelven.
Hij, bij wien de lessen overeenstemmen, en een zelfde strekking
hebben , gaat op zijn doel af en leeft zonder inwendige tegenstrijdig-
heden. De laatste is wel opgevoed."
Daaruit heeft Rousseau het stelsel der natuurlijke straffen afgeleid,
dat we aan hem te danken hebben. Verder volgt uit het voorgaan-
de , dat een groot deel der taak van den opvoeder gelegen is in het
verwijderen van schadelijke invloeden, het afweren van menschen ,
die storend tusschen beiden zouden treden. De natuurlijke opvoeders
van het kind zijn de ouders, en met kracht dringt Rousseau er op
aan, dat ze die taak niet zullen overlaten aan anderen. Verder wil
hij een voorbeeld geven van wat naar zijne meening een goede op-
voeding is, en om nu alle tegenstrijdigheid op te heffen, kiest hij
daarvoor een wees, die geheel wordt toevertrouwd aan de zorgen
van een gouverneur. Deze wijdt een groot deel van zijn leven aan
den kweekeling. Ziehier een omstandigheid, die naar het inzicht
van sommigen het stelsel, zooals zij zeggen, van Rousseau omver-
werpt. Maar deze bewering gaat niet op. Wat de gouverneur doet,
kunnen de ouders doen, en Rousseau dringt er zelfs zeer sterk op
aan, dat zij hun taak niet zullen overdragen aan een ander. Kan
het kind niet geheel afgezonderd worden van de buitenwereld , dan
handelt men in overeenstemming met de wenken van Rousseau, als
men toch den omgang van het kind met andere menschen dan de
-ocr page 138-
134
ouders of den gouverneur zooveel mogelijk berperkt. Dit is voor
een onbevooroordeeld lezer de redelijke opvatting van de Emile.
Door niet aan te geven, hoe men handelen moet tegenover schade-
lijke invloeden van buiten, is de Emile onvolledig, maar Rousseau
maakt geen aanspraak op volledigheid.
Aan den anderen kant vindt men in het boek vele uitweidingen,
die niet rechtstreeks in verband staan met de opvoeding.
De algemeene beginselen worden verder toegepast op Emile en
daarbij krijgen we naast een en ander, dat gekunsteld is, veel nut-
tige wenken.
„Het is bij de opvoeding niet de vraag tijd te ivinnen, maar tijd
te verliezen,
zegt Rousseau. Hiermee was in een beknopten en ge-
lukkigen vorm een oordeel geveld over het onnatuurlijk vervroegen,
waaraan de opvoeding ten tijde van Rousseau in sommige opzichten
mank ging. Ten aanzien der ontwikkeling van het verstand is Rous-
seau bij de toepassing te ver gegaan. Wat de zedelijke opvoeding
betreft, zoo leidt Rousseau uit zijn verkeerde grondstelling ten op-
zichte van den aanleg der kinderen af, dat zij tot het twaalfde jaar
negatief zou kunnen zijn. Het is waar, dat er veel zou gewonnen
zijn, als het kind eerst bekend werd met de botsingen, die uit zede-
wetten en de onderlinge betrekking der menschen kunnen ontstaan,
wanneer zijn verstand reeds eenigszins ontwikkeld is. Maar ook in
dit opzicht zal een verschuiving tot het twaafde jaar, die Rousseau
uitvoerbaar acht, wel steeds onmogelijk blijken. Ook meent hij ten
onrechte, dat het hart van een kind nog ongevoelig is.
Ten aanzien der verstandelijke opvoeding kan men zeggen, dat
Rousseau de onschatbare verdienste bezit, van de oude methode te
hebben omvergeworpen.
In de oude school was alles afgetrokken ,
en het begin telkens nog wel het meest van al. Bij het lezen begon
men met de letters een voor een te laten opnoemen, maar de letters
zijn iets afgetrokkens. In de taalkunde begon men met een bepaling
van Spraakkunst en met bepalingen van letter- en woordsoorten. Bij
het rekenen stonden al weer bepalingen van afgetrokken dingen op
den voorgrond. In de aardrijkskunde begon men met het verstaflig-
gende, met de aarde en de 5 werelddeelen. Bij de meetkunde werd
geen aanschouwelijke grondslag gelegd voor de afgetrokken rede-
neeringen.
Tegenover die verkeerde handelwijze heeft Rousseau op schitte-
rende wijze in het licht gesteld, dat men met het aanschouwelijke
moet beginnen. Zoo duidelijk als men het slechts kan verlangen,
wordt betoogd, dat de aardrijkskunde moet beginnen met de woon-
plaats van den knaap.
Uitvoerig wordt betoogd, dat het teekenen moet beginnen met tee-
kenen naar de natuur en wegens hetgeen Rousseau zegt over de
manier om meetkunde te onderwijzen aan kinderen kan men hem
beschouwen als den vader der vormleer.
-ocr page 139-
135
Over het eerste leesondenvijs laat Rousseau zich niet uit. Maar
wel dringt hij er op aan, dat het gelezene zal begrepen worden.
Fabels zijn altijd te moeilijk voor kinderen. R. bekommert er zich
niet om, of Emile voor zijn vijftiende jaar zal kunnen lezen, maar
onderstelt, dat hij reeds op zijn tiende jaar zonder dwang zich zelven
zal hebben leeren lezen. Het beste boek voor jongens acht R. den
Robinson Crusoe.
Voor het aanvankelijk onderwijs in de ke?mis der natuur heeft
Rousseau de goede methode uiteengezet. Dit heeft hij ook nog uit-
voerig gedaan in zijn brieven over de plantkunde.
In overeenstemming met zijn overige denkbeelden wil Rousseau,
dat een kind niets zal vernemen omtrent godsdienst, aangezien het
er niets van begrijpen kan. Elke positieve godsdienst wordt boven-
dien afgekeurd en moet volgens R. plaats maken voor deïsme, voor
een soort van „natuurlijken godsdienst." Vóór het vijftiende jaar wil
R. zijnen kweekeling niets doen vernemen omtrent dien natuurlijken
godsdienst, en ook verder wil hij de keuze van den godsdienst aan
den kweekeling overlaten.
Ten slotte handelt Rousseau onder het opschrift Sophie over het
meisje en de vrouw. In dit opzicht staat hij in hoofdzaak op het
standpunt zijner tijdgenooten. De man, die zich in bijna elk opzicht
wist vrij te maken van vooroordeelen, was te veel Franschman om
helder te oordeelen over den toestand en de roeping der vrouw. Het
besef, dat zij de gelijke moet zijn van de man, was niet tot hem
doorgedrongen. Ook ten aanzien van bijzonderheden levert dit boek
weinig goeds op en ontmoet men menig vooroordeel.
Hoofdzakelijk doordat Rousseau geene gezonde begrippen had om-
trent het huwelijk, is ook zonder waarde een soort van vervolg,
dat hij op de Emile heeft geschreven en dat onvoltooid is gebleven.
Groot was de invloed door de Emile uitgeoefend. Ondanks alle
bestrijdingen werd het boek terstond door iedereen gelezen. Het
bracht letterlijk het geheele beschaafde Europa in opschudding. En
de meeste lezers werden zoo diep aangegrepen, dat de oude methode
en de gewone sleur voor goed hun gezag kwijt waren. De invloed
gold dus zoowel de praktijk van onderwijs en opvoeding als de theorie.
Dit wil niet zeggen, dat op eenmaal overal niet de sleur werd ge-
broken. Er was meer dan een halve eeuw noodig, voor dat het
goede was afgescheiden van het kwade, het bruikbare van het on-
bruikbare en voor dat het goede overal in de theorie en de praktijk
was doorgedrongen. En dan denken we niet eens aan de achter-
blijvers. Maar zoo diep was van den beginne af de indruk door de
Emile gemaakt, dat zelfs zijn hevigste bestrijders onwillekeurig eenige
goede denkbeelden van hem overnamen.
-ocr page 140-
136
De philanthropisten.
In het laatste vierendeel der achttiende eeuw werd Duitschland in
beweging gebracht door eenige opvoedkundigen, die vooral de denk-
beelden van Rousseau wilden toepassen en bekend zijn onder den
naam philanthropisten.
Zij gingen evenals Rousseau van het denkbeeld uit, dat de opvoe-
ding den natuurlijken aanleg van den mensch moet ontwikkelen en
het lichaam evenzeer moet omvatten als den geest. Het kind moet
opgevoed worden tot mensch. Met allen sleur op het gebied van het
onderwijs en de opvoeding moet gebroken worden. De harde tucht
moet verdwijnen; bij het leeren is dwang onnoodig. De leerstof moet
het kind ook voor zijn volgend leven nut aanbrengen. De talen, die
men tot dusverre als doel heeit beschouwd, zijn slechts middel. Ook
ten aanzien van den godsdienst wilden zij de begrippen van Rousseau
toepassen. Aan de kinderen werden eenige algemeene begrippen
omtrent God en onsterfelijkheid ingeplant: een soort van „godsdienst
boven geloofsverdeeldheid." De leer van bepaalde kerken werd niet
verworpen maar alleen geschikt geacht voor lateren leeftijd. De op-
wekking tot ijver moest geschieden volgens een uitgebreid stelsel van
belooningen en aanmoedigingen. Er was een zaak, ten opzichte
waarvan zij een tegenstelling vormden met Rousseau. Terwijl deze
eerst laat wilde aanvangen met het geregelde onderwijs, begonnen
de philanthropisten er reeds vroeg mee. Zij hadden in het voetspoor
van Comenius de methoden van onderwijs bestudeerd en meenden
nu met hun handelwijze wonderen te zullen verrichten. Ook ten aan-
zien der gehoorzaamheid verschilden zij van Rousseau, doordat zij
haar bij het kind noodig achtten.
De stichter van het philanthropisme is Basedow; 1723—1790. Op-
geleid tot theoloog, heeft hij ook veel geschreven over godsdienstige
geschilpunten. Hij werd een aanhanger van den natuurgodsdienst en
kwam zoodoende te zeer buiten de kerk, om op dat gebied blijvend
werkzaam te zijn. Al spoedig trad hij clan ook als onderwijzer op.
Eerst werd hij gouverneur, later leeraar aan een ridderacademie, van
waar hij om zijn godsdienstige meeningen naar een gymnasium werd
verplaatst. Het verschijnen van de Emile deed hem het besluit vatten,
de hervormer te worden van het Duitsche en zoo mogelijk ook van
het Europeesche schoolwezen. Hij wilde de denkbeelden van Comenius
ten aanzien der onderwijskunde en die van Rousseau ten opzichte der
geheele opvoeding in praktijk brengen. In 1768 richtte hij in een
geschrift het woord tot „Menschenvrienden en Vermogende mannen,
die invloed hadden op het onderwijs." Hierin werd het plan van een
leerboek voor eerslbeginnenden omschreven, dat hij niet kon uitgeven
zonder hulp van vermogende menschenvrienden. Zijn denkbeelden
vonden terstond van alle zijden bijval. Nog voor dat het boek geheel
-ocr page 141-
137
verschenen was, had hij 7000 thaler als hulp bij zijn onderneming
ontvangen en spoedig was hij in het bezit van 15000 thaler. Intus-
schen was reeds ten jare 1770 het „Methodenboek voor vaders en
moeders van huisgezinnen en volken" verschenen, waarin hij bewijzen
zou, dat zoowel de openbare als de huiselijke opvoeding niet over-
eenkwamen met de behoeften en inzichten van zijn tijd. Verder
werden hierin de denkbeelden van Rousseau ontvouwd. Hij zegt
echter nadrukkelijk: „Het beste is, een kind met andere kinderen op
te voeden. Zijn niet de wederkeerige plichten van personen met gelijke
rechten, die waarin de meeste oefening noodig is?" Hij acht het ook
noodig om reeds ten minste voor het tiende of twaalfde jaar met de
kinderen over de voorzienigheid Gods te spreken. Zoowel voor de
opvoeding als het onderwijs acht hij schilderijen en kopergravures van
groot belang. Van het begin van het zevende jaar tot het einde van
het achtste jaar moet de leeftijd zoo verdeeld worden, dat het kind
tweemaal zooveel in de Fransche taal hoort, leest en spreekt als in
de Duitsche. Van dan af tot het einde van het twaalfde jaar moet
de helft van den tijd aan het Latijn besteed worden. Vervolgens
moeten tot in het vijftiende jaar die drie talen gelijke rechten hebben.
Het onderwijs in spraakkkunst wil Basedow op den achtergrond
schuiven. Toch is hij reeds door het voorgaande in de fout van het
onnatuurlijk vervroegen gevallen, waarvoor Rousseau zoo nadrukkelijk
en zelfs met overdrijving heeft gewaarschuwd. In een ander opzicht
bewandelt Basedow denzelfden dwaalweg als Rousseau, door op den
voorgrond te stellen, dat het meisje moet opgevoed worden om later
den man bevallig te zijn.
Reeds in 1771 werd Basedow naar Dessau beroepen, om er de
denkbeelden van het Methodenboek in toepassing te brengen. Hier
verscheen nu in 1774 het leerboek voor de beginselen (EIementar-
werk), dat de toepassing van de vroegere theorie was. Het bevatte
in 4 deelen „een geordenden voorraad van alle noodige kennis voor
het onderwijs der jeugd van het begin tot de toelating op de aka-
demie. Het zou tevens nuttig zijn voor ouders, meesters en allen,
die hun kennis wilden uitbreiden. Bij het werk behoorden ÏOO bla-
den met kopergravures. Het zou de orbis pictus van de achttiende
eeuw zijn. Het moest het kind kennis van zaken en woorden ver-
schaffen ; het zou de kinderen volgens een voortreffelijke en beproefde
methode leeren lezen; het zou hun kennis der natuur verschaffen en te-
vens onderwijzen in zedeleer, zielskennis en den natuurlijken godsdienst.
Het zou een onpartijdige voorstelling geven van allerlei godsdiensten
en kennis van de maatschappij, den handel, enz. aanbrengen.
In 1775 werd te Dessau de school geopend, waarin de denkbeelden
van Basedow zouden toegepast worden en die den naam plnlanthropi-
num
kreeg. De vorst van Dessau gaf voor dat doel flinke gebou-
wen en tuinen en bovendien 12000 thaler. In die scholen zouden
„rijke kinderen voor veel geld tot menschen en arme kinderen voor
-ocr page 142-
138
weinig geld tot onderwijzers worden opgeleid. Ook werd aan be-
paalde dagen op den stand van de ouders der leerlingen gelet, terwijl
op andere dagen gelijkheid heerschte.
De school maakte spoedig opgang. Een publiek examen, dat 17
maanden na het begin van \'t onderwijs plaats had, werd met veel
marktgeschreeuw aangekondigd, maar voldeed zeer goed. Vooral
was menigeen verbaasd over den omvang der kennis van jeugdige
leerlingen. Ook was reeds de omstandigheid, dat het meededen der
leerstof vervangen was door de socratische leerwijze, een zeer groot
voordeel. Het streven van Basedow vond steun bij allerlei geleerden
en hooggeplaatste ambtenaren en spoedig verrezen philanthropinums
in tal van Duitsche plaatsen. Men moet de philanthropinums be-
schouwen als grootsche proefnemingen op het gebied der kostscholen.
En zelfs Basedow zag zich al spoedig verplicht, veel te wijzigen.
Ook was het geheel in vele opzichten te gekunsteld, om duurzaam
stand te houden. Bovendien was Basedow te twistziek, te onver-
draagzaam, om lang met anderen samen te werken. Hij zag zich
dan ook reeds in 1778 verplicht, het philanthropinum te Dessau aan
anderen over te laten. Van dit oogenblik af kwam het telkens in
andere handen, wat veel bijdroeg tot het verval en de opheffing in
1793. Met de meeste andere philanthropinums ging het niet beter.
Maar zij hebben gezamenlijk zeer veel bijgedragen tot verbetering
der leerwijze, tot het toepassen eener zachtere tucht en tot verande-
ring der leerstof.
Zoo ontstonden vooral door toedoen der philanthropijnen een aan-
tal scholen, waarin men er op uit was, het eerste leesonderwijs
aangenaam te maken en tevens de kinderen in korten tijd te lee-
ren lezen.
Een groote verbetering was ook de invoering van het schoolbord,
waarop met krijt werd geschreven. Dit had in het laatst der 18de
eeuw plaats op al de beter ingerichte Duitsche scholen. Gewoonlijk
ging het gebruik van zulk een schoolbord gepaard met de invoering
van klassikaal onderwijs. Ter zelfder tijd maakte men op sommige
Duitsche scholen gebruik van leesmachines. Het eerst geschiedde dat
in 1773 op een philanthropinum.
Als schrijver heeft zich onder de philanthropisten het meest ver-
dienstelijk gemaakt Ca?npe, 1746—1818. Deze was eerst veldprediker
Ie Potsdam, had daarna toezicht op het philanthropinum te Dessau,
richtte zelf zulk een school op nabij Hamburg en werd vervolgens
door den Hertog van Brunswijk met andere mannen belast met de
hervorming van het schoolwezen aldaar. Door allerlei hindernissen
ontmoedigd, trok hij zich terug uit het openbare leven om als
boekhandelaar en schrijver werkzaam te zijn. Van 1785 tot 1791
gaf hij met behulp van eenige andere mannen uit: Algemeine Revi-
sion des gesammten Schul-und Erziehungsivesens,
(16 deelen.) Hierin
worden sommige onderdeden der opvoedkunde zooals de eerzucht
-ocr page 143-
139
en het bewaken der geslachtsdrift uitvoerig behandeld. Zaken van
algemeenen aard zooals het doel der opvoeding worden op een wijze
behandeld, die niet vrij is van gerektheid, en terwijl alles in den
geest van Rousseau is, mist het werk over \'t geheel het boeiende
van Rousseau\'s geschriften. Intusschen heeft men zich niet bepaald
tot het weergeven of uitbreiden van Rousseau\'s denkbeelden, maar
met de praktijk voor oogen heeft men zijne stellingen van alle kan-
ten beschouwd en kritiek geleverd.
Den meesten invloed heeft Campe uitgeoefend door zijn nieuwe
kinderbibliotheek
en zijn reisbesclirijvingen voor de jeugd. Hierdoor
bracht hij een groote verbetering tot stand , maar hij heeft op onder-
scheiden plaatsen te veel toegegeven aan de zucht om zedelessen uit
te deelen en beschouwingen over dingen te leveren, die terecht niet
in den smaak der kinderen vallen. Deze gebreken komen vooral
uit in zijn bewerking van den Robinson Crusoe, die in 1779 ver-
scheen en in 1850 een 42sten druk beleefde.
Campe\'s werken voor de jeugd zijn alle of bijna alle in het Ne-
derlandsch vertaald.
Op het gebied der praktijk is onder de philanthropijnen het meest
tot stand gebracht door Saltzmann, 1744—1811. Deze was eerst
predikant, werkte drie jaar aan de inrichting te Dessau en richtte toen
zelf een philanthropinum op te Schnepfenthal nabij Gotha. Saltzmann en
zijn medewerkers hebben het best de kunst verstaan om de denk-
beelden van Rousseau in overeenstemming te brengen met de prak-
tijk, en hieraan is toe te schrijven, dat van alle philanthropinums
alleen dat te Schnepfenthal tot heden is blijven bestaan.
Ook als schrijver heeft Saltzmann met vrucht gewerkt. Reeds in
1780 verscheen zijn Kreeftenboekje, waarin op ironischen toon wordt
aangewezen, hoe men kinderen niet moet opvoeden.
Verschillende werken van Saltzmann zijn in onze taal overgezet.
Zelfstandig naast de philanthropisten en evenzeer in den geest van
Rousseau werkte een Pruisisch edelman. Dit was Von Rochoiv, _die_
in drie dorpen van de provincie Brandenburg, welke zijn \'gebied vorm-
den, niet alleen zorgde voor goede schoolgebouwen, maar ook de
onderwijzers zelf vormde en de leiding der scholen op zich nam.
Bovendien schreef hij schoolboeken, waarvan vooral de in 1776 ver-
schenen Kindervriend beroemd is geworden. Dit boek is ook door
velen nagevolgd. Von Rochow beperkte het godsdienstonderwijs zon-
der zoover te gaan als Rousseau. Hij liet onderwijzen wat hij een
Christendom boven geloofsverdeeldheid achtte. Vooral wijdde hij zijn
zorg aan het onderwijs in de moedertaal. Ook werd het eerst op zijn
scholen en bij Basedow uit het hoofd gerekend, waarbij men vraag-
stukken uit het dagelijksch leven nam. Strikt genomen hebben we hier
nog met cijferen uit het hoofd te doen, evenals in twee handleidin-
gen voor het hoofdrekenen, die in 1790 en 1797 verschenen.
-ocr page 144-
140
Verbeteringen in Nederland.
Prijsvragen.
In 1761 werd door de Hollandsche Maatschappij van Wetenschap-
pen een prijvraag uitgeschreven over de lichamelijke opvoeding. De
twee antwoorden daarop ingekomen verschenen een jaar later. In
het beste daarvan was veel overgenomen uit Rousseau.
In 1763 schreef dezelfde Maatschappij een prijsvraag uit over de
opvoeding van verstand en hart.
Daarop kwamen 5 antwoorden in,
waarvan 3 vrij goed.
In 1787 verscheen nog een zeer goed antwoord op de vraag naar
het nut der zielkunde en de middelen om deze wetenschap vooruit
te brengen.
Nog een paar andere prijsvragen, die meer of min het onderwijs
betroffen, werden uitgeschreven door de Holl. Maatschappij. Van
grooter beteekenis was echter met het oog op den treurigen toestand
der scholen het volgende.
In 1779 werd door het Zeeuwsche Genootschap der Wetenschap-
pen als prijsvraag uitgeschreven: Welke verbetering hebben de ge-
mee ne of openbaar e vooral de Nederduitse/ie Schooien, ter meerdere
beschavinge onzer Natie nog wel nodig f Hoe sou die op de voordee-
ligste wijze kunnen ingevoerd, en, op een bestendigen voet onderhou-
den worden f
Op deze vraag kwamen verschillende antwoorden in,
waarvan ten jare 1780 drie bekroond werden. De schrijvers van
deze drie antwoorden waren H. J. Krom, Hoogleeraar in de Kerke-
lijke Geschiedenissen en Predikant te Middelburg, K. van der Palm,
Fransen en Nederduitsch Kostschoolhouder te Delfshaven, en D. C.
van Voorst,
Predikant te Catzand.
Al komen in de antwoorden een aantal aanwijzingen voor , die
zeker tot gedeeltelijke verbetering zouden geleid hebben, als men ze
had opgevolgd, zoo is toch de groote waarde van de verhandelingen
hierin gelegen, dat zij aan zeer velen in den lande de oogen open-
den voor den werkelijken toestand.
In 1775 schreef Het Haagsche kunstgenootschap als prijsvraag uit:
Welke is de beste opvoeding der jeugd ten nutte van het gemeenebest?
Dit gaf Van der Palm aanleiding het reeds vroeger door hem behan-
delde onderwerp nog eens in dichtmaat te bespreken.
In 1790 schreef het Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Kunsten
en Wetenschappen een prijsvraag uit over de voor- en nadeelen der
openbare eu huiselijke opvoeding, tegen elkander vergeleken,
die in
1793 werd beantwoord.
Van Alphen.
Van Alphen, in 1746 te Gouda geboren en overleden in 1803,
-ocr page 145-
141
wordt in de geschiedenis onzer letterkunde genoemd als een der eer-
sten , bij wie de invloed der nieuwere Duitsche letterkunde zich deed
gevoelen.
Hij zocht vooral het gevoelige en godsdienstige der Duitschers ten
onzent ingang te bezorgen. Van zijn verschillende werken is tot zijn
eigen verrassing het meest beroemd geworden een verzameling kin-
dergedichtjes. Vooral na het verlies zijner echtgenoote had hij zich
veel met zijn kinderen beziggehouden. Daarbij waren de Duitsche
versjes van Weisse en Burmann hem bij het lezen zeer bevallen. Deze
gedichtjes hebben van Alphen meermalen „op den weg geholpen"
zooals hij zelf zegt, stof geleverd zouden we kunnen zeggen voor
Nederlandsche gedichtjes. In elk geval zijn de versjes van Van Alphen
door en door Nederlandsch, en waar de stof door hem ontleend is
aan onze naburen, gaat hij gewoonlijk halverwege reeds zijn eigen
gang. Het Nederlandsche versje wint het dan ook soms van het
voorbeeld. Een andermaal is Van Alphen minder gelukkig dan de
Duitsche dichter.
Eenige versjes van v. Alphen zijn niet kinderlijk, een groot deel
der Duitsche gaan aan \'t zelfde euvel mank. Maar de verschijning
van het bundeltje kindergedichtjes in 1780 was een gebeurtenis van
belang. De versjes van v. Alphen stonden zoo verre boven de Ne-
derlandsche kinderversjes, die vroeger verschenen waren, dat iedereen
terecht verrukt was. Ook ontmoet men er nog al eens het een en
ander in, dat voor ons te deftig is, te afgemeten; maar voor de
menschen der achttiende eeuw waren die zelfde versjes zonder twijfel
meesterstukken van ongedwongenheid.
Elisabeth Bekker
werd in 1738 te Vlissingen geboren. Zij had nog geen harer groote
werken geschreven, toen zij in 1780 een Proeve over de Opvoeding,
aan de Nederlandsche moeders
voor de pers gereed had. Dit boekje
was spoedig uitverkocht en heeft ongetwijfeld eenig nut gesticht.
De schrijfster heeft denkbeelden van Rousseau, getoetst aan eigen
oordeel en ervaring, onder Nederlandsche vrouwen bekend gemaakt.
Zij is in meer dan een opzicht meegesleept door de bezieling van
Rousseau. Toch heeft zij minder overdreven; dit geldt bv. het ver-
schuiven van het begin van den leertijd. En hierdoor is zij ten on-
rechte tot de meening gekomen, dat zij in hoofdzaak verschilde van
Rousseau.
In het eerste deel van haar Geschrift ee7ier bejaarde vrouiv vindt
men nog meegedeeld, hoe deze haar dochtertje had opgevoed. Als
voorbeeld eener zorgvuldige behandeling, als opwekking ten goede
heeft dat werk eenige verdienste; maar we behoeven er niet verder
bij stil staan. In het tweede deel vindt men nog een hoofdstuk met
-ocr page 146-
142
den titel: „Bedenkingen over de opvoeding van jonge juffrouwen."
Ze is wel wat heel bevreesd, dat geleerdheid ongeschikt zal maken
voor de huishouding.
Verder leverde Mevr. Wolff-Bekker een Hollandsche bewerking
van Raffs Aardrijksbeschrijving voor kinderen. Bovendien ver-
taalde zij Mevr. de Genlis\' Adèle en Theodore, dat brieven over
de opvoeding bevat, en in 1787 verscheen van hare hand: „De
gesprekken met Emilia, uit het Fransch vertaald, naar den vierden
druk. Twee deelen." De strekking van het laatste is, door voor-
beelden te doen zien, hoe men in den vorm van gesprekken en
grootendeels occasioneel een kind velerlei kennis en allerlei zedelijke
begrippen kan bijbrengen.
Hendrik Wester, 1752—1821.
Wester is te Garmerwolde in de provincie Groningen geboren.
Van 17- tot 20-jarigen leeftijd was hij winkelbediende; daarna werd
hij onderwijzer te Ten Boer. In 1784 vertrok hij als zoodanig naar
Oude Pekela, waar hij bleef tot aan zijn dood. Reeds in 1780 was
hij begonnen betere schoolboeken in het licht te zenden. In dit op-
zicht gaf hij het voorbeeld. Hij vervaardigde achtereenvolgens ver-
beterde spel- en leesboekjes, schoolboekjes over de Nederlandsche
taal,
over Vaderlandsche, Alge mee ne en Bijbelsche geschiedenis; hij
gaf een Nieuw Schriftuurlijk Schoolboek en betere gezangen en ge-
beden
voor de school. De school van Wester was terecht in het
oog van velen een modelschool, en steeds was hij bereid, anderen
met raad en daad bij te staan. Hiertoe was hij vooral in de gelegen-
heid, toen hij in 1801 schoolopziener werd. Aan zijn kunde en zijn
ijver heeft de provincie Groningen veel te danken. Wester was vooral
de man der praktijk, en men kan zijn arbeid het best kenschetsen
door te zeggen: hij trachtte niet wat nieuws te leveren, maar het
bestaande te verbeteren. Van een nieuwe leesleerwijze is dan ook
bij Wester geen sprake. Hij zorgt, dat de sprongen vermeden worden
die men vroeger maakte, en weet, dat men, tot kinderen sprekende,
zich richten moet naar de vatbaarheid van kinderen. Hij wil op hun
begrip en hun gevoel werken. Zijn leerstof is nog voor een groot
deel van godsdienstigen aard, zoodat zijn streven om duidelijk te
zijn voor een niet onbelangrijk deel moest afstuiten op het afgetrok-
kene van den inhoud. De kinderen van Wester zijn nog braver
dan die van Van Alphen.
Een aantal boekjes van Wester hebben het langer dan een halve
eeuw uitgehouden en beleefden nog herdrukken, toen ze reeds kon-
den vervangen worden door betere.
Schneither.
Van 1790 af was Schneither, kostschoolhouder te Leiden, bezig
-ocr page 147-
143
om op een geheel anderen voet dan men tot dusverre bij ons ge-
woon was het lezen te leeren. In 1796 gaf hij zijn nieuwe leerwijze
uit, waarin hij op het voetspoor van Duitschers en Franschen het
eerste onderricht door aanschouwing aangenaam en gemakkelijk
maakte.
Door die „Nieuwe leerwijze, om kinderen binnen zeer korten tijd
te leeren lezen en denken" heeft Schneither in Holland den eersten
grond gelegd voor de klankmethode. Dit boekje is vele malen her-
drukt en door anderen gewijzigd en verbeterd.
