-ocr page 1-
HET DUDE TESTAMENT
-ocr page 2-
\'
r
<
1
-
s
;
.
-ocr page 3-
I
•
f>CHfr
12./ \\
y
-
\\
M                    . v,        ,
l
7
..•
•
V
•
\'
;
\\
.
r
.
.
>
i
•
:
-
,
. \' ;
-
i
-ocr page 4-
\\
*"
•
V
f
\'
-
T
t
1
•
-ocr page 5-
HET OUDE TESTAMENT
E E K S T E D E E L.
-ocr page 6-
f\\L <A -J ^j
HET OUDE TESTAMENT
OPNIEUW
UIT DEN GRONDTEKST OVERGEZET
KS
VAN INLEIDINGEN EN AA
JtZIEN
BIBLIOTHEEK DER
R\'^KSUNIVECSiTEIT
UTRECHT
DOOH
P». A. KUENEN, ÜR. ,. HOOYKAAS, D„. W. H. U^
en Dr. H. OORT
VOOR DE PERS BEWERKT DOOR
Dr. H. OORT.
EERSTE DB ei*
6ENE8IS-ESTER.
•vWIM\'».
P. M. WINK — AMERSFOORT.
-ocr page 7-
VOORREDE VOOR HET EERSTE DEEL.
De Bijbeloverzetting die gedurende twee eeuwen meer dan eenige
andere onder de Protestanten van ons land in gebruik is geweest is de
„Statenvertaling", zoo genaamd omdat zij, gelijk het op den titel luidt, is
vervaardigd „door last van de Hoogmogende Heeren Staten Generaal der
Vereenigde Nederlanden, volgens besluit der Nationale Synode, gehouden te
Dordrecht, in de jaren 1618 en 1619." Zij verscheen in 1637, de eerste
bijbeloverzetting in onze taal uit de grondteksten, nadat men zich tot dien
tijd toe, althans wat het Oude Testament betreft, met eene overzetting \\iit
de Vulgata of uit die van Luther — dus eene vertaling van eene vertaling —
beholpen had. Door geleerde mannen met zorg bewerkt, had zij vele verdien-
sten; maar haar kleefden groote gebreken aan. Vooreerst, de overzetters
meenden dat de Hebreeuwsche tekst dien zij vóór zich hadden — om nu
alleen van het O. T. te spreken — overeenkwam met hetgeen de schrijvers
zelven hadden te boek gesteld, en maakten daarom geen gebruik van de
reeds in hun tijd bekende middelen om den overgeleverden tekst van fouten
te zuiveren. Daardoor is hunne, zooveel mogelijk letterlijke, vertolking op
vele plaatsen niet alleen zeer onduidelijk, maar geeft zij zelfs vaak geen zin
hoegenaamd. Dan waren zij geheel onbekend met den waren oorsprong der
boeken die zij vertaalden, hadden trouwens weinig hart voor de historische
beteekenis dier geschriften, daar zij overal in het O. T. hoofdzakelijk Christus
en zijne leer zochten, die zij er door middel van de zoogenaamde allegorische
en symbolische tekstverklaringen in wisten te vinden. Dientengevolge zijn
hunne inleidingen en aanteekeningen thans meerendeels onbruikbaar. Hierbij
komt dat het Nederlandse!» der zeventiende eeuw en dat der negentiende
aanmerkelijk van elkaar verschillen; zoodat vele plaatsen door een lezer van
dezen tijd onvermijdelijk misverstaan worden. Of welk ongeletterde denkt niet
bij „de slechten, aan wie God wijsheid geeft" (Ps. XIX: 8 en elders) aan
onzedelijke, goddelooze menschen? terwijl inderdaad eenvoudigen bedoeld zijn.
Zij die de jongere uitgaven van de Statenvertaling bezorgden, met name de
Secretarissen der Bijbelgenootschappen, hebben wel getracht aan dit bezwaar
-ocr page 8-
VOORREDE VOOR HET BERBTB DEEL.
IV
te gemoet te komen, door <le oudere spelling van lieverlede door de nieuwere
te vervangen, waarbij zij tevens vaak in plaats van onverstaanbare of half
begrijpelijke woorden meer gebruikelijke zetten; maar liet ligt in den aard
der zaak dat dit willekeurig en gebrekkig geschiedde.
Toen de klachten over de Statenvertaling onder deskundigen talrijker
en luider werden, besloot de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde
Kerk in 1848, eene nieuwe vertaling te doen vervaardigen. Dit is haar wat
het Nieuwe Testament betreft gelukt. In 18G8 verscheen „Het Nieuwe Tes-
tament vanwege de Algemeene Synode der Nederlandsche Hervormde Kerk
op nieuw uit den grondtekst overgezet, en van inleidingen, inhoudsopgaven,
gelijkluidende plaatsen en aan teeken ingen voorzien." Daarnevens zag eene
kleine uitgave, die alleen de vertaling behelsde, het licht. Zij wordt gewoonlijk
de „Synodale vertaling" genoemd. Het voornemen der Synode om ook het
Oude Testament uit te geven mislukte.
Dat het, dertien jaren nadat het opgegeven was, opnieuw werd ter
hand genomen is vooral te danken aan de volharding van Dr. I. Hooykaab,
die de tot het werk bevoegden wist over te halen liet opnieuw te onder-
nemen, en bij anderen, die geldelijke hulp konden bieden, belangstelling er
voor opwekte. Eenige invloedrijke mannen vereenigden zich om de noodige
gelden bijeen te brengen, ten einde de onvermijdelijke, vrij aanzienlijke, on-
kosten te dekken. Van deze commissie mag ik noemen wijlen Joost van
VotiLENHOVBN, It. Mees, Dr. J. A. Lampinc, P. Havkhkoun van Rijsewijk
en Mr. J. van Gennep. Zij ontvingen van zeer onderscheiden kanten bij-
dragen. De Hollandsche gemeenten te Londen en te St. Petersburg zonden
herhaaldelijk niet onbelangrijke giften; Tbylbb\'b Genootschap te Haarlem deed
het zijne; verscheidene kerkvoogdijen en enkele afdeelingen van het Neder-
landsche bijbelgenootschap toonden haar belangstelling, en voorts vele personen
uit allerlei kringen. Voor het beheer dier gelden hadtien de vertalers niet te
zorgen; met de grootste welwillendheid stelde de commissie ze geheel te
hunner beschikking, zonder zich eeuig recht voor te behouden. Dat het
werk tot stand kwam is dus mede te danken aan veler vrijgevigheid en aan
de goede zorg der mannen die zich met inzameling en beheer der bijdragen
belast hebben.
Den 2G^a Jan. 1885 is het werk zelf aangevangen. Zij die zich er
toen voor aangordden waren: Dr. A. Kuenen, hoogleeraar in de godgeleerd-
heid aan de Universiteit te Leiden, Dr. J. Dvpeiunok, predikant bij de Doops-
gezinde gemeente te Rotterdam, Dr. I. Hooykaas, predikant bij de ltemon-
strantsche gemeente te Itotterdam, Dr. W. H. Kosteiis, predikant bij de
Nederlandsche Hervormde gemeente te Deventer, Dr. J. (J. Matthes, hoog-
leeraar in het Hebreeuwsch en de Israëlietische oudheden aan de Universiteit
-ocr page 9-
VOORUKDK VOOR HET EBHSTK DEEL.
V
te Amsterdam, en tle ondergeteekende, hoogleeraar in dezelfde vakken aan de
Universiteit te Leiden. Kienen had enkel de leiding op zich genomen en de
taak om het werk der overigen te herzien.
De weg dien wij bij de bewerking bewandelden was de volgende. Wij
begonnen niet met het O. T. onder ons te verdeelen, maar ieder van ons
kreeg, als eerste vertaler, een boek voor zijne rekening. Doch voordat wij ons
daaraan geheel konden wijden moest eenig voorwerk gedaan worden. Vooreerst
had ieder uit het lieni toevertrouwde boek een proefstuk te maken, dat bij
de anderen rondgezonden en door allen beoordeeld zou worden; opdat wij,
beter dan door algemeene besprekingen kon geschieden, het zooveel mogelijk
eens zouden zijn over vorm en stijl, gehalte en inrichting der inleidingen,
uitvoerigheid der aanteekeningen en zoo meer. Dan moesten eenige punten
waaromtrent geen zekerheid was te verkrijgen, maar waarin wij éene lijn
hadden te trekken, worden vastgesteld; te weten: de namen en waardebepaling
van maten, gewichten, munten: de tijdrekening; de spelling der eigennamen;
liet gebruik van afkortingen. Elk onzer kreeg tot taak omtrent een dezer
punten bepalingen te ontwerpen, waaraan, na goedkeuring, allen zich zouden
hebben te houden.
Voorts was dit de gang van het werk. De „eerste vertaler" schreef
de overzetting van het hem opgedragen boek, met de inleidingen, gelijklui-
dende plaatsen en aanteekeningen, op papier van voorgeschreven formaat,
steeds de helft wit latende, en voegde daarbij een kommentaar tot staving,
zoover noodig, van zijne opvatting. Het aldus bewerkte boek zond hij aan
een der anderen, die daarvoor als „tweede vertaler" optrad. Deze doorschoot
alles met wit papier en schreef daarop zijne aanmerkingen, zoowel op den
inhoud als op den vorm. De „eerste vertaler", het boek aldus terugkrijgende,
bewerkte het opnieuw, het vroeger geleverde, zooveel hem oorbaar scheen,
naar de gemaakte opmerkingen veranderend, zich rechtvaardigend, in geval
hij ze niet volgde; waarna hij het met liet werk van den „tweeden vertaler"
aan Kienen zond, die het, hetzij met, hetzij zonder overleg met de vertalers,
onveranderd of gewijzigd, in handen van den drukker stelde. Van den aldus
tot stand gekomen voorloopigen druk kreeg elk een paar exemplaren; opdat
hij in het vervolg zooveel mogelijk daarmede in overeenstemming zou zijn of
anders op wijziging aandringen. Eenmaal \'sjaars kwamen wij een paar dagen
bijeen, om allerlei punten te bespreken en geregeld het in druk verschenene
te beoordeelen; ten einde zoo in moeilijke gevallen tot eene slotsom te ge-
raken. Hoe noodzakelijk die samensprekingen waren, en hoe zwaar het was op
vele punten tot eenheid te komen, bleek ons weldra. Want de aanmerkingen
op de eerste hoofdstukken van Genesis, die wij, om ons aller kritiek uit te
lokken, ter perse gelegd hadden lang voordat Genesis voltooid was, waren zoo
-ocr page 10-
VOOUItBDB VOOR HET HEKSTE DEKIi.
VI
talrijk en ingrijpend, dat wij ze, verbeterd, opnieuw hebben laten drukken.
Na korten tijd moesten Dtsbbinck en Matthks zich, wegens hunne
vele bezigheden, aan den arbeid onttrekken. De anderen zetten dien voort en
gaven in Oct. 1888 eene „Proeve" uit, waarin zij opnamen Gen. XXII; Exod.
XX :2a—XXI: 30; Deut. XVIII; 1 Kon. XXII: 1—40; Jez. V, VI. Zij kwam
niet in den handel, maar is in zeshonderd exemplaren gedrukt en aan allen
toegezonden die een teeken van belangstelling in het werk hadden gegeven.
10 Dec. 1891 overleed Kuexen. In voorloopigen druk lag twen voor
ons Genesis—Koningen, Jezaja, Klaagliederen, Ezechiël en de Algemeene Inlei-
ding. HoOYKAAS, Kosters en ik besloten, dat, nu de „herziener" ons ont-
vallen was, voortaan de eerste en de tweede vertaler zoolang zouden overleggen
totdat zij het eens waren. Bleven zij het oneens, dan besliste de eerste ver-
taler. Toen Kosters de opvolger van Kiexex geworden was en wij dus
dichter bij elkander woonden, kwamen wij, zooveel mogelijk, elke maand een
dag samen, om het voorloopig afgedrukte te herzien.
28 Aug. 1894 overleed Hooykaas. In voorloopigen druk was na
Kuenexs dood gereed gekomen Kronieken, Jeremia, Daniël—Maleachi. Met de
slotherziening van Genesis waren wij slechts tot in H. XXVII gevorderd.
Om deze met kracht door te zetten, kwamen Kostekb en ik wekelijks
verscheiden uren samen, en zoodra het geheele werk in voorloopigen druk
gereed lag, namen wij, hoewel de herziening nog niet voltooid was, maat-
regelen voor de uitgave; terwijl wij tevens besloten tot de samenstelling van
een register van zaken en eigennamen, de vervaardiging van een paar kaarten,
en de uitgave van een boek waarin alle in den Hebreeuwschen tekst aange-
brachte veranderingen zouden worden opgegeven. In Oct. 1897 verschenen
het Prospectus en de eerste aflevering.
18 Dec. 1897 overleed Kosters. De tweede aflevering was nog door
ons beiden voor de pers gereed gemaakt. Ongedaan was de herziening van
Ezechiël, Hozea—Maleachi, de tweede helft van Psalmen, Spreuken, Prediker
en Hooglied. Van het register — zoo hadden Kosteks en ik afgesproken —
zou hij de eigennamen behandelen, ik de zaken. Dit deel zijner taak werd
overgenomen door mej. C. 8. M. Kiïenex. De voltooiing der herziening, de
bewerking der kopij voor de pers en de vervaardiging van de kaarten moest
ik voor mijne rekening nemen.
Ziehier, door wie de boeken bewerkt zijn. De Algemeene Inleiding is
door mij gesteld en door beide medewerkers beoordeeld. Voorts is Hooykaas
geweest eerste vertaler van Koningen; Jeremia; Ps. LI—LIV en tweede van
Deuleronomium; 1 Kron. I—XXII; Ps. I—VIII; Jezaja; Kosters eerste ver-
taler van Deuleronomium; Jozua; Samuel; Kronieken; Ezra-Nehemja; Ps. XC—
CL; Prediker, en tweede van Genesis—Numeri, Hichteren, Rulh, Ester, Job,
-ocr page 11-
VOORREDE VOOR HET EERSTE DEEL.
VII
Ps. I—LXXXIX; Spreuken; Hooglied; Klaag liederen—Maleachi. Het overige
is van mij.
Na den dood van Hooykaas was het voor Kosters en mij zeer moeilijk,
ook het werk waaraan hij een grooter of kleiner aandeel had gehad, vooral
Koningen en Jeremia, waarvan hij de eerste vertaler was geweest, te herzien.
Eerbied voor den afgestorvene dreef ons het onveranderd te laten, maar het
belang van het werk eischte dat wij het naar ons beste weten zoo goed mo-
gelijk maakten. Dezelfde pijnlijke taak had ik na den dood van Kosters voor
het deel dat nog moest herzien worden, en heb ik nog voortdurend bij het
persklaar maken van de kopij. Want bij een werk als dit, waaraan zoovele
jaren door verschillende personen is gearbeid, en waarin gaandeweg tallooze
veranderingen zijn aangebracht, is het onvermijdelijk dat ook bij eene aller-
laatste herziening, ja nog op de drukproeven, grooter en kleiner feilen ont-
dekt worden. Ten slotte ben ik dus in zekeren zin verantwoordelijk voor het
geheel, al zou ik, indien het mijn eigen werk was, op menig punt het
anders — ik zeg niet: beter — gedaan hebben.
Dit is de geschiedenis van deze vertaling tot dusver.
Nu eenige opmerkingen over het karakter van het werk.
Zooals elke deskundige weet, is de tekst van het O. T. — geheel
anders dan die van het N. T. — in alle uitgaven nagenoeg dezelfde. Het
was dus vrij onverschillig, welke uitgaaf wij gebruikten. Wij namen die van
TiuuLE; maar, omdat er hier en daar toch verschillen zijn, legden wij de nauw-
keurigste, die van 8. Baer, voor zoover zij verschenen was, aan onze overzetting
ten grondslag. Sedert 1885 zagen daarvan gaandeweg meer afleveringen het
licht, die, zoo niet bij de eerste bewerking, dan bij de herziening werden gebruikt.
Het lag voor de hand dat wij, toen wij ons werk op het getouw
zetten en ons rekenschap trachtten te geven van wat wij wilden, naar de
Synodale vertaling van het N. T. zagen als ons model. Nu, in keuze van
formaat der uitgave en andere uitwendige zaken voegden wij ons gereedelijk
naar haar; maar van den aanvang af stond ons een stouter plan voor oogen
dan de bewerkers van het N. T. hadden ontworpen en gevolgd. Hebben zij
— gelijk de voorrede uitdrukkelijk zegt — „leerstellige en polemische rede-
neeringen zorgvuldig geweerd; aan de beoordeeling van historisch-kritische
onderzoekingen, van welken aard ook, zoomin in de inleidingen als in de
aanteekeningen eene plaats ingeruimd; hangende geschilpunten onaangeroerd,
althans onbeslist gelaten" — wij meenden niet zoo schroomvallig te mogen
zijn. Begrijpende dat menig deel van het O. T. en de bundel in zijn geheel
een gesloten boek blijft, zoolang men niet weet wanneer en hoe de geschriften
ontstaan zijn, diep voelende dat daartoe ook vele ingewikkelde vraagstukken
-ocr page 12-
VHI
VOOItRKDB VÜOR HET BBHSTK DKKL.
moesten worden blootgelegd, inziende dat menige term van het ü. T.
dringend verklaring behoefde om voor den denkenden lezer verstaanbaar te
zijn — besloten wij op dat alles zoo veel mogelijk in te gaan. De meeningen
van anderen bestrijden, dat wilden wij niet; in zoover waren wij het eens
met de bewerkers van het N. T., wanneer zij zeiden „polemische" redenee-
ringen geweerd te hebben. Doch wij wenschten wel, zoover het voor eenigermate
ontwikkelde lezers die geen godgeleerden zijn en geen Hebreeuwsch verstaan
mogelijk was, onze opvattingen te staven; en was dit onmogelijk, dan zouden
wij ze toch uitspreken, onbewimpeld, ook waar wij velen zouden ergeren. Wij
wilden in onze inleidingen en aanteekeningen eene beknopte verklaring geven
van het geheele Oude Testament.
De taak die wij daarmede op ons namen was — dit beseften wij —
niet licht; maar zij bleek nog zwaarder te zijn dan wij hadden vermoed. Het
spreekt vanzelf dat wij gebruik maakten van de beste kommentaren die wij
kenden, en te rade gingen met hetgeen geleerde beoefenaars van het O. T.
in ons land en daarbuiten ten beste gaven. Maar dit was bij toeneming veel.
>Sedert 1885 is, vooral in het buitenland, zeer ijverig en met goed gevolg op
dit gebied gewerkt, en over menig boek, met name over Pialmen en Jezaja,
zijn nieuwe en zeer aannemelijke denkbeelden uitgesproken. Hoe verblijdend
dit ook was, het baarde ons veel moeite. Immers, lag een boek in voorloo-
pigen druk gereed en ging dan juist daarover een nieuw licht op, dan rees
de vraag, welk gebruik wij hiervan moesten maken. Zoo zijn over Jezaja, dat
reeds in 1890 en 1891 voltooid was, daarna vele belangrijke studiön ver-
schenen. Uiervan kennis nemende, konden wij niet doen alsof er niets gebeurd
was, en wij mochten toch ook niet het afgedane opnieuw grondig gaan be-
werken; dan kwam er nooit een eind aan den arbeid. Wij sloegen dus een
middenweg in en vergenoegden ons met bij de herziening zooveel mogelijk partij
te trekken van het nieuw uitgekomene. Vooral in Jezaja is bij die gelegenheid
veel gewijzigd. Maar zonder twijfel is bij de eerst bewerkte boeken het een en
ander gezegd dat anders gezegd zou zijn indien zij het laatst bewerkt waren.
Zeer bezwarend was het ons, toen wij, bij de bewerking van Ezra—
Nchemja, tot de overtuiging kwamen dat het verhaal van den terugkeer der
ballingen in Babylonië onder Cyrus niet geloofwaardig is. Immers, al de
andere historische boeken en al de profetische lagen gereed, en honderdmaal
en meer werd in de inleidingen en aanteekeningen daarop over het tijdvak
van de eerste halve eeuw na 580 als over „de Ballingschap" gesproken.
Meenden wij aanvankelijk dat, indien wij de lezers slechts waarschuwden, dit
wel onveranderd kon blijven, bij nader inzien leek dit ons toch bedenkelijk,
en toen de eerste aflevering reeds verschenen was, besloten wij overal waar
wij van „in de Ballingschap" of „na de Ballingschap" gewaagd hadden deze
-ocr page 13-
IX
VOORREDE VOOR HET BBRSTE DEEL.
uitdrukkingen door juistere te vervangen; wat dus bij de bewerking voor de
pers moest — voor een groot deel nog moet — geschieden.
Indien wij ooit den waan hadden gekoesterd een volmaakt werk te
leveren, dan zouden wij daarvan al arbeidende wel genezen zijn. Een volgend
geslacht zal sommige dingen beter inzien dan wij vermochten.
Had van den aanvang af het plan bestaan een geschrift uit te geven
waarin alle afwijkingen van den llebreeuwschen tekst waarop onze vertaling
rust opgenomen zouden worden, dan zouden wij licht de vrijheid genomen hebben,
het aantal kritische aanteekeningen, „volg. verb. t.", „volg. Gr. vert." enz.,
aanmerkelijk in te korten. Immers, een groot aantal dier afwijkingen zijn
klaarblijkelijk schrijffouten. Waarschijnlijk zou dit ook den lezers niet onwel-
kom zijn geweest. De gedragslijn die wij nu gevolgd hebben heeft echter dit
nut, dat zij zoo duidelijk mogelijk zien, in welken toestand zich de tekst van
het O. T. bevindt.
Groote moeite heeft ons de spelling der eigennamen veroorzaakt, zon-
derdat de uitkomst ons zelven voldeed. Dit ligt in den aard der zaak. Het
is onmogelijk, zonder invoering van ettelijke nieuwe letters, nauwkeurig weer
te geven, hoe de Hebreeuwsche namen worden uitgesproken. Men wete, om
dit te beseffen, o. a. dat het Hebreeuwsch zes sisletters heeft; dat onze taal,
om de vier keelletters alef, he, het en ain weer te geven, alleen over de h
kan beschikken, en dat het Hebreeuwsch niet minder dan vier verschillende
teekens bezit om de klanken weer te geven die wij door de e aanduiden. Ook
zouden vele der meest bekende namen, die niet aan den Hebreeuwschen tekst
maar aan de Vulgata ontleend zijn, voor de lezers onherkenbaar zijn geworden,
indien wij ze bij benadering hadden gespeld zooals ze in het Hebreeuwsch
luiden. Wie zou Mozes in „Mosjè", Jeremia in „Jirmeja" herkennen? Maar aan
den anderen kant konden wij ook niet er toe komen om de spelling der
Statenvertaling, die zeer willekeurig en slordig is, te behouden.
Wij hebben daarom onderscheid gemaakt tusschen de bekende en de
minder bekende namen. Deze hebben wij zoo gespeld dat wij bij benadering de
Hebreeuwsche uitspraak weergaven; bij de bekende ons meerendeels dicht bij de
gebruikelijke vormen gehouden. In enkele gevallen zelfs in afwijking van de
Statenvertaling. Schrijft deze, overeenkomstig het Hebreeuwsch, „Heva" en
„Habel", wij kozen „Eva" en „Abel", volgens het gebruik, dat door den
invloed van het N. ï. ontstaan is. Daarentegen konden wij niet van ons
verkrijgen grove fouten, zooals „Issaschar" in plaats van „Issaohar", en „Naomi"
in plaats van „Noómi", te bestendigen, of de verkeerde uitspraak, door de
nieuwere uitgaven der Statenvertaling geijkt, van „Kaïn", „Sinaï", „Izaï" in
plaats van „Kain", „Sinai", „Izai", door het zetten van punten op de i aan
te bevelen. Dan voerden wij, ook in bekende namen, de j in plaats van de i
-ocr page 14-
VOORREDE VOOK I1BT EERSTE DEEL.
X
in bij „Nehemja", „Ahazja", „Zacharja" enz., daar men toch die namen ver-
schillend uitspreekt, en wij het onze wilden doen om de juistere uitspraak te
bevorderen; waar dus in deze vertaling een naam op ia uitgaat, daar heeft
de i den toon; als „Abia", „Adonia", „Sedekia". Dan maakten wij, om de
vele Hebreeuwsche sisletters althans een weinig meer te onderscheiden dan
alleen door de * en de z gedaan wordt, gebruik van de sj — in het He-
breeuwsch éene letter — maar deden het alleen aan het begin der letter-
grepen, en schreven dus „Josjafat", „Bathsjeba", „Bersjeba", „Abisjag". In het
algemeen, wij hielden ons bij bekende namen grootendeels aan de overlevering,
zorgden althans ze niet onherkenbaar te maken, maar trachtten de uitspraak
toch eenigermate te verbeteren. Bij namen van plaatsen waarvan het eerste
deel eene bekende beteekenis heeft, als „ir" (stad), „beth" (huis), „ber" (put),
„en" (bron), „abel" (weide), „har" (berg), zetten wij een — tusschen de deelen;
alleen bij zeer bekende, als „Bethel", „Bersjeba", lieten wij dit teeken weg.
In de spelling van het Nederlandsch voegden wij ons, met geringe
afwijkingen (kanon, kritisch, apokrief in pi. v. canon, critisch, apocrief), naar
de laatste uitgave der „Woordenlijst voor de spelling der Nederlandsche taal
enz." van M. de Vkiks en L. A. te Winkei,, en voorts beijverden wij ons,
zuiver Nederlandsch te schrijven en vreemde woorden te verbannen.
Wat de kaarten betreft, die van Palestina is geteekend naar die van
Fischek und Gitue, maar de teekening der bergen is ontleend aan die van
R. Leuzinger, voor zoover deze reikt. De namen die, als niet in het O. T.
voorkomende, tusschen ( ) zijn gezet zijn, óf oude namen die toevallig in
het O. T. niet genoemd worden, of jonge — meestal Grieksche — namen
die de oudere vervangen hebben, óf namen van eerst later gestichte
plaatsen. Zij komen nagenoeg alle in de aanteekeningen voor. De titel der
kaart „De wereld van het Oude Testament" is niet geheel juist; immers ook
Tarsjis, in Spanje, behoorde daartoe, en wis menige Fenicische kolonie aan
de kusten der Middellandsche Zee; maar het kwam mij ondoelmatig voor,
wegens een paar plaatsen de kaart zooveel grooter te maken als noodig zou
geweest zijn om die er op te doen voorkomen. Over het kaartje van het Oude
Jeruzalem zie men de aanteekening die daarbij gevoegd is.
Van de lange lijst der verbeteringen die op deze voorrede volgt dank ik
een groot gedeelte aan de zorgvuldigheid waarmede een paar belangstellenden
de talrijke cijfers hebben nagegaan en hunne welwillendheid om de feilen die
zij vonden mij mee te deelen. Behalve dat ik die gaarne, ten gerieve der ge-
bruikers van ons werk, opgaf, heb ik ook niet geschroomd, al wat tot ver-
duidelijking en aanvulling dienen kon er bij aan te teekenen.
H. OOItT.
Leiden, 22 Maart 1899.
-ocr page 15-
VERKORTINGEN EN VERKLARINGEN.
De verkorte namen der Bijbelboeken zijn:
van het O. T. (Oude Testament): Gen., Genesis; Exod., Exodus; Lev.,
Leviticus; Num., Numeri; Deut., Deuteronomium; Joz., Jozua; Richt., Rich-
teren; Sam., Samuel; Kon., Koningen; Kron., Kronieken; Neh., Nehemja;
Est., Ester; Ps., Psalmen; Spr., Spreuken; Pred., Prediker; Hoogl., Hoog-
lied; Jez., Jezaja; Jer., Jeremia; Klaagl., Klaagliederen; Ezech., Ezechiël;
Dan., Daniël; Hoz., Hozea; Am., Amos; 01)., Obadja; Nah., Nahum; Hab.,
Habakuk; Sef., Sefanja; Hagg., Eaggai; Zach., Zacharja; Mal., Maleachi.
van het N. T. (Nieuwe Testament): Matth., Mattheüs; Mare, Marcus;
Luc, Lucas; Joh., Johannes; Hand., Handelingen der apostelen; Rom., Romeinen;
Kor., Korinthen; Gal., Galaten; Ef., Efeziërs; Fil., Filippensen; Kol., Kolos-
sensen; Thess., Thessalonicensen; Tim., Timotheüs; Tit., Titus; Hebr. Hebreen;
Jac, Jacobus; Petr., Petrus; Openb., Openbaring van Johannes.
van de apokriefe boeken: Sir., de Spreuken van Jezus, den zoon vanSirach;
Wijsh., de Wijsheid van Salomo; 1, 2 Makk., eerste, tweede boek der Mak-
kabeën; Tob., Tobit; Jud., Judith.
H. beteekent Hoofdstuk, vs. vers, vss. verzen. De hoofdstukken zijn met
Romeinsche cijfers, de verzen met Arabische aangeduid. Staat vóór de opgave
van eene plaats geen naam van het boek, dan wordt het boek bedoeld waarin
de aanhaling voorkomt. Staat achter het cijfer van het vers v., dan is dit
met het volgende vers, vv. met de volgende verzen bedoeld; met a, b wordt
de eerste, de tweede helft van het vers aangeduid; bij gedichten beteekent
a, b, e, d: de eerste enz. regel van het vers.
inl. is: inleiding; inll.: inleidingen. Waar alleen lul. staat wordt de inlei-
ding bedoeld op het gedeelte waarin de verwijzing voorkomt.
aant. beteekent: aanteekening; aantt.: aanteekeningen; met „zie op" en
„verg." (vergelijk) worden verwijzingen naar de aanteekeningen op eene plaats
ingeleid. Die met „zie op" ingeleid worden zijn in den regel belangrijker
dan die waarvóór „verg." staat — „ter pi." of „zie aldaar" beteekent: zie
de aanteekening op de aangehaalde plaats.
-ocr page 16-
VEKKORTINflBN BN VERKLARINGEN.
XII
gelijkl. pil. beteekent: gelijkluidende plaatsen, tusschen den tekst en de
aanteekeningen te vinden.
Een — scheidt èn het eerste van het laatste woord eener aanhaling, in
welk geval het dus „tot" beteekent, èn de eene aanteekening van eene
andere op hetzelfde vers.
Wanneer in eene aanteekening twee woorden door ... gescheiden zijn, dan
beteekent dit dat hetgeen volgt alleen betrekking heeft op de afgedrukte
woorden, niet op hetgeen daartusschen staat.
hs. is de verkorting van: handschrift; hss. van : handschriften.
grondt, beteekent: grondtekst. Dit beduidt zelden, als in den titel van het
werk, den tekst dien wij voor den oorspronkelijkeu houden, maar meestal
dien welken de Hebreeuwsche bijbel in overeenstemming met al de oude ver-
talingen biedt. Geven deze, of éene of sommige daarvan, eene andere lezing,
dan wordt de lezing van den Hebreeuwschen bijbel door „Hebr. t." aange-
duid; in de Arameesche stukken door „Aram. t.". De vertalingen worden
aangeduid door Gr. (Grieksche), Lat. (Latijnsche), Syr. (Syrische), Aram.
(Arameesche) vert. (vertaling); vertt. beteekent: vertalingen. Sam. t. duidt
den Samaritaanschen tekst aan; Sam. en Gr. t. is de Samaritaansche tekst
en de Grieksche vertaling. Volg. (volgens) Gr. vert. geeft te kennen dat eene
tekstverbetering is aangebracht op de getuigenis der Grieksche overzetting,
volg. Lat. vert. dat het geschied is op de getuigenis der Latijnsche, enz.
Staat er alleen: volg. verb. t., d. i. volgens verbeterden tekst, dan wil dit
zeggen dat het geschied is zonder steun van den Samaritaanschen tekst 01
eene der oude vertalingen. Zie over dit alles de Algemeene Inleiding II.
In de eerste zes boeken zal men vaak — in de andere zelden — vinden:
De Jahwist, De Elohist, Het Oude-Sagenboek, een Jahwistische, Elohistische,
Deuteronomistische schrijver, Het Wetboek van Ezra of Ezra\'s Wetboek.
Deze namen duiden werken of de schrijvers van werken aan waaruit de boeken
Genesis tot Jozua zijn samengesteld. Men zie hierover de inleiding op De vijf
boeken der Wet.
Ook in de aanteekeningen bij de andere boeken komen namen voor als
„Davids geschiedenis", „Davids familiegeschiedenis", „De Profetenspiegel";
waarover de inleidingen op die boeken de noodige inlichtingen geven. Met
den Verzamelaar wordt steeds de laatste redacteur van het boek aangeduid.
-ocr page 17-
VERBETERINGEN IN HET EERSTE DEEL AAN TE BRENGEN.
13, r. 11 in pi. v. de Ballingschap, to lezen: den ondergang vim Jeruzalem in 580.
21, r. 17 v. o. in pi, v. of kort uu de Babylonische ballingschap, te lezen: de eerste eeuw daarna.
21, r. 10 v. o. Te schrappen: in de Ballingschap.
21, r. 5 v. o. in pi. v. 533, te lezen: 133.
33. Voeg aan de itil. op Gen. V toe: Deze lijst wordt vervolgd in II. XI.
41,  r. 1 in pi. v. vader, te lezen: vilders.
42,  mint. op vs. 2 r. 10 v. b. in pi. v. vun de Ballingschap of daarna, te lezen: na den vul
van Jeruzalem.
42, aaut. op vs. 2 r. 12 v. b. in pi. v. zuidoosten, te lezen: oosten.
49, r. 3 v. o. Tc schrappen: na de Ballingschap.
51, aaut. op vs. 8 r. 2 iu pi. v. Joz. VII, te lezen: Joz. VIII.
54, aanl. op vs. 5 r. 9 in pi. v. Basjau, te lezen: Itazan.
59, aaut. op vs. 13 r. 4 na Exod. XX: 19 in te voegen: XXIV: 11;
02, aaut. op vs. 2 r. 3 iu pi. v. 24, te lezen: 23.
(19, uuut. op vs. 23 uu 23, te lezen: maar, volg. Slim. en Gr. t. ingevoegd.
70, r. 4 v. o. Schrap: in den lijd na de Babylonische ballingschap.
73,  aaut. op vs. 0 na (ï, te lezen: Och, naar een andereu klinker; evenals vs. 11, 15. En op
vs. 11 en 15 hierheen te verwijzen.
74,  r. 19 iu pi. v. XXVIII: 46—XXIX: 9, te lezen: XXVII: 4(5—XXVIII: 9.
74. Het laatste woord van vs. 2 moet zijn: lenden. Desgelijks iu de aaut.
79, aaut. op vs. 14. Voeg bij aan het slot: — Massa. Verg. op Spr. XXXI: I.
89,  aaut. op vs. 14 na 11:23 in te voegen: Richt. IX \'.:\'..
94, aaut. op vs. 21 r. 3 in pi. v. Basjau, te lezen: Bazan.
90,  aant. op vs. 42 na „siddert" te lezen: Verg. Deut. XXXII: 17.
97, aant. op vs. 2 r. 2 in pi. v. Isbosjeth, te lezen: Isboosjcth.
103, boven. Te lezen: Genesis XXXV : 1—10.
100. Iu aant. op vs. 12 Inatsten regel, in pi. v. vs. 15, te lezen: vs. 15 v.
128, aant. op vs. 23, in pi. v. 1 Krou. I, te lezen: 1 Kron. VII.
134,  aant. op vs. 3, voor I\'s. I.XXVIIl in te voegen: Deut. XXI: 17.
135,  aant. op vs. 17, bij te voegen: Verg. Richt. XVIII.
145, iu aant. op vs. 5 regel 11, in pi. v. 2 Kon. XII: 5, 19, te lezen: 2 Kou. XII: 4, 18.
145, iu aanl. op vs. 5 regel 17, in pi. v. Exod. XXII:30, te lezen: Exod. XXII: 31.
152, aaut. op vs. 3, iu pi. v. Deut. XXXIX, te lezen: XXIX.
157,  aant. op vs. 17. Hij te voegen: Verg. X : 2.
158,  onder aant. op vs. 1 te lezen: 2. Verg. IX: 17.
172. De gelijkluidende plaats te lezen: Vs. 2a, i; I\'s. CXVIII:14; Joz. XII: 2c, d.
177,  aant. op vs. 1. Te schrappen: voor het volk enz.
178,  aaut. op vs. 7 r. 5 na „Kades" in te voegen: (Deut. XXXII: 51; XXXIII :2).
190, aaut. op vs. 0. Na 0 in to voegen: Verg. 2 Sam. XIV: 30; Jez. IX: 17.
190, aant. op vs. 4 r. 4, in pi. v. 025, te lezen: 022. Desgelijks lil. 197, regel 11 van boven.
207. Iu vs. 30 en vaak in de aant. te lezen: uricm en tummicm, in pi. v. uriin cu tummiin.
212. Slot van vs. 45 te lezen: ten God zijn.
220, aaut. op vs. 14, na vs. 20, 23 in te voegen: Deut. IV: 37.
237, aant. op 12, slot, in pi. v. 13, te lezen: 19.
281, het slot der inhoudsopgave van II. XXI: I—15, in pi. v. 18, te lezen: 13.
-ocr page 18-
XIV                    VERBETERINGEN IN IIBT BERSTE DEEL AAN TE BRENGEN.
BI. 294, wint. op vs. 25, r. 4, na „Ruth" in te voegen: 11:20;
„ 300. Onder aiint. op vs. 11 te zetten: 10. eene ton. Zie op Num. XI:82.
„ 328, r. 3. Lees: I\'s. LXXVIII enz.
„ 334, r. 3. Achter 6 moet 7 staan, in pi. v. vóór 8.
„ 343, in aant. op vs. 10—18, r. 1, in pi. v. 11, te lezen: 18.
„ 351, aant. op vs. 1, r. 12, in pi. v. Oen. XVII, te lezen: Gen. XIV.
„ 352, aant. op vs. 12. Aan het slot te pi.: Verg. I\'s. CVI:33.
„ 301, aant. op vs. 7, in pi. v. Dent. XXIII: 5, te lezen: Dcut. XXIII: 4.
„ 300, r. 12 v. ond., bij te voegen: Opcnb. 11:14.
„ 307, aant. op vs. 4, r. 2, in pi. v. Gen. XXXII: 20, te lezen: Gen. XXXII: 25, waar het woord
door .ontwrichten\' vertaald is.
„ 394, annt. op Dcut. 1:1, r. 12, in pi. v. Gen. XIV: 10, te lezen: Gen. XIV: 0.
„ 395, aant. op vs. 8, r. 2, in pi. v. XXII, te lezen: XII.
„ 390, aant. op vs. 19, in pi. v. Nam., te lezen: Num.
„ 401, aant. op vs. 33, r. 1, in pi. v. XI: 29, te lezen: XI: 21.
„ 402, aant. op vs. 8, r. 3 te schrappen: Desgelijks de nnut. op vs. 20, 25; XI:30.
„ 403, te schrappen aant. op vs. 20 en op vs. 25.
„ 400, vs. 32, r. 3. Lees: van het eene einde.
„ 411, vs. 0. Lees: gebied n.
„ 410, aant. op vs. 15, r. 1, vóór XXXII: 11—14 te lezen: Elod.
„ 422, aant. op vs. 2, r. 11 v. o., in pi. v. XXVI: 23 v., te lezen: XXVI: 25.
„ 431, aant. op vs. 1, r. 4, in pi. v. Exod. XXIII: 14, te lezen: Exod. XX1II:15.
„    432, in gelijkluidende pil., in pi. v. Exod. XXII, te lezen: Exod. XXIII.
„    433, in gelijkluidende pil., in pi. v. XIII: 15, te lezen: XIII: 14.
„    434, in het slot der inhoudsopgave, in pi. v. 1 Sam. VII, te lezen: 1 Sam. VIII.
„    440, aant. op vs. 4, r. 4. Lees: water te voorzien.
„    450, aant. op vs. 10, r. 2. Lees: Amasja.
„    455, vs. 17, in pi. v. naastens, te lezen: naasten.
„    401, aant. op vs. 4, r. 4, in pi. v. Hand. XXVIII :20, te lezen: Hand. XXVIH: 20.
„    400, vs. 21, r. 4, in pi. v. noch, te lezen: nog.
„    472, aant. op vs. 2, r. 1, in pi. v. Richt. V:9v., te lozen: Richt. V : 4 v.
„    477, aant. op vs. 9, r. 2, in pi. v. op Num., te lezen: Num.
„    477, aant. op vs. 9, r. 3, in pi. v. 2 Tim. 1:10, te lezen: 2 Tim. 1:6.
„    490, aant. op vs. 24, in pi. v. 89, te lezen: 19.
„    498, aant. op vs. 17, r. 7. Lees: Kirjath-baiil-Juda.
„    500, aant. op vs. 1, in pi. v. vlakte, te lezen: Vlakte.
„    514, aant. op vs. 9, voor 2 Kron. te plaatsen: 2 Sam. XIII: 23.
„    515, aant. op vs. 17, r. 3, in pi. v. Gen. XXXVI: 11, 10, te lezen: Gen. XXXVI: 11, 15.
„    510, aant. op vs. 31, r. 2, in pi. v. 1 Kron. IV: 28, te lezen: 1 Kron. IV: 30.
„    510, aant. op vs. 34, r. 1, na — voor, te lezen: Eene gelijknamige plaats vs. 56.
„    518, aan aant. op vs. 50 toe te voegen: Zanoah komt nog 1 Kron. IV: 18 voor; eene gclijk-
namigc plaats vs. 34.
„    520, aant. op vs. 8, r. 4, in pi. v. XV: 39, te lezen: XV: 34.
„    520, aant. op vs. 1, r. 3, in pi. v. Esra\'s, te lezen: Ezra\'s.
„    524, aant. op vs. 14. Tc lezen: Kirjath-baiil-Juda.
„    527, aant. op vs. 28, r. 2, in pi. v. XXI: 81, te lezen: XXI: 31.
„    531, inhoudsopgave, r. 4, 5. Lees: 34—10; 41 v.; 43—45.
„    532, aant. op vs. 20 moot zijn: 27.
„    533. Boven de nautt. te plaatsen: 30 v. Deze heide verzen ontbreken in de beste hss. en si aan
in de meeste uitgaven op don rand; zij zijn waarschijnlijk door een overschrijver aan 1 Kron.
VI: 78 v. ontleend.
„    534, aant. op vs. 13, in pi. v. op Exod. VI: 25, te lezen: inl. op Num. XXV.
„    538, aant. op vs. 6 v., in pi. v. XV: 31, te lezen: XV: 21.
„    547, aant. op vs. 11, r. 6 van onderen, in pi. v. VII: 1, 29, te lezen: VII: 1; VIII: 29.
„    550, r. 10. In pi. v. verlaat, te lezen: verslaat.
„    557, r. 10, in pi. v. XI: 22, to lezen: XI: 21a.
„    501, aant. op vs. 22 moet zijn: 23.
„    568, op vs. 50. In pi. v. onbekend, te lozen: vior uur ton noordon van Sichoin.
-ocr page 19-
VERHBTBR1NGEN IN IIBT EERSTE DBBIi AAN TB BRENftBN.
XV
BI.   571, aant. op vs. 19 moet zijn: 17.
„    572, naut. op vs. 32 moet zijn i 33.
„ 577, aant. op vs. 12, r. 3, in pi. v. vs. 12, te lezen: vs. 17.
„    581, vs. 31, r. 3, in pi. v. Manoch, te lezen: Manoah.
„    597, vs. 3. In pi. v. de losser, te lezen: den losser.
„    000. l)c woorden „noch — toekwam" behooren nog bij vs. 12. Dus ook liet cijfer der nnnt. te
veranderen.
„    015, aant. op vs. 1. Hij te voegen: Ook op 1 Kron. XXIII: 21.
„    010, aant. op vs. 3, in pi. v. XXIV: 33, te lezen: XXIV: 23.
„    017. Bij te voegen aant. op vs. 10. Verg. op Job XXXVIII : 23.
„    022, aant. op vs. 5, r. 4, in pi. v. XIII: 5, te lezen: XIII: 3.
„    023, aant. op vs. 19, in pi. v. XIII, te lezen: VIII.
„    033, aant. op vs. 49, r. 4, in pi. v. XVIII: 10, te lezen: XVIII: 17.
„    033, aant. op vs. 49, r. 5, in pi. v. XIX: 11—17, 25, 44, te lezen: XIX: 11—17; XXV: 44.
„    037, aant. op vs. 9, in pi. v. 1 Kron. I, te lezen: 1 Kron. II.
„    039, slot der inleiding, in pi. v. XVI: 13, te lezen: XVI: 14.
„    044, gelijkluidende pil., in pi. v. XXI: 12, te lezen: XXI: 11.
„    040, aant. op vs. 5, r. 1, in pi. v. XXI: 10, te lezen: XXI: 11.
„    049. Onder de aant. op 14—10 in te voegen: 14. Jahme\'s goedertierenheid. Verg. 2 Sam. IX: 3.
„    053, aant. op vs. 2, r. 2, in pi. v. bitter gegriefd, te lezen: ontevreden.
„    654, aant. op vs. 9, na XXI: 7, in te voegen: Ps. LII: 2.
„    059, aant. op vs. 15, na 2 Sam. IX: 8 in te voegen: verg. 2 Kon. VIII: 13.
„    005, aant. op vs. 1, r. 1, in pi. v. gevolg, te lezen: vervolg.
„    072, aant. op vs. 27, r. 1, in pi. v. Joz. XX, te lezen: Joz. XIX.
„    679, aant. op vs. 10, r. 1, in pi. v. XIX: 17, te lezen: XIX: 10.
„    091, aant. op vs. 10, r. 2, in pi. v. 1 Kon. IV: 2, te lezen: 1 Kon. IV: 8.
„    094, vs. 18, r. 3, in pi. v. „ruiters", te lezen: wagenstrijders.
„    727, aant. op vs. 39, r. 2, in pi. v. 8—13, te lezen: 8—12.
„    728, aant. op vs. 3. Bij te voegen: Verg. op Exod. XXX: 12; ook 1 Kron. XXVII: 23.
„    734, aant. op vs. 19, in pi. v. vs. 25, te lezen: vs. 20.
„    740, aant. op vs. 45, aan het slot toe te voegen: Verg. vs. 33.
„    747, naut. op vs. 4, in pi. v. 1 Sam., te lezen: 2 Sam.
„    753, aant. op vs. 23, r. 8, in pi. v. XXV: 15, te lezen: XXV: 13.
„    702, aant. op vs. 8. In pi. v. 2 Kron. I, te lezen: 2 Kron. VII.
„    764, aant. op vs. 22, r. 2, in pi. v. XIV: 1, te lezen: XIV: 7.
„    704, vs. 26 en aant. In pi. v. Ksjcon-geber, te lezeu: Esjon-geber.
„    764, aant. op vs. 5. In pi. v. lijn brandoffer, te lezen: de brandoffers.
„    771, aant. op vs. 5. In pi. v. vert., to lezen: vertt.
„    772, aant. op vs. 19, r. 4. In pi. v. 35, te lezen: 36.
„    778, gelijkluidende pi., in pi. v. Vs. 20, te lezen: Vs. 19.
„    781, aant. 29 te veranderen in: 20.
„    784, aant. op vs. 20, in pi. v. XV: 2, te lezen: vs. 2.
„    780, aant. op vs. 10—10, bij te voegen: Ook Mntth. X:41.
„    786, aant. op vs. 12, in pi. v. Richt. IX: 9, te lezen: Kicht. IX: 8.
„    790, aant. op vs. 6, in pi. v. 13, te lezen: 12.
„    802, in vs. 49 en anntt. op vs. 48 en 49, in pi. v. Esjcon-gebcr, te lozen: Esjon-geber.
„    826, aant. op vs. 2, in pi. v. op V: 6, to lezen: V : 6.
„    829, aant. op vs. 32 v. aan regel 2 toe te voegen: Verg. op 1 Kron. II: 23.
„    836, aant. op vs. 6, r. 5, in pi. v. VII: 14, te lezen: VII: 24.
„    838, aant. op vs. 28, r. 4, na „worden" in te vocgon: (verg. echter 2 Kron. VIII: 3).
„    847, aant. op vs. 34«, laatste r., in pi. v. XVIII: 30, te lezen: XVIII: 81.
„    850, r. 21, in pi. v. XIX, te lozen: XXIX;
„    871, aant. op vs. 4, r. 8, na „poort" in te voegen: Verg. Neh. 111:15.
„    874, r. 22, in pi. v. XI, XII, te lezen: X—XII.
„    877, in vs. 31, in pi. v. Jetur, te lezen: Itur.
„    877, aant. op vs. 12, in pi. v. X:13, te lezen: X: 14.
„    878, aant. op vs. 40, in pi. v. Sji/o, te lezen: Sjefo.
„    879, aant. op vs. 9, laatste r„ in pi. v. Num. XIII:7, te lezen: Num. XIII:0.
-ocr page 20-
XVI                    VERBETERINGEN IN IIBT EERSTE DEEL AAN TE BRENGEN.
BI. 880, aant. op vs. 84—41, r. 8 van onderen, in pi. v. 2 Sam. V:15, te lezen: 2 Sam. V:14.
„    885, aant. op vs. 18. In pi. v. Xanoah — 17 v., te lezen: Xanoah komt nog Joz. XV ! 34 voor.
„    887, nant. op vs. 48, laatste r. Na XV; te lezen : XXX;
„    887, aant. op vs. 3, in pi. v. Kxod. VI: 1, te lezen: Exod. VI: 13.
„    801, aant. op vs. 22 v., in pi. v. vs. 37, te lezen: vs. 37 v.
„    893, aant. op vs. 54—81, r. 2, in pi. v. 54, to lozen: 55.
„    89(5, nant. op vs. 12, r. 2, 3, te lezen: Zij zijn hier (...) en VIII: 5 achterkleinzonen.
„    899, mint. 2(i moet zijn: 29.
„    900, nant. op vs. 39, in pi. v. Nnftalictiseh, te lezen: Mnuassietisch.
„    902, aant. op vs. 18, r. 7, iu pi. V. 20, te lezen: 21.
„    912, inl. op H. XIII, r. 11, in pi. v. 1, te lezen: 10.
,.    Ö12, aant. op vs. 0, r. 1, in pi. v. 1 Sam. V, te lezen: 2 Sam. VI.
„    913, nant. op vs. 3, r. 2, in pi. v. V : 23, te lezen: V : 13.
„    915, aant. op vs. 11, in pi. v. 15—23, te lezen: 24—89.
„    910, aant. op vs. 15, in pi. v. 4 v., te lezen: 4—0.
„    917, aant. op vs. 20, in pi. v. 14, te lezen: 13.
„    920, aant. op vs. 5, r. 1, in pi. v. 7, te lezen: 0.
„    025, aant. op vs. 4, r. 3, in pi. v. werd, te lezen: teerden.
„    920, aant. op vs. 1, r. 10, nrhtcr I\'s. (\'IX:C in te voegen: zie ook op 2 Sam. XIX: 22.
„    930, aant. op vs. 13, r. 4, in pi. v. VII: 4, te lezen: VII: 11.
„    930, aant. op vs. 14, r. 6, in pi. v. 15, te lezen: 15 v.
„    931, nant. op vs. 7, r. 2, in pi. v. VI: 2, 5; Kxod. VI: 17, te lezen: VI: 17; Kxod. VI: 10.
„    931, nant. op vs. 9, r. 2, in pi. v. kleinzoon, te lezen: zoon.
„    931, nant. op vs. 10, r. 1, in pi. v. 42, te lezen: 43.
„    930, aant. op vs. 2, r. 1, iu pi. v. XXIV: 7, te lezen: XXIV: 27.
„    954, aant. op vs. 8, r. 1, in pi. v. VII, te lezen: VIII.
„    905, nant. op vs. 14, r. 5, in pi. v. XXXIV, te lezen: XXIV.
„    908, aant. op vs. 2, r. 3, in pi. v. XIV, te lezen: XV.
„    973, regel 1. In pi. v. 1 Kronieken, te lezen: 2 Kronieken.
„    981, nnnt. op vs. 2, r. 4 en 5. Te schrappen: Asarja — voor.
„    983, slot vs. 8 te lezen: deden, en doodde hen.
„    981, aant. op vs. 1—3, r. 4, in pi. v. op vs. 9, te lezen: vs. 9.
„    980, in vs. 15, in pi. v. rijtuigen, te lezen: paarden (overeenkomstig 2 Kon. XI: 10).
„    990, nant. op vs. 11, in pi. v. 16, te lezcu: la.
„    992, in vs. 9, in pi. v. „den inspringendeu muur", te lezen: de llocht. Desgelijks in de aant.
„    991, aant. op vs. 3, in pi. v. op het zuidoostelijk, te lezen: op het oostelijk en zuidoostelijk.
„    998, bij te voegen aant. op vs. 1. Vijf— hmimj. In strijd met XXVIII : 1.
„  1011, nant. op vs. 25, in pi. v. XXI:25v., te lezen: XXI: 34—20.
,.  1018, aant. op vs. 25, r. 5. Hij te voegen: Verg. op Jer. XXII: 10.
-ocr page 21-
oknksis XXXIII : 18—XXXIV : 14.                           101
XXXIII: 18 Jakob kwam, bij zijn terugkeer uit 1\'addan-Aram, behouden in
de stad van Sichem, die in liet land Kanaiin ligt, en sloeg zijn kamp
lü op in het gezicht van de stad. \' Hij kocht hnt stuk land waarop hij
zijne tent opgeslagen had van de zonen van Hanior, den vader van
20 Sichem, voor honderd goudstukken, \' richtte daar een altaar op en riep
den god van Israël aan.
XXXIV: 1 Eens ging Dina, de dochter van Lea, die zij aan Jakob gebaard
2       had, uit, om met de meisjes des lands kennis te maken,\' en Sichem,
de zoon van Hamor, den Hiwwiet, den vorst des lands, zag haar; hij
3       nam haar, ging bij haar liggen en onteerde haar. \' En hij voelde zich
innig verknocht aan Dina, Jakobs dochter, had hot meisje lief en sprak
4       naar haar hart. \' Derhalve zeide Sichem tot zijn vader Hamor: Neem
5       mij deze jongedochter tot vrouw. \' Jakob nu had wel gehoord dat de
zoon van Hamor zijne dochter Dina verontreinigd had ; doch, daar zijne
zonen bij zijn vee in het veld waren, hield hij zich stil, totdat zij te
ti huis kwamen. \' En Haiuor, de vader van Sichem, ging de stad uit,
7       om met Jakob te spreken.\' Zoodra de zonen van Jakob uit het veld
kwamen en het hoorden, werden die mannen zeer bedroefd en ontstaken
zij in heftigen toorn, omdat hij eene dwaasheid bedreven had in Israël,
door met de dochter van Jakob gemeenschap te houden: zoo iets doet
8       men immers niet!\' Hamor nu sprak tot hen: Mijn zoon Sichem voelt
zich innig verbonden aan uwe dochter. Geeft haar toch aan hem tot
\'J vrouw,\' en verzwagert u met ons: geeft ons uwe dochters en neemt
10       zelven de onze.\' Blijft dan onder ons wonen; het land ligt voor n
open; gij kunt daarin wonen, rondtrekken en vaste bezittingen ver-
11       werven.\' Ook zeide Sichem tot haar vader en hare broeders: Laat mij
toch gunst vinden in uw oog; zoo zal ik u geven al wat gij van
V2 mij eischt, vraagt gerust van mij een zwaren koopprijs, een groot
geschenk; ik zal u betalen wat gij van mij eischt. Geeft mij slechts
13       het meisje tot vrouw!\' Toen antwoordden Jakobs zonen Sichem en zijn
vader Hamor, en zij spraken bedriegelijk, omdat hij hunne zuster Dina
14       verontreinigd had:\' Wij kunnen dit niet doen; wij mogen onze zuster
niet aan een onbesnedene geven; want dit zou eene schande voor ons
18.    Zie np XXV : 20. — Sichem. Een stadsnanm; zie op XII : 6. Hier wordt Sichem nis persoon
voorgostcld, en wel als Hiwwiet ot\' Kanaüniet. Ntmi. XXVI : 31 heet liij zoon van Manasse.
19.    Humor, de verpersoonlijking der llninorieten, die volg. Richt. IX : 28 do bevolking vnn Sichem
uitmaakten. — goudstukken, van onbekende waarde, alleen nog voorkomende Ju/.. XXIV :32; Job Xl.ll:
II. Deze aankoop wordt vermeld Joz. XXIV : SS en Hand. VII : 16, up welke laulste plaats bij ver-
gissing Abraham in plaats van Jakub genoemd wordt. Verg. op XI.VIII : 2t.
20.   een altaar. In hel oorspronkelijke verhaal heeft misschien een wij-Heen gestaan, dien de Ver-
znmclaar In een altaar veranderde. — riep — aan, volg. Gr. vort.; Ilebr. t. noemde het: God, den god
van Israël
t. lliwiciet. Zie op X : 17.
5. de zoon tan Hamor, volg. Or. vort. ; Ilebr. I. hij. — verontreinigd. Dit woord komt van gcslachls.
zonden voor alleen waar sprake is van overspel ol\' bl\'iadschnnde (Nuni. V : 12—31; Ezech. XVIII: 6,
11, 15; XXII : 11; XXXIII : 26), en is dus eigenlijk op de handelwijze van Stellen niet toepasselijk,
maar wordt hier en vs. 13, 27 gebruikt om de verbintenis met een Kanuiiniet te brandmerken;
immers do latere Joden vreesden niots zoozeer als verontreiniging.
7.   eene dxcaasheid bedreven had in lirail. Deze uitdrukking wordt gebruikt vnn geslnchls/.onden
Dcut. XXII : 21 ; Richt. XX : (>, 10; 2 Sam. XIII : 12, van eene andere overtreding Joz. VII : 15. vnn
beide Jer. XMX : 23. — hrai\'l, hier bij vergissing als volksnaam gebezigd.
8.   me* dochter. Dina heet, hier en vs. 17, de dochter vnn Jakuks zonen, dnar hare broeders mede over
haar beschikten; verg. Hoogl. VUI : 8—10. Als de schrijver Hamor dezen foorslag in den mond legt,
bedenkt hij niet dat de zonen van Jakob volg. 11. XXIX, XXX m>g slechts knapen waren.
9.    Verg. üeut. VII : 3 enz.
12.    koopprijs. De vrouw werd door den man gekocht vnn linar vader, of na diens dood vnn haar
broeder ol\' naasten verwant; zio XXIX : 18—30 (verg. op XXXI : 15); Kxnd. XXII : 16; Joz. XV :
16 v.j 1 Sam. XVIII : 23—28; Hos. III : 2. Do prijs hing natuurlijk van allerlei omstandigheden af:
in een goval wordt hij vastgesteld ; sie Deut. XXII : 29.
13.    De woorden en s(j spraken en bedriegelijk zijn omgezet.
-ocr page 22-
cknrsis XXXIV : 14—31.
102
15 wezen. \' Slechts op éene voorwaarde kunnen wij u te wille zijn: als
gij hierin aan ons gelijk wordt dat al wat manlijk is wordt besneden. \'
lb\' Dan /.uilen wij u onze dochters geven en zalven do uwe ten huwelijk
17       nemen, onder u ons vestigen en tot éen volk worden. \' Maar indien
gij niet naar ons luistert en u niet laat besnijden, dan nemen wij onze
dochter mede en trekken heen.
18           Daar hunne woorden de goedkeuring van Hamor en zijn zoon Sichem
li) wegdroegen,\' talmde de jongeling niet dienvolgens te handelen; want
hij had welgevallen in .lakobs dochter, en hij had meer invloed in
20       zijns vaders huis dan iemand anders.\' Derhalve gingen Hamor en zijn
zoon iSichem naar de poort hunner stad en zeiden tot hunne mede-
21       burgers:\' Deze mannen leven met ons in goede verstandhouding. Laat
hen zich in het land vestigen en daarin rondtrekken; er is immers
ruimte genoeg voor hen. Wij nemen dan hunne dochters tot vrouwen
22       en geven hun de onze. \' Maar slechts op deze voorwaarde willen die
mannen onder ons blijven, om éen volk te worden : dat al wat manlijk
23       onder ons is besneden wordt, zooals zij besneden zijn. \' Hun vee, hunne
have, al hunne dieren, zullen zij de onze niet worden ? Laat ons hun
24       slechts te wille zijn; opdat zij onder ons blijven.\' Hamor en zijn zoon
Sichem vonden bij al hunne medeburgers gehoor, en al wat manlijk
25       was liet zich besnijden, al hunne medeburgers. \' Maar op den derden
dag, toen zij pijn leden, namen twee zonen van Jakob, Simeon en
Levi, broeders van Dina, hun zwaard, overvielen de niets kwaads dueh-
2(i tende stad en doodden al wat manlijk was. \' Ook Hamor en zijn zoon
Sichem doodden zij met het scherp des zwaards; waarna zij Dina uit
27       het huis van Sichem medenamen en heengingen. \' De zonen van Jakob
kwamen op de verslagenen af eu plunderden de stad uit, omdat men
28       hunne zuster verontreinigd had. \' Het kleinvee en de runderen der
inwoners, hunne ezels, en al wat in de stad of op het veld was namen
2!) zij mede. \' Al hun rijkdom, al hunne kinderen en hunne vrouwen
voerden zij weg, en zij maakten al wat in de stad en al wat in de
huizen was buit.
30           Toen zeide Jakob tot Simeon en Levi: Gij beneemt mij mijne rust,
door mij in kwaden reuk te brengen bij de bevolking des lands, de
Kanaiinieten en de 1\'erizzieten, terwijl ik zoo gering in aantal ben; als
zij zich tegen mij vereenigen en op mij aanvallen, dan word ik met
31       mijn geslacht verdelgd.\' Maar zij zeiden : Zou men dan onze zuster
als eene hoer behandelen \'
17. onze dochter. Zie op vs. 8.
20.    de poort. Verg. 0|> XXII : 17.
21.    al hunne medeburger*, heide keeref) letterlijk allen die de poort hunner tfad uitgingen.
25. torn zij pijn leden. Verg. •\'"/,. V : 8. — broeder» van Dina. Allo drie waren kinderen ven l.cn,
XXIX : 33, 31; X\\X : 21. De voorstelling dat twee mannen eene gehcele stnil Uitmoorden is de vrucht
der urn werk int;; in De Juhwist brengen zij alleen llumur en Sieliem om; verg. lol.
21\'. at vat in de Had, ingevoegd volg. tir. vert.
HOOFDSTUK XXXV.
Jakob» terugreis nanr Izniik. — (iod gelest Jakob, nanr Bethel te gaan en er een altaar te bou-
wen (1); hij verwijdert de afgodische voorwerpen uit zijn kamp (2—II, en breekt op zonderdat de
bevolking des lands hein durft vervolgen (S); Jakob te Heliiel (6 v.); waar Itebckka\'s voedster, Dobora,
sterft (8). Goil verschijnt er nnn Jakob (\'.1—13). die de plaats vernoemt (14 V.). Nadat zij van Hethel
vertrokken zijn, baart Knehel Benjamin en sterft. (16—20). liuhcns misstap (21, 22«). Jnkobs twaalf
zonen (126—20). Izaiiks doods en begrafenis (27—20).
De inhoud van dit hoofdstuk is voor een deel, vs. 1—1, b—8. lü—22a, nan hel Oudc-Sagenboek,
-ocr page 23-
0INB8I8 XXXV : 1 — 10.                                       103
en wel aan De Elohiat, ontleend, voor oen «leel, vs. 0—15, 226--20, aan Ezra\'s Wetboek. De Vcr-
xamelaaf laacbte vs. 5 in, om tien inhoud van vs. 1—I. 6—8 eenlgermate in overeenstemming te
brengen met II. XXXIV, en liet daarentegen ilat gedeelte van hel Elohistische verhaal weg waarin
God aan Jakob te Bethel verschijnt, om de jongere voorstelling vnn die openbaring, in vs. \'.t-15, t,.
behouden; waarin hij evenwel, naar liet schijnt, enkele trekken van het oude verhaal opnam; zie i>|i
vs. II. Over de hetcekenis iler legenden van Benjamins geboorte en llubcns vergrijp verg. "Ie aantt.
op vs. 18 en 22.
XXXV: 1 God sprak tot Jakob: Maak u op en trek naar Bethel, vestig u
aldaar en bouw er een altaar voor den god die u verschenen is toen
2       gij vloodt voor uwen broeder Ezau.\' Toen zeide Jakob tot zijn gezin
en allen die bij hem waren: Doet de vreemde goden weg die gij bij u
3       hebt, reinigt u en trekt andere kleederen aan, \' en laten wij ous dan
opmaken en naar Uethel gaan; opdat ik daar een altaar bouwe voor
den god die mij verhoord heeft toen ik in benauwdheid verkeerde, en
4       die met mij geweest is op den weg dien ik heb afgelegd.\' Zij gaven
dan aan Jakob alle vreemde goden die zij hadden, en de ringen die
zij in de ooren droegen, en Jakob begroef die onder de terebint bij
5       Sichem. \' Kn toen zij opbraken, kwam een schrik Gods over de om-
I) liggende steden: zoodat zij de zonen Jakobs niet vervolgden. \' Toen
Jakob te Luz, hetwelk in het land Kaneen ligt — dit is Bethel —
7       met allen die bij hem waren aankwam, \' bouwde hij daar een altaar
en noemde de plaats Bethel, omdat God zich daar aan hem geopen-
8       baard had toen hij voor zijn broeder vluchtte. \' En Debora, de voedster
van Rebekka, stierf en werd begraven, beneden liethei, onder den eik;
waarnaar hij dien den eik de3 geweens noemde.
9            Wederom verscheen God aan Jakob toen hij uit Paddan-Aram kwam,
10 en hij zegende hem.\' En God sprak tot hem: Gij heet Jakob ? Voortaan
1—I. Ileze verzen volgden oorspronkelijk op XXXIII : 20.
1.   vestig u. Uit geschiedt niet in het verhaal zoonis wij hel bezitten. Mier trekt Jakob, nailal hij
Ciod vereerd heelt en deze hein vorsehenen is, verder. Hel verhaal in De l\'loliist hield ongetwijfeld
in dat hij te Uethel do gelofte vervulde, daar volgens XX VIII : 20 v. afgelegd.
2.   allen — waren, zijne slaven en andoro volgers. In zekeren zin behoorden deze allen lot zijn
gezin; maar de schrijver wil duidelijk doen uitkomen, dat de afgodische voorwerpen niet alleen door
do Israëlieten, maar ook door do Kauanuleten en andero vreemden, moesten weggedaan worden. —
vreemde goden, do huisgoden die Kachel had medegenomen (XXXI : lil) en andere beelden, amuletten
en toovcriniddolon. — reinigt — aan. Zoo placht te geschieden, wanneer men zich voor een god ver-
toonde, F.xod. XIX : 10—15 en elders.
I. de ringen — droegen. Deze dienden meestal voor amuletten; zoodat in het Kyrisch hel gewone
woord voor oorring eigenlijk ,iets heiligs* bcteekent. — de terebint bij Sichem. Verg. op XII : li. tir.
vert. voegt er bij hij deed ie teeg lot dezen dag toe, d. i. van toen af werden daar geen afgodische
voorwerpen moer aangetroffen; doch dit was zelfs toen die vertaling gemaakt werd niet waar, vcelmin
ten tijde van den schrijver.
5. Uit vers slaat terug op XXXIV : 30; zie Inl. — een schrik Gods, een geweldige schrik waarvan
de oorzaak onbekend is; evenals .,panische schrik\'\', een die door den god 1\'au bewerkt is. Verg.
1 Sam. XIV : 15.
fi. dit is Bethel, zeker ocne latere inlnssching ; want deze naam wordt eerst vs. 7 door Jakob aan
de plaats gegeven.
7.   Bethel, volg. allo oude vorlt.; Ilobr. t. de God van Bethel. Üver deze naamsverandering zie op
XXVIII : 19. — God — had, volg. Sam. en Gr. t. ; Hebr. t. de goden zich daar aan hem gcupcif
baard hadden;
verg. op XX : 13.
8.   de voedster. Zie op XXIV : 5\'.l. — beneden Bethel. Bethel lag hoog, dus het geschiedde bij het
afdalen van daar. — elk des geirecns. Hij Bethel stond ongetwijfeld in den tijd des schrijvers een eik
die zoo heette. Wellicht is het dezelfde als de terebint bij Bethel van I Kou. XUI : II, of de eik
van Tabor {Jteborah.
tussohen Uethel en Itnma (zie op I Sam. X : 31. In welke betrekking deze eik
stond lot den Jieborapalm, ook tusschen Bethel en Kan ia, Itichl. IV : 5. en of die booinen zoo heetten
naar de profetes in den richtcrentijd, is onzeker. Waarschijnlijk is de figuur van Hehekka\'s voedster
onlslnun uit de zucht, den Deboraboom bij Bethel met de aartsvaders in verband te brengen.
\'.i. Wederom, hier door den Verzamelaar ingevoegd, om het verhaal in overeenstemming te brengen
met XXVIIl:10—22.
10. Israi\'l zult gij heeten. Verg. I Kon. XVIII: 31 en 2 Kon. XVII : 31. De verklaring vnn dan naam
Israël bij een ouderen schrijver XXXII: 28. — üp een oud verhaal van eene verschijning Oods tB
Bethel wordt waarschijnlijk Uoz. XII: 5 gezinspeeld.
-ocr page 24-
104                                     gknksip XXXV : 10—20.
zult gij niet meer .lakob heeten; maar Israël zult gij heoten. Daarom
11 heet hij Israël.\' Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Machtige;
wees vruchtbaar en vermenigvuldig u; eene menigte volkeren zal uit
I\',\' u ontstaan, en koningen zullen uit uwe lenden voorkomen. \' Ook zal
ik het land <iat ik aan Abraham en Izaiik gegeven heb aan u geven,
B5 eu aan uw kroost na u zal ik het geven. \' Toen voer God van hem
14       op,\' en .lakob richtte een wij-steen op, ter plaatse waar hij met hem
hail gesproken, een steenen teeken, plengde daarop een plengolfer en
15       jroot er olie over uit. \' En Jakob noemde de plaats waar God met hem
gesproken had Bethel.
16           Toen zij van Bethel opgebroken en nog slechts een eind weegs van
Efrath verwijderd waren, baarde Kachel. Zij had eene moeilijke ver-
17       lossing;\' en toen zij het daarbij zeer zwaar had, zeide de vroedvrouw
IS tot haar: Vrees niet; want ook nu hebt gij een zoon. \' Daarom noemde
zij hem, toen zij den adem uitblies —want zij stierf—Ben-oni; maar
li) zijn vader heette hem Ben-jamin.\' Zoo stierf\' Kachel; zij werd begra-
20       ven op den weg naar Efrath, dat is Bethlehem. \' En Jakob richtte
een wij-steen op haar graf op; dit is nog heden ton dage de steen
van Kachels graf.
21            Israël brak op en sloeg zijne tent op aan do andere zijde van den
22       Kudde-toren.\' Toen Israël in dit land verblijf hield, ging Kuben ge-
meensehap houden met Bilha, de bij vrouw van zijn vader; Israël hoorde
dit en was er zeer verontwaardigd over.
\'M         De zonen van Jakob waren twaalf. Die van Leu: Jakobs eerstgeborene,
24       Kuben; dan Simeon, Levi, Juda, Issachar en Zebulon ;\' die van Kachel:
2;")       Jozef en Benjamin;\' die van Rachels slavin Bilha: Dan en Naftali; \'
20      en die van Lea\'s slavin Zilpa: Gad eu Azer. Dit zijn Jakobs zonen,
11. Verg. XVII:6. — Oml de Machtig*. Verg. op XVII : I. — een menigte toOurtn. In llebr. t
fr:iat hieraan nog vooraf wu natie en.
13, In grondt, zijn liior ilo woorden ter plootte o-aar hij met hem had ijnproktn uil vs. II bij ver-
gissing herhaald.
II. plengofer, vnn wijn. De met wijn en olie ovcrslorle wij-steen is zeker ontleend aan een oud
geschrift; want <lo schrijver vnn Kzra\'s Wetboek en de Verzanielnnr laten de aartavadera God niet op
de/e wijze eeren.
15. Dil is liet derde bericht over den oorsprong van den nanin Bethel; verg. vs. 7 en XXVIII : 19.
18. B/rath. /.ie op vs. 19.
18.   liet woonl zoon t&rii) door de vroedvrouw gebruikt pil\' aanlolding, het kind een nnnm te geven
waarvan de eerste lettergreep ben was. De naam Iten-oni beteckent .zoon van mijn rouw\', Ilen-jamin.
letterlijk ,soon der rechterhand\', wat hier, blijkens de tegenslelling met Ben-oni, opgevat wordt als
,xoon «les palukV. Verg. op XI.VIII : II. De ware bcteekenis van den naam is eene geheel andere:
intuin. ,do rechterhand*, duidt ook het zuiden aan, en hierin ligt de oorsprong van den na.un. Kenigc
lamllion vnn hel huis Jozef, d. i. van de stammen Kfrnim en Munasse, heetten naar hare woonplaats
ten zuiden der andere: de zuidelijken, in hot Hebrcouwsch : de zonen vnn het zuiden (bene-famin). Uit
liezen naam is die van den stamvader gemankt.
19.   itat m Hethtehem. Deze woorden zijn door den Verzamelaar ingevoegd. Daar namelijk Kt\'ralh
ook de naam was vnn de streek waarin Bcthlchcin Ing (Kuth 1:2; IV: II; I Sain. XVII : 12; op
Micha V : 1; verg. I kron. II : 19, 50; IV : 1 en inl. op I Kron. II), verplaatste hij, bij vergissing,
hier en XI.VIII : 7, Rachels graf derwaarts. Dientengevolge wijst men dit heden een hall\'uur ten
noorden van Itethlehem nan. Doch inderdaad lag oudtijds een gedenkteeken van dien naam, zooals
I Sain. X : 2 leert, luaaehen Itamn en Gibea; verg. op jcr. XXXI: 15, — Met den naam B/ralh, die
.vruchtbaar oord\' beteekenen kan, hangt die van den stam Kl\'raim wanrsehijnlijk samen.
21.   tien Kudde-toren, wellicht een toren tol bescherming cener weideplaata. De naam komt alleen
hier en Micha IV :S voor. Welke plaats er mede bedoeld wordt, is onbekend,
22.  Oeroecnacbap bondan met zijns vaders vrouw wordt in de oude verhalen afgekeurd als daad van
aanmatiging ; wie het deed nam daarmede de plaats zijns vaders in ; zie 2 S.im. XVI: 21 V.j 1 Kon. il ;
13-25; verg. 2 Snm. III : 7. In ile wel wordt hot veroordeeld nis bloedschnndc; zie op l.ev. XVIII : S.
De legende dat liuhen zich hieraan schuldig maakte moesi verklaren, waarom hij, «lic Israüls cerstgo
borene heette (verg. inl. op XXIX : I—XXX : 2I>, in den loop des tijds zoo diep gezonken en zijn ge-
bied reeds in do achtste eeuw in de macht der Assvriers gevallen wns. Verg. XI.IX : 3 v. en inl. op
Num. XVI. — bijeroute, vrouw van lageren rang. Zoo heette Uilhu omdat zij slavin wns. — «•» —
neer, ingevoegd Volg. (ir. vert.
-ocr page 25-
«knksis XXXV : 2<>—XXXVI : 2.                           105
27      die hem in Paddan-Aram geboren zijn.\' En Jakob kwam bij lijn vader
Izaak, te Miimre, Kirjatharba, dat is Hebron, waar Abraham en Izaük
28       vertoefd hadden.\' Toen Izaiik den leeftijd van honderd tachtig jaar
29      bereikt had,\' gaf hij den geest en stierf, eu hij werd tot zijn volk ver-
zanield, oud en der dagen zat; en zijne zonen Ezau en Jakob begroe-
ven hem.
in. Deze schrijver, die van K/ra\'s Wetboek, laat alle /.oncn van Jakob in Paddan-Aram geboren lijn;
anders dan die van vs. 17 v.
27.    Mimrr — f/fbron. /.Ie op XIII : IS; vol;.\'. XXV : II woont hij l>ij l.ahai-n.ï.
28.    honderd tachtig jaar. Volg. XXV : 2ti was derhalve Jakob, evenals zijn tweelinghroedcr Eznu,
loon honderd twintig jaar oud. Tusschen Kznu\'s huwelijk, op veertigjarigen leeftijd gesloten (XXVI:
311. en l/.aiiks dood zijn dus tachtig jaren verloopun. Maar .lakohs verblijf hij I.almn hoeft volgens
XXXI : 38 alechta twintig jaar geduurd. Plaatst inen die, overeenkomstig XXVI : 34; XXVII : 10;
XXVIII : 1—22, in het begin van dat lijdvak van laehtig jaren, dan waren Jakoba tonen reeds hoog
bedaagd toen Izaiik stierf; maar hoe kan dan Jozef sleehts zeventien jaar oud zijn geweest toen hij
naar Egypte gevoerd werd (XXXVII : t)t Plaatst men ze daarentegen in het einde van dat tijdvak,
dan was Jakob bijna honderd jaar oud toen hij eene vrouw ging zoeken, liet is duidelijk dal die
opgaven, vao verschillende schrijver* afkomstig, niet bij elkander passen. Verg. verderop XI.IV:20
en inl. op XII—I..
21*. ferd — vcrztuneld. /ie op XV ; 15.
HOOFDSTUK XXXVI : I—XXXVII : I.
Bdom. — He drie vrouwen van K/nu en hare zonen die in Kanaiin geboren worden (XXX VI ; 1— .r>);
K/au verlaat Kanaiin (6 v.) en vestigt zich in Seïr (8). /.ijne zonen die aldaar geboren werden (9—11).
De stamhoofden van Kzau dj—19). De z inen van Seïr. den lioriet (20—30). De koningen van Klom,
niet du plaatsen hunner afkomst (31—39). De stamhoofden van Kzau (10—13). Jakob blijft in Kanaiin
(XXXVII : 1).
Niets natuurlijker dan dat de Israëlieten belang stelden in de Kdoiuieten. met wie voo.ral deJudeërs
in zeer nauwe belrekking stonden; zelfs was een deel der bevolking huns lands van Bdomtetlsche af-
komst. In het Oude-Sngenboek stond dan ook cene opgave der Kdoiuietische stammen, in den gewonen
vorm van een geslaidilsboom, met korte nanteekeningen en eene lijst der Kdoiuietische koningen. Of
do samensteller de stol\' dnartoo aan Do Jahwist, dan wel aan Do Klohist ontleend had, is niet uit
te maken.
Ook de schrijver van Kzra\'s Wetboek stelde belang in de Kdomielcn, die in zijn tijd het zuidelijk
gedeelte van het voormalig rijk Juda in bezit hadden, en vervanrdigdc een geslaehtrogister van hunne
stammen. Tevens liet hij, volgens zijne gewone voorstelling van de onderlinge verhouding tier aarts-
vaders, Jakob en Kzau als goode vrienden scheiden: Kzau ruimt vrijwillig het land, zooals vroeger
I.ot on Ismaël; opdat Jakob als oenigc erfgenaam van Oods belofte in Kanaiin zou verblijven.
Toon de Wet werd samengesteld, handelde de Verzamelaar mot deze verschillende lijsten evenals
mot die van Noaclis afstammelingen, II. X : hij nam zooveel mogelijk alles op, verviel daarbij nu en
dan in herhalingen en hiold zich oede van tegenspraak met zich zalven niet vrij. Maar hij liet toch
hot een en ander weg, dat hein minder geschikt ter plaatsing toesehoon. Vandaar dat dit hoofdstuk
volstrekt geen goed sluitend geheel is geworden.
Minder goed dan elders gelukt het ons hier. do stof, door den Verzamelaar opgenomen, onder do
door hem geraadpleegde geschriften te vordeelen. Uit alleen staat vast, dat XXXVI : I. li—8, 10—13;
XXXVII : I aan Kzra\'s Wetboek ontleend en XXXVI ; 2—5 noch hieruit njch uit hot Oudc-Sagonuock
overgenomen is.
Aan deze lijsten zijn do namen in I Kron. I : 35—51 ontleend.
XXXVI: 1, 2 Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Kdoin. \' Ezau heeft
zijne vrouwen genomen uit de Kanaiinietische meisjes: Ada, de dochter
van Elon, den Hittiet, Oholibama, de dochter van Ana, denzoouvan
1.    DU — ra\'». Verg op II : in.
2.    de Kanminietitche mehjet. Zoo boeten hier, naar het schijnt, al de vreemde vrouwen van Ezau ;
XXVIII : 8 v. daarentegen alleen de twee die XXVI : 31 genoemd zijn, cene lliwwietischo en cene
Hiltietisehc, in onderscheiding van de Ismaelietischc. ilio er hier onder betrokken wordt. De opgnve
der drie vrouwen van Kzau in genoemde plaatsen is "in on verzoen lij ken strijd met die in dit en hot
volgende vers; daar nesten zij Juditli, Bazamath en Mnhalnth. hier Ada, Oholibama on Rasemath ;\'zie
op vs. 3. — Hittiet. /.ie op X : 15. — Ann, den zoon ra», volg. Snm. en (ir. t.; Hebr. t., hier on vs.
14, Ann, de dochter van — den Hortet, volg. vs. 20; Hebr. t. den Himoiet.
-ocr page 26-
106
GENBSI8 XXXVI : 2—13.
3 Sibeon, den Iloriet,\' en Bazemath, de dochter van Ismaël, de zuster
4,5 van Nebajoth. \' Ada baarde aan Ezau Klifaz; Bazemath: Iteüel,\' en
Oholibama: Jeüs, Jaëlam en Korah. Dit zijn de zoneu van Ezau die
(! hem in het land Kanaiin geboren zijn. \' Daarna natu Ezau zijne vrouwen,
zonen en dochteren, met allen die tot zijn gezin behoorden, en zijn
vee, al zijne dieren en al zijne bezittingen die hij in het land Kanaiin
verworven had, en ruimde het land Kanaiin voor zijn broeder Jakob; \'
7       want hunne have was te veel dan «lat zij bij elkander konden blijven:
het land hunner vreenulelingsehap kon hen niet dragen vanwege hun
8       vee. \' Ezau vestigde zich op het gebergte Seïr; Ezau, dat is Edom.
II
          Dit zijn de afstammelingen van Ezau, den vader van Edom, op het
10       gebergte Seïr.\' Dit zijn de namen van Ezau\'s zonen: Elifaz, do zoon
van Ezau\'s vrouw Ada, Iteüel, de zoon van Ezau\'s vrouw Bazemath. \'
11        De zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Sefo, Gaëtham en Kenaz.
12       Timna was eene bijvrouw van Ezau\'s zoon Elifaz en baarde hem Amalek.
Dit zijn de zonen van Ezau\'s vrouw Ada.
13           De volgenden zijn de zonen van Jïeüel: Nahath, Zsrah, Sjamma en
14       Mizza; dit zijn de zonen van Ezau\'s vrouw Bazemath.\' De volgenden
zijn de zonen van Ezau\'s vrouw Oholibama, de dochter van Ana, don
zoon van Sibeon; zij baarde aan Ezau Jeüs, Jaëlam en Korah.
15« De volgenden zijn de stamhoofden van Ezau\'s zonen.
156 De zonen van Elifaz, Ezau\'s eerstgeborene, zijn de stamhoofden van
lü Teman, Omar, Sefo, Kenaz, \' Gaëtham, Amalek. Dit zijn de stam-
hoofden van Elifaz, in het land van Edom, dit zijn de zonen van Ada.
17
          De volgenden zijn de zonen van Ezau\'s zoon Reüel: de stamhoof-
den van Nahath, Zerah, Sjamimi en Mizza. Dit zijn de stamhoofden
van Ueiiel in het land van Edom, dit zijn de zonen van Ezau\'s vrouw
Bazemath.
15           De volgenden zijn de zonen van Ezau\'s vrouw Oholibama: de stam-
hoofden van Jeüs, Jaëlam, Korah. Dit zijn de stamhoofden van Oholi-
3. liazemath, Sam. t. Mahalath, evennis VS. I. Volg. XXVI : 31 is /.ij ile dochter vnn den Hitliet
Elou (verf,*, vs. 2), terwijl Isniuëls dochter die door Ezau tot vrouw genomen weid XXVIII : 9 Mahalalh
heet. — Nebajoth. Zie op XXV : 13.
I.     Klifaz. Dozclldo naam Jol II : II en/..
!>. Iteüel. /ie op Exod. II : 18. — Korah. /ie iul. op Niiin. XVI.
0. ruimde het land Kanaiin, volg. Sam. en (ir. t. ; Ilelir. t. trok naar het tand van. Wellicht is
hierna tiet woord Se\'ir uitgevallen. Du scheiding had in der intnuo plaats, om dezelfde reden als die
van Ahram en l.ot, XIII : 0—IS, en wel na Jakoba terugkeer. Dc/.e schrijver, die vnn E/.ra\'s
Wetboek, vermeldt niets van den twist tusschen de broeders en Ezau\'s vestiging in Seïr vóorJakobs
terugkomst.
7.    het — dragen. Desgelijks XIII : li.
8.    Seir. Zie op XIV : 6.
9.    Terwijl Ezau in VS. 8 een andere naam is voor Edom, heet hij hier Edoms vader. Over de be-
toekenll vnn den naam Edom verg. op XXV : 25 en 30. Die vnn Ezau is onbekend.
10.    De zonen der derde vrouw volgen in vs. II.
II.     Teman. Naam eener Edomlellsche landstreek (/.ie vs. 84), tevens eener stad, ongeveer zes uur
ten westen van l\'clrn, E/.ech. XXV : 13 en elders. De streek was zoozeer de belangrijkste van Edom,
dat haar naam soms dichterlijk voor Edom zeil gebruikt wordt, Am I : 12; Oh. vs. 9; verg. Jer.
XI.IX : 7, 20. Dit wordt ook aangeduid door de plaats die Teman in dit register bekleedt: Mij is de
oudste zoon van Edoms eerstgeborene. — Sefo, I Kron. I : 3I> Sefi ; Ür. verl. So/ar. Verg. op vs. 23.
— Kenaz, de stam waartoe Kaleb behoorde; zie inl. op Num. XIII, XIV.
12. Timna. Zij heet vs. 22 zuster van Lotan, den Iloriet Wat de naam oorspronkelijk aanduidde, is
onbekend, waarschijnlijk eene landstreek. — Amalek. Verg. op XIV : 7, volgens welke plaats de Aiun-
lekictcn reeds in Abrams tijd bestonden; terwijl hier hun stamvader Ezau\'s kleinzoon is. Dat hij
slechts de zoon van eene bijvrouw van Elifaz is, leert ons dat de stam in don lijd des schrijvers
weinig in tel was. Vs. 15 v. heet hij do jongste zoon van Ezau\'s oudsten,
11.    zoon van. Evenals vs. 2. — zij — Korah. Do zonen zijn reeds vs. 5 opgenoemd.
15. Se/o. Verg. op vs II.
Ui. in Bebr. t. gaat aan Oaëiham Korah vooraf, welke naam is weggelaten volg. Sam. t. In vs.
14, 18 is Korah de zoon van Oholibama.
-ocr page 27-
GKNKeiB XXXVI: 18—40.                                     107
l\'J barna, de dochter van Ana, de vrouw van Ezuu. \' Dit zijn de zonen
van Kzau, en dit hunne stamhoofden. Dit is Kdom.
21)
          De volgenden zijn de zonen van Seïr, den Horiet, inwoners des lands:
21       Lotan, Sjobal, Sibeon, Ana,\' liisjon, Eser, Disjan. Dit zijn de stam-
22       hoofden der Horieten, zonen van Seïr, in liet land van Edom. \' En
Lotans zonen waren Hori en Hernam, en Lotans zuster wasTimna.\'
2:5 Dit zijn de zonen van Sjobal: Alwan, Manahath, Ebal, Bjefo en Onam. \'
24       Dit de zonen van Sibeon: Ajja en Ana; dit is die Ana die eene heete
bron in de woestijn vond, toen hij de ezels van zijn vader Sibeon
25       hoedde.\' En dit zijn Ana\'s zonen: Disjon, en Oholibaina, de dochter
2(5 van Ana.\' En de zonen van Disjon zijn: Hemdan, Esban, .lithran en
27       Keran. \' En dit zijn de zonen van Eser: Bilhan, Zaiiwan en Jaiikan. \'
28       Dit zijn de zonen van Disjan: Us en Aran.
2\'J          De volgenden zijn de stamhoofden der Horieten: de stamhoofden
30       van Lotan, Sjobal, Sibeon, Ana,\' Disjon, Eser, Disjan. Dit zijn de Ho-
rietische stamhoofden naar hunne stammen in het land Seïr.
31           Dit zijn de koningen die over het land Edom geregeerd hebben
32       voordat de Israëlieten een koning hadden. \' Bela, de zoon van Beor,
33       was koning in Edom, en zijne stad iieette Dinhaba. \' Na den dood van
Bela werd in zijne plaats Jobab, de zoon van Z?rah, uit Bosra, koning. \'
34       Na den dood van Jobab werd in zijne plaats Husjam, uit het land der
35       Temanieten, koning. \' Na den dood van Husjam werd in zijne plaats
Hadad, de zoon van Bedad, koning, die de Midianieteu in het veld
3(5 van Moab versloeg; zijne stad heette Awith. \' Naden dood van Hadad
37       werd in zijne plaats Samla, uit Masreka, koning. \' Na den dood vau
Samla werd in zijne plaats Saul, uit Rehoboth der Rivier, koning. \'
38       Na den dood van Saul werd in zijne plaats liaiilhanan, de zoon van
39       Achbor, koning. \' Na den dood van Baiilhanan, den zoon van Achbor,
werd in zijne plaats Hadad koning; zijne stad heette Pau, zijne vrouw
Mehetabeëï, de dochter van Mat red, de dochter van Mezahab.
40           Dit zijn de namen van Ezau\'s stamhoofden, naar hunne geslach-
20.    Seïr, liet gebergte, hier tot stamvader gemaakt. — den Horiet. Volg. Dent. II : 12, 22 waren
da Horieten «Ie ouile bevolking van ilen Seïr, iluor ile Edomieten verdreven. Dit bericht en <lat van
onsen tekst zijn verschillende voorstellingen van hetzelfde feil: de 11. rieten zijn overwonnen door de
16
Edomieten en gaandeweg voor een deel in hen opgenomen, zoonis de Kanabnieten in Israël. Denaam
Horiet beieekent wellicht .vrijgeborene\' en was dan een eerenaiuii dien de Horieten zich/elven gaven.
Volgens underen .holbewoner*. — Van de namen in vs. 20 V. zijn wellicht enkele in die van Bedo*
wicnenstaiiiinen terug te vinden. F.otan is dezelfde naam als t.ol. In plaats van Disjan heelt (ir. vert.
hier en vs. 2S, 30 Riton.
22.    Hori. d. i. ,de Horiet\'; maar waarschijnlijk is een cenigszins afwijkende naam bedoeld. Gr. vert.
Horoi — Hernam. Gr. en l.at. verti. Heman; verg. op 1 Kron. VI : 33.
23.    S/V/o, 1 Kron. I : 10 Sjefi; Gr. vert. So/ar. Verg. op vs. 11.
21.    eene - bron, zeer onzekere vertaling. Wellicht volg. verb. t. te vertalen het water Sam. t.
da limieten; zie op XIV : 5.
2ii. Disjon, volg. 1 Kron. 1 : 41 en do oudo verlt. ; llobr. t. Disjan.
27.    Jaiikan. volg. Or. vert. en 1 Kron. 1 : 42. Hij komt waarschijnlijk ook Num. XXXIII : 31 v, J
Dcut. X : 6 voor. Hobr. t. Akan.
28.    Ut. Verg. op X : 23.
31—3\'.). Verscheidene der hier voorkomende plaatsnamen zijn vau elders onbekend. Blijkens deze
lijst werd in Edom nooit een koning door zijn zoon opgevolgd.
3}. Bela is dezelTde naam als llileam. Ook de Rileam van Num. XXII—XXIV heet de zoon van
Beor. Gr. vert. hier en vs. 33 Ralak, de toon van lleor.
33. Uosra, tusschen de Ooodu /co en Petra, langen tijd de voornaamste Klad der Edomieten, Je/.
XNXIV : li; Jer. XI.IX : 13; Am. I : 12. Do naam beieekent .vesting\'.
35.    Bedad. Or. vert. liarad. — Awith. (ir. vert Btthaim,
36.    Samla. Gr. vert. hier en \\ s. 37 Samada ol\' Salama.
37.    Rehoboth der Rivier. Indien hier met d.\' Rivier, als gewoonlijk, de Kiifraul bedoeld wordt, was
Saul een buitenlander; maar wellicht wordt eene Kdoiuictischc stad bedoeld. Een Assyrisc.h Rehoboth
komt X t II voor.
39. Hadad, volg. Sam. t.; Ilebr. t. Radar; Gr. vert. Arad.de zoon van liarad. Verg. op 2 Sam. VIII: 3.
-ocr page 28-
108                                  fiKNESis XXXVI: 40—XXXVII: 1.
41 ten, plaatsen, namen: de stamhoofden van Timna, Aiwa, Jetheth,\' Oho-
42,43alibama, Ela, Pinon,\' Kenaz, Teman, Mibsar,\' Magdiêl, Iram.
\\\'M>         Dit zijn Edoma stamhoofden, naar hunne woonplaatsen in het land
dat zij bezaten. Dit is Ezau, de vader van Edom.
XX XVII: l Maar Jakob bleef in het land waarin zijn vader vertoefd had,
in Kanaiin.
10—13. De hier voorkomende namen der Edomietischc stammen verschillen op menig punt van de
in vs. 15—IS opgenoemde. (ïr. vert. heeft eenige afwijkingen in de namen. Ttmna, vs. 40 nnam ecner
Edomietischc landstreek met hare bevolking, is vs. 12 eene bljvronw van Klifuz ; desgelijks Olwlibama
in \\s. II. die vuig. vs. 5 eene van Kzau\'s vrouwen is.
I. In onderscheiding van K/au. die het land Kanaiin verliet en wicn» stammen in het door hem
in bezit genomen land woonden, bleef Jakob in Kanaiin.
HOOFDSTUK XXXVII : 1-36.
Jozef naar Egypte verkocht. — Jozef, Isracls meest beminde zoon. bij zijne broeders gehaat (2—1),
vertelt zijne twee hooghcidsdroomen (5—11). Hij gaat, op last zijns vaders, zijne broeders opzoeken
(12—17). /.ij beramen zijn dood (18—20), maar volgen den rund van ltubcn op en werpen hem in
een put (21—21). Juda slaat voor. hem aan lsmoelieten te verknopen (25—27); voorbijtrekkende
Midianioten linlen hein uit den put (28<i); de broeders verkoopen hem aan du Ismaëlictcn (286); zij
brengen hein naar Egypte (18c). Ruben vindt hem niet in den put (2!) v.)j de broedera brengen hun
vader in den waan dat Jozef verscheurd is (31 v.) ; Jakob betreurt hem (33—35); de Midianieten ver-
koopen Jozef »un Pollfor (3f>).
Do verhalen over Jozef vullen het verder deel van Omtlil, met uitzondering van II. XXXVIII en
II. XI.IN, die andere onderwerpen behandelen.
Van die verhalen stond in Kzra\'s Wetboek slechts zeer woinig; zoodat de Verzamelaar verreweg
het grootsto deel zijner stof aan het Oude-Sagenboek ontleend heelt. Hierin waren twee voorste llln-
gen snmengewoven, waarvan de eeno uit De Jahwist, de andere uit Do Elohist afkomstig was. In do
hoofdzaken overeenkomende, liepen zij in bijzonderheden uiteen. Daarom kon de samensteller van hot
Oude-Sagenboek ze onmogelijk in haar geheel overnemen : hij zou dan telkens, met geringe afwijkin-
gen, tweemaal hetzelfde hebben verh
8
aald. Om dit te vermijden, hield hij zich nu eens nan den cencn,
dun nan den anderen verhuler.
Wat daarbij zijne keus bepaalde is onmogelijk uit te maken, daar wij de verhalen waaruit hij koos
niet in hun geheel bezitten. Maar hier en daar kunnen wij er toch met ecnigen grond naar gissen.
Zoo zal hij in 11. XXXIX bij voorkeur De Jahwist gevolgd hebben omdat het verhaal van den kui-
% chen jongeling hem aantrok; hetwelk De Klohist niet had. In XI., XI.I daarentegen verkoos hij het
BlohUtische bericht, dat droomen bevatte, waarvan hij gaarne hoorde en vertelde. De inhoud vun II.
XI.II hing met dien van deze hoofdslukken zoo nauw samen dat hij dien wel van denzelfden zegs-
inun moest overnemen. En wnt wonder dat hij in XI.III, XI.IV het verhaal van Do Jahwist volgde!
Kr zijn in het gehcele O. T. weinige vertellingen zoo goed geschreven als deze. Is niet XLIV : 18—
31 eene aandoenlijk schoone rede?
Naardien de samensteller van het Oude-Sagenboek zeker gevoelig was voor de zedelijke strekking
en de schoonheid van het cene, en voor de godsdienstige en andere eigennonlighedcn van het andere
verhaal, en zich te zeer gebonden achtte aan de overgeleverde stof, of te weinig kunstenaar was, om
zelf te gaan vertellen, maakte hij uit beide een geheel. De tegenstrijdigheden «n oneffenheden die hier-
door ontstonden trachtte hij weg te nemen, hetzij door in hel Juhwistisch verhaal een stuk uit het
Klohistisi\'he in te lasschen, of omgekeerd, hetzij door toevoegsels van eigen vinding. Verg. op va. 18,
28, 30 van dit hoofdstuk, verder op XXXIX : 1 en doorloopend de uantcekeningen op deJozefslegende,
l>. v. op Xl.ll : 27 v.
De hoofdbeteckenis der legende is, in beide vormen, deielfdc. /ij dient tot verheerlijking van Jozef,
den vader der stammen die de kern van het rijk Israël uitmaakten. Aan Jozef komt de heerschappij
toe; hij is door zijn god bestemd, geheel Israël te redden. Hoewel de andere stammen, wier vaders,
met uitzondering van zijn vollen broeder Benjamin, Jozef vervolgd hebben, allen ver beneden hem
slaan, maken de schrijvers der legende toch onderscheid. In De Jahwist speelt Juda de schoonste rol
(XXXVII : 2li v.; XI.III : 8-10; XLIV: 11—31). in De Elohist, hoewel in mindere male, Uuben(X.\\XVll:
21—21, 29 v.; Xl.ll : 17), Zeker hebben de verhoudingen der stammen in do dagen der schrijvers,
met persoonlijke voorliefde verbonden, hierbij den doorslag gegeven.
Waaraan de stol\' der legende ontleend is, weten wij niet. Maar er bestaat nog een oud Egyptisch
-ocr page 29-
«ENBSIB XXXVII :2 14.                                     10\'J
verhaal van een kuischcn jongeling die door dn lastertaal der vrouw zijns broeders, wieroverspeli.\'-\'p
liefde hij afwees, lijden moest; het is mogelijk dat deze of oene dergelijke vertelling door don schrijver
van De Jahwist, bij wicn hel tooncel der verzoeking voorkomt, op Jozef is toegepast (zie 11. XNXIX).
XXXVII: 2 Dit zijn de afstammelingen van Jakob. Jozef hoedde, op zeven-
tienjarigen leeftijd, het vee zijns vaders met zijne broeders — hij was
nog jong — met de zonen van IJilha en Zilpa, zijns vadem vrouwen,
en Jozef bracht aan hun vader de kwade geruchten over die over hen
\'ó liepen.\' Israël nu had Jozef lief boven al zijne zonen, omdat hij hem
op zijn ouden dag geboren was, en had voor hem een prachtig kleed
4       doen maken. \' Toen zijne broeders zagen dat hun vader hem boven al
zijne andere zonen liefhad, haatten zij hem en konden zij geen vrien-
ilelijk woord tot hem zeggen.
;">          Eens had Jozef een droom en deelde dien aan zijne broeders mede;\'
<» hij zeide tot hen: Hoort toch naar dezen droom, dien ik heb gehad.\'
7 Wij waren aan het schoven binden op het veld, toen opeens mijne
schoof overeind rees en zóo bleef staan, terwijl de uwe van alle kan-
5       ten zich voor de mijne nederwierpen.\' Toen zeiden zijne broeders tot
hem: Zóo! zult gij koning over ons worden en over ons heerschen \' En
9 zij haatten hem te meer om zijne droomen en zijne woorden. \' Later
had hij een anderen droom, dien hij weder aan zijne broeders vertelde;
hij zeide: Ziet, ik heb weer gedroomd, en wel, dat de zon, de maan
10       en elf starren zich voor mij nederwierpen.\' Toen hij dit aan zijn vader
en zijne broeders vertelde, berispte zijn vader hem en zeide tot hem:
Wat is dat voor een droom dien gij hebt gehad! Zullen wij, ik, uwe
moeder en uwe broeders, ons soms voor u ter aardn komen neder-
11       werpen?\' Maar terwijl zijne broeders afgunstig op hem waren, hield
zijn vader de zaak in gedachtenis.
12           Eens waren zijne broeders het vee van hun vader bij Sichem gaan
KI weiden,\' toen Israël tot Jozef zeide: Weiden niet uwe broeders bij
Sichem? Kom, laat mij u tot hen zenden. Hij antwoordde: Uier ben
14 ik.\' Hij hernam: Ga toch zien naar den welstand van uwe broeders
2.   Dit — Jakob. Deze gewone inleiding voor een onderdeel des verbaals in t\'.zra\'s Wetboek (zie
op II : hi) is blijven HMD, terwijl wat er op volgde door het oude verhaal is verdrongen. — Aoh-
ter het vee is zijn* vaders ingevoegd volg. (!r. vert. — Het overige van het vers is zeer verward;
de zinbouw in het Hdbreeuwich even vreemd als in de vertaling. De woorden met de zonen van liilha
en Zilpa, zijns vaders vrouwen
zijn waarschijnlijk in don tekst ingel.\'ischt door Iemand ilie I.oa\'s zonen
van schuld wilde vrijmaken. De zinsnede en — liepen is uit De Jahwist; de schrijver gaf zóo reden
van den haat tier broeders, welke in l)c Klohist uit Jozefs hooghoidsdroomen verklaard werd.
3.   hrail. Dit is, na XXXII : 2i—32, de naam van den aartsvader in Do Jahwist; maar do samen-
steller van het Oude-Sagenboek gebruikt dien ook waar hij zijne slof aan De Klohist ontleent, waarin
hij Jakob heet. — een prachtig kleed. De llobreciiwsche uitdrukking, die, behalve vs. 23. 32, alleen
nog 2 Sani. XIII : 1$ v. voorkomt, duidt waarschijnlijk een kleed aan tiat mol mouwen voorzien is en
lot de enkels reikt. Kenige oude vertalingen zien er een purperen kleed in. In elk geval was het
vorstendrncht.
i, zonen, volg Sani. en (ïr. t.; Hobr. t. broeders. — konden — zeggen, volg. verb. t.
5. een droom. Verg. op XX: 3. — Ilebr. t. besluit hel vers niet en zij haatten hem nog meer; wat
weggelaten is volg. Gr. vort. liet woldt hier to vroeg gezegd en is blijkbaar aan vs. 8 ontleend.
\'.i—11. In deze verzen komen enkele tegenstrijdigheden voor, uit verschil van oorsprong te verkla-
rcn. In vs. 9 vertelt Jozef zijn droom aan zijne broeders, in vs. 10 ook aan zijn vader, die hom hier
over tien droom berispt, terwijl hij dien in vs. 11, toch wel als openbaring Goda, In gedachtenis houdt
De afgunst der broeders kan in Do Jahwist door het in vs. 4 verhaalde veroorzaakt zijn.
\'.\'. Do herhaling van don droom in gewijzigden vorm duidt do zekerheid der vervulling aan; vurir.
Xl.1 :32.
10.  mee moeder. Volgons dozen schrijver was dus Kachel nog niet gestorven; andera XXXV : 18.
11 bij Sichem. Do schrijver weet blijkbaar niets van het aldaar volgens 11. XXXIV gebeurde.
11.   Van llebron naar Sichem is achttien uren gaans. Dat Jakob Jozef op zulk eenc verre reis
zond, maden wij uit het verhaal niet vermoeden. Deze misstand is waarschijnlijk niet aan do oor-
spronkelijke schrijvers te wijten. Hot is mogelijk dat Jakob volgens hen toentertijd dichterbij Sichem
woonde.
-ocr page 30-
GBNBSI8 XXXVII: 14—32.
110
en het vee, en breng mij bescheid. Zoo zond hij hem uit de vallei
15 van Hebron. Toen hij bij Bichem kwam, \' trol hein daar iemand aan,
terwijl hij ronddwaalde in het veld, en die man vroeg hem: Wat
1(5 zoekt gij\'.\'\' Hij zcide: Mijne broeders zoek ik; deel mij toch mede,
17       waar zij weiden. \' De man zeide: Zij zijn van hier opgebroken; want
ik heb hen hooren zoggen: Laat ons naar Dothan gaan. Nu ging Jozef
zijne broeders achterna en trof hen te Dothan aan.
18           Toon zij hem in do verte ragen, voordat hij dicht bij hen was ge-
19       komen, smeedden zij een arglistig plan, om hem om te brengen,\' en zei-
20       den tot elkander: Daar komt die droomer aan!\' Welaan, laten wij hem
dooden, in een dezer putten werpen, on zeggen dat een roofdier hein
verslonden heeft; dan zullen wij eens zien, wat van zijne drooinen
21       wordt.\' Maar toen Wuben dit hoorde, redde hij hem uit hunne hand
22       en zeide: Laten wij hein niet doodslaan.\' Voorts zeide Uuben tot hen:
Vergiet geen bloed; werpt hem in dien put in de woestijn, maar slaat
de hand niet aan hein. Zoo wilde hij hein uit hunne hand redden en
23       aan zijn vader terugbrengen.\' Zoodra dan Jozef bij zijne broeders kwam,
trokken zij hem zijn kleed uit, het prachtige kleed dat hij aanhad, \'
24       namen hem op en wierpen hem in den put. De put nu was ledig,
zonder water.
25           Terwijl zij aan den maaltijd zaten, sloegen zij de oogen op, en daar
zagen zij oene karavaan Ismaëlieten die uit Gilead kwam, de kamee-
len beladen met wierook, balsem en gom, op weg om dit naar Egypte
2(5 af\' te voeren. \' Nu zeide Juda tot zijne, broeders: Welk nut steekt er
27       in, onzen broeder te dooden en zijn bloed te bedekken?\' Verkoopen
wij hem liever aan die Ismaëlieten, en laat onze hand niet togen hein
zijn; want hij is onze broeder, ons eigen vleesch. En zijne broeders
28       gaven hum gehoor.\' Er kwamen handoldrijvende Midianieten voorbij
en trokken Jozef uit den put op. En zij verkochten Jozef aan do Is-
maëlieten voor twintig zilverlingen: en zij brachten Jozef naar Egypte.
21)          Ituben nu koerde naar den put terug, en zie, Jozef was niet in den
30       put. Toen scheurde hij zijne kleederen,\' keerde tot zijne broeders terug
31       en zeide: De knaap is weg, en ik, waar blijf ik nu?\' Maar zij namen
Jozefs kleed, slachtten oen bok en doopten het kleed in het bloed. \'
32       En zij zonden het prachtige kleed naar hun vader met de boodschap:
Vs. 28. I\'s. CV: 17; Hand. VII : !>.
17. hen, ingevoegd volg. Sam. en (ir. t. — Dothan, Or. t. Dolham, acht uur ten noorden van Sichem.
21. dootlslaan, Letterlijk de ziel, liet levensbeginsel, slaan.
2t. Venjiet geen bloed. Dit werd voor erger gehouden dan iemand van honger in een put te doen
omkomen, omdat verboten Moed om wraak riep; ver;;. o|> IV\' : 10.
25.   wierook, de eene of andere vrucht, onzeker welke, die lijngestoolen voor reukwerk diende. —
balsem en gom. 1\'alestina bezit verschillende soorten bunnen waaruit welriekende, hnrs-of olieachtige,
sappen vloeien, die kostbare handelsartikelen waren, en nog zijn. Welke bier bedoeld worden, ia on-
zeker. — ïtmMiMm. Volg. Gen. XVI: 15 enz. was Isiuncl de oom van Jakob; tijdens diens leven
kon dus Ismaëlieten nog geen naam voor rondreizende handelaars zijn. Hetzelfde geldt van de JUidia~
nieten,
vs. 23. wier stamvader, volg. XXV: 2, ook een zoon van Abraham was.
26.  zijn bloed te bedekken. Uit geschiedde, opiat het vergoten bloed niet om wraak zou roepen; verg.
op vs. 22. Juda\'s voorslag volgde in het Jahwistisch verhaul op de beraadslaging der broeders, Jozef
te dooden, van welk voornemen zij volgens De Klohist door Rubens svoorden werden afgebracht.
28. Dit vers bestaat uit gedeelten van twee verhalen. Volgens liet eene, uit De Jnhwist, wordt Jo-
zef aan Ismaëlieten verkocht; volgens het andere, uit De Klohist, is hij, terwijl de broeders nan den
maaltijd zitten, door Midianieten uit den |>ut gehaald en naar Egypte medegenomen; verg. XI.: 15,
waar liet heet dat Jozef gestolen is uit het land der Ilebreün. wat niet toepasselijk is op de handel*
wijze der Ismaëlieten, die hem eerlijk gekocht hadden. Dat de Ismaëlieten liem naar F.gypte brachten
staat XXXIX : I; derhalve is en zij brachten Jozef naar Egypte uit het verhaal waarin de Midianieten
voorkomen. — twintig zilverlingen, of sikkels zilecr, ongeveer /3I.
2\'J. scheurde — kleederen, eene gewone uiting van smart; zie vs. 31 en dikwijls elders.
30. De broeders weten Hullen geen antwoord te geven, om lat in liet verhaal waarin Muben op den
voorgrond treedt de Midianieten Jozef builen hunne voorkennis uit den pul gehaald hebben.
-ocr page 31-
(ïRNBSis XXXVII: 82—XXXVIII: 2.                            111
Dit hebben wij gevonden. Zie toch eens, of dit al dan niet het kleed
33       van uw zoon is.\' En hij herkende het en zeide: Het kleed van mijn
zoon! Een roofdier heeft hem verslonden. Zonder twijfel is Jozef ver-
34       seheurd.\' Toen scheurde Jakob zijne kleederen, deed een rouwkleed
35       om zijne lenden en bedreef geruimen tijd rouw over zijn zoon. \' En
al zijne zonen en dochteren maakten zich op, om hem te troosten;
maar hij weigerde zich te laten troosten en zeide: Ik zal rouwdragend
tot mijn zoon in het doodenrijk dalen. Zoo beweende hein zijn vader.\'
37 De Midianieten brachten hem naar Egypte en verkochten hem aan
1\'otil\'ar, een kamerling van Farao, den overste der lijfwacht.
34. rouwkleed, een grof kleed, «lat onder de gewone kleederen op het blooie lijl\' gedragen werd,
I    Kon. XXI : 27; 2 Kon. VI : 30 en elders. Vroeger werd het Hebreetiwsehe woord (tak) door ons
zak teruggegeven ; vandaar de spreekwijze ,,in zak en nssehe".
SS. hij — troatten. Hij wilde tot zijn dood het rouwkleed dragen en daarmede dus naar het doo-
denrijk gaan. — het doodenrijk, het schimmenrijk of de onderwereld, eene plaats onder de aarde,
waarheen men zich voorstelde dat alle dooden gingen, om daar als schimmen, zonder te denken, te
voelen, te spreken en God te kennen, ja, zonderdat üod zich om hen bekommerde, een beslaan te
leiden dat geen leven mocht heeten. Verg. Juli III : II —lil; XIV : 11-11 en op I\'s. VI : (i. Elke ge-
dachte aan vergelding wordt door den aard zeiven van het hestaan dier schimmen buitengesloten.
„Naar het doodenrijk afdalen" heteekent geheel hetzelfde als ..sterven". Over de oproeping derschim-
men door doodonhezwcerders zie op I.ev. XIX : 31. Verg. op (ion. XV : 15,
Mi. Poti/ar, Gr. vert. Pete/res b( l\'ente/res, d. i. ,het geschenk van Ra\', den zonnegod. — Hamtrltng,
letterlijk f/exnedene ol\' ontmande, /.ie op ileut. XXIII ; 1. — Farao. Zie op XII : 15.
HOOFDSTUK XXXVIII.
Juda en Taniar. — Juda huwt eene Kann.inielische (I v.) en krijgt hij haar drie zonen (3—5); hij
neemt eene vrouw, Taniar, voor zijn oudsten (fi); deze sterft (7); de tweede volbrengt den zwagerplicht
niet behoorlijk (8 V.) en sterft ook (10); Juda gelast Taniar, ongehuwd te blijven totdat do dorde vol-
wassen zal zijn (II). Als deze, ofschoon Volwassen, haar onthouden wordt, verleidt zij Juda (12—23);
van overspel beschuldigd, bewijst zij dat zij hij haar schoonvader zwanger Is (24 v.); waarop deze haar
recht erkent (2(>). Do geboorte van hare zonen Pcres en Zerah 127—30).
Dit verbaal handelt over hot ontstaan en de onderlinge verhouding dor Judeesche familiön. Van
hare geschiedenis weten wij echter zoo weinig dat ettelijke bijzonderheden in de legende ons onver*
klaarbaar zijn. Doch de hoofdzaak is duidelijk. Kr, Unan, Sjela, I\'eres en Zcrab waren vijf Judeesche
familiön, waarvan de eerste twee in den tijd des schrijvers uitgestorven waren, althans hare zelfstan*
diglieid en macht verloren hadden, terwijl I\'eres en Zcrah de voornaamste des land» waren geworden;
verg. XI.VI:12; Num. XXVI : 10-21 ; 1 Kron. II. Het in vs. 27-30 verhaalde beduidt ongeveer
hetzelfde als hetgeen XXV : 22—20 van Kzau en Jakob, XLVI1I : 8—22 van Manasse en Kfraiin bericht
wordt: Zerah was het oudste, dat wil zeggen van oudsher aanzienlijkste, geslacht van Juda, maar I\'eres
was Zerah boven het hoofd gegroeid. Natuurlijk. David stamde er uit af; Ituth IV : 18—22; 1 Kron.
II  : », 9—16.
liet voornaamste dat ons verhaal leert is, dat de edelste Judeesche geslachten van gemengd lsrae-
lictisch-Kamtiinictischc of Isrnëlietisch-r\'ilistijnschc afkomst waren. Sjela toch, do stamvader van het
geslacht der Sjelanieton (Num. XXVI : 20), is een zoon van Juda en eene Kanatïniotisohe, terwijl I\'eres
en Zerah zonen van Juda en eene lilistijnsche zijn (zie op vs. 12). Op eene vriendschappelijke ver-
houding van Judeërs en Filistijnen wijst ook de omgang van Juda met Hira van Adullam, volg. 1
Sam. XXII : 1—5 (zie aldaar op vs. 5) eene 1\'ilistijnscbe stad. Merkwaardig is het dat de schrijver
In dio ver/Avagoring geen kwaad zag; verg. inl. op XXXIII : 18—XXXIV : 31.
XXXVIII: l In dienzelfden tijd ging Juda van zijne broeders weg naar de
lagere streken en sloot zich aan bij een man van Adullam, Hira ge-
Si heeten. \' Daar zag Juda de dochter van zekeren Kanaiiniet, wiens naam
I. /» — tijd, dat Jozef naar Egypte werd gevoerd. Deze koppeling van het volgend verhaal niet
het voorgaande is van den samensteller van het Oudc-Sagenboek; want XI.II—XI.VI is Juda bij zijne
broeders, terwijl ons verhaal zeker eene duurzame verwijdering bedoelde; zie Inl. — Adullam, eene
stad in de Laagte (verg. op Deut. I : 7), lustenen het Gebergte van Juda en de zee (Joz. XII : 15;
XV : 35), waarschijnlijk eenige uren ten noordwesten van Ilcbron. Over de borgveste vnn Adullam
zie op 1 Sam. XXII : 1.
-ocr page 32-
112
gbnksib XXXVIII: 2—18.
3       Sjua wa«; hij huwde htisir en kwam tot hiiar.\' Zij werd zwanger en
4       baarde een zoon, dien zij Kr noemde. \' Weder werd zij zwanger en
5       baarde een zoon, dien zij Onan noemde.\' Nog eenmaal baarde zij een
zoon; hem noemde zij Sjela. En zij was te Kezib toen zij hem ter
fJ wereld bracht.\' Juda nu nam voor Er, zijn eerstgeborene, eene vrouw,
7       Tamar gehecten.\' Maar Er, Jada\'a eerstgeborene, mishaagde aan Jahwe;
8       zoodat Jahwe hem deed sterven.\' Toen zeide Juda tot Onan: Kom tot
uws broeders vrouw, volbreng uw zwagerplicht aan haar, en zorg dat
\'.( uw broeder nakroost erlangt. \' Daar Onan wist dat dat zaad niet voor
hem zou zijn, deed hij het, telkens wanneer hij tot de vrouw van zijn
broeder kwam, op den grond te loor gaan, om aan zijn broeder geen
10 kroost te verschaffen \' En aan Jahwe mishaagde wat hij deed; zoodat
1 1 hij ook hem deed sterven.\' Toen zeide Juda tot zijne schoondochter
Tamar: Blijf weduwe in uws vaders huis, totdat mijn zoon Kjela vol-
wassen id geworden. Want hij dacht: Ik zal zorgen dat ook deze niet
sterft, evenals zijue broeders! Zoo ging dan Tamar in haars vaders
huis wonen.
12          Maar toen, geruimen tijd later, de dochter van Sjua, Juda\'8 vrouw, ge-
storven eu de rouwtijd vertrekken was, ging Juda eens, voor het scheren
van zijne schapen, met Uira, zijn vriend uit Adullaiu, naar Timna op.\'
1!» Toen aan Tamar medegedeeld word: Uw schoonvader gaat naar Timna,
1-1 om zijne schapen te scheren —\' legde zij haar weduwkleed af, wikkelde
zich in haar mantel, sluierde zich, en zetlo zich aan den ingang van
Eiiaim, dat op den weg naar Timna ligt. Zij zag toch dat Sjela vol was-
lf> Ben was geworden, maar zij hem niet tot vrouw gegeven werd. \' Toen
Juda haar zag, hield hij haar voor eone lichte vrouw; want, omdat
10 zij haar gelaat bedekt had, herkende hij haar niet.\' Hij ging dus van
den weg af tot haar en zeide: Sta mij toe, tot u te komen. Want hij
wist niet dat het zijne schoondochter was. Zij zeide: Wat geeft gij
17       mij, indien gij tot mij moogt komen?\' Hij zeide: Ik zal u een bokje
van de kudde zenden. Zij hernam: Als gij mij een pand geeft, totdat
18       gij het hebt gezonden.\' Hij zeide: Wat zal ik u te pand geven? Zij
zeide: Uw zegelring, uw snoer en den staf dien gij in uwe hand
3. zij noemde, hier en vs. 80, 3ü volg. Kam. t. ; verg. vs. i. 5; Hebt-, t. hij noemde.
5. tij looi, volg. ür. vort. ; llehr. t. hij tras. — Kezib, waarschijnlijk Achzib. in dezelfde streek als
Adullam gelegen, Joz. XV : II; Michu I : II.
7.    sterren. en wel kinderloos.
8.    «ir zteagerpllcht. Zie Deut. XXV : 5 v.
\'.i. Hiermede vergreep hij uien aan zijn broeder; want zoo verijdelde hij het doel von het zwager*
huwelijk: te voorkomen dat de afgestorvene geen nakomelingen sou hebben. Hierdoor (och gingen
iiuniii en gedachtenis te leur; wat voor een groot ongeluk gold; verg. Deut. IX : II; Job XVIII : 17;
I\'s. IX : 7; CIX : 15; Jez. LVI : 3-5 enz.
11.     in — hui*, waarheen de kinderlooze weduwe terugkeerde; zie l.cv. XXII : 13 — Sjeia. Or. verin
Selom. — Want, Uit onderstelt het verzwegene ; h\'j gaf haar echter niet aan hein. Hij deed dit niet,
omdat hij Tamar voor eene onheil aanbrengende vrouw hield; verg. \'lob, lil : 7—lf>.
12,     Timna, waarschijnlijk de uit llieht. XIV bekende plaats, ook Joz. XV : 10; XIX : 13 vernield.
Uit hel vervolg blijkt dal Tamar in ol\' bij deze slad woonde en dus eene Pillstijnsche was. Kenc ge*
lljkneinige stad op het gebergte van Juda komt Joz. XV : 57 voor.
tl. Euaim, of Jïnatn, slad in ile Laagte. Joz. XV : 34.
15.    eene tichte t\'roMic, vs. 21 V. eene gewijde, d. i. eene vrouw die zich prijs geelt ter cere der godin
Aslarle. Dit godsdienstig gebruik van Israols naburen en vele andere volken was zoowel in Israël als
in Juda niet ongewoon; zie l.ev. XIX : 89; Deut. XXIII : 17 v.; 8 Kon. XXIII : 7; Jez. I.VII : 3, !i,
7; lloz. IV ; II. — herkende hij haar niet, ingevoegd volg. Gr. vert.
16.    van den tcei/ af, volg. (ir. vert.; ilebr. t. naar den icct/.
17.    een bokje, het aan Astarte gewijde dier; verg. op Hic.lit. XV : I.
18.    mr anorr, waaraan do zegelring vaak om den hals gedragen werd. Dit geschiedt althans in
sommige streken van Arabic nog; verg. Hoogl. VIII : (i. — den stal. Hij de Bobylonlors droog een
aanzienlijk man een slok welks knop het fatsoen van eene vrucht, een dier of een onder voorwerp
had; zoodnt die staf even kenbaar was als een zegelring. Uit deze plaats maken wij op dal het zoo
ook onder Israël was.
-ocr page 33-
G1HR8IS XXXVIII: 18—30.
113
hebt. Nadat hij haar dit alles gegeven had, kwam hij tot haar, en zij
19       werd zwanger bij hem. \' En zij maakte zich op, ging heen, legde haar
20       mantel af en trok haar weduwkleed weder aan.\' Toen dan Juda het bokje
door zijn vriend van Adullam liet brengen, om het pand vau de vrouw
21       te lossen, vond die haar niet,\' en op zijne vraag aan de inwoners der
plaats: Waar is die gewijde, die bij Enaim aan den weg was? zeiden
22       zij: Hier is geen gewijde geweest.\' Zoo keerde hij tot Juda terug en
zeide: Ik heb haar niet gevonden, en de inwoners der plaats zeggen
23       ook dat er geen gewijde geweest is.\' Juda zeide: Houd gij het dan;
opdat wij geen smaad beloopen. Zie, ik heb dit bokje gestuurd, maar
21 gij hebt haar niet gevonden.\' Na ongeveer drie maanden deelde men
.Juda mede : Uwe schoondochter Tamar heeft ontucht gepleegd en is
ten gevolge daarvan zwanger geworden. En Juda zeide: Voert haar
25 naar buiten, opdat zij verbrand worde. \' Toen zij werd uitgeleid, zond
zij aan baar schoonvader de boodschap: Bij den man wien deze dingen
toebehooren ben ik zwanger. Voorts zeide zij: Zie eens goed, aan wien
2(5 deze ring, dit snoer en deze stat\' behooren.\' Juda herkende ze en
zeide: Zij is tegenover mij in haar recht; immers, ik had haar aan
mijn zoon Sjela behooren te geven. Verder hield hij geen gemeenschap
met haar.
27, 28 Toen zij baren moest, zie, in haar schoot waren tweelingen,\' en
bij de verlossing stak een van beiden eene hand uit. De vroedvrouw
vatte die hand en bond er een purperen draad om, zeggende: Deze
20 is het eerst voor den dag gekomen.\' Maar toen hij zijne hand weder
introk, kwam zijn broeder te voorschijn en zeide zij: Wat hebt gij
30 voor u eene bres gemaakt! Daarom noemde \'zij hem l\'eres.\' Daarna
kwam zijn broeder te voorschijn, om wiens hand de purperen draad
was, en zij noemde hem Zerah.
21. der plaatn, nl. Knnim. Zoo volg. Sam on Or. t.; Hcbr. t. hare plaats. — gewijde. Zie o|> va. 15.
23. Houd — dan, letterlijk Neem gij het (hel bokje) voor u, volg. vorl). t.; Hcbr. t. Zij houde het
(het pand) voor zich. Misschien kim llehr. t. hctcckcncn Houd het voor haar.
21. JiiiIii spreekt als hoofd \'Ier familie recht over Tamar. De Hlral\' der verbranding staat in eene
wet dio jonger is dan dit verhaal alleen op de ontucht eener priesteidoc.hter, l.ev. XXI: 9; verg,
op l.ev. XX: II. Op echtbreuk, waarvoor Tamara daad doorging omdat /.ij als Sjela\'s verloofde kun
aangemerkt worden, staat steeniging, Deut. XXII : 23—27. Wij hebben hier dus een ander gebruik
dun het door de wet geijkte.
2li. Verder — haar. Al wordt de verecniging van een man niet zijne schoondochter hier niet, als
l.ev. XV1I1: 15 ; XX : lï, verluiden en bloedschande genoemd, het wordt toch zeker tot eer van Juda
gezegd dat hij zich dnurvun onthield.
2M, 30. noemde zij, zij noemde. Verg. op vs. 3 — Het Hehreeuwseho woord voor .bres\' luidt
evenals de naam Uere*\\ verg. 2 San». V:20. — Zerah kan ,(zons)opgang\' lieteekenen, op welke be-
teekenis wellicht in het woord kwam . .. te voortchijti. letterlijk ktcam uit, gezinsjieeld wordt.
HOOFDSTUK XXXIX.
Jozef in de gevnngenis geworpen. — Jozef wordt door de Ismaëlietc-n aan een Egyptenaar verkocht
(1); deze vertrouwt hem alles toe (t—<ia). Jozef weigert, der vrousv van den Egyptenaar te wille te
zijn (66 — 12), wordt door haar belasterd (13—18) en door haar echtgenoot in de gevangenis gewor-
pen (lil, 20a); waar hij het vertrouwen van den opperkerkcrineester wint (206—23).
Volgens de beide oude sagen waaruit dit verhaal is samengesteld kwam Jozef in de gevangenis, maar
niet in beide op dezelfde wijze. Volgens de Hlohislischc verkochten hem de Midinnictcn, die hein uit
den put hadden gehaald, aan 1\'otifar, een gesnedene, hoofd der koninklijke lijfwacht, dus tevens opper*
kerkcimeestcr (XXXVII :3I>), en werd hij als bediende in den kerker gebruikt (XI.: I). Volgens Do
Juhwist deden de Ismaülictcn, die hem van zijne broeders gekocht hadden, hem over aan een gehuwd
Kgyptenaar, door wien hij, op de nanklacht van zijne vrouw, in de gevnngenis geworpen werd. Daar
Jozef zich dus In beide berichten ten slotte in den kerker bevond, waar hij met twee hovelingen des
konings in aanraking zou komen, viel het den samensteller van het Uude-Sagenboek niet moeilijk,
O. T. I.
                                                                                                                                           8
-ocr page 34-
genesis XXXIX: 1—22.
114
de twee verhalen ineen te weven; tarn verraadt zich ilic sunienkop|>uling niet slechts in va. I (zie
aldaar), maar ook in eunigc herhalingen in VI. 2—5, 20b—23.
XXXIX: 1 Jozef werd naar Egypte gebracht. En Potifar, een kamerling van
Farao, het hoofd der lijfwacht, eeu Egyptisch man, kocht hem van de
2       Ismaëlieten die hem derwaarts afgebracht hadden.\' En Jahwe was met
Jozef; zoodat hij voorspoed had en huisbediende van zijn Egyptischen
3       heer werd.\' Toen zijn heer zag dat Jahwe met hem was en hem alles
4       wat hij verrichtte deed gelukken,\' vond Jozef gunst in zijn oog en
werd zijn lijfknecht, terwijl hij hem over zijn huis stelde en hem al
5       wat hij had toevertrouwde.\' Van het oogenblik af dat hij hem tot
bestierder van zijn huis en al zijne bezittingen had aangesteld zegende
Jahwe het huis van den Egyptenaar om Jozefs wil. Toen dan Jahwe\'s
Ca zegen rustte op al wat hij bezat, thuis en op het veld,\' liet hij al
wat hij had aan Jozef over en nam nevens hem geen kennis van iets
behalve van het brood dat hij zelf at.
C>b, 7 Jozef nu was schoon van gestalte en uiterlijk. \' En na eenigen tijd
liet de vrouw van zijn heer het oog op hem vallen en zeide : Kom
8       bij mij liggen.\' Maar hij weigerde en zeide tot de vrouw van zijn
heer: Zie, mijn heer neemt geen kennis van iets dat onder mijne
9       hoede in huis is, en al wat hij bezit heeft hij mij toevertrouwd.\' Hij
zelf is hier in huis niet machtiger dan ik, en hij heeft mij niets ont-
houden dan u, dewijl gij zijne vrouw zijt. Hoe zou ik dan dit groote
10       kwaad doen en zondigen tegen God?\' Toen zij nu dag aan dag Jozef
aansprak, en hij haar niet te wille was om bij haar te liggen en zich
11       met haar af te geven,\' gebeurde het op zekeren dag, dat hij in huis
kwam om zijn werk te verrichten, terwijl niemand van de huisgeuoo-
12       ten binnen was.\' Toen greep zij hem bij zijn kleed, zeggende: Kom
bij mij liggen! Maar hij liet het kleed in hare hand achter, nam de
13       vlucht en liep het huis uit.\' En zij, ziende dat hij zijn kleed in hare
14       hand achtergelaten had en naar buiten gevlucht was,\' riep hare huis-
genooten en zeide tot hen: Ziet toch, mijn man heeft eenHebreërin
huis gebracht, om met ons zijn spel te drijven. Hij is bij mij binnen-
15       gekomen om bij mij te liggen; maar ik riep luidkeels,\' en toen hij
hoorde dat ik zulk eene stem opzette en riep, liet hij zijn kleed bij
16       mij achter, nam de vlucht en liep het huis uit.\' Zij legde daarop
17       het kleed naast zich, totdat zijn meester thuis kwam,\' en zeide hem
toen hetzelfde: die Hebreeuwsche slaaf dien gij ons in huis hebt ge-
haald is bij mij binnengekomen, om met mij zijn spel te drijven;\'
18       maar toen ik eene stem opzette en riep, liet hij zijn kleed bij mij
19       achter en vluchtte naar buiten.\' Op het hooren van de woorden die
zijne vrouw tot hem zeide : zus en zoo heeft mij uw slaaf gedaan —
20a werd zijn heer zeer toornig,\' en de heer van Jozef nam hem en wierp
hem in de gevangenis, waar \'s konings gevangenen zaten.
20b, 21 Toen hij zich aldaar, in de gevangenis, bevond,\' was Jahwe met Jozef
en betoonde hem gunst. Hij deed hem welgevallen vinden in het oog
22 van den opperkerkermeester;\' zoodat deze aan Jozef alle gevangenen
toevertrouwde die in den kerker waren. Al wat daar te doen was, dat
1.   Poli/ar — Hjlwacht. Over de twee voorstellingen die in dit vers nuast elkander staan zie lul.
De Egyptenuar aan wicn de Ismaëlieten Jozef verkochten was geen kamerling, d. i. gesnedene, maar
een gehuwd man; zie vs. 7—20a.
2.   en — teerd, letterlijk en in het hui» van zijn heer tcas, in plaats van op het veld, als land-
bouwer of veehoeder. Hiermede wordt het va. 7 verhaalde voorbereid.
Ga. Hem bleef niets te doen over dan te nuttigen wat Jozef hem voorzette.
-ocr page 35-
(iknksis XXXIX : 22—XL : 15.                               115
23 deed hij.\' Do opperkerkermeester zag naar niets om van wat hij hein
toevertrouwd had; dewijl Jahwe met hem was en wat hij deed goed
deed gelukken.
IIÜOrDSTUK XI..
Jozef verklaart <le droomen van Knrao\'s schenker en bakker. — De oppcrschcnker en ile oppcrbak-
ker des konings in de gevangenis (1—4); Jozef legt hunne droomen uit (5 —19). /.ijnc uitleggingen be-
svaarheiil (20—22); de schenker, wien hij herstel in zijn oereambt aangekomligil had, vergeet hem .23).
Dit gciluelte van het verlianl is zoo goed als geheel uit De Blohlat; maar kleine herhalingen en
tegenstrijdigheden toonen dat ook hier hel een en ander van eldeis is ingevoegd. In vs. 1— 5 en 15
zijn eenige woorden uil De Jahwisl.
XL: 1 Eenigen tijd daarna misdroegen zich de schenker en de bakker van
den koning van Egypte tegen hunnen heer, den koning van Egypte.\'
2 Daarom was Karao zeer vergramd op zijne beide kamerlingen, den opper-
JJ schenker en den opperbakker, \' en leverde hen in verzekerde bewaring
over ten huize van den overste der lijfwacht, in de gevangenis waar
4       Jozef opgesloten zat;\' en de overste der lijfwacht stelde Jozef bij hen
aan, en hij bediende hen. Toen zij geruimen tijd in verzekerde bewa-
5       ring geweest waren, \' hadden zij beiden in denzelfden nacht een droom,
elk den zijnen, van verschillende beteekenis, zoowel de schenker als
de bakker van den koning van Egypte, die in de gevangenis opge-
b\' sloten waren.\' Toen Jozef des morgens bij hen kwam, zag hij dat zij
7       ontstemd waren,\' en vroeg hij de kamerlingen van Farao die zich bij
hem in het huis zijns heeren in hechtenis bevonden: Waarom ziet gij
8       er heden zoo droevig uit?\' Zij zeiden tot hem: Wij hebben een droom
gehad, en er is niemand om hem uit te leggen. Jozef zeide tot hen:
Droomen uitleggen is immers Gods werk? Vertelt ze mij eens.
9           Nu vertelde de opperschenker zijn droom aan Jozef en zeide tot
10       hem: In mijn droom, daar stond een wingerd vóór mij;\' er waren
drie ranken aan, en zoodra hij uitliep, ontsproten bloesems en rijpten
11       zijne trossen tot druiven. \' Ik had den beker van Farao in de hand,
nam de druiven, perste ze uit in Farao\'s beker en overhandigde hem
12       dien.\' Jozef sprak tot hem. Ziehier de uitlegging. Die drie ranken
13       zijn drie dagen;\' binnen drie dagen zal Farao uw hoofd verhoogen
en u in uwen rang herstellen; zoodat gij den beker aan Farao over-
14       reiken zult, gelijk vroeger, toen gij zijn schenker waart.\' Doch gedenk
mijner, wanneer het u goed gaat, en bewijs mij toch gunst, door van
mij bij Farao melding te maken en te zorgen dat ik uit dit huis kom; \'
15       want ik ben wederrechtelijk gestolen uit het land der Hebreen, en
heb ook hier niets gedaan waarom zij mij in dit hol hebben gezet.
1 v. Deze verzen behooren, blijkens de verschillende benamingen, tot tweeërlei verhaal. De tchenktr
of opperschenker en do bakker ol\' opperbakker waren zeer aanzienlijke hovelingen, hunne ambten pos-
ten van groot vei trouwen.
3. in de — zat. Deze zinsnede is ontleend aan het verhaal waarin Jozef op de aanklacht zijner
meesteres in de gevangenis geworpen werd; het overige aan dat waarin hij slaaf was van den overste
der lijfwacht, die tevens met het toezicht op de staatsgevangenen was belast.
8. Droomen — werk. Wat een droom betcekent, vindt de mensch niet door eigen nadenken uit,
maar wordt hem door God ingegeven. Deze kan daartoe zelfs een slaaf verkiezen. Verg. X\'.l : 18.
10.   zoodra — bloetemi. volg. verb. t.
13. uu\' hoofd verhoogen. Verg. op I\'s. III : I. — in — herstellen, letterlijk weder op uio voetstuk zetten.
11.   gedenk mijner, volg. dr. vert.
15. hol, letterlijk put. Zie op Jer. XXXVIII : 6. — getlolen. Zie op XXXVII : 28. — »n heb —
gezet.
Hier spreekt Jozef als gevangene, niet, gelijk in vs. 11, 15a, als een slaaf die om zijne, hem
wederrechtelijk ontnomen, vrijheid smeekt. Wij hebben hier dus een andereu verhater.
-ocr page 36-
116
GBNK816 XL : 1G—XLI : 8.
1(5           Toen de opperbakker zag dat hij eene gunstige uitlegging gegeven
had, zeide hij tot Jozef: Ook in mijn droom, daar was een drietal
17       broodkorven op mijn hoofd. \' In den bovensten was allerlei spijs van
Farao, bakkerswerk, en de vogels aten het uit den korf boven mijn
18       hoofd op.\' Jozef antwoordde hem: Ziehier de uitlegging. Die drie
lil korven zijn drie dagen. \' Binnen drie dagen zal Farao uw hoofd ver-
hoogen en u ophangen aan een paal, en de vogels zullen uw vleesch
van ii afeten.
20           Den derden dag nu, toen Farao op zijn geboortedag een maaltijd
aanrechtte voor al zijne dienaren, heeft hij werkelijk het hoofd van
den opperschenker en dat van den opperbakker verhoogd te midden
21       zijner dienaren.\' Den opperschenker herstelde hij in zijn sehenkers-
22       ambt; zoodat hij den beker aan Farao mocht overhandigen; \' maar den
2\'A opperbakker deed hij ophangen; zooals Jozef hun uitgelegd had. \' Doch
de opperschenker dacht niet aan Jozef en vergat hem.
19. uw hnofd rerhnogcH. Opzettelijk wordt dezelfde uitdrukking gebruikt als vs. IS; verg. vs. 20.
UU llebr. t. is een woord, van op u, weggelaten.
HOOFDSTUK Xl.l.
Jozef wordt onderkoning in Kgypte. — Karao droomt (1—7). en als niemand zijne droomen kan
uitleggen, maakt de schenker gewag van Jozef (S—13). Deze, ijlings ontliodcn, legt ze uit (H—32)
en geeft er goeden raad lilj (33—3(1). Mij wordt aangesteld lot onderkoning (87—45a) j huwt (456);
zijn leeftijd (46a). Hij neemt maatregelen legen den aanstaanden hongersnood (466—!\'••); krijgt twee
zonen (50—52). De hongersnood begint (53—55j; van alle landen komt men in Kgypte koren
koopen (56 v.).
Kvenals het voorgaande hoofdstuk, is ook .lic uil De Klohist; maar de herhalingen in vs. 40—14,
55—57 wijzen op inlnsxc.hingcn uit eene andere liron, waarschijnlijk De Jahwist. Uit Kzra\'s Wetboek,
waarin zonder twijfel een kort bericht over Jozef en zijne lotgevallen gestaan heeft, is vs. 16a.
Dut een slaaf plotseling onderkoning werd. was oudtijds, in landen waarde koning naar eigen gocddun-
ken zijne onderdanen verhief of vernederde, niet onmogelijk ; verg. I\'reil. X : 6 v. Ook de Ilehrceuwsehe
afkomst van Jozef belette zijne verhooging niet, in zoover de koning kon doen wat hij wilde; maar zij
Ideef, zelfs voor den koning, een beswaar. Nu hebben, waarschijnlijk van de vier en twintigste tot de
negentiende eeuw v. Uhr.. Semietische herderstnmmen, gewoonlijk llyksus genoemd, over Egypte ge-
heerscht, en het is natuurlijk dat men van oudsher Jozef m
4
et hen in verhand heeft gebracht. Toch is
daarvoor geen grond j dewijl Jozefs lotgevallen, dus ook zijne verheffing tot onderkoning, la hun geheel
tot het gebied der logende hehooren en. al ware dit niet zoo, die heerschappij der llyksos veel ouder
is dan de lijd waarvan de Israëlieten eenige heugenis kunnen gehad hebben.
XLI : 1, 2 Twee jaren daarna droomde Farao dat hij aan den Nijl stond.\' En
zie, uit den Nijl stegen zeven koeien op, schoon van uiterlijk en vet
I) van vleesch, die in het oevergras gingen waiden. \' Maar zie, zeven
andere koeien stegen daarna uit den Nijl op, leelijk van uiterlijk en ma-
ger van vleesch, en gingen naast de eerste aan den oever van den Nijl
4 staan;\' en de leelijke, magere koeien aten de schoone en vette op.
f> Toen ontwaakte Farao. \' Weder ingeslapen, droomde hij ten tweeden
male, en wel, dat zeven korenaren uit éen halm opschoten, vet en
0 goed;\' maar zie, zeven spichtige en van den oostenwind verzengde aren
7       sproten daarna uit; \' en de spichtige aren verslonden de zeven vette
en volle. Toen ontwaakte Farao, en zie, het was een droom geweest. \'
8       Den volgenden morgen was hij zeer ontroerd; hij ontbood al de ge-
1.    Hoewel de schenker Jozef vergat, zorgde God dut hij zich zijner herinnerde.
2.    oevergra». Xio op Jez. XIX : 6.
b. Zie op XXXVII : 9.
6. oo»/rmr/iid. /ie op Ps. XI.VIII : 8.
-ocr page 37-
genesis XLI : 8—29.
117
leerden en wijzen van Egypte en deelde hun zijn droom mede; maar nie-
9 mand kon dien aan Farao uitleggen.\' Nu sprak de opperschenker tot
10       Farao: Van mijn vergrijp moet ik thans gewag maken.\' Farao was
eens zeer vergramd op zijne dienaren en had mij in verzekerde be-
waring overgeleverd ten huize van den overste der lijfwacht, mij en
11       den opperbakker.\' Daar hadden wij in een en denzelfden nacht een droom,
12       ik en hij; elk had een droom van eeDe bijzondere beteekenis. \' Nu
was daar bij ons een Hebreeuwsche jongeling, een slaaf van den overste
der lijfwacht; hem vertelden wij onze droomen, en hij legde ze ons
13       uit; van ieders droom gaf hij de uitlegging.\' En juist zooals bijons
uitgelegd had, zoo is het gebeurd: mij heeft Farao in mijn rang her-
steld, hem opgehangen.
14           Toen zond Farao om Jozef en ontbood hem; ijlings haalden zij hem
uit den kerker, schoren hem en deden hem andere kleederen aan. Zoo
15       kwam hij tot Farao. \' Deze zeide tot Jozef: Ik heb een droom gehad,
dien niemand kan uitleggen, en ik heb omtrent u vernomen dat gij
Ui een droom slechts hebt te hooren om hem uit te leggen.\' Jozef ant-
17       woordde: Verre van dien! God zal Farao\'s heil aankondigen. \' Farao
sprak dan tot Jozef: In mijn droom stond ik aan den oever van den
18       JN ijl,\' en zie, uit de rivier stegen zeven koeien op, vet van vleesch
19       en schoon van gestalte, en gingen in het oevergras weiden. \' Maar
zie, zeven andere koeien stegen daarna op, zeer schraal en leolijk van
gestalte en mager van vleesch. Kaars gelijken in leelijkheid heb ik in
20       gansch Egypteland niet gezien.\' Die magere en leelijke koeien nu aten
21       de eerste zeven, de vette, op;\' deze kwamen in haar lijf, maar het
was niet te bemerken dat zij in haar lijf gekomen waren: haar uiterlijk
22       was even leelijk als te voren. Hierop werd ik wakker. \' Toen ik mij
weder neergelegd had, zag ik in den droom zeven volle, mooie aren
23       uit éen halm opschieten; \' maar zie, zeven dorre, spichtige, van den
24       oostenwind verzengde aren ontsproten daarna, \' en die spichtige aren
verslonden de zeven goede. Ik heb ze daarop aan de geleerden mede-
25       gedeeld, maar niemand geeft mij inlichting.\' Toen sprak Jozef tot
Farao: De droom van Farao is éen geheel. Wat God gaat doen heeft
2(5 hij Farao medegedeeld. \' De zeven mooie koeien zijn zeven jaren, en
de zeven mooie korenaren zijn zeven jaren; het is eenerlei droom.\'
27       Ook de zeven magere en leelijke koeien, die daarna opstegen, zijn zeven
jaren, en de ledige, van den oostenwind verzengde aren zijn zeven jaren;
28       zeven jaren van hongersnood zullen het zijn.\' Dit is het wat ik Farao
29       zeide: wat God gaat doen heeft hij Farao getoond.\' Zie, zeven jaren
8.    geleerden. Het hiur gebezigde Woord, dat ook Exod. VII : 22 j VIII : 7, 18 v.; Dan. I : 20 ; II : 2
voorkomt, is afgeleid van een woord (heret) dat een .grnvecrstitV betcekont (Exod, XXXII : 4) en dus
leert dat de oudste manier van schrijven was liet inkrassen van leekens in steen, heen uf hout. Hierop
wijst ook het woord voor ,pen\' teet), dat Job XIX : 21; .Ier. XVII : I niet het toevoegsel «ijzeren"
wordt aangetroffen en dus geen riet, maar een metalen grilïel aanduidt. Evenals dit woord Ps. XI.V :
2; Jer. VIII : 8 gebruikt wordt van het voorwerp waarmede men met inkt op dierenhuid of papier
schreef (verg. Num. V : 2!i; Ezech. IX : 21, zoo was ook de alleiding van dat hetwelk ,geleerden\' be-
teekont vergeten.
9.    mijn vergrijp, waarom do koning hem in hechtenis had doen nemen. Zoo spreekt een hoveling,
al is hij zich van zijne onschuld bewust.
13.    Farao. Dr grondtekst heeft hij.
14.    sij schoren, deden — aan, volg. Gr. vert.; Hobr. t. hij schoor, deed - ao». in tijd van rouw
lieten de Kgyptennren hoofd\' en baardnaar groeien. De priesters waren geheel knalgeschoren.
16. Verre van dien! Zie op XIV : 24. Dat droomuitlegging (iods werk is zie XI. : 8. — Jozef onder-
stelt uit hollijkhcid dat do droom den koning heil zal voorspellen.
19, 20. 27. maffer, volg. Gr. vert., in overeenstemming niet vs. 3.
Ti. Toen — had, ingevoegd volgens Gr. vert.
27. sijn seven jaren. Den tweeden keer ingevoegd volg. (ir. vert.
-ocr page 38-
gknkpip XLI : 29—48.
118
30       komen, jaren van grooten overvloed in gansch Egypteland. \' Daarna
zullen zeven jaren van hongersnood aanbreken, waarin al de overvloed
die in Egypteland was vergeten zal worden en de hongersnood het
31       land verteren zal. \' Ja, van den overvloed zal men in het land niets
meer weten, vanwege den hongersnood die daarna zal heersenen; want
32       deze zal zeer zwaar wezen. \' Dat de droom twee keeren aan Farao te
beurt gevallen is, beteekent dat de zaak door God vast besloten is en
33       hij haar weldra zal tot stand brengen\' Dat Farao dan omzie naar een
schrander en kundig man, om hem over Egypteland aan te stellen. \'
34       Farao doe zoo en benoeme bestuurders over het land, om in de zeven
jaren van overvloed het vijfde deel der opbrengst van Egypteland te
3;") heffen; \' zij zullen allerlei levensmiddelen van de eerstvolgende goede
jaren opzamelen en, ter beschikking van Farao, koren opslaan in de
30 steden en het bewaren. \' Zoo zal die mondvoorraad den lande opge-
spaard, blijven voor de zeven jaren van hongersnood die in Egypteland
zijn zullen; opdat het land niet door den hongersnood te gronde ge-
richt worde.
37
          Deze voorslag was goed in het oog van Farao en van al zijne die-
8rf naren.\' En Farao zoide tot zijne dienaren: Zouden wij ergens kunnen
3\'J vinden een man in wien in zulk eeno mate Gods geest is?\' Toen
zeide Farao tot Jozef: Nademaal God u dit alles heeft medegedeeld,
40       is niemand zoo schrander en kundig als gij. \' Gij zult mijne hofhou-
ding besturen, en geheel mijn volk zal naar uw bevel luisteren; slechts
41       de hoogte van den troon zal ik boven u zijn. \' Voorts sprak Farao tot
42       Jozef: Zie, ik stel u over geheel Egypteland aan. \' Toen trok Farao
den ring van zijne eigene hand en stak dien aan Jozefs hand, be-
kleedde hem met fijne linnen kleederen en deed eene gouden keten
43       om zijn hals. \' Dij deed hem rijden in op éen na den besten wagen
dien hij had, terwijl men voor hem uitriep: Knielt! Zoo stelde hij
44       hem over geheel Egypteland. \' Toen sprak Farao tot Jozef: Ik ben
Farao; maar tegen uw wil zal niemand in geheel Egypteland hand
45       of voet oplichten. \' Farao verleende Jozef den naam Safenath 1\'aneah
en gaf hem Azenath, de dochter van 1\'otifera, den priester van Ou,
4(ia tot vrouw. \' Dertig jaar was Jozef oud toen hij voor Farao, den koning
van Egypte, stond.
40& Jozef dan ging van voor het aangezicht van Farao uit en trok ge-
47       heel Egypte door. \' Toen nu het land in de zeven jaren van overvloed
48       volop droeg,\' verzamelde hij allerlei levensmiddelen, gedurende de zeven
jaren dat er overvloed in Egypteland was, en legde hij mondvoorraad op
31. die... zal hecr$rhen, volg. Gr. vert. ingevoegd.
34.    Farao doe zoo, onzekere lezing en vertaling. ~ om ... het vijlde deel.. . te heffen, volg. Sani. t.
35.    ICenx is het door leventtniddelen vertaalde woord weggelaten.
43. wagen. De wagens — eigenlijk karren — der ouden bestonden in den regel uit een bak, die
op de as rustte waardoor de twee eenigc raderen verbonden werden. Wagens met vier raderen zijn
zeldzaam. Soms lag de bak ook op den disselboom. Hij werd door runderen of paarden getrokken. De
sLiatsicwagcns der koningen en de strijdknrren svaren van voren gesloten, van achteren open. Daarop
stonden in het gevecht tweo mannen, de strijder en de wagenmenner, soms nog een derde, die met zijn
schild den strijder dekte, vooral wanneer deze den boog spande. De strijdwagen werd door twee paar-
den getrokken, waarnaast vaak een derde liep, om dienst te doen indien er een viel. — Knielt! on-
zekere vertaling — Zoo itelde hij, volg. Gr. vert.
45. Sa/enath-Paneah, naam van onzekere lezing en betcekenis. Misschien beduidt hij .levensonder,
houder\'; volgens anderen ,de godheid heeft gezegd, dat hij leve\'. — Potifera, ongeveer dezelfde naam
als Poti/ar, XX.WII : 36. — On, cene van oudsher beroemde stad in Heneden-Egypte, bij de (•rieken
Holiopolis, d. i. .Zonnestad\', genoemd, zooals Gr. vert. altijd den naam vertaalt of verklaart. Verg. op
Jez. XIX : 18 en op Jer. XL1II : 13. — Aan het slot van het vers zijn eenigc woorden volg. Gr.
vert. weggelaten.
48. dat — «•«, volg. Sani. en Gr. t.; Hebr. t. dit in Egypteland tcartn.
-ocr page 39-
oknk.<is XLI : 48—X Lil: 2.                                   119
in de steden ; in elke stud legde hij de opbrengst van het veld rondom
49       haar.\' Zoo verzamelde Jozef\' graan, als het zand der zee, in groote
hoeveelheden, totdat men ophield het te meten : het was onbereken-
50       baar.\' Voordat het jaar van hongersnood kwam, werden aan Jozef twee
zonen geboren, die Azenath, de dochter van Potifera, den priester van
51       On, hem baarde.\' Den oudsten noemde Jozef\' Manasse; want — God
heeft mij al mijne moeite en mijne geheele familie doen vergeten.\'
52       Den tweeden noemde hij Efraim ; want — God heeft mij vruchtbaar
gemaakt in het land mijner ellende.
53           Na afloop der zeven jaren van den overvloed die in Egypteland geweest
54       was\' begonnen de zeven jaren van hongersnood aan te breken, zooals
Jozef gezegd had; in alle landen ontstond hongersnood, maar in gansch
55       Egypteland was mondvoorraad. \' Toen geheel Egypteland gebrek kreeg
en het volk tot Farao om brood riep, zeide Farao tot alle.Egyptena-
50 ren: Gaat tot Jozef en doet wat hij u zegt.\' Toen nu in het gansche
land hongersnood heerschte, opende Jozef alle korenmagazijnen en ver-
kocht koren aan de Egyptenaren. Zwaar werd de hongersnood in
57 Egypteland, en alle landen kwamen naar Egypte tot Jozef, om koren
te koopen; omdat de hongersnood in de geheele wereld zwaar was.
50.    het jaar van hongersnood. Bedoeld is het eerste.
51.   Manos-e. LM ware heteekeni* van den naam is onbekend. In het llebreeuwsch wordt het \\verk-
woord in een onmogelijken vorm Rozet, om MOifre klankovereenkomst met het woord Manasse Ie verkrijgen.
5\'.\'. K/raim. De naam heteekenl waarschijnlijk ,\\ ruchtbaar oord\'; hel was die der I\'alestijnsehe land-
streek waarnaar dat deel van het huis Jozef dat er zich neergezet had genoemd\' is.
56. alle korenmagazijnen, onzekere tekstverbetering volg. Sam. en Gr. t.; llebr. t. alle waarin was
5?. a/ie landen, volg. Sam en (ir. t.; Hcbr. t. het gansche land.
HOOFDSTUK XLII, X 1,111.
Jozef* broeders in Egypte. — Jakob zendt zijne zonen naar Egypte om koren te koopcniXI.il:
1—3); alleen Benjamin blijft thuis (I) De broeders komen tot Jozef en buigen zich voor hem neder
(5 v.)j Jozef behandelt hen als verspieders (7—12); bij hunne verdediging maken zij gewag van hun
jongsled broeder (13 v.); waarop Jozef hen gelast, een hunner te zenden om hein te halen (15 v.).
Na hen drie dagen gevangen gehouden te hebben, laat hij hen allen gaan, uitgenomen Simeon, die als
gijzelaar achterblijft < 17—20); de broeders zien in dien tegenspoed cene straf voor hun vergrijp aan
Jozef (21 v.); waarover deze, die hen verstaat, diep ontroerd is (23 v.). Hij
la.it hunne zakken met graan
vullen en het geld er weder in leggen (25); een hunner vindt het zijne daar onderweg (20—18). Zij
verhalen hun wedervaren nan Jakob (19—31) en vinden allen hun gold terug (35); Jakob weigert
Benjamin te laten gaan <3<i); vergeefs biedt Ruben zijne twee zonen ten onderpand (37 v.). De nood
dringt tot herhaling der reis (XI.III:1 v.); maar de broeders weigeren, haar zonder Benjamin te en-
dernemen (J—7); Juda blijft borg voor hem (8-101, en Israël geeft eindelijk zijne toestemming dl—
II); de broeders komen weder vóór Jozef (15). Deze geeft den last, hen in zijn huis Ie brengen (16 v.);
zij verontschuldigen zich over het geld dat zij op de terugreis wedergevonden hadden (18—23), en
worden ontvangen in Jozefs huis (21), waar zij hunne geschenken nanbiedon (25 v.)| hij vraagt naar
den welstand vun hun vader (f7 v.), ontroert op het zien van Benjamin (29—31) en onthaalt hen
allen, vooral Benjamin, rijkelijk (32-31).
II. XI.II is uit De Elohist, 11. XI,lil uit De Jahwist; verg. lol. op II XXXVII. Beide verhalen
loopen in dit gedeelte o. a. hierin uiteen, dat Jozef, volgens De Elohist, zijne broeders, doorSimeonin
hechtenis te houden, dwingen wil om in elk geval, met of zonder Benjamin, terug te komen; terwijl
hij, volgens Do Jahwist, hen verbiedt zich zonder Benjamin weder voor hem te vertoonen; zoodat zij
dan ook niet om Simeon te lossen, maar alleen omdat de honger hen dwingt, naar Egvpte tcrugkeeren.
XLII : 1 Toen Jakob vernam dat in Egypte koren was, zeide hij tot zijne
2 zonen : Wat talmt gij ?\' Ik heb gehoord dat in Egypte koren is; gaat
derwaarts en koopt daar koren voor ons; opdat wij in \'t leven blij-
I. Wat talmt gij) volg. dr. en I.at. vortt.; llebr. t. beteekent misschien Wat tiet gij elkander aan t
\'<!.
In den aanhef is en hij zeide volg. (ir. vert. weggelaten.
-ocr page 40-
(iESEPjs XLII:2—24.
120
3       ven en niet sterven.\' Zoo gingen de tien broeders van Jozef op weg,
4       om graan in Egypte te koopen.\' Maar Benjamin, Jozefs broeder, hem
liet Jakob niet met zijne broeders medegaan; want bij zeide: 11 cm
mocht eens een ongeluk treffen !
5           Israëls zonen nu kwamen koven koopen te midden van de anderen;
8 want de hongersnood heerschte in bet land Kanaiin. \' Jozef nu, de
gebieder des lands, verkocht zelf aan alle inwoners koren. Zoo kwamen
7       zijne broeders zich voor hem ter aarde nederwerpen.\' Zoodra Jozef
zijne broeders zag, herkende bij hen ; maar hij hield zich alsol hij hen
niet kende, sprak hen hard toe en zeide tot hen : Van waar komt gij ?
8       Zij zeiden: Uit het land Kanaiin, om levensmiddelen te koopen.\'Jozef
9       herkende zijne broeders wel, maar zij hem niet. \' Toen herinnerde zich
Jozef wat bij van hen gedroomd bad, en hij zeide tot hen : Gij zijt
10       verspieders; gij komt zien waar het land open ligt. \' Zij zeiden tot
hom : Neen, heer, uwe kneebten zijn gekomen om levensmiddelen te
11       koopen.\' Wij zijn allen zonen van een en denzelfden man; wij zijn
12       eerlijke lieden; uwe knechten zijn geen verspieders. \' Hij zeide tot hen:
13       Onwaar! Gij komt zien waar het land open ligt.\' Zij zeiden : Twaalf
in getal waren uwe knechten, broeders, zonen van een en denzelfden
man, in het land Kanaiin; de jongste is nu bij onzen vader, en die
14       ander is niet meer. \' MiTar Jozef zeide tot hen : Het is zooals ik u
lf> gezegd heb: gij zijt verspieders.\' Hieraan zult gij getoetst worden. Zoo
waar als Farao leeft! gij zult van hier niet vertrekken tenzij uw
10 jongste broeder herwaarts komt.\' Zendt een van u om uw broeder
te balen, terwijl gij gevangen blijft; opdat uwe woorden getoetst wor-
den, of gij waarheid gesproken hebt. Zoo niet, zoo waar als Farao
leeft! dan zijt gij verspieders.
17
          Hij zette hen dan met elkander drie dagen in verzekerde bewaring, \'
1<S en zeide den derden dag tot hen : Doet het volgende, om uw leven
19       te redden ; ik vrees God. \' Indien gij eerlijke, lieden zijt, laat dan een
van u in de gevangenis blijven, terwijl gij heengaat met koren, tot
20       levensonderhoud voor uwe gezinnen;\' dan moet gij uw jongsten broe-
der bij mij brengen, opdat uwe woorden gestaafd worden en gij niet
21       sterft. Zij gingen op dien voorslag in\' en zeiden tot elkander: Waar-
lijk, wij hebben dit verdiend aan onzen broeder, wiens zielsbenauwd-
heid wij hebben aangezien toen hij ons smeekte en wij hem geen
22       gehoor gaven. Daarom komt deze benauwdheid over ons.\' Toen ant-
woordde hun Uuben : Ik heb u immers wel gezegd: Bezondigt u niet
aan den knaap. Maar gij hebt niet geluisterd. Zie, nu wordt zijn bloed
23       thuis gezocht.\' Zij nu wisten niet (lat Jozef hen verstond ; want zij
24       spraken met hem door middel van een tolk.\' En hij keerde zich om,
ging heen en weende. Daarna kwam hij tot hen terug, sprak met
6. Zoo kwam ile eerste droom, XXXVII: 7. uit.
II. Volgens \\I.III:T ha<l Joüf hen naar hunne familie en hun vnder gevraagd. Maar het verhaal
waarin dit stond wordt hier niet gevolgd.
16. Wat do broeders tegen den voorslag Itenjamin te halen, vs 10 V.gewijzigd herhaald, inbrachten,
dut hun vuder te bezorgd was voor Henjamin, staat niet hier, wel XI.IV: H ; verg. o|> vs. II.
18. ik rrtct God. en wil u daarom niet te hard behandelen.
20. Zij — in, letterlijk Zij deden aldus.
tl. zieltbenaufdheid, benauwdheid. Met opzet wordt hetzelfde woord gekozen om aan te duiden,
dut niet alleen hun vergrijp gestraft werd, maar de aard der straf ook nauwkeurig met den aard
van het vergrijp overeenkwam, (iod handelde volgens hen naar den regel van Exod. XXI: 23—25. —
lo«i — paven. Hiervan staat in II. XXXVII niets.
22. Verg. NXXVII :2I, waar Kuben eigenlijk niet zoo ver gegaan was.
23 zij — tolk, lettel lijk een tolk ir«.« tutxehen hen.
24. Simeon. Waarschijnlijk lam de schrijver Juist dezen als gevangene achterblijven omdat hij na
KubcD de oudste was en deze minder schuld had dan de overigen.
-ocr page 41-
gbnbbib XLII : 24—XLIII : 3.
121
hen en liet Simeon uit hun midden wegnemen en voor hunne oogen
in boeien slaan.
25
          En Jozef beval, dat men hunne zakken met graan vullen, ieders
geld in zijn zak leggen en hun teerkost voor de reis verstrekken zou.
2li Zoo deed hij hun. \' Zij tilden hun koren op hunne ezels en vertrok-
27       ken. \' Maar toen éen hunner zijn zak opende, om in de herberg zijn
ezel te voederen, zag hij waarlijk zijn geld bovenop in den korf\' lig-
28       gen, \' en hij zeide tot zijne broeders: Mijn geld is er weder; zie, het
ligt in mijn korf! bestorven van schrik, zeiden zij tot elkander: Wat
heeft God ons nu gedaan!
29           Bij hun vader Jakob in het land Kanaiin aangekomen, deelden zij
30       hem al hun wedervaren aldus mede:\' De man die heer van het land
is heeft ons hard toegesproken en ons als verspieders des lands in
31       hechtenis genomen.\' Wij zeiden tot hein: Wij zijn eerlijke lieden en
32       geen verspieders;\' wij waren twaalf broeders, zonen van éen vader;
die éene is niet meer, en de jongste is bij onzen vader in het land
33       Kanaiin.\' Daarop zeide die man, de heer des lands, tot ons: Hieraan
zal ik weten dat gij eerlijke lieden zijt. Laat dien eenen van u bij
mij achter en neemt mondvoorraad voor uwe gezinnen mede, gaat
34       dan \' en brengt uw jongsten broeder bij mij; opdat ik wete dat gij
geen verspieders zijt. Indien gij eerlijke lieden zijt, zal ik uw broeder
weder aan u uitleveren en moogt gij vrij in het land rondtrekken.
35           Toen zij nu hunne zakken ledigden, was ieders geldbuidel in zijn
30 zak; en bij het zien daarvan werden zij en hun vader bevreesd. \' En
hun vader Jakob zeide hun: Gij berooft mij van kinderen! Jozef is
weg, 8imeon is weg, en Benjamin wilt gij wegnemen. Alles spant
37       tegen mij samen.\' Nu zeide Ruben tot zijn vader: Gij moogt mijne
beide zonen dooden als ik hem niet weder bij u breng. Vertrouw hem
38       mij toe, en ik zal hem u terugbrengen.\' Maar hij zeide: Mijn zoon
gaat niet met u mede; want zijn broeder is dood, en hij is alleen
overgebleven. Overkwam hem een ongeluk op de reis die gij gaat
ondernemen, dan zoudt gij mijne grijsheid in jammer in het dooden-
rijk doen nederdalen.
XL1I1 : 1,2 Maar de hongersnood was zwaar in het land,\' en toen zij het
koren dat zij uit Egypte hadden medegebracht opgebruikt hadden,
zeide hun vader tot hen: Gaat weder voor ons een weinig levens-
3 middelen koopen. \' Maar Juda zeide tot hem: Die man heeft ons nadruk-
27 v. Ken zoor verward bericht, zooaU uit liet gebruik der woorden zak en korl(\\n hut Habreeuwsch
een ander wuord vuur zak) blijkt. De oorzaak is deze. In De Jahwist wns verhaald, lioe Jozef het
geld in de korven zijner broeders had duen I.- •:_-.• 11 en zij het in de herberg allen daarin terugvonden ;
immers, nadat éen hunner het dnar aangctrnll\'en had, was het niet meer dan natuurlijk dat zij allen
hunne korven gingen onderzoeken, te eer daar zij allen hunne dieren voederen moesten. Zoo staat het
ook XLIII : 21. In De Eloliist daarentegen vonden de broeders eerst na hun terugkeer bij Jakob hun
geld terug, en wel bij het ledigen hunner zakken, vs. 35. Vroeger waa hot ook niet noodig geweest
dat zij hunne zakken openden, omdat Jozef hun, volgens dezen vorhaler. teerkost niedegegeven had;
vs. 25. De samensteller van het Üudc-Sagenboek laat, in zijne zucht om van beide berichten zooveel
mogelijk to behouden, van het Jahwislisehe alleen staan wat wij hier lezen: dat een der broeders het
geld in de herberg boven in den korl\' vindt en zij allen daarop elkander verschrikt aanzien; maar
laat hen daarna allen hun geld thuis onder in hunne zakken vinden.
27. herberg. Herbergen waren in het Oosten oudtijds evenmin onbekend als nuj maar men kon er
in den regel niets anders vinden dan nachtverblijf voor mense.h en dier; de reizigers zelven moesten
voor spijs en andere rcisbenoodigdheden zorgen.
18. Bettorren van schrik, letterlijk En hun hart ging uit, en zij schrikten.
30 in hechtenis genomen, volg. Gr. vert.
35. Zie op 27 v.
37. Ruben, die ook XXXVII : 21 V. voor Jozef was opgekomen; verg. vs. 22. Volgens XI.III : 8—10
doet Juda een dergelijk voorstel. — mijnt beide zonen. Volgens deze plaats had hij twee, volgens XI.VI:
9 vier zonen.
-ocr page 42-
gknkpih XL1II : 3—22.
isa
keiijk gewaarschuwd: Gij zult mij niet meer te zien krijgen tenzij
4       uw broeder bij u is.\' Indien gij onzen broeder met ons laat medegiian,
5       dan zullen wij henentrekken en voor u levensmiddelen koopen;\' maar
indien gij hem niet laat medegaan, dan vertrekken wij niet; want die
man hoeft ons gezegd: Gij zult mij niet weder te zien krijgen tenzij
f) uw broeder bij u is.\' Israël zeide: Waarom hebt gij mij dit aangedaan,
7       dien man te vertellen dat gij nog een broeder hadt.\'\' Zij zeiden: Uit-
drukkelijk heeft die man naar ons en onze afkomst gevraagd ; hij zeide:
Is uw vader nog in leven? Ilebt gij nog een broeder? Wij hebben
slechts die vragen beantwoord. Konden wij dan weten dat hij zou
zeggen: Brengt uwen broeder hier?
8           Eu Juda sprak tot zijn vader Israël: Geef mij den knaap mede, en
laten wij ons opmaken en heengaan; opdat wij in het leven blijven
!• en niet sterven, wij en gij en onze kinderen.\' Ik blijf borg voor hem;
van mij kunt gij hem terugeischen. Indien ik hem niet bij u terug-
breng en weder voor uwe oogen plaats, mag ik levenslang als een
10       zondaar vóór u staan. \' Hadden wij niet zoo getalmd, dan zouden wij
11       nu reeds tweemaal teruggekeerd zijn.\' Toen zeide hun vader Israël
tot hen: Als het zoo zijn moet, doet dan toch het volgende: neemt
van de vruchten des lands in uwe zakken mede en brengt dien man
een geschenk: een weinig balsem en honing, wierook en gom, pimper-
12       noten en amandelen. \' Neemt dezelfde geldsom met u en brengt het
geld dat boven in uwe korven weder medekwam terug; misschien is
18 het eene vergissing.\' Neemt dan uwen broeder, maakt u op en keert
14       naar dien man terug.\' God de Machtige geve u, barmhartigheid bij
dien man te vinden, dat hij uw anderen broeder en Benjamin weder
met u late trekken. Wat mij aangaat, als ik kinderloos word, dan
15       word ik het maar!\' Zoo namen die mannen dat geschenk, de dubbele
geldsom en Benjamin mede, maakten zich op, trokken af naar Egypte
en stonden weder voor Jozef.
16           Zoodra Jozef hen en Benjamin zag, zeide hij tot dengene die over
zijn huis gesteld was: Breng die mannen binnen, slacht de noodige die-
ren en recht een maaltijd aan; want die mannen zullen van middag bij
17       mij eten. \' De man deed zooals Jozef gelast had en bracht hen in het
18       huis van Jozef.\' En zij werden bevreesd omdat men hen naar Jozefs
huis bracht en zeiden: Om het geld dat den vorigen keer in onze
korven is teruggekomen brengt men ons naar binnen, om ons te over-
rompelen, op ons aan te vallen en ons tot slaven te maken, met onze
15) ezels.\' Daarom traden zij op den man die over Jozefs huis gesteld was
20       toe\' en zeiden tot hem vóór het huis: Och heer! Wij zijn den eersten
21       keer hierheen afgekomen, om levensmiddelen te koopen,\' en toen wij
in de herberg kwamen en onze korven openden, was ieders geld boven
in zijn korf, ons eigen geld, naar het volle gewicht. Dit hebben wij
22       nu weder medegebracht, \' terwijl wij ander geld medegenomen hebben
om levensmiddelen te koopen. Wij weten niet, wie ons geld in onze
/. Volgens XI.11 : 10—13 hebben zij alles verteUl zonder uitgevraagd te zijn.
s. Juda steil lich hier borg voor Hcnjamin, Moall hij XXXVÜ : 26 v. van Jozef liet leven ge-
rcil had.
11. baltem, wierook, gom. Verg. op XXXV11 : 25. — honing. Zie op Exod. 111 : 8. — pimpernolen,
de vruchten van den pistauiaboom, eene soort van lereliinl. /.ij zijn iets grooter dan hazelnoten, met
een oliehoudende kern van fijnen smaak. In Palestina kwam de boom oudtijds zeker meer voor dan
thans; de stad Hclhonim, in net land der Oadieten ;Joz. XIII : 2fi>, heet naar die vruchten.
14. «ie anderen broeder, Simeon, die hier en vs. 23 uit het verhaal van De Elohist in dat van Oe
Jahwist is overgenomen.
16. Am en, volg. Satn. en Gr. t.; Hebr. t. bij hen.
11. Anders XLÏI : 17 v.. 35.
-ocr page 43-
GBNBSI8 XLIII : 22—34.                                     123
23       korven gelegd heeft \' Hij zeide: Geluk er mede ! Vreest niets. De god
van u en uw vader heeft voor u heimelijk een schat in uwe korven
gelegd. Uw geld is in mijne handen gekomen. Voorts bracht hij Simeon
24       uit den kerker bij hen.\' Vervolgens leidde do man hen in Jozefs huis,
verstrekte hun water, om hunne voeten te wasschen, en voeder voor
25       hunne ezels.\' En zij zetten het geschenk gereed, in afwachting van
Jozefs komst, in den middag; want zij hoorden dat bij daar den maal-
tijd zou houden.
2<>          Toen dun Jozef in huis kwam, brachten zij het geschenk dat zij bij
27       zich hadden in huis en wierpen zich voor hem ter aarde neder.\'Hij
vroeg naar hun welstand en zeide: Is uw vader wel, de grijsaard van
28       wien gij mij gesproken hebt? Leeft hij nog\'! \' Zij zeiden :Uw dienaar,
onze vader, is wel; hij leeft nog. Hij sprak : Gezegend zij die man
^9 door God! waarop zij bogen en zich ter aarde nederwierpen.\' Toen hij
zijne oogen opsloeg en zijn broeder Benjamin, den zoon zijner moeder,
zag, zeide hij: Is dit uw jongste broeder, van wien gij mij gesproken
30       hebt? Hij zeide: God zij u goedgunstig, mijn zoon!\' Daar Jozefs bin-
nenste brandende werd over zijn broeder, zocht hij ijlings gelegenheid
31       om uit te schreien. Zoo ging hij in eene kamer en weende er.\' Daarna
wiesch hij zijn gelaat, kwam weder de kamer uit, bedwong zich en
32       zeide: Zet spijs op.\' Men rechtte voor hem, voor hen en voor de
Egyptenaren die bij hem aten afzonderlijk den maaltijd aan ; de Egyp-
tenaren toch mogen niet met de Hebreen eten; want dit is iets af-
88 ««huwelijks voor de Egyptenaren.\' En zij zaten vóór zijn aangezicht,
de oudste en de jongste, elk naar zijn leeftijd; verbaasd zagen de
34 mannen elkander aan.\' Men bracht hun portiën van de gerechten die
vóór hem stonden, en Benjamins deel was vijfmaal zoo groot als dat
van elk ander. Voorts dronken zij en werden beschonken met hem.
23. Geluk er mede! letterlijk Heil of vrede over u! Een beloofde nanhef, die vim vriendschappelijke
gezindheid getuigde. — De — ijelegd. Dat waarvan men de herkomst niet kende werd de gave van
een god genoemd. — Voorti — hm. Iets te vroeg, want de broeders staan nog vóór het huis, is dit
uit De Elohist in het Juhwisiisch verhaal Ingevoegd; verg. op vs. II.
25. hy ...zou, volg. Cr. vort.; Ilebr. t. zij ...zouden.
28. Hij — God.\' ingevoegd volg. Snm. en Gr. t.
32. Of Jozef alleen om zijn hnogen rang niet met de overige Egyptenaren mocht aanzitten, dan
wel omdat hij een llobreer van afkomst was, of omdat hij. als gehuwd man met de dochter van een pries-
ter, gerekend werd tot de priesterkaste te bebooren, blijkt niet.
34. Men bracht, volg. Gr. vort.; Ilebr. t. Hij bracht. — Benjamins deel. Een geiierde gast kreeg
de grootste en schoonste stukken; vorg. 1 Sum. IX:t3v. — vij/maal. liet getal vijf wordt enkele
keeren (Lev. XXVI: 8; 1 Sam. XVII:40; XXI:3; 2 Kon. VII : 13; Jcz. XXX: 17; Lne XIV:l!l
enz.) als rood getal voor ,,eenige" gebruikt, liet golal der vingers van éene hand gaf hiertoe nanlei.
ding. — teerden beschonken. Dit wordt es\'cnmin tut blaam van Jozef en zijne broeders gezegd als IX :
21 tot schande van Noach. maar alleen om den overvloed vanden maaltijd te kenschetsen. Verg. XLX: 12.
HOOFDSTUK XI.1V, XI.V.
De teruggevonden broeder. — Op Jozefs bevel wordt wederom in do korven dor broeden liet geld,
in dien van Benjamin daarenboven Jozefs wichelaarsbeker gelegd (XLIV:1 v.i; door den bode die de
broeders op de huisreix achterhaalt wordt deze gevonden; waarop zij allen urugkeeren (3—13). Ben-
jnmin wordt door Jozef tot Blavernij veroordeeld (H—17); maar Juda biedt zich zclven in zijne plaats
aan (18—34). Jozef maakt zich aan zijne broeders bekend (XLV:1—3o), st\'dt hen, dsar zij bevreesd
zijn, gerust, en beveelt hen, zijn vader te halen en met al de hunnen naar Egypte te verhuizen (36—
15i. Farao bevestigt dien last, met milde beloften (Ui—20). De broeders reizen, rijk begiftigd, naar
Kanaiiu (21-21). Als Jukoli eindelijk geloof slaat aan hunne uicdedeolingcn, besluit hij naar Egypte
te verhuizen (2">—28).
II. XI.IV, waarin Juda zoozeer op den voorgrond treedt, is uit De Jahwist. Ook in XLV vin-
den wij dit geschrift terug ; want dat Jozef door zijne broeders verkocht is (ve. 4 v.), behoort hier tehuis.
-ocr page 44-
124
GKNB8IS XLIV : 1—20.
Maar het gebruik van de namen God (vs. 5, 7, 8, 9) en Jakob (vs. 25. ï<), die in De Jahwist, ook
hier vs. 28 weer, Israël heet, toont dat het grootste gedeelte van het hoofdstuk aan De Elohist ont-
leend is, uit welk werk waarschijnlijk ook in II. XI,IV het een en ander is overgenomen.
XLIV: 1 Vervolgens beval Jozef\' den man die over zijn huis gesteld was:
Vul de korven dier mannen niet levensmiddelen, zooveel zij kunnen
2 dragen, en leg ieders geld boven in zijn kort\'. \' Ook moet gij mijn
beker, den zilveren, boven in den korf van den jongsten leggen, met
het geld voor zijn koren. Hij deed naar het bevel dat Jozef gegeven
\'6 had, \' en bij het aanbreken van den morgen liet men hen met hunne
4       ezels trekken. \' Toen zij echter de stad uit, maar nog niet ver van
haar verwijderd waren, zeide Jozef tot den man die over zijn huis ge-
steld was: Maak u op, zet hen achterna, en als gij hen ingehaald
hebt, zeg dan tot hen : Waarom hebt gij goed met kwaad vergolden ?
5       waarom mij den zilveren beker ontstolen?\' Het is nog wel die, waar-
uit mijn heer drinkt en waaruit hij zelf de toekomst voorzegt! Gij
(i hebt een slecht stuk bedreven. \' Toen hij hen had ingehaald, bracht
7       hij hun deze woorden over; \' waarop zij tot hem zeiden : Waarom
spreekt mijn heer aldus? God beware uwe dienaren, zoo iets te doen!\'
8       Wij hebben immers het geld dat wij boven in onze korven gevonden
hadden u uit liet land Kanaiiu teruggebracht, en zouden wij dan uit
\'.) het huis van uwen beer zilver of goud stelen?\' Hij bij wien het ge-
vonden wordt mag sterven, en bovendien zullen de overigen van ons
10       slaven van mijn heer zijn.\' Bij zeide: Welaan, naar uwe woorden zal
11       het zijn.\' Toen zette ieder ijlings zijn korf op den grond neder en
12       opende dien, \' en hij onderzocht ze, te beginnen bij den korf\' van den
oudste en eindigende bij dien van den jongste, en de beker werd in
13       den korf van Benjamin gevonden.\' Toen scheurden zij hunne kleede-
ren, ieder bevrachtte zijn ezel wedor, en zij keerden naar de stad terug.
14           Zoo kwamen Juda en zijne broeders in het huis van Jozef, terwijl
15       hij zich daar nog bevond, en vielen voor hom ter aarde.\'Jozef nu zeide
tot hen: Wat is dat voor een stuk dat gij bedreven hebt ? hegreept
gij niet , dat een man als ik dit door waarzeggerskunst zeker bemer-
16\' ken zou?\' Juda zeide: Wat zullen wij mijnen heer zeggen en te onzer
rechtvaardiging in het midden brengen? God heeft de schuld uwer
dienaren uitgevonden. Zie, wij zullen de slaven van mijn heer zijn,
17 zoowel wij als hij bij wien de beker gevonden is.\' Maar hij zeide:
God beware mij daarvoor! De man bij wien de beker gevonden is, die
zal mijn slaaf\' worden; maar gij kunt ongedeerd naar uwen vader gaan.
. 18          Nu trad Juda op hem toe en sprak : Och heer! laat uw dienaar
een enkel woord tot mijn heer spreken, en uw toorn ontbrande niet
19       tegen uwen dienaar; want gij zijt groot als Farao. \' Toen mijn heer
20       zijne dienaren vroeg: Hebt gij nog een vader of een broeder?\'zeiden
wij tot mijn heer: Wij hebhen een hoogbejaarden vader en een kleinen
I. Waarom mij — ontstolen, ingevoegd volg. Gr. en Syr. vertt.
5. de toekomst voorzegt. Hij deze waarzeggerij, die bij verschelden volken in gebruik was, ging men
aldus te werk: men goot water in een schotel of beker en wierp daarin stukjes goud, zilver of van
eenigo andere schitterende stof, om uit de figuren die aldus ontstonden het verborgene op te maken.
10. In grondt, volgt nog diegene bij wien de beker gevonden wordt zij mijn slaaf; maar gij zult
voor onschuldig gehouden worden;
wat wellicht, met eenigo wijzigingen, aan vs. 17 ontleend is.
16. Juda cciile. Juda trad in het oorspronkelijke verhaal eerst vs. 18 op den voorgrond, terwijl
hier de broeders spraken ; waarschijnlijk voegde de samensteller van hetüude-Sngenboek hem hier in.
— God — uilgevonden, /ij verklaren zich hiermede niet voor schuldig aan don diefstal, maar erken-
ncn het gebeurde als eene pijnlijke beschikking Ciods over hei): God liet hen zoo voor andere over-
tredingen boeten.
20. een kleinen knaap. Benjamin wordt hier, zoonis in het gchcele verhaal, als zeer jong voorgesteld.
Uoch Jozef wnsderticn jaar in Egypte als slaaf geweest (XXXVII :2; XLI : 46),daarna meer dan zeven
-ocr page 45-
oenesis XLIV : 20—XLV : 7.                                125
knaap, een kind des ouderdoms en, daar zijn broeder is gestorven, den
eenig overgeblevene zijner moeder; zijn vader houdt veel van hem. \'
21       Gij zeidet tot uwe dienaren: Brengt hem tot mij ai\'; opdat ik mijne
22       oogen op hem sla.\' Wij zeiden daarop tot mijn heer: De knaap kan
23       zijn vader niet verlaten; verlaat hij zijn vader, dan sterft deze. \' Maar
gij zeidet tot uwe dienaren : Indien uw jongste broeder niet met u
24       herwaarts komt, wordt gij niet weder bij mij toegelaten. \' Wij dan,
bij uwen dienaar, mijn vader, gekomen, deelden hem mede wat mijn
25       heer gezegd had,\' en toen onze vader zeide: (iaat weder voor ons
2li eenige levensmiddelen koopen — \' zeiden wij: Wij kunnen niet naar
Egypte afgaan. Als onze jongste broeder bij ons is, zullen wij gaan;
want wij kunnen niet weder tot dien man toegelaten worden indien
27       onze jongste broeder niet bij ons is. \' Hierop zeide uw dienaar, mijn
vader, tot ons: (lij weet dat mijne vrouw mij twee zonen gebaard
28       heeft.\' De eene ging van mij weg, en ik heb gedacht: hij is zeker
29       verscheurd; ik heb hem nooit wedergezien. \' Indien gij ook dezen van
mij weghaalt en hem een ongeluk overkomt, dan zult gij mijne grijs-
80 beid in onspoed in het doodenrijk doen nederdalen.\' Als ik dan bij uwen
dienaar, mijn vader, kom en de knaap is niet bij ons, terwijl hij zoo
31       innig aan hein verkleefd is,\' en hij ziet dat de knaap er niet is, dan
sterft hij, en uwe dienaren zullen de grijsheid van uwen dienaar, onzen
32       vader, in jammer in het doodenrijk doen nederdalen. \' Want ik, uw
dienaar, ben voor den knaap bij mijn vader borg gebleven; ik heb ge-
zegd: Als ik hem niet bij u terugbreng, zal ik levenslang als zondaar
33       vóór mijn vader staan.\' Och, laat daarom uw dienaar in plaats van den
knaap als slaaf van mijnen heer achterblijven, en laat den knaap met
34       zijne broeders naar huis trekken;\' want hoe zou ik naar mijn vader
gaan terwijl de kntiap niet bij mij is? Ik zou den rampspoed niet
kunnen aanzien die mijn vader zou treilen.
XLV : 1 Nu kon Jozef zich niet meer inhouden voor al de omstanders.
Daarom riep hij: Laat iedereen heengaan ! Zoodat niemand bij hem
2       was toen Jozef zich aan zijne broeders bekend maakte. \' In luid geween
barstte hij uit, zoodat de Egyptenaren en ook het huis van Farao het
3       hoorden.\' En Jozef zeide tot. zijne broeders: Ik ben Jozef! Leeft mijn
vader nog? En zijne broeders konden hem niet antwoorden; want zij
4       deinsden verschrikt van hem terug.\' Doch Jozef zeide tot zijne broe-
ders: Nadert mij toch. En toen zij naderden, zeide hij: Ik ben uw
5       broeder Jozef, dien gij naar Egypte verkocht hebt.\' Maar weest niet
bedroefd, en laat het niet pijnlijk voor u zijn dat gij mij hierheen
hebt verkocht; want God heeft mij voor u uit gezonden als een levens-
(i redder.\' De hongersnood toch heerscht nu twee jaren in het land, en
7 nog vijf jaren lang zal er geploegd noch geoogst worden. \' Daarom
heeft God mij voor u uit gezonden, om te zorgen dat van u iets over-
jaren als landsbestuurder (XLI : 53 vv.); zoodnt Benjamin, onk al was hij pas omstreeks het tijdstip
van Jozefs verdwijning geboren, wat XXXV : 19, 21 niet onderstelt, minstens een en twintig jaar oud
was. Toch zijn al deze opgaven waarschijnlijk van denzelfden verhaler, althans door éen, den snmcn-
steller van het Oude-Sngenlinek. bijeengevoegd, die zich dus in dit geval om den tijd weinig bekom*
melde. In XI.VI : 21 is Benjamin zelfs reeds vader van tien gonon : de lijst van Jukobs afstammelingen
waarin dit staat is evenwel van een veel jonger schrijver.
21. Volgens XI.II : 33 v. wilde Jozef, dat zij Benjamin hij hem brachten om de waarheid hunner
woorden te slaven.
29. Verg. Xl.ll : 38.
32. Want. Mijn vader rekent vast op zijne terugkomst, omdat ik voor hem borg sta.
3. Leeft — nogt Waarschijnlijk aan De Klohist ontleend, in wiens verhaal de herhaalde vermel-
ding van zijn vader niet zoo vlak aan de ontdekking voorafging als hier.
5. alteen leveimredder. volgens veranderde klinkers; Hehr. t. tot levensonderhoud.
<
-ocr page 46-
grnksis XLV : 7—28.
120
8       blijve op aarde en een groot aantal in het leven behouden worde. \' Dus
hebt niet gij mij hierheen gezonden, maar God; en hij heeft mij tot
een vader van Farao gemaakt, heer over zijn gansche huis en gebieder
9       in geheel Egypteland.\' Reist met spoed naar mijn vader en zegt hem:
Zoo zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot heer over geheel Egypte
10       gemaakt; kom tot mij af, talm niet.\' Gij kunt in het land Goosjen
wonen en zult dicht bij mij zijn. met uwe kinderen en kindskinderen,
11       uw klein vee en runderen, en al wat gij bezit. \' Ik zal u daar onder-
houden; want nog vijfjaren zal er hongersnood wezen; ik zal zorgen
12       dat gij niet met uw gezin en al wat gij hebt verarmt. \' Gij en mijn
13       broeder Benjamin ziet niet eigen oogon dat ik zelf tot u spreek.\' Gij
zult dan aan mijn vader verhalen van al de eer die mij in Egypte
is te beurt gevallen, en van al wat gij gezien hebt; en gij zult met
14       spoed mijn vader hierheen afbrengen. \' Toen viel hij zijn broeder Ben-
jamin weenend om den hals, terwijl Benjamin, aan zijn hals hangende,
15       weende.\' Ook kuste hij al zijne broeders en weende, hen omhelzende;
daarna spraken zijne broeders met hem.
16           Toen tot Farao\'s huis het gerucht doordrong: Jozefs broeders zijn
17       gekomen, was dit Farao en zijnen dienaren aangenaam.\' Daarom sprak
Farao tot Jozef: Zeg aan uwe broeders: Zoo moet gij doen: belaadt
18       uwe dieren en reist naar het land Kanaüu;\' neemt uwen vader en
uwe gezinnen mede en komt tot mij. Dan zal ik u het goede van
Egypteland geven, zoodat gij er het vette des lands genieten kunt.\'
1U En gij, gelast hun: Doet aldus: neemt uit Egypteland wagons mede
voor uwe kleine kinderen en vrouwen, en voert uw vader met u her-
20       waarte.\' Ontziet uw huisraad niet; want het beste dat Egypteland
oplevert zal voor u zijn.
21           Israëls zonen deden alzoo, en Jozef gaf hun wagens, volgens het bevel
22       van Farao, en teerkost voor de reis. \' Aan elk hunner schonk hij een
stel kleederen, maar aan Benjamin driehonderd zilverlingen en vijf
23       stel kleederen. \' En voor zijn vader zond hij insgelijks een geschenk:
tien ezels die goede gaven van Egypte, tien ezelinnen die graan en
24       brood droegen, en mondvoorraad voor zijn vader op reis. \' Zoo liet
Jozef zijne broeders gaan, en zij reisden af; hij zeide hun nog: Maakt
u onderweg niet angstig.
25           Zij togen dan uit Egypte en kwamen in het land Kanaiin bij hun
2fi vader Jakob. \' Toen zij hem verhaalden: Jozef leeft nog, en dat hij
heerscher over gansch Egypteland was — verstijfde zijn hart; want hij
27       geloofde hen niet.\' Maar toen zij hem al de woorden die Jozef tot hen
gesproken had overbrachten, en hij de wagens zag die Jozef gezonden
had om hem te vervoeren, leefde de geest van hun vader Jakob weder
28       op.\' En Israël zeide: Genoeg! Mijn zoon Jozef leeft nog; ik wil hem
gaan zien voordat ik sterf.
8. rader. Zie op Richt. XVII : 10.
10. Qootjen, dat gedeelte van Benedcn-Egypte, ten oosten van den Nijl, hetwelk grensde aan de
woestijn, ten westen van het hedendaagsche kanaal van Suez. Verg. op Kxod. I : 11.
13. Ilt-i/.elt\'de was vs. 9 reeds gezegd.
1\'.\'. getast huii, gedeeltelijk volg. (ir. vert.; Hebr. t. yij zijt gelatt.
20. Ontziel — niet. Verbruikt het zonder hartzeer, of laat achter wat van de reis voel te lijden
zal hebben of moeilijk vervoerbaar is.
2t. driehonderd zilverlingen, ongeveer / 510.
25. in het tand Kanaiin. In welke plaats Jakob volgens dezen schrijver woonde, weten wij niet.
Da laatste woonplaatsen van Jakob die hij vermeldt vinden wij XXXV : 20 v.
-ocr page 47-
QKNiBis XLVI : 1—11.                                      127
HOOFDSTUK XI.VI : l-XI.VII : 27.
Jakob in Egypte. - Israël, door zijn god to Bersjeba bemoedigd, gaat niet al tic zijnen naar Egyp\'.c
(XI.VI : 1—7). Uc namen zijner zonen en kleinzonen, met hem /.elven mciie zeventig in geial (8—27).
In Goosjen gekomen, wonlt hij door Jozef begroet (28—30). Deze raailt zijnen broeders, wat zij den
koning moeten zeggen, om vergunning te krijgen tot verblijf in Goosjen (31—31); hij stelt vijf van
hen aan den koning voor, die hem veroorlooft hun eene woonplaats in Goosjen nante \\vijzen(XI.VII:
1—5). Jakob komt met zijne zonen in Kgypte en erlangt, zonder het te vragen, van den koning ver-
gunning zich in het besle deel des lands Ie vestigen (0) ; Jakob zelf heeft een gehoor bij den koning
en zegent hem (7—10); Jozef doet zijne broeders in Goosjen, in den omtrek van Knamses, wonen (II).
Terwijl Jozef do zijnen vun het noodige voorziet, moeten do Kgyptonaren, door honger gedreven, hun
geld, hun vee, hun land, eindelijk hunne vrijheid, voor levensmiddelen geven; waardoor geheel Egypte
eigendom des konings wordt, uitgenomen het land der priesters (12—22); Jozef geeft den grond aan
het volk terug, op voorwaarde dat liet ten vijfde van tien oogst aan den koning opbrenge (23-26).
Zoo is Israël en zijn geslaeht in Goosjen gekomen (27).
Stukken uit verschillende verhalen volgen hierop elkander. Terwijl XI.VI : 1—5 grootendecls uit
De Elohist is, is vs. 6 v. aan Ezra\'s Wetboek ontleent), terwijl vs. 8—27 een nog jonger toevoegsel is,
van iemand die de opgave Exod. I : 5, dat Jakobs zonen en kleinzonen zeventig man sterk waren,
uitwerkte. Over hetgeen in die verzen duister en verward is zie de aantt. UU De Jahwist is XI.VI:
28—XI.VII : 5; en toen aan dit verhaal XLVII : 6—10, uit Ezra\'s Wetboek, werd gehecht, gaf dit een
z\'mj verwarden teksl, dat later een paar regels omgezet en eenige woorden uitgelaten moesten worden
(zie t. pi.). XLVII : 12—26 eindelijk is zeer waarschijnlijk aan het Oude-Sagenboek ontleend; maar wie
de zegsman van den samensteller was, is onzeker.
XLVI : 1 Israël brak mot al de zijnen op on kwam te Rersjeba, waar hij
2       offeranden bracht aan den god van zijn vader Izaiik. \' En God zeide
tot Israël in een nachtgezicht: Jakob, .lakob! Hij zeide: Hier ben ik. \'
3       Toen zeide hij: Ik ben God, de god van uwen vader. Vrees niet naar
Egypte te gaan; want ik zal u aldaar tot een groot volk maken.\'
4       Ik zelf zal met u naar Egypte afdalen, en n ook zeker weder van
5       daar opvoeren, en Jozef zal zijne hand op uwe oogen leggen. \' Zoo
maakte Jakob zich op uit Rersjeba, en Israëls zonen vervoerden hun
vader Jakob, benevens hunne kinderen en vrouwen, op de wagens die
6       Farao om hem te vervoeren gezonden had. \' Ook namen zij hun vee
mede en de have die zij in het land Eanaiin verworven hadden. Zoo
7       kwam Jakob met al zijn kroost in Egypte. \' Zijne zonen en kleinzonen,
zijne dochters en kleindochters en al zijn kroost bracht hij mede in
Egypte.
8           Dit zijn de namen van Israëls zonen, die in Egypte kwamen: Jakob
9       en zijne zonen. Jakobs eerstgeborene, Ruben, \' en Rubens zonen, He-
10       noch, Pallu, Hesron en Karmi; \' Simeons zonen, Jemuël, Jamin, Ohad,
11       Jachin, Sohar en Saul, de zoon der Kanaanietische; \' Levi\'s zonen,
Vs. 9. Exod. VI : 13; 1 Kron. V : 3. — Vs. 10. Exod. VI : 14; I Kron. IV : 2». - Vs. II. Exod.
VI : 15.
I v. De naam Itrael bewijst dat hier het een en ander aan De Jahwist ontleend is; zie inl. op
XLIV, X1.V.
1. kwam te fiertjeba, met de wagens van Farao; zie XI.V : 27.
3.    Ik ben God, de god van. Gr. vert. Ik ben de god van.
4.    Ik — a/dalen. Hoewel de god van Abraham en Izaiik eigenlijk alleen in Kanaiin woonde en
macht oefende, zou hij met Jakob metlegaan en hem in Egypte helpen. Zulk een woord teekent ver-
edeling van het godsbogrip. — van daar, tluidclijkheidshalve ingevoegd. — en — leggen, u na uwen
dood do oogen toedrukken.
5.    Do voorstelling dat Jakob eerst te Hersjeba de wugons van Farao te zijnor beschikking krijgt,
in strijd met XI.V : 27; XLVI : 1, Is ongetwijfeld van een bewerker dio tegenstrijdige opgaven wilde
vereenigen.
8—27. Deze lijst is aan die der lsraëlietische fumiliën in Nuni. XXVI ontleend.
8. Jakob — tonen. Jakob medegeteld.
10. In Nuni. W VI : 12 v. en I Kron. IV : 24 luiden drie dezer namen eenigszins anders. — Saul
— Kanadnittitche. Dit belcekent dal dit Simeonietisch geslacht sterk met Kanaiinielen vermengd was.
-ocr page 48-
grnesis XLVI : 11—27.
128
12 Gersjon, Kehath en Merari;\' Juda\'s zonen, Er, Onan, Sjela, Perea en
Zerah — maar Kr en Onan stierven in het land Kanaiin, en de zonen
KJ van Peres waren llesron en Ilamul —\' Issachars zonen, Tola, Pua,
14, ir» Jasjub en Sjimron;\' Zebulons zonen, Sered, Elon en Jahleël. \' Dit zijn
de zonen van Lea, die zij :uin Jakob in Paddan-Aram gebaard heeft,
benevens hare dochter Dina; al zijne zonen en dochteren bij elkander
Ifi drie en dertig. Voorts Gads zonen, Sifjon en de Haggiet, de Sjuniet
17       en Ksbon, de Eriet, de Arodiet en «Ie Areëliet;\' Azers zonen, Jimna,
Jiswa, de Jiswiet, Beria en hunne zuster Sarah, benevens Beria\'s zonen,
18       Ueber en Malkiël. \' Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijne
dochter Lea gegeven had; dezen heeft zij aan Jakob gebaard: zestien
19       zielen.\' Voorts de zonen van .lakobs vrouw Kachel, Jozef en Benjamin; \'
20       aan Jozef werden in Egypteland uit Azenath, de dochter van Potifera,
21       den priester van On, Manasse en Efraim geboren;\' Benjamins zonen,
Bela, Becher, Asbel, Gera, Naiiman, Ehi, Ros, de Muppieten, ile Hup-
22       pieten en Ard. \' Dit zijn de zonen vau Kachel, die zij aan Jakob ge-
23       baard beeft: samen veertien zielen. \' Eindelijk de zonen van Dan,
24, 25 llusjam ;\' en die van Naftali, Jahseél, Guni, Jeser en >Sjillem. \' Dit
zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijne dochter Rachel gegeven
20 had; dezen heeft zij aan Jakob gebaard: samen zeven zielen. \' Jakobs
afstammelingen, die met hem naar Egypte zijn gekomen, waren, be-
27 halve de vrouwen van Jakobs zonen, samen zes en zestig zielen. \' De
zonen van Jozef, hem in Kgypte geboren, waren twee in getal. Zoo
Vs. 12. 1 Kron. II : 3-5. — Vs. 13. I Kron. VII : I. - V». 17. I Kron. VII : 30. - Vs. 24.
I Kron. VII : 13.
12.    Verg. II. XXXVIII.
13.    Jayiih, volg. Sani. en dr. I. en 1 Kron. VII : I ; Hebr. t. Job. — Sjimron, waarschijnlijk nfge-
leiti van den plaatsnaam Sjamir, Richt. X : I.
II. Jalile,\'!. (ir. vert. Ahoi\'l.
15.    drie en dertig. l)ii aantal komt niet overeen met het nantal tier in vs. 9—II opgenoemden,
ten/ij men Kr en Onan, vs. 12, wel en Dina. vs. 15, niet medeled. Waarschijnlijk kwamen genen dus
in ile oorspronkelijke lijst voor, de/c niet. De opmerking, vs. 12, dal Kr en Onan in Kanaiin stier\'
ven. is dan een later toevoegsel, aan het verhaal van 11. XXXVIII ontleend, hetwelk de opsteller de-
ter lijst niet kende, ol\' waaraan hij niet ilae.ht.
16.    Siljon. Sam. en Gr. t. heelt Salon; Num. XXVI : lli Se/on. Verg. op Richt, XII : I. — Esbon.
Nnm. XXVI : lli Osni. Volg. 1 Kron. Vil : 7 is Esbon zoon van llenjnuiins zoon Bela. — Vijl\' dezer
namen zijn blijkens hun uitgang i\'nniilie-, niet peraononnamen; evenals sommige in X : 10— ts.
17.    de Jistrict. Dit is een familienaam, afgeleid van Jiswa; verg. Nnm. XXVI : 11. Het is vreemd
dat die twee namen nanst elkander stnun; ook I Kron. VII : 30 komen zij aldus voor, en het cijfer
lti van vs. 18 onderstelt dat hier twee namen stonden. — Heria, volg. I Kron. VII: 23 zoon van Kl\'raim,
volg. 1 Kmn. VIII : 13 afstammeling van Benjamin.
2(1. /.ie Xl.l : 50-52.
21.   In de lijst der Hcnjaminicten is veel onzeker. In Gr. vert. hcelen alleen de eerste drie: zonen
van Henjainin, de volgende vijf: zonen van zijn zoon Hela; de ffuppieten ontbreken, en Ard is de zoon
van Gera. dus achterkleinzoon van Benjamin. Venier, llecher, I Kron. VII : I vermeld, ontbreekt m
1 Kron. VIII : 1 v. en wordt Nnm. XXVI : 35 onder de zonen van Efraim opgenoemd. Oera ontbreekt
in Nnm. XXVI : 28— II en knml 1 Kron. VIII : 3—5 tweemaal, als zoon van Bela, voor. Ook JVaaman
en Ard hcelen Nnm. XXVI : -I0 zonen van Bela; een en ander overeenkomstig de (ir. vert. van onze
plaats, h\'lii en /Cos is waarschijnlijk eene schrijllbiit voor Ahiram; verg. Nunt. XXVI : 38; maar de
optelling van vs. 22 komt slechts uit nis hier twee namen slaan; de fout is dus zeer oud. De Mup-
pielen
ontbreken Nam. XXVI. In pi. v. de lluppietcn hier en I Kron. VII : 12 slaat Num. XXVI : 30
lixtfam. Ard heet 1 Kron. VIII : 3 Adtlar. — De naam Asbel beteekent .man van Haül\' ; althans vol-
genx de medeklinkers; maar door de hier gebruikte klinkers wordt die bedenkelijke beteckenis eenigs-
zins verloochend. Verg. op Richt II : 11.
22.    zij ... gebaard heeft, volg. Sam. en (ir. t.
23.    Husjam, volg. Gr. vert.; Hebr. t. llusjim, d. i. ,dc llusjictcn\'. In Num. XXVI : tl heet hij
S/uham. Verg. op I Kron. I : 12; en VIII : 8.
26. afstammelingen, letterlijk die voortgekomen zijn uit zijne lenden. Desgelijks Exod. I : 5.
17. zeventig, niet alleen Jozef, maar ook Jakob medegerekend. Hetzelfde cijfer Kxod. 1:5; Deut.
X : 22. Daarentegen staat Hand. VII : II vijl\'en zeventig, volgens do Gr. ven. van onzen tekst; welk
cijfer verkregen wordt door een toevoegsel op vs. 80, dat aldus luidt Bi Manasse Hreeg bij zijne Ara-
meesche bijvrouw Machir, en Machir verwekte Qilcad, en de tonen van Efraim. Manasse\'* broeder, waren
Sutaladtn en Tattm, en de zonen van Sutalihtm Kdem.
-ocr page 49-
gbnbbis XLVI:27—XLVII:9.                                 129
was het geheele huis van Jakob dat in Egypte gekomen is zeventig
zielen sterk.
28           Nadat hij Juda naar Jozef vooruitgezonden had, opdat deze in zijne
tegenwoordigheid in Goosjen zou verschijnen, kwamen zij in het land
29       Goosjen.\' En Jozef spande zijn wagen in en reisde zijn vader Israël
naar Goosjen te gemoet. In zijne tegenwoordigheid verschenen, viel
30       hij hem om den hals en weende lang, aan zijn hals hangende. \' Israël
zeide tot Jozef: Nu mag ik sterven, nadat ik uw gelaat heb gezien,
daar gij nog leeft.
31           Voorts zeide Jozef tot zijne broeders en het huis zijns vaders: Ik
zal het aan Farao gaan mededeelen en tot hem zeggen: Mijne broe-
ders en het huis mijns vaders, die in liet land Kanailn woonden, zijn
32       tot mij gekomen. \' Die mannen zijn hoeders van klcinvee, want het
zijn veebezitters, en zij hebben hun kleinvee en hunne runderen met
33       al wat zij bezitten medegebracht. \' Wanneer dan Farao u ontbiedt en
34       vraagt wat uw bedrijf is,\' dan moet gij zeggen: (\'we dienaren zijn
veehoeders van onze jeugd af tot nu toe, evenals onze voorvaderen —
opdat gij vergunning moogt krijgen, u in het land Üoosjen neder te
zetten; want de Egyptenaren hebben een afschuw van alle hoeders
van kleinvee.
XLVII : 1 Zoo kwam Jozef tot Farao en deelde hem mede: Mijn vader en
mijne broeders zijn, met hun kleinvee, hunne runderen en al wat zij
bezitten, uit het land Kanailn gekomen en bevinden zich in het land
2       Goosjen.\' Ook nam hij een vijftal zijner broeders en stelde hen aan
3       Farao voor.\' Toen nu Farao aan zijne broeders vroeg: Wat is uw be-
drijf? zeiden zij tot Farao: Uwe dienaren zijn hoeders van kleinvee,
4       evenals onze voorvaderen. \' Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn ge-
komen om in het land te vertoeven; want uwe dienaren hadden in
het land Kanaiin geen weide voor hun vee, omdat daar zware hon-
gersnood heerscht. Geef dan uwen dienaren vergunning, zich in het
5       land Goosjen te vestigen.\' Toen zeide Farao tot Jozef: Zorg dat zij
zich in Goosjen vestigen, en indien gij weet dat onder hen kloeke man-
nen zijn, stel hen dan aan tot verzorgers van mijn veestapel.
6           Jakob en zijne zonen kwamen in Egypte tot Jozef, en Farao, de
koning van Egypte, hoorde het. Toen sprak Farao tot Jozef: Uw va-
der en uwe broeders zijn tot u gekomen ? Welnu, Egypteland ligt voor
u open; laat uwen vader en uwe broeders zich in het beste deel des
7       lands vestigen. \' En Jozef bracht zijn vader Jakob bij Farao en stelde
8       hem aan Farao voor. En Jakob zegende Farao, \' en deze zeide tot hem:
9       Hoe groot is het aantal uwer levensjaren ?\' Jakob zeide tot Farao:
28. opdat — verschijnen, volg. Sani. t.
SI v. Uu schrijver van ilit gedeelte weet blijkbaar niets vnn het aanboil van Farao, dat in XI,V :
16—20 wordt gevonden. De komst van Jozefs broeders is hem hier iets onverwachts.
31. want — kleinvee. Daarom zouden zij gaan wonen in Goosjen, eenegrensproviucie, waar zij weinig
mot eigenlijke Kgyptenaren in aanraking kwamen.
6 v. Zoo volg. Gr. vort. Blijkbaar zijn die twee verzen van verschillende hand. Vs. 5 bevat het
slot van het Jahwislisch verhaal over de ontvangst die Jnkob en den zijnen in Egypte te beurt viel.
In ra. 6 vangt het bericht uit E/.ru\'s Wetboek over hunne aankomst in Egypte eerst aan. Do zucht
om dc/.o oneffenheid weg te nemen bewoog waarschijnlijk een overschrijver vun den Hcbr. t., de verzen
to wijzigen zoonis zij nu daarin staan, nl. Farao zeide tot Jozef; LTw vader en uwe broedeen zijn tot
u t/ekomen\'t lïai/pteland lint voor u open; zorg dat me vader en uwe broeder» zich in het beste deel
des lands vestigen. Jtat zij in het tand Qoosjen wonen, en indien gij weet dat onder hen kloeke mannen
zijn, stel hen dan aan lot verzorgers van mijn veestapel.
Hiermede Is echter de tekst niet heler gowor-
den. Integendeel. Knrao kon toch niet, terwijl Jozefs broeders vóór hen stonden Jozef vrngen of zij
gekomen waren. Ook sluit het bevel: zorg dut zij zich in het beste deel des lands vosligen, niet op
het vervolg; want Goosjen was geenszins hot beste deel, hoewel voor herders niet ongeschikt.
!>. Daar Jakob honderd twintig junr oud was toen zijn vader stierf (XXV : 28; XXXV : 28), Jozef
O. T. I
                                                                                                                                             9
-ocr page 50-
130                                     r.EXKBiP XLV1I : 9—24.
Het aantal der jaren mijner vreemdelingschap is honderd dertig. Luttel
in aantal en rampspoedig zijn mijne levensjaren geweest, en zij hebben
liet cijfer der levensjaren van mijne voorvaderen, in den tijd hunner
10       vreemdelingschap, niet bereikt. \' Nadat Jakob Farao gezegend had,
11       verwijderde hij zich uit Farao\'s tegenwoordigheid. \' Jozef nu wees zijnen
vader en zijnen broeders woonplaatsen aan; hij gaf hun eene bezitting
in Egypteland, in het beste deel van het land, in het land van Kaani-
ses, zooals Farao bevolen had.
12           Jozef voorzag zijn vader, zijne broeders en het geheele huis zijns
13       vaders van brood, naar het getal der kinderen.\' Inmiddels ontbrak het
brood in het gaosehe land ; want de hongersnood was zeer zwaar; zoodat
beide landen, Egypte en Kanaün, verkwijnden van honger. \' Jozef nu
14       zamelde al het geld in dat zich in Egypte en Kanaün bevond, in
ruil voor het koren dat zij kochten, en Jozef bracht dat geld in het
15       huis van Farao. \' Toen het geld in Egypte en Kanaün verbruikt was,
kwamen alle Egyptenaren tot Jozef, zeggende: Geef ons brood! Waarom
lt! zouden wij voor uwe oogen sterven? Want het geld is op. \' Jozef sprak:
Geeft dan uw vee; daarvoor zal ik u brood leveren, indien het geld
17       op is. \' Zij brachten daarop hun vee tot Jozef, die hun brood leverde
in ruil voor de paarden, de kudden kleinvee en runderen en de ezela.
Zoo onderhield hij hen dat jaar met brood, in ruil voor al hun
18       vee. \' Toen dat jaar ten einde was, kwamen zij, in het volgende, bij
hem en zeiden tot hem: Wij kunnen het voor onzen heer niet looehe-
nen, maar het geld en het vee is altemaal in handen van onzen heer
gekomen. Niets is ter beschikking van onzen heer overgebleven dan
19       ons lijf en onze grond.\' Waarom zouden wij voor uwe oogen sterven
en zou het land onbebouwd liggen? Koop ons en ons land voor brood;
zoodat wij met ons land dienstbaar aan Farao worden; en geef zaai-
koren, opdat wij in het leven blijven eii niet sterven, en het land niet
20       onbebouwd blij ve.\' Zoo kocht Jozef den geheelen grond van Egypte-
land voor Farao; want alle Egyptenaren verkochten hunne akkers,
omdat de honger hun te sterk was. Op die wijze werd het land eigen-
21       dom van ÏVrao.\' Ouk bracht hij het volk, van het eene einde van
22       Egypte tot het andere, in slavernij. \' Slechts do akkers der priesters
kocht hij niet; want de priesters hadden een vast inkomen van Farao
en leefden van hetgeen deze hun gaf; daarom verkochten zij hun
28 grond niet.\' En Jozef zeide tot het volk: Nu ik u en uw grond voor
Farao gekocht heb, hebt gij hier zaaikoren; bezaait daarmede uwe ak-
24 kers.\' Maar van de opbrengst moet gij een vijfde deel aan Farao
tiertien jaar in Egypte lieert gewoond voordat hij de gevangenis verliet (XWVll : 2; XLI : 46), en
Jakob eerst minstens aeht jaren daarna in Egypte kwam, sou lzn;\'ik de verdwijning van Jozef nog elt\'
jaren overleefd hebben. Maar do opgaven van Izaöks en Jakolis ouderdom zijn uit Ezra\'s Wetboek,
diu van Jozefs leeftijd uit liet Oude-Sageoboek,
11. RttflmseB, Zit.\' op Bxod. 1:11.
10. brood, ingevoegd volg. Suin., <ïr. en l.at. t.
18.    in het rollende, letterlijk in het tteeede; maar dit kan niet bedoeld zijn, omdat de Egyptenaren
daarin voor hun vee koren hadden gekoeht.
19.   en — Hogen, volg. ür. vert. ingevoegd.
21.  bracht hij... in slavernij, volg. Sain., Gr. en Lat. t.; llebr. t. bracht hij... in de tteden orer. De
Verhouding der Egyptenaren lot hun koning was veel sluafsehcr dan die der Israëlieten tot den hun-
nen, hoewel ook van dezen do macht niet door oeno wet omschreven was. Do schrijver wil den oor-
sprong dier slavernij verklaren, maar meent ten onrechte dat zulk een toestand binnen een kort tijds-
verloop ontstaan kan.
22.    Ook van elders weet men dut de priesters in Egypte een zeer bevoorrechten stand uitmaakten
en velen van hen door den koiiing bezoldigd werden. .Maar de schrijver dwaalt, wanneer hij de tal-
rijke Egyptische priesterschappen op eene lijn stelt. Haar maatschappelijke toestand, ook hare verhou-
diug tot den koning, was zeer onderscheiden en wisselde daarenboven in den loop des tijds.
21. ran de opbrengit, volg. verb. t. — Hebr. t. heeft aan het slot nog en lot snij* rour uu» hleiiie
-ocr page 51-
genbsis XLVII : 24—30.
131
afstaan, terwijl vier vijfden voor n zijn, tot zaaikoren en tot levens-
25 (lerhoud voor u en de leden van uw gezin.\' Zij zeiden: Gij hebt ons
leven gered; mogen wij in het oog van onzen heer gunst vinden!
20 Wij zullen b\'arao\'s slaven wezen. \' Zoo maakte Jozef het dan tot eene
wet, die nog heden voor Egypteland geldt: aan Farao moet een vijfde
opgebracht worden. Alleen de grond der priesters is bij uitzondering
geen eigendom van Farao geworden.
27
          Zoo vestigde zich Israël in Egypte, in het land üoosjen. Daar
kregen zij va3te bezitting, waren zeer vruchtbaar en vermenigvuldig-
den zich.
kinderen, wat volg. (ir. vcrt. is weggelaten. — Dat do Egyptische landbouwers ren vijfde van de op-
brengst hunner akkers aan den koning moesten afstaan, is van elders niet hekend ; doch er is geen
reden, de juistheid der mededeeling te betwijfelen. He belastingen waren evenwel in Egypte zeker niet
overal en altijd even zwaar, noch op dezelfde wijze geregeld.
2fi. een rij/de, volg. verb. t.
HOOFDSTUK XLVII : 28-X LVIIl :22.
De zegen over Jozefs zonen. — Jakobs levensduur (XLVII: 28); Israël bezweert Jozef, hein bij zijne
vaderen to begraven (20—31). Jozef bezoekt met zijue zonen zijn klanken vader (XI.VIII: 1); deze
herinnert hem dat Jahwe hem een talrijk nakroost beloofd heeft (2—4), en neemt Efraim en Mannsse
tot zijne zonen aan (5 v.); hij vermeldt Rachels dood en begrafenis (7), en geeft zijn verlangen te ken»
nen, Jozefs zonen te zegenen (8—12); terwijl bij dit doet, stelt hij Kfraim boven Manasse, den otid-
ste (13—19), zegent beiden (20) en geeft aan Jozef in het beloofde land een stuk vóór boven zijne
broeders (21 v.).
De kern van dit verhaal is de plaatsing van Kfraim. Jozefs jongsten zoon, boven Manasse den
oudsten. Hierdoor wordt een belangrijke verandering in de verhouding der broederstammen aange-
duid. Eerst is Manasse de voornaamste geweest; later beeft Efraim hem overschaduwd. De volgende
feiten uit de geschiedenis dier stammen helderen dit op.
Vooreerst: het oudste vorstenhuis in Israël isdatvan Jerubbaiil en Abimeleih geweest (Richt. VI—IX ;
verg. inl. op Richt. IX), en dit was uit Manasse (Richt. VI : II, 15); daarentegen stamde Jerobeam, de
zoon van Nebat, die na Salomo\'s dood koning werd, uit Kfraim (1 Kon. XI : 2li). Daar nu een stam
heet geboren te worden, o. a. wanneer hij een vast bestand krijgt door het zwervend leven met dat
van landbouwers to verwisselen of door zich onder een koning te vereenigen, wordt Manasse ouder
dan Efraim genoemd; maar omdat het door Jerobeam gestichte rijk veel machtiger is geweest dan
het Manassietische, is Efraim de meerdere geworden. Dit heet: hij heelt het eerstgeboorterecht ver-
kregen; verg. inl. op H. XXV.
Ten tweede: de stam Manasse heeft in het land ten westen van den Jordann een groot deel zijner
macht verloren, hetzij ten gevolge van Abimelechs val, hetzij door andere oorzaken. Immers, zijne
voornaamste familie, Machir (zie op L:23), is in den tijd der richters naar het Uverjordaansche ver-
huisd (zie inl. op Num. XXXII), zeker niet vrijwillig, maar uit nood.
Het verhaal hoe Efraim boven Manasse gesteld werd, XXVIII : 1, 2, 8—22, is uit het Oude-Sugen-
boek, en wel deels uit De Jahwist (XLVII : 29-31; X1.VIII:26, 13v , 17-19), deels uit De Elohist
(XLVIII:1, 2o, 8-12 (ten deele), 15 v., 20-22). Over de verschilpunten zie op XLVIII:1 on 20.
Blijft verder het een en ander onzeker, zonder twijfel is XLVII: 28; XI.Y1H:3—7 van jonger
oorsprong, en wel grootendeels aan Kzra\'s Wetboek ontleend, welks schrijver Jakob zijne twee klein-
zoncn tot zonen laat aannemen en zoo de gewone telling van twaalf stammen IsraeTs, waarbij Levi
niet wordt medegerekend, maar Kfraim en Manasse voor twee gelden, rechtvaardigt.
XLVII: 28 Jakob leefde in Egypteland zeventien jaren; zijn geheele levensduur
29       was honderd zeven en veertig jaar.\' Toen nu voor Israël de stervens-
ure naderde, ontbood hij zijn zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik
gunst in uw oog gevonden heb, leg dan uwe hand onder mijne lenden,
dat gij aan mij liefde en trouw zult bewijzen; begraaf mij toch niet
30       in Egypte,\' maar laat mij ter ruste gaan bij mijne voorvaderen; ver-
29.   leg — lenden, d. i. zweer mij; zie op XXIV: 2. Wat Jakob hier onder eede aan Jozef oplegt
gelast hij X1.IX:29, volgens Kzra\'s Wetboek, aan al zijne zonen.
30.  laat — voorraderen, /ie op XV : 15.
-ocr page 52-
8BNR81B XLVI1 : 80—XLVIII : 14.
132
voer mij uit Egypte en begraaf mij in hunne grafstede. Toen hij hierop
31 antwoordde: Ik zal naar uw woord handelen —\' zeide hij: Zweer het
mij — waarop hij den eed atlegde ; en Israël boog zich aan het hoofd-
einde van het bed.
XLV1II : 1 Eenigen tijd later zeide men aan Jozef: U w vader is ziek. Hierop
nam hij zijne beide zonen, Manasse en Efraim, mede en ging naar
2       Jakob.\' Toen men aan Jakob mededeelde: Uw zoon Jozef is gekomen —
3       raapte Israël zijne kraehten samen en ging op het bed zitten.\' En
Jakob zeide tot Jozef: God de Machtige is mij te Luz, in het land
4       Kanaiin, verschenen en heeft mij gezegend.\' Hij heeft tot mij gezegd :
Zie, ik zal u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen; ik maak o
tot eene schare van natiën en geef dit land aan uw kroost na u, tot
5       eene eeuwige bezitting.\' Welnu, uwe twee zonen, die u in Egypteland
geboren zijn voordat ik tot u in Egypte kwam, zijn de mijne: Efraim
en Manasse staan voor mij op éene lijn met Ruben en Simeon;\'
6       de nakomelingen die gij na hen verwekt zult hebben zullen de uwe
zijn; naar den naam hunner broeders zullen zij genoemd worden in
7       het ert dat hun ten deel zal vallen.\' Toen ik uit 1\'addan-Aram kwam,
ontviel mij Kachel in het land Kauaiin, op reis, toen ik nog een eind
weegs van Efrath verwijderd was, en ik heb haar daar, op den weg
naar Efrath — dat is Hethlehem — begraven.
8,9 Toen Israël Jozefs zonen zag, zeide hij: Wie hebt gij daar?\' Jozef
zeide tot zijn vader: Dat zijn mijne zonen, die God mij hier gegeven
lü heeft. En hij zeide: Breng hen bij mij, opdat ik hen zegene.\' De
oogen van Israël nu waren zwaar van ouderdom; hij kon niet zien.
11       Toen Jozef hen dicht bij hem bracht, kuste en omhelsde hij hen,\' en
Israël zeide tot Jozef: ü zelven weder te zien had ik mij niet toege-
12       dacht, en nu heeft God mij ook uw kroost doen zien. \' Toen deed
Jozef hen van zijn knieën afgaan, en wierp zich, het aangezicht ter
13       aarde, neder.\' Hierop nam Jozef die beiden, Efraim met zijne rech-
terhand aan de linkerzijde van Israël, en Manasse met zijne linkerhand
14       aan de rechterzijde van Israël, en bracht hen dicht bij hem. \' Maar
Israël strekte zijne rechterhand uit en legde die op het hoofd van
31. aan — bed. De letters vnn Ilcbr. t. kunnen ook zoo uitgesproken worden dut zij heleekenen
op den knop van den staf, of, met geringe tekstverandering, van zijn sta/. Dit heeft Gr. vert., en daar-
naar Hebr. XI :tl.
I. en iiimj naar Jakob, ingevoegd vuig. Gr. vert. — Dit is van een anderen schrijver dan XLVll:
29—31, waar Jozef reeds aan Jakobs sterfbed staat.
3. In XXV1I1 : 3 wordt deze zegening aan Izaiik in den mond gelegd voordat Jakob te Lui kwam,
in XXXV : II aan God, te Luz; beide plaatsen zijn van dcnzelfden schrijver itlv deze.
5. Daar de oudste zoon een dubbel deel van de erfenis kreeg (Ocut. XXI : 17), werd Jozef in zeke-
ren zin door deze daad van Jakob als zijn eerstgeborene erkend ; verg I Kron. V : 1 en op 2 Kon. II:9.
b. Elders worden geen andere zonen van Jozef vernield, en in Num. XXVI: 28—37; 1 Kron. VII:
11—29 worden alle Jozetlelische geslachten van Efraim en Manasse afgeleid. Wellicht zijn er overlc-
veringen in omloop geweest waarin de familiën vun het huis Jozef anders gegroepeerd waren. Ofwel,
de schrijver wil verklaren, hoc in de oude geschriften vaak van „het huis Jozef" sprake is, terwijl
toch alle Jozefielische geslachten of tot Efraim, óf tol Munnssc gerekend werden. Hij doet het dan
door de onderstelling, dal Jozef nog andere zonen heeft gehad, maar deze bij Efraim en Manasse in-
gedeeld zijn.
7.   Aram, ingevoegd volg. Sant. en Gr. t. — Dit vers slaat lerutr op XXXV: 16—20. Het hangt
slecht samen met het voorafgaande; wellicht stond hel oorspronkelijk achter XI.IX ;31; zie aldaar.
—  dat h IMhlehem. Zie op XXXV : 19.
8.   Wit — daar! volg. Sam. en (ïr. t.; Hebr. t. Wie zijn dat!
!!• Dit vers onderstelt dat Jakob Jozefs zonen nog niet gezien heeft; wat nauwelijks denkbaar is,
indien hij (verg. XI.VII : 9, 28) zcvenlicn jaren in Egypte had vertoefd) maar dat cijfer is uit Ezra\'s
Wetboek, en dii verhaal is uit De Elohist, waarin dus Jakob kort na zijne aankumst in Egypte sterft.
—   Israi\'l. Is dit de gewone naam van den anrlsvader in De Jahwist (zie inl. op XI.IV, XI.V), wij
treilen hem hier ook in het Elohisliscli gedeelte (vs. 11, 21) aan; zeker ton gevolge van de samen-
stelling der verhalen.
12. wierp — neder. Jozef huldigt zijn vader, wiens zegen hij als een godswoord gaat aanlioorcn.
-ocr page 53-
gbnbsis XLVIII : 14—22.
133
Efraim, hoewel hij de jongste was, en zijne linker op dat van Manusse;
15       hij legde ze kruiselings, want Mannsse was de oudste.\' En hij zegende
Jozef en zeide: God, voor wiens aangezicht mijne vaderen, Abraham
en haak, verkeerd hebben, God, die mij behoed heeft van mijne-ge-
16       boorte af tot nu toe,\' de engel, die mij verlost heeft uit elk onheil,
zegene deze knapan; mogen zij naar mijn naam en die van mijne va-
deren, Abraham en Izaak, genoemd worden en zich sterk vermenigvul-
17       digen in hot midden des lands!\' Jozef nu, ziende dat zijn vader zijne
rechterhand op het hoofd van Efraim legde, vond dit verkeerd en
vatte de hand zijns vaders, om haar van Efraims hoofd op dat van
18       Manasse te verleggen.\' En Jozef zeide tot zijn vader: Zoo niet, vader!
19       want dit is de oudste; leg uwe rechterhand op zijn hoofd.\' Maar zijn
vader weigerde dit en sprak: Ik went het wel, mijn zoon, ik weet
het wel. En ook hij zal tot een volk worden; ook hij zal groot zijn.
Toch zal zijn jongere broeder grooter zijn dan hij, en zijn nakroost zal
20       eene menigte natiën worden. \' Zoo zegende hij hen te dien dage aldus:
Met uwen naam zal Israël zegen toewenschen, zeggende: God make
u als Efraim en Manasse! Zoo plaatste hij Efraim vóór Manasse.\'
21       Vervolgens zeide Israël tot Jozef: Zie, ik ga sterven; maar God zal
22       met ulieden zijn on u terugbrengen in het land uwer vaderen. \' En
ik geef u boven uwe broederen óen bergrug vóór, dien ik van de
Amorieten heb verworven, met mijn zwaard en boog.
II. zijne rechterhand. Zij was ook bij de Hebrefin ile bevoorrechte; ann de rechterhand van een vorst
was de eereplnnts, 1 Kon. II : 10; I\'s. XI.V : 10; CX : 1 ; verg. Prod. X : 2 en op XXXV : 18.
20. MOM, in het enkelvoud, den naam van Jo/.el\'. — Israi\'l. De legende verraadt zich, door dit
woord als volksnaam den aartsvader op de lippen te leggen. Deagelijka XI.IX : 7. — Zoo — Manasse.
Door Kfraim vóór Manasse te noemen geeft Jakoh aan genen den voorrang. Hetzelfde «loet hij vol-
gens De Jahwist, vs. 17—19, door op Kfraim de rechterhand te leggen.
22. ren bert/rug, letterlijk éen schouder, wuarhij gezinspeeld wordt op den naam Sichem, die ,schou-
dcr\' betcekent en waarschijnlijk een bergrug aanduidde. — dien—verworven. Waarschijnlijk doelt deze
zinsnede op XXXIII : lil, waar Jakob\' een stuk land bij Sichem, koopt; verg. Joz. XXIV : 32. Is dit
zoo, dan zijn de woorden met — boog er bij gevoegd door iemand die het den aarlsvador onwaardig
vond met Amorieten een koop te hebben gesloten.
HOOFDSTUK XI.IX : 1-28.
Jakobs zegen. — Jakob ontbiedt zijno zonen, om hun de toekomst te voorspellen (I); na eene inlei.
ding (2), spreekt hij hen een voor éen toe: Kuben (3 v.), Sinieon en l.evi (5—7), Juda (8—12), Zcbu-
lon (13), Usaenar (II v.). Dan (16-18), Gad (10), Azcr (20), Nafta! i (21), Jozef (22—26) en Benja-
min (27). Zoo zegent hij de twaalf stammen (28).
Deze voorspelling van de toekomst der twaalf stammen — ten onrechte in vs. 23 een zegen ge-
noemd; want aan ecnigc hunner wordt onheil aangekondigd — heeft waarschijnlijk reeds in hetOude-
Sagenboek gestaan, waarin zij uit De Jahwist gekomen is, maar zij is ouder dan de achtste eeuw. Hot
is bet oudste stuk der Israêlietische letterkunde dat de verdeeling van Israël in twaalf stammen, waar*
aan nooit de werkelijkheid beantwoord heeft, vermeldt.
In den vorm cener voorspelling wordt aller toestand met eenige regels geschetst. Het stuk verplaatst
ons zeker in den tijd na de scheuring; want de heerschappij over het geheclc volk is reeds aan Juda
ontnomen (zio op vs. 10). Maar het kan niet ontstaan zijn na den ondergang van het noordelijk rijk;
want Jozef wordt nis zeer machtig beschreven. Dat wij het gedicht niet in het laatste maar in het
eerste deel van dat tijdvak moeten plaatsen, wordt waarschijnlijk wanneer wij letten op hetgeen van
enkele stammen gezegd wordt. Vooreerst op do spreuk over Sinteon en l.evi, vs. 5—7, waarin van do
aanspraak op priesterlijke bedieningen die l.evi in later eeuw deed gelden met geen woord gewaagd
wordt, en de broedersianimen alleen als vredeverstoorders in Israël optreden zie op vs. 7). Dan die
op Issuchar, vs. II v., waarin dé herinnering aan den dienstplichtigen toestand van dien stam nog
levendig is (zio op vs. II).
Trots de scheuring beschouwt de schrijver de stammen als een gohcol en kiest hij noch voor Kfraim
tegen Juda, noch voor Juda tegen Efraim partij; integendeel, hij stelt beiden, de koningstammen, zeer
hoog. Daarom is het niet te bepalen waar hij leefde.
-ocr page 54-
OBNK8I8 XLIX : 1—9.
134
Den zenen onderacheidl zich van Deut. XXXIII hierin \'int do dichter neen melding mnnkt van et»
dat on cli\'ii dienst van Jahwe betrekking lieert, en alleen acht slaat op den moatschappclijken toestand
en de atsatkaodlga betaekenla der stammen.
Vs. 28 is vnn den Verzamelaar, dio het gedicht met den aanhef vs. 1 hier inlaschte.
XLIX : 1 Jakob ontbood zijne zonen en Beide: Verzamelt u; opdat ik u mede-
deele wat u later zal overkomen.
2                      Komt samen en hoort, zonen van Jakob,
luistert naar Israël, uwen vader!
3                      Jiuben, mijn eerstgeborene zijt gij,
mijne macht en de eersteling mijner sterkte,
uitstekend in hoogheid en uitstekend in kracht.
4                 Gij die als water opbruist, gij moogt den voorrang niet hebben.
Want beklommen hebt gij het leger uws vaders;
toen hebt gij mijne sponde ontwijd.
f>                    Sitneon en Levi zijn broeders,
geweldswerktuigen hunne zwaarden;
(5                in hun kring kome mijne ziel niet,
in hunne vergadering trede niet mijn gemoed;
want in hun toorn hebben zij mannen gedood,
in hun moedwil stieren verlamd.
7                  Vervloekt hun toorn, omdat die geweldig,
hunne verbolgenheid, dewijl zij hevig is!
Ik wil hen verdeelen in Jakob,
hen verstrooien in Israël.
8                      Juda! u, ja u, loven uwe broeders;
uwe hand is op den nek uwer vijanden;
voor u werpen zich neder uws vaders zonen.
IJ                 Een leeuwenwelp is Juda,
die de jongen der schapen verscheurt.
Hij heeft zich nedergelegd, als een leeuw gekromd,
1.    u (na tont), uwen nakomelingen,
2.    tonen van Jakob. Zonder waarschuwing spreekt do dichter nu eens de stamvader», dnn weder do
stammen zelve loe ; blijkbaar bestaat het onderscheid voor hem eigenlijk niet.
S. Ruben — gij. /ie XMX : 32. — de eerntelin\'j mijner sterkte. Zoo heeten eerstgeborenen ook Ueut.
XXI : 17; i\'s. I.XXVIII : 51 ; verg I\'s.
i:\\.\\VII : 4.
I. In dit vers (waarvan het laatste Woord, hij heeft beklommen, is weggelaten) Wordt gezinspeeld
op do legende XXXV :2.\'; zie aldaar. De inhoud is herhaald 1 Kron. V:l. liet opbruisen is beeld
van den overmoed.
5—7. Dit doelt op XXXIV:25 V., 30 v., of op gedragingen die aanleiding hebben gegeven tot het
ontstaan dier sage.
5. broedem. niet alleen zotten van èene moeder, maar ook gelijkgezinden.
(i. mijn •jeiiuied (zie op Ps. XVI:9), volgens verandering van ren klinker; Ilebr. I. mijne heerlijk\'
heid - Uitren verlamd,
Dat de Ijveraars voor de voorvaderlijke zeden tot in Davids tijd loe de paar.
den verlamden, lezen wij Joz. XI:6, 9; 2 Sain. VIII:4; dat zij hetzelfde met de ploegstieren deden,
wordt elders niet vermeld, maar is licht verklaarbaar, omdat sommigen den geheelen akkerbouw, met
het wonen in huizen, versmaadden, zie op Jer. XXXV: 2.
7.    De verstrooiing der Levieten en Kimconictcn wordt hier nis cene straf beschouwd. Toch was zij
het gevolg van hun ijveren voor Jahwe eu hel bestrijden vnn Kana.inietische zeden, waardoor zij
nooit tot een stamverband gekomen zijn. De Levieten hebben, in plaals daarvan, van lieverlede het
voorrecht verkregen, voor heilige mannen gehouden en daarom tot priesters aangesteld te worden
(verg. Uicht. XVII: 13); zoodat hel ten slotte voor cene eer gold dnt zij niet, als de leden van andere
stammen, een erfdeel hadden; verg. op Deut. X : 9. De Kinieonieten zijn niet op eene dergelijke wijze
schadeloos gesteld voor hun godsdienstijver. Ken doel van hen heeft ten zuiden van Judn een eigen
grondgebied gehad, dat echter mettertijd in dat van Juda is opgenomen, Joz. XV : 28, 30. 31; XIX:
1—8. Omtrent de verstrooiing der overigen weten wij niets dnn wat onze tekst leert. — Jakob, bralt,
als volksnaam; verg. op Xl.VIII: 20.
8.    In hel Uelireeuwsrh is eene speling niet hel woord door loven vertaald en den naam Juda. Verg.
op XXIX: 35.
9.    Hetzelfde beeld voor oen machtige Nmn. XXIII: 21; XXIV:9; Djut. XXXIII :I0, 22; Micha
V:7. — di» — Vertcheurt, volgens geringe tekstverandering; Ilebr. t. van roof zijt gij, mijn soon,
opiieitei/en.
-ocr page 55-
obnbsis? XLIX : 9—19.
135
als eene leeuwin: wie zal hem doen opstaan ?
10                  De sehepter zal van Juda niet wijken,
noch de heerseherstaf van tusschen zijne voeten ;
totdat er een komt wien stammen gehoorzamen.
11                  Hij bindt aan den wijnstok zijn lastdier,
aan een keurigen wingerd zijn ezelsveulen;
in wijn wascht hij zijn kleed,
in druivenbloed zijn gewaad;
12                 donkerrood van oogen is hij door wijn,
en wit van tanden door melk.
13                      Zebulon woont aan het zeestrand,
hij zelf aan het strand der schepen,
en strekt zich tot Sidon uit.
14                      Issachar ia een ezel van vreemden,
nederliggende tusschen de schuttingen;
15                 toen hij zag dat de rustplaats goed was,
en liet land liefelijk,
boog hij zijn schoft om te dragen,
en werd een cijnsplichtig dienstman.
1G
                    Dan zal zijn volk richten,
als éen der stammen Israëls.
17                  Zij Dan eene slang op den weg,
eene gehoornde adder op het pad,
die het paard in de verzenen bijt,
zoodat zijn ruiter achterover stort.
18                 Op uwe verlossing hoop ik, Jahwe!
19                      Gad, benden dringen op hem aan;
10.   Juda wordt voorgesteld zittende, terwijl hij den sehepter, die vóór hein op den grond rust, tus-
8chen zijne voeten heeft. De sc\'iepler van Juda doelt op de heerschappij van David en Salomo. Van
den Inatsten regel is de lezing en vertaling onzeker. Het Hebreeuwsche woord waarvoor wij er een
zetten <s/i7«), later als naam van den tockomstigen Davidischen heerschcr, den Messias, opgevat, is on-
verstaanbaar, tenzij ihen daarbij denke aan de stad Sjilo, die hier evenwel niet of althans kwalijk voegt.
In Kzcch. XXI \'. 17
wor.lt waarschijnlijk in de woorden hij die het recht heeft op onzen tekst gczin-
spccld, en onze vertaling volgt de opvatting van den profeet. Misschien is do oniverwerper der Ju-
deesche heerschappij, Jerobeani I, met opzet geheimzinnig aangeduid.
11.  Hij, nl. Juda. — zijn gevaad, volg. Sam. en Gr. t.
12.   donkerrood — fijn. Spr. XXIII : 29 is dit een teeken van dronkenschap. Zoo baadde zich Juda
in overvloed; verg. op XI.III : 34.
13.  Ook volg. Deut. XXXIII : 18 v. woonde Zebulon, met Issachar, aan zee. Volgens de opgaven van
Joz. XIX : 10—16 woonden de Zebulonieten niet aan zee. maar waren zij hiervan gescheiden door den
stam Azer. Hier wordt hun daarentegen het geheele grondgebied van dezen stam toegewezen. Welke
verandering in de verhouding dier beiden i-t dit verschil tusschen deze plaats en Joz. XIX aanleiding
gegeven heeft, weten wij niet.
14.   Itiachar. De naam kan .loondiennar\' beteckenen en was waarschijnlijk eerst een scheldnaam
voor de Israëlietische familicn die gevestigd waren in de vlakte van Jizreël, welke lang in de han-
den der Kanaimicten gebleven is (verg. Richt. IV. V), en die haar heil zochten in onderwerping aan
vreemden, d. i. Kanu.inicten. Deze rrrcnirfrn zijn in Hebr. t. slechts to vinden door eene verandering
der klinkers. Ilebr. t. heeft can been, beenig. Waarschijnlijk werl de ware uitspraak door de schrift-
geleerden opzettelijk in het vergeetboek gebracht, omdat zij niet gaarne wilden erkennen dal een deel
van Israël de Kanaonieicn gediend had.
|fi. richten, of besturen. In het Hebreeuwsche woord ligt eene toespeling op den naam Dan. — zijn
volk,
niet Israël, maar ,!.• Danieten. De bedoeling is: Dan, hoc klein en zwak ook, zal even goed een
zelfstandige stam zijn als een der overige. Die zelfstandigheid dreigde wel eens verloren te gaan;
immers, blijkens Richt. XVIII, XIX, hebben vele Danieten, in hunne eerste woonplaats geklemd tus-
schen Filistijnen, Oibconieten en Judecrs, een goed heenkomen gezocht.
17.  Dit doelt wellicht op gebeurtenissen waarvan de heugenis in de Siiuson-lcgcndcn bewaard is. In
een verraderlijken aanval zag da dichter niets dat den Danieten t.>t smaad kon strekken. Verg.
Richt. XVIII.
18.   Daar de vermelding van Dan aan de Filistijnen deed denken, tot in Davids tijd toe Israëls ge-
vaarlijksto vijanden, was dezo verzuchting hier niet misplaatst.
19.   De woorden door benden en dringen overgezet hebben cenlge overeenkomst met den naam Oad.
Eene verklaring van dezen naam vinden wij XXX : 11. —op hen. Om dezo vertaling te krijgen is de
eerste letter van vs. 20 hierbij gevoegd.
-ocr page 56-
gbnksib XLIX : 19—28.
13(5
maar hij dringt van achteren op hen aan.
20                      Azer, zijn brood in vet,
en hij levert koninklijke lekkernijen.
21                  Naftali is eene zich wijd uitstrekkende terebint,
die eene schoono kruin naar boven heft.
22                      Een vrachtboom is Jozef,
een vruchtboom aan eene bron;
zijne takken beklimmen den muur.
23                  llem mishandelden en bestreden,
hem benarden boogschutters;
24                  maar in ouden staat gebleven is zijne kracht,
en zijner handen spieren waren lenig,
door de handen van Jakobs Sterke,
door de armen van Israëls Steen,
2i)
                den god uws vaders, die u geholpen,
God den Machtige, die u gezegend heeft;
met zegeningen des hemels daarboven,
zegeningen des afgronds, die beneden ligt,
zegeningen van borsten en moederschoot.
2(i
                De zegeningen die uw vader ontving
stegen hooger dan de eeuwige bergen;
de begeerlijke gaven der overoude heuvelen,
zij zullen zijn op Jozefs hoofd,
op den schedel van den vorst zijner broederen.
27                      Benjamin is een verscheurende wolf,
die des morgens buit verslindt,
des avonds roof verdeelt.
28           Dit zijn ui de stammen van Israël, twaalf in getal, en zóo heeft
hun vader tot hen gesproken en hen gezegend. Aan elk van hen gaf
hij een afzonderlijken zegen.
V». 25. Deul. XXXIII : 13. - Vs. 16 d. e. Deut. XXXIII : 16 c. d
20.   De rijkdom van Azcrs land, op ilcn Libanon, wordt ook Deut. XXXIII : 21 geroemd. De konink-
lijkt lekkernijen
\'doelen wellicht op de tarwe en olie die Salomo aau Hirom, den koning van Tyrus,
leverde (1 Kon. V :U|. en die wol uit dj sireken liet dichtst bij Tyrus uitgevoerd /uilen zijn.
21.   Onzekere vertaling. De hcdoeling schijnt de schoonheid van Naftali\'s land te roemen, die ook
Deut. XXXIII : 23 vermeld wordt.
22.   Ken vruchtboom. Hierin wordt gespeeld met de namen Efraim en E/rath; zie op XXXV : 19. —
zijne takken, letterlijk zijne dochten.
23.   Op welke leisteraars de dichter het oog lieert, blijkt niet. Maar de verhuizing der Machirieten
nnnr Oileud (zie inl. op M.V1I : 28—XI.VIII : 22) bewijst dut de stam Jozef heel wat ellende heelt
geladen.
24.   kracht en spieren, onzekere vertaling. — Sterke. Hot aldus vertaalde woord, ook T». CXXXI1 :
2, 5; Jez. 1:81; XI.IX :2c>; I.X : 16 van Jahwe gebezigd (verg. op Jer. XI.VI : 15), wordt, naar eene
ecnigermate andere uitspraak, van den stier gebruikt. Ih dit de oorspronkelijke heteckenis van dezen
naam van Jahwe, dan wijst hij wellicht terug naar een tijd waarin hij in de gedaante van een stier
werd afgebeeld. — door de armen, volg. verb. t. — Steen, alleen hier van Jahwe; doch zio op Deut.
XXXII :4.
25.    Qod den Machtige, volg. verb. t.; verg. op XVII: I. — zegeningen de» hemel», regen en dauw.
— zegeningen des a/grondt, bronnen en beken, die uit den afgrond onder de narde heetten te ont-
springen (verg. op I : I en op Dout. VIII : 7;. — zegeningen — moederschoot, vruchtbaarheid.
26.   de eeutcigc bergen, volg. lïr. vert. De zegeningen der bergen zijn weder in de eerste plaats
bronnen. Verg. Deut. XXXIII: 15; I\'s. I.XVIU:34.
HOOFDSTUK XI.IX : 29-L : 26.
Jakobs en Jozefs dood. — Jukoh gelast zijne zonen, hem in de spelonk van Machpela te begraven,
en sterft (XI.IX : 29-33); Jozer laat hem balsemen (I.: I—3), begraaft hem in Kanann (1—13) en
keert naar Bgvpta terug (14). Hij stelt zijne broeders, die voor zijne wraak vreezen, gerust (15—21).
-ocr page 57-
gknksis XLIX:29—L : 8.
137
Jozefs levensduur (22 v.); hij beveelt zijne broeders, als zij eenmaal Egypte /.uilen verlaten, zijn
gebeente mede to voeren (21 v.), sterl\'l en wordt gebalsemd (26).
Van dit verhaal, grootendeels uit het Oude-Sagcnboek genomen, is XI.IX:33; l.:l—II, II uit De
Jabwist, L: IS—26 uit De Elohist. Daarentegen maakte XI.IX : 2\'.l—32; L: 12 v. deel uit van
Kzra\'s Wetboek, welks schrijver groolc waarde hechtte aan bet, gewaande, graf der aartsvaders (e
llebron; verg. II. XXIII. Over de tegenstrijdige berichten aangaande ile plnits waar Jakob begraven
is zie up vs. 5 en 11.
XLIX : 29 Ëa Jakob gaf hun dezen last: Wanneer ik tot mijn vulk verza-
meld zal zijn, begraaft mij «lan bij mijne voorvaderen, in de spelonk
30       op den akker van Bl\'ron, den Uittiet,\' in de spelonk van Machpela,
ten oosten van Mamre, in het land Kanaiin, welken akker Abraham
31       gekocht heeft van Et\'ron, den Hittiet, tot een erlgraf. \' Daar hebben
zij Abraham en zijne vrouw Sara begraven; daar hebben zij Izaiik en
32       zijne vrouw Uebekka begraven, en daar heb ik Lea begraven; in den
akker en de daarop liggende spelonk, die van de Hittieten gekocht
33       zijn. \' Toen Jakob al zijne bevelen aan zijne zonen gegeven had, trok
hij zijne voeten weder op het bed, gaf den geest en werd tot zijne
volkeren verzameld.
L: 1 Toen viel Jozef op het aangezicht van zijn vader, weende\'over hem
2       en kuste hem.\' Daarna beval Jozef zijne dienaren, de geneesheeren,
zijn vader te balsemen. Dienvolgens balsemden de geneesheeren Israël.\'
3       Hierover verstreken veertig dagen ; want zoolang duurde de balseming;
4       en de Egyptonaren bewoonden hem zeventig dagen, \' Toen de rouwtijd
over hem voorbij was, sprak Jozef tot het huis van Farao: Indien ik
gunst in uw oog gevonden heb, weest dan toch mijne voorspraak bij
5       Farao in deze zaak:\' mijn vader heeft mij vóór zijn dood bezworen:
wanneer ik gestorven ben, begraaf mij dan in mijn graf, dat ik mij
uitgehouwen heb in het land Kanaiin. — Laat mij dus optrekken en
mijn vader begraven, zooals hij mij heeft bezworen. Daarna zal ik
6       wederkeeren. \' Farao zeitlc: Trek op en begraaf uwen vader, gelijk hij
7       u heeft bezworen.\' Toen trok Jozef op, om zijn vader te begraven,
en alle dienaren van Farao, de oudsten van zijn hof, en alle oudsten
8       van Egypteland trokken met hem;\' ook het geheele gezin van Jozef,
29.     IKonnrer — zijn. Verg. o|> XV: 15.
30.    in de spelonk van Machpela, volg. Or. vert.; Hebr. t. in de spelonk die op den akker van Machpela
is.
Verg. H. XXIII.
0
31.    l.ea. Waarschijnlijk schreef de oorspronkelijke vcrbaler (de schrijver van E/.ra\'s Wetboek)
Lea en Rachel. Daar hij met de oude geboortcgesehiedenissen WO vrij to werk ging dat hij ook
Benjamin in 1\'aildnn-Arnm liet geboren worden, XXXV: 24, Ï6, en hij zeer groot gewicht hechtte
nan de spelonk van Machpela, als begraafplaats der aartsvaders, heeft hij waarschijnlijk het verhaal
XXXV : 1\'J v. verloochend. Maar do Verzamelaar, die XXXV : 1!> v. opnam, hief de tegenstrijdigheid
tusschen den inhoud daarvan en het verhaal dut Rachel in Machpela begraven is op, liet en Rachel
•hier weg en voegde er XI.VIU:7 bij, welk vers later verdwaald is naar de plaats waar het nu, zeer
ongepast, staat.
33. trok — bed. Dit slaat terug op XLVIU:Sk, waar Jakob op den rand van zijn bed gaat zitten;
vs. 33 behoort dus tot het Jahwistisch verhaal waarin ilit voorkwam.
2. balsemen. Balseming heet de kunstbewerking waardoor men lijken voor ontbinding zocht te
bewaren. Hiertoe werden de ingewanden en andere weeke deelen uit bet lichaam verwijderd, en dit
in allerlei bederfwerende stollen gelegd en daarmeile gevuld; waarna het in linnen of katoenen banden
gewikkeld en in eene h< uten kist besloten werd. De velerlei werkzaamheden, nan ilie behandeling
verbonden, werden nan onderscheidene deskundigen van hooger en lager rang toevertrouwd, die hier
geneesheeren genoemd worden. Terwijl de armen de groote hieraan verbonden kosten niet konden
opbrengen en dus niet gebalsemd werden, geschiedde dit voor de meer gegoeden op eenvoudiger of
kostbaarder wijze. De uitvoerigste behandeling duurde zeventig dagen. In den loop des tijds hebben
de Kgyplennren het in die kunst steeds verder gebracht; zoodat vele gebalsemde lijken, mummiën, vnn
voor meer dan drie duizend jaren, nog goed bewaard zijn gebleven. — znentitj daijen Houwen do
Egyptennren zoo lang, de Israëlieten doen het zeven dagen bij de begrafenis van Jakob in Knnniin, vs. 10.
5. rdor sijn dood, ingevoegd volgons Sein. t. — begraaf — Kanattn. Uier, in Do Juhwist, is geen
sprake van de spelonk van Machpela. Waarschijnlijk liet de schrijver Jakob begraven worden tor
plaatse waar volg. vs. 10 v. rouw over hem bedreven is. — looalt — bczicoren, ingovocgd volg. Sam. U
-ocr page 58-
gknksis L : 8—26.
138
zijne broeders en liet gezin zijns vaders. Alleen de kinderen lieten zij
9 niet het kleinvee en de runderen in het land Goosjen achter. \' Met
hem togen ook strijd wagens en ruiters; zoodat het een zeer groot leger
lü was.\' Aan den Doornen-dorschvloer, in het Overjordaansehe, gekomen,
hielden zij daar eene groote en zeer zware weeklacht. Zoo deed hij
I l over zijn vader zeven dagen rouw bedrijven. \' Toen de inwoners des
lands, de Kanaanieten, dien rouw op den Doornen-dorschvloer zagen,
zeiden zij: Dat is een zware rouw van Egypte. Daarom heet die plaats:
12       Abel-Misraim. Zij ligt in het Overjordaansehe. \' En zijne zonen deden
13       hem zoo, gelijk hij hun bevolon had:\' zij vervoerden hem naar het
land Kanaiin en begroeven hem in de spelonk van den akker van
Machpela, dien Abraham tot een erfgraf had gekocht van Et\'ron, den
14       Hittiet, tegenover Mamre. \' Na zijn vader begraven te hebben, keerde
Jozef naar Egypte terug, met zijne broeders en allen die met hem
opgetogen waren om zijn vader te begraven.
15           Toen de broeders van Jozef zagen dat hun vader gestorven was,
zeiden zij: Als Jozef eens kwaad tegen ons in den zin had en ons al
16       het leed dat wij hem berokkend hebben duchtig vergold!\' Daarom
zonden zij gezanten tot Jozef en zeiden tot hem: (Jw vader heeft vóór
17       zijn dood gelast:\' Gij moet aan Jozef zeggen: Vergeef toch het mis-
drijf uwer broeders en hunne zonde, dat zij u leed berokkend hebben.
Welnu, vergeef toch het misdrijf der dienaren van uws vaders god.
18       Toen zij zoo tot hem spraken, weende Jozef. \' Ook gingen zijne broe-
ders zelven en vielen voor hem neder en zeiden: Zie, wij zijn uwe
li) dienaren!\' Maar Jozef zeide tot hen: Vreest niet. Want bekleed ik
20       Gods plaats!1 Gij hebt wel kwaad tegen mij bedacht; maar God heeft
dat ten goede gedacht, ten einde, zooals thans geschied is, een groot
21       volk in het leven te houden. \' Vreest daarom niet Ik zal u en uwe
kinderen onderhouden. Zoo troostte hij hen en sprak naar hun hart.
22           Jozef bleef in Egypte wonen met zijns vaders huis en leefde hon-
23       derd tien jaar. \' Jozef zag uit Efraim achterkleinkinderen; ook wer-
den de zonen van Manasse\'s zoon Machir op Jozefs knieën geboren.\'
24       Jozef zeide tot zijne broeders: Ik ga sterven, en God zal ongetwijfeld
naar u omzien en u opvoeren uit dit land naar dat hetwelk hij aan
25       Abraham, Izaiik en Jakob bij eede beloofd heeft. \' En Jozef bezwoer
Israels zonen: Wanneer God naar u omziet, voert dan mijn gebeente
26       van hier op. \' Toen stierf Jozef, honderd tien jaar oud, en men bal-
semde hem en legde hem in eene kist, in Egypte.
10.   den Doornen-Doraehvloer. Waar die Ing, is onbekend. — zeven dagen. Zie op Deut. XXXIV:8.
11.    Abcl-Mi&raim Deze naam wordt hier opgevat als l>eteekenend ,rou\\v der Egyptenaren\' of,van
Egypte\'. Hij zal wel moeien vertaald worden ,de weide der Egyptenaren\', wat zeker de oorspronkelijke
hetcekenis is. De plaats wordt elders niet vernield. Haar naam heelt wellicht aanleiding gegeven tot
dit verhaal. Dat Jakob hier ook begraven is, staat er niet bij; maar zie op VS. 5.
16, sonitn zij giganten, onzekere vertaling.
lil v. Kan ik toornen over iets dut God zoo blijkbaar tot veler zegen gewild heeft?
23. achterkleinkinderen, niet van El\'raim, maar van hem zelven. — ook — geboren. Zie op XXX :3.
Machir heet Joz. XVII: 1 v. de oudste zooa van Manasse, Num. XXVI: 211— 31 zelfs de eenige; verg.
op Richt. V: 11. Wat hier van Machir gezegd wordt strekt tot zijne verheerlijking. En deze was ge-
wenscht. Immers, de Macliirietcn hadden in den tijd der richteren (zie inl. op Num. XXXII) het
eigenlijk Kanaiin verlaten en zich in Gilead nedergezet. Om te verhinderen dat dit hen in de schat*
ting der stammen ten westen van den Jordaan deed dalen, leert deze plaats dat Jozef Machirs zonen
als do zijne heeft aangenomen; wat zeggen wil: de Machirietcn, hoewel in liet Overjordaansehe
gevestigd, nemen eene eoreplaats in het huis Jozef in. Hoe weinig dit doel heeft getroffen, blijkt uit
1 Kron. VII: 14, waar Machir de zoon van Mannsse uit eene Arameescho bij vrouw heet.
2«. in Bgypte, waaruit men haar inedcnain, Exod. XIII : l\'J, om het lijk to Sichem te begraven,
Joz. XXIV: 88.
-ocr page 59-
INLEIDING OP EXODUS I : 1 — XXIV : 11.
139
EXODUS.
INLEIDING ÜP HOOFDSTUK 1 : l-XXIV : 11.
Deze hoofdstukken bevatten mecrendccls verhalen over de lotgevallen der Israëlieten, en wel van
hunne onderdrukking in Egypte tot de sluiting van het verbond aan den Sinai. Dunrlusschcn in staan
cenige wetten, namelijk: in XII, XIII drie. grootendeels van zeer jonge dagteekening,over helpaasch.
feest, de dagen der ongezuurde brooden en de wijding der eerstgeborenen, alle drie in verband gc-
brnebt met den uittocht uit Egypte en daarom hier geplaatst; XX : 2—17, de Tien Woorden, samen-
geweven met het verhaal van Jahwe\'s openbaring op den Sinai; en bet Bondsboek, XX : 22—XXIII :
33, hetwelk do voorwaarden bevat van het verbond dat Jahwe daar met Israël sloot. Daarenboven is
het danklied na de redding uit Egypte (XV : l—1\'J) aan het verhaal daarvan toegevoegd.
Van de verhalen is slechts een klein gedeelte van Ezra\'s Wetboek ontleend, en zijn een paar stuk-
ken toevoegsels op het Oude-Sagenboek in den geest van J)eutcronomimn (zie inl. opXIXil—XX: 21).
liet niccrendcel is uit het Oude-Sagcnboek zeil\', hoewel soms met jongere stukken samengevlochten.
Die oude verhalen zijn: 1:8—12, 15—22, de slavernij in Egypte; II : 1—23a, Mozes\' jeugd en vlucht
naar Midian; lil : 1—IV : 31, Mozes\' roeping en zijn terugkeer naar Egypte; V, de mislukte poging;
een gedeelte van VII: 8—XI : 10, de plagen van Egypte; XII, 29—37, de dood der eerstgeborenen
in Egypte — midden in wetten n.edcgedecld ; XIII : 17—19, 21 v.; XIV: 5—7, 19 v., 2«. 30 v. en
14, 21, 27 gedeeltelijk, de doortocht door de Roode Zee; XV : 20 v., Mirjnms zang; XVII, Israël in
Ralldim on In Massa en Moriba; XVIII, Jethro\'s bezoek; XIX : I, 2, 3o, 9<i, 10-13<t, 14—19; XX
18—21; 1—17; de afkondiging van de Tien Woorden; XXIV 3—8, de bondsluiting.
Wat tot recht verstand van den oorsprong en den inhoud dezer verhalen dient geldt evenzeer voor
de oude berichten over de omzwerving door de woestijn en de verovering van het Overjordaanschc,
die in het vervolg van Exodus en in yumeri tusschen de wetten in staan welke den hoofdinhoud er
van uitmaken. Leviticu» heeft slechts een paar, zeer korte verhalen, nauw met wetten samengeweven
(in X en NX1V:10—23); Deutcronomium, behalve ecnigo verzen in II, XXXI, alleen II. XXXIV,
Mozes\' dood. Afgezien van eenige jongere toevoegsels, zijn de oude verhalen in de tweede helft van
Exodus en in Numeri de volgende: Exod. XXXII, het gouden slierbeeld; XXXIII, XXXIV, Jahwe\'s
openbaring aan Mozes; Num. X : 29—36, Israël trekt op onder geleide van de Midianietcn en van de
ark; XI, manna en kwakkelen; XII, Mirjam; XIII, XIV, de verspieding van Kanniin; XVI. Korah on
zijne medestanders; XX : 1—13, de zonde van Mozes en Aiiron; 14—21, Israël en Edom ; XXI : 1—
XXII: 1, de tocht naar en do verovering van het Overjordaanschc; XXII: 2—XXIV : 25, Bilcam; XXV,
I\'inehas; XXXII, de toewijzing van het Overjordaanschc aan Kuben. Gad en hall\' Manasse.
Terwijl al wat in Genesis slaat tot het gebied der legende behoort (verg. inll. op den. I—XI en
XII—I.), betreden wij in deze verhalen dat der geschiedenis. Een feit toch is het dat de Hebreen,
die ongeveer in de dertiende eeuw voor Chr. zich in Kanniin hebben gcvesligd, uit do woestijnen
kwamen die dat land ten oosten en ten zuiden begrenzen; hoogstwaarschijnlijk hebben zij zich dus
cenigen tijd daarin opgehouden. Ook zal het wel waar zijn dat althans een deel dier veroveraars uit
Egypie kwam en daar onderdrukt is geweest. Eenige namen die in do oude vcrhnlen voorkomen dui-
den waarschijnlijk personen en plaatsen aan die inderdaad in den tijd vóór de verovering van Kanniin
eenc rol in Israëls geschiedenis gespeeld hebben, o. a. die van Isrnëls leidslieden Mozes, Aiiron, Uur,
Jozua en Pinehns, die hunner vijanden Sihon en Og, on die van Horeb, Sinai en Kades. Verdermogen
wij echter niet gaan. Zelfs zijn wij ten aanzien van al deze punten niet zeker. Evenals Kalebniets is
dan do verdichte stamvader der Kniebieten (zie inl. op Num. XIII, XIV) kan Pinehas die der pries-
ters van den Jeruzalemschen tempel zijn geweest (zie inl, op Num. XXV). Maar wat hiervan zij, zeker
is al wat vnn die personen on plaatsen medegedeeld wordt onhistorisch, en zijn deze verlialon, evenals
die in Gtneti; niet naïeve vruchten dor dichtende verbeelding of opsiering van oude overleveringen,
maar — grootendeels althans — met meer of minder klare bewustheid, lot bereiking van een godi-
-ocr page 60-
140
BXODU8 I ï 1—8.
dienstig of staatkundig doel, verdicht. Jahwe\'s macht en zorg voor Israël te verheerlijken, Egypte te
smaden, oude gebruiken te verklaren, do stamvaders van Israelictische fnmihön te ecren, Israëls vcr-
bottding tot naburige volken in de achtste eeuw te teekenen, de vestiging van een paar stammen in
liet Overjordaansche te rechtvaardigen — ziedaar wat do verhalers beoogden.
In het weergeven der legenden onderscheidde zich de schrijver van Ezra\'s Wetboek van de oude
verhalers schier alleen in zijne opvatting van do worsteling van Jahwe met do goden van Egypte
(zie tal. op Vil: S; XI : 10) en van het manna (zie inl. op XV : 28—XVI: 88); overigens gaf hij
slechts een kleurloos overzicht en bepaalde de aandacht zijner lezers vooral bij de wetten die Jahwe
vóór de komst der Israëlieten in Kanaan heette gegeven te hebben, in de eerste plaats bij die over
den eercdienst (zie inl. op XXIV : 12—XI.: 38).
HOOFDSTUK I.
De slavernij in Egypte. — De namen van Israëls zonen (1—5). De Ismelieten vermenigvuldigen
zich sterk nn Jozefs dood (6 v.) en worden zwaar verdrukt, opdat zij niet al te talrijk worden; maar
vergeefs (8—11). De koning gelast daarom do vroedvrouwen der Ilcbrccuwsclie moeders,de knapen die
geboren worden te dooden; wat zij echter niet doen (15—21); daarop krijgen alle Egyptenarcn het
hevel, de pas geboren jongens in den Nijl te werpen (22).
Van dit verhaal is het grootste gedeelte aan het Oude-Sagenboek, en wel aan Do Elohist ontleend.
Hiertoe heeft stellig vs. 15—22 behoord. Alleen vs. 1—7, 13 v., dat do lijst van Israëls zonen en een
kort bericht over hunne vermeerdering en de onderdrukking hunner nakomelingen door de Egypte-
naren behelst, is grootendcels uil Ezra\'s Wetboek. Verg. ook op vs. 20.
Al is de hoofdzaak in dit verhaal geschiedkundig (zie inl. op I : 1—XXIV : 11), de bijzonderhedon
zijn legenden, /.ooals uit den inhoud blijkt. Immers, onmogelijk kunnen alle Hebreeuwscho vrouwen
bij hare verlossing door slechts tsvee Egyptische vroedvrouwen zijn bijgestaan ; verg. over de bedoeling
vnn dit deel des verbaals de aanteekening op vs. 21.
In welken tijd de Israëlieten door de Egyptenarcn onderdrukt zijn, weten wij niet. Daar de Egyp-
tische gcdenktcekenen en geschriften gcenerlei geloofwaardig bericht over do Hebreen bevotten, en wij
uit het O. T. niot kunnen berekenen, hoeveel tijd verloopen is tusschen den uittocht uit Egypte en
het eerste feit waarvan de datum vaststaat (zie inl. op Richtcren), is dit eerste hoofdstuk vun Bteo&iu
het eenige bericht omtrent den tijd waarin wij die onderdrukking, en dientengevolge den uittocht,
hebben te plaatsen. En dit baat ons ten dezen weinig. Namen toch van Egyptische koningen worden
er niet in genoemd; in het Oude-Sagenboek komen drie koningen voor, dio evenwel alloen met hun
gemecnschappclijken titel Farao nnngeduid zijn. Misschien is do naam der stad Haiïmses eene, zij het
don ook onzekere, vingerwijzing naar den toenmaligen hcerschcr; zie op vs. 8 en 11.
1: 1          Dit zijn de namen van Israëls zonen die met hun vader Jakob in
2 Egypte kwamen; ieder kwam met zijn gezin:\' Ruben, Simeon, Levi,
3, 4 Juda, \' Issachar, Zebulon, Benjamin,\' Dan, Naftali, Gad en Azcr. \'
5 In het geheel waren Jakobs afstammelingen zeventig in getal, en Jozef\'
bevond zich in Egypte,
(i, 7 Jozef nu stierf, alsmede al zijne broeders on dat gansche geslacht;\' en
de Israëlieten waren vruchtbaar, verbreidden en vermenigvuldigden zich
8 en werden zeer zeer machtig; zoodat het land van hen vol werd.\' En
Vs. 7 v. Hand. VII : 17 V.
1. hun vader, ingevoegd volg. Gr. vert.
2-5. Verg. Oen. XI.VI : 8-27.
5. afstammelingen. In het llebrecuwsch dezelfde uitdrukking als (ien. XI.VI j 86. — zeventig. Volg.
Gr. vert. vijf en zeventig; verg. op Oen. XI. VI : 27.
8. mh nieuwe koning, d. i. een andere. De schrijver wil met die ongewone uitdrukking waarschijn-
lijk zeggen, niet dat deze vorst uit een ander huis svas dan zijn voorganger, maar dat hij eene andere
gedragslijn ten aanzien van de Hebreen volgde. Daar deze koning, volg. vs. 11, de stad llaömses of
llnmses bouwde, wordt waarschijnlijk bedoeld ltainses II Miamoen, dio, in de veertiende eeuw voor
Chr., niot minder dan zeven en zestig jaren den troon vnn Egypte bekleed heeft. Hij was een der
machtigste vorsten die Egypte hoeft gehad, voerde tul van oorlogen en trachtte door de stichting van
vele steden, tempels en andere gebouwen zijn naam te vereeuwigen. Ook bij de Grieken was hij, onder
den naam Sesostrie, bekend.
-ocr page 61-
bxodob 1: 8—22.                                            141
een nieuwe koning stond op over Egypte, die Jozef niet gekend had.\'
9 Deze zeide tot zijn volk: Zie, liet volk der Israëlieten is talrijker en
10       machtiger dan wij. \' Komt, laten wij ons verstandig te zijnen aanzien
gedragen; opdat het niet zich verinenigvuldige en zich, wanneer wij
in oorlog geraken, nog bij onze vijanden voege, ons beoorlooge en
11       dan uit het land optrekke.\' Dientengevolge stelde men over het volk
opzieners der heerendiensten, om het neder te drukken door dwang-
arbeid, en zij bouwden voorraadsteden voor Farao: Pithom en Raiimses.\'
12       Maar in gelijke mate als zij het onderdrukten vermenigvuldigde het
zich en breidde het zich uit; zoodat zij angstig werden voorde Israë-
18 lieten.\' De Egyptenaren dwongen de Israëlieten tot slavendiensten \'
14       en verbitterden hun leven door zwaar werk in leem en tichels, en
met allerlei veldarbeid en slavendienst, die zij hen deden verrichten.
15           Toen zeide de koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hc-
16       breeuwsche vrouwen — de eene heette Sjifra, de andere Pua: \' —
Wanneer gij de Hebreeuwsche vrouwen bij hare bevalling bijstaat en ziet
dat het kind een zoon is, doodt het dan; is het eene dochter, dan
17       mag het in het leven blijven. \' Maar de vroedvrouwen vreesden God
en deden niet naar hetgeen de koning van Egypte haar gezegd had,
18       maar lieten de kinderen in het leven. \' Toen ontbood de koning van
Egypte de vroedvrouwen en zeide tot haar: Waarom hebt gij dit
19       gedaan en de kinderen in het leven gelaten ?\' Hierop zeiden de vroed-
vrouwen tot Farao: De Hebreeuwsche vrouwen zijn niet als de Egyp-
tische; zij zijn als de dieren: voordat de vroedvrouw bij haar komt,
20       hebben zij het kind reeds ter wereld gebracht. \' En God beloonde de
vroedvrouwen, terwijl het volk zich vermenigvuldigde en zeer machtig
21       werd. \' Omdat de vroedvrouwen God vreesden, heeft hij haar tot stam-
22       moeders gemaakt.\' Nu beval Farao zijn geheele volk: Al de zonen
die aan de Hebreen geboren worden moet gij in den Nijl werpen;
maar al de dochters kunt gij in het leven laten.
10.   tcanneer — geraken, volg. Sant. en Or. t.
11.   zij bouwden, vuig. Sam. en Ur. t. ; Hcbr. t. hij, Farao, bouwde. — pithom en Raümses. Beide
plaatsen lagen in het land (ïoosjen en /.ouden dus, behalve tot voorraadsteden, door het daarin ie
leggen garnizoen tevens kunnen dienen om de omwonende Hebreen in toom te houden. Pithom, waar-
schijnlijk aan den grooton weg van Pelusium nuar Momüs, beteekent ,huis van (den god) Thora\';
Ilaümscs, waarschijnlijk door Kamses II (zie op vs. 8) gebouwd, is onbekend. Naar deze plaats wordt
Oen. X l.V11:11 het land Goosjcn „het land van Raiimses" genoemd.
14.   veldarbeid. Deze was zeer zwaar in Egypte, omdat daartoe het besproeien der akkers behoorde,
waartoe hel water vaak niet schepraderen die door menschen getreden werden of niet emmers in do
hoogte gebracht werd; verg. op Deut. XI: 10.
15.    Toen, nl. toen zij voor de Israëlieten bevreesd werden; want dit vers sluit zich aan vs. 12 aan.
— de vroedvrouwen der Hebreeuwsche vrouwen, niet verandering van een klinker; zooals ook (ïr. en
l.at. vent. te recht overzetten ; want het waren geen Hebreeuwsche, maar Egyptische vrouwen; verg.
op vs. 22. Ilubr. t. heeft de Hebreeuwsche vroedvrouwen.
16.   ff ij ziet — is. Uit is zeker de zin; maar éen woord in Hcbr. t. is volkomen onverstaanbaar.
19.   als de dieren, volgens andere klinkers.
20.    Qod beloonde. Do leugen der vroedvrouwen wordt door den schrijver blijkbaar niet als zonde
beschouwd. — terwijl — werd. Deze woorden staan vreemd lusschen do beschrijving van het loon der
vroedvrouwen in: een gevolg vun de verceniging van twee verhalen.
21.   heelt — gemaakt, nl. in Israël, letterlijk heeft hij haar huizen gemaakt. Er waren ongetwijfeld
onderde Israëlieten familiën die afstamden van Egyptische vrouwen; welke bevreemdende, voor velen
aanstootelijke, zaak hier uit de vroomheid dier stammoeders verklaard wordt; verg. inll. op Nuni.
XIII, XIV en op Joz. II.
22.    zijn geheele volk, en niet alleen de vroedvrouwen. Uit deze tegenstelling blijkt dat het Egyptische
vrouwen waren. — aan de Hebreen, volg. Sam. en Or. t. ingevoegd.
HOOFDSTUK II.
Mozes\' jeugd en vlucht naar Midian. — Geboorte van Mozes (I v.); hij wordt in eon biezen klllje
in den NUI nedergologd (S), door\'s konings dochter gered en als zoon aangenomen (4—10). Hij doodt
-ocr page 62-
exodus II: 1—11.
142
een Egyptischen drijver zijner bloedverwanten (11 v); dit feit wordt ruchtbaar en brengt zijn leven
in gevaar (13 v.i. Hij vlui\'ht naar Midian (15), staat de dochten van dun priester des Innds bij en
wordt door dezen gastvrij opgenomen (16—20). Ilij huwt Sippora, die bem een zoon. Qersjom, schenkt
(21 v.). De koning van Egypte sterft, en Jahwe let op de klachten van zijn volk (23—25).
Dit verhaal, dat kennelijk de strekking heeft, in het licht te stellen hoe het behoud van Mozes,
*Israels redder, nan Jahwc\'s tusschenkoinst is ie dnnken, is hoofdzakelijk uit De Hlohist; wellicht is
vs. 15—23a uit De Juhwist, terwijl de samensteller van het Oude-Sagenbnek de oude verhalen, hier
en daar in kleinigheden, misschien op een punt belangrijk, wijzigde (zie op vs. 2). Vs. 236—2.j is aan
Ezra\'s Wetboek ontleend.
II: L        En een man uit het buis Levi ging heen en huwde eene dochter
2 viin Levi.\' Die vrouw werd zwanger en baarde een zoon. Ziende dat
15 het een schoon kind was, verborg zij hem drie maanden lang. \' En
toen zij hem niet langer kon verbergen, nam zij voor hem een biezen
kistje, bestreek dit met asphalt en pek, legde bet kind er in en plaatste
4       het in het riet aan den oever van den Nijl;\' terwijl zijne zuster op
eenigen afstand ging staan, om te zien wat van hem zou worden.\'
5       Toen nu de dochter van Farao naar den Nijl afdaalde, om zich te
baden, terwijl hare slavinnen langs den Nijl gingen, zag zij het kistje
(i in het riet en liet bet door ecne harer slavinnen halen. \' Zij opende
het en zag zoowaar eeu schreiend knaapje. Zij kreeg er medelijden
7       mede en zeide: Uut is een van de kinderen der Hebreen. \' Hierop
zeide zijne zuster tot de dochter van Farao: Wil ik eene min uit de
Hebreeuwsche vrouwen voor u gaan halen, die het kind voor u zoogen
8       kan?\' Farao\'s dochter zeide: Ga. Toen ging het meisje de moeder
9       van het kind halen. \' Farao\'s dochter zeide tot baar: Daar hebt gij
dit kind; zoog bet voor mij; ik zal u uw loon geven. Zoo nam die
10       vrouw het kind mede en zoogde het.\' En toen het kind groot was
geworden, bracht zij bet aan Farao\'s dochter; hij werd haar ten zoon,
en zij noemde hem Mozes; want, zeide zij, uit het water heb ik
hem getogen.
11           In dien tijd nu, toen Mozes opgegroeid was, ging hij uit naar zijne
broederen en zag bun dwangarbeid aan. En daar zag hij eeu Egyp-
Vs. 2 v. Hand. VII :20 v. - Vs. 11-15. Band. Vil: 21—20.
1.    Volg. VI: 19 ; Num. XX VI: 58 v. heetten Mozes\' ouders Aiiirain en Jochobed ; volgens do laatste
plaats wal gene do kleinzoon, deze do dochter van l.ovi. Gr. en Lat. vertt. vatten do woorden eene
dochter van f.evi
op alsof er stond.: eene uit do dochteis van den stam Levi, waarschijnlijk om den
strijd op Ie hellen lussehcn dit bericht en de opgave XII:40 (verg. Gen. XV: 13), dat de Hebreen
vierhonderd dertig jaren in Egypte hebben gewoond. Maar de oudste overlevering weet niets van zulk
een lang tijdsverloop, en laat de onderdrukking beginnen kort na den dood van het geslacht dut in
Egypte gekomen was (1:8) en het vierde geslacht van daar uittrekken (tien. XV: 16j Exod. VI: 13—26;
Num. XXVI; Joz. VII :1).
2.    een zoon, naar hetgeen volgt, Mozes, die dus hel eerste kind zijner ouders was, terwijl volg.
vs. 4 zijne zuster, volg. VI: 19; Vil: 7 ook zijn broeder Aiiron, ouder was dan hij. Deze tcgenstrij-
digheid is te verklaren, óf uit de samensmelting van verschillende legenden, óf uit slordigen verhaal-
irant. — De moed waarmede de ouders van Mozes het gebod van farao trotseerden en hun kind
verborgen wordt Hebr. XI: 13 als vrucht van geloof geroemd.
3.    bieten, van papyrus, waaruit men papier, matten, korven, zeilen, kleedercn, schoenen, zelfs
vaartuigen, vervaardigde; verg. op Jez. X VIII: 2. — atphait. Zie op Gen. XI: 3.
4.    zijne jiuter, volg. Num. XXVI: 59 Mirjam geheeten. Verg. op Num. XII: I.
ü. en zag, volg. verb. I.; Hebr. t. e» zag hel, hel kind.
9.    Daar hebt gij, onzekere lezing en vertaling.
10.    trant — getogen. De naam Mozes heeft eenige overeenkomst in klank met een, weinig gebrul-
kelijk, llebieeuwseh werkwoord dat .trekken\' beduidt. De ware beleekents is onbekend. Waarschijnlijk
is het een Egyptische naam, die ,kind\' beteekent.
II v. Hebr. XI: 21—27 prijst het als daad van geloof in Mozes, dat hij partij trekt voor zijn
verdrukt volk; verg. Hand. VII:21.
11.    opgegroeid nas. In hot llebreeuwsch wordt hier hetzelfde woord gebruikt dat in vs. 10 door
groot u-as geworden is vertaald; zoodat het den schijn heeft, alsof hot hier verhaalde dadelijk gevolgd
is op zijne komst unn het hof. De aard der zaak brengt echter mede, dal do schrijver zich eenig
tijdsverloop tusschen de ecne en de andere gebeurtenis heeft voorgesteld. Volg. Hand. Vil: 22 v. heeft
-ocr page 63-
HXODiTjs II: 11—25.
143
12       tenaar een Hebreër, een zijner broederen, slaan. \' Hij keek her- en
derwaarts, en ziende d;it er niemand was, versloeg hij den Egyptenaar
13       en begroef hem in het zand. \' Den volgenden dag uitgaande, zag hij
twee Hebreen met elkander vechten. Hij zeide tot hem die ongelijk
14       had: Waarom slaat gij uw naaste\'\' Maar hij zeide: Wie heeft u tot
hoofdman en rechter over ons aangesteld? Deukt gij mij te dooden,
zooals gij den Egyptenaar gedood hebt? Toen werd Mozes bevreesd en
dacht: Zoo is dan waarlijk de zaak bekend geworden!
15           En Farao, het gebeurde vernemende, zocht Mozes te dooden; maar
deze vluchtte voor Farao. Hij kwam in het land van Midian en ging
1G bij den put zitten.\' De priester van Midian nu had zeven dochters,
die daar kwamen putten en de waterbakken vullen, om het kleinvee
17       van haar vader te drenken. \' Maar de herders kwamen en joegen haar
18       weg. Nu stond Mozes op, sprong haar bij en drenkte haar vee.\' Toen
zij bij haar vader thuis kwamen, zeide deze: Wat komt gij vandaag
19       spoedig thuis!\' Waarop zij zeiden: Een Egyptenaar heeft ons verlost
uit de hand der herders, en ook ijverig voor ons geput en het vee
20       gedrenkt.\' Hij zeide tot zijne dochters: Waar is hij.\' Waarom hebt
gij dien man daar gelaten? Roept hem, dat hij brood ete.
21           Mozes nu besloot bij dien man te blijven wonen, en deze gaf hem
22       zijne dochter Sippora tot vrouw. \' En zij baarde hem een zoon, dien
hij Gersjom noemde; want, zeide hij, ik ben een vreemdeling gewor-
den in het buitenland.
23           Gedurende die lange tijdsruimte stierf de koning van Egypte, en
de Israëlieten zuchtten vanwege de slavernij en riepen, en hun ge-
24       schrei klom tot God uit hunne slavernij op. \' En God, hun gekerm
25       hoorende, gedacht zijn verbond met Abraham, Izaitk en .Jakob;\' daarom
zag God naar de Israëlieten om en sloeg acht op hen.
Mozes eenc Iv-ryptischc opvoeding genoten en is hij eerst op zijn veertigste jaar zijne broeders gaan
bezoeken; verg. Exod. VII : 7. — een zijner broederen, <>f der Israëlieten, zooals de Gr. vert. er bier
tweeiuual uitdrukkelijk bijvoegt, 61\' zijner verwanten.
13. Mo naaste, uw volksgenoot»
15. Hij kwam, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. Hij vettigde zich. — Midian. Zie op Gen. XXV: 2. Volgens
onze plaats moet Midian niet ten oosten van Palestina, maar ten zuiden, niet ver van Egypte, zijn
te zoeken; volg. III: I bij den berg llnreb, over welks ligging zie te dier plaatse. De schrijver van
ons verhaal stelt zich bet land zeer klein voor; want hij onderstelt, dat er slechts een put in was
en de bevolking slechts oen priester had (vs. 16).
17.    Verg. Gen. XXIX : 2—10.
18.   haar vader. Ilebr. t. voegt er bij Itcüel. Mozes\' schoonvader heet in De Klobist altijd Jethro,
111:1; IV: 18; XVIII. De naam AViiW, dien Gen. XX.\\VI:4, 10, 13, 17; 1 Kron. 1:35, 37 een
Kdomiet, Num. 1:14; 1 Kron. IX : 8 een Israëliet draagt, wordt Num. X : .".> ook aan den vader van
Mozes\' schoonvader gegeven, die duur, evenals Richt. 1: 16; IV : 11, Hobab heet. Waarschijnlijk is bij
hier door een lezer op den rand van zijn handschrift gezet en bij vergissing in den tekst geraakt.
21.  tot vrome, volg. Sain. en Gr. t. ingevoegd.
22.    Uertjom, do stamvader der priesters te Dan, Richt. XVIII : 30. — een vreemdeling. De eerste
lettergreep van Qtrtjoui beteekeut .vreemdeling\'. Volg. Gr. ven. luidde de naam: üertjam, d. i. ,vreem-
deliug aldaar\', bij welke uitspraak de verklaring in den tekst begrijpelijker wordt. — Hetzelfde komt
XVIII : 3 voor, aldaar gevolgd door het bericht der geboorte van Eliëzer.
25. tloey acht op hen, letterlijk ken,:, hen, volgens geringe tekstverandering ; Ilebr. t. kende. Verg.
op Ps. 1 : 6.
HOOFDSTUK 111, IV.
Mozes\' roeping en zijn terugkeer naar Egypte. — Jahwe verschijnt aan Mozes bij den Horcb in
cen brandend braambosch «UI : 1—6) en deelt hem zijn voornemen mede, zijn volk uit Egypte te
verlossen en naar Kanaiin te brengen (7 v.). Begaan met het lot van het onderdrukte volk, beveelt
hij Mozes, UH Farao te gaan en de Israëlieten uii Egypte te leiden (» v.i; als Mozes betuigt hiertoe
niet in slaat te zijn, geeft God hem da verzekering zijner hulp (11 v.); op zijne vraag naar den naam
van den god van Israëls voorvaderen, ontvangt hij de openbaring vnn den naam Jahwe (13—15). be-
-ocr page 64-
KXODUS III : 1.
144
nevens den last, met den oudsten der Israëlieten Farao te verzoeken dat het volk de woestijn moge
intrekken on aan Jahwe te olTeren (16—18) ; Farao zal dit weigeren, maar Jahwe hem door WO0-
derleekenen er loe dwingen (10 v.); terwijl de F.gyplennren goedwillig vele schallen aan de heen-
gaande Israëlieten zullen nicdegeven (21 v.). Op de Vraag vnn Mozes, hoe te handelen indien de oud-
sten der Israëlieten hem niet gelooven, geeft Jahwe hem de mocht, drie wonderen te doen (IV : 1— 0),
en als hij klangl niet welbespraakt Ie zijn, troost hij hem met zijn machtigen bijstand (10—12). Mozes
bidt hein, liever een ander te /enden (13); waarop Jahwe hem toornig zijn broeder Aaron als tolk
toewijst (11 — 16) en een wouderstaf ter hand stelt (17). Mnzes krij-i van zijn schoonvader verlof te
vertrekken <I8i. Hij ontvangt van Jahwe den last terug te koeren (11\') en gaat niet vrouw en zoon
naar Egypte, den wonderstaf in de hand (20), terwijl Jahwe hem beveelt, Farao, zoo hij weigert Israël
te laten trekken, met den dood van zijn eerstgeboren zoon Ie bedreigen (21—23). Onderweg wil Jahwe
Mozes dooden, welk gevaar Sippora al\'wendt door haar zoon te besnijden (21 —26). Aiirongaatop Jahwe\'s
bevel Mozes te gciuoet, en deze deelt item Jahwe\'s last mede. benevens de wondermiddelen die hem
len dienste slaan (27 v.); waarop zij Israëls oudsten verzamelen en Anron hen lot geloof aan Jahwe\'s
hulp hewccgi (10-81).
Deze hoofdslukken zijn geheel uit het Üude-Sagenboek. lint zij uit twee verhalen zijn samengesteld
treedt op ettelijke plaatsen aan den dag, nergens duidelijker dan IV : 10, waar Jahwe Mozes gelast,
naar Egypte terug te kceren omdat zijne vijanden dood zijn; alsof niet reeds een uitvoerig verhaal
van zijne roeping was voorafgegaan. Hel is nog niet gelukt, met zekerheid de oorspronkelijke verhalen
van De Jnhwist en van I>c Elohist te herstellen; want de samensteller heeft ze uilecngenomen, som-
niige gedeelten verplaatst, en er niet weinig aan toegevoegd, om ze zoo goed liet ging tot een geheel
te maken. Zij behelsden waarschijnlijk ongeveer het volgende. Volgens De Elohist Werd Mozes aan den
Horeb geroepen om Israël te verlossen, en elk bezwaar dat hij maakte uit den weg geruimd (III : I,
f> v., O—II), waarna hij een wonderslaf ontving (IV: 17), dien hij metlenam, toen hij naar Egypte
terugkeerde (IV ; IS, 206). Volgens De Jahwist daarentegen ontving Mozes van Jahwe de mededecling
dat zijne vijanden dood waren (IV : 10. 20o), en kreeg hij waarschijnlijk oerstop zijne reis naar Egypte,
nudat de besnijdenis van zijn zoon had plaats gehad (IV : 11—80), de opdracht om Israël te gaan ver-
lossen. Deze opdracht, door den samensteller verplaatst, vinden wij wellicht in 111 : 7 v., 16—18. Mo/es
begon haar ten uitvoer te leggen door Israëls oudsten tot geloof te bewegen (IV : 20—31).
III: 1 Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, den priester
van Midian; hij dreef\' het vee achter de woestijn en kwam aan den
Vs. 1-7. Hand. VII : 30-31.
1. Wat hier volgt is volg. Hand. VII : 30 in het veertigste jaar van Mozes\' verblijf in Midian ge-
beurd ; verg. Exod. VII : 7. — Jethro. Zie op II : 18. — de xroeHijn. Hiermede wordt te dezer plaatse
het land aangeduid dat ten zuiden van Palestina ligt, bij do (irieken, naar de stad Petra, „Petreïsch
Arabië" genoemd, bij de Muzelmannen ,,de woestijn van de omzwerving der zonen Israëls," Enkele
declen van dit land dragen bijzondere namen : de woestijn Sin (zie op Exod. XVI : 1). Tsin (zie
op Num. XIII : 21), Parnu (zie op Gen. XIV : ti), Kades (zie op Gen. XIV : 7), Sjur (zie op Oen. XVI :
7); verg. ook Num. XXXIII : 8 ; Deut. II : 8, 26. liet zuidelijk gedeelte, liet zoogenaamde Sinnïetiseh
schiereiland, een driehoek, die ten oosten en ten westen door twee armen der Koode Zee — do golf
van Elnlh en die van Ileroöpolis — bespoeld wordt, is bedekt met bergen van graniet en ander hard
gesteente. Maar van bel land len noorden hiervan, meeremleels tamelijk vlak. alleen in het noorden
heuvelachtig, beslaat de bodem uit kalksteen en is alleen door gebrek aan water onvruchtbaar. lloe-
wel niet zoo verschrikkelijk als zij Deut. VIII: 15; Jcr. II : 6 beschreven wordt, is de woestijn een
onherbergzaam oord, zonder gezeten bevolking. Toch. ui verdorren ras de bloemen en hel gras, waar-
mede de bodem zich, wanneer Int geregend heeft, looit, is hier en daar in sommige tijden van het
jaar genoeg pluntengroei om rondtrekkenden herders eeno weideplaats voor hun kleinvee te verschaf-
lën ; runderen vinden er niet genoeg. Denzelfden aard heeft de uitgestrekte wildernis ten oosten vnn
Palestina tot niet ver vnn den EuTraal, Woest-Arabië of de Syriscli-Arabische Woestijn genoemd (verg.
Ezech. XX ; 35). Ook een paar gedeelten van Palestina droegen dien weinig bcloveudcn naam, vooral
de streek ten wasten van de Doode Zee, de woestijn van Juda, door ons „de Woestijn" genaamd ;
waarover zie op Jas. XV : 61. Verder de woestijn vnn Jericho (zie op 2 Sani. XV : ti\\ die van Oibeon
(2 Sani. 11:21) enz. Maar de omvang der woestijnen in het land was in verschillende tijden zeer
onderschelden ; wanneer ergens door oorlog of wanbestuur de noodige veiligheid voor den landbouw
ontbrak, de toevoer van water ophield, dan werd die streek welhaast door de herders van kleinvee
in beslag genomen en dus geheel tot woestijn gemaakt; want het Hcbrccuwsche woord dat gemeen*
lijk door .woestijn\' vertaald wordt duidt eeno streek aan waarin kleinvee weidt, dus „steppe" of
„heide"; zie b.v. 1 Sani. XVII: 28. — den berg Gods. In deze benaming van den Ilon h, die Gr.
vert. hier niet heeft en die IV : 27; XVIII : 5; XXIV : 13; 1 Kon. XIX :8 terugkeert, wordt vooruit*
geloopen op II. XIX. — den l.\'oreb. Zoo heet hier, XXXIII :l en in Dcuteronomiiim de berg der wol-
goving; zie ook XVII : 6. Elders heet hij de Siiiai. Of die twee namen oorspronkelijk denzelfden berg.
top hebben aangeduid, dan wel de een cene keten, de ander een top, is oven onbekend als waar do
berg te zoeken is. Do overlevering die den Slnui plaatst in het zuidelijk gcdcelto van liet driehoekig
-ocr page 65-
BX0DU8 III: 1—&.
145
2 berg Gods, den Horeb.\' En de engel van Jahwe verscheen hem in
eene vuurvlani, midden uit een braambosch. En hij zag, dat waarlijk
\'\\ het braambosch in brand stond maar niet verteerd werd. \' En Aiozes
dacht: Ik wil mij toch eens daarheen begeven en dat groote ver-
4       schijnsel gaan bezien, waarom het braambosch niet verbrandt. \' Toen
nu Jahwe zag dat hij zich daarheen begaf om het te bezien, riep
God tot hem, midden uit het braambosch: Mozes, Mozes! Hij zeide:
5       Hier ben ik.\' Jahwe zeide: Treed niet nader. Ontsehoei uwe voeten;
(5 want de plaats waarop gij staat is heilige grond.\' Voorts zeide hij:
Ik ben de god uwer vaderen, de god van Abraham, Izaük en Jakob.
Toen verborg Mozes zijn gelaat, omdat hij vreesde God aan te zien.\'
7       En Jahwe sprak: Ik heb duidelijk gezien de ellende van mijn volk,
dat in Egypte is, en hun geroep vanwege hunne drijvers heb ik
8       gehoord; want ik ken hunne smarten. \' Daarom ben ik nedergedaald,
om hen te verlossen uit de hand der Egyptenaren en hen op te
voeren uit dat land naar een goed en ruim land, een land overvloeiende
van melk en honing, de woonplaats der Kanaiiuieten, Hittieten, Amo-
schiereilaml hetwelk in het noordelijk deel der Koude Zee uitsteekt klimt niet hooier op dnn tot de
vierde eeuw na Chr. en verdient geen geloof. Zeker moet men den llorcb ten /.uiden vnn Hcrsjphn
zoeken (1 Kon. XIX: 8), waarschijnlijk in Petreïsch Aruhiê, wellicht niet ver van Palestinu\'s /.uide-
lijkc grens.
2. de engel van Jahwe, Zie op tien. XVI: 7. liet is onmogelijk, dat de Elohistlsche schrijver, die
eerst in vs. 13—16 Ood aan Mozes den naam Jahtce laat openbaren, hier on vs. 4 dien naam reeds
zou gebruikt nebben. Daarom is het waarschijnlijk, dat de verschijning in het braambosch een deel
vnn Ue Jahwist hcel\'i uilgemnakt en in De Klohisl van geen braambosch sprake was; in welk geval
midden uit het braambosch in vs. 4 van den samensteller is. — eene vuurvlam. Verg. op Oen. XV: 17.
—  een braambosch, of doornstruik. Het llcbreoi.wsche woord klinkt nagenoeg als de naam Stnai.
5.     Treed niet nader. Ood te naderen is gevaarlijk: verg. XIX : 13 v., 23 v. j XXIV: 2. — Onttchoei
utre voeten. Hij Israël was het. evenals bij andere volken der oudheid en thans nog bij de Moham-
medanen, gebruikelijk, heilige plaatsen, b.v. tempels, niet dan blootsvoets te betreden. Verg. Joz. V:
15, — heilige grond, liet woord heilig beleekent: afgezonderd van het alledaugschc, gemeene, en goel\'t
te kennen dat iets ol\' iemand aan de godheid gewijd is. Heilig is dus elke plaats, land, stad, berg,
huis of vertrek, waar eene godheid zich openboart ot\' die voor haar en haar dienst bestemd is (Joz.
V:15; 1 Kon. VIII: B, 8, 10; Jez. XI:?; XIA\'ill :2; Ezech. XI.IV:19>, ook de hemel (Deut.
XXVI: 15). Heilig is verder alles wat aan de godheid gegeven is: vleeseh en bloed der offerdieren
(Exod. XXIX : 37; XXX : 10;Jor. XI: 15: llagg. II : 12), tienden en eerstelingen lOcut. XII: 26; XXVI: 13),
toonbrcod (I Sam. XXI: 1—6), wijgesohenken (1 Sam. VI: 3 vv. 2 Sam. VIII: 7—12; 1 Kon. VII: 51;
XV: 15; 2 Kon. XH:5, 19), alsmede alles wal met den ban belegd is (verg. op Exod. XXIX:87),
In geschriften na den val van Jeruzalem, vooral in du priesterlijke wet, worden allerlei voorwerpen
bij den eeredienst in gebruik heilig genoemd (Num. IV: I, 19): de ark (2 Kron. XXXV:3), het altaar
(Kxod. XXIX: 17), priester, en l\'cestkleedertn (Kxod. XXVIII:!; l.ev. XVI:4 ; Ps. XXIX : 2; Ezech.
