-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
HUMORISTISCHE LEGENDEN.
-ocr page 6-
Weil ich min die preiswürdige Gabe
Zu dichten vom Sankt Apoll erhalten habe,
So habe, statt dass man sonst in Prosa erziihlt,
Dafür einen sehr schonen Ileim erwiihlt.
Wenn ich aber nach rechtem Maass und Ehle,
Gleich nicht alles, wie\'s sich zierat hiitte, erziihle,
So weiss doch der geneigte Leser schon,
Dass man so was nennt Volkston.
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000017007257B
1700 7257
-ocr page 7-
r
¬}W
%
-^-^,L._
UIT DE
DIERENWERELD.
HUMORISTISCHE LEGENDEN,
KUKELENDE KKEUPELVERZEN,
EX-SCHOOLMEESTER.
Derde druk.
GEÏLLUSTREERD.
è**a
r BIBLIOTHEEK DER
1 RIJKSUNIVERSITEIT
| UTRECHT
LEIDEN. - A. W. 8IJTH0FP.
S «
-ocr page 8-
-ocr page 9-
AAN DEN LEZER DEZER LEGENDEN.
Ik acht het geheel overbodig, bij het geëerd Publiek m\\j te recht-
vaardigen nopens den op het titelblad geplaatsten pseudoniem Ex-School-
meester; dewn\'1 er, naar het mij voorkomt, wel niemand veel belang
b\\j heeft, om te weten, of die benaming eene realiteit, dan wel eene
bloote fictie zn\'. — Alleen zal ik er dit van zeggen, dat zü niet geheel
denkbeeldig is, of als uit de lucht gegrepen moet beschouwd worden.
Het overige van den titel zal, ik vertrouw, althans hoop het, de
verwachting van den Lezer niet te hoog spannen, noch, wat erger zou
wezen, die, bn slot van rekening, geheel en al beschamen.
Wat de stukjes zelve betreft, ik heb daarin, zoo te zeggen, mijn
eigen weg bewandeld, zonder mü juist aan eenig voorbeeld, van wien
ook, in dit genre van rijmelpoëzie te binden. Het Imitatorcs, servum
pecus
toch van den grooten kunstrechter Horatius is niet vergeefs
ter waarschuwing geschreven, en verdient nog wel met gulden letters
te prijken boven den lessenaar van menigeen, die zijne offergaven op
het altaar der Muzen wenscht neder te leggen, en de hoop koestert,
door die Dames met een vriendelnken hoofdknik verwaardigd te zullen
worden. Overigens zh\'n het, zooals ieder ziet, dartele en dikwerf
barokke invallen van het oogenblik, wanneer de geest zich eens boven
de koude en ontmoedigende eentonigheid van het dageln\'ksche leven
verheft, en dan met luchtige sprongen in eene denkbeeldige wereld
rondtuimelt. Als zoodanig hebben ze mn\', b\\j de samenstelling, menig
-ocr page 10-
VOORBERICHT.
VI
genoeglijk uurtje verschaft; als zoodanig, hoop ik, dat zü by het meer
jeugdige Geslacht niet geheel onwelkom zullen wezen.
Ik besluit deze korte toespraak met de bede:
Aan de jolige Jeugd, om een weinig attentie:
Aan de Geleerden en Dichters van naam, om een hcelc boel conniventie;
En eindelijk aan de Kunstrechters, om een genadige sententie. —
Wat do sehoone Sekse betreft: vindt zij geen zwier,
Niets aardigs of prettigs in de Versjes; enfin, leest zij ze niet met pleizier,
Och, ze zijn nog altijd goed voor papiljotten-papier.
B___n.
-ocr page 11-
INHOUD.
Bladz.
De Haas...............................      1
De Sprinkhaan en de Kikvorsen...................     6
De Zwaan..............................    12
De Mug...............................    15
De Pad en de Huisjesslak......................    19
De Kalkoen.............................    26
De Huishaan.............................    30
De Musch..............................    35
De Garnaal............................    41
De Hen...............................    44
Het Stekelbaarsje.........................    51
De Tuinspin............................    54
Het Varken............................    58
De Vos...............................    65
De Mol...............................    72
De Koekoek.............................    79
Het Schaap.............................    86
De Nachtegaal............................    93
Aanteekeningen...........................  101
i
-ocr page 12-
Hazen, vossen, jagers en honden
Worden zelden samen gevonden.
De Haas is, in vergelijking met een
Konyn,
Zoo groot bijna als een rhinoceros
bij een zw^jn;
j^ Ook graaft hij, als \'t konijn, geen hol in
den grond,
Maar rust in een open leger of huppelt
Il \'
                                                 in \'t rond.
Als de haas een jager ziet,
Gevoelt hij een groot verdriet;
Maar ontwaart hij een brak,
Dan is hy volstrekt niet op zh\'n gemak;
-ocr page 13-
2
DE HAAS.
Bemerkt hij een staanden hond,
Zoo kijkt hij benauwd in \'t rond;
Doch verneemt hij hazenwinden,
Dan zegt hij: deze behooren niet tot mijn beste vrinden;
Bejegent hem daarentegen een verkapte dominee,
Ik meen een aanspreker, dan roept hij hoezee!
En ziet hij bijgeval een Esculaap op hooge beenen loopen,
Geen nood, denkt hij, zijn afrekening met den aptheker staat
nog open;
Ook heeft hij \'t hoofd veel te vol van drankjes en pillen,
Dan dat hij mij, armen drommel, te lijf zoude willen.
De haas is behoorlijk van loopers of pooten
Voorzien en springt over heggen en slooten,
Als \'t nood is,
En de sprong niet te groot is;
Ook draagt hij een vachtje, zoo mollig en zacht,
Dat de kou hem niet hindert, bij dag noch bij nacht.
Daarbij heeft hij een paar lepels of ooren,
Die het vallen van een speld wel kunnen hooren.
Wat zijn staart betreft, die is niet veel langer dan
een duim,
En wordt door hem met gratie over den rug gebogen, op de
wijs van een pluim.
En eindelijk, richt hij zich in zijn geheele lengte overend,
Dan lijkt hij zoo lang als een kind wel omtrent.
De haas
Is een heele baas,
Zoolang hij niet wordt gejaagd,
Of van zijne eksteroogen geplaagd;
Dan speelt hij en huppelt en maakt, als een volen,
Allerlei potsierlijke sprongen en cabriolen.
Maar wordt hij door een jagerbende overvallen,
-ocr page 14-
DE HAAS.                                                         8
Of hoort hij in de verte een geweerschot soms knallen,
Of een jachthond, hier of daar, bij poozen, aanslaan;
Dan oordeelt hij best, maar aan \'t loopen te gaan,
En, in plaats van op zijn gemak nog wat te pirouetteeren,
Zich aan de oogen te onttrekken der honden en heeren,
Die, hoe hij moog tegenspartlen of protesteeren,
Hem anders zeer handig ad patres zouden depêcheeren.
En zoo ontkomt hij dan ook dikwerf \'t gevaar,
Want in \'t voeteeren is hij van zessen klaar.
Daarenboven misleidt hij wel eens die hem zoeken,
En weet door een zijsprong den brak te verkloeken.
Doch, hoe hij zijn best doe, de levensgevaren,
Die dreigen, te ontworstelen en \'t lijf te bewaren,
Eens naakt toch zijn stonde en hij gaat er om koud:
Geen haas wordt in bosschen of velden licht oud;
Hij leeft bh\' den dag; slechts een jaar twee, drie, vier,
Ten hoogste genomen, en dood is het dier.
De haas bemint het celibataire leven;
En, hoeveel vreugd ook het huwlijk aan andren moog geven,
Hij ziet er het schoone en het heil niet van in,
Omdat het hem hapert aan huislijken zin.
Wel heeft hij geen afkeer van \'t andre geslacht;
Wèl brengt hij \'t zijn hulde, bij avond en nacht;
Maar wordt er gerept van een huwlijkscontract,
Dan heeft hij al aanstonds zijn biezen gepakt;
Hij houdt wel van mallen, doch mint er niet een,
En gruwt van een band, die een blok legt aan \'t been.
De haas is vreesachtig en schuw uit den aard;
Het minste gerucht maakt hem bang en vervaard:
Een snorrende kever, een schuifelend blad —
En daadlijk begeeft zich de langoor op \'t pad.
-ocr page 15-
4
DE HAAS.
Geen wonder, bij dag leggen jagers en honden
Het toe op zyn leven, door allerlei vonden;
En nauwlijks is de avond of nachttijd gekomen,
Of weer zijn er andre gevaren te schromen;
Dan toch staat er velerlei roofgediert klaar,
En loert en bedreigt met nog grooter gevaar;
Doch vangt nu de dageraad aan te lumieren,
Zoo planen er haviken, sperwers en gieren
De lucht in een kring door; en, waar hij moog gaan,
Zij vallen moorddadig en fel op hem aan,
En laten niet af, eer dat hij voor goed
Gehavend, verscheurd is en zwemt in zijn bloed.
Doch, mag hij gelukkig hun klauwen ontvluchten,
Een ander en treuriger lot blijft te duchten;
Want zelfs, bij een wandeling door dun en door dik,
Bevindt hij zich plotsling verward in een strik.
Dus, waar ook ter wereld het dier gaat of staat,
Zijn leven is veeg en het hangt aan een draad
En daarom verblijft hij zoo ongaarne in bosschen,
Vermijdend een tweespraak met dassen en vossen,
Die sluw op hem loeren door loof en getakte;
En daarom begeeft hij zich meest naar de vlakte,
Alwaar hij, voor \'t minste, om zich henen kan zien,
En, naar het te pas komt, den vijand ontvliên:
Zelfs, doet hij een dutje, hij neemt zich in acht:
Het oog blijft geopend en \'t oor houdt de wacht.
Als \'t herfstseizoen nadert,
En loof en gebladert,
Verbruind in zijn verven,
Begint te versterven;
Dan, zegt men, vergadert
Het Hazenverbond:
-ocr page 16-
DE HAAS.
En de oudste van jaren,
Vergrijsd reeds van haren,
Spreekt volgenderwijs met gepaste gebaren,
De luistrende club toe, gezeten in \'t rond:
De moordende jachttijd, mijn Vrienden! is daar;
De jachthonden blaffen, de jagers staan klaar,
Om \'t licht uit te blazen
Der weerlooze hazen.
Het zal er weer spannen, dat weten wij goed;
Wis stroomt binnenkort vrij wat kostelijk bloed:
Geen onzer kan \'t keeren,
Of \'t noodlot bezweren.
Dan, wie van de velen, getroffen door \'t lood,
Het leven verbeur\' door een smartlijken dood;
Wy sneuvlen en vallen
Op eens toch niet allen.
Welaan dan, o Makkers! niet noodloos getreurd,
Maar fler onzen schedel ten wolken gebeurd!
De moed en \'t vertrouwen
Heeft velen behouên.
Doch moeten wij sterven, zoo zij het met eer,
Op \'t veld en getroffen door \'s jagers geweer!
Opdat onze magen,
In latere dagen,
Nog roem op ons dragen.
-ocr page 17-
(een gesprek onder vier oogen.)
Tot morgen
De wereldsche zorgen!
Als een Sprinkhaan onlangs op straat
Een kikker ontmoette, riep hij: bonjour kameraad!
Hoe gaat het? me dunkt, je wordt zachtjes aan oud en stijf,
En hebt, dat je mij slacht, ook al niet veel aan en om je lijf.
Doch daarom niet getreurd; de zomersche dagen
Zijn ophanden, en dan kunnen we de kou best verdragen.
A propos hoe vaart mevrouw, je beminde? en je nicht,
Je weet wel, die met dat kalminken gezicht?
Eilieve, bijt haar toch eens van ter zijen
In \'t oor, dat ik haar gaarne mag lijen!
En hoe gaat het met je kindren, die worden zeker mooi groot
En groeien goed op, nietwaar? vooral die sladood
-ocr page 18-
DE SPRINKHAAN EN DE KIKVOESCH.                              7
Van een jongen, ik meen dien met zijn gebroken poot;
En dan ook vooral niet te vergeten dat lief popje
Van een meisje, dat, toen ik \'t laatst bij je was, pas uit het dopje
Was gekropen, en nog in de lange kleeren?
Me dunkt, ze moet al aardig de kikkertaal leeren.
Nu, dat zal je een klant worden, is ze volwassen;
Waratje, vrind! dan moog je wel èen beetje op haar passen,
Of ze is verkocht en geleverd, eer je \'t gist:
De vrouwen zijn leep, en de meisjes vol list.
Maar holla! je zult wel denken: je hebt den praat gansch alleen
En snatert zoo wat in de wilde boekweit heen,
Of liever: je kletst in het honderdduizend en op den pof.
Komaan, vrind! zwijg dan ook niet langer als een mof,
En vertel mij eens zoo van \'t een en ander:
Je weet zeker een boel; ook spraken wij lang niet met malkander.
Hier zweeg de Sprinkhaan: zijn halsvriend, de Kikker, vatte
het woord,
En zette de tweespraak toen volgenderwijs voort:
Vriend! verplicht voor je attenties; wat mijn vrouw
Aangaat, die kan niet best tegen de kou,
En zit bijna altijd met een warme stoof;
Ook wordt ze, en \'t is wat te zeggen, zoo doof
Als een kwartel, en wat haar gezicht
Betreft, ze kan haast geen zon- of geen gaslicht
Verdragen; daarbij heeft ze, per ongeluk,
Den eenen voet verstuikt, en springt nu op een kruk.
Het spijt me van die goeie sloof; en je weet, ze was voorheen
Zoo vlug en zoo gauw, als een kievit, ter been. —
En wat zal ik je zeggen van onze waarde nicht, daar je van repte?
Ze kwam al zoo\'n beetje op haar dagen, begrijp je? en schepte
Geen lust meer in de wereldsche zaken,
Of in der luidruchtige jeugd haar vermaken;
-ocr page 19-
8                       de sprinkhaan: en de kikvorsch.
En zoo is zij, op stel en sprong, een heel eind hier vandaan,
Ik weet niet recht waar, in een klooster gegaan. —
Mijn kindren zijn alle reeds groot en goed uit de kluiten
Gewassen; het spelen met hun kornuiten
Houdt op; ze zijn ook volleerd,
En hun educatie is geacheveerd,
Mijn oudste zoon, al zeg ik het zelf, is een jongen als een wolk;
En daar hij geen genie meer had, om hier in dien drabbigen kolk
Met het poelkanalje langer rond te lobberen,
En uit zijn moeders brei- of pappot te slobberen;
Zoo heeft hij, toevallig bij den hertog van Pierlapunt gekomen,
Op zijn eigen houtje maar dienst bij de dragonders genomen.
Nu, hij is ferm als een Zouaaf, en als een Zwitser brutaal;
Zoodat hij al geavanceerd is tot brigadier of korporaal;
En gaat het zoo voort, dan wordt hij nog wel eens generaal. —
Mijn dochterje, al lang en in stilte aan het vrijen,
Is onlangs getrouwd, en heeft, zoo ik hoor van ter zijën,
Tot eega gekregen iemand, die als oppermans-
Knecht werkt aan de Bourtanger-schans.
Ze hebben, zooals ze ons schrijven, kostlijk hun brood;
Ook zit het wijfje al reeds met een kleintje op den schoot.
Ziedaar, vrind! zoo \'t een en ander, dat u wellicht interesseert;
Zoo niet, je hebt het, in allen gevalle, gevraagd en begeerd. —
Overigens loopen de tijden, zoo je weet, niet bijzonder best
Voor ons, kikkervolkje: we hebben wel met geen pest,
Geen cholera of dergelijke vreeslijke kwalen te kampen;
Doch er treffen ons een menigte andere rampen,
En daaronder moet ik eene eerste plaats geven
Aan de extra-droge zomers, die we beleven.
Hoe menigeen van ons ligt er, sinds lang, toch reeds dood,
Gestorven van honger en dorst, onbegraven in een droge sloot!
Hoevelen liggen er, door den dokter opgegeven, in de modder
te gijpen;
-ocr page 20-
9
DE SPEINKHAAN EN DE KIKVORSCH.
En hoeveel anderen gaan er ongetwijfeld nog eerlang uitknijpen!
Ze zien dan het lieve zonlicht niet meer;
Weg zijn ze voorgoed; nooit komt er één weer!
Wat raad? gaan we een luchtje scheppen op \'t land,
Terstond is die vermaledijde langpoot bij de hand,
En maakt ons, zonder biecht of testament, van kant.
Waait ons de lust aan, om in \'t wed van de visschen
Ons af te spoelen en een wijl te verfrisschen,
Knap komt dat afschuwlyk en vraatzuchtig monsterdier
Van een snoek, en vraagt: „wat doe jelui hier?
Waar is je patent of permissie, om in onze privatieve wateren
Te domplen, te duiklen, te kwaken, te snateren?
Weg, weg met dat moddergebroed, dat Janrap van \'t moeras!"
En meteen slokt hij ons op, puur alsof het maar knapkoek
was. —
Doch een veel erger ramp bedreigt ons watervolkje;
Want weldra zal er haast geen sloot, geen greppel, geen kolkje,
Laat staan een moeras, voor ons zijn overgebleven,
Waarin wij met rust mogen floddren en leven:
Zoo is men overal, het heele land door, in de weer,
De landman, de rentenier, ja tot den kleinsten meneer;
(Adres maar alleen aan het Haarlemmermeer)
Om plassen te dempen en landen te ontginnen.
En wat moeten wij, ongelukkige stumpers, beginnen,
Als \'t water eens droog ligt? waar zullen we in vredes naam
heen,
Verouderd, vermagerd en kwalijk ter been?
Och arm! we gaan alle — de hemel weet hoe,
Nog eens verr\' over zee, naar Amerika toe! —
Hier nokte de gr\\jze; zijn ziel was bewogen,
En tranen, als tuiten, ontrolden zijn oogen.
Doch de Sprinkhaan, wat levenslustiger van aard, en doorgaans
wel te moe,
-ocr page 21-
10                            DE SPRINKHAAN EN DE KIKVORSCH.
Nam het woord, en sprak den ouden sukkel volgenderwijs toe: —
Kameraad, niet getreurd, niet gelipt in de ellende!
Aan alles is een begin, aan alles komt ook een ende.
Loopt het ons, zooals dat gaat, in de wereld soms tegen,
Na regen komt zonneschijn, na zonneschijn regen:
Have en goed verloren, \'t zegt veel en \'t hangt ons aan;
Maar den moed eenmaal verloren, dan is alles gedaan.
En daarom, Vriendlief, leer d\'onspoed verdragen,
En blijf immer hopen op betere dagen!
Doch, wat ik je bidden mag, verlaat nooit je huis!
\'t Is bij den vreemde ook niet opgeschept en allesbehalve pluis:
\'t Vet is er voorlang van den ketel geschuimd.
Wat u dus ooit bejegen\', uw land nooit geruimd!
\'t Gaat vast, kom je in den vreemde, je vindt er geen vrind,
Geen enklen maag zelfs, en onbekend maakt onbemind.
Je repte daar zooeven, in je baloorigheid, van Amerika;
Doch daar kwam je van honger en kommer om, vroeg of spa:
Die derwaarts heentogen vonden er werk genoeg, maar nauwe-
lijks \'t brood;
En ze gaan er, zonder dokter of aptheker, als de honden, maar dood.
Trek je naar China, waar die venters met hunne ellenlange staarten
"Wonen, je zoudt er niet kunnen blijven, en zeker niet aarden;
De Confucius-volgelingen zijn je wat groote meneeren;
En de kikkers hebben daar, hoogstwaarschijnlijk, niet, zie dat!
te commandeeren:
Of je mocht lust hebben, om er nu en dan de smalle gemeente
te amuseeren,
En een vechten op leven en dood te gaan leeren
Tegen je eigen geslacht, een makker of vrind;
Al naar dat men dat lief en vermakelijk vindt:
Totdat je, of het maar zoo niemendal is,
(Even als \'dit bij hun hanengevechten \'t geval is)
Bij \'t eind\' der wreedaardige en afschuwlijke klucht,
-ocr page 22-
11
DE SPRINKHAAN EN DE KIKVORSCH.
Verminkt in het zand ligt, en hijgt naar wat lucht.
Verhuis je naar de Levant, roep dan bij voorraad — „o wee!
En was ik maar gebleven aan d\' overkant der zee!"
Ze gaan er je spiesen of empaleeren,
Net als ze ons doen, en maar heel koelbloedig massakreeren;
En voorts, gedroogd of gerookt, bij hoopen
Als scharren en sprot, aan den Moslem verkoopen,
Die alles voor hond scheldt wat geen Turk is,
Dat wil zeggen, niet evenals h\\) een deugniet of schurk is.
Bedenk dit vooraf, en wees van mij geraden:
Kies altijd het minste, als je kunt, van twee kwaden!
Nog is \'t in ons Holland niet slechter dan te voren;
Hier ben je gewonnen, hier ben je geboren:
En, waar je ook belandt, \'t zij in Oost of in West,
Ons land spant de kroon, en te huis is nog \'t best.
Nauw\' had hij uitgesproken, of er gierde een ooievaar door de lucht;
Ook was er al een troep jongens op de been, die met vrij wat gerucht
Uit school kwamen, en \'t regelrecht op hen aan-
Hielden; zoodat zij dachten, het was met hun beiden gedaan.
Bij geluk echter stond er dichtbij een kelderluik open, en met
hun lange beenen
Sprongen zij hals over hoofd er in; en \'t onweer dreef henen. —
Doch of zij voorts, daar ter plaatse nog lang zijn verbleven,
Niemand heeft er ons dusverre bescheid van gegeven.
-ocr page 23-
Als de versch gevallen sneeuwvlok
Blank en zuiver, roeit de zwaan
Fier en trotsch door \'t kabblend zilver
Der kristallen waterbaan:
Dobbrend en in \'t stroombed duiklend,
Oversproeid door \'t golvend nat,
Schudt zij \'t drupplend van haar pluimen,
Daar \'t in paarlen nederspat.
De Zwaan
Verschilt veel van een haan:
Ook is zy wel driemaal zooveel mans
Als een magere gans;
En gaat men haar braden,
Dan kan ze wel een half dozijn eters verzaden.
-ocr page 24-
18
DE ZWAAN.
Wanneer men haar ziet,
Niet in het lisch of in \'t riet
Verscholen, maar in een vijver of vliet
Zich dompelen en wasschen
En poedlen en plasschen,
Dan denkt menig Schoone: „Wat heeft toch het dier
Een pret en pleizier!
o Mocht ik, jong meisje,
Zoo ploetren een reisje!"
Heb je wel ooit van je leven
Er acht op gegeven,
Hoe blank en hoe sneeuwwit haar kleeren,
Of, beter gezegd, haar dons is en veeren;
En hoe kraakzindelijk en net,
Zonder vlakjen of smet,
De zwaan zich vertoont, als ze drijft in het wed;
Zoo schoon, als een bruid, in haar hoogtijd-toilet,
Tot receptie gezeten in \'t smaakvol salet?
Maar heb je haar daarentegen wel eens op het ijs
Zien waggelbeenen, en, geheel van de wijs,
Als een beschonken voetiaan,
Zien vallen en opstaan?
In \'t water is zij een heele baas,
Maar te land en op den bevrozen plas slaat zij een mislijke
schaats.
Het wordt den zwanen nagegeven,
Dat ze lang en genoeglijk leven:
Trouwens, ze hebben den bek wel gestadig in \'t nat,
Maar lepperen nooit uit het Heidelbergsch vat:
En hooren ze spreken van Schiedammer chnick,
Dan besterven ze het schier van plotsliDgen schrik.
-ocr page 25-
u
DE ZWAAN.
De Haan, om daar nog eens op terug te keeren,
Leeft zoo wat, als in \'t Oosten de grootere heeren;
Te weten, — en \'t strekt hem maar gansch niet tot lof, —
Hij maakt aan verschillende dames het hof.
Niet aldus de zwaan: waait toch den Hij-zwaan
De trek tot een Zij-zwaan met kracht en geweld aan.
En kiest hij haar eenmaal tot bijslaap en vrouw,
Dan blijft hij, zoolang hij mag leven, haar trouw,
En zal in zijn min nooit een greintje verminderen,
Maar met haar de velerlei zorg voor de kinderen
Volijverig deelen,
Haar strooken en streelen,
Bij dag en bij nacht,
En doet zij een dutje, dan houdt hij de wacht. —
Zoo handelt geen Fransche of geen Engelsche haan;
Maar zoo doet een brave en eerbare zwaan.
En als nu de Zwaan, eens tot jaren gekomen,
Geen lust langer vindt in \'t beploegen der stroomen ,
En als hem nu vleugels en beenen verlammen,
Of liever verstijven door oudte, en verstrammen;
En als hij geen schik nu meer heeft in het leven,
En, zat van genoegens, deze aard\' zal begeven,
Dan zet hij zich neer aan den rand van een vliet,
Dus zegt men, omschaduwd door rosgekuifd riet,
Gedenkt aan de vreugd, die hij volop genoot,
En wacht zoo, gelaten, het uur van zijn dood ;
Slaat eindelijk, tot afscheid, weemoedig zijne oogen
In \'t rond en omhoog naar de hemelsche bogen,
En galmt, met een lieflijk en roerend geluid,
Betreurd van de zijnen, zijn Zwanenzang uit.
-ocr page 26-
Op het menschlijk lijf n neer,
En verstoort den zoeten sluimer
Van zoo menig teedro maagd,
Wier gelaat en poezlig handje
Dikwerf \'t merk uws moedwils draagt.
Ik heb dusverre nog niet gehoord,
Dat een Mug door een bandiet is aangevallen en vermoord;
Ook weet ik niet, dat er een besluit of wet
Bestaat tegen het frauduleus vervoer van haar vet:
Trouwens, zij is van geld en smout en kostbre kleeren
Voorzien als een pad en sprinkhaan van veeren.
Wel meen ik te hebben gelezen, dat haar geraamte of skelet
Ergens door een vermaard Ornitholoog is opgezet;
Doch zoo ik zei, dat ik het met eigen oogen
Gezien had, dan vertelde ik een logen.
De Mug is al een wonderlijk dier;
Ze draagt geen lans, geen stilet of rapier,
-ocr page 27-
16
DE MUG.
En toch verstaat zij zich op het prikken, en weet je te steken.
Niet voor een enklen keer, maar gedurende dagen en weken;
Ook kiest zij, tot het uitoefenen van haar jacht,
Gemeenlijk niet den dag, maar den avond en nacht:
En moogt ge haar al eens een oogenblik verjagen,
Ze komt weldra tot een nieuwen aanval opdagen,
En brengt, uit revenche, nog wel één of twee,
Ja, meer van haar kameraden of mede-vampyrs, tot adsisten-
tie mee.
De Mug zou zelve \'t best kunnen getuigen,
Of zij gewoon is, de kleinen aan haar borst te laten zuigen;
Dan wel, of zij die ter minne pleegt te besteden,
Zoodra ze de wereld zijn binnengetreden —
Of verkiest men liever te zeggen — binnengegleden.
En eindelijk, of zij hen direct speent en dan met den pappot
Opkweekt, of wel overlaat aan hun eigen lot.
Ze heeft zich over een en ander echter nooit uitgelaten:
En dus zou \'t beredeneeren van dit probleem weinig baten.
Maar dit kunnen we zeggen, dat naar rato
Van haar gestel de muggen balletdansereseen zijn in folio,
Of liever luchtspringsters en acrobaten van de eerste soort;
Zoodat men van haars gelijke nog in geen kroniek of dagblad
heeft gehoord.
Nauwelijks toch is de avond aan \'t vallen,
Of men ziet ze, bij honderd- en duizendgetallen,
Vooral langs grachten en slooten en poelen,
Al zwevende op en neer, door elkander krioelen
En een ellenlangen kolonnedans dansen,
Beter en vlugger dan de Russen het kunnen of Pranschen.
Ook houden ze gewoonlijk daarmede aan,
Totdat wij menschen naar bed toe gaan.