J. H. Nieuwold, 1737—1812.
Opgewekt door de antwoorden op de prijsvraag van het Zeeuw-
sche Genootschap en begaan met den treurigen toestand der school
te Warrega, waar Nieuwold predikant was, stelde hij zich op de
hoogte van wat er in het buitenland en bij ons over de verbetering
van het onderwijs was geschreven. Zoodoende deed hij een betere
manier op om de kinderen te leeren lezen, en hij paste die zelf toe.
Vele kinderen en oudere menschen kwamen dagelijks bij hem aan
huis en leerden op hoogst aangename wijze in korten tijd lezen en
schrijven. Anderen hielp hij in hun eigen huis, en op die wijze was
Nieuwold meer dan 20 jaar onvermoeid bezig. Onderwijzers en
ouders uit andere dorpen kwamen hem bezoeken, om zijn leerwijze
over te nemen. Ook werd zijn huishoudster, die zeer vertrouwd was
met de leerwijze, naar verschillende plaatsen gezonden, om de men-
schen in te lichten.
In 1801 werd Nieuwold tot schoolopziener benoemd. Als zoodanig
oefende hij veel invoed ten goede uit, niet alleen in zijn eigen distrikt,
maar ook in dat van andere schoolopzieners, die hem om raad vroe-
gen of onderwijzers aanraadden, zich tot Nieuwold te vervoegen. —
In deze betrekking was Nieuwold werkzaam tot aan zijn dood in 1812.
Zien wij nu, hoe hij door middel van de drukpers werkte. In de
eerste plaats was hij ijverig in de weer tot verbetering van het aan-
vankelijk leesonderwijs. Hij liet eerst de klinkers leeren en daarna
eenige medeklinkers, die dan terstond met klinkers verbonden werden
tot woorden van beteekenis. De medeklinkers werden niet op zich zelf
genoemd, maar, evenals men dat in Duitschland deed op het laatst
der achttiende eeuw, onmiddellijk verbonden met klinkers. Ook bij
hem werd dus de beteekenis van een medeklinker gekend door den
invloed, dien hij had, als hij bij een klinker stond.
Daarbij gaf hij aan de kinderen letters in handen, waarmee ze
woorden moesten vormen.
Met een nieuwe leerwijze hebben we hier niet te doen: Nieuwold
paste zelfstandig toe, wat men in Frankrijk en Duitschland besprak
en uitvoerde. Ook wat Schneither te Leiden deed, werd door Nieu-
wold gevolgd.
-ocr page 148-
144
Het vermijden van het spellen was bij Nieuwold slechts een onder-
deel van de verbetering. Op den voorgrond stond, dat het eerste
onderwijs spelende moest gegeven worden, en om dit te kunnen
doen, was het in de eerste plaats noodig, het gebruikelijke spellen
af te schaffen. Hiermee waren de kinderen soms twee jaar bezig,
voor zij redelijk konden lezen, en sommigen leerden op die manier
nooit lezen. Leerde men de kinderen zonder spellen, al pratende
het lezen, dan leerden zij dit in zeer korten tijd.
Om verder het leeren aangenaam te maken, kunnen prentjes in de
eerste leesboeken dienen, terwijl men aanvankelijk niets neemt dan
korte eenvoudige zinnetjes, geen lettergrepen zonder beteekenis. Zelfs
alleenstaande woorden vallen niet in den smaak van Nieuwold.
Letten we nu op zijn „Spelend ondenvijs\'\' Hier vindt men op
elke bladzijde een aantal plaatjes. Aan den eenen kant van zulk een
plaatje staat in kleinere letters de vraag, die de onderwijzer moet
doen ; aan den anderen kant met grootere letters het antwoord, dat
de leerling moet geven. De eerste vraag luidt: Wat deedt gij, toen
oom u den koek gaf? en het antwoord moet zijn: ik at. Dit laatste
moet het kind dus lezen, terwijl de vraag dient, om hem het lezen
gemakkelijk te maken. Van sommige antwoorden moet slechts een
deel door het kind gelezen worden. B.v. op de vraag: „Hoe meet
men het linnen ?" moet het antwoord luiden : „met de el" en hiervan
is alleen het woord el met grootere letters gedrukt. Op vele vragen
kan natuurlijk het antwoord in verschillende vormen gegeven worden.
Op die wijze leerden de kinderen vrij goed lezen zonder de letters
op zich zelf goed te kennen. We zien dus, dat de vroeger door
Nieuwold gebruikte boekjes met letters langzamerhand ook bij hem
zelf in onbruik zijn geraakt.
Evenals Barthaud, Schneither en de Duitschers was Nieuwold eerst
ook voor het zeer vroegtijdig leeren lezen. De meesten achtten het
raadzaam, daarmee op het vierde jaar te beginnen. Toch was steeds
het leeren lezen bij Nieuwold slechts bijzaak: verstandsontwikkeling
was hoofdzaak. En toen men later andere middelen aan de hand
deed, om den geest van kleine kinderen te ontwikkelen, liet hij het
lezen later beginnen.
Nieuwold heeft evenals Schneither veel bijgedragen tot invoering der
klankmethode op de Nederlandsche scholen. De invloed van Nieuwold
is ten aanzien van het eerste leesonderwijs hoofdzakelijk tot Friesland
beperkt gebleven, daar hij meer mondeling dan bij geschrifte de on-
derwijzers op de hoogte van zijn leerwijze heeft gebracht.
Verder gaf Nieuwold nog een geheele reeks leesboekjes, die voor
een zeer groot deel een godsdienstigen inhoud hebben, zoodat hij bij
al zijn streven om kinderlijk en duidelijk te zijn, op vele plaatsen en
in geheele boekjes veel te afgetrokken is. Op vele onderwijzers heeft
Nieuwold den meest heilzamen invloed uitgeoefend. En in deze rich-
ting moeten wij zijn beteekenis zoeken. Een ontdekker was hij in
-ocr page 149-
145
geen enkel opzicht. Hij staat in dit opzicht naast Wester en niet
tegenover dezen, zooals sommigen meenen. Nieuwold heeft het
spellen helpen verdrijven, terwijl Wester een haneboek en spelboekjes
had gegeven. Maar Nieuwold trad na Wester op, en was in zijn
verbeteringen niet oorspronkelijk. Het spelende in \'t onderwijs was
door de philanthropijnen uitgewerkt.
De Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen
werd in 1784 opgericht door Jan Nieuwenhuizen, predikant te Edam.
Eerst was ze hoofdzakelijk een plaatselijke vereeniging, maar reeds
in \'t volgende jaar kreeg ze een algemeen karakter en werd de
hoofdzetel verlegd naar Amsterdam.
Het hoofddoel, dat men zich van den beginne af voorstelde was
„Beschaving van hart en verstand, verbetering van de minder ont-
wikkelde volksklasse." Voortdurend is in het oog gehouden, dat
verbetering van \'t onderwijs een der voornaamste middelen was om
dat doel te bereiken.
Verder zorgde ze voor een geheele reeks schoolboeken, ze gaf
handleidingen ten dienste van onderwijzers, ze richtte modelscholen
op, ze bevorderde het schoolgaan van onvermogende kinderen en
droeg zorg voor de opleiding van onderwijzers. Zij heeft in ons
land de eerste kweekscholen opgericht te Amsterdam, Haarlem, Gro-
ningen en Leiden.
De handleidingen ten dienste van onderwijzers waren meestal voor
dien tijd zeer goed. De Maatschappij beging intusschen de fout van
een spelboek uit te geven, en ook haar eerste schoolboeken op het
gebied van het taalonderwijs dragen nog geheel den stempel der oude
methode. Daarentegen leverde ze eenige zeer goede leesboeken,
waarvan de Geschiedenis van Jozef door Hulshoff den meesten op-
gang heeft gemaakt.
Vatten wij nu ons oordeel over de geschriften samen, dan kunnen
wij zeggen: met de schoolboekjes bewoog de Maatschappij zich
meestal in een goede richting, zonder geniale grepen te doen. De
stijl was beter dan die van vroegere leerboeken. De leerstof was
ook voor een deel beter, maar zij was nog te veel van godsdien-
stigen aard. De beteekenis van het aanschouwelijke werd nog wei-
nig begrepen ; daarentegen streefde men er naar, het leeren aange-
naam te maken en zich te schikken naar de vatbaarheid der leerlingen.
Niet een scheppend maar een aanvullend optreden kenmerkte in
\'t algemeen de werkzaamheid der Maatschappij. Ook waar zij de
eerste was, zooals bij de oprichting van kweekscholen, wachtte ze
slechts op een geschikte gelegenheid, om de taak over te dragen
aan wie er zedelijk of wettig toe verplicht was.
Een deel van haar bemoeiingen bestond dan ook hierin, dat ze de
regeeringspersonen trachtte over te halen, veel zorg te besteden aan
IQ
-ocr page 150-
146
het onderwijs. Toen men in Frankrijk ijverige maar vergeefsche po-
gingen aanwendde om een nationaal schoolwezen in \'t leven te roe-
pen, trad ook de Maatschappij in dien geest op. Door de omwen-
teling van 1795 was in ons land een algemeene regeling mogelijk
geworden. Ook hadden daarbij de mannen gezegepraald, wier stre-
ven het was, de school te scheiden van de kerk.
De Fransche omwenteling.
De Fransche omwenteling moest door de groote verwarring, die
er aanvankelijk ontstond, in het eerst ongunstig werken op het on-
derwijs. Ook verlieten vele geestelijken, die zich aan de opvoeding
wijdden, gedwongen of vrijwillig Frankrijk. Maar in 1790 werd be-
paald, dat men een nationaal onderwijs in het leven zou roepen,
dat kosteloos zou zijn voor zoover het de kundigheden omvatte,
die noodzakelijk zijn voor iedereen. Zoo ging het met de verschil-
lende elkaar opvolgende regeeringen, zonder dat het tot een uitvoe-
ring kwam. Ook was men het niet eens over het verplicht maken
van \'t onderwijs. Robespierre en de zijnen wilden de kinderen zelfs
in opvoedingsgestichten van den staat doen opnemen. Kwam er
al eens een wet tot stand, dan bleek ze onuitvoerbaar. Van de
scholen, die door de revolutie zijn in \'t leven geroepen, bleef alleen
de politechnisclie school (1794) tot heden bestaan. Voor de lagere
scholen stelde men wel flinke sommen beschikbaar, maar door de
onrust der tijden kwam er niets duurzaams tot stand. Bonaparte
sloot in 1801 een konkordaat met den paus, en steeds luider begon
men te verkondigen, dat de ongodsdienstigheid der scholen reden
was, dat zij weinig bezocht werden. Maar de meening, dat men
geen godsdienst mag onderwijzen op scholen, die geschikt moeten
zijn voor iedereen, behield voorloopig de overhand, en in dien geest
was de schoolwet, die bij de nieuwe orde van zaken tot stand kwam.
Bij deze wet was evenmin als bij de voorgaande ruime gelegenheid
voor kosteloos onderwijs. Hoogstens een vijfde der leerlingen van
elke school kon vrijgesteld worden van schoolgeld. Er verrezen wel
eenige scholen en er werden ook lycea, op militaire leest geschoeid,
opgericht, maar men had te veel aan de bevolking overgelaten,
zoodat er niet genoeg scholen verrezen. Ook was er een groot ge-
brek aan bekwame onderwijzers.
In 1804 werd de republiek vervangen door een keizerrijk. Napo-
leon maakte in 1806 het geheele onderwijs tot een monopolie, en
vereenigde alle onderwijzers tot één lichaam: de universiteit. Deze
werd geregeld bij besluit van 17 Maart 1808. Dit besluit vormt een
vrij volledige schoolwet. Art. l bepaalde, dat het openbaar onderwijs
in geheel het keizerrijk werd toevertrouwd aan de universiteit. Nie-
mand mocht schoolonderwijs geven, zonder lid te zijn van die univer-
siteit. De leden der universiteit waren verdeeld in 19 rangen van
-ocr page 151-
147
bestuur en onderwijs. Onderaan stonden de gewone onderwijzers,
daarop volgden de kostschoolhouders en bovenaan stond de groot-
meester der universiteit. Deze deed de benoemingen, bepaalde de
bevorderingen en had in allerlei opzichten groote macht over de leden.
Verder werd o a. nog het volgende vastgesteld. De keizerrijke univer-
siteit zal samengesteld zijn uit zooveel akademien als er hoven van
appèl zijn. Na de oprichting der universiteit zal in de benoeming der
universiteit de orde der rangen worden gevolgd, zoodat niemand een
zekeren rang kan verkrijgen, zonder al de voorgaande te hebben
doorloopen. De bedieningen zullen een loopbaan vormen, die aan
de kunde en het goed gedrag uitzicht geeft op de eerste rangen der
universiteit. Om benoemd te worden tot lager onderwijzer, moet
men den graad van baccalaureus bij de letterkundige faculteit hebben
verkregen. Verder werden ook titels en eereteekens ingesteld. Er
zullen bij elke akademie en aan de collegiën en lycea afdeelingen
bestaan om lagere onderwijzers te vormen. Men zal er de leerwijzen
verklaren, die het meest in staat zijn om het onderwijs in lezen,
schrijven en rekenen te volmaken. Er zal te Parijs een Normaal-
school worden opgericht voor 300 jongelieden (ten minste 17 jaar
oud). Deze zullen kost en inwoning genieten en opgeleid worden
voor het onderwijs in de letteren of de wetenschappen. Hun oplei-
ding geschiedt ten koste der universiteit. Er zal ten voordeele der
universiteit in alle scholen van het Rijk geheven worden een twin-
tigste op het schoolgeld.
De geheele inrichting wordt gekenschetst, als we zeggen, dat ze
veel overeenkomst had met een militair lichaam. Vooral de straffen,
rangen en eerbewijzen deden dit uitkomen.
Verder ging ze van het denkbeeld uit, dat alle onderwijs een ge-
heel vormt, hetwelk zich zelven moet bedruipen.
Op het lager onderwijs heeft de universiteit niet gunstig gewerkt
door de herhaalde oorlogen, die Napoleon voerde.
10*
-ocr page 152-
OPVOEDKUNDIGEN DER NEGENTIENDE EEUW.
Festalozzi.
Pestalozzi werd in \'t begin van 1746 te Zurich geboren en verloor
op zesjarigen leeftijd zijn vader, die arts was. In bekrompen omstan-
digheden werd hij opgevoed door zijn moeder en een trouwe dienst-
maagd, die op verzoek van den stervenden vader bij zijn eenigszins
onpraktische gade was gebleven. Dit voorbeeld van zelfverloochening
maakte diepen indruk op den knaap, wiens gevoel en verbeelding
zeer ontvlambaar waren. Maar hij deed bijna geen kennis van \'t wer-
kelijke leven op en zijn oordeel werd weinig gescherpt. Doordat hij
een weekelijke en onpraktische opvoeding kreeg, werden de gebreken
van zijn aanleg niet verholpen maar in de hand gewerkt. Geen won-
der dan ook, dat hij meermalen ten spot strekte aan zijne makkers
toen hij op de school zijner inwoning het onderwijs genoot, en hier-
van door onoplettendheid en verstrooidheid weinig nut trok. Van de
gewone lagere school kwam hij op een school van voortgezet onder-
wijs en vervolgens op het gymnasium. Hier werd hij bezield met
geestdrift voor de helden der oudheid, en tevens nam hij deel aan
een door Lavater opgerichten jongelingsbond, die zich ten doel stelde
de onrechtvaardigheid tegen te gaan. Van zijn 9de jaar af bracht
hij de vacanties door bij zijn grootvader, die predikant was en veel
zorg droeg voor de armen. Om langs denzelfden weg behoeftigen
te kunnnen steunen, wilde hij ook predikant worden. Maar bij zijn
eerste preek overmande de aandoening hem zoo zeer, dat hij besloot
een anderen werkkring te kiezen. Hij leerde toen de Emile van
Rousseau kennen, die hem geweldig aangreep en aanleiding was,
dat hij in de rechten ging studeeren. Maar een ziekte was de oor-
zaak , dat hij op het land moest vertoeven en, vervuld met Rousseau\'s
denkbeelden , verbrandde hij zijn geschriften om in de leer te gaan
bij een landhuishoudkundige, om zich geschikt te maken voor de
opheffing der lagere volksklassen.
Spoedig reeds, veel te spoedig zelfs, kocht hij een groot stuk hei-
degrond, dat hij wilde ontginnen f1767) en waarop hij een huis liet
zetten. De geheele bezitting werd Neuhoff genaamd, en in 1769
trouwde Pestalozzi met een bemiddeld meisje. De onderneming mis-
lukte, waarna P. er in 1775 een opleidingsgesticht voor arme kin-
deren mee verbond, die anders tot bedelarij en diefstal vervielen. De
inrichting vond bijval en werd geopend met 50 kinderen, die inden
-ocr page 153-
149
zomer veldarbeid moesten verrichten en des winters het spinnen en
ambachten leerden. Tevens werden ze onderwezen in schoolvakken.
Maar het gemis aan technische kennis, de onpraktische eischen van
P. en de bedorvenheid van een groot deel der kinderen waren oor-
zaak, dat de inrichting moest gesloten worden. P. had zijn geld er
bij verloren en verkeerde in behoeftige omstandigheden.
In hetzelfde jaar trad hij voor het eerst als schrijver op, aanvan-
kelijk zonder goed gevolg; maar in 1781 verscheen een voor en
over het volk geschreven boek onder den titel Lienhard en Geertrui
en dit maakte veel opgang. Een tijdlang was hij toen voor brood-
gebrek beveiligd, maar vervolgens leefde hij in kommervolle omstan-
digheden. Dit duurde tot in 1798. Na de verwoesting van Unter-
walden en de verbranding van Stanz door de Franschen werd P.
belast met de opvoeding der achtergebleven weezen. Na een jaar
moest P. het gebouw afstaan voor hospitaal en de kinderen ontslaan.
Hij trok in 1799 naar Burgdorf in \'t kanton Bern en werd hier
hulponderwijzer. Zijn nieuwe manier van handelen wekte wel achter-
docht maar de goede uitkomsten rechtvaardigden hem geheel.
In 1800 richtte hij gezamenlijk met Krüsi een bijzondere school op,
waartoe de overheid hun een ledig staand slot afstond.
In 1801 legde Pestalozzi de vruchten zijner inmiddels opgedane
ervaring neer in een boek getiteld: Hoe Geertrui hare kinderen
onderzvijst, een proeve om de moeders te leer en, hare kinderen zelf
te onderrichten.
Dit is een der belangrijkste geschriften van Pestalozzi
en bevat zijn grondstellingen voor het onderwijs, die later verder
ontwikkeld zijn. Dat Pestalozzi het eerste onderwijs aan de moeder
wil opdragen , bleek nog nader uit Het boek der Moeders, dat hij
in 1803 liet verschijnen. Overigens beduidt dit werk niet veel.
In 1804 was verandering van regeeringsvorm aanleiding, dat Pes-
talozzi zijn gebouw moest afstaan. Na eenigen tegenspoed ontving
hij van het stadje Yverdun een voordeelige uitnoodiging. Hierheen
vertrok hij in 1805 met 8 leerlingen en eenige zijner onderwijzers
om er 20 jaren werkzaam te blijven. Al spoedig kreeg hij er een
Europeesche vermaardheid. Zijn bezieling werd overgeplant op andere
mannen en men zond hem leerlingen niet alleen uit Zwitserland
maar uit Duitschland, Rusland, Italië, Spanje en Noord-Amerika.
Van heinde en ver kwamen vorsten, aanzienlijke personen en op-
voedkundigen, om de inrichting te leeren kennen. In 1809 telde de
school 15 inwonende onderwijzers, terwijl 32 volwassen personen
uit onderscheiden landen zijne methode in de school zelf beoefenden.
Onder die vreemdelingen was ook een Nederlander.
Dit alles was wel een bewijs, dat de zucht om het onderwijs te
verbeteren velen bezielde; maar de school zelf was zeer middelmatig.
In overeenstemming met wat hij vroeger reeds zeide , namen voor-
en naspreken een groote plaats in. Het spreken in koor werd zeer
druk toegepast. Wel ging dit voor een groot deel gepaard met
-ocr page 154-
150
aanschouwing, maar de zelfwerkzaamheid van de leerlingen was te
gering. Voor de ontwikkeling der knapen werd weinig zorg gedra-
gen. Pestalozzi achtte zelfs den socratischen gespreksvorm niet goed
bruikbaar. Deze dwaling vloeide voort uit zijn onkunde met wat
anderen op het gebied van onderwijs en opvoeding hadden geleverd.
Wel kende hij de Emile, maar hij noemde dit een droomerig boek,
en het praktische, dat er in voorkomt, schijnt hij grootendeels over
\'t hoofd gezien te hebben. Terwijl Rousseau voor het onderwijs in
aardrijkskunde het goede begin levendig beschrijft, waren de denk-
beelden van Pestalozzi op dit punt niet juist. Evenmin bezit wat
hij over het onderwijs in geschiedenis, natuurkunde en menschkunde
zegt groote beteekenis. Niet altijd drukt hij zich duidelijk uit; zijn
kennis van de taal en van bijna al de gewone vakken was gebrek-
kig, veel te gering voor de school. Bij zijn onderwijs lette hij alleen
op de geheele klasse, niet op ieder leerling in het bijzonder. Of de
leerlingen zich verveelden of vermoeid waren, daarom bekommerde
hij zich niet. Waarschijnlijk bespeurde hij het niet eens. Het hand-
haven van orde en tucht liet dan ook in zijn klasse veel te wenschen
over. Hij sprak voor en de geheele klasse moest naspreken, veelal
zonder te begrijpen. Daarbij lette hij er niet eens op, of de kinde-
ren duidelijk spraken. Het onderwijs in lezen en schrijven werd ver-
waarloosd om wat hij verstandsoefeningen noemde. Een geregeld
leerplan werd nooit gevolgd.
Zooals Pestalozzi was, waren voor een deel zijn helpers: zij onder-
wezen de vakken, die hij aangaf, volgens zijn inzichten. Nu waren
eenigen dier onderwijzers vrij onontwikkeld, en Pestalozzi nam niet
de noodige moeite om ze hoorlijk op de hoogte van hun taak te
brengen; zoodat hun opvatting dikwijls te wenschen overliet. Ook
hadden zij het te druk, om zich verder te ontwikkelen of zelfs maar
om zich behoorlijk te ontspannen. Als de lesuren voorbij waren,
moesten zij voor kachels zorgen, in den tuin werken, hout kloven,
enz. Kortom de onderwijzers te Yverdun hadden een slavenleven.
Maar men trof er mannen onder, die daar bleven uit liefde voor de
zaak van het onderwijs. En zoo werden de denkbeelden van Pesta-
lozzi soms toegepast door helpers, wier hart even warm klopte als
het zijne, terwijl hun hoofd helderder, hun praktische blik scherper
was. Door hen werd dikwijls terecht gebracht wat in handen van
Pestalozzi zelf zou mislukt zijn.
Bovendien had Pestalozzi zelf voortreffelijke eigenschappen. Zijn
liefde voor zijn evenmenschen was onbegrensd; zijn ijver om het lot
der geringere klassen en het onderwijs in \'t algemeen te verbeteren
was onvermoeid; zijn overtuiging, dat hij ondanks vele tekortkomin-
gen, veel goeds kon doen in die richting, was onwankelbaar. Pesta-
lozzi bezat dan ook de liefde zijner leerlingen en deze beminden
elkaar. Ook blijft hij om zijn belanglooze toewijding aan de opvoe-
ding der jeugd een toonbeeld voor ieder onderwijzer.
-ocr page 155-
151
Bovendien kan men te Yverdun een en ander leeren, dat bruikbaar
was voor de school. Na dat de denkbeelden van Rousseau, dien
men den vader der nieuwere methode kan noemen, in de school
waren toegepast door de philanthropisten, gaf Pestalozzi een gewel-
digen stoot in dezelfde richting.
Vooral ten aanzien van het rekenen heeft Pestalozzi een leerwijze
aan de hand gedaan, die zeer uitmuntte boven de praktijk van zijn
dagen, toen men gewoon was te beginnen met werktuiglijk tellen,
om daarna over te gaan tot optellen, aftrekken, enz.
Door het voor- en nazeggen, door het spreken in koor en door
een zekere gelijkvormigheid in de oefeningen bleef het rekenonderwijs
in bovengenoemden zin niet vrij van een zekere werktuiglijkheid.
Maar het was het beste leervak van Pestalozzi en we ontmoeten voor
het eerst in zijn school een breed uitgewerkte leerwijze voor het
rekenen. Over het algemeen had men, het eerste leesonderwijs uit-
gezonderd, nog van geen vak de methodiek zoo grondig behandeld
als P. het deed voor \'t rekenen.
Even uitvoerig werd de vormleer behandeld door Pestalozzi. En
hier kon hij aan vroegere schrijvers of de bestaande praktijk niets
ontleenen, dan de opmerkingen van Rousseau , die wellicht door hem
zijn over \'t hoofd gezien.
P. spreekt eerst over den vorm en daarna over „het getal met
den vorm als middel ter ontwikkeling der geestvermogens." De „zui-
vere vormleer" is bij ons bekend gemaakt door v. Dapperen, die in
1817 het eerste deel van een handleiding liet verschijnen. Daarin
vangt v. Dapperen aan met stippen om vervolgens over te gaan tot
lijnen. Dit is dus waarschijnlijk de volgorde, die te Yverdun werd
in acht genomen. Maar toen Pestalozzi zelf later zijn vormleer schreef,
begon hij met de rechte lijn.
Het meest praktische van de vormleer, het berekenen van opper-
vlakken en inhouden, neemt slechts een kleine plaats in bij Pestalozzi.
Over \'t geheel kan men zeggen, dat Pestalozzi bij het behandelen
der leervakken „als middelen om den geest te ontwikkelen" in over-
drijving is vervallen. Hij heeft alleen op vorming gelet en het prak-
tisch nuttige ter zijde gelaten. Men had echter vroeger bijna uitsluitend
op het praktische nut gelet. Het was nagenoeg altijd alleen de vraag,
hoe men het spoedigst of het aangenaamst lezen, schrijven, enz.
onderwijst. Het kon dus geen kwaad, dat Pestalozzi in de andere
richting overdreef, en wanneer we nu een goeden middenweg inslaan,
dan hebben we dat in de eerste plaats te danken aan Pestalozzi.
Gebruikte Pestalozzi het teekenen reeds als een middel om de vorm-
leer goed te behandelen, ook als afzonderlijk vak werd het in zijn
school beter behandeld dan ooit voor hem.
In de vierde plaats ging ook van Pestalozzi\'s school een verbetering
van het zangonderwijs uit. Het werd door hem meer stelselmatig
behandeld en hierin heeft men hem terecht nagevolgd.
-ocr page 156-
152
Breedvoerig heeft hij uiteengezet, dat al onze kennis moet berusten
op aanschouwing en dat dit ons den weg aanwijst, die bij het onder-
wijs moet gevolgd worden. In de uitwerking van dit denkbeeld, dat
men ook bij vroegere schrijvers vindt, is hij echter niet gelukkig.
Vooreerst brengt hij het begin van \'t onderwijs terug tot getal, vorm
en woord en dit is zeker eenzijdig. Maar vooral overschatte hij de
kracht van het woord.
Intusschen vormden zijn denk* en spreekoefeningen een goeden
grondslag voor het onderwijs in de moedertaal. Bovendien blijft het
terugbrengen van \'t geheele onderwijs tot drie „aanvangspunten," al
was hierbij ook niet alles opgenomen, een belangrijk feit. Langs
dien weg kwam men er in onze eeuw toe, de zaak te overzien, te
letten op het onderling verband der leervakken.
Verwaarloozing van lezen en schrijven is zeker een ernstige grieve
tegen een school. Maar aan den anderen kant heeft Pestalozzi het
rekenen en de vormleer voor het eerst zoo goed behandeld, dat hij
met volle recht kan zeggen: Ik heb het ABC der aanschouwing ontdekt.
Alles bijeengenomen waren echter de gebreken in Pestalozzi\'s school
grooter dan de deugden. En een hoofdgebrek hebben we nog niet
genoemd. Pestalozzi verstond n.1. niet de kunst den vrede te bewaren
tusschen zijne onderwijzers. Niet alleen, dat velen telkens na korten
tijd vertrokken; maar onder de blijvenden ontstonden twisten, zoodat
ze ten slotte als het ware in 2 kampen verdeeld waren.
In Dec. 1815 verloor Pestalozzi zijn gade. In 1816 verlieten 12
onderwijzers tegelijk de inrichting, en onder deze van zijn getrouwsten
zooals Krüsi. In 1817 verliet nog een der beste onderwijzers de in-
richting en er ontstond tusschen dezen en Pestalozzi zelfs een rechts-
geding over geldzaken, dat 7 jaar duurde. Dit alles maakte den grijs-
aard zoo zenuwachtig, dat hij eenigen tijd tot herstel zijner gezondheid
Yverden moest verlaten.
Ook de geldzaken lieten te wenschen over, en dat was aanleiding,
dat er in 1817 een inschrijving werd geopend op de gezamenlijke
werken van Pestalozzi. De uitkomst overtrof de stoutste verwachtingen.
De keizer van Rusland schreef in voor 5000 roebels, de koning van
Pruisen voor 400 thalers, de koning van Beieren voor 700 gulden.
Toen herleefde Pestalozzi\'s hoop. Op zijn 73sten jaardag zonderde
hij 50000 Fransche livres af voor de oprichting van een armenhuis
te Clundy nabij Yverdun. Met 12 arme knapen opende Pestalozzi de
inrichting, en in weinig maanden groeide het getal aan tot 30. Maar
het eigenlijke doel der inrichting werd niet bereikt. Het onderwijs in
Latijn, Engelsch en Fransch, dat er gegeven werd, kwam niet over-
een met het karakter, dat de school in andere opzichten had. De
kinderen koesterden hooge verwachtingen, zij kregen gewoonten en
denkbeelden, waarvan ze ten slotte afstand zouden moeten doen.