Xl.llrll\', de zallolie (Kxod. XXX : 15, 31 v.)\\ de diadeem (Exod. XXIX:6; XXXIX:30), geld (Kxod.
XXX : 13), alsmede aan Jahwe gewijde tijden (Kxod. XII :6; XVI:23; Jez. I.VIII : 13). Ook menschen
voor de godheid en haren dienst afgezonderd zijn heilig (Exod. XXII:J0; t Kon. lV:9;2Kron.
XXIII:6). Met name geldt dit van Israël, als het door Jahwe uitverkoren volk (Exod. XIX :6; Deut.
Vll:6; XIV:2, ïl; XXVI: 19; XXVI1I:9; Jer. 11:3). Enkele malen dragen ook de hemelscho
heirsehsren den nnnui van „heiligen" (zie op Deut. XXXII1:2). Iets ol\' iemand heiligen wil dus
zeggen: een voorwerp aan het nlledaagsche gebruik, een persoon aan het gewone leven, onttrekken,
een plaats of tijd van andere plaatsen of lijden onderscheiden, om ze, voorgoed cd\' lijdelijk, aan de
godheid te wijden (tien. II :3; Exod. XIX: 10, 13).
6.    uwer raderen, volg. Sam. t. en Hand Vil: 32, welks schrijver dit waarschijnlijk aan eene Or.
verf. ontleend heeft; Hehr. t. uirs vaders. — verborg — gelaat. Verg. 1 Kon. XIX: 13; Jez. VI: t.
8. nedergedaald, uit den hemel; verg. Oen. XI: 5, 7. — eet» — honing. Dezelfde lof op Israëls land
vs. 17; XIII: 5 en elders. Heter dan in den mond van landbouwers pust de uitdrukking in dien van
woestijnbewoners, daal\' voor hen zulk een lund liet begeerlijkst is; verg. Je/.. VII: 22. — honing.
Of de Israëlieten de hijenteclt en hel kunstmatig winnen van honing hebben verstaan, is onbekend;
manr zeker waren — en zijn — vele doelen van hun land rijk in bijen/wennen, die in hoomhollcn en
rotsspleten hunne raten muukten (Deut. XXXII:IJ; 1 Sam. XIV:25; Ps. 1.XXXI:17; Spr. XXV:16).
De honing diende (daar uien de suiker niet kende) vooral voor vermenging met spijlen en ilrunken
(Exod. \\VI:31; 2 Sam. XVII :29; Spr. XXIV: IJ; lloogl. 1V:1I; Ezech. XVI: 13 eni.J. Men onder-
scheidde den gewonen honing van het honingzeem, do fijnste soort (Spr. V:3; XXVII: 7 en elders).
Waarschijnlijk kende men ook allerlei honing uit vruchten bereid en werd dio door hetzelfde woord
aangeduid. Uit den aard der zaak werd al wal liefelijk Is mol honing vergeleken; b.v. I\'s. XIX: 11,
—   de ivoonplaals — Jebusieten. Snin. en Or. t. voegt hier, vs. 17; X.NXIIl: 2: XXXIV: 11 er de
eirgasjicten bij; verg. op Doul. VII: 1.
O. T. I.                                                                                                                                         10
-ocr page 66-
KX0DU8 III . 8—22.
H<;
9 rieten, Perizzieten, Hiwwieten en Jebuzieten.\' En nu, zie, hot geroep
der Israëlieten is tot mij gekomen; ook heb ik de verdrukking
KI gezien die zij van de Kgyptenaren te lijden hebben. \' Welaan, ik wil
u tot Farao zenden, en leid gij mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte. \'
11       Maar Mozes zeide tot God: Wie ben ik, dat ik naar Farao gaan en
12       do Israëlieten uit Egypte leiden zou!\' Toen sprak hij: Ik zal met u
zijn, en dit zal u het teeken wezen dat ik u gezonden heb: wanneer
gij het volk uit Egypte leidt, zult gij God op dezen berg dienen.
13           Ilierop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten
kom en hun zeg: De god uwer vaderen heeft mij tot u gezonden — en
14       zij mij vragen: — Hoe heet hij.\' wat moet ik hun dan zeggen?\' Toen
zeide God tot Mozes: Ik ben die ik ben. Voorts zeide hij: Zoo moot
15       gij tot de Israëlieten zeggen: Ik-ben heeft mij tot u gezonden.\'
Opnieuw sprak God tot Mozes : Aldus moet gij tot de Israëlieten zeggen:
Jahwe, de god uwer vadereu, de god van Abraham, Izaiik en Jakob,
heeft mij tot u gezonden. Dit is mijn naam voor eeuwig; zoo wil ik
Ifl heeten van geslacht tot geslacht. \' Ga heen, vergader de oudsten van
Israël en zeg hun: Jahwe, de god uwer vaderen, is mij verschenen,
de god van Abraham, Izaiik eu Jakob, zeggende: Ik heb u en wat u
17       in Egypte aangedaan is terdege gadegeslagen \' en besloten u uit de
ellende van Egypte op te voeren naar het land der Kanaiinieten,
uitlieten, Amorieten, Perizzieten, Hiwwieten en Jebuzieten, een land
18       overvloeiende van melk en honing.\' Dan zullen zij naar u hooren,
en zult gij met Israëls oudsten tot den koning van Egypte gaan en
tot hem zeggen : Jahwe, de god der Hebreen, is ons ontmoet. Laat ons
dus drie dagreizen de woestijn intrekken, om aan Jahwe, onzen god,
19       te olf\'eren. \' Ik weet dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan
20       tenzij gedwongen;\' maai\' ik zal mijne hand uitstrekken en Egypte
slaan met al do wouderworken die ik iu het midden er van ga ver-
21       richten. Daarna zal hij u laten trekken.\' Voorts zal ik zorgen dat dit
volk gunst vindt in het oog der Egyptenaren, en gij zult, wanneer
22       gij heengaat, niet met ledige handen gaan.\' Iedere vrouw moet van
11.    De inhoud is dezelfde als van vb. 7.
12.    Verg. op V:l. — Al kon eerst later Mijken dnl dit leeken uitkwam, de stellige verzekering
dut Israël eenmaal Jahwe daar zou vereereo moest Mozea inoed geven ; verg. op Jez. VII: II.
13 v. Terwijl in De JahwiM de vereering vnn hel Opperwezen onder den naam Jahwe reed» bij
Knos of nog vroeger aanvangt ((San. IV: 26), is deze naam volgens De Klohist. waaraan dit verhaal
ontleend is , eerst nu, aan Mozes, geopenbaard. Volgens den schrijvir van Kzra\'s Wetboek geschiedde
dit nog later, in Kgypie (VI : 1 \\\'.).
II. Ik ben die ik ben. Dit is eene verklaring van den naam van Israëli god, die in den llebreeuw.
schen bijbel alleen met de vier medeklinkers J. II. W. II. wordt geschreven en door de Joden,
althans sedcit de derde ot* tweede eeuw vóór Ghr., zoo heilig werd geacht dat hij niet dan bij enkele
plechtige gelegenheden uitgesproken werd. /ij vervingen hem bij de voorlezing der Schrift gemeenlijk
door Adonai liïdonai) ,heer\'t of Ktohtem. God\'. Daar het voorschrift een dezer woorden in plaats van
den heiligen naam uit te spreken in den Hebreeuwscheu tekst trio wordt aangeduid dat hij de mede-
klinkers vun den naam de klinkeis van een dier woorden geschreven worden, schijnt er Jehowa of
Jehowi te sluan. Dewijl het eerste verreweg hel moest voorkomt, is door misverstand, sedert het
begin dor zestiende eeuw, do naam Jehova in zwang gekomen. Hot staat tamelijk vast, dat do ware
uitspraak ongeveer Jahicè geweest Is. — De verklaring die van den tiiiain in dit vers gegevon wordt
beteekent óf: ik ben, in onderscheiding van andere goden, de ecnigo die bestaat, de ecnlg ware god;
óf: ik ben dezelfde voor u als voor de vaderen. Zij is zeker fout, o. a. omdat ,ik ben\' in het llebreeuwsch
ehje luidt, dal met J, h. w. h. sleehls twee indek linkera gemeen heeft. ,llij is\' komt meer met den
vorm van den naum overeen. Ook zou men dien wellicht door ,hij doet zijn\' of ,hij maakt\', ook wel
door .hij die neerveil\', kunnen verlnlen. Maar welke de oorspronkelijke beteekenis vnn den naam is,
blijft hoogst onzeker. Verg. op Jez. XLI:4 on Jer. V : 12.
16. zoo wit ik heeten, letterlijk zoo te mijn gedenknaam. Dezelfde uitdrukking Hoz. XII: f>, waar het
woord door naam vertaald is.
18.    Over dit bescheiden verzoek verg. inl. op VII: 8—XI : 10.
19.    tenzij gedwongen, letterlijk tenzij met tterke hand, onzekere lezing en vertaling.
21 v. Zie op XII: 35 v.
-ocr page 67-
bxodus III: 22—IV : 10.
147
hare buurvrouw en van wie in haar huis verkeert zilveren en gouden
voorwerpen en kleederon vragen; gij zult ze leggen op uwe zonen en
doehteren on zoo Egypte plunderen.
IV : 1 Toen antwoordde Mozes en zeide: Maar gesteld, zij gelooven mij
niet en luisteren niet naar mij, omdat zij donken: Jahwe is u niet
2 verschenen — wat moot ik hun dan zeggen?\' Ilierop zeide Jahwe tot
!J hem: Wat hebt gij in uwc hand? Hij zeide: Een staf.\' Hij sprak:
Werp dien op den grond. Toen wierp hij hem op den grond, en hij
4       werd eene slang. Mozes ging er voor op de vlucht; \' maar Jahwe
zeide tot Mozes: Strek uwe hand uit en vat haar bij den staart. En
toen hij zijne hand uitstrekte en haar bij den staart vatte, werd zij
5       een stat\' in zijne hand —\' opdat zij gelooven dat Jahwe, de god hun-
ner vaderen, de god van Abraham, Izaiik en Jakob, u verschenen is. \'
6       Opnieuw sprak Jahwe tot hem: Steek uwe hand in uw boezem — en
toen hij zijne hand in zijn boezem gestoken had en haar er uittrok,
\'t daar was zijne hand melaatsch als sneeuw!\' Toen zeide hij: Steek
uwe hand weder in uw boezem — en toen hij zijne hand weer in
zijn boezem gestoken had en haar er uittrok, daar was hij weder aan
8       het overige van zijn lichaam gelijk geworden!\' Indien zij u niet ge-
looven en niet gehoor geven aan het eerste teeken, dan zullen zij aan
9       hot tweede gehoor geven. \' En indien zij zelfs deze twee teekenen niet
gelooven noch u gehoor geven, neem dan Nijlwater en giet het op
het droge; dan zal het water dat gij uit den Nijl naamt bloed worden
op het droge.
10           Maar Mozes zeide tot Jahwe: Och Heer, ik ben geen welbespraakt
man; dat ben ik gisteren en eergisteren niet geweest, noch ook sedert
gij tot uwen dienaar gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond
11       en tong.\' Toen sprak Jahwe tot hem: Wie heeft een mond aan den
mensch gegeven ? wie maakt iemand stom of doof, ziende of blind \'t
12       Doe ik, Jahwe, dit niet?\' Dus, ga; ik zelf zal uwen mond bijstaan
en u leeren wat gij te spreken hebt.
13           Doch hij zeide: Och Heer, neem toch een ander tot uw gezant! \'
14       Toen ontstak Jahwe in toorn tegen Mozes en zeide: Uw broeder Aüron
is immers de Leviet? Hij, weet ik, kan wel spreken; reeds gaat hij
het land uit, u te genioet, en wanneer hij u ziet, zal hij zich innig
15       verheugen.\' Gij moet tot hem spreken en hem de woorden in den
mond geven; ik zal uwen en zijnen mond bijstaan en u beiden leeren
16       wat gij doen moet.\' Dan zal hij voor u tot het volk spreken; zoodat
I.  wat — zeytjent ingevoegd volg. (ir. vert. De vraag is dezelfde als dia In 111:13.
5. Hier is door den schrijver weggelaten. Toen sprak God: Zoo moet ijij dom, of iets dergelijks.
Kvenzoo in vs. 8.
fi. metaatsch als meeuw. Verg. op Nuni. XII : 10. Over de melaotschhcid zie inl. op I.ov. XIII, XIV.
7. aait — lichaam, letterlijk als lijn vlcesch.
10.  welbespraakt man, letterlijk man van moorden. Verg. VI : 11, 29. — noch ook — hebt. Na zijne
roeping door God was hij wel in staat gesteld on» wonderen te doen, maar niet om goed te spreken.
II.  Jahwe is zoo machtig dat hij dit vermag, hoe veel to moer, iemand dio slechtbesproakt is wei-
bespraakt te maken! Verg. I\'s. XCIV : 0.
13—19. De inhoud dezer verzen is in strijd met dien van vs. 10—12, waar Mozes over zijne slecht»
liespraaktheid getroost wordt, niet door het uitzicht op do hulp van Aüron, maar door do belofte dat
Jahwe hein zalven zal leeren spreken. Zij zijn het werk van den samensteller van het Oude-Sngen-
boek, die hier Aüron uitdrukkelijk als Mozes\' helper voorstelt.
11.   oii/8(<i* Jahiee in toorn. Waarin zich dio toorn openbaarde, blijkt niet; want dat Aüron in
Mozes\' plaats sproken zal is eeno belofte, en in geen opzicht eono bedreiging. Wellicht volgde oor-
spronkelijk eeno of andero strnl\'aankondiging. — de Leviet. Deze nadere aanduiding van Aüron past
kwalijk bij II: 1 en allo andero berichten over Mozes\' afkomst, dio ten aanzien van zijne afstamming
uit l.evi eenstemmig zijn. Wellicht wordt hier de Leviet gebruikt in den zin van: man van priester-
lijk bloed. Van de Levieten, wier taak het was het volk te onderrichten (zlo op Dunt. XXXIII: 10),
werd or.derstold dat zij spreken korden.
-ocr page 68-
148                                         kxodcs IV : 1G—26.
17       hij u ten mond verstrekken zul en gij hem ten god zult zijn. \' Neem
dezen stuf, waarmede gij de teekenen doen zult, in de hand.
18           Toen Mozes bij zijn schoonvader Jethro teruggekeerd was, zeidehij
tot hem: Laat mij toch heengaan en wederkeeren tot mijne broeders
in Egypte, om te zien of zij nog leven. Waarop Jethro tot Mozcs
zeide: Ga in vrede!
19           Jahwe sprak tot Mozes in Midian: (la heen, keer naar Egypte
terug; want alle mannen die u naar het leven stonden zijn gestorven.\'
20       Toen nam Mozes zijne vrouw met zijn zoon, deed hen op den ezel
rijden en keerde naar Egypteland terug. En Mozes nam den staf Gods
21       in zijne hand.\' Toen zeide Jahwe tot Mozes: Na gij heengaat om
naar Egypte terug te keeren, zie toe dat gij al de wonderen waartoe
ik u iu staat gesteld heb ten aanschouwen van Farao verricht; maar
ik zelf zal zijn hart verstokken, zoodat hij het volk niet laat trekken.\'
22       Zeg dan tot Farao: Zoo spreekt Jahwe: Mijn eerstgeboren zoon is
23       Israël;\' ik zeg u, mijn zoon te laten trekken, opdat hij mij diene.
Weigert hij hem te laten trekken, dan dood ik uw eerstgeboren zoon.
24           Op weg nu, in de herberg, kwam Jahwe hem tegen en trachtte
25       hem te dooden.\' Maar Sippora nam een steen en sneed de voorhuid
van haar zoon af; zij raakte daarmede zijne voeten aan en zeide: Een
20 bloed bruidegom zijt gij mij.\' Nu liet Jahwe van hem af. Toen heeft
16.    l.e verhouding lunchen u leiden zal zijn als die tusschon een god en zijn profeet: gene Iu;;»
dezen zijne woorden op de lippen; lleut. XVIII : 18. Verg. over deze verhouding tusse.hen Mozes en
Aiiroti lol. op Nnm. Xll en Bant. e-p Yll : 1.
17.   Met den wonderslaf dien Mozes moet niedcnenien werd in het oorspronkelijke verhaal, uit De
ElohUt, niet zijn herderstaf bedoeld, waarmede in v». 2—I, uit Do Jahwltt, slechts een wonder wordt
verricht, maar een stal\' dien Jahwe hem thans toereikt en dio ook in het vervolg herhaaldelijk in
Mozes\' hand wonderen verricht; VII : 17, 20; IX : 23; X : 13; XVII: t v., y—13; Num. XX: 7-11.
18.  Jethro, volg. Sam t.; llehr. t. Jether.
l\'.i. Dit vers voegt slecht na vs 18, waar Moz.es reeds aanstalten maakt voor zijn vertrek, liet is
van een anderen schrijver en sloot zich oorspronkelijk aan II :23a aan. Jahwe geeft hier Mozes geen
anderen last dan terug te keeron ; hij dezen schrijver, een Jahwist, is zoolang Mozes in Midian ver-
loeft van eenc roeping om Israël te verlossen nog gen sprake, maar krijgt hij dit hevel eerst op
de terugreis. — alle - Honden. In het voorgaande is alleen de koning genoemd, 11:15. Verg. Mnith.
11 : lfl- 21.
20.   zijn zoon. In llehr. t. staat zijne zonen, wal in tien tekst, zooals dio oorspronkelijk geschreven
was, vua het enkelvoud niel was te onderscheiden. De schrijver heeft zeker het enkelvoud bedoeld ;
zie vs. 25 en II : 22. waar de geboorte van slechts oenen zoon vernield wordt. Anders XY1U : I v. —
den *taf Qod.i, den vs. 17 hcdoelden wonderstaf.
21.   Jahwe verhardt, volgens VII : 3, 5; IX : 11-16; X : 1 v ; XI : il v., om gelegenheid te hebbed
al zijne wonderen te doen, waarin Egypte z.ijne macht zien en waarom hel zijne oenigheid erkennen
zou. Verg. op 2 Sam. > XIV : 1.
22.   Mijn — Itraet. Jahwc\'s zoon heel Israël ook Hor.. XI : 1 (verg. op Fs. II : 7); zijn eerstgebo-
rene I\'s. I.XXXIX:28; Jcr. XXXI :\'J, 20; verg. op XIX:.1) en 6. Hier wordt Israël met nadruk
Jahwc\'s eerstgeborene genoemd, opdat er overeenstemming zou zijn tusschen het vergrijp van Farao
en zijne straf, vs. 23. Verg. 2 Sein. XII : 10 v. en op 1 Sam. XXVIII : 18 v.
24-26. Al zegt de schrijver van deze In meer dan een opzicht duistere verzen niet uitdrukkelijk dat
hetgeen Sippora deed een gebruik bij Israël werd, blijkbaar wil hij toch den oorsprong der hcsnijde-
nis, althans hare invoering onder Israël, verhalen. Volg. Joz. V : 2—0 is zij eerst hij den intocht in
Kaneen ingevoerd. Over do hetoekenis van het gebruik zie op Oen. XVII : 10.
24.    Waarom Jahwe hem wilde dooden, wordt niel gezegd. Ook geeft de schrijver niet te kennen
dat Mozcs iets misdreven had. In de voorstelling der oude Israëlieten is Jahwe vaak toornig zonder
oorzaak; verg. 1 Sam. XXVI : Ï9.
25.   Wat Sippora deed was niet herstel van een verzuim, maar het aangrijpen van een nieuw mid*
del tot verzoening van den vertoornden Jahwe. — een tteen. Steenen messen werden oudtijds, ook
toen hot ijzer reeds in dagcliiksch gebruik was. vaak bij god^dienslplechtighcdcn gebezigd ; verg Joz.
V:2 v, — raakte — aan. Waarschijnlijk is zijne voelen cene kiesehe uitdrukking voor jyn, d. i.
Mozes\', manlijk deel. De aanraking met do bloedige voorhuid van haar zoon kwnm in do plaats vnn
de kunstbeweiking die hij eigenlijk zelf had moeten ondergaan. — Ken bloedbruideffotn zijt gij mij,
d. 1. waarschijnlijk: door deze blocdstorling zijt gij mij eerst een ware bruidegom. Wat verstaanbaar
wordt, als wij in het oog houden dat de besnijdenis oorspronkelijk voltrokken werd lot voorbereiding
van het huwelijk. Eigenlijk is dus de uitdrukking niel gepast ten aanzien van Mozes. die reeds man
en vader was.
-ocr page 69-
jannes IV:26—V:0.
149
zij gezegd: Een bloedbruidegom — met het oog op de besnijdenis.
27           Jahwe zeide tot Aiiron: Ga Mozes te gemoet in de woestijn. En
28       hij ging, kwam hem bij den berg Gods tegen en kuste hem. \' Mozes
deelde aan Aiiron alle woorden mede die Jahwe hem opgedragen had
te spreken, en de teekenen die hij hem bevolen had te verrichten.\'
2!) Daarop gingen Mozes en Aiiron heen en verzamelden al de oudsten
30       der Israëlieten;\' en Aiiron sprak al de woorden die Jahwe tot Mozes
31       gesproken had, en deed de teekenen ten aanschouwen des volks.\' Het
volk nu geloofde; en toen zij hoorden dat Jahwe de Israëlieten gade-
geslagen en hunne ellende aangezien had, bogen zij zich en wierpen
zij zich neder.
2\'i Toen — bcanijdeni». De bedoeling schijn» te zijn: liij deze gelegenheid is ilu uitdrukking „bloed*
bruidegom" ontstaan.
31. Hel rolk nu geloofde. Anders VI: X. hij den schrijver van E/.ru\'s Wetboek.
HOOFDSTUK V.
De mislukte poging. — Mozes en Aiiron vragen Karao vuur Israël verlof, in de woestijn te gaan
feestvieren ; wat hij weigert (1 V.); zij herhalen hun verzoek ; waarop hij hen wegjaagt |3 v.) en de
drijvers der Israëlieten gelast aan de arbeiders het noodlge stroo voor do tichels, waarvan toch het-
zclfdc nanlal geleverd moet worden, te onthouden (5—\'.•). De drijvers volvoeren dien last en zetten
het volk tot verdubbelde werkzaamheid aan (10—13). De laroSlletlache opzichters worden geslagen,
omdat het volk het voorgeschreven aantal tichelsleenen nu niet leveren kan, en beklagen zich ver»
geefs bij Karao (II—IS); in hunne smart Verwijten zij hun ongeluk aan Mozes en Aiiron, die hierover
kingen bij Jahwe d\'.l—23); deze belooft hun uilredding (211.
Al schijnt dit verhaal, uit het Oude-S igenbook, bij oppervlakkige lezing een goed sluitend geheel
te zijn, wanneer wij nauwkeuriger toezien, ontdekken wij. dat het, met natue vs. 1—5, uit twee
berichten is samengesteld. Waarschijnlijk is vs. 6—23 uit De Jahwist. De strekking van beide
verhalen is dezelfde.
V : 1 Daarna kwamen Mozes en Aiiron bij Farao en zeiden tot hem: Zoo
spreekt Jahwe, de god Israëls: Laat mijn volk trekken, opdat het te
2      mijner eero in de woestijn t\'eestviere.\' Maar Farao zeide: Wie is die
Jahwe, naar wien ik zou moeten hooren, om Israël te laten trekken!
3       Ik ken Jahwe niet en laat Israël ook niet trekken. \' Toen zeiden zij:
De god der Hebreen is ons ontmoet; laat ons toch drie dagreizen de
woestijn intrekken, om aan Jahwe, onzon god, te offeren; opdat hij
4       ons niet treffe met pest of zwaard.\' Maar de koning van Egypte zeide
tot hen: Waarom houdt gij, Mozes en Aiiron, het volk vau zijn werk
5       af? Gaat aan uwen arbeid!\' En Farao zeide: Zie, zij zijn nu reeds
talrijker dan de bevolking des lands, en gij zoudt hun rust van hun
G arbeid geven?\' Zoo beval Farao tenzelfden dage de drijvers en ambt-
I. Dit vers is blijlthnnr uit een ander geschrift dan vs. 3, en wel uit De Klohist (zie op va. 3).
Daar echter in laatstgenoemd geschrift de feestviering bij den lloreb niet, als in De Jahwist, het
voorwendsel is van den verlangden uittocht, maar (volg. III: 12) het tecken wnaraan Mozes erkennen
zul dat Jahwe hem gezonden heeft, zijn de woorden opdat — (eeitvicren van de hand van den samen-
b teller,
3.     zij, in dit verband Mozes en Aiiron; in het oorspronkelijke verhaal werden bedoeld zij met de
oudsten die volg lil; Ui, IS met hen naar Karao moeten gaan. — De god der Hebrei\'it. Zoo heet Jahwe
ook 111:18, — Mozes en Aiiron dragen hier hun verzoek Voor, alsof Karao het niet reeds, vs. 2,
afgeslagen had. Blijkbaar is dit vers dus van een anderen schrijver dan het voorgaande. — opdat —
zwaard, tot straf voor ons verzuim.
4.    houdt gij .••al. Volg. Sant, en Ur. t.; llcbr. t. maakt gij ... lotbandig. — Gaat — arbeid. Dit
is gepaster, wanneer het tot Israëls oudsten (zie op vs. 3), dnn wanneer hel tot Mozea en Aiiron
gericht is.
5.    talrijker dan. Volg Sam t.
6.    de drijeer», Egyptcnnren, door den koning aangesteld (verg. I : II) en met grootc macht tocgc-
rust. — de ambtlieden. Met liet ahlus vertaalde woord worden ondergeschikte beambten aangeduid,
Nam. Xl:16; ücut. XVI118; XX:5—9; Joz. VIII:33. Volgens Joz. 1:10; 111:2 brengen zij de
-ocr page 70-
bxodub V : (5—24.
150
7       lieden des volks:\' Gij zult voortaan aan het volk geen stroo meer
geven, om daarmede tichels te maken, zooals gisteren en eergisteren;
8       laten zij voor zich zelven stroo gaan opzameleu.\' Maar legt hun op,
dezelfde hoeveelheid tichelsteenen te maken als gisteren en eergisteren;
vermindert die niet. Want zij zijn traag; daarom schreeuwen zij: Laat
U ons toch aan onzen god gaan offeren!\' Dat dus de arbeid die mannen
zwaar drukke; zoodat zij daarop letten en niet op leugentaal.
10           Dientengevolge gingen de drijvers en uinhtliedeu van het volk uit
en zeiden tot het volk: Zoo spreekt Farao: Ik geef u geen stroo
11       meer;\' gaat zelven voor u stroo halen, waar gij het vinden kunt;
12       maar uwe taak wordt volstrekt niet verminderd.\' Toen verstrooide
zich het volk in geheel Egvpteland, om stoppels op te zamelen, die
13       voor stroo konden dienen,\' terwijl de drijvers bleven aandringen:
Levert het volle werk, zooals voor eiken dag is voorgeschreven, evenals
14       toen er stroo was. \' Ook werden de ambtlieden die door de drijvers
van Farao over de Israëlieten waren gesteld geslagen, met de woor-
deu: Waarom zorgt gij niet «lat het u voorgeschreven aantal tichel-
steenen gemaakt wordt ? Zooals gisteren en eergisteren moet het ook
15       uu gaan.\' Toen gingen de Israëlietische ambtlieden tot Farao en
10 jammerden : Waarom behandelt gij uwe dienaren zoo\'/\' Stroo wordt uwen
dienaren niet meer gegeven, en toch zegt men ons: Maakt tichel-
steeneu! Uwe dienaren worden geslagen door de schuld van uw volk.\'
17 Maar hij zeide: Traag zijt gij, traag. Daarom zegt gij: Laat ons aan
IS Jahwe gaan offeren.\' Voort dus, aan (ion arbeid! Stroo wordt u niet
verstrekt; maar gij moet dezelfde hoeveelheid tichelsteenen leveren.
19           Zoo zagen de ambtlieden der Israëlieten dat het slecht met hen
stond, omdat men hun zeide: üij zult niet minder tichelsteenen leveren,
20       maar het voor eiken dag voorgeschreven aantal —\' en toen zij Mozes
en Aiiron aantroffen, die waren gaan staan om hen te ontmoeten
21       wanneer zij van Farao kwamen,\' zeiden zij hun: Jahwe lette op u,
om u te vonnissen; daar gij ons in kwaden reuk hebt gebracht bij
Farao en zijne dienaren; zoodat gij hem een zwaard in do hand hebt
22       gegeven, om ons te dooden.\' En Mozes, tot Jahwe teruggekeerd,
zeide: lieer, waarom hebt gij dit volk zoo slecht behandeld\'/ waarom
23       hebt gij mij toch gezonden?\' Want sedert ik tot Farao gegaan ben,
om in uw naam te spreken, heeft hij dit volk mishandeld, on verlost
24       hebt gij uw volk niet.\' Hierop zeide Jahwe tot Mozes: Nu zult gij
zien wat ik Farao doen zal; want zwichtend voor eene sterke hand,
zal hij hen laten trekken, en door een uitgestrekten arm gedwongen,
zal hij hen uit zijn land verdrijven.
bevalen van den opperbevelhebber in liet leger rond; hier zijn zij over de grootere of kleinere
ploegen hunner vollügenooten gestald, maar siaan zelven onder Egyptische drijvers.
7. stroo, dat onder hot leem gemengd werd.
9. diutrop letten, volg. Sam. en Gr. t.; llebr. t. daarmede bezig zijn.
11. Zooah — .7,1.01, volg. (ir. vert.
Ui. door de icliuld van mr volk, volg. verb. ».; Gr. en 8jt. verll. gff bezondigt u tegen uw volk.
Maar dit kan de oorspronkelijke lezing niet zijn. Klagers zouden zich oudtijds wel gewacht hebben,
tot een koning te zeggen dat iets zijne schuld was. Zijne onderhoorigen, de drijvers, worden van
onrecht beschuldigd.
21. hem, volg. Sam. en Gr. t.; ilebr. t. \'1101.
21. door een uitgestrekte» arm, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. door een tterke hand
HOOFDSTUK VI: 1— VII: 7.
Mozes en Aiiron. — (Jod, die zich aan de aartsvaders als God den Machtige heelt geopenbaard,
maakt thans aan Mozes zijn naam Jahwe bekend (V1:1 v.) beloofd zijn verbond met de aartsvaders
-ocr page 71-
kxopus VI : 1 — 12.
151
gestand ie doen, en laat ilen Israëlieten aanleggen, dal hij hun gud zijn, en hen verlossen en in Kanuön
brengen zal (3—7). Musea gehoorzaamt; nmar de Israëlieten kunnen die blijmnrc niet geloovea (8);
waarop Jahwe Mores beveelt, van Farao hunne vrijlating Ie gaan eischen (\'J v.); Mo/es brengt het
hezwuar in. dat hij tlechtbeapraaltl is (11). Jahwe vaardigt Mozoi ra Aiiron naar Farao, lot redding
van Israël, nl* (12); lijst iter zonen van Huhcn, Siiueon en l.evi 113—15); de verdere afstammelingen
van l.evi, met afzonderlijke opgave der afstamming van Mozes, Aiiron en diens kleinzoon l\'inchns
(16—26\'. M /. s ontvangt den last, aan Farao Jahwe\'s hevel over te bren,\'en. maar verontschuldigt
zieli met zijne ileehtbeeprankthcid (27—19); welk bezwaar Jahwe uit den weg ruimt door hem Aiiron
als tolk toe te voegen (VII : 1 v.); waarbij Jahwe aankondigt, dal hij Knrao verstokken en door zware
slrafgeriehten dwingen zal Israël te laten trekken (3—5); Mozcs en Aiiron gehoorzamen (<">); hun leef-
tijd np dal tijdsgewricht (7),
Ken deel van dit verhaal (VI : I — II; VII : 1—6) is uit Kzra\'s Wetboek, welks schrijver, na de
komst der Israëlieten in Kgypte en hunne verdrukking kort te hebben vermeld (I : 1-7, 13, II; II :
236-25), bier mededeelt, hoe Jahwe Uozes roept om het volk te verlossen en hem Aaron ter zijde
stelt. Van Mozcs\' jeugd en zijn verblijf aan het hof en in Midian berichtte bij niets, tenzij zijno
waarschijnlijk korte berichten hierover door den Verzamelanr als overbodig mochten zijn weggelaten.
In elk geval stelde hij het soo voor, alsof God zich aan Mozcs voor het eerst in Egypte geopenbaard
had. hit voldeed echter tien Verzamelaar niet, en wat hij hier miste werd ook door de verhalen van
hel Onde-Sagenboek niet genoegzaam aangevuld. Vooreerst wilde hij de afkomst van Mozcs en Aaron
nauwkeuriger doen kennen, vooral die van Aaron, den stamvader der priesters, alsmede die van l\'ine-
has. Welk belang bij bij bet laatste had, zie inl. op Nuui XXV, llan wenschte hij Aaron meer op
den voorgrond te stellen dan in vs. 1 —II geschiedde, waar alleen Mozcs het bevel ontvangt, tot Farao
te spreken. Urn dit tweeledig doel te bereiken, liet hij vs, 12 Jahwe aan Mozcs en Aiiron den last
opdragen dien vs. I —II alben Mozes kreeg, en lasclite hij daarachter een register ia, welks aanhef
aan den. XI.VI :\'.)—II en welks vervolg vnn elders ontleend is; terwijl de opgaven der overige klein*
zonen van Jakob, die in Oen, XI.VI : 12—21 volgen, zijn weggelaten. Voorts herhaalde hij (vs. Ï7-
2\'J), om don draad van het verhaal weder op te vatten, in het kort vs. 0—11 en besloot met den
naam van Aaron in VII :0 in te lasschen en vs. 7 aan het verhaal toe to voegen,
VI : 1,2 God sprak tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben Jahwe.\' Aan Abra-
ham, Izaiik en Jakob ben ik verschenen uls God de Machtige, en
3       onder mijn naam Jahwe heb ik mij hun niet bekendgemaakt.\' Niet
alleen doe ik mijn verbond met hen gestand, hun het land Karman,
hot land hunner vreemdelingschap, waarin zij vertoefd hebben, te
4       geven;\' maar ook heb ik gehoord het gekerm der Israëlieten, die door
de Egypteuaren als slaven behandeld worden, en ik heb aan mijn ver-
5       bond gedacht. \' Zeg daarom tot de Israëlieten : Ik ben Jahwe, en zal u
uitleiden van onder den dwangarbeid der Egyptenaren, u verlossen uit
hunne slavernij, u bevrijden met uitgestrokten arm en zware straf-
(5 gerichten;\' ook zal ik o mij ten volk nemen en u ten God zijn, en
gij zult erkennen dat ik Jahwe uw god ben, hij die u uitleidt van
7       onder den dwangarbeid van Egypte.\' Dan zal ik u brengen in het land
waaromtrent ik mijne hand opgestoken heb, het aan Abraham, Izaiik
en Jakob te zullen geven, en ik zal het u tot bezitting schenken. Ik
8       ben Jahwe..\' En Mozes sprak aldus tot de Israëlieten; maar zij hoor-
den niet naar hem vanwege mismoedigheid en harde slavernij.
9, 10 Toen sprak Jahwe tot Mozes:\' (ia aan Farao, den koning van Egypte,
11       zeggen dat hij de Israëlieten uit zijn land late trekken.\' Doch Mozes
sprak voor Jahwe\'s aangezicht: Indien de Israëlieten niet naar mij
gehoord hebben, hoe zal dan Farao naar mij hooren, terwijl ik
onbesneden van lippen ben?
12           Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron en vaardigde hen af naar Farao,
1 v. Verg. op lil : 13 v.
6.  Verg. op XIX: 5 en 0.
7.  i* mijne —lub. Dezelfde uitdrukking voor zweren Gen. XIV : 22 en elders. Verg. op Ueut. XXXII: 10.
8.  hoorden ;ij niet naar hem. Verg. op IV : 31.
II. onbeintden eau lippen, evenals vs. 2\'.l, sleehthespraakl; verg. IV: 10.
It. Farao, llebr. l. laat voorafgaan de Israëlieten en, wat volg. Gr. verl. is weggelaten.
-ocr page 72-
152                                      bxoüob VI . 12 —Vil : 4.
den koning van Egypte, om de Israëlieten uit zijn land te leiden.\'
13       Dit zijn de hoofden hunner f\'aiuiliën: De zonen van Kuben, Israëls
eerstgeborene: Henoch en Pallu, Hesron en Karmi. Dit zijn de
14       geslachten van Kuben.\' De zonen van Simeon: Jemuël, Jamin, Ohad,
Jaehin, Sohar en Saul, de zoon der Kanaiinietische. Dit zijn de
15       geslachten van .Simeon.\' Dit zijn de namen der zonen van Levi, naar
hunne afstamming: Gersjon, Kehatli, en Merari; de levensjaren van
1(5 Levi waren honderd zeven en dertig.\' De zonen van Gersjon waren
17       Libni en Sjimeï, naar hunne geslachten.\' De zonen van Kehath waren
Amram, Jishar, Hebron en Uzziöl; de levensjaren van Kehath waren
18       honderd drie en dertig. \' De zonen van Merari waren Mahli en Musji.
11) Dit zijn de geslachten van Levi, naar hunne afstamming.\' Amram nu
nam zijne tante Joehebed tot vrouw, en zij baarde hem Aiiron en
Mozes. De levensjaren van Amram waren honderd zeven en dertig.\'
20, 21 De zonen van Jishar waren Korali, Nefeg en Zichri.\' De zonen van
22       Uzziël waren Misjaël, Elsafan en Sithri.\' Aiïron nu nam Elisjeba, de
dochter van Amminadab, de zuster van Nahsjon, tot vrouw, en zij
23       baarde hem Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.\' De zonen van
Korah waren Assir, Elkana en Abiazaf; dit zijn de geslachten der
24       Korahieten.\' Eleazar, de zoon van Aiiron, nam tot vrouw eene der doch-
ters van Putiël, en zij baarde hem 1\'inehas. Dit zijn de hoofden van
25       de familiën der Levieten, naar hunne geslachten. \' Dit zijn Aiiron en
Mozes, tot wie Jahwe gezegd heeft: Leidt de Israëlieten uit Egypte-
2(5 land, naar hunne legerscharen.\' Dit zijn zij die tot Farao, den koning
van Egypte, gesproken hebben, om de Israëlieten uit Egypte te leiden.
Dit zijn Mozes en Aiiron.
27,28 Ten dage dat Jahwe tot Mozes in Egypteland sprak,\' zeide Jahwe
tot Mozes: Ik ben Jahwe. Spreek tot Farao, den koning van Egypte,
29 al wat ik tot u gesproken heb.\' Doch Mozes zeide voor het aangezicht
van Jahwe: Zie. ik ben onbesneden van lippen; hoe zal Farao naar
VII: 1 mij hooren?\' Uierop zeide Jahwe tot Mozes: Zio, ik stel u aan tot
2       een god voor Farao, en uw broeder Aiiron zal uw profeet zijn.\' Gij
zult spreken al wat ik u beveleu zal, en uw broeder Aiiron zal tot
3       Farao spreken, dat hij de Israëlieten uit zijn land late trekken.\' Maar
ik zal het hart van Farao verharden en vele teekenen en wonderen
4       in Egypteland verrichten. \' Wanneer Farao naar u niet luistert, zal
ik mijne hand op Egypte leggen en mijne legerscharen, mijn volk,
V». 13-15. Oen. M.VI:9—II. - Vs. 16-18. 1 Kron. VI:*, 17-M. - Vs. 226. I Kron. VI : 3;
XXIV : 1.
18. Mutji beteekent ,do Komische*, Waarschijnlijk hield «leze familie Mozes voor haar stamvader.
11). Zie op II: 1.
20.  ïiorah. Zie op Nuin. XVI : 1. — JVt\'/eg en Zichri komen elders niet voor.
21.  Itttfatl en liha/an, ook l.ev. X: I. Elanfan heet Num. 111:30; I Kron. XV: 8 Elisafan, —
Sithri
wordt elders niet vermeld.
22.  Xahsjon, volg. Num. 1:7; Il : 3; Vil : 12 hoofd van den stam Juda gedurende de omzwerving
in de Wocslijn. — Xaiiab — Ithatnar. Zie op Lev. X : 1—3.
Ï3. De zmen van Korah worden alleen hier opgenoemd.
21. I\'e naam van den vader van Kleazars vrouw komt alleen hier voor. — I\'inchat. Zie inl. op
Num XXV.
27—2\'J. De hool\'dinhoud vnn vs. 9—11 is hier herhuuld, om het door do inlassehing van vs. 12—
2li verbroken verband tu herstellen.
29. onbesneden van lippen, als vs. 11.
1.   Deze voorstelling der verhouding tnasehen Farao, Mozes en Aiiron is gevormd naar IV : 16 j óf
de schrijver verslond deze plaats niet. of hij wijzigde de Voorstelling opzettelijk, omdat die van Mozes
als een god tegenover Aiiron hem aanslooiclijk voorkwam.
2.  dat hij ..late trekken, volg. Or. vert.; llebr. t. en hij zal...laten trekken.
3.   ik — verharden. Zie op Deut. XXXIX :4 en op 1 Sain. XXVI : I».
-ocr page 73-
KxoüUB VII :4-7.                                           153
T) de Israëlieten, uit het land leiden onder zarare stral\'gerichten. \' En al
de Egyptenaren zullen weten dat ik Jahwe ben, wanneer ik mijne
hand over Egypte uitstrek en de Israëlieten uit hun midden uitleid.\'
6      Mozes en Aüron deden zooals Jahwe hen bevolen had; alzoo deden zij.\'
7       MuzeB was tachtig en Aüron drie en tachtig jaar oud, toen zij tot
Farao spraken.
5. al, ingevoegd volg, Snm. en (ïr. t.
HOOFDSTUK VII :S-XI: 10
l>e plagen van Egypte, — Mozct tracht, maar vergeefs, Farao t" bewegen om Israël ie luien trck-
ken, en dool hiertoe allerlei wonderen; Aüron» «laf wordt in een draak veranderd (Vil : 8—IS); hut
water wordt bloed (11—25); het land wordt geplaagd door klkvonchen (VIII: 1—15); muggen (16—
til); steekvliegen (20—32); veepest (IX : 1—7); uitslag (8—12); hagel en donder (13—3>); sprinkhanen
(X : 1—20); duisternis (21—27). Hij deze laatste bezoeking verbiedt Farao Muze», ooit weder onder
zijne oogen te komen; wat deze zegt niet weder Ie zullen doen (28 v.). Hierna kondigt Jahwe Mozes
aan. dat hij door een laatste plaag Farao zal dwingen Israël te laten trekken; de Israëlieten moe*
ten vele kostbare voorwerpen van de Kgyptenaren vragen; welke dezen nok geven (XI: 1 —3>. Mozes
voorspelt den Israëlieten, dat Jahwe door Egypte trekken en al!.\' eerstgeborenen der Kgyptenaren
dooüen zal (1—7); terwijl aan Farao wordt voorzegd dat hij Mozes smeeken zal mol liet volk heen te
gaan (8). Zoo zal Farao\'s onwil Jahwe gelegenheid geven, vele wonderen te doen (0.1; al deze teekc-
nen zijn door Mozes en Ariron gedaan; maar Jahwe heeft Farao verhard (10),
Dit verhaal over de plagen in Egypte is niet uit een stuk. Twee in menig punt evenwijdig loO-
pende, maar in sommige opzichten zeer verschillende Voorstellingen van het gebeurde slaan loer naast
ilknudcr, door den Verzamelaar tot een kwalijk sluitend geheel vereenigd.
De eene is aan het Oude-Sagonbuck ontleend en te vinden VII : U-IS; j:!- 25; VIII : 1 — I, 8—
II; 20-32; l\\:l-7; 13-35; N:t-2I; 81-19; XI: 1-8. Zij houdt in, dat Mozes, up Jahwc\'s
bevel, aan Farao den eiach stolt, Israël de woestijn te laten intrekken, om ilaar een feest te vieren
en dat Farao, als hij weigert, lot gchoorznainhcid wordt gedwongen door een zevental plagen, die,op
Mozes\' wenk, hem en zijn volk teisteren: bloed,klkvonchen,steckvliogen,veepest,hagel,sprinkhanen
en duisternis. Levendig wordt, nu eens beknopter, dan weer uitvoeriger, beschreven, ho: Mozes Farao
Jahwo\'a Strafgortchton aankondigt, en do koning van lieverlede tot toegeven genoopt wordt. Hij bc-
grijpl zeer goed, dat de Israëlieten niet van zins zijn slechts drie dagen de woestijn in te trekken
om een feest te vieren, maar dat zij voorgoed willen heengaan, en vergunt daarom eerst alleen dat
de mannen gaan, daarna dat ook do vrouwen t.n kinderen medelrekken, terwijl het vee moet achter-
blijven. Ook dit te laten trekken wil hij niet toestaan; nl smeeken hem ook eindelijk zijne eigen
dienaren toe te geven, omdat Egypte te gronde gaat. De laatste, vreeselijkste, plaag is noodig om
hein ook deze vergunning af te persen, en wordt door M >zea aangekondigd en voorbereid.
Doch ook dit verhaal, schoon in zijn geheel nan het Üude-S tgenboek ontleend, is niet van ëenen
schrijver, maar samenga weven uil stukken van De Jahwist en van De Klohist. In kleine trekken ver-
schilden de voorstellingen in die geschriften. Met grootcr beslistheid dan in het eerste werd in het tweede,
naar het schijnt, geleerd dat de verstokt\'ieid vnn Farao door Jahwe gewild was; in De Jahwist wendt
Mozes voor, dat Israël in de woestijn een offerfeest wil gaan vieren (Vil : 18; VIII : I, 2fl; IV : I, 13;
X : 3, 21—26;; zie op V : 1. Doch in hoofdtrekken kwamen de beide verhalen zoo overeen, dat de
samensteller van het Oude-Sagenboek zonder veel moeite, door vnn het eene weg te laten wat in hel
andere voorkwnm en door hein opgenomen werd, ze tol een kon maken.
De voorstelling van Ezra\'s Wetboek is ongeveer terug te vinden In VII: 8—13, 10, 80a, 21c, 12;
VIII: 5-7, 156—10; IX:8—12. In dit verhaal komen slechts vier wonderen voor, waardoor Farao
gedwongen wordt tot vrijlating van Israël: de verandering van water in bloed, benevens de plagen
van de kikvorsehen, de muggen en den uitslag. Zij zijn aan het Oude-Sagenboek ontleend, maar met
wijzigingen. Immers, al zijn de moeste pijnlijk voor Farao, zij zijn toch minder stral\'gerichten dan
bewijzen van Jahwe\'s macht. Op dezelfde lijn toch met deze vier «laat hier de verandering vnn den staf
in den draak, welk wonder in het Oudo-Sngenbock had moeten dienen om Israël tol geloof te bewegen
(IV: 1—5, 20—31). Zijn de wonderen van het bloed en do klkvonchen dezelfde gebleven, do stcek-
vliegen vnn het Oudo-Sngcnbock zijn muggen geworden, en de veepest is veranderd in een uitslag,
niet slechts op de dieren, naar ook op de inenschen. Zoo vond de schrijver gelegenheid de worsteling
Huwenen Jahwe en\' de goden van Egypte, of die lunchen zijn tolk en Farao\'» toovnnaars, noch leven*
digcr te teokenen. Dezen beproefden alle wonderen van Jahwe na te doen ; maar hol gelukte hun slechts
-ocr page 74-
154
BX0DW5 VII :8—17.
gedeeltelijk; loidat zij zelven door de plaag werden aangetast en den strijd voorgoed moesten opgeven.
In deze voorstelling van do plagen als wondertnrkcnen zien wij hot karakter van den lijd n» den vul
van Jeruzalem, leen liet naïeve geloof in de inni\'lit van Israël» goddoorde rampendie het vulk teisterden
getaand was en men /.ijn grootheid duur bewijzen trachtte te staven. Verg. Inl. op ,lez. XI.—LXVI.
Ken tweede verschilpunt tusschen dit en do oudere verhalen is. tlat hier nan Jahwe en zijne tolken
du onwaarheid wanraun zij zich in het Oiido-Sugonbook schuldig nmkon niet toegedicht wordt: Mozes
en Aüron vragen den koning vergunning voordo Israëlieten, niet om drie dagen voor een loost do
woestijn in to trekken, ninnr runduit om voorgoed heen te gaan. Ook wordt hier niet verhaald, wat
het onder geschrift wel had, dat de Israëlieten hij hun vertrek den Kgypienurcn kosihare voorwerpen
afhandig maakten. Ken en ander toont dat da schrijver van Bzrn\'a Wettjoek oen hnoger standpunt
van zedelijke hooordeoling innam.
Ten denlo: Aüron bekleedt hier eeno eervoller plaats dan bij de oudere vcrhalers. l\'|> hevel vnn
Mozes volbrengt hij Jahwe\'s last, overeenkomstig VII : I v. Ook draagt hij den wondorslaf, dien in
de oude verhalen Mozes hanteert. Deze voorstelling is begrijpelijkerwijze in later eeu.v ontslaan,
Uien de redenen waarom Aüron in de oude verhalen voor Mozes plaats had gemaakt vervallen waren,
en hij, als InKigepriester, dus als middelaar en voorbidder hij God, hoog geëerd was (verg. \'ml, op
I : I—XXIV : lil.
Wat den vorm aanga:.i. is de voorstelling van Kz.ra\'s Wetboek in een opzicht hij lange na zoo
aanschouwelijk niet als die van het Ondo-Sngonboek. Immers, terwijl hier hij elke plaag wordt ver»
honld, boe zij weder ophield, om ton gevolge van \'s koning* verharding door eeno andera vervangen
te worden, Wordl daar cena duidelijke voorstelling van het verloop der plagen te eenen male gemist.
Pc wonderen volgen elkander, naar het schijnt, zonder liisschenpoozun op, totdat de laatste,ontzettend
zware, ramp wordt voorbereid.
l)o Verzamelaar had, bij het vereenigen van deze uitcenlooucndu voorstellingen, er slechts weinig bij
Ie voegen. Van zijne hand is waarschijnlijk XI : 1* v. en de inlassrhing van den naam .\\ aroH in VII: 8;
VIM : 8, I?, 2\'>; IX : tl; X : 3, 8. 16, waar Mozes de handelende persoon en ook de spreker is.
Op de plagen van Kgyptu wordt gewezen I\'s. I.XXVUI : 13, 12—51 ; CV : 2;~3l>; CXXXV : 9.
VII: 8,9 Jahwe zeide tot Mozes en Aüron:\' Wanneer Farao tot U spreekt
en zegt. Doet een wontier — zult gij tot Aüron zeggen: Neem uw
stut\' en werp dien vóór Farao neder, dan zal hij een draak worden.\'
10       Toen dan Mozes en Aüron tot Farao kwamen, deden zij alzoo, gelijk
Jahwe bevolen had: Aüron wierp zijn stuf vóór Farao en zijne diona-
11       ren, en hij werd een draak.\' Doch Farao van zijn kant ontbood de
wijzen en de toovenaars, en ook zij deden eveuzoo door hunne toover-
ls) kunsten:\' ieder wierp zijn staf neder, en deze werden draken; maar
13       Aürons staf verslond de hunne. \' Evenwel werd Farao\'s hart verstokt
en hoorde hij niet naar hen, zooals Jahwe voorspeld had.
14           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Farao\'s hart is onvermurwbaar; hij
15       weigert het volk te laten trekken.\' Ga tot Farao morgen oehtend, wan-
neer hij uitgaat naar het water, en plaats u aan den oever van den
Nijl, om hem te ontmoeten, terwijl gij den staf die in eene slang
10       veranderd is medeneemt.\' Zeg dan tot hem: Jahwe, de god der He-
breën, heeft mij tot u gezonden met den last: Laat mijn volk gaan,
dat het mij in de woestijn dione. Maar gij hebt tot nog toe niet ge-
17 hoord. \' Zoo spreekt Jahwe: Hieraan zult gij weten dat ik Jahwe ben :
zoodra ik met den stat dien ik in de hand heb op het water in den
5730
10.    en Auron. hit is door den Verzamelaar ingelaseht. Aan dit vors is duidelijk te zien, hoe de
r.dlen die Mozes en Aüron in het Oude-Sagenhoek speelden in Kz.iu\'s Welhoek zijn veranderd. Do
wonderstaf is hier niet, als IV : 2—5, 17, 206. die van Mozes, maar een van Aüron. Ook is het won-
dur hier niet liet uit IV : 2—5 bekende, maar oen geheel nieuw. — Doet een trondcrt om als gods-
gezanlen erkend lo worden; verg. Dent. XIII : 1—5. — Dan — trorden, Volg, Or. vert.; llobr. t.
!!(• worde een draak. — Ol\' met een draak oen ander dier, dan wel do eeno ol\' andere bekende slnn-
gonsoort (verg. IV : II v.) bedoeld wor.lt, is onzeker.
11.    ook :ij. llobr. t. voegt er hij de tjclnrdcn van Bgyptt, wnt waarschijnlijk uit VS. 22 bier in-
geslopen is. — 2 Tim. III : S boeten wnarsehijnlijk deze toovenaars of geleerden Jannes en Jambres.
15. den Ha/ — i\'«, terugslag, niet op vs. 8—11. inuar op IV : 2—4.
11   v. Indien dit verbaal berust op verschijnselen die zien bij de overslrooniing van den Nijl
-ocr page 75-
bxoddh VII : 17—VIII : 11.                                   155
18 Nijl sla, zal het in bloed veranderd worden,\' de vissohen in den Nijl
zullen sterven, de Nijl zal stinken, en do Fgypteuaren zullen te ver-
lü geels trachten, het water uit den Nijl te drinken. \' Nu zeide Jahwe
tot Mozes Zeg aan Aaron: Neem uwen stat\' en steek uwe hand uit
over de wateren der Egypte naren, hunne stroomen, kanalen, poelen
en al hunne verzamelplaatsen van water, en het zal bloed worden ;
er zal bloed in geheel Egypteland zijn, ook in de houten en steenen
20       vaten. \' Mozes en Aaron nu deden alzoo, gelijk Jahwe bevolen had :
hij hief zijn staf omhoog en sloeg het water in den Nijl, ten aan-
schouwen van Farao en zijne dienaren ; en al het water in den Nijl
21       werd in bloed veranderd,\' de vissehen in den Nijl stierven, de Nijl
stonk, en de Egyptenaren konden het Nijlwater niet drinken. Zoo was
22       er bloed in geheel Egypteland. \' Maar de geleerden van Egypte deden
eveneens door hunne tooverkunsten; daardoor werd Farao\'s hart ver-
211 stokt en hoorde hij niet naar hen, zooals Jahwe voorspeld had.\' Farao
keerde om en begaf zieh naar zijn huis, zonder ook dit ter harte te
24       nemen.\' En al de Egyptenaren groeven putten rondom den Nijl,om
water te drinken; want van het Nijlwater konden zij niets drinken.\'
25       Zoo verliepen zeven dagen, nadat Jahwe den Nijl geslagen had.
VIII: 1 Toen zeide Jahwe tot Mozes: Begeef u tot Farao en zeg hein: Zoo
2       spreekt Jahwe: Laat mijn volk trekken, dat het mij diene.\' En indien
gij weigert, het te laten trekken, dan ga ik uw geheele grondgebied
3       slaan met kikvorsehen.\' De Nijl zal van vorsehen wemelen; zij zullen
er uit opstijgen, in uw huis komen, in uw slaapvertrek en op uw
bed, in do huizen van uwe dienaren en van uw volk, in uwe ovens
4       en baktroggen; \' ook tegen u, uw volk en al uwe dienaren zullende
5       vorsehen opspringen.\' Nu zeide Jahwe tot Mozes: Zeg tot Aiiron:
Strek uwe hand niet uwen staf uit over de stroomen, kanalen en
G poelen, en doe de kikvorsehen opkomen over Egypteland.\' Toen dan
Aiiron zijne hand uitstrekte over de wateren van Egypte, kwamen do
7       vorsehen op en bedekten Egypteland. \' De geleerden deden desgelijks
door hunne tooverkunsten: zij deden de vorsehen over Egypteland
8       opkomen.\' Maar Farao ontbood Mozes en Aiiron en zeide: Hidt Jahwe
dat hij de vorsehen van mij en mijn volk verwijdere; dan zal ik het
9       volk laten gaan, dat het aan Jahwe otl\'ere.\' En Mozes zeide tot Farao:
Aan u de eer boven 7iiij! Tegen wanneer zal ik voor u, uwe dienaren
en uw volk bidden, dat de vorsehen van u en uit uwe huizen wor-
10       den uitgeroeid en alleen in den Nijl overblijven?\' Hij zeide: Tegen
morgen. Mozes hernam: Naar uw woord zal het geschieden; opdat
11        gij moogt weten dat Jahwe, onze god, zijns gelijke niet heeft. \' De
voordoen, dan worden deze toch overdreven en miiiisi teruggegeven. Jaarlijks, in het midden vanden
zomer, wast do rivier twee, dn" maan
4
den lam.\', overstroomt langt hare oevers de volden, diu nnn haar
slili hunne vruchtbaarheid dankon, on valt daarna weder langzaam, Tijdens den loagsten stand is hol
wator groonnohtig, onsmakelijk, soms voor niensohoii — niet voor vissciien — ongezond. Roodachtig
van kleur wordt hot daarentegen onder hot stijgen; maar dan is het uitmuntend om te drinken,
III. in de — vaten, letterlijk in rlc boomen (of stukken hout) en nteenen. Wellicht worden tic tonnen en
kruikon bedoeld waarin do Bgyptenaren hot Nijlwater voor huiselijk gebruik lieten bezinken en koel
hielden. I)« voorstelling van het wonder in dit vers wijkt eenigormate al\' van die in va. IS.
20.  hij. Hodoeld is Mozes; verg. vs. 17 v.
21.  om — drinken, met omzetting van twee woorden.
2.   kikcorsehen. Deze dieren zijn in Ivpypte in grooten gclalo to vindon en Worden or soms oone
ware plaag, vooral in September, wanneer de Nijl weder daalt on ontelbare vorsehen in het slib
achterlaat.
3.  r>» b*m uic tolk, volg. Or. vert.; llebr. t. en in mr rolk
8.  Het verzoek om voorbede past niet na vs. 7, wnnr ook de Kgyptisohe geleerden macht blijken
te hebben over de vorsehen en ze dus kunnen verdrijven.
9.  jt<m — mij, letterlijk Verheerlijk u boren m(j, eene hollijkhei.UI\'ormulo.
-ocr page 76-
156                                       kxoms VIII: 11—29.
vorsehen zullen van u en uwe huizen, van uwe dienaren en uw volk
12 verwijderd worden en alleen in den Nijl overblijven. \' Toen ging Mozes
met Aiiron van Farao heen, en Mozes riep tot Jahwe ter zake van de
K5 vorsehen, zooals Farao bepaald had. \' Eu Jahwe deed naar Mozes\'woord,
on de vorsehen stierven en verdwenen uit de huizen, hoven en akkers; \'
14       aan tallooze hoopen werden zij verzameld, zoodat het land er van stonk.\'
15       Maar Farao, ziende dat er verademing gekomen was, verzwaarde zijn
hart en hoorde niet naar hen, zooals Jahwe voorspeld had.
16           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Zeg tot Aiiron: Strek uw stal\'uiten
sla het stol\' der aarde; dan zal het muggen worden in geheel Egypte-
17       land.\' Zij deden aldus. Aüron strekte zijne hand met zijn staf uiten
sloeg het stof der aarde; waarop er muggen kwamen op tuensch en
IS vee: al het stof der aarde werd muggen in geheel Egypteland. \' En
de geleerden deden eveneens door hunne tooverkunsten, om de muggen
te doen ontstaan; maar zij waren hiertoe buiten staat, en de muggen
II) waren op mensch en vee.\' Toen zeiden de geleerden tot Farao: Dit
is de vinger van een god! Maar Farao\'s hart werd verstokt, en hij
hoorde naar hen niet, zooals Jahwe voorspeld had.
20           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Maak u morgen ochtend op en plaats
u voor Farao, wanneeer hij naar het water uitgaat, en zeg hem: Zoo
21       spreekt Jahwe: Laat mijn volk trekken, dat het mij diene.\' Want
indien gij mijn volk niet laat trekken, zend ik op u, uwe dienaren,
uw volk en uwe huizen de steekvliegen af\'; zoodat de huizen der
Egyptenaren vol van die vliegen worden, alsmede de grond waarop
22       zij staan.\' Maar ik zal te dien dage voor het land Üoosjon, waar
mijn volk is gevestigd, eene uitzondering maken, zoodat daar geen
steekvliegen zijn; opdat gij moogt weten dat ik, Jahwe, in het mid-
~ïl den des lands ben.\' Ik zal onderscheid maken, tusschen mijn en uw
24       volk. Tegen morgen zal dit teeken geschieden.\' Jahwe deed zoo; een
zware vliegenzwerm kwam in de huizen van Farao en zijne dienaren;
ook werd in geheel Egypteland het land verdorven door die vliegen.\'
25       Toen ontbood Farao Mozes en Aiiron en zeide: Welaan, offert uwen
~(5 god in het land!\' Maar Mozes zeide: Het is onmogelijk dit te doen;
want dieren waarvan de Egyptenaren een afschuw hebben offeren wij
voor Jahwe, onzen god. Indien wij ten aanschouwen der Egyptenaren
dat ofleren waarvan zij een afschuw hebben, zouden zij ons dan niet
27 steenigen?\' Wij willen drie dagreizen ver de woestijn intrekken en
2H daar aan Jahwe, onzen god, offeren, naardat hij ons zeggen zal.\' Hierop
zeide Farao: Ik zal u laten trekken, en gij kunt aan Jahwe, uwen
god, in de woestijn offeren. Maar gij moogt vooral niet ver wegtrek-
2\'J ken. Bidt nu voor mij.\' En Mozes zeide: Zoodra ik van u heengegaan
12. zooals — had, volg, (ïr. vort.; Ilebr. t. zooals hij voor Farao bepaald had.
16. muggen, onzekere vertaling. In Egypte zijn muggen en allerlei ander, gevleugeld on ongevlcu*
geld, ongedierte, evenals in alle warme landen, eeno geweldige plaag.
18. en de muggen — vee. Terwijl <le overige plagen geweken waren nadat ook do tooveranrs die
hadden weten te veroorzaken, bleef deze voortduren door hunne onmacht om de muggen te doen ont-
Staan en weder te doen verdwijnen.
21. steekvliegen. Ken kwaadaardig soort van groots vliegen, die, vooral in den zomer, in Egypte
aan mensch en dier veel last veroorzaken; dergelijke dieren noemden de Grieken honden-, wij paar-
denvliegen.
21. onderscheid, onzekere vertaling.
2(i. On welke verschilpunten in de keus van offerdieren de schrijver het oog heeft, blijkt niet. Wij
kennen er eenige, Zoo offerden de Egyptenaren noch koeien noch tortelduiven, en stieren alleen wan-
neer zij Keen enkel zwart haar hadden. Maar do Egyptische gebruiken waren in verschillende doelen
des lands onderscheiden, In sommige stroken werden wei schapen, maar geen geiten ton offer
gebracht, in andere juist omgekeerd. Ook de offergebruiken der oudo Israëlieten waren wis zeer
uiteenloopend.
-ocr page 77-
157
exodus VIII : 29—IX : 19.
ben zal ik tot Jahwe bidden, en morgen zullen de vliegen verwijderd
worden van Farao, zijne dienaren en zijn volk. Maar dat Farao niet,
meer bedriegelijk handels, door het volk niet te laten trekken, om
30       aan Jahwe te otteren! \' Zoo ging Mozes heen van Farao en bad tot
31       Jahwe.\' En Jahwe deed naar Mozes\' woord en verwijderde de vliegen
van Farao, zijne dienaren en zijn volk: niet éen bleet\' er van over.\'
32       Maar Farao verzwaarde zijn hart ook ditmaal en liet het volk niet
trekken.
IX: 1 Toen zeide Jahwe tot Mozes: Begeef u tot Farao en zeg hem: Zoo
spreekt Jahwe, de god der Hebreen: Laat mijn volk trekken, dat het
2       mij diene. \' Want indien gij weigert het te laten trekken, en het nog
3       langer vasthoudt,\' zoo zal de hand van Jahwe zijn tegen uw vee op
het veld, tegen de paarden, ezels, kameelen, runderen en het klein-
4       vee, met eene zeer zware pest.\' Daarbij zal Jahwe onderscheid maken
tusschen het vee van Israël en dat van Egypte: van al wat aan de
5       Israëlieten behoort zal geen stuk sterven. \' Ook bepaalde Jahwe een
0 termijn: morgen zal Jahwe dit in het land doen. \' En Jahwe deed
het den volgenden dag: al het vee der Egyptenaren stierf\', terwijl
7       van dat der Israëlieten geen enkel stuk stierf.\' Farao zond boden, en
inderdaad, van het vee der Israëlieten was zelfs niet éen gestorven!
Maar het hart van Farao was zwaar, en hij liet het volk niet trekken.
8           Toen zeide Jahwe tot Mozes en Aiiron: Neemt uwe handen vol roet
uit den smeltoven, en dat Mozes het in de lucht strooie ten aanschou-
9       wen van Farao;\' dan zal het tot stof worden, dat over geheel Egypte-
land vliegt, en dit zal op mensch en dier uitslag veroorzaken die in
10       zweren uitbreekt, in geheel Egypteland.\' Zoo namen zij het ovenroet
en gingen voor Farao staan, en toen Mozes het in de lacht strooide,
11       kwam er uitslag die op mensch en dier in zweren uitbrak; \' zelfs
konden do geleerden niet voor Mozes blijven staan vanwege den uit-
slag; want de uitslag kwam over de geleerden en over alle Egypte-
12       naren.\' Maar Jahwe verstokte Farao\'s hart, en hij hoorde niet naar
hen, zooals Jahwe aan Mozes voorspeld had.
13           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Maak u morgen ochtend op, plaats u
voor Farao en zeg hem : Zoo spreekt Jahwe, de god der Hebreen:
14       Laat mijn volk trekken, dat het mij diene.\' Want ditmaal zal ik al
mijne plagen op u zelven, uwe dienaren en uw volk afzenden; opdat
gij moogt weten dat niemand mijns gelijke is op de geheele aarde. \'
15       Anders zou ik wel mijne hand uitgestrekt en u en uw volk met de
pest geslagen hebbeu, en zoudt gij uitgedelgd zijn van de aarde, \'
16       Edoch hiertoe heb ik u nog laten bestaan, om u mijne kracht te too-
17       nen en mijn naam op de geheele aarde te verkondigen. \' Wanneer gij
nog langer met mijn volk uw spel drijft, door het niet te laten trek-
18       ken,\' zal ik stellig morgen om dezen tijd eene zeer zware hagelbui
doen vallen; zooals in Egypte nooit geweest is, van dat het gegrond-
19       vest is tot nu toe. \' Welaan, laat uw vee en al wat gij op het veld
hebt bergen; alle menschen en dieren die zich op het veld zullen
3. DU is de cenigc pluais in het O. \'I\'. wnnr de veepest vermeld wordt. Over de |icxt als ziekte
van menschen /ie op l.ev. XXVI: 25.
7. der ItraHieten, volg Siim. en Gr. t.; Hebr. t. ra» hraH.
9. uitslwi. Allerlei huidziekten waren, en zijn nu;.\', in Egypte inheemsen. Het was daarvoor bij
Israël berucht, Deut. XXVIII: 27.
16.  Verg. Ps. UIX : 12.
17.  uto *pel drij/t, volg, (ir. veit.
18.  Hagelbuien zijn zeldzaam in Kgypto, maar komen enkele keeren voor en zijn dan zcor hevig.
1\'J. laat — bergen, onzekere vertaling.
-ocr page 78-
158 ,                                 bxodus IX : 19—X: 5.
bevinden en niet in huis gebracht zijn, op hen zal de hagel vallen,
20       zoodat zij sterven. \' Wie dan onder Farao\'s dienaren Jahwe\'a woord
21       vreesde bracht zijne slaven en zijn vee thuis in veiligheid;\' maar
wie op \'Jahwe\'s woord geen acht sloeg liet zijne slaven en zijn vee
22       op het veld.\' En Jahwe zeide tot Mozes: Strek uwe hand ten hemel;
opdat er hagel in geheel Fgypteland komo over mensch, dier en alle
23       veldgewas in Egypteland.\' Hierop strekte Mozes zijn staf ten hemel;
en Jahwe deed het donderen en hagelen; vuur viel op de aarde, en
21 Jahwe deed eene hagelbui op Egypteland vallen.\' Er was hagel, met
onafgebroken bliksemvuur midden in den hagel, allergeweldigst; iets
dergelijks was nooit in geheel Egypteland beleefd, sedert het aan een
25       volk had toebehoord.\' De hagel sloeg al wat in geheel Egypteland
op het veld was, zoo mensch als dier; alle veldgewassen sloeg de ha-
26       gel, on alle boomen des velds verbrijzelde hij. \' Maar in het land
27       Goosjen, waar de Israëlieten woonden, hagelde hot niet.\' Toen ontbood
Farao Mozes en Aüron en zeide tot hen: Ditmaal heb ik gezondigd;
Jahwe heeft het recht aan zijne zijde; ik en mijn volk hebben on-
28       gelijk. \' Bidt tot Jahwe. Overgenoeg donder Gods en hagel is er nu
21) geweest. Ik zal u laten trekkeu, en gij zult niet langer blijven.\' Mo-
zes zeide tot hem: Zoodra ik buiten de stad ben zal ik mijne handen
tot Jahwe uitbreiden; do donderslagen zullen ophouden, en er zal geen
hagel meer zijn; opdat gij moogt weten dat aan Jahwe de aarde
30       toebehoort. \' Maar wat u en uwe dienaren betreft, ik weet dat gij nog
31       niet vreest voor Jahwe. —\' Het vlas nu en de gerst waren vernield;
32       want de gerst was in de aar, en het vlas in den knop.\' Maar de
tarwe en de spelt waven niet vernield; want die zijn later in den
33       tijd. — \' Mozes dan, van Farao heengegaan en buiten de stad geko-
men, breidde de handen tot Jahwe uit. De donder en de hagel hiel-
34       den op, en de regen stroomde niet meer neder op de aarde.\'Eu toen
Farao zag dat de regen, de hagel en de donder opgehouden hadden,
ging hij voort te zondigen en verzwaarde hij zijn hart, hij en zijne
35       dienaren. \' Zoo werd Farao\'s hart verstokt en liet hij de Israëlieten
niet trekken, zooals Jahwe door Mozes voorspeld had.
X : 1 Toen zeide Jahwe tot Mozes: Begeef u tot Farao; want ik zelf heb
zijn hart en dat zijner dienaren verzwaard; opdat ik deze mijne tee-
2       kenen in hun midden moge doen,\' en opdat gij ten aanhooren van
uw zoon en uw kleinzoon moogt kunnen verhalen, hoe ik mijn spel
gedreven heb met de Egyptenaren, en welke teekenen ik onder hen
3       gedaan heb, en gij weten moogt dat ik Jahwe ben. \' Zoo begaven zich
Mozes en Aüron tot Farao en zeiden tot hem: Aldus spreekt Jahwe,
de god der Hebreen; Hoe lang weigert gij u voor mij te verootmoe-
4       digen? Laat mijn volk trekken, dat het mij diene.\' Want indien gij
weigert mijn volk te laten trekken, breng ik morgen sprinkhanen op
5       uw grondgebied;\' zij zullen de oppervlakte van het land bedekken,
24. met onafgebroken bliksemvuur, onzekere vertaling; ongeveer dezelfde uitdrukking Kzcch. 1:1.
27. Ditmaal heb ik gezondigd. Uit behoef! nog niet te beteekenen dat hij erkent zich slecht to hob-
ben gedragen, maar kan eenvoudig aanduiden dat hij ongelijk heelt gchud met zich te verzetten tegen
Jahwe, tegen wiens macht hij niet opgewassen is.
2». aal — uitbreiden. Verg. I\'s. CXI.III : B.
30. voor Jahwe, llehr. t. voor Jahwe God; Sam. t. voor den Heer Jahwe; (ir. t. volgens sommige
handschriften Jahwe, volgens andere God.
31 v. liet vlas en de gerst zijn in tëgypte ongeveer in Februari of Maart rijp, de tarwe eerst eene
maand later. De hagel viel dus in Januari ol\' Februari.
1. in hun midden, volg. lir. vert.; llebr. t. in zijn midden.
4.  sprinkhanen. Zie op Joel I : 4.
5.  de oppervlakte van het land, letterlijk het oog de» land; evenals va. 15.; Nunt. XXII : 5, II.
-ocr page 79-
exodus X : 5—21.                                           15\'J
zoodat men liet land niet zien kun, en tot het laatste toe ut\'vreten
wat u overgebleven en door den hagel nog overgelaten is: alle boom-
I! gewas dat voor u aan liet veld ontsproten is zullen zij af vreten.\' Zij
zullen uwe huizon, die van uwe dienaren en van alle Egyptennren
vervullen, wat uwe vaderen en voorvaderen nooit gezien hebben, sedert
zij op den aardbodem waren tot nu toe. Toen keerde hij zich om en
7       ging van Farao heen.\' Nu zeiden de dienaren van Farao tot hein:
Hoe lang zal die man ons ten valstrik zijn/ Laat die lieden trekken,
dat zij hun god Jahwe dienen. Ziet gij nog niet in, dat Egypte te
8      gronde is gericht?\' Toen werden Mozes en Aaron weder tot Farao
gebracht, en zeide hij tot hen: Gaat dan uwen god Jahwe dienen! Wie
i) zijn het zoo al, die willen gaan?\' Mozes zeide: Met jong en oud
zullen wij gaan; met onze zonen en dochteren, ons kleinvee en onze
runderen zullen wij gaan; want wij hebhen een feest voor Jahwe te
10       vieren.\' Toen zeide hij tot hem: Nu, Jahwe moge zoo gewis met u
zijn als ik u en uwe jonge kinderen laat trekken! Ziet toch, gij hebt
11       kwaad voor.\' Neen. Laat de volwassen mannen Jahwe gaan dienen; want
hierom is het U immers te doen? Zoo dreef men hen van voor Farao
12       weg.\' Nu zeido Jahwe tot Mozes: Strek uwe hand uit over Kgypte-
land, om de sprinkhanen te doen komen; opdat zij over Egypteland
opkomen en al het kruid des lands, zooveel de hagel overgelaten heeft,
13       afvreten.\' Hierop strekte Mozes zijn staf over Egypteland uit, en Jahwe
deed een oostenwind waaien tegen het land, dien geheelen dag en
nacht; en nauwelijks brak de morgen aan, of de oostenwind hief de
14       sprinkhanen op. \' Zoo stegen zij op over geheel Egypteland en streken
neder in het gansohe grondgebied van Egypte, allergeweldigst: vroo-
ger is er zulk een sprinkhanenzwerm nooit geweest, en later zal er
15       nooit weder zulk een zijn. \' Hij bedekte de oppervlakte van het gan-
sehe land, zoodat het er door verduisterd werd, en vrat al het veld-
gewas op, benevens al de boomvruchten die de hagel had overgelatou:
geen groen bleef over aan boom of veldgewas in geheel Egypteland.\'
16       Nu ontbood Farao ijlings Mozes en Aüron en zeide: Ik heb gezondigd
17       tegen uw god Jahwe en tegen u.\' Nu dan, vergeeft mij toch mijne
zonde nog ditmaal, en bidt tot uwen god Jahwe, dat hij althans
18       dezen dood van mij verwijdere.\' Toen verliet Mozes Farao en bad tot
19       Jahwe;\' waarop Jahwe den wind deed omloopen en een zeer sterken
westenwind deed waaien, die de sprinkhanen ophief en in de Sehelfzeo
wierp. Er bleef niet éen sprinkhaan op het geheele grondgebied van
20       Egypte over.\' Maar Jahwe verstokte Farao\'s hart; zoodat hij de
Israëlieten niet liet trekken.
21           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Strek uwe hand ten hemel uit, dat
er duisternis over Egypteland kome en die duisternis tastbaar zij. \'
7. teii valstrik, tot eeno oorzaak van onheil; verg. op XXXIV : 12.
\'J. Ooou Isrui\'lielisohc wet schrijft Vuor dat bij een leest voor Juhwe elk liil <les volk», veelmin
het voe, moest tegenwoordig zijn. Al waren vrouwen en kinderen niet buitengesloten, volgens XXIII:
I"; XXXIV : 23; Deut. XVI : 16 waren llechta de mannen verplicht, de groote feesten mee to vieren.
JO. Jahire — zijn. Spottend wenscht de koning hun zegen op reis: hij is volstrekt niet vun plan
hen te laten gaan.
11.    Laat — dienen, volg. Or. t.; Itabr. t. Gaat, volicatsen mannen, en dient Jahire. — hierom, om
de feestviering, waarvoor uwe vrouwen, kinderen en dieren niet noodig zijn. — dreef men, volg. Sam.
en Or. t. ; llebr. t dreef hij,
12.    om — komen. volg. verb t.; llebr t. mei de sprinkhanen,
17.    vergeeft, volg. Sam. en Gr. t.; llebr. t. vergeef.
18.    Mozes, volg. Gr. vert. ingevoegd.
10.
   de Schelf zee. Zie op XIII : 18.
21.
    die voor duisternis, volg. Sam. t.
-ocr page 80-
160                                      kxodus X:22—XI : 10..
22 Hierop strekte Mozes zijne baud naar den hemel uit; waarop zware
2\'-\\ duisternis in geheel Egypteland ontstond, drie dagen hing. \' De een
kon den ander niet zien, en niemand stond gedurende drie dagen van
zijne plaats op: terwijl het vooralle Israëlieten lieht in hunne wo-
24 ningen was.\' Nu ontbood Farao Mozes on zeide: (iaat henen en dient
Jahwe. Worden slechts uw kleinvee en runderen achtergelaten, dan
2;"> mogen ook uwe kinderen met u medegaan. Maar Mozes zeide: Neen,
gij zelf moet ons slacht- en brandoffers medegeven, die wij voor Jahwe,
26       onzen god, bereiden zullen,\' en ook moet ons eigen vee met ons
medegaan, zouderdat eene hoef\' achterblijft; want daaruit moeten wij
de dieren nemen waarmede wij Jahwe, onzen god, zullen dienen, en
wij weten zelven niet waarmede wij Jahwe dienen zullen voordat wij
27       daar zijn gekomen.\' Toen verstokte Jahwe Farao\'s hart, zoodat hij
28       hen niet wilde laten trekken,\' en Farao zeide tot Mozes: Ga van
mij weg! l\'as op dat gij niet weder in mijne tegenwoordigheid ver-
2i) schijnt; want zoodra gij dit doet zult gij sterven.\' En Mozes zeide:
Gij hebt gezegd waar het op staat: ik zal niet weder in uwe tegen-
woordigheid verschijnen.
XI: 1 Toen zeide Jahwe tot Mozes: Nog éene plaag zal ik over Farao
en Egypte brengen; daarna zal hij u van hier laten trekken. Zelfs
zal hij, wanneer hij u laat trekken, u met alle geweld van hier drij-
2 ven.\' Zeg toch ten aanhooren van het volk, dat ieder, man en vrouw,
!1 van zijn naaste zilveren on gouden voorwerpen vrage.\' En Jahwe deed
het volk gunst vinden in het oog der Egyptenaren; ook was Mozes
zeer geacht in Egypteland, in het oog van Farao\'s dienaren en het
volk.
4          En Mozes zeide: Zoo spreekt Jahwe: Omstreeks middernacht zal
R
ik Egypte doortrekken.\' Dan zal elke eerstgeborene in Egypteland
sterven, van den eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zitten
zou, af, tot den eerstgeborene der slavin die den handmolen draait
f5 toe, benevens alle eerstgeborenen van het vee.\' Er zal een hevig
geschrei opgaan in geheel Egypteland, zooals er nooit geweest is en
7       nooit meer zijn zal.\' Maar geen hond zal tegen een der Israëlieten de
tong spitsen, noch tegen de mensehen, noch tegen de dieren; opdat
gij weten moogt dat Jahwe onderscheid maakt tusschen Egyptenaren
8       en Israëlieten. \' Dan zullen al deze uwe dienaren tot mij komen en
zich voor mij nederwerpen, zeggende: Trek uit met geheel het volk
dat u volgt! Daarna zal ik uittrekken. Zoo ging Mozes in branden-
den toorn van Farao weg.
9           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Farao zal niet naar u hooren; opdat
10 mijne wonderen in Egypteland talrijk worden.\' Mozes en Aiiron heb-
21. Worden — achtergelaten, onzekere vertaling.
25. ilaehtaftrê gijn oll\'ers waarbij een maaltijd werd uangcrieht; zie op Oen. XXXI :h\\;lrando(Tei*
kwamen in hun geheel op het altaar; zie op Ueut. XII : il. — Up dezen, vroeger niet gestelden, eisen
komt Mozes nok later niet terug.
2 mmi en WOMM, Volg. III : 22 moesten alleen de vrouwen zien tot hare Egyptische burenen huts-
genooten wenden. Dat hel hevel werd uitgevoerd, leert XII : Xi.
I. Dit vers volgde oorspronkelijk dadelijk op X : K, althans op een verhaal waarin Mozes tot
farao sprak.
5. den handmolen, oudtijds een der noudzakclijkste stukken huisraad. Hij battend, en hestaat in vele
landen nog, uit twee op elkaar sluitende steenen, wauivnn de onderste Lid, de bovenste hol is ; de
lamste heeTl in liet midden een gat, waardoor het graan gestort, en een haudvalsel, waaraan hij om-
gedraaid wordt; het meel valt langs de randen van den ondersten steen en wordt op een doek opge-
vnngen. Hel draaien van den handmolen was het werk der vrouwen of der sluvinnen. Het werd meest
eiken avond verricht. Verg. op Deut. XXIV : 6.
7. :at — tpitten, om te blaffen. — Dezelfde uitdrukking wordt Jol. X : 21 gebezigd van mentenen
die anderen vijandelijk bejegenen.
-ocr page 81-
161
K.XODÜS XI : 10.
ben al die wonderen voor Farao\'s oogen gedaan; maar Jahwe verstokte
Farao\'s hart, zoodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet trekken.
HOOFDSTUK XII: 1—XIII: 10.
De uittocht en <lc godsdienstige gebruiken tot herinnering daaraan. — Juhwe verordent, dat de
Israëlieten voortaan hunne jaren /.uilen beginnen met de maand waarin het volk Egypte verlaat
i \\ 11 : 11, en geeft het de noodigc voorschriften betredende de viering van het pascha (2—11); hij
zal Egypte straffend doortrekken en alle huizen die met het bloed van het punschlam geteckeud zijn
sparen (12 v.); het pascha moet voortaan, tot gedachtenis nau die redding, juarlijks gevierd worden
(11). Voorts moeten de Israëlieten zeven dagcu ongezuurde hrooden eten; zelfs mag niets gegists in
hunne woningen gevonden worden; terwijl de eerste cu de laatste dag van die weck sabbatdagcu moe-
ten zijn: een en ander ter herdenking van hun uittocht uit Kgyptc; welk voorschrift evengoed voor
de vreemden nis voor de Israëlieten geldt (15—20). Mozes brengt Jahwe\'s bevel aangaande het pascha
aan het volk over, dat daaraan gehoorzaamt (21—2S). Tc middernacht doodt Jahwe alle cerstgcborc-
ncn in Kgyptc (29); waarna Farao Mozes en Aaron ontbiedt, en gelast haastig met al het hunne
Kgyptc te verlaten (30—32). Daar ook de Kgyptenaren hen tot spoed dringen, nemen de Israëlieten
hun deeg ongezuurd mede (33 v\\). Overeenkomstig het vroeger gegeven bevel, vragen zij kostbaarheden
van de Kgyptenaren, die door Jahwe bewogen worden om ze te geven (35 v.). De Israëlieten trekken
uit, zeshonderd duizend man sterk (37 v.); zij bakken van het medegenomen deeg ongezuurde broo-
den (39); duur van Isracls verblijf in Kgyptc (40 v.); de nacht van hun uittocht is de waaknacht,
dien zij voortdurend vieren (12). Jahwe geeft verordeningen over de voorwaarde waarop vreemdelingen
hot paaschfeest mogen medevieren (13—19). De Israëlieten handelen naar Jahwe\'s bevel en worden
op dien dag door hem uitgeleid (50 v.). Jnhwc beveelt Mozes dat ullc eerstgeborenen onder Israël
hem gewijd moeten zijn (XIII: 1 v.). Mozes gelast het volk, na hunne komst in het beloofde laud den
dag van den uittocht te vieren, door jaarlijks in de maand Abib zeven dagen lang niets gezuurde te
gebruiken (3—10). Ook door alle eerstgeborenen van menseh en dier nau Jahwe te wijden (11 v.)j
maar zoowel die der ezels als die der menschcu moeten gelost worden (13—10).
De hier voorgeschreven godsdienstgebruiken: de vieriug van het pascha, de onderhouding van do
dogen der ongezuurde broodeu en de wijding der eerstgeborenen, moeten alle drie dienen tot bewaring
van de herinnering nau Isracls redding uit de Kgyptische slavernij, /ij worden hiermede dan ook in
verbund gebracht: het woord pascha, d. i. .voorbijgang\', wijst er op, dat Jahwe, toen hij de eerstge-
boreneu doodde, de huizen der Israëlieten sparend voorbijging; de ongezuurde broodeu vinden hunne
verklaring in de haast van den uittocht, waardoor de Israëlieten bun deeg niet hadden kunnen doen
gisten; de wijding der eerstgeborenen herinnert aan de weldaad, dat die der Israëlieten gespaard wer-
den toen die der Kgyptenaren omkwamen. De drie gebruiken worden evenwel niet met elkander in
verband gebracht, en zijn zelfs gedeeltelijk onderling en met de gelegenheid waarbij zij hcetcn voor-
gosehrevcn te zijn in strijd. Immers, niet alleen zou het zoo goed als onmogelijk geweest zijn, in den
nacht waarin of waarna men met gezin en have afreisde een feestmaal te houden, en hoogst ondoel-
inatiir, bij die gelegenheid verordeningen te geven over hetgeen eerst na \'s volks komst in Knuaiin
moest in acht genomen worden; manr de verordening, reeds vier dagen vóór den uittocht het pnaseh-
lum af te zondereu (XII: 3, 0), ja, de gehccle voorspelling van hetgeen gebeuren zou, voegt kwalijk
bij de haust die den Israëlieten geen tijd laat om hun deeg te laten rijzen (XII: 31, 39). Dit heeft
alleen zin, indien het bevel om op te breken hen overviel. Blijkbaar hebben wij hier het werk voor
ons van verschillende schrijvers, wier hoofddoel is aan hunne tijdgeuooten Jahwe\'s verordeningen in
te prenten, en die zich daarom minder bekommeren om de vraag, of die verordeningen wel passen bij
de omstandigheden waaronder zij hceteu gegeven te zijn.
De drie godsdienstige handelingen die hier voorgeschreven worden hebben oorspronkelijk gecnerlei
betrekking op den uittocht uit Egypte, en staan ook met elkander iu geen of slechts in zeer los ver-
band. Het waren oude gebruiken, die samenhingen niet den overgang van den winter tot den zomer,
het rijpen van den gerstenoogst en het werpen van het vee; zio op XII: 11, 15—20 en XIII: 2. In
die gebruiken was veel dat den meest ontwikkelden Israëlieten heideusch of ruw voorkwam, en dat zij
daarom poogden tegen te gaan, terwijl zij tegelijk aan het onergerlijke eeue stichtelijke strekking
trachtten te geven. Zwaarder dan al wat iedere lente hun te zien gaf en dan de zegeningen van land-
bouw en veeteelt woog hun de verhouding van Israël tot Jahwe, co de genade door hem aan zijn volk
bewezen, nllcrmcost do redding uit Egypte. Hiermede worden dus do gebruiken van den lentetijd in
verband gebracht. Men zocht en vond de verklaring van sommige dier gebruiken in de verhalen over
den uittocht, of vulde deze aan met trekken die men op grond vau do volksgebruiken verdichtte. De
O. T. I.
                                                                                                                                         11
-ocr page 82-
162
BX0DU8 XII: 1—5.
verbeelding had hierbij vrij spel. Tegelijk bcstrceil men al wat aanstoot gaf en dus moest worden af-
geschaft, öf rechtstreeks, öf door het te verzwijgen (/ie op XII : 9, 48 en XIIIS15).
Wat de geschriften aangaat waaruit deze verordeningen in de Wet gekomen zijn, die zijn zeer ver-
schillend. Aan het Oudc-.Sagcnbock is XII: 29—39, althans meercndeels, ontleend: het verhaal, hoe
Jahwe de eerstgeborenen der Egyptennrcn sloeg, en de Israëlieten met zooveel spoed uitgedreven wcr-
den dat zij hun deeg niet konden laten rijzen. Van eene verordening betreffende het eten van onge-
zuurde broodcu of het pascha is hierbij geen sprake. Welke van deze verzen uit De Jahwist, welke
uit De Klohist zijn, valt niet licht te bepalen. Ook Kzra\'s Wetboek bevatte het verhaal van den uit-
toeht; maar de vermelding der omstandigheden waaronder deze plaats had werd daar ingeweven in de
voorschriften betreffende hel pascha, dat er de heugenis van moest bewaren. Dit dat wetboek is
XII: 1—14, 28, 50 v., waaraan later XII: 15—20, 43—19, wellicht ook vs. 40 v., is toegevoegd.
Hiermede is thans verbonden XII: 21—27 en XIII: 3—16, verordeningen over het paaschfecst, het
gebruik van ongezuurd brood en de wijding der eerstgeborenen, afzonderlijke wetten, die noch in
het Oudc-Sugcuhock, noch in Kzra\'s Wetboek stonden, uit den tijd, althans in den geest, van lieute-
rmiomium.
Wellicht behoorde ook XII: 42 op de eene of andere wijze hierbij. De Verzamelaar bracht
bij het rangschikken en vereenigen dier zoo verschillende stukken een paar kleine wijzigingen aan:
XIII : 1 v. werd er waarschijnlijk door hem bijgevoegd, om cenigen samenhang te brengen tusschen de
verordeningen op de dagen der ongezuurde brooden en de wijding der eerstgeborenen, en in XII: 12,
15 voegde hij enkele woorden in (zie aldaar).
Op het dimden van de eerstgeborenen in Egypte wordt gezinspeeld I\'s. LXXVIII: 51; CV: 36;
CXXXV:8; CXXXVI:10.
XII: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes en Ailron in Egypteland: \' Deze maand
zal u het hoofd der maanden zijn; de eerste zal zij u zijn van de
3       maanden des jaar».\' Spreekt tot de geheele gemeente van Israël: Op
den tienden dag dezer maand moet elk een lam nemen, naar familiën,
4       een lam voor elk gezin. \' En indien het gezin te klein is voor een
lam, tlan moet hij er met zijn naasten buurman samen een nemen,
naar het zielental. Elk uwer zal naar hetgeen hij eet zijne berekening
."> maken ten aanzien van het lam. \' Een gaaf, manlijk lam moet het
zijn, éen jaar oud; uit de schapen of uit de geiten kunt gij liet ne-
2. I)i:,- maand, die waarin de uittocht plaats had. — De maand begon bij de Israëlieten altijd
met de verschijning der nieuwe maan en was dus negen en twintig, hoogstens dertig, dagen lang. Het
jaar bestond uit twaalf zulke maanden, waaraan somtijds ccuc dertiende toegevoegd werd, ten einde
het maanjaar met het zonncjaar in overeenstemming te brengen. Hoc dit voor de Ballingschap ge-
beurde, is onbekend; in later tijd liet men op de twaalfde maand na het Paaschfecst (de maand Adar)
nog eene gelijknamige volgen, wanneer het te voorzien was dat anders bij de eerstvolgende volle
manu de gerst niet rijp zou zijn, en de schapen eu geiten niet zouden geworpen hebben; wat de vie-
ring van het pnasehfecst en de hiermede samenhangende feestdagen onmogelijk zou hebben gemaakt.
Zulk ecu schrikkeljaar duurde dan volle dertien maanden. Van de oude, misschien Kanaauictische,
namen der mnaiiden kennen wij slechts vier: Abib (Exod. XIII: 4; XXIII: 15; XXXIV: 18; Deut.
XVI :1), /.ir (1 Kon. VIM, 37), Elhanim (1 Kon. VIII: 2) en Bul (1 Kon. VI: 38), die de eerste,
tweede, zevende cu achtste zijn, als men het jaar bij het voorjaar aanvangt. In later tijd hect-
teu de twaalf maanden, insgelijks vnu het voorjaar beginnende: Nisan (Xch. II: 1; Est. 111:7), Ijjar,
Siwan
(Est. VIII: 9), Tammuz, Ab, Mul (Xch. VI: 15), Tisri, Marhiwan, Kitleio (Nch. IM ; Znch.
VII : 1), \'febeth (Est. II: 16), Sjebat (Zach. 1: 7) en Adar (Ezra VI: 15; Est. III: 7 enz.); waarop in
een schrikkeljaar nog een Weadar, d. i. ,nog Adar\' of .tweede Adar\', volgde. Ook werden zij dikwerf
ceuvoudig als „de eerste", „de tweede" enz. aangeduid. Wat den aanvang des jaars betreft, voor de
llallingschap begon men het met de maand Ethnuim, later Tisri, ongeveer Oetobcr. Dit leercn Exod.
WIM: 1(1: XXX1V:22 en het latere gebruik ten aanzien der viering van den nieuwjaarsdag duidc-
lijk, terwijl 2 Sam. XI M ; 1 Kou. XX : 22, 26 het tegendeel niet bewijzen (zie ter pi.). Maar de lia-
bylonicrs en Assyriërs begonnen het met Ni/an. en de schrijver van K/ra\'s Wetboek tracht deze rege-
ling onder Israël in te voeren, die trouwens althans iu de zesde eeuw onder de Judcërs reeds bekend
was, Jcr. XXXVI: 9, 22; XLI M; Ezech. XLM; XLVM8. Kit zijne zucht een ander gebruik te ver-
bannen is de nadruk te verklaren waarmede hij voorschrijft: dit moet u de eerste maand zijn. Zijn
woord is slechts ten halve gehoorzaamd. De Joden hebben tweeërlei berekening gehouden: hun kerke-
lijk jaar begon, en begint nog, met Nizan; maar het burgerlijke met Tisri, en 1 Tisri bleef de nieuw-
jaarsdag, dien zelfs de wet niet stilzwijgend kon voorbijgaan; zie Lev. XXIII:23—25.
6. éen jaar oud. De Joodsche schriftgeleerden hebben dit opgevat alsof er stond: binnen het jaar
na zijne geboorte, minstens acht dagen oud, volg. XXII: 30; Lev. XXII: 27. Waarschijnlijk deden zij
dit om den zin der woorden in overeenstemming te brengen met het gebruik, hetwelk eischtc dat het
paaschlam een pas geworpen dier was.
6 v. Deze voorschriften zijn ongetwijfeld overeenkomstig het oude gebruik: elk huisvader slacht zelf
zijn lam, eu wel in zijne woonplaats. De wet van Deuleronomium verplaatst het, als ieder offer, naar
-ocr page 83-
163
EXODUS XII: 5—13.
6       men.\' Gij zult liet tot den veertienden dag dezer maand in bewaring
houden, en de geheele vergadering der gemeente van Israël zal het
7       in den schemeravond slachten. \' Dan neme men van het hloed, en
doe dit aan de beide deurposten en den bovendorpel tier buizen waarin
8       men bet eten zal.\' Voorts zal men in dien nacht het vleesch eten,
aan het vuur gebraden: met ongezuurd brood en hittere kruiden zal
9       men het eten. \' Gij nioogt daarvan geen gedeelte rauw, nocb ook in
water gekookt eten, maar aan het vuur gebraden: den kop met de
10       pooten en bet ingewand. \' Gij moogt er niets van overlaten tot den
morgen; wat er den volgenden morgen van over is moet gij verbran-
11       den.\' En aldus zult gij het eten: de lenden omgord, de schoenen aan
de voeten, den stok in de hand: gij zult het in angstige haast eten:
12       het is een pascha ter eere van Jahwe. \' En ik zal in dien nacht door
Egypteland trekken, alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, zoowel
die der menscben als die der dieren, en aan alle goden van Egypte
13       strafgeriohten voltrekken; ik ben Jahwe.\' Maar dan zal het bloed u
tot een teeken zijn op de huizen waarin gij zijt: ik zal het bloed
Jeruzalem (Deut. XVI: 2). Sedert den herbouw \'des tempels werd het lum alleen in het voorhof vtm
het heiligdom, met behulp der Levieten, geslacht; 2 Krou. XXX: 15—17; XXXV: 5 v., 11; Ezra
VI: 20.
6. <» den schemeravond, letterlijk tusschen de twee avonden. Met de/.e uitdrukking, die ook Lov.
XXIII:5; Num. 1X:3, 5, 11, bij bespreking vim het pascha, en voorts nog XVI: 12; XXIX! 39, 41;
XXX: 8 voorkomt, wordt waarschijnlijk de tijd aangeduid kort voor en kort na zonsondergang. Zou
de slachting nog op den I lalcn plaats hebben, dan moest zij voor zonsondergang zijn afgeloopcn; want
hiermede begon de 15de dag; verg. op Dcut. XVItl. Toen het gebruikelijk werd, het paaschlam alleen
in Jeruzalem, en wel in het tem pel voorhof, te slachten, was hel, bij het klimmend aantal bedevuart-
gangers, steeds minder doenlijk dat allen het op dciizell\'den tijd deden. Daarom hebbeu de schriftgc-
lccrdcu du uitdrukking 100 verklaard, dat men reeds kort nu den middag er mede beginnen kou. Wei-
licht is, met het oog op het wcuschclijkc van zulk cene speelruimte, door den wetgever opzettelijk ecne
6
onduidelijke uitdrukking gekozen.
8. met — biltere kruiden, volg. verb. t, in overeenstemming met Num. IX: 11; \'Icbr. t. en onge-
zuurd brood met bittere kruiden.
— Over ongezuurd brood verg. op vs. 15—20. — biltere kruiden, als
andijvie, latuw, cichorei en dergelijke.
0. Gij — eten. liet eten van rauw vlccsch was onder Israël volstrekt niet ongewoon (verg. 1 Sam.
XIV : 82), maar werd door \'s volks beste leidslieden steeds bestreden; het verbod van bloed, dat in de
wet zulk cene grootc plaats inneemt (verg. op Gen. IX : 4), hangt hiermede zeker samen. Het kokeu
van het vlceach wordt met zooveel nadruk verboden, omdut de oudere wet Deut. XVI: 7 dit, waar-
schijnlijk om langs dien weg ruwe volksgebruiken af te schallen, voorschreef, althans toeliet. — be-
paald
— gebraden. Men gebruikte hiervoor onder Israël een eigenaardig soort oven, waarschijnlijk
dezelfde soort die bij de hedendaagsehe Samaritanen nog gebezigd wordt. Keu kuil wordt in den grond
gegraven en met stceiicn bekleed, die door brandende takkenbosschcu heet gemaakt worden; de lam-
meren, gevild, outweid en gezouten, worden, aan een midden door het lijf gestoken braadspit, er in
gelegd; daarna wordt de groeve door met aarde bedekte planken dicht gesloten en zoo het vleesch gc-
smoord. — den — ingewand, dus het dier in zijn geheel. In hoever het eerst van binnen gereinigd
mocht worden, blijkt niet. Kigcnlijk wordt dit verboden, cu men was oudtijds niet kieskeurig; maar
het kan niet in de bedoeling van den wetgever gelegen hebben, te verhinderen dat oneetbare en wal-
gelijke gedeelten weggeworpen werden.
10.  Verg. XXIII: 18; XXXIV :25; Dcut. XVI :4.
11.  de lenden omgord, den gordel, die thuis vaak werd losgemaakt, om de lenden geslagen, en het
nederhangend kleed daarin opgenomen. Zoo deed men als men op reis ging, 1 Kon. XVIII : Ui; 2 Kon.
IV: 29; IX: I. — de schoenen aan de voeten. Thuis, vooral wanneer men aan tafel aanzat of aanlag,
werd het schoeisel gewoonlijk afgedaan. — De Israëlieten moesten den maaltijd dus gebruiken in de
houding van meuschen die dadelijk op marsch zouden gaan. Dit was zeker niet het oude gebruik,
maar wordt door den wetgever verordend, ten einde de beteekenis die hij aan het maal geeft, herin-
nering aan den uittocht uit Kgyptc, zinnebeeldig voor te stellen. De .Inden hebben bij de jaarlijksche
viering het voorschrift nooit opgevolgd. De Samaritanen doen het wel. — pascha. Dit is de, door het
N. T. in gebruik gekomen, Arameeschc vorm van het Hcbrceuwschc woord pesah of patah, waarmede
zoowel het feest op den avond na den veertienden Ni/au als het lam werd aaugcduid. De naam wordt
vs. 13, 27\' met het werkwoord pasok, dat .voorbijgaan\', .sparen\' beteckent, in verband gebracht. Of
daarmede de ware afleiding van den naam is aangegeven, weten wij niet. Wnarschijnlijk was het ecu
oud lentegebruik, tot vrijwaring van het huis en zijne bewoners tegen ongeval en schade.
12.   aan — voltrekken. Door de slachting die Jahwe ouder de Kgyptcnaren aanricht straft hij de
goden des lauds, die onmachtig zijn tegeu hem; verg. Num. XXXIII: 4; Jez. XIX: 1; Jcr. X 1,111:
12 v.; XLVI:25, en op Kzech. XXX: 13.
13.   u tot een teeken. Wij zouden hier mij tot een teeken verwachten; want hij die het laud door-
-ocr page 84-
bxodüs XII: 13—17.
164
zien en u voorbijgaan; zoodat geen plaag ten verderve onder u zal
14       zijn wanneer ik in Egypte eene slachting aanricht. \' Kn deze dag zal
u ten gedenkdag zijn: gij zult dien vieren als een feest ter eere van
Jahwe. In al uwe volgende geslachten, als eene eeuwige inzetting,
zult gij hem vieren.
15           Zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten. Maar op den eersten
dag zult gij de gist uit uwe huizen verwijderen; want al wie iets
gezuurds eet, die niensch zal uitgeroeid worden uit Israël: van den
16       eersten dag af\' tot den zevenden toe.\' Op den eersten dag en op den
zevenden zal het u heilige vierdag zijn, waarop geenerlei werk zal
worden verricht; alleen mag hetgeen tot spijs voor een iegelijk strekt
17       voor u toebereid worden. \' Gij zult dit gebod onderhouden; want op
dezen zelfden dag heb ik uwe legerscharen uit Egypteland geleid;
daarom zult gij dezen dag onderhouden in al uwe volgende geslach-
gaat "in ilc Egyptcnnrcn te kastijden, en door het bloed gewaarschuwd /al worden dat in de dnardoor
geteekende huizen Israëlieten wonen, is Jahwe zelf; verg. vs. 23. Ook is er eene rabbijnschc ovcrlevc-
ring dat mij hier in u is veranderd, omdat mij optassend scheen voor de godheid, die immers wel
wist wnur haar volk zich ophield. Toch is waarschijnlijk u de ware lezing, en heeft de schrijver, die
van Kzra\'s Wetboek, op deze manier de hem reeds aanstootclijkc voorstelling van vs. 23 gewijzigd.
Ook het woord door ten verdnrr vertaald beteekent eigenlijk voor dm verderver en komt in deze bc-
teckenis vs. 23 voor, maar wordt daaruit hier overgenomen, zooals uit het verband blijkt, in dcu zin
van lm verditve. — voorbijgaan. Zie op vs. 11.
14. In het voorgaande was nog van geen dog, allecu van den nacht na den Uden, die vs. 42 „de
waakuacht" heet, gesproken. Ook was het pascha voor slechts écu keer verordend. Nu eerst wordt
voorgeschreven het jaarlijks te vieren, en de dag die met dien nacht begint tot een feestdag gemaakt,
overeenkomstig Deut. XVI :1—8.
15—20. Deze wet op het feest der ongezuurde brooden hangt met die op het pascha slecht samen.
Immers, bij de bepaling van den fecsttijd is op het pascha niet gerekend. — Ongezuurd of ongegist
was het oudcrwetsehe brood (verg. Gen. XIX: 3; Richt. VI : 10, 21 j 1 Sam. XXVIII: 24), en zóo
wordt het nog heden door een groot deel der bevolking van Palestina genuttigd. Het is zeer natuur-
lijk, dat toen de Israëlieten brood uit gerezen deeg hadden lecreu bereiden, de handhavers der voor-
vaderlijke zeden het ongezuurde brood eerwaardiger bleven achten, en dat het daarom bij voorkeur
der godheid aangeboden werd (XXIX i 2; Lev. 11:4, 5, 11; VI:1(Ï; Vil : 12; X:12; Num. VI : 15—
lil). Gezuurd brood komt wel Lev. VII: 13; XXIII : 17 als offergave voor, maar was niet voor het
altaar bestemd. Waarom juist in het voorjaar zeven dagen lang ongetuurd brood moest gegeten wor-
den, is duidelijk; want die week was eigenlijk het feest van den gerstcuoogst, en op van oudsher be-
staande feesten werden zeer licht oude gebruiken in eere gehouden. Op die oorspronkelijke betcekenis
van de dagen der ongezuurde brooden wordt in de wet slechts eenmaal, Deut. XVI:!), gezinspeeld;
maar Lev. XXIII:\'.)—14 beschrijft het op den eersten dag gebrachte garve-oftcr, hetwelk de Jodcu
altijd, tot den ondergang van stad cu tempel in 70 na (\'hr. toe, op den lilden Nizan des morgens,
na de plechtige opening van den gerstcuoogst, hebben gebracht. Vóór dien dag mocht geen gerst van
den nieuwen oogst op de markt komen (verg. Lev. XXIII: 14); waaraan men zich echter slecht hield.
Met miskenning vnu de oorspronkelijke beteekenis van bet ongezuurde brood, trachten de schrijvers
van vs. 33 v., 30 en Deut. XVI: 3 het gebruik te verklaren uit de gejaagdheid waarmede de lsrac-
lietcn Kgypte verlaten hebben. l)c schrijver van vs. 15—20 zinspeelt hierop niet en leert het feest
eenvoudig beschouwen als herinnering aan den uittocht uit Kgypte (vs. 17). Het feest der ongezuurde
brooden wordt, behalve op de genoemde plaatsen, besproken XXIII: 15; XXXIV: 18; Lev. XXIII: 6—
8; I)cut. XVI: 1—8.
15. In deze verordening is iets onduidelijk», wat in het woordje Maar aan den dag treedt. Volgens
vs. 18; Num. XXVI1I:1G—25 begonnen de zeven dagen der ongezuurde brooden met den lid™, in
den avond, d. i. den avond waarop het pascha gegeten werd, eigenlijk den aanvang van den loden,
om op den 21sten te eindigen. Dus valt de dag vóór dcu pnaschuncht er buiten en kan niet de eerste
dag heden. Op dien dag hebben de .loden dan ook altijd, althans vóór den middag, gezuurde spijzen
mogen eten, en had alleen de wegruiming van de gist en het gegiste plaats. Ook was die dag nog
geen feestdag; verg. vs. 16. De wetgever had dus moeten zeggen: vóór den eersten dag. — uit uwe
huizen.
Hier wordt blijkbaar niet gedacht anu de Israëlieten, die hunne woningen in Egypte straks
zouden verlaten.
1(1. Op den eeriten dag, d. i. den loden Nizan, den dag die met den paaschnacht aanving. Indien
dit verbod bij gelegenheid vnu den uittocht was gegeven, zou Israël juist op ecu fecst- on riütdag
den grooten tocht hebben aanvaard. — op den zevenden, d. i. den 21stcn dèr maand. — heilige vier-
dag,
letterlijk heilige uilroeping of afkondiging, nl. van Jahwe. — alleen — worden, wat op den
wckelijksehen rustdag niet vrijstond, XVI: 23; XXXV : 3.
17. dit gebod, volg. Sam. en Gr. t.; Hcbr. t. de ongezuurde brooden. — op dezen zelfden dag, den
loden Nizan. — heb — geleid. De schrijver vergeet de inkleeding der wet. — daarom — onderhouden.
Hoc dit eene redelijke drijfveer zijn knn om zeven dagen lang ongezuurd brood te eten maakt de
schrijver zich niet duidelijk. Doch zie Deut. XVI: 8.
-ocr page 85-
BXODUB XII : 17—26.
165
18       ten, eene eeuwige inzetting. \' In «Ie eerste maand, den veertienden
der maand, des avonds, zult gij ongezuurd brood eten, tot den een-
19       en-twintigsten (Ier maand, des avonds,\' zeven dagen lang mag geen
gist in uwe huizen aangetroffen worden; want al wie iets dat gezuurd
is eet, die mensen zal uitgeroeid worden uit de gemeente van Israël,
20       hetzij vreemde of\' inboorling. \' Niets dat gezuurd is moogt gij eten;
in al uwe woonsteden zult gij ongezuurd brood eten.
21            Toen ontbood Mozes alle oudsten van Israël en zeide tot hen: Gaat
henen en neemt schapen en geiten, naar uwe geslachten, en slacht
22       het paaschoffer. \' Dan moet gij een hysopkwast nemen, dien in het
bloed op den drempel doopen, en daarmede aan den bovendoq)el en
de deurposten een deel van het bloed strijken dat op den drempel
is, en niemand uwer mag de deur van zijn huis vóór den morgen
23       uitgaan. \' Wanneer Jahwe dan Egypte doortrekt om het te slaan, en
hij het bloed op den bovendorpel en de beide deurposten ziet, dan zal
hij de deur voorbijgaan en den verderver niet vergunnen, uwe huizen
24       binnen te gaan om u te slaan. \' Onderhoudt dit dan tot eene inzet-
25       ting voor u en uwe zonen, voor altijd. \' En wanneer gij in het land
komt hetwelk Jahwe u geven zal, zooals hij gezegd heeft, zult gij dit
26       gebruik onderhouden. \' En wanneer uwe zonen tot u zeggen: Wat be-
19.   vreemde of inboorling. Dit past niet in cenc wet die in Egypte heet gegeven te zijn, waar de
Israëlieten de vreemden waren en alleen de Egyptcnnren de inboorlingen kondeu hecten. De schrijver
denkt aan zijn eigen tijd. de vijfde of de vierde eeuw vóór (\'br. Toen woonden de meeste Joden, ook
in Jeruzalem en omtrek, midden onder heidenen, of vreemden. Kceds lang vóór dien tijd was de ver-
houding der Israëlieten tot de vreemden een zwaar vraagpunt geweest voor \'s volks leidsliedcn. Immers,
van de verovering des lnnds af hadden de Israëlieten en de Judeërs gewoond naast de afstammelingen
der oude bevolking, de Kauaiiiiieten. Sedert Salomo waren dezen mecrendeels in slavernij gebracht;
hoewel sommigen tot rijkdom en macht gekomen waren; verg. Lev. XXV: 47; Peut. XXVIII: 43. De
arme nakomelingen der KannUnieten en de dnglooiii-rs van Israëlietischcn bloede, die zich met hen ver-
meugd hadden en dientengevolge met hen op éVne lijn gesteld werden (verg. op vs. 45), stonden vnn
den kant der aanzienlijke Israëlieten aan vele kncvelarijen bloot, waarbij het eigenbelang zich aan den,
door godsdienst gevoedeu, volkstrots paarde, en werden door de wetgevers vaak iu bescherming ge-
nomen (verg. op Exod. XXII ! 21). De jongere wetgevers gingen een stap verder: zij mankten de voor-
nnnmste verordeningen van Jahwe voor de vreemden verplichtend; zoo, behalve de hier voorgeschre-
vcu onthouding van al wat gezuurd is van 15 tot 21 Nizan: het vasten op den grooten verzoendag,
Lev. XVI: 2!); de besnijdenis, Gcu. XVII: 11—14; de onthouding vnn bloed, Lev. XVII : 10—14; van
blocdsehandc, Molochotfers en andere „Kanaiinictisehe" gruwelen, Lev. XVIII : 20; XX : 1; van het
vloeken bij Jahwe, Lev. XXIV: 10, en van het werken op den sabbat, Exod. XX: 10; XX1II:12.
Voorts worden hier vs. 48 v. maatregelen genomen om de vreemden tot de viering vnn het pascha,
en Lev. XXII: 18; Nam. XV:14v., 29 om hen tot de offeranden toe te laten; terwijl Nuin. XV:
26, 29, 30 hun, evenals den Israëlieten, vergiffenis bij onwillekeurige zonden beloofd, straf bij opzet-
telijke bedreigd wordt. Ook wordt hun het recht naar eene der vrijsteden te vluchten toegekend, Xum.
XXXV: 15. Aldus werkteu de wetgevers in den geest van Jcz. LVI:3, 6—8; Ezcch. XLVII:22 en
deden hun best om alle vreemden in te lijven in het Jodendom; hetgeen hun dan ook steeds beter en
eindelijk volkomen is gelukt. Zie nog op vs. 45.
20.   in al utve woontteden. Dit wijst niet bepaald op woonplaatscu buiten Palestina, maar sluit ze
ook niet uit.
21—27. Wat Mozes hier aangaande de viering van het paaschfecst gelast geeft zeer gebrekkig weder
wat Jahwe daaromtrent aan hem en Aiiron (vs. 1—14) geboden heeft: vooreerst wordt als bekend
ondersteld wat het pnseha was, eu verder schrijft Mozes iets voor waarover Jahwe niet gesproken
heeft; zie op vs. 22.
22. hysopkioaal. De hysop is een laag gowas, dat in Palestina vaak op muren en daken groeit (1
Kon. IV: 38); het heeft een knocstigen stengel, smalle, laiicctvormigc, donkcrkleiirige, vrij stijve, fijn
behaarde bladeren, die naar kamfer rieken, en blauwe of witte bloemen. Daar de bladeren gemakke-
lijk vocht opnemen en het even gemakkelijk, wanneer zij geschud worden, laten nfloopen, was een
bundel hysopsteugels zeer geschikt voor besprenging. Om deze of om andere redenen werd aan de
bladeren of de stengels reinigende kracht toegekend; nlthans bij verschillende rciuigingsplechtigheden
werden zij gebruikt (Lev. XIV : 4, 6, 49, 51 v.; Num. XIX : 6, 18; verg. Ps. LI: 9). — hel bloed op
den drempel.
Hiervan wordt vs. 7 niet gesproken. Het lam, met welks bloed het huis werd geheiligd
en tegen Jahwe gevrijwaard, werd zeker oudtijds op den drempel geslacht. — niemand — uilgaan, opdat
de doodsengel u niet op straat ontmoete en sla; verg. op Jez. XXVI:20. Hier wordt eigenlijk niet
gesproken van een gevaar dat den eerstgeborenen boven het hoofd zweeft, maar van een dat allen
bedreigt die hun huis verlaten.
28. Een verderver, of verderfengel, komt als voltrekker van Jahwe\'s gericht nog voor 2 Sam. XXIV:
16; Ezech. V. 16.
-ocr page 86-
166 \'
bxodus XII: 26—39.
27       teekent dit uw gebruik ?\' dan zult gij zeggen: Dit is het paaschoffer
voor Jahwe; omdat hij de huizen der Israëlieten in Egypte voorbijge-
gaan is toen hij de Egyptenaren sloeg en onze huizen redde. — Hierop
28       boog zich het volk en wierp zich neder,\' en de Israëlieten gingen
heen en deden wat Jahwe aan Mozes en Aiiron bevolen had. Aldus
deden zij.
29           En te middernacht sloeg Jahwe alle eerstgeborenen in Egypteland,
van den eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, af, tot
den eerstgeborene van den gevangene in den kerker toe, benevens
30       alle eerstgeborenen van het vee.\' Toen stond Farao des nachts op,
benevens al zijne dienaren en alle Egyptenaren, en er ging een ge-
weldig geschrei in Egypte op; want er was geen huis waarin geen
31       doode was. \' En hij ontbood in den nacht Mozes en Aiiron en zeide:
Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk weg, zoowel gij
als de Israëlieten; gaat heen en dient Jahwe, zooals gij gezegd hebt.\'
32       Neemt èn uw kleinvee èn uwe runderen mede, zooals gij gezegd hebt;
gaat heen en zegent ook mij.
33           Ook hielden de Egyptenaren bij het volk aan, om liet met spoed
uit het land te doen trekken; want zij zeiden: Wij gaan altemaal
34       dood! \' Zoo nam het volk zijn deeg op voordat het gezuurd was, hunne
35       baktroggen in hunne kleederen gebonden op de schouders. \' Ook deden
de Israëlieten volgens Mozes\' woord: zij vroegen aan de Egyptenaren
36       zilveren en gouden voorwerpen en overkleederen.\' En Jahwe deed het
volk gunst vinden in het oog der Egyptenaren; zoodat dezen hun het
gevraagde gaven. Zoo plunderden zij de Egyptenaren.
37           De Israëlieten braken uit Katimses op naar Sukkoth, ongeveer zes-
honderd duizend man te voet, namelijk de mannen, uitgenomen de
38       kleine kinderen. \' Ook ging veel volk van gemengden bloede met hen
39       mede, benevens kleinvee en runderen, een zeer rijke veestapel. \' Zij
Vs. 87«. Num. XXXIII: 5.
27. Zie op vs. 11.
29 v. Vervulling vim hetgeen Mozes XI 4 aangekondigd had.
2!). kerker, letterlijk huis van den put, als .Ier. XXXVII: 16. — alle eerstgeborenen. Of hier de
oudste zonen, dun wel de oudste kinderen bedoeld worden, blijkt niet. Het schijnt dat de oudste zoon
de eerstgeborene heet. Verg. op X1I1: 12.
31.   Farao zag derhnlvc Mozes en Aüron terug. Dit is in strijd met X: 29, dus van een anderen
vcrhuler.
32.   zegent ook mij, bidt bij uwc offers ook voor mij; opdat Jahwe mij weldoe. De vernedering van
Farao is volledig.
84. In dit vers en in vs. 39 wordt het gebruik zeven dagen lang ongezuurd brood te eten verklaard
uit de haast waarmede du Israëlieten Kgyptc moesten verlaten, in strijd met vs. 15—20, waarin den
Israëlieten bevolen wordt, reeds den vorigen avond ongezuurd brood te gebruiken. Dcut. XVI: 1 wordt
gezinspeeld op die haast, en nog cene audcre verklaring gegeven in de benaming brood der ellende.
Over ilc ware beteekenis zie op vs. 15—20.
35 v. Verg. 111 :21 v.; XI: 2 v. De bedoeling is niet, dat de Israëlieten van de Kgyptcnaren kost-
baarheden te leen, maar dat zij ze ten geschenke vroegen; wat de Kgyptcnaren, in hun verlangen de
Israëlieten zoo spoedig mogelijk te zien aftrekken, niet durfden weigeren. De Israëlieten maakten du»
misbruik van hun angst en verlegenheid.
37.   liaiimses. Zie op 1:11; waar echter niet staat dat de Israëlieten alleen te Kniimses woonden,
zooals deze plaats schijnt te onderstellen, maar dat zij liaiimses gebouwd hebben. — Sukkoth, ook
XIII: 20; Num. XXXIII: 5 als haltc.dcr Israëlieten genoemd; ligging onbekend. De medeklinkers kun-
ncn ook Secheth uitgesproken worden, dut de naam cener Egyptische godheid is. Over een ander Suk-
koth
zio op Gen. XXX1I1: 17. — zeshonderd — kinderen. Deze laatsten worden ondersteld, evenals de
vrouwen, op lastdieren gezeten te hebben; alleen de weerbare mannen gingen te voet. Volgeus deze
opgave zou geheel Israël ongeveer drie inillioen zielen sterk zijn geweest. Wie dit voor eene gcloof-
waardige opgaaf houdt raakt verlegen met de verhalen over den uittocht, de omzwerving en de ver-
ovcring van Kanaiin, die alle onbegrijpelijk worden als wij ons Israël zoo talrijk voorstellen. Maar de
schrijver meent het letterlijk; verg. inl. op Num. I.
38.   veel — bloede. Num. XI: 4 wordt wellicht op rekening dier lieden eene uitbarsting van onte-
vredenheid gesteld.
39.   Dit slaat terug op vs. 34. — de Egyptenaren — hadden, volgens veranderde woordafdccling,
-ocr page 87-
BXODUS XII: 39—XIII: 2.                                     167
bakten van liet deeg dat zij uit Egypte medegenomen hadden onge-
zuurde koeken: want het was niet gezuurd, omdat de Egyptenaren
hen weggedreven hadden en zij zich niet konden ophouden, noch ook
40       teerkost voor den tocht bereid hadden. \' Het verblijf der Israëlieten
41       in Egypte had vierhonderd dertig jaar geduurd. \' Na verloop van vier-
honderd dertig jaar, op dezen zelfden dag, trokken alle legerscharen
42       van Jahwe uit Egypteland.\' Dit was een waaknaeht voor Jahwe, om
hen uit Egypte te voeren; dit is die nacht ter eer van Jahwe, eene
wake voor alle Israëlieten in de volgende geslachten.
43           Jahwe zeide tot Mozes en Aiiron: Dit is de inzetting betreffende
het pascha: geen mensch van huitenlandsche afkomst zal er van eten.\'
44       Maar eiken slaaf dien gij voor geld gekocht hebt zult gij besnijden,
45       en dan zal hij er van eten.\' De opgezetene en de daglooner mogen
4b\' er niet van eten. \' In een en hetzelfde huis zal het lam gegeten wor-
den; gij moogt niets van het vleesch uit huis naar buiten brengen,
47       en geen been zult gij er van breken. \' De geheele gemeente van Israël
48       zal het vieren.\' En wanneer een vreemde onder u vertoeft en het
pascha voor Jahwe vieren wil, dan moet gij alle mannelijke leden van
zijn gezin besnijden; daarna mag hij naderen om het te vieren; hij
staat dan gelijk met een inboorling; maar geen onbesnedene mag er
49       van eten.\' Eene en dezelfde wet geldt voor den inboorling en voor
den vreemde die zich onder u ophoudt.
50           Alle Israëlieten nu deden zooals Jahwe Mozes en Aüron bevolen had;
51       zoo deden zij.\' En op dien zelfden dag leidde Jahwe de Israëlieten, naar
hunne legerscharen, uit Egypteland.
XIII: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Heilig mij alle eerstgeborenen; al wat
Vs. 464. Num. IX: 124; Joh. XIX : 36.
in overeenstemming met Snm., Gr. en Syr. t.; Hebr. t. zij uit £gypte weggedreven Karen. — voor den
tocht,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. voor zich.
40. vierhonderd dertig jaar. Deze opgave komt overeen met Gen. XV : 13, volgen» welke plaats de
onderdrukking vierhonderd jaar geduurd heeft, maar niet met het meer dan een» voorkomende bc-
rii\'ht dat het vierde geslacht na Jakob Egypte verlaten heeft; verg. op 11: 1. Van oudsher heeft men
getracht dezen strijd op te heffen, en daaruit i> de Snm. en Gr. t. te verklaren, die de Israëlieten
vierhonderd dertig jaar in Egypte en in het land Kalman laat wonen. Deze opvatting wordt o. a.
Gal. III: 17 gevolgd. Het cijfer 430 is hoogstwaarschijnlijk ontstaan door verdubbeling vnn het aantal
jaren die volg. Gen. XII: 4; XXI: 5; XXV: 26; XLV1I:9 tussehen de komst na Abraham in Kanaüu
en die van Jakob in Egypte verloopen zijn.
42. een waaknaeht, letterlijk een necht van vacht houden. Uit is zeker eene oude benaming voor den
nacht waarin het paaschfecst gevierd werd, en die feestvierend moest worden doorgebracht. Daar hij
midden in de maand viel, was het dan volle maan en dus de gelegenheid tot feestviering, niet met
kunstlicht maar in de open lucht, gunstig. Van die oude benamiug wordt hier de verklaring gegeven:
Jahwe heeft in dien nacht de wacht gehouden, om de Israëlieten uit Egypte te leiden.
43—19. Toevoegsel tot de eigenlijke paaschwet (vs. 1—14) en zeker jonger dan deze.
44.   Verg. Gen. XVII: 12—14. De slaven werden aldus in het Jodendom ingelijfd.
45.   De daglooncrs worden hier, evenals Lev. XXII: 10; XXV : 6, 40, met opgezetcnen of vreemden
op éene lijn gesteld, omdat zij grootendeels van Kanaünietischc afkomst waren; verg. op vs. 19, in
welk vers aan alle Kauaünieten onthouding van het gegiste wordt opgelegd, terwijl zij het voorrecht
het pascha mede te vieren niet mogen genieten voordat zij in het Jodendom zijn ingelijfd.
46.   Waarom het verboden wordt een deel van het lam buitenshuis te brengen blijkt niet. Waar-
schijnlijk wil de wetgever gebruiken keeren die in zijn oog heidensch waren: er mede rond te loopen
onder de kudden, om die te doen gedijen, of dergelijke. — geen — breken. Waarschijnlijk wordt
hiermede het splijten vau het been, om er het merg uit te halen, verboden.
49. Dezelfde regel ook Lev. XXIV: 22; Num. IX: 14; XV:15v., 29; verg. op vs. 19.
1—10, 11—16. Zie op Deut. VI: 4—9.
2. Dezelfde algemeene regel XXII: 29; XXXIV : 19; Num. 111:13; VIII: 17. Do eerstgeborenen
der dieren werden geofferd; op welke wijze die van den meusch moesten geheiligd worden, blijft hier
onbepaald. Het kon geschieden door wijding tot nozireaat en priesterambt; zie 1 Sam. 1:11, 28. Ook
Num. 111:11—13 en VIII: 16—19 gaan van eene dergelijke onderstelling uit. Vele Israëlieten hebben
het gedaan door hun eerstgeborene, zoon of dochter, aan den Moloch te offereu; zie op Lev. XVIII: 21.
Dat dit in Jahwe\'s naam, waarschijnlijk bij geschreven wet, verordend is geweest, leert Ezech. XX
25 v. Daarentegen schrijft vs. 134, 154 eene lossing voor; zie op vs. 13.
-ocr page 88-
168                                         exodus XIII: 2- 13.
een moederschout opent onder de Israëlieten, bij mensch en dier,
3       behoort mij. Toen zeide Mozes tot het volk: Gedenkt dezen dag,
waarop gij uit Egypte, uit liet slavenhuis, gegaan zijt; want niet
sterkte van hand heeft Jahwe u A\'an daar uitgeleid; en iets gezuurd»
4       mag niet gegeten worden. \' Heden gaat gij uit, in de maand Abib.\'
5       En wanneer Jahwe u brengt in het land (Ier Kanaünieten, Hittieten,
Amorieten, Hiwwieten en Jebuzieten, hetwelk Jahwe aan uwe vaderen
gezworen heeft u te zullen geven, een land overvloeiende van melk
ü en honing, dan zult gij dit gebruik nakomen, in deze maand: \' zeven
dagen zult gij ongezuurd brood eten, en op den zevenden dag is het
7       feest ter eere van Jahwe. \' Ongezuurd brood moet die zeven dagen
gegeten worden, en onder u mag niets gezuurd» en geen gist gezien
8       worden, op uw gansche grondgebied. \' En te dien dage zult gij aan
uw zoon mededeelen: Dit geschiedt om hetgeen Jahwe mij gedaan
U heeft, toen ik uit Egypte toog.\' Het zal u dienen tot teeken op uwe
hand en tot gedenkfiguur tusschen uwe oogen; opdat Jahwe\'» wet in
uwen mond zij; want met sterke band heeft Jahwe u uit Egypte ge-
10      leid. \' En deze inzetting zult gij op den voor haar bepaalden tijd van
jaar tot jaar onderhouden.
11            Wanneer Jahwe u brengt in bet land der Kanaünieten, zooals hij
\\2 u en uwen vaderen gezworen heeft, en hij het u geeft, \' dan zult gij
al wat den moederschoot opent aan Jahwe wijden: elk eerste jong
dat uw vee werpt, van het mannelijk geslacht, zult gij aan Jahwe
13 wijden.\' Elk eerste ezelsveulen zult gij voor een lam loskoopen; in-
dien gij het niet loskoopt, moet gij het den nek breken. Maar alle
8. Ook «leze schrijver vergeet, evenals die van vs. 15 v., dat hij deze verordening vóór den uittocht
Unit geven.
4. in — Al/ib. Verg. op XII : 2.
5 v. Hier stunt duidelijker dun XII: 15—20 dat de Israëlieten de dagen der ongezuurde brooden
niet in Egypte en in de woestijn, maar eerst niv hunne komst in Kauaan moesten onderhouden. —
Kanaünieten — Jel/nziete». Zie op Deut. VII: 1.
6. zeeën dagen. Som. en Gr. t. heeft zes dagen, in overeenstemming met Dent. XVI: 8. Doch dat
vs. 7 teven staat, mankt het waarschijnlijk dat ook hier dit cijfer genoemd is. — op den zevenden
dag,
volgens de jongste verordening, XII: 18, op den eersten en den zevenden dag.
8.   Dit — heeft, onzekere lezing en vertaling.
9.  tceken en gedeiikjiguur. Zoo heetten waarschijnlijk allerlei figuren, b. v. twee dwars door elkander
geteckende driehoeken, een vijfhock en dergelijke, die, op banden om hoofd en arm gedragen en aan
deurposten of op de deur zelve geteckend, dienden tot afwering van de booze geesten; verg. op Lev.
XIX: 28. Voor zoodanige figuur moest volgens deze verordening het gebruik dienen ongezuurd brood
te eten, evenals volg. Deut. VI: 4—9 de overdenking van Jahwe\'s geboden. Dnt daarmede de figuren
afgeschaft werden, wordt ten hoogste zijdelings aangeduid ; zoodnt het ons niet verwonderen kan, het
oude gebruik bij Israël te zien voortleven, en wel in de trjil/ien, .gebedsriemen\', die bij het gebed om
hoofd en linkerarm gewonden worden. Op éene lijn hiermede stnat het gebruik der mezoeza (verg. op
Deut. VI: 9) en dat der kwasten (verg. op Nam. XV: 38).
10.  Verg. op Lev. XXIII: 4.
12.   Over den hier gestelden regel zie op vs. 2. In grondt, stnat hier en vs. 15 het woord van het
mannelijk geslacht
op cene vreemde plaats en slecht verbonden met het voorafgaande. Dit leidt tot het
vermoeden, dat het later ingevoegd is en de oorspronkelijke verordening alle eerstgeborenen, onver-
schillig vnn welke kunne, nan Jahwe toewees. Waarschijnlijk is dan door deze inlassching het wets-
voorschrift in overeenstemming gebracht met de prnctijk, volgens welke alleen de mannelijke cerstgc-
borencn nnn Jahwe werden afgestaan. Dat vroeger de eerstgeborenen vnn beider kunne gewijd wer-
den, mng ook hieruit worden afgeleid dat zij die kinderen offerden de meisjes op gelijke lijn stelden
met de jongens; zie Dcul. XVIIlïlO; 2 Kon. XVII: 17; XXIII: 10; Ezcch. XVI: 20; XX: 26. —
zult gij.... wijden, volg. Gr. vert. ingevoegd.
13.  ezelsveulen. Ilct blijkt niet, of hier en XXXIV : 20 alleen het jong van een ezel bedoeld wordt,
dan wel, evenals Lev. XXVII: 27; Nam. XVI11:15, dnt van elk onrein huisdier, nis kameel en paard,
zoodat de ezel slechts bij wijze van voorbeeld genoemd zou zijn. — Maar — loskoopen. De nchtcr-
nnnplontsing vnn deze hoogstgewichtige beperking van hot voorschrift doet vermoeden, dnt zij hot toe-
vocgscl is op cene wet waarin die beperking niet stond en ook niet bedoeld was; zie op vs. 2. Hoe
de eerstgeboren zoon moest losgekocht worden, is hier niet gezegd. Num. III: 40 v. bepaalt: met geld,
en wel met vijf zilvcrlingcn (ongeveer ƒ8.50), welke som dan ook door de Joden aan een priester
pleegt te worden betaald.
-ocr page 89-
BXODUS XIII : 13—21.
169
14       menschelijke eerstgeborenen onder uwe zonen zult gij loskoopen.\' En
wanneer uw zoon u morgen vraagt: Wat beteekent dat? dan moet gij
tot hem zeggen: Met sterkte van hand heeft Jahwe ons uitgeleid uit
15       Egypte, uit het slavenhuis; \' en toen Farao bezwaar maakte ons te
laten trekken, heeft Jahwe alle eerstgeborenen in Egypteland gedood,
van de eerstgeborenen der mensehen af tot die van het vee toe. Daarom
otter ik aan Jahwe al wat den moederschoot opent, van het mannelijk
10 geslacht, terwijl ik eiken eerstgeborene mijner zonen los. \' Dit nu moet
dienen tot teeken op uwe hand en tot merk tusschen uwe oogen;
want met sterkte van hand heeft Jahwe ons uit Egypte geleid.
15.  van hel mannelijk geslacht. Verg. op vs. 12.
16.   merk, in het Hcbrecuwsch totafoth, een woord van onbekende beteckenis, dat alleen nog Deut.
VI:8; Xl:18 voorkomt. In vs. 9 staat in plaats hiervan gedenkfiguur; verg. aldaar.
HOOFDSTUK XIII: 17—XIV : 81.
Doortocht door de Schclfzcc. — God voert het volk niet langs den kortsten weg naar het beloofde
land, maar leidt het in de richting der Schclfzcc (XIII: 17 v.); Mozcs neemt Jozefs gebeente mede
(19); de Israëlieten komen aan den rand der woestijn, terwijl Jahwe in eene wolk- en vuurkolom
aan hunne spits gaat (20—22). Op zijn bevel legeren zij zich aan den oever dor zee; waarop Farao
denkt dat zij verdwaald zijn, en hen vervolgt (XIV : 1—9). Als hij hen inhaalt, worden zij zeer bc-
vrecsd en morren tegen Aiozes, die hun Jahwc\'s hulp toezegt (10—14). Jahwe gelast Mozcs zijne hand
over de zee uit te strekken (15—18). De engel Gods plaatst zich tusschen de twee legers (19 v.). Zoo-
dra Mozes zijne hand over de zee uitstrekt, ontstaat er een pad (21); hierlnugs trekken de Israëlieten
veilig over en vervolgen hen de Egyptenarcn (22 v.). Des morgens jaagt Jahwe de Egyptcunrcii op de
vlucht (21 v.). Als Mozes zijne hand weder over de zee uitstrekt, komt het water terug en verdrin-
ken al do Egyptenarcn in de zee (26—29). Zoo wordt Israël gered en krijgt vertrouwen op Jahwe en
zijn dienaar Mozes (30 v.).
Isruëls doortocht door de Schclfzcc werd, zoowel door de beide oudste verhalen, als door den schrij-
vcr van Ezra\'s Wetboek medegedeeld. Ons verhaal is van gemengden oorsprong. Uit het Oude-Sagen-
boek is X1I1:17—19, 21 v.j XIV: 5—7, 10—14, 19 v., 24 v., 80 v., benevens een deel van XIV: 21,
27; duidelijk blijkt bij sommige dezer verzen dat zij deels aan De Jahwist, deels aan De Elohist zijn
ontleend; zie op XIV : 19 en 24 v. Het overige is uit Ezra\'s Wetboek.
XIII: 17 Toen Farao het volk liet trekken, voerde God het niet in de rich-
ting van het land der Filistijnen; hoewel die weg de naaste was;
want God dacht: Het volk mocht eens op het zien van den oorlog
18       berouw krijgen en naar Egypte terugkeeren!\' Daarom liet God het
volk den woestijn weg naar de Schelfzee inslaan. Wel toegerust trok-
19       ken de Israëlieten uit Egypteland. \' En Mozes nam het gebeente van
Jozef mede; want deze had de Israëlieten met diere woorden bezwo-
ren: wanneer God naar u zal omzien, moet gij mijn gebeente van
20       hier medevoeren.\' Zoo trokken zij van Sukkoth en legerden zich te
21       Etham, aan den rand der woestijn; \' terwijl Jahwe voor hen uit trok,
overdag in eene wolkkolom, om hen op den weg te leiden, des nachts
17.   Indien het volk dadelijk noordwaarts was getrokken, zou het in een paar dagen aan de grens
van het land der Filistijnen gekomen zijn.
18.   den woestijnweg naar de Schelfsee, d. i. in zuidoostelijke richting. — de Schelfzee, of
de Zee van Hezen of wier. Wat met dien naam werd aangeduid, is onzeker, waarschijnlijk do
gehcclc Koude Zee, met hare twee, zich noordwaarts uitstrekkende, golven, waarvan de westelijke thans
de Golf van Suez, de oostelijke die van Akabn heet. Althans, in Num. XXI: 4; Deut. 11:1; 1 Kon.
IX : 26 draagt laatstgenoemde den naam van Schelfsee, terwijl in het verhaal van den uittucht waar-
schijnlijk de eerste wordt bedoeld. — Wel toegerust, onzekere vertaling.
19.  Zie Gen. L : 25 v.; verg. Joz. XXIV : 32.
20.  Sukkoth, waar zij gekomen wnren uit Rniimscs; zie XII: 37. — Etham, Gr. vert. Othom, onbc-
kend. Daarnaar heet Num. .WXIII : s een gedeelte der woestijn.
21 v. De sage van de wolk- en vuurzuil wordt vermeld XL: 34—38; Num. IX: 15—28; X:ll v.;
XIV:14; Deut. 1:33; Nch. IX: 12, 19; Ps. LXXVIII:14; CV:39; 1 Kor. X: 1 v. Terwijl zij hier,
-ocr page 90-
170                                  MODUS XIII: 21—XIV : 18.
in eene vuurkolom, om hen voor te lichten; zoodat zij dag en nacht
22 konden doortrekken.\' Overdag week de wolkkolom niet van hare plaats,
aan de spits van het volk, noch des nachts de vuurkolom.
XIV: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes: \' Zeg tot de Israëlieten dat zij omkeeren
en zich legeren voor Pi-hahiroth, tusschen Migdol en de zee, vóór
3       Baül-sefon; juist daartegenover moet gij u aan de zee legeren.\' Dan
zal Farao van de Israëlieten denken: zij zijn in het land verdwaald,
4       en de woestijn houdt hen ingesloten — \' en zal ik zijn hart verstok-
ken en hij hen najagen; opdat ik verheerlijkt worde in Farao en zijne
gansche legermacht, en de Egyptenaren weten dat ik Jahwe ben. Zij
nu deden alzoo.
5           Toen aan den koning van Egypte medegedeeld werd dat het volk
de vlucht genomen had, veranderden Farao en zijne dienaren van ge-
zindheid ten aanzien van het volk en zeiden zij: Wat hebben wij ge-
daan dat wij Israël hebben laten trekken, zoodat het ons niet meer
6       dienen zal! \' Daarom spande Farao zijn wagen aan en nam zijn geheele
7       volk met zich; \' ook nam hij zeshonderd uitgelezen wagens mede en
al de strijdwagens van Egypte, alle met keurlingen bemand.
8           En Jahwe verstokte het hart van Farao, den koning van Egypte;
zoodat hij de Israëlieten achternajoeg, terwijl dezen niet opgeheven
9       hand uittrokken. \' De Egyptenaren joegen hen na en haalden hen in
terwijl zij gelegerd waren aan de zee bij Pi-hahiroth, vóór Baül-sefon.\'
10       Toen nu Farao naderde, sloegen de Israëlieten hunne oogen op, en
zie, daar kwamen de Egyptenaren achter hen aan! Nu werden de
11       Israëlieten zeer bevreesd, riepen tot Jahwe\' en zeiden tot Mozes: Hebt
gij ons omdat er in Egypte geen graven zijn, medegenomen om in de
woestijn te sterven 1 Wat hebt gij ons gedaan met ons uit Egypte te
12       voeren? Dat hebben wij u immers reeds in Egypte gezegd: Laat ons
met rust, opdat wij de Egyptenaren dienen; want het is ons beter de
13       Egyptenaren te dienen dan in de woestijn te sterven.\' Maar Mozes
zeide tot het volk: Vreest niet. Blijft staan en aanschouwt de redding
in l)i\' Jaliwist, den Israëlieten den weg wijst en hen voorlicht, komt zij in Ezra\'a Wetboek (XL ".
31—38; Xuin. IX: 15—23; X:llv.) uitsluitend voor als eene wolk die voortdurend op den taher-
nakel rust. liet is mogelijk, dut de gewoonte ronkend vuur voor eene karavaan uit te dragen tot het
ontstaan dezer voorstelling vnn Jnhwc\'s nabijheid geleid heeft. Ook het altijd brandend altaarvuur kan
den Israëlieten der achtste eeuw aanleiding hebben gegeven om Jahwc\'s zegeurijke tegenwoordigheid
aldus nf te beelden; verg. Gen. XV: 17; .lez. IV: 5; XXXI : ü.
1 vv. Mij de lezing vnn dit hoofdstuk moet men in het oog houden, dat de landengte waardoor
thans het kanaal van Sucz loopt oudtijds aanmerkelijk smaller was dan tegenwoordig, daar de wateren
in die engte steeds meer verzuild zijn: de golf van .Sucz strekte zich veel noordelijker uit, en de nu
nog bestuande meren hadden grooter omvang. Wanrschijulijk waren er in Mozes\' tijd slechts cenige
smalle strooken lands waarover men van de woestijn in Egypte kon komen.
2. Pi-hahiroth en Haal-tefon, d. i. .Haal van het noorden\', alleen nog vs. 9 en Num. XXXIII: 7 v.
— Migdol, d. i. .toren\', komt nog Jcr. XLIV : 1 \\ XLVI: 14; Ezech. XXIX : 10; XXX: 6 voor. — vóór,
of wel ten oosten van.
4.   opdat — legermacht, opdnt door hun ondergang mijne macht blijke. Verg. Ezech. XXVIII: 22 j
XXXIX: 21 v.
5.   De voorstelling dat de Israëlieten als vluchtelingen henengingen strookt niet met vs. 8.
ft, Farao en geheele, ingevoegd volg. Gr. vert. — zijn wagen. Zie op Gen. XLI: 43.
7.  keurlingen. Het aldus vertaalde llcbrccuwschc woord, dat nog XV : 4 en elders voorkomt, is van
het telwoord drie afgeleid en schijnt, daar op de strijdwagens in het Oosten vaak drie mannen ston-
den, eigenlijk .wagenstrijders\' aan te duiden. Daar de bemanning der wagens uit aanvoerders en voor-
vechters bestond, kan het soms door .hopman\' of iets dergelijks vertaald worden; verg. 2 Kon. VII: 2;
Jer. XXXVIII: 14.
8.   met opgeheven hand, gereed om te slaan wie hun\' in den weg trad; zooveel als „met vliegende
vaandels" (verg. Num. XXXIII: 8). Dit is eene andere voorstelling dan overigens in dit hoofdstuk
gevonden wordt.
9.   aan de zee. Hierop volgen in grondt, de woorden al de wageupaarden van ïarao, zijne ruiter»
en zijne legermacht,
die blijkbaar uit een ander verband hierheen verdwaald zijn.
12. Dat het volk in Egypte zoo gesproken had wordt elders niet vermeld.
-ocr page 91-
171
bxodub XIV : 13—29.
die Jahwe u heden zal aanbrengen: want zóo als gij de Egyptenaren
14       heden gezien hebt zult gij hen nooit weder zien.\' Jahwe zal voor u
strijden, terwijl gij zelven werkeloos blijft.
15            Toen zeide Jahwe tot Mozes: Wat roept gij tot mij? Gelast den
16       Israëlieten op te breken,\' en lief gij uw staf op, strek uwe hand uit
over de zee en klief haar; opdat de Israëlieten midden door de zee
17       langs een drogen weg trekken.\' Ik van mijn kant, ik zal het hart
der Egyptenaren verstokken, zoodat zij achter u de zee intrekken;
opdat ik verheerlijkt worde in Farao en zijne geheele legermacht, zijne
18       wagens en zijne ruiters. \' Zoo zullen de Egyptenaren weten dat ik
Jahwe ben, wanneer ik verheerlijkt word in Farao, zijne wagens en
zijne ruiters.
19           En de engel Gods, die voor Israëls leger uit trok, verliet die plaats
en ging achter hen; de wolkkolom verliet de plaats vóór hen en ging
20       achter hen staan. \' Zoo kwam zij tusschen het leger der Egyptenaren
en dat der Israëlieten; en toen het duister werd, verlichtte de wolk
den nacht; doch de een naderde den ander dien geheelen nacht niet.
21            Inmiddels strekte Mozes zijne hand over de zee uit en deed Jahwe
door een hevigen oostenwind gedurende den geheelen nacht de zee
wegvloeien; hij maakte het water tot eene droge plek, en de wateren
22       werden gekliefd.\' Toen trokken de Israëlieten midden door de zee
langs een drogen weg, terwijl het water hun ter rechter- en ter lin-
23       kerzijde tot een muur was.\' En de Egyptenaren vervolgden hen en
trokken achter hen aan, al de paarden van Farao, zijne wagens en
ruiters, naar het midden der zee.
24           Maar in de morgenwake zag Jahwe in de wolk- en vuurkolom naar
25       het leger der Egyptenaren en bracht het in verwarring.\' Hij bond de
raderen hunner wagens vast en deed ze moeilijk voortgaan, en de
Egyptenaren zeiden: Laten wij vluchten voor Israël; want Jahwe strijdt
voor hen tegen Egypte.
26           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Strek uwe hand uit over de zee; op-
dat de wateren terugkeeren en de Egyptenaren met hunne wagens
27       en ruiters bedekken.\' En toen Mozes zijne hand over de zee uitstrekte,
keerde de zee, tegen het aanbreken van den morgen, in haar vorigen
staat terug, terwijl de Egyptenaren haar te gemoet vloden, en Jahwe
28       stortte de Egyptenaren midden in de zee.\' En de wateren keerden
terug en bedekten de wagens en de ruiters van het geheele leger
van Farao, die achter Israël de zee waren ingetrokken; er bleef niet
29       éen van hen over.\' Maar de Israëlieten trokken op liet droge mid-
13. .-./\'o nla, volg. Nam. en Gr. t. De bedoeling is: wat gij heden met de Egyptenaren ziet gcbeu-
ren zult gij met hen nooit weder zien gebeuren.
17. ruiters. De Egyptische gedeiikteckcncn uit den ouden tijd geven wel strijdwagens, maar geen
ruiters te zien. Doch ook Jez. XXXI :1; XXXVI: 9 wordt Kgyptischc ruiterij vermeld.
10. Van den engel Oods was tot dusver geen sprake. Hij is, evenals de wolkkolom, een leidsman
des volks, lilijkbaar wordt hier hetzelfde tweemaal, door twee berichtgevers, verhaald: En — hen is
uit Do Elohist, de wolkkolom — liaan uit De Jahwist.
20. toen — den nacht, volgens onzekere tekstverbetering.
21—31. Al liepen zeker sommige dcclcn der landengte die gewoonlijk onder water stonden wel eens
bij hevigen wind droog, van zulk een natuurlijk verschijnsel is hier geen sprake. Op het wonder wordt
gewezen Joz. IV:23; Ps. LXVI:6; LXXVIII: 13; CVI:9; (.\'XIV: 3; 1 Kor. X:l; Hebr. XI: 29.
22. tot een muur. Verg. XV: 8; I\'s. LXXVIII: 18.
24 v. Twee berichten, vs. 24, 25* uit De Jahwist, vs. 25a uit De Elohist.
24.  m» de morgentcake, in de laatste der drie waken waarin de Israëlieten den nacht verdeelden.
Verg. Richt. VII: 19; 1 Sam. XI: 11; Klaagl. 11:19. Vier waken worden vermeld Mare. VI:48;
XIII: 85.
25.  bond... vast, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. deed... wijken. — deed — voortgaan, onzekere ver-
taling. — Grondt, heeft letterlijk zijner wagens en Egypte zeide: Laat ik.
26.  bedekken, uit Gr. vort. ingevoegd.
-ocr page 92-
172                                     exodus XIV : 29—XV : 9.
den in de zee, terwijl de wateren hun ter rechter- en ter linkerzijde
tot een muur waren.
30           Zoo redde Jahwe te dien dage Israël uit de hand der Egyptenaren,
31       en Israël zag de Egyptenaren dood op den zeeoever liggen.\' Toen zag
Israël de machtige hand die Jahwe aan Egypte had doen gevoelen, en
liet volk vreesde Jahwe en vertrouwde op Jahwe en zijn dienaar Mozes.
HOOFDSTUK XV: 1—21.
Hut danklied. — Mozes en de Israëlieten zingen een lied (la): Jahwe wordt verheerlijkt, omdat
hij Farao en zijn leger heeft doen omkomen (14—12) en Israël naar zijne woonplaats geleid heeft
(13). Terwijl de naburige volkeren sidderen, bereikt Jahwe\'» volk het land waar Jahwe voor eeuwig
zal heertenen (14—18). Herinnering, hoe Karao met zijne ruiterij verdronken, maar Israël droogvocts
de zee doorgetrokken is (li)); .Mirjam zingt met de Israëlictische vrouwen, ouder muziek en dans,
een loflied (20 v.).
De laatste twee verzen zijn het oudste gedeelte van dit stuk en denkelijk uit De Klohist. Vs. 19
kan er bij behoord hebben, maar is waarsehijnlijk door den Verzamelaar ingclaseht. Het lied zelf is
ccue uitwerking van de versregels vs. 21: 7Angt ter eere tan Jahwe; want hoog verheven is hij: het paard
en zijn berijder wierp hij in de :ee.
Wanneer het is gedicht, is niet met zekerheid te bepalen. De
laatste regel van vs. 17 bewijst dat het geruimen tijd na Jozia\'s hervorming is ontstaan. In toon en
denkbeelden komt het lied met vele psalmen overeen; zie op vs. 1, 11 en 14—16. Waarschijnlijk is
het eerst door den Verzamelaar opgenomen. Verg. op Jcz. XII: 1—6.
XV: 1 Toen zongen Mozes en de Israëlieten liet navolgende lied ter eere
van Jahwe; zij zeiden:
Laat mij Jahwe hezingen; want hoog verheven is hij:
het paard en zijn berijder wierp hij in de zee.
2           Mijne kracht en mijn lied is Jah,
die mij tot redding was.
Hij is mijn god, dien ik roemen,
mijns vaders god, dien ik verhoogen zal.
3           Jahwe is een krijgsman; Jahwe is zijn naam;
4           Farao\'s wagenen en legermacht slingerde hij in de zee;
de keur zijner wagenstrijders is verzonken in de Schelfzee.
5           l)e vloeden bedekten hen;
zij daalden als een steen in de kolken.
(3              Uwe rechterhand, Jahwe, is verheerlijkt door krachtsbetoon,
uwe rechterhand, Jahwe, verplettert den vijand.
7           In uwe volle hoogheid werpt gij neder wie tegen u opstaan;
gij laat uwen toorngloed los, die hen verteert als kaf.
8           Door den adem uwer neusgaten stapelden de wateren zich op,
bleven de golven hoopsgewijze staan,
stolden de vloeden in het hart der zee.
9           De vijand zeide: Vervolgen zal ik, inhalen,
buit verdeelen, mij daaraan verzadigen;
Vs. 2a. Ps. CXVIII:14; Jez. XII: 24.
1.   my. De zanger is, blijkens vs. 2, niet een enkel persoon, maar Israël. Verg. inl. op Psalmen. —
wierp hij. Dezelfde voorstelling in XIV : 27*, waar Jahwe de Egyptenaren in de zee stort.
2.  mijn voor lied, volg. Gr. vert. ingevoegd. — Jah, verkorting van Jahwe, cvcnnls XVII : 1(1 enz.)
zie verder op I\'s. CV : 1.
3.  Jahwe is een krijgsman. Waarschijnlijk omdat hem deze uitdrukking, die ongeveer cvenzoo I\'s.
XXIV: 8 aangetroffen wordt, aanstootelijk toescheen, geeft Gr. vert. Jahwe verbreekt oorlogen.
4.   wagenstrijders. Zie op XIV: 7.
8.   den adem uwer neusgaten. Het gewone Hcbrccuwschc woord voor ,toorn\' is hetzelfde als dat voor
,neus\'. Waarsehijnlijk gaf een van woede snuivende stier, uit wiens neusgaten een hecte ndem opstijgt,
aanleiding tot die overdracht vun beteckenis. Hetzelfde beeld wordt vuil Jahwe gebruikt Dcut. XXIX :
20; XXXII: 22; I\'s. XV1I1:16; LXX1V-.1; LXXX:5; Jcz. LXV: 5.
9.   Dit ziet op XIV : 5—8, niet op XIV: 23.
-ocr page 93-
EXODUS XV: 9—21.                                          173
mijn zwaard zal ik ontblooten,
mijne hand zal zich van hen meester maken.
10            Daar hliest gij met uwen wind; de zee bedekte hen;
als lood zonken zij in de geweldige wateren.
11                Wie onder de goden is u gelijk, Jahwe?
.Wie is als gij verheerlijkt in heiligheid,
geducht door roemrijke daden,
wonderen verrichtende 1
12           Nauw strektet gij uwe rechterhand uit, of de aarde verzwolg hen.
13           Gij leiddet door uwe genade het volk dat gij verlost hadt,
gij voerdet het door uwe kracht naar uwe heilige woonstede.
14                l)e volkeren hoorden het en beefden;
weeën grepen de inwoners van Filistea aan.
15           Toen werden de stamhoofden van Edom overmand van schrik;
de vorsten van Moab, huivering overviel hen;
alle inwoners van Kanaan stonden verbijsterd.
10
          Angst en schrik viel op hen;
door de grootheid van uwen arm versteenden zij;
terwijl uw volk, Jahwe, doortrok,
terwijl doortrok het volk dat gij u verworven hebt.
17           Gij bracht het binnen en planttet het,
op het gebergte dat uw erve is,
aan de plaats die gij, Jahwe, u ter woning bereid hebt,
het heiligdom dat uwe handen, o Heer, hebben ingericht.
18                  Jahwe zal regeeren voor eeuwig en altoos.
19           Want toen de paarden van Farao met zijne wagens en ruiters de
zee ingetrokken waren, heeft Jahwe over hen het water der zee doen
wederkeeren, terwijl de Israëlieten op het droge midden door de zee
20       trokken. \' Nu nam Mirjam, de profetes, Aiirons zuster, een tamboerijn
ter hand, en al de vrouwen gingen achter haar, met tamboerijnen en
21       in dansreien.\' En Mirjam antwoordde hun:
Zingt ter eere van Jahwe; want hoog verheven is hij:
het paard en zijn berijder wierp hij in de zee.
11.   De dichter, levende in een tijd toen de meest ontwikkelde Israëlieten en Jndccrs geloofden dat
Jahwe de eenigc god was, gebruikt hier toch cene uitdrukking, wellicht door oude liederen in zwang
gekomen, waarin hij slechts als de sterkste der goden gehuldigd wordt. Verg. op Ps. XCV: 3. —
verheerlijkt in heiligheid. Heilig is ongenaakbaar, daarom vreeselijk; verg. op Jez. VI: 8. Jahwo
veroorzaakt door zijn machtsbetoon vrees onder aanbidders en vijanden, en toont daarin zijne hcer-
lijkheid.
12.   de aarde verzwolg hen. Waarschijnlijk is dit eene dichterlijke uitdrukking voor: zij stierven en
werden begraven. Bedoeld worden dan alle vijanden Israëls, bepaald de verdronken Egyptcnarcn.
18. uwe heilige woonstede, Knnniin. Evenals vs. 17; I\'s. LXXXIII: 13; Hoz. IX: 15; Zach. IX: 8.
14—16. Verg. Joz. V: 1. — In zijn wensch Jahwe te verheerlijken ziet de dichter voorbij, met
hoeveel moeite, naar luid der oude overleveringen, du Israëlieten kiuuüüi, en dan nog slechts voor een
deel, veroverd hebben. Ook is zijne voorstelling van wut voor Israëls intocht in Kauuiin geschied is
onjuist. Immers hebben de Edomictcn volg. Nuiu. XX : II—21 Israël den doortocht door hun land
geweigerd, is volg. Xuiii. XXI: 12—20 dat der Moabictcn opzettelijk door de Israëlieten vermeden,
cu werd volg. XIII: 17 v. de strijd met de Filistijnen door hen gevreesd. Kene dergelijke voorstelling
als hier, van de onmacht der omliggende volken tegenover Israël, vinden wij Dcut. Il: 1—23, dat uit
de eerste eeuw na 580 dagteckent.
15. vorsten, letterlijk rammen; verg. Jez. XIV: 9; XXXlV:öv.; Ezcch. XVII: 13 en elders.
18. dat — hebt. Desgelijks Ps. LXXIV:2; verg. Jez. XI: 11.
17. het gebergte — is. Hiermede kan niets anders dan Kuiiaüu bedoeld zijn, dat ook zeer goed de
plaats die gij, Jahwe, u ter woning bereid hebt
hecten kan; vorg. op vs. 13; Jez. XI: 9; XIV : 25. —
hel heiligdom — ingericht, de tempel. Zie op Ps. LXVIII: 18.
20.  Mirjam — zuster. Verg. op Ham. XII: 1. —met — dansreien. Dezelfde uitdrukking Richt. \\ I: JH.
21.   antwoordde hun, don zangers van het lied; zij herhaalde de eerste regels als refrein. Maar wij
kunnen ook vertalen zong haar, den vrouwen, toe; wat wel de bedoeling van den oorspronkelijken
schrijver zal geweest zijn. Zie lul.
-ocr page 94-
174
exodus XV: 22—25.
HOOFDSTUK XV : 22—XVI: 38.
Van de Schclfzce tot in de woestijn Sin; het manna. — De Israëlieten trekken drie dagen de wocs-
tijn in zonder water te vinden (XV: 22); komen te Mara, waar Mozcs het bittere water zoet maakt
en hun inzettingen en beloften geeft (23—26); daarna te Klim (27). In de woestijn Sin gekomen, mor-
ren zij tegen Mozcs, omdat zij geen voedsel hebben (XVI :1—3); Jahwe belooft brood uit den hemel
en kondigt aan dat hij hen op de proef zal stellen (t); den zesden dag zullen zij eene dubbele hoe-
veelheid bereiden (5). Mozes brengt Jahwe\'! belofte over: des avonds zullen zij vleesch, des morgens
brood eten; Jahwc\'s heerlijkheid vertoont zich (0—12). Des avonds vallen kwakkelen rondom het leger,
\'s morgens ligt er manna, het door Jahwe verstrekte brood (13—15); hiervan moet ieder zooveel in-
zamelen als hij meent dat zijn gezin voor een dag behoeft; wat juist een kop per hoofd was (10—
18); nis sommigen, tegen het verbod, er iets van overlaten voor den volgenden dag, bederft het (10 v.).
Het niet ingezamelde smelt weg (21); den zesden dag zamelen zij het dubbele in, waarvan de helft
voor den sabbat gereed gemaakt wordt en niet bederft, terwijl op dien dag buiten niets gevonden
wordt (22—20). Dnt sommigen toeh gaan zoeken wekt Jahwc\'s toom op (27—80). De naam manna;
kleur en smaak van het manna (31); Mozes beveelt er ecu kop van te bewaren, tot leering vnn het
nageslacht; wat Aaron doet (32—34). De Israëlieten eten het veertig jaren lang (35). Een kop is het
tiende cener mant (30).
Van dit stuk is alleen XV: 22—25, 27 uit het Oudc-Sageubock genomen; XV: 20 is een toevoegsel
daarop in den geest vnn Deuteronomium; terwijl XVI :1—30 grootcndccls aan Ezra\'s Wetboek is ont-
lcend. Waarschijnlijk is vs. 4, 5, 22—30 later ingelaseht. Het verhaal van Ezra\'s Wetboek wns be-
stemd om Num. XI te vervnngen, welks inhoud den schrijver niet voldeed. Hier toch werd het manna
zonder tegenspraak eene onsmakelijke spijs genoemd (vs. 6). Dit was niet toevallig. Ook Dcut. VIII :
3, 10 heet het mnnnn, wel een bewijs van Jahwc\'s zorg en macht, maar tevens een tuehtmiddcl; het
is geen brood. Daarentegen beschouwt onze schrijver het manna wel degelijk als brood; in zijne schal -
ting — en hij stond hierin niet nlleen; zie Neh. IX: 15; Ps. LXXVIII: 20—25; CV : 40 — wns het
zelfs hemclspijs, engelenbrood. Dienovereenkomstig verhaalt hij, hoc het voor het eerst door Jahwe
aan Israël gegeven is en wat hij daaromtrent gelast heeft. Slechts ter loops (XVI : 13) noemt hij de
kwakkelen, die in Num. XI ccue voorname plaats innemen, maar hier alleen vermeld worden omdat
de schrijver zijne stof aan Num. XI ontleent.
Dat vs. 4, 5, 22—30, hetwelk tot aanbeveling van eene strenge sabbatvicring strekt, later inge-
vocgd is, volgt alleen uit den stootenden vorm dien het verhaal daardoor heeft gekregen, niet uit den
inhoud; want de schrijver van Ezra\'s Wetboek was met den sabbat evenzeer ingenomen als de steller
dezer verzen.
De Verzamelaar nam ons verhaal op, maar wilde daarom Num. XI niet prijsgeven. Om beide te
behouden, plaatste hij ze zoo ver mogelijk vnn elkander af en voegde hij in XVI: 1 de woorden den
vijftienden
— Eyypleland er in; daardoor kwam II. XVI voor het verblijf bij den Sinai te staan.
Vandaar tweeërlei misstand: vooreerst klaagt Jahwe, XVI: 28, nog voordat het sabbatsgebod gegeven is,
dat Israël voortdurend weigert het te onderhouden; voorts wordt, XVI: 34, de ark met Aaron, als haar
bewaker, vermeld voordat de ark bestond. Ecu en ander is te wijten, niet aan de oorspronkelijke
schrijvers, die het manna lieten geven na Jahwc\'s openbaring aan den Sinai, maar aan den Vcrzamc-
laar. De verwarde stijl doet daarenboven vermoeden dat hij of lntcrc overschrijvers den samenhang
van het oorspronkelijk verhaal hier en daar hebben bedorven.
XV: 22 Mozes nu deed Israël opbreken van de Schelfzee en naar de woestijn
Sjur trekken. Drie dagen trokken zij de woestijn in en vonden geen
23      water.\' Voorts kwamen zij te Mara, doch zij konden het water van
Mara niet drinken; want het was bitter. Daarom heet de plaats Mara.\'
24      Toen morde het volk tegen Mozes en zeide: Wat moeten wij nu drin-
25      ken?\' En Mozes riep tot Jahwe, en deze wees hem een stuk hout, dat
hij in het water wierp; waarop dit zoet werd. Aldaar gaf hij liet volk
22.  deed ....trekken, volg. Snm. en Gr. t.; Hebr. t. aj trokken. — Sjur. Zie op Gen. XVI: 7.
23.   Mara beteckent .bitter\'. De ligging dezer plaats is, evenals die van Elim (vs. 27) en Rafidim
(XVII: 1), onbekend. Dat niettemin op tal vnn kaarten die namen voorkomen en de tocht der lsraë-
lieten uit Kgypte naar den Horeb afgeteckend wordt, vindt zijne verklaring hierin, dat men, mcc-
nendc te weten waar die berg te vinden wns (zie op III: 1), niet zonder willekeur, ook de ligging
van die plaatsen heeft trachten te bepalen.
25. Mozet, ingevoegd volg. Snm. en Gr. t.
-ocr page 95-
exodus XV : 25-XVI: 7.
175
26      inzettingen en verordeningen, en daar stelde hij liet op de proef,\' ter-
wijl hij zeide: Indien gij terdege hooren wilt naar Jahwe, uw god,
doen hetgeen in zijn oog recht ia, het oor leenen aan zijne wetten,
en al zijne inzettingen onderhouden, dan zal ik van al de ziekten die
ik op Egypte gelegd heh geene op D leggen; want ik, Jahwe, hen
27       uw geneesheer. \' Daarna kwamen zij te Klim, waar twaalf waterbron-
nen en zeventig palmen waren, en zij legerden zich daar aan het water.
XVI: 1 Vervolgens brak de geheele gemeente der Israëlieten uit Elim op
en kwam in de woestijn Hin, tussehen Elim en den Hinai, den vijf-
2       tienden dag der tweede maand na hun uittocht uit Egypteland.\' Nu
morde de geheele gemeente der Israëlieten tegen Mozes en Aiiron in
3       de woestijn\' en zeiden de Israëlieten tot hen: Waren wij maar door
Jahwe\'s hand in Egypteland gestorven, terwijl wij zaten bij de vleesch-
potten en volop brood aten! Want gij hebt ons naar deze woestijn
uitgeleid om deze geheele vergadering te doen sterven van honger.\'
4       Toen zeide Jahwe tot Mozes: Zie, ik zal voor u brood uit den hemel
doen regenen, en het volk zal uit het kamp gaan en eiken dag het
benoodigde opgaren; opdat ik het op de proef stelle, of het al dan
5       niet in mijne wet zal wandelen. \' Maar op den zesden dag, wanneer
zij toebereiden wat zij thuis brengen, zal dit het dubbele zijn van
hetgeen zij dag aan dag opgaren.
11,12 En Jahwe sprak tot Mozes:\' Ik heb de murmureeringen der Israë-
lieten gehoord. Zeg hun: In den schemeravond zult gij vleesch eten
en morgen ochtend met brood verzadigd worden. Zoo zult gij weten
9 dat ik Jahwe, uw god, ben. \' Toen zeide Mozes tot Aiiron: Zeg tot
de gansche gemeente der Israëlieten: Nadert voor Jahwe\'s aangezicht;
1U want hij heeft uwe murmureeringen gehoord. \' Toen nu Aiiron tot de
gansche gemeente der Israëlieten sprak, keerden zij zich naar de woestijn,
6       en zie, Jahwe\'s heerlijkheid vertoonde zich in de wolk.\' En Mozes
en Aiiron zeiden tot alle Israëlieten: Heden avond zult gij weten dat
7       Jahwe u uit Egypteland heeft geleid,\' en morgen ochtend zult gij
Jahwe\'s heerlijkheid zien; daar hij uwe murmureeringen tegen Jahwe
gehoord heeft. Maar wat zijn wij, dat gij tegen ons morren zoudt?
V». 27. Num. XXXIII: 0.
20. al de ziekten — heb. Hiermede worden niet de pingen bedoeld wanrdoor Jnhwc de Egyptennrcn
gedwongen had Israël te laten trekken, maar do in Egypte inheemsche ziekten. Zie Deut. XXV1H:
27. — De rede van Mozes gaat hier, als menige profetische, over in eene waarin Jahwe in den eer-
sten persoon spreekt. — uw geneesheer. Verg. op Hoz. XI: 3.
27. Klim. Zie op vs. 23.
1. Sin, onbekend. — den Sinai. Zie <op III: 1. — In Num. XXXIII: 10 v. wordt nog eene halte
tussehen Elim en de woestijn Sin vermeld.
3.   Soortgelijke klachten XIV: 11; Num. XIV: 2 v.; Deut. 1:27—29. — door Jahwe\'s hand, plot-
seling; wat hier een voorrecht heet; verg. Job XXI: 13.
4.   Hoe Jahwe hierdoor het volk op de proef stelde, wordt niet gezegd. Waarschijnlijk doelde de
schrijver op vs. 19—29; maar het kan ook zijn dat Deut. VIII: 16 v. hem voor den geest zweefde.
6—12. in grondt, is vs. 84 eene bijna letterlijke herhaling van vs. 74, cu volgen de onderdeelen
van het verhaal in zonderlinge verwarring op elkander. Wij moeten dus wel onderstellen dat de tekst
in wanorde is geraakt, en veroorloven ons de verzen anders te rangschikken, gelijk hierboven is ge-
schicd. Het nu geheel weggevallen vs. 8 luidt Mozes zeide: Wanneer Jahwe u det avonds vleeteh te
eten geeft en brood det morgen» tot verzadiging, omdat Jahwe uwe miirmureeriugen gehoord heeft die
gij tegen hem gemurmureerd hebt. En wat zijn wij? Niet tegen ons zijn uwe murmureeringen gerieht,
maar tegen Jahwe.
12. In den schemeravond. Zie op XIIS 6,
10. Jahwe\'s heerlijkheid, de lichtplans waarmede hij bekleed is en waarin hij zich somtijds opcn-
baart; XIV: 19; XXXIII: 22; XL: 34 enz. Terwijl vs. 7 met Jahwe\'s heerlijkheid iets dat eiken dag
zou plaats hebben wordt aangeduid, is zij hier iets dat eenmaal wordt gezien.
7. Jahwe\'s heerlijkheid, niet die van vs. 10, maar de openbaring zijner macht en goedheid in deu
mannaregen.
-ocr page 96-
bxodus XVI: 13—31.
176
13            Des avonds nu kwamen kwakkelen op en bedekten de legerplaats,
14       en den volgenden morgen lag de dauw rondom de legerplaats,\' en
toen de dauw optrok, daar lag over de oppervlakte der woestijn iets
15       fijns en korreligs, als rijm, op den grond.\' De Israëlieten, dit ziende,
zeiden tot elkander: Wat is dat/ Want zij wisten niet wat liet was.
En Mozes zeide tot hen: Dit is het brood hetwelk Jahwe u tot spijs
16       gegeven heeft.\' Hieromtrent heeft Jahwe u bevolen: Gaart er van op,
ieder naar zijne behoefte: een kop per hoofd, naar uw zielental; ieder
17       hale het voor wie in zijne tent zijn. \' De Israëlieten deden alzoo en
18       gaarden op, de een veel, de ander weinig; \' maar toen zij het met
den kop uitmaten, had die veel thuis bracht niet over, en die weinig
thuis bracht niet te weinig: ieder had juist naar zijne behoefte op-
19       gegaard. \' En Mozes zeide tot hen: Niemand late er iets van over tot
20       den volgenden morgen.\' Maar sommigen hoorden niet naar Mozes en
lieten een gedeelte tot den volgenden morgen over. Toen kwamen er
wormen in, en stonk het. Daarom werd Mozes op hen vergramd.
21            Zoo gaarden zij bet eiken morgen op, ieder naar zijne behoeften, en
22       als de zon heet werd, smolt het weg.\' Maar op den zesden dag gaar-
den zij eene dubbele hoeveelheid brood op, twee kop voor ieder. Toen
23       alle vorsten der gemeente dit aan Mozes kwamen vertellen,\' zeide bij
tot hen: Dit is het wat Jahwe heeft gesproken: Morgen is het rustdag,
Jahwe\'s heilige sabbat. Wat gij bakken wilt bakt dat, en wat gij ko-
ken wilt kookt dat, en laat al wat overschiet staan, om het tot den
24       volgenden morgen te bewaren.\' Zij lieten bet dan tot den volgenden
morgen staan, zooals Mozes bevolen bad; en nu stonk het niet, en
25       waren er geen wonnen in. \' En Mozes zeide: Eet dit beden, Avant van-
daag is het Jahwe\'s sabbat; beden zult gij bet op het veld niet vinden. \'
26       Zes dagen moet gij het opgaren; maar den zevenden is het sabbat;
27       dan ligt bet er niet.\' Toch gingen op den zevenden dag sommigen
28       van bet volk uit om op te garen; maar zij vonden niets.\' Toen zeide
Jahwe tot Mozes: Hoelang weigert gijlieden mijne geboden en wetten
29       te onderhouden?\' Ziet, omdat Jahwe u den sabbat heeft gegeven,
daarom schenkt bij u op den zesden dag brood voor twee dagen. Ieder
30       blijve thuis; niemand verlate zijne plaats op den zevenden dag. \' Zoo
rustte bet volk den zevenden dag.
31            De Israëlieten nu noemden die stof manna. Het was wit als kori-
13.   kwakkelen, of wachtels, eene soort van patrijs die zeer vet wordt. Het zijn trekvogels, die in
het voorjaar in ontelbare seharen uit Egypte naar Syrië vliegen, en dan soms, als /.ij vermoeid neer-
strijken, met de hand gegrepen kunnen worden.
14.  korreligs, zeer onzekere vertnling; anderen rond», — als rijm, met weglating van een woord, fijn,
volg. Gr. vert. — Nadere bcsehrijvingen van het manna vs. 31 en Num. XI: 7. Met dat al is het
geenszins zeker, wat er mede bedoeld wordt. De kleverige, zoete stof die thans manna heet en in de
apotheken gebruikt wordt is het sap cener, in de woestijn veelvuldig voorkomende, tamarisk, dat, ge-
woonlijk ten gevolge van den steek van een insekt, uil de takken naur buiten dringt en dan stolt.
Het werd oudtijds bij sommige godsdicnstplcchtighcdcn gebruikt. Daar lijne deeltjes van deze en dcr-
gclijke stollen, door den wind opgenomen, soms hier en duar neervallen, kunnen deze mede aanleiding
gegeven hebben tot de legende van het hemclbrood waurmedc de Israëlieten zieh veertig jaren ge-
voed hebben.
15.    Wat is dat? Het vragend voornaamwoord komt hier in een vorm voor (man) dien het anders
nooit in het Hcbrccuwseh, wel in de Arnmecsche tongvallen, heeft. Strikt genomen betcekent het zelfs
niet ,wat?\' maar ,wie\'r" Het woord is gekozen om eene verklaring van den naam man, in den Ara-
mecschen vorm manna, te geven.
16.  een kop (Hebr. omer), het tiende deel cener maat (Hehr. e/a), vs. 30; ongeveer vier liter.
17.  de een — weinig, naur het getal hunner hnisgeuooten, op de gis af.
28.   Het sabbatsgebod was nog niet gegeven; maar verg. Inl.
29.   Van de woorden niemand verlate lijne plaats gingen de schriftgeleerden uit, toen zij bepaalden
dat liet ongeoorloofd was zieh op den rustdag verder dan eene sabbatreize, 2000 el, buiten zijne
woonplaats te verwijderen.
31. De Israëlieten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Rel huis Israël. — die stof, duidelijkhcidshalvc inge-
-ocr page 97-
exodus XVI: 31—XVII: 5.                                  177
32       anderzaad en smaakte als een honingkoek. \' En Mozes zeide: Dit
is het wat Jahwe u beveelt: een kop vol hiervan worde bewaard
voor uw nageslacht; opdat zij het brood zien waarmede ik u in de
33       woestijn gevoed beb, toen ik u uit Ëgypteland leidde.\' En Mozes zeide
tot Aiiron: Neem eene kruik, doe daarin een kop manna en zet bet
34       vóór Jahwe, ter bewaring voor uw nageslacht.\' Toen deed Aiiron zoo-
als Jahwe aan Mozes bevolen had, en hij zette bet vóór de Geboden
35       neder, ter bewaring. \' De Israëlieten nu aten het manna veertig jaren
lang, totdat zij kwamen aan een bewoond land; het manna aten zij
3(5 totdat zij aan de grens van bet land Kanaün kwamen. — \' De kop is
het tiende eener maat.
voegd. — manna. Verg. oj> vs. 15. De ware bcteekcuis van ilcn naam is onbekend. — koriander, cenc
plant met welriekende zaadkorrels; ook Num. XI: 7.
34.   Toen deed Aiiron, volgens gissing in den tekst ingevoegd. — Met de Geboden wordt de ark,
waarin de twee tafelen lagen, bedoeld; zie op XXV: 10.
35.  veertig jaren. Zie inl. op Nam. XIII, XIV. — De woorden totdat zij kwamen aan een bewoond
land; het manna aten lij
kunnen zijn toegevoegd door een lezer die begreep dat de spijziging met
manna reeds vóór Israëls komst aan de grens van Kanaal! overbodig was geworden, namelijk zoodra
het Overjordaansehe was bereikt. Doeh wellieht is, juist omgekeerd, de grens van Knunün later in
den tekst opgenomen, om Joz. V: 12.
HOOFDSTUK XVII.
In Italidlni en in Massa en Mcriba. — De Israëlieten komen in Rniidim en klagen er over wn-
tergebrek (1 v.); het dorstig volk murmureert zoo heftig dat Mozes voor zijn leven vreest (Sv.);
waarop Jahwe hem gelast, ten aanschouwen van Benige aanzienlijke Israëlieten, water uit eene rots
op den Horeb te slaan (5v.); Mozes noemt de plaats waar dit geschiedde: Mussa en Meriba (7). De
Amalekietcu vallen Israël in Rniidim aan; Jozua bestrijdt hen, terwijl Mozes\' opgeheven handen hem
de overwinning verleenen (8—13). Mozes moet dit opschrijven, en aan Jozua inprenten dat Jubwe
Amalek zal uitroeien (14); hij bouwt een altaar en voorzegt onverzoeulijken strijd tegen Amalek (15 v.).
Dit verhaal hing waarschijnlijk eens nauw samen met XV: 22—27 en maakte, met uitzondering
van vs. la, dat uit Kzra\'s Wetboek is, deel uit van het Oude-Sugcnbock. Het is blijkbaar uit twee
stukken saamgesteld; immers, in vs. 14, 2 en 3 vinden wij twee berichten over dezelfde zaak: het
morren der Israëlieten over watergebrek. Wat wij elders van Massa en Meriba lezen wijst op andere
legenden over die plaats (zie op vs. 7), waarvan hier de eigenaardige trekken zijn verloren gegaan.
XVII: 1 De geheele gemeente der Israëlieten brak op uit de woestijn Sin,
trok van halte tot halte, naar Jahwe\'s bevel, en legerde zich in Ra-
2       fidim. Maar daar was geen drinkwater voor het volk.\' Daarom maakte
het twist met Mozes en zeide: Geef ons water, om te drinken! Maar
Mozes zeide tot hen: Wat maakt gij twist met mij? wat stelt gij
3       Jahwe op de proef?\' Aldaar dorstte bet volk naar water en morde
het tegen Mozes, zeggende: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd,
• 4 om mij, mijne zonen en mijn vee van dorst te doen omkomen/\' Toen
riep Aiozes tot Jahwe: Wat zal ik met dit volk doen? Het verschilt
5 niet veel, of zij steenigen mij. \' En Jahwe zeide tot Mozes: Trek voor
het volk uit, neem eenige van Israëls oudsten met u, vat uwen staf,
1.   Raftdim, onbekend; verg. op XV : 23. Daar de Amalckieten in het zuiden van Knunün woonden
(verg. op Gen. XIV : 7) en Israël in Hnfidim aanvielen (vs. 8), lag dit waarschijnlijk niet ver van de
zuidelijke grens. — van — bevel. Kvenzoo Num. XXXII1:2. — voor het volk, volg. Gr. vert.; in llebr.
t. ontbreekt voor.
2.   Set/, volg. Sam. en Gr. t.; Hcbr. t. Geeft. — stelt — proef. Dit zou kunnen bctcckcncn: wat
stelt gij Jahwe\'s geduld op de proef? maar vs. 7 toont de ware bedoeling.
3.  mij, mijne, mijn. De oude vertt. hebben driemaal liet meervoud.
5—7. Op dit wonderverhaal — wellicht uit misverstand van Num. XXI: 1(1—18 ontstaan — wordt
gedoeld Dcut. VIII: 15 ; Neh. IX:15; I\'s. LXXVIII: 15, 20; CV : 41; OXIV : 8; Jcz. XLVIII:21.
In Num. XX: 8—13 wordt te Kades water uit de rots geslagen. De schriftgeleerden wisten te ver-
halen dat de wouderrots het leger der Israëlieten overal nareisde; verg. 1 Kor. X : 4.
5. dien — hebt. Zie VII : 17—25.
12
O. T. I.
-ocr page 98-
178
exodus XVII: 5—16.
ilien waarmede gij den Nijl geslagen hebt, in de hand en begeef
(! u op weg. \' Zie, ik zal voor uwe oogen daar op de rots op den
Horeb staan. Dan moet gij de rots slaan; er zal water uitkomen, en
het volk zal drinken. Mozes deed alzoo ten aanschouwen van Israëls
7 oudsten \' en noemde die plaats Massa en Meriba; omdat de Israëlieten
daar twist gemaakt en Jahwe op de proef\' gesteld badden, zeggende:
Is Jahwe al dan niet in ons midden?
8, 9 Daarna kwam Amalek in Hatidim de Israëlieten bestrijden. \' Toen
zeide Mozes tot Jozua: Kies ons manschappen uit en trek uit ten
strijde tegen Amalek. Morgen zal ik mij op den top van den heuvel
10       plaatsen, den staf Gods in de hand. \' Jozua deed zooals Mozes hem
gezegd had en trok uit ten strijde tegen Amalek, terwijl Mozes, Aiiron
11       en Hur den top des heuvels bestegen. \' Zoo dikwerf nu Mozes zijne
hand omhooghield, had Israël de overhand; maar zoodra hij zijne hand
12       liet zinken, Amalek. \' Toen Mozes\' handen zwaar werden, namen zij
een steen en plaatsten dien onder hem; hij ging er op zitten, terwijl
Aiiron en Hur zijne banden, gene aan de eene, deze aan de andere
zijde, steunden. Zoo hielden zijne handen het uit tot zonsondergang,\'
13       en versloeg Jozua Amalek en zijn volk met het scherp van het zwaard.
14           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Schrijf het ter gedachtenis in een boek,
en prent Jozua in dat ik de nagedachtenis van Amalek van onder
15       den hemel geheel zal uitwisschen.\' En Mozes bouwde een altaar, het-
16       welk hij noemde: Jahwe is mijne banier,\' en hij zeide: De hand aan de
banier van Jah! Oorlog van Jahwe tegen Amalek, van geslacht tot
geslacht.
6.  op den Horeb, waarschijnlijk in den tekst gevoegd door den Verzamelaar, die zóo wilde uitdruk*
ken dat van den berg Gods water, het zinnebeeld van zegen, afstroomde; verg. Ezech. XLVII: 1—12;
Joel III: 18; Zach. XIV "8.
(i. ten — oudsten, dus niet ten aanschouwen des volks.
7.   Massa en Meriba, d. i. .beproeving\' cu ,hct twist zoeken\'. De unam Massa zonder Meriba Deut.
VI: 16; IX: 22; nnnst Meriba Deut. XXXIII: 8; Ps. XCV: 8, van welke plaatsen Deut. XXXIII: 8
op eene andere legende zinspeelt, de overige drie aan Exod. XVII ontleend zijn. Het water van
Meriba
komt voor Nam. XX: 13; XXVII: 14; Deut. XXXII:51; Ps. IAXXI: 8; CVI: 32; Ezech.
XLVII: 19; XLVI1I: 28; het was bij Kades, niet ver van Kanoüns zuidelijke grens. — Is — midden/\'
Indien Jahwe waarlijk in hun midden was, moest hij dit tooncn door hen wonderdadig te helpen.
8—16. Op dezen strijd doelen Deut. XXV: 17—19; 1 Sain. XV : 2. De Aiiialckieteu woonden in
het zuidelijk deel vnn Juda en boezemden nog in de achtste eeuw den Judceschcn koningen soms
zorg in, waarschijnlijk omdat zij geneigd waren, gemeene zank met Kdom te maken; verg. op Nimi. .
XXIV : 20 en 21 v.
9.  Joaia, de zoon van Nun, uit den stam Efrnim, Mozes\' getrouwe dienaar, komt voor in de ver-
halen over de omzwerving, XXIV: 13; XXXII: 17; XXXIII: 11; Num. XI: 28; XIII, XIV; XXVII:
18, 22; Deut. XXXIV: 9, en verder in het naar hem genoemde bock.
10.  trok uil, ingevoegd volg. Gr. vert. — Hur. Deze komt alleen hier, XXIV: 14; 1 Kron. II:19v.
50; Neh. 111:9 voor. Hij speelde zeker in andere verhalen over de omzwerving eene belangrijker rol
dan uit deze plaatsen blijkt.
12. zwaar werden, van vermoeienis.
14.  ter, volg. Gr. vert. ingevoegd.
15.  mijne banier, het vcldtccken waaronder wij ons vercenigen en strijden.
10. aan de banier, volg. verb. t. — Jah, afkorting vnn Jahwe; verg. op XV : 2.
HOOFDSTUK XVin.
Jcthro\'s bezoek. — Jethro komt met Mozes\' vrouw en zonen tot hem (1—5), wordt met achting
ontvangen (0 v.), verneemt met vreugde wat God voor Israël gedaan heeft (8 v.), en aanbidt God (10—
12). Den volgenden dag woont hij Mozes\' terechtzitting bij, mankt zich bezorgd dat een te zware lust
op diens schouders rust, en raadt hem, rechters aan te stellen, die alleen do moeilijkste gevallen aan
hem zullen voorleggen (13—23). Mozes geeft aan dien raad gehoor (24—20); Jethro keert naar zijn
land terug (27).
Dit verhaal is uit De Elohist, maar hier en daar door den samensteller van het Oude-Sagenboek,
wellicht uit De Jahwist, uitgebreid; zijne toevoegsels verraden zich somtijds door het gebruik van den
-ocr page 99-
BXODUB XVIII: 1—12.
179
naam Jahwe; verg. op vs. 2, 5 en 10. Misschien plaatste hij het verhaal ook, in stede van na de wet-
geving, daarvóór, om het zoover mogelijk te verwijderen van Nuni. XI, waarin eveneens medegedeeld
wordt hoc aan Mo/.cs tot verlichting van zijne taak helpers zijn toegevoegd. Wat de schrijver van het
oorspronkelijk verhaal beoogde, is duidelijk. In zijn tijd werd de behoefte aan een geordenden staat
steeds meer gevoeld; de aartsvaderlijke toestand, waarin de Btam- en familiehoofden de aangewezen
bevelhebbers in den oorlog en de rechters in vredestijd waren, was onder de regecring der koningen,
vooral door het leven in steden, onherroepelijk voorbijgegaan, maar het rechtswezen nog geenszins ge-
ordend. Dat dit gebeuren mocht, dat in stad en dorp vaste overheden, teven» rechters, aangesteld
mochten worden, wenschte de schrijver, en hiertoe trachtte hij mede te werken. De vorm waarin hij
dit deed: die van een verhaal waarin Mozes in de woestijn een dergelijkcn maatregel neemt, maakte
dat hij niet van steden en dorpen spreken kon, en de door hem vs. 21, 25 aanbevolen inrichting voor
het in Knnniin wonend volk zeer ondoelmatig zon geweest zijn. Het is hem ook niet om die inrich-
ting zelve, maar om het beginsel te doen. Is dus het verhaal onhistorisch, de plaats die hier aan
Mozes, als tolk van Jahwe, wordt toegewezen, die van oppersten rechter en aanvoerder, is zeker die
welke hij inderdaad bekleed heeft, en waarop het hem gelukt is, het besef van onderlinge verwant-
schap en gemeenschappelijke belangen, benevens de vcreering van Jahwe als god Isracls, ouder de
verschillende stammen die hem als leider erkenden krachtig te bevorderen.
Deut. 1:9—18 is zoowel aan dit hoofdstuk als aan Num. XI: 14 vv. ontleend.
XVIII: 1 Toen Jethro, de priester van Midian, Mozes\' schoonvader, hoorde
al wat God aan Mozes en zijn volk Israël gedaan had: hoe Jahwe
2       Israël uit Egypte geleid had, \' nam Jethro, Mozes\' schoonvader, öip-
3       pora, de vrouw van Mozes, nadat deze haar weggezonden had, \' met
hare beide zonen — de een heette Gersjom; want, had hij gezegd, ik
4       ben een vreemdeling geworden in het buitenland;\' de ander Eliëzer;
want de god van mijn vader is mijn helper gewreest en heeft mij ge-
5       red van Farao\'s zwaard. \' En Jethro, Mozes\' schoonvader, kwam met
Mozes\' zonen en vrouw, tot hem, in de woestijn, waar hij bij den
0 berg Gods gelegerd was. \' Toen men aan Mozes berichtte: Zie, uw
schoonvader Jethro komt tot u, en uwre vrouw met hare beide zonen,\'
7       ging hij zijn schoonvader te gemoet, wierp zich voor hem neder en
kuste hem; waarop zij naar elkanders welstand vroegen, en hij hem
8       in zijne tent bracht.\' Mozes verhaalde aan zijn schoonvader al wat
Jahwe ten bate van Israël aan Farao en Egypte gedaan had, van al
de moeiten die hen onderweg getroffen hadden, en hoe Jahwe hen
9       gered had; \' en Jethro verheugde zich over al het goede dat Jahwe
voor Israël had gedaan: dat hij hen gered had uit de hand der Egyp-
10       tenaren.\' En Jethro zeide: Geloofd zij Jahwe, die u uit de band der
11       Egyptenaren en van Farao gered heeft! \' Nu weet ik dat Jahwe groo-
ter ia dan alle goden; want in dat waarin zij verwaten tegen hen
12       liandelden heeft hij hen gestraft.\' Hierop nam Jethro, Mozes\' schoon-
1.  Jethro. Zie op 11:18.
2.  nadat — had. Een toevoegsel van den samensteller van het Oude-Sagcnboek, die den strijd op-
merkte tusschen dit bericht en het verhaal uit De Jahwist, IV : 19—20, volgens hetwelk Mozes Sip-
pora en zijn oudsten zoon naar Egypte had medegenomen, toen hij Israël ging verlossen.
3.  In De Jahwist kwam, 11:22; IV : 25, slechts een zoon, Gersjom, voor.
4.  mijn helper, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in mijne hulp. De naam Eliëzer betcekeiit ,mijn god is hulp\'.
5.  den berg Gods. Zie op 111:1. Evenals XVII: 0 de lloreb, is hier wellicht de berg Gods er later
ingevoegd.
6.  Zie, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. Ik.
7.  wierp — kuste hem. Sam. t. heeft hij wierp zich voor Mozes neder en kuste hem. Waarschijnlijk
is voor Mozes er ingclascht, ten einde te doen uitkomen dat deze de voornaamste was. — hij hem...
bracht,
volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. zij kwamen. — in zijne tent, letterlijk «\'m de tent.
10.  In grondt, wordt hieraan nog toegevoegd die het volk gered heeft van onder de hand der Egyp-
tenaren,
wat weggelaten is volg. Gr. vert. liet kan echter een toevoegsel zijn van den samensteller
van het Oude-Sagcnboek, en zou dan in den tekst behooren.
11.  heeft hij hen gestraft, naar gissing nan den tekst toegevoegd. De bedoeling kan zijn: zij waren
zoo verwaten, de kinderen der Hebreen in het water te worpen; daarom kwamen zij zelven in het
water om; verg. op IV: 22. Reeds de schrijver van Neh. IX: 10 vond onze plaats in verwarden staat.
12.   Jethro, hoewel geen Israëliet, zelfs priester van de Midianieten, otfert aan Israëls god, omdat
hij diens oppermacht orkent.
-ocr page 100-
exodus XVIII: 12—27.
180
vader, brand- en slachtoffers ter eere Gods, en Aiiron kwam met alle
oudsten van Israël brood eten bij Aiozes\' schoonvader voor Gods aan-
gezicht.
13            Den volgenden dag zette Mozes zich neder om over het volk recht
te spreken, en het volk stond om Mozes heen van den morgen tot den
14       avond.\' Toen Mozes\' schoonvader zag al wat hij voor het volk deed,
zeide hij: Wat beteekent dit dat gij voor het volk doet? Waarom houdt
gij zitting zonder iemands bijstand, terwijl het geheele volk van den mor-
15       gen tot den avond om u heen staat.\'\' Mozes zeide tot zijn schoonvader:
10 Omdat liet volk tot mij komt om God te raadplegen. \' Wanneer zij
eenige zaak hebben en daarmede tot mij komen, spreek ik recht tus-
schen den een en den ander en maak ik hun «Ie inzettingen en wetten
17       Gods bekend. \' Hierop zeide de schoonvader van Mozes tot hem: Wat
18       gij doet is niet goed. \' Daarbij zult zoowel gij als dit volk dat met
u is u onfeilbaar kwalijk bevinden; want dit is u te zwaar; gij kunt
19       het niet alleen doen.\' Hoor dan naar mij; ik wil u een raad geven,
en God zij met u! Vertegenwoordig gij het volk bij God en breng
20       hunne zaken voor God; \' geef hun onderricht in de inzettingen en
wetten, en maak hun bekend welken weg zij moeten bewandelen en
21       welke plichten zij hebben te betrachten.\' Voorts moet gij uit het gan-
sche volk kloeke, godvreezende, betrouwbare, onomkoopbare mannen
uitlezen en als oversten van duizend, honderd, vijftig en tien over hen
22       aanstellen. \' Zij zullen te allen tijde over het volk rechtspreken: elke
gewichtige zaak zullen zij tot u brengen, en de geringe zaken zullen
zij zelven beslissen. Zoo zullen zij uwen last verlichten en dien met
23       u dragen. \' Indien gij zóo handelt, zal God u handhaven, zult gij in
staat zijn het uit te houden, en zal ook dit gansche volk in vrede
naar zijne woonplaats gaan.
24           Mozes gaf zijn schoonvader gehoor en deed al wat hij gezegd had:\'
25       hij koos uit geheel Israël kloeke mannen en stelde hen tot hoofden
over het volk aan, tot oversten over duizend, honderd, vijftig en tien;\'
20 zij zouden over het volk te allen tijde rechtspreken: de moeilijke
27 zaken tot Mozes brengen en alle geringe zelven beslissen. \' Daarna
liet Mozes zijn schoonvader gaan, en ging deze naar zijn land.
10. en — komen. Telg. Sam. en Gr. t. — spreek ik recht. In het rechtspreken m zoowel het be-
slecbtrn van twistznken vervat als het oplossen vnu moeilijkheden en het beantwoorden van ernstige
vragen waarop men (ïods antwoord verlangde.
li). J\'erlegi-ntcoordig gij het rolk bij God, letterlijk Wees (jij voor het volk tegenover Ood. Met ge-
ringe verandering van den grondtekst knn men vertalen Weet gij het volk tol god; wat dan zon be-
teekencn dat Mozes voor de Israëlieten het hoogste gezag had, omdat zijne woorden door hen als god-
spraak moesten worden ontvangen (verg. IV : 10), terwijl hij zelf toch over hunne belangen zijn god
raadpleegde. — hunne zalen, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de zaken.
1905
21.  uil hel gansche volk, uit de verschillende stammen.
22.  elke — brengen. Van een vonnis kon de veroordeelde nooit iu hoogcr beroep komen; want elke
uitspraak van een rechter of eeue rechtbank gold voor woord Gods. Daarom werden de rechters zcl-
vcn vermaand, gewichtige zaken te brengen bij een persoon (koning, priester of profeet), of ecu lichaam
(priesterschap), waaraan zij meer wetenschap toekenden. Zie Dcut. XVII : 8—18. In de woestijn kou
de hoogste rechter en wetgever niemand anders dan Mozes zijn. — zullen zij uwen last verlichten,
volg. Gr. vert.; Hel», t. verlich\' dan uw last en laten zij enz.
2S. zijne icnmiptatitx, Kanaiin.
27. Verg. op Num. X: 20.
HOOFDSTUK XIX: 1—XX: 21
De afkondiging van de Tien Woorden. — De Israëlieten komen aan den Sinai (XIX: 1 v.); Mozes
klimt tot Jahwe op (3a). Deze gelast hem, den Israëlieten te zeggen dat hij hen uit alle volkeren tot
zijn bijzonder eigendom zal verkiezen, indien zij hem willen gehoorzamen (36—0). Mozes brengt dit
den Israëlieten over, die zich bereid verklaren naar Jahwe\'s gebod te handelen; wat hij Jahwe inede-
-ocr page 101-
INLEIDING 01\' KXODUB XIX : 1—XX : 21.
181
deelt !~v.i; Jahwe zegt «lat hij in cene wolk met hem wil komen spreken; opdat het volk in Mozcs
gcloove (9a). Mozcs brengt <lc woorden des volks aan Jahwe over (94); daarop beveelt Jahwe .Mozcs,
het volk tegen den derden dag te heiligen om Jahwe te ontmoeten, die dan op den Sinai wil neder-
dalcn (10 v.); ook moet de berg omheind worden, en is het iedereen op straffe des doods verboden
dien ann te raken (12, 13a); wanneer de bazuin wordt gestoken, mogen zij den berg beklimmen
(134); Mozcs heiligt het volk tegen den derden dag (1-1 v.). Op dien dag daalt Jahwe onder donder,
bliksem en bazuingeschal op den Sinai neder, terwijl Mozcs het volk hem te gemoct voert; waarna
God onder bazuingeschal met Mozcs spreekt (10—19). Jahwe daalt neder, roept Mozes tot zich en
gelast hem, het volk nog eens nadrukkelijk Ie vermanen den berg niet te bestijgen, en daarna zelf met
Aüron cu de priesters op te klimmen (20—24); Mozes gunt nnar beneden en spreekt lot het volk (25).
Hierop kondigt Oud de Tien Woorden nf (XX : 1—17). Het volk vlucht vnn schrik cu smeekt Mozcs,
Gods tolk te zijn; want spreekt God zelf met hen, dan zullen zij het besterven (18 v.); Mozes stelt hen
gerust en klimt tot God op, terwijl het volk vnn verre blijft itaan (20 v.).
Reed* de iuhoudsopgnvc vnn dit stuk leert, wut de nauwkeurige lezing bevestigt, «Int wij hier geen
verhnal in zijn oorspronkelijke!! vorm voor ons hebben; want het is vol tegenstrijdigheden. De grootste
is deze, dat XX : IS—21 de Israëlieten, verschrikt door de vrees inboezemende verschijning Go«ls op
ilen Sinai, Mozcs smeckeu, dat niet GimI zelf. maar hij als zijn tolk tot hen spreke; want als God zelf
tot hen spreken gaat, zullen zij het besterven; terwijl volgens vs. 1—17 God juist gesproken had.
Hij dezen misstand voegen zich kleinere, maar niettemin voor liet recht begrip der voorstelling zeer
hinderlijke, tegenstrijdigheden en herhalingen, in XIX : 1 v. wordt Israëls aankomst bij den Sinai
tweemaal verhaald; vs. \'ia beklimt Mozcs den berg Gods, iniiar vs. 34 spreekt Jnhwe tot hem van
den berg, is hij dus nog beneden; vs. 84 en 94 zijn gelijkluidend; vs. 9a belooft Jahwe tot Mozcs
te spreken, opdnt het volk gcloove dat hij Jahwc\'s tolk is; juist hetgeen later, XX:18v., door de Is-
raclicteu verzocht wordt; XIX : 12, 13a wordt de berg onirnstcrd, opdnt niemand hem bestijgc, ter-
wijl vs. 134 zij — wie? — worden gelust, dit w«M te doen; XIX : 24 komen onverwnchts Aüron en
de priesters ten tooneelc, nis bevoegd den berg te beklimmen; muur om even spoorloos nis zij gcko-
iiicii zijn te verdwijnen. Om uit dien doolhof te geraken, boude nicu in het oog dnt de overlevering
hoc langer hoe meer geboden vnn Juhwc bij den Sinai heeft doen afkondigen. Kerst heetten nllecu
de Tien Woorden daar gegeven, terwijl XXI: 1—XX1I1:I3 en XXXIV : 12—20 in Kades of in het
land van Moab waren uitgevaardigd. Vervolgens, toen Dculerwwmium voor de wetgeving in het land
van Moab doorging, moesten zij daarvoor het veld ruimen en aan den Sinai geplaatst worden. Verg.
op XXI: 22—XXIII: 33. Nog later werd verhaald, hoc schier al de voorschriften iu Kzra\'s Wetboek
bij den Sinai geopenbaard waren (zie inl. op XXIV: 12—XI.: 38). De schriftgclcenlen hebben ten
slotte nagenoeg de gchcelc schriftelijke en mondelinge wet de openbaring Gods aan Mozes op den
Sinai genoemd. Welnu, de man die XXI : I—XXI11:13 en XXXIV: 12—20 naar den Sinai vcr-
pluatstc voelde zich gedrongen, antwooril te geven op de vraag die bij zijne lezers moest oprijzen:
wnnrom zijn deze geboden door middel vim Mozcs, cu niet rechtstreeks door Jnhwe, ann het volk
medegedeeld? Om dit te verklaren, deed hij XX : 1—17, de wet der Tien Woorden, met XX: 18—21,
het verhaal van Isrucls uugst voor Jnhwc\'s stem, van plaats wisselen. Zoo kreeg het den schijn nlsof
het volk, ua de Wet der Tien Woorden gehoord te hebben, wcgvlood cu Mozcs smeekte, Jahwe niet
meer te moeten aanhooren, mnur voortaan Jnhwc\'s voorschriften door zijne bemiddeling te mogen
ontvangen. De schrijver had te veel eerbied voor den hem overgeleverden tekst om dien te vcrnndc-
ien. en heeft zelfs geen woord uls me/r of voortaan iu vs. 19 ingclnscht; wnnrdoor de overgnug tot
de medcdecling van vs. 22 vv. aan Mozcs zeer gebrekkig werd.
Zetten wij dus XX : 1—17 en 18—21 om, dan kunnen wij van het verhaal waartoe het een en het
ander behoord heeft het hoofdbeloop met voldoende zekerheid aangeven. Het is uit I)c Elohist. Na
ecu bericht, hoe Israël anu den Horeb kwam (nu in XIX : 1 v. met ecu bijna gelijkluidend uit K.zrn\'s
Wetboek vereeuigd), deelde het mede, dat Mozes den berg Gods beklom, vs. 3a, en duur van Jahwe
de belofte ontving dat hij met hem ten aanschouwen van het volk iu cenc wolk spreken zou, opdat
dit hem als Gods tolk mocht erkennen; benevens den last, het volk hiertoe voor te bereiden en den
berg te omrastcreu; wat Mozes deed. Voorts, hoe God ten derden dage op den berg uedcrdaalde en
het volk hem sidderend te gemoct ging, terwijl God onder uauhoiidcnd bazuingeschal Mozes, die tot
hem sprak, hoorbnnr nntwoorddc, vs. 9a, 10—13a, 14—19. Hierop volgde het bericht, dut het volk
verschrikt de vlucht nam en Mozcs smcoktc Gods stem zelf niet te moeten aanhooren; waarop hij het
geruststelde: God wilde het slechts lcercn, hom te vreezen. Hierdoor min of meer tot kalmte gebracht,
bleef het volk staan en luisterde, terwijl Mozcs naar de duisternis wnariu God was opklom, XX: 18—
21. Vervolgens kondigde God «lc wet der Tien Woorden af, XX: 1—17 (iu den oorspronkelijke!!, kor-
ten vorm; verg. op v». 2—17).
Naast dit verhaal heeft waarschijnlijk een .lahwistiseh bestaan. Ken groot deel daarvan is bij de
-ocr page 102-
bxodus XIX: 1—12.
182
vcrccnigiug int-t het Klohistischc weggevallen, mnar misschien hebben wij er in XIX: 132, 20—25,
waarmede XXIV :1 v., _9—11 nauw samenhangt, nog een fragment van over. Toen nu de Dcuterono-
mistisehc bewerker XX : 18—21 achter vs. 1—17 had gezet, volgde daarop onmiddellijk vs. 22 vv.
Door hem zijn ook wellicht XIX : 34—8 toegevoegd en de Tien Woorden, grootendccls naar den vorm
dien zij in Leuteronomium hadden, uitgebreid.
Het is zeer goed te begrijpen, waarom het verhaal van hetgeen bij den Sinoi gebeurde herhaaldelijk
is gewijzigd. Want groot is de plaats die het machtig denkbeeld dnt Jahwe van het volk gchoorzuam-
lii\'iil nuu zijne wetten eischte in de geloofsovertuiging vuil \'s volks geestelijke leidsliedeu innam; en
voor de Jcruznlemsehc priesters, die zoozeer de hand hebben gehad iu de vorming en verbreiding van
deze verhalen, was het van overwegend belang, dut het gezag van Mozcs, in wiens naam nllc vcror-
deningen en inrichtingen die onder hen golden gegeven werden, op stcvigcu grondslag bleek te rusten.
Op dit verhaal wordt gedoeld Hebr. XII: 18>—21.
XIX: 1 In de derde maand nadat de Israëlieten uit Egypteland getrokken
waren, op denzelfden dag, kwamen zij in de woestijn van den tSinai.\'
2 Zij braken op van Rafidim, kwamen in de woestijn van den 8inai en
legerden zich in de woestijn; Israël legerde zich aldaar tegenover den
\'ia berg, \' en Mozes klom op tot God.
>ib Toen riep Jahwe tot hem van den berg: Zoo moet gij aan het huis
4 Jakob zeggen en aan de Israëlieten mededeelen: \' Gij hebt zelven ge-
zien wat ik den Egyptenaren gedaan heb, en dat ik u op arends-
f) vleugelen opgenomen en tot mij gebracht heb.\' Welnu, indien gij
terdege naar mij luistert en mijn verbond in acht neemt, zult gij uit
alle volkeren mij ten eigendom zijn; want mij behoort de gansene
(i aarde. \' Zoo zult gij mij een koninkrijk van priesters en eene heilige
natie zijn. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken moet.
7           Toen kwam Mozes, ontbood de oudsten des volks en legde hun al die
8       woorden voor welke Jahwe hem bevolen had.\' En het geheele volk
antwoordde eenstemmig: Al wat Jahwe gesproken heeft zullen wij
doen. Waarop Mozes de woorden des volks aan Jahwe overbracht.\'
(J» En Jahwe zeide tot Mozes: Zie, ik kom tot u in eene dichte wolk;
opdiit het volk mij tot u hoore spreken en ook in u voor altijd ge-
loove.
1)4,10 Toen deelde Mozes de woorden des volks aan Jahwe mede;\' waarop
Jahwe tot Mozes zeide: Ga tot het volk en heilig hen heden en mor-
11       gen; zij moeten hunne kleederen wasschen \' en tegen den derden dag
bereid zijn; want ten derden dage zal Jahwe, ten aanschouwen van
12       het gansche volk, op den berg Sinai nederdalen. \' Ook moet gij den
berg aan alle kanten omheinen en tot het volk zeggen: Wacht u den
berg te beklimmen, zelfs den voet er van aan te raken; al wie den
V». 6. 1 Petr. II: 9.
1. o/i tienzelfden dag. Het blijkt niet, welken de schrijver bedoelt. Waarschijnlijk is na maand de
opgave van den dag uitgevallen. — den Sinai. Over dezen berg zie op III: 1.
3. klom op lol God. Gr. vert. betlom den berg Godt.
i. op areiidte/etigelen opgetiomen. Zie op Deut. XXXII: 11. De arend was de sterkste vogel dien de
Israëlieten kenden. — lol mij, die op dezen berg woon.
5. ten eigendom. Dezelfde uitdrukking Ps. CXXXV:4; Mal. 111:17; verg. Deut. VII: 6; XIV: 2;
XXVI: 18. — mant — aarde. Ik kan dus kiezen, welk volk ik als mijn eigendom aannemen wil.
(1. een koninkrijk van priester», ecu rijk waarin alle burgers priesters zijn, dus vrijen toegang tot
Jahwe, hun koning, hebben en door hem worden begunstigd. Men zoekt te veel iu deze woordcu,
wanneer men er in leest dat Israël middelaar tusschen God en andere volken zou zijn. — eene
heilige natie,
eene aan God gewijde, in onderscheiding van andere, die slechts gewone, allcdaagsche
volken zijn. Een heilig of aan Jahwe gewijd volk heet Israël nog Deut. VII :0; XIV: 2, 21; XXVI:
19; Jcz. LXII:12. Verg. op 111:5.
9b. Dit slaat niet op vs. 9a, mnnr op vs. 34—8, waar de woorden des volks voorkomen. Verg. Inl.
10. heilig hen, bereid hen, door offers en besprengingen, tot de ontmoeting met mij voor; verg. Joz.
VII: 13; 1 Sain. XVI : 5. — zij — watichen. Verg. Geu. XXXV: 2.
12. Ook — zeggen, volg. Snm. t.; Hebr. t. Ook moet gij het volk aan alle kanten omheinen, zeggende.
-ocr page 103-
bxodus XIX : 12—XX : 2.                                     183
13       berg aanraakt zal zeker ter dood gebracht worden.\' Geen band mag
hein aanraken, want bij moet gesteenigd of met pijlen doorschoten
worden; hetzij dier hetzij mensch, in het leven blijven mag hij niet.
Wanneer op den ramshoorn geblazen wordt, mogen zij den berg be-
14       klimmen. \' Toen daalde Mozes van den berg af tot bet volk en hei-
15       ligde het, en zij wiesschen hunne kleederen.\' En bij zeide tot het volk:
AVeest bereid tot over drie dagen; nadert niet tot eene vrouw.
16           En oj) den derden dag, toen bet morgen werd, waren er donder-
slagen, bliksemstralen en zware wolken op den berg, en een zeer sterk
bazuingeschal; zoodat bet gansche volk dat in de legerplaats was ont-
17       stelde.\' Maar Mozes leidde het volk de legerplaats uit, God tegemoet,
18       en zij schaarden zich aan den voet van den berg. \' De berg Sinai nu
rookte geheel en al; omdat Jahwe in vuur daarop nedergedaald was;
zijn rook steeg op als die van een smeltoven, en de geheele berg
11) trilde zeer.\' Steeds sterker werd het bazuingeschal, terwijl Mozes sprak
en (iod hem met luider stem antwoordde.
20           Jahwe nu daalde op den berg 8inai, op den top des bergs, neder
en riep Mozes naar den top des bergs; waarop Mozes dien beklom.\'
21       Toen zeide Jahwe tot Mozes: Daal af, vermaan het volk nadrukkelijk
dat zij toch de omheining niet doorbreken naar Jahwe, om hem te
22       zien; want velen van hen zouden vallen.\' Ook moeten de priesters
die tot Jahwe naderen zich heiligen: opdat Jahwe niet onder hen
23       eene slachting aanrichte. \' Hierop zeide Mozes tot Jahwe: Het volk
kan den berg Sinai niet beklimmen; want gij zelf hebt bet nadruk-
24       keiijk vermaand: Omhein den berg en heilig hem.\' Maar Jahwe zeide
tot hem: Ga, daal af, en klim dan zelf met Aiiron en de priesters op;
maar laat het volk de omheining niet verbreken, om tot Jahwe op
25       te stijgen; opdat hij geen slachting onder hen aanrichte.\' En Mozes
daalde af tot het volk en zeide het bun.
XX: 1 En God sprak al de navolgende woorden:
2          Ik ben Jahwe, uw god, die u uit Egypteland, uit het slavenhuis,
heb uitgeleid.
Vs. 18. Hcbr. XII: 20. — V». 2—17. Deut. V:6—21.
13. Men moet hem uit de verte dooden. — den ramthoorn, in het Hcbrceuwsch denjobel; met welk
woord een dier, waarschijnlijk de rum, wordt aangeduid. De ramshoorn of ramshoornbazuin komt alleen
voor Joz. Vl! 4—13 en Lev. XXV : 8—55, waar de naam jubeljaar er aan ontleend is; zie op Lev.
XXV : 10. — gij. Wie hiermede bedoeld zijn, blijkt evenmin als wie den hoorn steken zouden.
15. De huwelijksgemeenschap verontreinigde, maakte dus onbevoegd eene heilige plaats te betreden
en iets gewijds aan te raken, 1 Sam. XXI : 4. De latere wet verordent daarna een bad, Lev. XV: 18.
10. ba:uinyeichal. Dit werd gehoord bij godsdienstige plechtigheden, 2 Sam. VI: 15 en elders.
20. Jahwe — neder. Volg. vs. 18 was dit reeds vroeger geschied.
22.   Ook — heiligen. De priesters ouder Israël mochten het heilig dienstwerk niet verrichten dan
wanneer zij rein waren cu na wassching van handen en voeten.
23.  hel, volg. Sam. t.; Hebr. t. ons. — heilig hem, zonder hem door de omrastering tot den dienst
der godheid af en sluit hem daardoor voor het gewone verkeer; verg. op III: 5.
24.  en de priesters. Dat dezen behooren bij hen die den berg beklimmen mogen, blijkt uit vs. 22.
Doch de grondtekst is dubbelzinnig, en volgens de toonteekens staat er met Aiiron, maar laten de
priesters en het volk
enz. Zoo gaven ook alle oude en nieuwe vertt. den zin weder.
2—17. Deze geboden hecten van oudsher de Tien Woorden (decalogus), XXX1V:28; Deut. IV: 13;
X : 1. Al komt die benaming hier niet voor, wij mogen gerust aannemen dat ook deze schrijver heeft
bedoeld tien woorden te geven. Maar inderdaad zijn er elf; want ook vs. 2, hoewel geen gebod, is
een woord, uitspraak, verklaring, en moet dus worden medegcteld. De oudste telling verbindt vs. 2
met vs. 3 tot een woord (zóo de Grieksche en de Hervormde Kerken); anderen maken vs. 2—6 tot
écn en splitsen het laatste verbod, dat der begeerlijkheid, in tweeën (zóo de Koomsch Katholieke en
de Luthersche Kerken); weder anderen noemen vs. 2 het eerste en vs. 3—0 het tweede (zóo de Joden).
Het elftal is waarschijnlijk ontstaan door toevoeging van het verbod van den bceldendienst, dat de
Tien Woorden aanvankelijk niet bevatten. Vermoedelijk waren zij oorspronkelijk alle zoo kort als nu
die van vs. 13—15. Zij kunnen ongeveer aldus hebben geluid: Ik, Jahwe, ben uw god. Gij zult geen
andere goden nevens mij hebben. Gij zult den naam van Jahwe, uwen god, niet tot valschhcid op de
-ocr page 104-
I
184                                          kxodub XX: 3—11.
3, 4 Gij zult geen andere goden nevens mij hebben;\' gij zult u geen
beeld maken, geene gedaante van iets dat aan den hemel daar boven,
5 of o]i de aarde bier beneden, of\' in bet water onder de aarde is;\' gij
zult ze niet aanbidden of dienen: want ik, Jahwe, uw god, ben een
na ijverig god: ik verbaal de schuld der vaderen op de kinderen, op
ti bet derde en vierde geslacht mijner baters, \' maar betoon gunst aan
duizenden van wie mij liefhebben en mijne geboden onderbonden.
7          (Jij zult den naam van Jahwe, uw god, niet tot valsebbeid op de
lippen nemen: want Jahwe zal niet ongestraft laten wie zijn naam
tot valsebbeid op de lippen neemt.
8,9 (Jeilenk den sabbatdag. dat gij dien beiligt: \' zes dagen zult gij
10 arbeiden en al uw werk verrichten, \' maar de zevende dag is rustdag
ter eere van Jahwe, uw god: dan zult gij geenerlei werk verrichten,
gij, noch uw zoon of dochter, noch uw slaaf of slavin, noch uw vee,
I I noch de vreemde die bij u in uwe steden woont. \' Want in zes dagen
heeft Jahwe den hemel, de aarde, de zee en al wat daarin is gemaakt,
en op den zevenden dag rustte hij: daarom zegende Jahwe den sab-
batdag en heiligde dien.
Ii|i|«\'ii nomen. Gedenk dfn sabbat um dien Ie heiligen. Hef uwen vailer en uwe moeder. Gij /uit niet
dooden. Gij zult niet echtbreken. Gij zult niet stelen. Gij zult (teen leugenachtig getuigen» afleggen.
Gij zult niets dat uwen naaste toebehoor) begeeren. In dezen of soortgelijken korten vorm vond de
schrijver van lJeuterimvniiiim de Tien Woorden. Hij breidde eenige dnarvan aanmerkelijk uit en
voegde aan hel verbod der afgoderij dat van den beeldend ienst toe. Waartegen in zijne dagen ten ern-
stigste moest worden gewaarschuwd; tevens verbond hij aan die twee vereeuigde verbodsbepalingen eenc
bedreiging en taene belofte. Door een der latere bewerkers zijn deze uitbreidingen der Tien Woorden
overgenomen, maar is die on het suhhatsgchod, welke de sehrijver van Deulerunomium er had bijge-
voegil, door eenc andere vervangen. Overigens verschillen de beide lezingen slechts in bijzaken. Wij
hebben hier dien latereu vorm. In welken kring en tijd de oorspronkelijke Tien Woorden opgesteld
zijn. weten wij niet. Zeker lang na Mozes, in wiens tijd de vrnag, of ren Israëliet al dan niet nadere
goden erkennen mocht, bij lange na nog niet aan de orde was, en ook het verbod eens anders huis
te begeeren onverstaanbaar zou geweest zijn. Daar de Decalogus in De Klnhist heeft gestaan, is hij
waarschijnlijk uit de achtste eeuw. Hij is dan een merkwaardig bewijs voor de ontwikkeling van
bet godsdienstig-zeilelijk leven der beste Israëlieten in den koningstijd; immers, evenals bij de groot-
sto profeten, treden hier de uiterlijke godsdienstpliehtüii op den achtergrond voor zedelijke voorschrif-
tcu. fioon wonder dat hij bij Joden en Christenen steeds groote eer heeft genoten.
3.   Gij zult geen andere goden verecren dan mij. Met dit verbod der afgoderij wordt het bestaan
van andere goden niet geloochend.
4.   beeld, afgodsbeeld, bepaald: beeld van Jahwe. — geene gedaante rau iets, In Deut. V:8; in de
gedaante van iets.
— aan den hemel, zon, maan. sterren; ook vogels. — op de aarde, b. v. stier, bok,
slang. — in hit Kater, visschen.
5.   gij — dienen. Evenals elders, wordt hier tusschen een god en zijn beeld geen onderscheid gc-
jnaakt. Godenbeelden, onverschillig of ze Jahwe dan wel een anderen god voorstelden, amuletten,
ternthn en wat dies meer zij, werden door de bestrijders van den beeldendienst „andere" of „vreemde
goden", „afgoden" genoemd; Gen. XXXV:2, 4; Deut. XXVIII! 86, 64; 1 Kon. XIV:!); Jcz. XUV S
10 en vaak in Jez. XX—I.XVI; Jer. 11:27; Hab. 11:19, 18. — een naijoerig god, die geen eer aan
andere goden gunt. Zoo heet Jahwe ook XXXIV: 14; Peut. IV: 24; VI: 15; Joz. XXIV: 19 enz. Van-
daar dat de zondaren heeteu Jnhwc\'s ijverzucht gaande te maken, 1 Kon. XIV : 22 en elders. — ik
verhaal — hater».
Dezelfde voorstelling XXXIV:7; Lev. XXVI: 39; Xum. XIV: 18; Deut. V:9«; 2
Kou. \\\':27; Jez. LXV:7; Jer. XV : 4; XVI: 11; XXXI: 29 v.; XXXII : 18; Klnagl. V:7 enz. Daar-
tegen verzette zich Kzcehiël (H. XVlil); ook Deut. VII: 10 huldigt eene andere opvatting. Dat die
veranderde zienswijze samenhing inct eenc verandering in de rechtspleging leert Deut. XXIV : 16.
7. Verg. I/cv. XIX : 12. — tol vahehheid, of tot ijdelheid. Gij zult geen meineed doen. Wellicht sluit
het ook het verbod in zich, Jnhwc\'s naam tot waarzegging te gebruiken.
8—11. De mbbatdag, «I. i. .rustdng\', duurde bij Israël vnu den concn zonsondergang tot den vol-
benden en werd. althans na Ezru, eiken zevenden dag gevierd. Van de eeuwen daarvóór weten wij
wel, dat sabbatten gehouden werden (2 Kon. IV: 23; Am. VIII: 5 en elders), maar niet, wanneer. Het
is bij voorbeeld mogelijk, dnt oorspronkelijk de eerste, achtste, vijftiende en tweeëntwintigste dag der
maand rustdagen waren en de onderhouding dier dagen met de vcrecring der Maan samenhing. Tcr-
wijl de schrijver van het Itomlsboek het voorschrift als gebod der barmhartigheid opvatte (XXIII: 12).
en ilie van lieuteronominm den dag bovendien tot gedenkdag van Israëls slavernij in Egypte en red-
ding daaruit maakte (zie op Deut. V: 14 v.). verklaarde deze jongere wetgever de op den sabbat
voorgeschreven rust uit Jnhwc\'s rusten na het scheppen van hemel en aarde (Gen. ll:2v.).
10. de vreemde. Zie op XII : 19. — utee steden, letterlijk uiee poorten; verg. op Gen. XXII: 17. —
iiie vee. In plaats hiervan stnat XXIII: 12 urn rund en uw ezel, terwijl Deut. V : 14 het een en
het ander heeft.
-ocr page 105-
bxodub XX: 12—01.
185
12            Eer uwen vader en uwe moeder; opdat gij lang gevestigd blijft op
den bodem dien Jahwe, uw god, u geeft.
13           Gij zult niet dooden.
14           Gij zult geen overspel doen.
15            Gij zult niet stelen.
1(5          Gij zult geen leugenachtig getuigenis afleggen tegen uw naaste.
17           Gij zult niet begeeren uws naasten buis, noch Itegeeren uws naasten
vrouw, zijn slaat\' of\' slavin, zijn rund of ezel, nocli iets dat uws naasten is.
18           Toen uu bet gebeele volk die donderslagen en bliksemschichten,
benevens het bazuingeschal gewaar werd, en den lierg zag ronken,
19       vreesde het, sidderde en bleef in de verte staan.\' Zij zeiden tot Mo-
zes: Spreek gij met ons. opdat wij bet hooren: maar laat God niet
20       met ons spreken: opdat wij niet sterven.\' En Aiozes zeide tot het
volk: Vreest niet: want om u op de proef te stellen is God gekomen,
en opdat de vrees voor hem u voor oogen sta en gij niet zondigt.\'
21       Toen bleef het volk in de verte staan, terwijl Mozes naderde tot de
donkerheid waarin God was.
V». 12—16. Matth. XIX : 18; Mare. X:19; Luc. XVII1:20. — Vs. 12. Matth. XV: 4; XIX:10«;
Ef. Vl:2v. — Vs. 13—17. Hom. XIII:». — V». 13 v. Matth. V:21, 27; Jac. 11:11. — V*. 17.
Rom. VII: 7*.
12. Eer — monter. Iicv. XIX: 3 heeft vreezen in plaat* van eeren. Het een zoowel nU liet ander
omvat de gehoorzaamheid en het uiterlijk eerbetoon; verg. Lcv. XIX: 32; Deut. XXVII: 10. —
opdat — blijft, letterlijk opdat gij vee dagen lany maakt: wat niet betreken!: opdnl ieder Israëliet
oud worde, maar: opdat het volk duurzaam kanuiui bewone; verf;. Dcut. IV: 20. Deut. V: 10 voegt
er aan toe en het u welga.
13—15. Gr. vert. heeft deze drie geboden in andere volgorden, in verschillende handschriften on-
derseheiden ; verg. Kom. XIII:».
11. Over het verbod van overspel zie op Lev. XVIII: 20.
10. Daar de getuigen geen eed allegden, valt dit woord niet niet vs. 7 samen.
17.   uws naatten. Dit wordt hier en elders in den zin van „eens anders" gebruikt. — huis. Dit om-
vat hier alle bezittingen; anders in Deut. V : 21; zie op die pi. Ook wordt duar de akker afzonderlijk
genoemd. — Dewijl al de geboden in vs. 3—10 niet de gezindheid des menseden, maar slechts zijn
uiterlijk gedrag raten, doelt dit woord waarschijnlijk op bcdriegelijke ondernemingen en slinkscbe
streken, waardoor, (onderdat ze ouder het verbod van den diefstal vallen, een ander benadeeld wordt;
verg. Lev. XIX: 11, 13.
\\a vs. 17 lezen wij in den Slim. t., die. ouk elders in XVIII, XIX uitweidingen heeft, het navol*
geilde Wanneer Jahwe, uu: god, u tzal brengen in het land der Kanaiinielen, dal gij in bezit gaat nemen,
dan zuil gij n groot» steenen oprichten, ze met kalk beatrijken en op de sternen al de woorden dezer
wet schrijven. En wanneer gij den Jordaan overgetrokken zijl, snit gij die steenen waaromtrent ik u
heden bevel geef op den berg (ierizim oprichten en a/daar een allaar bouwen voor Jahwe, uwen god,
een allaar van steeven, waarover gij geen ijzer zult zwaaien. Van gare steenen zuil gij hel allaar van
Jahwe, uwen god, bouwen, en daarop zult gij brandoffers aan Jahwe, uwen god, brengen. Ook zult
gij dankoffers offeren en aldaar eten en u verheugen voor het aangezicht van Jahwe, uwen god. Die
berg ligt aan de overzijde van den Jordaan, aan de westzijde, in hel land der Kanaduieten die in de
Vlakte wonen, tegenover Gilgal, bij deti Leeraarseik, tegenover Sichem.
— Deze zinsneden, die (Kik na
Deut. V : 21 gevonden worden, zijn in den Ilchrccuwschcii tekst iugelaschl door de Samaritanen, die
het Joodschc wetboek als het woord Gods erkenden, maar, in stede van den Sion, den Gcrizim aau-
merkten als de door Jahwe uitverkoren plaats, en voor wie deze verordening dus van zoo groot ge-
wicht was dat zij haar bij de Tien Woorden voegden. — De inhoud is ontleend aan Dcut. Xl:2!)v.;
XXV11:1—8. \'— Over de Samaritanen verg. 2 Kon. XVII: 24—11, op Ezra IV : 1—5 en op Nch.
XIII: 28 v. \'
18.   vreesde, volgens veranderde klinkers; Ilebr. t. zag.
19.   laat — spreken. Er staat niet maar laat God niet meer lot ons spreken; want in het oorspron-
kelijke verhaal had God nog niet tot het volk gesproken; verg. lul.
HOOrDSTtK XX :22—XXI11:33.
Het Bondsbock. — Jahwe gelaat Mozes, den Israëlieten te herinneren dat hij van den hrmrl met
hen gesproken heeft (XX: 22); zij mogen geen goden nevens hem maken (23); zij moeten op een
altaar vau aarde offeranden breugen (24); maken zij een steenen altaar, dan zij het een van ongehoiiwcn
steenen. zonder trappen (25 v.). De volgende verordeningen leggc Mozes hun voor (XXI: 1); over
de rechten van slaven en slavinnen (2—11); moord en manslag (12—14); het slaan en vloeken van
vader of moeder (15, 17); het stelen van een mcuseh (10); de verwonding vau cen vrij man (18v.)j
-ocr page 106-
INLEIDING OP BXODUS XX : 22—XXIII : 33.
186
den doodslag van een slaaf of slnvin (20 v.); de mishandeling vnn cene zwangere vrouw (22), te
straffen naar den algcmccnen regel der wedervergelding (23—25). Strafbepalingen op verwonding van
slaaf of slavin (26 v.), op manslag door een stier (28—32), op sehadc door onvoorzichtigheid (33 v.)
of door een stier aangericht (35 v.), op diefstal (XXII II—4), op schade, door vee of bij het afhran-
den van stoppels veroorzaakt (5 v.), op ontvreemding of verlies van toevertrouwd goed (7—15), op
verleiding van een meisje (10 v.), op hekserij, onnatuurlijke ontucht en afgoderij (IS—20). Vcrmaiiin-
gen om vreemden, weduwen en weezen niet te onderdrukken (21—24) en armen niet te kwellen
(25—27); waarschuwing tegen het vervloeken van God of de overheid (28); het gebod eerstelingen en
eerstgeboorte!! aan God te brengen (20 v.); het verbod het vleesch te eten van beesten die door roof-
dieren verscheurd zijn (31). Vermaning om eerlijk in het rechtspreken te zijn en de armen niet te
onderdrukken — waartusschen de opwekking om rund en ezel van een vijand terecht te brengen
(XXIII : 1—9). Na een paar voorschriften over sabbatsjaar en sabbat (10—12), ecu slotwoord: onder-
houdt dit alles en noemt zelfs de namen vnn vreemde goden niet (13). Verordeningen over de drie
grootc (eesten (14—18) en het wijden der eerstelingen (10a): het verbod te koken het bokje in de melk
zijner moeder (194). Aan de onderhouding dezer voorschriften zijn rijke beloften verbonden (20—31)s
legen gemeenschap met de afgoden en hunne dienaren wordt gewaarschuwd (32 v.).
De naam Kondsboek, aan dit stuk gegeven, komt XXIV : 7 voor, in een verhaal, XXIV: 8—8,
dat met XX: 22—XXII!: 33 nauw samenhangt en mededeelt hoe op grond daarvan het verbond tus-
sehcu Jahwe en Israël werd gesloten. Maar het is geen lichte taak, uit te maken, van welken schrij-
vcr, of liever van welke schrijvers, deze hoofdstukken zijn en hoe zij hier zijn gekomen. Dal het
Bondsbock zoonis het vóór ons ligt een overgewerkt stuk is, springt in het oog. Afgezien van enkele
verzen die van elders ingevoegd of uit een ander gedeelte der wet hierheen verdwaald zijn (XXI :
15—17; XXIII: 4, 5; en zie op XXII : 23), kan XXI:]—XXIII: 13 van den aanvang af écu geheel
hebben uitgemaakt. Maar wat daaraan voorafgaat (XX : 22—20) en wat er op volgt (XXIII! 14—33)
is zeker later toegevoegd. Blijkbaar is XXI: 1 de aanhef en XXI11 :18 het slot van den oorspronke-
lijkon bundel. Deze heeft denkelijk deel uitgemaakt van I)c Klohist. Iteeds toen hij daaruit door den
samensteller van het Oude-Sagenboek werd overgenomen, bleef hij niet onveranderd, maar is er een
aanhef en een slot aan gehecht. En toen het Oude-Sagenboek met Deuturonomium werd vercenigd,
is hij verplaatst. In het Oude-Sagenboek toch werd bij den Horcb aan het volk geen andere wet gc-
geveu dan die der Tien Woorden, zooals Dculeronomivm zeer duidelijk leert. Immers, noch Dcut. IV :
11—24, noch Dcut, V, VI Iaat de mogelijkheid open, dat volgens de schrijvers dier hoofdstukken de
Israëlieten bij den Horcb iets hebben ontvangen dat op het Bondsbock gelijkt. Integendeel, volgens
Dcut, XII: 1 worden de iuzettingen die zij behalve de Tien Woorden hebben te onderhouden hun
voor het eerst in het veld van Moab medegedeeld. Toch kent de schrijver van Deuturonomium het
Bondsbock wel; want hij ontleent er veel aan. Hoogstwaarschijnlijk stond het dus in het Oude-
Sagenboek daar waar nu Deuleronomium staat, en behelsde het de wetten die hecten gegeven te zijn
öf in Kades öf kort voor den overtocht van den Jordnnn. Diende derhalve de wet van Denteronomium
om het Bondsbock te vervangen, dan is het begrijpelijk dat de schrijver die haar met het Oude*
Sngcuboek verceuigde het Bondsbock verplaatste naar den Sinai. Verg. inl. op XIX: 1—XX: 21.
Tevens heeft hij er ceuigc veranderingen in den geest van Deuleronomium in aangebracht, vooral in
de slotrede XXUI: 20—33. — Over de verhouding van XXIU : 14—19 tot XXXIV : 17—20 zie ter pi.
De oorspronkelijke wet, behoudens cenigc toevoegsels in XXI» 1—XXIII: 13 vervat, verdient in
hoogc mate onze belangstelling, als de oudste wetgeving in Israël of Juda die wij bezitten. Zij is
waarschijnlijk opgesteld om aan eene priesterschap in het rijk Israël bij de leiding van het volkslevcu
ten richtsnoer te dienen (verg. inl. op De vijf boeken der Wet) en is de vrucht van een krachtig
staatkundig en maatschappelijk leven, de neerslag der terechtzittingen van Isrnëls invloedrijkste lcids-
licdcn. Wat moet er niet veel gedacht en gestreden zijn, eer aan Hebrccuwsche slaven en slavinnen
rechten tegenover hunne meesters konden toegekend worden zoonis hier geschiedt! Hoc krachtig
moet niet de barmhartigheid gepleit hebben tegen de persoonlijke wraakzucht van bclecdigdcn, do
billijkheid tegen de onbesuisde uitingen der verontwaardiging vnn bestolenen en hunne vrienden,
voordat men het recht der vrijplaatsen zóo kon omschrijven en bepaalde straffen op bepaalde misdrij-
ven stellen! Verleide meisjes, armen, weduwen, weezen, vreemdelingen worden in bescherming geno-
men, zelfs vijanden uan de hulpvaardigheid aanbevolen, terwijl grove overtredingen streng verboden
zijn. Wel verre van onafhankelijk van den godsdienst te zijn, steunen de zedelijke eisenen dezer wet
geheel op de verecring van Jahwe: hij moet worden gehuldigd en uit de opbrengst van akker en
wijngaard rijk begiftigd; de eed is een krachtig middel om onoplosbare twisten over eigendom tot
ecu einde te brengen; de sabbat en het sabbatsjaar zijn heilige tijden. Omtrent feesten en offers wordt
niets bepaald; hierover verordeningen te geven, eenheid te scheppen in d\'c zeker zeer ver uiteenloo-
pende gebruiken, ging dezen wetgever dus nog geenszins zoo ter harte als zijnen talrijken opvolgers
-ocr page 107-
187
bxodus XX:22-XXI:3.
onder Israël en Juda. Reeds de man die XX: 22—20 mui zijn werk liet voorafgaan en XXIII: 14—1!)
er op deed volgen stelde er hooger prijs op. Waardig staat de wet XXI: 1—XXIll:13 naast die der
Tien Woorden. Eerc aan het volk waaronder zij ontstaan kon!
XX:22 Jahwe zeide tot Mozes: Zoo zult gij den Israëlieten zeggen: Gij lietit
23       zelven gezien dat ik van den hemel niet u gesproken hel). \' (rij zult
24       u nevens mij geen goden van zilver of\' goud maken. \' Ken altaar van
aarde moet gij voor mij maken en daarop uwe brandoffers en dank-
offers, uw kleinvee en runderen, ofl\'eren. Overal waar ik mijn naam
25       zal doen gedenken zal ik tot u komen en u zegenen. \' En indien gij
voor mij een steenen altaar maakt, moogt gij liet niet van gehouwen
steenen houwen; wanneer gij er uw beitel aan geslagen hebt, hebt gij
2b\' ze ontwijd. \' Ook moogt gij niet met trappen mijn altaar beklimmen;
opdat uwe schaamte daarvóór niet ontbloot worde.
XXI: 1 Dit nu zijn de verordeningen die gij hun zult voorleggen:
2           Wanneer gij een Hebreeuwschen slaaf koopt, zal hij u zes jaren
3       dienen en in het zevende om niet als vrij man heengaan. \' Is hij
22.   Gij — heb, en moet dus gelven mijn recht om u hevelen te geven erkennen. Dezelfde hcrinne-
ring wordt Dent. IV: 15—10 anders aangewend.
23.  In het verhod der afgoderij is dat van den becldeudienst opgesloten, evenals vs. 3—6.
24.   Overal — //eden/ren, overal waar ik, door mij te vertooiicn of door blijkbare hulp of bestraffing
mijn volk aanleiding geef om mij te vereeren, moet gij mij een altaar stichten, en zal ik u zegenen.
Dit onderstelt dat op meer dan écne plaats, zelfs op vele plaatsen, altaren voor Jahwe stonden en
mochten, ja, moesten staan; wat in overeenstemming is met den feitelijken toestand vóór 022 (zie inl.
op Deutrronomium), maar in lijnrechten strijd met de verordeningen Lev. XVII: 8 v.; Dent. XII (verg. Joz.
XXII), volgens welke er slechts een altaar voor Jahwe mocht zijn. Hieruit volgt dat deze wet onder
is dan Leuleronomiuiii. Wel wordt ook Dent. XII: 8 zijdelings erkend dat de Israëlieten aanvankelijk
meer vrijheid hadden gehad; maar zoodra de vraag, of aan Jahwe op meer dan een altaar, dat van
den Jcriiznlcmsehcn tempel, mocht geofferd worden, aan de orde kwam, zou het zeker geen der voor-
standers dier cenigheid in den zin gekomen zijn, door Jahwe de belofte te doen afleggen dat hij zijne
vereerders overal zal zegenen waar hij hen zijner zal doen gedenken. Indien hij had bedoeld dat dit
alleen voor den tijd der omzwerving gold, zou hij het uitdrukkelijk hebben gezegd. Ecnc andere lezing
van den grondtekst, overal waar gij mijn naam zult gedenken, levert denzclfdcn zin op.
25.  hebt gij ze ontwijd, voor godsdienstige doeleinden ongeschikt gemaakt. Desgelijks Deut. XXVII :
5 v. Altaren van ongehouwen steenen komen voor Joz. VIII: 31; Richt. VI: 20; XIII :1!1; 1 Sam.
VI: 7, 14; ook 1 Sam. XIV: 85 zal wel een dergelijk bedoeld zijn. De voorkeur aan zulke altaren ge-
geven hangt zeker samen niet de ïnccuiug dat ecnc door mensehen noch gebruikte noch vervormde
natuurgave der godheid het waardigst is (verg. op Num. XIX: 2). Het hier gegeven voorschrift op te
volgen was voor huisvaders en bedienaren van kleine heiligdommen niet zwaar. .Maar waar de dienst
zich uitbreidde en dientengevolge een enkel steenblok niet groot genoeg was voor de olfers ging het
moeilijker. Immers, ecnigc ruwe steenen naast elkander zijn tot altaar kwalijk bruikbaar. Hoc de Joden
na den herbouw des tempels aanvankelijk gedaan hebben, weten wij niet. Maar het altaar dat Antiochus
Epifancs in 107 ontwijdde en Judas de Xlakkabcër drie jaren later reinigde (1 Makk. IV : 43—47) be-
stond uit ongehouwen steenen, waarschijnlijk, evenals later, door middel van kalk zoo verecnigd dat
de bovenkanten en vlakken een vuurhaard vormden.
20. daarvóór, volg. Sam. t.; Hebr. t. daarop. — opdat — worde, of, volgens veranderde klinkers,
opdat gij uwe schaamte daarvóór, d. i. tegenover het altaar, niet ontbloot. Zijne naaktheid aan de god-
heid te toonen strijdt met den hnar vcrschuldigdcn eerbied; verg. op Gen. 111:10. Toen het noodig
werd, in den Jeruzalcinsehcii tempel een hoog altaar to hebben, opdat de offerdienst door de schare
gezien wierd, hebben de priesters de letter der wet aldus gehandhaafd, dat zij aan het altaar geen
trappen, maar ecnc helling aanbrachten waarlangs men opsteeg; terwijl aan de bcdueling der wet
werd te gemoet gekomen door het drair.cn van ouderklecding, XXVIII : 42. Het beklimmen van een
altaar komt voor 1 Sam. 11:28; 1 Kon! XII: 33*. Het altaar van Ezech. XMII:13—17 beeft trap-
pon. — Opmerking verdient dat in deze verordening over den bouw en de bediening der altaren
geen sprake van priesters is. Daar tot de Israëlieten in het algemeen het woord gericht wordt, is
hier de bevoegdheid tot het oprichten en bedienen der altaren niet tot een enkelen stand beperkt.
2—0. Verg. Deut. XV : 12—18.
2. een Uebreeuwichen slim f\'. Een Hcbreër, Israëliet of Judeër, kou slaaf van een ander Hcbrcër
worden, doordien hij zich uit armoede verkocht, Lev. XXV : 39, of wegens schuld of diefstal verkocht
werd, Exod. XXII: 3; 2 Kon. IV : 1; Matth. XVIII: 25; ook verkochten soms ouders hunne kinderen,
vs. 7; Neh. V : 5. — w, ingevoegd volg. Sam. t. en oude vertt. — zei jaren. Het getal zes is zeker
gekozen met het oog op de zes werkdagen, waarop wekelijks de sabbat volgde. De bedoeling is niet
dat alle slaven in hetzelfde jaar moesten worden vrijgelaten, maar dat elke slaaf na zes jaren van
dienstbaarheid zijne vrijheid zou herkrijgen. — De verordening op de vrijlating is zonder twijfel op-
gesteld in overeenstemming met hetgeen de beste Israëlieten der achtste eeuw reeds deden; dat zij
geenszins algemeeu is opgevolgd, leert Jer. XXXIV : 8—22.
-ocr page 108-
188
exodus XXI: 3—16.
alleen in uw huis gekomen, dan gaat hij ook alleen heen; was hij
4 gehuwd, <lan gaat zijne vrouw met hem heen. \' Indien zijn heer hem
eene vrouw geeft en zij hem zonen of dochters haart, dan zal die
vrouw niet liare kinderen het eigendom van zijn heer blijven, terwijl
;"> hij alleen heengaat.\' Maar indien de slaaf verklaart: Ik hel) mijn heer,
mijne vrouw en kinderen lief: ik wil niet als vrij man heengaan—\'
(i dan zal zijn heer hem doen naderen tot de godheid, en hem doen
naderen tot de deur of den post, en zal zijn heer het oor van den
slaaf met een priem doorboren. Zoo zal hij hem voor altijd dienstbaar
7       worden.\' Wanneer iemand zijne dochter tot slavin verkoopt, zal zij niet
8       evenals de slaven heengaan. \' Indien zij haren lieer mishaagt, die haar
voor zich zelf bestemd had, dan late hij haar loskoopen; hij is niet
gerechtigd baar aan een huitenlandsch volk te verkoopen, omdat hij
!( trouweloos jegens baar gehandeld heeft.\' Indien hij baar voor zijn zoon
10       bestemt, zal hij met haar doen als met eene dochter.\' Neemt bij zich
eene andere, dan mag bij haar in vleeschspijzen, kleeding en huwe-
11        lijksgemeenschap niet te kort. doen;\' indien hij haar deze drie niet
geeft, zal zij om niet, zonder losgeld, heengaan.
I~           Wie een mensch doodslaat, moet zeker ter dood gebracht worden.\'
IJl Doch indien hij het er niet op bad toegelegd, maar (Jod had het over
hem beschoren, dan zal ik u eene plaats aanwijzen waarheen hij kan
14       vluchten. \' Maar indien iemand zich vermeet zijn naaste verraderlijk
te dooden, zult gij hem van mijn altaar weghalen, dat bij sterve.
15            Wie zijn vader of moeder slaat zal zeker ter dood gebracht wor-
17 den. \' Ook wie vader of moeder vloekt zal zeker ter dood gebracht
worden.
Mi
          Wie een mensch steelt zal, hetzij hij hem heeft verkocht, hetzij
V». 17. Lev. XX: ft; Alatth. XV:4; Miirc. VII: 10. — V». 1(1. Deut. XXIV: 7.
3.  alleen, letterlijk met zijn lichaam.
4.  van zijn heer, volgens i-en anderen klinker, met Sam. t. en fir.cn Lul. vertt. ;Ilebr. t. vanhaar heer.
0. hel oor run den ilaaf, diiidelijkhcidshnlvc voor zijn nor. — Dit voorschrift is zeer onduidelijk;
immers, er stnut evenmin, welke deur of post bedoeld wordt, nis dut het oor vim den slaaf min deur
of post vastgehecht moet worden. Waarschijnlijk wordt met ile godheid de huisgod bedoeld en met
de deur of den poll die vnn het huis; verf;, op XXII: 8. De handeling hctcekeiit dus dut de slaaf
voorgoed auu het huis verbonden wordt]; verg. op Deut. XV i 17. — voor altijd. De wetgever weet niet»
van Lev. XXV : 3!)—55.
7—11. Deut. XV: 17 heeft hiervan niets, maar beveelt de slavinnen op dezelfde manier vrij te
laten of in levenslange slavernij te brengen als hier ra. 2—0 ten aanzien der slaven verordend wordt.
Verg. Deut. XXI : 10—14.
7.  iemand, een Israëliet. — tot slavin. Dat zij de bijzit van haar meester zou worden in hier onder-
stcld. /ij werd dnu in zoover gerekend de vrouw van haar heer te zijn dat ontucht met haar straf-
waardig werd gekeurd, Lev. XIX: 20 (zie aldaar). — heengaan, in vrijheid gesteld worden.
8.   hij it — rerioo/ien, omdat zij eene Israélictischc is. — omdat — heeft, in zooverre hij zijn
woord aan haar vader niet gestand gedaan en haar niet als zijne bijzit gehouden heeft.
0. met haar — dochter, haar van al het noodige voorzien; zij is huisgeuoote geworden.
10. hij, de vader; ook de zoon, wanneer hij heer van het huis is geworden. — vleeichipijzen. De
vertaling is niet geheel zeker. Naar het schijnt, heeft de wetgever het oog op de voeding der meer
gegoeden: voor de armen was vlceschspijs eene grootc zeldzaamheid.
12.   Hetzelfde C.cn. IX: 6; Lev. XXIV: 17, 21 en elder».
13.   Ood — beichoren, letterlijk Ood had (het) aan zijne hand doen ontmoeten; wat wij noemen:
indien het bij ongeluk was geschied; verg. Xum. XXXV: 22 v.; Deut. XIX : 4 v. en op vs. 28. — zal
— duchten. Tot vrijplaatsen diendeu oudtijds gewoonlijk heiligdommen, vooral altarcu, welker hoor-
iicu ecu vluchteling aangreep, 1 Kon. 1:50; II:28v. Later, toen volgens de wet slechts écn hcilig-
dom in den lande mocht zijn, moest door haar voor de vluchtelingen raad geschaft worden. Dit ge-
schiedde door cenige steden tot vrijplaatsen te maken, Deut. IV : 41—43; XIX : 1—13 cu inl. op Deut.
IV: 41—43.
14.  verraderlijk, in onderscheiding van het vs. 18 gestelde geval. — mijn altaar, een mijner altaren.
Verg. 1 Kon. 11: 28, 32.
lfi, 17. Deze verzen zijn omgezet volg. Gr. vert.
17. Waarschuwingen van gelijke strekking Lev. XX: 9; Deut. XXVII: 10; Spr. XX: 20; XXX: 17.
16. een menieh, een Israëliet, zooals er in Gr. eu Arain. vertt., alsook Deut. XXIV : 7, uitdrukkelijk
wordt bijgevoegd.
-ocr page 109-
189
BXODtlS XXI: 16—31.
li ij hem nog in zijn bezit heeft, zeker ter dood gebracht worden.
18           Wanneer mannen met elkander twisten en de een den ander met
een steen of met de vuist zóo treft dat hij niet sterft maar bedlegerig
19       wordt; \' indien hij weer opstaat en buitenshuis, met eene kruk, rond-
loopt, dan zal hij die hem geslagen heeft geen schuld hebben: alleen
moet hij hem zijn tijdverlies vergoeden en voor de genezing zorgen.\'
20       Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met een stok zóo slaat dat bij
onder zijne handen dood blijft, dan moet bij zeker gewroken worden.\'
21       Doch blijft hij nog óen of twee dagen in leven, dan wordt hij niet
22       gewroken; want hij is zijn geld.\' Wanneer mannen met elkander vech-
ten en eene zwangere vrouw zóo stooten dat zij ontijdig bevalt, maar
zij zelve wordt niet gedeerd, dan zal de schuldige eene boete betalen,
zooals de echtgenoot dier vrouw hem zal opleggen: hij moet ze geven
23       volgens de uitspraak van scheidsrechters.\' Maar wordt zij gedeerd, dan
24       zult gij geven leven voor leven,\' oog voor oog, tand voor tand, band
25       voor hand, voet voor voet,\' brandwond voor brandwond, snede voor
snede, striem voor striem.
26           Wanneer iemand het oog van zijn slaaf of slavin uitslaat, zal bij tot
27       vergoeding van dat oog hem of haar vrij laten heengaan.\' .Slaat hij
aan zijn slaaf of slavin een tand uit, dan zal bij hem of haar tot ver-
goeding van dien rand vrij laten heengaan.
28            Wanneer een stier een man of vrouw zóo stoot dat hij of zij sterft,
moet de stier zonder verschooning gesteenigd, en mag zijn vleesch
niet gegeten worden; de eigenaar van den stier beeft geen schuld.\'
29       Maar in geval de stier reeds gisteren en eergisteren stootig was, en
zijn eigenaar, hoewel gewaarschuwd, hem niet bewaakte, dan moet,
indien die stier een man of vrouw doodt, niet alleen de stier gestee-
30       nigd, maar ook de eigenaar ter dood gebracht worden. \' Indien hem
een zoengeld wordt opgelegd, zal hij tot vrijkoop van zijn leven alles
31       geven wat hem opgelegd wordt.\' Wanneer de stier iemands zoon of
Vb. 2*. Mattb. V : 88.
19.  indien — optlaal. Staat hij niet van zijn bed on, dan wordt de ander als doodslager gestraft.
— :ijn tijdverliet, letterlijk zijn te kuit blijven.
20.  gewroken worden. Welke straf de heer moest ondergaan, blijkt niet. Sani. t. dan moet hij (de
heer) zeker gedood worden; desgelijks vs. 21. „Maar de wetgever heeft dit stellig niet gezegd, zelfs
waarsehijnlijk niet bedoeld; duur het, bij de harde behandeling die niet alleen slaven, maar ook kin-
deren, vaak te verduren hadden (verg. op Deut. XXV: 2), niet vol te houden zou geweest zijn. Het
was reeds iets gewonnen, indien het vaststond dat zulk een meed heer eenige straf verdiende. Ook
maakte het zeker versehil, of die dienstbare vau Israclictischc, dan wel van heidensehe afkomst was.
21.  Iiij m :ijn gild. IV slauf is gcldswaardig eigendom vau zijn heer, die dus zelf sebadc lijdt, als
hij hem doodslaat.
22.  dr lekuldige, duidelijkheidshalve in pi. v. hij. — eene boete. Ken kind werd besehouwd als eene
geldswaardige bezitting; ook het nog ongeborene gold reeds als het eigendom van den heer der zwan-
gere vrouw, d. i. indien zij eene vrije was, van haar man. — rolgrns dr uitspraak van achridxreehteri,
tot wie de sehuldige zich wenden kon, als dr eiseh van den echtgenoot hem te hoog scheen.
23—25. liet belangrijk beginsel der wedervergelding, hier eigenlijk alleen toegepast bij de bestraf*
ting vau iemand die nau eene zwangere vrouw een ongeluk beeft toegebracht, gold tegen ieder die een
vrij man schade had bcrokkcud, en wordt ook hier als algcineene regel bedoeld; verg. I.ev. XXIV:
19 v.; Dcut. XIX: 21. Vaak kocht de sehuldige zich vrij. Hij mishandeling van slaven gold een andere
regel; zie vs. 20 v.
28. Dat niet de gezindheid waarmede eene daad gepleegd is, maar dr daad zelve schuldig maakt, was
eene in de oudheid algemeen gangbare meening. Vandaar dat èn de menseh die een ander, al was het
ook bij ongeluk, verslagen had des doods schuldig was (zie vs. 13), èn een dier dat een menseh
gedood had moest sterven; verg. op (Jeu. VI: 12 en IX: 5. — In plaats van een ttier heeft Sam. t.
hier en in het vervolg een ititr of eenigerlei dier, of alleen het laatste. Dit is niet de ware lezing,
maar wel de juiste verklaring: de stier is slechts als voorbeeld genoemd. — mag — worden. Door de
op het dier rustende bloeilschuld was het vleesch onrein.
30.  Ook hier wordt, evenals in vs. 22, bedoeld, dat de losprijs door scheidsrechters vastgesteld wordt
iudien partijen het oneens zijn.
31.  Een minderjarige wordt even zwaar gewroken als een volwasseuc.
-ocr page 110-
EXODUS XXI: 31—XXII: 9.
190
dochter stoot, zal niet hein naar den/elfden regel gehandeld worden.
32       Stoot de stier een slaaf of\' slavin, dan moet de eigenaar dertig sikkelen
aan zijn of haar heer geven, en de stier worden gesteenigd.
33            Wanneer iemand een put openmaakt, of een put graaft en niet toe-
34       dekt, en een rund of ezel valt er in,\' dan moet de eigenaar van den
put dat vergoeden en den eigenaar van het dier schadeloos stellen,
35       en liet doode dier wordt zijn eigendom. \' .Stoot iemands stier den stier
van een ander zóo dat hij sterft, dan moeten zij den levenden stier
3(J verkoopen en zoowel de opbrengst als het doode dier verdeelen.\' Maar
was het bekend dat de stier reeds gisteren en eergisteren stootig was,
en bewaakte zijn eigenaar hem niet, dan moet bij de volle waarde
vergoeden, een stier voor den stier, terwijl de gedoode zijn eigendom
wordt.
XXII: l Wanneer iemand een rund of schaap steelt en het slacht of ver-
koopt, dan moet hij vijf runderen voor het rund betalen en vier scha-
2       pen voor het schaap. \' Wanneer een dief bij het inbreken betrapt en
3       doodgeslagen wordt, rust op hem die dit doet geen bloedschuld;\' maar
is de zon er over opgegaan, dan wel. De dief moet de volle boete
betalen, en heeft hij liet niet, verkocht worden, tot vergoeding van
4       het door hem gestolene.\' Indien bet gestolene, rund, ezel of schaap,
nog levend in zijn bezit wordt gevonden, dan moet hij er twee be-
toilen.
5            Indien iemand zijn akker of wijngaard laat afweiden en zijn vee
laat loskopen, en dit op eens anders akker weidt, dan zal hij zeker
van zijn eigen akker vergoeden naar de opbrengst er van; en indien
hij den geheelen akker laat afweiden, zal hij het beste van zijn eigen
fi akker of wijngaard als schadevergoeding geven. \' Breekt een vuur uit
en tast dit doornen aan. zoodat een koren hoop, of het ii<><r ongemaaid
gewas, of het geheele veld afbrandt, dan moet bij die den brand aan-
gestoken heeft de schade ten volle vergoeden.
7           (ieeft iemand aan zijn naaste geld of goed te bewaren, en wordt
dit uit het huis van dezen gestolen, dan moet de dief, indien hij ont-
8       dekt wordt, het dubbel vergoeden; \' wordt de dief niet ontdekt, dan
moet de heer des huizes treden tot de godheid en zweren dat hij zijne
9       hand niet heeft uitgestoken naar de have van zijn naaste. \' In alle
geschil over een rund, ezel, schaap, kleedingstuk, of wat iemand ook
verloren heeft en waarvan hij zegt: Dat is het — zal beider zaak tot
32.  derüg sikkelen, ongeveer ƒ50, <lc gemiddelde waarde vnn een slaaf «f slavin (verg. Zach. XI:
12). Terwijl dezen als koopwaar behandeld worden, in zoover de gewaarschuwde eigenaar van eeu stoo-
tigen stier door hun dood niet schuldig wordt aan manslag, worden zij toch als mensehen beschouwd,
in zoover de slier die hun dood veroorzaakt heeft gesteenigd wordt.
33 v. Verg. Ilcut. XXII : H.
33.  toedekt, b. v. met een steen; verg. Gen. XXIX : 2, 8, 10; 2 Sftm. XVII: 19.
34.  het doode diirr. Verg. op XXII: 31.
1. schaap, of geit, een stuk kleinvce. — vier — tchaap. Waarom de diefstal van een rund betrck-
kclijk zwaarder wordt gestraft dan die van een schaap of geit, weten wij niet. Van ecne zevenvoudige
vergelding spreken -\' Sain. XII :(i (zie aldaar); Spr. VI: 31. — Van dit vers is vs. 34 het vervolg.
4.   Voor het tegenovergestelde geval geldt de bepaling van vs. 1.
5.  l)c woorden dan — afieeiden zijn uit Sam. en Gr. t. ingevoegd. — naar de opbrengst er van,
cl. w. I, naar die vnn den gedeeltelijk afgewe
61
iden akker of wijngaard, dewijl uit het overgeblevene de
schade kan worden begroot. Was die geheel afgeweid, dan ontbrak deze maatstaf, en was het billijk
dat hij het beste van zijn eigen land gaf.
G. of het geheele veld, al de korenhoopen, al de schoven en het nog ongemaaide koren, benevens
het opgnand hout.
7—13. Verg. Uv. VI: 2—4.
8. tot de godheid, de iu het plaatselijk heiligdom vereerde of, evenals XXI Ml, den huisgod van den
verdachte, welke god de daad had kunnen zien, indien zij bedreven was. Zeker bedoelde de bewerker
van het Boudsbock, waarschijnlijk reeds de oorspronkelijke opsteller, uitsluitend Jahwe; verg. vs. 11.
-ocr page 111-
BXODUS XXII : 9—23.                                             191
de godheid gebracht worden. Hij dien zij in het ongelijk stelt moet
10       het aan zijn naaste dubbel vergoeden.\' Wanneer iemand aan zijn naaste
een ezel, rund, Bcbaap of eenigerlei stuk vee te bewaken geeft, en dit
11    „ sterft of wordt sterk beschadigd, zonderdat iemand het ziet, \' dan moet
de eed bij Jahwe beslissen, of hij zijne hand niet uitgestoken heeft naar
zijns naasten have; de eigenaar zal biermede genoegen nemen, en de
12       ander de schade niet vergoeden.\' Maar is het hem ontstolen, dan moet
13       hij het den eigenaar vergoeden.\' Is het door een roofdier verscheurd,
dan zal hij het ten getuige bijbrengen en het verscheurde dier niet
vergoeden.
14           Vraagt iemand aan zijn naaste een stuk vee te leen, en dit wordt
sterk beschadigd of sterft, terwijl de eigenaar er niet bij is, dan moet
15       de ander het ten volle vergoeden.\' Maar is de eigenaar er bij, dan niet.
Is het gehuurd, dan is de schade in den huurprijs begrepen.
1(>           Wanneer iemand eene maagd die niet verloofd is verleidt en bij haar
ligt, dan moet hij haar voor den vollen huwelijksprijs tot vrouw koo-
17       pen. \' Indien haar vader volstandig weigert haar hem te geven, dan
moet hij eene som betalen overeenkomende met den prijs voor eene
maagd.
18           Eene toovenares zult gij niet in het leven laten.
19           De man die bij een beest ligt moet zeker ter dood gebracht worden.
20           Wie aan een anderen god oflert dan aan Jahwe alleen moet met
den banvloek geslagen worden.
21            Ken vreemde zult gij niet kwellen of verdrukken; want vreemden
22       zijt gij in Egypteland geweest.\' Weduwe noch wees zult gij mishande-
23       len;\' indien gij hem op eenige wijze mishandelt en hij roept tot mij,
9.   i/r godheid. In Hcbr. t. staat het gewone woord, elokiem, dat ook ,goden\' betcekencn kan, en
het werkwoord in het ongelijk Hellen in het meervoud; maar Sam. en Gr. t. heeft dit in het cnkcl-
voud, en de wetgever heeft zeker aan geen meervoud gedacht.
10.   tiert beschadigd, hier cu vs. 14 letterlijk gebroken. Daarna heeft grondt, nog of geratikelijk
weggevoerd;
wat door eene zeer verklaarbare schrijtfout onUtaan is. Het geval zou behooreu bij vs. 12.
11.  beiluten, letterlijk lunchen hen beiden zijn.
12.  Waarom hier, bij diefstal van vee, een andere regel geldt dnn, volgens vs. 7, bij diefstal van
in bewaring gegeven geld of goed, is niet zeker. Wellicht ontving de bewaker van vee daarvoor loon,
en was daarom zijne verantwoordelijkheid grooter.
13.   Dat deze regel niet altijd gevolgd werd, leert Gen. XXXI: 39.
11. een stuk vee te leen, duidclijkhcidshnlvc ingevoegd.
15. dan ie — begrepen, onzekere vcrtaliug.
10. voor den rolien huwelijktpriji tot vrouw konpen. Hij mag haar niet huwen op de goedkooper
voorwaarde waarop men eene weduwe of verstooten vrouw kon krijgen. Deut. XXII: 28 v. wordt de
prijs op vijftig zilverlingen bcpnuld. Verg. op Gen. XXXIV : 12. — Over de verleiding van ccue ver-
loofde maagd zie Deut. XXII: 23—27.
18.  Verg. op Deut. XVIII: 10 v.
19.   Verg. Lcv. XVIII:23; XX: 15 v.; Deut. XXVII: 21.
20.   Verg. Deut. XIII :0—18; XV1I:2—7. — mei den banvloek geslagen, d. i. door vernieling aan
do godheid gewijd, worden. Ken met den banvloek geslagen mensen of dier moest gedood, eene stad
vorbrand en voor altijd tot een puinhoop gemaukt worden. Wat niet verbrand kon worden verviel aan
een heiligdom; zie b. v. Joz. VI: 19, 24. Dikwijls treedt de oorspronkelijke beteckenis vim wijding
op den achtergrond en beteckent het woord eenvoudig .vernielen\'; verg. Deal. VII: 20.
21.   Een vreemde. Evenals hier, worden de vreemden, dat zijn de nakomelingen der Kanaiinicten
(verg. op XII: 19), in bescherming genomen XX: 10; XX111:9; Lcv. XIX:33v.; Deut. X:19; tcr-
wijl zij vaak. op écne li n met armen, weduwen en weezen, aan de liefdadigheid aanbevolen worden,
hcv. XIX: 10; XXII1:22; XXV: 35; Deut. X1V:29; XVI: 11, 14; XXIV: 14 v., 17—22; XXVI:
11—13; XXVII: 19 (verg. Deut. XXIII : 19 v.). Rij de oudere profeten komt deze vermaning niet voor,
maar wel Jer. VII :0; XXII: 3 en later. Het is niet onwaarschijnlijk dat die liefderijke stemming
jegens de vreemden eerst dngteekeut van de zevende eeuw, en dit vers tot de omwerking van het
Rundsbock in den geest van J)euteronominm behoort.
22.  Weduwen en weezen stonden in den ouden tijd, toen de rechtspleging niet geordend was en nie-
mands rechten door wetten omschreven waren, zeer vaak aan kncvclarijcn bloot; daar zij hun natuur-
lijken beschermer misten. Daarom sprongen voor hen vaak èn wetgevers (zie op vs. 21), èn wijzen
(Snr. XXIII : KI., èn profeteu (Jcz. 1:17, 23; X:lv.; Jer.V:28; VH:6; XXJI:3; Micha II:9;Zach.
VII: 9 v.) in de bres.
-ocr page 112-
bxodüS XXII: 23—XXIII: 2.
192
24       dan zal ik zeker zijn geroep verliooren:\' mijn toorn zal ontbranden en
ik zal u met liet zwaan! dooden; uwe vrouw zal weduwe en uwe
kinderen zullen weezen worden.
25            Wanneer gij aan uwen armen broeder die bij u woont geld. leent,
zult gij u niet jegens bem als een geldschieter gedragen: gij zult bem
20 geen rente opleggen. \' Wanneer gij op iemands kleed beslag legt, dan
27       moet gij bet bem vóór zonsondergang teruggeven;\' want bet is zijne
eenige bedekking, de bekleeding van zijne huid; waarin zal bij zich
ter ruste leggen/ Wanneer bij tot mij roept, zal ik hem verliooren;
want ik ben ontfermend.
28           God zult gij niet vloeken, en een overheidspersoon in uw volk
niet verwensenen.
29           Met de eerstelingen van uw dorschvloer en perskuip zult gij niet
achterlijk zijn; den eerstgeborene van uwe zonen zult gij mij geven.\'
30       Aldus zult gij doen met uwe runderen en uw kleinvee: zeven dagen
zal bet jong bij de moeder zijn; den achtsten zult gij het mij geven.
31            Heilige lieden zult gij mij zijn: vleesch dat op het veld ligt, door
een roofdier verscheurd, zult gij niet eten: gij moet het den honden
voorwerpen.
XXIII: 1 Gij zult geen valsch gerucht verbreiden. Bied hem die ongelijk
2 heelt de hand niet door een ongerechtig getuige te zijn. \' Gij zult de
menigte niet aanhangen in kwade zaken, noch in een rechtsgeding
23. Hem en hij, de vrccniilc van vs. 21. V». 214, 22 is met vs. H later ingevoegd; wat ook hieruit
blijkt ilnt hier de Israëlieten in het meervoud worden toegesproken, vs. 21a, 23 in het enkelvoud.
25. aan urne» armen broeder, volg. (Jr. vert.; Hcbr. t. aan mijn volk, den arme. — broeder, volks-
cn geloofsgenoot, Israëliet. — geldechieler, of leoeiiroor. Deze beide, voor ons vcrsehilleiule, hegri|>|>eii
liepen voor den Israëliet ineen, daar elke van een anderen Israëliet genomen rente ongeoorloofde winst
was, dus woeker kon heeten; verg. hcv. XXV : 3(5 v.; Peut. XXIII :19; I\'s. XV: 5; Spr. XXV1II:8;
Kzeeh. XVIII: S; XXII: 12.
20 v. Ken dergelijk gebod Peut. XXIV! 6, 12 v. Over het te pand nemen vim klecdercn wordt vaak
geklaagd, Job XXII: (i; XXIV: 3, Dj Spr. XX:1«; XXVII: 13; Am, 11:8; verg. op Peut. XXIV:0,
ook Spr. XXII: 86 v.
27.   waarin — leggen? Het opperklecd of de mnntel, een om de sehouders geworpen vierkante lap,
van den arme dikwerf het eenige kleedingstuk, diende hem des naehts voor deken; cu de uaehteu zijn
in 1\'alestinn vaak koud.
28.   De overheden, koningen, stnm- en familiehoofden, waren Jahwe\'» vertegenwoordigers; hun gezag
was goddelijk; hen te vloeken, jn, eigenlijk reeds hun ongehoorzaam te zijn, was dus heiligschennis,
/ie 1 Kou. 11:8».; Spr. XXIV: 21; vooral 1 Kou. XXI : 1(1 en op Lcv. XIX: 32 en 1 Sun. XXIV:
7. — Over het vloeken van (ïod zie Lcv. XXIV : 10—23.
21*. Met — iieeskitip, letterlijk Met. mee eolheid en uice leunen; dat daarmede de cerstgerijpte vrucht
vnn akker en boomgaard en het eerste uitgeperste sap van druiven en andere vruchten bedoeld wordt,
is de .loodsehe overlevering, in de oude vertt. uedergclcgd. Met andere woorden behelst deze vcrorde-
ning hetzelfde als XXIII : 19. — den — geren. Zie op XIII : 2.
3(1. Hier staat niet dat het dier eerst den achtsten dag geschikt was ten offer (I*cv. XXII: 27),
maar dat bet op dien dag moest geofferd worden; wat alleen bij veelheid van heiligdommen moge-
lijk was. — Pc wet XIII: 2, 11—13 is uitvoeriger.
31. Volg. XXI: 33—3G werd het lijk van een door een ongelukkig toeval omgekomen dier nis voor-
80
werp van wnarde behandeld en was dus niet onrein. Zoowel om deze tegenstrijdigheid als omdat de
Israëlieten hier in het meervoud worden aangesproken — anders dim in hetgeen voorafgaat en in wat
volgt — is dit vers later ingevoegd. Het varbod verscheurd vleesch te eten wordt Lev. XXII: 8;
Kzeeh. XI.IV:31 tot de priesters beperkt; Iicv. XI: 10; XVII : 15 wordt eene kleine straf op de ovcr-
48
treding gezet. Oorspronkelijk was „het verscheurde" (terrfa) wellicht onderscheiden vnn „het nas"
{nebela), Peut. XIV: 21, tl. i. het vleesch van ecu zijn natuurlijken dood gestorven dier, dat aan
vreemden moeit verkocht worden (verg. Iiev. VII: 21). Voor de Intcre Joden hebben beide termen
dezelfde beteckenis, die van niet goed geslacht vleesch, gekregen. Op onzen tekst en Peut. XIV: 21
steunt de gehcele Joodsche verordening omtrent het slachten.
2 v. Bezoldigde rechters, verplicht elke twistzank welke vóór hen gebracht werd te onderzoeken,
waren er destijds niet. De oudsten en andere bestuurders, priesters en aanzienlijken, beslisten gcsehil-
len, indien zij dit verkozen, en werden daarvoor door de strijdende partijen beloond (verg. op vs. 8).
Indien aanzienlijken zich aan kiievclnrijcu schuldig maakten,
B3B
kouden zij te moeilijker beteugeld wor-
den, omdat zij zelveu meestal rechters waren. Vandaar de herhaalde vermaningen tegen de niuler-
drukkiug der armen (verg. o. n. op XXII: 22) en het verkrachten van het recht (vs. o v.; Lev.
XIX: 15; Deut. 1:17; XVIÜU; Spr. XVH:15; XVIII: 5; XXIV :3.1a—25 enz.). Paar een anno
iaak moeite had ecu rechter te vinden, d. w. i. ceu invloedrijk man die zich zijne zuuk aantrok, be-
-ocr page 113-
193
bxodus XXIII: 2—15.
3       instemmen met de menijrte om het recht te verkrachten. \' Ook zult
gij den geringe niet opluisteren in zijn geding.
4            Wanneer gij het rund of\' den ezel van uwen vijand verdwaald aan-
5       treft, dan moet gij ze hem zonder teil terugbrengen. \' Wanneer gij
den ezel van uwen hater ziet bezwijken onder zijn last, zoo moogt
gij hem niet aan zijn lot overlaten: gij moet liem zeker helpen.
Ct          (lij zult het recht van den behoeftige in zijn geding niet krenken.\'
7       Houd u ver van valsche zaken, en dood den onschuldige en hem die
het recht aan zijne zijde heeft niet; want ik zal hem die ongelijk
8       heeft niet in het gelijk stellen. \' (Jok zult gij geen geschenk aanne-
men; want liet geschenk maakt de oogen van zienden blind en ver-
9       draait de zaken van wie recht hebben. \' Den vreemde zult gij niet
verdrukken; gij zelven weet, hoe liet een vreemdeling te moede is,
daar gij vreemdelingen in Egypteland geweest zijt.
10           Zes jaren zult gij uw land bezaaien en de opbrengst er van inoog-
11       sten;\' maar het zevende zult gij liet aan zich zelf overlaten en braak
laten liggen; dan eten daarvan uwe behoeftige lanilgenooten, en wat
zij overlaten eten de dieren des velds. Desgelijks zult gij met uwen
12       wijngaard en olijvenhof doen.\' Zes dagen zult gij uw werk verrichten
en op den zevenden zult gij rusten; opdat uw rund en uw ezel uitrus-
ten en de zoon uwer slavin en de vreemde adem scheppen.
13           In al wat ik u gezegd heh zult gij u in acht nemen, en den naam
van andere goden zult gij niet vermelden; hij zal uit uw mond niet
gehoord worden.
14, 15 Drie keeren \'sjaars zult gij te mijner eer feestvieren. \' Het feest
Vs. 15a. XXXIVH8.
teckent de bede: richt mijl of: wees mijn rechter! (Ps. VII: 9 cu elders) zooveel als: trek u mijne
belangen aan; red mij. Verg. Luc. XVIII: 1—8.
2.  inilemmen, vooral door het afleggen van getuigenis naar haar wensch. — hel recht, volg. Gr.
vert. ingevoegd.
3.  Ook Lev. XIX: 15 wordt gewaarschuwd tegen het voortrekken van den arme; wat uit mis-
plaatst medelijden of uit haat tegen een machtige geschieden kon. Daar de uitdrukking „een nrme
opluisteren" zeer vreemd is, en de waarschuwing, als rechter den rijke niet voor te trekken, ont-
breekt, is het waarschijnlijk dat hier eenige woorden uitgevallen zijn en Lev. XIX: 15 de oorsprcm-
kelijkc vermaning behelst. Het kan ook zijn dat uit het woord door geringe vertaald cenc letter is
weggevallen en in plaats daarvan moet gelezen worden groote.
4 v. Dcut. XXII: 1—4 bevat over verloren goederen en neergevallen dieren van den broeder, d. i.
volksgenoot, verordeningen die blijkbaar van eencrlei oorsprong zijn met deze. Hier staan ze waar-
schijnlijk in dcu oorspronkclijkcu vorm, maar zijn wellicht later ingclnscht; immers zij breken het
verband tusschen vs. 1—3 en vs. 6—9.
5. gij moet — helpen, zeer onzekere lezing en vertaling. De vergelijking van Dcut. XXII: 4 leert
dat dit bedoeld is.
7.  dood — niet, door valsche rechtspraak.
8.  de oogen van, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t. — Op hetzelfde gevaar wordt gewezen Dcut.
XVI: li); XXVII:25; 1 Sam. VIII: 3; Prcd. VII: 7; verg. op Oen. XX: 10.
9.   Verg. XXII: 21.
10 v. Uitvoeriger dezelfde verordening Lev. XXV: 2—7; zie aldaar. In écu opzicht wijken zij wei-
licht van elkander af. Terwijl Lev. XXV duidelijk voorschrijft dat in een en hetzelfde jaar, het sab-
batsjaar, alle akkers en boomgaarden te gelijk onverplcegd moeten blijven en geencrlei oogst mag
worden binnengehaald, kan de bedoeling van deze plaats zijn dat ieder eigenaar het zevende jaar
waarin hij land of gaard bc/.it ze aan hun lot moet overlaten; evenals XXI: 2 niet verordent, dat alle
slaven in hetzelfde jaar moeten vrijgelaten worden, maar elke slaaf in het zevende jaar van het ver-
lies zijner vrijheid.
11.  daarvan, duidelijkhcidshalvc ingevoegd. Ilcdocld is: wat vanzelf opkomt.
12.  De drijfveer der sabbatsviering is hier ongeveer dezelfde als in Dcut. V:12—14 en cenc andere
dan in Exod. XX : 8—11. — de zomi uwer tlavin, eigenlijk dus alleen de in uw huis geboren slaaf;
maar de gehcelc slavcnstoct zal wel bedoeld zijn.
18. Dit vers is blijkbaar het slotwoord van cene verzameling. — den naam — worden, in over-
eenstcmming met Joz. XX1II:7; Ps. XVI: 4; Hoz. 11:16; Zach. XIII: 2.
14—19. Dit deel van het aanhangsel op het liondsbock (verg. lul.) heeft zoovele punten van over-
ceukomst met XXXIV: 18—26, dat die twee reeksen van verordeningen onmogelijk onafhankelijk van
elkander kunnen ontstaan zijn. Waarschijnlijk zijn beide bewerkingen van een ouderen tekst, cu geeft
O. T. I.                                                                                                                        13
-ocr page 114-
EXODUS XXIII: 15-21.
194
der ongezuurde bronden zult gij onderhouden; zeven dagen zult gij
ongezuurd brood eten, zooals ik u bevolen heb, op den bepaalden tijd
in de maand Abib: want daarin zijt gij uit Egypte getrokken; en
lö men zal mijn aangezicht niet met ledige handen gaan zien.\' Voorts
het oogstfeest, dat der eerstelingen van het door u op den akker ge-
zaaide; en bet inzamelingsfeest, aan liet einde van het jaar, wanneer
17       gij de vrucht van uw werk van het veld inzamelt. \' Driemaal \'sjaars
zullen al uwe mannen het aangezicht van den Heer Jahwe gaan zien.\'
18       (lij zult het bloed van een aan mij gebracht offer niet bij ietsgezuurds
offeren; en het vet van mijn feestoffer mag niet tot den morgen over-
11) blijven. \' He keur der eerstelingen van uwen grond zult gij in het
buis van Jahwe, uwen god, brengen, (jij zult niet koken het bokje
in de melk zijner moeder.
20           \'Zie, ik zend mijn engel voor u uit, om u te hoeden op den weg
21       en u te brengen aan de plaats die ik bereid heb. \' Wees voor hem
Vs. 154. XXXIV: 204; Deut. XVI: 104. — Vs. 16. XXXIV : 22. — V». 17. XXXIV:28; Peut. XVI:
10. — Vs. 18. XXXIV: 25. — Vs. 19a. XXXIV:26a. — Vs. 1»4. XXXIV: 204; Deut. XIV : 214.
nu ecu» de ecue, tlitn weer ile andere het oorsproukclijke terug. De drie groote feesten worden, bc-
httlve op deze beide plaatsen, behandeld Deut. XVI :1—17 (verg. 2 Kram. VII 1:13, nok 1 Kon. IX:
25). Lev. XXIII kent meer feesten.
15.  Over het feest der ongezuurde brooden zie op XII: 15—20. — Abib. Zie op XII: 2. — men —
zien, volgens veranderde klinkers; Hebr. t. kan vertaald worden mijn aangezicht zal niet met ledige
handen gezien tcorden;
maar zij die de klinkers bij de letter» plaatsten bedoelden waarschijnlijk tij
zullen voor mijn aangezicht niet ledig rerschijnen,
en wilde «Int zoo gelezen werd, om de Gode on-
wanrdige uitdrukking, die als mogelijk onderstelde dat hij gezien werd, te vermijden. Ook in vs. 17;
XXXIV:SS; I)eut. XVI:16; XXXI: 11; 1 Som. 1:22; I\'s. XMI:3; Jez. 1:12 zijn om dezelfde
reden klinkers gekozen tegen de oorsproukclijke bedoeling. Overigens is het voorschrift hier, evenals
XXXIV: 20, vreemd geplaatst, alsof men alleen op het feest der ongezuurde brooden met gescheu-
ken moest komen; in Deut. XVI: 16 staat het gepaster.
16.   De naam oogst/eest komt alleen hier voor. Bedoeld is het feest dat XXXIV: 22; Deut.
XVI: 10, 16 het weken/eest en Nam. XXVIII: 26 de dag der eerstelingen heet (verg. op XXXIV:
22), en dnt later, dewijl het vijftig dagen na den laden Nizan werd gevierd (Lev. XXIII: 15 v.),
met het Grickschc woord voor .vijftigste\', pentecoile, bij ons in pinksteren verbnsterd, auugcduid
werd. — het inzamelingsfeest. Dezelfde naam en, met een ander woord, dezelfde tijdsbepaling XXXIV :
22. Bedoeld is het feest dat Lev. XXIII: 33—35, 31»—Vi.; Deut. XVI: 13, 16 tukkolh- of loof-
hullen/eest
heet. — aan — jaar, iu den herfst. Later werd het, volg. Lev. XXIII: 34, op den
loden der zevende maaml (Tisri) gevierd. — wanneer — inzamelt. Deze woorden, die XXXIV: 22
ontbreken, zouden aanleiding kunnen geven tot misverstand; immers, het inzamelingsfeest was niet
het einde van den vcld-, maar van den vruchtcnoogst, vooral dien der druiven; zie Deut. XVI: 13.
17.  het — zien, volg. Sam. t.; Hebr. t. zullen al uwe mannen voor het aangezicht van den lieer
Jahwe verschijnen;
verg. op vs. 15.
18.   (jij — oberen. De vreemde uitdrukking „bloed offeren" komt alleen hier, de nog vreemder
„bloed slachten" alleen XXXIV : 25 voor. /e beteekenen zeker zooveel als „bloed aanbieden", „een
bloedig olfcr brengen". Hetzelfde verbod van ziiurdecsem Lev. 11:11. Zie aldaar en op Lev. VII:
13. — hel vet — overblijven. In XII: 10; XXXIV: 25 is dit verbod beperkt tot het paaschotfer. De
latere wet staat toe dat het vleesch van sommige offers nog een dag langer overblijft, Lev. VII:
16—18; XIX: 5—8, en verbiedt dit bij inden, Lev. VII: 15; XXII: 29 v. Van het vet zegt zij
niets. Onder vet werd niet al het vet verstaan, waarmede het vleesch doorregen of aan de huidzrjde
bedekt is, maar cenige bepaalde dcelcn; zie XXIX: 13, 22; Lev. III: 3 v., 9 v., IV : 8 v.; VII: 3 v.;
verg. Lev. VII: 23—27.
19.   De keur der eerstelingen. Het latere Jodendom heeft onder hetgeen Jahwe of zijnen priesters
toekwam onderscheiden: de keurgaee (resjieth) en de eerstelingen (bikkuriem); maar de wet doet dit
niet en gebruikt die twee benamingen door elkander, Num. XVIII: 12 v.; Deut. XVIII: 1; XXVI: 2,
10, nok \\i\'h. X: 35, 37. Wanneer men niet, als de latere Joden, die tegen den oogst- en den iu-
zamclingstijd de halmen en vruchten welke het eerst rijp waren met een bandje teekenden, om bc-
paald deze voor Jahwe te bestemmen, angstvallig drukt op het woord eerstelingen, maar dit opvat
als dat wat het eerst te zijner tijd ingcoogst en ingezameld is, dan is de keur der eerstelingen het
beste van dat gedeelte van den koren- of vruchtenoogst dat het eerst is binnengehaald, wat elders de
keurgaee
of de eerstelingen heet. — koken — moeder. Dit was waarschijnlijk een godsdienstig gebruik
tijdens den vruchtenoogst; men besproeide dan met de melk waarin het bokje gekookt was akkers en
boomen, ten einde zich voor het volgend jaar een rijken oogst te verzekeren. Nog heden ten dage
wordt in Palestina door de landsbevolking een gerecht bereid dat „het bokje in de melk zijner moe-
der" heet en waarbij onverstaanbare formulcn gepreveld worden. Als afgodisch gebruik, wordt het
herhaaldelijk in de wet afgekeurd. — Uit dit verbod is bij de latere Joden de verordening gespon-
iicii, geen vleesch- en melkspijzen te gelijk te gebruiken, noch ze zelfs op éenc tafel te zetten.
20.   mijn engel, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. een engel. Zie op Gen. XVI: 7.
-ocr page 115-
EXODUS XXIII: 21—33.
195
op uwe hoede en hoor naar hem. Weerstreef hem niet; want liij zal
uwe misdrijven niet vergeven, daar mijn naam in zijn binnenste is.\'
22       Maar indien gij goed naar mij hoort en doet al wat ik spreken zal,
dan zal ik de vijand uwer vijanden en de tegenstander uwer tegen-
23       standers zijn: \' want mijn engel zal voor u uit gaan en u hrengen
tot de Amorieten, Hittieten, Perizzieten, Kanaiinieten, Hiwwieten en
24       Jebuzieten, en ik zal hen vernietigen. \' Gij zult u voor hunne goden
niet nederwerpen noch hen dienen, en gij zult hunne werken niet
navolgen, maar zonder verschooning ze onderstboven werpen en hunne
25       wij-steenen kort en klein slaan,\' en gij zult dienen Jahwe, uwen god.
Dan zal ik uw brood en water zegenen en ziekte uit uw midden ban-
26       nen;\' geene vrouw zal in uw land eene misdracht hebben of kinderloos
27       blijven; het getal uwer levensdagen zal ik vol maken. \' Ik zal den
schrik voor mij voor u uit zenden, het geheele volk tot hetwelk gij
komen zult in verwarring brengen, en zorgen dat al uwe vijanden
28       u den rug toekeeren. \' Ook zal ik horzelen voor u uit zenden, die
de Hiwwieten, Kanaiinieten en Hittieten voor u zullen verdrijven.\'
29       Niet binnen éen jaar zal ik hen voor u uit verdrijven; opdat het land
30       geen woestenij en het wild gedierte u niet te talrijk worde. \' Lang-
zamerhand zal ik hen voor u uit verdrijven, totdat gij zoo vruchtbaar
31       zijt dat gij het land beërven kunt.\' En ik zal tot uw grondgebied
maken het land van de iSchelfzee tot de Filistijnsche Zee en van de
woestijn tot de Rivier; want ik zal de bevolking des lands in uwe
32       hand geven en ze voor u uit verdrijven. \' Gij zult met hen en hunne
33       goden geen verbond sluiten.\' Zij mogen in uw land niet wonen; opdat
zij u niet verleiden tegen mij te zondigen; want gij zoudt hunne go-
den, dienen en dit zou u ten valstrik zijn.
21.  mijn — it. I)c engel van Jahwe in wien zijn naam of wezen is, vertegenwoordigt hem, den (te-
strengen, naijverigeu god; verg. op XXXIII : In, op l)cut. XII: 5 en op Jez. XXX: 17.
22.   mij, letterlijk mijne item, volg. Sam. en Gr. t.; Hehr. t. zijne, des engels, item.
24.  gij — navolgen. Gij zult uwen god niet dienen zooals de Kanaiinieten de hunne; verg. Umi.
XII :2—1, 29—31.
25—31. Dergelijke beloften Lev. XXVI: 3—13; Deut. VII: 12—21; XXVIII: 1—M; XXX: 9.
25.  zal ik, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zal hij.
20. het — maken. Geen uwer zal ontijdig aan zijn einde komen; verg. Jez. IiXV : 20.
27.  den rug, letterlijk den nek.
28.  horzelen voor u uil zenden. Dezelfde uitdrukking Deut. VII: 20; Joz. XXIV: 12. Daar horzels,
evennla wespen en bijen, vank mensc-h en dier op de vlucht jngon, doelt deze toezegging op de ver-
schrikking waaraan de vijanden van Jahwe\'s volle, nog voordat zij het zagen, tot prooi zouden zijn.
Verg. op Jer. XLVI: 20. — de Hitowielen — Hiltielen. Alleen hier worden, ter beschrijving vun
Kanniins oude bevolking, slechts drie, in plaats van zes of zeven, volken opgeteld; Sam. t. ......mi
er zeven.
29.   Dat Israël de Kanaiinieten niet had kunnen verdrijven was hun die in Jahwe\'s macht geloofden
onbegrijpelijk. Zij zochten er dus eene verklaring voor. Dezelfde reden als hier komt Deut. VII: 22
voor; twee andere Kicht. 11:20—111:0; zie aldaar.
31. Dezen omvang heeft Israëls land alleen een korten tijd onder David en Salomo gehad. Verg. op
Deut. 1:7. — de Filittijmche Zee, d. i. de Middellaudsche. — de Xivier, den Kufraat. — ik zal te
voor v «il verdrijven,
volgens een anderen klinker, in overeenstemming met Sam. en Gr. t.; Hebr. t.
gij tuil — verdrijven.
33. Zij — tconen. Dit klinkt vreemd na vs. 30; waarschijnlijk is vs. 31—33 van eene andere hand.
— want — zijn. Verg. Deut. VII: 25.
HOOFDSTUK XXIV: 1—11.
De bondsluiting. — Mozes ontvangt den last om met Aaron, Nadab, Abihu en zeventig oudsten
naar Jahwe op t« klimmen; terwijl zij op een afstand moeten aanbidden, zal alleen Mozes hem nadc-
ren; het volk mag in het geheel niet opklimmen (1 v.). Mozes deelt aan het volk al de verordenin-
gen van Jahwe mede, en het volk belooft gehoorzaamheid; waarop Mozes ze in een boek schrijft, een
altaar met twaalf wij-steenen bouwt, het verbondsboek voorleest en, nadat het volk beloofd heeft het
-ocr page 116-
EXODUS XXIV: 1-11.
196
daarin verordende te /.uilen onderhouden, door sprenging van het bloed der offerdieren, een verbond
tussrhen Juhwe en het volk sluit (3—8). /ij die met Mozcs tot Jahwe mogen opklimmen zien Israëls
god, die hun geen leed doet, terwijl zij vóór hem eten en drinken (!)—11).
Hier zijn twee legenden, vs. 1, 2, 9—11 en vs. 3—8, die niet» met elkander gemeen hadden, met
elkander vereenigd. De eerste behoorde waarschijnlijk tot het Jahwistiseh verhaal over de openbaring
aan den Sinai, waarvan slechts een fragment overgebleven is (verg. iul. op XIX tl—XX.: 21). De
andere behoorde bij het Bondshock en stond dus hiermede oorspronkelijk op cene andere plaats (verg.
iui. op XX: 22—XXIII: 33).
XXIV: 1 Tot Mozes zeide hij: Klim tot Jahwe op met Aiiron, Nadab, Abihu
en zeventig van Israëls oudsten, en werpt u op grooten afstand ter
2 neder; \' Mozes alleen zal tot Jahwe naderen; maar zij mogen niet
naderen, en het volk mag niet met hem opklimmen.
ü          Mozes nu kwam en deelde aan het volk al de woorden van Jahwe
en de verordeningen mede; waarop het geheele volk eenstemmig ant-
4       woordde: Al wat Jahwe gesproken heeft zullen wij doen. \' Nu sehreef
Mozes al de woorden van Jahwe op, maakte zich den volgenden iuor-
gen gereed en bouwde een altaar aan den voet des bergs, benevens
5       twaalf wij-steenen voor de twaalf stammen Israëls.\' Voorts zond hij
Israëlietische jongelingen, en dezen brachten stieren als daukoffers voor
(i Jahwe. \' Toen nam Mozes de eene helft van bet bloed en deed het
7       in bekkens, terwijl hij de andere helft op het altaar sprengde.\' Daarna
nam hij het verhondshoek en las bet aan het volk voor; waarop dit
zeide: Al wat Jahwe gezegd heeft zullen wij doen, en wij zullen ge-
8       hoorzamen.\' En Mozes nam het bloed, besprengde daarmede het volk
en zeide: Dit is bet bloed van bet verbond hetwelk Jahwe niet u
sluit, op grond van al deze woorden.
9           Toen klom Mozes met Aiiron, Nadab en Abihu en zeventig van
10       Israëls oudsten op,\' en zij zagen den god van Israël; onder zijne voe-
11       ten was als een vloer van satfiersteen, klaar als de hemel zelf.\' Hij
strekte zijne hand niet naar Israëls aanzienlijken uit, en zij aanschouw-
den God en aten en dronken.
1.   Nadab, Abihu, zonen van Aiiron. Sam. t. voegt er hier en vs. 9 Klcazar en Ithamar bij; zie op
Lev. X:l—3.
2.   Mozes — naderen. Dit komt niet goed overeen met vs. 9—11, waar Mozes niets boven de an-
dcren voor heeft. Wellicht is het vers hier ingevoegd, ten einde Mozes\' uitsluitende bevoegdheid om
nis .lahwc\'s tolk te spreken duidelijk te doen uitkomen.
4.  aan den voet des bergs, waarschijnlijk aan den tekst toegevoegd, toen het verhaal naar den Sinai
verplaatst werd. — wij-sirenen. De Sam. en Gr. t. heeft sirene», welke lezing wel ontstaan zal zijn
uit bevreemding dat Mozcs hier wij-steenen opricht, wnt in zijne eigene wet verboden was, Lev.
XXVI : 1; Deut. VII: 5; XII: 2—4; XVI: 22. Maar voor (125 waren ook Isrnëls wetgevers niet af-
keerig van het gebruik van wij-steenen. Verg. op Gen. XXVIII: 18.
5.  jongelingen. Vun Levieten of andere leden van een priesterstam geen sprake.
(!. Het bloed der offerdieren speelt onder Israël, gelijk bij alle oude volken, cene grootc rol. Wie er
mede bcspreugd wordt verkrijgt daardoor deel aan de verplichtingen en zegeningen die het offer op-
legt en aanbrengt. Nadat het bloed op het altaar gestort of aan den altaarwand gesprenkeld wus, werd
Jahwe gerekend gehouden te zijn zijne beloften te vervullen; door de hesprenging van het volk werd
dit van zijn kant verplicht om Jahwe\'s bevelen op te volgen, maar tevens van zijne gunst verzekerd.
Verg. Zttch. IX: 11; Matth. XXVI: 28; 1 Kor. XI: 25; Hcbr. IX: 18—22; XII: 24; 1 Petr. 1:2.
8. nam het bloed, de helft die hij in de bekkens gedaan had.
10.  zagen den God van Israël. Gr. vert. zet in plaats hiervan zagen de plaats waar Israëls god
gestaan had,
om de Gode onwaardige voorstelling te vermijden. — als een vloer, letterlijk als een
werk.
— saffiersteen, letterlijk saffiertichelen, een hemelsblauw edelgesteente dat XXVIII: 18; XXXIX:
11; Job XXVlUlC, 10; Jez. LIV:11; Klaagl. IV:7; Kzec.h. 1:26; X:l voorkomt.
11.   Hij — uit, hij deed hun geen leed, terwijl toch het zien van God gevaarlijk was; verg. op
Gen. XVI: 13. — aanzienlijken, onzekere vertaling. Anderen uitgelezenen. — aten en dronken, verheug-
den zich als Gods dischgenooten.
INLEIDING OP HOOFDSTUK XXIV : 12—XL : 38.
Een klein gedeelte dezer hoofdstukken, XXIV: 12—18; XXXII—XXXIV, behelzende het verhaal
van Israëls zoude bij den Horeb en hare gevolgen, sluit zioh onmiddellijk aan de verhalen over
-ocr page 117-
INLEIDING OP BXODÜS XXIV : 12—XL : 38.
197
Jahwc\'s openbaringen bij en op den heiligen berg aan, en is, evenals deze, aau het Oudc-Sageuboek
ontleend. Zie verder inl. op XXXII—XXXIV.
Het overige drangt een geheel ander karakter. Het bevat verordeningen omtrent de samenstelling
van een draagbaar heiligdom met toebchooren, en de nanstelling en wijding van de priesters die
daarin dienst zouden doen (XXV—XXXI), beuevens de luedcdceling, hoe deze zijn opgevolgd en dicn-
volgens aau den Sinai de eeredienst iu dat heiligdom is aangevangen (XXXV—XL). Hij deze laatste
hoofdstukken behoort Lcv. VIII, waar verhaald wordt dat de verordening aangaande de wijding der
priesters ten uitvoer is gelegd.
Deze gcheclc voorstelling behoort tot het gebied der verdichting. Zij onderstelt dat de Israëlieten
reeds bij den Sinai en gedurende de omzwerving een eenig heiligdom hadden; maar hiervan is nog
vele eeuwen later geen spoor onder Israël te vinden. Kerst de wet van Deuleronomium, in 025 uitgc-
vaardigd, verordent dat van Israëls komst in kiinniin af Jahwe slechts op eene plaats door offers
geëerd mocht worden (verg. inl. op Deuteronomium). Van een eenig heiligdom in de woestijn is ook
daar geen sprake, uog veel minder van ecu eisch tot het uitsluitend recht op priesterlijke bcdicuin-
gen voor de Aüronietcn. De oudste onzer hoofdstukken, XXV—XXIX, maakten, behoudens enkele later
ingevoegde verzen (XXVII: 20 v.j XXVIII: 41—IS; XXIX: 30—12), deel uit van Ezra1» Wetboek en
zijn dus opgesteld iu de vijfde eeuw. Iu den vorm vau geboden van Jahwe omtrent den bouw cu de iu-
richting van ecu draagbaar heiligdom, dat iu de woestijn moest gebruikt norden, geeft de schrijver te kennen,
hoc hij wenschte dat de eeredienst in den herbouwden tempel te Jeruzalem zou worden ingericht.
