-ocr page 1-
f!4i ihiliffllli H
b
-ocr page 2-
w\\w) l&5£
&?
»
K
•
-ocr page 3-
GUh 1 x CSl (ÈiA/téeJ/m •
-ocr page 4-
\'
c
1
A06000016602439B
-ocr page 5-
\\\\ün
*
^
Gresehiedenis van het
Ac
Friesehe Rundveeslag.
Met beschrijving van z(jn eigenschappen en aanwijzing van de middelen
waardoor het kan worden veredeld.
Bekroond antwoord op de, door de Commissie,
belast met het beheer van het Buma-legaat, uitgeschreven
Prijsvraag:
„Eene beknopte, geschiedenis van het rundveeslag in
„Friesland, alsmede eene beschrijving van de eigen-
„ttchappen, waardoor het zich,
vooral ten aanzien van
„de melkgering, doch ook in andere opzichten boven
„andere veeslagen onderscheidt, met aanwijzing van
„hetgeen tot verbetering of veredeling van het veeslag
„zal kunnen worden gedaan.
„Een en ander toegelicht met afbeeldingen van
„mannelijke en vrouwelijke exemplaren van den laat-
„sten tijd en met heenwijzing naar of overlegging van
„afbeeldingen van exemplaren van vroegeren tijd."
DOOK
J. R. K U P E R U S.
Met 17 afbeeldingen.
1*
Leeuw .uiden,
E. VAN DEK VELDE, Firma C. Noé Lzn
;
I I li- •\'
<X S
\\
UTRECHT^
-ocr page 6-
Leeuwarden — Coöperatieve Handelsdrukkerij.
/••
-ocr page 7-
INLEIDING.
Bij een bezoek aan de verschillende deelen der provincie Friesland
is het opvallend, dat wei- en hooilanden het grootste deel van den
bodem uitmaken.
Volgens het jongste landbouwverslag beslaan de grasvelden dan
ook bijna twee/derde gedeelte van de oppervlakte onzer provincie.
Vooral in het midden en van daar naar \'t zuiden, \'t zuidwesten
en \'t westen is de oppervlakte, uitgezonderd in de gemeente Gaaster-
land, als het ware één grasveld, gedeeld in kleinere en grootere
perceelen door meren, vaarten, wegen, waterlossingen en slooten,
terwijl rondom de steden, dorpen en buurten in deze streken gelegen,
de boerenwoningen met de schuren zich verheffen uit het groen der
weiden.
In het noordeljjk deel der provincie vindt men tusschen de bouw-
landen, waarop handelsgewassen geteeld worden, menig stuk weiland
en vele akkers bezet met voedergewassen, zoodat, in den zomer, deze
streek door de vruchten en voedergewassen, waarmede het bouwland
prijkt en het gras der weiden, aan het oog van den beschouwer eene
aangename afwisseling biedt.
In het oosten en zuidoosten is de oppervlakte voor een gedeelte
met bosch en heideplanten bedekt, de zandgronden hier en daar
verdwijnende onder hoog- en laagveen, dat deels afgegraven is, geven
weinig hoop op het aantreffen van groene weiden : echter vindt men
ook hier in de nabijheid der dorpen en buurten en rondom de ver-
spreid liggende woningen, tal van kampjes weiland naast de vele
bouwakkers, waarop vooral voedergewassen verbouwd worden. Het
boomgewas, dat de wei- en bouwlanden omzoomt en beschut en de
in het groen der booinen gedoken woningen, geven aan de zooge-
naanide „wouden"\' eene eigenaardige bekoorlijkheid.
In de lajjere tredeelten dezer streken, meer naar het midden der
provincie, breiden zich over eene uitgestrekte oppervlakte, doorsneden
door breede vaarten en poelen, onafzienbare hooivelden uit, waar tal
-ocr page 8-
4
van vogels door hunne verschillende geluiden, afwisseling bezorgen
aan den vermoeiden veehouder, die deze velden doorkruist met, het
doel. de vermoedelijke opbrengst der perceelen, waarvan hij de
vrucht wenscht, door aanschouwing beter te kunnen waardeeren.
Daar de wei- en hooilanden hoofdzakelijk gebruikt worden om
voedsel te verschaften aan de runderen die in den zomer de weiden
bevolken en bovendien veel voedergewassen en krachtvoer aan de
runderen worden toegediend, moet men wel eene groote verwachting
koesteren van de talrijkheid van Frieslands Veestapel.
Het aantal runderen in onze provincie is dan ook inderdaad ver-
bazend groot, volgens het verslag over den toestand onzer provincie
in 1895, 219446 stuks.
Bij een zoo talrijken veestapel kan met recht veel belangstelling
verwacht worden in alles wat strekken kan om de- veehouderij meer
voordeel te doen afwerpen. Deze belangstelling bestaat bijna alge-
meen, echter ontbreekt bij velen de kennis van de wijze waarop het
vee moet worden veredeld en verbeterd, .althans men vindt bij hen
weinig blijken van liet toepassen dier kennis.
Daartoe is noodig, dat de veehouders bekend zijn met de eigen-
schappen, waardoor het Friesche vee uitmunt, zoomede welke de
gebreken en de minder goede eigenschappen zijn; vooral moeten zij
zich rekenschap kunnen geven van het doel, dat zij met bun vee-
teelt beoogen en weten welke gevolgen hunne methode van fokken,
als het op dien naam aanspraak kan maken, zal hebben.
Tot mededeeling van die kennis hoopt dit geschrift mede te werken,
uitsluitend zullen daarin op de ervaring steunende theoriën worden
behandeld, daar vermelding van onbewezen theoriën voor den fokker
van weinig belang is en vooral eerstbegiimenden op een dwaalspoor
kan brengen.
Waar wij iets vermelden, dat de ervaring niet geleerd heeft, zullen
wij liet doen onder dat voorbehoud.
Van harte hopen wij, dat door het lezen van dit werkje bij de
veefokkers in onze provincie de lust aangewakkerd worde, om voort-
durend hunne krachten te blijven wijden aan de moeilijke doch
schoone en dankbare taak:
Het beste rundvee der wereld te fokken.
-ocr page 9-
HOOFDSTUK I.
Geschiedenis van het Rundveeslag in Friesland.
Het rundvee wordt in de natuurlijke historie gerangschikt onder
de hoofdafdeeling: Gewervelde dieren, de klasse der zoogdieren, de
orde der Herkauwers of Tweehoevigen, de familie der Holhoornigen,
liet geslacht Os (Bos).
Onder liet geslacht Mos rangschikken de verschillende zoölogen de
onderscheiden soorten niet op dezelfde wijze.
Volgens llengeveld en anderen zijn de ondergeslachten de Kunderen
(Bos Taurus) de Bisons en de Buffels.
Het huisrund behoort tot het ondergeslacht Bos Taurus.
Over de afstamming van de tamme runderen is niets niet zeker-
heid bekend, daar men niet in staat is op goede gronden aan te
tonnen of de thans levende runderrassen van een of meer stamvornien
afkomstig zijn.
In vroeger eeuwen heeft in Europa het Oerrund of de Urus ge-
leefd, een zeer groot rund. dat in alle hoofdpunten van zijn lichaanis-
bouw zoodanig niet de runderen van Nederland en de aangrenzende
huiden overeenstemt, dat men in den 11 rus den stam vorm meent te
moeten zien van ons rundvee, en op dien grond aanneemt, dat dit
van één stam vorm afkomstig is.
Het rundvee van Nederland behoort niet het vee van de kustlanden der
Noordzee en de daarmede verwante streken tot het laaglandsche ras.
Het Friesche rundvee is dus een slag van genoemd ras.
De ouderdom van het Friesche vee is niet met juistheid aan te
geven. Winsemius l) vermeldt, dat ruim \'.WO jaar voor Christus de
Friezen zich in ons land gevestigd hebben en volgens Eekhoff 2) is
liet volkomen zeker dat zij reeds onze noordelijke provinciën be-
woonden, toen de Romeinen, 11 jaren vóór onze tijdrekening, voor
het eerst deze streken bezochten.
\') P. Winsom ius, Chronique van Vrieslant Ui22.
) W. Eekhoff, Beknopte Gesch. v. Friesland.
-ocr page 10-
6
Dat de Friezen toen reeds runderen bezaten lezen wij bij Winse-
niius, daar hun door de Romeinen eene schatting werd opgelegd,
„bestaende uit een seker aantal ossehuiden." x)
Uit de grootte der huiden die zij opbrachten blijkt, dat liet tamme
runderen moeten zijn geweest die zij bezaten. Toen n.1. in het jaar
28 van onze jaartelling een wreede landvoogd, Olennius, met de in-
vordering der schatting belast was, eischte deze eene grootere soort
ossehuiden, even zoo groot als die van het wilde rund. Hieraan
konden de Friezen slechts tot een beperkt aantal voldoen, omdat in
hunne wouden weinig wilde runderen voorkwamen.
Toen de landvoogd voortging hen te kwellen, en zich zelfs van
hunne bezittingen, vrouwen en kinderen meester maakte, stonden de
Friezen op tegen de Romeinen en versloegen deze, zoodat bij een
gewijd bosch, Baduhenna geheeten, op éénen dag 900 Romeinen
door de handen der getergde Friezen den dood vonden.
Volgens Tacitus en Julius Caesar is de veehoederij met de Friezen
tot ons overgekomen uit Duitschland.
Le Francq van Berkheij geeft naar genoemde oude schrijvers, de
volgende bizonderheden op:
„De Friezen en Batavieren bezaten geen andere eigendommen dan
„have en vee en betaalden elkander met schapen, geiten en koeien."
„Aan hunne kinderen gaven zij ten huwelijk paarden, jok of ploeg-
„ossen en vee."
„Hun vee muntte niet uit in schoonheid maar meer in de menigte
„die zij er van bezaten. De vellen of huiden wisten zij kunstelijk
„aan een te hechten."
„Zij kleedden zich met beestevellen en bereidden zich schilden en
„wapenrokken van dierenhuiden en droegen op hunne hoofden hel-
„metten van bekkeneelen en horens van dieren."
Reeds vóór het begin onzer jaartelling werd Friesland dus reeds
bewoond en werden door de bewoners tamme runderen gehouden,
waarvan zij de melk en het vleesch tot voedsel gebruikten en de
huid om zich te dekken.
Daar er, zooals wij later zullen zien, vooral in onze provincie,
behoudens enkele uitzonderingen, geen vreemd vee is ingevoerd en
vermengd met het aanwezige, is het oorspronkelijk ras steeds blijven
bestaan.
\') t. a. pi. blz. 16.
-ocr page 11-
7
De ouderdom en zuiverheid van het Friesche vee kan dus veilig
gesteld worden op ruim 2000 jaren.
Hoe de veehouderij door de Friezen werd uitgeoefend, voor de
komst der Romeinen, kan alleen worden afgeleid uit een beschou-
vving va?i den toestand der provincie, toen ter tijde.
Op grond van die beschouwing moet men aannemen dat het vee
is gehoed geworden en te meer is dit waarschijnlijk daar de gezinnen,
familiën en horden wellicht reeds lang een zwervend herdersleven
hadden geleid, voor zij zich vestigden op de kustlanden der Noordzee,
waar de bodem, zooals wij zullen zien, nog weinig aanlokkelijks bezat.
De omstandigheid dat het vee gehoed moest worden, doet tevens
eenige meerdere zorg bij de voeding en verpleging veronderstellen,
dan wanneer het zonder eenig toezicht moest trachten voedsel en
beschutting te vinden.
Bij het onderzoek naar de kleur van hun vee is het van belang
te weten, dat het witte vee door hen godsdienstig werd vereerd;
hieruit zou kunnen worden opgemaakt, dat de witte kleur zeldzaam was
bij het vee, omdat het gewone meestal geen voorwerp van vereering is.
De landen die door de Friezen bewoond werden besloegen bijna
een oppervlakte als van ons tegenwoordig Nederland en waren te::
noorden van den Mijn gelegen.
Daartoe behoorden Oost- en West-Friesland, Groningen, Drenthe,
het Zuiderzeeveen, Holland, Utrecht, Overijssel en een gedeelte van
Gelderland.
In het tegenwoordige Friesland is het door de Friezen meege-
brachte vee het zuiverst bewaard en daar de bodem op het vee
grooten invloed uitoefent, vordert de vorming en het ontstaan van
Frieslands bodem eene nadere beschouwing.
In het begin onzer jaartelling bestond de bodem voor het grootste
gedeelte uit waterige landen of schorren, welke in alle richtingen
doorsneden waren met meren, poelen en moerassen, die dagelijks bij
elk getij onderliepen.
Onze provincie vertoonde nog eene woeste oppervlakte die vochtig
en daardoor weinig vruchtbaar was.
Alleen in den zomer konden de Friezen de kusten der Noordzee
en de streken rondom de Middelzee niet hun vee bewonen, daar
geene dijken tegen overstroomingen beveiligden.
Zij waren derhalve verplicht in het najaar de hooger gelegene,
-ocr page 12-
8
minder vruchtbare, doch veiliger zandstreken en wouden van Gaaster-
land, Opsterland en de Stellingwerven op te zoeken om daar met
hun vee te overwinteren.
Door de herhaalde overstroomingen van de zee werden de lagere
streken van lieverlede met een vetten kleibodem overdekt en daar-
mede opgehoogd. Hierdoor werd de bodem droger en vruchtbaarder
en werden de Friezen uitgelokt zich meer voortdurend daar te vestigen.
Groot waren echter de gevaren waaraan zij zich daarbij bloot-
stelden, dewijl zij steeds met hooge vloeden hadden te kampen.
Om daaraan te kunnen ontkomen wierpen zij op hooge plaatsen,
meest in de nabijheid der kusten gelegen, met gemeenschappelijke
krachten, talrijke heuvels of terpen op.
Op deze wijkplaatsen of vliedbergen, welke van tijd tot tijd ver-
hoogd werden en waarin zij ook hunne dooden begroeven, bouwden
de Friezen hunne woningen.
Deze terpen waarvan vele tegenwoordig zijn of worden afgegraven,
verdienen in hooge mate onze bewondering, vooral als men be-
denkt welke gebrekkige werktuigen onze voorouders bezigden en
hoelang zij dus wel aan iedere terp gewerkt moeten hebben.
Ons voorgeslacht heeft voor ons een grooten voorraad vruchtbaar-
makende aarde bijeengebracht en deze nog verbeterd door er met
hun vee op te wonen.
De samenstelling san de tegenwoordige oppervlakte van Friesland
levert bij onderzoek nog vele kenmerken op van hare oorspronke-
lijke vorming.
Op een zandbodem rustende bevat zij vele overblijfselen uit den
eeuwenlangen geweldigen strijd van aarde, water en wind.
De laagsgewijze opeenstapelingen van zand, klei, veen en gemengde
stoffen getuigen van een woesten waterarbeid.
Door plaatselijke omstandigheden ontstonden hier kleiruggen, ginds
meren en poelen en werd elders veen gevormd op den moerassigen bodem.
Naar deze vormingen veranderden de stroomen hunne richting.
Zelfs is het waarschijnlijk, dat het water in Friesland, binnen de
duinen, eertijds boven de eb der Noordzee stond, doch gedaald is
na het doorbreken der duinen en het ontstaan der eilanden.
De gelegenheid tot afvoer van het uit het zuiden aanstroomende
water werd daardoor gunstiger, de stroomen zullen ook daarnaar
hun loop gewijzigd hebben, de stand van het binnenwater kwam
-ocr page 13-
9
met het buitenwater meer in evenwicht, een grooter gedeelte van
Frieslands bodem kwam boven en werd bewoonbaar.
Waar vroeger de Middel/.ee hare wateren langs Leeuwarden tot
Bolsward voerde, ontstond liet Nieuwland. Telkens, bij hooge vloe-
den werd een /ette kleilaag afgezet e7) na de 14\'i«\' eeuw was alleen
het leggen van dijken voldoende oni af en toe tot 4000 hectaren
vruchtbaar land, voortdurend droog te leggen en daarmede de pro-
vincie te verrijken.
Zoo werd door de Noordzee, waarmede dit kustland in bestendigen
strijd was, beurtelings gegeven en genomen; de provincie veranderde;
gedurig van vorm, totdat door het aanleggen van geregelde, hoewel
eerst nog zwakke zeeweringen, de grenzen beter werden bewaard.
In de veefokkerij der Friezen kwam door de komst der Romeinen
eene gunstige verandering. Daar de Friezen getoond hadden geene
verdrukking te kunnen verduren, werden zij door de Romeinen niet
onderworpen maar sloten deze met hen een verbond. l)
Zij behoefden hierdoor geene strijdbare mannen te leveren zooals
de Batavieren die onderworpen waren, maar konden zich op den
akkerbouw toeleggen, waarin zij door de Romeinen, die veel behoefte
hadden aan graanvruchten voor hunne legers, onderwezen werden.
< Bij den akkerbouw werd de os als trekdier gebruikt en daar de
Romeinen, blijkens hunne schrijvers uit dien tijd, zeer bekwaam
waren in de veefokkerij met het doel om werkvee te verkrijgen,
werden zij ook in het fokken van vee de leermeesters der Friezen.
De Friezen waren echter met de melkerij beter op de hoogte,
omdat de vruchtbare weiden de nielkgevende eigenschappen van hun
vee ontwikkelden en verbeterden. De Romeinen waren daarmede,
blijkens hunne werken, weinig bekend.
Vele benamingen van landbouwwerktuigen verraden nog hunne
Romeinsche afkomst.
Zoo geeft de Heer Koenen 2) op bladzijde 17 de volgende woorden
op: ager = akker, satuin = zaad, furca = hooivork, jugum=juk,
vannus = wan, flagellum = vlegel, secula = sikkel, spatha = spade.
Naar het voorbeeld der Romeinen werden bedijkingen tot stand
gebracht, kanalen gegraven, weilanden aangelegd, gronden verdeeld
\') Hcngeveld („Het Rundvee") schrijft, dat de Friezen overwonnen en de Batavieren
bondgenooten der Romeinen weiden.
s) Mr. H. J. Koenen, De Nederlandsche Boerenstand, 1858.
-ocr page 14-
10
in zoogenaamde mansehoeven en daarop kasteelen en boerenwoningen
gebouwd.
De inrichting der kasteelen, door een of meer boerenwoningen
omringd, die in liet begin dezer eeuw in onze provincie nog veel
werden aangetroffen, had veel overeenkomst met die van de oude
Etonieinsche villa\'s met aanhoorigheden.
Thans zijn echter meest alle edellieden en groot-grondeigenaren
naar de steden en plaatsen, rijk aan natuurschoon, verhuisd en de
uitdrukking .slotboer", vroeger zoo bekend, wordt thans bijna niet
meer gehoord.
De Romeinen hebben dus voornamelijk de grondslagen gelegd voor
het geregeld drijven van den landbouw en de veehouderij; dat zij ook
van de vorderingen, die daarin gemaakt werden, partij trokken, blijkt
daaruit dat er zelfs gezouten vleesch naar Home werd uitgevoerd.
Het doel der veehouderij ten tijde der Romeinen was naast melk-
en vleescliproductie het verkrijgen van werkvee voor den akkerbouw.
Na verloop van tijd is dit in zooverre veranderd, dat naast aan-
fok, melk- en vleescliproductie hoofdzaak werden.
De voeding en verpleging werden van lieverlede veel verbeterd door
de betere stallingen voor het vee en de hooibergplaatsen, vooral na
de 9Jt\' eeuw onder het bestuur van Karel den Groote.
Het hoofdvoedsel was gras en hooi, en is dat nog tot op onzen tijd.
Door het aanleggen van zeedijken en polders werd de kwaliteit
van het hoofdvoedsel belangrijk verbeterd. Het land werd door
dezen maatregel vruchtbaarder en het vee ontving zoowel in den
zomer als in den winter krachtiger voedsel.
Groot is de invloed die door betere voeding op het vee wordt
uitgeoefend, waarom het noodig is melding te maken van de
Bedjjjkingen.
Onze voorouders hebben van overstroomiiigen zeer veel last gehad,
vele verliezen van menschen en vee daardoor teweeggebracht zijn
opgeteekend. Door het opwerpen van terpen werd wel is waar het
gevaar van verdrinken geringer, doch de overstroomiiigen maakten
de landerijen tijdelijk onvruchtbaar, waarvan hongersnood en ziekte
de noodzakelijke gevolgen waren.
Het kan derhalve geene verwondering verwekken, dat reeds zeer
vroeg dijken werden opgeworpen, echter waren deze tegen hooge
-ocr page 15-
11
vloeden weinig bestand, zooals wij hij de beschrijving der rampen
onder het vee zullen zien.
Eer.st in de 16d8 eeuw zjjn er zeedijken aangelegd die bestand
waren tegen vloeden en van de thans bestaande weinig verschillen.
Zooals wij hebben medegedeeld zjjn naar het voorbeeld der Ro-
meinen bedijkingen tot stand gebracht: Winseinius \') vermeldt, „dat
in 693 Adgillus, Coninck van Vrieslant, zijne onderdanen leerde ende
vermaende, het aertrjjck aai) den oever des zees te verhogen ende
in fornie van cleijne heuvelkens (welke wij alsnu terpen noemen)
ront te maken om in tjjt van hoge vloeden, derwaerts hare toevlugt
te nemen ende haren goederen, havenen en personen te salveeren en
beschermen" en op bladzijde 80, dat in 793 meer terpen werden
opgeworpen.
Wij zien hieruit dat de bedijkingen die er waren aangebracht, het
maken van terpen nog niet overbodig maakten.
Volgens Eekhotf had, na de 13de en 14lk\' eeuw, in welke groote
overstroomingen de Zuiderzee deden ontstaan, Friesland weinig ver-
lies van grond meer te betreuren, de Middelzee slijkte dicht en in
1400 bestonden er dijken langs de zeekust, die echter door de onder-
linge twisten slecht werden onderhouden, en na doorbraken niet
werden hersteld.
Van af 1500 vinden wij bij Winsemius 2) melding gemaakt van
Dijkgraven. Herhaalde overstroomingen deden de behoefte aan betere
zeedijken dringend gevoelen. Behalve het bedijken van de droog
geworden Middelzee, is er echter door twisten over den onderhouds-
plicht weinig uitgevoerd om den treurigen toestand te verbeteren.
Deze toestand duurde tot 1573, toen een watervloed den Spaan-
schen colonel Casper de Robles aanleiding gaf de zeedijken belang-
rijk te verzwaren. Dat het hem daarbij ernst was, blijkt ons uit de
opgaven van Van Leeuwen 3), Winsemius en anderen, die vermeldden,
dat ieder die gesommeerd was aan de dijken mede te werken en
daaraan niet voldeed, werd opgehangen. Ook heeft genoemde colonel
den onderhoudsplicht beter geregeld, zoodat de dijken in goeden staat
bleven en overstroomingen zeldzaam werden.
\') t. a. pi., blz. 54.
a) Winsemius: t. a. pi., blz. 447 en volgende.
") Van Leeuwen: Geschiedkundig taforeol van don Watervloed on de Overstroomingen
in de prov. Friesland in 1825.
-ocr page 16-
12
Uit dankbaarheid jegens hem hebben de Friezen later .de Steenen
man" bij Harlingen opgericht.
Toen de zeedijken tegen overstroomingen beveiligden, kon er aan
gedacht worden ook in de provincie lage streken in te polderen;
langs de kust, in liet noorden der provincie hielden de aanslibbingen aan.
Door een en ander, in verband met de toenemende ontwikkeling,
was liet mogelijk vele gronden langs de kust in te dijken en polders
binnen de provincie aan te brengen.
Hiermede niet tevreden, ondernam en volbracht het toenmalig ge-
slacht tevens den arbeid eenige meren droog te; malen: veel vrucht-
baar land is daardoor gewonnen.
|)e veestapel is door deze vermeerdering en verbetering der weiden
belangrijk uitgebreid.
Om liet verband tusschen Bedijkingen en Overstroomingen en den
toestand van den veestapel duidelijk aan te toonen vermelden wij
thans de
670
dampen onder het Vee.
Met de veeverliezen door overstroomingen zullen wij de ziekten,
die als gevolg daarvan ontstonden, vermelden, en daarna de besmette-
lijke ziekten, waardoor ons vee bezocht is geweest, behandelen.
Zooals reeds is gezegd, hebben onze voorouders veel last gehad
van overstroomingen. Van Leeuwen geeft in zijn reeds aangehaald
werk daarvan een kort overzicht.
Hieruit blijkt, dat van af het begin onzer jaartelling tot het ver-
zwaren der dijken door (Jasper de Robles, (>•"> overstrooniingen onze
provincie geteisterd hebben, daarna bedroeg het aantal overstroo-
mingen tot op onzen tijd 7.
Üe geringe opgaven uit het eerste tiental eeuwen doen vermoeden,
dat alleen de vloeden, die met zeer groote verliezen gepaard gingen,
zijn opgeteekend en de opgaven verre beneden het werkelijk aantal zijn.
De jaartallen waarin deze vloeden zijn voorgevallen op te sommen
zou nutteloos zijn, waarom wjj alleen de belangrijkste bizonderheden
zullen vernielden.
De volgende zijn ontleend aan Van Leeuwen en Winsemius:
A". .r>lb verdronken in onze prov. 6000 nienschen en veel vee.
A°. 7(.)2 werd een groot gedeelte van Friesland overstroomd en
verdronk een groot aantal runderen.
-ocr page 17-
13
A°. 806 werd heel Friesland door water bedekt en zijn „ontallighe
beesten verdroncke."
A°. 1222. „Eene watersnood, niet ophoudende voor ende aleer
menschen, vee, liuisen, schuyren, huisgeraed ende ander-
sins van bet Landt wech-glienomen was. Die dycken
tot beschuttinge der inwoonderen tegen de /.ee opghe-
worpen zijn gheheelycken ghesleeht ende geetf\'ent alsoo
dat daer niet staende is gbebleven dan vaste stinsen,
huysen ende bewortelde booge boomen, tot die welcke
veele haren toevlucht naenien."
A°. 1234. „Is er een watervloed geweest, dat bet land met water
gheheelijcken bedekt zijnde veele vee ende menschen
daerdoor verdroncken zijn."
A". 1249 was er tengevolge een watervloed pest onder de men-
schen en vee.
A°. 1314 tengevolge dezelfde oorzaak, hongersnood.
A°. 1421 was het een zeer natte zomer, waardoor in den winter
vele beesten gestorven zijn.
A°. 1429 en volgende twee jaren „is Vrieslandt met /.ontwater
bedeckt geweest."
A°. 1434 zijn vele beesten door bagel en sneeuw omgekomen op
het veld.
A". 15G2. „Natte zomer, waardoor de niieden niet gemaaid konden
worden, waarop gevolgd is eerstelijk groote sterfte der
beesten ende naerruaels groote dierte van tijden."
A°. 1717 verdronken er in Oost-Friesland, Groningen en Friesland,
door een watervloed, 40075 runderen.
Den 3e en 4<\' Februari van het jaar 1825 werd Friesland door
eene groote watervloed geteisterd. Ten zuiden van eene lijn, ge-
trokken langs de dorpen Witmarsum, Arum, Hijdaard, Bozum, \\Vir-
dum, Teerns, Miedum, Birdaard, Tietjerk, Oostermeer, Nijega (Op-
sterland). Lippenhuizen, Oldeberkoop en Noordwolde tot aan de grens,
was alles, uitgezonderd een gedeelte van Graasterland, met water bedekt.
Volgens opgaven uit het aangehaalde werk van Van Leeuwen, die
eene volledige beschrijving geeft van deze overstrooming, verdronken
129(i koeien, 535 hokkelingen, 264 rieren en 35 kalveren, samen
2130 stuks.
Hengeveld beweert in zijn aangehaald werk, dat het verlies aan
-ocr page 18-
14
vee dooi- den watervloed in onze provincie aangevuld zou zijn met
Duitsch vee.
He jaarljjksche uitvoer van melk-, niest- en jongvee bedroeg toen
uit onze provincie ruim tienmaal het aantal dat verdronken is, dus
hadden de veehouders ruimschoots gelegenheid in eigen provincie
het verlies aan te vullen. Het is derhalve zeer onwaarschijnlijk,
dat de meening van den Heer Eengeveld juist is, te meer, daar het
Duitsche vee door de hooge transportkosten zeer duur kwam.
Hiermede besluiten wij ons overzicht over de overstroomingen en
de daardoor ontstane veever]iezen.
Hit de talrijke opgaven zijn weinige aangehaald, naar onze mee-
ning echter voldoende om te bewijzen, dat de veehouders zich eerst
met kracht op hun bedrijf\' konden toeleggen, nadat de hechte zee-
weringen in het laatst der 16dp eeuw voltooid waren.
Van af het begin der 17(l(\' eeuw kan men dan ook eerst spreken
van een boerenstand, zooals die nu bestaat: te voren waren het
hoofdzakelijk allen z.g.n. keuterboeren, die eenige koeien hielden en
daarbij nog bun handwerk of ambacht uitoefenden, benevens de slot-
boeren, die voor hun heer de aan het kasteel verbonden boerderij
bemeiërden.
In de zandstreken, vooral in Twente, worden thans nog vele zulke
keuterltoeren aangetroffen.
Dat het meer uitsluitend uitoefenen van het boerenbedrjjf als be-
roep, op den vooruitgang van den veestapel een gunstigen invloed
had, behoeft zeker geen betoog.
Ook liet grooter aantal vee aan één eigenaar toebehoorende werkte
gunstig. Hierdoor werd het mogelijk zelf een stier aan te houden
en werd de keuze uit de aangehouden kalveren ruimer.
Behalve de veeziekten die Friesland door de gevolgen van over-
stroomingen getroffen hebben, is het veeverlies aan ziekten, die niet
van buiten tot ons gekomen zijn, zeer gering geweest.