Inmiddels waren de twisten in Pestalozzi\'s school door de nieuwsbladen
wereldkundig geworden. Hij vond het daarom geraden, de inrichting
-ocr page 157-
153
te verplaatsen en liet te Neuhof een nieuw huis bouwen. Hij meende,
dat vele leerlingen hem daar zouden volgen; maar niet één wilde ten
slotte meegaan. In 1825 hief Pestalozzi zijn inrichting te Yverdun op
en als levenszat grijsaard trok hij eenzaam naar Neuhof. Twee jaar
later overleed hij.
In ons land heeft Pestalozzi\'s invloed zonder twijfel gunstig ge-
werkt. Zijn denkbeelden en zijn geschriften werden hier spoedig be-
kend en gretig ontvangen.
De volledige werken van Pestalozzi zijn onder toezicht van P. J.
Prinsen in het Ned. vertaald door Teissedre 1\'Ange.
Jacotot, 1770-1840.
Jacotot werd te Dijon geboren en genoot zijn verdere opleiding aan
de polytechnische school te Parijs. Eerst werd hij advocaat en ver-
volgens leeraar in het Fransch, daarna kapitein der artillerie, secre-
taris van oorlog, hoogleeraar in de wiskunde, enz. Bij de restau-
ratie vond hij het als tegenstander der Bourbons raadzaam Frankrijk
te verlaten. In 1818 werd hij door de regeering der Nederlanden be-
noemd tot lektor in de Fransche taal- en letterkunde aan de Leuven-
sche hoogeschool.
Hier kwam hij terstond tot de ontdekking, dat vele studenten geen
Fransch kenden, terwijl hem zelf het Vlaamsch vreemd was. Om
hun de beginselen van het Fransch te leeren, sloeg hij den volgenden
weg in. Ieder student kreeg „les Aventures de Télémaque," voor-
zien van een Vlaamsche vertaling. Na eenige oefeningen in de uit-
spraak werden de studenten door middel van een tolk uitgenoodigd,
enkele volzinnen van het oorspronkelijke met de vertaling van buiten
te leeren. Dit werd dagelijks herhaald en het voorgaande gerepe-
teerd, tot de studenten een paar bladzijden zoo goed kenden, dat zij
bij het hooren van het eerste woord van een volzin zelf dien zin
konden voltooien. Toen begon Jacotot door middel van een tolk
over het reeds geleerde vragen te doen, waarbij de zinnen ook in
hun bestanddeelen werden ontleed en de leerlingen alles moesten op-
merken wat er op te merken viel. Zij moesten vooral op overeen-
komst en verschil letten. Inmiddels werd het van buiten leeren
voortgezet, en toen de helft van het eerste boek was behandeld,
liet Jacotot den inhoud van verschillende onderdeden weergeven met
de eigen woorden der studenten. De wijze, waarop deze zich reeds
toen in het Fransch uitdrukten, verraste ook Jacotot en gaf hem
aanleiding, de toegepaste handelwijze nader uit te werken en alge-
meen bekend te maken in een werk, dat den titel kreeg: Alge-
meene Leerwijze.
Jacotot noemt zijn leerwijze algemeen of allesomvattend, omdat hij
haar toepasselijk acht op alle vakken. Eerst moet de leerling een deel
-ocr page 158-
154
der stof van buiten leeren, dan gaat hij aan het vergelijken en on-
derscheiden en eindelijk aan \'t samenstellen.
De zelfwerkzaamheid van den leerling wordt in zeer hooge mate
toegepast. De onderwijzer is slechts onderzoeker. Van daar dat Jaco-
tot ook zei, dat men een zaak niet eerst zelf behoefde te kennen, om
haar te onderwijzen. Dit beginsel is almede door hem toegepast.
Het opzoeken van overeenkomst en verschil en het algemeen op-
vatten van wat in bijzondere gevallen is gebleken, treedt bij zijn
onderwijs zeer op den voorgrond. Zoo maakt de leerling uit een
goed geschreven boek voor zich zelven de spraakkunst op. In dien
zin zegt Jacotot: alles is in alles en leer een boek goed, om er ver-
volg e >is al het overige mee in verband te brengen.
Nog heeft Jacotot als beginsel op den voorgrond gesteld, dat alle
menschen een even goeden verstandelijken aanleg hebben. Overigens
meent hij niet ten onrechte, dat zijn methode bijzonder geschikt is,
om onoplettendheid of verstrooidheid tegen te gaan. Het is echter niet
in de algemeene beginselen maar in de bijzondere leerwijze, dat de
verdienste van Jacotot is gelegen. Wij zullen dus vooral op zijn leer-
wijze letten en zien hoe hij haar op onderscheiden gevallen toepast.
Bij het eerste leesonderwijs legt men den leerlingen terstond een
volledigen zin voor. De onderwijzer leest dien hardop woord voor
woord, terwijl hij elk woord met den vinger aanwijst. De leerlingen
spreken den onderwijzer woord voor woord na, tot zij den geheelen
zin van buiten kennen. Vervolgens moeten zij ook leeren, hoe elk
woord , dat men aanwijst, op zich zelf heet, en zij moeten ieder
woord van den volzin kunnen aanwijzen, als de onderwijzer het op-
noemt , zoowel dooreen als in geregelde volgorde. Wanneer dit goed
gekend wordt, wordt op dezelfde wijze ten aanzien van de letter-
grepen gehandeld, die de zin bevat. In de derde plaats ging men
over tot de ontbinding in letters. Hierbij en bij de lettergrepen werd
ook gevraagd, of er 2 gelijke voorkwamen in een zelfde of in 2
verschillende woorden. Soms liet hij niet met een zin maar met een
woord beginnen.
Het schrijfonderwijs volgt het leesonderwijs op den voet. Zoodra de
eerste zin ontleed is in letters, leeren de kinderen de letters en den
geheelen volzin schrijven. Eerst schrijft de leerling na wat de onder-
wijzer hem op een bord heeft voorgeschreven en vervolgens moet hij
den zin uit het hoofd opschrijven. Zoodoende is tevens een aanvang
gemaakt met het onderwijs in de moedertaal.
Het meer opzettelijk taalonderzuijs vangt aan met het achtereen*
volgens van buiten leeren der ó eerste boeken van de lotgevallen
van Telemachus. Nadat de eerste hoofdstukken goed in het geheu-
gen zijn geprent, komen stijloefeningen. De leerling moet vragen
beantwoorden omtrent den inhoud, en wat hij in het geheugen heeft
geprent met andere woorden teruggeven, zoowel mondeling als schrif-
telijk. Tevens wordt dan een aanvang gemaakt met, het onderwijs
-ocr page 159-
155
in de spraakkunst. De regels hiervan worden door de leerlingen
zelf opgezocht in de volzinnen, die zij hebben van buiten geleerd.
De onderwijzer moet bij dat alles vragen en zoodanig vragen , dat
de leerling door zijn vragen wordt opgewekt tot nadenken. Zoo
worden homonymen en synonymen opgezocht, beeldspraak behan-
deld, kortom zoo wordt aan het van buiten geleerde een cursus in
de redekunst vastgeknoopt.
Het aanleeren eener vreemde taal wordt door Jacotot toegelicht aan
een Latijnsch boek.
Ook over eenige andere vakken heeft hij zich nog uitgelaten, maar
het genoemde is het eenige dat waarde bezit. Zijn hoofdwerken ver-
schenen in 1823 en 1824 onder den titel:
De algemeene leerwijze: de moedertaal, 320 bladz.
„
            „               „          de vreemde taal, 267 bladz.
De leerwijze van Jacotot is geheel zelfzoekend. Verder kan men
haar kenschetsen, door te zeggen, dat ze ontbindend-samenstellend
is, en we zeggen geen woord te veel, als we Jacotot den grondleg-
ger noemen van ons tegenwoordig onderwijs in het lezen en de
taalkunde.
Al spoedig maakten de uitkomsten van Jacotot veel opspraak.
Koning Willem I liet de zaak onderzoeken en proeven nemen. Maar
men koos daarvoor minder geschikte personen en Jacotot zelf werkte
ook niet mee, zoodat op deze wijze geen nut werd gesticht.
Maar reeds in 1824 bestonden in Zuid-Nederland eenige scholen,
die geheel volgens de leerwijze van Jacotot waren ingericht. Ook
in Pruisen was er toen reeds een. Voor de meeste vakken liet men
haar echter varen terwijl Jacotot hoe langer zoo meer in overdrijving
verviel, als hij over de vruchten van zijn leerwijze sprak.
Thans wordt de leerwijze van Jacotot ten aanzien van het lezen
en het onderricht in de moedertaal vrij algemeen toegepast, zij het
ook na verdere ontwikkeling. Daarentegen past men zijn leerwijze
om vreemde talen aan te leeren, slechts zelden toe, ofschoon ook
deze ontegenzeggelijk groote voordeden bezit.
Friedrich Fröbel, 1782—1852.
Fröbel werd in het vorstendom Schwarzburg-Rudolstadt geboren als
de zoon van een dorpspredikant. Kort na zijn geboorte begon zijn
moeder te sukkelen, en zij overleed, toen het kind 9 maanden was.
De vader, die het druk had, bemoeide zich weinig met zijn kinderen
en er ontstond nooit een innige band tusschen Fröbel en zijn vader.
Op zijn vierde jaar kreeg hij een stiefmoeder, die zoodra zij een eigen
kind had, zich bijna uitsluitend hiermee bezig hield. Nadat hij tot
1792 de meisjesschool op de plaats zijner inwoning had bezocht,
werd zijn verdere opvoeding toevertrouwd aan een oom van moe-
derszijde, die opperintendent was te Stadt-Ilm. Hier bezocht hij de,
-ocr page 160-
156
jongensschool en bleek het zijn verkiezing te zijn, landhuishoudkun-
dige te worden. Men besteedde hem daartoe in 1797 bij een hout-
vester in het Thüringer Wond. Hier hield hij zich twee jaren bezig
met de wiskunde, het boomkweeken en het droomen over de regel-
maat in de natuur en de eenheid der strijdende natuurkrachten. Hij
kon de raadselen echter niet oplossen en besloot, toen zijn leertijd
na 2 jaar voorbij was en hij een korten tijd te huis was geweest,
de universiteit te Jena te bezoeken. De voorlezingen , die hij be-
zocht, betroffen natuurlijke geschiedenis, physika en wiskunde. Maar
de jongeling vond niet wat hij zocht: men gaf feiten en hij verlangde
bespiegelingen. In de meetkunde herkende hij geen eenheid en van
de algebra beviel hem de leer der verbindingen en verschikkingen
nog het beste. Hij was echter wegens geldgebrek na anderhalf jaar
verplicht, de universiteit te verlaten. Hij legde zich toen op land-
bouw toe. Vervolgens werd hij schrijver en landmeter en daarna
secretaris bij een grondbezitter. Terwijl hij in deze betrekking was,
viel hem een kleine erfenis ten deel, waarvoor hij zich als bouwkun-
dige ging bekwamen. Toen hij in 1805 als zoodanig een plaatsing
zocht, kwam hij te Frankfort in kennis met een leerling van Pesta-
lozzi. Die stelde hem voor, onderwijzer te worden op zijne school,
wat Fröbel na eenig aarzelen deed. Fröbel bezocht gedurende 14
dagen de school van Pestalozzi en bleef 2 jaar als onderwijzer te Frank-
fort werkzaam. Daarna ging hij met 3 kinderen , die aan zijn toe-
zicht werden toevertrouwd, op verzoek der anderen naar Yverdun,
waar hij zelf leerling en onderwijzer was.
In 1810 ging Fröbel met zijn 3 leerlingen terug naar Frankfort en
het volgende jaar trok hij naar de hoogeschool te Göttingen , om er
taalkunde en natuur-wetenschappen te bestudeeren. In 1812 ging hij
naar de hoogeschool te Berlijn, waar hij tevens onderwijs gaf aan
een bijzondere school. In 1813 trok Fröbel uit als vrijwilliger, waarna
hij assistent werd aan het mineralogisch museum aldaar. Hij woonde
toen vooral voorlezingen over wijsbegeerte bij. In 1816 legde hij
zijn betrekking neer en verliet Berlijn, zonder dat iemand iets van
zijn voornemens wist. Nog in \'t zelfde jaar nam hij de opvoeding
van 5 neefjes op zich en in 1817 vereenigde hij zich met 2 anderen,
om een opvoedingsgesticht te leiden, dat al spoedig werd verplaatst
naar Keilhau. Hier huwde Fröbel en liet hij in 1826 een zijner
hoofdwerken verschijnen onder den titel: De opvoeding van den
mensch.
335 bladz. groot 80. In dit boek worden de geheele op-
voeding van den mensch en de hoofdvakken van het onderwijs be-
sproken; het bevat reeds de voornaamste denkbeelden, die Fröbel
bezielden. Maar alles wordt gezegd in een zeer afgetrokken vorm,
op hoogst onduidelijke wijze. Ook moest Fröbel nog veel waarne-
men en overpeinzen voor hij geheel gereed zou zijn.
Toen Fröbel onder allerlei wederwaardigheden , waaronder ook ge-
brek en schulden, werkzaam was geweest, vormde hij het plan om
-ocr page 161-
157
een opvoedingsgesticht voor het volk in \'t leven te roepen. Een tijd
lang kwam hij aan \'t hoofd van het weeshuis te Burgdorf en daarna
rijpte in hem het denkbeeld eener nieuwe soort van scholen voor
kleine kinderen.
In 1837 huurde hij voor dat doel een lokaal te
Blankenberg nabij Keilhau en hier werd de eerste kindertuin opge-
richt.
Van dien tijd af schreef Fröbel gedurig over het speelgoed der kin-
deren en al die opstellen vormden later de stof voor een groot werk,
dat verschenen is met den titel: de paedagogiek van den kindertuin.
In 1843 liet hij een werk met versjes verschijnen, die door de moe-
ders zouden gezongen worden. Ook opende Fröbel een cursus om
meisjes op te leiden tot geschikte opvoedsters en trachtte hij door
voorlezingen en gesprekken zijn denkbeelden te verspreiden. Maar de
inrichting te Blankenberg kon geen stand houden en Fröbel trok
eenigen tijd later naar Hamburg om gehoor te geven aan een uit-
noodiging om daar een inrichting te leiden tot vorming van onder-
wijzeressen aan kindertuinen en zulke inrichtingen in het leven te
roepen. Ongeveer van 1850 af hadden de denkbeelden van Fröbel
hun eindvorm aangenomen, zooals we ze neergelegd vinden in de
paedagogiek voor den kindertuin.
Dit boek telt 583 bladzijden, groot
8° en brengt ons het best op de hoogte van Fröbels denkbeelden en
zijn verdiensten. In 1850 trok hij op uitnoodiging van den hertog van
Meiningen naar Marienthal, een jachtslot bij Liebenstein, dat hem
voor de opvoeding der jeugd beschikbaar werd gesteld. Hier beleefde
Fröbel de schoonste dagen zijns levens; maar niet ongestoord. In
1851 kondigde n.1. de Pruissische minister von Raumer het volgende
besluit af: „Zooals uit de brochure Hoogescholen voor meisjes en
„kindertuinen
van Karel Fröbel blijkt, vormen de kindertuinen een
„deel van het Fröbelsche socialistische stelsel, dat er op aangelegd is,
„de jeugd tot atheïsme te leiden. Scholen, enz., die men volgens de
„beginselen van Fröbel of aanverwante begrippen zou willen inrich-
„ten, mogen niet toegelaten worden." Fröbel schreef wel terstond
dat hij het volstrekt niet eens was met Karel Fröbel, maar de mi-
nister antwoordde, dat er in het wezen der zaak geen verschil bestond
en dat zijn besluit niet dan na rijp beraad was genomen. Van den
anderen kant begonnen echter de onderwijzers Fröbels verdienste te
erkennen. De kans, dat zijn denkbeelden op groote schaal zouden
verwezenlijkt worden, nam dus toe; maar in 1852 overleed hij, en
eerst na zijn dood vond zijn streven meer algemeen waardeering.
Dit moet vooral toegeschreven worden aan de ijverige bemoeiingen
van de baronnes Von Marenholz-Bülow, van eenige leerlingen van
Fröbel en van opvoedkundigen, die hem begrepen.
Zien we nu wat Fröbel nieuw heeft geleverd, dan valt in de eerste
plaats op, dat hij de vormende beteekenis van het spel duidelijk heeft
in het licht gesteld. Het spel is de vrije uiting van het kind. Daar-
van moet dus gebruik gemaakt worden, om zoowel den geest als
-ocr page 162-
158
het lichaam te ontwikkelen. Als het kind voor het eerst in de wereld
rondziet, kan het nog niets onderscheiden, alles is verwarrend. Nu
moet de moeder den weg wijzen in dien doolhof. Men moet het be-
kend maken met de eenvoudigste vormen, met kleur en toon. Ter-
wijl de moeder zingt, kan zij het kind al spelende zijn ledematen
doen oefenen en het bekend maken met hoofdbegrippen, zooals be-
weging en rust, heen en weer, op en neer, ik en niet-ik.
Bij de eerste opvoeding is de moeder wel de hoofdpersoon, maar
zij is niet voldoende voorbereid tot hare taak, en het huisgezin is
voor de vorming van het kind niet voldoende. Daarom ga het kind
eiken dag twee of drie uur naar de school, waar het een wereld in
het klein leert kennen, waar zijn zucht om scheppend bezig te zijn,
stelselmatig wordt benuttigd voor zijne vorming. En de meisjes moe-
ten, voor zij huwen, in zulk een school leeren, hoe men kinderen
het best opvoedt.
Zulk een inrichting is door Fröbel een kindertuin genoemd om
twee redenen. Zinnebeeldig wil hij te kennen geven, dat de kinderen
er zich vrij ontwikkelen evenals bloemen in een tuin, en in de tweede
plaats is er een tuin mee verbonden, waarin de kinderen spelen,
planten, wieden, bloemen kweeken, enz.
In den tuin of het speellokaal heeft men naast het vrije spel geor-
dende spelen, waarbij de kinderen loopen, zingen en allerlei zinne-
beeldige bewegingen maken.
Voor de school heeft Fröbel speelgiften uitgedacht. De eerste speel-
gift bestaat uit 6 wollen ballen, die ieder voorzien zijn van een draad
en verschillende kleuren hebben. Eerst geeft men het kind achtereen-
volgens de 3 ballen, die een „hoofdkleur" hebben, later volgen die
met een „tusschenkleur." De bal wordt door het kind aan den draad
vastgehouden, op en neer, voorwaarts en achteruit, rechts en links
geslingerd, waarbij dan telkens zingende door de moeder of de on-
derwijzeres wordt aangeduid, hoe de bal zich beweegt. — Een ander
spelletje met den bal bestaat daarin, dat men hem naar het kind doet
toerollen en van hem weg. Daarbij wordt dan gezongen: „De bal
komt bij mij, de bal komt bij u." „Dit spel geeft het kind den in-
druk zijner eigen persoonlijkheid, waarvan het eerst in zijn derde
jaar bewust wordt.\'\' Vóór dien tijd noemt het zich zelf met den
naam, dien men het geeft en spreekt het nog niet van ik. — De
kinderen krijgen de ballen ook alle tegelijk in handen, om dan de
kleuren op onderscheidene wijzen te ordenen.
De tweede speelgift bestaat uit een bal en een kube van hout.
Later heeft Fröbel daar nog een rol bijgevoegd. De bal en de kube
zijn twee grondvormen, die in vele opzichten een tegenstelling ople-
veren. Daarom heeft Fröbel ze bijeengevoegd. Hij zoekt steeds door
tegenstelling het kenmerkende te doen in \'t oog vallen. De rol, die
zoowel eigenschappen gemeen heeft met den bal als de kube, kan
ongetwijfeld het inzicht verhoogen. Elk der 3 voorwerpen wordt door
-ocr page 163-
159
het kind betast, heen en weer gerold, op verschillende vlakken gezet
en er worden in onderscheidene richtingen staafjes doorgestoken, om
welke het kind de voorwerpen laat draaien. Ook daarbij worden
liedjes gezongen, die zeggen, welke vormen de draaiende voorwerpen
vertoonen.
De derde speelgift is een kube, die in 8 kleine kuben verdeeld is.
Hieraan moet het kind de begrippen „geheel en deel,\'\' „boven en
onder," „voor en achter,\'\' „naast elkaar" leeren kennen. Ook de
begrippen van vorm en grootte worden hier weer geoefend. — Het
kind bootst met de 8 kuben allerlei voorwerpen uit het dagelijksch leven
na: een stoel, een bank, een put, een ladder, een ledikant, enz.
Ook legt het er regelmatige figuren mee. („Schoonheidsvormen.")
De vierde speelgift is een kube, die in 8 bouwsteenen is verdeeld,
welke tweemaal zoo lang zijn als breed en tweemaal zoo breed als hoog.
De vijfde speelgift is een kube, die eerst verdeeld is in 27 kleinere
kuben. Hiervan worden 3 ieder in 2 driezijdige prisma\'s verdeeld en
3 ieder in 4 driezijdige prisma\'s.
De zesde speelgift is een kube. die verdeeld is in bouwsteenen.
De vierde, vijfde en zesde speelgift worden op dezelfde wijze be-
handeld als de derde.
Verder komen nog houten legplaatjes van dezelfde of onderscheiden
kleuren, stokjes of staafjes, waarmee verschillende figuren worden
gevormd. Men laat de kinderen papier vouwen en vlechten met
papier van onderscheiden kleuren, stroo, enz. In papier laat men
figuren prikken, enz. Een der later bijgevoegde bezigheden is het
zoogenaamde erwtenwerk, waarbij men de kinderen door middel van
erwten houten stokjes laat aaneenvoegen tot platte figuren en geraam-
ten van regelmatige lichamen of voorwerpen uit het dagelijksch leven.
Over het boetseeren in klei, het verplegen van dieren en de be-
oefening van handwerken door kinderen van 4, 5 of 6 jaar behoe-
ven we niet lang te spreken. Men moge dat wenschen of noodza-
kelijk achten, het is niet goed uitvoerbaar. Intusschen zijn de hand-
werken door een Deensch officier A. Klauson-Kaas van de bewaar-
school naar de lagere school overgebracht, en aanvankelijk bevalt
deze proefneming zeer. In ieder geval passen de handwerken beter
bij de lagere school dan in een Fröbeltuin. Ook het erwtenwerk
komt mij voor kinderen beneden de zes jaar niet zeer geschikt voor.
Zonder onvolledig te zijn, kunnen wij het stilzwijgen niet bewaren
over hetgeen Fröbel zijn wet van de bemiddeling of verzoening der
tegenstellingen
noemt. Hij spreekt hierover bij voorkeur als een na-
tuurwet, als een der hoofdverschijnselen van het heelal. Krachten,
die in tegengestelde richting werken, zijn tegenstellingen, en het
evenwicht is de bemiddeling of verzoening. Maar rust en beweging
zijn ook tegenstellingen, even als goed en kwaad. Hoe men nu
zulke raadsels oplost, kunnen we hier ter zijde laten. Fröbel ziet
dezelfde wet ook in de geestvermogens van den mensch en wil haar
-ocr page 164-
160
toepassen bij de opvoeding. Laten we dan verder al den onzin ter
zijde, die over dit onderwerp is te berde gebracht, dan kunnen we
het best door een voorbeeld duidelijk maken, wat Fröbel als een
toepassing van die wet op de vorming der kinderen beschouwt. We
keeren dan terug tot zijn tweede speelgift. Dit was aanvankelijk
bal en kube, die beide eenvoudig zijn. In vele opzichten leveren zij
tegenstellingen op. De bal vertoont zich van alle kanten op dezelfde
wijze, de kube niet. De bal vertegenwoordigt beweging, de kube
rust. Nu heeft de rol zoowel met het eene lichaam als met het an-
dere sommige kenmerken gemeen, en daarom werd ze door Fröbel
de bemiddeling genoemd van den strijd, dien bal en kube voorstel-
len. De rol kan nl. even gemakkelijk rollen als de bal en even
goed vast staan als de kube. De kube heeft alleen platte vlakken,
de bal slechts een rond: de cilinder heeft beide.
Later bedacht Fröbel, dat er aan de kube wel punten waren,
maar aan den bal evenmin als aan den cilinder. De kube moest dan
nog verzoend worden met de beide andere lichamen, en dat doet
de kegel, die zoowel kan rollen als vaststaan, die zoowel een plat
vlak heeft als een gebogen.
Fröbel beschouwt wat hij heeft geleverd als een noodzakelijk ge-
volg van zijn wijsgeerig godsdienstig stelsel. Hij meent, dat met het
laatste ook het eerste zou vallen. Mevr. Von Marenholz-Bülow
schrijft, dat men om Fröbel\'s methode goed te begrijpen, zijn we-
reldbeschouwing grondig moet kennen. Gelukkig is het een even
onjuist gezien als het ander. De wereldbeschouwing van Fröbel mist
niet alleen de noodige helderheid, maar zij is vol onjuistheden en
tegenstrijdigheden, die niet in het oog vallen, als men zich bedient
van woorden en volzinnen als de zijne. Fröbel houdt er een afzon-
derlijken godsdienst op na, dien hij voor den grondslag van zijn
stelsel aanziet en dien hij ook aan de kleine kinderen op de bewaar-
school wil inprenten. Is Fröbel reeds duister, wanneer hij over speel-
goed of iets dergelijks spreekt, zoodra hij een onderwerp als gods-
dienst behandelt, wordt het nog veel erger. In plaats van de driecen-
heid der vrome christenen schijnt hij de nieuwe drieëenheid: „stelling
tegenstelling, bemiddeling" te willen geven. Geen tegenstelling, zegt
Fröbel, of zij vindt ergens in het heelal hare verzoening. En op de
Fröbelschool wordt dat reeds aan de tweede speelgift ervaren. Uit
dit oogpunt moet men het vonnis van den vromen minister Von
Raumer beschouwen, als men billijk wil zijn. Aan een vergissing
van dezen geleerden staatsman behoeft men hier niet te denken. In
hoeverre hij nu gelijk had met van atheïsme te spreken, terwijl weer
anderen Fröbel voor een pantheïst aanzagen, wat deze evenzeer
bestreed als het eerste, doet minder ter zake; maar dat het stelsel
van Fröbel verwarrend moet werken op kleine kinderen, daarin
had hij groot gelijk. Later begon men te zien, dat het wezenlijk
goede in Fröbels denkbeelden kon toegepast worden zonder zijn theo-
-ocr page 165-
161
logische droomerijen, en in 1861 werd het Pruisische verbod betref-
fende de Fröbelscholen opgeheven.
In de praktijk zal men wel doen, met ook op zuiver paedagogisch
gebied een schifting te maken. Al wat Fröbel en zijn meeste vereer-
ders zeggen over lezen, schrijven, rekenen en vormleer, bezit zeer
weinig waarde ten gevolge van hun onbekendheid met den arbeid van
anderen. Voortdurend stuit men in hun werken op fouten tegen alge-
meen erkende opvoedkundige waarheden. Maar terwijl we veel verwer-
pen en het goede slechts met oordeel des onderscheids overnemen,
kunnen we de hoofddenkbeelden in eere houden. Dit gescTiiedt het
best, wanneer ze alzijdig worden toegepast, en hiervoor is ook op de
lagere school plaats. Men denke vooral aan een beginsel, dat bij de
Fröbeltuinen op den voorgrond staat, nl.: een kind moet, om een
zaak goed te begrijpen, haar niet alleen zien of aanschouwen maar
ook zooveel mogelijk „ervaren." Met andere woorden: een kind leert
beter al doende dan al ziende.
In Frankrijk en België werden de denkbeelden van Fröbel vooral
bekend door toedoen van Mev. Von Marenholz. In Nederland werd
haar taak overgenomen door Elise Van Calcar.
Den meesten opgang maakten de Fröbeltuinen te Hamburg, in het
midden en het zuiden van Duitschland en Oostenrijk. In het laatste
land werden ze in 1872 bij ministerieel besluit geregeld, en ofschoon
de oprichting van goede bewaarscholen niet verplicht is, zoo weert
men toch de slechte en wordt zorg gedragen voor de opleiding van
geschikte onderwijzers en onderwijzeressen.
Zoowel in Duitschland als in ons land treedt de tuin om het klimaat
op den achtergrond voor de overdekte speelplaats, het speellokaal
en de overige kamers.
(Fröbel, een overzicht van zijn denkbeelden en leermiddelen, is
opgenomen in mijn Paedagogische Bibliotheek).
11
-ocr page 166-
ONZE NATIONALE SCHOOL WETGEVING.
De eerste schoolwet.
Waren tot dusverre de Roomschen en Joden zoo goed als geheel
buitengesloten van het geven van openbaar onderwijs, was de geheele
zaak overgelaten aan de gewestelijke of plaatselijke besturen, aan
ambachtsheeren of kerkelijke lichamen, door de omwenteling van
1795 moest er verandering komen. De gelijkheid van alle burgers
voor de wet en godsdienstvrijheid werden openlijk afgekondigd en
men begreep, dat het Nederlandsche volk één moest worden ook ten
aanzien van het onderwijs.
Toen de eerste Nationale Vergadering in 1796 geopend was, werden
van verschillende zijden voorstellen ingediend tot verbetering van ons
onderwijs. Naar aanleiding van die voorstellen werd uit die Nationale
Verg. een commissie benoemd, die in overleg met de inzenders en
de belangstellende maatschappijen een plan van verbeterd onderwijs
zou ontwerpen. Het Hoofdbestuur der Maatschappij tot Nut van \'t Alg.
antwoordde nog in hetzelfde jaar uitvoerig. Ook ongevraagd werden
nog onderscheiden plannen ingediend.
Al die plannen, de bespreking van verschillende zaken betreffende
het onderwijs of bepaalde scholen en wat in Frankrijk werd geschreven
of gezegd op dit gebied, leverden voldoende stof voor een algemeene
schoolwet. Maar hiertoe was in de eerste plaats een vaste staatsrege-
ling noodig, terwijl de Eerste Nationale Vergadering moest plaats ma-
ken voor een Tweede, die op haar beurt al spoedig werd vervangen
door een Vertegenwoordigend Lichaam, en dit alles zonder Constitutie.