Trouwens, als wij verzuimen bijtijds de ramen te sluiten,
-ocr page 28-
17
DE MUG.
Stormen ze, als de blits, met zwermen van buiten
Naar binnen, en nestien zich in hoeken
En gaten, waar men ze niet zou verwachten of zoeken.
\'t Is ook niet te verwonderen; ze zijn moede en mat
Gedanst, de maag is leeg, de keel is droog en \'t buikjen is plat.
De Mug is in haar doen wel wat onbesuisd,
Doch, wat haar tactiek betreft, ze strijdt voor de vuist,
Met open vizier en onder \'t steken der trompet:
Deze loyaliteit is bij dat Bedouïenen-volkje een wet.
En is zij nu eenmaal tot het slagterrein genaderd,
Dan kiest zij een plekje op hand of gezicht, dat het fijnst is geaderd,
En zet er zich zachtjes en licht als een veer,
Op haar ranke pootjes, met toegeslagen wiekjes, op neer,
En vult zich het buikjen, al pompend, met moed,
Tot het weldra rond als een appel en rood is als bloed.
Gelukkig, wie slapend zich niet gaat verroeren,
Noch zich, half wakend, tot wraak laat vervoeren!
"Want geeft men haar, dommlend, een slag met de hand,
Dan raakt wel somwijlen het beestje van kant;
Maar zal ook het oog of de neus vaak bezuren
\'t Deerlijk gevolg van die kampvechters-kuren.
Hoe nietig de Mug zij van lijf en fatsoen,
Ze is scherp in haar aanval en fel in haar doen,
En heeft dus, van nature, wel iets van tijgers en slangen,
Te weten, als zij in den natuurstaat leven en niet zijn gevangen.
Ook houdt zij zich, als deze, tot barstens toe gevuld
Met bloed, ergens schuil en wacht met geduld,
Tot de maag het alles heeft kunnen verteren;
Als wanneer zij oprijst, om opnieuw te gaan marodeeren.
De symphatie van den mensch voor de mug is niet groot;
En wellicht niemand, die een lantaarn uithangt of rouwt bij haar dood:
2
-ocr page 29-
18
DE JIUG.
Maar is zij eenmaal uit het leven geweken,
Dan komen chemisten en apthekers van alle streken,
Als postpaarden, aanloopen, om \'t diertje te ontleen
En vooral het merg te verzaamlen uit knoken en been;
Want, beter dan alle de Holloway-pillen,
Weet het kolieken en maagkramp te stillen.
Volgens sommige physiologen, wordt de Mug zeer oud,
En blijft, gedurende haar geheele leven, ongetrouwd:
Ten.minste op de Registers van den burgerlijken stand,
Noch hier, noch in eenig ander land,
Vindt men aangifte gedaan, naar behoorte,
Van haar sterven, huwen of geboorte;
En daaruit maakt men op, dat zij lang moet leven:
Anders toch had de een of ander Archivaris \'t wel opgegeven.
Tot sluiting van dit artikel, nog een enkel woord,
En die \'t gehoord heeft zegg\' het voort: —
Wie voor een mug werd in de wieg gelegd,
Wordt nooit een olifant; en dat is de waarheid gezegd.
Een olifant echter, hoe groot hij moog wezen,
Kan nog wel als een mug worden nadezen.
-ocr page 30-
m PAD II M H!ï3SifBS8LM.
(een buurpraatje.)
Leer om leer\';
Sla je mij,
Ik sla je weer.
Mij dunkt, sprak de Pad tot een Slak,
Die zij toevallig, op zekeren avond, ontmoette
En min of meer met een air d\'importance begroette:
Vriendschap, je kuiert daar zoo op je dooie gemak,
Ook draag je een bijster groot pak op den rug;
Hoe kijk je zoo barsen, zoo gramstorig en stug?
Heeft er je iemand, bijgeval, eenig letsel gedaan?
Komaan, Hardlooper van luie Kees! stap wat aan
Als een man; vooruit is de weg, zoo je ziet:
Blijf je zoo slendren, dan komt gij er niet.
De Slak was verstoord, doch hernam op een ietwat sarcastisch -
ironischen toon:
Vriend! het staat je in \'t geheel maar niet schoon,
-ocr page 31-
20                                  DE PAD EN DE HUISJESSLAK.
Dat je ons uit de hoogte komt bedillen, en zoo wat
Den draak met ons steekt; als ik het wèl vat,
Dan verwijt hier de pot haast den ketel, dat hij zwart is,
En de kei scheldt den biksteen, dat hij ongemanierd hard is.
We kennen elkaar immers van ouwer tot ouwer, Kameraad:
We weten heel je doen en laten en bedrijf, vroeg en laat;
In waarheid, je bent ook al niet uit de hooge boomen
Gevallen, en zoo in de wereld en onder ons gekomen;
En wij slakken zijn met geheel ons geslacht
Toch ook niet, als de paddestoelen, uit de vuilnis gekropen in
éénen nacht;
Het spreekwoord zegt niet vergeefs, en \'t geldt tot op heden:
„Men wordt wel door een mestkar, maar niet door een fatsoen-
lijk rijtuig overreden."
Doch, om den spijker wat beter op den knop te slaan,
En niet langer in \'t wild te schermutselen, welaan!
Laten wij elkander wèl verstaan,
En op den keper eens gaan bekijken,
Wie van ons beide met den meesten lof behoort te gaan strijken. —
Wat ons slakken dan betreft, we hebben een philosophischen kop,
En zijn navolgers van Diogenes, daar beroemen we ons op.
Deze toch had de gewoonte, om in een ton te leven,
Zooals je weet, en niet veel om de wereld te geven.
Ging hij uit, dan had hij een soort van knapzak in de hand
En liep daarmee zoo wat schabberdebonken door \'t land;
Het omnia mecum porto, of mijn geheelen schat
Draag ik met me,
was zijn leus; en geen kind in de stad,
Of het kende hem; en schold hem deze of gene Aristocraat soms
voor philosophischen hond,
Hij was een man van beginselen en die zijn wereld verstond;
Want, toen Alexander hem eens met een geschenk wou vereeren,
Zei hij heel koeltjes: „Sire! ik dank je, zoo waar; ik weet me
met weinig te geneeren,
-ocr page 32-
2]
DK PAD EN DE HUISJESSLAK.
En ben niet gewoon, om s\'il vous plalt te spelen bij de groote
m eneeren;
Maar ik lag daar, o zoo lekker, in \'t schijnsel der zon:
En dus, wat ik je bidden mag, ga een beetje uit het licht en
laat mij voorts alleen met mijn ton!"
Zoo dacht die beroemde wijsgeer, en zoo leven ook wy,
Geheel op onszelven en van alle conventioneele complimenten vrij.
We wonen, wel is waar, in geen ton, zooals die wijze Griek dee,
Maar sleepen en zeulen toch altoos ons eigen huis mee:
En dat is nu dat geweldig groote pak,
Daar je zooeven met zulk een verachting van sprak;
Valt het wel eens lastig, \'t is ons evenwel tot groot gemak,
Want, waar we vertoeven, \'t zij avond of morgen,
We hebben er voor geene woning te zorgen,
Maar kruipen er uit en sluipen er in,
Al naar het te pas komt of ons schiet in den zin.
Bovendien is dat huis onze citadel en fort,
Dat, naarmate wij meer volume krijgen, ook ongemerkt grooter
wordt;
En \'t is voor ons corpus zoo wonder van pas,
Alsof het door een gebreveteerd Bouwkunstenaar expres tot ons
gerief vervaardigd was:
Om kort te gaan, we kunnen er niet zonder leven,
En \'t wordt eens ons Mausoleum, wanneer wij komen te sneven. —
Wat onze leefwijs betreft: geen kind doen wy kwaad, en daarbij
Kan men wel over ons loopen en heentuimlen, zoo verdraagzaam
zyn wy.
Met weinig tevreden, begeeren wij geen lekkerbeetjes, zelfs geen
lammertjes-pap,
Maar voeden ons gewoonlijk met plantenmelk en bladerensap;
En mogen we soms wat dauw of den wasem van vruchten bescharen,
We zouden er een wereld vol lekkernij voor laten varen.
Nu zijn we wel geen hardloopers van beroep, \'t is waar;
-ocr page 33-
22                                   DE PAD EN DE HUISJESSLAK.
Maar juist daardoor ontwijken we ook weer menig gevaar;
Het langzaam gaat zeker is ons als met de melk ingegoten,
En deze spreuk te behartigen heeft ons nimmer verdroten.
Ook steken we niet, als andere dieren, op onze tochten den snuit,
Maar onze voelhorens, als onfeilbare wegwijzers, vooruit;
Doch, om de zwakte en teerheid van ons gezicht,
Houden wij overdag onze oogen en ook het pothuis maar dicht,
En gaan eerst, als de avond begint te vallen,
Ons vermeien of op marode, langs veldpad en wallen.
Zie, Vriendje! zoo leven wij slakken, gelukkig en blij,
Van nijd, van afgunst en achterdocht vrij.
We weten heel goed dat die geen bokkensprongen weten te maken
en geen flikkers te slaan,
Gewoonlijk achteraf blijven staan en den slakkengang gaan:
Maar wij trekken \'t ons niet aan en het raakt onze kouwe kleeren
zelfs niet;
We houden ons aan de voorouderlijke usanties en blijven zoo-
doende bewaard voor een massa verdriet. —
En nu denk je wellicht: „Ge hebt daar in eenen koerier
Een boel geleerdheid uitgekraamd en met veel ophef en zwier
Gewaagd van uw leven en zweven;
Maar evenwel nog dusverr\' geen reden gegeven,
Waarom je bestaat en waartoe je wel dient;
En daar wilde ik ook wel iets van gewaarworden, Vriend!"
Welaan, ik kan dat met weinig woorden wel zeggen
En behoef het niet met veel redenen uit te leggen.
Dat wij slakken eene plaats in de Schepping beslaan,
Daar twijfelt geen redelijk schepsel toch aan:
En dat wij er nuttig en noodig zijn, zal elk, die ons ziet,
Wel willen vertrouwen, want anders bestonden wij niet.
Maar neen, wij onnoozele en verachte diertjes vermogen
Op een veel grootscher bestemming te bogen
Dan menig ander; want we zijn als uitgelezen,
-ocr page 34-
DE PAD EN DE HUISJESSLAK.                                   23
Om een delice op de tafels der grooten te wezen,
Althans in Frankrijk, Itaalje en meer andre zuidlijke landen,
Waar men geheele kweeken en waranden
Er zelfs op nahoudt, waarin ons geslacht
Vermeerdert, en van waar het voorts naar de keuken of markt
wordt gebracht.
Ziedaar ten minste iets van onze bestemming, doch genoeg om
te toon en,
Dat wij niet bij toeval of als doodeters deze aarde bewonen. —
En nu willen wij de medaille eens omkeeren
En nagaan, wat jelui, die zoo groote meneeren
Meent te zijn, wel beteekent in de dierlijke maatschappij,
En wat er van al die gewaande grootheid eigenlijk zij.
Vooreerst dan, waar men van je spreekt, op het land, in de stad,
Overal heet het: die vuile, die leelijke, afzichtlijke Pad!
En \'t is waar; winter en zomer draag je \'t zelfde pakje;
Nooit trek je een ander schoon hemd aan of een schoon jakje;
Nimmer ziet men u, hier of daar, in de plassen
Het lijf afspoelen en je eens zuivertjes wasschen:
Je glimt dan ook net als een glas, dat berookt is,
En hebt een kleur als een metworst, die nog ongekookt is. —
Wat je démarche betreft: je dwarrelt
Als een klein kind, dat nog op handen en voeten scharrelt:
En waag je, als de kikkers, een sprong, \'t is een spektakel,
Je buitelt over \'t hoofd, Man! en ligt met de beenen in de lucht
voor mirakel;
Zoodat je waarlijk met onzen tragen gang den gek niet behoeft
te scheren,
Maar zelf nog wel hoog noodig hebt, zoo al niet dansen, dan toch
loopen te leeren. —
Woning of dak bezit je niet, of \'t moest zijn in een scheur of
een spleet
Van een muur, in een hollen boom, ja, de drommel weet
-ocr page 35-
24
DE PAD EN DE HUISJESSLAK.
Waar; en dan woon je nog maar precario, als de muizen;
Wordt je de woon opgezegd, zoo moet je verhuizen. —
Wat je eet of drinkt, is mij weinig bekend,
Maar veel bijzonders ben je zeker niet gewend;
Een mugje, een wormpje en wat meer voor-
Komt van dien aard, bij een dronk uit het wagenspoor;
Ziedaar alles: aan gezoden en gebraden
Zult ge u de maag, evenmin als wij, overladen. —
Dat je, in uw werkkring, veel belangrijks en nuttigs verricht,
Ik zou er haast aan twijflen, ofschoon ik al licht
Van een ander eer goed denk dan kwaad;
Of \'t moest wezen, dat je wel eens een weldaad
Met ondank beloont, en met uw venijn gaat bezwadderen
Die u toevallig op den toon trapt, op de wijze der adderen. —
Voorts ben je, \'t is bekend, een lafaard, een bloed
Tegenover een kat, een hond, een mensch of wie je ontmoet:
In waarheid, van alle poltrons zijt gij de minste held;
Zoodat zelfs een spin u verjaagt uit het veld.
Zie, zoo leeft de pad: ongeacht, ongeëerd;
Geen dier, dat haar omgang of vriendschap begeert;
En slaat ook voor haar eens de vreeslijke stond,
Dan ligt ze, versmaad als een kreng, op den grond,
Verworpen, verschopt en vertrapt met de voeten,
Door wie er, bij toeval, het rif komt te ontmoeten;
De kraai zelfs en raaf, hoe onkiesch in hun doen,
Zijn wars, om zich \'t lijf met haar schonken te voên. —
Kameraad! mijn rede is ten einde gebracht;
Een raad nog: neem steeds voor den hoogmoed je in acht,
En zorg, dat je niemand bespot en veracht!
En daarmee, geluk op uw reis, goeden nacht!
De pad had met aandacht deez\' toespraak gehoord;
Ze stond als verpletterd, maar uitte geen woord:
-ocr page 36-
DE PAD EN DE HUISJESSLAK.                                   25
Doch toen zy \'t vaarivel! van de slak had vernomen,
En nog eens wat nadacht, bekende ze in stilte en zonder te
schromen:
Waarachtig de slak heeft volkomen gelijk, ze wandelt niet onver
schillig door \'t slik,
Maar heeft de wereld bekeken en kent ze op een prik;
Ja, was ik geen pad en tot den paddenstand als verwezen,
Ik zou, op mijn woord, wel een slak willen wezen.
-ocr page 37-
De kalkoen is, evenals zijn gebuur
De pauw, een pronker van natuur:
Beiden munten echter niet bijzonder uit
In lieflijk en harmonisch stemgeluid;
Ja, konden, waren zij geen te groote meneeren,
Van den huishaan, op dit punt, nog wel \'t een en
ander leeren.
De kalikoetsche haan of liever de Kalkoen
Is een wonderlijk heerschap in zün leven en doen;
Ook blijkt het uit alles, dat hij hier niet recht thuis is,
Maar er bij toeval of slechts per abuis is,
En dat hu\' veel liever in \'t Morgenland zou
Terug willen zijn, dan hier te bibbren van de kou.
Zijn figuur heeft wel iets, zoo niet veel,
Van het schip der woestijn, ik meen den kameel;
Met uitzondering, dat zijn lijf bezet is met veeren,
-ocr page 38-
21
DE KALKOEN.
Dat hij op twee beenen gaat en, in geen geval, zich behoeft te
laten scheren.
Wat ovrigens zijn rug aanbelangt, die staat als een hoepel zoo krom;
Zijn hals is vrij lang en zijn uitzicht is dom.
Doch het verwonderlijkste is, dat zijn sneb met geen baard is
omkraagd,
En dat hij daarentegen op de borst een paardenharen/bMragt\'rc draagt.
Men kan aan zijn gansche houding zien, dat hij is van hooge
geboorte
En dienovereenkomstig weet te leven en zich te gedragen, naar
behoorte;
Ook is zijn voorkomen wel eenigszins patriarchaal,
Dat is deftig, ernstig en toch niet terugstootend of brutaal;
Doch minzaam en spraakzaam te wezen is bij hem verr\' te
zoeken,
En complimenten te maken staat in geen zijner woordenboeken.
Daarenboven begrijpt hij te goed zijne afkomst en stand
En weet, dat hij behoort tot de magnaten van \'t land,
Ik meen van \'t gevogelt\', dat op \'t voorplein of de bassecour
Ronddwaalt en lust schept in lawaai en rumoer.
"Wanneer een kalkoensche haan met zijn kalikoetsche dames gaat
promeneeren,
En \'t in den zin krijgt, om, als een gepensionneerd generaal eens
te paradeeren,
Of zich wat grandioos voor te doen; dan slaat hij, voor \'t oog
zh\'ner vrouwen,
Als een waaier zyn staart uit de vouwen,
Sleept de vleugels langs de aard\', buigt het hoofd achterover, zet
een krop,
Of liever, blaast zichzelf schier tot barstens toe op,
Neemt den dribbelpas aan of draait, als een hond,
Die naar zyn staart grüpt, in \'t rond.
-ocr page 39-
28
DE KALKOEN.
Voorts deelt zijn gezicht en zijn hals in al de kleurschakeeringen
van den regenboog.
Hij knipt en pinkt en lonkt, nu met het rechter-, dan met het
linkeroog;
En wanneer hij eindelijk zoo rood is om \'t hoofd, als een kal-
koensche haan,
Ik meen, als bloed, en van trots haast niet langer op de beenen
kan staan,
Dan is hij boven de wolken, dan ginnegapt hij overluid,
Dan stort hij zijn vreugd in een stotterlach uit,
En denkt, dat hij, zooals menig gebaroniseerde Poep
Zich reeds fürst waant, ook wel voor een bolleboos zal doorgaan
bij den gapenden troep.
De kalkoen, en hier spreek ik alleen van het vrouwelijk geslacht,
Is een Oostersche dame en een beetje gemakkelijk grootgebracht;
Ze heeft dan ook niet bijzonder veel met kleine kinders op,
Ten minste, totdat ze kunnen spelen met hoepel en pop,
En bestelt ze gewoonlijk, ja zelfs in den dop
Reeds, in \'t een of ander opvoedingsgesticht,
Ik meen bij een kennis, een tante of een nicht
Onder de kippen, die ze dan getrouwlijk uitbroedt,
Koestert en leert, aankweekt en opvoedt,
Totdat ze, behoorlijk onderlegd, als kleine nufjes en jongeheeren,
In \'t ouderlijk huis terug kunnen keeren,
En met een pimpelpaars jurkje en een schotsch-geruit kieltjen
aan meegaan spanseeren.
De kalkoen, en nu bedoel ik daarmee mannetje en wijf,
Is huivrig en kouwlijk en bang voor zijn lijf:
Onweert het dus, of valt er wat hemelsche dauw naar beneên,
Dan kijkt hij bedrukt en benauwd om zich heen;
Doch houdt de regen wat meer, dan hem welkom is, aan,
Zoo zal hij niet lang in den drup, als een beeld, blijven staan,
-ocr page 40-
29
DE KALKOEN.
Maar gaat, op een pruikemakersdrafjen aan \'t loopen,
{Als een keukenmeid, die op de vischmarkt paling is gaan koopen,
Maar den kostlijken tijd
Heeft vervrijd,
En eindlijk begrijpt, dat ze voort dient te maken,
Indien zij niet uit haar dienst wil geraken),
En bergt zich, zoo goed en zoo kwaad als hij mag;
Ook komt hij niet eer uit den hoek voor den dag,
Vóór de onweersbui ganschlijk is overgedreven
En hij zich gerust weer te veld kan begeven.
De gastrophilen voeren, sedert langen tijd,
Onderling een nog steeds hangenden strijd.
Te weten: wat het lekkerste is, het ei van een kalkoen,
Van een pauw, van een kievit of hoen.
"Wij voor ons willen met die heeren liefst niet kijven,
En dus de zaak maar blauw blauw laten blijven.
En hiermede ben ik aan \'t eind van de baan,
Dat is, der physiologie van den kalikoetschen haan.
Vraagt men nu nog, of hij gewoon is, lang of kort te leven?
Zoo kan ik in weinige woorden er \'t antwoord op geven:
De kalkoen leeft zoolang als hij kan,
Doch gewoonlijk, totdat men hem legt in de pan.
-ocr page 41-
Dl HÏÏISHAM.
De mensch is een schepsel op twee beenen,
zonder veeren,
Heeft eens een oud Philosoof op \'t college
gaan doceeren,
einig vermoedende, dat den volgenden mor-
gen een geplukte haau,
Als des mensehen evenbeeld, in professors
gehoorzaal zou staan.
Wanneer de liaan den dag verkondt,
Dan wipt de landman uit de veeren;
Terwijl een deel der steedsche heeren
Zich neervlijt op de legerspond\'.
Eilieve, zeer geleerde heeren en hoog geëerde
vrouwen!
Hebt ge weljooit met aandacht gaan beschouwen
Den dagheraut, ook wel eens genaamd de kukeleku,
Wanneer hij gekleed is in groote tenue,
En met zijne dames] zoo deftig gaat promeneeren,
Als een Oostersche Pacha in zijn gala-kleeren?
Wat een tred, wat een gang, wat een zwaai en een-zwier!
Ruim zoo trotsch en zoo batsch, als van een Aspirant-Luitenant
met zijn vonklend rapier.
Wat een stem, wat een galm, als hij kraait!
En dan weer, wat zoete woordjes,
-ocr page 42-
81
DE HUISHAAN.
Trekkende, als met zijden koordjes,
\'t Kipje, dat hij lokt en praait!
Ziet, hoe zwenkt hij, los van beenen,
Met een slijfer om haar henen,
Eechts en links, van liefde dol,
Draaiend, zwaaiend, als een tol;
Tot hij \'t lief en argloos wijfje
In vervoering drukt aan \'t lijfje!
Een haan op zijn mesthoop of werf is een heele vent;
En wee! die hem te na komt en zijn rechten schendt,
Of het oog op een zijner Odalisken laat vallen;
Want dan is hij de man niet, die met zich laat mallen,
Maar zet zich terstond in postuur
En vecht, als een lebendige Zouaaf, met een vuur
En ambitie, dat hijzelf of zijn tegenstander verminkt
De plaat poetst of dood ter aarde zinkt.
Ziet, zooveel doet hij, uit respect voor de schoonen!
En wie zou dan zoo\'n Buljon geen eere betoonen?
De Haan is niet alleen een heer en een koning
In zijn hok of, met andere woorden, in zijn woning;
Maar weet zijne huishouding zoo ordelijk te bestieren,
Door wat te geven en te nemen, te kijven en te vieren,
Dat alles een geregelden gang gaat en zijne vrouwen,
Geen ééne uitgezonderd, dol veel van hem houên.
Dit neemt echter niet weg, dat er doorgaans ééne is onder
allen,
Die hu\', bij voorkeur, het hof maakt en die hem \'t meest schijnt
te bevallen:
Deze is dan ook gewoonlijk aan zh\'ne zijde, als hij rust;
Ja, ik zou wel haast durven wedden, dat hij ze, vóór \'t slapen
gaan, kust;
-ocr page 43-
•\'S 2
DE HUISHAAN.
Ook vindt hy schier geen graankorreltje, geen wormpje, of \'t is
voor \'t uitverkoren
Patelotje, wie hij \'t gracieuslijk legt te voren. —
Nu zou men licht denken, zoo iets veroorzaakt toch ongetwijfeld
minnenijd,
En onder zoo\'n aantal bedgenooten een gedurigen en hevigen strijd:
Maar neen, zijn de Sultanes het soms wat oneens over die praedilectie,
Zoo geeft Koekeloer aan \'t verschil al aanstonds zulk eene directie,
Dat, na wat kribblen en hassebassen, de vrouwenschaar
Uiteengaat en weldra weer vertrouwlijk spanseert naast elkaar.
Trouwens, de Haan weet door kalmte en beleid het aldus te
schikken, dat de Matronen
In huislijken vrede en eendracht te zaam blijven wonen.
De Haan, zegt men, is een ervaren weerprofeet
En grooter meteorognost, dan menigeen weet:
Want het gebeurt, o zoo dikwerf! in den nacht,
Dat hij, als hij verandring van weder verwacht,
Plotseling een keel openzet en een alarm en leven
Gaat maken, dat zijn dames er van rillen en beven.
Ook is het alleen bij mooi en handzaam weer,
Dat hij met zijn gezelschap, langs velden en wegen, wandelt op
en neer:
Trouwens, hij is geweldig bang voor zijn mooien rok;
En daarom kruipt hij, als \'t regent, hagelt of sneeuwt maar
voort in zijn hok.
Dat hij voorts een liefhebber is van de schoone redern\'kerskunst
en muzijk,
Daarvan geeft hij telkens in overvloed blijk:
En dat hij tevens de gave bezit, om te improviseeren,
En niet, als sommige gebrilde en gebefte hoogwijze heeren,
Uit het boekje te lezen, kan men zien aan zijn stem,
Aan zijn houding en stand, aan den nadruk en klem,
-ocr page 44-
88
DE HUISHAAN.
Die hij legt op \'t reciet,
Of noemt men het liever zh\'n lied?
Want, als hij, bijvoorbeeld, kraait of een zegepraal verkondt,
Doet hij dit niet van een katheder of uit een soort van kinder-
stoel, maar van den platten grond,
\'t Hoofd achterover, de borst vooruit, den blik naar den hoogen,
Alsof hy wil zeggen: „Goê-liên\'! ik vertel u geen onzin of logen,
Maar de zuivre en eenvoudige waarheid, onverholen,
Zooals het hart die opgeeft, niet van een ander geborgd of gestolen;
Ook behoef ik van een reizenden troep geen souffleur nog te leenen,
Maar ken mijne rol en sta vast op mijne beenen."
Nota bene! er valt bij die declamatie nog iets bijzonders op te merken,
Te weten: vóór hij begint, klapt hij twee- driemaal frisch met
de vlerken;
\'t Zij dan, om zichzelven, bij voorraad, te applaudisseeren,
Of van de noodige stilte en attentie te verzekeren bij de Dames
en Heeren.
Dan, wat baten talenten en gaven, hoe bijster veel waard!
Zelfs onze goede Haan heeft ook al zijn vijanden op aard;
Want wezel en bunzing en vos en fluwijn,
Weet hij, dat erg op hem gebeten zijn.
Deze staan dan ook altijd op de loer, zooals de ondervinding
kan leeren,
Om hem, hoe eer hoe liever, naar de andre wereld te promoveeren,
Dat is: maar dood famieljaar te guillotineeren.
Dat de Haan een belangrijke rol speelt in onze spreekwoordentaai,
Daarvan geef ik maar een enkel, voetstoots genomen, staal:
Dikwerf toch hoort men spreken van \'t laten koning kraaien van
zijn haan;
\'t Geen zooveel te kennen geeft als dat iemand de eerste wil
zijn op de baan.
3
-ocr page 45-
34
DE HUISHAAN.
Niet minder is in zwang de spreekwijs haantje de voorste spelen,
Dat beduiden moet: bij een kloppartij vooraan zijn, en dan klap-
pen ontvangen of uitdeelen.
Zelfs geeft men het woord wel eens een staart, door de vrouw
een haneveer te noemen;
Eene samenstelling, die echter meer tot gispen dient, dan tot roemen;
En daarom, en dewijl ik voor mij met de schoone sekse gaarne
blijf leven in vree,
Verwijze ik, wat de beteekenis van \'t laatste woord betreft, voor-
zichtigheidshalve naar onzen Harrebomée.
\'t Gaat vast, en dit was reeds bekend in aloude tijden,
Dat een vette haan niet deugt tot het strijden:
En \'t is ook werklijk zoo; want als men er wèl op let,
Een goede en manhaftige haan is zelden vet.
-ocr page 46-
Dl iMTiMï.