Hoewel veeziekten, in natte of regenjaren op de lagere gronden
en in zeer droge jaren op hoogere en lagere beide, talrijker voor-
komen dan ondere normale omstandigheden, is het verlies ook dan nog
in verhouding van den veerijkdom onzer provincie van weinig omvang.
Inheemsche ziekten, waardoor somtijds groote verliezen in den
veestapel worden teweeg gebracht, kwamen niet voor.
Wanneer verwoestende ziekten heerschten, kwamen deze door be-
-ocr page 19-
15
smetting tot ons; wij zullen daarover eene beknopte opgave laten volgen:
„In het jaar 810 was er in Friesland en Drenthe eene ziekte of
pest, de coge genaamd, onder ossen en koeien, van welks gelijk
nooit gehoord was, want van de 100 beesten bleef er nauwelijks
een in leven.\'\'
Van 810 tot de 18de eeuw zijn de opgaven zeer onduidelijk en
schijnt onze provincie van veeziekten, die niet groote verliezen ge-
paard gingen, geen last te hebben gehad.
De sterfte onder het vee, ten tijde van oorlogen, droogte en aan-
houdende regens is echter nog al belangrijk geweest.
A°. 1714 heerschte in Friesland de vreeselijke runderpest, die in
de steppen van Rusland inheemsen is en van daar uit werd verbreid.
Volgens opgaven uit het Provinciaal Archief stierven daaraan in
genoemd jaar 48028 runderen en in Januari 1715, toen de ziekte
nog hevig woedde, stierven 4830 runderen.
In de 18de eeuw is de veestapel herhaaldelijk door de veepest be-
zocht, na den eersten inval in 1714 is zij in 1744 weder met hevig-
heid verschenen ën bleef afwisselende heerschen tot 1786.
Van 1 October 1744 tot 1 September 1745 zjjn in Friesland 64596
koeien, 20248 rieren en 24573 hokkelingen aan de ziekte bezweken.
In de laatste 6 maanden van 1766 stierven 97756 stuks vee aan
de pest. In 1767 scheen de ziekte te zijn geweken, in 1768 begon
zij zich echter weder te vertoonen en heeft van 1769 tot 1772 vele
offers geëischt.
Inenting der kalveren van gebeterde runderen werd van 177(5 tot
1786 met heilzame gevolgen toegepast en schijnt een vermogend
middel geweest te zijn om de ziekte te beteugelen, die zich in
Friesland niet weder vertoonde tot in het jaar 1865.
Door het afinaken van zieke en verdachte dieren en andere ge-
paste maatregelen is de ziekte toen direct gestuit, zoodat slechts
10 runderen door die ziekte aangetast geweest zijn.
Gedurende het heerschen der runderpest werden door de Staten
van Friesland onderscheidene plakkaten, resolutiën, waarschuwingen
enz. uitgegeven en maatregelen genomen om de ziekte te beteugelen.
Vooral werd het slachten en uitvoeren van koekalveren verboden
(„tot conservatie van het uitnemende soort van dien en tot meerdere
aanfokking van hetzelve.")
Voorts werden op onderscheiden wijzen aan allen, die hun vee
-ocr page 20-
16
geheel of gedeeltelijk verloren hadden, tegemoetkomingen verleend,
o. ii. kwijtschelding van belasting en remissie van huur.
In het begin der 18|le eeuw werd door de Regeering van ons land
begonnen niet het heffen van invoerrecht op Deensch en Duitsch
vee, ten bedrage van f20.— voor ieder stuk vreemd vee, dat inge-
voerd werd.
De/.e invoerrechten zijn over het algemeen geheven tot het begin
dezer eeuw, zeer ten bate onzer provincie, die daardoor in Holland
belangrijker afzet had voor het overtollige vee en de veefokkerij
derhalve zeer in de hand werkte.
In onze provincie is in de 18\'i» eeuw, tijdens de veepest, het ras
vrij zuiver bewaard gebleven, doordat veel vee aangefokt werd.
De invoerrechten op Deensch en Duitsch vee werden tijdelijk op-
geheven, om de veeverliezen door inkoop van vreemd vee aan te
vullen: hierdoor schaften de Hollanders zich Deensch en Duitsch
vee aan en was Friesland in staat de geleden verliezen, door eigen
aan fok, des te spoediger te herstellen.
Tn 1830 en \'31 is in onze provincie, tengevolge van een zeer natten
zomer, veel vee aan geelziekte gestorven; vooral de veehouders die
bij het slecht gewonnen hooi geen krachtvoeder gaven, hadden veel
met deze ziekte te kampen.
In de jaren 1842 tot 1862 kwam er in Friesland onder de runderen
eene ziekte voor, waaraan in andere provinciën reeds veel vee ge-
storven was, en die bekend is als besmettelijke longziekte.
Een uittreksel uit de Leeuwarder Courant van 20 Januari 1863
geeft hiervan een beknopt overzicht als volgt:
„Zooals bekend is, openbaarde zich de besmettelijke longziekte
onder het rundvee in deze provincie het eerst in 1842. Ondanks
alle aangewende pogingen, om bare verspreiding te keer te gaan,
nam zij tot 1857 van jaar tot jaar toe en veroorzaakte haar ver-
woestend vermogen, dat in dat jaar niet minder dan 7557 runderen
stierven of afgemaakt werden.
„In het laatste kwartaal van het laatstgenoemde jaar begon de
ziekte evenwel af te nemen, hetgeen zich vervolgens tot dus verre
gelukkig onafgebroken heeft bestendigd, zooals kan blijken uit de
volgende vergelijking van het getal gevallen, die jaarlijks van
1857 — 1862 hebben plaats gehad.
„Er stierven of werden afgemaakt n.1. in 1857, 7557 stuks, —
-ocr page 21-
17
1858, 4235 — 1859, 2519 - 1860, 2094 — 1861, 1412 - 1862,
713. Ook het getal stallen of weiden, waar de longziekte uitbrak,
werd aanmerkelijk minder.
Geheel geweken was echter de longziekte niet 1862 nog niet.
Immers, niettegenstaande de sedert 1858 in verschillende gemeenten,
zooals Baarderadeel, Utingeradeel, Haskerland, Rauwerderhem en
anderen aangewende inenting, vooral van het jongvee, krachtig
tegen de ziekte was gestreden en tevens strenge regelen tot afzon-
dering van ziek en van verdacht vee waren toegepast, bleef zij nog
steeds bestaan.
Deze inentingen werden dan ook vooral als de oorzaak van de be-
langrijke vermindering der ziekte beschouwd, en het was uit dien
hoofde dat vele veehouders hunne ingeente runderen zooveel mogelijk
aanhielden en, vele jaren achtereen, dadelijk liet door hen aangekochte
vee, zoomede jaarlijks het jongvee, lieten inenten en herenten.
Ten einde een volledig overzicht te doen geven van den loop der
longziekte in Friesland, zullen wij hier achter (als bijlage) een
staat doen opnemen, getrokken uit de provinciale verslagen van
1876 en beide volgende jaren.
Gedurende verscheidene jaren was er veel geschreven over de
vraag of de Regeering al of niet geheele afmaking van het door
longziekte aangetaste en daarvan verdachte vee en ontsmetting van
de geinfecteerde stallen behoorde toe te passen, dan wel of de bestrij-
ding der ziekte kon worden overgelaten aan strenge maatregelen van
politie, met aanwending van de inenting op alle verdachte runderen.
Een ander stelsel — „afmaking van zieke en afzondering van
verdachte dieren"\' — werd evenwel door de Hooge Regeering voor-
gestaan en toegepast in verband met de wet van 1870 (Stbl. 131).
Bij de toepassing daarvan bleek echter, dat deze halve maatregel
niet in staat was Friesland en geheel Nederland van de longziekte
te bevrijden.
Onteigening en afmaking van al het zieke en verdachte vee,
gepaard met strenge politiemaatregelen en krachtige desinfectie,
vond dan ook meer en meer ingang.
Als warm voorstander van dat beginsel heeft zich toen de heer
J. van Loon Jzn. lid van Gedeputeerde Staten van Friesland op het
landbouwkundig congres te Heerenveen van 1875, en later in ge-
schriften doen kennen, en zeer zeker is het voor een goed deel mede
2
-ocr page 22-
IR
aan dezen en aan andere krachtige medewerkers te danken, dat de
Regeering eindelijk in 1877, tot het stelsel van afmaking van al
het aangetaste ca verdachte vee, en ontsmetting vau de geïnfecteerde
stallen is overgegaan, hetgeen de uitstekendste gevolgen heeft gehad.
Met het einde van het jaar 1878 was dan ook de longziekte uit
Friesland niet alleen, maar ook uit geheel Nederland geweken,
met uitzondering alleen van het Spoelingsdistrict in Zuid-Holland,
(Schiedam en omliggende gemeenten), waar nog steeds met het af-
maken van alleen het zieke vee werd doorgegaan. Op aandrang
evenwel van alle groote landbouwmaatschappijen in Nederland, ging
de Hooge rejjeerinjj in 1884 ook in dat district tot afmakins van
alle zieke en verdachte dieren met ontsmetting der stallen enz.
over, zoodat Nederland, waar de longziekte in 1833 was ontstaan,
eindelijk toch in 1885 daarvan geheel werd bevrijd.
De groote rampen onder het vee zijn hiermede behandeld, en hoe-
wel af en toe veeziekten, zooals miltvuur, tuberculose, galachtige
ziekten en vooral het mond- en klauwzeer, nog al eens voorkomen,
de laatste ziekte in 18i)7 zelfs zeer hevig, is de veestapel in Fries-
land over het geheel vrij jrezond.
Door de meerdere kennis van de veeziekten en hare bestrijding,
kan met grond de hoop gekoesterd worden, dat groote rampen onder
het vee, zooals die vroeger heerschten, zullen kunnen worden
voorkomen.
Veemarkten en Wagen.
Reeds tijdens de Romeinen werd de behoefte gevoeld plaatsen te
hebben, waar belanghebbenden hunne waren en voortbrengselen
konden koopen en verkoopen.
Door dezen werden dan ook enkele plaatsen daarvoor aangewezen.
In later tijden zijn bij privelegie van de Bestuurders van ons gewest
vele plaatsen met het recht om markten en wagen te houden, begiftigd.
Stavoren was reeds in het begin onzer jaartelling eene marktplaats,
van waar de producten onzer provincie verder werden verzonden.
Eerst van 1220 tot 1270 lezen wij van een geregelden handel op
Amsterdam. In eene beschrijving van Amsterdam is vermeld, dat
er in den herfst vette ossenmarkten aldaar gehouden werden, „ten
welcken tijde hier dagelijcks eene groote menigte van vette ossen
uijt Vrieslant komen."
-ocr page 23-
1!)
Ook kwam er loon reeds boter uit Friesland aan do markt. Deze
boterbandel op Amsterdam is tot op het einde der vorige eeuw blij-
ven bestaan, waarna de boter van uit Ilarlingeu rechtstreeks naar
Engeland werd gezonden.
In loGS handelden de , Wiesen", blijkens overeenkomst van tol-
heffing met Denemarken en Zweden, o. a. in osse- en koehuiden,
vleesch en boter.
In 1386 wordt voor het eerst van de waag (boter, kaas en zout)
te Leeuwarden melding gemaakt.
Ook Sneek heeft omstreeks dezen tijd een boter- en kaaswaag
gekregen.
In 1482 mocht om de duurte niets uitgevoerd worden ; dit verbod
van uitvoer werd echter spoedig opgeheven voor boter, kaas, ossen en
vette koeien , waaruit het groote belang van dien uitvoer duidelijk
blijkt.
In 15S8 werd voor het eerst marktgeld te Leeuwarden geheven,
5 cent per koe en per paard en werd op de Nieuwestad een veemarkt
gemaakt; te voren werd het vee op verschillende plaatsen in de
stad verkocht.
Deze veemarkt is in 1697 naar het terrein tegenover Amicitia ver-
plaatst, terwijl in 1874 nabij het spoorwegstation eene nieuwe veemarkt
is opgericht, waar wij haar nu nog aantreffen.
Telkens was deze verplaatsing noodig om den vermeerderden aan-
voer van vee.
Die aanvoeren aan de markt te Leeuwarden bedroegen:
in 1868 . . 3767-\'5 runderen
„1892 . . 66039
„ 1895 . . 75314
In 1622 hadden reeds alle steden en voorname plaatsen week-
markten, waar boter en kaas, en op sommige plaatsen waar paarden,
koeien, schapen en varkens werden aangevoerd, bovendien werden
in alle steden een of meer jaarmarkten gehouden, waaraan tevens
veemarkten verbonden waren.
Van de twee jaarmarkten te Franeker vermeldt Winsemius in zijn
meer aangehaald werk, dat er werden verhandeld: „Beesten, Paer-
den, Ossen, Koeijen, Swijnen ende meer andere creaturen, van welcke
de victoors markt (11 October) becans het ooghemerek zet van de
waerdije der Beesten over geheel Vrieslandt."
-ocr page 24-
-
• i-i»..
ff
iii*£
a
•fff
/*\' r«
-g^~-
-ocr page 25-
20
Snoek had het privelegie van de waag „voor boter en kaas en
alle andere coopmanschappen uit omliggende dorpen."
„Van 12 Mei 1762 tot Mei 1763 zijn op de wagen in deze pro-
vincie 88206 J/i vat boter aangegeven, zijnde 1528240 K.G."
„Ook kwam er in dat tijdperk aan de wagen wel l1/a millioen
zoetemelks en bij de 4 millioen ponden grove kaas."
„Naar schatting was de jaarljjksche uitvoer in 1763 dertig duizend
of meer runderen."
Volgens een lijstje van den uitvoer te Harlingen zijn daar, alleen
van Mei 1780 tot Mei 1781, uitgevoerd 4207 ossen en koeien, 378
gemeste en 62 ongemeste kalveren.
In 1866 bedroeg de uitvoer uit Harlingen 19681 koeien en 4999 kal-
veren.
In 1871 bedroeg hij 21134 koeien.
In 1895 werden in Harlingen voor den uitvoer naar Engeland
geslacht 18287 kalveren en 627 runderen.
De uitvoer van boter naar Engeland bedroeg:
in 1S56 . . 9917899 K.G.
„ 1860 . . 11589356 „
, 1870 . . 14765327 „
De cijfers van uitvoer over de latere jaren zijn hier niet opge-
geven, omdat deze geen getrouw beeld geven van de boterproductie,
om soortgelijke redenen is de uitvoer van vee uit Harlingen over
deze jaren niet vermeld.
Voor het eerst in 1799 vinden wij melding gemaakt van het aan-
tal runderen in Friesland.
Dat de veestapel onzer provincie in den loop dezer eeuw nog al
belangrijk is toegenomen, blijkt uit het volgende staatje.
In 1799 .
. 148968
runderen.
» 1814 .
. 163461
«
. 1841 .
. 170367
»
, 1851 .
. 186516
IJ
, 1863 .
. 205919
n
, 1869 .
. 209377
r>
» 1892 .
. 221246
H
, 1895 .
. 219446
tl
en
Gaarne zouden wij iets meer hebben medegedeeld over de wijze
van veofokking en van de pogingen die aangewend zijn geworden
-ocr page 26-
21
om het vee te verbeteren: betreffende beide belangrijke onderwerpen
zijn echter slechts onvolledige opgaven voorhanden, behalve hetgeen
reeds is vermeld.
Uit het vorenstaande blijkt echter voldoende, dat het Friesche vee
gedurende vele eeuwen voor hetzelfde doel is gebruikt, n.1. voor
aanf\'ok en het verkrijgen van melk en vleesch.
De middelen aangewend tot verbetering van het vee, bepaalden zich
alleen tot verbetering van het voedsel, tot het verbod van uitvoer van
mest, het verbeteren van wei- en hooilanden door ze droog te leggen
en na 1720 door ze te greppelen en vroeger te maaien.
Het aanfokken van vee werd bevorderd door het verbod om hooi
uit te voeren en het heffen van invoerrechten op vreemd vee.
Van verbetering van vee, door op kennis en ervaring gegrond
fokken, is tot op onze eeuw weinig sprake geweest.
Zelfs bij geringe ontwikkeling van de veefokkerij zal de veehouder
zich eenigermate hebben ingespannen om de voordeeligste exemplaren
voor den aanf\'ok uit te zoeken; dat men zich echter ten behoeve van het
doen eener juiste keuze wel niet veel moeite getroost zal hebben, is
af te leiden uit het feit, dat er thans zeker nauwelijks 30 fokkers in
onze provincie te vinden zijn, die vrij nauwkeurig weten hoeveel melk
iedere koe die zij houden, per melkjaar of lactatie-periode oplevert.
Hoe zullen wij bij onze voorouders van fokken kunnen spreken, waar
thans nog vele veehouders hunne koeien laten bespringen door een
slechten stier, alleen ter wille van het resultaat, dat zij kalveren en
daarna van hunne koeien in het eerst grooter hoeveelheden melk
krijgen.
Dat ons Friesch vee zulke uitstekende eigenschappen bezit, is dus
niet het gevolg van rationeele veeteelt, maar van den vruchtbaren
bodem in verband met klimaat en gebruik.
Gelukkig mogen wij het noemen, dat toevallige omstandigheden
onze provincie hebben gemaakt tot een gewest waar veel vee wordt
aangefokt, waardoor ons veeslag niet is vermengd geworden met
vreemd vee; nu is er althans niets bedorven.
In deze eeuw is men begonnen iets meer te letten op de gebreken
die ons vee heeft en tracht men de productiviteit te verhoogen.
Juist de verkoop van ons best fokvee ter uitvoer naar het buiten-
land en de resultaten, daar door ervaren fokkers verkregen, zullen
de fokkers in onze provincie duidelijk doen begrijpen, dat het Friesch
-ocr page 27-
22
vee verbeterd kan en moet worden, zullen zij niet door hunne collega\'s
in het buitenland overvleugeld worden.
In het Friesch Museum zijn vele afbeeldingen aanwezig van koeien
en ossen uit de 17Jo en 18<le eeuw, waaronder van Friesche land-
schapschilders. De meeste teekeningen en schilderijen dragen echter
het kenmerk geen Friesche landschappen en dus ook geen Friesch
vee weer te geven.
De teekeningen van den Frieschen teekenaar Bonga maken hierop
eene gunstige uitzondering. Zijne teekeningen zijn blijkbaar afbeel-
dingen van Friesche landschappen en het daarop afgebeelde vee is
Friesch vee.
Als maatstaf om daarnaar het vee uit dien tijd te beoordeelen,
kunnen deze afbeeldingen echter niet dienen.
Ter staving onzer bewering geven wij hier een zijner best ge-
slaagde afbeeldingen van eene Friesche koe.
In het meergenoemd werk van Hengeveld, „liet Rundvee", Haar-
lem 1868, vindt men een nog al nauwkeurige afbeelding van een
Friesche stier en koe.
Als beeld van het rastype is de keus echter niet zeer gelukkig
geweest.
Afbeeldingen van Friesch vee uit vroegeren tijd, die ter beoordee-
ling van het vee uit dien tijd waarde hebben, kunnen wij dus niet
geven. Het is zeer zeker onnoodig afbeeldingen, waaraan geen ras-
type te herkennen is, hier weer te geven.
HOOFDSTUK II.
Beschrijving der eigenschappen, waardoor liet Rundveeslag in
Friesland zich hoven andere veeslagon onderscheidt.
Het nut onzer huisdieren in het algemeen wordt bepaald door het
bezit van een of meer voor den mensch voordeelige eigenschappen,
of door hunne geschiktheid om het leven van hun meester of
meesteres te veraangenamen.
Onder de huisdieren is het rund onbetwistbaar het nuttigste, zoo-
wel door zijn vleewch, vet en andere deelen van het lichaam, de
melk die het geeft, als door zjjn arbeid.
-ocr page 28-
z
ri
\'r
-
sa
i
r-
x
-
X
•„
I
tc
—
—
—
—
^
~-
r
-
»
sq
:;
71
—
_
I
-
•e
-ocr page 29-
23
Niet alleen verschaft het door zjjn vleesch en vet aan den mensch
een krachtig voedsel, ook zijn melk en de daaruit bereide producten
behooren tot de voornaamste voedingsmiddelen.
Voorts zijn alle andere deelen van zijn lichaam voor verschillend
en veelzijdig gebruik geschikt.
Bij den akkerbouw en het vervoeren van zware lasten is het rund
bovendien, in sommige streken, een welkome hulp en trouwe metgezel.
Het eene rund is alleen geschikt voor het werk, terwijl anderen
alleen waarde hebben als melk- of mestvee.
De laaglandsche rassen in het algemeen bezitten, naast den aanleg
tot melkgeving, tevens geschiktheid voor vet- en vleeschvorming.
Het Friesch veeslag bezit deze eigenschappen in verhoogde mate
en kan daarom als type van de melkvorm worden beschouwd, tevens
geschikt voor vet- en vleeschgroei.
Voor het werk wordt ons vee bijna niet gebruikt, hoewel er geen
reden is te veronderstellen, dat het daarvoor ongeschikt zou blijken
te zijn, indien het uitsluitend voor dat doel gebezigd werd.
Melkrijk vee is echter, wil men de inelkrijkheid behouden, voor
het werk uit den aard der zaak ongeschikt.
Aan het slot der inleiding noemden wij het Friesche vee het beste
der wereld.
Dat ons vee deze benaming verdient, daarvan leveren de jaar-
lijksche verkoopen van ons fokvee ter verzending naar alle deelen
der wereld een klemmend bewijs.
Vroeger werd ons vee gewoonlijkt aangekocht met het doel daar-
mede het inlandsche te veredelen, thans fokt men ook dikwijls met
ons vee in het buitenland onvermengd voort, ten einde niets te ver-
liezen van de eigenschappen die zoo zeer op prijs gesteld worden.
Uit de geschiedenis van ons rundveeslag is gebleken, dat veel
Friesch vee naar Holland is uitgevoerd.
De provinciën Groningen en Friesland zijn reeds sedert meer dan
200 jaren fokprovinciën geweest, waaruit de andere gewesten van
ons land, vooral Noord- en Zuid-Holland, hun veestapel aanvulden.
Het Groninger vee is minder melkrijk dan het Friesche, hoewel het
hooger staat dan het laatstgenoemde wat betreft den aanleg tot vet- en
vleeschgroei, omdat deze neiging ten koste der inelkrijkheid ontwikkeld is.
Op de Internationale Tentoonstelling in 1884 te Amsterdam ge-
houden, wedijverden de Friesche koeien in den melkwedstrijd tegen
-ocr page 30-
24
een groot aantal uit andere landen, zoowel als uit andere Neder-
landsche provinciën, vooral tegen verscheidene uit Noord-Holland,
en gingen zij, zoowel wat qualiteit als quantiteit betrof, met de
eerste prijzen strijken.
Waar dus de melkrijkheid van het Nederlandsche vee geroemd
wordt, geldt dat vooral het Friesche vee.
In liet meergenoemd werk van Hengeveld vinden wij over ons vee
in het buitenland o. a. het volgende:
„Reeds in vroegeren tijd werden er voor het buitenland runderen
„aangekocht. Zoo verhaalt Buftbn ]), dat men het Nederlandsche
„ras van melkkoeien naar Poitou, Aunis en de moerassen van Cha-
„rente heeft overgebracht en daar aangekweekt, alwaar men ze
„Vlaamsche koeien noemt.
„Ook Villeroy -) verhaalt hetzelfde, met dit onderscheid, dat hij
„zegt, dat men in d\'Auge dit ras het Hollandsch ras noemt.
„ VVeckerlin s) roemt bizonder de schoone kalveren, de melkrijkheid
„en de constantheid van het ras. Ook zegt hij, dat het Hollandsche
„of Friesche vee wel bruikbaar is voor het werk, doch voor vet-
„mesting, als hoofddoel, minder aanbevelenswaardig, hoewel de jonge
„dieren, goed gevoed wordende vóór zij gemolken worden, zeer goed
„bij het vleesch zijn en de kalveren zelfs bizonder geschikt zijn voor
„de vetmesting.
„Hoewel Weckerlin de vetwording bij het Nederlandsche vee niet
„zóó hoog stelt als de melkgeving, is het toch opmerkelijk, dat het
„tegenwoordige veredelde zware Engelsche vee van Frieschen oor-
„sprong •*) en, dat het vee van de vallei d\'Auge in Normandië ook
„het meest beroemd is, om de groote zwaarte die het verkrijgen kan.
„Het Nederlandsche vee bezit dus eene Europeesche vermaardheid."
Zooals ons verder zal blijken kan men thans gerust zeggen, dat
het Friesche vee wereldberoemd is.
„Het Ansbacher vee is een kruising van het Berner met het
„Friesche ras. 5)
\') Buffon, De algemeoiio on bijzondere) Natuurlyko Historie, 1781.
a) Felix Villeroy, Miinuel do relevour do bêtes il corncs , Paris, 1844.
3) Weckerlin, Die Landwirthschaftliche Thierproduetion, 1851.
) Vele bijzonderheden van Engelsche schrijvers over ons vee in Engeland zg\'n aan-
gehaald in de eerste aflevering van het Holstein Herdbook, Boston 1872.
") Hengeveld „Het Kundvco", blz. 197.
\\
-ocr page 31-
25
„Het ingevoerde Friesche veeras in Bohemen beveelt zich, evenals
„overal elders, aan door zijne standvastige eigenschappen die het
„doet overerven,. zijne melkrijkheid en grooten aanleg tot vleesch-
„en vetgroei. *)
„Het Wurtembergsch-Hollandsche ras behoudt zijn oorspronke-
„lijken aiouden roem. 2)
                                                                 \'
„Het Neckarslag is gekruist met het Hollandsche ras om de melk-
„rjjkheid te verhoogen. 3)
„De Limpurger koeien zijn gekruist met Hollandsche stieren. s)
„Het Oldenburger ras stamt hoogstwaarschijnlijk van het Neder-
„landsche en wel voornamelijk van het Groningsche en Friesche
„veeras af. 4)
„Het Vlaamsche ras is geheel afkomstig van het Hollandsche ras." 5)
Het Bijvoegsel van het Nederlandsche Landbouw-Weekblad van
27 Juni 1896 bevat vele bizonderheden over den afzet van runderen
enz. in het buitenland, door de verschillende consulaire ambtenaren
verschaft aan den Minister van Buitenlandsche Zaken.
Wij ontleenen daaraan het volgende:
België.
„ Brussel. Het Nederlandsche rundvee is hier zeer gunstig bekend,
„zoowel melkkoeien, fokvee als slachtvee. Melkkoeien zijn gezocht
„wegens de goede kwaliteit en de groote kwantiteit van melk.
„Gent. In deze omgeving wordt veel vee uit Nederland betrokken;
„men legt zich er echter op toe zelf te fokken.
Frankrijk.
„Rijssel. Het Hollandsch-Friesch vee staat bekend als veel melk-
„gevend.
„Bordeaux. Het Nederlandsche vee wordt in deze omgeving op
„hoogen prijs gesteld en is zeer verbreid.
Duitschland.
„In 1893 zijn uit Nederland in Duitschland ingevoerd: 15622
„koeien en 6839 jongvee. In 1894: 20064 koeien en 1643 jongvee.
„ Wurtemberg. Nederlandsch vee wordt voor de fokkerij niet ge-
\') Hcngelveld „Het Kuudvee", blz. 190. a) blz. 211. \') \') blz. 212. B) blz. 246.
"J blz. 271.
-ocr page 32-
26
„houden, maar slechts in de nabijheid van de steden wegens zijne
„melkrijkheid.
„Pommeren. De consul rapporteert, dat in 18Q3 300 stieren en
„koeien voor de veefokkerij uit Nederland zijn ingevoerd.
„Leipzig. Het Nederlandsche vee is in Saksen zeer bekend. Het
„wordt hier uitsluitend gekocht voor de fokkerij en de melkrijkheid.
„liendsbuvg. Ken bij den consul ingekomen schrijven zegt o. a.:
„dat de Nederlandsche koe zonder twijfel de koe der toekomst is
„op de Holsteinsche geestgronden.
„Paring van Holsteinsch vee met Nederlandsche stieren geschiedt
„met goeden uitslag.
„Nederlandsche stieren, \'t zij die uit Oost-Pruisen, uit Friesland
„of Holland worden betrokken, zijn dan ook voorloopig onmisbaar.
^Hamburg. De consul acht het geven van meer subsidie aan het
„Friesch Rundvee-Stamboek wenschelijk. Van de werkzaamheid van
„andere Rundvee-Stamboeken op het gebied van voor Duitschland
„bestemde publicatiën is hem niets gebleken.
„Koningsbergen. Het Nederlandsen vee heeft hier sinds langen
„tijd algemeene bekendheid.
„Er bestaat in Oost-Pruisen eene vereeniging tot „verbetering van
„de Hollandsche veefokkerij," (Heerdbuch Gesellschaft), die tentoon-
,stellingen houdt met daarop volgende verkoopingen.
Uu si and.
„Libau. Het Nederlandsch rundvee staat alhier hoog aange-
„schreven, omdat het zich o. a. beter houdt dan het Angler ras,
„daar het de langdurige winterstalvoedering, zeer goed verdraagt.
„Eigcc De goede kwaliteit van het Nederlandsche vee is niet
„onbekend.
Luxemburg.
„Het Nederlandsche vee is reeds meer dan 70 jaren in Luxem-
„burg bekend.
Veveenigde Staten van Noord-Ainerika.
„Het Nederlandsch vee is hier zeer bekend.
Argentijnsche Republiek.
„Reeds van af het begin dezer eeuw heeft invoer van vee uit
-ocr page 33-
Ü
Z
©
;
S
•2
\'S
"-
-
3
oc
>
^
r
—
~
V
2
tm
11
&
a
s
"T
•/.
c
~
r?
z
g
•M
r
p
-
\'-^-
/
P
*1
Jll
-ocr page 34-
X
-:
4
P
1
1
g
V
—
.V
M
1
\'"\'./
~
fc
i
/.