Deze kwam eerst in het begin van 1798 tot stand. Daarbij werd be-
paald, dat er een agent (of Minister) zou zijn „van Nationale opvoe-
ding
, waaronder begrepen is, de geneeskundige staatsregeling, de
vorming der nationale Zeden, en de bevordering van het openbaar
onderwijs en van Kunsten en Wetenschappen." Er werd een Instructie
vastgesteld voor dien agent, waarbij bepaald werd, dat het leersteU
lige onderwijs in den godsdienst zou overgelaten worden aan de kerk-
genootschappen; maar er moest wel godsdienst onderwezen worden.
Hier vindt men dus voor het eerst voor ons land melding gemaakt
van een godsdienst boven geloofsverdeeldheid, die in Duitschland en
Frankrijk door eenigen gepredikt werd en ook hier warme aanhan-
gers vond door de geschriften van Rousseau en zijn geestverwant,
den vrijheer Von Rochow.
Intusschen liet de eerste Agent niets van zich hooren en in 1799
-ocr page 167-
163
verving men hem door Van der Palm, hoogleeraar te Leiden, en
zoon van den kostschoolhouder, dien we vroeger leerden kennen.
Als een uitvoering van zijn instructie kondigde v. d. Palm al spoe-
dig de verschijning aan van het eerste stuk der Bijdragen betrekkelijk
den staat en de verbetering van het Schoohvezen in het Bataafsche
Gemeenebest.
Deze verschenen in 1800 en het volgende jaar om de
3 maanden, daarna elke maand, tot in het jaar 1870, toen ze wer-
den opgeheven. Dit tijdschrift voorzag bij zijn oprichting in een
wezenlijke behoefte. Jaren .achtereen heeft het veel nut gesticht, door
gebreken aan te wijzen en verbeteringen in het licht te stellen. Reeds
de eerste twee jaargangen getuigen van nieuw leven in de school-
wereld.
In 1800 diende v. d. Palm overeenkomstig zijn instructie bij het
uitvoerend bewind een schoolwetontwerp in. Hieruit ontstond in 1801
onze Eerste sclioolwet.
Art. l droeg aan de gemeentebesturen op, zorg te dragen voor
een voldoend aantal scholen en het onderwijs der arme kinderen: dit
laatste in overleg met de armbesturen.
Art. 2 bepaalde, dat, waar het schoolgeld niet voldoende was, aan
den onderwijzer vrije woning en bovendien eene toelage zou worden
gegeven uit de kas van de gemeente of het rijk.
Art. 4. „Het onderwijs op de Openbare of Gemeentelijke Scholen
zal zich bepalen tot het Lezen, Schrijven, en de eerste beginselen der
Rekenkunde; zullende hetzelve zoodanig worden ingericht, dat het,
door ontwikkeling van de verstandelijke vermogens der kinderen, ge-
schikt zij, om hen tot redelijke wezens te vormen; en wijders om in
hunne harten inteprenten de kennis en het gevoel van dat alles, wat
zij aan het Opperwezen, aan de Maatschappij, aan hunne Ouderen,
aan zich zelve, en aan hunne Medemenschen verschuldigd zijn, wor-
dende het aan het Uitvoerend Bewind overgelaten, om daar, waar
zulks geschiktelijk geschieden kan, de noodige inrichtingen te doen
daarstellen, ten einde die Scholen tevens strekken, om de kinderen
den tijd, dien zij aan het bovengemelde onderwijs niet geven, te doen
besteden tot eenen nuttigen arbeid, en daardoor minvermogende
Ouders des te meer aantesporen tot het zenden hunner Kinderen naar
die Scholen."
„In de Schoolboeken en Leer-methode zal, met de meeste zorg,
moeten worden vermijd al het geen zoude strekken tot ondermijning
eener goede Zedekunde, en van den eerbied voor het Opperwezen:
doch tevens worden daargelaten al het leerstellige, dat door de onder-
scheiden Kerkgenootschappen, verschillend wordt begrepen."\'
Volgens art. 5 zou het uitvoerend bewind voor alle openbare scholen
een leer-methode vaststellen. Ook moesten de openbare onderwijzers
zich in het gebruik der boeken gedragen naar de voorschriften van
het uitvoerend bewind. Niemand mocht openbaar onderwijs geven,
als hij niet met goed gevolg examen had afgelegd voor den school-
11*
-ocr page 168-
164
opziener van zijn distrikt. De benoeming van een openbaar onder-
wijzer geschiedt verder door het gemeentebestuur.
Om een bijzondere school op te richten, was de vergunning van
den gemeenteraad noodig. Bovendien moest men een akte bezitten.
Er was slechts éen akte en die omvatte lezen, schrijven, Ned.
taal, cijferen, rekenkunde, onderwijskunst en de leer der opvoeding.
Bovendien werd in een gesprek onderzoek gedaan naar algemeene
ontwikkeling, aanleg en karakter.
Om als ondermeester op te treden, was geen akte noodig. Van
onderwijzeressen aan openbare scholen was geen sprake.
Het werd aan de gemeentebesturen overgelaten, of ze al dan niet
een vergelijkend examen wilden afnemen.
In een schoolregletnent werd bepaald, dat er wekelijks 4 dagen van
2 en 2 dagen van 1 schooltijd zouden zijn, dat er vacantie zou zijn
in de weken van Paschen, Pinksteren en Kerstmis, dat de school-
opziener gedurende de dringenste bezigheden van den landbouw vacan-
tie kon geven, dat de schoolopziener met de onderwijzers de dage-
lijksche schooltijden regelde, enz.
Aan den ouden tijd werden we herinnerd in de volgende artikelen:
„8. De Zitplaats of Lessenaar van den onderwijzer zal zoo geplaatst
zijn, dat hij op de gemakkelijkste wijze de geheele School kan overzien."
„10. De leerlingen zullen in drie dassen verdeeld worden, en elke
classe afzonderlijk zitten; de eerste op kleine bankjes, de volgende
aan geëvenredigde tafels, van bankjes of latten voorzien, waar op
de voeten kunnen rusten."
„13. De Schoolboekjes en Schrijfbehoeften zullen door den Meester
alleen aan de Kinderen, tegen vastgestelde prijzen, worden geleverd."
Daarnaast vinden we de nuttige bepaling, dat slechts 2 maal in een
jaar leerlingen mogen worden toegelaten, al is dit weinig toegepast
en heeft men het zelfs nu in sommige plaatsen nog zoo ver niet
gebracht.
Het aantal schoolopzieners werd al spoedig van 24 op 35 gebracht,
waaronder 22 predikanten waren en 3 katholieken, l hoogleeraar, 2
rectoren en 3 onderwijzers.
De tweede schoolwet.
Nog in hetzelfde jaar, dat de eerste schoolwet werd afgekondigd,
had er op nieuw een staatsomwenteling plaats. De foederalistische geest
behaalde een overwinning op het stelsel van centralisatie. Volgens de
nieuwe staatsregeling werd het „Uitvoerend Bewind" vervangen door
een „Staatsbewind ,*\' het Vertegenwoordigend Lichaam door een Wet-
gevend, maar beide zagen een groot deel van hun taak overgaan op
Departementale besturen, met oude gewestelijke namen. Dit gold ook
voor het onderwijs: het Staatsbewind moest zorgen voor de bevordering
der opvoeding: maar de gewestelijke besturen kregen daarbij meer in-
-ocr page 169-
165
vloed. Voor dat doel werd een „Raad van Binnenlandsche zaken\'\' in-
gesteld , die uit 3 leden zou bestaan. Tot een van deze 3 werd v. d.
Palm benoemd, zoodat hij zijn taak kon voortzetten. Maar nu was
ook al dadelijk een nieuwe onderwijswet noodig. Deze kwam in 1803
tot stand. Zij was niet veel meer dan een wijziging der wet van 1801,
zoo ver de nieuwe staatsregeling verandering noodzakelijk maakte.
Wij zullen deze wet niet nader bespreken, daar zij door de nalatigheid
der gewestelijke besturen niet of nauwelijks in werking was, toen
reeds de derde schoolwet in het vooruitzicht kwam.
Bij den Raad van Binnenlandsche Zaken werd als Amanuensis aan-
gesteld A. v. d. Ende, die eerst predikant was geweest en zich later
op de hoogte van \'t onderwijs had gesteld. Hem werd tevens opge-
dragen „een handboek voor de onderwijzers op de opetiöare scholen\'\' te
schrijven. Het eerste deel, de algemeene beginselen en een blootleg-
ging der bestaande gebreken behelzende, verscheen in 1803. Het
tweede deel dat over een betere leerwijze zou handelen, is nooit ver-
schenen , en zoo zijn we bewaard gebleven voor een officiëele methode.
De derde schoolwet.
Bij de verandering van het Staatsbestuur in 1805 werd de Raad van
Binnenlandsche Zaken opgeheven. Van der Palm trad af en zijn taak
werd opgedragen aan een secretaris van Binnenlandsche Zaken, onder
wien v. d. Ende werkzaam was als „Commissaris tot de zaken van het
Lager Schoolwezen en onderwijs." De nieuwe wet, die in 1806 tot stand
kwam, heeft tot Januari 1858 gewerkt. De hoofdbepalingen van die
weten van de reglementen, die er mee samenhingen, zijn de volgende.
Het schooltoezicht werd opgedragen aan schoolopzieners en school.
commissiën. De laatste waren verplicht voor grootere gemeenten en
facultatief voor kleinere. — Er moest overal voldoende gelegenheid zijn,
om onderwijs te ontvangen, maar er moest tevens voor gewaakt wor-
den, dat er nergens te veel scholen werden opgericht. — Niemand
mocht een school oprichten zonder een speciale vergunning en niemand
mocht onderwijs geven zonder een akte. Er waren 4 akten. De vierde
of laagste eischte lezen, schrijven, rekenkunde en eenigen aanleg tot
het geven van onderwijs. De derde bovendien Nederlandsch en onder-
wijskunde. De tweede bovendien aardrijkskunde en geschiedenis, de
eerste boven dat alles nog natuur* en wiskunde. De scholen werden
verdeeld in drie klassen; voor de laagste klasse was een vierde rang
voldoende, voor de volgende klasse een derde rang. De akten van
den derden en vierden rang golden alleen binnen de grenzen van het
schooldistrikt, waar ze behaald waren. De akten van den eersten en
tweeden rang golden voor \'t geheele land, tenzij ze waren afgegeven
door een plaatselijke schoolcommissie van zoodanige stad, die wegens
het groot aantal scholen geheel alleen een schooldistrikt uitmaakte.
De scholen, die geheel of gedeeltelijk uit een openbare kas werden
-ocr page 170-
166
onderhouden, heetten openbare; alle andere bijzondere. Deze werden
onderscheiden in twee klassen. Bijzondere scholen der eerste klasse,
waren zulke die uitgingen van een godshuis, een Maatschappij of een
of meer bijzondere personen. Bijzondere scholen der tweede klasse
waren dezulke, die haar onderstand geheel vonden uit het schoolgeld
en de kostpenningen.
Deze wet was ongetwijfeld voor het begin dezer eeuw een meester-
stuk. We vinden er veel in wat in de twee voorgaande wetten voor-
komt, maar zij is toch verreweg de meest volledige. We treffen
hier een goed geregeld schooltoezicht aan. Vooral ook waren de
examens voor dien tijd goed geregeld.
Maar de wet had ook hare schaduwzijden. Men liet veel over aan
minnelijke schikking; men vond het wel goed, de menschen te over-
tuigen, maar tegen wettelijke bepalingen zag men op. Zoo was de
geest van den tijd en daarmee stemt de wet overeen. Maar nu missen
vele bepalingen ook de noodige scherpte. Een hulponderwijzer was in
een school van meer dan 60 kinderen niet verplicht, een minimum van
jaarwedde werd niet vastgesteld, zelfs verving men eene vroegere be-
paling omtrent het tweemaal toelaten in een jaar door een aanbeveling
in dien geest. Het bijzonder onderwijs werd noodeloos gekneld.
Het was goed, dat men ook onderwijzeressen had opgenomen in
de wet, terwijl men deze nog in 1803 had over \'t hoofd gezien.
Maar het was verkeerd, voor die alle slechts 1 akte te eischen. De
hoofdonderwijzeres eener flinke school voor gewoon lager onderwijs
kon volstaan met dezelfde akte, die voor de houders van een matres-
senschooltje voldoende was. Den schoolopziener werd opgedragen te
zorgen, dat er een voldoend aantal van die kleinkinderschooltjes
was. Hier werd dan spellen en een begin van \'t lezen geleerd,
ongetwijfeld meestal werktuiglijk.
Jammer vooral was, dat geen bepaalde voorschriften waren gegeven
omtrent de opleiding van jeugdige onderwijzers, noch omtrent scholen
door gemeenten op te richten.
De wet was nog niet in werking getreden , of de raadpensionaris
moest plaats maken voor koning Lodewijk. Wel was men toen
bevreesd, dat de uitvoering der wet achterwege zou blijven ; maar
het bleek al spoedig, dat de koning hart had voor zijn nieuw vader-
land, en de nieuwe schoolwet werd overgenomen op een paar
bijzaken na. En toen Oost-Friesland bij ons land werd gevoegd,
trad ook daar de wet in werking.
Hiertoe was nog noodig, dat de gewestelijke besturen een regie-
ment zouden opstellen, maar dezelfde lichamen , die onder de wet
van 1803 zoo nalatig en tegenstrevend waren geweest, legden nu den
meesten ijver aan den dag.
Lichamelijke straffen waren niet verboden onder de wet van 1806,
maar men begreep toch, dat ze groot bezwaar opleverden. Daarom
werd dan ook den onderwijzer in de departementale en stedelijke
-ocr page 171-
167
reglementen de grootst mogelijke spaarzaamheid aanbevolen en de
verplichting opgelegd van elke zoodanige straf kennis te geven aan
het schooltoezicht. De ervaring heeft echter geleerd, dat men zelfs,
ondanks een verbod in 1820 door den minister uitgevaardigd, tot
den jare 1858 niet spaarzaam omging met klappen. De kennisgevin-
gen schijnen veelal achterwege gebleven te zijn. En in het plaatsen,
op een schandbank, of het schrijven van den naam op een schand-
bord
zag men geen bezwaar. Deze straffen werden als zeer gewoon
beschouwd.
De onderwijzer behield de vergunning, leermiddelen aan de kinderen
te verkoopen
tegen vastgestelde prijzen. Hij kreeg dan 10 percent kor-
ting van de boekhandelaars of de uitgevers en had dus daarin een
middel om zijn inkomen, dat dikwijls vrij sober was, te verhoogen.
Onder de zaken, die bij huishoudelijke reglementen moesten geregeld
worden, behoorde ook de manier, waarop onderwijzers zouden aan-
gesteld worden. In de provinciën Brabant en Utrecht werd het ver-
gelijkend examen
voor openbare scholen facultatief gelaten; in al de
andere gewesten maakte men het verplicht. Voor de bijzondere scholen
der eerste klasse stelde men in Overijsel het verg. examen verplicht:
overigens werd het voor alle bijzondere scholen facultatief gelaten.
Art. 23 van reglement A luidde: Terwijl vastgesteld wordt het ne-
„men van maatregelen om de schoolkinderen van het onderwijs in het
„leerstellige van het Kerkgenootschap, waartoe zij behooren, geenszins
„verstoken te doen blijven, zal het geven van dit onderwijs niet ge-
„schieden door den schoolmeester."
Naar aanleiding van deze bepaling werden de kerkgenootschappen
uitgenoodigd zorg te dragen voor het leerstellig onderwijs, terwijl hun
tevens door de regeering werd medegedeeld, dat het als een taak van
den onderwijzer werd beschouwd, „een zvel ingericht onderwijs in den
Christelijken godsdienst, voor zoo verre desselfs geschied- en zede-
kundig gedeelte betreft"
te geven.
Zoowel Roomschen als hervormden verklaarden zich zeer ingenomen
met die regeling en de laatsten vroegen toegang tot de school.
Tegenover zooveel welwillendheid als de kerkgenootschappen aan
den dag legden, wilde ook de regeering niet achterwege blijven. Den
onderwijzers zou vriendelijk verzocht worden „om hunne Scholieren
„aantemanen tot het gezet bijwonen van Catechisatiën bij de Leeraren
„der onderscheiden Godsdienstgezindten, tot welke zij mogen behoo-
„ren, en om bij voortduring optegeven de namen hunner Scholieren,
„tot het „Hervormde Kerkgenootschap behoorende" ....
De leden der commissiën van onderwijs in de departementen werden
o.a. gemachtigd „om alle Schoolonderwijzers zoo in openbare als bij-
„zondere Scholen, als mede alle Schoolhouderessen aantemanen, om
„aan de respective Kerkenraden of andere Kerkelijke Personen huiv
„ner Stad of Plaats, op een daartoe door dezen gedaan aanzoek, op-
„tegeven de namen, alsmede de woonplaats, voor zoo veel de Steden
-ocr page 172-
168
„aangaat, hunner Scholieren, tot zoodanig Kerkgenootschap behoo-
„rende van welks kant de aanvrage geschiedt, en deze lijst van half
„jaar tot half jaar geregeld aantevullen, en voorts alle toezigt en
„zorge te dragen, dat hunne Scholieren een naarstig en gezet gebruik
„maken van de Catechisatiën, welke ten hunnen behoeve door de
„respective Leeraren hunner Kerkgemeenten zijn aangelegd; met vrij-
„lating voor het overige aan de gezegde Commissiën der Kerkenraden
„of andere Kerkelijke Personen, om zich, dit noodig oordeelende,
„van tijd tot tijd naar een of ander, tot gemelde Catechisatiën be-
„trekkelijk, op de school zelve te informeren."
Ook de Schoolopzieners moesten de behulpzame hand bieden aan
de Kerkgenootschappen.
In l8lO werd een boekenlijst vastgesteld waaruit de onderwijzers
moesten kiezen. Daarin werden echter alle bruikbare boeken opgeno-
men, zoodat ze geen beperkend karakter had. Maar er werden ook
gedeelten uit den bijbel met Duitsche letter gedrukt in opgenomen, en
dit was verkeerd. Bovendien schreef Van den Ende, dat de bijbel in
zijn geheel geen schoolboek was maar dat de onderwijzers er gedeelten
uit konden voorlezen en verklaren. In de bijdragen echter, was men
meer aarzelend. Daar wordt er soms op gewezen, dat het wel moge-
lijk is, den bijbel voor te lezen op de school; maar dat het dan toch
wenschelijk is, niet in verklaringen te treden, omdat men hierbij uit
den aard der zaak kwetsen moet. Een andermaal meende men weer,
dat het toch niet mogelijk was, nooit iemand te kwesten.
In dien toestand van zaken kon dus ieder onderwijzer zijn school
zoo godsdienstig maken als hij wilde en vrome ouders, een vrome
schoolopziener of een vrome schoolcommissie konden met zulke gezeg-
den in de hand, veel eischen van een onderwijzer.
Door zulke bepalingen werd natuurlijk nadeel toegebracht aan het
karakter der gemengde school. Daarbij komt nog, dat op vele plaat -
sen de betrekking van onderwijzer verbonden bleef met die van koster,
voorzanger of organist der hervormde gemeente.
Maar hoezeer men ook heeft gezondigd tegen de wet van 1806, hoe
weinig men ook geneigd was, het leerstellige der Protestanten van de
school verwijderd te houden, de katholiek had althans dit gewonnen,
dat hij niet beperkt was tot de keuze tusschen huisonderwijs en een
school waar zijn kinderen uit den Heidelbergschen katechismus zouden
leeren, dat de vormen van den Roomschen eeredienst paapsche afgo-
derijen waren. De Heidb. catechismus was voor goed verdwenen van
de openbare lagere school.
Ook in andere opzichten werkte de wet vrij gunstig, en dat was voor
een groot deel toe te schrijven aan de omstandigheid, dat bijna ieder-
een er aanvankelijk vrede mee had en dat iedereen gaarne wilde mee-
werken tot het aanbrengen van verbeteringen. Vooral moet grooten
lof worden toegekend aan de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen,
die meer dan de regeering deed voor de opleiding van onderwijzers.
-ocr page 173-
169
Nadat ons land een deel van Frankrijk was geworden , droeg de
keizer een onderzoek van ons schoolwezen op aan twee bekwame
mannen. Hun verslag was gunstig en had ten gevolge dat de
schoolwet werd gehandhaafd.
Reeds in l8lO werd ons onderwijs ingelijfd bij de universiteit, doch
in werkelijkheid gebeurde het eerst in l8ll en ook toen niet volledig.
De akten bleven zooals ze waren, en ook de wijze van benoeming on-
derging geen verandering. De grootmeester gaf het diploma of de aan-
stelling, maar op de gewone wijze werd bepaald of iemand een rang of
een betrekking zou krijgen. Het twintigste van \'t schoolgeld is door
de lagere scholen nooit betaald, wel door de hoogere scholen. Alleen
moest ieder onderwijzer bij het lid worden der universiteit 3 franc be-
talen, en hiermee hadden de meesten zoo weinig haast, dat herhaalde
aanmaningen en bedreigingen noodig waren, om die som te doen storten.
Ook de bepaling, dat alle onderwijzers Fransch moesten onder-
wijzen , stuitte af op den algemeenen weerstand.
Doordat de schoolopzieners en de onderwijzers dikwijls hun jaar-
wedde niet ontvingen, terwijl vele ouders het schoolgeld niet langer
konden betalen, was het treurig gesteld met ons onderwijs gedurende
de Fransche overheersching. Vele onderwijzers moesten ook uittrekken
als soldaat en van verbetering der schoolgebouwen was al dien tijd
geen sprake.
Alleen de wet zelf onderging eenige verandering.
In 1806 was alleen voor den hoogsten der 4 onderwijzersrangen een
kleinste leeftijd vastgesteld, en wel 25 jaar. In Dec. 1810 was men
genoodzaakt, ook voor de andere rangen kleinste leeftijden vast te stel-
len. Men was nl. hier en daar veel te toegevend en onoplettend ge-
worden bij het uitreiken der akten. De Minister verklaarde, dat hij reeds
herhaaldelijk in de verdrietige noodzakelijkheid was gebracht om „wet-
tiglijk uitgebrachte benoemingen te vernietigen" aangezien de benoemde
personen „rangen hadden verkregen, waarvoor ze bij de nadere examens
bleken niet opgewassen te zijn." De eerste rang moest niet dan „hoogst
zeldzaam" worden uitgereikt en de minister vond het verkeerd, dat die
rang toen reeds aan 26 personen was toegekend, daar deze uitkomst
verkregen was op een wijze, die maakte, dat de eerste rang „in het
oog van bevoegde rechters reeds aanmerkelijk (was) gedaald en voor
de beste onderwijzers niet langer een voorwerp van begeerte (was)."
Ook de tweede akte was met „te veel toegeeflijkheid en gemakke-
lijkheid" geschonken. Te Rotterdam en te Arnhem was hij zelfs
uitgereikt aan jongelingen van 15, 16, 17 en 18 jaar. Om dit te
voorkomen, werd bepaald, dat men, om den tweeden rang te kun-
nen verkrijgen, minstens 22 jaar moest zijn en reeds als hoofdonder-
wijzer werkzaam moest geweest zijn.
Voor den derden rang werd als jongste leeftijd 18 jaar vastgesteld
en voor den vierden rang 16 jaar. Deze bepalingen betreffende den
leeftijd bleven gehandhaafd tot 1858.
-ocr page 174-
170
In 1812 werd het vergelijkend examen verplicht gemaakt voor alle
lagere scholen , maar de regeering kon vrijstelling verkenen.
De vereenigde Nederlanden.
Nadat wij onze onafhankelijkheid hadden verkregen, werd de wet
van 1806 voor ons lager onderwijs geldig verklaard; de universiteit
verdween. Ten aanzien der verg. examens werd echter bepaald , dat
zij even als onder het Fransche bestuur algemeen verplicht zouden zijn.
Zoo werd de wet in 1814 bekrachtigd door den sonvereinen vorst.
In 1815 werden de departementale commissies van onderwijs ver-
vangen door de provinciale en breidde men het aantal schoolopzieners
aanmerkelijk uit. Nadat de boekenlijst voorzien was van een aan-
vulling, werd ze gratis uitgereikt aan alle schoolonderwijzers der
noordelijke provinciën van ons Rijk. Voor het eerst in dat jaar werd
subsidie gegeven aan twee onderwijzersgezelschappen en op dien weg
is men bestendig voortgegaan.
Inmiddels werd bij art. 226 der grondwet van 1815 bepaald: Het
openbaar onderwijs is een aanlioudend voorzverp van de zorg der regee-
ring. De koning doet van den staat der hooge, middelbare en lagere
scholen jaarlijks aan de Staten-Generaal een uitvoering verslag geven.
Dit zijn geen ijdele woorden gebleven. De koning stelde persoonlijk
veel belang in het onderwijs en waar de wet duidelijk spreekt, werd
zij ook beslist toegepast. Dit was vooral noodig, omdat velen in
den lande een grooten afkeer hadden van al wat sedert de omwente-
ling was tot stand gekomen. Toen echter bleek, dat het der regeering
ernst was met de schoolwet, werkte men nergens tegen, en al spoedig
was men vrij algemeen overtuigd, dat de zedelijk-godsdienstige strek-
king der wetgeving zeer bevorderlijk moest zijn aan de herleving
onzer natie. De provinciale en stedelijke commissies stelden dan ook
somtijds den godsdienst nog al op den voorgrond. Die van de Gro-
ningsche provincie schreef aan de onderwijzers onder haar ressort, dat
ze eiken morgen eenige geschikte verzen uit den bijbel zouden voor-
lezen en eenmaal des weeks door de meest uitmuntende kinderen uit
den bijbel zouden laten voorlezen.
Inwendig ging ons onderwijs snel vooruit, doordat men op de
meeste plaatsen betere schoolboeken invoerde.
De rijksjaarwedden werden nu ook meer geregeld uitbetaald en
zelfs hier en daar vermeerderd of verhoogd.
Het schoolgeld is altijd onder de wet van 1806 een groot struikelblok
geweest. Men stelde op nieuw van verschillende zijden pogingen in
het werk, om de inning er van goed te regelen. Op het platteland
der provincie Groningen droeg men de inning aan de ontvangers op.
Men liet voor het geheele jaar betalen en stelde vast, dat de armen
niet zouden bedeeld worden, als ze hun kinderen niet geregeld ter
school zonden en dat ook voor niet bedeelde behoeftigen het school-
-ocr page 175-
171
geld zou voldaan worden uit de armenkas. Door die maatregelen
zegt v. Swinderen, gingen in 1817 op het platteland van Groningen
tweemaal zooveel kinderen ter school als in 1801. We zullen echter
in het oog moeten houden, dat de invloed van Wester meegewerkt
heeft tot die uitkomst.
Door het vermeerderde schoolbezoek namen ook de inkomsten
der onderwijzers toe. „De herlevende welvaart liet ieder jaar de
verbouwing of verbetering van eenige scholen toe, en het vuur en
licht werden op kosten der gemeente bezorgd."
Toch waren al die verbeteringen slechts kleinigheden in vergelijking
van wat er had moeten gedaan worden en wat men had kunnen doen
met behulp van eenige meer bepaalde wettelijke voorschriften. Maar
v. d. Ende meende, dat ons schoolwezen nog niet rijp was voor meer
nauwkeurige voorschriften; het zou zelfs, meende hij, nog vele jaren
duren, voor het geschikte oogenblik tot zoo iets aanbrak. En we
vinden inderdaad, zoolang v. d. Ende aan het hoofd van ons school-
wezen stond, wel een aantal voorstellen tot verbetering van een of
ander onderdeel, maar hij wijst geen afdoende maatregelen aan.
In Maart 1815 werd bepaald dat voor de 3 eerstvolgende jaren de
derde rang, waar ook behaald, in het geheele rijk geldig zou zijn,
en niet zooals tot dusverre alleen maar binnen den kring der com-
missie, die de akte had uitgereikt. Deze maatregel werd vooral ge-
nomen met het oog op de provinciën Brabant en Zeeland, waar het
onderwijs door de Fransche overheersching meer ontredderd was dan
elders. Later bleef dezelfde bepaling gehandhaafd met het oog op
België, en langzamerhand achtte men het mogelijk, den maatregel
voor goed te behouden, daar toch de latere examens voor den der-
den rang even moeilijk waren als de vroegere examens voor den
tweeden rang.
Toen België in 1814 vereenigd werd met Noord-Nederland, stelde
men zich daarvan veel heil voor. De nijverheid en de landbouw van
België zouden den handel en de scheepvaart van het overige deel
steunen en omgekeerd. Er werd dan ook dadelijk bij de vereeniging
vastgesteld, dat de twee landen slechts een enkelen staat zouden
vormen, dat alle eerediensten gelijke bescherming zouden genieten,
dat alle burgers, van welke geloofsbelijdenis ook, zouden toegelaten
worden tot alle ambten.
De vrijheid van eeredienst was echter een doorn in het oog van de
Belgische geestelijkheid, en reeds in 1814 werd daartegen verzet aan-
yeteekend. Men verlangde den toestand van vroeger terug. Ook kon
zij niet goedkeuren, dat het onderwijs, de inrichtingen van liefdadig-
heid en de opvoeding der armen een voorwerp van de aanhoudende
zorg der regeering zouden zijn, terwijl het onderwijs niet eens vrij was.
Ondanks die protesten ging de regeering kalm haar gang, en de
bevolking verzette zich nergens.