Hij ontleende de benaming „tent der samenkomst" voor dat heiligdom aan het oude verhaal XXXIII:
7—11, maar maakte er iets geheel anders van. De pliints waar Jahwe aau Mozes openbaringen ver-
lccudu en Jozun, de Efraimiet, dag en nncht vertoefde werd bij hem een tempel waarvóór werd ge-
ollerd cu waarin slechts Aüronietcn op bepaalde tijden mochten binnengaan. Zijn model voor de in-
richting des heiligdoms was de tempel van Salomo, maar zoo gewijzigd dat het vervoerbaar werd.
Zijne opvatting van de beteekenis der ark is die van Deuleronomium (zie op XXV : 10—22).
Wat de verordeningen omtrent Aiiron cu zijne zonen betreft, later aangevuld door voorschriften
over de plaats die de Levieten, als handlangers der priesters, in de gemeente moesten innemen (Num.
1:18—53 en elders), deze waren voor ecu gedeelte nieuw. De wetgever zocht dnarmede orde te schep-
pen in een zeer verwarden toestand. Aüronietcn heetten oorspronkelijk de priesters aan de voor-
naamstc N\'oord-Israclictische heiligdommen. Toen dezen tengevolge van Jozia\'s hervorming van hunne
bedieningen beroofd waren, verkregen velen vau hen een ambt iu den Jeruznlemschcii tempel, waarop
zij volgens de wet vau Deuteronomium recht hadden (zie Dcut. XVIII: 1—8). Dat zij daar dienst
deden was lniigeu tijd voor menigen afstammeling der oude Jeruzulemsehc pricstcrfnmilicn eene erger-
nis (zie op Kzcch. XLIV : 10—10), manr werd langzamerhand, vooral na het herstel van den eere-
dienst in het herbouwd Jeruzalem, als ecu feit, iets waaraan niet te veranderen viel, aanvaard. Om de
eenmaal verkregen rechten niet te schenden cu met den feitelijkcu toestand rekening te houden, werd
Aiiron gemaakt tot den stamvader van alle wettige priesters, eu aan de priesterfamiliën die voor de
Hallingsehnp in den tempel dienst gedaan hadden, de Sadokictcn, eene eervolle plaats onder zijne
afstammelingen ingeruimd (zie verder op Lcv. X: 1—3 ; Num. XXV eu elders).
De iukleediug die deze schrijver gekozen heeft voor zijne verordeningen is niet alleen door hem
zclven steeds volgehouden, manr ook door allen gevolgd die, in zijn voetspoor tredende, nieuwe wct-
tcn betreffende het godsdienstig leven vervaardigden of oude voor de omstandigheden hunner dagen
pasklaar maakten (b. v. I/cv. XVII). In alle verordeningen van Kxodut, Leiiticut en Suimri die later
geschreven zijn wordt het bestaan ondersteld van eene tent der sameiikomst waarbij Aürou en zijne
zonen, door Levieten bijgestaan, den dienst leiden. Ook den geschiedschrijvers van dien tijd gold die
voorstelling vau ecu Mozaïsch heiligdom voor waarheid; zie 1 Kron. XXI:29v.; 2 Krou. 1:3—0;
V:5; verg. op 1 Kon. VIII: 1—t.
II. XXX, XXXI behoort niet tot het oorspronkelijk werk, maar is er aan toegevoegd om de
verordeningen van Ezrn\'s Wetboek aan te vullen en meer iu overeenstemming te brengen met den
bestaanden eeredienst. Nog later is XXXV—XL; Lev. VIII geschreven, behelzende een uiterst
langdradig verhaal, hoe al de voorschriften van XXV—XXXI stipt zijn opgevolgd. De gelijksoortige
onderwerpen, in de voorafgaande hoofdstukken dikwerf gescheiden, zijn hier bijeengevoegd: werd b. v.
de vervaardiging van het wierookaltaar en het waschvat, niet in II. XXV, waar het behoorde, maar
in het aanhangsel, H. XXX, verordend, hier wordt de vervaardiging dier heilige voorwerpen te voeg-
zamcr plaatse vermeld (XXXVII: 25—29; XXXVIII: 8). Enkele malen is het oude stuk gebrekkig
verstaan (zie op XXXVIII: 21); meestal is het bericht omtrent de tenuitvoerlegging van Jahwc\'s ge-
boden in dezelfde bewoordingen als die geboden zelve vervat.
Vreemd is het dat de Griekschc vertaling van XXXV—XL dcu tekst hier en daar bekort en elders
in geheel andere volgorde weergeeft. Dit wekt het vermoeden, hetwelk door do veelvuldige hcrhnlin-
i
-ocr page 118-
198
BxoDue XXIV : 12—XXV : 3.
gen cu het verschil in stijl (verg. inl. op II. XXXIX) wordt bevestigd, dat XXXV—XL niet op een»,
inntir stuksgewijze ontstaan is. .Nog d
17
uidelijker dan hunne voorgangers, wilden de schrijvers van de
jongere gedeelten hun volk inprenten, dat ,\\lozes zeer nauwgezet de voorschriften vun Jahwe had ten
uitvoer gelegd.
HOOFDSTUK XXIV: 12—18.
Mozes\' verblijf op den berg. — .Mozes moet eenigen tijd bij Jahwe kuineu doorbrengen, om steencn
tafelen cu wetten te ontvangen (12); hij beklimt met Jozun den berg, na het bestuur over het volk
aan Aiiron eu Uur te hebben opgedragen (18 v.). Terwijl de wolk den berg bedekt, ontvangt Mozes
den zevenden dng den last tot Jahwe te naderen (15—17); hij klimt op en blijft veertig etmalen op
den berg (18).
Wij hebben in deze verzen het werk van twee schrijvers: vs. 12—14, 184 is uit De Elohist en
dient tot inleiding op het verhaal XXXII—XXXIV; terwijl vs. 15—18a aan Ezra\'s Wetboek ontleend
is en bij XXV—XXXI behoort.
XXIV: 12 Jahwe zeide tot Mozes: Klim tot mij op den berg en vertoef
aldaar; opdat ik u de steenen tafelen geve en de wet en liet gebod
13       die ik gesebreven bel) om ben te onderrichten.\' Zoo stond Mozes op,
14       niet zijn dienaar Jozua, en Mozes beklom den berg Gods; \' nadat bij
tot de oudsten gezegd bad: Blijft bier totdat wij tot u terugkeeren.
Inmiddels zijn Aiiron en Hur bij u; al wie eene rechtzaak beeft begeve
ziclt tot ben.
15, 1(5 Toen Mozes den berg beklom, bedekte de wolk den berg.\' De heer-
1 ijkheid van Jahwe verbleef op den berg iSinai, die zes dagen lang
door de wolk bedekt was. En op den zevenden riep hij Mozes uit liet
17       midden der wolk. \' Jahwe\'s heerlijkheid had in het oog der Israëlieten
18       de gedaante van een brandend vuur, op den top des bergs.\' Mozes
dan ging de wolk in, den berg op. En Mozes bleef op den berg veertig
dagen en nachten.
12.  tafelen, pinten. Wat hier van de tafelen gezegd wordt, is onduidelijk. Het blijkt namelijk niet,
of daarop alle reeds gegeven wetten, dus ook het gehecle Hondsbock, was te lezen, of dat God anu
Aiozes èn de tafelen, en een eigenhandig door hein geschreven wotboek zou inedegevcn. in het oor-
spronkclijkc verhaal stond zeker, evenals l)cut. IX: 10; X : 4, dat Jahwe op de tafelen alleen de Tien
Woorden bad gegrift; maar de man die het Oudo-Sagcnboek met Lenleronomium verbond, cu die, nu hij
eenmaal het Houdshock, evenals de Tien Woorden, aan den Sinai had doen afkondigen, beide als
goddelijke wetten op eene lijn moest plaatsen, schoof tiisschcn de woorden de t\'.eenen tafelen die ik
getehreven heb
in en de iret en het gebod, en voegde er om hen te onderrichten aan toe. Had hij het
nagelaten, dan zou het zonder twijfel door den Verzamelaar gedaan zijn, die Mozes op den berg ook
de gehecle verordening XXV—XXXI liet ontvangen. — Eene wet op steenen, houten of metalen platen
te schrijven en haar op die wijze ten toon te stellen, was in de oudheid zeer gebruikelijk (verg.
Deut. XXVI1:2—t, 8; Joz. VIII: 32). l)e gewone vorm van die platen was bij de Eenicicrs een
langwerpige vierhoek met afgeronden buvenraud ; zoo ook, blijkeus den steen van Meesja (zie op 2 Kon.
lil: 4), bij de Moabicten.
13.  Jozua. Zie op XVII: 9. — Mozes beklom. Volg. XXXII:17 is Jozua met hem opgeklommen.
14.  Uur. Zie op XVII: 10.
18. veertig. Zie op Gen. VII: 4.
HOOFDSTUK XXV.
Ark, tonnbrunden en kandelaar. — Mozes ontvangt van Jahwo den last, van het volk gaven te
vragen voor de vervaardiging van het heiligdom en zijne meubelen (1—9). Beschreven wordt de ark
(10—22); de tafel van het toonbrood (23—30), en de zevenarmige kandelaar (31—38), waaraan een
talent goud zal gaan (39); alles moet naar de aan Mozes getoonde modellen gemaakt worden (40).
Hier beginnen de voorschriften omtrent bouw en inrichting vau het heiligdom (XXV—XXXI); verg.
inl. op XXIV: 12—XL: 38.
I)e uitvoering dezer bevelen staat XXXV : 4—XXXVI: 1; XXXVII: 1—9; 10—16; 17—24.
X X V: 1, 2 Jahwe zeide tot Mozes:\' Spreek tot de Israëlieten dat zij voor
mij eene gave heffen; van iedereen wiens hart er hem toe drijft zullen
3 zij eene gave voor mij heffen.\' Hierin zal de gave die gij van hen
-ocr page 119-
bxodüb XXV : 3—15.                                         199
4 heffen zult bestaan: in goud, zilver en koper,\' violet, purper en kar-
B mijn, katoen en geitenhaar,\' roodgeverfde ramshuiden, marokijn en
<5 acaciastammen, \' olie voor de lamp, specerijen voor de zalfolie en den
7       offerwierook, \' onyxsteenen en inzetsteenen voor het schouderkleed en
8       de borsttasch. \' Ook moeten zij mij een heiligdom maken, en ik zal
9       in hun midden wonen. \' Volgens al wat ik u op den berg ga toonen
— de modellen van den tabernakel en al zijne meubelen — zoo moet
gij het maken.
10           Maak dan eene ark van acaciahoat, derdehalve el lang, anderhalve
11       el breed en anderhalve el hoog. \' Besla haar met zuiver goud; van
binnen en van buiten moet gij haar beslaan; en maak er een gouden
12       krans om.\' Giet er voorts vier gouden ringen aan, en zet die boven
13       hare vier voeten; twee ringen aan deze, twee aan gene zijde. \' Maak
14       dan stangen van acaciahout en besla ze met goud; \' steek voorts de
stangen door de ringen aan weerszijde van de ark, om haar daaraan
15       te dragen. \' In de ringen der ark moeten de stangen blijven; zij mo-
3.   koper, of brom. Zie op Gen. IV: 22.
4.  violet en purper zijn kostbare kleurstoffen, uit schelpdieren gewonnen, in welker bereiding en
behandeling de Fenieicrs /eer bekwaam waren; karmijn is de hoogroode kleurstof uit eene soort van
schildluis vervaardigd. Met de namen dezer kleurstoffen wordt hier en elders iu de wet de eene of
andere stof aangeduid die daarmede geverfd is. — katoen. Het aldus vertaalde woord (tjeetj) duidt.
evenals andere (boet, bad), in onderscheiding van de wol, plantaardige stoffen aan; maar of daarbij
linnen en katoen onderscheiden werden, is zeer twijfelachtig. — geitenhaar, waarvan klcedeu geweven
werden. De kleur hiervan was zwart, althans donker. — marokijn, fijn bokkenleder.
6.  tpeccrijeu, waarvan Gen. XXXVII:26; \\l.lll : II eenige soorten worden opgenoemd.
7.  onyxsteenen. Zie op Gen. II: 12. — inzettternrn, hoogst onzekere vertaling. Waarschijnlijk wordt
eene bepaalde soort van edelgesteenten bedoeld, welker naam toevallig met het woord inzetten of vul-
ten
in klank overeenkomt. — tchouderkleed, borttlatch. Zie XXVIII: 4—80.
9.   Verg. vs. 40; Hand. VII: 44; Hebr. VIII: 5. — tabernakel, een Latijnseh woord, door de Vul-
gata in gebruik gekomen, voor .woning\'. Wat daarmede werd aangeduid, zie II. XXVI. — op den
berg,
ingevoegd volg. Sam. en Gr. t.
10—22. Kisteu waarin eene godheid of een heilig voorwerp dat haar vertegenwoordigde werd
bewaard of rondgedragen vindt men bij allerlei godsdiensten. Zoo was ook in den richtertijd Isracls
heiligst voorwerp eene houten kist, „de ark van Jahwe" genoemd, waarin hij geacht werd te wonen
(I Sam. IV, V; 2 Sam. VI). Wat er in lag, is onbekend; wellicht een steen. In Davids tijd werd zij
nog medegenomen iu een veldtocht (2 Sam. XI: 11). Toen Salomo zijn tempel had gebouwd, is zij in
het koor er van geplaatst, waar zij stond onder de vleugelen van twee cherubs (1 Kon. VI: 23—27;
VIII: 6 v.). Wat van haar geworden is, weten wij niet. Het laatst wordt zij Jer. 111:10 vermeld,
en in den tweeden tempel stond er geen. In de oudste verhalen over de omzwerving werd zeker
ook verteld, bij welke gelegenheid de ark — zooaU die kist gewoonlijk naar de Vulgata gcuoemd
wordt; verg. op vs. 9 — is vervaardigd en wat zij bevatte; innar ter plaatse waar wij dit zouden
verwachten, H. XXXIII, wordt zulk een bericht gemist. Dit is niet toevallig. Die kist, hoc oud en
eerwaardig ook, paste niet bij de godsdienstige denkbeelden der meest ontwikkelde Israëlieten en Ju-
deers van de zevende eeuw. Daarom liet wellicht reeds de samensteller van het Oudc-Sngcnbock veel
van wat op haar betrekking had weg. Doch zie Num. X: 33—36. Kn indien hij ui over hoar oor-
sprong en betcekenis gehandeld heeft, dan werd dit zeker door den man die het Oudc-Sagcnboek met
Deufcronomium vereenigde weggelaten. Iu laatstgenoemd werk toch had de ark een geheel ander ka-
rakter. „De ark van Jahwe" was veranderd in „de ark des verbonds" en diende tot bewaarplaats van
de atcenen tafelen waarop de Tien Woorden stonden (Deut. X:l—5). Toen nu, in de vijfde eeuw, de
schrijver van Kzra\'s Wetboek een beeld ontwierp van Jnhwe\'s woniug iu den tijd van Mozos, plaat-
ste hij er ook eene ark in. Geheel in den geest van Deuteronomium, noemde hij haar: „de ark der
Geboden", waarmede hij de wet der Tien Woorden aanduidde. Doch terwijl de schrijver van Deute-
ronomium
zich vergenoegd had met haar eenvoudig als eene kist van acaciahout te beschrijven, stelde
hij haar, in overeenstemming met deu luister van het geheele vervoerbare heiligdom, als prachtig ver-
sierd voor. De twee cherubs ontleende hij aan de beide gestalten onder welker vleugels zij in den tem-
pel had gestaan; maar daar deze niet pasten iu een draagbaar heiligdom, stelde hij ze kleiner voor
en vastgehocht op het deksel der ark, waardoor zij hunne betcekenis verloren (verg. op Gen. III: 24
en op 1 Kon. VIII: 7).
10.  Maak, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. En zij zullen maken.
11.  kram, onzekere vertaling. Of dit sieraad van boven rondom de kist liep, zoodat het deksel er
in sloot, of halverwege de hoogte, is onzeker. Het komt ook voor bij de beschrijving van de toon-
broodtafel (vs. 24 v.; XXXVII: 11 v.) en van het wierookaltaar (XXX: 3 v.; XXXVII: 26 v.).
13. De ark moet aan stangen worden gedragen, die er aan gehecht moeten blijven; opdat het
allerheiligst voorwerp niet worde nangernnkt door hen die het vervoeren; zie Num. IV: 15; 2 Sam.
VI: 6 v., 18.
-ocr page 120-
exodus XXV: 15-31:
200
l(i gen er niet uitgenomen worden. \' Gij zult in de ark de Geboden
17       leggen, die ik u geven zal. \' Maak ook een deksel van zuiver goud,
18       derdelialve el lang en anderhalve el breed.\' Maak ook twee cherubs
van goud; van gedreven werk moet gij ze maken, aan de beide uit-
19       einden van het deksel.\' Maak den eenen cherub aan het eene, den
anderen aan het andere einde vast; gij moet ze zóo maken dat de
cherubs aan de uiteinden van het deksel daarmede éen stuk uitmaken.\'
20       De cherubs moeten hunne vleugels uitbreiden naar boven, met die
vleugels het deksel beschuttende, terwijl hunne aangezichten naar elk-
21       ander gewend en op het deksel gericht zijn.\' Plaats het deksel «hin
22       boven op de ark, en leg daarin de Geboden, die ik u geven zal.\' Dan
zal ik daar met u samenkomen en van boven het deksel, van tusschen
de twee cherubs die op de ark der Geboden zijn, u zeggen al wat ik
u voor de Israëlieten bevelen zal.
23           Maak ook eene tafel van acaciahout, twee el lang, éene el breed
24       en anderhalve el hoog: \' besla haar met zuiver goud en maak er een
25       gouden krans om.\' Maak er voorts eene lijst om, éene palm breed,
2(i en ook daarom een gouden kntns.\' Maak er vier gouden ringen voor
27       en zet die aan de vier hoeken bij de vier pooten.\' De ringen moeten
aan de lijst zijn gehecht en dienen om er de stangen in te steken
28       waaraan de tai\'el gedragen wordt.\' Maak die stangen van acaciahout
29       en besla ze met goud: daaraan moet de tafel worden gedragen.\' Maak
er ook schotels, lepels, kannen en kroezen bij, waarmede men plengen
30       zal: van zuiver goud moet gij ze maken.\' Op de tafel moet gij altijd
toonbrood voor mijn aangezicht leggen.
31            Maak ook een luchter van zuiver goud; van gedreven werk zal de
10. de Geboden. Het aldus vertaalde woord, in het Hrbreeuwsch een enkelvoud, en samenhangend
mei het Drut. IV: 45 en elders door .voorschriften\' wccrgcgcvcne, betcekent in K/ra\'» Wetboek de
wet der Tien Woorden. Het komt voor in de uitdrukkingen ark der Geboden (behalve hier, vs. 22;
XXVI i 88 v.; XXX: 0, 20; XXXIX: 85; XL: 3, 5, 21; Num. IV: 5; VII: 8»; Joj. IV : 16), tafelen
der Geboden
(XXXI: 18; XXXII: 15; XXXIV:2!>), beide «om» door de Geboden vervangen (XVI: 841
XXVII: 21; XXX: 6, 30; Lev. XVI: 18; Num. XVII: 4, 10; en vs. 21; XXXI: 7; XI: 20), tent en
tabernakel der Geboden
(XXXVIII: 21; Num. 1:50, 53; IX: 15; X:ll; XVII : 7 v.; XVII1:2; ook
2 Kron. XXIV:8), coorliangsel der Geboden (Uv. XXIV: 3). In Psalmen (l*s. XIX : 8, LX : 1; LXXVIII:
5; LXXX : 1 ; LXXXIsAj (\'XIX: 88; OXXII:4) wordt er in het algemeen eene of de wet van Jahwe
mede bedoeld.
17.  deksel. Het Hcbrccuwsehe woord (kapporeth), hier aldus overgezet, wordt alleen gebruikt voor het
deksel der ark. Dit werd en op zich zelf en om de cherubs\'die er aan vastgehecht waren, wanrtus.
schen Jahwe als het ware woonde (zie vs. 22), bijzonder heilig geacht. En daar het woord waardoor
het werd aangeduid ook door .zoenmiddel\' kan vertaald worden, is het niet vreemd dat vele oude
vertalingen en dr Joodsrhe geleerden die de klinkers op den Hcbreeuwschen tekst plaatsten het zóo
opvatten. In 1 Kron. XXVIII : 11 heet zelfs het allerheiligste het huis tan hel deksel of nin het
zoenmiddel;
verg. Hcbr. IX : 5.
18.   Over de herkomst dezer cherubs zie op vs. 10—22. Welke grootte zij hier hebben, blijkt niet.
Wat hunne gedaante betreft, zij zijn gevleugeld en hebben elk slechts een aangezicht; anders dan de
cherubs vnn Ezcch. 1:4—13.
11). gij, in het enkelvoud, naar Sam. en Gr. t.; Hcbr. t. heeft het meervoud.
22. Verg. XXX: 6; Num. VII: 89, ook Lev. XVI: 2. De voorstelling dat Jahwe van tusschen do
cherubs spreekt is ontleend aan de oude zegswijze dat Jahwe op de cherubs troont; waarover zie op
1 Sam. IV: 4.
23—30. Tafels waarop een maaltijd voor de godheid werd aangericht trof men in de heiligdommen
van vele goden aun; verg. Jcz. LXV:11. In den Jahwctctnpel van Salomo stond eene van goud,
1 Kon. VI: 20; VII: 48. Soms heet het altaar eene tafel voor Jahwe, Ezcch. XLI: 20—22; XL1V : 16;
Jlnl. 1:7, 12. — Op den triomfboog van Titus te Home is eene tooubroodtafet uit den Jcruzalcm-
schen tempel afgebeeld die vrij wel gelijkt op de hier beschrevene, behalve dat er geen ringen aau
zijn Ie zien. Dit is zeer natuurlijk. Immers, deze waren wel noodig bij ecu meubel in een vcrvoer-
baar heiligdom, inaar zouden in den tempel, zoowel in den tweeden als in den eersten, geheel over-
tollig geweest zijn.
24 v. kram. Zie op vs. 11.
29.   Kaarmede — zal. Hieruit mag men opmaken dat op de tafel vóór Jahwe oorspronkelijk nog
andere gaven stonden dan brood, zout en wierook, die Lev. XXIV : 5—9 verordend zijn; o. a. wijn.
30.   toonbrood. Zie op Lev. XXIV : 5—9,
-ocr page 121-
BX0DU8 XXV : 31—XXVI: 2.                                   201
luchter zelf gemaakt worden; met voetstuk, armen, kelken, knoppen en
32       bloesems, alles uit éen stuk.\' Zes armen zullen uit zijne zijden ko-
33       men, drie uit de eene en drie uit de andere zijde.\' Drie amandel-
vormige kelken met knop en bloesem zullen aan eiken arm zijn; zoo zal
34       liet zijn aan de zes armen die uit den luchter komen.\' En aan den
luchter zelf zullen vier amandelvormige kelken met knoppen en bloe-
35       sems zijn.\' Onder de drie paren van de zes armen die uit den luch-
30 ter komen moet telkens een knop zijn.\' De knoppen en armen zullen
met den luchter zelf uit éen stuk zijn, gezamenlijk éen gedreven werk,
37 van zuiver goud.\' Maak ook de zeven lampen die er bij behooren en
zet die er boven op, zoodat zij licht geven in de richting zijner voor-
38,39 zijde:\' desgelijks de snuiters en bakjes, van zuiver goud.\' Ken talent
zuiver goud zult gij voor den luchter en voor al die voorwerpen ge-
40 bruiken;\' zie goed toe dat gij ze maakt naar de modellen die u op
den berg zijn getoond.
Vs. 40. Hcbr. VIII: 54.
31—40. Verg. Lcv. XXIV : 1—1; Nura. VIII: 1—4. — Kvcnals in de tempels van andere goden,
was ook in dien van Jahwe den gnnschen nacht licht; zie XXVII: 20 v.; XXX: 8; Lcv. XXIV:3v.;
1 Sain. 111:8. In het schip van den tempel van Salomo stonden hiertoe tien kandelaars, 1 Kon. VII :
49; van welk fatsoen, wordt niet medegedeeld. Op den triomfboog van Titus is er een afgebeeld; die,
evenals de hier beschrevene, zeven armen, maar andere versierselen heeft. Zeer natuurlijk. Al heeft
onze schrijver zeker een model voor oogen gehad, hetzij uit den eersten tempel, hetzij van elders, de
tempel is uu zijn tijd iierhnuldclijk geplunderd, en de gouden luchter bij zulke ongevallen wel niet
gespaard. Werd dan later weder een nieuwe aangeschaft, dan behoefde deze juist niet in allen deele
nan deze beschrijving te voldoen. Zoozeer kwam het op het aantal en de plaatsing der sieraden niet
aan. Ook was er meer clan éene lnmp in den tempel voorhanden, al stond er slechts cene in het
heilige. Over de plaatsing van den luchter in den tabernakel zie XL: 24 v.
81. armen, letterlijk tchachten of pijpen. Het meervoud volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. heeft het
enkelvoud.
84. den luchter zelf. Zoo heet hier de middelste schacht.
87.  lampen, oliebakjes met cene tuit, waardoor de pit werd gestoken. Zij stonden op het bovcnvlak
van de middelschacht en op die der zes armen. — :et — op, volg. Som. en Gr. t.; Hebr. t. hij zal
die er boren op zetten.
— zoodat — roorzijde, de tuiten der lampen alle gekeerd naar dezelfde zijde
van den luchter, en wel nanr die waar de toonbroodtnfel stond, naar het noorden; zie XXVI: 35. —
lij...j/even, volg. Sam. t.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
88.  tnuitert, of tangen, waarschijnlijk om de pit op te halen en te korten. — bakjet, om de snui-
ters in te leggen of het snuitsel in op te vangen.
39. znll gij, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. zal hij. — en, ingevoegd volg. Sam. t. — Met al die
cooTKerpen
worden waarschijnlijk de gereedschappen van den luchter bedoeld; zie XXXY11: 24.
HOOFDSTUK XXVI.
Tabernakel en tent. — De katoenen gordijnen die den tabernakel (1—6), de haren gordijnen die
de tent vormen zullen (7—13), en de lederen dekklecden (14). De stijlen die de wanden zullen uit-
mukcu (15—25), en de sluitbooincn (20—30). Het voorhangsel voor het allerheiligste, waarin de ark
moet geplaatst worden (81—34). Waar toonbroodtnfel en luchter zullen staan (35), en hoc voor den
ingang van het heilige ecu tapijt moet hangen (36 v.).
De uitvoering vun deze bevelen staat XXXVI : 8—88.
XXVI: 1 Den tabernakel zult gij maken uit tien banen getweernd katoen,
2 violet, purper en karmijn, waarin kunstig cherubs geweven zijn.\' Elke
1—30. Om deze beschrijving van het heiligdom, die op sommige punten vrij onduidelijk is, te ver-
staan, stelle men het zich aldus voor. Het was een houten gebouw, van binnen gemeten dertig cl
lang, tien breed en hoog, zonder houten voorgevel of zoldering, in twee vertrekkeu gedeeld door het
voorhangsel: het heilige twintig, en het allerheiligste tien el diep. Over dit houten raam hing een
katoenen kleed, uit twee deelcu bestaande, welker verecnigiug juist Ing boven het voorhangsel, in het
geheel veertig cl lang en acht en twintig breed. Daar de stijlen of opstaande balken waaruit de wan-
den bestonden eene el dik waren, reikte dat kleed aan de zijwanden tot twee cl, aan den achterwand
tot éene el boven den grond, terwijl het aan de hoeken van den achterwand in zware plooien neder-
hiug. De ruimte door dit kleed gevormd heet de tabernakel of .woning\'. Daaroverheen hing een
kleed van geitenhnar, ook uit twee dcclen bestaande, waarvan de verbinding meer naar voren lag dan
die van het katoenen, in zijn geheel vier en veertig cl lang en dertig breed. Van den voorrand was
-ocr page 122-
202
bxodus XXVI: 2—18.
baan ruoet acht en twintig el lang en vier el breed zijn; alle moeten
3       dezelfde afmetingen hebhen.\' Zij moeten vijf aan vijf aan elkander
4       gehecht zijn.\' Maak dan violetkleurige lissen aan den zoom van liet
eene en aan dien van het andere, het acbterste kleed, ter plaatse waar
5       zij aan elkander moeten verbonden worden.\' Vijftig lissen moet gij
aan het eene kleed maken, en vijftig aan liet uiteinde van liet andere,
ter plaatse waar zij aan elkander moeten verbonden worden, vlak tegen-
b\' over elkander.\' Maak ook vijftig gouden haken en hecht de twee
kleetlen met die haken aaneen. Zoo zal de tabernakel een geheel zijn.
7           Maak ook geitenharen banen voor eene tent over den tabernakel,
8       elf in getal.\' Elke baan moet dertig el lang en vier el breed zijn;
\'J alle elf moeten dezelfde afmetingen hebben.\' Vijf dezer banen zult gij
aan elkander hechten, en ook de zes overige. De zesde moet gij aan
10       de voorzijde der tent dubbel vouwen.\' Maak ook vijftig lissen aan
den zoom van beide kleeden, van het achterste en van het andere,
11       ter plaatse waar ze aan elkander moeten verbonden worden.\' Maak
ook vijftig koperen haken, steek die haken in de lissen en voeg de
12       tent samen. Zoo zal zij éen geheel zijn.\' Het gedeelte dat aan de
kleeden der tent overschiet, de helft van de overschietende baan, moet
13       overhangen aan den achterkant van den tabernakel;\' en de el die de
kleeden der tent aan weerszijden langer zijn zal aan de beide zijwan-
14       den van den tabernakel overhangen, om hem te bedekken.\' Dan zult
gij nog een dekkleed voor de tent maken, van roodgeverfde rams-
huiden, en een van marokijn, daaroverheen.
15           Maak ook de stijlen voor den tabernakel, van acaciahout, overeind
16, 17 staande;\' tien el moet elke stijl hoog zijn, anderhalve el breed.\' Elk
moet twee pinnen hebben, met elkander verbonden. Zoo moet gij voor
18       alle stijlen van den tabernakel doen.\' Maak twintig van die stijlen
19       voor den tabernakel, aan den zuidelijken kant,\' en veertig zilveren
voetstukken zult gij maken onder die twintig stijlen, twee onder eiken
eene strook vim vier cl omgeslagen. Hut bedekte dus het katoenen kleed geheel, iiiniir reikte tovh nog
niet tot den grond. Dit Innen kleed werd waarschijnlijk door touwen, min den onderrund gehecht,
die met pinnen nnn den grond bevestigd wnreu, gespannen. Dit kleed heet de tent en was van
boven door nog twee lederen kleeden bedekt. Het gebouw, door een met zeilen afgesehoteu hof om-
ringd, stond met het front naar het oosten.
I.  tanen, in het Hebreeuwsch hetzelfde woord dat VB. 4 voor de uit die banen gevurmde kleeden wordt gcbe-
zigd.— gelireerml, van verseheiden draden iuecugedraaid. — violet — karmijn. Hier en in het vervolg worden
de kleurstoffen naast het katoen vermeld, zonderdat blijkt, of dit in zijn geheel er mede is geverwd,
dan wel alleen de ingeweven figuren die kleuren dragen. De grondkleur was waarschijnlijk geelachtig.
3.  Namelijk met de langste zijden; zoodat de tien banen twee kleeden vormden, van acht en
twintig op twintig el. Door de aancciihcchting van die twee kleeden werd hunne langste zijde de
kortste zijde of breedte vau het gehecle kleed.
4.  Van dit vers is de tekst een weinig iu de war geraakt; dit is ongeveer de zin. Met die
zoomen worden de acht en twintig el lange zijden van eene buitenbaan van elk der twee kleeden
bedoeld.
9.  De vijf en de zes banen, aan de lange zijden verbonden, vormden dus twee kleeden, van vier
en twintig en twintig op dertig el. — De — rouwen. De zesde baan zou, als men haar niet voor
een deel omsloeg, over den bovenrand van den ingang afhangen; het omslaan kon dienen, om het
opwaaien bij storm en dientengevolge inscheuren vau het kleed te voorkomen.
10.  vijftig liuen, van welke stof, wordt niet gezegd. Waarschijnlijk wordt geitenhaar bedoeld.
II.  Zoo — zijn. Zoo zullen die twee kleeden éene tent over den tabernakel uitmaken.
12.  de helft — baan. De audere helft was, door het dubbel Touwen van eene baan boven den in-
gang, onzichtbaar geworden.
13.  De kleeden van den tabernakel waren acht en twintig, die der tent dertig el breed.
14.  een dekkleed, waarschijnlijk alleen van boven.
16.  hoog, letterlijk lang. De dikte der stijlen is niet opgegeven, /ij zal wel eene el hebben bedragen.
17.   Daar elke stijl twee pinnen, d. i. aan den onderkant scherp uitloopendc einden, had, waarmede
hij in het voetstuk bevestigd was, bestond hij denkelijk uit twee balken; van acaciahout kouden ook
bezwaarlijk balken die anderhalf el breed en eene el dik waren gemaakt worden.
19. Door die voetstukkeu gingen waarschijnlijk de pinnen in den grond, zoodat gene boven den
grond bleven, dus zichtbaar waren.
-ocr page 123-
203
BZQDOB XXVI: 19—36.
20       stijl, voor zijne twee pinnen.\' En voor den anderen wand van den
21       tabernakel, aan den noordkant, ook twintig stijlen,\' met hunne veer-
22       tig voetstukken, twee onder eiken stijl.\' Ook voor den achterwand
23       van den tabernakel, aan de westzijde, zult gij zes stijlen maken.\' En
twee stijlen zult gij maken tot hoekstukken van den tabernakel, aan
24       den achterwand.\' Zij zullen gelijk zijn van onderen, en desgelijks van
boven, tot den eersten ring. Zoo zal het zijn voor die twee; de beide
25       hoekstukken zullen zij uitmaken.\' Dus zullen er acht stijlen zijn, met
hunne zilveren voetstukken: zestien voetstukken, twee onder eiken stijl.
2(5          Maak ook sluitboomen van acaciahout, vijf voor de stijlen van den
27       eenen zijwand van den tabernakel,\' vijf voor die van den tweeden
zijwand, en vijf voor die van den achterwand van den tabernakel,
28       aan de westzijde.\' De middelste sluitbooiu moet in het midden der
29       stijlen van het eene tot het andere einde loopen.\' De stijlen zult gij
met goud beslaan, en de ringen aan die stijlen, die waardoor de boonien
moeten loopen, zult gij van goud maken, en deze hoornen zult gij met
30      goud beslaan.\' Dan zult gij den tabernakel opzetten, gelijk hij behoort
te zijn, naar het model dat u op den berg zal getoond zijn.
31            Maak ook een voorhangsel van violet, purper, karmijn en getweernd
32       katoen, waarin kunstig cherubs geweven zijn, \' en hang dat aan vier
pilaren van acaciahout, met goud beslagen, terwijl hunne krammen
33       van goud zijn en zij op zilveren voetstukken staan.\' Gij zult het voor-
hangsel dan hangen onder de haken en daar, aan den binnenkant van
het voorhangsel, de ark der Geboden brengen; en het voorhangsel zal
34       voor u het heilige van het allerheiligste afscheiden.\' Ook zult gij het
deksel op de ark der Geboden in het allerheiligste leggen.
35           Plaats dan de tafel aan de buitenzijde van het voorhangsel, en den
luchter tegenover de tafel aan den zuidwand van den tabernakel, ter-
36       wijl gij de tafel aan den noordwand moet zetten.\' Maak ook een tapijt
23 v. Hoc onduidelijk deze beschrijving ook is, de bedoeling is klanr. De zes stijlen van den ach-
tcrwand, elk anderhalve el breed, lieten ann weerszijden aan den binnenkant, die tien el lang was,
eene halve cl open, maar aan den buitenkant anderhalve el, nl. de halve el van den binnenkant en
de el der dikte van den zijwand. Kin stijl die even zwaar was als de andere vulde dus de ruimte
juist en mankte dnt zoowel de biuncn- als de buitenwand een vierhoek vormde.
24. deigelijkt, letterlijk ook grlijk, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. gaaf of volkomen. — I)e woorden
lul den eereten ring willen wellicht niets anders zegden dan dat aan deze hockstijlcn in de breedte
slechts een ring voor eiken sluitboom behoefde aangebracht te worden (verg. vs. 29), daar de overige,
als bedekt door de belendende stijlen, niet door de sluitboomen konden bereikt worden.
28. l)e andere vier liepen dus niet van het eene eind tot het andere door. Wij kunnen ons de zaak
zoo voorstellen: boven dcu middelstcu, voor een zijwand dertig el langeti, sluitboom waren twee, ruim
half zoo lange, sluitlioomeu aangebracht, ongeveer, maar niet geheel, op gelijke hoogte, waarvan de
eene van de oostzijde tot het midden, de nnderc van daar tot de westzijde, de stijlen verbond; de»-
gelijks beneden dcu middelstcu sluitboom.
2U. Hocvele ringcu naast elkuudcr aan eiken stijl zaten, wordt niet gezegd; daar elke stijl uit twee
stukken bestond (verg. op vs. 17), waren er ten minste twee.
81. een voorhangtel. Het aldus, op het voetspoor der oude vertt., vertolkte woord komt alleen voor als
benaming vim het gordijn dat het heilige en het a
48
llerheiligste scheidde. In dcu tempel vun Salomo geschiedde
dit door deuren il Kon. VI:81; verg. 2 Krou. 111:11). Hoe die van Zerubbabel in dit opzicht wus
ingericht, weten wij niet. In dien vun Hcrodes hingen vóór het allerheiligste twee gordijnen, op eene
cl nfstuud van elkander, het cene aan de uoord-, het andere ann de zuidzijde opgenomen; zoodat
iemand kou biniieuganu zonder een gordijn op te lichten en men toch niet in het allerheiligste kon
zien. Overeenkomstig het voorschrift alhier en de uitvoering XXXVI : 35, wordt Matlli. XXV11: 51;
Mare. XV: 38; Luc. XXII1:45; Hebr. VI: 19; IX: 3; X • 20 ondersteld, dat in den tempel slechts
een gordijn vóór het allerheiligste hing.
32.  krammen, onzekere vertaling.
33.  onder de haken, de vs. G beschrevene, waarmede de beide gedeelten van het katoenen kleed
waren aanccngchecht. — het al/irhei/igile, of het hoogheilige, dat in den Salonionischcn tempel „het
koor" heette. Zulk eene binnenkamer, het eigenlijk verblijf der godheid, vond men in Egyptische,
Griekschc en Komeiuschc tempels; zij huisvestte gewoonlijk het beeld van den god of de godin. —
Ken dergelijk verschil in graad van heiligheid als hier bij plaatsen, wordt elders bij spijzen gemaakt;
zie op Lev. XXI: 22.
-ocr page 124-
204                                BXODue XXVI: 86—XXVII: 10.
voor den ingang der tent, van violet, purper, karmijn en getweernd
37 katoen, bont werk.\' En voor dat tapijt zult gij vijf pilaren van aca-
ciahout maken, die gij niet goud moet beslaan, zooals ook hunne ha-
ken van goud moeten zijn, en waarvoor gij vijf koperen voetstukken
zult gieten.
HOOFDSTUK XXVII.
Altaar, voorhof en zalfolic. — Het altaar dat Mozes moot maken (1—8). Het voorhof (9—18). Wat
aan het heiligdom van koper moet zijn (19). Da heilige olie (20 v.).
De laatste twee verzen zijn hier misplaatst en onderstellen het bestaan vau priesters, van wier nau-
stclling eerst If. XXVIII spreekt; zij hehooren tot de latere toevoegsels.
Hoe doze bevelen zijn ten uitvoer gelegd, verhnnlt XXXVIII : I—7, 9—19, 20.
XXVII :1 Maak ook het altaar, van acaciahout; vijf el moet het lang en
2 breed zijn, vierkant, en drie el hoog.\' Maak ook zijne hoornen aan
de vier hoeken; die hoornen moeten met het altaar uit éen stuk zijn;
•i en besla het met koper.\' Maak ook de daarbij behoorende potten, voor
het wegruimen van de ofTerasch, schoppen, offerschalen, vorken en
4       vuurpannen; al dat gereedschap zult gij van koper maken.\' Maak er
ook een bekleedsel aan, een koperen netwerk, en aan de vier hoeken
5       hiervan vier koperen ringen,\' en plaats dit onder den rand dés al-
taars, van onderen af, zóo dat het netwerk tot halverwege de hoogte
(5 van het altaar reikt.\' Maak ook stangen van acaciahout voor het al-
7       taar en besla ze met koper.\' Die stangen zult gij door de ringen
steken; zoodat zij aan de beide zijden van het altaar zijn wanneer
8       men het draagt.\' Gij zult het hol, van planken, maken. Gelijk hij u
op den berg getoond zal hebben, zóo moet dit gemaakt worden.
9            Maak ook het voorhof van tien tabernakel; aan den zuidelijken kant
uit zeilen voor het voorhof, van getweernd katoen, honderd el lang voor
10 die óene zijde,\' aan twintig pilaren met twintig koperen voetstukken,
1.   het altaar. Volgens dezen schrijver was dit het cenige; ook volg. XXVI: 85 stond in het heilige
geen wicrooknltaar. Het laatste wordt eerst in het aanhangsel, XXX : 1—10, verordend. Van daar af
heet dit altaar: het koperen of het hraiidotl\'eraltaar, XXX: 28 enz.; verg. Ezcch. XLIII: 18—17 — drie
el,
ongeveer anderhalve meter, hoog. Dus was eene trede of iets dergelijks noodig om het altaar te
kunnen bedienen; zie hierover op XX : 26. Daarenboven was er een onderrand aan, waarlangs het gc-
plengdc bloed afliep; zie op XXIX: 12.
2.   Als iets dat vanzelf spreekt, wordt gezegd dat het altaar hoornen heeft. Hoe deze met het altaar
uit écu stuk konden zijn, is niet duidelijk. Waarschijnlijk wordt bedoeld, dat het hout waarvan zij
gemaakt zijn in dat van het altaar bevestigd, en het een met het ander zóo met koper overtrokken
moest zijn dat de hoornen er niet afgenomen konden worden. Hoornen komen ook aan de altaren van
andere volken voor. Wat zij beteckenden, weten wij niet zeker. Doch zie op XXXII: 4. Aan l»raë-
lietische altaren worden zij nog vermeld l.i-v. IV : 7; 1 Kon. 1:50; 11:28; Ps. (\'XVIII: 27; Kzcch.
XLIII: 15; Am. 111:14.
3.   tchoppen, om de plaats op den vuurhaard waar geofferd moest worden van asch en half vcr-
brandc stukken te zuiveren. — offertchaten, om bloed in op te vangen en wijn of olie op het altaar
te brengen. — vorken komen 1 Sam. II: 13 v. bij het offer voor. — vmrpainten, om gloeiende houts-
kool te verdragen.
4.   bekleedsel, zeer onzekere vertaling. Wij weten niet waartoe het diende. Misschien alleen om te
verhoeden, dat de ringen waaraan het nltaar gedragen moest worden aan dit heilig voorwerp zelf wcr-
dcu bevestigd.
5.  rand, zeer onzekere vertaling. — zóo — reikt. De bedoeling is waarschijnlijk i van den grond tot
halverwege de hoogte.
7 v. Hier zijn kleine tekstverbeteringen aangebracht.
8.  hol. Dat de door de planken ingesloten ruimte bij het gebruik met aarde of stecnen aangevuld
moest worden staat er niet, wordt zelfs eerder weersproken. Maar nl deed men dit ook, met koper
beslagen planken weerstaan het vuur niet Iuiik. Ken altaar als hier beschreven wordt kan dus nooit
gebruikt zijn.
9.  voorhof, eene onbedekte ruimte rondom den tabernakel, zooals bij grootere gebouwen vank voor-
kwam. — zeilrn, of gordijnen. Het Hcbrccuwschc woord komt alleen bij de beschrijving van den tabcr-
nakel voor.
10—18. Bij de beschrijving van de zcilcu die het voorhof omsluiten gaat de schrijver blijkbaar uit
-ocr page 125-
BXODUS XXVII: 10—XXVIII: 1.
205
11       de krammen en banden der pilaren van zilver.\' Zoo ook aan den
noordkant, uit zeilen, honderd el lang, aan twintig pilaren, met twintig
koperen voetstukken, de krammen en banden der pilaren van zilver.\'
12       De breedte van bet voorhof aan den westkant zal gevormd worden
13       door zeilen, vijftig el, aan tien pilaren, met tien voetstukken.\' Ook
de breedte van bet voorhof aan den voorkant, ten oosten, zal vijftig
14       el zijn.\' Hiervan zullen aan den eenen hoek vijftien el bestaan uit
15       zeilen, aan drie pilaren, met drie voetstukken,\' en aan den anderen
16       hoek uit vijftien el zeilen, aan drie pilaren, met drie voetstukken;\'
terwijl voor de poort van het voorhof een tapijt zal hangen van twin-
tig el, van violet, purper, karmijn en getweernd katoen, bont werk,
17       aan vier pilaren, met vier voetstukken.\' Alle pilaren die het voorhof
omsluiten moeten met zilveren banden voorzien zijn; ook hunne kram-
18       men moeten van zilver, en hunne voetstukken van koper zijn.\' De
lengte van het voorhof zij honderd el, de breedte vijftig el, en de
hoogte vijf, van getweernd katoen.
19           Alle gereedschappen van den tabernakel bij den geheelen opbouw,
al zijne nagelen en al de nagelen van het voorhof zullen van ko-
per zijn.
20           Gij moet den Israëlieten bevelen, te nemen en u te brengen zuivere
gestooten olijfolie voor den kandelaar, om een altijd brandend licht te
21       hebben.\' In de tent der samenkomst buiten bet voorhangsel dat de
Geboden dekt zullen Aiiron en zijne zonen het gereed maken; zoodat
het brandt van den avond tot den morgen voor Jahwe\'s aangezicht,
tot eene eeuwige inzetting voor hun nageslacht, vanwege de Israëlieten.
Vs. 20 v. Lcv. XXIV: 2—4.
van de berekening dat op eiken pilaar vijf cl zeildoek komt. Daar elk zeil twee pilaren behoeft om
opgehangen tv worden, waren er voor honderd el aan de lengtezijden niet twintig, maar een en twin-
tig pilaren noodig. Maar de schrijver telt den een en twintigsten als ccrsteD der korte zijde, en die
langs gaande, den elfden als eersten der andere lange zijde. Het gcheelc aantal pilaren rondom het
voorhof was dus zestig, zooals hier wordt opgegeveu.
10.  aan — voetstukken, letterlijk hunne pilaren varen twintig, en hunne voetstukken twintig. Zoo ook
in de volgende verzen. — banden, zeer onzekere vertaling. Uit XXXVIII: 17, 19 blijkt dat het ge-
deel Ui» der pilaren waren.
11.  honderd el lang. Hierbij en ook in het vervolg zijn enkele onbeduidende tekstverbeteringen
volg. Sam. en Gr. t. aangebracht.
17. met — voorzien. Zie op vs. 10.
18 vijftig el, volg. verb. t. — De grondtekst herhaalt aan het slot en hunne voetttukken moeten
van koper :ijn,
uit vs. 17.
19.  nagelen. Hiermede zullen wel de pinnen bedoeld zijn waarmede het kleed der tent en de zei-
lcn van het voorhof onu den grond werden bevestigd.
20.  zuivere, van olijven die eerst zorgvuldig van bladereu cu stof waren gereinigd. — geitoottn. De
fijnste olie verkreeg men door de afgeslagen olijven te kneuzen, ze iu een korf te leggen en te laten
uit druipen; de mindere soorten door persing.
21.  de tent der samenkomst, d. i. die waar Jahwe met Mozcs samenkomt, zie XXV : 22, dus zooveel
als de opeubaringstent. Het wns de benaming vun het heiligdom bij de oudere vcrhalcrs, \\ XXIII :7;
Nuni. XI: 10 ; XII: 4; Deut. XXXI: 14, en werd daaruit door dezen jongeren schrijver overgenomen. —
voorhangsel — dekt. Ook XXX : fi. In I*cv. XXIV : 3 kortweg het voorhangsel van de Geboden; zie op
XXV: 10. — zoodat het brandt, duidclijkhcidshnlvc ingevoegd. Het was, en is nog, in het Oosten ge-
bruikeljjk, den geheelen nacht door in de woningen eene lamp te lateu branden.
HOOFDSTUK XXVIII.
Het hoogepriesterlijk gewaad. — Mozes moet Aiiron en zijne zonen tot priesters wijden (1). Aarons
plechtgewaad (2—5), nl. het schouderklced (fi—14), de borittasch (15—30), de mantel (31—Sa), de
plaat met haar opschrift (36—38) en drie andere kleedingstukken (39). De vier kleedingttukken der
gewone priesters (40—43).
De uitvoering dezer bevelen staat XXXIX : 1—31.
XXVin: 1 Doe gij uwen broeder Aaron met zijne zonen uit het midden der
1. opdat — zijn, volg. Sam. en Or. t.; Hebr. t. om htm mij tot priester te muken. Ook in de vol-
-ocr page 126-
EXODUS XXVIII: 1-16.
206
Israëlieten tot U naderen, opdat zij mij tot priesters zijn: Aüron en
2       zijne zonen, Nadab en Abilm, Eleazar en Itliamar. \' Maak ook voor
uwen broeder Aüron heilige kleederen, tot heerlijkheid en luister.\'
3       Hpreek gij tot alle kunstvaardigen die ik met den geest van wijsheid
vervuld heb, dat zij de kleederen van Aüron maken, om hem te hei-
4       ligen, dat hij mij ten priester zij.\' Dit zijn de kleederen die zij moe-
ten maken: eene borsttasch, een schouderkleed, een mantel, een geribd
onderkleed, een mijter en een gordel. Zij moeten heilige kleederen
maken voor uwen broeder Aüron en zijne zonen, dat zij mij tot pries-
5       ters zijn.\' Daartoe moeten zij nemen liet goud, violet, purper, karmijn
en katoen.
6           Zij zullen liet schouderkleed maken van goud, violet, purper, kar-
7       mijn en getweernd katoen: een kunstig werk.\' Het moet twee schou-
derstukken hebben, die bet bijeenhouden en aan de beide uiteinden
8       gehecht worden.\' En de band die er aan is, om het aan bet lichaam
te sluiten, zal met het schouderkleed van dezelfde stof\' en uit éen stuk
9       zijn: van goud, violet, purper, karmijn en getweernd katoen.\' Neem
10       dan twee onyxen en snijd daarin de namen van Israëls zonen,\' zes
op den eenen en de overige zes op den anderen steen, naar hun ouder-
11       dom.\' Als graveurswerk, zooals men een zegel snijdt, zult gij in de
twee steenen de namen van Israëls zonen snijden en ze vatten in
12       gouden rozetten.\' Tlaats die twee steenen op de schouderstukken van
het schouderkleed, als gedachtenissteenen voor Israëls zonen, en Aüron
zal hunne namen dragen voor Jahwe\'s aangezicht op zijne beide sehou-
13, 14 ders, tot eene gedachtenis.\' Maak ook gouden rozetten,\' en twee ke-
tenen van zuiver goud; ineengedraaid zult gij ze maken, als koorden;
en zet die als koord gevlochten ketenen op de rozetten.
15          Maak ook de borsttasch der godspraak, van even kunstig werk als
het schouderkleed: van goud, violet, purper, karmijn en getweernd
10 katoen zult gij haar maken.\' Zij moet vierkant en dubbel zijn, eene
Kende verzen zijn geringe tekstverbeteringen volgens Sm», en Gr. t. aangebracht. — Waarom Aüron
en zijne zonen tot priesters gekozen zijn, wordt hier evenmin als 1 Kron. XXIII: 13 gezegd; verg.
Ili\'nt. X: 8 v. In onderschcidihg van XXXII : 25—29, is de grond der uitverkiezing hier enkel Jahwo\'s
welbehagen; verg. Hebr. V : 4.
3.  kunstvaardigen, letterlijk wijzen van Aart. Het hart is bij Israël de zetel, niet alleen van ge-
mocdsaandoeiiingen, maar ook van verstand en allerlei gaven.
4.  geribd, onzekere vertaling.
5.  liet goud — katoen, de stollen die volgens XXV : 8 v. bijeengebracht zijn.
0—14. Het schouderkleed diende tot bergplaats van hot orakclwerktnig en werd dus oudtijds door
iedcren priester gedrugen (1 Snin. 11:18; XXII: 18; 2 Sam. VI: 14; en elders). Het Hcbreeuwschc
woord (efod) bctcckcut wanrsehijnlijk .bedekking\', .beklccdscl\', en duidt somtijds cene kist aan; zie op
Kicht. VIII: 27. Daar het raadplegen van Jahwe, dat eerst een belangrijke, zoo niet de bclnngrijkstc,
plicht der priesters was, onder hunne werkzaamheden steeds meer op den achtergrond trad, bleef het
schouderkleed niet het kenmerkend priesterkleed. Onze schrijver geeft het dan ook, met de danrbij
behoorende borsttasch, niet aan eiken priester, maar enkel auu Aüron, en ook aan hem louter als
sieraad, omdat in de tnsch geen orakclwerktnig was; zie op vs. 30.
7. twee schouderstukken. Misschien bestond het schouderkleed uit twee lappen, die over borst en
rug hingen en op de schouders door de hier beschreven stukken werden verbonden. Maar al bestond
het uit een lap, met een gat in het midden waardoor het hoofd werd gestoken, dan was het toch
niet ondoelmatig, de daardoor gevormde plooien op de schouders in te nemen.
0. onyxen. Zie op Gen. 11:12.
10. naar hun ouderdom, dus de oudste zes op den cenen, de jongste op den anderen steen. Waar-
schijnlijk telt de schrijver Levi mede, en Jozef in stede van Rfraim en Manasse.
12. gedachtenissteenen, opdat Jahwe aan Israëls twanlf stammen denke.
13 v. Dit werk is reeds vs. 11 vermeld.
15—30. De borsttasch diende eigenlijk alleen om er de urim en tummim in te doen; zie op vs. 30.
De vertaling van een paar kunsttermen en die van de namen der edelgesteenten in vs. 17—20 is zeer
onzeker.
15. borsttasch der godspraak, letterlijk der beslissing. Zoo genoemd omdat Jahwe door de in haar
bewaarde urim en tummim zijne beslissingen aan Israël bekend maakte.
-ocr page 127-
exodus XXVIII: 16-32.                                     207
17       span lang en breed.\' Bezet haar met steenen, in vier rijen: op de
18       eerste rij een carneool, een topaas en een smaragd;\' op de tweede
19       een karbonkel, een saffier en een jaspis;\' op de derde een opaal, een
20       agaat en een amethist;\' op de vierde een chrysoliet, een onyx en een
sardonix. In goud zullen zij gevat zijn, wanneer zij worden opgezet.\'
21       Deze steenen zullen naar de namen van Israëls zonen zijn, twaalf in
getal, naar hunne namen; als het snijwerk van een zegel zullen zij
bewerkt zijn, op eiken steen een van de namen der twaalf\' stammen.\'
22       Maak ook bij de borsttasch ketenen van tot koorden ineengedraaid
23       werk, van zuiver goud.\' Maak ook bij de borsttasch twee gouden
ringen, en zet die twee gouden ringen aan de beide uiteinden der
24       borsttasch,\' en zet de twee gouden koorden aan de twee ringen, aan
25       de uiteinden der borsttasch.\' En de beide uiteinden van beide koor-
den zult gij zetten op de twee rozetten en ze hechten aan de twee
20 schouderstukken van het schouderkleed, aan de voorzijde.\' Maak ook
twee gouden ringen en zet die op de beide uiteinden der borsttasch,
op haar rand die tegenover het schouderkleed, aan de binnenzijde, is.\'
27       Maak ook twee gouden ringen en zet die op de twee schouderstukken
van het schouderkleed, aan de beneden voorzijde, bij zijne verbinding
boven den band waarmede het schouderkleed aan het lichaam sluit.\'
28       En men zal de borsttasch vasthechten, van hare ringen tot die van
het schouderkleed, met een violetkleurig snoer; opdat zij blijve han-
gen op den band van het schouderkleed en de borsttasch niet afschuive
29       van het schouderkleed.\' Zoo zal Aiiron de namen van Israëls zonen
aan de borsttasch der godspraak op zijn hart dragen wanneer hij de
30       heilige plaats binnentreedt, ter duurzame gedachtenis bij Jahwe.\' Doe
ook in de borsttasch der godspraak de urim en tummim. Zoo zullen
die op Aiirons hart zijn wanneer hij vóór Jahwe komt, en zal Aaron
voortdurend de godspraak voor Israëls zonen op zijn hart dragen voor
Jahwe.
31            Maak ook den mantel van het schouderkleed, geheel violetkleurig;
32       de opening om het hoofd door te steken moet in het midden zijn en
aan alle kanten een zoom hebben van weverswerk, evenals de opening
29.  de heilige plaat», hier en vs. 35, 43 letterlijk hei heilige. Maar bedoeld wordt het heiligdom in
het algemeen, niet bepaald het voorvertrek van den tabernakel.— ter — Jaliwr. Vcru. vs. 12; XXX : lfi;
Num. XXXI: 54.
30.   dr urim en tummim, Dcut. XXXIII: 8 tummim en urim; Num. XXVII: 21; 1 Sam. XXVIII: 6
alleen de urim. Zoo heetten de voorwerpen door middel waarvan de priesters Jahwe raadpleegden.
Dat de urim en tummim hier niet beschreven worden, is evenmin te verklaren uit onkunde des schrij-
vers als uit algemeeue bekendheid met den aard er van: er wordt met opzet niets meer van gezegd.
Het raadplegen van Jahwe met de urim, vroeger de taak van eiken priester, was mettertijd zoozeer
ia onbruik geraakt dat onze schrijver alleen den hoogepriestcr het schouderkleed, waarbij borsttasch
met urim behoorde, liet dragen (verg. op vs. 6—14); na den herbouw des tempels bezat zelfs de hoo-
gepriester het orakelwerktuig niet meer, K/ra 11:63; en ondanks dit voorschrift der wet, is zijne
borsttasch ledig gebleven. Waarschijnlijk is het met de urim gegaan nis met de ark: in de ver-
beelding van het nageslacht een heilig voorwerp, strookte het inderdaad kwalijk met de godsdienstige
denkbeelden der meer ontwikkelden (zie op XXV : 10—22). Meer zekerheid daaromtrent zouden wij
bezitten, indien wij wisten waaruit de urim bestaan heeft; maar hierin tosten wij in het donker. I\'it
1 Sam. XIV: 41 volgt met vrij grootc zekerheid, dat Jahwe geraadpleegd werd door het lot en de
namen urim en tummim loten van verschillende beteekenis aanduidden. Wellicht waren het beeldjes,
en indien dit zoo was, dan kunnen zij zijn overgenomen uit Kgypte, waar de priesters onder het
rechtspreken ecu borstschild droegen met de afbeeldsels der goden van licht en waarheid, Ke en Tme,
wier namen, opmerkelijk genoeg, met urim en tummim eenige overeenkomst hebben. Hiermede zou
dan tevens verklaard zijn, èn dat na den val van Jeruzalem een dergelijk voorwerp niet meer ver*
vaardigd is, èn dat onze schrijver het niet beschrijft; al kon hij het niet onvermeld laten, omdat
eigenlijk de borsttasch der godspraak, ja het geheele schouderkleed, geen beteekenis heeft zonder de
urim en tummim. De woorden kunnen betcekencn ,licht en volkomenheid\'.
32. de opening — sijn, zoodat hij aan alle kanten even lang, in zware plooien, afhing. Er moeten
wel armsgaten in geweest zijn. — een wapenrok, zeer onzekere vertaling. Wapenrokken van linnen
en katoen komen in de oudheid meer voor.
\\
-ocr page 128-
208                                     exodus XXVIII: 32- 43.
33       van een wapenrok; opdat zij niet inscheure.\' Maak ook rondom aan
den onderrand van den mantel granaatappels van violet, purper, kar-
mijn en getweernd katoen, en daartussehen in rondom gouden sehel-
34       letjes,\' beurtelings een gouden schelletje en een granaatappel, rondom
35       aan tien onderrand van den mantel.\' Én Aiiron zal dien dragen wan-
neer hij dienst doet; zoodat hij gehoord wordt wanneer hij in de hei-
lige plaats voor Jahwe treedt en haar weder verlaat; opdat hij niet
sterve.
36            Maak ook eene plaat van zuiver goud en snijd daarin, zooals een
37       zegel gesneden wordt: Heilig aan Jahwe.\' Hecht haar op een violet-
ten snoer en daarmede op den mijter: aan den\' voorkant van den
38       mijter moet zij zijn.\' Zoo zal zij zijn op het voorhoofd van Aiiron, en
zal hij dragen de schuld van de heilige zaken die de Israëlieten zul-
len wijden, van al hunne heilige geschenken. Voortdurend zal zij op
zijn voorhoofd zijn; opdat liet hun hij Jahwe ten goede kome.
39           Het hemd zult gij van geribd katoen weven; een mijter zult gij
van katoen en een gordel van bont werk maken.
41)          Ook voor Aiirons zonen zult gij hemden maken, benevens gordels
41       en tulbanden, tot heerlijkheid en luister.\' (jij zult daarmede uw hroe-
der Aiiron en nevens hem zijne zonen bekleeden, hen zalven, hen hun
42       wijdingsofler doen brengen en hen heiligen;\' zoo zullen zij mij tot pries-
ters zijn. Maak ook voor hen een linnen heupkleed, om hunne schaamte
43       te bedekken; van de lenden tot de dijen zal het reiken.\' En Aiiron
en zijne zonen zullen het aanhebben wanneer zij de tent der samen-
komst ingaan of het altaar naderen, om in de heilige plaats dienst te
doen; opdat zij geen schuld dragen en sterven. Eene eeuwige inzet-
ting zal dit voor hem en zijne nazaten zijn.
33. en getweernd katoen, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t. — schelletjes, of kleppert.
35.  zoodat — slerve. Gelijk men bij een vorst niet binnentreedt zonder zich aan te melden, zoo
ook niet. bij Jahwe; werd dit verzuimd, dim zou de vertoornde god licht den vermetele dooden. Min-
dor duidelijk is het, wnarom Aiiron gehoord moest worden wanneer hij de heilige; plaats verliet. Het
kan zijn, dut en haar weder verlaat ecu toevoegsel is, bestemd om het bijgeloof dat aan die schelle-
tje» kleefde zooveel mogelijk te verloochenen en van het gekliugel cene waarschuwing voor de ge-
meente te maken (verg. Num. X:l—10). — de heilige plaat; nis vs. 29.
36.   Die plaat heet XXIX :Ö; XXXIX: 30; Lev. VIII: 9 de heilige diadeem.
38.  heilige — wijden en heilige geschenken, offers en andere gaven. Aon deze kleeft eene schuld, in
zoover ze niet volkomen naar den eisch zijn; verg. Num. XVIII: 1. — De uitdrukking dragen de
schuld
is dubbelzinnig, zij bctcckcnt zoowel: de gevolgen cener zonde ondervinden, als: de schuld weg-
nemen. De laatste heteckenis heeft zij hier.
39.  Hel hemd, nauw sluitend, lnng en met mouwen. — een gordel. Volg. \\.\\XI\\ :-\'.l was de prics-
tergordcl van bont werk, uit de vier meermalen genoemde stoffen vervaardigd. Hij was, zooals wij
uit de latere Joodsche overlevering weten, vele meters huig en werd herhaaldo malen, van onder de
oksclen tot de heupen, om het lichaam gewonden, zoo dat de uiteinden van voren nederhingen. De
gordel was het kenmerkendst gedeelte van het ambtgewaad des priesters, die hein danrom nooit dan
wanneer hij dienst deed droeg.
41. hen zaleen. Verg. op XXIX: 7. — hen hun icijdingioffer doen brengen, letterlijk hunne hand
vullen.
„Iemand de hond vullen" heet: iemand tot priester ordenen, waarschijnlijk (verg. Ilicht. XVII:
5) naar de bij die plechtigheid gebrachte offers, die dan ook „vullingsoffcrs" heetten (zie op XXIX : \'22).
In 1 Kron. XXIX: 5 wordt de uitdrukking van elk vrijwillig offer gebruikt, Kzceh. XI.III :\'Jii van
het altaar, % Kron. XXIX: 31 van de gemeente. Over de wijding der priesters handelt H. XXIX,
waarop dit vers eigenlijk vooruitloopt.
42 v. Verg. XX : 26 en Kzceh. XLIV : 18.
43. de heilige plaats, als vs. 29.
HOOFDSTUK XXIX.
De priesterwijding; het morgen- en het avondoffer. — Welke gaven Mozes tot wijding van Aiiron en
zijne zonen bij bet heiligdom moet brengen (1—3); hoe hij Aarou en zijne zonen moet wasschen,
kleeden en zalven (4—9). De wijdingsofiers; de zondoflerstier (10—13); de braudofferram (15—18);
de wijdingsram (19—25). Welk gedeelte hiervan nu Mozes, lnter do dienstdoende priester zal ont-
l
-ocr page 129-
209
BXODÜS XXIX: 1 — 12.
vangen (26—28). Aiirons plcchtgewaad zul op zijne «HMD en opvolger» overgaan (20 v.). Wat met ilc
niet geotterde doelen van den wijdingsrnm te doen (31—34). Slot der verordeningen over de wijding
van Aiiron en zijne zonen (86). Het altaar moet zeven dagen lang ontzondigd worden (30 V.). Het
dngclijksch niorgcn- en avondotter (38—12). Jahwe zal tent, altaar en priesters heiligen en onder ls-
racl wonen (13—40).
72
Deze laatste verzen maken het slot uit der verordeningen XXV—XXIX; waaruit blijkt dat XXX,
XXXI een jonger toevoegsel is. Ook in dit hoofdstuk zijn eenige verzen (vs. 27 v., 21) v., 38—12),
getuige de plaats die ze innemen, later ingeschoven.
Van de overige verordeningen staat de uitvoering Lev. VIII.
XXIX: l Op de navolgende wijze zult gij met hen handelen, om hen te
heiligen, opdat zij mij tot priesters zijn: neem éen jongen stier en
2       twee gave rammen,\' ongezuurd hrood, met olie hereide ongezuurde
koeken en met olie hestreken ongezuurde vladen: van tarwebloem
3       zult gij ze bereiden.\' Leg ze in éen korf en breng ze in den korf
4       naar het heiligdom, henevens den stier en de twee rammen.\' Ook zult
gij Aiiron en zijne zonen doen toetreden naar den ingang van de tent
T) der samenkomst en hen met water wasschen.\' Neem dan de kleede-
ren en trek Aiiron bet hemd aan, den mantel van het schouderkleed,
het schouderkleed zelf en de borsttasch, en bind hem het schouder-
(i kleed met den band om het lijf.\' Zet hem den mijter op en plaats
7       den heiligen diadeem op den mijter.\' Neem dan de zalfolie, giet die
8       op zijn hoofd en zalf hem.\' Ook zijne zonen zult gij doen toetreden
9a en hun de hemden aantrekken,\' de gordels omdoen en de talbanden
om het hoofd binden. Zoo zullen zij het priesterschap bezitten, ter
eeuwige inzetting.
06
         Voorts zult gij Aiiron en zijne zonen hunne wijdingsoffers doen bren-
10       gen.\' Breng daartoe den stier voor Jahwe\'s aangezicht, aan den ingang
van de tent der samenkomst, en Aiiron en zijne zonen zullen hunne
11       handen op den kop van den stier leggen.\' Slacht dan den stier voor
Jahwe\'s aangezicht, aan den ingang van de tent der samenkomst,\'
12       neem van zijn bloed, strijk een deel daarvan met uw vinger aan de
hoornen van het altaar en stort het overige op den onderrand van
5—7. Hij deze optelling der klcedingstukken die Mozcs Aiiron moet aantrekken wordt de hcupbc-
dekking niet genoemd; wat niet onnatuurlijk is, daar deze, hoewel zij niet mocht ontbreken, geen
eigenlijk gezegd priesterkleed wos. De gordel ontbreekt. Dat men zich reeds vroeger hierover verwon-
derd heeft, leert de inlassching iu vs. \'Ja; zie aldaar.
7. giet — hem. Deze plechtige wijdingshamlcling wordt hier en Lev. VIII: 12 alleen aan Aiiron,
den hoogepriester, voltrokken, evenals 1 Kron. XXIX : 22 nau den hoogepriester Sadok; XXVIII : 41 ;
XXX: 30; XL: 15; Lev. VII: 35 v.; X:7; Nuin. 111:3 worden ook zijne zonen gezalfd. De meeste
dezer plaatsen kunnen verstaan worden van de bespreuging met zalfolie, vs. 21; maar XI.: 15 worden
Aiirons zonen uitdrukkelijk met hem op écue lijn gezet. Blijkbaar was onder de Joodsehe wetgevers
over deze zaak verschil. Wat later het gebruik is geweest, weet men niet. Zeker is niet ieder priester
met olie overgoten, waarschijnlijk alleen de hoogepriester; zoodat de zalving van Aiirons zonen tevens
voor hunno afstammelingen gold. Voor Kzra\'s Wetboek lezen wij van cene zalving van priesters niets.
9a. Achter de gordel» (volg. Sam. t.; Hebr. t. heeft het enkelvoud) omdoen heeft Hebr. t. nog
Aiiron en zijne zonen, wat volg. Gr. vert. is weggelaten. De inlnssching is zeer goed te verklaren uit
de bevreemding van een overschrijver, dat bij de bcklecding van Aiiron in vs. 5 de gordel ontbrak. —
Zoo — bezitten. De bekleeding (investituur) was de eigenlijke wijding.
96. zult — brengen, letterlijk zult gij de hand van Aiiron en zijne zonen rullen. Terg. op XXVIII:41.
10. Jahwe\'s aangezicht, aan den ingang ran, volg. Sam. t., gedeeltelijk ook volg. Gr. vert., in-
gelascht.
12. den onderrand ran het allaar. De wandcu van het altaar in den Hcrodiaanschcn tempel, dat
wij beter kennen dan ecnig ander Israclietisch altaar, sprongen op éene el hoogte van den grond
aan alle zijden éene cl in; waardoor een rand ontstond. Ook het altaar in den tempel van Kzcchicl
had, naar het schijnt, iets dergelijks; zie Ezech. XLI11:13. Die rand heette: de onderrand, de grond*
«lag of basis, en was een noodzakelijk bestanddeel van het outer; want daarlangs vloeiden het bloed,
de wijn en de olie die boven op en aan de wanden van het altaar geplengd waren samen noar het
afvoerkanaal. Hat hiervan, evenmin als van trappen en omgang, in de beschrijving van het altaar,
XXVII: 1—8, gesproken wordt, is een bewijs te meer dat daaraan geen werkelijk altaar beant-
woord heeft.
H
O.T. I.
-ocr page 130-
210                                      exodus XXIX : 12—24.
13       liet altaar.\' Neem dan al het vet dat de ingewanden bedekt, de lever-
kwabbe en de beide nieren, met bet vet dat daarop zit, en ontsteek
14       dat op liet altaar.\' Maar het vleesch, de huid en de pens van den
stier moet gij buiten de legerplaats verbranden; bet is een zondoffer.
15           Neem dan den eenen ram, en laat Aiiron en zijne zonen op zijn kop
Ki de handen leggen;\' daarna zult gij den ram slachten, zijn bloed ne-
17       men en dit rondom aan het altaar sprengen.\' Dan moet gij den ram
naar bebooren in stukken houwen, zijn ingewand en pooten afwasschen
18       en deze leggen op de stukken en den kop.\' Ontsteek dan den gehee-
len ram op het altaar; het is een brandoffer voor Jahwe, een liefelijke
geur, een vuuroffer voor Jahwe.
19           Neem dan den tweeden ram, en laat Aiiron en zijne zonen hunne
20       handen op zijn kop leggen;\' daarna zult gij dien ram slachten, van
zijn bloed nemen en dit strijken op de rechter oorlel van Aiiron en
zijne zonen, op hun rechter duim en rechter grooten teen, en het
21       overige rondom aan het altaar sprengen.\' Neem dan van het bloed
dat aan het altaar is en van de zalfolie, en besprenkel daarmede Aiiron
en zijne kleederen, alsmede zijne zonen en hunne kleederen. Zoo zal
hij, en zullen zijne kleederen heilig zijn, alsmede zijne zonen en hunne
22       kleederen.\' Neem voorts van den ram het vet af en den vetstaart,
het vet dat de ingewanden bedekt, de leverkwabbe, de twee nieren
met het vet dat daarop zit, en den rechter schenkel — want het is
23       een wijdingsram —\' benevens éen rond brood, éen geolieden broodkoek
en éene vlade, uit den korf der ongezuurde spijzen die vóór Jahwe
24       staat,\' en leg dit alles op de handen van Aiiron en zijne zonen, en
13.   De hier, vu. 22; Lev. III: 3 v. en elders geuoemile deelen, in Lev. 111:9, 17 enz. kortweg „het
vet" geheeten, kwamen altijd aan Jahwe toe en mochten, evenmin als het bloed, door menschen ge-
nuttigd worden, Lev. VII: 23—25. — de leverkwahbe, onzekere vertaling.
14.   Terwijl het vleesch van zond- en schnldoirers gewoonlijk door den priester die ze opdroeg ge-
geten werd, Lev. VI; 20, 29; Vil: 0, moest deze stier, evenals de zoiidoffersticr voor den hooge-
pricster of de gchcclc gemeente, Lev. IV: 11 v., 21, buiten de legerplaats verbrand worden. De reden
hiervan zal wel zijn, dat bij deze gelegenheden de priesters, ann wie dat vleesch anders ten deel valt,
juist, alleen of inct anderen, degenen zijn die ontzondigd moeten worden. Bij de bepaling buiten de
legerplaats
wordt Lev. VI: 11 gevoegd op eene reine plaat». De verbranding, die ook Exod. XII: 10;
Lev. VII:17; VIII: 32; XIX:8 wordt verordend, had te Jeruzalem plaats op den tempelberg. Verg.
Ezech. XL1II:21.
16.   Het uitgieten van het bloed op het altaar moet waarschijnlijk worden opgevat als eene tot
Jahwe gerichte bede, hen voortaan als bedienaars van zijn altaar te erkennen.
17.   naar behooren, letterlijk in zijne stukken, d. i. in die stukken waarin een offerdier behoort ver-
decld te worden. — op — kop. Lev. VIII: 20 wordt er het vet nog bijgevoegd.
18.   ««o vuiirofer. Deze term komt herhnaldelijk in Ezra\'s Wetboek voor; daarnevens alleen Dcut.
XVIII: 1; 1 Sun. 11:28.
20.   Dezelfde plechtigheid Lev. XIV: 14. Evenals daar, heeff zij hier gewis de bcteekenis van rei-
niging. Het oor, waarmede Gods bevelen gehoord, de hand, waarmede ze volbracht worden, en de
voet, die op zijne wegen gaat, worden geheiligd.
21.   Eenigcrniatc vreemd is het voorschrift, van het bloed dat reeds op het altaar uitgestort is een
deel te nemen en daarmede Aiiron en zijne zonen te besprenkelen. Gr. vert. zet daarom de woordeu
en hel overige — sprengen, in vs. 20, nchter vs. 21. Maar ook Lev. VIII: 24, 30 komen beide han-
dclingen in dezelfde volgorde voor nis hier. Waarschijnlijk wordt daardoor aangeduid dat priester en
altaar, met hetzelfde bloed geheiligd, aan elkander verbonden zijn.
22.  den vetstaart, het uiterste gedeelte vnn den staart, dat somtijds een belangrijk lid was. Immers,
in Palestina was, en is nog, eene soort schapen iuliccmsch, wier staart nan het uiteinde eene zoo grootc
hoeveelheid vet bevat, dat men hem soms op een wagentje bond, opdat hij niet op den grond zou
slepen en daardoor beschadigd worden. Dat vet werd voor verschillende doeleinden gebruikt en was
ook een geliefkoosd gerecht, 1 Snm. IX : 24. In onze plaats nu is, evenals Lev. 111:9; IX : 19, nllcr-
lci verschil in lezing tusschen den Hebr. t., den Sam. t., de Griekschc en de Aramccsche vertt. Som-
migc nl. lezen hel vet en den vetstaart, andere het vet: den vetstaart. Dit is geen toevallig verschil,
maar het gevolg von onderscheiden opvattingen van het woord „vet". Leest men het vet: den vetstaart
enz., dan behoort de vetstaart met de in het vervolg opgenoemde deelen tot het „vet", d. i. het bij
elk dier ten gebruikc verboden gedeelte; verg. op vs. 13. Leest men het vet en den vetstaart, dan
wordt deze niet onder „het vet" begrepen, dus ten gebruikc overgelaten. — wijding, of ordening, let-
tcrlijk vulling; zie op XXVIII: 41.
23.  Zie vs. 2.
-ocr page 131-
bxodüs XXIX: 24—35.                                       211
25       beweeg het voor Jahwe\'s aangezicht als eene aanbiedingsg.tve.\' Neem
het dan van hen over en ontsteek het op het altaar hij het brand-
offer, ten liefelijken geur voor Jahwe\'s aangezicht; een vuuroffer voor
26       Jahwe is het.\' Neem dan de borst van Aiirons wijdingsram en beweeg
die vóór Jahwe als eene aanbiedingsgave. Daarna valt zij u ten deel.
27           Heilig de aanbiedingsborst en den heffingsscbenkel, wat aangeboden
en geheven werd van den wijdingsram van Aiiron en zijne zonen.\'
28       Dit zal voor Aiiron en zijne zonen voor altijd ten toegewezen deel
zijn vanwege de Israëlieten: want het is eene gave; eene gave zal het zijn,
door de Israëlieten van hunne dankoflers gebracht, hunne gave aan Jahwe.
29           De heilige kleederen van Aiiron zullen na hem aan zijne zonen ten
deel vallen; opdat zij daarin gezalfd worden en hun wijdingsofler hren-
30       gen.\' Zeven dagen lang zal degene uit zijne zonen die hem als pries-
ter opvolgt, hij die de tent der samenkomst zal ingaan om in de hei-
lige plaats dienst te doen, zich daarmede kleeden.
31            Het overige van den wijdingsram moet gij nemen en het vleesch
32       in eene heilige plaats koken.\' Dan zal Aiiron met zijne zonen het
vleesch van den ram en het brood dat in den korf* is eten aan den
33       ingang van de tent der samenkomst.\' Zij zullen dat eten, dewijl daar-
mede verzoening bewerkt is om hen te wijden en te heiligen; en geen
34       leek zal er van eten; want het zijn heilige spijzen.\' En indien van
het wijdingsvleescli of van het brood iets overblijft tot den morgen,
zult gij het overschot verbranden; gegeten mag bet niet worden;
35       want het is heilig.\' Gij zult met Aiiron en zijne zonen in ieder op-
24. beweeg hei. Het aldus vertaalde woord beteekeut eigenlijk ,hecn en weer bewegen\', met welke
handeling aanbieding of wijding aan Jahwe werd afgebeeld. Het Hebreeuwsohc woord, door aanbie-
dingagave
vertaald, is van hetzelfde werkwoord afgeleid. Deze handeling van het heen en weer bewc-
gen van cene gave vóór Jahwe komt Lev. VII: 30 en elders voor. De verordening alhier houdt in, dat
Mozes, als iuwijdcr, de handen vnn Aiiron en zijne zonen, waarop de gaven liggen, moet heen en
weer bewegen en hen die alzoo ann Jahwe doen aanbieden.
26. Daarna — deel, omdat .Mozes hier als priester handelt; verg. Lev. VII: 31.
27 v. Deze verzen passen slecht in dit verband en zijn later ingevoegd. Naar aanleiding van de
toekenning van een deel der wijdiugsotTeraude aan Mozes, wordt hier geleerd, welk deel van de dank-
offers voortaan aan den priester zal gesehouken worden. Maar over het priesterdeel van de dnukoirers
handelt eerst Lev. VII: 28—36. Daarenboven komt de iuhoud dezer verzen uiet overeen met dien van
vs. 26, waar Mozes alleen de borst ontvangt, terwijl hier den priester ook de schenkel toegewezen
wordt. — Over den kunstterm aanbiedingsborat zie op vs. 24. — heffingsachenkel, ook Lev. Vil: 32;
X:14v.; Num. VI: 20, de schenkel die door „heffing" gewijd werd. „Helling" is een kunstterm voor
de afzondering van een deel cencr zaak ter wijding aan Jahwe.
29 v. Deze verzen zouden het best passen na vs. 21, welk vers Sam. t. daarom hiervóór plaatst. In
dit verband voegen zij zeer gebrekkig. — zijne zonen, hier niet Nadab en zijne broeders, maar Aiirons
zoon, kleinzoon en latere afstammelingen die het hoogepriesterschap zouden hekleedcn. Dat Klcazar
het plechtgewaad van zijn vader geërfd heeft, staat Num. XX: 26—28.
30.   Hoc de opvolging der hoogepriesters moest geregeld worden, zegt de wetgever elders evenmin
als hier. In den geest der oudheid was het, dat een man aan het hoofd cencr priesterschap stond, en
deze hoogepricster zijn ambt levenslang bekleedde, 0111 door zijn zoon, liefst zijn oudsten, te worden
opgevolgd. Dit was ook stellig de bedoeling van dezen wetgever. Dienovereenkomstig laat hij na
Aarou zijn zoon Klcazar hoogepricster worden. Wat den fcitclijkcn toestand betreft, vóór de hervor-
raing van Jozia — toen er vele heiligdommen en priesterschappen van Jahwe waren — was van éen
hoofd der priesters geen sprake. Daarna was, uit den aard der zaak, het hoofd der Jeruznlein-
sche priesters de opperpriester, onder wien ettelijke prelaten, evenals hij door prachtige kleedij
van de gewone priesters onderscheiden, dienst deden (2 Kou. XXV: 18; Jer. LU: 24). Werd hij in
den regel door zijn oudsten zoon opgevolgd, vaak heeft de wil van buitcn- en hinnciilandschc heer-
schers dien regel gebroken.
31.  Dit sluit zich, in de beschrijving van hetgeen Mozes tot wijding der priesters moest doen, on-
middellijk aan bij vs. 26. — liet overige van, duidclijkhcidshalvc ingevoegd. — in eene heilig» plaats,
d. i. een gedeelte van het heiligdom. In den tempel geschiedde dit in een der gebouwen vun het
voorhof, Ezech. XLVI: 20, 24.
33. verzoening. Het Hebrccuwsche woord door ,verzoening doen\' of ,bcwcrkcu\' weergegeven — dat
tallooze kceren in het O. T. voorkomt — drukt eigenlijk uit: iets bedekken. Van offers, reinigingen
of boeten gebezigd, duidt het dat aan waardoor een misdrijf of schuld goedgemaakt, geboet, dus uit-
gewischt wordt. Dat wat verzoend wordt is nimmer God of een vertoornd mensch, maar nltijd de
persoon of het voorwerp die door zonde bevlekt of verontreinigd zijn.
-ocr page 132-
bxodus XXIX: 35—46.
212
zicht zoo bundelen uls ik n bevolen beb; zeven dagen zult gij ben
wijdingsoffers doen brengen.
3(5
          Ook zult gij dagelijks een zondofferstier ter verzoening bereiden, en
er bet altaar mede ontzondigen, door daarover verzoening te doen, en
37       gij zult bet zalven, om bet te heiligen.\' Zeven dagen zult gij over
bet altaar verzoening doen en bet heiligen. Zoo zal bet altaar boog-
beilig worden; al wie bet aanroert wordt gewijd.
38            Dit is bet wat gij op bet altaar toebereiden zult: twee eenjarige
39       lammeren eiken dag vast:\' bet eene zult gij des morgens toeberei-
40       den, en bet tweede in schemeravond;\' bij bet eene lam behoort een
tiende meelbloem, gemengd met een kwart stoop gestooten olie, en
41       als plengoffer een kwart stoop wijn.\' Het tweede lam zult gij in
schemeravond bereiden: gij zult er hetzelfde meeloffer bijvoegen en
betzelfde plengoffer als des morgens, tot een Iief\'elijken geur, een vuur-
42       offer voor Jahwe.\' Dit vaste brandoffer zal van geslacht tot geslacht
gebracht worden voor Jahwe aan den ingang van de tent der samen-
komst, waar ik met u wil samenkomen, om daar tot u te spreken.
43           Daar zal ik samenkomen met de Israëlieten, en de plaats zal ge-
44       beiligd worden door mijne beerlijkheid.\' Zoo zal ik de tent der sanien-
komst en het altaar heiligen; alsmede Atiron en zijne zonen, dat zij
45       mij tot priesters zijn.\' En ik zal wonen te midden der Israëlieten en
4(5 bun ten god zijn.\' Zoo zullen zij weten dat ik, Jahwe, hun god ben,
die ben heb uitgeleid uit Egyptelaud, om in bun midden te wonen.
Ik ben Jahwe, bun god.
30. ter verzoening, volg. verb. t.; Hcbr. t. op ie verzoening, ui. van het altanr, waarover ilc schrij-
vcr nu \'_r:iut ha
3
ndelen. Daar hij ilc wijding van het altaar onmiddellijk met die van Aitron verbindt,
kan dagelijks zoowel on de week der priesterwijding (vs. 35) als op die der altaarwijding (vs. 87)
slaan. Ook Kzeeh. XMII:18—27 duurt de laatste eene week; muur de offers die daarbij gebracht
moeten worden zijn andere.
37.  al — gewijd. Dit is eer eene bedreiging dan eene belofte. Een dier of levenloos voorwerp dat
„gewijd" werd verviel aan het heiligdom, of moest in sommige gevallen, alvorens aan het gemeen
gebruik teruggegeven te worden, eene reiniging ondergaan (Lev. VI:27v.; XXVII : 1U, 21, 33; Num.
XVI: 37 v.; J)eut. XXII: II; Joz. VI: 19; verg. Hagg. 11:18). Welke de gevolgen van het „gewijd
worden" door aanraking van iets heiligs voor meusehcu waren, wordt nergens gezegd. Waarschijnlijk
moesten zij zich aan de eene of andere bespreuging onderwerpen. Waarschuwingen um zich niet te
laten „wijden" worden naugetrotTeu I,cv. VI: 18, 27; Ezeeh. XL1V:19; XIiVI : 20; verg. Jcz. IiXV : 5.
38—12. Vóór de Ballingschap, en nog tot Nehemja\'s tijd, werd in den tempel des morgens een
lam ten brandoffer, maar des avonds slechts een onbloedig ulier, d. i. meel met olie en den daarbij
behooren
0
den wijn, gebracht. Zie 2 Kon. XVI: 10; Kzra IX:4v.; Nch. X : 33 ; Ezcch. XI,VI:18—15.
De verzen 38—12 zijn bijna letterlijk ontleend aan Nam. XXVIII: 3—8, en hier ingevoegd omdat de
offerande vnn twee lamineren daags daar gezegd wordt op den Shmi te zijn voorgeschreven. l)c over-
werker deed het niet handig; want uit zijn aanhef zou men kunnen opmaken dat op het altaar niets
bereid moest worden dan hetgeen volgt. De reden waarom hij zijn toevoegsel hier opnam zal wel
deze zijn dat hij het wilde laten volgen op het gebod omtrent de altaarwijding, in de voorafgaande
verzen vervnt.
38.  eenjarige. Zie op XII: 5.
39.   ix schemeravond. Zie op XII: 6.
40.  een tiende, wat Exod. XVI: 16—30 een kop heet (zie Exod. XVI: 30), bijna 4 L. — een kuurt
stoop,
ruim anderhalve I<. — gestooten olie. Zie op XXVII: 20. Voor de overige offers was zoo fijne
olie geen vercischte.
42.  met k, met Mozcs, volg. Sam. en Gr. t., die het enkelvoud heeft; Hebr. t. heeft het meervoud.
43.  Daar. Dit slaat volgens het verband waarin dit vers nu staat op de tent der samenkomst; in welk
geval de schrijver hier juist hetzelfde zegt als in vs. 42. Maar is vs. 38—12 een toevoegsel, dan
sluit vs. 43 bij vs. 37 aan en wordt het altaar bedoeld. Vandaar de vertaling de plaats, in stede van
zij of hel. — de plaats — heerlijkheid. .Mijne heerlijkheid (verg. op XVI: 10) xal zich daarboveu
vertooncn, en het altaar zal daardoor ingewijd zijn. Zie I.cv. IX : 23 v.
HOOFDSTUK XXX.
Het wierookaltaar en andere heilige voorwerpen. — Het wicronkaltaar (1—10); heffing van een
halven sikkel van alle Israëlieten boven de twintig jaar (11—10); het waschvat (17—21); de heilige
zalfolic (22—83); het heilig reukwerk (34—38).
-ocr page 133-
BXODCB XXX: 1—14.
213
De uitvoering van eeu deel dezer bevelen staat XXXVII : 25—28 , XXXVIII: 24—2R; XXXVII: 2!».
Over de verhouding vau dit hoofdstuk tot XXV—XXIX zie iul. op XXIV : 12—XL: 38.
XXX: 1 Miiak ook een altaar tot het ontsteken van wierook; van acacia-
2       liout zult gij het ruaken,\' eene el lang en breed, vierkant, en twee
3       el hoog; zijne hoornen zullen er óen stuk mede uitmaken.\' Gij zult
het met zuiver goud heslaan; den bovenkant, de wanden rondom en
4       de hoornen. Ook zult gij er een gouden krans om heen maken.\' Maak
er ook, onder den krans, aan weerskanten, aan de twee zijden, twee
gouden ringen aan: zij zullen dienen om er de stangen in te steken
5       waaraan men het moet dragen. \' Maak ook die stangen van acacia-
(5 hout, en besla ze met goud.\' Plaats dit altaar dan voor het voor-
7       hangsel dat de Geboden dekt, waar ik met u zal samenkomen.\' Op
dat outer zal Aiiron den ofl\'envierook ontsteken; eiken morgen, wan-
8       neer hij de lampen in orde maakt, zal hij het ontsteken:\' ook zal
Aiiron het ontsteken wanneer hij, in schemeravond de lampen op den
luchter zet; een vast wierookoft\'er voor Jahwe\'» aangezicht, van ge-
9       slacht tot geslacht.\' Gij moogt daarop geen gewonen wierook bron-
gen, noch hrand- of\' meeloft\'er, ook er geen plengofl\'er op uitgieten.\'
10 En Aiiron zal eenmaal \'s jaars over de hoornen verzoening doen;
met het bloed van het verzoeningszondofter zal hij het eenmaal \'s jaars,
van geslacht tot geslacht, verzoenen; het is hoogheilig, aan Jahwe
gewijd.
11, 12 \' Jahwe sprak tot Mozes: \' Wanneer gij het aantal der Israëlieten hij
hunne monstering opneemt, dan zal, bij hunne monstering ieder een
losprijs voor zijn leven aan Jahwe geven; opdat geen plaag onder hen
13       zij bij hunne monstering.\' Ieder die op de monsterrol komt zal het
volgende geven: de helft van een sikkel, namelijk van een heiligen
sikkel, een van twintig gera\'s. Die halve sikkel is eene gave voor
14       Jahwe.\' Ieder die op de monsterrol komt, van twintig jaar at\' en
1—10. Deze verzen zijn in Sam. t. tusschen XXVI: 35 en 30 ingevoegd, als lichoorondc bij de bc-
schrijving der meubelen van het heilige. Waarschijnlijk was in den tempel voor de Itnlliugschnp (teen
wierookaltnar, al wordt het 1 Kon. VII: 48 (zie aldaar); 1 Kron. XXVIII : 18 vermeld. Dr schrijver
vau XXVII : 1—8 kent slechts een altaar in de tent der samenkomst, het braiidoffcrnltaar; ook Kzcch.
XLIII: 13—17; XLIV:16 komt alleen dit laatste voor. In XXX1X:38; XL: 5, 20; Xum. IV: 11;
1 Kon. VII: 48 heet het wicrookaltaar: het gouden.
3. trans, als XXV: 11.
0. voorhangsel — dekt. /ie op XXVII: 21. — Achter voorhangsel dat heeft Hebr. t. nog de ark
der Oetioden vóór hel deksel dal,
welke woorden volg. Gr. vert. zijn weggelaten.
8.  eeit vast icierookoffer. Dezelfde uitdrukking komt XXIX: 42 van het dugelijksche brandoffer voor.
9.  geen gewonen tcierook, geen anderen dan den heiligen, die vs. 84—38 beschreven wordt.
10.  het versoeningszondojfer. Hedocld is het otfer van den grooten verzoendag, Lcv. XVI: 18.
12. het aantal, letterlijk de hoofden. — opdat — monstering. Kene volkstelling of monstering werd
voor eene gevaarlijke daad gehouden, die licht de pest of eene andere ramp veroorzaakte (zie 2 Sam.
XXIV). Waarschijnlijk oordeelde men dat de godheid haar, als daad van overmoed, strafte (zie op Jez.
II: 7;. De gave diende dus om den naijverigeu god te weerhouden de gcmonstcrdcii door rampspoed
zijne macht te doen gevoelen.
18. leder — komt, onzekere vertaling. — een heiligen sikkel. Deze benaming komt alleen in Ezra\'s
Wetboek voor, vs. 24; XXXVIII:24—20; Lef. V:15 enz. De sikkel zelf ook Ezcch. XLV : 12. De
naam bewijst dat sikkels van zeer onderscheiden gewicht in omloop waren en de priesters een stau-
daard-sikkel hadden. De juiste zwaarte hiervan keunen wij niet; waarschijnlijk bedroeg zij 10 37 gram.
Dus had eene grra zilver ongeveer 8\'/j cent waarde, eu bedroeg het hoofdgeld 85 cent.
14—10. Of dit hoofdgeld slechts eenmaal moest gegeven worden, dan wel jaarlijks, wordt niet dui-
delijk gezegd. De eerste opvatting vinden wij bij den schrijver van XXXV111: 24—20, de andere wordt
wellicht otidersteld in 2 Kron. XXIV : 0, 1) en is in overeenstemming met het gebruik van volgende
eeuwen. Dat zij ook die van den schrijver is, volgt met groote waarschijnlijkheid uit de opgave der
bestemming van dat hoofdgeld: de onderhouding van den ceredienst; daar deze voortdurend bijdragen
cischtc. De onduidelijkheid der verordening zal wel niet toevallig zijn. In den tijd des schrijvers werd
jaarlijks een hoofdgeld van een derde sikkel betaald, hetwelk de Joden in Nchemjn\'s tijd zich zelven
- vrijwillig hadden opgelegd (Neb. X : 32). Was dit gebleken voor de onderhouding van den dienst niet
toereikend te zijn, en wilden de priesters het daarom tot een halven sikkel verhoogen, dan kon dit
bezwaarlijk geschieden door de tocdichting van eene unbewiuipclde verordening aan Mozes; omdat
-ocr page 134-
bxodus XXX: 14—34.
214
15 daarboven, moet die gave aan Jahwe geven;\' de rijke zal niet meer,
en de behoeftige niet minder dan de helft van een sikkel opbrengen,
bij het schenken van die gave aan Jahwe tot verzoening van uwe
1U zielen.\' Gij zult het verzoeningsgeld van de Israëlieten nemen en het
besteden voor den dienst van de tent der samenkomst. Zoo zal liet
dienen om de Israëlieten bij Jahwe in gedachtenis te houilen, om uwe
zielen te verzoenen.
17,18 Jahwe sprak tot Mozes:\' Maak ook een koperen bekken met ko-
peren voetstuk, tot wassching; plaats dat tusschen de tent der samen-
1\'J komst en het altaar, en doe er water in.\' Aiiron en zijne zonen zullen
20       met water daaruit zich handen en voeten wasschen;\' wanneer zij de
tent der samenkomst binnengaan, zullen zij zich met water wasschen;
opdat zij niet sterven. Of wanneer zij tot het altaar treden om dienst
21       te doen door een vuurotter voor Jahwe te ontsteken,\' zullen zij zich
handen en voeten wasschen; opdat zij niet sterven. Dit zal hun eene
eeuwige inzetting zijn, hun en hunnen nazaten, van gedacht tot ge-
slacht.
22,23 Jahwe sprak tot Mozes:\' Neem gij van de edelste specerijen: van
fijne mirre vijfhonderd sikkelen, van geurige kaneel half zooveel, twee-
honderd vijftig sikkelen, van keurigen kalmus tweehonderd vijftig,\'
24       van kassie vijfhonderd sikkelen, en wel heilige sikkelen, op eene
25       stoop olijfolie.\' Maak daarvan heilige zalfolie, als een allerkeurigst
2(5 mengsel van den specerijbereider; heilige zalfolie zal het zijn.\' Daar-
mede zult gij zalven de tent der samenkomst en de ark der Geboden,\'
27       de tafel en al haar gereedschap, den luchter en al zijn gereedschap,
28       benevens het wierookaltnar,\' het brandofleraltaar met al zijn gereed-
2y schap, en het bekken met zijn voetstuk.\' Zoo zult gij ze heiligen, en
30       zij zullen hoogheilig zijn; al wie ze aanraakt wordt gewijd.\' Ook zult
gij Aiiron en zijne zonen zalven en hen heiligen; opdat zij mij tot
31       priesters zijn.\' En tot de Israëlieten zult gij zeggen: Dit zal heilige
32       zalfolie voor mij zijn van geslacht tot geslacht.\' Op het lichaam van
een gewoon mensch zal zij niet gegoten worden, en naar dit voor-
schrift zult gij geen andere olie bereiden; zij is heilig; heilig zal zij
33       u wezen.\' Al wie baars gelijke mengt of daarvan aan een leek geeft
zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
34           Jahwe zeide tot Mozes: Neem geurige kruiden: stacte, nagelen, gal-
icdcr wist tint het hoofdgeld eerst van Xchcmja dagteckendc. Maar een hevel waarbij in het midden
bleef of het eene helling voor eens dan wel eene jaarlijkschc inhield nas het beste middel om de
reeds bestaande jaarlijksche helling te verhoogen.
10. voor den dientt, d. i. voor den dagclijkschen ceredicust. Maar het woord zou ook kunnen vcr-
taald worden voor den opbouw, en zóo vat de schrijver van XXXVIII: 21—31 het, ten onrechte, op.
18. Verg. 1 Kon. VII: 23—20. Het groote waschvat stond in den tempel van Herodes tusschen het
altaar en de trappen van het voorportaal.
10. met Kater daaruit, of daarin. Het blijkt niet wat de schrijver bedoeld heeft.
20. met voor water, volg. Gr. vert. ingevoegd. — opdat — sterven, wat hun lot zou zijn, indien
zij ougereiuigd vóór Jahwe verschenen.
23. I\'nlcstina leverde verscheidene welriekende harsen en kruiden op; welke soorten hier en vs. 34
5
bedoeld worden, is voor een deel onzeker; wellicht werden ook sommige daarvan door handelaars van
elders ingevoerd. — kalmus, ook I\'s. I.XVI1I :31; Jez. XL11I:24; Jcr. VI: 20 als behoorendo bij
den ecredienst vermeld.
20. Zalving diende om iemand of iets te wijden; zie op Gen. XXYIIlJlS.
27. al vóór zijn, ingevoegd volg. Sain. en Gr. t.
20. al — gewijd. Zie op XXIX : 37.
30. Verg. op XXIX : 7.
34—38. I)c .loden waren groote minnaars van reukwerk, dat bij do rijken in de kamers werd ann-
gestoken en waarmede bij ecu gnstinnul hoofdhaar eu baard der nanzittcudcu werd berookt. Het feit
dut voor de Ballingschap in den tempel geeu wierookaltaar stond maakt het zeer waarschijnlijk dat
Jahwe toen nog geen wierookotters outving. Het woord dat in de latere geschriften ,wierookcu\' be-
-ocr page 135-
BXODÜS XXX : 34—XXXI : 14.
215
banum — geurige kruiden en fijnen wierook, van elke soort even-
35       veel,\' en maak daarvan reukwerk, eene specerij, een mengsel van den
36       specerijbereider, goed gemengd, rein, iets heiligs.\' Wrijf een deel daar-
van rijn en leg dat voor de Geboden in de tent der samenkomst, waar
37       ik met u samenkomen zal; hoogheilig zal het u zijn.\' Reukwerk ten
eigen gebruike zult gij naar dit voorschrift niet bereiden; iets hei-
38       ligs voor Jahwe zal het u zijn.\' Al wie dergelijk reukwerk maakt
om daaraan te ruiken zal uit zijn volk uitgeroeid worden.
teckent wordt iu de oudere voor bel ontsteken van alle offer* gebruikt. De bereiding vnu het heilig
reukwerk was aan cene pricsterfamilie opgedragen (1 Kron. IX : 30), die daarvan een geheim
maakte.
35.   goed gemengd, onzekere overzetting volg. alle oude vertt. Het Hebrecuwsche woord kan naar
zijne afleiding alleen bcteekenen gezouten.
36.  eóor de Geboden, ook Num. XVII: 4. Zie op XXV : 10.
HOOFDSTUK XXXI.
Jahwe deelt Mozes mede, welke kunstenaar» bij heeft uitgekozen om het heilig werk tot stand
te brengen (1—11), scherpt de viering van den sabbat iu (12—17), cu geeft aan Mozes de steenen
tafelen (18).
Hoc Mozes den Israëlieten mededeelde, wie door Jahwe waren verkoren, en luie dezen aan den
arbeid togen, lezen wij XXXV : 30—XXXVI : 3. Het sabbatsgebod wordt herhaald aan den aanvang der
medcdeeling hoc de Israëlieten Jahwc\'s bevelen betreffende den eercdienst volbrachten, XXXV : 1—3.
In welk verband dit hoofdstuk staat tot XXV—XXIX, zie daarover iul. op XXIV : 12—XL: 38.
XXXI: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zie, ik heb met name geroepen, lie-
3       saleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, uit tien stam Juda,\' en
hem vervuld met den geest Gods, met wijsheid, doorzicht en kennis
4       in allerlei werk,\' om ontwerpen te beramen en te arbeiden in goud,
5       zilver en koper,\' in "het graveeren van steenen, om ze in te zetten,
6       in bet houtsnijden om allerlei werk te verrichten.\' En ik geef hem
tot helper Oholiab, den zoon van Ahizamach, uit den stam Dan, en
geef iil het hart van alle deskundigen kunstvaardigheid, en zij zullen
7       al wat ik u geboden heb vervaardigen:\' de tent tier samenkomst, de
ark voor de Geboden, het deksel daarop, al het gereedschap der tent,\'
8       de tafel en al haar gereedschap, den reinen luchter luet al zijn ge-
9       reedschap, en het wierookaltaar,\' het brandofferaltaar en al zijn ge-
10       reedschap, het waschvat met zijn voetstuk,\' het ambtsgewaad en de
heilige kleederen van den priester Aiiron, en de kleederen zijner zo-
11       nen, opdat zij mij tot priesters zijn,\' ook de zalfolie en den offerwie-
rook voor de heilige plaats. Naar al wat ik u bevolen heb zullen
zij doen.
12,13 Jahwe zeide tot Mozes:\' Spreek gij tot de Israëlieten: Onderhoudt
toch vooral mijne sabbatten; want de sabbat is een teeken tusschen
mij en u, van geslacht tot geslacht, waaraan gij weet dat ik Jahwe
14 ben, die u heilig.\' Gij zult den sabbat onderhouden; want die moet
u heilig zijn. Wie hem schendt moet zeker ter dood gebracht worden;
3.  in allerlei, volg. Gr. vert. j Hebr. t. en in allerlei.
4.  ontwerpen te ieramen. Dit was te ccncnmale overbodig, daar het heiligdom moest gemaakt en in-
gericht worden overeenkomstig zijn hemelsch model, XXV: 9, 40.
10. ambttgewaad, onzekere vertaling. Waarschijnlijk wordt het gewone priesterkleed des hoogepries-
ters bedoeld. — den prietter, den hoogepriester, welke titel in de wet alleen Num. XXXV: 25, 28
voorkomt. — mij, ingevoegd volg. Gr. vert.
13.   Verg. op Ézcch. XX: 12. — teeken. Zie op Gen. IX: 13. — die u heilig, die u tot mijn eigen
volk heb uitverkoren cu als zoodanig bewaar. Dezelfde uitdrukking iu Lev. XX: 8; XXI : s, 15, 23;
XXII: 0, 16, 32, aan welke oudere wetten zij hier waarschijnlijk ontleend is.
14.  De menschelijke rechter moet den sabbatschcuncr ter dood brengen; daar God zijn ondergang
besloten heeft.
-ocr page 136-
bxüdub XXXI: 14—18.
216
want al wie op dien dag werk verricht, die mensch zal uitgeroeid
15 worden uit liet midden zijns volks.\' Zes dagen zal gearbeid worden;
maar op den zevenden moet liet zijn een dag van volkomen rust, aan
Jahwe gewijd; al wie op den sahhatdag werk verricht moet zeker ter
1*5 dood gebracht worden.\' Ja, de Israëlieten zullen den sabbat onder-
17       houden, door den sabbat te vieren van geslacht tot geslacht,\' een
eeuwig verbond. Tusschen mij en de Israëlieten is het een teeken tot
in eeuwigheid. Want in zes dagen heeft Jahwe den hemel en de aarde
gemaakt, en op den zevenden heeft hij jrerust en adem geschept.
18           Toen Jahwe voleindigd had met Mozes op den berg Sinai te spre-
ken, gaf hij hem de twee tafelen der Geboden, steenen tafelen, met
den vinger (Jods beschreven.
17.   Verg. XX: 8—11; Gen. 11:8».
18.  Deze beschrijving van de tafelen der Tien Woorden vinden wij ook XXXII: 16; Dcut. IX: 10.
Dit vers stond dus waarschijnlijk reeds in het Oudc-Sagcnbock, en wel nn XXIV: 18. De Verzamelaar
naakte er van het slot der verordeningen in XXV—XXXI vervat.
HOOFDSTUK XXXII—XXXIV.
Israëli zonde hij den Horeb. — Terwijl Mozes op den berg vertoeft, maakt Aiiron, op verzoek van
het volk, een gouden stierheeld, ter eerc waarvan de Israëlieten feest vieren (XXXII :1—6). Jahwe
(reeft Mozes kennis van dien afval en wil het volk verdelgen; maar Mozes verbidt hem (7—11). Mozes
daalt van den berg af met de steenen tafelen der wet en werpt deze in stukken bij den aanblik van
het sticrbceld; waarna hij dit vernielt (15—20). Hij roept Aiiron tot verantwoording en hoort zijne
verontschuldiging aan (21—24). Daarna doet bij door de Levieten een bloedbad onder het volk aan-
richten (25—2!)). Na opnieuw den berg beklommen te hebben, biedt hij zich zclve.n aan Jahwe als
zoenoffer aan; waarop deze hem gelast het volk naar Kanaiin te brengen, met de bedreiging dat hij
het later kastijden zal; wat ook geschied is (30—35). Jahwe beveelt Mozes, het volk naar het he-
loofde Inud te voeren, terwijl hij zegt zelf niet te willen mcdegaan; waarover het volk rouw bedrijft
(XXXIII : 1—l). Op Jahwe\'s last ontdoen zich de Israëlieten van hun opschik (5 v.) Mozes richt de
tent der samenkomst op en komt dnarin, ten aanschouwen des volks, telkens met Jahwe samen (7—11).
Mozes smeekt Jahwe, zelf met zijn volk mede te gaan; wat deze belooft (12—17). Hij verzoekt
Jahwe, hem zijne heerlijkheid te tooncu; deze kan die bede niet inwilligen, maar zal er hem
toch iets van laten zien (18—23). Jahwe gelast Mozes, twee nieuwe stceuen tafelen te maken (XXXIV i 1)
en alleen den berg te beklimmen, zonderdat menseh of dier te zien is (2v.); Mozes maakt de twee
steenen tafelen en neemt ze mede op den berg (4). Jahwe daalt neder en maakt zijne tcgenwoordig-
hcid aan Mozes kenbaar; waarop deze vergiffenis voor zijn volk afsmeekt (5—9). Jahwe belooft zijne
hulp aan Israël bij de verdrijving der Knnaiuiictcii (10 v.), waarschuwt tegen vermenging met hen
(12—10) en geeft Mozes cene wet, die hij hem beveelt op te schrijven (17—2(1). Op Jahwe\'s last
blijft Mozes veertig etmalen bij hem en schrijft de bondswoorden op de steenen tafelen (27 v.). Afgc-
daald van den berg, deelt hij aan Aiiron en het volk Jahwe\'s geboden mede, maar bedekt, zoolang bij
met hen spreekt, zijn aangezicht, dat schittert; omdat het volk bang voor hem is (29—35).
Deze hoofdstukken zijn uit stukken van zeer onderscheiden herkomst samengesteld, zooals talrijke
herhalingen en tegenstrijdigheden bewijzen, en die stukken zijn zoo in elkander geschoven, dat het
onmogelijk is ze met zekerheid nauwkeurig te scheiden. Zie op XXXII: 7—14, 35; XXXIII: 3. 12;
14—17; XXXIV: 9, 10—27 en 27 v.
Het Klohistisch verhaal is nog het meest in zijn geheel bewaard. Na het bericht XXIV: 12—14,
18 i werd hierin medegedeeld, dat Mozes veertig dagen op den Sinai bij Jahwe vertoefde en de tsfe-
len der wet ontving, hoc het volk zich bezondigde (XXII: 1—6) cu Mozes, in toorn daarover ontsto-
ken, de steenen tafelen verbrak en het sticrbceld vcrgruizeldc (15—20); dan, dat Mozes naar den
berg wederkeerde en zieh aan Jahwe ten zoenoffer voor zijn schuldig volk aanbood (30—34 tendeclc);
hoe Jahwe hem opdroeg, Israël naar Kanaiin te voeren, ofschoon hij zelf niet zou medegaan, en dat
deze aankondiging het volk bedroefde (XXXIII: 1, 3 v.). Op dit punt is het verhaal niet alleen ont-
sierd door de inlassching van rene belofte, vs. 2, en een bericht dat de Israëlieten op Jahwe\'s last
hunne sieraden aflegden, vs. 5 v., mnar ook verminkt: vs. 7 sluit uan hetgeen voorafgaat niet aan.
Kr moet oorspronkelijk cene lastgeving van Jnhwe aan Mozes gestaan hebbeu om eeue ark met
daarbij behoorende teut te vervaardigen, die zijne plaats zou innemen. Waarom die mcdcdceliug om-
-ocr page 137-
bxodub XXXII: 1—6.                                         «17
trcnt de ark door de nmwerkers van het verhaal is weggelaten, zie op XXV : 10—22. Gelukkig is het
verhaal hoc Mozea de tent der samenkomst opsloeg en daar telkens bijeenkomsten met Jahwe hield
(7—11) bewaard gebleven, hoewel de tent een geheel ander karakter draagt dan de XXV—XXIX
beschrevene en dus slecht voegt bij de verordeningen in die hoofdstukken opgeteekeud. Hieraan sloot
zich in De Klohist het bericht aan dat Mozea andere stecnen tafelen bereidde en daarmede den berg
opnieuw beklom, waar hij er Jahwe\'» geboden op schreef (XXXIV! 1, 4, 28).
Deze legende strekte vooral tot veroordceling van den stierdienst, die in Noord-Isrncl van Jerobeam ]
af tot den ondergang des rijks toe gebloeid, maar in het laatst, evenals bij onzen schrijver, ook bij
andere Noord-Israëlieten bestrijding gevonden heeft (Iloz. VIII:4—7; X : 5 v.; verg. op Am. VIII: 14).
Toen zij door een Judccr bewerkt werd, was voor dezen een punt zeer moeilijk: de rol die Aiiron
er in speelde. Als stamvader der Nooid-lsraëlietischc priesters, o. a. van ilic te Bethel, ging hij door
voor den patroon der vereering van Jahwe onder de gedaante van een stier, en werd als zoodanig in
de oude legende zeer hard gevallen. Maar tijdens de godsdienstige beweging die op Jozia\'s hcrvor-
ming is uitgcloopen werd het wcnschelijk geacht, èn de Levieten, die toen op de uitsluitende bevocgd-
hcid tot het bcklccden van het priesterambt in den tempel aanspraak maakten, in de hoogte te stc-
ken, èn Aiiron, die toch ook Leviet was, en van wiens afstammelingen vele in den tempel cene aan-
stclling zochten, cenigermnte te verontschuldigen. Daarom laschte de Judecsche bewerker zeker XXXII:
25—2!), waarschijnlijk ook vs. 21—24, in, terwijl hij in va. 35 op de vervulling van Jahwe\'a bedrei-
ging, in 722, wees (zie ter pi.). Van dcnzelfden schrijver kan ook XXXII: 7—14; XXXIII: 2, 5, 6
afkomstig zijn, volgens welke verzen Jahwe, door Mozes verbeden, aan het berouwvol volk zijne hulp
niet onttrekt. Hclcefdc Juda niet in de dagen van Manassc de vervulling dier belofte?
Rcuigcn tijd later schreef een geestverwant van den Dcuteronomischen wetgever het verhaal van
Jahwc\'s openbaring aan Mozes, XXXIII: 17—23 j XXXIV : 2, 3, 5—9.
Met XXXIV: 10—27 is het waarschijnlijk gegaan als niet het Bondsboek en het verhaal der bond-
sluiting (zie inl. op XX: 22—XXIII: 33). Die achttien verzen toch behelzen woorden van Jahwe, op
grond waarvan hij met de Israëlieten een verbond wilde sluiten; zij onderstellen evenmin cene vroe-
gcre openbaring van andere wetten, als een afval des volks. Het stuk heeft denkelijk tot De Jnhwist
behoord en op eenc andere plaats gestaan; het is hierheen door den schrijver die Deuleronomiiim met
het Oudc-Sagenbock verecnigde verzet. Over de verhouding dezer wetten tot die van het Bondsboek
zie ter pi.
Een toevoegsel van zeer jonge dagteekening is XXXIV: 2!)—35; zie ook op XXX11:15.
XXXII: 1 Toen het volk zag dat liet lang duurde eer Mozes van den berg*
afdaalde, liep het te hoop bij Aiiron en zeide tot hem: Kom, maak
ons goden, die voor ons uit trekken; want die Mozes, de man die
ons uit Egypteland heeft opgevoerd, wij weten niet wat van hem is
2       geworden.\' Hierop zeide Aiiron tot hen: Hukt de gouden ringen uit
3       de ooren uwer vrouwen, zonen en dochters, en brengt ze mij.\' Toen
rukte zich het gansche volk de gouden ringen uit de ooren en bracht
4       ze aan Aiiron,\' die ze van hen aannam, het goud met den beitel
bewerkte en er een gegoten stier van maakte. Daarop zeiden zij: Dit
zijn uwe goden, o Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben!\'
5       Aiiron nu, dit ziende, bouwde een altaar vóór dat beeld en kondigde
G af: Morgen feest voor Jahwe!\' Hij maakte zicli den volgenden dag
gereed, offerde brandoffers en bracht dankoffers; waarna het volk zich
nederzette om te eten en te drinken, en opstond om te spelen.
1. lang, veertig etmalen, XXIV: 18, waarop dit vers oorspronkelijk volgde. —goden, die.... (rei-
ten.
Evenals hier, wordt vs. 4, 8, 23 en 1 Kon. Xll : 28 het meervoud gebruikt, Neh. IX: 18 daar-
entegen het enkelvoud. Dit stond oorspronkelijk ook in het Elohistisch verhaal; immers, vs. 4 wordt
van slechts écn beeld gewaagd, en ongetwijfeld werd Jahwe zelf door het sticrbecld voorgesteld. Doch
een der omwerkers achtte de vereenzelviging van het stierbceld met Jahwe aaustootclijk en merkte
het, door de verandering van het enkelvoud in het meervoud, als afgodisch; verg. op XX: 5.
4. een gegoten stier. Op liet voetspoor der Vulgata is in de nieuwere vertalingen de overzetting „kalf"
opgenomen. Jlaar zij is zeker fout. Het stierbceld was bij verscheidene vóor-Aziatische volken in-
hcemsch; het gebruik sommige goden en godinnen gehoornd af te beelden hing er mede samen, waar-
schijnlijk ook het versieren van altaren met hoornen; verg. op XXVII: 2. Indien het een en ander
deu Israëlieten niet reeds voor hunne komst in Kauaüii bekend was, hebben zij het aldaar vnn de in-
Wonen kunnen lcereu. De dienst dien Jerobeam I invoerde of uitbreidde, 1 Kou. XII : 2C—33, was
ongetwijfeld een Kanaanietischc. Verg. verder op Gen. XLIX: 24.
6. maakte, offerde, bracht, Aiiron, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. heeft het meervoud, wuurbij het volk
-ocr page 138-
exodus XXXII: 7—28.
218
7           Toen sprak Jahwe tot Mozes: Ga, daal at\'; want uw volk, dat gij
8       uit Egypteland hebt opgevoerd, heeft zich bezondigd.\' Zij zijn spoedig
afgeweken van den weg dien ik hun voorgeschreven had, zij hebhen
zich een gegoten stier gemaakt, zich daarvoor nedergeworpen en er
aan geofferd, zeggende: Dit zijn uwe goden, o Israël, die u uit Egyp-
9       teland opgevoerd hebhen.\' Voorts zeide Jahwe tot Mozes: Ik heb op
10       dit volk gelet, en zie, het is een hardnekkig volk.\' Welaan, laat mij!
Dat mijn toorn tejren hen ontbrande en ik ben vertere; dan zal ik u
11       tot een groot volk maken.\' Maar Mozes zocht Jahwe, zijn god, te
vermurwen en zeide: Waarom, o Jahwe, zou uw toorn tegen uw volk
onthranden, hetwelk gij met groote kracht en sterke hand uit Egyp-
12       teland gevoerd hebt.\'\' Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: In
boosheid heeft hij hen uitgeleid, om hen op het gebergte te dooden
en hen te vernietigen van den aardbodem? Kom terug van uw bla-
kenden toorn, en heb berouw over het onheil, uw volk toegedacht.\'
lb* Denk aan uwe dienaren Abraham, Izaak en Israël, wien gij gezworen
hebt bij u zei ven en tot wie gij gezegd hebt: Ik zal uw nakroost talrijk
maken als de starren des hemels, en dit geheele land, waarvan ik
gezegd hel) dat ik het aan uw nakroost geven zal, zal het voor al-
14       tijd beërven.\' Toen kreeg Jahwe berouw over liet onheil dat hij ge-
zegd had zijn volk te zullen aandoen.
15            Mozes nu wendde zich en daalde den berg af, de twee tafelen der
Geboden in de hand, tafelen aan weerszijden beschreven: aan dezen
1 <i en aan genen kant waren zij beschreven.\' Die tafelen waren Gods
17       eigen werk, en het schrift was Gods schrift, gegrift in de tafelen.\'Toen
nu Jozua het gedruiscb hoorde dat het volk bij zijn juichen maakte,
18       zeide hij tot Alozes: Krijgsrumoer in het leger!\' Alaar deze zeide:
Dat zijn geen jubelkreten der overwinning, noch klaagtonen der neder-
19       laag; beurtgezang hoor ik.\' En toen hij de legerplaats naderde en den
stier benevens het dansen zag, ontbrandde Mozes\' toorn en wierp hij
de tafelen uit zijne handen in stukken aan den voet van den berg.\'
20       Daarop nam hij den stier dien zij gemaakt hadden, verbrandde hem,
stampte hem tot stof en strooide dit op het water; zoodat hij het de
Israëlieten deed opdrinken.
21            Toen zeide Mozes tot Aiiron: Wat heeft dit volk u toch gedaan,
22       dat gij daarop zulk eene groote schuld hebt geladen?\' Aiiron zeide:
Mijns heeren toorn ontbrande niet! Gij weet zelf dat dit een door en
23       door slecht volk is.\' Zij zeiden mij: Maak ons goden, die voor ons
V». 14. Jona III: 10.
het onderwerp ia; maar dit treedt eerst daarna handelend op. Waarschijnlijk is het enkelvoud opzet*
tel ij k in het meervoud veranderd, om Aarons schuld zooveel mogelijk te verkleinen. — ipelen, zingen
en dansen.
7—14. Pat deze verzen later in het oorspronkelijk verhaal zijn ingevoegd, blijkt uit den inhoud
in verband met het vervolg. Terwijl Jahwe hier aan Mozes mededeelt dat het volk een stierbeeld ge-
maakt heeft, ontdekt Mozes dit vs. 19 eerst als hij het ziet, na bij zijne uaderiug het beurtgezang
gehoord te hebben. In vs. 30 zegt Mozes, deu berg weder te willen bestijgen, om te zien of hij wei-
licht Jahwe kan verzoenen; wat geen zin heeft indien hij dit bij voorbaat reeds gedaan had, zooals
deze verzen lecren. Over de drijfveer van den inlasscher zie Inl.
11—13. Verg. Xum. XIV: 13—19; Deut. IX: 26—29.
13.   Zie Gen. XII : 7; XIII: 15; XV:18; XXVI:4; XXVIII: 13; Exod. XXXIII: 1; Deut.
XXXIV: 4.
14.   Verg. op Gen. VI: 6.
15.  tafelen der Geboden. Deze uitdrukking komt anders alleen in K/ra\'* Wetboek voor; zie op
XXV : 16.
18. Mozes wist volgens dit verhaal, evenmin als Jozua, wat in het leger gaande was,
21. Mozes onderstelt dat Aiiron opzettelijk, om het volk in het ongeluk te storten, het tot zonde
verleid heeft; zoouls Jahwe ook soms deed (2 Sam. XXIV: 1).
-ocr page 139-
219
bxodus XXXII: 23—XXXIII: 4.
uit trekken; want die Mozes, de man die ons uit Egypteland opgevoerd
24       heeft, wij weten niet wat van hem is geworden.\' Toen zeide ik tot
hen: Wie uwer goud heeft rukke het van zich! Zij gaven liet mij;
ik wierp het in liet vuur, en die stier kwam er uit.
25           Mozes nu, ziende dat het volk bandeloos was — want Aiiron had
het bandeloos gemaakt; zoodat zij onder bunne tegenstanders in op-
20 spraak waren gekomen —\' ging in de poort der legerplaats staan en
zeide: Wie Jahwe toebehoort kome tot mij! Toen zich hierop alle Le-
27       vieten tot hem verzameld hadden,\' zeide hij tot hen: Zoo zegt .lahwe,
Israëls god: Elk uwer bange zijn zwaard aan zijne heup! (laat het
leger door van de eene poort tot de andere, heen en terug, en doode
28       ieder zijn broeder, vriend, naaste.\' De Levieten deden naar Mozes\'
woord; zoodat van bet volk op dien dag ongeveer drie duizend man
29       vielen.\' En Mozes zeide: Gij heht heden uw wijdingsolfer aan Jahwe
gebracht, ieder met zijn zoon en niet zijn broeder; zoodat gij u heden
een zegen verworven hebt.
30           Den volgenden dag sprak Mozes tot het volk: Gij hebt eene grove
zonde bedreven. Daarom zal ik tot Jahwe opstijgen; wellicht kan ik
31       uwe zonde verzoenen.\' Zoo keerde Mozes tot Jahwe terug en zeide:
Zie, eene grove zonde beeft dit volk bedreven door zich gouden go-
32       den te maken.\' Welnu, vergeef toch hunne zonde; maar indien dit
onmogelijk is, wisch mij dan uit het boek dat gij geschreven hebt.\'
33       Hierop zeide Jahwe tot Mozes: Wie de zonde begaan heeft, dien zal
34       ik uit mijn boek wisschen.\' Welaan, ga, leid het volk naar de plaats
waarvan ik u gesproken heb; zie, mijn engel zal voor u uit gaan, en
ten dage dat ik het opzoek zal ik hunne zonde bij hen thuis zoeken.\'
35       En Jahwe heeft het volk gekastijd, omdat zij den stier gemaakt had-
den, dien Aiiron had vervaardigd.
XXXIII: 1 Jahwe sprak tot Mozes: Ga, trek van liier op met het volk dat
gij uit Egypte opgevoerd hebt, naar het land waarvan ik aan Abra-
ham, Izaiik en Jakob gezworen heb: Ik zal het aan uw nakroost ge-
2       ven —\' ik zal mijn engel voor u uit zenden en de Kanaiinieten,
Amorieten, Hittieten, Perizzieten, Hiwwieten en Jebuzieten verdrip
3       ven —\' naar een land, overvloeiende van melk en honing; want ik
zal niet in uw midden optrekken, omdat gij een hardnekkig volk zijt
4       en ik u anders onderweg zou verteren.\' Toen het volk dit onheil-
25. soodat — gekomen, onzekere vertaling.
27 v. Wat Deut. XXXIII: 9 tot eer der Levieten wordt gezegd: dat zij ter wille vim Jahwe de
banden des bloeds gcringachtten, wordt hier aanschouwelijk voorgesteld.
29.   Gij hebt — gebracht, letterlijk Gij hebt heden uwe handen voor Jahwe gevuld (zie op XXVIII:
41), volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Brengt enz. Ook is achter gebracht het woord want volg. Gr.
vert. geschrapt. De slachtoffers van dezen geloofsijver der Levieten worden beschouwd als de offers die
zij ter aanvaarding van hunne bediening aan Jahwe gebracht hebben.
30.  Dit wellicht heeft geen zin na vs. 10—14; verg. Inl.
81. Zie, volg. Sani. t.
32. indien — U, iudien aan uwe straffende gerechtigheid op de eene of andere wijze door ecu offer
moet voldaan worden; verg. inl. op Jez. Lil: 13—LUI: 12. — het boek — hebt. Ondersteld wordt
dat Jahwe in een boek allen heeft opgeteekeud die in het leven blijven. Dezelfde voorstelling F».
LXIX:29; Jez. IV: 3; Ezech. XIII: 9; Mal. III: 10.
33 v. Jahwe neemt Mozes\' edelmoedig aanbod niet aan en belooft zelfs dat hij de Israëlieten, ou-
danks hunne overtreding, in Kanaiui zal brengen; later evenwel zal hij hen straffen.
35. Dit betcekent niet dat Jahwe do Israëlieten dadelijk rampen heeft doen ondervinden; wat in
strijd zou zijn met vs. 34; maar ziet op de slagen die hen in des schrijvers tijd hudden getroffen,
vooral op den ondergang van Samaric. Verg. op Num. XXI: 1—3. — omdat — vervaardigd. Hier
wordt eerst het volk, dan Aiiron maker van het stierbeeld genoemd. Blijkbaar is of de eerste öf de
tweede helft der zinsnede een toevoegsel van den omwerker.
2.  mijn engel, volg. Gr. vert.; Hobr. t. een engel. Over den engel van Jahwe zie op Gen. XVI: 7.
3.   Dit vers sloot zich oorspronkelijk bij vs. 1 aan. Vs. 1, 8 behelst eene bedreiging: Jahwe wil
niet met hen medegaan; door de belofte vs, 2 wordt do kracht dier bedreiging gebroken.
-ocr page 140-
220                                       bxodub XXXIII: 4—20.
spellend woord hoorde, bedreef liet rouw: niemand deed zijn sieraad aan.
T>           En Jahwe zeide tot Mozes: Zeg tot de Israëlieten: Gij zijt een
hardnekkig volk; als ik éen oogenblik in uw midden optrok, zou ik
u vernietigen. Welaan, leg uwe sieraden af; dan zal ik u doen weten
(5 wat ik u zal doen.\' Toen beroofden zich de Israëlieten van hunne
7       sieraden, van den berg Horeb af,\' Kn Mozes nam de tent, sloeg die
oj) eenigen afstand buiten de legerplaats op en noemde haar: tent der
samenkomst; en ieder die Jahwe opzocht ging naar de tent der sa-
8       menkomst buiten de legerplaats.\' Kn als Mozes uitging naar de tent,
stond het geheele volk o]>, ieder plaatste zich aan den ingang zijner
9       tent, en men keek Mozes na, totdat hij in de tent was.\' Was Mozes
de tent binnengegaan, dan daalde de wolkkolom neder en plaatste
10       zich vóór de tent, en hij sprak met Mozes.\' En als het geheele volk
de wolkkolom vóór de tent zag staan, stond het geheele volk op en
11       wier]) zich ter aarde, elk aan den ingang zijner tent.\' Dan sprak
Jahwe met Mozes van aangezicht tot aangezicht, zooals de eene mensch
met den anderen spreekt. Daarna keerde hij naar de legerplaats terug,
terwijl zijn dienaar Jozua, de jeugdige zoon van Nun, niet uit de tent
week.
12           Mozes zeide tot Jahwe: Zie, gij zegt tot mij: Voer dit volk op;
maar gij hebt mij niet medegedeeld, wien gij met mij mede zenden
zult; en toch hebt gij zelf gezegd: Ik ken u bij uwen naam, en gij
13       hebt gunst in mijn oog gevonden.\' Nu dan, indien ik gunst in uw
. oog gevonden heb, deel mij uwen weg mede, dat ik hem kenne; op-
dat ik gunst vinde in uw oog en wete dat deze natie uw volk is.\'
14       Hij zeide: Moet ik zelf\' met u medegaan en u tot de rustplaats bren-
15       gen/\' Hij zeide tot hem: Indien gij zelf niet medegaat, doe ons dan
16       niet van hier optrekken. \' Waaraan zou het anders erkend worden dat
ik met uw volk gunst in uw oog heb gevonden? Is het niet doordat
gij met ons gaat? Hierdoor toch zullen wij, ik en uw volk, van alle
17       volkeren op den aardbodem onderscheiden zijn.\' Toen zeide Jahwe tot
Mozes: Ook dit waarvan gij spreekt zal ik doen; want gij hebt gunst
in mijn oog gevonden, en ik heb u met name voor den mijnen erkend.\'
18,19 Daarop zeide hij: Toon mij toch uwe heerlijkheid!\' En Jahwe zeide:
Ik zal al mijne majesteit vóór u doen voorhijgaan en den naam van
Jahwe vóór u uitroepen, mij ontfermen over wien ik mij ontfermen,
20 mij erbarmen over wien ik mij erbarmen wil.\' Voorts zeide hij: Gij
Vs. 19. Rom. IX ir>.
5. zal — walen, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. zal ik welen.
0. <•«» — af, zeer onduidelijk toevoegsel. Wellicht i* de bedoeling: zij verwijderden hunne *iera-
den, zoodat zij die van hun verblijf bij den Horeb af niet meer droegen.
T. die Jalnce opzocht, om eene beslissing of voorspelling. Over het gemis van samenhang van dit
vers met het voorgaande zie lul.
11.   Verg. Nuiu. XII: 8; Dcut. V: \\. — terwijl — week. Daar Jozua niet uit den stam Levi, maar
uit Kfraim was, kan geen schrijver na de invoering der wet volgens welke alleen Aaronictcn ver-
gunning hadden het heiligdom binnen te gaan dit verhaald hebben. Ook sliep toen niemand meer in
het heiligdom, zooals vroeger, 1 Saiu. 111:1—15.
12.  gij hebt mij niet medegedeeld. De schrijver hiervan had dus vs. 2 en XXXII : 3-t niet voor zich.
13.  uwen weg, wat gij met Israël voorlicht. — opdat — oog, opdat ik, als ik uwc bedoeling ken,
mij daarnaar voege en zoo uwe gunst verdienc. — en wete, volg. Gr. vcrt.; Mcbr. t. zie nu.
14—17. Deze verzen zijn öf in hun geheel öf gedeeltelijk door den Verzamelaar van achter XXXIV:
0 hierheen verplaatst.
14.  ik zelf, letterlijk mijn aangezicht; verg. vs. 20, 23. — u — brengen, u in Kanaaii voeren.
18.  heerlijkheid. Verg. op XVI : 10.
19.  Jahwe, duidelijkhcidshalve in pi. v. /;;}\'. — Ik zal — uilroepen. \\n Jahwe\'* naam is zijn wezen
opgesloten. Jahwe zal dus zijn eigenlijk karakter, zooveel dit in woorden geschieden kan, zelf anu
Mozes openbaren; verg. op Lev. XXIV: 11. Zie de vervulling dezer belofte XXXlV:0v.
-ocr page 141-
bxodus XXXIII: 20—XXXIV : 11.
221
kunt mijn aangezicht niet zien; want mij kan niemaml zien en in
21       het leven hl ij ven.\' Ook zeide Jahwe: Zie, hier hij mij is eene plaats
22       waar gij op de rots moet gaan staan.\' Wanneer dan mijne heerlijk-
heid voorhijg.iat, zal ik u in de rotsholte zetten en u met mijne hand
23       overdekken, terwijl ik voorbijga.\' Neem ik daarna mijne hand weg,
dan zult gij mij van achteren zien: maar mijn aangezicht zal niet ge-
zien worden.
XXXIV: 1 Jahwe zeide tot Mozes: Houw n twee steenen tafelen uit. gelijk
aan de vorige, en ik zal op die tafelen de woorden schrijven die op
2       de vorige stonden, welke gij in stukken geworpen liebt.\' Wees be-
reitl tegen morgen ochtend, beklim alsdan den berg Sinai en plaats
3       u daar bij mij, op den top des berge.\' Niemand mag met u opklim-
men, ja, niemand mag gezien worden op den geheelen berg: laat zelfs
het kleinvee en de runderen niet weiden in het gezicht van dien
4       berg.\' Zoo hieuw Mozes twee steenen tafelen uit, aan de vorige gelijk:
hij maakte zich des morgens op en beklom den berg tSinai, gelijk
Jahwe hem bevolen had, terwijl hij de twee steenen tafelen medenam.\'
5       Nu daalde Jahwe in de wolk neder, Mozes plaatste zich aldaar bij
0 hem en riep Jahwe aan.\' Toen ging Jahwe hem voorbij en riep:
Jahwe is een barmhartig en ontfermend god, lankmoedig en groot
7       in goedertierenheid en trouw,\' die duurzaam gunst betoont aan dui-
zenden, die schuld, overtreding en zonde vergeeft, doch ze geenszins
ongestraft laat en de schuld der vaderen verhaalt op de kinderen
8       en kindskinderen, ja, op het derde en vierde geslacht.\' Toen boog
9       Mozes zich ijlings ter aarde, wierp zich neder\' en zeide: Dat toch,
indien ik gunst in uw oog gevonden heb, o Heer! de Heer in ons
midden ga; want het is een hardnekkig volk. Vergeef ons ook onze
schuld en zonde, en neem ons als uw erfdeel aan.
10           Hij zeide: Zie, ik sluit een verbond met u: ten aanschouwen van
geheel uw volk zal ik wonderbare dingen doen, zooals niet geschapen
zijn op de geheele aarde en onder alle natiën: zoodat het gansene
volk in welks midden gij zijt Jahwe\'s werk zien zal; want verschrik-
11       keiijk is dat wat ik u doen ga.\' Neem alles in acht wat ik u heden
beveel. Ik ga de Amorieten, Kanaiinieten, Hittieten, l\'erizzieten, Hiw-
V». 8v. Num. XIV:18. — Vs. 0. Nch. IX : 17*; Ps LXXXVT : 15; CIII: 8j CXLV : 8; Joel 11:13;
Jonn IV : 2; Nah. 1:3.
20. mijn aangezicht. Jahwe\'s aangezicht openbaart zijn wezen ten volle en kan daarom niet wor-
den aanschouwd; ten hoogste kan hij van achteren worden gezien, vs. 23. Verg. op Gen. XVI: IS.
I.  «elke — hebt. Zie XXX1I:19.
3. niemand — berg. Met veranderde klinkers kan ook vertaald worden niemand tie naar eenig deel
dei bergt.
De verordeningen zijn nog scherper dan XIX : 12 v.; omdat Jahwe zich nu niet in cene
wolk, maar zonder omhulsel ging vertoonen.
5.  Mozei, duidclijkheidshalve ingevoegd.
6.  ging—voorbij, in zijne volle heerlijkheid. — Jahice riep, overeenkomstig de belofte, XXXIII: 19.
7.  die — laat. Jahwe is wel vergevensgezind, maar straft ook. I)e rampen, den overtreders en hun
nageslacht beschoren, dienen èn tot kastijding èu tot zoeniniddcl. — Verg. XX : 5.
0. Jahwe moge zijne vcrgcvcnsgezindhcid hierin toonen, dat hij de vorige verhouding tusschen hem
en Israël hcrstellc en Israël, ondanks zijn afval, als zijn eigen volk blijve beschouwen en behande-
len. — neem — aan, onzekere vertaling. Anderen, volgens veranderden tekst, gelrid ons. — Het nnt-
woord van Jahwe ontbreekt hier, maar staat in XXXIII: 1-1—17; waarheen het verzet is, waar-
schijnlijk wegens de inlassching van vs. 10—27.
10—27. Deze bondswoorden, zooals ze gevoegelijk naar vs. 27 genoemd kunnen worden, behelzen
alleen voorschriften vnn uiterlijke godsvereering, waarvan de oudere vorm mcerendeels XXIII: 12—17
ia te vinden, met cenige beloften en nlgcmccne verordeningen in den geest van Deuteronomium. Zij
breken het verband tusschen hetgeen oorspronkelijk het slot van het voorafgaand verhaal vormde
(verg. op vs. 9) en vs. 28. In Dcut. VII is de inhoud van vs. 10—10 verwerkt.
10. met «, volg. Gr. vert. ingevoegd. Jnhwc\'s woorden zijn tot Mozes gericht; verg. vs. 27.
II.   Hier richt zich Jahwe tot het volk.
-ocr page 142-
bxobus XXXIV: 11—22.
222
12       wieten en Jebuzieten voor u uit verdrijven.\' Wacht u, een verbond
te sluiten met de bevolking des lands waarin gij komt; opdat zij u
13       niet ten valstrik in uw midden zij.\' Integendeel zult gij hunne alta-
ren omverwerpen, hunne wij-steenen verbreken, hunne gewijde boom-
14       stammen omhouwen.\' Want gij zult u niet nederwerpen voor een
anderen god; Jahwe toch, zijn naam is naijverig, hij zelf\' een naijverig
15       god.\' (Sluit dan geen verbond met de bevolking des lands. Immers,
als zij hunne goden uahoeleeren en aan hunne goden offeren, zouden
10 zij u licht noodigen en zoudt gij van hun offer eten\' en uit hunne
dochters voor uwe zonen vrouwen nemen; als dan hunne dochters hare
goden naboeleeren, maken zij dat ook uwe zonen dit doen.
17, 18 Gij zult ïi geen gegoten goden maken.\' Het feeslf der ongezuurde
brooden zult gij onderhouden; zeven dagen zult gij ongezuurd brood
eten, zooals ik u bevolen heb, op den bestemden tijd der maand Ahib;
19       want in de maand Abib zijt gij uit Egypte getrokken.\' Al wat den
moederschoot opent behoort mij; van al uw vee het manlijke, het
20       eerstgeborene van rund en schaap;\' het eerste jong der ezelin zult
gij met een lam loskoopen; indien gij het niet loskoopt, moet gij het
den nek breken. Al uwe eerstgeboren zonen zult gij loskoopen. Men
21       zal mijn aangezicht niet met ledige handen gaan zien.\' Zes dagen
zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag rusten; zelfs in ploeg-
22       en oogsttijd zult gij rusten.\' Het wekenfeest zult gij bij u vieren van
de eerstelingen van den tarweoogst, en het inzamelingsfeest, bij de
Vs. 18. XXIII: 16a. — Vs. 19 v. XIII: 2, 12; XXII: 29 v. — Vs. 204. XXIII :154j Dcut. XVI:
164. — Vs. 21. XXIII: 12. — Vs. 22. XXIII: 16.
12.  ten valstrik, door u te verleiden tot verecring van andere goden. ICvcnzoo X: 7. Wnt de Ts-
raclictcu niet de Knnnünictcn moesten doen, als zij met hen geen verbond mochten sluiten, wordt
niet gezegd. Hedoeld is zeker: hen verdelgen; maar dit kon niet rondweg gezegd worden, daar ieder
wist dat het niet geschied was en ook niet inccr geschiede» kon; omdat er toen dit geschreven werd
geen Kauniuiictcu meer waren.
13.  wij-sleeneii. Zie op Gen. XXVIII: IS. — gewijde boomstammen. Het aldus vertaalde woord
(asjera) duidde hoogstwaarschijnlijk ecuc zuil, meestal van hout, aan, die naast de altaren van ver-
sehillcnde goden, ook naast die van Jahwe, Dcut. XVI : 21, geplant werd. Wat dit voorwerp oorspron-
kelijk hctcckcndc, is onzeker; in elk geval wus het een doorn in het oog van de Isruëlietischc en
Judceschc godsdiensthervormers, die het als met de zinlijke godsverecring der Knnaanictcn snmenhan-
gende bestreden. Asjera kan oorspronkelijk de naam cener godin geweest zijn; anders is het woord
reeds spoedig misverstaan en als eigennaam cener godin opgevat; zie Richt. 111:7; 1 Kon. XV: 18
(2 Kron. XV: 16); 2 Kon. XXI: 7, en op 1 Kron. XVIII: 19.
14.  naijverig. Zie op XX : 5.
15.  naboeleeren. 11e verhouding van Jahwe tot Israël wordt vaak voorgesteld als die van een man
tot zijne vrouw. De dienst van andere goden heet dienvolgens een verbreken van de huwelijkstrouw.
Zie Lev. XVII: 7; Deut. XXXI: 16 en elders. In Hoz. I—III; Kzcch. XVI wordt dit beeld uitgewerkt.
Kigenlijk kan de uitdrukking niet gebezigd worden van hetgeen de Kanaiinictcn deden, die immers
hunne eigene goden vereerden; vnn hen gebruikt, beteekent zij eenvoudig: andere goden dan Jahwe
aanbidden.
17—20. Waarschijnlijk is dit, met een deel van vs. 14, de Deuteronomisehe omwerking van een
tiental geboden (decalogus), dnt in De Juhwist de plaats innam die in De Klohist door do wet der
Tien Woorden (zie op XX: 2—17) werd ingenomen. Is dit zoo, dan is de vergelijking dier beide wet-
tcu /eer belangrijk. Hier beslaan de geboden die op den ceredienst betrekking hebben de grootste
plaats; in Kxod. XX de zedelijke. Blijkbaar zijn gene meer onder priesterlijken invloed opgesteld
dan deze.
17.  geen gegoten goden, beelden; eveneens Lev. XIX: 4.
18.  liet — brooden. Zie op XII: 15—20. — zooals, volg. Som. en Gr. t.; Hebr. t. Kat.
19.  het manlijke, volg. Gr. vert. Waarschijnlijk is het woord hier, evenals XIII: 12 (zie aldaar),
ingevoegd, en is mede dnardoor de zinsnede, die slecht gebouwd is, in de war geraakt.
20.  het den nek breken. Verg. op XIII: 18. — Men — tien. Zie op XXIII: 15.
22. wekenfeest. Deze naam voor het „oogstfeest", zooals het Wlll : lli heet, komt in het O. T.
nog Deut. XVI: 10, 10; 2 Kron. VIII: 13 voor (verg. op Ezech. XLV:21). In Lev. XXIII: 15—22,
waar er op gezinspeeld wordt, en Deut. XVI: 9 v. wordt geleerd dat het feest zoo heet omdat het
juist zeven weken (sjebuoth) na pnschen gevierd werd. Dat dit do ware verklaring zou zijn, is onge-
loofclijk; wellicht schuilt in het woord een oude godennaam. — De beteckenis van het oogstfeest
wordt hier juister aangegeven dan XXIII: 16. — de wisseling van hel jaar, XXIII: 16 hel einde van
het jaar.
Verg. 1 Sam. 1: 21; 2 Kron. XXIV : 23.
-ocr page 143-
Bxomm XXXIV: 22-35.
223
23       wisseling van het jaar.\' Driemaal \'s jaars zal al wat manlijk onder u
is het aangezicht van den Heer Jahwe, den god Israëls, gaan zien.\'
24       Wanneer ik natiën voor u uit verdreven en u een uitgestrekt grond-
gebied gegeven zal hebhen, zal niemand uw land hegeeren terwijl gij
opgaat om het aangezicht van Jahwe, uwen god, te zien, driemaal
25       \'s jaars.\' (ïij zult mijn oH\'erhloed niet bij iets gezuurds slachten, en
26       het offer van het paaschfeest zal niet tot den morgen overblijven.\' De
keur der eerstelingen van uwen grond zult gij in het huis van Jahwe,
uwen god, brengen, (iij zult niet koken het bokje in de melk zijner
moeder.
27           Toen zeide Jahwe tot Mozes: JSchrijf deze woorden op; want op
grond van deze woorden heb ik met u een verbond gesloten, en met
28       Israël.\' Zoo bleef hij daar bij Jahwe veertig dagen en nachten; hij
at geen brood en dronk geen water; en hij schreef op de tafelen de
verbondswoorden, de Tien Woorden.
29           Toen nu Mozes van den berg iSinai afdaalde, terwijl hij bij het af-
dalen van den berg de twee tafelen der Geboden in de hand had,
wist hij niet dat het vel van zijn aangezicht straalde door zijn spre-
30       ken met Jahwe.\' Maar toen Aiiron en alle Israëlieten Mozes aanzagen,
zie, het vel van zijn aangezicht straalde! Daarom waren zij bevreesd
31       hem te naderen.\' Doch Mozes riep hen; Aiiron en al de vorsten der
32       gemeente keerden tot hem terug, en Mozes sprak hun toe.\' Daarop
naderden de overige Israëlieten, en hij beval hun al wat Jahwe met
33       hem op den berg iSinai besproken had.\' Nadat Mozes zijne toespraak
tot hen ten einde gebracht had, legde hij een sluier op zijn aange-
34       zicht,\' en als hij binnenging bij Jahwe, om met hem te spreken,
verwijderde hij den sluier, totdat hij weder naar buiten ging. Kwam
hij dan buiten en sprak hij tot de Israëlieten al wat hem gelast was,\'
35       dan zagen de Israëlieten dat het vel van Mozes\' aangezicht straalde
en deed Mozes den sluier weder voor, totdat hij naar binnen ging om
met hem te spreken.
Vi. 23. XXIU:17; Dcut. XVI: 16. — Vs. 25. XX11I:18. — V». 20a. XXIII :19«. — Vs. 204.
XXin:194; Deut. XIV: 21*.
28 v. zal... gaan zien, om... te zien, volgens veranderde klinkers; verg. op XXIII: 15. — Hier
wordt ondersteld, dat de Israëlieten gewoon waren naar de grootere heiligdommen (als Pan, Gilgal,
Bethel, Jeruzalem, Bcrsjebn) op te gaan tot viering van dr noogc feesten. Jahwe verzekert dat die
bedevaarten zonder gevaar voor de veiligheid der daardoor ontvolkte steden en dorpen zullen kunnen
geschieden.
25.   Verg. op XXIII: 18. — mijn offerbloed. Uit het vervolg blijkt dat het bloed van het pansch-
lam bedoeld is. Zie op XII: 10.
26.  Zie op XXIII: 1\'J.
27 v. Hierin is eeuc tegenstrijdigheid. Immers, deze woorden in vs. 27 zijn de voorafgaande vcror-
deningen, die Mozes moet opschrijven, niet op de twee tafelen, maar in een boek. .Mnar in vs. 28
worden die voorschriften vereenzelvigd met de Tien Woorden, die door Mozes op de stecnen tafelen
gegrift worden. Overal elders worden deze, niet door Mozes, maar door Jahwe beschreven. De oorzaak
der verwarring is deze: vs. 27 behoorde bij vs. 10—20 en handelde niet over de tafelen met de
Tien Woorden; vs. 28 daarentegen wns het vervolg van vs. 0, of van wnt daarachter heeft gestaan
(zie op vs. 9), en gewaagde alleen van de Tien Woorden; met hij tchreef werd Jahwe bedoeld. Toen
vs. 10—27 werd ingclascht, was het natuurlijk dat het bericht van het opschrijven dezer verordcnin-
gen door Mozes met dat van het beschrijven der twee tafelen door Jahwe samensmolt.
28.  hij — Kater. Verg. op Deut. IX : 9.
29—35. Verg. 2 Kor. III: 7—18.
29.  straalde. Het Hebrccuwschc werkwoord hangt samen met het naamwoord .hoorn\' en sommige
oude vertalingen, o. a. de Vulgata, vertolken de zinsnede Mozes\' aangezicht moe gehoornd. Vandaar dat
Mozes vaak met twee hoornen op het hoofd wordt afgebeeld. — met Jahwe, duidclijkheidshalve;
Hebr. t. met hem.
34. binnenging bij Jahwe. Bedoeld wordt: intrad in de tent der samenkomst van XXXIII :7—11,
welke plaats de schrijver voor oogen had.
-ocr page 144-
modus XXXV: 1—22.
224
HOOFDSTUK XXXV : 1—XXXVI: I.
Omtrent da uitvoering van Jahwe\'! bevelen, in XXV—XXXI vervat, ontvangen wij in ilc nu vol-
gendc hoofdstukken, XXXV—XL, een uitvoerig bericht (verg. inl. op XXIV : 12—XL: 38). Hiervan
vormt 11. XXXV de inleiding.
Mozes gelast de Israëlieten, den sabbat te houden (XXXV: 1—3). Hij beveelt hen, de noodigc stoffen voor
het heiligdom bijeen te brengen (4—U), en alle deskundigen, zieh tot de verwerking daarvan aan te
bieden (10—1U). De Israëlieten gehoorzamen (20—2\'J). Mozes wijst de kunstenaars aan die Jahwe
heeft uitverkozen (30—XXXVI: 1).
Vs. 1—3 is herhaling van XXXI: 13—17; vs. 4—9 van XXV: 2—8; XXXI: 7—11. Over XXXV :
30 en XXXV : 30—XXXVI: 1 zie XXXI: 2—0.
X X X V: l En Mozes vergaderde de geheele gemeente der Israëlieten en zeide
2       tot hen: Dit is wat .faitwe bevolen beeft te doen.\' Zes dagen zal ar-
beid verricht worden; maar op tien zeventien dag moet het bij n zijn
een dag van volkomen rust, aan Jahwe gewijd; al wie daarop arbeid
3       verricht zal ter dood gebracht worden.\' üij zult op den rustdag geen
vuur aansteken in eene uwer woningen.
4           Mozes zeide tot de geheele gemeente der Israëlieten: Dit is het
5       wat Jahwe bevolen heeft: \' Heft van u zei ven eene gave voor Jahwe;
ieder wiens hart er hem toe drijft brenge haar, de gave voor Jahwe,
0 goutl, zilver en koper,\' violet, purper en karmijn, katoen en geiten-
7, 8 haar,\' roodgeverfde ramshuiden, marokijn en aeaciastammen,\' olie voor
den kandelaar en specerijen voor de zalfolie en den offerwierook,\'
9 onyxen en inzetsteenen voor het schouderkleed en de borsttasch.\'
10       Ieder deskundige onder u kome en vervaardige al wat Jahwe bevolen
11        heeft: \' den tabernakel en zijne tent, benevens zijn dekkleed, zijne ha-
12       ken, stijlen, sluitboomen, pilaren en voetstukken,\' de ark met hare
13       draagstangen en het deksel, alsmede het voorhangseltapijt,\' de tafel
met hare draagstangen en al haar gereedschap, benevens het toon-
14       brood,\' den lichtkandelaar met al zijn gereedschap en zijne lampen,
15       benevens de olie voor den kandelaar,\' het wierookaltaar met zijne draag-
stangen, de zalfolie en den orlerwierook, het deurtapijt voor den ingang
10 van den tabernakel,\' het brandofferaltaar met zijn koperen bekleedsel,
zijne draagstangen en al zijn gereedschap, liet waschvat met zijn voet-
17       stuk,\' de zeilen van het voorhof, zijne pilaren en hunne voetstukken,
18       alsmede het tapijt van de poort des voorhofs,\' de pinnen van den
19       tabernakel en van het voorhof, henevens hunne touwen,\' het ambts-
gewaad waarin in het heiligdom dienst moet worden gedaan, de hei-
lige kleederen van den priester Aiiron en de priesterkleederen zijner
zonen.
20           Toen ging de geheele gemeente der Israëlieten van Mozes heen,\'
21       en allen wier hart hen opwekte en wier geest hen aandreef kwamen
en brachten eene gave aan Jahwe, voor het werk van de tent der
samenkomst, voor haar geheelen dienst en voor de heilige kleederen.\'
22       De mannen kwamen met de vrouwen: ieder wiens hart hem dreef
bracht gespen, ringen, zegelringen en halssieraden, allerlei gouden
voorwerpen. Ieder die een offer van goud aan Jahwe had aan te bie-
2 v. Met het sabbutsgebod is de reeks voorschriften in XXV—XXXI besloten; het bericht over de
uitvoering wordt er mede geopend.
2.  een — gewijd, met omzetting van een paar woorden, volg. XXXI: 15.
3.   Dit nadere voorschrift omtrent do snbbatsvieriug staat alleen hier, maar XVI: 21—30 wordt het
ondersteld.
17. hunne, volg. verb. t.; Hehr. t. sijne.
22. Van getpen en htüitierculen ia de vertaling onzeker.
-ocr page 145-
bxodüs XXXV : 22—XXXVI: 6.
225
23       den,\' en ieder die in het bezit was van violet, purper, karmijn, ka-
toen, geitenhaar, roodgeverfde ramshuiden of marokijn bracht dat;\'
24       ieder die eene gave van zilver of koper had te wijden bracht ze als
gave aan Jahwe, en ieder die acaciastammen bezat voor eenig deel
25       van het werk bracht ze.\' Elke kunstvaardige vrouw spon met eigen
band en bracht het gesponnene, violet, purper, karmijn en katoen.\'
26       Ook sponnen alle vrouwen die zich door hare kunstvaardigheid daar-
27       toe opgewekt gevoelden het geitenhaar.\' En de vorsten brachten de
onyxen en de inzetsteenen voor het schouderkleed en de borsttasch,\'
28       de specerijen en de olie voor den kandelaar, de zalfolie en den offer-
29       wierook.\' Iedere man of vrouw wiens hart hem dreef om iets te brengen
voor eenig deel van het werk, dat Jahwe door Mozes bevolen had te
vervaardigen, bracht dat als vrijwillige gave aan Jahwe.
30           Toen zeide Mozes tot de Israëlieten: Ziet, Jahwe heeft met name
Besaleël, den zoon van Uri, den zoon van Hur, uit den stam van
31       Juda, geroepen,\' en heeft hem vervuld met den geest Gods, met wijs-
32       heid, doorzicht en kennis van allerlei werk,\' om ontwerpen te bera-
33       men en te arbeiden in goud, zilver en koper,\' in het graveeren van
steenen, om ze in te zetten, en het houtsnijden, om allerlei goed be-
34       raamd werk te verrichten;\' hij gaf hem het vermogen te onderwijzen,
35       hem en Oholiab, den zoon van Ahizamach, uit den stam Dan;\' hij
heeft hen vervuld met kunstvaardigheid, om allerlei werk te ver-
richten, van ambachtslieden, kunstenaars en bewerkers van bont goed,
violet, purper, karmijn en katoen, en dat van wevers; zoodat zij al-
XXXVI: 1 lerlei werk vervaardigen en ontwerpen beramen kunnen.\' En Be-
saleël en Oholiab, met alle kunstvaardige mannen, wien Jahwe wijs-
heid en doorzicht gegeven heeft, om met kennis van zaken eenig deel
van het werk aan het heiligdom te verrichten, zullen dat doen naar
al wat Jahwe bevolen heeft.
31. van, naar verb. t. j Hcbr. t. en met.
HOOFDSTUK XXXVI: 2—38.
De Isr&ëlietische kunstenaars, door Mozes uitgenooiligd het werk te ondernemen, ontvangen de daar-
toe bcnoodigde stoffen in zulk een overvloed dat zij Mozes verzoeken het volk met geven te doen op-
houden (2—5); hetgeen geschiedt (0 v.). Zij maken den tabernakel en zijne tent volgens het voor-
schrift (8—38).
Het laatste gedeelte van dit hoofdstuk wordt bijna letterlijk in II. XXVI teruggevonden.
XXXVI: 2 Nu riep Mozes Besaleël, Oholiab en alle kunstvaardigen, wien
Jahwe wijsheid in het hart gegeven had, allen die zich opgewekt ge-
voelden om toe te treden, ten einde het werk tot stand te brengen.\'
3 En zij namen van vóór Mozes mede alle gaven die de Israëlieten ge-
bracht hadden voor het werk aan het heiligdom, om het tot stand te
brengen. Maar toen men voortging hem morgen aan morgen vrijwil-
9 lige gaven te brengen,\' kwamen al de kunstenaars, allen die eenig
deel van bet werk aan het heiligdom verrichtten, ieder van zijn eigen
5       werk waarmede zij bezig waren,\' en zeiden tot Mozes: Het volk
brengt veel meer dan noodig is voor de vervaardiging van het werk
6       dat Jahwe bevolen heeft tot stand te brengen.\' Toen kondigde men,
op bevel van Mozes, in het legerkamp af: Laat man noch vrouw
meer eenig werk doen voor de gave aan het heiligdom! Derhalve
8. van voor Sfozei. Wat de Israëlieten aan Jahwe hadden gewijd hadden zij tot Mozes gebracht;
het lag als het ware voor hem.
O. T. I                                                                                                                           15
-ocr page 146-
220
bxodds XXXVI: 6—37.
7       hield het volk op, geschenken te brengen.\' Er waren stoffen genoeg
om het geheele werk tot stand te hrengen; ja, er was over.
8           Toen maakten alle kunstvaardigen onder de werklieden den taber-
nakel uit tien banen getweernd katoen, violet, purper en karmijn,
9       waarin kunstig cherubs geweven waren.\' Elke baan was acht en twintig
10       el lang en vier el breed, alle banen hadden dezelfde afmetingen.\' Hij
11       hechtte die banen, vijf aan vijf, aan elkander,\' en maakte violetr
kleurige lissen aan den zoom van het eene en aan dien van het andere,
het achterste, kleed, ter plaatse waar zij aan elkander moesten ver-
12       bonden worden.\' Vijftig lissen maakte hij aan het eene kleed en vijftig
aan het uiteinde van het andere kleed, ter plaatse waar zij aan elkan-
13       der verbonden werden, vlak tegenover elkander.\' Ook maakte hij vijftig
gouden haken en hechtte met die haken de beide kleeden aaneen. Zoo
werd de tabernakel een geheel.
14           Ook maakte hij geitenharen banen voor eene tent over den taber-
lf) nakel, elf in getal.\' Elke baan was dertig el lang en vier el breed;
1<> alle elf hadden dezelfde afmetingen.\' Vijf dier banen hechtte hij aan
17       elkander, en ook de zes overige.\' Hij maakte ook vijftig lissen aan
den zoom van beide kleeden, van het achterste en van het andere,
18       ter plaatse waar zij aan elkander moesten verbonden worden,\' en hij
maakte vijftig koperen haken, om de tent tot éen geheel samen te
19       voegen.\' Ook maakte hij een dekkleed voor de tent, van roodgeverfde
ramshuiden, en een van marokijn, daar overheen.
20           Ook maakte hij de stijlen voor den tabernakel van acaciahout, over-
21,22 eind staande;\' tien el was elke stijl hoog, anderhalve el breed.\' Elke
had twee pinnen, met elkander verbonden. Zoo deed hij voor alle
23       stijlen van den tabernakel.\' Hij maakte twintig van die stijlen voor
24       den tabernakel aan den zuidelijken kant.\' Ook maakte hij veertig zil-
veren voetstukken onder die twintig stijlen, twee onder eiken stijl,
25       vuor zijne twee pinnen.\' Ook voor den anderen wand van den taber-
2(5 nakel, aan den noordkant, maakte hij twintig stijlen,\' met hunne
27       veertig zilveren voetstukken, twee onder eiken stijl.\' En voor den
achterwand van den tabernakel, aan de westzijde, maakte hij zes stij-
28       len;\' en twee stijlen maakte hij tot hoekstukken van den tabernakel,
29       aan den achterwand.\' Oie waren gelijk van onderen, en desgelijks
van boven, tot den eersten ring. Zoo deed hij met beide, met de
30       twee hoekstukken.\' Er waren dus acht stijlen, met hunne zilveren
voetstukken; zestien voetstukken, twee onder eiken stijl.
31            Ook maakte hij sluitboomen van acaciahout, vijf voor de stijlen van
32       den eenen zijwand des tabernakels,\' en vijf voor die van den anderen
aijwand des tabernakels, en vijf voor de stijlen des tabernakels aan
33       den achterwand, aan de westzijde.\' Ook maakte hij den middelsten
sluitboom, die in het midden der stijlen van het eene einde tot het
34       andere doorliep.\' Hij besloeg de stijlen met goud, en de ringen er
aan, waardoor de sluitboomen moesten loopen, maakte hij van goud;
en hij besloeg de sluitboomen met goud.
35           Ook maakte hij het voorhangsel van violet, purper, karmijn en ge-
30 tweernd katoen, waarin hij kunstig cherubs weefde.\' Hij maakte er
vier pilaren voor van acaciahout, die hij met goud besloeg, met gou-
37 den krammen, en goot daarvoor vier zilveren voetstukken.\' Ook maakte
hij een tapijt voor den ingang der tent van violet, purper, karmijn
10 vv. Hy. Moici, aan wicn in XXV—XXXI de voorichrifteu gegeven zyn, of Beaaleël; «ie
XXXVII: 1.
-ocr page 147-
bxodüs XXXVI: 37-XXXVII: 25.                             227
38 en getweernd katoen, bont werk,\' ook de vijf pilaren van dat tapijt
met hunne krammen, en hij besloeg hunne toppen en banden met
goud, terwijl hunne vijf voetstukken van koper waren.
HOOFDSTUK XXXVII.
Besaleël vervaardigt de ark (1—9), de tafel der toonbrooden (10—16), den luchter (17—24), het
wierookaltanr (25—28), en bereidt de heilige olie en den heiligen wierook (2!)).
Terwijl het laatste vers slechts aanstipt, hoc de geboden XXX : 22—33, 34—38 zijn ten uitvoer gc-
legd, wordt de vervaardiging der vier hier genoemde heilige voorwerpen met de/clfde uitvoerigheid
medegedeeld als de bevelen daaromtrent XXV : 10—21; 23—21); 31—3\'J; XXX : 1—5 gegeven waren.
XXXVII: 1 Besaleël maakte ook de ark van acaciabout, derdehalve el lang,
2       anderhalve el breed en anderhalve el hoog:\' hij besloeg haar met
zuiver goud van binnen en van buiten en maakte er een gouden
3       krans om.\' Voorts goot bij er vier gouden ringen aan, boven hare
4       vier voeten, twee ringen aan deze, twee aan gene zijde.\' Ook maakte
5       hij stangen van acaciahout en besloeg die met goud;\' waarna hij de
stangen door de ringen aan weerszijden van de ark stak, om haar
6       daaraan te dragen.\' Hij maakte een deksel van zuiver goud, derde-
7       halve el lang en anderhalve el breed.\' Hij maakte ook twee cherubs
van goud, van gedreven werk, aan de beide uiteinden van liet dek-
8       sel,\' den eenen cherub aan het eene, den anderen aan het andere
uiteinde: hij maakte ze zoo, dat de cherubs aan de uiteinden van het
9       deksel hiermede éen stuk uitmaakten.\' De cherubs breidden de vleu-
gels naar boven uit, met die vleugels het deksel beschuttende, terwijl
hunne aangezichten naar elkander gewend en op het deksel gericht
waren.
10           Hij maakte ook de tafel van acaciahout, twee el lang, éene el breed
11       en anderhalve el hoog;\' hij besloeg haar met zuiver goud en maakte
12       er een gouden krans om.\' Ook maakte hij er eene lijst om, éene
13       palm breed, en maakte ook daarom een gouden krans.\' Hij goot voor
haar vier gouden ringen en zette die aan de vier hoeken bij de vier
14       pooten.\' Aan de lijst waren de ringen gehecht, en zij dienden om er
15       de stangen door te steken, om er de tafel aan te dragen.\' Hij maakte
ook die stangen van acaciahout en besloeg ze met goud, om daaraan
16       de tafel te dragen.\' Voorts maakte hij het bij de tafel behoorende ge-
reedschap: schotels, lepels, kroezen en kannen om daarmede te plen-
gen, van zuiver goud.
17           Hij maakte ook den luchter van zuiver goud; van gedreven werk
maakte hij den luchter zelf, zijn voetstuk, armen, kelken, knoppen en
18       bloesems, alles uit éen stuk.\' Zes armen kwamen uit zijne zijden,
19       drie uit de eene en drie uit de andere zijde.\' Aan eiken arm waren
drie amandelvormige kelken met knop en bloesem; zoo was het bij
20       alle zes die uit den luchter kwamen.\' En aan den luchter zelf waren
21       vier amandelvormige kelken met knoppen en bloesems.\' Onder de drie
paren der zes armen die uit den luchter kwamen was telkens een
22       knop.\' De knoppen en armen waren met den luchter uit éen stuk,
23       gezamenlijk éen gedreven werk van zuiver goud.\' (Jok maakte hij de
zeven lampen die er bij behoorden, met de snuiters en hakjes, van
24       zuiver goud.\' Een talent zuiver goud gebruikte hij voor den luchter
en al zijn toebehooren.
25           Hij maakte ook het wierookaltaar van acaciahout, éene el lang en
breed, vierkant, en twee el hoog; zijne hoornen maakten er éen stuk
-ocr page 148-
228                           bxodus XXXVII: 25-XXXVIII: 17.
26       mede uit.\' Hij besloeg het met zuiver goud: den bovenkant, de wan-
den rondom en de hoornen. Ook maakte hij er een gouden krans om.\'
27       Twee gouden ringen maakte hij er aan, onder den krans, aan weers-
kanten, aan de twee zijden; zij dienden om er de stangen door te
28       steken waaraan men het moest dragen.\' Ook maakte hij de stangen
van acaeiahout en besloeg ze met goud.
29           Ook bereidde hij de zalfolie, iets heiligs, en reinen offerwierook,
een keurig mengsel.
HOOFDSTUK XXXVIII.
Vervaardiging vau het bramlofferaltaar (1—7), het waschvat (8) en al wat tot het voorhof behoorde
(9—20). Becijfering van de gebruikte hoeveelheid metalen (21—31).
Terwijl v». 1—7 bijna letterlijk overeenkomt met de verordeningen in XXVII: 1—8, en va. 9—20
met die in XXVII: 9—19, slaat va. 8 terug op XXX: 18—21. Daarentegen ia va. 21—31 een zelf-
standiger stuk, waarschijnlijk opgesteld naar aanleiding van het voorschrift omtrent het opbrengen van
den halven sikkel, XXX: 11—10; verg. op vs. 21.
XXXVIII: 1 Hij maakte ook het brandofl\'eraltaar van acaciahout, vijf el lang
2       en breed, vierkant, en drie el hoog.\' Hij maakte ook de hoornen van
het altaar aan de vier hoeken, zoodat die hoornen met het altaar éen
3       stuk uitmaakten, en besloeg het met koper.\' Hij maakte ook al het
gereedschap van het altaar, de potten, schoppen, offerschalen, vorken
4       en vuurpannen; al dat gereedschap maakte hij van koper.\' Ook maakte
hij aan het altaar een bekleedsel, een koperen netwerk, onder den
5       rand, van onderen af tot halverwege de hoogte.\' Hij goot ook vier
koperen ringen aan de vier hoeken van het bekleedsel, om er de
6       draagstangen door te steken.\' Hij maakte de stangen van acaciahout
7       en besloeg ze met koper,\' en stak die stangen door de ringen aan de
zijden van het altaar, om het daaraan te dragen. Hij maakte het hol,
van planken.
8           Ook maakte hij het waschvat van koper en zijn voetstuk van koper,
van de spiegels der dienstdoende vrouwen, die dienst deden aan den
ingang van de tent der samenkomst.
9           Hij maakte ook het voorhof: aan den zuidkant, ten zuiden, uit
10       zeilen voor het voorhof, van getweernd katoen, honderd el,\' aan de
twintig pilaren met de twintig koperen voetstukken, de krammen en
11       banden der pilaren van zilver.\' Ook aan den noordkant waren zeilen,
honderd el lang, aan de twintig pilaren met de twintig koperen voet-
12       stukken, de krammen en banden der pilaren van zilver.\' Aan den
westkant waren de zeilen vijftig el lang, aan de tien pilaren, met de
13       tien voetstukken, de krammen en banden der pilaren van zilver.\' Ook
14       aan den voorkant, ten oosten, waren vijftig el,\' vijftien el zeilen aan
den eenen hoek, aan de drie pilaren, met de drie voetstukken, en aan
15       den anderen hoek —\' aan weerszijden van de poort des voorhofs —
16       vijftien el zeilen, aan de drie pilaren, met de drie voetstukken.\' Al
17       de zeilen rondom het voorhof waren van getweernd katoen,\' en de
voetstukken voor de pilaren van koper, de krammen en banden der
pilaren van zilver, hunne toppen met zilver beslagen, terwijl zij zelve,
8. van de tpiegele, koperen, zooals oudtijds algemeen in gebruik waren. — dienetdoende vrouwen.
Dezulken worden elders in het O. T. niet vernii\'ld; maar zie op 1 Sam. II" 22. Daar o. a. in Egyp-
tischo tempels priesteressen vaak met een muziekinstrument in de ceno en een spiegel in de andere
hand het heiligdom betraden, kun den schrijver iets dergelijks voor den geest gestaan hebben. Ilij on-
derstelt dan dat die vrouwen hare spiegels aan het heiligdom hebben geschonken.
-ocr page 149-
BXODüB XXXVIII: 17-31.
329
18       alle pilaren van het voorhof, met zilveren handen voorzien waren.\' En
het tapijt van de poort des voorhof» was hont werk, van violet, pur-
per, karmijn en getweernd katoen, twintig el lang, en de hoogte,
tevens de hreedte van het stuk, was vijf el, overeenkomende met de
19       zeilen van het voorhof.\' De daarbij hehoorende pilaren waren vier in
getal, met de vier voetstukken van koper; de krammen waren van
20       zilver, de toppen met zilver beslagen, ook de banden van zilver.\' Al
de nagelen van den tabernakel en het voorhof rondom waren van
koper.
21            Dit is de rekening van den tabernakel, den tabernakel der Gebo-
den, zooals die naar Mozes\' bevel is berekend, de dienst der Levieten,
22       door Ithamar, den zoon van den priester Aiiron.\' En Besaleël, de zoon
van Uri, den zoon van Hur, uit den stam Juda, vervaardigde al wat
23       Jahwe aan Mozes bevolen had.\' En hem stond Oholiab, de zoon van
Ahizamach, uit den stam Dan, ter zijde als handwerksman, kunstenaar
24       en bewerker van violet, purper, karmijn en katoen.\' Al het goud dat
gebruikt is voor het geheele heilige werk, dat goud hetwelk aange-
boden was, bedroeg negen en twintig talenten en negenhonderd der-
25       tig sikkelen, en wel heilige sikkelen.\' Het zilver van de gemonster-
den der gemeente was honderd talenten en duizend zevenhonderd
2(i vijf en zeventig sikkelen, heilige sikkelen.\' Eene beka per hoofd, de
helft van een sikkel, een heiligen, van ieder die op de monsterrol
kwam, van twintig jaar af en daarboven, zeshonderd drie duizend vijf-
27       honderd vijftig man.\' Honderd talenten zilver diende voor het gieten
van de voetstukken des heiligdom» en des voorhangsels, honderd ta-
28       lenten voor honderd voetstukken, een talent het voetstuk.\' En van
de zeventienhonderd vijf en zeventig sikkelen maakte hij de krammen
voor de pilaren, besloeg hij hunne toppen en maakte er de banden
29       om.\' Het koper dat aangeboden was bedroeg zeventig talenten en twee
30       duizend vierhonderd sikkelen.\' Daarvan maakte hij de voetstukken
van den ingang van de tent der samenkomst en het koperen altaar,
benevens het koperen bekleedsel dat er bij behoorde en al het gereed-
31       schap van het altaar,\' ook de voetstukken van het voorhof rondom
en die van de poort de» voorhof», en al de pinnen van den taberna-
kel en die van het voorhof rondom.
18. overeenkomende — voorhof, die ook vijf el breed waren.
21. Uit het vervolg blijkt dat met die rekening de opgave der verbruikte metalen bedoeld wordt;
maar het aldus vertolkte woord heeft nooit deze bctcekenis en beduidt .monstcring\'. Ook het woord
door dienst overgezet beteekent wel ,den ceredienst\', maar niet ,de hulp\', wat het volgens het verband
hier moet aanduiden. Bc verklaring hiervan ligt in de gebrekkige kennis van het Hebreeuwsch bij
den opsteller van dit stuk, die XXX: 11—16 misverstond. Mccncnde dat daar van de kosten der
samenstelling van het heiligdom gesproken werd, vulde hij dat wat er naar zijne opvatting ontbrak
door eene berekening van eigen vinding aan en behield de daar gebezigde woorden, maar in eene sterk
gewijzigde bcteekenis. — Ithamar, den tweeden zoon van Aiiron.
24. vegen — sikkelen, een gewicht van ongeveer 1439 kilo, ter waarde van ongeveer ƒ2.875.000.
28. Dit getal 603.550 is aan Num. 1:1—46 ontleend (zie aldaar).
27. honderd voetstukken. Zie XXVI: 19, 21, 25. 32.
80. voetstukken — samenkomst. Zie XXVI: 37.
HOOFDSTUK XXXIX.
Vervaardiging van het hoogeprietterlijk gewaad en van de priesterkleederen (1—32). Al wat ver-
vaardigd is wordt aan Mozes gebracht, die het goedkeurt en de Israëlieten zegent (33—43).
Va. 1—81 ia meerendeels letterlijk gelijkluidend met XXVIII: 4—42. In vs. 1 komt voor het eerst
de zinsnede voor zooalt Jahice Mozes bevolen had, die vs. 5, 7, 21, 26, 31 en telkens in XXXIX:
-ocr page 150-
bxodus XXXIX: 1—24.
280
32—XL: 82 en Lev. VIII terugkeert, en het vermoeden wekt dat deze hoofdstukken van een andere
hand zijn dan XXXV—XXXVIII. Verg. inl. op XXIV : 12—XL : 88.
XXXIX: 1 Van het violet, purper en karmijn maakten zij het ambtsgewaad,
waarin men in het heiligdom dienst moest doen. Zij maakten dan de
heilige kleederen van Aaron, zooals Jahwe Mozes bevolen had.
2           Hij maakte het schouderkleed van goud, violet, purper, karmijn en
3       getweernd katoen.\' Zij pletten het goud tot bladen en trokken er
draden van, om die te werken tusschen het violet, het purper, het
4       karmijn en het katoen, een kunstig werk.\' Schouderstukken maakten
5       zij er aan, die het bijeenhielden, aan de beide uiteinden gehecht.\' En
de band die er aan was, om bet aan het lichaam te sluiten, was met
het schouderkleed uit éen stuk en van dezelfde stof, van goud, violet,
purper, karmijn en getweernd katoen, zooals Jahwe Mozes bevolen
0 had.\' Ook bereidden zij onyxen, gevat in gouden rozetten; zooals men
een zegel snijdt, waren er de namen der zonen Israëls in gesneden.\'
7       Hij plaatste die op de schouderstukken van het schouderkleed, als ge-
dachtenissteenen voor Israëls zonen, zooals Jahwe Mozes bevolen had.
8           Ook maakte hij de borsttascb, van even kunstig werk als het schou-
derkleed, van goud, violet, purper, karmijn en getweernd katoen.\'
9       Vierkant was zij; dubbel maakten zij de borsttascb, eene span lang
10       en breed, dubbel.\' Zij bezetten haar met vier rijen steenen; op de
11       eerste rij een carneool, een topaas en een smaragd;\' op de tweede
12       een karbonkel, een saffier en een jaspis;\' op de derde een opaal, een
13       agaat en een amethist;\' op de vierde een chrysoliet, een onyx en
een sardonyx. Zij waren in gouden rozetten gevat, toen zij werden
14       ingezet.\' De steenen waren naar de namen van Israëls zonen, twaalf
in getal, naar hunne namen; als het snijwerk van een zegel waren
zij bewerkt, op eiken steen een van de namen der twaalf stammen.\'
15       Zij maakten ook aan de borsttascb ketenen van tot koorden ineenge-
16       draaid werk, van zuiver goud.\' Zij maakten ook twee gouden rozet-
ten en twee gouden ringen en zetten die beide ringen op de twee
17       uiteinden der borsttascb.\' Ook zetten zij de twee gouden koorden aan
18       de beide ringen op de uiteinden der borsttascb.\' En de twee uiteinden
der beide koorden hechtten zij aan de twee rozetten en zetten ze op
19       de schouderstukken van het schouderkleed, aan de voorzijde.\' Ook
maakten zij twee gouden ringen en zetten die op de beide uiteinden
der borsttascb, op baar rand die tegenover het schouderkleed, aan de
20       binnenzijde, was.\' Ook maakten zij twee gouden ringen, die zij zetten
op de beide schouderstukken van het schouderkleed, aan de beneden-
voorzijde, bij zijne verbinding boven den band waarmede het schou-
21       derkleed aan het lichaam sloot.\' En zij hechtten de borsttasch vast,
van hare ringen tot die van het schouderkleed, met een violetkleurig
snoer; zoodat zij bleef hangen op den band van het schouderkleed, en
de borsttasch niet afschoof van het schouderkleed, zooals Jahwe Mozes
bevolen had.
22           Hij maakte ook den mantel van het schouderkleed, geweven werk,
23       geheel violetkleurig,\' en de opening om het hoofd door te steken
was in het midden, als de opening van een wapenrok, met een zoom
24       aan alle kanten; opdat zij niet zou inscheuren.\' Ook maakten zij aan
den onderrand van den mantel granaatappels van violet, purper, kar-
1. Dit slaat terug op XXXVIII: 28, waar de hier genoemde stoffen, en bovendien het katoen, onder
de geschenken worden opgenoemd, en vormt dus den overgang tot het volgende.
24. Het woord katoen is in Hcbr. t. uitgevallen.
-ocr page 151-
BX0DÜ8 XXXIX : 24—XL : 6.
231
25       mijn en getweernd katoen.\' Zij maakten ook sclielletjes van zuiver
goud, en zetten die sckelletjes tusschen de granaatappels rondom aan
26       den onderrand van den mantel,\' beurtelings een schelletje en een gra-
naatappel rondom aan den onderrand van den mantel, voor den dienst,
zooals Jahwe Mozes bevolen bad.
27            Ook maakten zij de hemden van katoen, geweven werk, voor Aiiron
28       en zijne zonen.\' (Jok den mijter van katoen, en pronktulbanden van
29       katoen, en de linnen heupkleederen van getweernd katoen;\' en den
gordel van getweernd katoen, violet, parper en karmijn, bont werk,
zooals Jahwe Mozes bevolen bad.
30           Dok maakten zij de plast van den heiligen diadeem, van zuiver
goud, en schreven daarop, zooals men een zegel snijdt: Heilig aan
31       Jahwe.\' Ook zetten zij daaraan een violetten snoer, om haar boven
op den mijter te zetten, zooals Jahwe Mozes bevolen had.
32           Zoo werd de geheele tabernakel van de tent der samenkomst vol-
tooid. De Israëlieten deden naar alles wat Jahwe Mozes bevolen had:
33       juist zoo deden zij.\' Toen brachten zij den tabernakel tot Mozes, de
tent zelve met al haar gereedschap, hare haken, stijlen, "siuithoornen,
34       pilaren en voetstukken,\' benevens de dekkleeden van roodgeverfde
35       ramshuiden, die van marokijn, en het voorhangseltapijt,\' de ark der
3(5 Geboden met hare draagstangen en haar deksel,\' de tafel met haar
37       gereedschap en het toonbrood,\' den reinen luchter met zijne lampen,
die er op moesten gerangschikt worden, en al zijn gereedschap en de
38       olie voor den kandelaar,\' het gouden altaar, de zaliblie en den offer*
39       wierook, alsmede het tapijt voor den ingang der tent,\' bet koperen
altaar en het koperen bekleedsel dat er bij behoorde, zijne draagstan-
40       gen en al zijn gereedschap, het waschvat met zijn voetstuk,\' de zei-
len, pilaren en voetstukken van het voorhof en het tapijt voor de
poort van het voorhof, de touwen en pinnen, en alle gereedschap voor
41       den dienst van den tabernakel van de tent der samenkomst,\' bet
ambtsgewaad voor den dienst in liet heiligdom, de heilige kleederen
42       van den priester Aiiron en de priesterkleederen zijner zonen.\' Naar al
wat Jahwe Mozes bevolen had, juist zoo hadden de Israëlieten al het
43       werk vervaardigd.\' Mozes zag al het vervaardigde na, en zie, zij bad-
den het gemaakt zooals Jahwe bevolen had; juist zoo hadden zij het
gemaakt. Toen zegende Mozes hen.
25. De woorden luuchcn de granaatappel* staan in Hebr. t. tweemaal.
38. de tent, hier gebruikt in de beteekenis van den tabernakel.
HOOFDSTUK XL.
Jahwe beveelt Mozes, het heiligdom in orde te brengen en te heiligen (1—11), ook Aaron en zijne
zonen te wijden (12—15). Mozes doet alzoo (16—33). De wolk van Jahwe bedekt de tent der samen-
komst (34 v.) en blijft daarop rusten totdat de Israëlieten opbreken (36—38).
Dit hoofdstuk is van dezelfde hand als het vorige.
XL : 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Op den eersten dag der eerste maand
3       moet gij den tabernakel van de tent der samenkomst oprichten;\' gij
moet daarin de ark der Geboden plaatsen en haar door bet voorhang-
4       sel aan het oog onttrekken. \' Breng dan de tafel binnen en schik er
op wat er op behoort; breng den luchter binnen en zet er de lampen
5       op;\' plaats ook het gouden wierookaltaar vóór de ark der Geboden,
6       en hang bet tapijt van den ingang aan den tabernakel op.\' Zet dan
het brandofferaltaar voor den ingang des tabernakels van de tent der
-ocr page 152-
exodus XL: 6—36.
232
7       samenkomst: \' plaats het waschvat tusschen de tent der samenkomst
8       en liet altaar en doe er water in.\' Maak er het voorhof omheen en
9       hang het tapijt van de poort des voorhofs op.\' Neem dan de zalfolie
en zalf\' den tabernakel met al wat er in is en heilig hem aldus met
10       al zijn gereedschap; dan zal hij heilig zijn. \' Zalf ook het brandoffer-
altaar met al zijn gereedschap en heilig aldus het altaar; dan zal het
11       altaar hoogheilig zijn.\' Zalf ook het waschvat met zijn voetstuk en
12       heilig het. \' Doe dan Aaron en zijne zonen naderen tot den ingang
13       van de tent der samenkomst en wasch hen met water.\' Trek dan
Aiiron de heilige kleederen aan, zalf en heilig hem; dan zal hij mij
14       ten priester zijn.\' Ook zijne zonen moet gij doen naderen en hun de
15       hemden aantrekken.\' Zalf hen dan zooals gij bun vader gezalfd hebt;
dan zullen zij mij tot priesters zijn, en hunne zalving zal hun tot een
eeuwig priesterschap strekken, voor alle geslachten.
16           En Mozes deed naar al wat Jahwe hem bevolen had; juist zoo deed
17       hij.\' O]) den eersten dag der eerste maand van bet tweede jaar is de
18       tabernakel opgericht. \' Mozes richtte dan den tabernakel op, plaatste
de voetstukken, zette de stijlen er in, stak de sluitboomen daaraan,
19       richtte de pilaren op,\' spande de tent over den tabernakel en legde
de dekkleeden der tent daar overheen, zooals Jahwe Mozes bevolen
20       had. \' Voorts nam hij de Geboden, legde die in de ark, stak de draag-
21       stangen aan de ark en plaatste het deksel boven op de ark. \' Daarna
bracht hij de ark in den tabernakel, hing hetx voorhangseltapijt op en
onttrok zóo de ark der Geboden aan het oog, zooals Jahwe Mozes be-
22       volen bad. \' Toen zette hij de tafel in de tent der samenkomst, aan
23       de noordzijde van den tabernakel buiten bet voorhangsel,\' en schikte
daarop het brood voor Jahwe\'s aangezicht, zooals Jahwe Mozes bevolen
24       had.\' Ook plaatste hij den luchter in de tent der samenkomst tegen-
25       over de tafel, aan de zuidzijde van den tabernakel,\' en zette er de
lampen op voor Jahwe\'s aangezicht, zooals Jahwe Mozes bevolen had.\'
26       Ook zette hij het gouden altaar in de tent der samenkomst vóór het
27       voorhangsel \' en stak daarop het wierookoffer aan, zooals Jahwe Mozes
28       bevolen bad.\' Ook hing bij bet tapijt van den ingang aan den taber-
29       nakel op. \' Hij zette ook het brandofferaltaar aan den ingang van den
tabernakel van de tent der samenkomst, en bracht daarop het brand-
30       offer en het meeloffer, zooals Jahwe Mozes bevolen had.\' Het wasch-
vat zette hij tusschen de tent der samenkomst en het altaar en deed
31       er waschwater in; \' waarmede Mozes, Aiiron en zijne zonen zich ban-
32       den en voeten wieschen. \' Als zij in de tent der samenkomst kwamen
of naderden tot het altaar, wieschen zij zich, zooals Jahwe Mozes be-
33       volen bad.\' Ook stelde hij het voorhof op, om den tabernakel en het
altaar heen, en hing bet tapijt der poort van het voorhof op. Zoo
voltooide Mozes het werk.
34           Toen bedekte de wolk de tent der samenkomst en vervulde Jahwe\'s
35       heerlijkheid den tabernakel; \' zoodat Mozes de tent der samenkomst
niet kon binnentreden, omdat daarop de wolk vertoefde en Jahwe\'s
36       heerlijkheid den tabernakel vervulde. \' En als de wolk van boven den
15. en — ttrekken. Hier is de zalving de eigenlijke wijdingshandeling, waarvoor XXIX: 9a de be-
kleeding met gordel en tulband dient. De bedoeling schijnt voorts te tijn dat hunne zalving tevens
gold voor die hunner nakomelingen; verg. op XXIX: 7.
17. tan hel tweede jaar, dus op veertien dagen na juist een jaar na den uittocht; zie XII: 18, 51.
34—38. Over de wolk- en vuurzuil zie op XIII: 21 v.
85. Eene andere, jongere, voorstelling dan in XXXIII: 7—11.
30—38. Dit is ontleend aan Num. IX: 15—23; zie aldaar. In de uitdrukking bij ai hunne tochten
-ocr page 153-
bxodüb XL: 36—38.
^33
tabernakel opsteeg, braken de Israëlieten op bij al hunne tochten.\'
37       Maar als de wolk niet opsteeg, braken zij niet op voordat zij opsteeg.\'
38       Want Jahwe\'s wolk was op den tabernakel des daags, en een vuur
was daarin des nachts, ten aanschouwen van het geheele huis Israëls,
op al hunne tochten.
loopt de schrijver op het verhaal vooruit; want Israël is nog altijd bij den Sinai. Eerst Num. X:ll v.
wordt verhaald, hoe het van daar opbrak.
LEVITICÜS.
INLEIDING OP HOOFDSTUK I—X.
Nadat in Eiod. XXXV—XI, verhaald was, hoe de tent der samenkomst volgens de verordeningen
die Jahwe aan Mozes gegeven had opgericht en hoc zij door Jahwe ingewijd was, zouden wij ver-
wachten, dat werd medegedeeld hoc ook de voorschriften betreflende de beklceding en wijding der
priesters (Exod. XXIX) ten uitvoer gelegd zijn. Inderdaad vinden wij dit ook in H. VIII; maar in
de daaraan voorafgaande hoofdstukken (I—VII) wordt gehandeld over de offeranden, die in den ge-
heelcn eercdienst en ook bij die priesterwijding eene groote rol spelen, en in de twee hoofdstukken die
er op volgen (IX, X) wordt ceue beschrijving gegeven van de offers die den dag na die plechtigheid
gebracht zijn, bij welke gelegenheid Aiirons oudste zonen zich bezondigden en gedood werden. De offers
zijn dus de spil waarom dit gedeelte van Leviticu» zich beweegt. Al viuden wij elders in de wet nog
ettelijke verordeningen omtrent altaargaven, bij verschillende gelegenheden te brengen, hier staat het
grootste deel der voorschriften omtrent de keus en behandeling van offerdieren en onbloedige gaven,
naar gelang van de gelegenheden waarbij ze aangeboden werden.
Offers namen bij Israël, evenals onder andere volken, van oudsher eene zeer belangrijke plaats in de
godsvereering in. Het dienen van Jnhwe door middel van offers klimt tot de vroegste tijden op (Richt.
VI: 18—20; XIII: 15—19; 1 Sam. I). Van de manier waarop hem oudtijds de gaven gebracht wer-
ilen weten wij weinig. Zeker was hierin groote verscheidenheid.
Dit geldt uit den aard der zaak vooral van de huiselijke godsvereering, waarbij de vader of iemand
die zijne plaats innam als priester handelde: bij de spijsberciding of den maaltijd werd een deel der
spijzen, door verbranding of wcgwerping, aan de godheid gegeven en van den wijn iets te harer oer
geplengd (verg. op Gen. XXXI: 54); bij menige andere gelegenheid kreeg zij het hare.
Waren de gebruiken hierbij zeer bont, ook in den openbaren, gemcenschappelijken eeredienst was
geen eenheid: de priesters die Jahwe in verschillende heiligdommen door offers huldigden mogen vele
overleveringen gemeen gehad hebben — dit was zonder twijfel het geval bij allen die tot den stam Levi
behoorden — zij hielden wis ook zeer verschillende gebruiken in eer, vooral omdat de eene priesterschap
veel meer dan de andere den invloed der oude bevolking waaronder zij werkte had ondervonden. Een
groot deel toch van de vormen en plechtigheden der Jahwevereering was van Kanaaniotische herkomst.
Gaandeweg evenwel is meer overeenstemming ontstaan, doordat eenige groote heiligdommen, Dan
en Bethel in Noord-Israël, Jeruzalem in Juda, de andere overschaduwden, en de gebruiken der nldaar
dienstdoende priesters van lieverlede voor de beste en alleen doeltreffende werden gehouden. Eindelijk
was de Jeruzalemschc tempel het eenig wettig heiligdom, en vormde zich daar een offerdienst met
vaste regels. Vóór Ezra\'s tijd mogen vele priesters in allerlei punten hunne eigen inzichten gevolgd
hebben — afwijkingen in kleinigheden, veroorzaakt door verschil in overleveringen bij sommige pries-
terfamilicn of persoonlijke mecningen van invloedrijke prelaten, kwamen zelfs tot den ondergang des
tempels in 70 na Chr. voor — mot de invoering van zijn wetboek was het met die vrijheid zoo goed
als gedaan. Ten aanzien van de kenmerken der dieren die geschikt waren voor verschillende soorten
van offert, de onbloedige gaven die of daarbij óf afzonderlijk konden gebracht worden, den gang der
-ocr page 154-
234
INLEIDING OP LBVITICÜS I—X.
heilige handeling, de ileelcn die on het altaar moesten verbrand worden, het loon der priesters, en
wat dies meer zij, kon voortaan elk priester weten waaraan zich te houden.
Reeds geruimeii tijd vóór de liallingschap onderscheidde men tweeërlei offer, het brandoffer en het
dnukoffer (1 Kon. IX : 25 eu elders); welk laatste oudtijds het slachtoffer heette (Eiod. X : 25 en elders).
Het eerstgenoemde werd geheel verbrand, van het laatste een deel tot een maaltijd gebruikt. Het
dauk- of slachtoffer kwam het meest voor; de regel was: geen maaltijd zonder offer, en geen offer
zonder maaltijd. Daar alle offers dienden om Jahwe in eene goede steinmiug te houden of te brengen,
dus ook om, als iemand gezondigd had, schuldvergiffenis te erlangen (verg. Lev. I : 4 enz.), had men
oudtijds geen afzonderlijke zoud- en schuldoffers. Zij worden eerst in E:rckiël vermeld (Ezcch. XL : 39
enz.). In Ezra\'s Wetboek worden vierderlci offers (braud-, dank-, zond- en schuldoffers) onderscheiden
en voor elke •mirt regels vastgesteld. Dat dit niet oorspronkelijk is, maar gaandeweg opgekomen en
ouder den invloed der praktijk allengs geregeld, is aan de in De Wet opgenomen bepalingen nog
duidelijk te zien. De scheiding van zond- en schuldoffer is slechts gebrekkig voltrokken (verg. inl. op
V : 1—VI: 7), en welke plaats de lofoffers, als onderdeel der daukoffers, naast de gcloftcoffers en de
vrijwillige gaven iiiiiaiiien, blijft raadselachtig (verg. op VII: 12).
Volledig zijn de in de wet vervatte bepalingen op de offers geenszins. Keker bestonden er andere,
wellicht zelfs op schrift, die niet opgenomen zijn; en ook nu de afsluiting der wet hebben de pries-
ters en schriftgeleerden gelegenheid te over gehad om de gapiugen aan te vullen. Dat zij hieraau geen
moeite gespaard hebben, leert de talmud.
W:it de beteckenis van het offer betreft, algemeen was oudtijds de inecniug dat de der godheid aan-
geboden gaven haar spijs en drank waren. Maar deze naïeve opvatting paste kwalijk bij het vcrheve-
ner inzicht in Jnhwc\'s wezen dat het deel der meest ontwikkelde Joden was. Eene nieuwe beteckenis
voor het offer te vinden is den priesters niet gelukt (verg. XVII: 11, 14). Het meest vindt men bij
de bespreking van zond- en schuldoffers pogingen aangewend, aan de verschillende handelingen een
zin te hechten (zie X:17). Maar grootendeels is het offer een doode vorm geworden.
Dit verhinderde de Joden echter niet, er groote waarde aan te hechten; zoottls trouwens vanzelf
spreekt. Vnu oudsher hnd men daarin gewaarwordingen van dankbaarheid, vrees, schuldgevoel, hoop,
eerbied voor zijn god uitgedrukt. Deze bleven bestaan en zich op dezelfde wijze uiten, al ducht men
er niet bij hetgeen de vaderen er bij gedacht hadden, indien zij zich rekenschup gaven vim de gods-
dicustige bundeling die zij verrichtten of waaraan zij deel namen. Voorgeschreven bij de wet, dikwijls
als boete opgelegd, mogen de offers vaak ook in dezen zin doode vormen zijn geweest dat zij zonder
cenig gevoel werden gebracht, en de priesters mogen zich gewoonlijk vergenoegd hebben met de daad,
onverschillig met welke gezindheid zij volbracht werd, het lijdt geen twijfel, of de vromen boden
hunne gaven met gevoelens van ontzag eu erkentelijkheid aan cu vonden stichting in het bijwonen
van den offerdienst.
Wat den oorsprong en de onderlinge verhouding dezer tien hoofdstukken aangaat, II. VIII behoort
bij Exod. XXXV—XL en is dus (zie inl. op Exod. XXIV: 12—XL: 38) jonger dan Ezra\'s Wetboek.
H. IX, X behelst de voortzetting van Exod. XXV—XXIX, maar is door allerlei iulasschingcn aan H.
VIII en Exod. XXXV—XL vastgeknoopt. Over de beteckenis der legende van den dood van Nadab
en Abihu zie op X : 1—3. H. I—VII schijnt een afzonderlijk, min of meer afgerond, geheel te zijn,
maar is zeker oorspronkelijk niet zóo geschreven. Immers, VI: 8—VII: 38 dient blijkbaar om 1:1—
VI: 7 aan te vullen; terwijl V:l—VI: 7 weer aanhangsels op I—IV bevat. Aanwijzingen tot nauw-
keurige bepaling van den tijd waarin deze offerwet is ontstaan ontbreken. Evenals schier elke wet-
bundcl in het O. T., is ook deze niet op een tijd opgesteld, maar herhaaldelijk bewerkt, gewijzigd,
verkort en uitgebreid, meer gegroeid dan gemaakt.
HOOFDSTUK I.
Het brandoffer. — Na een enkel woord tot inleiding (1 v.), wordt verordend, hoe een brandoffer
moet worden gebracht als het bestaat uit een rund (3—9), uit een stuk kleinvee (10—18), uit ge-
vogelte (14—17).
Nadere bepalingen omtrent dit offer VI: 8—18; VII: 8.
-ocr page 155-
LBV1TICUB I : 1—12.                                                    235
I : 1         Jahwe riep Mozes en sprak tot hem uit de tent der samenkomst:\'
2       Spreek tot de Israëlieten en zeg hun: Wanneer een uwer eene gave
aan Jahwe brengt, dan mag hij ze van het vee, van de runderen of
het kleinvee, brengen.
3            Indien zijne gave een brandoffer is van een rund, dan moet hij een
manlijk, gaaf dier brengen. Naar den ingang van de tent der samen-
komst zal hij het brengen, opdat het hem bij Jahwe ten goede kome.\'
4       Hij zal zijne hand leggen op den kop van het offerdier; zoo zal het
5       hem ten goede komen, om verzoening voor hem te bewerken. \' Hij
zal het jonge rund voor Jahwe\'s aangezicht slachten, en Aürons zonen,
de priesters, zullen het bloed opdragen en rondom op bet altaar dat
6       voor de tent der samenkomst staat sprengen. \' Hij zal het brandoffer
de huid aftrekken en het zooals het behoort in stukken houwen.\'
7       Aarons zonen, de priesters, zullen vuur op het altaar leggen en hout-
8       blokken op het vuur schikken, \' en daarna zullen Aarons zonen, de
priesters, de stukken van het dier, benevens den kop en het vet schik-
9       ken op de houtblokken die op het altaarvuur liggen. \' Het ingewand
en de pooten zal bij met water wasschen, en dan zal de priester dat
alles op het altaar ontsteken: een brandoffer, een vuurofler van liefe-
lijken geur voor Jahwe.
10            Indien zijne gave, tot brandoffer bestemd, genomen wordt uit liet
kleinvee, schapen of\' geiten, dan moet het dier dat bij brengt een
11       manlijk, gaaf dier zijn.\' Hij zal bet slachten aan de noordzijde van
het altaar voor Jahwe\'s aangezicht, en Aürons zonen, de priesters, zul-
12       len het bloed rondom aan het altaar sprengen. \' Hij zal het zooals
het behoort in stukken houwen, die de priester met den kop en het
1.   Dit vers sluit zich onmiddellijk aan Exod. XL:34v. san, waar verhaald is dat Jahwe tot Moze*
in de tent der samenkomst nederdaalde.
2.  eene gave. Het hier gebruikte woord (korban; verg. Mare. VII: 11) duidt ,iets dat nader gebracht
wordt\' aan en wordt voor allerlei offers gebezigd. — hel vee, dus geen hert of gazel, die wel voor
spijs geschikt waren (verg. Deut. XII: 15, 22) en bij andere volken, o. n. bij de Fenicicrs, geofferd
werdeu. Door het toevoegsel van de runderen of het kleinvee worden ezel, paard cu andere onreine
dieren uitgesloten.
3.   een brandoffer. Het aldus vertaalde woord (ola) bcteekent ,iets dat opstijgt\' en verving in de
jongere wet eene oudere benaming (kalief), die ,het volledige\' aanduidde; verg. op Dcut. XIII : 10. De
naam wijst waarschijnlijk, evenals de oudere, op het eigenaardig karakter van dit offer, hetwelk ge-
heel verbrand werd, in onderscheiding van andere offers, waarvan cen gedeelte door de gevers of
door de priesters gegeten werd. — een manlijk, gaaf dier. De stier was bij vele volken het kost-
baarsto offerdier. Van alle gold dat zij gaaf, d. i. zonder lichaamsgebreken, moesten zijn; zie XXII:
17—25; Deut. XV : 21; XVII: 1. Toch kwamen soms dieren niet gebreken op het altaar; zie Mal.
1:6—14.
4.  Door de handoplegging getuigde de offeraar dat deze gave de zijne was. Waarschijnlijk sprak hij
daarbij uit wat hij er mede beoogde: Jahwe te ecren of te danken, eene gelofte te betalen of eene
schuld te zoenen. — om — beteer ken; zoodat Jahwe gun strijk op hem nederziet en zijne zonden hem
niet toerekent.
5 v. Het slachten, en alles wnt niet op of aan het altaar geschiedde, kon door den gever gedaan
worden. Het ligt echter in de rede dat men hiervoor meestal de hulp van priesters of Levieten in-
riep, die men er voor betaalde. Doch zie op 1 Kr on. XXIII : 31 en op 2 Kron. XXIX: 34.
6.   zooals — houteen. Het dier werd niet in het wilde stukgehouwen, maar de verschillende lcde-
mateu, schenkels, zijden enz., werden ordelijk van elkander gescheiden.
7.  de priettere, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. den prietter.
8.  beneven*, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t. — /"•/ vet, onzekere vertaling. Het hier gebezigde woord
komt nog alleen vs. 12 en Lev. VIII: 20 voor.
9.  een vuvroffer. Zoo hcetcn de onderscheiden offers die op het altaar verbrand werden.
11.   aan de noordzijde van het allaar. Onnr dit eerst hier, en niet reeds vs. 5, wordt bepaald, zou
men hieruit kunnen opmaken dat een brandofferstier aan eene andere plant» werd geslacht. Maar dit
is toch niet waarschijnlijk. In den Herodiniinschen tempel wns nnn de noordzijde van het altaar do
slachtplaats van alle dieren. Onze wetgever is geen meester in het schrijven en kan zeer wel hier iets
hebben gezet dat hij reeds vs. 5 had moeteu bepalen; zooals hij in vs. 10—13 niet alleen het af-
trekken van de huid en de wassching van het offerdier weglaat, maar ook de handoplegging, alsof
die bij een bok of ram niet evengoed moest plnats hebben als bij een stier.
12.   met — vel. Deze woorden staan in grondt, op eene verkeerde plaats in het vers.
-ocr page 156-
LBViTicus 1: 12—11: 11.
Ü3G
vet schikken zal op de houtblokken die op het altaarvuur liggen.\'
13       Het ingewand en de pooten zal hij met water wasschen; waarna de
priester alles op het altaar zal opdragen en ontsteken; het is een
brandoffer, een vuuroffer van liefelijken geur voor Jahwe.
14           Indien zijne gave voor Jahwe een brandoffer van gevogelte is, moet
15       hij zijne gave van tortels of jonge duiven brengen. \' De priester zal
ze naar het altaar brengen, er den kop afscheuren en dien op het
altaar ontsteken; waarna het bloed aan den altaarwand uitgedrukt
1(5 wordt. \' Daarna verwijdert hij den krop met de vederen en werpt dat
17 naast het altaar aan de oostzijde op de offeraschbelt.\' Dan scheurt hij
het dier bij de vleugels, zonder deze er af te trekken, en de priester
ontsteekt het op het altaar, op de houtblokken die op het vuur lig-
gen\'; het is een brandoffer, een vuuroffer van liefelijken geur voor
Jahwe,
16. den krop, onzekere vertaling. — de offeratchbelt. Zie VI: 11.
HOOFDSTUK II.
Het mcelofler. — Het meeloffer van bloem (1—3). Dat van verschillende soorten van gebak (4—
10). Het moet ougegist zijn; ook ineclnlTcrs vnn keurgaven komen niet op het altaar (11 v.); zout bij
het meeloffer (18). Het mcelofler der eerstelingen (14—16).
Nadere bepalingen omtrent onbloedige offers vinden wij VI: 14—18; 19—23; VII: 11—14.
II: 1         Wanneer iemand eene meeloffergave aan Jahwe brengt, zal zij uit
meelbloem bestaan, waarover hij olie gieten en waarbij hij wierook
2       voegen moet.\' Hij zal haar aan Aiirons zonen, de priesters, brengen;
de dienstdoende priester neemt dan een handvol van het meel met
de olie, benevens al den wierook die er bij behoort, en ontsteekt dat,
als de aandenkingsgave er van, op het altaar, een vuurofTer van lie-
3       fel ijken geur voor Jahwe.\' Het overige van het meeloffer is voor Atiron
en zijne zonen, een hoogheilig deel van Jahwe\'s vuuroffers.
4           Brengt gij als meeloffergave ovengebak, dan moeten het uit meel-
bloem bereide, met olie gemengde, ongezuurde koeken en met olie
5       overgoten ongezuurde vladen zijn.\' Is uwe gave een meeloffer van op
eene pan bereide spijze, dan moet het bestaan uit meelbloem, met
(5 olie gemengd en ongezuurd.\' Gij moet het in stukken stooten en met
7       olie overgieten; het is een meeloffer. \' Is uwe gave een meeloffer van
8       ketelgebak, dan moet de meelbloem met olie bereid worden.\' Breng
dan het daaruit bereide meeloffer aan Jahwe en overhandig het den
9       priester, die het naar het altaar brengen zal. \' Dan licht de priester
van het meeloffer de aandenkingsgave af en ontsteekt die op het al-
10       taar, een vuuroffer van liefelijken geur voor Jahwe.\' Het overige van
het meeloffer zal voor Aiiron en zijne zonen zijn, een hoogheilig deel
van Jahwe\'s vuuroffers.
11            Geen meeloffer dat gij aan Jahwe brengt zal gezuurd zijn; want van
1.  meeloffer. Het Hcbrecuwsche woord (tninha) duidt eigenlijk eene gave in het algemeen aan, maar
heeft de engere beteekcuis van onbloedig offer gekregen. Vroeger vertaalde men het gewoonlijk door
,spijsoffcr\'. — meelbloem, het fijnste meel. Oudtijds werd bij het offer gewoon meel gebruikt, Richt.
VI: 19; 1 Sam. 1:24. Verg. ook Num. V:15.
2.   de dienstdoende prietter, duidelijkheidshalve in plaats van hij, dat Hebr. t. heeft. — de aan-
dtnkingtgave.
Zoo heet in dit hoofdstuk en V:12; VI: 15; XXIV: 7; Num. V : 26 het deel van
het meeloffer dat verbrand wordt en zoo den offeraar bij Jahwe in gedachten» brengt. Verg. Pa.
XXXVIII :l.
4. Verg. Num. VI: 15.
8. overhandig, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hij cal overhandigen.
11. Iets dat gegist was mocht, evenals honing, wel aan Jahwe worden aangeboden; menigmaal komt
-ocr page 157-
•
LKVITICUS 11:11—111:7.                                           237
12       gist of honing zult gij niets als vuuroffer aan Jahwe ontsteken.\' Wel
zult gij ze als keurgaven aan Jahwe brengen, maar zij zullen niet op
13       het altaar komen ten liefelijken geur.\' En al uwe gaven van meel-
offers zult gij met zout bereiden; liet verbondszout van uwen god
moogt gij nimmer laten ontbreken bij uw iueeloffer; bij al uwe gaven
zult gij zout brengen.
14           Brengt gij een nieeloffer van eerstelingen aan Jahwe, dan zal dit
uw meeloffer van eerstelingen bestaan uit op het vuur gerooste aren
15       of uit korrels versch graan. \' Gij zult er olie op doen en er wierook
16       bij leggen; het is een meelofFer. \' En de priester zal de aandenkings-
gave daarvan ontsteken, een deel der korrels en der olie, met al den
wierook, als een vuuroffer voor Jahwe.
een en ander onder de kern-ga ven voor; maar het mocht niet on het altaar komen en viel, 6f den
priesters ten deel, of werd ten bate der teinpclkus verkocht. Verg. Exod. XX11I:18 en on Vil: 18
on op Am. IV : 5.
12.   keurgaven. Dit waren wat het woord aanduidt, iets van het beste deel der opbrengst van veld,
boomgaard of stal, cu duidden oudtijds hetzelfde aan als „eerstelingen"; maar gaandeweg is men ze
gaan onderscheiden, en later brachten de stipte Joden soms beide. Vandaar dat ze hier naast elkan-
der (zie vs. 14) voorkomen. Zie op Exod. XXIII: 13.
13.  met zout bereiden. In II. I staat niet dat dit mot het vlecsch der brandoffers geschieden moest;
evenmin als dit in III—VI ten aanzien van de andere dierotfers verordend wordt; toch deed men
het, zooals dit vers leert; verg. Ezech. XL1II:24; Mare. IX: tl). Men voegde bij alle offers zout,
niet alleen omdat men het zelf bij alle toebereide spijzen gebruikte, maar ook omdat men iu het
samen eten van zout iets verbindends zag: zout was zinnebeeld en onderpand der vriendschnp; van-
duur do uitdrukkingen verbondszout, d. i. zout waarmede een verbond gesloten wordt, en zoulverbond,
d. i. onverbrekelijk verbond, Num. XVIII: 19; 2 Kron. XIII: 5.
14.  16. korrelt, onzekere vertaling.
HOOFDSTUK III.
Het dankoffer. — Hoe het dankoffer van runderen behandeld moet worden (1—5). Desgelijks dat
van kleinvee, hetzij van ecu schaap (G—11), hetzij vau eene geit (12—16). Geen bloed of vet te nut-
tigen (17).
Nadere bepalingen omtrent dit offer VII: 11—14, 15—21, 28—34; Num. VI: 13—21.
III: 1 Wanneer iemands gave een dankoffer is en hij een stuk rundvee
brengt, van het manlijk of van liet vrouwelijk geslacht, zal hij een
2       gaaf dier vóór Jahwe brengen. \' Dan zal hij zijne hand op den kop
van zijn offerdier leggen en het slachten aan den ingang van de tent
der samenkomst; waarna Aiirons zonen, de priesters, het bloed rondom
3       aan het altaar zullen storten. \' Van het dankoffer zal hij ten vuuroffer
aan Jahwe brengen: het vet dat de ingewanden bedekt, al het vet
4       aan de ingewanden,\' de beide nieren met het vet daarop, dat aan de
lenden is, en de leverkwabbe; met de nieren zal hij het er afnemen.\'
5       En Aiirons zonen zullen het op het altaar ontsteken, met het brand-
offer dat op het hout boven op het vuur op het altaar ligt: een vuur-
offer van liefelijken geur voor Jahwe.
6           Ook indien zijne ten dankoffer voor Jahwe bestemde gave een stuk
kleinvee is, van het manlijk of van het vrouwelijk geslacht, zal hij
7       een gaaf dier aan Jahwe brengen. \' Indien het een ram of schaap is
1. dankoffer. De vertaling van den naam dezer, vaak voorkomende, offersoort is onzeker. Men zou
dien ook vrede- of heiloffer kunnon overzetten. De eigenaardigheid ligt in den maaltijd waartoe een
deel van het vleesch gebruikt werd, die echter hier niet vermeld, maar VII : 11—21 besproken wordt.
In onderscheiding van de brandoffers hecten deze gaven vaak kortweg „offers" of „slachtoffers". Num.
VI: 13—21 handelt over eene bijzondere aanleiding tot het brengen van een dankoffer.
3. zat hij... brengen. De bedoeling zal wel zijn: door de priesters, die (ir. vert. aanduidt door :ul-
len zij... brengen
over te zetten. — Zie over het vet op Exod. XXIX: 13.
5. met het brandoffer. Daar elkon morgen eeu lam ten brandoffer gebracht werd, lag er altijd een
brandoffer op het hout. — op het altaar, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t.
-ocr page 158-
238                                     lbvitictts III: 7-1V : 7.
dat hij als gave brengt, dan zal hij het voor Jahwe\'s aangezicht bren^
8       gen,\' zijne hand op den kop van zijn offerdier leggen en het slachten
voor de tent der samenkomst, waarna Aiirons zonen het bloed rondom
9       aan het altaar zullen sprengen.\' Als vuuroffer voor Jahwe zal hij van
het dankoffer het vet opdragen: den vetstaart in zijn geheel — bij de
stuit zal hij dien er afnemen — het vet dat de ingewanden bedekt,
10       al het vet aan de ingewanden,\' de beide nieren met het vet daarop,
dat aan de lenden is, en de leverkwabbe; met de nieren zal hij het
11       er afnemen.\' En de priester zal het op het altaar ontsteken: eene
vuurofferspijze voor Jahwe.
12           Indien zijne g&xe uit een bok of geit bestaat, dan moet hij het
13       dier voor Jahwe\'s aangezicht brengen, \' zijne hand op den kop leggen
en het slachten voor de tent der samenkomst; waarna Aiirons zonen
14       het bloed zullen sprengen rondom aan het altaar.\' Kn daarvan zal
hij als zijne gave ten vuuroffer voor Jahwe brengen: het vet dat de
15       ingewanden bedekt, al het vet aan de ingewanden,\' de beide nieren
en het vet daarop, dat aan de lenden is, en de leverkwabbe; met de
1(> nieren zal hij het er afnemen. \' En de priester zal het op het altaar
ontsteken: eene vuurofferspijze ten liefelijken geur voor Jahwe; al het
vet is voor Jahwe.
17          Eene eeuwige inzetting voor uw nageslacht in al uwe woonplaatsen
is: vet noch bloed zult gij eten.
9.  den vettlaari. Zie hierover en over ile vraag, of hij al dan niet bij „het vet" behoorde, op Exod.
XXIX: 22.
11. tpijze, letterlijk brood.
10.  voor Jahwe, den eersten keer ingevoegd volg. San», en Oir. t. — al — Jahwe. Dit ia de grond
van het verbod in het volgende vers.
17. Uitvoeriger handelt hierover VII: 22—27.
HOOFDSTUK IV.
Het zondoffer. — Het zondoffer van den gezalfden priester (1—12); van de gemeente (13—21); van
een vorst (22—26); van iemand uit het volk (27—35).
Over deze offersoort zie verder V:l—VI: 7; VI: M—VII: 7 en de inll. op deze gedeelten.
IV: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' .Spreek tot de Israëlieten: Wanneer iemand
3       bij ongeluk zondigt en iets doet wat Jahwe verboden heeft —\' indien
de gezalfde priester zondigt, zoodat het volk daardoor schuldig wordt,
dan moet hij voor de zonde die hij begaan heeft een gaven, jongen
4       stier aan Jahwe als zondoffer brengen. \' Hij zal dien stier voeren naar
den ingting van de tent der samenkomst voor Jahwe\'s aangezicht, dan
legt hij de hand op den kop van den stier en slacht hem voor Jah-
5       we\'s aangezicht; \' waarna de gezalfde priester een deel van het bloed
G des stiers neemt en het in de tent der samenkomst brengt;\' dan
doopt de priester zijn vinger in het bloed en sprenkelt met dit bloed
7 zevenmaal vóór Jahwe tegen het voorhangsel van het heilige. \' Daarna
2. hij ongeluk, in onderscheiding van „met opzet"; zie Nuni. XV : 80 v.
8. il e gezalfde priester, de hoogepriester, zoo genoemd omdat hij, in onderscheiding van de gewone
priesters, gezalfd was; VIII: 12 v.;
Kx.nl. XXIX : 7. Doch zie Kxod. XXX : 30. Hoe gewone priesters
een vergrijp moeteii zoenen, wordt niet gezegd. Zij worden waarschijnlijk onder de vs. 27—35 be-
doeldcn medegerekcud. — zoodal — wordt. Hiermede wordt niet eene bepaalde soort van zonde, b. v.
vergissingen iu het offeren of reinigen, aangeduid, maar de overtuiging uitgesproken dat de zonde
van zulk een hooggeplaatst persoon als de hoogepriester op het gehecle volk drukte.
4—7. Dat het bloed van den zoudofferstier des hoogepriesters in het heilige gebracht moet worden
stunt niet IX :U; Exod. XXIX: 12. Deze stukkeu zijn dus van eeuu andere hand dan onze wet.
0. het voorhaugtel van het heilige, tusscheu het heilige eu het allerheiligste; zie Exod. XXVI :
31—33.
-ocr page 159-
LEViTiCüS IV : 7—26.
239
strijkt de priester iets van dit bloed aan de hoornen van het altaar
van den offerwierook, dat voor Jahwe in de tent der samenkomst staat,
en stort het overige van het bloed op den onderrand van het brand-
8       offeraltaar, aan den ingang van de tent der samenkomst. \' En al het
vet van den zondofferstier licht hij er af, namelijk het vet dat de
9       ingewanden bedekt, al het vet aan de ingewanden,\' de beide nieren
en het vet daarop, dat aan de lenden is, en de leverkwabbe; met de
10       nieren zal hij liet er afnemen; \' evenals dat van den dankofferstier er
afgelicht wordt. En de priester steekt het op het brandofferaltaar aan.\'
11       Maar de huid en al het vleesch van den stier, met den kop, de poo-
12       ten, de ingewanden en de pens,\' den gebeelen stier, zal hij buiten
de legerplaats brengen naar eene reine plaats, naar de offeraschbelt,
en op bout verbranden; op de offeraschbelt zal liet verbrand worden.
13           Wanneer de geheele gemeente van Israël zich misgaat, zonder dat
de vergadering zich van iets bewust is, en zij iets wat Jahwe ver-
boden heeft gedaan hebben en dus schuldig geworden zijn, dan zal,\'
14       als de zonde die zij begaan hebben baar kenbaar wordt, de vergadering
een gaven jongen stier als zondoffer brengen en dien voor de tent
15       der samenkomst voeren. \' Dan zullen de oudsten der gemeente voor
Jahwe\'s aangezicht de handen leggen op den kop van den stier, en
16       den stier voor Jahwe\'s aangezicht slachten.\' Daarna zal de gezalfde
priester een deel van het bloed des stiers in de tent der samenkomst
17       dragen,\' zijn vinger in het bloed doopen en zevenmaal sprenkelen vóór
18       Jahwe, tegen het voorhangsel van het heilige. \' En iets van dat bloed
zal hij strijken aan de hoornen van het altaar dat in de tent der
samenkomst voor Jahwe staat, en al het overige van het bloed zal
hij uitstorten op den onderrand van het brandofferaltaar, aan den ingang
19       van de tent der samenkomst. \' En al het vet zal hij er aflichten en
20       op het altaar ontsteken.\' Verder doet hij met den stier zooals hij met
den zondofferstier gedaan heeft; op dezelfde wijze zal hij er mede doen.
Aldus zal de priester verzoening voor hen bewerken, en zij zullen
21       vergiffenis erlangen.\' En hij zal den stier buiten de legerplaats bren-
gen en verbranden, zooals hij den eersten stier verbrand heeft. Een
zondoffer der vergadering is het.
22           Wanneer een vorst zondigt en bij ongeluk iets doet van hetgeen
23       Jahwe, zijn god, verboden heeft, en dus schuldig wordt,\' dan zal hij,
als de zonde die hij begaan heeft hem kenbaar wordt,\' als zijn offer
24       brengen een manlijken, gaven geitenbok.\' Dan legt hij de hand op den
kop van dien bok en slacht hem ter plaatse waar men het brandoffer
25       voor Jahwe\'s aangezicht slacht. Het is een zondoffer.\' Vervolgens neemt
de priester iets van het bloed des zondoffers met zijn vinger en strijkt
het aan de hoornen van het brandofferaltaar; waarna hij het overige
26       bloed op den onderrand van het brandofferaltaar uitstort.\' En al het
vet ontsteekt hij op het altaar, evenals het vet der dankoffers. Zoo
bewerkt de priester verzoening voor hem van zijne zonde, en erlangt
hij vergiffenis.
7. den onderrand. Zie op Exod. XXIX: 12.
12. Verg. op VI: 11.
14. gaven, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t. — Volg. Num. XV: 24 moeten in dit geval een «tier als
brandoffer en een bok als zondoffer gebracht worden.
17. van het heilige, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t.
20. den zondqfferitier, dien van va. 8—21, die vs. 21 de eerste stier heet.
26. Volg. vs. 0, 7, 10—18 werd het bloed van het zondoffer voor hoogepriester en gemeente tegen
het voorhangsel gesprenkeld en aan de hoornen van het wierookaltaur gestreken; dat der zondoffers
van den vorst en van iemand uit het volk kwam in het geheel niet in het heiligdom.
-ocr page 160-
LBViTious IV: 27—35.
240
27           Indien iemand uit het volk bij ongeluk zondigt, door iets te doen
28       wat Jahwe verboden heeft, en schuldig wordt,\' dan zal hij, als de
zonde die hij begaan heeft liem kenbaar wordt, zijn offer brengen, eene
gave geit, een vrouwelijk dier, voor de zonde die hij begaan heeft.\'
21) Dan legt hij de hand op den kop van het zondoffer en slacht het op
30       de plaats waar men het brandoffer slacht.\' Vervolgens neemt de pries-
ter iets van liet bloed met zijn vinger en strijkt het aan de hoornen
van het brandofferaltaar; waarna hij het overige bloed op den onder-
31       rand van het altaar uitstort.\' En al het vet neemt hij er af, zooals
het vet van het dankotfer er afgenomen wordt, en de priester ont-
steekt bet op het altaar ten liefelijken geur voor Jahwe. Zoo bewerkt
de priester verzoening voor hem, en erlangt hij vergiffenis.
32           Ook indien hij een schaap als gave ten zondoffer brengt, dan moet
33       hij een vrouwelijk, gaaf dier brengen,\' de hand op den kop van het
zondoffer leggen en het ten zondoffer slachten, ter plaatse waar men
34       het brandoffer slacht.\' Dan neemt de priester iets van het zondoffer-
bloed met zijn vinger en strijkt het aan de hoornen van het brand-
otferaltaar; waarna hij het overige bloed op den onderrand van het
35       brandofferaltaar uitstort. \' En al het vet neemt hij er af, zooals het
vet van een dankofferschaap er afgenomen wordt, en de priester ont-
steekt het op het altaar, bij de vuuroffers van Jahwe. Zoo bewerkt
de priester verzoening voor de zonde die hij begaan heeft, en erlangt
hij vergiffenis.
28.   een vrouwelijk dier. Een dier van het vrouwelijk geslacht was minder waard dan een van het
manlijk; daarom kon een gewoon Israëliet met eene geit volstaan, terwijl ecu vorst een hok moest
geren. Volg. \\ urn. XV : 27 moest die geit een jaar oud zijn.
29.  plooit — slacht, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. plaat» va» het brandoffer.
31. ten liefelijken geur voor Ja/na: Dit behoort bij de brand- en dankoffers en staat alleen hier
van een zondoffer, waarschijnlijk bij vergissing.
33. men, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. hij.
HOOFD8TUK V:l—VI: 7.
Zond- en schuldoffera. — Welke overtredingen door een zondoffer verzoend en welke dieren daar-
voor gebruikt moeten worden (V: 1—13). Wanneer een schuldoffer, dat altijd uiteen ram bestaat,
gebracht moet worden (14—VI: 7).
De verordeningen over het zondoffer (V : 1—13) schijnen een aanhangsel te zijn op\'die in H. IV,
van cen schrijver die daar eene opgave miste van de gevallen waarin een zondoffer moest worden
gebracht. Ook de bepalingen over hei schuldoffer (V: 11—VI: 7) zijn niet van dezelfde hand als I—IV.
Immers, daar wordt niet opgegeven wanneer men cen offer had te brengen, maar daarentegen de
manier beschreven waarop geofferd moest worden; terwijl hier, omgekeerd, het laatste achterwege
blijft — welke gaping VII: 1—7 weder aanvult — en alleen de vergrijpen worden opgesomd die
men door dit offer kou boeten.
Herhaaldelijk worden, èu door den profeet Kzechicl (XL: 39; XL1I:18; XLIV:29; XLVI: 20), en
in de wet (Lev. VII: 37; Xuin. .WW :!) en elders) de zond- en de schuldoffcrs naast elkander ge-
n.....ml, dus blijkbaar van elkaar onderscheiden. Maar wanneer wij alle plaatsen waar over de beide
soorten gehandeld wordt vergelijken, gelukt het ons niet het verschil nauwkeurig vast te stellen.
Dit is zeer verklaarbaar. De namen der beide offersoorten zijn algemeen. Die van zondoffer (iu het
Hcbrccuwscb hattaat) was zeer geschikt om aan elk offer gegeven te worden dat tot delging eener
overtreding diende; en dit geldt evenzeer vu den naam voor tchvldoffer (in het Hebreeuwsch aijaam),
die ,schuld\', benevens .dat waardoor schuld geboet wordt\', beteckent. Waarschijnlijk werden öf beide
namen oudtijds door elkander voor alle zoenoffers gebezigd, öf hij de oene pricsterfamilic do eene, bij
ccue andere do andere. Toen de jongere wetgevers zoo goed zij konden ook deze offers stelselmatig
behandelden, verhinderden hen het spraakgebruik en de overleveringen de scheiding volledig te vol-
trekken.
De zondoffers, waarvoor bij voorkeur vrouwelijke dieren genomen werden, waren geëischt voor allerlei
onwillekeurige overtredingen, o. a. voor de talrijke verontreinigingen. Van deze offers werd uitdrukke-
-ocr page 161-
LEV1TICUS V: 1—6.                                                      241
lijk geleerd dat ze iilleen onopzettelijke vergrijpen verzoenden (Num. XV : 22—31). Gingen wij, wut
het schuldoffer betreft, alleen op de hier, V : 15 v.; VI: 2—7, genoemde gevallen af, dan zouden wij
mecnen dat het voorul diende om vergrijpen tegen een eigendom van Jahwe of van mensehen te vcr-
zocnen; maar V:17—19 leert duidelijk dat het ook in andere gevallen dienst deed; en dit wordt
door XIX: 20 v.; Num. VI: 12; Ezra X:li) bevestigd. Terwijl wij uit onze plaats, XIX : 21 en Kzra
\\: l\'.i zouden opmaken dat het altijd uit een ram bestond, lecren XIV : 12 en Num. VI: 12 dnt dit
niet steeds het geval was.
De zond- en schuldotfers hebben in het godsdienstig leven der Joden steeds grooter rol gespeeld,
ten gevolge van het klimmend besef dat Israël tot heiligheid geroepen en onrein voor Jahwe was. Als
vrucht dier ernstige levensopvatting, pleit het zoenoffer voor het goed gehalte van den godsdienst
der Joden, en kon het niet missen de daarbij passende stemming aan te kweeken. Maar de wettelijk"
hcid braeht ook hier hare wrange vruchten voort. De meening dat zonden door offers werden gedelgd
kweekte onder Israël, als overal elders, ijdel vertrouwen aan, en vergeefs trachtten de priesterlijke
wetgevers dit te verhinderen. Leerden zij dat alleen onopzettelijke overtredingen door offers werden
uitgewischt, zij waren onmachtig om den boetvaardige over grove, opzettelijke zonden te troosten, en de
beperking van de kracht des offers moest daarenboven op bedenkelijke wijze aan ernstige, oprechte be-
oordecling der overtredingen schade doen. Immers, in onderscheiding van onwillekeurige, werden opzct-
tclijke zouden door uitroeiing gestraft (Num. XV:30v.); maar wie had dan niet uitroeiing te vree-
zenp En om aan die ondragelijke vrees te ontkomen, werden allerlei zonden die onmogelijk bij ver-
gissing kunnen bedreven worden onder de door offers dclgbare opgeteld. Zoo hier, in de verordenin-
gen op het zondoffer, ijdele eeden (V : 4), in die op het schuldoffer, roof, knevclarij en allerlei onecr-
lijkhcid, met meineed gepaard (VI: 2—5). Hierdoor verzwakte de wet het zedelijk gevoel.
V: 1          Wanneer iemand zondigt door eene oproeping bij eede aan te hoo-
ren, terwijl hij zelf getuige is geweest, het gezien heeft of er van
2       weet, en door het niet mede te deelen zijne schuld dragen moet; \' of
wanneer iemand iets onreins aanraakt, het aas van een onrein wild
dier, of dat van een onrein huisdier, of dat van onrein ongedierte, en
het was hem verborgen, maar hij is het te weten gekomen en is
3       schuldig; \' of wanneer hij iets onreins van een mensch aanraakt, welke
onreinheid ook waardoor hij onrein wordt, en het was hem verborgen,
4       maar hij is het te weten gekomen en is schuldig;\' of wanneer iemand
zweert terwijl de woorden hem onbedacht ontglippen, hetzij ten kwade,
hetzij ten goede, zooals de mensch allerlei ijdele dingen met een eed
uitspreekt, en het was hem verborgen, maar hij is het te weten ge-
5       komen en is schuldig aan zulk een vergrijp — \' wanneer hij dan aan
eene van deze overtredingen schuldig is, dan zal hij de zonde die hij
0 begaan heeft belijden, en voor de zonde die hij begaan heeft zijn schuld-
offer aan Jahwe brengen, bestaande uit een vrouwelijk dier van het
1.   De getuigen legden geen eed af tot bevestiging hunner woorden; maar de rechters, de beschul-
digers of de aangeklaagden plachten de aanwezigen in het algemeen, of dezen en genen in het bijzon-
der, te bezweren dnt zij zouden mcdcdcclcu wat zij wisten. Wie dan, terwijl hij iets van de zaak wist,
zweeg bezondigde zich. Verg. Spr. XXIX: 24. — zijne schuld dra/jen, schuldig zijn en dus zijne straf
hebben te wachten.
2.  Verg. II. XI. — onrein wild dier, b. v. leeuw, jakhals, in onderscheiding van b. v. het hert, dat
een rein wild dier is. — onrein huisdier, b. v. ezel, kameel, in onderscheiding vnn b. v. het rund en
het klcinvcc, die reine huisdieren zijn. — onrein ongedierte, b. v. muis, hagedis, in onderscheiding
van den sprinkhaan, die rein ongedierte is — hij — gekomen, naar vs. 3 en 4; Hebr. t. hy is on-
rein geworden.
8. Verg. XII—XV, ook Num. XIX, dot min of meer met dit hoofdstuk in strijd is.
4.  In den handel en bij allerlei gelegenheden waarin de hartstochten licht worden opgewekt waren
geloften en andere eeden zeer gewoon. De Isrnclietische zcdcprcdikcrs vnn alle tijden hebben danrom
gowaarschuwd tegen overijling iu het afleggen van geloften en aangedrongen op stipte volbrenging
van het beloofde (Deut. XXIII: 21—23; Spr. XX:25j Pred. V : 3—5). Onze wetgever, de onmogclijk-
heid beseffende de menschen tot stipt nakomen hunner verbintcuissen te nopen, stelt een offer als
boete op de leugen in overijling bezworen.
5.  belijden, aan wicn, staat er niet bij. Redocld wordt waarschijnlijk: aan God.
6.  zijn schuldoffer. Hier en vs. 7 wordt het woord gebruikt dat vs. 14—VI: 7 voor eene andere
offersoort, die welke ook wij gewoonlijk het schuldoffer noemen, wordt gebezigd; waarschijnlijk omdat
het woord zonde dadelijk volgde en de naam zondoffer dus minder geschikt scheen. Vs. 11 staat hier-
voor als gave. — Het slot van het vers, dit hij — erlangen, is volg. Sam. en Gr. t. ingevoegd.
o. t. i.                                                                                                 ie
-ocr page 162-
I.RVITIOUS V: 6 —17.
242
klein vee, schaap of\' geit, tot een zondoffer. En de priester zal voor
hem verzoening bewerken voor de zonde die hij hegaan heeft, en hij
vergiffenis erlangen.
7            Indien zijn vermogen ontoereikend is om een stuk kleinvee te ge-
ven, zal hij ten scbuldoffer voor hetgeen hij misdaan heeft twee tor-
tels of twee jonge duiven aan Jahwe hrengen, eene tot zond- en eene
8       tot hnindoffer.\' Hij zal ze aan den priester brengen, en deze zal de
ten zondoffer bestemde liet eerst opdragen, baar den kop bij den nek
!• breken, maar zonder dien er af te trekken; \' dan sprenkelt hij een
deel van bet bloed des zondoffers aan den altaarwand: waarna het
overige bloed uitgedrukt wordt en afloopt op den onderrand van bet
10 altaar. Het is een zondoffer. \' De tweede zal bij als een brandoffer,
naar de daarop gestelde regels, behandelen. Zoo zal de priester ver-
zoening voor hem bewerken voor de zonde die bij hegaan heeft, en
bij vergiffenis erlangen.
1 1           Is bij niet bij machte om twee tortels of twee jonge duiven te ge-
ven, dan zal hij als gave voor hetgeen bij misdaan heeft een tiende
maat meel bloem ten zondoffer brengen. Hij mag er geen olie op doen,
12 noch wierook bijvoegen; want bet is een zondoffer.\' Hij zal het tot
den priester brengen, die er een handvol van nemen zal, als aanden-
kingsgave, en deze op het altaar bij Jabwe\'s vuuroffers ontsteken. Het
\\\'\\ is een zondoffer. \' Zoo zal de priester voor de zonde die hij in een der
genoemde gevallen begaan heeft verzoening voor hem bewerken, en
bij vergiffenis erlangen. Het overige valt, evenals bet meeloffer, den
priester ten deel.
14, 15 Jahwe sprak tot Mozes: \' Wanneer iemand zich deerlijk vergrijpt
door zich bij vergissing iets toe te eigenen van hetgeen aan Jahwe
heilig is, dan zal hij als zijn scbuldoffer aan Jahwe een gaven mm
uit het kleinvee brengen, naar schatting van de waarde in zilveren
1(5 sikkels, en wel heilige sikkels, ten scbuldoffer. \' Daarenboven zal hij
wat hij van de heilige zaken zich toegeëigend heeft betalen en het
vijfde deel der waarde er bijvoegen. Hij zal het den priester geven,
en de priester zal voor hem verzoening bewerken door den schuldoffer-
ram, en hij vergiffenis erlangen.
17          En indien iemand zondigt, door eenigerlei zaak te doen die Jahwe
verboden heeft, zonderdat hij er van weet en hij dus schuldig gewor-
S. Vim ceuc tili brandoffer bestemde duif weid de kop gehad vim den romp getrokken; zie 1:14 v.
Kenc feil in dezen maakte bet offer ongeldig. Werd zij begaan, dan werd het dier niet op het altaar,
manr in een put nan den voet des altaar» geworpen.
10.  naar — regelt. Zie 1:11—17.
11.  een lientle maal, ongeveer vier liter. — Hij — bijvoegen, in onderscheiding van het meeloffer,
11:1. Ook auu bet olfcr Nu in. VïlB wordt geen olie of wierook toegevoegd, liij ecu schuldoffcr
wordt volg. Lev. XIV: 12 olie gevoegd.
13*. Verg. 11:3.
15. hetgeen aan Jahwe heilig is. tienden en andere aan het gewoon gebruik onttrokken zaken, die
auu Jahwe, d. i. in de praktijk nan het heiligdom of de priesters, ten deel vielen. Vergissingen waar-
door iemand zulke zaken had gebruikt kwamen gedurig voor, b. v. wanneer iemand koren, vruchten
of wijn op de markt koekt en de verkoopcr hem voorloog dat ze vertiend waren. — uit hel kleinvee.
Dit wordt er, ook vs. 18 en VI: 0, waarschijnlijk bijgezet, omdat de medeklinkers van het woord dat
,rain\' bctcckcut, ook ,hert\' kunnen aanduiden. — naar ichatting. Zie op XXVII: i. — van de waarde
— tikkeli
onzekere vertaling. De bedoeling schijnt te zijn dat de priester telkens moest bepalen hoe
duur een ram moest zijn die volstond ten schuldoffcr; dit hing af van den stand der markt. — hei-
lit/r tikkrh.
Zie op Exod. XXX: 13.
10. Verg. XXII: 14.
17. zomlerdat — weet, Dit kan uiet bctcekcucn dat hij bij ongeluk, hoogstens in overijling en
onbedaehtziiamlieid, een verbod overtreden heeft; want dit geldt van elke overtreding die door een
offer kan gezoend worden, IV : 2 en elders; maar zonderdat hij zelf weet, iu welk opzicht hij mis-
dnan heeft. Ken ongeluk waardoor hij getroffen werd of een gevoel van beklemming kon de vrees
zich bezondigd of verontreinigd te hebben opwekken en tot het brengen van dit offer drijven. Dien*
-ocr page 163-
243
I,BVITICUS V : 17—VI : 9.
18       den is en zijne zonde te dragen heeft, \' dan zal hij een gaven ram
uit liet kleinvee, naar schatting, als schuldoffer tot den priester brengen.
En de priester zal voor hem verzoening bewerken voor de vergissing
die hij zonder het te weten begaan heeft, en hij vergiffenis erlangen.\'
19       Een schuldoffer is het; schuld, schuld heeft hij op zich geladen tegen-
over Jahwe.
VI: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes: \' Wanneer iemand zondigt en zoo een ver-
grijp tegen Jahwe pleegt: hij loochent tegenover zijn naaste iets on-
der zich te hebben dat hem toevertrouwd, of ter bewaring gegeven,
3       of door hem geroofd is; of hij heeft aan zijn naaste iets afgeperst;\' of
een verloren voorwerp gevonden en dit geloochend, en een valschen
eed gedaan in; een van al die gevallen w;iarin een menacb zich pleegt
4       te bezondigen, \' dan moet hij, wanneer hij zoo zondigt en schuldig
is, het door hem geroofde, of wat hij door afpersing verkregen heeft,
of wat hem toevertrouwd was, of het verloren voorwerp dat hij ge-
T> vonden had,\' of wat het ook zij waarover hij een meineed gedaan
heeft, ten volle vergoeden met het vijfde der waarde er bij, en dit
op den dag waarop zijne schuld openbaar wordt geven aan hem wien
fl liet toebehoort. \' Daarbij zal hij als zijn schuldoffer aan Jahwe een
gaven ram uit het kleinvee, naar schatting, als schuldoffer, tot den
7 priester brengen. \' Dan zal de priester voor hem verzoening bewerken
voor Jahwe\'s aangezicht, en hij vergiffenis erlangen voor de overtre-
ding, welke ook, waaraan hij zich schuldig gemaakt heeft.
tengevolge blijft in dit geval «Ie terugbetaling van het verbruikte, met het vijfde deel der waarde als
boete, achterwege.
1—7. Deze bepalingen worden aangevuld door Xiim. V : 5—10.
l. Verg. Kxod. X.\\I1: 7—13.
5. In het geval dat nicmnnd aanspraak kan maken op hetgeen de schuldige zich wederrechtelijk
heeft toegeëigend wordt Nuin. V:ö—8 voorzien. — De vertaling der woorden op den dag waarop
:ijne iclinld openbaar wordt
is onzeker. T)e bedoeling schijnt te zijn «Int hij hot ontvreemde aanstond»
moet teruggovcu en eerst daarna zijn offer brengen, vs. 0. Verg. Mui i h. V: 28 v.
HOOFDSTIK VI: 8—VII: 38.
Bepalingen omtrent verschillende offers. — Het vuur op het groote altaar moet altijd blijven bran-
den (VI: 8—13). Wat met het mceloffcr gedaan moet worden (11—18). Het mecloffcr voor den hoo-
gepricstcr (19—23). Wat voortvloeit uit de hoogheiligheid van hot zondoffer (21—30). Wat te doen
met het schuldoffer (VII: 1—7). Kcnigc gaven die den priesters ten deel vallen (8—10). Over het
dankoffer: wat te doen met de onbloedige declcn van het dankoffcr dat tot lofoffer gebracht wordt
(11—14). Het vlcesch van dit offer mag geen nacht overblijven (15); dat van cen dankoffer dat vol-
geus gelofte of vrijwillig gebracht wordt mag nog e\'cn dag langer worden bewaard (10—18). Het is
ongeoorloofd onrein geworden offcrvlccsch te eten; ook, in onreinen staat ecnig offervlccsch te nulti-
gen (10—21). Vet en blood, vnn welk dier ook, zijn verboden (22—27). Welk deel van do dankoffers
den dienstdoenden priester ten deel valt (28—31). Twco onderschriften, een bij vs. 28—34 (35 v.),
oen bij VI: 8—VII: 38 (37 v.).
De overeenkomst in aanhef van VI: 9—13; 14—18; 25—30; VII: 1—7; 11—18; 37 v.: DU is de
wel op
... , doet onderstellen dat deze gedeelten, waarin omtrent de vijf in I—V behandelde offer-
soortcn — brand-, meel-, zon«l-, schuld* en dankoffers — nadere bepalingen gegeven worden, bij el-
kander behoorden en bestemd waren om de in die hoofdstukken voorgedragen verordeningen aan te
vullen. Is dit zoo, dan zijn wellicht VI: 19—24; VII: 8—10; 19—30 latere inlasschingen. Verg. op
VII: 29 en verder inl. op I—X.
VI: 8, 9 Jahwe sprak tot Mozes:\' Gelast Aaron en zijnen zonen: Dit is de
wet op het brandoffer. Het brandoffer blijve op den vuurhaard van
9—18. Toevoegsel op II. I. Verg. do aantt. aldaar.
9. kei brandoffer. Uit hot vorbnml blijkt dat de schrijvor bepaald hot oog hooft op het lam dat
-ocr page 164-
LBV1TICUS VI: 9—21.
244
het altaar den geheelen nacht tot ilen morgen, terwijl het altaarvuur
10       daarop brandend gehouden en niet gebluscht worde.\' Dan zal de pries-
ter over het bloote lijf\' een linnen bovenkleed en een heupkleed aan-
trekken en zoo de asefa waartoe het brandoffer op het altaar door het
11       vuur verteerd is wegruimen en naast het altaar werpen.\' Daarna zal
hij deze kleederen uittrekken en andere aandoen en de ascb buiten het
12       kamp op eene reine plaats brengen. \' Het vuur nu op bet altaar moet
er op blijven branden en mag niet worden gebluscht; daarop zal de
priester eiken morgen hout aansteken, het brandoffer schikken en de
13       vetdeelen der dankoffers ontsteken.\' Vuur zal voortdurend op het al-
taar branden en niet worden gebluscht.
14            Dit is de wet op het meeloffer. Aiirons zonen zullen het voor Jah-
15       we\'s aangezicht brengen tegenover bet altaar. \' Dan neemt de dienst-
doende priester uit het meeloffer een handvol van de meelbloem met
de olie, en al den wierook die bij het meeloffer behoort, en ontsteekt
dit op het altaar: een vuuroffer van liefelijken geur is die aanden-
10 kingsgave voor Jahwe.\' En het overige zullen Aiiron en zijne zonen
eten; tot ongezuurd brood toebereid, zal het in eene heilige plaats
gegeten worden: in het voorhol\' van de tent der samenkomst zullen
17       zij het eten.\' Er zal niets gezuurds van gebakken worden; ik heb
het hun als hun deel van mijne vuuroflers gegeven. Het is iets hoog-
18       heiligs, evenals het zond- en sehuldofler.\' Al wat manlijk is onder
Aiirons zonen mag het eten. Dit is eene eeuwige inzetting ook voor
uw nageslacht ten aanzien van Jahwe\'s vuuroflers; al wie ze aanroert
wordt gewijd.
19,20 Jahwe sprak tot Aiozes:\' Dit is de gave die Aiiron en zijne zonen
aan Jahwe zullen brengen, ten dage hunner zalving: een tiende maat
meelbloem als dagelijksch meeloffer, de eene helft des morgens, de
21 andere des avonds. \' Op eene pan moet het met olie bereid worden;
als oliekoek zult gij het brengen en dien in stukken breken, ten
meeloffer van brokken, een vuuroffer van liefelijken geur voor Jahwe.\'
clkcn avond gebracht moest worden, Kxod. XXIX ï41T. — en niet geblu»c/it, volg. Gr. vert. inge-
voegd. Ook cider» zijn in deze hoofdstukken volg. Sam. en Gr. t. veranderingen van geringe beteeke-
nis aangebracht.
10.  ï>an, de» morgana. — over — lijf, kicsche uitdrukking voor: tot bedekking der schaamte, Kxod.
XXVIII:42.
11.   Hij trekt deze, letterlijk zijne, kleederen uit en andere, d. w. z. zijne gewone, niet-priestcrlijke,
aan, omdat hij het heiligdom verlaten moet en liet heilig gewaad alleen daarbinncu mag gedragen
worden, Ezcch. XI.IV:19. — buiten — plaat», d. w. •/.. op eeue plaats buiten het heiligdom; ook
IV: 12. — Dit wegbrengen van de asch buiten het heiligdom had uit den aard der zaak niet dage-
lijks plaats — waartoe zou anders die aschbclt bij het altaar gediend hebben? — maar slechts van
tijd tot tijd.
12.   het brandoffer, hier het morgciioffer, Kxod. XXIX: 39 v. — der dankoffer», vaii die welke in
den loop des dags werden gebracht; de dankoflers waren de talrijkste.
13.   l)it was evenzoo in de heiligdommen van vele goden onder andere volken, b. v. in die van
Hestia of Vcsta. Het gebruik wijst op de hooge waarde aan het vuur toegekend, dat oudtijds, als het
iiitgcbluscbt was, zooveel moeilijker was aan te maken dan thans. Het eeuwig brandend vuur was bij
Israël het zinnebeeld van den naijvcrigeu, ongeuaukbaren Jahwe, Jez. X NA! 11 :14.
14—18. Toevoegsel op H. II; verg. de nantt. aldaar.
15. de dienstdoende prieifer, als 11:2. — een vuuroffer van, volg. Sam. en Gr. t. ingevoegd, even-
als vs. 21.
10. bel voorhof, Kxod. XXVII: 9—19 beschreven.
17.  ecenali — tchuldojfer. Zie vs. 25—30; VH:6v.; verg. VII: 9 v.
18.  wordt gewijd. Zie op Kxod. XXIX : 37.
20.  zijne zonen, zijne opvolgers in het hoogepriesterschap. De bepaling dat dit offer moet gebracht
worden ten dage hunner zalving (zie VIII: 12, Kxod. XXIX: 7), dus slechts eenmaal voor eiken hoo-
gepriester, is in onverzoenlijke!! strijd met den cisch dat het een dagelijktch meeloffer zij. Waarschijn-
lijk zijn de woorden ten dage hunner zalving hier later ingeschoven, met het oog op VIII, IX. Tot
den ondergang des tempels toe is een dagelijksch meeloffer voor den hoogepriester gebracht.
21.   Ken pnar woorden in dit vers zijn volg. Gr. en Syr. vortt. veranderd en weggelaten. Lezing
en vertaling blijft echter onzeker. Over dit offer verg. II: R v.
-ocr page 165-
lkviticus VI: 22-VII: 12.                                    245
22       Ook de gezalfde priester die uit zijne zonen in zijne plaats treedt zal
het bereiden. Kene eeuwige inzetting is het. Het zal geheel voor Jahwe
23       ontstoken worden.\' Elk meeloffer van een priester moet geheel ver-
brand en mag niet gegeten worden.
24, 25 . Jahwe sprak tot Mozes: \' Spreek tot Aiiron en zijne zonen: Dit is
de wet op het zondoffer. Op de plaats waar het brandoffer geslacht
wordt zal het zondoffer voor Jahwe\'s aangezicht worden geslacht; het
26       is iets hoogheiligs. \' De priester die de ontzondiging voltrekt zal het
eten; op eene heilige plaats zal het gegeten worden, in het voorhof
27       van de tent der samenkomst.\' Ieder die het vleesch er van aanraakt
wordt gewijd, en indien iets van het bloed op een kleed spat, dan
28       moet gij het bespatte kleed in eene heilige plaats wasschen. \' Een
aarden vat waarin het gekookt is moet gebroken worden; is bet in
een koperen vat gekookt, dan moet dit geschuurd en met water af-
2U gespoeld worden. \' Al wat manlijk is onder de priesters mag het eten;
30 het is iets hoogheiligs. \' Maar elk zondoffer van welks bloed iets in
de tent der samenkomst gebracht wordt om daarmede in het heilige-
dom verzoening te bewerken mag niet gegeten, maar moet verbrand
worden.
VII: 1,2 Dit is de wet op het schuldoffer. Het is iets hoogheiligs.\' In de
plaats waar men het brandoffer slacht zullen zij het schuldoffer slach-
3       ten, en het bloed zullen zij rondom aan het altaar sprengen. \' Al het
vet er van zal men ten offer opdragen, namelijk den vetstaart, het
4       vet dat de ingewanden bedekt en al liet vet aan de ingewanden, \' de
beide nieren en het vet daarop, dat aan de lenden is, en de lever-
5       kwabbe; met de nieren zal men het er afnemen.\' Dan ontsteekt de
priester dat op liet altaar als een vuuroffer voor Jahwe; het is een
(5 schuldoffer.\' Al wat manlijk is onder de priesters mag het eten ; op
eene heilige plaats zal het gegeten worden; het is iets hoogheiligs.\'
7       Dezelfde wet geldt voor het schuldoffer als voor bet zondoffer. Aan
den priester die daardoor verzoening bewerkt valt het ten deel.
8           De priester die iemands brandoffer opdraagt, voor hem is de huid
9       van het brandoffer dat hij opgedragen heeft. \' Ieder meeloffer dat in
den oven gebakken wordt en al wat in den ketel of op de pan is
10 bereid is voor den priester die het opgedragen heeft. \' Maar elk met
olie gemengd en elk droog meeloffer is voor de gezamenlijke zonen
van Aiiron, voor den een zoo goed als voor den ander.
11,12 Dit is de wet op de dankoffers die men aan Jahwe brengt.\' Indien
23. Van <lc mccloffcrs van anderen kreeg do priester een deel, II: 8, 10.
24—30. Toevoegsel op H. IV en op V: 1—13.
26.  De — voltrekt, de dienstdoende, evenals Vil: 7. Het zondoffer wordt zijn eigendom, evenals de
huid van het brandoffer en de rest der inccloffers, terwijl andere offergaven aan de gcheelc dienst-
doende priesterafdceling of de algcineene priesterkas ten deel vielen; verg. VII: 8—10.
27.  wordt gewijd, als vs. 18.
28.  Dezelfde verordening bij verontreinigde voorwerpen XI: 33, 35; XV: 12; verg. op XI: 33.
30. Hier wordt teruggezien op de zondoffers, die IV:7v., 10—18 beschreven zijn.
1—7. Toevoegsel op V:14—VI: 7, waarin de regel wordt gesteld dat het schuldoffer geheel als het
zondoffer behoort behandeld te worden; zie vs. 7. Toch blijven verschilpunten over; zie op TC. 2.
2.  het bloed — tprengen. Desgelijks werd met het bloed van het brandoffer gehandeld, 1:5; anders
met dat van het zondoffer, IV: 5.
3.  en al — ingewanden, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t.
7. Verg. op VI: 20.
9 v. Aanvulling van VI: 10—18, tot bepaling van het gedeelte dat aan den dienstdoenden priester,
en niet aan de geheele priesterschap, ten deel valt.
10. Droge meeloffers worden ook V:ll; Xum. V : 15 vermeld.
12. Het lof offer komt in de wet, evenals hier naast offers volgens gelofte en vrijwillige offers,
alleen nog XXII: 20 voor; meermalen in de andere boeken des O. T.\'s. Het behoort tot de klasse der
dankoffers. Op den nanm afgaande, onderstellen wij dat het gebracht werd bij eene bijzondere reden
-ocr page 166-
246                                       wivmcus VII: 12—25.
iemand liet als lofoffer brengt, dan moet hij bij het lofoffer brengen:
met olie gemengde ongezuurde koeken, met olie bestreken ongezuurde
13       vladen en met olie geroerde meelbloem. \' Gezuurde broodkoeken zal
14       hij als zijne gave brengen, bij zijn lof\'dankoff\'er. \' Van elke soort zal
hij éen stuk als gave aan Jahwe wijden, en deze zal zijn voor den
priester die het dankofferbloed gesprengd heeft.
15            Het vleesch van zijn lofdankoffer zal op den dag waarop het opge-
dragen wordt gegeten worden; men zal daarvan niets tot den volgen-
l(i den morgen laten liggen.\' Indien zijn offerdier volgens eene gelofte
of vrijwillig gebracht wordt, moet het op den dag waarop liet opge-
dragen wordt gegeten worden, en mag hetgeen overschiet den vol-
17       genden dag gegeten worden; \' maar wat van het ofFervleesch op den
18       derden dag overig is moet verbrand worden. \' Mocht op den derden
dag van het vleesch van zijn dankoffer iets gegeten worden, dan komt
dit hem die het gebracht heeft niet ten goede; het wordt hem niet
toegerekend; bet is iets bedorvens, en ieder die er van eet zal zijne
19       schuld dragen.\' Het vleesch dat met iets onreins in aanraking kwam
mag niet gegeten maar moet verbrand worden. Voorts wat het vleesch
20       betreft, ieder die rein is mag vleesch eten; \' maar de mensch die
vleesch eet van een aan Jahwe gebracht dankoffer terwijl eene onrein-
heid hem aankleeft, die mensch zal uitgeroeid worden uit zijn volk.\'
21       Ja, al wie iets onreins aanraakt, iets onreins van een mensch of een
onrein dier of eenigerlei onrein ongedierte, en dan van het vleesch
van een aan Jahwe gebracht dankoffer eet, die mensch zal uitgeroeid
worden uit zijn volk.
22,23 Jahwe sprak tot Mozes: \' Spreek tot de Israëlieten: Geen vet van
24       rund, schaap of geit zult gij eten. \' Evenals het vet van dieren die hun
natuurlijken dood gestorven of verscheurd zijn, worde het voor aUerlei
25       werk gebruikt, maar gegeten worden mag het volstrekt niet.\' Want
van dankbaarheid, als incn Jahwe voor eene weldaad wilde loven. Maar hoc het dan naast ofl\'crs
volgens gelofte en vrijwillige offers kan gesteld worden, is niet klaar. — bij het lofoffer, d. w.z. hij
het dier waaruit dit dankoffer, als elk ander, vóór ulles bestond. — Over de hier vernielde onbloo
dige gaven zie 11:1 en VI: 21.
13. Gezuurde broodkoeken. Deze waren uit den aard der zaak bij dit offer voorhanden, daar zij noo-
dig waren voor den maaltijd. Ze werden wel aan Jahwe aangeboden, maar kwamen niet op het altaar;
verg. op 11:11. In den grondtekst gaat aan deze woorden het voorzetsel op of behalve vooraf; het-
wolk er waarschijnlijk is ingevoegd, om te voorkomen dat men die gezuurde koeken voor cene altaar-
gave hield. l)c uitvoerige vermelding der ongezuurde koeken in vs. 12 dankt wellicht aan dezelfde
overweging haar oorsprong.
15. Hetzelfde verbod XXII: 2!) v. en, aangaande het vleesch van het panschlain, Exod. XII: 10;
verg. op Exod. XXIII: 18.
16—18. Dit geldt, in tegenspraak met vs. 15, volg. XIX: 5—8 van alle dnnkoffers.
10. volgens — vrijwillig, dezelfde onderscheiding XXII: 21; Dcut. XII: 17. En volgens gelofte, en
vrijwillig kon men ook brandoffers brengen.
18. ieder die er van eet, alle leden van de familie des gevers, andere gasten aan den maaltijd, of
wie het gekocht hadden.
194, 20. Pc woorden Voorts — eten doen als tegenstelling verwachten dat een onreine gocncrlci
vleesch mag eten; wat oudtijds wel de regel zal geweest zijn. Doch onze wetgever verbiedt don onreine
alleen het vleesch van een dankoffer.
20.   Over de oorznken der onreinheid handelt XI—XV. — uitgeroeid worden uil zijn volk. Zie op
Gen. XVII: 14.
21.  Verg. op V:2.
22—27. Wat hier van het vet wordt gezegd geldt van alle offers (zie 111:16 v.; Exod. XXIX: 13
enz.), maar passend wordt het uitvoerig behandeld hij de bespreking van het cenige offer dat voor
een gedeelte door de gevers werd genuttigd. Over den oorsprong van het verbod van het vet, evenals
van het bloed, laat deze plaats ons geen oogenblik in het onzekere: het behoorde der godheid.
24. Evenals, volgens gissing ingevoegd. De Ilehr. t. En liet vet van ... worde... gebruikt behelst een
volkomen overbodig gebod, danr al wat van zulke dieren kwam verboden was (zie Exod. XXII: 31),
en laat onbepaald, wat met het vet der behoorlijk geslachte dieren moest gebeuren; terwijl ook vs. 25
onmogelijk de reden kan geven waarom men het vet der gestorven en verscheurde dieren niet
eten mocht.
-ocr page 167-
usviticus Vil: 25—38.                                       247
al wie vet eet van het vee waarvan men een gedeelte als vuuroffer
aan Jahwe pleegt te brengen, de mensch die dat gegeten heeft zal
2(5 uit zijn volk uitgeroeid worden. \' Ook zult gij nergens in uwe woon-
plaatsen eenigerlei bloed eten, noch van vogels, noch van viervoetige
27 dieren.\' Ieder die eenigerlei bloed eet zal uitgeroeid worden uit zijn
volk.
28,29 Jahwe sprak tot Mozes:\' En tot de Israëlieten moet gij zeggen:
Wie zijn dankoffer aan Jahwe brengt moet van zijn dankoffer liet deel
30       dat hij aan Jahwe verschuldigd is tot hem dragen. \' Met eigen han-
den moet hij Jahwe\'s vuuroffers naar het altaar dragen; het vet met
de borst moet hij aandragen: de borst, om die als eene aanbiedings-
31       g<ive voor Jahwe\'s aangezicht te doen bewegen. \' Dan ontsteekt de
de priester het vet op het altaar, en de borst valt aan Aiiron en zijne
32       zonen ten deel. \' Daarbij zult gij van uwe dankoffers den rechter-
33       schenkel als eene heffing den priester geven. \' De zoon van Aiiron die
bet bloed en het vet der dankoffers heeft opgedragen, hem zal de
34       rechter schenkel ten deel vallen. \' Want de aanbiedingsborst en den
hetfingsschenkel neem ik van de Israëlieten uit hunne dankoffers en
geef die aan den priester Aiiron en zijne zonen, als hetgeen hun voor
altijd toekomt vanwege de Israëlieten.
35           Dit is het aandeel van Aiiron en zijne zonen uit Jahwe\'s vuuroffers,
ten dage dat hij hen deed toetreden om priesters voor Jahwe te zijn;\'
36       wat Jahwe op den dag dat hij ben zalfde bevolen heeft dat hun van-
wege de Israëlieten zou gegeven worden, tot eene eeuwige inzetting
ook voor bun nageslacht.
37           Dit is de wet op het brand-, meel-, zond-, schuld-, wijdings- en
38       dankoffer,\' die Jahwe aan Mozes op den berg Binai gegeven heeft,
toen hij in de woestijn van den Sinai den Israëlieten gelastte hunne
gaven aan Jahwe te brengen.
26 v. Ver)?, op Gen. IX: 4.
29.  En — zeggen, volg. Bun. en Gr. t.; Hebr. t. Zeg tot de Iiraëlieten. Het verschil tusschen beide
lezingen is niet zoo onbetcekenend als liet schijnt. Volgens die van Sun. en Gr. t. toeli moet er een
bevel tot de priesters aan zijn voorafgeguan; wat 1111 het geval niet is. Hieruit volgt dat vs. 22—27
later ingelascht is en de lezing van den Hebr. t. eerst daarna is ontstnan. — mort — dragen. Het
overige behield de gever en gebruikte hij op den offermaaltijd. Dat hij dezen in eene zaal bij den
tempel moest aanrichten is nergens voorgeschreven.
30.  aanbiedingagave. Zie op Ëxod, XXIX: 24.
82. eene heffing. Zie op Kxod. XXIX: 27 v.
85 v. Dit wijst op H. VIII ca verbindt daarmede de voorafgaande verordeningen, evenals de ver-
melding van het teijdingioffier iu vs. 37, waarvan in VI, Vil geen sprake geweest is; verg. op
VI: 20.
35.  het aandeel. In het llebreeuwsch wordt dit door een ongewoon woord uitgedrukt, dat veel ovcr-
eeukomst heeft met het noord dat ,zalving\' beteckent en wellicht opzettelijk daarom gekozen is. Het
komt alleen nog Nuiii. XVIII: 8 voor. — hij schijnt hier en in vs. 30 Jahwe aan te duiden.
36.  hen zalfde, dus alle priesters; zie op Exixl. XXIX ! 7.
38. op den berg Sinai, dus niet in de tent der samenkomst, zooals 1: 1 leert. — in de Koetlijn tan
den Sinai,
dus niet eerst na \'s volks vestiging in Kanaün.
HOOFDSTUK VIII—X.
De priesterwijding en de aanvaarding van het priesterambt. — Op Jahwe\'s last brengt Mozes Aiiron
eu zijne zonen, met al wat tot hunne wijding noodig is, voor de teut der samenkomst (VIII: 1—4);
hij wnscht hen en trekt Aiiron zijn plechtgewaad aan (5—9). Na den tabernakel eu al de meubelen
gewijd te hebben (10 v.), zalft hij Aiiron (12) en trekt zijnen zonen hun ambtsgewaad aan (13). Hij
brengt voor Aiiron en zijne zonen den zondofferstier (14—17), den brandoffcrrain (18—21) en den wij •
dingsram (22—29). Hij bespreugt met de zalfulie en het bloed Aiiron en zijne zonen, benevens hunne
klcedercn (30), en beveelt hun, een deel der offergaven te bereiden en te eten (31), en wat overblijft
te verbranden (32). Zeven dagen moet de wijdingsplechtigheid duren (38—35). Aiiron en zijne zonen
-ocr page 168-
LBV1TICU8 VIII: 1—19.
248
gehoorzamen 30). ])cii il ai; na dr wijdingswcck gelast Mozes Aüron, zijnen zonen en Isracls oudsten,
verschillende offers te brengen, oimlnt .Inhwe zich nnn hen vertoonen wil (IX: 1—1); zij gehoorzamen
(5 v.). Aüron draagt <le offers op en zegent het volk (7—\'22). Nailat Mozes en Aüron tic tent der
samenkomst binnengetreden zijn en haar weder verlaten hebben, vertoont zich Jahwc\'s heerlijkheid, en
wordt het offer door vuur dat van hein uitgaat verteerd (23 v.). Nadab en Abihu brengen vreemd vuur voor
Jahwe en worden gedood (X:l—">). Mozes verbiedt Aiiron en zijnen beiden overgebleven zonen, rouw
over hen te bedrijven (0 v.). Ook verbiedt hij hun, sterken drank te gebruiken nis zij de tent der
samenkomst moeten binnengaan (8—11). Hij beveelt hun, de heilige spijzen bij het altaar te eten
(12—15). Zij verbranden echter den zondofferbok, waarover Aiiron zieh verontschuldigt inct hetgeen
hem dien dag wedervaren was (10—20).
II. VIII verhaalt de tenuitvoerlegging van hetgeen Kxod. XXIX :1—35 bevolen is (verg. dus de
aantt. aldaar) en behoorde oorspronkelijk achter Kxod. XL; zie lul, op Kxod. XXIV : 12—XL: 38 en
op Lcv. 1—X. Do twee andere hoofdstukken, IX, X, zijn hierop het vervolg, wellicht vun dezelfde
hand; tenzij zij zich oorspronkelijk aansloten bij een ouder bericht, dat in beknopter vorm verhaalde
hoe gehandeld is naar de verordeningen vun Kxod. XXV—XXXI, en dat door het uitvoeriger in Kxod.
XXXV—XL en Lev. VIII verdrongen is. Knkclc verzen in II. X, zeker vs. 8—11 en 16—20, wcl-
licht ook vs. 6, 7, zijn later ingeschoven. Over de beteckenis van X: 1—•"> zie ter pi.
VIII: 1,3 Jahwe sprak tot Mozes:\' Neem Aiiron en zijne zonen, benevens
de kleederen en de zalfolie, den zondofferstier, de twee rammen en den
Jl kort\' met ongezuurd brood,\' en verzamel de geheele gemeente aan
4       den ingang van de tent der samenkomst.\' Mozes deed zooals Jahwe
hem bevolen had, en toen de gemeente aan den ingang van de tent
5       der samenkomst verzameld was,\' zeide Mozes tot haar: Dit is wat
(i Jahwe bevolen heeft te doen.\' Toen deed hij Aiiron en zijne zonen
7       toetreden en wiesch hen met water. \' Daarop deed hij Aiiron het on-
derkleed aan en den gordel om, trok hem den mantel aan, deed hem
het schouderkleed aan en den schouderkleedsband om, waarmede hij
8       het hem om het lijf hond.\' Hij hechtte hem de tasch op de borst en
9       deed daarin de urim en de tummim. \' üok zette hij hem den mijter
op en plaatste aan den voorkant van den mijter de gouden plaat, den
heiligen diadeem, zooals Jahwe Mozes geboden had.
10           En Mozes nam de zalfolie en zalfde den tabernakel en al wat daarin
11       was; zoo heiligde bij ze.\' Ook besprenkelde hij daarmede zeven maal
het altaar, zalfde het benevens al zijn gereedschap, het waschvat en
12       zijn voetstuk, om ze te heiligen. \' Daarna goot hij van de zalfolie op
13       Aiirons hoofd en zalfde hem, om hem te heiligen.\' Vervolgens deed
Mozes Aiirons zonen toetreden, trok hun onderkleederen aan, deed hun
gordels om en bond hun tulbanden om het hoofd, zooals Jahwe Mo-
zes bevolen had.
14           Toen hij hierop den zondofferstier had doen naderbrengen, legden Aiiron
15       en zijne zonen de handen op den kop van dat dier; \' waarna Mozes
het slachtte, het bloed nam en een deel daarvan met zijn vinger
rondom aan de hoornen van het altaar streek. Zoo ontzondigde hij het
altaar, waarna hij het overige van het bloed op den onderrand van
het altaar goot. Aldus heiligde hij het, door er verzoening voor te be-
16       werken.\' Daarna nam Mozes al het vet dat aan de ingewanden is,
de leverkwabbe, de twee nieren met haar vet, en ontstak dit op het
17       altaar.\' Den stier met huid, vleesch en pens verbrandde hij buiten de
18       legerplaats, zooals Jahwe Mozes bevolen had.\' Daarna bracht hij den
brandofferram. Aüron en zijne zonen legden hunne handen op den kop
19       van den ram; \' waarna Mozes hem slachtte en het bloed rondom aan
7. Aiiron, duidelijkhcidshnlvc in pi. v. hem.
10. In Kxod. XXIX : 36 is alleen cenc ontzondiging van het altaar voorgeschreven; maar ook Kxod.
XXX:26—29; XL:9—11 wordt de zalving van het gehcelo heiligdom on zijne meubelen verordend.
-ocr page 169-
249
LKV1T1CUS VIII : 19—IX : 2.
20       het altaar sprengde. \' Na den rara zelven naar behooren in stukken
gehouwen te hebben, droeg Mozes den kop, de stukken en het vet
21       op,\' en wiesch de ingewanden en de pooten met water; waarna hij
den geheelen ram op het altaar ontstak — een brandoffer was het
ten liefelijken geur, een vuuroffer voor Jahwe was liet — zooals Jahwe
Mozes bevolen had.
22           Daarop bracht hij den tweeden ram, den wijdingsrara, nader. Aiiron
en zijne zonen legden hunne handen op den kop van dien rara.\'
23       Hierna slachtte Mozes hem, nam van het bloed en streek dat op de
rechter oorlel van Aiiron, zijn rechter duim en rechter grooten teen.\'
24       Vervolgens deed Mozes de zonen van Aiiron toetreden, en bestreek
met het bloed hunne rechter oorlel, rechter duim en rechter grooten
25       teen, waarna hij het overige rondom aan het altaar sprengde. Toen
nam hij het vet en den vetstaart, al het vet aan de ingewanden, de
leverkwabbe, de twee nieren met haar vet, benevens den rechter schen-
26       kei; \' ook nam hij uit den korf met ongezuurd brood die voor Jahwe
stond éen ongezuurden koek, éen geolieden broodkoek en óene vlade,
27       en legde die op de vetdeelen en den rechter schenkel.\' Dit alles plaatste
hij op de handen van Aiiron en zijne zonen en bewoog het voor Jahwe
28       als eene aanbiedingsg.ive. \' Daarna nam Mozes het van hunne handen
af en ontstak het op het altaar, bij het brandoffer. Een wijdingsoffer
29       was het, ten liefel ijken geur; een vuuroffer was het voor Jahwe.\' Ver-
volgens nam Mozes de borst en bewoog die voor Jahwe als eene aan-
biedingsgave. Van den wijdingsram viel een deel aan Mozes toe, zooals
Jahwe Mozes bevolen had.
30           Daarna nam Mozes van de zalfolie en van het bloed dat aan het
altaar was en besprenkelde daarmede Aüron en zijne kleederen, bene-
vens zijne zonen en hunne kleederen. Zoo heiligde hij Aiiron en zijne
kleederen, benevens zijne zonen en hunne kleederen.
31            Toen zeide Mozes tot Aiiron en zijne zonen: Kookt het vleesch aan
den ingang van de tent der samenkomst en eet het aldaar, met het
brood dat in den wijdingskorf is, zooals mij bevolen is met de woor-
32       den: Aiiron en zijne zonen zullen het eten. \' Wat van het vleesch
33       en het brood overblijft moet gij verbranden.\' Zeven dagen lang zult
gij den ingang van de tent der samenkomst niet uitgaan, totdat de
dagen uwer wijding ten einde zijn; want zeven dagen zal die wijding
34       duren. \' Zooals men heden gedaan heeft, heeft Jahwe gelast te doen,
35       om verzoening voor u te bewerken.\' Binnen de tent der samenkomst
zult gij zeven dagen, lang nacht en dag blijven en uwe plichten jegens
Jahwe waarnemen, opdat gij niet sterft; want zoo is mij bevolen.\'
36       En Aüron en zijne zonen volbrachten alles wat Jahwe door Mozes ge-
boden had.
IX: 1 Op den achtsten dag riep Mozes Aiiron en zijne zonen, benevens
2 Israëls oudsten,\' en zeide tot Aiiron: Neem een stier uit het rundvee
ten zondoffer en een ram ten brandoffer, beide gaaf, en breng ze voor
20. drong ... op, volg. Gr. vert.; Hebr. t. ontêtah. — het vet, als 1:8, 12.
80. I)czc handeling gaat in het voorschrift, Exod. XXIX: 21, aan de hierboven beschreven offert
vooraf. — en achter Aaton, beide keeren ingevoegd volg. hss., Sam. t., Gr. en Syr. vertt. Wellicht ia
het opzettelijk door een overschrijver weggelaten, die meende dat na de zalving in vs. 12 alleen Aarons
kleederen nog behoefden bcsprengd te worden.
31. zooalt — i», met verandering van een klinker, in overeenstemming met vs. 35; X:13.
33.  zal die wijding duren, letterlijk zal hij (of men) mee handen vullen; zie op Exod. XXVIII: 41.
34.  Waarschijnlijk is dn bedoeling dat men nog ze» dagen lang dezelfde offer* brengen znl als op den
eersten dng.
1. Op den achUten dag, dns den dag die op de wijdingsweck, VIII: 33, volgde.
-ocr page 170-
250                                         Luvi\'ficus IX : 2—24.
\'ó Jahwe\'s aangezicht. \' En tot Israël» oudsten zult gij zeggen: Neemt
een geitenbok tot een zondoffer, een stier en een lam, beide van éen
4      jaar en gaaf, tot brandoffers,\' en een stier en een ram tot dankotters,
om ze voor Jahwe\'s aangezicht te otteren, benevens een met olie ge-
5       mengd meelofl\'er; want heden zal Jahwe aan u verschijnen. \' Toen
namen zij wat Mozes bevolen had en brachten het voor de tent der
samenkomst. En de geheele gemeente trad toe en plaatste zich voor
b\' Jahwe. \' Toen zeide Mozes: Dit is het wat Jahwe u gelast heeft te
doen; opdat zich Jahwe\'s heerlijkheid aan u vertoone.
7           Toen zeide Aiozes tot Aiiron: Treed toe tot het altaar, breng het
zondoffer en het brandoffer en bewerk zoo verzoening voor u en het
volk; breng dan de gave des volks en bewerk verzoening voor hen,
8       zooals Jahwe heeft bevolen. \' Daarop trad Aiiron tot het altaar en
\'J slachtte zijn zondofferstier.\' Daarop brachten de zonen van Aiiron het
bloed tot hem; hij doopte zijn vinger daarin en streek het aan de
hoornen van het altaar; waarna hij het overige op den onderrand des
10       altaars uitgoot. \' Het vet, de nieren en de leverkwabbe van het zond-
11       otter ontstak hij op het altaar, zooals Jahwe Mozes bevolen had. \' En
12       liet vleesch met de huid verbrandde hij buiten de legerplaats.\' Daarna
slachtte hij het brandoffer; de zonen van Aiiron reikten hem liet bloed
13       over, en hij sprengde liet rondom aan het altaar.\' Daarna reikten zij
hem het brandoffer over, behoorlijk in stukken gehouwen, benevens
14       den kop, en hij ontstak die op het altaar. \' Toen wiesch hij de inge-
wanden en de pooten af en ontstak ze met het brandoffer op het al-
15       taar. \' Voorts bracht hij de gave des volks: hij nam den zondofferbok
des volks, slachtte hem en handelde er mede als met het eerste zond-
16       otter. \' Vervolgens droeg hij het brandoffer op en bracht het volgens den
17       regel. \' (Jok bracht hij het meelofl\'er, nam er een handvol uit en ont-
18       stak dit op het altaar — buiten het morgenoffer om. \' Daarna slachtte
hij den stier en den ram, de dankoffers des volks. De zonen van Aiiron
reikten hem het bloed over, en hij sprengde het rondom aan het al-
19       taar. \' De vetdeelen van den stier en den ram, den vetstaart, het
20       dekvet, de nieren en de leverkwabbe,\' die vetdeelen plaatste hij op
21       de borststukken, ontstak de vetdeelen op het altaar\' en bewoog voor
Jahwe de borststukken met den rechter schenkel als eene aanbiedings-
22       gave, zooals Jahwe Mozes bevolen had.\' Ten slotte hief Aiiron zijne
handen over het volk op en zegende het. Toen daalde hij af, na het
zondoffer benevens de brand- en de dankoffers gebracht te hebben.
23           Daarna gingen Mozes en Aiiron de tent der samenkomst binnen en
zegenden, na haar weder verlaten te hebben, het volk. Nu verscheen
24       de heerlijkheid van Jahwe aan liet geheele volk,\' en vuur ging van
voor Jahwe uit en verteerde op het altaar het brandoffer en de vet-
deelen. Toen het gansche volk dit zag, juichte het en viel op het
aangezicht.
3.  Tsraëls oudsten, volg. Snm. en Gr. t. -, Hebr. t. de Israëlieten.
4.  :al — verschijnen, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. «\'« — verschenen. Verg. vs. 0, 23 v.
!). Hier wordt gehandeld overeenkomstig Exod. XXIX: 10—14 en niet volgens de jongere wet, IV:
1—21, die voorschrijft een deel van het bloed in het heiligdom te brengen.
11. Dit is in overeenstemming zoowel met Exod. XXIX: 14 als met Lev. IVM1 v.
15. handelde — zondoffer, zooals vs. 8—11 beschreven is, overeenkomstig het voorschrift Exod.
XXIX: 10—14. Nmu\' de regels IV: 13—21 echter was de hnndoling niet wettig; daar het brengen
van het bloed in het heiligdom en de besprenging vnn het rciikaltanr er mui ontbroken.
19. den vetstaart. Zie op Exod. XXIX: 22. — het dekvet, eene korte uitdrukking voor de 111:3 en
elders opgenoemde en hier niet vermelde declcn.
21. Jahwe, den tweeden keer ingevoegd volg. Gr. vcrt.
23. I)e bedoeling is waarschijnlijk dat Aiiron door Mozes aan Jahwe voorgesteld wordt.
-ocr page 171-
i.eviticus X : 1—13.                                          ~\'51
X: 1 En Nadab eii Abiliu, zonen van Aaron, namen hunne vuurpannen,
deden er vuur in en legden wierook daarop, maar zij brachten vreenul
2       vuur, dat liij hun verboden had, voor Jahwe\'s aangezicht.\' Toen ging
een vuur van voor Jahwe uit en verteerde hen. Zoo stierven zij voor
3       Jahwe\'s aangezicht.\' En Mozes zeide tot Aaron: Dit is het wat Jahwe
gesproken heeft: In hen die mij nabij zijn wil ik geheiligd, en ten
aanschouwen van het gansche volk wil ik verheerlijkt worden. En Aaron
4       zweeg. \' No riep Mozes Misjaël en Elsafan, de zonen van l\'zziël, den
oom van Aaron, en zeide tot hen: Treedt nader en draagt uwe broeders
5       weg van voor het heiligdom, de legerplaats uit.\' En zij traden nader
en droegen hen met hunne kleederen de legerplaats uit, zooals Mozes
had gesproken.
Ü          Toen zeide Mozes tot Aiiron en tot zijne zonen Eleazar en Itliamar:
Laat uw hoofdhaar niet loshangen en maakt geen scheuren in uwe
kleederen; opdat gij niet sterft en geen gramschap losbarste tegen de
geheele gemeente. Uwe broeders, het gansche huis Israël, mogen den
7 brand dien Jahwe ontstoken heeft beweenen; \' maar verlaat gij den
ingang van de tent der samenkomst niet, opdat gij niet sterft; want
Jahwe\'s zalfolie is op u. En zij deden naar Mozes\' woord.
8, U Jalnve sprak tot Aaron:\' Wijn en sterken drank moogt\' gij niet
drinken, gij noch uwe zonen, wanneer gij de tent der samenkomst
binnentreedt; opdat gij niet sterft. Dit is eene eeuwige inzetting, ook
10       voor uw nageslacht.\' En gij zult onderscheiden tusschen het heilige
11       en het gemeene, het onreine en het reine,\' en den Israëlieten alle
inzettingen leeren die Jahwe hun door tusschenkomst van Mozes gege-
ven heeft.
12           Toen sprak Mozes tot Aaron en zijne overgebleven zonen, Eleazar
en Ithamar: Neemt liet meelotfer dat overgebleven is van Jahwe\'s
vnnroffers en eet dat, tot ongezuurd brood bereid, bij het altaar; want
13       het is iets hoogheiligs.\' Gij zult het eten op eene heilige plaats; want
1—3. Nat/ai en Abihu, die Exod. XXIV : 1 als cenige zonen van Aiiron, en Exod. VI: 22; Num.
111:2; XXVI: 00; 1 Kron. VI: 3; XXIV : 1 naast hunne broeders KIen/ar en Ithamar voorkomen,
waren waarschijnlijk de stamvaders van aanzienlijke pricstcrfamilicii in Noord-Isracl; verg. inl. op
Kiod. XXIV: 12—XI.: 38. Nadat door den ondergang des rijks de luister der door deze priesterfainiliën
bediende heiligdommen sterk getaand was, zijn vele harcr leden verstrooid, andere na Jo/.ia\'s hcrvor-
29925661
ming (025) versmolten met pricstcrfuiniliëu van den Jcruzulcmschcu tempel. Zoo zijn de namen dier
beide Aaronietische geslaehten te loor gegaan. Daarom heeten hunne stamvaders kinderloos gestorven
(Num. III: 4; XXVI: 01; 1 Kron. XXIV: 2).
1. deden — daarop. Waartoe deze wierook dienen moest, blijkt niet. — rreemd vuur. Dit is nog
iets anders dan gewoon, ongewijd vuur. Vooreerst heeft het Ilebrccuwsch hiervoor een ander woord,
en dan wordt nergens iu de wet gelast, voor elke heilige handeling kolen uit het altijd brandend
altaarvuur te nemen, al ligt het in de rede dat men dit deed (XVI: 12; Num. XVI: 4(1). Vreemd vuur
is heideuseh, afgodisch vuur, en iu die uitdrukking wordt geziuspeeld op de grootc grieve van de
Sadokictcu en andere ijveraars voor de vcrecriug van Jahwe in den geest van Deuteronomium, tegen
de priesterfainiliën uit Noord-Israél: zij hadden op de hoogten Jahwe op onwettige, heidensehe wijze
gediend, Kzcch. XI.IV: 10—14. Tot straf daarvoor waren zij te grunde gegaan.
3.    In hen die mij nabij zijn, in mijne priesters. — Aiiron ttceeg, omdat hij de rechtvaardigheid
van de straf niet kon loochenen.
4.   Miejaël — Aiiron. Zie Exod. VI: 17—21. Niet Eleazar en Ithamar, maar Levieten begraven de
gevallenen, omdat Aiironieten zich niet aan een lijk mochten verontreinigen.
5.  met hunne kleederen, de door de lijken bezoedelde priesterklccdcrcn der gedooden.
0. Laat — loshangen, teeken vun rouw, XIII: 45 en elders; het tegenovergestelde, den tulband
ombindcu, Kzcch. XXIV: 17. — maakt — kleederen. Of dit iets anders was dan het gewone „de
kleederen scheuren", Gen. XXXVII: 2\'J en elders, weten wij niet. — Heide hier vermelde uitingen
van smart worden XXI: 10 alleen den hoogepricstcr verboden; zie daarentegen Kzcch. XI.IV:2o. —
vergramd «orde, wat uit ecu of auilcreu rampspoed blijken zon.
8—11. Deze verzen passen in dit verband zeer slecht en zijn waarschijnlijk lntcr ingelascht.
9.   Hetzelfde verbod aan de priesters Kzeeh. XMV:21.
10.   Dit zclvcn te doen en hierin het volk te onderrichten was een voorname pricsterplicht, Ezcch.
XXII: 20; XUV : 23; Hagg. II: 12—14.
12—15. Overeenkomstig VI: 10—18; VII: 31—34.
-ocr page 172-
252                                                  LEV1T1C08 X: 13—20.
het is het aan u en uwe zonen toegewezen deel van Jahwe\'s vuur-
14       offers. Zoo tocfi is mij bevolen.\' Ook zult gij de aanbiedingsborst en
den heffingsschenkel op eene reine plaats eten, gij niet uwe zonen en
dochteren; want zij zijn het aan u en uwe zonen toegewezen deel
15       van de dankoffers der Israëlieten.\' Den heffingsschenkel en de aanbie-
dingsborst zullen zij brengen bij de vuuroffers der vetdeelen, om
die als eene aanbiedingsgave te bewegen voor Jahwe, en dat zal voor
u en uwe zonen zijn iets dat hun voor altijd toekomt, zooals Jahwe
bevolen heeft.
16           Mozes nu stelde een streng onderzoek in naar den zondofferbok, maar
die was verbrand. Daarover was hij vergramd ojt Eleazar en Ithamar,
17       Atirons overgebleven zonen, en zeide: \' Waarom hebt gij het zondoffer niet
gegeten in de heilige plaats 1 Het is toch iets hoogheiligs, en dit heeft
hij u gegeven, opdat gij de schuld der gemeente moogt dragen, om
18       verzoening voor haar te bewerken voor Jahwe.\' Het bloed is immers
niet in het heiligdom binnengebracht/ Gij hadt dus het vleesch zeker
1(J moeten eten in het heiligdom, zooals ik bevolen heb.\' Toen sprak
Aiiron tot Mozes: Zie, lieden hebben zij hun zond- en brandoffer voor
Jahwe\'s aangezicht gebracht, en zijn mij zulke dingen overkomen;
indien ik heden zondoffervleesch gegeten had, zou dat in Jahwe\'s oog
20 goed geweest zijn ?\' Toen Mozes dit hoorde, was het goed in zijn oog.
14. eene reine plaats, niet noodwendig in het heiligdom, maar ook tehuis of elders, indien zij slechts
niet onrein is.
10—20. l)e schrijver verwondert zich dut bij de boven beschreven offers het bloed niet in het hei-
ligdom was gebracht (IX: 9, 15); wat wel had moeten geschieden, daar liet zoudoffers voor priesters
en het volk waren, waarvan het bloed volg. IV : 1—21 in het heiligdom had moeten gebracht zijn. Hij
aanvaardt het feit zonder het te verklaren (verg. op IX: 9), maar wil leercn, dat, nu dit niet geschied
was, het vleesch ook niet verbrand had moeten zijn, hetgeen volg. IX: 11 geschied was; zie VI!24—
30. Die onregelmatigheid verklaart hij uit de droefheid van Aiiron: bij die smart paste vasten.
17. Het eten van het zondoffer door de priesters, VI: 20 verordend, is niet zoozeer een voorrecht
voor hen als wel een onderdeel van het verzoeningswerk. Zij nemen daarmede de schuld der offeraars
op zich en delgen die.
19. Aiiron heeft eigenlijk (vs. 10) geen berisping ontvangen, maar antwoordt nis degene die het
meest verantwoordelijk was. Wellicht is vs. 10 zijn naam opzettelijk weggelaten, omdat de wetgever
niet wilde zeggen dat Mozes vertoornd werd op Aiiron.
INLEIDING OP HOOFDSTUK XI—XVI.
Deze hoofdstukken handelen over hetgeen den mensch voor de godheid onrein maakt en de mid-
dclcn om hem te zuiveren. H. XI beschouwt uit dit oogpunt de vlecsehspijzcn; H. XII het kraambed;
XIII, XIV de mclaatschhcid; H. XV het geslachtsleven; H. XVI verordent in den verzoendag cene
jaarlijkschc algcineenc zuivering van heiligdom en volk.
Zij bevatten de voornaamste verordeningen over rein en onrein, voor zoover die in de wet voor-
komen. Hierbij behoort nog, behalve eenigc losse waarschuwingen, vooral Num. XIX, over de bereiding
en het gebruik van het wijwater.
Vergeefs heeft men gezocht naar een algemeen, verstandelijk, zedelijk of godsdienstig, beginsel
\'waaruit de bepalingen wnt voor onrein moest gchoudon worden kunnen verklaard worden. Haar oor-
sproug ligt in algemeen menschelijkc eigenschappen, door allerlei omstandigheden geleid. Sommige
verschijnselen, voorwerpen, dieren boezemden afkeer in: men wns huiverig ze aan te raken — wat
vooral van cenige dieren geldt; of men vond ze vies — b. v. ziekteverschijnselen; of men hield iets,
te recht of te onrecht, voor ongezond. Onder den invloed der gewoonte, der overlevering en der
mecning van invloedrijke personen, werden cenige dier gewaarwordingen van afkeer ten aanzien van
deze en gene zaak in eene familie, een stam of de bewoners eencr streek algemeen. Do godsdienst
mengde zich er mede en gaf wijding aan de hieromtrent gangbare mecningen. Wat den menschen
walging inboezemde werd tot iets wanrvau hun god zich afkeerde; zich te onthouden van iets dat
-ocr page 173-
INLEIDING OP LBV1TICUS XI —XVI.
253
onrein geacht was werd godsdienstplicht. Eindelijk moeiden zich de priester» er mede, schiftten de
stof, hun door de schare en hare toongever! overgeleverd, handhaafden het een, verwierpen het ander,
en maakten er wetten over.
l\'it dezen gang vnn zaken is het licht verklaarbaar, niet alleen, dat de onderscheiding van rciu en
onrein in geheel de oudheid gevonden wordt en weleer van eiken geordenden godsdienst een deel uit-
maaktc, manr ook, dat de hepuliugeii omtrent rein en onrein voor een gedeelte overal dezelfde zijn,
voor een ander deel naar gelang van klimaat, volksaard, levenswijze en andere omstandigheden, ver
iiiteculoopcn. Ook volgt hieruit, dat onder een volk dat zich ontwikkelt bet oordcel over rein en on-
rein in den loop des tijds gewijzigd wordt.
Wat de Israëlieten betreft, uit de eeuwen vóór de achtste staan ons slechts weinige berichten ten
dienste; manr wij mogen gerust aannemen dat de uitwendige dingen die later voor onrein en vcr-
oiitrciuigeud doorgingen reeds vroeger zoo beschouwd werden. Hiertoe behoorde vooreerst alles wat
de kicschhcid beveelt te bedekken: de manudstunden en het kraambed der vrouw (XII; XV: 10—24;
Klaagl. I:8v.; Ezcch. XXXVI: 17), de bijslaap (XV:18j Exod. XIX:15; 1 Sam. XXI: 4 v.), de
onwillekeurige nachtelijke verontreiniging vnn den mnn (XV: löv.; Oent. XXIII : 11) v.), en ziekelijke
vloeiiugen (XV : 1—15, 25—30). Verder de melnatschhcid (XIII, XIV; Xum. XII: 10—14) en het
incnschenlijk (Xum. XIX; Deal XXI:SS; Ezcch. IX: 7; XLIV : 25 v.; Hagg. II: 14). Dan onderschei-
den spijzen (XI; XX: 25; Dcut. XIV : 3—21; Ezech. IV:13v.; Dan. 1:8); reeds in de ochtste eeuw
werden alle spijzen in een vreemd luud bereid onrein genoemd (zie op Hoz. VIII : 13). Hoc meer Israël,
door de prediking zijner grootc profeten, zich bewust werd iets «miers te zijn dan de overige volken en
naar afzondering streefde, des te meer werd nl wat heidensch was, elke Knnaiuiictischc gruwel vooral,
onrein geacht (Jer. XIX : 13). Twee zonden traden iu de voorstelling der volksleiders steeds meer op
den voorgrond, als boven alle te sehuwcu en dus bij uitstek verontreinigend: afgoderij en ontucht
(XVIII Jer. II:23v.; Ezcch. XX:30v.; XXII: 4; XXH1:7, 13, 17); maar ook toovcrij heet veront-
reiuigend (XIX: 31), en het kindcrofl\'or (tëzech. XX: 20). Den vrooinsten kwam het voor, dat het ge-
heele volk onrein was door allerlei, bekende en onbekende, overtredingen; wat o. a. iu de ceremoniën
van den verzocudag (II. XVI) werd uitgedrukt.
Uit den aard der zank waren de gevolgen der verontreiniging niet voor ieder mcusch, voorwerp of
plaats even groot; het bcdenkelijkstc was de verontreiniging van heilige voorwerpen en menschen —
dus tempel, priesters en nazireërs (XX: 3; Xum. VI: 7; 2 Kon. XXIII: 8 enz.; Ps. LXXIX : 1; Jez.
XXX: 22, Jer. VII: 30; XXXH:34; Ezech. V:ll; IX: 7; XLHI:7, 8).
Een onrein mensch mocht de godheid niet naderen, aun geen maaltijd waarmede een ulier gepaard
ging deelnemen, en geen gewijd voorwerp aanraken (Exod. XIX : 10—15; 1 Sam. XX: 26; X_Xl:4v.;
Ezech. XLIV: 26). Wie voor Jahwe wilde verschijnen of een offerfeest bijwonen werd dus vooraf ge-
reinigd, om gezuiverd te worden van bezoedelingen waarvan hij wellicht zelf niets wist (Exod. XIX:
10, 14; 1 Sam. XVI: 5). Dit geschiedde vooral door besprengingen, baden en verwisseling van
klecderen.
De wetgevers wezen in onze hoofdstukken en Xum. XIX vooreerst aan, wat voor verontreiniging
vatbaar was. Xiet alles was dit: een levend dier b. v. niet; alleen sommige stoffen en voorwerpen;
enkele zaken alleen onder bijzondere omstandigheden (zie XI: 35—30). Dan bepaalden zij, in welken
grand iets of iemand verontreinigd kon worden. Er waren drie graden. In den lichtstcn, b. v. na het
gebruik van niet goed geslacht vlecsch, was iemand wel onrein, maar hij bezoedelde een ander niet.
De tweede graad daarentegen verontreinigde zoozeer, dat het aldus verontreinigde op zijne beurt
iemand die het aanraakte onrein maakte (zie b. v. II. XV). Dnt wat bet allerergst verontreinigde, het
menschenlijk en de maandstonden, maakte zelfs het verontreinigd voorwerp of den verontreinigden
persoon onrein in den tweeden graad (XV: 10—31; Xum. XIX: 13, 22). De opvolgers der wetgevers, de
schriftgeleerden, gingen voort op dien weg van steeds fijner onderscheiding eu nauwkeuriger reglemen-
teeriug; totdat de verordeningen over rein en onrein bockdcelcn vulden, en de naleving daarvan eenc
levenstaak, de vrees voor verontreiniging eene plaag voor de vromen werd.
Wat den oorsprong en de samenstelling dezer hoofdstukken betreft, de hierin vervatte wetten heb-
-ocr page 174-
T.KV1TICU8 XI : 1, 2.
254
ben, getuige de onderschriften waarmede de meeste besloten worden (Xl:40v.; XIII: 53; XIV 54—•
57; XV : 32 v.), eerst afzonderlijk hestitim ; ile uitvoerigste zijn zelve uit verschillende deelen saamgc-
steld of door latere uitbreiding uit korter verordeningen gegroeid (zie inl. op II. XI en op XIII, XIV).
Dimr XVI:] terugwijst op X:l v., is liet mogelijk dut dit hoofdstuk eens dadelijk op H. X gevolgd
en XI—XV later ingeschoven is. Welk denkbeeld den man leidde die deze hoofdstukken verzamelde en
hier plaatste, springt in het oog. Dat de priesters heilig moesten zijn had II. X nadrukkelijk gc-
leerd. en onder de plichten die zij geroepen «aren te vervullen stond de onderscheiding van heilig
en gemeen, rein en onrein vooraan (vs. 10). Niets natuurlijker derhalve dan dat hij verschillende
priesterlijke verordeningen die daarop Intrekking hadden liet volgen, en achter deze aan het voor-
schrift omtrent de jaarlijkschc zuivcriiigspleclitiglicid zijne plaats aanwees. Illijkhaar onderstellen de
schrijvers of verzamelaars de voorschriften omtrent de offers in I—VII als bekend (XII : 0—8; XIV\'.
12 enz.; XV: 29; XVI :3 enz.).
HOOFDSTUK XI.
Reine en onreine dieren. — Welke viervoetige dieren gegeten mogen worden, welke niet (1—8).