\'S
—
—
-
-*
_
—
-
£
fc
i
\'"
u
£ x
;
x
£
X
ï
g
™
*
ï
r
s
Tc
-.
a
^
<
*-.
-
\'M
—
—
M
U
=
-ocr page 35-
27
„Nederland plaats gehad. Van 1887 tot 1890 werden ruim 300
„stuks uit Nederland ingevoerd.
Chili.
„Verschillende grondbezitters hebben proeven genomen met het
„Nederlandsen vee en het schijnt, dat het resultaat gunstig is geweest.
Kaapstad, Afrika.
„De invoer van vee is zeer gewenscht. Reeds zijn enkele Friesche
„stieren ingevoerd met goed succes." *)
„Volgens eene van den heer De Waal, Consul-Generaal te Kaap-
„stad, ontvangen mededeeling heeft het Friesche vee op de in de
„vorige maand te Rosenbank gehouden Landbouw-Tentoonstelling
„een goed figuur gemaakt en door talrijke inzendingen en door uit-
„ muntende exemplaren.
„De heer E. Mellish heeft niet minder dan 3 ingevoerde stieren
„en 9 koeien tentoongesteld en verwierf, met inbegrip van de be-
„kroningen, toegekend voor de door hem in de Kaapkolonie gefokte
„afstammelingen van Friesch vee, niet minder clan 13 onderschei-
„dingen, waaronder 11 eerste prijzen."
„De „Zuid-Afrikaan"\', die ons welwillend wordt toegezonden, zegt
„er van: („Vooral het Friesche vee leverde een prachtig gezicht op."
„De heer Mellich was in deze afdeeling de grootste prijswinner.
„Hij is het dan ook, die het meest Friesch Stamboekvee heeft in-
„gevoerd.")
„Ook het blad „The Cape Times" laat zich in zeer waardeerende
„bewoordingen over de Friesche afdeeling uit. 2)
Nevenstaande afbeelding is van den Frieschen stier Jan I, no. 1824,
van het F. R. S., aan wien op de groote Landbouw- en Veetentoonstelling
te Port-Elizabeth, de kampioenpi-ijs is toegekend als de beste van
alle aanwezige stieren van de onderscheidene rassen, welke daar
waren vertegenwoordigd. 3)
De voornaamste exporteur van Friesch vee, de heer K. N. Kuperus
te Marssum, verzond behalve naar Noord-Amerika, in de laatste
jaren naar: Rusland, Duitschland, Frankrijk, Zweden, Oranje Vrij-
) Tot zoover do aanhalingen uit het Ned. Landbouw-Wockblad.
) Mcdcd. on Borichten der F. M. V. L. enz. van 15 April 18UU.
G) Idem 15 Mei 189ü.
-ocr page 36-
I
-ocr page 37-
;!
l!
fff
GC 9
f I § *
Mi
til
e,   o;
= I
2  e
s   S
ff  ft
•     ft
-ocr page 38-
2*
staat, Natal en Kaapkolonie (Zuid-Afrika), Chili (Zuid-Amerika) en
Port Adelaïde (Zuid-Australië).
Als een bewijs, dat ons vee in Amerika op hoogen prijs wordt
gesteld en om aan te toonen hoe ons vee aldaar aan den onwaren
naam van Holstein-Friesch vee is gekomen, vermelden wij het volgende:
In 1852 werd de eerste Nederlandsche koe in de Vereenigde
Staten van Noord-Amerika ingevoerd.
Aldaar werd in 1871 opgericht de Vereeniging „The Holstein
Herdbook Association" en in 1872 het eerste Holstein Her. book \')
uitgegeven, waarin het in Amerika ingevoerde Nederlandsche vee en
de zuivere afstammelingen daarvan werden opgenomen.
Andere Amerikanen, die zich met de naam .Holstein" voor be-
doeld vee niet konden vereenigen, richten een tweede Stamboekver-
eeniging op onder den meer waren naam „Dutch-Friesian Associa-
tion" en gaven hun eerste Stamboek onder dien naam uit in 1880,
waarin zij het uit Holland en Friesland in Amerika ingevoerde vee
en de zuivere afstammelingen daarvan opnamen.
In 1885 vereenigden beide vorengenoemde Stamboekvereenigingen
zich onder den naam „Holstein-Friesian Association of America."
In dien tijd werd veel Friesch vee naar Amerika verzonden, alleen
de heer K. X. Kuperus verkocht en verzond in 1884 ruim 800 stuks
ter uitvoer daarheen.
Het is bekend, dat het Jersey vee van alle koeien de vetste melk
geeft, niettegenstaande echter het Friesche vee melk geeft met een
gemiddeld vetgehalte van 3 °/0 en het Jersey vee melk met een ge-
middeld vetgehalte van 41/? °/o, leveren de Friesche koeien meer
boter door hunne hoogere melkopbrengst.
Daarvan overtuigt ons het volgende bericht, voorkomende in de
Leeuwarder Courant van 10 Juni 1895.
Nederlandsch vee in Amerika.
„In het jaarverslag van den Nederlandschen Consul-Generaal te
New-York, den heer Planten, worden belangwekkende bijzonderheden
meegedeeld omtrent het Nederlandsch vee in de Vereenigde Staten
van Amerika."
„In de Vereenigde Staten, dus merkt de Consul op, strijden sinds
\') Vermakelijk zijn Je aanhalingen en betoogen in de 1 ste aflevering van het Holstein
Herdbook die moeten dienen als bewys, dat het vee van Holstein afkomstig zou zijn.
-ocr page 39-
g-tl
5811
E II
-ocr page 40-
29
lange jaron twee op den voorgrond tredende rassen om den voor-
rang. Het Friesch rundvee, waaraan men alhier den eenigzins zonder-
lingen naam van „Holstein-Friesians" gegeven heeft en de Jersey\'s."
„Op alle melkwedstrjjden, op bijna alle tentoonstellingen treden
deze beide rassen tegen elkander op en strijden om het meesterschap."
„Nu is het eene ras de overwinnaar, dan weer het andere. In de
eene streek prefereert men het eene, in een andere het andere ras.
In het algemeen kan men, als men onpartijdig den wedstrijd der
beide rassen volgt, niet anders zeggen dan, dat beide vrijwel op
ééne lijn staan."
,De Friezen geven in den regel meer melk, de Jersey\'s vettere
melk. Wel is waar leveren in den laatsten tijd de Friezen, waarbij
men in Amerika het oorspronkelijk slechts gering vetgehalte der
melk inderdaad heeft doen toenemen, gemiddeld per stuk niet alleen
meer melk, maar ook evenveel, zoo niet meer boter, dan de Jersey\'s, —
de HoMandsche koe overtreft ook de Jersey koe in den regel in
lichaamsgewicht en als men nu melk- en boteropbrengst tot het
levend gewicht reduceert, of tot de opgenomen hoeveelheid voeder,
dan staan de beide rassen, vrijwel gelijk."
Wil men echter het eene ras boven het andere verkiezen, dan
moeten liefhebberij en plaatselijke omstandigheden den doorslag geven.
„Onder de laatsten treedt vooral de vruchtbaarheid van den bodem
op den voorgrond, daar de zwaardere Friesche koe, volgens de natuur,
ook een krachtiger voeding, alzoo een zwaarderen bodem moet hebben.
Nog in het begin van het decennium 1880 zag men in de land-
bouwkringen van de Vereenigde Staten de Hollandsche koeien in
het algemeen als geefsters van veel, maar naar vetgehalte arme
melk aan. De fokkers van het eilandvee, de houders van het Jer-
sey- en Guernsey vee, noemden de Hollanders spottend het melk-
en waterras."
„Doch plotseling slingerde de koe „Mercedes", het eigendom van
den heer Thomas B. Wales te Iowa-city, Iowa, en gesproten uit de
beroemde fokkerij van Kuperus te Marssum bij Leeuwarden, in het
jaar 1883 een boterbom van 99 pond en 61/» ons (als maandelijksche
opbrengst) in het vijandelijk leger en versloeg daarmede de eerste
vertegenwoordigster van het Jersey ras, de beroemde koe „Mary Ann"
of St. Lambert, en van dat oogenblik af heeft het Hollandsche ras
ten opzichte van de boterproductie in Amerika, voor zoo verre de
-ocr page 41-
-ocr page 42-
30
Voortbrenging por hoofd voor aparte dieren ter sprake komt, den
eersten rang ingenomen.1\'
„Op de schitterende overwinning van de „Mercedes" volgden nu
jaar op jaar talrijke triumfen van het Friesche vee. Steeds grooter werd
deszelfs voortbrenging, steeds algemeener verbreidden zich in het ras
de uitmuntende eigenschappen, welke de koe „Mercedes" getoond had."
„Talloos zijn de dieren die 6000, 7000, 8000 liter melk per jaar
geven. Hieruit blijkt — en dat is juist de reden waarom de op-
brengsten zoo hoog zijn — dat de Amerikaan de kunst verstaat om
door fokkerij en voeding de dieren zoo te veredelen, dat Europa er
van duizelt, terwijl velen het als onwaar zullen betitelen. Het is
dus niet te verwonderen, dat door deze veredeling van het ras alhier
de invoer van Nederlandsch vee afneemt."
.The Holstein-Friesian Register", een in Amerika verschijnend
blad, gewijd aan de belangen van het Holstein-Friesch vee, schrijft
in het no. van 15 Maart 1888:
„Mercedes IV" (een afstammeling van bovengenoemde „Mercedes")
„is bij eene publieke verkooping in Amerika verkocht voor f 4200.—
„(of 10500.— gulden), wel een bewijs van de achting die de fokkers
„in Amerika aan deze familie betoonen."
Dat ook in Duitschland ons vee en de afstammelingen daarvan
hoog aangeschreven staan, blijkt uit de Milch Zeitung van 14 Dec.
1895, waarin een stier en koe van Hollandsche afkomst zijn afge-
beeld, die beiden op de van 6—10 Juni 1895 gehouden tentoonstel-
ling der „Deutschen Landwirthschafts Gesellschaft" te Keulen den
eersten prijs behaalden. x)
Nog beter blijkt ons de hooge waardij van ons vee door de pre-
miën welke de betrokken Minister in Pruisen heeft uitgeloofd voor
koeien van Hollandsch ras, die veel en vette melk geven.
Indien er beter ras bestond, zou de betrokken Minister deze pre-
miën voor ons vee zeker niet uitgeloofd hebben.
Het aangehaalde is stellig voldoende ter staving van de door ons
gebezigde uitdrukkingen.
Eigenschappen van het Friesch Veeslag.
Zooals gebleken is, onderscheidt ons veeshig zich boven andere
veeslagen vooral ten aanzien van de melkgeving.
\') Jammer dat wfl de daarin voorkomende besehryving en afbeelding van do voor-
treffeiyko melkkoe „Ceder II" niet kunnen overnemen.
-ocr page 43-
31
Wanneer ons vee deze hoogst belangrijke en voordeelige eigen-
schap alleen bezat, zou het in het buitenland niet zoo hoog staan
aangeschreven als thans het geval is.
Maar naast melkrijkheid bezit ons vee tevens eene uitstekende
geschiktheid om met voordeel te worden geweid of gemest, brengt
het groote kalveren ter wereld, die de voorwaarden bezitten voor
eene voorspoedige ontwikkeling en i.s het zeer constant.
Alle deze eigenschappen vereenigd in hetzelfde dier maken het
bij den vreemdeling zoo gewild.
Melkrijkheid.
De cijfers vroeger omtrent de melkrijkheid van ons vee opgegeven,
waar het de opbrengst per jaar betreft, moeten zeer voorzichtig
gebruikt worden, daar zij in den regel niet door voortdurend nieten
der melk verkregen werden.
Sedert het bestaan der zuivelfabrieken kan men omtrent de ge-
middelde melkopbrengst van een groot aantal koeien juiste cijfers
verkrijgen. Wij ontvingen van de directeuren van zes zuivelfabrieken
uit verschillende streken van ons gewest, over twee jaren, mede-
deeling van de gemiddelde hoeveelheid melk per koe en per jaar
geleverd, waaruit door ons het gemiddelde weder getrokken is.
Daardoor zijn wij in staat de gemiddelde opbrengst, berekend uit
de melkopbrengst van 5651 koeien, te geven.
Het daaruit gevonden gemiddeld bedrag per koe in het jaar is:
3812 K.G. of 3700 liter melk.
Onder de 5651 koeien waren 2- en 3-jarige en oudere, zooals ze
op de p. m. 300 boerderijen, waarvan het gemiddelde afkomstig is,
gehouden worden.
Indien de gemiddelde melkopbrengst van 6-jarige koeien kon ge-
geven worden, zou de hoeveelheid dus belangrijk hooger zijn geweest.
Blijkens de in het 5de hoofdstuk van dit werk voorkomende tabellen
worden er nog al eenige koeien aangetroffen, die 6000 K.G. melk
en meer per jaar opbrengen. *)
Het gemiddelde vetgehalte der melk van het Friesche vee is niet
bekend van een even groot aantal koeien als waarvan de gemiddelde
melkopbrengst verkregen is, omdat aan de meeste zuivelfabrieken
\') Do beste melkkoe op de Tentoonstelling in Banden, een Deensche koe, gaf
4500 K.G. melk per jaar in 1804.
-ocr page 44-
:!2
met het vetgehalte der melk weinig of geen rekening wordt ge-
houden.
Wij zij" echter in staat het gemiddeld vetgehalte over twee jaar
van bijna 1000 koeien, verdeeld over 40 boerderijen, mede te deelen.
Het onderzoek had plaats van 4 melknialen per week van iedere
boerderij.
Volgens dat onderzoek en het daaruit door juiste berekeningen
verkregen cijfer bedraagt het gemiddelde vetgehalte der Friesche
koeien 2.985 °/0 of bijna 3 °/„.
Aan een zuivelfabriek in het Noordelijk Westerkwartier *) van
Groningen bedroeg de gemiddelde melkopbrengst per koe in een jaar
2100 K.Q.
Hierbij moet noodzakelijk opgemerkt worden, dat, in dat deel van
Groningen veel meer jong melkvee op iedere boerderij gehouden
wordt dan in Friesland.
De gemiddelde melkopbrengst per koe bedroeg aan eenige zuivel-
fabrieken in Noord-Holland .\'5200 K.G. per jaar, aan een zuivelfabriek
in het westen van Noord-Braband 3359 K.G. per jaar.
Opgaven die liooger waren dan het gemiddelde aan de Friesche
zuivelfabrieken hebben wij niet kunnen verkrijgen.
Tet- en Vleescligroei.
Eene andere hoogst nuttige en voordeel aanbrengende eigenschap
van ons vee is de geschiktheid om in korten tijd een belangrijk ge-
wicht te verkrijgen.
Behalve het Purham ras, enkele andere Engelsche veerassen en
het Groninger mestvee, die alleen in deze eigenschap uitmuntten en
waarvan de Engelsche vooral dikwijls nauwelijks genoeg melk voort-
brengen om hunne kalveren te voeden, kan het Friesch veeslag met
de beste runderen in Europa wedijveren wat de productie aan vleesch
en vet betreft.
Wanneer ons jong vee van zijn vroegste jeugd «af gevoed en
verzorgd wordt zooals dit bij eene rationeele voeding behoort te
geschieden, neemt het bestendig in gewicht toe en levert een regel-
matig met vet doorregeld vleesch.
\') Hcngoveld meent, dut vooral het vee uit dit gedeelte van Nederland boven elk
mder vee do voorkeur verdient.
-ocr page 45-
38
Hot, vet zit ovoral in gelijke mate tusschen de weefsels en hoopt
zich hij voortgezet mesten op, h.v. aan de horst, op de rihhen, in
de flanken, voor het. uier enz.
Wordt ons vee op volwassen leeftijd vetgoweid of gemest, dan
nog behoudt, het deze kostbare eigenschap, doch even als elders, als
het oud is, dan neemt de vleeschgroei minder en de vet-aanzet
meer toe.
Wanneer het nog in de kracht van zijn leven vetgemest wordt,
levert het vleesoh, dat het in smakelijkheid wint van het vleeseh
van het beroemdste mestvee.
Vooral op die plaatsen van het lichaam, waar liet beste
vleeseh zit, hoopt het zich bij ons geweid vee overvloedig op.
Dat. in onze provincie voorbeelden van buitengewoon zwaar vee
zeldzaam zijn, is grootendeels een gevolg van de vraag naar regel-
matig met vet doorregeld vleeseh, waardoor een mesten tot aan het
uiterste gewicht niet loont, immers: vermindert door te ver door-
gevoerde mesting de waarde van het vleeseh.
In de maand Februari 1897 vermeldde de Leeuwarder Courant, dat
er twee koeien aan de veemarkt waren gewogen, die respectievelijk
1(>32 en l.r)6(i halve K.G. wogen, nog wel een bewijs, dat zelfs bij
deze wijze van mesten een flinke zwaarte bereikt kan worden.
Op de Tentoonstelling, tijdens het 39s*e Landhuishoudkundig (\'on-
gres, te Leeuwarden gehouden, was het levend gewicht, der gewogen
stieren van 2- tot 4-jarigen ouderdom van 925 tot 1003 K.G.
Groote en zware kalveren.
Boven en behalve de belangrijke eigenschappen van ons vee om
veel melk te geven en voor de vetweiding en vetmesting uitstekend
geschikt te zijn, mmit. het uit in het werpen van groote, sterke
kalveren die gemakkelijk vet en zwaar worden en aanleg bezitten
voor eene voorspoedige ontwikkeling.
liet gewicht der kalveren bij de geboorte varieert, naar wij ons
overtuigd hebben, van 35 tot 55 K.G., meestal komen zij met 8
melktanden ter wereld, waardoor zij ïeeds hunnen aanleg voor een
snellen groei en vlugge ontwikkeling aantoonen.
Worden zij direct na de geboorte gemest met zoete melk, dan
nemen zij, in den regel, vooral in de eerste weken, zeer snel in ge-
wicht toe.
3
-ocr page 46-
34
Een wekeljjksche gewichtstoename van 5 en 6 K.G. is geene zeld-
zaamheid, voor ieder Va K.G. die zij zwaarder worden is, bij een
voorspoedigen groei, nog geen .r> liter zoete melk noodig. l)
Door de kalveren, die aangehouden zullen worden, in hun jeugd
krachtiger en meer oordeelkundig te voeden, /ouden onze veehouders
van hunnen aanleg voor vroege ontwikkeling en het verkrijgen van
eene zeldzame grootte, meer partij kunnen trekken dan thans het
geval is.
Eene uitstekende voeding in de jeugd, zonder vetmesten en vroeg-
tijdige paring zal de melkrijkheid onzer koeien beter bevorderen,
dan een vroegtijdige paring alleen.
Constantheid.
De inwerking gedurende vele eeuwen van dezelfde invloeden hebben
ons rundvee eene bestendigheid in vorm en eigenschappen gegeven
die bewonderenswaardig is.
Zelfs in den vreemde behoudt ons vee, zooals ook uit vele aan-
halingen in dit hoofdstuk gebleken is, bij een oordeelkundige behan-
deling, zijn voordeel aanbrengende eigenschappen; ja! deze kunnen
zelfs door bekwame fokkers, zooals van ons vee in Amerika is aan-
getoond, verbeterd worden.
Een nieuw kunstmatig ras zal veel spoediger in een andere streek
zijne eigenschappen verliezen, dan een meer natuurlijk veeslag als
het onze, waarvan de gewenschte eigenschappen over een tijdsverloop
van eeuwen langzaam zijn verbeterd.
Ook door dat ons vee gedurende het zomerhalfjaar al de ongc-
inakken van ons veranderlijk klimaat moet verduren, verdraagt bet
overbrenging naar eene andere streek zeer goed.
Bovendien is ons vee voor stalvoedering uitnemend geschikt, omdat
bet gedurende het winterhalfjaar onafgebroken in een weinig ruimen
stal moet verkeeren.
Hadden onze fokkers en veehouders van vroeger een der voordeel
aanbrengende eigenschappen van ons rundvee belangrijk verbeterd,
zonder te letten op de andere eigenschappen, dan zouden deze zeer
zeker verminderd zijn.
\') De veehouders die zich toeleggen op hot mesten van kalveren zonden zich zolvon
en anderen een grooten dienst bewijzen door meor oi> de gewichtstoename en het ver-
brnikte voodsoj te Jctten en deze cijfers te pnbliceeren.
-ocr page 47-
35
Thans heeft de fokker het, als het ware, in de hand, van zijn vee
te maken wat hij verkiest, zoodat hij van een jonge vaars evenzeer
een deugdelijke melkkoe als een zware vette koe kan maken , eene
melKKoe die toch nog, na afgemolken te zijn, de eigenschap behoudt,
om. hij rationeele behandeling, zwaar en vet te worden.
Kenmerken van liet Friesch Veeslag.
De lichaamsbouw en vorm van het Friesch vee wijzen op de nuttige
eigenschappen die het bezit, hun vorm is voor liet meerendeel melk-
eii vleeschvorm, waarvan dan eens de melk- dan weder de vleesch-
vorm bij de onderscheidene runderen de overhand heeft.
Bij de beschrijving van eene Friesche stier en koe, bizonder ge-
sehikt voor de fokkerij, zullen de kenmerken van de melk- en vleesch-
vorm, zooals die harmonisch vereenigd bij de beste runderen bestaan,
worden vermeld.
De grootte van ons vee is afwisselend, afhangende van de vrucht-
baarheid der streek.
Het grootste vee treft men langs de zeekust en op het zooge-
naamde Nieuwland aan.
iets kleiner vee, doch van meer geëvenredigde lichaamsvormen,
wordt gevonden op de vruchtbare zavel- en veengronden.
Middel matig groot, vee wordt aangetroffen op de laagste veen-
gronden, alsmede op de vruchtbaarste zandgronden.
Klein vee treft men in onze provincie, behoudens enkele uitzonde-
ringen, niet aan.
Ons vee behoort door zijn korte, fijne, bij de een horizontaal, bij
de ander afhangend naar voren gerichte hoornen, tot de korthoorns.
Een karakteristiek kenmerk van het Friesch vee is de kleur.
Bonte, meest zwartbonte in allerlei schiikeeringen, minder roodbonte.
enkele muisvale en blauwbonte kleuren worden bij ons vee aangetroffen.
Vele vreemdelingen vragen tegenwoordig steeds naar zwartbent
vee, daar zij het bezit dezer klein-, als kenmerk van de zuiverheid
van het ras beschouwen.
Hoewel bij het laaglandsche veeras de zwartbonte kleur als hoofd-
kleur wordt aangetroffen, zijn ook de andere genoemde kleuren bij
het Friesch veeslag, voor zoover bekend, steeds aangetroffen.
Voor behoud van de zuiverheid der kleur is het stellig gewonscht.
runderen met verschillende kleuren niet te laten paren.
-ocr page 48-
36
In de schets van ons vee in liet eerste „ITolstein TTerdbook" zegt
de schrijver:
„De indrukwekkende verschijning van een koppel Priesch vee,
gegroepeerd in het veld, is niet het minste van hun waardige ken-
merken,
          hoven de Shorthorns (korthoorns) verheven in grootte,
met hen overeenkomende in vorm; • leveren de sneeuwwitte en
gitzwarte kleuren, in schilderachtige wanorde van plaats en afmeting
over hunne lichamen verspreid, een treffend en schoon gezicht op
in tegenstelling met de groene weiden van het landschap."
HOOFDSTUK III.
Algemeene middelen tot verbetering en veredeling van het
Friesch Veeslag.
Na de eigenschappen, waardoor ons vee zich hoven andere vee-
slagen onderscheidt, te hebhen behandeld, kunnen wij er toe over-
gaan , de middelen te beschrijven , die aangewend kunnen worden
om ons vee te verbeteren en te veredelen.
Allereerst dienen wij daartoe bekend te zfl\'n met de invloeden, waar-
aan de runderen onderworpen zijn.
Een ras is eene verzameling van dieren van gelijke vormen. ont-
staan onder gelijke levensvoorwaarden; — oen product alzoo van
bodem, klimaat, voedsel en gebruik.
Dit komt zelfs zoo sterk uit, dat als men een ras overbrengt naar
een ander land en het daar gebruikt en voedt zooals de inlandsche,
het de vormen en eigenschappen der in dat land te huis behoorende
runderen langzamerhand zal overnemen en die van eigen vaderland
zal verliezen.
Zelfs streken van ons land, waar de levensvoorwaarden verschillen
van die in andere streken, produceeren een bijzonder slag van run-
deren (onderras) van hetzelfde oorspronkelijke ras.
Ook in onze provincie verschilt het vee der kleistreken van dat
der veenstreken en het vee der zandgronden onderscheidt zich van
de anderen weder in vorm en grootte.
Het verschil is echter niet in die mate dat men kan spreken van
Friesche veeslagen, daar de kenmerkende eigenschappen aan al het
Friesche vee eigen zijn.
-ocr page 49-
--
y.
—
y.
-ocr page 50-
87
Vele zijn de invloeden of levensvoorwaarden waaraan het rund
onderworpen is en waaraan de veranderingen in gedaante en eigen-
schappen zijn toe te schrijven.
Niet onbelangrijk kan het geacht worden eens na te gaan welke
de veranderingen zijn, die de runderen onder de verschillende invloe-
den van hodem, klimaat, voedsel en gebruik, ondergaan.
Deze invloeden staan met elkander in nauw verband, zoodat het
zeer moeilijk is van ieder in het bijzonder de veranderingen, die zij
teweegbrengen, na te sporen.
Zoo oefent de vruchtbaarheid van den bodem invloed uit op het
hoofdvoedsel van het rund en daar de plantengroei zoowel van het
klimaat als van de hoogteligging van den bodem afhangt, moet
men zich houden aan de uitersten , die ieder op zich zelve zoude
kunnen uitoefenen.
Invloed van den bodem.
l)e bodem oefent, zoowel door het daarop groeiende voedsel als
door de hoogere of lagere ligging, invloed uit op het rund.
Het bergveo heeft een geheel anderen vorm dan het laaglandsclie vee.
Bij de meeste koeien uit bergachtige streken neemt men een op-
gerichten stand van den kop waar, de rug is veelal een weinig inge-
bogen en het kruis naar den staart rijzende, zoodat zij in den regel
buitengewoon hoogstaartig zijn.
De lijn van den kop naar den staart heeft een hollen o vaal vorm.
Men wil zelfs opgemerkt hebben, dat ook de hoornen meer opgc-
richt staan.
Bij de runderen uit lage, vooral vochtige streken, neemt men,
hoewel niet in die mate, het tegenovergestelde waar.
De buik is tonvormig, de kop gedoken, het schoft hoog en het
kruis naar den staart, veelal afhangend, zoodat een lijn van den kop
naar den staart, een bollen, aan die bij het bergvee tegenoverge-
stelde, ovaalvorm heeft.
De beenderen van het laaglandsclie vee zijn in het algemeen weeker,
poreuzer en grover dan die van het vee op lioogen en droger bodem.
Ook de melk van het eerste is in den regel minder rijk aan vet,
hoewel de hoeveelheid veel grooter is.
Het vleesch der laaglandsclie runderen is smakelijker en nialscher
dan dat van het bergvee.
-ocr page 51-
-ocr page 52-
88
Invloed van het voedsel.
De invloed van het voedsel op verschillenden bodem onder het-
zell\'de klimaat gegroeid, is zeer in het oogvallend, vooral in onze
provincie. Het vee uit dicht bij elkaar gelegen plaatsen kan alleen
hierdoor reeds belangrijk verschillen.
Hij eene rijke voeding zal het rund zich beter ontwikkelen, grooter
en zwaarder worden dan bij slechte voeding. De levensverrichtingen,
als ademhaling en bloedsomloop, geschieden krachtiger; de voort-
telingsdrif\'t is, indien de dieren niet vetgemest zijn, zeer opgewekt
en de jonge dieren zijn vroeg rijp.
Van veel belang is het daarom, nauwkeurig toe te zien op het
opfokken der kalveren, daar zelfs zwakke dieren, door een rijke
voeding, goede exemplaren kunnen worden, terwijl kalveren, die door
afstamming en geboorte uitstekende exemplaren beloven te worden,
alleen door slechte voeding in de jeugd kunnen ontaarden in droe-
vige figuren met slechte vormen en gebrekkige ontwikkeling der
gewenschte eigenschappen.
Op lateren leeftijd zijn de runderen meer afhankelijk van den
bodem waarop zij gehouden worden. Zij ondervinden dan den invloed
van het daarop groeiende voedsel.
Door bij voeder, waar het hoofdvoedsel niet voldoende is voor een
Hinke, vlugge ontwikkeling, kan de fokker echter de slechte invloeden
daarvan geheel of gedeeltelijk opheffen.
Hij dient daarom bekend te zijn met de voedingswaarde van het
aan zijne runderen verstrekt voedsel en moet de daarover bestaande
werken bestudeeren.
Nevenstaande afbeeldingen geven de verschillen te zien, die ont-
staan door voortdurende inwerking, gedurende eene reeks van eeuwen
van slecht en uitstekend voedsel.
Invloed vun liet klimaat.
Overal in de koude streken vindt men een klein soort van rundvee.
Door de koude worden de onder de huid gelegen bloedvaten saam-
getrokken, de uitwendige weeke deelen krimpen in en het vet zet
zich, door belette huid uitwaseming, meer inwendig af.
De huid wordt dikker, dichter behaard, en daardoor in staat de
inwendige deelen tegen de koude beter te beschutten.
Men ziet dit reeds eeniger mate bij onze runderen, die in den
-ocr page 53-
-
-ocr page 54-
, \\
=
-
—
>
y.
x
ö
>
—
j.
-ocr page 55-
39
herfst met meer en langer haren bedekt zjjn dan in den zomer.