Na onze vereeniging met België werden aller oogen op het school*
-ocr page 176-
172
wezen van dat land gericht. Het zag er treurig uit. Een eenigszins
geregeld lager onderwijs was er niet. De regeering wilde daarom
trachten, er langzamerhand onze schoolwetgeving over te brengen, om
zoo gaandeweg het een en ander te verbeteren. Dit geschiedde in
den vorm van voorloopige maatregelen, zoodat men gemakkelijk kon
intrekken wat achterna op te veel tegenstand bleek te stuiten. De
noodzakelijkheid om de opleiding van onderwijzers te bevorderen,
werd nu voor het eerst goed ingezien. Daarom werd de kweekschool
van het Nut te Groningen gesteund en besloot men tot de oprichting
van 2 rijkskweekscholen mee beurzen voor de kweekelingen. De eene
werd opgericht te Haarlem en kwam onder leiding van den onder-
wijzer der departementale school, P. J. Prinsen. De andere werd
te Lier gevestigd onder leiding van B. Schreuder.
Om verder het onderwijs in België te bevorderen, werd bepaald,
dat men in elke provincie aan een twaaftal „niet onbekwame" on-
derwijzers een landssubsidie zou geven, als de gemeente eerst zorgde
voor een goed schoolgebouw.
Ook deze bepaling werkte gunstig, ofschoon men in het katholieke
België wantrouwen had tegen eiken maatregel, die uit het Protestant-
sche Nederland kwam. Zelfs schijnen de pastoors wel verklaard te
hebben aan hun gemeentenaren , dat zoo\'n groot schoolgebouw slechts
tijdelijk voor de jeugd zou dienen en bestemd was om later dienst te
doen als protestantsche Kerk. Men zag echter niet tegen maatregelen
op, om den invloed van protestantsche ijveraars te verlammen en be-
paalde zelfs wel, dat de bijbel niet mocht gelezen worden op de open-
bare school, wat zeker voor België een alleszins gepast voorschrift was.
De kennismaking met België leidde zeker tot hoogschatting van
wat in de Noordelijke provinciën reeds tot stand was gebracht. Bo-
vendien was men in die dagen van herlevende welvaart toch zeer
geneigd, om de zaken van de gunstigste zijde te bezien. In het
regeeringsverslag over 1817 lezen we dan ook het volgende: „Het
„lageronderwijs is in vele provinciën tot een merkwaardigen graad
„van volkomenheid gebracht. Er wordt ook op de verstandelijke en
„zedelijke opvoeding gelet. Het onderwijs wordt afgewisseld met
„zangoefeningen, waardoor men opgeruimdheid in de school bevordert
„en voor later een krachtig middel aan de hand doet voor uitspanning
„en beschaving. Dit verbeterd lager onderwijs is sedert ruim 30
„jaren ingevoerd en door behulp van algemeene landsverordeningen
„vrij algemeen geworden in de provinciën Noord-Brabant, Gelderland,
„Holland, Zeeland, Utrecht, Overijsel, Groningen en Drente. Op
„de dorpen is het beter dan in de steden. Hier zijn vele burgerscho-
„len en scholen van godshuizen, waar op ondoelmatige manier on-
„derwijs wordt gegeven. De ingevoerde verbeteringen bepalen zich
„voor de steden in den regel tot de armenscholen .... De verbeterde
„leerwijzen zijn vooral van Nieuwold en Pestalozzi."
Toch klaagde men in hetzelfde verslag over de geringe jaarwedden
-ocr page 177-
173
en de omstandigheid, dat de inning van het schoolgeld niet behoorlijk
geregeld was.
In de provincie Groningen werden ten jare 1824 de katheders opge-
ruimd. Voor dezelfde provincie was een jaar vroeger de koepokinenting
verplicht gemaakt ten opzichte van schoolkinderen en onderwijzers.
In België trachtte men, het particulier initiatief op te wekken, en
overal, waar dit zich vertoonde, werd het zooveel mogelijk gesteund.
Deden regeeringspersonen hun best, ook particulieren spanden op
onderscheiden plaatsen hun krachten in. Te Namen, Brussel, Bergen,
Luik en op andere plaatsen werden Vereenigingen gevormd tot bevor-
ring van het lager onderwijs.
Te Namen had men in 1822 normaal-
lessen geopend voor de onderwijzers van de geheele provincie. Hier-
door kwamen de onderwijzers in aanraking met een aantal officiëele
en bijzondere personen te Namen, die voor het eerst den waren toe-
stand leerden kennen. Om dezen te verbeteren, werd in 1825 een
vereening opgericht, die de verbetering van het lager onderwijs voor
alle standen ten doel had. Elk lid zou voor dit doel jaarlijk minstens
3 gulden storten. Twintig leden uit een andere plaats konden een
afdeeling vormen. In het eerste jaar telde de vereeniging 247 leden,
en dit aantal nam voortdurend toe. De vereeniging deelde schoolprijzen
uit en zorgde voor goedkoope bruikbare schoolboeken. In 3 jaar had
zij 143000 schoolboeken, 5400 leien en 38000 potlooden geleverd.
Bovendien vestigde zulk een vereeniging de algemeene aandacht op
het lager onderwijs.
De vereeniging te Luik kwam in 1827 tot stand en werd op dezelfde
wijze ingericht als die te Namen. Zij had in 3 jaar meer dan 80000
schoolboekjes afgeleverd.
De vereenigingen te Brussel en te Bergen werkten op dezelfde
wijze en richtten ook avondscholen voor oudere leerlingen en bewaar-
scholen op.
Ten gevolge van de bemoeiingen der regeering en der verschillende
vereenigingen heeft men in België van 1817 tot 1828 niet minder dan
1146 schoolgebouwen en 168 onderwijzerswoningen gesticht of ver-
beterd. In dien tijd had men aan 1977 onderwijzers en 168 onder-
wijzeressen een akte uitgereikt. Het gezamenlijk bedrag der jaarwedden
van de gemeentelijke onderwijzers was van 158000 franc geklommen
tot 488000 franc. Het aantal leerlingen der openbare scholen was
van 153000 aaangegroeid tot 248000. In 1830 was het aantal open-
bare scholen 4046 en het aantal leerlingen 293000, waarvan 157000
jongens en 136000 meisjes.
Maar ondanks de verdiensten der regeering moet het als een fout
aangerekend worden, dat zij het onderwijs niet vrij liet. Er was naast
de 3 a 4 duizend openbare scholen nog wel plaats voor eenige bijzon-
dere scholen. En in een door en door Katholiek land zooals België
behoefde men er geen bezwaar in te zien, dat het onderwijs in Room-
schen geest werd gegeven. Toch was dit bij vele Noord-Nederlanders
-ocr page 178-
174
het geval, en menig protestant scheen het zelfs nuttig en verdiensteljk
te vinden, als men een onontwikkeld katholiek der Zuidelijke Neder-
landen een protestantschen bijbel in handen kon spelen.
Ook de regeering was van haar kant weinig voorzichtig. In 1822
en 1825 werden maatregelen genomen tegen vreemdelingen, die ge-
deeltelijk ook de Walen troffen. Niemand zou van l Jan. 1823 af een
ambt of een bediening kunnen aanvaarden, als hij de nationale taal
(dat wil zeggen het Nederlandsch) niet kende. Ook konden vreemde-
lingen zonder genaturaliseerd te zijn of toegelaten door de regeering,
niet als onderwijzer, zelfs niet als ondermeester optreden. Dit geldt ook
nu voor ons land, maar men stond in dien tijd niet licht toe wat nu
in den regel wel wordt vergund. In Febr. 1826 werd zelfs aan de
orde der broeders van het Christelijk onderwijs de toegang tot het rijk
ontzegd; en alle Belgen, die lid der orde waren, kregen bevel, haar
te verlaten.
In 1828 vaardigde de regeering besluiten uit, waarbij ze voortging
op den ingeslagen weg en die in het oog der meeste Belgen slechts
het begin vormden van een vast stelsel om de Zuidelijke Nederlanden
Protestantsch te maken. De regeering maakte allerlei beperkingen op
het gebied van het onderwijs aan de universiteiten, de athenea, de
collegiën en de seminariën ; zij stelde een zoogenaamd wijsgeerig college
in; aan de Belgen, die in den vreemde hadden gestudeerd, werd de
toegang tot dat college en de universiteiten ontzegd; zij werden buiten-
gesloten van alle openbare ambten en kerkelijke bedieningen.
Geen wonder, dat er in de zitting der Staten Generaal van 1828
hevige klachten en verwijten werden gehoord. Zij hadden ten gevolge,
dat alle ontevredenen zich vereenigden tot een partij, die niet alleen
vrijheid van onderwijs maar ook van eeredienst en van drukpers eischte.
Bovendien verlangde men van toen af in Zuid-Nederland in allerlei op-
zichten meer staatkundige rechten. Maar onder alle grieven was die,
welke het onderwijs betrof, de voornaamste.
De regeering besloot daarom in Nov. 1829 aan de Tweede Kamer
een wetsontwerp voor te leggen, dat een weinig meer vrijheid ademde
op het gebied der school. Volgens dat ontwerp zou het huisonderwijs
geheel vrij zijn; maar ten aanzien van het schoolonderwijs bleef bijna
alles zooals het was. Dit onderwerp werd in de afdeelingen zoo ongun-
stig beoordeeld, dat de regeering het introk en bij Koninklijk besluit
werden toen meer vrijzinnige maatregelen vastgesteld voor België. Het
schooltoezicht bleef gehandhaafd, maar de toestemming om een school
op te richten werd door den burgemeester gegeven met goedkeuring
der provinciale staten. Vreemdelingen waren niet langer buitengesloten
en andere belemmeringen werden opgeheven. Maar het was te laat,
de opstand kon op die wijze niet meer voorkomen worden.
-ocr page 179-
175
HET LOT DER ONDERWIJZERS.
Tusschenscholen en bijzondere scholen der tweede klasse.
Het lot der onderwijzers moest voor een groot deel afhangen van
het schoolfonds, dat in elke gemeente zou opgericht worden, maar
grootendeels achterwege bleef.
Wel zocht men aan de armoede van vele onderwijzers te gemoet te
komen, door van wege het Rijk jaarwedden of toelagen uit te reiken,
maar zoodoende werd slechts een klein deel der ellende weggenomen.
De inning van het schoolgeld was een voortdurend struikelblok en
de aanschaffing van betere leermiddelen, stuitte niet zelden af op den
onwil of de onmacht der ouders, die ze moesten betalen en nog wel
oude schoolboeken hadden, waaruit ze zelf hadden geleerd.
Na verschillende mislukte pogingen kwam er in de provincie Gro-
ningen voor alle gemeenten , uitgezonderd de hoofdstad, een reglement
op de betaling der schoolgelden tot stand, dat den 1 Januari 1839
begon te werken en de beste vruchten opleverde. Men bepaalde n.1.
dat er voor kinderen van 5 tot 12 jaar schoolgeld moest betaald
worden, al bezochten ze de school ook niet.
Deze maatregel werkte voortreffelijk. Het schoolbezoek nam aan-
merkelijk toe, daar de ouders, nu zij eenmaal betalen moesten, toch
ook iets wilden hebben voor hun geld. Hiermee waren de onder-
wijzers in de provincie Groningen voor een groot deel geholpen, te
meer daar velen van hen nog al het een en ander trokken uit een
kerkelijke betrekking. Jammer, dat de stad Groningen een uitzon-
dering vormde.
In de steden werd gewoonlijk vrij wel gezorgd voor de ondervvij-
zers der armenscholen. Maar met de bijzondere onderwijzers der
tweede klasse was het daar in den regel al heel treurig gesteld. Ze
waren te zeer afhankelijk van de grillen der ouders en zelfs van den
goeden wil hunner leerlingen. De schooltijden konden niet geregeld
aanvangen en er was veel verzuim. De flinke mannen moesten on-
derdoen voor hen, die zich in alles schikten.
Intusschen gaf Leeuwarden voor dien tijd een schitterend voorbeeld.
Daar was het geheele onderwijs van stadswege geregeld. Men had
er 12 stadsscholen, waarvan 3 armenscholen, 2 burgerscholen, 4
tusschenscholen, l bewaarschool, l Fransche kostschool voor jongens
en een andere voor meisjes. De jaarwedden waren goed en de
klassen niet zeer groot, voor dien tijd zelfs zeer klein.
Het aantal schooluren per dag was op de armenscholen 9 en op
de tusschenscholen 8 of 9\'/2; zeker te veel. Maar wij behoeven bij
kleinigheden niet stil te staan, waar Leeuwarden voor dien tijd zulk
een uitmuntend voorbeeld gaf.
Vooral de tusschenscholen verdienen onze aandacht als inrichtingen,
die eerst in deze eeuw meer algemeen zijn geworden. Wel trof men
-ocr page 180-
176
reeds in 1662 te Amsterdam een „Duytsche schoole" aan, door de
stad opgericht „voor slechte lieden haer kinderen, die voer weinigh
geldt hier kunnen onderwesen worden"; maar dat is een opmerkelijke
zeldzaamheid. Ook hebben we met uitzonderingen te doen, als we
in de jaren 1795 en 1796 melding zien maken van een instituut
voor minvermogenden op het platteland van Holland en van een
dergelijke inrichting te Gouda. De toepassing op groote schaal van
het voortreffelijk denkbeeld der tusschenscholen behoort tot deze eeuw.
Amsterdam gaf in 1820 een goed voorbeeld, door 4 tusschenscholen
op te richten, waarvoor zich terstond 1600 leerlingen aanmeldden.
Rotterdam en Den Haag volgden. Te Leeuwarden had men reeds
in 1816 het voornemen opgevat om tusschenscholen te stichten, maar
het duurde tot 1830, eer dat plan ten uitvoer werd gebracht. Hier
werkte de zaak zoo goed, dat men in 1841 nog 3 tusschenscholen
oprichtte. Alle andere steden van ons vaderland hebben met meer
of minder spoed het voorbeeld gevolgd.
Mochten de inkomsten der meeste onderwijzers niet voldoende zijn,
hun belangstelling bleef in \'t algemeen onverflauwd en het gehalte ver-
beterde gaandeweg. Niet alleen gaven nieuwe schoolboeken bewijs van
vooruitgang, maar men werkte ook door tijdschriften gunstig op het
schoolwezen. Menig onderwijzer leverde in het mengelwerk der Bij-
dragen een goed opstel. Maar uit den aard der zaak werd hier de
meeste ruimte besteed aan officieele berichten. Men gevoelde dan ook
al spoedig behoefte aan een tijdschrift, dat van den onderwijzersstand
zou uitgaan. Eerst verscheen „de Pedagoog", een „Magazijn voor
opvoeding en onderwijs" en meer\' andere tijdschriften, die een kortston-
dig bestaan hadden. Zeer gunstig werd een van Groningen uitgaand
Tijdschrift ontvangen, dat den titel kreeg Tijdschrift voor onderwijzers
en ter bevordering der huislijke opvoeding.
Eerste Jaargang 1833.
Als een gunstig verschijnsel moet aangemerkt worden, dat de ruim
1000 inteekenaars, die het tijdschrift al terstond telde, wel hoofdzake-
lijk onderwijzers waren, maar dat men er toch ook een aantal mannen,
buiten het onderwijs staande, bij aantreft. Het tijdschrift werd goed
geschreven. Het tijdschrift is met kleine wijzigingen in den titel 34
jaar lang voortgegaan te verschijnen. In 1867 kreeg het den titel
Pestalozzi. Het bleef evenals in vorige jaren om de 3 maanden ver-
schijnen. Te gelijk met den derden jaargang trad echter de Schoolbode
op, en met het begin van 1870 werden de twee tijdschriften vereenigd
tot een maandblad, dat in December 1880 overleed.
Naast het Groningsche tijdschrift werd in 1840 de Unie geplaatst
door de onderwijzersvereeniging te Rotterdam , maar het nieuwe tijd-
schrift bloeide niet zooals het Groningsche.
Verder verschenen ook nog verschillende tijdschriften voor de oplos-
sing van vraagstukken of het beantwoorden van vragen in \'t algemeen,
die zich alle hierdoor kenmerkten, dat de inteekenaars zoowel de
vragen als de antwoorden inzonden en zelfs grootendeels het mengel*
-ocr page 181-
177
werk leverden, als hiervoor een plaats was. De meeste van die tijd-
schriften hadden een kortstondig bestaan.
In 1842 verscheen voor het eerst een weekblad voor onderwijzers
onder den titel van Schoolbode. Aanvankelijk maakte het opgang,
maar al spoedig bleek het niet aan de verwachtingen te beantwoorden.
Dit was aanleiding, dat in 1843 de Wekker werd opgericht, die
stand hield tot heden.
Nog in een ander opzicht gaven de onderwijzers teekenen van levens-
kracht. Reeds van het begin onzer schoolwetgeving af had men onder-
wijzers-gezelschappen gehad. In 1820 telde men er reeds 181 , ver-
deeld over 64 distrikten. Maar zij stonden los naast elkaar. Van
1830 af werd de wensch geuit, een band te hebben tusschen onder-
wijzers uit alle oorden van ons land, doch eerst in 1842 werd een
Nederlandsch Onderwijzers-Genootschap opgericht. De koninklijke
goedkeuring werd terstond aangevraagd, maar eerstin 1844 verleend
„onder de uitdrukkelijke bepaling echter, dat het genootschap zich
„zal hebben te houden aan hetgeen hetzelve van deszelfs doel en
„van de daartoe aan te wenden middelen aan het Gouvernement heeft
„bekend gemaakt, en zich nimmer en in geen geval hoegenaamd zal
„mogen inlaten met eenig punt van beheer, het onderwijs betreffende."
De denkbeelden, die men toen van vrijheid koesterde, waren nog
niet zeer rijp en bij elke zelfstandige uiting koesterde men achter-
docht. Ook de schoolopzieners waren voor een deel tegen het nieuwe
lichaam, en een gevolg hiervan was, dat vele onderwijzers het niet
geraden achtten, toe te treden. In het begin van 1844 telde het
genootschap 402 leden en 28 afdeelingen.
Van de erkenning af tot op dit oogenblik heeft het genootschap
den meest heilzamen invloed uitgeoefend op ons schoolwezen. Waar
de belangen der school moesten bevorderd worden of gevaar liepen,
deed het zijne stem hooren.
Tot de nuttigste inrichtingen, die door het onderwijzersgenootschap
zijn tot stand gebracht, behoort de oprichting van een weduwenfonds
en een spaarbank.
De ijver der onderwijzers werd echter door een groot deel van \'t pu-
bliek niet aangemoedigd. Vooral de behoudsmannen zagen gevaar in
uitbreiding van het volksschoolwezen. De een voerde aan, dat de ar-
beidende klasse door meer onderwijs uit haar stand zou gerukt worden.
Een ander zag in de meerdere concurrentie, die uit een algemeen
onderwijs zou voortvloeien, gevaar voor de belangen van zijn stand
in \'t algemeen en voor die van zijn kroost in \'t bijzonder.
Ofschoon onder de wet van 1806 en vooral in regeeringsverslagen
dikwijls werd gesproken van „middelbaar onderwijs", wist niemand,
welke beteekenis men hieraan moest hechten. Een eigenlijk gezegd
middelbaar onderwijs bestond nog niet, en er was geen wet, die kon
helpen om het in \'t leven te roepen. Veelal rekende men de kost-
12
-ocr page 182-
178
scholen en de Fransche scholen, zoover ze tot voortgezet onderwijs
dienden, onder de middelbare.
Met die scholen was het echter over \'t algemeen slecht gesteld.
Bijna alles werd er opgeofferd aan het Fransen, en vooral de meisjes-
scholen hadden veel te lijden van de grillen der ouders.
In de hoogere standen werd nog steeds de eerste opvoeding voor
een groot deel toevertrouwd aan Fransche bonnes.
Maar tegenover alle gebreken, die men kon aanwijzen, bleven
velen meenen, dat ons geheele stelsel van opvoeding en onderwijs
voortreffelijk was, en in dien waan werden ze versterkt door de gun-
stige verslagen van eenige vreemde geleerden, die onze scholen had-
den bezocht.
Vrijheid van onderwijs.
Onder de wet van 1806 bestond geen vrijheid van onderwijs. Al
had iemand de noodige bewijzen van bekwaamheid gegeven, hij
mocht niet zonder bepaalde vergunning der gemeentelijke overheid
een school oprichten. En zulk een vergunning werd volstrekt niet
altijd gegeven, vooral niet, wanneer er sprake was van een school
_in katholieken of rechtzinnig protestantschen geest.
In 1823 liet de dichter Da Costa zijn „Bezwaren tegen den geest
der eeuw\'\' verschijnen. Hij had het echter tegen de richting, die aan
het onderwijs werd gegeven, en niet tegen de wet zelve. Weinig
jaren later evenwel begon men in de Zuidelijke Nederlanden te kla-
gen over dwang, waartoe de wet aanleiding gaf. Het was ter wille
van deze klachten dat er in 1830 een Kon. Besluit verscheen, waarbij
meer ruimte werd gegeven aan de vrijheid van onderwijs en waarbij
nog eens op eerbiediging der godsdienstige gevoelens van de kinderen
werd aangedrongen. Voor België kwamen die bepalingen te laat,
en in de Noordelijke provinciën werden ze niet toegepast.
Met de meest mogelijke kleingeestigheid werd de oprichting van
scholen in Roomschen of rechtzinnig protestantschen geest tegengegaan.
Groen van Prinsterer had zich als raadsman van Willem I zeer beslist
verklaard tegen „volledige vrijheid" van onderwijs. Hij achtte niet alleen
toezicht ook op het bijzonder onderwijs noodig, maar wilde in hoofd-
zaak de wet van 1806 behouden. De moeilijkheden, die men echter
aan zijn geestverwanten in den weg legde, waren oorzaak, dat hij
overging tot de aanvallers der wet van 1806. Verder was ook de
geest der groote meerderheid van de bevolking te zeer anti-Roomsch,
dan dat men van de zijde der onderwijzers en schoolopzieners een bil-
lijke gezindheid of een stipte opvolging van bovengenoemd besluit zou
mogen verwachten. Niets was zeker meer in strijd met bedoeld Be-
sluit dan het lezen van den bijbel of het behandelen der bijbelsche
geschiedenis op scholen , waar ook Roomsche kinderen gingen. Toch
werd dit voortgezet. En in April 1838 schreef de gouverneur der
-ocr page 183-
179
provincie Groningen aan de plaatselijke besturen van dat gewest,
dat hij hun aanbeval om even als de gemeente Hoogezand school-
bijbels aan te schaffen.
Men kenschetst den toestand zooals v. d. Ende hem had gewild
en hij bij voortduring bleef, door te zeggen, dat de vrijzinnige meer-
derheid der hervormden wist te bewerken , dat in de meeste provin-
ciën op bijna alle lagere scholen godsdienstonderwijs in haren geest
werd gegeven.
Geen wonder, dat in dien toestand bij voortduring verschillende
klachten rezen en dat men op nieuw adressen zond aan Koning
Willem I met verzoek om vrijheid van onderwijs.
Deze werd echter niet verleend bij de grondwet van 1840, maar
Willem I werd opgevolgd door een zoon , die veel belang stelde in
de godsdienstige vrijheid zijner onderdanen. Een der eerste regeerings-
daden van Willem II was dan ook, dat hij een commissie benoemde,
die middelen zou aan de hand doen , om te voorzien in de bezwaren.
Deze commissie bestond uit een bisschop en een Roomsch rechtsge-
leerde, uit Groen van Prinsterer, die de klagende minderheid der
protestanten vertegenwoordigde en 3 voorstanders der wet van 1806,
al. een hoogleeraar der hervormde kerk, een hoogleeraar der Remon-
strantsche kerk en een minister van staat.
Het rapport bewees echter, dat de verschillende partijen niet te
bevredigen waren. Even beslist als de Roomschen en Groen van
Prinsterer de vrijheid om een bijzondere school op te richten be-
schouwden als een recht, dat hun zonder onbillijkheid niet kon ont-
houden worden, even stellig verklaarden de andere leden, dat door
zulk een maatregel ons volksonderwijs zou te gronde gaan. Toch
deed de commissie eenige voorstellen om althans enkele onbillijkheden,
die bij de toepassing der wet waren binnengeslopen, weg te nemen.
Een van die maatregelen, door de commissie met eenparigheid van
stemmen aanbevolen, was, dat bij weigering van het plaatselijk be-
stuur, om een bijzondere school te laten oprichten, de eindbeslissing
aan den koning zou zijn. Maar de minister van Binnenlandsche zaken
begreep, dat zulk een bepaling bij de bekende gezindheid van den
koning vrij wel zou gelijk staan met de verlangde vrijheid van onder-
wijs, en zoo werd niet die maatregel ingevoerd, maar bepaald, dat
de eindbeslissing door gedeputeerde staten zou genomen worden. Dit,
de overige der door de commissie voorgestelde maatregelen en een
bepaling betreffende het beschikbaar stellen der schoollokalen voor leer-
stellig onderwijs vormen samen het Kon. besluit.van \'2 Januari 1842.
Art. 2 bepaalde, dat de provinciale schoolcommissiën , wat de gods-
dienstige gezindheid der leden betrof, in evenredigheid zouden gebracht
worden met de godsdienstige gezindheid van de bewoners hunner
provincie.
Art. 4 bepaalde, dat de schoolopziener niet alleen vrijheid had maar
ook verplicht was, in iedere kleinere stad of gemeente van zijn distrikt
12*
-ocr page 184-
180
een schooltoezicht aan te stellen , waarvan de godsdienstige gezindheid
der leden zooveel mogelijk in evenredigheid zou zijn met die der
geheele bevolking.
„Art. 7. Bij het vervullen van schoolonderwijzers-plaatsen in steden
en gemeenten , waar slechts een lagere school bestaat, zal, na gehou-
den verg. examen, bij nagenoeg gelijke bekwaamheid en verdere
geschiktheid der candidaten, billijk acht worden geslagen op hun Gods-
dienstige gezindte en op die van de meerderheid der ingezetenen."
„In de steden en gemeenten, waar meer lagere scholen zijn, zal
mede, ingeval van vacature, zoo veel mogelijk, worden gezorgd,
dat, bij nagenoeg gelijke bekwaamheid en verdere geschiktheid der
candidaten, de billijke verhouding tusschen het getal schoolonderwij-
zers en onderwijzeressen der verschillende Godsdienstige gezindten en
de onderlinge verhouding der bevolking te dien opzigte worde be-
houden of hersteld."
„Art. 8. Door Onzen Minister van Binnenlandsche Zaken zullen,
na gehouden overleg, voor zoo veel noodig, met de Departementen
van Eeredienst, aan Ons maatregelen worden voorgedragen tot het
doen ophouden (voor zoo veel zulks behoudens alle verkregene regten
kan geschieden) van de verpligte vereeniging, waar die nog bestaat,
der onderwijzersbetrekking met Kerkelijke bedieningen."
„Art. 9. Bij wijziging, van art. 28 van het Reglement A, behoo-
rende tot de wet van 3 April 1806, zullen alle Bijzondere scholen der
eerste klasse, die, bij uitsluiting, behooren tot een godshuis, van
welke gezindte ook, behalve door kinderen tot zoodanig gesticht be-
hoorende, ook kunnen bezocht worden door kinderen, wier ouders
door het Diaconie- of Armbestuur dier gezindte worden gealimenteerd."
„Art. ÏO. De onderwijzers der Openbare lagere scholen, en der
Bijzondere scholen van de tweede klasse, zijn gehouden om aan de
Geestelijken der onderscheidene Godsdienstige gezindheden in hun stad
of gemeente, bij schriftelijke aanvrage, opgave te doen van alle boeken,
gezangen en schriften, waarvan zij in hun scholen gebruik maken."
Dit besluit had ongetwijfeld de strekking, om de bestaande onbillijk-
heden te verminderen, maar dat geschiedde langs een verkeerden weg.
Het voldeed dan ook weinigen, doch het minst van al aan de voor-
standers van den onhoud baren toestand.
De benoeming der commissie en het Kon. Besluit riepen tal van
geschriften te voorschijn, die nu grootendeels een zeer onbevredigenden
indruk maken op een onpartijdig lezer. Meer dan één schrijver gaat
van het denkbeeld uit, dat de wet van 1806 niet werd geschonden
of dat zelfs de grondwet niet aangetast was. Door de onjuistheid van
deze onderstelling vervalt echter de kracht van hun geheele betoog.
Anderen verwarren weer de vrijheid van onderwijs, die men hier ver-
langde en waarbij de eischen van bekwaamheid noch het toezicht der
overheid zouden buitengesloten zijn, met de onbeperkte vrijheid van
onderwijs, die de geestelijkheid der Zuidelijke Nederlanden had begeerd,
-ocr page 185-
181
en waaronder toen België gebukt ging. Nog weer anderen meenen,
dat men, door de verlangde vrijheid toe te staan, Nederland over!e-
vert, voor de helft aan de ultra-Roomschen en voor de andere helft
aan de rechtzinnigen; dit raadsel wordt dan niet verklaard. Onder de
schoolmannen waren er, vermoedelijk zelfs veel, die tegen de vrijheid
van onderwijs niet alleen godsdienstige bezwaren hadden , maar ook
vreesden, dat langs dien weg de reeds zoo treurige toestand van de
bijzondere scholen der tweede klasse nog zou verergeren. Aan een
verplichte oprichting van gemeentelijke scholen, zooals er te Leeuwar-
den vele waren, dacht men in den regel niet. Een bijzonder onder-
wijzer beklaagt zich, dat hij en zijn ambtgenooten zich moeten schikken
naar de ouders hunner Roomsche leerlingen en zoodoende geen gods-
dienstonderwijs naar eigen inzicht kunnen geven, terwijl ook het
schooltoezicht niet bij machte is, hen daarin te steunen tegenover
wat zij als onbillijke eischen van Roomschen beschouwen.
Een deel der rechtzinnige protestanten deed intusschen al zeer on-
billijke eischen , door te verlangen, dat de openbare school, wat het
kerkelijk karakter betreft, zou worden zooals in de vorige eeuw
was geweest.
Die tegenstrijdigheid van eischen , die verwarring van denkbeelden
gold niet alleen op het gebied der school. Tot aan 1848 hadden de
afgescheidenen geen vrijheid van eeredienst, ofschoon de grondwet
het volgende inhield: art. 189: aan alle godsdienstige gezindheden,
„in \'t koninkrijk bestaande, wordt gelijke bescherming verleend."