De Musch schijnt geschapen
Tot rooven en kapen
Van \'t eêlst, dat wij menschen
Voor ons zonden wenschen.
Men zegt, er is voormaals een Venus geweest,
Van leden zoo goelijk, zoo beeldschoon van leest,
Dat elk, die haar zag, in het veld, in de stad,
Terstond voor het wijfje genegenheid had.
Ook was zij, verdient slechts het sprookje geloof,
Voor lof en attenties niet ten eenenmaal doof;
Zij werd voorts door \'t volk als de Schoonheidsgodin,
En tevens gehuldigd als Moeder der min.
Wanneer ze nu in haar kales eens ging toeren,
Zoo bond ze twee muschjes met zilveren snoeren
-ocr page 47-
36
DE MUSCH.
Aan \'t rijtuig, en \'t ging dan, in pijlsnelle vlucht,
D\'Olymp af, den melkweg voorbij, door de lucht,
Totdat ze in een beemd of vallei of warande,
Al naar het haar goeddacht of best scheen belandde,
Om eens, verr\' van het hof en, zonder te schromen,
Zichzelf te vermeien in lieflijke droomen. —
Doch meer dan genoeg reeds vermeld van een Vrouw,
Die nog menig snorbaard betooveren zou,
Wanneer hij ze plotsling eens voor zich zag staan
En strafloos het oog op haar vormen mocht slaan. —
Nu vraagt men wellicht: waartoe dient al die omhaal?
Ik antwoord in korte en verstaanbare spreektaal:
Had ieder der Goön zich een dier indertijd
Geëigend, de musch was aan Venus gewijd.
Wèl is die Godin reeds voorlang overleden;
De musch echter bleef en bestaat nog tot heden:
Want waar er slechts menschen op d\'aardbodem wonen,
Daar vinden ze ook \'t kroost van haar dochters en zonen.
De Musch is een fielt en een deugniet in \'t hart,
Die vaak het geduld van een goedzak zelfs sart
En hem door zijn moedwil, zijn listen en streken,
Er eindlijk toebrengt, om zich duchtig te wreken.
Nauw\' zet toch de peul zich en doperwt tot rijpen,
Of \'t dier is gereed, er in \'t wild naar te grijpen;
En wat het niet lust of niet eet, bij den pluk,
Dat brengt het te schande en bijt het aan stuk.
En toonen de kersen maar even een blosje,
Het orbert de beste en de malschste van \'t trosje;
Zoodat men, hoe vol ook de boom was gelaan,
Geen schaaltje bijna op de tafel krijgt staan:
Zelfs spaart het niet eensjes de heerlijkste druiven;
Maar gaat er gestadig aan pikken en kluiven. —
-ocr page 48-
87
DE MUSCH.
"Wel doet dit het hart van den boomgaardman zeer;
"Wèl grüpt vaak de tuinbaas gramstorig \'t geweer
En schiet in het honderd op \'t stroopend geboeft,
Wiens plunder- en roofzucht hem innig bedroeft;
Maar fut! mocht een enkle der velen al vallen,
Geen nood, want hu\' raakte bij lang na niet allen;
Ook is pas de schutter naar elders gegaan
Of \'t eigenste spel vangt van voren af aan.
Ziet, zoo plaagt het dier, als een volleerd schavuit,
De menschen en lacht hen in \'t vuistje nog uit.
De Musch, zoo mannetje als wijf, is in de architectuur
Geen bijzonder groote heksenmeester van natuur;
Dat weet hh\'zelf op een prik en allerbest,
En daarom maakt hij doorgaans gebruik van een andermans nest:
Vooral moet de zwaluw, met tranen in de oogen,
Het dikwerf maar aanzien en goedschiks gedoogen,
Dat, zonder de minste excuses, haar kluis
Tot woon gaat verstrekken van \'t musschengespuis.
En werd nu het pand nog maar zindlijk en net
Bewoond, en van stoelen, van tafel en bed
Behoorlijk voorzien, geraagd en gekuischt;
Doch neen, daar wordt, als de Moffen, gehuisd;
Zelfs \'t bedstroo hangt, of er iets prijslijks in stak,
Met heele lavendels te slingren van \'t dak.
Zoo leeft er dat volkjen. En komt nu de heer
Of eigenaar, en vraagt hij zijn eigendom weer,
Zoo kan hjj een duchtig pak slagen beloopen,
Ja, mooglijk \'t nog wel met zijn leven bekoopen.
Maar \'k zeg: het is schande, dat nergens een wet
Zich tegen dat ruiten en rooven verzet:
Zulk vee moest men, staandevoets, grijpen en spannen,
Ten minste hen levenslang \'t land uit verbannen.
-ocr page 49-
88
DE MUSCH.
De musch staat bekend voor een ergen bandiet,
Die steelt daar je bijstaat en rooft dat je \'t ziet;
Doch heeft ook weer deugden, bijvoorbeeld van trouw,
Van zorg en van liefde voor kroost en voor vrouw.
Mocht iemand van verr\' naar zijn weerhelft slechts talen,
Hij vloog hem te lijf, zonder omzien of dralen:
En kwam men zijn piepende jongskens te plagen,
Hij zou er zijn kop en zijn leven voor wagen.
Zijn wijf is zijn wellust, zijn hemel op aard,
En meer, dan een schepter den wereldvorst, waard. —
„Wat zouden wij zwervers toch hebben aan \'t leven,
Wanneer ons geen vrouw waar\' tot weerhelft gegeven ?
Hoe zouden wij \'t stellen, bij ziekte of bij leed,
Indien er geen gade ons ter hulp stond gereed;
Ons hart niet wat opbeurde in smart en verdriet?
Waarachtig, o musschen! wij kropten het niet.
En daarom, mijn vrienden! beseft en gelooft,
De vrouw is \'t juweel en de kroon van ons hoofd."
Zoo laat zich de aartsgauwdief der vooglen zich hooren,
Geroerd in zijn ziel en verliefd over de ooren. —
En wat nu de teelt van zulke oudren belangt:
\'t Is klaar, dat geen kroost beter lessen ontvangt;
Het stroopt dan ook driest, is \'t volwassen, als hij,
En steelt, op zijn beurt, even handig als zij.
Wanneer men de musch in de pan legt en braadt,
Dan roept menig vriend en getrouw kameraad,
Die nableef en staroogt op \'t vlammende vuur:
„Hoe kort is ons leven, hoe luttel van duur!
Al weer een der beste en der braafste in den strijd
Verdween uit ons midden en scheidde uit den tijd.
Straks orbert een smulpaap \'t gebraadjen als koek;
Werpt voorts het karkas hier of daar in een hoek,
-ocr page 50-
89
DE MUSCH.
En zegt, zich verkneuklend, bij \'t leegen van \'t glas:
„Dood is hij, de spitsboef, zoo groot er een was!"
Dus jammert de maagschap, dus menig kornuit,
En tjilpt in de hagen een treurgezang uit.
In Amerika, zegt men, — waar menig vet zwijn
Gekeeld wordt, en ook wel, die mager als brood zullen zijn,
En \'t kunstje bestaat, uit zn\'n schonken en knoken
De heerlijkste Genua-olie te koken;
Ja zelfs, om zijn reuzeis met olie te mengen,
En zoo in den handel als boter te brengen; —
Is onlangs een rijk en voornaam speculant
Op \'t denkbeeld geraakt, om, tot diep in het land,
De musschen te koopen, te mesten, te slachten,
Te zouten, te rooken, en eindelijk, bij vrachten
Per schip te verzenden, in vaten geprest,
Of luchtig gestapeld, naar Oost en naar West.
Wanneer nu dit praatje wordt waarheid bevonden,
En ook eens een lading naar hier is verzonden,
Dan zullen de prijzen van \'t slachtvee wel dalen,
En koopen wij eerlang, het kan haast niet falen,
Biefstuk en ham voor een cent of wat \'t pond;
Wie eerst het verneemt, zegg\' \'t beleefdelijk rond!
Tot besluit
Van dit kapittel over den aartsschavuit
Der vooglen, ga ik er dit. alleen nog bijvoegen:
Dat de jongens, als ze hem krijgen, er hun grootste genoegen
In vinden, om hem te apprivoiseeren,
En voorts allerlei kunstjes te leeren,
Doch vooraf nog wat, ad libitum, te metamorphoseeren.
Al spoedig toch verliest hij een gedeelte der slagpennen;
zijn staart
-ocr page 51-
40
DE MUSCH.
Wordt ingekort, op de wijze van een geangliseerd paard;
Men zet hem een rood kammetje of Grieksch bonnetje op het kopje:
En dan begint het fladdren en stijgen en vallen, als in een
dronkenmansgalopje,
Dat hem hooren en zien haast vergaat,
En \'t hartje hem klopt, als een moker die slaat.
Voorts duurt dat spelletje, telkens hervat en gevarieerd, zoo lang
tot de knapen
Naar school moeten, het beu zijn of \'s avonds gaan slapen:
Zoodat het waarlijk nog wel een geluk voor het beestje mag heeten,
Als de dood het komt verlossen van zyn martling, of de kat het
gaat eten.
-ocr page 52-
Veracht toch geen diertje, al is \'t nietig in schijn!
\'t Is nuttig en noodig, hoe klein het moog zijn.
De Garnaal heeft veel van een kreeft,
Wel te verstaan, als zij leeft;
Doch dat zij bij lang na niet zoo groot is,
En ook niet zooveel mans, als ze dood is,
Dat weten de schoolknapen, ja zelfs de kleine blagen,
Die ze ooit op de aanrecht naast elkander zagen.
Maar een klein rischje een zoet vischje, zooals men vaak hoort,
En een spreekwoord is wel niet altijd, maar toch veelal, een
waar woord;
De lekkerbekken althans, en die moeten het weten,
Zeggen als uit éénen mond: „Zie dat is een kostje, dat is een eten!"
En ze orberen zijn vleeschje, je begrijpt, bij een stevig glas wijn,
In garnalen-broodjes gemetamorphoseerd, of eenvoudig met geölieden
azh\'n.
-ocr page 53-
42
DE GARXAAL.
Er is misschien geen dier op het land of in de stad,
Dat zoo fel is op garnalen als een kat;
En of ze rauw of gekookt zijn, \'t komt er niet op aan,
Ze zal er, kan zij ze beramen, geen één laten staan;
Maar stopt er, om geen tijd te verliezen,
In de gauwigheid een paar dozijn achter de kiezen.
En ziet de zeemeeuw ze scharlen langs d\'oever der zee,
Waarachtig ze scheert er den gek ook niet mee,
Maar schiet naar beneden en duikelt in \'t wed,
En vangt ze zoo goed, als een visscher in \'t net.
Doch er is nog een andre vijand, een platvisch,
Die meer bij de hand en ook niet voor de kat is,
\'k Meen de zeebot, die, met een dood onnoozel gezicht,
De garnalen dan ook ongenadig van de huig licht:
Want, gaat er dat volkje ergens dartlen en spelen,
Ze doet quasi, of ze in hun vreugde wil deelen,
Maar pakt ze onderwijl, \'t zij ze klein zijn of groot,
Bij de kladden en orbert ze levend en dood.
Men zegt, dat de garnalen, als ze trouwen,
Gewoon zijn, dagen achtereen, bruiloft te houên,
En dan een leventjen leiden van rroolijken Frans,
Met eten en drinken, met spel en met dans.
Doch of zoodanig huwlijk nu, met inachtneming der wettige for-
maliteiten wordt voltrokken en van duur is,
Dan wel zoo wat geïmproviseerd en min of meer pandemisch van
Ik durf het niet zeggen, en mijn correspondent
           [natuur is:
Is, naar zijn schrijven, er ook niet recht mee bekend;
Doch dit meldt hij, dat er dan een speelman op \'t dak
Zit, die op een oude vedel krast, of op een doedelzak
Neuriet, nu eens van daar kwam er eens een Meisje, en dan weer
Van Jan. koop mij een kermis! van Pierlala en zoo al meer.
Die arme sukkels! ze mogen ook wel eens pret maken,
-ocr page 54-
43
DE GARNAAL.
Voordat ze in de zorg, of zelfs uit den tgd raken;
En eindlijk, door verschillende handen gegaan,
Gekookt en gepeld op onze tafels komen te staan.
De garnaal is niet geschubd, veel minder gehaard;
Ook heeft zij geen onmetelijk grooten baard
Of smousensik, waarin thans velen van \'t nieuwe licht
Schier wegduiken met hun uitgemergeld gezicht:
Maar ze draagt een moustache of knevel, scherp gepunt,
Nijdig uitstekend en behoorlijk gedund.
Daarbij is ze voorzien van een paar oogen,
Die haar nog nooit bij de intuïtie bedrogen;
En eindelijk voert ze nog een fraaien, zwarten staart,
Als een waaier gefatsoeneerd en haar onbegrijpelijk veel waard.
Wat haar pootjes betreft, ze heeft er velen,
Niet voor staatsie of om er mee te spelen;
Maar om er zacht over \'t zand mee te dwarlen,
Of links en rechts, naar verkiezing, in \'t ronde te scharlen;
Doch bovenal, om er haar eieren tusschen te leggen,
Totdat de kleintjes bonjour Papa et Mama.\' kunnen zeggen.
Ik wil hier, ten slotte, nog eene kleine opmerking bijvoegen, te weten:
Dat men tegen iemand, die aan distracties lijdt, en dus telkens
iets pleegt te vergeten,
Wel eens zegt: je hebt een memorie als een garnaal; in welk geval
Men zooveel te kennen geeft, als: je onthoudt dan ook maar niemendal.
Hieruit nu zou ik haast besluiten, dat het geheugen
Der garnaal zwak is en volstrekt niet moet deugen.
De garnaal verschilt, in gewicht, aanmerkelijk van een haai;
Ook is zij nog vrij wat kleiner van omvang, dan een winter-
koninkje vergeleken bij een kraai:
En toch heeft ze, bij haar onnoozel figuurtjen als zeevisch,
Alles wat tot haar onderhoud en bestemming van doen is.
-ocr page 55-
Dl HE
Innet, huislijk, zacht en vlijtig,
Teedre moeder, brave vrouw,
Is de hen, in \'t klein, een toonbeeld
Van oprechte liefde en trouw.
Geen vogel is er wellicht alom,
Onder geheel het vogelendom,
Zoo nuttig en productief, gedurende het leven,
Als de kip met haar kindren, haar nichten en neven;
En daarom heeft zij dan ook wel denklijk, van de schepping af aan,
Op aarde en onder menschen bestaan,
En hebben onze stamvoorouders, aan den soberen disch gezeten,
Zoo niet van haar vleesch, dan toch wel haar eiers gegeten.
Ook zullen, naar der physiologen zeggen,
De kippen wel altoos eieren blyven leggen,
-ocr page 56-
45
DE HEN.
En behoeven wy menschen volstrekt niet te vreezen,
Dat wij ooit zonder hoenders zullen wezen.
De kip, dat is de huishaan zijn bijzit of wijf,
Is innet en zindlijk op kleeren en lijf;
En mag zy al eens door dik en dun patrouilleeren
En haar pooten besmetten, ze zorgt voor haar veeren.
Het kleed, dat zij draagt, als ze groot is,
Verwisselt niet van kleur en fatsoen, vóór ze dood is;
\'t Vernieuwt zich echter, als het ten naasten bij is versleten,
En dat geschiedt prompt éénmaal in \'t jaar, zooals wij weten;
Ook is zij dan natuurlijk ietwat uit haar humeur en wreevlig
om haar slordig toilet,
Verschijnt op geen pantoffelparade en houdt meesttijds het bed.
En dit is verschoonlyk: want wie van de schoonen —
\' En ze is toch ook vrouw — zal zich in een verhavend nacht-
gewaad aan \'t publiek gaan vertoonen?
De hen is gemeenlijk veel kleiner dan de haan;
En dat is ook goed, zal de hoenderhuishouding behoorlijk blijven
bestaan;
Want waar de vrouw het in grootte wint en meer mans is dan de man,
Daar gaat het veeltijds niet zooals het moet, maar zooals het
En zelden zooals het goed is en recht;
                     [best kan,
Dat hebben voorlang reeds vele philosofen gezegd.
De haan is een soort van Oostersch despoot,
En dit weet elke dame, die bü hem logeert, \'t zij dan onder den
naam van juffrouw van gezelschap of als echtgenoot;
Dientengevolge geeft zij hem altijd volop van lof en eer,
Spreekt hem altoos eerbiedig aan en toe met den naam van: Mijnheer!
En beschouwt zich in waarheid als de onderdaan,
Dat is: vrouw voor de leus, doch te gelyk dienares van den haan.
-ocr page 57-
46
DE HEN.
Wenkt hij ze tot zich, zij staat er;
Roept hij ze naast zich, ze gaat er;
Wil hij, dat ze opstaat, ze doet het;
Noopt hij ter kooi haar, ze moet het;
Ja, zegt hij: kniel neder!
Ze doet het al weder;
En zoo weet de goeie ziel, om den vrede te behouên,
Zich steeds naar de nukken en grillen te schikken des Ouwen.
Als er een haan sterft, \'t zij onder het mes of een natuurlijken
dood,
Dan is de verslagenheid van de kippen bijzonder groot;
Ze zuchten en treuren, hier of daar onder een afdak verscholen,
En hebben geen lust, om wat verre van honk te gaan dolen:
Trouwens, ze zijn haar voorvechter en beschermer sinds langen tijd,
Door een beklaaglijken dood, haar leven lang, kwijt.
Wel dragen ze geen uiterlijke teekenen van rouw, en dus geen
lamfers om hals en om been,
Maar gaan met ongekapte kuif, met hangende vleugels en staart
daar heen,
En storten haar smart en verdriet, wel niet overluid,
Doch in stilte en ter ziel toe bedroefd, aldus uit:
Gespelen! we hebben den roem van ons allen
Verloren; de Heer van ons huis is gevallen,
Die vroeger de lust was van klein en van groot!
Hij is uit ons midden voor altoos verdwenen
En wordt door het zonlicht niet langer beschenen;
De prins van de hanen in \'t ronde is nu dood!
Wat gaan wij, onnoozele vrouwen, beginnen,
Naar \'t lichaam zoo zwak, zoo flauwhartig van zinnen,
Wie zorgt er voortaan voor ons welzijn en eer?
-ocr page 58-
47
DE HEN.
Vriendinnen! zoo rijk en gelukkig te voren,
Wij hebben den vriend onzer sekse verloren;
De trots van ons allen, hy leeft er niet meer
Welaan, dat wij nimmer den halsvriend vergeten,
Wiens asch thans verwaait, op een mesthoop gesmeten,
Steeds blijve ons zijn beeltnis geprent in de ziel!
Hij was, bij zijn leven, de schuts van ons allen,
De vader van kindren bij honderdgetallen,
Die thans zijn gezin zoo rampzalig ontviel!
Dus treuren en kermen de kippen, in droefheid gezeten,
Al dikwerf en weigren het drinken en eten,
Totdat er een plaatsvervanger wordt geïnstalleerd,
Dien men aanvankelijk wel met eenige huivering als zoodanig
vereert,
Doch eerlang zoo lief krijgt, en wel binnen weinige weken,
Dat geene der vrouwen van den vorigen haan langer reppen of
spreken.
Wanneer de kip het op \'t lijf krijgt, om te gaan leggen,
Dan laat ze vooraf een soort van praeludium hooren, alsof ze wil
zeggen:
Dames! ik ga mij eenige oogenblikken absenteeren,
Weest dus maar niet ongerust, ik zal wel spoedig retourneeren;
En dribbelt voorts, op een sukkeldrafje, al haar best
En zonder zich op te houden, regelrecht naar \'t nest.
Doch zoodra is zij niet met haar commissie klaar,
Of ze vangt aan, een bister groot misbaar
Te maken; schreeuwt luiderkeels haar kornuiten bh\' elkaar,
En verkondigt, met een zekeren trots en vermiljoen gezicht, aan
haar allen,
Dat zy voorspoedig van een kleintje, ik meen van een ei, is bevallen.
-ocr page 59-
48
DE HEN.
Dit verwekt dan ook doorgaans een geweldige sensatie in \'t rond,
En vooral bij haanneef, den heer van het huis, die terstond,
Op een triumftoon, de kraamvrouw zoo hartlijk feliciteert,
Dat niet zelden de geheele toom mede invalt en in chorus applau-
disseert.
Geen vogel is er misschien, die haar kroost meer bemint
En de liefde nader bijkomt van een moeder voor haar kind,
Dan de hen, die haar rust en haar leven
Voor \'t behoud en geluk van haar kuikens zou geven.
Deez\' trek is haar trouwens van natuur aangeboren,
En zonder dien ging gewis dat kleine volkje verloren.
Ook is zij nooit meer in haar schik, dan wanneer ze met haar
kweekelingen gaat paradeeren,
En, onder een bestendig kloek, klok, klok, die kleine juffers en
kleine meneeren
Practisch onderwijst in \'t wurmpjes delven, vliegjes vangen, graan-
tjes pikken,
En alles op en weg te snappen, wat zoet is op het tongetje en
\'t lijf kan verkwikken.
En vindt zn\', onder het graven, zelf eene of andere lekkernij,
Ze roept, en die kleine snoeshanen zijn er als de kippetjes bij;
Ja, ze spaart wat goed en lieflijk is uit haar eigen mond
En deelt het met liefde bij beurten straks rond.
Ondertusschen kijkt ze bestendig, met een waakzaam oog
Om zich heen, vóór zich uit, naar omhoog,
Ten einde bijtijds haar kinderen te vergaderen,
Wanneer er een vijand in stilte mocht naderen.
Ook weet zy precies het oogenblik te ramen, en broeit
Die kleine gasten, als ze koud worden of vermoeid,
Onder haar lijf; terwijl nu en dan wel eens zoo\'n klein popje
Uit de vleugels of veeren der moeder rondkijkt met een schalk-
achtig kopje.
-ocr page 60-
49
DE HEN.
Deze opvoeding nu en surveillance der jongen duurt verscheidene
weken,
En tot zoolang het aan de opvoedster ten volle is gebleken,
Dat de kweekelingen, volleerd en reeds voorzien van de noodige
veeren,
Haar verdere leiding en zorg gevoeglijk kunnen ontberen.
Wanneer de kippen een oude keukenmeid, met opgestroopte mouwen
En een witten boezelaar voor, in haar functie aanschouwen,
Zoo krijgen ze kippevel, dat is de beverazie, over het gansche lijf,
En noemen ze een feeks, een keukenprinses, een tang van een wyf.
Komen zij echter een poelier soms te ontmoeten,
Ze kijken heel zuinig en, zonder te groeten
Of zich lang op te houden, stuiven ze voort
En vlieden den man, die \'t gevogelt\' vermoordt.
Doch zien ze by toeval een vos tot haar naderen,
Dan stolt haar het bloed en bevriest schier in de aderen;
Want Reintje is een heerschap, die al wat hij vindt,
\'t Zij kuiken of kip, onmeedoogend verslindt.
Dat de oude koeien de melk geven en de jonge kippen de eieren leggen,
Is een spreekwoord zoo oud en bekend, dat men er niets meer
van behoeft te zeggen:
Ook weten de hoenders \'t even goed als wij menschen;
En daarom zou \'t verkeerd van hen zijn, een lang leven te wenschen.
De mannelijke kuikens sterven dan ook meest alle een vroeg-
tijdigen dood,
En wel, vóór dat ze tot manbaarheid zyn gekomen, dat is vol-
wassen en groot:
De kippen laat men gewoonlijk twee a drie jaren in \'t leven,
Omdat ze, gedurende dien tijd, volop en een massa eieren geven;
Doch aan de hanen gunt men wel eens een jaar vier, vijf tyd,
Vooral wanneer ze manhaftig zijn en ferm in den strijd.
Het zou dus voor de hoenders niets baten, hiertegen te protesteeren,
4
-ocr page 61-
50
DE HEN.
Of wel, dat nog onnoozeler zou wezen, er over te kermen en te
lamenteeren;
En ze doen dan ook best, ten deze zich eenvoudig te submitteeren.
En dat doen zij; want met hun kippenverstand
Begrijpen ze heel goed, dat wet en gewoonte den toon geeft in \'t land.
Doch over één ding vermeenen de kippen zich hooglijk te moeten
beklagen,
En dat is, dat de grooten of uitverkoornen der aarde er behagen
In kunnen scheppen, om haar kuikens, vóór dat ze zijn geboren,
Het leven te benemen en alreeds in den dop te versmoren,
Alleen met het doel, om op den feestlijken disch
Een schotel te kunnen plaatsen met iets dat buitengemeen en
voortreffelijk is.
Dit, zeggen ze, schreeuwt van de aard\' tot de wolken,
En \'t is een eeuwige schande voor geciviliseerde volken.
Tot slot van de vorenstaande, reeds vrij uitvoerige schilderij,
Of liever schets der kip, voegen wij er kortlijk nog het volgende bij :
In onzen lexicalischen taalschat vinden wij namelijk twee woorden,
Die vele der lezers, althans der opmerkers zeker wel eens hoorden ;
Deze nu zijn — van het eene repte ik trouwens al een vorigen keer —
Eenvoudig de uitdrukkingen huishen en haneveer.
Beide, en wel het ééne aan de hen en het andere ontleend aan den haan,
Kunnen zelden of nooit naast elkander bestaan;
Het eerste toch maakt haar, die het geldt, schier tot een Houri
van \'t Mahomedaansch paradijs ;
Het laatste brengt, zoo niet de huishouding in de war, dan toch
dikwerf den eega geheel van de wijs.
Meer van de beide woorden te zeggen, of ze nader te verklaren,
ware indiscreet:
Doch gelukkig de huisvader, die \'t eerste proefondervindelijk kent,
maar van \'t andere niets weet!
-ocr page 62-
- t ,s*              Wat de Kolibrie als vogel is,
i * »
Dat is het Stekelbaarsjen als visch :
\'t Geheele diertje toch, kop en staart meegenieten,
Mag niet veel langer dan een gewone bakerspeld heeten.
Doch, hoe nietig van omvang en klein van postuur,
\'t Is kregel en vaardig en slim van natuur:
En zwemmen er ook al geschubde Goliaths in vlieten en stroomen,
Het weet hen door sluwheid, bijtijds, wel te ontkomen;
„Wie klein is, moet slim zijn," dus luidt zijn blazoen,
En dat het zulks meent, toont zijn wijze van doen.
Vooreerst toch, vermijdt het de groote rivieren
En loopt er niet ieder voor \'t aangezicht zwieren;
Ook gaat het, geleid door een goed overleg,
De groote meneeren bijtijds uit den weg;
Want deze zien, net als in de menschenwereld, dat Janhagelgespuis
Niet graag om de voeten, veel minder in huis.
Ten anderen leeft het gewoonlijk in slooten
-ocr page 63-
52
HET STEKELBAARSJE.
En ondiepe waatren, waar zelden de grooten
Vertoeven, om \'t slib en de ruigt\', die de wet
Er geeft er een vroolijken doortocht belet. —
Ik zou van zijn slimheid nog lang kunnen praten,
Maar wil het, voor ditmaal, nu hierbh\' maar laten.
Men zegt, dat het vischjen een lekker gerecht geeft
En heel veel in smaak van een zalm of forel heeft;
Hetzij men het braadt of wel eenvoudig stooft,
Wel te verstaan, wanneer men \'t vooraf van zijn schubben
Het zuivert van bloed, van gal en van grom, [berooft,
En voorts in het zout legt met lever en hom:
Zoo\'n schotel, beweert men, is spijs voor de goden
En waard om de grootsten der aarde op te nooden.
De Stekelbaars is van gezelligen aard,
En leeft en familie, zoolang hij niet paart,
Maar krijgt hij het vrijen en trouwen op \'t lijf
En kiest hij een eerbare schoone tot wijf,
Dan knutselt hij ergens, zoo stil als een muisje
En verr\' van het daaglijksch rumoer, zich een kluisje,
Bestemd, om vooral aan de dierbre matrone
Te strekken tot opdak in de huislijke wone.