In de heetere gewesten zijn de beenderen harder en fijner dan in
de koude streken, de hoorngroei is meer ontwikkeld, de haren daaren-
tegen zijn kort en schaars.
Het vet, dat in de koude streken inwendig aangetroffen wordt,
komt in de warme streken uitwendig voor, onmiddelijk onder de huid.
De runderen zijn in de heete landen grooter dan in de koude,
hoewel zij in de gematigde luclitstreek liet grootst worden.
Het gematigd klimaat is liet meest gewenschte voor de ontwikke-
ling van het rund. Daar is de huid fijn en behaard, het vet wordt,
bij goede voeding, zoowel uit- als inwendig aangetroffen enisgelijk-
matig verdeeld tusscheu het vleesch, de hoornen zjjn eer klein dan
groot en de beenderen minder hard dan in de heete landen en minder
grof dan in de koude streken.
De luclitstreek is mede van invloed op de melkgeving. Hitte zoo-
wel als koude is daarvoor nadeelig. Een vochtig gematigd klimaat
oefent een gunstigen invloed op de melkgeving uit.
Invloed van het gebruik.
De invloed die de fokkers door het gebruik op het rund uitoefenen
is niet minder groot, dan de andere invloeden.
Daardoor zijn de runderen na verloop van tijd zeer veel veranderd
en gewijzigd, al naar gelang van het doel waarvoor zij gehouden worden.
Runderen die uitsluitend gehouden worden om veel vet en vleesch
te produceeren, hebben een daarvoor geschikten vorm verkregen.
Het geraamte van zulke dieren is klein, zij hebben een korten hals.
diepe borst, afgerond lichaam met veel vleesch op de ribben en
vleezig voor- en achterstel, zoodat de korte fijne pooten nauwelijks
in staat zijn de vet- en vleeschklomp te dragen. (Zie plaat.)
Runderen die gehouden worden met het doel daarvan veel melk
te verkrjjgen, hebben een zwaarder geraamte dan mestvee, met dunnen
niageren hals, smalle schoft, ondiepe borst, scherpen rug, tonvormigen
buik, lange lenden, sterk ontwikkeld kruis, magere smalle dijen,
grooten uier, duidelijk zichtbare kronkelende meikaderen en fijne
zachte huid.
De romp van zulke dieren heeft van voren en ter zijde gezien een
kegel vorm, terwijl die van mestvee, hoe ook gezien, een parallelogram
vorm heeft.
-ocr page 56-
-ocr page 57-
40
Nevenstaande afbeelding va» een melkkoe toont ons den kegelvorm
duidelijk, hoewel zij overigens den inelk- en vleeschvorm in zich
vereenigt.
Vergeleken met de vorige afbeelding blijkt echter genoegzaam de
invloed van het verschillend gebruik.
Bij runderen die men steeds voor het werk gebezigd heeft is de
invloed van het gebruik gering en zal de gedaante zeer zeker weinig
verschillen van den oorspronkelijken stamvorni. (Zie plaat.)
Bovendien kan de fokker invloed op zijne runderen uitoefenen door
Fokken in eiyen ras en kruisen.
Elk dier is in staat zijne goede zoowel als zijne slechte hoedanig-
heden op zijn nakomelingen over te dragen.
Op deze eigenschap der dieren berust elke verbetering en ver-
edeling van het rundveeras.
Door in eigen ras steeds de beste exemplaren uit te zoeken en die
te doen paren kan de fokker, langzaam maar zeker, zijn vee verbeteren.
Dit wordt fokken in eigen ras genoemd.
Het fokken in eigen ras is een betrekkelijk zekere fokmethodc,
wanneer ze in toepassing gebracht wordt op de plaats waar het be-
treflénde ras gevormd is, waar het tehuis behoort: want dan zal liet
overerven van de eigenschappen der voorouders worden bevorderd
door de uiterlijke omstandigheden, en daar individuen van hetzelfde
ras altijd op elkaar gelijken, zoowel wat uitwendige als inwendige
eigenschappen betreft, kan men er vrij zeker van zijn dat het parings-
product op beide ouders zal gelijken.
Daar enkele individuen een sterk overervingsvermogen bezitten,
zal men dikwijls zien dat die koeien in een beslag die in het bezit
zijn van de meest voordeelaan brengende eigenschappen, alle van het-
zelfde individu afstammen. Hierdoor ontstaan nieuwe stammen, dat
zijn groepen van individuen van hetzelfde ras, die op grond van ge-
meenschappelijke afkomst, hetzij in \'t geheel genomen of wat enkele
eigenschappen aangaat, nog meer op elkaar gelijken dan andere.
Wanneer men voortfokt met de individuen van denzelfden stam, dan
komt men spoedig tot bloedverwantschapsteelt.
Wanneer het er op aankomt, waardegevende eigenschappen die
slechts bij één of bij zeer enkele individuen voorkomen, te doen over-
erven, zal men niet kunnen vermijden zeer naverwante dieren met
elkaar te doen paren.
-ocr page 58-
x
<
x
-ocr page 59-
2!
-ocr page 60-
41
Het sproekt van zelve, d;it deze dieren noodzakelijk zonder ge-
breken moeten zijn, duur deze anders van geslacht tot geslacht nog
ineer uitkomen. Zelfs gebreken, die niet werden opgemerkt, zullen,
als zij in de familie zitten, te voorschijn komen.
De goede eigenschappen der familie echter worden door deze
, wijze van veeteelt" nog meer verbeterd, zelfs verborgen goede
eigenschappen zullen hierdoor waarneembaar worden.
Het paren in bloedverwantschap is door (iebr. Colling toegepast
in hunne beroemde kudde van verbeterd Durham-vee.
Er is wel eens aan getwijfeld of deze manier van fokken wel
raadzaam is. daar men heeft opgemerkt dat zij dikwijls leidt tot
onvruchtbaarheid, verzwakking en achteruitgang.
Het is echter zeker dat men. zonder het voortbestaan en de ont-
wikkeling van het ras in gevaar te brengen, veilig de familieteelt
kan toepassen, wanneer men de noodige voorzorgen in acht neemt.
Men mag slechts een enkele keer dieren met elkaar doen paren
die zoo na met elkaar verwant zijn als volle broers en zusters, of
als ouders en kinderen (incestteelt) ; men mag slechts in eeniye wei-
nige pp elkaar volgende geslachten
individuen met elkaar doen paren,
die met elkaar verwant zijn als halfbroeders en halfzusters, als groot-
ouders en kleinkinderen, of als broeders- en zusterskinderen (familie-
teelt). Onder dit voorbehoud levert deze vorm van keuze van fok-
materiaal geen gevaar op, vooropgesteld nog dat de keuze overigens
geschiedt met behoorlijke zorg, en in de onderstelling dat de nako-
melingen van zulke meer of minder nauwvervvante dieren worden op-
gekweekt volgens alle regelen der kunst.
Wanneer men niet volkomen zeker is dat deze voorwaarden ge-
heel kunnen worden vervuld, dan moet familieteelt worden ontraden.
Even zeker als het is dat familieteelt zekere gevaren meebrengt,
even onjuist zou het zijn om uit vrees voor deze gevaren, die ook
niet altijd evenzeer voor de hand liggen, de paring tusschen indivi-
duën van dezelfde afstamming geheel achterwege te willen laten :
want de gevaren der familieteelt komen eerst voor den dag wanneer
de dieren zeer na met elkaar verwant zijn, en wanneer naverwante
dieren gedacht op geslacht met elkaar paren. Wanneer men geen
gebruik wilde maken van de omstandigheid dat dieren van dezelfde
afstamming zich onderscheiden door een zekere onderlinge gelijkheid,
dan zou men een van de allerbeste middelen laten varen om den
-ocr page 61-
£
o ?3
5 5
r SS
^ 3C
M —*
BS »
r1
>
C
r \'j
-ocr page 62-
42
aan fok van huisdieren loonend te maken. Het fokken in eigen ras
of familie is de zekerste fokniethode die men kent, liet resultaat kan
tot h|> zekere.\' hoogte voorspeld worden, omdat de overerving van
eigenschappen, die zoo constant zijn geworden dat zij tot ras-ken-
inerken geworden zijn, practisch gesproken, absoluut zeker is. Daar-
om is ook de teelt in eigen ras van de allergrootste beteekenis voor
elk land waar veefokkerij geldt als middel van bestaan, en hoe
groote voordeelen de. kruising in sommige gevallen ook moge ople-
veren, blijft toch aanfok in eigen ras de hoofdzaak, omdat er geen
sprake kan zijn van kruising, wanneer niet in eigen ras wordt ge-
fokt. Want volgens de eigenlijke beteekenis van het woord is krui-
sing het paren van individuen gefokt in eigen ras.
Kruisen noemt uien het paren van dieren uit verschillende rassen.
Vooral wordt hieronder verstaan liet invoeren van een stier, om door
paring daarmede eigen ras te verbeteren.
Onder omgekeerde kruising verstaat uien het paren van een stier
van eigen ras niet een vrouwelijk dier uit een vreemd ras, b.v. een
Friesche stier niet een Jersey koe.
Kruisen kan dikwijls groote voordeelen opleveren, wanneer de rassen
niet zorg zijn uitgezocht, en wanneer de kruisingsproducten met zorg
worden opgefokt.
liet doel is het. voortbrengen van individuen die zooveel mogelijk
van de goede eigenschappen van beide rassen in zich vereenigen.
Maar het product der kruising is niet altijd het gemiddelde der
beide ouders, omdat hun overervingsvermogen in den regel verschil-
lend is. Het doel dat men tracht te bereiken wordt hierdoor dikwijls
niet bereikt, en hieruit ziet men reeds welk een groot verschil er
bestaat tusschen fokken in eigen ras en kruisen. Maar dit verschil
blijkt ook hieruit dat het kruisingsproduct dikwijls grooter eisenen
stelt wat voeding en verpleging aangaat, dan het inlieemsche ras
dat men door kruising tracht te verbeteren, en het is veelal inoeielijk
aan deze hoogere eischen naar behooren te voldoen.
Wanneer bij de keuze van het ras dat tot verbetering zal strek-
ken. met de noodige kennis van zaken rekening is gehouden met
het doel dat men tracht te bereiken, en wanneer de omstandigheden
overigens gunstig zijn, dan is kruising dikwijls zeer loonend. De
kruisingsproducten zijn dikwijls uitmuntend voor het gebruik, maar
voor den aanlok zijn zij niet te vertrouwen.
-ocr page 63-
48
Wanneer men de dieren van gemengde afkomst, de kruisingspro-
ducten van den eersten graad, voor den aanf\'ok gebruikt, dan ver-
toonen de afstammelingen dikwijls niet alleen eigenschappen van
hunne ouders, maar ook van vroegere geslachten. Deze fokmethode
is gekenmerkt door een groote mate van onzekerheid.
Anders wordt liet, wanneer men gedurende meerdere geslachten
de kruisingsproducten laat paren met individuen van het zuivere ras
waarmee men liet inheemsche tracht te verbeteren. Deze zooge-
n aam de voortgezette kruising geeft het voordeel dat men er langza-
merhand en bijna onwillekeurig aan gewent om te voldoen aan de
hoogere eischen wat voeding en verpleging betreft, die het verbeterde
ras bijna altijd stelt, in vergelijking niet het inheemsche.
Wanneer aan deze hoogere eischen niet kan worden voldaan, dan
zal het door voortgezette kruising gevormde ras niet standvastig
blijken te zijn. Men moet dan met zekere tusschenruimten de krui-
sing herhalen, of, zooals men dat noemt, bloedverversching in toe-
passing moeten brengen.
Onder bloedverversching wordt ook wel verstaan het gebruik van
een manlijk fokdier, dat wel tot hetzelfde ras behoort, maar niet uit
dezelfde kudde afstamt, en het doel is dan alleen om de gevaren,
die te lang voortgezette familieteelt meebrengt, te ontgaan.
Men zou dit kunnen doen door met een zijner buren, die een even
goeden dekstier bezit, te ruilen.
Eindelijk zijn de runderen onderworpen aan de
Kegelen der Vererving.
Zooals wij gezien hebben is elk dier in staat zijne goede zoowel
als zijne slechte hoedanigheden, op zijn afstammelingen over te
planten.
Nooit echter zijn de kinderen volkomen gelijk aan hunne ouders.
Bij eene nauwkeurige beschouwing merkt men kleine afwijkingen,
zelfs kinderen van hetzelfde ouderpaar verschillen.
Zoo schept de natuur wijzigingen, het komt er nu maar op aan
deze in een richting tot ons voordeel op te hoopen, door telkens en
onophoudelijk voorwerpen ter voortplanting uit te kiezen, die wijzi-
gingen bezitten, waarvan wij het meeste nut kunnen trekken en door
teeltkeus die wijzigingen grooter te maken.
-ocr page 64-
44
Daar in \'t oog loopende afwijkingen in liet maaksel zelden voor-
komen, moet de veredeling van ons veeras bestaan in liet kiezen van
fokdieren, die geringe verschillen vertoonen, waartoe groote opinerk-
zaanilieid en onuitputtelijke volharding worden vereischt.
Deze opmerkzaamheid heeft er toe geleid eenige regelen der ver-
erving vast te stellen.
Men begrijpt echter, dat het geene vaste wetten zijn die niet falen,
alleen zijn ze dienstig voor den ervaren fokker, daar deze daarmede
rekening kan houden.
Zoo meent men opgemerkt te hebben:
Dat langharige en krulharige runderen groote geschiktheid hebben
om lange horens te krjjgen.
Dat een lange kop veelal vergezeld gaat van lange ledematen.
Dat de vader meer invloed uitoefent op het voorstel, de moeder
op het ach ter stel, de vader meer op de gedaante, de moeder op de
grootte.
Bij fokken in eigen ras erft de kleur beter over dan bij kruising.
Hoe meer de ouders niet elkander overeenstemmen , des te beter
erven de vormen en eigenschappen over ; en omgekeerd, verschillen de
ouders dan zullen bij de nakomelingen deze verschillen gemengd
voorkomen.
Fokt men in eigen ras, dan zal men dus veel meer kans hebben
op goede overerving dan bjj kruisen.
Verschillen de ouders veel, dan heeft men veel kans op wange-
drochten, die nergens geschikt voor zijn.
Van een zeer standvastig ras zullen de eigenschappen beter over-
erven dan van een nieuw ras.
Deelen, welke kort geleden gewijzigd zijn, hebben neiging om
voortdurend te veranderen, tevens zullen dergelijke deelen dikwijls
terugslag (atavisme) vertoonen, d.w.z. meer gelijken op een vroegeren,
bij den voorouders voorkómenden vorm.
Uit deze regelen volgt, dat men vooral bijzonder moet letten op
het mannelijke fokdier, omdat dit op vele afstammelingen zijne
eigenschappen doet overgaan. Een beste fokstier oefent op oen ge-
heel beslag gunstigen invloed uit, terwijl een koe dat alleen kan op
haar kalveren.
Ieder fokker die zijn vee wenscht te verbeteren of te veredelen,
-ocr page 65-
45
dient, bekend te zijn mei", de vermelde invloeden, waaraan de runderen
onderworpen zijn, zal hij kans van slagen hebben.
Zooals uit den invloed van den bodem is gebleken, zal bij zicb
zeer veel moeite moeten getroosten om een horizontaal vierkant
kruis bij zijn vee te verkrijgen en te behouden.
Uit den invloed van het voedsel kan hij de noodzakelijkheid leeren
kennen om zich. beter dan tot nu toe, met de voedingsleer bekend
te maken. Vooral het opfokken van kalveren eisclit meer kennis
van de voedingsmiddelen dan waarop onze fokkers aanspraak kunnen
maken.
De invloed van het klimaat leert hem, dat hij zijn vee vooral
dient te beschutten voor koude en het zoogenaamde harden van zijn
jongvee met voordeel kan nalaten. Ook dient de fokker niet te
vergeten, dat ons vee door de groote melkrijkheid, meer dan eenig
ander ras, voor temperatuurverschillen uiterst gevoelig is.
De invloed van het gebruik wijst er op, dat men den besten vorm
bewaart door het rund voor meer dan een doel te gebruiken.
De wijze van veeteelt is het veiligst wanneer gelokt wordt in
eigen ras, toepassing van bloedverwantschapsteelt met de uitste-
kendste exemplaren kan wellicht, voorzichtig en niet te lang volge-
houden, goede resultaten opleveren.
Kruising, Breeding in and in, Incestteelt, zouden onzen veestapel
bederven, terwijl bloedverversching, meer dan thans het geval is,
moet worden toegepast.
De regelen der vererving ondersteunen het fokken in eigen ras.
Van zeer veel belang is, dat bet ras daardoor zijn constantheid be-
houdt en terugslag in geringe mate zal voorkomen.
HOOFDSTUK IV.
BQzoudere middelen tot verbetering en veredeling van het
Friesche
Veeslag.
Dncl der veehouding. Het doel der veehouding in onze provincie
is aan fok en het verkrijgen van melk on vleesch, wij hebben dit bij
de geschiedenis van ons rundveeslag reeds gezegd.
-ocr page 66-
46
Onze kooien worden gebruikt om gedurende eenige jaren, jaarlijks
een kalf ter wereld te brengen en tusschen den tijd van kalven en
droogzetten dagelijks melk te geven.
I\'lns minus 60 dagen voor het kalven laat men y.e staan. d. w. /..
worden ze niet meer gemolken, ten einde ze weder krachten te doen
verzamelen voor de op handen zijnde verlossing en de volgende
lactatieperiode.
Na eenige jaren als melkkoe dienst te hebben gedaan, worden zij
of\' geweid of geniest voor de slachtbank of wel verkocht.
Zij worden dan somtijds nog een of meer jaren elders als melkkoe
gehouden om ook dan als niestvee haar loopbaan te eindigen.
De stieren worden na het eerste tot het derde jaar als springstior
gebruikt en vervolgens voor de slachtbank gemest.
De waarde eener koe of van een stier wordt bepaald door de ge-
schiktheid voor hunne bestemming.
Er moet daarom gelet worden op:
Zware kalveren met schoone vormen.
Zijn de kalveren schoon van vorm en reeds bij de geboorte zwaar,
dan kan daarvoor direct een flinke prijs bedongen worden en ook
bij verkoop in den herfst of later zullen deze kalveren de hoogste
prijzen opbrengen.
Worden de beste kalveren aangehouden om later als melkkoe of
als springstier dienst te doen, dan zal men veel kans hebben, dat zij
dan weder zware kalveren met schoone vormen voortbrengen.
Voor den handel hebben schoongevormde koeien veel waarde,
waarom op goede vormen nauwkeurig gelet moet worden.
Hoewel minder schoone koeien met een hooge melkopbrengst van
een voldoend vetgehalte voor den houder voordeeliger zijn dan fraaie
dieren die weinig melk geven, moet de vorm daarom nimmer ver-
waarloosd worden, daar harmonie in de verschillende lichaamsdeelen
wijst op een gezond gestel en geschiktheid om langen tijd voor het
bedrijf te worden gebruikt.
In den regel: hoe beter kalf, hoe beter koe, altijd bij goede voeding.
Vroegrijpheid. Indien een rund spoedig volwassen en dus vroeg
geschikt is om voor de voortteling te worden gebruikt, zal voedsel
uitgespaard en het fokken voordeeliger worden.
-ocr page 67-
47
Door oordeelkundige en rijke voeding in de jeugd moeten wij
daarom oen vlugge ontwikkeling zien te bevorderen.
Huid, haar, hoornen, kleur. Behalve op een harmonisch ontwik-
keiden lichaamsbouw, moet gelet worden op de andere kenmerken,
als de fijnheid, kleur en andere hoedanigheden van de huid. het
haar en de hoornen.
Eene fijne losse huid. die zich zacht laat aanvoelen en plooibaar
is; kort, fijn, zacht en glanzend haar en fijne horens zijn teekenen
van melkrijkheid.
Ook voor mestvee zijn deze kenteekenen aanbevelenswaardig, daar
het vleesch van zulke dieren minder grof\' is, dan dat van dieren
waarbij zij niet gevonden worden.
De kleur van het haar mag niet vaal zijn. vaalzwart. vaalrood,
vaalmuis is niet gewenscht; vale kleuren worden aangetroffen bij
zwak vee of dat door ziekte of gebrek geledon heeft.
Ook wordt beweerd, dat eene zuivere kleur een bewijs is van
constantheid, om die reden moet ook de eene kleur duidelijk in de
andere overgaan en mogen zich op de huid in het wit geen vale
"•rondvlekken vertoonen.
Overigens regelt do vraag van den handel kleur en afteekening.
Hoeveelheid en hoedanigheid der melk, vleesch- en vetgroei. Voorts
wordt do waarde eener koe bepaald door de hoeveelheid on hoedan ig-
heid der melk die zij geeft en de geschiktheid om binnen korter of
langer tijd vet te groeien.
Op do waarde van koeien die veel en vette melk geven komen
wij later terug.
Indien de koe hare geschiktheid om de een of andere reden als
melkkoe verloren heeft of om financieele redenen moet worden ge-
weid of vetgemest, is het voor den houder zeer voordeelig, dat zij
binnen korten tijd geschikt is om geslacht te worden.
Het bestede voedsel wordt hierdoor spoedig in geld omgezet.
Verervingsvermogen. Een schoon gevormde stier rijst in waarde
naar mate hij boter het vermogen bezit zijne vormen 071 eigen-
schappen en die zijner ouders op de nakomelingen over te planton,
voorts is de aanleg om in korten tijd vet te groeien ook bij don stier
zoor gewenscht.
-ocr page 68-
48
Bezit, de stier een goed verervingsverinogen wat de uiterlijke ken-
teekenen betreft, dan kan men met grond verwachten, dat dit ook
liet geval zal zijn met de eigenschappen.
Is het verervingsverinogen zeer gering dan is de stier ongeschikt
voor de lokkerjj en moet hij worden gemest.
Ook verhoogt een uitstekend verervingsverinogen de waarde van
een koe belangrijk, daarom moet met heiden gelet worden op de
Afstamming. Van zeer veel belang is het wanneer bekend is. dat
ouders en voorouders van het rund uitmuntend waren, zoowel wat
vorm als productie betreft, de afstammelingen van zulke dieren
kunnen zeer zeker met voordeel aangefokt worden.
Om koeien te verkrijgen die geschikt zijn voor het doel waarvoor
zij gehouden worden, moet men niet alleen weten welke de voordeel
aanbrengende eigenschappen zijn. maar moet men een juiste, kennis
bezitten van (He eigenschappen.
Door wegen moet men de zwaarte der kalveren leeren kennen.
De melk van iedere koe moet herhaaldelijk gewogen en op het vet-
gehalte onderzocht worden om de opbrengst per jaar te weten te komen.
De vroegrijpheid wordt beoordeeld door op de komst en wisseling
der tanden te letten in verband met den ouderdom en het ontstaan
der geslachtsdrift.
De geschiktheid om spoedig vet te groeien leert men kennen door
op de gewichtstoename te letten.
Om over goede vormen te oordeelen trachte men zijn schoonheids-
gevoel te oefenen en het beeld van een schoon gevormde koe en stier
in zich op te nemen, daartoe bezoeke men keuringen en tentoon-
stellingen, waar het beste bijeen wordt gebracht en lette men op
het oordeel van deskundigen. Voorts moet men alle lichaamsdeelen
bij name leeren kennen en ieder op zich zelve nauwkeurig beoor-
deelen, om daarna te zien of zij in vereeniging met elkander een
goed harmonisch geheel uitmaken. l)
De grootte moet door meten geconstateerd worden. Dat dit zoo
is, daarvan zijn de veehouders onzer provincie goed doordrongen.
\') Een uitstekend hulpmiddel om den lichaamsbouw en ilo vroegrfjpheid van een koe te
leeren beoordeelen levert het werk van H. 11. Kroon, de Koe, Huur lirhaamaboute m
hart\' inwendige organen.
Deventer, Kluwer en Co.
-ocr page 69-
49
Hoewel het eene zeldzaamheid mag genoemd worden een weeg-
toestel bij den veehouder aan te treffen, waarmede de melk gewogen
wordt of op de vraag: hoe zwaai- hunne kalveren hij de geboorte
zijn, een voldoend antwoord te ontvangen, heeft en gebruikt ieder
fokker een maatstok. Op de vraag, hoe groot deze of die koe is,
behoeven ze zelden het juiste antwoord schuldig te blijven.
De gave om zijne vormen en eigenschappen en die zjjner ouders
op de nakomelingen te doen overgaan, kan niet anders beoordeeld
worden dan door de kalveren van liet rund niet aandacht gade te
slaan.
Hebben de ouders en grootouders van het rund getoond een goed
verervingsvermogen te bezitten, des te zekerder kan men bij hem
die eigenschap verwachten.
Om te weten of het rund afkomstig is van eene uitstekende familie,
moet door ieder fokker een stamboek van het vee worden aangelegd,
waarin hij zijn beslag vee opneemt.
Door de beste exemplaren in het Friescli Rundvee-Stamboek te
doen inschrijven, krijgt de Stamboom ook voor den handel waarde,
wij komen hierop nader terug.
Met welke runderen moet gefokt worden om ons vee
te verbeteren.
Moeten wij runderen trachten te verkrijgen die voor één der ver-
schillende doeleinden bijzonder geschikt zijn, of is het beter en moge-
lijk, runderen te fokken die voor het verrichten van alle van hen
verlangde diensten evenveel aanleg hebben?
Wanneer wij een rund wenschen te fokken, dat b.v. zeer melkrijk
is zullen wij er zeker in slagen eene buitengewoon hooge inelkop-
brengst te verkrijgen, indien wij steeds, zonder op iets anders te
letten, de nielkrijkste koeien met een stier, afkomstig van een melk-
rijke koe, laten paren.
Heeft men dit eenige geslachten volgehouden, dan zal de bouw
zich schikken naar bet gebruik, zooals wij bij de invloeden waaraan
de runderen onderworpen zijn, hebben aangetoond; de werktuigen of
organen die voordeel moeten afwerpen, zullen zich ten koste van het
geheel, zeer sterk ontwikkelen, de vorm zal overbouwd worden, ge-
lijk men dit noemt, en de geschiktheid om voor eenig ander doel te
worden gebruikt, zal verloren gaan.
4
-ocr page 70-
50
Evenzoo zal het gaan wanneer men zich toelegt op het fokken
van runderen, voor vet- en vleeschgroei uitermate geschikt; de andere
voordeel aanbrengende eigenschappen zullen verloren gaan.
Wij zien dit eenigermate bij het beroemde Durham-ras.
Op grond hiervan kunnen wij dus gerust beweren, dat het beter
is runderen te fokken die voor meer dan een doel aanleg bezitten.
Dat het mogelijk is zulke runderen te verkrijgen zien wij aan ons
Friesch vee, dat veelzijdigen aanleg bezit.
Overbouwde dieren zullen gebreken in den vorm vertoonen. Een
volmaakte vorm alleen kan aan alle vereischten in dezelfde mate voldoen.
Bij evenredige afmetingen is geen sprake van een kleinen of
grooten kop, een lange magere, dunne of dikke hals, een hooge,
lage of gebroken schoft, platte ribben, een ondiepe borst, een
doorgezakte rug of dikke buik. Niets ontsiert een zoodanig dier,
voor ieder doel is het geschikt.
Een schoon gevormd rund met evenredige afmetingen moet daarom
het ideaal van den fokker zijn.
Wil men dus het vee veredelen en verbeteren, dan moet men
fokken met harmonisch gevormde dieren.
Met behoud van dien vorm moeten de voordeelige eigenschappen
van de runderen tot de hoogst mogelijke opbrengst opgevoerd worden.
Wij zullen, vooral met het doel onze lezers duidelijk te maken,
waarop bij de beoordeeling van een rund al niet moet worden gelet,
eene beschrijving geven van een stier en eene koe, bijzonder geschikt
voor de fokkerij.
In hoeverre wij daarin slagen, zullen de lezers wel willen beoordeelen,
rekening houdende met de moeielijkheid, de juiste woorden te kiezen.
Uitdrukkingen als een schoon gevormde kop met fijne hoornen
zijn in het algemeen zeer betrekkelijk.
Dergelijke uitdrukkingen moeten daarom bij onze beschrijving be-
schouwd worden in verband met den middenvorm van het Friesche
vee en niet in vergelijking met den middenvorm van een ander veeras.
Beschrijving van een stier.
Een stier moet een torsenen, middelmatig grooten kop hebben, met
breeden neusspiegel, wijde neusgaten, korte niet zeer breede, rechte
platte neus, breed voorhoofd, in de midden hol, met tamelijk groote,
-ocr page 71-
cc
-i
oc
rH
>
\'5
£
3
Ti
sJ
—
\'—
>.\'
KT
3!
ni
et T3
§5
g\'
>
• s:
3
*
_^ is
r:
N
o
\' E ö
3
f
& S
"=
ï-
< s
-r
i
^
•_
^
CO O
;
^
Ol
r—
:
S
OJ
•--1
-^
c- -t-s
^.
r
^
3J (U
r~
^
t3 o>
~
-t—
X
*^*
l"\'^
X
tl.
- CD
\'^ o
i-
~c
-
5
m
1
"5 «
-
0
7=
** - j
^
*-
<
0,02
>jZ
— B
"*
o;
g g
\'M
-r
s.
X
7" bc
19.10
d
OC
~ 3
X>
- •
—
-r *
£
5
\'C
\'\'T, rl£
Cf.
03
Ph
(-ï
o
<J
2 *
6^
T*
-o
\'M
QQ
c
£
i—1
Oh
E O
M
5
: —
0> (fi
MM
z
•—
: ps
Oh
r
8
fl
P Ph
w
O*
e
"tf
>> 0
t
s
1—i
® 3J
—
bc »
-*a
D i-^
X
§
O
P
Tj
p
P
"^
§
TS
•>
o
1
o
M
-2
=3
-ocr page 72-
r,i
heldere oogen, in flinke, iets uiterlijke oogkassen. De uitdrukking
der oogen mag vooral niet woest zijn, de ooren moeten flink gedragen
worden, met zacht haar zijn bedekt en de hoornen, hoewel grover dan
bij koeien, moeten kort, fijn, dun en horizontaal naar voren gericht zijn.