Welke visschen (!)—12). Welke vogels (13—1\'J). Het gevleugeld ongedierte niet, uitgenomen eenige
soorten van sp
5831
rinkhanen (20—23). Wal te doen, wanneer men door aanraking van ecu onrein dier
verontreinigd is (21—2H). ])c soorten van ongevleugeld ongedierte die onrein zijn (2\'Jv.); wat te doen
met de voorwerpen die door het lijk van zulk een dier verontreinigd zijn (31—85)j een regenbak is
hiervoor niet vatbaar (30); zaaikooru slechts in sommige gevallen (37 v.i. Ook het lijk van cen rein
dier verontreinigt (3!) v.h Aan geen ongedierte mag men zieh verontreinigen, omdat Israël cen aan
Jahwe geheiligd volk is (41—45). Onderschrift (40 v.).
l)c Isrnëlictische spijswetten vindt men. behalve hier en in Dcut. XIV: 3—20, dat grootcndecls met
vs. 2—20 gelijkluidend is, in Gen. XXXII: 32; Kxod. XXIII: 19; XXXIV:20; Lcv. VII: 19, 22—27;
XVII : 15 v. In die wetten bekleedt de onderscheiding van dieren wier vleesch men eten innjj en die
waarvan dit niet vrijstaat eene groote plaats. De vraag waaruit die onderscheiding is te verklaren is
van oudsher op verschillende wijzen beantwoord. Waarschijnlijk heeft men de hoofdoorzaak te zoc-
kcu iu den afkeer dien sommige dieren, met name kruipende en verscheurende, ook de aasvrctendc
vogels, hebbeu opgewekt, In de onreinverklaring van deze stemmen vele Oostersehe volken samen.
Kr kan bijgekomen zijn, dat men om de eene of andere reden het vleesch van cenige dieren voor
ongezond hield. Ook, dat een dier door een volk of stam geofferd werd cu daardoor bij tcgcnstnii-
ders van dien ccrcdicnst voor afgodisch, verfoeilijk, onrein doorging (zie op vs. 7). Muur zeker was
ten dezen onder de Isrnclietisehe stammen geen eenheid: enkele dieren die men hier at werden daar
geschuwd.
Het ligt in den aard der zaak, dut de priesters, toen zij de lijst der verboden dieren opmaakten,
hierop vóór alles die zetteu welke bij hun volk het meest onrein geacht werden. .Maar daarbij is het
streven om een algemeen geldend kenmerk der onreinheid te stellen onmiskenbaar. Waren vcrschci-
den zoogdieren die niet herkauwen en geen gekloofde hoeven hebben om allerlei oorzaken onrein
geacht, de wetgever maakt den regel dat het vleesch vnn alle dieren die een dezer beide eigcnanrdig-
heden missen niet mag gegeten worden; ten gevolge waarvan hij sommige verbiedt tegen welker gebruik
anders geen bezwaar bestond. In de toepassing van dien regel vergiste hij zieh wel eens; zie op vs.
4 en 0. Wanneer het streven om alles zooveel mogelijk ouder een regel te brengen tot het verbod vnn
cene diersoort leidde die veel genuttigd werd, kwam de practijk tegen het voorschrift in verzet en
was men soms genoodzaakt dit te herroepen. Aldus is het gegaan niet den sprinkhaan; zie op vs. 22.
Belangrijk is uit dit oogpunt de vergelijking van ons hoofdstuk met Dcut. XIV: 3—20. Zonder
twijfel is de lijst iu vs. 2—20 hieraan ontleend. .Maar behalve dat onze schrijver daaraan vs. 21—23,
over den sprinkhaan, en vs. 29 v., over de meest voorkomende soorten van ongedierte, toevoegt, breidt
hij het korte verbod van niet goed geslacht vleesch, in Dcut. XIV :21a, uit, vs. 39 v., en stelt hij de
aanraking der lijken van reine dieren op éene lijn met het nuttigen en aanraken van onreine, vs.
39—15. Zoo zien wij voor onze oogen, welken weg Isracls godsdienst opging: de wetgeving bleef niet
staan bij algemeene voorschriften, maar ging steeds verder in het uitspinnen van de verordeningen.
Ju de tijne onderscheiding van vs. 37 v. geeft deze wet ons, meer dan eenige andere, eeuc proeve vau
de hnarkloverijcn der schriftgeleerden en een voorsmaak van den talmud.
XI: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron:\' Zegt den Israëlieten: Dit zijn
de dieren die gij moogt eten van alle viervoetige dieren op de aarde: \'
-ocr page 175-
255
LBV1TICUS XI : 3—19.
3       alle viervoeters die gekloofde hoeven hebben, wier hoeven in twee
4       klauwen gespleten zijn, en die herkauwen, moogt gij eten.\' Doch van
die welke herkauwen en van die welke gekloofde hoeven hebben zult
gij de volgende niet eten: het kameel, want het herkauwt wel maar
5       heeft geen gekloofde hoeven; het is voor u onrein;\' dan den klipdas,
want hij herkauwt wel maar beeft geen gekloofde hoeven; hij is voor
<i ii onrein:\' den haas, want hij herkauwt wel maar heeft geen gekloofde
7       hoeven; hij is voor u onrein;\' het zwijn, want het beeft wel gekloofde
hoeven en den hoef in klauwen gespleten maar het herkauwt niet;
8       het is voor u onrein.\' Hun vleeseh zult gij niet eten, hun aas niet
aanraken: onrein zijn zij voor u.
9           Van al wat in het water is moogt gij het volgende eten: al wat
in het water, zoowel in zee of meer als in stroomend water, vinnen
10       en stdiubben heeft moogt gij eten:\' maar al wat in het water, zoowel
in zee of meer als in stroomend water, geen vinnen en schubben
heeft, hetzij het tot het wemelend gedierte in het water of tot de
11       groote waterdieren behoort, is voor u een gruwel:\' zij zullen voor u
een gruwel zijn; gij zult hun vleeseh niet eten, van hun aas gruwen.\'
12       Alles in het water wat geen vinnen en schubben heeft is voor u iets
gruwelijks.
13            Van de volgende vogels zult gij gruwen — zij mogen niet gegeten
worden; een gruwel zijn ze — van den arend, den zeearend, den lam-
14, 15 mergier,\' den stinkgier, den valk in soorten,\' alle soorten van raven,\'
16, 17 den struis, den sperwer, de meeuw, den havik in soorten,\' den uil,
18, 19 den reiger, den roerdomp, \' den pelikaan, de baai, den aasgier, \' den
3.   licee, ingevoegd volg. Siun. en Gr. t. en Dcut. XIV: 0. — In J)eut. XIV! 4 V. worden de voor-
naainstc eetbare diersoorten opgeteld.
4.  maar — hoeven, nl. niet ten volle; de hoef is voor de helft gekloofd.
5.  klipda: Dit dier komt behalve hier en ])eiit. XIV: 7 nog I\'s. (\'IV: IS; Spr. XXX : 20 voor; het
is een gezellig, schrander, maar weerloos dier, dut in rotsspleten woont. Het wordt tegenwoordig veel
gegeten, nl is het vleeseh niet hoog geschat.
ü. haat. Deze is nog zeer overvloedig in Palestina. Hij de Perzen wordt hij tegenwoordig voor onrein
gehouden en niet gegeten. Ook de inwoners van Syrië, uitgenomen de Arabieren, gebruiken het vleeseh
niet; in hoever dit nan den invloed van het Jodendom te wijten is, is onbekend. Dat hij herkauwt
is onjuist.
7.  het zwijn. Dit\'dier was in wilden staat oudtijds, evenals nu, in Palestina inhcemseh, Ps. LXXX:
14. Dat de Israëlieten het ook in tninmeii staat kenden volgt waarschijnlijk uit Spr. XI: 22, en wordt
zoo goed als zeker, als wij zien dat het bij sommige Joden der vijfde eeuw als offerdier voorkomt
(Jez. LXV:4; LXVI:17); hetgeen (Mik in Egypte het geval was. Was het vleeseh van dit dier reeds
voor de llullingsehap onrein verklaard, de afschuw er van is ten top geklommen, toen Autiochus Kpi-
fanes den tempel te Jeruzulem nuu Zcus wijdde en de Joden dwong vnrkeusvlcesch te eten, d. i. vleeseh
van het aan dien god geheiligde dier, oflervlecsch; waardoor zij dus metterdaad deelnamen aan afgo-
derij en van Jahwe afvielen; zie 1 Makk. 1:47; 2 Makk. VI: 18; VII: 1; verg. inl. op Daniel. Van
dien tijd uf is bij de Joden het zwijn het hij uitnemendheid onreine dier geworden.
8.  hun aas, vleeseh van een dier dat zijn natuurlijken dood gestorven is (verg. op ESxod, XXII: 31);
met hun rleesch wordt dus waarschijnlijk het vleeseh van een behoorlijk geslacht dier bedoeld.
10. in het water, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t. — het tremelend gedierte in het water. Geil. 1:21
en elders wordt deze uitdrukking van al wat in het water leeft gebruikt, hier, naar het schijnt, van
paling, aal, krab, kreeft en andere niet gevinde en geschubde waterdieren. — de groote waterdieren.
liedoeld zijn waarschijnlijk krokodillen, nijlpaarden en dolfijnen. Verg. inl. op Job XL: 10—
XLI: 20.
13—19. De vertaling van vele dezer namen, die ook Dcut. XIV: 12—18 voorkomen, is zeer onzc-
ker. De arend komt iu het f). T. vaak voor; zijne krachtige vleugels, snelle vlucht en uestboiiw op
hooge plaatsen worden vermeld (Exod. XIX: 4; Deut. XXXII: 11; 2 Snin. 1:23; Job XXXIX: 30;
Spr. XXX: 19; Jcz. XL: 31; Jer. IV: 13; XLIXïlO, 22; Ob. vs. 4; Hall. 1:8); Mieha 1:10 heet
hij knalkoppig; Ps. (\'III: 5 wordt van hem verhaald dat hij weder jong wordt. De arenden hectcu
ook nasvreters, o. a. Matth. XXIV: 28, misschien omdat hetzelfde woord soms den gier en den arend
aanduidt. Gieren zijn in vele soorten inhcemseh iu Palestina en omliggende landen. Zij doen goede
die
79
nsten nis straatreinigers, door veel aas te verslinden. De tlinkgier komt Jcz. XXXIV: 15 voor uls
een in troepen levende roofvogel. De ra/i wordt Job XXVIII: 7 als scherpziend vermeld. De raaf komt
Hen. VIII: 7; 1 Kon. XVII: 4 en elders voor; Job XXXIX: 3; Spr. XXX: 17 heet zij roofvogel;
Hoogl. V : 11 zwart. De ttruit wordt Jez. XIII: 21 en elders onder de dieren der woestijn opgenoemd;
vnu zijn klagend geluid gewaagt Mieha 1:8. De uil is Ps. (\'11:7 bewoner van puinhoopen en wordt
-ocr page 176-
leviticus XI: 19 —33.
256
20       ooievaar, den kraanvogel in soorten, de hop en de vleermuis; \' ook zijn
21       alle gevleugelde insecten voor u een gruwel. \' Doch van de gevleu-
gelde insecten moogt gij de volgende eten: al wat op vier pooten gaat
en boven de pooten springheenen heelt, om daarmede op den grond
22       te huppelen.\' Daarvan moogt gij de navolgende eten: den sprinkhaan
in soorten, den veelvraat in soorten, den renner in soorten, den klei-
23       nen sprinkhaan in soorten; \' overigens zijn alle gevleugelde insecten
24       die vier pooten hebben voor u een gruwel.\' Gij wordt daaraan ver-
25       ontreinigd: ieder die hun aas aanraakt is tot den avond onrein.\' En
ieder die hun aas draagt zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn
2(5 tot den avond. \' Ook alle viervoetige dieren die gekloofde klauwen
hebben en wier hoeven gespleten zijn maar die niet herkauwen zijn
27       voor u onrein. Al wie ze aanraakt wordt onrein. \' Ook alle zooltreders
onder de viervoetige wilde dieren zijn voor u onrein; al wie hun aas
28       aanraakt is tot den avond onrein.\' En ieder die bun aas draagt zal
zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot den avond. Onrein zijn ze
voor u.
29           Van het ongedierte dat op aarde wemelt zijn voor u de volgende
30       onrein: de wezel, de muis, de hagedis in soorten, \' de egel, de gekko,
31       de salamander, de slak, de kameleon.\' Van alle soorten van ongedierte
zijn u deze onrein. Al wie ze aanraakt wanneer ze dood zijn, wordt
32       onrein tot den avond.\' Alles waarop een dezer dieren valt wanneer bet
dood is wordt onrein, hetzij een bouten voorwerp, een kleed, een stuk
ledergoed, een zak of een werktuig van welken aard ook; het moet
in water worden gebracht en blijft dan onrein tot den avond; dan
33       is het weder rein.\' En indien zulk een dier in een aarden vat valt,
in vele soorten in Palestina aangetroffen; misschien zijn meer der hier opgetelde vogelen uilcnsoorten,
o. a. die wiens naam door roerdomp vertaald is eu letterlijk ,de snuiver\' of .blazer\' bctcekent. Ook de
kraai komt Ps. (UT: 7; Je/.. XXXIV: 11; Scf. 11:14 voor als in wildernissen zich ophoudend. De
ooievaar is .Ier. VIII: 7 trekvogel; de vleermuis Jcz. 11:20 bewoonster van rotsspleten.
20.  Na insecten beeft de grondtekst die op vier pooten gaan, welke woorden in Dcut. XIV : 10 ont-
breken en nis zinstorend zijn weggelaten.
21.  boven — huppelen. Waarschijnlijk worden de lange aehterpootcn der sprinkhanen hiermede aau-
geduid.
22.   sprinkhaan. Zie op Joel I : 1. Hij was oudtijds, evenals nu, een zeer gewoon voedsel, werd aan
risten op de markt verkocht, zelfs als schatting aan een koning opgebracht. In den Bijbel worden
de sprinkhanen als spijs alleen Matth. 111:4; Mare. 1 : li vermeld. Dat het gebruik hier wordt toe-
gestaan en Pent. XIV : 19 — de oudere wet — stilzwijgend verboden, vindt zijne verklaring hierin
dat het verbod onmogelijk kon gehandhaafd worden. — veelvraat en renner. Het Hebreeuwsch heeft
hier twee namen van spriukhaansoorten, welke wij, om uiet vier miial hetzelfde woord te gebruiken,
zoo weergegeven hebben.
24.  ii tot den avond onrein. Dit is de lichtste graad van onreinheid, die zonder wassching van klcc-
dcren of lichaam bij zonsondergang voorbij is.
25.  zal — wasschen. De Sam. t. voegt er de wassching des lichaams bij, evenals in vs. 26.
26.  wier hoeten gespleten zijn, volg. Gr. vert.; Hebr. t. wier hoeve» niet gespleten zijn. — ze,
hun aas.
27 v. Het dragen van iets onreins verplichtte, ook volg. vs. 30 v.; XV : 10, tot meer zuiverings-
maatregclen dan de aanraking; waarschijnlijk omdat daarbij ook de kleederen besmet werden.
27.  zooltreders, als beren. — zijn — onrein. Het gebruik.van het vlecsch der verscheurende dieren
als voedsel was reeds door den regel van vs. 3 verboden; hier wordt nllecn het oog gericht op het
aanraken en verdrogen van hun nas. — al — onrein, en wordt dan vanzelf, zonder bad of welke
handeling ook, weer rein.
29.  ongedierte. Gen. V1I:21 en elders is dit woord door kruipend gedierte vertaald; vs. 23 door
insecten. I)c oorspronkelijke beteckenis is, naar het schijnt, die van ,wemelen\' of .wriemelen\'. Het
ongedierte dat op aarde iremelt stnat tegenover de gevleugelde insecten van vs. 23 en wordt in Deut.
XIV niet vermeld. — wezel. Dit dier is zeer gewoon in Palestiua en werd als huisdier, tot wering van
muizen, gehouden; men hield geen katten. — muis. In vele soorten komt dit dier in Palestina voor,
waar het soms cene ware plaag wordt; vandaar dat de muis ecu zinnebeeld is der vernieling; zie op
1 Sam. VI: 4. Dat zij gegeten werd, leert Jez. LXVI: 17.
30.  Van al deze dicrennamen is de beteekenis hoogst onzeker.
31.   Van — onrein. Volgens vs. 41 mocht geencrlci ongedierte gegeten worden. De in vs. 80 opge-
nociude soorten zijn waarschijnlijk die wier aas voorwerpen verontreinigt; wat onmogelijk van alle,
b. v. spin en vlieg, kon aangenomen worden.
-ocr page 177-
LIV1T10U8 XI: 33—47.                                        257
dan wordt al wat er in is onrein, en het voorwerp zelf zult gij
34       breken.\' Iedere eetbare spijs waarop water komt wordt onrein, en
iedere drinkbare drank, in welk soort van voorwerp ook, wordt onrein.\'
35       Alles waarop het lijk van zulk een dier valt wordt onrein; een oven en
een kookpot moeten stuk geslagen worden; zij zijn onrein, en onrein
30 zullen zij voor u zijn. \' Doch eene bron en een put, eene verzamel plaats
van water, zal rein blijven, hoewel hij die het doode dier aanraakt onrein
37       wordt. \' Valt zulk een dood dier oji eenigerlei zaaikoren, dat gezaaid
38       moet worden, dan blijft dit rein; \' maar wordt op dat zaad water ge-
daan en valt er dan zulk een dood dier op, dan is het voor u onrein.
39           Wanneer uit de dieren die u tot spijs verstrekken een sterft, wordt
40       liij die het aas aanraakt onrein tot den avond.\' En wie daarvan eet
zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot den avond. Ook zal hij
die het draagt zijne kleederen wasschen en tot den avond onrein zijn.
41            En alle ongedierte dat op de aarde wemelt is een gruwel; het zal
42       niet gegeten worden.\' Van alle ongedierte dat op aarde wemelt, hetzij
het op den buik kruipt, hetzij het vier of meer pooten heeft, zult gij
43       niets eten; want zij zijn een gruwel. \' Gij zult u niet bezoedelen aan
eenig wemelend ongedierte en u daaraan niet verontreinigen, zoodat
44       gij daardoor onrein zoudt worden. \' Want ik, Jahwe, ben uw god, en
gij zult u heilig gedragen en heilig zijn, omdat ik heilig ben. Daarom
zult gij u zelven niet verontreinigen aan eenigerlei ongedierte dat op
45       de aarde kruipt. \' Want ik, Jahwe, ben bet die u opgeleid heb uit
Egypteland, om u tot God te zijn. Daarom zult gij heilig zijn, omdat
ik heilig ben.
4b\'          Dit is de wet op de viervoetige dieren, de vogelen en alle levende
wezens die in het water kruipen en alle wezens die op de aarde
47 wemelen,\' tot onderscheiding tusschen het onreine en het reine, de
dieren die gegeten en de dieren die niet gegeten mogen worden.
Vi. 44a. XX: 7.
33.  zulk een dier, nl. dood. — breken. Desgelijks vs. 35 j Vil88; XV : 12. Dit ia zeker letterlijk
bedoeld; maar deze verordening kwam op groote kosten te staan, vooral wanneer ovens en andere
voorwerpen van naarde verontreinigd werden. De schriftgeleerden hcblieu er dnaroni iets op gevon-
den; men brak er een stukje uit of brak het zoo dat het weer .geheeld kon worden, en bepaalde op
welke wijze de breuk zoo kon hersteld worden dat het voorwerp natgooi onvatbaar voor vcront-
reiniging was.
34.  tcorilt onrein, nl. indien er het aas van zulk een dier op valt.
37 v. Geven de bepalingen in de vorige verzen aanleiding tot vele spitsvondige onderscheidingen,
deze zijn er eene sterke proeve van. In deze richting heeft zich de wetenschap der schriftgeleerden
ontwikkeld.
39 v. Zie op vs. 27v. en 27.
39.  tterfl, door ziekte of ongeval, dus zonder behoorlijk geslacht te zijn.
40.  Over het verbod van niet goed geslacht vlcesch zie op Exod. XXII: 31. Het is opmerkelijk,
dat de wetgever hier en XVII: 15 v. deze overtreding zoo laag aanslaat dat hij slechts eene geringe
reiniging daarop verordent. Hlijkhaar was het gebruik van zulk vlecsch zeer gewoon, en wanhoopten de
wetgevers er aan, dit het volk af te Iccrcn. Maar de Joden zijn op dit punt strenger geworden dan
deze wetgevers voor mogelijk hielden.
41.  Verg. op vs. 29.
42.  op den buik kruipt, slangen en adders. Wel twintig soorten van deze dieren komen nog heden iu
Palestina voor; daaronder cenige groote en vergiftige, nuast kleinere, en ook onschadelijke. Den Isrnë-
lietcn gold de slang in het algemeen voor vergiftig (Deut. XXXII: 24, 33; I\'s. LVI1I:5; X(\'I:13;
CXL:4; Spr. XXIII: 32; Jez. XI:8; LIX:5; Jer. VIII: 17 enz.), maar zij kon, ook volgens het
Israëlictisch volksgeloof, worden bezworen (Ps. LVIII:5v.; Prcd. X: 11). De slang ging in Israël, als
elders in de oudheid, door voor een bijzonder schrander dier (Gen. 111:1; Matth. X : 16) en dankte
waarschijnlijk aan dezen roem de verecring die zij vaak, ook onder Israël (zie op Nuiii. XXI: Vb—9),
genooi. Het ligt in den aard der zank, dat zij door dezen als gevaarlijk, door genen nis onrein, gc-
sehuwd en gehaat werd (Gen. III: 14 v.); zoodat „slangengebrocd" een scheldnaam werd (Matth. 111:7;
XII: 34; XXIII: 33).
HOOFDSTUK XII.
De kraamvrouw, — Hoe lang eene vrouw onrein is na hare bevalling van een jongen, die ten
O. T. I.
                                                                                                                         17
-ocr page 178-
258
LKviTicue XII: 1—8.
achtsten dage besneden moet wtmlrn il—I); hoelang nu hare bevalling van een meisje (5); welke
offers zij in beide gevallen na afloop van ilicn tijd moet brengen (0—8).
XII: 1,2 Jahwe sprak tot Aiozes: \' Zeg tot de Israëlieten: Wanneer eene
vrouw kroost krijgt, en een zoon baart, dan zal zij zeven dagen onrein
:{ zijn; zij is dan even onrein als in de dagen liarer maandstonden. \' Op
den achtsten dag zal van haar zoon de voorhuid afgesneden worden.\'
4       Daarna zal zij drie en dertig dagen in haar reinigingshloed blijven.
Aan niets heiligs mag zij raken, noch in het heiligdom komen, voor-
f> dat de dagen harer reiniging ten einde gebracht zijn.\' Indien zij een
meisje baart, zal zij veertien dagen even onrein zijn als gedurende
hare maandstonden, en zes en zestig dagen in haar reinigingshloed
• i blijven. \' AYanneer hare reinigingsdagen na de geboorte van een zoon
of van eene dochter ten einde zijn, zal zij een eenjarig lam ten brand-
offer en eene jonge duif of een tortel ten zondoffer naar den ingang
7 van de tent der samenkomst tot den priester brengen. \' Deze zal het
voor Jahwe\'s aangezicht opdragen en voor haar verzoening bewerken.
Zoo zal zij rein worden van hare bloedvloeiing. Dit is de wet op de
kraamvrouw, indien het kind een jongen is en indien het een meisje
5       is.\' (iaat het boven haar vermogen een schaap te geven, dan zal zij
twee tortels of twee jonge duiven nemen, de eene ten brand-, en de
andere ten zondoffer. De priester zal voor haar verzoening bewerken,
en zij zal rein zijn.
2.  zal — zijn. Hij de meeste oude volken gold do kraamvrouw eenigen tijd voor onrein; bij som-
migc werden ook hare huisgcnootcii als verontreinigd beschouwd, — Óver de onreinheid der vrouw
in hare ïnnan
15
dstomlcn zie XV : 10—\'H.
3.   Verg. Gen. XVII. Klders wordt de besnijdenis niet verordend.
4.  haar reiniijingshloed, onzekere vertaling. De bedoeling schijnt te zijn, dat zij, hoewel voortdu-
rend eenig bloedverlies pltints heeft, toch rein is. Kvenwel moet zij zich nog cenige beperking laten
welgevallen. — Aan — raken. Dit moest vooral in acht genomen worden door de vrouwen der pries-
ters. die gedurende dien lijd niet van de tienden en andere pricstcrinkomsteii mochten eten.
."). He reden waarom de kraamvrouw in lui eene geval zooveel Innger onrein was dan in liet
nudcre is onbekend.
0. Wanneer — zijn, dus veertig of tachtig dagen na hare bevalling.
8. Verg. Lnc. II: 24.
HOOFDSTI\'K XIII, XIV.
De inclaatschhcid. — Ken meiiscli die verdacht wordt van inolnafschheid moet tot den priester ge-
bracht worden (XIII: lv.). In welke gevallen deze hein onrein, in welke hij hem rein verklaren moet
(3—U). Hoe de onrein verklaarde zich heeft te gedragen (45 v.). Verordeningen over klecdcren die
verdacht worden melaatseh te zijn (47—58). Onderschrift i59). Met welke plechtigheden een van mc-
lnatschhcid genezene gereinigd wordt (XIV: 1—32). Hoc niet huizen die verdacht worden van me-
laatschbeid gehandeld moet worden (33—53). Onderschrift (54—57).
De in
00554221
claatschhcid is eene verschrikkelijke huidziekte, in de warme landen inheemsen, die zich
tijdens de Kruistochten ook over Kuropa verspreid heeft, maar hier thans betrekkelijk zeldzaam ge-
worden is, terwijl zij in het Oosten nog altijd vele slachtoffers mankt. Kr zijn verscheiden soorten
van.\' Die welke in deze hoofdstukkeu de voornaamste plaats inneemt is de zoogenaamde „witte ine-
lantschhcid". .Meestal begint zij onmerkbaar en breidt zich langzaam over het lichaam uit. Zij ver-
oorzaakt geduchte jeukte en zware benauwdheden, bij dag en nacht. Wordt zij heviger, dan tast zij de
uiterste liehaamsdcclen, tecnen, vingers, neus, oogleden, lippen, oorcu, zou aan dat deze gaandeweg
wcgzweren en afvallen; zoodnt het uiterlijk der lijders zeer terugstootend wordt, terwijl tevens hun
adem walging wekt. De ziekte kluistert hen geenszins aan bed of huis ; zoodat inelaafscheu zich vaak
op straat vertooneu, en zij zelfs van het verkeer der menschen eerst dnu uitgesloten worden wanneer
hun aanblik te stuitend is. Kerst na vele jaren lijdens mankt de kwaal ecu einde aan het leven, dat
dnu schier ondragelijk is geworden. In het O. en X. T. komen melaatschen of leprozen voor: Num.
XII: 10—15; 2 Kon. V; VII; XV: 5; Mntth. VIII: 2—4; XXVI: 6 enz. Met de ziekte van Job wordt
waarschijnlijk de melnatschheid bedoeld; zie op Job II: 7.
Of de inclaatschhcid besmettelijk is, weet men niet. Wel, dat zij licht overerft. Maar de oude
-ocr page 179-
LBVITICU8 XIII: 1—0.
259
Israëlieten dachten over zulke vraagstukken niet na. Kene «lour Jahwe beschoren plnng kon ook door
hem worden WligJUHIaWH l)e priester behandelde den aangetaste niet niet het doel hem te genezen
of door de verordening van nfzondcriiigsmnntregclcn anderen te vrijwnren, maar nllccn om uit te
Hinken of hij onrein wns, en hem te reinigen of rein te verklaren wanneer hij genezen was. Zij dit;
zich met dit werk bezig hielden, kregen vele lijders onder de nogen, beschouwden ze zoo nauwkeurig
dat zij het onderscheid tusseheu de verschijnselen vun de kwaal des cellen en vim die des anderen
opmerkten, en bepalingen omtrent de behniideling van verschillende gevallen konden ontwerpen; zij
bestudeerden dus de zaak zoo grondig als met de gebrekkige hulpmiddelen der oudheid mogelijk was.
Iet» evenwel dut gelijkt op cenc wetenschappelijke beoordeeling en behandeling dezer ziekte is onder
Israël nooit ontstaan. Zeker waren de priesters buiten staat de mclnatscliheid altijd goed te onder-
scheiden van andere huidziekten; zoodat menigeen inclaatsch verklaard is die het niet was, en om-
gekeerd.
I)c ineeuing dat ook linnen, wollen en lederen stoffen, alsmede huizen, door niclnatschbcid kunnen
worden aangetast is waarschijnlijk ontstaan doordat men opmerkte, dat allerlei op die stoffen en op
muren, door het weer, vocht en dergelijke omstandigheden veroorzaakte vlekken groote overeenkomst
hadden met den uitslng op de huid der leprozen (verg. op XIV: 87). Met gevolg hiervan was dat de
mclnatsehe klcederen en muren ongeveer op dezelfde wijze behandeld werden als de melaatscbc men-
schen, behalve dat gene bij gebleken ongciieeslijkheid vernietigd werden. Ook was de plechtigheid
waarmede een huis werd gereinigd voor een deel dezelfde nis die voor een inenseh was verordend
(XIV: 2—7; 19—53).
Wat de samenstelling dezer twee hoofdstukken betreft, de plaats die het voorschrift omtrent de
reiniging van een mensch, XIV :1—32, inneemt: tusseheu de behandeling vun mclnatsehe klcederen
eu die van mclnatsehe huizen in, pleit voor de onderstelling dat dit stuk er is ingeschoven. Is dit
zoo, dan is ook XIV: 49—53, over de reiniging van een buis, er later aan toegevoegd. Al is het
geheel uit Kzra\'s Wetboek, deze uitvoerige leiddraad zal wel de uitwerking zijn van kortere verhan-
dclingcu over dit onderwerp, dat uit den aard der zaak reeds geruimen tijd vóór de Ballingschap
door priesters overdacht en besproken is.
XIII: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes en Aiïron :\' Wanneer op iemands huid zich
vertoont eene roof of uitslag of eene vlek en deze op zijne huid wordt
tot eene melaatsche plek, dan moet hij tot den priester Aiiron of een
.3 zijner zonen, de priesters, gebracht worden,\' en zal de priester de
aangetaste plek op zijne huid bezien. Is het haar op die plek wit ge-
worden en ligt zij zichtbaar dieper dan zijne huid, dan is het eene
melaatsche plek. Wanneer de priester dit ziet, dan verklaart bij hem
4       onrein.\' Is het daarentegen eene witte vlek op zijne huid, die niet
zichtbaar dieper ligt dan zijne huid, en is het baar daarop niet wit
geworden, dan zal de priester den aangetaste voor zeven dagen opshii-
5       ten.\' Als de priester hem op den zevenden dag beziet en de plek de-
zelfde van gedaante gebleven is en zich op de huid niet uitgebreid
heeft, dan sluit de priester hem ten tweeden male voor zeven dagen
fi op. \' Beziet hij hem dan op den zevenden dag wederom en bevindt
hij dat de aangetaste plek dof van kleur is geworden en zich op de
2. deze — plek. Pit is zeer onnauwkeurig uitgedrukt. Immers, in het vervolg (zie Ti. 0) wordt de
mogelijkheid ondersteld tint het geen mclnatschhcid is. De schrijver had dus moeten zeggen: Wanneer
iemand verdacht wordt van mclnntschhcid. Maar zieli zoo uit te drukken nis hij deed is geheel iu
den geest der oudheid, toen ecu beschuldigde zich voor zijne rechters vertoonen moest iu rouwgewaad,
al verdedigde hij ook zijne onschuld. Men hield een aangeklaagde voor schuldig, totdat zijne onschuld
was bewezen. Verg. Nuin. V : 11—31. waar cene vrouw die door hnren mnii van ontrouw verdacht is
als eene schuldige behandeld wordt, hoewel het zeer mogelijk wordt geacht dat zij blijken zal on-
schuldig te wezen. Zie ook Peut. XIX: 16, waar iemand een ongerechtig getuige heet voordat zijne
schuld aangetoond is. Geheel in overeenstemming hiermede is het, dat iemand die na onderzoek voor
rein, d. i. voor niet melaatsen, verklaard wordt toch zijne klecdcrcn wnssehen moet (vs. 0, 31): de
verdenking wordt hein ecnigermnte als onreinheid toegerekend. Verg. vs. 19. — dan — worden. Zeker
gebeurde dit niet altijd. Menig arme onderwierp er zich aan, als ecu incliiutsclic behandeld te wor-
den, zonder eene poging aan te wenden of wellicht een priester hem kon rein verklaren; wat altijd
onkosten veroorzaakte. Het eeuige voorbeeld in den Hijbel van dit gaan naar een priester is Matth.
VIII: 4; Luc. V:U.
5. van gedaante, hier en vs. 37 naar zeer geringe tekstverandering in overeenstemming met vs. 55;
lb\'br. t. in zyne (des priesters) oogen.
0. voor rein verklaren, of rein maken. Dut deze twee begrippen door hetzelfde woord worden uit-
-ocr page 180-
260                                        lbviticus XIII: 6—28.
huid niet uitgebreid heeft, dan verklaart de priester hem rein. Het ia
niets dan uitslag. Hij zal zijne kleederen wasschen en dan rein zijn.\'
7       Maar indien de uitslag zich inderdaad uitgebreid heeft op de huid
mulat hij zich aan den priester vertoond heeft om voor rein verklaard
te worden, en hij zich ten tweeden male aan den priester vertoont,\'
8       en de priester ziet dat de uitslag zich op de huid uitgebreid heeft,
dan zal de priester hem onrein verklaren. Het is melaatschheid.
9            Als iemand eene melaatscbe plek heeft, dan moet hij tot den pries-
10       ter gebracht worden. \' Ziet deze dat er eene witte roof op de huid is,
waardoor het haar wit geworden is, terwijl in die roof wild vleesch
11        is gegroeid,\' dan is dit verouderde melaatschheid op zijne huid, en
moet de priester hem onrein verklaren. Hij zal hem niet opsluiten:
12       want hij is onrein. \' Maar barst de melaatschheid op zoo geweldige
wijze op zijne huid uit dat zij de geheele huid van den aangetaste
bedekt, zooveel de priester zien kan, van het hoofd tot de voeten,\'
13       en ziet de priester dat de melaatschheid zijn geheele lichaam bedekt,
dan verklaart hij den aangetaste rein. Is hij geheel wit geworden,
14       dan is hij rein. \' Maar zoodra zich wild vleesch op hem vertoont, is
15       hij onrein.\' Ziet de priester dus het wild vleesch, dan verklaart hij
hem onrein. Hij zal hem niet opsluiten; het wild vleesch, dat is
10 onrein. Het is melaatschheid.\' Als echter het wild vleesch weggaat
17       en de plek wit wordt, en hij komt tot den priester,\' en deze ziet hem,
en ja waarlijk, de aangetaste plek is wit geworden, dan verklaart de
priester den aangetaste rein. Hein is hij.
18           Indien iemand eene zweer op zijn lichaam heeft, en deze geneest,\'
19       en op de plaats waar de zweer geweest is komt eene witte roof of
20       eene bleekroode vlek; bij vertoont zich aan den priester,\' en deze ziet
dat die plek blijkbaar lager ligt dan de huid en het baar daarop wit
is geworden, dan zal de priester hem onrein verklaren. Het is eene
21        melaatscbe plek; in de zweer is de ziekte uitgebroken. \' Ziet de pries-
ter daarentegen dat op die plek geen wit haar is en dat zij niet lager
is dan de huid en dof van kleur, dan zal hij hem voor zeven dagen op-
22       sluiten. \' Indien het zich dan steeds verder uitbreidt op de huid, dan
zal de priester hem onrein verklaren. Het is eene aangetaste plek.\'
23       Maar is de vlek onveranderd gebleven, beeft zij zich niet uitgebreid,
dan is liet liet litteeken der zweer. De priester zal hem rein verklaren.
24           Of indien iemand eene brandwond op zijn lichaam heeft, en dat
wat zich op die- plek opnieuw vormt is eene hleekroode of witte vlek,\'
25       en de priester ze beziet en hevindt dat het haar op «lie plek wit
geworden is en zij zichtbaar dieper ligt dan de huid, dan is het
melaatschheid; in de brandwond is zij uitgebroken. De priester zal
2fi hem onrein verklaren. Het is eene melaatscbe plek.\' Maar indien de
priester ze beziet en hevindt, dat op die vlek geen wit haar is, zij niet
zichtbaar lager ligt dan de huid en zij dof van kleur is, dan zal de
27       priester hem voor zeven dagen opsluiten. \' Op den zevenden dag zal de
priester hem bezien. Indien zij zich dan verder op de huid heeft uit-
gebreid, dan verklaart de priester hem onrein. Het is eene melaatsche
28       plek.\' Maar is de vlek onveranderd gebleven, heeft zij zich niet op
({eclrukt, ia niet toevallig. Volgen» Israëlictiache begrippen was hij die door den priester rein ver-
klimril wns inderdaad rein. Van genezen is geen sprake.
12 v. Dit ia zeer vreemd. Blijkbaar hield men zoo iemand voor genezen. De oorzaak daarvan ia
wellicht, dat zoo iemand minder afzichtelijk was dan de gedeeltelijk aangetaste. In elk geval blijkt
hieruit weder, dat vrees voor bcametting niet de drijfveer was tot het onrein verklaren en afzonderen
der melaatschen.
lfi. dt plrk, diiidelijkhcidshalve in pi. v. hij, de aangetaste.
-ocr page 181-
j-bviticus XIII: a8—4G.                                      261
de huid uitgebreid en is zij «lof van kleur, dan is liet eene roof, do«>r
de brandwond veroorzaakt. De priester zal hem rein verklaren. Het
is het litteeken der brandwond.
29           Heeft een man, of vrouw, eene aangetaste plek op bet hoofd of in
30       den baard, \' beziet de priester die jdek en bevindt bij dat zij zichtbaar
lager ligt dan de huid en er geel, dun haar op is, dan zal de pries-
ter hem onrein verklaren. Het is hoofdzeer, melaatschheid van hoofd
31       of baard.\' Beziet «laarentegen de priester de door bet hoofdzeer aan-
getaste plek en bevindt hij dat zij niet zichtbaar dieper ligt dan de
huid en er geen geel baar op is, «lan zal de priester hem die doorliet
32       hoofdzeer aangetast is voor zeven dagen opsluiten.\' Als de priester op
«len zevenden dag de aangetaste plek beziet, en bevindt dat het hoofd-
zeer zich niet uitgebreid heeft en er geen geel baar in is, en het
33       hoofdzeer niet zichtbaar dieper ligt «lan de huid,\' dan zal de door het
hoofdzeer aangetaste zich kaal laten sidieren, terwijl de aangetaste plek
niet geschoren wordt; waarna de priester hem ten tweeden male voor
34       zeven dagen opsluit. \' Beziet de priester op den zevenden «lag bet hoofd-
zeer en bevindt hij dat de vlek ziidi dan niet op de huid uitgebreid
heeft en niet zichtbaar dieper ligt dan de huid, dan verklaart «Ie priester
35       hem rein; hij zal zijne kleederen wasstdien en rein zijn.\' Maar indien
liet hoofdzeer zich venier op de huid uitbreidt, nadat hij rein ver-
30 klaard is, \' en de priester het beziet en bevindt dat het hoofdzeer
zich oj) de huid uitgebreid heeft, dan heeft de priester niet te zoeken
37       naar het gele haar. Hij is onrein. \' Indien daarentegen het hoofdzeer
van gedaante betzelfde gebleven en zwart haar op de plek gegroeid
is, dan is het hoofdzeer genezen. Hij is rein, en «Ie priester zal hem
rein verklaren.
38           Wanneer bij man, of vrouw, zich vele witte vlekken op de huid ver-
39       toonen,\' en de priester ziet dat op de huid dofwitte vlekken zijn, dan
is dat vlekkerigheid, die op de huid is uitgebroken. Hij is rein.
40           Wanneer iemands hoofdharen uitvallen, dan is hij een kaalhoofd en
41       rein.\' Wanneer de haren voor aan het hoofd zijn uitgevallen, dan is bij
42       iemand niet een kaal voorhoofd en rein.\' Maar indien op de kaalte
van de kruin of op die aan de voorzijde van zijn hoofd zich eene
hleekroode plek vertoont, dan is dat melaatschheid, die uitgebot is op
43       zijne kale kruin of kalen voorschedel.\' Wanneer de priester die plek
beziet en bevindt dat de roof dier aangetaste plek bleekrooil is op zijne
kale kruin of kalen voorschedel, in voorkomen gelijk aan de melaatsch-
44       heid der huid, \' dan is hij een melaatsche en onrein. De priester zal
hem zeker onrein verklaren. Op zijn hoofd heeft bij de plaag.
45            En de melaatsche op wien de plaag is, zijne kleeding zal inge-
scheurd, zijn hoofdhaar loshangend, zijne bovenlip omwonden zijn, en
46       hij zal roepen: Onrein! onrein!\' Zoolang «Ie plaag op hem is zal hij
onrein wezen; onrein is hij. Alleen zal bij wonen; buiten de leger-
plaats zal zijn verblijf zijn.
31. de door — plet, d. w. z. die daarvan verdacht wordt; verg. op vs. 2. — geel, volg. Gr. vert.;
Hclir. t. ztcarl.
33. geichoren wort/l, volgens nudere klinker»; Hebr. t. hij scheert.
41. iemand met een taal voorhoofd. Het Ilabrceuwsch heeft hiervoor een woord.
45.   Hij zal zich als een rouwbedrijvende gedragen en anderen waarschuwen voor zijn aanblik of
aanraking. Dit laatste geschiedde elders door de lazaruskien. Verg. Klaagt. IV: 15. — sijne — inge-
teheurd.
Zie op Gen. XXXVII: 2\'J. — zijn — loshangend. Dit teeken van rouw komt elders niet
voor. —zijne bovenlip omiconden. Hetzelfde teeken van rouw Kzech. XXIV: 17; Micha 111:7; verg.
op 2 Sam. XV: 30.
46.   Hiermede wordt zeker niet verboden dat melaatschen met elkander wonen. Zoolang de kwaal
niet afzichtelijk was, leefden de melaatschen zelfs niet afgezonderd. — Verg. Num. V: 2 v.
-ocr page 182-
262                               mvjticus XIII: 47—XIV : 6.
47            Indien in een kleed eene duur melaatschheid aangetaste plek is, in
48       een kleedingstuk van wol of van vlas,\' in een geweven of gevlochten
41) stuk goed van vlas of wol, in leder of eenigerlei lederwerk,\' en die
plek in het kleedingstuk of liet leder, het geweven, gevlochten of
lederen voorwerp is groen- of roodachtig, dan is dat eene ruelaatsche
50       plek en moet het aan den priester getoond worden.\' Dan zal de priester
de aangetaste plek hezien en het aangetaste voorwerp voor zeven
51       dagen opsluiten. \' Ueziet de priester het weder op den zevenden dag,
en bevindt hij dan dat de plek zich uitgebreid heeft op het kleed,
het geweven of gevlochten voorwerp, het lederstuk, voor welk doel
dat leder ook gebruikt wordt, dan is de plek invretende melaatschheid.
52       Het voorwerp in onrein. \' Daarom zal men dat kleed, dat geweven of
gevlochten voorwerp, hetzij van wol, hetzij van vlas, of dut lederwerk
van welken aard ook, waarop de aangetaste plek is, verbranden; want
5!{ het is invretende melaatschheid. Het zal verbrand worden.\' Indien de
priester ziet dat de plek zich niet uitgebreid heeft op dat kleed, dat
geweven of gevlochten voorwerp, of dat lederwerk van welken aard
54       ook, \' dan zal men op bevel van den priester dat waarop de aange-
taste plek is wasschen, en hij zal liet wederom zeven dagen opsluiten.\'
55       Beziet dan de priester het aangetaste voorwerp nadat het gewasschen
is, en is de aangetaste plek niet van gedaante veranderd, dan is het
voorwerp, hoewel de plek zich niet uitgebreid heeft, onrein. Gij moet
het verbranden. Het is doordringende melaatschheid aan den voor- of
56       aan den achterkant.\' Maar indien de priester ziet dat de aangetaste
plek na gewasschen te zijn dof van kleur is geworden, dan zal hij bet
aangetaste deel afscheuren van het kleed, het leder, het geweven of
57       gevlochten voorwerp.\' Indien het zich dan wederom vertoont aan dat
kleed, dat geweven of gevlochten voorwerp, of dat lederen van welken
aard ook, dan is het uitbottende melaatschheid. Gij zult het aangetaste
58       voorwerp verbranden. \' En het kleed, het geweven of gevlochten voor-
werp, het lederen van welken aard ook, waaruit nadat gij het wiescht
de plek verdwenen is, zal voor den tweeden keer gewasschen worden
en dan rein zijn.
59           Dit is de wet op de plaag der melaatschheid in kleedingstukken van
wol en vlas, in geweven en gevlochten voorwerpen en in lederwerk van
welken aard ook, volgens welke het rein of onrein verklaard wordt.
XIV : 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes: \' Dit is de wet op den melaatsche ten
dage zijner reinverklaring. Hij zal tot den priester gebracht worden,\'
51 en deze buiten de legerplaats gaan. Ziet dan de priester dat «Ie me-
4       laatsche van zijne kwaal genezen is, \' dan zal de priester last geven,
voor den mensch die gereinigd moet worden twee levende, reine vogels,
5       cederhout, karmijn en hysop te nemen. \' Dan zal de priester last geven,
een dier vogels boven een aarden pot waarin levend water is te slach-
(5 ten.\' Voorts neemt hij den levenden vogel met het cederhout, het
•48. gerlochle», onzekere vertaling. — ledericerk, zadels, kussens cu dergelijke voorwerpen.
3. deze — Irgerplaats, die de nog niet rein verklaarde volg. XIII: 46 niet betreden mag. Evenmin
nis nnn XIII : Ui. heeft men zich aan dit voorsehrift gehouden. In het buitenste tcmpelvoorhof was
eene omheinde ruimte voor de reiniging van melantsrhen bestemd.
1—o. Eene dergelijke plechtigheid vs. 40—53.
4 v. tal de prietler latt geven, onduidelijk uitgedrukt. De priester zelf voltrok zeker gewoonlijk de
gehcelc handeling; zie vs. -4!> v. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat ook anderen het hiergenoemde
doen kunnen. Alleen de besprenging is den priester voorbehouden, wiens hulp men bij de plcchtig-
heid niet ontberen kon. — cederhout, karmijn en /ii/sop. Deze drie stoffen werden ook bij het ver-
branden der roode koe met wier aseh wijwater werd bereid gebruikt, Nuiii. XIX: fl. Wnnrom men
daaraan reinigende kracht toeschreef, weten wij niet. Over den hysop zie op Exod. XII: 22. — levend
Kaler,
uit eene bron of een vlietenden stroom.
-ocr page 183-
LKvmcus XIV : 6—23.                                        263
karmijn en den hysop, doopt dit met den levenden vogel in het bloed
7       van den vogel die boven bet levend water geslacbt is, \' besprenkelt
zevenmaal den mensch die van de melaatschheid gereinigd moet wor-
den en reinigt hem zoo; waarna bij den levenden vogel over bet veld
8       laat wegvliegen.\' Dan zal bij die gereinigd moet worden zijne klee-
deren wasschen, al zijne baren afscheren en een bad nemen, waardoor
bij rein wordt; daarna mag bij in de legerplaats komen, maar moet
9       zeven dagen buiten zijne tent blijven. \' Op den zevenden dag zal bij
al zijn baar afscheren: hoofdhaar, baard, wenkbrauwen en al bet overige,
baar zal bij afscheren; daarna zijne kleederen wasschen en een bad
nemen. Zoo is bij rein.
10           Voorts zal bij op den acbtsten dag twee gave manlijke lammeren
nemen en éen gaaf\' ooilam, een jaar oud, benevens drie kop meelbloem,
11       met olie gemengd ten nieeloffer, en éene pint olie.\' De priester die
de reiniging voltrekt zal den menscb die gereinigd wordt met die
gaven aan den ingang van de tent der samenkomst voor Jahwe
12       plaatsen. \' Dan zal de priester éen dier manlijke lammeren nemen, dit
met de pint olie als scbuldoffer naderbrengen en ze als aanlnedings-
13       g.ive bewegen voor Jahwe.\' Daarna zal bij het lam slachten ter plaatse
waar men bet zondoffer en liet brandoffer pleegt te slachten, in de-
heilige plaats; want bet scbuldoffer valt. evenals bet zondoffer, aan
14       den priester ten deel; het is iets boogheiligs. \' Voorts zal de priester
van het bloed des scbuldoffers nemen en bet strijken aan de rechter
oorlel van den menscb die gereinigd wordt, aan zijn rechter duim en
15       rechter grooten teen. \' Dan neemt de priester iets van de pint olie
16       en giet het in zijne eigen linkerhand,\' doopt den vinger zijner reeh-
terhand in de olie die in zijne linkerhand is en sprenkelt voor Jahwe
17       met die olie zeven maal. Van bet overige der olie die in zijne band
is strijkt de priester een deel aan de rechter oorlel van den mensch
die gereinigd wordt, aan zijn rechter duim en rechter grooten teen,
18       boven op bet bloed van bet scbuldoffer. \' Wat dan nog van de olie in
des priesters bami over is doet bij op het hoofd van den mensch die
gereinigd wordt. Zoo bewerkt de priester voor hem verzoening voor
19       Jahwe. \' Dan brengt de priester bet zondoffer en doet verzoening voor
den mensch die van zijne onreinheid gezuiverd wordt; daarna slacht
20       hij het brandoffer. \' Eindelijk zal de priester het brandoffer en het
meeloffer op het altaar dragen. Zoo doet de priester verzoening voor
hem, en wordt hij rein.
21            Is hij behoeftig en zijn vermogen ontoereikend om zich dit aan te
schaffen, dan zal hij nemen éen lam als scbuldoffer, tot aanbiedings-
gave, om voor zich verzoening te erlangen, benevens éen tiende meel-
22       bloem met olie gemengd, ten meeloffer, en eene pint olie;\' ook twee
tortels of twee jonge duiven, indien bij niet meer geven kan. De eene
23       daarvan zal een zondoffer, de andere een brandoffer zijn.\' Op den
7. waarna — wegtliegen. De bedoeling van dit deel der plechtigheid zal nel zijn, dat de vogel de
onreinheid wegvoert; verg. XVI: 21 v.
!). Desgelijks) schoren zich de Levieten hij hun in dienst treden over het geheele lichaam; zie Nam.
VIII: 7.
12. mei — olie. Volg. V ! 11 mocht hij een meeloffer dat voor zondoffer diende geen olie gevoegd
worden; verg. Num. Vtlö. Volgens onze plaats mocht het hij een schuldoffer wel. Kldcrs lezen wij
hierover niets. — het — bewegen. Verg. op Kxml. XXIX: 21.
18. want — hoogheilig. Verg. VI: 24; VII: 6. — tchuldoffer. Zoo heet dit offer omdnt ziekte, als
elke andere ramp, voor eene straf gehouden werd.
14. Dezelfde deelcn werden ook bij de wijding van de priesters met bloed bestreken, VIII: 23 v.;
Kxod. XXIX: 20.
21—32. Verg. V : 7—13.
i
-ocr page 184-
264                                       lkviticus XIV : 23—45.
achtsten dag zal hij ze voor zijne reiniging brengen tot den priester,
24       aan den ingang van de tent der samenkomst, TOOT Jahwe. \' Dan neemt
de priester het schuhloff\'erlam met de pint olie en beweegt die voor
25       Jahwe als aanbiedingsgave. \' Voorts slacht de priester het schuldoffer-
lam, neemt van het bloed daarvan en strijkt het aan de rechter oorlel
van den menseh die gereinigd wordt, benevens aan zijn rechter duim
2(i en rechter grooten teen.\' Dan giet de priester iets van de olie in zijne
27       eigen linkerhand\' en sprenkelt voor Jahwe\'s aangezicht met den vinger
zijner rechterhand zeven maal met de olie die in de holte zijner lin-
28       kerhand is.\' Ook strijkt hij een deel der olie die in zijne hand is aan
de rechter oorlel van den menseh die gereinigd wordt, aan zijn rechter
duim en rechter grooten teen, op dezelfde plaats als het bloed van het
29       schuldoffer. \' Wat dan nog van de olie in des priesters hand over is
doet hij op het hoofd van den menseh die gereinigd wordt, om voor
30       hem verzoening voor Jahwe te bewerken.\' Dan brengt hij van de tor-
31       tels of\' jonge duiven die hij kan geven \' éen ten zondoffer en éen ten
brandoffer, met het meeloff\'er. Zoo bewerkt de priester voor den menseh
die gereinigd wordt verzoening voor Jahwe\'s aangezicht.
32           Dit is de wet ten aanzien van hem op wien eene plaag der me-
laatschheid is, wanneer bij gelegenheid zijner reiniging zijn vermogen
ontoereikend is.
33,34 Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron: \' Wanneer gij in het land Kanaan
komt, dat ik u tot bezitting geef\', en ik sla een huis van het land dat
35 gij bezitten zult met melaatschheid,\' dan zal de eigenaar van dat huis
dit den priester gaan mededeelen met de woorden: In mijn huis ver-
3(5 toont zich iets dat op eene plaag gelijkt. \' Dan zal de priester bevelen
dat men het huis ontruime, voordat hij komt om de plaag te bezien;
opdat niet al wat in huis is onrein zij. Daarna zal de priester het
37       huis komen bezien.\' Ziet hij nu dat werkelijk de plaag in de muren
van het huis is, groen- of roodachtige plekken, die op het gezicht dieper
38       zijn dan de muur,\' dan verlaat de priester het huis, gaat naar den
39       ingang en sluit het huis voor zeven dagen dicht.\' Op den zevenden
dag zal de priester wederkomen. Ziet hij dan dat de plaag zich uitge-
40       breid heeft op de muren van het huis, \' dan zal men op last van den
priester de steenen waarop de plaag is uitbreken en buiten de stad op
41       eene onreine plaats werpen. \' Ook zal men den geheelen binnenmuur
van het huis afkrabben, en de mortel die men er afkrabt buiten de
42       stad op eene onreine plaats storten. \' Daarna zal men andere steenen
nemen en die invoegen, in plaats van de uitgebrokene, en andere
43       mortel, om daarmede het huis te bepleisteren.\' Breekt dan de plaag
opnieuw in het huis uit, nadat de steenen zijn uitgebroken en het
44       huis afgekrabd en gepleisterd is,\' komt de priester dan en ziet hij
dat «Ie plaag in het huis zich uitgebreid heeft, dan is dat de invre-
45       tende melaatschheid in het huis. Het is onrein. Men zal het huis
afbreken, de steenen, het hout en al de mortel van het huis, en dit
31. In ili\'ii aanvang vnn dit vers zijn «enige overtollige woorden volg. Gr. en Syr. vertt. weg-
gelaten.
84. Over de onnnnwkciirighcid dezer uitdrukking zie op vs. 2.
30. Hieruit blijkt dat de wetgevers bij het maken vnn verordeningen op de melaatschheid niet ge-
dreven werden door geloof aan de besmettelijkheid der kwaal; immers, dan zouden zij niet hebben
voorgeschreven dat menschen en voorwerpen uit een verdacht huis verplaatst werden. Verg. op
X1I1:6.
37. Ue kcntcckcnen der melaatschheid van een huis zijn dezelfde als die van een menseh (XIII
19—28); hieruit blijkt dat de uiterlijke overeenkomst de Israëlieten verleid heeft, zulk een uitslag op
de muren voor melaatschheid te houden.
-ocr page 185-
265
lbviticüb XIV: 45—XV : 10.
4(5 alles buiten de stad op eene onreine plaats brengen.\' Ieder die het
huis binnenkomt in de zeven dagen dat men het gesloten houdt zal
47       tot den avond onrein zijn. \' Wie in het huis slaapt zal zijne kleederen
wasschen; ook wie in het huis eet zal zijne kleederen wasschen.
48            Indien daarentegen de priester komt en ziet dat de plaag zich in
bet huis niet uitgebreid heeft nadat het opnieuw gepleisterd is, dan
49       zal de priester bet buis reinigen; want de kwaal is genezen.\' Om bet
huis te ontzondigen, zal hij twee vogels, cederhout, karmijn en hysop
50       nemen,\' een dier vogels boven een aarden pot waarin levend water is
51       slachten,\' dan het cederhout, de hysop en liet karmijn met den leven-
den vogel nemen, dat doopen in bet bloed van den geslachten vogel
52       en in het levend water, en zevenmaal bet buis besprenkelen. \' Zoo ont-
zondigt bij het buis met het bloed van den vogel, bet levend water,
53       het cederhout, de hysop en bet karmijn. \' Daarna laat hij den leven-
den vogel buiten de stad over het veld wegvliegen. Zoo bewerkt hij
verzoening over bet huis, en wordt bet rein.
54            Dit is de wet op alle soorten van melaatscbheid en hoofdzeer,\'
55-56 op de melaatscbheid van kleed en huis, \' op roof, uitslag en vlek:\'
57 dienende om te onderrichten, wanneer iets onrein, wanneer iets rein
moet verklaard worden. Dit is de wet op de melaatscbheid.
46 v. Wie er slechts binnenkomt is zonder eenig reinigingsmiddel reeds des avonds weder rein;
wie er langer in vertoeft heeft zich zwaarder verontreinigd en behoeft dus meer reiniging.
48—53. Verg. vs. 3—7.
HOOFDSTUK XV.
Onreinheid door verschijnselen van het geslachtsleven. — Onreinheid van den man bij slijmvlociing
(1—15); bij znndloozing (lfiv.); van man en vrouw na de huwelijksgemeenschap (18); van de vrouw
in de maandstonden (19—24), en bij ongewone bloedvloeiing (25—30). Zij moeten zorg dragen Jahwc\'s
heiligdom niet te verontreinigen (31). Onderschrift (32 v.).
De gelijksoortigheid van het hier behandelde onderwerp met dat van H. XII doet vermoeden dat
deze hoofdstukken door de inschuiving van XIII, XIV van elkander zijn gescheiden; maar zij kunnen
afzonderlijk zijn ontstaan. Verg. verder inl. op XI—XVI.
XV: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron: \' Bpreekt tot de Israëlieten en
zegt hun: Wanneer een man eene vloeiing uit bet schaamdeel beeft,
\'A dan is dat vocht onrein. \' En ten aanzien van deze zijne onreinheid
geldt, dat zij bestaat, betzij zijn schaamdeel het vocht laat loopen, hetzij
4       niet. \' Het bed waarop bij ligt, van welke stof ook, wordt onrein, en
5       alles waarop hij zit wordt onrein.\' Wie zijn bed aanraakt zal zijne
6       kleederen wasschen, een bad nemen en onrein zijn tot den avond.\' En
wie zitten gaat op het voorwerp waarop hij die de vloeiing heeft zit
zal zijne kleederen wasschen, een bad nemen en onrein zijn tot den
7       avond. Ook wie het lichaam van hem die de vloeiing beeft aanraakt
zal zijne kleederen wasschen, een bad nemen en onrein zijn tot den
8       avond.\' Wanneer hij die de vloeiing heeft op een reine spuwt, zal
deze zijne kleederen wasschen, een bad nemen en onrein zijn tot den
9       avond.\' Het zadel waarop bij die de vloeiing heeft rijdt, van welke
10 stof ook, wordt onrein,\' en ieder die aanraakt wat onder hem geweest
is zal onrein zijn tot den avond; en wie het draagt zal zijne klee-
2—15. Met deze krankheid is zeker geen hevige ziekte bedoeld, allerminst besmettelijke, veneri-
achc ziekten, die oudtijds onbekend waren, maar eene veelvuldig voorkomende, voor het leven niet ge-
vaarlijke, slijmafscheiding.
4. van welke stof ook, linnen, wol, leder, stroo, — allet — :il. «tori, zadel, wagen enz.
10. Zie op XI: 27 v. en 27.
-ocr page 186-
266                                        LBviTicuB XV: 1U—30.
11       deren wassehen, een bad nemen en onrein zijn tot <len avond. \' leder
dien liij «lie de vloeiing heeft aanraakt en die de handen niet afspoelt
zal zijne kleederen wassehen, een bad nemen en onrein zijn tot den
12       avond.\' Een aarden vat dat hij die de vloeiing heeft aanraakt moet
13       gebroken, en elk houten voorwerp met water overgoten worden.\' En
wanneer de kranke rein is geworden van zijne vloeiing, dan zal hij zeven
dagen tellen voordat hij rein is, dan zijne kleederen wassehen, in levend
14       water een bad nemen; zoo wordt bij rein.\' En op den achtsten dag
neme hij twee. tortels of twee jonge duiven, brenge ze voor Jahwe aan
15       den ingang van de tent der samenkomst en geve ze den priester.\' Dan
zal de priester ze brengen, éen ten zondoffer en éen ten brandoffer. Zoo
bewerkt de priester voor hem verzoening bij Jahwe van zijne vloeiing.
1(5          Als een man eene zaadloozing heeft, zal hij een bad nemen en on-
17       rein zijn tot den avond.\' Ieder kleed en stuk leder waarop iets van
het vocht komt zal met water gewasschen worden en tot den avond
18       onrein zijn.\' En wanneer eene vrouw met een man gemeenschap gehad
heeft, zullen zij beiden een bad nemen en onrein zijn tot den avond.
l\'.t          Wanneer eene vrouw bare bloedvloeiing heeft, zal zij zeven dagen
in hare maandstonden blijven, en al wie haar aanraakt zal onrein
20       zijn tot den avond. \' Alles waarop zij ligt terwijl zij de stonden heeft
21       zal onrein zijn, en alles waarop zij zit zal onrein zijn. \' Al wie aan
haar bed raakt zul zijne kleederen wassehen, een bad nemen en onrein
22       zijn tot den avond; \' en al wie aan een voorwerp waarop zij zit, welk
ook, raakt zal zijne kleederen wassehen, een bad nemen en onrein zijn
23       tot den avond. \' Indien iets zich bevindt op het bed of op het voor-
werp waarop zij zit, dan zal hij die het aanraakt tot den avond onrein
24       zijn. \' Slaapt een man bij haar en komt haar bloed aan hem, dan is
hij zeven dagen onrein, en het bed waarop hij ligt, van welke stof
ook, is onrein.
25           Wanneer eene vrouw verscheiden dagen buiten den tijd barer ston-
den eene bloedvloeiing heeft, of hare vloeiing langer dan gewoonlijk
duurt, dan is zij zoolang de onreine vloeiing aanhoudt even onrein als
26       tijdens hare stonden.\' Het bed waarop zij in de dagen barer vloeiing
ligt, waaruit het ook bestaat, zal haar zijn als het bed barer stonden;
alles waarop zij zit zal even onrein zijn als iets dat door hare stonden
27       verontreinigd is.\' Al wie het aanraakt wordt onrein, zal zijne kleederen
28       wassehen, een bad nemen en onrein zijn tot den avond.\' Is zij rein van
bare vloeiing geworden, dan zal zij zeven dagen tellen en daarna rein
29       zijn.\' En op den achtsten dag neme zij twee tortels of twee jonge duiven
en brenge die tot den priester aan den ingang van de tent der samen-
SU komst.\' Dan zal de priester ze brengen, éen ten zondoffer en éen ten
brandoffer. Zoo bewerkt de priester voor haar verzoening bij Jahwe van
12.   Verg. op XI: 33.
13.  Het woord rein wordt blijkbaar hier, evenals va. 28, eerst gebruikt in den zin van „hersteld",
duiirna in dien vnn „rein voor Jahwe". — lerend water. Verg. XIV : 8.
14.   brenge ;e, volg. Gr. vert.; Heltr. t. en tome.
10. eene zaaillooziny, cene onwillekeurige.
11)—24. De onreinheid der vrouw in de ïimiuidutoiiden wordt ook vermeld Klaagl. 1:8 v.; Ezech.
XXXVI: 17. De strengste Joden waren in deze zaak zeer stipt; het was eene van de grieven der Ea-
rizcen tegen de Sndduccen, dat zij het hiermede niet streng genoeg nnmen.
23.   Hier komt eene verontreiniging in den derden graad voor: de vrouw verontreinigt het bed;
dit iets dat er op ligt, b. v. eene deken ; deze een inenseh die dat aanraakt.
24.    llcdoeld wordt dat het verschijnsel hem verraste. Hield hij met haar gemeenschap terwijl
hij wist dat zij de stonden had, dan verdiende hij den dood; XVIII: 10; XX: 18; verg. Ezech.
XXII: 10.
28. Zie op vs. 13.
-ocr page 187-
y67
usvmcus XV:30- 33.
31 liare onreine vloeiing. \' Gij zult de Israëlieten vermanen >si<;li te ont-
doen van hunne onreinheid; opdat zij niet sterven door hunne onrein-
heid, doordat zij mijn tahernakel die in hun midden is verontreinigen.
\'M          Dit is de wet ten aanzien van den man die eene slijm vloeiing en
van hem die eene zaadloozing heeft, waardoor hij verontreinigd wordt,\'
33 van de vrouw die hare stonden heeft, van al wie eene vloeiing heeft,
man of vrouw, en van den man die bij eene onreine ligt.
31. vermanen, volg. Snni. en Gr. t.; Hcbr. t. afzonderen of wijden. — Over de verontreiniging van
bet heiligdom handelt 11. XVI.
HOOFDSTUK XVI.
De j\'crzocndag. — Jahwe gelust Mozes, Aiiron te verbieden gedurig het allerheiligste binnen te
gaan (1 v.); schrijft de offers voor die hij brengen moet wanneer hij het moet binnentreden (3), en
de hierbij vereischte kleeding (4). Van twee bokken worde door het lot de een aan Jahwe, de ander
aan Azazcl toegewezen, de eerste ten zondoffer, de tweede ter wegzending bestemd (5—10). Aiiron
bewerke door een zondoffer verzoening voor zieh en de nndcre priesters (11) en reinige dan, na bet
allerheiligste in een wierookwalm gehuld te hebben, door hlocdsprengingeii dit gedeelte en ook de
voorkamer van het heiligdom (12—16,1; waarbij geen menseh inng tegenwoordig zijn (17); daarna
ontzomligc hij het groote altaar (IS v.). Wegzending van den bok aan Azazel (20—22). Na zich ver-
kleed en gebaad te hebben, drngc Aiiron het brandoffer voor zieh en dat voor het volk op (23 v.) en
ontsteke het vet van het zondoffer (25). Hoe de man die den zondebok heeft weggebracht zich moet
reinigen (20), en hoc de lijken der zondoffers moeten verbrand worden (27 v.). Op den tienden der
zevende maand vaste men en boude men sabbat, omdat het verzoendag is (2\'J—31); op dien dag
moet de hoogepriester al de plechtigheden volbrengen (32—34).
In de zevende maund van het kerkelijk jaar, waarmede oudtijds het jaar aanving, wier tiende dag
Ezech. XL: 1 nieuwjaarsdag heet (verg. op XXV: 9) en wier eerste nog altijd als zoodanig gevierd"
wordt (zie op Kxod. XII! 2), werden — en worden door vele Joden nog — allerlei handelingen
verricht die dienden tot reiniging van zouden i men nam een bad; men schudde stcenen uit zijn kleed
in vlietend water, zinnebeeld van de zonden die inen wegwierp (de latliech; verg. op Micha Vil! 19);
men doodde zoenoffers
\\kapporeth-a\\azM); men joeg dieren, met der mcnscheii zouden belast, weg, enz.
De wetgevers der vijfde eeuw bestemden den tienden der maand voor de groote verzoening; legden,
om hem waardig te vieren, do hand op een der oude gebruiken, het wegjagen vnn een zondcubok,
het zooveel zij konden vervormend; voegden er offers bij, in overeenstemming met de tcmpclpraktij-
ken; schreven vasten en stoking van arbeid op den verzoendag mor, het eerste in overeenstemming
met de droevige aanleiding tot de plechtigheid: zonden en onreinheid; en maakten zoo eene ver»rdc-
ning, waardoor menige in hun oog onstichtelijke praktijk door eene ernstige en waardige plechtigheid
vervangen werd. Zij bestreden de huiselijke gebruiken niet, maar trachtten ze te verdringen door
het volk ten tempel te roepen en nadrukkelijk te verkondigen dat alleen de hoogepriester bevoegd
was om de reinigingspleehtighedeii te volbrengen (vs. %i)\\ terwijl zij tevens, geheel in ovcreenstcm-
iniug met hunne doorgaande opvatting van den godsdienst, de zuivering van het verontreinigd hci-
ligdom tot het hoofddoel der handeling innaktcu.
Men kan het der wet, zooals zij vóór ons ligt, nog aanzien dat haar inhoud van lieverlede is ont-
staan. Immers, de datum van den heiligen dag wordt eerst aan het slot genoemd (vs. 29), en zoowel
de onthouding van spijs en drank nis die van allen arbeid wordt slechts aangestipt (vs. 29, 31).
De viering is van zeer jonge dagtcekciiing. Immers, niet alleen kent Kzechicl geen verzoendag,
wel twee dagen waarop de tempel ontzondigd moest worden, XLV:18—20; maar nog iu den tijd van
Nehemja was de tiende van de zevende maand geen officiéele heilige dag. Dit blijkt uit Neb. VIII ou-
weersprckelijk. Daar toch wordt verhaald, dnt de Joden op den tweeden dag der zevende maand in het
wetboek vonden voorgeschreven, het loofhuttenfecst op den vijftienden dag dier innnnd te vieren. Dnar
volgens ons hoofdstuk de verzoendag tusschen den 2deu en den loden valt, zou men, indien de bc-
paling vnn den Inden in hunne wet had gestaan, op dezen dng in de eerste plaats gelet hebben.
Blijkbaar stond dus toen de tiende nog niet als vastendag bekend. Hiermede is niet gezegd dat de
verordening over den verzoendag in Ezrn\'s Wetboek ontbrak. Wellicht heeft zij hierin gestaan, mnaj
dan zonder het slot. althans zonder bepaling van den dag. I)cze is er bijgevoegd toen de jaarlijksche
viering werd ingevoerd en in zwnug kwam.
Daar de wet uitstekend strookte met de richting waarin zieh het Jodendom ontwikkelde en tevens
een geliefd volksgebruik als Godc welgevallig stempelde, heeft zij doel getroffen: de verzoendag is bij de
-ocr page 188-
268                                        LKViTicus XVI: 1 — 14.
Joden de heiligste dag des jaars geworden, welks viering door talloozc vcrordeiiingcii nader omschrc-
vcn is; wat niet heeft verhiuderd dat daarnevens sommige oude, niet in de wet vernielde gebruiken
in stand gebleven zijn.
XVI: 1 Na den dood van twee der zonen van Aiiron, die gestorven zijn toen
2       zij naderden voor Jahwe,\' sprak Jahwe tot Mozes en zeide tot hem:
Zeg uwen hroeder Aiiron, dat hij niet te allen tijd in het heiligdom
achter het voorhangsel trede, vóór het deksel dat op de ark is; opdat
3       hij niet sterve; want ik vertoon mij in de wolk op liet deksel. \' Hier-
mede zal Aiiron de heilige plaats hinnentreden: met een stier uit de
4       runderen tot zondoffer en een ram tot brandoffer.\' Een heilig linnen
onderkleed zal hij dragen; een linnen heupkleed zal op zijn lijf zijn;
met een linnen gordel zal hij zijn omgord, en een linnen mijter zal hij
op het hoofd hebben. Dit zijn heilige kleederen; na een bad genomen
te hebben, zal hij ze aantrekken.
5           Vanwege de gemeente der Israëlieten neme hij twee bokken tot
(5 zondoffer en éen ram tot brandoffer. \' Dan zal Aiiron zijn eigen zond-
offerstier naderbrengen en voor zich en zijn huis verzoening bewerken.\'
7       Daarna zal hij de twee bokken nemen en ze aan den ingang van de
8       tent der samenkomst voor Jahwe plaatsen.\' Dan zal Aiiron op de beide
\'J bokken loten leggen: éen voor Jahwe en een voor Azazel.\' Daarna zal
Aiiron den bok die door het lot aan Jahwe is toegewezen naderbrengen
1U en als zondoffer behandelen. \' Maar de bok die door het lot aan Azazel
is toegewezen zal levend voor Jahwe geplaatst worden, om verzoening
voor hem te bewerken, ten einde hem zoo naar Azazel in de woestijn
11       te zenden. \' Dan brengt Aiiron zijn eigen zondofferstier nader, bewerkt
12       verzoening toot zich en zijn huis en slacht zijn zondofferstier.\' Daarna
neemt hij van het altaar dat voor Jahwe staat eene vuurpan vol
gloeiende kolen, benevens twee handen vol fijnen offerwierook, en
13       brengt dit achter het voorhangsel.\' Daar legt hij voor Jahwe den
wierook op het vuur; dan zal de wierookwalm het deksel op de Qe-
14       boden omhullen; opdat hij niet sterve.\' Daarna neemt hij van het
stierenbloed en sprenkelt dat met zijn vinger op het deksel aan de
oostzijde, en voor het deksel sprenkelt hij met zijn vinger van dat
1.   Verg. X: 1 v.
2.  niet te allen lijd. Hierna zouden wij vcrwaehten: maar sleehts eenmaal des jaars. Dit is ook
bedoeld; verg. vs. 29 en Hebr. IX: 7. — teant — deksel. Kxod. XXV: 21 v. staat wel, dat Jahwe
van boven het deksel spreken zal, maar niet, dat daarop de wolk rust. Deze vertoont zich Exod.
XL : 38 boven den tabernakel.
G. Dit vers keert letterlijk vs. 11 terug. .Misschien staat het hier bij vergissing. Volgens het gc-
bruik in den Inatsteu tijd vóór de verwoesting van den tempel iu 70 na (\'hr. bracht de hoogepries-
ter, voordat hij het lot over de bokken wierp, zijn stier nader en sprak, met de hand op den kop van
het dier. zijne schuldbekentenis uit, om het eerst na het loten te slachten. — :ijn huil, de priesters.
Het is natuurlijk dat de hoogepriester en allen die hem bijstaan om heiligdom en volk te ontzon-
digen gereinigd moeten zijn voordat hij de grootc handeling begint.
8. loten, plankjes, waarop „voor Jahwe" eu „voor Azazel" stond, die hij, iu elke hand éen, uit
eene urn nam. — Azazel. l)e tegenstelling van „voor Azazel" met „voor Jahwe" bewijst, dat Azazel
ili\' naam is van een goddelijk wezen, dat volgens vs. 10 in de woestijn huisde. Do oude Israëlieten
dachten zich woestijnen, ruïnen en andere schrik inboezemende plaatsen met sntyrs, spoken en andere
ongure wezens bevolkt, eu onder de Joden was dit bijgeloof zeer algemeen (Jez. XIII: 21 v.; XXXIV:
14 v.; \\lnt i h. XII: 43—45; Openb. XVIII: 2). Wat de naam Azazel bctcckcut, is oubekcud. Sommige
oud-Joodschc vertalers en schriftgeleerden hebben dien overgezet door .wegzending\', en aldus deze her-
iniicring nan het voorvaderlijk bijgeloof zooveel mogelijk verduisterd.
10.   om — bemerken. De bok werd daardoor geschikt gemaakt tot voertuig van de zouden des
volks. Het geschiedde waarschijnlijk door bcsprenging met bloed.
11.  Zie op vs. 0.
12.  het altaar dat eoor Jahiee staat, hier het grootc brandofferaltaar. Zoo ook vs. 18.
13.   o)i het ruur, de gloeiende kolen van vs. 12.
14.   De hoogepriester ging dus niet slechts eenmaal het allerheiligste binnen, maar herhaaldelijk:
eerst om te wierooken, dan met het stierenbloed, vervolgens met dat van den bok, eindelijk om het
wierookvat terug te halen.
-ocr page 189-
lbviticüs XVI: 14—29.                                       269
15 bloed zevenmaal. \' Dan slacht hij den zondofferbok van het volk en
brengt het bloed daarvan achter het voorhangsel; waar hij met dit
bloed handelt evenals met het stierenhloed: hij sprenkelt liet op en
1(5 vóór het deksel.\' Zoo bewerkt hij verzoening voor de heilige plaats,
baar zuiverend van de onreinheden der Israëlieten, hunne overtredingen,
van welken aard ook hunne zonden zijn. Desgelijks zal hij ook doen aan
de tent der samenkomst, die bij ben staat te midden hunner onrein-
17       heden. \' (leen mensch mag in de tent «Ier samenkomst zijn, wanneer
hij haar binnentreedt om in de heilige plaats verzoening te bewerken,
totdat hij naar buiten komt. Zoo zal bij verzoening bewerken voor
18       zich zelven, zijn huis en de geheele vergadering van Israël. \' Buiten
gekomen, gaat hij naar het altaar dat voor Jahwe staat en bewerkt
daarvoor verzoening: hij neemt van het stieren- en het bokkenbloed,
19       bestrijkt daarmede de hoornen des altaars rondom \' en sprenkelt voorts
met zijn vinger zevenmaal van dat bloed er op. Zoo zal hij het reini-
gen en heiligen van de onreinheden der Israëlieten.
20            Wanneer hij de verzoening van de heilige plaats, de tent der samen-
komst en het altaar voleindigd heeft, zal hij den levenden bok nader-
21       brengen.\' Aiiron zal zijne beide banden op den kop van den levenden
bok leggen, daarover belijden al de schulden en overtredingen der
Israëlieten, van welken aard ook hunne zonden zijn, en ze leggen op
den kop van den bok, dien hij daarna door een man die hiervoor is
22       aangewezen wegzendt, de woestijn in. \' Zoo zal de bok al hunne schul-
den wegdragen naar een afgelegen land. En in de woestijn zal men
den bok loslaten.
23            Daarna zal Aiiron de tent der samenkomst ingaan, de linnen klee-
deren die hij aangetrokken had toen hij de heilige plaats binnentrad
24       uittrekken en ze daar nederleggen.\' Daarna neemt hij een bad in eene
heilige plaats en doet zijne eigen kleederen aan. Dan gaat hij uit en
brengt zijn brandoffer, henevens dat des volks. Zoo bewerkt hij verzoe-
25       ning voor zich en het volk.\' Ook zal hij het zondoffervet ontsteken op
26       het altaar. \' Hij nu die den bok voor Azazel weggebracht heeft zal
zijne kleederen wasschen en een bad nemen; waarna hij in de leger-
27       plaats komen mag.\' Den zondofferstier en den zondofferbok, wier bloed
in de heilige plaats gebracht is om in baar verzoening te bewerken,
zal men buiten de legerplaats brengen en daar hunne huid, vleesch
2$ en pens verbranden.\' En hij die ze verbrandt moet zijne kleederen
wasschen en een bad nemen; waarna hij in de legerplaats komen mag.
29          Het zal u tot eene eeuwige inzetting zijn: in de zevende maand, op
den tienden dag der maand, zult gij u verootmoedigen en geenerlei
16. Welke overtredingen bedoeld worde», blijft bier twijfelachtig. In elk geval beoogde het volk
reiniging na alle zonden, de wetgever alleen van onwillekeurige en den schuldigen onbekende vcr-
ontreinigingen. — de tent der tamenkomtt, hier het heilige.
21.  die — aangewezen, zeer onzekere vertaling. De bepaling dat de bok door een hiertoe oange-
wczeu man moest weggebracht worden is niet zonder betcekenis. Het oude gebruik toch was. dat het
volk met kreten als: Neem ook mijne zonden mee! ook de mijne! het vervloekte dier, het jagende
en «laande, nchternalicp. Die ruwheid wordt door deze verordening zooveel mogelijk tegengegaan.
22.  een afgelegen land, een van waar geen weg naar de bewooudc wereld terugvoert; immers, het
zou noodlottig zijn, indien het dier terugkeerde; want dan kwamen daarmede \'s volks zonden terug.
Nadat dit eens gebeurd was, heeft men verordend, het dier niet, zooals de wet zegt, in de woestijn
los te luien, maar aldaar van eene stcilte nf te stooten.
24. in eene heilige plaats. In den laatstcn tijd van het bestaan des tempels geschiedde dit öf in
het voorhof, terwijl gordijnen den badenden hoogepriester voor het volk verborgen, öf in eene kamer
boven eene der poorten van het priestervoorhof.
27.  Verg. op Exod. XXIX i 14.
28.   Verg. Num. XIX: 8.
20. u verootmoedigen, letterlijk * zefoeti ellendig maten, door «chuldbcKjdenis en vasten.
-ocr page 190-
lbviticus XVI: 29—34.
270
werk verrichten; dit geldt zoowel den inboorling «Is den vreemde die
80 onder n verblijf houdt. \' Want op dezen dag zal hij verzoening voor
u bewerken, om u te reinigen; van al uwe zonden voor Jahwe zult gij
31       rein worden.\' Ken volkomen rustdag zal het voor u zijn, waarop gij u
32       zult verootmoedigen. Het is eene eeuwige inzetting.\' En de priester
dien men zalven en wijden zal om priester te zijn in plaats van zijn
vader zal de verzoening bewerken. Nadat hij de linnen, de heilige,
33       kleederen zal aangetrokken hebben,\' zal hij verzoening bewerken voor
het heilige heiligdom; ook zal hij de tent der samenkomst en het
altaar verzoenen, en voor de priesters en bet geheele volk der verga-
34       dering verzoening liewerken.\' Dit zal u tot eene eeuwige inzetting
zijn, om verzoening te bewerken voor de Israëlieten van al hunne
zonden, eens in het jaar. En het geschiedde zooals Jahwe Mozes be-
volen bad.
31.   Dit is ile ccnige sabbat waarop vosten geoorloofd is.
32.  i/f prirttrr — railer, de hoogepriester, en geen ander.
INLEIDING OP HOOFDSTUK XVII—XXVI.
Deze hoofdstukken maken eene afzonderlijke groep uit, gekenmerkt door de herhaalde vermaniu-
gen: heilig zult gij zijn; want heilig hen ik, Jahwe, uw god (XIX: 2; verg. XX:", 26; ook XI:
44 v.); ik ben Jahwe, uw god (vaak in XVIII, XIX); ik ben Jahwe, die D heilig (XX: 8 en vaak
daarna); ik ben Jahwe (XXI: 12 enz.); welke zegswijzen wel elders niet ontbreken, maar hier in
grootcu getale bij elkander voorkomen. Verg. over de betcekenis en den oorsprong van hrilig op Jez.
VI: 3. Zij behelzen bepalingen over slachten, offeren en vleesehgebruik (H. XVII); waarsehuwingen
tegen Kunaüuiclischc gruwelen, vooral bloedschunde (H. XVIII); voorschriften voor zedelijk leven en
godsverecring (II. XIX); verordeningen tegen Moloehoffers en bloedsehnndc (II. XX); bepalingen over
de priesters nis heilige mannen (II. XXI); over onreinheid (II. XXII); over feesten (H. XXIII); over
heilige olie en toonbrooden (XXIV : 1—9); over het vloeken van Jahwe (XXIV: 10—23); over sub-
bnts- en jubeljaar (II. XXV), en eene slotrede met beloften en bedreigingen (II. XXVI).
Hlijkt reeds uit deze inhoudsopgave dat wij hier geen welsluitend geheel voor ons hebben, nuuw-
keurigcr beschouwing van den inhoud der hoofdstukken leert duidelijk, dat zij volstrekt niet vnn éenc
hand, noch ook uit denzelfden tijd zijn. Wij bezitten in deze nfdccliug eene oudere wetgeving, of een
deel daarvan, met enkele wijzigingen, voorul met vele tocvocgselcn, in Kzrn\'s Wetboek opgenomen,
waarschijnlijk, evenuls andere deelen vnn dit bock, door lntcre schrijvers en den Verzumclnar vnn de
Wet nog vermeerderd.
Die oude wetgeving noemt men de Wet der Heiligheid (verg. inl. op De vijf boeken der Wet),
omdnt Isrnëls roeping tot heiligheid hier nog nadrukkelijker dau elders wordt verkondigd (XIX: 2;
XX:7v., 20; XXI: 0—8, 15, 23; XXII: 8—16, 31 v.). Zij dagteckent uit de eerste halve eeuw na
den val van Jeruzalem en heeft, bij merkbaar verschil, zoovele punten vnn overeenkomst met de ver-
ordeningen vnn Kzechicl, dnt zij niet onafhankelijk vnn elkaar kunnen zijn. Hoogstwaarschijnlijk heeft
de verzamelaar dezer wetten Esechicl gekend en gebruikt. Dat hij in sommige opzichten er vnn nf-
week, wordt gereedelijk verklnard door de omstandigheid, dat hij niet zelf die wetten maakte maar
bestaande verordeningen samenvoegde; terwijl hij op enkele punten ook eene andere inecuiiig kan
gehad hebben dan de profeet. De wetten die hij tot een bundel vereenigde waren blijkbaar van on-
dcrschcidcn herkomst; immers XV\'HI en XX behandelen hetzelfde onderwerp, wel in denzelfden geest,
maar toch op onderscheiden manier. Zij behoorden tot de geschriften die door de Jeruzalemsche
priesters vóór de Hallingschnp zijn opgesteld.
HOOFDSTUK XVII.
Bepalingen over slachten, offeren en vleesehgebruik. — Opschrift (1 v.); men slachte geen dier
zonder danrvan aan Jahwe bij het heiligdom ecu offer te brengen (3—T), en offcre nergens dan vóór
-ocr page 191-
271
I.BVITICU8 XVII : ] — 9.
het heiligdom (8 v.). Niemand niiiir bloed nuttigen; «rut dit ia, als de ziel vnn het lichaam, tot
zoenmiddel o|) het altaar bestemd (10—12); ook van neergelegd wild hedckkc men het bloed en nuttige
het niet (13 v.). Wie niet goed geslacht vlccsch eet reinige zich (15 v.l.
Afgezien van vs. 15 v., dat zeer los met het voorgaande samenhangt, is in dit hoofdstuk eenheid
van onderwerp en strekking: liet dringt aan op beperking van den eereilienst tot een heiligdom, vooral
oin afgoderij en het gebruik van bloed te keeren. Hierin openbaart zich de godsdienstige richting die
zich sedert .lozia krachtig in Jiidu deed gelden. Aan vs. 3—0 evenwel ligt blijkbaar eene oudere wet
ten grondslng, door den wetgever, zoo goed het ging, pasklaar gemaakt voor zijn tijd.
XVII: 1, 2 Jahwe zeide tot Mozes: \' Spreek tot Aiiron, zijne zonen en alle
3       Israëlieten en zeg hun: Dit is het wat Jahwe hevolen heeft:\' ieder
uit het huis Israël die een rund, schaap of\' geit binnen of buiten de
4       legerplaats slacht\' en het niet brengt aan den ingang van de tent der
samenkomst, om het voor Jahwe\'s tabernakel als gave aan Jahwe op
te dragen, dien zal het als hloedstorting toegerekend worden: hij heeft
bloed vergoten; daarom zal hij uitgeroeid worden uit het midden zijns
5       volks.\' Opdat de Israëlieten de offeranden die zij op het open veld
plegen te offeren, aan Jahwe aan den ingang van de tent der samen-
komst tot den priester brengen en ze als dankoffers aan Jahwe offeren.\'
(\'t Dan zal de priester het bloed op Jahwe\'s altaar, aan den ingang van
de tent der samenkomst, sprengen en het vet ten liefelijkeu geur voor
7       Jahwe ontsteken.\' Opdat zij voortaan hunne offers niet meer aan de
satyrs brengen, die zij naboeleeren. Eene eeuwige inzetting zal dit
voor hen en hun nageslacht zijn.
8           Ook zult gij hun zeggen: Al wie uit het huis Israël en uit de
vreemden die daaronder verblijf laaiden een brand- of slachtoffer offert\'
9       en het niet brengt aan den ingang van de tent der samenkomst, om
het aan Jahwe op te dragen, hij zal uitgeroeid worden uit zijn volk.
8—7. Dit gebod houdt in, dat niemnnd voor huiselijk gebruik een viervoetig dier mag slachten
tenzij hij dit doe aan het cenige wettige heiligdom, alwaar dan de priester het als een gewoon dauk-
otl\'cr znl behandelen. Het springt in het oog dnt dit onuitvoerbaar was. Hetzij wij ons verplaatsen in
den tijd der omzwerving in de woestijn waar de wet heet gegeven te zijn, hetzij in een ander tijd-
vak der geschiedenis, nooit vinden wij de Israëlieten zoo gering in aantal en zoo dicht bij elkander
wonende, dat zij zulk eene wet hadden kunnen onderhouden, of zelfs een wetgever zich hnd kunnen
voorstellen dnt zij dit zouden doen ; tenzij hij mocht gewild hebben dat het vlccschgcbruik uitermate
beperkt werd: wat niet blijkt. l)e wet is alleen te begrijpen als eene onhandige poging om ecu oud
voorschrift in een nieuw kleed te steken. De oorspronkelijke verordening hield zeker in, dnt men geen
dier elders dan bij een der — toen nog talrijke — heiligdommen mocht slachten, natuurlijk met
aanbieding vnn een deel er vnn nan Jahwe. Toen zij ontstond, werd geen dier geslacht en geen maal-
tijd, althans geen vleeschiunal, gehouden, zonderdat daarbij door hein die den maaltijd aanrichtte werd
geofferd. Dit wns in het oog van de voorstanders der uitsluitende vercering van Jahwe afgoderij, en
ging ook zeker gepaard met allerlei dut hen ergerde, o. n. blocdgcbruik. Om die verkcerdheden uit
te roeien, werd verordend dnt men alleen bij Jahwe\'s heiligdom mocht slachten: wat onzinnig zou
geweest zijn. indien niet iedereen zulk een heiligdom in zijne nabijheid had gehad. De verordening
dagteckent dus uit den tijd voor Denleronomium. De verzamelaar nu van de Wet der Heiligheid,
evenals later de schrijver van Kzra\'s Wetboek, gewoon alle wetten nan Mozes toe to kennen en zo
voor te stellen nis gegeven nnn Israël gedurende de omzwerving, doet dit ook met deze, en stelt in
plaats van die heiligdommen het cenige in zijn oog wettige, den tabernakel, zonder zich rekenschap te
geven vnn de onuitvoerbnarheid der verordening die daardoor ontstond. Veel verstandiger handelde de
opsteller van Dcut. XII: 20—28; XV : 22 v., toen hij eensdeels het slachten geheel vrijliet, maar ook
ontdeed van nlle godsdienstige bcteekenis en het zoo tot eene bloot nlledangsche handeling maakte,
waarbij geen offer te pas kwam, terwijl hij anderdeels het blocdgcbruik streng verbood. Verg. hier-
ovcr vs. 10.
4.   als bloedstorling. Hoc de wetgever dit bedoelt, is niet duidelijk. Heeft hij het als moord ver-
nardccld, dnn knn zulk eene overdreven afkeuring bezwaarlijk wcerklnnk gevonden hebben onder
het volk.
5.  als dankoffers, omdat alleen met deze een maaltijd verbonden was.
7. de satyrs, faunen of veldgeesten, komen Jez. XIII: 21; XXXIV: 14 voor als huizende in puiu-
hoopen, en 2 Kron. XI: 15, evenals hier, als voorwerpen van goddelijke vercering; verg. op XIX: 0 v.
— naboeleeren. Zie op Exod. XXXIV: 15.
8 v. Hetzelfde verbod Dcut. XII: 25 v. on elders. Het is hier zeker aan vs. 1—7 toegevoegd om
ook de vreemden onder de wet te begrijpen; verg. op Exod. XII: 19.
-ocr page 192-
272                                      lkviticus XVII: 10—16.
10           Al wie uit het huis Israël en uit de vreemden die daaronder ver-
blijf houden bloed, in welken vorm ook, eet, ik zal mijn aangezicht
tegen den persoon die dat bloed gegeten heeft keeren en hem uit-
11        roeien uit het midden van zijn volk.\' Want de ziel van het lichaam
is in het bloed, en ik heb u dit op het altaar gegeven, om voor uwe
zielen verzoening te bewerken: want het bloed bewerkt verzoening
12       door de ziel. \' l>aarom zeg ik den Israëlieten: tleen uwer zal hloed
eten; ook de vreemde die onder u verblijf houdt mag geen bloed eten.\'
V,i En al wie uit de Israëlieten en uit de vreemden die onder hen ver-
blijf houden een stuk wild of een vogel waarvan het gebruik vrijstaat
14       vangt, moet het bloed er van uitstorten en met stof bedekken. \' Want
de ziel van elk lichaam is zijn bloed. Daarom zeg ik den Israëlieten:
(Jij zult van geen lichaam het bloed eten; want de ziel van elk lichaam
is zijn bloed. Al wie dit eet zal uitgeroeid worden.
15            En ieder die vleesch van een dier dat zijn natuurlijken dood gestor-
ven of verscheurd is eet, hetzij inboorling, hetzij vreemde, zal zijne
kleederen wasschen, een bad nemen en tot den avond onrein zijn; dan
1(5 zal hij rein wezen.\' Wascht hij zijne kleederen niet en neemt hij geen
bad, dan zal hij zijne schuld dragen.
10.   Verg. op Gen. IX: 4. — Het eten sluit ook het drinken in zich, zelf» de bevochtiging van de
lippen er mede.
11.   i/i\' ziel — bloed. l)c/.e verklaring van het gebruik het bloed op het oltaur te brengen komt
alleen hier en Dent. XII: 23 voor. Men mng haar derhalve niet honden voor eene algemeen gangbare
of erkende opvatting. — i/oor de ziel, die in het bloed is.
13 v. Terwijl vs. Mi handelt over het bloed vnn offerbarc dieren, is hier sprake van dat van niet
offerbnre, maar wier vleesch men mocht eten, herten, eenden en vele andere; verg. II. XI. Men bracht
zeker onder Israël, als elders, vau het neergelegde wild offers aan bosch-, water- en veldgeestcn en
gebruikte daarbij iets van het bloed.
14. Na het eerste Want — bloed heeft Hebr. t. nog in zijne ziel, wat volg. Or. vert. is weg*
gclateu.
15 v. /.ie op Kxod. XXII: 31. — Scherp is de tegenstrijdigheid tusschcu deze verordening, die ook
den vreemde het gebruik van zulk vleesch verbiedt, en Deut. XIV: 21, waar den Israëlieten vergund
wordt, liet hem ten gebruike nf te staan. Over de geringe hier voorgeschreven reiniging zie op
XI: 40.
lfi. tijne kleederen, volg. Gr. vert. ingevoegd.
HOOFDSTUK XVHI.
Kauaünictischc gruwelen. — Jahwe beveelt Mo/es, de Israëlieten te waarschuwen tegen de praktijken
cu inzcttiiigeu der Kgypteuaren en Knnaauietcn; alleen naar Jahwo\'s geboden mogen zij zich gcdra*
gen (1—5). Men trede niet in huwelijksgemeenschap met nabestaanden (0): eigen moeder, stiefmoeder,
halfzuster, kleindochter, dochter van \'s vaders vrouw, tante vnn vaders* of moederszijde, ooms vrouw,
schoondochter en broeders vrouw (7—10), vnn moeder en dochter of van twee zusters te gelijk (17 v.).
Voorts waehte men zich voor gemeenschap met cene vrouw tijdens hare stondeu (li)), overspel (20),
Molochoffers (21) cu tegennatuurlijke vermengingen (22 v.). Om die gruwelen zijn de Kunauuieten uit
hun land verdreven; men waehte er zich dan voor, om hetzelfde lot te ontgaan (21—30).
Deze wet handelt in vs. 0—23, evenals XX: 10—21, uitvoerig over bloedschnude en tegennatuur*
lijke geslachtszondeu. Dat in beide hoofdstukken deze zonden in een adem genoemd worden, is voor
ons zedelijk gevoel stuitend; zoo toch worden handelingen die elk ernstig mensch overal altijd heeft
verfoeid op éene lijn gezet met verbintenissen waarvan de meeste wel niet zonder reden worden
afgekeurd, manr waarvan enkele vroeger zonder aarzeling of schaamte door vrome mannen waren
aangegaan, ja, éene, het huwelijk met eene dochter van \'s vaders vrouw, d»« zoowel vun ecu ande*
ren vader als van eene andere moeder, voor ons gevoel onbedcukelijk is. Deze en de vereeniging met
eene halfzuster of het huwen met twee zusters te gelijk konden bezwaarlijk „Kanaiinictischc gruwe*
lcn" heeten. De zaak is hieruit te verklaren, dat de wetgevers tegen die gruwelen, waarin ontuchtige
praktijken ceue voorname plaats innamen, wilden waarschuwen en nu alle verbintenissen die hun on-
geoorloofd voorkwamen gingen opsommen, vergetende dat niet alle zulk eene scherpe veroordeeling
verdienden.
Deze wetgevers richtten zich, evenals hunne voorgangers, bijna uitsluitend tot den man. Alleen bij
-ocr page 193-
Luviricus XVIII: 1 —10.                                   273
ile waarschuwing tegen onnatuurlijke ontucht wordt van ilc vrouw als van een verantwoordelijk wezen
gesproken. Ken fijner /.edelijk gevoel it> echter in hunne bepalingen niet te miskennen, in zoover zij de
willekeur van den man in zijne verhouding tot de vrouwen poogden te beperken. Verbood de wet der
Tien Woorden alleen het overspel, zij gaan vele stappen verder en dringen hen, zich van vrouwen te
onthouden die naar hun inzicht uau die mannen tv na bestaan. Het beginsel waardoor zich althans de
opsteller van H. XVIII (zie vs. 0) laat le
47
iden is gebrekkig; ook doen de wetgevers geen poging om
de vcelwijvcrij af te schatren; maar het was reeds iets van belang, dat zij door hunne verordeningen
nadrukkelijk zelfbchcersching predikten en daardoor reinheid van zeden bevorderden.
Deze wet is zeker jonger duu Veuteronomium, waarin slechts éene bepaling omtrent blocdschnmlc
staat (XXII: 30). l)c slotvcrmaiiing, vs. 2t—30, is er bijgevoegd door den schrijver van Ezra\'s
\\Vct-
bock, die ook waarschijnlijk in vs. 1—5 wijzigingen heeft aangebracht.
XVIII: 1,3 Jahwe sprak tot Mozes: Spreek tot «Ie Israëlieten en zeg hun: \' Ik
3       ben Jahwe, uw god. \' (iij zult u niet gedragen als de Egyptenareu, in
wier land gij gewoond hebt; ook zult gij u niet gedragen als de Ka-
naiinieten, in wier land ik u ga brengen, noch in hunne inzettingen
4       wandelen. \' Mijne verordeningen zult gij onderhouden en mijne iuzet-
tingen in acht nemen, door daarin te wandelen: ik ben Jahwe, uw
6 god.\' Gij zult mijne inzettingen en verordeningen in acht nemen, bij
wier opvolging een mensch leven zal. Ik ben Jahwe.
6           Niemand uwer mag naderen tot vleesch van zijn eigen lichaam, om
7       eene schaamte te ontdekken. Ik ben Jahwe. \' De schaamte van uwen
vader en uwe moeder zult gij niet ontdekken: het is uwe moeder:
8       hare schaamte zult gij niet ontdekken. \' De schaamte van uws vaders
9       vrouw zult gij niet ontdekken: het is de schaamte uws vaders. \' De
schaamte uwer zuster, onverschillig of zij de dochter uws vaders of
die uwer moeder, of zij in huis of daarbuiten geboren is, hare schaamte
lü zult gij niet ontdekken.\' De schaamte der dochter van uwen zoon of
van uwe dochter zult gij niet ontdekken; want ze zijn uwe eigen
V». U. Kzcch. XX: 11, 13, 21; Kom. X:5; Gal. 111:12.
3. alt de Eyijplenaren. l)e grove onzedelijkheid en afgoderij waartegen Israël gewaarschuwd wordt
heetcn, uitgenomen Joz. XXIV: 14, alleen hier eu Kzcch. XX:7v. van Kgyptischcn oorsprong. Daar
het volgens den schrijver van vs. 21—30 uitsluitend Kaïiuünietischc gruwelen zijn, is het zeer waar-
schijnlijk dut de woordeu ook — brengen hier door hem zijn iugelaseht. Zie lul.
5. bij — zal. Volgt hij die verordening op, duu geniet hij Jahwe\'s gunst eu verkrijgt dus een lang
leven. In tegenstelling met deze goede geboden, heeteu verkeerde geboden Kzcch. XX: 25: iiizettiugen
waarbij men niet leven zal.
0. Dit is het beginsel waaruit de bijzondere bepalingen omtrent bloedschande, d. i. eene ongcoor-
lnul\'ile verbintenis, voortvlocieu. De wetgevers lieten zich hierbij niet besturen door uuttighcidsovcr-
wegingen. Het gevoel van betamelijkheid kwam — als onder andere volken — bij hen eu hunne
geestverwanten op tegen vercenigiiigcn met naaste verwanten. Onze schrijver maakt van dien afkeer
een beginsel: wie zulk eene verbintenis aangaat vergrijpt zich aan zijn eigen vleesch; die vrouwen
bestaan hein te na om zich met haar te vercenigen. Toen eenmanl het beginsel was uitgesproken, ging
het er mede als met de bepaling welke diereu rein en onrein waren (verg. inl. op II. XI): naar het
beginsel werden alle gevallen beoordeeld, en werd dientengevolge ook de eene of andere verbintenis
afgekeurd waartegen eigenlijk een ernstig mensch gecu bezwaar hebben kon; zie vs. 11.
7.   De verecuiging van iemand met zijne moeder heet tevens ecu vergrijp aan den vader, met wien
zij e\'en is; verg. Deut. XXII: 30; XXVII: 20. Vandaar dat de vereeniging met de stiefmoeder, v§. 8,
hiermede op eene lijn staat. Het slotwoord hel il uwe mortier (verg. vs. 13) bewijst dat het gevoel
van eerbied voor de moeder zich hierbij deed gelden.
8.   Verg. XX:ll; Gen. XXXV:82; XIdX:3v.; Deut. XXII-.30; XXVII:20; 1 Kron. V:l; Kzcch.
XXII: 10; 1 Kor. V:l.
1). Vereeniging van ecu man met zijne volle zuster — in de oudheid onder beschaafde volken som-
tijds, hoewel zelden, toegelaten — wordt hier niet genoemd, maar toch door het verbod der verbintenis
met de halfzuster zeer bepaald uitgesloten. Laatstgenoemde verbintenis, ook XX: 17 en Deut. XXVII:
22 verboden, kwam onder Israël in den koningstijd voor (2 Sam. XIII: 13) en werd toen niet, althans
niet algemeen, veroordeeld. Immers, men zou niet zonder afkeuring hebbeu verhaald dat Abraham
met zijne halfzuster gehuwd was geweest (Gen. XX: 12), indien men dit „een Kauaüuietischen gruwel"
achtte. — in huis of daarbuiten, cene halfzuster van vuderskunt was gewoonlijk iu huis geboren, eene
van moederszijde iu den regel daarbuiten, in ecu vroeger of later huwelijk.
10. Hier zouden wij het verbod der vermenging met eigen dochter verwachten; maar dit ontbreekt
zoowel in deze wet als in H. XX, misschien omdat het overbodig werd geacht. Doch zie Gen.
XIX: 80—38.
18
O. T. I.
-ocr page 194-
274                                      LBV1TICUS XVIII: 10—21.
11       schaamte. \' De schaamte der dochter van uws vaders vrouw, die voor
dochter uws vaders en voor uwe zuster geldt, zult gij niet ontdekken.\'
12       De schaamte der zuster uws vaders zult gij niet ontdekken: het is
13       uws vaders vleesch. \' De schaamte der zuster uwer moeder zult gij
14       niet ontdekken; want het is vleesch uwer moeder. \' De schaamte van
den hroeder uws vaders zult gij niet ontdekken; tot zijne vrouw zult
15       gij niet naderen: het is uwe tante. \' De schaamte uwer schoondochter
zult gij niet ontdekken; liet is de vrouw van uw zoon; daarom zult gij
1<> hare schaamte niet ontdekken. \' De schaamte van uws broeders vrouw
17       zult gij niet ontdekken: liet is de schaamte van uwen broeder.\' De
schaamte van eene vrouw en hare dochter zult gij niet ontdekken; ook
zult gij noch de dochter van haar zoon noch die van haar dochter
nemen om bare schaamte te ontdekken; zij zijn uw eigen vleesch; dat
18       is eene schanddaad. \' Ook zult gij geen vrouw bij hare zuster nemen,
tot medevrouw, om hare schaamte hij die der eerste, terwijl zij nog
19       leeft, te ontdekken. \' (jij zult ook tot eene vrouw zoolang zij onrein is
20       door hare stonden niet naderen om hare schaamte te ontdekken.\' Gij
zult ook met de vrouw van uwen naaste geen gemeenschap houden,
21       om u daardoor te verontreinigen.\' Ook zult gij van uwe kinderen geen
aan den Moloch doen overleveren, en aldus den naam van Jahwe, uwen
11. Verg. »1> vs. 0.
12 v. Desgelijks XX : 19.
14.   Desgelijks XX: 20. — het is uwe tante. Het Hebrecuwsche woord voor tante (dotla), afgeleid
viin een dut .liefde\' bctcekeut, deed zeker den Israëliet meer aan nauwe verwantschap denken dan het
Holliindsche woord ons doet; zoodat de herinnering het is vae tante, evenals „het is uwc zuster" of
„het is uw eigen vleesch", nadruk aan de waarschuwing tegen die verbintenis bijzette. — Het huwe-
lijk van oom niet nicht is niet verboden en is ook onder de Joden vaak voorgekomeu.
15.  Desgelijks XX: 12. Ken voorbeeld van zulk eene verbintenis Gen. XXXVIII: 18—20.
10. Desgelijks XX: 21. Dewijl voor het in Üeut. XXV : 5—10 besproken geval: dat eene vrouw
als kindcrlouze weduwe achterblijft — uls wanneer de broeder des overledenen verplicht is haar te
huwen — hier geen uitzondering gemaakt wordt, is die wet eigenlijk herroepen. De schriftgeleerden
hebben haar echter niet voor afgeschaft gehouden en zich vergenoegd met himr zooveel mogelijk krach-
teloos te maken, door weigering vuil het zwagerhuwelijk te bevorderen.
17.  moeder en dochter. Desgelijks XX: 14; Deut. XXVII: 23. — uw eigen vleesch, volg. Gr. vert.
18.  medevrouw, zeer onzekere vertaling; anderen om vijandschap te verwekken; nog anderen samen.
Op grond van dit vers verbiedt de Kngelsche wetgeving een man, na den dood zijner vrouw haar zus-
ter te huwen; wat zeker de bedoeling des wetgevers niet geweest is, getuige het bijvoegsel terwijl zij
nog leeft.
— Dat de Israëlieten in den koningstijd er geen kwaad in zagen dat iemand twee zusters
te gelijk tot vrouw had leert Gen. XXIX: 10—30.
19.   Verg. XX: 18; Kzech. XVIII: 6; XXII: 10.
20.  Overspel is herhaaldelijk op straffe des doods verboden, XX: 10; Deut. XXII: 22 enz.
21.  Moloch, een godsnaam, volgens de uitspraak der Gr. en andere oude vertt.; Hebr. t. heeft steeds
Molech. Zoo is evenwel de naam nooit uitgesproken. Hij luidde waarschijnlijk Malk of Melech, wut
,koning\' beteckcut, evenals Uitkom of Milkam (zie op 1 Kou. XISS en op Set\'. 1:5); maar de schrift-
geleerden die bij de overgeleverde letters de klinkers plaatsten vervingen de ware klinkers door die
van het woord boosjeth, .schande\', om aan te duiden dat men, bij de voorlezing in de synagoge, in
plaat.» van den godsnaam, dit lezen moest (verg. op Kxod. 111:14 en op 2 Sum. 11:8). Blijkt hieruit
dut zij het woord voor den eigennaam ceuer bijzondere godheid hie
62
lden, dan hebben zij zich evenzeer
hierbij vergist als bij den naam van den Baiil (zie op lticht. 11:11). Het woord de melech toch heeft
in de weinige plaatsen waar het als naam van een god voorkomt, XX: 2—5; 2 Kon. XXIII: 10; Jer.
XXXII: 35 (verg. 1 Kon. XI: 7 en op Jez. XXX: 33), altijd het lidwoord, en was ecu bijnaam of
ecrctitel der godheid, haar waarschijnlijk bij voorkeur gegeven in de heiligdommen waar, bij de ge-
legenheden wanneer, of door de inenschcn door wie offers vun menschen, bepaald van kinderen, aan
haar gebracht werden. Dus bij Israël een ecrenaam van Jahwe. Dat aan dezen, evengoed als aan de
goden van vele volken waarmede Israël in aanraking gekomen is (zie 2 Kon. 111:27; XVII: 31), wel
eens menschen geofferd zijn, blijkt o. a. uit Uicht. XI: 30—40; Hoz. XIII: 2; verg. op Xum. XXV : 4.
Waarschijnlijk was het bij vele Israëlieten van oudsher gebruik, het oudste kind hem te offeren; zie
Deut. XII: 31; Kzech. XX; Micha VI: 6 v.; inl. op Geu. XXII en aant. op Kxod. XIII: 2. Hij Jeruzalem
werd dit offer gebracht in eene heilige plaats, genaamd het tofeth (zie op 2 Kon. XXIII: 10), in het dal
van den zoon van Hinnoin, ten zuiden der stad. Sedert wanneer dit heiligdom daar bestond, weten wij
niet; maar de koningen Ahaz eu Manasse hebben er een hunner zonen geofferd (2 Kon. XVI: 3; XXI:
6). Door Jozia is het ontwijd (2 K on. XXIII: 10.1. Het offeren van kinderen heet nu eens: overleveren
of wijden aan den Moloch, dan weder: overleveren of wijden door het vuur, soms kortweg: verbranden,
waaraan natuurlijk het slachten voorafging; zie de reeds aangehaalde plaatsen eu Deut. XVIII: 10;
Jez. XXX:32v.-, Jer. VII: 81; XIX: 5 v.; XXXII: 35; Ezech. XVI:20v.; XX: 26, 31. Dat de god-
-ocr page 195-
LBV1TICD8 XVIII: 21—30.                                      275
22       god, ontheiligen. Ik ben Jahwe.\' Bij een man zult gij niet liggen als
23       bij eene vrouw; dat is iets afschuwelijks.\' Ook zult gij met geenerlei
«lier gemeenschap hebben, waardoor gij onrein zoudt worden: noch zal
eene vrouw met een dier te doen hebben. Dat is eene tegennatuurlijke
vermenging.
24            Verontreinigt u door geen dezer handelingen; want door dit alles
25       zijn de volkeren verontreinigd die ik voor u uit ga wegdrijven.\' Zoo
is het land onrein geworden, heb ik zijne schuld daaraan thuis gezocht,
20 en heeft het land zijne bewoners uitgespuwd.\' Onderhoudt gij dan
mijne inzettingen en verordeningen en bedrijft geen dezer afschuwelijk-
heden: noch een inboorling, noch een vreemde die onder u verblijf
27       houdt doe dat!\' Want al die afschuwelijkheden hebben de bewoners
des lands die daar voor u woonden bedreven, en daardoor is het land
28       onrein geworden.\' Laat dan het land u niet uitspuwen omdat gij het
verontreinigd hebt, zooals het de volkeren die er voor u gewoond heb-
29       ben uitgespuwd heeft.\' Want al wie eene dezer afschuwelijkheden be-
\'30 drijft, zij die ze bedrijven zullen uitgeroeid worden uit hun volk.\' Neemt
dus uw plicht jegens mij in acht, door geen der afschuwelijke inzet-
tingen te betrachten welke vóór u nageleefd zijn; opdat gij er u niet
door verontreinigt. Ik ben Jahwe, uw god.
heid te wier ecre dit afschuwelijk brandoffer gebracht werd Jahwe was leert onk nu/e plaat*, waar,
evenals XX: 3, het „meeleveren van kinderen min den Moloch" MM ontheiliging vim zijn naam heet;
waaruit volgt dat zijn naam daarbij werd aangeroepen — al ia het woord aldus duidclijkhcidshnlvc
in de vertaling ingelnscht. Het blijkt mede uit Kzech. XX : 25 v.; XXIII: 37—80. Maar het ia na-
ttiurlijk, dat de bestrijders van die godsverecring zeiden dat zulk een olfer niet aan Jahwe, maar aan
den Httiil of aan afgoden werd gebracht; /ie 1\'». OVI:37; Jcr. XIX: 5; XXXII: 85; K/.ecli. XVI:
17—21. Kvcnzoo werden beelden, ook de si inbeelden van Dan en licthcl, die toch ongetwijfeld Jahwe
voorstelden, vaak afgoden of andere goden genoemd en tegenover Jahwe gesteld i/ie op Kxod. XX: 5).
Of het kinderotfer nog tin den val van Jeruzalem gebracht in, weten wij niet; verg. inl. op Jez. LVI :
9—IA II : 13./. Dat het hier en XX: 1—5 zoo nadrukkelijk verboden wordt bewijst alleen dat de achrij-
vers dezer wetten den ondergang des lands mede aan het Molocltoirer toeschreven.
22.   Deze gruwel was onder Israël niet ongewoon; zie Gen. XIX : 4—0; Richt. XIX : 22; Hom. 1: 20 v.;
1 Kor. VI\'. 10. Iu XX: 13 wordt er de doodstraf op gezet.
23.   Hiertegen waarschuwen ook XX:15v.; Exod. XXII: 19; üeut. XXVII:21.
24.   de volkeren — wegdrijven, de Kanaiinietcn. In vs. 3 worden ook de Kgyptcnaren schuldig gc-
noerad aan al de zonden waartegen deze wet waarschuwt. Maar uit vs. 25—30 blijkt dat de schrijver
dezer slotvermaning alleen aan de Kanaiinietcn denkt. Waarschijnlijk is hij dus een ander dan de
opsteller der wet zelve. Hij verliest ook te eenen male hare inklecding uit het oog; daar hij van de
verdrijving der Kanaiinieten als van iets dat in het verleden ligt gewaagt. Dat hij tot de jongere
schrijvers der wet behoort leert de plaats die de vreemdeling vs. 26 inneemt; verg. op Exod.
XII: 19.
28, Laai — uitspuwen. De schrijver laat hier dreigen met eene straf waaronder hij en zijne tijdge-
nooten zuchtten. — de — hebben, volg. de meeste oude vertt.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
HOOFDSTIK XIX.
Verschillende wetten. — Jahwe beveelt Mozes, den Israëlieten, op grond van zijne heiligheid, te
gelasten (1 v.): hunne ouders te eeren en Jahwe\'s rustdagen te onderhouden (SS); geen afgoden te
dienen (4); het vleesch van het dan korter niet langer dan twee dagen te eten (5—8); van den oogst
een deel aan de armen over te laten (9 v.); niet onrechtvaardig te zijn, ook niemand te haten, maar
den naaste lief te hebben als zich zelven (11—18); het ongelijksoortige niet te vermengen (19), geen
geslachtsgemeenschap te houden met eene verzegde slavin (20—22); wat de vruchtboomen in de ecr-
ste drie jaren voortbrengen te laten hangen en de opbrengst van het vierde jaar aan Jahwe te wij-
den (23—25); geen bloed te nuttigen eu zich van allerlei afgodische gebruiken ver te houden (20—
31); den ouderdom te eeren (32); den vreemdeling lief te hebben en niemand door knevelarij te kwel-
lcn (33—36); zóo alle inzettiugen van Jahwe te onderbonden (37).
Al zijn sommige gedeelten dezer verzameling met eenige zorg geschikt, in haar geheel is zij zeer
bont en eenheid ontbreekt. De reden zal wel zijn dat zij uit wetten van onderscheiden herkomst is
samengesteld; waaruit ook verklaard kan worden dat de Israëlieten nu eens in het enkelvoud, dan
weer in het meervoud worden toegesproken. Vs. 8A, 21 v. schijnt ingevoegd te zijn bij de opneming
dezer wet in Ezra\'s Wetboek.
-ocr page 196-
270
tEVlTICOS XIX: 1 — 16.
XIX: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Spreek tot de geheele gemeente der
Israëlieten en zeg hun: Heilig zult gij zijn; want heilig ben ik, Jahwe,
uw god.
ï$            Ieder uwer vreeze zijne moeder en zijn vader en onderhoude ïuijne
sabbatten. Ik ben Jahwe, uw god.
4            Wendt u niet tot de afgoden en maakt u geen gegoten goden. Ik
ben Jahwe, uw god.
5            Wanneer gij aan Jahwe een dankoffer brengt, moet gij het zoo offe-
(5 ren dat het u ten goede komt.\' Op den dag waarop gij het offert en
op den daarop volgenden moet het gegeten worden: wat er op den
7       derden dag van over is moet verbrand worden.\' Indien er op den der-
den dag iets van gegeten wordt, zal het iets bedorvens zijn en het
8       offer u niet ten goede komen.\' üok zal wie het eet zijne schuld dra-
gen; want hij heeft iets dat aan Jahwe heilig is ontwijd: daarom zal
die mensen uitgeroeid worden uit zijn volk.
9            Wanneer gij dat wat op uw veld staat inoogst, moet gij een hoek
van uwen akker onafgemaaid laten en wat van de halmen valt niet
11) opgaren.\' Ook in uw boomgaard zult gij geen nalezing houden, noch
de verstrooide vruchten opgaren. Aan de armen en vreemden zult gij
een en ander overlaten. Ik ben Jahwe, uw god.
11            (iij zult niet stelen, noch toevertrouwd goed loochenen, noch de
12       een den ander bedriegen.\' Ook zult gij bij mijn naam niet leugenachtig
zweren en zik) den naam van uwen god ontheiligen. Ik ben Jahwe.\'
13       Gij zult aan uwen naaste niets afpersen noch hem berooven; de ver-
dienste van een huurling zal niet bij u overnachten tot den morgen.\'
14       Een doove zult gij niet vloeken, aan een blinde geen struikelblok in
den weg leggen; maar gij zult vreezen voor uwen god. Ik ben Jahwe.\'
15       (iij zult geen onrecht bij het rechtspreken begaan; bet gelaat van den
behoeftige niet opheffen, noch dat van een aanzienlijke opluisteren:
1(5 naar recht zult gij uwen naaste oordeelen.\' Gij zult niet als een onrust-
Va. 26. XI:44v.; XX:7; 1 Pctr. 1:10. — V». 9 v. XXIII:22.
3.   Ieder — vader. Killer* wordt de vuiler vóór de moeder genoemd, Kxod. XX: 12; XXI: 15, 17;
I*v. XX:\'J; Dcut. XXVII: 16; Spreuk. XX: 20; XXX: 17; verg. op XXI: 2. Zie verder op Kxod.
XX: 12.
4.    Wendt u niet, om godspraak of hulp, niet uwc beden cu offers. — a/t/oden. Het Hcbreeuwsche
woord, hier voor iiuderc goden dim Jahwe gebezigd, komt in de wet alleen nog XXVI : 1 voor, mcer-
mulcu in verschillende boeken vnu het O. \'1\'., het meest in Jezaja. Het is, uuur het schijnt, een
schimpnanm, van het woordje niet afgeleid, en beteckeut dus eigenlijk ,ecn niet-god\'. — gegoten goden.
Zie Kxod. XXXIV: 17.
5.  :óo — kmiil: wat alleen het geval was wanneer het volgens Jahwe\'s wil en wet gebracht werd.
7 v. Deze bepaling komt uict geheel overeen met VII: 15; XXII : 29 v., waar ten aanzien van éene
soort van dnnkotfi-rs wordt verordend dat het vlecseh zelfs niet tot den tweeden dag mug overblijven.
9 v. Een hoek van het veld niet af te maaien, geen nalezing te houden en eene schoof opzettelijk
achter te laten zijn gebruiken van godsdienstigen oorsprong, die onder allerlei volken bestaan hebben:
het achtergeblevene was eene gave aan den god der plaats, wiens eigendom men bij het oogsten weg-
nam, en moest dienen om hem gunstig te stemmen; opdat hij het volgend juar zijn zegen geven
mocht. Verg. vs. 23 en op XXV: 2—7. Onze wet maakt, evenals Dcut. XXIV : 19—22, van die waar-
schijnlijk ook onder Uru-l annvaiikclijk afgodische handeling eene daad van barmhartigheid. — boom-
gaard.
Het aldus vertaalde woord duidt gewoonlijk alleen den wijngaard aan, maar wordt hier zeker
in ruimer zin genomen; Dcut. XXIV: 20 vermeldt met name de olijfboomcii.
10.  vreemden. Zie op Kxod. XXII: 21.
11.   Verg. Kxod. XX: 15. — toevertrouwd goed, duidelijkheidshalve ingevoegd; verg. Exod. XXII:
7—13; Lev. VI:2v.
12.   Verg. Kxod. XX : 7, 16; Jer. XXXIV: 16.
13.   Verg. VI:2v.-, I)eut. XXIV: 14 v.; Jsc. V : 4.
14.   Verg. Dcut. XXVII: 18; Job XXIX: 15. Door een doove te vloeken berokkende men hem, naar
men inecude, evenzeer nadeel als eeneu blinde door hem te doen struikelen. Zijn xij weerloos tegen
zulk eene slechte behandeling, Jahwe is hun wreker; dus ontzie men hen uit vrees voor hem.
15.   Verg. op Kxod. XXIII: 2 v. en 3. — het gelaat... ophef en. Verg. op Gen. XIX : 21.
16.  een onriuttluker. In het aldus vertaalde woord zijn twee begrippen uitgedrukt: dat van het om-
-ocr page 197-
LBvracus XIX : 16—25.                                       277
stoker onder uw volk verkeeren, noch staan naar het hloed van uwen
17       naaste. Ik ben Jahwe.\' Koester geen haat tegen uwen broeder; onbe-
wimpeld zult gij hem terechtwijzen en geen zonde om hem op u
18       laden.\' Wreek u niet en wrok niet tegen uwe volksgenooten, maar
heb uwen naaste lief als u zelven. Ik ben Jahwe.
19           Mijne inzettingen zult gij onderhouden: gij zult geen tweeërlei vee
laten paren, uw veld niet met tweeërlei zaad bezaaien, geen kleed van
20       tweeërlei, van gemengde stof, dragen.\' Wanneer iemand gemeenschap
houdt met eene slavin die aan een man verzegd en niet vrijgekocht
of vrijgelaten is, dan beloopt hij straf; ter dood gebracht worden zal
21       hij niet, omdat zij nog niet vrijgelaten was.\' Ook zal hij zijn schuld-
offer aan Jahwe naar den ingang van de tent der samenkomst brengen,
22       een schuldofferram,\' en de priester zal voor Jahwe\'s aangezicht verzoe-
ning voor hem bewerken met den schuldofferram, wegens de zonde die
hij bedreven heeft; zoo zal hij vergiffenis erlangen van de zonde die
hij bedreven heeft.
23            Wanneer gij in het land komt en eenigerlei boom plant die eetbare
vruchten draagt, zult gij de vrucht als zijne voorhuid beschouwen;
drie jaren lang zal hij u als onbesneden gelden: er mag niet van ge-
24       geten worden;\' in het vierde zullen al zijne vruchten eene heilige
25       dankgave voor Jahwe zijn;\' eerst in het vijfde zult gij zijne vrucht
eten. Opdat hij zijne opbrengst voor n moge vermeerderen. Ik ben Jahwe,
uw god.
Vs. 184. Matth. XXII: 89 j Rom. XIII: 9 ; Gal. V:14; Jac. 11:8.
zwerven en dat der onbetrouwbaarheid; het duidt du» een man aan die de menschen uithoort, wat hij
verneemt openbaar maakt, en zoo menigeen in het verderf stort; verg. Spr. XI: 13; XX: 19; .Ier.
VI: 28; IX: 4; Ezech. XXII: 9.
17.   Verg. Kfoz. IV: 26. — en — lailen, omdat gij door hem niet te bestraften zijn medeplichtige
zijt geworden; verg. Kzcch. 111:17—21.
18.  heb — zelosn. De zedelijke waarde van dit beroemd gebod hangt voor een groot deel af van
de betcekenis die men te hechten heeft aan het woord naaale, dat in dit hoofdstuk zoo vaak voor-
komt. Ken scherp bepaalden zin heeft het niet; het beduidt zooveel nis „mi ander". Pat de Jood daarbij
onwillekeurig alleen aan den volks- en geloofsgenoot dacht blijkt uit dit vers. In vs. 34 wordt
het gebod der liefde tot den nuastc ook op den vreemde toegepast; maar deze was ook half volks-
en geloofsgenoot; zie op Kxod. XII: 19. l)e buitenlanders en heidenen zijn niet onder r/en ntuute
begrepen.
19.   Drie voorschriften van zeer verschillenden oorsprong worden hier naast elkander gezet en,
omdat zij cenige onderlinge overeenkomst vertoonen, voorgedragen als uitvloeisels van écn lwginsel —
de afkeuring van elke onnatuurlijke vermenging. Dit geschiedt niet zonder miskenning van de be-
docling der oude bepalingen die de wetgever voor oogen had. Nastaarden, b. v. muilezels en muildie-
ren, hebben de Israëlieten althans van Davids tijd af gebruikt (2 Sam. XIII: 29; XVIII: 9; 1 Kon.
1:33; XVIII: 5 enz.), en er is geen reden om te betwijfelen dat zij zelven ze fokten. De bepaling die
den wetgever tot het stellen van dit verbod geleid heeft is Peut. XXII: 10. Kveuzoo is het voorschrift
een veld niet met tweeërlei zaad te bezaaien aan Deut. XXII: 9 ontleend. Verg. over de beteekenis
er van aldaar. Het verbod van klcederen van tweeërlei stof vinden wij ook Deut. XXII: 11, en wel
met de verklaring dat het niet uit wol en linnen mocht geweven zijn. Welke de reden dier afkeuring
is, weten wij niet.
20.   Dit verbod is waarschijnlijk na vs. 19 geplaatst omdat de hier afgekeurde verecniging eene
onnatuurlijke vermenging kou herten. — In de vertaling der laatste woorden van het vers is Sam. t.
gevolgd; Hcbr. t. dan zal er ttraf zijn en zullen zij niet. De vertaling van het woord hier door die
verzegd ia
overgezet is onzeker. Waarschijnlijk is bedoeld dat zij aan een vrij man als slavin-bijzit
toegezegd is (verg. Kxod. XXI: 7—11); wat geen verloving kon herten, want een vrij man kon eene
slavin niet huwen. Vandaar dat, terwijl ontucht met een verloofd vrij meisje als overspel gestraft
werd (Deut. XXII: 23), hij die eene slavin onteerde met eene lichter straf vrijkwam. Welke, wordt
niet bepaald; de schriftgeleerden hebben er de gceseling op] gezet.
23—25. De oorsprong van dit, hier tot-wet gemaakt, gebruik is waarschijnlijk dezelfde als in vs.
9 v.: men schroomde, zich de vruchten toe te eigenen voordat de godheid het hare er van had gehad.
Eene toespeling op dit gebruik Deut. XX: 0.
24.   dankgave. Het hier gebezigde woord komt alleen nog Richt. IX: 27 voor. De bedoeling is dat
die vruchten aan Jahwe vervielen.
25.   eertt, duidelijkheidshalvc ingevoegd. De woorden Opdat — vermeerderen slaan niet terug op
vs. 25a, maar op vs. 23 v.
                         ,
-ocr page 198-
LBV1T1CUS XIX : 2(3—34.
278
2(5          Gij zult niet eten op de bergen, geen wichelarij plegen, noch orakels
27       spreken.\' Gij zult aan den rand van uw hoofdhaar geen ronden vorm
28       geven, noch den rand van uw baard verminken.\' Ook zult gij geen
sneden in uw lichaam maken wegens een doode, noch figuren in uwe
29       huid branden. Ik ben Jahwe.\' Gij zult uwe dochter niet ontwijden door
haar te doen hoereeren; opdat het land niet hoereere en van schand-
30       daden vervuld worde.\' Mijne sabbatten zult gij houden en mijne heilige
31       zaken ontzien. Ik ben Jahwe.\' Wendt u niet tot de onderaardsehe gees-
ten en de demonen; tracht u daardoor niet te verontreinigen. Ik ben
Jahwe, uw god.
32            Voor de grijsheid zult gij opstaan, het gelaat van den bejaarde zult
gij opluisteren en vreezen voor uwen god. Ik ben Jahwe.
33            Wanneer in uw land bij u een vreemde verblijf houdt, zult gij hem
34       niet kwellen;\' met den inboorling, een der uwen, zal voor u de vreemde
Vs. 30. XXVI: 2.
26.   Gij — berge», volg. Gr. vert.; Hebr. t. Gij zult niet eten met bloed. Dit verbod komt herhaaU
delijk voor; zie op Gen. IX: 4; maar hier voegt het slecht bij „gecu wichelarij plegen" en de andere
heidenschc praktijken waartegen hier gewaarschuwd wordt. Het eten op de bergen d. i. deelnemen aan
afgodische offermaaltijden, komt ook voor Ezcch. XVIII: 6, 11, 15; XXII:\'J; XXX1I1:25 (volgens
dezelfde tekstverbetering als hier); verg. Jez. LVII:7; LXV:7; Kzech. VI: 13. — t/een — spreien.
In Deut. XVIII :lUv. worden wichclaars en orakelsprekcrs naast verscheidene andere soorten van too-
venaars en waarzeggers opgenoemd. Het is onmogelijk, van elk der daar gebezigde tennen uit te ma-
ken wat er onder verstaan wordt. Van de twee hier gekozen woorden werd het eerste waarschijnlijk
gebruikt van iemand die uit de vlucht van vogels en andere natuurverschijnselen den wil der god-
hcid navorschtc, het tweede van menschen die in duffe tonen hunne godspraken gaven. Twee andere
soorten vermeldt vs. 31.
27.   Gij — geve». Dit was gebruik bij sommige Arabische stammen, die het haar rondom wegscho-
ren en alleen een bos op den schedel lieten staan, Jer. IX: 20; XXV: 23; XL1X : 32. Wis had het,
evenals het op bepaalde manier korten of afscheren van knevel en bakkebaard, ecu godsdienstigen
oorsprong en was het ook onder Israël niet ongewoon. Het wordt hier, evenals XXI: 5, als afgodisch
verboden.
28.   Ook — doode. Desgelijks Deut. XIV : 1. Zich in rouw met de nagels of ecu scherp werktuig
ten bloede toe Ie krabben of te snijden, zelfs ernstiger te verwonden of te verminken — b. v. eeue
oorlel of een vingcrlid af te snijden, een pijl of mes door de hand te steken — was bij vele volken
in gebruik. Tot in de Hallingschnp was het naast het geheel of gedeeltelijk kaal scheren vau het hoofd
bij Israël en zijne buren zeer gewoon (XXI: 5; Job 1:20; Jez. 111:24; XV:2; XXII : 12; Jer. Vil
29; XVI : 0; XL1: 5, XLVll: 5; XLVIII: 37; Kzech. VII: 18; XUV : 20; Amos Vlll: 10; Mieha I:
10). Ken en ander diende tot verzoening der vertoornde godheid. — figuren — branden. Het tatoeëe-
ri\'ii moge vaak allecu tot versiering gediend hebben, bij allerlei volken kwam het gebruik voor, be-
paaldc figuren in de huid te prikken of te branden tot aanduiding dat men zich aan cene godheid
wijdde of lid cener orde was; evenals slaven met het merk van hun heer werden geteckend. Iets der-
gelijks geschiedde ook wel tot eer van Jahwe; verg. op Kxod. XIII1 0 en op Jez. XLIV : 5. Het slot
ik ben Jahwe toont dut het voorgaande om het afgodisch karakter der handeling verboden wordt.
29.   Het verband waarin dit verbod staat bewijst, dat de wetgever niet het oog heeft op vaders die
huniic dochters uit winzucht veil boden, maar op de praktijken der zoogenaamde g< wijden, die zich
tot eer der godheid prijsgaven; verg. op Gen. X.XXVlll:15. Daarom wordt hier het woord ontwijden,
in plaats van verontreinigen, gebezigd; evenzoo XXI: 7, 14. Dnt dit gebruik door sommigen met de
vercering van Jahwe werd verecuigd leert Deut. XXIII: 17 v.
30.   Dit staat hier niet zonder bcteckenis. In plaats van al die afgodische praktijken, moet de Is-
raëliet Juhwc\'s geboden onderhoiidcu, waaronder sedert de wegvoering de sahbatvicring steeds meer
cene hoofdplaats innam. — mijne heilige zaken, volgens veranderde klinkers; Hebr. t. mijn heiligdom.
Hedocld worden, behalve het heiligdom, het altaar en de heilige voorwerpen, zaken ala otfcrvlcesch;
zie vs. 8.
31.   Dit vers zou beter passen bij vs. 26, maar besluit hier de reeks der waarschuwingen tegen nf-
godische praktijken die met dat vers begint. — onderaardsehe — demonen. De beide hier gebezigde
Hebreeuwsche nnmen vau geesten komen naast elkander voor XX: 6, 27; Deut. XVIII: 11; 2 Kon.
XXI:6; 2 Kron. XXX11I:6; Jez. VIH:19; XIX:3; alleen de eerste 1 Som. XXVIII: 3—25; Jex.
XXIX: 4. Wat deze beteckeut, weten wij niet; de tweede beteekent ,een wetende\'. Blijkbaar werden
zij geacht in verband te staan met de onderwereld en raadpleegde men door hunne bemiddeling de
doodcu; wat volg. Deut. XVIII: 11 ook op andere wijze geschieden kon.
32.  opslaan, uit ontzag; verg. Gen. XXXI: 35; Job XXIX: 8. De grijsheid heet Spr. XVI: 31; XX:
29 eerbiedwaardig. Waar de achting voor den ouderdom ontbreekt hcerscht losbandigheid, Jez. 111:
5; XLVI1:6; Klaagl. IV: 16; V: 12. Daar de ouderen in den regel overheidspersonen waren, Kxod.
III: 16 enz., wordt de vrecze voor God met hunne eerbiediging op éene lijn gezet; verg. op Exod.
XXII: 28.
33 v. Zie op Exod. XXII: 21.
-ocr page 199-
lbviticüS XIX : 34—XX : 3.
279
die bij u verblijf boiult gelijkstaan; gij zult hem liefhebben als u zel-
ven; want gij zijt vreemden in Egypteland geweest. Ik ben Jahwe, uw
85 god.\' Gij zult geen onrecht in rechtszaken begaan, in lengtemaat, ge-
36       wicht of inhoudsmaat; zuivere weegschalen, zuivere gewichten, eene
zuivere maat en eene zuivere stoop zult gij hebben. Ik ben Jahwe, uw
37       god, die u uit Egypteland heb uitgeleid.\' Gij zult al mijne inzettingen
en al mijne verordeningen in acht nemen. Ik ben Jahwe.
35 v. Deze waarschuwing sluit zich goed nan bij die vun va. 33 v.; daar vreemden, <1. i. arme Ka-
iiaünietcu, evenals weduwen en weezen, vaak veel te lijden hadden van de oneerlijke praktijken der
machtigen. Dat ook hooggeplaatste!! dikwerf de winsten niet versmaadden door onzuivere maten en
gewichten verkregen leert Kssech. XIA\': 7—12.
36. gewichten. Verg. op Dcut. XXV : 13. — maat, eigenlijk eene van bepaalden inhoud, bijna vccr-
tig liter, hier de maat voor droge waren. — sloop, eigenlijk cene maat van zes en eene halve liter,
hier de maat voor natte waren.
HOOFDSTUK XX.
Tegen Molochoffer en bloedschandc. — Jahwe verbiedt door Mozes den Israëlieten op straffe des
doods Molochoffer» (1—6), alsmede het raadplegen van ondcraardschc geesten (6). Daarentegen moeten
zij heilig zijn en Juhwc\'s geboden onderhouden (7 v.), zich wachten voor het vloeken van vader en
moeder (8 v.), overspel (10), gemeenschap met stiefmoeder en schoondochter (11 v.), en van man met
man (13), huwelijk met moeder en dochter (14), ontucht met dieren (15 v.), huwelijk met halfzuster
(17), gemeenschap met eene vrouw in hare stonden (18), huwelijk met moeders of vaders zuster, ooms
of broeders vrouw (19—21). Zij moeten Jahwe\'» inzettingeu in acht nemen, opdat het hun niet verga
als den Kanaünieten (22—24a); zooals Jahwe hen onderscheiden heeft van andere volken, moeten zij
onderscheid maken tusschen reine en onreine dieren (244, 25), aan Jahwe geheiligd zijn (26) en zich
niet in gemeenschap stellen met onderaardsche geesten (27).
Volledigheid en orde laten in dit hoofdstuk veel te wenschen over; blijkbaar is het samengesteld
uit verschillende stukken (zie op vs. 3—5, 6, 10), en zijn enkele verzen verwijzingen naar uitvoeriger
wetgevingen, hier wellicht verkort om onnoodige herhalingen te vermijden (zie op vs. 25), terwijl
de vermaning vs. 22—24a waarschijnlijk opgesteld is door den schrijver die het uit verschillende
deelcn samenstelde.
Het hoofdonderwerp is het verbod der bloedschandc; evenals in H. XVIII. Het aantal der afge-
keurde verbintenissen is hier minder groot dan daar; maar hier wordt er bijgevoegd welke straf er
op staat, meestal die des doods; enkele malen worden de schuldigen alleen met kastijding door Gods
hand, uitroeiing of kinderloosheid, bedreigd. Meer nog dan bij II. XVIII hindert ons hier het gemis
vau zuiver zedelijk gevoel. De schrijver toch past de woorden die hij bezigt om grove onzedelijkheid
te brandmerken: gruwclstuk, gruweldaad, iets vuils, ook toe op een huwelijk met moeder en dochter
te gelijk, met ccue tante en broedersvrouw (vs. 14, 19 v., 21), en vermeldt de cerstgenoemdo verbintenis
tusschen de allcronzcdclijkstc handelingen in. Verg. inl. op II. XVIII.
XX: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' En tot de Israëlieten zult gij zeggen: Al
wie uit de Israëlieten en uit de vreemden die onder Israël verblijf
houden van zijn kroost aan den Moloch geeft zal zeker ter dood ge-
3 bracht worden; \'s lands bevolking zal hem steenigen.\' En ik zal mijn
2. En. Uit dezen aanhef blijkt wellicht dat deze geboden oorspronkelijk volgden op voorschriften
die tot anderen dan tot alle Israëlieten, b. v. tot priesters, gericht waren. — den Moloch. Zie op
XVIII: 21. — steenigen. Deze doodstraf wordt meer dan eenige andere in de wet vermeld (vs. 27;
XXIV: 14—28; Num. XV:35v.; Dcut. XIII: 10; XVII: 5; XXI: 21; XXII: 21, 24; verg. Exod.
XXI: 28 v., 32) en schijnt dus de gewone in Israël geweest te zijn; verg. Ezcch. XVI: 40; Joh. VIII :
5. Dit ligt ook in den aard der zaak: eene verbitterde menigte grijpt — vooral in een bergland —
het eerst naar stcenen, om daarmede een dien zij wil straffen te treffen (Exod. XVII: 4; 1 Sam. XXX:
6; 1 Kon. XII: 18), en uit het volksrecht is de wet gegroeid. Men zal oudtijds bij de voltrekking
wel geen vaste orde gevolgd hebben: ieder die er deel aan nam wierp zoo goed hij kon, totdat de
veroordeelde dood was of scheen. Het was dus eene zeer wreede straf. Ten einde hare hardheid te
verminderen, hebben de schriftgeleerden getracht de voltrekking te regelen, en schreven hiertoe voor,
dat de veroordeelde van eene hoogte moest gestooten worden, waarna een der getuigen (verg. Deut.
XVII: 6) hem met ecu zwaren steen op het hart werpen moest, zoodat hij spoedig dood, althans bc-
wusteloos, was.
8—5. Blijkbaar past vs. 3 niet na vs. 2. Nadat het volk don overtreder reeds gestcenigd heeft,
behoeft Jahwe hem niet meer uit te roeien. Vs. 4 v. is óf het vervolg van vs, 2, öf later toegevoegd,
-ocr page 200-
280                                        i.bviticub XX: 3—17.
aangezicht richten tegen dien man en hem uitroeien uit het midden
zijns volks, omdat hij van zijn kroost aan den Moloch gegeven heeft,
um mijn heiligdom te verontreinigen en mijn heiligen naam te ontwij-
4       den. \' En indien V lande bevolking de oogen sluit voor dien man, als
hij van zijn kroost aan den Moloch gegeven heeft, zoodat zij hem niet
5       ter dood brengt, \' dan zal ik mijn aangezicht keeren tegen dien man
en zijn geslacht, en hem, benevens allen die hem nagevolgd zijn om
den Moloch na te boeleeren, uitroeien uit het midden van hun volk.\'
6       Ook tegen den mensen die zich wenden zal tot de onderaardsche gees-
ten en demonen, om hen na te boeleeren, zal ik mijn aangezicht rich-
ten en hem uitroeien uit het midden zijns volks.
7           Daarentegen zult gij u heilig gedragen en heilig zijn; want heilig
8       ben ik, Jahwe, uw god.\' (Jij zult mijne inzettingen onderhouden en
9       ze betrachten. Ik ben Jahwe, die u heilig. \' Want ieder die zijn vader
of moeder vloekt zal zeker ter dood gebracht worden; zijn vader ot
10       moeder heeft hij gevloekt: zijn bloed is op hem.\' Als iemand over-
spel bedrijft met de vrouw van zijn naaste, dan zullen zij, èn de over-
11       speler èn de overspeelster, zeker ter dood gebracht worden.\' Iemand
die bij de vrouw van zijn vader ligt heeft de schaamte van zijn vader
ontdekt; beiden zullen zeker ter dood gebracht worden: hun bloed is
12      op hen.\' Als iemand bij zijne schoondochter ligt, zullen beiden zeker
ter dood gebracht worden: eene tegennatuurlijke verbintenis hebben
13       zij aangegaan: hun bloed is op hen.\' Als iemand bij een man als bij
eene vrouw ligt, hebben beiden iets afschuwelijks bedreven; zij zullen
14       beiden ter dood gebracht worden: hun bloed is op hen. \' Wanneer
iemand dochter en moeder huwt, is dat eene schanddaad; men zal hem
en die twee verbranden; opdat geen schanddaad in uw midden zij.\'
15       Een man die een dier bijwoont zal zeker ter dood gebracht worden;
1(5 ook het dier zult gij ombrengen. \' Ook als eene vrouw tot eenigerlei
dier nadert om er mede te doen te hebben, zult gij èn de vrouw èn
het dier ombrengen; zij zullen zeker ter dood gebracht worden: hun
17 bloed is op hen.\' Wanneer iemand zijne zuster huwt, hetzij zijns vaders,
betzij zijner moeder dochter, zoodat hij hare schaamte ziet en zij de
zijne, dat is eene schande: zij zullen ten aanschouwen hunner volksge-
V». 7. XI: 44a. — V». 9. Exod. XXI: 17; Matth. XV: 4; Mare. Vil: 10.
om de tegenspraak tusschen vs. 2 en vs. 3, die wellicht uit verschillende oorkonden stammen, op
te heffen.
8. om — ontmijden. Den Molochvercerders wordt hier door den wetgever als bedoeling toegedicht,
wat volgens hem het gevolg hunner handelwijze was; verg. op Jcz. XXX: 10 v. Over den Moloch zie
op XVIII: 21.
6.   Verg. op XIX : 31. l)nt dit verliod, waarop vs. 27 de doodstraf gezet wordt, op dat van het Moloch-
offer volgt wijst waarschijnlijk op den nauwcii samenhang dier praktijken; verg. op Peut. XVIII: 10 v.
7.  heilig ben ik, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. it ben.
8.  die « heilig. Zie op Kxod. XXXI: 13.
9.  zijn bloed it op hem, d. w. i. dat zijn bloed vergoten wordt heeft hij zichzclven te wijten; geen
bloedschuld rust daardoor op degenen die hem om het leven brengen. Verg. Joz. 11:19; 2 Siuu. I:
16; 1 Kon. 11:87; Ezceh. XVIII: 13; XXXIII: 4.
10.  Verg. Kxod. XX: 14; Lev. XVIII: 20; Deut. XXII: 22. — iemand — van. Uit staat in grondt,
tweemaal.
11.  Zie op XVIII: 8.
12.  Verg. XVIII: 15.
13.  Zie op XVIII: 22.
14.  Verg. XVIII: 17. — verbranden. Hoe deze straf, die alleen nog XXI: 9 verordend wordt, doch
onder Israël niet ongewoon was (Gen. XXXVIII: 24; Joz. VII: 15, 25), werd voltrokken, weten wij
niet; waarschijnlijk op een mutsaard. De schriftgeleerden hebben haar zoeken te verzachten door vooi
te schrijven dat den veroordeelde kokend metaal iu de keel zou gegoten worden.
15 v. Verg. XVIII: 23; Kxod. XXII: 19; Deut. XXVII: 21.
17. Verg. XVIII: 9. — In de bedreiging is iets dubbelzinnigs: eerst staat het meervoud zij tullen,
daarna het enkelvoud hij zal (Gr. vert. zij culten). — eene tchande. Zie op Spr. XVI: 34.
-ocr page 201-
281
LEV1TICUS XX: 17—XXI: 2.
nooten uitgeroeid worden. Hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt;
18       hij zal zijne schuld dragen. \' Indien iemand hij eene vrouw gedurende
hare maandstonden ligt en hare schaamte ontdekt, hare hron ontbloot,
en ook zij de bron van haar bloed ontdekt, dan zullen beiden uitge-
19       roeid worden uit het midden van hun volk.\' üok zult gij de schaamte
van de zuster uwer moeder of van uws vaders zuster niet ontblooten;
want wie dit doet heeft zijn eigen vleesch ontbloot; zij zullen hunne
20       schuld dragen. \' Een man die bij zijne tante ligt heeft de schaamte
van zijn oom ontdekt; zij zullen hunne zonde dragen en kinderloos
21       sterven.\' Wanneer iemand de vrouw van zijn broeder huwt, is dit
een vuil stuk; hij heeft de schaamte van zijn broeder ontdekt; zij
zullen kinderloos zijn.
22           Gij zult al mijne inzettingen en verordeningen onderhouden en be-
trachten; opdat het land waarheen ik u brengen ga om daarin te
23       wonen u niet uitspuwe. \' En gij zult niet wandelen in de inzettingen
der natiën die ik voor u uit ga verdrijven; want omdat zij dit alles
24       gedaan hebben heb ik een afkeer van hen gekregen\' en tot u gezegd:
Gij, gij zult hun land in bezit nemen, en ik zal het u in erfelijk bezit
geven, een land overvloeiende van melk en honing. Ik ben Jahwe, uw
25       god, die u heb onderscheiden van de volkeren; \' maakt gij dan ook
onderscheid tusschen het reine en het onreine vee, het onreine en het
reine gevogelte, en bezoedelt u zelven niet aan vee of gevogelte of iets
dat op den aardbodem kruipt, dat ik voor u onderscheiden heb door
26       het onrein te verklaren.\' Gij zult mij heilig zijn; want heilig ben ik,
Jahwe, en ik heb u onderscheiden van de volkeren, opdat gij mij zoudt
27       toebehooren. \' En een man of vrouw, wanneer in hen een onderaardsche
geest of demon is, zal zeker ter dood gebracht worden; men zal hen
steenigen: hun bloed is op hen.
18.  Verg. XVI1I:19. l)e wetgever zegt niet dat incn hen ter dood moet brengen; Jahwe neemt
de bestraffing op zich.
19.  Verg. XVIII : 12 v. Van deze verbintenis zegt de wetgever niet, welke straf er op staat. —
wie dit doet (letterlijk hij). — ontbloot. Verg. XVIII: 6.
20.  Zie op XVIII: 14.
21.  Zie op XVIII: 16.
22—24a. Eene dergelijke slotvermaning ook in XVIII: 24—80.
23.  der nati\'cn, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
24.  een land — honing, als Exod. IIT: 8 en elders.
25.  Misschien ging hieraan oorspronkelijk eene wet op de onreine dieren, als H. XI, vooraf. —
ieti — kruipt, ongedierte, XI: 20—31.
27. Verg. vs. 6. — De hier gebezigde uitdrukking: iemand in wien een geest is, leert duidelijk,
dat de wetgever, evenmin als iemand in zijn tijd, er aan twijfelde dat die geesten bestonden en die
waarzeggers inderdaad door hen bezield werden. Of het al dan niet van \'s menschen wil afhing zulk
een geest in zich te hebben, komt niet in aanmerking; wie dat ongeluk heeft moet gesteenigd worden.
HOOFDSTUK XXI: 1—15.
De reinheid van den priester. — De priester mag, als een aan Jahwe gewijd man, zieh alleen bij
een sterfgeval in zijn naasten kring verontreinigen en moet cenige teekenen van rouw mijden (1—6);
ook mag liij geen vrouw nemen op wie ccuc smet kleeft (7 v.); de pricstersdochter die oneerbaar
leeft worde ter dood gebracht (9). De hoogepriester mag zich bij geen sterfgeval verontreinigen en
geen tceken van rouw aannemen (10—12); hij mag nllccii eene maagd huwen (18—15).
XXI: 1 Jahwe zeide tot Mozes: Zeg den priesters, Aarons zonen: Geen hunner
2 verontreinige zich onder zijn volk aan een doode,\' behalve aan een
1. Over de verontreiniging door een mcnschcnlijk en de middelen om haar weg te nemen zio Num.
XIX. Ook bij andere volkeu moesten de priesters zich wachten voor aanraking van een lijk.
2 v. Dezelfde uitzonderingen Ezcch. X 1,1 V : 25, waar, evenals hier volg. Sam., Or. en Syr. t., de vader
aan de moeder voorafgaat; Hebr. t. moeder, vader. — hem dut na bestaat. Was zij eenmaal ge-
-ocr page 202-
282                                       leviticüb XXI: 2—15.
il zijner naastbestaanden, vader, moeder, zoon, dochter of broeder.\' Ook
aan zijne zuster die nog maagd is en hem dus na bestaat, die niet
4       aan een man toebehoord heeft, zal hij zich verontreinigen, \' zoodat hij
5       ontwijd wordt.\' Zij zullen zich geen kaalte maken op hun hoofd, noch
den rand van hun baard wegscheren, noch in hun lichaam sneden
o\' makea. \' Heilig zullen zij zijn aan hun god en zijn naam niet ont-
wijden, omdat zij de vuuroti\'ers van Jahwe, het brood van hun god,
7       opdragen; daarom zullen zij heilig zijn.\' Eene vrouw van ontuchtig
gedrag en eene ontwijde zullen zij niet huwen, noch eene die door
8       haar man verstooten is; want hij is heilig aan zijn god. \' (rij zult hem
als heilig bebandelen, omdat hij het brood van zijn god opdraagt; een
9       heilige zal hij o zijn: want heilig ben ik, Jahwe, die hen heilig.\' En
wanneer eens priesters dochter zich ontwijdt door ontuchtig te leven
ontwijdt zij haar vader; zij moet verbrand worden.
10           Maar de priester die hooger is dan zijne broeders, op wiens hoofd
de zalfolie is uitgegoten en dien men het wijdingsoffer heeft doen bren-
gen om de kleederen te dragen, mag zijn haar niet laten loshangen
11       noch zijne kleederen inscheuren. \' Ook zal hij in geen huis komen
waarin een doode ligt; zelfs aan zijn vader en moeder zal hij zich niet
12       verontreinigen.\' Het heiligdom zal hij niet verlaten, opdat hij het hei-
ligdom van zijn god niet ontwijde; want de wijding der zalfolie van
13       zijn god is op hem. Ik ben Jahwe.\' En hij zal eene vrouw in maag-
14       delijken staat huwen;\' eene weduwe, eene verstooten of ontwijde vrouw
of eene van ontuchtig gedrag, geene van dezen mag hij huwen, maar
15       eene maagd uit zijn volk zal hij tot vrouw nemen;\' opdat hij geen
ontwijd kroost onder zijn volk verwekke; want ik ben Jahwe, die
hem heilig.
trouwd, dan was die bloedverwantschap verzwakt. — zal hij zich verontreinigen, d. i. mag hij
dat doen.
4.  zoudat hij ontwijd wordt. Hieraan gaat in Hebr. t. vooraf niet verontreinigd tal worden een heer
onder zijn roti,
wat geen zin geeft. Wellicht heeft er gestaan hij zal zich niet verontreinigen aan zijne
getrouwde zuiter.
5.  Verg. op XIX : 27 en 28 en Deut. XIV: 1. Door de hier genoemde rouwtcekenen wordt Jahwe\'s
naam ontwijd (vs. 6). De vs. 10 vermelde zijn den gewonen priester niet verboden.
6.  hel brood van hun god. Zou heeten de offers alleen nog vs. 8, 17, 21 v.; XXII: 25; verg. Mal.
1: 7. Het tweede heilig staat in den Hebr. t. in het enkelvoud, in den Sam. t. en alle onde vertt.
in het meervoud.
7.  ontwijde. Wellicht ceno die zich ter cere van Astortc heeft prijsgegeven; zie op XIX: 20.
8.  hen, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. u.
8. ontuchtig te leven. De wetgever bedoelt niet een enkelen misstap, maar een voortdurend oneer-
baren wandel. Verg. Deut. XXII: 21. üver het verbranden zie op XX: 14.
10. Dezelfde bepalingen geeft Kzech. XLIV:20 voor al de Sadokietcn. Over de zalving des hooge-
priesters zie Exod. XXIX: 7; Lev. VIII: 12. — dien — brengen, letterlijk dien men de hand gevuld
heeft;
zie op Exod. XXVIII: 41. — de kleederen, het heilig gewaad, Exod. XXV1I1: 1—39 beschre-
vcn. — mag — inscheuren. Deze teckeneu van rouw, ook bij de beschrijving vau den melaatsche
vermeld, XIII: 45, worden X : fi ook den gewonen priester verboden; in vs. 5 is dit het geval niet.
12. De bedoeling is, niet dat de hoogepriestcr moet wonen in het heiligdom, maar dat hij het niet
moet verlaten om aan begrafenis of rouwbetoon deel te nemen en zoo onrein te worden. Desgelijks X : 7.
13 v. Do gewono priester mocht ook ceno weduwe huwen (vs. 7).
14.  of, achter vrouw ingevoegd volg. Sam., Gr. en Lat. t. — uit zijn volk. Dit betcekent niet ceno
vau priesterlijke afkomst, maar cene vrouw van zuiver Israclictischen bloede. Aan de gewone priesters
wordt dit niet geboden, maar het lag zeker in de bedoeling van den wetgever. Ten tijde van Ezra
en Nehemja waren de priesters hierop volstrekt niet streng. (Ezra IX: 2; X:18—44; Neh. XI11:28 v.)j
later zijn zij er zeer stipt in geworden; verg. op 2 Krou. XXII: 11.
15.  ontwijd kromt, kinderen die onbevoegd zijn tot het priesterschap. — die — heilig, die hem
tot mijn dienst als priester afgezonderd heb en zijne heiligheid handhaaf. Desgelijks vs. 8, 23 enz.;
verg. XX: 8.
HOOFDSTUK XXI: 10—XXII: 16.
Tegen de aanraking van het heilige door onreinen en onbevoegden. — Een afstammeling van Aaron
die een lichaamsgebrek heeft mag niet in het heilige komen of het altaar bestijgen, maar wel van de
-ocr page 203-
288
LBVIT1CU8 XXI: 16—XXII: 7.
heilige spijzen eten (XXI: 16—24). Dit zal hij niet doen wanneer hij onrein is, voordat hij zich ge-
reiuigd heeft (XXII: 1—7); hij mag zich niet verontreinigen door niet goed geslacht vlccsch te nut-
tigen (8 v.). Geen leek etc van de heilige spijs, behalve de slaven van den priester (10 v.) en in som-
mige gevallen de dochter des priesters (12 v.); eet een leek er bij vergissing van, dan bctnle hij boete
(14)j den priesters is opgedragen, te zorgen dat de Israëlieten zich niet aan de heilige spijzen ver-
grijpen (15 v.).
XXI: 1(), 17 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zeg aan Aiiron: Wanneer iemand van
uwe nakomelingen, ook in volgende geslachten, een lichaamsgebrek
heeft, zal hij niet naderen om het brood van zijn god op te dragen:\'
18 niemand die een lichaamsgebrek heeft zal naderen, geen blinde of
kreupele, niemand bij wien een lichaamsdeel verminkt of uitgewassen
19,20 is,\' niemand die een gebroken been of arm heeft,\' geen bultenaar,
dwerg of d rui poog, niemand die schurft, uitslag of eene liesbreuk heeft.\'
21       Wanneer iemand uit de nakomelingen van den priester Aiiron een
lichaamsgebrek heeft, zal hij niet toetreden om de vuuroffers van Jahwe
op te dragen: hij heeft een lichaamsgebrek; hij zal niet toetreden om
22       het brood van Jahwe op te dragen.\' Hij mag wel het brood van zijn
23       god, de hoogheilige en de heilige spijzen, eten,\' maar niet tot het voor-
hangsel komen, noch toetreden tot het altaar, omdat hij een lichaams-
gebrek heeft; opdat hij mijn heiligdom niet ontwijde; want ik ben
24       Jahwe, die hen heilig.\' En Mozes zeide het aan Aiiron, zijne zonen
en alle Israëlieten.
XXII: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zeg aan Aiiron en zijne zonen, dat zij
zich behoedzaam gedragen ten aanzien van de heilige gaven die de
Israëlieten mij wijden; opdat zij mijn heiligen naam niet ontwijden.
3       Ik ben Jahwe.\' Zeg hun: Voor u, ook in volgende geslachten, geldt,
dat ieder man uit uwe gansche nakomelingschap die terwijl hij in
onreinen toestand verkeert nadert tot de heilige gaven welke de Israë-
lieten aan Jahwe wijden, dat die mensch zal uitgeroeid worden van
4       voor mijn aangezicht. Ik ben Jahwe.\' Niemand van Aarons nakomelin-
gen die melaatsch is of eene zaadvloeiing heeft mag van de heilige
spijzen eten, voordat hij rein geworden is. En wie iemand of iets aan-
raakt dat door een nienschenlijk verontreinigd is, of wie eene zaadloo-
5       zing heeft gehad,\' of wie eenigerlei ongedierte of een mensch waaraan
men onrein wordt aangeraakt heeft — welke verontreiniging het ook
0 zij —\' de mensch dan die een van deze aanraakt is onrein tot den
avond en zal niet eten van de heilige spijzen, tenzij hij een bad ge-
7 nomen hebbe;\' doch wanneer de zon is ondergegaan is hij rein, en
daarna mag hij van de heilige spijzen eten; want het is zijn brood.\'
10. Bcen- en armbreuken werden oudtijds gebrekkig behandeld; zoodat het gebroken lid gewoonlijk
krom bleef.
20. die schurft... of eene liesbreuk heeft, onzekere vertaling.
22.  de hoogheilige en de heilige spijzen, waarschijnlijk een toevoegsel tot verklaring van het brood van
zijn god
(zie op vs. 6), waarmede hier alleen bedoeld worden de gedeelten der otfers die aan de pries-
ters ten deel vielen. Deze zijn, volgens de jongere wetgevers, tweeërlei, hoogheilige of heilige. Hoog-
heilig heetten de toonbrooden (XXIV: 0) en het aandeel der priesters van de meel-, zond- en schuld-
ofTors (11:3, 10; Vl:17, 25 v., 2»; VII: 1, 0; X:12; XIV:Ï3; Num. XV\'1II:9); alleen de manlijke
Aaronicten mochten, als zij rein waren, deze spijzen in het voorhof eten. De heilige warcu die ge-
deeltcn van het dankoffcr die den priesters werden gegeven (Kxod. XXIX: 27; Lev. VII: 31—34; X:
14 v.; XXIII: 20; Num. VI: 20), de eerstelingen van den oogst, de eerstgeborenen van het vee, de
tienden en het met den banvloek belegde (Num. XVIII); al hetwelk op eene reine plaats ook door
alle familieleden der priesters, mits zij rein wnren, gegeten mocht worden.
23.   het voorhangsel, tusschen het heilige en het allerheiligste, Eiod. XXVI: 31—33. De bedoeling
is waarschijnlijk dat hij niet in het heilige mag komen.
4v. Verg. XIII, XIV; XV; Num. XIX: 11—22; ook Lev. XV: 16; XI: 29—42; XIII: 45; XV: 5,
7. Evenals hier den priesters verboden wordt in onreinen staat de heilige spijs te gebruiken, wordt
VII: 20 v. den leeken verboden wanneer zij onrein zijn vleesch van dankoffers te eten.
-ocr page 204-
ijjviticüs XXII: 8—19.
284
8       Vleesch van dieren die hun natuurlijken dood gestorven of\' verscheurd
zijn raag hij niet eten; hij zou er zich door verontreinigen. Ik hen
9       Jahwe.\' Zij zullen hunne plichten jegens mij waarnemen en in dezen
geen zonde op zich laden; want zij zullen sterven wanneer zij het ont-
wijden. Ik hen Jahwe, die hen heilig.
10           Geen leek zal van het heilige eten; geen opgezetene van een priester
11       en geen daglooner zal van het heilige eten.\' Maar wanneer een priester
voor geld een slaaf koopt, dan mag die er van eten; ook de slaven
12       die in zijn huis gehoren zijn, zij mogen eten van zijn brood.\' De
dochter van een priester die met een leek gehuwd is mag niet eten
13       van de heilige gaven:\' maar wanneer de dochter van een priester
weduwe geworden of door haar man verstouten is, terwijl zij geen
kinderen heeft, en in kaars vaders huis terugkomt, evenals in hare
jeugd, dan raag zij van haars vaders brood eten. Maar geen leek mag
14       daarvan eten —\' eet iemand bij ongeluk iets heiligs, dan moet hij
het, met een vijfde van de waarde vermeerderd, aan den priester ver-
15       goeden — \' opdat zij de heilige gaven der Israëlieten, die dezen aan
16       Jahwe afstaan, niet ontwijden\' en geen zondeschuld op hen laden,
door van hunne heilige gaven te eten; want ik ben Jahwe, die hen
heilig.
8. Hetzelfde schrijft Ezech. XLIV : 31 voor. Allen Israëlieten wordt dit verboden XI:40; XV1I:15;
Exod. XXII : 31.
10.   leek, hier gebezigd in den zin van iemand die niet tot het gezin van een priester behoort. —
opgezetene ran een jirietter. Hiermede wordt waarschijnlijk iemand van nict-Israélietischc afkomst be-
docld die tijdelijk in het huis of op het goed van een priester verblijf houdt, als gast, znakwaarne-
mer, rond reizend kramer of handwerksman. Verg. XXV :6; Exod. XII: 45 en/..
11.   Verg. Gen. XVII: 13; Exod. XII: 44. De slaven worden geacht leden van het gezin te zijn.
— stare» — zijn, volg. Sam. t. en de oude vertt.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
12.  Zij heeft opgehouden lid van haars vaders huis te zijn.
13.   in — terugkomt. Verg. Gen. XXXVIllïll. — geen leek, dus ook hare kinderen niet, als zo-
nen en dochters van ecu nict-pricstcr; want bij elke wettige verbintenis kwam het kind in den stand
van zijn vader. Ook de weduwe zelve bleef in geval zij kinderen had tot het geslacht van lmnr man
behooren.
14.   Uit vers is hier blijkbaar later ingclascht; want het snijdt de zinsnede van vs. 18, 15 in
tweeen. Iets dergelijks wordt voorgeschreven V : 10 ten aanzien van dcngciic dio iets van het heilige
ontvreemd heeft; behalve de teruggave met het vijfde der waarde er bij wordt doar van hem nog
een schuldoffer verlangd.
15.   De waarschuwing tegen de ontwijding der heilige spijzen wordt tot de priesters gericht, omdat
zij in de besproken gevallen, als meesters in hun huis, er tegen kunnen waken.
HOOFDSTUK XXII: 17—33.
De vercischten van een geldig otfer. — Elk offerdier zij gaaf; hetgeen voor brandoffer dient zij boven-
dien vsn het manlijk geslacht (17—22); bij een vrijwillig offer zijn de eischen minder streng dan
bij een dat volgens cene gelofte gebracht wordt (23); geen gesneden dier mag ten offer dienen, hetzij
uit het land zelf afkomstig hetzij vnu een heiden gekocht (24 v.). Van deu achtsten dag nadat het
geworpen is mag een dier geofferd worden (20 v.)j maar het jong niet op deuzclfdcii dag als de moe-
der (28); van het vleesch der lofoffcrs mag niets een dag overblijven (29 v.). Onderschrift (31—33).
Blijkbaar is vs. 17—25 hier geplaatst om de overeenkomst in beginsel met XXI: 10—XXII :9: de
priester en het offerdier moeten beiden vlekkeloos zijn. Daarbij voegde de wetgever een paar bepalin-
gen over offers die evengoed elders hadden kunnen staan.
XXII: 17, 18 Jahwe zeide tot Mozes:\' Spreek tot Aaron, zijne zonen en alle
Israëlieten en zeg hun: Ieder uit het huis Israël of uit de vreemden
in Israël die zijne gave brengt, hetzij volgens eenigerlei gelofte hetzij
19 vrijwillig, wat men ook aan Jahwe ten brandoffer brengt,\' moet, zal
het u ten goede komen, een gaaf manlijk dier brengen, van runderen,
18.   hetzij — vrijwillig. Dezelfde onderscheiding VII: 10 en elders.
19.  zal — komen. Verg. op XIX: 6.
-ocr page 205-
LBVITICTB XXII : 19—33.
285
20       schapen of geiten.\' Niets dat een lichaamsgebrek heeft zult gij brengen;
21       want dit zou u niet ten goede komen.\' (Jok wanneer iemand een dank-
ofl\'er aan Jahwe brengt, hetzij om eene gelofte te betalen hetzij vrij-
willig, van runderen of kleinvee, zoo zal het alleen indien liet gaaf
22       is u ten goede komen: geen lichaamsgebrek mag het hebben.\' Een
blind dier of een dat een gebroken of een verminkt lid, zweren, schurft
of uitslag heeft zult gij niet aan Jahwe brengen, noch een daarvan
23       ten vuuroffer voor Jahwe op het altaar leggen.\' Een rund of schaap
dat een te lang of te kort lid heeft moogt gij wel als vrijwillige gave
24       offeren, maar voor een gelofteoffer wordt het niet toegerekend.\' Een
dier dat door wrijven, pletten, wringen of snijden ontmand is zult gij
25       niet aan Jahwe brengen. In uw land zult gij het niet doen,\' en van
een buitenlander zult gij geen dezer dieren koopen, om ze als brood
voor uwen god op te dragen; want er kleeft eene smet aan: zij hebben
een lichaamsgebrek; het zou u niet ten goede komen.
20, 27 Jahwe sprak tot Mozes: \' Een kalf, lam of geit zal na geworpen te
zijn zeven dagen onder de moeder blijven; van den achtsten dag af
en later kan het ten goede komen als eene vuuroffergave aan Jahwe.\'
28       Maar gij moogt geen rund of schaap met zijn jong op denzelfden dag
29       slachten.\' Brengt gij een lofoffer aan Jahwe, dan moet gij het zoo
30       offeren dat het u ten goede komt:\' op denzelfden dag moet het ge-
geten worden; gij moogt er niets van overlaten tot den morgen. Ik
ben Jahwe.
31           Gij zult mijne geboden onderhouden en betrachten. Ik ben Jahwe.\'
32       Gij zult mijn heiligen naam niet ontwijden: ik moet geheiligd worden
33       te midden der Israëlieten. Ik ben Jahwe, die u heilig,\' ik, die u heb
uitgeleid uit Egypteland, om u tot God te zijn. Ik ben Jahwe.
20. Deze regel, ook I Vut. XV: 21 -. XVII: 1 voorgeschreven, ligt in den aard der zaak eu bestond
ook bij andere volken. Dat men, ook in Israël, er zich niet altijd aan hield leert Mal. 1:8—11.
22.   Van enkele namen van lichaamsgebreken is de vertaling onzeker. — een gebroken ...lid. Verg.
op XXI: 19. — e/m verminkt lid, b. v. afgesneden oor of staart.
23.  dat — keeft, onzekere vertaling.
24.   In — doen. Wat hiermede bedoeld wordt, is zeer onduidelijk. De schriftgeleerden hebben
hierin het verbod van het lubben zelf gevonden.
25.  geen dezer dieren, de vs. 21 besehrevene. — koopen, om ze, duidelijkheidshalve ingevoegd.
27.  Verg. Exod. XXII: 30.
28.  Verg. Deut. XXII: Cv.; ook Gen. XXXII: 11.
29 v. Verg. VII: 15, ook XIX : 5—8.
HOOFDSTUK XXIII.
Jahwo\'s fecstgetijden. — Opschrift (1 v.); de sabbat (3). Nieuw opschrift (4); het paaschfeest met
de dagen der ongezuurde brooden (5—8). De aanbieding van de schoof (9—14). Het pinksterfeest
(15—22). De eerste dag der zevende maand (23—25). De verzoendag (20—32). Het loof huttenfeest
(33—30). Onderschrift (37 v.) Nadere bepalingen omtrent het loof huttonfecst (39—13). Onderschrift (44).
Reeds de inhoudsopgave leert dnt dit hoofdstuk geen geheel uitmaakt, zóo door een schrijver opgc-
steld ; immers, het heeft twee opschriften, door vs. 3 van elkander gescheiden, en op het onderschrift
vs. 37 v. volgen nog, vs. 39—43, bepalingen ten aanzien van het loof huttenfeest, dat reeds besproken
was, en in vs. 44 een onderschrift dat niet bij vs. 36—13 maar bij de geheele feestlijst behoort.
De lezing van het hoofdstuk doet ons ook ras een paar tegenstrijdigheden opmerken: volgens vs. 34
duurt het loof huttenfeest zeven dagen, maar volgens vs. 36 komt er nog een achtste dag bij, die er
ook vs. 39 bijgerekend wordt. Voorts passen de twee bepalingen over het begin van loofhutten in v>.
39 slecht bij elkander (zie aldaar).
Blijkbaar ligt aan het hoofdstuk eene oudere wet ten grondslag, waarin de sabbat en de drie groote
feesten — paschen met de dagen der ongezuurde brooden, pinksteren en loofhutten — besproken
werden, de laatste zonder nauwkeurige bepaling van de dagen der maanden waarop zij moeiten ge-
vierd worden; evenmin als dit Eiod. .VIII: 3—10; Deut. XVI: 1—17 en in den oudsten vorm van
-ocr page 206-
286                                            LBV1TICUB XXIII : 1—3.
Lev. XVI geschiedt. I)c overwerkcr, de schrijver van Ezra\'s Wetboek, bepaalde daarentegen den tijd
nauwkeurig, breidde de lijst uit door inlassching van den eersten dag der zevende maand en den
verzoendag, en voegde in hetgeen hij overnam een paar bij hem geliefde termen in, als ruttdag, heilige
vierdag,
misschien meer. Van hem is ongetwijfeld vs. 5—8, 23—38.
Het verschil ten aanzien van de dagteekening staat in verband met de geschiedenis van de lsraëlic-
tische feesten.
Oorspronkelijk hingen zij alle met het leven der natuur samen ; \'s volks grootste hoogtijden waren
landbouw- en veeteeltfcesten, dus uit den aard der zaak niet aan bepaalde dagen van den kalender
te binden: zij werden in het eene jaar vroeger dan in het andere gevierd, naardat de dieren gewor-
pen hadden, de grancu konden gemaaid worden, de vruchten, vooral de druiven, rijp waren. Ook
vielen zij soms in verschillende dceleu des lands op onderscheiden dagen (zie op 1 Kon. XII: 32).
Vaak zal men intusscheu hebben gehandeld in gemeen overleg, waarbij dan de priesters der meest
bezochte heiligdommen, waar de koningen en andere aanzienlijken hunne fecstgaven brachten, eene
beslissende stem hadden. Nadat de wet van Deulermomium was afgekondigd, heeft hnogstwnarschijn-
lijk de Jeruzalemsche priesterschap telkens bepaald, wanneer het paschen, pinksteren en loofhutten
zijn zou.
Intusschcn streefden Israëls toongevers op godsdienstig gebied er ernstig naar, alle feesten los te
maken van landbouw en veeteelt, door ze te stempelen tot nationale gedenkdagen (verg. inl. op Exod.
XII: 1—XIII: 16); wat in ons hoofdstuk vooral met loofhutten geschiedt, vs. 39—43. En waren het
nationale gedenkdagen, dan kon ook worden bepaald, op welken dag zij moesten gehouden worden
(verg. op vs. 4). Wel kon men zich onmogelijk geheel losmaken van het jaargetijde, indien men de
oude gebruiken in eerc wilde blijven huuden; maar de invoeging van ccue schrikkelmaand kwam aan
deze moeilijkheid te gemoet (zie op Exod. XII: 2) en maakte dat men eens eu voor al bepalen kon:
den 14den der maand Niznn zal het paschen zijn, den loden officieel de oogst geopend en de gersten-
schoof gebracht worden. Zoo ook met de andere feesten.
Ons hoofdstuk bevat geenszins eene volledige lijst van Israëls godsdienstige feesten. De wet kent
nog de nicuwcmancn, Num. XXVIII: 11—15; verder vinden wij in het bock JSWef het purimfeest.
Buitendien werden ongetwijfeld van uudsher, hetzy algemeen hetzij in enkele streken, andere gevierd,
die \'s volks toongevers, nl wilden zij het wellicht doen, niet kouden nfschalfeu of doodzwijgen. Hiertoe
behoorden zeker de later zeer geliefde AanuModagen, omstreeks den kortstcn dag van het jaar, die
oorspronkelijk wel hutrekking zullen gehad hebben op het lengen der dagen. Met verscheidene dezer
hoogtijden is het gegaan als met de bovenvermelde nntuurfecstcn. Purim werd herdenking van de
redding der Joden uit de handen van Hunian; de hanukkadagen werden gemaakt tot het feest van de
reiniging des tempels door Judas den Mnkknbccr, in 165 voor Chr., nndat het heiligdom drie jaren
lang aan Jupiter gewijd was geweest (1 Makk. IV: 36—59 j 2 Mukk. X: 1—8 enz.). Is dit dus eerst
in de voorlaatste of laatste eeuw vóór onze jaartelling geschied, nog jonger is de wijding van het
pinksterfeest aan de wetgeving op den Sinai.
Wat de fccstgcbruikcn betreft, de jongere wetgeleerden volgden hierin dezelfde lijn als de oudere:
sommige werden zooveel mogelijk in vergetelheid gebracht. Ons hoofdstuk is het eenige in de wet
dat een paar oude volksgebruiken op loofhutten vermeldt en voorschrijft; maar het laat andere die
niet minder in cere wnreu weg, waarschijnlijk omdat ze voor te heidensch doorgingen (zie op vs. 42).
En ten nnuzicii van alle hier en elders, Num. XXVIII, XXIX, vermelde feesten beijveren zich de
schrijvers om aan de viering eene stemmige kleur te geven; waartoe zij sabbntsrust en utfers, bij den
verzoendag ook streng vusten, voorschrijven. l)e schriftgeleerden zijn op dien weg voortgegaan: menig
godsdienstig gebruik dat de wet onvermeld liet of — zooals het trompetten op nieuwjaarsdag —
nauwelijks aanroerde, hebben zij tot plicht gemaakt en nauwkeurig omschreven, terwijl zij tevens alle
omlijstten met offers en, vooral na den val des tempels in 70 na chr., met gebeden.
Zoo werden de oude feesten steeds meer in overeenstemming gebracht met de nieuwere opvatting
van den godsdienst.
XXIII: 1,2 Jahwe zeide tot Mozes:\' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun:
De feestgetijden van Jahwe, die gij als heilige vierdagen zult afkon-
3 digen, zijn de navolgende; dit zijn mijne feestgetijden:\' zes dagen zal
2.  feettgtlijden. Deze naam voor „feesten", die ook Gen. 1:14; Jez. 1:14 en elders voorkomt, be-
teekeut eigenlijk ,de vastgestelde gelegenheden\'. — heilige vierdagen. Zie op Kxod. XII: 16. — a/ion-
digen.
Dit was eigenlijk overbodig, daar ieder den dag vooruit wist; maar het oude gebruik bleef
in eere.
3.   De wetgevers laten waarschijnlijk den sabbat aan de andere feesten voorafgaan omdat het gebod
zich van arbeid te onthouden voor alle vierdagen geldt. — groote ruttdag, waarop, in tegenstelling
met de vierdageu, volstrekt geen werk mocht verricht worden; xie op vs. 7.
-ocr page 207-
LBVITICUS XXIII: 3—17.
287
werk verricht worden, maar op den zevenden is het groote rustdag,
heilige vierdag; geenerlei werk zult gij doen: sabbat is het ter eer
van Jahwe in al uwe woonplaatsen.
4           Dit zijn Jahwe\'s feestgetijden, heilige vierdagen, die gij op den voor
5       elk bepaalden tijd zult afkondigen:\' in de eerste maand op den veer-
(5 tienden dag in sehemeravond is het pascha ter eer van Jahwe,\' en op
den vijftienden dag dier maand is het het feest der ongezuurde brooden
7       ter eer van Jahwe: zeven dagen zult gij ongezuurd brood eten.\' Den
eersten dag zal het voor u heilige vierdag zijn: geen beroepswerk zult
8       gij verrichten.\' Gij zult zeven dagen een vuuroffer aan Jahwe brengen,
en den zevenden dag is het heilige vierdag: geen beroepswerk zult
gij daarop verrichten.
9, 10 Jahwe zeide tot Mozes: \' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun: Wan-
neer gij in het land komt dat ik u ga geven en gij den oogst afmaait,
dan moet gij eene schoof uit de keur van uw oogst tot den priester
11       brengen,\' die haar aan Jahwe zal aanbieden, zoodat u dit ten goede
12       komt. Daags na den sabbat zal\' de priester haar aanbieden.\' En op
den dag waarop gij de schoof aanbiedt zult gij een gaaf lam van een
13      jaar oud als brandoffer aan Jahwe offeren,\' met het daarbij behoorend
meeloffer, twee tienden meelbloem met olie gemengd, als vuuroffer voor
Jahwe ten liefelijken geur; benevens het plengoffer dat er bij behoort,
14       eene kwart stoop wijn.\' Noch brood, noch geroost koren, noch versche
korrels zult gij eten voordat gij op dien dag de gave van uwen god
hem gebracht hebt. Eene eeuwige inzetting is het, ook voor uw nage-
slacht, in al uwe woonplaatsen.
15           Van daags na den sabbat, den dag waarop gij de aanbiedingsschoof
16       hebt gebracht, zult gij tellen; zeven volle weken zullen het zijn.\' Tot
den dag na den zevenden sabbat zult gij tellen, vijftig dagen, en dan
17       zult gij een nieuw" meeloffer aan Jahwe brengen.\' Uit uwe woonplaatsen
zult gij brood als aanbiedingsoffer brengen; twee stuks, elk van twee
tiende meelbloem; gezuurd zullen zij gebakken worden, als eerstelingen
4. op — lijd, op de voor elk feest vastgestelde dagen in bepaalde maanden. Dit is hier evenmin
als Kxod. XIII: 10 eene bijzaak. Het sprak volstrekt niet vanzelf dat de feesten op vaste tijden ge-
vierd werden; verg. Inl.
5—8. Over pascha en het feest der ongezuurde brooden zie inl. op Exod. XII: 1—XIII: 16 en
aantt. aldaar. De fcestoft\'ers worden daar niet vermeld. Nadere bepalingen hieromtrent geeft Num.
XXVIII: 16—25.
7. beroepswerk, letterlijk arbeidt werk. Herhaaldelijk wordt in de jongere wetten (vs. 8, 21, 25, 85,
36; Num. XXVIII: 18, 85 V.; XXIX: I, 12, 35) onderscheid gemaakt tusschen werk en beroepswerk.
Het eerste was op den sabbat en den verzoendag verboden; het laatste op de vierdagen der drie hoogc
feesten cu den eersten dag der zevende maand, op welke dagen men dus kleine, huiselijke bezigheden
verrichten mocht. Zoo maakte men de viering dezer dagen aangenamer. De schriftgeleerden hebben al
hun best gedaan om nauwkeurig te omschrijven, welke handelingen werk, welke beroepswerk heetten.
10.   eene schoof, van de gerst. Deze was het eerst rijp, in de warmste gedeelten van Kanaün reeds
half April.
11.   aanbieden, als eene aanbiedingsgave bewegen. Zie op Exod. XXIX: 24. — Daags na den sab-
bat,
niet na een zevenden dag der weck, maar na den in vs. 7 verordenden rustdag, dus op den twee-
den dag der. ongezuurde brooden, d. i. den 16den Xizan. Zie Inl.; verg. op Joz. V: II.
12.  een jaar oud. Zie op Exod. XII: 5.
13.  Bij de lammeren die dagelijks ten brandoffer geofferd werden volstond een tiende meelbloem,
Exod. XXIX: 40; verg. Num. XXIX : 3.
14.  Noch — korrels, rtl. van den nieuwen oogst; geroost koren komt Ruth 11:14; 1 Sam. XVII:
17 enz. als voedsel voor; versche korrels, onzekere vertaling.
15—21. Over pinksteren zie op Exod. XXIII: 16. De offers die dan moeten gebracht worden vin-
den wij vermeld Num. XXVIII: 26—31.
15.  daags na den sabbat. Zie op vs. 11.
17. Uit uwe woonplaatsen (Lat. vert. uil al uwe woonplaatsen). Wat dit beteekent, daar slechts éen
offer van twee brooden gebracht werd, is niet goed té begrijpen. Oudtijds, toen elk landbouwer bij
het binnenhalen van den oogst een offer bracht en dus alom brooden uit de pas ingezamelde tarwe
aan de godheid werden aangeboden, was dit duidelijk. — stuks, volg. Sam. en Or. t. ingevoegd. — ae-
euurd.
Dus mocht het niet op het altaar komen; zie op II: II en op VII: 13.
-ocr page 208-
288                                     lbviticus XXIII: 17-32.
18       voor Jahwe.\' Gij zult bij dat brood brengen zeven gave lammeren van
een jaar, éen jongen stier en twee rammen; zij zullen een brandoffer
zijn voor Jahwe, met het daarbij behoorend meel- en plengoffer, een
19       vuuroffer ten liei\'elijken geur voor Jahwe.\' Ook zult gij óen bok bren-
20       gen ten zondoffer en twee lammeren van een jaar ten dankoffer.\' En
de priester zal ze bij het eerstelingenbrood als aanbiedingsgave bewegen
voor Jahwe, bij de twee lammeren. Zij zullen heilig zijn aan Jahwe
21       en den priester die ze brengt ten deel vallen. \' üp dien dag zal het
voor u heilige vierdag wezen: geen beroepswerk zult gij doen; eene
eeuwige inzetting zal bet in al uwe woonplaatsen, ook voor uw nage-
22       slacht, zijn.\' Kn wanneer gij wat op uw land staat inoogst, dan zult
gij een hoek van uwen akker onafgemaaid laten, en wat van de aren
valt niet opgaren; aan de armen en de vreemden zult gij dat over-
laten. Ik ben Jahwe, uw god.
23, 24 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zeg den Israëlieten: In de zevende maand,
op den eersten der maand, zal het voor u rustdag zijn, een gedenkdag
25 des geschals, een heilige vierdag;\' gij zult geen beroepswerk doen en
een vuuroffer aan Jahwe brengen.
26, 27 Jahwe sprak tot Mozes:\' Doch op den tienden dag van deze zevende
maand is het de verzoendag; een heilige vierdag zal hij voor u zijn,
waarop gij u verootmoedigen zult en een vuuroffer aan Jahwe brengen.\'
28       Ook zult gij op dien dag geenerlei werk verrichten; want het is een
verzoendag, om verzoening voor u te bewerken voor het aangezicht
29       van Jahwe, uw god. \' Want ieder mensch die zich op dien dag niet
30       verootmoedigt zal uitgeroeid worden uit zijn volk,\' en ieder mensch
die op dien dag eenigerlei werk doet, hem zal ik doen omkomen uit
31       liet midden zijns volks. \' Geen werk zult gij verrichten; het is eene
eeuwige inzetting, ook voor uw nageslacht, in al uwe woonplaatsen.\'
32       Een groote rustdag zal het voor u zijn, waarop gij u verootmoedigt.
Vs. 22. XIX:» v.
18—20. Bevreemdend is het, dat, terwijl bij de andere feesten slechts wordt herinnerd dat er offer»
zullen gcbnieht worden (va. 8, 25, 27, 30), hier de verplichte otters opgesomd worden. Ook is vs. 18 v.
in strijd met vs. 20, wuitriu ondersteld wordt dut bij het brood slechts twee daukutl\'crlummcrcn wor-
den gebracht. Hoogstwaarschijnlijk stond in het oorspronkelijke stuk niets dun de verordening van die
twee lammeren, en is deze uitgewerkt naar Num. XXVIII::!?—31; waarbij eene fout is begaan: in
plaats van twee stieren en écu ram zijn hier een stier en twee rammen genoemd.
20.   de twee lammeren, volg. Sam. en fïr. t.; Ilebr. t. twee lammeren. — en — vallen, volg. Gr.
vert.; I U\'br. t. den priester.
21.  In den grondtekst gaat aan het vers /;\'// gij zult afkondigen vooraf ; uls /.insturend weggelaten.
22.  Dit vers komt letterlijk — eene kleine afwijking in Ilebr. t. is volg. Sam. t. te veranderen —
zelfs in eene onregelmatige afwisseling van den tweeden persoon enkelvoud met dien van het meer-
voud, overeen met XIX : 0, 102. Daar het hier niet behoort, is het waarschijnlijk later iugelascht.
23—25. Oudtijds begon onder Israël het jaar met de maand Kthauim of Tisri, van Nizan af de
zevende van het jaar, en was de eerste of ecu der eerste dagen dier maand (Kzcch. XL:1 de tiende)
de nieuwjaarsdag, waarop joug en oud met barna* en trompetgeschal zich bij Jahwe in gedachtenis
bracht. De jongere wetgevers zouden wel gaarne de viering van dien feestdag afgeschuft hebben; want
volgens hen moest het jaar met Nizan beginnen (zie op Kxod. XII: 2); maar daar dit ondoenlijk was,
schikten zij er zich in, namen dien dag ouder de wettige feesten op eu maakten er een rustdag van,
waarop otters gebracht werden, die Num. XXIX. 1—G nader omschreven worden. Hij wordt niet als
nieuwjnarsdng, maar uitdrukkelijk als eerste dag der zevende maand voorgeschreven en een gedenkdag
det getchah
genoemd (Num. XXIX: 1 dag det getchaU; verg. XXV:9—11), van welken naam de
beteekeuis onverklaard blijft. Het blazen op nieuwjaarsdag is bij de Joden tot heden in gebruik ge-
bleven, maar beperkt tot een otlicicel geschettcr in de synagogen.
27. Doek. Dit dient waarschijnlijk om aan het volgende nadruk bij te zetten; wat te meer noodig
was, daar de verzoendag, iu onderscheiding van den nieuwjaarsdag, dien de wetgever als zoodanig op
den achtergrond schoof, een vierdag was van jouge dagteekening, welks onderhouding hij wilde bevor-
deren (verg. inl. op II. XVI). Doch beteekent dus zoo veel als: in plaats dat gij werk maakt van
het trompetgeschal op den eersten der zevende maand en van andere nicuwjaarsgebruiken, moet
gij liever den tienden bijzonder heiligen. Over de otters van den verzoendag handelt nog Num.
XXIX: 7—11.
32. Op — acondt. De avond ua afloop van den negenden behoorde eigenlijk reeds tot den tienden,
-ocr page 209-
289
LBVITICU8 XXIII : 32—42.
Op den negenden tier maand des avonds zult gij, van den eenen avond
tot den volgenden, uwe rust nemen.
33,34 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zeg den Israëlieten: Op den vijftienden
dag van deze zevende maand is het, zeven dagen lang, het loofhutten*
35 feest, ter eer van Jahwe; \' den eersten dag zij het een heilige vierdag,
86 waarop gij geen beroepswerk verricht.\' Zeven dagen zult gij een vuur-
offer aan Jahwe brengen; den achtsten zal het u een heilige vierdag
zijn en zult gij geen vuuroffer aan Jahwe brengen; een hoogtijd is het:
geen beroepswerk zult gij verrichten.
37            Dit zijn de feestgetijden van Jahwe, die gij als heilige vierdagen zult
afkondigen, om daarop vuuron\'ers aan Jahwe te brengen: brand*, meel-,
38       slacht- en plengoffers, zooals voor eiken dag zijn voorgeschreven;\' be-
halve Jahwe\'s sabbatten en uwe giften, al uwe geloften en al de vrij-
willige gaven die gij aan Jahwe schenkt.
39            Doch op den vijftienden dag der zevende maand, wanneer gij de
opbrengst van uw land inzamelt, zult gij Jahwe\'s feest zeven dagen
lang vieren; op den eersten dag zal het rustdag en op den achtsten
40       zal het rustdag zijn.\' Voorts zult gij op den eersten dag vruchten
nemen van sierplanten, benevens palmtwijgen, takken van loofrijke
hoornen en beekwilgen, en zeven dagen vroolijk zijn voor het aange-
41       zicht van Jahwe, uwen god.\' (Jij zult dit feest als feest ter eer van
Jahwe zeven dagen in het jaar vieren; eene eeuwige inzetting is het,
ook voor uw nageslacht; in de zevende maand zult gij het vieren.\'
42       Zeven dagen lang zult gij in loofhutten wonen; alle inhoorlingen in
daar de dag met zonsondergang begon ; dezelfde manier van zich uit te drukken Exod. XII: 18. Deze
avond is, althans duor de latere Joden, zeer plechtig gevierd. Dan moest ieder, om zich voor te be-
reiden voor den volgenden dag, sehuld belijden en zich met zijn vijand verzoenen; ook werden dan
alle overijlde geloften en beloften voor nietig verklaard.
84. Het ondste voorschrift over dezen hoogtijd is Exod. XXIII : 104, waar hij het insamelingsfee.il
heet. Over den naam loofhutten/eest zie op vs. 42; over de fecstoft\'ers Num. XXIX : 12—38.
36. den achtsten. Deze dag wordt in den grondtekst met een eigenaardig woord benoemd, hier door
hoogtijd vertaald, dat Deut. XVI: 8 voor den zevenden van de dagen der ongezuurde brooden gebe-
zigd wordt. Hij behoorde oudtijds niet tot het feest, dat slechts zeven dagen duurde (zie 1 Kou.
VIII: 05), maar is er later aan gehangen; zie op 2 Kron. VII: 8—10 en verg. op Nch. VIII: 18. Iu
nog later tijd begon op den avond van dien dag de viering van het feest dat „de vreugde der wet"
heet en nog steeds door de Joden gehouden wordt.
38.  Jahwe\'s sabbatten, do op den sabbat te brengen offers, Num. XXVIII: 9 v.
39.  de opbrengst van uw land, eigenlijk alleen der boom- en wijngaarden; verg. op Exod. XXIII:
10. De bepaling van den dag waarop de feestviering moest aanvangen strookt kwalijk met de a!gc-
mecue omschrijving wanneer — imamril, dunr deze inzameling niet aan ccuige dagen was gebonden.
De dagbcpuling is van den omwerkcr der oude verordening; zie lul. — Jahwe\'s feest. Het inzame-
lingsfeest was oudtijds de grootc hoogtijd, kortweg „het feest" genoemd, Richt. XXI: 19; 1 Kon.
VIII: 2, 05; Kzech. XI.V : 25. — op den eersten — zijn, toevoegsel van den omwerkcr; zie op vs. 30.
40.  vruchten — sierplanten. De latere Joden droegen op het feest iu de hand vruchten die elhrogiem
heetten, eenc soort van oranjcappcl, gewoonlijk Adains- of paradijsuppel genoemd; maar de algcmcen-
heid der hier gebezigde uitdrukking wijst er op, dat men zich oudtijds niet tot deze soort beperkte.
— palmtwijgen — beekwilgen. Verg. Nch. VIII: 10, waar, met verwijzing naar de wet, takken van
olijven, oleasters, mirten, palmen en andere boomen genoemd worden, om er loofhutten van te maken.
Hier wordt echter waarschijnlijk iets anders bedoeld; de loofhut is eerst vs. 42 vermeld. De Joden
plachten, en plegen nog, op het feest behalve de ethrogiem een voorwerp rond te dragen, uit eenige,
minstens drie, samengebonden takken bestaande, loelaab, d. i. ,tak\', gchcctcn. Iu de keus dezer takken
was men oudtijds zeker vrijer dan later; maar het gebruik vroolijk takken zwaaiende het oogstfecst
te vieren wordt ook elders gevonden — zoo liep men bij Grieken en Romeinen hij het feest van
Dionysos en Kucchus met thyrscn — en dagteekent ook bij Israël van de oudste tijden. —beekwilgen.
De wilg kwam voor èn iu Habylonic (I\'s. CXXXVI1:2; Jcz. XL1V : i), èn in Palestina, waar cene
beek er naar heet (Jez. XV: 7).
42. Hij onderscheiden oude volken vindt men het gebruik, bij het een of ander godsdienstig feest
één of meer dagen in tenten of loofhutten te gaan wonen, althuns daarin mnaltijdcn te houden.
Waarschijnlijk heeft de gewoonte der wijnganrdeniers, gedurende de inzameling van hun oogst de steden
en dorpen te verlaten, om zich dag en uacht iu de wijnbergen op te houden — die, door de omstun-
digheden zclvo veroorzaakt, nog hier en daar in Palestina bestaat — er aanleiding toe gegeven. Onze
wetgever maakt het tot plicht; ten einde de herinnering aan Isracls omzwerving levendig te houden; en
verklaart daaruit den naam loofhuttetitecst. Deze verklaring is zeker de ware niet. Immers, iu de
woestijn groeien weinig boomen, althans niet die welke hier en Nch. VIII: 10 genoemd worden als
O. T. I                                                                                                                           19
-ocr page 210-
290                                lbviticus XXIII: 42-XXIV : 9.
43       Israël zullen in loofhutten wonen; \' opdat uw nageslacht wete, dat ik
de Israëlieten in hutten heb doen wonen toen ik hen uit Egypteland
uitleidde. Ik ben Jahwe, uw god.
44           Zoo gaf Mozes de feestgetijden van Jahwe aan de Israëlieten op.
takken leverend voor de loofhutten; zoodat de Israëlieten gedurende de omzwerving zeker niet in
zulke hutten gehuisd hebben. Wat de Hebreeuwsche naam, tukkoth, eigenlijk bcteekent, weten wij
niet met zekerheid. Uitgesproken met de klinkers die er in den Hebrceuwschcn tekst op geschreven
zijn, kan het woord, wel niet juist door .loofhut\', maar door .woning\', .beschutting\' overgezet worden.
l)e hcdcndaagschc Samaritanen spreken het echter uit tekkoelh, en het is mogelijk dat het oorspron-
kclijk cene andere beteckenis had. — Hchalve de bier vermelde gebruiken op loofhutten waren, tot
den ondergang van den tempel in 70 na Chr., nog andere iu eere: het planten van takken rondom
het brandolferaltaar, van welke takken op den laatsteu dag de bladeren onder gejuich werdeu afgeslagen j
de verlichting van het voorhof in den nacht; een luisterrijke fakkeldans, en vooral het plcngeu van
water, tot het verkrijgen van regen in het pas ingetreden jaar; verg. Zach. XIV : 16—19.
HOOFDSTUK XXIV: 1—9.
Di1 kandelaar en de tooubrooden. — De Israëlieten krijgen den last, olie te verschaffen voor de
lampen van het heiligdom, die Atiron moet in orde brengen (1—4) Verordeningen omtrent de be-
reiding van de toonbrooden en hunne wckelijksche vernieuwing (5—9).
Deze twee voorschriften hangen noch met het voorgaande, noch met het volgende samen en be-
hooren tot de jongere inlnssrhingeu in de Heilighcidswet.
XXIV: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Beveel den Israëlieten, dat zij nemen
en u brengen zuivere gestooten olijfolie voor den kandelaar, om een
3       altijd brandend licht te hebben;\' buiten het voorhangsel der Geboden
in de tent der samenkomst zullen Atiron en zijne zonen dien gereed
maken; zoodat hij brandt van den avond tot den morgen voor Jahwe\'s
aangezicht, voortdurend, ter eeuwige inzetting voor *iw nageslacht.\'
4       Op den reinen luchter zal hij de lampen gereed maken voor Jahwe\'s
aangezicht, zoodat zij voortdurend branden.
5            Neem ook meelbloem en bak daarvan twaalf koeken; twee tienden
0 zal op eiken koek gaan. \' Leg die dan op twee stapels, zes op eiken
7       stapel, op de reine tafel voor Jahwe.\' Voeg bij eiken stapel zuiveren
wierook, die bij het brood als aandenkingsgave dienen zal, een vuur-
8       offer voor Jahwe. \' Eiken sabbat zult gij bet vanwege de Israëlieten
9       voor Jahwe leggen, voortdurend, eene eeuwige verplichting. \' Voorts
zal het voor Atiron en zijne zonen zijn; zij zullen het in eene heilige
plaats eten; want het is iets hoogheilig»; hem behoort het van Jahwe\'s
vuurofTers: eene eeuwige inzeüing.
V«. 2v. Exod. XXVII: 20 v.
2 v. De tenuitvoerlegging van dit gebod staat iu Exod. XL: 24 v.
3.  zullen — zonen, volg. Sam. en fir. t. en Exod. XXVII: 21; Hcbr. t. zal Aarcn.
4.   Verg. Num. VIII: 1—l. — den reinen luchter, den kandelaar in het heilige, in onderscheiding
van andere die iu het heiligdom aanwezig waren; zie op Exod. XXV: 81—40.
5—9. Deze brooden hecten Exod. XXV: 30; XXXV: 13; XXXIX: 30; 1 Sam. XXI: 6; 1 Kon. VII:
48; 2 Kron. IV : 19 het toonbrood, letterlijk het brood de» aangezicht», <I. i. hetwelk voor Jahwe\'s aan-
gezicht ligt; vanwaar de tafel Num. IV : 7 de tafel de» aangezicht» wordt genoemd. Elders heet het
het tiapelhrood, d. i. hetwelk op stapels ligt, 1 Kron. IX: 32; 2 Kron. 11:4; XIII: 11; Neh. X:33;
verg. 2 Kron. XXIX: IS. Wat het nederlcggen van die brooden in het heilige bcteekende, is duide-
lijk: men bood Jahwe zijn dagclijksch brood aan.
5.   tuuulf. Het twaalftal wijst op het aantal der stammen Israëls en is dus niet overeenkomstig
het gebruik der oudheid, toen cene tafel met brood voor Jahwe zeker in vele heiligdommen
aangericht en geen van deze als het heiligdom des geheelen volks aangemerkt werd. — Dat de
brooden ongezuurd moesten zijn, staat er niet bij en was ook niet bepaald noudig; want zij werden
niet op het altaar gebracht (verg. op 11:11). Toch is het waarschijnlijk zoo bedoeld (verg. op Exod.
XII: 15—20); althans volgens het latere tempelgebruik waren zij ongezuurd.
0. de reine tafel, Exod. XXV: 23—29 beschreven.
7.  wierook. De Or. vert. voegt er zout bij, overeenkomstig het later tempelgebruik. Het is moge-
lijk dat de Hcbr. t. het heeft gehad. — die — zal, in plaats van het deel des meeloffers dat anders
den naam van aandenkingigaee droeg; verg. op II: 2.
8.  zult gij... leggen, volg. verb. t.; Hebr. t. zal hij... leggen.
-ocr page 211-
lkviticus XXIV: 10— 23.                                    291
HOOFDSTUK XXIV : 10—23.
Het vervloeken van Jahwe. — Ken halfbloed Israëliet vloekt Jahwe en wordt in hechtenis genomen
(10—12); Jahwe beveelt, hem te steenigen (13 v.). Hij stelt den regel dat al wie bij het vloeken van
zijn god den hoogheiligen naam noemt moet ter dood gebracht worden (15 v.); evenzoo staat op het
verslaan van een mensen de dood (17 v.); ook verwonding moet naar de wet der wedervergelding
worden bestraft (19—21); vreemde en inboorling staan hierin gelijk (22). De Israëlieten steenigen den
man die Jahwe gevloekt heeft (23).
Vs. 15—22 is oorspronkelijk een bestanddeel van de Wet der Heiligheid; terwijl vs. 10—14, 23
er later aan toegevoegd is, om het gebod van vs. 10 in oanschoiiwelijken vorm te brengen en zoo den
indruk daarvan te versterken.
XXIV: 10 Eens begaf zich de zoon eener Israëlietische vrouw — hij was
de zoon van een Egyptischen man — onder de Israëlieten, en toen hij
11       in liet leger met een Israëlietischen man twist kreeg,\' verwenschte de
zoon dier Israëlietische den Naam en vloekte dien. Men bracht hem
tot Mozes. Zijne moeder heette Sjeloniith, de dochter van Dihri, uit
12       den stam Dan. \' Men zette heni in verzekerde bewaring, om eene be-
13       slissing te erlangen naar de uitspraak van Jahwe. \' Toen sprak Jahwe
14       tot Mozes: \' Voer dien vloeker buiten de legerplaats. Daar zullen allen
die liet gehoord hebben hem de handen op het hoofd leggen, en zal
de gansche gemeente hem steenigen.
15            En den Israëlieten zult gij zeggen: Als iemand zijn god vloekt zal
16       hij zijne zonde dragen;\' maar wie den naam van Jahwe verwenscht
zal zeker ter dood gebracht worden: steenigen zal hem de geheele ge-
meente; zoowel vreemdeling als inboorling zal ter dood gebracht wor-
17       den als hij den Naam heeft verwenscht. \' Als iemand een mensch,
18       wien ook, doodslaat, zal hij zeker ter dood gebracht worden:\' leven
19       om leven.\' Brengt iemand zijn naaste een lichaamsgebrek toe, dan
moet hem aangedaan worden wat hij den ander aangedaan heeft:\'
20       breuk om breuk, oog om oog, tand om tand; het lichaamsgebrek dat
21       hij een ander toegebracht heeft moet hem toegebracht worden.\' Wie
een dier doodslaat moet het vergoeden, maar wie een mensch doodslaat
22       moet ter dood gebracht worden. \' Eene en dezelfde wet moet bij u
gelden voor den vreemde en den inboorling; want ik ben Jahwe, uw god.
23           Toen Mozes tot de Israëlieten gesproken had, voerden zij dien vloe-
10.   Kent — Itraëliele». Verg. Exod. XII: 38. De verdichter van dit verhaal wilde deze grove zonde
niet aan een Israëliet ten laste leggen. — een hraëlielUche» ma», volg. Sam. t.; llebr. t. de» ltrai:-
lietitche» ma».
11.  terwentchle. Verscheiden oude vertalingen zetten het hier gebezigde woord over door noemde, in
overeenstemming met de opvatting der schriftgeleerden, die uit deze plaats het verbod afleidden den
naam Jahwe uit te spreken; verg. op Kxod. 111:14. — de» Naam, den heiligen: Jahwe. Waorschiju-
lijk heeft hier en vs. 10 oorspronkelijk Jahwe gestaan, en is dit veranderd, omdat men het anders
niet kon lezen zonder den naam uit te spreken. In de Arameeschc vertalingen leest men gewoonlijk
de Haam, in plaats van Jahwe. Verg. op Kxod. XXXI1I:19 eu op Deut. XXVIII: 58.
12.   Verg. op Xum. XV: 34.
14. hem — leggen. Zoo legden zij de schuld op hem.
15 v. Als iemand zij» god vloekt. Kvenals Kxod. XXII: 28a, is hier geen andere god dan Jahwe
bedoeld; doch wanneer iemand hem vervloekte zonder dien naam te gebruiken, was hij wel schuldig
voor God, maar werd niet aan het meuschelijk gericht overgeleverd. Dit toch beteckent de uitdrukking
tal hij zijne zonde dragen.
16.  de» naam va», waarschijnlijk ingclascht; zie op vs. 11. — zoowel — inboorling. Verg. op Kxod.
XII: 49.
17.   Verg. op Kxod. XXI: 12.
18.   Aan leve» om leven gaat in den grondtekst vooraf wie een dier doodtlaat moet het vergoeden,
wat het verband verbreekt, daar leve» om leve» bij vs. 17 behoort. Het is uit va. 21 hierheen verdwaald.
19 v. Desgelijks Kxod. XXI: 23—25. — breuk om breuk. Wie iemands arm of been gebroken heeft,
diens arm of been moet gebroken worden.
21.   Wit — vergoede». Hetzelfde beginsel Exod. XXI: 33—30.
22.   AU Kxod. XII: 49 en elders.
-ocr page 212-
2d2                                LBvmcus XXIV : 23-XXV : 7.
ker buiten de legerplaats en steenigden hem. Zoo hebben de Israëlie-
ten gedaan naar hetgeen Jahwe aan Mozes bevolen had.
HOOFDSTUK XXV.
Subbuts- en jubeljaar. — Kik zevende jnar moeten akker en wijngaard rusten (1—7). Elk vijftigste
moet ecu jaar van vrijlating en herstel zijn, waarin niet slechts het land rusten moet, maar ook ieder
die de bezitting zijner vaderen verloren heeft haar tcrugerlangt (8—12); wie ze tiisschentijds kan
wcderinkoopen moet steeds in de gelegenheid gesteld worden dit tegen billijke vergoeding te doen
(13—17). .Men zij niet bekommerd, hoe men in een sabbatsjaar zijn levensonderhoud vinden zal; God
zal zorgen (18—82). Geen akker worde voorgoed verkocht; een verkocht land moet voor geld gelost
worden en keert anders in het jubeljaar tot zijn vroegeren bezitter terug (23—28). Dit is niet toe-
passelijk on een woonhuis in eene ommuurde stad (29 V.), wel op dat in ecu vlek (31); daarentegen
zijn de woningen in de Lcvictcnstcdcu, evenals de daarbij behooreude akkers, niet voor altijd ver-
vreemdbaar (32—31). Keu verarmden broeder moet meu steunen; men mag geen rente van hem
nemen (35—38); wordt hij aan u verkocht, dau moogt gij hem niet als slaaf behandelen cu moet gij
hem in het jubeljaar vrijlaten (3\'J—13). Xiet-Israclictcn moogt gij als slaveu houden en aan de uwen
nalaten, maar geen Israëlieten (41—MS). Daarentegen moet ieder zijne verwanten lossen, zoovclen bij
laiulgcuooten van vreemde afkomst in slavernij geraakt zijn (47—49«). Kunnen zij zich zei ven losseu,
dan moet hun dat tegen billijke vergoeding geoorloofd zijn; iu het jubeljaar worden zij in elk geval
vrij i t\'.li—54;; want de Israëlieten zijn de dienstknechten van Jahwe (55).
Van dit stuk behoort de wet op het sabbatsjaar, ra, 2—7, 18—22, tot de Wet der Heiligheid; die
op het jubeljaar in haar tcgenwoordigen vorm tot Kzra\'s Wetboek. Over den uorsprong en de betec-
kenis van het sabbatsjaar zie op vs. 2—7. Vóór de Ballingschap is het volgeus XXVI : 34 v., 43; 2 Kron.
XXXV1:21 niet gehouden; maar in Nchcmja\'s tijd namen de Joden op zich, het te doen (Neh. X:
31); sedert is het ook, althans dikwerf, geschied.
Anders staat het met het .jubeljaar. De wet hierop is eene stoute pugiug om de waardigheid van
eiken Israëliet, die als dienstknecht van Jahwe op vrijheid cu een onafhankelijk leven aanspraak mag
en moet maken, op te houden en verarming van Israëlieten tegen te gaan; zij is dus uit een gods-
dienstig oogpunt eene grootsche daad (verg. 1 Kor. VII: 23). Maar daar zij te eeueu male onuitvoer-
baar was, is, zoover wij weten, zelfs nooit eeue poging gedaan om volgens haar voorschriften te hau-
delen. Zie over haar oorsprong up vs. 8—17, 23—55.
XXV: 1,2 Jahwe zeide op den berg .Sinai tot Mozes:\' Spreek tot de Israë-
lieten en zeg hun: Wanneer gij in het land komt dat ik u geven ga,
3       moet het land sabbat houden ter eer van Jahwe.\' Zes jaren zult gij
uwen akker bezaaien, zes jaren uwen wijngaard snoeien en de opbrengst
4       er van inzamelen;\' maar in liet zevende jaar zal het voor het land
een groote rusttijd zijn, een sabbat ter eer van Jahwe: uwen akker
5       zult gij niet bezaaien, uwen wijngaard niet snoeien.\' Wat op het veld
opslaat zult gij niet maaien, noch de druiven die aan uw ongesnoeiden
wijngaard rijpen afsnijden: een sabbatsjaar zal het zijn voor het land.\'
fl Wat het in zijn rusttijd voortbrengt zal u tot spijs verstrekken, u,
uwen slaaf en slavin, daglooner en opgezetene, die bij u verblijf hou-
7 den; \' ook voor uw vee en het wild op uw land zal de geheele op-
brengst er van tot spijs dienen.
2—7. Hetzelfde gebod Exod. XXIII: 10 v.; verg. Deut. XV: 1—18. Duidelijk wordt hier uitge»pro-
ken, wat met het sabbatsjaar wordt beoogd: rust, niet voor de menseheu, maar voor het land. Des-
gclijks XXVI: 34 v. Oorspronkelijk geschiedde dit niet tot eer van Jahwe, maar tot eer of ten bate
der bcschcrmgcesten van akker en wijngaard. Het is niet onnatuurlijk, dat den ouden de bebouwing
van den akker en de kunstmatige behandeling van den wijnstok voorkwamen eene schending te zijn
van de rechten der vcld- en boomgecsten, eu zij dus van tijd tot tijd dezen alles overlieten. Verg. op
XIX : 9 v. eu 23. Zulke opvattingen liggen echter ver achter dezen wetgever; volgens hem rust het land
tot eer van Jahwe eu is hetgeen op den akker groeit voor allen zonder onderscheid bestemd : de arme
heeft er evenveel recht op als de eigenaar, het wild niet minder dan diens veo j verg. op vs. 12 en
op Exod. XXIII: 10 T. Dat onder den invloed van het sabbatsgebod deze rust juist om het zevende
jaar aan het land gegund werd is licht verklaarbaar.
5. k» ongenoeiden wijngaard, letterlijk uie uazireër; zie inl. op Xuiu. VI: 1—21.
0. Wat — voortbrengt, letterlijk De sabbat van het jaar. — opgezetene — kouden. Verg. op
XXII: 10.
-ocr page 213-
293
LEVITICUS XXV : 8—21.
8           Ook zult gij tellen zeven jaarweken, zeven maal zeven jaren; zoodat
het bedrag van de jaren dier zeven jaarweken voor u negen en veertig
9       is.\' Dan zult gij eene alarmbazuin door het land doen weerklinken,
in de zevende maand, op den tienden dier maand; op den verzoendag
10       zult gij eene bazuin door uw geheele land doen weerklinken.\' Zoo zult
gij het vijftigste jaar beiligen en in uw land eene vrijlating afkondigen
voor de gebeele bevolking. Een jubeljaar zal het voor u zijn, waarin
ieder uwer tot zijne bezitting en ieder tot zijn geslacht wederkeert.\'
11       Een jubeljaar zal dit vijftigste jaar voor u zijn, waarin gij niet zaaien
zult, noch wat opslaat maaien, noch wat aan den ongesnoeiden wijn-
12       stok groeit afsnijden;\' want een jubeljaar is liet, heilig zal het u zijn:
rechtstreeks van den akker zult gij de opbrengst er van eten.
13           In dat jubeljaar zal ieder uwer tot zijne bezitting wederkeeren.\'
14       Verkoopt gij die aan uw naaste, of koopt gij die van hem, dan zult
15       gij elkander niet kwellen.\' Naar gelang van bet aantal jaren die na
het jubeljaar verloopen zijn zult gij koopen van uwen naaste; naar
gelang van het aantal der nog volgende oogstjaren zal hij het u ver-
1 (5 koopen;\' zijn het vele jaren, dan zult gij naar evenredigheid den koop-
prijs hooger, zijn het weinige, dan zult gij dien lager stellen; want
17       hij verkoopt u slechts het aantal oogsten.\' Niemand uwer zal zijn
naaste kwellen, maar gij zult uwen god vreezen; want ik ben Jahwe,
uw god.
18           Wanneer gij mijne inzettingen betracht en mijne verordeningen on-
19       derhoudt en betracht, zult gij onbezorgd het land bewonen,\' en zal het
zijne vrucht geven, zoodat gij volop eten en het onbezorgd bewonen
20       kunt.\' En mocht gij denken: Wat zullen wij in het zevende jaar eten,
21       indien wij noch zaaien noch onzen oogst inzamelen ?\' dan zal ik u
8—17, 23—55. Waarschijnlijk bevatte de Wet der Heiligheid cenige bepalingen over het jubeljaar,
die door den schrijver van Ezra\'s Wetboek zijn uitgebreid en tot een geheel verwerkt. De stof was
gedeeltelijk gegeven door de voorschriften op de kwijtschelding van de schulden (Deut. XV : 1—11) en
de vrijlating der Hcbreciiwsche slaven (Kxod. XXI: 2—11 j Deut. XV: 12—18), en door eene verarde*
ning in Ezech. XLVI:17 over het wederkeeren van een akker tot zijn voormaligen eigenaar. Hij het
uitdenken der tijdsbepaling gaf het sabbatsjaar hem gereedelijk aanleiding, een tijdsverloop van zeven
maal zeven te stollen, waarna het jubeljaar zou terugkeeren.
8 v. Wanneer het sabbatsjaar begon, is in vs. 2—7 niet gezegd; waarschijnlijk begon het, evenals
het jubeljaar, te gelijk met het burgerlijk jaar, in de zevende maand van het kerkelijk. Dus zouden
na zeven jaarwcken twee sabbatsjaren onmiddellijk op elkander volgen. Dat dit hoogstbedcnkelijk zou
geweest zijn voor de welvaart des volks, springt in het oog. Daarenboven rijst de vraag, of dat vijf-
tigstc jaar tevens het eerste van de volgende jaarneck was, dan of deze met het een en vijftigste
begon. Alleen bij de laatste regeling konden tijdperken van vijftig jaar op elkander volgen. De prak-
tijk heeft nooit\'de beantwoording dier vragen gecischt.
9.   a/armbatuin. Verg. Num. X:l—10. — op den verzoendag is zeker een toevoegsel tot den oor-
spronkelijkcn tekst van Ezra\'s Wetboek, en wel van dezelfde hand als de tijdsbepaling in XV[:2I).
De tiende der zevende maand was nog bij Ezcchiël de nieuwjaarsdag (Ezech. XL: 1 j verg. inl. op H.
XVI), waarop de bazuin werd gestoken om zich hij Jahwe in gedachtenis te brengen; verg. op XXIII:
23—25. Het lag dus in de rede, dat men op dezen dag het jubeljaar liet afkondigen en beginnen.
10.  jubeljaar. Wat het Hcbreeuwsche woord jobeel, waarmede het vijftigste jaar wordt aangeduid,
eigenlijk beteekent, is onzeker; waarschijnlijk eene soort van hoorn (zie op Exod. XIX: 13). Do Hc-
brceuwschc uitdrukking duidt dus niet een jaar van gejuich aan, maar het door hoorngeschal aangc-
kondigdc jaar. — en — wederkeert, zie vs. 39—55.
12. rechtstreekt van den akker, zonder graan of vruchten ordelijk ingezameld en naar huis gebracht
te hebben, maar telkens zooveel halende als voor dadelijk gebruik noodig was.
14.   dan — kwellen, van elkanders tijdelijke verlegenheid geen gebruik maken om een onrcdelijken
prijs te cischen.
15.   Hoc meer tijd na het jubeljaar verloopen is, des te minder wordt het land hij verkoop waard;
want men verkoopt eigenlijk niet het land zelf, maar slechts de opbrengst tot het volgend jubeljaar.
18—22. Hoewel hier midden tusschen verordeningen op het jubeljaar geplaatst, behooren dezo ver-
zen bij die op het sabbatsjaar, vs. 2—7.
20 v. Het zou er mede gaan als met het manna des Vrijdags, Exod. XVI: 22—30: Jahwe zou wel
zorgen dat Isracls gehoorzaamheid aan zijne geboden beloond werd; verg. Exod. XXXIV: 24.
21. voor de drie jaren. De wetgever laat Jahwe meer beloven dan zijne dienaren opgeofferd hebben,
zelfs meer dan noodig was: hij telt het zesde jaar mede, waarin men toch den oogst van het vorige
-ocr page 214-
Msvmcus XXV : ai—34.
2M
mijnen zegen beschikken in liet zesde jaar: dit toch zal genoeg opbren-
22       gen voor de drie jaren.\' En in het achtste jaar zult gij zaaien en van
de overjarige opbrengst eten tot in het negende jaar; totdat de oogst
hiervan binnenkomt zult gij het overjarige eten.
23           De grond zal niet voorgoed verkocht worden; want hij behoort mij
24       toe, dewijl gij slechts vreemden en opgezetenen bij mij zijt.\' Daarom
zult gij in het geheele land dat gij bezit het recht van lossing van
25       den grond laten gelden.\' Wanneer uw broeder verarmt en een deel
zijner bezitting verkoopt, dan zal zijn naaste losser komen en lossen
26       hetgeen zijn broeder verkocht heeft.\' Heeft iemand geen losser, maar
is hij zelf bij machte en vindt hij middelen om het bedrag zijner los-
21 sing op te brengen,\' dan zal hij de jaren berekenen die na den verkoop
verloopen zijn, het overschot teruggeven aan den man aan wien hij
28 het verkocht heeft, en zoo wederkeeren tot zijne bezitting.\' Vindt hij
de middelen niet om hem af te betalen, dan blijft het verkochte in
de hand des koopers tot het jubeljaar. In het jubeljaar komt het vrij
en keert hij terug tot zijne bezitting.
21)          Verkoopt iemand een woonhuis in eene ommuurde stad, dan duurt
het recht van lossing daarvan tot het eind van een jaar na den ver-
30       koop; slechts tijdelijk zal het recht van lossing daarvan zijn.\' Indien
het niet gelost is voor het verstrijken van een vol jaar, dan zal het
huis dat in eene ommuurde stad staat voorgoed het eigendom zijn van
den kooper, ook voor zijne nakomelingen: het zal niet vrijkomen in
31       het jubeljaar. \' Maar een huis in een dorp, eene niet ommuurde plaats,
zal gerekend worden tot het veld des lands te belmoren: het kan ge-
32       lost worden en komt vrij in het jubeljaar.\' Wat daarentegen de steden
der Levieten aangaat, de huizen in de steden die hunne bezitting zijn,
33       de Levieten mogen ze te allen tijde lossen.\' En indien een hunner het
niet lost, dan komt zijn verkocht huis in de stad waar hij zijne bezit-
ting heeft in het jubeljaar vrij; want de huizen van de steden der
34       Levieten zijn hunne bezitting te midden der Israëlieten.\' En de weide-
lir/.iit, on het lichtste, wiuii\'iii men niet alleen mocht /.miien, muur ook reeds oogstte. — De Joden hebben
vnnk nrmoede geleden ten gevolge vuil liet sabbatsjaar: biiitcnlandsclic heerschers miren wel gcnood-
zankt, hun in dut jaar de belasting kwijt te schelden, omdat /ij huar toch niet konden opbrengen; in
den oorlog heeft meer dan eens eene Joodschc stad zich moeten overgeven uit gebrek aan lcvensmid-
delen, door het suhbntsjaar veroorzaakt.
23. De — Korden. De schroom land te verkoopen en, wat hiermede nauw samenhangt, de vrijheid
tot aankoop van land onbeperkt te laten, heeft zijn natuurlijken oorsprong in gehechtheid aan het
voorvaderlijk goed (1 Kon. XXI:!!), in vrees voor te groote macht der rijke landbezitters over de
aan dcu grond gebonden bevolking (Jcz. V: 8), wellicht ook in een duister besef, dat eigenlijk de
grond w
72
aarop eene dorps* of stadsgemeente leeft niet het eigendom mag zijn van weinige personen.
Ook bij andere volkeu hebben zulke denkbeelden tot den hier gestelden regel geleid, die echter ncr-
gens op den duur gevolgd is. — trant — zijt. Jahwe alleen heeft het eigendomsrecht, de Israëliet
slechts het vruchtgebruik zoolang hij het hem vergunt. Dit geldt niet in algcmcencii zin, zooals God
de opperlied\' der gnnschc aarde is, maar iu bijzouderen zin van het land Kanaiiii. Verg. I\'s. XXXIX:
13; (\'XIX: 19. — line dit de reden kon zijn voor het verbod het land voor altijd te verknopen, zegt
de schrijver niet. Waarschijnlijk stelde hij zich voor, dat Jahwe eens voor al den grond onder de stsm-
meii en fumilieii had verdeeld.
25. ttn deel zijner bezitting. Ondersteld wordt dat elk Israëliet grondbezit had; wat natuurlijk nooit
het geval b geweest. Na dcu val van Jeruzalem kon echter een vurig geloovige zich voorstellen dat
het zoo zijn zou wanneer Jahwe aan zijn herschapen volk het heilig land hergaf. — zijn naaste toner,
zijn naaste bloedverwant, als zoodanig tot lossing verplicht, vs. 48 v.; Kuth IV: 4; verg. op Deut.
XXV: 5.
27. Verkocht is — zoo stelt de wet — de opbrengst der jaren tot het volgend jubeljaar. Hieruit
is gemakkelijk af te leiden, op welken prijs elke oogst is geschat. Hij wcderinkoop wordt die prijs
vermenigvuldigd met het cijfer der jaren die nog voor het jubeljaar verloopen moeten, en voor die
som krijgt de oorspronkelijke eigenaar den grond terug.
30. ommuurde, volg. verb. t.
81.  een huil. Hcbr. t. heeft het meervoud.
82.  de lieden der Levieten. Zie hierover Num. XXXV: 1—8.
38. niet. Dit ontbreekt in grondt. — sijn — stad, volg. verb. t.
-ocr page 215-
LKViTicus XXV: 34—52.
295
grond die bij hunne steden behoort zal niet verkocht worden; want
hij is hun tot eene eeuwige bezitting.
35           Wanneer uw broeder terwijl bij bij u woont verarmt en zijn ver-
mogen uitgeput is, dan zult gij hem steunen, evengoed als een vreem-
3H deling en opgezetene, en uw broeder zal leven bij u.\' Gij zult van
37       hem geen rente of woeker nemen en vreezen voor uw god.\' Uw geld
38       zult gij hem niet op rente geven, noch uwe spijs op woeker.\' Ik ben
Jahwe, uw god, die n heb uitgeleid uit Egypteland, om u liet lam!
Kanaiin te geven, om u ten God te zijn.
39           Wanneer uw broeder die bij u woont verarmt en zich aan u ver-
40       koopt, zult gij hem niet als slaaf\' laten dienen;\' hij zal bij u zijn als
een daglooner, als een opgezetene, en tot bet jubeljaar bij u in dienst
41       blijven.\' Dan zal bij met zijne kinderen van u heengaan en wederkee-
ren tot zijne familie; ook zal hij tot zijne voorvaderlijke bezitting
42       wederkeeren;\' want zij zijn mijne dienstknechten, die ik uit Egypte-
43       land uitgeleid heb: zij zullen niet als slaven verkocht worden.\' Gij
zult hem dus niet tot slavendienst dwingen, maar voor uwen god
44       vreezen.\' Wat de slaven en slavinnen aangaat die gij zult hebben:
uit de volken die rondom u wonen, uit hen zult gij u slaven en
45       slavinnen koopen.\' Ook zult gij er koopen uit de zonen der opgezete-
nen die bij u verblijf houden, en uit hunne familie die bij u is, die
zij in uw land verwekt hebben, en dezen zullen u tot eene bezitting
46       zijn.\' Gij zult ze ook aan uwe zonen nalaten tot een erfelijk bezit:
voor altijd zult gij hen laten dienen; maar uwe broeders, Israëlieten
als gij, zult gij niet tot slavendienst dwingen.
47           En wanneer een vreemde of opgezetene die bij u woont vermogend
wordt, en uw broeder die bij hem woont verarmt en zich verkoopt
aan den vreemde of opgezetene die bij u woont of aan een familielid
48       van een vreemde,\' dan zal, nadat hij zich verkocht heeft, de gelegen-
heid tot lossing voor hem openstaan; een zijner broeders zal hem los-
49       sen:\' zijn oom of zijn neef zal hem lossen, of een ander zijner aan-
verwanten of familieleden zal hem lossen; of, indien hij daartoe de
50       middelen gevonden heeft, zal hij zich zelven lossen.\' Dan zal hij met
den kooper uitrekenen, hoevele jaren liggen tusschen dat van den ver-
koop en het volgend jubeljaar, en zal het bedrag van zijn koopprijs
zijn naar het getal dier jaren; als een daglooner zal hij bij hem zijn.\'
51       Indien dit aantal jaren nog groot is, zal hij een daaraan evenredig
deel van dien prijs waarvoor hij zich verkocht heeft als losprijs be-
52       talen.\' Blijven nog slechts weinig jaren over tot het jubeljaar, dan zal
85. sijn — it, letterlijk sijne hand onvatt il geworden. — evengoed alt, volg. Gr. vcrt. Wellicht
is de letter die dit betcekcnt opzettelijk uit den grondtekst verwijderd, omdat men het voor een Is-
raêliet belecdigend vond dat hij op eene lijn met vreeraden gesteld werd. Toch is dit zeer natuurlijk,
daar de vreemden herhaaldelijk aau de liefdadigheid der Israëlieten worden aanbevolen.— wc broeder,
ingevoegd volg. Sam. en Cr. t.
36 v. Zie op Kxod. XXII : 25. — De grondtekst herhaalt aan het slot van vs. 36 en uw broeder
sal leven bij u,
uit vs. 35.
30—55. Het oudere gebod der vrijlating na zes jnreu dienst wordt hier beperkt tot vrijlating in het
jubeljaar. Werd het eerste oudtijds zeer zelden in acht genomen (verg. op Exod. XXI: 2), van de na-
leving der jongere verordening blijkt niets (zie Inl.).
30. alt tlaaf. Zie op 2 Kon. IV: 1.
42. Over dit groote godsdienstige beginsel, het hoofddenkbceld van dit gedeelte der wet, zie Inl. —
zij — worden. Deze onderscheiding tusschen slavernij en tijdelijke lijfeigenschap wordt in de oudere
wetten, Exod. XXI: 2—27; Deut. XV : 12—18, niet gemaakt.
47. Dit was vóór de Balliugschap vaak genoeg voorgekomen; zoodat de wetgever zich geroepen kon
voelen, in het geval te voorzien. — Of tusschen vreemde en opgesetene, ingevoegd volg. Sam.
en Gr. t.
50. alt, volg. Gr. vert.; Hebr. t. ah de dagen van. — tal hij bij hem sijn, zal hij door hem be-
handeld worden. Evenzoo vs. 58.
-ocr page 216-
296                                lbviticub XXV : 52—XXVI: 10.
hij daarmede rekening houden en in evenredigheid van die jaren zijn
53       losprijs betalen.\' Als een daglooner zal hij van jaar tot jaar bij hem
zijn; hij zal hem niet dwingen onder uwe oogen slavendiensten te ver-
54       richten.\' Indien hij op geen dezer wijzen gelost wordt, dan komt hij
55       in het jubeljaar vrij, en zijne kinderen met hem.\' Want mij zijn de
Israëlieten tot knechten; mijne knechten zijn zij, die ik uit Egypteland
uitgeleid heb. Ik hen Jahwe, uw god.
53. onder uwe oogen. Verg. Deut. XXV : 3.
HOOFDSTUK XXVI.
Beloften en bedreigingen. — Na eene korte samenvatting der hoofdgeboden (1 ».), belooft Jahwe
aan Israël, indien het hem getrouw is, ongehoorden voorspoed (3—13). Is het daarentegen wccrspan-
nig, dnn znl hij het met ramp op ramp bezoeken (14—30); totdat het volk in bnllingschap gevoerd
\'s en het in eene woestenij verkeerde land de verzuimde sabbatsjaren door onafgebroken braak te
liggen weder goedmaakt (31—35); in \'s vijands land zal \'s volks overschot klcinmocdig worden en te
gronde gaan (30—3\'.)); totdat het schuld belijdt en Jahwe aan het verbond met de nnrtsvadcrs denkt;
terwijl land en volk hunne schuld boeten, blijft hij hunner gedachtig (40—45). Onderschrift (46).
Deze boctrede schijnt het slot van de Wet der Heiligheid te hebben uitgemaakt, zooals Deut. XXVIII,
waarmede het veel overeenkomst heeft, eens een gedeelte van Deuleronomium besloot.
Duidelijker dan elders laat de verzamelaar dier wet hier doorschemeren dat hij lang na Mozcs leeft.
Immers, het uit Egypte geredde volk heet de eroegeren, het voorgeslacht (vs. 45); hij vermeldt den
dienst op hoogten en de afgoderijen die Israël in Kanaün bedreven heeft (vs. 30 v.l, en verklaart het
feit dat het land, van inwoners verstoken, lang braak moest liggen uit het verzuim der sabbatsjaren
(34 v., 424, 43); wat alleen verstaanbaar is, wanneer ettelijke kcercn na de uitvaardiging van eene
wet op het sabbatsjaar dit niet gehouden was.
XXVI: 1 Gij zult u geen afgoden maken, geen beeld of wij-steen voor u
oprichten, noch een geheeld bouwden steen in uw land plaatsen, om u
2 daarbij neder te werpen; want ik ben Jahwe, uw god.\' Mijne sab-
batten zult gij onderhouden en mijne heilige zaken ontzien. Ik ben
Jahwe.
!5          Indien gij in mijne inzettingen wandelt en mijne geboden onder-
4       houdt en betracht,\' zoo zal ik u regenbuien op hun tijd geven, zal de
grond zijn beschot opleveren en het geboomte des velds zijne vruchten;\'
5       dan zal bij u het dorschen duren tot den wijnoogst, en deze tot bet
zaaien, en zult gij uw brood volop eten en rustig uw land bewonen.\'
(i Ook zal ik vrede in het land geven: gij zult nederliggen, zonderdat
iemand u opschrikt; ik zal maken dat er geen wilde (lieren meer in
7       het land zijn, en geen zwaard zal uw land doortrekken.\' Gij zult uwe
vijanden vervolgen, en zij zullen vóór u aan het zwaard vervallen;
8       vijf van u zullen er honderd vervolgen, en honderd van u tienduizend,
t) en uwe vijanden zullen vóór u aan het zwaard vervallen. \' Ik zal mij
naar u toekeeren, u vruchtbaar maken en vermenigvuldigen en mijn
10 verbond met u gestand doen.\' Dan zult gij het meer dan overjarige
Vs. 2. XIX: 30.
1.  gebeeldhouieden tteen, onzekere vertaling. Ook Xum. XXXIII: 52.
2.   mijne heilige zake», volgens veranderde klinkers; Hebr. t. mijn heiligdom. Bedoeld zijn ofTcrga-
ven en andere aan Jahwe gewijde voorwerpen.
5.   Het dorschen van het laatst geoogste graan, de tarwe, begon na pinksteren; de wijnoogst was
omstreeks loof hutten afgeloopcn; terwijl het zaaien der wintergranen gewoonlijk tegen het einde van
Octobcr aanving.
6.   en — doortrekken. Daar volg. vs. 7 v. geen ongestoorde vrede beloofd wordt, kan dit alleen be-
teckenen, dat Israël niet in zijn eigen land oorlog te voeren zal hebben, dus alleen aanvallenderwijze
te werk gaan zal.
8.   Verg. Deut. XXXII: 30; Jox. XXIII: 10; Jez. XXX: 17.
9.  Zie Gen. XV: 5 en elders.
-ocr page 217-
leviticus XXVI: 10-30.
297
11       koren eten en voor liet nieuwe het overjarige moeten opruimen.\' Ook
zal ik mijne woning in uw midden plaatsen, en mijne ziel zal geen
12       afkeer van u hebben. \' Integendeel, ik zal in uw midden verkeeren en
13       u ten God zijn, terwijl gij mij ten volk zijt.\' Ik ben Jahwe, uw god,
die u uit Egypteland heb uitgeleid, zoodat gij hun niet meer tot
slaven waart; ik heb de stangen van uw juk gebroken en u recht
overeind doen gaan.
14           Maar indien gij naar mij niet hoort en niet al deze geboden be-
15       tracht,\' maar mijne inzettingen versmaadt, en uwe ziel afkeer heeft
van mijne verordeningen, zoodat gij niet al mijne geboden betracht
16       en gij zoo mijn verbond breekt,\' dan zal ook ik zoo met u handelen en
u bezoeken met ijselijkheden: de tering en de koorts, die de oogen
doen versmachten en het leven doen kwijnen. Gij zult vergeefs uw zaad
17       zaaien; want uwe vijanden zullen den oogst opeten.\' Voorts zal ik
mijn aangezicht tegen u richten: gij zult door uwe vijanden geslagen
worden, en uwe haters zullen op u treden; gij zult vluchten terwijl
18       niemand u vervolgt.\' Indien gij dan nog niet naar mij hoort, dan
zal ik voortgaan met u te tuchtigen, zeven keer wegens uwe zonden.\'
19       Ik zal den trots uwer kracht breken, uw hemel als ijzer maken, uw
20       grond als koper.\' Vergeefs zal uwe kracht verbruikt worden: uw grond
levert zijn beschot niet op, en het geboomte des lands draagt geen
21       vrucht.\' Gaat gij dan nog dwars tegen mij in en wilt gij niet naar
mij hooren, dan zal ik voortgaan u te slaan, zeven keer overeenkomstig
22       uwe zonden. \' Ik zal tegen u loslaten het wild gedierte; het zal u kinder-
loos maken, uw veestapel te gronde richten en u slechts in kleinen
23       getale doen overblijven; zoodat uwe wegen ontvolkt zijn.\' Indien gij
24       u dan nog niet gezeggen laat maar dwars tegen mij in gaat,\' dan
zal ik ook dwars tegen u in gaan en u slaan, zeven keer we-
25       gens uwe zonden. \' Dan zal ik over u een zwaard brengen, dat het
geschonden verbond wreekt. Hoopt gij u dan opeen in uwe steden,
dan zal ik in uw midden de pest zenden en u overleveren in de
26       hand uwer vijanden.\' Als ik den staf des broods verbreek, zullen tien
vrouwen uw brood in éen oven bakken en uw brood afgewogen terug-
27       geven, zoodat gij niet tot verzadiging eten kunt.\' Hoort gij des on-
28       danks niet naar mij en gaat gij dwars tegen mij in,\' dan zal ik ook
in grimmigheid dwars tegen u ingaan en u tuchtigen, zeven
29       keer wegens uwe zonden. \' Gij zult het vleesch uwer zonen eten, en
30       dat uwer dochteren zult gij eten.\' Ook zal ik uwe hoogten verdelgen
12.  « — sijt. Zie op Jer. VII: 28.
13.  de —jut. Zie op Jer. XXVII: 2.
16.  de tering en de toorts. Met dezelfde ziekten wordt ook Deut. XXVII1:22 gedreigd. — Gij —
opeten.
Verg. Deut. XXVIII: 83.
17.  door uwe vijanden. Verg. op 1 Kon. VIII: 83.
18.  zeven keer. Verg. Jcz. XL: 2.
19.  uw — toper, aanhoudende droogte doen heersenen. Ongeveer hetzelfde beeld Deut. XXVIII: 23.
22. Verg. Exod. XXIII: 29; Deut. XXXII:24.
25.  de pest. Het aldus vertaalde woord duidde waarschijnlijk verschillende boosaardige ziekten aan
die de ouden niet goed konden onderscheiden (verg. inl. op Lov. XIII, XIV), maar zeker mede de
verschrikkelijke, hoogst besmettelijke ziekte die vaak in vroeger en later tijd, zoowel in Azië als in
Europa, gehcele streken ontvolkt heeft; verg. 2 Sam. XXIV :18—25; Jer. XIV: 21 enz. In de Gr.
vert. wordt het woord gewoonlijk door ,de dood\' vertolkt, zoonls de pest ook somtijds in Hebr. t.
heet (zie op Jer. XV : 2) eu in de dertiende eeuw genoemd werd (üc Zwarte Dood). De veepest komt
Exod. IX : 8 voor.
26.   den staf — verbreet. Hetzelfde beeld voor: de noodzakelijke levensmiddelen sehaarsch maken,
Ezcch. IV: 16 en elders. — tien — terug. Eén oven zal voor tien familiën voldoende gijn, en het
brood wordt angstvallig afgewogen, omdat er zoo weinig is.
29. Dezelfde bedreiging Deut. XXVIII: 53—57; 2 Kon. VI:28v.j Jer. XIX :9; Ezech. V:10;
verg. Klaagl. 11:20; IV: 10.
-ocr page 218-
298                                     urn-neus XXVI: 30—45.
en uwe zonnebeelden vernielen; ik zal uwe lijken op die uwer schand-
31       goden doen vallen, en mijne ziel zal afkeer van u hebben.\' Ik zal
uwe steden tot puinhoopen maken en uwe heiligdommen verwoesten,
32       en den liel\'elijken geur uwer offers niet ruiken.\' Ja, ik zelf zal het
land verwoesten; zoodat uwe vijanden die er zich in nederzetten er
33       over verstomd staan:\' en u zal ik verstrooien onder de natiën en achter
U een zwaard ontblooten; zoodat uw land eene woestenij en uwe steden
34       puinhoopen worden.\' Dan zal liet land de verzuimde sabbatten vergoed
krijgen, zoolang het woest ligt, terwijl gij in het land uwer vijanden
35       zijt. Dan rust liet land en maakt de verzuimde sabbatten goed.\' Zoo-
lang liet woest ligt zal liet rusten, even lang als het op uwe sabbat-
3(3 ten niet gerust heeft, toen gij het bewoondet.\' En die van u zijn
overgebleven, hun hart zal ik verweeken in \'s vijands landen: vervolgt
hen het geluid van een ronddwarrelend blad, dan vluchten zij als voor
37       een zwaard; zij vallen terwijl niemand hen vervolgt.\' Zij struikelen
over elkander als uit vrees voor een zwaard; maar een vervolger is
38       er niet.\' Gij houdt geen stand voor uwe vijanden, maar gaat te gronde
39       onder de natiën, en het land uwer vijanden verteert u.\' Wie van u
overgebleven zijn zullen om hunne schuld wegteren in de landen uwer
vijanden; ook om de schuld hunner vaderen zullen zij wegteren.
40           Dan zullen zij hunne schuld en die hunner vaderen belijden, hoe
zij zich aan mij vergrepen hebben; hoe, toen zij dwars tegen mij in
41       gegaan waren, ook ik dwars tegen hen in ging\' en hen bracht in
het land hunner vijanden. Wordt dan hun onbesneden hart gebogen
42       en boeten zij zoo hunne schuld,\' dan zal ik gedenken het verbond
met Jakob, en het verbond met Izaük en Abraham zal ik gedenken.
43       Ook zal ik het land gedenken.\' Het land zal van hen verlaten zijn
en de verzuimde sabbatten vergoed krijgen, doordat het, van hen ver-
laten, woest ligt. En zij zelven zullen hunne schuld boeten, nademaal
en dewijl zij mijne verordeningen versmaad hebben en hunne ziel
44       afkeer heeft gehad van mijne inzettingen.\' Met dat al, als zij in het
land hunner vijanden zijn, versmaad ik hen niet, en heeft mijne ziel
niet zulk een afkeer van hen dat ik hen verdelg en mijn verbond
45       met hen verbreek; want ik ben Jahwe, hun god.\' En ik zal te hunnen
bate het verbond met de vroegeren gedenken, die ik heb uitgeleid uit
V». 84 v. 2 Kron. XXXVI: 21.
80. hoogten. 7Ae op Deut. XII: 2. — zonnebeelden, gewijde voorwerpen, waarvan wij den vorm niet
met zekerheid kennen. De naam, die van een woord dat ,zon\' betcekent kan afgeleid zijn, en A-»y-
rische afbeeldingen van de vcreering van den zonnegod, waarbij de figuur van een rad boven bet
altaar in aangebracht, doen vermoeden dat ze deze gedaante hadden. In de wet worden ze elders niet
genoemd; hunne vernieling wordt aangekondigd Jez. XVII: 8 (zie aldaar); XXVII: 9; Ezech. VIM,
6, en dat ze vernield zijn wordt verhaald 2 Krou. XIV: 5; XXXIV: t, 7. Ze wordeu dus vóór de
Hallingschnp niet vermeld. — tchandgoilen. Het hier gebezigde woord, dat, behalve hier, Deut. XXIX:
17; 1 Kou. XXI\'. 86; 2 Kon. XVII:12; XXIII: 24 en Jer. L.8, alleen in Ezechïil, en daar zeer
vaak, voorkomt, is van onzekere beteckenis. Waarschijnlijk duidt het een ,blok hout\' nnn, en worden
dus de beelden smadelijk zoo genoemd. — de lijken uwer schandgoden. Hierbij denkt de schrijver
wanrsi\'bijnlijk mui verminkte en omvergeworpen beelden; verg. .Ier. XVI: 18.
33. achter — ontblooten. Ik jaag u als mut getrokken zwaard na, zoodat gij het land ontvliedt.
84. rerzuimde, iluiilclijkheidshalve ingevoegd. — sabbatten, sabbatsjaren. — vergoed krijgen. Het
land heeft aanspraak op dien rusttijd; zoodat het verzuim van het sabbatsjaar niet alleen als eene
overtreding vau Jahwc\'s gebod aangemerkt wordt, maar ook als eene miskenning van het recht des
Imul». Vau den anderen kant kan het verzuim ook voorgesteld worden als vergrijp van het land;
vandaar de uitdrukking maakt de verzuimde sabbatten goed.
36—30. Verg. Deut. XXVIII: 65—67; Jer. VIII: 3.
30. De uitdrukking om hunne schuld wegteren ook Ezech. IV: 17; XXIV: 23; XXXIII: 10. — om
de schuld hunner raderen.
Zie op Exod. XX: 5. — Na vaderen ia een woord, bij dezen f, weggelaten.
41. onbesneden hart, ongevormd, ruw. Hetzelfde beeld Deut. X:16; Jer. IV: 4; l.X:25v.; Ezech.
XLIV:7, 9; Hand. VU: 51. Verg. Eiod. VI: 11.
-ocr page 219-
lkviticus XXVI: 45—XXVII: 8.                               299
Egypteland ten aanschouwen der natiën, opdat ik hun ten God zou
zijn. Ik ben Jahwe.
46
          Dit zijn de inzettingen, verordeningen en wetten die Jahwe gegeven
heeft over de verhouding tusschen hem en de Israëlieten, op den berg
Sinai, door Mozes.
INLEIDING OP HOOFDSTUK XXVII.
Wet op de geloften. — Heeft iemand bij ccue gelofte een inensch aan Jahwe gewijd, dan moet de
aldus gewijde naar gelang van zijn leeftijd en kunne volgens een vast tarief gelost worden (1—7);
is hij die hein gewijd heeft te arm, dnn stelle de priester den prijs vast (8). Wat te doen, als iemand
een oflerbaar dier MUI Jahwe gewijd heeft (!l ».); wat, indien het een onrein dier is (11—13). Wat,
als iemand zijn huis aan Jahwe heeft gewijd il tv. i, of een erfakker (16—21), of een gekochten akker
(22—24); het bedrag der schatting worde steeds uitgedrukt in heilige sikkelen (25). Kerstgeborencn
van het vee kunnen niet hij cene gelofte gewijd worden (26 v.). Al wat met den ban belegd is mag ver-
kocht noch gelost, een met den ban belegd mensch moet zeker ter dood gebracht worden (28 v.).
Vecticnden zijn vanzelf heilig en mogen dus noch verruild noch gelost worden (30—33). Onder-
schrift (34).
Uit hoofdstuk, uit Ezra\'s Wetboek, volgt niet ongepast op de Wet der Heiligheid, met wier karak-
tcr het goed overeenkomt, daar het handelt over heiliging of wijding nan Jahwe. Maar het is er
thans duidelijk door het onderschrift XXVI: 46 van afgescheiden.
Di\' van oudsher bestaande gewoonte allerlei aan Jahwe te beloven baarde in de praktijk velerlei
moeilijkheden, het meest wanneer het menschen gold, die men in later tijd niet als weleer kon offe-
ren of tot priester of nazi rei-r wijden (verg. op XVIII : 21), maar ook bij andere zaken. Het streven
des wetgevers is blijkbaar, de levering van allerlei dat aan Jahwe geheiligd was door betaling ecuer
geldsom te vervangen.
Vs. 32 v. is een later toevoegsel. Het behoort tot de allerjongste gedeelten van de Wet en is
waarschijnlijk opgenomen door den Verzamelaar, die er, om Levitieus van Numeri te scheiden, vs. 34
bijvoegde.
XXVII: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes: \' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun:
Wanneer iemand bij gelofte, naar schatting, menschen aan Jahwe wijdt,
3       dan zal dit de schatting zijn: \' een man tusschen de twintig en de
zestig jaar zal geschat worden op vijftig sikkelen zilver — heilige
4       sikkelen;\' is het eene vrouw, dan zal zij op dertig sikkelen ge-
5       schat worden.\' Is hij tusschen de vijf en de twintig jaar, dan zal
hij, indien het een knaap is, op twintig, is het een meisje, op tien
6       sikkelen geschat worden.\' Is hij tusschen de maand en de vijf jaar,
dan zal hij geschat worden, de knaap op vijf sikkelen zilver, het meisje
7       op drie.\' Is hij van zestig jaar en daarboven, dan zal hij, indien het
een man is, geschat worden op vijftien, is het eene vrouw, op tien
8       sikkelen.\' Is hij te arm om de schatting op te brengen, dan zal hij
den beloofden persoon voor den priester plaatsen, en deze hem schat*
ten; naar het vermogen van dengene die de gelofte afgelegd heeft zal
de priester hem schatten.
2.   naar schatting. In geheel dit hoofdstuk, en evenzoo V:15, 18; VI: 6; Nuiu. XVIII : 16. wordt
dit in het Hebreeuwsch op eene eigenaardige wijze uitgedrukt. Hier staat letterlijk naar uwe schat-
ting,
in vs. 12 naar het „uwe schatting" van den priester (door ons vertaald zooalt de priester het
schaf),
in vs. 23 het bedrag van het „uwe schatting" (door ons vertaald het bedrag der schatting). Van
den priester wordt in dit hoofdstuk steeds in den derden persoon gesproken. De uitdrukking is alleen
te begrijpen, wanneer wij aaunemen dat „uwe schatting" een kunstterm was, ontstaan in de colleges
van priesters en andere wetgeleerden. Met dat „uwe" werd dan de deskundige bedoeld; in ons hoofd-
stuk wordt als zoodanig de priester aangewezen.
3.   heilige sikkelen. Zie op Exod. XXX: 13 en vs. 25. Ue waarde van een zilvcrling was ongo-
vccr ƒ1.70.
6. Verg. Num. XVIII i 16.
8. den beloofden persoon, duidelijkhcidshalve voor hem, dat de grondtekst heeft. — Eigenlijk werd
dus minder de beloofde geschat dan het vermogen des belovers; maar de priester moest daarbij reke-
ning houden met de waarde van den beloofde.
-ocr page 220-
300                                      lbtitici\'8 XXVII: 9-27.
9          Indien de gelofte een dier geldt van de soort waarvan men een
offer aan Jahwe brengt, dan zal al wat hij van die soort aan Jahwe
10       geeft zelf heilig zijn.\' Hij mag liet verwisselen noch verruilen, geen
beter voor een slechter, noch een slechter voor een beter; indien hij
toch bet eene dier met bet andere verruilt, dan zal en bet beloofde
11       dier èn dat waarmede bet verruild is heilig zijn.\' Indien bij bet een
of ander onrein dier, van eene soort waaruit men geen offer aan Jahwe
brengt, beloofd beeft, dan zal bij bet dier voor den priester plaatsen,\'
12       en de priester zal bet schatten, of het veel of weinig waard is; zooals
13       de priester het schat, zoo zal het zijn.\' Wil men liet lossen, dan zal
men bij bet bedrag der schatting een vijfde voegen.
14           Wanneer iemand zijn huis aan Jahwe heiligt., dan zal de priester
het schatten, of het veel of weinig waard is: op den prijs waarop de
15       priester het schat zal het staan.\' Wil dan hij die zijn huis geheiligd
heeft het lossen, dan zal hij het vijfde deel van het bedrag der schat-
16       ting er bijvoegen, en zoo zal het weder zijn eigendom worden.\' Heiligt
iemand een stuk land van zijn erfgoed aan Jahwe, zoo zal bet geschat
worden naar de hoeveelheid zaad die het vereisebt: een stuk dat eene
17       ton. gerst ter bezaaiing eischt op vijftig zilverlingen.\' Indien hij in
het jubeljaar zijn akker heiligt, zal deze op het bedrag der schatting
18       staan;\' indien hij na het jubeljaar zijn akker heiligt, dan zal de pries-
ter hem den prijs berekenen naar het aantal jaren die tot het volgend
jubeljaar verloopen moeten, en daarnaar zal de schatting verminderd
19       worden.\' Indien bij die den akker geheiligd heeft dien wil lossen, dan
zal bij het vijfde deel van het bedrag der schatting er bijvoegen; zoo
20       zal bij zijn eigendom blijven.\' Indien hij tien akker niet lost en hem
verkoopt aan een ander, dan mag hij later niet meer gelost worden,\'
21       maar wordt, wanneer hij in het jubeljaar vrijkomt, heilig aan Jahwe,
evenals een met den banvloek belegde akker: aan den priester zal
22       zijn erfgoed ten deel vallen.\' Indien iemand een door hem gekochten
23       akker, die niet tot zijn erfgoed behoort, aan Jahwe heiligt,\' dan zal
de priester hem het bedrag der schatting tot het jubeljaar berekenen,
en hij dit op dienzelfden dag geven, als iets dat heilig is aan Jahwe.\'
24       In het jubeljaar zal die akker wederkeeren tot dengene van wien bij
25       hem gekocht heeft, tot wiens erfgoed hij behoorde.\' Iedere schatting
zal uitgedrukt worden in heilige sikkelen, elk van twintig gera\'s.
2(i          Maar bet eerstgeborene van een dier, hetwelk als zoodanig Jahwe
behoort, zal door niemand geheiligd worden: hetzij een rund betzij een
27 stuk kleinvee, het behoort aan Jahwe.\' Is het een onrein dier, dan
zal men het naar schatting loskoopen en het vijfde deel van bet
bedrag er bijvoegen; indien het niet gelost wordt, dan moet het naar
schatting verkocht worden.
11. Hier worden ilc onreine dieren met de niet offerhare vereenzelvigd, alsof er niet cene derde
soort was, nl. reine, d. i. tot anijs geoorloofde en toch niet oflVrbarc dieren, zooals herten.
17.  in het jubeljaar, letterlijk van hit jubeljaar af.
18.  daarnaar — worden. Duidelijk gezegd is dit niet; nmiir de bedoeling blijkt uit XXV: 15 v.
20.   Hij huil dezen akkor verkocht nndnt hij hem hnd gewijd, mecnendc in staat te zullen zijn de
waarde in 1 geld te geven, maar het viel hem tegen. Schoot dus het heiligdom den losprijs er bij in,
het\':werd hiervoor schadeloos gesteld doordat het den akker zelf in het jubeljaar ontving.
21.  aan den prieiter — vallen. Aan welken, den eersten den besten of den priesters in \'t algemeen,
dusj[aau <|de\' priesterka», blijkt niet. Duidelijk is het dat deze wet niet bestemd was dadelijk in het
leven te treden.
2ó.\\Als vs. 3.
2fl v. Eerste uitzondering op den algcmcencn regel, in het voorafgaande gesteld. Over de wijding
der eerstgeborenen zie Kiod. XIII: 2, 12; XXXIV : 19.
27. Dit komt overeen met Exod. XIII: 18a; XXXIV : 2GV, waar wèl alleen het eerstgeboren ezels-
veulen genoemd, maar wellicht dat van alle onreine dieren bedoeld is, en voorgeschreven wordt het
-ocr page 221-
LBvmcus XXVII: 28—34.
301
28           Maar al wat iemand met den ban belegt en zou aan Jahwe lieiligt,
van al wat hij bezit, menscb, vee ot\' erf\'akker, dat zal noch verkocht
noch gelost worden; al het met den ban belegde is hoogheilig aan
29       Jahwe.\' Geen mensch die met den ban belegd is zal losgekocht wor-
den; hij moet zeker worden ter dood gebracht.
30           (Jok is elk tiend van liet laud, zoowel van liet gezaaide als van de
31        boom vruchten, Jahwe\'s eigendom; het is heilig aan Jahwe.\' En indien
iemand iets van zijn tiend lost, zal hij er het vijfde deel der waarde
32       bijvoegen.\' Daarenboven alle tienden van runderen of\' kleinvee, van
al wat onder den staf doorgaat: elk tiende stuk zal aan Jahwe heilig
33       zijn.\' Men zal niet een beter of slechter dier uitzoeken, noch het ver-
ruilen; indien men bet toch verruilt, dan wordt èn het tiende dier èn
dat waarmede het verruild is heilig; gelost kan bet niet worden.
34            Dit zijn de geboden die Jahwe Mozes voor de Israëlieten op den
berg Hinai gegeven heeft.
i\')f ili\'u nuk 1.\' breken of voor een hun te lossen. I)c wet hier is veel voordecliger voor den priester.
Verg. Num. XVIII: 15», 10.
28 v. Tweede uitzondering op den regel. Over het beleggen met den bun of slaan met den banvloek
zie op Kxod. XXII: 20. De znuk zelve kwam zeker na den val van Jeruzalem eu reeds veel vroeger
niet meer voor; maar de wetgever, die Mozes sprekende invoert, rechtvaardigt zou de uitroeiing der
Kunuanictcn, wunrvan de oude verhalen gewaagden. — Volg. Num. XVIIIS14; Kzech. \\ l,l\\ : J\'.ii
viel al wat met den banvloek geslagen was den priesters ten deel.
30—33. Derde uitzondering op den regel, liet tiend zelf is heilig en kan dus niet door gelofte aan
Jahwe gewijd worden. Wat met de tienden gedaan moet worden, wordt hier niet gezegd; zie daar-
over Niim. XVIII: 21—20 en iul. op Deuk XIV: 22—29.
32. Wanneer de kudde uit of in de schaapskooi of omheinde ruimte werd gedreven, waarin zij vaak
den nacht doorbracht, stond de herder met opgeheven stuf aan den ingang, om ze te tellen (verg.
Jer. XXXIII: 13; Kzeeh. XX: 37). Als hij het tiend wil afzonderen, doe hij desgelijks met du jonge
diereu van dat voorjaar: hij rake telkens het tiende der dieren die hem voorbijgaan aan; dat vervalt
daarmede aan Jahwe. Dit is de eeuige plaats in de wet waar het brengen van vectiendeii aan Jahwe
wordt voorgeschreven. Niet ulleeu ontbreken ze iu JJenteronoinium; zie voorul Deut. XIV: 22—29,
waar ze vermeld hadden moeten zijn als ze bekend waren geweest; maar ook iu Num. XVIII, waar
wij ze in vs. 27 zouden verwachten. Buiten de wet komen ze alleen 2 Krou. XXXI: (i voor, als
ouder koning Hizkin gebracht; maar dit geschrift verdient ten deze geen geloof. Nog iu Neheinja\'s
tijd waren veetieudeu onbekend; zie Neh. X: 37—39; XIII: 5, 12; waaruit volgt dat eerst daarna
de eisch oin ze te brengen dcu Joden gesteld is. Vs. 32 v. is dus zeker een zeer jong toevoegsel.
34. Onderschrift van het bock Ltwiticut, ingevoegd door den Verzamelaar, die deze wetten op ilm
berg Sinai
laat geven, iu plaats van in dcu tabernakel of in de woestijn Sinni, blijkbaar omdat hij
zich voegt naar het onderschrift van de Wet der Heiligheid, XXVI: 10 (verg. XXV : 1).
N U M E R I.
INLEIDING OP HOOFDSTUK 1:1—X: 28.
Deze hoofdstukken verplaatsen ons in Israëis leger, zooals het aan deu Siuai werd geordend en den
tocht door de woestijn begon. In H. I wordt medegedeeld, met welken uitslag de stammen, met uit-
zoudcring
\\aiij_lic\\i, geteld werden; in H. II, in welke orde zij, wederom behalve Levi, zich rondom
den tabernakel moesten legeren; III, IV handelt over de aanstelling, telling eu indeeliug der Levie-
ten en over hun werk; II. VII somt de rijke geschenken op die Isracis stamhoofden bij de iuwijding
vau het altaar aan Jahwe brachten; VIII: 5—20 verhaalt de wijding van de Levieten; IX: 15—
23, hoe Jahwe door de wolk- en vuurzuil op den tabernakel Israël den weg wees, eu X : 1—28, welke
signalen voor de stammen werden vastgesteld.
Tusseh.cn die beschrijvingen in treffen wij eenige wetten
aan, waarvau ecu \'puur, omdat ze betrekking hebben op de reinheid van het kamp, hier niet ongepast
staau, terwijl het vau de meeste uiet is iu te zien waarom ze juist hier ceue plaats vonden. Zij zijn:
-ocr page 222-
INLEIDING OP NUMBRI I: 1—X : 28.
302
Vil—4, over de verwijdering van onreinen uit het kamp; V:5—10, over het schuldofler; V : 11—
81, over de behandeling eener van overspel verdachte vrouw; VI :1—21, over de nazircers; VI: 22—
27, over den priesterlijken zegen; VIII: 1—4, over den luchter; IX: 1—14, over de viering van het
pascha in de tweede mannd door hen die verhinderd werden het in de eerste maand des jaars te
houden.
Zoowel de verhalen als de wetten belmoren tot de jongste godecltcn van de Wet, daar alle het be-
staan onderstellen van het gemeenschappelijk draagbaar heiligdom dat in Kxod. XXV—XXXI beschre-
vcu wordt, met de Aitronietcii als priesters, i. é. w. de voorstelling van Israël in de woestijn zooals
die in Kzra\'s Wetboek gevonden werd (zie inl. op Kxod. XXIV : 12—XL: 38). Voor een gedeelte zijn
zij zeker, voor een ander deel waarschijnlijk, aan dit werk ontleend. Met name behoort het bericht
over de aanstelling en den werkkring der Levieten als helpers der Aaronieten, I : 48—54; III, IV, tot
de voorstelling van Israël in de woestijn, door dat boek gegeven. Andere stukken echter zijn eene
omwerking en uitbreiding van hetgeen dit bock bevatte, of zijn er later ingevoegd. De vele herhalingen
en enkele tegenstrijdigheden (zie vooral op VIII: 23—26) wijzen dit duidelijk aan.
Kenmerkend voor den geest van den tijd waarin deze hoofdstukken zijn opgesteld is, niet slechts
de blijkbare voorliefde waarmede de A&ronicten en de Levieten behandeld worden, maar ook de daar-
mede nauw samenhangende plaatsing van den tabernakel in het midden van Isrnëls leger, zoowel in
het kamp als op marsch. Dit is lijnrecht in strijd met de voorstelling van alle oude legenden, waarin
de tent der samenkomst buiten het kamp stond en dus ieder die er Jahwe wilde raadplegen zich
buiten het kamp moest begeven (XI: 10—30; XII; Exod. XXXIII: 7—11). De plaatsing van den
tabernakel in het midden des volks, die in onze hoofdstukken zoo sterk op den voorgrond treedt en
Km al. XXV—XXXI en in Lec\'Uicut stilzwijgend ondersteld wordt, komt overeen met de plaatsing van
den tempel in het nieuwe Kanaau volgens Kzcchiëls verwachting (Kzech. XLVIII), drukt het denkbeeld
uit dat Jahwe in het midden zijns volks woont, en strookt geheel met den geest der toongevers in
Juda van Kzra\'s tijd af, voor wie de tempel inderdaad het middelpunt van het leven was.
De breedsprakigheid van de schrijvers dezer hoofdstukken is vaak vermoeiend; zie vooral H. VII.
HOOFDSTUK I.
De monstering van het volk. — Jahwe beveelt Mozcs, de Israëlietische mannen boven de twintig
jaar te tellen (1—3); waarbij, behalve Aürou, de twaalf stamhoofden, met name aangeduid, hem zullen
bijstaan (4—10). Mozcs gehoorzaamt (17—19). De sterkte van elk der stammen, Lcvi uitgezonderd
(20—47). Jahwe beveelt Mozcs, de Levieten niet mede te tellen; zij moeten bij den tabernakel dic-
ncn en zich daaromheen legeren (48—54).
1 it de hier opgegeven reden waarom de Levieten niet evenals de anderen geteld moeten worden
blijkt, dat de hier verhaalde monstcring de voorbereiding is van II. II, waar Jahwe gebiedt de twaalf
stammen, in afzonderlijke kampen verdeeld, te doen legeren en voorttrekken. Kvcnals het volgende, is
dit hoofdstuk waarschijnlijk uit Kzra\'s Wetboek, al doet hier en daar de gebrekkige volgorde der
bijzonderheden aan overwerking en latere aanvulling denken.
Wat den inhoud nangnat, de schijnbare nauwkeurigheid der cijfers, gepaard aan de opgaven van de
namen der stamvorstcn, zou ons in den wnan kunnen brengen dat wij hier met, althans eenigermate,
geloofwaardige overleveringen te doen hebben; maar reeds de vergelijking met andere cijfers in dit-
zelfde bock wekt hieraan sterken twijfel. Vreemd toch is het, dat de uitslag van de monstering aan
het eind der omzwerving, H. XXVI — hoewel elk der stammen öf talrijker of zwakker geworden is
— wat het eindcijfer betreft ongeveer dezelfde is: 603.550 hier en Kxod. XXXVIII: 26; 601.730 daar.
Kn gansch en al onmogelijk is, wat ons 111:39—43 wordt medegedeeld, dat onder al die Israëlieten
slechts 22.273 eerstgeborenen zijn geweest; zie op 111:43. Doch wij behoeven niet af te gaan op zulke
overwegingen, om al die cijfers voor vruchten van opzettelijke verdichting te houden. Immers, de op-
gavcn van de sterkte der stammen berusten alle op het volkomen ongeloofwaardige cijfer van zeshon-
derd duizend weerbare mannen, die volgens het Oude Sagenboek (verg. XI: 21 ; Kxod. XII: 37) uit
Egypte getogen zijn; uit dat cijfer zijn zij volgens een bepaald plan afgeleid — zes stammen zijn meer,
zes minder dan 50.000 man sterk. De namen der twaalf stamhoofden steunen evenmin op overleve-
ring; zie op vs. 4—16.
-ocr page 223-
NUMBK1 I : I —25.
303
1: 1          Jahwe sprak tot Mozes ia de woestijn van den Sinai, in de tent
der samenkomst, op den eersten dag der tweede maand van het tweede
2      jaar van hun uittocht uit Egypteland: \' Neemt de som op van de ge-
heele gemeente der Israëlieten naar hunne geslachten, naar hunne
3       familiën, door telling der namen, alle mannen, hoofd voor hoofd,\' van
twintig jaar af en daarboven, alle dienstplichtigen in Israël: gij zult
4       hen, in lieirscharen ingedeeld, monsteren, gij met Aiiron. \' En u zullen
hierin helpen éen man uit eiken stam, allen hoofden van hunne familie.\'
5       Dit zijn de namen der mannen die u zullen ter zijde staan: voor Ruben
(5 Elisur, de zoon van Sjedeür; \' voor Simeon Sjeluniiël, de zoon van
7,8 Surisjaddai;\' voor Juda Nahsjon, de zoon van Amminadab; \' voor Issa-
9 char Nethaneël, de zoon van Suar;\' voor Zebulon Eliab, de zoon van
10       Helon;\' voor de Jozefieten, voor Efraim Elisjama, de zoon van Ammi-
11       hud, voor Manasse Gamliël, de zoon van Pedasoer;\' voor Benjamin
12       Abidan, de zoon van Gideoni;\' voor Dan Ahiëzer, de zoon van Ammi-
13, 14 sjaddai; \' voor Azer Paggiël, de zoon van Ochran; \' voor Gad Eljazaf,
15, 1(5 de zoon van Iteüel; \' voor Naftali Ahira, de zoon van Enan. — \' Dit
waren de opgeroepenen uit de gemeente, vorsten over hunne voorva-
derlijke stammen; de stamhoofden van Israël waren het.
17           Toen namen Mozes en Aiiron die met name aangewezen mannen\'
18       en vergaderden de geheele gemeente op den eersten dag der tweede
maand; men liet zich indeelen naar geslachten en familiën, naar het
aantal der namen, van twintig jaar en daarboven, hoofd voor hoofd,\'
19       gelijk Jahwe Mozes bevolen had. Zoo monsterde hij hen in de woes-
tijn Sinai.
20           De zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene, hunne nakomelingen
waren, naar hunne geslachten, naar hunne familiën, naar het aantal
der namen, hoofd voor hoofd, alle mannen van twintig jaar en daar-
21       boven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemonsterden waren, uit den
22       stam Ruben, zes en veertig duizend vijf honderd. \' De zonen van Si-
meon, hunne nakomelingen waren, naar hunne geslachten, naar hunne
familiën, naar het aantal der namen, hoofd voor hoofd, alle mannen
23       van twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemon-
sterden waren, uit den stam Simeon, negen en vijftig duizend drie-
24       honderd.\' De zonen van Gad, hunne nakomelingen waren, naar hunne
geslachten, naar hunne familiën, naar het aantal der namen, alle man-
25       nen van twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne
gemonsterden waren, uit den stam Gad, vijf en veertig duizend zes-
1.  Deze lastgeving geschioddc dus cene maand na do oprichting van de tent der samenkomst, Exod.
XL: 17, en nog voordat het volk van den Sinai onbrak, X:ll.
2.  Neemt, in het meervoud. Hij voorbant wordcu dus Aiiron en de stnmvorsten mede tocgesprokon.
3.  van twintig jaar af en daarboven. Dezelfde bepaling Exod. XXX: 14.
4—16. Hier, bij gelegenheid van de monstcring des volks, worden voor het eerst stamhoofden aan-
gestcld, en wel twaalf naar het aantal der stammen. Is zulk cene voorstelling van de wijze waarop
stammen hunne hoofden erlangen uit den aard der zaak ongeloofwaardig, zij is in overeenstemming
met die der indccliug des volks in twaalf stammen, die zelve reeds kunstmatig was. Om het twaalftal
te vinden, telde men nu eens Levi mede en rekende Jozef voor éen stam; zie Gen. XLIX; Dcut. XXVII:
12 v.; Ezeeh. XLVIII:31—34. Dan weder werd Levi, daar hij, als priesterstam, cene te eigenaardige
plaats in Israël innam om met de andere stammen op éene lijn te staan, niet medegcteld, en Jozef
in Efraim en Manasse gesplitst; wat Gen. XLVIII: 5—22 gerechtvaardigd wordt. Zoo Joz. XIV: 4;
XVI: 1—4; Ezeeh. XLVII:13 en elders. — De vier en twintig namen van de stamhoofden en hunne
vaders, die II; VII; X:14—27 terugkeeren, zijn meerendcels zeer eigenaardig; in vele daarvan komt
eene algemeene benaming der godheid voor, als Ood, de Machtige, de Rotieteen; in geen enkelen de
naam Jahwe, die volgens Exod. VI: 1—5 eerst aan Mozes was geopenbaard. Waarschijnlijk zijn ze
door den schrijver zelven samengesteld.
14. Reüel, volg. 11:14, Sam. t.. Gr. en Syr. vertt.; Hcbr. t. hier en VII: 42; X: 20 heiiel. Reüel
heette volg. X: 29 de vader van Mozes\' schoonvader; verg. op Exod. 11:18.
22. Hier staat achter familiën nog syne gemontterden, wat volg. Gr. vert. is weggelaten.
-ocr page 224-
NÜMBRI I : 25—51.
304
20 honderd vijftig. \' De zonen van Juda, hunne nakomelingen waren, naar
hunne geslachten, naar hunne familiën, naar het aantal der namen,
alle mannen van twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \'
27       hunne geinonsterden waren, uit den stam Juda, vier en zeventig dui-
28       zend zeshonderd.\' De zonen van Issachar, hunne nakomelingen waren,
naar hunne geslachten, naar hunne familiën, naar het aantal der namen,
alle mannen van twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen —\'
29       hunne gemonsterden waren, uit den stam Issachar, vier en vijftig
30       duizend vierhonderd.\' De zonen van Zebulon, hunne nakomelingen
waren, naar hunne geslachten, naar hunne familiën, naar het aantal
der namen, alle mannen van twintig jaar en daarboven, alle dienst-
31       plichtigen — \' hunne gemonsterden waren, uit den stam Zebulon, zeven
32       en vijftig «luizend vierhonderd.\' Wat «Ie zonen van Jozef aangaat, die
van Efraim, hunne nakomelingen waren, naar hunne geslachten, naar
hunne familiën, naar het aantal der namen, alle mannen van twintig
33      jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemonsterden waren,
34       uit den stam Efraim, veertig duizend vijfhonderd.\' Die van Manasse,
hunne nakomelingen waren, naar hunne geslachten, naar hunne fami-
liën, naar het aantal der namen, alle mannen van twintig jaar en
35       daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemonsterden waren, uit
3<> den stam Manasse, twee en dertig duizend tweehonderd.\' De zonen
van Benjamin, hunne nakomelingen waren, naar hunne geslachten,
naar hunne familiën, naar liet aantal der namen, alle mannen van
37       twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemonster-
den waren, uit den stam Benjamin, vijf en dertig duizend vierhonderd.\'
38       De zonen van Dan, hunne nakomelingen waren, naar hunne geslachten,
naar hunne familiën, naar het aantal der namen, alle mannen van
39       twintig jaar en «laarhoven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemonster-
den waren, uit den stam Dan, twee en zestig duizend zevenhonderd.\'
40       De zonen van Azer, hunne nakomelingen waren, naar hunne geslachten,
naar hunne familiën, naar het aantal der namen, alle mannen van
41       twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne gemonster-
den waren, uit den stam Azer, een en veertig duizend vijfhonderd.\'
42       De zonen van Naftali, hunne nakomelingen waren, naar hunne ge-
slachten, naar hunne familiën, naar het aantal der namen, alle mannen
43       van twintig jaar en daarboven, alle dienstplichtigen — \' hunne ge-
monsterden waren, uit den stam Naftali, drie en vijftig duizend vier-
44       honderd. \' Dit waren de gemonsterden, die Mozes gemonsterd heeft,
met Aiiron en de vorsten van Israël, twaalf mannen, voor eiken stam
45       een; zij waren hoofden hunner familiën:\' al de gemonsterden der Israë-
lieten naar hunne familiën van twintig jaar en daarboven, alle dienst-
4(i plichtigen in Israël —\' al die gemonsterden waren zeshonderd drie
47 duizend vijfhonderd vijftig.\' En de Levieten, naar hun voorvaderlijken
stam, waren niet onder hen gemonsterd.
48, 49 Jahwe sprak tot Mozes:\' Daarentegen zult gij den stam Levi niet
monsteren en de som van hen niet opnemen onder de Israëlieten.\'
50       Maar stel gij de Levieten aan over den tabernakel der Geboden met
al zijne meubelen en al wat er bij behoort; zij zullen den tabernakel
en al zijne meubelen vervoeren, zij zullen hem bedienen en zich rondom
51       den tabernakel legeren. Wanneer de tabernakel optrekt zullen de Le-
vieten hem afbreken, en wanneer de tabernakel halt houdt zullen de
44. voor eiken stam en koofden, naar Gr. vert. en vs. 4.
48. Dit sluit eigenlijk aan vs. 3 aan.
51. de leek — Korden. Verg. 111:10.
-ocr page 225-
NÜMKM 1:51—11: 16.                                        305
Levieten hem opslaan; de leek die nadert zal ter dood gebracht wor-
52       den.\' En terwijl de Israëlieten zich, ieder naar zijn kamp, ieder onder
53       zijne banier, in hunne heirscharen ingedeeld, legeren,\' zullen de Le-
vieten hun kamp opslaan rondom den tabernakel der Geboden; opdat
geen toorn ontbrande tegen de gemeente der Israëlieten. Zoo zullen
de Levieten hun plicht jegens den tabernakel der Geboden vervullen.\'
54       En de Israëlieten deden naar alles wat Jahwe Mozes bevolen had; zoo
deden zij.
53. opdat — lêrai\'lielen. De Levietcnstnm dient dus ten voormuur, om den heiligen Jahwe van de
Israëlieten af te zonderen.
HOOFDSTUK II.
Orde van Israël* stammen in het kamp en op marsch. — De Israëlieten moeten zich ordelijk
rondom den tabernakel legeren (1 v.). Onder Juda\'s banier moeten Juda, Issachar en Zebulon ten
oosten van het heiligdom gelegerd zijn en op marsch de voorhoede vormen (3—9). Onder die van
Ruben moeten Kuben, Simeon en Gad zich ten zuiden legeren cu op marsch de tweede afdeeling uit-
maken (10—16). Daarna zal bij het optrekken de tent der samenkomst met de Devieten volgen (17).
Onder de banier van Kfraim moeten Efraim, Manasse en Benjamin zich ten westen legeren en op
marsch de derde afdeeling uitmaken (18—2-t). Onder de banier van Dan moeten Dan, Azer en Naf-
tali zich ten noorden legeren en op marsch de achterhoede vormen (25—31). Onderschrift (32—34).
De inkleeding is in dit hoofdstuk bijzonder ongelukkig. De geheele regeling van de marschorde
wordt namelijk voorgcdrageu in den vorm eencr lnstgcving van Jahwe aan Mozes en Aürou. Dicn-
tongcvolgo worden hun de namen en cijfers, die zij volgens H. I reeds kenden, hier nog eens door
Jahwe medegedeeld.
II: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes en Aaron:\' Laat de Israëlieten zich legeren,
ieder onder zijne banier, met veldteekenen, naar hunne familiën; aan
alle kanten tegenover de tent der samenkomst moeten zij zich legeren.
3           Ten oosten, aan de oostzijde, de banier van Juda\'s kamp in hunne
heirscharen ingedeeld — de vorst der zonen van Juda is Nahsjon, de
4       zoon van Amminadab,\' en zijn heir met zijne gemonsterden bedraagt
5       vier en zeventig duizend zeshonderd man.\' Daarbij legeren zich de
stam Issachar — de vorst der zonen van Issachar is Nethaneël, de
(5 zoon van Huar,\' en zijn heir met zijne gemonsterden bedraagt vier en
7       vijftig duizend vierhonderd man — \' en de stam Zebulon — de vorst
8       der zonen van Zebulon is Eliab, de zoon van Helon,\' en zijn heir met
zijne gemonsterden bedraagt zeven en vijftig duizend vierhonderd man.\'
9       Al de gemonsterden van Juda\'s kamp zijn honderd zes en tachtig dui-
zend vierhonderd man, in hunne heirscharen ingedeeld. Zij moeten in
de eerste plaats optrekken.
10           De banier van Rubens kamp, in hunne heirscharen ingedeeld, aan
de zuidzijde — de vorst der zonen van Ruben is Elisur, de zoon van
11       Sjedeür,\' en zijn heir met zijne gemonsterden bedraagt zes en veertig
12       duizend vijfhonderd man.\' Daarbij legeren zich de stam Simeon — de
13       vorst der zonen van Simeon is Sjelumiël, de zoon van Surisjaddai,\' en
zijn heir met hunne gemonsterden bedraagt negen en vijftig duizend
14       driehonderd man —\' en de stam Gad — de vorst der zonen van Gad
15       is Eljazaf, de zoon van Reüel,\' en zijn heir met hunne gemonsterden
10 bedraagt vijf en veertig duizend zeshonderd vijftig man.\' Al de gemon-
sterden van Rubens kamp zijn honderd een en vijftig duizend vierhon-
derd vijftig man, in hunne heirscharen ingedeeld. Zij moeten als tweede
afdeeling optrekken.
3. In het begin van het vers is en zij dit zich legeren volg. Gr. vert. weggelaten.
O. T. I.                                                                                                                          80
-ocr page 226-
NPMBRI II: 17—34.
30G
17           De tent der samenkomst zal dan optrekken: het kamp der Levieten
in liet midden der andere legerkampen. Zooals zij zicli legeren, zoo
zullen zij optrekken, ieder op zijne plaat», volgens hunne banieren.
18           De banier van Efraiius kamp, in hunne heirscharen ingedeeld, aan
de westzijde — de vorst der zonen van Efraim is Elisjama, de zoon
19       van Ammihud, \' en zijn lieir met hunne gemonsterden bedraagt veertig
30 duizend vijfhonderd man.\' Daarbij legeren zich de stam Manasse —\'
21       de vorst der zonen van Manasse is (hunlied, de zoon van Pedasur, en
zijn heir met hunne gemonsterden bedraagt twee en dertig duizend
22       tweehonderd man — \' en de stam Benjamin — de vorst der zonen
23       van Benjamin is Abidan, de zoon van Gideoni,\' en zijn heir met hunne
24       gemonsterden bedraagt vijf en dertig duizend vierhonderd man. \' Al de
gemonsterden van Efraiius kamp zijn honderd acht duizend éen hon-
derd man, in hunne heirscharen ingedeeld. Zij moeten als derde afdee-
ling optrekken.
25           De banier van Dans kanip, in hunne heirscharen ingedeeld, aan de
noordzijde — de vorst der zonen van Dan is Ahiëzer, de zoon van
20       Ammisjaddai,\' en zijn heir met hunne gemonsterden bedraagt twee en
27       zestig duizend zevenhonderd man.\' Daarbij legeren zich de stam Azer —
28       de vorst der zonen van Azer is Paggiël, de zoon van Ochran, \' en zijn
heir met hunne gemonsterden bedraagt een en veertig duizend vijfhon-
29       derd man — \' en de stam Naftali — «Ie vorst der zonen van Naftali
30       is Ahira, «Ie zoon van Enan,\' en zijn heir met hunne gemonsterden
31       bedraagt drie en vijftig duizend vierhonderd man.\' Alle gemonsterden
van Dans kamp zijn honderd zeven en vijftig duizend zeshonderd man.
Achteraan moeten zij volgens hunne banieren optrekken.
32           Dit zijn de gemonsterden der Israëlieten naar hunne familiën, alle
gemonsterden der kampen, in hunne heirscharen ingedeeld, zeshonderd
33       drie duizend vijfhonderd vijftig man. \' En de Levieten waren niet
onder de Israëlieten gemonsterd; zooals Jahwe Mozes bevolen had.\'
34       De Israëlieten nu deden naar alles wat Jahwe Mozes bevolen had.
Juist zoo legerden zij zicli volgens hunne banieren, en juist zoo trok-
ken zij op, ieder naar zijn geslacht, bij zijne familie.
17. Een weinig anders is de mnrschnrdc der Levieten X:17, 21.
20. legere» stek is uit den grondtekst uitgevallen.
HOOFDSTUK III, IV.
De stam Levi. — De vier zonen van Aüron, waarvan twee gestorven waren (III: 1—1). Jahwe
beveelt Mozes, den stam Levi ten dienste van Aüron en het heiligdom te stellen (5—10). Hij ver-
klaart, de Levieten voor zijn deel te nemen, in stede van de eerstgeborenen der Israëlieten die hem
toekomen (11—13). Op bevel van Jahwe, monstert Mozes de Levieten van éene maand oud af (14—
10). De drie zonen van l.cvi en de van hen afstammende geslachten (17—20). De familiën, het aan-
tal, de plaats in het kamp, de vorst en de taak der Gemjonieten (21—20). Desgelijks der Kehathie-
ten (27—31), uit wie het hoofd van alle Levieten stamt (32), en der Meraricten (33—37). Mozes,
Aüron en zijne zonen zijn aan de oostzijde van de tent der snmenkomst gelegerd (38); het aantal
van alle Levieten (30). Op bevel van Jahwe telt Mozes de eerstgeborenen der Israëlieten van éene
maand oud af en legt in hunne plaats op de Levieten bcslng (40—13). Eveneens op Jahwc\'s bevel,
lost hij de eerstgeborenen die er meer zijn dan Levieten, voor vijf sikkelen het hoofd; welk geld aan
Aüron gegeven wordt (44—51). Jahwe beveelt Mozes de dienstplichtige Kchathieten te tellen, on
schrijft hun hunne taak voor bij het afbreken, vervoeren en opslaan van den tabernakel (IV: 1—10);
men drage zorg dat de Kchathieten geen priesterwerk verrichten, waardoor zij zouden omkomen (17—
20). Daarna beveelt Jahwe Mozes, de Ocrsjonicten te tellen en hun hunne taak voor te schrijven (21—
28). Desgelijks ten aanzien van de Meraricten (29—33). Jahwe\'s bevelen worden ten uitvoer gelegd;
de uitkomst der telling van de drie Levietische geslachten (34—49).
-ocr page 227-
numbri III: 1.                                          307
Om ilczc hoofdstukken te begrijpen, moet men zich zoo goed mogelijk duidelijk maken, uit welke
deelen van zeer verschillenden oorsprong de stam Levi in de vijfde eeuw bestond. Slechts een gedeelte
der tcinpeldicuarcn droeg toeu den naam van „Leviet". Daarnaast vinden wij „zangers", „portiers",
en vooral „geschonkenen (nethinUm)" en „de zonen van Saloino\'s slaven", Kzra 11:40—58 en elders
in Ezra en Nehemja. Zij die Levieten heetten waren denkelijk voor het grootste gedeelte nnkomc-
lingen van voormalige lmogtepriesters, die, ten gevolge van Jozia\'s hervorming van hunne voor-
vaderlijke bedieningen beroofd, niet zoo gelukkig waren geweest om een priesterambt aan den tempel
te veroveren. l)c zangers en de portiers waren zonen dergenen die als zoodanig voor de Kallingschap
aan den tempel dienst gedaan hadden, wellicht gedeeltelijk met de priesterfamilicn verwant cu uit
Levi, maar zeker gedeeltelijk uit andere stammen afkomstig; want voor Jozia\'s hervorming werden de
niet-Levictcn geenszins geweerd van den dienst in de heilige plaats en wns zelfs het offeren niet het
uitsluitend recht van e\'en geslacht (verg. op 2 Sam. VI: 10 en 2 Sam. VIII: 18; 2 Kon. XVI: 15 en
elders). l)c „geschonkenen" en de „slaven van Salomo" eindelijk waren Knnaünieteu van afkomst en
nis dienaren vnn den laagstcn rang aan den tempel verbonden.
In dezen staat van zaken was veel dat de toongevers in den tijd van Ezra ergerde: al wie niet uit
Levi stamde en vooral al wie van heidensche afkomst was mocht op gcenc wijze aan het heilig dicnst-
werk deelnemen; zooals alleen de Aaronietcn priesters mochten zijn, hadden alleen Levieten het recht
hen en het volk bij de offers en andere heilige handelingen te dienen; verg. op Kzech. XLIV:Tv.
De wet schreef dit voor. Maar zij kou onmogelijk ten uitvoer gelegd worden, daar zij geen rekening
hield met den fcitelijkcn toestand en de eenmaal verkregen rechten. Vele dier familicn van zangers
en portiers hadden van ouder tot ouder hare plaatsen op het orkest en aan de poorten gehad, waren
zeer machtig en lieten zich niet verdringen. Dit was ook het geval met vele der „geschonkenen" en
„slaven van Salomo". Hoewel Kauaüuietcn van oorsprong, waren zij — zooals men van tempeldicnarcii
kon verwachten — zeer ijverige aanbidders van Jahwe geworden. Ja, zij waren in de vijfde cenw veel
meer nan den Jcruzalcmschen tempel gehecht dnn menig nakomeling van voormalige hoogtepricsters,
die het niet kon verkroppen dat hij geen priesterlijk ambt had verkregen (verg. Kzra VIII : 15—20).
Vele dier nict-Levieten waren dus onmisbaar.
Intusschen, de geest des tijds dreef tot onderscheiding van priester en leek en tot verwijdering vnn
al wie niet uit Levi stnmdc. Daarom streefden de nict-Levictische tempelbeambten er naar, bij den
stam Levi te worden ingelijfd. Dit gelukte hun vaak door verdichte gcslachtrcgistcrs: evenals Aiiron
de stamvader werd van nllc wettige priesters (zie inl. op Kxod. XXIV : 12—XL: 38), werd Levi het
van alle wettige hulppricstcrs. De rekbaarheid van het woord „huis" werkte hiertoe krachtig mede.
Immers, de waarde aan de afkomst uil den heiligen stam gehecht gaf aan ecu onbemiddeld Leviet
eeue goede gelegenheid eeu rijk huwelijk te doen; menige teekenfamilie nam bij hare verbintenis met
een Leviet zijn nuam aan en werd dus in den heiligen stam ingelijfd. Andere urine Levieten sloten
ecne soort van vennootschap met lcekenfnmilicn die voordcclige betrekkingen aan den tempel bezaten,
waarbij de Leviet aan het „huis" den naam gaf. Soms ging het niet zoo geleidelijk en vreedzaam toe.
Vele kuiperijen en geweldenarijen, ja heftige botsingen hebben plaats gehad; nog lang na de opstelling
dezer hoofdstukken kampten verschillende familiën om een hoogcren rang (zie inl. op H. XVI, nant.
op XVI :1 en inl. op H. XVII). Wat de werkzaamheden aangaat aan de drie geslachten opgedragen,
het spreekt vanzelf dat die bij de inklecding behooren. lu de werkelijkheid waren zij in den tempel
geheel andere dan bij een vervoerbnar heiligdom, en was daar ook het aantal bedieningen veel grootcr
dan deze wet doet vermoeden (verg. op IV: 24); tot den ondergang van het heiligdom toe zijn Levieten
èn in zeer aanzienlijke ambten, als magazijnmeesters en toonbroodbnkkers, èn in zeer lage betrokkingen,
nis portiers, houthakkers en dcrgelijkcu, in dienst geweest (verg. 1 Kron. IX: 14—34; 2 Krou.
XXXIV: 12 v. en elders). In de vraag, wie tot cen of ander ambt bevoegd was, treedt de wet niet;
zg vergenoegt zich met een beginsel in nanschouwelijken vorm uit te spreken, en in het algemeen to
bepalen, aan welke gcslachtcu de hoogere en de lagere plaatsen toekomen.
Welk gedeelte dezer hoofdstukken in Kzra\'s Wetboek stond, welk later toegevoegd is, kunnen wij
niet meer uitmaken, daar de oudo stukken waarschijnlijk niet alleen aangevuld, maar ook met de
nieuwere verwerkt zijn. Het voorschrift IV: 17—20 is blijkbaar verscherping van IV: 15 en er later
aan toegevoegd. Maar noch van dit gedeelte, noch van het overige doet het veel ter zake, of het tot
het oorspronkelijke werk, dan wel tot de omwerking behoort; want allen die in de samenstelling dezer
hoofdstukken do hand gehad hebben waren geestverwanten en bewogen zich in dezelfde richting.
III: 1 Dit zijn de afstammelingen van Aiiron en Mozes, ten tijde dat Jahwe
1. Dit zijn de a/ttammelitigen van, de gewone aanhef van oon goslnehtrcgister in Kzra\'s Wetboek;
zie op Gon. II:4a. — van Aiiron en Mozet. Dit is onjuist; want vs. 14—20, waarbij het opschrift
behoort, behelst eene optelling der familiöu van Levi. — ten tijde — sprot. Dit beperkt de opgave
tot het geslacht dat Egypte verliet.
-ocr page 228-
KüMBM III: 1—a0.
308
2       met Mozes op den berg Sinai sprak.\' Dit zijn de namen van Atirons
zonen: de eerstgeborene was Nadab, dan Abihu, Eleazar en Ithamar.\'
3       Dit zijn de namen der zonen van Aiiron, der gezalfde priesters, die
4       bij bun wijdingsoffer beeft doen brengen om priesters te zijn; \' maar
Nadab en Abiliu stierven voor Jahwe\'s aangezicht, toen zij vreemd
vuur opdroegen voor Jahwe in de woestijn van den Sinai; en zij had-
den geen zonen. Zoo waren Eleazar en Ithamar priesters nog bij bet
leven van hun vader Aiiron.
5, (5 Jahwe sprak tot Mozes: \' Doe den stam Levi naderen en plaats dien
7       voor den priester Aiiron: zij zullen hem dienen\' en hunne plichten
jegens hem en de geheele gemeente voor de tent der samenkomst
8       waarnemen, door den arbeid bij den tabernakel te verrichten. \' üok
zullen zij voor alle meubelen van de tent der samenkomst zorgen en
den Israëlieten behulpzaam zijn door het verrichten van allen arbeid
9       bij den tabernakel. \' Zoo zult gij de Levieten aan Aiiron en zijne zonen
schenken: geschonken, geschonken zijn zij hem vanwege de Israëlieten.\'
10 Doch Aiiron en zijne zonen zult gij aanstellen, en zoo zullen zij hun
priesterschap waarnemen: de leek die nadert zal ter dood gebracht
worden.
11, 12 Jahwe sprak tot Mozes: \' Ik van mijne zijde, zie, ik neem de Levie-
ten uit het midden der Israëlieten in de plaats van alle eerstgeborenen,
die den moederschoot openen, onder de Israëlieten; zoo zullen de Le-
13 vieten mij toebehooren.\' Want mij bebooren alle eerstgeborenen: ten
dage dat ik alle eerstgeborenen in Egypteland sloeg, heb ik alle eeret-
geborenen in Israël, zoowel die der menschen als die der dieren, mij
geheiligd; zij zouden mij toebehooren. Ik ben Jahwe.
14, 15 Jahwe sprak tot Mozes in de woestijn van den Sinai: \' Monster de
Levieten naar hunne familiën en geslachten; al wat mannelijk is onder
16       hen van eene maand en daarboven zult gij monsteren.\' Zoo monsterde
hen Mozes naar Jahwe\'s last, gelijk hij hem bevolen had.
17           Dit waren de zonen van Levi met name: Gersjon, Kehath en Merari.\'
18       En dit de namen der zonen van Gersjon naar hunne geslachten: Libni
19       en Sjimeï;\' en de zonen van Kehath naar hunne geslachten waren
20       Amram en Jishar, Hebron en Uzziël;\' en de zonen van Merari naar
hunne geslachten waren Mahli en Musji. Dit zijn de geslachten der
Levieten naar hunne familiën.
3.  der gezalfde prieaterl. Verg. op Kxod. XXIX: 7. — die — brengen. Verg. op Exod. XXVIII: 41.
4.  Verg. Lcv. X: 1 v.
5—10. De tank hier den Levieten opgedragen was in zoover eervol als een niet-Leviet in het ge-
heel niet naderen mocht tot de heilige voorwerpen, vs. 10//; maar de nadruk ligt toch op de onder-
geschikte plaats, hun aangewezen; zie vs. 10a. Het een en ander is geheel in overeenstemming met
Ezech. XLIV:0—16.
8. den Itrotlieten — tabernakel, bij het offeren en andere heilige handelingen.
0. geschonken. „Reschunkenen" heetten de tempelslaven van Kanaünictische afkomst, die aan het
heiligdom, d. i. aan Jahwe, geschonken wuren; verg. op Joz. IX: 21; met zinspeling op hun naam
zegt de schrijver dat alle Levieten geschonken zijn; verg. lol. en VIII: 16—19; XVIII: 6.
10. Ui\' aanstelling van Aüron en zijne zonen is reeds Lcv. VIII verhaald. — In dit vers wordt
door de teek een niet-Aaroniet aangeduid en omvat het ook de Levieten; 1:51 beteekent het een niet-
Leviet.
11—13. Desgelijks VIII: 14—19. Hier wordt opgegeven, op welken grond Jahwe op de Levieten
als zijne dienaren aanspraak maakt; verg. Exod. XII: 29 v.; XIII :1—16. Dit ia eene geheel andere
beschouwing dan die van Exod. XXXII: 25—29, waar de Levieten hunne (\'ereplaats in Israël door
ijver verdienen; verg. op Exod. XXVIII: 1. Ook is zij in strijd met Exod. XIII: 13; immers, indien
de Levieten in plaats van de eerstgeborenen aan Jahwe waren afgestaan, was lossing van eiken eerst-
geborene onnoodig; verg. op vs. 41.
15.  van eene maand en daarboven, in overeenstemming met vs. 40, 43; XVIII: 10.
16.  hij — had, volgens andere klinkers; Hebr. t. hem bevolen wat.
17—20. Dezelfde opgave van Levi\'s geslachten Gen. XLVI: 11; Exod. VI: 15—19, eene eeniguini
afwijkende XXVI: 57 v.
-ocr page 229-
309
NUMBI11 111:21 — 39.
21           Tot Gersjon behoorden de geslachten Libni en Sjinieï; dit waren de
22       geslaohten der Gersjonieten. \' Hunne gemonsterden — naar telling van
al wat mannelijk was van eene maand en daarboven — hunne gemon-
23       sterden waren zeven duizend vijfhonderd in getal. \' De geslachten der
Gersjonieten moesten zicli achter den tabernakel aan de westzijde lege-
24       ren. \' De familievorst der Gersjonieten was Eljazaf, de zoon van Laèl.\'
25       Tot de plichten der Gersjonieten aan de tent der samenkomst behoorde
de zorg voor den tabernakel en de tent, zijn dekkleed, het tapijt aan
26       den ingang van de tent der samenkomst, \' de zeilen van het voorhof
en het tapijt aan den ingang van het voorhof, dat rondom den taber-
nakel en het altaar was, en voor de touwen, met al wat er voor te
bezorgen was.