„Art. 190: „de belijders der onderscheidene godsdiensten genieten
„allen dezelfde burgerlijke en politieke voorrechten."
Daar het Kon. Besluit van 2 Jan. 1842 over \'t algemeen afkeuring
vond en velen niet begrepen, dat het hun plicht was, gehoorzaam
te zijn aan de wet, werd het slecht toegepast.
Het gemor bleef voortduren, tot in 1848 een betere grondwet werd
verkregen. Omtrent het onderwijs werd daarin het volgende bepaald.
„Art. 194. Het openbaar onderwijs is een voorwerp van de aan-
houdende zorg der Regeering."
„De inrigting van het openbaar onderwijs wordt, met eerbiediging
van ieders godsdienstige begrippen, door de wet geregeld."
„Er wordt overal in het Rijk van overheidswege voldoend open-
baar lager onderwijs gegeven."
„Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het toezigt der over-
heid, en bovendien, voor zoover het middelbaar en lager onderwijs
betreft, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid en zedelijkheid
des onderwijzers; het een en ander door de wet te regelen."
„De Koning doet van den staat der hooge, middelbare en lagere
scholen jaarlijks een uitvoerig verslag aan de Staten-Generaal geven."
Verder las men ook in het vijfde der additionele artikelen, dat met
eenige wetsontwerpen, waaronder dat op het onderwijs, spoed zou
gemaakt worden. Van hier, dat reeds in 1849 een wetsontwerp
-ocr page 186-
182
op het lager onderwijs aan de Tweede Kamer werd aangeboden. Het
kwam echter door het aftreden van den Minister niet in behandeling.
Zijn opvolger Thorbecke schreef de gemeentebesturen aan, vrijgevig
te zijn met het verleenen van vergunning om bijzondere scholen op te
richten. Verder hield hij zich voorloopig bezig met andere dringende
zaken. En toen hij aan een schoolwet was begonnen, moest hij aftreden
tengevolge der Aprilbeweging van 1853. m het volgende jaar diende
de Minister Van Reenen een ontwerp op het lager en middelbaar on-
derwijs in, dat door de Tweede Kamer niet gunstig werd ontvangen.
Dientengevolge gaf hij tegen het einde van \'t zelfde jaar nog een ander
ontwerp, dat alleen het lager onderwijs betrof en aan de Tweede
Kamer in veel opzichten goed beviel. Er was echter zoowel in als
builen de Kamer een sterke minderheid, die tegen het ontwerp ge-
moedsbezwaren had. Zoo werd ook dit niet tot wet. Maar de volgende
minister, Van Rappard , diende in het voorjaar van 1857 een wets-
ontwerp in, dat na enkele wijzigingen werd aangenomen, met 47 tegen
13 stemmen. Onder de voorstemmers telde men 6 Katholieken en geen
anti-revolutionairen. Zes Katholieken en 7 anti-revolutionairen stemden
tegen. In de Eerste Kamer werd het ontwerp met 34 tegen l stem
aangenomen. Den eersten Januari 1858 trad de wet in werking.
De wet van 1857.
Deze wet behelsde een aanmerkelijke verbetering, zoowel ten op-
zichte van het openbaar als het bijzonder onderwijs. Het laatste werd
vrij behoudens bewijzen van bekwaamheid en toezicht der overheid;
het eerste moest van wege de gemeente gegeven worden. In dit
opzicht ging men dus van de aanbeveling tot het wettelijk voorschrift
over, en dat was een belangrijke schrede op den goeden weg. Men
stelde zelfs vast, dat een hoofdonderwijzer behalve vrije woning min-
stens f 400 jaarwedde zou genieten en een hulponderwijzer minstens
ƒ 200. Hier was men echter niet ver genoeg gegaan. Velen dachten,
dat de gemeenten in den regel grootere jaarwedden zouden geven,
en in dit opzicht heeft men te veel op den goeden wil der kleinere
gemeenten vertrouwd. Wel zijn in de laatste jaren, dat de wet van
1857 in werking was, de traktementen der hulponderwijzers aanmer-
kelijk verhoogd ; maar dat was bijna uitsluitend een gevolg van het
groote gebrek aan hulponderwijzers Op onderscheiden plaatsen was
dan ook de jaarwedde van de hulponderwijzers minstens even hoog
als die der hoofdonderwijzers.
De verhouding van de school tot godsdienst en zedelijkheid werd
omschreven met de woorden.
„Het schoolonderwijs wordt, onder het aanleeren van gepaste en
nuttige kundigheden, dienstbaar gemaakt aan de ontwikkeling van de
verstandelijke vermogens der kinderen en aan hunne opleiding tot
alle christelijke en maatschappelijke deugden."
-ocr page 187-
183
„De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe
te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de gods-
dienstige begrippen van andersdenkenden."
„Het geven van onderwijs in de godsdienst wordt overgelaten aan
de kerkgenootschappen. Hiervoor kunnen de schoollokalen buiten de
schooluren ten behoeve van leerlingen, die er ter school gaan, be-
schikbaar worden gesteld."
In woorden bestaat er weinig verschil tusschen dit artikel en de
overeenkomstige bepaling der wet van 1806. Toch stond nu vast, dat
de openbare school even goed voor Israëlieten als voor Christenen
bruikbaar moest zijn; terwijl men onder de wet van 1806 algemeen
aan de openbare school zoozeer een Christelijk karakter toekende,
dat ze ongeschikt of minder geschikt werd geacht voor Israëlieten.
En over \'t geheel is de wet van 1857 beter gehandhaafd dan hare
voorgangster. Zoodra zij in werking trad, verdween clan ook de
bijbel en de bijbelsche geschiedenis van een aantal openbare scholen.
Geheel zuiver was de toestand echter niet, en dit ligt gedeeltelijk aan
de woorden „Christelijke en maatschappelijke deugden". Ook was
het de bedoeling, dat er op de lagere school een Christendom boven
geloofsverdeeldheid zou onderwezen worden, wat aanleiding moest
geven tot misbruiken. Bovendien ging men op eenige scholen voort
met het lezen van den bijbel en in een groot deel van Noord-Brabant
en Limburg kreeg daarentegen de openbare school een Roomsch
karakter. Voor een deel liet het schooltoezicht dit toe, en als het
zich wilde verzetten, vond het geen steun bij de Regeering. Toch
was het in strijd met de wet.
Evenzeer als het onze goedkeuring moet wegdragen, dat in 1806
de leervakken der openbare school niet bepaald aangewezen waren,
moeten we het als een verbetering beschouwen, dat het in 1857 na
de ervaring hier en elders opgedaan, wel geschiedde. Bij de wet van
1857 werd het lager onderwijs onderscheiden in gewoon en meer uit-
gebreid lager onderwijs. Het eerste, dat verplicht was voor alle lagere
scholen, omvatte lezen, schrijven, rekenen, vormleer, taal, aardrijks-
kunde, geschiedenis, kennis der natuur en zingen. Tot het uitgebreid
lager onderwijs werden gerekend : levende talen, wiskunde, landbouw-
kunde, gymnastiek, teekenen en handwerken voor meisjes.
Het uitgebreid lager onderwijs moest in 1863 voor een deel plaats
maken voor middelbaar onderwijs, bij een afzonderlijke wet geregeld.
Het onderwijs zou gegeven worden door hoofdonderwijzers, hulp-
onderwijzers en kzveekelingen. Deze moesten jonger zijn dan 18 jaar,
maar overigens werd geen grens gesteld, zoodat op vele plaatsen
onderwijs werd gegeven door knapen van 12 of 13 jaar.
Op den leeftijd van 18 jaar kon examen gedaan worden als hulp-
onderzvijzer
en op dien van 23 jaar als hoofdonderivijzer. Dit was
een betere regeling dan de 4 akten van de vorige wet vormden, en
men omschreef nu de eischen ook beter.
-ocr page 188-
184
Ten aanzien van de onderwijzeressen werd bepaald dat haar be-
voegdheid en de examens, die zij moesten afleggen, slechts weinig
zouden verschillen van die der onderwijzers. Een onderwijzeres kon
echter niet aan het hoofd eener school geplaatst v/orden, die zoowel
voor jongens als meisjes was bestemd, en de examens der vrouwe-
lijke kandidaten waren iets lichter dan die der mannelijke.
Er werd later besloten 3 rijkskweekscholen op te richten. Boven-
dien werden op verschillende plaatsen normaalscholen geopend. Toch
was de gelegenheid om opgeleid te worden, niet zoo ruim en de
betrekking van onderwijzer, uit een geldelijk oogpunt beschouwd,
niet zoo aanlokkelijk, of er moest gebrek aan hulponderwijzers blij-
ven heerschen. Het aantal schoolgaande kinderen nam toe, in vele
steden en dorpen maakte men de klassen kleiner, terwijl het aantal
kandidaten voor de acte als hulponderwijzer afnam. Inmiddels hielp
ook de Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen weer eenigszins. De
kweekscholen, die zij te Haarlem en te Groningen had gehad, waren
vervangen door rijkskweekscholen, en nu hadden we aan haar toe-
doen de eerste kweekschool voor onderwijzeressen te danken. Ze
verrees te Arnhem in 1860. Door het Rijk werden bij vele nor-
maallessen ook beurzen voor jongelieden beschikbaar gesteld. Te
Amsterdam en te Maastricht werden door de regeering ook beurzen
beschikbaar gesteld voor vrouwelijke kweekelingen, die dan hun op-
leiding zouden genieten aan bijzondere normaalcursussen. Later schonk
zij ook subsidie aan de kweekschool te Arnhem en evenzeer aan de
nieuw opgerichte kweekschool voor onderwijzeressen te Haarlem.
Terwijl in vele steden ook van gemeentewege door normaallessen
werd gezorgd voor de opleiding van kweekelingen, die aan de open-
bare scholen werkzaam waren, richtte Amsterdam in 1867 met be-
hulp van rijkssubsidie een kweekschool voor onderwijzers en onder-
wijzeressen op. In 1877 verrezen rijkskweekscholen voor onderwij-
zers te Deventer en te Middelburg. Ook werd van wege het Nut
met rijkstoelage te Groningen een kweekschool voor onderwijzeressen
opgericht. — Aan eenige kweek- en normaalscholen werd ook ge-
legenheid geopend voor de opleiding van hulp- tot hoofdonderwijzer.
Het aantal leerlingen eener klasse mocht een bepaald getal niet over-
schrijden. Dit was een verbetering bij de wet van 1806, omdat het
nieuwe voorschrift gebiedend was; maar men nam de getallen te groot.
Op dorpen met een verspreide bevolking mochten zoogenaamde
buurtscholen worden opgericht. Daarbij was het minimum der jaar-
wedde slechts f 200, en de hoofdakte was geen eisch.
De gemeenten konden het openbaar onderwijs geheel kosteloos
maken, wat men hier en daar deed.
Het schooltoezicht werd opgedragen aan bezoldigde Provinciale inspec-
teurs en aan schoolopzieners, die alleen vergoeding van reis- en ver-
blijfkosten genoten. Naast het rijkstoezicht had men een plaatselijk
toezicht uit of door den gemeenteraad gekozen.
-ocr page 189-
185
Om aan \'t hoofd eener lagere school te komen, moest een verge-
lijkend examen
worden afgelegd.
Van de vrijheid, om voor eigen rekening bijzondere scholen op te
richten, werd van den beginne af ijverig gebruik gemaakt door de
anti-revolutionairen en later ook door de Katholieken. De eersten
hadden zelfs reeds van 1844 af op de Klokken berg te Nijmegen een
kweekschool voor onderwijzers, en later hebben zij de gelegenheid
om onderwijzers van hunne richting op te leiden nog uitgebreid. Ook
de Katholieken hebben voor opleiding van onderwijzers hunner richting
gezorgd. Bovendien werden aan de bijzondere scholen even goed als
aan de openbare kvveekelingen gevormd tot hulponderwijzers. Groote
veranderingen kwamen evenwel in dit opzicht onder de wet van
1857 niet tot stand.
Ofschoon men moet erkennen, dat de wet van 1857 in bijna elk
opzicht gunstig heeft gewerkt op ons schoolwezen, deden hare leemten
zich met toenemenden aandrang gevoelen. Vele hoofdonderwijzers leden
gebrek en de uitdrukking minimumlijder zal steeds als een treurige
herinnering verbonden blijven aan die wet. Het aantal hulponderwijzers
nam niet voldoende toe en het schoolverzuim was zeer groot.
Ten opzichte van het laatste punt moet opgemerkt worden, dat in
de provinciën Groningen, Drente en Overijsel ten gevolge der wet van
\'57 de verplichte schoolgeldbetaling werd afgeschaft, waardoor men in
die streken het schoolbezoek zeer had bevorderd. Nadat eerst enkelen
hadden gewezen op de wenschelijkheid van leerplicht, nam het aantal
voorstanders van dezen maatregel langzamerhand toe. Wel poogde het
in 1869 vooral door toedoen van den heer D. Harting opgerichte
Schoolverbond langs den weg der overreding het schoolbezoek algemeen
te maken; maar die poging mislukte en deed slechts te meer de
noodzakelijkheid van leerplicht in het oog vallen. In 1874 gelukte
het aan den wakkeren volksvertegenwoordiger S. van Houten een
wet tot stand te brengen „Tegen overmatigen arbeid en het verwaar-
loozen van kinderen." Hierdoor werden de belangen van een aantal
kinderen beschermd en nam het schoolbezoek toe.
Voor een wijziging der wet van 1857 diensden velen terug, die
wat de zaak zelf betrof niet langer twijfelden aan de noodzakelijkheid
van verbeteringen. Ze waren bevreesd, dat bij een wijziging der
wet het beginsel der gemengde school zou verloren gaan.
Intusschen werd onder den naam Volksonderivijs een vereeniging
opgericht die de belangen der school zou behartigen. Aanvankelijk
was zij een Friesche , maar in 1870 werd zij tot een Nederlandsche
gemaakt. Als zoodanig heeft zij zeer veel gedaan, om de oogen te
openen voor den waren toestand en de overtuiging te wekken, dat
afdoende verbeteringen, een nieuwe wet en zelfs leerplicht noodig
waren, wilde men op het gebied der school vooruitgaan in plaats
van stil te staan of achteruit te gaan.
De heer Moens bood in Febr. 1876 een ontwerp aan, waarbij de
-ocr page 190-
186
leemten der wet van 1857 zouden weggenomen worden. Zijn ont-
werp kwam echter niet in openbare behandeling, doordat de minister
Heemskerk zelf een voorstel tot wijziging indiende. Dit kwam evenmin
in openbare behandeling, daar het Ministerie Heemskerk in 1877
aftrad, om plaats te maken voor een ministerie Kappeyne van de
Coppello.
Dit bracht in 1878 een nieuwe wet op het lager onder-
wijs tot stand.
De Wet van 1878.
Hierbij werd het karakter der openbare school met dezelfde woor-
den omschreven als onder de vorige wet, maar bij de nadere
toelichting was geen sprake meer van een Christendom boven ge-
loofsverdeeldheid. Verder zijn bij deze wet de jaarwedden der
onderwijzers verbeterd en de klassen kleiner gemaakt. De kwee-
kelingen zouden langzamerhand als onderwijskracht verdwijnen. De
hoofden moesten een leerplan opmaken. Het onderwijs in vrouwelijke
handwerken is onder de vakken van het gewoon lager onderwijs opge-
nomen. Bovendien werd de algemeene invoering van het teeken-
onderwijs voorbereid, door bij het examen voor de hoofdakte het
teekenen op te nemen onder de examenvakken. Ook wiskunde
werd opgenomen in het examenprogramma van de hoofdakte. Tevens
werd bepaald, dat allen , die vroeger de h oofdakte hadden behaald,
nu ook bevoegd werden om teekenen en wiskunde te onderwijzen,
al hadden zij daar ook nooit iets aan gedaan.
Het examen in paedagogiek werd vergeten voor de hoofdakte.
Toen de examens echter bij Kon. Besluit werden geregeld, herstelde
men die fout; maar in 1885 keerde men terug tot de letter der wet.
Voor de schoolgebouwen moesten bij Kon. Besluit regelen worden
vastgesteld.
Verder werd bepaald, dat zooveel doenlijk aan hen , die het gewoon
schoolonderwijs hebben genoten, gelegenheid moet worden gegeven
tot het genieten van herhalingsonderwijs. Deze bepaling is voor het
platte land vrij algemeen een doode letter gebleven, eensdeels door
den onwil der gemeentebesturen, anderdeels doordat men het herha-
lingsondervvijs, waar het werd ingevoerd, niet praktisch genoeg
maakte. Men heeft nog te weinig begrepen, dat het lager onderwijs
het best wordt herhaald, als men het vroeger geleerde aanwendt om
nieuwe praktische kennis op te doen overeenkomstig de behoeften der
leerlingen en in overeenstemming met plaatselijke omstandigheden.
Een andere nuttige bepaling, die tot dusver buiten werking is
gebleven, is deze: „Door Ons kan, Ged. St. der provincie gehoord,
voor elke provincie, bepaald worden waar en tot welk bedrag het
minimum van jaarwedde voor de verschillende onderwijzers aan de
onderscheidene klassen van scholen hooger zal zijn dan het bedrag
in de voorgaande zinsnede bepaald.\'\'
-ocr page 191-
187
Inmiddels eischt de toestand in dezen dringend verbetering zoowel *•"
voor de hoofden , die het minimum van f 700 genieten, als voor de
onderwijzers met de hoofdakte, die voor een groot deel in hun
betrekking een blijvend bestaan moeten vinden, al worden zij ook
nooit tot hoofd benoemd.
Een fout van de wet was, dat verschillende zaken veranderd werden,
waartoe niet de minste aanleiding bestond. Het schooltoezicht werd
anders en minder goed geregeld. De indeeling in provinciën verviel
grootendeels. De leeftijd, waarop men examen voor de hoofdakte
kon doen , werd verlaagd. De naam hulponderwijzer werd afgeschaft
en de benaming „hoofd der school" ingevoerd. Bij het bijzonder
onderwijs kon éen persoon hoofd van meer dan eene school zijn.
Alle leerlingen , dus ook de onvermogenden, kregen aanspraak, om
het lager onderwijs in zijn geheelen omvang te volgen.
Een belangrijke bepaling was, dat het Rijk aan de gemeenten
30 % zou vergoeden van de onkosten voor het lager onderwijs
gemaakt. Deze bepaling heeft ten slotte minder goed doel getroffen
dan men ten onrechte verwachtte. Het geld moet toch opgebracht
worden onverschillig of het als gemeente- dan wel als rijksbelasting
wordt geïnd. Men heeft zich daarbij voorgesteld, dat die 30 %
vooral het platteland zou verlichten, terwijl gebleken is dat de steden
er het meeste voordeel van hebben getrokken.
De onkosten , die de nieuwe wet met zich bracht, wekten allerwege
ontevredenheid bij de gemeentebesturen en bij de belastingbetalenden.
De oorzaken hiervan waren velerlei.
Vooreerst werden de uitgaven inderdaad hooger; maar dit scheen
nog veel erger dan het was, daar in zeer veel plaatsen de wet van
1857 nog niet was uitgevoerd, zoodat in betrekkelijk korten tijd zeer
veel moest gedaan worden. Bovendien draalde de regeering 2 jaar
met de invoering der wet en in dien tusschentijd deden de gemeenten
bijna niets tot uitbreiding of verbetering met het oog op de Rijks-
bijdrage van 30 %.
Eenige districtsschoolopzieners en verschillende gemeentebesturen
hebben bij den scholenbouw een geheel overtollige weelde doen ten
toon spreiden.
De vergroote schoolgebouwen telden ook des zomers spoedig meer
onderwijzers maar ten gevolge van gemis aan leerplicht niet meer
leerlingen dan vroeger. En die meer dan half leege schoolgebouwen
met het normale aantal onderwijzers ergerden den bewoners van het
platteland.
Daarbij kwam, dat de tegenstanders van het openbaar onderwijs
door de verhoogde uitgaven meer klem konden bijzetten aan hun
bezwaren en betoogden, dat op dié wijze de concurrentie van het
bijzonder met het openbaar onderwijs niet was vol te houden.
Een en ander had in de eerste plaats ten gevolge, dat de volledige
uitvoering der wet, wat het aantal onderwijzers betreft, telkens werd,
-ocr page 192-
188
verschoven en in de tweede plaats, dat de wet in Dec. 1889 werd
gewijzigd.
Bij die wetswijziging werd bepaald, dat ook aan bijzondere scholen
Rijkssubsidie kan worden verleend , terwijl het rijkssubsidie voor de
gemeentelijke scholen eenigszins werd ingekrompen. Bovendien werd
het aantal kinderen per onderwijzer grooter genomen. Dit is de
noodlottigste der nieuwe bepalingen.
Teekenen en gymnastiek werden opgenomen onder de verplichte
leervakken, maar tevens beging de Tweede Kamer de dwaasheid
van de vormleer te schrappen.
De wiskunde werd geschrapt van \'t programma van de hoofdakte;
daarentegen werd opvoedkunde er op gebracht. Dit zijn 2 verbete-
ringen.
De onderwijzers kregen meer waarborg tegen willekeurig ontslag.
De gemeentebesturen zijn verplicht schoolgeld te heffen van minstens
20 cent per maand. De onvermogenden zijn geheel vrij, de min-
vermogenden betalen een gedeelte van het normale schoolgeld.
De Rijkskweekschool te Nijmegen, die werd opgericht naar aan-
leiding der wet van 1878 werd opgeheven, toen deze wet was
gewijzigd.
Het verplichte verg. ex. werd vervangen door een facultatief verg.
onderzoek.
Nederlandsche schrijvers.
P. y. Prinsen (1777—1854), die in 1801 onderwijzer aan de de-
partementale school werd, was van 1816 af 36 jaar lang directeur
der kweekschool te Haarlem. Onder zijn leiding werden meer dan
400 onderwijzers gevormd, en van hem verscheen in 1818 een nieuwe
leerwijze om kinderen te leeren lezen. Dit is een klankmethode in
onvolmaakten vorm, wat de medeklinkers betreft. Ze is bijna een
halve eeuw lang op een groot deel der Nederlandsche scholen gevolgd.
Verder schreef Prinsen nog over taalkunde, rekenkunde, wiskunde,
aardrijkskunde, geschiedenis, zangkunst, opvoeding en onderwijs.
Maar geen van al die werken maakte een opgang, die in vergelijking
kan komen met zijn leesleerwijze.
N. Anslijn (1777—1838) werd in 1804 onderwijzer te Amsterdam
en in 1807 te Haarlem. Het meest is hij bekend geworden, door
twee leesboeken, die onder den titel De Brave Hendrik en De Brave
Maria
een volmaakten jongen en een volmaakt meisje deden kennen.
De voorstelling is zeer bevattelijk en voor honderdduizenden van
kinderen zijn die twee voorbeelden idealen geweest. Verder leverde
Anslijn nog een geheele reeks leesboeken en een klankmethode.
Door zijn werkjes over taalkunde gaf hij aanleiding, dat het rede-
kundig ontleden
werd ingevoerd op een aantal Nederlandsche scholen.
Voor aardrijkskunde, geschiedenis, natuurkennis en rekenen gaf hij
schoolboeken, die voor een deel zeer veel gebruikt zijn.
-ocr page 193-
189
Van Heijningen Bosch, (1788—1721) vond als redacteur eener
courant nog tijd om zijn kinderen te onderwijzen en eenige boekjes
voor de jeugd te schrijven. Van deze hebben vooral De Kleine
Kindervriend,
1804, Vader Jacob, 1806, en Moeder Anna (1806)
als schoolboeken een verbazenden opgang gemaakt. De korte lees-
lesjes van Van Heijningen Bosch, op bevalligen toon geschreven,
vielen zeer in den smaak der kinderen. En nog worden genoemde
boeken gebruikt.
R. G. Rijkens (1795 — 1855) kwam reeds op 14jarigen leeftijd bij
het onderwijs en was tot aan het eind van zijn leven als onderwijzer
te Groningen werkzaam. Hij gaf een groot aantal leesboekjes, die
voor een deel veel opgang maakten, maar maakte zich bovenal ver-
dienstelijk door een reeks handleidingen ten dienste van onderwijzers.
In 1824 gaf hij een handleiding voor het leesondenvijs, in 1827 een
voor de schrijfkunst, in 1830 een voor de vormleer, in 1834 een
voor het rekenen emin 1847 verscheen de derde druk van een be-
knopte handleiding voor het teekenondenuijs. Verder verschenen nog
handleidingen voor de gymnastiek en de èeivaarschool. Vooral de
laatste 2 werken zijn zeer verdienstelijk, maar ook van de andere
kan men zeggen, dat ze verdienden meer opgang te maken dan het
geval was. Rijkens bezat een grondige kennis van de lagere school,
hij had veel gelezen en zette zijn denkbeelden in den regel breed-
voerig uiteen.
Brugsma (1797—1868), die eerst een lagere school had, werd al
spoedig belast met de opleiding van kweekelingen. Dit heeft hij op
voortreffelijke wijze gedaan, terwijl hij ook jaren achtereen als school-
opziener den heilzaamsten invloed uitoefende op vele onderwijzers.
Verder maakte hij zich vooral verdienstelijk, door in 1835 met behulp
van Duitsche bronnen een Kort overzicht van de opvoeding door het
onderwijs in de lagere scholen
te geven. Dit is het eerste volledige
en meer oorspronkelijke werk van dien aard, dat in Nederland ver-
scheen. Het beleefde in 18Ó2 een zevenden druk. Verder gaf Brugsma
platen voor aanschouwelijk onderwijs, die een vijfden druk beleefden,
en andere opvoedkundige werken, die minder opgang maakten. Bo-
vendien leverde hij nog een reeks schoolboeken voor verschillende
vakken, die voor een deel veel gebruikt werden doch meestal be-
perkt bleven tot de provincie Groningen.
De Amsterdamsche geneesheer J. P. Heije (1809—1876) maakte
zich verdienstelijk door kinderversjes, waarin een losse, natuurlijke
toon heerscht, en die op muziek werden gebracht door uitstekende
toonkunstenaars.
Goeverneur (1810—1889) leverde kinderversjes in denzelfden geest,
en was vooral gelukkig in het overzetten van de kinderfabels, welke
de Duitscher Hey in 1833 en 1837 gaf.
-ocr page 194-
TOESTAND VAN HET LAGER ONDERWIJS EN DE OPVOEDING
IN VERSCHILLENDE LANDEN GEDURENDE DE
NEGENTIENDE EEUW.
Engeland, enz.
Dr. Bell stond in het laatst der vorige eeuw aan het hoofd van \'t
militair weeshuis te Madras. De weigering van een der onderwijzers,
om een of ander deel van zijn taak te vervullen, leidde hem ertoe,
een jongen te gebruiken bij het onderwijs. En deze kweet zich zoo
goed van zijn taak, dat achtereenvolgens de verschillende onderwijzers
vervangen werden door knapen. Het beginsel om een geheele school,
hoe talrijk ook, onder leiding van een enkelen onderwijzer met behulp
van kinderen aanhoudend bezigheid te verschaffen en vorderingen te
doen maken, is door Bell uitgewerkt tot een stelsel, dat ten jare 1797
voor het eerst in Engeland, en wel te Londen, werd toegepast.
Het meest kenmerkende van Bell\'s systeem is de inrichting der
school. Zoowel het onderwijzen als het handhaven der orde werd
opgedragen aan de leerlingen. Daarbij onderscheidde hij aanvankelijk
niet minder dan 5 rangen, maar later werd zijn stelsel iets eenvoudi-
ger. Als een voordeel van zijn stelsel geeft hij aan, dat al de
leerlingen veel meer bezig zijn dat bij de toenmalige gebrekkige
inrichting der scholen en dan zelfs aan een groot aantal leerlingen
een belangrijke taak kon worden opgedragen. De leerlingen onder-
wezen elkaar nl. hoofdelijk.
De leerwijze was bij Bell geheel werktuigelijk. Ook omtrent de
keuze der leerstof stond hij niet boven zijn tijdgenooten. „Wij
verlangen niet\'\', zoo schreef hij, „dat de kinderen der armen op
kostbare manier onderwezen worden, niet eens, dat ze leeren schrij-
ven en rekenen. Hersenschimmige plannen tot algemeene verspreiding
van kennis zouden spoedig de fabel van de maag en de andere
lichaamsdeelen verwezenlijken en de afscheiding van rangen en stan-
den opheffen , die noodig is voor het algemeen belang. Het is vol-
doende als allen hun bijbel leeren lezen en de leerstukken van onzen
heiligen godsdienst begrijpen."
De verdienste van Belljs dus vooral hierin gelegen, dat hij brak
met den sleur en een schoolinrichting deed kennen, waarbij men met
weinig onderwijzers een groot aantal kinderen bezigheid kon ver-
schaffen. Hij vestigde de aandacht op het onderwijs en deed een
-ocr page 195-
191
middel aan de hand om het gemis van onderwijzers te verhelpen.
Ofschoon Bell als voordeden van zijn stelsel aangaf, dat iemand die
een zaak pas heeft geleerd haar beter kan onderwijzen dan wie haar
sints jaren kent, en dat kinderen elkaar beter verstaan dan zij groote
menschen verstaan, werd zijn schoolinrichting alleen toegepast in lan-
den waar men te weinig onderwijzers had. Dit was het geval in
Frankrijk en België maar vooral in Engeland.
Hier raakte het stelsel vooral verspreid door toedoen van Lancaster,
die zoozeer bezield werd door de denkbeelden van Bell, dat hij reeds
op den leeftijd van 20 jaren een school met ÏOOO kinderen had. In
hoofdzaak kwam zijn school overeen met de denkbeelden van Bell
en meer dan deze had hij het oog op de lagere volksklassen. Zoo-
veel opzien baarde de school van Lancaster, dat men gewoonlijk
spreekt van het Bell-Lancastersche stelsel.
Het Engelsche schoolwezen heeft zich gedurende de eerste helft
dezer eeuw vooral onderscheiden door het stelsel der zondagscholen,
door de Bell-Lancastersche schoolinrichting en door gemis van Re-
geeringszorg. Verreweg de meeste lagere scholen hadden een streng
godsdienstig karakter, zoodat ze niet veel verschilden van kateche-
zatiekamers.