Voorts moet hij een goed aangezetten, gespierden, korten, trotsch
gedragen hals, geen zoogenaamden speknek bezitten; het sterk ge-
bouwde voorstel moet een volle breede schoft hebben met ruime
diepe borst, kleine nauwbegrensde huidplooi of cossum.
De omvang onmiddelijk achter de schoft gemeten moet op l\'/a-jarigen
leeftijd pi. m. 180 cM. bedragen.
De hoogte van de schoft mag slechts weinig minder zijn dan de
hoogte bij het kruis gemeten.
De voorpooten moeten droog en stevig, het middenstel moet fraai
gerond zijn, met breeden rug en ronde ribben, die niet dicht tegen
elkander aanliggen, de lendenen moeten kort, breed en plat zijn met
kleine hongergroeve en geen opgeschorte buik.
Het breede, vlakke, vierkante kruis moet rusten op stevige, droge,
rechtstandige pooten met breede spronggevvrichten en korte pijpen;
de dijen moeten breed, doch plat en vooral niet zoogenaamd kwaïg zijn.
De heupen mogen niet uitsteken, kussentjes tusschen de heupen
ontsieren, de staartwortel mag niet grof zijn.
Een lange tot de hakken reikende dunne staart met flinke pluim,
goed ontwikkelde hoewel niet lange spenen, een vaste vooral niet
hangende balzak, die zacht en glad aanvoelt, eene zachte, fijne,
gladde huid met glanzend zacht haar en een fijn beenderengestel,
zijn allen gewenschte eigenschappen. Het lichaam moet langwerpig
vierkant zijn, elke beweging moet kracht en moed verraden.
Een „vrouwelijke" stier, waarbij men om het geslacht moet zoeken,
daar het niet uit vorm, houding en bewegingen blijkt, is niet ge-
schikt voor de voortteling.
Een stier moet een vierkanten stand en vluggen veerkrachtieen
on                              o
stap hebben, hij moet wiegen zooals de fokkers het uitdrukken.
De hoogte bij het kruis gemeten, is, als die op l1/* jarigen leef-
ajd ruim 138 cM. bedraagt, voldoende.
Een beste z.g. zaadspiegel is aanbevelenswaardig, het belang daar-
ran is echter wel wat overschat; een duidelijke afteekening van deze
piegel is steeds een bewijs van gladde, dichtaanliggende, korte, fijne
laren op dat deel van het lichaam en als zoodanig dus gewenscht.
-ocr page 73-
<-,
|
rf
1
I
in\'
•JE
^
.
M
jg
tu
ES
£.
M
£
2
—
3
^
^
o
4
Ph
s
=
£
*
2
i
\'/Tt
?
3
L\'
1
2
loon
—
35
m
ca
1-1
n
^
a
=
-
-
—
«!
-
0
-
\'f
3C
eq
—
01
X
•r
gebo
$
I
BQ
3
71
SP
-ocr page 74-
52
Beschrijving van ov.n koo.
Eene koe mag in alles minder forsch gebouwd en kleiner zijn dan
de stier. De kop moet klein en droog zijn, met fijne, gladde, iets
afhangend naar voren gerichte hoornen.
Tn het stadium der hoogste melkopbrengst mag de borst, in ver-
houding tot het achterstel minder diep, de huik meer peervortnig en
mogen de dijen minder vol zijn dan hij den stier.
Het voorstel moet tot het achterstel in goede verhouding staan.
De uier moet breed, vierkant en groot zijn, bedekt met een dunne
plooibare huid en zachte gladde haren.
Ook moet de uier zich ver naar voren en naar achteren uitstrekken,
van de schaamspleet tot ver onder den buik. Tijdens het melken
moet hij belangrijk kleiner en slap worden.
Elk kwartier moet goed zichtbaar en de spenen behooren niet te
klein en vooral niet te lang te zijn. Bij een vol uier moeten zij
eenigszins naar buiten uitstaan.
Naar beweerd wordt is een klein speentje, z.g.n. bijspeen op elk
kwartier, achter, een gunstig teeken voor de melkrijkheid.
De melkaderen die het bloed, dat tot opbouw der melkkliercellen
gediend heeft, wegvoeren, zijn onder tegen den buik van eene melk-
koe duidelijk zichtbaar; hoe grooter zij zijn, des te meer bloed
kunnen zij wegvoeren, en des te meer bloed is er ook door de slag-
aderen naar den uier voor de melkvorming toegevoerd. Daarom moet
zeer veel prijs gesteld worden op lange, dikke, kronkelende melk-
aderen, die zich vlak voor den uier sterk vertakken en eerst dicht
bij de voorpooten met vertakkingen door de melkgaten in het lichaam
verdwijnen.
Deze melkgaten kunnen duidelijk worden gevoeld.
Bevindt zich in ieder meikader meer dan een melkgat, des te meer
kans zal er bestaan op eene rijke melkopbrengst.
De waarde van den melkspiegel bij eene koe moet thans, nu niet
alleen op veel, maar ook op vette melk gelet wordt, het onderwerp
uitmaken van een zorgvuldig onderzoek.
Eene koe moet ook vooral het uitzicht van haar geslacht hebben:
een vrouwelijk voorkomen, een zachte, goedige blik en kalm tempe-
rament zijn voor eene melkkoe aanbevelenswaardig.
Ook van eene koe kan overigens, wat den vorm betreft, hetzelfde
gezegd worden, als hetgeen van den stier is opgemerkt.
-ocr page 75-
-ocr page 76-
58
Vooral moet gelet worden, behalve op de genoemde organen voor
de melkafscheiding, op eene zachte, fijne, plooibare huid, dun, zacht,
glanzend haar, dat dicht aanliggende is en een fijn beenderengestel,
kenbaar aan een langen, dunnen staart met groote pluim.
Waarom de vorm zoo en niet anders moet zijn behoeft zeer zeker,
na hetgeen daarover reeds opgemerkt is, niet nader te worden vermeld.
Ieder die met de verrichtingen der organen voor bloedsomloop en
spijsvertering en het verband tusschen den bouw der verschillende
deelen van het lichaam eenigszins op de hoogte is zal begrijpen, dat
een peervormige buik meer ruimte biedt voor de spijsverterings- en
geslachtsorganen, dan een opgeschorte buik, dat een fijne huid met
fijn vezelig vleesch gepaard gaat en grove koeien nimmer uitstekende
melkgeefsters worden, dat groote hoornen zich ten koste der andere
lichaamsdeelen ontwikkelen.
Alleen een groote uier kan veel kliercellen bevatten, wordt hij
tijdens het melken belangrijk kleiner en slap, dan wordt daardoor
bewezen, dat het geen vleeschuier is.
Als maatstaf ter beoordeeling van de waarde der verschillende
deelen in verhouding tot het geheel en om de beoordeeling meer
gemakkelijk te maken, volgt hier:
HET PUNTENSTELSEL.
Met een lijst van den vereischten vorm en bouw, waarnaar de stieren
en koeien worden beoordeeld voor hunne inschrijving in het „Advanced
Register of the Holstein-Friesian Association of America." \')
Voor Stieren.
Pnnten.
Kop — krachtig, fijn besneden...........      2
Voorhoofd — breed tusschen de oogen, holrond. ....      2
Gelaat — omtrek bevallig, voornamelijk onder de oogen niet te
lang, breede neusspiegel..........      2
Ooren — middelmatig groot, niet grof, bedekt met zacht haar       I
Oogen — tamelijk groot, vol en helder.........      2
\') Stamboek van do Holstein-Friesian Vereeniging in Amorika, waarin uitsluitend de
boste Nederlandsche koeieu en zuivere afstammelingen daarvan worden ingeschreven,
die tevens aan zeer hooge eischen, wat betreft de melk- en boteropbrongst moeten
kunnen voldoen.
-ocr page 77-
ze
oo oo
2 \'S
dj _
. ^ ^ =
ca "_ j£ e
« j.i.
cc • .
_r: — _5 »
x:
—
f
—|
-
—
—
-—\'
>
-^
=
—
*
J
:-
__
ÏC
-
\' -
-
^
~
V
D
:.
:.
\'I
r-
JJ
*
eo
K
i
Z
"Hl
U ï5
~- 3J
25
-ocr page 78-
54
Punten.
Hoornen — van middelmatige grootte, fijn vezelig, kort, ovaal,
naar voren gebogen...........      2
Hals — goed aangezet aan kop en schouders, bijna zonder cos-
sum, goed lang, trotsch gedragen.......      5
Schouders — van middelmatige hoogte, goed rond en effen aan
den top...............      4
Borst — laag, diep en vol.............      8
Schoft — vol en vlak met de schouders........      4
Jtug — recht, breed ontwikkeld en open........      3
Buik — goed gerond met groot onderlijf\'........      6
Lenden en heupen — breed, vol, lang en vlak......      5
Kruis — hoog, lang, breed en vlak..........      5
Heupgewricht — hoog en zeer breed.........      4
Dijen — lang, achter recht, wijd en vol in de zijden ....      5
Flanken — diep en vol..............      2
Beenen — kort, droog, kegelvormig, met sterke gewrichten,
zelfstandig, ruim, klauwen middelmatig groot, rond,
vast en diep..............      6
Staart — tot de hakken of lager reikende, laag aangezet, kegel-
vormig in een volle pluim uitloopend......      2
Haar en huid — fijn, zacht en mollig, huid nog al fijn, afschei-
dingen daarvan olieachtig en van een rijke
bruine of gele kleur.........     10
Meikaderen — lang, groot, vertakt met uitbreidingen, eindigende
in groote melkgaten..........     10
Rudimentaire spenen — niet minder dan vier, groot, goed verspreid      2
Spiegel — groot en goed ontwikkeld.........      8
Volmaaktheid . . 100
Geen stier wordt ingeschreven die niet 80 punten heeft en naar
het oordeel van den Inspecteur, op volwassen leeftijd, geen 800 K.ö.
weegt.
Voor Koeien.
Kop — volkomen vrouwelijk voorkomen, betrekkelijk lang van
de oogen naar de hoornwrong, fijn besneden.... 2
Voorhoofd — breed tusschen de oogen, holrond......2
Gelaat — fijn besneden, voornamelijk onder de oogen, met zicht-
bare aderen, middelmatig lang, breede neusspiegel . 2
-ocr page 79-
s s i
s 1 ï 1
43 ij
= ii =
ïf#
-ocr page 80-
-ocr page 81-
55
Punten.
Ooren — van middelmatige grootte, dun met zacht haar bedekt 1
Oogen — nog al vol en groot, met zachten blik.....2
Hoornen — korte hoornvvrong, fijne, ovale, hellend naar voren
gebogen hoornen ............ 2
Hals — fijn, bijna zonder cossum, goed verbonden aan kop en
schouders, toplijn flauw gebogen, van goede lengte,
nog al dun, sierlijk gedragen.........4
Schouders — fraai en effen aan den top, langer dan de heupen,
matig dik, diep en breed.........3
Borst — laag, diep en breed............6
Schoft — vol en vlak niet de schouders........2
Rug — recht, breed ontwikkeld en open.........\'5
Buik — goed gerond met groot onderlijf........5
Lenden en heupen — breed, vol, lang en vlak......5
Kruis — hoog, lang, breed en vlak, met ruim bekken ... 4
Heupgewricht — hoog en zeer breed.........4
Dijen — hing, achter recht, ruim in de dam, wijd en vol in de
zijden.................4
Flanken — nog al diep en vol...........2
Beenen — kort, droog, kegelvormig, met sterke gewrichten,
rechtstandig, stevig, ruim, klauwen middelmatig
groot, rond, vast en diep.........5
Staart — tot de hakken of lager reikende, laag aangezet, kegel-
vormig en in volle pluim uitloopend......2
Haar en huid — fijn, zacht en mollig; huid nog al fijn, de af-
scheidingen olieachtig en van een rijke bruine
of gele kleur...........10
Meikaderen — groot, lang, kronkelend, vertakt met voortzettingen,
in groote melkgaten eindigend.......10
Uier — omvangrijk, buigzaam, goed ontwikkeld, zoowel voor als
achter, spenen goed gevormd, wijd uitstaande en van
voldoende grootte.............12
Melkspiegel — groot en schoon ontwikkeld.......8
Volmaaktheid . . 100
Geen koe wordt ingeschreven die niet 75 punten kan halen (voor
melkrecords, geconstateerde hooge opbrengst, worden eenige punten
toegestaan).
-ocr page 82-
^v\'^V.\' ....
MELKSPIEGEL der Koe „Bakker III", No. 4077,
geboren 28 Maart 1885, toebehoorende aan KOllNELIS N. KUPEBUS,
te Murftum.
-ocr page 83-
MËLKSPIEtiEL der Koe „Urietje", No. 3650h,
geboren in Maart 1892, toebehoorende aan KOKNELIS N. KUPERUS,
te Marsum.
-ocr page 84-
56
Ook zal de koe naar het. oordeel van den Inspecteur op volwassen
leeftijd, als melkkoe goed bij vleesch zijnde, minstens 500 K.G.
moeten wegen. \')
Bij de keuze van voor het doel geschikte fokdieren moet behalve op
het vorenstaande, gelet worden op gezonde fokdieren zonder gebreken.
Ongezonde runderen moeten aan de fokkerij worden onttrokken.
Zij die lijden aan tuberculose, ziekte der geslachtsdeelen, rheuma-
tisma, zwakke dieren die bij elke weersverandering ongesteld worden,
zijn voor de fokkerij ongeschikt.
Koeien, die slechte melk geven, te kleine uier of spenen hebben,
zullen voor de voortteling wel niet gebruikt worden, daar zij dan
voor hun doel, zoowel voor de aanfok als voor de molkgeving, dubbel
ongeschikt zijn.
Men wachte er zich ook voor, kwaadaardige stieren of koeien te
laten paren, daar dit gebrek vrij zeker overerft.
Om het geringste gebrek in den vorm een rund voor de fokkerij
af te keuren, gaat stellig niet, er zouden dan geen geschikte fok-
dieren te vinden zijn, daar een ideaal rund nog moet geboren worden.
Het is echter zeker, dat men door steeds de ongeschiktste fokdieren
te verkoopen en alleen te fokken met de exemplaren die het ideaal
het dichtst nabij komen, den veestapel in korten tijd belangrijk zal
verbeteren.
„Een hondenfokker Lord liivers zeide, toen hem werd gevraagd,
waardoor het hem mogelijk werd, altijd windhonden van de eerste
kwaliteit te hebben: „Ik fok er velen en hang er velen op!" dit
was het geheim van zijn slagen." (Darwin.)
De fokkers van Friesch vee hebben dit voor boven Lord liivers,
dat zij de ongeschikte koeien in hun beslag kunnen verkoopen en
niet behoeven op te hangen. Het zou wenschelijk zijn, dat zij zich
meer moeite gaven bij het sorteeren van hun vee en de besten eenige
jaren langer voor de fokkerij gebruikten.
Koeien die veel en vette melk geven hebben altijd veel voor boven
koeien die minder opbrengen, vooral als zij nog goed gezond en
\') Het puntenstelsel verdient by booordeeling van vee  alle aanbeveling, het eindcijfer
zal veel juister de waarde van het rund weergeven dan  by\' cene globalo beoordeeling
niiigi\'lijk is. Ongeoofende booordeolaars moeten vooral   bedacht zQn het geheel niet
om de onderdeden uit het oog te verliezen.
-ocr page 85-
ff" *
\'s. ~\'
y.
• ii
S   w
.=  d
i    a
1    w
5 Ö3
-ocr page 86-
57
krachtig zijn. Bij de keuze van een stier voor zulke koeien moet
men zeer veeleischend zijn wat den vorm betreft, daar de vormen bij
een groote melkproductie allicht minder schoon worden.
Ook op gebreken, zooals leggers, rasp, wratten, dikke hakken en
knieën, klampen, abnormalen vorm der klauwen of\'hoeven moet zorg-
vuldig gelet worden, daar deze dikwijls uit zwakte van een of ander
orgaan voortkomen, waardoor het lichaam of de deelen reeds genoemd,
voor die gebreken bizonder vatbaar worden.
Ouderdom waarop de runderen voor de fokkerij gebruikt
kunnen worden.
Wij wezen er op. dat het van zeer veel belang is vroegrijpe dieren
te verkrijgen, daar dit voor den fokker voordeelig is.
Men wachte er zich echter voor, de stieren te vroeg voor de fok-
kerij te gebruiken. Door ze op te jeugdigen leeftijd dienst te laten
doen, worden zij in hun groei tegengehouden, soms zelfs nimmer
volkomen ontwikkeld.
Uitstekend gevoede en flink ontwikkelde stieren kunnen na den
ouderdom van 16 maanden matig gebruikt worden. Men drage
echter zorg dat het bespringen dan zeer regelmatig en niet gelijke
tusschenpoozen geschiede.
Noodeloos bespringen vooral moet vermeden worden; zeer af te
keuren is het, den stier met de tochtige koe in de weide te laten loopen.
Ook de koeien moeten niet op te jeugdigen leeftijd tot den stier
worden toegelaten.
Men heeft opgemerkt, dat de organen der melkafscheiding door
vroegtijdig paren beter ontwikkelen en de melkgift grooter wordt,
dan door daarmede te wachten, tot dat de koe volkomen volwassen is.
Daarom kunnen vlug groeiende hokkelingen op 1 Va-jarigen leeftijd
tot den stier worden toegelaten, mits men zorge, dat zij steeds uit-
stekend gevoed worden. Dieren die vóór dat zij een jaar oud zijn,
drachtig worden, zullen in den regel in hunnen groei blijven steken.
Het zijn meestal geen koeien maar koetjes.
Voor hunne verdere ontwikkeling is het zeer nuttig de rieren na
de eerste dracht niet spoedig weder bij den stier te brengen. Het
dagelijks melken bevordert dan de ontwikkeling der organen voor
de melkafscheiding voldoende.
-ocr page 87-
<
i.
_
«",
s
i
|
:—•»
: :
—
£3
—
n
a
j-
—
M
3
—
-
i?
[a
z
.
l-»
X
•s
g
^
s
£
\'M
ï
r.
5
, *
•A
-J
\'S
- §é*
ts in
3 11 i
4
-ocr page 88-
58
Gedurende den tijd, dat de stier veel dienst moet doen, drage
men zorg voor een krachtige voeding.
Men moet er echter op bedacht zijn den stier niet vet te mesten,
daar hij dan voor het gebruik minder geschikt wordt.
Dat bij de paring niet meer personen aanwezig behooren te zijn
dan noodzakelijk is, begrijpt ieder fokker. Door onnoodige drukte
kan men den stier geheel bederven en onbekwaam maken.
Het is wenschelijk de stieren gedurende den zomer eenigen tijd in
de weide te laten, waardoor zij de zoo noodige beweging kunnen
erlangen. Ook gedurende den staltijd is beweging noodzakelijk, de
jongen, door den stier gewekt, zullen dan krachtiger worden.
Duidelijk is het, hoewel misschien niet onnoodig te zeggen, dat
drachtige nielkgevende koeien ruim voldoende en goed voedsel moeten
ontvangen, zullen zij, hij eene goede melkgift gedurende de dracht,
nog aan een Hink kalf\' het leven schenken.
Schimmelig, broeiig en bedorven hooi of groenvoeder mag men
zulke dieren nimmer toedienen.
Geboorte van en zorg voor het kalt\'.
De geboorte van het kalf en de daarmede gepaard gaande ver-
schijnselen, behoeven wij voor de Friesche veehouders niet te be-
schrijven, daar deze daarmede uitstekend op de hoogte zijn.
Wel mag er op gewezen worden, dat de geboorte zoo mogelijk
zonder hun hulp dient plaats te hebben.
Ieder fokker wachte zich er voor met niet zorgvuldig gereinigde
hand en arm naar het kalf te voelen; steeds moeten deze vooraf
met zuivere olie besmeerd zijn. Lijnkoekpap of karnemelk verdient
daarvoor geen aanbeveling.
Ook mag nimmer door meer dan twee personen bij de verlossing,
door trekken, geholpen worden. Het gebruik van bindstok, dienende
als hefboom, om liet kalf er uit te wegen, verraadt volslagen onbe-
kendheid met de eerste beginselen der verloskunde en staat gelijk
met de wreedste behandeling die men het moederdier kan doen
ondergaan.
Bij eene aan de natuur overgelaten verlossing, gebeurt het soms,
dat het kalf geheel door het voetpog (voetjesblaas) omgeven ter
wereld komt. In dat geval moet men onmiddelijk het vlies ver-
scheuren, daar het kalf na de geboorte direct moet kunnen adem-
-ocr page 89-
59
halen, anders zou het stikken; ook voorkomt flinke ademhaling
navelbloeding.
Nadat het kalf geboren is, moet de navel in orde gebracht worden,
daar deze een bron is van vele ziekten bij de kalveren. Liefst onder-
binde men de navelstreng met een dun bandje, eene kleine band-
breed onder den buik. Stellig zou het raadzaam zijn, den navel tevens
door een zuivere compres en navelband voor besmetting te behoeden.
Terstond na de geboorte reinige men neus en mond van aanhan-
gend slijm en wrijve men met zacht stroo liet slijmig vruchtwater
van het lichaam af. Het warmteverlies van bet kalf zal hierdoor
veel geringer zijn, dan wanneer het vocht door de warmte van het
lichaam moet opdrogen.
Zoodra bet kalf lust gevoelt om te drinken, kenbaar aan pogingen
om te zuigen, diene men het eene geringe hoeveelheid van de biest-
melk zijner moeder toe.
Ook wanneer deze melk rood van kleur, slijmig of taai is, moet
ze steeds onvermengd aan liet kalf gegeven worden, daar zij pur-
geerend werkt en de beste medicijn is, die men een pas geboren
kalf kan geven.
Alleen wanneer de uier der moeder ontstoken is, moet de melk
niet aan het kalf toegediend worden, maar zoo mogelijk melk van
eene koe die ongeveer op denzelfden tijd gekalfd heeft.
Telkens wanneer de koe gemolken wordt, geve men bet kalf van de
melk direct zijn deel, gedurende de eerste acht dagen na de geboorte
liever 3 dan 2 maal per dag.
Te veel op eens te geven is zeer nadeelig, beter is het in de
eerste weken na de geboorte iets minder te geven dan het jonge
dier verlangt.
Wenschelijk is het, dat het toedienen van zoete melk, direct van
de moeder, minstens veertien dagen worde volgehouden.
Na den leeftijd van 14 dagen kan geleidelijk het rantsoen volle
melk worden verminderd en daarvuor zoete afgeroomde melk in de
plaats komen, zoodat tot den leeftijd van zeven of acht weken het
rantsoen volle melk uit een liter per dag bestaat.
Gedurende de verwisseling van volle melk met afgeroomde, diene
men vooral te zorgen niet te veel te geven. Geeft men te ruime
hoeveelheden, zoo loopt men gevaar de spijsvertering te storen, daar
in dien tijd het proces der maagvervorming plaats heeft.
-ocr page 90-
60
Dit proces kan worden bevorderd door het kalf hooi te laten ge-
bruiken.
Is het kalf zoover, dat het geregeld herkauwt, dan kan gerust
zooveel afgeroomde melk toegediend worden als het lust; zoolang
het kalf niet in de weide is, blijft het steeds noodig, een weinig volle
melk bij de afgeroomde te voegen, met succes kan tevens eene kleine
hoeveelheid gekneusde haver bijgevoederd worden. Men moet vooral
zorgen, dat het kalf nimmer gebrek heeft aan frisch, fijn, geurig hooi.
Het is natuurlijk niet geraden alle kalveren onder alle omstandig-
heden op deze wijze te voeden, men moet rekening houden met de
constitutie van ieder kalf. Alleen om aan te toonen hoe men kan
voederen om goed ontwikkelde koeien te verkrijgen, gaven wij dit
schema.
Het .gereedschap, dat men voor het drenken der kalveren gebruikt,
dient uiterst zindelijk te zijn en het hok moet men zoo zuiver mo-
gelijk en matig warm houden. Een temperatuur van 15° C. is de beste.
Bij den overgang van het hok in de weide brenge men niet direct
verandering in den drank der kalveren. Eerst als ze goed in de weide
gewend zijn, vervange men de afgeroomde melk van lieverlede ge-
deeltelijk door wei.
Ue kalveren in liet begin van den weidegang, \'s nachts in een
frisch hok, waar het niet tocht en waar een droge rustplaats te
vinden is, op te sluiten, verdient alle aanbeveling.
Iets over voeding en verpleging.
In het voeder ligt de kracht om de heerlijke eigenschappen van
het vee dienstbaar te maken aan onzen wil, zonder dat het daarbij
te gronde gaat. Zooals wij reeds aanstipten moet ieder fokker
daarom trachten bekend te worden met de wijze waarop gevoederd
moet worden.
Hij moet de hoeveelheid van het voedsel en de verhouding der
voedingsstoffen in het toe te dienen voeder kennen.
In het kort, hij moet op de hoogte zijn met de voedingsleer.
Vele fokkers zijn van meening, dat zij hun kalveren en jongvee
schaarsch moeten voeden, willen zij daarvan later als melkkoe eene
hooge melkopbrengst verkrijgen.
Het is eene vaste wet, dat het voedsel, dat de dieren meer ontvan-
gen dan zij tot hun groei en instandhouding noodig hebben, den
-ocr page 91-
61
een of anderen uitweg kiest, waardoor de werkzaamheid van een of
meer organen van het dierlijk órganismus wordt verhoogd.
Het spreekt van zelf dat ook hier, evenals overal elders, een
zekere maat niet moet worden overschreden.
Jongvee, dat aanleg bezit voor melkgeving en vleesch- en vet-
vorming zal bij eene rijke voeding vet worden, daar de aanleg voor
melkvorming eerst op lateren leeftijd zich kan vertoonen.
De neiging tot vetgroei zal hierdoor te sterk ontwikkeld kunnen
worden en later op de melkgeving een nadeeligen invloed kunnen
uitoefenen.
Oogenschijnlijk pleit deze redeneering voor bovenstaande meening.
liet moet echter niet worden vergeten, dat jongvee niet alleen
voedsel moet ontvangen voor zjjn instandhouding, maar ook voor
zijn groei. Te dikwijls wordt dit bij de voedering van het jongvee
uit het oog verloren.
Jonge dieren moeten krachtig en ruim voldoende voedsel ontvan-
gen; alleen dan, wanneer zij vet worden, kan men bevreesd zijn de
toekomstige melkrijkheid te schaden.
Tevens moet niet uit het oog verloren worden, dat een voldoende
hoeveelheid krachtig voedsel, de vroegrijpheid der dieren zeer in de
hand werkt.
Tegenover de meening der fokkers, dat hun jongvee het met een
schrale voeding zou kunnen stellen, zijn wij van meening, dat jong-
vee steeds goed bij vleesch moet zijn en zonder nadeel krachtig ge-
voederd kan worden, als men slechts zorgt het niet vet te mesten.
Door zich te houden aan een voederverhouding, welke de weten-
schap, in elk speciaal geval, heeft gevonden de beste te zjjn, zal de
fokker zeker goede resultaten verkrijgen, zoowel wat betreft de groei
als de melk- en vleesch-productie zijner runderen.
Door een oordeelkundige voeding kan veel voedsel uitgespaard
worden, waarom bestudeeren van dit onderwerp voor den veehouder
practische waarde heeft. x)
Dat bij de inrichting der stallen gelet moet worden op voldoende
ruimte, licht en zuivere lucht, spreekt wel van zelf, stallen die de
dieren geen voldoende rust- en staanplaats aanbieden, zijn voor de
veehouders in vele opzichten nadeelig.
\') Wvj kunnen onze veehouders de „Oordeelkundige voedering van het Vee" door
Dr. Emil Wolfl\', vertaald door A. A. ter Haar, reconnnandeeren.
-ocr page 92-
02
Vooral voor een zacht leger dient men te zorgen. Leggers en
dikke pooten kunnen daardoor voorkomen worden.
Als strooisel gebruike men hij voorkeur graanstroo.
Hoe ook de stallen ingericht mogen zijn. steeds zorge de fokker
voor reinheid en zindelijkheid. Door de huid zuiver te houden worden
vele ziekten voorkomen en de groei der dieren bevorderd.
Onder de fokkers zijn er nog al, die bizonder veel zorg besteden
om het achterstel der koeien, zichtbaar voor de bezoekers, zindelijk
te houden, terwijl liet overige gedeelte van het lichaam van het dier
wordt verwaarloosd. Zulke fokkers hebben het nut en voordeel, dat
gelegen is in eene werkzame huid, nog niet begrepen.
De koeien in het voor- en najaar van dekken te voorzien, verdient
naar onze meening, bij droog weder alleen, aanbeveling. Worden de
dekken nat, dan wordt veel warmte, noodig voor het drogen dei-
dekken, aan het lichaam onttrokken.
Een ongedekte koe is na een regenbui niet geringer warmteverlies
spoediger droog dan een „gekleede" koe.
Wil men om dit te voorkomen dekken gebruiken die geen water
opnemen, dan belet men de zoo noodige huiduitwaseming.
Hoewel daartegen nog al eens gezondigd wordt, weet ieder die
met vee omgaat zeer goed, dat de runderen niet zachtheid moeten
worden behandeld.
Onhandelbare stieren worden dit in den regel door slechte be-
handeling.
Het melken.
Bij het melken in het bizonder moet men de koeien met zachtheid
behandelen.
Alleen kalme verstandige personen kunnen beste melkers zijn.
Een goeden indruk maakt het op ons wanneer wij zien, dat de
koe den melker de handen likt, hoewel eene liefkozing met hare ruwe.
wreede tong juist niet zeer aangenaam is.