En als hij \'t met wier en met lisch heeft bekleed,
En \'t bruidsbed geheel ter ontvangst is gereed,
Zoo leidt hij, als bruigom, met vroolijken zin,
Het wijfje ter sierlijke bruidskamer in,
En wijst haar de sponde, waarop zij het leven
Weldra aan een aantal van telgjes zal geven.
En als hij het zalige vrouwtje, verrukt,
Daarop aan het zwoegende hart heeft gedrukt,
En eerlang den eernaam van Vader zal voeren,
Die hem nog te vaster aan de eega zal snoeren,
-ocr page 64-
HET STEKELBAARSJE.                                           53
Zoo houdt hij met liefde, bh\' dag en bij nacht,
Aan d\'ingang der woon, als een schildknaap, de wacht,
Dat niets de gewenschte bevalling verhinderen
Of \'t heil kom verstoren van kraamvrouw en kinderen. —
Ziet, zoo leeft dit vischje, gehouw en getrouw,
Vol zorg en attenties voor de eega en vrouw:
In waarheid een toonbeeld, onder de visschen, voor vele der grooten,
Die, nauwlijks gepaard, reeds hunne eegaas verstooten,
Ja derwijze de inspraak van \'t bloed zelfs vergeten,
Dat ze ongegeneerd soms hun kinders opeten.
-ocr page 65-
Er is misschien geen schepsel op aard\',
Meer grillig\' en narrig en luimig, als \'t paart,
Dan de Spin; want ook zij, als de andere dieren,
Laat op dit punt wel eens hare driften vieren.
Niet, dat ze het decorum der sekse uit het oog zou verliezen,
En den eerste den beste tot eega verkiezen,
„Neen, neen! dat niet," zei Van Speyk ; en ook zij zegt: „neen, neen;
Een man naar mijn zin, en anders er geen."
Mevrouw de Spin dan, is zij het koude solo-leven moe,
En na ryp overleg er eindlijk aan toe,
Om zich in den echt te gaan verbinden,
Houdt vooraf geen lang consult met haar magen of vrinden,
Maar zet zich in haar sabbatskleed op \'t midden der webbe ter neer,
Wel vertrouwend, dat de een of andre trouwlustige heer
-ocr page 66-
55
DB TÜINSPIN.
Haar weldra het hof zal begeeren te maken
En een tête d téte verzoeken over sommige teedere zaken,
Die gewoonlijk onder vier oogen worden behandeld en geen
anderen raken.
En zoo waar, de dikke Machol zit maar pas op het huwelijksbed,
Of daar glijdt je een doodmagere pretendent, die zijn net
Juist boven haar hoofd en als expres er toe had opgehangen,
Verliefd tot over de ooren en bleek van verlangen,
Aan een draad naar beneên, totdat hij met een uitgerekten poot
De web kan bereiken zijner gehoopte echtgenoot.
Daar hangt hij nu, tusschen hemel en aarde, onze avontuurlijke vrind
In doodsangst te benglen. Doch „die niet waagt, die niet wint,"
Denkt hij, en meteen trekt hij de stoute schoenen maar aan,
En raakt het net der matrone, met een bibbrend klauwtjen \'aan,
Om te ontdekken, hoe haar de muts moog staan,
Dat is, of ze zijn eerbied en hulde zou willen beloonen
En gevolglijk zijn liefde met weermin bekronen.
Ziet zij nu zachtmoedig en genadig op dit voorspel neer,
Dan is onze maat boven de wolken en meer;
Maar schudt zij het weefsel, dat het slingert heen en weer,
Best is \'t dan, maar geen tijd te verletten
En \'t hoe eer hoe liever op een loopen te zetten,
Want anders bekomt hij allicht een schrobbeering,
Die hem de koorts op het lh\'f jaagt of de tering.
Doch geen nood vóór den tijd, de teeknen zijn goed;
De Dame verroert nog geen vinger of voet.
Dit geeft hem moed, en \'t doet hem ook hopen,
Dat hij geen slib vangen of een blauwtje zal loopen.
Moedig door dit eerst onthaal,
Durft hy ras, een tweede maal,
Zich al meer en verder wagen,
Om het jawoord af te vragen;
Doch, door hoop en schrik bemand,
-ocr page 67-
56
DE TUINSPIN.
Houdt hij wh\'slijk op de grenzen
Van het El-dorado stand.
Nog blijft de gebiedster in rust, doch meet hem meteenen,
Scherp en met onafgewend gezicht, van \'t hoofd tot de teenen,
En wikt en weegt, zoo het schijnt, met al haar verstand,
Of hij de man wel zal zijn, die haar hand
Zou verdienen, in staat, om onder haar \'t rijk te helpen bestieren
En, als de conditio, sine qua non, haar in alles te believen en te
vieren. —
En als nu de Pretendent, gesterkt door deze minzame ontmoeting,
Zich al meer en meer op den voorgrond begeeft ter begroeting,
En reeds werklijk, schoon niet zonder schromen,
Tot dicht bij den troon der Vorstin is gekomen,
Zoo zal hij, één van twee, of volop van eer en van gunst gaan genieten,
Of, zonder verhoor en gena, opgeknoopt worden als een hoofd
der bandieten. —
„In waarheid," zegt Jan Los, „op zulk eene onereuse voorwaarde
te gaan trouwen,
Behoort niet tot mn\'n zwak of ambitie, en \'t zou me wel eens
kunnen berouwen." —
Dan, wie schetst de vervoering van onzen ridder en held,
Die, gansch alleen en van geen satellieten verzeld,
Zijn hof aan zoo voornaam een dame dorst maken,
En nu werklijk het loon voor zgn koenheid gaat smaken?
Want zie daar, de Vorstin schouwt, zoo waar, met een lachje
op hem neer,
Omarmt hem plechtstatig en groet hem als heer;
En dat onze Avonturier van zijne zijde de Schoone
Vereert met de namen „mn\'n schat, mijn Matrone,
Mijn alles op aarde en voor wie ik, mocht zn\' het willen,
Mij lebendig, zoo waar als ik leef, zou laten villen" ;
Dat spreekt: en die het soms wat overdreven vindt,
Is maar een suffer en heeft nimmer bemind.
-ocr page 68-
57
DE TUINSPIN.
De Spin, \'t is al meer opgemerkt, heeft een omvang van drie;
Ook draagt ze een crinoline, een vertugadin, of wellicht nog beter
gezegd, een cul de Paris,
Van belang, doch heeft een gezichtje, zoo klein en zoo smal,
Dat het, bij de rest vergeleken, zoo veel Ih\'kt als niemendal.
Maar in dit kopstukje staan een paar oogen te flonkeren,
Waar niets aan ontglipt, zelfs niet eens in den donkeren.
Voorts leeft en zweeft ze, tusschen hemel en aard\', in de lucht,
Geheel onbezorgd voor de toekomst, onbeducht
Voor den winter, ja spaart zelfs geen mugje of geen vlieg;
Zoodat ze veel heeft van een hartje zonder zorg, als ik mh\' niet
bedrieg.
Doch wat haar speldewerk aangaat: op heel de aarde
Is geen dier nog gezien, die haar kunst evenaarde;
Slechts één gebrek, juist als aan de Chineesche wetten, kleeft
ook dit schakelnet aan,
Te weten, dat de kleine vliegen er in bleven hangen, doch de
grooten er door henen gaan.
Men vindt niet licht een schepsel, dat zich minder bemoeit met
zyn kroost,
Met andere woorden, dat er zich minder offers voor getroost
Dan de Spin; want ze stopt haar embryoos maar in een buidel of zak
En hangt ze voorts, hier of elders, eenvoudig onder \'t dak,
Tot hen de lentezon roept in het leven
En ze, op hun beurt, ook een webje gaan weven.
Dan genoeg van een dier, dat de schrik is der Schoonen,
En tevens een plaag aller nette Matronen;
Zoodat geen spin, evenmin als de muizen
In onze kamers lang bankt of zal huizen,
Maar, onder stoffer en raagbol, weldra
\'t Leven verbeurt en dat zonder gena.
-ocr page 69-
,1,
Het Paard leent zijn spierkracht,
De Koe biedt haar melk;
Het Schaap geeft zijn vachtje
Ten beste van elk;
\'t Onooglijke Varken,
Of \'t klein zij of groot,
Vereffent zijn schuld eerst,
Als \'t vet is en dood.
\'t Kan wel zijn
Dat het Zwijn
Vroeger heel aardig was in zijn voor-
komen en manieren,
En als zoodanig een juweel zelfs onder
de viervoetige dieren;
Maar dan moet het heel anders zijn
Dan men het thans kent of er in de boeken van leest; [geweest,
De Dames althans, en die zijn suprafijn van tact, zeggen gewoon-
lijk, zoo elders als hier,
Als ze het in zn\'n morsjuk aanschouwen: foei, wat een affreus
leelijk dier!
-ocr page 70-
59
HET VAEKEN.
Dit neemt echter niet weg, dat zelfs menig lief en snoeperig bekje
Den neus niet optrekt voor een saucijsje van zijn vleesch en zn\'n spekje.
Dat een zwyn van aanleg niet muzikalisch is, ontdekt men direct
aan zijn natuurlijke klanken en kreten;
Waarom het dan ook, hoogstwaarschijnlijk, schreemcleelvjkerd wordt
geheeten:
Ook zegt men: hij schreeuwt als een mager varken van iemand,
die niet zeer melodieus
En Catalani- of Jenny-Lind-achtig spreekt of zingt, maar een
bakkes openzet als een reus;
Zoodat je hooren en zien haast vergaat en zenuwachtige menschen
Hem wel naar de Mookerhei of Sint-Velten zouden wenschen.
Wanneer in het najaar een zeker iemand, in een blauwen kiel, met
een stok in de hand en een messenkoker op zijde,
In zy\'n schot komt kijken, dan is onze maat volstrekt niet blijde,
Maar zou, om de mooglijke gevolgen, wel haast willen schreien,
Te meer als hij zich daarop, met een touw om den poot, naar
elders ziet leien,
Van waar hij voorzeker, althans levend, nimmer terugkeert;
Want dit begrh\'pt hu\' al daadlijk, al is zijn uitzicht ook nog zoo
dom en ongeleerd.
Ontmoet hij echter onderweg een pasteibakker of kok,
Zoo blijft hij eenige seconden stokstijf staan, als een marmeren blok;
Maar ontwaart hü, in \'t verschiet, een ladder, tegen een muur
opgericht en ettelijke sporten hoog,
Dan schieten hem niet alleen weemoedige tranen in \'t oog,
Maar slaat hem de schrik dermate tot in de teenen,
Dat hij suizebolt en haast niet kan blijven staan op de beenen:
Geen wonder, want het vonnis, dat hem ter dood verwijst, is
geslagen en, zonder fout,
Ligt hij over een dag of wat reeds voor goed in het zout.
-ocr page 71-
(50
HET VARKEN.
Het zwijn heeft bijzonder weinig op met zijn toilet;
Ook kruipt het, zonder \'t ooit op te maken, maar zoo in zijn bed.
Trouwens, \'t bezit ook geen garderobe en geen linnenkast;
Ook houdt het geen menagère er op na, die op zijn verschooning
behoorelijk past;
Zelfs heeft het niet eens een inodore of closet te zijner beschikking,
Noch iets anders van dien aard, tot gerief en verkwikking.
Het leeft dan ook maar in de grootste onverschilligheid voort,
En begrijpt zelfs niet eens, dat het anders behoort;
Ja, vandaar ook, dat men het dier soms zoo bekroosd en onoog-
lyk vindt loopen,
Puur, als waar\' het met modder en vuilnis bedropen,
Of als een Savoiaard uit den schoorsteen gekropen.
Het zwijn is een pantofaag van de eerste soort en verslindt
Alles, wat er slechts voorkomt en wat het maar vindt;
Of \'t levend of dood is, of \'t rans zij of frisch,
Daaraan denkt het niet eens, en \'t geeft aan zijn hart gevolgelijk
geen de minste bekommernis:
Neen, „hebben is hebben en krijgen is de kunst" is een stelregel,
die bij d\' aanvang van \'t leven,
\'t Reeds door zijn Mama met den paplepel werd ingegeven. —
Wat zijn physionomie belangt: ze is allesbehalve vlug;
Zijn voorkomen is norsch, onvriendlijk en stug;
Ook doet het zich niet heel faskionable voor met zijn opstaanden rug,
Zijn ongemanierd grooten muil en derwijze vuilaardige blikken,
Dat wie van een teedre complexie is, er gewis voor zou schrikken.
De eenigste elegantie, om zoo te zeggen, die men aan het dier ontwaart,
Is zijn fijne en in verscheidene krullen gewindelde staart,
Waarop het dan ook zoo trotsch schijnt, als menig Burgervader of
Schepen van voorheen,
Als luj, van staartpruik voorzien, met rotting en degen naar
\'t recht- of raadhuis ging treên.
-ocr page 72-
61
HET VARKEN.
Intusschen, en men zou het hem niet aanzien, weet onze luilak,
als \'t noodig is, aardig te voeteeren,
Ja, zoo vlug, alsof hy het van een harddraver had mogen leeren;
En dit is te meer te verwondren, omdat hij van nature geen
vriend is van kuieren,
En als \'t ware niets heeft geleerd, dan innemen, slapen en den
tusschentijd in een dolce far niente verluieren.
Geen dier wellicht, ten minste van de grootere soort,
Is beter producent of brengt, liever gezegd, gedurende zijn kort
levensbestek zoo veel jongen voort,
Als het zwijn, wel te verstaan het moedervarken of de zog;
Want al stelt men haar leeftijd slechts op drie jaar, dan nog
Kan zij aan een vijftigtal biggen het leven,
Zonder inbegrip van haar kleinkindren, gemakkelijk geven,
Doch gaat men de verdere generatie van haar kindren daarbij
opteekenen,
Zoo mag men daarenboven die nakomelingschap, zonder overdrij-
ving, wel op een getal van tweehonderd berekenen.
En hieruit argumenteeren de natuurkundigen, en de Don-Antonioos
durven \'t almede prognosticeeren,
Dat de gastromanen nog lang hun schommelbuikje met varkens-
karbonaden kunnen smeren.
Het zwyn is, met betrekking tot zijn uiterlijk gedaante, eenigszins
gemetamorphoseerd,
Sinds het in de bosschen niet meer vagebondeert
En meer in de nabijheid van ons menschen verkeert;
"Vroeger toch had- het, zooals de dichters \'t wel eens noemen,
een bliksemend gebit,
En was zijn huidkleur zoo zwart als een git;
Thans echter heeft het zijn vreeslijke houwers verloren
En wordt niet meer met zwarte, maar gewoonlijk met witte of
lichtgele borstels geboren:
-ocr page 73-
62
HET VARKEN.
Doch in zijn hart en ziel is het volbloed protestant,
En daarvoor staat het dier te boek bh\' een ieder in de stad en
op \'t land.
Wil men, bij voorbeeld, dat het zich vooruit zal begeven,
Het weigert halsstarrig en maakt voorts een leven
Alsof het vermoord wordt; verkiest men, dat het achteruit
zal gaan,
Het blijft, stijf en strak, op zijn vier strijkijzers staan;
Begeert men, dat het zich neder zal leggen,
Het protesteert alweer en laat zich in \'t minst niet gezeggen ;
Sjort men eindlijk zijn pooten aan elkander vast,
Dan is het heelendal mis en Leien in last:
Het schreeuwt, als bezeten, het schopt om zich henen
En brengt, door zijn vreeslijk lawaai, de buurt op de beenen:
Kortom, het heeft een protesteerenden, tegenspartelenden geest,
En zoo is ongetwijfeld zijn vader en grootvader ook al geweest.
Zijn protestantisme komt echter nog veel sterker uit,
Als men \'t, om zijne ondeugd en vernielzucht, een kram steekt
door den snuit:
Dan toch is zijn mondstuk niet langer te snoeren,
Maar tiert en verwenscht hij de burgers en boeren.
Doch \'t ergste protest is eerst dan te verwachten,
Wanneer men gereed staat, het heerschap te slachten
En \'t reeds voor het mes heeft en onder de knie:
Dan toch schreeuwt en rumoert het en gilt het voor drie
En scheldt alle slagers en helpers der slagers
Voor moordnaars der beesten, voor martlaars en plagers,
Wier bloeddorst zelfs de onschuld der jonkheid niet stuit;
En blaast, als in woede, den ademtocht uit.
Wanneer er een Spaaroom van ons komt te sterven,
Van wien wij een aardigen pluk moeten erven,
En op wiens dood, al heeft hij ons nog verrast,
-ocr page 74-
63
HET VABKEN.
We al lang — \'t is zonde, dat ik het zeg — hadden gehoopt en gevlast,
Dan zijn wij erfgenamen, geen één uitgezonderd, terstond op de been
En komen aan \'t sterfhuis van oomlief bijeen,
Om, wanneer we hem de laatste eer hebben aangedaan,
Terstond aan \'t verdeelen van zijn boedel te gaan;
En hoe meer bankjes en Russen en klinkende schijven
Wy vinden, hoe meer we ons verkneukelen en in de handen
staan wrijven,
En hoe meer goeds wy almede van oom zaliger zeggen,
Die, na een lang vertoef op aard\', het eindelijk af heeft gaan leggen;
En al was hij, bij zijn leven, zoo dom als een koe,
En, bijwijlen, zoo gemelijk en grammottig, als ik weet niet
recht hoe,
We dekken het alles met den mantel der liefde maar toe;
En al was hij een schraper in zyn ziel, die wel twintig percent nam,
En bü wien een gebrekkige bedelaar tevergeefs om een snee
brood kwam;
En al had hij, bij geval, een half dozijn moederzeggers hier en
daar loopen,
Die hy verzuimd of vergeten had, bij hunne geboorte, op zijn
naam te laten inschrijven of doopen;
En al gevoelde hü zich o! zoo Uebeskrank vaak op zijn ouden dag,
Zoodat hij, met den vaderlief op, nog wel gaarne eens een aardig
maagdeke zag;
De mortuis nü nisi bene! — dat is: van de dooden niets dan
goed — roept er menig neefjen en nicht,
En werpt op ooms gebreken en zwakheden een vriendlijker licht,
Ja, weet zelfs nog wel van \'t een en ander tot zijn lof te gewagen ;
En dat alles, omdat men een vollen buidel naar huis toe gaat dragen. —
En als nu het Zwijn — \'t zij evenwel zonder vergelijking gezegd —
Tot de gewenschte corpulentie gekomen, het ook heeft afgelegd
En men aan tafel zich aan zijn harstjes en worstjes, en wat al
niet meer, te goed doet en smult,
-ocr page 75-
64                                                   HET VAKKEN.
En te gelijk den berkenmeier met den ouden Clovosi duchtig aan-
spreekt en vult:
Zoo klinkt er ook hier het de mortuis nil nisi bene! met betrek-
king tot het zwijn,
Wiens beetjes en sneetjes en lapjes en hapjes zoo deli, zoo malsch-
jes en lekkertjes zn\'n.
Ik heb nog iets op de lever en dat moet er uit,
Vóór ik deze, waarlijk reeds al te lange vertelling of legende besluit;
Te weten: men bezigt wel eens de woorden Schot- en Smo^-verken ;
Doch, voor zoo verr\' ik heb kunnen bemerken,
Past men die niet alleen toe op het zwijn,
Maar moeten onze Eva\'s er ook al weder het mikpunt van zijn.
Ik zal mij echter voor de verdere uitlegging er van wel wachten,
En vraag alleen maar aan hen, die de vrouw niet behoorlijk
weten te achten:
„Wie geeft u het recht, om op schepslen te smalen
En als met een houtskool er \'t beeld van te malen,
Zonder welke gij zelf niet op aard\' zoudt bestaan
En zeker de wereld weldra zou vergaan?"
-ocr page 76-
„Wanneer de Vos de passie preeckt,
\'t Is tijd, dat ghy uw gans versteeckt.\'
Er is wellicht geen dier ergens op de aarde te vinden,
Dat meer vijanden heeft dan de Vos en, bijgevolg, ook minder vrinden:
En te recht; want hij staat hekend als een struikroover van de ergste soort,
Die wat hem bejegent berooft of vermoordt.
De Vos overtreft, als bekend, in gevatheid en verstand,
Al de kleinere dieren, die leven op \'t land.
-ocr page 77-
66
DE VOS.
Daarbij bezit hy een eigenaardige sluwheid, die alles te boven gaat
En de arglist haast beschaamt van menig geslepen diplomaat;
Want gebruikt deze al dikwerf de spraak, om zijn gevoelen
Te verbergen en te bewimplen zijn eigenlijk bedoelen,
Met andre woorden: anders te spreken, dan zijn geweten
Hem voorschryft en waarheid mag heeten :
Ook Reintje verstaat er zich meesterlijk op, om de onnoozle
dieren te bedriegen,
Ja zelfs, den gevatste onder hen vaak in sluimer te wiegen.
Overal, waar de vos huist of gewoon is te leven,
Mogen de hoenders en al het gevogelt\' wel rillen en beven;
Want, kan hij ze beramen of overvallen,
Hij grijpt ze bij de kladden en spaart geen van allen:
Wat oud is, hij lust het; wat jong is en teer,
Het mondt hem, en \'t smaakt steeds naar meer;
Ook zijn hem de viervoetige dieren, als hazen en konijnen,
Hoogst welkom en een lekker beetje, evenals de jongen der zwjjnen;
Doch als de honger hem soms op \'t hevigste kwelt,
Dan versmaadt hy\' zelfs geen torren en muizen van \'t veld.
Ook de eieren van kippen en kalkoenen, z\\jn ze maar versch en frisch,
Laat hij zich welgevallen, als een toegift tot den hoofdschotel
van zyn disch;
En ziet hij een wingerd, met heerlijke trossen behangen,
Dan vonkelt hem \'t oog en hij beeft van verlangen.
Doch hoezeer hij gesteld moge zijn op vruchten en ooft,
Hij laat ze, stil hangen, zoo de zon ze niet ryp heeft gestoofd;
En, in dit geval, staat hij niet alleen, maar gelijkt op vele andere
Als eksters en mosschen, ja wespen en mieren,
            [dieren,
Die ook, zoo men weet, er hun lust en behagen
In vinden, om \'t edelst\' en rijpst\' te verknagen.
Wanneer er een klokhen de werf af gaat dolen,
Dan houdt de vos, daar bjj in de struiken of \'t hout ligt verscholen,
-ocr page 78-
Ü7
DE VOS.
Zich muisstil, maar spiedt, als een havik, waarheen
De moeder en \'t piepende volkje gaan treên;
En komt nu het arglooze troepje vast nader,
Tot bijna onder zijn bereik, dan schuurlokt en lacht hy in \'t hart,
de verrader,
En denkt bij zichzelf: zie daar komt een gebraadje
Voor Reintje, zoo malsch als een kalfskarbonaadje.
Ook gaat hij over de vangst niet lang praktizeeren,
Maar pakt, met een sprong, één der jonge juffers en heeren
Bij den kraag, en ijlt er mee \'t bosch in, in weerwil van \'t kermen
Der wanhopige moeder, die bidt om ontfermen.
En bleef het nu hier nog maar bij; doch nauwlijks is \'t diertje
Of ziet, hij beraamt alweer andere vonden
             [verslonden,
En snapt, kan hij \'t troepje langs een omweg besluipen,
Licht nog een tweede, ja derde kuiken, al krijgt de klokhen de stuipen.
Als de Vos eens trek krijgt, en dat gebeurt nogal vaak, naar
een hoen,
En hij er aan toe is, een strooptocht te doen,
Zoo wendt hy den neus vooraf naar de vier windstreken en
spitst bei zijne ooren,
Of hij ook ergens onraad verneemt of op de werf gewag komt
te hooren;
Doch is alles er rustig en stil, en \'t hoenderhok open,
Dan komt hij, als op de punten der pooten naar binnen geslopen,
Tot nabij den roest, waar \'t gevogelte op rust,
Dat mooglijk wel droomt van pleizier en van lust,
En richt zijn eersten aanval, bij voorkeur, op den haan,
Die door een alarmkreet hem licht zou verraan;
Hy sleurt hem omlaag, grijpt hem vast bij den strot
En springt met hem \'t woud in tot verr\' van het kot.
Maar nauwlijks heeft hij zijn prooi in veiligheid gebracht en onder
Begraven, of daadlh\'k hervat hij den roof
                    [het loof
-ocr page 79-
68
DE VOS.
En verweldigt een der kippen, ja meer na elkaar,
Totdat hij toevallig gerucht wordt ontwaar,
Of wel zijn getal heeft; want dan gaat hij strijken
En laat zich vooreerst op de werf niet weer kijken.
Doch waar zou ik einden, bijaldien ik het legio vonden
En streken van Reintje ging haarklein verkonden?
Ik schreef er geen blad, maar een boekdeel van vol,
Volleerd als hij is in zijn gauwdievenrol.
Wanneer den mensch de fielterij als met de moedermelk is inge-
En hij, tot een deugniet volgroeid, zijn verdere leven [geven,
Aan al wat slecht en euvel en schandlijk is wijdt,
Dan wordt hij een schelm, zoo niet meer, mettertijd,
Wien \'t om \'t even is, aan welke schurkenstreken en misdrijven
Of afzetterijen hij zich schuldig maakt, zoo hij zijn beurs slechts
En uit de handen der Justitie mag blijven.
          [kan stijven,
En rust op zijn wandaad geen heil of geen zegen,
En is hem geen stervling op aard\' toegenegen,
En wordt hij door ieder geschuwd en gehaat,
En al spreekt ook \'t bedrog uit zijn oog en gelaat,
Hij geeft om geweten, om eernaam, noch menschen,
Slechts de eigenbaat is steeds het doel van zijn wenschen. —
Ziedaar in het klein een schets, een type, of hoe men \'t noemen mag,
Van Reintjes opvoeding en verder levensgedrag.
Nauwlijks toch zijn de vosjes vijf of zes maanden oud,
Of moeder de vos trekt het hol uit en met hen naar \'t woud
Of de vlakte, en leert ze, door voorgang in eigen persoon, hoe
Van hazen en konijnen verschalkt en besprongen
        [de jongen
En afgemaakt moeten worden; ook gaat zij hun wijzen
De loopplaats der kleine en onnoozle patrijzen,
De nesten des leeuwriks, met één woord, ze onderwijst hun de jacht,
Die, als ze volwassen zh\'n, door hen in het groote in praktijk
dient gebracht.
-ocr page 80-
69
DE VOS.
In waarheid, men behoeft er zich niet over te verwondren, dat na-dezen
De welpen van zulke ouders eens stroopers als zij zullen wezen.
Wanneer de vlooien, dus zegt men, den leeperd soms wat al te
zeer plagen,
En hy\' geen kans ziet, om ze naar wensch te vernestlen of voor-
goed te verjagen,
Zoo neemt hy\' alweder de list te baat, en gaat, op een mooien
namiddag in de zomersene dagen,
Te water, wel te verstaan, voetje voor voetje en altoos achteruit,
Totdat ten laatste alleen maar zijn bek of zijn snuit
Boven den waterspiegel uitsteekt; en als nu die spring-in-\'t-velden
de droogte gaan zoeken
En naar boven stygen, dan weet hy ze zoo flksch en zoo ferm
te verkloeken,
Dat hy ze één voor één, oud en jong, mager of vet,
Met een coup de palte, van zich afslaat en dompelt in \'t wed.
De Vos, om er dit nog bij te voegen, is in stem- en toonver-
anderingen, in het nabootsen van klanken,
Van kreten en geluiden, een eerste bol, en \'t behoort tot de ranken,
Waardoor hy zijn prooi zoo vaak van nabij
Bedriegt en verrast en haar brengt in de In\'.
Zoo weet hy, bij voorbeeld, als klokhen te tokken,
Als haan tot nabij zich de kippen te lokken,
En schreeuwt soms, vrij onharmonisch, als een pauw in een boom,
Of jankt als een hond, die nog jaagt in den droom.