27           Tot Kehath behoorden het geslacht der Amramieten en die der Jisha-
rieten, der Hebronieten en der Uzziëlieten; dit waren de geslachten der
28       Kehathieten.\' Hunne gemonsterden — naar telling van al wat man-
nelijk was van eene maand en daarboven — waren acht duizend zes-
honderd in getal, tot wier plicht de bediening van het heiligdom be-
29       hoorde.\' De geslachten der Kehathieten moesten zich naast den tabernakel
30       aan de zuidzijde legeren. \' De familievorst der Kehathietische geslachten
31       was Elisafan, de zoon van Uzziël. \' En zij hadden te zorgen voor de
ark, de tafel, den luchter, de altaren, de heilige gereedschappen waar-
mede de dienst verricht werd, het voorhangsel en al wat er voor te
bezorgen was.
32           De oppervorst der Levieten was Eleazar, de zoon van den priester
Aiiron, de opzichter van hen tot wier plichten de zorg voor het hei-
ligdom behoorde.
33           Tot Merari behoorden liet geslacht der Mahlieten en dat der Mu-
34       sjieten; dit waren de geslachten van Merari. \' Hunne gemonsterden —
naar telling van al wat mannelijk was van eene maand en daarboven —
35       waren zes duizend tweehonderd. \' De familievorst van Merari\'s geslachten
was öuriël, de zoon van Abihail; naast den tabernakel aan de noord-
36       zijde moesten zij zich legeren.\' Aan de Merarieten was de zorg opgedra-
gen voor de stijlen, sluitboomen, pilaren en voetstukken van den taber-
nakel, voor al het daarbij behoorend gereedschap en al wat er voor te
37       bezorgen was,\' voor de pilaren van het voorhof rondom en hunne
voetstukken, pinnen en touwen.
38           Vóór den tabernakel, aan de oostzijde, voor de tent der samenkomst,
ten oosten, waren gelegerd Mozes, Aaron en zijne zonen, tot wier
plichten de zorg van het heiligdom behoorde, om er ten bate der
Israëlieten den dienst waar te nemen; de leek die naderde moest ter
39       dood gebracht worden. \' Alle gemonsterden der Levieten, die Mozes en
23. Laët, Gr. vert. Doel.
25.  den tabernakel en de tent, beide in engeren zin; verg. Exod. XXVI: 1—13. — lijn dekkleed,
Exod. XXVI: 14. — het — samenkomst, Exod. XXVI: 36.
26.  de zeilen — en het tapijt, Exod. XXVII: 9—16. — de tonnen, Exod. XXXV : 18.
28. Hunne gemonsterden. Dit ontbreekt in den grondtekst en is volg. Syr. vert. ingevoegd. —
zeshonderd. Waarschijnlijk moet dit driehonderd zijn, zooals uit de vergelijking van vs. 22, 34 en
39 blijkt.
31.  Ontegenzeggelijk hebben de Kehathieten de eervolste taak: de bezorging der heilige meubelen
en gereedschappen, waaronder wij het waschvat missen; Sam. t. voegt het er bij. — het voorhangtel,
Exod. XXVI: 31. De grondtekst heeft kortweg het tapijt. Bedoeld is het voorhangsel tusschen het
heilige en het allerheiligste.
32.  Eleazar, de aanstaande hoogepriester. Dat hij hoofd van den Levietenstam was, wordt hier ge-
zcgd, omdat Aaron uit de Kehathieten stamde.
86 v. Verg. Exod. XXVI: 15, 19, 25, 32, 87.
38. Foor — oostzijde. Dit ontbreekt in Gr. vert.; maar de breedsprakigheid van dezen schrijver is
groot. — de leek — worden, als vs. 10.
-ocr page 230-
310
numbiu III: 39—IV : 7.
Aiiron, volgens Jahwe\'s bevel, naar hunne geslachten gemonsterd heb-
ben, al wat mannelijk was van eene maand en daarboven — waren
twee en twintig duizend.
40           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Monster alle mannelijke eerstgeborenen
der Israëlieten, van eene maand en daarboven, en neem het aantal
41       hunner namen op.\' Dan zult gij voor mij — ik hen Jahwe — de
Levieten nemen in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten,
en het vee der Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder het
42       vee der Israëlieten.\' Daarom monsterde Mozes, zooals Jahwe hem be-
43       volen had, alle eerstgeborenen onder de Israëlieten.\' En liet aantal van
alle gemonsterde mannelijke eerstgeborenen van eene maand en daar-
boven, met name geteld, was twee en twintig duizend tweehonderd
drie en zeventig.
44, 45 Toen sprak Jahwe tot Mozes:\' Neem de Levieten in plaats van al
de eerstgeborenen onder de Israëlieten, en het vee der Levieten in
plaats van hun vee. Zoo zullen de Levieten mij toehehooren. Ik ben
4(i Jahwe.\' En wat de lossing der tweehonderd drie en zeventig gemon-
sterden betreft die er meer eerstgeborenen onder de Israëlieten dan
47       Levieten zijn,\' voor elk hunner zult gij vijf\'sikkelen hoofdgeld nemen;
48       vijf heilige sikkelen zult gij nemen, twintig gera den sikkel;\' en gij
zult dat geld aan Aiiron en zijne zonen geven, als losprijs der over-
4!) schietenden onder hen.\' Zoo nam Mozes het losgeld van hen die op
50       de door de Levieten gelosten overschoten.\' Van de eerstgeborenen der
Israëlieten nam hij dat geld: dertienhonderd vijf en zestig heilige
51       sikkelen. \' En Mozes gaf dat losgeld aan Aiiron en zijne zonen naar
Jahwe\'s bevel, zooals Jahwe Mozes bevolen had.
IV: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron: \' Neemt de som op van de Keha-
thieten, die tot de Levieten behooren, naar hunne geslachten en fami-
3       liën,\' van dertig jaar en daarboven tot vijftig jaar, alle dienstplichtigen
4       tot het werk aan de tent der samenkomst.\' Hierin zal bestaan de dienst
5       der Kehathieten aan de tent der samenkomst, de hoogheilige: \' Aiiron
en zijne zonen zullen, wanneer het kamp opgebroken wordt, naar bin-
nen gaan, het tapijtvoorhangsel afnemen en daarmede de ark der Ge-
(5 boden bedekken.\' Dan zullen zij daarop een marokijnen dekkleed leggen,
een geheel violetkleurig kleed er over uitspreiden en de draagstangen
7 insteken.\' Ook over de toonbroodtafel zullen zij een violetkleurig kleed
uitspreiden, en daarop de schotels, schalen, kroezen en plengkannen
zetten, terwijl het brood dat er voortdurend op moet zijn er op liggen
39. twee en twintig duizend. De som van 7.500, 8.600 en 6.200 (vs. 22, 28, 34) is 22.300. De
fout kan niet liggen in het cijfer 22.000; verg. v». 43, 46—50. Zij schuilt waarschijnlijk in vs. 28
verg. aldaar. Deze verhaler maakt Levi, in vergelijking met de andere stammen, zeer weinig talrijk;
verg. II. I.
41. Indien het vee der Levieten de plaats der eerstgeborenen van het vee der overige Israëlieten
verving, hadden de wetten op het offeren en het lossen der eerstgeborenen, Eïod. XIII: 2,12 v.;
Deut. XV: 19—23, eigenlijk geen reden van bestaan; immers zóo waren zij reeds gelost en had
Juhwc er alle recht op verloren; verg. op vs. 11—13.
43. eerstgeborene». Zoo kunnen de oudste zonen der vaders hectcu, Deut. XXI : 15—17; maar hier
worden de eerstgeboren kinderen der moeders, in geval het jongens zijn, bedoeld, vs. 12. — twee
— zeventig. Daar het aantal manlijke Israëlieten boven de twintig jaar volgens 1:46 603.550 en dus
het geheele aantal manlijke Israëlieten ongeveer 800.000 beliep, zoo moet elke vrouw — gesteld dat
een eerste kind even vaak een jongen als een meisje is — achttien zonen hebben ter wereld gebracht.
I)e onmogelijkheid dezer opgaven is louter aan de onnadenkendheid des verdichters te wijten.
3. van dertig — jaar. Verg. op VIII: 24. — dienelplichtigen. De Hebrceuwschc woorden (ook vs.
23, 30, 39, 43) kunnen desnoods door dienitbevoegden vertaald worden, en in den tweeden tempel
dienden de Levieten, evenals de priesters, vrijwillig; maar het schijnt dat deze schrijver zich voorstelde
dat zij het in de woestijn gedwongen deden. Verg. op VIII: 23—26.
6.  er over, volg. Sam. t. en de oude vertt. ingevoegd.
7.  toonbroodtafel, letterlijk tafel dei aangelichte; zie op Lev. XXIV: 5—9.
-ocr page 231-
311
NUMKKI IV : 7—25.
8       zal. \' Dan moeten zij over dat alles een karmijnen kleed uitspreiden
en dit met een marokijnen dekkleed bedekken, waarna zij de draag-
9       stangen insteken.\' Ook zullen zij een violetkleurig kleed nemen en
daarmede den lichtkandelaar bedekken, met zijne lampen, snuiters,
bakjes en alle olievaten waarmede zij den dienst daaraan waarnemen.\'
10       Daarna zullen zij den luchter zelf met al bet gereedschap dat er bij
behoort op een marokijnen dekkleed plaatsen, en dan op de draagbaar.\'
11       Ook over het gouden altaar zullen zij een violetkleurig kleed uitsprei-
ilen, het bedekken met een marokijnen dekkleed en de draagstangen
12       insteken.\' Dan zullen zij al de gereedschappen nemen waarmede zij
in het heilige dienst doen, en die op een violetkleurig kleed plaatsen,
ze bedekken met een marokijnen dekkleed en ze op de draagbaar zet-
13       ten.\' Vervolgens zullen zij het altiiar van asch reinigen en een pur-
14       peren kleed er over uitspreiden.\' Dan zullen zij daarop plaatsen al de
gereedschappen die zij bij de bediening van het altaar gebruiken, de
vuurpannen, vorken, schoppen en offerschalen, kortom al de altaarge-
reedschappen, daarover een marokijnen dekkleed uitspreiden en de draag-
15       stangen insteken.\' Eerst nadat Aüron en zijne zonen, bij liet opbreken
van het kamp, gereed zijn met het bedekken van het heilige en al de
daarbij behoorende gereedschappen, zullen de Kehathieten binnentreden,
om ze te vervoeren; maar zij zullen het heilige niet aanraken, opdat
zij niet sterven. Dit is wat de Kehathieten te vervoeren hebben van
16       de tent der samenkomst. \' En aan Eleazar, den zoon van den priester
Aüron, was het opzicht toevertrouwd over de olie van den kandelaar,
den offerwierook, het dagelijksch meeloffer en de zalfblie, het opzicht
over den geheelen tabernakel en al wat daarin was, zoowel het heilige
als de daarbij behoorende gereedschappen.
17, 18 Toen sprak Jahwe tot Aiozes en Aiiron: \' Zorgt, dat de geslachten
der Kehathieten niet uit het midden der Levieten uitgeroeid worden.\'
19       Dit zult gij hun doen, opdat zij in leven blijven en niet sterven wan-
neer zij tot het hoogheilige naderen: Aüron en zijne zonen zullen naar
binnen gaan en hen aanstellen, ieder over zijn dienstwerk en zijne
20       taak in het vervoeren;\' opdat zij niet binnenkomen en, door ook slechts
éen oogwenk het heilige te zien, het besterven.
21,22 Jahwe sprak tot Mozes:\' Neem ook de som op van de Gersjonieten
23       naar hunne 1\'amiliën en geslachten; \' van dertig jaar en daarboven tot
vijftig jaar zult gij hen monsteren, alle dienstplichtigen tot den arbeid
24       aan de tent der samenkomst.\' Hierin zal de taak van de geslachten
25       der Gersjonieten bij den dienst en het vervoeren bestaan: \' zij zullen
15. het heilige. Bedoeld worden hier de va. 5—14 genoemde heilige voorwerpen. — Met nadruk
worden de Kehathieten gewaarschuwd, geen misbruik te maken van hunne hoogc plaats onder de
Levieten door zich aan te matigen wat de taak der priesters is. Hiertoe dient ook de opsomming
vnn alles waarvoor bepaald Klcazar te zorgen heeft, in vs. 16. Nog scherper is vs. 17—20. *\'
10. het dagelijkach, letterlijk voortdurend, meeloffer, waarschijnlijk het Lcv. VI: 14—18 voorgc*chrc-
venc. In de laatste woorden van het vers wordt Eleazar met het oppertoezicht op het werk der prics-
ters cu der Kehathieten (vs. 4—15) belast.
17—20. Zorgt, dat zij niet door heiligschcnnendc onvoorzichtigheid den dood vinden. Gewaagde vs.
15 van het aanraken der heilige voorwerpen door de Kehathieten, hier wordt zelfs tegen het zien er
v:iu gewaarschuwd.
20. ook ilechtt ien oogicenk, onzekere vertaling.
24. den dieuit. Hier en vs. 25—27, 31—33 wordt van den dienst der Levieten gewag gemaakt;
wat in dit verband volstrekt niet voegt. In de werkelijkheid was van al wat hun hier toevertrouwd
wordt geen sprake toen dit siuk werd opgesteld, zoouls er nooit sprake van geweest was; daarcntc-
geu hadden zij toen allerlei bedieningen die de schrijver ter wille zijner inkleeding niet kon noemen
of aan bepaalde familicu toekennen. Verg. lul. Het cenige wat uit zijne werkverdeeliug volgt is, dat
de Kehathieten, onder leiding van Aarons oudsten zoon, hoogcr rang hcbbcii dan de twee andere al\'-
deeliugen, over wie de jongste zoon van Aiirou het bevel heet te voereu. De schrijver van Kronieken,
niet zoozeer door zijne inkleediug gebonden als die van tinmeri, wien het althans vrijstond over allerlei
-ocr page 232-
numeri IV : 25—45.
312
de gordijnen van den tabernakel vervoeren, benevens de tent der samen-
komst, haar dekkleed en het marokijnen dekkleed dat daar boven op
ligt; ook het tapijt voor den ingang van de tent der samenkomst;\'
2G alsmede de zeilen van het voorhof\', het tapijt voor den ingang der poort
van het voorhof, dat rondom den tabernakel en het altaar is, de tou-
wen die er hij behooren, alle gereedschappen voor den dienst er van,
27       en alles wat er aan gedaan moet worden zullen zij verrichten.\' Volgens
den last van Aiiron en zijne zonen zullen de Gersjonieten hunne ge-
heele taak bij het vervoeren en bij hun geheelen dienst verrichten; en
gij zult met name aanwijzen, wie van hen elk dier voorwerpen ver-
28       voeren zal.\' Dit is de taak van de geslachten der Gersjonieten aan de
tent der samenkomst, en zij zullen hun plicht waarnemen onder de
leiding van Ithamar, den zoon van den priester Atiron.
29           De zonen van Merari zult gij naar hunne geslachten en faniiliën
30       monsteren.\' Van dertig jaar af en daarboven tot vijftig jaar zult gij
hen monsteren, alle dienstplichtigen tot het werk aan de tent der
31       samenkomst.\' Dit zullen zij verplicht zijn te vervoeren en in de tent
der samenkomst te behandelen: de stijlen, sluitboomen, pilaren en voet-
32       stukken van den tabernakel,\' de pilaren van het voorhof rondom, met
hunne voetstukken, pinnen en touwen, al de gereedschappen die er bij
behooren, en al wat er voor te bezorgen is. Met name zult gij aan-
33       wijzen, welke dienstvoorwerpen elk hunner vervoeren zal.\' Dit is de
taak van de geslachten der Merarieten, om al de gevorderde werkzaam-
heden in de tent der samenkomst te verrichten, onder de leiding van
Ithamar, den zoon van den priester Aiiron.
34           Dientengevolge monsterden Mozes, Aiiron en de vorsten der gemeente
35       de Kehathieten, naar hunne geslachten en familiën,\' van dertig jaar af
en daarboven tot vijftig jaar, alle dienstplichtigen tot het werk aan de
36       tent der samenkomst.\' En hunne gemonsterden, naar hunne geslachten,
37       waren twee duizend zevenhonderd vijftig.\' Dit waren de gemonsterden
der Kehathietische geslachten, allen die dienden aan de tent der samen-
komst, die Mozes en Aiiron, volgens Jahwe\'s bevel door tusschenkomst
38       van Mozes, gemonsterd hebben.\' De gemonsterden der Gersjonieten
39       naar hunne geslachten en familiën,\' van dertig jaar en daarboven tot
vijftig jaar, alle dienstplichtigen tot het werk aan de tent der samen-
40       komst,\' hunne gemonsterden, naar hunne geslachten en familiën, waren
41       twee duizend zeshonderd dertig.\' Dit zijn de gemonsterden der Gersjo-
nietische geslachten, allen die dienden aan de tent der samenkomst,
die Mozes en Aiiron, volgens Jahwe\'s hevel door tusschenkomst van
42       Mozes, hebben gemonsterd.\' En de gemonsterden van de geslachten
43       der Merarieten naar hunne geslachten en familiën,\' van dertig jaar en
daarboven tot vijftig jaar, alle dienstplichtigen tot het werk aan de
44       tent der samenkomst,\' hunne gemonsterden, naar hunne geslachten,
45       waren drie duizend tweehonderd.\' Dit zijn de gemonsterden der Mera-
rietische geslachten, die Mozes en Aiiron, volgens Jahwe\'s last door
tusschenkomst van Mozes, hebben gemonsterd.
tempclbedicningen te spreken, geeft dientengevolge meer inlichtingen aangaande den toestand zijner
dagen, 1 Kron. IX; XXIV; XXV; XXVI; 2 Kron. XXXI: 2—21.
27.  met name, volg. Gr. vert.; Hebr. t. met verplichting.
28.  Ook de derde afdeeling staat onder Ithamar, vs. 33.
41. door — Mozet, volg. Gr. vert., in overeenstemming met vs. 37 en 45 v., ingevoegd.
44. Het getal vnn 3.200 mannen tussvbcn de dertig en vijftig jaar is te groot in verhouding tot
de 6.200 manlijke leden van ecne maand af die Merari\'s geslachten in het geheel telden, III: 34. De
verhouding bij de twee andere afdeelingen, vs. 36 eu 40, is natuurlijker. Hoe de schrijver zijne be-
rekeningen gemaakt heeft, weten wij niet.
-ocr page 233-
313
numbm IV : 46—V : 10.
46           Al de gemonsterde Levieten, die door Mozes, Aiiron en de vorsten
47       van Israël zijn gemonsterd, naar hunne geslachten en familiën,\' van
hun dertigste jaar en daarhoven tot hun vijftigste jaar, allen die ver-
plicht waren tot liet dienstwerk en den arbeid des vervoers aan de
48       tent der samenkomst,\' hunne gemonsterden waren acht duizend vijf-
49       honderd tachtig. \' Volgens Jahwe\'s last door tusschenkomst van Mozes
monsterde men hen, ieder voor zijn eigen werk en taak in het ver-
voeren; zij werden gemonsterd zooals Jahwe Mozes bevolen had.
49. In dit vers zijn ccn paar woorden omgezet en ook, gedeeltelijk volgens Sam. en Gr. t., enkele
tekstverbeteringen aangebracht.
HOOFDSTUK V:l—4.
Op Jahwe\'s bevel verwijderen de Israëlieten de onreinen uit het kamp (1—1),
Deze verzen kunnen in Kzra\'s wetboek gestaan hebben.
V: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Beveel den Israëlieten, uit de legerplaats
weg te zenden alle melaatschen, allen die vloeiingen hebben en allen
3       die door een lijk verontreinigd zijn;\' onverschillig of het mannen dan
wel vrouwen zijn, gij zult hen wegzenden. Buiten de legerplaats zult
gij hen zenden, opdat zij hun kamp niet verontreinigen; want ik woon
4       in hun midden. \' De Israëlieten deden zoo: zij zonden hen buiten de
legerplaats; zooals Jahwe Mozes gelast had, zoo deden de Israëlieten.
2. Ook volg. Lev. XIII : 46 mocteu de metaalloken uit het kamp verwijderd worden. Ten aanzien
van hen die vloeiingen hebben wordt dit Lev. XV niet verordend, van hen die door een lijk veronl-
reinigd zijn
alleen \\\\\\l : l\'.i. In üeut. XXIII: 9—14 wordt de zorg voor de heiligheid der leger-
plaats nog verder uitgebreid.
HOOFDSTUK V: 5—10.
Bepalingen over vergoeding vnn het gestolene. — Wanneer iemand iets ontvreemd heeft, geve hij
dit met het vijfde der waarde min den eigenaar terug (5—7); kan dit niet geschieden, zoo vervalt
het, met een schuldoffcrrnm, evenals andere heilige gaven, aan den priester (8—10).
Deze verzen behelzen een gebod dat Lev. VI: 1—7 niet slechts als bekend onderstelt maar ook
aanvult, en wel met de bepaling dat het ontvreemde, indien het niet kan teruggegeven worden, den
priester ten deel valt. Het kan dii9 wel niet anders dan een jonger toevoegsel zijn.
V:5, 6 Jahwe sprak tot Mozes:\' Gelast den Israëlieten: wanneer iemand,
man of vrouw, de eene of andere menschelijke zonde bedrijft, waardoor
7       hij zich aan Jahwe vergrijpt, en die persoon dus schuldig wordt,\' dan
zal hij de zonden die hij begaan heeft belijden en dat wat hij zich
wederrechtelijk toegeëigend heeft, met het vijfde der waarde er bij, terug-
8       geven, en wel aan den mensen dien hij te kort gedaan heeft.\' Indien
er geen losser is waaraan men het ontvreemde teruggeven kan, dan
vervalt het ontvreemde dat teruggegeven moet worden aan Jahwe, ten
bate van den priester, buiten en behalve den zoeningsram waarmede
9       voor hem verzoening bewerkt wordt.\' Desgelijks zullen alle gaven,
welke de Israëlieten ook geheiligd hebben, die zij den priester brengen,
10 voor dezen zijn.\' Hem behooren ieders heilige gaven toe; wat iemand
den priester geeft behoort aan dezen.
6. ziek aan Jahwe vergrijpt. Zoo heet, op het voetspoor van Lev. VI: i, waar het nader bepaald
wordt, het zich wederrechtelijk toecigenen van eens anders eigendom, hier aangeduid door de eene of
andere meniehelijke zonde,
wat Lev. VI: 3 heet een van at die gevallen tcaarin een meuten ziek pleegt
te bezondigen.
8. loeier, de rechthebbende die voor den bestolene opkomt. Ondersteld wordt het geval dat men
den benadeelde niet kent, b. v. indien men iets gevonden heeft, of de benadeelde dood is, of buiten
bereik.
                                                                                             •
-ocr page 234-
314                                           numkri V: 11—20.
HOOFDSTUK V : 11— 31.
Het vlockwatcr. — Wanneer eene vrouw door haar man, te recht of te onrecht, verdacht wordt
van overspel, moet hij haar, met een eigenaardig meeloffcr, tol den priester brengen (11—15). Deze
/al water met stof van den gewijden grond mengen en haar, met het mceloffcr in de hand, voor
Jahwe plaatsen, terwijl hij zelf het water in de hand houdt (16—18); dan spreekt hij de vervloeking
uit, die zij met Amen! beantwoordt (19—22). Hierna schrijft hij den vloek op en waacht dien in het
water af, brengt het mecloHer en doet de vrouw het water drinken (23—26). Dit oefent zijne nood-
lottigc werking ingeval zij schuldig is (27); anders zal zij vruchtbaar worden (28). Onderschrift
(29—31).
Kvcuals bij andere volken der oudheid, nam men ook onder Israël, als een overtreder niet te vin-
den was of omtrent schuld of onschuld eens aangeklaagden twijfel bestond, de toevlucht tot het gods-
oordecl, dat op onfeilbare wijze den schuldige aanduiden en treffen zou. Als middel tot uit-
lokking van .lahwe\'s beslissing was, behalve het lot en het priesterlijk orakel (Joz. Vlij 1 Sam.
X:20—22; XIV:40—48; verg. op Exod. XXVIII:80), de eed gebruikelijk, bod. XXII: 7—11
(verg. op Ren. XV:9v.). De hier voorgeschreven plechtigheid is niet anders dan «Ie in tastbaren
vorm gebrachte zelfvervlockiug: zck>, ja meer nog, zal Jahwe mij doen, indien...! (Kuth. I: 17 en elders).
De wet gaat van de onderstelling uit dat het vloekwater in geval van «\'huid zijne werking niet
missen zal. Of zij reeds in K/ra\'s Wetboek stond, dan wel eerst later is opgesteld, is niet uit
te maken.
V:ll, 12 Jahwe zeide tot Aiozes: \' .Spreek tot de Israëlieten en zeg hun:
Wanneer iemands vrouw een misstap gedaan en zich aan hem vergre-
13       pen heeft: \' een man heelt geslachtsgemeenschap met haar gehouden;
maar de zaak is aan liet oog van haar man onttrokken; zij heeft zich
in het verborgen verontreinigd, zonderdat er een getuige tegen haar
14       is en zonderdat zij is betrapt. \' Als dan de geest der jaloerschheid
over hem komt en hij ijverzuchtig wordt op zijne vrouw, terwijl zij
zich inderdaad verontreinigd heeft; of de geest der jaloerschheid komt
over hem en hij wordt ijverzuchtig op zijne vrouw, terwijl zij zich
15       niet verontreinigd heeft; \' dan zal die man zijne vrouw tot den priester
brengen en tevens hare offergave voor haar: liet tiende van eene maat
gerstenmeel, waarop geen olie gegoten en waarbij geen wierook gevoegd
is, omdat het een offer der jaloerschheid is, een gedenkofler dat schuld
in gedachte brengt.
1(5, 17 De priester zal haar doen nadertreden en voor Jahwe plaatsen.\' Dan
zal de priester heilig water in een aarden vat nemen, en van het stof
dat op den bodem van den tabernakel is zal de priester iets nemen
18       en bij het water voegen.\' Vervolgens zal de priester de vrouw voor
Jahwe plaatsen, haar hoofdhaar losmaken en op hare handen het ge-
denkoffer leggen — een offer der jaloerschheid is het — terwijl de
19       priester het vloek aanbrengende vloekwater in de hand houdt.\' Dan
brengt de priester de vrouw onder een eed en zegt tot haar: Indien
geen man gemeenschap met u gehad beeft, en gij geen misstap gedaan
hebt waardoor gij, terwijl gij uwen man toebehoort, onrein zoudt zijn,
20       blijf dan ongedeerd van dit vloek aanbrengend vloekwater.\' Daaren-
12 v. Hoewel de schuld der vrouw uict was geblckeu, wordt zij als schuldige behandeld; verg. op
Lev. XHI:2.
15. hare offergave voor kaar, het offer dat haar betreft, hare schuld of onschuld aan het licht moet
brengen. — een gedenkoffer — brengt. Terwijl andere offers dienen om Jahwe te huldigen en schuld
te verzoenen, moet dit bij Jahwe schuld aanbrengen; vandaar de geringe meelsoort zonder olie of
wierook, terwijl het gewone meeloffer uit tarwebloem met beide bestond, Lev. 11:1.
17.  heilig water, waarschijnlijk uit het waschbekken, Exod. XXX: 17—21.
18.  het vloek aanbrengende vloekwater, hier en vs. 19, 23, 21 (tweemaal), volg. Sam. t., mis-
schieu ook Gr. vert.; Hebr. t. kan wellicht vertaald worden het vloek aanbrengend water der bit-
terheid.
19.   blijf ...ongedeerd. Het hier en vs. 28, 31 gebruikte werkwoord betcekent ook .onschuldig zijn\'
of .blijken onschuldig te zijn\'.
        •
-ocr page 235-
315
NOMKM V: 20—31.
tegen indien gij een misstap gedaan hebt, terwijl gij uwen man toe-
behoort, en u verontreinigd hebt, doordat een ander man dan uw
21       echtgenoot gemeenschap met u gehad heeft,\' dan — met deze woorden
zal de priester de vrouw onder eene verwensching brengen — dan zal
Jahwe u maken tot eene verwensching en een eed te midden van uw
volk, doordat Jahwe uwe heup doet invallen en uw buik opzwellen.\'
22       Ja, dit vloek aanbrengend water zal in uw binnenste komen, om uw
buik te doen opzwellen en uwe heup te doen invallen. — En de
vrouw zal: Amen, Amen! antwoorden.
23           Hierop zal de priester die verwenschingen op eene cedel sclirijven,
24       ze uitwisschen in liet vloekwater\' en de vrouw het vloek aanbrengend
vloekwater doen drinken. Zoo zal het vloek aanbrengend water tot ver-
25       vloeking in haar komen.\' Dan zal de priester uit de hand der vrouw
het offer der jaloerschheid nemen, het aanbieden voor Jahwe en naar
26       het altaar brengen.\' Daar zal de priester een handvol van het meel-
offer als aandenkingsgave er uit nemen en op het altaar ontsteken;
waarna hij de vrouw het water doet drinken.
27            Wanneer hij haar het water heeft doen drinken, dan zal, in geval
zij verontreinigd is en zich aan baar man vergrepen beeft, liet vloek
aanbrengend water tot vervloeking in haar komen, haar buik zal opzwel-
len en hare heup invallen. Zoo zal die vrouw tot eene verwensching
28       worden te midden van haar volk.\' Indien daarentegen de vrouw niet
verontreinigd maar rein is, dan zal zij ongedeerd blijven en zwanger
worden.
29           Dit is de wet op de jaloerschheid: wanneer eene vrouw een misstap
heeft gedaan, terwijl zij haren man toebehoort, en zich verontreinigd
30       heeft, \' of wanneer een geest van jaloersseheid over een man komt en
hij ijverzuchtig wordt op zijne vrouw, dan zal hij de vrouw plaatsen
voor Jahwe en de priester met haar handelen volgens deze gansche
31       wet. \' Zoo zal de man vrij zijn van schuld en die vrouw hare schuld
dragen.
21.  eene verwensching en een eed. Men zal zeggen: God mtikc mij, «f n, al» die vrouw, indien...
Verg. op Gen. XII: 3.
22.   Amen, d. i. soa ia het of hel ia waar, de gewone formule, waarmede iemand verklaarde met de
woorden van ecu ander in te stemmen, Dcut. XXVII:15—26; 1 Kon. 1:36; 1 Kron. XVI: 36; Jer.
XI: 5; XXVIlüö; 1 Kor. XIV: 16.
23.  eene cedel, een stuk pauier of perkament.
25.  aanbieden voor Jahwe. Zie op Kiod. XXIX: 24.
26.   aandenkingagate er uil. Zie op Lev. II: 2.
27.   dun sol, volg. Gr. vert.; Hebr. t. dan zal hij.
30. De man mocht, indien hij zijne vrouw verdacht, niet nalaten haar bij Jahwe aan te geven;
anders rustte haar schuld mede op hem.
HOOFDSTUK VI: 1—21.
Het nazireerschap. — De drie verplichtingen die de nazirecrgelofte in zich sluit: zich te onthouden
van al wat de wijnstok oplevert; het haar te laten groeien; zich te wachteu voor verontreiniging
door een lijk (1—8). Wat de nazireër te doen heeft in geval van verontreiniging door een plotseling
sterfgeval (9—12). Welke offers hij na afloop van den geloftetijd moet brengen (13—17); hoe hij daarbij
zijn hoofdhaar scheert en verbrandt, eene gave ann Jahwe aanbiedt en weder wijn mag drinken (18—
20). Onderschrift (21).
Het woord nasireér beteckeut ,cen afgezonderde\' of .gewijde\'; verg. op Bxod. XIII:9, Welke de
oorsprong van het nazireaat is, weten wij niet. Maar bij velu oude volkeu was eene eigenaardige
dracht van hoofd- en baardhanr, ook de kortiug er van bij bepaaldu gelegenheden, een godsdionstig
gebruik (verg. op Lev. XIX: 27 en 28). De onthouding van al wat van den wijnstok komt hing bij
Israël waarschijnlijk samen met verzet tegen de Kanaünietischc zeden; nog omstreeks Jeruzalems onder-
gang vinden wij daarvau de overblijfselen (zie Jer. XXXV).
-ocr page 236-
316
NÜMBRI VI : 1—13.
Vit den «misten tijd hebben wij twee voorbeelden van het nozircaat, in Simson en Samucl (Richt.
XIII—XVI; 1 Sam. 1:11). In beide gevallen werd het nog ongeboren kind door de moeder voor zijn
leven tot nazireër gewijd; Simsons moeder neemt hierbij zelve ecne onthoudingsgcloftc op zich (Richt
XIII: 7, 14). Het ccuige waartoe de zonen volgens de verhalers verplicht werden was bet laten groeien
van het haar. Zeker kon van de vrees voor verontreiniging door een lijk bij hen geen sprake zijn: die
lag noch in den geest van hun tijd, noch in dien van de opstellers der verhalen over hen. Ook lezen
wij niet dnt zij zich van wijn onthielden. Toch is dit hoogstwaarschijnlijk van oudsher een kenmerk
der nazireers geweest. Het wordt althans aangaande hen vermeld in de ecnigc plaats uit den konings-
tijd die van nazireers gewag maakt, Am. 11:11 v. Dat zij daar naast profeten genoemd worden be-
wijst wel dnt zij ecuc belangrijke plaats in het volksleven innamen.
Wanuei r de priesters begonnen zijn, de nazireers aan regels te binden en van hunne medewerking
afhankelijk te maken, is onbekend ; wat in ons hoofdstuk voorgeschreven wordt is geheel in den geest
van de godsdienstige lcidsliedeu des volks van de vijfde eeuw af, namelijk: de waarschuwing tegen
verontreiniging (verg. op Gen. XXXIV: 5; inl. op Lev. XI—XVI en elders), de verordening op de
offers die door den nazireër moesten gebracht worden, en de vcreischtc medewerking van den priester.
Het nazireaat wordt in het 0. T., behalve in de boven aangehaalde plaatsen, niet vermeld, maar
voor de verbreiding der zaak pleit het spraakgebruik: Lev. XXV : 5 wordt een ougesuocidc wijngaard
een „nazireër" genoemd; Jer. VII: 29 heet het ongekortc hoofdhaar, Kxod. XXIX: 6 en elders een
diadeem of hoofdwrong: nezer, d. i. ,ccne wijding\'. Het komt dan ook dikwijls in de «pokricfe boeken
(1 Makk. 111:49), het N. T. (Luc. 1:15; Hand. XVIII: 18; XXI: 23 v.), bij Flavius Josefua en in
de jongere Joodsche geschriften voor.
Daar in de wet geen duur der gelofte vermeld is, maar wel ondersteld wordt dat zij slechts voor
een tijd gold, kon ieder zelf bepalen, voor hoe lang hij haar op zich nam. De schriftgeleerden stelden
vast, dat zij als men er niets bij gezegd had dertig dagen duurde.
VI: 1, 2 Jahwe zeide tot Mozes: \' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun: Wan-
neer iemand, man of vrouw, eene nazireërgelofte aflegt, om zich aan
3       Jahwe te wijden,\' dan zal hij zich van wijn en sterken drank onthouden,
geen wijn- of bierazijn drinken, ja, geenerlei druivennat drinken, noch
4       versche of gedroogde druiven eten.\' Zoolang zijn nazireërschap duurt,
zal hij van niets dat van den wijnstok bereid wordt, zelfs niet van de
5       pitten en schillen, eten.\' Ook zal zoolang zijne gelofte van nazireër-
Bchap duurt geen scheermes op zijn hoofd komen; totdat de dagen
waarvoor hij zich aan Jahwe gewijd heeft afgeloopen zijn zal hij heilig
(5 wezen en zijn hoofdhaar vrij laten groeien.\' Ook zal hij al den tijd
7       dien hij zich aan Jahwe gewijd heeft niet komen bij een lijk.\' Zelfs
aan zijn vader, moeder, hroeder of zuster zal hij zich niet verontreini-
gen als zij gestorven zijn; want de wijding van zijn god is op zijn
8       hoofd. \' Zoolang zijn nazireërschap duurt zal hij aan Jahwe heilig zijn.
9           En wanneer geheel onverwachts iemand in zijne nabijheid sterft en
hij zoo zijn gewijd hoofd verontreinigt, dan zal hij zijn hoofdhaar
scheren op den dag waarop hij weder rein wordt: op den zevenden
10       dag zal hij het afscheren.\' En op den achtsten dag zal hij twee tor-
tels of twee jonge duiven tot den priester, aan den ingang van de
11       tent der samenkomst, brengen. \' Dan zal de priester een daarvan als
zondoffer en een als brandoffer bereiden en voor hem verzoening be-
12       werken voor de zonde door de aanraking van dat lijk begaan:\' waarna
hij, op dienzelfden dag, zijn hoofd weder heiligen en zich hetzelfde
aantal dagen aan Jahwe wijden zal, terwijl hij een eenjarig lam ten
schuldoffer brengt. De vorige dagen tellen niet mede; want verontrei-
nigd was zijn nazireërschap.
13           Dit nu is de wet op den nazireër: ten dage dat de tijd van zijn
4. pitten en tehillen, onzekere vertaling.
7. de wijding, of de diadeem, van zijn god. Verg. Inl. De nazireër moet zich ten deze all de hooge-
priester gedragen, en wel om dezelfde reden, Lev. XXI: 11 v.
9. Verg. Num. XIX: 11—19.
IS. Een onjuist opschrift over eene wet die het nazireërschap niet volledig behandelt.
-ocr page 237-
NUMERI VI: 13—27.
317
nazireërschap is afgeloopen zal men hem naar den ingang van de tent
14       der samenkomst brengen en hij zijne gave aan Jahwe aanbieden: \' éen
gaat\', eenjarig, mannelijk lam ten brandoffer, éen gaaf, eenjarig, vrouwe-
15       lijk lam ten zondoffer, en éen gaven ram ten dankoffer, \' benevens een
korf met van meelbloem bereide, met olie gemengde, ongezuurde koe-
ken en met olie bestreken ongezuurde vladen, en het daarbij behoorende
16       meel- en plengoffer.\' De priester zal die voor Jahwe\'s aangezicht op-
17       dragen en zijn zond- en brandoffer brengen; \' ook den ram zal hij als
dankoffer aan Jahwe brengen met den korf ongezuurd brood, en ook
18       zal de priester zijn meel- en plengoffer brengen. \' Dan zal de nazireër
aan den ingang van de tent der samenkomst zijn gewijd hoofd scheren,
en zijn gewijd hoofdhaar nemen en in het vuur werpen dat onder het
19       dankofler brandt. \' Nadat hij zich zoo zijn gewijd haar afgeschoren heeft,
zal de priester den gekookten voorpoot van den ram, met éen onge-
zuurden koek en éene ongezuurde vlade, uit den korf nemen en op de
20       handen van den nazireër leggen.\' Dan zal de priester het als eene aan-
biedingsgave bewegen voor Jahwe. Als iets heiligs, valt het den
priester ten deel, met de aanbiedingsborst en den heffingsschenkel.
Daarna mag de nazireër wijn drinken.
21            Dit is de wet op den nazireër, wat hij als zijne gave aan Jahwe bij
de aanvaarding van zijn nazireërschap belooft, behalve wat hij verder
in staat is te geven. Volgens de gelofte die hij aflegt zal hij handelen,
in overeenstemming met de voor zijn nazireërschap geldende wet.
15. Verg. Lev. II: 4.
18.  onder het dankoffer, ui. dat gedeelte vim den ram hetwelk, uls bij elk dankoffer, den offeraar
werd overgelaten.
19.  den geiookten voorpoot, den linker. De rechter behoorde met den rechterschcnkel den priester.
20.   Verg. op Exod. XXIX: 24 eu 27 v. — valt.., ten deel, ingevoegd volgens Sam. en Gr. t.
21.  behalve — geven, vrijwillige gaven. — Volgens — wet. Aan de vroeger genoten vrijheid in het
vervullen dezer gelofte wordt hiermede een einde gemaakt.
HOOFDSTUK VI: 22—27.
De priesterzegen. — Jahwe beveelt Mozes, den priesters voor te schrijven, met welke woorden zij
het volk moeten zegenen.
Daar oudtijds de zegen niet slechts als eene bede, maar ook als eene handeling waardoor de gezegende
werkelijk het beloofde erlangt, werd opgevat (zie op Gen. XXVII: 35), was het uitspreken er van bij
den eeredienst aan de leden van den priesterstam opgedragen; zie op Deut. X: 8. In den tempel werd
de zogen na de olferaudc door den dienstdoenden priester met opgeheven handen uitgesproken; ook in
de synagoge bij het einde van de godsdienstoefening.
Uit welken tijd deze formule dagteckent, is onbekend.
VI: 22, 23 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zeg aan Atiron en zijne zonen: Met de
24       navolgende woorden zult gij de Israëlieten zegenen: \' Jahwe zegene u
25       en behoede u!\' Jahwe doe zijn lichtend aangezicht over u schijnen en
26       ontferme zich over u!\' Jahwe verheffe zijn aangezicht over u en schenke
27       u vrede!\' Zoo zult gij mijn naam op de Israëlieten leggen; en ik zal
hen zegenen.
Vs. 25. Ps. LXVII: 2.
25.  doe — tchijnen. Het lichtend, stralend aangezicht duidt de vriendelijke gezindheid aan. Verg.
Ps. LXXX:4.
26.  verheffe — u. Terwijl de ongunstig gestemde met norsch nedergeslagen blik spreekt, doet de
welwillende het met opgeheven hoofd en open blik; Spr. XVI: 15; verg. Ps. IV:7.
27.  M — zegenen. Het uitspreken van Jahwe\'s naam op de aangegeven wijze door den priester zou
zeker zegen bewerken; verg. Inl.
-ocr page 238-
NUMKRI VII: 1 — 17.
318
HOOFDSTUK VII.
De vrijgevigheid der stamvorstcn. — Op den dag der inwijding van den tabernakel en het altaar
geven de stamvorstcn zes wagen», elk met een gespan van twee runderen, ten geschenke aan Jahwe
(1—3); op Jahwe*! bevel stelt Mozes die ten dienste van het heiligdom en draagt de zorg er voor op
aan de Levieten, en wel aan de Gersjouicten cu de Mcrarieten (1—8); niet aan de Kchathieten (0).
Voorts brengt elk der twaalf vorsten hetzelfde rijke geschenk, dat op twaalf achtereenvolgende dagen
anu Jahwe wordt aangeboden (10—83). Het geheelc bedrag dier gaven (84—88). Mozcs hoort, wanneer
hij iu de tent der samen komst komt, Jahwe tot zich spreken (89).
Dit hoofdstuk is uict uit Kzra\'s Wetboek. Hoewel de schrijver daarvan niet bevreesd was voor her-
hnlingcu en brccdvocrighcid, maakt hij zich elders toch niet schuldig aan zulk eene geduchte eentouig-
hcid als wij iu dit hoofdstuk opmerken. Het geschenk der stamvorstcn wordt twaalf maal met geheel
dezelfde woorden beschreven, en dan wordt nog het gezamenlijk bedrag opgegeven. Het hoofdstuk is
van een later schrijver, die zijne tijdgenooten tot mildheid jegens het heiligdom wilde opwekken door
hun de oude stamvorstcn, wier namen hij aan Ezra\'s Wetboek ontleende (1:5—15 en elders), als
toonbeelden van vrijgevigheid voor te stellen.
VII: 1 üp den dag, dat Mozes de oprichting van den tabernakel voltooid,
dien gezalfd en, met al zijne meubelen, benevens bet altaar en al zijn
toebehoorren, geheiligd had; toen hij dit alles gezalfd en geheiligd had,\'
2       boden Israëls vorsten, de hoofden hunner faniilién, hunne gaven aan —
dezelfden die ook staruboofden waren en over de monstering gesteld —\'
3       zij brachten dan hunne gaven voor Jahwe\'s aangezicht, namelijk zes
huifkarren en twaalf runderen, een wagen van elk tweetal vorsten
en een stier van ieder hunner; zij brachten ze voor den tabernakel.\'
4,5          En Jahwe zeide tot Mozes:\' Neem ze van hen aan; zij zullen zijn
voor den dienst van de tent der samenkomst. Gij zult ze den Levieten,
(5 ieder in verhouding tot zijn werk, geven. \' Toen nam Mozes de wagens
7       en de runderen en gaf ze den Levieten.\' Twee wagens en vier run-
8       deren gaf hij aan de Gersjonieten, in verhouding tot hun werk;\' de
overige wagens en de acht runderen gaf hij aan de Merarieten, in
verhouding tot hun werk. Dezen stonden onder de leiding van Ithamar,
9       den zoon van den priester Aiiron.\' Maar den Kehatbieten gaf hij er
geen; want de zorg voor het heilige was hun toevertrouwd, dat zij op
de schoutiers moesten dragen.
10           Ook brachten de vorsten de inwijdingsgave van het altaar, op den
dag waarop het gezalfd werd, en de vorsten brachten hunne gave voor
11       het altaar.\' Toen zeide Jahwe tot Mozes: Laat elk der vorsten op een
afzonderlijken dag zijne gave tot inwijding van het altaar brengen.\'
12       Zoo bracht op den eersten dag Nahsjon, de zoon van Amminadab,
13       van den stam Juda, zijne gave.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel,
honderd dertig sikkelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sik-
kelen, en wel heilige sikkelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie
14       aangemengd, ten meeloffer,\' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol
15       wierook,\' éen jongen stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\'
10, 17 éen geitenbok ten zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf ram-
men, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Nahsjon,
den zoon van Amminadab.
1.  Verg. Kxod. XI,: 17. — Over de zalving zie Lev. VIII: 10 v.
2.  over de mmutering, of de gemonsterde», geitel//. Zie H. II.
7—9. Over de drie Levietenafdeelingcn en haar werk zie III: 17—37; IV.
9. Al de voorwerpen die de Kehathictcu moesten vervoeren waren van draagstangen voorzien en
werden gedragen, IV: 4—II. In Davids tijd werd het niet voor ongeoorloofd gehouden, de ark op een
wagen te vervoeren, 2 Saiu. VI: 1—8. Wellicht heeft het ongeluk dat toen bij het vervoer naar Jeruzalem
plaats greep aanleiding gegeven tot het ontstaan der overtuiging dat de ark gedragen moest worden;
vergelijk aldaar vs. 13 met vs. 3.
-ocr page 239-
nümbri VII: 18—54.
319
18           Op den tweeden dag bracht Nethaneël, de zoon van Suar, de vorst
19       van Issachar, zijne gave. \' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd
dertig sikkelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en
wel heilige sikkelen, zwaar, beide vol meelhloeiu, met olie aangemengd,
20       ten raeeloffer, \' een gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\'
21, 22 éen jongen stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer \' éen geiten-
23       bok ten zondoffer, \' en ten dankotfer twee runderen, vijl\' rammen, vijf
bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de ga\\e van Nethaneël, den
zoon van iSuar.
24           Op den derden dag de vorst der Zebulonieten, Eliab, de zoon van
25       Helon.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sikkelen
zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel heilige sik-
kelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd, ten meeloffer,\'
26, 27 éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\' éen jongen stier,
28       éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geitenbok ten zond-
29       offer, en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf hokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de gave van Eliab, den zoon van Helon.
30           Op den vierden dag de vorst der llubenieten, Elisur, de zoon van
31       öjedeür.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sikkelen
zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel heilige sik-
kelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd, ten meeloffer,\'
32, 33 éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\' éen jongen stier,
34       éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geitenbok ten zond-
35       offer, \' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf
eenjarige lammeren. Dit was de gave van Elisur, den zoon van Sjedeür.
3(5          Op den vijfden dag de vorst der Simeonieten, iSjelumiël, de zoon
37 öurisjaddai.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sik-
kelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel hei-
lige sikkelen, zwaar, beide vol meelbloem, met (die aangemengd, ten
38, 39 meeloffer,\' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\' éen
40      jongen stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geiten-
41       bok ten zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf
bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Sjelumiël, den
zoon van Hurisjaddai.
42           Op den zesden dag de vorst der Gadieten, Eljazaf, de zoon van
43       Reüel. \' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sikkelen
zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel heilige sik-
kelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd, ten meel-
44, 45 offer,\' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\' éen jongen
46       stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geitenbok ten
47       zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken,
vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Eljazaf, den zoon van
Reüel.
48           Op den zevenden dag de vorst der Efrairaieten, Elisjama, de zoon
49       van Ammihud.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig
sikkelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel
heilige sikkelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd,
50       ten meeloffer, \' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\'
51, 52 éen jongen stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen gei-
53       tenbok ten zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen,
vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Elisjama,
den zoon van Ammihud.
54           Op den achtsten dag de vorst der Manassieten, öamliël, de zoon
-ocr page 240-
numkri VII: 54-88.
320
55 van Pedasur.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig
sikkelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel
heilige sikkelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd,
5(5 ten meeloffer,\' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\'
57, 58 éen jongen stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer, \' éen gei-
59 tenbok ten zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen,
vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Gamliël,
den zoon van Pedasur.
00          Op den negenden dag de vorst der Benjami nieten, Abidan, de zoon
61       van (Jideoni.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig
sikkelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel
heilige sikkelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd,
62       ten meeloffer,\' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\'
03, 04 een jongen stier, éen ram> éen eenjarig lam ten brandoffer, \' éen gei-
65       tenbok ten zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen,
vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Abidan,
den zoon van (iideoni.
66           üp den tienden dag de vorst der Danieten, Ahiëzer, de zoon van
67       Ammisjaddai.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sik-
kelen zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel hei-
lige sikkelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd, ten
68       meeloffer,\' éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook,\' een
69, 70 jongen stier, éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geitenbok
71       ten zondoffer,\' en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bok-
ken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de gave van Ahiëzer, den zoon
van Ammisjaddai.
72           Op den elfden dag de vorst der Azerieten, Paggiël, de zoon van
73       Ochran.\' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sikkelen
zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel heilige sik-
kelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd, ten meeloffer,\'
74, 75 éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook, \' éen jongen stier,
76       éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geitenbok ten zondoffer,\'
77       en ten dunkoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf een-
jarige lammeren. Dit was de gave van Paggiël, den zoon van Ochran.
78           Op den twaalfden dag de vorst der Naftalieten, Ahira, de zoon van
79       Enan. \' Zij bestond uit éen zilveren schotel, honderd dertig sikkelen
zwaar, éene zilveren offerschaal, zeventig sikkelen, en wel heilige sik-
kelen, zwaar, beide vol meelbloem, met olie aangemengd, ten meeloffer,\'
80, 81 éen gouden lepel, tien sikkelen zwaar, vol wierook, \' éen jongen stier,
82       éen ram, éen eenjarig lam ten brandoffer,\' éen geitenbok ten zondoffer,\'
83       en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf een-
jarige lammeren. Dit was de gave van Ahira, den zoon van Enan.
84           Dit was de inwijdingsgave van het altaar op den dag dat het ge-
zalfd werd, vanwege Israëls vorsten: twaalf zilveren schotels, twaalf
85       zilveren offerschalen, twaalf gouden lepels;\' elke schotel van honderd
dertig, elke offerschaal van zeventig sikkelen zilver; dus was al het zilver
86       van die voorwerpen twee duizend vierhonderd heilige sikkelen ; \' twaalf
gouden lepels vol wierook, elke lepel van tien heilige sikkelen; dus
87       was al het goud van die lepels honderd twintig sikkelen;\' al de runde-
ren ten brandoffer, twaalf stieren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lam-
meren, met de daarbij behoorende meeloffers, en twaalf geitenbokken
88       ten zondoffer; \' benevens al de runderen van de dankoffers, vier en
twintig stieren, zestig rammen, zestig bokken en zestig eenjarige lam-
-ocr page 241-
321
numbm VII: 88—VIII: 11.
meren. Dit was de inwijding van het altaar, nadat liet gezalfd was.
89
          En wanneer Mozes de tent der samenkomst binnenging, om met
hem te spreken, dan hoorde hij de stem tot hem spreken van boven
het deksel dat op de ark der Geboden lag, van tusschen de twee che-
rubs. Zoo sprak hij tot hem.
89. Dit vers stant zonder eeuigen samenhang met het voorafgaande en is hier waarschijnlijk door
den Verzamelaar geplaatst, om aan te duiden dat de volgende mededeel ingen van Jahwe aan Mozes
in de tent der samenkomst zijn gegeven. — de tlem. Het is eigenaardig en geheel in den geest van
den jongeren tijd, die bevreesd was voor menschvormige voorstellingen van God, dat hier niet staat,
wie met Mozes van hoven het deksel der ark sprak, al wordt blijkbaar Jahwe bedoeld; verg. Exod.
XXV: 21 v.
HOOFDSTUK VIII.
De indienststclling van de Levieten. — Op Jnhwe\'s last brengt Aiiron de heilige lampen in orde (1—4).
Jahwe beveelt Mozes, de Levieten te wijden en hen door Aiiron aan Jahwe aan te bieden (5—11): Mozes
zal hunne offers brengen en hen zelveu aan Jahwe aanbieden (12 v.). De Levieten moeten na hunne
wijding bij het heiligdom in dienst worden gesteld, omdat zij aan Jahwe zijn geschonken, die hen
genomen heeft in plaats van de eerstgeborenen, waarop hij recht had (14— 19). Aiiron en Mozes ge-
hoorzamen, en de Levieten treden in dienst (20—22). Hun diensttijd (23—26).
Aan III, IV, waar verhaald is dat en waarom aan de Levieten bepaalde werkzaamheden aan het
heiligdom werden opgedragen, ontbrak nog de beschrijving der ceremoniën waarmede zij in dienst
werden gesteld: Lev. VIII, het verhaal der priesterwijding, miste een tegcuhangcr. Wellicht heeft
reeds de schrijver van die hoofdstukken zulk eeuen gegeven. Maar iu elk geval is het oorspronkelijke
verhaal omgewerkt. Immers, althans Ti. 11 behoorde daarin niet; verg. ter pi. Ook zou de schrijver
van III, IV hier wel niet in vs. 14—10 eenvoudig hebben herhaald wat hij 111:5—13, 44 v. reeds
had geleerd. Hij die het verhaal aanvulde deed dit blijkbaar om Aiiron op den voorgrond te doen
treden, en kan er dus vs. 1—4 aan hebben doen voorafgaan, dat niets dan cene toelichting op Iicv.
XXIV : 1—4 behelst. Vs. 23—26, waarin de voorschrifteu vau IV: 3, 23, 80, 35, 43 herroepen wor-
den, is zeker een zeer jong toevoegsel; zie op vs. 24.
VIII: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Spreek tot Aiiron en zeg hem: Wanneer
gij de lampen op den luchter zet, moeten de zeven lampen naar zijne
3       voorzijde gekeerd licht geven.\' En Aiiron deed zoo: hij zette de lampen
van den luchter er zoo op dat zij naar zijne voorzijde gekeerd waren;
4       zooals Jahwe Mozes bevolen had.\' De luchter nu was aldus gemaakt:
gedreven werk, van goud; tot het voetstuk en de bloesems toe was
het gedreven werk. Volgens het model dat Jahwe aan Mozes getoond
had, zoo had hij den luchter gemaakt.
5, 0          Jahwe sprak tot Mozes: \' Neem de Levieten uit het midden der
7       Israëlieten en reinig hen.\' Zoo zult gij hun doen, om hen te reinigen:
sprenkel op hen ontzondigingswater; dan moeten zij een scheermes over
hun geheele lichaam laten gaan en hunne kleederen wasschen; en zóo
8       zullen zij rein worden.\' Voorts zullen zij een jongen stier nemen, met
het daarbij behoorend meeloffer, bloem met olie gemengd; en een
9       tweeden jongen stier zult gij nemen ten zondoffer.\' Dan zult gij de
Levieten doen toetreden voor de tent der samenkomst en de geheele
10      gemeente der Israëlieten vergaderen.\' Daarna zult gij de Levieten voor
Jahwe doen toetreden, en de Israëlieten zullen den Levieten de handen
11       opleggen; \' waarna Aiiron de Levieten als een aanbiedingsoffer vanwege
1—4. Verg. Exod. XXV : 31—40; Lev. XXIV : 1—4.
0. Neem — liraëlieten. Volg. III, IV waren de Levieten reeds afgezonderd. — reinig hen. De Le-
vieteu behoeven niet, als de priesters (Exod. XXVIII: 41; XXIX: 1; Lev. VIII: 12), geheiligd, maar
slechts gereinigd te worden, om geschikt te zijn voor hun werk.
7. ontzondigingiwaler. Deze term komt alleen hier voor. Misschien wordt er niets dan heilig water,
verg. V: 17, mede bedoeld, misschien water dat op de Lev. XIV: 4 v. beschreven wijze bereid is.
Over het wijwater zie H. XIX. — da» — gaan. Verg. Lev. XIV : 8 v. — kunne kleederen tcatichen. De
Levieten hadden geen ambtsgewaad.
11. Hoe deze ceremonie (verg. op Exod. XXIX: 24) met meuschen kon voltrokken worden, is moeilijk
O. T. I.                                                                                                                         81
-ocr page 242-
322                                         NÜMERI VIII: 11—25.
de Israëlieten bewegen zal voor Jahwe. Zoo zullen zij het dienstwerk
12       voor Jahwe te verrichten hebben. \' Daarna zullen de Levieten den
stieren de handen op den kop leggen, en breng gij dan den eenen ten
zondoffer, den anderen ten brandoffer aan Jahwe, om verzoening te be-
13       werken voor de Levieten.\' Vervolgens zult gij de Levieten plaatsen
voor Aüron en zijne zonen en als eene aanbiedingsgave aan Jahwe
bewegen.
14           Gij zult de Levieten uit het midden der Israëlieten afzonderen, en
15       de Levieten zullen mij toebehooren. \' Daarna zullen zij komen om aan
de tent der samenkomst dienst te doen; waartoe gij hen reinigen en
10 als eene aanbiedingsgave bewegen zult.\' Want geschonken, geschonken
zijn zij aan mij, uit het midden der Israëlieten; in plaats van al wat
den moederschoot opent, van alle eerstgeborenen uit de Israëlieten, heb
17       ik hen voor mij genomen.\' Want mij behooren alle eerstgeborenen
onder de Israëlieten, van mensch en dier; ten dage dat ik alle eerst-
18       geborenen in Egypteland sloeg, heb ik hen mij geheiligd.\' Maar ik
neem de Levieten in plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten,\'
19       en geef de Levieten als geschonkenen aan Aüron en zijne zonen, uit
het midden der Israëlieten, om het dienstwerk voor de Israëlieten in
de tent der samenkomst te verrichten, en om verzoening voor de Israë-
lieten te bewerken; opdat onder de Israëlieten geen plaag kome doordat
zij tot het heilige naderen.
20           Mozes, Aüron en de geheele gemeente der Israëlieten deden met de
Levieten juist zooals Jahwe Mozes ten aanzien der Levieten bevolen
21       had; zoo deden de Israëlieten met hen.\' De Levieten werden dus ont-
zondigd, zij wieschen hunne kleederen, en Aüron bewoog hen voor
Jahwe als eene aanbiedingsgave. Zoo bewerkte Aüron verzoening voor
22       hen, om hen te reinigen. \' Daarna kwamen de Levieten, om hun dienst-
werk in de tent der samenkomst te verrichten onder opzicht van Aüron
en zijne zonen; zooals Jahwe Mozes ten aanzien van de Levieten be-
volen had, zoo deden zij met hen.
23, 24 Jahwe sprak tot Mozes: \' Dit geldt van de Levieten: van vijf en
twintig jaar af en daarboven zal hij komen om zijn plicht te vervullen
25 bij het dienstwerk aan de tent der samenkomst; \' en wanneer hij boven
de vijftig jaren oud is, dan zal hij vTij zijn van verplicht werk en
te begrijpen. Hare beteckenis is echter duidelijk: de Levieten worden Jnhwc\'s dienaren; «ij zijn een
geschenk aan hein vim de Israëlieten. Het hier verordende strookt evenwel niet met vs. 13, waar de
plechtigheid door .Mozes wordt verricht. Is dus vs. 11 van een overwerker, dan ook vs. 20—22, waar
dezelfde voorstelling wordt aangetroffen, en waarschijnlijk cenige andere verzen.
Ifi—11). Dit is ontleend aan 111:9—13. In vs. 16 zijn volg. Sam. t. alle en eerttgeborenen omgezet.
19. opdat— nadereu. Verg. 1:51, 53; XVIII:22v. Evenals de priesters middelaars zijn tusschen
het hoogheilige en de Levieten, IV: 15, 17—20, zijn dezen het tusschen het heilige en het volk.
24. van vijf en twintig jour af, in strijd met IV\': 3, waar de Leviet eerst op zijn dertigste jaar
in dienst treedt. Weer anders 1 Krc.n. XXIII: 2-1—27; 2 Kron. XXXI: 17; K/ru III: 8, waar het
twintigste jaar wordt genoemd. Deze drie plaatsen bewijzen alleen, dat tijdens de samenstelling der
boeken Kronieken en i\'rra de Levieten reeds met hun twintigste jaar in dienst traden, of dat de
schrijvers het zoo verlangden. Daar deze boeken de jongste getuigenissen aangaande dit punt afleggen,
kunnen wij gerust aannemen dat de Levieten op steeds jonger leeftijd in dienst traden. Was dit een
voorrecht of cene verzwaring van lasten? Dat Ezra VIII: 15 geklaagd wordt over gemis van ijver bij
de Levieten, zou ons in den waan kunuen brengen dat zij altijd moesten gedwongen worden. Maar
dit was zoo niet. Over de oorzaak van het gebrek aan Levieten tijdens Ezra\'s terugkeer verg. inl. op
III, IV. Leviet te zijn was, al morde menige Levietenfamilic over de te lage plaats die haar was
ingeruimd, een voorrecht, cene eervolle broodwinning: en hoe meer de wet doordrong, het Jodendom
zich uitbreidde, de tcmpeldienst bloeide, des te talrijker werden de ambten die voor Levieten open-
stonden en des te meer werden zij begeerd. De vervroeging van den tijd hunner indienststelling is
dus waarschijnlijk veroorzaakt, zoowel door de behoeften des heiligdom», als door den aandrang van
de jeugdige Levieten en hunne familicn. Verg. op 1 Kron. XXIII: 24.
25 v. Deze bepaling zal wel dezelfde oorzaak hebben. De vijftigjarige Levieten begeerden niet af
te treden.
-ocr page 243-
NÜMBRl VIII : 25—IX : 13.
323
26 niet meer dienen.\' Wel zal hij zijnen broeders bij de tent der samen-
komst behulpzaam zijn in het vervullen van hunne plichten, maar
eigenlijk dienen zal hij niet meer. Aldus zult gij met de Levieten ten
aanzien van hunne plichten doen.
HOOFDSTUK IX : 1—14.
Het pascha in de tweede maand. — Op bevel van Jahwe, gelast Moücs, aan den aanvang van het
tweede jaar, den Israëlieten, het pascha op zijn tijd te bereiden (1—4); lij gehoorzamen (5); als bij die
gelegenheid sommige mannen die zich aan een lijk verontreinigd hebben vragen, of zij nu Jahwe\'s
gave niet mogen brengen, gaat Mozes hierover Jahwe raadplegen (6—8). Deze geeft eenige verorde-
ningen over de viering van het pascha in de tweede maand, indien men in de eerste wettige verhin-
dering heeft gohad (9—14).
Deze verordening is een toevoegsel tot de wet op het paaschfeest, Kiod. XII. Waarschijnlijk is zij
niet van den schrijver van Ezra\'s Wetboek, van wien dat hoofdstuk grootcndccls afkomstig is (zie
inl. op Exod. XII :1—XIII: IC), daar het niet is in te zien, waarom deze, indien hij zulk eene ver-
ordening had willen geven, het niet bij gelegenheid van de instelling van het feest gedaan zou heb-
ben. Zeker waren gevallen als de hier besprokene voorgekomen, toen men besloot er op deze wijze in
te voorzien.
IX: 1 Jahwe sprak tot Mozes in de woestijn van den Sinai, in liet tweede
2      jaar van hun uittocht uit Egypteland, in de eerste maand:\' Laat de
3       Israëlieten het pascha op den daarvoor vastgestelden tijd vieren: \' op
den veertienden dag in deze maand, in den schemeravond, zullen zij
het op den daarvoor gestelden tijd vieren; volgens al de daaromtrent
gegeven inzettingen en verordeningen zullen zij er mede handelen.\'
4       Derhalve zeide Mozes den Israëlieten dat zij het pascha zouden vieren;\'
5       en zij vierden het pascha in de eerste maand, op den veertienden
dag der maand, in den schemeravond, in de woestijn van den Sinai;
6      juist zooals Jahwe Mozes bevolen had, zoo deden de Israëlieten.\' Maar
eenige mannen die aan een menschenlijk verontreinigd waren en daarom
het pascha op dien dag niet konden vieren, traden dien dag voor
7       Mozes en Aaron \' en zeiden tot hem: Wij zijn aan een menschenlijk
verontreinigd; waarom zouden wij nu van het voorrecht verstoken zijn
de gave voor Jahwe op haar tijd te midden der Israëlieten te brengen?\'
8       Toen zeide Mozes tot hen: Blijft hier staan; dat ik verneme wat Jahwe
te uwen aanzien beveelt.
9, 10 Toen sprak Jahwe tot Mozes: \' Zeg den Israëlieten: Wanneer iemand
aan een menschenlijk is verontreinigd of op eene verre reis is, dan
moet hij toch het pascha ter eere van Jahwe vieren — dit geldt voor
11       u en voor uw nageslacht.\' In de tweede maand, op den veertienden
dag, in den schemeravond, zullen zij het vieren; zij zullen het met
12       ongezuurd brood en bittere kruiden eten,\' er niets tot den morgen van
overlaten en er geen been van breken; volgens al de inzettingen be-
13       treffende het pascha zullen zij er mede handelen.\' Maar al wie rein
en niet op eene verre reis is en dan nalaat het pascha te vieren, die
persoon zal uitgeroeid worden uit zijn volk, omdat hij Jahwe\'s gave
1.  Dus dadelijk na het oprichten van de tent der samenkomst, Exod. XL: 17.
2.  Laat... vieren, volg. verb. t.; Hebr. t. Opdat... vieren. Wellicht heeft er oorspronkelijk gestaan
Beveel den Iiraëlieten, dat zij enz.
3.   zullen zij. Beide keeren heeft Hebr. t. zult gij; eens de Sam. t. zulle* zy. — volgent — ver-
ordeningen.
Zie Exod. XII: 3—14, 21 v., 43—49; XXXIV : 25.
6.   daarom — vieren, volg. XIX: 13. — en Aaron is wellicht later ingevoegd; alleen Mozes han-
delt verder.
7.   de gave voor Jahwe. Zoo heet het paaschlam alleen hier en vs. 13; „een offer" heet het Exod.
XII: 27; XXXIV: 25. Verg. op Exod. XII: 11.
11*, 12. Zie Eiod. XII: 8, 10, 464.
-ocr page 244-
324
MUHXBI IX: 18 --X:G.
niet op kaar bepaalden tijd gebracht heeft; die man zal zijne zonde
14 dragen.\' En wanneer een vreemde onder u verkeert en het pascha tot
eer van Jahwe viert, dan moet hij het doen naar de inzetting en ver-
ordening op het pascha: eene en dezelfde inzetting geldt voor u: voor
den vreemde en voor den inboorling des lands.
14. Zie Kxod. XII: 18 v. — Blijkbunr waren hier en daar onwettige gebruiken in zwang.
HOOFDSTUK IX: 15—X:28.
Israël op marsen. — Hoe de Israëlieten het kamp moeten opbreken en zich legeren, naardat de
wolk- en vuurkolom boven den tabernakel hun tot het een of het ander het sein geeft (IX: 15—23).
Jahwe beveelt Mo/.es twee trompettcu te maken, om daarmede signalen te geven tot opbreken en tot
samenkomen ter vergadering (X : 1—7). Bc priesters moeteu ze blazen (8), zoowel ten tijde van ge-
vaar, als op de feesten en bij ofTeranden (9 v.). Wanneer Israël ia opgebroken en naar de woestijn
1\'arnn getrokkeu (11 v.); in welke orde het den tocht maakte (18—28).
Dit stuk is uit Kzra\'s Wetboek.
IX: 15 Ten dage dat de tabernakel werd opgericht bedekte de wolk den
tabernakel van de tent tier Geboden, en des avonds was zij op den
16       tabernakel, in de gedaante van een vuur, tot aan den morgen.\' Zoo
was het voortdurend: de wolk bedekte hem overdag, en des nachts de
17       gedaante van een vuur.\' Zoo dikwerf de wolk van boven de tent op-
steeg braken daarna de Israëlieten op, en ter plaatse waar de wolk
18       bleef rusten, aldaar legerden zich de Israëlieten.\' Naar Jahwe\'s last
braken de Israëlieten op, en naar Jahwe\'s last legerden zij zich: zoo-
lang de wolk in rust bleef op den tabernakel bleven zij gelegerd;\'
19       zelfs wanneer de wolk vele dagen lang op den tabernakel bleef, gaven
20       de Israëlieten acht op Jahwe\'s aanwijzing en braken niet op.\' Somwijlen
was de wolk slechts weinige dagen op den tabernakel; dan legerden
21       zij zich naar Jahwe\'s last en braken zij op naar zijn last. \' iSomwijlen
was de wolk er van den avond tot den morgen; steeg dan de wolk
in den morgen op, zoo braken zij op. Steeg zij na een dag en nacht
22       op, dan braken zij op; \' of na twee dagen, na eene maand of langer,
wanneer de wolk geruimen tijd op den tabernakel bleef rusten, dan
bleven de Israëlieten gelegerd en braken niet op; maar wanneer zij
23       opsteeg, braken zij op.\' Naar Jahwe\'s last legerden zij zich, en naar
Jahwe\'s last braken zij op; zij gaven acht op Jahwe\'s aanwijzing, over-
eenkomstig hetgeen Jahwe hun door Mozes gelast had.
X:l,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Maak twee zilveren trompetten; van ge-
dreven werk zult gij ze maken; zij zullen u dienen om de gemeente
3       samen te roepen en de kampen te doen opbreken.\' Wanneer men beide
steekt, zal de geheele gemeente bij u samenkomen aan den ingang
4       van de tent der samenkomst;\' en wanneer men eene van beide steekt,
zullen de vorsten, de hoofden van Israëls stammen, bij u samenkomen.\'
5       Blaast gij alarm, dan zullen de kampen aan de oostzijde opbreken;\'
6       blaast gij ten tweeden male alarm, dan zullen de kampen aan de zuid-
15—23. Over de sage van de wolk- en vuurzuil zie op Exod. XIII: 21 v. Daar vervult zij eene
andere rol dan hier; daar toch gaat zij aan de spits van het leger en wijst het den weg; hier be-
vindt zij zich voortdurend boven den tabernakel, die volg. 11:17; X:17 midden in het. leger op-
trekt, en geeft zij alleen het sein tot opbreken en halt houden. In X: 33—30 wijst de ark don weg.
— Dit onze plaats is verkort Exod. XL: 36—38.
15. der. — Geboden. Zie op Exod. XXV: 16.
10. overdag, ingevoegd volg. Gr., Syr. en Lat. vertt.
1—10. Tweeërlei bestemming wordt hier aan de trompetten gegeven: men geeft daarmede signalen,
en men brengt zirh daarmede in gedachtenis bij Jahwe. Dat de priesters op trompetten blazen wordt
allecu in Ezra\'s Wetboek en de daarvan afhankelijke geschriften vermeld; verg. op va. 8.
6. blaast gij ten derden — noordzijde opbreken, ingovoegd volg. Gr. vort.
-ocr page 245-
numebi X : 6—27.                                           325
zijde opbreken; blaast gij ten derden male alarm, dan zullen de kam-
pen aan de westzijde opbreken; blaast gij ten vierden male alarm, dan
7       zullen de kaïupen aan de noordzijde opbreken. \' Alarm blazen dient tot
sein voor bet opbreken; maar om de vergadering te doen bijeenkomen
8       zult gij ze steken, geen alarm blazen.\' Aiirons zonen, de priesters,
zullen de trompetten steken, en deze zullen u zijn tot eene eeuwige
9       inzetting, ook voor uw nageslacht.\' En indien gij in uw land in oor-
log geraakt met een vijand die u in het nauw brengt, dan zult gij op
de trompetten alarm blazen, en zoo u in gedachtenis brengen bij Jahwe,
10       uwen god, en gered worden van uwe vijanden. \' Ook zult gij op uwe
vreugdedagen, f\'eestgetijden, nieuwemanen de trompetten steken bij uwe
brand- en dankoffers: zij zullen dienen om u in gedachtenis te brengen
bij uwen god; ik ben Jahwe, uw god.
11            In het tweede jaar, op den twintigsten der tweede maand, steeg de
12       wolk op van boven den tabernakel der Geboden.\' Toen braken de
Israëlieten in de voorgeschreven orde uit de woestijn van den Sinai
13       op, en de wolk legerde zich in de woestijn Paran.\' Dit was de eerste
keer dat zij volgens hetgeen Jahwe door Mozes bevolen had opbraken.\'
14       Voorop trok de banier van het kamp der zonen van Juda, in hunne
heirscharen ingedeeld, en over hun heir was Nahsjon, de zoon van
15       Amminadab;\' over het heir van den stam der zonen van Issachar was
16       Nethaneël, de zoon van Huar,\' en over het heir van den stam der zonen
17       van Zebulon Eliab, de zoon van Helon.\' Daarna werd de tabernakel
afgebroken en braken de Gersjonieten en de Merarieten, den tabernakel
18       dragende, op.\' Dan trok de banier van bet kamp der zonen van Ruben
op, in hunne heirscharen ingedeeld, en over hun heir was Elisoer, de
19       zoon van Sjedeür;\' over het heir van den stam der zonen van iSimeon
20       was Sjelumiël, de zoon van Hurisjaddai,\' en over het heir der zonen
21       van Gad Eljazaf, de zoon van Reüel.\' Vervolgens braken de Kehathieten,
het heilige dragende, op, en men richtte den tabernakel op voordat zij
22       kwamen.\' Voorts trok de banier van het kamp der zonen van Efraim
op, in hunne heirscharen ingedeeld, en over hun heir was Elisjama,
23       de zoon van Ammihud;\' over het heir van den stam der zonen van
24       Manasse was Gamliël, de zoon van Pedasur,\' en over het heir van den
25       stam der zonen van Benjamin was Abidan, de zoon van Gideoni.\' Daarna
trok de banier van het kamp der zonen van Dan op, die, in hunne
heirscharen ingedeeld, de achterhoede van alle kampen uitmaakten, en
26       over hun heir was Ahiëzer, de zoon van Ammisjaddai;\' over het heir
van den stam der zonen van Azer was Paggiël, de zoon van Ochran,\'
27       en over het heir van den stam der zonen van Naftali was Ahira, de
8.  Verg. 1 Kron. XV: 24; XVI: 6; 2 Kron. V:12; VII: 6; XXIX: 26; Ezro 111:10; Xen. XII:
85, 41, waar wij bij den ecredienst, en XXXI: 6; 2 Kron. XIII: 12, 14, waar wij in den oorlog
priesters met de trompetten aantreffen; in de eerste reeks plaatsen gewagen onderscheidene van l.r-
vietischc toonkunstenanrs.
9.  in oorlog geraakt, volg. Gr. vert. — u in gedachtenis brengen bij Jahwe. Desgelijks moest hot
bazuingeschal en geschetter der trompetten op nieuwjaarsdag dienen om Israël bij Jahwe in gcdach-
tcnis te brengen; zie op Lev. XXIII: 23—25; verg. Exod. XXVIII: 12, 29; XXX: 16; Num. V : 15.
10.   Verg. P». LXXXÜ4; XCVIII: 6 enz.
11—28. De volgorde der stammen en de namen der vorsten als in H. II. Doch zie op vs. 17.
12. Paran. Zie op Gen. XIV: 6.
17.  Volg. 11:17 moesten alle Levieten met het heiligdom eerst optrekken nadat twee vierden van
het leger op marsch waren gegaan. Hier trekken de Gersjonieten en de Merarieten reeds na het eer-
ste drietal op, ten einde tijd te vinden om den tabernakel op te slaan voordat de Kehathieten aan-
komen, va. 21.
18.  der tonen, volg. Sam. en Gr. t. ingevoegd.
20.  Reüel, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Heitel.
21.  men — kwamen, opdat zij de heilige voorworpen dadelijk op hunue plaatsen kouden brengen.
-ocr page 246-
numeki X:27—33.
326
28 zoon van Enan.\' Dit was de orde der Israëlieten, in hunne heiren
ingedeeld; zoo braken zij op.
INLEIDING OP HOOFDSTUK X:29—XXXVI: 13.
Deze hoofdstukken bevatten gedeeltelijk verhalen, gedeeltelijk wetten. Gene brengen Israël van den
Simii tot in het Ovcrjordaainichc tegenover Jericho. De meeste er van zijn nnn het Oudc-Sagenboek
ontleend, hoewel «om» omgewerkt en uitgebreid. Zie deze opgeteld inl. op Kiod. 1:1—XXIV: 11 j
over de strekking er van zie de bijzondere inl!. Andere zijn uit Ezra\'s Wetboek of nog jonger; deze
hangen gemeenlijk zoo nauw met wetten samen dat de grens tusschen beide niet te trekken is. Zij
zijn: H. XVII, Aiirons bloeiende staf; XX:22—29, Aarons dood; H. XXVI, de tweede monstering;
XXVII: 12—23, de wijding van Jozua tot Mozes\' opvolger; EL XXXI, de verdccliiig van den op de
Midiauieten hchaaldrn buit.
I)i\' wetten die tusschen deze verhalen in staan, en dus alle gedurende de omzwerving of in het
Overjordaansche heeten te zijn gegeven, zijn: H. XV, verschillende verordeningen, vooral over eenige
offergaven; II. XVIII, over de inkomsten van priesters en Levieten; H. XIX, over het wijwater;
XXVII: 1—11 en XXXVI over de rechteu en plichten van erfdochters; XXVIII, XXIX, over verplichte
offers der gemeente; II. XXX, over geloften van vrouwen; XXXIII: 50—XXXIV : 29, over de tockom-
stigc inbezitneming en verdecling van Knnaan; H. XXXV, over Levictcnstedcn en wijkplaatscn. Zij
zijn alle uit Ezra\'s Wetboek of van nog jonger dagtcekening.
HOOFDSTUK X: 29—36.
Israël breekt, onder geleide vnn Mozes\' schoonvader en de ark, van den Sinai op. — Mozei ver-
zoekt zijn schoonvudcr, Israël te vergezellen, en spelt hem alles goeds, als hij hiertoe besluiten kan
(29—32). De Israëlieten trekken van Jahwe\'s berg op; de ark gaat hun voor, om cene goede leger-
plaats op te sporen, terwijl de wolk boven hen blijft (33 v.); wat Mozes spreekt, als de ark optrekt
en als zij zich legert (35 v.).
Twee legenden uit het Otide-Sngcnboek, in eigenaardige tegenspraak met de jongere verhalen en
zelfs met elkaar. Met de jongere verhalen; immers, volgens IX: 15—23 (zie aldaar) gaf de wolk tel*
kens het sein tot opbreken en halt houden, en reisde dus de ark niet tot verkenning vooruit. Met
elkander; want waartoe behoefde Israël menschelijkc gidsen, als Jahwe zelf hun den weg wees? Niet
onwuurschijulijk is vs. 31 later ingelascht, om het verhaal van de ark die tot geleide diende ecnigcr-
mate in overeenstemming te brengen met dat van IX: 15—23.
X: 29 Mozes zeide tot Hobab, den zoon van Reiiel, den Midianiet, zijn
schoonvader: Wij trekken naar de plaats waarvan Jahwe heeft gezegd:
Die zal ik u geven. Ga met ons, en wij zullen het goed met u maken;
30       want Jahwe heeft het goede aan Israël toegezegd.\' Hij zeide tot hem:
31       Ik trek niet mede, maar ik ga naar mijn land en geboortegrond.\' Doch
Mozes zeide: Verlaat ons toch niet; want gij weet nu eens hoe wij
32       ons in de woestijn moeten legeren, en kunt ons dus tot gids zijn.\' En
wanneer gij met ons gaat, dan zullen wij u deel geven aan het goede
dat Jahwe ons schenken zal.
33           Zij trokken dan van Jahwe\'s berg drie dagreizen ver, terwijl de ark
29. Uobab. Zie op Kxod. II : 18. Volgens Exod. XVIII: 27 was Mozes\' schoonvader, aldaar Jethro
genoemd, weder vertrokken. Dat hij hier Hobab heet en met Israël medetrekt (zie op va. 32) bewijst
dat hier een andere schrijver aan het woord is dan in Exod. XVIII, waarschijnlijk een Jahwist. Wei-
licht is een uitvoeriger verhaal van zijne hand over Hobab verloren gegaan. — Midianiet, Evenzoo
Exod. 11:16; XVIII :1; volg. Richt. 1:16; IV: 11 is hij een Keniet.
31.  Mozet, duidclijkheidshalvc ingevoegd. — tot gidt, letterlijk tol oogen.
32.   Dat Hobab aan Mozes\' verzoek gehoor gegeven heeft, staat hier niet, en wordt toch bedoeld;
want het verhaal dient zeker tot rechtvaardiging van het feit dat de Midianietiscbe stam der Kenie-
tt-ii cene eervolle plaats in Isracls land heeft erlangd en behouden; zie Richt. 1:16; IV: 11; 1 Sam.
XV:5v.; XXVII: 10; XXX: 29. Verg. inl. op XUI, XIV en aant. op XXIV: 21 v. en op 1
Kroti. II : 55.
33.  Jakme\'t berg, den Sinai, die Exod. 111:1 de berg God* beet. — de arte dei verbond* van
-ocr page 247-
nümbri X : 33—36.                                          327
des verbonds van Jahwe voor hen uit trok, om voor heu eene rust-
34       plaats uit te zoeken.\' En de wolk van Jahwe bleef\' des daags over hen,
35       wanneer zij uit het kamp trokken. \' Als dan de ark optrok, zeide Mozes:
Sta op, Jahwe; opdat uwe vijanden uiteenstuiven en uwe haters voor
36       u vluchten!\' En als zij rust nam, zeide hij: Zet u neder, Jahwe, en
zegen de stammen Israëls!
V». 35. IV LXV1II: 35.
Jahwe. Deze benaming van ilc ark van Jahwe is niet aan In-I Oudc-Sagenbock ontleend, maar is van
den Dcutcronomischcu of ccn luieren bewerker van het oude verhaal; verg. op Dent. X: 1—5. — De
grondtekst heeft bij voor hen uit trok nog drie dagreizen, blijkbaar bij vergissing uit het voorafgaande
herhaald. — uit te zoeten. Het hier gebezigde Hebreeuwsche werkwoord is hetzelfde dat in II. XIII
gebruikt wordt van de verspieders. De dienst dien de ark aan het leger bewijst is dus een geheel
andere dan die welke in Kzra\'s Wetboek en de jongere geschriften door de wolk- en vuurzuil bewezen
wordt; verg. op XII: 15.
35 v. Daar de ark althans tot Davids regecring in den oorlog werd medegenomen (2 Sain. XI : 11)
en er zeker wanneer zij uittrok en wanneer zij terugkeerde zegenbeden werden uitgesproken, is het
mogelijk dat in deze verzen oude spreuken bewaard zijn; maar waarschijnlijk is dit toch niet. Immers,
gesteld dat in Davids tijd vaste beden voor die gelegenheid bestonden, hoe zouden die — indien de
ark na hein niet meer te velde getogen is, — in het geheugen bewaard zijn, totdat zij in het Oude-
Sagcnboek werden opgenomen? — Sta op, rust nam. Zet u neder (volgens een audcreu klinker; Ilcbr. t.
Keer weder). Zie op I\'s. 111:8. — en zegen, volg. verb. t.; Hebr. t. tienduizenden. Was dit de
oorspronkelijke tekst, dan zou de overdreven voorstelling vnn Israëls talrijkbeid, die de uitdrukking
„de tienduizenden van Israëls stammen" verraadt, eer wijzen op de verbeelding des schrijvers van
Kzra\'s Wetboek, van wien het cijfer van 600.0UO man, Exod. XII: 37, herkomstig is, dan op de
werkelijkheid in het begin van den koningstijd, toen ieder wist dat Israël zoo talrijk niet was. Dus
zou die uitdrukking sterk pleiten tegen de oudheid van de beide beden. Bij den verbeterden tekst is
de oudheid er van eerder aan te nemen. — Aan deze verzen is waarschijnlijk I\'s. CXXX11: 8 ontleend.
HOOFDSTUK XI.
De kwakkelen; de zeventig helpers van Mozes. — Als het volk te Tabcëra in murmurecringen
uitbarst, teistert Jahwe het door zijn vuur, dat echter op Mozes\' voorbede weder uitgedoofd wordt
(1—3). Het gespuis dat Israël vergezelt klaagt over het ellendige voedsel, het manna, en verlangt
naar de spijzen van Egypte (4—6); beschrijving van het manna en hoe het bereid wordt (7—9):
Mozes klaagt zijn nood aan Jahwe: hij is niet bij machte alleen het volk te verzorgen, en hoc zal hij
aan vleesch komen? (10—15). Jahwe gelast hem, zeventig oudsten van Israël bij de tent der samen-
komst te brengen; waar hij met Mozes sproken en hun ecu deel van zijn geest geven zal, opdat zij
hem bijstaan (16 v.); Mozes moet het volk bevelen zich tegen den volgenden dag te heiligen: van dan
af zal het eene maand lang vleesch te eten krijgen (18—20); als hij vraagt hoe dit mogelijk is,
herinnert Jahwe hem aan zijne grootc macht (21—23). Hij volbrengt beide bevelen (21); Jahwe deelt
iets van Mozes\' geest mede aan de oudsten (25). Twee hunner, die in het leger gebleven zijn, profe-
teereu aldaar (20); als dit aan Mozes bericht wordt, wil Jozuu dut hij het bun zul verbieden; wat
Mozes weigert (27—29); met de oudsten keert hij naar het kamp terug (30). Eene menigte kwnkke-
len wordt door den wind naar het leger gevoerd, zoodat de Israëlieten zich aan vleesch kunnen ver-
gasten ; maar terwijl zij dit doen, richt Jahwe eene slachting onder hen aan (31—33); waarnaar de
plaats vernoemd wordt (34). Zij reizen naar Huseroth (35).
Dit hoofdstuk is nagenoeg geheel (verg. op vs. 10 en 10) aan het Oude-Sagenbock ontleend. Wij
onderscheiden er echter bestnnddcelcu van onderscheiden herkomst in. Vooreerst een verhaal, waar-
schijnlijk uit De Jahwist, over de tuchtiging te Tabcëra, vs. 1—3, de klacht des volks over het manna
en zijne spijziging met kwakkelen, gevolgd door de bestraffing zijner begeerlijkheid, vs. 4—13, 15,
18—24a, 31—34, en den tocht naar Haseroth, vs. 35. Misschien was het oorspronkelijke verhaal kor-
ter en is vs. 18—24a met een deel van vs. 31—33 eene latere uitbreiding. Doch hierdoor is de
bctcckcnis van het verhaal niet veranderd. Het diende om twee namen van plaatsen in de woestijn,
Taieira en Kibroth-hattaiiwa, te verklaren uit legenden over de spijziging van het volk door Jahwe
en de ondankbaarheid waarmede zijne zorg beantwoord is. Over de verhouding van Exod. XVI tot
dit verhaal zie inl. op Exod. XV : 22—XVI: 36.
In dit oude verhaal is een ander, vs. 14, 10, 17, 244—30, dat groote overeenkomst vertoont met
Exod. XVIII, ingevlochten. Hierin wordt gemeld, hoe Jahwe ten behoeve van Mozes, die klaagt dat
bij alleen het volk niet verzorgen kan, zeventig oudsten met een deel van Mozes\' geest toerust, op-
dat zij hem helpen, en hoc Mozes zich verheugt, dat ook anderen, die zich niet bij hem hadden ge-
voegd, profeteeren; wat de ijveraars voor zijne eer eene bedenkelijke zaak vinden. Over Mozes, den
profeet bij uitnemendheid, verg. op Deut. XVIII: 15 en inl. op Deut. XVIII: 9—22. De aanleiding
-ocr page 248-
NÜMBIU XI : 1—17.
328
om dit verhaal hier in te lasschen was de klacht van Mozes over de zwaarte der hem opgelegde taak
(vs. 11—15).
Toespelingen op dit verhaal I.XXVIII: 18—31; CVI: 14 v.
XI: 1 Eens slaakte het volk goddelooze klachten ten aanhooren van Jahwe.
Toen Jahwe dit hoorde, ontstak hij in toorn, en liet vuur van Jahwe
onthrandde onder hen en greep om zich heen aan een hoek van het
2       leger.\' Toen riep het volk tot Mozes; deze had tot Jahwe, en het
3       vuur doofde uit.\' Daarom noemde hij die plaats Taheëra, omdat onder
hen het vuur van Jahwe ontbrand was.
4           Eens liet het gespuis dat zich onder hen ophield zich door gretigheid
vervoeren; zoodat ook de Israëlieten wederom gingen weenen en zeiden:
5       Wie zal ons vleeschspijzen geven ?\' Wij denken aan de visschen die
wij in Egypte om niet konden eten, de komkommers, de meloenen, het
6       look, de uien en het knoflook;\' maar nu verkwijnen wij; wij krijgen
7       niets dan dat manna onder de oogen. —\' Het manna was als korian-
8       derzaad en zag er uit als hedolah.\' Het volk liep rond, gaarde het op,
maalde het in den handmolen of stampte het in den vijzel, kookte het
in den pot en bereidde er koeken van; het smaakte dan als (diebrood.\'
9       Wanneer \'s nachts de dauw op het kamp viel, viel ook het manna er
10       op. —\' Toen dan Mozes het volk, naar hunne geslachten, ieder aan
den ingang zijner tent, hoorde weenen, ontstak Jahwe hevig in toorn,
11       en keurde Mozes het sterk af. \' En Mozes zeide tot Jahwe: Waarom
hebt gij uwen dienaar dit leed aangedaan, en waarom heb ik geen
gunst in uw oog gevonden, dat gij mij dit geheele volk te dragen
12       geeft?\' Ben ik van dit gansche volk zwanger geweest en heb ik het
gebaard, dat gij tot mij moogt zeggen: Neem het in uwe armen, als
een verpleger een zuigeling, en draag het naar het land dat ik aan
13       zijne vaderen bij eede beloofd heb?\' Hoe zou ik aan vleesch komen,
om aan dit geheele volk te geven; want weenend dringen zij bij mij
14       aan en zeggen: Geef ons vleesch te eten.\' Ik kan alleen dit geheele
15       volk niet dragen; want het is mij te zwaar.\' Indien gij zoo met mij
handelen wilt, dood mij dan liever, als ik gunst in uw oog gevonden
heb, en laat mij mijn ongeluk niet aanzien.
16           Toen zeide Jahwe tot Mozes: Verzamel mij uit Israëls oudsten zeventig
mannen van wie gij weet dat het oudsten en ambtlieden des volks zijn,
en breng die bij de tent der samenkomst, waar zij zich nevens u zullen
17       plaatsen.\' Dan zal ik nederdalen, aldaar met u spreken en van den
1. slaakte... goddelooze klachten, onzekere vertaling. — het vuur va* Jahwe. Ook XVI: 35; Lev.
X : - i ii elders openbaart zich Jahwe\'s toorn in een vuur dat de schuldigen verteert.
3.    Tabeïra, onbekende plaats, ook Deut. IX: 22 voorkomende. De naam doet zich voor als eene
afleiding van een HebrccuwBch woord dat ,ontbrandcn\' bctcekent.
4.   het gespuis. Waarschijnlijk worden dezelfden bedoeld die Exod. XII: 38 volk van gemengde*
bloede
herten. — ook de Israëlieten, aangestoken door het kwade voorbeeld. — tcederom. Dit slaat
waarschijnlijk op vs. 1 temg.
5.   De Nijl is zeer vischrijk, en Kgypte brengt, evenals Palestina, in overvloed de hier genoemde
gewassen voort.
0. dal manna, smadelijke aanduiding; verg. XXI: 5 en inl. op Exod. XV : 22—XVI: 36.
7. korianderzaad. Verg. op Exod. XVI: 31. — bedolah. Zie op Gen. 11:12.
9.   Verg. Exod. XVI: 18 v.
10.   naar hunne geslachte*. Dit staat hier vreemd en is zeker door den Verzamelaar, wicn H. I—
IV voor oogen stond, ingevoegd.
12. Ben ik de moeder van dit volk, dat ik verplicht ben het te verzorgen? Mozes klaagt over de
zwaarte zijner tank. Vs. 14, waar hij klaagt dat hij er alleen voor staat, behoort oorspronkelijk bij
een ander verhaal, /ie lul. en op vs. 14.
14. alleen. Hiermede wordt het nieuwe onderwerp, de aanstelling der helpers van Mozes, ingeleid.
Zoo al niet het geheele vers, dan is althans dit woord van den schrijver die dit in het oude ver-
haal inlaschte.
16.   ra» — zijn, terugslag op Exod. XVIII: 17—26. — ambtlieden. Zie op Exod. V: 6.
17.   met u spreken. Verg. XII: 8. — den — is. Zie op Gen. 1:2.
-ocr page 249-
NUMBid XI: 17—32.
320
geest die op u is een deel afzonderen, om dat op hen te leggen. Zoo
zullen zij u dit volk helpen dragen en zult gij den last niet alleen
18       torsen.\' En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen; dan
zult gij vleesch eten. Omdat gij ten aanhooren van Jahwe weenend ge-
zegd heht: Wie zal ons vleesch te eten geven? in Egypte hadden wij
19       het goed — zal Jahwe u vleesch geven en zult gij het eten.\' Niet
slechts éen dag zult gij het eten, of twee, vijf, tien, twintig dagen,\'
20       neen, eene volle maand lang, totdat het u den neus uitkomt en een
walg is; omdat gij Jahwe, die in uw midden is, versmaad en voor
zijn aangezicht weenend gezegd hebt: Waarom zijn wij uit Egypte ge-
21       gaan?\' Toen zeide Mozes: Zeshonderd duizend man te voet is dit volk
in welks midden ik ben sterk, en gij zegt: Ik zal het eene volle maand
22       lang vleesch te eten geven!\' Zouden voor hen kleinvee en runderen
geslacht kunnen worden, dat zij er genoeg aan hebben? of, indien alle
visschen der zee voor ben gevangen werden, zouden zij dan genoeg
23       hebben?\' Maar Jahwe zeide tot Mozes: Is Jabwe\'s hand te kort? Nu
zult gij zien, of mijn woord al dan niet uitkomt.
24            Zoo ging Mozes uit en bracht aan het volk de woorden van
Jahwe over; voorts verzamelde hij uit de oudsten des volks zeventig
25       mannen en plaatste hen rondom de tent.\' Toen daalde Jahwe in de wolk
neder, sprak met hen, zonderde een deel van den geest die op Mozes
was af en legde dat op die zeventig oudsten. En zoodra de geest op
hen rustte profeteerden zij; daarna niet meer.
26            In de legerplaats nu waren twee mannen achtergebleven — de een
heette Eldad, de ander Medad — op wie ook de geest rustte; zij be-
hoorden wel tot de opgeschrevenen, maar waren niet uitgegaan naar
27       de tent en profeteerden in de legerplaats. \' Toen ging een knaap ijlings
aan Mozes mededeelen: Eldad en Medad profeteeren in de legerplaats!\'
28       En Jozua, de zoon van Nun, Mozes\' dienaar van zijne jongelingsjaren
29       af, zeide daarop: Mijn heer Mozes, belet het hun!\' Maar Mozes zeide
tot hem: Zijt gij naijverig op mijne eer? Och of alle leden van Jah-
30       we\'s volk profeten waren, doordat Jahwe zijn geest op hen legt!\' Daarna
kwam Mozes met Israëls oudsten in de legerplaats terug.
31            En een wind stak op, naar Jahwe\'s bestel, en bracht kwakkelen uit
zee aan, wierp die op de legerplaats, over de uitgestrektheid van eene
dagreize aan alle zijden van de legerplaats, ongeveer twee el hoog op
32       den grond. \' Toen maakte zich het volk op en zamelde dien ganschen
dag, dien ganschen nacht en nog den ganschen volgenden dag kwak-
kelen in; die het minste kreeg zamelde nog tien ton in, en zij spreid-
21. ztthonderd — iterk, in overeenstemming met Kxod. XII: 37 enz.
25.   Toen — oudtten. Overeenkomstig de belofte van vs. 17. — Mo:et, duidelijkbeidshalve iu pi. v.
hem — en — meer. Overal in O. en N. T. wordt de profetische bezieling en verrukking, die zich gc-
woonlijk in hartstochtelijke taal, soms iu zinnebeeldige handelingen lucht gaf, toegeschreven aan de
werking van een goddelijkcn geest, bij de vereerders van Jahwe aan de inblazing van zijn geest, soms
„de heilige geest" genoemd. Maar niet altijd verkeerde de profeet in den toestand der bezieling; dit
was alleen het geval wanneer de geest op hem kwam; wat men somtijds door kunstmiddelen zocht te
bewerken, 2 Kon. 111:15. Verg. o. a. 1 Sam. X: 5—12; XIX: 20—24; 1 Kon. XXII: 21—24; Joel
II:28v.; Hand. II; XI: 15; XIX: 6. Zie verder inl. op H. XII.
26.   Eldad. Dezelfde naam komt in den vorm Elidad XXXIV : 21 voor. — Medad. Volg. Sam. en
Gr. t. Modad; welke naam waarschijnlijk schuilt in Almodad, Gen. X: 26. Wat den schrijver van het
oorspronkelijke verhaal aanleiding gegeven heeft de vertegenwoordigers van het onafhankelijke profe-
tisme Eldad en Medad te noemen, is onbekend.
28.  van zijne jongelingtjaren af, onzekere vertaling; anderen een zijner uitverkorenen.
29.  op mijne eer, omdat Eldad en Medad niet onder Mozes\' oog en schijnbaar onafhankelijk van
hem profeteerden. Pit belette hem niet, te erkennen of te vertrouwen dat ook zij door den geest van
Jahwe waren bezield.
31,  kwakkelen. Zie op Kxod. XVI: 13.
32.  ton, bijna vier hectoliter.
-ocr page 250-
I
330                                       nümbri XI:32-XH:ö\\
33       den ze uit rondom de legerplaats. \' Maar nog was het vleesch, onver-
malen tusschen hunne tanden, of de toorn van Jahwe ontbrandde reeds
onder het volk, en Jahwe richtte eene zeer groote slachting daaronder
34       aan.\' Hierom heet die plaats Kihroth-hattaawa; want daar begroeven
zij het volk dat zeer gretig geweest was.
35            Van Kihroth-hattaiiwa trok het volk naar Haseroth. Zoo waren zij
te Haseroth.
34.   heet, volgcus andere klinkers; Hebr. t. noemde hij. — Kibroth-hattaiima kan hctcckencn
,gravcn van den lust\'. I)c plaat» ia onbekend, evenals
35.   llateroth, dat ,dorj>cn\' bctcekcut.
HOOFDSTUK XII.
Mozes meer dan Mirjam en Aiiron. — Aaron en Mirjam beweren even goed tolken van Jahwe te
zijn als Mozes (1 v.); terwijl deze dit verdraagt, gelast Jahwe hun, alle drie naar de tent der samen-
komst te gaan; wat zij doen (3v.); ook Jahwe daalt derwaarts in de wolk neder en roept Aaron en
Mirjam buiten (5a). Hij verklaart hun, dat Mozes, als zijn tolk, meer is dan alle profeten (5b—8),
en gaat in toorn weg (9); Mirjam is melaatscb; op Aarons bede smeekt Mozes Jahwe, haar te gene-
zen (10—13); deze belooft dat zij na eene afzondering van zeven dagen weder\'rein zal wezen (14).
Het volk wacht zoo lang op haar en trekt daarna de woestijn 1\'aran in (15 v.).
De hoofdstrekking van dit verhaal is, evenals vau XI: 14, 10, 17, \'iib—30, de verheerlijking van
Mozes als grootsten tolk Gods; verg. iul. op 11. XI. Het heeft zeker een deel vau het Oudc-Sagcu-
bock uitgemaakt en waarschijnlijk tot de jongere bcstanddeeleu vau De Klohist behoord.
Opmerking verdient voorul de beschrijviug van de openbaring die aan Mozes ten deel viel, in on-
derschciding van die welke anderen ontvingen, va. 6—8. De schrijver heeft blijkbaar een open oog
voor het gebrekkige in de profeten, die slechts in onduidelijke gezichten en droomen Jahwe\'s woord
vernamen en dan vaak in raadseltaal spraken, terwijl het volk behoefte aan duidelijkheid had. Der-
gelijke bedenkingen tegen het profetismc moesten ten slotte leiden tot versterking van den invloed
der priesters, die iu hunne inzettingen, aan Mozes toegeschreven, ondubbelzinnige openbaringen van
Jahwe bezaten, die zij iu voor allen verstaanbare woorden mededeelden; verg. Dcut. XXX: 11—14.
XII: 1 Mirjam en Aiiron richtten verwijten tot Mozes ter zake van de Ethio-
pische vrouw die hij genomen had — want hij had eene Ethiopische
2       vrouw genomen —\' en zeiden: Heeft dan Jahwe eenig en alleen tot
Mozes, heeft hij niet ook tot ons gesproken\'! En Jahwe hoorde het.\'
3       Mozes nu was zeer deemoedig, meer dan eenig mensch op den aard-
4       bodem. \' Maar Jahwe zeide onverwijld tot Mozes, Aiiron en Mirjam:
Gaat met u drieën uit naar de tent der samenkomst! Derhalve gingen
5a zij met hun drieën uit. \' En Jahwe daalde in de wolkkolom neder,
ging aan den ingang der tent staan en riep Aiiron en Mirjam naar
buiten.
56, 6 Toen zij beiden buiten kwamen,\' zeide Jahwe: Hoort toch naar
1. Mirjam. Zij heet ook Kxod. XV: 20 bepaald Aiirons zuster en profetes, XXVI: 59 zuster van
Mozes en Aiiron. en wordt Michu VI : 4 naast hen beiden, uls door Jahwe tot redding van Israël gc-
zouden, vermeld. Kxod. II : 4 komt haar naam niet voor. Hier staat zij vooraan, omdat zij zwaarder
dan Aiiron gestraft en dus als hoofdschuldige aangemerkt wordt. Haar dood wordt XX : 1 vermeld. —
Vau eene Ethiopische vrouw door Mozes gehuwd weten wij niets. Misschien werd over dit huwelijk
meer gezegd iu een uudcr verhaal dat door hetgeen nu volgt verdrongen is. Immers, deze grieve
wordt geheel uit het oog verloren. — richtten verwijten, letterlijk tprakett tegen. Zoo ook vs. 8.
3. Mozes klaagde hen niet aan; Jahwe nam het uit eigen beweging voor zijn tolk op.
6. In de eerste helft van dit vers zijn een paar tekstverbeteringen aangebracht. — Over de waarde
die de Israëlieten aan een droom toekenden zie op Gen. XX: 3. Het gezicht, of visioen, verschilde
hiervan in zoover dat dit iemand ook in wakenden toestand te beurt vallen kou; maar de grens tus-
schen hetgeen aanschouwd wordt in den droom en hetgeen zich iu ziusvcrrukkiug aan de verbeelding
voordoet, of door hare bemiddeling in dat wat het oog treft gezien wordt, is niet te trekken; verg.
2 Kor. XII: 1—4 en op \'i Kon. VI: 17. Bij het lezen der geschriften van onze profeten bedenke men
echter, dat, hoewel het besef door Jahwe geroepen te zijn waarschijnlijk tot sommigen iu den vorm
van ecu gezicht gckoiucu is (zie inl. op Jez. VI), reeds de oudste van heu (Amos) de uitdruk-
king „Jahwe heeft mij doen zien" als eene redenaarsformulc gebruikt, en dat veleu hunner zonder
schroom hunne denkbeelden en gewaarwordingen in den vorm van min of meer uitgewerkte visioenen
kleden; zie vooral Jer. 1:11—10; Ezech. I; XXXVII; XL—XLVIII; Dan. VII; VIII; X; Am. VII:
1—VIII:3; Zach. I—VI.
-ocr page 251-
NÜMER1 XII: 6—16.                                           331
mijne woorden! Indien onder n een profeet is, maak ik mij aan hem
7       bekend door een gezicht en spreek tot hem in een droom.\' Maar
anders is het met mijn dienaar Mozes: hij is in mijn gansclie huis
8       vertrouwd. \' Van mond tot mond spreek ik tot hem, en niet in raad-
selen; hij aanschouwt de gedaante van Jahwe. Waarom hebt gij u dan
9       niet ontzien, tot mijn dienaar Mozes een verwijt te richten?\' En terwijl
10       Jahwe\'s toorn tegen hen ontstak, ging hij heen.\' Toen nu de wolk van
boven de tent was geweken, zie, Mirjam was melaatsen, sneeuwwit!
11       Aiiron keerde zich tot haar, en daar stond eene melaatsche! \' Nu zeide
Aiiron tot Mozes: Ach, mijn heer, leg toch de zonde niet op ons die
12       wij in onze dwaasheid begaan hebben. \' Laat ons toch niet gelijken op
een doodgeborene, waarvan de helft verteerd is als hij uit zijns moe-
13       ders schoot komt!\' Zoo riep Mozes tot Jahwe: Och neen! genees
14       haar toch!\' Toen zeide Jahwe tot Mozes: Indien haar vader haar in
het aangezicht gespuwd had, zou zij immers zeven dagen lang geschand-
vlekt zijn? Zij moet zeven dagen buiten de legerplaats opgesloten en
daarna weder opgenomen worden.
15            Zoo werd Mirjam zeven dagen buiten de legerplaats opgesloten; en
16       het volk brak niet op voordat zij weder opgenomen werd. \' Daarna
brak het volk van Haseroth op en legerde zich in de woestijn Paran.
7.   hij — vertrouwd, op elk gebied, in «aken van eercdienst, recht, zedelijkheid, staatkunde, een
betrouwbare gids, omdat Jahwe duidelijk tot hein spreekt.
8.   niet in raadselen. Hieraan gaat in Hebr. t. vooraf en een gezicht, in Sain. en Gr. tekst en door
een gezicht.
In de woorden niet in raadselen wordt aangeduid dut Juhwc\'s opcubnriug in droomen en
gezichten altijd iets onzekers had. Wat zij inhield hing grootcndccls van de uitlegging af. Rij alle
geloof in de waarheid dier gezichten, vertoont zich hier twijfel aan hunne waardij.
10. mtlaaltch, sneeuwwit. Dit kenmerk der melaatschheid is niet overeenkomstig Lev. XIII: 12 v.,
maar is blijkbaar dat waaraan gewoonlijk de melaatsche herkend werd; verg. 2 Kon. V:27 en op
Deut. XXIV: 9.
12.  om. De grondtekst heeft haar, en wellicht heeft reeds de Verzamelaar zoo geschreven. Maar de
oorspronkelijke lezing is het zeker niet. Immers, zij past niet bij het beeld dat Aiiron gebruikt. Niet
Mirjiiin kon vergeleken worden met eene misgeboorte wier eene helft reeds verteerd was, maar zij
samen waren daaraan gelijk; Mirjam was de vergane, Aiiron de gave helft. He verandering van ons
in haar is geen schrijffout; hij die ze aanbracht, niet tevreden met het ontzag dat de schrijver voor
Aiiron had getoond door hem niet mclaatsch te doen worden, wilde den opperpriester ook niet voor-
stellen als de gave helft van eene misgeboorte.
13.   Och neen! volgens veranderden klinker; Hebr. t. God, och.
14.   Indien — zijn!\' Van dit gebruik komt in het O. T. verder geen spoor voor; maar het is ge-
heel in den geest der oudheid, ook van Israël. — in het aangezicht gespuwd. Zie op Jez. L: 6.
15.   hel — werd. Om Mirjam te eeren, wachtte het volk. Voor de voorstelling dat wolkkolom of
ark het sein tot opbreken gaf is hier geen plaats.
16.   Paran. Zie op Gen. XIV: 6.
HOOFDSTUK XIII, XIV.
De twaalf verspieders. — Op Jahwe\'s last zendt Mozes twaalf mannen, uit eiken stam een, om
Kauaüti te verspieden (XIII: 1—20). Zij gaan het gchecle land, tot den noordclijkstcu uithoek, door
(21);\'zij trekken het Zuiden in tot Hebron, waar do Rnakietcn wonen, en nemen vruchten uit het
dal Kskol mede (22—24). Na veertig dagen teruggekeerd, doen zij verslag van hunne bevindingen,
prijzen het land hoog, maar boezemen het volk vrees in voor de sterkte der steden en der bc-
volking (25—29); alleen Kaleb slaat een anderen toon aan en spreekt het volk moed in (30 v.); de
verspieders lasteren het land en vermelden de ontzaglijke grootte der Enakicten (32 v.). De gemeente
barst in weeklachten uit en zegt Mozes en Aiiron de gehoorzaamheid op (XIV i 1—l); dezen vallen
ten aanschouwen der gemeente op hun aangezicht (5), terwijl Jozua en Kaleb, die tot de verspieders
behooron, hunne metgezellen wcdcrsprckcn, het land roemende, en het volk vermanen op Jahwe te
vertrouwen en niet te vreezen (0—9); nis daarop het volk hen wil steenigen, vertoont zich Jahwe\'s
heerlijkheid (10). Jahwe geeft aan Mozes zijn voornemen te kennen, Israël te verdelgen en
hem tot stamvader van een sterker volk te maken; maar Mozes bidt voor Israël (11—19). Jahwe
schenkt het vergiffenis, maar veroordeelt allen die hem zoozeer gehoond hadden om in de woestijn
te sterven; alleen Kaleb zal in het beloofde land komen, en zijn nakroost daarin een erfdeel ontvan
-ocr page 252-
INLEIDING OP NUMBR1 XIII, XIV.
332
gen (20—25). Jahwe kondigt Mozes en Aaron aan, dat alle Israëlieten die bij de monstering
twintig jaar oud waren in de woestijn zullen sterven, uitgezonderd Kaleb en Jozua; terwijl hunne
kinderen het door hen versmade land zullen leeren kennen (26—32); veertig jaren lang zal het volk
rondzwerven (33—35). I)e verspieders die de gemeente tot murmurceren verleid hebben sterven plot-
seling (30—38). Als Mozes het vonnis van Jahwe overbrengt, bedrijft het volk rouw en trekt den
volgenden dug, tegen Mozes\' uitdrukkelijke waarschuwing, het gebergte in j waar het de nederlaag
lijdt (89—15).
Zooals reeds de inhoudsopgave leert, bevatten deze hoofdstukken meer dan een verhaal over de ver-
spicding. Inderdaad kunnen wij duidelijk twee voorstellingen van het gebeurde onderkennen, die in
bclaiigrijkc bijzonderheden van elkander afwijken. Volgens de eene, grootendeels vervat in XIII: 174—
20, 22—24, 264, 27—31) XIV : 14, 24, 4, 8, 9, 11—25, 39—45, staat alleen Mozes aan het hoofd
dos volks, is Kndos do plaats van waar de verspieders gezonden worden, gaan dezen slechts tot He-
bron, roemen zij de voortreffelijkheid der verspiede streek, waaruit zij vruchten medebrengen, maar
jagen zij het volk schrik aan voor de Knnkictcn, terwijl alleen Kaleb geloof aan Jnhwe\'s macht open-
baart. Als het volk begint te morren en Jahwe het wil verdelgen, verbidt Mozes hem ; maar het volk
wordt veroordeeld, rond te zwerven totdat allen die op volwassen leeftijd Kgypte verinten hebl>en gc-
storven zullen zijn, met uitzondering van Kaleb alleen. Het bedroefde volk wil nu toch het gebergte
intrekken, maar lijdt eene zware nederlaag.
Alleen deze gedeelten van onze hoofdstukken zijn bekend geweest aan den schrijver van Deut.
1:19—46.
Volgens de andere voorstelling, meerendeels vervat in de boven niet opgenoemde verzen, staan Mozes
en Aiirou aan het hoofd des volks, worden twaalf, met name vermelde, aanzienlijke Israëlieten uit de
woestijn Paran gezonden, en verspieden zij het geheele land tot den noordelijksten uithoek toe. Na
veertig dagen tcrugkcercndc, maken zij niet alleen met betuiging van vrees gewag van de sterkte der
bevolking, maar spreken zij ook kwaad van het land. Alleen Jozua en Kaleb houden de eer van
Kanaün op en spreken hun vertrouwen op Jahwe\'.» hulp uit. Op het ongcloovig misbaar des volks
veroordeelt Jahwe het om veertig jaren in de woestijn om te zwerven, in welken tijd allen die tijdens
den uittocht uit Kgypte twintig jaar oud waren zullen gestorven zijn, uitgezonderd Jozua en Kaleb.
De tien lasteraars onder de verspieders sterven dadelijk.
Ongerept is geen van beide verhalen tot ons gekomen. Hij de inconvlcchting, naar het schijnt, is
de aanhef van het eerste verloren gegnau, en hetzij bij die gelegenheid, hetzij reeds vroeger zijn en-
kclc gedeelten, vooral XIV: 11—25, 26—35, eenigszins uitgewerkt. Toch kunnen wij met voldoende
duidelijkheid zien, wat de beide vcrhalers met hun werk hebben bedoeld.
De eerste, wiens verhaal in het Oude-Sagenboek stond, wilde twee feiten verklaren die hem en
menig tijdgenoot zeer bevreemdden: vooreerst, dat Israël, nadat het Kgypte verlaten had, zoolang in
de woestijn had oingczworvcu voordat het Kanaün was binnengetrokken; vervolgens, dat Kaleb, de
vermeende stamvader van een groot deel der bevolking van de landstreek rondom Hebron, daar een
erfdeel had verkregen, terwijl hij toch geen Israëliet, maar een Kenizziet, dus een Kdomiet, van
afkomst was. In het voorbijgaan wenschte hij ook eene verklaring te geven van den naam Etkol, een
dal bij Hebron (zie op XIII: 23).
Wat den tijd der omzwerving aangaat, Amos had dien op veertig jaren gesteld (11:10; V\'. 25);
mot welke tijdsruimte hij geen nauwkeurig bepaald tijdpork, maar in het algemeen den duur vnn
eon mcnschcngeslucht, bedoelde (zie op Gen. VII : 4). Zeker was dit de gewone voorstelling in zijne
omgeving; maar reeds in Deutermomium (II\'14) wordt het cijfer letterlijk opgevat. Wij weten zoo
weinig van de ware toedracht der zaak i van waar de verschillende stammen der Hebreen die Kanaau
veroverd hebben afkomstig waren; wie daarvan in Kgypte vertoefd hebben; welke hunne geschiede-
nis in de woestijn ten zuiden en ten oosten van Palestina geweest is — dat wij er van moeten
afzien, tegenover do voorstelling dat Israël veertig jaar in de woestijn heeft omgezworven eene
andere te plaatsen. Dat zij echter niet nis historisch kan gelden, volgt reeds uit het feit dat de
Hcbreeuwschc stammen niet gelijktijdig in Kauuaii zijn binnengedrongen, en het verblijf in de woes-
tijn voor den een dus langer moet geduurd hebben dan voor den ander (verg. inl. op Jozua).
Amos vermeldt den langen duur der omzwerving niet als eene straf, maar als een bewijs van
Jahwc\'s goedheid voor zijn volk, dat hij zoo lang geleid had (Am. II: 10). Doch hoe meer de overtuiging
veld won, dat Jahwe, de grootmachtigc god, reeds don aartsvaders het land Kanaiiu voor hunne na-
knmelingen toegezegd hnd, en dezen uit Kgypte had geleid met het uitgesproken doel hen in Kanaün
te brengen, hoe meer dit dus het Beloofde Land werd, des te moeilijker werd de beantwoording der
vraag: Waarom heeft hij zijn volk niet dadelijk daarheen geleid? waarom althans niet nadat hij
het zijne wet had gegeven? Hierop antwoordt onze schrijver: Dat is veroorzaakt door \'s volks weer-
spannighcid: ongeloof aan Jahwc\'s hulp en weerzin Mozes als leidsman to volgen hebben hun het
-ocr page 253-
NUMBRI XIII: 1—3.
333
vonnis der rondzwerving op den bals gehaald, en waar zij tegen Jahwe\'s wil poogden het land bin-
nen te dringen leden zij de nederlaag.
Kn nu Knleb! Deze gold in du overlevering voor den stamvader van het Edumictisch geslacht der
Kalcbieten (zie op 1 Sain. XXV : 8), die met de nauw verwante Keuizzieten (zie op Joz. XV: 17) en
Jerahnieëlietcn (zie op 1 Sam. XXVII : 10), den Midianietischen stam der Kenieten (zie op X: 32),
Judeërs en Simeonieten, de bevolking van het koninkrijk Juda uitmaakten, en daarvan niet, als be-
woners van een uithoek, een onbeteekeneud gedeelte, maar, in vereeniging met vele hunner verwan-
ten, het hart des lauds, den omtrek van Hebrou, bezetten. Hoe zij daar gekomen zijn, is bekend. De
stammen Juda en Simeon zijn ongetwijfeld niet, zooals de Israclietische overlevering het voorstelt (zie
iul. op Jozua), met de andere stammen uit het Overjordaanschc in Kanaiin gedrongen, maar eerst gc-
ruimen tijd nadat de andere stammen er vasten voet gekregen hadden, en wel uit het zuiden. Tot op
dien tijd hadden zij zich in de woestijn ten zuiden van Palestina opgehouden, waar wellicht Kades
hun middelpunt was en zij op goeden voet stonden met cenige omwonende stammen (verg. inll. op
Gen. XXV en Gen. XXVI: 1—33). Dezen deden met hen den inval in het /uiden, en gezamenlijk
vestigden zij zich, het noordelijkst de Judeërs, die dus het spits schijnen afgebeten te hebben, daarna
de vreemden, het zuidelijkst de Siineonieten. De gcloovigen der zevende eeuw, waarschijnlijk met deze
toedracht der zaak niet of gebrekkig bekend, zagen in de vestiging dier vreemden in Juda eenc god-
delijke beschikking. Maar deze eischte verklaring. Waarom, vrocgeu zij, heeft Jahwe gewild of toe-
gelaten, dat die nict-Israëlieten te midden van Juda een erfdeel verkregen? Deze vraag was in de
zevende eeuw, toen ons verhaal werd opgesteld, te pijnlijker, daar Juda toen van die medeburgers
veel te lijden had (verg. op XXIV : 21). Daarom doet het antwoord dat onze schrijver geeft zijn hart
eer aan: zij hebben het te danken aan het geloof en den ijver van bun stamgenoot Kaleb, die hier
als vertegenwoordiger dier vreemden optreedt. De schrijver van X : 2\'J—32 (verg. op X: 32) had reeds
eene dergelijke verklaring van hunne vestiging in Israël gegeven.
Dat een vreemdeling door zijn ijver voor Jahwe eenc plaats in Israël had kunnen verkrijgen, was
voor het mcerendeel der Joden in den tijd van Ezra en daarna onbegrijpelijk, ja ergerlijk: Jahwe\'s
land kwam volgens heu uitsluitend aan zijn volk toe, en Jahwe\'s volk bestond enkel uit afstammc-
lingen van Jakob of Israël. Daar Kaleb volgens Gods bestel een erfdeel onder Israël verkregen had,
was hij ongetwijfeld een Israëliet van afkomst; daar hij in Juda woonde, een Judeër; de schrijver
van 1 Kron. 11:3—5, 18, 25, 42—55 lijft dicnteugevolge hem en Jerahmcël bij dien stam in.
Ook de schrijver van Kzni\'s Wetboek, waaraan hot andere verhaal dat iu deze hoofdstukken aan-
getroffen wordt is ontleend, heeft dit bezwaar gevoeld en daarom XIII: ö Kaleb tot een Judeër gemaakt.
Maar meer dan Kaleb gaat hem Jozun ter harte. Waarom wordt ook voor dezen, die toch Israël in
Kanaiin zou binnenleiden, geen uitzondering gemaakt op het vonnis van iu de woestijn te sterven?
De andere verhaler had öf niet aan hein gedacht, of zich hem nog zeer jong voorgesteld. Dit kon
hij te eerder doen, daar hij niet bepaald had, welke Israëlieten, als nog te jong, niet in het von-
nis begrepen waren. Maar de schrijver van Kzra\'s Wetboek wilde te dezen nauwkeuriger zijn: van
den twintigjarigen leeftijd af stonden de Israëlieten op de monsterrollen als manueii te boek, en
Jozua was zeker ouder geweest toen hij uit Egypte toog, daar hij in de oude verhalen reeds voor
de uitzending der verspieders als Mozes\' helper, ja, als lsraëls legeraanvoerder, werd vermeld (Exod.
XVII: 8—10; XXXII: 17; XXXIII: 11). Om te verklaren, waarom hij het land Kanaiin had mogen
binnengaan, werd hij onder de verspieders opgenomen en als geloovigc naast Kaleb geroemd.
Daarbij bracht de schrijver eenigc veranderingen van ondergeschikt belang in het oude verhaal aan;
hij laat namelijk niet alleen de streek van Hebron, die door den ouderen verhaler, als het toekomstig
erfdeel van Kaleb, vermeld was, verspieden, maar het gansche land, en laat hun tocht veertig dagen
duren; verder maakt hij de zonde der verspieders grooter door hen Kanaiin te doen lasteren (verg.
op XIII: 32), en eindelijk laat hij de verspieders, alsof het onbillijk was dat zij geen grooter straf
ontvingen dan de door hen verleide Israëlieten, plotseling sterven.
Toespelingen op dit verhaal of een gedeelte er van Nura. XXVIS 64 v.; Joz. XIV : i;—15; Richt.
1:20; Ps. LXXVIII: 32—84; CVI:24—26; 1 Makk. 11:55 v.; Sir. XLVI! 7—10.
XIII: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Zend mannen uit, om het land Kanaiin
te verspieden, hetwelk ik aan de Israëlieten ga geven; van eiken voor-
3 vaderlijken stam zult gij éen man zenden, altemaal vorsten.\' Toen zond
Mozes hen uit de woestijn Paran volgens Jahwe\'s last uit; het waren
1 v. Eene andere voorstelling, ook in Sam. t. opgenomen, vinden wij Deut. 1: 20—22; zie aldaar.
2.  altemaal vortten, niet de stamhoofden, die volg. 1:5—15 anderen waren.
3.  Paran. Deze woestijn is ook vs. 20 het punt van uitgang.
-ocr page 254-
334
numbiu XIII: 3—24.
4       allen hoofden der Israëlieten. \' Dit zijn hunne namen: uit den stam
5       Kuhen iSjanunua, <le zoon van Zakkur; \' uit den stam Simeon Öjafat, de
(5 zoon van Hori; \' uit den stam Juda Kalei), de zoon van Jefunne:\' uit den
7, 8 stam Issachar Jigeal, de zoon van . . . .; uit den stam Jozef,\' uit den stam
9 Efraim Hozea, de zoon van Nun;\' uit den stam lienjamin Palti, de zoon van
10,11 Itafu:\' uit den stam Zehulon Gaddiël, de zoon van 8odi;\' uit den
12       stam Jozef, uit den stam Manasse Gaddi, de zoon van Suzi:\' uit den
13       stam Dan Ammiël, de zoon van Gemalli:\' uit den stam Azer .Sethur,
14       de zoon van Michaël;\' uit den stam Naftali Nahbi, de zoon van Wafsi;\'
15, lb\' uit den stam Gad Geüel, de zoon van Machi.\' Dit zijn de namen der
mannen die Mozes uitzond om het land te verspieden; en Mozes noemde
Hozea, den zoon van Nun, Jozua.
17           Mozes dan zond hen uit om het land Kanatin te verspieden, en
18       zeide hun: Trekt hier het Zuiden in, bestijgt het gebergte \' en beziet
het land, hoe het is, en het volk dat er woont, of het sterk of zwak
19       is, klein in aantal of talrijk;\' en van welken aard liet land is dat zij
bewonen, goed of slecht; en hoedanig de steden zijn waarin zij wonen,
20       open plaatsen of vestingen; \' en hoe het land is, vet of schraal, of er
al dan niet geboomte op staat; en waagt het iets van de vruchten des
lands mede te nemen. Het was toen de tijd waarin de eerste druiven
rijp waren.
21            Zij trokken dan op en verspiedden het land, van de woestijn Tsin af
22       tot liehob, op den weg naar Hamath, toe. \' Zij trokken het Zuiden in
en kwamen tot Hebron, waar Ahiman, Sjesjai en Talmai woonden,
Enakskinderen. Hebron nu is zeven jaren voor Soan in Egypte gebouwd.\'
23       Als zij in het dal Eskol kwamen, sneden zij daar eene rank met éen
druiventros af, die zij met hun tweeën aan een stok droegen, ook
24       eenige granaten en vijgen.\' Die plaats is het dal Eskol genoemd, naar
den tros dien de Israëlieten daar afgesneden hebben.
4. Sjammua. Gr. vert. Samuel.
7.....; uit den stam, naar gissing ingevoegd. Blijkbaar was de naam van den vader van Issachars
vertegenwoordiger verloren gegaan. Vers 11 leert ons dat aan uil den stam Efraim van vs. 8 uit den
ilam Jozef
moet voorafgegaan zijn. Vorg. 1: 82—35.
8. lloiea. Siini. t. Jozua. Zie op vs. 10.
11 v. Ifafsi, Geüel, zeker verschreven namen; Gr. vert. heeft andere lezingen.
16.   en — Jozua. Hozea komt, in plaats van Jozua, alleen hier voor (zie vs. 8 en verg. op Deut.
XXXII: 14). De namen verschillen slechts éenc letter; doch Jozua bevat eene afkorting van den naam
Jahice. Waarschijnlijk heeft hierom de schrijver, volgens wicu deze naam eerst aan Mozes geopenbaard
is (Kxod. VI :1 v.), opzettelijk in de lijst der verspieders den vorm Hozea gebruikt en de verandering
aan Mozes /elven toegekend.
17.  hel Huiden. Zie op Gen. XII: 9.
21.  de woestijn Tsin. Ook volg. XXXIV: 3 v.; Joz. XV :1, 3 maakte zij den zuidelijken rand van
Kanailn uit; in haar lag volg. XX: 1; XXVII: 14; XXXIII : 30 Kades. Zie verder op Gen. XIV: 7.—
Rehob. In het O. T. komen meer steden van dien naam voor, alle in het noorden des lands, nl. Joz.
XIX: 28, :iu in Azer, 2 Sam. X : 0, 8 in Aram; verg. Richt. XVIII: 28. Welke hier bedoeld wordt,
is onzeker.
22.   kwamen, volg. Snin. t.; Hebr. t. kwam. — Enakskinderen, evenzoo Joz. XV: 14, doch Deut. I:
28 en elders Enakszonen. Zoo heette een rcuzengeslacht in den omtrek van Hebron. Den oorsprong
van den naam Enak kennen wij niet; waarschijnlijk is de naam van den stamvader uit dien van den
stam gemaakt (verg. op Gen. XIV : 5). In Joz. XV: 13 en elders is hij zoon vau Arba, den stamva-
der van de bevolking dier streek; maar zie over de ware betcekenis van den naam Kirjath-arba voor
Hebron op Gen. XIII: 18 en op Joz. XIV: 15. In Joz. XV : 14 (verg. Richt. 1:10) komen dezelfde
drie geslachten der Knakicten voor die hier vermeld zijn. Kene sage over den oorsprong der reuzen
vinden wij Gen. VI: 1—4. — Soan, ook I\'s. LXXVI1I:12, 43; Jcz. XIX: 11, 13; XXX: 4; Kzech.
XXX: 14 voorkomende, is de Hebrccuwsche naam der Egyptische stad So, die bij do Grieken Tanis
heet, niet ver van de kust, op den rechteroever van den naar haar genoemden, Tanitischen, Nijlarm
gelegen. Zij was zeer oud. Van waar onze schrijver de opgave dat Hebron zeven jaar voor haar ge-
bouwd was heeft, en of zij juist is, weten wij niet.
23.  Eskol. Het woord beteckent ,tros\'. Gen. XIV: 13, 24 heet zoo een stamhoofd in Abrahams tijd,
insgelijks uit den omtrek vau Hebron. De ware oorsprong is onbekend. — sneden — droegen. Drui-
ventrossen van ettelijke ponden gewicht zijn in Palestina geen zeldzaamheid. De druiven van Hebron
zijn nog in het gehcclc land beroemd.
-ocr page 255-
NüMBRl XIII: 25—XIV: 9.
335
25           Na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het verspieden
26       des lands; \' zij gingen dan en kwamen tot Mozes, Aiiron en de geheele
gemeente der Israëlieten, in de woestijn l\'aran, te Kades; waar zij aan
hen en aan de geheele gemeente verslag gaven en «ie vruchten des
27       lands toonden.\' Zij verhaalden hem dan: Wij zijn liet land binnen-
gegaan waarheen gij ons gezonden hebt, en het is inderdaad over-
28       vloeiende van melk en honing, en ziet hier zijne vruchten.\' Maar het
volk dat liet land bewoont is krachtig, de steden zijn versterkt en
29       zeer groot; ook zagen wij daar de Enakskinderen. —\' Amalek woonde
in het Zuiderland; de Hittieten, de Hiwwieten, de Jebuzieten en de
Amorieten woonden in het gebergte, en de Kanaiinieten aan de zee
30       en den Jordaanoever. — \' Kaleb daarentegen legde aan het volk tegen-
over Mozes het zwijgen op en zeide: Laat ons gerust optrekken en
het land in bezit nemen; want wij kunnen het zonder twijfel vermees-
31       teren.\' Doch de mannen die met hem opgetrokken waren zeiden: Wij
zijn niet in staat tegen dat volk op te trekken; want het is sterker
32       dan wij.\' Ook spraken zij tot de Israëlieten kwaad van het land dat zij
verspied hadden, zeggende: Het land dat wij zijn doorgetrokken om
het te verspieden is er een dat zijne bevolking verteert, en het volk
dat wij er gezien hebben bestaat louter uit zeer lange menschen.\'
33       Daar zagen wij ook de reuzen, waarbij wij in eigen oog als sprink-
hanen waren, en zoo klein waren wij ook in hun oog.
XIV: 1 Toen barstte de geheele gemeente in luid geween uit, en het volk
2       schreide gedurende dien nacht.\' En alle Israëlieten morden tegen Mozes
en Aiiron, en de geheele gemeente zeide tot hen: Och of\' wij in Egyp-
3       teland gestorven waren, of anders in deze woestijn!\' Waaroni brengt
Jahwe ons naar dit land, dat wij door het zwaard vallen en onze
vrouwen en kleine kinderen buit gemaakt worden? Zou het niet heter
4       voor ons zijn naar Egypte terug te keeren?\' Ook zeiden zij tot elkan-
der: Laten wij een opperhoofd aanstellen en naar Egypte terugkeeren!\'
5       Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezicht voor de geheele ver-
6       gadering van de gemeente der Israëlieten,\' terwijl Jozua, de zoon van
Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die tot de verspieders van het
7       land behoorden, hunne kleederen scheurden \' en tot de geheele gemeente
der Israëlieten zeiden: Het land dat wij zijn doorgetrokken om liet te
8       verspieden, dat land is bijzonder goed.\' Indien Jahwe welgevallen in
ons heeft, zal hij ons dat land doen binnentrekken en het ons geven,
9       een land, overvloeiende van melk en honing! \' Komt slechts niet tegen
Jahwe in opstand, en vreest niet voor de bevolking van het land; want
zij zijn ons ten spijze; hunne schaduw is van over hen geweken, ter-
26. in de woetlijn l\'aran en te Kadee zijn twee plaatsbepalingen die niet bij elkauder behooren:
de eerste is van den jungsten verhaler, de tweede aan het bericht van den ouderen ontleend. Kades,
in de woestijn Tsin (verg. op vs. 21), werd gewis in den aanhef van zijn verhaal, die verloren is ge-
gaan, vermeld; verg. op XX tl.
29. Amalek. Zie op Oen. XIV: 7. — Uitlieten. Zie op Gen. X:15. — Iliaaieten (zie op Gen.
X : 17), ingevoegd volg. Snm. en Gr. t. — Jebuzieten en Amorieten. Zie op Gen. X : 16. — Kanaiinieten.
Dat de bewoners van den Jordaanoever zoo heetten staat alleen hier. .Maar ook Joz. XI: 3 worden
oostelijke en westelijke Kana&nieten onderscheiden. Elders is het de algemecne naam voor de bevol-
king des lands; verg. op Gen. X:16.
32.   een — verteert, dat zijne bevolking te groude richt. De uitdrukking is waarschijnlijk ontleend
aan Ezech. XXXVI: 13. Verg. Lev. XXVI! 38. — het — menleken. Deze voorstelling is wellicht ont-
staan uit misverstand van Am. II: 9.
33.  de reuzen. Hierachter heeft Hebr. t. nog Enaktzonen, bekoorende tot de reuzen, eene verklarende
aanteckening, die op vs. 28 terugwijst en volg. Gr. vert. is weggelaten.
9. zij — tpijze, wij kunnen hen ongehinderd verteren, vernietigen. — kunne tckaduw, dat wat hen
beschaduwde, beschermde, in een heet land een passend beeld; vorg. Ps. XCI: 1; ÜXXI: 5; Jcz.
XXX: 2; Klaagl. IV : 20; hier van den goddelijken bijstand gebezigd.
-ocr page 256-
numbbi XIV : 9—25.
336
10       wijl Jahwe met ons is. Vreest dus niet voor hen!\' En de geheele ge-
meente sprak er van hen te steenigen, toen de heerlijkheid van Jahwe
zich in de wolk boven de tent der samenkomst aan alle Israëlieten
vertoonde.
11            En Jahwe zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk mij smaden? hoe-
lang niet in mij gelooven, ondanks al de teekenen die ik in zijn mid-
12       den gedaan heb.\'\' Ik wil het met de pest slaan en te gronde richten,
13       en u tot een volk maken, grooter en machtiger dan dit.\' Maar Mozes
zeide tot Jahwe: De Egyptenaren hebben gedacht dat gij door uwe
kracht dit volk uit hun midden hebt opgevoerd, en alle bewoners van
dit land hebben gehoord dat gij, Jahwe, in het midden van dit volk
14       waart,\' gij zelf, die oog in oog gezien werdt, wiens wolk boven hen
stond, en die in eene wolkkolom des daags en in eene vuurkolom des
15       nachts voor hen uit toogt. \' Wanneer gij nu dit volk als een eenig
man doodt, zullen de natiën die van u hebben hooren spreken zeggen:\'
10 Omdat Jahwe niet bij machte was, dit volk in het land te brengen
dat hij hun bij eede beloofd had, heeft hij hen in de woestijn geveld.\'
17       I>aarom, laat toch uwe kracht, o Heer! in hare grootheid openbaar
18       worden, zooals gij verzekerd hebt: \' Jahwe is lankmoedig en groot in
goedertierenheid, die schuld en overtreding vergeeft, doch ze geens-
zins ongestraft laat en de schuld der vaderen verhaalt op de kinderen,
19      ja, op het derde en vierde geslacht.\' Scheld toch de schuld van dit
volk kwijt, naar de grootheid uwer goedertierenheid; zooals gij aan
dit volk vergiffenis geschonken hebt van Egypte af tot lüertoe.
20,21 Toen zeide Jahwe: Ik scheld ze hun kwijt naar uw woord. \' Doch —
zoo waar als ik leef en Jahwe\'s heerlijkheid de gansche aarde vervullen
22       zal — \' alle mannen die mijne heerlijkheid en de teekenen die ik in
Egypte en in de woestijn gedaan heb gezien en mij nu tien keeren
23       op de proef gesteld hebben, door niet naar mij te hooren, \' zullen in
geen geval het land zien dat ik hunnen vaderen bij eede beloofd heb.
Aan hunne kinderen die heden hier bij mij zijn, die nog geen kwaad
of goed kennen, hun zal ik het land geven; maar van allen die mij
24       gesmaad hebben zal niemand het zien. \' Doch mijn dienaar Kaleb, omdat
een andere geest hem bezielde en hij volstandig aan mij getrouw ge-
bleven is, hem zal ik in het land brengen dat hij is binnengegaan,
25       en zijn kroost zal het in bezit krijgen. —\' De Amalekieten en de
Vs. 18. Exod. XXXIV: 0 v. — V». 214. Ps. LXXH: 194.
10. de wolk boven, vuig. Gr. vcrt. ingevoegd. In de tent der samenkomst zou Jahwe\'s heerlijkheid
voor Israël niet zichtbaar geweest zijn. Verg. Exod. XVI: 10.
13—19. Verg. Kiod. XXXII: 11—13; Deut. IX: 26—29.
13.   De — gedacht, letterlijk gezegd, volg. verb. t.; het woord is in het volgende vers geraakt;
grondt. De Egyptenaren sullen hooren.
14.  en alle, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. en zij sullen zeggen tot. — oog in oog, zoo duidelijk als wan-
neer menschen elkander in de oogen zien; desgelijks Jez. LH: 8. Verg. XII: 8; Exod. XXXIII: 11.—
leiens — stond. Deze voorstelling vau Ezra\'s Wetboek, IX: 15—23, past slecht bij het vervolg, waarin
de wolk eene geheel andere plaats vervult. Waarschijnlijk heeft hij die de twee verhalen vcreenigde
ze ingevoegd.
16.  gereld, letterlijk uitgespreid, volg. Gr. vert.; Hebr. t. geslacht.
17.  uwe kracht, o Heerl volg. Gr. vert.; Hebr. t. de kracht van den Heer.
18.  Hier wordt naar Exod. XXXlV:6v. verwezen, welke plaats Sam. en Gr. t. nog nauwkeuriger
weergeveu dan hier geschiedt.
21.  soa — leef. Evenzoo vs. 28; Deut. XXXII: 40.
22.  tien keeren, overgenoeg. Zie op Gen. XXXI: 7.
23.  Jan — gepen, ingevoegd volg. Gr. vert., die achter kennen nog heeft elk onervaren jong
mensch.
24.  m — binnengaan, nl. den omtrek van Hebron; zie XIII : ii—24. Verg. lul.
25.  De — vallei. Hoe deze hier kwalijk passende opmerking in den tekst gekomen is, is onbekend.
— de Schel/see. Zie op Exod. XIII: 18.
-ocr page 257-
numkri XIV : 25—45.                                        337
Kanaünieten bewoonden de vallei. — Begeeft u morgen op weg en
breekt op, de woestijn in, in de richting van de Sehelfzee.
26, 27 Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron: \' Ik heb de murmereeringen der
28       Israëlieten die zij tegen mij geuit hebben gehoord.\' Zeg hun: Zoo waar
als ik leef, spreekt Jahwe, ik zal u zeker doen overeenkomstig hetgeen
29       gij te mijnen aanhooren gesproken hebt: \' in deze woestijn zullen uwe
lijken vallen: van u allen die voltallig, man voor man, gemonsterd
zijt, van twintig jaar en daarboven, die tegen mij gemurmureerd hebt,\'
30       zal niemand in het land komen waaromtrent ik mijne hand opgestoken
heb dat ik er u zal doen wonen, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne,
31       en Jozua, de zoon van Nun.\' Uwe kleine kinderen, waarvan gij zeidet
dat zij buit gemaakt zouden worden, hen zal ik er in brengen; zij
32       zullen het land leeren kennen dat gij versmaad hebt.\' Maar uwe lijken
33       zullen in deze woestijn vallen, \' en uwe zonen zullen in de woestijn
veertig jaar blijven omzwerven en de straf uwer boeleeringen dragen,
totdat uwe lijken, tot dat van den laatste toe, in de woestijn gevallen
34       zijn;\' overeenkomstig het aantal dagen dat gij het land verspied hebt,
veertig dagen, zult gij, voor eiken dag een jaar, uwe schuld dragen:
veertig jaren. Zoo zult gij ervaren, wat het zeggen wil dat ik mij van
35       u afgekeerd heb.\' Ik, Jahwe, heb gesproken: Zoo zal ik zeker doen
met deze geheele booze gemeente die tegen mij saamgerot is: in deze
woestijn zullen zij tot den laatsten man toe vallen en daarin sterven.
30          De mannen nu die Mozes uitgezonden had om het land te ver-
spieden, en die bij hun terugkeer de geheele gemeente tegen hem
37       hadden doen morren, door kwaad van het land te spreken,\' die man-
nen die zooveel kwaad van het land gesproken hadden stierven door
38       eene plaag voor het aangezicht van Jahwe,\' terwijl van de mannen
die het land waren gaan verspieden Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb,
de zoon van Jefunne, in leven bleven.
39           Mozes bracht die woorden aan al de Israëlieten over; waarop het
40       volk zwaren rouw bedreef; \' doch den volgenden morgen maakte het
zich op en trok op naar den bergtop, met den uitroep: Wij zijn bereid
op te trekken naar de plaats waarvan Jahwe gesproken heeft; want
41       wij hebben gezondigd.\' Maar Mozes zeide: Waarom overtreedt gij
42       Jahwe\'s last? Dat zal niet gelukken.\' Trekt niet op; want Jahwe is
niet in uw midden. Anders wordt gij geslagen door uwe vijanden.\'
43       Want de Amalekieten en de Kanaünieten zijn daar tegenover u, en
gij zult door het zwaard vallen, dewijl gij u immers afgekeerd hebt
44       van achter Jahwe en Jahwe u dus niet bijstaat.\' Doch zij waren ver-
metel genoeg om toch den bergtop te bestijgen, terwijl de verbondsark
45       van Jahwe en Mozes niet uit het midden der legerplaats weken.\' Toen
daalden de Amalekieten en de Kanaünieten die het gebergte bewoonden
af, sloegen hen en jaagden hen uiteen tot Horma toe. Zoo keerden zij
naar de legerplaats terug.
27.  In den grondtekst staat na Aiiron nog Hoelang tal aan die booze gemeente die tegen mij mort f
welke afgebroken zin waarschijnlijk bij vergissing in den tekst geraakt is.
28.  overeenkomttig — hebt, in vs. 8.
29.  ran u — daarboven. Verg. H. I.
80. waaromtrent — heb. Zie op Exod. VI: 7.
83.  omzwerven, volg. Lat. en Artitn. vertt.; Hebr. t. weiden.
84.  veertig jaren. De schrijver vergeet dat van het door de overlevering gegeven veertigtal reeds
een jaar en eenige maanden verstreken waren.
89. die woorden, nl. de in vs. 20—35 vervatte; maar in het oorspronkelijke verhaal volgde dit
vers op vs. 26 en was dus vs. 20—25 bedoeld.
41. Jahwe\'t loet, de woestijn in te trekken, vs. 25.
45. Zie op XXI: 1—3. — Zoo — terug, volg. Sam. en Gr. t. toegevoegd.
O. T. I                                                                                                                          22
-ocr page 258-
338
NUMBKI XV: 1—15.
HOOFDSTUK XV.
licpnlingen over meel- en ili-<-*_r<»I1V-r-. «ver offeranden bij onopzettelijke overtredingen, over sabbat-
~i-ln-niiï- en over de heilige kwasten. — Hoeveel meel, olie en wijn bij brand- en dankoffers moet
gevoegd worden (1—12); hetgeen voor vreemden evengoed geldt al» voor de Israëlieten (18—10).
Bij de broodbereiding worde cen deel van het meel aan Jahwe geschonken (17—\'il). Wie eenige ver-
ordening van Jahwe, door tusschcukmiist van .Mozes gegeven, bij ongeluk overtreedt moet een offer
brengen: de gemeente een stier met tocbchoorcii ten brandoffer en een bok ten zondoffer (22—26);
een enkel persoon alleen cenc geit ten zondoffer (27 v.); vreemde en inboorling staan hierin gelijk
(2!)); wie opzettelijk overtreden heeft zal uitgeroeid worden (30 v.). Ken man die betrapt wordt bij
het sprokkelen op sabbat wordt op uitdrnkkelijken last van Jahwe gestecnigd (32—30). Op Jahwc\'s
bevel selnïjft Mozes den Israëlieten voor, kwasten aan hunne klecderen te maken (37—41).
Ili\'/r voorschriften behooren zeker tot de jongste der wet en dienen meereudccls om oudere aan te
vullen; zie op ra. 2 en vs. 22. Zij zijn gedachteloos hier geplaatst; immers, het zou niet alleen
ondoelmatig, maar ook wreed zijn geweest, verordeningen te geven over offers die eerst gebracht moes-
ten worden nadat Israël in het beloofde land zou ziju aangekomen (vs. 2, 18), juist nadat het nu
levend geslacht veroordeeld is, het nimmer te betreden (XIV : 20—35). Hangen de eerste twee wetten
met elkander samen, als beide onbloedige offers betreffende, tusschcu de drie volgende is de band
moeilijker te gissen.
XV: 1,2 Jahwe zeide tot Mozes:\' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun:
Wanneer gij komt in liet land uwer inwoning, dat ik u geven ga,\'
3       en gij aan Jahwe een vuuroffer hrengt, hetzij brandoffer, hetzij slacht-
offer, tot vervulling eener gelofte, als vrijwillige gave of op uwe feest-
getijden, om een liefelijken geur te bereiden voor Jahwe, uit runderen
4       of kleinvee,\' dan zal hij die zijne gave aan Jahwe brengt een meel-
offer van een tiende bloem, met een kwart stoop olie aangemengd,
5       brengen, \' en gij zult een kwart stoop wijn ten plengoffer bij het brand-
0 offer of slachtoffer voegen; dit bij elk lam. \' En bij een ram zult gij
als meeloffer voegen twee tiende bloem, met een derde stoop olie aan-
7       gemengd: \' en een derde stoop wijn zult gij als plengoffer ten liefelij-
8       ken geur aan Jahwe brengen.\' Kn indien gij een rund ten brandoffer
of ten slachtoffer brengt, tot vervulling eener gelofte of als dankoffer
9       aan Jahwe,\' dan zult gij bij het rund als meeloffer brengen drie tiende
10       bloem, met eene halve stoop olie aangemengd;\' en ten plengoffer zult
gij eene halve stoop wijn brengen, als vuuroffer ten liefelijken geur
11       voor Jahwe.\' Zoo zal bij eiken stier, eiken ram, elk schaap en elke
12       geit gedaan worden;\' bij elk der dieren die gij offert, stuk voor stuk,
13       zult gij alzoo handelen.\' Elke inboorling zal deze dingen op dezelfde
wijze doen, wanneer hij een vuuroffer ten liefelijken geur aan Jahwe
14       brengt; \' en wanneer een vreemde die tijdelijk onder u vertoeft, of
een die van oudsher in uw midden woont, een vuuroffer ten liefelijken
geur aan Jahwe wil brengen, dan zal hij eveneens handelen als gij.\'
15       Eene en dezelfde inzetting geldt voor u en voor den vreemde die onder
u vertoeft; eene eeuwige inzetting is het, ook voor uw nageslacht: gij
V». 15 v. Vs. 2»; IX: 14; Exod. XII: 49; Lev. XXIV: 22.
2.   Deze schrijver onderstelt blijkbaar dat de wetgeving op de offers eerst in werking is getreden
na de vestiging des volks in Kanaan. Misschien heeft hij ingezien dat in de woestijn bezwaarlijk
meel, olie en wijn konden geofferd ziju, daar Israël toen dit alles niet had. De schrijvers van Kxod.
XXIX: 38—11; Lev. II en andere pil. nemen dit niet in aanmerking.
3.  of op UK<- feettgetijden, verplichte feestoffers.
6. En, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Of.
0. zult gij, volg. Lat. en Syr. vertt.; Hcbr. t. zal hij.
14—10. Over de wijde strekking van dit beginsel zie op Exod. XII: 19.
15. Aiui den aanhef van het vers staat De vergadering, wat, als ziiiBtorcnd, volg. Lat. en Syr. vertt.
is weggelaten; iu Sun. en Or. t. staat het in vs. 14, zoodat daar do zin wordt dan tal de vergadering
eveneent handden alt gij.
— onder «, ingevoegd volg. Gr. vert.
-ocr page 259-
kümbri XV: 15—34.                                         339
16 en de vreemden zult voor Jahwe gelijk zijn; \' eene en dezelfde wet en
hetzelfde recht gelden voor u en voor den vreemde die onder n vertoeft.
17, 18 Jahwe zeide tot Mozes:\' 8preek tot de Israëlieten en zeg hun: Wan-
19       neer gij gekomen zijt in het land waarin ik u hrengen ga,\' en gij van
liet brood des lands zult eten, dan moet gij eene gave aan Jahwe
20       wijden.\' De keur van uw meel zult gij, tot eene koek verwerkt, als
gave wijden; evengoed als de gave van den dorachvloer zult gij haar
21       wijden.\' Van de keur van uw meel zult gij aan Jahwe eene gave
geven, ook in volgende geslachten.
22           Wanneer gij bij vergissing een van al deze geboden die Jahwe aan
23       Mozes medegedeeld heeft niet opvolgt, \' iets van al wat Jahwe u door
tusschenkomst van Mozes geboden heeft, van den dag af waarop Jahwe
24       geboden gegeven heeft en later, ook aan uw nageslacht,\' dan zal de
geheele gemeente, indien bet buiten haar weten bij vergissing geschied
is, éen jongen stier ten brandoffer hrengen, ten liefelijken geur voor
Jahwe, met het meel- en plengoffer dat er bij behoort, benevens éen
25       geitenbok ten zondoffer.\' Dan zal de priester voor de geheele gemeente
der Israëlieten verzoening bewerken, en hun vergiffenis verleend wor-
den; want het was eene vergissing, en zij hebben hunne gave, een
vuuroffer voor Jahwe, benevens hun zondoffer, tot delging hunner ver-
26       gissing, voor Jahwe gebracht.\' Zoo zal de geheele gemeente «Ier Israë-
lieten, alsmede de vreemden die in haar midden vertoeven, vergiffenis
erlangen; want de vergissing ging het geheele volk aan.
27           Indien een enkel persoon bij vergissing zondigt, dan zal hij eene
28       eenjarige geit ten zondoffer hrengen,\' en de priester zal voor dien per-
soon die bij vergissing voor Jahwe eene zonde begaan heeft verzoening
bewerken, om voor hem verzoening te erlangen; dan verkrijgt hij ver-
29       giffenis.\' Voor den inboorling onder de Israëlieten en voor den vreemde
die in hun midden vertoeft, voor u geldt eene en dezelfde wet, ten
30       opzichte van hem die iets bij vergissing doet. \' Maar de mensch die,
inboorling of vreemde, het moedwillig doet beschimpt Jahwe. Daarom
31       zal die mensch uitgeroeid worden uit het midden zijns volks;\' want
hij heeft Jahwe\'s woord geminacht en zijn gebod gebroken. Die mensch
zal stellig uitgeroeid worden; zijne schuld is op hem.
32           Terwijl de Israëlieten in de woestijn waren, betrapten zij eens een
33       man die op den sabbatdag hout sprokkelde.\' Zij die hem betrapt had-
den terwijl hij hout sprokkelde brachten hem tot Mozes, Aaron en de
34       geheele gemeente.\' Men zette hem in verzekerde bewaring, omdat niet
17—21. Volg. Neh. X:87; Ezech. XLIV : 30 vollen Je keurgavcn aan een priester ten deel.
22. Over de zouden bij vergissing handelt uitvoeriger Lev. IV, V, waarmede echter de voorschrif-
ten hier niet geheel overeenstemmen; verg. vs. 24 met Lev. IV: 13—21. !><• uitdrukking van al deit
gebodn
zou ons kunnen doen vermoeden dat de nu volgende bepalingen cciic reeks van verordenin-
gen besloten. Toch is dit niet waarschijnlijk. De schrijver onderstelt de bestaande voorschriften om-
trent de zoenoffers, maar wil duidelijker dan elders was geschied doen uitkomen dat alleen ovcrtre-
dingen bij ongeluk begaan, en niet opzettelijke, door otfers kunucn gezoend worden.
24. éen jongen — ten sondojfer. Volg. Lev. IV : 14 moest in dit geval een jonge stier ten zondoffer
worden gebracht. — mei — bekoort. Zie vs. 9 v.
20. dr vergiuing, volgens Gr. vert.
30.  moedwillig, letterlijk met opgeheven hand.
31.  sijn gebod, of, zoonis Sam. en Gr. t. leest, zijne geboden. — Dit — hem. Hoe moeilijk het
den Isrnclietischen wetgevers viel, vast te stellen waar de vergissing ophield en het opzet begon, leert
Lev. V:l—4; maar te waordeeren is dat zij duidelijk hebben uitgesproken: gecne opzettelijke over-
trediug van Gods geboden kan door een offer worden gedelgd. Zij werd volgens de schriftgeleerden
gezoend door lijden en sterven.
32—SS. Dit volgt hier wellicht als voorbeeld cener overtreding die niet onopzettelijk kon herten.
84. Verg. Lev. XXIV: 12. Evenals daar, wordt hier op deze wijze nadrukkelijk geleerd dat men
in zulke gevallen naar Jahwe\'s beslissing vragen en daarnaar handelen moet. De schrijver kende waar-
schijnlijk Exod. XXXV : 1—3 niet.
-ocr page 260-
nümbri XV: 34—41.
34Ü
35       beslist was wat met hem gedaan moest worden.\' Toen zeide Jahwe tot
Mozes: Ter dood gebracht worde die man; de geheele gemeente moet
36       hem steenigen buiten de legerplaats.\' Dientengevolge voerde hem de
geheele gemeente buiten de legerplaats en steenigde hem ten doode,
gelijk Jahwe Mozes bevolen had.
37, 38 Jahwe zeide tot Mozes: \' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun, dat
zij, alsmede hun nageslacht, zich kwasten maken aan de hoeken van
hunne kleederen en op die hoekkwasten een violetkleurigen draad zet-
39       ten.\' Deze zal voor u tot een teeken zijn: wanneer gij dien ziet zult
gij indachtig worden aan al de geboden van Jahwe en ze volbrengen;
zoodat gij u niet door hartewensch en oogenlust laat vervoeren die
40       gij thans naboeleert,\' maar opdat gij al mijne geboden indachtig wordt,
41       ze volbrengt en uwen god heilig zijt.\' Ik ben Jahwe, uw god, die u
uit Egypteland heb uitgeleid, om u ten God te zijn; ik ben Jahwe,
uw god.
38.  bootten. l)eut. XXII: 12 wordt een ander woord gebruikt; maar de zaak zal wel dezelfde zijn.
Ongetwijfeld was het een oud gebruik, snoeren aan de hoeken der kleederen te hechten, als voor-
behocdmiddcl tegen onheil; welk gebruik onze wetgever niet wilde afschaffen en dus tot eene her-
innering aan Jahwc\'s geboden maakte. Door dit voorschrift gewettigd, is het dragen van die kwasten
in zwang gebleven en steeds meer gekomen. De Karizeën maakten ze in \'toog vallend groot, Matth.
XXIII: 5; maar ieder droeg ze, Matth. IX: 20; XIV: 36; Mare. VI: 56. Later zijn ze door de Joden
bij voorkeur aan den gebedsmantel gehecht. Het gewone woord er voor is het hier gebezigde (ririth);
maar eigenlijk is de kwast niet meer dan het voertuig; waar het op aankomt is de draad er
in of op.
39.   tot een teeken, verb. t.; Hebr. t. tot kuratt; Gr. vert. in den kwail. Over de bcteekenis die
het woord teeken hier heeft zie op Exod. XIII: 9. — zoodat — naboeleert. Dezelfde uitdrukkingen
Ezech. VI: 9; verg. inl. op Hoz. I—III.
HOOFDSTUK XVI.
Korah en zijne medestanders. — Korah, Dathan, Abiram en tweehonderd vijftig nndere aanzien-
lijkcii staan op togen Mozes en Aiiron, bewerende dat alle Israëlieten bevoegd zijn tot Jahwe te
naderen (1—3). Mozes noodigt hen uit, den volgenden dag met wierookpanncn voor Jahwe te treden;
dan zal dezo toouen wiou hij uitverkoren heeft (4—7). Mozes bestraft de Levieten, omdat zij het
priesterschap bcgceren (8—11). Hij ontbiedt Dnthan en Abiram; maar zij wcigoren te komen en be-
tichten hem het volk door valschc beloften verleid te hebben (12—14); waarop Mozes Jahwe bidt
hunne gave niet aan te nemen (15). Volgens Mozes\' last treden Korah en de zijnen, benevens Aaron,
met wierookpanncn voor Jahwe; waarop diens heerlijkheid zich aan de gemeente vertoont (16—19);
hij noodigt Mozes en Aaron uit zich vnn haar af te scheiden; dan zal hij haar verdelgen; doch zij
bidden om verschooning voor de gemeente (20—22). Op Jahwe\'s bevel, door Mozes overgebracht, ver-
wijdereu zich de Israëlieten van de tenten der opstandelingen (23—27); waarop Mozes aankondigt,
dat de schuldigen, ten bewijze dat zij Jahwe gesmaad hebben, op buitengewone wijze zullen om-
komen (28—30). Daarop opent zich de grond en verzinken zij met al het hunne levend in de onder-
wereld (31—33); dit ziende, vlucht het volk verschrikt weg (34). Een vuur dat van Jahwe uitgaat
verteert de tweehonderd vijftig die wicrooken (35); waarna Eleazar, op Mozes\' last, hunne koperen
wierookvaten uit den brand opzoekt en daarvan een overtrek voor het altaar mankt (36—39), tot
eene waarschuwing voor de Israëlieten dat geen onbevoegde Jahwe mag naderen (40). Deu volgenden
dag geeft het volk Mozes en Aaron de schuld van zoo veler ondergang; waarop Jahwe eene vreese-
lijkr sterfte onder het volk aanricht, waaraan door Aarons wicrooken een einde wordt gemaakt
(41—50).
In dit hoofdstuk zijn drie bestanddeelen duidelijk te onderscheiden. Eerst zijn twee verhalen, die
afzonderlijk bestonden, ineengevlochten, en daarna ia het samengestelde stuk overgewerkt door iemand
die weder de voorstelling der zaak aanmerkelijk wijzigde. Al blijven enkele bijzonderheden onzeker,
het hoofdbeloop en de beteekenia der drie aldus vereenigde legenden zijn met genoegzame duidelijk*
heid aan te wijzen.
Van het oudste verhaal, aan De Jahwist ontleend, schuilt de aanhef in vi. 1 en is het overige
vervat in vs. 12—14, 154, 25, 26, 274—32a, 33. Het handelt over de ltubenicten Dathan en Abiram,
die aan Mozes de gehoorzaamheid opzeggen, omdat hij het volk uit een rijk land gevoerd en niet in
een ander, even vruchtbaar land gebracht heeft, terwijl hij zich de heerschappij aanmatigt. Mozea
-ocr page 261-
INLEIDING OP NÜMBRI XVI.
341
smeekt daarop Jahwe, niet naar hen te hooren: hij heeft nooit een hunner verongelijkt; en gaat, ge-
volgd door Israël» oudsten, tot hen; hij gelast de omstanders zich van die oproerlingen te scheiden,
wien hij een plotselingen ondergang aankondigt: zoo zal de waarheid zijner zending bekrachtigd
worden. Hierop opent zich de grond en verzwelgt Dathan en Abiram met al het hunue, terwijl de
Israëlieten verschrikt de vlucht nemen.
Van waar de schrijver de namen Dathan en Abiram heeft, weten wij niet; maar de strekking der
legende is dezelfde als die van Gen. XXXV: 22 (zie aldaar): in beide wordt verklaring gegeven van
het feit dat de stam Ruben — de eerste die vaste woonplaatsen gehad heeft — in den loop des tijds
zijn aanzien heeft verloren. Hier heet dat eeue straf voor zijne weerspannigheid tegen de van Jahwe
geroepen leidslicden des volks; wat hetzelfde was als verzet tegen Jahwe.
Alleen dit gedeelte van ons hoofdstuk was aan den schrijver van Deut. XI: 6 bekend.
Het tweede verhaal is dan ook jonger, aan Ezra\'s Wetboek ontleend. Het is terug te vinden in
v». 2, 3—7, 15a, een gedeelte van vs. 16—18, in vs. 19—24, 27a, 35, 11—50. Daar wordt ver-
meld, hoe Korah en tweehonderd vijftig familiehoofden uit verschillende stammen tegen Mozes en
Aaron in verzet zijn gekomen, bewerende dat de geheele gemeente aan Jahwe heilig was en dus
niet alleen de leden van den Levietenstam, maar alle Israëlieten bevoegd waren tot Jahwe te naderen.
Door Mozes hiertoe uitgedaagd, komen zij, evenals Mozes en Aaron, met hunne vuurpanncii, voor de
tent der samenkomst, waar Jahwe zal toonen wie de door hem tot het priesterschap verkorene is.
Jahwe openbaart zich aldaar en zou wis de geheele gemeente voor den euvelmoed van Korah en de
zijnen door een snellen ondergang hebben doen boeten, indien niet Mozes en Aaron hem hadden gc-
smeekt zijn toorn allecu op den schuldige te doen nederdalen. Als nu het volk zich, op hun last,
van den tabernakel verwijderd heeft, gaat een vuur van Jahwe uit en verteert de roekoloozen die
onbevoegd vóór hem hebbeu gewierookt. Als bet volk den volgenden dag Mozes en Aaron van het
gebeurde de schuld geeft, raapt eene plotselinge sterfte duizenden weg, terwijl de overigen alleen ge-
red worden omdat Aaron wierookend den toornenden god verzoent.
Dit vorhaal bedoelt, don tegenstand te breken van die Israëlieten die met leede oogen aanzagen, dat
de Levieten het priesterschap en allo andore tempclbedieuingen, waarop de wet van Leuteronomium
hun het uitsluitend recht verleend hnd, gaandeweg in handen kregen. Bij menig godsdienstig ont-
wikkeld man deed zich hierbij zeker bet schooue denkbeeld gelden, in vs. 3 uitgesproken: de leden van
Jahwe\'s volk hebben, als aan hem geheiligd, geen priesters noodig, maar hebben zelven den vrijen
toegang tot hem. Lagere drijfveeren zullen zich daaraan wel gepaard hebben. Immers, van oudsher
hadden familiën uit allerlei stammen eervolle en winstgevende betrekkingen aan het heiligdom be-
kleed; zoo waren zeer waarschijnlijk vele leden van het tempelkoor niet-Levieten. Dezen moesten nu
volgens de wet verwijderd worden. Sommigen smolten door verzwagering met Levieten met dezen
samen (verg. inl. op III, IV); anderen waren hiertoe te fier en bleven het beginsel bestrijden. Onder
deze huil sten vooral, naar liet schijnt, een geslacht uit Juda, dat der Korahieten; zie op vs. 1. Tcgen-
over hen handhaaft dit verhaal het uitsluitend recht der Levieten op priesterlijke bedieningen: te
gronde gaat wie hun dit betwist. Hoeveel moeite het heeft gekost, de niet-Levieten uit den tempel te
weren, leert ons H. XVII en menige plaats in de wet, waar de schrijvers het noodig keuren hun volk
ter dege in te scherpen, dat het Jahwe\'s uitdrukkelijke wil is aan den stam Levi priesterlijke voor-
rechten te geven (zie H. XVIII).
Nadat het verhaal over Korah en de tweehonderd vijftig met dat over Dathan en Abiram tot een,
niet overal wel sluitend, geheel verbonden was, is van dat nieuwe verhaal, waarin al die weerspan-
nigen gezamenlijk omkwamen, eeue vermeerderde uitgave gemaakt door een der jongste schrijvers van
de Wet. In vs. 8—11, 10—18, ten dcele 36—10 vinden wij zijn werk, maar ook in het overige
zijn sporen van zijne hand te zien; o. a. heeft hij den geslachtsboom van Korah aan diens naam
toegevoegd. Korah en zijne tweehonderd vijftig medestanders worden allen bij hem Levieten (verg.
op vs. 1). Was reeds in het verhaal dat hij omwerkte de opstand der Rubenieten op den achtergrond,
en die der Israëlieten die de Levieten benijdden op den voorgrond getreden, ook van dezen strijd
was in zijne dagen geen sprake meer; geen leek zou het toen meer gewaagd hebben voor Jahwe te
komen wierooken. Maar over de rangorde der leden van den stam Levi was nog voortdurend twist.
Vele invloedrijke familiën van dien stam konden het moeilijk verkroppen, dat de naam „Leviet" niet
eenvoudig elk lid van den heiligen stam aanduidde, maar meer bepaald iemand die eene ondergeschikte
bediening aan den tempel vervulde, in onderscheiding van de priesters, de Aaronieten. Zij begeerden
voor zich priesterlijke voorrechten. Vooral het machtige geslacht der Korahieten, dat, van welken
stam het ook oorspronkelijk een deel was, nu bepaald uit Levi heette af te stammen, waaruit een
deel tot de zangers en muzikanten, een ander deel tot de portiers behoorde, en sommigen zeer
eervolle betrekkingen bekleedden (zie op vs. 1), vergenoegde zich niet met die, toch altijd onder-
geschikte, plaatsen. Tot den ondergang des tempels in 70 na Chr. heeft die strijd, hoewel in steeds
-ocr page 262-
NUMBKI XVI : 1—7.
34a
afnemende mate, voortgeduurd. Onze schrijver doet het zijne om hem te beslechten, natuurlijk in
den geest der wet. Hij verwijt den Korahicten grove ondankbaarheid: zij die het voorrecht hadden
het heiligdom te bedienen begeerden bovendien het priesterschap! De straf die in het oudere ver-
haal aan de benijders van Levi wordt voltrokken treft bij hem de Levieten die meer verlangen
dan hun is toegekend, l\'it hunne vuurpanncii wordt, naar zijne voorstelling, het ovcrtrekscl van het
koperen altaar vervaardigd; opdat de Levieten door den aanblik daarvan voortdurend gewaarschuwd
zouden worden legen aanmatiging van hetgeen bun niet toekwam.
Het is geen wonder, dat door de vercenigiiig dier drie verhalen van opstand tegen Jahwc\'s uitver-
korencn eeu geheel is ontstaan dat op menige plaats de naden der samenvoeging zeer duidelijk ver-
toont; zie op vs. 1, 3, 24 eu 27.
Toespelingen op dit verhaal XXVII:8; Ps. C¥I:17; Sir. XLV:18.
XVI: 1 Korah, de zoon van Jishar, den zoon van Kehatli, den zoon van
Levi, en Datlian en Abiram, de zonen van Eliab, den zoon van Pallu,
2 den zoon van Ituben,\' kwamen in opstand tegen Mozes, met tweehon-
derd vijftig mannen uit de Israëlieten, vorsten der gemeente, opgeroe-
•i penen tot de volksvergadering, mannen van naam;\' zij spanden samen
tegen Mozes en Aiiron en zeiden tot ben: Het is nu genoeg! Want
van de gebeele gemeente zijn alle leden beilig, en in bun midden is
4       Jahwe: waarom verheft gij u dan boven Jahwe\'s vergadering?\' Toen
5       Mozes «lil hoorde, viel hij op zijn aangezicht\' en sprak daarna tot
Korah en al zijne medestanders: Morgen zal Jahwe bekend maken,
wie hem toebehoort, wie de heilige is en wien hij tot zich doet nade-
<i ren: wien hij uitkiest, dien zal bij tot zich doen naderen.\' Doet het
volgende: Neemt gij allen, Korah en al zijne medestanders, morgen
7 vuurpannen,\' doet er vuur in en legt er wierook op voor Jahwe\'s
aangezicht; dan zal de man dien Jahwe verkiest de heilige zijn. Het
is nu genoeg, Levieten!
1.  Aan Korah gaat in den Hebr. t. vooraf Toen nam, in Gr. vert. Tom iprat. — Korah, de ver-
mecudc stamvader der Korabieten. Volgens 1 Kron. IX: 17—34 bekleedden zij in den tempel aan-
zieulijke betrekkingen en waren daar, deels als portiers, deels als zangers eu muzikanten, werkzaam.
Als portiers komen Korahietische fuinilien ook 1 Kron. XXVIS 1—1!) voor; als zangers en muzikanten
1 Kron. VI: 22—28, 33—38; 2 Kron. XX: 10; verg. inl. op Psalmen. Langs dezelfde lijn als hier
stamt Korah Exod. VI: 20; 1 Kron. VI : 37 v. van Levi af. Toch waren de Korahicten oorspronkelijk
geen Lcvietisch geslacht. Zelfs ten tijde van den schrijver van Kzra\'s Wetboek waren zij dat nog niet.
Immers, de opstand van Korah en zijne tweehonderd vijftig medestander! was, naar luid van het
daaraan ontleend verhaal, bepuuld tegen de aanmatiging van den stam Levi gericht, ging dus van
niet-Levietcn uit; wat onweersprekelijk volgt uit vs. 2 v., waar zij uitdrukkelijk „mannen uit de
Israëlieten" hceten, eu ten overvloede uit XXVI: 9—11; XXVII: 8, welker schrijvers in de slachtoffers
van Korahs opstand leeken zien. Hiermede zou het slecht gestrookt hebben dat de raddraaier een
Leviet was geweest. Daarentegen is het zeer natuurlijk, dat de machtige familiën der Korahicten, die
zich niet uit den tempel lieten verdringen, eindelijk heetten van Levi af te stammen, en dat de
laatste bewerker van ons hoofdstuk, die hem als Leviet kende en als woordvoerder der Levieten tegen
de Aaronieten liet optreden, aan zijn naam de geslachtslijst toevoegde waaruit zijne afkomst uit
Levi bleek. Waarschijnlijk is hij oorspronkelijk Judeèr geweest. In 1 Kron. II: 42 V. toch komt een
Judccsche familie van dien naam voor, en de Kdomictische familie Korah die Gen. XXXVI: 6, 14,16,
18 vermeld wordt heeft hiermede zeker nauw samengchaiigen; verg. inl. op XIII, XIV. — den :oon
van 1\'atlii, ilm zoon,
volg. verb. t.; Hebr. t. rn On, den :uon van 1\'eleth, zonen. On komt in het ver-
volg niet voor en wordt ook XXVI: 0—11; üeut. XI: 6 ; I\'s. fJVl: 17 niet vermeld. Ook Gen. XLVI: 9 ;
Exod. VI :1»; Nuni. XXVI: 5—8; 1 Kron. V:3 heet een ltubenietiscb geslacht Fallu.
2.  tweehonderd— volkivergadering. Verg. 1:16. Het zijn dus aanzienlijke mannen uit verschillende
stammen. Biet-Levieten.
3.   Het — genoeg! In vs. 7 komen dezelfde woorden met toevoeging van gij Levieten iu eene toe-
spraak van .Mozes tot de opstandelingen voor. Ze staan daar volstrekt niet op hunne plaats en be-
hooreu blijkbaar hier. Maar het is zeer wel mogelijk, dat de verwarring is aangebracht door den
lantstcn bewerker, die hier Korah, den Leviet, het woord laat richten tot Mozes en Aaron, als
handhavers van de rechten der priesters. In het oorspronkelijke verhaal was dan de bedoeling: gij
Levieten hebt nu lang genoeg naar eeu rang gestreefd die u niet met uitsluiting van anderen toe-
komt; niet gij alleen zijt gerechtigd, priesterlijke en andere bedieningen aan het hciligdum te be-
kleeden; want alle Israëlieten zijn, als aan Jnhwe gewijden, bevoegd om hein te naderen. — Jahwe\'i
vergadering,
de gemeente; zie op Deut. XXIII: 1.
5. Jahwe zal luimen, wien hij tot priester begeert.
7. Uet — Levieten! Verg. op vs. 8.
-ocr page 263-
NüMBiu XVI: 8-27.
343
8, 9          En Mozes zeide tot Korah: Hoort toch, Levieten!\' is liet u niet ge-
noeg, dat de god Israëls u afgezonderd heeft uit de gemeente van Israël
om u tot zich te doen naderen, het werk aan Jahwe\'s tabernakel te
10       verrichten, en vóór de gemeente te staan om haar te bedienen —\' en
zoo u en al uwe broederen, de Levieten, met u heeft doen naderen —
11       dat gij ook nog naar het priesterschap staat!\' Daarom, gij en al uwe
medestanders rot tegen Jahwe samen; Aiiron toch, wie is hij dat gij
tegen hem zoudt morren?
12           Toen liet Mozes Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, roepen;
13       maar zij zeiden: Wij willen niet komen.\' Is het niet genoeg, dat gij
ons uit een land overvloeiende van melk en honing hebt opgevoerd,
om ons in de woestijn te doen sterven, dat gij den baas over ons speelt,
14      ja zeker, den baas speelt?\' Üij hebt ons waarlijk niet gebracht naar
een land overvloeiende van melk en honing, noch ons een erve van
akkers en wijngaarden gegeven. Wilt gij de oogen dezer mannen uit-
15       graven? Wij komen niet!\' Toen ontstak Mozes in hevigen toorn en
zeide tot Jahwe: Wend u niet tot hun offer; niet éen ezel heb ik van
hen weggenomen, niet een hunner kwaad gedaan.
lb\'          En Mozes zeide tot Korah: Zorg, dat gij u morgen met al uwe
17       medestanders voor Jahwe bevindt, gij en zij, benevens Aiiron. \' Ieder
uwer neme zijne vuurpan, legge er wierook op en brenge zijne vuur-
pan voor Jahwe, tweehonderd vijftig vuurpannen; ook gij en Aiiron,
18       ieder zijne vuurpan.\' Zoo namen zij allen hunne vuurpannen, deden
er vuur in, legden er wierook op en gingen aan den ingang van de
19       tent der samenkomst staan; desgelijks Mozes en Aiiron.\' Als nu Korah
de geheele gemeente tegen hen aan den ingang van de tent der samen-
komst vergaderd had, vertoonde zich Jahwe\'s heerlijkheid aan de ge-
20,21 heele gemeente.\' En Jahwe sprak tot Mozes en Aiiron: \' Zondert u
uit het midden dezer gemeente af, en ik zal haar in een oogwenk
22       verteren. \' Toen vielen zij op hun aangezicht en zeiden: O God, god
der geesten van alle vleesch! Zoudt gij, omdat die éene man zondigt,
23       tegen de geheele gemeente vergramd zijn?\' Toen zeide Jahwe tot
24       Mozes: \' Zeg aan de gemeente: Gaat weg uit den omtrek der woning
van Korah, Dathan en Abiram.
25           En Mozes maakte zich op, ging, gevolgd door de oudsten van Israël,
26       tot Dathan en Abiram\' en sprak tot de gemeente: Verwijdert u toch
van de tenten dier goddelooze mannen en raakt niets van hetgeen hun
27       toebehoort aan, om niet door al hunne zonden om te komen.\' Toen
9. Zie III: 5—9.
11.   Aiirim — morren!\' Aiiron is Jahwe\'s uitverkorene; zoodat uw gemor niet hem persoonlijk treft,
maar Jahwe zei ven.
12.  komen, tot u. Anderen optrekken.
14.   Wilt — uitgraven.\'\' Wilt gij hen beletten te zien hoe gij hen om den tuin leidt?
15.   Wend — offer. Dat de oproerige Rubcnicten aan Jahwe wilden offeren is in het voorafgaande
niet gezegd; waarschijnlijk behoorde de eerste helft van dit vers tot het tweede verhaal (zie Inl.) en
is zrj door een der bewerkers hier te onpas ingevoegd.
16—18. In vs. 10 is de opstand alleen tegen Aiiron gericht, in vs. 11 staan Mozes en Aaron
tegenover Korah en de zijnen; blijkbaar vinden wij hier gedeelten van twee verhalen.
17. tweehonderd vijftig vuurpannen. Deze, in eene toespraak van Mozes hinderlijke, omslachtigheid
dient blijkbaar om vs. 86—10 voor te bereiden.
22. god — vleeieh, de god die het leven geeft en wegneemt. Desgelijks XXVII : 16. — die éene
man,
Korah, als raddraaier alleen genoemd.
24. der woning. Het hier en vs. 27 gebezigde Hcbrceuwsche woord is dat waarmede Kxod. XXVI:
15 enz. de tabernakel wordt aangeduid. Dit is waarschijnlijk te verklaren uit de samenvoeging der
verhalen. In het oorspronkelijke, dat tot het verhaal van Korah behoorde, stond ongetwijfeld van den
tabernakel van Jahwe;
want daarvoor had uit den aard der zaak de wedstrijd plaats; maar de laatste
bewerker maakte er hier en vs. 27 het verblijf der opstandelingen van.
27. Toen — Abiram, invoegsel van een bewerker; zie op vs. 24. In het oorspronkelijke verhaal
-ocr page 264-
nümbri XVI: 27—47.
844
trokken zij zich terug uit den omtrek der woning van Korah, Datlian en
Abiram, en Datlian en Abiram kwamen naar buiten en gingen aan
den ingang hunner tenten staan, met hunne vrouwen, zonen en kleine
28       kinderen.\' Nu zeide Mozes: Hieraan zult gij erkennen, dat Jahwe mij
gezonden heeft om al deze werken te doen, en dat ik ze niet zelf be-
29       dacht heb: \' indien dezen sterven zooals andere menschen en het ge-
30       wone menschenlot hen treft, dan heeft Jahwe mij niet gezonden.\' Maar
indien Jahwe iets geheel nieuws schept, de grond zijn muil openspert
en hen met al de hunnen verslindt, zoodat zij levend in het schim-
menrijk dalen, dan zult gij erkennen dat deze mannen Jahwe gesmaad
hebben.
31            Nauwelijks had hij al deze woorden ten einde gebracht, of de grond
32       onder hen spleet vaneen,\' de aarde opende haar mond en verslond hen
met hunne gezinnen, alle menschen die bij Korah behoorden en al
33       hunne have.\' Zoo daalden zij met al de hunnen levend in het schim-
menrijk; de aarde bedekte hen, en zij waren verdwenen uit het midden
34       der vergadering. \' En alle Israëlieten in hunne omgeving vloden op hun
geroep; want zij zeiden: Als «Ie aarde ons ook maar niet verslindt!
35           Toen ging een vuur uit van Jahwe en verteerde de tweehonderd en
36       vijftig mannen die den wierook brachten; \' waarop Jahwe tot Mozes
37       sprak: \' Zeg aan Eleazar, den zoon van Aaron, den priester, dat hij
de vuurpannen uit den brand oprape en het vuur ver wegwerpe; \'
38       want de vuurpannen dezer zondaren zijn ten koste van hun leven heilig
geworden. Men- zal ze tot bladen pletten en er een overtreksel voor
het altaar van maken; want, dewijl zij ze voor Jahwe\'s aangezicht
hebben gebracht, zijn ze heilig geworden. En zij moeten den Israëlieten
39       tot een teeken zijn. \' Zoo nam Eleazar, de zoon van Aiiron, den priester,
de koperen vuurpannen die de verbranden gebracht hadden, en men
40       plette ze tot een overtreksel voor bet altaar,\' tot eene herinnering
voor de Israëlieten, dat toch geen leek, een die niet uit de nakome-
lingen van Aiiron is, zou naderen, om voor Jahwe\'s aangezicht te wie-
rooken; opdat het hun niet vergaan mocht als Korah en zijnen mede-
standers; zooals Jahwe door Mozes tot hem gesproken had.
41            Des anderen daags morde de geheele gemeente der Israëlieten tegen
Mozes en Aiiron en zeide: Gij hebt Jahwe\'s volk om het leven gebracht.\'
42       Toen nu de gemeente samenspande tegen Mozes en Aiiron, keerden zij
zich naar de tent der samenkomst, en zie, de wolk bedekte haar, en
43       Jahwe\'s heerlijkheid vertoonde zich. \' Nu traden Mozes en Aiiron tot
44, 45 voor de tent der samenkomst,\' en Jahwe sprak tot Mozes: \' Trekt u
terug uit het midden dezer gemeente; opdat ik ze in een oogwenk
46 vertere. Maar zij vielen op hun aangezicht, \' en Mozes zeide tot Aaron:
Neem de vuurpan, doe er vuur van het altaar in, leg er wierook op,
ga ijlings tot de gemeente en bewerk verzoening voor haar; want de
gramschap is van voor Jahwe uitgegaan: de plaag is reeds begonnen.\'
47\' En Aiiron nam de vuurpan, zooals Mozes hem bevolen had, en liep
van den ondergang der Rubenieten vloden de Israëlieten eerst toen de grond spleet, vs. 34. — Over
Koning zie op vs. 24.
28. en — heb, letterlijk en dat hel niet uit mijn eigen hart it. Verg. op XXIV : 18.
82. Verg. op XXVI: 06—11.
35. Toen — Jahwe. Zie op XI :1.
88. want — geworden. In Hebr. t. staat want zijn heilig geworden in vs. 87 en de vuurpannen in
den vierden naamval. — heilig geworden. Zie op Exod. XXIX : 37.
80. Eleazar — prieiter, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de priester Eleazar.
46.  want — uitgegaan. De schrijver schijnt de gramschap voor te stellen als een weien dat zich
vóór Jahwe bevindt; wellicht uit schroom hem gramschap toe te kennen.
47.  de vuurpan en op het vuur, duidelijkheidshalve ingevoegd.
-ocr page 265-
345
nümbri XVI: 47—XVII: 12.
ijlings midden in de vergadering, en ja waarlijk, de plaag was onder
het volk reeds begonnen! Toen legde hij den wierook op het vuur en
48      bewerkte verzoening voor het volk. \' Terwijl hij tusschen de dooden
49      en de levenden stond, hield de plaag op.\' Het aantal dergenen die in
die plaag omgekomen zijn is veertien duizend zevenhonderd, buiten
50      degenen die ter zake van Korah gestorven waren. \' Hierop keerde
Aaron tot Mozes naar den ingang van de tent der samenkomst terug;
de plaag was gestuit.
HOOFDSTUK XVII.
Aarons bloeiende staf. — Jahwe gelast Mozes, op twaalf staven de namen der stamvorstcn te
schrijven, daarenboven op dien van Levi den naam van Aiiron, en ze in den tabernakel te leggen;
de staf van den man dien hij nitkicst zal bloeien; Mozes gehoorzaamt (1—7). Den volgenden dag draagt
Aarons staf zelfs vruchten; Mozes toont de staven aan de Israëlieten (8, 9a); waarna alle stam-
hoofden hunne staven terugnemen en Mozes, op Jahwe\'s last, dien van Aaron voor de ark ncderlegt,
tot lecring van weerspannigen (94—11). De Israëlieten vreezen om te komen als zij den tabernakel
naderen (12 v.).
Het verhaal va. 1—11 onderstelt voorafgegane murmureeringen en bestraffingen en sluit zich zoo bij
het vorig hoofdstuk aan. Het dient om aan te tooncn dat de stam Levi, door Aaron vertegenwoor-
digd, door Jahwe tot het priesterschap is uitverkoren, en komt dus in strekking overeen met die
gedeelten van H. XVI waarin Korah en zijne medestanders, op grond van de heiligheid der ge-
heele gemeente, tegen het uitsluitend recht der leden van den stam Levi op bedieningen aan het
heiligdom opkomen; het is van denzelfden schrijver, dien van Ezra\'s Wetboek. Vs. 12 v. vormt den
overgang tot H. XVIII.
XVII: 1,2 Jahwe zeide tot Mozes:\' Spreek tot de Israëlieten en neem van
hen voor eiken stam een staf, van al hunne stamvorsten, twaalf staven,
3      en schrijf op ieders staf zijn naam.\' En op den staf van Levi zult gij
dien van Aiiron schrijven; want éen staf behoort aan hun stamhoofd.\'
4      Gij zult ze leggen in de tent der samenkomst vóór de Geboden, waar
5      ik mij aan u pleeg bekend te maken. \' Dan zal van den man dien ik
uitkies de staf bloeien. Zoo zal ik de murmureeringen die de Israëlieten
b\' tegen ulieden uiten stillen, zoodat ik ze niet meer hoor. \' Toen Mozes
tot de Israëlieten gesproken had, gaven al hunne vorsten hem ieder
een staf, elk voor zijn stam, twaalf staven, en onder de hunne was
7      die van Aiiron.\' En Mozes legde die staven voor Jahwe in de tent der
Geboden.
8          Als nu Mozes den volgenden dag in de tent der Geboden kwam,
daar was waarlijk de staf van Aiiron, voor den stam Levi, gaan bloeien:
9      hij deed bloesems uitkomen, bloemen ontluiken, amandelen rijpen. \' Toen
bracht Mozes al de staven, die voor Jahwe gelegen hadden, naar buiten
10      tot al de Israëlieten. Zij zagen het, en ieder nam zijn staf.\' Maar Jahwe
zeide tot Mozes: Leg den staf van Aiiron weder voor de Geboden, om
hem te bewaren tot een teeken voor de weerspannigen; opdat gij een
einde moogt maken aan hunne murmureeringen; zoodat ik ze niet
11      meer hoor en zij niet sterven. \' En Mozes deed zooals Jahwe hem be-
volen had; zoo deed hij.
12          Toen zeiden de Israëlieten tot Mozes: Zie, wij komen altemaal om,
2.  ttaf. De staf of schepter is hot teeken der vorstelijke waardigheid.
3.  Volgens den schrijver telt anders Jozef voor twee en behoort Levi dus niet tot de twaalf stam-
men; zie I: 5—18. Daarom zegt hij hier uitdrukkelijk het tegendeel.
4.   vóór de Geboden, als Exod. XXX: 36; zie op Exod. XXV : 16. — aan u, Mozes, volg. Sam. t.,
Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. heoft het meervoud ulieden, Mozes en Aaron.
10. voor de toeertpannigen. Deze uitdrukking komt vaak in Ezechiël voor (II : 5, 7, 8 enz.) en is
zonder twijfel aan dat boek ontleend.
12 v. De schrijver teekent den angst dien de herhaalde strafgerichtcn het volk hadden aangejaagd
-ocr page 266-
346                                  NUMKRI XVII: 12—XVIII: 7.
13 wij vergaan, ja, wij vergaan!\'Al wie nadert, slechts nadert, tot Jahwe\'s
tabernakel zal sterven. Moeten wij dan allen omkomen?
(II. XVI), om zoo de afzondering vnn den stam Lcvi tot den heiligen dienst en de regeling zijner
inkomsten (H. XVIII) te rochtvtiurdigen.
18. Al wie — nadert. Gr. vert. heeft slechts al wie nadert.
HOOFDSTUK XVIII.
Wet op de inkomsten vnn priesters cu Levieten. — Jnhwc draagt mimi Aaron en zijne nakomclin-
gen het priesterschap op en geeft hun de Levieten tot helpers (1—7). Welke gedeelten der otTers den
priesters toekomen; door wie en waar de hoogheilige en de heilige spijzen moeten gebruikt worden
(8—10). Daarenboven vallen de kcurgaveu, het met den ban belegde, de eerstgeborenen, waarvan som-
mige gelost moeten worden, en al de heilige gaven der Israëlieten den priesters ten deel (11—19).
Deze gaven zijn den priesters ten erfdeel (20); de Levieten zullen als erfdeel tienden ontvangen (21—
- i en daarvan ecu tiend, als gave voor Jahwe, aan de priesters geven (25—29); het overige is hun
eigendom (30—32).
In de wet van DetUeronomium (XVIII: 3—5) waren over de inkomsten der Levieten-priesters een
paar bepalingen gegeven, maar deze volstonden op den duur niet. Eensdeels hadden de priesters
meer noodig dan hun werd gegeven; andersdeels maakte de onderscheiding van priesters en Levieten
nieuwe verordeningen noodzakelijk.
De eerste drie gedeelten van dit hoofdstuk, vs. 1—7; 8—19; 20—24, behelzen voorschriften tot
Aiirou gericht, het laatste, vs. 25—32, een bevel aan Mozcs. Dit verschil, benevens de herhalingen
waarin de wetgever hier nu en dan vervalt, zou ons kunnen doen vermoeden dat wij hier een uit
verschillende stukken samengesteld werk voor ons hebben. .Maar de schrijver van Kzra\'s Wetboek,
waaraan dit hoofdstuk ontleend is, was niet zeer bekwaam in het samenstellen, en tegenstrijdigheden
komen in het hoofdstuk niet voor. Het geheel sluit zich zeer goed aan bij de oudste gedeelten van
XVI en XVII.
XVIII:1 Jahwe zeide tot Aaron: (iij, uwe zonen en uws vaders huis met u
zult de schuld van het heiligdom dragen. En gij en uwe zonen met u
2       zult de schuld van uw priesterschap dragen. \' Doe ook uwe broeders,
den stam Levi, de afstammelingen van uw voorvader, met u nader-
treden, opdat zij zich bij u aansluiten en u bedienen voor de tent der
3       Geboden.\' Zij zullen hunne plichten vervullen ten opzichte van u en
van de geheele tent; maar tot de meubelen van het heiligdom en tot
het altaar zullen zij niet naderen; opdat zij niet sterven, en gij met
4       hen.\' Zij zullen zich bij u aansluiten en ten aanzien van de tent der
samenkomst hunne plichten vervullen: allen arbeid bij de tent ver-
5       richten; en geen leek zal tot o naderen. \' (jij zult (laarentegen de
plichten ten aanzien van het heiligdom en van het altaar vervullen;
6       opdat geen gramschap meer ontbrande tegen de Israëlieten.\' Ik zelf
heb uwe broeders, de Levieten, genomen uit het midden der Israëlieten
tot een geschenk aan u, als geschonken aan Jahwe, om den arbeid
7       bij de tent der samenkomst te verrichten.\' Maar gij en uwe zonen
met u zult uw priesterschap waarnemen, in al wat aan het altaar en
achter het voorhangsel te verrichten is, en daar het werk doen; als
1.    (lij — li nis, d. i. de geheele stam Lcvi. — Gij.,.atll de tchuld van... dragen, gij zijt er voor
verantwoordelijk en zult verontreiniging er van boeten. Verg. Exod. XXVIII: 38. — gij en uwe zonen
met u.
de Aaronieten.
2.   aan u toegevoegd zijn. In het hier gebruikte Hebreeuwschc woord ligt eene toespeling op den
naam Levi. — Na bedienen heeft de grondtekst nog èn gij èn uwe zonen met u, wat door herhaling
uit vs. 1 in den tekst geslopen is.
5.   opdat — Itraïlieten. Toespeling op H. XVI.
6.   Verg. op III : 9.
7.   in — ij. Hun werkkring strekt zich dus uit van het brandofferaltaar tot in het allerhei-
ligste. — een arbeid die u getehonken wordt, meer een ambt dat il als een voorrecht wordt ge-
geven dan een harde plicht. — de onberoegde. Hier staat hetzelfde woord dat vs. 4 en elders door
leek vertaald is en ,een vreemde\' beteekent. Het omvat hier ook de Levieten.
-ocr page 267-
numeiii XVIII: 7—23.                                        «47
een arbeid die u geschenken wordt zal ik u uw priesterschap geven;
de onbevoegde die nadert cal ter dood gebracht worden.
8           Jahwe sprak tot Aiiron: Ik, ik heb u opgedragen de zorg voor mijne
offergaven; wat alle heilige spijzen der Israëlieten betreft, u geef ik
ze tot uw aandeel, en uwen zonen als iets dat hun voor altijd wettig
9       toekomt. \' Van de hoogheilige spijzen, voor zoover ze niet verbrand
worden, zal dit voor u zijn: al hunne gaven, voor zoover die in eeni-
gerlei meel-, zond- of schuldoffer dat zij mij brengen bestaan. Iets
10       hoogheiligs zal dat voor u en uwe zonen zijn;\' in eene hoogheilige
plaats zult gij het eten; al wat manlijk is mag het eten, en iets heiligs
zult gij het achten.
11           Voorts komt het navolgende u toe als gave hunner geschenken van
alle aanbiedingsoft\'ers der Israëlieten — u geef ik het en uwen zonen
en dochteren met u, als iets dat hun voor altijd wettig toekomt; al
12       wie in uw gezin rein is mag het eten\' — al het beste van de olie,
van den most en van het koren, de keurgaven die zij aan Jahwe
13       geven, u geef ik ze.\' Ook de eerstelingen van al wat in hun land
groeit, die zij aan Jahwe brengen, zullen voor u zijn; al wie in uw
14       gezin rein is mag ze eten. \' Al wat in Israël met den ban belegd is
15       zal voor n zijn. \' Al wat den moederschoot opent van eenigerlei wezen,
dat men Jahwe toebrengt, mensch of dier, zal voor u zijn; maar los-
sen, lossen zult gij den eerstgeborene van den mensch, en ook den
16       eerstgeborene van een onrein dier zult gij lossen.\' — Wat nu die
lossing aangaat: als het kind eene maand oud is zult gij het naar
schatting voor een bedrag van vijf sikkelen — heilige sikkelen van
17       twintig gera — lossen. \' Maar de eerstgeborenen van koe, schaap of
geit zult gij niet lossen; die zijn heilig: hun bloed zult gij op het
altaar sprengen en hun vet aansteken, tot een vuuroffer ten liefelijken
18       geur voor Jahwe.\' En hun vleesch zal voor u zijn; evenals de aan-
19       biedingsborst en de rechterschenkel, zal het voor u zijn. \' Al de
gaven van de heilige dingen die de Israëlieten aan Jahwe wijden geef
ik u en uwen zonen en dochteren, als iets dat u voor altijd wettig
toekomt; een eeuwig zoutverbond is dit voor Jahwe\'s aangezicht, voor
u en uw kroost.
20           Jahwe zeide tot Aiiron: In hun land zult gij geen erve ontvangen;
een deel zal u onder hen niet te beurt vallen; ik ben uw deel en uw
21       erve te midden der Israëlieten.\' En aan de Levieten geef ik al de
tienden in Israël ten erfdeel, als loon voor den arbeid dien zij ver-
22       richten, den arbeid bij de tent der samenkomst; \' opdat de Israëlieten
niet meer tot de tent der samenkomst naderen, waardoor zij eene
23       doodzonde op zich zouden laden. \' De Leviet zal den arbeid bij de tent
8.  aandeel. Zie op Lev. Vil: 35.
9.  Over do heilige en de hoogheilige spijzen zie op Lev. XXI: 22.
10.  in eene hoogheilige plaats. In of bij het voorportaal van den tempel werden zulke spijzen
gegeten.
11.  al uie — rein it, man of vrouw, vrije of «laaf.
12.  Kei bette, letterlijk het vet. — de keurgaven, in vs. 18 eeritelinge» genoemd; «ie op Exod.
XXIII: 19
14.   Verg. Lev. XXVII: 28 v.j Ezech. XL1V : 29*.
15.  Verg. op Exod. XIII: 2, 12, en 13.
16.  Verg. Lev. XXVII: 1—8, 25. —naar tchatting. Zie op Lev. XXVII: 2. — Wel is in het voor-
afgaande vers het onreine vee het laatst genoemd, maar wat hier voorkomt betreft toch uitsluitend de
menschelijke eerstgeboorte. Het vers is wellicht een later toevoegsel.
19.  een eeuwig zoutverbond. Zie op Lev. II: 13.
20.  Wat Deut. X : 9 enz. omtrent den stam Levi verordend is wordt hier, eerst van de Aaronieten,
en vt. 24 van de Levieten gezegd.
21.  de tienden. Zie op Lev. XXVII: 32 en inl. op Deut. XIV: 22—29.
-ocr page 268-
348
numkri XVIII: 23—32.
der samenkomst verrichten, en zij zullen hunne schuld dragen; eene
eeuwige inzetting ook voor uw nageslacht. Zij zullen te midden van
24 de Israëlieten geen erfdeel verkrijgen; \' want de tienden die de Israëlie-
ten als gave aan Jahwe wijden geef\' ik aan de Levieten ten erfdeel.
Daarom heb ik aangaande hen gezegd: Te midden der Israëlieten zul-
len zij geen erfdeel verkrijgen.
25, 26 En tot Mozes sprak Jahwe: \' Tot de Levieten zult gij spreken en
hun zeggen: Wanneer gij van de Israëlieten de tienden in ontvangst
neemt die ik u van hen tot uw erfdeel gegeven heb, dan zult gij daar-
27       van eene gave aan Jahwe wijden, een tiend van het tiend. \' En deze
uwe gave zal u toegerekend worden alsof gij koren van den dorsch-
28       vloer en wijn uit den perskuip bracht.\' Zoo zult ook gij eene gave
aan Jahwe wijden van al de tienden die gij van de Israëlieten ont-
vangt; gij zult daarvan de Jahwe\'s-gave aan den priester Aiiron schen-
29       ken.\' Van al wat u geschonken wordt zult gij de geheele Jahwe\'s-
gave wijden; enkel van het beste dat er bij is zal het hem gewijde
deel genomen worden.
3U          Ook zult gij hun zeggen: Wanneer gij het beste er van wijdt, dan
zal dit den Levieten toegerekend worden alsof zij de opbrengst van dorsch-
31       vloer en perskuip brachten.\' Gij moogt het eten in welke plaats gij
wilt, met uw gezin; want het is het loon voor uw arbeid in de tent
32       der samenkomst; \' gij zult in deze zaak geen schuld op u laden
wanneer gij het beste er van wijdt. Maar gij zult de heilige gaven
der Israëlieten niet ontwijden; opdat gij niet sterft.
23. gij tullen hunne schuld dragen, d. i. zij zullen de misgrepen boeten die in het hun toevertrouwde
deel van den dienst begnun wordeu; verg. vs. 1.
29. al — wordt, tienden en andere gaven. — van al het bette, letterlijk van al zijn vet.
32. Maar — ontwijden, wat zij zouden doen indien zij er de Jahwe\'s-gave niet van afzonderden.
#
HOOFDSTUK XIX.
Het wijwater. — Jahwe beveelt eene roodc koe te verbranden, om de nsch te verkrijgen waaruit
wijwater bereid wordt (1—10); daarmede moet ieder die een lijk heeft aangeraakt ontzondigd worden
(11—13). Ieder die eene tent binnenkomt waar iemand gestorven is, al wie daarin is en elk open
vat is onrein (14 v.); ook wie op het veld een lijk, doodsbeen of graf aanraakt (16); hoe zulke ver-
ontreinigde menschen en voorwerpeu met wijwater besprenkeld moeten worden, om den zevenden dag
na bad en kleederwassching rein te zijn (17—19); wie het verzuimt begaat eene doodzonde (20); on-
roin wordt wie het wijwater heeft aangeraakt (21); desgelijks elk mensch en elke zaak die met een
onreine in aanraking geweest is (22).
Evenals bij vele oude volken, Indiërs, Perzen, Grieken, Romeinen, werd onder Israël een lijk voor
iets veroutreinigends gehuuden. De vroegste getuigenissen dienaangaande zijn Deut. XXI: 23; Ezech.
IX: 7; XLIV:25; Hagg. 11:14. Zeer oud kan die beschouwing niet geweest zijn; wij kunnen ons
toch moeilijk voorstellen, hoc in den tijd der richteren, zelfs hoe in dien der koningen, waarin oor-
logen aan de orde van den dag waren en de oorlog ter eer vnn Jahwe gevoerd werd, de aauraking
van lijken voor verontreinigend kan gehouden zijn. Waarschijnlijk moesten eerst alleen de priesters
zich daarvoor wachten en bij verontreiniging zich ontzondigen, en is die eisch later tot alle Israëlie-
ten uitgestrekt. Deze schijnt in onoplosbare tegenspraak met den hoogen prijs die onder de Joden
altijd op het begraven van dooden, zelfs op de deelneming aan ecue teraardebestelling, als op een
Godc welgevallig werk, gesteld is. Toch hangt hij er waarschijnlijk nauw mede samen. Immers, on-
dor Israël werden, evenals bij vele volken, de dooden vereerd (zie op Deut. XXVI: 14) en was de be-
graafplaats heilig; doodenbezwering en waarzeggerij met behulp der afgestorvenen stond hiermede in
verband. Waren deze gebruiken eu beschouwingen den meest ontwikkelden Israëlieten, als afgoderij,
ecu doorn in het oog, dan is het verklaarbaar, hoe men eerst de priesters, toen zooveel mogelijk de
leden des volks, daarvan heeft zoeken af te houden door het lijk en het graf voor verontreinigend te
verklaren.
Wat de ontzondiging betreft, het verdient opmerking dat de hier gegeven verordeningen in strijd
-ocr page 269-
NUMBRI XIX : 1—9.
349
zijn met die van Lev. V. Daar toch is een schuldoffer opgelegd aan ieder die o. a. (zie va. 3) „iets
onreins van een mensch nauraukt, welke onreinheid ook waardoor hij onrein wordt." Hiertoe toeh
behoort niet in de laatste plaats, zouden wij niecnen, de aanraking van een lijk. Toch legt ons hoofd-
stuk geen olfer op aan iemand die zich aan een doode of\' ecu graf heeft verontreinigd. Dit kan ons
intusschen niet bevreemdcu: het zou inderdaad onmogelijk geweest zijn, zulk een eisch ingang te doen
vinden. Elke aanverwant vau ceu overledene en iedereen die aan de uitvaart deel nam en de bcgraaf-
plaats betrad kon toch niet gedwongen worden om een offer te brengen! Het was reeds sterk genoeg
dat zij voor onrein verklaard en tot besprengingen verplicht werden.
Ons hoofdstuk, dat blijkens de tegenspraak met Lev. V niet in Ezra\'s Wetboek gestaan heeft, bestaat
uit twee dcelen: vs. 1—13 en vs. 14—22. Het laatste is zeker een jonger toevoegsel, dat de manier
waarop het wijwater met de asch der roodc koe bereid moet worden — in vs. 1—13 als bekend
ondersteld — beschrijft en ook omtrent de verontreinigende kracht van het lijk, alsmede van het
wijwater zelf, nadere bepalingen geeft.
Waarom deze wet hier is geplaatst, en niet bij Lev. XI—XVI, waar over de onreinheid gehandeld
wordt, weten wij niet.
XIX: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes en Aüron:\' Dit is de wetsinzetting die
Jahwe bevolen heeft. Gelast den Israëlieten dat zij u eene roode koe
brengen, gaaf zonder gebrek, waarop nog nooit een juk gelegd is.\'
3       Gij zult die geven aan den priester Eleazar, en men zal haar buiten
4       de legerplaats brengen en te zijnen aanschouwen slachten.\' Dan zal
de priester Eleazar met zijn vinger van het bloed nemen en daar-
mede zevenmaal sprenkelen in de richting van de voorzijde van de
5       tent der samenkomst. \' Daarna zal men de koe voor zijne oogen ver-
branden; haar huid, vleesch en bloed zal men met de pens verbran-
G den;\' voorts neemt de priester cederhout, hysop en karmijn en werpt
7       dit op de overblijfselen der verbrande koe.\' Dan zal de priester zijne
kleederen wasschen en zijn lichaam in water baden; daarna mag hij
weder in de legerplaats komen, maar hij is tot den avond onrein.\'
8       Ook zal hij die het dier verbrand heeft in water zijne kleederen was-
9       schen en zijn lichaam baden, en onrein zijn tot den avond. \' Voorts
zal een rein man de asch der koe verzamelen en die buiten het leger
1.   en Aaron. Daar in vs. 2 gelaat in het enkelvoud staat (verg. op vs. 3), is dit waarschijnlijk
later ingevoegd.
2.  waarop — it. Hetzelfde wordt geëischt ten aanzien van de vaars waarover Deut. XXI: 3 handelt,
anders van geen offerdier. Maar ook bij andere volken golden dieren die nooit voor eenigen arbeid
gebruikt waren voor bijzonder waardig ten offer. Om dezelfde reden worden Exod. XX: 25 alleen on-
gehouwen sternen voor geschikt verklaard om daarvan een altaar te bouwen, en 1 Sam. VI :T; 2 Sam.
VI: 3 een nieuwe wagen om er Jahwe\'s ark op te vervoeren. Zie ook Deut. XXI: 4; 2 Kon. 11:20.
3.   Gij, in het enkelvoud, d. i. Mozes, hoewel volg. vs. 1 Jahwe tot hem en Aaron sprak. Zoo volg.
Gr. vert.; Hebr. t. heeft het meervoud; verg. op vs. 1. — den prietler Eleazar. Indien het opschrift
Jahwe iprak tot Mozet en Aaron oorspronkelijk bij de wet behoord heeft, dan is opzettelijk niet
Aüron, de hoogepriester, maar zijn zoon aangewezen om deze plechtigheid te leiden; wat verklaard
kan worden uit den verontreinigenden invloed der handeling (vs. 7), waarvoor men den hoogepriester
wilde vrijwaren. Maar inderdaad is zij altijd voltrokken door een hoogepriester. Althans, do overlc-
vering heeft de namen van cenige hoogepriesters bewaard die het gedaan hebben. Het is dus waar-
schijnlijk dat deze wet eigenlijk had moeten staun na XX: 22—20, waar Aürons dood wordt verhaald,
on dat Eleazar hier oorspronkelijk als zijn opvolger genoemd werd. Verg. op vs. 1. — men, volg. Gr.
vert.; Hebr. t. hij; evenzoo vs. 5.
4.   in — tamentonut. Ondersteld wordt, hoewel dit vs. 8 niet gezegd is, dat de handeling plaats
heeft ten oosten vau de tent der samenkomst. Dit komt overeen met de werkelijkheid. Immers, zoo-
lang de tempel stond, werd „de roode koe" op den Olijfberg verbrand.
6. cederhout, hysop en karmijn. Zie op Lev. XIV: 4 v.
7 v. Verg. Lev. XVI: 26—28.
9. een rein man. Dat dit een priester moet zijn staat er niet bij. Ook is vs. 3 niet bepaald dat
alleen een priester het wijwater bereiden en er mede sprengen mag. Toch was volgens de schriftge-
leerden hij alleen er toe bevoegd. — om — bereiden. Hoe dit geschiedt, wordt hier als bekend onder-
iteld; eerst vs. 17 v. beschrijft het. Men zou uit dit vers kunnen opmaken dat alleen op de hier ver-
melde reine plooit wijwater bereid werd; maar inderdaad kregen aile priesters die het begeerden iets
van de heilige asch in een kokertje en maakten zij daarmede wijwater waar zij wilden. De Hcbreeuw-
sche naam voor wijwater beteekent letterlijk het water der vuilheid, d. i. dat waarmede de onreinheid
wordt verwijderd. Ook bij de Romeinen werd asch van verbrande kalveren als zoenmiddel gebezigd.
— die — zondoffer, letterlijk het it een zondoffer. Zie op vs. 17.
-ocr page 270-
NWMERI XIX : 9—22.
350
op eene reine plaats leggen. Zij zal voor de gemeente der Israëlieten
bewaard worden, om daarmede wijwater te bereiden; die koe is een
10       zondoffer.\' En hij die de asch verzameld heeft zal zijne kleederen was-
schen en tot den avond onrein zijn. Het zal den Israëlieten en den
vreemde die onder hen verblijf houdt tot eene eeuwige inzetting zijn.\'
11       Hij die het lijk van eenig mensch aanraakt zal zeven dagen onrein
12       zijn;\' op den derden en op den zevenden dag zal hij zich daarmede
laten ontzondigen; dan wordt hij rein; indien bij zich op den derden en
13       op den zevenden dag niet laat ontzondigen, wordt hij niet rein.\' Al
wie het lijk van eenig mensch die gestorven is aanraakt en zich niet
laat ontzondigen heeft den tabernakel van Jahwe verontreinigd: die
persoon zal uitgeroeid worden uit Israël; omdat geen wijwater op hem
gesprengd is zal hij onrein zijn en blijft zijne onreinheid op hem.
14            Dit is de wet: Indien een mensch in eene tent sterft, dan zal ieder
die de tent binnenkomt en al wie er in is zeven dagen onrein zijn.\'
15       En ieder open vat waarop geen vastgemaakt deksel ligt is onrein.\'
10 Ook zal ieder die op het veld een door het zwaard verslagene of een
gestorvene of een menschenbeen of een graf aanraakt zeven dagen
17       onrein zijn. \' Men zal dan voor den onreinen mensch iets van de asch
van het verbrande zondoffer nemen en daarbij levend water in een vat
18       doen;\' daarop zal een rein man hysop nemen en in dat water doopen
en daarmede de tent, al hare meubelen en alle personen die er in
waren besprenkelen; eveneens hem die een doodsbeen, een verslagene
19       of gestorvene of een graf heeft aangeraakt.\' De reine zal den onreine
op den derden en op den zevenden dag besprenkelen, en op den zeven-
den dag hem ontzondigen; dan zal bij zijne kleederen wasschen, een
20       bad nemen en des avonds rein zijn. \' En indien iemand verontreinigd
ia en niet ontzondigd werd, die mensch zal uitgeroeid worden uit de
vergadering; want hij heeft Jabwe\'s heiligdom verontreinigd: er is
21       geen wijwater op hem gesprengd; onrein is bij.\' Het zal u tot eene
eeuwige inzetting zijn. En hij die het wijwater sprenkelt zal zijne
kleederen wasschen, en die het wijwater aanraakt zal tot den avond
22       onrein zijn. \' Ook wordt alles waaraan een onreine raakt onrein, en de
persoon die hem aanraakt is onrein tot den avond.
11.  van eenig meusrh, dus mnn of vrouw, vrije of slaaf, volwassene of kind, bloedverwant of vreemde.
Of er ook heidenen onder Ingrepen zijn, blijkt niet.
12.  zal — ontzondigen. Dit kan ook vertaald worden hij zelf zal zich daarmede ontzondigen. Is dit
de ware vertaling, dan is bet vers in strijd met vs. 18 en met de praktijk, volgens welke alleen een
priester het mocht doen, — dan ic.vdl hij rein, volg. Sam. en Gr. t.
18. heeft — verontreinigd. Verg. Ut. XV: 31; XVI: 16.
14.  in eene tent, overeenkomstig de inklcediug der wet, die heet in de woestijn gegeven te zijn;
de schrijver bedoelt ecu huis, in tegenstelling met vs. 16. De schriftgeleerden hebben, om de zeer
groote moeilijkheden, aan het voorschrift, verbonden, indien men „tent" door „huis" vervangt, te ver-
mijden, verordend dat een doek boven een stervende gespannen de „tent" hecten zou; zoodat alleen
de mensch en het voorwerp die daaronder waren verontreinigd werden.
15.  rat, schaal, llcsch en wat dies meer zij. — vattgemaakt, onzekere vertaling.
17.  het zondoffer. Dit wijst terug op vs. 9, waar „de roode koe" een zondoffer heet. Misschien
werd oorspronkelijk aan de asch vau elk zondoffer reinigende kracht toegeschreven en dienden de
woorden die koe il een zondoffer in vs. 9, om de asch van alle zondoffers door die van de roode koe
te doen vervangen. — levend water, altijd stroomend; verg. Deut. XXI:4.
18.  een rein man. Verg. op vs. 9.
21.  Uit zal wel voorgeschreven zijn ten einde omzichtigheid in het gebruik van het heilige water
te bevorderen; verg. inl. op Lev. XI—XVI. — «, volgeus schier alle oude getuigen; Hebr. t. hun.
22.  De aan een doode verontreinigde maakt zelf weder onrein; evenals de persoon of de zaak die
door eene vrouw in hare stonden verontreinigd is, Lev. XV: 19—31.
HOOFDSTUK XX: 1—13.
De zonde van Mozes en Aëron. — Israël in Kades; dood van Mirjam (1); het volk mort over
watergebrek en de ouvruchtbaarheid der woestijn (2—5); Mozes en Aëron gaan naar de tent der
-ocr page 271-
NüMKRI XX : 1—9.
351
samenkomst, waar Mozes van Jahwe tien lost krijgt, met den wouderstaf water uit de rots te slaan
(6—8). Zij verzamelen het volk; Mozes slaat twee keer op de rots, en het volk wordt gedrenkt (9—11).
Jahwe kondigt Mozes en Aaron aan, dat zij tot straf voor huti ongeloof het beloofde land niet be-
treden zullen (12 v.).
Een verhaal van deze strekking heeft ongetwijfeld in het Oude-Sngcnbock gestaan; zie Kxod.
XV11: 1—7. Ook het Wetboek van Kzrn heeft een dergelijk bericht behelsd; zie vs. 2-t; XXVII: 14;
Deut. XXXH:51. Met gecne der voorstellingen van het gebeurde in Kades, in deze plaatsen vervat,
komt die van ons verhaal overeen. Waarschijnlijk is het de vrucht ecner pogiug om de oudere voor-
stelling in den geest der jongere om te werken.
Welke de drijfveer des schrijvers was, is duidelijk. De overlevering, dat Mozes Israël uit Kgypte
gevoerd, maar Jozua het in Kanuüii gebracht had, deed de vraag rijzen: Waarom werd het Mozes
niet vergund het beloofde land te betreden? Het antwoord dat Jahwe de zonden des volks aan Mozes
bezocht had (Deut. I : 37) bevredigde op den duur niet. Dienvolgens werd hem eeue daad van ongc-
loof of van weerspannigheid toegedicht, waarvoor Jahwe hem gestraft had. De naam van Aaron is er
zeker ingevoegd om den lezer op het verhaal over zijn dood, vs. 22—29, voor te bereideu.
XX: 1 De Israëlieten, de geheele gemeente, kwamen in de woestijn Tsin
in de eerste maand, en het volk bleef te Kades; daar stierf Mirjam
2       en werd er begraven. \' Eens, toen de gemeente geen water had, spande
3       zij samen tegen Mozes en Aaron.\' En het volk maakte twist met Mozes
en zeide: Och of wij maar omgekomen waren, toen onze broeders voor
4       Jahwe\'s aangezicht den geest gaven!\' Waarom hebt gij Jahwe\'s ver-
gadering in deze woestijn gebracht om er met ons vee te sterven!\'
5       Ja, waarom hebt gij ons uit Egypte opgevoerd, om ons in dit slechte
oord te brengen, waar graan noch vijg, wijnstok noch granaat is, noch
ook water om te drinken?
fi          Nu gingen Mozes en Aiiron van voor de vergadering naar den in-
gang van de tent der samenkomst en vielen op hun aangezicht. De
7       heerlijkheid van Jahwe vertoonde zich aan hen,\' en Jahwe sprak tot
8       Mozes: \' Neem den staf, vergader met uw broeder Aiiron de gemeente
en spreek te hunnen aanschouwen tot de rots; dan zal zij water geven:
gij zult voor hen water uit de rots doen vloeien en de gemeente he-
nevens haar vee drenken.
9           Toen nam Mozes den staf, die voor Jahwe lag, zooals hij hem be-
1.  de geheel? gemeente, toevoegsel van den omwerker. Desgelijks vs. 22. — Ttin. Zie op XIII: 21. —
de eerste maand, van welk jaar wordt niet gezegd. In het verband waarin het verhaal nu staat
wordt het veertigste bedoeld; zie vs. 22—29, verg. XXXIII:38 v.; maar de schrijver van het Oude-
Sagcnbock stelde het verblijf in Kades veel vroeger; zie op XIII: 20 en op Deut. 1: 10. Waarschijnlijk
heeft do omwerker met opzet de opgave van het jaar weggelaten; verg. inl. op XXI: 1—XXIItl. —
Kades. Zie over de ligging op Gen. XIV: 7. Waarschijnlijk heeft deze plaats in de oude overleveringen
van de Judeërs en de met hen verbonden stammen grooter rol gespeeld dan wij uit de zeldzame
vermelding er van in de verhalen van de Wet zouden opmaken. Immers, zij ligt niet ver van
Bersjeba, aan de zuidelijke grens des lands, in welke streek vermoedelijk de Judeërs en de Simeo-
nieten geruimen tijd vertoefd hebben, toen de met hen verwante Israëlietische stammen reeds iu het
Overjordaansche en in Noord-I\'alcstina gevestigd waren. De naam Kades, d. i. ,heilig\', en die van
Rechtsbron, Gen. XVII: 7, wijzen er op dat die plaats eenmaal een middelpunt van rechtspraak, wet-
geving, bestuur geweest is. Wanrom de bewerkers dier volksoverleveringen zich gedrongen voelden,
haar zooveel mogelijk in de schaduw te zetten, zie inl. op Kxod. 1:1—XXIV : 11. — Mirjam. Zie
op XII:l.
2.   spande — Aiiron. Dit schijnt door den omwerker ingelast te zijn, daar het niets anders behelst
dan vs. 3a, behalve dat hier ook Aaron voorkomt.
3.  toen — gaven, terugslag op II. XVI.
5. granaat, een verscheiden meter hooge boom, die o. a. door zijne hoogroodc bloesems een sieraad
is voor tuin (Hoogl. IV: 13; VII: 12) en beemd. De vrucht, bij de Romeinen „de fenicische appel"
genoemd, heeft eeno schoune, roode schaal en bevat nevens het vlecsch cene menigte saprijkc pitten. Men
gebruikte haar als lekkernij cu bereidde er een drank uit (Hoogl. VIII: 2). Waarschijnlijk om het
groot aantal pitten, was die appel bij meer dan een volk zinnebeeld der vruchtbaarheid. Ook bij Israël
was hij een versieringsmotief aan heilige voorwerpen; zie Kxod. XXVIII : 33 ; 1 Kon. VII: 18.
8. den staf. Het oorspronkelijke verhaal zal wel uw staf hebben gehad, nl. den wouderstaf van
Mozes, Kxod. IV: 17 enz.; maar de omwerker verving dien door een staf die voor Jahwe, d. i. in de
tent der samenkomst, lag (vs. 9), en bedoelde daarmede den staf van Aaron (XVII: 10). — spreek.
De grondtekst heeft het meervoud. — dam — geven, letterlijk dan zal zij haar Kater, d. i. het water
dat er in is, geven.
-ocr page 272-
352                                          numbri XX : 9—21.
10       volen had.\' En nadat Mozes en Aaron de vergadering tegenover de
rots bijeengebracht hadden, zeide hij tot hen: Hoort toch, weerspanne-
11       lingen! Zullen wij voor u uit deze rots water doen vloeien?\' Daarop
hief\' Mozes zijne hand op en sloeg de rots tweemaal met zijn staf\'.
Toen vloeide er veel water uit; zoodat de gemeente met haar vee
drinken kon.
12           Maar Jahwe zeide tot Mozes en Aüron: Omdat gij niet in mij ge-
loofd en dientengevolge mij niet geheiligd hebt voor de oogen der
Israëlieten, daarom zult gij deze vergadering niet brengen in het land
13       dat ik haar geef. —\' Dit is het water van Meriba, waar de Israëlieten
met Jahwe getwist hebben en hij zich onder hen als den Heilige heeft
doen kennen.
12.   De overtreding vun Mn/r* bestond dus hierin, dat hij, in plaats van naar Jnhwe\'s last (vs. 8)
tot de rots te spreken, met geweld tweemaal op haar geslagen had, omdnt hij maar half geloofde dat
Jahwe het wonder doe» zou. Eene andere opvatting vs. 24.
13.   De eerste helft van dit vers heeft tot bet oorspronkelijke verhaal behoord, waarin, evenals in
Exod. XVII: 1—7. het volk de schuldige was -. de laatste is van den ovcrwerker, die Mozes\' en Aarons
zonde wilde verhalen. — Meriba. Zie op Exod. XVII : 7. — hij — kennen, letterlijk hij in hen
geheiligd
/.», d. w. z. dat hij door de bestraffing van Mozes en Aaron zijne eer gehandhaafd heeft;
verg. Ezech. XXVIII:25.
HOOFDSTUK XX: 14—21.
Israël en Edom. — I)e Israëlieten vragen den Edomieten vergunning door hun land te trekken
<ll—17", dezen weigeren, ook als de Israëlieten bij herhaling beloven geen overlast te zullen aau-
docn (18—20a); als Edom hen gewapenderhand weert, kiest Israël een anderen weg (204, 21).
Een verhaal uit De Elohist, zich aansluitend aan dut van de verspicding des lnnds, in XIII, XIV
vervat. Ondersteld wordt, dat het volk, verhinderd over de zuidergrens in Kanaün te driugen en ver-
oordecld tot omzwerving, zich naar de groote woestijn ten oosten van den Seïr en Palestina wil bc-
gevcn, en wel langs den kortsten weg, over den Seïr, het grondgebied der Edomieten. In tegenspraak
met dit verhaal, wordt Deut. II: 2—8 geleerd, dat de Israëlieten wel degelijk het land der Edo-
mieten zijn doorgetrokken, maar op bevel van Jahwe zich gewacht hebben den inwoners, die bevreesd
voor hen waren, overlast aan te doen.
XX: 14 Mozes zond uit Kades boden naar den koning van Edom met den
last: Zoo zegt uw broeder Israël: Gij weet zelf, hoevele moeiten mij
15 getroffen hebben.\' Onze vaderen gingen af naar Egypte, en wij woon-
den daar geruimen tijd. De Egyptenaren behandelden ons en onze
1(5 vaderen slecht; \' doch toen wij tot Jahwe riepen, verhoorde hij ons,
zond een engel en voerde ons uit Egypte. Nu zijn wij te Kades, eene
17       stad aan de grens van uw grondgebied.\' Sta ons toch toe door uw
land te trekken. Wij zullen onzen weg niet nemen over akker of wijn-
gaard, noch het putwater drinken; den koninklijken weg zullen wij
houden, zonder ter rechter- of ter linkerzijde daarvan af te wijken,
18       zoolang wij uw grondgebied doortrekken.\' Maar Edom zeide tot hem:
Gij zult niet door mijn land trekken; anders treed ik u met het zwaard
19       te gemoet.\' De Israëlieten zeiden tot hem: Wij zullen de heirbaan
houden, en indien ik of mijn vee van uw water drinken, zal ik er den
prijs voor geven. Er is geen kwaad bij; te voet zal ik doortrekken.\'
20       Maar hij zeide: Gij zult niet doortrekken. En Edom trok uit, Israël
21       te gemoet, met een geducht leger en eene sterke macht.\' Toen nu Edom
aan Israël weigerde over zijn grondgebied te trekken, keerde Israël
zich van hem af.
HOOFDSTUK XX: 22—29.
A&rous dood. — Israël verlaat Kades en komt aan den Hor (22), waar Jahwe Mozes aankondigt
dat Aaron tot straf voor hunne weerspannigheid sterven moet zonder het beloofde land te zien (23 v.).
-ocr page 273-
353
numbm XX: 22—29.
en hem gelast, den berg met Aiiron en Eleazar te bestijgen en dezen met het plcchtgcwnad van zijn
vader te beklccden (25 v.). Mozes gehoorzaamt en keert, na Aarons verscheiden, met Eleazar van den
berg terug (27 v.); waarop de Isrnëlicten Aiiron bcwecnen (29).
Deze verzen zijn, evenals XXVII; 12—23, waar Mozcs op Jahwe\'s bevel Jozua tot zijn opvolger
aanstelt, uit Kzra\'s Wetboek. 11e inhoud is in strijd met Deut. X : ö (zie aldaar).
XX: 22 De Israëlieten, de gebeele gemeente, braken op van Kades en kwa-
23       men aan den berg Hor.\' Daar, aan den berg Hor, op de grens van
24       Edoms land, zeide Jahwe tot Mozes en Aiiron:\' Aiiron zal tot zijn volk
verzameld worden; want bij zal bet land dat ik den Israëlieten geef niet
binnengaan, omdat gij beiden tegen mijn bevel weerspannig zijt geweest
25       aan bet water van Meriba.\' Neem Aiiron en zijn zoon Eleazar en doe
26       ben den berg Hor bestijgen.\' Trek Aiiron zijne kleederen uit en doe
ze zijn zoon Eleazar aan; Aiiron zal daar tot zijn volk verzameld wor-
27       den en sterven. \' Mozes deed zooals Jabwe bevolen bad: zij bestegen
28       den berg Hor voor de oogen der gebeele gemeente.\' En Mozes trok
Aiiron zijne kleederen uit en deed ze zijn zoon Eleazar aan. En Aiiron
stierf aldaar, op den bergtop; waarna Mozes en Eleazar van den berg
29       afdaalden.\' Toen de gebeele gemeente zag dat Aiiron den geest gegeven
bad, beweende bet gansebe huis Israël hem dertig dagen.
22. de gekeele gemeente. Als vs. 1. — Hor, van elders onbekend, komt nog XXXIII: 37—39 voor.
24. lot — worden. Zie op Gen. XV: 15. — omdat — Meriba. Uit slaat terug op het verhaal over
Mozes\' en Aarons zonde dat in Kzra\'s Wetboek gestaan heeft; zie inl. op vs. 1—13.
26. zijne kleederen. Verg. Kxod. XXVIII: 2—39. — tot zijn volle, duidelijkhcidshalvc naar vs. 21
ingevoegd.
29. dertig dagen, even lang als Mozes; zie op Deut. XXXIV : 8. De rouw over Jakob duurde volg.
Gen. L : 3 zeventig dagen.
HOOFDSTUK XXI: 1—XXII: 1.
De omzwerving, cu de verovering van het Ovcrjordaanschc. — De Kanaanictische koning van Arad
brengt den Israëlieten eenc nederlaag toe; waarop dezen de gelofte afleggen, al zijne steden met den
ban te zullen slaan, wanneer zij ze in handen krijgen; wat zij ook gedaan hebben (XXI: 1—3). De
Israëlieten breken op, om het laud van Edom om te trekkeu, en klagen onderweg over gebrek aan
water cu de smakeloosheid van hun voedsel; welke zonde Jahwe door vergiftige slangen straft
(4—0); op \'s volks verzoek, bidt Mozcs Jahwe om redding, en deze gelast hem eenc koperen slang
op te richten: ieder die daarnaar ziet herstelt (7—9). Opgave van cenige halten der Israëlieten; bij
twee er van een paar versregels (10—20). De Israëlieten vragen Sihon, den Amorictischcn koning
van Ilesbon, om vrijen doortocht, met belofte gceuerlci overlast te zullen veroorzaken; als hij hunne
bede afslaat en tegen hen te velde trekt, wordt hij door hen overwonnen en zijn land in bezit ge-
nomen (21—20). Aanhaling van een lied op eenc nederlaag, den Monbicteu door Sihon toegebracht
(27—30). Na zich in Sihons land gevestigd te hebben, ncincu de Israëlieten Jnëzcr in en trekken op
tegon Og, den koning van llazan, wiens land zij veroveren (31—35). Zij legeren zich tegenover
Jcricho (XXII: 1).
Tolteken het opbreken uit Kades (XX : 22) en het overtrekken van den Zcred (XXI: 13), waarop
de verovering van het Overjordnansche is gevolgd, zijn volgens Deut. II: 14 acht en dertig jaren ver-
loopen, welke tijd is doorgebracht met het omtrekken van den Seir, d. i., naardien dit slechts weinige
dagen tijds zou vereischt hebben, met nl heen en weer trekken langs het gebergte. Ons hoofdstuk
geeft ons die voorstelling niet, en doet ons eer denken, dnt de Israëlieten, na lang te Kades vertoefd
te hebben (XX: 1), van daar in eens den Scïr omgetrokken en aan de grens van Sihons rijk nnnge-
komen zijn. Blijkbaar heeft de schrijver van ücuteronomium in de niet zeer duidelijke verhalen dio
hem ten dienste stonden vergeefs nnar een antwoord gezocht op de vraag, waar de Israëlieten hun
straftijd (XIV: 22—25) hebben doorgebracht, en daarom hun verblijf te Kades aan het eind van het
tweede jaar laten alloopcn. Ook iu zijne voorstelling van de verhouding vnn Israël tot Edom en
Moab wijkt hij van zijne zegslieden af (zie inl. op XX: 14—21 en aantt. op Deut. 11:4—8 en 9).
Historisch gewaarborgd is van dit alles alleen dit, dut eenige Israëlietischc familiën zich in het
Ovcrjordaansche gevestigd hebben voordat andere in Wcst-l\'alc9tinn binnendrongen. Immers, toen en
lang daarna vormden de stiimincn nog geen volk en handelden dus ook niet eendrachtig (zie inl. op
O T. I.
                                                                                                                          23
-ocr page 274-
354                                           ncmbri XXI: 1-6.
Jozva). Onder welke omstandigheden zij het Ovcrjordnanschc veroverd hebben, in welke betrekking
/.ij toen tot Monbictcn en Aininonictcu stonden, of toen werkelijk te I lesbon een Amorietisch koning
regeerde, is niet inccr uit te inukcn. Dat de streek ten noorden vun den Ariion, ten westen van het
land iler Ammonicteii, ecnmnnl tot het gebied der Moabieten heeft behoord, is uiiwcdcrsprckclijk: Dibon,
Medeba. Ranl-ini\'ou. Kirjathaim, Aroër, llesbon, alteinaal daar gelegen, hectcii in Jcz. XV, XVI; Jer.
XI.V1II Moabietbehe steden, en de streek ten noorden van de Doodt; Zee draagt vs. 20 en elders den
uuaiii van „veld vnu Moab". De vraag is slcehts, of werkelijk in Hom\' tijd ecu vorst uit het land
ten westen van den Jordann deze landstreek had onderworpen, zoodnt tic Moabieten en Aiiiinonietcii
dientengevolge in de Israëlieten helpers tegen hem konden begroeten. Dit is mogelijk; maar het kan
ook zijn dat dit Ainorieteurijk een verdichtsel van later eeuw is, toen den Israëlieten in het ()vcr-
jordaausehe verweten werd dut hunne vaderen land in bezit hadden genomen hetwelk aan Moab en
Ainiuon behoord hiul. In dit geval traeht de schrijver zijn volk tegen die beschuldiging te verdedigen,
door aan te tooncii. dat die streek door Israël niet op Moab, maar op een Amorictisch vorst vcr-
overd is. /.ie over deze manier vnu ecu geschilpunt uit te maken Ren. XXXI : (1—55 (verg. iul. op
Gen. XXX:25—XXXII :i) en Richt. XI: 12—24.
De deelcn waar uil ons hoofdstuk bestaat zijn waarschijnlijk alle aan het Oudc-Sagcuboek unllccnd
en daarin opgenomen uit I)c Klohist, vs. 44—\'.» uit de Judccschc bewerking hiervan. Vs. 10—20 schijnt
tot eenc lijst vnn halten der Israëlieten, als II. XXXIII (verg. Dcut. X : 8 v.), behoord te hebben cu
in De Klohist opgenomen te zijn. — Over de bctcckcnis van vs. 1—3 en 4—0 zie de nnntt. aldaar.
XXI: 1 Toen de Kunaiiniet, de koning vun Arad, die in liet Zuiden woonde,
hoorde dat knel den weg naar Atharim had ingeslagen, oorloogde hij
tegen Israël en voerde eenigen uit het volk als gevangenen weg.\'
2       Hierop legde Israël deze gelofte aan Jahwe af: Indien gij dit volk
3       in mijne hand geeft, zal ik hunne steden met den han slaan.\' En
Jahwe verhoorde Israël en gaf de Kanaauieten in hunne hand; waarop
zij hen en hunne steden met den han sloegen en de plaats Horma
noemden.
4           Toen braken zij op van den herg Hor, in de richting der iSchelfzee,
om het land van E/dom om te trekken. Maar het volk werd onderweg
5       mismoedig\' en sprak onbeschoft tegen God en Mozes: Waarom heht
gij ons uit Egypte opgevoerd om in de woestijn te sterven. Want er
(i is brood noch water, en wij walgen van dit ellendige voedsel.\' Hierop
1—8. Volgens Iticht. 1:17 hebben de Judeëra en Simeonioten un den dood van Jozuu eene stad
Sefath, die nabij Artul lag, veroverd en Horma, d. i. .verbanning\', genoemd; terwijl Joz. XII: II de
koningen vnn Horma eu Arud naitst elkander genoemd worden. Is het gebruik dezer beide namen hier
dus niet nauwkeurig, wat den tijd der verovering betreft is er geen verschil tusschen de berichten.
Immers, al deuken wij onwillekeurig, door de plaats waar deze verzen staan, dat hier eene verovc-
ring van Horma in den tijd van Mozes verhaald wordt, de bedoeling van den schrijver is waarsc.hijn-
lijk eene andere geweest, liet bericht XIV: 15, dat de bewoners van het Zuiden de Israëlieten hadden
verslagen e.n tot Ilorum uiteengejaagd, deed de vraag rijzen of daarover geen wraak genomen was.
Wel is waar hadden de Israëlieten zich die nederlaag door hunne ongehoorzaamheid op tien hals gc-
hauld. maar zij hadden toch later met Jnliwc\'s hulp de Kaïiniuiictcii overwonnen. Daarom wijst hij op
de latere verovering der stntl die den naam van Horma heeft ontvangen, als vervulling vnu Israëls
gelofte iu den tijd van Mozes. Verg. op Kxod. XXXII: 35.
1. Verg. XXXIII: 10, — Arad, eene stad in het Zuiden (waarover zie op Gen. XII :!> en op Joz.
XV: 81), XXXIII:40; Joz. XII: 14; Kit ht. 1:10 vermeld. — Atharim, onbekende plaats.
3.   in hunne hnml, vtdg. Saiu. eu Kr. t. ingevoegd. — de plaatt Horma noemden. De schrijver drukt
zich zeer onnauwkeurig uit. Immers, slechts eene der steden, die welke vroeger Hefath heette, werd
volg. Richt. 1:17 Horma genoemd. Deze naam komt nog voor XIV: 45; Dcut. 1:44; Joz. XII: 14;
XV: 30; XIX: 4; 1 Sam. XXX: 30; 1 Kron. IV: 30.
4.   Toen — Hor. Deze woorden, zijn vnn den Verzamelaar, die zóo het door het verhaal van Aiirous
duotl afgebroken bericht omtrent Israëls reis, XX: 22, weder opvat. — de Sehelfzee. Zie op Kxod.
XIII : IS. Uier heet zoo de golf van Akaba. langs wier noordelijke punt, bij Kluth, tic groote weg
loopt van Kgypte naar Arabic.
44—\'.). Dit verhaal, waarop Joh. 111:14 en 1 Cor. X:0 gezinspeeld wordt, dient om cene otiaan-
stootclijke verklaring te geven van de koperen slang die tot den tijd van Hizkia te Jeruzalem stond
en Mozes\' werk heette. Die oude afgod, dien Hizkia stuksloeg, wordt hier gemaakt tot een ccrwaar-
dig overblijfsel uit de oudheid, een voorwerp op Jahwc\'s last vervaardigd, doch niet ter aanbiddiiig,
maar als middel ter genezing. De schrijver van 2 Kon. XVIII : 4 kent het verhaal, dat, waarschijn-
lijk na het vernielen van het beeld, opgctcckcud is, om Mozes vrij te pleiten van de beschuldiging
dat hij den bccldcndicnst zou hebben bevorderd; verg. inl. op Kxod. XXXII—XXXIV. Over de slang
als heilig dier zie op Gen. 111:1.
5.   dit ellendige, letterlijk te lichte, voedsel. Zoo heet hier het manna; xie XI : 11.
-ocr page 275-
355
NÜMBRI XXI : 6—20.
zond Jahwe op liet volk vergiftige slangen af, tlie het beten; zoodat
7       veel volks van Israël stierf.\' En het volk kwam tot Mozes en zeide:
Wij hebben gezondigd, door onbeschoft tegen Jahwe en u te spreken:
bid tot Jahwe, dat hij van ons die slangen verwijden. Dientengevolge
8       bad Mozes voor het volk,\' en Jahwe zeide tot hem: Maak zulk eene
slang en zet die op een staak. Ieder die geheten is en daarnaar ziet
9       zal iu het leven blijven.\' Toen maakte Mozes eene koperen slang en
plaatste die op een staak: wanneer nu eene slang iemand had gebeten
en hij zag naar de koperen slang, dan bleef hij in leven.
10, 11 De Israëlieten braken op en legerden zich te Ohoth.\' Zij braken op
uit Ohoth en legerden zich in Ijje-haübarim, in de woestijn die vóór
12       Moab, ten oosten van dit land, ligt.\' Van daar braken zij op en legerden
13       zich in het dal van den Zered.\' Van daar braken zij op en legerden
zich aan de overzijde van den Amon, die in de woestijn is en uit het
grondgebied der Amorieten komt; want de Amon was de grens van
Moab, tusschen de Moabieten en de Amorieten.
14           Daarom wordt gezegd in het boek van Jahwe\'s oorlogen:
. .. .Waheb in tëufa en de beken, den Amon,
15                  en de helling der beken die naar de streek van Ar neigt
en leunt aan het grondgebied van Moab.
lfi          Van daar naur Beer. Dit is de put waarvan Jahwe tot Mozes zeide:
17       Verzamel het volk, dat ik hun water geve.\' Toen zong Israël dit lied:
Borrel op, put;
zingt hein ter eer een beurtzang.
18                  (Jij put dien de vorsten groeven,
dien de edelen des volks boorden,
met den heerschersstaf,
met hunne stokken;
uit de woestijn een geschenk!
19,20 Van Beer naar Nahaliël; \' van Nahaliël naar Bamoth;\' van Bamoth
10.   Oboth, onbekende plaats, alleen \\wi in ile vollediger lijat van de halten der Israëlieten (in 11. XX\\ 11 li
vs. 43 vermeld.
11.   Ijje-haübarim, ,de puinhoopeu van Abarim\', met welken naam Marim wellicht het gebergte
van dien naam (/ie op XXVII: 12) bedoeld wordt, ook in XXX11I: U genoemd.
12.  den Zrred, onbekende beek, ook Deut. II:13v. vermeld.
13.  den Arnon, een stroom van het land der Moabieteu, die in de Doodc Zee valt. Met de woorden
die in de noetlijn il wordt waarschijnlijk de Boven-Arnon aiingednid, en te kennen gegeven dat Israël
het gebied der Moabieten niet betrad. — want — Amorieten. Op de/c bepaling komt het den schrij-
ver vooral aan, en tot staving harcr juistheid dient de aanhaling in vs. 14T. l>c streek ten noorden
van den Amon toch was de twistappel tnsschen Israël eu Moab, en nadrukkelijk leert hij dus:
die streek was bij Israëls aankomst niet in handen van de Moabieten, maar van de Amorieten.
Verg. lul.
14 v. Deze twee verzen zijn door schrijffouten zoo bedorven dat de ware lezing niet meer te her-
stellen is. Hel boek van Jahice\'t oorlogen wordt elders niet aangehaald; wcllieht bevatte de oor»pron-
kelijkc tekst geen titel van ecu boek, maar het werkwoord dat blijkbaar vi\'mr ll\'aheb is uitgevallen.
Deze plaats is onbekend, de naam waarschijnlijk verschreven. Over Ar zie op Deut. 11:0. Het eenige
duidelijke gedeelte dezer regels is het slot: de Arnon leunt aan het grondgebied ran Moab, en hierop
kwam het dcu schrijver aan.
16. Beier, d. i. ,put\', wordt in XXXIII: 47 v. niet vermeld. Zooals de eene overlevering aan den
Horcb water uit de rots deed vloeien (Kxod. XVII :1—0), en ccue andere te Kades (XX: 2—13), zoo
liet waarschijnlijk eene derde hier door een wonder een waterput ontstaan. In het liedje zelf is van
een wonder geen sprake; integendeel, de put wordt geroemd als door vorsten gegraven.
18.   Gij — ttokken. I)it wijst wellicht op eene ceremonie, waarbij de hoofden van een stam een
gevonden of gegraven put door slagen met hunne staven zinnebeeldig opeudeu en tot eigendom van
den stam verklaarden. — ttokken uit de woeatijn, volgens andere woordafdceling; Hebr. t. ttokken en
uit de noetlijn.
19.   Beer, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Mottona, d. i. .geschenk\'. — Nahaliël, onbekend. — Bamoth,
d. i. .hoogten\', waarschijnlijk dezelfde plaats die XXII: 41; Joz. XIII: 17 Bamoth-Baiil, d. i. ,Haals-
hoogten\', heet.
20.   het veld van Moab, llnil. 1:5 het land, XXII *.1 en elders de vlakte van Moab, heette de
vlakte ten oosten van dcu Jordaan, tegenover Jcricho, hoogstwaarschijnlijk omdat eenmaal de Moa-
-ocr page 276-
numkri XXI: 20—29.
356
naar het dal in het veld van Moab, welk dal zich uitstrekt van den
top van den Pisga, die over de wildernis heen ziet.
21            En Israël zond gezanten tot Sihon, den koning der Aniorieten, met
22       het verzoek:\' Laat mij door uw land trekken! Wij zullen niet, van
den weg al", over akker of wijngaard gaan, noch putwater drinken;
den koninklijken weg zullen wij houden, zoolang wij door uw grond-
23       gebied trekken.\' Alaar Sihon stond Israël niet toe door zijn grondgebied
te trekken, en Sihon verzamelde geheel zijn volk, toog de woestijn in,
24       Israël te genioet, kwam te Jahas en oorloogde tegen Israël.\' En Israël
sloeg hem met het scherp des zwaards en nam zijn land in bezit, van
den Arnon tot den Jabbok, tot aan de Ammonieten; want sterk was
25       de grens der Ammonieten.\' Toen nam Israël al die steden in en ves-
tigde zich in al de steden der Aniorieten, in Heshon en al hare onder-
26       hoorige plaatsen; \' want Hesbon was de stad van Sihon, den koning
der Amorieten, en hij had oorlog gevoerd met den vorigen koning van
Moab en geheel zijn land, van den Jabbok tot den Arnon, veroverd.\'
27       Daarom zeggen de spreukendichters:
Komt naar Hesbon! Gebouwd en bevestigd worde Sihons stad!
28                Want een vuur ging uit van Hesbon,
eene vlam van Sihons veste;
zij verteerde Moabs steden,
de bewoners van Arnons hoogten.
29                Wee u, Moab,
V». 28 v. Jer. XLV111: 454, 40.
bieten daar gewoond of gehccrseht hebben. — icelk — ziet, volg. Gr. vcrt., gedeeltelijk ook Sam. t.;
Hcbr. t. mist het voorzetsel vóór den top en heeft het woord die Keen ziet in het vrouwelijk, zoodat
het behoort bij het dal. Maar een dal ziet niet uil over de woestijn, wel een bergtop. In XXIII: 28
heet de bergtop die over de wildernis heen ziet: een top van den 1\'eor. — den Pisga. Deze komt
herhaaldelijk voor (I)eut. 111:17, 27; IV: 49 en elders) en was waarschijnlijk dat gedeelte van het
gebergte Abarim dat paalt aan den noordoostelijke!! hoek der Doodc Zee.
21.   Uit het verband zonden wij opmaken dat dit gezantschap uit het vs. 20 vermelde dal naar
Sihon ging; maar dit kan de bedoeling van den vcrhnlcr niet zijn. Immers, daar is Israël reeds een
heel eind in het land van Sihon. Juister laat Dcut. 11:21, 20 die boden van ccuc plaats aan den
Arnon naar Sihon gaan.
22.   Dezelfde beloften worden XX: 17, 10 aan de Kdomictcn gedaan.
23.  Jahas, eene plaats die vaak vermeld wordt (Dcut. 11:32; Jcz. XV: 4 en elders); zij lag tus-
schen Dibon en Mcduba, ten noorden van den Arnon.
24.   van — JMok, geheel Gilead. Ook Dcut. II: 36 v. wordt de omvang van Sihons land zoo be-
paald. — sterk — Ammonieten. Volg. Dcut. 11:10—19, 37 heeft Israël zich onthouden van een aanval
op de Ammonieten, omdat Jahwe verboden had dit volk te bemoeilijken. Tusscheu deze beide opvat-
tingen is hetzelfde verschil als tusschen XX: 11—21 en Deut. Il : 4—8 ten opzichte van Israëls ge-
drag tegenover Kdom; zie inl. op XX: 14—21. De Ammonieten woonden aan den Bovcn-Jabbok, dus
ten oosten van Gilead.
25.  al die sleden. Wellicht ging hieraan oorspronkelijk eene optelling van Sihons steden vooraf. —
Hesbon. Deze plaats, waarvan de ruïnen nog bestaan, lag aan den oostelijken rand van het gebergte
tusschen Arnon en Jabbok. Zij komt ua de verovering eerst als Rubcnictischc of als Gadietische, later
weder als Moabietischc stad voor, Joz. XIII: 17; XXI: 39; Jez. XV : 4. —onderhoorige plaatsen, let-
terlijk dochters, zuoals vaak.
20. Hier wordt nog eens nadrukkelijk gezegd, wat in het voorgaande is ondersteld en wat het ge-
heelc verhaal wil inscherpcu: het land ten noorden van den Arnon was bij Israëls komst niet Moa-
bietisch. — can den Jabbok, volg. verb. t.; grondt, uit zijne hand.
27—30. In dit lied is veel onzekers; maar in hoofdzaak behelst het ecue opwekking van een Is-
raëlietisch dichter om Hesbon te versterken, omdat eenmaal het Moabietische land van die plaats uit
door den Amorietischcn koning Sihon verwoest is. De schrijver die het hier inlaschtc wilde er mede
bewijzen, dat de Israëlieten het land benoorden den Arnon niet op de Moabieten, maar op de Amo-
rietcn veroverd hebben.
27.  zeggen de spreukendichters. Anderen zegt men: Forsten.
28.  Moabs steden, volgens geringe tekstverandering; de grondtekst Ar (zie op vs. 14 v.) ran Moab.
29.  Kamos, de hoofdgod der Moabieten, nog 1 Kon. XI: 7; 2 Kon. XXIII: 13; Jer. XI.VIII : 7. 46
(verg. op 2 Kon. 111:4) genoemd; over Richt. XI: 24 zie aldaar. Wat den aard zijner vereering be-
trrft, uit 2 Kon. 111:27 maken wij op dat menschenoffers er eene plaats in vonden; anders weten
wij er uiets vau. — hij. Naar bet verband schijnt Kamos bedoeld te zijn.
-ocr page 277-
ndmbri XXI: 89—XXII: 1.
357
verloren zijt gij, volk van Kamos!
Zijne zonen heeft hij tot vluchtelingen gemaakt,
zijne dochters tot krijgsgevangenen
van den koning der Amorieten Sihon.
30
              Hun kroost is te gronde gericht van Hesbon tot Dihon,
hunne vrouwen, terwijl liet vuur werd aangehlazen tot Medeha.
31, 32 Toen Israël zich dan in het land der Amorieten gevestigd had,\' liet
Mozes Jaëzer verspieden, nam liet met de onderhoorige plaatsen in en
33       verdreef de Amorieten die daar woonden.\' Vervolgens keerden zij zich
en trokken op in de richting van I Suzan. En ()g, de koning van liazan,
34       toog met geheel zijn volk tegen hen uit ten strijde, naar Edreï.\' En
Jahwe zeide tot Mozes: Vrees hem niet; want ik heb hem, zijn ge-
heele volk en zijn land in uwe hand gegeven; gij zult met hem han-
delen zooals gij met iSilion, den koning der Amorieten, die te Hesbon
35       woonde, gehandeld hebt.\' En zij sloegen hem, zijne zonen en geheel
zijn volk, totdat hij niemand meer over had, en namen zijn land
in bezit.
XXII :1 Daarna braken de Israëlieten op en legerden zich in de vlakte van
Moab, in het Overjordaansche, tegenover Jericho.
30. l)c lezing en vertaling van dit ver», volgens een, gedeeltelijk naar Snm. en Gr. t., verbeterden
tekst, is hoogst onzeker. — Dibim en Medeba, Monbietisehc steden.
32.   Jai\'zet; stad in Gileud, XXXII: 1 en elders nis plaats vim heteekenis vermeld, lag noordelijker
dan ecne der andere hier vermelde steden, maar nog in het land tussehen Ariion en .Tnhhok. Daur dit
volg. vs. 24, 26 veroverd was, had de sehrijvcr Jaëzer niet afzonderlijk behoeven te vermelden. Dat
hij dit toeh doet bewijst, hoc noodig hij het vond, met nadruk te lceren dat die streek in Mozes\'
tijd nog in handen der Amorieten was. Wnarsehijnlijk was Jaëzer, dat Jez. XVI: 8 v. en Jcr. XLVI1I:
32 als stad van Moab voorkomt, een twistappel tussehen Israëlieten cu Moabietcn. In XXXII:! wordt
de verovering ondersteld. — het met, ingevoegd volg. Gr. vert.
33—35. Deze verzen staau bijna cvenzoo in Dcut. 111:1—3. Over de bedoeling waarmede de sehrij-
vcr de verovering van dit land aan Mozes toekende zie inl. op II. XXXII.
33.   Bazan. Zoo heette oorspronkelijk een gedeelte van het land tnsschen het meer van Geunczarcth
en het Haurangcbergte, maar somwijlen wordt onder dien naam de geheclc streek die door den Jar-
mock doorsneden wordt, tussehen den Jabbok en den Hermon, verstaan; zoodat de grens tnsschen
Gilead en llazau niet is te trekken. Het wordt in het O. T. herhaaldelijk vermeld als bergland, Ps.
LXVIII:16; Jer. XXII: 20, en was o. a. beroemd door zijne schoonc boomen en zijn krachtig vee,
Deut. XXXII:14; Jez. 11:13; Kzech. XXVII:6; XXXIX: 18 en elders. — Edrn, eene stad ten
westen van den Hauran, aan den grooten weg van Damaskus naar Mekka. Eene andere plaats van
dien naam Joz. XIX: 37.
1. de vlakte van Moab — de grondtekst heeft hier en elders waar deze naam voorkomt de vlakten
van Moab
— dat gedeelte van de Vlakte, d. i. van het stroomgebied van den Jordaau, dat eenmaal
aan Moab behoord heeft. — Jericho. Zie op Joz. VI: 26.
HOOFDSTUK XXII: 2—XXIV : 25.
Bilcam. — Balak, de koning der Moabietcn, spreekt tot de oudsten der Midinuictcn zijne vrees
voor Israël uit (XXII: 2—4); hij zendt gezanten tot Bilcam te Pethor aan den Hu fraai met de bede
Israël te komen vervloeken (5 v.). Jahwe verbiedt in den nacht Bilcam met hen mede to gaan; om-
dat Israël een gezegend volk is (7—12); hij gehoorzaamt, en de Monbietisehc vorsten gnnn Ituluk dit
bescheid brengen (13 v.). Deze zendt andermaal een gezantsehnp, om zijne bede te herhalen (15—17);
Bilcam verklaart niets anders te kunnen doen dnn wat Juhwc hem gelast, maar lnnt hen op-
nieuw bij zich overnachten (18 v.); Jahwe vergunt hem nu, hen te vergezellen, met de waarschu-
wing, niets te zeggen dan wat hij zal gebieden (20); Bileam gaat mede (21). Maar Jahwe wordt hier-
over vertoornd, en zijn engel verspert Bileam den weg (22); tweemaal wijkt zijne ezelin voor den
engel uit (23—26); den derden keer gaat zij liggen en spreekt Bilcam verwijtend toe (27—30); eiu-
delijk gaan zijne oogen open en ziet hij den engel met uitgetogen zwaard voor zich staan, waarop hij
zich nederbuigt en tot den terugkeer bereid verklaart (31—34); maar de engel vergunt hem verder
te gaan, met de waarschuwing, niets te zeggen dan wat Jahwe hem zal bevelen (35); Balak komt
aan de grens van zijn land Bilcam te gemoet en verwijt hem zijn dralen (36 v.); waarop de ziener
opnieuw verklaart dat hij alleen in overeenstemming met Jahwe\'s gebod spreken kan (38); samen
gaan zij daarop naar eene stad waar Balak een otfermaal aanricht (39 r.). Des morgens begeven zij
-ocr page 278-
INLEIDING OP NUMBRI XXII \', 2—XXIV : 25.
a58
zii\'h nnur Hnmnth-Hnül, waar Kilcam Italak ecu rijk offer laat brengen (41—XXIII: 2) en ilc leekenen
gaat waarni\'iiien, om zoo den wil van Jahwe uit te vorschen (3); God legt hem een lied op de lip-
|jen (-t—7j waarin hij Israël bezingt als ecu volk dat door Jahwe\'s zegen talrijk is en zelfstandig
bestaat (8—10). Op Ualaks verwijt dat hij cene vervloeking, geen zegen verlangd heeft herhaalt
Hileam dat hij alleen zeggen kan wat Jahwe beveelt (11 v.). Italak brengt hein daarop naar cene
andere plaats, van waar hij slechts een deel van Israëls kamp kan zien; na eene voorbereiding als den
eersten keer, krijgt Hileam weder cene openbaring van Jahwe (13—II!), die hij, op Halaks vraag wat
Jahwe gezegd heeft (17), in een lied uitspreekt, waarin hij het onherroepelijke vun Jahwe\'s woorden
betuigt, zijne zegeningen over Israël roemt en \'s volks onoverwinnelijkheid bezingt (18—24). Op
Halaks uitroep: Als gij het niet kunt vloeken, zegen het dan althans niet (25)! herinnert Hileam
hem (Int hij immers niets doen zou dan wat Jahwe hem zou zeggen (2fl). Daarop voert de koning
hem naar eene derde plaats, om te zien of hij van daar Israël vloeken kan (27 v.); ook hier worden
dezelfde offers nis de vorige reizen gebraeht (29 v.). Ditmaal verwijdert Hileam zieh niet om door
wiehelnrijeu Jnhwe\'s wil uit te vorschen, maar spreekt, door Gods geest bezield, dndclijk den zegen
over Israël uit: het zal in overvloed leven en geducht voor zijne vijanden zijn (XXIV :1—9). Woe-
deud zendt Halak Hileam met smaadreden heen (lüv.)j maar deze beroept zieh op zijne uitdrukke-
lijkc verklaring dal hij alleen zou kunnen zeggen wat zijn god hem gelastte (12 v.), en spreekt daarna
ongevraagd eene voorspe
30
lling uit betreffende het lot van Israël en zijne naburen. Monb, Kdom, Amalek
en ilc Kenielen ill—22), en dat van Assur (23 v.); waarna ieder zijns weegs gaat (25).
liet springt in het oog dat wij hier niet met geschiedenis te doen hebben. Al laten wij het stuk
waarin de sprekende ezelin voorkomt er buiten, wij moeten ook het overige voor legende verklaren.
Dit blijkt vooral uit het feit dat de verhalcr geen rekening houdt niet den tijd die noodzakelijk
vcrloopcn moest tusschcii de verschillende handelingen. Van de reis uit Monb naar den Kufrnat
wordt XXII: 8, 19, 21 gesproken alsof het geen langdurige en moeilijke znak was. Kn wat het ergst
is, nl wat XXIII, XXIV verhaald wordt moet op een dag gebeurd zijn; maar op écu dag kan Hulnk
onmogelijk achtereenvolgens op drie plaatsen altaren gebouwd en offers gebraeht hebben (XXIII ! 1,
14, 29); immers, die plaatsen moeten, dnur zij verschillende uitzichten op Israëls kamp opleverden,
ver van elkander nf gelegen hebben, en cene was zelfs een bergtop. Wij behoeven ons dus niet te ver-
moeien met de vragen, of het waarschijnlijk is dat Jahwe in zoo ouden tijd aan den Kufrnat vereerd
werd, cu hoc Halak met zijn gevolg zich veilig bewegen kon buiten zijn grondgebied.
Het verhaal mnakle een gedeelte uit van het Oude-Sngenboek en wns door dcu samensteller hicr-
van gedeeltelijk aan De Juhwist, gedeeltelijk aan De Klohist ontleend.
Uit De Jnhwist wns XXII :21a, 22—85a, waarin wordt verteld, hoc de engel van Jahwe Hilcnm,
op reis nniir Halak, den weg verspert en hij alleen door de schranderheid zijner ezelin voor een «lag
met diens zwuard bewaard wordt. Wat dit verhaal in den aanhef mededeelt, dat God in toorn ont-
stak omdat hij op reis ging, is in strijd met het vlak voorafgaande, waarin God hem tot die reis
ongevraagd vergunning gegeven had. Ook onderstelt Hilcams woord tot den engel, vs. 34: indien het
il mishaagt dat ik ga, zal ik terngkecren — dat hij hieromtrent geen openbaring ontvangen had. Do
schrijver ontleende zijne stof zeker aan oude volksvertellingen over cen bonzen toovennnr, die Israël
door zijne kunsteunrijcii had willen schilden maar hierin door Jahwe verhinderd was. Die boozo too-
vcunar komt nog voor den dag XXXI: 8, Hl; Deut. XXIII: 5; Joz. XIII: 22; XXIV : 10, hoewel do
schrijvers dier plaatsen onze hoofdstukken kennen, waarin Hileam ecu geheel ander karakter draagt.
Ook is hij als Israëls aartsvijand in de voorstelling der Joden blijven voortleven; zie Openb. 11:14.
Iu De Klohist daarentegen is hij geteckend als een man die, hoeveel het hem ook kostte, aan
Jahwe gehoorzaam was. Wel liet de schrijver hem van verre komen en noemde hem geen profeet,
maar hij beschreef hem als een die begunstigd werd met openbaringen van Jahwe en deze getrouw
overbracht. Dat hij, om Jahwe te raadplegen, zijne toevlucht nam tot waurzcggcrakuiistcii, waa in
vroeger en later tijd geen zoo grootc tegenstrijdigheid als wij gevaar loopcn op te maken uit de
scherpe waarschuwingen bij do wetgevers tegen wichelnrij (zie op Kiod. XXII: 18 en Deut. XVIII:
9—22); zie Jcz. 111:2; Jer. XXIX: 8 v.; Micho 111:5—7, 11; Zach. XIII: 4. In het karakter van
getrouw overbrenger van Jahwe\'s woord komt Hileam Micha VI: 5 voor.
Toen de samensteller van het Oudc-Sngcnbock in het verhaal van De Klohist, hetwelk hij in zijn
geheel overnam, XXII :21a, 22—35a invoegde, bracht hij kleine veranderingen aan, om het verschil
tusschen beide toe te dekken; zie op vs. 35. Maar belangrijker wijziging is aan het slot door hem of
door een nog later schrijver aangebracht. Hileam, door Halak weggejaagd, kondigt ongevraagd den
koning aan, dat hij hem zal voorspellen wat Israël eenmaal zijn volk zal aandoen (XXIV: 14), en
vervult die bedreiging, XXIV: 15—19. Dit nu werd uitgebreid door toevoeging van vs. 20—24, waarin
de Amalckictcii en de Kouictcn bedreigd worden, niet met Israëls vijandschap, maar niet die der
Assvricrs, over wie hij wel iu duistere termen spreekt maar van wie hij blijkbaar ook voor Israël
-ocr page 279-
numbiii XXII: 2—12.                                        359
onheil tlucht, terwijl hij hun op hunne lieurt een gericht tloor cen nmler volk voorspelt. Kcne be-
dreiging tegen ile Aiimlekieten en de Kenieten is zeer untuurlijk in den tijd waarin het Oude-Sagenboek
is samengesteld, toen Noord-Israël reeds onder de sla
55
gen der Assyriërs bezweken was, en in den mond
van een Judcër; maar wat had men zich in het noorden over Amalekieteti en Kenieten bekommerd?
Zie verder o» XXIV: 24.
I >«- Verzamelaar heeft in het verhaal waarschijnlijk geen andere wijziging nangchrncht dan dat hij
in XXII:4, 7 de NIiilüiiiii 11n inlaschte, om het in verband te brengen met II. XXXI, evenals een
paar woorden in XXIV: 2.
Wut het verhaal over Kileam — bepaald het aan De Klolii.il ontleende — vooral belangrijk innakt,
is, dat het ons leert wat een Israëliet uit de negende eeuw voor lui eerste vereisehte in cen profeet
hield: getrouw over te brengen wat Jahwe hem gelastte te spreken, en zich dus niet te laten om-
koopcu om als woord van Jahwe voor te dragen wat deze niet had gezegd. Tevens is het cenc gc-
tuigenis aangnaudc het geloof der schrijvers in de macht van Isracls god. Geen mensch is in staat te
vloeken wicu Jahwe zegent\', door zijne hulp zal Israël voorspoedig zijn. Tot de hooggekleurde be-
schrijviug van het heil dat Jahwe het bereiden zou, in Kilcaius spreuken vervat, gaf \'s volks toestand
in de achtste eeuw geen aanleiding; maar de dichter vestigt het oog op de toekomst, waarin Israël
een talrijk volk wezen zou (XXIII: 10) en onder ecu groot koning zijne vijanden vernederen (XXIII:
24; XXIV: 8 v., 17, 19). Wij bezitten van Noord-Isrnëls letterkunde HO weinig, dnt een stuk als dit
ons daarom te kostelijker is.
XXII: 2 En Halak, de zoon van Sippor, zag al wat Isracl den Amorieten
3       gedaan had.\' Als nu Moab zeer bedacht werd voor liet volk, omdat
het talrijk was, en beangst begon te worden voor de Israëlieten,\'
4       zeide Moab tot de oudsten van Midian: Xn zal deze menigte al wat
rondom ons is afscheren, zooals een rund bet groen van het veld af-
seheert. Kn Halak, de zoon van Sippor, was toentertijd koning van
5       Moab. \' Hij nu zond gezanten tot Uileam, den zoon van lieor, te l\'e-
tbor aan de Rivier, in het land zijner volksgenooten, om hem te roe-
pen, met deze boodschap: Daar is een volk uit Egypte getrokken;
zie, het bedekt de oppervlakte des lands en is tegenover mij gelegerd.\'
ü Kom dan toch en vervloek mij dat volk: want het is mij te machtig;
wellicht zal ik het dan kunnen verslaan en uit bet land drijven. Ik
weet toch: hij dien gij zegent is gezegend, hij dien gij vloekt is
vervloekt.
7           Zoo gingen de oudsten van Moab en die van Midian, het waarzeg-
gersloon medenemende, op weg, kwamen bij Hileam en brachten hem
8       lJalaks woorden over.\' Hij zeide tot hen: Overnacht hier; dan zal ik
u bescheid geven overeenkomstig hetgeen Jahwe tot mij spreken zal.
9       En de vorsten van Moab bleven bij Hileam. \' Toen kwam God tot
10       Bileam en zeide: Wie zijn die mannen daar bij a?\' Hileam zeide tot
Uod: Halak, de zoon van Sippor, de koning van Moab, heeft mij deze
11       boodschap gezonden: \' Daar is een volk tiit Egypte getrokken, (lat de
oppervlakte des lands bedekt. Kom dus en verwensch het mij: wel-
12       licht kan ik het dan beoorlogen en verdrijven.\' Hierop zeide God
2.   Hiermede wordt het nu volgende verhaal vastgeknoopt aan het vorige.
3.  Dat hier tweemaal Moabs vrees voor Israël uitgedrukt wordt is misschien het gevolg van de
samensmelting van twee verhalen, evenals de dubbele vermelding van den naam van Moabs koning,
in vs. 2 en vs. 4.
4.  Over de Midianicteu zie op Gen. XXV : 2. Van wnnr die Midinnictcn hier zoo plotseling op-
komen, om vs. 7 weer te verdwijnen, zie inl. — deze, volg. Gr. en Snin. t.; Hebr. t. de. — afscheren,
letterlijk aflekketi.
5.   Pethor, cene stad aan den rechteroever van den Bovcn-Kufraat, welke stroom met de Rivier
bedoeld wordt; zie op Gen. XXIV: 10. Deze plaats is waarschijnlijk verkozen tot vaderland van
Kileam, omdat haar naam met het Hcbrccuwschc woord voor .uitlegging\' cenige overeenkomst heeft.—
het — volksijenooten. Met deze woorden zegt de schrijver uitdrukkelijk dat Hileam daar te huis en
dus geen Israëliet was. — de oppervlakte des lands. Verg. op Kiod. X :5.
6.  Ik — vervloekt. Zie op Gen. XXVII: 35.
7.  tcaarzeggersLon. Verg. 1 Sam. IX: 7 v.; Michn 111:11 en elders.
11.  een volk, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. het volk.
12.  en, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t.
-ocr page 280-
3(30
IfUMIft] XXII: 12-34
tot Bileam: Gij moogt niet met hen medegaan en moogt dat volk
13       niet vervloeken: want het is gezegend. \' Des morgens opgestaan, zeide
Bileam tot de vorsten van Balak: (laat naar uw land; want Jahwe
14       heeft mij de vergunning met u mede te gaan geweigerd.\' Toen
maakten de vorsten van Moah zich op, kwamen bij Balak en zeiden:
Bileam heeft geweigerd met ons mede te gaan.
15           Maar Balak zond opnieuw vorsten, talrijker en aanzienlijker dan de
lli eerste;\' en zij, hij Bileam gekomen, zeiden tot hem: Zoo zegt Balak,
de zoon van Sippor: Laat u toch niet weerhouden tot mij te komen;\'
17       want ik zal u met groote eerbewijzen overladen en alles doen wat
18       gij van mij verlangt. Kom toch en verwensch mij dit volk!\' Doch
Bileam antwoordde en zeide tot de dienaren van Balak: Al g-af Balak
mij zijn huis vol zilver en goud, ik kan in strijd met den last van
1U Jahwe, mijn god, niets doen, groot noch klein. \' Daarom, blijft ook
gij hier den nacht over; opdat ik te weten kome wat Jahwe verder
20       tot mij spreken zal.\' En God kwam des nachts tot Bileam en zeide
tot hem: Indien die mannen gekomen zijn om u te ontbieden, sta
op, ga met hen mede. Maar alleen dat wat ik tot u spreken zal zult
gij doen.
21            Des morgens opgestaan, zadelde Bileam zijne ezelin en ging met de
22       vorsten van Moab mede.\' Maar God ontstak in toorn omdat hij ging,
en de engel van Jahwe plaatste zich op den weg als zijn tegenstan-
der, terwijl hij op zijne ezelin reed, met zijne twee slaven bij zich.\'
23       Toen de ezelin den engel van Jahwe, met uitgetrokken zwaard in de
hand, op den weg zag staan, week zij van den weg af en ging het
veld in. En Bileam sloeg de ezelin, om haar op den weg te doen
24       wederkeeren.\' Hierop ging de engel van Jahwe op een hollen weg
staan, die door wijngaarden liep en een wal aan dezen en aan genen
25       kant had.\' Toen de ezelin Jahwe\'s engel zag, drukte zij zich tegen
den muur en drukte Bileams been tegen den muur; waarop hij haar
2b\' weder sloeg. \' Nog eens ging de engel van Jahwe verder en bleef
staan op eene zoo enge plaats dat er rechts noch links ruimte was
27       tot uitwijken.\' Toen de ezelin Jahwe\'s engel zag, ging zij onder Bi-
leam liggen. Hierop ontstak Bileam in toorn en sloeg hij de ezelin
28       met zijn stok. \' Nu opende Jahwe den mond der ezelin en zeide zij
tot Bileam: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen
211 hebt?\' En Bileam zeide tot de ezelin: Omdat gij den spot met mij
drijft. Had ik een zwaard bij de hand, dan zou ik u gedood hebben.\'
30       De ezelin zeide tot Bileam: Ben ik niet uwe eigen ezelin, waarop gij
van uwe jeugd af tot nu toe gereden hebt\' Ben ik gewoon u zoo te
31       doen.\' Hij zeide: Neen.\' Nu opende Jahwe de oogen van Bileam en
zag hij den engel van Jahwe, met uitgetrokken zwaard in de hand,
op den weg staan. Toen boog hij zich en wierp zich op zijn aange-
32       zicht.\' De engel van Jahwe zeide tot hem: Waarom hebt gij uwe
ezelin nu driemaal geslagen! Zie, ik ben uitgegaan u tot een tegen-
33       stander; want slecht is uw tocht in mijn oog.\' De ezelin heeft mij
gezien en is nu driemaal voor mij uitgeweken. Indien zij niet voor
mij uitgeweken was, zou ik u gewis gedood en haar in het leven ge-
34       laten bebben.\' Bileam zeide tot den engel van Jahwe: Ik heb gezon-
digd, omdat ik niet wist dat gij tegenover mij op den weg stondt.
31.  opent/e — Bileam. Zie op 2 Kon. VI: 17.
32.  «, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t. — tUckt — oog, onzekere lezing en vertaling.
33.   Indien .. . niet, volg. de oude vertt.; Hcbr. t mUschien.
34.  Ik — witl. Zijne zonde bestond in bet niet zien van den engel.
-ocr page 281-
nümbri XXII: 34—XXIII: 7.                                   361
35 Daarom, indien het u mishaagt dat ik ga, zal ik terugkeeren. \' Maar
de engel van Jahwe zeide tot Bileam: Ga slechts niet die ruannen
mede; doch gij zult er goed voor zorgen, alleen dat wat ik tot u
spreken zal te zeggen. Zoo ging Bileam met Balaks vorsten mede.
30          Toen Balak hoorde dat Bileam gekomen was, ging hij hem te ge-
moet naar de >Stad van Moab, aan de grens van den Arnon, aan liet
37       uiterste einde van het grondgebied,\' en zeide tot Bileam: Heb ik u
niet herhaaldelijk gezanten gezonden, om u te halen.\' Waarom zijt
gij niet tot mij gekomen.\' Twijfelt gij, of\' ik bij machte ben n eerbe-
38       wijzen te schenken.\'\' Bileam zeide tot Balak: Wel ben ik tot u ge-
komen; maar zal ik in staat zijn iets te spreken.\' Het woon! dat God
39       mij in den mond zal leggen, dat zal ik spreken.\' Nu ging Bileam
40       met Balak mede, en toen zij gekomen waren in Kirjath-husoth,\' offerde
Balak runderen en kleinvee en zond er van aan Bileam en de vor-
sten die hem vergezelden.
41            Den volgenden morgen nam Balak Bileam mede en deed hem naar
Bamoth-Baiil opklimmen, van waar hij het uiterste einde des volks
zien kon.
XXIII: 1. Toen zeide Bileam tot Balak: Bouw mij bier zeven altaren en
2 bereid mij hier zeven stieren en zeven rammen. \' Balak deed wat
Bileam gezegd had en offerde een stier en een ram op elk altaar.\'
8 Nu zeide Bileam tot Balak: Blijf bij uw brandoffer staan, terwijl ik
heenga; wellicht staat Jahwe mij eene ontmoeting toe, en ik zal het-
geen hij mij toont u mededeelen. Zoo ging hij heen, om tooverij te
4       plegen.\' En God kwam Bileam tegen. Hij zeide tot hem: Ik heb de
zeven altaren in orde gemaakt en op elk een stier en een ram geof-
5       ferd.\' Daarop legde Jahwe Bileam een woord in den mond en zeide:
(J Keer tot Balak terug, en zóo zult gij spreken.\' Toen hij tot hem te-
rugkeerde, daar stond hij bij zijn brandoffer, met al de vorsten van
7 Moab. En hij hief zijne spreuk aan en zeide:
85. er goed roor zorgen,. . . te zeggen, volg. Sam. en Gr. t. j Hebr. t. g\'\'j zuil zeggen. — Zoo —
mede. Hiermede keert het verhaal terug tot vs. 214, waar Bileam met de vorsten van Moab mede-
gaat, terwijl hij vs. 22 alleen van twee slaven vergezeld is, die evenwel bij de ontmoetingen met den
engel afwezig sehijnen te zijn. Reeds in het woord van den engel „ga met die mannen mede" wordt
de tegenwoordigheid der Monbictischc vorsten ondersteld; het is zeker van de haud des bewerkers, die
vs. 21a, 22—35a in het verhaal invlocht.
36. de Stad van Moab. Welke plaats hiermede bedoeld wordt, weten wij niet. Waarschijnlijk was
de schrijver met het Moabictisehe land niet van nabij bekend en gebruikte bij daarom hier, als vs. 39;
XXIII: 14, misschien ook XXII: 41, een algemecnen naam. De aanduiding aan de gren» van den Arnon
is zeer onduidelijk. Misschien wordt bedoeld: de grens door den Arnon gevormd, dus de noordelijke.
Dat Balak Bileam tot het uiterste hiervan, dus het noordoostelijk gedeelte, te gemoet gaat is in over-
eenstemming met de opgave van 11. XXI, dat de Arnon Monbs noordelijke grens is.
39.   Kirjalh-hmolh, d. i. .Stratcnvestc\', even onbekend als de S/ad ran Moab; verg. op vs. 36. De
bedoeling zal wel zijn dat zij ten noorden van deu Arnon lag; zie op vs. 41.
40.  zond er ran, ouzekere vertaling.
41.   Bamolh-Baiil, .Baalshoogtcn\' (zie op vs. 36). Indien dit dezelfde plaats is nis Bamoth, ,hoogten\',
XXI: 19, dan zijn hier Italak en Bileam een goed eind ten noorden van den Arnon; zie XXI: 18.
Dit moet ook wel bedoeld zijn; want hoe konden zij anders den rand van Isracls kamp zien? —
hel uiterste einde det tolkt, dus slechts een gedeelte; later ziet hij meer vou Israël, XXIII: 13;
XXIV: 8.
1.  Zie over het zevental op Gen. IV : 15.
2.  offerde, aan welken god, Kamos, den god van Moab, of Jahwe, dien Ilileam vereerde, wordt niet
gezegd. Stellig bedoelt de schrijver: ann Jahwe, van wiens gezindheid het afhing, welke woorden
Bileam spreken zou. De Hebr. t. heeft offerde Balak en Bileam; deze namen zijn weggelaten volg.
Gr. vert. In het vervolg heet het offer duidelijk Halaks offer. — op elk altaar. Dit moet de bedoc-
ling zijn. Het Hebrecuwseh heeft op hel altaar. Kvenzoo XXIII: 14 en 30.
3.  en — mededeelen, onzekere lezing en vertaling. — om tooverij te plegen, om hcmelteekenen
waar te nemen of wichrlnnrskunsteii te oefenen (verg. Gen. X 1.1 \\ : 5; Deut. XVIII: 10 v.; Ezech. XXI: 21),
volg. verb. t.; Hebr. t. wellicht hij ging op eene open plaats.
7. spreuk, godspraak in dichterlijken vorm. — .tram. Deut. XXIII : 5 heet Bitcams vaderland
Siroomland-Aram.
-ocr page 282-
362
nümeri XXIII: 7—20.
Uit Arani voerde Balak mij,
Moahs koning uit het oostelijk gebergte:
Kom mij Jakob vervloeken,
kom Israël iuingrimmen ! —
8                    Hoe zou ik venvenschen wien God niet verwenscht?
aangrimmen op wien Jahwe niet vergramd is!
9                     Want van der rotsen top zie ik hem,
van de heuvelen aanschouw ik hem.
Ziedaar een volk dat afgezonderd woont,
zich niet rekent onder de natiën.
1U                  Wie heeft het stof van Jakob nagerekend,
wie Israëls tienduizenden geteld .\'
Laat mij sterven den dood der oprechten
en mijne toekomst zijn als de hunne!
11            Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt ge me daar gedaan! Om
mijne vijanden te venvenschen heb ik u gehaald, en zoowaar, gij hebt
12       een zegen uitgesproken. \' Hij antwoordde en zeide: Zou ik er niet op
toezien, juist dat te spreken wat Jahwe mij in den mond legt\'
ló*          Hierop zeide Balak tot hem: Ga toch met mij naar eene andere
plaat*, van waar gij het wel zien kunt, maar slechts gedeeltelijk; liet
14       geheel zult gij er niet zien; en verwensen het mij van daar.\' Hij nam
hem dan mede naar liet Wachtersveld, op den top van den Pisga,
bouwde er zeven altaren en offerde op elk er van een stier en een ram.\'
15       En 1»ij zeide tot Balak: Blijf evenals den vorigen keer bij uw brand-
lb\' offer staan; dan zal ik mij op dezelfde wijze laten ontmoeten.\' En
Jahwe ontmoette Bileam, legde hem een woord in den mond en zeide:
17       Keer tot Balak terug, en zoo zult gij spreken.\' Toen hij bij hem kwam,
daar stond hij met de vorsten van Moab bij zijn brandoffer. En Balak
18       zeide tot hem: Wat heeft Jahwe gesproken?\' Toen hief hij zijne spreuk
aan en zeide:
Sta op, Balak, en hoor,
leen mij liet oor, zoon van Sippor!
10
                  God is geen man, dat hij zijn woord zou breken,
geen menschenkind, dat hem iets rouwen zou.
Zou hij iets zeggen dat hij niet volbrengt,
iets spreken dat bij niet gestand doet?
20
                  Zie, te zegenen is mij opgedragen,
en zegenen zal ik, onherroepelijk.
Vs. 19<i. 1 Sam. XV: 29.
!). MM der rotten top, in mijne verbeelding overzie ik het volk. — een — natii\'-n, dat geen onder-
deel vnn een groot rijk ia, maar ecu zelfstandig bestaan heeft.
10. mie... geleld"f volgens andere klinkers. — tietiituizrnden, volgens onzekere tekstverbetering. —
der oprechten (jetjariem), waarschijnlijk toespeling op den naam Jetjurun; zie op Deut. XXXI1 : 15.
Uilcain wenscht voor zich den rnstigen dood dien vrome Israëlieten smaken, in het bezit van Gods
gunst en zeker van zijn zegen voor bun nageslacht. Van een leven na den dood is hier geen sprake.
13.  hel geheet — zien. Huil Itilenin XXII: 41 het volk uit de verte aanschouwd, tin brengt Halak
hem dichter bij, maar op eene plek van waar bij er slechts ecu gedeelte van zien kan. Om een woord
van Jahwe is het hem te doeu; maar hij houdt zich overtuigd dat de indruk dicu de aanblik van
Israël op llileam maakte niet zonder invloed was gebleveu op den inhoud der godspraak.
14.   hel H\'achlertretd, onbekende plaats; verg. op XXII: 36. — op den top ran den Pitga. Zie op
XXI: 20. Halak en Hilcum zijn dus reeds aan deu noordrand der Doodc Zee gekomen. — op elk. Zie
op vs. 2.
19.   Verg. op Gcu. VI : 6. Halak moet niet meenen dat zijne maatregelen Jahwe van gezindheid
doen veranderen.
20.  zegenen tal ik, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. zegenen zal hij. — onherroepelijk, letterlijk en ik
zal niet herroepen.
-ocr page 283-
numkui XXIII: 21—XXIV : 4.                                 303
21                  Ik aanschouw geen onheil in Jakob,
noch zie ik rampspoed in Israël.
Jahwe, zijn god, is met hen,
gejubel ter eere eens konings onder hen.
23                    Want er is geen wichelarij in Jakob,
geen waarzeggerij in Israël;
te zijner tijd wordt tot Jakob gezegd
en tot Israël wat God bezig is te doen.
24                    Ziedaar een volk dat als een roofdier zicb opricht,
als een leeuw zich verheft,
niet gaat liggen voordat het buit te eten
en bloed van verslagenen te drinken heeft.
25           Toen zeide Balak tot Bileam: Verwenscb het dan niet en zegen het
20 niet!\' Maar Bileam antwoordde en zeide tot Balak: Ik heb u imme(H
gezegd: Al wat Jahwe spreken zal, dat zal ik doen.\'
27           En Balak zeide tot Bileam: Welaan, ik zal u naar eene andere plaats
iuedeneiuen; wellicht zal het in Gods oog recbt zijn dat gij bet mij
28       van daar verwenscht. \' Zoo nam Balak Bileam mede naar den top van
2\'J den l\'eor, die over de wildernis heenziet.\' En Bileam zeide tot Balak:
Bouw mij hier zeven altaren en bereid mij hier zeven stieren en zeven
30 rammen.\' En Balak deed zooals Bileam had gezegd en offerde een stier
en een ram op elk altaar.
XXIV: 1 Maar Bileam zag dat het goed in Jahwe\'s oog was Israël te
zegenen, en hij ging dus niet weder, als de vorige keeren, heen om
2       wichelarij te plegen, maar richtte zijn blik naar de woestijn.\' Toen nu
Bileam zijne oogen opsloeg en Israël, stamsgewijze gelegerd, zag, kwam
3       Gods geest op hem:\' bij bief zijne spreuk aan en zeide:
De godspraak van Bileam, den zoon van Beor,
de godspraak van den man met het gesloten oog,
4                    de godspraak van den boorder van Gods woorden,
den kenner van des Allerhoogsten wetenschap,
die gezichten van den Machtige aanschouwt,
terwijl hij nederligt met ontsloten oog.
21. Ik, ik, eenmaal volg. Sain. t.; Hebr. t. heeft tweemaal ilen derden persoon. — gejubel ter eere
cent konings.
Het is onzeker, of hiermede gejuich tot eer van Jahwe, den koning van Israël, dan wel
gejuich tot eer van den aardschen koning bedoeld wordt; in het laatste geval zouden Jahwe en de
koning naast elkaar vermeld zijn, als 1 Kon. XXI: 13; Spr. XXIV: 21; Jcz. VIII: 21.
Pc grondtekst heeft na vs. 21 (22) Qod is het die hem uit Egypte toerde; hij heeft de hoogheid
van den Koudot;
welke beide regels uit XXIV : 8 zijn ingeslopen. Immers, zij breken hier het verband:
terwijl daar degeen die met een woudos vergeleken wordt Israël is, zou het hier volgens het verband
Jahwe zijn.
23.   De vertaling van het vers is niet geheel zeker: die van bezig is te doen rust op ceue vcrandc-
ring van klinkers; Hebr. t. heeft gedaan. De bedoeling srhijnt te zijn, dat Israël geen waarzeggers-
kunsten behoeft, omdat Jahwe het te zijner tijd zijn wil openbaren znl; verg. Dcut. XVIII: 10—15.
Zoo blijkt dat Jahwe onder de Israëlieten is, vs. 21. Anderen Kr helpt geen wichelarij tegen Jakob,
uoch waarzegging tegen Israël, ten tijde dat men tan Jakob zegt en van Israël: Wat groote dingen
heeft God gedaan!
24.  een roofdier, letterlijk eene leeuwin of een leeuw.
20. Zwijgen waar Jahwe spreekt is den zicucr onmogelijk, Jor. XX: 7—U en elders; Am. 111:8.
28. den top — heenziet. Dezelfde uitdrukking wordt XXI: 20 gebruikt van den top van den I\'isga.
Peor heette cen bergtop tegenover Jcrieho, waarschijnlijk tot dat gebergte I\'isga behoorend. Verg. op
XXV: 3.
1.  hij ging — plegen, letterlijk hij ging — wichelarijen te gemoet. Zio XXIII\'. 3, 15.
2.  stamsgewijze gelegerd, wellicht een toevoegsel van den Verzamelaar, wicu de voorstelling van II.
II voor den geest stond.
8. met het gesloten oog, onzekere vertaling. De bedoeling schijnt te zijn, dat zijn lichamelijk oog
gesloten was, als in cen droom of zinsverrukking, waarin het oog der ziel ontsloten is of de ver-
beclding werkt, zooals vs. 4 beschrijft. Zie op Nimi. XII: 6.
4. den kenner — wetenschap. Deze regel ontbreekt in den grondtekst en is uit vs. 16 ingelaicht.
-ocr page 284-
NüMEiu XXIV: 5—16.
3G4
5                         Hoe goed zijn uwe tenten, o Jakob,
uwe woningen, o Israël!
6                    al» dalen die zich uitstrekken;
als tuinen aan eene rivier,
als eiken die Jahwe geplant heeft,
als cederen aan het water.
7                     Water vliet uit zijne emmers;
zijn zaaisel heeft water in overvloed.
Hooger dan Agag is zijn koning,
en verheven zijn koningschap.
8                        (iod is het die hem uit Egypte voerde;
hij heeft de hoogheid van den woudos:
hij verteert natiën die hem vijandig zijn,
breekt hare beenderen,
verbrijzelt hare lenden.
J)
                  Hij heeft zich gekromd, zich nedergelegd als een leeuw,
als eene leeuwin; wie durft hem doen opstaan?
Wie u zegent zij gezegend,
Wie u vloekt zij vervloekt!
10           Toen ontstak Halak in toorn tegen Bileam en sloeg bij de handen
ineen. Kn Halak zeide tot Bileam: Om mijne vijanden te verwensenen
heb ik u ontboden, en gij hebt hen, zoowaar, tot driemaal toe gezegend.\'
11       Pak u dan voort naar uwe woonplaats. Ik heb beloofd u overvloedig
te zullen eeren, maar zie, Jahwe heeft u de eer onthouden!
12           Hierop zeide Bileam tot Balak: Ik heb immers reeds aan de ge-
13       zanten die gij tot mij gezonden hebt gezegd:\' Al gaf Balak mij zijn
huis vol zilver en goud, ik kan niets doen in strijd met den last van
Jahwe: niets, goed noch kwaad, uit mijn eigen bart. Wat Jahwe
14       spreken zal, dat zal ik spreken.\' Zoo ga ik dan heen naar mijn volk;
maar welaan, laat mij u tot uwe waarschuwing voorspellen wat dit
15       volk later aan het uwe doen zal!\' Toen hief hij zijne spreuk aan
en zeide:
De godspraak van Bileam, den zoon van Beor,
de godspraak van den man met het gesloten oog,
1(5
                  de godspraak van den hoorder van Gods woorden,
den kenner van des Allerhoogsten wetenschap,
die gezichten van den Machtige aanschouwt,
terwijl hij nederligt met gesloten oog.
0. Verg. Ps. (!IV:1Ö. — eiken, volgens onzekere tekstverbetering.
7.  water — overvloed, niet geheel zekere vertaling. Overvloed van water te hebben, èn in regen-
bakken en bronnen, waaruit het met ovcrloopcndc emmers wordt opgehaald, èn in beken, die het
bouwland besproeien, was eene rijke belofte. Verg. Gen. X 1,1 X : 25. — Agag, komt alleen 1 Sam. XV:
8—33, als naam van een koning der Amalekieten, voor. Wat den dichter bewogen heeft dezen als
toonbeeld van een zeer machtig vorst te noemen is onbekend.
8.   tvoudot, een dier dat Deut. XXXIII: 17; Job XXXIX: 12 v.; Ps. XXII: 22 om zijne sterkte ge-
roemd wordt. De vertaling van het woord kracht is onzeker. — hare lenden, volg. verb. t.; Hebr. t.
zijne pijlen.
9.   Zie Gen. XLIX : 9 en Gen. XXVII: 29.
10.   tloeg — ineen. l)cze beweging van schrik en ergernis wordt ook Job XXVII: 23; Klaagl. II:
15; Niih. III: 19 vermeld.
13. Verg. XXII: 18. — uit mijn eigen hart. Evenals hier, staan tallooze keeren bij de profeten tcgen-
over elkander uil eigen hart en uit Jahtce\'t mond of dergelijke. Immers, ecu profeet had nieta te doen
dan Jahwe\'s bevelen over te brengen. Werd hij zich klaar bewust dat hetgeen hij sprak vrucht was
van eigen nadenken of van eene gcmocdsopwelling, dan was het voor hem niet meer een woord van
Jahwe; het daarvoor uit te geven was voor zijn bewustzijn liegen.
15 v. Zie op vs. 3 en 4.
-ocr page 285-
nümkri XXIV: 17—23.                                       305
17                         Ik zie hem, maar niet in het heden,
ik aanschouw hem, maar niet nu aanstonds.
Eene star treedt te voorschijn uit Jakoh,
een schepter staat op uit Israël;
hij verplettert Moabs slapen,
den schedel aller oorlogszuchtigen.
18                    Ook zal Edom een wingewest zijn,
een wingewest zal zijn vijand Ezau wezen,
terwijl Israël kracht oefent.
19                    Heersenen zal hij uit Jakob
en uit zijne stad de ontkoraenen te gronde richten.
20           Voorts Amalek ziende, hief hij zijne spreuk aan en zeide:
Der natiën keur is Amalek,
maar ten laatste is hij ten ondergang gedoemd.
21            En de Kenieten ziende, hief hij zijne spreuk aan en zeide:
Onwrikbaar zij uwe woonplaats,
in de rots gebouwd uw nest,
22                    toch zal Kain ter afweiding zijn,
totdat Assur u wegvoert.
23           Daarna hief hij zijne spreuk aan en zeide:
V». 17e. Jer. XLVIII: 45*.
17.  Eene star, beeld voor een machtig koning; verg. Jcz. XIV: 12; Opcub. XXII: 16. Kvcnecns de
schepter. — schedel, volg. Sam. t., I\'s. LXVIII:22, en Jer. XLVIII:45, waar deze regel» overgenomen
wordon. — oorlogszuchtige*, letterlijk zonim van hel slrydrumoer, hier eene omschrijving van de
Moabieten.
18.  Ezau, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. Seir; wat wel eene aanduiding van Edoin kan zijn, maar
vreemd staat naast zijn vijand. De betcekenis is dezelfde. — gijn vijand. De grondtekst heeft het
meervoud.
19.  hij, Israëls toekomstige koning. — zijne stad, volgens geringe tekstverandering. Bedoeld wordt
de hoofdstad van dien koning.
20 v. ziende. De opsteller van vs. 20—24 vergeet dat de Amalekieten en de Kenieten van den top
van den Pisga niet te zien waren.
20.   Amalek woonde in het Zuiden, XIII: 29; XIV: 43, 45; Exod. XVII: 8—16; 1 Sam. XV;
XXVII: 8; XXX: 1; maar de naam Amaleiietengebergte, dien Richt. XII: 15 (verg. Richt. V: 14) eene
streek in het midden des lands droeg, maakt het waarschijnlijk dat zij vroeger ook noordelijker ge-
woond hadden. Wat den dichter van dit toevoegsel op de Hileamssage bewoog hen met den onder-
gang te bedreigen weten wij niet, maar kunnen wij wel gissen. Immers, (Jen. XXXVI: 12, 16 komt
Amalek tweemaal onder Ezau\'s afstammelingen voor, waaruit wij moeten opmaken dat er eene nauwe
band was tusschen de Edomietcii en de Amalekieten. Zeker hebben dezen gemeenc zaak gemaakt met
de Kenieten en andere stammen in Zuid-Juda, over wie zie op vs. 21. Verg. verder op 1 Sam. XV: 8.
21  v. De Kenieten, of Kainieten, vandaar kortweg Kain, waren Midianieten, die met cenigc Edo-
mietische geslachten en de Judcërs en de Simconieten het grondgebied ten westen van de Doode Zee
hadden veroverd; verg. inl. op XIII, XIV. Die vreemden hadden zich warme vrienden vau Saul be-
toond, 1 Sam. XV:6; XXIII :lvv.; XXVI\'. lvv.; XXVII : 10, en waren van dien tijd af echte zonen
van Israël gewordeu; wat den oudsten vcrhalcr in XIII, XIV dreef om nadrukkelijk te lecren dat
Kaleb, de stamvader van een dier geslachten, door zijn geloof een erfdeel onder Israël heeft verkregen.
Maar de gezindheid dier familiën jegens Israël is veranderd; toen Noord-Isracl was gevallen, en Juda,
corst van Assyrië, later van llabel afhankelijk was geworden, sloten zij zich steeds meer bij hunne
zuidelijke naburen, de Kdomicteu, aan. Dientengevolge worden zij Oen. XV: 19 onder Isrnëls vijanden
opgeteld. In bondgenootschap met de Edomieten waren zij voor Juda zeer gevaarlijke vijanden, daar
zij, als bewoners der schier ongenaakbare bergstreken rondom Hebron, zelvcu moeilijk konden over-
wonnen worden en de wegen naar Jeruzalem van de zuidzijde in hunne macht hadden. De uitkomst
heeft bewezen dat men niet ten onrechte voor hen vreesde. Immers, toen Jeruzalem door Ncbukadrcsar
belegerd werd, hebben de Edomictcu hein geholpen en tegen Jeruzalem opgehitst (zie Ps. CXXXVII:
7; Jez. XXXIV:5—17; Klaagl. IV:21v.; Ezcch. XXV: 18—14; XXX1I:29; XXXV; Obadja), die
hierbij zonder twijfel den steun badden van de niet-Israëlitischc bewoners van Juda; immers later
heeft het zuidelijk deel van het voormalig rijk Juda, tot ten noorden van Hebron, den naam Xdumea,
d. i. Edomictisch land, gedragen, 1 Mnkk. IV:29, 61; V:05 enz. \\ Mare. 111:8. — nest. Het Hcbrceuwsche
woord hiervoor (teen) heeft veel overeenkomst met den naam des volks i Kain).
22.   De toon dien deze dichter aanslaat is vrij wat lager gestemd dan die van vs. 17: geen koning
uit Israël zal Kain uit zijne rotsvesten halen; het zal slechts ter afweiding zijn, d. i. verkwijnen, totdat
Assur het wegvoert.
23.   Wee — geeft? onzekere vertaling.
-ocr page 286-
NUMBiu XXIV: 23—XXV: 2.
3GÖ
"Wee! Wie zal leven langer dan God hem geeft?
24                    Schepen van tien kant der Kittiërs!
zij zullen Assur vernederen:
zij zullen Eber vernederen;
ook hij is ten ondergang gedoemd.
25           Toen maakte Itileani zich op, ging heen en keerde weder naar zijne
woonplaats. Ook Balak ging zijns weegs.
21. Kiil\'n•"/••<. eigenlijk de inwoners van Kition. op Cyprus, vondaar vunr de Cypricrs gcl>czigd, soms
misschien voor dr kustlnudcn in ile Kgeische Zee; verg. op Ren. X: 4. Wnt zich de schrijver voor-
stelde dut gebeuren zou, is niet duidelijk. Waarschijnlijk had hij er geen klare voorstelling van. IK;
onweerstaanbare Assyriers boezemden hem vrees in, en of al eenc uiidcrc macht aan Kufraat en \'Pipris
de hunne fnuikte, wat haatte dit Israël • liet ruilde van meester. Toch hield de dichter moed; maar
de toekomst schemerde hem. Vandaar het raadselachtige in dit vers. Welk volk schepen zal zenden
om de Aziatische rijken te vernederen, weet hij niet; hij ziet ze alleen komen van het westen, over
Cyprus. De schrijver van Dan. XI : SU vindt er de vloot der Romeinen in; maar onze schrijver wist
zeker niets van dit volk. waarschijnlijk ook niets van Grieken of Mnccdoniërs. Verder verwacht hij,
dat die schepen niet slechts Assur, maar ook Elier zullen vernederen. Wat hij ouder dien naam ver-
staat, hlijkt niet. Hij heteckent .overkant\' en duidt wellicht alle volkeu aan de overzijde vnn den
Kufraat aan, dus nuk de Meden en de Kabyloiiicrs, die in 000 Nincve hadden ingenomen en van wier
krijgsverrichtingen tegen Assyriè de schrijver misschien kennis droeg. J)e hij, die ook ten ondergang
gaat, is waarschijnlijk Assur en Klier, die dan met elkander worden vereenzelvigd, althnus wat hun
toekomstig lot
hetre.lt. — Daar de naam Ebrr onduidelijk is en die van Altur voor Chuldca of Verzie
gebruikt kan zijn (zie op Kzra VI:SS), is het niet onmogelijk dat vs. SS», een toevoegsel is uit den
Grickschcn tijd.