De melker moet de koe, als het ware, het gemis van \'t kalf vergoeden.
Het melken moet geschieden met vaste, krachtige hand.
Zonder aan de spenen te trekken moet men de vingers regelmatig
van boven naar beneden dichtknijpen, waardoor de melk uitgeperst wordt.
Melken tusschen duim en vinger kan, alleen als de spenen zeer
klein zijn, verdedigd worden.
-ocr page 93-
68
Zonder ophouden moeten eerst de beide voorste en daarna de beide
achterste kwartieren leeggemolken worden.
Bovenal dient men te zorgen voor volledig uitmelken. Vele onder-
zoekingen hebben bewezen, dat liet oude spreekwoord „de laatste
drop is de boterknop" volkomen juist is.
Een beste melker kan van een middelmatige melkkoe eene zeer
goede melkkoe maken, terwijl een slechte melker zelfs de beste
melkkoe binnen korten tijd rlroog melkt.
De melker, over wien de koe het best tevreden is, zal ook het
best tevreden zijn over de koe.
HOOFDSTUK V.
Hulpmiddelen tot verbetering en veredeling van liet
Friesch Veeslag.
Fokkers-Stamboek.
In het vorige hoofdstuk hebben wij gewezen op het belang, dat
bekend zij welke de kenmerken en eigenschappen der ouders van het
rund waren en de daaruit voortvloeiende noodzakelijkheid om een
Stamboek van het vee aan te leggen.
Hebben eene koe of stier dezelfde kleur als hunne ouders en voor-
ouders, dan bestaat er alle kans, dat hunne kalveren ook dien kleur
zullen hebben.
Hoe langer in gelijke kleur is voortgefokt, des te zekerder zal deze
op de nakomelingen overerven en des te meer waarde heeft het
bezit dier kleur voor den handel.
Alle nuttige eigenschappen van onze runderen stijgen evenzoo in
waarde naarmate wij van grooter reeks voorouders weten, dat deze
dezelfde eigenschappen in gelijke mate bezaten. Ook reeds wanneer
de moeder en grootmoeder, van eene beste melkkoe b.v., steeds goede
melkgeefsters waren, beeft dit geen geringe waarde.
Het is bekend, zooals reeds bij de regelen der vererving is opge-
merkt, dat de eigenschappen\' en kenmerken van een zeer standvastig
ras beter zullen overerven dan van een nieuw ras.
-ocr page 94-
64
Het vermogen der koeien om veel en vetrijke melk te geven is
evenals de aanleg tot vleescli- en vetgroei eene erfelijke eigenschap.
Om te weten of de ouders van zijne runderen zich spoedig ont-
wikkelden, goede vormen bezaten, veel en vetrjjke melk gaven, de
gave bezaten hunne vormen en eigenschappen op de afstammelingen
over te planten, bij niesten spoedig voor de slachtbank gereed waren,
zware kalveren voortbrachten en dezelfde kleur bezaten als zij,
moet de fokker van zijne koeien en stieren een Stamboek hebben
aangehouden, waarin al deze bijzonderheden zijn opgeteekend.
Voorloopig zullen deze aanteekeningen hem beter de geschiktste
exemplaren voor de fokkerij leeren kennen; na eenige jaren zullen
zij hem zeggen welke zijner koeien van goede ouders afkomstig zijn.
Door dan zijne koeien die geen besten stamboom hebben, te ver-
koopen en alleen het jongvee van beste afkomst aan te houden, zal
hij nog sneller zijn veestapel verbeteren dan door bij zijne keuze
alleen te letten op de kenmerken en eigenschappen van zijne fók-
dieren.
Door het bezit van die aanteekeningen zal de fokker stellig eene
koe, die van eene voor hem zeer voordeelige familie afkomstig is,
daar zij allen veel en beste melk gaven, banger voor de fokkerij
gebruiken om daarvan veel kalveren te verkrijgen.
De voordeelisjste familiën zullen door het aangehouden Stamboek
in waarde stijgen, de weinig opbrengende zullen dalen.
De Vereeniging „HetFriesch Rundvee-Stamboek" heeft een prjjzens-
waardig werk verricht door het inrichten en uitgeven van een Stam-
boek ten dienste der fokkers.
Het vetgehalte der melk kan daarin echter niet worden opgetee-
kend. Omdat de toestellen, om het vetgehalte der melk te onder-
zoeken, bij de oprichting van het Stamboek, nog geen vertrouwen
verdienden, is daarvoor geen ruimte beschikbaar gesteld.
Thans zou het Fokkers-Stamboek naar onze meening moeten inge-
richt zijn zooals op de volgende bladen is aangetoond:
-ocr page 95-
-ocr page 96-
No. 21.                              Naam: KOLLUMER V.
Geboren den 7 Maart 1888
Vader No. 1090.
Vadersvader No. 449.
te Idaard.
Gefokt door D. J. de Jong.
Moeder No. 5546.
Vadersmoeder No. 212c
Signalement: Zwartbont, zachte en fijne huid, een witte vlek op den
rechterschouder en een zwarte vlek aan de rechtersmeerschjjf.
Afmeting op 2-jarigen leeftijd: II.: s. 132; k. 134; 1. 160; o. 175;
b. 52 e.M. op 6 September 1890.
Jaar.
Datum van
dekking1.
Vermoedelijke
k.-ilitijd.
Naam of
Stamboek n o.
van don
Stier.
Aantal
melkdagen.
Datum v:m
kalven.
Door vu
de drael
in dagei
1890
13 Aug.
1889
19 Mei
1260
—
16 Mei
277
1891
1 A ug.
1890
7 Mei
1437
275
23 April
267
1892
23 Juni
1891
29 Maart
1437
265
24 Maart
274
1893
12 Juni
1892
18 Maart
1708
290
16 Maart
277
1894
31 Juli
1893
6 Mei
1708
348
8 Mei
281
1895
ir, Juli
1894
20 April
1708
277
28 April
286
1896
27 Aug.
1895
2 Juni
2085
330
5 Juni
282
1897
9 Aug.
1896
15 Mei
2085
-ocr page 97-
00
\'M Cï
is
o —
\'M i-H
* fc£
85 t
S|. * *
*
w P
i>
. J5
\'M
\'t
. -
—
il \'•
m
**iïii
,2 "
1)g
-ocr page 98-
G7
Friesch Rundvee-Stamboek No. (i\'271.
Moeders vader No. 16".
Moedersmoeder No. 4779.
Vader van vadersvader No. 254.
Vader van moedersvader No. 116.
Moeder van moedersvader No. 645.
n , .                   i-ii                   i Stand zeer gunstig, vóór en achter
Opmerkingen over lichaamsbouw.           I        ,              7 ,. " ,                ..
,„!.,                         ,          ,                        I   in beste verhouding, best ontu ik-
I ml voor mesten besteed.                       i   , , ,                                »» n • i
„,\' ,, • i.          , i •• lil       i   keld nier en spenen Ivlelkspiegel
olachtgewicnt, verdere bijzonderheden.   )   , ,                  \'                       \' "
Va
(i (i s ] ;i e h t e n n ;i ;i ni.
Signalement.
n he t K
Gewicht en
hoogte l>y de
geboorte.
al f.
lïestt mming.
lüj niesten duur van liet inest*n,
gewicht en voedsel.
° • 1
M) „ ~C
4 *
Jaarlijksche
boter-
opbrengst.
KM.
K.G.
Vr.
Voor aanfok, no. 7139
F. K. S.
M.
In den herfst verkocht.
Vr.
Gestorven als kalf.
Vr. Kollnmer XII,
Kollumer XII, no. 8016
een wit vlekje rechts op den
V. Et. S.
nous.
M. Philip Kolliiuier.
Philip Kollumer, no. 2085.
4942
179
fijne huid en scheve bles.
2IÏ Aug. 1S9IJ naar Zweden
verkocht.
M.
Voor aanfok, no. 22:50
F. R. S.
V. Kollumer II.
Springstier.
5588
206
zoon van moeder en zoon.
-ocr page 99-
MELKSPIEÜEL der Koe „Kollumer Y", No. 6271,
geboren 7 Maart 1888, toebehoorende aan DOUWE J. DE JONG,
te Idaard.
-ocr page 100-
MELK
Koe No. 21 van het beslag, genaamd KOLLUMER V.
Lactatie-periode 1894 1895.
Uitslag
daarvan
Datm
as
nrlk op
•halte
K.G. Melk
tnsschon twee
Gram vet
in
waarop de
het vetg
per <lag; dos
Vetgehalte
onderzocht
on go-
voor morgen-
in procenten
proef-
WOgOU
is.
en avond-
molk samen.
van morgen
<n avond.
mulkingen.
dio melk.
Mei
14-15
26
8.4
78
2652
..
24-2".
30
3.1
280
9100
Juni
8-4
24r\'
3.6
272\'/a
9129
-
18-14
27
•3.7
257 V,
9399
n
28-24
21
2.75
240
7740
Juli
2-3
26
2.0
202\'/*
5417
-
13-14
24
2.8
275
7425
n
24-25
245
3.35
2668/4
8203
Augustus
1-2
22s
2.9
188
5875
-
10-11
20
8.1
19P/4
5737
„
20-21
22
3
210
6405
September
3-4
21
2.9
301
8879
_
12-13
20
:;. 1
I84-/.,
5953
_
24-2.".
195
3.2
237
7821
October
1-2
19
3.4
1343/4
4447
.
10-11
18
8.5
1661/*
5744
w
19-20
18
3.3
162
5508
«
29-8.0
15
3.7
105
5775
November
7-8
145
3.45
118
4218
-
lli-17
14
3.9
128\'/2
4713
„
20-27
12
3.7
130
4940
December
5-0
18
4
H2l/2
4331
„
14-15
125
3.8
H4;i/,
4475
•H
20-27
115
8.8
144
547 2
Januari
4-5
9
4
92 V,
3598
H
14-15
8
43
85
3527
ff
23-24
7
4.4
«7*/.,
2936
Februari
1-2
7r\'
4.0
651/*
2986
-
11-12
7
4.6
72*/4
3335
165690
4942l/4
K.G.
per K.G. 3.3
r.o/0„fl78.9
K.G. l.otei
-ocr page 101-
F.R. S. No. 6271.
Lactatie-periode 1895—1896.
Datums
Uitslag
daarvan
K.G. Melk
tnsschen twee
Gram vet
in
waarop de molk op
het vetgehalte
per (lag; ilus
Vetgehalte
onderzocht en ge-
wogen is.
voor morgen-
en avond-
melk samen.
in procenten
van morgen
en avond.
proef-
melkingen.
die melk.
[ei 6-7
22
3.6
110
3960
15-16
31
3.3
2381/*
8228
24-25
305
3
2763/4
871S
uni 3-4
29a
2.65
300
8475
12-13
26
2.8
2498/4
6806
21-22
285
3.8
245^4
8093
uli 1-2
24
2.7
262V2
8531
10-11
245
3
2181/.!
6220
19-20
22
2.9
2l)91/t
6173
29-3 ;
24
3
230
6785
ut^ustus 7-8
22
->
207
6417
16-17
205
3.15
1911/.!
6072
26-27
21
3.3
2071/,.
6692
eptember 4-5
225
3.2
195:V,
6362
13-14
185
2.9
184^
5627
23-24
21
3.6
197*/*
6418
ctober 2-3
195
3.7
182\'/a
6652
11-12
18
3.95
168;i/.i
6455
21-22
16
3.7
170
6503
„ 31-1 Nov.
13»
3.75
1472/,
5494
ovember 11-12
14
3.70
151V4
5634
20-21
145
3.75
128V4
4777
29-30
13
3.85
1233/4
4702
licember 9-10
13
3.8
130
4973
18-19
125
3.75
1143/4
4360
27-28
12
3.75
110V4
4135
nuari 6-7
11
3.8
115
4313
15-16
10
3.9
942/4
3638
24-25
95
4.05
873/4
3488
bruari 3-4
9
42
922/4
3830
10-11
8
4.25
59a/4
2511
19-20
7
4.7
672/4
3011
28-29
5
4.9
54
2592
tart 9-10
3
4.9
40
1956
18-19
3
4.85
27
1309
24 Maart
droof^ezet
55881/*
K.G.
189910
per K.G. 3.4
0/0 of 205.63
\\.G. boter.
-ocr page 102-
70
Ter toelichting op vorenstaande bladen uit het Fokkers Stamboek
diene, dat de verkortingen achter , Afmeting op 2 jarigen leeftijd"
dezelfde beteekenis hebben als die in de Friesche Rundvee Stamboeken ;
ook moeten de afmetingen op gelijke wijze genomen worden als in
genoemde boeken aangegeven is.
I )e omslachtige hoofden van het melkregister zullen kunnen ver-
vallen, door bij liet boek eene toelichting voor het gebruik te geven,
hierdoor en door minder proefmelkingen, is één blad voldoende om
daarop de cijfers over 6 lactatie-perioden in te vullen.
Dooi\' de onderzoekingen van den Heer ./. Mesdag, Zuirelcunsulent
der Friesche Maatschappij run Landbouw
zijn wij in staat gesteld de
cijfers van het gewicht en het vetgehalte van de melk, der op hst
eerste blad beschreven koe, over twee lactatie-perioden, te geven.
Genoemde cijfers zijn op de volgende wijze verkregen : om de 9 of
10 dagen (kolom 1) werd de melk van Kollumer V des avonds en
den volgenden morgen gewogen. I >e som van deze beide hoeveel-
heden is de opbrengst gedurende een etmaal (kolom 2).
Het gemiddelde van de melkopbrengst bij twee opeenvolgende proef-
melkingen, vermenigvuldigd niet het getal der dagen (!) of 10) die
tusschen die melkingen verloopen waren, is beschouwd als de melk-
opbrengst in dat tijdsverloop, (kolom 4). De som van de cijfers in
kolom 4 is de melkopbrengst over de geheele lactatie-periode.
Bij iedere proefmelking werd een gemiddeld monster van de avond-
en morgenmelk op het vetgehalte onderzocht, de uitkomst van dit
onderzoek is vermeld in kolom :i.
Door het getal der kilogrammen melk tusschen 2 proefmelkingen
te vermenigvuldigen met het cijfer van het gemiddelde vetgehalte
van die 2 proefmelkingen, zijn de opgaven der grammen in de melk
aanwezige vet verkregen, (kolom 5.)
Het getal der kilogrammen melk gedeeld in de som van kolom f>
geeft het gemiddeld vetgehalte over de geheele lactatie-periode.
Door het gemiddeld vetgehalte te verminderen niet 0.20 en te
vermenigvuldigen met 1.15 verkrijgt men de boteropbrengst van
100 KG. melk. Dit cijfer, vermenigvuldigd met de door 100 gedeelde
melkopbrengst over de geheele lactatie-periode, geeft de totale boter-
opbrengst, aldus :
3.:35 — 0.20 = 3.15 . 1.15 = :5.b2 KG. boter uit 100 KG. melk.
4042
A* = 49.42 X 3.62 = 178.9 KG. boter in de 4942 KG. melk.
-ocr page 103-
71
De aftrek van 0.20 berust op de waarneming, dat zelfs bij machi-
nale ontrooming niet alle vet uit de melk. in de room wordt opge-
nomen. Het vermenigvuldigcijfer 1.15 is ontstaan door vele onder-
zoekingen die bewezen, dat, hoewel in de praktijk eene geringe hoe-
veellieid vet in de karnemelk achterblijft, de hoeveelheid boter, uit
100 KG. melk verkregen, door haar gehalte aan niet-vetter (pl.m. 1 tï°/0)
tot de hoeveelheid vet, die in den room, waaruit zij gekarnd is, aan-
wezig was, in verhouding staat als 1 tot 1.15.
Het wegen der melk kan zeer gemakkelijk geschieden door de
nielk in een emmer te gieten, waarvan het gewicht bekend is en dezen
aan een veerbalans te hangen. (Zie nevenstaande afbeelding.) Het
gewicht van den emmer, van het aangewezen gewicht afgetrokken,
geeft het gewicht der melk aan.
Het is natuurljjk. dat de eindcijfers der melk en boteropbrengst
juister worden naarmate het getal dagen, verstreken tusschen 2
proefmelkingen, geringer is.
In de praktjjk zal een. om de !) of 10 dagen herhaald onderzoek
wel weinig voorkomen.
Veel zou leeds gewonnen zijn, indien onze fokkers konden be-
sluiten, tweemaal in de maand proefmelkingen te houden en de cijfers
daarvan op dezelfde wijze op te teekenen en uit te werken als ons
voorbeeld aangeeft.
Zij zouden daardoor een zeer wenschelijk overzicht verkrjjgen over :
De Melk- en Boteropbrengst der koeien.
Bij de keuze der fokdieren moet niet alleen de inelkopbrengst maar
ook de boteropbrengst beslissen.
De waarde der koe als melkkoe toch wordt bepaald door de boter-
opbrengst.
Dat er nog al belangrijke verschillen voorkomen in dezelfde streek
bij verschillende beslagen, blijkt ons uit de volgende tabel, behelzende
de resultaten van het onderzoek der melk. door twee leveranciers aan
dezelfde fabriek geleverd van Mei 1895 tot Mei 1896.
Het gemiddeld vetgehalte is gevonden uit de twee maal per week
herhaalde onderzoekingen van de morgen en avondnielk van ieder beslag.
Het gemiddeld vetgehalte van alle aan die fabriek geleverde melk
was 2.97°/o in dat boekjaar.
-ocr page 104-
72
TAKEL I.
No. van
Aantal
kooien.
KM. gele-!K.G.melk
j
verdemelk.j per koe.
öemidd.
vetgehalte.
Boteropbrengst.
het lid.
inffinitlOO Totaal 1 Per koe
K.G.melk. j in K.G. . in K.G.
! 1
1
10
28
25
103876 3710
i
102266 4090
3.24 u/0
2.79 °/0
6.99
5.95
3629
3043
129
122
Het verschil over dezelfde hoeveelheid, 100.000 K.G melk berekend.
bedraagt 520 K.G. boter, wat naar /\'36.- per 1ji vat gelijk is aan
468 gulden.
Niettegenstaande leverancier no. 1 per koe 380 K.G. melk minder
leverde dan no. 10, leverde hij toch per koe 7 K.G. boter meer.
Dat de hoeveelheid boter uit gelijke hoeveelheid melk, op dezelfde
boerderij belangrijk verhoogd kan worden, door de koeien die vetarme
melk geven , te verkoopen, zien wij uit de volgende tabel, welke de
resultaten vermeldt van het onderzoek der melk van denzelfden leveran-
cier over twee jaren.
TABEL II.
Boekjaar. K.G. geleverde melk.
Gemidd. vetgehalte.
Boteropbrengst
uit 100 KM. melk.
1894-1895
1895--1896
121174
102283
3.04 %
3.14 °/0
6.53
6.76
Deze verhooging van het vetgehalte der melk, door dien leveran-
cier geleverd, bestendigt zich ook over het thans loopende boekjaar.
Zes koeien werden in den loop van het eerste boekjaar, om het
gering vetgehalte hunner melk, verkocht.
Het gemiddeld vetgehalte van alle melk aan die fabriek geleverd
was in 1894- 1895 = 3 °/0 en in 1895—1896 = 2.97 u/0.
Uit 100.000 K.G. melk door dezen leverancier geleverd over het
laatste jaar. werd 115 K.G. boter meer gemaakt dan uit gelijk ge-
wicht der melk door hem het vorge jaar afgeleverd.
-ocr page 105-
73
Naar ƒ36.— per 1U vat is dit verschil eene waarde van ƒ103.50.
Dat zoowel de melkopbrengst, als het vetgehalte der melk van
koeien uit een beslag, belangrijk kan verschillen, blijkt ons uit de
onderzoekingen van den heer Mesdag.
Hierdoor zijn wij in staat in de volgende tabellen cijfers mede te
deelen, die een getrouw beeld geven van de iuelk- en boteropbrengst
van 40 koeien uit de beslagen van de heeren l>. J. de Jon;/ te Idaard
en P. R. Keest ra te Jelsum.
De cijfers in deze tabellen zijn op dezelfde wijze verkregen als die,
voorkomende op liet 2de blad van bet Fokkers Stamboek.
De rangschikking heeft plaats gehad naar de melkopbrengst.
Door vergelijking van de melkopbrengst met den leeftijd der koeien
ziet men direct dat het hoogst moeilijk zal zijn , eenig verband te
ontdekken tusschen opbrengst en ouderdom.
Wie met behulp van deze tabellen dat verband wil onderzoeken,
moet rekening houden met de zeer ongelijke lengte der lactatie-
perioden.
Door vergelijking van de melkopbrengst met het vetgehalte blijkt,
dat een groote melkopbrengst kan samengaan met een hoog of\'Hink
vetgehalte.
Als bewijzen daarvoor kunnen dienen :
No. 21 en 22 van tabel /// en IV. - No. 13—14 — 16 en 17
van tabel V en no. 14 van tabel VI.
Dat een groote melkopbrengst kan samengaan met een laag vet-
gehalte zien wij bij :
No. 23 van tabel 111 en IV en
No. 15 van tabel V
Dat een geringe melkopbrengst kan samengaan met een hoog vet-
gehalte bewijzen ons :
No. 4 van tabel 111 en 1V en
No. b\' van tabel V en VI
en dat een geringe melkopbrengst soms gepaard gaat met een laag
vetgehalte, daarvoor zien wij de bewijzen bjj :
No. 1 van tabel V.
Bij de beschouwing van alle tabellen kan men zien, dat de mee-
ning van velen, dat jonge koeien vettere melk geven dan oudere,
niet gebaseerd schijnt te zijn op nauwkeurige waarnemingen.
-ocr page 106-
74
TABEL HL
Uit het beslag van den heer I). .). DE .JONG. veehouder te Idatird.
(Lactatie-periode 1895.)
I
(iemkl- jBoteroi)- Ij        Geboorte-
delcl i liieiifjst — ~
Vetgeh. j KG. j f =
           dagen.
Naam en Stamboeknammer
F. K. S.
K.G.
Melk.
K.(4.
Vet,
No.
1
Keizerin Tweeling
II 8012
2402.75
74.017
3.00°/o
79.44
299
23Febr.l89ï
2
Keizerin Tweeling
1 8011
2980
90.000 ! 3 04
97.40
034
22 . 189:
•",
Kollumer XII
8010 2986.25
90.410
3.03
97.12
275
16Mrt. 189:
4
Keizerin IX
7769 , 3208.50
104.810
0.27
113.15; 001
6 . 1892
5
(\'onieliske IV
7505 \' 3360.75
110 479
0 29
1 19.05
275
31 Mei 1891
6
(Vies VIII
8< 15
0007.25
116.421
0.17
125.4 7
066
14 Mrt. 1890
7
Wok je VII
8010
0904.75
1 14.050
2 93
122.50
057
28 Febr. 1890
sS
Zwarte Kollumer
0270
4221.75
125.007
2.96
104
285
20 „ 1888
!)
VVokje VI
7708
4225.50
128.440
3.04
108
277
25 , 1892
10
Kollumer IX
0055
4054.25
153.689
0.53
106.75
050
9 Mrt. 1889
11
Anna
2758"
4074
141.961
3 04
152.49
019
in 1889 geb.
12
Keizerin VII
7297
484!.50
149.402
0.00
156.05
005
16 Mrt. 189H
i:i
Hollander
4851.25
160.651
OOI
170.59
272
in 1885 geb.
li
Wok je III
0207
4904.75
142.898
2.91
150.05
294
5 Jan. 1888
15
Zwarte Jantje
7020
4924.25
148.201
0.00
159.17
001
.",1 Mrt. 1891
Ui
Zwartkop Hanske
7108
4928.75
144.727
2.94
155.08
000
10 . 1890
17
Keizerin V
6656
5011.50
150.588
0.65
198 66
272
14 , 1889
18
Empress VIII
7298
5241
140.705
2.80
156.65
295
1 April 1890
19
Wokje IV
7107
5540
180.141
3.00
197.72
291
25 Jan. 1890
20
Pietje
7105"
5570
171.158
3.07
184.02
310
(i Mrt. 1890
21
Kollumer V
0)271
5588 25
189.910
0.40
205.52
000
7 , 1888
22
Wokje II
5058
021 5
200.750
3.03
220.49
021
20 Jan. 1886
23
Feenstra
2157"
6041
170.595
2 74
185.07
015
in 1889 geb.
Interessant
is eene vergelijking tusschen no. 14
en 21 van tabel / V
(Lactt.tie-periode 1894).
Deze twee
verschillen slechts twee maanden in
leeftijd, ze hebben
daags na elk
ander gekalfd, zijn op denzelfden
dag in "t land ge-
komen en op
denzelfden dag opgestald. Ze hebb
en altijd in dezelfde
weide geloopen en stonden oj) denzelfden stal naast elkaar.
De uiterlijk
e omstandigheden waren dus zoo g
jlijk mogelijk, toch
heeft do. 14
516 liter melk meer gegeven dun no. 21, terwijl deze
laatste toch nog IS1h
Ui. boter
meer levi
o-de.
-ocr page 107-
75
TABEL IV.
Uit het beslag van den lieer I). J. DE JONG.
(Lactatie-periode 1894.)
No.
uit
ibel
[II.
Naam en Stamboeknummer
F. R. S.
K.<i.
Melk.
K.G.
Vet.
Geund-
deld
Vetgeh.
Boteroi>-
brengst
K.G.
Aantal dagen
gemolken.
Ouderdom
bij den
aanvang der
proef.
4
Keizerin IX
776!)
2045.25
66.014
3 2:?o/0
71.22
253
2 j
lar
9
Wokje VI
7768
3176.50
91.554 2.88
97.98
287
2
5
Oorneliske IV
7505
.5364
103.943 j 3.09
111.80
314
3
10
Kollumer IX
6555
4383.25
136.816 3.12
147.26 ; 273
5
11
Anna.
2758"
4594.50
134.415 2.93
145.81
300
5
8
Zwarte Kollumer
6270
4679.75
137.149 ! 2.93
146.92
267
6
1!)
Wokje IV
7137
47-0.75
140.976
2 98
151.96
282
4
18
Enipress VIII
7298
4770.50
130.525
2.74
139.13
278
1
21
Kollumer V
6271
4913.75
164.508
3.35
177.89
277
6
13
Hollander
4969.25
163.881
3.30
177.04
324
9
16
Zwartkop Hanske
7138
5063.50
138.795
2.74
147.97
262
1
22
Wokje 11
5658
5378
174.026
3.24
187.77
275
8
14
Wokje III
6267
5429
153.745
2.83
164.33
276
6
12
Keizerin VII
7297
5470.50
162.207
2.97
17:5.95
353
1
23
Feenstra
2157"
5480
148.276
2.70
157.93
281
5
Hij no. 6\' en 13 van tabel V. twee zesjarige koeien, was het vet-
gehalte der melk precies even hoog. maar leverde de laatste onge-
veer een vat boter meer dan de eerste, tengevolge van de meerdere
melkopbrengst.
Hoewel no. 16 evenveel melk gaf als no. 15 (zie tabel V), leverde
deze ruim een cat boter meer dan laatstgenoemde, tengevolge van het
li oogei • vetgeh alt e.
Een groot verschil ziet men bij no. 22 van tabel III en no. 1
van tabel V.
De eerste leverde 6205 K.G. melk met 223.5 K.G. (ruim 5\'/a vat)
boter, de laatste 2176 K.G. melk met slechts 60 K.G. (D/a vat) boter.
In tabel /// komen 15 koeien voor. die twee jaren zjjn onder-
zocht, ten einde te doen zien hoe de opbrengst dezer koeien in de
vorige lactatie-periode was ; de resultaten van het eerste controle-jaar
zijn gegeven in tabel 1V.
-ocr page 108-
70
TABEL V.
Uit het beslag van den heer P. R. KEESTRA, veehouder te Jelsum.
(Lactatie-periode 1895.)
"|C
Naam en Stamboeknummer
K.G.
K.G.
Gemid-
Büterop- j? J
Geboorte-
No.
deld
brengst — ~z
F. K. 8.
Melk.
Vet.
Vetgeh.
K.G.
H
dagen.
1
Bontje III
8037
2176.7
56 567 \' 2.60°/0
60.05
319
26 Jan. 189:]
2
Witsnuit VII
7733
2475
74.967 3.03
80.52 ; 260
10 Mrt. 1892
3
Stedman IV
8038
2S67.8
89.738 3.13
96.60
278
22 Jan. 1893
4
Leeuwarder VIII
8040
3144.4
94.874 3.02
101.86
319
20 Dec. 1892
5
Zvvartkop Kedde VI
8041
:\'> 177.5
94.515 1 2.97
101.36
316
30 Nov. 1892
6\'
Fijne III
6708
3763.1
128.809
3.45
140.65
306
22 . 1888
7
Leeuwarder VI
7661
3842
93.829
2.44
99.06
311
13 Mrt. 1891
8
Zwartje II
7480
4324.8
109.863
2.54
114.25
345
7 Jan. 1891
\'.)
Zwartkop Kedde II
6711
4381.5
152.132 3.47
164.87 |288
25 , 1889
10
Stedman II
6712
4500.6
144.679 3.22
156.05
304 22 , 1889
11
Leeuwarder V
7129
4641.6
166.803
3.59
181.17
315 j 15 Febr. 189(1
12
Nieuwkoop IV
7125
4800.9
141 345
2.94
151.50
302 i 24 Dec. 1889
13
Dikzak III
6710
4886
168.372
3.45
182.40
295 i 31 Jan. 1889
14
Zwartkop Kedde
5249
5326.4
102.840
3.06
175.01
329 S 9 „ 1886
15
Gjaltje
2120"
5444
126.102
2.30
132.47
289 geb. in 1887
16
Zwartkop Kedde IV
6709
5456.3
163.063
2.99
174.97
353 ! 18 Dec. 188S
27
De Neger
1838M
5538.3
169.795
3.06
182.54
301 9 Mrt. 188S
De rangnummers zijn dezelfde als in tabel IJl.