Kortom, was er ooit een redeloos schepsel op aarde,
Dat slimheid aan gauw- en voorzichtigheid paarde,
\'t Is de Vos, die, alom en door ieder gevreesd,
Sinds eeuwen als roover berucht is geweest.
Wanneer de Vos een jager bespeurt met zy"n snuflende brakken,
Dan denkt hy: \'t wordt tijd, om mijn biezen te pakken.
-ocr page 81-
70
DE VOS.
Ontwaart hij een bontwerker ergens in \'t verschiet,
Zoo veroorzaakt hem dat altijd een innig verdriet,
Want hij weet, dat de grootere en, bij navolging, ook de kleinere
meneeren
Zijn vel tot voering en randen gebruiken in en langs hunne pels-
jassen of Zondagsche kleeren;
Ziet hij echter, hier of daar, een klem of val staan,
Hij glimlacht en zegt: „Kijk, het zou toch te gek wezen, om
daar zoo onnoozel maar binnen te gaan:"
Doch ontmoet hij een boer met een knuppel in de hand,
Dan krijgt hij altoos vervaarlijk het land,
En denkt: kon mij zoo\'n kinkel eens attrapeeren,
Wat zou hij me ongenadig den rug willen smeren.
En dat alles nu beseffend en beredeneerend, spreekt Reintje zijne
volkomene overtuiging uit,
Te weten, dat hij leeft als bandiet en eens sterft als schavuit.
Als de Vos vroeg of laat, op welke wyze dan ook, komt te
sterven,
Dan klinkt het Victorie! in \'t woud, op de werven,
In het veld, ja overal, waar slechts levende schepselen wonen,
En hoort men alom een wilde fanfare, in verschillende klanken
Van eenden en ganzen, van kippen en haan,
             [en tonen,
Van hazen, patrijzen, kalkoenen en zwaan;
Dan wordt er, in verschillende akkoorden en stemvallen, uit den
treuren gezongen,
Dan wordt er gehuppeld, gedanst en gesprongen,
En al het gedierte is verheugd en verblijd:
Geen wonder, ze zyn van hun vijand bevrijd.
Doch als nu \'t gejoel en \'t rumoer en het tieren
Ten laatste wat mindert der dankbare dieren,
Dan, zegt men, zet alles zich neer op den grond,
En schatert het volgend triumflied in \'t rond:
-ocr page 82-
71
DE VOS.
Hoezee! de aartsgauwdief ligt verslagen,
Die op ons aanzijn woog als lood,
En \'t al vermoordde in veld en hagen;
Het roofdier is voor altijd dood:
Wij hebben lang en zwaar geleden,
O vrienden! doch weer vrij op heden,
Mag elk van ons zijn weg betreên.
Hoezee! het ondier is gevallen,
Een wandlend graf voor duizendtallen;
Zijn levensdraad is afgesneên.
Laat thans een blij triumflied hooren,
Gij allen, van wat rang of stand!
Verheft uw stem, gij vooglenkoren,
Met wat er leeft en tiert op \'t land!
Het monsterbeest, daar elk voor beefde,
Dat ons ten hoon en onheil leefde,
Van uit zijn krocht stoof, keer op keer,
En als een schrikbeeld op kwam dagen,
Om op ons, schuldloos vee, te jagen
En \'t wreed te martlen, leeft niet meer.
Triumf! de bloedhond viel; het treuren
Van vriend en maag en kroost houdt op:
Vrij mag elk \'t hoofd weer opwaarts beuren;
Want aller vreugd verrijst in top.
Triumf! het rif van d\' aartsverrader,
Den schrik van mensen en dier te gader,
Die wellust in ons Ujden vond,
Ligt op een mestvaalt thans versmeten,
Door schakal, raaf en wolf gegeten;
Geschandvlekt klinkt zy\'n naam in \'t rond!
-ocr page 83-
Geen mensch op aard\', hoe braaf hij leeft
En vroom, die geen benijders heeft:
Geen dier, hoe groot of klein \'t moog\' wezen
Of \'t heeft een vijand, dien \'t moet vreezen.
5
£
De Mol woont in een krocht of onderaardsch hol;
Hij draagt een vachtje, zoo mollig als wol;
En bezit hij al geen groote oogen en geen scherp gezicht,
Toch is hij in het minste niet verstoken van \'t noodige licht.
Overigens is het een diertje, dat, in zijne soort,
Eer tot de nuttige dan schaadlijke schepslen behoort.
De Mol
Is een heele bol
In het graven en mineeren:
Zoodat menigeen onder ons nog wel iets van hem konde leeren.
Daarbij is hij geheel autodidact en heeft nooit een leercursus bijgewoond,
-ocr page 84-
78
DE MOL.
Waarin men die kunst theoretisch verklaart en practisch vertoont;
Ook is het wel zeker, dat zijne ouders geen cent ooit voor zijne
vorming spendeerden,
Ja, wat meer is, hem in persoon zelfs weinig onderrichten of leerden.
De Mol is een onnoozel klein beest,
En zoo is denkelijk ook al zijn bet-over-oud-grootvader geweest;
Hij loopt op vier korte pooten, of liever handjes,
En heeft een verkenssnuit, voorzien van scherpe tandjes;
Zijn vachtjen is mollig; het staartje gelijkt dat van een zwyn,
op en top,
En zijne oogjes zijn wis niet grooter dan een speldeknop.
Doch hoe klein en veracht ook het diertje moog\' wezen,
Het dient, om zijn sluwheid, te worden geprezen.
Wat zijn moed aanbelangt: \'t is kregel en fier
En doet, in zelfverdediging, niet onder voor menig soldenier;
Het weet zijne plichten en \'t kent zijn fatsoen,
„Verwinnen of sterven!" ziedaar zijn blazoen.
De Mol is een onvermoeid, en op \'t land zelfs een flinke voetiaan,
Maar kan ook, desnoods, als een kikker te water gaan.
Het is dus bij hem niet ticaalf ambachten, dertien ongelukken,
Zooals men wel zegt van achterblijvers en krukken;
O neen, wat hij weet, weet hij deeglijk en grondig:
Ook is hij niet eerst met zijn drie en twintigste, maar reeds op
het eerste jaar mondig,
En behoeven dus zijne ouders, na driehonderd vijf en zestig dagen
Voor hem geene emancipatie meer of meerderjarigverklaring te
Trouwens, in dit geval staat hy in het dierenrijk [vragen.
Met vele andere kleine diersoorten volkomen gelijk;
Alleen met dit onderscheid, dat zijn kunst- en dagwerk wat meer
is gecompliceerd,
En men derhalve een dier van zijne bevatting wel mag groeten
voor geleerd:
-ocr page 85-
74
DE MOL.
Ja, er zijn onder de menschenkindren, die met velerlei geleerde
titelen prijken,
En toch in solied en gezond verstand wel voor hem de vlag
mochten strijken.
De Mol is vraatzuchtig van aard en heeft zeker een goede maag;
Ook is hij in \'t opsporen van zijn voedsel en nooddruft niet traag,
Maar gaat driemaal daags, strijk en zet, op de jacht,
En peuzelt dan maar niet zoo\'n beetje, maar orbert een vracht
Van wat lekker en zoet is en licht te verteren
En tevens zijn nierbedjes zachtjes kan smeren;
Den regenworm echter, al leeft hij in \'t slijk,
Kan hij hem beramen, geen dier is zoo rijk;
\'t Is eten en drinken voor hem te gelijk.
Wanneer het gebeurt, dat een mol, op zijn tochten
Door \'t ruim labyrint van zijn mijnen en krochten,
Toevallig een neef of een kennis ontmoet,
Die op zijne manier ook een strooptochtje doet,
Doch, louter bij toeval, geraakte in zijn gangen,
Zoo maakt hij, al kon hij hem grijpen en vangen,
Niet aanstonds gebruik van zijn macht en zijn recht,
Maar houdt hem straks staande op zijn reispad en zegt:
„Is \'t leven je dierbaar, Maatje! verkas dan zonder dralen;
Voort, voort met den quickmarch! ge moogt hier niet dwalen."
Doch wordt nu terstond aan dien eisch niet voldaan,
Dan valt hy zoo grimmig den indringer aan,
Dat deze de plaat poetst en nooit van zh\'n leven
Een nader bezoek aan zijn buurman zal geven.
De Mol is wel nimmer meer blij in zijn hart,
Dan als er een vorsch in zyn aardhoop verwart;
Ook grijpt hij knaphandig den gast bij de beenen
En sleurt in een omzien den langpoot daarhenen
-ocr page 86-
DE MOL.                                                       75
Tot diep in den grond, waar een eeuwige nacht
Den maagren scherminkel in doodsangst verwacht.
„Gij springers en vroolijke plonsers in \'t water,"
Dus spreekt dan het moldier, „die met uw gesnater
De nachtrust, verstoort van den mensch en het dier,
Hoe kom je zoo driest uit uw eendenkroos hier?
Wie gaf u een pas, wie verleende u concessie,
Gij leelijke schreeuwers van aard en professie!
Om, over den versch nog vergravenen grond,
Te springen naar wilkeur, te dansen in \'t rond?
Geen een toch der dieren, behalve wij mollen,
Mag hier komen duiklen en buitlen en rollen
En strafloos het werk van ons gilde vertreen;
Of zakt, over hals over oor, naar beneen,
Om fluks in den zwijgenden afgrond te dalen,
Alwaar hij nooit zon meer of maanlicht ziet stralen."
Dus spreekt hem de Mol toe, vergramd van gemoed,
Doch tevens belust op zijn vleesch en zyn bloed,
En doet aan zijn boutjes zich \'t buikje te goed.
De Mol is al bijzonder fijn van reuk en gehoor,
En stelt zijnen vijand heel dikwerf te loor:
Bij \'t minste gerucht of gedreun van den grond,
Vergeet hij het graven en luistert terstond,
Of ergens zich eenig verraad houdt verborgen,
Dat, hem overvallend, verplaatst uit de zorgen.
Wie dus op hem loert of hem denkt te verrassen,
Behoort wel op velerlei dingen te passen;
Ja zelfs, dient hij onder of beneden den wind te gaan staan,
Wil hij aan het dier niet zijn opzet verraan.
Wanneer er een mol is tot trouwen gereed,
En dat krijgen meest alle dieren, en bijgevolg ook de
mol, in \'t voorjaar beet;
-ocr page 87-
715
DE MOL.
Zoo zoekt hij, daar er nog altijd trouwlustige vrouwen
Te over zh\'n, en hij met zichzelf toch alleen niet kan trouwen,
Natuurlijk een kneuterig wijfjen op, \'t welk hem past,
In den regel een zoodanige, waarop hij al lang heeft gevlast,
En die hij tevens veronderstelt, dat niet ongenegen is, om met
hem den huwlijkshemel binnen te zweven,
En gevolglyk hem haar hand en haar hart wel zal willen geven.
Hij vraagt echter vooraf geen acces bij haar ouders of voogden;
Dit is, bij dat slag van volkje, over \'t algemeen
         [o neen,
Geen mode en denkelijk maar alleen in zwang bij de menschen
in de stad;
Ook kennen ze malkander al van vroeger datum, ten minste zoo wat,
En kunnen dus die formaliteiten, welke bij het engageeren
Slechts oponthoud veroorzaken, best menageeren:
Kortom, wanneer de Mol voor vast heeft besloten, om te gaan paren,
En hem de koorts van verliefdheid met een onweerstaanbaar ge-
weld in de leden is gevaren;
Zoo verlegt hij zijn gangen in diervoege, dat hij zijn buurjuffer in
haar omzwervingen noodwendig zal ontmoeten
En al ras in de gelegenheid komen, om haar onder vier oogen te
begroeten.
En zoo doet hij; doch als hij nu de beminde ontwaart en het
oog op haar slaat,
Die, met het schaamrood, zal ik maar zeggen, op de kaken, zoo
plotseling in al haar aanminnigheid voor hem staat,
Zoo bezigt hij alweder geen lang voorspel van uitgezochte com-
Op de manier van vele hoofsche pretendenten; [plimenten,
O neen, maar verkondt haar met ronde woorden, dat het paren
Der twee geslachten goed is en al in zwang sinds onheuglijke jaren,
Te meer, dewül een eentonig hermietenleven
Op den duur niet anders dan kwelling en verdriet kan geven;
Weshalve hij dan ook haar, die hij boven vele heeft uitgelezen,
te goeder trouw
-ocr page 88-
77
DE MOL.
Wenscht te maken tot zijn bruid en zoo voorts tot zijn vrouw.
En wanneer nu deze expectoratie met luistergrage ooren wordt
aangehoord
En door geene bijzondere evenementen overdwarst of gestoord,
Dan drukt hij, overmeesterd door zh\'ne verliefde smart,
De zalige vrouw aan het bonzende hart.
En hiermede is dan de echtknoop doodeenvoudig over en weder
gelegd,
En \'t plechtig ja, ja! met murmelende lippen gezegd. —
Gebeurt het nochtans, dat zich een mededinger vertoone,
Die te gelijk naar de hand dingt der aangebeden schoone,
En hem dus zijn recht op haar bezit komt betwisten,
Dan raakt er het bloed van de minnaars aan \'t gisten,
Dan grijpen ze elkander met leeuwenmoed aan,
Terwijl op een afstand het wijfje blijft staan:
En wie van de twee nu zijn partij mocht verslaan
Of \'t kampveld doet ruimen; hij werpt zich met glorie
In de armen van \'t bruidjen en viert er victorie.
Ziezoo, geachte lezer! het blaadjen is genoegzaam vol,
Ook zijn wij aan \'t einde onzer physiologische beschouwing van
Om echter niet plotseling af te breken,                     [den mol.
Willen we nog terloops over zijne vijanden spreken.
Wat ware \'t een gelukkig leven voor den mensch op dit aardsche rond,
Bijaldien er voor hem geen vijand of benijder bestond!
En wat zou het een lust zyn voor de velerhande dieren,
Wanneer ze zonder belagers konden leven en tieren!
Doch mensch en gedierte zullen, zoolang de wereld zal bestaan,
Wel nimmer ongestoord en in vrede hun weg mogen gaan:
Althans in dat geval verkeert het beestje, waarvan wij spreken,
Met al zijne deugden en al zijn gebreken;
Want, behalve den mensch, zijn er haviken, sperwers en gieren,
Die onophoudelijk het oog op hem hebben en rondom hem zwieren,
-ocr page 89-
78
DE MOL.
En zien zij hem de aardkorst maar eventjes scheuren,
Als de kippen zijn ze er bij, om hem naar boven te sleuren.
Ook ander gedierte, als de marter, de wezel, \'t hermelijn,
Weet hij zeer goed, dat zijne vijanden zyn :
Ja zelfs, tot de glibberige slangen
Vervolgen hem in zijn mijnen en gangen,
En nemen hem, zonder vragen, gevangen.
Doch van alle vrijbuiters, die op hem passen en jagen,
Is er geen, die hem meer onophoudelijk komt plagen,
Dan de aartslangpoot, die met eene aristocratische physionomie
daar heenstapt
En hem, met zijn ellenlangen snavel, zoo maar zonder veel omslag,
En meeneemt, om er de hongrige magen
                  [wegsnapt
Eens flink mee te vullen van zijn hooggeboren blagen. —
En zoo gaat dan al veeltijds een schepseltje dood,
Dat bijna geen zon- of geen maanlicht genoot;
En toch, schoon een mijnslaaf, een tijdlang met lust
Geleefd en gewerkt heeft, geliefd en gekust.
-ocr page 90-
De Koekoek paart, als alle vogels, doch voor een korte poos en zon-
der oprechte huwlijksniin,
Hij houdt er geen woning op na en bezit dus ook geen gezin;
Kent zelfs bij overname niets van de zaligheden, die in den echt
Voor getrouwe en eensgezinde wezens zijn weggelegd;
Daarenboven verstoot hij zijn eigen kroost en legt het te vondeling,
zelfs als het nog niet is geboren,
En laat toch even blij zijn spottend koe-koekoek van tijd tot tijd hooren;
Zoodat men met recht op hem zou kunnen toepassen iets, dat onder
ons menschen ook wel eens gebeurt:
„Hij werd geboren, at en dronk, sliep en stierf, door geen schepsel
herdacht of betreurd."
Zijne eiers of jongen in het nest van een ander binnen te sluiken,
Is, om eens een zoogenaamd stadhuiswoord te gebruiken,
Usurpatie,
Suprematie,
-ocr page 91-
80
DE KOEKOEK.
Of den scheidsmuur door gaan breken tusschen \'t eerlijk myjn en dijn,
Onverschillig, of een ander dupe van zoo\'n feit moog\' zijn.
Als de Koekoek met Mei zijn voorjaarslied
Aanheft, en ergens een kwikstaartje ziet,
Een roodborstje of grasmuschje, dat, van liefde aan het blaken,
Zijn uiterste best doet, een nestje te maken;
Dan kokermuilt hij en denkt: gij kleine meneeren!
Je moogt zoo veel spats maken, als je wilt, en kwinkeleeren
Al je best; maar ik zal je binnenkort die pret en dat Fransen-
praten wel afleeren.
En zoo doet hij ook; want hijzelf bouwt zich, als de rest
Der vogels, geen eigen verblijfplaats of nest,
Maar loert met zijne even gemakkelijke gade als een sperwer in
\'t rond, natuurlijk zonder er iets van te laten blijken
of te zeggen,
Of zij ook het plekje kunnen uitvinden, waar \'t een of andere
klein vogeltje zijn eiers gaat leggen:
En hebben zij het ontdekt, zoo weet Mevrouw het juiste oogenblik
te ramen en de bewoners er van derwijze te verkloeken,
Dat zij, als deze bijgeval afwezig zijn, om voedsel te gaan zoeken,
Het nestje besluipt,
Er zachtjes in kruipt,
Al de eiers verslindt,
Die zij er vindt,
En vervolgens, zonder zich in het minst te geneeren,
Doodeenvoudig een eigen ei in de plaats gaat deponeeren.
En ofschoon ze nu wel niet altijd zoo geheel gaaf in haar list
Slaagt, of haar het recht tot zoodanige willekeur wel eens met
nadruk wordt betwist;
Doorgaans toch is zij, binnen zeer korten tijd,
Met haar sluikhandel klaar en het ei alree kwijt,
Vóór dat de wettige eigenaars zijn op komen dagen,
Om haar met geweid vau hun erf te verjagen.
-ocr page 92-
81
DE KOEKOEK.
En zoodra nu de smokkelares aan den heer gemaal de heuglijke
tijding heeft medegedeeld,
Dat zü naar wensch het depot heeft bewerkstelligd en haar rol
zonder fout heeft afgespeeld,
Dan lacht onze drogist, wellicht niet weinig door \'t aanstaande
quasi vaderschap verguld en gestreeld,
Al zijn best in het vuistje, en roept overluid
Zijn koekoek, koe-koekoek al schaterend uit.
Dat een vogel, die zich zoo lichtvaardig van een kind,
En wel vóór dat het nog geboren is, ontdoet, en het zelfs prettig vindt,
Om een ander van wat minder rang en fatsoen
Er mee op te schepen, is een ongehoorde manier van doen.
Wèl dicteert het een hart, dat verstokt en ontaard is,
En den eernaam van vader en moeder in geen geval waard is;
Dit vat een iegelijk, die ooit over de rechten en plichten van den echt
Een weinig heeft nagedacht en dus weet, wat het zegt
En wat een voorrecht het is, om kroost te verwekken;
Wat een wellust er in steekt voor een moeder, om \'t in persoon
in het donzen wiegje toe te dekken,
Te koestren, te kwgeken en bij avond, bij nacht en bij morgen,
Ja, den geheelen dag door, er met liefde en met trouw voor te
zwoegen en te zorgen;
Dit beseft een ieder, die bedenkt, wat een zegen
Er in het vader en moeder zijn is gelegen;
Hoe zijzelf zich, als \'t ware, in eene gewenschte nakomeling-
schap hervinden, en geslacht" en stamnaam gaan voort-
duren en herleven
In de spruiten, die \'t eerbaar huwlh\'ksbed hun mocht hebben
gegeven. —
Doch, van dit alles begrijpen mn\'nheer en mevrouw Koekoek zoo
wat niemendal;
Ze stooten hun kroost de wereld maar in, naar \'t geval
6
-ocr page 93-
S:>
DE KOEKOEK.
Zich voordoet; ontdoen zich op de gemakkelijkste en eenvoudigste
wijze van een boel beslommering,
Hebben over de toekomst geen de minste bekommering,
En roepen, zonder veel onderling attachement, ja zonder opdak
of woon,
Maar koekoek en alweer koekoek en koekoek op d\'eigensten toon;
En laten, als hartjes zonder zorg, het aan wilde vreemden over,
om, het zij dan hoe het zg,
Hun telgen groot te brengen, tot een ballast op haar beurt voor
de vogelenmaatschappij.
Doch laat ons nu eens overwegen, hoe de aanstaande pleegouders
misschien
Gestemd zijn, als ze dat vreemd en betrekkelijk groote ei in hun
onnoozel klein nestje gelegd zullen zien,
En, niet zonder ontsteltenis, met eenen
Ontdekken, dat er de kleine eitjes uit zijn verdwenen.
Aanvankelijk dan gevoelen ze natuurlijk eenigen schrik,
En zijn met dien ruil niet bijzonder in hun schik.
Ook weten zij er geen touw aan vast te maken,
Hoe dat groote bakbeest er in, en de andere er uit hebben kun-
nen raken.
Doch, na veel over- en wederspraak, stappen ze, daar het toch
niet anders kan, er over heen,
Binden een en ander, in vredes naam, maar op hun been,
En zeggen: „één ei is, in allen gevalle, nog beter dan geen;
Ook had het geheele nest, in een omgekeerd geval,
Wel weg en naar de maan kunnen zijn met eiers en al;
Nu hebben wij dan toch onze woon nog behouden, het zij dan,
hoe het zij,
En daarenboven een ei, dat wel voor drie kan volstaan, nog daarbij."
Dus denken en spreken die sukkels, in weerwil van den spot
Des bedrijvers van \'t schelmstuk, getroosten zich goedschiks hun lot
-ocr page 94-
DE KOEKOEK.                                                  83
En trekken weldra, al hun best, aan het broeien,
Om, zoo zij hopen, eerstdaags de vrucht te zien van hun echtlijk
bemoeien. —
En dat nu het koekoeksjong, reeds als het uitkomt, veel grooter
en kloeker zich zal vertoonen
Dan de andere deugdelijke en wettige dochters en zonen,
Te weten, zoo er later door de pleegmoeder zelf nog één of meer
eieren zijn bijgelegd,
Dit spreekt als een boek en behoeft niet nader gezegd;
En dat die goedhalzige stumpers van oudren, naarmate de jonge
commensaal langzamerhand meer groot
"Wordt, des te ijvriger zullen moeten sjouwen en aandragen en
zich haast dood
Zeulen, \'t vereischt geen betoog:
Want onze gast groeit bij den dag en ziender oog,
Spalkt welhaast een vreeslijken snavel open, schreeuwt gestadig
om meer en verorbert alleen wel ruim zooveel voedsel,
Als in overvloed toereikend zou wezen voor \'t gansche gebroedsel. —
En wanneer nu het pleegkind al spoedig derwijze in omvang is
vooruitgegaan,
Dat het met zijn corpus de bekrompen woon genoegzaam alleen
kan beslaan,
Zoo is het geenszins te verwonderen, dat zijn wieggenooten, zoo er
zijn, de één voor en de andere na, over boord zullen vallen,
En het monsterkind ten laatste de plaats zal verkrijgen van allen. —
Nu zou men wel kunnen vragen of de aangenomen ouders dit
maar zoo goedschiks gedoogen,
Er geen acht op geven, of eindelijk \'t vermogen
Ontberen, om dat zoogenaamd recht van den sterkste te beletten
En zich tegen zulk eene mishandeling krachtdadig te verzetten.
Doch wie zal het verklaren? dit alleen is evenwel zeker, dat die
onnoozele blagen, onverzorgd, zonder veeren,
"Weldra om kroosjes zullen gaan en het daglicht ontberen.
-ocr page 95-
84
DE KOEKOEK.
Voorts mag men op vrij aanneemlijke gronden gelooven,
Dat de pleegouders omzonst zich niet af zullen slooven,
Om den wildvreemde den ganschlijken dag te verplegen en te
helpeD; bijaldien zij, voor de vrijwillige opoffering van
hun gemak en hun rust,
Geen overwegende vergoeding vonden in \'t vermaak en den lust,
Dien zy scheppen uit den voorspoedigen aanwas en de voorbeelde-
looze ontwikkeling van een wonderkind,
Door hen met zoo veel voorliefde en zoo teeder bemind.
En wellicht zien die kortzichtigen in hem reeds den man,
Die aan hen en geheel hun geslacht eens tot steun en voorspraak
verstrekken kan;
Of meenen ze er een feniks in te mogen aanschouwen,
Die zelf in het vuur eens zijn sterfbed zal bouwen;
Of eindlijk den zoodanige, die in \'t rond, om zijn kracht en zijn moed,
Als des aadlaars connétable of rechterhand door al de vooglen
zal worden begroet. —
Wat een aantal illusiën in dat geval! wat al kasteelen in de
lucht gebouwd!
Als waren zij volkomen met de toekomst vertrouwd:
Want dat de dieren, en bijgevolg ook de vogels, tot zinsbe-
goochelingen kunnen komen,
En zelfs in den slaap hun verstand werkzaam is, bewijzen hun
droomen;
Zoodat de honden bij voorbeeld zich verbeelden te jagen,
En de vogels door de lucht op hun pennen te worden gedragen;
Terwijl ze, op den grond gevallen, of althans met schrik ontwaakt,
met weerzin wellicht ondervinden, dat ze zich hebben
bedrogen
En al hun mooie voorspiegelingen als een rook zijn vervlogen.
In dat geval althans verkeeren de pleegouders van onzen vonde-
ling, die zoodra hy hun hulp
En bijstand kan missen, zich in stilte uit der ouderen stulp
-ocr page 96-
85
DE KOEKOEK.
Wegmaakt, met ondank, of \'t ware, beloont
Die hem zoo lang hebben gekoesterd en zoo vele belangelooze
liefde betoond,
En wel op die wh\'ze het ouderlyk dak verlaat, dat hij, wanneer
hy, in \'t volgende lenteseizoen,
Eens een kykje naar zijn vorige bakermat gaat doen,
Met het doel misschien, om diezelfde pleegouders alsnu met zijn
eigen kroost te gaan bezwaren,
Te weten, als hij ze nog in het land der levenden mag ontwaren,
Op zijn beurt ook zijn spotziek koe-koekoek hun galmt\' in hunne ooren,
Alsof hij wil zeggen: Zie daar nu de plek, waar ikzelf ben geboren!
En zie daar ook bei de ouders, die mij zoo getrouw
Gekweekt hebben, zoodat ik er gerust mijn eigen kroost aan
toevertrouw!
Er bestaat in onze taal een spreekwoord, dat men dikwijls be-
waarheid ziet,
Namelijk: de paarden, die de haver verdienen, bekomen ze niet.
Er is ook een ander, te weten: ivat de heeren wijzen,
Moeten de gekken prijzen.
En eindelijk nog een derde: \'t gebruik maken van een andermam handen.
Ten einde, bij \'t uit de asch halen der kastanjes, zichzelf niet te branden.
En hiermede hebben wij, met wat meer of minder toepassing,
een slot gevonden voor dit lang verhaal,
\'t Zij dan Vertelling of Legende, en laten \'t daarbij berusten ditmaal.
-ocr page 97-
i\' i yimi %7
^ //\' *,
®kbst «»&&*.
Al wie het lieve Schaapje aanschouwt,
\'t Gaat vast, dat hij er veel van houdt;
Te meer, wanneer hij overdenkt
Al wat ons \'t vreedzaam diertje schenkt.
Maar ziet hij op het teeder Lam,
Wanneer het zuigt aan moeders mam,
Of dartiend aan haar zijde speelt;
Gewis, hij voelt zich \'t hart gestreeld.