HOOFDSTUK XXV.
Tsracls afgoderij; Pinehas. — De Israëlieten gaan verbintenissen aan met Moabictischc meisjes, en
dezen verleiden hen tot vereering van Kniil-Pcor (1—3); waarop Jahwe Muzen beveelt, de volkshoofden,
tot stilling van zijn toorn, ter dood te brengen (4). Mozes gelast dv overheden de schuldigen te
dooden (5). Als een Israëliet ecne Midiauietische ten aanschouwen der gemeente in zijne tent brengt,
gaat I\'inehns, de zoon vnn Kleazar, den zoon van den priester Aüron, hen achterna en doorsteekt
hen (fl—Ha); waardoor de sterfte, die reeds vele duizenden weggeraapt heeft, wordt gestuit (8 4, !)).
Jahwe geeft 1\'inehas tot loon voor zijn ijver het priesterschap voor hem en zijne nakomelingen (1U—13).
De namen der beide overtreders (14 v.). Jahwe gelast Mozes, de Midiauictni, omdat zij Israël ver
4
leid
11888116
hebben, als vijanden Ie behandelen (1(1—IS).
Dit hoofdstuk behelst het werk van drie schrijvers. Vooreerst hebbeu wij hier in vs. 1—I het
eerste gedeelte vnn een verhaal, nan het Oiide-Sagenbock ontleend, handelend over den afval der
Israëlieten tot de vereering van Huiil-Pcor, waartoe Moabietische vrouwen hen verleiden; met de
aankondiging ilnt tot straf hiervoor de volkshoofdcn moeten gedood worden breekt het af. Dan is
vs. G—15, uit Kzra\'s Wetboek, het slot van een verhaal over verbintenissen van Israëlieten met
Midinuietisehe vrouwen, ten gevolge waarvan Jahwe ecne plaag onder hen doet uitbreken, die door
het kloek optreden vnn 1\'inehas wordt gestuit; deze wordt hiervoor beloond met de belofte van het
erfelijk priesterschap. Toen deze verhalen werden uaiiecngclnscht, waarbij vnn het ecne het slot, van
het andere de nanhef verloren ging, is vs. 5 ingevoegd. Kindelijk is nan het aldus ontstaan geheel
vs. lil—18 toegevoegd, als aankondiging van het verhaal over de hcstraliiug van de Midinnietcn,
H. XXXI.
Op den inhoud van dit hoofdstuk, of op een der gedeelten waaruit het werd samengesteld, wordt
gezinspeeld Deut. IV: 3; Joz. XXII: 17; Ps. CVI:S8; Hoz. IX: 10.
Pinchas, de kleinzoon van Aüron, wiens recht op het priesterschap de schrijver van vs. 0—15
blijkbaar wil verkondigen, komt verder nog voor XXXI: 6; Kxod. VI: 24; Joz. XXII: 13, 30—32;
XX1V:33; Richt. XX:28; 1 Kron. VI:4, 50; IX:20; P». CVI:28—31; 1 Makk. 11:54; Sir.
XLV: 23—26.
XXV: 1 Toen Israël zich in Sjittim ophield, begon het volk ongeoorloofde
2 betrekkingen aan te knoopen met de Moabietische vrouwen,\' en toen
dezen het tot de offeranden ter eer harer goden noodigden, at het volk
1.   Sjittim, ,acacia>\', ook Joz. 11:1; 111:1; Hoz. V:2; Micha VI: 5 genoemd, als laatste halte der
Israëlieten voordat zij den Jordann overtrokken; volg. XXXIII: 49, waar Abel-haujittim, ,oc&ciaweide\',
voorkomt, was het in de vlakte van Moab (zie XXII: 1) gelegeu. Verg. Joel 111:18.
2.   at... daarvan, unin deel aan het ofleruiaal.
-ocr page 287-
numbm XXV: 2—18.
367
3       daarvan en boog sich voor hare goden neder.\' Zoo koppelde zich
Israël aan Baül-Peor. Hierover ontstak Jahwe in toorn tegen Israël\'
4       en zeide hij tot Mozes: Neem al de volkshoofden en hang hen op
ter eer van Jahwe in de volle zon; opdat de hitte van Jahwe\'s toorn
f> zich van Israël afwende.\' En Mozes zeide tot Israëls rechters: Ieder
uwer doode die van zijne mannen die zich aan Baül-Peor gekoppeld
hebhen.
6           En zie, daar kwam een Israëliet liet leger in en bracht eene Midi-
anietische tot zijne broeders, ten aanschouwen van Mozes en de ge-
heele gemeente der Israëlieten, terwijl zij weenden aan den ingang
7       van de tent der samenkomst.\' Maar IMnehas, de zoon van Eleazar,
den zoon van den priester Aiiron, dit ziende, stond op uit liet mid-
8       den der gemeente, nam eene lans in de hand, \' ging den Israëliet in
het slaapvertrek achterna en doorstak hen beiden, den Israëliet en de
9       vrouw, in haar onderlijf. No hield de plaag op onder de Israëlieten;\'
maar reeds waren er vier en twintig duizend aan bezweken.
10, 11 Toen sprak Jahwe tot Mozes: \' Pinehas, de zoon van Eleazar, den
zoon van den priester Aiiron, heeft mijne gramschap van de Israëlie-
ten afgewend, doordat hij onder ben geijverd beeft zooals ik ijver.
12       Dies heb ik de Israëlieten niet in mijne ijverzucht verteerd.\' Daarom
13       geef ik hem een vredehond,\' dat voor hem en zijn kroost na hem de
belofte van eeuwig priesterschap inhoudt, tot loon van zijn ijveren
voor zijn god, waardoor bij verzoening voor de Israëlieten hewerkt heeft.
14           De verslagen Israëliet, die met de Midianietische verslagen was, heette
15       Zimri, de zoon van Salu, vorst van eene familie der Simeonieten,\' en
de verslagene Midianietische heette Kozbi, de dochter van >Sur; hij was
stamhoofd eener familie in Midian.
16, 17 En Jahwe sprak tot Mozes:\' Behandelt «Ie Midianieten vijandig en
18 verslaat hen;\' want zij behandelen u vijandig door de arglistige plan-
nen die zij tegen u gesmeed hebben, ter zake van Peor en ter zake
van Kozbi, de Midianietische vorstendochter, hunne zuster, die op den
dag van de plaag wegens I\'eor verslagen is.
3.   Baat-Peor, d. i. ,ilc Haiil van den Pcor\', den bergtop (zie XXIII: 28), ook kortweg Peor. Hij
komt alleen voor in ccuigc van de onze afhankelijke plaatsen, Dent. IV: 8; Jol. XXII: 17; I\'s.
OVI:28; Ho/. IX: 10. Nuar hem heette waarschijnlijk de stad llcth-l\'cor, Dcut. 111:2!); IV: Ml;
XXXIV :ö; Joz. XIII :20; ook cone stad in Juda heette I\'eor, Joz. XV: 5U. Van zijn dienst weten
wij niets.
4.   hang hen op. Dezelfde strafoefening komt alleen nog 2 Suin. XXI: 0—14 voor. De grondbctcc-
kenis van het werkwoord is .verrekken\' .uitrekken\' (verg. Gen. XXXII: 2(1). De meeste oude vertalers
vatten het op als kruisigen. Het levend kruisigen en spietsen was zeker ouder Israël, uls onder andere
Semielischc volken, gebruikelijk; de wet schrijft het nergens voor. — ter eer ran Jahwe. Klke
strafoefening was iu zekeren zin een offer aan Jahwe, wiens gekrenkte eer er door ge-
zoend werd.
5.  rechter: Ondersteld wordt de inrichting van bod. XVIII: 21—20: talrijke hoofden, evenals hier,
Dcut. 1: 1G reehtert genoemd, ieder hunner gesteld over een zeker aantal gczinncii. Het vers stemt
niet overeen met vs. 4. Daar wij het verhaal in zoo verminkten vorm hebben, weten wij niet, hoc
dit te verklaren is.
8. het tlaapcertrek, onzekere vertaling. — de plaag. Hiervan werd waarschijnlijk gesproken in het
weggevallen begin van dit verhaal.
18, Daarom. Hierna heeft de grondtekst nog zeg. — een vredebond, of een heUnerbond, d. i. een
verbond dat heil aanbrengt, volg. Gr. vert. Een „verbond" is ongeveer hetzelfde als eene belofte.
18. Van arglist der Midianieten lezen wij in het voorgaande niets, muar iu den thans verloren
aanhef van het verhaal werd daarvan zeker gewag gemaakt.
HOOFDSTUK XXVI.
De tweede monstcring. — Op Jahwc\'s last tellen Mozes en Eleazar de Israëlieten (1—t). Opsom-
ming der geslachten die van de twaalf stamvaders afkomstig zijn, met de sterkte van eiken stam:
Kuben (5—11); Siineon (12—14); Gad (15—18); Juda (19—22); Issachar (28—25); Zebulon (26 v.);
-ocr page 288-
KUMKRI XXVI: l- 19.
3G8
Manasse en Efraim (28—37); Benjamin (38—41); Dan (42 v.); Azer (44—47); Naftali (48—51).
Jahwe verordent dat oniler deze stammen het beloofde land door het lot zal verdeeld worden (52—
50). He geslachten van Levi en de sterkte van den gchcclcn stam; dnartussehen Aürons afkomst en
zonen (57—02). Onderschrift (03—05).
Kvenals het bericht omtrent de eerste monstcriiig, II. I, is dit grootendeels uit Kzra\'s Wetboek
afkomstig; alleen is vs. 8—11, dat over Korah, Dathan en Abiram handelt, er later bijgevoegd; zie
aldaar. Over de ongeloofwaardigheid van het bericht zie inl. op H. I.
XXVI: 1 Na <le plaag zeide Jahwe tot Mozes en Eleazar, den zoon van Ailron,
\'2 den priester:\' Xeemt de som op van de geheele gemeente der Israë-
lieten van twintig jaar en daarboven, naar hunne i\'amiliën, alle dienst-
3 plichtigen in Israël.\' Dientengevolge telden Mozes en de priester Elea-
4« zar hen, in de vlakte van Moah, aan den Jordaan bij Jericho,\' van
twintig jaar en daarboven, zooals Jahwe Mozes bevolen had.
46, 5 De zonen van Israël die uit Egypteland trokken waren: \' Kuben was
Israëls eerstgeborene, en de Kubenieten naar hunne geslachten waren:
van Henoch het geslacht der Henochieten, van 1\'allu dat der Palluïeten,\'
6, 7 van Hesron dat tier Hesronieten, van Karmi dat der Karmieten.\' Dit
i            zijn de geslachten der Kubenieten. Hunne gemonsterden waren drie en
veertig duizend zeven honderd dertig.
8, 9 Pallu\'s zoon was Eliah.\' Eliabs zonen waren Nemuël, Dathan en
Abiram. Dit zijn die Dathan en Abiram, die, opgeroepen uit de ge-
meente, in verzet kwamen tegen Mozes en Atiron in de bende van
10       Korah, toen deze in verzet kwam tegen Jahwe;\' toen opende zich de
aarde en verslond hen, als ook Korah, bij het sterven der bende, toen
het vuur de tweehonderd vijftig man verteerde en zij tot een waar-
11       schuwend teeken werden;\' maar Korahs zonen stierven niet.
12           De Simeonieten naar hunne geslachten waren: van Nemuël het ge-
slacht der Nemuëlieten, van Jamin dat der Jaminieten, van Jachin dat
13       der Jachinieten,\' van Zerah dat der Zarhieten, van Saul dat der Wau-
14       lieten.\' Dit zijn de geslachten der .Simeonieten, naar hunne gemonster-
den, twee en twintig duizend tweehonderd.
15           De Gadieten naar hunne geslachten waren: van Sefon het geslacht
der Sefonieten, van Haggi dat der Haggieten, van iSjuni dat der 8ju-
16,17 nieten,\' van üzni dat der Oznieten, van Eri dat der Erieteu,\' van
18       Arod dat der Arodieten, van Areëli dat der Areëlieten.\' Dit zijn de
geslachten der Gadieten, naar hunne gemonsterden, veertig duizend
vijfhonderd.
19           Juda\'s zonen waren Er en Onan; maar Er en Onan stierven in het
1. Aa de plaag. Met deze woorden knoopt de Verzamelaar het berieht over de tweede monstering
aan het voorgaande stuk.
3. telden, volg. verb. tekst; grondt, sprak. Ook aan het slot is een woord weggelaten.
I. i/ie uil Egypte trokken. Dit heeft natuurlijk alleen betrekking op de namen der gcslaehten, niet
op de getalsterkte der stammen in het veertigste jaar.
5 v. Dezelfde Kubenietischc geslachten worden opgenoemd Gen. \\l,VI:!i: Kxod. VI: 13; 1
Kron. V:3.
5. naar hunne geslachten en can vóór llenoch. Deze woorden ontbreken in grondt. Ook iu het ver-
volg zijn dergelijke fouten, soms volg. Sam. en Gr. t., verbeterd. — llenuch, komt Gen. XXV : 4 als
Midianictischc stam voor.
8. Pallu\'s zoon, naar verb. t.; grondt. Pallu\'s zonen.
U. Nemuël. Zoo heet vs. 12 een zoon van Simcon; waarschijnlijk is hij hier bij ongeluk ingeslopen.
\'JA—11. Dit slaat terug op H. XVI, en wel in den vorm waarin wij het hebben; maar het bericht
is zoo zonderling gesteld, dat het is alsof de schrijver gevoeld heeft dat II. XVI uit tegenstrijdige
bcstanddeclcn is samengevoegd. Het slot Korahs zonen stierven niet is in strijd met XVI: 32. De
schrijver wil blijkbaar het feit dal de Korahicten in zijn tijd een machtig geslacht uitmaakten (zie
op XVI: 1) verklaren. Waarschijnlijk is vs. 8—11 een toevoegsel.
12—14. Van de Simeonieten worden Gen. XLVI:10; Kxod. VI: 14 zes geslachten opgenoemd.
Waarschijnlijk is hier een bij ongeluk overgeslngcn. Verg. op Gen. XI.VI : 11).
15—17. Zie op Gen. XXVI: 10.
19—21. Zie op (.,„. XLVIM2.
-ocr page 289-
369
NTJMBRI XXVI: 19—41.
20       land Kanaan.\' En de Judeërs naar hnnne geslachten waren: van Sjela
het geslacht der 8jelanieten, van Peres dat der Parsieten, van Zerah
21       dat der Zarhieten.\' En de Parsieten waren: van Hesron het geslacht
22       der Hesronieten, van Haniul dat der Hamulieten.\' Dit zijn de geslach-
ten van Juda, naar hunne gemonsterden, zes en zeventig duizend vijf-
honderd.
23           De Issacharieten naar hunne geslachten waren: van Tola liet geslacht
24       der Tolaïeten, van Pua dat der Punieten,\' van Jasjub dat der Jasju-
25       bieten, van Hjimron dat der Sjinironieten.\' Dit zijn de geslachten van
Issachar, naar hunne gemonsterden, vier en zestig duizend driehonderd.
26  , De Zehulonieten naar hunne geslachten waren: van Sered het ge-
slacht der Hardieten, van Elon dat der Elonieten, van Jahleël dat der
27       Jahleëlieten.\' Dit zijn de geslachten der Zehulonieten, naar hunne ge-
monsterden, zestig duizend vijfhonderd.
28, 29 Jozefs zonen naar hunne geslachten waren Manasse en Efraim.\' De
Manassieten: van Machir het geslacht der Machirieten; en Machir had
30       Gilead verwekt; van Gilead dat der Gileadieten.\' Dit zijn de Gilea-
dieten: van Abiëzer het geslacht der Abiëzrieten, van Helek dat der
31       Helkieten,\' van Asriël dat der Asriëlieten, van Sichem dat der 8iche-
32       mieten,\' van Sjeniida dat der >Sjemidaïeten, van Heler dat der Hefrieten;\'
33       Selofhad, de zoon van Hefer, had geen zonen, alleen dochters; de
dochters van Selofhad heetten Mahla, Noa, Hogla, Milcha en Tirsa.\'
34       Dit zijn de geslachten van Manasse; en hunne gemonsterden waren
twee en vijftig duizend zevenhonderd.
35           Dit zijn de Efraimieten naar hunne geslachten: van Bjuthelah het
geslacht der iSjuthelahieten, van Becher dat der Bachrieten, van Tahan
36       dat der Tahanieten.\' En dit zijn de Sjuthelahieten: van Eran het ge-
37       slacht der Eranieten.\' Dit zijn de geslachten van Efraim, naar hunne
gemonsterden, twee en dertig duizend vijfhonderd. Dit zijn Jozefs zonen
naar hunne geslachten.
38           De Benjaminieten naar hunne geslachten waren: van Bela het ge-
slacht der Ballieten, van Asbel dat der Asbelieten, van Ahiram dat der
39       Ahiramieten,\' van Sjefufam dat der Sjefufamieten, van Hufam dat der
40       Hufamieten.\' En de zonen van Bela waren Ard en Naiiman; van Ard
41       het geslacht der Ardieten, van Naiiman dat der Naamanieten.\' Dit zijn
de Benjaminieten naar hunne geslachten, en hunne gemonsterden waren
vijf en veertig duizend zeshonderd.
20. Sjelanieten. Verg. 1 Kron. IX: 5. — Parsieten. Zie op 2 Sam. V: 20.
28 v. Overeenkomstig Gen. XLVI:18; 1 Kron. VII :1. — Punieten. Deze naam hangt wellicht met
den ouden naam der Feuicicrs, Puniirs, nauw samen.
26. Overeenkomstig Gen. XLVI: 14.
29—32. Over Machir zie op Gen. L: 23. Heet hij hier Mnnasse\'s eenigc zoon, dan beteekent dit,
dat voor den schrijver de Overjordaanschc geslachten de kern van den stam uitmaakten. Onder hen
treffen wij een paar aan die zeker ten westen van den Jordaan woonden, ui. Abïèser (volg. verb. t.;
Hcbr. t. lher; Gr. t. Akiëzer), het geslacht waaruit Jerubbaiil was gesproten, Richt. VI: 11, 15, 24;
VIII:2; Sichem, de bekende stad tusschen den Klml en den Gerizim; wellicht ook de dochters van
Selofhad, vs. 33. Na de groote verhuizing der Manassieten, die waarschijnlijk na den ondergang van
Abimelcchs rijk plaats had, zijn zeker vele hunner steden door de Efraimieten bezet, althans later
gerekend tot Efraim te behooren.
33. Zie over de dochters van Selofhad inl. op XXVII :1—11. — Dezelfde vijf dochters worden ook
XXXVI: 11; Joz. XVII:8 opgenoemd. In 1 Kron. VII: 18, 19 komen een paar dier namen, eeu
weinig gewijzigd, tot aanduiding van Manassietischc familiehoofden voor, maar niet als dochters van
Selofhad; zie aldaar. Tirsa heet eene stad iu West Palestina, ook Hot/Ia, of Beth-hogla, Joz. XV : 6;
XVIII: 19, 21. In hoever deze namen met die van Sclofhads dochters samenhangen, weten wij niet;
zie op vs. 29—32.
38—40. Zie op Gen. XLVI: 21.
39. Sjefufamieten, volg. verb. t. naar den voorafgaanden naam, die ook 1 Kron. VIII: 5
voorkomt.
O. T. I.
24
-ocr page 290-
numbri XXVI: 42-62.
370
42           Dit zijn de Danieten naar hunne geslachten: van Bjuham het geslacht
der Sjuhamieten. Uit zijn de geslachten van Dan naar hunne geslachten.\'
43       Al de geslachten der iSjuhamieten, naar hunne gemonsterden, waren
vier en zestig duizend vierhonderd.
44           De Azerieten naar hunne geslachten waren: van .linina het geslacht
der Jimnaïeten, van Jiswi dat der Jiswieten, van Iteria dat der Beri-
45       ieten.\' Van de Beriïeten, van Heber het geslacht der Hebrieten, van
46       Malkiël dat der Malkiëlieten.\' En de dochter van Azer heette iSerah.\'
47       Dit zijn de geslachten der Azerieten, naar hunne gemonsterden, drie
en vijftig duizend vierhonderd.
48           De Naftalieten naar hunne geslachten waren: van Jahseël het ge-
49       slacht der Jahseëlieten, van Guni dat der Gunieten,\' van Jeser dat der
50      Jisrieten, van Sjillem dat der Sjillemieten.\' Dit zijn de geslachten van
Naftali, naar hunne geslachten, en hunne gemonsterden waren vijf en
veertig duizend vierhonderd.
51           Dit zijn de gemonsterden der Israëlieten, zeshonderd éen duizend
zevenhonderd dertig.
52, 53 Jahwe sprak tot Mozes:\' Onder dezen zal het land ten erfdeel ver-
54       deeld worden, naar het getal der namen: \' aan een grooten stam zult
gij een groot, aan een kleinen een klein erfdeel toewijzen; aan elk
zal een erfdeel naar het aantal zijner gemonsterden gegeven worden.\'
55       Evenwel zal het land door het lot verdeeld worden, naar de namen
56       hunner voorvaderlijke stammen zullen zij hun erfdeel ontvangen.\' Naar
beslissing van het lot zal aan elk zijn erfdeel toegedeeld worden, den
eenen een groot, den anderen een klein.
57           Dit zijn de gemonsterden der Levieten naar hunne geslachten: van
Gersjon het geslacht der Gersjonieten, van Kehath dat der Kehathieten,
58       van Merari dat der Merarieten.\' Dit zijn de geslachten van Levi: dat
der Libnieten, dat der Hebronieten, dat der Mahlieten, dat der Mu-
59       sjieten, dat der Korahieten. — En Kehath verwekte Amram.\' Amrams
vrouw heette Jochebed, de dochter van Levi, die aan Levi in Egypte
geboren is; zij baarde aan Amram Aaron, Mozes en hunne zuster Mir-
60      jam.\' Aan Aiiron werden geboren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.\'
61       Maar Nadab en Abihu stierven toen zij vreemd vuur voor Jahwe ge-
62       bracht hadden. —\' Hunne gemonsterden waren drie en twintig duizend,
mannelijke afstammelingen van eene maand en daarboven. Immers, zij
werden niet gemonsterd onder de Israëlieten, omdat hun geen erfdeel
onder de Israëlieten gegeven was.
42. Zie op Gen. XLVI: 23.
44—40. Zie op Oen. XLVI: 17 en 1 Kron. VII: 30 v.
48 v. OvereenkomstIg Gen. XLVI: 24; 1 Kron. VII: 13.
51. Het eijfer is bijna twee duizend lager dun dat der eerste monstering, 1:46. Sommige stammen
zijn aanmerkelijk in sterkte toegenomen, andere achteruitgegaan; Simeon is zelfs tot bijna een derde
van zijn vroeger aantal geslonken. Door welke overwegingen de schrijver zich hierbij leiden liet,
ii onbekend.
53. Onder deze», met uitsluiting dus van de Levieten, wier geslachten eerst vs. 57—62 worden op-
gesomd.
54—56. Hoc de verdeeling des lands onder de stammen naar hunne getalsterkte kan samengaan
met de toewijzing van de crfdeelen door het lot, verklaart de schrijver niet. Daar noch het een, noch
het ander heeft plaats gehad, is het vraagstuk nooit in ernst gesteld. Over de voorstelling van de
verloting des lands zie inl. op Jozua.
57 v. Verg. 111:17—87; Exod. VI: 15—24, waar de geslachten onder de drie stamhoofden worden
verdeeld en in plaats van dat der Korahieten een paar andere voorkomen.
58.  Kehath verwekte Amram. Desgelijks 111:19.
59.  De naam Jochebed alleen nog Exod. VI: 19. — die — it, volg. verb. t.; grondt, die rij aam
Levi baarde.
— Mirjam. Verg. op XII: 1.
60.  Zie III: 4; Lev. X : 1—7; 1 Kron. XXIV : 2.
62. Verg. 1: 48—54; XVHT : 20 vv. Volgens III: 89 waren de Levieten 22.000 man sterk.
-ocr page 291-
371
kumkri XXVI: (53—XXVII: 9.
63          Dit zijn de gemonsterden door Mozes en den priester Eleazar, die
de Israëlieten gemonsterd hebben in de vlakte van Moab, aan den
64      Jordaan bij Jericho.\' En onder hen was niet éen van hen die gemon-
sterd waren door Mozes en den priester Aiiron, die de Israëlieten in
65      de woestijn van den Sinai gemonsterd hadden.\' Want Jahwe had van
hen gezegd: Sterven zullen zij in de woestijn. Kn niet éen was van
hen overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jel\'unne, en Jozua, de zoon
van Nun.
64 v. Volgen» de bedreiging van XIV : 28—35.
HOOFDSTUK XXVII: 1—11.
De dochter» van Sclofhad. — Selofhad» dochter» verzoeken dat het erfdeel van haar vader op haar
overga, omdat hij geen zonen heeft nagelaten (1—4); Mozes gaat hierop Jahwe\'» beslissing vragen (5).
Jahwe beveelt het verzoek iu te willigen (6 v.), en stelt vast dat voortaan bij ontstentenis van zonen
dochters zullen erven; en wie verder, indien ook dezen ontbreken (8—11).
I)ochtcr9 erfden onder Israël niet. Wel kon een vader haar bij zijn leven cene eigene bezitting geven
(zie b. v. Joz. XV:18v.; Job XLII: 15), doch de zonen alleen verdeelden de nalatenschap. De meisje»
hadden aanspraak op onderhoud en uitzet, maar waren hierin afhankelijk van hare broeder». Onze
schrijver, die van Ezra\'s Wetboek, stelt hierop cene uitzondering vast, door hem zelvcn of een jonger
geestverwant in II. XXXVI cenigermate beperkt, en wel voor het geval dat iemand alleen dochters
nalaat; tevens regelt hij het erfrecht nader. Om zijne bepalingen met Mozes\' gezag te bcklceden,
laat hij vijf dochters van een Manassiet, Sclofhad, van wien wij verder niets weten, tot hem komen,
om van hem het vaderlijk erfdeel te vragen. Deze inkleeding is niet gelukkig; immers, iemand die
in de woestijn was gestorven kan onmogolijk ceno „erfelijke bezitting", vs. 7, waaronder onroerende
goederen, vooral akker», (zie II. XXXVI) verstaan werden, achtergelaten hebben. De vijf nnnien van
Selofhads dochters zullen wel die van stcdeu geweest zijn; zie op XXVI: 33. De uitvoering van het
hier verordende wordt, door denzelfden schrijver, Joz. XVII: 3 v. verhaald.
XXVII: 1 Eens naderden de dochters van Selofhad, den zoon van Hefer, den
zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, die
tot de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef, behoorden — dit
zijn de namen zijner dochters: Malila, Noa, Hogla, Milka en Tirsa—\'
2      en plaatsten zich voor Mozes, den priester Eleazar, de vorsten en de
geheele gemeente, aan den ingang van de tent der samenkomst, zeg-
3      gende:\' Onze vader is in de woestijn gestorven; hij heeft niet behoord
tot de bende die samenrotte tegen Jahwe in de bende van Korah, maar
4      om zijne zonde is hij gestorven; en hij had geen zonen.\' Waarom zou
de naam van onzen vader uit zijn geslacht worden afgesneden omdat
hij geen zoon had? Geeft ons eene bezitting in het midden der broe-
5      dere van onzen vader!\' En Mozes bracht de haar betreffende rechts-
vraag voor Jahwe.
6,7         Jahwe zeide tot Mozes:\' De dochters van Selofhad hebben gelijk.
Gij moet haar stellig eene erfelijke bezitting geven onder de broeders
van haar vader, en op haar het erfdeel van haar vader doen overgaan.\'
8      En tot de Israëlieten zult gij zeggen: Indien iemand sterft zonder een
zoon te hebben, dan zult gij zijn erfdeel op zijne dochter doen over-
9      gaan.\' Indien hij ook geen dochter heeft, dan zult gij zijn erfdeel aan
1. He/er — Manatie. Dezelfde geslachtsboom XXVI: 29—33. Volg. Joz. XVII: 2 was Hefer zoon
van Manasse. Verg. op XXVI: 29 v.
3.   de bende van Korah, De schrijver kent het verhaal van H. XVI voor zoover het in het Wet-
bock van Ezra stond: tot de bende van Korah behoorden menschen van alle stammen; verg. inl.
op H. XVI. — om zijne sonde, zooals alle Israëlieten die uit Egypte getrokken waren ten gevolge
van het XIV: 28—35 uitgesproken vonnis hadden moeten sterven.
4.    Waarom — had? Wat zeker zou geschieden indien de naam van haar vader niet verbonden
bleef met een stuk land. Dat iemands naam verloren ging gold voor eene groote ramp; verg. Deut.
XXV: 6. De zoon hield den naam der familie, „het huis zijns vaders", in stand. — Oeeft, volg. Sam.
en Gr. tl Hebr. t. heeft het enkelvond.
-ocr page 292-
NÜMKRI XXVII: 9—23.
372
10       zijne broeders geven.\' Heeft hij ook geen broeders, dan zult gij zijn
11       erfdeel aan de broeders van zijn vader geven.\' Had ook zijn vader geen
broeders, dan zult gij zijn erfdeel geven aan dien bloedverwant uit zijn
geslacht die hem het naast bestaat; die zal het in bezit nemen. Dit
zal den Israëlieten eene rechtsinzetting zijn, zooals Jahwe Mozes be-
volen heeft.
11. uil zijn geilaeht, altijd van vaderszijde; de verwanten van moederszijde bchooren niet tut bet
geslacht.
HOOFDSTUK XXVII: 12—23.
Jozua tot Mozes\' opvulgcr gewijd. — Jahwe beveelt Mozes, den berg Abarim te beklimmen, om
daar, tot straf voor zijne zoude, te sterven (12—14). Mozes verzoekt Jahwe, iemand tot herder van
Israël aan te stellen (15—17;; Jahwe wijst hiertoe Jozua aau (18—21); waarop Mozes hein tot zijn
opvolger wijdt (22 v.).
Dit stuk heeft een deel uitgemaakt van Ezra\'s Wetboek. Eene andere voorstelling van Jozua\'s oan-
stclling tot Mozes\' opvolger in Deut. 1:38; XXXI: 14 v., 23; verg. Deut. 111:21, 28.
XXVII: 12 Jahwe zeide tot Mozes: Beklim dit gebergte Abarim en zie het
13       land dat ik den Israëlieten geef.\' Wanneer gij het gezien hebt, zult
ook gij tot uw volk vergaderd worden, zooals aan uw broeder Aiiron
14       geschied is;\' omdat ook gij tegen mij weerspannig zijt geweest in de
woestijn Tsin, bij het twisten der gemeente, toen gij mij aan het
water te hunnen aanschouwen hadt moeten heiligen. Dit is het water
van Meriba bij Kades, in de woestijn Tsin.
15, 1(5 Toen sprak Mozes tot Jahwe: \' Dat Jahwe, de god der geesten van
17       alle vleesch, een man over de gemeente aanstelle,\' die voor haar uit-
en ingaat en haar uit- en inleidt; opdat Jahwe\'s gemeente niet op eene
18       herderlooze kudde gelijke!\' Hierop zeide Jahwe tot Mozes: Neem Jozua,
den zoon van Nun, een man in wien geest is, leg hem de hand op,\'
19       plaats hem voor den priester Eleazar en de geheele gemeente en draag
20       hem zijne taak op voor hunne oogen.\' Leg een deel uwer majesteit op
21       hem; opdat de geheele gemeente der Israëlieten naar hem hoore.\' Voor
den priester Eleazar zal hij staan, en deze zal voor hem door de beslis-
sing van de urim Jahwe raadplegen: naar zijn last zal hij en zullen
22       alle Israëlieten en de geheele gemeente uit- en ingaan.\' En Mozes
deed zooals Jahwe hem bevolen had: hij nam Jozua, plaatste hem voor
23       den priester Eleazar en de geheele gemeente,\' legde hem de handen
op en droeg hem zijne taak op, zooals Jahwe door Mozes gesproken had.
12. Abarim. Zoo heet hier en XXXni:47v.; Deut. XXXII: 49; Jcr. XXII: 20; Ezcch. XXXIX: 11
(verg. op XXI: 11) het gebergte ten oosten der Doode Zee, waartoe de Piiga (XXI: 20 en elders) be-
hoort. De bergtop wonr Mozes stierf heet Deut. XXXIl:49; XXXIV :1 Neho. De hier vermelde last
van Jahwe wordt Deut. XXXII: 48—52 herhaald en Deut. XXXIV\': 1—6 vervuld.
14. toen gij mij... heult moeten heiligen, letterlijk in het heiligen van mij. — Dezelfde opvatting van
Mozes\' en Aiirons zonde XX: 24; zie aldaar. — Dit — Trin. Deze in den mond van Jahwe zeer
bevreemdende zinsnede is waarschijnlijk later ingclascht.
10. de — eleeich. Zie op XVI: 22. Waarschijnlijk echter wordt de uitdrukking hier teven» ge-
bruikt om aan te duideu dat Jahwe geestelijke gaven, als moed en kennis, schenkt; verg. vs. 18.
17. uU- en ingaat. Zie op 1 Kon. HM 7.
iS. leg — op. De handoplegging diende tot mededeeling van een zegen, Gen. XI.VIII : II. Verg.
op Gen. XXVII: 35.
20.  uwer majesteit, als godsgezant, waardoor gij gezag oefent.
21.  de urim. Zie op Eiod. XXVIII : 30. — naar zijn, Eleazars, Uut. Jozua zal dus Jahwe\'s bevel
niet, als Mozes, rechtstreeks, maar door bemiddeling van den priester vernemen.
HOOFDSTUK XXVHI, XXIX.
Verplichte ufTera der gemeente. — Jahwe gelast Mozes, den Israëlieten te bevelen hunne offer» op
vaste tijden te brengen (XXVIII: 1 v.i, en wel, dagelijks twee lammeren met toebehooren ten brand-
-ocr page 293-
muhjuu XXVIII: 1- 12.
373
offer, een des morgens en cen des avonds (3—8); op den sabbat het dubbele (!• v.); op eiken iiicuwc-
iniiiinsd.iL\' een brandoffer en een zondoffer (11—15). De viering van het pascha en de daarop volgende
week, en wat op eiken dag daarvan moet geofferd worden (10—25); wat op den dag der eerstelingen
(20—31); wat op den eersten dag der zevende maand (XXIX : 1—6); wat op den tienden dier maand
(7—11), en op eiken dag van den vijftienden tot den twee en twintigstcn (12—38). Onderschrift iS\'Jv.).
Uit stuk behoort tot de jongste gedeelten van de Wet en is eenc uitwerking van Lev. XXIII,
dat de voornaamste verordeningen omtrent de feesten bevat en deel van Kzra\'s Wetboek uit-
manktc. Leerzaam is de vergelijking van onze hoofdstukken met Lev. XXIII. Hoewel reeds hier de
viering der feestdagen hoofdzakelijk in offers cu onthouding van werk bestaat, bespeurt men toch aan
enkele uitdrukkingen dat de vaderen die hoogtijden op andere wijze vierden. Maar wie den godsdienst
der oude Israëlieten, ook dien der Joden, naar Nam. XXVIII, XXIX beoordeelde zou nauwelijks gc-
loovcn, dat al die heiligdagen van oudsher, eu tot den ondergang van stad en tempel in 70 nn (\'lir.
toe, door allerlei vreugdebctoon en plechtigheden gekenmerkt waren. Wij hooren hier van niets dan
van offers. Niet, dat de opsteller dezer hoofdstukken nl de bestaande gebruiken nfkeurde; enkele er
van vermeldde de wet, en menig ander, hoewel daarin niet voorgeschreven, werd ook door hooge-
priesters en schriftgeleerden in cere gehouden, is zelfs gaandeweg gewettigd en geregeld. Maar de
schrijver wil zijn volk vooral inprenten dat Jahwe gediend moet worden door offers, stipt naar den
cisch en te rechter tijd gebracht.
XXVIII: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Beveel den Israëlieten en zeg hun:
Mijne gave, mijn brood, mijne vuuroffers ten liel\'elijken geur voor mij,
zult gij zorgen mij op den rechten tijd te brengen.
3           Gij moet bon zeggen: Dit is het vuuroffer dat gij aan Jahwe bren-
gen zult: eiken dag twee gave eenjarige lammeren, een vast brand-
4       offer.\' Het eene zult gij des morgens toebereiden, en het tweede in
5       schemeravond;\' met een tiende maat bloem ten meeloffer, niet een
(J kwart stoop gestooten olie gemengd —\' bet vaste brandoffer, dat inge-
steld is op den berg iSinai, ten liel\'elijken geur, als vuuroffer voor
7       Jahwe —\' met bet daarbij behoorend plengoffer, een vierde stoop bij
elk lam; in het heiligdom moet gij het plengoffer van sterken drank
8       voor Jahwe plengen.\' Het tweede lam zult gij in schemeravond toebe-
reiden; met een meeloffer en plengoffer als bij dat van des morgens
zult gij bet toebereiden, een vuuroffer van liefelijken geur voor Jahwe.
9           Op den sabbatdag zult gij brengen twee gave eenjarige lammeren,
met twee tiende bloem, ten meeloffer met olie gemengd, en het daarbij
10       behoorend plengoffer,\' een sabbatsbrandoffer op eiken sabbat, behalve
het vaste brandoffer met het daarbij behoorend plengoffer.
11            Bij het begin uwer maanden zult gij ten brandoffer aan Jahwe bren-
gen: twee jonge stieren, een ram en zeven gave eenjarige lammeren;\'
12       bij eiken stier drie tiende bloem, ten meeloffer met olie gemengd, bij
den ram twee tiende bloem, ten meeloffer met olie gemengd, en bij
2. mijne vuuroffer» ten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. voor mijue vuuroffers een.
3—8. Verg. Exod. XXIX : 38—12, dat hieraan ontleend i».
5. gettooten olie. Zie op Exod. XXVII: 20. Deze fijne soort van olie wordt anders alleen voor de
lamp, niet voor het altaar bestemd; Sam. en Gr. t. laat gettooten weg.
0. dat — Sinai. Dit «laat op Exod. XXIX: 38—12 terug en is dus hier ingevoegd nadat de ver-
ordening op het dagelijksch offer te dier plaatse was ingelascht.
0 v. Het sabbatsoffcr is dus het dubbele van hetgeen op cen weekdag opgedragen werd.
11—15. Dit is de cenigc plaats in de wet waar verordeningen omtrent de viering van de nicuwe-
mannsdagen gegeven worden. Toch was men van oudsher onder Israël gewoon, ze met vreugdebetoon
cu offers, ook met onthouding van werk, te heiligen; zie 1 Snm. XX: 5 vv.; 2 Kon. IV : 23; 1 K ion.
XXIII: 31; 2 Kron. 11:4; VIII: 18; XXXI:8; Ezra 111:5; Neh. X:33; Jcz. I:13v.; LXVI:23;
Ezech. XLV:17; XLVI: 3, 6; Hoz. 11:10; Am. VIII: 5; Gal. IV: 10; Col. 11:16. Priesters of
overheid, in de laatste eeuwen van Judu\'s bestaan waarschijnlijk het Sanhedrin, kondigden, nadat gc-
loofwoardige mannen voor hen getuigd hadden dat zij de nieuwe maan gezien luidden, den aanvang
der maand af, of, zoouls het heette, heiligden haar. De tijding dier „heiliging" werd met vreugde
begroet, en gebruiken aan de aloude maanverecring ontleend hebben onder Israël deze verecring zelve
eeuwen overleefd. — Verg. wat de hier vermelde offers betreft de pil. uit E:echiïl, die met de op-
gaven hier niet geheel overeenkomen: de brandofferdicren zijn dezelfde, maar de maat der daarbij lic-
hooreude meeloffers verschilt, en de pleugoffcrs ontbreken, evenals de zondofferbok.
-ocr page 294-
numbbi XXVIII: 12-XXIX : 6.
374
13       elk lam éen tiende bloem,\' ten meeloffer met olie gemengd: een
14       brandoffer, een liefelijken geur, een vuuroffer voor Jahwe;\' en de daarbij
belioorende plengoffers zijn eene halve stoop wijn bij een stier, een
derde stoop bij een ram, een kwart stoop bij een lam. Dit is het
15       brandoffer voor den eersten dag van elke maand van liet jaar.\' Ook
zal éen geitenbok als zondoffer voor Jahwe bij het vaste brandoffer
toebereid worden, met het daarbij behooread plengoffer.
1(5          In de eerste maand, op den veertienden dag der maand, is het pascha
17       voor Jahwe:\' en op den vijftienden dier maand is het feest: zeven dagen
18       zal ongezuurd brood gegeten worden.\' Op den eersten dag zal het heilige
19       vierdag zijn: geenerlei beroepswerk zult gij verrichten.\' Dan zult gij
brengen een vuuroffer, een brandoffer voor Jahwe: uit twee jonge
stieren, een ram en zeven gave eenjarige lammeren zal het bestaan;\'
20       ook het er bij behoorend meeloffer, bloem met olie gemengd: drie
21       tiende zult gij bij een stier en twee tiende bij een ram brengen;\' bij
22       éen lam, bij elk der zeven, zult gij éen tiende brengen.\' Daarbij éen
23       geitenbok, om verzoening voor u te bewerken.\' Behalve het morgen-
brandoffer, dat bij het vaste brandoffer behoort, zult gij dit alles brengen.\'
24       Dezelfde offers zult gij dagelijks zeven dagen lang brengen: het brood
van het vuuroffer van liefelijken geur voor Jahwe zal bij liet vaste
25       brandoffer gebracht worden, met het er bij behoorend plengoffer.\' En
op den zevenden dag zal het voor u heilige vierdag zijn: geenerlei
beroepswerk zult gij verrichten.
          Oj) den dag der eerstelingen, wanneer gij een offer van nieuw meel
aan Jahwe brengt, op uw wekenfeest, zal het u een heilige vierdag
27       zijn: geenerlei beroepswerk zult gij verrichten.\' Dan zult gij als
brandoffer ten liefelijken geur voor Jahwe brengen: twee jonge
28       stieren, éen ram en zeven gave eenjarige lammeren,\' met het daarbij
behoorend meeloffer, bloem met olie gemengd: drie tiende bij eiken
29       stier, twee tiende bij den eenen ram\' en éen tiende bij elk der zeven
30       lammeren;\' alsook een geitenbok, om verzoening voor u te bewerken.\'
31       Behalve het vaste brandoffer met het daarbij behoorend meeloffer zult
gij het brengen; gave dieren moeten het zijn; dan de daarbij behoo-
rende plengoffers.
XXIX: 1 In de zevende maand, op den eersten der maand zal het voor
u een heilige vierdag zijn; geenerlei beroepswerk zult gij verrichten.
2       Het zal u een dag des geschals wezen.\' En gij zult als brandoffer
ten liefelijken geur voor Jahwe bereiden: éen jongen stier, éen ram
3       en zeven gave eenjarige lammeren,\' met het daarbij behoorend meel-
offer, bloem met olie gemengd: drie tiende bij den stier, twee tiende
4, 5 bij den ram,\' éen tiende bij elk der zeven lammeren;\' éen geitenbok
6 als zondoffer, om verzoening voor u te bewerken.\' Behalve het maan-
delijksch brandoffer, met het daarbij. behoorend meeloffer, en het vaste
brandoffer, met het daarbij behoorend meeloffer, en de behoorlijke pleng-
offers, tot een liefelijken geur, een vuuroffer voor Jahwe.
15. met —plengoffer. Hoe groot dit moet zijn, wordt niet gezegd. In Lev. IV, waar het brengen
van zondoffers behandeld wordt, wordt van een plengoffer geen gewag gemaakt.
16—25. Zie over deze heilige weck op Exod. XII: 15—20. Offerauden voor die zeven dagen worden
Kzech. XIiV:21—24 den vorst voorgeschreven, niet geheel in overeenstemming met onze plaats.
22. éen geitenbok, als zondoffer; wat Sam. en Gr. t. er bijvoegt. Zoo ook vs. 30.
26.  dm dag der eerttelingen. Zoo heet pinksteren alleen hier. Voor den gewonen naam, wekenfeeit,
stunt hier in het oorspronkelijke kortweg Keken. Verg. op Exod. XXIII: 16.
27—31. Over de gewijzigde herhaling dezer verzen in Lev. XXIII: 18—20 zie aldaar.
27.  gare. volg. Sam. en Gr. t. ingevoegd.
1—6. Over het nieuwjaarsfeest zie op Lev. XXIII: 23—25.
6. hel maandelijkieh brandoffer. Zie XXVIII: 11—15.
-ocr page 295-
numbm XXIX: 7-34.                                        375
7          Op den tienden dezer zevende maand zal het voor u een heilige
vierdag zijn en zult gij u zelven verootmoedigen; geenerlei werk
<S zult gij verrichten.\' Dan zult gij een brandoffer aan Jahwe brengen,
een lieielijken geur: uit éen jongen stier, éen ram en zeven gave
9 eenjarige lammeren zal het bestaan;\' met het daarbij behoorend meel-
offer, bloem met olie gemengd: drie tiende bij een stier, twee tiende
10,11 bij den eenen ram,\' éen tiende bij elk der zeven lammeren,\' ren gei-
tenbok als zondoffer; behalve het zondoffer der verzoening en het vaste
brandoffer, met de daarbij behoorende meel- en plengoffers.
12           Op den vijftienden dag der zevende maand zal liet voor u een hei-
lige vierdag zijn; geenerlei beroepswerk zult gij verrichten, en gij zult
13       zeven dagen lang ter eer van Jahwe feestvieren.\' Gij zult brengen een
brandoffer, een vuuroffer, een liefelijken geur voor Jahwe: uit dertien
jonge stieren, twee rammen en veertien gave lammeren zal het bestaan,\'
14       met het daarbij behoorend meeloffer, bloem met olie gemengd: drie
tiende bij elk der dertien stieren, twee tiende bij elk der twee rammen,\'
15, 10 éen tiende bij elk der veertien lammeren,\' en éen geitenbok ten zond-
offer, behalve het vaste brandoffer, met het «laarbij behoorend meel-
en plengoffer.
17           Den tweeden dag twaalf jonge stieren, twee rammen en veertien
18       gave eenjarige lammeren,\' met de daarbij behoorende meel- en pleng-
19       offers, bij elk der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen
geitenhok ten zondoffer; behalve het vaste brandoffer, met het daarbij
behoorend meel- en plengoffer.
20           Den derden dag elf stieren, twee rammen en veertien gave eenjarige
21       lammeren,\' met de daarbij behoorende meel- en plengoffers, bij elk
22       der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen geitenbok
ten zondoffer; behalve het vaste brandoffer, met het daarbij behoorend
meel- en plengoffer.
23           Den vierden dag tien stieren, twee rammen en veertien gave een-
24      jarige lammeren, met de daarbij behoorende meel- en plengoffers, voor
25       elk der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen geiten-
bok ten zondoffer; hehalve het vaste brandoffer, met het daarbij behoo-
rend meel- en plengoffer.
26           Den vijfden dag negen stieren, twee rammen en veertien gave een-
27      jarige lammeren,\' met de daarbij behoorende meel- en plengoffers, voor
28       elk der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen geiten-
bok ten zondoffer; behalve het vaste brandoffer, met het daarbij behoo-
rend meel- en plengoffer.
29           Den zesden dag acht stieren, twee rammen en veertien gave een-
30      jarige lammeren,\' met de daarbij behoorende meel- en plengoffers, voor
31       elk der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen geiten-
hok ten zondoffer; behalve het vaste brandoffer, met het daarbij behoo-
rend meel- en plengoffer.
32           Den zevenden dag zeven stieren, twee rammen en veertien gave
33       eenjarige lammeren,\' met de daarbij behoorende meel- en plengoffers,
34       voor elk der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen
geitenbok ten zondoffer; behalve het vaste brandoffer, met het daarbij
behoorend meel- en plengoffer.
7—9. Over den verzoendag handelen Lev. XVI; XXIII: 27—32.
7. geenerlei werk, niet alleen geen beroepswerk, maar niet».
11. behalve — verzoening. Hiermede worden waarschijnlijk al do Lev. XVI voorgeschreven offers
bedoeld, maar vooral de bok die ten zondoffer dient, vs. 7, 8, 15, 27.
12—38. Over het loof huttenfeest zie op Exod. XX111:16 en op Lev. XXI11 i 34—43.
-ocr page 296-
376                                  numkiu XXIX : 35—XXX : 8.
35          Den achtsten dag zal het voor u een hoogtijd zijn: geenerlei beroeps-
30 werk zult gij verrichten.\' En gij zult brengen een brandoffer, een vuur-
offer van liefelijken geur voor Jahwe: éen stier, éen ram en zeven gave
37       eenjarige lammeren,\' met de daarbij behoorende meel- en plengoffers
38       voor elk der stieren, rammen en lammeren naar behooren,\' en éen
zondofferbok; behalve het vaste brandoffer, met het daarbij behoorend
meel- en plengoffer.
3U          Deze offers zult gij toebereiden voor Jahwe op uwe feestgetijden,
behalve uwe geloften en vrijwillige gaven, in brand-, meel-, pleng-
en dankoffers bestaande.
40          En Mozes sprak tot de Israëlieten naar al wat Jahwe Mozes bevolen had.
HOOFDSTUK XXX.
Geloften van vrouwen. — Ieder houdc zijne geloften (1 v.); ook cene vrouw die nog in haar» vaders
hui» is, tenzij deze haar verbiedt hare gelofte gestand te doen (3—5). Is zij gehuwd, dan kan haar
man hare gelofte breken (0—8). De geloften cener weduwe of verstouten vrouw zijn verbindend, tenzij
zij ze heeft afgelegd gedurende haar huwelijk en haar iniiu ze verbroken heeft (9—12). Bij den man
berust het reeht, cene outhoudingsgeloftc zijner vrouw te bekrachtigen of te breken; maar wil hij
ze breken, dan moet dit dadelijk geschieden (13—15). Onderschrift (10).
In I.cv. XXVII, over de lossing van door cene gelofte aan Jahwe vervallen personen en zaken, en
Nam. VI :1—21, over het nnzircaat, handelt de wetgever over geloften van personen die de vrije be-
schikkiug hebben over hun persoon en vermogen: in ons hoofdstuk, een toevoegsel op K/ra\'s Wetboek,
over de geloften van ongehuwde en gehuwde vrouwen, die in dezen van vader of man afhankelijk
gemaakt worden.
XXX:1 Mozes sprak tot de stamhoofden der Israëlieten: Dit is wat Jahwe
2       bevolen heeft:\' Wanneer iemand eene gelofte aan Jahwe aflegt, of een
eed doet om zich van liet een of ander te onthouden, zal hij zijn woord
niet schenden: naar alles wat zijn mond is uitgegaan zal hij handelen.\'
3       Ook wanneer eene vrouw eene gelofte aan Jahwe aflegt en zich tot
eene onthouding verbindt, terwijl zij nog in baars vaders huis woont,
4       nog een meisje is,\' en haar vader hoort dat zij eene gelofte afgelegd
en zich tot eene onthouding verbonden heeft, en zwijgt tegenover haar,
dan zijn al hare geloften geldig en is zij verplicht tot al de onthou-
5       dingen waartoe zij zich verbonden heeft.\' Maar indien haar vader,
wanneer hij hoort dat zij eene gelofte afgelegd en zich tot eenigerlei
onthouding verbonden heeft, haar weerhoudt, dan is het niet geldig,
en Jahwe zal haar vergiffenis schenken, omdat haar vader haar weer-
houden heeft.
6           Treedt zij in het huwelijk terwijl geloften op haar rusten of iets
dat haar onbedacht ontglipt is waarmede zij zich tot eene onthouding
7       verbonden heeft,\' en hoort haar man daarvan en zwijgt hij wanneer
hij er van hoort tegenover haar, dan zijn hare geloften geldig en
is zij verplicht tot «Ie onthoudingen waartoe zij zich verbonden heeft.\'
8       Maar indien haar man, wanneer hij er van hoort, haar weerhoudt en
de gelofte die zij afgelegd heeft breekt, alsmede het woord dat haar
onbedacht ontglipt is waarmede zij zich tot eene onthouding verbonden
heeft, dan is het niet geldig, omdat haar man haar weerhouden heeft,
en zal Jahwe haar vergiffenis schenken.
2. eene gelofte, om iets aan Jahwe te geven, in onderscheiding vau de geloften om zich van iets
te onthouden, die straks genoemd worden.
5. wanneer, letterlijk op den dag waarop; wat volgens het Hebrceuwsche taaieigen niet juist „op den-
zelfden dag" maar „zoodra als" bctcckcnt. Desgelijks vs. 7, 8, 12, 14. — Jahwe — schenken, voor
haar woordbreuk.
8. ii het — heeft, ingevoegd volg. Gr. vert.
-ocr page 297-
NUMBiti XXX : 9—XXXI: 2.                                   377
9          De gelofte eener weduwe of eener verstooten vrouw, alles waartoe
10       zij zich verbonden heeft, is geldig.\' Heeft zij in het huis van haar
man eene gelofte gedaan of zich bij eede tot eene onthouding verbon-
11       den,\' en haar man heeft liet gehoord en tegenover haar gezwegen, haar
niet weerhoudende, dan zijn al hare geloften geldig en is zij verplicht
12       tot alle onthoudingen waartoe zij zich verbonden heeft.\' Maar indien
haar man ze uitdrukkelijk, toen hij er van hoorde, gebroken heeft,
dan is niets van al wat over hare lippen gekomen is, betreffende ge-
loften of verbintenis tot onthouding, geldig. Haar man heeft ze gebro-
ken, en Jahwe zal haar vergiffenis schenken.
13           Elke gelofte en elke eed van onthouding waardoor de vrouw zich iets
ontzegt kan door haar man geldig gemaakt of gebroken worden.\'
14       Zwijgt haar man tegenover haar van den eenen dag tot den anderen,
dan heeft hij daardoor al hare geloften en alle verbintenissen tot ont-
houding die zij op zich genomen heeft geldig gemaakt: hij heeft ze
15       geldig gemaakt, want hij heeft tegenover haar gezwegen\' toen hij er
van hoorde. Indien hij ze eenigen tijd na ze gehoord te hebben breekt,
dan zal hij zijne schuld dragen.
16           Dit zijn de inzettingen die Jahwe Mozes bevolen heeft aang.iande
de rechten tusschen man en vrouw, vader en dochter terwijl zij als
meisje in haars vaders huis is.
15. zijne, met verandering van éen klinker, overeenkomstig Sam. en Gr. t.; Hcbr. t. Itare. De bc-
docling is blijkbaar, dat hij, niet zij, zieh schuldig maakt; zij moet in elk geval aan vader of man
gehoorzamen.
HOOFDSTUK XXXI.
Wet op de vcrdecling van den buit. — Jahwe beveelt Mozes de Midiaiiicteu te beoorlogen (1 v.);
waartoe hij een leger van duizend man uit eiken stam uitzendt (3—0). Zij verslaan alle Midinnieti-
sche mannen, ook de koningen en ltileam (7 v.), en brengen, na het land verwoest te hebben, den
buit, waaronder de vrouwen en kinderen, tot Mozes (9—12). l)cze berispt de legerhoofdcn dat zij de
vrouwen in het leven gelaten hebben, en gelast alsnog, alle manlijke kinderen en gehuwde vrouwen
te dooden (13—18), alsmede dat ieder die zich aan een lijk verontreinigd heeft zeven dagen buiten
het kamp moet blijven, om zich te zuiveren (10 v.). Daarop kondigt Klcazar de wet af, hoc metalen
en andere voorwerpen moeten gereinigd worden (21—24). Jahwe beveelt Mozes, den buit te vcrdcc-
len tusschen hen die uitgetrokken zijn en de rest der gemeente (25—27), en een gedeelte daarvan als
Jahwc\'s deel te heffen (28—30); wat geschiedt (31). Het bedrag van den buit en dat van ieders aan-
deel (32—17). De legerhoofdcn berichten dat zij geen enkel man iu den strijd verloren hebben (48 v.),
en brengen ieder eene onverplichte gave in goud aan Jahwe (50); welke gaven Mozes aanneemt en
in de tent der samenkomst ter gedachtenis doet nedcrleggcn (51—54).
Dit hoofdstuk, dat een jonger toevoegsel is op Ezrn\'s Wetboek, sluit zich aan bij XXV: 6—15,
waarmede het door XXV: 10—18 in verband wordt gebracht; zie inl. op H. XXV\'. De inhoud gaat
geheel buiten de werkelijkheid om. De ontzaglijke cijfers van het buitgemaakte vee, en het ongehoorde
wonder dat een zoo rijke buit op een krijgshaftig volk behaald is zonder verlies van éen man, vcr-
raden den verdichter, die zieh zelfs niet bekommert over de ligging van de steden die volgens zijne
voorstelling door de Midianicten werden bewoond; er is bezwaarlijk eene plaats voor te vinden. Hoofd-
zaak is voor den schrijver zijne verordening omtrent de vcrdecling van den buit, waarin hij van het
door David bepaalde (1 Sam. XXX : 22—25) afwijkt. In zijne nauwelijks uitvoerbare voorschriften is
het hem vooral te doen om bevordering der reinheid en der belangen van den tempel en zijne die-
naren; tevens spoort hij door de vermelding van de vrijwillige gaven der legerhoofdcn tot mildheid
jegens het heiligdom aan; verg. 11. Vil en inl. op Gen. XIV. Het afschuwelijk bloedbad waarvan
hij vs. 13—18 gewaagt is gelukkig alleen op het papier aaugcricht; maar het pleit toch tegen den
schrijver en zijne geestverwanten, dat zij zulk eene slachting van wccrloozc gevangenen, tot kinderen
toe, aan Mozes konden toedichten. •
XXXI: 1, 2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Wreek de Israëlieten op de Midianieten;
2. Wreek — Midianieten. Wat dezen aan Israël misdaan hebben, wordt niet gezegd; bedoeld wordt
-ocr page 298-
378
numkiu XXXI: 2—20.
3       daaruu zult gij tot uw volk vergaderd worden.\' Toen sprak Mozes tot
het volk: Ijaat een deel uwer mannen zich tot een krijgstucht uitrusten
en zich keeren tegen Midian, om Jahwe\'s wraak aan Midian te vol-
4       trekken.\' Duizend man uit eiken stam van Israël zult gij in het veld
5       zenden.\' Zoo werden uit Israëls stammen, duizend van eiken stam,
6       twaalf duizend slagvaardige mannen geteld,\' en Mozes zond hen, duizend
van eiken stam, in het veld, met Pinehas, den zoon van den priester
Eleazar, wien hij de heilige gereedschappen en de trompetten die dienden
om alarm te hlazen niedegaf.
7           Zij trokken te velde tegen Midian, zooals Jahwe Mozes bevolen had,
8       en doodden alle mannen.\' Ook de koningen van Midian doodden zij
bij hunne gesneuvelden: Ewi, Itekem, tèur, Hur en lteba, de vijf
koningen van Midian; ook Bileam, den zoon van lJeor, doodden zij met
\'J het zwaard.\' Maar de Israëlieten maakten de vrouwen en kinderen der
Midianieten krijgsgevangen, en al hun vee, have en rijkdom maakten
10       zij buit;\' terwijl zij al hunne steden, waar zij ook lagen, en al hunne
11       kampen verbrandden.\' Zij namen al den buit en roof, mensch en dier,
12       mede,\' en brachten de krijgsgevangenen, den roof en den buit aan
Mozes, den priester Eleazar en de gemeente der Israëlieten, in het leger
in de vlakte van Moab, die aan den Jordaan bij Jericho ligt.
13           Toen nu Mozes, de priester Eleazar en alle vorsten der gemeente
14       hun buiten de legerplaats te gemoet kwamen,\' werd Mozes vergramd
op de legeraanvoerders, de oversten van duizend en van honderd, die
15       van den veldtocht waren gekomen,\' en Mozes zeide tot hen: Waarom
10 hebt gij al de vrouwen in het leven gelaten?\' Zij immers zijn voor de
Israëlieten, door het woord van Bileam, de aanleiding geweest om zich
aan Jahwe te vergrij pen ter zake van 1\'eor; waardoor de plaag over
17       Jahwe\'s gemeente gekomen is.\' Daarom, doodt al wat manlijk is onder de
kinderen, en alle vrouwen die gemeenschap met een man gehad hebben,
18       doodt ze.\' Maar laat alle meisjes die nog geen gemeenschap met een
19       man gehad hebben voor u in het leven.\' En gij, blijft zeven dagen
lang buiten het kamp gelegerd; zoovelen van u een mensch gedood
en een gesneuvelde aangeraakt hebben zullen zich den derden en den
20       zevenden dag ontzondigen, gij zoowel als uwe krijgsgevangenen.\' Ook
zult gij alle kleederen, alle lederen voorwerpen, al wat uit geitenhaar
gemaakt is en alle houten gereedschappen ontzondigen.
zonder twijfel hunne poging de Israélieteu tot afgoderij te verleiden, H. XXV. — daarna — worden.
Deze woorden maken bet waarschijnlijk dat dit hoofdstuk door een ander geschreven is dan
XXVII: 12—23, waaruit wij niet zouden opmaken dat Mozes vóór zijn dood nog een oorlog moest
voeren.
3. Laat — malen, volg. verb. t. — zich keeren, zeer onzekere lezing.
5.  geteld, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. overgeleverd.
6.   Pinehas komt bier niet voor als opperbevelhebber, maar als de priester die de heilige voor-
werpen ouder zijn opzicht heeft. In de voorstelling van dcu schrijver treden de strijders geheel op
den achtergrond; Jahwe geeft de wonderbare overwinning. — Na Eleazar is het woord te velde, volg.
Gr. vert., weggelaten. — de heilige gereedtchnppen. Welke de schrijver hiermede bedoelt, weten wij
niet. Behalve de ook hier vermelde trompetten, zijn de heilige voorwerpen waarvan het O. T. spreekt
als soms ten oorlog medegenomen de urim en tummim en [de ark. Buiten de plaatsen waar deze
voorwerpen vermeld worden komt een priester in het leger \'Deut. XX: 2 v. voor. — de\' trompetten.
Zie X: 1—10.
8. Waaraan de schrijver deze vijf namen ontleende, is onbekend. In Joz. XIII: 21 heeten zij „mach-
tige vorsten van Sihon" \\ waarschijnlijk eene gissing van den schrijver die onze plaats in Joz. XIII
inlaschte; zie op Joz. XIII :21a, 22. — Bileam. Zie op vs. 16.
15.   Waarom hebt gij, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. Hebt gij.
16.   Hier wordt Bileam, in strijd met de oude overlevering (zie inl. op XXII: 2—XXIV : 25), als
verleider van Israël voorgesteld en de zonde met Baai-Peur (H. XXV) aan zijn raad toegeschreven. —
vergrijpen, volg. verb. t.
19.   Overeenkomstig het voorschrift XIX: 11—13.
20.   Verg. XIX: 18 en Lev. XV.
-ocr page 299-
379
numbri XXXI: 21—50.
21            En de priester Eleazar zeide tot de krijgslieden die van den veld-
tocht waren gekomen: Dit is de vvetsinzetting die Jahwe Mozes bevolen
22,23 heeft:\' alleen het guud, zilver, koper, ijzer, tin en lood,\' al wat tegen
het vuur bestand is, zult gij door het vuur laten gaan; zoo zal het
rein worden, nadat het nog niet wijwater ontzondigd is; maar al wat
niet tegen het vuur bestand is zult gij door liet water laten gaan.\'
24 En op den zevenden dag zult gij uwe kleederen wasschen en dan rein
zijn; daarna moogt gij in het kamp komen.
25, 2b\' Jahwe zeide tot Mozes:\' Neem met den priester Eleazar en de famielie-
hoofden der gemeente het aantal der buitgemaakte menseben en dieren
27       op,\' en verdeel ze in twee deelen, éen voor hen die aan den strijd
hebben deelgenomen, die zijn uitgetrokken, en éen voor de geheele
28       gemeente.\' Dan zult gij van het deel der krijgslieden, van hen die
uitgetrokken zijn, als belasting voor Jahwe heffen: éen van de vijfhon-
29       derd, van menschen, runderen, ezels en kleinvee.\' Van hunne helft
zult gij dit nemen en als gave aan Jahwe aan den priester Eleazar geven.\'
30       En van de aan de Israëlieten toegewezen helft zult gij éen stuk uit
de vijftig nemen, van menschen, runderen, ezels, kleinvee, van al de
dieren, en dat geven aan de Levieten die de plichten waarnemen aan
31       Jahwe\'s tabernakel.\' Mozes en de priester Eleazar deden zooals Jahwe
Mozes bevolen had.
32            De roof nu, hetgeen over was van wat het krijgsvolk buitgemaakt
33       had, bedroeg: kleinvee, zeshonderd vijf en zeventig duizend,\' run-
34, 35 deren, twee en zeventig duizend,\' ezels, een en zestig duizend,\' voorts
menschen, namelijk meisjes die nog geen gemeenschap met een man
36       gehad hadden, in het geheel twee en dertig duizend.\' De helft, het
deel van hen die ten strijde waren uitgetrokken, bedroeg dus: kleinvee,
37       driehonderd zeven en dertig duizend vijfhonderd,\' en de belasting
38       daarvan voor Jahwe was zeshonderd vijf en zeventig;\' runderen zes en
dertig duizend, en de belasting daarvan voor Jahwe twee en zeventig;\'
39       ezels, dertig duizend vijfhonderd, en de belasting daarvan voor Jahwe
40       een en zestig;\' menschen, zestien duizend, en de belasting daarvan
41       voor Jahwe twee en dertig zielen.\' En Mozes gaf de belasting, de
gave voor Jahwe, aan den priester Eleazar, zooals Jahwe Mozes be-
volen had.
42           Van de helft die den Israëlieten ten deel viel, die Mozes van de
43       mannen die den tocht hadden medegemaakt had afgenomen —\' die
helft voor de gemeente bedroeg: kleinvee, drie honderd zeven en dertig
44, 45 duizend vijfhonderd;\' runderen, zes en dertig duizend;\' ezels, dertig
46, 47 duizend vijfhonderd;\' menschen, zestien duizend —\' van die helft die
den Israëlieten ten deel viel nam Mozes het bepaalde, een van de
vijftig, van mensch en vee, en gaf die aan de Levieten die de plichten
waarnamen aan Jahwe\'s tabernakel, zooals Jahwe Mozes bevolen had.
48           Toen traden de legeraanvoerders, de oversten van duizend en van
49       honderd, op Mozes toe\' en zeiden tot hem. Uwe dienaren hebben het
getal opgenomen der krijgslieden die ons toevertrouwd waren, en niet
50       éen van hen wordt gemist.\' Daarom brengt ieder van ons als gave
21. Niet Mozes, mimi\' Eleazar geeft deze verordening, waarschijnlijk omdat deze uls hoogepricstcr
voor do reinheid te zorgen heeft. — die — gekomen, volg. Gr. vert.; verg. vs. 14; uit den Ilebr. t.
zijn een paar woorden uitgevallen.
22 v. Verg. Lev. XV.
27. Verg. 1 Sam. XXX: 22—25.
29. gij vóór neme» staat in grondt, in het meervoud.
50—51. Van de levenlooze have behoudt ieder wat hij buitgemaakt heeft, vs. 53; Jahwe\'s aandeel
hiervan bestaat uit vrijwillige giften.
-ocr page 300-
380
numkri XXXI: 50- 54.
voor Jahwe wat hij gekregen heeft: een gouden voorwerp, armketen,
armband, zegelring, oorring of halssieraad, om verzoening voor ons
51 zelven voor Jahwe\'s aangezicht te bewerken.\' Toen namen Mozes en
de priester Eleazar dat goud, al die kunst voorwerpen, van hen aan;\'
JW en liet goud dier gave die zij voor Jahwe hieven was bij elkaar zestien
duizend zevenhonderd vijftig sikkelen. Dit kwam van de oversten over
53       duizend en over honderd.\' De krijgslieden hadden ieder voor zich buit
54       gemaakt.\' Mozes en de priester Eleazar namen dat goud van de vorsten
over duizend en honderd aan en brachten bet in de tent der samen-
komst, om de Israëlieten bij Jahwe in gedachtenis te houden.
50. Ook Richt. VIII: 21 staat dat de Midianictcn gouden sieraden droegen. — De vertaling van
de namen dier voorwerpen is voor een deel onzeker.
52. zettien — tikkelen, tweehonderd vier en zestig kilo, ter waarde van vier en cene halve ton goud»!
54. om — kouden, als Exod. XXVIiI:29; XXX: 16.
HOOFDSTUK XXXII.
Vestiging van twee en een halven stam in het Ovcrjordaansehc. — De Rubenietcn en Gadietcn
vragen Mozes vergunning zich voorgoed in het Ovcrjordaansehc te vestigen (1—5). Mozes vreest, dat
zij hunne broeders alleen willen laten trekken, terwijl zij zelven zich vestigen (0), en verwijt hun dat
zij trachten Israël nfkecrig te maken van de verovering van Kuiinilu (7—15). De Ruhcnietcn en Gadietcn
bieden aan, dat hunne weerbare mannen den Jordaan zullen overtrekken om Kannün te veroveren,
terwijl hunne gezinnen achterblijven (10—1\'J), en Mozes willigt op die voorwaarde hun verzoek in
(20—24); waarop zij hunne belofte herhalen (25—27). Mozes deelt de overeenkomst aan de hoofden des
volks mede, voor wie zij hunne verplichtingen opnieuw uitspreken (28—32). Zoo geeft Mozes de
lauden van Sihon en Og aan de stammen Ruben, Gad en half Manasse (33); waarna de Rubenietcn
en Gadieten vele verwoeste steden herbouwen (34—38). De Machirieten veroveren Gilcad en nemen
het met Mozes\' goedvinden in bezit (30 v.). Ook verovert en bezet Jaïr, uit Manasse, de Jaïrs-
gebuehten (41) en Nobah de 9tad Kenath (42).
Reeds voordat Wcst-1\'alcstina door de Israëlieten, gedeeltelijk, veroverd was, hadden zich de stammen
Ruben en Gad in het Ovcrjordaausche gevestigd. Vandaar dut Ruben Isracls oudste zoon heet, eu de
stamvader van Gad, dat van Ruben oudtijds afhankelijk was, de zoon der slavin van zijne moeder
(verg. inl. op Gen. XXIX Si—XXX: 24). Dat de verhouding dezer twee stammen tot clknudcr
later omgekeerd is blijkt uit Deut. XXXIII :f>, 20 v., eu ook uit ons hoofdstuk, waar meestal Gad
voor Ruben genoemd wordt. De betrekking tusschen beide stammen en de Israëlieten ten westen van
den Jordaan schijnt niet altijd innig geweest te zijn, en Ruben werd soms van overmoed beticht
(zie Gen. XXXV : 22). Was deze beschuldiging gegrond, dan werd later, toen na den dood van Achab
en de verzwakking van zijn huis Moab zich onafhankelijk had gemaakt (2 Kon. 1:1; III) en het
ovcrjordaausche land ganndeweg meer door Moabicten, Atnmonictcn en Aramccrs werd benauwd, door
Hullen en Gad een geheel andere toon aangeslagen. Er was hun toen alles aan gelegen den band
met het hof van Samaric te versterken. Van hun kant gevoelden de Israëlieten ten westen van den
Jordaan behoefte om aan te tonnen dat ook het Ovcrjordaausche tot Israëls land behoorde. Welnu,
hier wordt dit bewezen door het verhaal dat Mozes zelf aan Ruben en Gad dat land gegeven had,
op voorwaarde dat zij hunne broeders bij de verovering van Kanaüu trouw zouden bijstaan.
Dit ongeveer was de inhoud van een verhaal in het Oudc-Sagcuboek, hierin wellicht — maar dit
is zeer onzeker — uit De Klohist opgenomen. Hoe het in bijzonderheden luidde, is niet uit temaken;
want wij bezitten het in ons hoofdstuk gewijzigd en vermeerderd.
Die wijziging en vermeerdering is voor een deel aangebracht door den samensteller van het Oude-
Sngcnbock, die aan de stammen Ruben eu Gnd den halven stam Manasse heeft toegevoegd, vs. 33,
39—42. Onverwachts treden die Manassictcn op; zelfs nan den vorm van vs. 33 is te zien dat zij er
oorspronkelijk niet bij bchooren (zie aldaar). Ook wordt in vs. 39—42 de inklecding van het verhaal
geheel uit het oog verloren.
Dat half-Manasse naast de Rubenietcn en Gadietcn van Mozes woonplaatsen iu het Overjordaansche
gekregen heeft, vindeu wij Deut. 111:12—15; IV:43; XXIX: 7 v.; Joz. XII: 6 enz.; XXII. Ook ligt
die voorstelling ten grondslag aan XXI: 33—35, waar Mozes liazau, het rijk van Og, het land dat de
Manassicten bezet hebben, verovert. Deze bezettiug heeft echter veel later plaata gehad dan de ve»ti-
ging van Ruben en Gad. De Manassictcn toch hebben eerst alleen in het land ten westen van den
Jordaan gewoond, en waren daar zoo machtig dat Manasse de eerstgeborene van Jozef kon hceten;
-ocr page 301-
NOMKRI XXXII: 1 — 17.
381
maar in het richtercntijtlvak, waarschijnlijk na den val van Abimclech (Kicht. IX), zijn de voornaam-
stc Manassietische familiën, o. a. het geslacht Machir, den Jordaau overgestoken en hebben zich in
Noord-Gilcad en in het land ten noorden van den Jarmoek gevestigd; zoodat dit tijdens Salomo niet
slechts tot zijn rijk behoorde, maar ook Israëlictisch land heette (1 Kon. IV: 13). Kvcnals den
Hnbenietcn eu Gadietcn, was er dezen .Munnssietcn veel aan gelegen, den baud met het overige Israël
te versterken; vooral toen de Aramcërs hen benauwden. Vandaar het verhaal: Mozcs zelf heeft den
Manussictcn hun erfdeel in het Ovcrjordaanschc toegewezen. Dit was in den geest van den schrijver
van 1 Kon. XXII: 3, die Achnb tot zijne hovelingen laat zeggen: Weet gij niet dat Ituina in (iilcad
aan Israël behoort? Wat houden dan de Aramcërs het bezet?
Ook in Kzra\'s Wetboek heeft een verhaal gestaan, hoe Kiibcn, Rail en de helft van Mnnassc zich
in het Ovcrjordaansche gelegerd hebben; in den geest van dat werk is het dat die stammen voor
Klcazar eu Jozua hunne belofte van hulp tot de verovering van Kanaüii herhalen. — Vs. 7—15 is
zeker ecu later toevoegsel; zie aldaar.
XXXII: 1 De Rubenieten en Gadieten hadden veel vee, een machtig grooten
stapel; toen zij dus zagen dat het land van Jaëzer en Gilead eene
2       voor de veeteelt geschikte streek was,\' kwamen de Gadieten en Rube-
nieten en zeiden tot Mozes, den priester Eleazar en de vorsten der
3       gemeente:\' Atarotli, Dibon, Jaëzer, Nimra, Hesbon, Elale, iSibma, Nebo
4       en Beon,\' het land dat Jahwe aan de gemeente van Israël onderworpen
5       heeft, is een land voor veeteelt, en uwe dienaren hebben vee.\' Voorts
zeiden zij: Indien wij gunst in uw oog gevonden hebben, laat dit land
aan uwe dienaren tot eene bezitting gegeven worden, en voer ons niet
6       over den Jordaan.\' Maar Mozes zeide tot de Gadieten en Rubenieten:
7       Zouden uwe broeders ten oorlog gaan en gij hier blijven \'l\' Waarom
zoudt gij het hart der Israëlieten at\'keerig maken van over te trekken
8       naar het land dat Jahwe hun gegeven heeft l\' Zoo hebben uwe vaderen
gehandeld, toen ik hen van Kades-barnea uitzond om het land te be-
S) zien.\' Toen zij naar het dal Eskol opgegaan waren en het land bezien
hadden, maakten zij het hart der Israëlieten afkeerig van het land in
10       te trekken dat Jahwe hun gegeven had. \' Daarom ontstak te dien dage
11       Jahwe in toorn en zwoer hij:\' Nimmer zullen de. mannen die uit
Egypte opgetrokken zijn, van twintig jaar en daarboven, den grond
zien dien ik aan Abraham, Izaük en Jakob bij eede beloofd heb! Want
12       zij zijn mij niet volstandig getrouw gebleven.\' Behalve Kaleb, den
zoon van Jefunne, den Kenizziet, en Jozua, den zoon van Nun; want
13       die zijn Jahwe volstandig getrouw gebleven.\' Daar Jahwe in toorn
ontstoken was tegen Israël, deed hij het veertig jaren in de woestijn
omzwerven, totdat het geheele geslacht uitgestorven was dat bedreven
14       had wat kwaad in Jahwe\'s oog was.\' En zie, nu staat gij in de plaats
uwer vaderen op, het echte kroost van zondige menschen, om de hitte
15       van Jahwe\'s toorn tegen Israël nog te vergrooten.\' Wanneer gij u van
achter hem afkeert, zal hij het nog langer in de woestijn laten blijven
en zult gij dit geheele volk ten verderve brengen.
16           Toen traden zij op hem toe en zeiden: Schaapskooien zullen wij hier
17       voor ons vee bouwen en steden voor onze kinderen,\' maar wij zei ven
1.   Jatter. Zie op XXI: 32. Hoewel de naam Gilead eene rekkelijke beteckenis heeft, behooren toch
de vs. 3 genoemde steden zeker niet tot het dusgenaamde land, daar zij alle zuidelijker liggen.
2.   De Gadieten en Rubenieten. Hier en in het vervolg staan de Gadieten vooraan. In va. 1 heeft
een later bewerker hen achteraan gezet. Verg. lul.
3.  Deze steden komen met ecnigc andere ook vs. 34— 38 voor. Zie aldaar. — Siima, volg. Sam. en
Gr. t. en vs. 38; Hebr. t. Seóam. Verg. op Joz. XIII i 19.
7—15. Zie XIII, XIV. De naam Kadet-barnea, in pi. v. Kades, alleen XXXIV: \\ en in Deutero-
Homium
en Josua. Het verwijt dat Mozes den Rubenieten en Gadieten doet is onbillijk; hun ant-
woord slaat er ook niet op. Daar vs. 10 zich goed aau vs. 6 sluit, zal dit gedeelte wel later in het
verhaal ingelascht zijn.
                                                          i
-ocr page 302-
nümbri XXXII: 17—35.
382
zullen, slagvaardig, optrekken voor de Israëlieten uit, totdat wij hen
op de plaats hunner bestemming gebracht hebben. Inmiddels zullen
onze kinderen in de versterkte steden wonen, tegen de inwoners des
18       lands beveiligd.\' Wij zullen niet naar huis terugkeeren voordat alle
19       Israëlieten hun erfdeel erlangd hebben.\' Wij toch zullen geen erfdeel
met hen erlangen aan gene zijde van den Jordaan; want ons erfdeel
is ons aan gene zijde van den Jordaan, aan de oostzijde, ten deel ge-
20       vallen.\' Hierop zeide Mozes tot hen: Indien gij dit doet, voor Jahwe
21       uit slagvaardig ten strijde gaat,\' en al uwe slagvaardige mannen, voor
Jahwe uit, den Jordaan overtrekken, totdat hij zijne vijanden van voor
22       zijn aangezicht verdreven heeft,\' en gij niet terugkeert dan nadat het
land aan Jahwe onderworpen is, dan zult gij ontslagen zijn van uwe
verplichting jegens Jahwe en Israël, en zal dit land u naar Jahwe\'s
23       wil ter bezitting zijn.\' Maar mocht gij zóo niet handelen, dan zult gij
tegen Jahwe gezondigd hebben en uwe zonde, die u wel uitvinden
24       zal, leeren kennen.\' Bouwt dan steden voor uwe kinderen en kooien
25       voor uw kleinvee, en doet wat over uwe lippen gekomen is.\' Toen
zeiden de Gadieten en Rubenieten tot Mozes: Uwe dienaren zullen doen
20 zooals mijn heer gebiedt:\' onze kinderen, onze vrouwen, onze have en
27       al ons vee zullen hier, in de steden van Gilead, blijven,\' en van uwe
dienaren zullen alle slagvaardige mannen voor Jahwe uit ten strijde
overtrekken, zooals mijn heer gesproken heeft.
28           Daarop gaf Mozes aangaande hen bevelen aan den priester Eleazar,
Jozua, den zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen der
29       Israëlieten,\' en zeide tot hen: Indien de Gadieten en Rubenieten met
u, voor Jahwe uit, den Jordaan overtrekken, zoovelen van hen slag-
vaardig zijn, en het land aan u onderworpen zal zijn, dan zult gij hun
30       het land Gilead ter bezitting geven.\' Maar mochten zij niet slagvaar-
dig met u overtrekken, dan zullen zij in uw midden in liet land Kanaiin
31       vaste bezittingen verwerven.\' En de Gadieten en Rubenieten antwoord-
den: Zooals mijn heer tot uwe dienaren gesproken heeft zullen wij
32       handelen:\' wij zullen slagvaardig voor Jahwe uit naar het land Kanaiin
overtrekken; maar wij zullen vaste bezittingen als ons erfdeel in het
overjordaansche land verwerven.
33           Zoo gaf Mozes hun — den Gadieten, den Rubenieten en den halven
stam van Manasse, den zoon van Jozef — het rijk van Sihon, den
koning der Amorieten, en dat van Og, den koning van Bazan, het
land en zijne steden, met het grondgebied der steden van het land
34, 35 rondom;\' en de Gadieten herbouwden Dibon, Ataroth, Aroër,\' Atroth-
17. ilagvaardig. In den grondtekst staat hierbij nog een onverstaanbaar woord, wellicht bedorven
uit een dat door .toegerust\' kan vertaald worden.
19. toch. Uit slaat terug op het denkbeeld dat zij na hunue broeders geholpen te hebben wel
zullen terugkeeren, opgesloten in vs. 18. — De woorden aan gene zijde van den Jordaan staan hier
in tweeërlei zin: den eersten keer uit het standpunt der sprekers, den tweeden keer, zooals ook vs.
32, uit dat van den schrijver; verg. op Dcut. 1:1 en op Deut. 111:8.
22.  naar Jahw\'s wil. letterlijk vóór Jahwe.
23.  uwe zonde — kennen, uit de zwaarte der straf de grootte uwer zonde leeren kennen.
31.  mijn heer, Mozes, als vs. 25, 27; de grondtekst heeft Jahwe.
32.   in — land. Zie op vs. 19.
33.   IV zinbouw hun — den Gadieten enz. is zeer ongewoon en wijst op de hand van den omwer-
ker, die hier half-Mauasse heeft ingevoegd. Deze omwerker heeft ook het rijk van Og hier opgenomen,
dat in de plaatsbeschrijving van vs. 1 niet voorkomt en waartoe geene der vs. 34—38 genoemde
steden behoort, maar dat het erfdeel der Manassieten was. — het land en zijne iteden, volg. Gr.
vort.. Hebr. t. het land naar zijne iteden.
34—38. Al deze steden, voor zoover hare ligging bekend is, lagen ten noorden van den Arnon;
de noordelijkste was Jaezer, maar zij lag nog ten zuiden van den Jabbok; Jogbeha komt nog Richt.
VIII: 11 voor. De naam van de stad Nebo (ook vs. 3; XXXIII: 17. Richt. VIII: 11; 1 Kron. V:S;
Jez. XV: 2; Jcr. XI,VIII: 1. 22) wijst duidelijk op dien van den god Nebo, Jez. XI.VI: I genoemd,
-ocr page 303-
383
nttmbki XXXII: 35—XXXIII: 4.
36       sjofan, Jaëzer, Jogbeha,\' Beth-nimra en Beth-haran, versterkte steden
37       en schaapskooien.\' En de Hubenieten herbouwden Hesbon, Elale, Kirja-
38       tbaim,\' Nebo, Baül-meon — met verandering van naam — en Hibma,
en vernoemden de steden die zij herbouwden.
39           Ook gingen de zonen van Machir, den zoon van Manasse, naar Gilead,
40       veroverden het en verdreven de Amorieten die daar waren.\' En Mozes
gaf ftilead aan Machir, den zoon van Manasse, en hij vestigde zich
41       aldaar.\' En Jair, de zoon van Manasse, ging en veroverde bunne ge-
42       huchten en noemde ze Jaïrs-gehuchten.\' En Nobah ging en veroverde
Kenath en hare onderhoorige plaatsen, en noemde liet .Nobah naar zijn
eigen naam.
naar wien ook de berg Nebo heette en wellicht eene stad in Jiids (zie op Kzra 11:29); hij maakt
het begin uit der Babylonische eigennamen Nebukatlreaar en nndere. De naam Badl-meon, d. i. ,de baül
der woning\', wns, als alle eigennamen van inenschen en plaatsen waarin baal voorkwam, den Joden
aanstootelijk, omdat zij hierin den naam van een afgod vonden. Vandaar dnt zij hun beat hebben ge-
daan om die namen te veranderen. Hoe zij dit deden, zien wij in dien van Baül-meon, dut vs. 3
Beon heet: zoo is Baiil onherkenbanr geworden (verg. op Richt. 11:11). De woorden met wrandering
van naam,
letterlijk van naam veranderd, kunnen van den Verzamelaar zijn. In hoever men reed» in
den ouden tijd deze steden vernoemde, weten wij niet. Danr de schrijver van de meeste geen nieuwen
naam opgeeft, is het zeer twijfelachtig of dit vaak geschied is. Wel kan cenc enkele stad die na
geheel verwoest te zijn herbouwd werd ecu nieuwen naam gekregen hebben, maar meestal waren de
muren niet verwoest, en ging men voort den ouden naam te gebruiken.
39. Met dit Oilead kan niet anders dan het land ten noorden van den Jabbok bedoeld zijn. Ver-
der zie lul.
41.  Deze Jair leofdc volg. Richt. X:3—5 in den tijd der richtcren; wat zeker meer overeenkomstig
de waarheid is dan ons bericht, dnt hem tot een tijdgenoot van Mozes maakt. De Jdirt-gehuchten
komen 1 Kon. IV: 13 voor als oen der districten van Salomo\'s rijk. /ij lagen volgens die plaats en
de onze buiten, en wel ten zuiden van Itazan, terwijl zij Deut. 111:1-1; .loz. XIII: SU ten onrechte
in dut land geplaatst worden.
42.   Kenath, waarschijnlijk niet veel ten oosten van de zuidpunt van het meer Oennczaret. Velen
zoeken het veel oostelijker, aan den voet van het Haurungebergte; maar het is hoogst onwnarschijn-
lijk dat het land waar Israël woonde en hcerschtc zich zoover heeft uitgestrekt. Van de verovering
door Nobah wordt alleen hier gesproken, en ook 1 Kron. II: 23 komt Kenath als bezitting der Ma-
nassictcn voor. — Nobah wordt alleen hier aangetroffenj maar zie op Richt. VIII: 11.
HOOFDSTUK XXXIII: 1—49.
De halten der Israëlieten. — Mozes schrijft de plaatsen op die de Israëlieten op hun tocht uit
Egypte aandeden (1 v.). Tocht uit Raamscs (3 v.); lijst der halten tot den Hor (5—87). Aiiron sterft
daar (38 v.). De koning van Arad hoort van Israëls nadering (40). Lijst der haltcu tusschen den Hor
en de vlakte van Monb (41—49).
Dit stuk is, öf uit Kzra\'s Wetboek met enkele toevoegsels van een later schrijver, öf door den Ver-
zamelaar uit oudere stukken sameugesteld. Van waar de schrijver al die plaatsnamen heeft, weten wij
niet. Wellicht zijn het die van de halten op den grooten weg van tegenover Jericho naar Egypte.
Maar het is zeker niet toevallig, dat het aantal — indien wij het punt van uitgang eu het eindsta-
tion weglaten — juist overeenkomt met dat van de jaren der omzwerving. Waarschijnlijk is dit cijfer
kunstmatig, door weglating of toevoeging van enkele namen, verkregen.
XXXIII: 1 Dit zijn de halten der Israëlieten, die, in legerscharen afgedeeld,
2       onder leiding van Mozes en Aiiron, uit Egypte trokken.\' Mozes schreef
de plaatsen op van waar zij uittrokken, van halte tot halte, naar Jahwe\'s
hevel. Dit zijn dan hunne halten, naar de plaatsen waaruit zij trokken.
3           Zij braken op uit Raamses in de eerste maand, op den vijftienden
dag dier eerste maand; den dag na het pascha trokken de Israëlieten
4       uit met opgeheven hand ten aanschouwen van alle Egyptenaren,\' ter-
wijl de Egyptenaren hen die Jahwe onder hen verslagen had, alle
2.  tan halte — bet/el. Kvenzoo Exod. XVII: 1.
3.   Raamtei. Zie op Exod. 1:11. — De tijdsbepaling komt overeen met die van Exod. XII: 51. —
met opgeheven hand. Zie op Exod. XIV : 8.
4.  ook — voltrokken. Zie op Exod. XII: 12.
-ocr page 304-
NüMBUI XXXIII : 4—36.
384
eerstgeborenen, begroeven; ook aan hunne goden had Jahwe strafge-
5 richten voltrokken.\'\' De Israëlieten braken dan op uit ltaümses en
(5 legerden zich in Sukkoth;\' zij braken op uit Sukkoth en legerden zicli
7       in Eth&m, dat aan den rand der woestijn ligt; \' zij braken op uit Etham
en keerden om naar Pi-habiroth, dat vóór Baal-sefon ligt, en legerden
8       zich vóór Migdol;\' zij bmken op uit 1\'i-hahiroth, trokken door de zee
naar de woestijn, gingen drie dagen door de woestijn van Etham en
9       legerden zich in Mara;\' zij hraken op uit Mara en kwamen in Elim,
waar twaalf waterbronnen en zeventig palmen waren, en legerden zich
10       aldaar;\' zij braken op uit Elim en legerden zich aan de Schelfzee; \'
11       zij braken op van de Schelfzee en legerden zich in de woestijn Sin;\'
12,13 zij braken op uit de woestijn Sin en legerden zich in Dofka;\' zij
14       braken op uit Dofka en legerden zich in Alus;\' zij braken op uit
Alus en legerden zich in Kafidim, waar bet volk geen water had om
15       te drinken;\' zij braken op uit Ratidim en legerden zich in de woestijn
16       van den Sinai;\' zij braken op uit de woestijn van den Sinai en legerden
17       zich in Kibroth-hattaiiwa;\' zij braken op uit Kibroth-hattaüwa en leger-
18       den zich in Haseroth; \' zij braken op uit Haseroth en legerden zich
19       in Rithma;\' zij braken op uit Kitbma en legerden zich in ltimmon-
20       Peres;\' zij braken op uit lümnion-Peres en legerden zich in Libna; \'
21,22 zij braken op uit Libna en legerden zich in Kissa;\' zij braken op uit
23       Kissa en legerden zich in Kehelath;\' zij braken op uit Kehelath en
24       legerden zich in Har-sjefer;\' zij braken op uit Har-sjefer en legerden
25       zich in Harad;\' zij braken op uit Harad en legerden zich in Makhe-
26,27 loth;\' zij braken op uit Makheloth en legerden zich in Tehath;\' zij
28       braken op uit Tehath en legerden zich in Terah;\' zij braken op uit
29       Terah en legerden zich in Mithka:\' zij braken op uit Mithka en leger-
30       den zich in Hasmon;\' zij braken op uit Hasmon en legerden zich in
31       Mozeroth;\' zij braken op uit Mozeroth en legerden zich in Bene-
32       Jaiikan;\' zij braken op uit Bene-Jaakan en legerden zich in Hor-hag-
33       gidgad;\' zij braken op uit Hor-haggidgad en legerden zich in Jotbath;\'
34, 35 zij braken op uit Jotbath en legerden zich in Abron;\' zij braken op
36 uit Abron en legerden zich in Esjon-geber;\' zij braken op uit Esjon-
Vs. 5. Exod. XII :37a.
5. Sukkoth. Zie op Exod. XII: 37.
0. Etham. Zie Exod. XIII: 20.
7.  Pi-hahirolh en BaaUtefon. Zie Exod. XIV: 2. — Migdol. De plaatsbepaling in Exod. XIV: 2
wijkt van deze af.
8.  De naam Pi-hahirolh is hier verschreven in Pene-hahiroth. — de tcoettijn van Etham. In pi. hicr-
van beeft Exod. XV ! 22 de woestijn Sjor. — Mara. Zie Exod. XV: 23—26.
». Elim. Zie Exod. XV : 27.
1Ü. De halte aan de Sehelfzee wordt Exod. XVI: 1 niet genoemd.
11. de woestijn Sin. Zie op Exod. XVI: I.
12 v. Dofka uu Alm zijn in Exodut niet vermeld.
14. Rafidim. Zie Exod. XVII :lvv.; XIX: 2.
10—80. Deze opgave komt volstrekt niet overeen met dio van XI: 3, 84 V.j XII: 10; XIII: 20,
volgens welke tusschen den Siuui en Kades slechts drie halten, lagen, waarvan de eerste hier niet
genoemd wordt. Waar al de hier opgesomde te zoeken zijn, wcot men niet. Alleen Etjon-geher is be-
keud. Het komt ook Deut. II: 8 en elders voor en lag aan do noordelijke punt van de Golf van
Akaba of Golf van Elath. Daar rustten Salomo en Josjafat hunne vloten naar Olir uit, 1 Kon. IX:
20; XXII: 49. Doch juist de vermelding van deze plaats brengt het vreemde van deze optelling aan
het licht. Terwijl volgens alle andere verhalen de Israëlieten van den Sinni naar Kades zijn getogen
en van daar, na korter of langer verblijf, over den berg Hor zuidwaarts en om het land der Edo-
mirten heen — dus langu de noordpuut der Klanietischc Golf — naar het Overjordaansche trokkeu,
komen zij hier juist van Esjon-geber in Kades; terwijl zij volgens vs. 41—ia iu weinige halten van
den Hor af het Overjordaansche bereiken. — Libna. Verg. op Deut. 1:1. — Mozeroth, of Mosera,
komt Deut. X: 6 voor als plaats waar Aaron gestorven is. — Bene-Jaakan. Dit heet Deut. X: 0
Beëroth-beneQaakan en gaat er aan Mozcra vooraf. Over Jaiikan zie Gen. XXXVI: 27. Ook komen
Hor-haggidgad (in den vorm Ondgod) en Jothalh in Deut. X: 7 voor.
-ocr page 305-
NüMBRI XXXIII : 1)6—54.
385
37       geber en legerden zich in de woestijn Tsin, dat is Kades;\' zij braken
op uit Kades en legerden zich aan den berg Hor, aan den rand van
het land der Edomieten.
38           En de priester Aiiron beklom den berg Hor, naar Jahwe\'s last, en
stierf daar, in bet veertigste jaar van den uittocht der Israëlieten uit
39       Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten dag der maand.\' Aiiron
was honderd drie en twintig jaar oud toen hij op den berg Hor stierf.
40           En de Kanaaniet, de koning van Arad — hij woonde in het Zuiden,
in het land Kanaiin — hoorde dat de Israëlieten gekomen waren.
41, 42 Zij braken op van den berg Hor en legerden zich in Salnion; \' zij
43       braken op uit Halmon en legerden zich in Punon; \' zij braken op uit
44       Punon en legerden zich in Üboth;\' zij braken op uit Oboth en legerden
45       zich in Ijje-haabarim, aan de grens van Moab; \' zij braken op uit Ijjim
46       en legerden zich in Dibon van Gad;\' zij braken op uit Dibon van Gad
47       en legerden zich in Almon-diblathaim; \' zij braken op uit Almon-
48       diblathaim en legerden zicli bij het gebergte Abarim vóór Nebo;\' zij
braken op van het gebergte Abarim en legerden zich in de vlakte van
49       Moab, aan den Jordaan bij Jericho.\' Zij legerden zich aan den Jordaan
van lieth-hajjesjinioth tot Abel-hassjittim in de vlakte van Moab.
38 v. Verg. XX: 22—29. — Aiirons leeftijd volgt uit Exod. VII: 7, daar hij in het veertigste jaar
na den uittocht stierf.
40. dat — waren, volg. Gr. vert.; Hebr. t. bij het komen der Israëlieten. Het vers komt bijna
letterlijk overeen met XXI: la.
43 v. Oboth en Ijje-haabarim. Zie XXI: 10 v. De in XXI: 12—20 genoemde halteu komen hier
niet voor.
45. Dibon van Gad. Dit zal wel het bekende Moabictischc Dibon zijn, dat door de Gadicten her-
bouwd was, XXI: 30; XXXII: 34.
40. Almon-diblathaim, waarschijnlijk dezelfde plaats die Jcr. XLVIII: 22 Beth-diblathaim heet.
47. Nebo. Zie op XXXII: 34—38.
40. Hier zijn dus de Israëlicteu in dezelfde streek gekomen als XXII: 1. — Beth-ltajjeijimoth komt
nog Joz. XII: 3; Ezech. XXV: 9 voor en lag ten oosten van de Doode Zee. — Over Abel-hatejiitim
zie op XXV :l.
HOOFDSTUK XXXIII: B0—XXXIV :29.
Verordeningen omtrent de inbezitnemiug, de grenzen en de vcrdeeling van Kanaün. — Jahwe bc-
veelt Mozcs, den Israëlieten te gelasten, de Kanuünieten te verdrijven, hunne heilige plaatsen en voor-
werpen te verwoesten en zelvcu het gehcelc land te bezetten en onder de stammen te vcrdeelen
(XXXIII: 50—54); zelven zullen zij uitgeroeid worden indien zij de Kanaünictcn niet verdrijven
(55 v.). Jahwe bepaalt de grenzen van Kanaüu (XXXIV: 1—12). Het aldus omschreven land moet aan
de negen en een halven stam die nog geen erfdeel ontvangen hebben toegewezen worden (13—15).
Jahwe wijst twaalf mannen aan, die, onder de leiding van Eleazar en Jozuu, het land onder de stum-
men vcrdeelen zullen (10—29).
Dit stuk is in zijn geheel aan Ëzra\'s Wetboek ontleend.
XXXIII: 50 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab, aan den Jordaan
51       bij Jericho:\' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun: Wanneer gij, den
52       Jordaan overtrekkende, het land Kanaiin ingaat,\' zult gij alle inwoners
des lands voor u uit verdrijven en al hunne gebeeldhouwde steenen
vernielen, zult gij ook al hunne gegoten beelden vernielen en al hunne
53       hoogten verwoesten.\' Gij zult het land in bezit nemen en u daarin
vestigen; want u heb ik het land gegeven, om het erfelijk te bezitten.\'
54       Dan zult gij het land door het lot onder uwe geslachten verdeelen;
. 52. De omschrijving van Isracls taak verraadt den man die den eeredienst welks afschaffing hier
geboden wordt niet meer kent. Immers, de altaren, wij-stceneu en gewijde boomstammen der
Kanaünieteu, waartegen Deut. XII: 2 v. evenzeer als tegen de beelden en hoogten wordt geijverd,
blrjven hier onvermeld. De vertaling gebeeldhouwde iteenen (ook Lev. XXVI: 1 voorkomende) is
onzeker.
                                                                                                         ...
54. Verg. XXVI: 52—50.
O. T. I.                                                                                                                          25
-ocr page 306-
numbm XXXIII: 54—XXXIV : 14.
386
aan een groot geslacht zult gij een groot erfdeel, aan een klein een
klein toewijzen; ieder zal het deel krijgen waarop voor hem het lot
55 valt; onder uwe voorvaderlijke stammen zult gij het verdeelen.\' En
indien gij niet al de inwoners des lands voor u uit verdrijft, dan zullen
zij die gij van hen overlaat u zijn tot doornen in het oog en prikkelen
in de zijde: zij zullen u henauwen in het land waarin gij u gaat ves-
50 tigen.\' En zooals ik hun toegedacht had zal ik u doen.
XXXIV: 1,2 Jahwe sprak tot Mozes:\' Beveel den Israëlieten en zeg hun:
Wanneer gij in het land Kanaiin komt, dan is dit het land dat u ten
erfdeel zal toevallen, het land Kanaün naar zijne grenzen:
3           De zuidzijde van uw land zal zijn van de woestijn Tsin langs Edom;
aan de oostzijde zal de zuidelijke grens beginnen bij het uiteinde van
4       de Zoutzee,\' dan loopen tegenover den iSchorpioenenpas, en van daar
over Tsin, totdat zij uitloopt ten zuiden van Kades-barnea. Van daar
5       naar Hasar-addar, voorts over Asmon;\' en van Asmon zal de grens
6       loopen naar de beek van Egypte, om aan de zee te eindigen.\' De
westelijke grens zal voor u de Groote Zee met hare kust wezen; dit
zal uwe westelijke grens zijn.
7           Dit zal voor u de noordelijke grens zijn: Van de Groote Zee af zult
8       gij uwe grenslijn trekken naar het gebergte,\' en van het gebergte af
zult gij de grenslijn trekken tot den weg naar Hamath, en de grens
9       zal uitloopen op öedad.\' Van daar zal de grens gaan naar Zifron en
eindigen bij Hasar-enan. Dit zal voor u de noordelijke grens zijn.
10           Als oostelijke grens zult gij uwe grenslijn trekken van Hasar-enan
11       naar Hjefam;\' van Öjefam zal de grens afdalen naar liaiil ten oosten
van de bron, en dan strijkelings langs het meer van Kinnereth, aan
12       de oostzijde.\' Daarna daalt zij den Jordaan af en loopt uit op de Zoutzee.
Dit zal ii het land naar zijne grenzen aan alle kanten zijn.
13           En Mozes gaf den Israëlieten het volgend bevel: Dit is het land
hetwelk gij door het lot verdeelen zult, dat Jahwe bevolen heeft aan
14       de negen en een halven stam te geven.\' Want de stam der Rubenieten,
naar zijne familiën, heeft een erfdeel ontvangen; desgelijks de stam
55. al, ingevoegd volg. Sam. t. — dan — zijde. Eenc dergelijke spreekwijze Joz. XXIII: 13; zie
aldaar.
2—12. Ongeveer denzclfden omvang heeft het Beloofde Land Ezech. XLVII: 12—20.
3—5. Nagenoeg dezelfde beschrijving van de zuidelijke grens in Joz. XV: 2—l. Kerst de algemeene
opgaaf van west naar oost, dan de meer uitgewerkte in omgekeerde richting. — tegenover, evenals
Joz. XV *. 3, in pi. van ten tuiden van, dat de grondtekst heeft. — Dr Schorpioenenpal, in Richt. 1: 30
vermeld, lag waarschijnlijk bij de zuidoostelijke punt der Dunde Zee. —Ttin, onbekend; de naam hangt
waarschijnlijk met dien der gelijknamige woestijn samen. — Haear-addar (Joz. XV : 3 twee plaatsen,
Iletron en Addar) is onbekend, evenals Asmon. — Over de beek van Egypte zie op Gen. XV : 18.
6.  de Qroote Zee, de Middcllandsche.
7.  het gebergte, hoogst onzekere vertaling. I)e Hebr. t. heeft den berg Hor, maar een berg van dien
naam (Hor beteekent ,berg\') in het noorden komt nergens voor. Het feit is, dat enkele Israëlietische
familiën op den Libanon gewoond hebben en somwijlen dit geheele gebergte tot het lieloofde Land
gerekend werd. Waarschijnlijk was onze schrijver opzettelijk onduidelijk, omdat de noordgrens voor
zoover die door den Libanon ging niet aan te geven was.
8.   den weg naar Hamath, d. i. het dal tusschen den Libanon en den Antilibanos, het latere Cele-
Syrië. Verg. op 1 Kon. VIII: 65. — Sedad. Bit eindpunt der grenslijn is onbekend.
9.  Zifron en Hatar-enan, onbekend; maar de laatste plaats komt ook Ezech. XI,Vil: lfi v.; XI.VIII:
1 voor, als noordoostelijke punt van Israëls land en gelegen aan de grens van het gebied van Ba-
maskus.
10.  uwe grenslijn fretten, volg. verb. t.; Hebr. t. begeeren. — Sjefam, onbekend.
11.  afdalen. Zie op Joz. XV: 3. — Baal, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Haribla; Sara. t. Haarbela.
Welke plaats bedoeld wordt, weten wij niet, wellicht Baai-God, dat Joz. XI: 17 vermeld wordt. —
het meer van Kinnereth (zie op Joz. XIX: 85), in het X. T. het meer van Oennezaret (Luc. V: 1), «mi
Oalilea (Matth. IV : 18) of zee van Tiberiat (Joh. VI: 1; XXI: 1) geheeten, is een, ongeveer zes uur
lang, op het meest drie uur breed, eivormig meer, waarin zich aan de noordzijde de Jordaan stort,
om het aan de zuidzijde weder te verlaten. Het heeft zoet water en is zeer vischrijk. Be omtrek is
op menig puut zeer vruchtbaar.
-ocr page 307-
NtTMBRi XXXIV: 14—XXXV : 1.
387
15 der Gadieten, naar zijne familiën; en de halve stam Manasse.\' Die twee
en een halve stam hebben hun erfdeel aan de overzijde van den Jor-
daan bij Jerioho, aan de oostzijde, ontvangen.
16,17 Jahwe sprak tot Mozes:\' Dit zijn de namen der mannen die onder
u het land zullen verdeelen: de priester Eleazar en Jozua, de zoon van
18       Nun;\' voorts zult gij een vorst uit eiken stam nemen, om het land
19       te verdeelen.\' En dit zijn de namen dier mannen: voor den stam Juda
20       Kaleb, de zoon van Jefunne;\' voor den stam der Simeonieten Samuel,
21       de zoon van Ammihud;\' voor den stam Benjamin Elidad, de zoon van
22       Chislon;\' voor den stam der Danieten een vorst, Bukki, de zoon van
23       Jogli;\' voor de Jozefieten, voor den stam der Manassieten een vorst,
24       Hannitil, de zoon van Efod;\' en voor den stam der Efraimieten een
25       vorst, Kemuël, de zoon van Sjiftan;\' voor den stam der Zebulonieten
26       een vorst, Elisafan, de zoon van Parnach;\' voor den stam der Issacha-
27       rieten een vorst, Paltiël, de zoon van Azzan; \' voor den stam der
28       Azerieten een vorst, Ahihud, de zoon van Sjelomi;\' voor den stam
29       der Naftalieten een vorst, Pedaël, de zoon van Ammihud.\' Deze zijn
het, aan wie Jahwe bevolen heeft, den Israëlieten een erfdeel in het
land Kanaiin toe te wijzen.
15. aan — Jordaan. Zie op XXXII: 19.
19—28. Van al de hier genoemden is Kaleb de cenigc wiens naam elders voorkomt. Sommige der
overige namen luiden in de (ir. vert. eenigszins anders.
HOOFDSTUK XXXV.
Leviotensteden en vrijplaatsen. — Mozes moet den Israëlieten gelasten, den Levieten acht en veertig
steden met het daarbij behoorend grondgebied tot woonplaatsen af te staan; daaronder de zes vrij-
steden (1—8). Voorts moet hij in Jahwe\'s naam bevelen, zes steden tot wijkplaatscn te maken voor
hem die bij ongeluk een mensch gedood heeft (9—15). Wie met opzet iemand van het leven beroofd
heeft moet ter dood gebracht worden door den naasten bloedverwant des verslagenen (10—21); maar
wie het bij ongeluk deed en eene vrijplaats bereikt heeft moet tegen den wreker beschermd worden:
hij blijvc in de vrijstad tot den dood des hoogepriesters (22—25); indien hij die plaats vóór dit tijd-
stip verlaat, moet de wreker hem dooden, daarna niet meer (20—29). Eén getuige volstaat niet om
iemand te doen veroordeclen (30); maar de blocdschuld mag niet afgekocht worden (31—34).
Wat vs. 1—8 voorgeschreven wordt is volgens Joz. XXI; 1 Kron. VI: 5-1—81 ten uitvoer gelegd;
zelfs worden daar de acht en veertig steden met name opgeteld en in priester* en Levietensteden
onderscheiden. Desniettemin is de zaak zoo goed als geheel vrucht der verbeelding van den schrijver
van Ezra\'s Wetboek, aan wiens werk dit ganschc hoofdstuk ontleend is. Daargelaten het feit dat
nog eeuwen na Mozes Levi geen uitsluitend recht op het priesterschap had, springt de onmogclijk-
hcid van hetgeen bevolen wordt in het oog: in een bergland als Palestina toch kunnen geen vier-
kantc stukken grond afgemeten worden, en voor zoover dit mogelijk was, zou het eene ontzaglijke
schade geweest zijn, streken die grootendccls voor landbouw geschikt waren, ja waarop kostbare wijn-
en boomgnarden waren aangelegd, tot weiden voor het vee te maken. Er is dan ook geen spoor van
het bestaan van zulke Lcvietcnstcdcn. Eigenlijk breekt de wetgever in deze verordening met het door
hem van Deuteronomium (zie inl. op Deut. XVIII: 1—8) overgenomen denkbeeld dat Levi geen erf-
deel heeft (XVIII: 20—24; XXVI: 02 en elders); immers, acht en veertig steden met haar grond-
gebied zijn een erf van beteekenis. In deze toewijzing van een erfdeel aan Levi had onze schrijver
Ezechiël tot voorganger (zie Ezcch. XLV : 1—0; XLVIII: 8—22). Toen men, mot wijziging van de
verordeningen des profeten, de lijst samenstelde der acht en veertig priestcr- en Levictenstedon van
Joz. XXI en 1 Kron. VI, is men wellicht ecnigermate geleid door de herinnering dat daar oudtijds
heiligdommen van eenige beteekenis geweest zijn; al worden de beroemdste — in het oog dier schrij-
vers beruchtste — van die heiligdommen, Bethel en Bersjcba, gemist. Dit geldt vooral van de zes vrij-
steden. De verordening daarop in ons hoofdstuk is de uitwerking van de wet Deut. XIX: 1—18;
zie inl. aldaar. Voor zoover wij weten, ia zrj nooit ten uitvoer gelegd; hoewel Joz. XX verhaald
wordt dat dit geschied is.
XXXV: 1 Jahwe sprak tot Mozes in de vlakte van Moab, aan den Jordaan
-ocr page 308-
NUMKRI XXXV : 1 — 17.
388
2       bij Jericho:\' Beveel den Israëlieten dat zij aan de Levieten eenige
steden uit hunne erfelijke bezitting tot woonplaatsen geven; ook zult
3       gij een weidegrond rondom die steden aan de Levieten geven.\' Die
steden zullen bun tot woonplaatsen dienen, en de daarbij behoorende
weidegrond zal zijn voor hun vee, hunne diereu en al hunne levende
4       have.\' De weidegrond dier steden die gij den Levieten geven zult zal
van den stadsmuur af naar buiten naar alle kanten duizend el groot
ö zijn. \' Gij zult buiten de stad afmeten: aan de oostzijde twee duizend
el, aan de zuidzijde twee duizend el, aan de westzijde twee duizend
«el, en aan de noordzijde twee duizend el, en de stad in het midden.
6       Dit zal hun de weidegrond dier steden zijn.\' Wat de steden betreft
die gij den Levieten geven zult, gij zult hun de zes vrijsteden geven,
die gij zult aanwijzen opdat daarheen de doodslager vluchte, en daarbij
7       zult gij twee en veertig andere voegen.\' In liet geheel zullen de steden
die gij den Levieten zult geven acht en veertig in getal zijn, elke stad
8       met haar weidegrond.\' En van die steden die gij van de bezitting der
Israëlieten zult geven zult gij een groot aantal nemen van een grooten
stam en een klein aantal van een kleinen stam; ieder zal naar gelang
van de uitgebreidheid van zijn erfdeel dat hij ten erve gekregen heeft
van zijne steden aan de Levieten geven.
9, 10 Jahwe sprak tot Mozes:\' Spreek tot de Israëlieten en zeg hun: Wan-
11       neer gij, den Jordaan overtrekkende, liet land Kanaün ingaat,\' zult gij
eenige steden aanwijzen die u tot vrijsteden zullen dienen, en daarheen
zal de doodslager vluchten die bij ongeluk iemand verslagen heeft.\'
12       Die steden zullen u dienen tot eene vrijplaats tegen den bloedwreker;
opdat de doodslager niet sterve voordat hij ten gerichte voor de ge-
13       meente gestaan heeft.\' De steden die gij geven zult zullen u, zes in
14       getal, tot vrijsteden dienen;\' drie daarvan zult gij aanwijzen in het
Overjordaansche en de drie andere in het land Kanaiin: vrijsteden zullen
15       zij zijn.\' Voor de Israëlieten, alsmede voor den vreemde en den opge-
zetene in uw midden, zullen die zes steden tot vrijplaatsen dienen;
opdat daarheen ieder vluchte die bij ongeluk iemand verslagen heeft.\'
16       Maar indien hij hem met een ijzeren werktuig heeft geslagen zoodat
hij gestorven is, dan is hij moordenaar, en een moordernaar moet ter
17       dood gebracht worden.\' Indien hij hem met een uit de hand geworpen
2. tot woonplaatten, dus teven» tot bezitting, Immers, welke waarde zonden die steden voor een
ander hebben, als de Levieten ook huar ganschen omtrek in eigendom luidden V
4 v. I Ie voorstelling schijnt deze te zijn: elke stad is minstens tweeduizend el lang cu breed en
heeft aan elke der vier zijden een weidegrond van tweeduizend cl lung en duizend cl breed, welke
vier weiden niet met elkaar samenhangen.
6. Hier loopt de wetgever vooruit on vs. 10—84; wat zeer begrijpelijk is, daar de hoofdzaak ervan
reeds uit lleut. IV : 41—13; XIX : 1—13 bekend was. — gij zult hun ... geven, naar gissing in-
gevoegd.
8. Op deze bepaling wordt Joz. XXI geen acht geslagen.
11.   de doodtlager. Hier wordt hetzelfde woord gebruikt dat vs. 16, 17, 18 door moordenaar ver-
taald wordt; want het Hcbrceuwsch onderscheidt niet iemand die, bij ongeluk, een manslag, van iemand
die, met opzet, een moord begaan heeft.
12.   den bloedwreker, volg. Gr. vert.; in Hebr. t. is het woord bloed uitgevallen. He uitdrukking
die gewoonlijk door bloedwreker wordt vertaald beteekent eigenlijk bloedlotter. Daar toch het ver-
goten bloed uls eene schuld op het volk waaronder het wus vergoten drukte, was dit verplicht die
schuld te lossen; wat door den dood van den moordenaar geschiedde (vs. 33). Onverschillig, of deze
bij ongeluk dan met opzet den nudcr verslagen had, allecu door zijn dood kon het misdrijf geboet
worden. Op den naasten bloedverwant van den verslagene rustte de verplichting door het dooden vau
den misdadiger het bloed te lossen. Aan al de volgende bepnlingcn ligt deze plicht van de bloedwraak
ten grondslag. — voordat — heeft. Zie op Joz. XX: 64.
16—24. In het besef van de groote moeilijkheid, vonk onmogelijkheid, voor den rechter, uit te maken
of eene daad met opzet dan wel bij ongeluk geschied is, en toch hartelijk wenschende dat zij niet
in beide gevallen eveneens gestraft worde, zoekt de wetgever naar uitwendige kenteckeiieu om ze te
onderscheiden: hij vestigt daartoe vóór alles de aandacht op den aard van het werktuig waarmede de
doodelijke woud is toegebracht. He wet is uitwerking van Kxod. XXI: 12—14.
-ocr page 309-
389
nümkri XXXV: 17—34.
steen, zoo groot dat iemand daarmede kan gedood worden, getroffen
heeft zoodat hij gestorven is, dan is hij moordenaar, en een moordenaar
18       moet ter dood gebracht worden.\' Of indien hij hem met een in de
hand gehouden houten voorwerp waarmede iemand gedood kan worden
geslagen heeft zoodat hij gestorven is, dan is hij moordenaar, en een
19       moordenaar moet ter dood gebracht worden.\' De bloedwreker, hij zal
den moordenaar om het leven brengen: wanneer hij hem aantreft zal
20       hij hem ombrengen.\' En indien hij hem uit haat stiet of uit moedwil
21       iets op hem wierp en hij ten gevolge daarvan stierf,\' of hij sloeg hem
uit vijandschap met de hand zoodat hij stierf, dan moet hij die hem
verslagen heeft ter dood gebracht worden: een moordenaar is hij; de
bloedwreker zal den moordenaar om het leven brengen, wanneer hij
22       hem aantreft.\' Maar indien hij liem onvoorziens, zonder vijandschap,
heeft gestooten of zonder opzet eenigerlei voorwerp op hem heeft ge-
23       worpen;\' of hij heeft een steen waardoor men gedood kan worden
zonder het te zien op hem doen vallen zoodat hij stierf, terwijl hij
24       geen vijand van hem was en hem geen leed heeft willen doen;\' dan
zal de gemeente richten tusschen den doodslager en den bloedwreker
25       volgens genoemde verordeningen.\' De gemeente zal den doodslager
tegen den bloedwreker beschermen en doen wederkeeren naar de vrij-
stad waarheen hij gevlucht is; daar zal hij blijven tot den dood des
26       hoogepriesters, dien men met de heilige olie gezalfd heeft.\' Maar indien
de doodslager te eeniger tijd de grens der vrijstad waarheen hij gevlucht
27       is overschrijdt,\' en de bloedwreker vindt hem buiten liet grondgebied
zijner vrijstad, dan zal de bloedwreker den doodslager doodslaan, zonder
28       daarmede bloedschuld op zich te laden;\' want in zijne vrijstad moet
hij blijven tot den dood des hoogepriesters. Na den dood des hooge-
priesters mag de doodslager terugkeeren naar het land waarin zijne
bezitting ligt.
29           Deze bepalingen zullen u tot rechtsinzettingen zijn, ook voor uw
nageslacht, in al uwe woonplaatsen.
30           Als iemand een mensch verslagen heeft, dan zal de bloedwreker den
moordenaar dooden op verklaring van meer dan éen getuige; een ge-
tuige zal niet volstaan om aan iemand het doodvonnis te doen vol-
31       trekken.\' Maar gij zult geen losprijs aannemen voor het leven van een
moordenaar die des doods schuldig is; want hij moet zeker ter dood
32       gebracht worden.\' Ook zult gij geen losprijs aannemen om iemand
naar eene vrijstad te laten vluchten en om hem weder in het land te
33       laten wonen vóór den dood des hoogepriesters;\' opdat gij liet land
waarin gij woont niet bezoedelt. Want het bloed, dat bezoedelt het land,
en voor het land wordt geen verzoening bewerkt van het bloed dat
daarin vergoten is dan door het bloed van hem die het vergoten heeft.\'
34       Zoo zult gij u wachten voor verontreiniging van het land waarin gij
woont en in welks midden ik woon; want ik, Jahwe, woon te midden
der Israëlieten.
18. indien, naar Sam. cu Gr. t. ingevoegd.
30. Hiermede wordt gedoeld op het volgens vs. 12 door de gemeente in te stellen onderzoek. De
hoofdzaak is hier echter de bevestiging van Dcitt. XVII :ii; XIX: 15; verg. Matth. XVIII: 16; Joh.
VIII: 17; 2 Cor. XIII :1; Hebr. X:28.
31 v. Een en ander geschiedde zeker menigmaal, zooals overal waar de bloedwraak in cerc is (verg.
op 1 Sam. XIV : 45), maar kwam den wetgever voor, cene bedenkelijke zwakheid te zijn.
32.  naar eene vrijplaats ...en, volgens verbeterde woordafdcoling; Hebr. t. naar zijne vrijplaats.
33.  woont, ingevoegd volg. Sam. én Gr. t. — hel bloed — land. Verg. Deut. XXI: 8 v.; Ps.
CVI: 38.
34.   want — Itraelitten. Verg. V:8; Exod. XXIX i 45 v.; I,ev. XXVI: 12; Dent. XXIII: 14 en
elders.
-ocr page 310-
390                                       nombri XXXVI: 1—13.
HOOFDSTUK XXXVI.
Wet op het huwelijk van erfdochter*. — De hoofden der Manassietischc geslachten maken bezwaar
tegen de bepaling dat Selofhads dochters de bezittingen van haar vader erven: wanneer die meisjes
buiten den stam huwden, zou het erfdeel van den stam aan een anderen overgaan (1—t). Om dit te
beletten, vergunt Mozes haar te huwen met wie zij willen, mits in haar stam (5—9). Zij gehoor-
zamen en huwen met neven (10—12). Onderschrift (13).
Deze wet, in den vorm van een verhaal, is aanvulling van XXVII: 1—11 en kan van dcnzelfden
schrijver, dien van K/ra\'s Wetboek, zijn. Het onderschrift besluit het bock Xnmeri en is waarschijnlijk
van den Verzamelaar.
XXXVI: 1 De familiehoofden van het geslacht der zonen van Qilead, den
zoon van Machir, den zoon van Manasse, uit de geslachten der Joze-
fieten, traden toe en spraken tot Mozes en de vorsten, de familiehoofden
2       der Israëlieten; \' zij zeiden: Jahwe heeft aan nüjn heer bevolen het
land door het lot aan de Israëlieten ten erve te geven; ook heeft mijn
heer in Jahwe\'s naam bevolen het erfdeel van onzen broeder Selofhad
3       aan zijne dochters te geven.\' Maar wanneer zij nu eens huwen met
mannen uit andere stammen der Israëlieten, dan zal haar erfdeel afge-
nomen worden van dat onzer vaderen en gevoegd worden bij dat van
den stam waartoe zij dan zullen behooren: zoo zal het ons bij het lot
4       toegewezen erfdeel ingekort worden.\' En als het jubeljaar aanbreekt
voor de Israëlieten, dan zal haar erfdeel gevoegd worden bij dat van
den stam waartoe zij dan zullen behooren, en van het erfdeel van den
stam onzer vaderen zal haar erfdeel afgenomen worden.
5           Toen gaf Mozes op Jahwe\'s last aan de Israëlieten dit bevel: De
6       stam der Jozefieten heeft gelijk in wat hij zegt.\' Daarom beveelt Jahwe
ten aanzien van Selof hads dochters het volgende: Laat haar de vrouwen
worden van wie haar aanstaan; alleen moeten zij huwen in een ge-
7       slacht van den stam van haar vader;\' opdat onder de Israëlieten geen
erfgoed van den eenen stam in den anderen overga; want ieder Israë-
liet moet aangesloten blijven aan het erf van den stam zijner vaderen.\'
8       En elke erfdochter uit een der Israëlietische stammen moet huwen met
een man uit een geslacht van den stam haars vaders; opdat elk Israë-
ü liet het deel zijner vaderen in erfelijk bezit hebbe, en geen erfgoed van
den eenen stam in den anderen overga, maar ieder lid van een Israë-
lietischen stam aangesloten blijve aan zijn erfdeel.
10           Zooals Jahwe Mozes bevolen had deden de dochters van Selof had:\'
11       Mahla, Tirsa, Hogla, Milcha en Noa, de dochters van Selof had, huwden
12       met zonen van hare ooms.\' Van mannen uit geslachten der zonen van
Manasse, den zoon van Jozef, werden zij de vrouwen; zoo bleef haar
erfdeel in den stam van bet geslacht haars vaders.
13           Dit zijn de geboden en verordeningen die Jahwe door Mozes den Israë-
lieten gegeven heeft in de vlakte van Moab, aan den Jordaan bij Jericho.
ï. ook heeft mijn keer in Jahwe\'s naam bevolen, volg. verb. t.; grondt, misschien mijn heer heeft
Hoor Jahwe den Uut ontvangen.
Wellicht heeft de tekst oorspronkelijk geluid Mijn keer, d. i. Mozes,
heeft grUut.
3.   Het bezwaar gaat uit vnn de onderstelling dat elke stam zijn onvervreemdbaar erfdeel heeft en
behouden moet, eenc onderstelling waarin zich de gehechtheid aan het voorvaderlijk land (verg.
1 Kon. XXI: 3) openbaart. Inderdaad zijn de verhoudingen tusschen de stammen in den loop des tijds
herhaaldelijk zeer sterk gewijzigd: zoo hecten dezelfde steden nu eens Simeonietisch dan weder Ju-
dcesch (zie op Joz. XIX: 1—0), waren de grenzen tusschen Kfraim, Manasse en Issachar niet te trek-
ken (zie op Joz. XVI: 9 en op Joz. XVII: 11—13), en heet Hesbon nu eens stad van Kuben, dan
weder van Gad (Num. XXXII: 37 en Joz. XXI: 39). De geheele verdeeling van het land onder twaalf
stammen is grootendeels vrucht der verbeelding. — toanneer — Israëlieten. De vrouw ging bij haar
huwelijk over in het „huis" van baar man.
4.   Over het jubeljaar zie Lev. XXV: 8—55. In dat jaar zou het deel dier erfdochters onherroepe-
lijk van haar oorspronkelijken stam vervreemd worden.
-ocr page 311-
391
INLEIDING OP DBUTERONOM1UM.
DEUTERONOMIUM.
INLEIDING.
Dtxteronomium, het laatste van ilc vijf boeken der Wet, behelst hoofdzakelijk toespraken van Mozes
tot Israël. Het opschrift (I : 1—5) wordt gevolgd door cene geschiedkundige inleiding, waarin hij de
gebeurtenissen der laatste jaren en maanden in herinnering brengt (1:6—IV: 13); dan gaat hij tot
zijne eigenlijke toespraak over, die door een nieuw opschrift wordt voorafgegaan (IV: 44—49) en uit
con vermanend (V—XI) en een wetgevend gedeelte (XII—XXVI) bestaat; hij geeft danma verordeningen
omtrent de uitvaardiging der wet in Kanuün (XXV11); houdt aan Israël den zegen en den vloek voor
dio verbonden zijn aan de opvolging en de overtreding harcr bepalingen (XXVIII—XXX); neemt ten
aanzien van zijn opvolger en de bewaring der wet de noodigc beschikkingen (XXXI: 1—13); draagt,
ter ernstige waarschuwing voor het volk iu de toekomst, een lied voor (XXXI: 14— XXXII: 47); krijgt
de aanzegging van zijn naderend einde (XXXII: 48—52); spreekt den zegen over Israël uit (XXXIII),
en sterft (XXXIV).
Dit boek is, evenals de andere gedeelten der Wet, een samengesteld geschrift, welks wording in
bijzonderheden moeilijk is na te gaan. Een van de verschijnselen die de meeste moeite baren, maar
dat in eene Nederlaudsche vertaling niet kan uitkomen, is het feit dat in bijna alle gedeelten van
ons boek Israël beurtelings in het enkelvoud en in het meervoud wordt toegesproken; wat soms met
herhalingen gepaard gaat. Wordt hierdoor het vermocdeu gewekt dat de schrijver of de schrijvers
stukken van verschillende werken hebben ineengevlochten, het gelukt ons niet, al de bcstauddcclcn
te schiften. Toch is de volgende voorstelling zeker niet ver van de waarheid.
Hot hoofdbestanddeel van het boek is de bundel verordeningen XII—XXVI, waaraan spoedig zijn
toegevoegd: het opschrift, IV: 44—49, de vermanende voorrede, V—XI, bestemd om de Israëlieten op
te wekken tot de trouwe naleving van de straks voor te dragen wetten, en de geschiedkundige toe-
lichting, XXXI: 9—13, vermeldende de wijze waarop zij van den tijd van haar ontstaan af zijn bewaard
gebleven. Die wetten nu heeten van Mozes afkomstig: deze heeft ze van Jahwe zei ven op den Horeb
ontvangen, aan het einde der woestijn reis in het land van Monb aan de Israëlieten voorgedragen
(V : 23—31) en daarna op schrift gebracht (XXXI: 9). Zij maken met de Tien Woorden het wetboek
uit, het eenige waarin Mozes de eischen van Jahwe aan zijn volk heeft uedergelcgd.
Dit wetboek bevat uit den aard der zaak allerlei bepalingen, het staatkundig (XVII: 14—20; XX),
burgerlijk (XVI: 18—XVII: 13; XIX; XXI: 1—9) en huiselijk leven (XXI: 10—21) der Israëlieten
betredende. De regeling echter van hun godsdienstig leven staal op den voorgrond. Israël te vormen
tot een volk aan Jahwe alleen gewijd is het hoofddoel. Hieraan dienstbaar is het telkens herhaald
nadrukkelijk voorschrift dat Jahwe uitsluitend in het heiligdom van Jeruzalem mag worden vereerd
(XII; zie inl. aldaar): daar alleen mogen tienden en eerstgeboortcn geofferd (XIV : 22—29; XV: 19—23),
fcestgaven aaugeboden (XVI i 1—17) en offermaaltijden aangericht worden; in dien tempel beklecden
Levieten, leden van den daartoe door Jahwe uitverkoren stam, het priesterambt en genieten zij de
hun toegewezen inkomsten (XVIII: 1—8). Zoozeer is het des schrijvers streven, dezen eisch den Israë-
lieten op het hart te binden, dat hij er niet alleen zijn wetboek mede begint, maar er ook telkens
op terugkomt en er in het laatste hoofdstuk (XXVI) nogmaals de aandacht op vestigt.
Nu springt het in het oog, dat die eisch ten onrechte aan Mozes wordt in den mond gelegd. Deze
had een tempel die meer dan 300 jaren na den intocht in Kanaan gesticht werd niet als de eenige
plaats der godsvercering kunnen aanwijzen, zonder tevens te bepalen waar Jahwe tot dien tijd toe
moest worden gediend; ccue dergelijke bepaling wordt echter in het gansene boek niet gevonden. Maar
bovendien is de tempel van Jeruzalem zoo weinig van den beginne af de eenige wettige plaats der
godsvereering geweest, dat Jahwe gedurende bijna zeven eeuwen in talrijke heiligdommen in verschil*
lende oorden des lands is gediend, en zelfs zijne getrouwste aanhangers, zonder een oogenblik aan de
rechtmatigheid van dien dienst te twijfelen, die plaatsen verheerlijkt en zclven hem daar vereerd
-ocr page 312-
392
INLEIDING OP DKUTKRONOMIUM.
hebben («ie b.v. inll. op Gen. XXVI: 1—33; XXVIII : 10—22 en verg. Exod. XX: 24; 1 Siiin. I—III;
VII: 9; XIV: 85; XX:29; 2 Sam. VI; XXIV; 1 Kon. 111:4; XV: 14 enz.). Ecnc poging on in dien
toestand verandering te brengen en den tempel van Jeruzalem tot het ecnigc heiligdom van Jahwe
te verheffen is wellicht van koning Hizkia (725—697 v. Chr.) uitgegaan (2 Kon. XVIII: 4, 22), maar
in elk geval zonder duurzaam gevolg gebleven. Eerst aan Jozia mocht het, volgens 2 Kon. XXII,
XXIII, gelukken die hervorming voorgoed tot stand te brengen.
I)c aanleiding tot die hervorming is bekend. I)c priester Hilkia vond in den tempel een wetboek,
stelde het ter hand aan \'s konings schrijver Sjafan, die het, na het zelf gelezen te hebben, ter
kennis van Jozia bracht. Het maakte op den koning diepen indruk. Met de in dat wetboek gestelde
cischen was de bestaande toestand in lijnrechten strijd; loodst de vrees hom beving, dat de strafbo-
dreigingen die er in voorkwamen zich weldra zouden verwezenlijken. Dat gevaar moest, zoo mogelijk,
worden afgewend. Hij riep het volk in den tempel bijeen, las daar het wetboek voor, liet het plechtig
aannemen en bezweren, en hervormde toen daarnaar de verecring van Jahwe in het gansche land (622
v. Chr.). Uit de overeenkomst nu in strekking en bedoeling tusschen dit wetboek en Dmttronomium
blijkt duidelijk dat zij met elkander in het nauwste verband staan. Al wat ons van het eerste verhaald
wordt past op het laatste (zie op XVI: 3 en op XVIII: 10 v.). Er kan niet aan worden getwijfeld:
dat wetboek was Peut. XII—XXVI. Dit is dus 022 v. Chr. bekend geworden en door Jozia ingevoerd.
Maar dan is het ook zeker kort te voren opgesteld, en wel met het bepaalde doel om ter kennis
van Jozia gebracht en door zijn gezag bekrachtigd te worden. De onderstelling dat het zou zijn
geschreven zonder zulk eenc practische bedoeling is hoogst onwaarschijnlijk, en zij wordt geheel onaan-
nemelijk, nu het blijkt dat de ontdekking van Hilkia de aanleiding werd tot eenc zoo belangrijke
hervorming als die van Jozia. Ecnc gebeurtenis van dat gewicht kan niet het gevulg zijn geweest
van een toeval.
Waarschijnlijk was de schrijver zelf priester in den tempel te Jeruzalem. De dienaren van dat
heiligdom althans acht hij zeer hoog: zij zijn door Jahwe zelvcn tot hun ambt geroepen (XXI: 5,
verg. X:0—9); .i.iii hen is do beslissing in moeilijke rechtszaken opgedragen (XVII:8—18; XXI: 1—9;
XXIV: 8) en de bewaring van de wet van Jahwe toevertrouwd (XVII: 18; XXXI: 9—13).
Ten onrechte zou men uit deze tijdsbepaling afleiden dat al de in Devteronomium vervatte wetten
uit de tweede helft der 7de eeuw v. Chr. dagtcekencn en dus geheel willekeurig aan Mozes worden
in den mond gelegd. Ofschoon de schrijver dnar vooral waar hij du belangen van den tempel en zijne
dienaren behartigt zelfstandig te werk gaat en inderdaad nieuwe cischen stelt, volgt hij gemeenlijk
het sedert lang erkende gewoonterecht, soms ook oudere schrijvers. Vooral in XXI—XXV heeft hij
oudere voorschriften dikwerf eenvoudig overgenomen, zonder zich te bekommeren om de tegenstrijdigheden
die daardoor in zijn werk nntstouden (zie op XXIII : 4, 23 en verg. op XXIV : 16). Het Rondsbock, Exod.
XX : 23—XXIII: 33, heeft hij gekend en vlijtig gebruikt (VII: 5; XII: 8; XVI: 19; XIX : 21; XXIV: 7,
12 v., en zie op XV:9; XX: 17; XXII: 8; XXIII: 20), maar de daar voorkomende bepalingen met
groote vrijheid weergegeven of zelfs opzettelijk gewijzigd (zie op XV: 20; XXI: 14; XXII: 1, 4, 28 v.;
XXVI:2 en inll. op XII; XV : 1—18; 19—23; XVI: 1—17; XIX : 1—18).
De voornaamste geschiedkundige bron waaruit de schrijver van XII—XXVI met de daarbij behoo-
rende inleiding — wederom met groote vrijheid — heeft geput was de Judcesche uitgave van De
Elohist (zie inll. op V; VIII; IX: 1—X : 11; X : 12—XI: 32); daarnevens stonden hem echter andere,
thans niet meer voorhanden, geschriften ten dienste (zicopX:l—5; XXIII: \\b v.: XXIV:9; XXV:17v).
Over zijne verhouding tot Ezra\'s Wetboek zie op X:l, 6, 7 v.; XI :6; XII: 8, 15; XIV: 21, 22 v.;
XV:l—3, 20; XVI: 8, 7, 8, 10, 18, 16 v.j XVIII: 1 v., 8, 4; XIX:8v.; XX1I:9, 10, 80; XXIII: 10 v.;
XXIV: 19—22; XXV: 5.
Gelijk de hervorming van Jozia door velen toegejuicht en als de aanvang van een beteren tijd
beschouwd werd, zoo stond ook het wetboek dat daartoe den stoot had gegeven bij de vrome vereerders
van Jahwe in hoog aanzien. Vandaar dat meer dan éen uit dien kring zich opgewekt gevoelde, aan
dat wetboek het een en ander, dat hij er in miste of de veranderde tijdsomstandigheden schenen te
vorderen, toe te voegen.
-ocr page 313-
393
INLEIDING OP DBUTERONOMIUM I: 1—IV : 43.
Zoo schreef een geestverwant, kort nn ilc wegvoering vnn Jojachin (5!)7 v. (\'hr.), de strafrede II.
XXVIII, die hij wellicht door XXVII: 9 v. met het oorspronkelijke geschrift verbond en door een
onderschrift, XXIX: 1, liet volgen. Ken ander voegde er, na 58fi v. Chr., de slotrede XXIX: 2—
XXX: 20 aan toe, tot vermaning en vertroosting van zijne tijdgenooten. Nog plaatste een derde de
geschiedkundige inleiding, 1:1—IV: 43, voor, en een bericht over Mozcs\' laatst* verordening, XXXI:
1—8, achter het werk zijner voorgangers (zie inl. op deze hoofdstukken).
Tot dusverre bestond het wetboek niet zijne tocvoegselen op zich zelf; doch in de zesde of de ccr-
stc helft der vijfde eeuw werd het met het Oudc-Sagenbock vereenigd (zie inl. op Pc vijf boeken der
Wet) en tevens aanmerkelijk uitgebreid. Uit dat Sngenbock werden toen opgenomen: het bericht over
het offerfeest op den Kbal, XXVII : 5—7, het lied van Mozcs, XXXII: 1—44, met de voorrede,
XXXI: 14—23, benevens het grootste gedeelte van XXXIV; terwijl de bewerker, om cene nauwere
aansluiting te bevorderen, nog cenigc stukken van zijne eigene hand, XXVII :1—4, 8; XXXI: 24—
30; XXXII: 45—47, inlaschtc.
Bij de verecniging vnn dit werk met Rzrn\'s Wetboek, tegen het einde der vijfde eeuw, zijn ook uit
dit geschrift of naar aanleiding daarvan nog cenigc stukken, XXVIl:ll—13; XXXI1:48—52 en
enkele verzen van H. XXXIV ingevoegd, en is tevens in het opschrift een en ander gewijzigd (zie
inl. op 1:1—5). Waarschijnlijk nog later is XXVII: 14—20 geschreven en van elders de zegen van
Mozcs, II. XXXIII, opgenomen.
Op die wijze is het werk van den Dcuteronomist, oorspronkelijk bestemd om het wetboek van Israël
te zijn, een onderdeel geworden van een grootcr geheel, de Wet. De voorschriften die het bevat
werden nlzoo met die van de oudere en jongere bundels die samen de Wet vormden op éenc lijn ge-
stcld; zoodat verordeningen uit zeer verschillenden tijd en vnn zeer uitcenloopcndc strekking gelijkelijk
golden als wet van Jahwe. Het gevolg hiervan was, dat Joodsche en straks Christelijke schriftvcr-
klaarders zich beijverden, de dikwerf eigenaardige bepalingen en voorstellingen van het Dcuteronomisch
wetboek zoo uit te leggen dat zij met die van de andere bundels in volkomen overeenstemming
schenen te zijn; waarbij natuurlijk het inzicht in hare wezenlijke strekking en betcekenis verloren
ging (zie b. v. op XIV: 23). Gelukkig heeft men echter den tekst zclven onaangetast gelaten en de
overeenstemming nllecn door wetsvcrklaring trachten te bereiken. Dientengevolge is Deuteronomimn,
afgezien van de hoogc waarde die uit zedelijk-godsdienstig oogpunt nu nog aan vele zijner voor-
schriften moet worden toegekend, ook voor den gcschicdvorsehcr een onschatbaar bock. Bevat het tal
van wetten die afwijken van wat vroeger en later onder Israël als de wil van Jahwe heeft gegolden,
daardoor leert het ons eensdeels, in welke richting de godsdienst zich in Jozia\'s tijd ontwikkelde,
wat de leiders der hervormingsgezinde partij afschaffen en wat zij invoeren wilden, en biedt het ander-
deels een uitstekenden maatstaf aan om de oudere en de jongere gedeelten in de Wet te onderschei-
den, zonder welke onderscheiding wij ons onmogelijk een juist denkbeeld zouden kunnen vormen van
de ontwikkeling van Israëls godsdienst.
INLEIDING OP HOOFDSTUK 1:1—IV: 43.
Deze hoofdstukken bevatten cene inleiding, bestaande uit herinneringen aan Israëls verblijf in de
woestijn en de verovering van hot Overjordaansche, met daaraan vastgeknoopte vermaningen, vooral
tegen den bceldendienst. Zij maken geen deel uit van het oorspronkelijke boek, V—XXVI (zie inl. op
Deuteronomium), maar zijn na 586 (zie op IV: 26 v.) daaraan toegevoegd door iemand die bij de daar
gegeven vermaningen en wetten de toelichting uit de geschiedenis miste en in die leemte wilde
voorzien. Evenals zijne voorgangers, liet hij deze herinneringen, met eene enkele uitzondering (IV: 41—43),
door Mozcs aan het volk voordragen.
Daar de schrijver met zijn werk beoogde, de voorschriften en vermaningen van het wetboek waarop
hij zijne inleiding schreef met nadruk in te scherpen, sloot hij zich natuurlijk in het algemeen bij
-ocr page 314-
DBUTBRONOMIDM I : I—5.
394
de ilsnr gehuldigde opvatting van Isracls verleden aan. Toch niet altijd: soms heeft hij haar aange-
vuld en gewijzigd (zie inll. op IV : 1—40 en IV : 41—43 en aanl. op IV : 36), een enkelen keer zelf»
geheel veranderd (zie inl. op II : 1—23).
De hcrinneriiigen die hij niet aan V—XXVI ontleende heeft hij grootendceU uit het Oudc-Sagcn-
boek geput, van welks verschillende bestanddeelen hij gebruik heeft gemaakt. Hij heeft zich echter
daarbij niet geringe wijzigingen veroorloofd, vooral waar deze hem noodig schenen om te doen uitko-
men, dat in deu tijd der vestiging van Isracls volksbestaan alle belangrijke beslissingen op Jahwc\'s
last genomen, alle grootc gebeurtenissen volgens Jahwe\'s wil geschied waren (zie op 11:1 en inll. op
11:24—111:11 en 111:12—29), en Israël, door zijn god geleid, veel machtiger dan al zijne naburen
was (zie inl. op 11:1—23).
De schrijver is een vriend van oudheidkundige aantcekeningen, die hij telkens in zijn verhaal in-
lascht (zie 11:10—12, 20—23; 111:9, 11; IV : 41—t3); hij is in zijne manier van mcdcdeelen dik-
werf zeer achteloos (zie op 1:10, 26 v., 35, 36; 111:8, 28; IV : 5) en van overdrijving geenszins af-
keerig (1:10, 28; IV: 11).
Toen deze inleiding — waarschijnlijk door den schrijver zelvcu — met het wetboek (V—XXVI)
verbonden werd, werd zij vóór het oorspronkelijke opschrift (IV : 45—49) geplaatst, en door IV : 44
daaraan vastgeknoopt. Over haar eigen opschrift zie op 1:1 en inl. op 1:1—5.
HOOFDSTUK 1:1—5.
Opschrift. — Deze verzen geven geen dragclijkcn zin; zie op vs. 1 en 2. Waarschijnlijk heeft
boven het bock eens een ander opschrift gestaan, dat misschien voor een deel nog schuilt in vs. 1,
2 en 5. Hij de verbinding van Deuleronomium met de voorgaande boeken zal het door allerlei wijzi-
gingen en door de toevoeging van vs. 3 v. den tegenwoordigen vorm verkregen hebben (verg. vs. 5
met Num. XXXV : 1 j vs. 8 v. met Num. XXXIII: 38).
1:1          Dit zijn de woorden die Mozes tot gansch Israël gesproken heeft in
het Overjordaansche, in de woestijn, in de Vlakte tegenover Suf, tus-
2      schen Paran en Tofel, Laban, Haseroth en Di-zahab.\' Eli" dagreizen
zijn het van den Horeb langs het gebergte Heïr naar Kades-barnea.\'
3      In het veertigste jaar nu, op den eersten dag der elfde maand, heeft
Mozes tot de Israëlieten gesproken naar al wat Jahwe hem te hunnen
4      opzichte geboden had;\' nadat hij 8ihon, den koning der Amorieten,
die te Hesbon woonde, en üg, den koning van Bazan, die te Astaroth
5      en te Edreï woonde, verslagen had.\' In het Overjordaansche in het land
van Moab ging Mozes er toe over, deze wet uiteen te zetten, aldus:
Vs. la, 4. IV: 45—47.
1.   Dit vers moet waarschijnlijk de plaats bepalen waar Mozes de toespraken, in dit bock vervat,
gehouden heeft. Maar het behelst cenc optelling van eigennamen die onverstaanbaar is: de hier ge-
noemde streken en plaatsen toch, voor zoover zij ons bekend ziju, liggen ver uiteen. Ook wordt die
plaatsbepaling in vs. 5 gegeven. Misschien kwamen in het oorspronkelijke opschrift deze namen voor
als die van stations der woestijnreis. — het Overjordaansche. De schrijver woonde dus ten westen van
den Jordaan; verg. vs. 5; IV: 41, 46, 47, 49, ook Num. XXII: 1; XXXIV: 15. In ons boek wordt
deze aauduidiug van het land ten oosten van den Jordaan ook aan Mozes in den mond gelegd; zie
op III: 8. — de woestijn. Welke hier bedoeld is, is onzeker. — de Vlakte (Araba). Zoo heette het dal
dat zich van het Meer van Gcnnezarct tot\' de Golf van Elath uitstrekt, waardoor de Jordaan vloeit
en waariu de Doode Zee ligt, die daarom ook de Zee der Vlakte heet, 111:17; IV: 49. — Suf. On-
bekend. Gr. en Lat. vertt. Schelfzee (waarover zie op Eiod. XIII :18). Het woord suf bctcckcnt .schelf\',
,biezeu\'. — l\'aran. Zie op Gen. XIV : 16. — Tofel komt alleen hier voor. — Laban, misschien hct-
zelfde als Litma, Num. XXXIII: 20. — Uaseroth. Zie op Num. XI: 85. — Di-zahab. Onbekend.
2.   Dit vers staat hier vreemd, buiten samenhang met hetgeen voorafgaat of volgt. Door de ovcr-
werking is het verband verloren gegaan. — den lloreb. Zie op Exod. 111:1. Zoo heet in dit boek
steeds de berg der wetgeving, die in de vorige boeken bijna altijd „de Sinai" genaamd wordt. — ge-
bergte Séir.
Zie op Gen. XIV : 6. — Kadet-barnea. Zie op Gen. XIV : 7.
8. het vetrtigste jaar, na den uittocht uit Egypte.
4. Zie Num. XXI: 21—35. — Amorieten. Zie op vs. 7. — Heibon. Zie op Num. XXI: 25. —
Bazsm. Zie op Num. XXII 33. — Astaroth. Zie op Gen. XIV: 5. — Ei/rei. Zie op Num. XXI: 83
-ocr page 315-
DBUTKR0N0M1ÜM I:6—13.                                              395
HOOFDSTUK 1:6—18.
Herinnering aan ilcn aftocht van ilcn Horen, voorafgegaan door ite keuze van rechters. — Jahwe
gebood het volk, den Horeh te verlaten en naar Kanaiiu te trekken (6—8). Vooraf verzocht Mozes het
volk, geschikte mannen uit te kiezen om hem ter zijde te staan, waartoe het volk zich bereid ver-
klaarde (0—11); daarop stelde hij de door het volk aangewezenen tot hoofden aan, vermaande hen
tot rechtvaardigheid, en gebood de moeilijke rechtszaken vóór hem te brengen (15—IS).
De schrijver heeft dit verhaal ontleend aan Exod. XVIII: 13—27 en Xum. XI: 1-4—17, 24 v.,
maar gaat bij zijne mcdedecling met grootc vrijheid te werk (zie op vs. 6 en 9). Zijn doel is tot
onpartijdige rechtspraak op te wekken en de wetten op de rechtspleging (XVI: 18—20; XVII: 8—13)
toe te lichten.
1: 6          Jahwe, onze god, sprak bij den Horeb tot ons: Lang genoeg hebt
7       gij bij dezen berg vertoefd;\' begeeft u op weg en breekt op, om te
komen in het bergland der Amorieten en bij al hunne naburen, in de
Vlakte, in het Gebergte, in de Laagte, in het Zuiden en aan het zee-
strand, het land der Kanaanieten en den Libanon, tot aan de groote
8       rivier, den Eufraat.\' Ziet, ik stel het land te uwer beschikking, gaat
dan het land in bezit nemen dat ik uwen vaderen, Abraham, Izatik
en Jakob, onder eede beloofd heb hun en hun kroost na hen te
zullen geven.
9           Te dier tijd zeide ik tot u: Ik ben niet bij machte, alleen u te
10       torsen; \' Jahwe, uw god, heeft u vermenigvuldigd, zoodat gij heden
11       zelfs talrijk zijt als de sterren des hemels.\' Jahwe, uwer vaderen god,
make u nog duizendmaal talrijker dan gij zijt, en zegene u, gelijk hij
12       u heeft toegezegd.\' Hoe zoude ik alleen uwe vracht, uwen last, uwe
13       twistzaken torsen?\' Wijst uit elk uwer stammen verstandige, scherp-
zinnige en welbekende mannen aan, opdat ik hen aan uw hoofd stelle.\'
6—8. De hier vermelde woorden van Jahwe komen in de oudere verhalen niet voor en zijn hem
door den schrijver in den mond gelegd.
7.   hel bergland — naburen. licdoeld is geheel Kanaün. Van de stammcu die dit land bewoonden
worden hier alleen de Amorieten genoemd, daar <lc Israëlieten het eerst met hen, de bewoners van
het zuiden van Palestina (Gen. XIV: 7, 13; Num. XIII: 29), in aanraking kwamen (vs. 44); ook de
beide rijken iu het Overjordaansche (vs. 4), door Mozes veroverd, waren volg. 111:8 rijken der Amo-
ricten. Soms worden met hun naam de bewoners van Palestina in het algemeen aangeduid, vs. 20;
Gen. XV : 16. Zie op Gen. X:16. — de Vlakte. Zie op vs. 1. Hier wordt alleen het dal aan de oevers
van den Jordaan bedoeld. — het Gebergte — Zuiden. Zie op Joz. XV : 21. Met het Gebergte is het
midden en noorden van Juda bedoeld, met de Laagte (Sjefela) het westen, van het Gebergte tot aan
de Middellandsche Zee, omvattende ook het land der Filistijnen. Voegt men er de Woestijn, het oostelijk
gedeelte, bij, dan heeft men de vier distrikten van Juda; zie Joz. XV: 21, 33, 48, 61; verg. ook Joz.
XII : 8. Onwillekeurig verraadt de schrijver hier dat Juda zijn vaderland is. — den Libanon, het
gebergte ten noorden van Kanaün, het hoogste (2000 tot 3000 M.) en heerlijkste dat de Israëlieten kenden.
Vooral door zijne ceders en cypressen was het beroemd. Door het dal van den Libanon wordt het in
twee deelen gescheiden; het oostelijk deel heet de Antilibauos, tot weikeu de Hermon behoort, waarop
de bronnen van den Jordaan ontspringen. Syrië dankt aan de wateren van den Libanon voor een goed
deel zijne vruchtbaarheid. — Libanon — Eufraat. Bijna op gelijke wijze als hier, worden ook XI: 24;
Gen. XV: 18—21; £iod. XXIII: 31 de grenzen van Kanaün aaangegeven. Het door Israël bewoonde
land heeft zich echter nooit zoover uitgestrekt; verg. op Gen. XV : 18.
8.   dat ik — heb, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. dat Jahwe — heeft. — uwen coderen. Zie Gen.
XXII:7; XV:18; XVU:7v.; XXVI:4; XXVUI: 13 v.; XXXV:12. Naar dezen eed wordt in on»
boek telkens verwezen; zie vs. 35; VI: 10, 18, 23; VII: 8, 13; VIII: 1; IX :S; X : 11; XI:9, 21;
XIX:|8; XXVI: 3, 15; XXVIII :11; XXX:20; XXXIV: 4, ook Joz. 1:6; V:6 enz. Ook waar alleen
spreke is van eene belofte van Jahwe, vs. 21; IX: 28; XI: 25; XII: 20; XXVII: 8, of waar het heet
dat Jahwe het land aan Israël gegeven heeft, 11:12; VIII: 10; XII :1; XXVUI: 52. Knkele malen
heet die eed of belofte een „verbond", IV : 31; VII: 12; VIII: 18; verg. 2 Kon. XIII: 23.
9.   Te dier tijd zeide ik tot u. Volg. Exod. XVIII: 13—27 geschiedde deze aanstelling van rechters
op raad van Jethro, en wel vóór de komst bij den Sinat; terwijl Num. XI: 14—30 Mozes volgens
Jahwe\'s vergunning zijne helpers kiest nadat het volk reeds van den Sinai vertrokken is.
10.   als de tierren det hemelt. Eene proeve van oostersche overdrijving, ook in dit boek niet zeld-
zaam (verg. X:22; XXVIII: 62), ontleend aan Jahwe\'s belofte aan Abraham (Gen. XV: 5; XXII: 17).
Naar gelang van het doel dat de schrijver zich voorstelt, maakt hij Israël óf zeer groot, óf zeer klein;
verg. VII: 7.
11.  heeft toegezegd, o. a. Gen. XUI: 16; XV : 5.
-ocr page 316-
396
DBUTBRONOMIUM I: 14-22.
14       Hierop antwoorddet gij mij en zeidet: Het is goed wat gij daar hebt
15       voorgesteld. \' Zoo nam ik van u, uit elk uwer stammen, verstandige
en welbekende mannen, die ik tot hoofden over n aanstelde, tot over-
sten van duizend, van honderd, van vijftig en van tien, en tot ambt-
1(5 lieden voor elk uwer stammen.\' En ik gebood uwen rechters te dier
tijd aldus: Hoort van uwe broederen beide partijen, en beslecht met
rechtvaardigheid het geschil dat iemand heeft met zijn broeder of met
17       den vreemde te zijnent.\' Gij zult geen aanzien des persoons bij de
rechtspraak hebben: den kleine zoo goed als den groote zult gijhooren;
ontziet niemand, want de rechtspraak is Godes. \' Maar indien eene
18       zaak u te moeilijk is, brengt die tot mij: dan zal ik ze hooren. Zoo
gebood ik u te dier tijd al wat gij doen moest.
Va. 16 v. XVI: 18 v.
15.   tan ii — ttammen, gedeeltelijk volg. Gr. vert.; Hcbr. t. uwe atamhoofden. — ambtlirden. Zie
op Kxod. V : 0.
16.   broederen, volksgcnooten. — den rreemde te zijnent. Over <lc plaats ilic vreemden in de Israc-
lictischc mnntschappij innamen zie op Kxod. \\II : 19.
17.   de rechtspraak ii (lot/et, aan wien als richter der ganschc aarde (Gen. XVIII: 25) het reeht-
sprrkeii eigenlijk toekomt. De nardschc rechters zijn dus zijne plaatsvervangers en aan hem verant-
woordclijk. Zie verder op Kxod. XXIII: 2 v. — u te moeilijk. Volg. Kxod. XVIII: 26 moesten alle
zaken van gewicht vóór Mozcs gebracht worden. Verg. XVII: 8—13.
HOOFDSTUK 1:19—16.
Israël* verblijf te Kades. — De Israëlieten kwamen, na de woestijn doorgetrokken te zijn, te
Kadcs-barncu (19); Mozcs spoorde hen aan, kniiniin in bezit te nemen (20 v.), maar zij wilden het
land eerst laten verspieden (22), wat met Mozcs\' goedkeuring geschiedde (23—25); op de berichten
der verspieders bevreesd geworden (26—28), weigerden zij, ondanks Mozcs\' opwekking, op Jahwe te
vertrouwen (29—33). Toen zwoer Jahwe, dat niemand van dit geslacht behalve Kalcb in Knuniin zou
komen (34—36); ook Mozes niet: Jozun zou een volgend geslacht er binnenleiden (37—10). Daarop
beleden de Israëlieten schuld; maar toen zij, in strijd met Jahwe\'s bevel, tegen de Amorictcn ten
strijde waren getogen, werden zij verslagen (41—45). Ecu geruimen tijd bleef het volk te Kades (46).
Dit verhnnl is aan Niiin. XIII, XIV ontleend. De schrijver kende en gebruikte die hoofdstukken
echter niet in hun tcgcuwourdigcu vorm; alleen die gedeelten die tot het Oudc-Sngenbock hebben
behoord; zie op vs. 24, 36, 88 en verg. inl. op Nam. XIII, XIV (ook die op Joz. XIV). — Eono
andere herinnering anti \'s volks zonde mi de verspicding Nnm. XXXII: 7—13.
1:19         Daarna braken wij van den Horeb op en trokken door die gansche
groote en vreeselijke woestijn die gij gezien hebt, in de richting van
het bergland der Amorieten, zooals Jahwe, onze god, ons geboden had,
20       en kwamen te Kades-barnea.\' Hier zeide ik tot u: Gij zijt nu bij het
bergland der Amorieten gekomen, dat Jahwe, onze god, ons zal geven.\'
21       Zie, Jahwe, uw god, heeft het land te uwer beschikking gesteld; trek
op, neem het in bezit, zooals Jahwe, uwer vaderen god, tot u gespro-
22       ken heeft; vrees niet en word niet versaagd.\' Toen naderdet gij allen
tot mij en zeidet: Laat ons mannen voor ons uit zenden, om het land
voor ons te onderzoeken en ons bericht te brengen van den weg langs
19.  Kadet-barnea. Zie op Nnm. XXXII: 7—15. Kades was ook volg. Num. XIII: 264 het punt van
uitgang. Volgens den Interen verhalcr, Num. XIII: 3, 26a, gingen de verspieders van de woestijn 1\'aran uit.
20—22. Deze toespraak van Mozes en het daarop gevolgd verzoek der Israëlieten vindt men Num.
XIII, XIV niet. Volgens den jongstcn verhalcr aldaar (Num. XIII : 1 v.) is het Jahwe, die gebiedt
verspieders uit te zenden. Het bericht van den ouderen verhalcr hieromtrent is verloren gegaan.
20.   tot il Hier en in het vervolg wordt er geen acht op geslagen, dat, naar de bedoeling van den
schrijver zelf, het geslacht dat door Mozcs wordt toegesproken een ander is dan het geslacht dat zich
in de woestijn aan ongehoorzaamheid had schuldig gemaakt. Zie op vs. 35. — het bergland der Amo-
rieten.
Zie op 1:7.
21.  neem het in bezit. Aangesproken is het volk; vandaar de 2de persoon enkelvoud; even te voren
(vs. 20) had Mozes in den 2den persoon meervoud gesproken, dus aan de Israëlieten gedacht. Derge-
lijke overgangen komen in dit bock gedurig voor. Zie inl. op het boek.
-ocr page 317-
DBUTER0N0M1UM I ! 22—38.                                             397
welken wij zullen optrekken, en van de steden waar wij zullen komen.\'
23       Daar dit goed was in mijn oog, nam ik uit u twaalf mannen, van
24       eiken stam éen,\' die zich op weg begaven, het gebergte beklommen,
25       tot in liet dal Eskol kwamen en de streek verspiedden.\' Zij namen
van de vrucbten des lands mede en brachten die tot ons, en gaven
ons verslag en zeiden: Het is een goed land, dat Jahwe, onze god,
26       ons wil geven. \' Doch gij wildet niet optrekken en waart weerspannig
27       tegen Jahwe, uw god, \' en mordet in uwe tenten en zeidet: Omdat
Jahwe ons haat, heeft hij ons uit Egypteland geleid, om ons ter ver-
28       delging in de hand der Amorieten te geven. \' Waarheen trekken wij
op? Onze broeders hebben ons hart doen versmelten, zeggende: Het
is een volk grooter en talrijker dan wij; liet zijn groote steden met
29       hemelhooge muren; zelfs hebben wij daar Enakszonen gezien. \' Ik zeide
30       tot u: Siddert niet en vreest hen niet. \' Jahwe, uw god, die aan uwe
spits gaat, zal zelf voor u strijden, overeenkomstig al wat hij voor
31       uwe oogen met u in Egypte gedaan heeft;\' ook in de woestijn, waar
gij gezien hebt hoe Jahwe, uw god, u heeft gedragen, zooals iemand
zijn kind draagt, over den ganschen weg dien gij gegaan zijt, totdat
32       gij kwaamt aan deze plaats. \' Desniettegenstaande vertrouwdet gij niet
33       op Jahwe, uw god,\' die aan uwe spits ging op den weg, om u eene
plaats uit te zoeken voor uwe legering, des nachts in het vuur, opdat
gij zoudt kunnen zien op den weg dien gij gingt, en des daags in
de wolk.
34           Toen nu Jahwe uwe woorden hoorde, werd hij vergramd en zwoer: \'
35       Niet éen van deze mannen, van dit snood geslacht, zal het goede land
3G zien dat ik uwen vaderen onder eede beloofd heb te geven —\' uitge-
zonderd Kaleb, Jefunne\'s zoon; hij zal het zien, en hem en zijnen zonen
zal ik het land geven dat hij betreden heeft, omdat hij volstandig aan
37       Jahwe is trouw gebleven.\' (Jok op mij werd Jahwe vertoornd ter oor-
38       zake van u en hij zeide: Ook gij zult daar niet inkomen.\' Jozua, de
Vs. 28». Joz. XIV: 8a. — Vs. 36. Joz. XIV: 8 v. — Vs. 88. III: 28.
24.  hft dal Eskol, d. i. .Drnivendnl\'. Zie Num. XIII: 23, waar dezelfde voorstelling wordt aangetroffen.
Volgens het jongere bericht aldaar trokken zij het gansene land door, tot het hoogc noorden toe
(Num. XIII: 21).
25.  de vruchten dm landi, volg. Num. XIII: 23: druiven, vijgen en granaten.
20 v. Achtcloozc verhaaltrant: eerst in vs. 28 — niet in vs. 25, waar zulks behoorde — wordt de
aanleiding tot \'s volks weerspannigheid genoemd.
28. Verg. IX: 1 v. — talrijker, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. langer; zie 11:21; IX: 2. — hemel-
hooge.
Overdrijving van het bericht der verspieders volg. Num. XIII : 28. — Enakszonen. Zie op Num.
XIII: 22.
20. Volg. Num. XIV : 7—9 is het Kaleb (of Jozua met hem), die het volk moed inspreekt.
33. om — legering, volg. Num. X : 33 de taak van de ark. — de» nachts — wolk. Zie op Exod. XIII: 21.
— opdat — zien, met verandering van een klinker; Hebr. t. om u te doen sien.
35. Deze strafbedreiging, volgens II: 14 v. voltrokken, is in strijd met V: 3, waar uitdrukkelijk
gezegd wordt, dut hetzelfde geslacht dat bij den Horcb de Tien Woorden ontving hier door Mozes
wordt toegesproken.
30. Kaleb. Dut deze tot de verspieders behoord en zich gunstig onderscheiden had, was in het
voorafgaande niet verhaald, maar als bekend ondersteld; verg. Num. XIII: 30; XIV: 24. In de jongere
bcstanddeelen van Num. XIII, XIV komt hij voor als de uitgezondene van Judn en wordt Jozua als
verspieder uit Kfraim en als zijn medestander genoemd, Num. XIII: 6, 8, 16 ; XIV : 6, 30, 38. Zie op vs.
38 en verg. Joz. XIV: 0—12. — hel land — heeft, Hcbron en zijne omgeving; verg. Num. XIII: 22
met Joz. XIV : 18 v.
37. ter oortake van «. Als hoofd van het schuldige volk moest Mozes, hoewel persoonlijk onschuldig,
de straf van dat volk mede dragen; verg. 111:20; IV: 21. De schrijver tracht eene verklaring te
geven van het feit dat Mozes niet in Kanaiin was gekomen. Volgeus eene latere voorstelling had Mozes
door eigen schuld dut voorrecht verbeurd; zie inl. op Num. XX: 1—13.
88. Hier wordt ook Jozua van het door Jahwe gevelde vonnis uitgezonderd, doch niet omdat hij
evenals Kaleb een getrouw verspieder was, maar omdat hij tot opvolger van Mozes en toekomstig
aanvoerder des volks was aangewezen. Wellicht heeft deze plaats er toe bijgedragen dat hij later
ueveus Kaleb werd gesteld. Zie op vs. 80.
-ocr page 318-
DBÜTERONOMIUM I : 38—II : 4.
398
zoon van Nun, die voor u staat, hij zal daar inkomen; maak hem sterk;
39       want hij zal Israël in liet bezit van het land stellen.\' En uwe kinderen
die thans nog geen goed of\' kwaad kennen, zij zullen daar inkomen;
40       hun zal ik het geven, en zij zullen liet in bezit nemen. \' Maar gij,
begeeft u op weg en breekt op naar de woestijn in de richting van
de iSchelfzee.
41            Hierop hernaamt gij en zeidet tot mij: Wij hebben tegen Jahwe
gezondigd, wij zullen optrekken ten strijde, geheel zooals Jahwe, onze
god, ons geboden heelt. Toen gij nu een ieder zijne krijgswapenen
42       aangorddet en in overijling het gebergte wildet beklimmen,\' zeide
Jahwe tot mij: Zeg hun: Klimt niet op ten strijde; want ik ben niet
43       in uw midden; en laat u niet door uwe vijanden verslaan. \' En ik sprak
tot u, doch gij luisterdet niet, maar waart weerspannig tegen Jahwe,
44       en in overmoed beklomt gij het gebergte. \' Toen trokken de Amorieten
die dat gebergte bewoonden u te gemoet en zetten u na, zooals een
45       bijenzwerm doet, en jaagden u op den Seïr uiteen tot Horma. \' En
teruggekomen weendet gij vóór Jahwe, maar Jahwe luisterde niet naar
40 u en verleende u geen gehoor.\' Zoo vertoefdet gij een geruimen tijd
te Kades, zoolang als gij er vertoefd hebt.
39. Ilcbr. t. laat nog voorafgaan En uwe kleinen, van mie gij zeidet: Zij zullen buit gemaakt worden,
door ccn afschrijver naar Num. XIV : 31 (verg. vs. 3) ingelascht, hier volg. Gr. vert. weggelaten. —
geen — kennen. Zie op Oen. 11:9 en verg. Jez. VU: 16; Jona IV: 11.
44. Zie Num. XIV : 45, waar intuaschen, in plaats van de Amorieten, de Amnlckicten en Kannitnictcn
worden genoemd. Zie op 1:7. — een bijenzieerm. Zie I\'s. (,\'XVIII: 12; Jez. VII: 18.
46. een geruimen tijd. Hoelang, wordt niet gezegd. Volg. 11:14, verg. 1:40; 11:1, duurde de
tocht vau Kades af nog 38 jaar.
HOOFDSTUK II: 1—23.
Isrnëls verhouding tot de omwonende volken voor de verovering. — Na ccn langdurigen zwerftocht
om het gebergte Seïr (1), ontving Israël van Jahwe bevel, den Kdomictcu bij den tocht door hun land
geen overlast aan te docu (2—8a); ten aanzien van Moab werd hun hetzelfde gelast (Hi, 9). Kene
aanteckening over de vroegere bewoners van Moab en Edom (10—12). Aan Jahwe\'s bevel de Zered
over te trekken werd voldaan; toen was het vertrek van Kades acht en dertig jaar geleden en een
geheel geslacht uitgestorven (13—15). Jahwe gebood, ook de Ammonictcn te ontzien (16—19). Aantee-
kening betreffende de vroegere bewoners van het land der Ammonieten en dat der Filistijnen (20—23).
Het doel van deze herinneringen is, cene vriendschappelijke verhouding tusschen Israël en de vcr-
wantc naburige volken te bevorderen. De voorstelling van XXIII\'. 4 wordt hier opzettelijk veranderd
(zie op vs. 29), om de vijandige gezindheid die Israël volgens XXIII: 6, 8 jegens de Ammonieten en
Moabictcn moest koesteren voor een gevoel van welwillendheid en vriendschap te doen wijken. In
strijd met Num. XX: 14—21; XXI: 11—16 (zie op Num. XXI: 13), neemt de schrijver daarbij aan,
dat Israël reeds in den Mozaïschen tijd veel machtiger was dan de naburige volken; vandaar dat hij
de Israëlieten over het grondgebied van Edom en Moab laat trekken, dat zij volgens het oude verhaal
niet durfden betreden (zie op vs. 4—8, 9 en 19).
II: 1         Toen begaven wij ons op weg en braken op naar de woestijn in
de richting van de Schelfzee, zooals Jahwe tot mij gesproken had, en
2       trokken geruimen tijd om het gebergte Seïr heen.\' Daarna zeide Jahwe
3       tot mij:\' Lang genoeg hebt gij dit gebergte omgetrokken; wendt u
4       noordwaarts,\' en geef aan het volk dezen last: Gij gaat het grondge-
V». 1. Num. XXI :4a.
1. Het omtrekken van den Seïr, hier geschied op last van Jahwe, was volgens Num. XX: 14—21,
verg. Num. XXI: 4, het gevolg van Edoms weigering om Israël den doortocht door zijn land toe te
staan. Zie op vs. 4—8. — Schelftee. Zie op Exod. XIII: 18. — zooalt — had. Zie 1: 40. — geruimen
tijd,
volgens vs. 14 acht en dertig jaar.
4—8. Deze voorstelling van de verhouding tusschen Israël en Edom wijkt af van die in Num.
XX: 14—21. Terwijl hier, verg. vs. 29, de Kdomictcu voor de Israëlieten bevreesd zijn, en dezen door
hun land trekken en door het uitdrukkelijk verbod van Jahwe weerhouden worden hun overlaat aan
-ocr page 319-
DBUTBRONOMIUM II : 4—16.
399
bied uwer broederen, Ezau\'s zonen, die op den Seïr wonen, doortrekken:
5 zij zullen voor u bevreesd zijn; neemt gij u dan zeer in acbt\' en be-
gint geen strijd met ben; want ik geef u zelfs geen voetbreed van
bun land, daar ik aan Ezau bet gebergte Seïr in erfelijk bezit gegeven
(1 beb.\' Levensmiddelen moet gij voor geld van ben koopen en die eten,
7       ook water voor geld u bij ben aanschaften en dat drinken.\' Immers
beeft Jahwe, uw god, u gezegend in al uwer handen werk en zich
laten gelegen zijn aan uwen tocht door deze groote woestijn; nu
veertig jaren is Jahwe, uw god, met u geweest; niets heeft u ontbro-
8       ken. — \' Zoo trokken wij weg van onze broederen, Ezau\'s zonen, die
op den Heïr wonen, de Vlakte volgend, van Elath en Esjon-geber uit;
wij begaven ons op weg en togen voort in de richting van de woestijn
9       van Moab. \' En Jahwe zeide tot mij: Behandel Moah niet als vijand
en begin geen oorlog met hem; want ik geef u van hun land niets
in erfelijk bezit, daar ik aan de zonen Lots Ar in erfelijk bezit ge-
10       geven heb. — \' Voorheen hebben daar de Emieten gewoond, een groot,
11       talrijk en lang volk, als de Enakieten;\' evenals de Enakieten, worden
ook zij tot de Refaïeten gerekend; de Moabieten noemen hen Emieten.\'
12       Op den Seïr hebben voorheen de Ho rieten gewoond, maar de zonen
Ezau\'s verdreven hen, en Jahwe verdelgde ze voor hen, zoodat zij zich
in hunne plaats vestigden; evenals Israël gedaan heeft met zijn land,
18 dat Jahwe hun in erfelijk bezit heeft gegeven. — \' Op dan, trekt de
14       beek Zered over!\' En wij trokken de beek Zered over. De tijdsruimte
nu gedurende welke wij gereisd hebben van Kades-barnea af, totdat
wij de beek Zered overtrokken, bedroeg acht en dertig jaar; toen was
het geheele geslacht, de weerbare manschap, in het leger uitgestorven,
15       zooals Jahwe hun had gezworen.\' Daarbij was Jahwe\'s hand tegen hen
geweest, om hen uit het legerkamp weg te rukken tot den laatsten man.
10          Toen nu al de weerbare manschap onder het volk was uitgestorven,\'
te doen, weigert daar Edom aan Israël den doortocht en belet dien gewapenderhand, zoodat Israël
gedwongen wordt, om het land Seïr heen to trekken. Zie verder op vs. 1.
4.  Ezau\'s zonen, de Edomieten. Over Kzau, dat is Edom, zie in 1. op Oen. XXV.
5.   zelfs geen voetbreed. De onderwerping van Edom door David en volgende koningen (zie inl. op
Gen. XXV en verg. Gen. XXVII: 29, 40) was geen verdrijving van de inwoners: dezen bleven in
het bezit van hun land. Eenigszins anders Nam. XXIV: 18 v. — daar — heb. Zie op XXXII: 8.
7.   Immert — gezegend. Door de gunst van Jahwe ontbraken hun do middelen niet om alle bcnoo-
digdheden te koopen en te betalen.
8.  de Vlakte. Zie op 1:1. Hier is bedoeld het gedeelte tusschen Elath en de Doode Zee. — Elath (1 Kon.
IX: 26 Kloth), havenstad aan de noordelijke punt van de golf van dien naam (verg. op Gen. XIV: 0)
en het zuideinde der Vlakte. — Esjon-geber. Zie op Num. XXXIII: 16—36. — de woestijn van Moab.
Aan welke woestijn de schrijver dacht, is niet duidelijk. Volgens het oudere bericht (Num. XXI: 11)
waren de Israëlieten de ten oosten van Moabitis gelegen woestijn doorgetrokken, met vermijding van
het eigenlijke land. Doch onze schrijver, die hen het land van Moab laat doortrekken (zie vs. 18, 29),
kan die woestijn niet hebben bedoeld.
9.  De bedoeling is, dat Israël door het land van Moab moest trekken zonder de inwoners te deren,
hetwelk volgens vs. 18 en 29 ook geschiedde. Volg. Num. XXI: 11—16; Richt. XI: 18 (verg. Deut.
XXIII: 3—6) hadden zij er geen voet in gezet, maar waren er ten oosten laugs getrokken. Zie verder
op vs. 4—8. — Ar schijnt hier, en vs. 18, 29, voor het ganschc land of althans voor eene geheele
streek te staan. Het woord beteekent ,stad\' en duidt wellicht de hoofdplaats van het land der Moa-
bieten aan. Verg. op Num. XXI: 14 v. en 28. — den zonen Lots, dus stamverwanten der Israëlieten;
verg. Gen. XIX: 37.
10—12. Ecne geschiedkundige aanteekening van den schrijver, die blijkbaar in zulke mededeelingen
behagen schept; zie vs. 20—23; III:», 11, 134.
10.  de Emieten. Zio op Gen. XIV: 5. — de Enakieten. Zie op Num. XIII: 22.
11.  de Refdiëten. Zie op Gen. XIV: 5.
12.  de llorieten. Zie op Gen. XXXVI: 20. — Jakue verdelgde, volg. Sam. t.; Hebr. t. zij verdelgden.
Zie vs. 21 v.
18. Op dan. Hiermede wordt de rede vlui Mozes, door vs. 10—12 afgobroken, weder voortgezet. —
de beek Zered, onbekend, ook Num. XXI: 12 vermeld.
14.  zooalt — gezworen. Zie 1: 35.
15.  Daarbij — geweest, in buitengewone strafgerichten.
-ocr page 320-
DflUTBBONOMIUM II: 17—25.
400
17,18 zeide Jahwe tot mij: \' Gij gaat heden Moabs grondgebied, Ar, door-
l\'.t trekken,\' en zult in de onmiddellijke nabijheid der Ammonieten komen;
behandel lien niet als vijanden en begin geen strijd met hen; want
van liet land der Ammonieten zal ik u niets in erfelijk bezit geven,
20       daar ik het den zonen Lots in erfelijk bezit gegeven hel). —\' (Jok dit
wordt voor een land van Hefaïeten gehouden; voorheen hebben daar
21       Kefaïeten gewoond, bij de Ammonieten Zamzuminieten geheeten,\' een
groot, talrijk en lang volk, als de Enakieten; Jahwe verdelgde ze voor
hen, zoodat zij hen verdreven en zich in hunne plaats vestigden;\'
22       evenals hij voor Ezau\'s zonen, die op den Seïr wonen, gedaan heeft,
voor wie hij de Horieten verdelgde, zoodat zij hen verdreven en zich
23       in hunne plaats vestigden en gevestigd bleven tot op dezen dag.\' Zoo
zijn de Awwieten, die tot Gaza in dorpen woonden, verdelgd door de
Kaftorieten, die uit Kaftor waren gekomen en er zich in hunne plaats
vestigden.
18.  Ar. Zie op vs. 9.
19.   Verg. vs. 5 en 9. — de onmiddellijke nabijheid der Ammonieten. Hun land, ten oosten van
Sihuns gebied en ten noordoosten van Moub geleden, werd door de Israëlieten niet betreden. Over de
tegenstrijdige berichten betreffende de uitgestrektheid en de grenzen van het grondgebied van Moab
en Ammon zie inl. op Num. XXI: 1—XXII: 1. — behandel hen niet alt vijand. Volgens Num.
XXI: 244 was de grens van hun land zoodanig met vestingen versterkt, dat Sihon zijn rijk uiet verder
had kunnen uitbreiden, en ook de Israëlieten er niet aan konden denken, er binnen te dringen; ecne
andere beweegreden dan hier, waar alleen Jahwe\'s verbod hen weerhoudt. Zie op vs. 4—8. — den
zonen Lola.
Zie Gen. XIX: 38.
20—23. Zie op vs. 10—12.
20.  Zamzummieten. Zie op Ren. XIV : 5.
21.   Jahwe rerdrlgde ze vóór hen. Volg. Kieht. XI: 24 hadden de Aminuiiieteu hun land van hun
god Kamos ontvangen, gelijk Israël het zijne van zijn god Jahwe.
17
22.  en geveetijd bleven, duidclijkheidshalvc ingevoegd.
23.   de Awwieten komen nog joz. Xlll: 3 voor; onze schrijver rekent hen blijkbaar tot Palestina\'»
oudste bevolking. — Gaza. Zie op Gen. X : 19. — Kaftorieten, Kaftor. Zie op Gen. X : 14.
HOOFDSTUK II: 24—111:11.
Verovering vau het Overjordaauschc. — Israël kreeg bevel om Sihon, den koning der Amorieten te
Hesbon, te beoorlogen, waarbij Jahwe zijne hulp beloofde (II:24v.); het verzoek vau Mozes aan Sihou
om vrijen doortocht door zijn land werd afgeslagen (20—30); Sihon trok tegen Israël op, maar werd
overwonuen, zijn laud veruverd, zijn volk gedood, zijne have geroofd (31—30); het land der Ammo-
nietcn werd echter verschoond (37). Daarna trok Og, de koning van Kazan, tegen de Israëlieten op cu
onderging hetzelfde lot (lil: 1—7). Zoo werd het geheele Ovcrjorduuusche door hen veroverd (8, 10).
Aauteekcuingeu over de namen vau den Hermuii en over de legerstede van Og (9, 11).
Dit bericht is ontleend aan Num. XXI: 21—25, 33—35 (verg. Kieht. XI : 19—22), waarmede het
dikwerf letterlijk overeenstemt. De wijziging welke de schrijver zich veroorlooft (zie op 11:24) vloeit
voort uit het streven, de verovering van IsraëlB grondgebied als het werk vau Jahwe voor te stellen,
en ulzoo dankbaarheid jegens hein cu vertrouwen op hem te wekken of te versterken.
11:24 Welaan, breekt op en trekt de beek Arnon over; zie, ik heb Sihon,
den koning van Hesbon, den Amoriet, en zijn land in uwe hand ge-
25 geven; vang de verovering aan en begint den oorlog met hem.\' Te
dezen dage begin ik schrik en vrees voor u te verwekken bij de vol-
keren onder den ganschen hemel; zoodat zij, als zij van u hooren
spreken, voor u zullen beven en ineenkrimpen van angst.
Vi. 25. XI: 25.
24.   Zie op vs. 13. — de beek Arnon. Zie op Num. XXI: 13. — zie — gegeven. Deze belofte
strookt niet met vs. 20—30. Immers, indien Jahwe vooruit beloofd had Sihon en zijn laud aan de
Israëlieteu over te leveren, waartoe dan die „vredelievende boodschap"? Num. XXI: 21 v. il van
xulk eeue belofte geen sprake en dus het verzoek aan Sihon niet ongepast. — Uetbon. Zie op Num.
XXI: 25.
-ocr page 321-
DEUTERONOMIUM II : 26—III : 4.
401
26            Ik nu zond uit de woestijn van Kedemoth gezanten tot Sihon, den
27       koning van Hesbon, met deze vredelievende boodschap:\' Laat mij door
uw land trekken; ik zal steeds den grooten weg houden; ik zal niet
28       afwijken rechts of\' links.\' Levensmiddelen zult gij mij voor geld ver-
koopen, opdat ik ete, en water voor geld mij geven, opdat ik drinke;
29       laat mij slechts te voet doortrekken,\' evenals Ezau\'s zonen, die op den
Seïr wonen, en de Moabieten, die in Ar wonen, mij hebben toegestaan,
totdat ik den Jordaan overtrek naar het land dat Jahwe, onze god,
30       ons geeft.\' Doch Sihon, de koning van Hesbon, heeft ons er niet
willen laten doortrekken; want Jahwe, uw god, had zijn geest verhard
en zijn hart verstokt, ten einde hem in uwe hand te geven, zooals
31       heden liet geval is.\' Hierop zeide Jahwe tot mij: Zie, ik heb een aanvang
gemaakt met Sihon en zijn land aan u over te leveren; vang dan de
32       verovering aan door zijn land in bezit te nemen. \' Toen nu Sihon met
33       zijn gansche volk tegen ons uittrok ten strijde naar Jahas,\' leverde
Jahwe, onze god, liem aan ons over, zoodat wij hem, zijne zonen en
34       zijn gansche volk versloegen.\' Te dier tijd namen wij al zijne steden
in en sloegen de gansche bevolking, mannen, vrouwen en kinderen,
35       met den banvloek; niemand lieten wij over.\' Alleen hebben wij het
vee en de have der steden die wij hadden ingenomen voor ons zei ven
36       buit gemaakt.\' Van Aroër af, dat aan den oever der beek Arnon ligt,
en de stad in liet dal, tot Gilead toe, was er geene veste die ons te
hoog lag: alles heeft Jahwe, onze god, te onzer beschikking gesteld.\'
37       Evenwel, aan het land der Ammonieten hebt gij niet geraakt: noch
aan eenig gedeelte van den oever der beek Jabbok, noch aan de steden
van het gebergte, noch aan iets dat Jahwe, onze god, ons verboden had.
III: 1 Toen wij ons nu op weg begaven en optrokken in de richting van
Bazan, toog Og, de koning van Bazan, met zijn gansche volk tegen
2       ons uit ten strijde naar Edreï.\' Maar Jahwe zeide tot mij: Vrees hem
niet; want ik heb hem en zijn gansche volk en zijn land in uwe hand
gegeven, en gij zult met hem handelen gelijk gij met Sihon, den
3       koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, gehandeld hebt.\' En
Jahwe, onze god, gaf ook Og, den koning van Bazan, met zijn gansche
volk in onze hand, en wij versloegen hem, totdat hij niemand meer
4       overhad.\' Te dier tijd namen wij al zijne steden in; er was geene veste
of wij ontnamen ze hun: zestig steden, de gansche landstreek Argob,
V8. 28. 11:0. — Vs. 36«. Joz. XIII:», 10. — Vs. 1—8. Num. XXI: 33—35.
2G. Kedemoth, eene stad aan dun rechteroever vim den Arnon, op tamelijk grooten afstand van
den Jordaan, niet ver van de Syrisch-Arabischc woestijn; zie Joz. XIII: 18; XXI : 37. De steppen in
hare nabijheid heetcn naar haar de woestijn van Kedemoth.
20. evenals — toegestaan. Deze verzekering is niet slechts in strijd met Num. XX: 14—21; XXI:
11—20 (zie op vs. 4—8 en 9), maar ook niet Dent. XXIU:3—0, waar aan de Ammonieten en Moa-
bictcn wordt verweten dat zij den Israëlieten niet met brood en water zijn te gemoet gekomen.
32.  Ja/ias. Zie op Num. XXI: 23.
33.   zijne zonen. Num. XXI: 24 worden geen zonen van Sihon vermeld, evenmin Richt. XI: 29;
daarentegen Num. XXI: 35 wel zonen van Og, die hier (III : 3) niet genoemd worden: ccue geheu*
gcufcil van den schrijver.
36.   Aroi\'r, stad aan den rechteroever van den Arnon, de zuidelijke grens van het Israëlietische ge-
bied aan den kant van Moub, later door de Moabieten veroverd, Jer. XLVIIIMO. — de stad in het
dal,
in het Aruondal. Welke stad, is onzeker; men heeft gegist Ar, doch zie op vs. 9; verg. 2 Sam.
XXIV: 5. — Gileid. Zie tal. op Gen. XXX : 25—XXXII: 2.
37.   der beek Jabbok, Bedoeld is de Ilovcn-Jabbok; deze beek, van het noordoosten komende, vloeit
daarna in westelijke richting naar den Jordaan. — het gebergte, der Aininoniotcn. — dal — had.
Zie II: 19.
4. Jrgob, het rijk van Og in Bazan, tot onderscheiding van het rijk van Og in Oilcad, d. i. van do
noordelijke helft van dat land, die insgelijks tot zijn gebied behoorde. Argob, eigenlijk eene land-
streek in Hnzan, bevattende zestig steden (verg. 1 Kon. IV: 13), wordt hier van liazan niet onder-
scheiden.
20
O. T. I
-ocr page 322-
DBUTBRONOMIUM 111:4—13.
402
5       het rijk van Og in Bazan.\' Het waren altemaal versterkte steden met
hooge muren, poorten en grendels; ongerekend de zeer groote menigte
6       plaatsen van het platteland.\' Wij hebhen ze met den banvloek ge-
slagen, evenals wij met Öihon, den koning van Hesbon, gedaan hadden,
de gansehe bevolking, mannen, vrouwen en kinderen, ten ondergang
7       wijdende;\' maar al het vee en de have der steden maakten wij buit
8       voor onszelven.\' Zoo hebben wij destijds het land uit de hand van de
beide koningen der Amorieten aan de overzijde van den Jordaan ge-
nomen, van de beek Arnon af tot aan het gebergte Hernion —\'
9       de Öidoniërs noemen den Hermon Hirjon; de Amorieten noemen hem
10       Senir —\' alle steden der hoogvlakte, geheel (Jilead en geheel Bazan
11       tot fc?alcha en Edrei toe, steden van (Jgs rijk in Bazan. —\' Want Og,
de koning van Bazan, was de laatst overgeblevene van de Refaïeten;
men vindt immers zijne legerstede, eene legerstede van ijzer, te Bab-
bath-Ammon, negen el lang en vier el breed, gewone ellen.
8.   aan de overzijde van den Jordaan. De schrijver vergeet dat hij Mozcs in het veld van Mosb
sprekende invoert. Het land ten oosten van den Jordaan ligt aan de overzijde voor hein die zich
ten westen van de rivier bevindt. Desgelijks vs. 20, 25; XI: 80; verg. op Nuin. XXXII: 19. — Uer-
mon,
zuidelijk eu hoogst gedeelte van den Antilibanos, de oostelijke bergketen ten noorden van Pales-
tina; zie Joz. XII : 5; XIIIE11 en verg. op 1:7.
9.   Zie op 11:10—12. — SidoniiTt, Feniciërs, aldus genoemd naar hunne oude hoofdstad Sidon;
zie op Ren. X:15. — Sirjon — Senir. Anu deze verschillende benamingen van den Hermon, ook
door Israëlieten gebruikt (I\'s. XXIX :0j Ezeeh. XXVII : 5), voegt IV: 48 nog toe Sion, eu 1 Kron.
V:16 Sjaron. Misschien werden door deze namen wel eens verschillende gedeelten van den Antiliba-
nos aangeduid; althans tusschen den Hermon en den Senir wordt 1 Kron. V: 23 en Hoogl. IV: 8
onderscheid gemaakt.
10.   der hoogvlakte. De Amorietischc hoogvlakte, die zich van den Arnon tot Hesbon en noordoost-
waarts tot Itabbath-Ammon uitstrekt, met de steden Hesbon, Heser, Medcbn, Jahas en Dibon. Verg.
Jer. XLVIII: 8. — Nalcha, stad aan de oostelijke grens van Bazan, ten zuiden van het Hnurangc-
bergte. — Ooi rijk in Bazan. Zie op vs. 4.
11.   Zie op 11:10—12. — eene legerstede van ijzer. Waarschijnlijk was te Kabbath-Ammou een
ijzeren gevaarte te zien dat inct Ug in verband gebracht en voor zijne legerstede gehouden werd.
Men kan vermoeden dat hier sprake is van eene stecnen doodkist of sarkofaag, uit basalt, eene in
Hazan veel voorkomende ijzerkleurige steensoort, vervaardigd. — Rabbath-Ammon, ,de groote stad der
Ammonieten\', uan de bronnen van de beek Jabbok, de oude hoofdstad van dit volk, Am. 1:14 kort-
weg lluldiii, door Dnvid veroverd (2 Snm. X—XII), daarna weder Ainmonietisch (Jer. XL1X:2; Ezech.
XXV: 5), onder de 1\'toleinoën Filadeljia genoemd, waarvan nog auiizieulijkc overblijfselen aanwezig
zijn. — gewone ellen. De gewone el bedroeg 0.525 M.; derhalve was de legerstede 4.725 M. lang en
8.1 M. breed.
HOOFDSTUK III: 12—29.
De verdceliiig vnn het Overjordaaiische en de laatste toebereidsclcn voor den overtocht. — Mozes
verdeelde het veroverde gebied onder de stammen Ruben, Gad en half Mannsse (12—17), op voor-
waarde dat zij de anderen zouden helpen Kanaan te veroveren (18—20); en sprak Jozua, als zijn
opvolger, moed in voor den verderen tocht (21 v.). Mozes bad Jahwe, mede Kanaan te mogen binncn-
trekken, doch vergeefs: hij mocht het alleen uit de verte zien (23—28). Israël bleef waar het was (29).
Het eerste gedeelte van dit bericht (vs. 12—20) is aan Nuni. XXXII : 1—5, 10—12 ontleend. De
schrijver maakt echter van zijne bron een zeer vrij gebruik: terwijl volgens het oudere verhaal het
Overjordaaiische aan de stammen Ruben, Gad eu half Manassc wordt toegewezen op hun eigen verzoek
en op door hen zelvcn gestelde voorwaarden, laat hij Mozcs uit eigen beweging, zonder de stammen
die het aanging geraadpleegd te hebben, het land verdcelen.
111:12 Dit land nu hebben wij te dier tijd in bezit genomen. Van Aroêr
af, aan den oever der beek Arnon, tot en met de helft van het ge-
bergte van Gilead en zijne steden heb ik aan de llubenieten en de
18 Gadieten gegeven;\' en het overige van Gilead en geheel Bazan, het
12.  de helft — Gilead, namelijk het zuidelijk gedeelte.
13.   aan den halve» stam Manaue. Deze, in N\'uui. XXXII eerst later ingevoegd, wordt hier van
den beginne af naast de twee andere genoemd. Zie iul. op Num. XXXII. — dat geheele Bazan.
Bedoeld is het geheele rijk van Og, dat uit half Gilead eu Bazan bestond. De schrijver onderscheidt
het van Bazan in eugeren zin. Zie op vs, 4.
-ocr page 323-
403
DEUTBRONOMIUM III : 13—25.
rijk van Og, heb ik gegeven aan den halven stam Manasse, de geheele
landstreek Argob — dat geheele Bazan heet een land der Uefaïeten —\'
14 Jaïr, de zoon van Manasse, heeft de geheele landstreek Argob gekregen
tot aan de grens der Gesjurieten en Maiichathieten, die hij, naar zijn
eigen naam, de Jaïrs-gehuehten noemde, zooals zij heeten tot op dezen
15, 10 dag.\' Aan Machir heb ik Gilead gegeven.\' Aan de Kubenieten en de
Gadieten dan heb ik gegeven van Gilead af tot aan de beek Arnon,
halverwege de beek, langs de grenzen der Ammonieten, tot aan de
17       beek Jabbok,\' benevens de Vlakte en den Jordaan met zijn oever, van
Kinnereth af tot aan de Zee der Vlakte, de Zoutzee, onder aan de hel-
18       lingen van den Pisga, ten oosten.\' Te dier tijd gebood ik u: Jahwe,
uw god, heeft u dit land in bezit gegeven; trekt nu, zoovelen gij
strijdbare mannen zijt, slagvaardig voor uwe broederen, de Israëlieten,
19       uit, naar de overzijde;\' alleen uwe vrouwen, kinderen en vee —
ik weet dat gij veel vee hebt — zullen in de steden die ik u gegeven
20       heb achterblijven,\' totdat Jahwe aan uwe broederen, evenals aan u,
vaste woonplaatsen heeft gegeven en ook zij het land hebben in bezit
genomen dat Jahwe, uw god, hun zal geven aan de overzijde van den
Jordaan; dan zult gij wederkeeren, een ieder naar zijne erfelijke bezit-
ting, die ik u gegeven heb.
21           üok gaf ik te dier tijd aan Jozua dit bevel: Met eigen oog hebt gij
gezien wat Jahwe, uw god, met deze twee koningen gedaan heeft;
evenzoo zal Jahwe doen met alle koninkrijken waarheen gij optrekt.\'
22, 23 Vreest hen niet; want Jahwe, uw god, strijdt voor u.\' Te dier tijd nu
24       smeekte ik Jahwe: \' Heer Jahwe, gij zijt begonnen aan uwen knecht
uwe grootheid en uwe sterke hand te toonen; want welke god is er
in den hemel of op de aarde, die zulke werken en machtige daden
25       doet als gij 1\' Och, laat mij overtrekken en het goede land aan de over-
14 v. Hier wordt bericht, hoe het den hul ven stam Munnsse aangewezen gebied onder de Manns-
sicteu onderling verdeeld werd.
14.  De Jttïrs-gehuchtcn lngen dus, volgens den schrijver, in Argob, in Huznn; verg. op vs. 4. Doch
uit Richt. V: t: 1 Kon. IV : 18 blijkt dat üij behoorden tot Gilcad. Onze schrijver meende, dat het
rijk van Og (/.ie op vs. 13) ouder de twee nfdeeliugen der Munassieten, Juïr en Machir, werd ver*
deeld; daar hij nu aan den laatste, volgens Num. XXXII: 89 V., Oilead liet toewijzen, moest hij Jaïr
verplaatsen naar lluzun. Over Jaïr en de Jnïrs-gchuchten zie verder op Num. XXXII: 41. — Gesju-
rieten en Maiichathieten.
Gcsjur en Maiicha waren twee kleine Aramecsche landschappen, ten zuid-
oosten van den Hcrmon, die in Davids tijd elk ecu eigen koning hadden; zie Joz. XIII: 13; 2 Num.
111:3; X:0; XIII: 87 vv.; XIV: 23. Over Muueha verg. nog op Gen. XXII: 24. — die hij. In het
Hcbreeuwseh is die, dat in de vertaling op landstreek kan slaan, meervoud, hetwelk hier ongepast is,
en waarschijnlijk gedachteloos uit Num. XXXII: 4 is overgenomen. In grondt, volgt nog Bazan, vcr-
moedelijk eene kantteekening en daarom weggelaten.
15.  Evenals Num. XXXII: 40. Daar Ruben en Gad, volgens vs. 12, de helft van Gilcad verkregen,
kan hier niet anders dan de noordelijke helft bedoeld zijn. Over Machir, evenals Jaïr, zoon van
Manasse, zie op Gen. I.: 23.
10 v. De grensbcpaling van het grondgebied dezer stammen, in vs. 12 reeds gegeven, wordt hier
herhaald, blijkbaar om te doen uitkomen dut niet geheel Gilcad aan Machir werd gegeven, daar reeds
een deel er van nan de Kubenieten en Gadieten was afgestaau. Verg. Joz. XII: 2 v.
10. halverwege de beek, bij de stad Arocr (vs. 12), die volgens Joz. XII: 2 halverwege de beek
lag. — langs — Jabbok. De schrijver, die eerst de uitgestrektheid van het gebied van het noorden
naar het zuiden heeft aangegeven, gaat hier weder van het zuiden naar het noorden. Lezing en ver-
taling van deze woorden zijn echter zeer onzeker; om een dragelijke» zin te verkrijgen, zijn eenigo
woorden omgezet.
17. Kinnereth, of Kinneroth (Joz. XI: 2). Bedoeld is het meer van Genueznret. Kinnereth was ook
eene stad, die echter aan den westelijken oever, in den stam Naftali, lag (Joz. XIX: 35) en dus hier
niet bedoeld kan zijn. Over dit meer zio op Num. XXXIV: 11. — de Zee der Vlakte, de Zoutzee,
gewoonlijk de Doode Zee genaamd; zie inl. op Gon. XVIII, XIX. — Pitga. Zie op Num. XXI: 20. —
ten oosten, namelijk van de Vinkte en van het Jordaandal.
20. aan — Jordaan. Zie op vs. 8.
21 v. Verg. XXXI: 1—8, 14 v., 23; Num. XXVII: 18—23. — deze twee koningen, Sihon en Og.
22. Hier richt Mozcs zich weder tot de Israëlieten.
25. aan — Jordaan. Zie op vs. 8.
-ocr page 324-
DBUTBRONOM1UM III : 25—IV : 3.
404
2b\' zijde van «len Jordaan zien, dut goede bergland en den Libanon!\' Doch
Jahwe was gramstorig tegen mij om uwentwil en luisterde niet naar
mij; daarom zeide Jahwe tot mij: Genoeg daarvan! Spreek mij over
27       deze zaak niet meer; \' beklim den top van den Pisga en sla uw oog
op, westwaarts en noordwaarts en zuidwaarts en oostwaarts, en laat
uwe oogen er over weiden; want gij zult dezen Jordaan niet overtrek-
28       ken.\' Geef dan aan Jozua bevel en maak hem sterk en kloek; want
bij zal aan het hoofd van dit volk overtrekken, en hij zal hen in het
bezit stellen van het land dat gij zien zult.
2!)           Wij nu bleven in het dal tegenover Betb-Peor.
20. om motntvil. Zie op 1: 37.
28. Dit bevel was door .Inhwc reed» bij Kades gegeven (1:38); ook wa» het loof Mo/e» reeds uit-
gevoerd (vs. 21 v.). Achtelooze verhaaltrant; zie inl. op 1:1—IV: 43.
2\'J. Wij — Belh-l\'eor, waar zij tijdens Muzen\' toespraak log waren (IV: 48), en waar, volg.
XXXIV: 6, Mozes begraven werd. Zie over den Peor op Nam. XXIII: 88. Dit Belh-l\'eor heet Joz.
XIII: 20 eene Itubcnictischc stad; verg. op Nuin. XXV : 3.
HOOFDSTUK IV: 1—40.
Waarschuwing tegen den beeldcndicnst. — Israël gehoorzame Jahwe\'s geboden, zonder er iets toe of
af te doen (1 v.), gedaehtig aan Jahwe\'» rechtvaardigheid, naar aanleiding van de zonde met Haal-1\'cor
door hem betoond (3 v.), en zich bewust van de groutc voorrechten die het in zijne wet boven andere
volken bezit (5—8). Vooral vergete het niet, hoc .lahwe zelf de Tien Woorden heeft afgekondigd zonderdat
zij cenc zichtbare gedaante aan»choiiwdcn (9—II); opdat zij zich nimmer bezondigen aan de vereering
van beelden of aanbidding der hemellichamen (15—10), maar aan Jahwe getrouw blijven, wanneer zij,
na Muze»\' dood. Kanaiiii zijn binnengetrokken (20—21). Wanneer zij later deze waarschuwing in den
wind slaan, zullen zij in ballingschap worden weggevoerd (25—28); maar in hun druk zullen zij Jahwe
zoeken, die zich dun weder hunner ontfermen zal (29—31). De gunstige gezindheid van Jahwe jegens
hen hebbeu zij op den Horeb en bij de verlossing uit Kgypte ondervonden, als nooit ecuig volk
(32—31); opdat zij zouden weten dat Jahwe de cenige god is, in wiens dienst zij hun geluk kunnen
vinden (35—40).
Deze vermaning tegen den beeldeudienst heeft de schrijver aan zijne geschiedkundige herinneringen
toegevoegd, omdat, naar zijn oordcel, die zonde in V—XXVI niet beslist genoeg was afgekeurd. Voor
hein, die na den vul van Jeruzalem en in den vreemde schreef, was zij de oorzaak van de wegvoering
zijn» volks en een in het heideusch land steed» dreigend gevaur. Daarom waarschuwt hij zijne volks-
genooten met allen nadruk tegen dat groute kwaad. Tevens wijst hij hen op hunne voorrechten boven
de natiën waaronder zij leven, om hen daardoor tot gehoorzaamheid aau Jahwe\'s wet op te wekken,
en opent hun het uitzicht op verlossing, wanneer zij die vermaning opvolgen.
De wetgeving op den Horeb wordt door den schrijver in enkele bijzonderheden anders beschreven
dan door zijn voorganger in II. V. Ook dit geschiedt met het oog op het doel dat hij zich hnd voor-
gesteld: de veroordeeling van den beeldcndicnst; zie op vs. 12 en 3(1.
IV: I Nu dun, Israël, luister naar de inzettingen en de verordeningen die
ik u ga leeren om te betrachten: opdat gij leeft en in het bezit komt
2 van het land dat Jahwe, uwer vaderen god, u geeft.\' Gij zult aan
hetgeen ik u gebied niets toevoegen noch er iets afdoen, muar de ge-
\'A boden van Jahwe, uw god, die ik u heden geef, onderhouden. \' Met
eigen oog hebt gij gezien, wut Jahwe ter zuke van Baül-Peor heeft
gedaan: Jahwe, uw god, heeft een ieder die Baül-Peor volgde uit uw
Vs. l. V:l.
1.  inzrltingeu, verordeningen. Zoo hcetcn de in dit boek gegeven wetten ook V:l; XI: 32; XII: 1;
XXVI :lfi; XXX:18; voorschriften, inzetliuaen, verordeningen IV: 45; V1: 20; geboden, inzettingen,
verordeningen,
in deze uf andere volgorde,\' V : 31 j VI: 1; VII: 11; VIII: 11; XI: 1; XXVI: 17;
geboden, inzettingen VI: 2; XXVIII: 15, 45 ; XXX : 10. — opdat gij leeft. Aan het nakomen van Jahwe\'s
wet wordt deze belofte dikwijl» verbonden (V:38; VIII: 1; XVI: 20; XXXII: 47; verg. op Ezech.
XX: 11). Vuur den Israëliet lag in leven tevens gelukkig zijn opgesloten.
2.   Desgelijks XII:32; Spr. XXX:6; Jer. XXVI:8; verg. Openb. XXII:18v. — heden, naar S«m.
en Gr. t. ingevoegd.
3.  Zie Num. XXV.
-ocr page 325-
DBUTBRONOMIUM IV : 3—19.
405
4       midden verdelgd; \' maar gij, die Jahwe, uw god, hleeft aanhangen, zijt
5       heden allen nog in leven.\' Ziet, ik heb u inzettingen en verordeningen
geleerd, zooals Jahwe, mijn god, mij geboden heeft, om er naar te
(5 handelen in het land dat gij in bezit gaat nemen.\' Onderhoudt ze en
leeft ze na; want dat zal uwe wijsheid en uw verstand zijn in het
oog der volken, die, als zij van al deze inzettingen hooren, zullen
zeggen: Voorwaar, deze groote natie is een wijs en verstandig volk!\'
7 Want welke groote natie is er die goden heeft, haar zoo nabij als
. 8 ons Jahwe, onze god, zoo vaak wij tot hem roepen.\'\' en welke groote
natie is er die zulke rechtvaardige inzettingen en verordeningen heeft
9 als deze geheele wet is die ik u heden voorleg ?\' Doch neem u in
acht en wees zeer op uwe hoede, dat gij de dingen die uwe oogen
hebben gezien niet vergeet, en dat zij uit uw hart niet wijken al
uwe levensdagen, maar dat gij ze uwen kinderen en kindskinderen
10       bekend maakt.\' Ten dage dat gij voor Jahwe, uw god, stondt bij den
Horeb, toen Jahwe tot mij zeide: Vergader mij het volk; ik wil hen
mijne woorden doen hooren, opdat zij leeren mij te vreezen zoolang
11       zij op den aardbodem leven, en het hunnen kinderen leeren —\' toen
traadt gij toe en stondt aan den voet van den berg — de berg nu
brandde tot in het hart van den hemel, daarbij duisternis, wolken,
12       donkerheid —\' en Jahwe sprak tot u midden uit het vuur; een geluid
van woorden hoordet gij, maar eene gedaante hebt gij volstrekt niet
13       waargenomen, enkel een geluid;\' en hij kondigde u zijn verbond af,
dat hij u gebood na te leven, de Tien Woorden, die hij op twee steenen
14       tafelen schreef.\' En mij heeft Jahwe te dier tijd geboden u inzettingen
en verordeningen te leeren, die door u zouden worden betracht in liet
15       land dat gij aan den overkant in bezit gaat nemen.\' Neemt u dan
zeer zorgvuldig in acht — want gij hebt geenerlei gedaante gezien ten
dage dat Jahwe op den Horeb midden uit het vuur tot u sprak —\'
16       dat gij u niet bezondigt door u een beeld te maken, de gedaante van
een of anderen afgod, in welken vorm ook, hetzij van man of vrouw,\'
17       hetzij van eenig stuk vee dat op de aarde is, hetzij van eenig gevleu-
18       geld dier dat door de lucht vliegt,\' hetzij van eenig dier dat op den
aardbodem kruipt, hetzij van eenigen visch die in het water onder de
19       aarde leeft.\' Zoo ook, dat gij uwe oogen niet naar den hemel opslaat
en, ziende naar de zon, de maan, de sterren, het g.insche heir des
hemels, u laat verleiden die te aanbidden en te dienen. Want deze
heeft Jahwe, uw god, aan al de volken onder den ganschen hemel
5.  ik — yelrrrd. Bedoeld zijn de wetten in dit boek vervat. I)e schrijver vergeet echter dat bij Mozes
deze rede laat uitspreken vóór de afkondiging dier wetten.
6.  i/r:f groot* natie. Zie op I: 10.
9.  die inrr oogen hebben genen. Zie op 1: 35.
11.  brandde tot in het hart van den hemel. Overdrijving van V:23; IX: 15; zie op vs. 30.— duitler-
nis, wolken, donkerheid,
zijn met het vuur de verschijnselen van het onweder. Jahwe sprak echter alleen uit
het vuur (vs. 12), doch volgens V :22 v. uit het vuur en de donkere wolken. Verg. Exod. XIX : 10, 18.
12.  eene gedaante — waargenoom. De oudere voorstelling van cene zichtbare o|ieiibnring van Jahwe
op den Sinai (Exod. XXIV: 9—11), die V:2—27 stilzwijgend wordt voorbijgegaan, wordt hier opzet-
telijk weersproken, met de bepaalde bedoeling, elke aanleiding tot beeldendienst of vergoelijking van
dit euvel weg te nemen •, verg. va. 15.
10—18. Verg. V:8; XXV1I:15; Exod. XX:4.
10.  Zie op Ezech. VIII: 8.
19. Zoo — dienen. l)c verecring der hemellichamen, nog XVII: 3 vermeld, ook vroeger onder Israël
niet ongewoon, kwam vooral in bloei tijdens de regcering van koning Manossc (2 Kon. XXI: 3, 5;
XXIII :ó, 11; Jcr. VIII: 2; XIX:13; Sef. 1:5; verg. ook 2 Kon. XVII: 10), waarschijnlijk onder
den invloed der Assyricrs of der llabvlonicrs. Over vroegereu sterrendienst in Israël zie op Am. V :
20 en verg. op Kicht. V : 20. — deze — toegedeeld. Het bestaan van andere goden en hot rcchtma-
tigc van hunne verecring door do volken wordt hier, evenals XXIX: 20, erkend, maar Jahwe als hun
opperheer voorgesteld, die elk hunner ziju gebied toewijst; verg. XXXII: 8 v.
-ocr page 326-
DBÜTBRONOM1UM IV : 19—34.
406
20       toegedeeld; \' maar u heeft Jahwe genomen en uit den ijzeroven, Egypte,
uitgeleid, om hem tot een eigen volk te zijn, zooals heden het geval
21       is. \' Jahwe nu was op mij vertoornd ter oorzake van u, en zwoer dat
ik den Jordaan niet overtrekken en in het goede land dat Jahwe, uw
22       god, u ten erve zal geven, niet komen zou; \' want ik ga in dit land
sterven en zal den Jordaan niet overtrekken, maar gij gaat hem over-
23       trekken en dat goede land in bezit nemen.\' Neemt u dan in acht dat
gij het verbond hetwelk Jahwe, uw god, met u gesloten heeft niet
vergeet en u geen beeld maakt, de gedaante van wat ook; hetgeen
24       Jahwe, uw god, u verboden heeft.\' Want Jahwe, uw god, is een ver-
terend vuur, een naijverig god.
25           Wanneer gij, na kinderen en kindskinderen verwekt en tal van
jaren in het land gesleten te hebben, u bezondigt door een beeld te
maken, de gedaante van wat ook, en te doen wat kwaad is in het oog
26       van Jahwe, uw god,\' om hem te tergen, zoo neem ik heden hemel
en aarde tot getuigen tegen u, dat gij spoedig en zeker vergaan zult
uit het land dat gij aan den overkant van den Jordaan in bezit gaat
nemen. (Jij zult aldaar niet lang gevestigd blijven, maar zeker verdelgd
27       worden. \' Jahwe zal u onder de volken verstrooien, en slechts een klein
aantal van u zal overblijven onder de natiën waarheen Jahwe u zal
28       wegvoeren;\' daar zult gij goden dienen door menschenhandengemaakt,
2\'J hout en steen, die kunnen zien noch hooren, eten noch ruiken. \' Dan
zult gij van daar, Jahwe, uw god, zoeken, en hem vinden, indien gij
30       met uw gansche hart en uwe gansche ziel naar hem vraagt:\' in uwen
nood, wanneer dit alles u overkomen is, zult gij, ten laatste, tot
31       Jahwe, uw god, terugkeeren en naar hem luisteren; \' want Jahwe, uw
god, is een barmhartig god; hij zal u niet begeven, noch u in het
verderf storten, noch het verhond met uwe vaderen, dat hij hun be-
32       zworen heeft, vergeten.\' Want vraag slechts naar den ouden tijd,
voordat gij er waart, van den dag af dat God menschen op aarde
schiep, en van het einde des hemels tot aan het andere, of er ooit
33       zoo iets groots als dit geschied of iets dergelijks vernomen is: \' of ooit
een volk de stem van een god gehoord heeft, sprekende midden uit
34       het vuur, zooals gij gehoord hebt, en in leven gebleven is,\' en of
V». 24. Hebr. XII: 29. — V». 28. XXVIII: 304, 04; Pb. OXV:5v.j CXXXV: 15—17. — V». 20.
Jor. XXIX: 13. — Vs. 30. XXX:2«. — Vs. 33. V:24, 20. — Vs. 84. VII: 19; XXVI:8; Jcr.
XXXII: 21.
20.   ijzeroven. Zoo heet Kgvptc wegens de gloeiende smart, die Israël daar verduren moest; evenzoo
1 Kon. VIII: 51; Jer. XI: 4.
21 v. De gnng van gcduchten is deze: Mozcs, willende zeggen dut Jahwe Israël, door hem uit
Egypte geleid, in Kniiaun znl brengen, valt zieh zelven in de rede met de opmerking dat hij zelf daar
niet komen zal.
21.  Jahwe — u. Zie op I : 37. — en ZKoer. Van een eed is 1:37 geeu sprake.
24. een verterend vuur, beeld van Jahwe\'s straffende en verdelgende gerechtigheid; verg. IX: 8;
KmhI. XXIV: 17, wiiiir Jahwe zich als een verterend vuur aan het volk vertoont, en op Gen. XV: 17.
— een naijverig god. Zie op Exod. XX : 5.
20 v. Deze voorspelling is uaar de uitkomst aan Mozes in den mond gelegd. I)e mogelijkheid dat
Israël in zijn Innd blijft wonen wordt zelfs niet in aanmerking genomen. Dit bewijst dat voor den
schrijver de ballingschap reeds een feit was.
20. Verg. XXX: 18 v. — zoo — u. Zie op XXXI: 28. — lang gevetligd blijven. Zie op Eiod.
XX: 12.
28. Dezelfde bedreiging XXVIII: 30, 04; Jer. V: l\'.i; XVI: 13. — eten noch ruiken, zoodat zij geen
genot hebben van de offergaven.
29—31. Verg. XXX : 1—3.
30.  dit alle; het strafvonnis van vs. 27 v.
31.  hel verbond — heeft. Zie op 1:8.
83. in leven gebleven is. Zie op Gen. XVI: 18.
34. een volt midden uit een ander tolk, zooals het Israëlietiiche uit het Egyptische.
-ocr page 327-
DBUTBK0N0M1UM IV : 34—43.
407
ooit een god het ondernomen heeft zich een volk midden uit een
ander volk te komen halen met beproevingen en teekenen en wonderen
en oorlog, met sterke hand en uitgestrekten arm en groote verschrik-
kingen, gelijk Jahwe, uw god, dit alles in Egypte voor uwe oogen
35       aan u heelt gedaan ?\' U is het getoond; opdat gij zoudt weten dat
36       Jahwe God is, en buiten hem niemand. \' Uit den hemel heeft hij u
zijne stem doen hooren, om u onder tucht te brengen, en op de aarde
heeft hij u zijn groot vuur doen zien en hebt gij zijne woorden midden
37       uit het vuur gehoord.\' Hierom nu dat hij uwe vaderen liefgehad en
hun kroost na hen uitverkoren en zelf u door zijne groote kracht uit
38       Egypte geleid heeft,\' om grooter en machtiger volken dan gij zijt
voor u uit te verdrijven en u in hun land te brengen, om het u ten
39       erve te geven, zooals thans het geval is — \' zoo moet gij heden er-
kennen en ter harte nemen, dat Jahwe God is in den hemel daarboven
40       en op de aarde hier beneden, en niemand meer,\' en zijne inzettingen
en geboden die ik u heden geef onderhouden; opdat het u welga en
uwen kinderen na u, en gij lang gevestigd blijft in het land dat Jahwe,
uw god, u geeft voor altijd.
v>. 3»4. Joz. 11:114.
36. Jahwe sprak du» uit den hemel tot het volk, maar door het vuur dat tot midden in den
hemel brandde (zie vs. 11 v.). De schrijver heeft dus de voorstelling van zijn voorganger (V : 4, 22),
volgens welke Jahwe op den berg was en van daar uit vuur en wolkeu het volk toesprak, gcwij-
zigd, omdat hij vreesde de zinnelijke opvatting van Jahwc\'s openbaring in de hand te werken; verg.
vs. 15.
87. hun krooü na hen, volg. Sam. en Gr. t.; Hcbr. t. zijn kroost na hem. — zelf, letterlijk door
zijn aangezicht;
verg. op Kxoil. XXXIII: 14.
HOOFDSTUK IV: 41—48.
Mozes wijst in het Overjordoansche drie vrijsteden aan.
Dit bericht dient tot aanvulling van de wet op de vrijsteden, XIX: 1—13. Daar was voorgeschre-
ven, dat Israël, ua de verovering van Kanaan drie, en bij latere uitbreiding van grondgebied zes, vrij-
ateden in zijn land zou hebben. Dewijl nu op het tijdstip dat die wet heette gegeven te zijn het
Overjordaansche reeds veroverd was, meende de schrijver, dat zij op dit gedeelte van Isracls land
geen betrekking had en reeds Mozes er de vrijsteden moest hebben aangewezen. Daarom verhaalt hij,
dat Mozes reeds voor de afkondiging dier wet drie steden in het Overjordaansche tot vrijplaatsen be-
steind had. Zie verder Num. XXXV: 9—34 en Joz. XX.
IV: 41 Toen zonderde Mozes aan de overzijde van den Jordaan, ten oosten,
42       drie steden af,\' opdat daarheen zou vluchten de doodslager die zijn
naaste doodde zonder opzet en zonderdat hij hem gisteren of eergis-
43       teren haat toedroeg;\' indien hij naar eene dezer steden vluchtte, zou
hij in leven blijven: Beser in de woestijn, in de streek der hoogvlakte,
voor de Ilubenieten, Itama in Gilead voor de Gadieten, en Golan in
Bazan voor de Manassieten.
43. De drie hier genoemde stedeu waren waarschijnlijk van ouds bekende heilige plaatsen. — Beier,
plaats van onbekende ligging, komt nog Joz. XX: 8; XXI: 36; 1 Kron. VI: TH (Jcr. XLVIII:24?)
voor. — de hoogvlakte. 7Ae op 111:10. — Barna in Oitead, met verandering vnn éen klinker;
grondt, heeft hier en Joz. XX: 8; XXI: 38; 1 Kron. VI: 80 Jtamolh. Het wordt nog 1 Kon. IV: 13;
XXII: 8 vv.; 2 Kon. VIM: 28; IX:lvv. vermeld en lag hoogstwaarschijnlijk ten noorden van den
Jabbok. — Golan, stad ten oosten van het meer van Gcnnczarct, naar welke later de streek Gaula-
nitit genoemd is; verg. Joz. XXI: 27; 1 Kron. VI: 71.
INLEIDING OP HOOFDSTUK IV :44— XI: 82.
Deze hoofdstukken bevatten, na een opschrift boven V—XXVI, eene vermanende voorrede voor de
wetten in XII—XXVI. Mozes wijst hierin het volk op zijne verplichting om Jahwe te gehoorzamen
-ocr page 328-
DEUTKBONOM1UM IV : 44—V : 8.
408
en zich geheel aan hem te wijden. Hij beroept zich op het verbond met de vaderen, op de crvarin-
gen gedurende de wocstijnreizc opgedaan, op den zegen dien de naleving van Jahwe\'s geboden zal
aanbrengen, op de ellende die uit den afval van hem moet voortvloeien. Het ontbreekt in deze voor-
rede niet aan herhalingen en uitweidingen, zooals nader blijken zal uit de inhoudsopgaven van de
afdeclingcn waarin zij is gesplitst.
HOOFDSTUK IV: 44—49.
Opschrift boven V—XXVI. — Het vermeldt de plaats waar en het tijdstip waarop Muze» de daarin
vervatto vermaningen cu wetten aan het volk heeft voorgedragen. — Over vs. 44 zie inl. op I:
1—IV: 43.
IV: 44 Dit nu is de wet die Mozes den Israëlieten heeft voorgelegd.
45            Dit zijn de voorschriften, inzettingen en verordeningen welke Mozes
4(5 aan de Israëlieten afgekondigd heeft op hun tocht uit Egypte, \' in het
Overjordaansche, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van tfihon,
den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde, dien Mozes en de
47       Israëlieten op hun tocht uit Egypte hadden verslagen, \' en wiens land
zij in bezit hadden genomen, alsmede het land van Og, den koning
van llazan, de twee koningen der Amorieten aan de overzijde van den
48       Jordaan, ten oosten: \' van Aroër aan den oever der beek Arnon tot
4U aan het gebergte Hion, dat is Hermon,\' met de geheele Vlakte aan
de overzijde van den Jordaan, ten oosten, tot aan de Zee der Vlakte
onder de hellingen van den PÏflga.
Vs. 45—49. 1:1—5. — Vs. 46—49. Joz. XII: 1—5; XIII: 9—12.
46 v. Zie 11:24—111:11.
46. dal tegenover Beth-Peor. Zie op III: 29.
48 v. Opgave van het veroverde grondgebied. Over de plaatsbepalingen zie 111:12, 17.
48. Siim. Deze naam vnu den Hermon komt elders niet voor. Misschien is hij uit Sirjon i\'/.ie 111:9)
verbasterd. l)c naam is met cciic andere 6\' geschreven dan die van dcu tempelberg.
HOOFDSTUK V.
Herinnering aan de wetgeving op den Hnrcb. — Mozes wekt Israël op, naar de wetten van Jahwe
te hooren (1); met het volk zelf, dat hem aanhoort, was bij den Horeb het verbond gesloten (2v.);
daar had Jahwe zelf de Tien Woorden hun afgekondigd (4—22); maar zij, door vrees bevangen, had-
den toen gesmeekt, niet meer zclvoti zijne stem te hooren, en beloofd te volbrengen wat hij hun door
bemiddeling van Mozes zou zeggen (23—27); Jahwe had dit verzoek gunstig opgenomen, en toen
alleen aan Mozes zijne verdere geboden medegedeeld (28—31); dus zijn zij tot stipte gehoorzaamheid
verplicht (32 v.).
Dit gedeelte is ontleend aan het verhaal over de Sinaïctischo wetgeving waartoe Kxod. XIX : 10—
19; XX: 18—21; 1—17; XXIV : 12, althans iu hoofdzaak, behoord moet hebben (zie inl. op Kxod.
XIX: 1—XX: 21); maar het is daarvan cenc zelfstandige bewerking, bestemd om aan te toonen dat
de wet iu Deuterotwmium als een vervolg op de Tien Woorden moet worden beschouwd, daar zij,
evenals deze op den Horeb geopenbaard, alleen om de vrees der Israëlieten door Jahwe niet recht-
streeks aan hen /elven, maar aan Mozes is medegedeeld. Over de verhouding van dit stuk tot IV :
10—15 zie inl. op IV : 1—40.
Over de Tien Woorden zie op Exod. XX : 1—17.
V: 1          Mozes riep gansch Israël samen en zeide tot hen: Hoor, Israël, de
inzettingen en verordeningen die ik heden ten aanhooren van u ga
2       afkondigen; gij moet ze leeren en zorgen ze te betrachten.\' Jahwe,
3       onze god, heeft met ons een verbond op den Horeb gesloten: \' niet
met onze vaderen, maar met ons heeft Jahwe dat verbond gesloten,
3. met tmt — zijn. De schrijver doet met nadruk uitkomen dat het geslacht hier door Mozes toe-
gesproken hetzelfde is als dat bij den Horeb. Anders Num. XIV : 29—32; verg. op 1:35.
-ocr page 329-
409
DBÜTKHONOMIUM V : 3—21.
4       met ons, die hier heden allen in leven zijn. \' Van aangezicht tot aan-
gezicht heeft Jahwe op den herg midden uit het vuur met u gespro-
5       ken — \' ik stond te dier tijd tusschen Jahwe en u in, om u Jahwe\'s
woorden te verkondigen; want gij waart bevreesd voor het vuur en
beklomt den berg niet — aldus:
0          Ik ben Jahwe, uw god, die u uit Egypteland, uit het slavenhuis,
heb uitgeleid.
7,8 Gij zult geen andere goden nevens mij hebben;\' gij zult u geen
beeld maken in de gedaante van iets dat aan den hemel daar boven,
U of op de aarde hier beneden, of in het water onder de aarde is; \' gij
zult ze niet aanbidden of dienen; want ik, Jahwe, uw god, ben een
naijverig god; ik verhaal de schuld der vaderen op de kinderen, en
10       op het derde en vierde geslacht mijner haters,\' maar betoon gunst aan
duizenden van wie mij liefhebben en mijne geboden onderhouden.
11           Gij zult den naam van Jahwe, uw god, niet tot valschheid op de
lippen nemen; Avant Jahwe zal niet ongestraft laten wie zijn naam
tot valschheid op de lippen neemt.
12           Onderhoud den sabbat, dat gij dien heiligt, zooals Jahwe, uw god, u
13       heeft geboden: \' zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk verrichten,\'
14       maar de zevende dag is rustdag ter eere van Jahwe, uw god; dan
zult gij geenerlei werk verrichten, gij, noch uw zoon of dochter, noch
uw slaaf of slavin, noch uw rund of ezel of eenig vee, noch de vreemde
die bij u in uwe steden woont; opdat uw slaaf en slavin rust hebben
15       evenals gij. \' Gedenk dat gij slaaf zijt geweest in Egypteland en Jahwe,
uw god, u van daar met sterke hand en uitgestrekten arm heeft uit-
geleid; daarom heeft Jahwe, uw god, u geboden den sabbatdag te vieren.
16           Eer uwen vader en uwe moeder, zooals Jahwe, uw god, u geboden
heeft; opdat gij lang gevestigd blijft en het u welga op den bodem
dien Jahwe, uw god, u geeft.
17           Gij zult niet dooden;
18           noch overspel doen;
19           noch stelen;
20           noch een valsch getuigenis afleggen tegen uw naaste;
21           noch begeeren uws naasten vrouw, of haken naar uws naasten huis,
naar zijn akker, zijn slaaf of slavin, zijn rund of ezel, of naar ieta
dat uws naasten is.
V». 6—21. Exod. XX: 2—17. — V». 15. XV:15; XVI :12a; XXIV: 18, 22.
4 v. De bedoeling wordt duidelijk door Exod. XIX: 9—19, waar het volk, aan dcu voet van den
berg staande, hoort hoe Mozcs tot God spreekt en deze hem antwoordt.
5. Jahwe\'» woorden. Zoo de oude vertt.; Hebr. t. Jahwe\'» woord. — want — niet. Hier wordt het
volk door vrees weerhouden den berg te beklimmen. Volgeus Exod. XIX: 12 v. was de toegang tot
den berg hun op straffe des doods verboden; uit vrees gingen zij, in plaats van aan den voet van
den berg, verder af staan. Zie Exod. XX : 18.
6—21. Zie de anntt. op Exod. XX: 2—17.
8.  i» de gedaante. Exod. XX : 4 geene gedaante.
9.  ik verhaal — hater». Ecuc andere opvatting wordt VII: 10 gehuldigd.
12. zooalt — geboden. Deze woorden komen Exod. XX: 9 niet voor. Er volgt wellicht uit, dat
volgens den schrijver het sabbatsgebod reeds voor de wetgeving op den Horeb aan Israël was opge-
lcgd. Evenzoo vs. 16.
14 v. Evenals Exod. XXIII: 12, is hier de sabbat voor de dienstbaren in Israël een dag der rust.
Doch tevens wordt hij hier gemaakt tot een dag aan Jahwe gewijd, waarop gansch Israël de vcrlos-
sing uit Egypte dankbaar moet gedenken. Van den sabbat als rustdag van Jahwe zclvcn weet de
schrijver nog niets; zie op Gen. 11:3.
16. looal» — heeft. Zie op vs. 12.
18. Het verbindingswoord, hier en in de volgende verzen voorkomende, ontbreekt Exod. XX: 14—17.
21. hui». Dit woord, dat Exod. XX: 17 vooraanstaat, als het geheel, dat woning, akker, vrouw,
dienstbaren en vee omvat, heeft hier door verplaatsing de meer beperkte betcekenis van ,woning\' ver-
kregen. — Siim. t. heeft hier hetzelfde toevoegsel als na Exod. XX: 17.
-ocr page 330-
DBUTBRONOMIUM V : 22—VI : 2.
410
22           Deze woorden heeft Jahwe tot uwe gansche vergadering, op den
berg, midden uit het vuur, de wolk en de donkerheid, met luider
stem gesproken, en niets meer; daarna schreef hij ze op twee steenen
23       tafelen en gaf ze mij. \' Maar toen gij de stem midden uit de duisternis
hoordet, terwijl de berg brandde, naderdet gij tot mij, al uwe stam-
24       hoofden en oudsten,\' en zeidet: Zie, Jahwe onze god, heeft ons zijne
heerlijkheid en grootheid laten zien, en zijne stem hebhen wij midden
uit het vuur gehoord; heden hebben wij gezien dat God met den
25       mensch spreekt terwijl deze in leven blijft.\' Nu dan, waarom zouden
wij sterven? Want dat groote vuur zal ons verteren; indien wij nog
langer de stem van Jahwe, onzen god, hooren, dan besterven wij het; \'
26       immers, welk sterveling heeft ooit midden uit het vuur de stem van
den levenden God hooren spreken, zooals wij, en is in leven gebleven ?\'
27       Treed gij nader en hoor al wat Jahwe, onze god, zal zeggen, en spreek
gij dan tot ons al wat Jahwe, onze god, tot u spreekt; dan zullen
wij het hooren en doen.
28           Toen nu Jahwe, terwijl gij tot mij spraakt, uwe woorden hoorde,
zeide hij tot mij: Ik heb de woorden gehoord die dit volk tot u ge-
29       sproken heeft: zij hebben alleszins goed gesproken.\' Och of zij te allen
tijde deze gezindheid hadden, mij te vreezen en al mijne geboden te
onderhouden, opdat het hun en hunnen kinderen tot in eeuwigheid
30,31 wel ging!\' Ga hun zeggen: Keert terug naar uwe tenten!\' Maar gij,
kom hier bij mij staan; opdat ik u mededeele al de geboden, inzet-
tingen en verordeningen welke gij hen moet leeren en zij moeten be-
trachten in het land dat ik hun in bezit zal geven.
32           Komt dan nauwgezet na hetgeen Jahwe, uw god, u geboden heeft;
33       wijkt niet af ter rechter- of ter linkerzij:\' den gansenen weg dien
Jahwe, uw god, u heeft voorgeschreven zult gij volgen; opdat gij
moogt leven en gelukkig zijn en lang gevestigd blijven in het land
dat gij in bezit zult nemen.
V». 32. Joz. 1:7.
22.  op den berg — donkerheid.. Zie op IV: 11. — twee steenen tafelen. Zie op Bxod. XXIV: 12.
23.   uil de duisternis. Volgens vs. 24 en 26 uit het vuur. De voorstelling is ontleend aan Exod.
XIX: 10, 18.
24—28. Verg. XVIII: 10—18.
24 v. Zie op Gen. XVI i 13.
25. .V« dan — sterven? Eens aan het ontzettend gevaar ontkomen, wenschen zij er niet andermaal
aan bloot te staan.
20. De verzekering, in deze vraag opgesloten, is van overdrijving niet vrij te pleiten; verg.
Exod. III, IV.
28. trrwijl — spraakt. De woorden des volks werden door Mozcs niet aan Jahwe overgebracht,
maar deze hoorde hen spreken en willigde terstond hun verzoek in.
HOOFDSTUK VI.
Jnhwu heeft recht op onverdeelde gehoorznnmhcid. — Israël ontvangt de wet, opdat het godsdienstig
en gelukkig worde (1—3). Het beminuc Jahwe, den Eenigc, en boude zijne geboden altijd en overal
voor oogen (4—0). Het vergete straks in Kanaan, te midden van den overvloed, den Weldoener niet:
het dienen van andere goden zou hun ondergang zijn (10—15); terwijl trouw aan hem hun het rustig
bezit van hun land verzekert (10—19). Ook aan zijne kinderen moet de Israëliet inprenten dat hunne
vroomheid, zal zij hen gelukkig maken, in stipte wetsbetrachting moet bestaan (20—25).
VI: 1 Dit nu zijn de geboden, inzettingen en verordeningen, welke Jahwe,
uw god, heeft gelast u te leeren, om ze te betrachten in het land dat
2 gij aan den overkant in bezit gaat nemen;\' opdat gij Jahwe, uw god,
2. heden, ingevoegd volg. Sam. en Gr. t.
-ocr page 331-
411
DBUTBRONOMIUM VI : 2—17.
zoudt vreezen, door al zijne inzettingen en geboden die ik u heden
geef al uwe levensdagen te onderhouden, gij en uw zoon en uw klein-
3 zoon; opdat gij lang moogt leven.\' Wil dan luisteren, Israël, en nauw-
gezet betrachten; opdat het u welga en gij u zeer vermenigvuldigt,
zooals Jahwe, uwer vaderen god, u heeft toegezegd.
4, 5 Hoor, Israël: Jahwe, onze god, Jahwe is eenig!\' Daarom zult gij
Jahwe, uw god, met uw gansche hart en met uwe gansche ziel en
(! met uwe gansche kracht liefhebben,\' en zullen deze woorden die ik
7       u heden gebied, u ter harte g(ian.\' Gij zult ze uwen kinderen in-
scherpen en er over spreken, als gij in huis zit en als gij op den weg
8       fraai, als gij u nederlegt en als gij opstaat;\' gij zult ze als een tee-
ken op uwe hand binden, zij zullen u tot een merk tusschen uwe
9       oogen zijn,\' en gij zult ze op de deurposten uwer huizen en op uwe
poorten schrijven.
10           Wanneer nu Jahwe, uw god, u brengt in het land dat hij uwen
vaderen, Abraham, Izaiik en Jakob, onder eede beloofd heeft u te zullen
11       geven, met groote en schoone steden, die gij niet gebouwd, \' huizen
vol van allerlei goederen, waarmede gij ze niet gevuld, uitgehouwen
waterbakken, die gij niet uitgehouwen, wijngaarden en olijfboomen,
12       die gij niet geplant hebt, en gij eet en verzadigd wordt —\' neem u
dan in acht dat gij Jahwe, uw god, niet vergeet, die u uit Egypte-
13       land, uit het slavenhuis, heeft uitgeleid.\' Jahwe, uw god, zult gij
14       vreezen, hem dienen en bij zijnen naam zweren;\' gij zult geen andere
15       goden volgen, geen der goden van de u omringende volken; \' want
Jahwe, uw god, is een naijverig god in uw midden; opdat niet de
toorn van Jahwe, uw god, tegen u ontbrande en hij u verdelge van
16       den aardbodem.\' Gij zult Jahwe, uw god, niet op de proef stellen,
17       zooals gij bij Massa gedaan hebt; \' stipt zult gij onderhouden de ge-
boden van Jahwe, uw god, de voorschriften en inzettingen welke
V». 5. Mntth. XXH:S7; Mare. XII:30; Luc. X: 27. — Va. 6—1). XI:18—20.— Vs. 18. X:20. —
Vs. 10. Pi. XOV:8; Matth. IV: 7; Luc. IV: 12.
3.   zooala — toegezegd. Zie op 1:11. Hebr. t. laatj hierop nog volgen een land overvloeiende van
melk en honing,
invoegsel uit XI: 9.
4—0. Deze woorden bezitten iu de schatting der Joden eene buitengewone waarde en nemen, gevolgd
door XI: 13—21; Eiod. XIII: 1—10, 11—16, in hunne gebeden en gewijde formulieren eene voor-
name plaats in.
4.  Jahwe it eenig, heeft nevens zich geen tweede, die evenals hij God is. Verg. Zui-li. XIV : 9.
5 v. l)i\' vermaning tot liefde jegens Jahwe behoort zelve niet tot de gobodcii, inzettingen en ver-
ordeningen welke Mozes aan Israël geeft, maar zij is de aan Israël gestelde cisch, om de geboden
die straks volgen volledig en gewillig te kunnen volbrengen. Zij keert terug X:12; XI: I, 13, 22;
XIII: 4; XIX: 9; XXX: 6, 16, 20; Joz. XXII: 5; XXIII: 11.
6.  deze woorden, de wet in XII—XXVI vervat.
7.   in huü, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. in uw hui».
8.  Zie op Eiod. XIII : 9 en 16.
9.   Uit gebod, ontleend aan de gewoonte der Oosterlingen korte godsdienstige spreuken boven den
ingang hunner woning te schrijven, beteckent hier eenvoudig: gij moet bij uw ingaan en uitgaan en
te allen tijde Jahwe\'s eischen voor oogen hebben. Maar de Joden hebben het, evenals vs. 8, letterlijk
verstaan. Vandaar de nog heden hccrschcnde gewooute der mezoeza (eigenlijk .deurpost\'), d. i. een
stukje perkament, waarop VI: 4—9; XI: 13—20 geschreven staat, in een houten kokertje aan den
rechter deurpost van huis eu knmer aangebracht, en bij het in- en uitgaan met den vooraf gekusten
vinger aangeraakt; verg. Jez. LVII: 8. — uwer huizen, volg. Sain. en Gr. t.; Hebr. t. tan uw huit.
10—1B. Verg. VIII: 12—20.
10 v. Verg. Joz. XXIV : 18 en op Joz. VIII: 2.
11.  gij eet en verzadigd wordt, van dat alles naar hartelust geniet.
12.   dat — vergeet. Meermalen heet het vergeten van Jahwe gevolg van overvloed en genot; verg.
VUI:12—18; XXXI:20; XXXII:15; Spr. XXX:9; Jer. V:7; Hoz. XIII: 6.
18. bij zijnen naam zweren. Wie bij een god zweert huldigt hem; verg. Jez. XLVIH:1; Jer. XII: 16;
Am. VIII: 14; Sef. 1:5.
16. Zie Kxnil. XVII: 1—7. Het op de proef stellen van Jahwe bestaat in de ongehoorzaamheid,
waardoor het volk hem tart zijne straffende hand te toonen.
-ocr page 332-
DBUTBRONOMIUM VI : 17—VII : 5.
412
18       hij u gegeven heeft,\' en doen wat in Jahwe\'s oog recht en goed is;
opdat het u welga en gij in het hezit komt van liet goede land dat
19       Jahwe uwen vaderen onder eede heloof\'d heeft,\' terwijl hij al uwe
vijanden voor u uit verjaagt, zooals hij heeft toegezegd.\'
20           Wanneer naderhand uw zoon u vraagt: Wat heteekenen de voor-
schriften, inzettingen en verordeningen welke Jahwe, onze god, u ge-
21       geven heeft?\' dan zult gij tot uw zoon zeggen: Wij zijn in Egypte
slaven van Farao geweest, en Jahwe heeft ons met sterke hand uit
22       Egypte uitgeleid; \' Jahwe heeft voor onze oogen in Egypte groote en
onheilhrengende teekenen en wonderen aan Farao en zijn gansche huis
23       gedaan,\' en ons er uitgeleid, om ons te hrengen in het land dat hij
24       onzen vaderen onder eede beloofd had, en om het ons te geven.\' Nu
gebood Jahwe ons al deze inzettingen te betrachten tot vreeze van Jahwe,
onzen god; opdat het ons altijd wel zou gaan en hij ons het leven
25       zou schenken, zooals heden het geval is. \' Hierin zal onze gerechtig-
heid bestaan, dat wij zorgen al deze geboden voor het aangezicht van
Jahwe, onzen god, te betrachten, zooals hij ons geboden heeft.
20. Verg. Exod. XIII: 8, 14.
24.   IIil duul dnt Jahwe nirt zijne geboden beoogt is dus: tuin de Israëlieten gelegenheid te geven
hein te vreezen. Indien /.ij Jnhwe\'g geboden niet kenden, zouden zij Jahwe niet kunnen vcrecreii,
niet godsdienstig kunnen zijn, maar zou ook het loon der godsvrucht: wel vuurt en een lang leven,
hun ontgaan.
25.   onze gerechtigheid, de rechte verhouding van den Israëliet tot zijn god, dus zooveel als vroom-
heid, godsvrucht, (\'itdrukkclijk wordt hier geleerd dat wctsbetrachtiug het karakter der vroomheid is,
terwijl zij volgens Gcu. XV : 6 in vertrouwen op Jahwe, in geloof, bestaat.
HOOFDSTUK VII.
Israël vcrwijderc uit zijn land al wat aanleiding tot ontrouw kan geven. — I)e Israëlieten, in
Kanaan gekomen, moeten de daar wonende stammen met al wat tot hun godsdienst behoort uitroeien
(1—5) en, als het uitverkoren volk van Jahwe, zijne geboden houden (6—11); dan zal hij hen over-
vloedig zegenen (12—16). Evenals in Egypte, zal Jahwe hier hunne vijanden, zij het niet op eens,
verdelgen (17—24), als zij maar de godenbeelden der Knnaiinietrn ganseh en nl vernielen (25 v.).
Dit gedeelte van Mozcs\' toespraak vertoont nauwe verwantschap, soms letterlijke overeenkomst, mot
Exod. XXIII: 20—33; XXXIV : 10—16.
VII: 1 Wanneer Jahwe, uw god, u brengt in het land dat gij in hezit
komt nemen, en vele volken voor u uit verjaagt: de Hittieten, de
Girgasjieten, de Amorieten, de Kanaünieten, de I\'erizzieten, de Hiw-
wieten en de Jebuzieten, zeven volken, talrijker en machtiger dan gij;\'
2       als Jahwe, uw god, hen aan u overlevert en gij hen verslaat, dan
moet gij hen ganseh en al met den banvloek treilen; gij moogt geen
3       verdrag met hen aangaan, geen genade hun verleenen,\' ook u aan
hen niet vermaagschappen: uwe dochters moogt gij niet geven aan
4       hunne zonen, noch hunne dochters nemen voor uwe zonen;\' want zij
zouden uwe kinderen van mij doen afwijken, zoodat zij andere goden
dienden, en Jahwe\'s toorn zou tegen u ontbranden en hij u spoedig
5       verdelgen.\' Maar aldus zult gij hun doen: hunne altaren omver-
werpen, hunne wij-steenen verbrijzelen, hunne gewijde boomstammen
Vs. 5. XII: 3. — Vs. 6. XIV : 2.
1. de Hittieleti — Jebnzieteu. Zie op Gen. X : 15, 16, 17 en XIII: 7. — zeven vollen. Zoo ook Joz.
111:10; XXIV: 11. Meestal worden er slechts zes opgenoemd; verg. XX: 17; Exod. 111:8, 17;
XXIII:23; XXXIII:2; XXX1V:11; Joz. IX: Ij XI:3; XII:8; Richt. 111:5, waarde Girgasjieten
ontbreken; doch zie op Exod. 111:8. Volgen» Gen. XV: 18—21 woonden in Kanaan tien volken;
Exod. XIII: 5; 1 Kon. IX: 20 worden er vijf opgenoemd.
4.  mij. lledocldjis Jnhwc, in wiens naam Mozes spreekt.
5.   Verg. Exod.|XXIII:24; XXXIV: 13. — wij-tteenen. Zie op Gen. XXVIII: 18. — gewijde boom-
ttammen.
Zie op Exod. XXXIV : 13.
-ocr page 333-
DEDTBRONOMMM VII : 5—23.
413
6       ombouwen, hunne beelden verbranden.\' Want gij zijt een aan Jahwe,
uw god, geheiligd volk; u heeft Jahwe, uw god, uitverkoren, om van
7       alle volken op den aardbodem hem tot een eigen volk te zijn.\' Niet
omdat gij het talrijkste waart van alle volken heeft Jahwe een wei-
gevallen in u gebad en n uitverkoren, want gij zijt bet kleinste van
8       alle volken; \' maar omdat Jahwe u liefhad en den eed hield dien hij
uwen vaderen gezworen had, heeft Jahwe u met sterke band uit-
geleid en uit bet slavenhuis, uit de hand van Farao, den koning van
Egypte, losgekocht.
9           Erken dan dat Jahwe, uw god, God is, de getrouwe God, die bet
verbond en de goedertierenheid handhaaft jegens wie hem liefhebben
10       en zijne geboden onderhouden, tot in duizend geslachten,\' maar zijn
hater persoonlijk doet boeten door hem te gronde te richten: bij geeft
11       wie hem haat geen uitstel, hem persoonlijk doet bij boeten. \' Onder-
houd dan de geboden, inzettingen en verordeningen die ik u beden
gebied te betrachten.
12            Hiervoor nu, dat gij naar deze verordeningen hoort, ze onderhoudt
en betracht, zal Jahwe, uw god, jegens u het verbond en de goeder-
13       tierenbeid, uwen vaderen bezworen, handhaven,\' u liefhebben, zegenen
en vermenigvuldigen: zegenen de vrucht van uw schoot en van uw
bodem, uw koren en most en olie, de teelt uwer runderen en de
dracht uwer schapen, op den bodem dien bij uwen vaderen onder
14       eede beloofd heeft u te zullen geven. \' Gezegend zult gij zijn boven
alle volken; er zal onder u geen onvruchtbare zijn, man noch vrouw,
15       noch een onvruchtbare onder uw vee,\' en Jahwe zal van u iedere
ziekte weguemen en al de erge kwalen van Egypte, die gij hebt leeren
kennen; hij zal ze op u niet doen nederkomen, maar ze brengen over
16       al uwe haters;\' en gij zult al de volken die Jahwe, uw god, u over-
geeft verslinden. Verschoon hen niet en dien hunne goden niet; want
dit zou u ten valstrik zijn.
17           Mocht gij soms denken: Deze volken zijn talrijker dan ik, hoe zal
18       ik in staat zijn hen te verdrijven? —\' vrees hen niet, gedenk steeds,
19       wat Jahwe, uw god, aan Farao en geheel Egypte heeft gedaan, \' de
groote beproevingen die uwe oogen gezien hebben, de teekenen en
wonderen, de sterke band en den uitgestrekten arm, waarmede Jahwe,
uw god, u heeft uitgeleid. Zoo zal Jahwe, uw god, aan al de volken
20       doen voor welke gij bevreesd zijt.\' Bovendien zal Jahwe, uw god, de
horzelen op ben afzenden, totdat wie overgebleven zijn en zich voor
21       u verscholen hebben zijn te gronde gegaan.\' Sidder niet voor hen;
want Jahwe, uw god, is in uw midden, een groote en gedochte god.
22           Langzamerhand zal Jahwe, uw god, deze volken voor u uit verjagen:
gij zult hen niet spoedig mogen vernietigen, opdat niet het wild
23       gedierte te talrijk tegen u worde; \' maar Jahwe, uw god, zal hen aan
V». 13. XXVIII: 4. — Va. 18 v. X:2v. — V». 19. IV: 34; XXVI: 8.
7. het kleinste van alle volten. Evenzoo vs. 1, 17, 22; IV: 38. Kl.li is in dit boek wordt Israël uls
zeer talrijk voorgesteld; zie o]> 1:10 en verg. IV: IV.
10. Eeuc andere voorstelling van de goddelijke vcrgolding dah V:04; verg. op Exod. XX: 5. Daar
heet het, dat Jahwe de schuld der vaderen op de nakomelingen verhaalt, hier, dat ieder zondaar per-
soonlijk voor zijne zonde moet boeten.
12—lö. Verg. XI: 13—15, 22—25; XXVIII: 1—14.
12. hel verbond, de belofte welke Jahwe den aartsvaders met het oog op hunne nakomelingen onder
eede gaf; zie op 1:8.
15.  kwalen van Egypte. Zie op XXVIII: 27.
16.  dit, het spareu vau de Kanaunieteu en het diencu van hunne goden; verg. op Exod. XXXIV: 12.
20. de horzelen. Zie op Exod. XXIII: 28.
22. Zie op Exod. XXIII! 29.
-ocr page 334-
414                              DRDTRRONOMIOM VII ! 28—VIII : 6.
u overleveren en hen in eene geweldige ontroering brengen, totdat
24       zij verdelgd zijn; \' hunne koningen zal hij in uwe hand geven, en hun
naam zult gij van onder den hemel doen verdwijnen; niemand zal
tegen u stand houden, totdat gij hen zult hebben verdelgd.
25           Hunne godenbeelden zult gij verbranden, het zilver en goud dat er
aan zit niet begeeren en u toeëigenen; opdat gij er niet door in den
20 strik valt. Want Jahwe, uw god, heeft er een afschuw van.\' Iets nu
dat verafschuwd is moogt gij niet in uw huis brengen; want gij zoudt
eveneens onder den banvloek komen. Gij zult er van gruwen en het
verafschuwen; want het ligt onder den banvloek.
24.  hun — rerilaijnen. Verg. Joz. VII: 9.
25.  Verg. Exod. XXIII: 33. — het — zit. Somtijds mogen beelden bestaan hebben louter uit zilver
of goud, in den regel waren /.ij wis van hout, met plaatjes van edel metaal beslagen en met ketenen
cu andere sieraden getooid; verg. Jez. XXX:28; XL:l!>vv.; XLIV:12—17; Ho/.. VIII:0; X:5v.-
opdat — valt, opdat gij er niet door in het ongeluk gebracht wordt.
26.   eveneem, nl. als het zilver en goud der afgodsbeelden. — onder den banvloek. Zie op I.i-v.
XXVII: 28 v.
HOOFDSTUK VIII.
De wclduden van Jahwe moeten het volk tot gehoorzaamheid brengen. — Israël, om in Knnaiin
gelukkig te zijn, onderhoude de geboden (1); het worde daartoe opgewekt door de herinnering aan
Jahwe\'s leiding door de woestijn, aan zijne wonderbare zorg voor hun voedsel en kleeding (2—6) en
door het vooruitzicht van al het goede dat iu Kaïiaün hen wacht (7—10). Zij moeten echter bij den
overvloed hun Weldoener niet vergeten (11—IC), als hadden zij hunne welvaart aan zich zelven te
danken (17); daar Jahwe hun alles geeft (18): anders is hun ondergang gewis (19 v.).
De meeste der hier voorkomende geschiedkundige herinneringen heeft de ochrijver van elders ont-
lecnd: het manna aan Num. XI: 0—!), het water uit de rots nan Exod. XVII : 1—7, de vergiftige
slangen aan Num. XXI: o—!). Of de bijzonderheden welke vs. 4 voorkomen schriftelijk of mondeling
overgeleverd, dan wel eigen vinding van den schrijver zijn, moet onbeslist blijven.
VIII: 1 Al de geboden die ik u heden geef zult gij nauwgezet betrachten,
opdat gij leeft, u vermenigvuldigt en in het bezit komt van het land
2       dat Jahwe uwen vaderen onder eede beloofd heeft.\' Herinner u den
ganschen weg waarlangs Jahwe, uw god, nu veertig jaren u geleid
heeft in de woestijn, ten einde u te verootmoedigen, om u op de proef
te stellen en te weten te komen wat in uw hart was, of gij zijne ge-
3       boden zoudt onderhouden, al dan niet.\' Hij verootmoedigde u, deed
u honger lijden en spijzigde u met het manna, dat gij evenmin als
uwe vaderen kendet, ten einde u te doen inzien dat de mensch niet
leeft van brood alleen, maar dat de mensch leeft van al wat Jahwe\'s
4       mond uitgaat.\' Uw kleed is aan u niet versleten en uw voet niet
5       doorgeloopen, nu veertig jaren. \' Erken dan van harte dat Jahwe, uw
G god, u opvoedt, zooals iemand zijn zoon opvoedt,\' en onderhoud de
geboden van Jahwe, uw god, en ga op zijne wegen en vrees hem; \'
Vs. U. Matth. IV: 4; Luc. IV: 4. — Vs. 4. XXIX: 5; Neh. IX: 21.
2.  ten einde — verootmoedigen, u uwc afhankelijkheid van Jahwe te doen gevoelen. Door de Israë-
liclrii gebrek te laten lijden en dan op buitengewone wijze in hunne behoeften te voorzien (vs. 8, IC),
wilde Jahwe hen tot het inzicht brengen dat zij niets hadden en vermochten zonder zijne hulp.
3.   deed — manna. Het manna wits dus eene weldaad van Jahwe, aan de hongerende Israëlieten
zeer welkom. Verg. iul. op Exod. XV : 22—XVI: 30, en over het manna zie op Exod. XVI: 14. —
ilal gij — kendet, en dat dus een zeer ongewoon voedsel was; zoodat Israël daarin eene bijzondere
gave van Jahwe moest zien. Dat het manna uit den hemel viel wordt wel Exod. XVI; Ps. I.WVII I : 2\\;
l\'V : 40, maar hier evenmin als Num. XI : C—1) vermeld. — dat de mensch — uitgaat, lic spijziging
met maiiiia moet den Israëliet leeren, dat hij voor zijn levensonderhoud niet van het gewone voedsel
afhankelijk is, maar zich verlaten mag op de gunst van zijn god, die hein op allerlei wijze wat hij
Mondig heeft verschaffen kan. — al vat — uitgaat, al wat Jahwe beveelt cu beschikt.
4.   niet doorgeloopen, onzekere vertaling. Anderen niet zonder tchoeitel gewteit.
5.   Verg. 1:31.
-ocr page 335-
415
DBUTBRONOMIÜM VIII : 7—20.
7       want Jahwe, uw god, brengt u in een goed en uitgestrekt land, een
land van waterbeken en bronnen des oceaans, ontspringende in de
8       vallei en op het gebergte, \' een land van tarwe en gerst, van wijn-
stokken, vijgeboomen en granaten, een land van olierijke olijven en
9       honing,\' een land waar gij niet in nooddruft brood zult eten, waar
het u aan niets zal ontbreken, een land welks steenen ijzer zijn, en
10       uit welks bergen gij koper zult houwen;\' zoodat gij zult eten en ver-
zadigd worden en Jahwe, uw god, loven wegens het goede land dat
hij u gaf\'.
11            Neem u in acht, Jahwe, uw god, niet te vergeten, door zijne gebo-
den, verordeningen en inzettingen, die ik u heden geef, niet te onder-
12       houden.\' Laat niet, als gij eet en verzadigd wordt, als gij schoone huizen
13       bouwt en bewoont,\' als uwe runderen en uw klein vee zich vermenig-
14       vuldigen, als uw zilver en goud, ja al wat gij hebt, toeneemt,\' uw hart
zich verheffen. En vergeet Jahwe, uw god, niet, die u uit Egypteland,
15       uit het slavenhuis, voerde; \' die u geleidde door de groote en vreese-
lijke woestijn met vergiftige slangen en schorpioenen, door dorre streken
zonder water; die voor u water aan de keiharde rots deed ontspringen;\'
16       die in de woestijn u spijzigde met manna, dat uwe vaderen niet kenden,
ten einde u te verootmoedigen en op de proef te stellen, om u ten
17       slotte wel te doen.\' En denk dan niet: Mijne kracht en mijne machtige
18       hand heeft mij dit vermogen verworven; \' maar gedenk Jahwe, uw
god; want hij is het die u kracht geeft om vermogen te verwerven;
omdat hij het verbond dat hij uwen vaderen bezworen heeft gestand
19       wil doen, zooals heden blijkt.\' Maar mocht gij Jahwe, uw god, ver-
geten en andere goden volgen, hen dienen en aanbidden, dan verzeker
20       ik u heden dat gij ongetwijfeld zult te gronde gaan: \' evenals de
natiën die Jahwe voor u uit te gronde richt, zoo zult gij te gronde
gaan, tot straf daarvoor dat gij niet gehoord hebt naar Jahwe, uw god.
7.   en uitgestrekt, volg. Som. on Gr. t. ingevoegd. — bronnen dei oceaant, volg. Sam. en Gr. t. j
Hebr. t. bronnen en oceanen. Terwijl do beken door hemelwater gevoed werden, kregen de bronnen
(vim rivieren en stroomen) den toevoer van water uit den ondcraardschcu oceaan; verg. op Gen.
VII: 11 en XLIX:25.
8.   toijmtoklcen eu vijgeboomen. Zie op Richt. IX: 12 en 10. — granaten. Zie op Num. XX: 5. —
olijven. Zie op Richt. IX : 9.
9.  melkt iteenen — houwen. Deze woorden schijnen op bergwerken te doelen; doch die waren er, zoo-
ver wij weten, in Kanaün niet. Misschien moet men bij de „steenen" die „ijzer" zijn aan basalt den-
ken. Op den Libanon, waarover Israël zijne heerschappij wel niet heeft uitgestrekt maar die toch 1:7
tot het aan Israël beloofde land wordt gerekend, waren ijzergroeven, wellicht ook kopermijnen.
10—14. Verg. VI: 10—12.
15. Verg. op Exod. III: I, op Exod. XVII: 5—7 on op .Ier. 11:0. — tchorpioenen, vijf, zes centi-
meter lange insecten, waarvan verschillende soorten in 1\'ulustina voorkomen. Zij zien er uit nis krab-
ben op acht pooten. Met de naar boven gebogen spits van den staart brengt het dier ceu steek toe
die voor insecten en kleine dieren doodelijk is en bij menschen ccuc zeer pijnlijke wond veroorzaakt.
Vandaar dat de schorpioen onder Israël het beeld was van wat gevaarlijk eu kwellend is; zie
Ezech. 11:0; Sir. XXVI: 7; XXXIX: 30; Luc. X: 19 ; Openb. IX : 3, 5, 10.
18. het verbond — heeft. Zie op 1:8.
HOOFDSTUK IX :1— X:ll.
Israël heeft Jahwe\'s gunst telkens door zijne zonden verbeurd, maar door Mozes\' voorbede behou-
den. — Alleen met Jahwe\'s hulp kunnen de Israëlieten Kanaün veroveren (IX: 1—3), maar zij
hebben die niet verdiend (4—fi). Vooral bij den Horeb hebben zij met hun stierbeeld hem zoo ver-
toornd, dat hij hen verdelgd zou hebben (7—14), indien Mozes hein niet verbedeu had (15—21). Zoo
hebben zij zich steeds misdragen (22—24). Mozes\' voorbede (25—29). Jahwe droeg aau Mozes op,
voor de tafelen der wet eene ark te maken (X: 1—5) — waarvan later de Levieten de dragers wer-
den (6—9) — eu beval hem aan de spits van het volk op te trekken (10 v.).
Van de verhalen in Exodui heeft de schrijver Exod. XXIV : 12—14, 184; XXXI: 18—XXXII: 20,
30—34; XXXIV: 1—4, 28 gekend en gebruikt (zie iul. op Exod. XXXII—XXXIV); hij heeft er bij-
-ocr page 336-
DBUTBRONOMIUM IX: 1 — 15.
416
zonderbeden, nan andere bronnen ontleend, aan toegevoegd (zie op X \'. 0—9), en het oudere verhaal
zeer vrij wedergegeven (zie op IX: 9, 15, 18 en 20). Zijn doel uint deze herinnering ia, te doen uitko-
uicii dat Israël het behoud van Jahwe\'* gunst, die het door zijne zonde had verbeurd, uitsluitend aan
de voorbede van Mozes ir danken had.
IX: 1 Hoor, Israël! Gij trekt lieden den Jordaan over, om liet land in
bezit te gaan nemen van natiën, grooter en machtiger dan gij, groote
2       steden met liemelliooge muren,\' vim een groot en lang volk, de Ena-
kieten, van wie gij weet en hebt hooren zeggen: Wie kan tegen de
3       Enakieten stand houden.\'\' Zie dan beden in, dat bet Jahwe, uw god,
is, die als een verterend vuur aan uwe spits overtrekt: bij zal ben
verdelgen, bij ben vóór u vernederen, zoodat gij hen spoedig verdrijft
4       en te gronde richt, gelijk Jahwe u heeft toegezegd.\' Denk niet, als
Jahwe, uw god, hen voor u uit jaagt: Om mijne gerechtigheid heeft
Jahwe mij in het bezit van dit land gesteld — want om de slechtheid
5       dezer volken drijft Jahwe hen voor u uit;\' niet om uwe gerechtigheid
en rechtschapenheid gaat gij hun land in bezit nemen, maar om de
slechtheid dezer volken drijft Jahwe, uw god, ben voor u uit, en
omdat hij het woord gestand wil doen dat hij uwen vaderen, Abraham,
Izaiik en Jakob, gezworen beeft.
0          Zie toch in, dat Jahwe, uw god, u niet oiu uwe gerechtigheid dit
7       goede land in bezit geeft; want gij zijt een hardnekkig volk. \' (ledenk
en vergeet niet, hoe gij Jahwe, uw god, in de woestijn vergramd hebt;
van den dag af dat gij uit Egypteland zijt getogen, totdat gij aan
deze plaats gekomen zijt, zijt gij weerspannig tegen Jahwe geweest.\'
8       Ja, bij den Horeh hebt gij Jahwe zoo vergramd dat hij in zijn toorn
9       u wilde verdelgen:\' het was toen ik den berg bad beklommen, om
de steenen tafelen in ontvangst te nemen, de tafelen van het verbond
dat Jahwe met u gesloten had, en veertig dagen en nachten op den
10       berg vertoefde zonder brood te eten of water te drinken,\' toen Jahwe
mij de twee steenen tafelen gaf, door den vinger Gods beschreven,
met al de woorden er op die Jahwe op den berg midden uit het vuur
11       op den dag der Vergadering tot u gesproken had.\' Toen nu Jahwe,
na verloop van veertig dagen en nachten, mij de twee steenen tafelen,
12       de tafelen des verbonds, had gegeven, \' zeide Jahwe tot mij: Sta op,
ga in aller ijl van hier naar beneden; want uw volk, dat gij uit
Egypte geleid hebt, heeft zich bezondigd; zij zijn spoedig afgeweken
van den weg dien ik hun heb voorgeschreven, zij hebhen zich een
13       gegoten beeld gemaakt.\' Verder zeide Jahwe tot mij: Ik heb dit volk
14       gadegeslagen, en waarlijk, het is een hardnekkig volk.\' Laat mij be-
gaan! dat ik ben verdelge, hun naam van onder den hemel uitwissche
15       en u tot eene natie make, machtiger en talrijker dan deze. \' Toen
wendde ik mij en daalde den berg af; de berg nu brandde, en de
2.  hebt hooren zeggen, door de verspieders, Nuin. XIII: 31—33.
3.  als een verlerend vuur. Zie op IV: 24. — spoedig. Zulk oenc snelle vernietiging der vijanden
wordt VII: 22 buitengesloten.
5. Verg. op Gen. XV : lfl. — dat hij, volg. Snm. en Gr. t.; Hebr. t. dat Jahwe.
0. Verg. Kzech. XXXVI: 22, 32.
il. zonder — drinken. In het verhaal van Exodus wordt van het vasten van Mozes bij zijn eerste
verblijf op den Horeb geen melding gemaakt; doch verg. Kxod. XXXIV\': 28.
10. der Vergadering, /ie op XXIIIII.
14.  hun — uitwisscheu. Zie op Gen. XXXVIII:9. — machtiger — deze. Evenzoo Num. XIV: 12,
en verg. Kxod. XXXII: 104.
15.   Toen wendde ik mij. Mozes antwoordt dus op Jahwe\'s woorden niet. Volgens XXXII: 11—14
doet Mozes terstond nadat hij door Jahwe het wanbedrijf des volks heeft vernomen zijne voorbede en
wordt verhoord; volgens Kxod. XXXII: 30—34 herhaalt hij ze bij een tweede verblijf op den berg.
De schrijver van Deuieronomium laat Mozes alleen gedurende zijn tweede verblijf op dcu Horeb voor
zijn volk bidden; zie vs. 18.
-ocr page 337-
417
DBUTBRONOMIUM IX: 15—29.
16       twee tafelen des verbonds droeg ik op mijne beide handen; \' en ik zag
dat gij luidt gezondigd tegen Jahwe, uw god, u een gegoten stier
hadt gemaakt, en spoedig afgeweken waart van den weg dien Jahwe
17       u had voorgeschreven.\' En ik vatte de twee tafelen, wierp ze van
18       mijne beide handen en verbrijzelde ze voor uwe oogen. \' Daarop wierp
ik mij voor Jahwe neder, gelijk den eersten keer, veertig dagen en
nachten, zonder brood te eten of water te drinken, om al het zondig
bedrijf waaraan gij u hadt schuldig gemaakt, door te doen wat kwaad
19       is in het oog van Jahwe, om hem te tergen. \' Want ik duchtte den
toorn en de verbolgenheid van Jahwe, die zoo op u vergramd was dat
20       hij u wilde verdelgen. En Jahwe verhoorde mij ook ditmaal. \' üok op
Aiiron was Jahwe zoo hevig vertoornd dat hij hem wilde verdelgen;
21       maar ik was terzelfder tijd ook Aarons voorspraak. \' En het gewrocht
uwer zonde dat gij gemaakt hadt, den stier, heb ik genomen en ver-
brand, stukgestooten en ter dege vergruizeld, zoodat hij tot stof was
vermalen, en zijn stof strooide ik in de beek die van den berg afvloeit.
22           Almede te Tabeëra, te Massa en te Kibroth-hattaawa hebt gij Jahwe
23       telkens vergramd; \' desgelijks toen Jahwe u uit Kades-barnea zond met
de woorden: Trekt op en neemt het land in bezit dat ik u gegeven
heb — waart gij weerspannig tegen het bevel van Jahwe, uw god;
24       gij hebt hem niet geloofd noch naar hem geluisterd. \' Weerspannig
tegen Jahwe zijt gij geweest van den dag af dat hij u heeft gekend.
25           Toen ik mij nu voor Jahwe nederwierp die veertig dagen en nachten
van welke ik sprak — omdat Jahwe had gezegd dat hij o verdelgen
20 zou — \' toen bad ik tot Jahwe en zeide: Heer Jahwe, stort toch uw
volk en uw erfdeel, dat gij door uwe groote macht losgekocht en met
27       sterke band uit Egypte geleid hebt, niet in het verderf! \' Gedenk uwe
dienaren, Abraham, Izatik en Jakob; sla geen acht op de hardheid van
28       dit volk, op zijne boosheid en zijne zonde!\' Opdat niet het land waaruit
gij ons hebt uitgeleid zegge: Omdat Jahwe niet in staat was hen in
het land te brengen dat hij hun had toegezegd, en omdat hij hen
29       haatte, heeft hij hen uitgeleid om hen te dooden in de woestijn.\' Zij
17.   Deze daad van heftige verontwaardiging laat zich moeilijk verklaren na de mededecliug die
Mo/r* volgens vs. 12—14 reeds vau Jahwe ontvangen had. De schrijver trof echter deze tegenstrij-
dighcid reeds in zijne bron aan; verg. Exod. XXXII: 7—14, 19 v. en inl. o» Exod. XXXII—XXXIV.
18 v. De inhoud van dit gebed wordt vs. 25—29 medegedeeld.
18.  gelijk — nachten. Dit tweede tijdperk van veertig etmalen is dat van Mozcs\' tweede en laatste
verblijf op den Horeb, waarop ook X:10 gedoeld wordt. Volgens Exod. XXIV: 12; XXXII: 30;
XXXIV : 2 had Mozcs drie keeren den Horeb bestegen; de schrijver van Deulertmomium limt.hein dit
slechts twee keeren doen. Hierdoor ontstond zekere verwarring in de voorstelling van hot gebeurde;
immers wordt .Mozcs\' gebed op den Horeb medegedeeld (vs. 18 v., 25—29; verg. X:10) voordat
verhaald is dat hij den berg beklom (X: 3). De schrijver kwam hiertoe, omdat hij toch Jahwe het
gebod nieuwe tafelen te maken en daarmede den berg te bestijgen (X : 1) niet kon laten geven voor-
dat hij verbeden was.
19.  ook ditmaal. Dat Jahwe reeds vroeger ecne bede van Mozes voor zijn volk verhoord had wordt
nergens vermeld; zie op vs. 15. Waarschijnlijk dacht de schrijver onwillekeurig aan het gebed dat
Mozes volgens Exod. XXXII: 14 reeds gedurende zijn eerste verblijf op den berg had uitgesproken.
20.   In Krodue wordt niets gezegd over Jahwe\'s toorn tegen Aiiron eu over Mozes\' voorspraak; wel
(Kxod. XXXII: 21) over ecne bestralling van Aaron door Mozes.
21.   De bedoeling is natuurlijk dat dit gebeurde terstond na het verhaalde vs. 17. De schrijver
verwaarloost ook hier do tijdsorde; zie op vs. 18.
22.   Over de hier bedoelde zonden der Israëlieten zie Exod. XVII: 1—7; Num. XI: 1—3; 31—35.
De volgorde waarin de plaatsunmen daar voorkomen is Massa, Tabeëra, Kibroth-hattaiiwa.
23.  Zie 1:26—33; Num. XIV : 1—t.
24.  hij ii heeft gekend. Zoo S«m. t.; Hebr. t. ik u heb gekend; Gr. vert. hij u is bekend gemor-
den.
De voorstelling dat Jahwe in de woestijn Israël heeft leeren kennen of gevonden heeft wordt
ook aangetroffen XXXII: 9 v.; Eïech. XVI: 1—14; Hoz. IX: 10, maar gaf later aanstoot; vandaar die
wijzigingen in den tekst.
25.  van welke ik iprak, letterlijk gedurende welke ik mij nederwierp.
20—29. Verg. Exod. XXXII: 11—18; Num. XIV: 18—19.
29. uit Egypte, volg. Sam. eu Gr. t. ingevoegd.
O. T. I.                                                                                                                          27
-ocr page 338-
418                                DBUTBRONOMIUM IX : 29—X : 11.
zijn toch uw volk en uw erfdeel, dat gij door uwe groote kracht en
uwen uitgestrekten arm uit Egypte heht uitgeleid.
X: 1
         Te dier tijd zeide Jahwe tot mij: Houw u twee steenen tafelen
gelijk de vorige, en kom tot mij boven op den berg; maak u ook
2       eene houten ark: \' dan zal ik op de tafelen de woorden schrijven die
op de vorige tafelen die gij verbrijzeld hebt gestaan hebben, en gij
3       zult ze in de ark leggen. \' Toen maakte ik eene ark van acaciahout,
hieuw twee steenen tafelen gelijk de vorige, en klom op den berg met
4       de beide tafelen in mijne hand; \' en Jahwe schreef op de tafelen, met
hetzelfde schrift als den vorigen keer, de Tien Woorden, welke hij op
den berg midden uit het vuur tijdens de Vergadering tot u had ge-
5       sproken, en Jahwe gaf ze mij.\' Toen wendde ik mij om, daalde van
den berg af en legde de tafelen in de ark welke ik gemaakt had, en
daar bleven zij, zooals Jahwe had bevolen.
6           De Israëlieten nu zijn opgebroken van Beëroth-bene-Jaükan naar Mo-
zera: daar is Aiiron gestorven en begraven en zijn zoon Eleazar priester
7       geworden in zijne plaats. \' Van daar zijn zij opgebroken naar Grudgod
8       en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.\' Te dier tijd
heeft Jahwe den stam Levi afgezonderd om de ark des verbonds van
Jahwe te dragen, Jahwe ten dienste te staan en in zijnen naam te
9       zegenen, zooals tot heden toe geschiedt.\' Daarom heeft Levi geen aan-
deel en erve onder zijne broederen; Jahwe, hij is zijn erfdeel, zooals
Jahwe, uw god, hem heeft toegezegd.
10           Ik stond dan op den berg, evenals de vorige dagen, veertig dagen en
nachten, en Jahwe verhoorde mij ook ditmaal; Jahwe heeft u niet in
11       het verderf willen storten;\' en Jahwe zeide tot mij: Sta op, ga u aan
de spits van het volk stellen; opdat zij het land in bezit gaan nemen
dat ik aan hunne vaderen onder eede beloofd heb hun te zullen geven.
li—5. Volgens deze verzen is de urk van den aanvang at\' bestemd geweest tot bcwnarplaats van de
steenen tafelen en werd zij dan ook tegelijk met deze gemaakt. Die voorstelling is evenwel niet juist
en hoogst waarschijnlijk niet ouder dan het bock Deuleronomium. Oorspronkelijk was do ark de woning
vau Jahwe en heette zij dan ook, niet: de ark des verbonds, maar: de ark van Jahwe. Zio on Kxoil.
XXV : 10—22 en on Nam. X : 33.
1.   eene houten ark, dus eene eenvoudige kist: blijkbaar kende de schrijver de prachtige, met goud
overtrokken, door cherubs overschaduwde ark van Kxod. XXV : 10—22; XXXV1I:1—9 niet.
2.  gij zult ze in de ark leggen. Het is zeer twijfelachtig, of de tafelen mot de Tien Woorden daar
wel ooit bewaard zijn: de aard der zaak vorderde althans, dat zij zooveel mogelijk in het openbaar
ten toon gesteld en niot in eene heilige kist weggeborgen werden. Maar de Bchrijver geeft deze be-
stemining aan de ark om de vroegere voorstelling, als was zij de woning van Jahwe zelven, te ver-
dringen. Verg. 1 Kou. VIII: 9.
3.  maakte ik. Volgens Kxod. XXXVII: 1 was de maker Kesaleël.
4.  de Vergadering. Zie op XXIII: 1.
6—\'J. Deze verzen behooron niet tot Mozes\' toespraak, maar zijn er door den schrijver als tu»-
scheuzin ingclnscht, naar aanleiding vnn de vermelding der verbondsark. Die vermelding deed den
schrijver denken aan de Levieten, de dragers der ark; vandaar deze uitweiding, voor een deel aan-
haling uit een overigens verloren reisverhaal.
6 v. Verg. Xum. XXXIII: 30—33, waar Mozeroth aan Bene-Jaaka* voorafgaat.
0. Volgens Num. XX: 22—29; XXXIII: 88 v. sterft Aiiron op den berg Hor.
7 v. Volgens Num. 111:11—39 werden de Levieten niet te Jotbath, maar reeds bij den Sinai aan-
gesteld.
7.   liudgod, Jotbath, plaatsen van onbekende ligging; zie op Num. XXXIII: 16—36.
8.   Wat hier tot den werkkring der Levieten in het algemeen wordt gerekend wordt elders (Num.
IV :15; VI:22—27; XVIII:"). deels uitsluitend aan de zonen van Aarou opgedragen (zie op XVIII:
1 v. en inl. op H. XVII1 en verg. XVIII: 5; XXI: 5), deels aan de Kehathietischc familie der Levieten
(Xum. IV: 1—16).
9.   Jahwe U tijn erfdeel. Daar Levi niet als de andere stammen een aandeel had in het grond-
bezit van Kanaan, viel hem Jahwe als zoodanig ten deel, d. i. had hij recht op de bediening van het
priesterschap van Jahwe en de daaraan verbonden inkomsten. Dit wordt herhaald XII: 12; XIV: 27,
29; XVIII:lv; Num. XVIII: 20; Joz. XIII: 14; XVIII: 7; Kzech. XLIV: 28; zie hierover verder
XVIII: 1—8 on op Gen. XLIX : 7.
10.   Zie on IX: 18. — verhoorde mij, toen ik het gebed dat IX: ih—29 is medegedeeld tot hem
had opgezonden. — ook ditmaal. Zie op IX : 19.
-ocr page 339-
419
DBUTBRONOMIUM X ! 12—XI: 2.
HOOFDSTUK X : 12—XI: 32.
Zegen of vloek gevolg van vervulling of overtreding der wet. — Israël gehoorzame Jahwe, die,
ofschoon heer van hemel en aarde, hen alleen heeft uitverkoren (X : 12—15); het beoefene mcnschlie-
vendheid, daar Jahwe de verdrukten beschermt (10—1!)); het diene zijn Weldoener, dio het tot een
talrijk volk mankte (20—22), wiens groote daden (XI: 1—4) en strafgeriehtcn zij gezien hebben (5—7).
Dan zullen zij gelukkig zijn (8 v.) in een rijk gezegend land (10—15); maar in geval vnn ontrouw zal
Jahwe hun zijn zegen onthouden (18 v.). Israël oycnlenke daarom de wet en prente ze zijnen kinderen
in (18—21); opdat het Kanaiin in zijn ganschen omvang veroverc (22—25). Zegen of vloek hangt
dus af van eigen keus (26—28); op de bergen Gerizim cu Ebal zullen zij in Kaïiuiin voor Israël be-
schikbaar zijn (20—32).
Terwijl do schrijver overigens zijn eigen weg gaat, maakt hij XI: 3—0 blijkbaar gebruik van ge-
schreven berichten. Over de bron waaraan hij zijne kennis van de Egyptische plagen ontlcccut is
niets met zekerheid te zeggen; zijne voorstelling van den ondergang der Kgyptenarcn in de Schclfzee
wordt in Exod. XIV teruggevonden; over Dnthan en Abirnm raadpleegde hij niet Nam. XVI in den
tegen woord igen vorm, maar een daarin opgenomen verhaal over het verzet der Rubenieten tegen Mozcs
dat van Korah geen gewag maakt; zie inl. op Nam. XVI.
X: 12 Nu dan, Israël, wat eischt Jahwe, uw god, van u dan dat gij Jahwe,
uw god, vreest, op al zijne wegen gaat en hem liefliebt, en dat gij
13       Jahwe, uw god, van ganscher hart en ganscher ziel dient,\' door de
geboden van Jahwe en zijne inzettingen die ik u heden geef te onder-
14       houden, u tot zegen?\' Zie, aan Jahwe, uw god, behoort de hemel, ook
15       de hoogste hemel, de aarde en al wat er op is;\' en alleen in uwe
vaderen heeft hij welgevallen gehad, door zijne liefde voor hen, en hij
heeft u, hun kroost na hen, uit alle volken verkoren, zooals heden
16, 17 blijkt. \' Besnijdt dan uw hart en weest niet langer hardnekkig;\' want
Jahwe, uw god, is de god der goden en de heer der heeren, de groote,
sterke en geduchte god, die geen aanzien des persoons kent en geen
18       geschenk aanneemt;\' hij neemt het op voor den wees en de weduwe
en heeft den vreemde lief, zoodat hij hem brood en kleeding geeft.\'
19       Hebt dan den vreemde lief; immers, gij zijt vreemden in Egypteland
20       geweest.\' Jahwe, uw god, zult gij vreezen, hem dienen, hem aanhan-
21       gen en bij zijn naam zweren;\' hij is het voorwerp van uw lof, hij
uw god, die aan u deze groote en geduchte dingen gedaan heeft welke
22       uwe oogen hebben gezien.\' Zeventig zielen sterk zijn uwe vaderen
naar Egypte afgetogen, en nu heeft Jahwe, uw god, u zoo talrijk ge-
maakt als de sterren des hemels.
XI: 1 Hebt dan Jahwe, uw god, lief, neemt uw plicht jegens hem waar
en onderhoudt te allen tijde zijne inzettingen, verordeningen en gebo-
2 den,\' en maakt aan uwe kinderen, die de tucht van Jahwe, uw god,
Vs. 20. VI: 13. — Vs. 2«v. VII: 18 v.
14. Verg. op Ps. XXIV :1. — de hoogste hemel, letterlijk de hemel der hemelen. De Israëlieten
stelden zich voor, dat de ruimte boven het uitspansel uit verschillende nfdeclingcn bestond, waarvan
de hoogste de woonplaats Gods was; verg. 1 Kon. VIII: 27; Ps. LXVIU:34; CXLVII1:4; Efez.
IV: 10. Zoo is 2 Kor. XII: 2 van drie, elders, in Joodsche geschriften, van zeven hemelen sprake.
16.   Besnijdt dan uw hart, wijdt het aan Jahwe; zie op Lev. XXVI: 41. De schrijver vermeldt het
gebod der vlceschelijke besnijdenis in zijn wetboek niet en eischt, evenals Jercmia (IV: 4), alleen cenc
besnijdenis in geestelijken zin: verg. ook XXX: 6. Over het gebruik zelf zie inl. op Gen. XVII en aant.
op Gen. XVII: 10.
17.   de god der goden, de allerhoogste god. Daar de schrijver het bestaan van andere goden nevens
Jahwe ontkent (VI: 4), is deze uitdrukking, overblijfsel van een vroeger geloof, hier eigenlijk mis-
plnatst; verg. op Ps. XCV: 3. — die — aanneemt. Zie op Exod. XXIII: 8, en verg. 2 Kron. XIX: 7;
Job XXXIV :l\'J; Hand. X:34; Rom. 11:11; Gal. 11:6; Efcz. VI: 9; Kol. 111:25; 1 Pctr. 1:17.
22. Verg. XXVI: 5. — Zeventig. Zie Gen. XLVI: 27; Exod. 1:5. In sommige hss. der Gr. vert.,
alsook Hand. VII: 14, vijf en levetitig. — talrijk — hemelt. Verg. Gen. XIII: 16; XV: 5. Over eeno
hiervan afwijkende voorstelling zie op 1: 10 en VII: 7.
2. en maait — bekend, naar zeer onzekere tekstverbetering. Hier, evenals vs. 7 en V: 3, legt Mozcs
er nadruk op, dat zijne hoorders, aan wie hij de wet gaat geven, ooggetuigen zijn geweest van de
bevrijding uit Egypte en van al wat daarop volgde.
-ocr page 340-
DBÜTERONOMIUM XI : 2— I 9.
420
ervaren noch gezien hebben, zijne grootheid bekend, zijne sterke hand
3       en zijn uitgestrekten arm,\' de teekenen en daden die hij midden in
Egypte aan Farao, Egypte\'s koning, en aan zijn gansche land heeft
4       gedaan; \' en wat hij gedaan heeft aan Kgypte\'s leger, zijne paarden
en strijd wagens, waarover hij, toen zij u achtervolgden, de wateren
der Bchel&ee heeft doen heen stroomen, zoodat hij ze te gronde richtte,
5       tot op dezen «lag:\' en wat hij voor u gedaan heeft in de woestijn,
b\' totdat gij kwaamt aan deze plaats; \' en wat hij gedaan heeft met
Dathan en Abiram, de zonen van Eliab, den Rubeniet, dewelken door
de aarde, die haren mui] opensperde, verslonden zijn, met hunne ge-
zinnen, hunne tenten en al hunne levende have, in het midden van
7       gansch Israël.\' Want met eigen oogen hebt gij het gansche groote
werk dat Jahwe verricht heeft gezien.
8            Onderhoudt dan al de geboden die ik u beden geef; opdat gij sterk
zijt en in het bezit komt van bet land dat gij aan den overkant in
9       hezit gaat nemen,\' en opdat gij lang gevestigd blijft op den bodem
dien Jahwe uwen vaderen onder eede beloofd heeft aan hen en hun
kroost te zullen geven, een land overvloeiende van melk en honing.\'
10       Want het land dat gij in bezit gaat nemen is niet als Egypteland,
waaruit gij getogen zijt, dat gij, na bet bezaaid te hebben, met uwen
11       voet van water moest voorzien, evenals een moestuin; \' neen, het land
dat gij aan den overkant in bezit gaat nemen is een land van bergen
12       en valleien; het wordt door den regen des hemels gedrenkt; \' een land
dat Jahwe, uw god, verzorgt, waarop Jahwe, uw god, voortdurend bet
oog houdt, van het begin tot het einde des jaars.
13            Indien gij nu goed luistert naar de geboden die ik u heden geef,
en Jahwe, uw god, liefhebt en van ganscher hart en ganscher ziel
14       dient,\' zoo zal hij den regen voor uw land op zijn tijd geven, najaars-
en voorjaarsregen, zoodat gij uw koren en most en olie zult inzamelen;\'
15       en hij zal kruid op uwen akker geven voor uw vee, zoodat gij zult
1(5 eten en verzadigd worden. \' Zorgt dat uw hart niet verlokt worde, om
17       af te wijken en andere goden te dienen en te aanbidden; \' dan zou
Jahwe\'s toorn tegen u ontbranden en hij den hemel dichtsluiten, zoodat
er geen regen kwam en de bodem zijn beschot niet gaf, en gij zoudt
weldra vergaan uit het goede land dat Jahwe u geeft.
18            I-*gt dan deze mijne woorden weg in uw hart en in uwe ziel, bindt
ze tot een teeken op uwe hand en laat ze tot een merk zijn tusschen
19       uwe oogen; \' leert ze uwen kinderen, door er over te spreken als gij
in huis zit en als gij op den weg gaat, als gij u nederlegt en als gij
V». 14. XXV1II:12. — Vs. 18—20. VI: 6—\'J.
4. Zie Kxod. XIV. — Schel/zee. Zie op Kxod. XIII: 18. — tot op dezen dag, zoodat zij zich tot
nu toe — het eind der omzwerving — niet hersteld hebhen vnn die nederlaag. Wellicht ia het dcnk-
hecld ontleend umi Kxod. XIV: 13.
6. Zie Num. XVI. Over het verzwijgen van Kornh zie de lul.
10—12. I)c schrijver wijst op het verschil tusschen Kanaiin en Kgypte, niet slechts om de voor-
rechten vnn Kniinüu, maar ook en vooral om Israël* gehccle afhankelijkheid van Jahwe alleen in het
licht te stellen.
10.   i/at — voorzien. Waarschijnlijk wordt hier gedoeld op de nog heden als voor vierduizend jaar
met den voet in beweging gebrachte schepraderen, waardoor het water uit de kanalen en putten in
emmers aan lange touwen opgehaald en dan over het land uitgestort wordt: een zware arbeid.
13—21. Zie op VI: 4—9.
11.  hij, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. ik. Kvenzoo vs. 15. — najaari- en voorjaariregen. l)e eerste
viel in Octuber of November op de pasbezaaidc akkers, de laatste in Maart of April kort voor den oogst.
15.  hij. Zie op vs. 14.
lfi.  dat — worde. Dezelfde uitdrukking Job XXXI: 27.
18.  bindt — oo</en. Zie op Kxod. XIII: 0 en 16.
19.  ii\' huis. volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. in uto huis.
-ocr page 341-
DBUTEHONOMIUM XI : 19—32.
421
20       opstaat; \' schrijft ze op de deurposten van uw huis en op uwe poorten;\'
21       opdat de dagen die gij en uwe kinderen doorbrengt op den bodem
dien Jahwe uwen vaderen onder eede beloofd heeft hun te zullen geven
zoo talrijk worden als de dagen des hemels over de aarde.
22           Want indien gij al deze geboden die ik u gebied te betrachten nauw-
gezet onderhoudt en Jahwe, uw god, liefhebt en op al zijne wegen
23       gaat en hem aanhangt.\' zoo zal Jahwe al deze volken voor u uit ver-
drijven, en gij zult het land in bezit nemen van volken, grooter en
24       machtiger dan gij: \' elke plek waarop gij uwe voetzool zet zal u toe-
behooren: van de woestijn en den Libanon en de Rivier, den Eufraat,
25       tot aan de Westelijke Zee zal uw grondgebied zijn. \' Niemand zal tegen
u kunnen standhouden: Jahwe zal den schrik en de vrees voor u
brengen over het gansche land dat gij zult betreden, zooals hij u heeft
toegezegd.
2b", 27 Zie, ik leg u heden zegen en vloek voor: \' den zegen, indien gij
luistert naar de geboden van Jahwe, uw god, welke ik u heden geef;\'
28       en den vloek, indien gij niet luistert naar de geboden van Jahwe, uw
god, maar van den weg dien ik u heden voorschrijf afwijkt, om andere
goden, goden die gij niet kent, te volgen.
29           Wanneer nu Jahwe, uw god, u brengt in het land dat gij in bezit
gaat nemen, dan zult gij den zegen op den berg Gerizim en den vloek
30       op den berg Kbal leggen.\' Deze liggen immers aan de overzijde van
den Jordaan, achter de westelijke heirbaan, in het land der Kanaanieten,
die in de Vlakte wonen, tegenover Gilgal, dicht bij den Leeraarseik.\'
31       Want gij trekt den Jordaan over om het land dat Jahwe, uw god,
u zal geven in bezit te gaan nemen, en gij zult het in bezit nemen
32       en er wonen. \' Betracht dan nauwgezet al de inzettingen en verorde-
ningen die ik O lieden voorleg.
V». 24. Joz. I:3v.
20.  Zie op VI: 9.
21.  alt — aarde. Voor altijd zou ilnn het volk in Knnaiiii wonen; Terg. Job X1V:12; Ps. LXXXIX:80.
22.   Verg. XIX: 9.
24.  De grenzen van Kanniui worden in hoofdzaak cveuzoo aangegeven 1:7; zie aldaar. — deieoettijn,
die van Petrcïsch Arabic of „de woestijn der omzwerving".—den Libanon, in het noorden. Zie op 1:7.—
dr» Eufraat, in het oosten. — de Wettelijke 7*e, de .Middellandsche.
25.  zooait — toegezegd. Zie Exod. XX11I: 27.
26—28. Verg. XXX: 15—19; Jer. XXI: 8.
28.  Zie op XXXII: 17.
29.   dan zult gij — leggen. Die twee bergen zullen de dragers zijn van den zegen en den vloek;
zoodat deze voor Israël in zijn land als het ware gereed ligjren, om naar gelang van zijne verhouding
tot de wet van Jahwe zijn deel te wurden. De zegen wordt op den Gerizim, de vloek op den Ebal
gelegd, waarschijnlijk omdat voor hem die met het gelaat naar het oosten staat de eerste rechts, dus
in de richting van het geluk, de tweede links, dus in de richting van het ongeluk, ligt. Van een
uitspreken van den zegen en deu vloek op die bergen is hier geen sprake; doch zie verder op
XXV11:11—18 en op Joz. VIII: 33. — Gerizim en Mat, twee bergen nabij Siehem, de een ten zuid-
westen, de ander ten noorden, beide omstreeks 900 M, hoog. De Gerizim is later beroemd geworden
als de tempelberg der Samaritanen, 2 Makk. VI: 2; Joh. IV: 20. Zie op Exod. XX: 17.
30.   de orerzijde tan deti Jordaan, hier de westzijde, die van het standpunt des sprekers de ovcr-
zijde is; verg. op 111:8. — de wettelijke heirbaan, loopcude in de richting vau noord naar zuid,
aldus genaamd in onderscheiding van den grooten weg ten on-ten van den Jordaan, van Dainaskus
naar Arabic en de Klnnietischc golf. — de Vlakte, hier de westelijke helft. Zie op 1:1. — Gilgal.
De ligging dezer plaats is niet geheel zeker; waarschijnlijk Ing zij ten westen van Siehem en ten
zuidwesten vim Samaric. Ten tijde van Klia en Klizn was er eenc bloeiende profetenschool gevestigd
(2 Kon. 11:1). Ook «ras er een veelbezocht heiligdom, waartegen de profeten Ilozca eu Amos met alle
kracht hebben geijverd (Hoz. [Tl 16; IX : 15; X1I:12; Am. IV : 4 v.). Over een ander (Jilgal, in den
stam Benjamin, zie op Joz. IV i 19. — den Leeraarteik, volg. Sam. en Gr. t.; Hcbr. t. heeft het
meervoud. Zie op Gen. XII: 6.
INLEIDING OP HOOFDSTUK XII—XXVI.
Deze hoofdstukken, die met XXXI: 9—13 de kern van het boek uitmaken (zie Inl.\'i. bevatten wetten
op de plaats der godsverecring (XU), de afgoderij (XIII), de reine en onreine dieren (XIV : 1—21), de
-ocr page 342-
DKUTKR0N0M1UM XII ! 1, 2.
122
tienden (XIV: 22—20), de kwijtschelding en vrijlating (XV: 1—18), de eerstgeborenen (XV : 19—28), de
feesten (XVI : 1—17), do rechtsbedecling (XVI: 18—XVII: 18), het koningschap (XVII: 14—20), het
priesterschap (XVIU : 1—8), het profetismc (XVIII: 9—22), de vrijsteden (XIX : 1—13), de getuigen
(XIX: 14—21), het oorlogvoercii (XX), het vinden van een vermoorde (XXI : 1—9), voorts ecu groot
aantal korte voorschriften (waarover zie inl. op XXI: 10—21) en eene wet op het brengen van de
eerstelingen en de tienden (XXVI : 1—15), benevens een slotwoord (XXVI: 16—19j.
HOOFDSTUK XII.
Wet op de plnnts der godsvereeriug. — Aankondiging der nu, van 11. XII tot XXVI, volgende
wetten (1). Israël verwoeste in Kannüii de heilige plaatsen en voorwerpen der vroegere bewoners (2 v.)
en vereerc Jahwe nergens dan aan de plaats die hij zal aanwijzen (4—12). Aan alle plaatsen mag
men maaltijden aanrichten, als de offcrmnleti maar bij het écue heiligdom worden gehouden (13—19).
Wie ver van het heiligdom woont mag in zijne woonplaats zoo vaak vleeseh eten als hij wil ^20—22),
als het bloed maar niet genuttigd (23—25) eu het aan Jahwe gewijde bij het heiligdom verbruikt
wordt (2(5—28). Men late zich niet verleiden, de godsdienstige gebruiken der vroegere bewoners na
te volgen (29—31), maar houdc zich stipt aan dit gebod (32).
De strekking dezer wet is, den tempel vuil Jeruzalem als de cenige wettige plaats der godsvereeriug
aan te wijzen. Terwijl in vroegere wetten (Exod. XX: 24; XXI :ö; XXII: 8 v.) den Israëlieten was
toegestaan, op verschillende plaatsen altaren voor Jahwe op te richten, althans het bestaan van meer
dan een heiligdom van Jahwe ondersteld wordt, worden hier alle heiligdommen op een na (zie op vs. 5)
als hcidensrh veroordeeld en opgeheven. Hierdoor ontstond evenwel cene niet geringe ongelegenheid.
Tot dusver waren de Israëlieten gewoon, de dieren welker vlecsch zij wilden nuttigen bij het uaastbij
gelegen heiligdom te slachten en een deel daarvan aan Jahwe te offeren. Dit moest natuurlijk ver-
vallen, als er slechts eene offerplnats in het gansene land zou zijn. De wetgever ziet zich dus genood-
zaakt aan het gewone vleeschmanl het karakter van heilige of godsdienstige handeling te ontnemen,
en te bepalen dat voortaan ieder iu zijne wooupluuts mng slachten en vlecsch cteu naar hartelust,
maar dat uitsluitend bij het heiligdom te Jeruzalem een heilige of offermaaltijd zal worden gehouden.
XII: 1 Dit zijn de inzettingen en verordeningen die gij, zoolang gij op den
aardbodem leeft, nauwgezet zult betrachten in het land dat Jahwe, de
god uwer vaderen, u in bezit heeft gegeven.
2
          Verwoesten zult gij al de plaatsen waar de volken die gij gaat ver-
2. De hier als KannUuietisch afgekeurde godsvereeriug was werkelijk oud-Israclictisch. Het geloof
dat de hoogc bergen de zetels der goden zijn, hetwelk wij bij Grieken, Romeinen en andere volken
aantreffen, is ook bij de Semieten wijd verbreid en komt voorul bij de Israëlieten voor; in het O. T.
worden, behalve de Siuai cu de Hcriiion. als heilige bergen vermeld: de Knrmel (1 Kou. XVIII: 19),
de Tabor (XXX1II:19), de Ebal en de Gerizim (XI: 29; XXVlI:12v.), de Olijfberg (2 Sam. XV: 32;
1   Kon. XI: 1), enz. Evenals andere volkeu hunne goden, vereerden ook de Israëlieten Jahwe bij voor-
keur op bergen cu hoog gelegen plaatsen; zij bouwden hunne heiligdommeu en altaren liefst op hen-
velen of kunstmatige hoogten. Zelfs achtte men het zoo natuurlijk hoogc plaatsen nis plaatsen der
aanbidding te beschouwen, dat men het woord barna, dut .hoogte\' heteckeut, ook gebruikte om het
heiligdom op de hoogte WD te duiden (1 Kou. XI: 7; XIV: 23; 2 Kon. XVII: 10 v.; 2 Krou. XXI: 11;
zelfs al lag het iu eene vallei, Kzcch. VI : 3), hetzij den hoogtetcmpcl (1 Kon. XII: 31; XIII: 32; 2
Kon. XVII: 29; XXIII: 19), hetzij eene tent of misschien ecu altaar (2 Kon. XXII] : 8; Ezech. XVI: 16).