Bij vergelijking van beide tabellen komt in de allereerste plaats
de kolom der vetprocenten in aanmerking, daar bet proeentisch vet-
gehalte het minst afhankelijk is van de verschillende lengte der
lactatie-perioden in de opeenvolgende jaren.
Wanneer men deze kolom vergelijkt, dan merkt men op, dat bij 9 van
de 15, zijnde de nummers 4-8-12-13-14-18-21-22 en 23, het gemid-
delde vetgehalte minder dan 0.1°/0 verschilt in de beide lactatie-
perioden, hoewel bij sommige koeien de melkopbrengst in verband
met het ongelijk aantal melkdagen, zeer veel verschilt.
Bij de resteerende 6, zijnde Nos. 11-9-5-16-19 en 10 is het vetge-
halte hooger, het verschil bedraagt in de volgorde der nommers:
0.11, 0.16, 0.20, 0.20, 0.32 en 0.41°/0.
-ocr page 109-
77
TAKEL VI.
8 koeien uit liet beslag van den heer KEESTRA.
(Lactatie-periode 18!)4.)
No.
uit
abel
V.
Naam en Stamboeknummer
F. K. S.
K.(i.
Melk.
K.G.
Vet.
Geniid-
deld
Vetgeh.
Boterop-
brengst
K.U.
s =
rZ M
il
C <D
j~ bc
Ouderdom
bij den
aanvang der
proet\'.
6
Fijne III
6708
38t>2
132.144
3.42°/o
143.01
280
5 jaar
12
Nieuwkoop IV
712
442(3 8
120.002
2.71
127.89
262
4 .
11
Leeuwarder V
7129
1441
147.190
3.32
159.05
293
4 ,
10
Zwarte Kedde IV
0709
4482.\'»
13:1143 2.97
142.7!»
274
5 .
10
Stedman 11
0712
4027
130.734
2.90
140 59
281
5 »
9
Zwartkop Kedde Tl
0711
4824
170.122
3.53
178.03
306
5 ,
17
De Neger
1838"
5:27
147.704
2.88
158.13
291
6 ,
14
Zwartkop Kedde
5249
0:351
187.934 2.96
201.50
331
8 ,
Bij de beoordeeling dezer verschillen moet men in aanmerking
nemen, dat No. 10. Kollumer IX, elf en een halve maand gemolken
is. Ze kalfde op 28 Januari 1895 en werd eerst den 14 Januari
1896 drooggezet, terwijl reeds in het laatst van October de melkop-
brengst per dag tot beneden 10 K.G. was gedaald.
No. 19, Wokje IV, is geen sterke koe, ze staat meer onder den
invloed van weersveranderingen dan ééne der andere koeien en daar
het weer in 1894 veel ongunstiger is geweest dan in den zomer van
1895, kan deze omstandigheid een oorzaak zijn van het verschil.
Meermalen waren wij in de gelegenheid op te merken, dat bij
krachtige gezonde koeien het vetgehalte der melk veel geregelder
is dan bij zwakke.
Ter verklaring van de vier andere verschillen durft de heer Mesdag
geen vermoeden uit te spreken.
De weide was in 1895 steeds zeer voldoende, in 1894 was ze in de
maanden Juni en half Juli bij tusschenpoozen te schraal.
Het land waar de koeien weiden, ligt, vooral in het najaar, zeer
verspreid, maar de lieer de Jong heeft gedurende de twee jaren van
het onderzoek geen invloed kunnen bespeuren van het verschil in
kwaliteit van den grond op het vetgehalte der melk.
De gemiddelde melkopbrengst van de 22 koeien in 1894 onderzocht,
-ocr page 110-
78
bedroeg 440"> kilo en de gemiddelde boteropbrengst 141 K.G. ; van
de 2:5 stuks in 1 95 waren deze cijfers 4528 en 152.
Er is dus een belangrijke vooruitgang in boteropbrengst van 11
K.G. boter per koe. tengevolge verkoop van die koeien wier opbrengst
bij bet onderzoek in bet eerste jaar. was gebleken te ver beneden
bet gemiddelde te zijn gebleven.
fn tabel 1 komen <S\' koeien voor, die ook in de voorgaande lactatie-
periode zjjn onderzoekt.
Ter vergelijking vindt men de resultaten daarvan in tabel VI.
Men ziet, dat bij mis. (1 16 en 9 bet gemiddeld vetgehalte bijna
precies hetzelfde is gebleven: bij no. 14 is het slechts 0.1 °/0 hooger,
bij no. 17 bijna 0.2 °/n en bij nos. 11. 12 en 10 ongeveer Vi "Zo-
De toelichting en opmerkingen bij de tabellen III-IV-V en VI zijn
hoofdzakelijk van den beer Mesdag, zooals deze in verschillende num-
mers van de Mededeelingen en Berichten der Friesche Maatschappij
van Landbouw enz. zijn gepubliceerd onder liet opschrift: De ver-
meerdering run het vetgehalte der melk.
!)
Nog dient opgemerkt te worden, dat ieder, die van de melk zijner
koeien bet vetgehalte «il leeren kennen, steeds een monster morgen-
en avondmelk vermengd, moet laten onderzoeken.
Ter staving onzer bewering geven wij tabel VII waarin ter ver-
gelijking liet onderzoek naar bet vetgehalte, van morgen- en avond-
melk afzonderlijk, is opgenomen.
Dat gedurende de lactatie-periode herhaalde malen moet worden
onderzocht, leert ons het tweede blad uit het Fokkers Stamboek en
tabel VUL
De verschillen in eene lactatie-periode van dezelfde koe zijn nog al
belangrijk, vooral tochtigheid der koe. snelle weersverandering, onge-
regeld en slecht melken, overgang van den stal naar de weide en van de
weide naar den stal. hebben veel invloed op het vetgehalte der melk.
Voor zoover men er nu over kan oordeelen, beeft het land waarop
de koeien geweid worden, weinig invloed op het vetgehalte der melk,
alleen weiden met een abnormale voedingsverhouding der daarop
groeiende grassen, oefenen op het vetgehalte der melk invloed uit.
Volgens onze waarneming geeft hooi, gewonnen van rijp gras, een
laag vetgehalte der melk.
\') \\Vy kunnen met de overgenomen opmerkingen volkomen instemmen, waarom het
ons genoegen doet ze voor dit werk te mogen gebruiken.
-ocr page 111-
79
Is het na al het vorenstaande nog noodig te wijzen op de nood-
zakelijkheid om de melk der koeien te wegen en op liet vetgehalte
te laten onderzoeken ?
Wij weten en zien het uit de aangevoerde cijfers, dat wij koeien
kunnen fokken die jaarlijks 223 K G. boter kunnen leveren, terwijl
liet gemiddelde over 1000 koeien aan een zuivelfabriek in de vrucht-
baarste streek van Friesland slechts 122 K.G. bedroeg.
Directeuren van Zuivelfabrieken, biedt uwen leveranciers de gelegen-
lieid aan, de melk van elk hunner koeien op het vetgehalte te laten
onderzoeken, daarmede zal door U, bij de leden uwer fabriek, de
veeteelt gesteund worden ! — Spoort zelfs uwe leden aan , monsters
melk van hunne koeien ter onderzoek aan de fabriek in te zenden,
door IJ zal een krachtige stoot worden gegeven tot verbetering en
veredeling van het Friesch vee !
Fokkers run Friesch ree! Wij kunnen niet nalaten IJ met kracht
toe te roepen : Fok Boterkoeien!
Wij zijn geen voorstanders van herhaalde aanvragen bij het
Bestuur van ons Gewest of het Rijk om subsidie voor alles wat
daarvoor vatbaar is.
Met instemming en toejuiching zouden wij het echter begroeten,
indien door de. Kegeering een flinke subsidie verleend werd, met de
bepaling, dat ieder fokker daarvoor in de gelegenheid moet worden
gesteld de melk van zijn vee op het vetgehalte te laten onderzoeken.
en, dat onderhoudspremiën verschaft moeten worden aan de houders
van beste stieren, afkomstig van uitstekende boterkoeien.
Daardoor zou een provinciaal belang, zoo gewichtig als er weinige
bestaan, worden bevorderd.
Ken krachtig hulpmiddel ter verbetering en veredeling van het vee
is gelegen in
Wetenschappelijk Onderzoek.
In de Milch Zeitung van 10 October 1896 komt over den imvloed
van het voedsel op het vet der melk een artikel voor, waaraan wij
het volgende ontleenen :
In het centraal proefstation te Munchen hebben, in den laatsten zomer,
onderzoekingen plaats gehad over den invloed van het voedsel op de
eigenschappen en hoeveelheid van het vet in de melk.
-ocr page 112-
so
Uit de resultaten van het onderzoek trekt Prof. Soxhlet o.a. de
volgende conclusiën:
.Door bij liet hooi vet te voegen kan het. vetgehalte der melk
beslist verhoogd worden, echter alleen dan, wanneer het in een vorm
gegeven wordt, dat het opgenomen en verteerd kan worden."
„Het voederen van Sesam-, Lijnolie of Talkstaerin in den vorm
van emulsie, in de geheele hoeveelheid van het drinkwater, als eene
op melk gelijkende vloeistof verdeeld, leverde melk met een vetge-
lialte tot .r>.8o/0:
        1.5-2 K.G. lijnolie bij 18-22 K.G. hooi gaven
melk. die in een gemiddeld monster van 4 dagen 5.24 °/0 vet be-
vatte; — 1-2 K.G. talkstearin met 18- 22 K.G. hooi leverden
melk van 4.24 n/0 (op den eersten dag) tot 5.5"/0. In het gemiddelde
van 8 dagen met 4.7 °/0 vet."
.Deze conclusiën zijn in schijnbare tegenspraak met de resultaten
van vorige onderzoekingen, de oorzaak van dit verschil is daarin
gelegen, dat men vroeger de olie in vasten toestand bij het voeder
mengde, in welken vorm het niet verteerd wordt, maar verterings-
storingen te voorschijn roept."
„Bij het voederen van vetrijk voeder vermeerdert het vetgehalte
der melk niet, door dat het vet uit het voeder in de melk overgaat."
„Wel daalt het gehalte van het melkvet aan vluchtige vetzuren—
het onderscheidingsteeken voor botervet, tegenover margarine en
andere vetten — onder omstandigheden tot op de helft. Zoo was
b.v. liet zoogenaamde Meiszlsche getal van 2.r> - 32, tot op 15.7 ge-
daald, toen 16 K.G. hooi niet 2 pond Sesamolie gevoederd werd."
„Hieruit zou men kunnen besluiten, dat Sesam-olie, welke bijna
geen vluchtige vetzuren bevat, in de melk overgegaan was. Indien
dit het geval ware, dan zou. door de bijnienging van olie bij boter-
vet, het suieltpunt belangrijk lager moet worden; in de werkelijkheid
wordt het echter veel hooger."
„Het smeltpunt van de boter is gelegen bij 36" C, dat van olie
beneden 0" (b.v. dat van lijnolie 16° (\'. onder 0). Overeenkomstig
het gehalte aan vluchtige vetzuren en de vermeerdering van het
vetgehalte der melk, zou men in het aangegeven geval moeten aan-
nemen, dat het melkvet voor de helft uit normaal botervet, voor de
andere helft uit olie bestond."
„Een zoodanig mengsel heeft een smeltpunt van 31° C.; het smelt-
punt van de genoemde melkvetmonsters was echter gelegen bij 41.5° G.
-ocr page 113-
SI
Het was dus ongeveer 5.5° hooger dan liet normale sineltpunt van
boter en ongeveer 10.5° hooger dan dat van een mengsel van 1 deel
botervet met 1 deel olie."
,lTit onze onderzoekingen en vele andere bleek als regel: Olierijk
voeder geeft niet, zooals men zou verwachten, melkvet met een laag.
maar met een ongewoon hoog sineltpunt, dus ook geen weeke maar
vaste boter."
,Het voedingsvet gaat niet in de melk over, maar daardoor wordt
lichaamsvet, dus rundertalk, in de melk gevoerd en zoodoende in-
direct het vetgehalte der melk verhoogd."
„Normaal botervet is zeker in de eerste plaats een voortbrengsel
van de werkzaamheid der melkklieren. Zijn hoeveelheid kan. zonder
dat de afscheiding van melk verhoogd wordt, door de soort van het
voeder, niet direct vermeerderd worden."
.In tegenstelling met koolhydraten en proteïn kan door het vet
van het voeder het vetgehalte van de melk aanzienlijk verhoogd
worden, echter slechts op deze wijze, dat lichaamsvet, uit koolhydraten
ontstaan, in de melk overgebracht wordt, waarbij waarschijnlijk
voor onderhouding van het dierlijk verbrandingsproces, voedingsvet
in plaats van lichaamsvet werd verbruikt."
Vele onderzoekingen gaven als resultaat, dat bij eene rationeele
voedering, d. w. /,. een voeding waarbij de verschillende voedingstoffen
in voldoende hoeveelheid worden toegevoerd, vermeerdering van
krachtvoeder geen gunstigen invloed heeft op het procentisch vet-
gehalte.
Bij de fokkers heerscht, niettegenstaande deze resultaten, de mee-
ning. dat b.v. geplet lijnzaad het vetgehalte der melk verhoogt.
Deze meening wordt door het vorenstaande ondersteund en door
Prof. Soxhlet wordt er dan ook op gewezen, dat er bij aankoop
van krachtvoeder wel degelijk op een hoog vetgehalte moet worden
gelet.
Hij zegt o. a.: „ De oliefabrieken moeten genoopt worden de vee-
„houders weder vetrijkere lijnkoeken te leveren als in vroeger tijd,
„toen de ontvettingsmethoden nog onvolkomen waren."
Wij willen niet gaarne beslissen, en meerdere onderzoekingen
zullen dat nader moeten bevestigen, of wij door een vetrijke voeding
vettere melk kunnen verkrijgen, zooals uit de onderzoekingen van
Prof\'. Soxhlet zou blijken.
6
-ocr page 114-
82
Ons doel met het geven van dit uittreksel is meer duidelijk te
maken hoe wetenschappelijk onderzoek bestemd is, vragen betreffende
de voedingsleer. de gezondheid van het vee, het ontstaan der melk,
het gehalte aan vluchtige vetzuren van de boter en meer andere op
te lossen.
Zoo zal waarschijnlijk onze boter in den herfst bij het onderzoek
op bet gehalte aan vluchtige vetzuren vervalscht schijnen, omdat
licbaainsvet van het rund voor de vorming der melk is verbruikt.
Zoo ondersteunt het vermelde de meening, dat de melk ontstaat
door het vervloeien der melkkliercellen.
Zoo leert het onderzoek, dat melk met een boog vetgehalte in
den regel ook rijk is aan kaasstof en de andere droge bestanddeelen.
Met andere woorden: Melk met een hoog vetgehalte heeft een
laag watergehalte.
Zoo zijn wij, — om hiermede de opsomming van eenige der vele
vragen, die wetenschappelijk onderzocht worden, of opgelost zijn, te
besluiten, — door de vorderingen der voedingsleer in staat, een rund
zoo te voeden, dat bijna geen voedsel nutteloos verloren gaat.
Friesch Rundvee-Stamboek.
Op den twaalfden Juli in bet jaar achttien honderd negen en
zeventig kwamen in „de Drie Romers" te Roordahuizum eenige
mannen bijeen, die een warm hart hadden voor den Frieschen veestapel.
Zij stelden zich voor, dat ons vee door een meer oordeelkundige
fokkerij vrij wat verbeterd en veredeld zou kunnen worden.
Zij meenden een oordeelkundige fokkerij te kunnen bevorderen
door het aanleggen, bijhouden en in druk uitgeven van Stamregisters
voor uitmuntend rundvee van Friesch ras.
De waarde der beste exemplaren en de afstammelingen uit beste
familiën zou daardoor tevens verhoogd worden.
Om een en ander te bevorderen en te bereiken, richtten zij de
Ver ceniging het Friesch RundveeStü/mboeh op, stelden de Statuten
vast waaronder de nieuwe vereeniging zou werken en maakten de
bepalingen nopens het Stamboek.
Dat het werk dier mannen met gunstigen uitslag bekroond is,
blijkt ons uit het tegenwoordige ledental, bestaande uit 111 donateurs,
57 begunstigers
en 408 leden.
-ocr page 115-
R3
Op den 12 September 1896 waren in het Friesch Rundvee-Stam-
boek 11.125 volbloeden ingeschreven, als:
2217 zwartbonte stieren,
8408
           ,           koeien,
32 roodbonte stieren,
161
           ,           koeien,
31 gemengd kleurige stieren,
276
         ,               , koeien.
Bovendien waren in het Hulp-Stamboek 4167 runderen inge-
schreven als:
                615 zwartbonte stieren,
3410           „           koeien,
25 roodbonte stieren,
117
           „          koeien,
zoodat in het gelieel dus 15.292 runderen ingeschreven zijn.
Door het bekendmaken van de eigenschappen van ons vee in het
buitenland, door het laten drukken en verspreiden van vertalingen
van Stamregisters; ja! zelfs door het zenden van Friesch vee naar
het buitenland, heeft de Vereeniging veel gedaan om den naam van
ons vee overal bekend te maken, waarom zij den steun en de sympathie
van alle Friesche fokkers verdient.
Bij de beschrijving van de eigenschappen, waardoor ons veeslag
zich boven andere veeslagen onderscheidt, waren wij nog in de ge-
legenheid melding te maken van de Consulaire Verslagen, waarin de
werkzaamheid van de Vereeniging liet F. II. S. in het buitenland
geroemd wordt.
Menig veehouder, door onkunde met haar streven nog geen lid
van bet Stamboek, heeft voordeel gehad van de verstandige reclame,
door die Vereeniging voor ons vee gemaakt.
l>at het Friesch Rundvee-Stamboek de verbetering van ons vee
belangrijk bevorderd heeft, zal ieder deskundige gebleken zijn uit
eene vergelijking van het vee, aangeboden op de vroegere tentoon-
stellingen en het vee, dat tegenwoordig op de keuringen van Stam-
boekvee verschijnt; vooral bij de stieren is de verbetering duidelijk
merkbaar.
Jammer, betreurenswaardig mag het daarom genoemd worden, dat
onze Friesche veehouders, nu de inschrijvingskosten per rund tot op
/\' 1.— verlaagd zijn, niet veel meer nog hun vee ter opname in het
Stamboek aanbieden.
-ocr page 116-
84
Hoe algeineener de deelname is, des te krachtiger en nuttiger zal
de Vereeniging werkzaam kunnen zijn en des te meer zal de gun-
stige werking van een Stamregister aan het licht komen.
In hoeverre liet overweging verdient beste koeien die, blijkens goed
gecontroleerde onderzoekingen, zeer veel melk en boter opleveren en
de uitstekende mannelijke afstammelingen daarvan in een afzonderlijk
Stamboek in te schrijven, zou door de Vereeniging in ernstige over-
weging genomen kunnen worden.
De Holstein-Frisian Association of\' America heeft een dergelijk"
afzonderlijk Stamboek, door haar „advanced register" genoemd.
Stellig is een dergelijk register, als de cijfers vertrouwen verdienen,
voor den vreemdeling, die ons vee wenscht te koopen, van onschat-
baar belang.
Ook zou uit dat register kunnen blijken, welke waarde de ver-
schillende uiterlijke kenteekenen hebben, bij de beoordeeling der koe
als boterkoe.
Wellicht zou blijken, dat bij die beoordeeling ook moet gelet
worden op kenteekenen die nu nog aan onze aandacht ontsnappen.
Wanneer alleen die koeien ingeschreven mochten worden, waarvan
geconstateerd was dat zij in een lactatie-periode meer dan 5000 K.({.
melk met een gemiddeld vetgehalte van minstens 3.30 °/0 gaven,
zoodat zij dus per jaar meer dan 178 K.Gr. boter leverden, dan zon
men daarin het allerbeste vee krijgen.
De afstammelingen van die model-boterkoeien zouden voor de
fokkerij hooge waarde hebben en gedurende langeren tijd daarvoor
bestemd kunnen blijven, dan nu gebruikelijk is.
Dorps-Stierenkeu ringen.
Door de Friesche Maatschappij van Landbouw is, onder de vele
pogingen tot verbetering van het Friesch vee, een maatregel inge-
voerd, welke een krachtig hulpmiddel kan zijn tot verbetering van
den veestapel.
Wij bedoelen het uitschrijven der z.g. Dorps-Stierenkeuringen.
Door het Bestuur der afdeelingen van de Maatschappij is iedere
afdeelinjf verdeeld in kringen.
O                                                          ra
Elke kring is zoodanig getrokken, dat daarbinnen zooveel mogelijk
dezelfde grondsoort gelegen is en een voldoend aantal stieren op de
keuringen aanwezig kan zijn.
-ocr page 117-
85
Op een bepaalden dag in het jaar, kan ieder fokker zijn «tier of
stieren op een aangewezen plaats ter keuring aanbieden, alleen in
concurrentie met de binnen dien kring aanwezige exemplaren.
De besten worden bekroond met medailles of getuigschriften.
Het groote nut dezer keuringen is vooral gelegen in het bijeen-
brengen van stieren, gefokt en grootgebracht op nagenoeg dezelfde
grondsoort en de bekendheid der fokkers met elkander. De fokkers
zijn hierdoor in de gelegenheid, niet alleen om hun stieren te ver-
gelijken met die van hun omwonende collega\'s, maar ook om bekend
te worden met de wijze waarop de beste exemplaren zijn grootge-
bracht.
Tevens is aan deze keuringen de nuttige bepaling verbonden, dat
de keurmeesters of juryleden verplicht zijn, de redenen waarom de
beste bekroond zijn en de gebreken, waardoor de minder goede het
tegen de betere moesten verliezen, te vermelden.
Ieder fokker is hierdoor in staat gesteld zijn oordeel te toetsen
aan dat van de keurmeesters. Door deze vergelijking verrijkt hij
wellicht zijn kennis van het vee.
Want al meent men nog zoo goed in staat te zijn, een rund juist
te beoordeelen, toch ontsnappen soms nog enkele gebreken aan ons
oog, of veroordeelen wij het een of andere gebrek te veel of te weinig.
Zelfs de beste deskundigen zullen verschillend denken over het
nadeelige der gebreken, of de waarde toe te kennen aan de ge-
wenschte hoedanigheden.
De poging van de Friesche Maatschappij van Landbouw om, door
deze keuringen, bij de veehouders de belangstelling in het fokken
van goede stieren op te wekken en aan te moedigen en het ver-
schaffen der gelegenheid om iets te leeren. verdient waardeering en
steun, vooral van de zijde der veehouders door hunne stieren ter
keuring aan te bieden.
VVenschelijk zou het zijn, indien bij het ter keuring aanbieden van
den stier, tevens een goed gecontroleerde opgave van de nielk- en
boteropbrengst der moeder kon overgelegd worden.
Stiereuvereeniging.
Ten slotte moet nog gewezen worden op een middel ter veredeling
van onzen veestapel, waarvan veel te weinig gebruik gemaakt wordt.
Bij de verbetering van het vee moet vooral gelet worden op een
-ocr page 118-
86
uitstekenden springstier, daar deze op veel nakomelingen invloed uit-
oefent.
Voor een veehouder met 20 of 30 koeien is het licht een finan-
cieel bezwaar, een puiken stier voor zijne koeien aan te schaffen, al
is hij wel overtuigd van de wenschelijkheid der verbetering van
zijn vee.
Wat voor één niet kan, omdat hij te weinig van het bezit profi-
teert, is dikwijls wel mogelijk voor twee of drie veehouders. Zij
betalen een tweede of een derde en profiteeren evenveel als hadden
zij den stier voor zich alleen gekocht.
Bovendien hebben zij dan nog het voordeel, dat hun koeien zijn
besprongen door een stier, die niet afkomstig is van eigen stal, zoo-
dat zij bij hun beslag bloedverversching hebben toegepast.
Eene der oorzaken, dat er nog niet meer Stierenvereenigingen be-
staan, is naar onze meening wel het gering vertrouwen dat de fok-
kers onderling in elkander stellen. Zij zijn bang, dat de houder
van den stier daarvoor niet zoo goed zorg draagt, als hij zou doen
indien het dier hem alleen toebehoorde.
Ook worden de meeste Vereenigingen op te groote schaal inge-
richt, waardoor de afstanden, die de deelhebbers telkens met hunne
tochtige koeien naar den stier der Vereeniging hebben af te leggen, te
groot worden. De stier wordt door de vele veehouders die daaraan
deel hebben, in vele gevallen overmatig en ongeregeld gebruikt, met
het gevolg, dat de van den stier verkregen kalveren allicht niet
kunnen beantwoorden aan de dikwijls te hoog gespannen verwachting.
Door meer in beperkten kring te blijven, b.v. van twee of drie
veehouders samen, door onderling vertrouwen en een verstandig ge-
bruik van den stier, zou het voor gezamenlijke rekening en risico
aanschaffen van een springstier veel kunnen bijdragen tot verbetering
en veredeling van onzen veestapel.
Van een middelmatige koe zal men slechts bij uitzondering een
goed kalf verkrijgen, al heeft men ook den besten stier, die in onze
provincie te vinden was, gebruikt.
Langzaam gaat iedere veeverbetering en veredeling : indien evenwel
het doel om te verbeteren, nimmer uit het oog verloren wordt en de
middelen om het doel te bereiken, steeds met kennis van zaken worden
toegepast, gaat het langzaam maar zeker.
-ocr page 119-
BESLUI T.
Hiermede hopen wij de middelen te hebben aangetoond, die kunnen
strekken om het Friesche rundvee te verbeteren en te veredelen.
Het aantoonen daarvan is echter vrij wat gemakkelijker dan het
toepassen.
De grootste opmerkzaamheid, het scherpste waarnemingsvermogen
en onuitputtelijke volharding zijn daartoe bepaald noodzakelijk; tevens
moet de fokker hart hebben voor zijn vee, anders zal het hem nim-
mer gelukken belangrijken vooruitgang in zijn veestapel te verkrijgen.
Kr moet gewoekerd worden met kleinigheden en een oppervlakkigen
beoordeelaar ontsnappen geringe verschillen, waarmede de fokker met
kennis, toewijding en belangstelling, wonderen weet te doen.
Volgens Darwin is er onder de duizend menschen nauwlijks één
die de vereischten bezit om een goed fokker te zijn. Wij hopen en
vertrouwen, dat de Friesche veehouders deze uitspraak zullen logen-
straffen.
Met moed aan den arbeid, Friesche veefokkers! Laat ons vee
niet door dat uit andere streken overvleugeld worden!
Maakt gebruik van hetgeen de wetenschap U leert! Fokt uitslui-
tend met de beste exemplaren! Schaamt U wanneer uwe fokstier in
den herfst een schande voor de veemarkt is! Bovenal houdt aan-
teekening! Orde is de ziel van elke zaak. Zonder boekhouding en
orde is eene nauwkeurige beoordeeling van de geldelijke voordeelen
der veehouderij, niet alleen onmogelijk, maar door cijfers komt men
tot een juiste beoordeeling van den toestand, ook van ons vee, en
waar die toestand niet beoordeeld kan worden, daar is men ook niet
in staat, alle maatregelen te nemen die geschikt zijn, om verbeteringen
aan te brengen.
Cijfers van de afmetingen van uw vee, van het slachtgewicht en
-ocr page 120-
SS
de gewichtstoename der vetgemeste dieren, van de melkopbrengst en
vooral van liet vetgehalte der melk !
Cijfers moeten U vertellen in welke richting ge U vooral dient
te bewegen!
Onze boter heeft uit het buitenland den genadeslag ontvangen,
omdat men daar met den tijd meeging. We weten hoeveel moeite
het gekost heeft en nog dagelijks kost, om alleen nog maar met
andere landen op één lijn te staan.
De verbetering en veredeling van het vee neemt in het buitenland
eene hooge vlucht.
Mochten alle veehouders onzer provincie samenwerken om onzen
veestapel te verbeteren, opdat, wij niet eenmaal behoeven te lezen:
Ons vee heeft den aiouden roem, de vvereldrenommée, verloren.
Wat een aanzienlijke bron van inkomsten, die thans dreigt op te
drogen, zou daardoor behouden blijven !
-ocr page 121-
-ocr page 122-
TABEL VII.                           Onderzoek naar het vetgehalte
Pietje,
Wokje II
Feenstra,
No. 7135 F. R. S.
Afgekalfd
No. 5653 F.
Afgekalfc
Et. S.
1
No. 2157" F.
Afgekalfc
R.S.
1
27 October 1894.
21 November
1894.
24 No
vember
1894.
riotnwi
K.G.
0/
/o
Gram
K.G.
/o
Gram
K.G.
0/
/o
Gram
LsCvvlA
melk.
vet.
vet.
melk.
vet.
vet.
melk.
vet.
vet.
7 Nov.
av.
18
3.9
507
8 ,
m.
13
3.3
429
16 ,
av.
12
3.2
384
17 .
in.
13.5
2.6
351
26 ,
av.
14
3.2
448
13
3.2
416
27 ,
iii.
12
2.3
278
14
3.9
546
5 Dec.
av.
14
3.55
497
13.5
3.9
526
12
2.8
336
6 ,
m.
12
2.4
288
16.5
3.6
594
15
2.7
405
14 .
av.
11.5
3.3
379
13.5
3.3
445
12
3.1
372
15 ,
hi.
12
2.1
252
12
3.25
390
10
2.9
290
26 ,
av.
12
2.95
354
13.5
3.3
445
7
3.1
217
27 ,
m.
12
2.4
288
15
2.8
420
8
2.7
216
4 Jan.
av.
10.5
2.9
304
13
3
390
10
3.4
340
5 „
m.