Zou er wel ergens, zoo elders als hier,
Een liever, zachzinniger, goediger dier
Gevonden worden, te weten van het tamme geslacht,
Dan de Woldrig of \'t Schaap met zijn dikke en mollige vacht?
Met weinig voldaan, \'t zij het in de wei, onverzeld
-ocr page 98-
S7
HET SCHAAP.
Van een herder, loopt, of wel de jeugdige spruitjes afknabbelt
op \'t veld;
Overal bijna vindt het zijn nooddruft, en, met weinig tevreden,
Bepaalt het zich bij het noodige en \'t heden;
Ja zoo zeer, dat het, gedekt door zijn vlies, het tegen de kou
Wel haast ongedeerd uitharden, en op \'t veld overwinteren zou.
\'t Is een onschaadlijk dier, met uitzondering als het de jonge
scheuten van wilgen, van eiken,
Van hagen of ander plantsoen kan bereiken;
Want dan verorbert het wel eens, evenals de geit en in betrek-
keiijk korten tijd,
Al wat van dien aard voorkomt; en weldra zijn de struiken haar
telgen en looveren kwijt.
Men moet het Moederschaap of de ooi
Niet zien in de kooi,
Of gestald en met hooi
Gevoederd; maar op de hei,
En nog liever in de wei
Zich vrijelijk bewegen en aan het jeugdige groen
Van klaver en gras zich het lijfje te goed doen.
Wat een ernst, wat een kalmte en een rust
Vertoont zich in \'tgeheeie voorkomen van \'t dier, dat met lust
De fijne grasdeeltjes afscheert, en zoo tevreden,
Steeds knabblend en zabblend, al verder en verder gaat treden!
En hoe vreedzaam en vertrouwelijk legt het zich, keer op keer,
Om op zijn gemak te herkauwen, op een hoogte of een heu-
veltje neer,
Of ook wel, opdat het maagje van wat het mocht eten
Genot hebbe, en de lekkere beten,
Die het in der haast heeft tot zich genomen,
Nog eens weer over het tongetje mochten komen;
Want dat ook de dieren het zintuig van den smaak naar behoo-
ren huldigen en weten te vereeren
-ocr page 99-
SS
HET SCHAAP.
En zeer wel beseffen, wat goed en lekker is, zonder het juist
uit de boeken of van een baker te leeren,
Blijkt genoegzaam uit hunne praedilectie voor sommige spijzen,
En zou men daarenboven daaruit kunnen bewijzen,
Dewijl ten minste de herkauwende onder hen een menigte planten
en gewassen laten staan,
En zonder ze aan te roeren, al hebben zij honger, voorbij zullen gaan.
Het Schaap is van een uiterst vreesachtigen aard,
En de minste vreemde ontmoeting maakt het vervaard;
Inzonderheid is dit het geval, wanneer het in zyne nabijheid een
onbekenden hond
Verneemt; want dan kijkt het beangstigd in \'t rond
En stampt met zijne fijne pootjes meermalen op den grond,
Hetzij dan door een zekere fierheid gedreven,
Of liever uit vrees voor zijn kostlijke leven.
Acht het zich echter in deze houding niet bestand
Tegen de overmacht, zoo krijgt het wel \'t land,
Maar gaat, ten einde bij eenen eventueelen aanval, niet te bezwijken,
Te viervoet aan den haal, om \'t gevaar nog te ontwijken.
Dusverre hebben wij met weinige woorden van het schaap maar alleen
Gesproken op zichzelf, zonder in verdere bijzonderheden te treên.
Doch welaan, laat ons nu eens zijn deugden ontvouwen,
En tevens wat het, als trouwe moeder is, gaan beschouwen!
Vooreerst dan geeft het zachtmoedige dier, —
En nu spreek ik er meer bepaald van als ooi, — zoo elders als hier,
Vast daaglijks haar room aan den mensch op, die, als tnj \'t begeert,
Weldra in een heerlijke kaassoort verkeert.
Voorts schenkt zij ons, wanneer ze is geslacht,
En éénmaal in \'t jaar bij haar leven, een vacht,
Die prinsen en graven en koningen dekt,
Maar ook aan den schaamlen werkman tot kleeding verstrekt;
-ocr page 100-
SU
HET SCHAAP.
En eindelijk geeft zij, helaas! nog ten leste
Haar vleesch en haar smeer aan de menschen ten beste.
Doch hierbij bepaalt zich haar winstgevend vermogen
Geenszins; maar, zooals wy in iedere lente kunnen zien met
onze eigene oogen,
Brengt zij jaarlijks nog één of twee lammeren aan \'t licht,
Een vreugd voor ons harte en een lust voor \'t gezicht.
Bezwaarlijk toch zullen wij, om ons heen,
Een diertjen ontmoeten, zoo fijntjes van leen,
Zoo blank en zoo zacht,
Zoo mollig van vacht,
Zoo speelziek en blij
En spotziek daarbij,
Als \'t Lam is, wanneer \'t, aan de zij
Der moeder, in \'t jeugdige grasje gaat dolen,
Of wei onder allerlei kromme sprongen en cabriolen,
In \'t rond springt en huppelt en telkens blijft staan,
Alsof het in ernst zich een wijl gaat beraan,
Wat koers het moet houden of nemen, wat baan
Het opnieuw zal doorloopen of gaan,
En wat al voor potsen en kuren \'t zal maken,
Om den tijd door te raken,
En tevens, door geheel zonder zorgen te spelen,
De jolige zinnen eens volop te streelen.
Wèl kijkt vast de moeder bezorgd naar dat spel,
En weet zij uit vorige jaren te wel,
Dat, zooals men trouwens ook menigwerf ziet,
Eene onbezonnen, korte vreugd wel eens aanleiding geeft tot een
langdurig verdriet:
Men kan zich althans, zonder overdrijving, wel voorstellen,
Dat al die hansworsterijen haar zeker nu en dan geducht zullen
En dat ze, wanneer het lam haar nabij komt,
            [kwellen,
\'t Wellicht vrij onzacht haar ontevredenheid in \'t oor bromt,
-ocr page 101-
90
HET SCHAAP.
Of zich, liever gezegd, op een weemoedigen toon, in de navol-
gende bewoordingen uitlaat,
Terwijl haar het harte van vreeze en van angst slaat:
Mijn kind, dat ik met ziel en zin
Zoo innig liefheb en bemin,
En dat mijn schat
Alleen bevat,
Ik vrees, dat eens die wilde streken,
Dat dol gevlieg ons op zal breken!
Hoe licht toch breekt ge een keer uw poot,
Of tuimelt ergens in een sloot,
En wordt doornat,
Bekroosd, beklad,
Bezwijmd, half dood naar huis gedragen
En sterft nog wel na weinig dagen!
Dan blijve ik, droeve moeder, na,
En treur om u steeds, vroeg en spa,
En zal voortaan
Alleenig gaan,
Beroofd van alles, dat slechts waarde
Of wellust voor mij had op aarde!
Toom dus uw wilde drift wat in,
En denk steeds aan mijn liefde en min!
Opdat ge mij
Lang blijft ter zij,
En, door u \'t leven zelf te sparen,
Me een steun moogt zh\'n, in hooge jaren!
Of echter, door zulk eene ernstige en gemoedelijke toespraak tot
berouw en nadenken gekomen,
Het Lam zich gaat beetren en, uit zijn droomen
-ocr page 102-
1)1
HET SCHAAP.
Van pret en pleizier als ontwaakt, zijn woord er op zal geven,
Om voortaan meer bedaard en alleen voor zijn moeder te leven;
Wie zal het verzekeren, wie staat er voor in,
En dat bh\' een diertje, zoo jolig van zin?
Doch dit staat wel vast, dat het zorgelooze lam,
Wat er dan ook gebeurd zij, weldra weer rustig gaat zuigen aan
der moeder haar mam,
En door zijn kwispelstaarten te kennen geeft,
Hoe lief het haar heeft.
Dit belet evenwel niet, dat het diertje, na eenige oogenblikken,
de moederlijke vermaning vergeet
En handelt, alsof het er niets meer van weet;
(Den kindren gelijk, die, als ze misdreven hebben, wel naar de
bestraffing en vermaning hooren,
En beterschap beloven, doch eerlang, onnadenkend, hun gang
weder gaan, als te voren;)
Want nauw heeft de moeder \'t den rug toegewend,
Of \'t eigenste spel speelt weer voort, zonder end\'.
Is het te verwonderen, dat elk, die deze uitingen van levens-
vreugde met aandacht beschouwt,
Onwillekeurig er schier deel in neemt, althans veel van het Lam-
metje houdt!
Maar is het wel te verwonderen, dat inzonderheid de kinderen
er zoo gaarne mee spelen,
Het strooken en streelen,
Hun brood er mee deelen,
\'t Met bloemen bekransen,
En rondom gaan dansen,
En zich bij en met dat onnoozele beestje meer gelukkig gevoelen,
Die een rijksstaf of kroon houdt ter leen!
         [dan menigeen,
\'t Is de onschuld bij de onschuld, de jeugd bij de jeugd,
De trouw bij \'t vertrouwen, de vreugd bij de vreugd.
-ocr page 103-
92
HET SCHAAP.
Ze kennen nog beide geen smart en geen leed;
Ze weten nog niet, met wat giftigen beet
Hen de adder bedreigt, die, mocht ze te voorschijn komen,
Eens plotsling vernielt al hun zalige droomen.
Het Schaap leeft doorgaans maar een korten tijd,
En menig Lam, in Februari geboren, raakt met Paschen zijn leven
Of gaat, indien men het zoo lang behoudt,           [reeds kwijt,
In \'t najaar ten minste voor zeker om koud. —
Gelukkig, dat de dieren en inzonderheid het slachtvee, al kent
het bij instinct of ondervinding ook nood
En levensgevaar, toch geen voorgevoel heeft van zijn sterven of dood!
\'t Zou anders zoo kalm en zoo rustig niet weien,
Zoo vroolijk en tierig niet gaan spelemeien,
Maar onder den last van het leven gebukt gaan,
Totdat er het uur van zijn sneven mocht slaan.
-ocr page 104-
Be Nachtegaal.
Wanneer, na \'t kil en bar seizoen,
Het lieve Voorjaar is herboren,
En we om ons heen den wildzang hooren
Der vooglen bij het eerste groen:
Dan blijven wij aandachtig staan,
En kan \'t eentonig, kunstloos kwelen
De zinnen ons genoeglijk streelen;
Zoodat wij dankbaar verder gaan.
Doch als de Nachtegaal zijn stem
Verheft, en met zijn slagen toovert:
Dan voelen we ons de ziel veroverd
En luistren Toorts alleen naar hem.
Wanneer de barre Wintervorst de sneeuw
heeft uit zijn lokken,
De pegels van den baard geschud, en voorts is weggetrokken
Naar \'t onherbergzaam Noord: dan gaat, als van zü\'n ijzeren
boei ontslagen,
-ocr page 105-
94
DE NACHTEGAAL.
Weldra de landstroom weer de blanke zeilen dragen;
Dan tooien weide en akker, veld en hagen
Zich, gansch verjeugdigd, in een bont livrei;
Dan trekt de herder met zijn schaapjes naar de hei:
Dan ploegt en strooit de bouwman \'t zaad uit in de voren;
Dan schijnt geheel Natuur als door een tooverslag herboren,
En ademt alles vreugd en lust en weelde in \'t rond,
Als in des werelds morgenstond.
O heugelijke tijd! voor wien het is gegeven,
Opnieuw het schoonste van de jaarseizoenen te beleven,
En, als een kind verblijd om zulk een lot,
Het hart omhoog te heffen en de knie te buigen voor een God,
Wien eerlang al wat leeft, op onderscheiden wijzen,
In tal van tonen zal verheerlijken en prijzen!
Volschoone Lente! daar ge, met uw lach en lonkjes aangetreden,
Den beemd met gras, \'t plantsoen met loovers gaat bekleeden,
Het zilvren beekje ritslend langs zijn boorden leidt,
Heel \'t aardrijk als met balsemgeuren overspreidt,
De liefelijke koeltjes op hun vlinderwiekjes rond doet zweven,
Al wat slechts adem voert herbaart en op doet leven,
Den boezem opent, \'t hart ontboeit, de tong ontsnoert,
En eindlijk ook den Fenikszanger van het woud weer tot ons voert.
En ziedaar! ons neergezeten
Onder \'t loofgewelf van \'t bosch,
Leunend aan een tronk of boomstam
Of gevlijd op \'t donzig mos,
En, met ingehouden adem,
Toevend op den hemelval,
Die weldra door heel den omtrek
-ocr page 106-
95
DE NACHTEGAAL.
Zielveroovrend ruischen zal.
Alles zwijgt en wacht eerbiedig,
In het scheemrend avonduur,
Op de hemelmelodieën
Van den Zanger der natuur.
Hoort! op eenmaal stelt hij plechtig
Zijn verheven nachtpsalm in,
Tuigend van zyn dicht- en toongaaf,
Van zijn meer dan aardschen zin;
Weerklank van \'t harmonisch kloppen
Van een diep gevoelig hart;
Afdruk van de weelde en wellust
Zelfs der zaalge liefdesmart.
Immers \'t is geen doelloos kwelen,
Zonder ziel en zonder geest,
En geen ijdel kwinkeleeren,
Waar geen oor op gaat te feest:
Louter, louter harmonieën
Zijn het, die zijn gorgel plengt,
Die hij, schier in duizend vormen
Wisslend, als ten offer brengt!
Waar vandaan toch, fiere Zanger,
Zoo veel aandrift, zulk een gloed,
Die, in mijmring als verloren
Naar uw taal ons luistren doet,
En ons, aan het stof ontheven,
Diep geschokt, ter ziel geroerd,
Aan uw stemval vastgekluisterd,
Naar een hooger luchtkreits voert?
Is \'t een Hymne, die gij aanheft,
Bij \'t ontwaken der natuur?
-ocr page 107-
96
DE NACHTEGAAL.
Is \'t een Loflied op de Schepping,
Tintelend van kracht en vuur?
Is \'t een Treurzang, dien \'t verbrijzeld
Harte slaakt, bestelpt van rouw ?
Is \'t een Ode, die de liefde
Heiligt aan een teedre vrouw?
Of wellicht het al te zamen,
Op een onnavolgbren toon
Uitgestort in volle akkoorden,
Smeltend, roerend, rein en schoon?
Neen; zoo zingt geen andre vogel,
Hoe begaafd ook, om ons heen;
Zoo, verheven Lentezanger!
Fantaseert slechts gij alleen.
Neur\' de leeuwrik, statig rijzend
Naar \'t azuur, zijn vroolijk lied;
Sla het vinkjen in de abeelen,
\'t Haalt bij uwen rijkdom niet:
Waar gij aanheft en ge uw galmen
Eollen doet door veld en woud,
Nu eens klimmend, dan weer dalend,
Altoos even juist en stout,
Zwijgen al de boschkoralen,
Als verzonken in hun niet;
Luistren ze, onder \'t loof gedoken,
Diep eerbiedig naar uw lied:
\'t Beekje staakt zijn stroomgemurmel,
\'t Koeltje bindt zijn wiekslag in;
De echo slechts herhaalt uw noten,
Schoon van vinding, diep van zin.
\'t Zijn toch niet dezelfde klanken,
Stuitend voor een kiesch gehoor,
-ocr page 108-
DE NACHTEGAAL.
En niet steeds dezelfde wijzen,
Die gij uitgalmt voor ons oor.
Neen, vertrouwd met al het schoone
Op \'t gebied der harmonie,
Grijpt gij telkens nieuwe akkoorden,
Vol van levenspoëzie;
En behoudt ge al \'t zelfde thema,
Dat zoo innig roert en streelt,
\'t Wordt in schoone en schooner vormen
Omgewerkt en voortgespeeld.
Doch wat stem- of klankgemengel
Bruisend uit uw gorgel stroomt;
\'t Blijft de taal steeds van een wezen,
Dat zich rijk en zalig droomt:
\'t Is en blijft de zuivre type
Van wat rein is, rond en schoon,
Dat ge als in verrukking voorstelt,
In den zilvren orgeltoon.
Wel hem, die, met geestvervoering,
Hangt aan uw harmonisch lied!
Meer gelukkig, die uw feestgalm
In zijn volle kracht geniet!
Zalig schier, die door uw tongslag,
Schoon bewoner nog van \'t stof,
Zich ten Hemel voelt getrokken,
Om den God der goön zijn lof
En zyn danklied op te dragen,
Dat Hij, met zoo milde hand,
Aan den grooten Solo-Zanger
Zulk een gaaf heeft ingeplant!
Ook wij danken u, o Zanger!
Die, zoo rijk in fantasie,
-ocr page 109-
98
DE NACHTEGAAL.
Hart en oor ons hieldt gevangen
Door een stroom van harmonie.
Noode, noode gaan wij scheiden
Van uw zang en uit het woud,
Dat in u zooveel verhevens,
Zooveel schoons besloten houdt.
Maar het middernachtlijk uurtje
Wenkt ons naar de legerspond\';
Alles sluimert, slechts het maantje
Wandelt door \'t azuur nog rond.
Vaar dan wel, o Lentezanger!
\'t Is de tijd van slaap en rust:
Doch op morgen klinke uw gorgel
Weer van liefde en levenslust!
-ocr page 110-
AANTEEKENINGEN.
-ocr page 111-
De navolgende Aanteekcningen zijn gedeeltelijk afkomstig van mijn Zoon. Zij, die
ons kennen of herkennen, zullen uit het gehalte er van wel kunnen opmaken,
wie er de auteur van is: ik achtte het evenwel niet overbodig, dit alhier met een
paar woorden aan te stippen.
E. S.
-ocr page 112-
AANTEEKENINGEN.
Voor en aleer w\\j overgaan tot het bespreken van eenige woorden,
gezegden of uitdrukkingen, in dezen Rümbundel voorkomende, die wn\'
het niet onnoodig oordeelen een weinig toe te lichten, vinden we ons
genoopt — en wel ter aanvulling van \'t geen daarover reeds in \'t Voor-
bericht is gezegd — de aandacht van den Lezer voor eene wnl te be-
palen bü den titel van het Boekske, voor zooverre betreft de aldaar
gebezigde uitdrukking Humoristische Legenden.
Eerstelh\'k dan verbeelden w\\) ons, dat deze of gene eene aanmer-
king zou kunnen maken op het woord humoristisch, omdat, moge ook
hier en daar een weinig humor doorstralen, dit toch in zijn oog op
het geheel minder toepasseln\'k is, als z\\jnde er onder de stukjes, die
wellicht eer den naam van luimig, burlesk, ironisch, satirisch zouden
mogen dragen dan wel dien van humoristisch. — Wat zullen we daarop
antwoorden? alleen dit: dat, al ware onze landaard, over \'t algemeen,
in een ruimere mate met humor bedeeld, dan zulks werkelijk het geval
is, het toch eene volstrekte onmogelijkheid zelfs voor den meest be-
gaafden humorist mag heeten, om dien over eene reeks van meer dan
twee duizend regels vol te houden, zoodat elke volzin er, om zoo te
zeggen, den stempel van zou vertoonen.
Wat het woord Legenden betreft: men zou daarvoor, met het oog
op \'t ensemble, wellicht een ander kunnen verkiezen, byv. vertellingen,
beschrijvingen, invallen, schetsen;
doch, ofschoon wfl gaarne toegeven,
dat ook ten deze wel iets zh\' af te dingen, zoo moeten wn\' echter
gul bekennen, dat we dusverre geen voegzamer benaming en die even
beknopt is er voor in de plaats konden vinden; weshalve wn\' dan
ook, op het gevaar af, van daarom in den ban gedaan te worden, dit
woord evenals het andere maar hebben laten staan.
-ocr page 113-
102
AANTEEKENINGEN.
Bladz. 3. — Rij gaat er om hond.
Om koud gaan, om kroosjes gaan enz. voor sterven, den geest geven,
z\\jn van die, \'t zy dan figuurlijke of wel eupJtemistische, verzachtend\':
spreekwyzen, die wy in menigte, vooral in onze spreektaal aantreffen,
en waarvan ons een vrjj uitgebreid overzicht wordt gegeven in den
Navorscher, IX, 317; waarheen we, gemaks- en kortheidshalve, verwijzen.
Aldaar. — Hij houdt wel van mallen, doch mint er niet een,
En gruwt van een band, die een blok legt aan \'t been.
Het zal den beschaafden Lezer wel vanzelf en zonder verdere aan-
wijzing in \'t oog vallen, dat ik hier in m^jn gerijmei heb gezinspeeld
op de navolgende versregels uit Burgers Der Ritter und sein Liebchen:
„Drauf ritt der Bitter hop sa sa!
Und strich sein Biirtchen trallala!
Sein Liebchen sali ihn reiten,
Und hörte noch von weiten
Sein Lachen ha ha ha! — —
Traut, Miidcheii, leichten Bittern nicht!
Manch Bitter ist ein Bösewicht.
Sie löffeln wohl und wandern
Von Einer zu der Andern,
Und freien Keine nicht!"
of verkiest men die liever in het Nederduitsch te lezen, en zooals ze,
bn\' de overbrenging door onzen Tollens, zeker gewonnen hebben, dan
luiden ze aldus:
„Daar reed de ridder, hopsasa,
En zong en neurde, trallala,
En liet zijn liefje schreien:
Zij hoorde tusschenbeien
Zijn lachen, ha ha ha!
Vertrouwt geen ridders, meisjes, neen!
Zij gruwen van een blok aan \'t been;
Zij stoeien wat en mallen,
En minnen (schijnt het) allen,
En meenen er niet een."
Bladz. 4. — Lumieren.
Zie hier wat ik, betreffende dit woord, dat men ook lamieren, lemie-
ren
en Umieren schrijft en uitspreekt, onder andere vind opgeteekend
in Dr. Te Winkels Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn, III, 229: „Lamie-
-ocr page 114-
103
AANTEEKENINGEN.
ren, lichten: lamieren van den dag, is de vroege dageraad, wanneer
de dag even begint aan te lichten en door de nachtschemering heen-
boort, zoodat men de voorwerpen om zich heen, min of meer duidelijk,
begint te onderscheiden, of gelijk Vondel (Palamedes, 53) dit zoo fraai
schildert:
Het dun gezaeit gestarnt verschiet
Zijn glans, enz. (Viey van liubeérs)
het krieken van den dag, morgengloren: „met het lamieren van den
dag aan \'t werk." Het kwam my o. a. voor in het verhaal der ver-
dediging van Aardenburg
in 1672, bij Scheltema, Geselt, en Letterk
Mengelwerk,
V. (2e stuk) blz. 150: „de dag begon schielijk te lumieren
en aan te breken", en blz. 186: „alsoo den dagh begon te lumieren."
Dit verhaal nu is geschreven door een Burgr. van Aardenburg, en
alzoo schijnt lamieren of lumieren ook in Staats-Vlaanderen (Zeeland)
in zwang. Ik vind het woord ook bü Van Zeggelen: Kijkjes in \'t leven,
1851, bladz. 65:
De groote dag mogt eindelijk limieren."
Lemiere komt, als benaming van de opening in het vizier van den
helm, voor in den Roman van Karel den grooten en zijne XII pairs
(Roman der Lorreinev),
II, vs. 323, als:
Dandere quamen gereden sere,
Ende Kagani die here
Geracete enen stouten man,
Die geheten was Bosan,
Hecht in die lemiere vore,
Dat tspere vloech ten hersenen dore.
voorts vs. 894, (lumiere):
Want hine geraecte ter stonde
Hecht in des helms lumiere.
en vers 3743:
Maer Gyrbert, die in sijn gewere
Vaste sat ende vromelike,
Geraecte weder den grave rike
Hecht in des helms lumiere,
Dathi helm ende enffie sciere
Ende dat beckeneel mede
Al dor stac daer ter stode.
-ocr page 115-
104
AANTEEKENINGEN.
De uitgever (Professor Jonckbloet) teekent in de Woordenlijst achter
dat werk, blz. 296, ook dit aan: „het oud Fransch heeft lumiere in
de beteekenis van fenétre, ouverture (Roquefort)".
Reeds in 1840 beweerde Dr. Halbertsma, Letterkundige Naoogst,
blz. 84, dat: met het Umieren van den dag eene uitdrukking is, aan
de Riddertijden ontleend, zooveel willende zeggen, als: „met het krieken
van den dag; met dat de dag het eerst door de limiere (het lichtgat)
van den helm begint te kijken. Van Fr. limer, schuins uit de hoeken
der oogen kijken, het Nederlandsche luimen. Kil. luymen, observare,
retortis sive insidiantibus oculis intueri."
Dr. De Jager schijnt met deze verklaring niet geheel in te stemmen,
als hij zegt, de Taalgids, I, 309: Het „lemiere van den dag" is eig.
lumiere, Fransch lumière. Zoo leest men ook bij Brandt, Leev. v. de
Ruyter, IV, 407: tegens \'t lumieren van den dagh. En bjj Overbeke,
Bijvoegsel achter zijne Rijmwerken, bl. 1: met hel lumiren van den dagh."
Vergelijk voorts nog het Latijnsche lumen, licht. Mellema, in zijn
grand dictionnaire Fran^ois-Flamen, Rotterdam, J. Waesbergue, 1618,
heeft: la lumiere d\'une liaquébute en zet het over door: „ Tlaedtgat oft
\'t visier van een busse."
Aldaar. - Planen.
\'t Is hetzelfde als het Fransche woord planer, en beteekent zooveel
als: zweven, zwerven, dwalen; in welken zin het meermalen bij onzen
Bilderiyk voorkomt, als o. a. in Ondergang der eerste Wareld, blz. 60,
kl. uitgave:
„Zij planen over \'t dal der vette stroomolijven,
Als duiven, die in \'t zwerk op vlakke vlerken drijven,
Geen slagpen roeren, maar onmerkbaar in heur vaart,
Zich hangende op de lucht, ter neder zien op de aard."
Men zie over dit woord, reeds bij onze oude Schrijvers in gebruik,
Dr.- A. De Jager in zijne bekroonde Proeve over den invloed van Bilder-
dijks Dichtwerken op onze taal,
blz. 166.
Bladz. 4. — Verward in een strik.
Tot afwisseling laat ik hier, met betrekking tot het strikken van
hazen,
nog de volgende anekdote volgen, mij reeds vroeger bekend,
doch die ik \'t laatste las in hot Leeskabinet, 1859, N°. 5, blz. 153 en
vgd., aldus met eenige verkorting luidende: „Hoe men ongestraft stroopen
-ocr page 116-
AANTEEKENINGEN.                                                    105
kan. Te S .. .. woonde een boer, Uie in zijn moestuin hazenstrikken
zette en ook van tijd tot tijd een haas ving.
De koddebeier, hiervan de lucht gekregen hebbende, plaatste zich
op zekeren avond op de loer; en zoo zag hij dat, na verloop van
een korten tijd, een haas in den strik bleef vastzitten.
Nu stapte hij, met een glimlach om den mond, het huis binnen
van den strooper, die bedaard een pn\'p zat te rooken.
„In uw tuin is een hazenstrik gezet," zeide de jachtopziener. —
„Één hazenstrik? neen, wel drie!" antwoordde de boer. — „Weet je
wel, vriend, dat in één er van een haas zit?" riep de koddebeier. —
„Kijk, dat doet imj nu machtig veel pleizier!" hernam de boer: „ik
heb al lang op zoo\'n schobbejak gewacht." — Met deze woorden stond
hij op, nam een zweep en vroeg den koddebeier, of hij eens even met
hem mee wilde gaan.
„Wat moet dat beteekenen, strooper?" vroeg de koddebeier. —
„Strooper?" herhaalde de boer, verontwaardigd; „daarover nader voor
het Gerecht. Wanneer gij de hazen niet kunt beletten eens anders
kool op te vreten, dan moeten wij onszelven helpen." En hiermede
stapten beiden den tuin in.
Hier spartelde inderdaad een groote haas in een daar geplaatsten
strik.