In 1832 stelde de Regeering voor het eerst geld beschikbaar. Van
1839 af nam die steun toe; maar hij bleef gering, als men op de
groote behoefte let. Men ging uit van het denkbeeld , dat de scholen
zouden opgericht worden door bijzondere personen of vereenigingen en
dat zij, wanneer de staat iets bijdroeg voor het stichten van een
gebouw en de jaarwedde, zouden onderworpen zijn aan toezicht van
regeeringsvvege. De staatskerk vereenigde zich hiermee, maar de
dissenters zeiden, dat godsdienst en opvoeding niet afgescheiden kunnen
worden van elkaar en dat dus de staat, door zich met de opvoeding
te bemoeien, op het gebied van den godsdienst trad. Zij weigerden
op dien grond; maar het schijnt, dat ze ook bevreesd waren voor be-
gunstiging der scholen van de staatskerk. De aanhangers der staatskerk
wisten intusschen te bewerken, dat het stelsel werd toegepast, en de
toelagen werden van hun kant aangenomen. Een deel van de dissen-
ters weigerde echter, het schooltoezicht van Staatswege te erkennen.
Ook voor de oprichting van kweekscholen werden door het rijk
toelagen verstrekt, terwijl ieder kweekeling jaarlijks na goed afgelegd
examen ondersteuning kon krijgen van 20 tot 30 pond sterling. Ook
aan kweekelingen, die op de lagere school werkzaam waren, werden
jaarlijksche bijdragen van 10 tot 18 pond sterling geschonken. Boven-
dien kregen de onderwijzers, op wier scholen de kweekelingen werk-
ten, toelagen. Ook de jaarwedden der onderwijzers werden, als zij
een goed examen aflegden, verhoogd met 15 a 30 pond sterling.
Er waren verschillende gevallen, dat door het rijk aan een enkele
school voor onderwijzers en kweekelingen meer dan ÏOO p. st. werd
betaald, en de toelagen beliepen soms tweemaal zooveel.
~i
-ocr page 196-
192
Toch bleef het aantal scholen gering. In 1850 ging er nauwelijks
de helft der kinderen , die in de termen vielen , naar een lagere school.
Voor een deel lag de schuld hieraan, dat zeer veel Engelschen in
de eerste helft dezer eeuw beducht waren voor de gevolgen van goed
onderwijs aan de lagere volksklassen.
Bij de weinige zorg, die men in Engeland tot in deze eeuw aan
het gewoon lager onderwijs heeft besteed, moet het verwondering
baren, dat er reeds zoo vroeg vrij goede scholen voor kleine kinderen
zijn geweest. De eerste dergelijke school werd in Engeland opgericht
ten jare 1816 door Robert Ozuen. Deze genoot al spoedig den steun
van eenige beroemde mannen. In 1820 verrees nog zulk een school
met Wilderspin als hoofonderwijzer. Deze was aanvankelijk geheel
zonder plan, maar met een helder hoofd bleek hem spoedig, dat hij
moest letten op den aard der kinderen. Weldra bleek hem ook,
dat op de geheele natuur van het kind en reeds van den beginne
af op de lichamelijke ontwikkeling moet gelet worden. Nabootsingen
van verschillende handelingen en vermakelijke oefeningen, die eerst
moeten dienen om de aandacht te boeien, werden spoedig gebruikt
om tevens het lichaam te ontwikkelen. Ook het zingen, dat eerst slechts
om het genoegen was ingevoerd, deed later dienst voor de vorming.
Een speelplaats werd bij de school gevoegd om den wille der zedelijke
opvoeding en diende tevens om de gezondheid te bevorderen. Maar
bij het geheel stond steeds de zedelijke vorming op den voorgrond.
Men vindt bij Wilderspin reeds een en ander, dat later door Fröbel
meer stelselmatig is ontwikkeld. Zoo moesten de kinderen, als zij
op en neer zeggen, een overeenkomstige beweging met de vingers
maken. Evenzoo met andere woorden. Bij het eerste onderwijs werd
veel gebruik gemaakt van de voorwerpen zelf, en als deze niet te
krijgen waren, van afbeeldingen. Over het geheel wordt bij Wilder-
spin nog te veel geleerd. Maar hij kwam ten slotte tot een geheel,
tot een stelsel, dat door anderen kon overgenomen worden. Was de
theorie bij hem niet een systeem, zooals bij Fröbel, de praktijk
vormde wel een geheel.
Wilderspin heeft vele en groote fouten gemaakt bij zijn eerste op-
treden, maar langzamerhand wist hij ze te overwinnen en zijn school
werd een toonbeeld. Aan hem vooral moet de verspreiding van goede
bewaarscholen in Engeland worden toegeschreven. Hij reisde een deel
van Engeland, Schotland en Ierland af. Waar hij een geschikte ge-
legenheid vond, richtte hij een bewaarschool (infant-school) op, bleef
een maand of 6 weken aan het hoofd, om haar vervolgens over te
laten aan een ander, die in zijn geest zou voortwerken. Bovendien
hield Wilderspin op de plaatsen, die hij bezocht, voorlezingen om
zijn stelsel bekend te maken, en op het laatst van zijn leven kon hij
zeggen dat hij zoodoende begonnen was met de vorming van onge-
veer 20,000 kinderen en dat hij de onderwijzers van honderden
scholen had ingelicht of opgeleid.
-ocr page 197-
Wat Owen en Wonderspin hadden begonnen, werd voortgezet
door anderen.
            \'
In Schotland, waar het lager onderwijs bij het begin dezer eeuw
zooveel beter was dan in Engeland, hebben geen groote veranderin-
gen plaats gehad. Het onderwijs wordt trapsgewijze verbeterd en
heeft over \'t geheel een streng godsdienstig karakter.
In Ierland staat het onderwijs nog steeds op een lagen trap. In
1811 werd te Dublin een Maatschappij opgericht ter bevordering van
de opvoeding der armen in Ierland. Zij had in 1824 op hare scholen
56300 leerlingen, waaronder bijna 30000 katholieken. Haar doel
was echter hoofdzakelijk , Roomsche kinderen te bekeeren, en indien
al niet de protestantsche katechismus werd geleerd op de lagere school,
zoo werd dan toch in geval de bijbel gelezen. De meeste Ieren ver-
kozen daarom een school in den geest hunner kerk, al was het ook,
dat deze van gebrekkiger hulpmiddelen was voorzien en in een schuur
of stal werd gehouden. Om recht te verschaffen aan de Iersche be-
volking, die voor 4/5 katholiek is, riep de regeering in 1<S2Q voor
Ierland een nationaal onderwijs in het leven, waarbij de godsdienst
was afgescheiden van het overige onderwijs. Hiermee waren de ka-
tholieken tevreden, maar de anglikanen ergerden zich zeer aan deze
verdraagzaamheid. Zij richten daarom in 1840 een kerkelijke school-
vereeniging op, die met het nationale stelsel zou wedijveren.
In Engeland zelf was men ten aanzien van \'t godsdienstig karakter
der school minder praktisch. Daar moesten de scholen der Engelsche
staatskerk bezocht worden door een aantal kinderen van andersdenkem
den. Deze onbillijkheid, het slechte gehalte der scholen en het alge-
meene schoolverzuim gaven aanleiding tot veel klachten. In 1856 werd
aan het ministerie eene afdeeling voor onderwijs opgericht, die zich in
verbinding stelde met twee invloedrijke vereenigingen. De scholen, die
ondersteuning uit \'s Rijks schatkist ontvingen , waren aan rijkstoezicht
onderworpen. Deze maatregel heeft echter vooral in den beginne veel
bestrijding gevonden. Men vreesde, dat de regeering langs dien weg
te veel politieken invloed zou krijgen, en is dan ook tot op dezen
dag niet geneigd, aan de regeering op de school meer invloed
toe te kennen dan onvermijdelijk noodig is. De meening, die in
ons land door velen wordt gedeeld, dat het geheele schoolwezen
rijkstaak behoorde te zijn, zou in Engeland algemeene afkeuring
vinden.
In 1860 werd voor Engeland een nieuwe regeling ingevoerd. Men
stelde toen de geldelijke ondersteuning afhankelijk van de vaardigheid,
die de leerlingen hadden gemaakt in lezen, schrijven en rekenen. Met
dit stelsel werden de dissenters verzoend, die van toen af voorstanders
waren van gemeentelijke scholen. In 1869 bracht een koninklijke
commissie aan het licht, hoe groot het gebrek aan scholen was en op
welke slechte manier een groot deel van het onderwijs werd gegeven.
Het bleek, dat vooral in de groote steden het volksonderwijs slechts
13
-ocr page 198-
194
in naam bestond. Van toen af was het schoolwezen een onderwerp
van algemeene belangstelling.
Ten slotte kwam in 1870 voor Engeland een nieuwe wet tot stand,
waarvan de hoofddenkbeelden de volgende zijn.
De bestaande kerkelijke scholen blijven zooals ze zijn, ze behou-
den een rijkstoelage, die afhangt van de uitkomsten der offïcieele
examens hunner leerlingen; maar ze ontvangen geen toelage van de
gemeente en zijn ook niet onderworpen aan plaatselijk toezicht.
Het onderwijs in den godsdienst blijft vrij op de scholen. De staat
slaat er geen acht op, hij betaalt er niet voor en de inspecteurs
mogen geen examen in kennis van den godsdienst afnemen. Het
parlement bepaalt op welke uren onderwijs in den godsdienst wordt
gegeven, en gedurende dien tijd hebben de ouders het recht, hun
kinderen de school te doen verlaten. — Verder wordt geen veran-
dering gemaakt op plaatsen, waar naar het oordeel der regeering
voldoende gelegenheid is om onderwijs te ontvangen. Als dit ergens
niet het geval is, handelt het departement van onderwijs op de
volgende manier. Het doet onderzoek naar het aantal scholen en
het aantal kinderen, die behooren school te gaan. Is het aantal
scholen te gering, dan worden de kerkgenootschappen der plaats
bekend gemaakt met de bestaande leemte, en er wordt een termijn
aangewezen, binnen welken zij in die leemte kunnen voorzien. Ge.
schiedt dit niet, dan schrijft het departement de verkiezing uit van
een schoolcommissie door alle belastingschuldigen van de stad of de
gemeente. De commissie is dan verplicht, binnen een gegeven tijd
de noodige scholen te stichten en de leiding daarvan op zich te
nemen. Voldoet zij niet aan hare verplichting, dan nemen rijks-
ambtenaren voorloopig hare taak over en de regeering zorgt voor
de benoeming van een andere schoolcommissie. De scholen, die op
deze wijze tot stand komen , worden in de eerste plaats onderhouden
door een plaatselijke inkomstenbelasting, die niet hooger dan 3
stuivers op het pond sterling mag zijn. Bovendien kan de school
aanspraak maken op zoodanige rijkstoelage, dat de opbrengst der
genoemde belasting er door verhoogd wordt tot een jaarlij ksch inkomen
van 7% shilling per leerling en 6 stuivers voor eiken leerling boven
een bepaald aantal. In de derde plaats kan zij ook nog aanspraak
maken op een toelage voor eiken leerling, die een zekere mate
van kennis in lezen, schrijven en rekenen heeft verkregen. Het
schoolgeld voor dergelijke scholen bedraagt ongeveer 3 stuivers in
de week; voor zeer arme kinderen betaalt de commissie. In be-
hoeftige distrikten zorgt de schoolcommissie voor kostelooze scholen.
Voor het bouwen van nieuwe schoollokalen schiet het rijk tegen
een laag percent aan de schoolcommissie geld voor, dat uit de
plaatselijke schoolbelastingen binnen 50 jaar moet afgelost worden. —
De schoolcommissies hebben de bevoegdheid leerplicht in te voeren,
aan de ouders, die weigeren, straf op te leggen, godsdienstonderwijs
-ocr page 199-
195
in te voeren op de school of het te schrappen van de lijst der
vakken. Wordt het gegeven, dan moet het op een bepaalden tijd
geschieden, om de ouders in de gelegenheid te stellen, hun kinderen
aan dat onderwijs te onttrekken. Bovendien mag het godsdienstonder-
wijs niet dogmatisch zijn of den katechismus of andere formulieren
van een bepaald kerkgenootschap omvatten.
Bovengenoemde wet is reeds een paar malen eenigszins gewijzigd
en jaarlijks brengt de regeering in hare voorschriften verbeteringen
aan, die zij noodig acht.
Over \'t geheel zijn in Engeland slechts weinig kostelooze scholen;
men vindt ze bijna uitsluitend in zeer volkrijke streken. Maar arme
kinderen kunnen volgens de wet kosteloos onderwijs krijgen.
Het teekenonderwijs, dat voor eenige jaren in Engeland even
achterlijk was als bij ons , maakt er tegenwoordig zeer goede vor-
deringen.
Het gehalte van \'t onderwijs laat echter voor de meeste vakken
veel te wenschen over. Zoo zijn het eerste leesonderwijs en het
onderricht in rekenen er nog zeer slecht. Op \'t gebied van \'t voortge-
zet onderwijs doen zich echter in den laatsten tijd zeer gunstige
verschijnselen voor. De beroemdste geleerden van Engeland leveren
nl. over hun wetenschap boekjes voor eerstbeginnenden.
Engelschen geven gewoonlijk als een lichtzijde van hun schoolwezen
op, dat de jongens er worden gevormd tot zelfstandige menschen, dat
ze er leeren, zich zelven te redden. Tot op een zekere hoogte
hebben ze gelijk, maar de middelen, waardoor het doel bereikt wordt,
verdienen slechts gedeeltelijk onze goedkeuring. Men laat in de school
zelf de leerlingen meer aan hun eigen lot over, dan wenschelijk kan
geacht worden, en op de speelplaats laat men de leerlingen aan
elkaar over, dat wil bij slot van rekening maar al te dikwijls zeggen:
men laat de zwakken over aan de sterken. Het is wel waar, dat
menigmaal de zwakke of de kleine knaap een steun vindt in het
medelijden of de edelmoedigheid van een ouderen schoolmakker,
maar ook dan nog kunnen al de vechtpartijen niet gunstig werken.
Zelfstandigheid, langs dien weg verkregen, is te duur gekocht. Op
de grootere kostscholen zijn ook niet zelden de jongere leerlingen de
dienaren of slaven van de oudere; de vechtpartijen zijn er dikwijls
van zeer ernstigen aard. En de levendige beschrijving van verschillende
oud-leerlingen afkomstig, mogen ons niet doen over \'t hoofd zien,
dat in den regel vooroordeel, willekeur of erger gebreken een grooter
plaats innemen dan edelmoedigheid. Maar ten opzichte van het aan-
tal leervakken zijn vele Engelsche scholen een goed voorbeeld. Men
neemt er slechts weinige, zoodat de leerling tijd en lust overhoudt
voor eigen studie.
De keuze der vakken is echter niet gelukkig: wiskunde en 2 doode
talen zijn geen goede keus voor een gezonde opvoeding. Men laat ook
de moderne talen soms geheel over aan de belangstelling der knapen.
13*
-ocr page 200-
196
Voor Schotland kwam in 1872 een nieuwe schoolwet tot stand.
Het departement van onderwijs heeft zijn zetel te Londen; maar te
Edinburg is een bureau van opvoeding. In elke gemeente of eiken
burg wordt voor 3 jaar een schoolcommissie gekozen, die uit 5 tot 15
leden bestaat. Die commissie heeft dezelfde bevoegdheid als in Engeland.
Zijn de Engelschen ten allen tijde bekend geweest als een praktisch
volk, op het gebied der schrijfkunst hebben ze den roem ten volle
gehandhaafd. In de jaren 1817—1826 werkte J. Carstairs te Londen
een nieuwe leerwijze voor het schrijven uit, die spoedig veel opgang
maakte in Engeland, Frankrijk en vooral in Amerika. Aan de laatste
omstandigheid moet waarschijnlijk worden toegeschreven, dat men de
leerwijze een Amerikaansche noemt. Van Frankrijk uit geraakte de
leerwijze ook bekend in Nederland en Duitschland.
Een kenmerkende eigenschap der methode van Carstairs is, dat hij
den arm, de hand en de vingers door opzettelijke oefeningen buigza-
mer maakt. Door een grondige physiologische studie had Carstairs
nagegaan, welke werking die verschillende lichaamsdeelen bij het
schrijven verrichten, en hiernaar werden zijn vooroefeningen ingericht.
Om de vingers te gewennen aan een goede houding, werden zij ge-
bonden. Ook bracht Carstairs, later een lus aan, die van den zolder
afhing en waarin de arm moest gelegd worden. Het doel hiervan
was, den arm langzamerhand te gewennen aan een vrije beweging
bij het schrijven. De ervaring leerde terstond aan de Franschen, dat
de arm, zoodra de lus werd weggenomen, even vast op de tafel
rustte als vroeger op den band.
Hulplijnen werden afgekeurd door Carstairs.
Daar de Engelsche letter eenigzings verschilde van de Fransche,
heeft de leerwijze van Carstairs middellijk ook invloed uitgeoefend op
den vorm van het Fransche schrift. Het heeft er over \'t geheel door
gewonnen.
De lichamelijke opvoeding is ten allen tijde in Engeland beter tot
haar recht gekomen dan in de overige landen van Europa.
Op het gebied der zielkunde heeft zich in Engeland als een uitvloei-
sel van den volksgeest en vooral door toedoen van de beide Mill\'s
(vader en zoon) een empirische school gevormd. Het meest beroemde
Engelsche werk over zielkunde is dat van Spencer, ofschoon deze als
wijsgeer, die een volledig stelsel wil leveren, wel eens verplicht is, met
behulp der verbeelding aan te vullen, waar de ervaring tot dusverre
te kort schoot.
Dezelfde wijsgeer leverde in 1854—1859 aan verschillende tijd-
schriften een viertal opstellen over opvoeding, die later vereenigd
werden in een bundel. Toen deze bundel een tweeden druk beleefde,
werd hij in het Duitsch, Nederlandsch en Fransch vertaald. Het boek
munt uit door frischheid van gedachten, door oorspronkelijkheid van
-ocr page 201-
197
opvatting; maar een opvoedkundige put er meer genoegen dan nut
uit. Ook levert het boekje alles behalve een stelsel van opvoeding
en des schrijvers kennis op het gebied van de geschiedenis der opvoe-
ding is niet zeer groot.
Frankrijk na 1813.
Na de restauratie kwam het lager onderwijs der Franschen weer
geheel in handen der geestelijkheid. Als een geestelijke orde van den
koning vergunning had om lager onderwijs te geven, dan mochten
hare leden dit doen, zonder dat ze een akte hadden. Het onderwijs
was dus niet vrij , ofschoon de „universiteit" haar monopolie verloor.
Langzamerhand werden de rechten van dit lichaam op aandrang der
geestelijkheid nog meer ingekrompen tot het in 1852 geheel werd
vernietigd.
Intusschen was de vraag naar onderwijs zoo groot, dat er alles
bijeen niet genoeg onderwijzers waren. Men maakte dan ook gretig
gebruik van de Bell-Lancastersche schoolinrichting, zoodra die bekend
was. Van 1820—1850 waren een groot deel der Fransche scholen
op die leest geschoeid.
In 1833 werd het lager onderwijs voor het eerst bij de wet gere-
geld. Er werd toen bepaald dat ieder, die 18 jaar oud was en een
akte van bekwaamheid bezat, onderwijs kon geven. Het onderwijs
was dus vrij. De wet bevatte naast eenige zwakke bepalingen ook
zeer goede voorschriften. Deze werden echter zeer slecht nagekomen.
Zoo moest er in elke gemeente een geschikt schoolgebouw zijn, maar
men deed alsof deze bepaling niet bestond. Een grondig onderzoek,
in 1837 ingesteld, leerde dat in een aantal gemeenten de burgemees-
ter lezen noch schrijven kon. Soms trof men in 15 of 20 dorpen
slechts l school aan. Ook bleek dat soms de onderwijzer niet lezen
kon. Volgens de wet zouden er ook scholen voor uitgebreid lager
onderwijs worden opgericht, maar die vervielen hoofdzakelijk doordat
de meeste ouders een slechte Latijnsche school verkozen boven een
goede school van anderen aard.
De wet van 1833 werd in 1850 vervangen dooreen andere. Vol-
gens deze moesten evenals vroeger in elke lagere school onderwezen
worden: godsdienst en zedeleer, lezen, schrijven, taalkennis, rekenen
en het metrieke stelsel. Bovendien konden een aantal andere vakken
onderwezen worden, wat echter zelden gebeurde. De godsdienst
kreeg het leeuwenaandeel.
In 1867 kwam een nieuwe wet tot stand, waarbij geschiedenis en
aardrijkskunde onder de verplichte leervakken zijn opgenomen en
andere verbeteringen werden ingevoerd. Maar het onderwijs bleef
voor een groot deel in handen der geestelijkheid, en over \'t geheel
was de toestand slecht.
-ocr page 202-
198
In 1881 is voor het eerst een goede wet tot stand gekomen on-
der een regeering, die zich heeft gehaast haar toe te passen. Regee-
ring en Tweede Kamer wilden den godsdienst geheel overlaten aan
de kerk , maar door toedoen van den Senaat is beslist, dat ook de
„plichten jegens God" op de lagere school zullen onderwezen worden.
In 1886 werd genoemde schoolwet in verschillende opzichten verbeterd.
We zouden intusschen verkeerd doen, wanneer we rechtstreeks uit
den omvang of het gehalte van \'t lager onderwijs wilden besluiten
tot de volksbeschaving in \'t algemeen, en zeer terecht merkte Prof.
Veth het volgende op in zijn verslag van de reis, die hij in 1859
ondernam volgens een opdracht van de Maatschappij tot Nut van
\'t Algemeen. „Ik heb den indruk gekregen dat de lagere school tot
de vorming van het Fransche volk betrekkelijk weinig bijdraagt, en
dat die mate van beschaving, die het desniettemin bezit, en waar-
van het werk der Fransche handwerkslieden zoo menigvuldige blijken
draagt, veel meer aan andere oorzaken moet worden toegeschreven.
Ik wijs eensdeels op de veelvuldige middelen , die Parijs bezit in zijn
monumenten en rijke verzamelingen voor kunst en industrie, die
steeds ook voor den geringste openstaan; in zijne ateliers, waar
de kostbaarste voorwerpen van weelde vervaardigd worden en de
bekwame handwerksman in eer en voordeel de sterkst mogelijke
aanmoediging vindt; in zijne cours publics , waar ieder belangstellende
de gelegenheid vindt om zich kosteloos door de bekwaamste docenten
te laten onderrigten, anderdeels op de bijzondere vlugheid en leven-
digheid van geest, die den Franschman in het algemeen, en den
Parijzenaar in het bijzonder, onder de volken van het beschaafd
Europa zoo gelukkig onderscheidt, en hem in staat stelt zich tot een
bekwaam man in zijn vak te verheffen, door zijn slag om zich eigen
te maken wat hem daartoe dienen kan, in welken vorm het hem
ook worde aangeboden."
Bij de voornamen bestaat nog steeds de verderfelijke gewoonte,
de kinderen zoodra zij geboren zijn over te geven aan eene min.
Is het kind later al een tijdlang te huis, om lager onderwijs te
genieten, op den leeftijd van 11 of 12 jaar gaan de knapen naar
een militaire school, een lyceum of gymnasium, en deze zijn alle
op denzelfden voet ingericht. Het zijn kostscholen op groote schaal.
Naast de leeraren heeft men een groot aantal repetitoren en opvoe-
ders, die de lessen herhalen en aanhoudend toezien op het gedrag.
De meisjes gaan even vroeg of nog vroeger naar een kostschool
onder leiding van geestelijke zusters, en nauwelijks zijn ze hier van
daan gekomen op den leeftijd van 17 of 18 jaar, of zij worden
uitgehuwd aan een man, die tweemaal zoo oud is en slechts bij uit-
zondering de kuischheid heeft betracht, die men van de vrouw eischt.
Ook bij den burgerstand en bij de overige klassen der maatschappij
is de moeder soms door drukke bezigheden verplicht, een groot deel
der opvoeding van haar kinderen aan anderen over te laten. De
-ocr page 203-
199
kribben of crèches, waar men kinderen beneden de 3 jaar bewaart,
zijn dan ook als openbare inrichtingen van Franschen oorsprong.
Over \'t algemeen heeft het Fransche schoolwezen door de staatkun-
dige omwenteling telkens tijdelijke nadeelen ondervonden. Zoo werden
in I850 niet minder dan 3000 onderwijzers ontslagen wegens socia-
listische denkbeelden. Ook het beruchte Ministerie van 16 Mei 1877
ontsloeg onderwijzers, die niet gedwee genoeg waren.
Ten aanzien van het gymnasiaal onderwijs is men in de fout verval-
len van al te veel te reglementeeren. Men heeft niet alleen aan alle
scholen hetzelfde programma, denzelfden rooster van lesuren voor-
geschreven , maar ook de boeken en de leerstof voor elk uur in het
bijzonder.
Latijn, Grieksch, Wiskunde en Fransch waren lang de eenige
vakken, die tot hun recht kwamen. Later is men meer zorg gaan
besteden aan de nieuwere vreemde talen en de natuurwetenschappen.
Naast de gymnasia vindt men in Frankrijk nog geen openbare
scholen voor middelbaar onderwijs. De wetgever heeft nog steeds
de waarde der nieuwe talen en der natuurwetenschappen niet in
haar volle kracht erkend. Scholen voor moderne talen, wis- en
natuurkunde en andere nieuwe leervakken worden als een soort van
vakscholen beschouwd en meestal bezitten ze ook enkele leervakken,
die meer van technischen aard zijn.
In Frankrijk is sints geruimen tijd goed geregeld alles wat de
kunst en de nijverheid betreft. En het is van belang op te merken,
dat de natie , die het meest vatbaar is voor kunst, ook het best
zorgt voor aankweeking van het schoonheidsgevoel. Men heeft niet
alleen goede scholen voor kunst in het algemeen en voor de toe-
passing van de kunst op de nijverheid , maar men onderwijst op de
meeste lagere scholen het teekenen. En zoo heeft Frankrijk niet
alleen smaakvolle kunstenaars en werklieden, maar het geheele volk
stelt meer prijs op sierlijkheid.
Het is dan ook niet toevallig, dat terwijl voor de meeste leervak-
ken de methode van onderwijs in Frankrijk zeer slecht is, juist voor
het teekenen van daar een betere handelwijze is uitgegaan. In 1831
en volgende jaren vervingen de Gebroeders Dupnis het werktuiglijk
teekenen naar platen door een meer oordeelkundig teekenen naar de
natuur. Enkele fouten en de overdrijving van hun beginsel heeft men
nu ter zijde gesteld, maar hun denkbeelden zijn in hoofdzaak opge-
nomen in elke goede leerwijze voor het teekenen die men thans
bezit. (Meer hierover vindt men in mijn handleiding bij het teeken-
onderwijs).
België sedert 1830.
Een der eerste daden van \'t voorloopig bewind was, onbeperkte
vrijheid van onderwijs te verleenen, en de grondwet van 1831 be-
vestigde die.
-ocr page 204-
200
Het bijzonder onderwijs was nu geheel vrij: een akte van bekwaam-
heid was evenmin noodig als de toestemming der overheid. Het was
zelfs niet eens aan toezicht onderworpen. Naast het bijzonder onder-
wijs zou er echter openbaar onderwijs zijn, door den staat gegeven,
en dit moest bij de wet geregeld worden.
De regeering schafte de schoolopzieners af en behield zich voor,
maatregelen te nemen, om toezicht uit te oefenen op de inrichtingen,
die van staatswege geld ontvingen. De regeering hief ook de kweek-
school te Lier en de normaallessen op.
Bijzondere personen, vereenigingen en gemeentebesturen konden
scholen oprichten als zij wilden en geheel naar eigen verkiezing iemand
aan \'t hoofd stellen. Maar het rijk zou ook toelagen geven aan de
gemeenten voor de oprichting van scholen, en in dit geval eischte
men waarborgen van bekwaamheid en goed gedrag, benevens den
toegang van eenige arme kinderen.
Aanvankelijk hadden de nieuwe bepalingen een zeer schadelijken
invloed op het onderwijs. Vooreerst moest de opheffing der kweek-
school en der normaallessen nadeelig werken. In de tweede plaats
ging de opstand uit den aard der zaak gepaard van afkeer tegen alles
wat onder de regeering van Willem I was tot stand gekomen. On-
danks het voorschrift, dat de scholen den steun, dien zij eenmaal
hadden, zouden blijven genieten, trokken eenige gemeenten haar
subsidie in. Zelfs trachtte men op vele plaatsen den onderwijzer in
alle opzichten tegen te werken. In de derde plaats werd veel gebruik
gemaakt van de vrijheid om zonder akte van bekwaamheid en zonder
de noodige kennis een school te openen. Wanneer in zulk een geval
slechts minder schoolgeld werd gevraagd dan op de openbare school,
verloor de bekwamere onderwijzer meestal eenige leerlingen en dus
ook een deel van zijn inkomsten.
Ondanks de zorg der hooge regeering werden dus onderwijzers ont-
slagen, en andere zagen hun inkomsten zoozeer verminderen of oor-
deelden hun betrekking zoo wankelbaar, dat ze een nieuw beroep
kozen. Zoo ging een groot deel der beste leerkrachten verloren.
Ook in een ander opzicht werkte de nieuwe orde van zaken on-
gunstig. De meeste Noord-Nederlandsche schoolboeken van deze eeuw
werden verboden en moesten plaats maken voor andere met een
meer godsdienstigen inhoud.
Nadat men een paar jaar lang van verschillende zijden het onderwijs
had tegengewerkt, volgde een tijdperk van onverschilligheid.