10
2.7
270
14
3.1
434
11
2.8
308
14 .
av.
10
3.1
310
12.5
3.2
400
10.5
2.8
294
15 ,
m.
11.5
2.3
264
15
2.8
420
12
2.9
348
23 ,
av.
10
2.8
280
12
3.2
384
12
2.7
324
24 „
m.
9
2.2
198
14
2.9
406
12.5
2.7
337
1 Febr.
av.
10.5
3.1
325
11.5
3
345
12
2.75
330
2 ,
m.
11.5
3.05
351
13.5
3.4
459
13
2.4
312
U .
av.
10.5
2.95
310
12.5
3.4
425
12
2.8
336
12 ,
m.
9.5
2.5
237
13.5
3.3
445
12
2.4
288
20 .
av.
10
3.35
335
11
3.2
352
12
2.9
348
21 .
m.
11
3.1
343
13
3.7
481
12
2.3
276
1 Maart
av.
9.5
o
O
285
11.5
3.2
368
13
2.4
312
2
m.
10
3
300
12.5
3.1
387
12.5
2.6
325
11 „
av.
9
32
288
10.5
3
3!5
11.5
2.9
333
2 ,
m.
10.5
2.9
304
11.5
3.2
368
12
2.6
312
10 ,
av.
10
2.9
290
10
3
300
11
2.7
297
il .
in.
10.5
3.2
336
11
3.50
385
11
2.9
319
29 ,
av.
9
2.8
252
10
3.3
330
11
2.7
297
50 ,
m.
9.5
2.9
275
11
—
—
11
2.4
264
7 April
av.
9.5
3
285
10
3.25
325
11
3.1
341
8 »
m.
9.5
3.2
304
10
3.25
325
11
2.45
269
7 ,
av.
9
3.1
279
9.5
3.4
323
105
3
315
8 .
m.
10
29
290
10.5
3.2
336
11
2.5
275
16 .
av.
9
8
270
10
3.4
340
9.5
3.3
313
\'7 .
m.
9
3.2
288
9
3.7
333
10
2.8
280
-ocr page 123-
van morgen- en avondmeik.
Keizerin VII,
Keizerin V,
Hollander.
No. 7297 F.
R. S.
No. 6656 F.1
a. s.
Afgy kalft
Afgekalfc
Afgekalfd
19 December
1894.
26 December
1894.
9 Januari 1895.
K.G.
%
Gram
K.G.
0/
o
Gram
K.G.
Gram
melk.
vet.
vet.
melk.
j vet.
vet.
melk.
vet.
vet.
11
2.3
253
o,
o
cc
s
o
S
X
p
32
3
<
Q
T.
&
s
12
2.7
324
a
—J
11.5
2.7
310
12.5
3.2
400
>
:3
12
2.6
312
13
3.4
442
32
. 3
a cb
11
2.8
308
11
2.9
319
10
2.7
270
^c_
CB rd
12
2.3
276
14 2.9
406
12
2.7
324
\'s\'
2 as
10.5
2.8
294
11.5 i 3.1
356
11
3.25
357
"5,
11.5
2.7
310
12.5
3.2
400
11.5
2.9
333
CU
bc ff
CS
10
2.2
220
12
2.7
324
10
3
300
o
c
CD
G O
10.5
2.35
247
12.5
3.4
425
11
2.85
313
bc
10
2.4
240
12.5
2.4
300
10.5
3.4
357
02 N
10.5
2.4
252
12
2.7
324
11.5
3.35
385
Cm 02
CB i
9
3.1
279
12
2.6
312
11
3.3
363
-W
N 5
a °
10
3 l
310
13
2.8
364
12
2.9
348
CB
9.5
2.6
\' 247
11.5
2.8
322
10.5
3
315
CS
M
10.5
2.45
257
12.5
2.6
325
12
2.7
324
es
32
-M
9
2.7
243
11
2.5
275
10
2.65
265
a
32
9.5
3
285
12
2.15
258
11
2.9
319
>
CB
-
8.5
2.7
229
11
2.6
286
8.5
2.5
212
a
re?
95
2.75
261
12
2.9
348
10
2.7
270
_c
9
3.2
288
12
3.2
384
9.5
3.2
304
a
9
3.3
297
12
3.2
384
10
3.35
335
\'S
3
8.5
3.2
272
11.5
2.9
333
10.5
3.5
367
M
9
2.9
261
12
2.8
336
10.5
2.9
304
9
3.2
288
10.5
2.9
304
9.5
3
285
9
3
270
11
2.4
264
11
3.3
363
"
8.5
2.9
246
11.5
2.8
322
10
3.1
310
9
3
270
11
2.8 j
308
9.5 1
3.25 1
309 |
-ocr page 124-
Pietje,
Wokje II,
1
\'eenstra,
No. 7j35 F.ES.
Afgekalfd
No. 5653 F.
Afgekalfd
R.S.
[
No. 2157" F.
Afgekalfc
R. S.
27 October 1894.
21 November
1894.
2-1 November
1894.
Datu
K.G.
/o Gram
K.G.
Gram
K.G.
Gram
n.
melk.
vet. vet.
melk. vet.
vet.
melk. ! vet.
vet.
6 Mei
av.
10.5
3.45
362
10
3.9
390
13
3
390
7 .
m.
10.5
2.8
294
12
3 4
408
13.5
2.4
324
15 ,
av.
9.5
4.05
385
9.5
3.4
323
10.5
2.2
231
16 ,
m.
9.5
2.7
256
9.5
2.75
261
11
2.5
275
24 .
av.
9
3
270
10
3.3
330
9
2.1
189
25 , _
m.
9 2.9
261
9
3
270
9.5
2
190
3 Juni
av.
9.5 : 3.1
294
9
3.1
279
9
2.15
193
4 .
m.
9
3.2
288
8.5
3.5
297
10.5
2.4
252
12 ,
av.
9.5
3.5
332
9
3.6
324
10
2.9
290
13 ,
ni.
9
3.4
306
9
3.3
297
10.5 2.2
231
21 .
av.
8.5
3.7
314
8.5
3 9
331
9.5
2.8
266
22 „
m.
8
3.2
256
9.5
3.3
313
9
2.3
207
1 Juli
av.
6
3.35
201
8
3.2
256
10
3.3
330
2 .
111.
6.5
2.9
188
8
3.4
272
9
3.15
283
10 .
av.
5.5
3.4
187
7.5
3.3
247
9.5
2.95
280
11 .
m.
6
3
180
8
3.5
280
10
2.9
290
19 .
av.
5
4.3
215
8
3.2
256
9
2.4
216
20 ,
m.
5
3.2
160
8
3.6
288
9
3.3
297
29 ,
av.
5
4.2
210
7.5
3.4
255
9
2.5
225
30 „
in.
4.5
3.95
178
7
3.6
252
10
3.3
330
7 Aug.
av.
4
4.55
182
6.5
4
260
8
2.7
216
8 .
in.
3.5
3.4
119
7.5
3.5
262
9
2.65
238
16 .
av.
3.5
4.1
143
7.5
3.5
262
8
2 8
224
17 ,
in.
3.5
3.8
133
7
33
231
8.5
3.45
293
26 ,
av.
3..-S
4.3
150
7
3.3
231
8
2.4
192
27 .
m.
3
3.9
117
7
3
210
8
2.5
200
4 Sept.
av.
droog gezet
6
3.75
225
7.5 2.6
195
5 .
in.
3 September.
6
3.4
204
7.5
2.8
210
13 ,
av.
Gemiddeld
5
4.35
217
7
3.1
217
14 .
ui.
3.07 «/o
5.5
3.9
214
7
3
210
23 ,
av.
4
3.8
152
7.5
3.25
244
24 ,
ni.
5
3.5
175
6.5
2.8
182
2 Oct.
av.
3.5
4
140
7 3.5
245
3 .
m.
4
3.65
146
7 3.4
238
11 .
av.
droog ge/et
droog gezet
12 ,
in.
9 October.
Gemiddeld
Gemiddeld
133 °/o
2.74 "/o
-ocr page 125-
Keizerin VII,
Keizerin V,
Hollander
No. 7297 F. R. S.
No. 6656 F. R. S.
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfr
19 December 1894.
26 December 1894.
9 Januari 1895.
K.G.
0/
/o
Grnm
1
K.G. %
Gnuii
K.G.
\'0
Gram
melk.
vet.
vet.
molk. vet.
vet.
melk
vet.
vet.
9
3 15
283
11.5
3.4
391
11
3.2
352
9
3.1
279
12
3
360
12
3.2
384
8
2.7
216
11.5
2.95
339
10.5
2.9
304
8
3.3
264
11.5
3
345
10
2.8
280
8.5
3.35
285
10.5
3.7
388
14.5
3.5
507
o
8
3.15
252
10
2.85
285
9.5
3.4
323
7.5
3
225
9.5
O
285
10
3.35
335
CJ
SC
7.5
3.2
240
10
3.15
315
10
3.4
340
O
8
4.25
340
10
3.3
330
11.5
4.1
471
s
7.5
3.50
262
10.5
3.6
378
11.5
3.05
351
C5
<
8
3.8
304
9.5
3.8
361
9
4
360
a
CU
-
8
3.4
272
9
3.7
333
8
3
240
w
6.5
3.6
234
8.5
3.2
"112
9.5
4.9
465
a
6.5
3
195
7.5
3.8
285
8
3.3
264
o
1-8
7
3.3
231
7.5
3.2
240
10
3.7
370
06
• CU
— CU
7
3.2
224
7
3
210
9
2.6
234
\'
CU „S
7
3.4
238
7
2.8
196
9
3.15
283
N
"o s
S cu
7.5
3.6
270
6
4.6
276
9
3.5
315
Tl
s Ti
cu
7
3.3
231
6.5
4
260
9.5
4.5
437
B
00 S
C3
7.5
3.4
255
6
2.1
126
9
4.2
378
9
O
r2. t*
7
3.8
266
5.5
4.75
261
9
5.5
495
CU
bc
7
3.45
241
5.5
3.3
181
7
2.6
182
s o
CU N
~~~ \'—
6.5
4
260
5
4.25
212
7
3.9
273
=t-c CU
\'m "3
7
3.4
238
5
2.8
140
6
2.4
144
CU iZ,
§ 3
6.5
3.9
253
4.5
3.3
148
6
4.3
258
0>
\'S "S
6.5
3.2
208
4.5
3.1
139
6.5
2.25
146
B
ai
6.5
4.2
273
4
3.85
154
5.5
4.5
247
CS
•*a
6
3.3
198
3
3.25
97
5.5
3.7
203
a
cu
\'5
5.5
4.1
225
1
4.85
48
5
4.7
235
>
CU
-J2
CU
6
3.7
222
2
4.5
90
5.5
3.75
206
5*5
5.5
3.7
203
1
3.2
32
4
4.9
196
. JJ
O
5
3.8
190
1
3.8
38
3.5
4.1
143
r*
5
3.9
195
droog gezet
2.5
4.9
122
CU
\'S
5
3.85
192
25 September.
3
4
120
O
M
3.5
4.6
161
Gemiddeld
droog gezet
CU
3.5
4.05
142
3.65 °/0
9 October.
Q
droog gezet
Gemiddeld
20 October.
3.31 °/o
Gemiddeld
3°/o
-ocr page 126-
TABEL VIII. Onderzoek naar de hoeveelheid melk en haar
lactatie-perioden van
Zwarte Kollumer,
Kollumer IX,
ZwartkopHanske,
Wokje IV,
Wokje VI,
No. 6270.
No. 6655.
No. 7138.
No. 7137.
No. 7768.
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
20 Febr. 1888.
9 Maart 1889.
13 Maart 1890.
24 Febr. 1890.
25 Febr. 1892
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
20 Febr. 1894 en
14 Maart 1894
7 Maart 1894 on
24 Febr. 1894 en
28 Febr. 1894 ei
27 Jan. 1895.
en 28 Jan. 1895.
3 Febr. 1895.
19 Febr. 1895.
5 Maart 1895.
dato
avond- en
K.G.
0\'
K.G.
K.G.
/o
K.G.
/o
K.G.
01
\'0
morffenmelk.
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
1894.
Febr
23a.-24m.
22.5
2.95
Maai
t 4-5
23
2.9
21
2.6
13.5
2.35
n
15-16
23
2.6
23
2.6
25.5
2.43
13.5
2.5
u
25-26
24
2.2
25
2.55
28
2.25
25.5
2.35
15.5
2.25
Aprr
4-5
21
2.7
22
2.55
27
2.5
22
2.5
14
2.2
-
14-15
20
2.3
22.5
2.5
25
2.05
20.5
2.4
13
2.25
JJ
25-26
18.5
2.7
21
3.1
21
4
19
2.6
12
2.5
Mei
4-5
20.5
2.1
20
3.05
24.5
2.3
19.5
2.85
11
3.4
ff
14-15
22
2.6
21.5
2.75
22.5
2.5
22
2.9
13.5
2.7
ff
24-25
21.5
2.9
19.5
3.2
25
2.8
21.5
2.4
15
2.7
Juni
3-4
21
2.6
18
3
24.5
2.7
19.5
2.8
13
2.7
13-14
19
3
19.5
3
22
3
19
3.4
11.5
3.1
w
23-24
18
2.8
17
2.95
21
2.7
17
:\'..1
11
2.4
Juli
2-3
19
2.9
17.5
3.2
21
3
16
3.4
10.5
2.7
PJ
13-14
20
2.8
19
3.1
2 )
2.6
18
3.1
10
3
j)
24-25
18.5
3
17.5
3.2
19
2.8
16.5
3.3
12
3
Aug.
1-2
19
3.1
18.5
3.2
20
2.6
17 5
2.9
10
3
9
10-11
17
3.1
16
3.2
18
2.6
17.5
3.1
11.5
3.2
ff
20-21
18
3
16
3.4
16.5
2.6
17.5
3.1
11
2.9
Sept.
3-4
17
3.3
17
3.2
18
2.5
15
3.1
11
2.5
n
12-13
15.5
3.1
14.5
3.3
18
2.9
16
2.95
12
2.8
ff
24-25
13.5
3.3
14
3.3
18
3.05
16
3.15
10
3
Oct.
1-2
13
3.3
14.5
3.2
17
2.85
16
3
11
2.9
n
10-11
12
3.6
12
3.6
16
3.1
15
3.7
10
3.2
ff
19-20
—
—
—
—
—
—
—
—
—
—
ff
29-29
6
4.7
9
4.1
10
3.7
9
4.7
9
4
Nov.
7-8
6
4.2
8.5
3.8
9
3.6
8.5
3.8
8.5
3.8
-
16-17
4
4.3
8
3.7
8
3.4
6
4.1
7
3.6
»
26-27
Gemidd.
7
3.8
6
3.8
4
4.2
6
3.8
Dec.
5-6
2.93 °/0
7
3.9
Gemidd.
4
4.55
7
4
H
14-15
7
4
2.74°/0
Gemidd.
7
3.9
B
26-27
1895.
Gemidd.
3.12°/0
2.98°/0
Gemidd
2.88°
Jan.
4-5
n
14-15
»
23-24
Febr.
1-2
21.5
3.45
H
11-12
23
3.2
14.5
3.2
29.5
2.95
ff
* «
20-21
21
2.8
17
3.2
25.5
2.5
-ocr page 127-
vetgehalte per 24 uur over twee geheele
verschillende koeien.
Anna,
Keizerin IX,
Wokje III,
Emprea VIII,
Corneliske IV,
No. 2758\'1.
No. 77G9.
No. 62G7.
No. 7298.
No. 7505.
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
in 1889.
ü Maart 1892.
5 Jan. 1888.
1 April 1890.
31 Mei 1891.
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
15 April 1894 en
24 April 1894 en
9 Mei 1894 en
1 Juli 1894 en
14 Juni 1894 en
14 April 1895.
3 Mei 1895.
3 Mei 1895.
18 Juni 1895.
7 Juli 1895.
K.G.
01
10
K.G.
0/
/o
K.G.
o;
K.G.
/o
K.G.
0/
/o
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
24
3.5
24.5
3.2
10
3.6
245
2.5
10.5
2.9
26
3
23.5
2.6
11
3^2
26
3
21
3
10
4.05
25.5
2.8
19
2.7
9
2.9
27.5
2.8
18
2.7
10
2.6
22.5
3
16
3.8
18.5
3.2
10
3.4
25
2.8
16
2.9
19
2.45
10
3
28
2.7
28
2.7
15
3
15
2.3
9
3
25
2.55
26
2.8
12.5
2.3
17.5
2.65
9
2.7
24
2.6
25.5
2.2
14
2.9
17
2.5
9
2.7
22.5
2.4
23
2.7
14
2.9
16
2.8
9.5
3.1
21
2.55
23
2.6
13
2.6
17
2.8
8
3.2
22
2.6
22
2.4
15
2.8
15
2.8
7
3.3
23
2.6
23
2.7
15.5
3
14
3.3
7.5
3.2
22
2.5
21
2.6
17
2.65
16
3.2
8
3.15
22
2.6
20
2.95
15.5
2.25
16
3.2
8
3.25
19
3
18
27
12
3.1
16
3
—
—
19
2.8
18
2.5
12
2.6
14
3
7
3.6
17
3.3
16
2.75
11.5
3.5
14
2.9
6
3.6
17.5
2.8
17
2.7
11
3.1
12
3.1
6
3.2
17.5
3
16
2.8
9.5
3.2
12
3.2
5
3.2
17
3
16.5
2.7
10
3.3
11
3.2
5.5
3.3
16
3
15 5
2.9
10
3.35
10.5
3.1
5.5
3.6
15
2.9
15
2.8
9.5
3.3
8.5
3.05
5
3.4
13
3
15
2.7
8.5
3.3
9
3.1
4.5
3.6
13
3.35
15
2.9
8.5
3.5
7.5
3.2
Gemidd.
11.5
3.1
13.5
3
8
3.5
7.5
3.3
3.23°/0
10.5
3.2
14.5
2.8
8.5
3.4
6
3.1
10
3.1
13.5
2.75
•7.5
3.3
4
3.6
9
3.5
15
2.85
7.5
3.35
Gemidd.
Gemidd.
13.5
2.7
7.5
3.4
2.93%
2.83°/0
13
3
7.5
3.5
-ocr page 128-
Zwarte Kollumer
Kollumer IX,
Ztffa rtkop Ha nske,
Wokj
e IV,
Wokje VI,
No. «270.
No. «655.
No. 7138.
No. 7137.
No. 7768.
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
20 Febr. 1888.
0 Maart 1880.
13 Maart 1800.
24 Febr. 1800.
25 Febr. 1802.
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
20 Febr. 1804 en
14 Maart 1804
7 Maart 1804 en
24 Febr. 1804 en
28 Febr. 1804 ei
27 Jan. 1803.
K.G. . °/«
en 28 Jan. 1805.
K.G. \\ %
3 Febr. 1805.
K.G. "/.
10 Febr. 1805.
5 Maart 1805.
dato, avond- en
K.G.
K.G.
/o
morden melk.
melk. ! vet.
melk. i vet.
melk. | vet.
melk. i vet.
melk.
vet.
Maart
11-12
20.5
2.6
16.5
2 9
24
3.1
16.5
3 6
19
2.5
-
20-21
18
2.9
15.5
3.6
24
2.9
21
2.85
20
2.7
»
29-30
18
2.8
15.5 3.3
23.5
3
21.5
3.55
20
2.85
April
7-8
19
2.3
16 i 3.25
22.5
2.75
23.5
2.7
20
2.95
-
17-18
is
2.7
15.5 3.2
23
3.6
24
2.7
19
2.5
w
26-27
16
2.1
16
3.3
•>•>
2.5
22.5
2.8
19
2.7
Mei
6-7
21
2.7
19
3.4
22.5
2.9
26
3.1
23.5
2.9
-
15-16
18.5
2.7
17 : 3.3
23
o
24.5
2.8
20
2.6
m
24-25
!<;.:>
2.6
18
3.6
1 6.5
2.5
23 5
3.25
19.5
3
Juni
3-4
16.5
2.9
16.5
3 9
18
2.9
22
3.1
18.5
3
-
12-13
14.5
3.4
16
4
1 .5
3.4
24.5
3.4
195
3
»
21-22
14
3.5
15
3.9
18.5
3.8
21.5
3.4
15
3.2
Juli
1-2
14.5
3.2
14
3.45
15
3.6
22 5
3.6
15
3.6
1
10-11
14.5
2.95
14
3.4
15
3.5
20.5
3.15
16
3.1
-
19-20
14.5
3.15
14.5
3.9
15
2.7
20
3.2
18
3
fl
29-30
13.5
3.1
13
3.5
13.5
3.4
21
3 1
18
3
Aug.
7-8
13.5
3.15
13.5
3.85
13
2.7
19.5
3.4
14.5
3
H
16-17
13.5
3.2
14.5
3.6
12
2.6
19.5
3
15
2.5
»
26-27
13
2.9
14
3.4
12
2.65
20.5
3.2
18
3
Sept.
4-5
11.5
3
13.5
3.6
12.5
2.75
22
3.2
17
3.2
-
1:1-1 1
11
3.45
12
3.75
11
2.9
20
3.6
17.5
3.15
W
23-24
10
3.15
12
3.7
12
3
20
3.5
14
3.2
Oct.
2-3
10
3.4
13
3.8
11.5
2.9
19.5
3.85
15
3.25
-
21-22
8
3.6
10
4
12
3.15
14
4.2
10
3.6
. 31
-1 Nov.
6.5
3.7
10
3.8
10.5
3.4
11.5
3.6
s
3.85
Nov.
11-12
Gemidd.
8.5
3.8
8
3.05
11
3.8
6
4.05
r
20-21
2.96°/0
6
4
5.5
3.2
11
3.6)5
6
4.15
I)
29-30
5.5
3.7
5
3.4
8.5
3.6()
4
4.40
Dec.
9-10
5
3.7
Gemidd.
Gemidd.
Gemidd.
n
18-1!.
5
3.!)
2.94°/0
3.3 "/o
3.04 <V,
0
27-28
5
3.8
189Ö.
Jan.
6-7
4
3.9
n
15-16
Gemidd.
T)
24-25
3.53°/0
Febr.
3-4
n
10-11
H
19-20
9
28-29
Maart
9-10
-
18-19
»
27-28
April
6-7
-ocr page 129-
Anna,
Keizerin IX,
Wohje III,
Empres VIII,
Corneliftke IV,
No. 2758".
No. 7769.
No. «267.
No. 7298.
No. 7505.
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
Geboren
in 1889.
(i Maart 1892.
5 Jan. 1888.
1 April 1890.
31 Mei 1891.
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
Afgekalfd
i 15 April 1894 en
24 April 1894 en
9 Mei 1894 en
1 Juli 1894 en
14 Juni 1894 en
14 April 1895.
3 Mei 1895.
3 Mei 1895.
18 Juni 1895.
K.G. °/o
7 Juli 1895.
K.G.
°/o
K.G.
0\'
K.G.
K.G.
/o
melk.
vet.
melk.
vet.
melk.
vet.
melk. vet.
melk.
vet.
11
8
8
4.5
2.9
3.4
3.55
3.9
7
8.5
6.5
7
3.45
3.3
3.4
3.5
18
2.7
Gemidd.
4.5
3.7
15
3.45
14.5
3
2.74<>/o
4.5
3.6
24
3.1
18
3.3
16
3.5
Gemidd.
24
2.6
16
3.4
22
3.3
3.09°/0
23.5
3.1
15
2.9
25
2.7
23
3
15.5
3.2
23 5
2.5
21
3.3
15.5
3
24.5
2.7
21.5
.",.3
145
3.3
23.5
3.2
20
3
19.5
3.7
14 .
2.7
22
2.9
26.5
2.9
19.5
2.7
14
3.1
21
2.5
27.5
2.8
18
4
19
2.6
14
3
22
2.65
30
2.5
18.5
2.9
21
3.1
13.5
3 1
21
2.9
26
2.4
18.5
4.5
16
2.5
13
3.45
20
2.75
25
2.7
19
3
17.5
2.55
14 5
3.05
20
2.6
24.5
2.35
175
3.2
19
2.8
. 13.5
3.1
21
2.6
25
2.6
17
2.9
18.5
2.9
12
3.1
20.5
2.8
26
2.6
18.5
3
18
2.9
11
3.4
19.5
2.75
24
3
17.5
3
15.5
3
11.5
3.4
20
2.8
24 2.6
16.5
3.35
16.5
2.7
11
3.2
21
2.9
24
3.2
16
2.85
14
3.45
10
3.55
16
2.95
20
2.95
15
3.3
12
3.05
(i
3.8
14.5
2 95
17
2.85
12
3.2
12
2.95
8
3.25
14.5
2.95
17
Ï..7
12
3.1
11
3.1
8
3.3
15
3
14.5
2.85
12
3.1
10.5
3.2
8
3.6
14
3.05
15.5
2.9
11.5
3.25
10.5
3.15
8
3.45
13.5
2.95
15.5
2.75
10
3.25
10.5
3.25
7.5
3.55
12.5
3.1
15.5
2.9
11.5
3.25
10
3.4
6
3.8
11
3.15
14
2.75
9
3.25
8
3.35
5
3.85
\\0
3.3
14
2.8
10
3.15
8
3.4
4
4.2
8.5
3.5
12.5
2.85
9
3.3
8
3.05
4
4.45
7
3.6
12.5
2.8
10
3.35
5.5
3 15
2
5.25
6.5
3.65
13
28
8.5
3.5
5
3.4
1
6.1
4
3.7
11
2.85
8.5
3.2
4.5
3.4
Gemidd.
2
4.6
11.5
2.8
8
3.5
Gemidd.
3.27°/0
Gemidd.
9.5
3
7
3.4
3.04°/o
2.91°/o
10.5
9
7.5
5
3
3.15
3.35
3.6
Gemidd.
2.80 °/o
7
5
5
4
3.25
4
4
4.15
Gemidd.
3.29°/0
-ocr page 130-
08
STAAT, houdende een Overzicht van het heerschen
der besmettelijk* Longziekte onder het rundvee
in Friesland van het ontstaan in Januari
1842 tot en niet het jaar 1878.
.laren.
Getal gemeenten,
waar de longziekte
heeft geheerscht.
Getal
stallen of\'
weiden.
Getal afge-
maakteof ge-
storven
runderen.
Verhouding
van het. getal ge-
vallen tot het
cijfer van den ge-
heelen
rundveestapel.
1849
(van 17 Dec. af)
12
27
47
—
1850
30
143
972
5.25 per 1000
1851
31
311
2115
10.75 „ ,
1852
34
404
2867
13.50 „ ,
1853
35
494
3155
16 . .
1854
39
478
2933
15 , ,
1855
34
484
2029
10.30 , ,
1856
37
1361
5727
32.10 „ ,
1857
40
1842
7557
39.80 „ ,
1858
38
1518
4235
21.71 „ .
1859
39
915
2519
14.53 „ „
1860
34
757
2094
11.06 , „
1861
35
563
1412
7.08 „ ,
1862
31
517
713
3.52 , „
1863
22
312
504
2.04 , ,
1864
22
184
310
1.51 . ,
1865
16
60
99
0.52 , .
1866
12
58
120
0.61 . .
1867
14
47
158
0.71 „ ,
1868
i
10
15
0.07 . .
1869
4
6
43
0.20 . ,
1870
6
16
95
0.45 , ,
1871
5
21
116
0.50 , ,
1872
16
89
085
3.40 „ ,
1873
18
126
808
4.00 , ,
1874
27
204
1388
6.50 , ,
1875
18
159
1145
5.40 , ,
1876
17
66
473
2.25 „ ,
1877
12
54
1509
7.00 „ .
1878
9
22
845
6.2 , ,
-ocr page 131-
99
In het geheel stierven of werden afgemaakt van 17 December 1849
tot einde 1878, 46689 runderen, waarvan onder de wet van Juli 1870
en latere koninklijke besluiten, 6969 stuks.
Vóór 17 Dec. 1849 zijn de cijfers niet geheel juist op te geven.
De ziekte openbaarde zich het eerst in Januari 1842. Van toen
tot het begin van 1848 werden omstreeks 1050 zieke en verdachte
dieren op bevel van het Provinciaal bestuur afgemaakt en vergoed.
Desniettegenstaande verspreidde de ziekte zich al meer en meer. En
toen de Hooge ltegeering in 1848 vergunning weigerde tot verdere
afmaking van hef. van ziekte verdacht vee, overmeesterde de ziekte
weldra geheel Friesland, zoodat van het begin van 1848 tot 17 l)ec.
1849 in alle oorden van de provincie, alleen 900 ii 1000 runderen
stierven of ziek werden afgemaakt. (!)
(\') Zie Geschiedkundige Aanteekeningen nopens het ontstaan en de verspreiding der
Besmettelijke Longziekte in Friesland, en betieffendo de Proeven van Inenting dier
ziekte enz. — Leeuwarden 1853 en volgende jaren.
-ocr page 132-
ERRATA.
De zinsnede op pag. 22 voorkomende ,Ter staving onzer bewering
geven wij hier een zijner best geslaagde afbeeldingen van eene
Friescbe koe" kan vervallen.
Bij nadere overweging is liet onnoodig geoordeeld de hier bedoelde
afbeelding in liet werk op te nemen.
Pag. 42, regel 11 van boven, te lezen: Want volgens de eigenlijke
beteekenis van het woord is kruising het paren van individuen die
ieder voor zich zijn gefokt in een standvastig ras.
I\'ag. 43, regel 17 van boven, vervalt: „moeten".
Pag. 45, regel 22 van boven, te lezen: Kruising, Breeding in and
in, Tncestteelt, zouden onzen veestapel bederven, terwijl bloedver-
verscliing, in de tweede beteekenis aan dat woord op pag. 43 toe-
gekend, meer dan thans het geval is, moet worden toegepast.
Op den titel staat: met 17 afbeeldingen, moet zijn 24.