„Welnu?" vroeg de koddebeier spotachtig. — „Welnu?" hernam de
boer. „Nu zul je zien, hoe ik dergelijke koolvreters hun verdiende loon
weet te geven." Met deze woorden pakte hy den haas bij zijn lepels,
en begon het dier duchtig te ranselen. „Nu heeft hy er vrif en twintig!"
riep de boer, en toen vervolgde hu\' tot den haas, vóór dat hij hem
losliet: „Maak nu dat je weg komt, duivelskind! en als je ooit weer-
komt, krijg je er vijftig; daar kun je van verzekerd wezen!" Met deze
woorden zette de boer den strik open, en gaf den haas de vrijheid; de
koddebeier van zijnen kant was verbluft en liep woedend naar\' huis." —
Bjj het onmiddellijk voorgaande voeg ik nog, voor de aardigheid,
een Liedje op den Haas, dat zeker al wel een honderd en vijftig jaren
oud en uit den mond eener bejaarde Dame is opgeschreven. Ik geef
het voor hetgeen het is en zooals het mn\' is geworden, met fouten
en al; want deze zullen er hier en daar, vanwege de mondelinge over-
levering, wel in zijn:
-ocr page 117-
106
AANTEEKENINGEN.
„Ach arreui haasje, in \'t groene woud!
Ik word er gejaagd en ik word er geschouwd
Op bergen en in dalen,
Waar zij mij achterhalen!
Ze vangen me met zoo\'n boos geweld,
Zoodat er mijn hartje Tan is ontsteld.
En als ze mij dan hebben gevaan,
Dan is het: wiens hondekens hebben \'t gedaan?
Den een zeit, de mijne;
Den andere, de zijne:
Maar wie het gedaan heeft, ofte niet;
Ik arrem haasje zit in \'t verdriet.
Hoe menig Madam en edel Juffrouw
Dragen er van mijn velletje rouw
Om handen en armen,
Om zich te verwarmen !
Ze dragen zoo menig mooien hoed;
Van mij komt het velletje, zoo zacht en zoet.
Maar nu schep ik alweder moed;
Omdat zij dan eten van mijn vleesch en bloed
Taarten en pasteien,
Daar ze mij toe bereien ;
Een sausje daarop van menigerlei:
Wat kan er voor een edeler diertje zijn!"
Bladz. 8. — Bourtanger-sdiam.
„De Bourtange, een Schans in Westerwolde, op de grenzen dei-
provincie Groningen, tegen den Munsterschen bodem, is gelegen in een
ondoorwaadbaar moeras, en een kleine zandheuvel, aan den landweg
uit Munsterland naar "Wedde, in droge zomers bruikbaar. Deze Schans,
in 1593 door Graaf Willem van Nassau, in eigen persoon aangelegd,
was aanvankelijk zeer klein. — Van tyd tot tn\'d is deze sterkte, en in
1738 zijn hare buitenwerken grootelrjks verbeterd; ook zijn eenige
dijken vervaardigd, om het water te doen opstuwen. — Deze sterkte is
tot dusverre nog niet overmeesterd." Aldus, bg uittreksel, J. Kok, Vaderl.
Woordenboek,
op het woord; d. 7, blz. 891, 2<Je TJitg. bn\' J. Allart, 1787.
Aan dit Fort zyn van tijd tot tijd herstellingen gedaan.
Overigens heeft men er hier van gewaagd, niet als van eene histo-
rische Antiquiteit; maar omdat iemand, die opper mansknecht, dat is
zooveel als handlanger zou wezen van hem, die zelf, by een karwei,
-ocr page 118-
107
AANTEEKENINGEN.
de minste der werklieden en bloot hun aandrager is, zeker al heel
weinig beteekent en maar sobertjes zijn brood kon winnen.
Bladz. 9. — Landen te ontginnen.
Bij nalezing komt het m\\j voor, dat ik misschien beter had gedaan,
daarvoor in de plaats te geven:
land aan te winnen
als meer gepast voor de redeneering van den Kikvorsch; dewijl deze
natuurlijk wel veel nadeel kon Inden by het droogmaken van plassen
of drasse gronden, als waardoor het terrein, waarop hg leefde en zich
bewoog, verkleind werd; maar het hem overigens weinig kon schelen,
wat er met die gronden verder werd gedaan, en of die in groen- of
in akkerland werden herschapen. — Wie zich derhalve met mij aan de
tekstuitdrukking eenigszins mocht stooten, gelieve ze op de voorge-
stelde wijze te veranderen.
Bladz. 13. — Zoo ploetren een reisje.
„Ploeteren is in Gelderland plonsen, dompelen, zoodat het water om
de ooren spat; men zegt het van kinders, die in het water morsen
en plassen en vooral van de eenden, als ze in sloot of gracht omtui-
melen en onderdompelen tegen verandering van weer of om zich te
zuiveren en te verfrisschen." — Dus wordt gezegd in het tijdschrift
de Nederlandsche taal, IV, 192 en 193; vergelijk voorts Dr. Te Winkel\'s
Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn, IV, 244 en de Taalgids, I, 291.
Aldaar. — Schiedammer chnick.
De woorden chnick en chnikeur, voor sterken drank en een drinke-
broer,
zh\'n uitdrukkingen, die men in de Fransche armee ieder oogen-
blik hoort en degene onder ons, die onder Napoleon I gediend hebben,
zich nog wel zullen herinneren, \'t Zijn geheel soldateske woorden, waar-
schijnlijk in geen woordenboek voorkomende en wellicht uit de volks-
spraak van eene of andere Natie overgenomen.
Op dezelfde wijze gebruikt men ook wel eens het Engelsche gin en
het Russische wotka.
Bladz. 14. — En als hem nu.
Ik heb, bij het herlezen van dit slot, eenige oogenblikken in beraad
gestaan, of ik aan de Zwaan hier niet haar spraakkunstig geslacht
diende terug te geven. Daar ik echter in de naast voorgaande regels
van het dier als mannetje gewaagd heb en het daarenboven toch
-ocr page 119-
108
AANTEEKENINGEN.
een bloot verdichtsel zij te houden — die in het sterfuur een gezang
aanheft, dewijl de wijfjesvogels, over \'t algemeen, met geen of slechts
een zeer gering zangvermogen bedeeld zijn, zoo heb ik het mannelijk
geslacht, (met toepassing op den man, in tegenoverstelling van het
wWJet) alhier behouden en geoordeeld, dat zulks beter ware, dat den
olor of cygnus mas canens of den mannetjes-zingzwaan in een niet zin-
gend wijfje te herscheppen.
Ik heb later, in andere stukjes, nog wel eens meer dezelfde dichter-
lijke of rijmelende licentie gebruikt; wanneer er namelijk van den
representant of stamhouder eener diersoort sprake was, en vertrouw,
dat men mij dit ten goede zal gelieven te houden; ook handel ik ten
deze niet geheel zonder voorgang.
Aldaar. — Zwanenzang.
Er is over dit onderwerp reeds in oude tijden veel voor en
tegen geschreven, et adhuc sub judice lis est, met andere woorden:
de zaak is nog niet uitgemaakt. Men vindt er uitvoerige en belang-
rijke opstellen over in den Navorscher, als: VI, blz. 367, Vr. 564;
VII, blz. 125, 205, 265 en VIII, blz. 13; waarheen wij kortheidshalve
verwijzen.
Overigens zal het wellicht niet onaangenaam wezen, te vernemen
hoe Socrates er over dacht en welk gebruik hij van deze Legende of
Sage gemaakt heeft, kort vóór zijn dood. — Zij, die de Grieksche taal
machtig zn\'n, kunnen het vinden in den Phaedo van Plato, p. 46 ed.
Wyttenbachii, en dan tevens daarbij nalezen de adnteekeningen van dien
grooten Geleerde op blz. 225 (cf. Cicero Tusc. Disp. 1. 30 ibique Irpp.);
doch voor wien de classieke Literatuur een gesloten boek is, wil ik
hier afschrijven de nauwkeurige vertaling van dat gedeelte des Plato-
nischen dialoogs, zooals ons die door Dr. Burger wordt geleverd op
blz. 82 zijner Nederduitsche uitgaaf:
„En hij, (Socrates), dit hoorende, glimlachte en zeide: Wel foei
Simmias! ik zou inderdaad moeielijk de andere menschen overtuigen,
dat ik de tegenwoordige omstandigheden niet voor een ongeluk houd,
wanneer ik zelfs u daarvan niet overtuigen kon; maar gij vreest, dat
ik mij nu\' minder op mijn gemak bevind, dan in mijn vorig leven:
en, naar het schijnt, kom ik u minder bedreven voor in de waarzeg-
gerjj dan de zwanen, die, wanneer zij merken, dat zij sterven moeten,
-ocr page 120-
AANTEEKEN1N0EN.                                                    109
terwijl zij te voren ook zongen, dan liet meest en het sterkst zingen,
zicli verheugende, dat zn\' zullen heengaan naar den God, wiens dienaars
zü zijn. De menschen daarentegen beliegen wegens hunne vrees voor
den dood ook de zwanen, en zeggen, dat zü, den dood beweenende,
door droefheid al zingende den adem uitblazen, en zn\' bedenken niet,
dat geen vogel zingt, wanneer hü honger of koude of eenige smart
lh\'dt; zelfs niet de nachtegaal, de zwaluw, en de hoppe, die zij zeggen,
dat door droefheid al jammerend zingen; doch ik geloof, dat noch
dezen, noch de zwanen uit droefheid zingen, maar ik denk, dat zij,
aan Apollo toebehoorende, kennis van de toekomst hebben, en het
goede in den Hades vooruit wetende, op dien dag meer zingen en zich
verheugen dan in den vorigen tn\'d; en ik meen ook zelf mededienst-
knecht der zwanen en aan denzelfden God gewijd te zijn, en niet
minder dan zü de gave der voorzegging van münen heer te hebben,
noch met minder goeden moed dan zü uit het leven te scheiden". —
Bladz. 16. — Kolonnedans.
Men moet het gezien hebben, zooals ik dat meermalen in Zee-
land (Staats-Vlaanderen) heb opgemerkt, hoe de muggen er, des
avonds, vooral langs den waterkant, zich niet bü myriaden, maar
bü millioenen, büeenvoegen en dan wiegelend en dansend, als be-
weeglijke zuilen of kolommen tot hoog in de lucht opstegen, om de
hier gebezigde min of meer oneigenlüke uitdrukking kolonnedans te
rechtvaardigen.
Bladz. 17. — Een lantaarn uithangt.
Onder de vele ster thuisgebruiken, nog in zwang of reeds uitgestorven,
behoorde ook dat van het uithangen van een lantaarn aan het huis,
waar zich een doode bevond. Te Deventer duurde dat gebruik voort
tot in den jare 1831, en droeg dat voorwerp de benaming van dooden-
lantaarn
of luchte, welk laatste woord — in het voorbijgaan gezegd —
we terugvinden in het oud-Hollandsch luchter, dat Kiliaan overzet
door candelabrum, en dat door Bilderdü\'k ook nog gebruikt werd, als
onder anderen in zyne Nieuwe Uitspruitsels, blz. 101:
Luchter, maar van licht ontbloot.
Over het genoemde gebruik laat zich de Deventer dichter Jan Van
der Veen volgenderwü\'ze uit:
waarschijnlük wel alleen deze zal zü\'n — zoo de geheele zaak niet voor
-ocr page 121-
110
AANTEEKENINGEN.
„Het is een oudt gebruyk in Deventer ter stede,
En bij den IJssel-stroom meer andere plaatsen mede,
Dat, waar in eenigh huys een dood\' is of een lijk,
Wert uitgehangen een lanteerne tot een blijk;
Ik segge sonder keers, of eenigh licht van binnen.
Wat sulks beduiden wil, kan jeder haast versinnen;
Verhuyst is \'s levenslicht, vertrokken is de ziel;
Ganscli ydel is de romp van \'t geënt hem onderhiel.
Dan is het al bejaaght, geloopen en geronnen,
Dan ie \'t behouden-reys, is maar de ziel gewonnen.
Wat wil men meerder doch, als \'t dagelijksche broodt?
Wat is \'t hier doch op \'t lest, het eindt dat is de doodt."
Vergelijk hetgeen de heer W. Van der Linde Hz., betrekkelijk dit
onderwerp, heeft medegedeeld in den Overijsselschen Almanak voor Oud-
heid en Letteren,
jaargang 1826, blz. 281 volgg., waar men ook de
afbeelding vindt van die lucide. Genoemde Heer deelt voorts daar ter
plaatse nog eenige wetenswaardige bijzonderheden mede over andere
gebruiken van dien aard in eenige oorden van ons Vaderland. Zie ook
den Navorscher, jaargang IX, blz. 72, en vroegere jaargangen van dat
Tijdschrift, aldaar geciteerd.
Bladz. 20. — Scliabberdebonken.
Schabber- of schaverdebonk is in de spreekwijze op of schaverdebonk
hopen,
in eenige oorden van ons land, gebruikelijk voor: klaploopen
of smachtloopen. In sommige streken van Gelderland bezigt men de
uitdrukking op schobberdebonk, ja zelfs op schommeldebonk loopen. Te
Aksel, in Zeeland, zegt men daarvoor op schabbemak gaon; vergelijk
voorts Dr. De Jager, Taalk. Magazijn, deel II, blz. 340, en Archief voor
Nederl. Taalkunde,
deel II, blz. 183; alsmede Kiliaan daar geciteerd.
Bladz. 23. — Een dé lic e op de tafels der grooten.
Toen, na den veldslag btf Waterloo, het legercorps van Z. K. H. Prins
Frederik der Nederlanden, waarbij ik toenmaals diende, nog eenigen
tijd in Frankrijk verbleef, en ik in het Departement du Nord in kan-
tonnement kwam, was ik, gedurende verscheidene achtereenvolgende
weken, ingelegerd op een aanzienlijk kasteel in den omtrek van Douai,
toebehoorende aan een zekeren Graaf de Wavrechin.
Tot de opulente tafelweelde nu aldaar behoorde, van tijd tot tijd,
ook een schotel of schaal met huisjesslakken (caracolles), waar inzon-
derheid de Dame des huizes veel prijs op scheen te stellen, zoodat
-ocr page 122-
111
AANTEEKENINGEN.
men zelfs een eigen kweek of warande dezer diertjes had aangelegd,
gelegen aan den voet van een krp- of kalkgebergte, alwaar zij tierden
en zich vermenigvuldigden. Begeerde men nu een gerecht van die
beestjes, zoo begaf zich een huisknecht, met een besloten korfje, naar
die diergaarde en las van de doornstruiken zoo velen, als hij noodig
oordeelde.
Ikzelf ben, onderscheiden malen daarbij, evenals bij het zoeken van
champignons, tegenwoordig geweest; ofschoon ik aan tafel altoos een
zekere aversie gevoelde om die te nuttigen. Dit laatste evenwel be-
schouw ik van achteren meer als een gril, daar men de laatste ook
in Holland eet en er zelfs alikruiken nuttigt, die trouwens een soort
van huisjesslakken zijn, ofschoon uit de zee.
Dusverre mijn eigen ondervinding. Ik wil er nog op laten volgen
wat ik nopens deze diersoort en haar gebruik vind opgeteekend in
een onzer nuttigste Tijdschriften, te weten het Album der Natuur,
Jg. 1858, 4de Afl., alwaar ik, onder het opschrift Landslakken tot Spijze,
onder anderen lees:
„Op de Spaansche markten, het overvloedigst op die van Murcia en
Valencia, ziet men eene waar, die in Noord-Duitschland hoogst zeld-
zaam is, in de grootste hoeveelheid en verscheidenheid ter verkoop
aangeboden: slakken namelijk (caracoles). —
„Men stooft in Spanje deze slakken, vooral de bergslakken, met het
slakkenhuis in geurig vleeschnat en slurpt by het eten het gansche
dier met zijn mond uit het huisje uit." — Waaronder dan in eene
noot nog volgt:
„Ik heb de karakol op enkele buitenplaatsen in Holland en Fries-
land in het bosch geplant gezien. In het zuiden van Duitschland dient
zij vooral ook in den Vastentijd tot voedsel."
„In Zeeland en Staats-Vlaanderen eet men ook wel de alikruik — ;
maar dit is een hoornslak, die in zee te huis hoort."
Aldaar. — Geheele kweeken.
Het woord kweek alhier gebezigd, \'t zij dat het een woord op zicb-
zelf zn\', of wel eene verkorting van kweekerij, wordt dikwerf in Gel-
derland gehoord. Men zegt het van dieren, en dan is het synoniem
met diergaarde of warande; ook bezigt men het voor een aankweeking
bijv. van jonge heesters, als wanneer het gelijk staat met plantsoen.
-ocr page 123-
112
AANTEEKEN1NGEN.
Dit woord nu komt in geen onzer gebruikelijke woordenboeken voor;
ik weet echter niet, of wel veel verschooning voor het gebruik er van
behoeft gevraagd te worden. — Vergelijk Bilderdijk in zijne Geslachts-
Hjst, in voce.
Bladz. 26. — Be kalikoetsche haan.
„De kalkoenen zijn in den jare 1528, door een schip van Zierikzee,
uit de Indië in Zeeland gebracht. — In Vlaanderen heette men deze
vogels nog in de vorige eeuw Kalkoetsche hoenderen, van Calcuüa, in
Indië. en vandaar ook onze naam van Kalkoenen." Aldus J. Seheltema,
Geschied\' en Letterk. Mengelwerk, deel 4. 2. blz. 258, die voorts verwijst
naar Meerman, aant. op De Groot, Parall. II, 287, en Van Wijn, Huiszittend
leven,
II, 90. — Zie verder nog Bilderdijks Geslachtslijst in v. Kalkoen.
Bladz. 28. - Bolleboos.
Bolleboos noemt men te Zwolle en in de omstreken, een hachje,
haantje de voorste, een gastje, een snaak, een ondeugende, baldadige
knaap, waar men min of meer bang voor is en dien men liefst uit
den weg gaat.
Het woord kan, dunkt mij, niet gehouden worden voor eene otnzet-
ting van booze bol; eerder zie ik het aan voor eene verbastering van
het oude berlébos, voor duivel. Zie daarover Mr. L. Ph. C. Van den
Bergh, Proeve van een critisch Woordenboek der Nederl. Mythologie,
blz. 12, 36 en 276 en de daar aangehaalde Schrijvers.
Bladz. 29. — Blauw blauw laten blijven.
Met betrekking tot deze zegs- of spreekwijze verhaalt men de vol-
gende anekdote:
Een zeker burgerman, die een kleine winkelnering deed en, onder
meer andere dingen, ook bezemstelen verkocht, liet op een boven de
deur geplaatst bord het volgende opschrift zetten:
Groote stelen en kleine stelen ook.
De Eegeering der stad zijner inwoning, die inscriptie wat ergerlijk
vindende, liet den winkelier voor zich komen en gelastte hem, die te
veranderen.
Genoodzaakt, hieraan te voldoen, haalde onze vriend de woorden
door en zette er onder:
Op order der Heeren van het Stadhuis,
Is dat van de
oroote stelen abuis.
-ocr page 124-
118
AANTEEKENINGEN.
Andermaal ter verantwoording geroepen en gereprimandeerd, o ver-
streek hij het bord met blauwe verf, en gaf daarop het volgende
bijschrift in de plaats:
Om met de Heeren niet langer te kijven,
Zullen we alles maar blauw blauw laten blijven."
—
— Si non ê ver o, e bene trovato !
Bladz. 30. - Kukeleku.
Dit woord, ontleend aan of gevormd naar het gekraai van den huis
haan, is een onomatopoioumenon; men hoort het dikwuls in Gelder-
land, vooral uit den mond der kinderen; ook past men het toe op
den haan zelven.
Ook in Duitschland is het in gebruik, zooals, onder anderen, bln\'kt
uit een lief stukje van den dichter Heinrich Heine, voorkomende op
blz. 145 van het Buch der Licder, uitg. Binger:
„Mein Kind, wir waren Kinder,
Zwei Kinder, klein und froh;
Wir kroehen in\'s Hühnerhüusehen
Versteckten uns unter das Stroh.
Wir kranten wie die Hiihne,
Und kamen Leute vorbei —
Kikerekilh! sie glaubten,
Es ware Hahnengeschrei.
Die Kisten auf unserem Hofe
Die tapezirten wir aus,
Und wohnten d\'rin bedammen,
Und machten ein vornehmes Hans.
Des Naehbars alte Katze
Kam öfters znm Besuch;
Wir machten ihr Bückling\' und Knixe
Und Cumplimente genug.
Wir haben nach ihrem Befinden
Besorglich und freundlich gefragt;
Wir haben seitdem dasselbe
Mancher alten Katze gesagt.
Wir sassen auch oft und spraehen
Vernünftig, wie alte Leut\',
Und klagten wie Alles besser
Gewesen zu unserer Zeit;
-ocr page 125-
114
AANTEKKENINGEN.
Wie Lieb\' und Treu\' und Glauben
Verachwunden aus der Welt,
Und wie so theuer der Katt\'ee,
Und wie so rar das Geld! — — —
Vorbei sind die Kinderspiele
Und alles rollt vorbei,
Das Geld und die Welt und die Zeiten,
Uud Glauben und Lieb\' und Treu\'."
Dit stukje is door mün Zoon aldus vertaald of gevolgd:
„Lief Kind, wij waren kindren.
Twee kindren, blijde en drok;
Wij klommen in den hooiberg
Of in het hoenderhok.
Wij kraaiden als de hanen,
En ieder, die \'t vernam,
Dacht dat er hanen schreeuwden
En niet, dat \'t van ons kwam.
Wij maakten van de kisten
Op zolder een gebouw,
Versierden het en woonden
Daarin als man en vrouw.
Vaak kregen wij bezoeken
Van \'s buurmans oude kat;
Dan stonden we op en bogen
Voor haar een keer of wat.
Ook vroegen wij heel zorglijk
En vriendlijk, hoe ze \'t had;
Wij vroegen later \'t zelfde
Aan menige oude kat.
Soms spraken we ook heel ernstig
Van onzen tijd en toen,
En klaagden dat men vroeger
Veel minder had van doen;
Dat trouw, geloof en liefde
Op aarde zijn verkort,
Eu dat de koffie duurder
En \'t geld zoo zeldzaam wordt.
Voorbij zijn onze spelen
En onze kindervreugd,
Het geld en de oude tijden,
Geloof, trouw, liefde en deugd."
-ocr page 126-
115
AANTEEKENINGEN.
Bladz. 31. — Met een slijfer.
Slijf-er van slvjfen of sliff\'en, dat het frequentatief slijferen of slifferen
vormt, overeenkomstig met het Hoogduitsche sch/eifen, glijden en schlei-
fer,
wals. Slijferen heeft de beteekenis van dansen, inzonderheid van
walsen.
Bladz. 37. — Lavendels.
\'t Is bekend, dat men dit woord, althans in sommige oorden van
ons Land, bezigt voor lappen, lorren, strooken, deniers van linnen,
katoen en andere lichte stof, die afgescheurd of afgevallen zijn en
door zuinige huismoeders bewaard worden, om ze later te verpassen.
Vandaar het woord Lavendeldoos voor lappedoos. — Dusverre het ge-
bruik der beide woorden, zooals mü die uit het dagelijksche leven in
het geheugen liggen.
De Geleerden zn\'n het echter ten deze niet eens en geven er ver-
schillende verklaringen van, zooals men zien kan in den Navorscher,
VIII, blz. 48; VII, blz. 95; Vr. 125 en blz. 252, 330.
Bladz. 41. — De kleine blagen.
In Gelderland en Overysel hoort men dit woord dikwerf, inzonder-
heid door den gemeenen man, bezigen voor kleine kinderen, vooral wan-
neer ze wat luidruchtig vallen en der moeders handen vol werk geven.
\'t Is een provincialisme, in geen der mü bekende Woordenboeken
opgeteekend; men verneemt het ook uit den mond der Duitschers,
die om en nabij onze grenzen wonen.
Sommige lieden verwisselen het wel eens met of beschouwen het
als \'t synoniem van plagen; doch dit is mis: alle kinders zn\'n geen
plagers, en omgekeerd alle plagers zn\'n geen kinderen.
Dr. Halbertsma geeft de afleiding van het woord in zijn Overiïjsselsch
Woordenboekje;
vergelijk voorts het Tijdschrift de Nederl. Taal, II,
197; alwaar ook een aanhaling geschiedt uit een versje van den Heer
Gewin, in hetwelk het woord voorkomt.
Aldaar. — De Aanricht.
Aanrecht of aanricht, voor aanrichttafel, aanrichtbank, in \'t Fransch
dressoir, is Overijselsch en Geldersch; in Holland zegt men rechtbank.
Welke der twee woorden nu verkieslijker zy, mogen onze Puristen
uitmaken; wellicht kunnen ze beide zeer goed naast elkander bestaan.
Bladz. 42. — Daar kivam er eens een Meisje enz.
-ocr page 127-
116
AANTEEKENINGEN.
Als reminiscentiën uit vorige jaren en tot afwisseling tevens van
het vaak droge dezer Aanteekeningen zy het mij vergund, met betrek-
king tot de drie alhier bedoelde Volksliederen of Dansdeunen, het vol-
gende mede te deelen:
De eerste behelst eene zinspeling op het bekende Liedje van het
Scheveningsdte Visdimeisje,
waarvan, meen ik, het begin aldus luidt:
„Daar kwam er eens een meisje van Scheveningen aan,
Zij droeg er een mandje met visehjes belat\'m,
En riep: voor gewis!
Wie koopt er mijn visch?
\'k Heb hanen en rogge, die levendig is." —
De tweede heeft tot onderwerp een Boerenvrijage, die, als ik het
wel heb, volgenderwijze begon:
„Jan, koop mij een kermis! —
Mooi Meisjeu, ik heb er geen geld:
Ik zou je wel een kermis koopen,
Maar \'t geldjen is door mijn zak gedropen. —
Jan, koop mij een kermis! —
Mooi Meisjen, ik heb er geen geld." —
De derde eindelijk is een Kermislied, dat in mijn vroege jeugd, op
de kermissen en jaarmarkten in Gelderland, en zeker ook wel elders,
werd opgesneden, waarby dan tevens door den Zang-Virtuoos een
prent werd ontrold, waarop de verschillende avontuurlijke lotgevallen
van een zekeren Pierlala waren afgebeeld, die door den Zanger achter-
eenvolgens werden aangewezen. — Ik heb van dat in zijne soort niet
onaardige en voor zyn tijd niet onzedelijke Lied, tot mijn spgt, alleen
maar het eerste couplet onthouden, dat ik hier laat volgen:
„En Pierlala lei in de kist,
Met bei zijn billetjes bloot;
Hij kroop er uit, schoon niemand wist,
Of Pierlala was dood:
Hij werd begraven met de trom;
De klokken die luidden van bi, ba, bom.
Ha, ha! zei Pierlala, ha, ha!
Ha, ha! zei Pierlala. —
Bladz. 43. — Smousensik.
Sik voor baard is bekond, maar minder bekend is het, dat de geit,
in Overjjsel en Gelderland sik geheeten, daarvan dien naam draagt.
-ocr page 128-
117
AANTEEKF.NINGEN.
Vergelgk voorts de Nederl. Taal IV, 193, waar ook de uitdrukking
smousensik besproken wordt.
Bladz. 48. - Toom.
Onder een toom kippen verstaat men een zes- of twaalftal met een
liaan, eigenlijk een broedsel. Het komt van tiegen, tygen, opvoeden,
opbrengen, (zie Dr. Te Winkels Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn,
II, 51) waarvan by Bilderdyk opgetogen, voor opgetrokken, opgevoed;
zie Dr. De Jagers Proeve over den invloed enz. blz. 211.
Bladz. 49. — Beverazie.
De uitgang age (aadje) wordt in Gelderland, Overysel en elders uitge-
sproken als asie, by v. beverazie, voerazie enz. voor beoerage, voerage. Beve-
ruzie
heeft in die gewesten de beteekenis van de koude of rillende koorts.