Kvcueens oud-Isruclietisch wns de verecring der godheid bij heilige boomeii, die men beschouwde
als dragers van hare levenwekkende kracht. Vooral de eik, de terebint, de tamarisk, de palm, de
granaat komen als zoodanig voor; ook lezen wij van heilige tuinen als plaatsen van godsvereering
(zie op Jez. 1: 29). Iu den regel stondeu de heilige boomen op de hoogten bij een of ander heiligdom
of altaar; eene enkele maal wordt van een boom iu een heiligdom gewaagd (Joz. XXIV: 26; zie op
Gen. XII : li . Oudere schrijvers verhalen zonder cenige afkeuring dat de aartsvaders en andere hoog-
gcachte dienaren van Jahwe hij zulke heilige boomen altaren gebouwd en Jahwe aangeroepen hebben
(Gen. XII :fi; X1H:18; XXI: 33; XXVI: 28 v.; XLVI:1; Joz. XXIV: 26; Richt. VI: 24); daar,
verhalen zij, had Jahwe zich dikwerf geopenbaard aan do zijnen (Gen. XV111:1; Kicht. VI: 11, 19;
2   Sam. V : 24) en had mcu oudtijds recht gesproken in zijnen nnain (Richt. IV: 5; 1 Sam. XIV: 2;
XXII: 6).
Terwijl reeds Hozca (Hoz. IV: 13) on Jezaja (Jez. 1:29) klagen dat de godsvereering bij do heilige
boomen cu die op de hoogten met zooveel afgoderij gepaard gaat, is onze schrijver de eerste die haar
uitdrukkelijk verbiedt eu als heideusch veroordeelt. Van nu af wordt zij door alle geschiedschrijvers
en profeten als afgodisch gebrandmerkt (Lev. XIX: 26; 1 Kon. XIV: 23; 2 Kou. XVI: 4; XVII: 10;
Jez. LVH:5, 7; LXV:7; Jer. 11:20; 111:6, 18; XVH:2; Ezech. VI:13; XVIII:6, 11 vv.; XX:28;
XXXIII: 25). — vrrtcoetten, zoodat ze geen plaatsen van ecredienst.mcer kunnen zijn. Men kon ze
tot andere doeleinden inrichten (2 Kon. X: 27).
-ocr page 343-
DEUTER0N0M1UM XII: 2—15.                                             423
drijven hunne goden hebben gediend: op de liooge bergen en de heuvelen
3       en onder eiken lommerrijken boom; \' hunne altaren zult gij omver-
werpen, hunne wijsteenen verbrijzelen, hunne gewijde boomstammen
verbranden en de beelden hunner goden ombouwen, en zoo hun naam
4       van die plaats doen verdwijnen. \' Alzoo zult gij Jahwe, uw god, niet
5       vereeren; \' maar de plaat» die Jahwe, uw god, uit al uwe stammen
zal uitkiezen om er zijn naam te vestigen, om er te wonen, zult gij
6       opzoeken; daarheen zult gij gaan, \' daar uwe brandoffers en slachtoffers,
uwe tienden en wijgaven, uwe geloften en vrijwillige giften en de
7       eerstgeborenen van uwe runderen en uw kleinvee brengen, \' en daar
met uwe huisgenooten voor het aangezicht van Jahwe, uw god, eten
en vroolijk zijn over al uw bedrijf, waarin Jahwe, uw god, u gezegend
8       heeft.\' Gij zult niet meer doen al wat wij heden hier doen: een ieder
9       wat in zijn oog recht is; \' want tot dusverre zijt gij niet aan de plaats
10       der rust noch in het erve gekomen dat Jahwe, uw god, u geeft.\' Maar
gij zult den Jordaan overtrekken en u vestigen in het land dat Jahwe,
uw god, u zal toewijzen, en hij zal u rust verschaffen van al uwe
11       vijanden rondorii,\' zoodat gij veilig woont, en dan zult gij naar de
plaats die Jahwe, uw god, zal uitkiezen om er zijn naam te doen
wonen brengen al wat ik u gebied: uwe brandoffers en slachtoffers,
uwe tienden en wijgaven, en de gansche keur der geloften die gij aan
12       Jahwe beloven zult; \' en gij zult voor het aangezicht van Jahwe, uw
god, vroolijk zijn met uwe zonen en dochters, met uwe dienstknechten
en dienstmaagden, en met den Leviet die in uwe steden woont; want
hij heeft geen aandeel of erve onder u.
13           Neem u in acht uwe brandoffers niet te brengen op de eerste de
14       beste plaats, \' maar alleen op de plaats die Jahwe in een uwer stam-
men zal uitkiezen; daar zult gij uwe brandoffers brengen, daar alles
15       doen wat ik u gebied.\' Evenwel, naar hartelust moogt gij in al uwe
steden slachten en vleesch eten, naar den zegen dien Jahwe, uw god,
Vs. 3. VII: 5. — Vs. 15 v. Vs. 22—24; XV:22v.
3. Zie op VII: 5. — hun naam. De heilige plaatsen heetten naar de goden die er vereerd werden.
5.  de plaats — vestigen. Bedoeld is de tempel te Jeruzalem, die in dit boek, ook Joz. IX: 27, steeds
door deze of eene dergelijke uitdrukking wordt aangeduid (vs. 11, U, 18, 21, 26; XIV : 23—25;
XV:20; XVI:2, 6, 7, 11, 15, 10; XV1I:8, 10; XV1II:0; XXVI:2; XXXI: 11), daar de door den
schrijver gekozen inklecding het noemen vnn den naam Jiruzalem verbood. De plaats naar Jahwe zijn
naam vestigt of doet wonen is die waar hij zich openbaart en vereerd wil worden. De Samaritanen
zagen er den Gerizim in; verg. op Exod. XX: 17. — om er te wonen, letterlijk voor zijn wonen, wcl-
licht later ingevoegd. Gr. vert. heeft iets anders gelezen.
6.   uwe brandoffers en slachtoffers. Over deze otfers zie iul. op Lev. I—X en nant. op Gen. XXXI: 54. —
tienden. Zie XIV: 22—2\'J. — wijgaven. Zie Num. XV: 17—21. —geloften en vrijwillige giften. Zie
op Lcv. VII: 16. — eerstgeborenen. Zie XV : 19—23.
7.   voor — eten. Bedoeld zijn de offermaaltijden, in of in de nabijheid van het heiligdom aangericht,
waarbij de offeraars als \'t ware Jahwc\'s gasten waren; verg. vs. 12, 18; XIV: 26; XV: 20; XVI: 11;
XXVI: 11; XXVH:7. Zie op Gen. XXXI: 54.
8.   De schrijver onderstelt dat er iu de woestijn althans geen sprake was van een eenig heiligdom.
De voorstelling van Ezra\'s Wetboek, volgens welke Israël ook reeds daar slechts éene plaats der
godsverecriug, den tabernakel, had gehad (Exod. XXV—XXXI), kent hij blijkbaar niet.
9.  de plaats der rust. Verg. Ps. XCV : 11.
12. Zie op X : 9. — Met „den vreemde, den wees en de weduwe" worden de Levieten door den schrij-
ver meer dan eens aan de liefdadigheid hunner landgcnooten aanbevolen, XIV: 27, 29; XVI: 11, 14;
XXVI: 12 v. — den Leviet — woont, in onderscheiding van hen die naar Jeruzulem gingen. Over den
toestand der Levieten in dit boek ondersteld zie inl. op XVIII: 1—8. — uwe sleden, letterlijk uwe
poorten;
een eigenaardig spraakgebruik van dit bock. Buitendien uog in Exod. XX: 10. Verg. op Gen.
XXII: 17.
\\&. op — plaats, letterlijk op elke plaats die gij sien suil.
15. Het slachten van groot en kleinvee, hier toegelaten, wordt in ceno latere wet verboden, tenzij
het als dankotter bij het heiligdom geschiedde; zie op Lev. XVII: 8—7. — de onreine, die aan een
offermunltijd geen deel mocht nemen; verg. Lcv. VII:20v.; 1 Snm. XX: 26. — gazelle en hert, het
gewone wildbraad in Palestina. Vnn deze dieren mocht het vleesch wel gegeten, maar niet geotterd
worden; verg. XIV: 5. De bedoeling is dus: rundvlcesch evengoed als wildbraad.
-ocr page 344-
DBUTBK0N0M1UM XII : 15—31.
424
u in al uwe steden zal hebben gegeven: de onreine en de reine mogen
1G het eten, zooals men gazelle en hert eet; \' maar het bloed zult gij niet
17       eten, gij moet het op den grond uitstorten als water.\' Het is u niet
geoorloofd, in uwe steden te eten de tienden van uw koren, most
en olie, noch de eerstgeborenen van uwe runderen en uw kleinvee,
noch eenige der geloften die gij beloven zult, nocdi uwe vrijwillige
18       gillen, noch uwe vrijgaven; \' neen, voor Jahwe, uw god, aan de plaats
die Jahwe, uw god, uitkiezen zal, zuil gij ze eten, met uw zoon en dochter,
met uw dienstknecht en dienstmaagd, en met den Leviet die in uwe
steden woont, en gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht van Jahwe,
19       uw god, over al uw bedrijf.\' Neem u in acht, zoolang gij in uw land
woont, den Leviet niet aan zijn lot over te laten.
20           Wanneer Jahwe, uw god, uw grondgebied uitbreidt, zooals hij u
heeft toegezegd, en gij zegt: Ik wil vleesch eten — omdat gij lust
hebt vleesch te eten, dan moogt gij geheel naar hartelust vleesch eten;\'
21       indien de plaats die Jahwe, uw god, zal uitkiezen om er zijn naam
te vestigen te ver van u verwijderd is, dan moogt gij van uwe run-
deren en uw kleinvee, die Jahwe u zal gegeven bebben, slachten ge-
22       lijk ik u geboden heb, en eten in uwe steden naar hartelust; \' maar
evenals men de gazelle en liet bert eet, zoo zult gij ze eten; de onreine
23       en de reine samen zullen er van eten. \' Doch pas terdege op dat gij
liet bloed niet eet: want het bloed, dat is de ziel, en gij moogt niet
24       met het vleesch de ziel eten; \' gij zult het niet eten, op den grond
25       zult gij bet uitstorten als water; \' gij zult het niet eten; opdat het u
en uwen kinderen na u welga, als gij doet wat recht is in het oog
26       van Jahwe.\' Doch met al wat gij hebt van gewijde zaken en uwe
27       geloften zult gij komen ter plaatse die Jahwe zal uitkiezen; \' gij zult
uwe brandoffers, het vleesch en het bloed, brengen op het altaar van
Jahwe, uwen god; en van uwe slachtoffers zal het bloed op het altaar
van Jahwe, uw god, uitgestort en het vleesch door u gegeten worden.\'
28       Onderhoud al deze woorden die ik u gebied, en luister er naar; opdat
het u en uwen kinderen na u tot in eeuwigheid welga, als gij doet
wat goed en recht is in het oog van Jahwe, uw god.
29           Wanneer Jahwe, uw god, de volken die gij gaat verdrijven uitroeit
voor uw aangezicht, zoodat gij hen verdrijft en u in hun land vestigt,\'
30       neem u dan in acht dat gij niet, nadat zij voor u uit verdelgd zijn,
door hun voorbeeld in den strik valt en naar hunne goden vraagt en
zegt: Hoe dienden deze volken hunne goden? dan zal ik ook zoo doen. —\'
31       Gij zult niet alzoo doen voor Jahwe, uw god; want al wat Jahwe ver-
afschuwt en haat hebben zij voor hunne goden gedaan; zelfs verbranden
zij hunne zonen en dochteren voor hunne goden.
Vs. 19. XIV :27a.
16. Over bet verbod van bet nuttigen van bloed zie op Gen. IX: 4.
20—27. In hoofdzaak herhaling van ra. 10—19, ten bewijze hoeveel gewicht de schrijver aan deze
bepalingen hechtte.
20.  zooali — toegezegd. Zie Oen. XV: 18—21.
21.  gelijk ik u geboden teb. Zie V8. 15.
22—24. Zie op ra. 15 en 16.
23. het bloed, dal ü de ziel. Zie op Gen. IX: 4.
26.  gewijde zaken, al wat aU offergave voor Jahwe bestemd is: tienden, cerstgeboortcn enz.
27.   De wetgever schrijft voor, wat met het bloed der offerdieren gedaan moet worden: het moest
in elk geval op het altaar komen, hij brandoffers niet het vleesch, bij slachtoffers zouder het vleesch.
Volgens jongere wetten moest hij beide soorten van offers het bloed door de priesters op het altaar
gesprenkeld worden (Lev. 1:5, 11; 111:2, 8, 13).
30.   strik. Zie op Kiod. XXXIV: 12. — dan — doen, Jahwe vereeren op de hoogten en met hei-
densche gebruiken, als wij-stcenen, gewijde boomstammen en kinderoffers. Verg. XVIII: 9 V.
31.   Verg. XVIII: 9. — verbrande» — goden. Verg. XVlll: 10 en op Lev. XVI1I:21.
-ocr page 345-
DBÜTKR0N0M1UM XII: 32—XIII : 11.                              425
32          Al wat ik u gebied, dat zult gij nauwgezet betrachten, er niets aan
toevoegen en er niets van afdoen.
82. Zie op IV: 2.
HOOFDSTUK XIII.
Strafbedreiging tenen de verleiding tot afgoderij. — Wie door tcckcncii en wonderen zijn volk tot
afgoderij wil verleiden worde gedood (1—5). Zelf» mout men bloedverwant of vriend die in het geheim
er toe aanspoort aan de doodstraf overleveren (0—11). De stad die zich tot afgoderij laat overhalen
worde met den banvloek geslagen en voor altijd tot een puinhoop gemaakt (12—18).
XIII: 1 Wanneer in uw midden een profeet of iemand die droomen heeft
2       opstaat en u een teeken of wonder stelt, \' en het teeken of wonder
komt uit waaroj» hij zich bij u beroepen heeft, en hij zegt: Laat ons
andere goden volgen, die gij niet hebt leeren kennen, en laat ons hen
3       dienen —\' dan zult gij naar de woorden van dien profeet of naar
dien man die droomen heeft niet luisteren; want Jahwe, uw god, stelt
u op de proef, om te weten of gij werkelijk Jahwe, uw god, met uw
4       gansche hart en met uwe gansche ziel liefhebt.\' Jahwe, uw god, zult
5       gij volgen, hem vreezen, naar hem hooren en hem aanhangen.\' En
die profeet of die man die droomen heeft moet ter dood gebracht
worden, daar liij afval heeft gepredikt van Jahwe, uw god, die u uit
Egypteland leidde en uit het slavenhuis loskocht, door u af te drijven
van den weg dien Jahwe, uw god, u geboden heeft te bewandelen.
Zoo zult gij het kwaad uit uw midden uitroeien.
6            Wanneer uw broeder, de zoon van uw vader of van uwe moeder,
of uw zoon of dochter, of uwe echtvriendin, of uw boezemvriend in
het geheim u aanzet, zeggende: Laat ons andere goden gaan dienen,
7       goden die gij noch uwe vaderen hebt leeren kennen,\' van de goden
der volken die rondom u, hetzij dicht bij of verre van u wonen, van
8       het eene tot het andere einde der aarde — \' dan zult gij hem niet te
wille zijn noch naar hem hooren; gij zult hem verschoonen noch sparen,
9       het niet stilhouden, \' maar hem zeker dooden; uwe hand zal het eerst
tegen hem zijn om hem ter dood te brengen, en de hand van het
10       gansche volk daarna; \' en gij zult hem steenigen, dat hij sterft; omdat
hij getracht heeft u af te drijven van Jahwe, uw god, die u uit Egyp-
11       teland, uit het slavenhuis, heeft uitgeleid. \' En geheel Israël zal het
hooren en vreezen, en men zal zulk een kwaad niet meer in uw mid-
den doen.
V». 5*. XVII: 74, 12; XIX: 19; XXI: 21; XXII: 21, 24; XXIV: 7. — Vs. 11. XVII: 13; XIX :20;
XXI: 21.
1—5. Danr de uitdrukking andere goden volgen en dienen zeer rekkelijk is cu daaronder alle prac-
tijken konden verstaan worden die door de wet werden veroordeeld, moest door het hier gegeven
voorschrift het profetismc op den duur onder de macht van de wet en hare uitleggers komen, en dus
uitsterven; wat ook geschied is. Verg. op XVUI:21v. en op Kzcch. XIV: 9 v.
1. droomen. Over de waarde die men aan droomen hechtte zie op Gen. \\\\::i en op Num. XII: 6.
— een teeken — stelt. Ken tecken of wonder moest bewijzen dat iemands woord van goddclijkcn
oorsprong was; zie Bxod. IV: 1—9, maar verg. op XVIII: 21 v. Doch ook profeten of priosters van
andere goden dnn Jahwe konden wouderen verrichten; zie Kxod. VII : 11 v.; VIII: 7, 18; Matth.
XXIV: 21; 2 Thess. 11:9.
4.   naar hem hooren. Hebr. t. laat nog voorafgaan zijne geboden onderhouden, en Iaat volgen hem
dienen;
wat volg. Gr. vert. weggelaten i».
5.  afval — Jahwe. Verg. Jer. XXVIII: 10; XXIX: 32.
6—18. Verg. XVII: 2—7.
6 v. Laat — aarde. De schrijver vergeet al spoedig dat de verleider spreekt. Desgelijks vs. 13.
6.  uw broeder — moeder, uw halve of uw volle broeder. Wegens de vcelwijverij waren in vele ge-
zinnen kinderen van verschilleude moeden. — rader of, volg. Sam. en Gr. t. ingevoegd.
9. uwe hand — brengen. De aanklager moet dus de steeniging beginnen; zoo ook XVII: 7. Volgens
I.i\'v. XXIV : 14 moeten de aanklagers voor de strafoefening de handen op het hoofd van den veroor-
deelde leggen.
-ocr page 346-
DKÜTBR0N0M1UM XIII : 12—XIV : 8.
426
12           Wanneer gij van eene uwer steden, die Jahwe, uw god, u geeft om
13       er te wonen, het volgende hoort: \' Er zijn deugnieten uit uw midden
opgekomen, die de bewoners hunner stad verleid hebben met deze
woorden: Laat ons andere goden gaan dienen, goden die gij niet hebt
14       leeren kennen — \' zoo zult gij nauwgezet onderzoeken, navorschen en
ondervragen; en is het waarheid, staat de zaak vast, is dit afschuwelijk
15       stuk in uw midden bedreven,\' zoo zult gij de inwoners dier stad met
het scherp des zwaards slaan, haar en al wat in haar is met den ban-
Jb" vloek treffende:\' al haren buit zult gij midden op het plein bijeen-
brengen, en dan de stad met al haren buit verbranden ten aloffer
voor Jahwe, uw god; en zij zal voor eeuwig een steenhoop zijn, zij mag
17       niet weder opgebouwd worden.\' Niet bet geringste van het met den
banvloek getroffene blijve aan uwe hand hangen; opdat Jahwe zijn
gloeienden toorn late varen en u barmhartigheid bewijze, zich uwer
erbarme en u vermenigvuldige, zooals hij uwen vaderen onder eede
18       beloofd heeft;\' als gij hoort naar Jahwe, uw god, al zijne geboden
die ik u heden gebied onderhoudt, doende wat recht is in het oog van
Jahwe, uw god.
V». 14. XVII: 4.
13. deugnieten. In het llebrccuwsch staat hier ceu woord brlijjaüi, d. i. ,onimt\', dat, cvenal» hier,
met mannen, zonen enz. verbonden, dikwijls in het O. T. voorkomt. De latere Joden hebhen daarvan
een cigcmiaam gemaakt, Helial, voor een boozen geest of den duivel zelf; zie 2 Kor. VI: 15.
15.  haar — treffende. Hebr. t. laat nog volgen en haar vee met het scherp dei zvaardt, dat volg.
Gr. vert. is weggelaten.
16.   aloffer, de oude naam (taliet) voor hetgeen later brandoffer {ola) heette; verg. XXXIII: 10; 1
Sain. VII: 9; I\'s. LI: 21 en op Lev. 1:3. — gij mag niet toeder opgebouwd worden. Dit vonnis trof
o. a. Jericho en Ai, Joz. VI: 26; VIII: 28.
17.   Verg. VII: 25 v. on Joz. VII: 20—24.
HOOFDSTIK XIV: 1—21.
Wet op de reine en onreine dieren, benevens cenige andere bepalingen. — Waarschuwing tegen
heidensche gebruiken bij het rouwen (1 v.). Opsomming van de dieren die wel, en die niet gegeten
mogen worden: viervoeters (8—8); visschen (9 v.); vogelen (11—20). Verbod van aas en van „het
bokje in de melk zijner moeder" (21).
De hier voorkomende lijst van reine en onreine dieren wordt, gewijzigd en uitgewerkt, ook Lev.
XI: 2—23 aangetroffen. Onze schrijver heeft haar waarschijnlijk aan de mondelinge overlevering of aan
schriftelijke aanteckeningeu van priesters ontleend.
XIV: 1 Gij zijt kinderen van Jahwe, uw god: gij zult u niet snijden noch
2 tusschen de oogen kaal scheren om een doode; \' want gij zijt een aan
Jahwe, uw god, geheiligd volk, en u heeft Jahwe uitverkoren om van
alle volken op den aardbodem hem tot een eigen volk te zijn.
3, 4 Gij zult niets afschuwelijks eten.\' Dit zijn de viervoetige dieren welke
5       gij moogt eten: rund, schaap en geit, \' hert, gazelle, damhert, steenbok,
6       antiloop, wilde os en gems,\' en alle viervoeters die gekloofde klauwen
hebben, wier hoeven in twee klauwen gespleten zijn en die herkauwen,
7       moogt gij eten.\' Doch van de herkauwende dieren en van die met
gespleten hoeven zult gij de volgende niet eten: het kameel, den haas
en den klipdas, want zij herkauwen wel, maar hebben geen gekloofde
8       klauwen; zij zijn voor u onrein.\' Verder het zwijn, want het heeft
Vs. 2. VII: 6.
1. mijden — doode. Over de hier verboden heidensche gebruiken zie op Lev. XIX: 28.
3—20. Over deze wet zie inl. op Lev. XI.
4 v. De hier voorkomende dieren worden Lev. XI niet met name genoemd.
5. damhert — gems. De vertaling van sommige dezer namen is onzeker.
-ocr page 347-
DKÜTRRONOMIUM XIV : 8—23.                                            427
wel gekloofde klauwen maar herkauwt niet; het is voor u onrein. Hun
vleesch zult gij niet eten, hun aas niet aanraken.
9          Van al wat in het water is raoogt gij het volgende eten: al wat
10 vinnen en schubben heeft moogt gij eten; \' maar al wat geen vinnen
en schubben heeft zult gij niet eten; het is voor u onrein.
11, 12 Alle reine vogels moogt gij eten. \' Maar de volgende zult gij niet
13 eten: den arend, den zeearend, den lammergier, \' den stinkgier, den
14, 15 valk in soorten,\' alle soorten van raven,\' den struis, den sperwer, de
16 meeuw, den havik in soorten,\' den uil, den roerdomp, den pelikaan,\'
17, 18 de kraai, den aasgier, den reiger,\' den ooievaar, den kraanvogel in
19       soorten, de hop en de vleermuis.\' Voorts zijn voor u alle gevleugelde
20       insecten onrein; zij mogen niet gegeten worden.\' Al het rein gevogelte
moogt gij eten.
21            Gij zult geenerlei aas eten; den vreemde die in uwe steden woont
moogt gij het geven, dat hij het ete, of aan den buitenlander moogt
gij het verkoopen; maar gij zijt een heilig volk van Jahwe, uw god.
Gij zult niet koken het bokje in de melk zijner moeder.
Vs. 214. Eiod. XXIII: 19*; XXXIV:264.
13. Hcbr. t. heeft, waarschijnlijk ten gevolge eener vergissing, in dit vers nug een woord, onbekend
als vogelnaam; volg. Gr. vert. weggelaten. — den stinkt/m. den valk. I)cze woorden lijn volg. Gr.
en Sam. t. en Lev. XI: 14 omgezet.
19. Op dezen regel wordt Lev. XI : 21 v. voor de sprinkhanen cene uitzondering gemaakt.
21.   Gij — eten. Zie op Exod. XXII: 31. — den vreemde — geeen. Deze vergunning wordt Lev.
XVII: 15 iugetrokken: daar, evenals overal in Ezra\'s Wetboek, wordt de onder Israël wonende
vreemde met deu Israëliet gelijkgesteld. Zie op Exod. XII: 19. — Gij — moeder. Zie op Exod.
XXIII: 19.
HOOFDSTUK XIV: 22—29.
Wet op de tiendon. — De Israëliet vertere jaarlijks zijne tienden bij het heiligdom (22 v.); woont
hij te ver af, dan inake hij ze te gelde en richte van de opbrengst een maaltijd bij het heiligdom
aan (24—27); de tienden van elk derde jaar evenwel bcstemme hij voor de minvermogenden in zijne
woonplaats (28 v.).
Van oudsher waren de Israëlieten gewoon de tienden hunner veldvruchten aan Jahwe te offeren,
en werden deze bij een of ander heiligdom aan een olfermaal gegeten; zie op Gen. XXVIII: 22. Wij
weten niet, of dit jaarlijks dan wel om de drie jaren geschiedde, evenmin, of de oogst van een
jaar in eens of bij gedeelten, in verschillende jaargetijden, vertiend werd. Men deed het niet volgens
eene geschreven wet, dus in onderscheiden streken verschillend; waarschijnlijk meestal op een der
hooge feesten; verg. XXVI: 12; Am. IV: 4. Onze wet nu, van zoo hoog belang geacht dat er H.
XXVI met nadruk op wordt teruggekomen, brengt in dit gebruik de volgende veranderingen aan:
vooreerst moeten de tienden van het derde jaar niet meer aan ticndmalen bij een heiligdom gegeten,
maar geheel aan iiünvermogeudc medeburgers afgestaan worden; en verder moeten in de beide andere
jaren de tiendmalen, niet meer bij plaatselijke heiligdommen, maar te Jeruzalem worden gehouden.
Over de bestemming der tienden in later tijd zie Num. XVIII: 21—32; verg. op Lev. XXVII: 32.
XIV: 22 Gij zult jaarlijks de geheele opbrengst van uw zaad, dat wat op den
23 akker groeit, vertienden; \' gij zult voor het aangezicht van Jahwe, uw
god, in de plaats die hij zal uitkiezen om er zijn naam te doen wonen,
het tiend van uw koren, most en olie en de eerstgeborenen van uwe
22 v. Van veetienden was toen, en zelfs een paar eeuwen later, nog geen sprake. Zij komen eerst in
een toevoegsel op Ezra\'s Wetboek voor; zie op Lev. XXVII: 32.
22.  jaarlijki. Over de tienden van het derde jaar zie vs. 28 v. — de — zaad. Hieronder zijn ook
de boomvruchten begrepen; verg. Lev. XXVI1: 30.
23.   Volgens de latere wet Num. XVIII: 21—24 moesten de tienden aan de Levieten worden opgc-
bracht. Om dien strijd te vereffenen, namen Joodsche schriftgeleerden aau, dat twee tienden waren
voorgeschreven, waarvan een voor de Levieten, een voor offermaaltijden was bestemd; zie Tob. I : 7 v.
In welken zin onze wet tweeërlei tiend kent zie op XXVI: 12. — en het — Itleinnee. Van het vee
werden niet de tienden, maar de eerstgeborenen, te gelijk met de tienden van koren, most en olie, aan
offermalen verteerd. Zie verder inl. op XV: 19—23.
-ocr page 348-
428
24
25
2(5
27
28
29
DBUTKRONOMIUM XIV I 23—XV : 2.
runderen en uw kleinvee eten; opdat gij leert, Jahwe, uw god, te
allen tijde te vreezen.\' Maar is de afstand u te groot, kunt gij het
niet vervoeren, omdat de plaats die Jahwe, uw god, zal uitkiezen om er
zijn naam te vestigen te ver van u verwijderd is, en Jahwe, uw god,
u gezegend heeft,\' zoo moet gij het te gelde maken, het geld bij u
steken, heengaan naar de plaats die Jahwe, uw god, zal uitkiezen,\'
voor het geld u aanschaffen alles waarin gij lust hebt: runderen en
kleinvee, wijn en sterken drank en al wat uw hart verlangt, en daar
met uw gezin voor het aangezicht van Jahwe, uwen god, eten en
vroolijk zijn;\' ook den Leviet die in uwe steden woont zult gij niet
aan zijn lot overlaten; want hij heeft geen aandeel of erve onder u.
Elk derde jaar zult gij het geheele tiend van uw gewas van dat
jaar uitbrengen en in uwe steden nederleggen;\' dan zullen de Leviet —
daar hij geen aandeel of erve onder u heeft — de vreemde, de wees
en de weduwe die in uwe steden wonen komen en eten en zich ver-
zadigen; opdat Jahwe, uw god, u zegene in al den arbeid dien uwe
hand verricht.
Vs. 27«. XII: 19.
24. Verg. XII: 20 v. — en Jahwe — het/l, nl. met een goeden oogst; zoodat het vervoer van het
tiend te moeilijk wordt.
27.  Zie o|> XII: 12 en on X:9.
28.  hel geheele, zonder er iet», voor welk doel ook, nf te nemen; verg. XXVI: 12—14. — uitbrengen,
uit schuren en kelders. — in — nederleggen. De bedoeling vnn den schrijver schijnt te zijn dat men
het tiend onbeheerd op straat of veld moest nederleggen, waar de armen het kouden weghalen; wat
zouder nadere bepaling tot schromelijke misbruiken en wanordelijkheden aanleiding moest geven.
29.  Zie op XII: 12.
HOOFDSTUK XV: 1—18.
Wetten op de kwijtschelding van schulden en de vrijlating van slaveu. — Kik zevende jaar worde
deu Israëliet zijne schuld kwijtgescholden (1—3); er zal trouwens geen armoede zijn, als Jahwc\'s
geboden worden onderhouden (4—6); meu zij liefdadig eu late zich door de gedachte aan het op han-
den zijnde jaar der kwijtschelding niet weerhouden aan den arme te leeuen (7—11). Hebrecuwsche
slaven late men in het zevende jaar met milde giften vrij (12—15); verkiest zulk een slaaf echter
bij zijn heer te blijven, dan behoort hij hem voor altijd (10 v.); vrijlating is billijk (18).
Deze wetten zijn inet vrij belangrijke wijzigingen aan het liondsbock ontleend. De eerste, vs. 1—11,
wijst terug naar Eiod. XXIII: 10 v., maar stelt voor den aldaar voorgeschreven maatregel ten bate
der armen een anderen in de plaats (zie op vs. 1—3). De tweede, vs. 12—18, is ecne gewijzigde hcr-
haling van Kxod. XXI: 2—fl (zie op vs. 10 en 17). Beide strekken, met XlV:28v., ten bate der
minvermogenden.
Voor de latere wetgeving op deze onderwerpen zie Lev. XXV : 2—7, 39—13, de wetten op sab-
batsjoar en jubeljaar.
XV:1 Elk zevende jaar zult gij eene kwijtschelding doen plaats hebben.\'
2 Hierin nu bestaat de kwijtschelding: elk schuldeischer schelde aan zijn
naaste wat hij hem leende kwijt; hij zal zijn naaste en zijn broeder
niet tot betaling dwingen; want ter eere van Jahwe is eene kwijt-
1—3. De hier gegeven wet op de kwijtschelding der schulden is ecne wijziging van die van Kxod.
XXIII : 10 v., volgens welke de opbrengst van het land om de zeven jaar aan de armen moest worden
overgelaten. Kwijtschelding hier en overlaten duur zijn vertalingen vun hetzelfde zeldzame Hebreeuw-
sche woord (yemilta, ijamal). Onze wetgever heeft uit de oude wet overgenomen den kunstterm en do
strekking voor minvermogenden te zorgen, maar geeft, omdat hij voor den daar voorgeschreven maat-
regel een anderen in de plaats stelt, ceue cenigszins andere beteekenis aan het woord. Vau het sabbats-
jaar van I<cv. XXV: 2—7 weet onze schrijver evenmin iets als die van het Koiidsbock.
2. zijn noatte en ziju broeder. Wellicht is een van beide woorden ingevoegd. Gr. vert. heeft alleen
zijn broeder. In elk geval is de volksgenoot bedoeld. — it — ttifgeroepen, algemeen bekend gemaakt
dat het jaar waarin de schulden moeten worden kwijtgescholden is aangebroken. Het zevende jaar is dus
voor allen een eu hetzelfde en onafhankelijk van het tijdstip waarop de schuld was aangegaan; doch
zie op bod. XXllI:10v. Volgens jongere wetten werden de fcesttijdcii door trompetgeschal aangekon-
digd, Lev. XXV: 9; Num. X: 10.
-ocr page 349-
429
DBUTRRONOMIUM XV : 2—18.
3       schelding uitgeroepen.\' Den buitenlander moogt gij tot betaling dwingen,
maar wat gij bij uwen broeder hebt staan zult gij kwijtschelden.
4           Trouwens er zal onder u geen arme zijn, daar Jahwe u rijkelijk zal
zegenen in het land dat Jahwe, uw god, u als erve in bezit geeft;\'
5       indien gij slechts goed luistert naar de stem van Jahwe, uw god, en
(i al deze geboden die ik u heden gehied nauwgezet betracht. \' Want
Jahwe, uw god, heeft u gezegend, zooals hij u toegezegd heeft; zoodat
gij aan vele volken leenen, maar zelf niet van hen leenen zult, en gij
over vele natiën zult heerschen, terwijl zij niet zullen heerschen over u.
7            Wanneer onder u in eene uwer steden, in het land dat Jahwe, uw
god, u geeft, een uwer broederen arm is, dan zult gij uw hart niet ver-
8       stokken noch uwe hand sluiten voor uw armen broeder, \' maar uwe hand
wijd voor hem opendoen en hem gewillig leenen, om in zijne behoeften
9       te voorzien.\' Neem u in acht dat in uw hart geen nietswaardige over-
legging zij van dezen aard: het zevende jaar, het jaar der kwijtschel-
ding, is nabij — en gij het uw armen broeder misgunt en hem niets
geeft. Hij zou tegen u tot Jahwe roepen en gij zoudt schuldig worden.\'
10       Neen, geven zult gij hem en niet wrevelig zijn als gij hem geeft;
want Jahwe, uw god, zal u te dezer zake zegenen in al uwen arbeid
11       en al uw bedrijf.\' Want het zal aan armen in den lande nooit ont-
breken; daarom gebied ik u: Doe uwe hand wijd open voor uw broeder,
voor de behoeftigen en armen in uw land.
12           Wanneer uw broeder, Hebreër of Hebreeuwsche, zich aan u verkoopt,
dan zal hij u zes jaren dienen en zult gij hem in het zevende jaar
13       als vrij man van u laten gaan.\' En wanneer gij hem als vrij man van
14       u laat gaan, zult gij hem niet met ledige handen laten heengaan:\' gij
moet hem rijkelijk meegeven van uwe kudde, van uw dorschvloer en
uwe wijnpers; van dat waarin Jahwe, uw god, u gezegend heeft moet
15       gij hem geven. \' Gedenk dat gij slaaf in Kgypteland zijt geweest en
Jahwe, uw god, u losgekocht heeft; daarom gebied ik u dit heden.\'
1(5 Maar in geval hij tot u zegt: Ik wil niet van u weggaan — omdat
17       hij u en uw huis liefheeft, daar hij het goed bij u heeft; \' zoo zult
gij een priem nemen en dien door zijn oor in de deur steken, en hij
zal voor altijd uw slaaf zijn. Met uwe slavin moet gij desgelijks
handelen.
18           Gij moet er niets hards in zien hem als vrij man van u te laten
V». 6. XXVIII: 124. — Vs. 12. Jer. XXXIV : 14. — Vb. 15. V:15; XVI:12aj XXIV: 18, 22.
4 v. De mogelijkheid, bier ondersteld, dat er geen armen in het land zouden zijn wordt blijkens
vs. 11 niet door ouzeu wetgever erkend. Verg. op vs. 6.
0. Dit vers is voortzetting van vs. 3 en geeft reden van de onderstelling, waarvan daar wordt uit-
gegaan, dat buitenlanders van Israëlieten hebben geleend. — heeft — gezegend. Zie op 1 Kon. 111:12.
7. een uwer, volg. Gr. vert.; Hebr. t. uit een uwer.
0. llij — worden. Vorg. Bxod. XXII:27.
12—18. Zie nantt. op Kxod. XXI: 2—0. Deze wet, die blijkens Jer. XXXIV: 8—22 in den regel
niet uitgevoerd werd, is later vervangen door cene bepaling in de wet op het jubeljaar, waarbij de
vrijlating der slaven in het vijftigste jaar werd verordend; zie Lcv. XXV: N—13.
13. niet met ledige handen, opdat hij niet genoodzaakt worde zich terstond weer te verknopen. Deze
meuschlievende bepaling komt in de oudere wet niet voor.
10. Het geval, Kxod. XXIS 5 ondersteld, dat een slaaf weigert weg te gaan omdat hij niet van
vrouw en kinderen wil scheiden, kan volgens onzen wetgever niet voorkomen, daar hij, blijkens vs.
17*, den maatregel eveneens op slavinnen wil zien toegepast.
17.   hi de deur, van do woning des eigenaars; zie op Kxod. XXI :0. Onze schrijver spreekt niet,
evenals de oudere wetgever, over de godheid, omdat hij van huisgoden niet weten wil. — Met —
handelen. Anders Kxod. XXI:"—11.
18.   het dubbele — verdiend. Keu daglooner zou eens zooveel hebben gekost, daar hem behalve
zijn voedsel ook nog loon moest worden verstrekt. — en Jahwe — verricht. Verg. vs. 10* en
XIV: 294.
-ocr page 350-
DKÜTBRONOMIUM XV : 18—23.
430
heengaan; want het dubbele loon eens daglooners heeft hij zes jaren
lang aan u verdiend; en Jahwe, uw god, zal u zegenen in al wat
gij verricht.
HOOFDSTUK XV: 10—23.
Wet op de eerstgeborenen. — Men offere de eerstgeborenen van zijn vee jaarlijks bij het eeltige
heiligdom (19 v.), maar «lachte in zijne woonplaats die waar gebreken aan zijn (21—23).
Deze wet is latere ontwikkeling van de Eiod. XIII: 2, 11—16; XXII: 2!) v.; XXXIV:19v. voor-
komende bepalingen. De daarin aangebrachte wijzigingen zijn deze: de eerstgeborenen mogen niet meer
bij een plaatselijk heiligdom, maar moeten bij den tempel worden geofferd; dat offer wordt niet, zoonis
vroeger, op den achtsten dag na de geboorte gesteld, noch ook met het feest der ongezuurde broodeu
in verband gebracht (zie op TB. 20). Van de menschelijke eerstgeborenen wordt gezwegen.
XV: 19 Alle eerstgeborenen van het mannelijk geslacht die onder uwe run-
deren en uw kleinvee worden ter wereld gebracht zult gij aan Jahwe,
uw god, heiligen: gij zult het eerstgeborene van uw rund niet laten
arbeiden, noch het eerstgeborene van uwe schapen en geiten scheren; \'
20       voor het aangezicht van Jahwe, uw god, zult gij ze jaarlijks met uw
[ 21 gezin, in de plaats die Jahwe zal uitkiezen, eten. \' Maar zoo er een
gebrek aan is, van lamheid oi* blindheid of welk leelijk gebrek ook,
22       zoo zult gij het niet offeren voor Jahwe, uw god;\' in uwe steden zult
gij het eten, de onreine en de reine samen, zooals de gazelle en het
23       hert;\' doch zijn bloed zult gij niet eten: gij moet het op den grond
uitstorten als water.
Vs. 22 v. XII: 15 v., 22—24.
19.   Alle — getlacht. Oorspronkelijk werden ook die van de andere kunne aan Jahwe gewijd; zie
op Exod. XIII: 12. Van de eerstgeborenen uit menscheu spreekt deze verordening niet; volgens eene
nagenoeg gelijktijdige wet, Exod. XIII: 13, moesten zij worden losgekocht.
20.  Jaarlijit, volgens XIV: 23 te gelijk met de tienden, dus na afloop van den oogst. In Exod.
XIII: 2. 11—16; XXXIV : 19 v. wordt de wijding der eerstgeborenen met den uittocht uit Egypte en
het feest der ongezuurde brooden in verband gebracht. Oudtijds gold als regel, dat zij op den acht-
sten dag na de geboorte bij het plaatselijk heiligdom aan Jahwe werden gewijd, Exod. XXII: 29 v.;
zie aldaar. — eten, op een offermnaltijd vertereu. Volgens Num. XVIII: 15—18 bchooren de ecrst-
geborenen — hetzij de dieren zelve, hetzij hunne waarde in geld — tot de inkomsten der priesters.
21  v. De bepaling het ezctveulcu, dat noch geofferd noch gegeten mocht worden, door een schaap
te vervangen of het den nek te breken (Exod. XIII: 13; XXXIV: 20) wordt hier niet herhaald. Het
vs. 21 gegeven verbod geldt, volgeus XVII: 1; Lev. XXII: 20, niet slechts van de eerstgeborenen,
maar van alle offerdieren.
22 v. Zie op XII: 15 en 16.
HOOFDSTUK XVI: 1—17.
Wet op de feesten. — Israël viere in de maand Abib het paaachfeest tot herinnering aan den
uittocht (1—8); zeven weken na het begin van den oogst het feest der weken (9—12); bij het einde
van dorschtijd en druivenoogst het loofhuttenfeest (13—15). Drie keeren \'sjaars viere Israël feest bij
het éenigc heiligdom (16 v.).
Deze wet is uitbreiding van de bepalingen, Exod. XXIII: 14—17; XXXIV: 18—24 gegeven. Do
grootc wijziging welke zij in de bestaande feestviering brengt is deze, dat alle fcestoffers bij den
Jcruzalemschen tempel gebracht en aan liefdadige doeleinden dienstbaar gemaakt moeten worden.
Voorts wijkt zij er van af door het feest der ongezuurde brooden met het paaschoffer te verbinden.
Was het pascha een oud gebruik, tot vrijwaring van het huis en zijne bewoners tegen ongeval en
schade (zie op Exod. XII: 11), dan is het zeer verklaarbaar, dat de schrijver dat oude gebruik, waarin
hem zeker een en ander als ruw en heidensch voorkwam, poogde af te schaffen en er eene andere
beteekenis ann trachtte te geven, door het te verbinden met het feest der ongezuurde brooden. De
vereeniging van de twee feesten is hem echter niet ten volle gelukt: terwijl hij vs. 1 het gcheelc feest
pascha noemt en onder het patuch-otitr de offers van de gehccle feestweek schijnt te verstaan (zie op vs. 3),
onderscheidt hij vs. 4—6 den eersten dag als den dag van het paaschoffer uitdrukkelijk van de overige.
Over de latere ontwikkeling van de feestwetgeving xie inll. op Exod. XII: 1—XIII: 16 en
Lev. XXIII.
-ocr page 351-
DBUTBRONOMIUM XVI: 1—10.
431
XVI: 1 Onderhoud de maand Abib en vier pascha ter eere van Jahwe, uw
god; want in de maand Abib heeft Jahwe, uw god, u in den nacht
2       uit Egypte uitgeleid; \' en slacht als paaschoffer voor Jahwe, uw god,
kleinvee en runderen, in de plaats die Jahwe zal uitkiezen om er
3       zijn naam te doen wonen.\' Gij zult daarbij niets gedeesemds eten:
zeven dagen moet gij daarbij ongezuurd brood eten, brood der ellende;
daar gij in angstige haast uit Egypteland zijt getogen; opdat gij al
uwe levensdagen den dag van uwen uittocht uit Egypteland in ge-
dachtenis houdt.
4           Zeven dagen lang zal bij u in uw gansche gebied geen gist gezien
worden; ook zal van het vleesch dat gij den eersten dag des avonds
5       slacht niets den nacht overblijven tot den morgen.\' Het is u niet ge-
oorloofd, het paaschoffer te slachten in eene uwer steden, die Jahwe,
6       uw god, u geeft; \' maar in de plaats die Jahwe, uw god, zal uitkiezen
om er zijn naam te doen wonen zult gij des avonds het paaschoffer
slachten, zoodra de zon is ondergegaan: den tijd van uwen uittocht
7       uit Egypte.\' (Jij zult het in de plaats die Jahwe, uw god, zal uit-
kiezen koken en eten, en des morgens u op weg begeven en heengaan
8       naar uwe tenten.\' Zes dagen lang zult gij ongezuurd brood eten, en
den zevenden is het hoogtijd ter eere van Jahwe, uw god; dan zult
gij geen werk verrichten.
9           Zeven weken zult gij tellen: van dat men begint den sikkel in het
10 koren te slaan zult gij beginnen te tellen, zeven weken,\' en dan het
V». 1, 9a. Exod. XIII: 3 v.; XXIII: 15; XXXIV: 18 v.; Lev. XXIII: 64. — V». 8. Exod. XIII: 6 v.
1.  de maand Abib. Zie op Exod. XII: 2. Evenals Exod. XIII: 4; XXIII: 15; XXXIV : 18, ia de dag
dier maand hier onbepaald gelaten. Volgens Exod. XII: 6; Lev. XXIII: 5; Num. XXVIII:16 begint
het feest tegen het einde van den Uilen der eerste maand; zie op Exod. XII: 6. — pascha. Zoo heet
hier het feest dat in oudere wetten (Exod. XXIII : 11) het feest der ongezuurde brooden wordt genoemd.
Eene jongere wet (Exod. XII: 14) noemt zoo alleen den eersten dag van het feest. — in den nacht.
Hiervan is Exod. XIII geen sprake; volg. Num. XXXIil: 3 heeft de uittocht in den morgen plaats.
2.  kleinvee en runderen. Men was dus vrij in de keuze; eene latere wot (Exod. Ml: Ji schrijft het
offer vim een lam voor.
3.   Gij zult — brood eten. Het eten van ongezuurd brood, voorheen de huofdzaak van het feest, dat
daarnaar „feest der ongezuurde brooden" heette (vs. 16; Exod. XXIII: 15; XXXIV : 18), is hier tot
een bestanddeel van het pnaschfeest gemaakt. De herinnering dat onze schrijver hiermede iets nieuws
invoerde ging niet verloren: 2 Kon. XXIII: 21—23 wordt uitdrukkelijk gemeld, dat het paaschfeest,
in 622, overeenkomstig de Dcuteronomische wet door Jozia gevierd, wezenlijk verschilde van de
oudere gebruiken; verg. inl. op Deuleronomium. — daarbij, bij het paaschoffer. Wanneer de schrijver
dit woord herhaalt, dan maakt hij daardoor uitdrukkelijk al de offers op de zeven feestdagen tot
paaschoffer». — brood — getogen. Eigenaardige poging om het eten van ongezuurd brood te verklaren:
het armoedige voedsel deed denken aan de angstige vlucht met al hare ellende. Eene andere verkla-
ring geeft Exod. XII: 34, 39. Over de oorspronkelijke beteekenis der ongezuurde brooden zie op Exod.
XII: 15—20 en 34.
4.  Zeven — worden. Verg. Exod. XIII: 7. — ook — morgen. Desgelijks Exod. XII: 10; XXIII:18;
XXXIV: 25; Num. IX :12a.
6.  dei avonds, den tijd van uwen uittocht uit Egypte. Zie op vs. 1.
7.   koken, zooals men oudtijds met het offervleesch deed; verg. 1 Sam. II:13v. Later (Exod. XII:
8 v.) werd voorgeschreven dat het paaschlam gebraden moest worden; om dit verschil te vereffenen,
heeft de Gr. vert. koken en braden, en verhaalt de Kroniekschrijver (2 Kron. XXXV: 13) dat bij het
paaschfeest van Joziu het lam aan het vuur gekookt, d. i. gebraden, werd. — heengaan naar uwe ten-
ten,
naar uw eigen huis; zie op Richt. VII : S. Het paaschoffer moest te Jeruzalem geslacht, de on-
gezuurde brooden mochten thuis gegeten worden.
8.   Zet dagen. Volgens vs. 3 zeven dagen; dus wordt daar de laatste dag medegerekend; verg. op
Exod. XIII: fl. — den — Jahwe. Desgelijks Exod. XIII:6; volgens Exod. XII: 16; Lev. XXIII: 7 T.;
Num. XXVIII: 18, 25 moest het vierdag zijn op den eersten en den zevenden dag.
9.   van dat — tellen. Verg. Lev. XXIU : 15, waar het feest nader bepaald wordt op zeven weken
na het toebrengen van de schoof der eerstelingen op den eersten dag der oogstweek.
10.   weken/eett. Evenzoo Exod. XXXIV: 22. Over dit feest, vroeger oogttfeett geheeten, zie op Exod.
XXIII: 16. — naar gelang — schenken, met veel of weinig offers, een overvloedigen of schamelen
maaltijd, naardat men heeft. Hiervoor treden later, Lev. XXIII: 18—20; Num. XXVIII: 26—31,
nauwkeurig voorgeschreven feestoffers in de plaats. Ook moest volgens Lev. XXIII: 21 op dit feest
gerust worden.
-ocr page 352-
DBUTKRONOMIUM XVI : 10— 19.
432
wekenfeest vieren ter eere van Jahwe, uw god, naar gelang der vrij-
willige gaven die gij zult geven, overeenkomstig den zegen dien Jahwe,
11       uw god, u zal schenken; \' en gij zult vroolijk zijn voor het aangericht
van Jahwe, uw god, niet uw zoon en dochter, uw dienstknecht en
dienstmaagd, den Leviet die in uwe steden woont, den vreemde, den
wees en de weduwe die in uw midden zijn, in de plaats die Jahwe,
12       uw god, zal uitkiezen om er zijn naam te doen wonen;\' gedenk dat
gij slaaf\' in Egypte zijt geweest, en betracht nauwgezet deze inzettingen.
13           Het loofhuttenfeest zult gij zeven dagen lang vieren, wanneer gij
14       van uwen dorschvloer en uwe wijnpers hebt ingezameld,\' en op uw
feest zult gij vroolijk zijn met uw zoon en dochter, uw dienstknecht
en dienstmaagd, den Leviet, den vreemde, den wees en de weduwe
15       die in uwe steden wonen.\' Zeven dagen zult gij feestvieren ter eere
van Jahwe, uw god, op de plaats die Jahwe zal uitkiezen; want Jahwe,
uw god, zal u zegenen in al uwe inkomsten en bij al den arbeid uwer
handen; en gij zult onverdeeld vroolijk zijn.
lfi          Driemaal \'sjaars zullen al uwe mannen het aangezicht van Jahwe
gaan zien, in de plaats die hij zal uitkiezen: op het feest der ongezuurde
brooden, het wekenfeest en het loofhuttenfeest; en men zal niet met
17 ledige handen voor Jahwe verschijnen:\' een ieder uwer kome met eene
gave, overeenkomstig den zegen dien Jahwe, uw god, hem gegeven heeft.
V.. 12a. V:15«. — V». 10. Exod. XXIT: 15, 17; XXXIV: 23.
11. Zie op XII: 12.
13.   liet loofhuttenfeetl. Over dit feest, dat vs. lfij XXXI: 10; Lcv. XXIII: 34, 2 Kron. VIII: 18;
Ezra III: l aldus genoemd wordt en elders inzamelingtfeett rI-And. XXIII: 10; XXXIV : 22), het feett
(zie op Kirhl. XXI: 19), of hel feett eau Jahwe (Lcv. XXIII: 3!>) heet, zie op Exod. XXIII: 10. Over
de beteekenis van den naam, hier waarschijnlijk voor het eerst aan dit feest ;iwini, zie op Lev.
XXIII: 42. — zenen dagen, evenals 1 Kon. VIII: 00. Daarentegen wordt Lev. XXIII: 30, 39; Num.
XXIX: 35; 2 Kron. VII :\'.i v. uog een achtste dag aan het feest toegevoegd, die evenals de eerste ge-
vierd werd. — wanneer — hebt ingezamcUt. Even onbepaald als Exod. XXIII: 10; XXXIV: 22.
Later (Lev. XXIII: 34; Xum. XXIX: 12) wordt het feest bepaald op den I5dcn dag der zeveude
maand.
14.  op uw feett, het feest bij uitnemendheid; zie op vs. 13.
10 v. Over de vermeerdering der feesten en de vaststelling der feestoflers bij de wet iu later tijd
zie inll. op Lcv. XXIII en Num. XXVIII, XXIX.
10. //••/ aangezicht van Jahwe gaan zien. Zie op Exod. XXIII: 15.
HOOFDSTUK XVI: 18—XVII: 13.
Bepalingen vooral over de rcchtsbedeeling. — De aanstelling van plaatselijke rechters en hunne
verplichtingen (XVI : 18—20). Het maken van afgodische voorwerpen verbodeu (21 v.), als ook het o8e-
ren van dieren met gebreken (XVII: 1). De afgodendienaar worde veroordeeld en gestecnigd (2—7).
In moeilijke rechtszaken begevo men zich naar de stad des heiligdoms, om van den priester en den
rechter aldaar eene uitspraak te verkrijgen, en houde zich daaraan (8—13).
De bepalingen XVI: 18—20; XVII:8:—13 handelen over de rcchtsbedeeling: zij hebben ten doel,
de zuiverheid van de rechtspraak te bevorderen (verg. 1:0—18) en er eene gewenschte eenheid in
te brengen, door in gevallen die voor de plaatselijke rechters te moeilijk zijn de beslissing aan de
Jeruzalcmschc priesters en den rechter aldaar op te dragen (verg. XIX: 10—21). Van hetgeen daar-
tusschen in staat (XVI: 21—XVII: 7) behoort althans XVI: 21—XVII: 1 volstrekt niet in dit ver-
band; waaraau of aan wicn deze zonderlinge plaatsing te wijten is, laat zich niet uitmaken.
XVI: 18 Gij zult in al uwe steden, die Jahwe, uw god, u geeft, naar uwe
stammen rechters en ambtlieden aanstellen, die naar billijkheid over
19 het volk zullen rechtspreken.\' Gij zult het recht niet verkrachten, den
V». 19. Exod. XXIII: 6, 8.
18.   rechten, waarschijnlijk uit de oudsten te kiezen. Dikwerf komen de oudsten als rechters voor,
XXI: 19; XXII: 15; XXV: 7; verg. ook Num. XI: 10. — ambtlieden. Zie op Exod. V:Ö.
19.  noch een getchenk — hebben. Zie op Exod. XXIII: 8 en op Geu. XX: 10.
-ocr page 353-
DBUTBRO.NOUIÜM XVI: 19—XVII: 11.                            433
persoon niet aanzien noch een geschenk aannemen; want het geschenk
maakt de oogen van wijzen blind en. verdraait de zaken van wie recht
20       hebben.\' Gerechtigheid, gerechtigheid zult gij najagen; opdat gij leeft
en het land in bezit neemt dat Jahwe, uw god, u geeft.
21            Gij zult geen gewijden boomstam, van welk hout ook, planten naast
22       het altaar van Jahwe, uw god, dat gij u maken zult,\' noch een wij-
steen oprichten; wat Jahwe, uw god, haat.
XVII: 1 Gij zult Jahwe, uwen god, geen rund of schaap offeren waaraan
eenig gebrek of iets verkeerds is; want hiervan heeft Jahwe, uw god,
een afschuw.
2           Wanneer in uw midden, in eene uwer steden die Jahwe, uw god,
u geeft, iemand gevonden wordt, man of vrouw, die doet wat kwaad
3       is in het oog van Jahwe, uw god, zoodat hij zijn verbond schendt\' en
andere goden gaat dienen en aanbidden: de zon of de maan of eenig deel
4       van het heir des hemels, wat ik verboden heb —\' dan zult gij, wan-
neer het u bericht is en gij het gehoord hebt, goed onderzoek doen;
en zie, is het waarheid, staat de zaak vast, is dit afschuwelijke stuk
5       in Israël bedreven,\' zoo zult gij dien man of die vrouw die dit kwaad
bedreven heeft uitbrengen naar de poort en steenigen dat zij sterven.\'
6       Op de verklaring van twee of drie getuigen zal de veroordeelde ter
dood gebracht worden; hij zal niet ter dood gebracht worden op de
7       verklaring van éen getuige.\' De hand der getuigen zal het eerst tegen
hem zijn om hem ter dood te brengen, en de hand van het gansche
volk daarna. Zoo zult gij het kwaad uit uw midden uitroeien.
8           Wanneer eenige zaak u te duister is in de rechtspraak over manslag,
over geschillen, over verwonding, of over welke twistzaak ook in uwe
steden, zoo zult gij u opmaken en opgaan naar de plaats die Jahwe,
9       uw god, zal uitkiezen,\' u vervoegen bij de Levietische priesters en
bij den rechter die er in die dagen zal zijn, en hen raadplegen, en
10       zij zullen u de rechtszaak uiteenzetten.\' En gij zult u gedragen naar
hetgeen zij u verkondigen van die plaats welke Jahwe zal uitkiezen,
11       en nauwgezet alles waarvan zij u onderrichten nakomen: \' naar de onder-
richting die zij u geven en de rechtspraak die zij u zeggen zult gij
Vs. 4. XIII: 15. — V». la. XIII: 9. — V». 7*. XIII: 54 enz.
21.  gewijden boomttam. Zie op Kxod. XXXIV : 13.
22.  wij-iteen. Vak op Oen. XXVIII: IK. — wal — haat. De wij-stcencu, hier nis afgodische voor-
werpen bestreden, worden in oudere berichten non niet afgekeurd, maar op de eene of andere wij/e
met de vereering van Jahwe in verband gebracht.
1. Zie op XV: 21 v. en Mal. 1:8—14.
2—5. Verg. XIII: 0—18.
8. Zie op IV: 19. — ik, Jahwe.
5.  uitbrengen naar de poort, wanr de strafoefeningen werden voltrokken; verg. XXI: 19; XXII: 15,
24; Hand. VII: 58 en op Gen. XXII: 17. Hebr. t. laat hierop nog volgen dien man of die vrouw; volg.
Gr. vert. weggelaten.
6.  Zie op Num. XXXV : 30.
7.  Zie op XIII: 9.
8—13. Voortzetting van XVI: 18—20. De bevoegdheid om moeilijke rechtszaken te beslissen, hier
aan de priesters en den rechter te Jeruzalem verleend, kent Exod. XV1I1:13—27 gedurende de woestijn-
reis aan Mozes toe; verg. 1:17.
8.   Wanneer — tteden. Voor de hier bedoelde moeilijke gevallen zie Kxod. XXI : 12—30. Volgens
2 Kron. XIX: 10 moesten ook geschillen over wetsverklaring voor de hoogste rechtbank worden gebracht.
9.  de L-rietitcAe priester!. Zie inl. op XVIII: 1—8. — den rechter — zij». De wetgever bedoelt
hiermede zeker vooral den koning, van wicn in moeilijke gevallen dikwerf de beslissing gevraagd werd,
2 Sam. XV: 2—t; 1 Kon. 111:9, 28 enz.; voorts de vorsten van Juda of andere aanzienlijken. Jcr.
XXVI: 10—24. Een hoog gerechtshof, uit priesters cu leeken bestaande, zooals volg. 2 Kron. XIX : 8—11
door Josjafat te Jeruzalem zou zijn ingesteld, kent onze schrijver niet; wanneer hij den rechter naast
den priester noemt, wil hij zeggen dat men, naar omstandigheden, zich öf tot deu burgelijkeu öf tot
den geestolijken rechter moet wenden. — (gij zult) hen raadplege». Sam. en Gr. t. zij zullen navragen
(raadplegen) e»
» enz.
O ï. I.                                                                                                                         28
-ocr page 354-
DBUTBRONOMIUM XVII: 11—20.
434
u gedragen; gij zult niet afwijken van hetgeen zij u verkondigen, ter
12       rechter- noch ter linkerzij.\' En de man die zich zoo verwaten gedraagt
dat hij niet luistert naar den priester die aldaar staat oin Jahwe, uw
god, te dienen, of naar den rechter, die man zal sterven, en gij zult
13       liet kwaad uit Israël uitroeien.\' En het gansche volk zal het hooren
en vreezen en voortaan niet verwaten zijn.
V». 124. XIII: 5 enz. — Vs. 13. XIII: 11; XIX: 20; XXI: 21.
HOOFDSTUK XVII: 14—20.
Wet op het koningschap. — Wat Israël bij de keuze van ccn koning moet in acht nemen (14 v.),
en voor welke gevaren de koning zich te wachten heeft (10 v.). Hij late zich van deze wet een nfschrift
vervaardigen en zich door de lezing daarvan opleiden tot de vreeze van Jahwe (18—20).
Deze wet, ruim vier eeuwen na de invoering van het koningschap opgesteld, heeft blijkbaar de
bedoeling, overeenkomstig de denkbeelden van de grootc profeten der achtste en zevende eeuw, de
regecring van Salomo aan Juda\'s koningen aU afschrikkend voorbeeld voor te houden; zie op 1 Kon.
IV: 26 en X:14 en inl. op 1 Kon. XI. Immers lijdt het geen tegenspraak dat hier het beeld van
Salomo wordt gotcekend; zie op vs. 16 en 17; de trekken van dat beeld heeft de wetgever ontleend,
niet aan ons bock Koningen, dat hij niet kende, maar aan een geschrift over Salomo dat daarin is
opgenomen.
Kcne jongere, ongunstiger beschouwing van het koningschap vinden wij 1 Snm. VII: 7—18; XII:
12, 19 v.; verg. Kicht. VIII:22v.; IX:8—15.
XVII: 14 Wanneer gij komt in het land dat Jahwe, uw god, u geeft, het
in bezit neemt en er in woont, en gij denkt dan: Ik wil een koning
15       over mij aanstellen, gelijk al de mij omringende volken — \' zoo zult gij
in elk geval tot koning over u aanstellen een dien Jahwe, uw god,
zal uitkiezen: uit het midden uwer broederen zult gij een koning over
u aanstellen; het zal u niet vrijstaan, een buitenlander, een die uw
16       broeder niet is, aan uw hoofd te plaatsen.\' Hij mag echter niet vele
paarden houden; opdat hij niet, om vele paarden te houden, het volk
naar Egypte terugvoere; terwijl Jahwe tot u gezegd heeft: Gij zult
17       nooit meer terugkeeren op dezen weg.\' Ook mag hij niet vele vrouwen
nemen; opdat zijn hart niet afwijke; noch zich zeer veel goud en
zilver verzamelen.
18            Maar hij zal, zoodra hij zit op zijn koningstroon, zich bij de Levie-
tische priesters in eene boekrol een afschrift laten vervaardigen van
19       deze wet;\' die zal hij bij zich houden en er in lezen al zijne levens-
dagen; om te leeren Jahwe, zijn god, te vreezen door nauwgezet alle
20       woorden dezer wet en deze inzettingen te betrachten; \' opdat zijn hart
14.   //• uil — volken. In dien trant spraken de oudsten van Israël tot Samucl, 1 Sam. VIII: 5, 19 v.
15.  een dien — uitkiezen. De schrijver, levende na den val van het noordelijk rijk, onder Jozia,
beschouwt natuurlijk de afstammelingen van David als de door Jahwe tot het koningschap geroepenen ;
verg. 1 Snm. XVI: 13; I Kou. 11:4; VIII: 25; IX: 5. Ook koningen uit een ander geslacht worden
als door Jahwe verkoren voorgesteld, 1 Sam. IXS16 TT,; 1 Kon. XI: 13; 2 Kon. IX: 6.
10. Hij — honden, zoonis Salomo en andere koningen deden (1 Kon. X: 28 v.; Jcz. 11:7). De
profeten zagen daarin gebrek aan vertrouwen op Jahwe; zie op 1 Kon. IV: 26 en op Jez. XXXI: 1.—
opdat — weg. Paarden werden vooral in Egypte opgekocht, en de koning die zich een grootcn paar-
denstoet wilde nauschnfen moest met dat land betrekkingen nauknoopcu en zijne onderdanen daarheen
zenden. Onze schrijver, die dit afkeurt, noemt het, niet zonder overdrijving, „het volk naar Egypte
terugvoeren". — terwijl — heeft. Dit woord van Jahwe, hier en XXVIII: 08 aangehaald, is elders in
het O. T. niet te vinden.
17.  opdat — afwijke, nl. van Jahwe. De schrijver geeft deze waarschuwing met bet oog op Salomo,
die door zijne vele vreemde vrouwen tot afgoderij werd verleid (1 Kon. XI: 1—t). Daar hij echter
van vreemde vrouwen niet spreekt, acht hij blijkbaar hot bezit van vele vrouwen reeds op zich zelf
een gevaar voor den koning; verg. Spr. XXXI: 3.
18.   deze wet, de Deuteronomische, die, in haar oorspronkelijkcu vorm, den Levietischcn priester»
ter bewaring was toevertrouwd (XXXI: 9, 26).
19.   Verg. Joz. 1: 8.
20.  op zijn koningttroon, volg. Sam. t. -, Hcbr. t. i« zijn koningtehap.
-ocr page 355-
DBUTBRONOMIUM XVII : 20—XVIII : 5.                           435
zich niet boven zijne broederen verheffe en hij niet ai\'wijke van de
geboden, ter rechter- of ter linkerzij, maar lang gezeten blijve op zijn
koningstroon, hij en zijne zonen, in het midden van Israël.
HOOFDSTUK XVIII: 1—8.
Wet op het priesterschap. — Opdracht van het priesterschap aan den stam Levi (1 v.). Wat dien
stam voor de waarneming daarvan toekomt (3—5). Ieder Leviet kan aan de daaraan verbonden rechten
en inkomsten deel verkrijgen (6—8).
De strekking dezer wet is, den toestand der Levieten te regelen. Terwijl sommigen hunner dienst
deden in den tempel te Jeruzalem, waren anderen verbonden aan de plaatselijke heiligdommen, die
bij de invoering van dit wetboek zouden worden opgeheven. Deze laatsten zouden dus hunne bctrek-
king, en daarmede hunne inkomsten, verliezen. Daarom zorgt de wetgever voor hen, door te bepalen
dat ieder Leviet, uit welke plaats ook, zich kan aanmelden bij den tempel te Jeruzalem, en er dan tot
een priesterlijk ambt moet worden toegelaten, met aanspraak op een even groot aandeel in de pries-
terlijke inkomsten als de Lcvietischc priesters aldaar genoten. Hij heeft echter blijkbaar voorzien dat zeer
vele Levieten gcene betrekking in dien tempel zouden erlangen. Immers, doorloopcnd onderstelt hij
dat nog ua de invoering van dit wetboek Levieten ook elders in Kana&n zullen wonen, hetzij uit
eigen verkiezing, hetzij omdat men, ondanks deze zijne verordening, hen zou weren. Daar nu de in-
klceding van het boek den wetgever verbood in bijzonderheden te treden, bepaalt hij er zich toe,
eenerzijds in algemccne uitdrukkingen aan alle Levieten de bevoegdheid toe te kennen om pricster-
lijke ambten in den tempel waar te nemen, aan deti anderen kant de Levieten in de steden aan
te bevelen in de liefdadigheid hunner medeburgers (zie op XII: 12). In het vooruitzicht echter dat
de Jeruzalcmsehe priesterschap in elk geval eene aanmerkelijke uitbreiding zal ondergaan, acht hij
het noodig, de priesterlijke inkomsten, die in zijn tijd nog grootendeels van de willekeur der offeraars
afhingen (zie op vb. 3), bij de wet te regelen.
Over de uitvoering dezer wet en den latercn toestand der Levieten zie inl. op Num. III, IV; verg.
op 2 Kou. XXIII: 8 en i) eu op Kzech. XLIV:10—16. Over de inkomsten van priesters en Levieten
in later tijd zie inl. op Num. XVIII.
XVIII: 1 De Levietische priesters, de gansche stam Levi, zullen geen deel
noch erve hebben onder Israël: van Jahwe\'s vuuroffers en van zijn
2       erfdeel zullen zij leven;\' maar een erfdeel in het midden zijner broe-
deren zal hij niet hebben: Jahwe is zijn erfdeel, zooals hij hem heeft
toegezegd.
3           Dit nu is wat den priesters toekomt van het volk, van hen die
een slachtoffer brengen, hetzij rund of schaap: men geve den priester
4       den schouder, de beide kinnebakken en de maag;\' de keurgaven van
uw koren, most en olie, en de keurgaven van de wol uwer schapen
5       moet gij hem geven;\' want hem heeft Jahwe, uw god, uit al uwe
stammen uitgekozen, om voor Jahwe, uw god, te staan en in zijnen
1 v. Terwijl volgens Kzra\'s Wetboek de Aüronictcn, en zij alleen, het priesterschap mogen beklcc-
den, wordt hier aan alle leden vnn den stam Levi de bevoegdheid toegekend om als priesters op te
treden. Doch op de priesterlijke inkomsten hadden zij alleen aanspraak die werkelijk dienst deden en
daarom gewoonlijk als „Lcvietischo priesters" worden aangeduid.
1.   de gantcke tlam Levi. Van hen geldt wel het geen tleel noch erve, maar niet de tweede helft
van het vers, die op r/e Levietitcie prietler* alleen betrekking heeft. — geen deel noch erre. In latere
wetten wordt den Levieten wel degelijk grondbezit, en geen gering, toegedeeld; verg. Num. XXXV :
1—8; Joz. XXI. — vuuroferi. Alleen hier in Deuleronomium. Zie op Exod. XXIX: 18. — en van
lijn er/deel,
van hetgeen Jahwe, behalve de offers, toekwam; zie vs. 4.
2.  zal Hij, de stam Levi. — Jaliwe — toegezegd. Zie X : 9.
8. den schouder — maag. Dus minder dan in do latere wetten, waar den priesters van de dnnk-
offers de borst en de rechterschenkcl worden toegewezen (Kxod. XXIX: 27 v.; Lev. VII: 28—30; VIII:
25—29 j IX : 21; X : 14 V.; Num. VI: 20; XVIII: 17 v.). Oudtijds waren geen bepaalde stukken van het
offerdier voor de priesters bestemd; zie op 1 Sam. 11:12—17.
4. keurgaven, eerstelingen; zie op Exod. XXIII: 19. Hoeveel zij daarvan kregen, wordt aan de wel-
willendheid der offeraars overgelaten. Behalve het hior genoemde worden in eene latere wet den pries-
tors toegewezen: do eerstelingen allor vruehton, de tienden en de eerstgoborenen, Num. XVIII: 11—
20; verg. op XIV: 22 v. en op XV I 20. De eerstelingen der wol worden daar niet genoemd.
6. Zie op X: 8. — voor — zegenen, volg. Sam. eu Gr. t.; Hebr. t. te itaan om diemt te doen in
den naam tan Jahwe.
-ocr page 356-
DBUTKRONOMIITM XVIII : 5 —10.
436
naam dienst te doen en te zegenen, hem en zijne zonen voor altijd.
6           Wanneer nu een Leviet komt uit eene uwer steden in gansch Israël,
alwaar hij heeft verkeerd, en hij komt naar den lust van zijn hart
7       naar de plaats die Jahwe zal uitkiezen,\' zoo zal hij in den naam van
Jahwe, zijn god, dienst doen gelijk al zijne broederen, de Levieten, die
8       daar voor Jahwe staan;\' een gelijk aandeel zal hij genieten, hehalve
hetgeen hij van zijn familiegoed heeft gemaakt.
6. alwaar hij heeft verkeerd. Zoo wordt zijn wonen genoemd omdat hij geen grondbezit heeft; zie
Richt. XV1I:7; XIX: 1.
8.   zal hij, volg. Slim. en Gr. t.; Hcbr. t. zullen zij. — behalve — gemaakt, onzekere vertaling.
IV bedoeling schijnt te zijn, dut de Leviet die zijne woonplaats en familie ging verinten om te Jcrn-
zalcm dienst te doen het recht had, zijn aandeel in de goederen zijner familie te gelde te maken en
mede te nemen.
HOOFDSTUK XVIII: 9—22.
Wet op het profetismc. — Alle hcidcuschc praktijken van waarzeggerij, doodenbezwering en andere
tooverij zijn streng verboden (9—14)j Israël moet luisteren naar de profeten die Jahwe geeft (15),
overeenkomstig het verlangen, door het volk bij de» Horeb kenbaar gemaakt (10—18). Strafbedreiging
tegen deugeiie die het profetische woord veracht (19), maar ook tegen den vulscheu profeet (20); anu-
wijzing van een middel om laatstgenoemde te onderscheiden (21 v.).
Wiehelnrij, waarzeggerij en dergelijke gebruiken, hier als Kniiuunictisch gebrandmerkt, kwamen
sinds de oudste tijden niet slechts bij andere volkeu maar ook onder Israël veelvuldig voor, als mid-
dclen om het onbekende, vooral de toekomst, uit te vorschen; zie o. n. op Gen. XXXI: 19. Als hci-
densche praktijken werden zij reeds vroeg door dienaren van Jahwe veroordeeld en op stralfc des doods
verboden (Exod. XXII: 18; 1 S»in. XX\\\'IU:3, 9; Je*. VIII: 19; verg. Lev. XIX: SI; XX: 27);
omdat men ze beschouwde, niet als bijgeloof en bedrog, maar als ongeoorloofde middelen om te ont-
dekken wat Jahwe verborgen hield. Daar zij zich echter, trots alle verbodsbepalingen, hadden ge-
hundhuafd, achtte onze wetgever het noodig, ze ten allcrstrcugstc te verbieden, en dnurentegen bij het
volk eerbied aan te kweeken voor de prediking van de profeten van Jahwe: zij verkondigden wat
Jahwe wilde openbaren; zij kouden het volk leercu wat het naar Jahwe\'s wil moest doen of laten;
zij waren de opvolgers van Mozcs, door Jahwe aangewezen om zijn raad bekend te maken aan Israël,
dat immers zelf bij den Horeb verzocht had, Jahwe\'s woord niet onmiddellijk, maar door tusschenper-
soticu te vernemen.
Hier voor het eerst wordt het profetisme wettelijk geregeld. I)c schrijver heeft er den dicpsten eer-
bied voor: niet slechts dngteekent hij, iu strijd met tic geschiedenis, het ontstaan er van reeds van Mozcs\'
tijd, maar hij acht het ook uls middel om Jahwe\'s geboden aan het volk bekend te maken voor alle
tijden onmisbaar. Aan den anderen kant echter is hij er ver van af, aan het profetismc volle vrijheid
te laten: wetende dat vele profeten cciic richting volgden die hem verkeerd voorkwam, wil hij hen
aan banden leggen. Hiermede heeft hij aan het profetisme een zwaren slag toegebracht; zoo toch wcr-
den de profeten afhankelijk van de ha
30
ndhavers der wet (verg. Jcr. XXS] v.; XXVI; XXIX : 21!) en
werd de aandacht afgeleid van hetgeen iu liet profetisme hoofdzaak moest blijven; verg. op vs. 21 v.
XVIII: 9 Wanneer gij gekomen zijt in het land dat Jahwe, uw god, u geeft,
zult gij niet leeren doen naar de afschuwelijke praktijken dier volken:\'
10 onder u worde niet gevonden een die zijn zoon of dochter door het
9.  Verg. XII: 31.
10 v. Door de hier veroordeelde praktijken trachtte men zich in betrokking te stellen met allerlei
hoogere machten, /ij die er zich mede bezighielden bedoelden, den raad van bovciinardschc wezens
uit te vorschen (waarzeggers, orakelsprckcrs, wichelaars), booze geesten die op aarde rondwaarden en
iu mensehen of voorwerpen huisden te dwingen (toovennars, geestenbezweerders), of door middel van
ondernarilschc geesten dooden te raadplegen. Het kiuderolTcr (zie inl. op Gen. XXII), dat, evenals hier,
ook Ut, XX: 2—0; 2 Kon. XVII: 17; XXI: 0; 2 Krou. XXXIII :0 met deze praktijken in verband
wordt gebracht, schijnt almede een middel te zijn geweest om den raad der godheid te ontdekken
en booze geesten te bezweren. Hij de hervorming van Jozia werden, overeenkomstig onze wet, al deze
praktijken met geweld onderdrukt (2 Kon. XXII1:10, 21). — een waarzegger, iemand die, meestal
door het trekken van het lot, de plannen der godheid uitvorscht (verg. Kzech. XXI: 21). — een
oraieltpreker of een wiehelaar.
Zie op Lev. XIX: 20. — een toovenaar of een bezweerder. Twee soor-
ten van bezweerders die de in mensehen of voorwerpen aanwezige geesten wisten te bedwingen; ter-
wijl echter de eerste dat deed door allerlei stoffelijke middelen: kruiden enz., maakte de laatste alleen
van tooverformulen gebruik. De toovenares wordt veroordeeld Kxod. XXII: 18. — noch een — raad-
pleegt.
Zie op Lev. XIX: 31.
-ocr page 357-
DBUTERONOMIUM XVIII : 10—22.
437
vuur overgeeft, noch een waarzegger, een orakelspreker of een wiehe-
11       laar,\' noch een loovenaar of een bezweerder, noch een die de onder-
aardflche geesten of een die de demonen ondervraagt, of een die de
12       dooden raadpleegt;\' want Jahwe heeft een afschuw van ieder die deze
dingen doet, en ter oorzake van deze afschuwelijke praktijken verdrijft
13       Jahwe, uw god, hen voor u uit.\' Gij zult onherispelijk zijn tegenover
14       Jahwe, uw god;\' want deze volken die gij gaat verdrijven luisteren
naar orakelsprekers en waarzeggers; iuaar zulks heeft Jahwe, uw god,
15       u niet toegestaan.\' Een profeet uit uw midden, uit uwe broederen,
een zooals ik hen, zal Jahwe, uw god, u verwekken; naar hem moet
16       gij luisteren.\' üeheel zooals gij van Jahwe, uw god, gevraagd hebt hij
den Horeb ten dage van de Vergadering, toen gij zeidet: Laat mij de
stem van Jahwe, mijn god, niet langer hooren en dit groote vuur niet
17       meer zien; opdat ik niet sterve —\' waarop Jahwe tot mij zeide: Zij
18       hebben goed gesproken:\' ik zal hun uit het midden hunner broederen
een profeet zooals gij zijt verwekken; in zijn mond zal ik mijne woor-
19       den leggen, en hij zal tot hen spreken al wat ik hem gebied.\' En de
man die niet luistert naar de woorden die hij in mijnen naam
20       spreekt, op dien zal ik het verhalen.\' Doch de profeet die zoo ver-
waten is een woord in mijn naam te spreken dat ik hem niet geboden
heb te spreken, of die spreekt in den naam van andere goden, die
profeet zal sterven.
21            Indien gij nu bij u zelven zegt: Hoe zullen wij het woord onder-
22       kennen dat Jahwe niet gesproken heeft?\' Wanneer de profeet in Jahwe\'s
naam spreekt, en het woord geschiedt niet en komt niet uit, dan is
dat een woord hetwelk Jahwe niet gesproken heeft: in verwatenheid
heeft de profeet het gesproken; gij zult hem niet ontzien.
Vs. 15. Haml. 111:2;!; VII:37.
12. hen, de bewoners van Kanaiin ; zie vs. 9.
15.   Een profeet, niet een enkelen bepaalden profeet, maar in het algemeen profeten van .lahwe;
verg. vs. 20—22. Jahwe zal zorgen dut het aan dezulken nooit zal ontbreken. Deze belofte is dixir
de Christenen misverstaan en op écu persoon, den Messias, toegepast, Hand. 111:22; VII: 37; verg.
Mali b. XVII: 5; Joh. 1:21; XII: 49 enz. Zie ook op Mal. 111:1. — uit uw midden, uit uwe broe-
dere"!.
Met nadruk wordt dus hier, evenals vs. 18, ontkend dat buiten Israël ware profetie bestaat.
— een zooals ik ben. Ook Num. XI:10v., 21—30 wordt Mozes als profeet voorgesteld; XXXIV ! 10
en Num. XII :0—8 zelfs als hun aller meerdere.
16—18. De hier gegeven voorstelling wijkt ecnigszins af van die in V : 21—28, waar Jahwe door
de bede des volks zieh laat bewegen, voortaan zijne geboden aan Mozes alleen bekend te maken.
16.   de Vergadering. Zie op XXIII : 1.
19.  zijne, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. mijne.
20.   of— sterven. Verg. XIII : I—5 en aant. aldaar.
21 v. Wordt hier geleerd dat de profeet wiens woord niet uitkomt geen ceht profeet van Jahwe
is, daaruit volgt niet dat hij wiens woord uitkomt het wel is; verg. vs. 20; XIII : 1—5. Dat het
hier gestelde ouderschcidiugsteckcn hoogst gebrekkig is en op den duur noodlottig voor het profetisme
moest worden, springt in het oog; daar de profeet niet naar den inhoud zijner prediking, maar naar
de uitkomst zijner voorspellingen beoordeeld wordt. Verg. op Kzcch. XIV: 9 v. Kcuc andere besehou-
wing vinden wij Jer. XXVIII: 8 v.
22. hem niet ontzien, niet schromen hem ter dood te brengen. Anderen er geen ontzag voor hebben,
ni. voor zijn woord.
HOOFDSTUK XIX :1—IS.
Wet op de vrijsteden. — In Kanaiin zullen drie vrijstellen worden afgezonderd (1—3), als wijk-
plantscn voor ieder die zonder opzet doodslag pleegde (•!—6); voorloopig zullen er slechts drie, maar
later, bij uitbreiding van lsraëls grondgebied, zes worden aangewezen (7—10); wie echter willens en
wetens een moord begaat zal aan den bloedwreker uitgeleverd worden (11—13).
Vroeger gold de wet dat iemand die bij ongeluk manslag beging naar een der altaren van Jahwe
kon vluchten en daar onschendbaar was (Exod. XXI: 13 eu aant. aldaar). Onze wetgever, die alle
plaatselijke heiligdommen en altaren afschafte, moest hierin op eene andere wijze voorzien: vandaar
-ocr page 358-
DEUTBHONOMIUM XIX : 1—13.
438
deze wet op de aanwijzing van vrijsteden. Op het oogenblik harer uitvaardiging waren drie voldoende;
maar hij verwachtte den tijd waarop dit aantal verdubbeld zou moeten worden. Hoc deze wet later
verstaan en uitgebreid is zie uil. op IV : 41—13.
XIX: 1 Wanneer Jahwe, uw god, de volken uitroeit wier land Jahwe, uw
god, u geeft, en gij hen verdrijft en in hunne steden en huizen u
\'2 vestigt,\' dan zult gij in het midden van uw land, dat Jahwe, uw god,
3       u in bezit geeft, drie steden afzonderen;\' gij zult den weg in orde
brengen en uw grondgebied, dat Jahwe, uw god, u zal toewijzen, in
4       drieën verdeelen; zoodat elke doodslager daarheen vluchten kan.\' Dit
nu is de voorwaarde waarop de doodslager die daarheen vlucht in
leven zal blijven: wie zijn naaste zonder opzet verslaat, zonderdat hij
5       hem van gisteren of eergisteren haat toedroeg;\' wie, bij voorbeeld,
met zijn naaste in het bosch komt om hout te hakken, en hij zwaait
met de bijl om den boom te vellen, en liet ijzer schiet van den steel
los en treft zijn naaste, zoodat hij sterft — die vluchte naar eene dezer
6       steden en blijve in leven;\' opdat niet de bloedwreker, terwijl zijn ge-
moed verhit is, den doodslager vervolge, hem inhale, omdat de weg
lang is, en hem om het leven brenge, terwijl hij tocli niet den dood
verdiend had, daar hij hem van gisteren of eergisteren geen haat toe-
7,8 droeg.\' Daarom geef ik u dit gebod: zonder u drie steden af.\' En
wanneer Jahwe, uw god, uw grondgebied uitbreidt, zooals hij uwen
vaderen onder eede beloofd heeft, en u het geheele land geeft dat hij
9 verzekerd heeft uwen vaderen te zullen geven,\' als gij al deze geboden
die ik u lieden voorschrijf nauwgezet betracht, Jahwe, uw god, liefhebt
en te allen tijde op zijne wegen wandelt — dan zult gij aan deze drie
10       steden nog drie andere toevoegen;\' opdat niet bloed eens onschuldigen
vergoten worde in uw land, dat Jahwe, uw god, u ten erfdeel geeft, en
11       eene bloedschuld op u ruste.\' Maar wanneer iemand zijn naaste haat
toedraagt, hem lagen legt, tegen hem opstaat en hem doodslaat, en
12       hij vlucht clan naar eene dezer steden,\' zoo zullen de oudsten zijner
stad hem van daar laten halen en aan den bloedwreker uitleveren, dat
13       hij sterve:\' gij zult hem niet verschoonen, maar het bloed des onschul-
digen uit Israël uitdelgen. Zoo zal het u welgaan.
1.  Verg. XII: 29.
2.  in hel — afzonderen. Bedoeld is: in geheel Kanaüu, waarschijnlijk het Overjordnonsehe er onder
begrepen. In eene latere wet (Num. XXXV: 14; verg. Joz. XX: 7 v. en Peut. IV: 48) wordt onder-
stcld dat dit voorschrift alleen betrekking had op het land ten westen van den Jordaan. — drie
steden.
Welke, wordt hier evenmin als Num. XXXV : 0—84 gezegd. Volgen» Joz. XX : 7 werden aan-
gewczen Kedcs, Sichein en Kirjath-arba; verg. IV: 43.
8.   gij — brengen, nl. de wegen naar die steden; opdat het den vluchtelingen licht valle eene er
van te bereiken.
5.  Ken voorbeeld ter opheldering. Meer dergelijke gevallen Num. XXXV: 22 v. — blijve in leven.
De bedoeling schijnt te zijn dat de doodslager steeds in de vrijstad moest blijven wonen. Volgens
de latere wet Num. XXXV : 25, 28 (verg. op Joz. XX: 4—6) kon hij na den dood des hoogepriesters
gerust naar zijne woonplaats terugkeeren.
6.   bloedwreker. Zie op Num. XXXV : 12 en verg. op Gen. IX : 5. — omdat de Keg lang it. Dit
is de reden, waarom (lc wetgever niet éeue, maar drie vrijsteden aanwijst.
8 v. Wanneer het geheele grondgebied dat Jahwe aan Israël had beloofd, van den Knfru.it tot de
Middellandschc Zee (XI: 24 en zie op Gen. XV: 18), aan Israël zou behooren, zouden drie vrijsteden
niet meer voldoende zijn, maar moesten er nog andere drie worden bijgevoegd. Volg. IV: 43; Num.
XXXV: 14; Joz. XX:7T. waren reeds van den aanvang af, behalve de drie in eigenlijk Kuiiaün,
drie andere in het Overjordaansche aangewezen.
9.  Verg. XI: 22.
11—13. Verg. Exod. XXI: 12, 14.
12. zoo — halen. IV oudsten van de woonplaats des doodslagcrs hadden dus te beslissen, of de
doodslag met of zonder opzet was gepleegd. Volg. Num. XXXV : 12, 24 wu dit de taak der geheele
gemeente van Israël; zie ook Joz. XX : 4—6, waar echter aan de oudsten der vrijstad zeker recht
schijnt te worden toegekend om te beoordeclen, of iemand al dan niet mocht worden toegelaten.
18. het bloed — uitdelgen. Desgelijks XXI : 9. Zoolang onschuldig vergoten bloed niet gewroken
was, kleefde het als een vloek op het land; verg. op Gen. IV: 10.
-ocr page 359-
DBOTBRONOMIÜM XIX : 14—XX : 1.
439
HOOFDSTUK XIX: 14—21.
Wet op de getuigen enz. — Verbod de grenzen der landerijen te veranderen il i). Eenc aanklacht
door een getuige ingediend geldt niet (15). Hoc te handelen met een vnlsch getuige (16—21).
Deze wetten behelzen, evenals die van vs. 1—13 en XXI: 1—9, bepalingen van strafrecht; van de
laatste zijn zij door de wetten op het oorlogvoercn, II. XX, gescheiden.
XIX: 14 Gij zult in het erfdeel dat gij zult verkrijgen in het land dat Jahwe,
uw god, u in hezit geeft de grenzen van uw naaste, die de voorouders
hebben vastgesteld, niet verleggen.
15            Eén getuige geldt niet tegen iemand ter zake van eenige schuld of
zonde, welk misdrijf hij ook heeft begaan; op de verklaring van twee
of drie getuigen zal eene aanklacht gelden.
16           Wanneer een ongerechtig getuige tegen iemand optreedt om hem
17       van eene overtreding te betichten,\' dan zullen de beide mannen die
de twistzaak hebben zich plaatsen voor Jahwe, voor de priesters en
18       de rechters die er in die dagen zullen zijn;\' en de rechters zullen
nauwkeurig onderzoek doen, en is de getuige een valsch getuige,
19       heeft hij zijn broeder valsch beticht,\' zoo zult gij hem aandoen wat hij
zijn broeder had gedacht mm te doen, en liet kwaad uit uw midden
20       uitroeien.\' En de overigen zullen het hooren en vreezen en voortaan
21       zulk een kwaad niet meer in uw midden doen.\' Gij zult hem niet
verschoonen: leven om leven, oog om oog, tand om tand, hand om
hand, voet om voet.
Vs. 194. XIII: U enz. — Vs. 20. XIII: 11; XV11 :13; XXI: 21.
14.    I)i\' bedoeling is: gij zult de grenspalen of grensstcenen tusschen uw en uws naasten land niet
heimelijk verzetten, om uw eigen erf te vergrooten en uw naaste te bcnadcclcn; evenzoo XXVII: 17;
Job XXIV :2; Spr. XXII: 28; XXIII: 10; Hoz. V:10; verg. Spr. XV: 25. — die — eatlgeateld.
Dit onderstelt een langdurig verblijf in Kanaüu. De schrijver vergeet dat hij Mozes sprekende invoert.
15.  Zie op Nam. XXXV : 80.
16.  ongerechtig. Dat de getuige dit was kon eerst bij het onderzoek vs. 17 v. blijken. Verg. op
Lev. XIII: 2.
17.   zich plaataen voor Jahwe. Kon dit tot dusver op vele plaatsen (zie op Kxod. XXI: 6) geschieden,
voortaan, als de bepalingen van dit wetboek waren ingevoerd, alleen te Jeruzalem. — de
prie.ilera —
zijn,
in de tcmpclstad. Verg. XVII: 8—13.
19. zoo zult — doen. De valsche getuige ondergaat de straf die, zoo de aanklacht gegrond was
geweest, de beschuldigde zou hebben ondergaan.
21. teven om — voel. Zie op Exod. XXI: 23—25.
HOOFDSTUK XX.
Wetten op het oorlogvoeren. — Als Israël ten strijde trekt, vreeze het ook een machtigen vijand
niet (1); de priester spreke het uittrekkend leger moed in (2—4); aan verschillende personen worde
vrijheid verleend huiswaarts te keeren (5—8), waarna men legeroversten aanstellc (9). Voorschriften
hoc te handelen bij het belegeren en innemen van eene biiitcnlandschc stad (10—15), en hoe ten
aanzien van eene der Kannanietou (16—18). Verbod bij de belegering ceiicr stad vruchtboomen te vellen
en daarvan bclogcringswerktuigcn te maken (19 v.).
Bepalingen ten aanzien vnn het oorlogvoercn, als wij hier aantreffen, komen elders, in oudere en
jongere wetten, niet voor. Zijn zij dus waarschijnlijk niet uit ecu ouder geschrift overgenomen, even-
min zijn ze aan de praktijk ontleend: vs. 5—9 waren in alle omstandigheden onuitvoerbaar, en ook
de overige bepalingen dezer wet zijn zeker slechts bij hoogst zeldzame uitzondering (1 Makk. 111:56)
nageleefd. De schrijver stelde ze op met een menschlicvcnd doel: zooveel mogelijk de jammeren des
oorlogs te verminderen. Is het voorschrift ten aanzien van de behandeling der Kanaanieten (vs. 16—
18) daarmede in tegenspraak, men vergetc niet dat zij ten tijde van den schrijver dezer wet reeds
lang uitgeroeid of met Israël samengesmolten waren; zoodat het gebod hen zonder genade te dooden
geen andere strekking heeft dan ernstig te waarschuwen tegen Kanaanietische, afgodische, gebruiken.
Over de plaatsing dezer wet zie inl. op XIX : 14—21.
XX: 1 Wanneer gij uittrekt ten oorlog tegen uwe vijanden, en gij ziet
-ocr page 360-
DBÜTERON0MITJM XX : 1—17.
440
paarden en strijdwagens, een volk talrijker dan gij, vrees hen niet;
want Jahwe, uw god, die u uit Egypteland heeft opgevoerd, is met u.\'
2       Wanneer gij dan ten strijde oprukt, zal de priester nadertreden, het
3       volk toespreken\' en tot hen zeggen: Hoor, Israël, heden rukt gij op
ten strijde tegen uwe vijanden: zijt niet Hauwhartig, vreest niet, zijt
4       niet heangst, siddert niet voor hen: \' want Jahwe, uw god, gaat met
u, om voor u te strijden tegen uwe vijanden en u de overwinning
5       te schenken.\' Dan zullen de ambtlieden het volk aldus toespreken: Is
er iemand die een nieuw huis gebouwd maar nog niet ingewijd heeft,
hij ga heen en keere huiswaarts; opdat hij niet in den slag sneuvele
6       en een ander het inwijde.\' Is er iemand die een wijngaard geplant
maar nog niet in gebruik genomen heeft, hij ga heen en keere huis-
waarts; opdat hij niet in den slag sneuvele en een ander dien in ge-
7       hruik neme.\' Is er iemand die zich met eene vrouw verloofd maar
haar nog niet gehuwd heeft, hij ga heen en keere huiswaarts: opdat
8       hij niet in den slag sneuvele en een ander haar huwe.\' Dan zullen
de ambtlieden nog verder het volk toespreken en zeggen: Is er iemand
die bevreesd en Hauwhartig is, hij ga been en keere huiswaarts: opdat
9       hij zijnen broederen niet het hart doe versmelten, als zichzelven.\' En
zoodra de ambtlieden hunne toespraak tot het volk hebben geëindigd,
zal men legeroversten aan het hoofd des volks stellen.
10           Wanneer gij naar eene stad oprukt om tegen haar krijg te voeren,
11       zult gij haar den vrede aanbieden;\' indien zij U een vredelievend be-
scheid geeft en u de poort opent, zal de geheele bevolking die er zich
in bevindt aan u dienstplichtig en onderhoorig worden.\' Doch indien
zij geen vrede met u maken maar oorlog met u voeren wil, en gij
13       sluit haar in,\' en Jahwe, uw god, geeft haar in uwe hand — zoo zult
gij geheel hare mannelijke bevolking met het scherp des zwaards slaan;\'
14       de vrouwen echter, de kinderen, het vee en al wat in de stad is, haren
gansehen buit, moogt gij voor u zelven rooven; den buit uwer
vijanden, dien Jahwe, uw god, u gegeven heeft, moogt gij aanwenden
15       tot eigen gebruik.\' Zoo zult gij doen met al de steden die zeer ver
van u verwijderd zijn en niet behooren tot de steden van deze volken
ÏH hier.\' Daarentegen zult gij in de steden dezer volken die Jahwe, uw
17 god, u ten erve geeft niets wat adem heeft in het leven laten,\' maar
hen gansch en al met den banvloek slaan: de Hittieten, de Amorieten,
2. de prieit,-r, die het leger vergezelde. Tot zijne verrichtingen op een veldtocht behoorde het
raadplegen vu» de godspraak, het brengen viui een offer voor den slug enz.; verg. Niiin. X:0; XXXI:
6; 1 Sam. XIII: 0 en op .Fez. XIII: 3.
5—7. De drie hier onderstelde gevallen komen meermalen voor onder de straffen waarmede Jahwe
dreigt (XXVIIl:30; Am. V : 11; Uieha VI:Hv.; Sef. 1:13; verg. Job XXXI:8; 1\'rcd. VI:2; Jcz.
LX1I:8; IiXV:21; Jcr. XXXI: ">; Hagg. 1:6), en behoorden dus tot de grootste wederwaardigheden
die cen Israëliet zirh kon voorstellen. Verg. I\'s. (\'XXVIII: 2.
6.  ia yrhruilc heeft yitiomen, letterlijk onticijd heeft. Dezelfde uitdrukking XXVIII: 30; Jer. XXXI:
5. Zij onderstelt dat de eerste vruchten aan de godheid gewijd naren en dus door den mensch niet,
althans niet als gewone vruchten, gebruikt mochten worden. De latere wet, Lcv. XIX: 23—25, be-
paalt dat dit eerst in het vijfde juar mocht geschieden.
7.   Vuig. XXIV: 5 was ook de pasgehuwde gedurende een vol jaar van zijn dienstplicht ontslagen.
8.  Verg. Richt. Vil: 3. — opdat hij... doe vmmellrn, volgens andere klinkers.
10. den vrede aanbieden, haar opcischen, om zich over te geven; zoo wordt ook in het volgende
vers met „het vredelievende bescheid" bedoeld de verklaring dat de stad daartoe bereid is.
14.  de vrouwen — rooven. Ten aanzien van de Midianieten wordt Xum. XXXI: 17 v. geboden, alleen
de ongehuwde vrouwen te sparen.
15.  deze volken hier, de Kanaiinictcn.
16 v. Zie VII: 1—5.
16.  nielt icat ailem heeft, geen mcnschelijk wezen. Het vee dat in de Kanaiinietischc steden gcvon-
den werd mochten de Israëlieten rooven (II: 34 v.; III: 6 v.; Joz. VIII: 27; XI: 14). Van eene I«raë-
lietischc stad die afgodisch was geworden moest ook het vee worden vernietigd, XIII: 16.
17.  de Uillieten — Jebnzielen. Zie op VII: 1. — zooalt — heeft, b. v. Exod. XXIII: 33.
-ocr page 361-
441
DKUTBR0N0M1UM XX : 17—XXI : 6.
de Kanaanieten, de Perizzieten, de Hiwwieten en de Jebuzieten, zooals
18       Jahwe, uw god, u geboden heeft;\' opdat zij u niet leeren hen in al
de afschuwelijke dingen na te volgen die zij ter eere hunner goden
hebben gedaan; zoodat gij zondigen zoudt tegen Jahwe, uw god.
19            Wanneer gij eene stad langen tijd insluit, om haar met kracht van
wapenen in te nemen, dan zult gij haar geboomte niet verderven door
er de bijl in te slaan; gij moogt er van eten, maar het niet vellen.
Of is het geboomte des velds een mensch, dat het door u belegerd
20       zou worden!\' Alleen de hoornen waarvan gij weet dat het geen hoornen
zijn om van te eten, die moogt gij vernielen en vellen en er belege-
ringswerktuigen van maken tegen de stad die met u oorlog voert,
totdat zij valt.
18.   Verg. VII: 4; XII: 31.
19.   Verg. 2 Kon. III: 19. — Of— worden? met verandering van een klinker.
20.  belegeringtwcrktuigen, torens, stormrammen, muurbrekers en/..; zie op 2 Kon. XXV : 1.
HOOFDSTUK XXI: 1—9.
Wet tor voorziening in het geval dut de dnder vnn een moord niet l>ckcnd is. — Als ergens moord is
gepleegd en de schuldige niet hekend is, is de umistbij gelegen stad aansprakelijk (1 T.)j wat hare
overheid dan moet verrichten (8 v.), in tegenwoordigheid van priesters (5), en wat zij daarbij spreken
moet (6—8), om de bloedsehuld weg te nemen (9).
Het in deze wet behandelde onderwerp wordt nergens elders in oudere noen jongere wetten gere-
geld. Dr schrijver gaat uit van het door de ganschc oudheid gehuldigde geloof dat de gemeenschap
verantwoordelijk is voor elke misdaad door een harer leden bedreven; zij is schuldig zoolang zij den
doder niet bestraft of, indien deze niet bekend is, op andere wijze boete gedaan heeft, liet voor-
schrift behoorde eigenlijk te volgen op de strafrechterlijke bepalingen van II. XIX; zie inl. op
XIX: 14—21.
XXI: 1 Wanneer men in het land dat Jahwe, uw god, u in bezit geeft een
verslagene op het veld vindt liggen, zonderdat bekend is wie hem
2 omgebracht heeft,\' dan zullen uwe oudsten en rechters uitgaan en
den afstand meten van den verslagene tot de steden in den omtrek.\'
\'ó En dan zullen de oudsten van de stad die het dichtst hij den ver-
slagene is eene vaars nemen waarmede nog niet gearbeid is en die
4       nog niet met het juk getrokken heeft;\' de oudsten dier stad zullen
de vaars brengen in een dal met altijd stroomend water waar niet
gearbeid en niet gezaaid wortlt, en daar in het dal de vaars den nek
5       breken.\' Daarop zullen de priesters, zonen van Levi, toetreden; want
hen heeft Jahwe, uw god, uitgekozen om in Jahwe\'s naam dienst te
doen en te zegenen, en volgens hunne uitspraak moet elk geding van
(5 twist en van verwonding worden beslecht.\' Al de oudsten nu van die
2.   uwe oudtten en rechten, van de naasthij gelegen plaatsen. Over de oudsten zie XIX: 12; over
de rechters op XVI: 18.
3.   de ilatl — il. Zij werd verantwoordelijk geacht voor den geplecgdcu moord. — waarmede —
heeft, die zich dus nog in den natuurstaat bevindt. Wat aan de godheid gewijd werd moest zoo min
mogelijk door den mensch gebruikt of bewerkt zijn; zie op Kxod. XX: 25 en op Num. XIX: 2.
4.   een dal — water, dat in den regentijd door het water der beek overstroomd werd; zie op Gen.
XXVI: 17. Levend water had reinigende kracht; zie Num. XIX: 17. — vaar — wordt. Keu dal
dat telkens onder water stond was uit den aard der zaak voor bebouwing niet geschikt. De grond
waarop het dier gedood werd mocht evenmin als dit zelf door den mensch in gebruik zijn genomen;
zie op vs. 3. — de taart — breken, niet om daarmede Jahwe een zoenoffer aan te bieden — offers
mochten alleen in den tempel worden gebracht — maar om de doodstraf die aan den schuldige niet
kon worden voltrokken toe te passen en den regel te huldigen: leven om leven, XIX: 21.
5.   I)e Lcvietischc priesters, uit den tempel te Jeruzalem, moesten er hij zijn, niet om aan de
plechtigheid deel te nemen, maar om aan de zaak rechtsgeldigheid te verleenen. — in Jahwe\'t —
zegenen, volg. Sam. t.; Hebr. t. hem te dienen en in Jahwe\'t naam te zegenen. Verg. X:8; XVIII: 5.
— colgent — beilecht. Zie XVII: 8—13.
8. hnnne handen wattchm, ten tecken hunner onschuld; verg. Ps. XXVI: 6; LXXIII:13; Matth.
XXVII: 24.
-ocr page 362-
442
DBUTBR0N0M1UM XXI ! 6—17.
stad die het dichtst bij den verslagene ligt, zullen boven de vaars
waarvan in het dal de nek is gebroken hunne handen wasschen,\' en
7       dan aanbenen en zeggen:\' Onze handen hebben dit bloed niet vergoten,
8       en onze oogen hebben het niet gezien.\' Verzoen de schuld van uw
volk Israël, dat gij, Jahwe, hebt losgekocht; laat geen onschuldig bloed
rusten op uw volk Israël, en worde hun verzoening van de bloedsehuld
9       verleend. —\' En gij zult het onschuldig bloed uit uw midden delgen,
wanneer gij doet wat recht is in het oog van Jahwe.
6. die — ligt. Grondt, die — wonen. Wellicht moet ile tekst veranderd wordoti.
8.   laat — IsraiH. Zoolang du misdaad niet was gewroken drukte de schuld op het gansene volk;
verg. Nam. XXXV : 33.
9.  Zie o» XIX: 13.
HOOFDSTUK XXI: 10—21.
Drie voorschriften betreffende huwelijk en huiselijk leven. — Het huwelijk met eenc krijgsgevangene
(10—14). De rechten der eerstgeboren zonen (15—17). De straf van den weerspannigen zoon (18—21).
l)c hier nu in de volgende nfdccliiigcn, tot XXV: 10 toe, voorkomende geboden zijn voor het
mecrendecl zeer beknopt, vrij wel zonder orde of samenhang voorgedrngen, en, ook blijkens den stijl,
door den schrijver van elders overgenomen, terwijl hij slechts nu en dan er vermaningen vnn zijne
eigen hand aan toevoegt. Klkc samenvoeging tot cene afdeeling is dus min of meer willekeurig. Zoo
komen niet slechts hier, maar ook in het vervolg, herhaaldelijk bepalingen voor die den echt en
het gezin betreffen, en behoorde liet huwelijk met MM krijgsgevangene nog bij de oorlogswettcn
11. XX enz.
XXI: 10 Wanneer gij uittrekt ten oorlog tegen uwe vijanden, en Jahwe, uw
god, geeft hen in uwe hand, en gij maakt van hen krijgsgevangenen;\'
11       en gij ziet onder de krijgsgevangenen eene vrouw van eene schoone
gestalte voor wie gij liefde opvat en die gij tot vrouw wilt nemen,\'
12       zoo zult gij haar in uw huis brengen, waar zij haar hoofd kaal schere,
13       hare nagels knippe,\' en het kleed dat zij als krijgsgevangene droeg
aHegge; dan blijve zij in uw huis eene maand lang en beweene haar
vader en moeder. Daarna moogt gij tot haar komen en haar huwen,
14       en zal zij u tot vrouw zijn.\' Indien gij straks geen behagen meer in
haar hebt, zult gij haar laten gaan waarheen zij wil; maar haar voor
geld verkoopen moogt gij niet; gij moogt haar niet als eene recht-
looze behandelen, dewijl gij haar onteerd hebt.
15            Wanneer iemand twee vrouwen heeft, de eene geliefd en de andere
niet geliefd, en zij baren hem zonen, zoowel de geliefde als de niet
16       geliefde, en de eerstgeboren zoon is van de niet geliefde,\' dan is het
hem niet geoorloofd, wanneer hij zijne bezittingen zijnen zonen toe-
wijst, aan den zoon der geliefde vrouw het deel des eerstgeborenen te
geven, met voorbijgang van den zoon der niet geliefde, die de eerst-
17       geborene is;\' maar den eerstgeborene, den zoon der niet geliefde vrouw,
10.   tegen ure vijanden, buiten Kanniiii wonende; verg. XX: 15—18. I il de Kannanicti-n mocht de
Israëliet geen vrouw nemen; zie VII: 3; Eiod. XXXIV: 10.
12 v. Door de hier voorgeschreven verrichtingen moest de vrouw zich van haar hcidensch verleden
geheel losmaken.
12. haar hoofd kaal schere. Dit wordt meermalen voorgeschreven ten aanzien van degenen die een
of ander tijtl]icrk in hun leven ufsluiten; zie Lcv. XIV:8v.; Nam. VI: 0, 18; VI1I:7.
14.    Het hier gegeven voorschrift is veel mcnschelijker (verg. XXIV: 1—4) dan dnt van Kiod.
XXI : 8. Immers wordt daar bepaald dut eene Hcbrceuwsehe slavin, in gevul zij haren heer niet meer
bevalt, wel niet umi vreemden verkocht, maar toch aan een ander Israëliet tegen schadeloosstelling
mag worden overgedaan. — gij moogt — behandelen. Verg. XXIV : 7.
15.    Wanneer — heeft. Dat dit geoorloofd was blijkt ook uit Exod. XXI: 10; verg. Gen. XXIX:
28; 1 Sam. 1:2. — niet geliefd, letterlijk gehaat; cveuzoo Gen. XXIX: 81, 83.
17. een dubbel deel. Dit voorrecht wordt alleen hier vermeld; verg. op Gen. XLVIII: 5. Over de
voorrechten van den oudsten zoon zie inl. op Gen. XXV. — de eersteling zijner iterkte. Zie Gen.
XLIX: 8.
-ocr page 363-
DBÜTBR0N0M1UM XXI: 17—XXII : 4.                             443
moet hij erkennen, door hem van al wat hem toebehoort een dubbel
deel te geven; want hij is de eersteling zijner sterkte, hem komt het
recht der eerstgeboorte toe.
18           Wanneer iemand een onhandelbaren, weerspannigen zoon heeft, die
niet luistert naar zijn vader en moeder, en zij tuchtigen hem, maar
19       hij luistert nog niet naar hen,\' dan zullen zijn vader en zijne moeder
hem aangrijpen en tot de oudsten zijner stad brengen, naar de poort
20       zijner woonplaats;\' en zij zullen tot de oudsten zijner stad zeggen:
Onze zoon hier is onhandelbaar en weerspannig; hij luistert niet naar
21       ons; hij is een brasser en dronkaard — \' dan zullen alle lieden zijner
stad hem steenigen, dat hij sterft. Zoo zult gij het kwaad uit uw
midden uitroeien, en gansch Israël zal het hooren en vreezen.
Vs. 214. XIII: U enz. — Vs. 21e. XIII: 11, enz.
18—21. Verg. XXVII: 16; Biod. XXI: 17; Lev. XX: 9. In Israël werd, evenals bijna overal in de
oudheid, aan de ouders een onbeperkt recht over hunne kinderen toegekend. Onze wetgever beperkt dit
door te cischen dat de oudsten den weerspannigen zoon /uilen laten steenigen; verg. op Spr. XIX : 18.
18.   naar zijn vader en moeder. Der moeder wordt dus hetzelfde recht als den vader toegekend;
zie op Exod. XX : 12.
19.   dn oudsten, aan wie de rechtspraak was opgedragen, XV1:18. — naar de poort, waar recht
gesproken werd; zie op XVII: 5 en op Gen. XXII: 17.
21.   alle lieden. l)aar de ouders de aanklagers zijn, wordt hier de toepassing van het voorschrift
XIII: 9; XVII: 7 niet gevorderd.
HOOFDSTUK XXI: 22—XXII: 12.
Verschillende korte wetten. — Bepaling over het begraven van den gehangene (22 v.); het bewa-
ren en teruggeven van gevonden goed (XXII: 1—8); het oprichten van het gevallen lastdier des
naasten (4); tegen verwisseling van mans- en vrouwenklecdercn (5); ovor het uithalen van vogelncs-
tcn (6 v.); het mnken van cone leuning om het dak (8); tegen vermenging van het ongelijksoortige,
bij het zaaien, bij het gebruik van plocgdicrcn, in de klecding (9—11); over tressen aan de vier hoe-
ken van de deken (12).
XXI: 22 Wanneer iemand een misdrijf pleegt waarop de doodstraf staat, en
23 hij wordt ter dood gebracht, en gij hangt hem op aan een paal,\' dan
zal zijn lijk niet den nacht over aan den paal blijven, maar gij moet
hem stellig nog dien dag begraven; want een gehangene is van God
vervloekt, en gij moogt uw land dat Jahwe, uw god, u ten erve geeft
niet verontreinigen.
XXII: 1 Ziet gij het rund of het schaap van uw broeder afgedwaald, zoo
zult gij er u niet aan onttrekken; gij moet het stellig aan uwen broeder
2       terugbrengen.\' Indien uw broeder niet in uwe nabijheid woont of gij
weet niet wie de eigenaar is, neem het dan op in uw huis en laat het
bij u blijven, totdat uw broeder er naar vraagt; dan zult gij het hem
3       teruggeven.\' Evenzoo zult gij handelen met zijn ezel, met zijn kleed,
met al wat uw broeder verliest en gij vindt; het staat u niet vrij u
te onttrekken.
4           Gij moogt, wanneer gij uws broeders ezel of rund op den weg ziet
vallen er u niet aan onttrekken, maar moet hem zeker helpen om het
dier weder op te richten.
Vs. 23c. Gal. III: 18*. — Vs. 1. Exod. XXIII: 4. — Vs. 4. Exod. XXIII: 5.
22 v. Verg. Joz. VIII: 29; X : 26 v.
22.   gij — paal. Het lijk van een terechtgestelde werd dikwijls, ter vermeerdering der schande,
opgehangen aan een paal of muur; verg. 1 Nam. XXXI: 10; 2 Sam. IV : 12.
1—3. Dit voorschrift komt in hoofdzaak met dat in Exod. XXIII: 4 v. overeen, waar echter sprake
is van het afgedwaalde dier van „uw vijand".
2. de eigenaar, duidelijkhcidshalve, in pi. v. hij.
4. Een dergelijk voorschrift wordt Exod. XXIII: 5 gegeven ten opzichte van het lastdier des vijands;
verg. op vs. 1.
-ocr page 364-
444                                           DEDTEBONOMIUM XXII : 5—15.
5          Eene vrouw mag geen manskleeding aanhebben, noch een man een
vrouwengewaad aantrekken: want Jahwe, uw god, heeft een afschuw
van al wie zulks doet.
b*          Wanneer door u een vogelnest wordt aangetroffen op den weg, in
een of anderen boom of op liet land, met jongen of eieren, terwijl de
moeder op de jongen of de eieren zit, zoo zult gij niet de moeder met
7       de jongen nemen;\' de moeder moet gij stellig vrijlaten, maar de jongen
moogt gij nemen; opdat het u welga en gij lang leven raoogt.
8           Wanneer gij een nieuw huis bouwt, maak dan eene borstwering aan
uw dak; opdat gij geen bloedschuld over uw huis brengt, in geval er
eens iemand afviel.
9           Gij zult in uwen wijngaard niet tweeërlei telen; anders vervalt het
geheel aan Jahwe, het zaad dat gij zaait en de opbrengst van den
10       wijngaard.\' ({ij zult niet ploegen met een rund en een ezel te gelijk.\'
11       Gij zult geen kleed aantrekken van gemengde stof, wol en linnen dooreen.
12           Maak u tressen aan de vier hoeken van de deken waarmede gij
u dekt.
V». 7«. IV : 404 en?..
5. Dit verbod komt in O. T. alleen hier voor. Het is waarschijnlijk niet gegeven ten bntc vmi wel-
vocgclijkhcid of zedelijkheid, maar gericht tegen godsdienstige praktijken, ook in Kanaün inheemsen;
ter eer van sommige goden naren vaak mannen of gesnedenen nis vrouwen gekleed, en droegen prics-
teressen krijgstooi. Men inerke hierbij op dut het woord door kleeding vertnnld ook tooi, sieraad enz.
aanduidde.
o. de moeder met de jongen, of kinderen. Zie op Gen. XXXII : 11.
8.   Ken voorschrift van soortgelijke strekking komt Kxod. XXI: 88V. voor. — eene binttu>ering
aan mr dak. De huizen der Israëlieten hadden platte daken, wnarop zij bij versch
39
illende gelegenheden
vertoefden (.loz. 11:6; Richt, XVI: 27; 1 Snm. IX:25v.; 2 Snm. XI: 2; Neh. VIII: 17; Jcz. XV: 8;
XXII :1; .Ier. XIX: 13; .
\\latth. X:27; XXIV: 17; Hand. X : 0). Dikwijls was er eeno bovenkamer
op aangebracht (Richt. 111:20, 23, 25; 1 Kon. XVII: 19, 23; 2 Kon. IV: 10; XXIII: 18; Mare.
XIV: 15; Iiiic. XXII: 12; Hand. 1:13); ook werd er wel eens eene teut op uitgespannen (2 Sain.
XVI: 22).
9.   Hut hier verboden gebruik huil waarschijnlijk eene godsdienstige beteckenis. Men zaaide graan
tnssehen de wijnstokken om daardoor den wijngaard ouder de hoede der voldgecsten te stellen ou te
voorkomen dut dezen hem benadeelden. Door misverstand van dit verbod is het Lev. XIX: 19 uitga*
breid tot het bezaaien van een akker met tweeërlei zaad. — vervalt... aan Jahtoe, letterlijk irordt aan
Jahwe gewijd;
verg. op Kxod. XXIX: 37.
10.   Waarom dit verboden is, weten wij niet. Waarschijnlijk was het een godsdienstig gebruik, dat
dus nis nfgodisch wordt veroordeeld. In sommige streken van I\'nlcstina gebeurt het nog vaak. Als
beeldspraak wordt het verbod 2 Kor. VI: 14 gebezigd. In Ijcv. XIX: 19 wordt hiervan gemaakt het
verbod bastaarden te fokken.
11.  Zie op Lev. XIX : 19.
12.  treaten, onzekere vertaling; zie verder op Num. XV: 38. — deken. Verg. XXIV: 13; Kxod.
XXII: 27.
HOOFDSTi\'K XXII: 13—30.
Wetten op de eerbaarheid. — Hoe te handelen in geval eene vrouw door haar man beticht wordt
vóór het huwelijk ontucht te hebben gepleegd (13—21). Strafbepalingen tegen de getrouwde vrouw
en haar boeleerder die op overspel betrapt worden (22); tegen de verloofde maagd en hanr verleider
die in de stad ontucht plegen (Hl,); tegen den verleider die buiten op het veld eene verloofde maagd
verkracht (25—27); bepaling ten aanzien van het verkrachten eener niet verloofde (28 v.); verbod
van het huwelijk met eene vrouw des vaders (30).
XXII: 13 Wanneer iemand eene vrouw huwt en, na tot haar gekomen te
14       zijn, een afkeer van haar krijgt,\' haar dan in opspraak brengt en een
slecht gerucht van haar doet uitgaan, door te zeggen: Deze vrouw heb
ik gehuwd, maar toen ik tot haar naderde, heb ik tien maagdom aan
15       haar niet gevonden —\' zoo zullen de vader en de moeder der jonge
15. iet bewijs korer maagdelijkheid, zichtbaar aan het met bloed bevlekte laken; zie v». 17. — dt
oudtten der ttad.
Zie op XVI: 18. — ra de poort. Zie op XVII: 5 en op Gen. XXII: 17.
-ocr page 365-
DBUTKRONOMIOM XXII : 15—28.
445
vrouw het bewijs harer maagdelijkheid nemen en uitbrengen tot de
16       oudsten der stad in de poort,\' en de vader der jonge vrouw zal tot de
oudsten zeggen: Ik heb mijne dochter aan dezen man tot vrouw ge-
17       geven, maar hij heeft een afkeer van haar gekregen,\' en zie, nu heeft
hij haar in opspraak gebracht door te zeggen: Ik heb aan uwe dochter
den maagdom niet gevonden — maar hier is het bewijs van de maag-
delijkheid mijner dochter! Dan zullen zij het laken voor de oudsten
18       der stad uitbreiden.\' Daarop zullen de oudsten dier stad den man
19       nemen en hem tuchtigen;\' ook zullen zij hem eene boete van honderd
sikkelen zilver opleggen en die aan den vader der jonge vrouw geven,
omdat hij van eene Israëlietisohe maagd een kwaad gerucht heeft
doen uitgaan; en zij zal zijne vrouw blijven: het staat hem niet vrij
20       haar te verstooten, zoolang hij leeft.\' Maar indien het waarheid is,
21       indien de maagdom aan de jonge vrouw niet is gevonden,\' zoo zal
men haar naar den ingang van het huis baars vaders brengen, en de
lieden harer stad zullen haar steenigen, dat zij sterft; want zij heeft
eene dwaasheid in Israël bedreven, door in het huis haars vaders on-
tucht te plegen. Zoo zult gij het kwaad uit uw midden uitroeien.
22           Wanneer iemand betrapt wordt terwijl hij gemeenschap houdt met
eene getrouwde vrouw, zoo zal de een zoo goed als de ander sterven:
de man die met de vrouw gemeenschap hield, en de vrouw. Zoo zult
gij het kwaad uit Israël uitroeien.
23           Wanneer eene maagd verloofd is, en iemand treft haar aan in de
24       stad en houdt gemeenschap met haar,\' zoo zult gij hen heiden naar
de poort dier stad brengen en hen steenigen, dat zij sterven: het
meisje, omdat zij in de stad niet geschreeuwd, en den man, omdat hij
de vrouw zijns naasten verkracht heeft. Zoo zult gij het kwaad uit
25       uw midden uitroeien.\' Maar indien de man het verloofde meisje op
het veld aantreft en haar geweld aandoet en genieenschap met haar
houdt, zoo zal alleen de man die met haar gemeenschap hield sterven;\'
26       maar het meisje zult gij niets doen: zij is geenszins des doods schuldig;
want evenals wanneer iemand tegen zijn naaste opstaat en hem van
27       het leven berooft, zoo heeft deze zaak zich toegedragen:\' hij heeft
haar op het veld aangetroffen; het verloofde meisje heeft geschreeuwd;
maar er was niemand om haar te helpen.
28           Wanneer iemand eene maagd die niet verloofd is aantreft, haar aan-
Vs. 214. XIII: 54 enz. — V». 244. XIII: 5* enz.
17.  maar hier — uitbreiden. Aan het hier gevorderde lic wijs voor de deugd der pas gehuwde wordt
nog door sommige Oostcrschc volken groote waarde gehecht. — \\h- Joodschc uitleggers wilden echter
deze wetsbepaling alleen laten gelden voor meisjes die op 12\'/i jarigen leeftijd huwden.
18.  tuchtigen. Het is niet duidelijk, uf de wetgever bedoelt lichamelijke tuchtiging (verg. XXV:2v.),
dan wel allceu eene berisping. Het gebruik zal wel naar plaats en tijd verschillend zijn geweest, en
de wet laat ruimte voor harder en zachter behandeling.
19.   hónderd likkelen zilver, ongeveer ƒ170. — hei — leeft, hij verliest dus een recht dat anders
de getrouwde imm heeft) verg. XXI: 11 j XXIV: Ij Exod. XXI: S. Desgelijks vs. 2U4.
21.  eene dwaasheid. Zie op Gen. XXXIV:7.
22.  Verg. op Lev. XV1II:20.
24. tteenigen. Eetie andere straf op echtbreuk wordt Gen. XXX VI11 :24 opgelegd. — omdat zij
in de tlad niet geschreeuwd heeft.
De wetgever onderstelt, dat, zoo de aanranding op de eerbaar-
heid eener maagd iu eene stad plaats heeft, het meisje door gerucht te maken den aauslag ver-
hiudcren kan. — de vrouio. Zoo kon de verloofde genoemd worden, daar zij reeds aan den man ver-
bonden was.
20.   trant — toegedragen, zij is voor de overmacht gezwicht.
27. het verloofde — helpen. De wetgever onderstelt dat het aangevallen meisje zich verweerd en om
hulp geroepen heeft, maar tevergeefs.
28 v. Ken dergelijk voorschrift wordt Kxod. XXII: 10 v. gegeven. Daar wordt echter uitdrukkelijk
bepaald, dat de vader het recht beeft zijne onteerde dochter deu verleider te weigeren, terwijl hij
toch aanspraak op het geld behoudt.
-ocr page 366-
446                           dbütkronomium XXII: 28—XXIII: 4.
grijpt en met haar gemeenschap houdt, dan zal, als zij hetrapt worden,\'
29       de man die met het meisje gemeenschap hield aan haren vader vijftig
sikkelen zilver betalen, en zij zal zijne vrouw worden, omdat hij haar
verkracht heeft: hij mag haar niet verstooten, zoolang hij leeft.
30           Niemand zal de vrouw zijns vaders huwen noch het dek zijns vaders
opslaan.
29.  vijftig sikkelen zilver, ongeveer ƒ85. Men kocht onder Israël zijne vrouw; zie op Gen. XXXIV
12. Pc hier genoemde som was koopprijs en boete te gelijk. — hij — verttooten. Zie op vs. 19.
30.   Het huwelijk met de stiefmoeder wordt ook XXVII: 20; Lev. XVIII: 8; 1 Kron. V:l; Ezech.
XXII: 10 afgekeurd en volgens Lev. XX : 11 met den dood gestraft. In Lev. XVIII: 9—20; XX : 10—21
vinden wij eene geheclc reeks van verbodsbepalingen tegen huwclijksvcrbiutenisscn met familieleden.
—  het — opslaan. Verg. XXVII:20; Ruth 111:9; Ezech. XVI: 8.
HOOFDSTUK XXIII: 1—8.
Wet op het Israëlictisch burgerrecht. — l\'it Jahwe\'s vergadering moeten worden geweerd de ont-
manden (1), de Bastaards (2), de Ammonictcn en de Moabieten wegens hun gedrag tegen Israël tijdens
den uittocht (3—6). Toegelaten moeten worden, doch eerst in het derde geslacht, de Edomiotcn,
wegens verwantschap, en de Egypteunreu, wegens Isrnëls verblijf in hun land (7 v.).
Deze wet toont, in welke verhouding Israël, toen de wet werd opgesteld, tot de naburige volken stond:
terwijl Ammon en Moab, die voor altijd geweerd worden, als aartsvijanden worden beschouwd, is de
gezindheid jegens Edom on Egypte, voor wie de toetreding gemakkelijk gemaakt wordt, van vrieud-
schappclijkcn aard.
De schrijver beroept zich op hetgeen Num. XX: 14—21 (verg. Richt. XI:17v.) verhaald wordt
van de wijze waarop het naar Kanniin optrekkende Israël door zijne latere naburen was behandeld;
maar omdat zijn oordeel over die volkeu een ander geworden is, wijzigt hij de daar gegeven voorstel-
ling en legt hij de vijandige gezindheid die daar vooral Edom tegenover Israël betoont uitsluitend
aan Ainniou en Moab ten laste.
Over de zienswijze van ecu jongeren geestverwant zie inl. op II: 1—23.
XXIII:1 Geen ontmande noch gesnedene zal in Jahwe\'s vergadering komen.\'
2       Geen Bastaard, noch zelfs zijn nakroost in het tiende geslacht, zal in
3       Jahwe\'s vergadering komen.\' Geen Ammoniet noch Moabiet, noch zelfs
hun nakroost in het tiende geslacht, zal ooit of immer in Jahwe\'s
4       vergadering komen;\' om reden dat zij u, bij uwen uittocht uit Egypte,
niet met brood en water op den weg zijn tegemoet gekomen, en
tegen u Bileam, Beors zoon, uit Pethor in Ötroomland-Aram, gehuurd
Vs. 3. Nc.li. XIII\\\\b, 2.
1—0. Eenc vriendelijker zienswijze wordt .lez. JLVI: 3—8 gehuldigd.
1.  ontmande, gesnedene. De Hebrceiiwschc woorden duiden aan, dnt de ontmanning op verschillende
wijze, door pletten of snijden, plaats had; verg. Lev. XXII: 21. Deze kuustbcwerking werd, evenals
bij andere Oostersche volken, ook bij Israël toegepast op hen die bestemd waren de vrouwen van
koningen en aanzienlijken te bewaken (2 Kon. IX: 32; Kst. 1:10, 12, 15; 11:3, 14 v.; IV: 4 v.). Zij
komen echter ook in andere, zelfs hoogc, betrekkingen voor (Gen. XXXVII :3li; XXXIX: 1 ; XI.: 2.
7; 1 Sam. VIII: 15; 1 Kon. XXII :U; 2 Kon. VIII :0; XX: 18; XXIII: 11; XXIV: 12, 15; XXV:
1»; 1 Kron. XXVI1I:1; Jer. XX1X:2; XXXIV:19; XXXVIII:7; 1,11:25; Dan. I; Hand. VIII:S7).
Het woord waarmede zij gemeenlijk in het Hcbreeuwsch worden aangeduid is door ons meestal met
kamerling weergegeven. — Jahwe\'s vergadering, het volk vnn Jahwe, gedacht nis eenc voor hem ver-
gaderdo menigte, zijne gemeente, zijn uitverkoren volk; evenals Num. XVI: 3 enz. Elders in dit boek
(IX: 10; X:4; XV1H : 10) wordt met de Vergaitering het bij den Hnreb verecnigdc volk aangeduid.
—  in — komen, als lid opgenomen, in de volksgemecnschap ingelijfd worden; verg. Klaagl. 1:10.
2.   Bastaard. Het aldus vertaalde Hebrceiiwschc woord beteckent volgens de Joodsche overlevering
niet elk onecht kind, maar alleen de vrucht vnn overspel of blocdschnndc. Wat het oorspronkelijk
aanduidde zie op Zach. IX : 0. — noch — geslacht, geen hunner nakomelingen. Zie op Gen. XXXI:7.
Gr. vert. heeft deze woorden hier niet.
4. om — gekomen. Zoo verwijt Num. XX: 18—21 aan Edom — en Richt. XI: 17 aan Edom en
Moab — dat het Israël geen doortocht door zijn land verleencn noch leeftocht verknopen wilde. Volg.
II: 29 daarentegen hadden Edom en Moab Israël vergund door hun land te trekken en, al was het
tegen betaling, het leger van brood en water voorzien. — gehuurd hebben, volg. Gr. vert.; Hehr. t.
heeft het enkelvoud. Bedoeld is Ualak, de koning van Moab. — Bileam, Beors zoon. Zie op Num.
XXII: 5. — Stroomland-Aram. Zie op Gen. XXIV : 10.
-ocr page 367-
447
DBUTBRONOMIUM XXIII : 4—18.
5 hebben om u te vervloeken;\' maar Jahwe, uw god, wilde niet hooren
naar Bileam en verkeerde voor u den vloek in zegen; want Jahwe,
C> uw god, had u lief;\' nooit of\' nimmer, zoolang gij leeft, zult gij hun
geluk en hun welzijn bevorderen.
7           Gij zult geen afschuw hebben van den Edomiet, want hij is uw
broeder; evenmin van den Egyptenaar, want gij hebt in zijn land ver-
8       toefd:\' van de kinderen die hun geboren worden mag het derde ge-
slacht komen in Jahwe\'s vergadering.
V». 4i, 5. Joz. XXIV: 9 v. — Vs. 6. Ezra IX: 124.
4i, 5. Verg. inl. op Num. XXII: 2—XXIV: 25. Dit verhaal in zijn tegenwoordigen vorm kende de
schrijver niet; daar hij Bileam alleen met Moab, niet óok met Midiau, in betrekking brengt; ook
schijnt hij Bileam niet te kennen als den verleider van Israël (Nnm. XXXI: 8, lfl; Joz. XIII: 22).
7. uk broeder. Verg. 11:4, 8; Num. XX: 14; Am. 1:11, en inl. on Gen. XXV. In latere gcschrif-
ti\'ii wordt een gansch andere toon tegen Kdom aangeslagen; zie I\'s. CXXXVII: 7; Jez. XXXIV;
Klaagl. IV:21v.; Ezecb. XXV: 12; XXXV: 5—15; Ob. vs. 10—U; Mal. 1:2—5. — gij — ver-
toefd.
Eene zeer welwillende beschouwing van Israëls verblijf iu Egvptc; geheel anders b. v. IV: 20;
V:15; 1 Kon. VIII: 51; Jer. XI: 4.
HOOFDSTUK XXIII: 9—25.
Voorschriften van verschillenden aard. — De reinheid van het legerkamp (9—14); uitlevering van
den gevluehten slaaf (15 v.); ontucht ter eerc der godheid (17 v.)j lecneu tegen rente (19 v.); nalatig-
hcid in het voldoen van geloften (21—23) ;• onbehoorlijk gebruik maken van den wijngaard en het
korenveld des naasten (24 v.).
XXIII: 9 Wanneer gij tegen uwe vijanden te velde trekt, moet gij tegen al
10       wat onwelvoegelijk is u in acht nemen.\' Is er iemand onder u die
niet rein is vanwege een ongeval bij nacht, hij\' verwijdere zich buiten
11       het kamp; hij mag er niet binnenkomen.\' Maar tegen het vallen van
den avond moet hij zich met water wasschen, en zoodra de zon is
12       ondergegaan mag hij binnen het kamp komen.\' Gij moet buiten het
13       kamp eene gelegenheid hebben waar gij u afzondert,\' en gij moet
eene pin aan uwen gordel hebben, om er, wanneer gij buiten gaat
zitten, een gat mede te graven, en straks weer uwe ontlasting te
14       bedekken.\' Want Jahwe, uw god, gaat rond door uw kamp, om u
te redden en uwe vijanden aan u prijs te geven; dat dan uw kamp
heilig zij en hij niets walgelijks bij u zie; opdat hij zich niet van u
afkeere.
15           Gij zult een slaaf die, aan zijn heer ontkomen, tot u zijne toevlucht
1(5 neemt, niet aan zijn heer uitleveren;\' hij zal bij u wonen, in uw mid-
den, in de plaats die hij verkiest, in eene uwer steden, waar het hem
goed is; gij zult hem niet slecht behandelen.
17           Er zal geene gewijde zijn uit de dochteren Israëls, noch een gewijde
18       uit Israëls zonen;\' gij zult hoerenloon noch hondenprijs in het huis
9. Kat ontcelcoegelijk is. Bedoeld is lichamelijke onreinheid; deze werd onder Israël ook van gods-
dienstig standpunt veroordeeld; verg. vs. 14.
10 v. Verg. Lev. XV: 16 v., waar den onreine geboden wordt ook zijne kleederen te wasschen. De
wetgeving op dit onderwerp is ook iu andere opzichten in Ezra\'s Wetboek uitgebreid (verg. IjCV. XV;
Num. V: 1—4).
13.  uwen gordel, volg. Gr. en Lat. vertt.; in Hebr. t. een onverstaanbaar woord.
14.  heilig. Zie op Exod. III: 5.
15 v. Blijkbaar is een buitenlandsche slaaf bedoeld. Vreemdelingen in het algemeen moesten gast-
vrij opgenomen en goed behandeld worden; zie op Exod. XXII: 21.
17.   Over de gewijde vrouwen zie op Gen. XXXVIII: 15. Naast dezen staan hier de gewijde mnn-
nen, die zich, in den dienst der natuurgoden en ter wille van do bezoekers hunner heiligdommen, tot
tegennatuurlijken wellust leenden. Verg. 1 Kon. XIV:24; XV: 12; XXII:47; Hoz. XII:1 en op
Hoz. IV: 14.
18.   koerenloon. kondenprijt, het loon met bovengenoemde zcdeloozc praktijken verdiend, dat aan
de godheid werd afgestaan (verg. Micha 1: 7). Hondenprijs wordt de winst van den gewijde genoemd,
om iets zeer verachtelijk* aan te duiden; zie op 1 Kon. XIV: 11.
-ocr page 368-
DBDTBROSOMIÜM XXIII: 18— XXIV : 1.
448
van Jahwe, uw god, brengen voor eenige gelofte; want Jahwe, uw
god, heeft een afschuw van die beide.
19           (jij zult van uw broeder geen rente nemen, noch van geld, noch
van levensmiddelen, noch van iets anders waarvan men rente maakt;\'
20       van den buitenlander moogt gij rente nemen, maar niet van uw broeder;
opdat Jahwe, uw god, u zegene in al uw bedrijf, in het land dat gij
in bezit gaat nemen.
21            Wanneer gij aan Jahwe, uw god, eene gelofte doet, zult gij de be-
taling er van niet uitstellen; want Jahwe, uw god, vordert ze zeker
22       van u, en gij zoudt schuldig worden; \' maar indien gij nalaat eene
23       gelofte te doen, zult gij niet schuldig zijn.\' Wat over uwe lippen komt
moet gij houden, en gij moet doen wat gij aan Jahwe, uw god, vrij-
willig beloofd hebt, wat gij hem met eigen mond hebt toegezegd.
24           Wanneer gij in uws naasten wijngaard komt, moogt gij naar harte-
lust tot verzadiging toe druiven eten, maar in uwe tasch zult gij
25       niets doen.\' Wanneer gij in uws naasten korenveld komt, moogt gij
met de hand aren afplukken, maar een sikkel zult gij in uws naasten
koren niet slaan.
Vt. 21a. Pred. V : 3«.
10. rente nemen. Zie op KjukI. XXII: 25.
20.   van den buitenlander — broeder. Deze tegenstelling ligt ook aan Exod. XXII: 25; Lcv. XXV:
35—38 te» grondslag. Zie ook XV : 2 v. en XIV: 21.
21—23. Verg. 1\'red. V : 1—4.
21.   ailt — uitliet/en. De latere wetten bevatten bepalingen ten aauzien van het al of niet geldige
eencr gelofte; zie Nuni. XXX.
23. wal — hebt, dn» ecu „vrijwillig gcloftc-olfer". Dat hier niet, zooals elders in dit boek (XII:
17), onderscheid tusschcu „geloften" cu „vrijwillige gaven" gemaakt wordt, ligt hieraan dat dit
voorschrift behoort tot de door den schrijver grootendeels van elders overgenomen wetten (XXI: 10—
XXV: 19).
Ml. Soortgelijke bepalingen ten behoeve van de armen XXIV : 19—22.
25. aren afplukken, om die uit te wrijven eu tot stilling van den honger de korrels op te eten;
verg. Matth. XII: 1; Lue. VISi. De korrels werden ook geroosterd gegeten, Lev. XXIII: 14.
HOOFDSTUK XXIV : 1—XXV : 19.
Huwelijkswetten, benevens bepalingen hoofdzakelijk ter bevordering van barmhartigheid en recht-
vaardigheid. — Bepalingen de echtscheiding betreffende (XXIV : 1—I). Vrijstelling in het eerste huwe-
lijksjaar (5). Verbod van het te pnnd nemen van den molensteen ((!); van niensclicnroof (7). Verma-
lüug om in zake van incliiatschhcid den priesters te gehoorzamen (S v.). Annsporing tot barmhartig-
heid bij het nemen vim pand (10—13); tot billijkheid jegens den daglooncr (14 v.); tot het toepassen
der straf op den schuldige alleen (10). Bepalingen ten gunste van vreemdelingen, weezcu en weduwen
(17—22); over de straf van stokslagen (XXV : 1—3); over het dorschend rund (4). Wet op het zwa-
gerhuwclijk (5—10); tegen oneerbare handtastelijkheden bij een twist (11 v.); tegen onccrlijklieid iu
den handel (13—10). Aansporing tot uitroeiing van Aiualek (17—19).
XXIV: 1 Wanneer iemand eene vrouw ten huwelijk neemt en later, als zij
hem niet aanstaat, omdat hij iets walgelijks aan haar ontdekt heeft,
haar een scheldbrief schrijft, haar dien in handen geeft en haar uit
Vs. 1. Matth. V:31; XIX: 7; Mare. X: 4.
1. al» — heeft. Echtscheiding bij schriftelijke verklaring wordt hier, niet voorgeschreven, maar als
bestaand gebruik en als recht van den ïnnn (zie XXI: 14), niet van de vrouw, ondersteld. Afgekeurd
wordt zij .Mal. 11:13—16. Slechts iu twee gevallen verklaart onze wetgever haar ongeoorloofd, XXII:
19, 29. Wat als reden van cchtscheidiug mocht gelden wordt niet uitdrukkelijk aangegeven. Vnndaar
later verschil iu de scholen der schriftgeleerden: Kabbi Hillel (omstreeks Christus\' geboorte) leerde
op grond van |dezen tekst, dat om allerlei kleinigheden de ïnnn zijne vrouw mocht wegzenden (verg.
Matth. XIX: 3—9; Mare. X:2—12), terwijl zijn tijdgenoot Sjnmnmi in dezen veel strenger was. —
een acheifibrief een geschrift waarin de man verklaarde van zijne vrouw afstand te doen. De vrouw
kou op grond van deze verklaring ceu tweede huwelijk sluiten, ook zich daarop beroepen, zoo haar
eerste man haar weer mocht opeischeu. Verg. .Ie/. L:l.
-ocr page 369-
DEÜTERONOMIÜM XXIV : 1 —12.                                         449
2       zijn huis wegzendt,\' en zij verlaat zijn huis, gaat heen en wordt de
3       vrouw van een ander,\' maar ook die tweede man krijgt een afkeer
van haar, schrijft haar een scheidbrief, geeft haar dien in handen en
zendt haar weg uit zijn huis; of die tweede man die haar tot vrouw
4       genomen heeft sterft — \' zoo is het haren eersten echtgenoot, die haar
had weggezonden, niet geoorloofd haar andermaal tot vrouw te nemen,
nadat zij zich heeft laten verontreinigen; want dat is iets afschuwelijks
in het oog van Jahwe: gij zult het land dat Jahwe, uw god, u ten
erfdeel geeft niet met zonde beladen.
5           Wanneer iemand pas eene vrouw heeft genomen, zal hij met het
leger niet uittrekken, en zal men hem in geen opzicht iets opleggen;
een jaar lang zal hij vrij blijven voor zijn huis en vroolijk zijn met
de vrouw die hij genomen heeft.
6           Men zal op den handmolen noch op den molensteen beslag leggen;
want dan legt men beslag op het leven.
7           Wanneer iemand betrapt wordt op het stelen van een mensch, een
zijner broederen, een Israëliet, en hem als een rechtlooze behandelt en
verkoopt, dan zal die dief sterven. Zoo zult gij het kwaad uit uw
midden uitroeien.
8           Draagt zorg, bij de plaag der melaatschheid zeer nauwgezet het
gansche onderricht op te volgen dat de Levietische priesters u geven;
9       volgt nauwgezet op wat ik hun geboden heb.\' Gedenkt wat Jahwe,
uw god, bij uwen uittocht uit Egypte onderweg aan Mirjam heeft
gedaan.
10           Wanneer gij van uwen naaste eenige schuld te vorderen hebt, zult
gij zijn huis niet binnentreden om iets van hem tot pand te nemen:\'
11       buiten moet gij blijven staan; en de man wiens schuldeischer gij zijt
12       zal het pand tot u naar buiten brengen;\' is hij een arm man, zoo zult
Va. 7*. XIII::,/, enz.
2. een ander. Het huwen met ecuc gescheiden vrouw wordt verboden Matth. V:824; XIX:9; Mare.
X: 11; Luc. XVI: 18.
4.  nadat — verontreinigen, door bij het leven van haar eersten man met een tweeden gemeenschap
te houden. Verg. Jer. 111:1.
5.   Dit voorschrift behoort eigenlijk bij XX: 1—7, waar over vrijstelling van den krijgsdienst ge-
handeld wordt; wij vinden het hier, omdat het in dit verband is overgenomen uit een ouderen wet-
bundel; verg. inl. op XXI: 10—21 en zie op XXIII: 23. — ieti opleggen, als hecrendienst, inkwar-
tiering of welke openbare lasten ook; verg. op 1 Sara. XVII: 25. — vrooüjk zijn met, volgens
andere klinkers; Hebr. t. verheugen.
6.   den handmolen. Dit werktuig, iu elke Isrnclictische woning te vinden, bestond uit twee op
elkander gelegde steenen, waarvan de bovenste met de hand werd rondgedroaid, de onderste vastlag-
In den minderen stand werd hij door de vrouw, in het huis van rijken door slaven en vooral door
slavinuen, iu beweging gebracht (Exod. XI: 5; Job XXXI: 10; Jez. XI.VII:2; Matth. XXIV: 41;
Luc. XVII: 35); ook geschiedde het door gevangenen (Richt. XVI: 21; Klaagl. V: 13). — den
molensteen,
den bovensten, letterlijk den rijder. — legt — leven, door iemand te beletten, dagelijks
zijn brood te bereiden. Meermalen wordt verboden, van iemand te pand te nemen wat hij voor zijn
levensonderhoud noodig heeft (vs. 12 v.; Exod. XXII: 20 v.; Job XXII :0; XXIV : 3, 7—9; Spr. XXII:
27; Am. 11:8).
7.  Verg. Exod. XXI: 16. — alt — behandelt. Verg. XXI: 14.
8.   Verg. inl. op Lev. XIII, XIV. — het gantche onderricht, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. al wat.
— i/e Levietitehe prieilert. Zie inl. op XVIII : 1—8. — vat ik hun gehot/en hei. De mondelinge aan-
wijzingen der priesters zijn Jahwe\'s geboden; geschreven wetten op de melaatschheid kent de schrijver
blijkbaar niet.
9.   Verg. Num. XII, waar verhaald wordt dat Mirjam wegens verzet tegen Mines melaatsen werd.
Daar echter het voorbeeld van Mirjam hier moet dienen, om den Israëlieten in te scherpen in zake
der melaatschheid vooral naar de priesters te luisteren, is het mogelijk dat de schrijver een ander
bericht over Mirjams melaatschheid kende en voor oogen had.
10—13. Dit voorschrift behoort, wat den inhoud betreft, bij vs. 6.
10.  zult — nemen, en dus zelf uit te zoeken.
12. in zijn pand, het opperkleed, dat den arme tevens des nachts tot deken diende; zie op Exod.
XXII: 26 v.
M
O. T. I.
-ocr page 370-
DBUTERONOMIUM XXIV ! 12—XXV : 3.
450
13       gij in zijn pand niet gaan slapen,\' maar moet gij het hem zeker hij
zonsondergang terugbrengen; opdat hij in zijn kleed g.i slapen en u
zegene. Dit zal u tot gerechtigheid zijn hij Jahwe, uw god.
14           (Jij zult een armen, hehoef\'tigen daglooner, hetzij een uwer broederen,
hetzij een der vreemden die in uw land, in uwe steden, wonen, niet
15       verdrukken:\' op den dag zelven moet gij hem zijn loon geven, dat
er de zon niet over onderga; want hij is arm en verlangt er naar;
opdat hij .Jahwe niet tegen u aanroepe en gij schuldig wordt.
10          De vaders zullen niet met de kinderen ter dood gehracht worden,
noch de kinderen met de vaders; ieder zal om zijne eigene zonde wor-
den ter dood gehracht.
17          (iij zult het recht van vreemde en wees niet huigen, noch op het
l.S kleed eener weduwe heslag leggen.\' Gedenk dat gij slaaf zijt geweest
in Egypte, en Jahwe, uw god, u daaruit heeft losgekocht; daarom ge-
hied ik u dit te doen.
11)           Wanneer gij op uw akker aan het oogsten zijt en eene schoof op
den akker vergeet, zult gij niet terugkomen om die te halen: voor
den vreemde, den wees en de weduwe zal zij zijn: opdat Jahwe, uw
20       god, u zegene in al ilen arheid uwer handen.\' Wanneer gij de vruchten
van uwen olijf hoorn afslaat, zult gij hem niet nog eens nazoeken: voor
21       den vreemde, den wees en de weduwe zal het zijn.\' Wanneer gij de
druiven van uwen wijnstok afsnijdt, zult gij geen nalezing houden:
22       voor den vreemde, den wees en de weduwe zal het zijn. \' Gedenk dat
gij slaaf zijt geweest in Egypteland; daarom gehied ik u dit te doen.
XXV: l Wanneer personen die een geschil met elkander helmen voor het
gerecht komen, en men vonnis velt, den rechtvaardige in het gelijk
2       stelt en den schuldige veroordeelt,\' zoo zal, indien de schuldige slagen
verdiend heeft, de rechter hem op den grond laten leggen en hem in
zijne tegenwoordigheid zeker aantal slagen laten toedienen naar even-
3       redigheid van zijne schuld: \' veertig slagen, niet meer, mag hij hem
V». 154. XV: 9*. — Va. in. 2 Kon. XIV :0; 2 Kron. XXV: 1. — Vs. 17. XXVII: 19. — Vs. 18,
22. V:15; XV: 15.
18. gertehtigheid. Zie op VI: 25.
15. dal — onderya. Volg. LeT. XIX: 13 mag het loon des arbeiders bij zijn beer niet ovcrnncli-
ten; verg. Muttb. XX: 8.
10. Dit voorschrift is in strijd niet de V:!); Kxod. XX : 5 (/.ie aldaar) gehuldigdc leer dut do IOD-
dcu der onder» ook den kinderen worden toegerekend. Het hier uitgesproken beginsel werd door Amasia
toegepast (2 Kon. XIV:6) en door Jeremin (XXXI:80) en Kzcchicl (XVIII: 20) krachtig verdedigd;
verg. ook VII: 10.
17. Tegen bet verkorten vnn het recht der hulpbehoevenden wordt dikwerf gewaarschuwd in naam
van Jahwe, die hun recht Iniudliauft; zie op Kxod. XXII: 21 en 22. — het kleed eener weduwe. Zie
op vs. 12.
lil—22. I)c wetgever heeft het (Mig op het oude gebruik opzettelijk een deel van zijn koren onge-
ninaid en van zijne boomvruchten ongeplukt te laten; wanrover zie op I<cv. XIX: 9 v. Die oude gc-
bruiken als ufgodisch willende bestrijden, drukt hij zich uit alsof ze niet bestaan en doet hij het
voorkomen als ware het achtergclatciic „vergeten". Naar onze plaats noemden de schriftgeleerden van
later tijd die schoof „het vergetene".
20. aftlaat. lic olijven die te hoog hingen om met de hand geplukt te worden werden, indien zij
bij het schudden niet afvielen, met een stok of riet voorzichtig afgestootcu, Jcz. XVII :0; XXIV ! 13.
Dit geschiedde voordat zij ten volle rijp waren, daar er dan eeuc lijuere olie uit bereid kon
worden.
1.  Verg. 1 Kon. VIII • 32.
2.  ilagen, op den rug en waarschijnlijk met den stok; deze werd vooral door ouders bij hunne kin-
deren gebruikt (2 Sam. VII: 14; Spr. XIII: 24; XXII:15; XXIII:13v.; XXIX:15) en door hecren
bij hunne slaven (Kxod. XXI: 20); eene enkele maal diende men ook zwecp- en gceselslagen toe (1
Kon. XII: 11, 11; 2 Kron. X:ll, 14); verg. Richt. VIII: 7, 16. De gceseling bij de latere Joden
geschiedde, evenals bij de Romeinen, met gevlochten lederen riemen. Onder de bepalingen der wet
die op het strafrecht betrekking hebben is deze de eeltige waarin van het toedienen van slagen ge-
wag wordt gemaakt; zie iutusschen Spr. X: 13; XVII 20; X1X:29; XXII : 15: XXlII:13v.; XXVI:
3; XXIX: 15; Jez. L:0; Jcr. XX:2; XXXVII: 15; Sir. XXX: 1—13, 25—27.
-ocr page 371-
DBUTBR0N0M1UM XXV : 3—13.
451
laten toedienen; opdat niet, wanneer hij hem meer laat toedienen, mv
broeder voor uwe oogen onteerd worde.
4           Gij zult het rund bij liet dor.schen niet muilbanden.
5            Wanneer broeders bij elkander wonen en een van hen sterft zonder
een zoon na te laten, dan zal de vrouw des overledenen niet worden
de vrouw van een vreeraden man buiten de familie: haar zwager moet
tot haar komen, haar tot vrouw nemen en zijn zwagerplicht aan haar
6       vervullen.\' De eerste zoon dien zij baart zal staan op naam van zijn
overleden broeder; opdat diens naam niet uit Israël worde uitgewischt.\'
7       Maar indien de man ongenegen is zijne schoonzuster te nemen, dan
ga zij op naar de poort tot de oudsten en zegge: Mijn zwager heeft
geweigerd zijns broeders naam in Israël in stand te houden; hij wil
8       zijn zwagerplicht aan mij niet vervullen.\' Dan zullen de oudsten zijner
stad hem laten roepen en met hem spreken; houdt 11ij vol en zegt
9       hij: Ik ben ongenegen haar te nemen —\' dan trede zijne schoonzuster
ten aanschouwen van de oudsten op hem toe, trekke hem den schoen
van den voet, spuwe hem in het aangezicht, heffe aan en zegge: Aldus
10       doet men den man die zijns broeders huis niet wil bouwen!\' Zijn
naam zal dan in Israël luiden: het huis des ontschoeiden.
11            Wanneer twee mannen met elkander aan het vechten zijn, en de
vrouw des eenen komt er bij, om haar man te redden uit de hand
van die hem slaat, en zij steekt hare hand uit en grijpt dezen bij de
12       schaamdeelen,\' dan moet gij haar de hand afhakken, zonder verschooning.
13           Gij zult niet tweeërlei gewicht, een groot en een klein, in uwe
V». 4. 1 Kor. IX : i>; 1 Tim. V:18«. — Va. 5 v. Matth. XXII: 24; Mare. XII: 19; Luc. XX: 28.
3.   veertig slagen. In later tijd dicnilcn <lc Joden nooit meer dan negen eo dertig slagen toe, om
niet bij vergissing het wettelijk voorschrift te overschrijden; verg. 2 Kor. XI: 24.
4.  dorschen. In den regel deden de Israëlieten dit door runderen, die over de iu een kring gelegde
schoven werden voortgedreven, om met hunne hoeven het koren uit het stro» te treden (zie Hoz. X:
11; Mieha IV : 12 v.), of die voor ccuc dorschslcde waren gespannen; zie op 2 Sam. XXIV: 22. Over
cene andere manier van dorseheu zie op lucht. VI: 11. — niet muilbanden, ten einde het rund niet
te beletten, onder zijn werk te eten van het koren dat het dorscht.
5 v. Het zwagerhuwelijk was een oud gebruik, dat hier met nadruk wordt ingescherpt. Het moest
voorkomen dat eene familie iu Israël uitstierf en haar erfdeel aau anderen verviel; verg. Gen.
XXXVIII; Kuth III, IV.
5.   een zoon. Dochters zetten het geslacht niet voort en erfden niet; eerst in latere wetten wordt
het erfrecht in een bepaald geval aan dochten toegekend (Nam. XXVII :1—11; XXXVI: 1—12). —
zijn — vervullen. Daartoe waren volg. Gen. XXXVIII: fi—11; Matth. XXII: 25 v.; Mare. XII: 20—22;
Luc. XX: 29—31 al de ongehuwde broeders, naar rangorde van ouderdom, verplicht; volg. Kuth III,
IV traden, bij ontstentenis van broeders, ook verdere bloedverwanten, altoos naar rangorde van familie-
betrekking, in de plaats des overledenen. In eene latere wet (Lev. XVIII :l(i; XX: 21) wordt daaren-
tegen het huwelijk met eene schoonzuster verboden, en zóo is het gebruik bij de .loden geworden en
gebleven.
6.  zal — broeder, als de zoon van den overledene worden aangemerkt en diens erfdeel aanvaarden.
Waarschijnlijk traden de later geboren zonen als stamhouders en erfgenamen van hun eigen vader
op. — opdat — uitgewischt, wat voor eene groote ramp werd gehouden: zie op Gen. XXXVIII: tl.
7.  naar de poort. Zie op XVII: 5. — de oudsten, de rechters; zie op XVI: 18.
8.  met hem spreken, of zij hem nog kunnen overhalen.
9.  trekke — voet, ten bewijze dat al zijne rechten en plichten als broeder van den overledene ver-
vallen waren. Als men een stuk land of iets dergelijks in bezit nam, deed men dit door er den voet
op te zetten of er „den schoen op te werpen" (Ps. LX: 10; (\'VIII: 10). Wilde men iemand het bezit
van cenige zaak overdragen, zoo deed men dit door het overreiken van zijn uitgetrokken schoen
8923
(Kuth IV: 7). De hier voorgeschreven handelwijze, dat de verongelijkte schoonzuster den onwilligen
zwager openlijk den schoen uittrekt, beteckent dus dat zij hem van alle rechten als zwager vervallen
verklaart. — spuwe — aangezicht, waardoor de alzoo behandelde der verachting werd prijsgegeven;
verg. op Jez. L: 0. — bouwen. Zie op Gen. XVI: 2.
10.   het huis des ontschoeiden. Een scheldnaam; iemand die blootsvoet» ging behoorde tot de zeer
ellcndigcn (2 Sam. XV: 80; Jez. XX:3v.) of havcloozcn.
13—10. Verg. Lev. XIX: 35 v. Tegen vnlsch gewicht en valsche weegschalen wordt gewaarschuwd
Spr. XX: 10, 28; Am. VIII: 5; Micha VI:10v.; verg. op Ezcch. XLV: 10 v. Een eerlijk gewicht
wordt geprezen Spr. XI: 1; XVI: 11.
13. gewicht, letterlijk steen, daar men zich bij het wegen, ook van het ongemunte geld, van steenen
bediende; zij werden in eene tasch aan den gordel gedragen; verg. Spr. XVI: 11; Micha VI: 11.
-ocr page 372-
452                               DBUTKUONOMIÜM XXV : 13—XXVI : 5.
14       tasch hebben,\' noch tweeërlei maat, eene groote en eene kleine, in
15       uw huis;\' gij moet een zuiver en eerlijk gewicht, eene zuivere en
eerlijke maat hebben; opdat gij lang gevestigd moogt blijven op den
1(5 bodem dien Jahwe, uw god, u geeft;\' want Jahwe, uw god, heeft een
afschuw van al wie zulke dingen doet, van al wie oneerlijk handelt.
17           (iedenk wat Amalek bij uwen uittocht uit Egypte u onderweg heeft
18       aangedaan: \' hoe hij u onderweg tegenkwam, op u terwijl gij afgemat
en uitgeput waart, van achteren aanviel, op al de vermoeiden in uwe
19       achterhoede, en (iod niet vreesde.\' Wanneer nu Jahwe, uw god, in
het land dat hij u ten erfdeel geeft, om het in bezit te nemen, u rust
verschaft van al uwe vijanden rondom, wisch dan de heugenis van
Amalek onder den hemel uit; vergeet het niet!
V». 154. Exod. XX: 12* enz.
14. maat, in hel Ilebrecuwsch e/a, eene inhoudsinual van bijna KI liter.
17 v. Dat ilc Amalckictcn de Israëlieten in de woestijn verraderlijk nttuviclcn en hun eene ncder-
laag toebrachten wordt in de vorige boeken niet vermeld. Waarschijnlijk heeft een dergelijk bericht
in het Oude-Sagcnboek voor het verhaal van Isracls overwinning op Amalek (Exod. XVII : 8—16)
moeten plaats maken.
17.  Amalek. Verg. op Exod. XVII: 8—10 en op Num. XXIV: 20.
18.  en God niet vreetde, den plicht der gastvrijheid en den eisch der menschelijkheid schond. Een
zoo barbaarsch gedrag als de verraderlijke aanval op uitgeputte vreemdelingen toonde gebrek aan alle
godsvrucht.
19.   witck — uit. Verg. Exod. XVII: 14. Volg. 1 Sam. XV heeft Saul Amalok uitgeroeid; doch zie
1 Sam. XXVII: 8; XXX: 1—20; 1 Kron. IV:42v.
HOOFDSTUK XXVI.
Wet op het brengen van de eerstelingen en van de tienden. Einde van het wetboek. — Jaarlijks
danke de Israëliet, wanneer hij van de eerstelingen van ziju oogst in den tempel brengt, Jahwe voor
het bezit van het land (1—4), onder herinnering aan Isracls verlossing door hem (5—9) en bij het
feestelijk genot van de door hem geschonken gaven (10 v.). Na de aflevering van de tienden in het
derde jaar legge hij de verklaring af, dat hij aan zijne verplichting voldaan en de tienden voor ver-
ontreiniging benaard heeft (12—14); waarna hij Jahwe\'s zegen afsmeeke (15). Wederzijdsche verbin-
tenis van Israël en Jahwe, van Israël om Jahwe te dienen, van Jahwe om Israël te zegenen on te
vcrhellën (10—19).
I)c schrijver besluit zijn wetboek met de herinnering aan de wederzijdsche verbintenis van Jahwe
en Israël (vs. 10—19); doch laat hieraan voorafgaan een tweetal verordeningen, ten doel hebbende
den Israëliet ook in het vervolg de voorwaarden waaronder die verbintenis is aangegaan te binnen te
brengen: bij plechtige gelcgcnhedeu moet hij openlijk de verklaring afleggen dat Jahwe zijne belofte
vervuld en hij zelf aan zijne verplichting voldaan heeft.
XXVI: 1 Wanneer gij in liet land komt dat Jahwe, uw god, u ten erfdeel
2      geeft, liet in bezit neemt en er in woont,\' neem dan van de keur aller
veld vruchten die gij inzamelt van het land dat Jahwe, uw god, u
geeft, leg ze in een korf, en ga naar de plaats die Jahwe, uw god,
3       zal uitkiezen om zijn naam aldaar te doen wonen.\' Vervoeg u dan bij
den priester die er in die dagen zijn zal, en zeg tot hem: Ik verklaar
bij dezen aan Jahwe, mijn god, dat ik in het land gekomen ben het-
4       welk hij onzen vaderen onder eede beloofd heeft ons te geven.\' Dan zal
de priester den korf uit uwe hand nemen en dien voor het altaar van
5       Jahwe, uw god, nederzetten;\' waarop gij voor het aangezicht van
Jahwe, uw god, zult aanheffen en zeggen: Mijn vader was een dolend
2.   de keur. In oudere wetten heet het „de keur van de eerstelingen"; zie op Exod. XXIII: 19, verg.
Exod. XXXIV: 20. — ga — wonen. Evenals de tienden en de eerstgeborenen, werden de keurgaven
oudtijds iu de plaatselijke heiligdommen geofferd en gegeten; verg. iull. op XIV: 22—29 en XV: In—23.
3.  mijn, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. uw.
5. Mijn vader, niet een der eigenlijke stamvaders, muur Isracls voorzaten in het algemeen, die uit
Aluin, ui. Stroomlaud-Aram (zie op Gen. XXIV : 10), afkomstig, zouder vaste woonplaats ronddoolden,
-ocr page 373-
DRÜTERONOMIÜM XXVI : 5—17.
453
Arameër, die als een kleine stam naar Egypte afdaalde en er vertoefde,
(5 maar aldaar tot een groot, machtig en talrijk volk werd.\' Toen de
Egyptenaren ons mishandelden en verdrukten en ons een harden arbeid
7       oplegden,\' riepen wij tot Jahwe, den god onzer vaderen, en hij hoorde
8       naar ons, zag onze ellende, onze moeite en onzen druk,\' en leidde ons
uit Egypte met sterke hand, uitgestrekten arm en groote verschrikking,
9       door teekenen en wonderen,\' bracht ons aan deze plaats en gaf ons
1U dit land, een land overvloeiende van melk en honing.\' Na dan, bier
heb ik de keurgaven gebracht van de vruchten des bodems dien gij,
Jahwe, mij gegeven hebt. — Dan zult gij voor Jahwe, uw god, u
11       nederwerpen,\' en, met den Leviet en den vreemde die in uw midden
wonen, vroolijk zijn over al het goede dat Jahwe, uw god, u en uwen
huize gegeven heeft.
12           Wanneer gij gereed zijt met het afzonderen van het geheele tiend
van uw gewas in het derde jaar, het tiendjaar, en het den Leviet, den
vreemde, den wees en der weduwe geeft, om het in uwe steden te
13       eten en verzadigd te worden,\' dan zult gij voor Jahwe, uw god, zeggen:
Ik heb het heilige uit mijn huis weggedaan; ook heb ik liet den Leviet
en den vreemde, den wees en der weduwe gegeven, gebeel overeen-
komstig het gebod dat gij mij gegeven hebt. Ik heb van uw gebod
14       niets overtreden noch vergeten:\' ik heb er in mijn rouw niet van
gegeten, nooit als onreine er iets van weggedaan en niets er van ge-
geven aan een doode; ik heb naar Jahwe, mijn god, gehoord en gedaan
15       naar al wat gij mij geboden hebt.\' Zie uit uwe beilige woning, uit
den hemel, neder, en zegen uw volk Israël en den bodem dien gij
ons hebt gegeven, gelijk gij onzen vaderen onder eede beloofd badt,
het land overvloeiende van melk en honing.
16           Heden gebiedt u Jahwe, uw god, deze inzettingen en verordeningen
te betrachten; onderhoud en betracht ze met uw gansche hart en met
17       uwe gansche ziel.\' Gij hebt heden Jahwe doen verklaren, dat hij u
Vs. 8v. Jcr. XXXII: 21 v. — Y\'s. 8. IV: 34; VII: 19.
sis een kleine stam in Egypte kwamen, maar daar een groot volk werden. — dolend, letterlijk ver-
loten
; de bedoeling is: /.onder vaderland. — een kleine Ham. Verg. X : 22. — een groot — volk. /ie
op Vu: 7.
7. Verg. Eiod. II: 23 v.
10. ruft gij. Hebr. t. laat volgen :e nederzetten vóór Jahwe, uw god; wat volg. Gr. vert. wcggclo-
(cii is. In vs. 4 was reeds Fgezcgd dat de priester den korf met eerstelingen vóór Jahwe had
nedergezet.
12.   Over de tienden in het derde jaar zie inl. op XIV: 22—29. — het tiendjaar. Het derde jaar
heet het tiendjaar bij uitnemendheid, waarschijnlijk omdat dan de tienden geheel afgestaan werden,
terwijl zij in de andere jaren aan ofTermalen werden verbruikt. Volgens anderen komt deze bcna-
ming hiervan dat oudtijds alleen in dit jaar de tienden geheiligd werden.
13.   voor Jahwe, uw god, in den tempel. De wetgever zorgt dus, dat de Israëliet ook in het jaar
waarin de tienden niet naar den tempel werden gebracht daar verscheen. — het heilige, het aan de
godheid toekomende. Ook deze tienden waren dus, al werden zij niet naar Jeruzalem gebracht, aan
Jahwe gewijd. — weggedaan, hetzelfde woord dat eldera met „het kwaad" verbonden voorkomt en
dan door „uitroeien" is vertaald. Zoolang het aan de godheid gewijde niet uit het huis was verwijd
derd lag hierop inderdaad ecne schuld.
14.   Nadat de Israëliet in vs. 13 heeft verzekerd dat hij de armen niet heeft te kort gedaan, ver-
klaart hij hier dat hij de tienden zoolang zij in huis waren voor alle verontreiniging gevrijwaard
heeft. — in mijn rouw, op den dag van het overlijden of begraven van een mijner huisgenootcn; verg.
Num. XIX: 14—22. — ah onreine. Verg. XXIII: 10; 1 Sun. XX: 20; XXI: 4. — aan een doode.
Aan de doodeu werd spijs en drank medegegeven; ook werden de maaltijden na de begrafenis nis een
eten en drinken met den doode, niet slechts te zijner eer, maar tevens voor zijne verkwikking en
versterking, beschouwd. Het een en ander) was strijdig met Jahwe\'s wil en maakte voor hem onrein.
Verg. inl. op Num. XIX en Jer. XVI:7; Ezech. XXIV: 17; Hoz. IX:4; Tob. IV: 17; Sir.
XXX: 18 v.
17—19. Daar vs. 17 inhoudt dat waartoe het volk en vs. 18 v. dat waartoe Jahwe zich verbindt,
moest eigenlijk Oij — verklaren (vs. 17) staan waar wij nu Jahwe — verklaren (vs. 18) lezen, en om-
gekeerd. Ook staat en al — onderhouden, in vs. 18, dat wij in vs. 17 reeds gelezen hebben, ongepast
tusschen de beloften van Jahwe in. Waarschijnlijk is de tekst in de war geraakt.
-ocr page 374-
454                           DBUTBRONOMIUM XXVI : 17—XXVII : 7.
ten God zal zijn, en dat gij op zijne wegen wandelen, zijne inzettingen,
•
                                geboden en verordeningen onderhouden en naar hem hooren zult;\'
18       en Jahwe heeft u heden doen verklaren, dat gij zijn eigen volk zult
zijn, zooals hij u toegezegd heeft, en al zijne geboden zult onderhouden,\'
19       en dat hij u dan hoog verheffen zal boven alle natiën die hij gemaakt
heeft tot lof, roem en glorie, en dat gij een aan Jahwe, uw god, ge-
heiligd volk zult zijn, zooals hij u toegezegd heeft.
17 v. Verg. op Jcr. VII: 23.
17. heden. Al waren deze verklaringen, zoowel door Jahwe als door liet volk, reeds bij den Horcb
afgelegd (V: 27 j Kxod. XIX : 5 v.), zij kregen nu eerst hnre volle, bctcckcnis, mi Jahwe\'s gunsehc wet
nan bet volk was bekend gemaakt. Door die bekendmaking had het verbond bij den Horcb zij» beslag
gekregen. Doch wellicht is bedoeld de bondsluiting in het land van Moab; zie op XXIX SI. In dit
geval heeft een oinwcrkcr hier ingegrepen.
19. hoog — matüm. Verg. XXVIII: U. _ tot — glorie. Verg. Jcr. XIII: 11; XXXIII: 9.
HOOFDSTUK XXVII.
Verordeningen betreffende de uitvaardiging dezer wet in Kannau. — Mozes gelast, na het binncn-
trekken van Kniinü» op den berg Kbal grootc stecnen op te richten en daarop de wet te schrijven
(1—i), er een altaar te bouwen en offermaaltijden te houden (5—7j, en de wet duidelijk op de stce-
ueu te schrijven (Si. Mozes en de Lcvietischc priesters sporen het volk aan tot gehoorzaamheid aan
Jahwe (9 v.). .Mozes verordent, dat zes stammen zullen staan op den Gerizim om de zegeningen, en
zes op den Kbal om de vervloekingen uit te spreken (11—13). De twaalf vervloekingen die de Le-
vieten zullen uitroepen (14—20).
Dit hoofdstuk bestaat uit gedeelten van verschillende herkomst.
Het eerste (vs. 1—8), waarin een oud bericht over een offerfeest op den Kbal (vs. 5—7«) is opgc-
nomcii, is van een der vroegste bewerkers van Deuteronomium. Het behelst de verordening ecner zin-
nebeeldigc handeling, waardoor den Israëlieten, bij hunne komst in Knnnün, de verplichting zou wor-
den ingescherpt, zich trouw en nauwgezet aan dit wetboek te houden.
Het tweede (vs. 9 v.) staat met de overige in geen verband en diende oorspronkelijk wellicht om
H. XXVUI mei het slot van het wetboek (H. XXVI) te verbinden.
Het derde (vs. 11—13) is het werk van een latcrcn schrijver, wiens doel was vs. 1—8 in verband
te brengen met XI: 29 v.
                                                           ,
Het laatste (vs. 14—20), ecue aanvulling van het vorige, is geschreven door iemand die Kzra\'s Wet-
boek, met name Lev, XVIII—XX, kende en op het naleven der bepalingen daarvan wilde aandringen.
Zie verder op Joz. VIII: 3U—35.
XXVII: 1 Toen gaf Mozes met Israëls oudsten dit bevel aan het volk: Onder-
\'2 houdt al de geboden die ik u heden geef.\' En wanneer gij den Jordaan
overtrekt naar het land dat Jahwe, uw god, u geeft, zult gij u groote
3       steenen oprichten, die gij met kalk bestrijken\' en waarop gij al de
woorden dezer wet schrijven zult, wanneer gij overtrekt om in het
land te komen dat Jahwe, uw god, u geeft, een land overvloeiende
van melk en honing, gelijk Jahwe, uwer vaderen god, u heeft toege-
4       zegd.\' Als gij den Jordaan overtrekt, zult gij die steenen waaromtrent
ik u thans bevel geef op den berg Ebal oprichten en met kalk be-
5       strijken.\' Aldaar zult gij een altaar voor Jahwe, uw god, bouwen, een
altaar van steenen, waaraan gij geen ijzeren werktuig raoogt slaan:\'
(5 van ongehouwen steenen zult gij het altaar van Jahwe, uw god, bouwen,
7 daarop brandoffers voor Jahwe, uw god, brengen,\' dankoffers slachten,
2i—7. Over de herhaling van deze verzon in den Snm. t. zie op Exod. XX: 17.
3. al dn woordeu dezer wet, van de in Deuterimomium vervatte wet.
t. Etal. De Knm. t. heeft in plaats hiervan Gerizim; zie op Exod. XX: 17. Over den Ebnl zie op XI: 29.
5—7. Deze verzen, die het voorschrift behelzen ceu offerfeest op den Kbal te vieren, verbreken
den samenhang tusschen vs. \\ en 8. De schrijver heeft ze van elders overgenomen, met zijn eigen be-
richt verbonden en waarschijnlijk naar aanleiding daarvan den berg Ebal gekozen als de plaats waar
de steenen moesten worden opgericht. Zij zijn afkomstig uit den tijd vóór het ontstaan van Deulero-
nomium,
toen het nog geoorloofd was op nlle plaatsen aan Jahwe te offeren.
5. een altaar — ilaan, overeenkomstig het voorschrift Kxod. XX: 25.
-ocr page 375-
DBUTEKONOMIUM XXVII : 7—24.
455
8       en aldaar eten en vrnolijk zijn voor Jahwe, uw god.\' Kn gij zult op
de steenen al de woorden dezer wet schrijven, duidelijk en goed.
9           Daaroj) spraken Mozes en de Levietische priesters tot gansch Israël:
Wees stil en hoor, Israël! Heden zijt gij Jahwe, uw god, tot een volk
10 geworden.\' Hoor dus naar Jahwe, uw god, en betracht zijne geboden
en inzettingen die ik u lieden geel\'.
11, 12 Te dien dage gaf Mozes dit bevel aan bet volk: \' Wanneer gij den
Jordaan zijt overgetrokken, zullen dezen om het volk te zegenen op den
berg (lerizim staan: fumeon, Levi, Juda, Issachar, Jozef en Henjamin; \'
13       en dezen voor den vloek op den berg Kbal: Ruben, (hul, Azer, Zehulon,
Dan en Naftali.
14           De Levieten zullen aanheffen en met luider stem allen Israëlieten
aanzeggen:
15            Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld, waarvan
Jahwe een afschuw heeft, een maaksel van kunstenaarshand, vervaar-
digt en in het verborgen neerzet. En het gansche volk antwoorde en
zegge: Amen!
16            Vervloekt wie vader of moeder veracht. En het gansche volk zegge:
Amen!
17            Vervloekt wie zijns naastens grens verlegt. En het gansche volk
zegge Amen!
18           Vervloekt wie een blinde op den dwaalweg leidt. En het gansche
volk zegge: Amen!
19           Vervloekt wie het recht van vreemde, wees of weduwe krenkt. En
het gansche volk zegge: Amen!
20           Vervloekt wie bij de vrouw zijns vaders ligt; want hij heeft zijns
vaders dek opgeslagen. En het gansche volk zegge: Amen!
21            Vervloekt wie bij een of ander beest ligt. En het gansche volk
zegge: Amen!
22           Vervloekt wie bij zijne zuster, de dochter van zijn vader of van
zijne moeder, ligt. En het gansche volk zegge: Amen!
23           Vervloekt wie bij zijne schoonmoeder ligt. En het gansche volk
zegge: Amen!
24           Vervloekt wie zijn naaste in het verborgen verslaat. En het gansche
volk zegge: Amen!
i). linden — geworden. Zie op XXVI: 17.
11—13. De sehrijver van deze verzon bedoelde, het XI: 20 gegeven voorsehrift te verklaren. Hij
heeft het cehter blijkbunr verkeerd opgevat: immer» is het daar voorgesehrevene, dat de zegen op
den (ïcrizim, de vloek op den Ebnl gelegd zal worden, iet» geheel anders dnn het hier gegeven ge-
bod, dat de stammen zien in tweeen zullen vcrdcelen, om op die beide bergen zegen en vloek uit te
spreken. Zie op XI \'- 2!).
12 v. De stammen die den zegen zullen uitspreken zijn vier zonen van l.ca en de twee van Itaehel; de
vervloeking wordt opgedragen aan de vier zonen der dienstmaagden, waaraan, om het zestal vol te krijgen,
Huhcii, die zijn eerstgeboortcreeht had verbeurd, en Zebulon, I.en\'s jongste zoon. worden toegevoegd.
14.    Het hier voorgesehrevene is in strijd met vs. 11—18. Terwijl Levi daar een der zegenende
stammen is, wordt hier alleen deze stnm aangewezen om het volk toe te spreken; terwijl daar het
volk in twee gelijke dcclcn wordt verdeeld, staat hier Levi alleen tegenover gnnseh Israël; terwijl daar
van zegen en vloek wordt gesproken, is hier sprake van den vloek alleen.
15.   Verg. IV: 10—18; V: 7—10 en op Exod. XX: 5. — Amen. Zie op Num. V:22.
10. Zie op I,ev. XIX: 3.
17.   Zie op XIX: 14.
18.   Zie op Lot. XIX: U.
10. Zie op XXIV: 17 en op Exod. XXII: 21.
20.   Zie op XXII : 30.
21.   Zie op Lcv. XVIII: 23.
22.  Zie op Lot. XVU1:9.
28. Verg. Lev. XVIII: 17: XX: 14.
24. Verg. V:17; Gen. IX : 5 v. cm,
-ocr page 376-
DBUTBRONOMIUM XXVII : 25—XXVIII : 9.
456
25         Vervloekt wie een geschenk aanneemt om het bloed eens onschul-
digen te vergieten. En het gansche volk zegge: Amen!
20         Vervloekt wie de woorden dezer wet niet handhaaft door ze te be-
trachten. En het gansche volk zegge: Amen!
25.  Zie op Rxod. XXIII: 8.
26.   Verg. Jcr. XI: 3.
HOOFDSTUK XXV1I1:1—XXIX: 1.
Vermanende slotrede. — Indien Israël aan Jahwe gehoorzaam is, zal het in zijn huis, zijn oogst,
zijn bedrijf, den oorlog, in alle opzichten, rijk gezegend en boven alle volken verheven worden (XXVIII:
1—14). Daarentegen zullen op ongehoorzaamheid aan Jahwe volgen: tegenspoed in huis, in den oogst, in
ieder bedrijf (15—19); ziekten, misgewas en nederlagen (20—26); ongeneeslijke krankheden en rade-
loosheid vanwege plundering door den vijand (27—34); afzichtelijke kwalen, wegvoering, gebrek,
vernedering (35—44): alles wegens ongehoorzaamheid aan Jahwe (45 v.); tot straf daarvoor zullen
zij een mccdoogeloozcn vijand dienen, die outzettendeu nood, zelfs over de aanzienlijkste!!, brengen
zal (47—57). Wanneer Israël deze wet niet gehoorzaamt, zullen alle bekende en onbekende rampen
het tretfen (58—61); het zal klein in aantal overblijven, verstrooid onder de volken (62—64), waar de
rest, in gestadigen angst, een kommervol bestaan zal leiden (65—68). Onderschrift (XXIX : 1).
Deze slotrede, oorspronkelijk door XXVII: 9 v. met het wetboek verbonden, is, zooals zij hier voor
ons ligt, niet van éenc hand, maar, blijkens het gebrek aan orde waaraan zij lijdt, en de vele her-
halingcn die er in voorkomen, een overgewerkt stuk. Het oorspronkelijke, waarvan omvang en inhoud
niet meer met zekerheid bepaald kunnen worden, kan door den schrijver van V—XXVI zelf aan zijn
werk zijn toegevoegd, en heeft wnarschijnlijk bestaan in cenc opwekking tot gehoorzaamheid aan de
in dit boek vervatte wetten, met verwijzing naar den zegen die van onderwerping, en naar den vloek
die van overtreding het gevolg zou zijn. Later werd het aanmerkelijk omgewerkt en uitgebreid, wnar-
sehijnlijk unar aanleiding van de rampen die het volk hadden getroffen in het sneuvelen vnn Jozia
(609 v. Chr.), den slag bij Karkcinis (605; zie op 2 Kon. XXIV: 1), wellicht ook do wcgvoe-
ring van Jojachin naar Dabei (597), waarin de vromen eene strafoefening zagen van Jahwe voor
\'s volks ongehoorzaamheid aan zijne wet, en eene ernstige aankondiging van nog grootere ram-
pen die het zouden treilen indien het in zijn gedrag volhardde. Door de omwerking welke de oor-
spronkclijke toespraak in die omstandigheden onderging is zij cenc sombere strafrede geworden, waarin
nog cenc laatste ernstige poging wordt aangewend om het volk tot gehoorzaamheid aan Jahwc\'s wet
te bewegen, vooral door de uitvoerige schildering vnn de ellende die in het tegenovergestelde geval
zeker te wnchten staat.
XXVIII: 1 Indien gij terdege luistert naar Jahwe, uw god, en al zijne ge-
boden die ik u heden geef nauwgezet betracht, dan zal Jahwe, uw
2      god, u hoog boven al de natiën der aarde verheffen\' en zullen al deze
zegeningen over u komen en uw deel worden, omdat gij luistert naar
3      Jahwe, uw god.\' Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend op
4      het veld;\' gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van
uw bodem en de vrucht van uw vee, de worp uwer runderen en de
5,6 dracht uwer schapen;\' gezegend uw korf en uw baktrog;\' gezegend
zult gij zelf zijn bij uw ingaan, en gezegend bij uw uitgaan.
7          Jahwe zal de vijanden die tegen u opstaan verslagen aan u over-
leveren: langs éenen weg zullen zij tegen u uittrekken en langs zeven
8      wegen voor u vluchten.\' Jahwe zal den zegen gebieden, dat hij met
u zij in uwe voorraadschuren en bij al uw bedrijf, en zal u zegenen
9      in het land dat Jahwe, uw god, u geeft.\' Jahwe zal u voorgoed tot
een heilig volk aannemen, zooals hij u onder eede beloofd heeft, wan-
V». 4. vil: 13.
1—14. Dergelijke beloften van zegen VII: 12—16; verg. ook XI: 13—15, 23—25.
1. Verg. XXVI: 19.
6.  Zie op 1 Kon. III : 7.
7.  langt zeven wegen, dus verstrooid en in groote verwarring.
-ocr page 377-
DBUTBR0N0M1UM XXVIII : 9—25.                                        457
neer gij de geboden van Jahwe, uw god, onderhoudt en op zijne wegen
10      gaat;\' en al de volken der aarde, ziende dat Jahwe\'s naam over u is
11       uitgeroepen, zullen u vreezen.\' Jahwe zal u het goede in overvloed
schenken in de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw vee en
de vrucht van uw bodem, op den grond dien hij uwen vaderen onder
12       eede beloofd heeft u te zullen geven.\' Jahwe zal zijne rijke schatkamer,
den hemel, voor u ontsluiten, om den regen voor uw land op zijn tijd
te geven en al het werk uwer handen te zegenen; zoodat gij aan vele
13       natiën leenen en zelf van niemand leenen zult.\' Jahwe zal u twt hoofd
en niet tot staart maken; liet zal met u louter naar omhoog en niet
naar omlaag gaan, wanneer gij luistert naar de geboden van Jahwe,
uw god, die ik u heden geef, door ze te onderhouden en te betrachten,\'
14       en van al wat ik u heden gebied niet afwijkt ter rechter- of ter lin-
kerzijde, door andere goden te volgen en te dienen.
15           Maar indien gij niet luistert naar Jahwe, uw god, door al zijne ge-
boden en inzettingen die ik u heden geef nauwgezet te betrachten,
zoo zullen al deze vervloekingen over u komen en uw deel worden:\'
16, 17 vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt op het veld;\' vervloekt
18       zullen zijn uw korf en uw baktrog;\' vervloekt de vrucht van uw
schoot en de vrucht van uw bodem, de vrucht van uw vee, de worp
19       uwer runderen en de dracht uwer schapen;\' vervloekt zult gij zelf
zijn bij uw ingaan, en vervloekt bij uw uitgaan.
20           Jahwe zal de vervloeking, de verschrikking en de verwensching onder
u zenden in ieder bedrijf dat gij uitoefent, totdat gij verdelgd zijt en
spoedig te gronde gaat vanwege de boosheid uwer handelingen, dat gij
21       mij verlaten hebt.\' Jahwe zal de pest u doen aankleven, totdat hij u
van den bodem dien gij in bezit gaat nemen geheel heeft weggevaagd.\'
22       Jahwe zal u slaan met tering en koorts, met rotkoortsen en zenuw-
koortsen, met droogte en brandkoren en honingdauw, die u zullen ver-
23       volgen, totdat gij te gronde gaat.\' De hemel boven uw hoofd zal als
24       koper en de aarde onder uwe voeten als ijzer zijn.\' Jahwe zal den
regen voor uw land tot pulver en stof maken; van den hemel zal bet
25       op u nederdalen, totdat gij verdelgd zijt.\' Jahwe zal u laten verslaan
door uwe vijanden: langs éenen weg zult gij tegen hen uittrekken en
langs zeven wegen voor hen vluchten; zoodat gij voor alle koninkrijken
V». 11. XXX:9a. — V». Ui. XI: 14; XV:6.
10. dat — uitgeroepen, dat gij dus Jahwc\'s eigendom zijt, waaraan niemand mag raken; verg. Jcz.
LXIU:19; Jer. VH:10v.; XIV:9; XV: 16; XXV:29; Am. IX: 12.
12.   zijne — hemel. Verg. Job XXXVIII: 22; IV CXXXV:7; Jer. X:13; U : 16 en zie op
Gen. 1:6.
13.   tol hoofd en niet tot staart, tot bet voornaamste en uiet tot het geringste onder de volken.
Hetzelfde beeld vs. 44; Jez. IX: 13; XIX: 15.
15—19. De hier voorkomende vervloekingen beantwoorden aan de zegeningen van vs. 1—6.
18. en de vrucht va* uk vee, volg. Sam. t. ingevoegd.
20.  verdelgd — gaat. Desgelijks vs. 21 v., 24, 48, 51, 61. Dat de schrijver toch geen geheele ver-
nietiging voorziet blijkt uit vs. 46, 62.
21—26. De bedreiging met de drie hier genoemde rampen: ziekte, misgewas, oorlog, wordt in het
vervolg gedurig herhaald. Is deze herhaling voor een deel te verklaren uit het streven een diepen
indruk op den lezer te maken, voor een ander deel is zij waarschijnlijk gevolg van de voortdurende
bewerking en uitbreiding die dit hoofdstuk heeft ondergaan.
21.  de peel. Zie op Lcv. XXVI: 25.
22.  tering en toorts. Zie Lev. XXVI: 16. — rotkoortsen en zenuwkoortsen, onzekere vertaling; de
Hebreeuwsche woorden bcteekencn letterlijk hitte, gloed. — droogte, mot verandering van een klin-
ker; Hebr. t. zwaard.
23.   Verg. I,ev. XXVI: 19.
24.  In plaats van regcu zal Jahwe groote droogte geven, waarbij pulver cu stof, door den hceten
wind opgewaaid, de lucht vervult.
25.  door uwe vijanden. Verg. op 1 Kou. VIII: 33. — zoodat — wordt. Verg. op Jer. XXIV: 9.
-ocr page 378-
458
DBÜTERONOMIÜM XXVIII : 25—44.
26       der aarde ten speelbal wordt,\' en uwe lijken tot aas verstrekken aan
het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde, zonderdat iemand
ze opschrikt.
27           Jahwe zal u slaan met Egyptische zweren, pestbuilen, schurft en
28       uitslag, waarvan gij niet kunt genezen,\' Jahwe zal u slaan met waan-
2\'J zin, verblinding en zinsverbijstering;\' zoodat gij op den vollen middag
als een blinde in liet stikdonker rondtast, ongeluk hebt in wat gij
onderneemt en altijd door aan niets dan verdrukking en berooving zijt
30       blootgesteld, zonderdat iemand bijstaat.\' Gij zult u met eene vrouw
verloven, maar een ander zal met haar gemeenscha]» houden, een huis
bouwen, maar liet niet betrekken, een wijngaard planten, maar dien
31       niet in gebruik nemen;\' uw rund wordt voor uwe oogen geslacht, en
gij krijgt er niet van te eten, uw ezel in uwe tegenwoordigheid ge-
roofd, en hij keert niet tot u weder, uw kleinvee wordt aan uwe
32       vijanden overgeleverd, zonderdat iemand u bijstaat.\' Uwe zonen en
dochteren worden aan een ander volk uitgeleverd, en gij ziet het met
eigen oogen aan en smacht naar hen den ganschen dag, maar vermoogt
33       daartegen niets.\' Een volk dat gij niet gekend hebt zal de vrucht van
uw bodem en alles waarvoor gij gewerkt hebt verteren, zoodat gij
34       altijd door enkel aan verdrukking en krenking zijt blootgesteld,\' en
waanzinnig wordt van het schouwspel dat gij moet aanzien.
35           Jahwe zal u slaan met booze zweren aan de knieën en beenen,
waarvan gij niet kunt genezen, van de voetzool tot den schedel.\'
86 Jahwe zal u en den koning dien gij over u zult aanstellen doen gaan
naar een volk dat gij noch uwe vaderen gekend hebt, waar gij andere
37       goden, van hout en steen, zult dienen;\' zoo zult gij tot eene ontzet-
ting, tot een spreekwoord en tot een schimpnaam worden, onder al
de volken waarheen Jahwe u zal wegvoeren.
38            Veel zaad zult gij op den akker brengen, maar weinig inzamelen,
3\'J want de sprinkhaan zal het afweten;\' wijngaarden zult gij planten en
verzorgen, maar geen wijn drinken noch opleggen, want de rups zal
41) ze verteren:\' olijf boumen zult gij hebben in uw gansche gebied, maar
41       u niet zalven met olie, want uwe olijven zullen afvallen;\' zonen en
dochteren zult gij verwekken, maar zij zullen u niet toebehooren, want
42       zij zullen in gevangenschap gaan.\' Al uwe hoornen en veldvruehten
43       zal de kever in bezit nemen.\' De vreemde die in uw midden woont
zal u boven liet hoofd groeien al hooger en hooger, terwijl gij zelf
44       daalt al lager en lager;\' hij zal aan u, gij zult niet aan hem leenen;
hij zal tot hoofd, en gij zult tot staart worden.
26.   Verg. 1\'rcd. VI: 3; Je/.. XIV: 18—20; Jcr. VII: 38; XVI:44; XIX :1b; XXII: 19; XXXIV:
204; ook 2 Sain. XXI: 10. — hut gerotjelte, volg. Kiun. en Gr. t.; Hebt. t. al het gevogelte.
27.   figyptische zweren, eene soort va» meloatichheid, in Ugypte veelvuldig voorkomende, il« elefe»
liasis, die zii\'h, in onderscheiding van de in Kammn inheemschc, vooral door gezwellen en /.weren
openbaarde. Eene nog ergere loort wordt vs. 86 vermeld, de meluntsehheid der gewriehtcn, ook de
zwarte genimind, waarbij de uiterste ledematen allengskcus afvallen, /ie over deze ziekte inl. op Lev.
XIII, XIV. l)c Kgyptisehe kwalen worden als zeer erge vermeld VII: 15. — Kaarvan — genezen, i»i
erger dan de va. 21 v. genoemde, waarvan dit niet gezegd wordt.
28.   icamizin — zinsverbijstering. Verg. vs. 84 en Znch. XII: 4.
2». Verg. Jez. UX:10.
30. Zie op XX : 5—7.
32. vermoogt daartegen niets, letterlijk uice hand is u niet ten god; zie op Gen. XXXI: 29.
85. Zie op vs. 27.
37. .Men zal zieh ontzetten over den omvang, de zwaarte, den duur uwer welverdiende straf, en de
naam van Israël znl als het sterkste voorbeeld daarvan al|!cmeen gebezigd worden bij wijze van
spreekwoord, en evenzeer als schcldiinam. Verg. 1 Kon. I.X:7v.; P». XLIV:14v.; LXIX:12; Jer.
XVIIIÜO; XIX:8; XXIV:9; XMX:17; L:13 enz. en op Gen. XII:8.
38—40. Verg. Micha VI: 15; Hagg. 1:6».
41. Zie op vs. 13.
-ocr page 379-
459
DBÜTERONOMIÜM XXVIII : 45—61.
45           Al deze vervloekingen zullen over u komen, u vervolgen en inhalen,
totdat gij verdelgd zijt; omdat gij naar Jahwe, uw god, niet geluisterd
hebt door de geboden en inzettingen die hij u gegeven heeft te onder*
46       houden;\' zoodat zij aan u en uw nakroost voor eeuwig tot een teeken
47       en wonder zijn.\' Hiervoor dat gij Jahwe, uw god, niet blijmoedig en
met een vroolijk hart wegens den overvloed van alles gediend hebt\'
48       zult gij uwe vijanden, die Jahwe onder u zenden zal, dienen hij honger
en dorst, bij naaktheid en gebrek aan alles, en zal hij een ijzeren juk
49       op uwen nek leggen, totdat hij u verdelgd heeft.\' Jahwe zal tegen u
doen opkomen een volk uit de verte, van het einde der aarde, evenals
50       een arend toeschiet, een volk welks taal gij niet verstaat,\' een volk
met barscli gelaat, dat geen grijsaard ontziet noch zich over een knaap
51       ontfermt;\' het zal de vrucht van uw vee en de vrucht van uw
bodem verteren, totdat gij verdelgd zijt; het laat u koren noch most
noch olie over, teelt uwer runderen noch dracht uwer schapen, totdat
52       het u heeft te gronde gericht.\' Het zal u in het nauw brengen in al
uwe steden, totdat al uwe hooge en versterkte muren, waarop gij ver-
trouwdet, in uw gansche land gevallen zijn; het zal u in het nauw
brengen in al uwe steden, in het gansche land dat Jahwe, uw god, u
53       gegeven heeft.\' Dan zult gij, in de benardheid en de henauwdheid
waarin uw vijand u brengt, de vrucht van uw schoot eten, het vleesch
54       uwer zonen en dochteren, die Jahwe, uw god, u gegeven heeft.\' De
zeer verwende en verwijfde man onder u zal bet aan zijn broeder, de
vrouw die in zijn schoot ligt en zijne o\\;erige kinderen, hen die hij
55       nog behouden heeft, misgunnen;\' zoodat hij aan geen hunner iets
afstaat van het vleesch zijner kinderen dat hij eet; omdat hij niet met
al heeft overgehouden in de benardheid en de benauwdheid waarin
56       uw vijand u in al uwe steden brengt.\' De verwende en verwijfde
vrouw onder u, die van verwijfdheid en verwenning nooit beproefd
heeft hare voetzool op den grond te zetten, zal aan den man die in
57       haar schoot ligt, haar zoon en hare dochter niets gunnen\' van de na-
geboorte die uit haar schoot komt en bet kind dat zij haart; want
bij gebrek aan alles zal zij het in het verborgen opeten, in de benard-
heid en de benauwdheid waarin uw vijand u in uwe steden brengt.
58           Indien gij niet al de woorden dezer wet, in dit boek geschreven,
nauwgezet betracht, vreezende dezen eerbiedwaardigen en geduchten
59       Naam: Jahwe, uw god,\' dan zal Jahwe u en uw nakroost buitenge-
woon zwaar tuchtigen met groote en aanhoudende slagen, booze en
60       aanhoudende ziekten,\' en weder onder u brengen al de Egyptische
61       kwalen, waarvoor gij zoo beducht zijt; zoodat zij u aankleven.\' Boven-
46. tot een teekeu en wonder, wonderbare bewijzen van Jahwc\'s rechtvaardigheid, die het kwaad
straft.
48.  een ijzeren jut. Zoo wordt ook door Jcrcinia (XXVIII: 14) de dienstbaarheid onder den koning
van Kabel voorgesteld.
49.  een volt uit de verte, het Babylonisehc; verg. Jcr. Vïla v. — evenals een arend toeschiet. Verg. Jcz.
V:26—28; Jcr. XLVIIIUO; XLIX:22; Hab. 1:8. — welks taal gij niet verslaat. Het Habyloniseh
was, evenals het Assyriseh, wel aan het Hebrecnwseh verwant, maar voor de Israëlieten onvcrstaan-
baar; zie 2 Kon. XVII1:20—28; Jcz. XXVIII: 11; XXXIII: 10; Jer. V:15; Ezech. III:5v.
51 v. Verg. Jcr. V:17.
53—57. Dezelfde bedreiging Lcv. XXVI: 29. Verg. 2 Kon. VI:28v.; Jcr. XIX:»; Ezcch. V:10;
ook Klnagl. 11:20; IV: 10.
56.  nooit — zetten, maar zich steeds in een draagstoel heeft laten dragen.
57.  van de nageboorte, onzekere vertaling. — het kind dal, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de tinderen die.
58.  in dit boet geschreven. De schrijver vergeet dat hij Mozcs laat spreken voordat de wet opgo-
teckend is; evenzoo XXIX: 21, 27; XXXI: 0. — dezen — Naam. Door „de Naam" wordt hier de
godheid zelve aangeduid. Vooral onder de latere Joden werd dit zeer gebruikelijk; zie on Lov.
XXIV :111.
60. Zie op vs. 27.
-ocr page 380-
460
DBUTBRONOMIUM XXVIII : 61—XXIX : 1.
dien zal Jahwe allerlei ziekten en slagen die in dit wetboek niet be-
62       schreven sfcian tegen u doen opkomen, totdat gij verdelgd zijt\' en
slechts in kleinen getale overblijft, terwijl gij zoo talrijk geweest zijt
als de sterren des hemels; omdat gij niet geluisterd hebt naar Jahwe,
uw god.
63           Evenals Jahwe er genoegen in vond u wel te doen en u te ver-
menigvuldigen, zoo zal hij er genoegen in vinden u te gronde te
richten en te verdelgen. Gij zult weggerukt worden van den bodem
64       dien gij in bezit gaat nemen;\' Jahwe zal u verstrooien onder alle
volken, van het eene einde der aarde tot liet andere, en gij zult daar
andere goden, die gij n<x:h uwe vaderen gekend hebt, van hout en
steen, dienen.
65           Ook onder die natiën zult gij niet in vrede wonen, noch eene plaats
der rust voor uwe voetzool hebben, maar Jahwe zal u aldaar een
66       onrustig hart, smachtende oogen en een kwijnend gemoed geven:\' gij
zult uw leven voor u aan een draad zien hangen, nacht en dag zult
67       gij sidderen en van uw leven niet zeker zijn;\' des morgens zult gij
zeggen: Och ol\' het avond was! en des avonds: Och of het morgen
was! vanwege de siddering die uw bart bevangt en bet schouwspel
GS dat gij voor oogen hebt.\' En Jahwe zal u op schepen terugbrengen
naar Egypte, langs den weg waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien
niet wederzien — en daar zult gij aan uwe vijanden te koop worden
aangeboden als slaven en slavinnen; maar niemand koopt u.
XXIX: 1 Dat zijn de woorden van het verbond hetwelk Jahwe Mozes be-
volen heeft met de Israëlieten te sluiten in het land van Moab, behalve
het verbond dat hij met hen op den Horeb gesloten had.
Vs. 03. XXX : 94. — Vb. 004. Job XXIV : 224.
(52. terwijl — hemels. Verg. op I : 10.
05—07. Verg. I.ev. XXVI: 30—3»; .Ier. VIII: 3.
08. Dit vers, ilnt met hel voorgaande niet samenhangt maar con soort aanhangsel op dit hoofdstuk
vormt, vermeldt nog eene vernedering die de Israëlieten /ouden ondergaan: als slaven weggevoerd
naar datzelfde Egypte waar zij in het „slavenhuis" hadden verkeerd en waaruit Jahwe hen had
„uitgeleid", zouden zij aldaar op de slavenmarkt niet eens ecu bod waardig gekeurd worden. — op
tehepen,
hetzij van hunue overweldigers, betzij van Fenicischo sla ven handelaars. — Gij — wederzien.
Zit op XVII: 10.
1. Volgens den sehrijver van V—XXVI behoorde de daarin vervatte wot tot het verbond op den
Horeb (V : 27—33); op hare afkondiging behoefde dus geen nieuwe boudsluiting te volgen. Derhalve
kan de hier gegeven voorstelling van den bewerker zijn; zie op XXVI: 17.
HOOFDSTUK XXIX: 2—XXX : 20.
Nieuwe slotrede. — Mozes herinnert nan Jahwe\'s weldaden in Egypte, in de woestijn en bij de
verovering van het Ovcrjordaansehc, en spoort het volk aan om de wet te gehoorzamen (XXIX : 2—
9). N\'u gansch Israël voor Jahwe staat, die met het tegenwoordige en alle volgende geslachten zijn
verhond sluit (10—15), neme het zich voor, steeds tegen verleiding tot afgoderij te waken, terwijl
niemand mcene zich straffeloos daaraan te kunnen overgeven (16—20); want niet alleen ieder zondaar
maar het gansche land zal ongehoorzaamheid aan Jahwe\'s wet met geheelen ondergang boeten (21—
28); daarom lette Israël op Jahwe\'s geopenboarden wil (29). Indien echter het volk in de balling-
schap zich bekeert, zal Jahwe het naar zijn land terugvoeren (XXX : 1—5), waar het, aan Jahwe\'s
wet gehoorzaam, in alles gezegend zal worden (6—10). Die wet nu is te allen tijde binnen Israëls
bereik (11—14). Zoo is dan leven en dood aan Israël voorgesteld (15—18); Israël kieze het goede
deel; opdat Jahwe het zegene (19 v.).
Deze hoofdstukken behelzen eene tweede slotrede, die men na H. XXVIII met het naschrift XXIX:
1, hetwelk het wetboek afsluit, niet meer verwacht. Zij is het werk van een jongeren geestverwant,
wien de oudere slotrede niet voldeed, omdat hij daarin, nevens de aankondiging van Israëls vernede-
ring, de profetie van Israëls bekeering en daarop gevolgd herstel niet aantrof. Hlijkbaar leefde hij na
den val van Jeruzalem. Immers, ofschoon hij, naar den eisch der gekozen inklccding, het lot van Israël na
-ocr page 381-
DEÜTERONOMIUM XXIX : 2—17.
461
zijne vestiging in Kanaiin van \'s volks eigene keus afhankelijk stelt, gaat hij telkens van do onder-
stelling uit dat de straf, en wel bepaald de wegvoering, het volk reeds getroifen heeft, en heeft hij
bij zijne uitzichten en verwachtingen vooral het oog op de Israëlieten in de verstrooiing; zie
XXX: 1—10.
XXIX: 2 Mo/.es nu riep gansch Israël samen en zeide tot hen: Gij hebt
zelven gezien al wat Jahwe voor uwe oogen in Egypteland aan Farao,
3       al zijne dienaren en zijn gansche land heeft gedaan: \' de groote beproe-
vingen die gij met eigen oog gezien hebt, die groote teekenen en
4       wonderen.\' Maar Jahwe heeft n geen hart gegeven om te verstaan,
noch oogen om te zien, noch ooren om te liooren, tot op dezen dag.\'
5       Ik leidde u veertig jaren in de woestijn: uwe kleederen zijn aan u
fi niet versleten, evenmin uw schoeisel aan uwen voet;\' brood hebt gij
niet gegeten, wijn nocli sterken drank gedronken; opdat gij zoudt
7       weten dat ik Jahwe, uw god, ben.\' En toen gij aan deze plaats kwaamt,
en Sihon, de koning van Hesbon, en <)g, de koning van lkzan, uit-
8       trokken ten strijde, ons te gemoet, versloegen wij hen,\' namen hun
land en gaven het aan de Rubenieten, de Gadieten en den halven
9       stam der Manassieten ten erve.\' Onderhoudt dan de woorden van dit
verbond en betracht ze; opdat gij voorspoedig zijt in al wat gij doet.
10           Gij staat heden allen voor Jahwe, uw god: uwe hoofden, rechters,
11       oudsten en ambtlieden, alle mannen van Israël,\' uwe vrouwen en
kinderen, en de vreemden ten uwent die in uw kamp zijn, tot uwe
12       houthakkers en waterdragers toe,\' om toe te treden tot het beëedigde
verbond van Jahwe, uw god, dat Jahwe, uw god, heden met u sluit;\'
13       opdat hij u heden voorgoed tot zijn volk aanneme en hij u ten God
zij, zooals hij u toegezegd en uwen vaderen, Abraham, Izatik en Jakob,
14       onder eede beloofd heeft.\' En niet met u alleen sluit ik dit beëedigde
15       verbond,\' maar met hen die hier heden wèl en met hen die hier
heden niet met ons voor Jahwe, onzen god, staan.
16           Want gij weet zelven, hoe wij in Egypteland hebben gewoond en
hoe wij getrokken zijn midden door de volken waar gij door heen zijt
17       getrokken,\' en wier gruwelen en schandgoden, van hout en steen,
Vs. 2v. VII: 18 v.
2. Mozes — tarnen. Een nieuwe aanhef, evenals V:l; XXVII :1, 9, 11.
3 v. Verg. Jcr. V: 1.
4.  Schijnbaar wordt hier gedoeld op \'s volks ongehoorzaamheid in de woestijn, IX: 6—21; werke-
lijk geven deze woorden de treurige ondervinding vun \'s volks ouvatbaarheid terug die IsraëU lieste
leidslicden hebben opgedaan. Jahwe zelf heet daarvan de oorzaak, evenals Jcz. VIS 9 v. (verg. op Jez.
VI: 10); Matth. XIII:13v.; Mare. IV:12; Luc. VIII:10; Joh. XII:40; Hand. XXVIII:20; Rom.
XI: 8. Zie voorts Exod. VII: 3; IX: 12 enz. en op 1 Sam. XXVI: 19.
5 v. Woorden, niet van Mozes, maar van Jahwe.
5.   uwe — voet. Verg. VIII: 4 en inl. op dat hoofdstuk.
6.  De Israëlieten zijn in de woestijn op bijzondere wijze gespijzigd en gelaafd; opdat zij zouden
inzien dat Jahwe voor hen zorgde; verg. VIII: 3, I .">//, 10.
7 v. Zie II: 24—III: 20.
10.   Qij — Jahwe, om met hem een plechtig verbond aan te gaan, evenals bij den Ilorcb; zie op
vs. 12. — rechters, naar Gr. vort.; Hebr. t. tlammen.
11.   vrouwen en kinderen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. kinderen en vromven. — de vreemden. Pezen
hadden eigenlijk met het verbond tussehen Jahwe en Israël niets te maken; dat zij hier, evenals elders
(XXXI: 12; Joz. VIII: 33, 35), toch genoemd worden, bewijst dat zij, de overgebleven Kannanieten,
meer en meer in Isracls volksgcmeenschap werden opgenomen. Zie op Exod. XII: 19. — uwe hout-
hakkers en waterdragi-rs,
uwe geringste slaven. Het ligt in den aard der zaak en blijkt ook uit deze
plaats, dat het meestal vreemden waren die tot dit werk verplicht werden. Volgens een Interen schrij-
ver (Joz. IX: 21, 27) had Jozua daartoe de Gibeonieten aangewezen, die alleen op deze voorwaarde
in het leven werden gespaard.
12.   heden met u sluit, in onderscheiding van het vroeger bij den Horob gesloten verbond. Evenals
v>. 1, wordt hier geleerd dat Jahwe,twee keereu een verbond met Israël sloot: eens bij den Horeb
en eens bij de afkondiging van de wet in Deuteronomium.
15. die hier heden niet — slaan, de nakomelingen.
10. de volken, de Edomioteu eu\' de Moabieten; verg. inl. op 11:1—23.
17. gruwelen, nfgodeu; zie op 1 Kon. XI: 6. — schatulgodett. Zie op Lev. XXVI: 80.
-ocr page 382-
ÜEUTBUONOMIUM XXIX : 17—XXX: 1.
462
18       zilver en goud, die bij hen waren, gij gezien hebt.\' Dat dus onder u
man noch vrouw, geslacht noch stam zij wiens hart zich heden afwendt
van Jahwe, onzen god, om de goden dier volken te gaan dienen! Dat
19       onder u niet zij een wortel welks vracht git\' en alsem is,\' en niemand,
als hij de woorden hoort van dit beëedigd verbond, zich zelven geluk-
wensche en denke: Het zal mij welgaan, omdat ik in de verstoktheid
mijns harten wandel! Anders verdelgt men het besproeide met het dor-
20       stige.\' Jahwe zal hem niet willen vergeven; want alsdan zullen Jahwe\'s
toorn en ijverzucht tegen dien man rooken, zal de gausche vloek die
in dit boek beschreven staat op hem drukken, en zal Jahwe zijnen
21       naam van onder den hemel uitwisschen.\' Jahwe zal hem ten verderve
afzonderen uit alle stammen van Israël, overeenkomstig alle vervloe-
22       kingen van het verbond dat in dit wetboek beschreven staat;\' zoodat
het volgend geslacht, uwe kinderen die na u zullen opstaan, en de
buitenlander die uit een ver land komt, zullen zeggen, als zij de slagen
zien van dat land en de krankheden die Jahwe er heeft doen heer-
23       sclien,\' hoe alles zwavel en zout is: het geheele land is uitgebrand, het
wordt niet bezaaid, liet brengt niets voort, en er wast geenerlei kruid;
eene omkeering als van Sodom en Gomorra, Adma en Seboïm, die
Jahwe in zijn toorn en verbolgenheid onderstboven gekeerd heeft.\'
24       Dan zullen alle volkeren zeggen: Waarom heeft Jahwe alzoo aan dit
25       land gedaan.\' wat beteekent deze groote toorngloed.\'\' En men zal
zeggen: Omdat zij hebben verzaakt het verbond dat Jahwe, de god
hunner vaderen, met hen heeft gesloten toen hij hen uit Kgypteland
2(5 uitleidde,\' en zij andere goden zijn gaan dienen en aanbidden, goden
27       die zij niet gekend hebben en die hij hun niet had toegedeeld;\'daarom
is Jahwe in toorn tegen dat land ontstoken, om daarover te brengen
28       al de vervloekingen die in dit boek staan beschreven,\' en heeft Jahwe
in toorn en verbolgenheid en groote gramschap hen van hun grond
weggerukt en weggeslingerd naar een ander land, waar zij heden ten
29       dage zijn.\' Het verborgene is voor Jahwe, onzen god, maar het ge-
openbaarde is voor ons en onze kinderen tot in eeuwigheid; opdat wij
al de woorden dezer wet zouden betrachten.
XXX: l Wanneer nu al deze woorden, de zegen en de vloek die ik u heb
V». 18. Hcbr. XII: 15. — V». 24 v. Jer. XXII: 8 v.
18.  dal onder — is, geen üoiule worde gevonden, die cenc bron vim ellende wordt. Gif en alsem
komen in deze bctcckcuis ook voor Spr. V:4; Jer. IX:I.V. \\ \\ 111 : I .">; verg. kluagl. 111:15, 19;
Am. VI: 12.
19.   de versloilheid mijns harten. De schrijver hult den zondaar over zijn gedrag «preken uit het
oogpunt wimruit hij zelf het beziet; verg. op Spr. I : 11, ook op .Icz. XXX: 10 v. — Andirs — dorstige.
Het noodwendige gevolg van zulk een gedrag zou zijn dut alles eu allen tezamen te gronde Kingen.
Hoe de schrijver zieh dit voorstelt: of dat de zonde van dien eenen Jahwe\'s toorn over allen brengt,
of dat door zijn voorbeeld ook de nudereu ufvullig worden, is onzeker. — het besproeide met het dor~
stige
is eene spreekwoordelijke uitdrukking voor: alles en allen tezamen; waarschijnlijk ontleend sou
plauteu en boomeii, en eigenlijk aanduidende: het frissehe en het dorre.
20.  rooken. /ie op Luid. XV : 8.
21.  hem. Wie hier \'ucducld wordt, de zondaar van vs. 19 of een afvallig geworden stam, verg. va.
18, is niet duidelijk. Iutusschen wordt in het vervolg het ganschc volk als schuldig beschouwd.
22.   zoodal — zullrn zeggen. Wat zij zullen zeggen volgt eerst v». 24, waar deze zin, eenigszins
gewijzigd, weder wordt opgenomen door Dan zullen alle volkeren zeggen.
23.   Verg. op Gen. XIX: 24. — Sodom — Seboïm. Zie Gen. X:19; XIV: 2.
24.   Verg. 1 Kon. IX:8v.; Jer. V:19; XXII: 8 v.
20. e» die — toegedeeld. Zie op IV: 19.
29. De bedoeling is: wat in de toekomst met Israël en zijn land gebeuren zal weet Jahwe alleen;
wij en onze kinderen hebben slechts te zorgen de woorden dezer wet die ons bekend gemaakt zijn te
betrachten.
1—3. Verg. IV: 29—31.
1. de zegen en de vloek. Blijkeus het vervolg denkt de schrijver alleen aan den tijd wanneer de
vloek, bepaaldelijk de straf der ballingschap, het volk getroffen zal hebbeu.
-ocr page 383-
DEÜTBRONOMIÜM XXX: 1 —18.
46:$
voorgelegd, over u komen, gij ze ter harte neemt onder al de volken
\'2 waarheen Jahwe, uw god, u verdreven heeft,\' gij u bekeert tot Jahwe,
uw god, en gij van ganscher hart en ganscher ziel naar hem luistert,
overeenkomstig al wat ik u lieden gebied, zoowel gij als uwe kinderen,\'
!J dan zal Jahwe, uw god, uw lot wenden, zich uwer erbarmen en u
wederom verzamelen uit al de volken waaronder Jahwe, uw god, u
4 heeft verstrooid;\' al waart gij verdreven naar het einde des hemels,
f) van daar zal Jahwe, uw god, u berzamelen en terughalen,\' en Jahwe,
uw god, zal u brengen in het land dat uwe vaderen hebben bezeten,
zoodat gij bet bezit, en u weldoen en u vermenigvuldigen nog meer
dan uwe vaderen.
0
          Dan zal Jahwe, uw god, het hart van u en uw kroost besnijden,
om van ganscher hart en ganscher ziel Jahwe, uw god, lief te hebben:
7       opdat gij leeft; \' dan zal Jahwe, uw god, al deze vervloekingen leggen
8       op uwe vijanden en haters, die u hebben vervolgd;\' maar gij zult
weder naar Jahwe luisteren en al zijne geboden die ik u heden geef
\'.( betrachten.\' Dan zal Jahwe, uw god, u het goede in overvloed schenken
in al bet werk uwer handen, in de vrucht van uw schoot, de vrucht
van uw vee en de vrucht van uw bodem; want Jahwe zal er weder
genoegen in vinden dat bet u welga, zooals bij daarin bij uwe vaderen
10       genoegen vond;\' omdat gij naar Jahwe, uw god, luistert en zijne ge-
boden en inzettingen, hetgeen in dit wetboek beschreven staat, onder-
houdt, omdat gij met uw gansche hart en uwe gansche ziel tot Jahwe,
uw god, u bekeert.
11            Want deze geboden die ik u heden geef zijn u niet te hoog, noch
12       liggen zij buiten uw bereik.\' Zij zijn niet in den hemel, zoodat gij
zoudt moeten zeggen: Wie zal voor ons ten hemel stijgen om ze voor
13       ons te halen en ze ons te doen hooren, opdat wij ze betrachten.\'\' Zij
zijn niet aan gene zijde der zee, zoodat gij zoudt moeten zeggen: Wie
zal voor ons oversteken naar gene zijde der zee om ze voor ons te halen
14       en ze ons te doen hooren, opdat wij ze betrachten?\' Maar zeer dicht
bij u is het woord, in uw mond en uw hart, om het te betrachten.
15           Zie, ik heb u heden het leven en bet goede, den dood en het kwade
1G voorgelegd.\' Indien gij luistert naar de geboden van Jahwe, uw god,
die ik u heden geef, door Jahwe, uw god, lief te hebben, op zijne
wegen te wandelen en zijne geboden, verordeningen en inzettingen te
onderhouden, zoo zult gij leven en u vermenigvuldigen, en Jahwe, uw
17       god, zal u zegenen in het land dat gij in bezit gaat nemen.\' Maar
indien uw hart zich afwendt en gij niet luistert, en gij u laat ver-
18       leiden om andere goden te aanbidden en te dienen,\' zoo kondig ik u
heden aan dat gij zeker te gronde zult gaan: gij zult niet lang geves-
tigd blijven op den bodem dien gij aan den overkant van den Jordaan
in bezit gaat nemen.
V». 3. Jer. XXIX: 14. — Vs. 4. Neh. 1:9. — V». 9a. XXVIII: 11. — Va. 9*. XXVIII: 63. —
Vs. 13. Rom. X:0. — V». 14. Rom. X: 8. — Vs. 18. IV: 20.
3. uio lol wenden. De Hcbrceuwsche uitdrukking, die herliiialdelijk, vooral bij de profeten, voorkomt,
bcteckent waarschijnlijk eigenlijk .gevangenschap wenden\', d. i. (een volk) uit de ballingschap terug-
voeren, en is dan gaandeweg in algemecner zin, voor: iemands lot wenden, gebezigd; zie Job XLII:
10. Daar de laatste uitdrukking de eerste in zich sluit, hebben wij haar overal gebruikt.
0. hel hart — óeenijdm. Zie op X : 16.
11—14. Israël heeft geen recht, zijne ongehoorzaamheid aan Jahwe\'a wil te verontschuldigen door
de bewering dat het te moeilijk of onmogelijk is dien wil te lecren kennen.
14. in uw mond en uw hart. Het wordt in Israël gepredikt en gekend. In een anderen zin wordt
Jer. XXXI: 31—34; XXXII: 40 gesproken van het hebben van Jahwc\'s geboden in het hnrt.
10—19. Verg. XI: 20—28.
10. Indien gij luiitcrt naar de geboden van Jahwe, uk god, ingevoegd uit Gr. vert.
-ocr page 384-
DKÜTBRONOMIUM XXX : 19—XXXI : 10.
464
19           Ik neem heden tegen u den hemel en de aarde tot getuigen: het
leven en den dood, den zegen en den vloek heh ik u voorgelegd. Kies
20       dan het leven; opdat gij en uw kroost leven moogt,\' door Jahwe, uw
god, lief te hebben en naar hem te luisteren en hem aan te hangen.
Want dat is uw leven en uw duurzaam wonen op den bodem dien
Jahwe uwen vaderen, Abraham, Izaak en Jakob, onder eede beloofd
heeft hun te geven.
HOOFDSTUK XXXI: 1—18.
Beschikkingen vim Mozes omtrent zijn opvolger en omtrent de bewaring der wet. — Mozes wijst
op zijn naderend einde (1 v.), maar bemoedigt het volk door de verzekering dat Jahwe het in Kanaün
zal brengen door .lozua (3—6), die de belofte van Jahwe\'s bijstand ontvangt (7 v.). Mozes schrijft de
wet op, geeft baar aan de Levictische priesters in bewaring, en gelast dat zij eens om de zeven jaren
aan het volk moet worden voorgelezen (9—13).
Het eerste gedeelte (vs. 1—8) is van dezelfde hand als 1:1—IV: 48 en omwerking van een ouder
bericht, dat in vs. 14, 15, 23 wordt teruggevonden (zie inl. op XXXI: 14—XXXII: 52) en in hoofd-
zaak dcnzelfilcn inhoud heeft (doch zie op vs. 7 v.). Het tweede gedeelte (vs. 9—13) behoort waar-
schijnlijk nog tot het werk van den schrijver van Y—XXVI, en dient om te verklaren hoe de daarin
vervatte wet gedurende vele eeuwen had kunnen bewaard blijven.
XXXI: 1,2 Mozes nu ging deze woorden tot gansch Israël spreken\' en zeide
tot ben: Ik ben thans honderd twintig jaar oud; ik ben niet meer in
staat uit en in te gaan; en Jahwe heeft tot mij gezegd: Gij zult dezen
3       Jordaan niet overtrekken.\' Jahwe, uw god, hij trekt aan uwe spits op;
hij zal deze volken voor uwe oogen verdelgen, zoodat gij hun land in
bezit neemt. Jozua, 1»ij trekt aan uwe spits op, zooals Jahwe gesproken
4       heeft,\' en Jahwe zal hun doen evenals hij heeft gedaan aan de koningen
der Amorieten, Hihon en Og, die hij verdelgd heeft, en aan hun land:\'
5       Jahwe zal hen aan u overleveren, en gij zult hun doen naar al wat
(5 ik u geboden heb.\' Zijt sterk en kloek, vreest en siddert niet voor
hen; want Jahwe, uw god, hij gaat met u; hij zal u begeven noch
verlaten.
7            Hierop riep Mozes Jozua en zeide tot hem ten aanschouwen van
gansch Israël: Wees sterk en kloek; want gij zult dit volk in het land
brengen dat Jahwe hunnen vaderen onder eede beloofd heeft hun te
8       zullen geven, en gij zult hen in het bezit er van stellen;\' Jahwe, hij
gaat aan uwe spits; hij zal met u zijn, hij zal u begeven noch ver-
laten; vrees niet en wees niet versaagd.
9           Mozes nu schreef deze wet op en gaf haar aan de priesters, de zonen
van Levi, die de ark des verbonds van Jahwe droegen, en aan alle
10 oudsten van Israël,\' en gebood hun: Om de zeven jaar, telkens in bet
V». 7 v. Joz. 1:54, 0.
2.   honderd twintig jaar. Verg. XXXIV: 7; Kxod. VII: 7. — ik — gaan. Zie op 1 Kon. 111:7.
Bene andere voorstelling aangaande Mozes geeft XXXIV : 7. — Jahwe — gezegd. Zie 1:37; 111:26;
IV:21.
3.  Jahwe — op. Verg. IX : 8.
4—6. Verg. III: 21 v.
5. al wat ik u geboden heb. Zie VII : 2—5.
7 v. Mozes volbrengt hier wnt volgens I : 88; III: 28 Jahwe hem geboden had. Hetzelfde wordt
vs. 23 verhaald, wnur echter niet Mozes maar Jahwe Jozua toespreekt. Zie nog op III: 21 v.
7. gij r»W dit volk in liet land brengen, met vcranderiug van een klinker, in overeenstemming met
Sani. t. cu oude vertt.; Hebr. t. gij tuit met dit tolk in het land komen.
9. de:e wet, die in dit boek (XII—XXVI) vervat is. — gaf — levi. Verg. XVII: 18. — die —
dragen. Als dragers der ark waren de Levictische priesters de bewaarders vau de daarin gelegde
twee tafeleu, waarop de Tien Woorden stonden (X: 2, 8); zij waren dus als aangewezen om ook voor
de in dit boek vervatte wet zorg te dragen. Of deze ook in de ark gelegd moest worden, blijkt niet;
doch zie vs. 20.
II). het jaar der kwijtschelding. Zie XV : 1—6. — het loofhuttenfeett. Zie op XVI: 13.
-ocr page 385-
DEUTBUONOMIUM XXXI: 10—13.
4G5
11       jaar der kwijtschelding, op het loof huttenfeest,\' als gansch Israël het
aangezicht van Jahwe, uw god, komt zien aan de plaats die hij zal
uitkiezen, zult gij deze wet in tegenwoordigheid en ten aanhooren van
12       gansch Israël voorlezen.\' Vergadert dan het volk, mannen, vrouwen en
kinderen, en de vreemden die ten uwent in uwe steden zijn; opdat
zij hooren, en leeren Jahwe, uw god, te vreezen en al de woorden
13       dezer wet nauwgezet te hetrachten.\' (Jok hunne kinderen, die nog van
niets weten, zullen hooren en Jahwe, uw god, leeren vreezen, zoolang
zij leven op den hodem dien gij aan den overkant van den Jordaan
in bezit gaat nemen.
11.  hel aangezicht — zie». Zie op Kxotl. XXIII115. — tuil — voorlezen. Verg. N\'eli. VIII : 1—3,
lil, waar Kzrn uit het wetboek aan het volk voorleest. In later tijd schijnt Je hoogcpricsU\'r ilit ge-
daan te hebben.
12.  de vreemden. Zie op XXIX: 11.
13.  zij leven, volg. Gr. vert.; Hebr. t. gij leeft.
HOOFDSTAK XXXI: 14—XXXII: 52.
Het „lied van Mozcs" met de voorrede en ecnige andere stukken. — Mozes en Jozua plaatsen
zich, op Jahwc\'s bevel, in de tent der samenkomst, waar Jahwe zich aan hen openbaart (XXXI: 11 v.).
Jahwe kondigt .Mozcs aau, dat de Israëlieten de rampen die hen na zijn dood zullen treilen aan
eigen zonden te wijten zullen hebben (10—18); daarom gebiedt hij hem een lied op te schrijven dat
daarvan later getuigenis zal geven (IV—21); aan dien last voldoet .Mozcs (22). Jahwe stelt Jozua aan
(23). Mozcs geeft het wetboek n;iu de Iicvieten in bewaring en ontbiedt Israëls oudsten, om hun het
lied voor te drageu (21—30).
Aanhef van het lied (XXXII: 1—3). Israël heeft zijn rechtvaardigen god verlaten (4 v.), aan wicn
het alles verschuldigd is (6). Hij had van oudsher Israël als volk voor zich behouden (7—tl), het in
de woestijn verzorgd (10—12) en in zijn land bcwcldadigd (13 v.). In den overvloed echter hebben
zij hem voor vreemde goden verlaten (15—18). Toen besloot Jahwe hen aan eene goddeloozc natie
en aan alle denkbare rampen prijs te geven (19—25); slechts de vrees voor den overmoed des vijand*
houdt hem van cene gehcele vernietiging terug (2G—29). Intusscheu is Isracls vernedering geen ge-
volg van de macht der vreemde godcu, noch van de deugden des vijands (30—33); integendeel, als
de nood van Israël op het hoogst is. zullen de vijanden naar verdienste worden getuchtigd (34—3fl),
zal Israël Jahwe\'s macht erkennen (37—39) en deze zich op de vijanden wreken (10—12). Laten de
natiën een volk gelukkig prijzen dat zulk een god heeft (43).
Mozes en Jozua deden dit lied aan het volk mede (41). Mozes wekt het volk op, de gansche wet
te hetrachten (45—17). Jahwe gebiedt Mozes den berg te beklimmen, waar hij sterven zal (48—52).
Het zoogenaamde „lied van Mozes" (XXXII :1—13) is gedicht in een tijd van diepe vernedering,
waarschijnlijk door een tijdgenoot van Jercmia, in het laatste vierde der 7de eeuw v. (\'hr. He dichter
dacht er niet over, het voor het werk van Mozes uit te geven of het dezen in den mond te leggen;
hij richt zich, geheel iu den trant der tocumalige profeten, tot zijne tijdgenootcu, om hun Israëls ver-
nederiug door de liabylouicrs als cene rechtvaardige straf van Jahwe voor te stellen, maar hen te gelijk
te hemoodigeu door de stellige belofte dat Jahwe het ergste nog afwenden en een strafgericht over
hunne onderdrukkers brengen zal, waarna Israël weder voorspoedig zal worden.
Hceils spoedig na zijn ontstaan is dit lied door een ander schrijver van cene voorrede voorzien
(XXXI: 10—22), waarin het aan Mozes wordt toegekend en opgevat als cene getuigenis dat Israëls
ongehoorzaamheid en daarop gevolgde vernedering reeds lang te voren door Jahwe waren voorzien en
beschikt. De samensteller van het Oude-Sngcubock, die wellicht zelf deze voorrede had geschreven,
nam haar in elk geval te gelijk met het lied iu zijn werk op, eu wel zoo dat hij de voorrede tus-
schrn den aanhef eu het slot van het Klohistische bericht over Jozua\'s wijding (XXXI: 11, 15, 23)
inschoof, het lied zelf daarop liet volgen eu er nog ecu kort nnschrift van zijne hand, XXXII: 41,
aan toevoegde.
De bewerker die het Dcuteruuomische wetboek met bet Oudc-Sagcnboek verhoud schreef op zijne
beurt XXXI: 24—30; XXXII: 45—47, in welke verzen de vervaardigiug eu voordracht van het lied
met de opteckeuiug en overgave van de wet in verband wordeu gebracht.
XXXII: 48—52, eindelijk, is aan Ezra\'s Wetboek ontleend, of op grond van het daarin voorkomende
bericht, Num. XXVII : 12—14, door den Verzamelaar opgesteld.
O. T. I.                                                                             \'                                             80
-ocr page 386-
DEUTBRONOMIUM XXXI ! 14—27.
460
XXXI: 14 Jahwe nu zeide tot Mozes: Zie, uwe stervensure is daar; roep
Jozua en plaatst u in de tent der samenkomst, opdat ik hem bevelen
geve. Daarop ging Mozes met Jozua en plaatsten zij zich in de tent
l.r> iler samenkomst.\' Toen verscheen Jahwe in de tent in eene wolkzuil,
en de wolkzuil bleet* aan den ingang der tent staan.
lfi          Jahwe nu zeide tot Mozes: Zie, gij gaat u ter ruste leggen hij uwe
vaderen, en dit volk zal zich opmaken en de goden nahoeleeren van
de vreemde bewoners des lands in wier midden het komt, en het zal
mij verlaten en mijn verbond dat ik met hen gesloten heb breken.\'
17       Dan zal te dien dage mijn toorn tegen hen ontbranden en zal ik hen
verlaten en mijn aangezicht voor hen verbergen; zij zullen der verslin-
ding ter prooi worden en door vele rampen en nooden worden getroffen.
Te dien «lage zullen zij zeggen: Blijkbaar omdat onze god niet in ons
18       midden is hebben ons deze rampen getroffen! \' En ik zal te dien dage
mijn aangezicht gansch verbergen wegens al het kwaad dat zij gedaan
19       hebben, omdat zij zich tot andere goden hebben gewend.\' Nu dan,
schrijf dit lied op en leer het den Israëlieten; leg bet hun in den
mond; opdat dit lied mij tot een getuige tegen de Israëlieten zij.\'
20       Want ik zal hen brengen in het land, overvloeiende van melk en
honing, dat ik aan hunne vaderen onder eede beloofd heb, maar zij, na
gegeten, zich verzadigd en zich te goed gedaan te hebben, zullen zich
wenden tot andere goden en hen dienen, terwijl zij mij versmaden en
21       mijn verbond breken.\' Wanneer dan vele rampen en nooden hen treffen,
zal dit lied zich als een getuige bij hen laten hooren; want het zal niet
vergeten worden noch wijken uit den mond van hun nakroost. Ik ken
toch de gezindheid die zij heden koesteren, noch voordat ik hen breng
22       in het land dat ik aan hunne vaderen onder eede beloofd heb.\' Zoo
schreef Mozes te dien dage dit lied op en leerde het den Israëlieten.
23           En hij gaf bevelen aan Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Wees
sterk en kloek; want gij zult de Israëlieten brengen in het land dat
ik hun onder eede beloofd heb, en ik zal met u zijn.
24           Toen nu Mozes gereed was met de woorden dezer wet, tot het
25       laatste toe,\' in een boek op te schrijven, gaf hij aan de Levieten,
2(> die de ark des verbonds van Jahwe droegen, dezen last: \' Neemt dit
wetboek en legt het naast de ark des verbonds van Jahwe, uw god,
27 Maar het als een getuige tegen u zal zijn.\' Want ik ken uwe weer-
14 v. Deze beide verzen, met vs. 23, behoorden tot De Klohist en zijn dus veel ouder dan ons
bock. I)c hier gegeven voorstelling van de tent der samenkomst en de wolkzuil komt overeen met die
van I\'.micI. XXXIII: 7—11; /ie aldaar. Elders iu dit bock komt die tent niet voor.
1G—22. hi\'zi\' verzen staan in :mi verband hoegenaamd met het voorafgaande, maar zijn de inlei*
ding op XXXII : 1—13, vervaardigd met het doel om dit lied aan Mozes als dichter toe te kennen
(zie lul.). Vandaar dat hier geen sprake is van Jozua en zijne aanstelling tot Mozes\' opvolger of cene
lastgeving nan hem, zooals wij na vs. 14 v. zouden verwachten.
10. gij — radere». Zie op Gen. XV: 15.
17. mijn aangezirhl roor hen verbergen. Zie op .Icz. VIII: 17. — Blijkbaar —getroffen! Inroep,
niet van verootmoediging, inaar van schrik. Aan de rampen die hen trellen bemerken zij dat hun
god hen verlaten heeft.
19.   uhrijf, naar vnrb. t.; Hcbr.,t. tchrijft. — een getuige, dat Jahwe hen van te voren gewa»r-
srhuwd heeft; zoodat de Israëlieten zich niet mogen beklagen over de welverdiende straf. Terwijl in
het lied (XXXII• 7) een beroep wordt gedaan op het verleden, wordt hier het lied zelf als eene
aloude profetie aangaande de toekomst voorgesteld.
20.   Verg. XXX1I:15 en op VI: 12.
21.  Ik — heb. Vandaar dit lied, en de lastgeving het van buiten te lecren en te onthouden. —
aan hunne vaderen, volg. Gr. vert. ingevoegd.
23. Voortzetting van vs. 15. — bij. Jahwe. Volgens de latere voorstelling, in 1:38; 111:21, 28;
XXX1V:9; Xum. XXVII: 18—23, werd Jozua door Mozes tot zijn ambt gewijd.
25 v. Zie vs. 9.
26. tegen n. Xiet tegen de Levieten, die hier worden toegesproken, maar tegen de Israëlieten in
het algemeen.
-ocr page 387-
DEÜTBIIONOMIUM XXXI : 27 — XXXII : 7.
467
spannigheid en hardnekkigheid; zie, thans, terwijl ik nog in leven
ben bij u, zijt gij weerspannig geweest tegen .lab we; boe veel te meer
28       zult gij liet na mijnen dood zijn.\' Vergadert tot mij al de oudsten
uwer stammen en uwe ambtlieden: opdat ik ten aanbooren van ben
deze woorden spreke, en bemel eii aarde tegen ben tot getuigen neme.\'
29       Want ik weet dat gij na mijn dood u zwaar zult bezondigen en
afwijken van den weg dien ik u heb voorgeschreven; zoodat eindelijk
de rampspoed u zal overkomen, omdat gij doet wat kwaad is in bet
30       oog van Jahwe, hem tergende met bet maaksel uwer banden.\' Toen
sprak Aiozes ten aanbooren van de gansene vergadering van Israël de
woorden van dit lied tot het laatste toe.
XXXII: 1            Leent het oor, hemelen, opdat ik spreke;
en hoore de aarde de reden mijns monds.
2                    Mijne leering stroome als de regen,
mijne rede vloeie als de dauw;
als eene stortbui op het jonge groen
en als eene regenvlaag op het kruid.
3                    Want Jahwe\'» naam wil ik verkondigen:
biedt hulde onzen God!
4                         Des Rotssteens doen is onberispelijk,
want al zijne wegen zijn volgens recht;
een God van waarheid zonder bedrog,
rechtvaardig en billijk is bij.
f>                   Trouwbreuk tegen hem hebben zijne zonen gepleegd,
een verkeerd en arglistig geslacht.
O
                   Vergeldt gij zóo Jahwe,
gij dwaas en onwijs volk.\'
I» hij niet uw vader, die u het aanzijn gegeven,
die u gemaakt en vastgesteld heeft.\'
7
                      Gedenk aan de dagen van ouds,
let op de jaren van geslachten herwaarts;
vraag het uwen vader, dat hij het u verbale,
27.  Verg. IX: 7.
28.  hemel — nemen. Kvcnzoo IV: 20; XXX: 19. De schrijver doelt lilijkbaar op XXXII: 1, mnnr
heeft Je strekking van de daar voorkomende woorden niet verstaan; zie aldaar.
29.   mei — handen, de afgoden; zie IV: 28; XXV1I:15 enz.
1.  Om het gewicht van \'s dichters woorden moet de gausche schepping — hemel en aarde, hier als
levende wezens toegesproken — er naar luisteren. Hemel en aarde worden ook Jcz. 1: 2, elders alleen
de hemel (Jcr. 11:12), de aarde met hare bewoners (Jer. VI: 19; Micha 1:2), of de bergen
(Micha VI: 1 v.) opgeroepen om te hooren wat Jahwe tot zijn volk heeft te zeggen. Zie op
XXXI: 28.
2.   Verg. Micha V : 6. — Mijne leering. I)c dichter kenschetst hier zelf zijn werk als leerdicht, en
wenscht en verwacht dat het een zegenrijken invloed zal hebben, door boete en bekecring te workeu,
evenals dauw en regen verfriseht en vruchtbaar maakt; verg. Job XXIX : 22 v.; I\'s. I,XXII:0; Jez.
LV: 10 v.
3.  Jahice\'t naam, zijne grootheid, rechtvaardigheid en trouw; zie op tixod. XXIII: 21.
4.  Set Sotuteeni. Rots of rotssteen wordt Jahwe dikwijls genoemd om zijne onveranderlijke trouw,
waarop men kan bouwen, vs. 15, 18, 30 v., 37; 1 Sam. 11:2; 2 Sam. XXll:2v., 32, 17; XXIII:3;
Ps. XXVIII:l; LXI:3v.; LXII:3, 7v.; Jez. XXVI: 4; XXX: 29; verg. op Gen. XMX:24.
5.   Trouicbrcuk — gepleegd, volg. verb. t. De lezing is echter onzeker, daar de tekst zeer bedorven
is. Wellicht kan in écn punt de Hcbr. t. worden behouden en vertaald worden zijne niel-zonen; verg.
vs. 21; Hoz. 1:9.
0. dicaat en ouwijt. Door deze woorden wordt in het Hcbrcenwsch gebrek, niet zoozeer aan verstand
en doorzicht, als wel aan god»vrucht on zcdelijken ernst aangeduid. — «*> vader. Verg. Jez. I.XIII :
16; Hoz. XI: 1; Mal. 11:10 en op Exod. IV: 22. — hel aanzijn gegeven, door de verlossing uit
Egypte; verg. vs. 15.
7. Gedenk — hericaart: llcdocld is de Mozaïsche tijd, toen Jahwe Israël tot een volk maakte. Voor
den dichter behoort die tijd tot het verre verleden. — vraag — zeggen. De kennis van het verleden
werd door mondelinge overlevering van geslacht tot geslacht voortgeplant; verg. IV: 32; 2 Sam. XX:
18 v.; Job VIII: 8—10: I\'s. I.XXVIII: 2—I; Joel 1:3 enz.
-ocr page 388-
408
DKUTBRONOMIUM XXXII : 7—14.
uwe grijzen, dat zij het u zeggen.
8
                  Toen tle Allerhoogste aan de natiën een erfdeel toewees,
toen hij de menschenkinderen vaneenscheidde,
stelde hij de grenzen der volkeren vast
naar het getal der zonen Gods;
it
                  want Jahwe\'s deel is zijn volk,
.lakob het hem toegevallen erve.
10                    Hij vond hem in een woestijnlaml,
in de eenzaamheid, bij het gehuil der wildernis:
hij omringde hem, hij sloeg hem gade,
behoedde hem als zijn oogappel:
11                    evenals een arend die zijn nest opwekt
en over zijne jongen zweeft,
breidde hij zijne vleugelen uit, nam hem op,
droeg hem op zijne wieken.
1~
                  .labwe alleen geleidde hem,
geen vreemde god stond hem ter zijde.
ltt
                  Hij deed hem rijden over de hoogten des lands
en spijzigde hem met de vruchten des velds:
hij deed hem honing zuigen uit de rots,
en olie uit den keiharden rotssteen,
14
                  room van runderen en melk van schapen en geiten,
benevens het vetste van lammeren en rammen;
Ikzanstieren en bokken,
benevens nieren vet van tarwe;
en druivenbloed dronkt gij, schuimenden wijn.
V». UeJ. Ps. LXXXI 17.
8—14. Deze verzen beschrijven in enkele trekken de vs. 7 bedoelde feilen uit het verleden, en
dienen ten bewijze dat Israël van oudsher aan Jahwe alleen heeft behoord en aan hem alleen zijn
bestaan als volk en zijne zegeningen in Knnaau te danken heeft.
8.   Verg. Hand. XVII: 2<i. — zonen lloda, volg. Or. vert.; Ilebr. t. zonen Israëli, llcdoeld zijn de
goden der volken, die geacht werden ouder Jahwe\'s opperheerschappij te regeeren. Als Gods plaats-
vervangers in het bewind over de nndcre volken herten zij: zouen Gods; verg. Ps. LVIII; l.X.XXIl
en zie op Gen. VI: 2. Al wordt dus het bestaan der andere goden niet ontkend, toch is voor den
dichter Jahwe de ecnigc die den nnam van God verdient, vs. 3!). Zie op IV: 19 en verg. Dan. X:13,
20 v.; Sir. XVII :14.
9.   De samenhang met vs. 8 is deze: er werden zoovele vreemde natiën gevormd als er zonen Gods
waren; elk hunner moest een volk hebben. Israël telde daarbij echter niet mede; want dit behield
Jahwe zich zei ven voor.
II). vond hem, het volk, dat hier als een persoon wordt voorgesteld. Dat Jahwe tot zijn volk,
schoon van den aanvang nf zijn deel, eerst in de woestijn in nadere betrekking is getreden wordt
ook geleerd IX: 24; Hoz. IX : 10. — in tle — wildernis, onzekere lezing en vertaling. — zijn oog-
appel.
Hetzelfde beeld voor iets dierbaars I\'s. VII: 8; Spr. VII: 2; /ach. 11:12.
11. zijn nest opwekt, om zijne jongen te leeren vliegen. — over zijne jongen zweeft, om door zijn
wiekgcklnp hen tot navolging op te wekken. — breidde — wielen. Van den arend geloofde men, dat
hij, zoodra hij zag dat zijne jongen, in het vliegen nog onervaren, dreigden te vallen, onder hen ging
vliegen, om ze op zijne wieken op te vangen en weg te dragen. Zoo, bedoelt de dichter, heeft ook
Jahwe met trouwe zorg en liefde zijn volk in de woestijn beschermd eu geholpen; verg. 1:31; Exod.
XIX: 4; Ps. XCI:4; Jcz. XXXI: 5.
134—154. Bene dergelijke beschrijving van den rijkdom van Kanaiin wordt VIII: 7 v. gegovcn.
13.  rijden — landt. Deze uitdrukking, in plaats waarvan somtijds vertaald moet worden rijden over
\'t aardrijkt hoogten,
komt, evenals de meer gebruikelijke treden op \'t landt of \'t aardrijk-t hoogten (Jcz.
LVIII : 14; Am. IV:13; Mieha 1:3; verg. XXXIII:2!>; Job IX:8; Hab. 111:19) voor iu de be-
teckenis van: heerschnppij voeren. Die de hoogten bezit is meester over den ganschen omtrek. —
tpijzigde hem met, volg. Sam. t., Gr. en andere oude vertt.; Hebr. t. hij at. — honing, van wilde
bijen; zie op Kxod. 111:8. — uil de rolt. Kvcnnls het volgende, vcrhcerlijkiug van Palestina, waar
ook de onvruchtbaarste plekken nog rijkdom vnn edele voortbrengselen opleverden. — olie — rolt-
tteen.
De olijfboomcu gedijen het best op magereu, stecnachtigen grond.
14.   het vettle — rammen, de beste lammeren en rammen. — Bazanttieren, letterlijk zonen van
Bazau,
bekend als sterk; zie op Ps. XXII: 13. — nierenvet van tarwe, de allerbeste tarwe. Verg. Ps.
LXXXI: 17; CXLVII:14.
-ocr page 389-
UBUTBHONOMIUM XXXII: 15—24.                                   46U
15                         Doch Jakob at en werd verzadigd,
Jesjurun werd vet en sloeg achteruit —
ja, vet, dik, glanzig waart gij geworden —
hij verzaakte den god die hem gemaakt had,
en minachtte den Rotssteen zijns heils.
1(5                    Zij maakten zijne ijverzucht gaande door vreemden,
door afschuwelijkheden tergden zij hem:
17                    zij offerden aan de demonen, niet-goden,
goden die zij vroeger niet kenden,
nieuwelingen, die onlangs waren ingekomen,
waarvoor uwe vaderen niet gehuiverd hadden;
18                    den Rotssteen die u verwekt heeft verwaarloosdet gij,
en gij vergat den God die u baarde.
19                         Jahwe, dit ziende, versmaadde hen,
uit ergernis over zijne zonen en dochteren,
20                    en zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergen,
en zien hoedanig hun einde zal zijn;
want zij zijn een geslacht vol slinksche streken,
kinderen in wie geen trouw is.
21                    Hebben zij mijne ijverzucht gaande gemaakt door een niet-god,
mij getergd door hunne nietigheden,
zoo zal ik hunne ijverzucht gaande maken door een niet-volk,
door eene dwaze natie hen tergen.
22                    Want een vuur is in mijn neus ontstoken,
dat tot in het diepst van het schimmenrijk brandt,
de aarde en haar gewas verteert,
en de grondvesten der bergen in vlam zet.
23                    Ik zal hen met rampen overstelpen,
mijne pijlen op hen verschieten:
24                    als zij uitgemergeld zijn van honger,
verteerd door koortsgloed en doodelijk verderf,
V«. 21. Kom. X:19.
15. Overmoed en ongehoorzaamheid zijn hier het gevolg van rijkdom eu overvloed; zie op VI: 12.
— Doch — verzadigd, ingevoegd uit Sam. eu Gr. t. Verg. op VI: 12, ook Nch. IX\'. 25. — Jesjurun,
letterlijk de Oprechte, het volk Israël. Deze ecrenanm, die ernige overeenkomt! in klank heeft met
den naam Israël, wordt hier, waar het volk van ondank en ontrouw beschuldigd wordt, niet zonder
spot gebruikt. Hij komt nog voor XXXIII: 5, 26; .Icz. XI.IV:2; verg. op Nam. XXIII : 10. — sloeg
achteruit,
nis een wel doorvoed en daardoor dartel geworden rund, dat in zijn overmoed den ploeg
niet meer wil trekken; voor het beeld verg. Hoz. IV: 10; lluud. IX: 5; XXVI S 14.
10. vreemden, goden van andere volken. Verg. op Jcz. XLII1 :12.
17.  Volgens den dichter bestond onder Israël de dienst der hier vermelde afgoden vroeger niet;
reeds daarom was die te veroordceleu ; verg. XI: 28; Jer. VII: 9. — de demonen. Het Hebrceuwsehe
woord, alleen nog Ps. (\'VI: 37 voorkomende, is waarschijnlijk ontleend aan een Assyrisch woord dat
de goden aanduidt die door stierkolosseu vóór de heil
955
igdommen werden voorgesteld, en wijst dus op
den uithcemschen oorsprong van die door de Israëlieten aangebeden wezens. — gehuiverd. Zie op Gen.
XXXI: 42.
18.   Jahwe, als de ecnigc oorzaak vnu Isracls volksbestaan, heet hier zoowel zijn vader als zijne
moeder. „Haren" wordt van God ook gezegd I\'s. XC»9.
20. Ik — verbergen. Verg. XXXI: 17.
81. iiietigheden, afgoden: verg. 2 Kon. XVII: 15; I\'s. XXXI: 7; Jer. 11:5; VIII: 10; XIV: 22. —
een niet-volk, dnt den naam van volk niet waard is, eene heidcuschc natie. — dwaze, goddclooze; zie
op v». 0. Waarschijnlijk heeft de dichter op de ltabylouiërs het oog. I\'s. LXXIV:18 worden de Syriër»,
Si r. L: 25 v. wordt het volk der Samaritanen zoo genoemd.
22. Verg. Jer. XVII: 1 eu op Jer. XV : 14. — i» mijn neut. Zie op Kxod. XV: 8. — het -ichim-
menrijk.
Zie op Gen. XXXVII : 35. — de grondvesten der bergen, die geacht werden diep onder de
narde te liggen. Men meende dat de narde op bergen rustte, waarvan de toppen alleen er boven uit
staken.
24 v. De vier hier genoemde rampen, honger, pest, wild gedierte eu zwaard, komen als de straffen
Gods ook Kzcch. V : 12, 10 v.; XIV : 21 voor.
24. die schuifelen in hel stof, de slangen; evenals Michn Vil! 17.
-ocr page 390-
470                               DBUTKRONOMIUM XXXII : 24—36.
zal ik den tand van liet wild gedierte op hen afzenden,
benevens het venijn van die schuifelen in het stol\'.
25
                  Buiten zal het zwaard wegrapen,
en binnenskamers de doodschrik,
zoo jongeling als maagd,
den zuigeling niet den grijsaard.
2<i
                  Ik zou gezegd liehben: Ik zal hen wegblazen,
aan hunne gedachtenis onder de menschen een einde maken —
27                    ware ik niet beducht voor ergernis over den vijand,
dat hunne tegenstanders het zouden misverstaan
en zeggen: Onze hand was hoog opgeheven,
en niet Jahwe heeft dit alles gewrocht!
28                    Want het is eene natie die alle bezinning heeft verloren,
en er is geen doorzicht bij hen:
~\'<)                   waren zij wijs, zij zouden dit begrijpen,
en inzien, wat hun einde moet zijn.
30
                      Hoe zoude éen duizend vervolgen,
en twee er tienduizend op de vlucht jagen,
ware het niet dat hun Rotssteen hen verkocht
en Jahwe hen overgeleverd had!
«11
                   Want niet als onze Rotssteen is hun rotssteen;
laten onze vijanden zelven scheidsrechters zijn!
32
                  Want hun wijnstok stamt van iSodoms wijnstok
en van (Joniorra\'s beemden;
hunne bezien zijn giftbeziën,
bittere trossen hebben zij;
uil
                  hun wijn is drakenvergif
en bijtend adderenvenijn.
y4
                  Is dat niet bij mij opgeborgen,
verzegeld in mijne schatkameren,
\'65
                  voor den dag der wraak en vergelding,
voor.den tijd als hun voet wankelt?
Immers, de dag van hun ondergang is nabij,
en spoedig komt wat over hen beschikt is.
yo
                  Want Jahwe zal zijn volk recht verschaffen
V». 85*.«. Klaag). I : 80*/. — V». 35a. Kom. XII: 19j Helir. X: 30. — V». 3Ba.«. IV CXXXV:14.
2(5 v. Verg. op Jee. Xlilll: 25.
27.   ergernis over den vijand, d. i. de ergernis die ilc vijnml door zijn roemdrngen oj> Isracls ver-
ncdering mij zou hebben gegeven.
28.   Want. Heden wnnroni God bijmi nnn bet bestaan des Isrnëlietischcn volks een einde luid gemankt.
20. dit, de reden der goddelijke strafgcricliten.
3(i. Hier neemt de dichter weder het woord, om aan te tooueu dat Isracls nederlagen niet aan de
overmaeht des vijands, uuuir aan Jahwe\'s strafocfenende gerechtigheid zijn te wijten. — Hoe — jagen.
Verg. Lcv. XXVI: 7 v.j Joz. XXIII: 10; Jez. XXX: 17. — verkocht. Zie op Richt. 11:14.
31—33. Hier worden de redenen opgegeven waarom Isrncls nederlagen alleen aan Jahwe kunnen
worden toegeschreven; immers kunnen zij noch uit de groote macht der vreemde goden (vs. 31), noch
uit de deugd van de vijanden (vs. 32 v.i verklaard worden.
32. hun — beemden. In karakter en zeden zijn die vijanden nauw aan Sodom en Gomorrn verwant
in hebben dus ecu gelijk lot verdiend, /ie op Gen. XIX: 24 v. — hunne, van de vijandeu. Zij zelven
worden als wijnstokken gedacht; wat van hen komt en door hen gedaan wordt zijn hunne bezien en
trossen en hun wijn.
34 v. Wederom woorden van Jahwe.
34.  dal, het vs. 32 v. beschreven zondige wezen der vijanden en de daardoor verdiende straf.
35.  voor den dag, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. mij. — hun voel — toankelt, hun val begint.
30. recht vertehaffen, Hebr. X:3U wordt dit werkwoord ten onrechte vertaald door oordeeten. —
den onmondige en den mondige. I)e letterlijke vertaling zou zijn den teruggehoudene en den lotgelatene.
Anderen verklaren dit „slaaf en vrije", of gehuwde en ongehuwde", enz. De boven gegeven vertaling
is verre van zeker. In elk geval hctcckcut de uitdrukking: al de leden van een volk, geslacht of familie.
Verg. 1 Kon. XIV: 10; XXI: 21; 2 Kon. IX: 8; XIV: 20.
-ocr page 391-
DBUTBRONoMlUM XXXII : 36—47.
471
en zich zijner knechten erbarmen,
wanneer hij ziet dat de kracht is verzwonden
en het met den onmondige en den mondige gedaan is.
«37                    1-hin zal hij zeggen: Waar zijn hunne goden\'
waar is de rotssteen tot wien zij hunne toevlucht namen.\'
38                  die het vet hunner slachtoffers aten,
den wijn hunner plengoffers dronken.
Laten zij opstaan en u helpen,
laten zij u tot bescherming zijn!
y*J
                      Ziet nu dat ik het hen, ik,
en er geen god is nevens mij:
ik maak dood en maak levend,
heb ik verbrijzeld, ik heel ook,
en niemand redt uit mijne hand.
40                    Want ik steek mijne hand op ten hemel
en zeg: Zoo waar als ik eeuwig leef\',
41                    wanneer ik mijn bliksemend zwaard heb gewet,
en mijne hand naar bet strafgericht grijpt,
zal ik wraak nemen op mijne tegenstanders,
en mijne haters doen boeten;
4^
                  mijne pijlen zal ik dronken maken van bloed,
en mijn zwaard zal vleesch vreten,
van bet bloed der verslagenen en gevangenen,
van het hoofd van des vijands aanvoerders.
43                        Natiën, heft jubelzangen aan voor zijn volk;
want het bloed zijner knechten zal bij wreken,
wraak oefenen aan zijne tegenstanders,
en den bodem van zijn volk verzoenen.
44           Zoo kwam Mozes en sprak ten aanhooren des volks al de woorden
van dit lied, hij en Jozua, de zoon van Nun.
45           Toen nu Mozes gereed was met het spreken van al deze woorden
40 tot gansch Israël,\' zeide hij tot hen: Neemt al de vermaningen ter
harte die ik u heden geef; opdat gij ze aan uwe kinderen voorschrijft,
47 om al de woorden dezer wet nauwgezet te betrachten.\' Immers is dit
geen ijdel woord voor u; want het is uw leven, en door dit woord
zult gij lang gevestigd blijven op den bodem dien gij aan den over-
kant van den Jordaan in bezit gaat nemen.
V». Uil 2 Sam. VII: 22; Jez. XLV : 5 v., 184. — V». SOcd. 1 Sara. II: 6. — V». 43. Hora. XV: 10.
37.  zal hij zeggen, God, ter verootmoediging van de tot dusver afgodische Israëlieten. — Waar —
namen:\' Spottende vraag; verg. Jcr. 11:28.
38.  laten zij «, volg. Sara. en Gr. t.; Hcbr. t. laat hij u.
30. het. Zie op Jez. X I. I : 4.
40.  ik — hemel, ik zweer; verg. Gen. XIV:22; van God gebruikt Kxod. VI:T; Xiun. XIV:30. —
Zoo — leef. Zie Num. XIV: 21, 28. Ook elders zweert Jahwe bij zich zelvcn; zie op Gen.
XXII: 10.
41.   ik — gewet. Hetzelfde beeld I\'s. VII: 13. — naar het s/ra/gericht, eigenlijk naar de middelen
waardoor het voltrokken wordt.
42.   De derde regel van dit vers slaat op den eersten, de vierde op den tweeden terug. — het
hoofd
— aanvoerders, den opperbevelhebber of koning der vijanden.
43.   Meermalen worden, zooals hier, de volken der aarde opgewekt, over het heil te jubelen dnt
Jahwe aan zijn volk schenkt, I\'s. XLVII:2; LXVI:8; XCVI: 7—9«; XCVIII; CXVII:1. — tut —
Kreken.
Verg. I\'s. 1.XXIX:1(); Openb. XVIII: 20; XIX: 2. — den bodem van zijn volk, volg. Som. t.,
Gr. en Lat. vertt.; Hcbr. t. zijn bodem, zijn volk.
44.   hij — Nun. Deze woorden, volgens welke ook Jozua het lied voordraagt, zijn in strijd met
XXXI: 10, waar alleen Mozes dit doen moei. Waarschijnlijk zijn zij toegevoegd door den samensteller
van het Oudc-Sagcnbock, die ook XXXI: 14—23, het verhaal van Jozua\'s wijding, met de nankondi-
ging van het lied had verbonden. — Jozua, volg. Sam. en Gr. t.; Hebr. t. Ilozea,
47. ijdel, zonder bctcekenis of kracht.
-ocr page 392-
DEUTKUONOMIUM XXXII : 48—XXXIII : 2.
472
48, 41* ()]) denzelfden dag sprak Jahwe tot Mozes:\' Beklim dit gebergte
Abarim, den berg Nebo, in liet land van Moab, tegenover Jerioho,
zie het land Kanaiin, dat ik den Israëlieten tot eene bezitting geef,\'
50 en sterf op den berg dien gij g.iat beklimmen, en word tot uw volk
vergaderd: zooals uw broeder Aiiron op den berg Hor gestorven en tot
f)l zijn volk vergaderd is:\' omdat gij in liet midden der Israëlieten u aan
mij vergrepen hebt bij bet water van Meriba bij Kades, in de woestijn
Tsin, omdat gij mij in bet midden «Ier Israëlieten niet heilig gehouden
52 hebt.\' Want gij zult bet land tegenover u zien liggen, maar het niet
binnengaan, bet land dat ik den Israëlieten geef.
18—5». Hetzelfde bericht Xiim. XXVII\' 12—14; zie Maat.
12565616
49.   den berg — Jericho. Deze plaatsbepaling komt Nuiii. XXVII: 12—14 niet voor en is door den
Verzamelaar umi het door hem overgenomen licrieht toegevoegd. De berg Xebo, ecu der toppen van het
gebergte Abnrim, wordt nlleen hier en XXXIV: 1 genoemd.
50.  lol uw en lot zijn volk vergoilerd. Zie op Oen. XV: 15.
51.   mUer mm Meriha. Zie op Bxod. XVII: 7.
HOOFDSTUK XXXIII.
De zegen vuil Mozcs. — Opschrift (1). Inleiding, vermeldende hoe Israël, Jahwc\'s volk, de wet
door Mozcs ontvangen en een koning gekregen heeft (2—5). Zegenspreuken voor: Rnbcn (0); Juda(7);
hevi (8—11); Henjamiu (12); Jozef (13—17); Zcbulon en Issachnr (18 v.); Gad (20 v.); Dan (22);
Naftali (2:1); Azer (2tv.). Verheerlijking van Jnhwc en zaligspreking van Israël, dat zulk een god
heeft (20—29).
Deze zegen, eerst later aan Mozcs in den mond gelegd, behelst eene verheerlijking van de Israclictische
stammen en is waarschijnlijk geschreven in het rijk Kfrniin tijdens de regeering van den machtigen
koning Jcrobeam 11 (zie op vs. 17). Het stnk is echter niet in ongeschonden toestand tot ons geko-
64
nien, noch in zijn oorspronkelijke» vorm licwaard. Vooreerst is de tekst hier en daar bedorven en
vaak niet meer met genoegzame waarschijnlijkheid te herstellen: vooral die van vs. 2 v. Verder dag-
teckenen de opschriften boven het geheel, vs. 1, en boven de zegensprenken voor de enkele stammen
uit veel later tijd. Kveneens zijn vs. 18—1C«, lfic, die uit Gen. XMX:25£, 2(1 zijn ovcrgciioincn,
vs. 4 v. en vs.
\\~e.f. later ingclascht. Ilovciidicn schijnt in de zegenspreuken op l.cvi en Henjamin
een en amler te zijn gewijzigd (zie op vs. 8, 11 en 12). De meeste dezer veranderingen zijn waar-
schijnlijk van de hand daagenen die het stuk iu het bock Deuleronomiiim opnam; sommige wellicht
vim jonger dagteekening.
XXXIII: 1 En dit is de zegen waarmede de godsman Mozes voor zijn dood
2 de Israëlieten heeft gezegend.\' Hij zeide:
Jahwe is van den Sinai gekomen,
en voor hen opgegaan van den tëeïr;
hij is in liebtglans verschenen van het gebergte Paran,
en gekomen van Meriba bij Kades,
een brandend vuur voor hen aan zijne rediterhand.
1.  <le godtman. Zoo heet Mozes ook Joz. XIV: (5; I\'s. X(\':l.
2 v. Ui\' lezing cu vertaling dezer verzen is voor een groot deel gissing; de tekst is bedorven.
2.   Ilcschrijving vau eene luisterrijke verschijning van Jahwe aan Israël; verg. Kicht. V : 9 v.; I\'s.
L:S; LXVIII:8v., Hab. 111:3—5, ook I\'s. LXXX:2; X(\'IV:1. Hij wordt hier voorgesteld tot zijn
volk komende om het door de woestijn te geleiden. Hij beet van de bergen te komen; want naar het
oude volksgeloof is Jnhwc een berggod; zie op 1 Kon. XX : 23. De hier genoemde liggen alle ten zuiden
van Kanaiin en bchooren tot de streek die Israël, uit Kgvptc komende, doortrok: de Sinai is bekend
43
als cene van Jahwe\'s voornaamste verblijfplaatsen; de Seir is het Kdomictisch gebergte; het gebergte
l\'aran komt slechts hier en Hab. 111:3 voor; over de woestijn van dien naam, ten zuiden van Kanaiin,
evenals over den Scïr, zie op Oen. XIV: 6; over Kades op Gen. XIV: 7. Jahwc\'s komst wordt vcr-
gclckcn met bet opgaan van de zou: hij is voor hen opgegaan. — voor hen, voor de Israëlieten. Dit
onderstelt dat de Israëlieten reeds genoemd zijn. Daar dit niet het geval is, hebbeu wij aan te nemen
dnt het begin van den „zegen" is weggelaten. — ra» Meriba bij Koilei. De bedoeling dezer woorden
is zeer onzeker; zie op vs. 8. Met eene kleine wijziging, grootendeels naar Gr. vert.. is deze eigen-
naam in den tekst hersteld. Hebr. t. uit de heilige tienduizendtallen, waaronder dan te verstaan zijn
de hcmclsche wezens die Jahwe\'s troon omringen, en die de heiligen (Job V : 1; XV : 15; Dan. VIII: 13),
de vergadering der heiligen (Ps. LXXXIX: 6, 8), of de zonen God» (zie op Gen. VI: 2; worden genoemd.
Zie verder op XXX1I:8. — een — rechterhand, onzekere lezing en vcrtnling. Ilcdocld zullen zijn de
bliksemstralen.
-ocr page 393-
473
DEUTKHONOMIUM XXXIII : \'ó—9.
3                    Ja, liefderijk heeft hij zijn volk beschermd:
al zijne heiligen waren in uwe hand,
en volgden u op den voet;
het ontving openbaringen van u.
4                    De wet heeft Mozes ons gegeven,
eene bezitting voor Jakobs vergadering.
5                    Voorts kreeg Jesjurun een koning,
toen \'s volks hoofden zich verzamelden,
Israëls stammen te gader.
o\'                      Dat Ruben leve en niet sterve;
hij toch is gering in aantal.
7           En dit over Juda; hij zeide:
Hoor, Jahwe, Jnda\'s stem
en breng hem tot zijn volk;
voer gij zelf voor hem het pleit
en wees hem tot lmlp tegen zijne tegenstanders.
8           En van Levi zeide hij:
Uwe tummim en urim behooren aan uwen gunsteling,
dien gij bij Massa op de proef hebt gesteld,
met wien gij twisttet aan Meriba\'s water;
9                    die van zijn vader en zijne moeder zegt: Ik heb hen niet gezien —
die zijne broeders niet erkent,
en van zijne zonen niet wil weten.
3. zijn volt, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de volten. — heeft — beschermd, volgens andere klinkers;
grondt, beschermende. — zijne heiligen, het nnn Jnliwe geheiligde Israëlictische volk; volgens nndcren:
de engelen; zie op vs. 2. — urne, vau Jahwe. Dr dichter gaat hier op eens van den derden in den
tweeden persoon over. — volgden — voet, naar verl). t. — het, het volk.
4 V. Deze verzen vermelden twee voorrechten die Jahwe aan zijn volk geschonken heeft: de wet en
het koningschap. In het oorspronkelijke lied echter is de wet niet vermeld geweest; want terwijl in het
voorgaande en het volgende over de Israëlieten wordt gesproken, spreken zij hier zclven (ons). Waar-
scbijnlijk vermeldde de dichter in den eerste» regel de schenking van Kanaün, dat zeer gepast eene
bezitting voor Jatobs vergadering
heette; doch de overwerker, die de wet miste, veranderde dien regel
en verstond onder De wel die van Deuleronominm.
5.  Jesjurun. Zie op \\XXII: 15.
6.   Hier volgen do zcgensprciiken op de afzonderlijke stammen, die meestal in de richting van het
zuiden naar het noorden worden opgenoemd. Alleen de stam Simcon wordt gemist, waarschijnlijk omdat
hij toen deze zegen geschreven werd niet meer bestond, maar reeds in den stam Juda was opgegaan;
zie op Gen. XI.1 X : 7. — Ruben. Deze stam hnd blijkbaar voor een groot deel zijne macht verloren en
liep gevaar ouder te gaan. Grootc beteekenis beeft hij nooit gehad; daar de Moabietcn in het Ruhc-
nictische gebied steeds de overheersehende bevolking uitmaakten; zie Gen. XL1X : 8 v. en inl. op Jcz.
XV, XVI; verg. op Gen. XXXV: 22 en rail. op Num. XVI en XXXII. — hij — aantal, naar gissing;
Hebr. t. en dat zijne wannen gering in aantal zijn. Gr. vert. heeft en hij zij groot in aantal.
7.  Deze zegen is alleen te begrijpen als gesproken van het standpunt van ecu Noord-Israëliet, voor
wien het noordelijk rijk het eigenlijke Israël en de herecniging van Juda daarmede een wederkeeren
was van Juda tot zijn volt. Ook kon hij, in een tijd waarin Juda in benarde omstandigheden ver-
keerde, licht denken dat menig Judecr reikhalzend naar herecniging uitzag cu dus daarom bad. Vnn-
daar zijne bede Hoor, Jahwe, Jnda\'s item. — voer, volg. Sam. t.; Hebr. t. heeft gevoerd. — gij zelf,
letterlijk met uwe hand, volg. verl). t.; Hebr. t. zijne handen.
8.   Uwe tummim en urim. Deze komen, in omgekeerde orde, elders voor als behoorende tot het ambts-
gewnad van den hoogepricster; zie op Exod. XXVIH:30. Hier worden zij aan den ganschen priester-
stand toegekend en dient hunne vermelding nis toespeling op zijne voorrechten; verg. vs. 10. — uwen
gunsteling,
inct eene geringe wijziging van den tekst; Hebr. t. nwen vrome, llcdoeld is Levi. Be-
halve dezen wordt alleen nog llenjnmin uitsluitend door een cerennam aangeduid (vs. 12); wellicht
hebben zij deze onderscheiding aan een overwerker te danken. — dien — water. Op welke gebeurtenis
of gebeurtenissen de schrijver hier doelt is onzeker. Wel komen de nemen Massa en Meriba ook elders
voor (zie op Exod, XVII: 7); doch terwijl daar verhaald wordt, hoo het volk Jahwe op de proef stelde
en met Jahwe of Mozes twistte, wordt hier gezinspeeld op eene beproeving van den stam Levi door
Jahwe. Mlijkcns het verband, moet dat voorval dien stam tot eer of voordeel zijn geweest, zooals ook
I\'s. IA XXI : 8 de beproeving bij het water van Meriba onder Jahwc\'s zegeningen wordt opgenoemd.
0. De zin is: die zonder aanzien des persoons oordeelt; verg. XVI:19v.-, Kxod. XXIII : S: Mal.
11:4—0. Over do rechtspraak der priesters zie XVII: 8—13; XIX: 17; XXI: 5; Ezech. XLIV:24
onz. — zij bewaren uw woord, uwe geboden, ui. door mondelinge overlevering; zie daarentegen XXXI: 9.
-ocr page 394-
DEUTKKONOMIUM XXXIII :D —17.
474
Want zij bewaren uw woord,
en over uw verbond houden zij wacht;
1U
                  zij leeren Jakob uwe verordeningen
en Israël uwe wet;
zij leggen ottergeur in uwen neus
en aloffers op uw altaar.
11
                  Zegen, Jahwe, zijn venuogen,
en heb een welgevallen aan wat zijne hand verricht.
Verpletter zijnen wederpartijders de lenden,
en zijne haters, zoodat zij niet kunnen opstaan.
lSi
          Van Benjamin zeide hij:
De lieveling van Jahwe zal onbezorgd wonen:
zijn god beschermt hem te allen tijde,
en woont tusschen zijne schouderen.
13           En van Jozef zeide hij:
Gezegend van Jahwe is zijn land
met liet kostelijkste van den hemel daarboven,
en vau den afgrond die beneden ligt,
14                    en met de kostelijkste voortbrengselen der zon,
en met de kostelijkste gewassen der manen,
15                    van den top der bergen van den voortijd,
en met het kostelijkste der overoude heuvelen,
lb\'
                  en met het kostelijkste der aarde en harer volheid.
Het welgevallen van hem die in den doornstruik woonde
kome o]) het hoofd van Jozef,
o]) den schedel van den vorst zijner broederen.
17
                  Zijn eerstgeboren stier is prachtig,
met horens als van een woudos;
daarmede stoot hij de volkeren,
Vs. 18—16. Gen. XLIX:25v.
10.  ïy — wel. Verg. .Ier. XVIII: 18; Kzcch. VII:80; XLIV:83; Mieha 111:11; Hagg. 11:11—14.
— zij leggen — altaar. Volgens Kzra\'s Wetboek is dit niet den ganschen «tam Lovi, inaiir alleen den
priesters geoorloofd; /ie inl. op N\'uiii. XVI. «lijkbaar kent deze dichter het onderscheid tusschen priesters
en Levieten nog niet. — alojers, hetzelfde nis brandoffers; zie op XIII: 10.
11.  zijne toederpartijders, die Lcvi het priesterschap betwisten. Als zoodanig komen in een jonger
verhaal Korah en zijne medestanders voor; zie inll. op Nuni. XVI on XVII. — zoodat — opstaan,
onzekere lezing en vertaling.
18. De lieveling van Jahwe. Zoo heet iienjnmin, omdat Jahwc\'s tempel op zijn grondgebied lag. Zie
op vg. 8. — wonen. Hcbr. t. lant nog volgen op of bij hem, dat volg. Sam. t. en vele oude vertt. is
weggelaten. — zijn god, diiidclijkhcidshalve ingevoegd; Hcbr. t. hij; Gr. vert. God. — en — sehou-
deren,
in zijn tempel. Tusschen zijne schouderen is eene dichterlijke uitdrukking voor binnen zijne
grenzen. — De vraag is, op welken tempel de dichter het oog heeft. Onwillekeurig deuken wij het
eerst aan dien vau Jeruzalem, en de man die den zegen in ])euleronomium opnam kan ook aan
geen anderen gedacht hebben. Maar hieruit volgt niet dat de oorspronkelijke dichter dien bedoeld
heeft. Veeleer heeft hij. de Kfraimiet, aan Bethel, het koninklijk heiligdom (Am. VII : 13), dat zeker
op Kcnjaininietisch grondgebied lag\'fJoz. XVIII: 22), gedacht. Of Jeruzalem tot Benjamin behoord
heeft, is blijkbaar bij de Joden eene strijdvraag geweest, oudtijds behoorde het daartoe zeker niet; zie
op Joz. XV: AS. Dat volgens den dichter die tempel niet Jahwe\'s eenig heiligdom was blijkt uit vs. 10.
13.   daarboven. Naar Gen. XLIX:25 gewijzigde tekst; Hebr. t. met domo. — den a/grond — ligt.
Zie op Gen. VII: 11.
14.  voortbrengselen der zon, gewassen der manen, de veld- en hoomvriichtcn, die geneht werden door
den invloed van zou en maan te rijpen.
15.  Zie op Gen. XI.IX : 20.
1G. der — volheid, eene gebruikelijke uitdrukking voor de aarde met al wat op haar groeit en
leeft. Desgelijks betcekent „de zee en hare volheid" 1 Kron. XVI: 38 en elders de zee met al wat er
in is. — die — woonde. Toespeling op Kxod. III: 2—l.
17. Zijn eerstgeboren stier, de machtigste uit den stam Jozef, zijn koning. Waarschijnlijk wordt be-
doeld Jerobcain II, over wicn zie 2 Kon. XIV: 83—87. — woudos. Zie op N\'um. XXIV: 8. — daar-
mede
— volkeren. Voor deze beeldspraak verg. 1 Kon. XXII: 11. — Dat — Manasse, die horens be-
teeketien Kfraim en Mannsse.
-ocr page 395-
475
DEUTERONOMIUM XXXIII ! 17—23.
des aardrijke einden te gader.
Dat zijn de tienduizenden van Efraim,
dat de duizenden van Manasse.
18
          En van Zebulon zeide hij:
Verheug u, Zebulon, over uwen uitgang,
en Issachar, over uwe tenten.
1\'J
                  Volkeren noodigen zij op liet gebergte;
daar offeren zij gerechte offers;
want den toevloed der zeeën zuigen zij in,
en de verhorgenste schatten van liet zand.
20
          En van Gad zeide hij:
Geloofd die aan Gad ruimte geeft!
Als eene leeuwin legt hij zich neder
en verscheurt arm en schedel.
UI
                  Hij zag voor zich naar het eerste om,
omdat daar het vorstendeel was bewaard;
met \'s volks hoofden volvoerde hij Jahwe\'s gerechtigheid
en zijne gerichten met Israël.
22
          En van Dan zeide hij:
Dan is een leeuwenwelp,
die uit Bazan te voorschijn springt.
2\'ó
          En van Naftali zeide hij:
Naftali, verzadigd van het welgevallen
en vol van den zegen van Jahwe,
nam in bezit liet meer en de warme streek.
18.   van Zebulon. Dit is onvolledig, daar de zegen ook Issachar geldt. — Den stammcu wordt toc-
gewenscht voorspoed in hun uilgang en in hunne tenten, d. i. dat zij van hun handel en verkeer, wcl-
licht ook scheepvaart, rijke winst mogen huiswaarts brengen. Riders wordt, nngenocg in deuzclfdcu
zin, uil- en ingang gebezigd; verg. XXVIII :fi, 19.
19.   Volkeren — offers. Hier schijnt sprake te zijn van eenc soort jaarmarkt, verbonden met een
groot offerfeest, waar kooplieden en kramers van heinde en verre hunne waren kwamen slijten. — op
het gebergte,
waarschijnlijk den Tabnr, die tot beider stningebicd behoorde, en waar zeker cene heilige
offcrplaats was; Richt. 1V:((, 12, 14; Hoz. V: 1. — gerechte ojfirs. De man die den zegen in Deu-
ieronomium
opnam heeft blijkbaar hierop niet gelet; daar toch volgens dit bock alleen in den tempel
van Jeruzalem ollers mochten gebracht worden. — i/en toevloed der zeeën. De dichter bedoelt de voor-
dcclcn die deze stammen van den Fenicischen zeehandel hadden. — de — zand. Misschien wordt gc-
doeld op het glas, dat zij met hunne naburen, de r\'enieicrs, uit het zand van rivieren of beken
vervaardigden. — Over het wonen dezer beide stammen aan zee zie op Gen. XLIX:13.
20.   die — geeft! d. i. Jahwe. Van eene aanzienlijke uitbreiding van Gads grondgebied is niet» bc-
kend; doch verg. 1 Kron. V: 18—22. — Als eene leeuwin. Eene dergelijke vergelijking Gen. XI.IX:9;
Nam. XXIII :24; XXIV : 9. — legt hij zich neder, om den buit dien hij vermcesterd heeft rustig te
genieten.
21.   De vertaling van dit vers is zeer onzeker. — Hij — om. Gad koos het eerst zijn deel van
Kanaan. De voorstelling van Nuin. XXXII, dat Mozes het Overjordnansche verdeeld en ook aan Gad
zijn deel heeft aangewezen, is hiermede in tegenspraak; zie ook op Gen. XXX: 10 v. — daar, in het
eerst veroverde deel des lands. De stam die het eerst vasten voet kreeg in Kanaan was als vanzelf
aangewezen om de andere aan te voeren. — met, d. i. vergezeld van, \'s volta hoofden, volg. verb. t.
— De slum Gad was om zijne dapperheid bekend; zie Gen. XXIX: 19; 1 Kron. XII: 8—15. Hij
wordt hier geroemd als de aanvoerder der stammen bij de verovering van Knnaiin. Volgens Num.
XXXII wnren wel Kuben en Gad vooropgetrokken bij de verovering, maar wordt hun dit niet als
verdienste aangerekend, duur het geschiedde ten gevolge cener overeenkomst, in hun eigen belang ge-
sloten. Zij worden dan ook door Mozes onzacht toegesproken, vs. 6—15. — Jahwe\'s gerechtigheid en
zijne gerichten.
Jahwe\'s rechtvaardig vonnis over de bewoners van Kanaan.
22.   Zie op Gen. XL1X: 16 en 17. — Bazan. Het gebied door een deel der Danictcn in den Rich-
tcrentijd veroverd, Richt. XVII, XVIII, lag in de nabijheid van liuzau. In het gebergte van Bazan
hielden zich leeuwen op; wat tot deze vergelijking aanleiding gaf.
28. nam, volgens andere klinkers; Hebr. t. neem. — hel meer, het meer Gcnnczaret, dat ten noorden
en westen door den stam Naftali werd ingesloten. — de warme streelt, letterlijk het zuiden of den
middag.
Aan de oevers van genoemd meer heerscht door zijne zeer lago ligging ecu warmer klimaat
dan in de meeste streken van Kaïuuin; zoodat er vele kostelijke vruchten rijpen die elders niet worden
geteeld.
-ocr page 396-
476                        dbutbkonomium XXXIII: 24—XXXIV : 2.
24           En van Azer zeide hij:
(Gezegend is Azer onder de zonen;
hij zij de beminde zijner broederen
en doope in olie zijn voet.
25                    IJzer en koper zij uwe sluiting,
en zoo lang als uw leven dure uwe veiligheid.
26                         Niemand is als de god van Jesjurun,
rijdende langs de hemelen u ter hulp,
langs het zwerk in zijne majesteit.
27                    Eene toevlucht is de god uit den voortijd,
eene schuilplaats is er onder de overoude armen.
Hij verdreef den vijand voor u uit
en zeide: Verdelg!
28                    Zoo kwam Israël onbezorgd te wonen,
afgezonderd Jakobs bron,
in een land van koren en most;
ook doet zijn hemel dauw druppelen.
21)
                  Heil u, Israël! wie is als gij,
een volk, gered door Jahwe,
het schild dat u hulp brengt,
het zwaard dat u majesteit verleent;
zoo zullen dan uwe vijanden u vleien,
en zult gij treden over hunne hoogten.
21. onder de zonen, een gclukskind. Zinspeling op den naam Azer; zie op Ren. XXX: 13. Volgens
Gen. XLIX: 20 levert hij koninklijke lekkernijen aun de Israëlietische stammen. — doope in olie zijn
voet.
Zijn land zij vruchtbaar en vet.
25.  IJzer — sluiting, van metaal mogen uwe grendel» zijn; verg. ] Kon. IV: 13; Jez. XI/V : 2. —.
veiligheid, onzekere vertaling. Volgen» anderen kracht.
26.   üiemand — Jesjurun, volgens andere klinkers, overeenkomstig de. oude vertt.; Hehr. t. Nie-
mand is als God, o Jesjurun.
— Jesjurun. Zie op vs. 5. — rijdende — majesteit. Zie I\'s. XVIII: 8—
12; LXVIII:34; OIV:3; Jez. XIX : 1; I-XVI: 15.
27.   eene schuilplaats is er, duidclijkhcidshalve ingevoegd. — de overoude armen, d. i. de van ouds-
hcr gebleken machtige bescherming. — Anderen hier beneden zijn de overoude armen. — verdreef den
vijand,
bij de verovering van Knnnau.
28.   Jakobs bron. AIzoo wordt Israël gcheetcn omdat het, evenals de bron hare wateren, telkens
nieuwe geslachten voortbrengt.
29.  hel schild. Zie op Gen. XV :1. — Vóór het zieaard is een woord weggelaten. — zult — hoogten.
Zie op XXXH:13.
HOOFDSTUK XXXIV.
Mozes\' dood. — Mozcs bestijgt den Nebo, en Jahwe toont hem het beloofde land (1—4); hij sterft
(ö) en wordt door Jahwe begraven (6); zijn ouderdom (7); hij wordt door Israël beweend (8), door
Jozua opgevolgd (9). Zijn» gelijke is nimmer opgestaan (10—12).
Uit stuk is grootcndcel» aan het Oudc-Sagenhoek ontleend; maar de bewerker die dat boek met
Deuleronomium verbond heeft het bericht min of meer uitgebreid en gewijzigd (zie vs. 4, 0, 11 v.).
Later werd er uit Kzra\'s Wetboek, dat alsmede een verhaal van Mozc»\' verscheiden behelsde, nog het
een en ander, vs. la, la, 8 v., ingevoegd.
XXXIV: 1 Toen klom Mozes uit de vlakte van Moab op den berg Nebo,
den top van den 1\'isga, tegenover Jericho, en Jahwe liet hem het
2 gansche land zien: Gilead tot Dan toe,\' en geheel Naftali, en het land
Efraim en Manasse, en het gansche land Juda tot aan de Westelijke
1.   Toen — Nebo, overeenkomstig Jahwe\'» bevel, XXXII: 48—52. — de vlakte van Moab. Zie op
Xum. XXII: 1. — Nebo, den top van den Pisga. Zoo wordt de Nebo aangeduid, omdat volgeus 111:27
de top van het gebergte I\'isga aan .Mozes wa» aangewezen als de plaat» waar hij sterven zou. Volgens
XXXII: 49 (verg. Num. XXVII: 12) behoorde hij tot het gebergte Abariin. — Oilead. Hiermede wordt
te dezer plaatse het geheele Ovcrjordaanschc bedoeld. — Dan. Zie op Gen. XIV : 14.
2.   Naftali — Juda. Naftali het noorden, Kfraim en Manasse het midden, Juda het zuiden van het
land ten westen vau den Jordaan. — de Wettelijke Zee, de Middcllandschc; de Doodc Zee heet soms
„de Oostelijke", Kzech. XLVII:18; Joel 11:20; Zach. XIV: 8.
-ocr page 397-
477
DEUTEHONOMIÜM XXXIV : 2—12.
3       Zee; \' voorts het Zuiden en de Jordaanstreek, de vallei van Jericho,
4       de Palmenstad, tot Soar toe.\' Nu zeide Jahwe tot hem: Dit is het
land waarvan ik aan Abraham, Izaak en Jakoh onder eede beloofd heb:
Aan uw nakroost zal ik het geven — ik heb het u met eigen oogen
5       laten zien, maar gij zult derwaarts niet overtrekken.\' En Aiozes, Jahwe\'s
dienstknecht, stierf aldaar in het land van Moah, naar Jahwe\'s bevel;\'
0 en hij begroef\' hem in het dal in het land van Moab tegenover Beth-
7       Peor, en niemand heeft tot den huidigen dag zijn graf geweten.\' Mozes
nu was honderd twintig jaar oud toen hij stierf; zijn oog was niet
8       verduisterd, zijne frischheid niet geweken.\' De Israëlieten beweenden
Mozes in de vlakte van Moab dertig dagen: toen waren de dagen der
rouwklacht over Mozes ten einde.
i)          Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van den geest der wijsheid;
want Mozes had hem de handen opgelegd; en de Israëlieten luisterden
naar hem en deden zooals Jahwe Mozes bevolen had.
10           Er is nooit meer in Israël een profeet opgestaan als Mozes, dien
11       Jahwe van aangezicht tot aangezicht heeft gekend;\' blijkens al de tee-
kenen en wonderen die Jahwe hem heeft opgedragen in Egypteland te
12       doen aan Farao, al zijne dienaren en zijn gansche land,\' en blijkens
al het machtsbetoon en al de groote vreeselijke werken die Mozes voor
de oogen van gansch Israël heeft gedaan.
3.  het Zuii/en. Zie op Joz. XV: 21. — de Jordaanstreek. Zie op Gen. XIII: 10. — de Palmenstad,
bijnaam van Jericho om de talrijke palmen in den naasten omtrek, Richt. 1:10; 111:13; 2 Kron.
XXVI1I:15; verg. op Joz. VI: 26. — Soar. Zie op Gen. XIX: 22.
4.  Zie op Gen. XII: 7.
0. hij, Jahwe. Deze mcdedceling, dat Jahwe .Mozes heeft begraven op eene onbekende plaats, heeft
aanleiding gegeven tot verschillende legenden over hetgeen met zijn lichaam zou geschied zijn; zie
Judas vs. i). — het dal — Belh-Peor. Zie op 111:29. — niemand — geweien. Hij kon dus niet, als
andere groote mannen uit de oudheid, op zijn graf verheerlijkt worden.
7.  sijn oog — geweken. Kcne andere beschouwing XXXI: 2.
8.  dertig dagen. Zoolang duurde volgens Num. XX: 2!) ook de rouwtijd over Aiiron. De gewone
rouwtijd was zeven dagen, Gen. L:10; 1 Sam. XXXI: 13; Sir. XXII: 10.
9.   Zie Num. XXVII:18; daar heeft Jozua den geest reeds voor de handoplegging door Mozes;
hier is het bezit van den geest het uitvloeisel er van. Over de handoplegging zio op Num. VIII: 10
en verg. 1 Tim. IV: 11; 2 Tim. 1:10.
10.   Er — iloies. Verg. op XVIII: 15, waar echter de overeenkomst tusschen Mozes en de gewone
profeten van den tijd des schrijvers op den voorgrond treedt. — dien — gekend, inct wicn Jahwe
persoonlijken omgang heeft gehouden; zie Kxod. XXXIII: 11; Num. XII: 8.
JOZUA.
INLEIDING.
Het bock Jozua verhaalt de geschiedenis van Israël van het oogenblik af dat Jozua als opvolger
van Mozes do leiding des volks op zich neemt tot aan zijn dood. Het laat zich splitsen in twee
dcelen, waarvan het eerste (I—XII) de verovering, het tweede (XIII—XXIV) de vcrdecling van
Kannün en Jozun\'s lantstc beschikkingen vermeldt. Het eerste behelst, na cene inleiding (I), verhalen
over het verspieden vaa Jericho (II), den overtocht over den Jordaan (III, IV), de besnijdenis van
het volk en do viering van het panschfecst te Gilgal (V: 1—12), de inneming van Jericho (V:13—
VI: 27) en van Ai (VII: 1—VIII: 29), do volksvorgndcring bij den Ebal en den Gerizim (VIII: 80—
35), het verdrag met de Gibeonictcn (IX), de overwinningen op de koningen van Zuid- (X) en van
Noord-Kannün (XI), eindelijk cene opgave van al de overwonnen koningen (XII). Het tweede deel begint
met eene herinnering aan de beschikkingen van Mozes omtrent het Ovcrjordannschc (XIII) en behelst
-ocr page 398-
478                                                    INLBIDINO OP JOZUA.
verder mededeel ingcii over de lundvcrdccling: liet erfdeel vnn Knleb (XIV); het gebied vim Juiln (XV),
vau Jozef (XVI, XVII) en van de zeven overige stammen (XVIII, XIX); de vrijplaatsen (XX); de
priester- en de Levietenstcdcn (XXI); vermeldt dan het ontsla;; der Overjordnansche krijgers en de
onderhandeling over een door hen gebouwd altaar (XXII), Jozua\'s afscheidsrede (XXIII), de boud-
sluiting te Siehem en .lozun\'s dood en begrafenis (XXIV).
Dit boek, ofschoon reeds bij de verzameling van De vijf boeken der Wet van deze afgezonderd (zie
inl. daarop), dientengevolge door de schriftgeleerden tot den tweeden bundel van de Schrift, de Pro-
feten, gerekend (zie de Alg. Inl.) en bij de Samaritanen niet als Heilige Schrift erkend, hangt ten
nllernnuwste met de vorige boeken samen; daar het grootcndecls uit stukken licstnnt van dezelfde
geschriften die bij de samenstelling van de boeken der Wet gebruikt zijn.
De geschriften door den Verzamelaar — waarschijnlijk een ander dan die van de Wet — bij de
vervaardiging van dit boek gebruikt, zijn dus: het Oude-Sagenboek, iu den geest van DatteroHoaimm
omgewerkt, en E/n\'\' Wetboek. Aan het eerste zijn, vooral in I—XII, eenige verhaleu ontleend,
waarvan het echter niet gelukt, zooals bij die iu de Wet, met eenige zekerheid aan te wijzen, wat
tot de Jahwistisehe en wat tot de Klohistischc bestnnddecleu vau genoemd werk heeft behoord (doch
zie inl. op II. XXIV). De oorzaak hiervan is dat zij veel minder dan die welke in de boeken der
Wet werden opgenomen in hun oorspronkelijke!) vorm bewaard zijn. De Deutcronomischc bewerker
nl. heeft in ons bock niet slechts enkele verzen ingeschoven, maar ook hier en daar gansche stukken
van zijne eigene hand aan de oudere berichten toegevoegd (zie inll. op I; VIII*. 30—35; XII; XIII;
XIV; XXUI), de oude verhalen verminkt of er slechts fragmenten van bewaard (zie inl. op XVI,
XVII), on somtijds in de daar gegeven voorstelling ingrijpende veranderingen aangebracht (zie inll. op
X; XI; XV—XIX). Aan de tweede hoofdbron, Kzru\'g Wetboek, is insgelijks een groot gedeelte vnn het
werk, vooral in XIII—XXIV, ontleend. Wel kunnen, behalve een paar gehccle hoofdstukken (XX;
XXI), in de verhalen slechts ecu klein nantnl verzen met zekerheid worden aangewezen als uit deze
bron geput; doch hoogstwaarschijnlijk is een zeer groot gedeelte van de grcnsbcpaliiigen en stcdeulijs-
ten in XV—XIX mede uit dit geschrift overgenomen.
Bij de samensmelting van deze, in bijzonderheden soms zeer van elkander afwijkende, geschriften
heeft de Verzamelaar zich groote vrijheid veroorloofd, omgezet, veranderd en bijgevoegd, zoonis hem
dienstig scheen (zie o. n. inl. op II. XIV). Ook daarna is het boek niet onveranderd gebleven:
latere overschrijvers hebben nog telkens wijzigingen aangebracht, öf een bericht ingclascht (XXII:
i)—84), öf verhalen overgewerkt (zie inll. op V : 1—12; V:13—VI: 27), öf enkele verzen van elders
ingevoegd (XV : 13—lil, 63; XVI: 10; XVII : 12 v.; XIX: il). Uit deze latere inlasschingen en over-
werkingen blijkt dat men zich tegenover den tekst van ons bock zeer lang, veel langer dan tegenover
dien van de Wet, vrij bleef gevoelen; trouwens, dat leert ons ook de Oriekschc vertaling, die zeer
sterk van den Ilcbrceuwschen tekst afwijkt, en die, terwijl zij ons dikwijls helpt bij de herstelling
vnn het oorspronkelijke, tevens bewijst, dat men gcriiimcn tijd na de samenstelling vnn het bock nog
niet schroomde allerlei iu den tekst in te voegen en te veranderen.
Het geschrift is hoogst bclnngrijk voor de kennis vnn het land Kannün: het bevat talrijke grens-
bcpalingeu cu een zeer groot aantal namen vnn plaatsen en streken. Het is echter zeer te betreuren,
dat de eerste, door de herhaalde omwerking, deels verminkt, deels zeer onduidelijk zijn geworden, en
de laatste, ook in de Gr. vert., met zoovele fouten zijn overgeleverd dat het dikwijls ondoenlijk is de
juiste lezing er van vast te stellen. Ook wanneer ons dit gelukt, blijft het nog dikwerf zeer moeilijk,
of zelfs geheel onmogelijk, de ligging vau die plaatsen te bepalen. Met behulp vau eene naamlijst uit
de 4de eeuw na (\'hl\', en andere oude getuigenissen zijn sommige teruggevonden; andere dragen nog
heden nagenoeg dezelfde namen waarmede zij in Jo:ua worden aangeduid, en zijn dus, vooral na de
nauwkeurige onderzoekingen iu Palestina gedurende de laatste jaren, met voldoende zekerheid aan te
wijzen. Doch vele namen vinden wij evenmin bij die oude getuigen als iu het hcdcndaagschc Palestina
terug, cu van de daardoor aangeduide plaatsen blijft dus de ligging onzeker.
De voorstelling welke in ons bock van de verovering en vcrdceling van Kanaitn wordt gegeven il
deze: nadat ganseh Israël, ouder aanvoering van Jozun, over den Jordann het land is binnengedrongen,
-ocr page 399-
479
INLEIDING OP JOZUA.
wordt de oude bevolking over de kling gejaagd, het geheele land in 5 of 6 jaren (XIV: 10) veroverd
en daarna door het lot onder de stammen verdeeld. Deze voorstelling hebben de Dcuterononiischc bc-
werker, de schrijver van K/ra\'s Wetboek en de Verzamelaar, hoe zij ook onderling in bijzonderheden
mogen verschillen, met elkander geineen. Wel gluurt door de naden en voegen van enkele overgewerkte
cu samengestelde berichten hier en dnar cene undcre voorstelling henen ; maar deze is, of door over-
werking bijna onkenbaar gemaakt, öf door verbinding met berichten van anderen inhoud zoo op den
achtergrond gedrongen dat zij bij de vraag naar de voorstelling die het bock Jozua van de verovering
des lands geeft niet in aanmerking kun komen.
Deze voorstelling uu, dut ganseh Kanaiin in enkele jaren door geheel Israël veroverd en bij loting
onder de stammen verdeeld werd, is door en door onhistorisch. Allereerst is cene vcrdccling door het
lot, niet alleen in zieh zelve zoo onwaarschijnlijk mogelijk, maar ook in strijd met andere berichten,
volgens welke iedere stam zich vestigde wnnr hij zieh een eigen gebied veroveren kon (Richt. 1:1—11:5).
In ons bock zelf komen stukken voor van ecu ouder geschiedverhaal, waarin althans Judn en Jozef,
niet door het lot, muur volgens beschikking van Jozua of bij onderling goedvinden, hun grondgebied
verkrijgen (zie inll. op XV—XIX; XVI, XVII; XVIII, XIX). In werkelijkheid is er van verdeden,
hetzij door het lot, hetzij door Jozua of bij onderlinge schikking, geen sprake geweest; de omstandig-
hcdeu, zooals de gesteldheid van het terrein, de kracht der bevolking, het talent der Isruëlietisehe
aanvoerders, speelden bij de verovering van ieders woonplaats de hoofdrollen: de machtigste stammen
hebben nntuurlijk het beste en het grootste gebied ingenomen, terwijl de zwakkere door de brocder-
stnmmcu werden voortgedrongen of zich tevreden moesten stellen met wat hun werd overgelaten.