In 1836 werd de gemeentelijke en de provinciale huishouding voor
goed geregeld en van toen af trokken de gemeentebesturen zich de
zaak meer aan. Ook gingen de geestelijke orden voort met het op-
richten van nieuwe scholen. Bovendien richtten de bisschoppen bij de
kleine seminariën kweekscholen op. Door sommige provinciale be-
sturen werden normaalscholen opgericht, of zij stelden beurzen
beschikbaar voor kweekelingen, die de lessen bijwoonden aan de
-ocr page 205-
201
kweekscholen der geestelijken of van de cursussen , die bij de vroegere
modelscholen waren heropend. De maatschappijen , die vóór 1830 te
Namen, te Luik en elders waren opgericht, zetten hun werkzaam-
heden voort en kregen zelfs hoogere toelagen van de gemeenten of
de provincie.
Van 1836 af kan men zeggen, dat de vrijheid van onderwijs voor
België ongeveer even goed werkte als de wet, die vroeger met tegen-
zin was ontvangen. Het aantal lagere scholen was tusschen 1830 en
1840 geklommen van 4016 op 5189, en het aantal leerlingen was in
dien tijd vermeerderd met 160000. In tien jaar had de Belgische re-
geering 2718100 franc aan het lag. onderwijs besteed, terwijl de
koning der Nederlanden, zegt Lebon, jaarlijks niet meer dan 180000
franc daarvoor bestemde. Alleen aan jaarwedden werd in 1840 door
het rijk, de gemeenten, de provinciën en andere openbare lichamen
bijna 900000 franc besteed.
Men ging dus vooruit, maar langzaam. Dit moet in de eerste plaats
worden toegeschreven aan het gemis eener goede wet op het openbaar
onderwijs. En het indienen van zulk een wet werd telkens verscho-
ven. Twee omstandigheden maakten nl. het vaststellen er van moei-
lijk: de onafhankelijkheid der geestelijkheid en de zelfstandigheid der
gemeenten. Ofschoon men dan ook reeds in 1831 de zaak had ter
hand genomen, duurde het tot 1842 voor een schoolwet tot stand
kwam. De hoofdinhoud van die wet is de volgende.
Er is in elke gemeente minstens 1 school in een geschikt lokaal.
Als door bijzondere scholen in de behoeften van het onderwijs wordt
voorzien, kan de gemeente Vrijgesteld worden van de verplichting om
zelf een school op te richten. De gemeente is verplicht, lager onder-
wijs te verschaffen aan alle arme kinderen, wier ouders er om vragen.
Het lager onderwijs omvat godsdienst, zedeleer, lezen, schrijven, het
metrieke stelsel, de beginselen van het rekenen en naar de plaatselijke
behoeften de Fransche, Vlaamsche of Duitsche taal. Het onderwijs in
den godsdienst en de zedeleer wordt gegeven onder leiding der bedie-
naren van den godsdienst, die door de meerderheid der leerlingen
wordt beleden. De kinderen, die niet tot deze meerderheid behooren,
zijn vrijgesteld van dat onderwijs. De schoolboeken, die uitsluitend
voor het onderwijs in den godsdienst bestemd zijn, behoeven alleen
goedkeuring van wege de kerkgenootschappen. De leesboeken, die
tevens voor het onderwijs in den godsdienst en de zedeleer bestemd
zijn, zijn zoowel aan de goedkeuring der regeering als aan die der
kerkgenootschappen onderworpen. De overige schoolboeken behoe-
ven de goedkeuring van het schooltoezicht, dat de regeering aanstelt.
Naast dit wereldlijk toezicht is een schooltoezicht van wege de
kerkgenootschappen. De kosten van het lager onderwijs worden
gedragen door de gemeenten. Ieder onderwijzer moet behalve een
vergoeding voor het onderwijs aan arme kinderen een jaarwedde
ontvangen, die niet minder dan 20O francs mag zijn. Hij ontvangt
-ocr page 206-
202
een vrije woning of vergoeding voor huishuur. Als de gemeente
onvermogend is, ontvangt zij hulp van den staat en de provincie.
Een gedeelte van het geld, dat voor onderwijs bestemd is, moet
dienen om de oprichting en. instandhouding van bewaarscholen te
bevorderen , vooral in volkrijke steden en fabriekplaatsen, om avond-
scholen en zondagscholen voor ouderen te steunen en de uitbreiding
te bevorderen van liefdadigheidsscholen en ambachtsscholen. Scholen,
die ondersteuning genieten van de gemeente, de provincie of het rijk,
zijn onderworpen aan het tweeërlei toezicht.
Het openbaar onderwijs moest een beslist godsdienstig karakter
hebben en de meeste scholen waren in handen der kerk. Zelfs
waren de bestaande kweekscholen alle door bisschoppen in \'t leven
geroepen. Waar een school bestond, was de gemeenteraad gewoon-
lijk niet geneigd, er een gemeentelijke naast te plaatsen. Alleen
richtte de regeering te Lier en te Nivelles rijksnormaalscholen op
naast de 7 bisschoppelijke inrichtingen.
Toch is van 1845 tot 1878 het aantal kerkelijke scholen, die
de plaats innamen van een gemeentelijke school, met de helft ver-
minderd en werd er onder de wet van 1842 door de regeering veel
verbeterd.
Ondanks die vorderingen nam het aantal tegenstanders der wet
voortdurend toe. De liberalen, die schoorvoetend vóór de wet
hadden gestemd en die ook de overtuiging waren toegedaan, dat
godsdienst onafscheidelijk is van het onderwijs, begonnen langzamer-
hand in te zien , dat de invloed der kerk te groot was en dat het
godsdienstonderwijs een te groote plaats besloeg. Ook liet de
toestand van den onderwijzer onder de wet van 1842 te wenschen
over. Een openbaar onderwijzer moest minstens 1O0O francs als
jaarwedde genieten en bovendien vrije woning en een tuin, die
minstens ÏO aren groot was. Daarbij bleef het echter voor velen,
en dan hadden ze gebrek. Door de geringe jaarwedde, door de
opleiding en door den grooten invloed van de Belgische geestelijkheid
in \'t algemeen was de onderwijzer naar het inzien der liberalen niet
zelfstandig genoeg.
In 1879 is een veel betere wet tot stand gekomen, die ijverig en
met een open oog voor de ware belangen der school werd toege-
past. Zij had echter nog slechts enkele jaren gewerkt, toen een
nieuwe wet werd ingevoerd. Hierbij is het onderwijs voor een be-
langrijk deel in handen der geestelijkheid gekomen en honderden
openbare onderwijzers werden plotseling op wachtgeld gesteld.
Dnitschland.
Toen in 1815 de reactie overwon, trad de ontwikkeling der lagere
volksklassen op vele plaatsen geheel op den achtergrond. En ook op
schoolgebied klemde men zich inniger dan ooit aan het oude vast;
-ocr page 207-
203
Het spellen en vrome leesboekjes behoorden in veler oog tot het
goede van den ouden tijd.
Toch werd de belangstelling, die Pestalozzi had gewekt, van vele
zijden levendig gehouden. Dit bleek ook op \'t gebied der schoolwet-
geving. Voor Beieren werden van 1802 tot 1811 een reeks vrij doel-
matige verordeningen betreffende leerplicht, leerplannen, verbetering
van jaarwedden en schoolgebouwen, enz. vastgesteld. In 1814 kreeg
Sleesivijk-Holstein een nieuwe schoolorde, in 1817 Nassau, in 1819
Reusz-Schleiz, in 1820 Frankfort; 1821 en 1822 Weimar, in 1832
Hessen Darmstadt, in 1833 Gera. Door den koning van Saksen
werd in 1835 een schoolwet vastgesteld. Baden en Wurtemburg
volgden een jaar later, Hanover kreeg in 1846 nieuwe reglementen.
In het algemeen hadden die wetten en verordeningen ten gevolge,
dat de jaarwedden iets verbeterd werden en dat er voor de opleiding
van onderwijzers werd gezorgd. Geen van beide geschiedde echter
zoodanig, dat gebrek aan onderwijzers werd vermeden. In de meeste
Duitsche staten was er van \'t begin dezer eeuw af tot nu toe gebrek
aan onderwijzers. Een gevolg hiervan is geweest, dat de leerplicht,
dien men achtereenvolgens overal vaststelde, niet de gevvenschte
uitwerking had. Maar ook het onderwijs zelf bleef veel te wenschen
overlaten , en in staten zooals Wurtemberg en Hanover werd zelfs
door de bepalingen, die de overheid maakte, een gezonde ontwik-
keling van \'t schoolwezen tegengewerkt. Over \'t algemeen werd het
onderwijs te veel aan banden gelegd, die moesten voorkomen , dat
de onderwijzer zich te ver van het oude zou verwijderen. Het school-
toezicht werd grootendeels opgedragen aan de bedienaren van den
godsdienst, en dit w"as in overeenstemming met den aard der scho-
len. In Wurtemburg was den onderwijzers bij de wet van 1836 en
een aanvulling van 1858 voorgeschreven, de kinderen ÏOO bijbel-
spreuken , 45 psalmen of gezangen, den katechismus en 78 kate-
chisinusvragen van buiten te doen leeren. In 1864 werd het aantal
bijbelspreuken met 50 en het aantal psalmen of gezangen met lo
verminderd. En de praktijk gaat nog verder dan de wet. Tot voor
korten tijd vond men in Wurtemburg scholen, waar de helft van
den tijd aan opzettelijk godsdienstonderwijs werd besteed. In 1872
zijn echter op nieuw eenige verbeteringen aangebracht.
De Pruisische regeering beloofde in 1817 een schoolwet, maar zij
hield geen woord. Toch maakte het onderwijs in Pruisen van 1817—
1840 flinke vorderingen. De regeering en degelijke schoolmannen zoo-
als Diestervveg werkten van 2 verschillende kanten ten goede. Vooral
ook werden de kweekscholen behoorlijk ingericht. In 1840 kon het
Pruisische schoolwezen aan de meeste landen ten voorbeeld strekken.
Van dit jaar af werd de school onder een zeer vromen vorst met
zeer vrome ministers langzamerhand in den dienst der kerk gesteld.
Hun denkbeelden zijn ten slotte neergelegd in de 3 reglementen van
1854, waarbij godsdienst en werktuiglijkheid van overheidswege werden
-ocr page 208-
204
voorgeschreven, zoowel ten aanzien van de kweekscholen als de
gewone lagere school. Men moest zeer kerkelijk zijn, om bruikbaar
te wezen, en aan verbetering van het lot der onderwijzers werd niet
gedacht. De armoede was dan ook zeer groot, en allerwege had men
gebrek aan onderwijzers. Het gehalte der onderwijzers nam sterk af,
en in 1870 stond het Pruisische schoolwezen verre ten achter bij dat
van de meeste andere Duitsche landen en ook bij dat van Nederland.
De kinderen werden en worden nog op de lagere school gedrild, en
en in zooverre heeft zij wellicht eenigen invloed op het leger gehad.
Maar wie in dit opzicht verder gaat, kent den toestand van het Prui-
sische schoolwezen niet. Met het middelbaar, het gymnasiaal en hooger
onderwijs is het anders gesteld. Dat is in Pruisen goed, en doordat
de kinderen, die voortgezet onderwijs zullen genieten, reeds op den
leeftijd van 10 jaar de lagere school verlaten, drukt de erbarmelijke
toestand van deze niet zwaar op de reaalschool of het gymnasium.
In 1872 werden de beruchte verordeningen vervangen door betere.
In hetzelfde jaar werd ook naar aanleiding van den strijd met de
Roomsche geestelijkheid het schooltoezicht bij de wet geregeld. Maar
overigens blijft men er te vergeefs wachten op een goede wettelijke
regeling van het onderwijs, en de school is er voor een groot deel
overgelaten aan den goeden wil der regeering. En die goede wil is
tot op dit oogenblik niet sterk; zelfs neemt de regeering geen afdoende
maatregelen, om de armoede der onderwijzers tegen te gaan. Ook
gaat Pruisen van 1880 af weer achteruit.
De geest der Pruisische verordeningen van 1854 deed ook in an-
dere Duitsche landen zijn invloed gelden. En ofschoon men het ten
aanzien der verhouding van de school tot de kerk meestal eens was,
kon veelal geen afdoende verbetering in andere opzichten tot stand
worden gebracht. In eenige van de kleinere Duitsche staten zooals
Hamburg, Saksen en Gotha werd echter het onderwijs voortdurend
verbeterd en gunde men gaarne een plaats aan de degelijke mannen,
die voor kerkelijk of werktuiglijk onderwijs niet bruikbaar waren.
Heeft Duitschland op \'t gebied van \'t lager onderwijs zijn naam in
de eerste plaats te danken aan de laatstbedoelde staten, nog een an-
dere omstandigheid mag niet worden voorbijgezien. Het onderwijs aan
de lagere klassen der reaalscholen, hoogere burgerscholen en gymnasia
is voor een groot deel feitelijk lager onderwijs, waarbij men meer het
klassenstelsel dan het vakstelsel toegepast. Dat onderwijs wordt gege-
ven door personen, die tot op den leeftijd van 25 jaar of langer aan
het gymnasium en de hoogeschool uitsluitend hun eigen vorming be-
oogen. En het is onder die menschen, dat men voor een groot deel
de schrijvers der beste boeken voor het onderwijs moet zoeken.
Hebben zij eenige jaren in de praktijk doorgebracht, dan bezitten ze
al licht voordeel op iemand, die van zijn jeugd af anderen heeft
moeten onderwijzen. Ook is in Duitschland de leer der opvoeding
als een wetenschap erkend, en algemeen stelt men er belang in dat vak.
-ocr page 209-
205
Van Duitschland gingen in den loop dezer eeuw de meeste verbete-
ringen van de methodiek voor de lagere school uit.
Door Olivier, die in 1759 in Fransch Zwitserland werd geboren,
en den Beierschen schoolraad Stephani (1761—1850), werd de klank-
methode uitgewerkt. De laatste gaf haar in den goeden vorm, daar
hij elke letter liet aanduiden door haar klank en niets meer. Bij 01i-
vier vinden we nog den onvolmaakten vorm: hij liet de medeklinkers
opnoemen met een toonlooze korte u er achter. In dezen vorm werd
ze overgebracht op Nederlandschen bodem, door P. J. Prinsen, di-
recteur der kweekschool voor onderwijzers te Haarlem. 1818.
Gr as er, die in Beieren hoogleeraar in de theologie was en school-
toezicht uitoefende, werd in 1817 de grondlegger van de schrijflees-
leerwijze.
Nadat de klankmethode en de schrijfteesmethode in Duitschland vrij
algemeen bekend waren geworden, verscheen in 1830 een vertaling
van Jacotot, door Braubach, en dit gaf aanleiding tot een drukke
bespreking van het eerste leesonderwijs. Van 1840 af werd de leer-
wijze van Jacotot bij het eerste leesonderricht door Seltszatn te Breslau
toegepast en verder uitgewerkt. Hij verkreeg goede uitkomsten, maar
over \'t algemeen achtte men de leerwijze te moeilijk voor de kinderen
Veel opgang maakte daarom de in 1844 door Kramer, onderwijzer
teLeipzig, openbaar gemaakte „methode der normaalwoorden." Hierbij
ging men uit van een enkel woord, dat de leerling kan kennen uit
de afbeelding van het overeenkomstige voorwerp. Dit beginsel is met
toepassing der schrijfleerwijze door een honderdtal Duitschers op on-
derscheidene wijzen in praktijk gebracht.
Dezelfde handelwijze werd in 1866 op onzen boden overgeplant door
den heer Bonman, in een handleiding, die in 1872 een herdruk beleefde.
Nadat Locke en Rousseau de waarde van lichaamsoefeningen had-
den in het licht gesteld, werden zij als leervak beschouwd op de
scholen van Basedow en Saltzmann (1784). Aan de school van den
laatste was Guts-Muths werkzaam, die het nieuwe leervak stelselmatig
behandelde in een boek, dat veel opgang maakte. Verder werd de
methode van dat leervak verbeterd door Adolf Spiesz en den Zweed
Ling. In Nederland en België werd de gymnastiek vooral bekend
door den Duitscher Dr. Euler, die te Haarlem een tijd lang les gaf
aan de kweekschool voor onderwijzers en ook door kleinere ge-
schriften veel goeds stichtte.
Het werk van Guts-Muths was reeds in het begin dezer eeuw door
onzen landgenoot van Geuns vertaald, maar ondanks de medewerking
van „het Nut" hadden zijn pogingen weinig gevolg.
Nadat Pestalozzi de methode voor het rekenonderwijs had uitge-
werkt, maakten zich op dit gebied vooral verdienstelijk Tillich,
Diesterweg, Hentschel en Grube. Eenige bladzijden van Grube
werden vertaald door Brugsma, en R. R. Rijkens leverde een ver-
taling der handleiding van Hentschel.
-ocr page 210-
206
Voor het onderwijs in de kennis der natuur werd een zeer goede
heuristische leerwijze geleverd door Lüben, eerst onderwijzer en later
te Bremen directeur der kweekschool. 1836. Zijn leerwijze is door
anderen volmaakt en op Nederlandschen bodem overgeplant door
den hoogleeraar Salverda.
Het taalondertvijs werd, op de grondslagen van Jacotot gelegd,
verder ontwikkeld door Lüben , Kellner en anderen.
Voor aardrijkskunde werd op de grondslagen, door Ritter gelegd,
een leerwijze ontwikkeld , waarbij een deel van \'t geheugenwerk plaats
moest maken voor het oordeel. Daarbij kwam men tevens tot een
indeeling der leerstof in concentrische kringen.
Is het met de theorie van opvoeding en onderwijs in Duitschland
beter gesteld dan in elk ander land, ten aanzien van de praktijk
moet men onderscheid maken. In Pruisen is het treurig gesteld,
maar in Saksen en eenige kleinere staten is het onderwijs goed.
Het is intusschen een opmerkelijk verschijnsel, dat de meeste Duit-
sche opvoedkundigen en onderwijzers de lichamelijke schoolstraf nog
steeds als onmisbaar beschouwen.
In 1848 werd voor het eerst een algemeene vergadering van
Duitsche onderwijzers gehouden. Van dien tijd af wordt vrij geregeld
jaarlijks zulk een vergadering belegd.
Aan de Pruisische onderwijzers werd in 1854 door de regeering
verboden, deel te nemen aan zulk een algemeene vergadering. Het
verbod werd echter in 1860 opgeheven.
Ook in afzonderlijke Duitsche landen heeft men vereenigingen,
die soms in talrijke vergaderingen samenkomen. Zoo kwamen in
1872 te Munchen 2222 Beiersche onderwijzers bijeen.
Aan weekbladeti en tijdschriften voor opvoeding en onderwijs is
Duitschland bijzonder rijk.
Oostenrijk.
De strenge en afdoende bepalingen, die in het laatst der vorige
eeuw waren gemaakt, werden in 1805 vervangen door een schoolwet,
die veel minder waarborgen opleverde. De inspecteurs werden ont-
slagen en men droeg het toezicht weer aan de kerk op. Het aantal
leervakken werd verminderd. De leerplicht bleef behouden in de wet
voor den leeftijd van 6—12 jaar. In 1816 werd ook 3 jaar herha-
lingsonderwijs verplicht gemaakt. Maar in de praktijk werd het laatste
evenmin behoorlijk gehandhaafd als het eerste.
Die bepalingen behielden hun kracht tot in 1848, zonder dat er
veel werd verbeterd. Zoo telde Beneden-Oostenrijk in 1808 een ge-
tal van 1054 scholen en in 1847 slechts 72 meer.
Alleen in de provincie Bohème maakte het onderwijs vorderingen.
Daar werden in denzelfden tijd het aantal scholen en het aantal leer-
lingen verdubbeld.
-ocr page 211-
207
Sints de omwenteling van 1848 heeft het schoolwezen in geheel
Oostenrijk goede vorderingen gemaakt. Men begon met een ministe-
rie van onderwijs op te richten en bracht verschillende verbeteringen
aan. Het aantal scholen werd vermeerderd, het vergaderen van on-
derwijzers werd bevorderd, een aantal kostelooze scholen en scholen
voor meisjes werden opgericht; het werd over het geheel gemakke-
lijker gemaakt om kosteloos onderwijs te erlangen, aan den leerplicht
werd beter de hand gehouden, ook voor de bijzondere scholen werd
een akte van bekwaamheid geëischt, men stelde een aantal school-
opzieners aan , en de onderwijzers werden ontheven van het gods-
dienstonderwijs. Dit zou door de bedienaren van den godsdienst
worden gegeven in de school. Maar al die goede bepalingen leden
voor een groot deel schipbreuk, doordat de verhouding van de kerk
tegenover de school niet nauwkeurig was geregeld. Wel kwam er
in 1855 een konkordaat met den paus tot stand, maar behalve dat
het onderwijs in den godsdienst vanwege de kerk op de school zou
gegeven worden, werd aan de geestelijkheid zulk een uitgebreid recht
van toezicht op de geheele school geschonken, dat het wereldlijk toe-
zicht langzamerhand kon verdrongen worden. Dit was wel in de
eerste plaats een gevolg van de bemoeiingen der geestelijkheid, maar
werd toch ook in de hand gewerkt, doordat Hongarije zeer ingeno-
men was tegen elke centralisatie.
De nederlaag, die Oostenrijk in 1866 leed, baande den weg voor
een goede hervorming van het schoolwezen. In het volgende jaar werd
voor elk der twee deelen van het rijk een ministerie van onderwijs
ingesteld. Bij een wet van 1868 nam de staat het geheele schooU
toezicht op zich; de geestelijkheid zou alleen het godsdienstonderwijs
blijven geven. Dit beginsel werd opgenomen in de wet van 1869,
die in 1883 vernieuwd werd. Men heeft nu sints 1869 leerplicht van
6—14 jaar. Eindelijk werd in 1870 ook het konkordaat met den
heiligen stoel opgezegd, zoodat de staat ten aanzien der school de
handen vrij kreeg. Het openbaar onderwijs is er nu niet-confessioneel
en kosteloos. Ook de scholen van voortgezet onderwijs en het ge-
heele onderwijs zijn behoorlijk geregeld. En in 1869 werden tevens
de bewaarscholen geregeld, zoodat Oostenrijk in dit opzicht alle an-
dere landen vooruit is.
Lichamelijke schoolstraffen zijn in Oostenrijk verboden en in elk
opzicht wordt door de regeering aangedrongen op het volgen eener
goede, aanschouwelijke leerwijze.
Een onderwijzer mag evenwel nog 80 leerlingen hebben. Tevens is
het geoorloofd, om de leerlingen op twee verschillende tijden ter
school te doen komen, zoodat telkens slechts de helft aanwezig is.
Zwitserland.
In deze republiek is de regeling van het schoolwezen overgelaten
-ocr page 212-
208
aan de onderscheiden kantons. Een gevolg hiervan is, dat men op de
eene plaats goede en vele scholen heeft en op de andere weinig en
slechte. In "t eene kanton bestaat leerplicht, terwijl in \'t andere
slechts een deel der kinderen de school bezoekt.
Onderscheiden kantons verbeteren inmiddels hun schoolwezen door
een betere wetgeving, door verhooging van jaarwedden, door het
oprichten van nieuwe schoolgebouwen, enz.
Over \'t algemeen echter is de vooruitgang slechts langzaam en
treedt de school op den achtergrond voor de twisten op het gebied
van Kerk en politiek. Soms is de school zelfs geheel in den dienst
van de kerk of de politieke partijen. Zelfs is het te Bern, Freiburg,
Tessin, te Bazelstad en op andere plaatsen nog in den laatsten tijd
gebeurd, dat het hoofd eener school moest plaats maken voor een
lid van de politieke partij, die de overwinning had behaald. Dit is
mogelijk, doordat de ambtenaren in Zwitserland slechts voor een be-
paald aantal jaren worden benoemd. Er zijn zelfs kantons waar de
onderwijzers telkens slechts voor 1 jaar worden benoemd.
Zelfs in de Zwitsersche schoolbladen worden onderwijskwesties soms
meer met het oog o\'p partijbelang dan om den wille der zuivere
waarheid behandeld.
Geen wonder, dat de meest verlichte schoolmannen verlangend
uitzien naar een schoolwet, die voor geheel Zwitserland zal gelden
en waarbij de school meer zelfstandig zal gemaakt worden.
Als een bijzonderheid verdient nog opgemerkt te worden, dat in
het kanton Genève de plattelandsonderwijzers hooger jaarwedden
genieten dan die der steden, welke gemakkelijker hun inkomen
kunnen vermeerderen.
Instituut
te UTRECHT.
VERBETERING.
BI. 84. Comenius overleed in 1671.
BI. 85 regel 5 v. o. id.
-ocr page 213-
I
INHOUD.
i.\'
De oostersche volken.                                 Bladz.
De Chineezen.....................       3.
De Japanners.....................       6.
De Indiërs......................       6.
De Perzen......................       8.
De Egyptenaren....................       9.
De Israëlieten.....................     40.
De klassieke volken.
De Grieken in \'t algemeen................     13.
Sparta........................     14.
De Atheners.....................     18.
Hooger onderwijs te Athene................     22.
Sokrates.......................     23.
Plato........................     23.
Aristoteles......................     25.
Plutarchus......................     26.
De Romeinen.....................     27.
Quintilianus......................     31.
Verval van het Romeinsche Rijk..............     32.
Klassieke beschaving in Gallicië..............     33.
Kerkelijke scholen.
De opvoeding bij het jeugdige Christendom..........     34.
De eerste wetenschappelijke school der Christenen.......     35.
Vijandschap tegen heidensche scholen. Kloosterscholen......     36.
De dom- en stichtscholen.................     38.
Onderwijzers en leerlingen in de dom- en kloosterscholen.....     39.
De zeven vrije kunsten.................     40.
Straffen en spelen...................     42.
Invoering van het Christendom hier te lande.........     42.
Karel de Groote....................     43.
Alfred de Groote....................     45.
Kerkelijke scholen in de Nederlanden............     46.
Franciskanen en Dominikanen. 13de eeuw..........     48.
Opvoeding en onderwijs naast de kerkelijke inrichtingen.
De ridderschap....................     50.
Oprichting der universiteiten................     51.
-ocr page 214-
Bladz.
De Joden gedurende de middeleeuwen............     53.
Opkomst van de burgerij.................     53.
Leermiddelen.....................     57.
De Schooltucht.....................     58.
De Broederschap van Geert Groote . .............     59.
De nieuwere tijd.
Herleving der klassieke studiën...............     63.
Erasmus.......................     64.
De kerkhervorming...................     67.
De Jezuieten en het onderwijs in katholieke landen........     70.
Nederland onder Karel V.................     72.
De tachtigjarige oorlog..................     74.
Schrijvers over de opvoeding.
Rabclais, 1483—1553..................     80.
Montaigne, 1533—1592..................     81.
Baco, 1561—1626....................     83.
Comenius, 1592—1671..................     84.
Locke, 1632—1704...................     87.
Fénelon, 1651—1715...................     89.
Leervakken en schoolboeken in ons land gedurende de
zeventiende en achttiende eeuw.
Het godsdienstonderwijs..................     91.
Schoonschrijvers....................     93.
Rekenen.......................     94.
Zendbrieven. Leesboekjes. Taalkennis............     97.
Verschillende andere leervakken.....\'..........    101.
Het onderwijs in Nederland van 1600—1800.
Regeeringszorg voor het onderwijs..............    102.
Toestand van de opvoeding en het onderwijs in de zeventiende eeuw .    104.
Oprichting van Fransche scholen..............    108.
Armenscholen.....................    110.
Toestand van de opvoeding en het onderwijs in de achttiende eeuw .    111.
Onderwijs en opvoeding in vreemde landen gedurende de
zeventiende en achttiende eeuw.
Engeland, enz......................    117.
De protestantsche staten van Duitschland...........    119.
Oostenrijk, enz......................    123.
België.........................    125.
Frankrijk.......................    127.
-ocr page 215-
Het laatst der achttiende eeuw.                        Bladz.
Rousseau, 1712—1778................. .    131.
De philanthropisten...................    136.
Verbeteringen in Nederland. Prijsvragen...........    140.
Van Alphen....................    140.
Elisabeth Bekker..................    141.
Hendrik Wester, 1752—1821.............    142.
Schneither........        ...........    142.
J. H. Nieuwold, 1737—1812.............    143.
De Maatschappij tot Nut van \'t Algemeen...........    145.
De Fransche omwenteling.................    146.
Opvoedkundigen der negentiende eeuw.
Pestalozzi.......................    148.
Jacotot........................    153.
Friedrich Fröbel....................    155.
Onze nationale schoolwetgeving.
De eerste schoolwet...................    162.
De tweede schoolwet...................    164.
De derde schoolwet....................    165.
De vereenigde Nederlanden................    170.
Het lot der onderwijzers, tusschenscholen...........    175.
Vrijheid van onderwijs..................    178.
De wet van 1857....................    182.
De wet van 1878....................    186.
Nederlandsche schrijvers.................    188.
Toestand van het onderwijs in andere landen
gedurende deze eeuw.
Engeland, enz......................    190.
Frankrijk na 1813....................    197.
België sedert 1830....................    199.
Duitschland......................    202.
Oostenrijk......................    206.
Zwitserland......................    207.
-ocr page 216-
Nieuwe Uitgaven van W. VERSLUYS.
Leesboek voor de lagere school, door J. Versujys.
Derde
1)
A,
8o
J ^iO-
- 0,25.
Vierde
11
A,
8o
»
\' 0,25.
Vijfde
l)
A,
96
ï»
" 0,30.
Zesde
!>
A,
IOO
»1
- 0,30.
Deze goedkoope reeks leesboeken is geïllustreerd en netjes gedru\'
op goed papier.
Meetkundig Rekenboek voor het vierde schooljaar, door J.
Versluys...............ƒ o, 15.
Meetkundig Rekenboek ten dienste van kweekscholen en nor-
maalscholen, door J. Versluys. Mét de antwoorden ƒ0,30.
Meetkundig Rekenboek ten dienste van onderwijzers          ƒ 0,30.
Perspectief ten dienste van hen, die voor de hoofdakte studeeren,
door J. Versluys............ƒ 1,50.