Zie verder over dit onderwerp Dr. Te Winkel in den Taalgids, I,
217, met wiens uitspraak ik my best kan vereenigen.
Bladz. 50. — Haar kuikens — in den dop te versmoren.
„Welk eene akelige weelde was het aan het Hof van Lodewyk XV,
toen de ongeboren vrucht van dieren en vogelen, (les innocents,) een
geliefd toevoegsel uitmaakte in ragouts en soepen." - Dus lezen wy bij
J. Scheltema in zijn Geschied\' en Letterk. Mengelwerk, deel 4, 2, blz. 248.
Dat vroeger niet alleen aan het Fransche Hof de zoogenaamde Inno-
centjes
gebruikt, maar ook zelfs hier te Lande onder de délices van
eene Vorstelijke tafel werden gerangschikt, daartoe diene de volgende
anekdote:
In de provincie Gelderland, en wel in het dus geheeten Graafschap,
leefde voor eenige jaren op zyn buitengoed de Baron van H. tot N.,
die zeer gezien was bij den Stadhouder, Prins Willem V, by wien hy
dan ook jaarlyks zijne opwachting ging maken en alsdan gewooniyk
ter tafel werd genoodigd.
Nu gebeurde het eens, by zoodanige gelegenheid, dat hy, naast zyne
Hoogheid gezeten, onder meer andere exquise gerechten, die opgedragen
werden, onmiddeliyk vóór den Prins een schotel met innocmtjes zag
geplaatst, zonder ze evenwel als zoodanig te herkennen. — En toen
nu de tafelorde meebracht, dat ook deze zouden geëntameerd worden,
diende de Stadhouder hem persoonlijk een dier versnaperingen voor,
die hy echter, om hare walgeiyke lafheid, glad- en glibberigheid,
moeite had binnen te loodsen, althans binnen te houden, zoodat hij
-ocr page 129-
118
AANTEEKEN1NGEN.
zich genoodzaakt zag, den onwelkomen gast, door \'t gebruiken van
een stuk brood en een teug wijn te consigneeren.
Een en ander nu werd oorzaak, dat hij volstrekt niet op zijn gemak
was, maar \'t vrij benauwd kreeg, zoodat hem aan ieder haar bijna
een zweetdroppel hing.
De Prins nu, veinzende zulks niet op te merken, of wel vermaak
scheppende in hem te plagen, vroeg weldra of h\\j hem nog een ivno-
ccntjr
mocht dienen. Maar de Edelman, het raadzaam oordeelende, een
eventueel schandaal te voorkomen, gaaf kordaat ten antwoord: „Ik
dank Uwe Hoogheid, en het zou mfl ook ondoenlijk wezen, er nog
éón te nuttigen, al konde ik er zelfs den Hemel mee verdienen; want
zooeven dacht ik geen anderen dood te sterven." —
Men meent voor de waarheid dezer anekdote te mogen instaan\'
naardien ze door een geloofwaardig getuige, uit den mond zelf van
den Baron, is opgeteekend.
Bladz. 52. — De Stekelbaars is van gezelligen aard. —
In het Album der Natuur, Jaargang 1858, 7de Afl., vind ik een
opstel van den Heer J. L. C. Schroeder van der Kolk, getiteld de Moe-
derliefde in dn Natuur;
en ontleen daaruit, bijwn\'ze van uittreksel, het-
geen die Hoogleeraar o. a. zegt met betrekking tot den Stekelbaars:
„Eenige soorten van stekelbaarzen vervaardigen zelfs nesten, even-
als de vogels, waarin dan de eieren worden gelegd.
„Het mannetje bouwt een overwelfd nest, uit plantenvezels en
draadwieren, en lijmt deze vast met het sln\'m van zijn lichaam. — Is
dit verricht, dan zoekt h\\j onder de naburige visschen van zijne soort
eene bruid uit, — en geleidt haar naar zijn nest als eene bruids-
kamer, waarin dan de eieren worden gelegd. Enz."
Zün Hooggeleerde heeft deze beschrijving nog meer aanschouwelijk
gemaakt, door bijvoeging van een paar houtsneeplaatjes, tot de nier-
voor beschreven verrichting betrekking hebbende.
Bladz. 61. — De. Don-Antonioos.
Don Antonio Magino was in zijn tijd een vermaard Wiskundige en
Astrologist, die vroeger in onze ouderwetsche en doodeenvoudige huis-
almanakken eene voorname rol speelde met zijn, althans op zijn naam
gedebiteerde, weervoorspellingen en andere prognostikatiën; zoodat zelfs
zijne beeltenis, met den doctoralen hoed op het hoofd, op den titel
-ocr page 130-
119
AANTEEKENINGEN.
dier Jaarboekjes placht te paradeeren. Zijn gezag is echter allengs afge-
nomen, derwijze dat niet alleen zijn portret is te zoek geraakt, maar
het meer jeugdige menschengeslacht ternauwernood weet, dat mj
ooit heeft bestaan en zoo veel krediet eens onder ons heeft gehad.
Men vindt over dezen Astrologist een Artikel bij Bayle, aldus b\\j
verkorting luidende:
„Magin (Jean Antoine) Professeur en Mathématique dans 1\'Université
de Boulogne, étoit de Padoue. Il publia beaucoup de Livres d\'Astrono-
mie; et il s\'attacha-entièrement a faire des Horoscopes. On pretend
qu\'il réussissoit a merveilles dans ces sortes de prédictions, et qu\'il ne se
trompa point sur son propre Pronostic. L\'Empereur Rodolpbe ne pouvant
1\'attirer a Vienne, oïi il lui voulait donner une Chaire de Professeur,
ne laissa pas de 1\'honorer d\'une fort bonne pension. — Il étoit si gros
et replet, qu\'il ne faut pas s\'étonner qu\'il soit mort d\'apoplexie. Ce fut
1\'onzième de Février 1617. Il étoit dans sa soixante et deuxième année.
Il eut trois fils et une Alle."
Bladz. 63. — Grammottig.
Grammotlig, ook grammidig en grimmotüg, hoort men in Overysel
gebruiken voor verstoord, knorrig, gemelijk, gram van gemoed, gram-
moedig; zie Dr. Te Winkels Nieuw Nederl. Taalmagazijn, III, 134.
Bladz. 64. — Ouden Cloviso.
(Jlovis, als bekend, was de eerste koning der Franschen, en wel tegen
het einde der vijfde Eeuw. — Zie Précis de l\'Histoire des Frangais, par
Simonde de Sismondi (éd. de Bruxelles, 1839) tome I. p. 21 et 55.
Onze zinspeling op dien naam, hier ter plaatse, heeft echter geene
verdere strekking, dan alleen om er een zeer ouden, belegen, lyvigen
whn door aan te duiden; en in dien zin wordt het woord Cloviso dan
ook wel eens in den familiaren stn\'1 en in de conversatie gebezigd.
Bladz. 66. — Gebruikt deze al dikwerf\' de spraak.
\'t Is bekend, dat één der meest geslepen Staatslieden en Diplomaten
van Frankrijk in de latere tijden, Talleyrand, placht te zeggen: La
parole a élé donnée d l\'homme, pour déguiser ses sentiments,
of de mensch
heeft het spraakvermogen gekregen, om te bewimpelen wat hij denkt;
en
zoo iemand, dan heeft zeker hijzelf herhaalde malen, bh\' Conferentiën
en Congressen, getoond, dat hij zich meesterlijk van dezen stelregel
wist te bedienen.
-ocr page 131-
120
AANTEEKENINGEN.
Men ziet, dat men daarop, te dezer plaatse en bh\' het voorloopig be-
spreken van Reintjes sluwe en verraderiyke inborst, heeft gezinspeeld.
Ze is echter, ofschoon eenigszins gewijzigd, niet nieuw, maar zoo
oud als de Diplomatie zelve, of liever zoolang er huichelaars en
mooipraters op aarde zü\'n geweest. — Immers reeds bh\' Homerus, Wad,
[X, vs. 312, vaart de hevige, maar oprechte Achilles, in de volgende
bewoordingen, tegen deze dubbelhartigheid uit:
„Ik haat hem als den dood, wiens lippen anders spreken,
Dan hij in \'t binnenst\' van zijn hart besloten houdt."
Ook vinden wij bij Sallustius, in zjjn Bellum Catilinarium, c. X, met be-
trekking tot het verval der zodelykheid by de Romeinen o. a. geschreven:
„Ambitio multos mortalos falsos fleri subegit; aliud clausum in
pectore, aliud in lingua promptum habere; amicitias inimicitiasque
non ex re, sed ex commodo aestumare; magisque vultum, quam inge-
nium bonum habere."
dat is, volgens de vertaling van prof. Ten Brink:
„De eerzucht dwong vele menschen, bedriegers te worden; iete anders
in het hart, iets anders op de tong te voeren; vriend- en vijandschap
niet naar derzelver eigenlijke waarde, maar naar het voordeel te waar-
deeren; en meer braafheid op het gelaat, dan in het hart te hebben."
Bladz. 71. — Een wandlend graf.
Wanneer deze uitdrukking gebezigd werd in een ernstig of deftig
geschrift, zou men ze terecht voor gezocht, bombastisch, brommend, ge-
zwollen, onnatuurlijk
en in alle gevalle voor hoogst berispelijk houden;
want wandelende graven zijn er niet, of men moest daarvoor willen
aanzien de lijkkoetsen of lijkwagens. — Ze behoort dan ook tot de zoo-
danige, die door een groot Redekunstenaar of Kunstrechter der Oudheid,
Longinus, in zyn gulden Boeksken over de Verhevenheid, hoogeln\'k wor-
den afgekeurd, en wel in het derde Hoofdstuk, handelende Over ijdele
opgezwollenheid, het kinderachtige en verkeerd hartstochtelijke,
alwaar hij,
blz. 21 der vertaling door prof. Siegenbeek, aldus spreekt: „Vandaar
ook verwekken de woorden van Gorgias, den Leontiner, een algemeen
gelach, wanneer hy Xerxes den Jupiter der Persen en de gieren be-
zielde graven
noemt."
Maar in een burlesk vers of rympje, dat meer ten doel heeft, de
-ocr page 132-
AANTEEKENINGEN.                                                    121
lachspieren op te wekken, dat tot ernst te stemmen, zal men het
mh\'ns inziens niet geheel misplaatst vinden, althans ik heb, b\\j de
herlezing er van, geen genoegzame reden gevonden, om het te ver-
anderen.
Bladz. 73. — Op en top.
Het koppelwoordje en werd vroeger ende geschreven, vandaar schreef
men op ende op, op ende uit, om ende om, over ende over enz.; door
de smelting van de klinkers e en o in elkander, werd op ende op, op
ende wit
enz. in de uitspraak niet anders gehoord dan als opentop,
openduit,
hetwelk oorzaak werd, dat men in deze uitdrukkingen de
lettergreep en ging aanzien voor eene verkorting van het lidwoord een
en ze verklaarde door op een top, op een duit; dus bh\' Huygens in een
zijner Sneldichten, getiteld: Op Klaers Contrefeitsel (uitg. Bilderdijk,
IV, 199, Sneldicht 151):
„Sohriokt niet, die onvoorsiens dit Beeld in handen krijght:
\'t Is Klaer klaps op een duyt: maer de natuer ligt onder,
De konst heeft d\'overhand: siet wat een werck van wonder,
Wat een geluck; sy staet als of sy leefd\', en swijght."
waarop door Bilderdijk aangeteekend wordt — Aanteckeningen, VI, 322 —:
„Men weet thans (hoop ik) dat deze uitdrukking is op ende uyt; d. i.
in volkomenheid, door en door." Evenzoo verklaarde men op en top
door op een top, en als men dus zei, dit of dat meisje is op en top
het evenbeeld harer moeder, voor volkomen, gansch en al, dan betee-
kende dit, beweerde men, zij is op een top hare moeder. — Onder onze
taal- en letterkundigen, die er werk van gemaakt hebben, om de ver-
keerde voorstelling, die men zich van deze en dergelijke spreekwazen
maakte, tegen te gaan, is Mr. Zacharias Hendrik Alewijn, meen ik,
de eerste geweest, die er breedvoerig over handelde; zie de Werken
van de Maetsch van Nederl. Letterkunde te Leyden,
1772, I, 101 en
102, en Nicolaas Hinlopen, aldaar blz. 117; zie voorts nog Dr. Te
Winkels Nieuw Nederlandsch Taalmagazijn, III, 252 op om-ende-bij, en
de schrh\'vers aldaar geciteerd, alsmede Dr. N. Beets in Dr. De Jagers
Archief voor Nederl. taalkunde, III, 311.
Bladz. 74. — Quickmarch.
Het alhier gebezigde Engelsche woord behoeft bh\'na geene ophel-
dering; alleen dit: dat het bij de Engelsche Infanterie gebruikt wordt
-ocr page 133-
122
AANTEEKEN1NGEN.
om er den looppas door aan te duiden, by welke gelegenheid de
soldaat het geweer over den schouder neemt en zich op een sukkel-
drafje voortspoedt.
Blaclz. 77. — bonzende hart — murmelende lippen.
Er is een tijd geweest, nog niet bijster lang geleden, dat in onze
dichterlijke Literatuur, en vooral in de zoogenaamde sentimenteele of
yiooi\'lspoëzie, de woorden hierboven vermeld aan de orde van den dag
waren en, zoo het schijnt, om effect te maken gebruikt werden. —
Gelukkig, dat er weldra een nieuwe dageraad voor de Nederlandsche
poëzie is aangebroken, en een Bilderdyk, Wiselius, Da Costa en andere
corypheeën onze taal van dien klinkklank en meer andere brommende
en bombastische uitdrukkingen hebben gezuiverd. — Men zie over een
en ander den voor zijnen tijd vernuftigen en geestigen A. Pokke Sz.
in zijn Modernen Helicon.
Bladz. 78. — Geliefd en gekust.
Ik had hier het oog op het navolgend aandoenlijk dichtstukje van
Schiller, getiteld: Des Mddchem Klage :
Der Eicliwald brauset
Die Wolken ziehn;
Das Miigdlein sitzet
An Ufers Grim;
Es bricht sich de Welle mit Macht, mit Macht,
Und sie seufzt hiuaus in die finstre Nacht,
Das Auge voin Weinen getrübet.
„Das Herz ist gestorben;
Die Welt ist leer,
Und weiter giebt sie
L>eni Wunsche nichts mehr.
Du, Heilige, rufe dein Kind zurück!
Ich habe genossen das irdische Glück,
Ich habe gelebt und geliebet!"
Es rinnet der Thrauen
Vergeblicher Lauf;
Die Klage, sie wecket
Die Todten nicht auf;
Doch nenne, was tröstet und heilet die Brust,
Nach der sussen Liebe verschwundener Lust,
Ich, die Himmlische, will\'s nicht versagen.
-ocr page 134-
123
AANTEEKEKINGEN.
„Lass rinnen der Thriinen
Vergeblicher Lauf;
Es wecke die Klage
Den Todten nicht auf!
Das süsseste Glück für die traurende Brust,
Nach der schonen Liebe verschwundener Lust,
Sind der Liebe Sehmerzen und Klagen."
Dit Lied is door prof. Lulofs vrü vertaald (zie zyn werk over
Nederl. Spraakkunst, Stijl en Letterkennis, bl. 469 der uitg. van 1831):
Het stormt in de eiken;
Woest huilt het noord;
Droef zit het Maagdsken
Aan \'s landstrooms boord;
De golven steigren al schuimend omhoog;
Ten donkeren nacht staart zij in met een oog,
Gezwollen van bittere tranen.
„Het hart is gestorven,
En ledig de aard\';
Wat biedt mij de wereld
Meer wenschenswaard?
Roept tot u weer, o Heiige, roep tot u weer uw kind!
\'k Was gelukkig en zalig, \'k heb geleefd en bemind,
\'k Heb het zoetste der aard\' mogen smaken."
De tranenstroom biggelt
Vergeefs van de koon;
Geen klaagtoon wekt immer
De sluimerende doön;
Maar noem mij, wat balsem kan gieten in \'t hart,
Dat treurt om de ontslaapnen, dat wegkwijnt in smart,
Ik, de Hemelsche, zal \'t u niet weigren.
„Laat bigglen de tranen
Verge9fs van de koon,
Geen klaagtoon wekke immer
De sluimrende doón;
De lieflijkste balsem voor \'t minnende hart.
Dat treurt om de ontslaapnen, dat wegkwijnt in smart,
Zijn de tranen der liefde om de ontslaapnen."
Bladz. 84. — Omzonst.
Het woord om zonst wordt door Bilderdnk gebruikt voor om niet,
tevergeefs;
zie de plaatsen, aangehaald door Dr. De Jager, Proeve over
den invloed
enz., blz. 192. Kiliaan zegt om sunst, frustra, gratis; het
Hoogduitsch heeft in dezelfde beteekenis umsonst.
-ocr page 135-
124
AANTEEKENINGEN.
Bladz. 86. - Woldrig.
Dat men hiermede bedoelt het woldragende schaap, is bekend en
wordt ten overvloede opgehelderd door \'t geen onmiddellijk volgt. -
Kr zijn in onze taai een menigte woorden, die met dat drkj (van \'t w. w.
dragen) eindigen. Zoo heeft men b. v. vaandrig, vaandeldrager; wapen-
drig,
wapendrager, en het hier gebezigde woldrig, die alle nog in zwang
zijn en, onder anderen, gebezigd worden door Bilderdijk. Andere zjjn
verouderd of worden niet meer, althans zelden, gebruikt.
Men kan, desverkiezende, nalezen wat Hoogstraten c. s. er over
heeft bijgebracht in zijn Woordenlijst, in v. Vlam. Doch vreemder en
barbaarscher samenstelling zal men ten deze wel niet licht aantreffen
dan \'t woord huisdrig of het daarvan afkomende huisdrigsch (de huysdrig-
sche slecke),
dat by denzelfden.Lexicograaf voorkomt in voce Slek.
Bladz. 87. — Knabb/end en zabblend.
Zabbe/en of, door verwisseling van l en r, sabberen is het frequem
tativum van zabben; zabben, zoowel als zabberen, beteekent bn\' onze
oude schrijvers nu eens zeveren, als by Bredero:
De schaapjes sabb\'rend knabb\'len
Het groene grasjen of.
dan eens likken, zoenen, als by Visscher:
Mijn liefken, laet ons met soenen en sabbeti
Ons leven verslijten.
Vandaar ook gezabber voor gezoen by Bilderdijk, als:
„Maar geen gezabber meer. en weg die handen daar."
Vergelijk voorts Dr. De Jager over de werkwoorden van herhaling
enz. bladz. 149; Proeve over den invloed enz., blz. 158, en A. C. Oude-
mans, Woordenboek op de Gedichten van Bredero, blz. 318 en 319.
Na het lezen van bovenstaande Legende, zal men wellicht nog wel
eens terloops willen inzien wat ik, eenigen tyd geleden, met betrek-
king tot het Lam op my\'ne manier fantaseerde:
HET LAMMETJE.
„Wat wil toch die droevige traan op uw wang;
Wat wil er dat snikkend gezucht ?
Hoe ziet gij zoo deerlijk, zoo treurig, zoo bang,
En vult met uw klachten de luoht?
Lief Meisje, hoe slaat gij den blik zoo omhoog,
Als zocht gij uw troost aan den Hemelschen boog?"
-ocr page 136-
125
AANTEEKENINGEN.
Ach, Heerschap! het liefst, dat ik had op der aard\',
Mijn lust en mijn vreugd, al den tijd,
Een gift mijner Moeder, zoo dier mij en waard,
Ik raakte \'t op gisteren kwijt:
Te recht zijn mijne oogjes van \'t schreien nu rood;
Mijn speelnoot, mijn hagelwit lammetje is dood!
„Lief Kindje, ik voel deernis en deel uw verdriet;
Een diertje ook kin waard zijn aan \'t hart:
Ik wraak uwe traantjes en zuchtjes dus niet;
Zij tuiden van innige smart;
Maar buig\' zich uw zieltje zoo troostloos niet neer!
Wellicht krijgt ge een ander mooi lammetje weer."
Neen, Heerschap! zoo lief en zoo teer en zoo zacht,
Kwam nergens me een twetde nog voor;
Zoo hupplend en speelziek, zoo sneeuwwit van vacht,
Geen een, als ik gistren verloor;
En kreeg ik een ander ook weer mettertijd,
Ik ben toch mijn zoetelief lammetje kwijt.
Zoo treurde en zoo steende en zoo jammerde \'t kind,
Met paarlende traantjes in \'t oog,
En kreet zich de lichtblauwe blikkers schier blind
Van droefheid, die \'t zieltje overtoog;
Totdat er de slaap zijn verkwikkingen bood,
En eindlijk gedienstig haar wimpertjes sloot.
En als nu het meisje uit haar sluimring bekwam
En opkeek in \'t rond en nabij,
Toen stond daar een spierwit en wonderschoon lam,
Met bloemen bekranst, aan haar zij;
Dat zond er de Vreemdling, geroerd door haar smart,
Tot zalving der wonde van \'t jeugdige hart.
Bladz. 93. — De Nachtegaal.
Het versje op den Nachtegaal zou, bü de rest vergeleken, wel zoo
wat als een hors d\'oeuvre kunnen beschouwd worden. Doch, hoe
het hiermede zü en hoedanig overigens de waarde of onwaarde er
van wezen moge, men geeft het hier bloot als hekkesluiter van een
Rijmbundeltje, dat waarschijnlijk bü de opening van het lieve Voor-
jaar aan het beschaafd Publiek zal worden aangeboden; en als zoo-
danig vinde het dan bij menigeen een transeat cum cet&risl — Ik
kan mrj niet weerhouden, alhier nog over te nemen de schoone
-ocr page 137-
126
AANTEEKENINGEN.
en uitgewerkte lofspraak van den grooten Buffon op den Grootvorst
der woudzangers, daar hij in zijn ontsterfljjk werk {Histoire naturelle
des Oixeaux, Art. Rossignol) zich in de navolgende, verhevene en wei-
sprekende taal over hem uitlaat:
„Il n\'est point d\'homme bien organisé, a qui ce nom ne rappelle
quelqu\'une de ces belles nuits de printemps oü Ie ciel étant serein, 1\'air
calme, toute la Nature en silence, et pour ainsi dire, attentive, il a
écouté avec ravissement Ie ramage de ce chantre des forêts. On pour-
roit citer quelques autres oiseaux chanteurs, dont la voix Ie dispute
;ï certains egards a celle du rossignol; les alouettes, Ie serin, Ie pin-
son - — — se font écouter avec plaisir, lorsque Ie rossignol se tait:
les uns ont d\'aussi beaux sons, les autres ont Ie timbre aussi pur et
plus doux, d\'autres ont des tours de gosiers aussi flatteurs; mais il
n\'en est pas un seul que Ie rossignol n\'efface par la réunion complete
de ces talens divers, et par la prodigieuse variété de son ramage; en
sorte que la chanson de chacun de ces oiseaux, prise dans toute son
étendue, n\'est qu\'un couplet de celle du rossignol: Ie rossignol charme
toujours, et ne se répète jamais, du moins jamais servilement; s\'il
redit quelque passage, ce passage est animé d\'un accent nouveau,
embelli par de nouveaux agrémens; il réussit dans tous les genres;
il rend toutes les expressions; il saisit tous les caractères, et de plus
il sait en augmenter 1\'effet par les contrastes. Ce coryphée du prin-
temps se prépare-t\'il a chanter 1\'hymne de la Nature, il commence
par un prélude timide, par des tons faibles, presque indécis, comme
s\'il vouloit essayer son instrument et intéresser ceux qui 1\'écoutent;
inais ensuite prenant de 1\'assurance, il s\'anime par degrés, il s\'échauffe,
et bientöt il déploie dans leur plénitude toutes les ressources de son
incomparable organe: coups de gosiers éclatants; batteries vives et
légères; fusées de chant, oü la netteté est egale a la volubilité; mur-
mure intérieur et sourd qui n\'est point appréciable a 1\'oreille, mais
très-propre a augmenter 1\'éclat des tons appréciables; roulades préci-
pitées, brillantes et rapides, articulées avec force et mème avec une
duretc de bon gout: accens plaintifs cadencés avec mollesse, sons files
sans art, mais enflés avec ame, sons enchanteurs et pónétrans; vrais
soupirs d\'amour et de volupté qui semblent sortir du coeur et font
palpiter tous les coeurs, qui causent a tout ce qui est sensible une
-ocr page 138-
127
AANTEEKENINGEN.
émotion si douce, une langueur si touchante: c\'est dans ces tons pas-
sionnés que 1\'on reconnoit lo langage du sentiment qu\'un époux heu-
reux adresse a une compagne chérie, et qu\'elle seule peut lui inspirer,
tandis que dans d\'autres phrases plus étonnantes peut-être, mais moins
expressives, on reconnoit Ie simple projet de 1\'amuser et de lui plaire,
ou bien de disputer devant elle Ie prix du chant a des riveaux jaloux
de sa gloire et de son bonheur.
„Ces différentes phrases sont entre-mèlées de silences, de ces silences,
qui dans tout genre de mólodiet concourent si puissamment aux grands
effets; on jouit des beaux sons que 1\'on vient d\'entendre, et qui reten-
tissent encore dans 1\'oreille; on en jouit mieux parce que la puissance
est plus intime, plus recueillie et n\'est point troublée par des sensa-
tions nouvelles; bientöt on attend, on desire une autre reprise: on
espore que ce sera celle qui plaït; si 1\'on est trompé, la beauté du
morceau que 1\'on entend ne permet pas de regretter celui qui n\'est
que différé, et 1\'on conserve 1\'intérêt de 1\'espérance pour les reprises
qui suivront. Au reste, une des raisons pourquoi Ie chant du rossignol
est plus remarqué et produit plus d\'effet, c\'est parce que chantant la nuit,
qui est Ie temps Ie plus favorable, et chantant seul, sa voix a tout
son éclat, et n\'est offusquée par aucune autre voix, il efface tout les
autres oiseaux par ses sons moelleux et flütés, et par la durée non inter-
romque de son ramage qu\'ïl soutient quelquefois pendant vingt secondes."
Dusverre die welsprekende en weischrijvende Geleerde.
En hiermede de pen nederleggende, deel ik alleen nog, tot sluiting
dezer aanteekeningen, een door m(j reeds voor lang geknutseld versje
mede op hetzelfde voor- of onderwerp, waarvan men mij de plaatsing,
zoo ik vertrouw, ten goede zal gelieven te houden:
AAN DEN NACHTEGAAL.
Zit gij waarlijk weer in \'t hout!
Zijt gij over berg en stroomen
Eindelijk teruggekomen,
Eerste Zanger van het wond !
\'t Was al min of meer beducht,
Dat ge u elders gingt verpoozen
En een woonplaats hadt gekozen,
Meerder zacht en zoel van lucht.
-ocr page 139-
AANTEEKENINGEN.
En nu zijt ge weder daar
En verrukt ons, jeugd en grijzen,
Door u onnavolgbre wijzen,
Als in menig vroeger jaar.
Waarom blijft ge niet altoos
Onder ons en bij ons leven?
Waarom groet gij zoo maar even
En verlaat ons, na een poos?
Kort toch duurt uw lentezang,
Grootvorst van de vooglenkoren!
En wij wilden u wel hooren,
Weken door en maanden lang.
Doch, terwijl nog luistrend \'t oor.
Als betooverd en gevangen,
Aan uw melodie blijft hangen,
Stelt gij plotsling ons te loor.
En nog slechts een weinig tijd,
Of gij zijt ons oog ontweken,
En bezoekt weer andre streken,
Waar gij mooglijk liever zijt.
\'t Zij zoo, Filomeele! — als gij,
Gaan ook wij ons weg begeven,
Om dan elders voort te leven,
Goed en wel, dus hopen wij.
Maar wij keeren nimmer weer;
Zetten ons niet vol verlangen,
Om te luistren naar uw zangen,
Nogmaals onder \'t loover neer!
•>x<<