Maur ook de overlevering dat het gansehe land, zij liet ook met uitzondering van de XIII: 2—0
genoemde streken, veroverd en de geheele oude bevolking uitgeroeid zon zijn, is onjuist. Zij wordt
reeds weersproken in ons bock zelf, eensdeels door enkele oudere berichten, waar wij wel lezen van
een paar grootc overwinningen op de Kanaiinicten behaald, inaur van cene geheele verdelging der
oude bevolking geen sprake is (zie inll. op X; XI), integendeel met sommige Knnnanictischc stammen
ecu verdrag wordt gesloten (11. IX); anderdeels door enkele verzen, uit Richt. 1:1—II: 5 later
ingclascht (XV: 63; XVI: 10; XVII: 11—13; XIX : 47), waar de steden cu streken worden opgenoemd
die de Israëlieten niet hadden kannen veroveren. Maar vooral is zij in strijd met al wat wij van elders
weten omtrent den eersten tijd van Isracls verblijf in Kanaiin en omtrent den grootcn invloed dien de
Kanaiinicten op de zeden en den godsdienst der Israëlieten hebben geoefend, een invloed die alleen uit
een langdurig samenwonen van beiden kan worden verklaard. In waarheid kan men stellen dat het
latere volk Israël is ontstaan uit de samensmelting van de oude met de nieuwe bevolking, wier naam,
Israël, het slechts in zoover te recht draagt als uit haar de toongevers cu heerschers, ook op geestelijk
gebied, zijn voortgekomen.
Naar hetgeen wij uit do verminkte berichten met waarschijnlijkheid opmaken, hebben eerst ecnige
Isruëlietisehe stammen, vooral de stam Jozef, een deel van het gebergte van Efraim en van het latere
Galilea, met ecnige plaatsen aan de hellingen vnn den Libanon en den Antilibanos, veroverd, terwijl
zij slechts op ecu paar punten tot de Middellandschc Zit doordrongen en zich aan de kust hand*
hnufdcu. Werden in sommige streken, waar de vreemde indringers beslist de overhand hadden, de
oude bewoners gedood of tot slaven gemaakt, elders gingen de Israëlieten een verdrag met hen aan,
of waren zij zelfs genoodzaakt zich aan hen te onderwerpen. Dit laatste was vooral het geval in de
vlakke streken, waar zij togen de kanaünicton, die ijzeren si rijd wagens en puurden hadden, niet opge-
wussen waren; met name bleef de geheele strook van de zee bij Dor tot aan den Jordaan bij Beth-sjcan,
de vlakte van Jizrcël ingesloten, iu handen van do Kanatinictcn, dio er de Israëlieten uithielden of
hen aan zich onderwierpen. Ju, zoo weinig historisch is de voorstelling van ecue geheele uitroeiing
der Kanaanietcn door cu tijdens Jozua, dat nog ongeveer eene halve eeuw later de Israëlieten onder
Debora en Barak niet dnn na harden strijd het juk der Kanaiinicten kouden afschudden (zie Richt.
IV, V); eerst onder Salomo kan men zoggen dat do Kanaiinicten beslist en geheel voor Israël hebben
moeten buigen; zie op 1 Kon. IX 15 en 20 v.
Eindelijk is ook do voorstelling, dio in de oudere cu jongere bcstanddcelen van ons boek zonder
-ocr page 400-
480
jozua 1: 1 — 7.
onderscheid wordt aangetroffen, dat al de Israclietischc stammen te gelijk bet land zijn biniiciigctrok-
ken, in strijd met de geschiedenis. Niet ineens, maar de een vroeger, de ander later, zijn zij, sommige
van het oosten, andere van het zuiden, in Kanaün gedrongen. Immers, tijdens den vrijheidskrijg
ouder Deboru was het zuiden van Kanaün nog geheel in de luncht der oude bevolking; Judu en
Simeoii hadden zich daar nog niet gevestigd en woonden nog bij Kades in de woestijn Purnn; eerst
later zijn zij, verhouden met eeltige Midianietischc en Kdomietischc stammen, Kenieten, Kcuizzieteii en
Jernhiiieëlieten, in het zuiden van het land binnengedrongen (zie iul. op Richt. IV, V); vandaar dat
2 Sain. XIX: 48 Israël ouder dan Juda heet. Kerst ouder Saul zijn de noordelijke en de zuidelijke
stammen — al hadden zij reeds long te voren elkander als broeders erkend en zich een gevoeld in
onderscheiding van de Kanaüuieteii — werkelijk een volk geworden.
Is dus wat ons boek vau de verovering en verdeeliug des lands verhaalt mccrcudcels geen gcsrhie-
deuis cu draagt het betrekkelijk weinig bij tot onze keunis van Israëls verleden, het heeft uit een
ander oogpunt grootc waarde. Immers getuigt het van het geloof der schrijvers, dat het bezit van
Kanaün geen vrucht vau toeval, van de verdienste des volks of van de omstaudigheden was, maar
cenc gave van Israëls god. Hadden de vaderen nooit het ganschc beloofde land bezeten, dit hadden
zij zich zei ven te wijten gehad; want het was het gevolg van hun gebrek aan geloof en van hunne
ongehoorzaamheid. Ku bevond Israël zich voor het tegenwoordige in diepe vernedering, geen nood!
Indien het slechts aau Jahwe getrouw was, zou in de toekomst zijn gebied uitgebreid, macht eu heer-
schappij zijn deel worden.
HOOFDSTUK I.
Tocbcreidselen tut de verovering. — Jahwe wekt Jozua op, aau het hoofd van het volk den Jor-
daan over en Kauuün binnen te trekkeu (1—C), en vermaant hem tot trouw aan Muzes\' wet (7—il).
Jozua beveelt het volk zich gereed te maken voor den overtocht (10 v.), eu herinnert de Overjor-
daausehe stammen aau hunne verplichting (12—15), die zij beloven te zullen nakomen (lil—IK).
Dit hoofdstuk is van den Dcutcronomischcn bewerker en dient om het verhaal vau de verovering
vnn Kannüu aan het daaromtrent in Dfuteronomium verordende vast te knoopeu; zie op vs. 1—9 en
12—15. Knkeli\' verzen, 1 v., 10 v., ziju, wat den inhoud betreft, door hem aan het Oude-Sagenboek
ontleend.
I: J.           Na den dood van Muzes, Jahwe\'» dienstknecht, zeide Jahwe tot Jozua,
2       den zoon van Nun, den dienaar van Mozes:\' Mijn knecht Mozes is
gestorven; maak u dus op, trek niet dit gansche volk dezen Jurdaan
3       over naar liet land dat ik hun geef.\' Elke plek die uwe voetzool zal
4       betraden geef ik u, zooals ik tot Mozes gesproken heb:\' van de woestijn
en dezen Libanon en de groote rivier, den Eufraat, tot de Groote Zee
5       in het westen zal uw grondgebied zijn.\' Niemand zal, zoolang gij leeft,
voor u standhouden; zooals ik met Mozes geweest ben, zal ik met n
6       zijn; ik zal u begeven noch verlaten.\' Wees sterk en kloek; want gij
zult dit volk in het bezit stellen van het land dat ik hunnen vaderen
7       onder eede beloofd heb hun te zullen geven.\' Alleen, wees zeer sterk
en kloek in het nauwgezet betrachten van de gansche wet die mijn
dienstknecht Mozes u heeft voorgeschreven; wijk er ter rechter* nocb
V». 54, 6. Deut. XXXI: 7 v. — Vs. 7. Dcut. V:32.
1—9. Jozua wordt door Jahwe tot Mozes\' opvolger aangesteld, overeenkomstig de vroeger hem
door Mozes gedane belofte, Dcut. 1:38; 111:28; XXXI:7T.
2. hun, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. laat nog volgen de» Itraïtieten.
3—5a. De woorden die hier worden aangehaald als door Jahwe tot Mozes gesproken komen Deut.
XI: 24 v. voor als eeue belofte van Mozes aan het volk.
3 v. uwe, ii, uw. In het Hcbreeuwsch wordt, wat uit de vertaling niet blijkt, de 2de persoon meer-
vond gebruikt; zoodat hier niet, als in vs. 2, 5—9, Jozua, maar, evenals Deut. XI: 24 v., het volk
wordt toegesproken.
4. (van) de groote, volg. Deut. XI: 24; Hcbr. t. tot d? groote. — Xa Eufraat laat Hcbr. t. nog
volgen het garnche land der Uitlieten; wat volg. Gr. vert. is weggelaten.
7. de gantcke met — voorgeichreien, die van Oeuteronomium.
-ocr page 401-
JOZUA 1:7—11:1.                                           481
ter linkerzijde van af\'; opdat gij op eiken weg dien gij bewandelt
8 voorspoedig nioogt zijn.\' Dit wetboek zal uit uwen mond niet wijken,
maar gij zult het overpeinzen dag en nacht; opdat gij al wat er in
geschreven staat nauwgezet betracht; want dan zult gij geluk hebben
!) op uwen weg en dan voorspoedig zijn.\' Ik heb u immers geboden:
Wees sterk en kloek, sidder niet en wees niet versaagd: want Jahwe,
uw god, is met u op eiken weg dien gij bewandelt.
10,11 Toen gal\' Jozua aan de ambtlieden des volks dit bevel:\' Gaat het
kamp door en gelast het volk: Bereidt u teerkost; want na nog drie
dagen trekt gij dezen Jordaan over, om het land in bezit te gaan
nemen dat Jahwe, uw god, u in bezit geeft.
12           Voorts heeft Jozua tot de Uubenieten, de Gadieten en den halven
13       stam Manasse dit gezegd:\' Gedenkt wat Aiozes, Jahwe\'s dienstknecht,
u geboden heeft, toen hij zeide: Jahwe, uw god, wil u vaste woon-
14       plaatsen geven en dit land schenken,\' Dat uwe vrouwen en kinderen
en uw vee in het land dat Mozes u gegeven heeft, het Overjordaansche,
achterblijven; maar trekt gij, zoovelen gij strijdbare helden zijt, wel
15       toegerust vóór uwe broederen uit en helpt hen;\' totdat Jahwe aan
uwe broederen, evenals aan u, vaste woonplaatsen geeft, en ook zij het
land in bezit nemen dat Jahwe, uw god, hun schenkt. Dan zult gij
terugkeeren naar uw eigen land en het in bezit nemen, het land dat
Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, u gegeven heeft aan de overzijde van den
10 Jordaan.\' Zij nu gaven Jozua ten antwoord: Al wat gij ons geboden hebt
zullen wij doen, en overal waarhenen gij ons zult zenden zullen wij
17       gaan;\' evenals wij naar Mozes hebben geluisterd zullen wij luisteren
naar u. Moge slechts Jahwe, uw god, met u zijn, zooals hij met Mozes
18       is geweest!\' Ieder die tegen u weerspannig is en niet luistert naar
uwe woorden, in al wat gij ons gebieden zult, zal ter dood worden
gebracht. Wees maar sterk en kloek!
8. Dit — wijken, zal steeds liet onderwerp uwer gesprekken zijlij verft. Dcut. V[:7; XI: 10. —
gij zult — nacht. Een dergelijk voorschrift wordt Dcut. XVII: 18—20 umi den koning gegeven; zie
nok Ps. 1:2.
10 v. De uitvoering van dit gebod wordt 111:2 verhaald.
10. ambtlieden. Zie op Exod. V:0.
12—15. Zio Deut. 111:18—20 en inl. op ücut. 111:12—29.
15. dan — terugkeeren. Volg. IV:12v, handelen zij naar Jozua\'s lievel; XXII: 1—fl worden zij
door Jozua eervol ontslagen, nadat zij hunne vcrpliehtingcn getrouw zijn nagekomen.
HOOFDSTUK II.
De verspieders te Jerieho. — Jozua zendt verspieders naar Jericho, die hun intrek ncincii bij
llabiil) (1); deze brengt den koning, die hunne uitlevering cischt, op een dwaalspoor (2—6), terwijl
zij hen verborgen heeft (6). Als de koning hen buiten de stad laat opsporen (7), gaat Kahab tot beu
(8), spreekt hare overtuiging uit dat Jahwe het land aan Israël heeft gegeven (0—11), en smeekt om
lijfsbehoud voor zich en de haren (12 v.)j hetwelk haar beloofd wordt (11). Zij stelt ben daarop in
stunt te vluchten (15 v.), nadat zij haar gezegd hebben, wat zij bij de verovering moet doen om gered
te worden (17—20); zij belooft er om te denken en laat hen uit (21). Na zich cenigen tijd in het
gobergte schuil te hebben gehouden, komen de verspieders tot Jozua en geven hein verslag (22—21).
Dit verhaal is grootendecls aan het Oude-Sagcnbock ontleend. De schrijver wil cene der redenen
aangeven waarom een deel der Knnaaiiietcn in het midden der Israëlieten waren gevestigd gebleven :
zij hadden voor bij de verovering bewezen diensten belofte van lijfsbehoud gekregen; verg. VI: 22—
25; IX en op Exod. XXIII: 20. De Deuteronomische bewerker heeft het verhaal niet onaangetast gc-
latcn; geheel of gedeeltelijk is van zijne hand vs. 0—11; verg. ook op vs. 1.
II: 1         Jozua nu, de zoon van Nun, zond uit Sjittim heimelijk twee mannen
als verspieders uit, met dezen last: Gaat heen en neemt het land en
1. Sjittim. Zie op Num. XXV: 1. — hel land en Jericho. Vreemde uitdrukking. Waarschijnlijk
vermeldde het oorspronkelijke verhaal alleen Jericho, en voegde de Deuteronomische bewerker daar-
O. T. I.                                                                                                                          81
-ocr page 402-
482                                             jozua II: 1—17.
Jericlio op. Als zij heengegaan en te Jericho gekomen waren, namen
2 zij hun intrek bij eene hoer, Haliali geheeten, en sliepen «laar.\' Toen
nu den koning van Jericho werd medegedeeld: Zie, er zijn Israëlietische
JJ mannen bier gekomen om liet land te onderzoeken — \' liet deze aan
IJahab zeggen: Ijever de mannen uit die van nacht bun intrek bij u
hebben genomen: want zij zijn gekomen om het gansche land te oniler-
4 zoeken.\' Maar de vrouw nam die beide mannen, verstak hen en zeide:
Wel zeker, die mannen zijn tot mij gekomen, zonderdat ik wist waar
f» zij vandaan waren:\' maar tegen bet poortsluiten in den donker zijn
die mannen vertrokken; ik weet niet, waarheen zij zich begeven heb-
ben. Zet hen ijlings achterna; want gij kunt hen nog wel inhalen.\'
6       Zij nu had hen op het dak doen klimmen en onder de vlasstengels
verborgen die zij opgestapeld op het dak had liggen.
7           Die mannen nu zetten hen achterna in de richting van den Jordaan,
aanhoudende op de veren, en men sloot de poort zoodra hunne ver-
8       volgers vertrokken waren.\' Nog voordat de mannen zich ter ruste ge-
ü legd hadden kwam de vrouw bij hen op het dak\' en zeide tot hen:
Ik weet dat .Jahwe u het land heeft gegeven; want de schrik voor u
is op ons gevallen, en alle inwoners des lands zijn voor u met ver-
10       bijstering geslagen.\' Wij hebben toch gehoord, hoe Jahwe de wateren
der Schelfzee vóór u heeft doen opdrogen, toen gij uit Kgypte toogt,
en wat gij gedaan hebt aan de twee koningen der Amorieten, in bet
Overjordaansche, Sihon en ()g, die gij met den banvloek hebt geslagen.\'
11       Toen wij dat hoorden, is ons hart versmolten en niemand zich zelven
meester gebleven uit angst voor u: want Jahwe, uw god, hij is God
12       in den hemel daarboven en op de aarde hierbeneden.\' Zweert mij dan
bij Jahwe, dat, gelijk ik u gunst bewezen heb, ook gij aan mijne
familie gunst zult bewijzen, en geeft mij een onbedriegelijk teeken\'
iy dat gij mijn vader en mijne moeder, mijne broeders en zusters en al
14       de bunnen in het leven laten en ons van den dood redden zult.\' Toen
zeiden de mannen tot haar: Wij staan met ons leven voor u in. Indien
gij deze onze zaak niet aanbrengt, zullen wij, als Jahwe ons het land
geeft, u gunst en trouw bewijzen.
15           Daarop liet zij hen door het venster langs een touw naar beneden;
want haar huis lag in den muurmantel, zoodat zij in den muur woonde;\'
1(5 en zij zeide tot hen: Gaat naar het gebergte; opdat de vervolgers u
niet aantreffen, en houdt u daar drie dagen schuil, totdat de vervolgers
17 zijn teruggekeerd. Daarna kunt gij uws weegs gaan.\' Toen zeiden de
V«. 114. Dcut. IV: 39.
iiiin toe de veripleding van hut gansche land. Wel komen zij ook volgens dezen niet verder dun tot
Jericho, ninnr nllrcn omdat zij daar reeds vernemen dut geheel Kauaiui ter heschikking van Israël
is; zie vs. 9—11, 24. Kcnc dergelijke inlassehing als hier vinden wij XXIV: 18. — Jericho. Zie
Num. XXII: 1 en op VI: 20. — te Jericho, ingevoegd volg. Gr. vert. — Rahab wordt llehr. XI: 31
om haar geloof, Jac. II: 25 om hare werken geprezen en heet Mntth. 1: 5 de moeder van lloaz.
2.   sijn. Hebr. t. laat nog volgen tan nacht, dat met de Gr. vert. hier weggelaten en vs. 3 ingc-
voegd is.
3.  uit, volg. Gr. vert. j Hebr. t. laat nog volgen die tot u gekomen zijn.
0. hel dak. Zie op Dcnt. XXII! 8.
7. Die mannen, die do koning, volgens Kahnbs raad (vs. 5), ter vervolging had uitgezonden. IV
uitzending zelve is niet verhaald. — men tloot de poort. Hierop laat de Hebr. t. volgen achter, wat
met Gr. vert. is weggelaten.
9.  Verg. Deut. 11:25; XI: 25. — icant, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en dat.
10.  Zie Eiod. XIV: 15—29; Num. XXI: 31—35; verg. IX: 9*, 10.
13. Aldus is geschied VI: 23, 25.
10—21a. Dit gesprek behoorde voor vs. 15 vermeld te zijn; naar de bedoeling des schrijvers toch
moet het hebben plaats gehad toen Itahab gereed stond de verspieders uit te laten.
10. het gebergte, teil westen van Jericho.
-ocr page 403-
JOZUA II: 17—24.
483
18       mannen tot haar:\' Zie, als wij in het land komen, moet gij dit koord
van scharlakendraad aan het venster binden waardoor gij ons naar
beneden laat; voorts uw vader, uwe moeder, uwe broeders en uwe
19       gansr:he familie hij u in huis verzamelen.\' Indien iemand de deur van
uw huis uitgaat, komt zijn bloed op zijn eigen hoofd en zijn wij niet
aansprakelijk; dodi ieder die bij u in huis is, zijn bloed komt, wanneer
20       eene hand aan hem geslagen wordt, op ons hoofd.\' Indien gij editer
deze onze zaak aanbrengt, zijn wij van den eed dien gij ons hebt doen
21       zweren ontslagen.\' Met de woorden: Het zij zooals gij gesproken hebt —
liet zij hen gaan.
22           Zij nu gingen heen, kwamen in het gebergte en bleven daar drie
dagen, totdat de vervolgers waren teruggekeerd; dezen hadden langs
23       den gansehen weg gezocht, maar hen niet gevonden.\' Toen daalden
de heide mannen weder het gebergte af, staken over en kwamen bij
Jozua, den zoon van Nun, wien zij al hun wedervaren verhaalden\'
24       en zeiden: Jahwe heeft het gansche land in onze hand gegeven; zelfs
zijn alle inwoners des lands voor ons met verbijstering geslagen.
17.  haar. Hcbr. t. laat volgen ongeveer Wij zijn ontslagen van dezen eed aan u dien gij ons hebt
doen ztceren;
de laatste woorden ontbreken in Gr. vert. De gehccle zin is weggelaten nis ongepast en
waarschijnlijk uit vs. 20 bij vergissing overgenomen.
18.  dit koord, dat zij aan liahab ter hand stelden.
19.  komt — hoofd, is het zijne eigene schuld als hij gedood wordt; zie op Lev. XX : 9.
21.  liet zij hen gaan, op de vs. 15 vermelde wijze; daar was reeds gemeld dat Rahab hen had
uitgelaten. Hebr. t. laat hierop nog volgen Zij tin gingen heen, en de vrouw bond het scharlakenkoord
aan liet venster.
Deze woorden ontbreken in Gr. vert. en zijn in strijd met vs. 18, volgens hetwelk,
natuurlijk, eerst bij de nadering der Israëlieten het koord aan het venster moest worden gebonden.
22.   drie dagen. De overtocht over den Jordaan kan dus niet op den 1:11 bepaalden tijd hebben
plaats gehad.
HOOFDSTUK III, IV.
De overtocht over den Jordaan. — Jozua trekt met de Israëlieten naar den .Tordaau (III: 1). De
:iinbilieden wekken het volk op, de ark op een afstand te volgen (2—4). Jozua geeft, op Jahwc\'s
last, inlichtingen en bevelen aan het volk en de priesters met betrekking tot den overtocht (5—13);
het volk, door de ark voorafgegaan, trekt droogvocts den Jordaan door (14—17). De Israëlieten ont-
vnngen het gebod, twaalf stecnen uit den Jordaan mede te nemen en aan de overzijde tot een gedenk*
teekcu op te richten (IV: 1—7), welk bevel uitgevoerd wordt (8). Terwijl de priesters met de ark
luidden in den Jordaan hebben post gevat, trekt het volk over, eindelijk de ark (\'J—11); de Ovcrjor-
daanschc stammen trekken vóór de Israëlieten uil (12—14). Daarna komen de priesters met de ark
(15—19). Te Gilgal worden de stecnen tot een gedcnktcckcn van den overtocht opgestapeld (20—24).
Dit verhaal is in menig opzicht verward en onduidelijk, ten gevolge van de samenvoeging van zeer
verschillende hestanddcelcn. Het hoofdbestanddeel is uit het Oudc-Sagcnbock; de Deuteronomische hc-
werker echter heeft hierin niet slechts enkele verzen, 111:3 ten dcclc, 74; IV : 14, 21—24, ingc-
lascht, maar ook allerlei kleine wijzigingen aangebracht; zie 0.8, op 111:11; terwijl ook uit Ezra\'s
Wetboek een en ander, IV :10a, misschien ook IV: 13, is overgenomen.
Wat na aftrek dozer verzen overblijft is nog niet een geheel. Immers laten zich daarin gemakkelijk
twee berichten onderscheiden, die echter zoo samengesmolten zijn (zie vooral IV: 11), dat het hoogst
moeilijk is ze in bijzonderheden ann te wijzen; te meer, daar de overwerkers hior en daar de uit-
drukkingcu gelijkgemaakt en do tegenstrijdigheden uitgewischt hebben. Het cenc, waartoe 111:1, 5,
10 v., 13 v., 15 v. ten deelo; IV: 1, 3 ten dcclc, 8, 114, 20 behoord moet hebben, is het vervolg
van II. II en houdt in dat het volk, door de nrk voorafgegaan, de rivier overtrekt, en daarna uit
hare bedding stecnen haalt, die straks aan de overzijde, te Gilgal, worden opgestapeld. Het andere,
111:2—4 ten deele, 6, la, 8 v., 12, 15 v. ten dooie, 17; IV: 4—7, 9 v„ 11a, 15—18, zich aanslui-
tende bij 1:18 v., maar evenals deze verzen Dcutcronomisch gekleurd, vermeldt, dat de priesters met
do ark, na eerst op eon grooton afstand voor hot volk uit te zijn uitgetrokken, zich plaatsen midden in
de bedding van den Jordaan; dot daar het volk hen voorbijtrekt en daar ook, midden in den stroom,
een steenhoop ter herinnering aan den overtocht opgericht wordt.
De strekking van bcido verhalen is, Israël te wijzen op de machtige hulp vnn Jahwe, die hen
don Jordaan droogvoets had laten doortrekken, cvonals vroeger de Schclfzee. Het eerste bericht wil
tevens den oorsprong van den gewijdon steenhoop bij Gilgal verklaren; zie op IV : 19.
-ocr page 404-
484                                            jozua III: 1—15.
111:1 Den volgenden morgen maakten Jozua en alle Israëlieten zich op,
trokken uit >Sjittim, bereikten den Jordaan en overnachtten aldaar voordat
zij overtrokken.
2           Na verloop van drie dagen gingen de ambtlieden liet kamp door\'
3       en gaven het volk den volgenden last: Zoodra gij de ark des verbande
van Jahwe, uw god, ziet, en de Levietische priesters die haar dragen,
moet ook gij van uwe plaats opbreken en haar achternatrekken —\'
4       maar er zij tusschen u en haar een afstand van omstreeks twee duizend
el; gij moogt niet dicht bij haar komen — opdat gij den weg moogt
weten waarlangs gij moet gaan: want gij zijt van te voren langs dien
weg niet getrokken.
5           Toen zeide Jozua tot het volk: Heiligt u tegen morgen; want mor-
6       gen zal Jahwe wonderbare dingen in uw midden doen.\' Voorts zeide
hij tot de priesters: Neemt de ark des verbonds op en trekt over aan
de spits van het volk. Daarop namen zij de ark des verbonds op en
7       trokken op ann de spits van het volk.\' En Jahwe zeide tot Jozua;
Thans zal ik beginnen u te verheerlijken in het oog van gansch Israël:
opdat zij weten dat ik met u zal zijn zooals ik met Mozes geweest
8       ben.\' Geef dan aan de priesters die de ark des verbonds dragen dezen
last: Zoodra gij tien rand van het water des Jordaans bereikt hebt,
i) moet gij in den Jordaan blijven staan.\' Voorts zeide Jozua tot de
Israëlieten: Treedt toe en luistert naar het woord van Jahwe, uw god.\'
10       Verder zeide hij: Hieraan zult gij weten dat een levende God in uw
midden is, die de Kanaünieten, Hittieten, Hiwwieten, 1\'erizzieten, Gir-
gasjieten, Amorieten en Jebuzieten zeker voor u uit verdrijven zal.\'
11       Zie, de ark des verbonds van den heer der gansche aarde trekt voor
12       u uit den Jordaan in;\' neemt nu twaalf mannen uit «Ie stammen van
1ÏJ Israël, uit eiken stam een;\' zoodra nu «Ie voetzolen der priesters die
de ark van Jahwe, den heer der gansche aarde, dragen rusten op het
water van den Jordaan, zal het water van den Jordaan afgesneden
worden; het water dat van boven afkomt zal op een hoop blijven staan.\'
14 Toen nu het volk uit zijne tenten opbrak om den Jordaan over te trekken,
lf> de priesters die de ark des verbonds droegen aan de spits,\' en de
2.   Hier wordt het bericht I: Mi v. voortgezet; tusschen 1:11 en dit ver» is geen plaats voor het
vi\'i\'hmil 11:1—111:1; zie op 11:22. Dut verhaal is dus nfkomstig vim een naderen schrijver.
3.   de ark de» verbond» van Jahwe, uw god, (vs. 11) de ark tic» verbond» van den heer dtr ganiche
aarde,
(vs. 11) de ark de» verbond», (IV : 7, 18) de ark de» verbonds van Jahwe. In de/e uitdrukkingen
is eene vim de nndcre bepalingen waarschijnlijk door den overwerkcr toegevoegd; zie op Dcut. X : I—B.
— de Levietiiche — dragen. Dat de ark door de Levietische priesters gedrugen werd is waarschijnlijk,
naar Peut. X:0—9, door den Dcuteronomischcu bewerker ingevoegd.
4.   maar — komen. De maatregel om de ark ruim een kilometer voor het leger uit te laten trek-
ken is waarschijnlijk uit eerbied voor hnar te verklaren; verg. 2 Sain. VI:nv. Wellicht is de zin-
anede later ingevoegd. — opdat — getrokken. De ark moet den Israëlieten deu weg wijzen, evenals
Num. X: 33.
5.  Heiligt u. /ie op KxikI. XIX: 10. — tegen morgen, volg. Gr. vert. ingevoegd. Het leger bevindt
zich dus liij den Jordaan, evenals vs. 1, terwijl het volgens vs. 2—1 daarhenen nog moet optrekken.
7.  Verg. 1:5; IV:U.
8.  dan. volg. (Ir. vert.; Hcbr. t. gij. — moet — staan, totdat het water was afgevloeid. Daarna
plaatsten zij zich in het midden der stroombedding, vs. 17.
9.   het woord, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de woorden. Van dit woord van Jahwe is een gedeelte over
in vs. 12, het overige kan uit IV : 1—7 worden afgeleid.
10.   Hieraan. Waaraan, wordt vs. 11, 13 gezegd. — een levende God, in tegenstelling met de on-
machtige, doode afgoden der volken. — de Kanaünieten — Jebuzieten. Zie op Dcut. VII: 1.
11.   van den heer der gamehe aarde. Kveuzoo vs. 13. Als zoodanig komt Jahwe in De Jahwiit en
De Klohist niet voor; waarschijnlijk is de uitdrukking van een der overwerken afkomstig.
12.   Dit vers verbreekt het verband en past noch bij hetgeen voorafgaat noch bij hetgeen volgt.
Het behoorde wellicht oorspronkelijk bij vs. 9.
13.  afkomt. Hebr. t. laat volgen en; volg. Gr. vert. Weggelaten.
11. Toen — opbrak. Het was dus bij den Jordaan gelegerd; verg. vs. 1 en 5.
15. o!» in den uogtltijd, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. gedurende den gantchen oogsttijd. lu den oogst•
-ocr page 405-
jozua 111:15—IV: 1U.                                        485
dragers der ark den Jordaan bereikten, werden de voeten der priesters
die de ark droegen nauwelijks in het water gedoopt — de Jordaan
1(5 nu was boordevol, als in den oogsttijd —\' of het water dat van boven
afkwam bleef slaan en rees als een hoop in de hoogte, op een zeer
grooten afstand, bij de stad Adam, die bezijden fttrethan ligt: zoodat
het water dat naar de Zee der Vlakte, de Zoutzee, afvloeide volkomen
afgesneden was. Het volk nu trok in het gezicht van Jerieho over.\'
17 De priesters die de ark des verbonds van Jahwe droegen vatten post
op het droge midden in den Jordaan, terwijl gansch Israël op het
droge overtrok, tot het geheele volk den Jordaan over was.
IV: 1 Nadat het gansche volk den Jordaan was overgetrokken, zeide Jahwe
2       tot Jozua:\' Neemt uit het \'volk twaalf mannen, uit eiken stam ren,\'
3       en geeft hun dezen last: Licht van daar, midden uit den Jordaan, ter
plaatse waar de priesters post hebben gevat, twaalf steenen, brengt ze
met u mede, en legt ze neder in het kwartier waar gij den nacht zult
4       doorbrengen.\' Daarop riep Jozua de twaalf mannen die hij uit de
5       Israëlieten had aangesteld, uit eiken stam éen,\' en zeide tot hen: Trekt
uit vóór de ark van Jahwe, uw god, tot midden in den Jordaan, en neme
ieder uwer een steen op zijn schouder, naar het getal van de stammen
6       der Israëlieten;\' opdat dit tot een teeken in uw midden zij. Wanneer
7       later uwe zonen vragen: Wat beteekenen voor u deze steenen?\' zult
gij tot hen zeggen: Dat de wateren van den Jordaan zijn afgesneden,
wijkende voor de ark des verbonds van Jahwe; toen zij den Jordaan
introk, zijn zijne wateren afgesneden. En deze steenen zullen den Israë-
lieten tot een aandenken dienen, voor eeuwig.
8           En de Israëlieten deden naar hetgeen Jozua hun geboden had: zij
lichtten twaalf steenen midden uit den Jordaan, zooals Jahwe tot Jozua
had gesproken, naar het getal van de stammen der Israëlieten, brachten
ze met zich naar den overkant in het nachtkwartier en legden ze
aldaar neder.
9           Twaalf steenen richtte Jozua op midden in den Jordaan, ter plaatse
waar de priesters die de ark des verbonds droegen stonden; en zij
10 zijn daar tot op dezen dag.\' Inmiddels bleven de priesters die de ark
droegen midden in den Jordaan staan, totdat alles wat Jahwe aan
tijd, onze iiiiisuiiI April, wn» de waterstand het hoogst; verg. 1 Kron. XII: 15. l)e opmerking dient
om het wonder te meer te doen uitkomen.
16.   op — afstand, van de plaats van den overtocht. — de Had — ligt. Adam is onbekend en
komt elders niet voor; Sarethan (volgens Richt. VII: 22; 1 Kou. XI: 26; 2 Kron. IV: 17 Sereda) lag
volgens 1 Kou. IV: 12 bij Hcth-sjean of Scythopolis, volg. 1 Kon. VII: 46 iu het Jordaaudal. De
plaats is niet teruggevonden. — volkomen afgesneden vat, geen toevoer van boven ontving en dus
spoedig was afgevloeid: het droge strekte zich dus uit van Adam tot de Koutzee.
17.   Hier trekt het volk de priesters voorbij die in de stroombedding hebben post gevat; volg.
IV: 114 trekken de priesters met de ark aan de spits van het volk naar den overkant. — lerieijl —
overtrok.
Dit is vs. 16 reeds vermeld.
1—7. Over de twee voorstellingen die elkander hier kruisen zie lul. Die van vs. 1, 34 is de voort-
zettingvan 111:164 en verhaalt hoe na den overtocht het gebod werd gegeven, stecneu uit den Jordaan
te halen en naar den overkant te brengen; vs. 4—7, tot hetzelfde verhaal als III : 12.behoorende en
in vs. 0 voortgezet, behelst het bericht dat Jozua vóór den overtocht twaalf mannen gelastte, twaalf
steenen midden iu de rivier te dragen; vs. 2, 3fl is van een bewerker die de tegenstrijdige verhalen
iu overeenstemming trachtte te brengen.
3.  ter — gerat. Dit komt overeen met vs. 9v.; 111:17, maar is in strijd met vs. 114.
4.  de twaalf mannen. Verg. III : 12.
5.   Trekt uit voor de ark. Volgens III: 13—16 trokken de priesters met de ark voorop.
6v. Verg. vs. 21 v.; Kxod. XII:2öv.; Dcut. VI:20—24.
7.  De herhalingen in dit vers zijn gevolg van de samenstelling uit twee berichten.
8.  Voortzetting van vs. 1, 34. — zij, de Israëlieten; dus niet twaalf mnnncii, zooals vs. 2 is ge-
zegd; zie op vs. 1—7.
9.   Twaalf steenen, die waarover in vs. ó is gesproken. Ten bewijze dat men reeds vroeg heeft
bespeurd dat in dit verhaal van tweeërlei twaalftal steenen sprake is dicne dat do Gr. vert. hier
overzet Ai» Jozua richtte andere twaalf steenen op.
-ocr page 406-
486                                           jozua IV : 10—24.
Jasna bevolen had tot het volk te spreken volbracht was, naar al wat
Mozes aan Jozua hail geboden. Het volk maakte baast om over te
11       komen,\' en toen bet gansche volk over was, kwam de ark van Jahwe
12       over, met de priesters aan de spits van het volk.\' Ook trokken de
Itubenieten, de Qadieten en de halve stam Manasse wel toegerust voor
13       de Israëlieten uit, zooals Mozes tot hen gesproken had;\' omstreeks
veertig duizend slagvaardige krijgers trokken voor Jahwe uit ten oorlog
14       naar de vlakte van Jericho.\' Te dien dage heeft Jahwe Jozua verheer-
lijkt in het oog van ganseh Israël; zoodat zij hem vreesden gelijk zij
Mozes gevreesd hadden, zijn leven lang.
15, lü Daarop aaide Jahwe tot Jozua:\' Gelast den priesters die de ark der
17       Geboden dragen uit den Jordaan op te stijgen.\' Zoo gelastte Jozua
18       den priesters: Stijgt uit den Jordaan op!\' En toen de priesters die
de ark des verbonds van Jahwe droegen uit het midden van den Jor-
daan opstegen, hadden zij nauwelijks hunne voetzolen losgerukt en op
het droge gezet of het water van den Jordaan hernam zijnen loop en
19       stroomde weder als gisteren en eergisteren tot aan tien rand.\' Het volk
is uit den Jordaan opgestegen den tienden der eerste maand; waarna
zij hun kamp opsloegen te Gilgal, aan de oostelijke grens van Jericho.
2U          Die twaalf steenen nu die zij uit den Jordaan hadden gehaald
21       heeft Jozua te Gilgal opgericht.\' Hij zeide daarbij tot de Israëlieten:
Wanneer later uwe zonen aan hunne vaders vragen: Wat heteekenen
22       deze steenen." dan zult gij aan uwe zonen deze inlichting geven: Op
23       het droge is Israël dezen Jordaan doorgetrokken. — \' Immers, Jahwe,
uw god, heeft het water van den Jordaan voor u doen opdrogen, totdat
gij over waait; zooals Jahwe, uw god, ook met de Schelfzee gedaan
24       heeft, die hij voor ons liet opdrogen, totdat wij over waren;\' opdat
alle volkeren der aarde weten dat Jahwe\'s band sterk is, en zij Jahwe,
uw god, te allen tijd vreezen.
10.   allet — bevolen had. Zie III:!), 12. — al — geboden. Kon dergelijk bevel vnn Mozes «tui
.lii/.uii komt nergens voor. De Gr. vert. Ititit <lc woorden weg.
11.   De tegenspraak in dit vers springt in het oog. Immers, als het gansche volk over wus, kon
de ark niet meer nnn de spits van liet volk overkomen. Zie op vs. 1—7. De Gr. vert. neemt do
tegenstrijdigheid weg door het slot te doen luiden en de steenen voor hen (of voor haar) uit.
12.   Zie 1:12—15; Xnm. XXXII: 20—32; Dcut. 111:18—20.
13.  veertig duizend. Volgens Xnm. 1:21, 25, 35 was het getal strijdbare mannen in die twee ou
een halven stam veel grootcr. — vlakte. De grondtekst heeft vlotten; zie op Xnm. XXII :1.
14.   Verg. III : 7. — zijn leven lang. Dit kan öf op .Inziet of op Mozes slaan.
15—18. Vervolg vtui vs. 0—11a. Volgens vs. \\\\b wns de tirk reeds voor het volk overgekomen.
16. de ark der Geboden. Zie op Kxod. XXV : 16.
19. den tienden der eerste maand. De sehrijvcr, die van Kzra\'s Wetboek, bedoelt: van het 41ste jaar
na den uittocht. \\\\narsehijnlijk wns volgeus hein bij den dood van .Mozes het 40ste jaar ten einde. —
Gilgal, ten zuidoosten van Jericho, komt, behalve als legerplaats van Jozua (V: 10; IX: 6; X: 6 v.,
!), 15, 43; XIV: 6; Mieha VI: 5), in de verhalen over Samticl en Stttil als offerplaats voor (1 Sant.
X:8; XI:14v.; XIII: 4, 15; XV: 12, 21,33) verg. ook XV: 7. Ecu ander Gilgal lag bij Sichcm (zie op
Dcut. XI: 30). Hij ons Gilgal stonden volg. Richt. III: 1\'J godenbeelden en lag misschien een stecn-
hoop, voorwerp van godsdienstige vercering (verg. op Gen. XXVIII: 18). Om aan die verecring haar
hcidensch karakter te ontnemen, werd die steenhoop door dit verhaal tot een gedcukteeken van Jahwe\'s
hulp bij den overtocht van den Jordaan gemaakt. Waarschijnlijk werd in het oorspronkelijke verhaal
de naam Gilgal met het Hebrccuwsche woord gal, d. i. .hoop\', in verband gebracht (zie Gen. XXXI:
45—17) en dus uit het oprichten van dien steenhoop verklaard. Die naamsduiding kan weggelaten
zijn omdat in het Oudc-Sagcnboek reeds ceuc andere verklaring van dien naam voorkwam (V : U).
24. en zij — vreeten, met verandering van klinkers.
HOOFDSTUK V:l—12.
De besnijdenis en de viering van het paasehfeest te Gilgal. — De bewoners van Kanaan worden
voor Israël bevreesd (1). Jozua besnijdt het gansche volk te Gilgal (2v.); hetgeen noodig was, omdat
de in Kgyptc hesnedenen gestorven en de in de woestijn geborenen niet besneden waren (4—7); het
volk neemt rust voor zijn herstel (8); verklaring van den naam Gilgal (0). Het paaschfecst wordt
gevierd, en de mnnnaregen houdt op (10—12).
-ocr page 407-
jozua V: 1 — 10.
487
Het oorspronkelijke verhaal van Israël* besnijdenis (e Gilgal, ann hel Oudc-Sngcnboek onlleend,
bestond uit vs. \'£ y., 8 v.; het leerde dat de hesuijdenis door Jozua onder de Israëlieten wns ingc-
voerd om den smaad van onreinheid, hun door de Kgyptcnarcn aangewreven, af te wentelen. Keu
veel jonger schrijver, bekend met Gen. XVII, en dus van mceiiiug dat het gebod der besnijdenis
reeds in Abrahams tijd door Jahwe was gegeven, lusehte vs. <l—7 en enkele woorden in vs. 2 in,
om aan te tonnen, dut dit gebruik onder de Israëlieten in Egypte wel had bestaan, maar tijdelijk
gedurende de woestijnreis wns geschorst; zie op vs. 2 en 5. Vs. 10—12 zijn uit Ezra\'s Wetboek.
V: 1         Toen nu al de koningen der Aiuorieten, aan de westzijde van den
Jordaan, en al de koningen der Kanaanieten, aan de zeekust, hoorden,
hoe Jahwe de wateren van den Jordaan voor de Israëlieten had doen
opdrogen, totdat zij over waren, versmolt hun hart en waren zij buiten
zich zei ven van angst voor de Israëlieten.
2
          Te dier tijd zeide Jahwe tot Jozua: Maak u steenen messen en be-
\'ó snijd de Israëlieten nog eens, ten tweeden male.\' En Jozua maakte
zich steenen messen en besneed de Israëlieten op den heuvel der voor-
4       huiden.\' Het was met die besnijdenis door Jozua aldus gelegen: het
gansche volk dat uit Egypte was getrokken was, voor zoover het tot
het mannelijk geslacht, tot de weerbare manschap, behoorde, onderweg
5       in de woestijn, toen zij uit Egypte togen, gestorven.\' Nu was het
gansche volk dat uitgetrokken was besneden; maar allen die onderweg
in de woestijn, toen zij uit Egypte trokken, waren geboren waren niet
6       besneden.\' Want veertig jaren hadden de Israëlieten gereisd in de
woestijn, totdat het gansche volk was omgekomen, de weerbare man-
schappen die uit Egypte waren getrokken, die niet naar Jahwe hadden
geluisterd, aan wie hij gezworen had dat hij hen het land niet zou
doen zien dat Jahwe aan hunne vaderen onder eede beloofd had ons
7       te zullen geven, een land overvloeiende van melk en honing.\' Hunne
kinderen had hij in hunne plaats gesteld. Dezen heeft Jozua besneden.
Immers, zij waren nog onbesneden, daar men hen onderweg niet be-
8       sneden had.\' Nadat de besnijdenis van het gansche volk was afgeloopen,
bleven zij waar zij waren, in het kamp, totdat zij hersteld waren.\'
9       Toen zeide Jahwe tot Jozua: Heden heb ik den smaad van Egypte
van u afgewenteld. Daarom noemde hij die plaats Gilgal, zooals zij
heet tot op dezen dag.
10          Toen nu «Ie Israëlieten te Gilgal hun kamp hadden opgeslagen, vier-
1.   Amorieten, Kanaünieten. Onder deze twee namen worden hier alle bewoners van Knnniui snmcu-
gevatj zie op Gen. X: 10. — versmolt — Israëlieten. Verg. 11:1)—11.
2.   Heetten mesten. Zie op Exod. IV : 25. — noij eens, ten tweeden male, woorden van den omwcr-
kcr des verhaal»; zie lul.
8. heuvel der voorhuiden, zoo genoemd omdat deze daarop werden geworpen. Waarschijnlijk kwamen
daar oudtijds de knapen of jongelingen uit den omtrek, tegen den tijd dat zij manbaar werden, samen
om er de besnijdenis te ondergaan, liet gebruik knaapjes op deh leeftijd van acht dagen te bcsnij-
den (zie op Gen. XVII: 12) is eerst later in zwang gekomen: verg. op Gen. XVII: 25. Over de bc-
teckenis dier plechtigheid zie op Gen. XVII: 10.
4.   Verg. Num. XIV: 22 v., 2\'J v.; Deut. NMv.j II:14v.
5.  Nu — iea» besneden, dus ook de knaapjes. Deze schrijver onderstelt dus dat daar de besnijdenis
reeds min de kinderen was voltrokken, maar vergeet dut de uit Egypte medegebrachte kinderen niet
alle waren omgekomen iu de woestijn (Num. XIV : 29), dat bijgevolg de besnijdenis niet op het gc-
hcelc volk behoefde tocgepnsl te worden ; wat echter volgens vs. S wel het geval was.
6.   Dit vers geeft de reden aan waarom het gansche volk te Gilgal besneden moest worden; zie
echter op vs. 5. — veertig jaren. Zie inl. op Xiim. XIII, XIV. — aan icie — geven. Zie op Deut.
1:8. — een — honing. Zie op Exod. 111:8.
8.  hersteld. Verg. Gen. XXXIV : 25.
9.  den smaad eau Egypte, de verachting die de Israëlieten nis onbcsnedoneii vnu den kant der bc-
sneden Egyptcnaren hadden moeten ondervinden. Verg. op Ezeeh. XXXII : 10. — afgewenteld —
Gilgal. Het Hcbrccuwschc woord voor .afwentelen\' (galat) heeft cenige overeenkomst met den naam
Gilgal. Over eene andere afleiding van den naam zie op IV: 19.
10—12. Voortzetting van IV\': 19. Het panschfecst wordt overeenkomstig de bepalingen van Exod.
XII gevierd; zie aldaar.
10.  de vlakte, evenals IV ; 13,
-ocr page 408-
jozua V : 10—14.
46S
tien zij liet pascha, den veertienden dier maand, des avonds, in de
11 vlakte van Jericho,\' en aten van het gewas des lands ongezuurd
lii brood en geroost koren. Dien zelfden dag,\' toen zij van het gewas des
lands aten, hield het manna op te vallen; sedert kregen de Israëlieten
geen manna meer, maar zij aten dat jaar van de opbrengst van liet
land Kanaan.
11.  <•» aten, volg. Gr. vcrt. In Ililir. t. wordt er bijgevoegd daagt na hel paicha; wat ingclascht
is om de Israëlieten te vrijwaren tegen de beschuldiging van overtreding der wetsbepaling I<cv.
XXIII :!>—II, dat men eerst van het nieuwe gewus mocht eten nadat den lfiden der maand de gcr-
slcngnrve geotterd was; de dagen der ongezuurde hroodeu begonnen niet o|> den I leien, maar op den
loden Xiznn; maar /ie op Kxod. XII: 15.
12.    Ilebr. t., die de eerste woorden bij vs. 11 voegt, laat op hield nog volgen den volgenden dag.
— toen — vallen. Zie Kxod. XVI: 35. — dat jaar, dat ongeveer met het paaschfecst begon; zie
Kxod. XII: 2.
HOOFDSTUK V : 13—VI: 27.
De verovering van Jericho. — l)c vorst van Jahwc\'s heir verschijnt aan .lo/.un (V : 13—15). Jericho
sluit de poorten (VI: 1). Jahwe belooft, de stad nau Jozua over te leveren, en beveelt, haar zes dagen
lang dagelijks ecu keer om te trekken, den zevenden dag zeven keeren (2—5). Jozua geeft aan de
priesters en het volk de uoodigc bevelen (C—10). Zij trekken dcu eersten dag eenmaal om de stad
(II), desgelijks de volgende dagen (12—14), dcu zevenden dag zeven maal (15). Bij den zevenden
omgang beveelt Jozua het volk, een krijgsgeschrceuw aan te hellen en de stad met dcu banvloek te
slaan, maar Ituhab en de haren, benevens het zilver en goud voor Jahwc\'s schatkist, te sparen (10—
19), Op het aanbellen van het krijgsgeschrecuw vallen de muren, het volk dringt de stad binnen en
gedraagt zich naar het gebod (2(1—25); Jozua spreekt dcu vloek uit over hem die Jericho herbouwt
(20). De mare van Jozua gaat door het gansche land (il).
Dat dit verhaal niet in zijn oorspronkelijkcu vorm tot ons is gekomen blijkt uit de grootc vcr-
wnrring die er iu heerscht, en uit de tegenstrijdigheden die er in voorkomen; zie op VI: 4, 9, 11,
10 cu 20. Het is niet mogelijk, de verschillende bestnnddecleii waaruit het bestaat met zekerheid van
elkander af te zonderen. Toch laten zich nog twee verhalen onderschcideu: het cene, aau het Oudc-
•Sagcnbock ontleend, maakte geen melding vnn de priesters met de ark cu de bazuinen, maar ver-
haalde, dat het volk /.es dagen lang, eiken dag eens, in diepe stilte de stad omtrok en bij den um-
gung op den zevenden dag, op een wenk van Jozua, het krijgsgeschrceuw aanhief, waarop de muren
ineenstortten. Dit verhaal is uu verbonden inct ecu jonger bericht, volgens hetwelk het volk niet ge-
durende zeven dagen, eiken dag ccus, maar op cencn dag zevenmaal den omgang deed (zie op VI: 15),
en dat verder vermeldde, dat bij die omgangen de priesters met de ark, door zeven priesters met
bazuinen en door gewapenden voorafgegaan, aan de spits van het volk trokken, eu bij den zevenden
omgang, op een tcckcii door de priesters met de bazuin gegeven, het volk het krijgsgeschrceuw aan-
hicf en de muren vielen. De schrijver die deze verschillende berichten samensmolt deed dit zoo, dat
hij het volk gedurende zeven dagen de stad liet omtrekken, den zevenden dag zevenmaal. Ontstond
reeds hierdoor verwarring, deze is zeer vermeerderd door allerlei tocvocgselen, door latere bewerkers
ingclascht.
Overigens is de strekkiug van het verhaal, zoowel in den oorspronkelijken als in den gewijzigden
vorm, aan te tooucii dat de verovering vau de eerste stad in Kanaan, en daarmede die van het gnu-
schc land, niet aau Isrucls kracht en verdienste, maar aan Jahwe\'s hulp te danken was.
V:18 Toen Jozua bij Jericho was, sloeg hij eens zijne oogen op en zag
daar een man tegenover zich staan, een uitgetrokken zwaard in de
hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij bij ons of
14 bij onze vijanden.\'\' Hij antwoordde: Geen van beide, maar ik ben de
vorst van Jahwe\'s heir; nu ben ik gekomen. Toen viel Jozua op zijn
iiangezicht ter aarde, boog zich neder en zeide tot hem: Wat heeft
13—15. Deze verzen zijn waarschijnlijk ingelascht door ecu overschrijver, die de openbaring van
Jahwe aan Jozua (VI: 2) wilde voorstellen als de verschijning van ecu hemelsch wezen, Jahwe\'s afge-
znut. Daarbij staat hem Kxod. III: 1 vv. voor oogen en laat hij Jozua deden in het voorrecht dat
weleer nan Mozcs was te beurt gevallen.
11. de — heir, de aanvoerder vau Jahwc\'s licmelsehc hcirschnren. Zulke engelcnvorstcn komen eerst
iu de jongere geschriften voor; zie op Dan. X : 13. — nu l/en ik gekomen, om Israël.te helpen,
-ocr page 409-
489
jozua V : 14—VI: 12.
15 mijn heer tot zijn dienstknecht te zeggen!\' Toen zeide de vorst van
Jahwe\'s heir tot Jozua: Ontschoei uwe voeten; want de plaats waar
VI: 1 gij staat is heilig. Alzoo deed Jozua.\' Jericho nu was en bleef gesloten
2 voor de Israëlieten; niemand kon uit of\' in.\' En Jahwe zeide tot Jozua:
Zie, ik heb Jericho met haar koning, de strijdbare helden, in uwe
\'ó hand gegeven.\' Trekt zoovelen gij weerbare mannen zijt om de stad,
4       eenmaal rondom de stad henen; zoo zult gij zes dagen doen.\' Zeven
priesters zullen de zeven ramshoornbazuinen dragen voor de ark uit,
en den zevenden dag zult gij zevenmaal om de stad heen trekken en
5       zullen de priesters de bazuin steken.\' Als men nu op den ramshoorn
blaast en gij het geluid der bazuin hoort, heffe het gansche volk een
luid krijgsgeschreeuw aan; dan zal de muur der stad instorten en het
volk naar boven stormen, ieder recht voor zich uit.
ti          Toen riep Jozua, de zoon van Nun, de priesters en zeide tot hen:
Neemt de ark des verbonds op, en laten zeven priesters zeven rams-
7       hoornbazuinen dragen voor de ark van Jahwe uit.\' Voorts zeide hij tot
het volk: Trekt op, om de stad henen; de slagvaardigen moeten op-
8       trekken voor de ark van Jahwe uit;\' dan moeten de zeven priesters
die de zeven ramshoornbazuinen dragen voor Jahwe optrekken en de
bazuinen steken, terwijl de ark des verbonds van Jahwe hen volgt;\'
9       laat de slagvaardigen trekken vóór de priesters die de bazuinen steken
en de achterhoede de ark volgen, onder het voorttrekken de bazuin
10       stekende.\' En aan het volk gaf\' Jozua dezen last:.Heft geen krijgsge-
sch reeuw aan, laat geen geluid hooren noch een woord uit uw mond
komen vóór den dag waarop ik tot u zeg: Heft aan! Dan zult gij het
krijgsgeschreeuw aanheffen.
11           Toen liet hij de ark van Jahwe om de stad trekken, eenmaal er om
heen; daarna kwamen zij weder in het kamp en overnachtten aldaar.\'
12       Zoodra Jozua den volgenden morgen zich had opgemaakt, namen de
15. Ontschoei — heilig. Zie op Ëxod. III : 5.
2.  de strijdbare helden, slordig gesteld, ulsof voorafging .Icrieho\'s inwoner*.
3.  zoovelen — zijl. Alleen de Isniëlictischc krijgslieden moesten dus den omgang doen. Volgens vs.
7—9 daarentegen gingen de krijgslieden voor\'de ark uit en volgde het volk iu de aehterhoedc.
4.   In 2 Kron. V: 12 v. wordt het vervoer van de ark door trompetgeschal der priesters begeleid,
volgens de wet, Num. X:l—10. In 2 Sam. VI: 15 wordt de bazuin gestoken, maar niet door de
priesters. — Over den ramshoorn zie op Kxod. XIX : 13. — voor de ark uil. Dat de ark moest worden
medegenomen was in het voorgaaude niet gezegd; in vs. 3 is alleen van een optrekken der Israclio-
tisekc krijgers sprake. — en zullen — steken, dus gedurende de zeven omgangen. Dit is in strijd
mei het volgende vers, waar gezegd wordt dat het blazen op de bazuin het sein voor het krijgs-
geschrcouw zou wezen; zoodat het eerst bij den zevenden omgang moest plaats hebben; verg.
ook vs. 20.
6.  dragen — uil. Zij moesten er dus niet terstond op blazen; zie op vs. 4.
7.  de slagvaardigen — uit. Volgens vs. 3 bestond de stoet uitsluitend uit krijgslieden.
8 v. In deze verzen zijn wijzigingen volg. Gr. vert. aangebracht; volg. Hebt. t. behelzen zij niet
het vervolg van Jozuu\'s bevel uun het volk, maar een bericht over het omtrekken van de stad, dat
vs. 12 v. nog eens voorkomt en eerst daar op zijne plaats is. Immers, laat Hebr. t. ann vs. 8 vooraf-
gaan Het geschiedde toen Jozua lot het volk sprak.
8.  de bazuinen steken. Evenzoo vs. 4.
!). Dit vers vertoont duidelijke sporen van de hand des overwerkers. Immers is het eerste gedeelte
vs. 7 reeds vermeld en dus overbodig; en verder is het bericht dat het volk achter de ark op bnzui-
ncu blies iu strijd, zoowel met het eene verhaal, waarin alleen de priesters muziek maken (vs. 4 v.),
als met het andere, volgens hetwelk het volk in diepe stilte moet optrekken (vs. 10).
10.   Heft — komen. De diepe stilte bij het trekken om de stad wordt vs. 4 on 9 uitdrukkelijk
buitengesloten. — vóór den dag waarop ik tot u zeg. Bedoeld is de zevende dag. Volgens vs. 5
zou niet het woord van Jozua, maar het bazuingeschal het sein geven om het krijgsgeschreeuw aan
te heffen.
11.  Waarschijnlijk was dit vers iu het oorspronkelijke bericht vervolg van vs. 10 en luidde daar
(verg. vs. 14): Toen trokken zij den eersten dng de stad om, eenmaal. Bij de overwerking is de ark
er in gebracht, maar de vermelding vuu den eersten dag uitgevallen.
12 v. De beschrijving van den stoet, die hier deel uitmaakt vuu het bericht over den omgang op
den tweeden dag, moest reeds vroeger, waar sprake is van den eersten dag, gegeven zijn. Hieruit
blijkt, op hoc slordige wijze de ovcrwerkcr die de heide berichten ineenvlocht te werk ging.
-ocr page 410-
490
jozua VI: ia—25.
1<J priesters <le ark van Jahwe ojt;\' terwijl ile zeven priesters <Iie de zeven
ramshoornbazuinen droegen voor de ark van Jahwe uit gingen, de slag-
vaardigen aan hunne spits optrokken en de achterhoede achter Jahwe\'»
14       ark ging, onder het voorttrekken de bazuin stekende.\' Zoo trokken zij
den tweeden dag eenmaal de stad om en keerden naar het kamp terug.
Evenzoo deden zij zes dagen lang.
15           Op den zevenden dag nu, toen zij met het krieken van den dageraad
zich hadden opgemaakt, trokken zij op dezelfde wijze de stad om, maar
10 deden op dien dag den omgang zevenmaal.\' En hij den zevenden om-
gang staken de priesters de hazuinen. Toen zeide Jozua tot het volk:
Heft het krijgsgeschreeuw aan; want Jahwe heeft de stad aan u ge-
17       geven.\' De stad met al wat er in is zal ter eere van Jahwe met den
hanvloek geslagen worden. Maar Itahab, de hoer, zal met al wie hij
haar in huis zijn in leven blijven; daar zij aan de hoden die wij uitge-
18       zonden hadden eene schuilplaats heeft verleend.\' Doch, neemt u voor
den ban in acht, dat gij niet uit hebzucht van het gebannene iets
neemt en zoo het kamp van Israël onder den banvloek brengt en in
1\'J het ongeluk stort.\' Al het zilver en goud en alle koperen en ijzeren
voorwerpen zijn aan Jahwe geheiligd en moeten komen in Jahwe\'s
schatkamer.
20           Nu hief het volk een krijgsgeschreeuw aan en stak men de bazuin.
En toen het volk het geluid der bazuin hoorde, hieven zij luidkeels
een krijgsgeschreeuw aan; de muur stortte in, en het volk stormde
naar boven, de stad binnen, ieder recht voor zich uit. Zoo namen zij
21       de stad in.\' En zij sloegen al wat in de stad was met den banvloek,
zoo man als vrouw, zoo knaap als grijsaard, tot runderen, kleinvee en
22       ezels toe, met het scherp des zwaards.\' Doch tot de twee mannen die
het land verspied hadden had Jozua gezegd: Treedt het huis van de
hoer binnen en leidt die vrouw met al de haren er uit, zooals gij haar
23       onder eede beloofd hebt.\' Dienvolgens traden de jongelingen, de ver-
spieders, haar huis binnen en leidden Ibihab met haar vader, moeder,
broeders en al de haren de stad uit — haar geheele geslacht hebben
zij uitgeleid — en wezen hun buiten het kamp van Israël een ver-
24       blijf aan.\' De stad nu met al wat er in was hebben zij verbrand; het
zilver en goud echter en de koperen en ijzeren voorwerpen hebben zij
25       in de schatkamer van Jahwe\'s tempel gelegd.\' Maar Rahab, de hoer,
en hare familie en al de haren heeft Jozua in leven gelaten; zij heeft
zich nedergezet in het midden van Israël, en is er blijven wonen tot
13. yingen, volg;. Gr. vert.; Hubr. t. Innt nog volgen onder hel voorttrekken ttaken zij de bazuin.
15. op dezelfde wijze, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. laat nog volgen zevenmaal.
II). In dit ver» komen twee voorstellingen voor: volgens de eenc is het bnziiingcschnl der priesters,
volgens de andere het woord van Jozua het sein voor liet volk. Voor de eerste verg. vs. 5, voor de
tweede vs. 10.
17.  den banvloek. Zie op Exod. XXII: 20. — Maar — verleend. Verg. 11:14.
18.   uit hebzucht, volg. Gr. velt.; Hcbr. t. met den banvloek slaat en. — het kamp — stort. Verg.
VH:25 v.
10. Volgens Deut. XIII : 1.~>—17 moest alle have van eenc stad die onder den banvloek lag, dus ook
het zilver en goud, worden vernietigd; verg. Deut. VII: 25. — Jahwe\'s schatkamer, in den tempel (zie
1 Kon. Vil:61)j verg. vs. 21. De schrijver vergeet dat deze nog niet bestond.
20. Ook in dit vers zijn twee voorstellingen vcreenigd: immers wordt eerst gezegd, dnt het volk het
krijgsgeschreeuw aanhief en daarna de bazuinen werden gestoken, terwijl in het vervolg het bazuin-
geschal het sein is voor het krijgsgeschreeuw.
23.   builen het kamp. Kahab eu de haren waren onrein en mochten als heidenen niet in Isracls
kamp vertoeven; zie N\'iim. V:2—l; I)cut. XXIII: 14. Ihmr zij zich volgens vs. 25 in het midden
der Israëlieten mochten vestigen, zijn deze woorden misschien van een latcrcn schrijver.
24.  de schatkamer van Jahwe\'s tempel. Zie op vs. 80.
25.  Zie inl. op II. II.
-ocr page 411-
4U1
jozua VI: 25—Vil: 5.
op ilezen dag; omdat zij aan de boden die Jozua had uitgezonden om
Jericho te verspieden eeue schuilplaats verleend had.
26           Te dier tijd deed Jozua dezen eed: Vervloekt voor Jahwe\'s aangezicht
is hij die zich verstout deze stad weder op te bouwen!
Jericho, op zijn oudsten zoon zal hij haar grondvesten,
op zijn jongsten zal hij hare poorten oprichten.
27           Zoo was Jahwe met Jozua, en de mare van hem ging door het
gansche land.
20. Xa hare verwoesting iloor do Israëlieten is Jericho, als cene min de godheid gewijde plast», in
puin blijven liggen tot onder de regeering van Aehab. Hiermede is niet in strijd, dat zij Richt. III :
13; 2 Sam. X: 5, 1.1\' ouder den naam van Palmetutad (verg. Dcut. XXXIV: 8; Richt. 1:10; 2 Krom.
XXVIII: 15), ut\' zelfs onder dicu van Jericho, voorkomt; immers, al bleven de puinhoopen cciier om-
muurde stad, die iu den regel maar klein was, onaangeroerd, in de nabijheid verrees weldra een dorp
of vlek, dat licht denzclfden naam ontviug. Kerst bij uitbreiding daarvan werd de plaats der vcrwocs-
ting hinderlijk en herbouw gewenscht. Toen uu zekere Ahicl, ouder Achub, dezen herbouw van Jcri-
cho ondernam, heeft hij, opdat zijn werk zou gelukken, en de godheid, aan wier eigendom hij zoo-
doende de hand sloeg, de muren niet weder zou omverwerpen, haar zijne twee zonen als zoenoffer
gebracht (1 Kou. XVI: 84). Wellicht kende onze schrijver dit feit en deed het hem den vorm der
vervloeking die hij Jozua over deu puinhoop liet uitspreken aan de hand. Het kan echter ook zijn
dat het versje dat den banvloek behelst ouder is dan Achabs tijd, eu dat Ahiël, de spreuk letterlijk
opvattend, door haar bewogen werd zijn otfer te brengen. — l)e stad komt na Aehnb in Israëls gc-
schiedcuis herhaaldelijk voor eu heeft vooral onder llcrodes zeer gebloeid. Thans is zij verdwenen.
De naam van het gehucht Kr Riha herinnert nog aan de stad die in den omtrek heeft gelegen.
HOOFDSTUK VII.
Achan. — Achan vergrijpt, zich aan den ban; waarover Jahwe iu toorn ontsteekt (1). Jozua zendt
verspieders naar Ai, die terugkeeren met de verzekering dnt de stad gemakkelijk kan worden gon<>-
men (2 v.); de Israëlieten worden echter bij Ai geslagen (lv.); als Jozua, radeloos hierover, zijn god
aanroept (0—!h, verneemt hij van dezen dat de nederlaag cene straf is voor het schenden van den
ban (10—12), en hoe de schuldige opgespoord en gestraft moet worden (111—15). Achan, door het lot
aangewezen, wordt tot bekentenis gebracht (10—21), het gestelene in zijne tent gevonden en voor
Jozua nedergelegd (22 v.). Hij wordt met al het zijne uitgeroeid (24 v.), en op zijn lijk een steenhoop
opgeworpen (20).
Dit verhaal is uit hot Oudc-Sagcnbock; hier en daar echter draagt het de sporen van overgewerkt
te zijn; zie op vs. 25. Het heeft de strekking, den Israëlieten de heiligheid van den ban iu te schcr-
pen, en tevens aan te toouen dnt de door hen bij de verovering van Kauaiin ondervonden tegcnspoc-
den het gevolg waren van ongehoorzaamheid aan Jahwe.
VII: 1 Maar de Israëlieten vergrepen zich aan den ban; Achan, de zoon van
Karmi, den zoon van Zamri, den zoon van Zerah, uit den stam Juda,
nam iets van het gebannene; zoodat Jahwe in toorn ontstak tegen de
Israëlieten.
2           Jozua nu zond eenige mannen uit Jericho naar Ai, dat bij Beth-
awen, ten oosten van Bethel, ligt, met dezen last: Trekt op en ver-
3       spiedt het land. En zij trokken op en verspiedden Ai.\' Tot Jozua
teruggekeerd, zeiden zij tot hem: Het gansche volk behoeft niet op
te trekken; laten omstreeks twee of drie duizend man optrekken en
Ai veroveren, (jij behoeft voor den tocht daarhenen het gansche volk
4       niet te vermoeien; want die daar zijn niet talrijk.\' Zoo trokken
uit het volk omstreeks drie duizend man daarhenen op; maar zij
5       gingen op de vlucht voor de burgers van Ai;\' dezen versloegen van
1.   Dit vers is eenc soort van opschrift en behelst eene korte inhoudsopgave van het na volgende
verhaal. Waarschijnlijk is het door een ovcrwerker toegevoegd. Verg. 1 Kron. II: 4—8. — Zamri,
volg. Gr. vert.; verg. 1 Kron. 11:0; Hebr. t. Zabdi. Kvenzoo in vs. 17 en 18. — \'Aerah. Zie inl. op
Gen. XXXVIII.
2.   Ai. Zie op Gen. XII: 8. — Beth-ttvcti. Deze plaats, nabij Michmas, komt nog voor XVIII: 12;
1 Sam. XIII: 5; XIV: 23; verg. op Hoz. IV: 15. — Bethel. Zie inl. op Gen. XXVIII: 10—22.
5. de rotihlokke», onzekere vertaling. Wellicht is het een cigciuiuain, Sjebarim. — de Glooiing.
Welke streek of plaats tusschen Ai en Jericho zóo heette, is onbekend. — Toen — tcafer. Verg. op
Ezcch. VII: 17.
-ocr page 412-
492
J07.ua VII: 5—19.
hen omstreeks zes en dertig man, en zetten hen buiten ile jioort na
tot aan de rotsblokken en versloegen hen bij de ti looiing. Toen ver-
b\' smolt het hart des volks en werd als water.\' En Jozua scheurde zijne
kleederen, wierp zich, met de oudsten van Israël, op zijn aangezicht
ter aarde voor Jahwe\'s ark, tot den avond toe, terwijl zij stof op hun
7       hoofd strooiden;\' en Jozua zeide: Ach, Heer Jahwe! waarom hebt gij
dit volk den Jordaan doen overtrekken, om ons in de hand der Amorieten
te geven en te gronde te richten.\' Hadden wij toch besloten in het
8       üverjordaansche te blijven!\' Och Heer, wat zal ik zeggen, uu Israël
\'J zijnen vijanden den rug heeft toegekeerd ?\' Wanneer de Kanaünieten
en de overige bewoners des lands dit hooren, zullen zij ons omsingelen
en onzen naam van «Ie aarde uitroeien; en wat zult gij dan doen voor
1U uwen grooten naam." Toen zeide Jahwe tot Jozua: Sta toch op! Wat
11       ligt gij daar op uw aangezicht!\' Gezondigd heeft Israël: ja, gesehon-
den hebben zij mijn verbond, waartoe ik hen verplicht had, iets weg-
genomen van het gebannene, het gestolen, stil weggeborgen en bij hun
12       huisraad gelegd.\' Daarom kunnen de Israëlieten geen standhouden
tegen hunne vijanden en keeren zij hun den rug toe; want zij zijn
onder den banvloek gekomen. Ik zal voortaan niet meer met u zijn,
13       tenzij gij den ban uit uw midden delgt.\' Sta op, heilig het volk en
zeg: Heiligt u tegen morgen; want aldus zegt Jahwe, Israëls god: Er
is een ban in uw midden, Israël! gij kunt geen standhouden tegen-
over uwe vijanden, zoolang gij den ban niet uit uw midden verwijderd
14       hebt.\' Daarom zult gij morgen ochtend, stam voor stam, nadertreden;
dan zal de stam dien Jahwe zal aanwijzen, geslacht voor geslacht, nader-
treden; daarna het geslacht dat Jahwe zal aanwijzen, gezin voor gezin;
15       eindelijk het gezin dat Jahwe zal aanwijzen, man voor man.\' En hij
die als schuldig aan den ban wordt aangewezen zal met al wat hem
behoort verbrand worden; «laar hij het verbond van Jahwe geschonden
en eene dwaasheid in Israël gedaan heeft.
1(5          Den volgenden morgen maakte Jozua zich op en deed Israël, stam
17       voor stam, nadertreden; aangewezen werd de stam Juda.\' Daarna liet
hij de geslachten van Juda nadertreden en werd dat der Zarhieten
aangewezen. Voorts het geslacht van Zerah, gezin voor gezin; aange-
18       wezen werd Zamri.\' Vervolgens diens gezin, man voor man; aange-
wezen werd Achan, de zoon van Karmi, den zoon van Zamri, den zoon
19       van Zerah, uit den stam Juda.\' Toen zeide Jozua tot Achan: Mijn
C. scheurde zijne klecderen. Zie op Gen. XXXVII: 2\'J. — terwijl — strooiden. Dit WH ecu teeken
van rouw, 1 Snm. IV: 12; 2 .Snin. 1:2; XV: 32 enz.; Terg. op 2 Snm. XIII: 10. Ook wentelde men
zich in stof en asch, Kzcch. \\ \\ \\ II : 30.
0. onzen — uitroeien. Verg. Peut. Vil: 21. — wal — naam.\'\' Al» gij uw volk luat te gronde gann,
zal uw naam in de schatting der andere volken zijn l\'Iiiih hebken verloren; verg. Exod. XXXII: 12;
Num. XIV: 13—16; Drat IX : 26—29.
13.  heilig — morgen, /ie op Kiod. XIX : 10.
14.  nadertreden, nl. vóór Jahwe, die door den priester vertegenwoordigd werd. — dien — aanwij-
zen.
Dit geschiedde waarschijnlijk door het lot. Daardoor liet men dikwerf, bij gemis van getuigen,
den schuldige aanwijzen, 1 Snin. XIV :Uv.; Jona 1:7, en trachtte men ook in andere gevallcu
Jahwe\'s wil uit te vorschcu, 1 Nam. X: 20 v.; Spr. XVI: 33; XVIII: 18. Het lot werd ncworpcn,
doch ook getrokken, waarschijnlijk uit eene bus of urn, waarin zich scherfjes bevonden, beschreven
met de namen der personen of zaken die in aanmerking konden komen. — man coor man, alle vol-
wassen mannelijke personen die tot een geziu of eene familie behoorden. Ook de gehuwde zonen wcr-
den daartoe gerekend zoolang de vader in leven was, vaak ook de jongere broeders zoolang zij met
den oudsten, het hoofd des pezins, samenwoonden.
15.  zal — verbrand Korden. Zie op vs. 25. — eene dwaasheid — heeft. Zie op ficu. XXXIV\' i 7.
17. de geilaehten, met vcrandcriug van klinkers naar Gr. vert.; Hcbr. t. het geslacht. — werden
— aangewezen, volg. verb. t.; Hebr. t. hij weet het geslacht van Zerah aan. — getin voor gezin, volg.
cenige handschriften cu oude vertt.; Hcbr. t. man voor man. — Zamri, nl. zijn gezin. Zie verder
op vs. 1.
-ocr page 413-
493
JOZUA VII: 19—VIII: 1.
zoon, betoon toch eerbied voor Jahwe, Israëls god, en breng hem buide:
deel mij toch mede wat gij gedaan hebt, en verheel het mij niet.\'
20       Daarop antwoordde Achan Jozua: Waarlijk, ik heb gezondigd tegen
21       Jabwe, den god van Israël, door zoo en zoo te handelen:\' ik zag bij
den buit een schoonen mantel van Sjinear, tweehonderd sikkelen zilver,
en eene gouden staal\', vijftig sikkelen zwaar; door begeerte gedreven,
heb ik ze weggenomen: zie, ze zijn in mijne tent in den grond ver-
22       borgen, het zilver onder het andere.\' Toen zond Jozua boden, die zich
naar de tent spoedden: en werkelijk, het was in zijne tent verborgen,
23       het zilver onder het andere!\' Zij haalden het uit de tent, brachten
het bij Jozua en de oudsten van Israël, en stortten het voor Jahwe\'s
aangezicht uit.
24           Hierop nam Jozua, en g.insch Israël met hem, Achan, den zoon van
Zerah, benevens het zilver, den mantel en de gouden staaf, zijne zonen
en dochteren, zijne runderen, ezels en kleinvee, zijne tent met al wat
25       hem behoorde, en zij brachten ze naar de vallei Achor.\' Daar zeide
Jozua: Wat hebt gij ons in het ongeluk gestort! Dies zal Jahwe u
heden in het ongeluk storten. En gansch Israël steenigde hem; men
20 verbrandde ze en wierp hen met steenen;\' waarna men een grooten
steenhoop op hem stapelde, die er tot op dezen dag ligt. Toen liet
Jahwe zijn gloeienden toorn varen. Daarom heet die plaats de vallei
Achor, tot op dezen dag.
10. betoon — hulde, door de waarheid te «preken un alzoo de uitspraak die Jahwe door het lot
deed te bevestigen. Verg. K/ra X:ll.
21. Sjinear, Zuid-Babyloiiic; verg. op Gen. X : 10. — ticeehontteri/ sikkelen zilver, omstreeks /°340.
— eene gouden staaf. Eigenlijk staat er tong, hetwelk als gesp kan worden opgevat; wat echter reeds
om het gewicht onwaarschijnlijk is. — vijftig sikkelen, ruim acht hcctograiu (818,5 gr.).
23.   de oudsten van Israël, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. alle Israëlieten.
24.  de vallei Achor. Op cenigen afstand van dit dal liep volgens XV : 7 de noordelijke grens van
Juda; het komt nog voor Jcz. LXV:10; Hok. 11:14.
25.   En — hem. Het voorgevallene wordt /eer onduidelijk verhaald: het blijkt niet, of de vcrbran-
ding, behalve Achans bezittingen, ook hein /elven trof, zoonis vs. 15 gecischt wordt; is dit wel de
bedoeling, dan ziet men niet in, hoe stceoiging en verbrauding beide op écu persoon konden worden
toegepast. Waarschijnlijk zijn hier, en zoo ook vs. 15, door een o verwerker wijzigingen aangebracht,
en vermeldde het oorspronkelijk bericht de verbranding van Achan, vs. 15, nog niet. — wierp ken
met steenen.
Daar Achan reeds gestecnigd is, kunnen hier alleen zijne betrekkingen en ziju vee bc-
docld zijn; in strijd met Dcut. XXIV: 10. Doch deze woorden, evenals de onmiddellijk voorgaande,
staan hier vreemd; de oorspronkelijke schrijver zou zeker niet verzuimd hebben nader aan te geven,
wie of wat verbrand en wie of wat gestecnigd werd. Zij ziju öf ingelascht öf door ovcrwerking uit
hot verband gerukt.
20. waarna — ligt. Verg. VIII: 29; 2 Sum. XVIII: 17. — Daarom — dag. De naam Achor wordt
verklaard door het Hebrccuwsche woord voor ,in het ongeluk storten\' (vs. 25), dat er ecnigc over-
cenkomst mede heeft. Om dezelfde reden is de unam Achan 1 Kron. II: 7 en in Gr. vert. in Achor
veranderd.
HOOFDSTUK VIII: 1—29.
Inneming van Ai. — Jahwe beveelt Jozua, Ai in te nemen (1 v.); deze maakt zich gereed en zendt
cene afdceling van het leger vooruit, om zich in hinderlaag te leggen (3—9). Hij trekt op, legert
zich in het gezicht van de stad (10 v.) en zendt cene afdceling iu hinderlaag (12 v.). Door den koning
van Ai aangevallen, laat hij zich op de vlucht slaan en uazcttcu (14—17). De troepen die in hinder-
laag gelegen hebben nomen de stad in en steken haar iu brand (18 v.); waarna tb; vijanden omkeercu
en door de Israëlieten ingesloten en geheel verslagen worden (20—23). De stad wordt uitgemoord,
geplunderd en voor altijd tot ecu puinhoop gemaakt (24—28), haar koning opgehangen en onder ecu
steenhoop begraven (29).
Van dit verhaal ia vs. 1 v. (ten deele), 27, 29 vau den Deuteronomischeu bewerker. Het overige
is aan het Oudc-Sagcnboek ontleend; doch ook dit is niet een geheel. De deelcn waaruit het is samen-
gesteld zijn zeer gebrekkig vercenigd; zie op vs. 3, 9, 12 v., 14—17, 19, 20, 24 en 28.
VIII: 1 Jahwe zeide tot Jozua: Vrees niet en wees niet versaagd; neem het
1, neem — naar Ai. Dat Jozua terstond met het gehoole leger naar Ai opbreekt wordt vs. 3a verhaald.
-ocr page 414-
jozua VIII: 1—14.
494
gansche weerbare volk met u, sta op en trek op naar Ai; zie, ik heb
tien koning van Ai niet zijn volk, zijne stad en zijn laml in uwe hand
2       gegeven.\' (jij zult met Ai en haar koning handelen zooals gij met
Jericho en haar koning gehandeld hebt; hare have echter en haar vee
moogt gij buit maken voor u zelven. Leg achter de stad krijgsvolk
3       tegen haar in hinderlaag.\' Toen stond Jozua op, met het gansene
weerbare volk, om naar Ai op te trekken; hij koos dertig duizend
4       man, strijdbare helden, uit, zond hen des nachts henen\' en gal\' hun
den volgenden last: Geelt acht; gij moet u achter de stad tegen haar
in hinderlaag leggen, op niet te grooten afstand van haar, en u allen
f> gereed houden.\' Ik zal met al het overige volk dat bij mij is de stad
naderen. Trekken zij, evenals den eersten keer, tegen ons uit, dan
fi zullen wij op de vlucht gaan:\' en zij zullen ons nazetten, totdat wij
hen van de stad hebben afgetrokken; want zij zullen zeggen: Zij gaan
voor ons op de "vlucht, evenals den eersten keer. Als wij dan voor hen
7       vluchten,\' zult gij uit de hinderlaag opbreken en u van de stad meester
8       maken; Jahwe, uw god, zal ze in uwe vhand geven.\' Zoodra gij de
stad hebt ingenomen zult gij haar in brand steken. Naar Jahwe\'s woord
i) zult gij doen: ziet, ik heb u den last gegeven.\' Zoo zond Jozua hen
henen, en zij legden zich in hinderlaag en bleven tusschen Bethel en
Ai, ten westen van Ai. Maar Jozua bracht dien nacht in het midden
des volks door.
10           Den volgenden morgen maakte Jozua zich op, monsterde het volk
en trok, met Israêls oudsten aan de spits van het volk, naar Ai op.\'
11       Toen het gansche weerbare volk dat hem vergezelde was opgetrokken,
de stad naderde en haar in het gezicht kreeg, legerden zij zich ten
12       noorden van Ai, zoodat het dal tusschen hen en Ai in lag.\' Nu nam
hij omstreeks vijf duizend man en legde hen in eene hinderlaag tus-
13       schen Bethel en Ai, ten westen van de stad.\' Zoo stelden zij het volk
op, het gansche leger ten noorden, en zijne afdeeling voor de hinder-
laag ten westen van de stad. En Jozua bracht dien nacht in het mid-
den van de vallei door.
14           Toen de koning van Ai het zag, maakten de burgers der stad zich
Dit komt niet overeen met vs. 34, waar hij cen deel van het leger vooruitzcudt, om zich in liin-
dcrluag te leggen.
2. sooala — hebt. Zie VI: 21, waar echter van een koning van Jericho geen sprake is; deze
komt wel in H. II voor. — hare have — k zelven. Dit voorschrift, ofschoon harder dan wat Deut.
XX: 18—II ten aanzien van veroverde niet-Kanaanietischc steden Iwpaald wordt, is zachter dan wat
in diezelfde wet, vs. lfi—18, met betrekking tot Kanaiinictischc steden wordt voorgeschreven. De
schrijver, de Dcutcronomischc bewerker, verhaalt ook elders dat Israël zich de steden en bezittingen
der Kannuuicten toeëigemlc en alleen de menschen doodde; zie vs. 27; XI:13v. en verg. op X: 28.
Deze voorstelling is in overeenstemming met XXIV: 13; Deut. VIS 10 v.
8. Hier komen twee voorstellingen voor: in de eerste, helft van het vers wordt bericht dat Joznn
terstond met het gchrele leger optrekt naar Ai; bet vervolg hiervan is vs. 12; in de tweede, dat hij
eene afdeeling vooruitzendt, om eerst daarna, vs. 5, zelf op te rukken.
5. evenalt den eert/en keer. Zie VII: 4 v.
I). Maar — door. Deze woorden komen nagenoeg letterlijk {volk en vallei verschillen in het Hc-
brecuwsch slechts eene letter) in vs. 13 terug. Wellicht zijn ze op eene van beide plaatsen bij ver-
gissing in den tekst gekomen.
10 v. Dit is, met uitzondering van eene enkele uitdrukking (hel gameke weerbare volk), het vervolg
van vs. 34—9.
12 v. Hier zendt Jozun de krijgslieden die zich in hinderlaag moeten leggen eerst uit nadat hij
zelf in de nabijheid van Ai is gekomen; volg. vs. 8 v. had Jozua dit reeds gedaan voordat hij zelf
naar Ai was opgebroken. De afdeeling, hier vijf duizend mnn, bestond volg. vs. \'Mi uit dertig dui-
zend man.
12.  tuuchen — tlatl. Kvenzoo vs. !).
13.  :ij. Jozua en de oudsten; zie vs. 10. Lezing en vertaling van dit vers, vooral van het woord
door afdeeling voor de hinderlaag overgezet, zijn zeer onzeker. — Jocua — door. Hij was dus met
het leger het dnl ingetrokken; volgens vs. 11 hadden zij zich ten noorden vnn het dal gelegerd. —
bracht ...door, volg. vele hss. en vs. 1); Hchr. t. ging.
-ocr page 415-
jozua VIII: 14—27.                                          495
in aller ijl op en trokken tegen de Israëlieten ten strijde uit, hij met
zijn gansche volk, naar de glooiing vóór de Vlakte, zonder te weten
15 dat achter de stad in zijn rug eene hinderlaag lag.\' Jozua en gansch
Israël lieten zich voor hen uit drijven en vluchtten in de richting van
10 de woestijn.\' Nu werden alle hurgers der stad opgeroepen, om hen
na te zetten: en terwijl zij Jozua nazetten werden zij afgetrokken van
17       de stad;\' in Ai hleef\' niemand achter die niet uittrok, de Israëlieten
achterna; zoo lieten zij de stad open achter en vervolgden Israël.
18           Jahwe nu zeide tot Jozua: Strek de strijdknots die gij in de hand
heht naar Ai uit; want ik heh het in uwe hand gegeven. Hierop
19       strekte Jozua de knots die hij in de hand had naar de stad uit.\' En
het krijgsvolk in de hinderlaag, ijlings van zijne plaats opgehroken,
spoedde zich, zoodra hij de hand uitstrekte, naar de stad, trok haar
20       hinnen, nam haar in en stak haar ijlings in brand.\' Toen de burgers
van Ai zich omkeerden, zagen zij den rook van de stad ten hemel
stijgen en hadden zij geen gelegenheid her- of derwaarts te vluchten.
Het volk toch dat op de vlucht was naar de woestijn keerde zich naar
21       de vervolgers.\' Nauwelijks hadden Jozua en gansch Israël gezien dat
het krijgsvolk der hinderlaag de stad had ingenomen en de rook van
de stad opsteeg, of zij keerden om en sloegen de burgers van Ai.\'
22       Intusschen waren de anderen hun uit de stad te gemoet getrokken;
zoodat zij zich in het midden van de Israëlieten bevonden, een deel
aan dezen, een ander deel aan genen kant, die hen versloegen, totdat
23       geen hunner meer over was, ontkomen of ontsnapt.\' Den koning van
Ai grepen zij levend en brachten zij tot Jozua.
24           Nadat de Israëlieten al de burgers van Ai gedood hadden op het
veld en in het gebergte, op de Glooiing, waar zij hen hadden nagezet;
zoodat zij allen, tot den laatsten man toe, door het scherp des zwaards
gevallen waren, keerde gansch Israël naar Ai terug en sloeg haar met
25       het scherp des zwaards.\' Die op dien dag vielen, zoo mannen als
vrouwen, waren tezamen twaalf duizend, de gansche bevolking van
20 Ai.\' Jozua nu trok de hand waarmede hij de knots hield uitgestrekt
niet terug voordat hij alle inwoners van Ai met den banvloek geslagen
27 had.\' Alleen het vee en de have dier stad hebben de Israëlieten voor
14—17. De verwarring in deze verzen, vooral in vs. 11, is een gevolg van ilc inecnvlcchting van
twee verhalen: volgens het cenc trok de koning met zijn gansche volk uit en bleef niemand in de
stad achter j volgens het andorc trok eerst een deel der burgerij uit en volgde het overige toen Israël
vluchtte.
14. de glooiing, volg. verb. t.; verg. op vs. 24; Hebr. t. ter bestemder plaats. — vóór de Vlakte.
Wij weten niet wat hiermede bedoeld wordt.
17.  Ai. Hebr. t. laat nog volgen e» te Bethel, dat volg. Gr. veil. is weggelaten.
18.  de strijdknots. Het aldus vertaalde Hebreeuwsche woord duidt een met ijzer beslagen aanval-
lcnd we.pen. maar noch zwaard, noch lans aan; of het eene knots, dan wel eene bijl was, is onbc-
kend. Het uitstrekken er van bewees dcnzclfden dienst als het opheflen van den staf van Mn/es of
van Aiiron, Kxod. VH: lfl; VIII: 10 v.; XIV: 10; XVII: 5, 8—13: het maakte dat de Israëlieten
hunne vijanden geheel konden verslaan. Vandaar dut Jozua de knots, volg. vs. 20, uitgestrekt hield
tot het einde van den strijd.
1!). De troepen rezen, znodra Jozuu de knots uitstrekte, als niet ecu toovcrslag uit de hinderlaag
op. Misschien echter zijn de woorden zoudra hij de hand uitstrekte door den overwerker, met het oog
op het vorige vers, ingclascht en was de oorspronkelijke bedoeling dat het krijgsvolk, overeenkomstig
vs. 6 v., uit de hinderlaag opbrak hij het zien van de vlucht der Israëlieten.
20. liet — vervolgers. Ent wordt in vs. 21 nog eens medegedeeld: gevolg van de verceniging van
twee verhalen.
24. en in het gebergte, op de Glooiing, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in de woestijn. Over de Glooiing
zie op VII: 5. — koot — nagezet. Eene ecnigszins andere voorstelling vs. 20 en 22, waar de vijsu*
den niet kunnen vluchten en, door de Israëlieten omsingeld, allen op éene plaats worden nedcrgesa-
bcld. — haar, de in de stad achtergebleven bevolking.
20. /ie op vs. 18.
27. naar — had. Zie vs. 2.
-ocr page 416-
49G                                          J07.ua VIII: 27—35.
zich zei ren buit gemaakt naar het gebod dat Jahwe aan Jozua gegeren
28 had.\' Voorts rerbrandde Jozua Ai en maakte liet tot een steenhoop
21) roor eeuwig, tot eene wildernis; wat het nog lieden is.\' En den koning
ran Ai liing hij op aan een paal tot aan den arond: tegen zonsonder-
g.uig nam men op Jozua\'s last zijn lijk ran den paal af, wierp het aan
den ingang der stadspoort en stapelde er een grooten hoop steenen op,
die er tot op dezen (lag ligt.
28.   Voort» — Ai. Volgens Vt. 19 was dit al vóór Jozua\'s komst in de stad gebaard. — maakte —
is. Verg. Deut. XIII: 10. Vim de achtste eeuw af bestond er toch weer ceue stad Ai of Ajjath, Kzra
11:28; Je/. X : 28 en elders. Het is met haar dus gegaan als met Jerieho; verg. on VI: 20.
29.   Jozua handelt overeenkomstig Ilciit. XXI: 23. Eveuzoo X: 20 v. — itapelile — op. F.vcuzoo
VII: 20; 2 Sam. XVIII: 17.
HOOFDSTUK VIII: 30—35.
Uitvaardiging van de wet iu Konaan. — Jozua bouwt op den Ebal een altaar (30 f.) en schrijft
Mozcs\' wet op de steenen (32); het volk staat rondom de ark tussehen den Kbal en den Gerizim (33);
Jozua leest de wet aan het volk voor (34 v.).
Dit stuk, op ceue zeer ongeschikte plaats in het boek iugelascht (verg. op vs. 30), is van een jon-
geren Deuterouomischeii bewerker. Het behelst een bericht omtrent de uitvoering der verordening
Deut. XXVII: 1—8, in velband gebracht met Deut. XXXI: 9—13. Ken nog later schrijver schijnt vs.
33 met ceuige woorden van vs. 34 er aan te hebben toegevoegd, omdat hij meende dat een bericht
omtrent de uitvoering van het voorschrift Deut. XXVII: 11—13 hier niet ontbreken mocht.
VIII: ïtO Toen bouwde Jozua een altaar roor Jahwe, Israëls god, op den berg
31       Ebal,\' zooals Mozes, Jahwe\'» dienstknecht, den Israëlieten berolen had,
gelijk in Mozes\' wetboek beschreren staat, een altaar ran ongehouwen
steenen waarorer men geen ijzer bewogen had. Men bracht daarop
32       brandoffers aan Jahwe en offerde dankoffers.\' Daarna schreef hij aldaar
op de steenen de wet ran Mozes af, ten aanschouwen der Israëlieten.\'
33       En gansch Israël, met zijne oudsten, ambtlieden en rechters, stond aan
weerskanten ran de ark, tegenorer de Levietische priesters, die de
ark des rerbonds ran Jahwe droegen, zoo rreemden als ingezetenen; de
eene helft met het gezicht naar den berg Gerizim, de andere naar den
berg Ebal; zooals Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, geboden had rooraf
34       het rolk Israël te zegenen.\' Daarna las hij al de woorden der wet
voor, den zegen en den rloek, naar al wat in het wetboek geschreren
35       stond.\' Er was geen woord ran al wat Mozes berolen had, of Jozua
las het roor in tegenwoordigheid ran de geheele rergadering ran Israël,
mannen, vrouwen, kinderen en de rreemden die met hen waren gegaan.
3ll. Torn, dus na de verwoesting van Ai; maar toen had Jozua zijn kamp te Gilgal (IX:.6), en
was de streek waarin tic Kbal ligt nog in de macht der Kanaiinietcn (zie X, XI). — den berg Kbal.
Zie
op Deut. XI: 29.
31.  :ooaU — staat. Zie Deut. XXVIUl—8.
32.  op de steenen, vau het altaar. Hoc het mogelijk was op die ongehouwen stccucii iets leesbaars
te schrijven, wordt niet verklaard. Volgens Deut. XXVII: 2—4 waren de steenen waarop de wet moest
staan niet die van het nltnnr, maar nevens het altaar opgerichte; indien dit de bedoeling ook van
onzen schrijver is, dan heeft hij zich zeer onduidelijk uitgedrukt. — ten aanschouwen der Israëlieten,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. welke hij ten aanschouwen der Israëlieten had opgeschreven.
38. Dit vers bericht de uitvoering van het Deut. XXVII: 11—18 voorgeschre.venc, maar wijkt daar-
van niet weinig af: düar stnnn de stammen op de bergen, op eiken berg zes; hier rondom de ark,
iu het tusschen de bergen in liggende dal; daar moet de éene helft den zegen, de nnderc den vloek
uitspreken ; hier is nllceii van het zegenen sprnkc. — zoo creemden als ingezetenen. Hier verraadt de
schrijver zijn leeftijd. Iu Jozua\'s dagen kouden de Israëlieten bezwaarlijk zich /elven ingezetenen en
anderen vreemden noemen. Maar na den tijd van Kzra, toen de Joden midden onder vreemden woon-
den en zij dezen trachtten te binden aan de voorschriften der wet, was die uitdrukking verstaanbaar
en vol beteekenis; verg. op Deut. XXIX: II. — de eene — Ebal. Volgens vs. 30—32 was het volk
op den Ebal verzameld. — vooraf, voordat de wet werd voorgelezen (vs. 34).
34 v. De hier bedoelde wet is die van Ueutcronomium. De voorlezing daarvan moest, volgens Deut.
XXXI: 10—13, om de zeven jaren bij het eenige heiligdom plaats hebben. De schrijver, meenende dat
dit gebod ook terstond bij Israëls vestiging in Kanaan opgevolgd was, vermeldt ze bij het verhaal
van de plechtigheid op den Ebal.
85, mannen, volg. Gr. vert. ingevoegd; verg. Deut. XXXI: 12.
-ocr page 417-
jozua IX : 1—6.
497
HOOFDSTUK IX.
Do Gibeonicten. — Al de koningen vnn Kiinaüu «luiten een verbond tegen Israël (1 v.). T)e inwo-
uers vim Gibeon echter begeven zich naar bet leger der Israëlieten, veinzen uit een ver liinil te
komen, en stellen hun voor, een verbond met hen te sluiteu (3—13). Het verbond wordt aangegaan
(14 v.). Als het bedrog ontdekt wordt, sparen de Israëlieten Gibeon en ouderhoorige plaatsen, maar
verplichten hare bevolking tot slavendicnsten bij den tempel (10—\'21).
Dit bericht is uit stukken van onderscheiden herkomst samengesteld, zoonis blijkt uit de bcrhaliii-
gen en tegenstrijdigheden die er in voorkomen; zie op vs. 8, 15, 16, 21, 88 v., 23 eu 25. Het oorspron-
kclijke, vs. 3—7, 11—10, 22 v., 20 v., is, met uitzondering van enkele woorden in vs. 15, 23, 27,
aan het Oudc-Sagciibock ontleend. Hoc dnt verhaal is ontstaan, laat zich gcreedelijk verklaren. De
bewoners van Gibeon en omliggende plautsen, Kirjutb-jearim, Kctira en Hcërotb, schoon van IIiwwie-
tischen, d. i. Knnnauietischcn of Amorietischen, oorsprong (verg. 2 Sum. XXI: 2), vormden, blijkens
2 Sum. XXI: 1—i1. in Davids tijd een min of meer zelfstandigen staat te midden der Israëlieten;
waarschijnlijk volgens een bezworen verdrag; weshalve de poging van Snul om hen uit te roeien door
de godheid als trouwbreuk beschouwd en strafwaardig gekeurd werd. Later scheen het feit dat een
deel der Kanaanietcn zulk eeue eervolle plaats onder Israël was blijven innemen aanstootelijk eu zocht
men naar eeue oncrgerlijke verklaring daarvan. Ons verhaal vindt die in de lichtvaardighcid waar-
mede Israël geloof had geslagen asu het voorgeven der Gibconieteu dat zij vreemdelingen uit de verte
waren, en laat hen reeds door Jozua tot slaven van het heiligdom maken; wat zij evenwel vóór Sa-
Iomo stellig niet zijn geweest (verg. 1 Kon. IX: 20 v.).
Kceds in het oorspronkelijke verhaal wordt tweeërlei voorstelling van het gebeurde met de Gibco-
nietcn gegeven: volgens de eene worden de onderhandelingen met hen door de mannen van Israël,
volgens de andere door Jozua gevoerd. Later heeft de Deuteronomischc bewerker er vs. 1 v., 0 v.,
21 v. en de laatste woorden van vs. 27 aan toegevoegd. Kindelijk is dit alzoo samengestelde verhaal
met een bericht uit Ezra\'s Wetboek verbonden, waartoe vs. 154, 17—21 eu ceuige woorden van vs.
27 behooreu; hierin treden de vorsten der gemeente als onderhandelaars op eu wordt den Gibconieteu
eeue andere verplichting dan in het oudere verhaal opgelegd; zie op vs. 23.
IX: 1 Toen al de koningen aan de overzijde van den Jordaan liet hoorden,
op Let Gebergte, in de Laagte en langs liet gansche strand der Groote
Zee naar den Libanon toe, de Hittieten en Amorieten, de Kanat\'inieten
2       en Perizzieten, de Hiwwieten en Jebuzieten,\' zoo verzamelden zij zich
om met vereende krachten Jozua en Israël te bestrijden.
3           Maar de inwoners van Gibeon, hoorende wat Jozua met Jericho en
4       Ai gedaan had,\' namen van hun kant eene list te baat: zij gingen
heen en maakten reisbenoodigdheden gereed, namen versleten voeder-
zakken voor hunne ezels mede en versleten wijnzakken, gescheurd en
5       weder samengebonden,\' deden versleten en opgelapte schoenen aan de
voeten en versleten kleederen aan het lijf\', terwijl al het brood voor
6       hun teerkost uitgedroogd en verkruimeld was.\' Zoo trokken zij naar
Jozua in het kamp te Gilgal, en zeiden tot hem en de mannen van
1 V. Al de koningen ten westen van den Jordaan verbinden zich tegen Israël; zooals zij allen
verschrikt waren over den tocht van Israël door den Jordaan, V:l. Van zulk een verbond vnn alle
Kanaünietischc vorsten blijkt in het vervolg niets. Integendeel wordt daar verhaald dat telkens eenige
koningen uit dezelfde streek zich aaneensloten om Israël te bestrijden: volgens X:l—5 vcrbon-
den zich vijf koningen van het zuiden unar aanleiding van Israëls verdrag met de Gibconieteu, en vol-
gens XI: 1—3 vier koningen van het noorden bij het vernemen van Israëls overwinning op de zui-
delijkcn.
1. aan — Jordann, ten westen. De schrijver drukt zich uit alsof hij zich ten oosten van den Jor-
daau bevond. — het. Dit kan niet terugslaan op het onmiddellijk voorafgaande, VIII: 30—35, maar
doelt op de verovering van Jericho en Ai. — op — toe. Zie op Dcut. 1:7. — de. Hittieten — Je-
inzitten.
Zie op Deitt. VII: 1. — en, vóór Perizzieten, ingevoegd.
3.   Gibeon, eene stad derdehalf uur ten noordwesten van Jeruzalem, wordt hier, als hoofdplaats der
vier steden van vs. 17, alleen genoemd. Het is dit gebleven (zie op 1 Kou. 111:4) totdat de Gibeo-
uicten geheel onder de Israëlieten, van den stom Benjamin (XVIII: SS), versmolten zijn.
4.  maakten — gereed, volg. de oude vertt.; Hebr. t. beteckent wellicht gingei alt boden op reit. —
weder tamengebonden. Om eene scheur in een wijn- of knrenzak te herstellen, pleegt men nog in het
Oosten de gescheurde deden met een touw samen te hinden.
5.  verkruimeld, onzekere vertaling; anderen betchimmeld.
0. hem en de mannen van Uraël. lleze samenvoeging is vnn de hand van een der samenstellers; zie
O. T. I.                                                                                                                           32
-ocr page 418-
jozua IX: 6-19.
498
Israël: Wij komen uit een ver land; sluit dus met ons een verbond.\'
7       Maar de mannen van Israël zeiden tot de Hiwwieten: Wellicht woont
gij in ons midden; hoe zouden wij dan een verbond met u sluiten?
8           Zij zeiden tot Jozua: Wij zijn uwe dienaren — waarop Jozua bun vroeg:
9       Wie zijt gij en van waar komt gij\'\' Zij antwoordden bem: Uwe die-
naren zijn uit een zeer ver land gekomen om den naam van Jahwe,
uw god; want wij liebben van hem booren gewagen: van al wat hij
10       in tëgypte gedaan heeft\' en van al wat hij gedaan heeft aan de beide
koningen der Amorieten aan de overzijde van den Jordaan, Sihon, den
11       koning van Hesbon, en Og, den koning van Bazan, te Astarotb.\' Daarom
zeiden onze oudsten en al onze landgenooten tot ons: Neemt teerkost
voor de reis met u mede, gaat hun te gemoet en zegt tot hen: Wij
12       zijn uwe dienaren; sluit dan met ons een verbond.\' Hier is ons brood;
wij hebben bet warm van huis medegenomen, toen wij naar u op reis
13       gingen, en zie, nu is het uitgedroogd en tot kruim geworden;\' en
hier zijn de wijnzakken, die nog nieuw waren toen wij ze vulden; ze
zijn nu gescheurd; en hier zijn onze kleederen en schoenen; ze zijn
versleten van de zeer lange reis.
14           Toen namen de mannen van hun teerkost, en zij raadpleegden Jahwe
15       niet.\' En Jozua knoopte vriendschapsbetrekkingen met hen aan en
sloot met ben een verbond dat hij ben in liet leven zou laten; de
vorsten der gemeente beloofden het bun onder eede.
10          Drie dagen nu nadat zij met hen een verbond hadden gesloten hoor-
den zij dat zij uit hunne naaste omgeving waren en in hun midden
17       woonden.\' Toen de Israëlieten waren opgebroken, kwamen zij den
derden dag bij hunne steden, welke waren: Gibeon, Kerira, Beëroth
18       en Kirjath-jearim.\' Doch de Israëlieten versloegen hen niet, daar de
vorsten der gemeente hun een eed hadden gezworen bij Jahwe, tien
god van Israël. Daarom morde de ganscbe gemeente tegen de vorsten;\'
19       maar dezen zeiden tot de gansche gemeente: Wij hebben hun een eed
gezworen bij Jahwe, Israëls god; daarom mogen wij de hand niet aan
op vs. 8. — woont gij in om midden. Dezelfde uitdrukking vs. 1G. Zij is zeer ongepast; want nadat
slechts twee steden door de Israëlieten waren ingenomen, konden dezen niet spreken van Kanaünictcn
die in hun midden woonden.
8. Hier begint blijkbaar een ander verhaal, waarin, in plaats van „de mannen van Israël", Jozua
de handelende persoon is, en de onderhandelingen geopend worden, die volg. vs. 0 v. reeds een eind
gevorderd waren.
\'M, 10. Zie 11:10.
11. hun, den Israëlieten, Jahwe\'s volk.
14. de mannen, de mannen van Israël, vs. 7. — Zij gingen af op do getuigenis van dien teerkost
en vonden het onnoodig Jahwe te raadplegen.
IK. dal — laten. Dit kan de inhoud van het verbond niet geweest zijn, daar Jozua niet wist dat
hij met Kanaünieten te doen had. De schrijver drukt zich aldus uit met het oog op de gevolgen die
dit verbond voor de Gibeonieten had. — de vorsten — eede. Terwijl in het voorgaande sprake was
van onderhandelingen of met Jozua öf met de mannen van Israël, treden hier op eens de vorsten der
gemeente als onderhandelaars op. Deze woorden zijn dus weder van een anderen schrijver, dien van
Kzra\'s Wetboek.
16.   hoorden zij, in hun kamp te Gilgal. Volgens vs. 17 bemerkten zij de list eerst toen zij tegen
de Gibeonieten waren opgetrokken.
17.   Kefira, volgens XVIII: 20 ceno stad in Benjamin, ten westen van Gibeon. — Beëroth, welks
naam beteokent ,putten\', eveneens in Benjamin, XVÏII: 25; 2 Sam. IV : 2 v., lag drie uren ten noor-
den van Jeruzalem. Over eenc andere plaats vau dien naam zie I Vut. X: fi. — Kirjath-jearim, d. i.
.woudenstad\', lag omstreeks drie uur ten westen van Jeruzalem, dus ten zuidwesten vnn Gibeon. Zij
is hoogstwaarschijnlijk aan de Gibeonieten ontrukt door de Judccrs, toen dezen, geruimen tijd na het
verdrag der Gibeonieten met Israël, van het zuiden in het land drongen (verg. iul. op Jozua). Toen
kreeg de plaats den naam van Kirjath-Baiil of voluit Kirjath-Baal-Juda, d. i. ,de stad van Juda\'s
boül\' of ,god\' (XV: 60; XVIII: 14 v.; 2 Sam. VI: 2), welke naam om zijn nanstootelijk karakter (verg.
op Richt. 11:11) vaak öf verminkt is (XV: 9 v.; 2 Sam. VI: 2; 1 Kron. XIII: 6; verg. t. pi.) öf
voor dien van Kirjath-jearim plaats moest maken. In deze stad heeft geruimen tijd de ark van Jahwe
gestaan (1 Sam. VI: 21; VII: 1 v.; 2 Sam. VI: 2).
-ocr page 419-
jozua IX: 19—27.
499
20       hen slaan.\' Aldns zullen wij met heu handelen: wij zullen hen in
het leven laten; opdat geen gramschap over ons loshreke wegens den
21       eed dien wij hun gezworen hehben.\' Toen bepaalden de vorsten te
hunnen aanzien: zij mogen in liet leven blijven. En zij werden hout-
hakkers en waterdragers voor de gansehe gemeente, zooals de vorsten
omtrent hen hadden bevolen.
22           Toen ontbood Jozua hen en sprak tot hen aldus: Waarom hebt gij
ons bedrogen door te zeggen: Wij wonen zeer ver van u verwijderd —
23       terwijl gij in ons midden uwe woonplaatsen hebt/\' Daarom, weest
vervloekt! Steeds zullen er uit uwe afstammelingen slaven zijn, hout-
24       hakkers en waterdragers aan het huis mijns gods.\' Zij antwoordden
Jozua en zeiden: Toen uwen dienaren werd medegedeeld wat Jahwe,
uw god, aan zijn dienstknecht Mozes als zijn wil had bekend gemaakt,
dat hij u het gansehe land geven en alle inwoners des lands voor
u uit verdelgen zou, zijn wij zeer bevreesd geworden dat gij ons het
25       leven benemen zoudt; daarom hebben wij dit gedaan.\' Nu dan, wij
zijn in uwe hand; doe met ons zooals goed en recht in uw oog is.\'
20 En hij deed aldus met hen en redde hen uit de hand der Israëlieten,
27 dat zij hen niet doodden.\' En Jozua maakte hen te dien dage tot
houthakkers en waterdragers voor de gemeente en voor het altaar van
Jahwe, tot op dezen dag, aan de plaats die hij zou uitkiezen.
Vs. 25. Jer. XXVI: 14.
20.   Aldus — handeli.it. Wij verwachten nu te zullen vernemen, welke beschikking de vorsten om-
trent de Gibconictcn hebben genomen. Doch daarvan wordt niets medegedeeld. Pit vs. 21/; blijkt
echter dat oorspronkelijk hier iets moet hebben gestuuu als: wij /.uilen hen tot houthakkers en water-
dragers maken. Dat iets van dien aard in Hebr. t. is uitgevallen blijkt ook hieruit dat daarin aan
wij zullen voorafgaat en. — gramschap, van Jahwe.
21.   houthakkers en waterdragers. Dezen behoorden tot de laagste klasse der maatschappij; Deut.
XXIX: 11. Merkwaardig is het, dat de schrijver van vs. 18—21, die van Ezra\'s Wetboek, de Oibco-
uicten, in plaats van tot slaven des heiligdoms, zooals het oudo verhaal deed, vs. 23, verg. vs. 27,
tot slaven der gemeente maakt. Blijkbaar wil hij de heidensche afkomst cler „geschonkenen" of tem-
pelslavcn doen vergeten, die in zijn tijd, o. n. door verdichte geslachtsregistcrs, bij de Levieten waren
ingelijfd; zie inl. op Num. III, IV.
22 V. Voortzetting van vs. 16. Jozua bepaalt, welke plaats de Gibeonieten ouder Israël zullen in-
nemen: volgens vs. 20 v. hadden de vorsten der gemeente dit reeds gedaan.
22.  ontbood, naar zijn knmp te Gilgal.
23.  Hier zijn de twee voorstellingen, op vs. 21 besproken, samcngevlochtcn. Welk het heiligdom
was waarbij, volgens het oude verhaal, Gibeonieten nis slaven moesten dienen, is onzeker; misschien
dat te Gibeon of te Bethel (verg. op Deut. XXXIII: 12); zie verder op vs. 27.
24.  Desgelijks II : 0, bij denzelfden schrijver, den Deutcronomisehen bewerker.
25.  De Gibeonieten verwachten hier blijkbaar hun vonnis nog, dat, volgens vs. 21 door de vorsten
der gemeente, en volgens vs. 23 door Jozua, reeds geveld is.
27. lol — Jahwe. De beide voorstellingen van de bestemming der Gibconictcn zijn hier weder,
evenals vs. 23, verceuigd. — de plaats — uitkiezen, Jeruzalem; zie op Peut. XII: 5. Deze woorden
ziju een invoegscl van den Deutcronomisehen bowerkcr, die het vs. 23 bedoelde heiligdom volstrekt
wil vereenzelvigen met den tempel van Jeruzalem.
HOOFDSTUK X.
Verovering van 55uid-Knna;in. — Adonibezek, koning van Jeruzalem, trekt met vier andere knnin-
gen van zuidelijk Knnaiin op, om Gibeon voor haar afval te tuchtigen (1—5). Jozua komt den Gibco-
n iet en, op hun verzook, te hulp (0 v.); door Jahwe bemoedigd, valt hij de vijnndon aan en verslaat
hen (8—10), terwijl Jahwe hen door hagelstecuen verplettert (11). Volgens Jozun\'s wensch, staat Ue
zon stil totdat de vijanden geheel uiteengcdreven zijn (12—14); waarna hij met zijn leger naar
Gilgal terugkeert (15). Als Jozua verneemt dat de vijf koningen zich in eene grot hebben verscholen
(Mi v.), beveelt hij, hen daar gedurende de vervolging te bewaken (18 v.). Als deze geëindigd is, laat
hij hen ter dood brengen (20—27). Makkeda, T.ibnn, Lachis, Eglon, Hebron, Debir worden ingenomen
en met den banvloek geslagen (28—39). Jozua verovert geheel Zuid-Kannün (40—42) en keert naar
Gilgal terug (43).
Ken deel van dit hoofdstuk, vs. 1—27 is, met uitzondering van vs. 8, 25 en ecnige woorden in
-ocr page 420-
500                                         JOZUA X : 1—X : 10.
vs. 1 en 27, aan het Oudc-Sngcubock ontleend. Dat het uit verschillende Iwstanddcclcn ia samen-
gesteld blijkt uit de auntt. op va. In, 12, 15 en 43. Het verhaalt van de overwinning der Israëlieten
op de tegen Gibcou opgetrokken koningen, maar gewaagt niet van cciic daarop gevolgde verovering
van /.uid-Kaiiaiin ; zie op vs. 15. De Deutcrouomische bewerker, die
Joy.ua voorstelt als den veroveraar
van het geheclc land (verg. iul. op II. XI), breidde dat verhaal aanmerkelijk uit door de toevoeging
van vs. 8, 25, 28—13 en gedeelten van vs. 1 en 27; hij vermeldt — misschien ten deele op grond
van een ouder bcrieht — hoc de Israëlieten, volgens Jahwc\'s belofte en met Jahwc\'s hulp, niet
sleehts ecne grootc overwinning op de verbonden Kanaünictischc vorsten behaald, maar ook geheel
Zuid-Knnai\'tu veroverd en uitgemoord hebben; zie op vs. 41. Over het onhistorisch karakter dezer
voorstelling zie lul.
X: 1         Zoodia Adonibezek, de koning van Jeruzalem, hoorde dat Jozua Ai
ingenomen en met den banvloek geslagen had — evenals met Jericho
en haar koning had hij met Ai en haar koning gehandeld — en dat
de inwoners van Gibeon met Israël vriendschapsbetrekkingen hadden
2       aangeknoopt, en zich in hun midden bevonden,\' werden zij zeer be-
vreesd; want Gibeon was een groote stad, als eeue der koningsteden,
3       grooter dan Ai, en al hare burgers waren krijgshaftig.\' Daarom zond
Atlonibezek, de koning van Jeruzalem, aan Hoham, den koning van
Hehron, 1\'iream, den koning van Jarmuth, Jaria, den koning van
4       Lachis, en Debir, den koning van Eglon, deze boodschap: \' Trekt op
naar mij en helpt mij om Gibeon te slaan, omdat het vriendschaps-
T> betrekkingen met Jozua en de Israëlieten aangeknoopt heeft.\' Hierop
trokken de vijf Amorietische koningen gezamenlijk op: de koning van
Jeruzalem, die van Ilebron, die van Jarmuth, die van Lachis en die
van Eglon, met hunne geheele legermacht, en sloegen het beleg voor
Gibeon en streden tegen haar.
6           Toen zonden de burgers van Gibeon gezanten tot Jozua iu het kamp
te Gilgal met de bede: Trek uwe band niet van uwe dienaren af;
kom ijlings tot ons en verleen ons bijstand en hulp; want alle konin-
gen der Amorieten die op het Gebergte wonen hebben zich tegen ons
7       verzameld.\' Dus trok Jozua uit Gilgal op met liet gansche weerbare
8       volk, altemaal kloeke helden.\' En Jahwe zeide tot Jozua: Vrees niet
voor hen; want ik geef hen in uwe hand; geen hunner zal voor u
9       standhouden.\' Toen nu Jozua hen plotseling overviel — hij was den
10 g.mschen nacht van Gilgal uit voortgetrokken \' — maakte Jahwe dat
zij voor Israël in verwarring geraakten; zij brachten hun eene groote
1 v. Zie op IX: 1.
1.   Adonibezek, volg. Gr. vert.; Ilcbr. t. Adonisedek. Ecne andere overlevering omtrent zijn veldtocht
tegen Israël vin
01
den wij Richt. 1:5—7. — Jeruzalem. Zie op Richt. XIX: 10 v. en op 2 Sam. V : fi.
2.  zij, de koning en de bevolking van Jeru/.nlcm. — ah — kimivgstiden. Gibcou zelf had dus geen koning.
3.   De namen dezer koningen luiden iu de Gr. vert. ceuigsziiis anders. — Ilebron. Zie op Gen.
XIII: 18. — Jarmuth, ecne stad in de Iinagte (XV: 35), ten zuidwesten van Jeruzalem, ten uoord-
westcu van Ilebron. Keue andere stad van dien naam XXI: 2\'J (verg. op XIX : 21). — Lachis, evcu-
eens in de Laagte (XV : 3!)), omstreeks zes uur ten westen van I lebrun, aan de grens van Kilistcu.
Het was MM vesting, waar Amasia van Juda gedood is (2 Kon. XIV: 19), die ingenomen is door
Sanherib (2 Kon. XVIII: 14, 17; XIX: 8; Jez. XXXVI:8; XXXVII:8), en die later aan Xebukadrc
sar het hoofd bood (Jer. XXXIV : 7). — Eglon, eveneens in de Laagte (XV : 3\'J), een klein uur ten
oosten van Lachis.
6.  of het Gebergte. Drie der verbonden koningen woonden in de Laagte; zie op vs. 3.
7.  allemaal, volg. Gr. vert.; Ilcbr. t. en alle.
10. zij brachten ... toe. Ilcbr. t. heeft dit eu de twee volgende werkwoorden iu het enkelvoud. —
Brfth-horon. Vijf uren ten noordwesten van Jeruzalem, iu een zeer stcilcn bergpas, waarover een te allen
tijde veel betreden weg loopt (1 Sam. XIII: 18; 1 Makk. 111:10, 24; VII: 39; IX: 50; Judith
IV : 4). Halverwege den opgang van het noordwesten af lag Laag-llcth-horou, en op het hoogste punt,
ongeveer een uur van die plaats in zuidoostelijke richting verwijderd, Hoog-rleth-horon. Salomo heeft
beide ommuurd (1 Kon. IX: 17). Van de stichting dier plaatsen spreekt 1 Kron. VII: 21. In de
namen van twee dorpen leven die twee lleth-hornns nog voort. Waarschijnlijk is Horonaim, d. i. .De
twee Morons\', 2 Sam. XIII: 34, hetzelfde. — terttoegen — Makkeda, zoodnt deze beide plaatsen de
uiterste punten waren waarheen de Israëlieten hen nazettcii. Keue andere voorstelling vs. 20 v. De
steden lagen beide, volgeus XV : 85, 41, in de Laagte. De verbonden koningen zijn dan, na eerst iu
-ocr page 421-
jozua X : 10—24.                                           501
nederlaag toe bij Gibeon, zetten hen na in de richting van den berg-
11       pas van lieth-horon en versloegen hen tot Azeka en Makkeda.\' Als zij
nu op hunne vlucht voor Israël op de berghelling van Beth-horon
waren, wierp Jahwe groote steenen van den hemel op hen, tot Azeka
toe, zoodat zij stierven; er zijn meer door de hagelsteenen omgekomen
dan door de Israëlieten met het zwaan! gedood.
12           Toen sprak Jozua tot Jahwe, ten dage dat Jahwe de Amorieten aan
de Israëlieten overleverde, en zeide in tegenwoordiglieid van Israël:
Zon, sta stil in Gibeon,
en maan, in Ajjalons dal.
13                        En stil stond de zon,
en staan bleef de maan,
totdat het volk zich op zijne vijanden gewroken had.
Dit staat gesebreven in het Boek des Rechtschapenen. En de zon
bleef\' halverwege den hemel staan en spoedde zich niet ten ondergang,
14       omstreeks een vollen dag.\' Zulk een dag is er vroeger noch later ge-
weest, waarop Jahwe zoo naar iemands stem luisterde; want Jahwe
15       streed voor Israël.\' Daarop keerde Jozua met gansch Israël naar het
kamp te Gilgal terug.
16\'          Intusschen vluchtten die vijf\' koningen en verscholen zich in de grot
17       bij Makkeda.\' Toen men aan Jozua berichtte: De vijf\' koningen zijn
18       gevonden, verscholen in de grot bij Makkeda — \' zeide bij: Wentelt groote
steenen voor den ingang der grot, en stelt er mannen bij om hen te
19       bewaken.\' Maar gij, houdt u niet op; zet uwe vijanden na en laat hunne
achterhoede geen rust. Laat ben niet in hunne steden komen; want
Jahwe, uw god, heeft hen in uwe hand gegeven.
20           Toen nu Jozua en de Israëlieten hen geheel verslagen en hun eene
zeer groote nederlaag toegebracht hadden, zoodat zij geheel vernietigd
waren — eenigen van hen waren ontkomen en hadden zich in de
21       vestingen geborgen —\' keerde het gansche volk behouden naar liet
kamp tot Jozua te Makkeda terug; niemand bad tegen de Israëlieten
22       de tong geroerd.\' Nu zeide Jozua: Opent den ingang der grot, en
23       brengt die vijf koningen uit de grot tot mij.\' Men deed alzoo en bracht
die vijf koningen uit de grot tot hem: de koningen van Jeruzalem,
24       van Hebron, van Jarmuth, van Lachis en van Eglon.\' Zoodra men nu
noordwestelijke richting over den pns vnn Beth-horon gejaagd te zijn, vele uren ver in zuidelijke.
richting achtervolgd. Azeka werd volgens 2 ki nu. XI: 9 door llchabeam versterkt, volgens Jor.
XXXIV : 7 door Ncbukadrcsar belegerd, en was dus ecuc plaats van gewicht; Makkeda wordt XI 1:10
onder de Kannünietischc koningstcdcii opgenoemd.
53
12. Toen — Jahwe. Itedocld zijn de terstond volgondc dichtregelen; deze behelzen echter geen toe-
spraak tot Jahwe. Waarschijnlijk heeft de schrijver die ze hier inlaschtc deze woorden er aan tocgc-
voegd om er een gebed van te maken.
124, \'13. het Boek des Rechtschapene», d. i. van Israël (verg. op Deut. XXX1I:15), alleen hier;
2 Sam. 1:18; 1 Kon. VIII: 12 v. vermeld, heeft, naar het schijnt, cene verzameling volksliederen
behelsd. Keu wenseh als wij hier vinden, dnt het vallen van den avond de volledige overwinning
op den vijand niet verbindere, komt ook bij Grickschc dichters voor. He maan, die er eigenlijk niet
bij te pns komt, wordt genoemd ter wille van den dichtvorm (zie Alg. Inl. $ IV). Verg. Hal).
111:11. De schrijver die deze dichtregelen overnam vatte ze letterlijk op, gelijk ldijkt uit vb. 13*;
verg. Sir. XIA\'I : 4. Dat ze niet tot het oorspronkelijke verhaal behoorden volgt hieruit, dat, toen
Jozua deze woorden uitsprak, de Israëlieten volgens vs. 10 v. reeds eeltige uren van Gibeon verwijderd
waren, zoodat het hun niet kon haten dat de dag te Gibeon langer duurde. — Ajjalons dal. Ajjalon
(XIX:42; XXI:24j 1 Kron. VIII : 13; 2 Kron. XXVIII:18) lag ten westen van Gibeon, ten zuid-
wostcn vnn IJcth-horon.
15. Dit vers, dat vs. 43 letterlijk terugkeert, behelst cene nndcre voorstelling vnn den gang van
zaken dan vs. 20 v., waar wij lezen dat do Israëlieten de vluchtende vijanden hadden vervolgd, Ier-
wijl Jozua te Makkeda gebleven wns.
21. niemand — geroerd, nanr verb. t. Ook niet het geringste leed, al ware het mnnr een scheld-
woord, was den Israëlieten toegevoegd; verg. Exod. XI: 7.
24. set — koningen, ten toeken dat zij u geheel onderworpen zijn; verg. Ps. CX: 1; Jez. LI: 23.
-ocr page 422-
jozua X : 24—37.
502
die koningen tot Jozua had gebracht, riep hij alle Israëlietische mannen
samen en zeide tot de aanvoerders der krijgslieden die met hem ge-
trokken waren: Treedt nader, zet uwen voet op den hals dezer koningen.
En toen zij nadergetreden waren en hun den voet op den hals gezet
25 hadden,\' zeide Jozua tot hen: Vreest niet en zijt niet versaagd; weest
sterk en kloek; want zóo zal Jahwe doen aan al uwe vijanden die gij
2(5 beoorloogt.\' Daarna sloeg Jozua hen neder, doodde hen en hing hen
27       aan vijf palen op, waaraan zij tot den avond bleven hangen.\' Kn met
zonsondergang nam men, op Jozua\'s bevel, hen van de palen af en
wierp hen in de grot waarin zij zich hadden verscholen: waarna men
groote steenen aan den ingang der grot plaatste, die daar liggen tot
op dezen dag.
28           (Jok Makkeda is te dien dage door Jozua ingenomen en geslagen
met het scherp des zwaards; hij trof haar en alle levende wezens
in haar met den banvloek, liet niemand ontkomen en deed met den
koning van Makkeda evenals hij met den koning van Jericlio gedaan
29       had.\' Daarop trok Jozua met gunsch Israël van Makkeda naar Libna
30       en streed tegen haar;\' Jahwe gaf ook baar en baar koning in de
band van Israël; hij sloeg haar en alle levende wezens in haar met
het scherp des zwaards, liet niemand in haar ontkomen en deed met
haar koning evenals hij met den koning van Jericho gedaan had.\'
31       Daarop trok Jozua met ganscb Israël van Libna naar Lachis, sloeg
32       het beleg voor haar en voerde krijg tegen haar.\' En Jahwe gaf Lachis
in de hand van Israël. Hij nam haar den tweeden dag in en sloeg
haar en alle levende wezens in haar met bet scherp des zwaards, juist
33       zooals hij met Libna gedaan had.\' Toen trok Horam, de koning van
Gezer, op om Lachis te helpen; maar Jozua versloeg hem en zijn volk,
34       totdat hij niemand van hen had overgelaten.\' Daarop trok Jozua met
gansch Israël naar Eglon; zij sloegen het beleg voor haar, streden
35       tegen haar,\' namen haar nog denzelfden dag in en sloegen haar met
het scherp des zwaards; alle levende wezens in haar trof hij met den
30 banvloek, juist zooals hij met Lachis gedaan had.\' Daarop trok Jozua
met gansch Israël van Eglon op naar Hebron; zij streden tegen haar,\'
37 namen haar in en sloegen haar, baar koning, al hare steden en alle
26 v. Zie op VIII: 29.
28.   des zwaards, volg. Gr. vort.; Hcbr. t. laat volgen en haar koning. — alt.\' levend* wezen». Of
ook de dieren bedoeld worden, is onzeker. Volgens XI: 14 werden in andere steden vnn Kanaiiu alleen
de menschen gedood. — evenals — had. Hoe met den koning vnn Jeriuho gehnndeld was staat ncr-
gens, doch kan uit VIII : 2, vergeleken met vs. 29, worden afgeleid.
29—39. Zie op vs. 3. I)c richting waarin het leger optrekt is eerst van het noorden (Makkeda)
naar het zuiden (Libna, Lachis), vervolgens naar het oosten (Kglon, Hebron), eindelijk naar het zuid-
westen (Dcbir).
29.   Libna, volgens XII: 15 Kanaünietische koningstad, volgens XXI : 13 aan de priesters gegeven,
lag in de Laagte (XV : 42), waarschijnlijk zuidelijker dan Lachis, daar Sanhcrib op zijn voorgcuotnen
tocht naar Egypte eerst Lachis eu dan Libna belegert (2 Kon. XIX :8; Jez. XXXVI1:8). Ook 2 Kon.
VIII: 22, waar zij te gelijk met de Kdomietcn van Juda afvallig wordt, wijst op cene zuidelijke lig-
ging van deze plaats.
33. Oezer lag aan de westelijke helling van het Gebergte, ongeveer op dezelfde breedte als Jcru-
zalcin. Het wordt XVI: 3; XXI: 21 vermeld en was volg. XII:7, 12 door Jozua veroverd. In onze
plaats daarentegen wordt wel de koning verslagen, maar de stad niet ingenomen, evenmin als XVI:
10; Richt. 1:29. Dit is overeenkomstig de geschiedenis; want zij is eerst onder Salomo den Israclie-
tcn in handen gekomen, 1 Kon. IX: 10. Salomo heeft haar versterkt, en nog iu den vrijheidsoorlog
der Makkabecn was zij ccuc vesting van beteekenis (1 Makk. IV: 15; VII: 45 enz.).
35. trof hij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. laat nog volgen dien zelfden dag.
36—88. Over de verovering van Hebron en Debir vinden wij elders gansch andere berichten: /ol-
geus XIV : 6—15; XV:13v. is Hebron door Kaleb, volgens XV: 15—17 Debir door Othniël ingeno-
men. Richt. 1:10 vermeldt dat Hebron eerst na Jozua\'s dood (Richt. 1:1) door den stam Juda ver-
overd is. Zie ook op XI: 21 v.
37. haar koning, die volgens vs. 23—27, verhaal van een anderen schrijver, reeds gedood was. —
hare steden, de omliggende, van haar afhankelijke plaatsen.
-ocr page 423-
jozua X : 37—XI: 1.
503
levende wezen» in haar, niet liet scherp des zwaards, juist zooals liij
met Eglon gedaan had: hij troi\' haar en alle levende wezens in haar
38 niet den banvloek.\' Daarop keerde zich Jozua niet gansch Israël naar
3\'J Debir, streed tegen haar\' en maakte zich van haar, haar koning en
al hare steden meester; zij sloegen ze met het scherp des zwaards,
en troffen alle levende wezens in haar met den banvloek; hij liet
niemand over; evenals hij met Hehron gedaan had deed hij met Debir
en haar koning.
40           Zoo sloeg Jozua liet g.msche land, het Gebergte, het Zuiden, de
Laagte en de hellingen, met al hunne koningen; hij liet er niemand
over, en al wat adem had trof\' hij met den banvloek, zooals Jahwe,
41       Israëls god, geboden had.\' Jozua versloeg hen van Kades-barnea tot
42       Uaza, het gansche land Goosjen, en tot Gibeon toe.\' Van al die konin-
gen nu met hun land heeft Jozua zich op een maal meester gemaakt;
43       want Jahwe, Israëls god, streed voor Israël.\' Toen keerde Jozua met
gansch Israël naar het kamp te Gilgal terug.
38.   Drbir. Zie op XV: 15.
39.   Hcbr. t. heeft nog aan het slot en evenals hij met Libna en haar koning had gehandeld, dat
volg. (ir. vert. is weggelaten.
40.   de hellingen, van het Gebergte. Waarschijnlijk is de heuvelachtige streek ten westen en ten
oosten er van bedoeld. Daar van de vier dcclen van Judn (/ie op Dcut. 1: 7) alleen de Woestijn niet
genoemd is, wordt deze misschien in de hellingen mede begrepen. — al wal — geboden had. Zie
llcut. XX : 16 v.
41.   Kades-barnea, in het zuiden; zie op Gen. XIV : 7. — Ga:a, de Kilistijnschc stad aan de Mid-
dcllamlschc Zee, in het westen j zie op Gen. X:1\'J. — het gansche land Goosjen. Welke streek hier
en XI: 1(1 met dezen naam aangeduid wordt, is onzeker; misschien het oostelijk gedeelte van Juda,
de Woestijn, in wier zuidelijk deel eene stad Goosjen lag (XV i 51). — Gibeon, in het noorden. — liet
gehcelc zuidelijke deel van Kauaan, van Gibeon af, het land der Filistijnen ingesloten, wordt dus door
Jozua veroverd. De Dcutcronomischc schrijver van XIII: 3; XX111 laat het land niet zoo volledig in
Jozua\'s handen vallen; zie ook op XII: 9—10a.
•12. op een maal, in écu grootcu veldtocht.
43. Aan het slot van het bericht over de verovering van Zuid-Kanaün wordt de terugkeer naar
Gilgal, die volgeus vs. 15 onmiddellijk volgde op de nederlaag der vijf koningen, nog eens vermeld.
HOOFDSTUK XI.
Verovering van Noord-Kanaan. — De koning van Hasor roept de koningen van noordelijk Kauaan
tegen Israël ten strijde (1—3). Zij verecnigen zich (4 v.), maar worden door Jozua overvallen en ver-
slagen (6—9). Deze neemt Hasor in en verwoest het (10 v.); desgelijks de andere koningsteden, die
echter alleen geplunderd worden (12—15). Zoo verovert Jozua, volgcus Jahwe\'s beschikking, het gau-
schc land (16—20). Hij roeit de Knakicten uit van het Gebergte (21 v.); daarna was er rust en kou
het land verdeeld worden (23).
Ook in dit verhaal zijn oudere en jongere bestauddcclen te underschcideu. Volgens de oudste, vs. 1—
9, behoudens kleine inlassehiugeu aan het Oude-Sagenbock ontleend, lijden eenigc koningcu van Noord-
Kanaan, die zich tegen de Israëlieten verbonden hebben, ecue zware nederlaag. De Dcuteronomischc
bewerker, van wiens hand, behalve de uitbreiding van vs. 1—9 (zie op vs. 2 v.), vs. 10—20, 23 is,
hiermede niet tevreden, laat Jozua niet slechts eene groote ovcrwiuniug behalen, mnar ook geheel
Noord-Kanaan tot Daalbek toe (zie op vs. 17) veroveren; zoodat nu het gansche land (verg. inl. op
11. X) ter beschikking der Israëlieten is.
Vs. 21 v., niet slechts met de oude verhalen, mnar ook met dat van den Dcuterouomist in strijd,
is door ecu tateren schrijver ingevoegd.
XI: 1 Zoodra Jabin, de koning van Hasor, dit hoorde, zond hij gezanten
1. Jabin. Deze was, volgens Richt. IV : 2, 7, 17, 28 v. koning te Hasor tijdens Barak en Dehora;
doch zie inl. op Richt. IV, V. — Hasor. Dezen naam, die .oinwnlling\', .vesting\' beteckent, droeg
ini-iT dan cene plaats in Palestina, XV: 23, 25; XIX: 36. De hier bedoelde lag waarschijnlijk ten
westen van den noordelijken rand van het meer Gcuuczaret. Zij viel volg. XIX: 36 aan Naftali ten
deel, was in den tijd der richters de residentie der Knnaauictische vorsten aan wie de Israëlieten in het
noorden ouderworpen waren (Richt. IV), werd door Salomo versterkt (1 Kon. IX: 15) en door Tiglath-
1\'ilezor aan Israël ontnomen (2 Kon. XV : 29). — iiadon (Gr. vert. Maron), onbekend; het komt nog
XII: 19 voor. — Sjimron (Gr. vert. hier en XII: 20; XIX: 15 Sgmoön), onbekend. — Jchsjaf (Gr.
vert. hier en XII: 20 Azif) komt nog XIX: 25 als aan den stam Azcr ten deel gevallen voor; ove-
rigeus onbekend.
-ocr page 424-
504                                            jozua XI: 1—11.
tot Jobab, den koning van Madon, en tot de koningen van Sjimron
2       en Achsjaf,\' voorts tot de koningen die, in liet noorden, op bet gebergte,
in de Vlakte tegenover Kinnerotb, in de Iüiagte en in de beuvelstreek
3       van Dor beerschten,\' de Kanaiinieten van bet oosten en van bet westen,
de Aniorieten, Hittieten, Perizzieten en Jebuzieten op bet gebergte,
en de Hiwwieten aan den voet van den Hermon, in de landstreek
van Mispa.
4           Dezen nu trokken uit met al bunne legers, een volk talrijk als bet
zand aan den oever der zee, niet eene groote menigte paarden en strijd-
5       wagens.\' Toen al deze koningen zicb vereenigd badden, kwamen zij
zich gemeenschappelijk bij bet water van Merom legeren, om met
(5 Israël krijg te voeren.\' Maar Jahwe zeide tot Jozua: Vrees niet voor
ben; want morgen om dezen tijd doe ik ben allen verslagen voor
Israël nederliggen: dan zult gij van bunne paarden de pezen doorsnij-
7       den en bunne strijdwagens verbranden.\' En Jozua verraste ben met
zijne gansebe krijgsmacht bij bet water van Merom, en zij overvielen
8       ben;\' Jahwe gaf\' ben in de band der Israëlieten, die ben versloegen
en nazetten tot Groot-Sidon en tet Misrelbth, ten westen, en tot de
vallei van Mispe, ten oosten; zij versloegen ben zoo dat zij er niemand
9       van overlieten.\' En Jozua handelde met ben zooals Jahwe hem gezegd
had: van bunne paarden sneed hij de pezen door en hunne strijdwagens
verbrandde bij.
10           Te dier tijd teruggekeerd, nam Jozua Hasor in en sloeg baar koning
met bet zwaard; want eertijds was Hasor bet hoofd van al deze konink-
11       rijken.\' Zij sloegen alle levende wezens in haar met het scherp des
2 v. Het viertal van vs. 1 wordt hier, waarschijnlijk door den bewerker, uitgebreid tot al de ko-
ningen vnn Noord-I\'alcstinn. De bepaling vnn hun gebied is zeer onduidelijk.
2.   in het noorden, om het gebergte cu de Laagte te onderscheiden van de gelijknamige streken in
het zuiden. — hel gebergte, dat van Kfrnim en van Naftali; zie op XVII: 15 cu op XX : 7. — de
Vlakte tegenover Kinmroth.
Over Kinnernth zie op Peut. 111:17; tegenover, volg. Gr. vert.; Hcbr. t.
kan wellicht vertaald worden ten znideu ruw. Bedoeld is het noordelijk gedeelte van het Jordaandnl,
ten zuiden vnn het meer Genncznrct; waarover zie op Num. X.\\X1V:11. — de Laagte, ecu gedeelte der
kuststreek, waarschijnlijk de vlakte van Sjarou en verder noordwaarts; verg. vs. 10. — in de IteuveU
6
streek van Dor. een gedeelte van de genoemde kuststreek. Dor lag een paar uur ten zuiden van den
Karmel, aan zee. Zij heeft den Israëlieten lang weerstand geboden (Kieht. 1:27); haar gebied viel
volg. XVII: 11 aan Manasse ten deel en maakte volg. 1 Kon. IV: 11 een van Snlomo\'s districten uit.
In de vierde eeuw en later is Dor cenc somtijds machtige koopstad geweest. — Hebr. t. laat nog
volgen in het westen, dat volg. Gr. vert. is weggelaten.
3.   De hier genoemde volken komen ook IX : 1 voor; verg. op Deut. VII: 1. Anngaandc de woon-
pluatscn van sommigen hunner worden hier nadere bijzonderheden medegedeeld. De Kanaiinieten wor-
den in die vnn het oosten en vnn het westen onderscheiden. De Hittieten worden hier bewoners van
het gebergte genoemd; doch dat waren zij niet, wel de lliwioieten (verg. IX : 7; Gen. XXXIV : 2),
die hier aan den voet van den Hermou geplaatst worden, evenals Kieht. 111:3 in den Libanon, waar
de Hittieten woonden. De Gr. vert. heeft dan ook de namen omgezet. Muur de gcheelc opgave van de
woonplaatsen dezer stammen verdient weinig vertrouwen; daar zij de Jebuzieten undcr de bevolking
van Noord-Knnniin optelt, terwijl zij toch in het zuiden, in den omtrek vnn Jeruzalem, woonden. —
den llermo\':. Zie op Deut. 1:7. — de landstreek van Mispa, vs. 8 de vallei van Mispe genoemd, is
van elders niet bekend. De nnnm Mispa, die .uitzicht\' bcteckent, werd mm menige hooggelegen plaats
in Knnuün gegeven.
t. met — strijdiragens. Zie de beschrijving op Gen. XLI: 43. De Kanaanietcu waren hierdoor sterk;
zie vs. 0; Kieht. 1:1!); IV: 3, 15; V : 22. Tijdens David en Salomo zijn zij bij de Israëlieten in ge-
bruik gekomen, 2 Sani. V1H:4; 1 Kon. IV: 26; IX: 19; X : 26. Verg. op vs. 6 en op 2 Sam. XIII: 29.
5.   het e afr,- ran Merom komt alleen hier en vs. 7 voor. Welk water er mede bedoeld wordt, is
onzeker. Vroeger was men algemeen van mecning dat zoo het meer heette ten uoorden van dat vnn
Gennczaret, vol riet en biezen, het eerste waardoor de Jordaan stroomt, door de Grieken het meer
Sninaehonitis genoemd, thans Kl-Hule. Daarom wordt dit op do meeste kaarten als het meer Merom
aangeduid. Het hier vermelde water lag echter zuidelijker en moet waarschijnlijk een paar uur ton
noorden vnn Hasor gezocht worden.
6.   tle pezen doorsnijden, der pooten; Gen. XLIX : 6 vertaald verlammen. — Het gebruik van paarden
en strijdwagens gold blijkbaar voor ongeoorloofd; verg. op Jez. 11:7.
8. Groot-Sidon. Zie op Gen. XllB. — Misre/oth, slechts hier en XIII: 6, waarschijnlijk eene plaats
of streek aan de kust bij het voorgebergte „de Trap der Tyricra". — ten westen, volgent andere klin-
kers; Hebr. t. (Misrefolh-)maim. — de vallei van Mispe. Zie op v». 8.
-ocr page 425-
505
jozua XI: 11—22.
zwaard, ze treffende niet den banvloek; zoodat geen levende ziel over-
12       bleef. Hasor zelf\' heeft liij verbrand. \' Evenzoo heeft Jozua zich meester
gemaakt van al de steden dezer koningen en van al hare koningen,
die hij met het scherp des zwaards sloeg, ze treffende met den ban-
13       vloek, zooals Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, gehoden had.\' Evenwel, al
de steden die op heuvelen lagen heeft Israël niet verbrand; niet uit-
14       zondering van Hasor alleen, dat door Jozua verhrand is.\' Al de have
dezer steden en het vee hebben de Israëlieten voor zich zelven buit
gemaakt; maar al de menschen hebben zij met het scherp des zwaards
geslagen, totdat zij hen verdelgd luidden: geen levende ziel hebben
15       zij overgelaten.\' Wat Jahwe aan zijn dienstknecht Mozes jrelast had
had deze aan Jozua bevolen, en daarnaar heeft Jozua gehandeld: geen
enkel woord van al wat Jahwe aan Mozes had geboden heeft hij op
zijde gezet.
10          Aldus veroverde Jozua dit gansche land: het Gebergte, bet gansche
Zuiden, de geheele landstreek Goosjen, de Laagte, de Vlakte en het
17 gebergte van Israël met zijne Laagte; \' van den Kalen lferg af, die zich
verheft naar den kant van Heïr, tot aan lküil-Gad, in het dal van den
Libanon, aan den voet van het gebergte Hermon. Ook heeft hij zich
van al hunne koningen meester gemaakt, hen geslagen en gedood.\'
18, 1\'J Geruimen tijd heeft Jozua met al deze koningen krijg gevoerd: \' er
was geen stad die met de Israëlieten vrede sloot, behalve de Hiwwieten
die te Gibeon woonden; alles hebben zij met de wapenen veroverd.\'
20       Want Jahwe had het zoo beschikt dat hij hun hart verhardde om
vijandelijk tegen Israël op te treden; opdat men hen met den banvloek
treffen, geen genade hun bewijzen, maar hen verdelgen zou, zooals
Jahwe aan Mozes geboden had.
21            Te dier tijd kwam Jozua en roeide de Enakieten uit van het Ge-
bergte, van Hebron, Debir, Anab, van het gansche gebergte van Juda
en van dat van Israël; te gelijk met hunne steden heeft Jozua hen met
22       den banvloek geslagen.\' Er zijn geen Enakieten in het land der lsraë-
12.  sooala — had. Zie Dcut. VII; XX:10v.
13.   op heuvelen, met Verandering vim «en klinker; Hcbr. t. o/t hun of haar heuvel. In onderschei*
iling van gehuchten en plaatsen van het platteland, wuren de steden meestal op «on h«uvel of een
opgehoogd terrein aangelegd.
14a. Verg. VIIJ: 2, 27.
16.   Met het Gebergte, het Zuidnt, Goosjen (zie op X : 41) en de Laagte worden de onderscheiden
dcclen van Judo nnngednid, met de Vlakte het gcheelc Jordaandnl. liet gebergte van hraéï met tifn*
Laagte
omvat, zooals uit vs. 17 blijkt, zoowel het gebergte ten noorden van de vlakte van Jizreël met
de kuststreek ten wvstcn, als het gebergte ten zuiden dier vlakte met zijne kuststreek; zie op vs. 2.
17.  den Kalen — tiéir, hier en XII*. 7 de zuidelijke punt van Kanaiin, van onbekende ligging. —
Baiil-Gad, waarschijnlijk dezelfde plaats die Kicht. 111:3; 1 Kron. V : 23 Baiil-llemnm genoemd wordt
(verg. op Num. XXXIV: 11), zoo gehecten naar den god Rad (verg. op Gen. XXX: 11). Waar deze
stad, die hier en Ml: 7 (verg. XIII: 5) als noordelijkste punt van het daar J
oz.ua verov«rd« luud
voorkomt, lag, is onzeker; dnur wij niet neten of met den Hermon. aan welks voet zij lag, alleen
het zuidelijk gedeelte van den Antilibnnos, dun wel ook het noordelijk deel van dit gebergte aangeduid
werd (verg. op Dcut. 1:7 en op Peut. 111:9). Waarschijnlijk ook b«t laatste, daar het dal tan den
Libanon
moeilijk iets anders kun zijn dan het dal tusscheu den Libanon en den Anlililmiios, dat hij de
Grieken Cele-\\i/tië, d. i. ,het holle Syrië\', heette en thans de Boekna, d. i. ,het dal\', genoemd wordt. In
dit geval is Baat-God het latere Heliopolis, het tegenwoordige liualbek, aan den westelijken voet van
den Antilibnnos.
19. allee — veroverd. Deze voorstelling is in strijd met XIII: 2—6; XV:03; XXIII: 12—16; Hicht.
1:27—36; 111:1—6 enz.
21 v. Deze mededceling strookt niet met X : 36—39, waar Jozua reeds bij d« verovering van Zuid-
Kanadn de bcvolkiug dier steden uitroeit; noch met vs. 19; X : 41, volgens welke plaatsen het gansche
land, Filistea er onder begrepen, reeds veroverd was; noch met XIV : 6—15; XV: 13—19, waar do
bewoner» van Hebron en Debir, niet door Jozua, maar door Kalcb en Othniël worden verdreven.
Waarschijnlijk zijn deze verzen ingevoegd door iemand die in het verhaal van de verovering van
Kanaan door Jozua noode het bericht miste dat deze held ook de overwinnaar der Knakicten was
geweest.
21. Enakieten. Zie op Num. XIII: 22. — Jttab, alleen nog XV: 50 vermeld, overigens onbekend.
-ocr page 426-
506                                        jozua XI :2«—XII: 8.
lieten overgebleven; alleen te Gaza, Gathen Asdod zijn er overgebleven.\'
Toen nu Jozua bet gansohe land veroverd bad, overeenkomstig al wat
Jahwe aan Mozes bad geboden, gal\' bij bet aan Israël ten erfdeel, vol-
geus bet aandeel dat hun, stam voor stam, toekwam. Nu kreeg het
land rust, was vrij van oorlog.
22.   Gaza, (la/h en Aedud, met Askclon en Kkron ilc vijf steden der Filistijnen. Over Gaza zie op
Gen. X : l!l. Kvcnals deze stad, lag Asdod iinu de Middcllnndschc Zee, maar cenige uren noordelijker.
J)c ligging van Gath is niet bekend; waarschijnlijk Ing het meer landwaarts in.
23.   Nu — oorloi). Zie op XIV: 15. J)c uitdrukking „kreeg het liiud rust" kuml herhaaldelijk voor
in Kohieren (111:11, 80 enz.).
HOOFDSTUK XII.
De door Israël overwonnen koningen. — In het Ovcrjordaanschc heeft Israël het land van twee
koningen veroverd, van de beek Arnon tot den Ilcrmon (1—6). Ten westen van den Jordaan, van
den Kalen Herg tot lluül-Gad (7 v.), het gebied van dertig koningen (I)—24).
Dit hoofdstuk is van den Dcutcrouomisehen bewerker. Hij stelt Jozua voor als den overwinnaar van
al de Kanaanictisehc koningen, dertig in getal; volgens het Oiidc-Sngonboek had hij, na de verovering
van Jcricho en Ai, slechts negen Kniiaauietiselie koningen, eerst vijf van het zuiden, daarna vier van
het noorden, verslagen (X eu XI).
XII: 1 Dit zijn de koningen van het land die door de Israëlieten verslagen
zijn en wier land zij in bezit genomen hebben aan de oostzijde van
den Jordaan, van de beek Arnon tot aan bet gebergte Hernion, met
\'2 de gebeele Vlakte, ten oosten: \' tëihon, de koning der Amorieten, die
te Hesbon woonde. Hij voerde bet bewind van Aroër ai", aan den oever
der beek Arnon, halverwege de beek, langs bet grondgebied der Am-
Jl monieten, en over half Gilead, tot aan de beek Jabbok; \' verder over
de Vlakte tot aan bet meer van Kinnerotb, ten oosten, en tot aan de
zee der Vlakte, de Zoutzee, ten oosten, in de richting van Heth-
4       hajjesjimotb, ten zuiden onder aan de hellingen van den Pisga.\' En
Og, de koning van Bazan, die tot het overschot der Kefaïeten behoorde
5       en te Astaroth en te Edreï woonde.\' Hij voerde het bewind op het
gebergte Hermon en te Halcha en in gansch IJazan, tot aan het gebied
der Gesjurieten en der Matiehathieten, en over half Gilead, tot aan
6\' het gebied van Hibon, den koning van Hesbon.\' Mozes, Jahwe\'s dienst-
knecht, en de Israëlieten hebben ben verslagen, en Mozes, Jahwe\'s
dienstknecht, heeft dat land tot een erfelijke bezitting aan de Kube-
nieten, de Gadieten en den balven stam Manasse gegeven.
7           En dit zijn de koningen des lands die door Jozua en de Israëlieten
verslagen zijn aan de westzijde van den Jordaan, van Baal-Gad in het
dal van den Libanon tot aan den Kalen Herg, die zich verheft naar
tien kant van tëeïr. En Jozua gaf dit land tot eene erfelijke bezitting
aan de stammen van Israël, volgens het aandeel dat aan ieder toekwam:\'
8       op het Gebergte, in de Laagte, in de Vlakte, aan de hellingen, in de
V«. 1—6. XIII: 8—12.
1—6. Zie Deut. 11:81—111:17 en de aantt. aldaar.
1.  dr geheele vlakte, ten oosten, de gchcele oostelijke zijde van het Jordaandal.
2.  In dit vers zijn cenige woorden omgezet, evenals in Deut. 111:16; zie aldaar.
8. in de richting — 1\'iaga. He Vlakte, voor zoover zij tot Sihons gebied behoorde, Btroktc zieh
oostwaarts uit in de richting van Hcth-hujjesjimoth (zie op Numi. XXXIII: 40), terwijl de hellingen
vim den l\'isga hare zuidelijke grens waren.
4. Og. llcbr. t. laat voorafgaan het gebied ran, dat volg. Gr. vert. it weggelaten.
6.  hen, Sihou en Og. — dal land, duidclijkheidshalve; llcbr. t. het.
7.   Baal-Gad. Zie op XI: 17. — En Jozua — Iiraël. Dat niet Jozua het gebied van al de straks
volgende koningen aan de Israëlieten kan hebben gegeven, blijkt voor Jeruzalem uit XV: 68; Richt.
XIX: 11 v.; 2 Sam. V:6—\'J; voor Hcbron eu Dehir uit Richt. I: 1(1—13; voor Arad en Horma uit
Kicht. l:16v.j voor Taunach en Megiddo uit XVII: 11—13; Kicht. 1:27.
-ocr page 427-
5U7
jozua XII: 8-24.
Woestijn en in het Zuiden, <le Hittieten, Aniorieten, Kanaiinieten,
(J Perizzieten, Hiwwieten en Jebuzieten:\' de koningen van .Jericho, van
10,11 Ai bezijden liethei,\' van Jeruzalem, van Hebron,\' van Jannuth, van
12-14 Lachis,\' van Eglon, van Uezer, \' van Debir, van (ieder,\' van Honua,
15-17 van Arad, \' van Libna, van Adullam, \' van Makkeda, van Bethel,\' van
18, 1!( Tappuab, van Hefer, \' van Afek in de streek .Sjaron,\' van Madon, van
2U-22 llasor,\' van Sjimron, van Achsjat\',\' van Taiinaidi, van Megiddo,\' van
23       Redes, van Jokneam aan den Karmel,\' van Dor in liet heuvelland
24       van Dor, van de volkstammen van üalilea,\' en van Tirsa, van elke
stad éen; samen dertig koningen.
9—24. Lijst der door Israël overwonnen koningen. l)czc lijst worilt iu ilu Hcbrecuwsche bijbels op
ceue eigenaardige manier geschreven, nl.
de koning                                       van Jericho                                                       ten,
de koning                                       van Ai bezijden licthcl                                     écu,
en zou dertig regels. Blijkbaar wilden de overschrijvers die baar zoo inrichtten, dat al die glorierijke
overwinningen met ophef zonden voorgelezen wolden. Verg. op Kst. IX: 7—9.
\'J—lfttf. Vijftien koningen van zuidelijk Knnnan. Na die vim Jericho en Ai (VI, VII), worden de
vijf kon
71
ingen van X : 3 opgenoemd ; daarop volgen, behalve de andere volgens X : 28 v. 33, 88 ovcr-
wonueii koningen, de namen van vier nog niet vermelde. In overeenstemming met XIII: 3; XXIII,
muur iu afwijking van X: 11, ontbreken iu deze lijst de koningen der Kilistijnscho steden.
13.   (leder, onbekend; waarschijnlijk hetzelfde als Oei/era, in de Laagte (XV : 3)1), en (iederolh, iu
de nabijheid van Ajjalon en Soeho (2 Kron. XXVIII: 18); verg. op 1 Krou. 11:51.
14.  Over llorma en Arad zie op Num. XXI : 1—3, 1 en 3.
15.  Adullam. Zie op Gen. XXXVIII: 1.
10A—18. De hier genoemde steden liggen iu het midden van Katinün. Van hare verovering wordt
in de voorgaande hoofdstukken niets vermeld. — Ta/>pua/i, waarschijnlijk hetzelfde als lCn-Tappuah,
op de grous van Kfrniin en Maiuisse (XVI: 8; XVII: 7 v.); een ander Tiippuiih lag in de Laagte van
Jitda (XV: 34). — llefer, onbekend. Ken Galh-llefer lag iu Zebulon (XIX: 13), ecu Ha/araim, d. i.
de ,twcc Hefcrs\', in Issaehar (XIX: 19), eenc landstreek llefer iu Juda (1 Kon. IV: 10). — Afek in
de aireek Sjaron,
volg. fir. vert.; Hcbr. t. Afek, (de koning) MM Laaajarou. Het lag niet ver van
Jizrccl en is bekend door de overwinning der Israëlieten op de Arnnicers; verg. op 1 Sam. IV : IA.
Ken ander Afek XIII: 4. ])c streek Sjaron, niet te verwarren met de gelijknamige kustvlakte tusschen
Cesaren en Joppc, strekte zich van den Tabor tot het meer Gemiezarct uit.
19—23. De koningen van Noord-Kniiaan: eerst de vier van XI : 1 ; daarna zeven andere. — Taiinach,
Megiddo,
twee dicht bij elkander gelegen plaatseu (1 Kou. IV: 12), aan de zuidzijde der vlakte van
Jizrccl (XVII: 11 v.; Richt. 1:27; 1 Kon. IV: 12), in de nabijheid waarvan Deboru eu Itarnk de
grootc overwinning op de Kniiaaiiicten behaalden (Richt. V: 19). Mcgiddo, ten noordwesten van Tnünnch,
is door Snlomo versterkt (1 Kon. IX: 15), eu in hare nabijheid is .lozua verslagen door Xecho, den
koning van Kgypte, eu gesneuveld (2 Kon. XXIII: 29 v.). — Kedea, of Ka/lea. Kr was meer dan éene
plaats van dezen naam, die .heiligdom\' beteekeut. Waarschijnlijk wordt hier niet Kcdes iu Xnftali bc-
docld (waarover zie op XIX: 37), maar een Kedes op of bij den Tabor, waar volg. Richt. IV (zie op
Richt. IV : 6 en 9) eeue plaats van dien naam schijnt gelegen te hebben. Immers de plaatsen woar-
tusschen het hier voorkomt lagen in die streek. Over een „Kedes in Juda" zie op XV : 23. — Jokneam
aan den Karmel,
aan de zuidoostelijke helling van dit gebergte, XIX: 11; XXI: 34 als cene stad in
den stam Zebulon vermeld, verschilt wellicht niet van Jokmeam, 1 Kon. IV: 12. De Karmel is het
gebergte dat, ten zuiden van de baai van Akko vink aan de kust beginnende, zich iu de zuidoostelijke
richting uitstrekt. De hoogste top is 567 M. boven zcepcil. Het wus, eu is nog, met een weligen
plantengroei bedekt (Hoogl. VII: 5; Jcz. XXXV: 2 en elders); vandaar waarschijnlijk de naam, die
,boomgaard\' bcteekent. Van oudsher was het een heilige berg (1 Kou. XVIII: 19—40; 2 Kon. 11:25;
IV: 25). — Dor — Dor. Zie op XI: 2. — de volka/ammen ran (lalilea, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de
volkatammen van Gilgal.
Over Gnlilea zie op XX : 7.
24. Tiraa, wellicht ten noordoosten van Sichein, tot Omri de residentie der koningen van Noord-
Unie 1 (1 Kon. XIV: 17; XV : 21, 33; XVI: 6—24). Het komt nog Hoogl. VI: 4 voor. — dertig. Hebr.
t. heeft een en dertig, wat overeenkomt met het aautal der opgenoemde koningen, indien men in va.
18 een koning van Lassjaron naast dien vim Afek vindt; zie aldaar. De Gr. vert. heeft negen en
twintig
en noemt er ook slechts zooveel op.
HOOFDSTUK XIII.
Nadat in de eerste helft van het boek (I—XII) de verovering van Kanaün is verhaald, volgt thans
in de tweede (XIII—XXIV) het bericht over de verdccling des lauds en Jozua\'s laatste vermaningeu
aan zijn volk. Aan de verdceling vnu Knnnan ten westen van den Jiirdaau, iu XV—XIX naar onder-
ling verschillende opgaven beschreven (zie inl. op XV—XIX), gaat in XIII en XIV cene tweevoudige
inleiding vooraf; in H. XIII de beschrijving der verdceling vnu het Ovcrjordaanschc; in II. XIV een
verhaal over het erfdeel vnu Kalcb. Reide inleidingen beginnen met ceuige verzen die tot opschriften
hebben gediend van de stukken waaruit XV—XIX zijn saincugestcld. Over de verzen waarmede ons
hoofdstuk aanvangt zie op vs. 1—7.
-ocr page 428-
508
jozüa XIII: 1—7.
In »ii» hoofdstuk nu lezen wij, hoe Jnhwc Jozua wijst op de streken die nog veroverd moeten wor-
don (1—0; en hein gebiedt het gauschc land onder negen en een linlvcn stam te verdeden (7). Over
het Overjordnnuscho heeft Mozcs reeds beschikt (8—14a). Hij deed dit in de vinkte van Moab (1 44)
ten bate van Ruben (15—23), Gail (2.1—28) en half Manasse (29—81). Zoo heeft hij in de vlakte van
Moab dit land verdeeld (32); uau J.evi gaf hij geen erfdeel (33).
Het grootste deel van dit hoofdstuk is van den Deuteronumischen bewerker, die het non het vcr-
haal der verdccliug van Wcst-Knnniiu deed voorafgaan, om te lecren, dat het gansehc land in den
ruimsteu zin, ook het gcheele kustlnnd, door Filistijnen en Fcnieicrs bewoond, en het Ovcrjordaansche,
naar .lahwe\'s wil voor Isrncl bestemd was. Aan Ezra\'s Wetboek ontleend of van een gecstvcrwaut
afkomstig is vs. 144, 15, 234, 21, 2S v., 31a, 32, louter op- en onderschriften, waarbij zeker opgaven
vnn de toebedeelde steden behoord hebben, die waarschijnlijk in vs. 10—21«, 25—27, 30, Sla schuilen,
maar zoo met berichten uit andere geschriften verhouden, dat cenc scheiding niet mogelijk is.
XIII: 1 Toen Jozua oud en bedaagd was geworden, zeide Jahwe tot liem:
Gij zijt oud en bedaagd geworden, en er is nog een zeer groot deel
2       van liet land overgebleven om in bezit te nemen.\' Dit is het land
dat overgebleven is: alle landstreken der Filistijnen met het gansclie
3       gebied der (ïesjürieten: \' van den stroom vóór Egypte tot aan het
gebied van Ekron ten noorden geldt voor Kanaiinietisch; de vijf vorsten
der Filistijnen, van Gaza, Asdod, Askelon, Gath en Ekron, en de Aw-
4       wieten, \' in het zuiden; het gansclie land der Kanaiinieten met de aan
.r) de Sidoniëra behoorende grot tot Af\'ek, tot het grondgebied \' der Geba-
lieten; voorts de gansclie Libanon, ten oosten, van Haül-Gad aan den
o\' voet van bet gebergte Hermon tot bij Hamath. \' Alle bewoners van
bet gebergte, van den Libanon tot Misref\'otb, ten westen, alle Sidoniërs,
zal ik voor de Israëlieten uit verdrijven. Wijs het alvast door liet lot
7 ten erfdeel toe aan Israël, zooals ik U geboden heb. \' Verdeel dus dit
land ten erfdeel onder de negen stammen en den halven stam Manasse:
1—7. Dan verzen hangen ouderling zeer slecht samen. Vooreerst kunnen de vs. 2—0 opgenoemde
streken bezwaarlijk een groot deel des lands hcctcii (vs. 1). Verder is het land dat Jozua venlcclcn
moet volg. vs. 7 geheel Wcst-Kniinün; maar de uitdrukking daar gebruikt (t/il land) wijst tevens
terug op het voorgaande, /mulat het alleen de enkele in vs. 2—5 genoemde streken omvatten zou. Ein-
dclijk voegt vs. 2—5 zeer slecht in den moud van Jahwe en strookt de opmerking over Jozua\'s
hoogen ouderdom weinig met den tijd waarin dit hoofdstuk ons verplaatst. Waarschijnlijk hebben vs.
1 en 7 bij \\\\\'111. XIX behoord en zijn zij door den bewerker hierheen verplantst.
1.   Verg. XXIII: 1 v.
2.   Geajurieten, komen ook 1 Sam. XXVII: 8 naast de Filistijnen voor; zij moeten ten zuiden van
dezen gewoond hebben. Over andere Gesjurietcn (vs. 18) zie op ücut. III: 14.
3.   den airoom (ajihor; verg. op Jcr. 11:18) róur Egypte. Waarschijnlijk wordt de stroom bedoeld
die 1 Kron. XIII: 5 „de stroom vnn F.gyptc", eu elders, ook XV : 4, 47, de „beek van Kgypte" heet;
waarover zie op Gen. XV : 18. — geldt voor Kanoiiiiietiaeh, behoort dus tot het aan Israël toegezegde
land. — Gaza — Ekron, de bekende vijf steden der Filistijnen, ook 1 Sam. VI : 17 opgenoemd. As
kclon lag aan de Miildellandsehe Zee tusschcu Gnzn en Asdod; Kkron ten noordoosten van Asdod,
een paar uur landwaarts in; over de andere drie zie op XI: 22. Volgeus XV : 45—47 word hot land
der Filistijnen aan .luda toegewezen; volgens Richt. 1:18 werden Gnza, Askelon en Kkrou door hem
veroverd. F.lders behoort Ekron tot Dan (XIX: 48). Zie op XV: 45—47. — de Awteieten, volgens
heul. 11:23 de oude bewoners van Filiston.
4 v. hel ganache — Gebalieten, het land der Fcnieicrs.
4.   in het zuiden. Hiermede wordt het gebied van vs. 24, 3, nis het zuidelijke, van het noordelijke,
vs. t—(!, onderscheiden. — de aan — grot, zeer onzekere lezing en vertaling. Wellicht wordt do
bergachtige streek ten oosten van Sidon, wnnr talrijke grotten zijn, bedoeld. — d/et, volgens XIX:
3(1 aan Azcr toegewezen, maar niet door hem veroverd (Richt. 1:31), lag ten noordoosten van Hairuth.
Kenc nndcre stad van dcnzclfdcn naam, XII : 18. — hel grondgebied. Hebr. t. laat volgen der Amo-
Helen,
(5) en het land, wat als zinstoreud is weggelaten.
5.   Gebalieten, bewoners van Gehnl, bij de Grieken Hvblos. aan de Middcllandschc Zee, acht uren ten
Boorden van Hairuth; verg. 1 Kon. V:18; Kzech. XXVII:!). — de gouache Libanon ten maten, de
Autilibanos met hot dal van den Libanon. — Haül-Gad — Hermon. Tot zoover had Jozua het land
veroverd, XI: 17; XII: 7. — Hamath. Zie op 1 Kon. VIII: 85.
0. Miarefoth, ten wetten. Zie op XI: 8. — Alle — verdrijven. Deze belofte wordt niet gegeven ten
nanzicn van het land der Filistijnen; maar waarschijnlijk bedoelde de schrijver ook dit (XXIII: 5),
en drukte hij zich slechts onduidelijk uit. — Over de Sidonii\'ra zie op Gen. X:15. — Wijt — Iaraël.
Verg. XXIII :4«. — zooalt — heb. Zie 1:6.
7. van den Jordaan — zijn, uit Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 429-
jo/ua XIII: 7—21.                                          509
van den Jonlaan tot tvan de (iroote Zee, ten westen, zult gij het geven;
de ftroote Zee zal de grens zijn.
8           Aan de beide stammen Kuben en (Jad en den halven stam Manasse
heeft Mozes een erfdeel gegeven aan de overzijde van den Jonlaan;
9       aan de oostzijde heeft Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, hun gegeven: \' van
Aroër af aan den oever der beek Arnon en de stad die halverwege de
10       beek ligt, met de gansche hoogvlakte van Medeba tot Dibon, \' bene-
vens al de steden van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon
11       regeerde, tot aan «Ie grens der Ammonieten.\' Verder (Jilead en het
gebied der (lesjurieten en dat der Maiichathieten, met het gansche
12       gebergte Hernion, alsmede gansch Ikzan tot iSalcha: \' het geheelo
koninkrijk van Og in Bazan, die te Astaroth en te Edreï regeerde.
Deze was van de Kefaïeten overgel)leven; Mozes had hen verslagen
13       en verdreven. \' Doch de Israëlieten hebben de Uesjurieten en Mailcha-
thieten niet verdreven; zoodat Gesjur en Maiichath in het midden van
14       Israël gevestigd bleven, tot op dezen dag.\' Alleen aan den stam Levi
heeft hij geen erfdeel gegeven: Jahwe zelf, Israëls god, is zijn erfdeel,
zooals hij tot hem gesproken heeft.
15           Dit is het erfdeel dat Aiozes aan de Israëlieten heeft toegewezen
in de vlakte van Moab, aan de overzijde van den Jordaan, tegenover
Jericho. Hij gaf aan den stam der Kubenieten, naar hunne geslachten,
10 als volgt: \' zij verkregen het gebied van Aroër af aan den oever der
beek Arnon en de stad die halverwege de beek ligt, met de gansche
17       hoogvlakte tot aan Medeba,\' Hesbon en al hare steden op de hoog-
18       vlakte, Dibon, Banioth-Baal, Beth-Baal-meon,\' Jahas, Kedemoth, Mefasith,\'
19, 20 Kirjathaim, tSibma, Sereth-hassjahar op het gebergte der vallei,\' Beth-
21 Peor, de hellingen van den Pisga en Beth-hajjesjimoth: \' al de steden
V». 8—12. XH: l—ö.
8. Hier is, met iri-rinir«- wijzigingen, <lc Gr. vert. gevolgd; ilcbr. t. Met hem (ilcn anderen halven
stam Mnnasse, va. 7) hebben de Rubenieten en Gadieten hun er/deel ingenomen dal Mozes hun aan
de overzijde van den Jordaan, ten ooiten, gegeven had, zooals Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, hun ge-
geven had.
9—12. Verg. Deut. 111:8—13.
0. met — Dibon. Zie op Deut. III: 10. Medeba was het noordelijke, Dibon het zuidelijke punt. —
van Medeba, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft van niet.
11. ttilead behoorde, volgcus XII: 2, voor de helft aan Sihon. — het gebied — Maiichathieten. \'/Ac.
op Deut. 111:14.
13.   Dit vers kan niet van dcnzclfdcu schrijver zijn als het voorgaande. Immers, diinr wordt gezegd
dat Mozes het land dezer stammen veroverde, hier, dat dit niet het geval is geweest; verg. XII:");
Deut. 111:14. liet schijnt cenc inlnssching te zijn van dezelfde hand als XV: 03; XVI: 10; XVII:
12 v.; XIX: 47. — Maiichath, elders Maiicha.
14.   Verg. Deut. XVIlIïl v. — Jahwe, volg. Gr. vert.; Hebr. t. laat voorafgaan de offers ca». Die
dit in den tekst invoegde vond zeker de woorden van deu schrijver oneerbiedig.
15.  Dit — Jericho, volg. Gr. vert. ingevoegd.
10—20. Het hier aan Kuben toegewezen gebied komt elders voor een deel als Gadictisch voor, o. a.
de steden Hesbon eu Dibou (XXI: 39; Num. XXXII: 34). Kamiliën van beide stammen, wier gebied
i Deut. III: 12—17 niet afzonderlijk wordt opgegeven, woonden blijkbaar dooreen. Over de bevolking
dezer streek in verschillende tijdperken zie inl. op Num. XXI :1—XXII: 1.
10 v. Van het gebied der Kubenieten wordt wel de zuidelijke, maar niet de noordelijke grens aan-
gegevcn. Waarschijnlijk stelde de schrijver haar even ten noorden van Hesbon; zie vs. 20.
10. lot aan, volg. Gr. vert.; Hebr. t. bij.
17.  Hesbon — hooi/vlakte. Hesbon zelve behoorde niet tot de hoogvlakte; het lag ten noorden van
Modcbo, het noordelijkste punt er van. — Bamoth-Baiil. Zie op Num. XXI: 1U. — Beth-Baal-meon.
Zie op Num. XXXII: 34—38.
18.   Jahas. Zie op Num. XXI: 23. — Kedemoth, Zie op Deut. 11:20. — Mefaüth, volgens .Ier.
XLVIII: 21 eene stad der Moabietcu, vorg. XXI: 37; 1 Kin». VI: 79, in de nabijheid van Jnhns.
1». Kirjathaim. Zie op Gen. XIV: 5. — Sibma, Num. XXX1I:3, 88; Jez. XVI: 8 v.; Jcr. XLVIII:
32 vermeld. — Sereth-hassjahar, onbekend.
20. Belh-Peor. Zie op Num. XXV : 3. — de hellingen van den Pisga, zie op Num. XXI : 20, wor-
dcu hier, vreemd genoeg, onder de steden opgenoemd. Daarentegen missen wij de vrijstad Heser, XX :
8; Deut. IV: 43. — Beth-hajjesjimoth. Zie op Num. XXXIII: 49.
\'JU. 22. Deze herinnering aan Israëls overwinning van de vijf Midiauictischc vorsten en den dood
-ocr page 430-
510                                         jozua XIII: 21—32.
der hoogvlakte en liet gansene rijk van Sihon, den koning der Amorieten,
die te Heston regeerde, dien Mozes verslagen lieel\'t met de vorsten
der Miilianieten, Bwi, Rekem, Sar, Hur en Keba, machtige vorsten
22       van Bitton en bewoners des lands.\' I5ij hunne gesneuvelden helihen de
Israëlieten ook Mileaiu, Ueors zoon, den waarzegger, niet het zwaard
23       gedood. \' De grens der Rubenieten was de .lordaan. Dit is het erfdeel
der Rubenieten naar hunne geslachten, de steden met hare dorpen.
24            Voorts gal\' Mo/.es aan den stam (lad, de (Jadieten, naar hunne ge-
25       slachten, als volgt: \' zij verkregen het gebied over Jaëzer en alle steden
van (xilead en het halve land der Ainmonieten, tot aan Aroër tegen-
2(5 over Rabba: \' van Hesbon tot Ramath-hammispe en Hetonim, en van
27       Mahanaim tot het geliied van Lidbir: \' in de vallei: Reth-haram, Reth-
nimra, Sukkoth en tSafon, het overige van het rijk van .Sihon, den
koning van Hesbon. De Jordaan is hunne grens tot aan de punt van
28       het meer Kinnereth, aan de oostzijde van den .lordaan.\' Dit is het
erfdeel der (Jadieten, naar hunne geslachten, de steden met hare dorpen.
2!)          Voorts gaf Mozes aan den halven stam der Manassieten, naar hunne
3U geslachten, als volgt:\' hun gebied strekte zich uit van Mahanaim af
over gansch Razan, het geheele rijk van Og, Razans koning, en al de
31       Jaïrs-gehuchten in Bazan, zestig steden: \' met half Gilead, Astaroth en
Kdreï, steden van Ogs rijk in Razan; dit was voor de zonen van Machir,
den zoon van Manasse, voor de helft van de zonen van Machir, den
zoon van Manasse, naar hunne geslachten.
32           Dit zijn de erfdeelen die Mozes heeft toegewezen in de vlakte van
Moab, aan de overzijde van den .lordaan, ten oosten van Jericho.\'
van liileani i9, bijnn woordelijk, onn Xum. XXXI: 8 ontleend. Alleen wordt er hier bijgevoegd dat
de Midiunictcn Sihons onderhoorigen en bewoners van zijn land waren, lic woorden zijn later inge-
lasrht, hetzij door den schrijver van Xum. XXXI, hetzij door een ander, die zijn verhaal wilde bc-
vcstigen; zie op Xum. XXXI! 8.
21. Aan den aanvang van dit vers is en weggelaten.
23. de Jordaan, slechts voor een zeer klein gedeelte, daar het dal tegenover Jericho reeds tot het
gebied van Guil behoorde. Hebr. t. voegt er nog bij en grondgebied.
24—28. Tot het grondgebied van Bad behoorde het grootste gedeelte van Gilead en het dal van
den Jordnan nagenoeg van tegenover Jericho af tot aan het meer Kinnereth. De zuidelijke grens liep
ten noorden van Hesbon; de noordelijke van de zuidelijke punt van het meer Kinnereth, waarschijn-
1 ijk in zuidoostelijke richting, naar den Jabbok.
25. Jarzer. Zie op Xum. XXI : 32. — het hahe — Ammonieten. Van dit land hadden de Israëlieten
volgens Nniii. XXI: 24 niets kunnen, volgens Peut. 11:1!) niets mogen veroveren: het heet Dcut.
111:10 Israëls oostelijke grens. — Aroër, eenc stad der Ammonieten, nog Kieht. XI : 33 genoemd. —
lliililm. of lialihalh-Ammon. Zie op Dcut. III : 11.
20. Itamaih-hammispe. 11e verhouding van deze plaats tot Kamn (zie op Deut. IV : 43) en tot Mispo
(zie op Gen. XXXI: 49) is onbekend. — Be/onim, onbekend; doch zie op Gen. XXIII til. — Malta-
naim.
Zie op Gen. XXXII: 2. — Lidhir, misschien hetzelfde als Lodebar, 2 Sam. IX:4v.; XVII: 27,
ten oosten van Mahanaim.
27. in de vallei, van den Jordaan. — Beth-hnram, Beth-nimra, tegenover Jericho, het eerste ook
Beth-haran, het tweede ook Nimra genoemd, Num. XXXIl:3, 86. — SnUolh. Zie op Gen. XXXIII:
17. — Sa/on. Zie op Kieht. XII: 1. — het overige — Iletbon. Een deel van zijn gebied was aan
Kullen gegeven, volgens vs. 21a zelfs het geheel. — it hunne grent, volg. verb. t.; Hebr. t. en
eene grent.
29.   Volf^. Gr. vert. zijn hier cenige woorden, die in den Hebr. t. dubbel zijn geschreven, weg-
gelaten.
30.  al — sleden. Zie op Dcut. 111:14.
31.  dit wat, duidelijkheidshalvc ingevoegd. Wat aan de zonen van Machir wordt gegeven is blijk-
baar het geheele rijk van Og: llaza» en half Gilead. Volgens Dcut. 111:15 verkreeg Machir alleen
het Gilendictisch gedeelte daarvan, terwijl het eigenlijke Bazan aan Jair kwam. — voor de ionen —
getlaehten. De tegenstrijdigheid in deze woorden is het gevolg van de samenkoppcling van twee bc-
richtcn. De opgave dat het voormalig rijk van Og aan de helft van Machirs zonen te beurt viel is
van den schrijver van Ezra\'s Wetboek, volgens wicii .Manasse slechts een zoon had, Machir, wiens
nakomelingen voor de helft ten oosten en voor de andere helft ten westen van den Jordaan woonden
(Num. XXVI: 29—34; verg. op Gen. L: 23). — den zoon van Manatie is den tweeden keer uit Gr.
vert. ingevoegd.
32.  vlakte. Zie op Num. XXII: 1.
-ocr page 431-
jozüa XIII:33-XIV:9.                                      511
33 Maar aan den stam Levi lieeft Mozes geen erfdeel gegeven; Jahwe,
Israëls god, is zijn erfdeel, zooals hij tot hem gesproken lieeft.
33. Dit stunt reed» iu vs. 14 on wordt in Gr. vert. weggelaten.
HOOFDSTUK XtV.
Kaleb verkrijgt Hcbron. — V». 1—5 behcisl «en opschrift boven het bericht vnn de verdceling
des lands in XV—XIX. liet is imn Kzra\'s Wetboek ontleend, maar niet ongeschonden tot ons •_,eko-
men. Immers, wij missen bier de vermelding vnn de plaats wnar het land verdeeld werd. Volgeus
XVIII : 1 was dit Sjilo. Waarsobijnlijk heeft dit vers bij XIV : 1—5 behoord, maar is het door den
Verzamelaar er van afgezonderd wegens vs. G, waar de verdceling des lands plaats heeft te (ïilgal.
Over een dergelijk opschrift boven II. XIII zie inl. op dat hoofdstuk. — Daarop volgt het verhaal, hoc
Kaleb Jozua herinnert aan de belofte van Mozcs dat hij de door hem verspiede landstreek ten erfdeel
zou ontvangen (6^9), en op hare vervulling aandringt (10—12); waarop Jozua hem Ilebrun geeft
(13—15). Het is, naar het schijut, van een Dcutcronomischen schrijver, mnnr vnn een ander dan die
van X:3C, waarmede het in strijd is. Immers heeft daar Jozua de bevolking van Hcbron reeds gc-
hcel uitgemoord; terwijl hier die plaats nog na de verovering des lands door Knakicten bewoond is.
XIV: 1 Dit zijn de erfdeelen die de Israëlieten in het land Kanaiin hebhen
verkregen, welke de priester Eleazar, Jozua, de zoon van Nun, en de
familiehoofden der stammen aan de Israëlieten hebben toegewezen,\'
2       ieders erfdeel door het lot, zooals Jahwe door Mozes ten aanzien van
3       de negen en een halven stam had geboden.\' Want Mozes had aan de
twee en een halven stam een erfdeel gegeven in het Overjordaansche,
4       den Levieten had hij geen erfdeel in hun midden gegeven,\' en de
zonen van Jozef waren tot twee stammen geworden: Manasse en Efraini.
En den Levieten hebben zij geen aandeel in het land gegeven, behalve
steden om in te wonen, met haar weidegrond voor hun vee en hunne
5       have.\' Zooals Jahwe aan Mozes geboden had, hebben de Israëlieten
gedaan en het land verdeeld.
G          Toen de Judeërs tot Jozua te Gilgal nadertraden, zeide Kaleb, de
zoon van Jefunne, de Keuizziet, tot hem: Gij weet, wat Jahwe te
Kades-barnea tot Mozes, den godsman, te mijnen aanzien — en te
7       uwen — gesproken heeft.\' Veertig jaar was ik oud, toen Mozes, Jahwe\'s
dienstknecht, mij van Kades-burnea uitzond om het land te verspieden,
8       en ik hem verslag gaf naar wat in mijn hart was.\' Mijne broederen
die met mij waren opgetrokken deden het hart des volks versmelten;
9       maar ik ben volstandig aan Jahwe, mijn god, trouw gebleven.\' Daarom
zwoer Mozes te dien dage: Voorzeker zal het land dat uw voet heeft
betreden u en uwen zonen voor eeuwig ten erfdeel zijn, omdat gij
1.  de priester — stammen. Zie Num. XXXIV : 16—29. Volgens XIII :0v.; XVIII: 0—10 was alleen
Jozua met de verdceling belast. Verg. XIX: 51.
2.   door hel lot. Volgens XV1II:2—10 hebben Judn en Jozef hun gebied niet door het lot ver-
kregen; verg. inl. op XV—XIX. Over de verdeeling door het lot zie op Num. XXVI: 54—50. — :oo-
ala — geboden.
Zie Num. XXVI: 52—50; XXX1II:54; XXXIV: 13.
3 v. He schrijver legt uit, wie in de negen en een halven stam begrepen zijn: Levi wordt niet mede-
geteld, Jozef geldt voor twee.
4. en — E/raim. Zie inl. op fien. XLVII: 28—XLVIII: 22.
44, 5. Verg. XXI; Num. XXXV: 1—8.
6—15. Verg. Dcut. 1:19—30 en op X: 36—38.
6.   Toen — nadertraden, om te vernemen, welk erfdeel voor hen bestemd was. Jozua bevindt zich
hier te Gilgal, terwijl volgens Kzra\'s Wetboek waarschijnlijk de gehecle verdeeling des lands te Sjilo
fdaats vond; zie Inl. — en te urnen, waarschijnlijk eene inlassching, beantwoordende aan de voo rttel -
ing dat ook Jozua onder de verspieders voorkwam; zie inl. op Num. XIII, XIV. Zij is hier geheel
misplaatst, daar uit Kalebs gansche rede blijkt dat hij onder de verspieders alleen stond (zie vs. 7 v.
en op vs. 12).
7.  naar toat in mijn hart wat, naar mijne innige overtuiging.
9. Daarom moer Mo:ei. Num. XIV: 24 en Deut. 1:34—36 zweert Jahwe het. — Voorzeker —
ajn. Evenzoo Dent. 1:86; verg. Num. XIV: 24.
-ocr page 432-
512                                          jozüa XIV: 9—15.
10       volstandig aan Jahwe, mijn god, zijt trouw gebleven. \' Welnu, zie,
Jahwe heeft mij, zooals hij gesproken heeft, nu vijf\' en veertig jaar
in het leven gelaten, sedert hij (lat woord tot Mozes gesproken heeft;
gedurende welken tijd Israël in de woestijn heeft rondgetrokken. Zie,
11       ik ben nu vijf en tachtig jaar oud, \' maar heden nog even sterk als
toen Mozes mij uitzond: ik heb thans nog evenveel kracht als toen,
12       voor den strijd, en om uit en in te gaan. \' Geef mij dus dit gebergte,
waarvan Jahwe te dien dage heeft gesproken; want gij zelf hebt te
dien dage gehoord dat daar Enakieten wonen en groote versterkte
steden zijn. Wellicht zal Jahwe met mij zijn en zal ik hen verdrijven,
13       zooals Jahwe gesproken heeft.\' Toen schonk Jozua hem zijn zegen en
14       gaf Hebron aan Kaleb, den zoon van Jefunne, ten erfdeel. \' Daarom
is Hebron het erfdeel geworden van Kaleb, den zoon van Jefunne,
den Kenizziet, tot op dezen dag; omdat hij aan Jahwe, Israëls god,
15       volstandig trouw is gebleven.\' De naam van Hebron was voorheen
Kirjath-Arba; deze Arba was de groote man ouder de Enakieten. En
het lantl kreeg rust, was vrij van oorlog.
10.  gedurende Kelken tijd, ui. vijf en veertig jaren. Onnauwkeurige uitdrukking: immers had Israël,
volgens de overlevering, in het geheel slechts veertig, van de verspieding des lands af sleehts acht
en dertig jaren, in de woestijn doorgebracht. Kaleb rekent de jaren der verovering mede en stelt die
dus op vijf of zeven.
11.  om — ga/m. Zie op 1 Kou. 111:7.
12.  gij zelf — gehoord, door het verslag der verspieders. Jozua was dus geen verspieder geweest;
anders nou hij het zelf gezien hebben. — Wellicht — verdrijven. Volgens XI : 21 v. waren de Kiiakietcn
te Hcbrun reeds door .lozua uitgeroeid; zie uldaur.
15. Kirjath-Arba, elders Kirjath-arba. Over de ware bcteekeuis vuil dien naam zie op Gen. XIII: 18.
De schrijver ziet arba (.vier\') voor een eigennaam aan en vat de samenstelling op nis ,veste van
Arba\'. — de groote — Enakieten, de beroemdste, volgeus XV : 13 de stamvader. — En — oorlog.
Deze woorden, die ook XI: 23 voorkomen, staan hier vreemd; immers is even te voren gezegd dat
de Kiiukieleu nog te Hebron woonden. De schrijver bedoelt waarschijnlijk, dat, uu de verovering
van Helm.ii aan Kaleb was opgedragen, het overige van het land onder Isrncl verdeeld kou worden.
In dat geval laten zijne woorden zich beschouwen als aanhef van hel verslag der verdeeling in
H. XV—XIX.
INLEIDING OP HOOFDSTUK XV—XIX.
In deze hoofdstukken wordt verhanld, hoe Kannuu ten westen van den Jordaan onder negen cu een
halven stam verdeeld is. Hiervan worden verschillende voorstellingen gegeven. Volgens de jongste, uit
Kzra\'s Wetboek, waarvan XIV : 1—5 het opschrift was, werd het ganschc land door Elcaznr, Jozua
en de familiehoofden der stammen bij loting verdeeld, en wel, bij de tent der samenkomst te Sjilo.
Daarnevens vinden wij overblijfselen der voorstelling vnu het Oude-Sagcnboek, volgeus welke eerst
Judn en Jozef ieder voor zich zijn grondgebied veroverd en zich daarop gevestigd hebben, en daarna
het overige land onder de overblijvende stammen verloot is (verg. op XVIII : 3). Kr zijn echter slechts
ecu paar stukken van over, ui. XVII: 14—IS; XVIII: 2—10; wnnt de Dcutcrononiischc bewerker, die
er prijs op stelde geheel Kaïiaiin door Jozua te doen verdeden, zooals hij het geheel veroverd had,
heeft de voorstelling dat Juda en Jozef zich door eigen inspanning in hun gebied vestigden door die
van cene toewijzing bij het lot vervangen. Toch maakt ook hij onderscheid tusschcu deze beide en
de andere "stammen, door genen hun erfdeel te Gilgnl (XIV: 6), niet als dezcu te Sjilo, te doen ont-
vangen. Hij deze gedeelten behoorde XIII: 1—7; zie aldaar.
Ook de «ledenlijsten en grciisbcpalingcn in deze hoofdstukken (zio de Inll. zijn uit verschillende
bronnen; dit blijkt uit de herhnling (zie op XV : 20, 41 en 43) en de tegenstrijdigheid (zie op XVI: 1—3,
4 en XVII: 7—10) van vele opgaven. Het is echter uit den aard der zaak onmogelijk, aan te wijzen
welke gedeelten aan het cene of aan het andere geschrift zijn ontleend; immers behelsden het werk
van den Dcuteronomist en Kzra\'s Wetboek dikwijls dezelfde namen. Indien ook reeds in het Oude.
Sagenbock dergelijke opgaven stonden, zullen deze wel uit wciuig meer dan optellingen vau de voor-
naaiustc plaatsen van eiken stam hebben bestaan.
-ocr page 433-
jozüa XV: 1—7.                                            513
HOOFDSTUK XV.
Met grondgebied van Judn. — Het gebied vim Jnda ligt in het zuiden van Kannüu (1); de grenzen
(2—12). Kaleb verdrijft de Kiinkieteu uit llebrcm (13 v.), Othuiël neemt Debir in, verkrijgt als prijs
Kulcbs dochter tot vrouw (15—17) cu op haar verzoek ook land met wellen bij zijne stad (18 v.).
De steden van Judn: in het Zuiden (20—32); in de Laagte (33—17); iu het (iebergte (18—OU) cu
in de Woestijn (01 v.). Tc Jeruzalem blijven de Jebuzieteu wonen (03).
Het volgens dit hoofdstuk aan Juda toegewezen gebied omvat hel geheele zuiden van kuuuüu, het
gebied van Simeoii (zie op vs. 24, 20, 28, 30, 31 cu 32), dat van Dan voor cen deel (zie op ra. 33),
zelf» het land der Filistijnen (zie vs. 15—17). In twee opzichten is deze voorstelling met de historische
werkelijkheid in strijd. Vooreerst heeft de h\'ilistijusehe kust, hoewel aan Duviil en Salomo schatplichtig,
nooit cen deel van Isruëls land uitgemaakt. Ten andere wordt hier erfdeel der Judecrs genoemd het
land dat zelfs in het- tijdvak der koningen, ja ook door Judeérs en Simconieteu, maar evenzeer door
Kenicten, Kenizzietcn en andere stammen van vreemden oorsprong bewoond werd. Dit kan den schrijver
niet onbekend zijn geweest. Wij hebben het dus daarvoor te houden, dat zoowel de Dcutcrouomische
bewerker uls de schrijver van Kzra\'s Wetboek hier aan Juda het geheele grondgebied toekennen dat
hij naar de mceniug der gcloovigen van later tijd vau den aanvang af had moeten bezitten.
Vs. 13—10, grootcudecls met Richt. I: 10—15 overccukomeiide, is door den Verzamelaar hier ingc-
luscht; verg. op vs. 14.
XV: 1 De staiu tier Judeërs, naar hunne geslachten, verkreeg het lot palende
aan het grondgebied van Edom, van de woestijn Tsin af\' tot Kades,
2       in het zuiden.\' Hunne zuidelijke grens begon bij het uiteinde der Zout-
3       zee, de punt die zich zuidwaarts uitstrekt,\' en kwam uit tegenover den
(Schorpioenenpas; liep dan over Tsin, verder opwaarts ten zuiden van
Kades-barnea, over Hesron, naar Addar op, in de richting van Karka,\'
4       over Asmon, en kwam uit aan de beek van Egypte; zoodat de grens
T> aan de zee eindigde. Dit zal uwe zuidelijke grens zijn.\' De oostelijke
grens was de Zoutzee tot asm den mond van den Jordaan. Aan de
noordzijde liep de grens, beginnende van de punt der zee aan den
6       mond van den Jordaan,\' naar Beth-hogla op, voorts ten noorden van
Beth-araba, dan opwaarts naar den steen van Bohan, den zoon van Ruben,\'
7       naar Debir, op eenigen afstand van het dal Achor; waarna zij zich
wendde naar Gilgal, dat in het gezicht van den pas van Adummim,
ten zuiden van de beek, ligt; verder liep zij door naar het water van
1—1. Over de hier voorkomende namen zie op Nam. XXXIV: 3—5.
1. het lol, overeenkomstig XIV : 1—5. — van de woestijn — Kade», volg. Gr. vort.; Hcbr. t. de
woestijn Tsin, in liet luiden, van het zuideinde af.
— Tsin. Zie op Nam. XIII: 21.
3.  kwam uit. Deze in de opguveu vau de grenzen der stammen telkens voorkomende uitdrukking
duidt aun dat de grens in ecue of andere richting ten einde loopt, om daarna af te buigen. Dut de
zuidelijke grens vau Juda uitkwam tegenover den Sehorpioeuenpns wil dus zeggen: tut hiertoe liep
zij iu éenc richting, zuidwaarts, door, maar daarna boog zij meer zuidwestelijk af. — tegenover, volg.
Gr. vert. : Hcbr. t. ten zuiden van. — opwaarts. Telkens als de grens van eenc lager naar ceuc honger
gclegcu streek loopt, of omgekeerd, wordt dit in het Hcbrccuwsch door de werkwoorden „opklimmen"
of „afdalen" aangeduid. — Karka, Num. XXXIV : 3—5 niet genoemd, is onbekend.
4.    uwe, alsof hier, evenals Num. XXXIV: 3—II! de Israëlieten, de Judoën worden toegesproken.
Wellicht is de zinsnede DU — zijn gedachteloos uit Num. XXXIV overgenomen.
~>b—11. De noordelijke grens van Juda wordt als zu
4
idelijke grens van Benjamin nog eens opgegeven
iu XVIII: 15—10, doch in omgekeerde richting, van het westen naar het oosten.
0. Beth-hogla, drie kwartier vnn den Jordaan, vo
5
lgens XVI11:21 in het gebied van den stam lien-
jninin. — Beth-araba, nu eens tot Juda, dan tot Benjamin gerekend (vs. 01; XVIU : 22), is onbekend.
Volgens XVIII: 18 liep de grens over cen bergrug ten noorden van deze stad. — den steen — Ruben,
alleen hier en XVIII: 17 vernield. Den naam Bohan, die ,duim\' bcteckent, had de steen wellicht aan
zijn vorm te dnnken. Het toegevoegde dm zoon van Ruben toont dat liohan voor den naam van een
mensch werd gehouden, en doet vermoeden dat in oudeu tijd hier cu daar teu westen van den Jordaan
ook Rubcnictcn wounden, of dat een Kubeniet daar eeu heldcnstuk heeft verricht.
7. Debir — Achor. Dit Debir is verder niet bekend; over een ander zie op vs. 15. Over het dal
Achor
zie op VII: 24. De plaats ontbreekt in XVIII: 17; waarschijnlijk zijn de woorden ingclascht,
of zijn er fouten in den tekst geslopen. — wendde. Hiervóór heeft Hcbr. t. nog noordwaarts, dat volg.
Gr. vort. is weggelaten. — Gilgal. Iu de plaats van dit staat XVIU: 17 eeu ander woord, dat in het
Hcbrccuwsch bijna eveneens wordt geschreven en .landstreken\' bcteckent; zie op XII: 10—23. Mis-
se.hion heeft dat woord oorspronkelijk ook hier gestaan cu is er hij vergissing Gilgal van gemaakt. —
O. T. I.                                                                                                                                          33
-ocr page 434-
jozua XV : 7—14.
514
8       En-sjenies en eindigde bij de bron Kogel.\' Daarna liep de grens naar
het dal van den zoon van Hinnom op, langs de zuidzijde van den
bergrug der Jebuzieten, dat is Jeruzalem; verder over den top van de
bergketen die ten westen langs liet dal van Hinnom zich uitstrekt,
hetwelk aan liet noordelijk uiteinde van de vallei «Ier Kef\'aïeten is.\'
9       Zij boog van den top van het gebergte om naar de bron van het water
van Neftoah en kwam uit bij de steden van liet gebergte van Efron.
10       Daarna boog de grens om naar Baal, dat is Kirjath-jearim,\' liep van
Baal in westelijke richting naar het gebergte Heïr, langs de noordzijde
van den bergrug van Kirjath-jearim, dat is Kezalon; verder naar Beth-
11       sjemes at\', over Tinina,\' en kwam uit in het noorden bij den bergrug
van Ekron; vervolgens boog zij om naar Sjikkeron, liep over de beek
van Baal en kwam bij Jabneël uit; zoodat de grens aan de zee eindigde.\'
12       De westelijke grens was de Groote Zee. Dit zijn de grenzen der Judeërs,
naar hunne geslachten, aan alle zijden.
13           Aan Kaleb, den zoon van Jefunne, heeft Jozua een aandeel gegeven
in het midden der Judeërs, overeenkomstig Jahwe\'s gebod aan hem:
14       Kirjath-Arba, welke Arba Enaks vader was, dat is Hebron.\' Van daar
pat van Adummim, een liergpas aan ilc noordzijde van den weg van Jeruzalem naar Jericho. Ile naam
is afgeleid van een woord dat ,rood\' bcteekeut en heeft misschien zijn oorsprong te danken aan de
roodachtige kleur van de rotsen of den bodem aldaar. — de beek. Welke bedoeld wordt, is onbekend. —
verder. I)c grens, na eerst noordwaarts gcloopcn te hebben, loopt nu in zuidwestelijke richtiug. — Kn-tjemet,
letterlijk .Zonnebron\', thans Apottelbron gchcetcn, ten noordoosten van Jeruzalem, de eenige bron tus-
sehen deze stad en Jericho. — de bron Kogel, d. i. de ,Verspicdcrs-\' of de .Vollersbron\', door de
Christenen de Nehemjabron genoemd, thans de Jobtbron, ten zuiden van Jeruzalem, in de onmiddellijke
nabijheid der stad (2 Sam. XVII: 17; 1 Kon. 1:9), waar het dal dor zonen van Hinnom in dat van
den Kidron uitmondt.
8.  het dal van dm zoon van Hinnom, ook dal van de zonen van Hinnom of dal van Hinnom i Xeh.
XI: 30), strekte zich ten zuidoosten van Jeruzalem uit en lag hooger dan het noordoostelijk gelegen
Kidrondal. Van Hinnom, naar wiens zoon of zonen het genoemd is, weten wij niets. Daar werden in
de achtste eeuw de kindcroffers aan den Moloch gebracht; zie op Lev. XVIII: 21. Hierdoor was het
dal in het oog der tegenstanders van dien dienst een vervloekt oord en is dit eeuwen na de afschaffing
er van gebleven; zoodnt, toeu het geloof aan cenc plaats waar de goddcloozcn na hun dood getuchtigd
werden opkwam en veld won, deze hel met den naam van Oehinnom, A. i. ,dal van Hinnom\', of Gehenna,
aangeduid werd. — bergrug — Jeruzalem. Zie op Richt. XIX: 10 v. en op 2 Sam. V : 6. — de vallei
der Refdieten,
cene vruchtbare vlnkto (Jez. XVII : 5), die zieh ten zuidwesten vnn Jeruzalem, door ceu
bergrug van het Hiunomdal gescheiden, een uur in de lengte en ceu hnlf uur in de breedte uitstrekt.
Zij was meermalen het tooneel van den strijd met de Filistijnen (2 Sam. V:18—25; XXIII: 13).
9.  Neftoah, waarschijnlijk een uur ten noordwesten vnn Jeruzalem. — het gebergte van Efron, meer
westelijk, ten zuiden waarvan de groote weg van Jeruzalem naar Joppe loopt. Kfron zelf komt nog
2 Kron. XIII: 19 voor. — Daarna — om, in zuidwestelijke richting. — Baal, volg. Gr. vert., evenals
vs. 10; Hcbr. t. heeft beide keeren Baala; waarover verg. op IX ! 17.
10.   i\'« wettelijke, meer bepaald zuidwestelijke, richting. De grenslijn wordt van Kirjath-jearim ge-
trokken naar Heth-sjemcs en Timna, die ten zuidwesten liggen, en loopt dan langs Kkron en Jabneël,
die op gelijke breedte met Kirjath-jearim zijn gelegen; zoodnt in het gebied van Juda een insprin*
genden hoek wordt gemankt; dat gedeelte behoort volgens XIX : 10—43 tot den stam Dan. — Séir.
Deze nnnm, dien gewoonlijk het gebergte draagt dat door Kdomietcn bewoond werd, wordt hier aan
do heuvels bij Kirjath-jearim gegeven. Gr. vert. heeft, met omzetting vnn twee letters, Attar. —
Kirjath-jearim, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Har (d. i. ,berg\') •jearim. — Kezalon, waarschijnlijk een stads-
naam. — naar Beth-tjemrt af, dus door eene lager gelegen streek, Ueth-sjemcs, ,Zonnehuis\', ook lr-
tjemet, ,
Zonnestad\', gcheeten, behoorde volgens XXI: 10; 1 Kron. VI: 59 tot Juda, volgens XIX: 41
tot Dan. Zij lag in de Laagte, drie tot vier uur ten zuidwesten van Kirjath-jearim, aan de grens van
Filistcn. Hierheen brachten de Filistijnen de ark van Jahwe terug (1 Sam. VI: 9—21) en hier werd
Amasia van Juda door Joas van Israël verslagen (2 Kon. XIV: 11—13; verg. 2 Kron. XXVIII: 18). —
Timna, ook \'Pimnath, volgens XIX: 43 in Dan, een uur ten zuidwesten vnn licth-sjemes, komt in
Richt. XIV als Filistijnsehc stad voor. Waarschijnlijk wordt deze plaats ook Gen. XXXVIII: 12 bc-
docld. Eene gelijknamige komt vs. 57 voor.
11.  in hel noorden. Vnn Timnn loopt de grenslijn in noordwestelijke richting; zie op vs. 10. -— Over
Ekron zie op XIII: 3. — Sjikkeron, Gr. vert. Socchoth, onbekend. — de beek van Baal, volg. verb. t.
Itcdocld is waarschijnlijk de hedendaagsche N\'ahr Rubin, die bij de puinhoopen der havenstad van
Jnmnin in zee valt. Hcbr. t. heeft den berg Baala, wat de ware lezing niet zijn kan, omdat de kust
daar vlak is. — Jabneël, of bij verkorting Jabne (2 Kron. XXVI: 0), later Jnmnin, lag ongeveer een
uur van de Middcllandschc Zee.
12.  Achter Zee is weggelaten en eene grent,
13—19. Zie Richt. 1:10—15 en verg. Inl.
13.  Zie XIV: 0—15. — Kirjath-Arba — vader. Zie op XIV: 15.
-ocr page 435-
JOZ0A XV: 14—26.
515
verdreef Kaleb «Ie drie Enakieten, Sjesjai, Ahiman en Taliuai, ali»ts»iii-
15 melingen der Enakieten.\' Van daar trok hij op tegen de inwoners van
10 Debir; Debir heette voorheen Kirjath-sefer. \' En Kaleb zeide: Wie
Kirjath-sefer slaat en inneemt, dien geef ik mijne dochter Achsa tot
17       vrouw.\' En Othniël, de zoon van Kenaz en een broeder van Kaleb,
18       nam het in; en hij gaf hem zijne dochter Achsa tot vrouw.\' Toen zij
tot hem kwam, spoorde hij haar aan, van haar vader akkerland te
vragen. Zij liet zich dan van den ezel glijden; waarop Kaleb tot haar
19       zeide: Wat belieft u?\' Zij antwoordde: Geef mij een geschenk; nu
gij mij in het dorre land hebt gezet, moet gij mij wellen geven. En
20       hij gaf haar wellen, hoog en laag gelegene.\' Dit was het erfdeel van
den stam der Judeërs, naar hunne geslachten.
21            De steden aan het uiterste einde van den stam der Judeërs, tegen
liet gebied van Edom aan, waren, in het Zuiden: Kabseël, Kder, Jagur,\'
22-24 Kina, Dimona, Arara,\' Kedes, Hasor en Jithnan; \' Zif, Telam, Healoth,\'
25, 20 Hasor-hadatta en Kerijjoth-hesron, dat is Hasor;\' Aniam, Sjema, Molada,\'
14.  De verdrijving der Enakieten uit Hcbron, hier aan Kaleb toegeschreven, was volgens XI: 21 v.
het werk van Jozua, volgens Kieht. I : 10 van den stam Juda, na Jo/.un\'s dood.
15.  trok hij op, Kaleb; volg. Kieht. 1:11 Juda. — Debir, ook Hicht. 1:12 Kirjath-sefer en vs. 49
Kirjath-sanna genoemd, volg. X : 38 v. door Jozua, volg. Richt. 1:1, 11—13 nu Jozuu\'s dood veroverd,
wordt nu eens tot het Gebergte (vs. 49), dan weder tot het Zuiden (vs. 1\'.)) gerekend. Vroeger Kanaü-
nietisehe koniugstad (XII: 13), wordt zij XXI: 15 onder de pricstersteden opgenoemd. Hare ligging is
niet met zekerheid hekend; in elk geval lag zij aan de grens vim het Gebergte en het Zuiden, in cene
onvruchtbare, dorre streek.
17.   Othniël — Kaleb. Verg. Kieht. 1:13; 111:9, waar Othniël Kalchs jongere broeder heet, De
veroveraars van liebron en Debir zijn broeders, beiden zonen van Kennz, met andere woorden Kenizzieten,
een Kdomietisehe stam, Gon. XXXVI: 11, 10. Verg. bil. op Num. XIII, XIV. Othnifil komt Kieht.
111:9, 11 als richter voor. — hij — vrouw. Dat Kaleb zijne dochter aan Othniël tot vrouw gnf
doelt op cene nauwe verbinding van de Keuizzictischc stammen van Hcbron en Debir. Waarschijnlijk
wil de schrijver tevens aantooncn, dat Debir, in cene dorre streek gelegen, recht had op ecu gedeelte
van het tot Hebron behoorende vruchtbaarder gebied.
18.   Toen — kwam, toen zij bij de huwelijksvoltrekking als zijne bruid naar zijn huis geleid werd. —
spoorde hij haar aan, volg. Gr. vert. van Richt. 1:14, waar dezelfde tekstverandering is aangebracht;
llrlir. t. spoorde zij hem aan. De Gr. vert. hier is zeer vrij. — va» haar vader, die ondersteld wordt
deel van den bruidstoet uit te maken. — liet — glijden, ten tecken van eerbied (Gen. XXIV: 04;
1 Sam. XXV: 23).
19.  geschenk, letterlijk zegen. Zie op Gen. XXX111:11. — in het dorre land, volgcus andere woord-
nfdccling. Bedoeld wordt ,hct Zuiden\'. Het Hebreeuwsche woord voor ,hct Zuiden\' beteckent eigenlijk
,het dorre land\'. Daar het gedeelte van Juda dat er door werd aangeduid het zuidelijkste was, kreeg
het woord langzamerhund de beteckenis van „het Zuiden". — wellen. Zij bedoelt land met putten en
bronnen, om daaruit het dorre land te besproeien.
20.  Dat een dergelijk onderschrift reeds in vs. Wi staat bewijst het samengesteld karakter van dit stuk.
21.  het Zuiden. Van de vier gedeelten waaruit het grondgebied van Juda bestond (zie op Dcut. 1 : 7)
strekte zich het Zuiden uit van Juda\'s zuidelijke grens tot eenigc uren ten zuidwesten van Hcbron.
Het werd ten oosten door de Woestijn, ten westen door de Laagte begrensd, terwijl het in het noor-
den met cene spitse punt iu het gebergte uitliep. Het is eene tamelijk onvruchtbare hoogvlakte, van
water verstoken, slechts hier en daar bebouwd, doch niet ongeschikt voor het herdersbedrijf, dnar zij
in en na den regentijd cene voldoende hoeveelheid gras oplevert. Het menigvuldig voorkomen van
plaatsnamen samengesteld met hasor, d. i. .omheinde legerplanU\', bewijst dat de bewoners er een
zwervend leven leidden. Naar de verschillende volkstammen die er woonden werd het onderscheiden
in het Zuiden der Judeërs, Jerahmeëlieten, Kenieten en Kalebietcn (1 Sam. XXVII:10; XXX: 14).—
Kabseël, of Jekabseël (Xeh. XI: 25), geboorteplaats van Davids veldheer lienaja, 2 Sam. XXIII: 20;
1 Kron. XI: 22. — Kder, Jagur, onbekend.
22.   Kina, misschien genoemd naar de in het Zuiden wonende Kenieten (1 Sam. XXX: 29). —
Dimona, waarschijnlijk hetzelfde als Dibon, N\'eh. XI : 25. — Arara, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Adada.
Het heet 1 Sam. XXX : 28 Aroër en lag drie uur ten zuidoosten van liersjeba.
23.   Kedes, volgens sommigen eene dagreis van Hebron ; volgens anderen dezelfde plaats als Kadea-
barnea; waarover zie op Gen. XIV: 7; verg. op XII: 19—23. — Hasor, Jithman, onbekend. — De
negen tot dusverre opgenoemde plaatsen lagen waarschijnlijk alle in het oostelijk gedeelte van het Zuiden.
24.  7.if, onbekend; eene andere plaats van dien naam vs. 55. — Telam, met verandering van een
klinker; Hebr. t. Telem. Het komt nog 1 Sam. XV: 4, 7; XXVII: 8 voor. — Bealoth. Zie op XIX: 8.
25.   Deze beide plaatsen zijn onbekend; de eerste naam beteckent wellicht Nieuw-Ilasor, terwijl de
laatste volg. Hebr. t. twee plaatsen aanduidt.
20. Van deze drie plaatsen is Amam geheel onbekend; en wordt Molada XIX: 2 tot Simcon gcre-
keiid. Njema is waarschijnlijk hetzelfde als Jesjua (Xeh. XI : 20); Molada lag vier uur ten oosten van
Bersjeba.
-ocr page 436-
jozua XV : 21—44.
516
21, 28 Hasar-gadda, Hesmon, Beth-pelet,\' Hasar-sjual, lWsjeba en onderhoorige
2\\)-\'il plaatsen; \' liaiüa, Ijjim, Esem,\' Eltolail, betbul, Horma, \' Siklag, Mad-
•\\2 manna, Sansanna, \' Lebaoth, iSjilhiiu en En-rimmon; saiuen negen en
twintig steden niet hare gehuchten.
38, !{4 In de Laagte: Estaol, Sorea, Asna,\' Zanoah en Kn-gannim; Tappuah
U.r), \'M> en Enam; \' Jarmuth en Adullani; Socho en Azeka, \' Sjaaraim, Adithaiiu
en (iedera: veertien steden met hare gehuchten.
37-5W Senan, Hadasja, Migdal-Uad, \' Dilean, Mispe en Jokteël;\' Lachis, lk>s-
40,41 kath, Kglon,\' Kabhon, Lahmas, Kithlis\' en Gederoth; lieth-Dagon,
Naiima en Makkeda; zestien steden met hare gehuchten.
4:2-44 Libna, Ether, Asjan, \' Jiftah, Asna, Nesib, \' Keïla, Achzib en Maresja;
negen steden met hare gehuchten.
27.  Onbekende plaatsen; het laatste komt m.._• Neh. XI: 20 vuor.
28.   llasar-sjual, .Vosseuhof\', volg. XIX: 3; 1 Kron. IV: 28 van «len stam Simeon, wordt nog Nch.
XI : 27 vermeld. — Bersjeba. Zie inl. op Gen. XXVI: I—33. — ouiterhoorige plaatten, volg. (ir. vert.;
llebr. t. Rizjothja.
29—32. Dertien plaatsen in het westen en zuidwesten.
2U. I)e eerste plaats, ook Bala of Bit/ut genoemd, en de laatste hecten XIX: 3; 1 Kron. IV: 29
Simeonietiseh ; de tweede komt elders niet voor.
30.   Bethut. Volg. XIX: 4 en Gr. vert.; Hebr. t. Ke:il; verg. 1 Sam. XXX : 27 en 1 Kron. IV: 30,
waar het Belhuel heet.
31.   Siklag, eerst stad der filistijnen, daarna door den Filistijnseheu koning Aehis aan David gc-
schonken en sinds tot Jnda behoorende (1 Smit. XXVI1:0; XXX). Volg. XIX:»; 1 Kron. IV:28
Simeonietiseh. — Maitmanna, Sansanna, inissehien de/elt\'dc die XIX :5; 1 Kron. IV: 31 Beth-hammar-
kubofh,
,\\Yngenhuis\' en Hasar-suza, , l\'nardenhof. heeten en tot Simeon behooren.
32.   Lfjiaulli. XIX :0 Beth-lebaoth, ,l.ceuwcnhuis\', onbekend. — Sjilhim, XIX: ft Sjaruhen, 1 Kron.
IV: 31 Sjaöraim, waarsehijnlijk aan den grooten weg van Kgypte naar (ïaza. — En-rimmmt, ,(ïruunnt-
brotr, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Ain en liimmon; het lag ongeveer drie uur ten noorden van llersjeba;
verg. Neb. XI: 29; Zaeh. XIV: 10. — Volgens XIX: Cv.; 1 Kron. IV:31v. behoorden de drie
plaatsen tot .Simeon. — negen en twintig. Het zijn er eehter vier en dertig; er moeten dus vijf namen
zijn ingevoegd; misschien zijn de vijf die ook .Nch. XI : 20 v. voorkomen van daar hier ingclaseht.
33.   i/e Laagte strekte zich uit van de beek van Kgvptc, ten zuiden, tot aan den Karmcl, ten
noorden, en grensde in het oosten aan het (iebergtc en het Zuiden, ten westen aan de Middellaudsehc
Zee. liet is eene vruchtbare vlakte, hier eu daar vun heuvelen doorsneden, die naar den kant vau
het Gebergte zich zelfs vrij hoog verheffen; somtijds wordt liet oostelijk gedeelte onder den nnum tle
hellingen
van baar onderscheiden (zie op X: 40). — De eerstgenoemde plaatsen (vs. 33—30) liggen
in het noordoosten. — Kstaol, Sorea, volg. XIX: tl; Richt. XIII: 25; XVIII: 2, 8, 11 steden in
Dan, in elkanders onmiddellijke nabijheid, ongeveer drie uur ten zuidwesten vau Kirjath-jcarim ge-
lcgen. Volg. lucht. XIII: 2 is Simson te Sorea geboren; volg. Kieht. XVI: 31 tussehen beide plaatsen
begraven. Hnre bevolking heet 1 Kron. 11:53 vnn Kirjnth-jenrim afkomstig. — Ama, onbekend; eene
gelijknamige plaats vs. 43.
34.   Zanoah, ten zuidoosten van Sorea, komt ook Neh. 111:13; XI: 30 voor. — Kn-gannim, ,Tui-
ncnbrou\', en Tappuah, ,Appel\', onbekend; een ander Tappuah XVII: 7 v., een Beth-tappuah vs. 53. —
Enam. Zie op Gen. XXXVIII: 14.
35.   Jarmuth. Zie op X: 3. — Ailullam. Zie op Gen. XXXVIII : 1, — Socho en Azeka. Tussehen
deze beide steden waren de Filistijnen gelegerd toen Goliath Israël uitdaagde (1 Sam. XVII :1);
Socho lug ecu paar uur ten zuidwesten van Jeruzalem; over Azeka zie op X: In en over ecu ander
Socho op vs. 48.
30. Sjaaraim. Over eene andere plaats vau dien naam zie op vs. 32. — Adithaim, onbekend. —
Geitrra. Zie op XII: 13. Hebr. t. laat nog volgen Gederothaim, wat volg. Gr. vert. is weggelaten.
Door de weglating van dezen naam komt de opgave van veertien steden uit.
37—11. De hier voorkomende plaatsen zijn ten zuiden ca ten westen van de vorige gelegen.
37.    Senan, Mielia 1:11 Saiinan geheeten, is, evenals de twee volgende plaatsen en die van vs. 38,
onbekend.
38.     Mispe. Meer dan éenc plaats droeg dezen naam; zie XIII: 26; XVIII: 20 en op Gen.
XXXI: 49.
39.   Over taehis en Kglon zie op X : 3; Boskath komt alleen nog 2 Kon. XXII: 1 voor.
40.   Kiililiii.i. misschien hetzelfde als Machbena, 1 Kron. 11:49, ruim twee uur van Kglon. —
Lahmai, Kithlis, onbekend.
41.    Gederoth. Indien het dezelfde plaats is als Gei/era of Geiler (vs. Sfl; XII: 13), dan hebben wij
hier ecu bewijs dat deze lijst uit verschillende geschriften is samengesteld. Maar het woord bctcckcnt
.muur\', en meer dan eene plaats kan zoo geheeten hebben. — Beth-Dagon, onbekend. De nnnm is
samengesteld uit het Ilchrccuwsche woord dat .huis\' bctcckcnt en den naam van den Kilistijnschcn
god Dagou (Kicht. XVI: 23). Ook aan de grens van Azer lag eene stad van dien naam, XIX: 27. —
Naiima, onbekend; eene andere plaats vau dien naam Job 11:11. — Makkeda. Zie op X : 10.
42—44. Deze plaatsen zijn zuidelijker gelegen.
42.   Libna. Zie op X: 29. — Ether komt nevens Asjan (Bor-asjan) nog voor XIX: 7; 1 Sam.
-ocr page 437-
jozüa XV : 45—57.                                          517
45, 46 Ekron met hare onderhoorige plaatsen en gehuchten;\' van Ekron
af en verder zeewaarts, alles wat aan den kant van Asdod met hare
47 gehuchten lag:\' Asdod zelf en Gaza met beider onderhoorige plaatsen
en gehuchten, tot aan de heek van Egypte, terwijl de Groote Zee de
grens was.
48, 4U Op het Gebergte: Sjamir, Jattir, »Socho, \' Danna, Kirjath-sanna, dat
51), 51 is Debir,\' Anab, Estemo, Anim,\' Goosjen, Holon en Gilo; elf steden
met hare gehuchten.
52-54 Arab, liuma, Sjema,\' Janim, Beth-tappoah, Afeka, \' Humta, Kirjath-
arha, dat is Hebron, en 8ior; negen steden met hare gehuchten.
55-57 Maon, Karmel, Zif, Juta,\' Jizreël, Jokdeam en Zanoah;\' Kain, Gihea
en Timna: tien steden met hare gehuchten.
XXX: 30; 1 bon. fV:32. Volg. XIX: 7; 1 Kron. IV: 32 behoorden beide plaatsen tot Siineon en
lagen dus bij het Zuiden, waarin de overige steden van Simeon gelegen waren.
43.  Jiftuh — Nesib, onbekend. Wellicht lag Nesib tusschen Eleuthcropolis en Hebron. Kcne plaats
Aam! komt ook ra. 33 voor; mogelijk is dezelfde bedoeld en is de herhaling ceu gevolg van het
samengesteld karakter dezer lijst; verg. op vs. 41.
44.   Keila, door de Filistijnen belegerd, maar door David ontzet (1 Nam. XXI 11:1—13), lag ten
oosten van Eleuthcropolis; verg. 1 Kron. IV: 10; Nch. 111:17. — Aehzib, of Kezib. /ie op Gen.
XXXVlil S 5, — Maresja, nan den weg van Hebron naar Asdod iu de nabijheid van Elcutheropolis,
wellicht de geboorteplaats van den proleet Mieha (zie op Mieha 1:1), was in dun Gricksehcn tijd
cenc vesting van ecnige beteekenis en wordt iu Kronieken meermalen vermeld (1 Kron. II: 12; IV:
21; 2 Kron. XI: 8; XIV: 9; XX: 37); ook 2 Mafck. XII: 35 en wellicht 1 Makk. V:00.
45—47. Het gnnsehe gebied der Filistijnen, van Ekron, ten noorden, tot aan do beek van Egypte,
ten zuiden. De beschrijving daalt hier niet, als elders, iu bijzonderheden al\'; zelfs ontbreken twee
7
der vijf steden; zie op XIII: 3. De streek hier aan .luda toegedeeld heeft nooit tot Isracls land
behoord. Wel heeft David de Filistijnen, nadat zij de Israëlieten meermalen vernederd hadden (Kicht.
X:7v.; XIII—XVI; 1 Sam. IV; V; X:5; XIII, XIV enz.) cijnsplichtig gemankt (2 Snm. V:17—
25; VIII: 1), en zijn zij dit onder Salomo gebleven; maar na diens dood zijn zij weder onafhankelijk
geworden, /ij hebben sedert met do Judecrs op dcnzelfden voet gestaan als de Fenieiërs met Noord-
Isracl: zij hadden elkander noodig en leefden dus gemeenlijk met elkander in vrede. Onder de Hns-
moncen hebben zij nog een tijdlang deel van het Joodschc rijk uitgemaakt; maar, evenals de andere
kustbewoners, zijn zij den Joden steeds vijandig gebleven.
40. van — zeeieaarts, de noordelijke grenslijn.
47.  de (/rena tooa, volg. Gr. vert.; Hcïir. t. en grena.
48.   het Gebergte, van Juiln, tusschen de Laagte, ten westen, en de Woestijn, ten oosten, strekte
zich vnn de noordelijke punt van het Zuiden tot aan de noordelijke grens van .luda uit. Verder
noordwaarts droeg de hergketen den naam van Gebergte van Efrniin. Het hoogste punt, bij Hebron,
vorheft zich 900 M. boven den waterspiegel der Middcllnudsche Zee. Ofschoon de bodem op menige
plaats rotsachtig is, is het gebergte lang niet overal onvruchtbaar; hier en daar treft men welige
vlakten cu vriendelijke dalen aan, terwijl de bergen meestal begroeid en met hoornen bezet zijn. Hij
de opnoeming der steden gaat de schrijver van het zuiden naar het noorden: zoodat de eerste groep
(vs. 48—51) in het zuiden ligt. — Sjamir, vijf uur ten zuidwesten van Hebron. F.cne gelijknnmigc
plaats Kicht. X : 1; verg. op Mieha 1:11. — Jaitir komt ook XXI: 14; 1 Sam. XXX: 27; 1 Kron.
VI: 57 voor; verg. op 2 Sam. XXIII: 38. — Socho, vier uur ten zuiden van Hebron; over cene andere
plaats van dien naam, iu de Laagte, zie op vs. 35.
49.  Danna, onbekend. — Kirjath-sanna — Debir. /ie op vs. 15.
50.  Anab, ook nog XI: 21. — Estemo, elders steeds Estemoa, komt ook 1 Snm. XXX: 28; 1 Kron.
IV: 17, en als pricsterstad XXI: 14; 1 Kron. VI: 57 voor; het lag drie uur ten zuiden van Hebron.
Over een ander Kstcmoa zie op 1 Kron. IV : 19. — Anim, ten zuiden van Fistemo.
51.   Goosjeu. Zie op X:41. — Holon, nog 1 Kron. VI: 58, volg. XXI: 15 pricsterstad, onbekend.—
Gilo, volg. 2 Sam. XV: 12; XXIII: 34 geboorteplaats van Ahitofcl.
52—54. Deze negen plaatsen liggen ten noorden van de vorige, in de omgeving van Hebron; Sjema
cu Tappnah hecten 1 Kron. II: 43 zonen van Hebron.
52.   Arab — Sjema, alle drie ten zuiden of ten zuidwesten van Hebron; het eerste komt nog 2
Sam. XXIII:35, het tweede wellicht 2 Kon. XXIII:30 voor; Sjema, volg. Gr. vert. en 1 Kron. 11:43;
Hebr. t. Esjean.
53.   Janim, volgens cenc andere lezing vnn Hebr. t. Jan urn. — Belh-lappuah, 1 Kron. 11:43 Tap-
puah,
bijna twee uur ten westen van Hebron; verg. op vs. 34. — Afeka, onbekend.
54.  Humta, onbekend. — Kirjath-arba, dat is Hebron. Zie op Gen. XIII: 18. — Sior, waarschijnlijk
twee uur ten noordoosten van Hcbrou.
55—57. Deze steden liggen ten oosten van de vorige, aan de grenzen van de Woestijn.
55.   Maon, aan de woestijn mui dien naam, woonplaats van Xabal (1 Sam. XXIII: 24 v.; XXV: 2),
vier uur ten zuidoosten van Hebron. — Karmel, ook 1 Sam. XV: 12; XXV; XXX: 29 genoemd,
ongeveer drie nur ten zuidoosten van Hebron. — /if, cenc hoog gelegen plaats, bij de woestijn van
dien naam, waarin David zich voor Saul verborg (1 Sam. XXIII: 11—28; XXVI; l*s. IilV:2; verg.
2 Kron. XI: 8), twee uur ten zuidoosten van Hebron. Keue andere plaats van dien naam vs. 24. —
Juta, of Julia, volgens XXI: IC pricsterstad, in de nabijheid vau de vorige.
-ocr page 438-
jozüa XV: 58—63.
518
58, 59 Halhul, Beth-sur en Gedor; \' Maarath, Beth-Anoth en Eltekon; zes
steden met hare gehuchten.
Tekoa, El\'rath, dat is Bethlehem, 1\'eor, Etam, Kulon, Tatam, Sjores,
Kareiu, Gallim, Uaither en Manoho; elf steden niet hare gelnichten.
OU          Kirjath-Baal, dat is Kirjath-jearini, en Rabba; twee steden niet hare
gehuchten.
61,62 In de Wuestijn: Beth-araha, Middin, »Sechacha,\' Kihsjan, Ir-ham-
melali stad en En-gedi; zes steden niet liare gehuchten.
63
          Wat de Jehuzieten die te Jeruzalem woonden aangaat, de Judeërs
konden hen niet verdrijven; en de Jehuzieten wonen hij de Judeërs
te Jeruzalem tot op dezen dag.
V». 63. Kicht. !:21.
50. Jhrcël, geboorteplaats vu Davids vrouw Ahiuoam (1 Snm. XXV:43; XXVII:3); do ligging
er vnu is, evenals van de l>ei(lc volgende plaatsen, onbekend. Het komt nop voor 1 Kron. IV: 3. Over
de gelijknamige plaats in het noorden /.ie op XIX: 18.
57.   Kain, eigenlijk Ilakkain, onbekend; de naam wijst op dien der Kcnicten. — Giiea en Timna,
van onzekere living; over een Timna in de Laagte /ie op vs. 10.
58 v. Don plaatsen liggen ten noorden van de twee vorige, groepen.
58.   Halhul, anderhalf inii\' ten noorden van llebron. — Bcth-mir, ten noordwesten van het vorige,
was tijdens den vrijheidsoorlog tegen de Syriër* de vesting die het land der Idiimcërs tegen de nan-
valleii der Joden dekte (1 Makk. IV: 29, 01; VI:7, 20, 31 enz.; verg. 2 Krou. XI: 7; Neh. 111:10).
— (iedor, anderhalf uur ten noordwesten van Beth-sur, ook 1 Kron. IV: 4; XII: 7.
50. Jtaiiralh, onbekend. — Beth-Anoth, missehicn evenals Hcth-Aunth (XIX: 38) naar de Kanaanic-
tisehc godin Auath genoemd, in de buurt van Halhul. — Eltekon, onbekend. — Tekoa — ijehuchten,
uit (ir. vert. ingevoegd. l)c/.c reeks namen, diu der steden van een belangrijk gedeelte van Juda
is, zeker bij vergissing, uit Hcbr. t. uitgevallen. — Tekoa, ten zuiden van Hethlchem, in de nnbij-
heid van de woestiju van dien naam (2 Kron. XX: 20); verg. 2 Sam. XIV: 2; Neh. 111:5; .Ier. VI:
1; Am. 1:1.— Efrath, Hal it Bethlehnn, de bakermat van het Davidischc koningshuis (Kuth 1:1 enz.;
1 Sam. XVI: 4; XVII: 12 enz.), volg. Matth. II; Luc. 11:4 enz. de geboorteplaats van Jezus,
lag ongeveer twee uur ten zuiden vnn Jeruzalem. Kfrath, hier hetzelfde nis Hethlchem, was eigenlijk
de streek waarin Hethlchem lag, ten zuiden en westen van Jeruzalem (Mieha V : 1 .. Zie verder 1
Kron. 11:50; IV: 4. — Peor, tusschen Hehron en Hethlchem. Waarschijnlijk heette de plaats naar
den god Hnal-1\'cor; zie op Nuin. XXV i 3. — Klam, tusschen l\'eor en Hethlchem; verg. 1 Kron. IV:
3; 2 Kron. XI: 6. — Kulon, onbekend. — Tatam, of Tagam, onbekend. — Sjorei, vier uur ten wes-
ten vnu Jeruzalem. — Karem, twee uur ten oosten van het vorige. — Gallim. £cnc plaats van dien
naam lag ten noorden vnn Jeruzalem, Jcz. X : 80, verg. 1 Sam. XXV: 44; of deze hier bedoeld is, is
echter onzeker. — Baithir, ton zuidwesten vnu Jeruzalem, wellicht de stad Hether, die het laatste
bolwerk der Joden wns in hun strijd voor de vrijheid onder Harkochba (135 na (!hr.). — Manoho,
misschien hetzelfde als Manahath; zie op 1 Kron. VIII: 6b, 7.
00. Kirjath-Baal, dat ia Kirjctth-jearim. Zie op IX: 17. — Rabba, eigenlijk Uarabba, ,dc Groote\',
onbekend.
Gl. de Woeitijn, het oostelijk deel van Juda, tusschen de Doodc Zee, ten oosten, en het Gebergte,
ten westen, strekte zich ten noorden tut de vs. 6 v. aangegeven lijn en ten zuiden tot den Schor-
piocnenpas uit (zie op Num. XXXIV: 4). Grootendccls eenc akelige wildernis met een kalen stccn-
bodem, levert zij slechts hier en daar, waar zich cene bron bevindt, een wceldcrigcn plantengroei op.
Onderdeden van haar zijn de woestijnen van Kn-gedi, Tekoa, Zit\' en Maon, welke plaatsen zelve, met
uitzondering van Kn-gedi, tot het Gebergte belmoren. — Beth-araba. Zie op vs. 6. — Middin, Se-
chacha,
onbekend.
02.   Kibsjan, eigenlijk Hakkibijan, d. i. ,de smeltovcn\', volg. Gr. vert.; Hcbr. t. lltuwilisjtin. Verg.
op Gen. XIX : 28. — lr-hammelah, d. i. ,de Zoutstad\', waarschijnlijk in het Zoutdal, waar de Edomictcn
menige nederlaag geleden hebben, 2 Sam. VIII: 18; 2 Kon. XIV: 7; 2 Kron. XXV: 11; I\'s. LX: 2. —
En-gedi, .bokkebron\', cen kwartier ten westen vnn de Doodc Zee, in de nabijheid cencr bron, in eenc
tamelijk vruchtbare streek gelegen; verg. 1 Sam. XXIV :1; Hoogl. 1:14; Kzech. XLVII:10.
03.    Het bericht dat Juda de Jehuzieten niet heeft kunnen verdrijven past hier volstrekt niet.
Immers volgens vs. 7 v. loopt de noordelijke grens van Judn\'s gebied ten zuiden van Jeruzalem. Ook
wordt deze stad onder de steden van Juda niet opgenoemd, wat toch wel geschiedt met alle plaatsen
die, schoon nog in de macht der oude bevolking, nan Juda worden toegewezen, verg. vs. 45—47;
XIII: 3—0. In tegenspraak met deze plaats, wordt Richt. 1:8 medegedeeld dat de Judeërs Jeruzalem
wel hebben ingenomen, terwijl daarentegen Kicht. 1: 21 aan de Bcnjaminietcn, in bijna dezelfde be-
woordinnen als bier aan de Judeërs, verweten wordt dat zij dit niet gedaan hebben; gelijk ook Joz.
XVIII : 28 de stad tot Henjamins erfdeel gerekend wordt; verg. Jcr. VI: 1. In werkelijkheid is zij
tot David Kanaiinietisch geweest, door dezen koning veroverd (2 Sam. V : 0—0), en, zooals in den aard
der zaak ligt, door zijne volksgeuootcu uit verschillende dcelen des latuls, vooral door Kcnjaminictcn
en Judeërs als do naastwouenden, bevolkt. Wellicht waren de eersten hot talrijkst en kon zij daarom
voor cene Heujuminictische stad doorgaan. Maar na den herbouw des tempels moesten de Joden er op
gesteld zijn, de tempelstad als ecne van oudsher Judccschc plaats te beschouwen, en werd zij dus tot
Juda gerekend. Verg. op Ik ut. XXXIII: 12.
-ocr page 439-
jozua XVI: 1—6.                                            519
HOOFDSTUK XVI, XVII.
Het erfdeel van .In/cl\'. — De zuidelijke grens (XVI: 1—3). Jozefs zonen (4)j de grens vim Klïuims
gebied (5—8); steden van Kfraim in Manassc (!)); Gezcr blijft onveroverd (1U). Mainissc\'s erfdeel
(XVII :lv.)i Selofhads dochters erven mede (3—0). De grens van Manasse\'s gebied (7—0); noords*
lijkc en oostelijke grens van het gebied van Jozefs zonen (10). Steden van Manassc in Issaehar en
Azer (11—13). Het huis Jozef vraagt van Jozua een grootcr grondgebied (11—18).
Hij de lezing van dit stuk treft ons nanstonds de onvolledigheid. Terwijl wij van alle andere
stammen vernemen welke steden in hun gebied lagen (XV : 21—02; XVIII:21—28; XIX:2—H, 15 v.,
18—22, 25—31, 35—38, 42—46), ontbreekt hier ten aanzien van de machtige stammen Kfraim en
Manassc zulk ecuc ongave. Ook de grenzen van hun gebied worden slechts ten declc aangegeven.
Hierbij komt meer dan écne tegenstrijdigheid. Naast verzen die over den eencn stam Jozef handelen
staan andere, die Kfraim en Manassc als twee stammen beschouwen. Tegenover de voorstelling dat
beiden door het lot een erfdeel wordt toegewezen staat het bericht dat het huis Jozef van Jozua een
grootcr grondgebied vraagt en door hein wordt opgewekt om het zelf te veroveren.
De verklaring van deze verschijnselen is ook hier te zoeken in het onderling verschil van de ver-
halen die bij de samenstelling van de twee hoofdstukken zijn gebruikt. In het Oudc-Sagcnbock, aan
welks Deutcronomische bewerking XVI: 1—3; XVII: 14—18 grootendcels is ontleend, werd Jozef
behandeld als een geheel. Waarschijnlijk bevatte het te zijnen aanzien veel meer dan in onze hoofd-
stukken is opgenomen, b. v. grensbepaliugcn en lijsten van steden. Dit werd evenwel weggelaten, om-
dat het onverecnigbaar scheen met de mcdedeeliugcn van Kzra\'s Wetboek, waarin Kfraim en Manassc
als twee afzonderlijke stammen voorkomen. Wij vinden die in XVI: 4—10; XVII: la, 3—0, 11—13,
evenwel niet in haar oorspronkelijken vorm; want XVI:!) v.; XVII: 5 v., 11—13 zijn door den Vcr-
zamclaar, gedeeltelijk uit Hicht. I (zie op XVI: 10 en op XVII: 11—13), toegevoegd. In deze verzen
openbaart zich nog duidelijk het bekende verschil ten aanzien van de rangorde der twee stammen;
verg. inl. op Gen. XI/V1I:28—XLVIH: 22 en op Gen. XLV1II:G. Aan welke bronnen de nog overige
verzen, XVII: 14, 2, 7—10, ontleend zijn, weten wij niet.
XVI :1 Het lot kwam uit voor de zonen van Jozef. De grens liep van den
Jordaan bij Jericho, ten oosten, langs de woestijn die van Jericho het
2       gebergte oploopt naar Bethel-Luz. \' Verder van Bethel door het
3       grondgebied der Arkieten naar Ataroth, \' en westwaarts af naar het ge-
bied der Janetieten tot aan het gebied van Laag-Beth-horon en over
Gezer, om aan de zee te eindigen.
4, 5 De zonen van Jozef, Manasse en Efraim, kregen hun erfdeel.\' Dit
was het gebied der Efraimieten, naar hunne geslachten: de grens van
hun erfdeel was: Atroth-addar, in het oosten, tot Hoog-Beth-horon;\'
(5 de westelijke grens kwam uit ten noorden van Michmethath; vervol-
1—3. Verg. XVIII: 12 v. — In deze grcnsbepaling van den stam Jozef, die echter onvolledig blijft,
daar alleen de zuidelijke grens wordt aangegeven, worden de zonen van Jozef als een geheel behandeld.
1.   Hierin zijn enkele tekstverbeteringen naar Gr. vert. aangebracht. — de woestijn, XV1II:12 do
woestijn van Hcth-awcn genoemd. — Bethel-Luz. Volg. Gr. vert. is de tweede naam uit het volgende
vers hierheen verplaatst. De grens liep van Jericho af noordwestwaarts.
2.   van Bethel, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. van Bethel naar Luz; zie op vs. 1. Van hier af liep
do grens zuidwaarts. — Arkieten, een onbekende, misschien Kanaiinietische, volkstam. Davids vriend
Ilusjai behoorde er toe (2 Sam. XV : 32 enz.). — Ataroth, ook Atroth-addar genoemd (vs. 5; XVIII:
13), waarschijnlijk anderhalf uur ten zuiden van licthcl.
3.  Jajletieten, onbekend. Volgens 1 Kron. VII: 32 v. heet een nakomeling van Azer Jajlet. Of dezo
naam mot don onzen samenhangt, en, zoo ja, hoe dan de Kroniekschrijver er toe komt hem met Azer
in verband te brengen, is onzeker. — Laag-Beth-horon, ten westen van Ataroth; zie op X: 10. —
Qezer, ten zuidwesten van Uoth-horon; zie op X: 83. Hot lag nog iets zuidelijker dan Kkron, waar-
ovcr do noordgrens van Juda\'s gebied liep, XV: 11. Tusschcn Jozef en Juda bleef dus aan de kust
voor Dan geen plaats. Verg. XIX : 40—48.
4.   Ken soortgelijk opschrift tronen wij reeds vs. 1 aan; daar was echter sprake van den stnm Jozef
in zijn geheel, hier worden zijne onderdeden, Manasse en Kfraim, behandeld. Kfraim, ofschoon hier
in do tweede plaats genoemd, wordt vs. 5—10 het eerst besproken. In Kzra\'s Wetboek, waaraan dit
gedeelte is ontleend, ging zeker Manassc voor Kfraim; de Verzamelaar echter heeft de volgordo
veranderd.
5.   Atroth-addar — Hoog-Beth-horon. Wat hier aangegeven wordt is een gedeelte van Kfraims zui-
delijkc grens; het andere gedcolte van Atroth-addar naar don Jordnan was reeds vs. 1 v. boschrevcn.
6.   de wettelijke — Michmethath. Deze plaats lag, volgeus XVII: 7, tegenover Sichcm. Liep nu do
westelijke grens van hier naar Dcth-horon, dan valt do gchcele kust en de berghelling buiten het
-ocr page 440-
520                                      jozua XVI: 6—XVII: 4.
gens liep zij in oostelijke richting naar Taiinath-Sjilo, oostwaarts van
7       daar naar Janoah;\' voorts van Janoah afwaarts naar Atiiroth en Naii-
8       ratb, raakte Jerioho en kwam uit bij den Jordaan. \' Van Tappuah ging
de grens westwaarts naar de beek Kana en eindigde aan zee. Dit was
het erfdeel van den stam der Efraimieten, naar hunne geslachten.
9           Voorts de steden die midden in het erfdeel der Manassieten voor de
Efraimieten waren afgezonderd, al die steden met hare gehuchten.\'
10 Maar zij hebben de Kanaanieten die te üezer woonden niet verdreven,
en de Kanaanieten bleven in het midden van Ef\'raim wonen tot op
dezen dag en werden cijnsplichtig.
XVII: 1 Nu viel aan den stam Manasse het lot ten deel; want hij was Jozefs
eerstgeborene: wat aangaat Machir, Manasse\'s eerstgeborene, den vader
van Oilead, daar deze een krijgshaftig man was, verkreeg hij Gilead
ti en Bazan; \' zoo viel het lot ten deel aan de overige zonen van Ma-
nasse, naar hunne geslachten, namelijk aan de zonen van Abiëzer: 11 riek,
Asriël, Sichem, Heler en Sjemida. Dit zijn de mannelijke nakomelingen
3       van Manasse, den zoon van Jozef, naar hunne geslachten. \' tSelofhad
nu, de zoon van Hefer, den zoon van Üilead, den zoon van Machir,
den zoon van Manasse, had geen zonen, alleen dochters, en dit zijn
4       de namen zijner dochters: Mahla, Noa, Hogla, Milka en Tirsa.\' Dezen
nu traden nader tot den priester Eleazar, Jozua, den zoon van Nun,
en de vorsten, en zeiden: Jahwe heeft Mozes geboden, ons een erfdeel
in het midden onzer broederen te geven. Daarom gaf hij baar, naar
Jahwe\'s gebod, een erfdeel in het luidden van de broederen van haar
V». 10. Richt. 1:29.
gebied der .Tozcficton en blijft er dus ruimte voor Dim; verg. XIX: 40—48 cu op v». 3. — Taanath-
Sjilo.
Vim deze nemen is de lering zeer onzeker. Waarschijnlijk moet het eerste ten zuidoosten van
Sichem gezocht worden. Zeker is aan het Sjilo van XVIII : 1 niet te denken, daar dit niet oostelijk
maar zuidelijk van Sichem ligt. — Januah, eveneens, en wel dcrdchnlf uur, ten zuidoosten van
Sichem.
7.    Atarolh lag, blijkens het werkwoord „afwaarts loopen", lager dan de vorige plaatsen, dichter bij
het .lordnaudal, en is dus een nnder dan het Atnroth van vs. 2, dat ten zuidwesten van Bethel, op
het Gebergte, lag. — Naarath, waarschijnlijk hetzelfde als Naiiran (1 Kron. VII: 28), niet ver
van Jericho.
8.    Van — zee. Tappuah is nog XII : 17 vermeld; zie op XII: 106—18. Volg. XVlI:7v. moet het
ten westen van Sichem gelegen hebben. Wordt van hier de grenslijn in westelijke richting tot de zee
getrokken, dan blijkt dat Kfraims gebied alleen in het noorden aan zee paalde; zie op vs. 5. Kene
gelijknamige stad in Judn komt XV: 10 voor. — de 6eek Kana, onbekend. Volgens deze plaats en
XVII: 9 viel zij tusschcii .loppe en (\'csarca in zee. — Kenc plaats Kana XIX: 28.
SI. Aanleiding lot de vermelding van steden vuil Kfraim op het grondgebied van Manasse vond de
schrijver zeker hierin, dat hij in het cene bericht steden of streken als Kfraimietisch vond opgegeven
die in het andere tot Manasse werden gerekend.
10. Dit vers staat hier vreemd: immers lag Gezer in eene streek die volg. vs. 4—8 niet tot
Kfraim, volg. XIX: 40—10 tot Dnn behoord moet hebben. Waarschijnlijk is het uit Itielit. 1:29 hier
later ingevoegd. Over Rezcr zie op X: 83.
1 v. De zin, in de vertaling onduidelijk en verward, is dit nog meer in het Hcbrccuwsch: ecu
gevolg van iuliisschiugen.
1.   icaiit — eerttgeborene. Deze woorden staan hier vreemd. Immers geven zij de reden aan, waarom
Manasse den voorrang heeft, terwijl toch XVI: 4—8 het gebied van den jongeren broeder, Kfraim,
reeds aangewezen is. In K-ra\'s Wetboek, waaraan die woorden zijn ontleend, moet Manasse vóór
Kfraim zijn behandeld: verg. op XVI : 4. — Kal — Bazan. Zie op Oen. L: 23. In Nuin. XXXII ! 39
wordt Bazan niet genoemd als bezitting der Mnchiricten, mnar verg. Deut. 111:13. In tegensprnak
met de opgave (vs. 2) dat Machir zes broedeis had, geeft 1 Kron. VII: 14—19 hem slechts écu
broeder, Selofhad, en cene zuster; terwijl Nam. XXVI: 29—34, waar hij Mannssc\'s cenige zoon heet,
deze zelfde zes zijne kleinzonen genoemd worden.
2.   de mannelijke nakomelingen, in tegcustclliiig met de vrouwelijke, de dochter» van Selofhad, over
welke vs. 3—6 gehandeld wordt. Daar echter deze verzen van ecu anderen schrijver zijn, ligt het
vermoeden voor de hand dat de Verzamclnar hel woord „mannelijke" ingevoegd of in plaats van
42
„overige" heeft gesteld; welke beide woorden in het Hcbrccuwsch grooto overeenkomst hebben.
8v. Dit bericht, uit Kzra\'s Wetboek, sluat terug op Num. XXVI: 38; XXVII: 1—11; verg. Num.
XXXVI.
3.   He/er — Machir. Hefer, hier Machir» kleinzoon, heet vs. 2 zijn broeder.
-ocr page 441-
521
jozua XVII: 4—11.
5 vader. \' Zoo verviel Manasse in tien snoeren, behalve het land Gilead
G en Bazan, in het Overjordaansehe; \' want de dochters van Manasse
hebben in het midden zijner zonen een erfdeel verkregen, terwijl het
land Gilead aan Manasse\'s overige zonen ten deel is gevallen.
7            De grens van Manasse was van Azer naar Michniethath, dat tegen-
over Sicheni ligt, en ging rechts af naar de bewoners van En-Tappuah.\'
8       Aan Manasse is de landstreek Tappuah ten deel gevallen: maar Tap-
9       puah, aan de grens van Manasse, aan de Efraimieten. \' Voorts liep de
grens af naar de beek Kana, zuidwaarts van de beek. Deze steden be-
hoorden aan Efraim midden onder de steden van Manasse; de grens
10       van Manasse liep ten noorden van de beek en eindigde aan zee.\' Het
zindelijk deel was van Efraim, het noordelijk van Manasse, en de zee
was hunne grens. Aan Azer raakten zij in het noorden, aan Issachar
in het oosten.
11            Manasse verkreeg in Issachar en Azer: Beth-sjean en onderhoorige
plaatsen, Jibleam en onderhoorige plaatsen, de bewoners van Dor en
v9. 11—13. Hicht. 1:87 t.
5 v. Deze verzen, iloor den Verzamelaar of een nog later schrijver ingevoegd, dienen om de tegen-
strijdige opgaven in de vorige verzen zooveel mogelijk met elkander in overeenstemming te brengen.
5. tien. Dit cijfer wordt verkregen door optelling van Hcfcrs vijf broeders (vs. 2) en vijf klcindoch-
ters (vs. 3); de laatstcn worden dus met de broeders haars grootvaders, Manusse\'s zonen, o» cene lijn
gesteld en dienvolgens in vs. 6 dochters van Manasse genoemd. Dit is in strijd met vs. U> en met
Niiin. XXYII: 7, wnar zij tezamen niet meer dan het erfdeel van haar vader Selofhad erlangen.
0. terwijl — gevatte». Met de overige zonen van Manasse kunnen alleen Machirs nakomelingen
(vs. 14) bedoeld zijn. De schrijver noemt hen zonen van Manasse, evenals hij Selofhads dochters
dochters van Manasse noemt.
7—10. Ken zeer duister en verward bericht over de grenzen van Manasse. Vooreerst is het niet
duidelijk, of vs. Ia de noordelijke dan wel de zuidelijke grens wordt aangegeven; verder wordt in vs.
0 eerst gezegd dat de grens ten zuiden, en dan dat zij ten noorden van de beek Kana liep; eindelijk
wordt in vs. 10 geheel onverwacht niet meer van de grens van Manasse alleen, innar van die van
den ganschen stam Jozef gesproken, «lijkbaar zijn deze verzen uit verschillende, slechts voor een gc-
deeltc bewaard gebleven, berichten samengesteld. Daarenboven is de tekst hier en daar jammerlijk he-
dorvcn, zonals vele afwijkende lezingen in Gr. vert. getuigen. Vandaar cene hopelooze verwarring.
49
7.  van A;er — ligt. Met Azer kan de item Azer bedoeld zijn; in dit geval wordt hier Mauasse\'s
noordoostelijke grens aangegeven; van het zuiden van Azer, d. i.\'van de zeekust ten zuiden vnn den
Knrincl tot aan Miehmethath bij Sichcm, waarlangs de noordelijke grens van Kfraim loopt (zie op
XV1:i\'i> Volgens anderen zou met Azer niet de stam, maar ecue plnnts, vijf en half uur ten noord-
oosten van .Siehcin, bedoeld zijn; in dat geval hadden wij hier het oostelijk gedeelte van de zuidelijke
grens van Manasse. — ging — En Tappuah. Hier en vs. 9 wordt een gedeelte, en nel het westelijke,
van de zuidelijke grens beschreven; immers bchoorcu volg. XVI!8 Tappuah en de beek Kana ook tot
de grens van Kfraim. — rechts wordt somtijds, en naar het schijnt ook hier, in de hetcekenis van
„zuidelijk" gebruikt, evenals „links" voor „noordelijk."
8.   Tappuah moet dus gelegen hebben in het noorden van de naar haar genoemde streek.
9.  Deze — Manasse. Welke, wordt hier evenmin als XVI : 9 gezegd. De woorden verbreken het
verband en staan hier niet op hunne plaats; waarschijnlijk zijn zij later iugelascht.
10.   Dit vers handelt niet, als de voorgaande, over de grenzen van Mannsse, maar over de beide
stammen van Jozef, Kfraim cu Manasse; van wier gebied de westelijke, noordelijke en oostelijke grenzen
aangestipt worden. — liet — Manasse. Het gebied van Jozef viel in het zuiden aan Kfraim, in het
noorden aan Manasse ten deel. — hunne, volg. (ïr. vert.; Hcbr. t. zijne. — zij, nl. Kfraim en Ma-
nassc; al grensde Kfraim niet aan Azer, hij wordt mede genoemd, omdat Jozef hier als een geheel
behandeld wordt. — aan Issachar in hel vosten. Dit komt overeen met vs. 7. waar de noordoostelijke
grens van Manasse zoo wordt getrokken dat er een aanmerkelijk gebied tiissehcu haar en den Jordaan
overblijft; dat Issachar daar woonde wordt ook in het volgende vers ondersteld.
11—13. Dezelfde vijf steden worden, als niet door de Mnnnssietcn veroverd, ook Richt. 1:27 v.
opgegeven. Dat zij in Issachar en Azer lagen staat daar niet. Maar dit moest er hier wel aan toe-
gevoegd worden, omdnt vol^;. XIX: 17—23, M—31 en de nant. op XVI: 9 die steden inderdaad buiten
Mnnnsse\'s grondgebied lagen. In nudere opgaven Ingcn zij er zeker in. Van vier van haar wordt 1
Kron. VII: 29 gezegd dat zij door zonen van Jozef bevolkt zijn.
11.   Beth-sjean, of Beth-sjan, het latere Seijthopotis, lag anderhalf uur leu westen van den Jordaan
in cene vlakte en is langen tijd in de macht der Kauaiinicteu gebleven. Het komt voor 1 Sun,
XXXI: 10—13; 2 Snm. XXI: 12; 1 Kon. IV : 12. — Jibleam, dicht bij Megiddo, 2 Kou. IX: 27;
XV: 10; volg. XXI: 25; 1 Kron. VI: 70 Kcvietcnstad. — Dor — plaatsen. Zie op XI: 2. Hcbr. t.
laat nog volgen de bewoners can F.n-dor en onderhoorige ptaatxen; volg. Gr. vert. weggelaten. —
Taiinaeh — Megiddo. Zie op XII: 19—28. — het derde — heuvelland, volg. Gr. en Lat. vertt.;
Hebr. t. de drie heuvelstreken. Zie op XI: 2. Wat er hier mede bedoeld wordt is onzeker.
-ocr page 442-
522
jozua XVII: 11 — 18.
onderhoorige plaatsen, die van Taanach en onderhoorige plaatsen en
die van Megiddo en onderhoorige ])laatsen, liet derde deel van het
12       heuvelland. \' Maar de Manassieten hehben deze steden niet kunnen
veroveren, en de Kanaünieten besloten in dit land te blijven wonen.\'
13       Toen nu de Israëlieten sterk waren geworden, maakten zij de Kanaa-
nieten cijnsplichtig, doch verdreven hebben zij hen niet.
14           De zonen van Jozef nu spraken tot Jozua: Waarom hebt gij mij éen
lot en óen snoer ten erfdeel gegeven, terwijl ik door Jahwe\'s zegen
15       een zoo talrijk volk ben.\'\' Toen zeide Jozua tot hen: Indien gij zulk
een talrijk volk zijt, trek dan op naar het woud en maak u daar ruimte
in het land der 1\'erizzieten en der Kefaïeten, wanneer het gebergte
10 van Efraiiu u te eng is.\' Maar de zonen van Jozef zeiden: Het gebergte
zal voor ons niet toereikend zijn, en al de Kanaünieten die in vlakke
streken wonen hebben ijzeren strijdwagens, zoowel die te lleth-sjean en
17       hare onderhoorige plaatsen als die in de vallei van Jizreël.\' Toen zeide
Jozua tot het huis Jozef, tot Efraim en Manasse: Gij zijt een talrijk
volk en hebt groote kracht, (lij zult niet slechts éen lot hebben;\'
18       want bet gebergte zal u kiebehooren — als het woud is, zult gij dat
rooien — en ook uitgangen daaruit zult gij verkrijgen; want gij
zult den Kanatiniet verdrijven, al heeft hij ook ijzeren wagens, al is
hij sterk.
14—IK. Aan deze verzen lijft waarschijnlijk een oud bericht ten grondslag, inhomleiiile, hoe het
huis Jozef, ilut vóór nlle inden stammen zich in het gebergte genesteld hml, gaandeweg duar aan
grootcr ruimte behoefte gekregen en zijn gebied uitgebreid heeft. De onderstelling waarvan het ver-
hnul, zoouls het hier voor ons ligt, uitgaat, dut Jozun ann de stammen hunne crfdeeleu toewees, is er
door een overwerker ingebracht.
II. I) zonen run Jozef. Waarschijnlijk is de oorspronkelijke uitdrukking hel buis Jozef geweest,
omdat in het vervolg dnnrviui in het enkelvoud gesproken wordt. De stam Jozef wordt hier nog als
een stam, niet «Is een dubbele, Efraim en Manasse, vermeld. — snoer, erfdeel. Zie op I\'s. XVI: 0.
15. het woud, een ilecl van het gebergte. — het yeberyte van Efraim, in engeren zin: het gcdcolto
buiten de woudstreek dat den zonen van Jozef reeds toegewezen was. Dit gebergte, ook gebergte van Israël
genoemd (XI: 1(1, 21), strekte zich uit van de vlakte van Jizreël, in het noorden, tot aan Kirjnth-
jenrim, in het zuiden, waar het in het gebergte van Juda overging; verg. 1 Kon. IV: 8; Jcr. Li 19,
10. liet gebergte, de woudstreek er in begrepen. — al — itrijdwagens, zoodat wij ons in de
vlakten niet kunnen uitbreiden. Over de strijdwagens zie op XI: 4. — de vallei van Jizreël, dikwijls
genoemd (Richt. VI: 33; IIoz. 1:5; verg. op 2 Sam. 11:9), ook dal ean Megiddo (2 Kron. XXXV : 22)
of, naar de Rrieksclie verbastering van den naam, van Esdrelom (Jiulith 1:8; IV: Cu geheeten, eeuo
groote, vruchtbare vlakte in noordelijk Kaunan, strekte zich uit van den Knnucl, ten noordwesten, tot
den fïilboa, ten zuidoosten. Aan de noordoostelijke zijde verhief zich de Tabor; ten zuiden van haar
begon het gebergte van Kl\'raiin. Over de stad Jizrccl zie op XIX: 18.
17.  tot Efraim en Manasse. Dit is blijkbaar door den Verzamelaar tot verklaring van hei huis Jozef
ingevoegd. Verg. op XVI : 4.
18.   Het grondgebied dat buiten het gebergte van Kl\'raiin nan de zonen van Jozef wordt toegestaan
is een gedeelte der vlakten, en zij zelven moesten het op de Kanaünieten veroveren. Volg. vs. 16 voel-
dcu zij zich daartoe niet in staat, cu hadden zij gehoopt dat hun elders vergrooting van grondgebied
zou zijn aaugewczen.
HOOFDSTUK XVIII, XIX.
Verdceling van het overgebleven land onder de zeven overige stammen. — Na plaatsing van de
teut der sainciikomst te Sjilo, neemt Jozua maatregelen om tot de verdceling van het overgebleven
land over te gaan (XVIII: 1—9), hetwelk daarna verloot wordt (10). Het erfdeel van Benjamin (11—28);
van Simeon (XIX: 1—9); van Zebuloii (10—16); van Issachar (17—23); vau Azer (21—81); van
Naftoli (82—40), en van Dan (41—18). Jozua\'s erfdeel (49 v.). Zoo wordt het lnnd verdeeld (51).
De voorstelling dat eerst Juda en Jozef zich in hun erfdeel vestigen en daarna het overgebleven
land onder de zeven overige stammen verloot wordt (XVIII: 2, Sa, 4—6, 8—10) is die van het
Oudc-Kagenboek, en wel vau den samensteller daarvan. De Deuteronomischc bewerker heeft er vs. 34,
7 aan toegevoegd. Van wicu de opgaven van grenzen en steden in deze hoofdstukken afkomstig zijn,
is niet uit te maken. Voor een deel zijn ze aan Ezra\'s Wetboek ontleend, waartoe zonder twijfel
XVIII: 1, n„, 204, 28*; XIX :1 (ten dode , Sb. 16, 23, 24, 31, 32 (teu deele), 39, 40, 48, 51
heeft behoord. Zie verder iul. op XV—XIX.
-ocr page 443-
523
jozua XVIII: 1—12.
XVIII: 1 Toen vergaderde de gansche gemeente der Israëlieten te Sjilo en
zette aldaar de tent der samenkomst neder, terwijl liet land ganseh
2       onderworpen en te hunner beschikking was.\' Toch waren onder de
Israëlieten zeven stammen overgebleven die hun ertdeel niet hadden
3       verkregen. \' Dus zeide Jozua tot de Israëlieten: Hoe lang zult gij te
traag zijn om het land in bezit te gaan nemen dat Jahwe, uwer
4       vaderen god, u gegeven heeft!\' Wijst uit eiken stam drie mannen
aan; opdat ik hen uitzende, en zij zich opmaken, hot land doortrekken,
er eene beschrijving van opstellen naar den eisen van hun ertdeel, en
5       dan tot mij komen.\' Verdeelt het onderling in zeven deelen; Juda zal
in zijn gebied, in het zuiden, en het huis Jozef in het zijne, in het
b* noorden, blijven.\' Nadat gij zelven eene beschrijving opgesteld hebt
waarbij het land in zeven deelen verdeeld wordt, zult gij die hier tot
mij brengen; dan zal ik hier vóór Jahwe, onzen god, het lot voor u
7       werpen.\' Want de Levieten hebben geen aandeel in uw midden; daar
het priesterschap van Jahwe hun erfdeel is; en Gad, Kuben en de
halve stam Manasse hebben hun erfdeel aan de oostzijde van den Jor-
daan ontvangen, dat Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, hun gegeven heeft.
8            Dienvolgens maakten die mannen zich op en togen henen, terwijl
Jozua hun bij hun vertrek den last mede gaf eene beschrijving van het
land op te stellen, zeggende: Gaat henen, trekt het land door, maakt
er eene beschrijving van, en komt dan weder tot mij; dan zal ik hier
9       het lot voor u werpen, vóór Jahwe te Sjilo.\' Zoo togen die mannen
henen, trokken het land door, brachten er eene beschrijving van op
schrift, naar de steden, in zeven deelen, en kwamen tot Jozua in het
10       kaïup te Sjilo. \' Toen wierp Jozua voor hen het lot te Sjilo voor Jahwe
en verdeelde aldaar het land onder de Israëlieten, naar hunne afdeelingen.
11            Het lot werd getrokken van den stam der Benjaminieten, naar hunne
geslachten; het gebied dat door het lot voor hen werd aangewezen lag
12       tusschen de Judeërs en de zonen van Jozef.\' Hunne grens aan den
1. Dit vers, uit Ezra\'s Wetboek, behelst het opschrift van een vcrhnnl waarin <lc verdeeling van
het gunsche huid moet zijn vermeld. Het staat dus hier ten onrechte aan het hoofd van een bericht,
vs. %—10, waarin ondersteld wordt dat Jnda en Jozef hun erfdeel reeds hebben ontvangen (vs. 5).
Waarom het, door den Verzamelaar, verplaatst werd, zie inl. op II. XIV. — Sjilo, ten noorden van
Hcthel (Richt. XXI : 19), vijf uur ten zuiden van Sichem, acht uur ten noordcu van Jeruzalem, woon-
plaats van den profeet Abiu (1 Kon. XI: 29; XII: 15; XIV : 2, 4), had op het eind van het tijdvak
der richteren een beroemd heiligdom van Jahwe (1 Sam. I—III), dat waarschijnlijk door de Assy-
riers, maar wellicht reeds veel vroeger, verwoest is (zie op Iticht. XVIII:S0v. en op Jer. VII: 12).
Onze schrijver Inat er de landvcrdccling plaats hebben, niet bij dat heiligdom, maar bij den tnbcr-
nakcl, die, volgens hem, van Mozes tot Salomo de ecnige wettige plaats dor vereering van Jahwe wus;
zio inl. op Exod. XXIV : 12—XL: 38; verg. I\'s. I,XXVIII:uO. Volg. XIV : fl had de verdeeling, althans
van een gedeelte des lands, te Gilgal plaats.
2—10. Over het oorspronkelijke opschrift boven dit stuk zie op XIII: 1—7.
3.  Hoelang — heeft! Deze woorden slaan terug op XIIlil, waar Jahwe Jozua wijst op het groote
gedeelte van het land dat nog niet in bezit is genomen. Zij onderstellen dat de zeven stammen,
evenals Juda en Jozef (vs. 5; XIV : 6), bij Jozua hadden moeten komen, om te vragen welk deel van
het land zij bezetten moesten. Nu dit niet geschied is, zullen zij, anders dan die twee stammen, hun
erfdeel bij lotiug ontvangen; zie inl. op XV—XIX. In het Oudc-Sugenboek schijnt van een verwijt
aan die stammen geen sprake te zijn geweest.
4.   kniiiiiiii is volgens dit verhaal zoo volkomen ten onder gebracht dat \'s volks vertegenwoordigers
het als een ontvolkt land kunnen beschrijven cu verdeelen. — naar — erfdeel, niet het oog op do
zeven stammen die er hun erfdeel moeten ontvangen.
5.  Juda — blijven. Van hun gebied mag dus in de beschrijving niets worden opgenomen.
7. Uit vers, van den Deutcronouiischen bewerker, dient om te verklaren, waarom het land slechts
in zeven deelen moest worden verdeeld.
9. naar de tteden, door de steden op te schrijven die tot elk gedeelte behoorden. Dergelijke ge-
bicdsbcpBlingeu naar de steden treilen wij aan XIX: 17—23, 24—31, 40—47.
11—28. Over de verhouding van den stam Benjamin tot het huis Jozef zie op Gen. XXXV : 18, eu
verg. 2 Sam. XIX: 20, waar Simeï, de Dcnjaminiet, vs. 16, zich tot het huis Jozef rekent.
12 v. De noordelijke grens van lienjamin is grooteudeels gelijk aan do zuidelijke van Jozef; zie
XVI: 1—3.
-ocr page 444-
524
jozua XVIII: 12-24.
noordkant begon bij den Jordaan, liep dan opwaarts langs de noord-
zijde van de bergketen van Jericho; voorts westwaarts liet Gebergte
13       op en eindigde in de woestijn van Beth-awen.\' Van daar liep de grens
door naar Luz, zuidwaarts van de bergketen van Luz, dat is Bethel;
verder afwaarts naar Atroth-addar over het gebergte ten zuiden van
14       Laag-Betli-horon;\' van liet gebergte zuidelijk tegenover Beth-horon boog
de grens in zuidwestelijke richting om en eindigde bij Kirjath-Baiil,
dat is de Judeesche stad Kirjath-jearim; dit was het westelijkste punt.\'
15       Aan den zuidkant nam de grens in het westen haar uitgangspunt bij
het einde van Kirjath-Batil en kwam uit bij de fontein van het water
10\' van Xeftoah,\' liep dan af naar het uiteinde van den berg die tegen-
over het dal van den zoon van Hinnom, in het noorden van de vallei
der Kefaïeten, ligt; verder af naar het Hinnomdal, zuidwaarts langs
de bergketen der Jebuzieten, en dan afwaarts naar de bron Kogel;\'
17       voorts boog zij aan de noordzijde om en kwam uit bij En-sjemes, en
verder in de landstreken die in het gezicht van den pas van Adummim
liggen; liep afwaarts naar den steen van Bohan, den zoon van Ruben,\'
18       noordwaarts over den bergrug van Beth-araba, en dan afwiuirts in de
19       Vlakte.\' Vervolgens liep de grens noordwaarts langs den bergrug van
Beth-hogla en eindigde bij de noordelijke punt van de Zoutzee, aan
den mond van den Jordaan, ten zuiden. Dit was de zuidelijke grens.\'
20       En de Jordaan vormde de grens aan den oostkant. Dit was het erfdeel
der Benjaminieten, naar hunne geslachten, naar zijne grenzen rondom.
21            En de steden van den stam der Benjaminieten, naar hunne geslachten,
22       waren: Jericho, Beth-hogla, Emek-kesis,\' Beth-araba, Semaraim, Bethel,\'
23,24 Awwim, Para, Ofra, \' Kefar-haiimmoni, üfni en Geba; twaalf steden met
12.   de bergketen van Jericho, van aanzienlijke hoogte in <le nabijheid dier stad. — eindigde, om
daarm in andore, noordwestelijke, richting voort te loopen. — Beth-awen. — Zie op Vil: 2.
13.   suidmaarU — Bethel. Uil deze plaats blijkt niet, of Itethel tot Benjamin behoorde; daar do
ligging van de hier genoemde bergketen onbekend is. Volgens vs. 21, verg. Neh. XI: 31, was zij eenc
lienjaininielisehe stad (verg. op Deut. XXXIII : 12). Kieht. 1:22—20 wordt verhaald dat de stam
Jozef haar op de Kanaiinieten veroverd heeft; verg. 1 Kron. VII: 28. Over Hcthel zie verder itil. op
Oen. XXVIII: 11—22.
II. Kirjath-Baiil, voluit Kirjath-Baal-Juda; zie op IX: 17.
15—1!). De zuidelijke grens van licnjainin valt met een gedeelte der noordelijke van Juda samen;
zie op XV : 5—1); waar echter de grenslijn niet, als hier, van het westen naar het oosten, maar iu
omgekeerde richting wordt aangegeven. Zie over de bijzonderheden de aautt. aldaar.
15. Kirjath-Baiil, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Kirjallt^earim.
IS. Beth-araba, volg. CJr. vert.; Hcbr. t. tegenover de Vlakte (araba). Zie op XV : 0.
21—28. De steden van Benjamin, eerst twaalf in het oosten (vs. 21—M), dan veertien in het
westen (vs. 25—28); waartusschcu de waterscheiding de grenslijn vormt, «lic ongeveer met den weg
van Jeruzalem naar Sichein samenvalt.
21.  Jericho. Zie op VI: 20. — Beth-hogla. Zie op XV ! 6. — Emek-ketis, onbekend.
22.   Semaraim, bij den berg van dien naam, op het gebergte van Kfraim (2 Kron. XIII: 4), ten mi-
den van Bethel. — Bethel. Zie op vs. 18.
23.   Aujirim, letterlijk ,stceiihoopcn\', misschien hetzelfde als Ai iu de nabijheid van llvthel; zie op
Gen. XII: 8. — Para, drie uur van Jeruzalem en even ver van Jericho. — Ofra kumt nog 1 Sain.
XIII: 17 voor en is misschien hetzelfde nis Kfron of Efraim (2 Kron. XIII: 19), een paar uur ten
oosten van Uethcl; verg. Joh. XI: 51. Ken ander Ofra Iticht. VI: 11, 21; VIII: 32, nog een ander
1 Kron. IV :U.
24 Kefar-haiimmoni, il. i. ,hct Aminonietcndorp\'. — Ofni, onbekend. Misschien is het hetzelfde als
Gofna, een uur teu noordwesten van Bethel. — Geba. Twee plaatsen van dcnzclfdcii naam, die nu
eens Geba ilau weder Gibea of (iibeath wordt uitgesproken (vs. 28) cu ,heuvel\' betcekent, lagen in
den stam licnjainin, tusschcu Michmns en Jeruzalem (Jcz. X : 28—33). Het noordelijkste, hier bedoeld,
lag teu zuidwesten van Michmns, twee en een half uur teu noordoosten van Jeruzalem, ecu klein uur
van Kama. liet andere lag zuidelijker, tusscheii Jeruzalem en ltama, was de noordelijkste plaats van
het rijk Judo |2 Kou. XXIII : 8) en werd door koning Aza versterkt (1 Kon. XV:22l. Dikwerf wordt
de eenc plaats van de andere onderscheiden door eene of andere toevoeging; wij lezen van Gibea
of Gibcath van of in Benjamin, ran Sant, van God (Richt. XIX, XX; 1 Nam. X:5; XI : l; XIII: 2;
XIV: 10; XV: M enz.); toch blijft het vaak onzeker, welke stad bedoeld is, cu schijnen zelfs de
schrijvers zei ven soms de twee plaatsen met elkander verward te hebben; zie op 1 Sam. IX: tv. eu
op 1 Kron. VIII: 29.
-ocr page 445-
525
jozua XVIII: 24—XIX: 11.
25-27 hare gehuchten.\'(iïbeon, Barna, Beëroth,\' Mispe, Ketira, Mosa,\' Bekem,
28 Jirpeël, Tai"eala,\' iSela, Klef, Jebus, dat is Jeruzalem, (iibeath, K.irjath-
jearim; veertien steden met hare gehuchten. Dit was het erfdeel der
Benjaminieten, naar hunne geslachten.
XIX: 1 Het tweede lot kwam uit voor iSimeon, den stam der Simeonieten,
naar hunne geslachten; hun erfdeel lag midden in het erfdeel der
2, \'•) Judeërs.\' Zij verkregen in liun erfdeel: Bersjeba, Molada, \' Hasar-sjual,
4,5 Bala, TCsem,\' Kltolad, Bethul, Horma, \' Siklag, Betli-hammarkaboth,
(J Hasar-suza, \' Beth-lebaoth en Sjaruhen; dertien steden met hare ge-
7       huchten.\' Dan En-rimmon, Tochen, Kther en Asjan; vier steden met
8       hare gehuchten.\' Voorts al de gehuchten rondom deze steden tot Baal
van den put, te Bama van het Zuiden. Dit was het erfdeel van den
9       stam der Sinieonieten, naar hunne geslachten.\' Uit het snoer der Judeërs
viel het erfdeel der Simeonieten; want het aandeel der Judeërs was
voor dezen te groot; daarom kregen de Simeonieten een erfdeel midden
in het hunne.
10           Het derde lot werd getrokken voor de Zebulonieten, naar hunne ge-
11       slachten. De grens van hun erfdeel liep tot Sarid: \' westwaarts liep zij
25 v. Over Oibeon, Bei\'rolh mi Kefira zie op IX : 3 en 17 en inl. op H. IX. — Rama, twee uur ten
noonlcn van Jeruzalem, een half uur ten oosten van Cïibcon, even ver ten noorden van Gibca in Ucn-
jamin, eene der zuidelijkste plaatsen van het noordelijk rijk. Door ttaczn versterkt, werd het ontman-
tclil door Azn (I Kon. XV : 22). Zie verder op 1 Sntn. 1:1. — Mispe, of Mispa, thans Nebi Samiril,
d. i. (stad van den) .profeet Sainucl\', in de nabijheid van Kania, twee uur ten noordwesten van Jeru-
zalem, een half uur ten zuiden van Giheon, met (iibea eene der noordelijkste plaatsen van het rijk .luda,
bekend door de vnlksvcrgaderingcn die er gehouden werden (Iticht. XX, XXI; 1 Sitin. VII: 5—17;
X:17); later woonplaats van den stadhouder Gcdulja (2 Kon. XXV: 23, 25; Jer. XL, Xl.l . Ook iu
den opstand der llasmonecn speelde het eene belaugrijkc rol, 1 Mnkk. 111:40—GO. Verg. op XV : 38.
— Mosa, onbekend.
27.   Drie onbekende plaatsen.
28.   Sela. Hier was het familiegraf van Kis, waarin ook Soul en Jonathan werden bijgezet (2 Sam.
XXI: 14); de ligging is onbekend. — Elef, onbekend. — Jeruzalem. In hoever dit op ltcnjaminic-
tiseh grondgebied lag, zie op XV : 68. — Qilieath, gewoonlijk Oibea; zie op vs. 24. — Kirjath-jearim,
volg. (ir. vert.; Ilcbr. t. Kirjalh. Volg. v». 14; XV : OU behoorde het aau .luila. Waarschijnlijk wordt
het hier tot Benjamin gerekend omdat de drie plaatsen die, evenals Kirjath-jearim, aau de Gibconieten
behoorden in Benjamin waren gelegen.
1—il. I)e Simeonieten, van het zuiden met de Judeërs het land binnengedrongen, vestigden zich,
waarschijnlijk slechts voor een gedeelte (zie op Gen. XI.IX: 7), in het zuidelijkste deel van het
land, aan den rand der woestijn. Evenals de stammen van vreemde herkomst, Kenieten enz., die
tusschen hen en de Judeërs woonden, zijn zij met dezen zoozeer samcugcgrAid dat in XV: 20—32,
42 de hier opgenoemde steden tot het groudgebied van Judo gerekend worden (zie inl. op H. XV).
Zie over die steden dus iu de nantt. aldaar. Ook 1 Kron. IV: 28—32 worden ze tot Simcnii
gerekend.
1.   Simeon — Simeonieten. De herhaling in dit vers is gevolg vnn de samensmelting van twee, bc-
riehten. Desgelijks in vs. 17.
2.   Bersjeba. Hcbr. t. laat nog volgen Sjeba, hetwelk volgens ecnige handschriften en 1 Kron.
IV: 28 is weggelaten; ook omdat volgens vs. 0 slechts dertien steden hier moeien genoemd zijn.
7.   Toehen. Deze naam is volg. 1 Kron. IV: 32 ingevoegd, om het viertal vol te maken; Gr. vert.
heeft Talta. In Hcbr. t. wordt En-rimmon voor twee plaatsen gerekend; zie op XV : 32.
8.   Dit vers is ua vs. G eu 7, waar de gehuchten reeds genoemd zijn, overbodig; gevolg van de
samensmelting van berichten. — lol — Zuitlen, niet geheel zekere vertaling na eene geringe tekst-
verbetering. In 1 Kron. IV : 83 wordt die lange plaatsaanduiding vervangen door Baal. In XV : 24
staat cene stad Bealoth onder de steden van Judo opgegeven. Of dit dezelfde plaats is, weten wij
niet. Kr waren overal in den lande plnntsnnmcn waarin Baiil voorkwam. Wat den naam Baal van
den pul
aangaat, zie op Gen. XIV: 7. Rama van hel Zuiden komt nog voor 1 Sam. XXX: 27.
10—10. Zcbulons gebied volgens de hier gegeven beschrijving eenigszins nauwkeurig te bepalen is
onmogelijk. Immers zijn de meeste der hier genoemde plaatsen onbekend, en van meer dnu een naam
staat de lezing niet vast. Zooveel is echter duidelijk dat het grootste gedeelte van Itcucdeu-Galilcu
er toe behoorde, eene over het geheel heuvelachtige cu vruchtbare streek tusschen de vlakte van
Jizrccl en het gebergte van Xaftali; terwijl uit vs. 27, waar Azers oostelijke grens wordt opgegeven,
blijkt dat Zebulou niet tot aan zee reikte. Dit is echter in strijd met Gen. XLIX:13, waar deze stam
aan het strand heet te wonen.
10.  Sarid, onbekend. Zoowel hier als vs. 12 heeft Gr. vert. eene nuderc lezing. Het lag aan de zui-
delijke grens en wordt als uitgangspunt genomen, van waar de grenslijn eerst (vs. 11) in westelijke,
daarna (vs. 12) iu oostelijke richting gotrokken wordt.
11.   Marata, Dabbesjelh (Gr. vert. Beth-abara), onbekend. — de beek die vóór Jokneam il, oubo-
-ocr page 446-
jozua XIX: 11—22.
526
op, «ver Miirala, en rankte aan Dabbesjeth, aan de beek die tegenover
12       Jokneam loopt.\' Terug liep zij van >Sarid oostwaarts op het gebied
van Kisloth-Tabor en kwam uit bij Doberath; voorts liep zij op nnar
13       Jntin\' en van daar oostwaarts over (iath-hefer naar Ëtb-kasin en kwam
14       uit te Kimmon. Dan boog zij om naar Nea,\' liep aan de noordzijde
15       daaromheen naar Hannnthon en eindigde bij het dal Jiftaël.\' Voorts
Kattath, Nabalal, .^jimron, .lideala en IJethlehem; twaalf steden met
10 hare gehucbten.\' Dit was het erfdeel der Zebulonieten, ntiar hunne
geslachten, die steden met hare gehuchten.
17            Voor Lssachar kwam het vierde lot uit, voor de Issacharieten, naar
18       hunne geslachten.\' Hun gebied strekte zich uit over Jizreël, Kezulloth,
19-21 Sjunem, \' llafaraim, Sjion, Anaharath,\' Habbith, Kisjon, Kbes,\' ltemeth,
22 En-gannim, En-hadda en Beth-passes.\' De grens raakte Tabor, Hjahasim
kend; «ver Jokneam zie Of XII: 1!)—23. Het einde der zuidelijke grens in het westen wordt niet aan-
gcgcvcn; het is, evenals de westelijke grens zelve, bij de bewerking weggelntcu, wnnrsehijulijk oindnt
Zchulons gebied in het westen in het eene geschrift anders dnn in het nndcre bepaald werd.
12.   KUloth-Tahor, vs. 18 alleen Kezulloth (inisschieu .vesting\'), 1 Krun. VI : 77 alleen Tabor gc-
hecten, ten westen van den Tabor (waarover zie op Kicht. IV : G), ruim drie uur ten zuidoosten van
Seflbris. — Doberath Dabaritta), in lssachar (XXI: 28; 1 Kron. VI: 72), aan den westelijken voet
van den Tabor. — Jafia. Voor de hand ligt het vermoeden dat dit het latere Ja/o of Ja/a is, een
half uur ten zuidwesten van Nazarcth, drie uur ten westen van Dobaritta. Doch ons Jafia moet ten
oosten van laatstgenoemde plaats hebben gelegen. Misschien zijn de woorden liep —; Jafia bij de
samensmelting der berichten van hunne oorspronkelijke plaats geraakt.
13.   oottwaarU, nnnr het noordoosten; zoodat nu de oostelijke grens beschreven wordt. — Gath-
hi/er,
geboorteplaats van den profeet Jona, den zoon van Amittai (2 Kon. XIV: 25), tusschen Sefforis
en Tiberins. — Eth-katin, onbekend. — Itimmon, volgens XXI: 35; 1 Kron. VI: 77, Lcvietcnstad,
vijf kwartier ten noordoosten van Sefloris. — Dan boog zij om, volg. verb. t.; grondt, dat ombooy.
— Nea, onbekend. Vnn hier af neemt de grenslijn eene westelijke of zuidwestelijke richting en loopt
tot de noordelijke punt van het dal Jiftacl. Nea schijnt het noordelijkste punt te zijn geweest; zie
op vs. 27.
14.   Hannathon, onbekend. — Ji/iael, waarschijnlijk het latere Jotapata, twee eu een half uur ten
noorden van Setforis, bij welks verdediging Klavius Jozefus in de handen der Romeinen gevallen is.
Het naar die plaats genoemde dal was volgeus vs. 27 een deel der grens tusschen Zcbulon
en Azer.
15.   In plaats van de westelijke grens wordeu cenige steden opgenoemd. — Kattath, misschien het-
zelfde als Karta (XXI: 31), even onbekend als Nahalal ,XXI : 35; volg. Richt. 1:30 Nahalol) en
Jideala. — Sjimron. Zie op XI* 1. — Bethlehem, twee of drie uur ten noordwesten van Nazaroth.
Zie over de gelijknamige stad iu Jnda op XV: 59. — lioaal/. Kr zijn slechts vijf genoemd. Waar-
schijnlijk zijn door den bewerker of den Verzamoloar de ontbrekende namen weggelaten. De steden
van het noorden hadden iu de schatting der latere schrijvers veel minder belang dan die van het
zuiden.
                          «
17—23. Van de grenzen vnn lssachar wordt slechts een zeer klein gedeelte van de noordelijke
grens, van den Tnbor tot aan den Jordaan, opgegeven; waarschijnlijk is de bedoeling, dat het overige
van die grens met de zuidelijke vnn Zcbulon samenviel en dus in het nesten tot nan den Karmel
liep (vs. 11 v.). In liet zuiden reikte zijn gebied tot bezuiden den Gilboa, daar eene zijner steden,
Kn-ganuiiu, nog ten zuiden van dat gebergte lag, en dus oostelijk van Manasse (verg. XVII: 10).
Volgeus andere berichten moet deze stam zich veel westelijker hebben uitgestrekt dan hier het geval
is: immers bewoont hij volg. Deut. XXXIII: 18 v. met Zcbulon de zeekust en volg. Gen. XLIX:14v.
de vruchtbare vlakte van Jizrccl. Waarschijnlijk werden oudtijds de Israëlieten die van de zeekant bij
Dor tot aan het meer Gcnnczarct woonden onder den naam lssachar samengevat; over de beteckenis
van dien naam zie op Gen. XLIX:14v.
17.  Zie op vs. 1.
18.  JizreH, aan de oostelijke grens der vlakte van dien naam (zie op XVII: 10), ten noordwesten
vnn den Gilboa, verblijfplaats van koning Achab en zijne opvolgers (1 Kon. XVIII: 45 v.; XXI: 1;
2 Kon. VIII: 2\'.»; IX: 10—X: 11). Het komt nog voor 1 Sam. XXIX :1, 11; 2 Sam. IV :4; Hoz.
I: 1,11. — Kezulloth. Zie op vs. 12. — Sjunem, thans Sulem, drie kwartier ten noorden van Jizrccl,
geboorteplaats van Abisjag (1 Kon. 1:3, 15; 11:17, 21 v.), komt nog 1 Sam. XXVIII: 4; 2 Kon. IV: 8
voor; verg. Iloogl. Vuil.
19.  J/a/araim, d. i. ,dc twee Hofers\' (verg. op XII: 104, 18), twee uur ten noordoosten van Megiddo.—
Sjion, een uur ten noordwesten van den Tabor. — Anaharath, onbekend.
20.   Drie onbekende plaatsen; Kiajon, cenigszins nnders gespeld dan de naam der bekende beek,
komt onder de Levietcnstedcn voor (XXI: 28; 1 Kron. VI: 72).
21.   Rrmeth, XXI: 29; 1 Kron. VI: 73 ouder den naam van Jarmuth, en onder de Levietensteden ge-
noemd, onbekend. — En-gannim, ook eene Lcvietcnstad (XXI: 29; 1 Kron. VI: 73), in het zuiden van
de vinkte van Jizreël, ten zuidwesten van den Gilboa. — En-hadda en Beth-patte», onbekend.
22.   Het oostelijk gedeelte vnn do noordelijke grens, van Tabor tot aan den Jordaan, ten zuiden van
het meer Gcnnczarct; tevens do zuidelijke grens van Naftali. Waarschijnlijk is deze opgave uit oeu
-ocr page 447-
527
jozua XIX : 22—30.
en Beth-sjemes, en hunne grens eindigde bij den Jordaan; zestien steden
23       met hare gehuchten. \' Dit was het erfdeel van den stam der lssacha-
rieten, naar hunne geslachten, die steden met hare gehuchten.
24            liet vijfde lot kwam uit voor den stam der Azerieten, naar hunne
25       geslachten.\' Hun gebied strekte zich uit over Helkatb, Ilali, Heten,
2(5 Achsjaf,\' Allamiuelech, Amead en Misjeal en raakte in het westen aan
27       den Karmel en den stroom Libnath.\' Dan liep de grens terug oostwaarts
over Beth-Dagon, raakte Zebulon en het dal Jiftaël, liep noordwaarts
28       langs Beth-emek en Neïel en kwam links van Kabul uit.\' Voorts:
29       Abdon, Kehob, Hammon en Kana, tot aan Groot-.Sidon; \' dan liep de
grens terug naar Hama en tot aan de vesting Tyras, dan terug naar
30       Hoza, en eindigde aan zee buiten de kust bij Achzib. \' Voorts Akko,
bericht waarin ook de andere grenzen werden opgenoemd. — Tabor. Of de berg dan wel eene stad op
den berg bedoeld is, is onzeker, misschien wel het Tabor in Zebulon van 1 Kron. VI: 77. — Sjahatim,
onbekend. — Brth-tjemet, volg. vs. 38 in Naftali en volg. Richt. 1: 33 niet veroverd, moet dicht bij
den Jordaan hebben gelegen. — zestien. Dit cijfer wordt verkregen, indien ook de drie laatstgenoemde
plaatsen als steden van Issachar worden mcdegcteld.
24—31. Het grondgebied van Azer strekte zich uit langs de Middcllitndschc Zee, van Dor tot bc-
noorden Sidon, grensde ten oosten nan Zebulon en omvatte in het noordoosten een aanzienlijk deel
van den Libanon. De voorstelling, ook Num. XXXIV : 7—9 gehuldigd, dat (sracls gebied zich zoo ver
in het uoorden zou hebben uitgestrekt en Fenicië zou hebbeu omvat, is geheel in strijd met de wcrke-
lijkheid: Feuicic is nooit van Israël afhankelijk, laat staan Israclictisch land, geweest. De kuststreek
in het zuiden, bij Dor, schijnt tot Manassc behoord te hebben; zie op XVII: 11—13. liedcnken wij
eindelijk dat ook Zebulon een deel van bet zeestrand bewoonde (zie op vs. 10—10), dan krimpt het
erfdeel van Azer aanmerkelijk in; het kau in werkelijkheid niet meer geweest zijn dan een deel van
de kuststreek boven den Karmel (Richt. V:17) met het ten oosten daarvan gelegen land. Van ver-
schcidcnc der hier aan Azer toegekende steden wordt Richt. 1: 31 v. gezegd dat de Knnaauictcn er
waren blijven wonen.
25. In dit vers worden de steden in het midden van het stamgebied opgenoemd, daarna (vs. 20 v.)
die van het zuiden, eindelijk die van het noorden (vs. 28—30). — Helkath, volgens XXI: 31; 1 Kron.
VI: 75 Levietenstad, en Ilali zijn onbekend. — Beten, ruim drie uur ten oosten van Ptolcmais. —
Achxjaf. Zie op XI: 1.
20. De drie hier genoemde plaatsen zijn onbekend; de derde komt onder de Levietenstcden voor
(XXI: 30; 1 Kron. VI: 7-1). — raakte — Libnath. lilijkbaar is hier sprake van de zuidelijke grens;
hoever Azer zich zuidwaarts uitstrekte, is echter uit deze woorden niet op te maken, daar de stroom
Libnath geheel onbekend is; misschien is het de beek Zerka, die bijna twee uur ten zuiden vuu Dor in zee valt.
27.   Van het zuidelijkste punt wordt hier de grenslijn in noordoostelijke richting getrokken tot be-
noorden Kabul. — Beth-Dagon, ,huis van Dagou\', onbekend; zie op XV: 41. — raakte — Jiftaël.
Zie
op vs. 14. — liep — Neïel. Indien Neïel hetzelfde is als Nea (vs. 13), dan is de bedoeling dat
Azers oostelijke grens met de westelijke van Zebulon tot aan haar noordelijkste punt samenviel. Beth-
emek
is onbekend. — linkt, ten noorden; zie op XVII: 7. — Kabul, vier uur ten zuidoosten van
Ptolcmais. Eene verklaring van dezen naam wordt 1 Kon. IX: 13 gegeven.
28.  Abdon, volg. XXI: 30; 1 Kron. VI: 74 en vele handschriften; grondt. Eiron. Het wordt onder
de Lovietenstedou opgenoemd, maar is overigens onbekend. — llehob, volgens XXI: 81; 1 Kron. VI: 75
Lcvietcnstnd, onbekend; zie op Nuin. XIII: 21. Kenc andere plaats van dien naam vs. 30. — Mammon,
onbekend; de naam duidt eene plaats aan waar de Fenicische god Uaiil-Hnmmon werd vereerd. —
Kana, omstreeks twee en een half uur ten zuidoosten van Tyrus; eene beek van dien naam XVI: 8;
XVII: 9. Of deze plaats Joh. II: 1 bedoeld is, weten wij niet. — lot aan Groot-Sidon. Waarschijnlijk wordt
bedoeld dat de grens van Kana, in noordwestelijke richting, tot Sidon liep. Over Sidon zie op (ten. X: 15.
29.  liep de gren» terug, nu weder zuidoostwaarts. — Barna, ecu uur ten zuidoosten van Tv rus. — de
vetting Tyrut,
nog 2 Mam. XXIV: 7, de beroemde Fenicische handclstnd aan de Middeltamlsche Zee,
tusscheii Sidon en l\'tolcmnis. Zij bestond uit twee deelcn, waarvan het cene op de kust, het andere
op con eiland gelegen was. De stad op het eiland was zeer moeilijk te veroveren: de Assyricrs
ondor Snlmanczcr IV (verg. op 2 Kon. XVII: 3) belegerden haar vergeefs, on Nebukndrcsar heeft haar,
ondanks ecu beleg van dertien jaren, niet kunnen bemachtigen (Kzech. XXIX: 17—21). De heerlijkheid
van Tyrus wordt beschreven Kzech. XXVI—XXVIII. — Hoza, onbekend, lag waarschijnlijk tusschen
Tyrus en Achzib, een weinig landwaarts in. — eindigde — Achzib. De bedoeling schijnt deze te zijn: van
Hoza wordt de grenslijn getrokken naar zee; maar de kuststreek van Achzib af, tot waar de grenslijn
aan zee eindigt, behoort mede tot Azer. — Achzib, later Kkdippa, aan de Middellaudschc Zee, tusschen
Tyrus en Ptolcmais, vier uur ten noorden van laatstgenoemde stad.
30.  Akko, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Umma. Het is het latere Ptolemait, Si. Jean d\'Acre, en lag aan
do Middellaudschc Zee, twee en con half uur ten noorden van den Karmel, bijna acht uur ten zuiden
van Tyrus. — Afek. Zie op XIII: 4. — Rehob, onbekend. Zie op vs. 28. — twee. en twintig. Dit
cijfer, te groot als som van de uitdrukkelijk aan Azer toegekende steden, is te klein indien men er al
de in de grensbepaliugcn genoemde plaatsen bijvoegt, liij de herhaalde bewerking of overwerking dezer
opgaven en lijsten zijn, naar het schijnt, namen weggelaten of toegevoegd; vandaar telkens verschil
tusschen het aantal der opgegeven plaatsen en het eindcijfer.
-ocr page 448-
jozua XIX : 30—40.
S2S
Hl Ai\'ek en ltehub; twee en twintig steden met hare gehuchten.\' Dit ia
het erfdeel van den stam der Azerieten, naar hunne geslachten, die
steden met hare gehuchten.
\'>12           Voor de Naftalieten kwam het zesde lot uit, voor de Naftalieten, naar
!53 hunne geslachten.\' Hunne grens liep van Uelef, van den eik van
Besaünannim, en over Adami-nekeb en .labneël tot Lakkum en eindigde
!14 hij den Jordaan.\' Voorts liep de grens terug westwaarts over Aznoth-
Tabor en kwam van daar hij llukkok uit; zoodat zij aan Zehulon
raakte ten zuiden, aan Azer ten westen, terwijl de Jordaan in het
35 oosten was. Vestingen waren: fnddim, Ser, Hammoth, itakkath, Kin-
36-38 nereth,\' Adama, Kama, Hasor,\' Redes, Edreï, En-hasor,\' Jireou, Migdal-el,
llorem, Beth-Anath en lleth-sjemes; negentien steden met hare gehuch-
39       ten.\' Dit was het erfdeel van den stam der Naftalieten, naar hunne
geslachten, die steden met hare gehuchten.
40            Voor den stam der Danieteu, naar hunne geslachten, kwam het
32—89. Het gebied vnn Nnftali besloeg het noordoostelijk deel van het land ten westen van den
Jordaan; het greinde ten westen aan A/.er cu Zebulon, ten zuiden aan Issachar, ten oosten aan den
Jordaan en aan de beide nieren, Knmnrlinnitis en (jennc/nret, en strekte zich in het noorden waarschijnlijk
tot boven de bronnen van den Jonlann uit; /ie o|> VI. 33. Het was een vruchtbaar bergland, dichter
met boomen bezet dan de gebergten van Kfruiin en Juda, en omvatte het grootste deel van het latere
Oppci\'-Galilca.
32. Zie op vs. 1.
83 v. Door de onbekendheid van schier alle hier genoemde plaatsen is deze beschrijving voor ons
zeer onduidelijk. Wellicht gaat zij uit van den zuidwestelijke!! hoek, ten westen van den Tabor; van
daar wordt ecue lijn getrokken in noordoostelijke, bijna noordelijke, richting tot aan den Jordaan
(maar zie on vs. 33); waarna de zuidelijke grens wordt aangegeven, van den Jordaan tot aan het
punt van uitgang (vs. 31).
38. Uelef, onbekend. — den eik ean Beaaiinanuim. Deze eik, zeker een heilige boom (zie op Gen.
XII: fi), moet volg. Kieht. IV: 11 iu de nabijheid van den Tnbor gestaan hebben. — Adami-nekeb —
Lakkiun. Deze plaatsen moeten ten noorden of ten noordoosten van de straks genoemde hebben gelegen,
de noordelijkste missrhicii wel bij rluiilbck, daar het gebied van Israël zich volgens XI: 17 zoo ver
uitstrekte; zie aldaar. — eindigde bij den Jordaan. Daar de bronnen van den Jordaan cenige uren
ten zuiden van llaiilhck liggen, moeten wij aannemen, dat de grenslijn, na eerst noordoostelijk te
hebben geloopcn, uu iu zuidelijke of zuidoostelijke richting naar de bronnen van den Jordaan gc-
trokken wordt.
84. Voorts — westwaarts, dus niet meer, als daar straks, van west naar oost of noordoost, maar van
oost naar west. — Aznoth-Tabor, waarschijnlijk tussehen Soll\'oris en den Tnbor. — llukkok, onbe-
keud. — terwijl de Jordaan. Ilebr. t. laat hieraan voorafgaan nan Juda; als onverstaaubaur volg. Gr.
vert. weggelaten.
35. Siddim, Ser, onbekend. Waarschijnlijk is hier ceno fout in den tekst geslopen. — Hammoth
(met verandering van een klinker; Hebr. t. llammath; wat wellicht met het volgende woord een naam
heeft uitgemaakt) hetzelfde als de Levietenstud Hammoth-Dor of Hammon (XXI: 32; 1 Kron. VI: 76),
letterlijk ,hccte bronnen\', een half uur ten zuiden van het latere Tibcrias, aan het meer Gennczarct. —
Uakkath lag volgens de mcening der latere Jodeu ter plaatse waar Hcrodcs Antipas de stad Tiberias stichtte.
— Kinnereth, aan het meer Genuezarct (Kinnereth), waarover zie op N\'uni. XXXIV : 11. Aldus heette ook
e-ene schooiic cu vruchtbare vallei aan dat meer, die zich bijna anderhalf uur ten zuiden van lieth*
saiila uitstrekte, en waarin de stad Kinnereth wel zal hebben gelegen. Verg. 1 Kon. XV : 20.
30. Adama, onbekend. — Kama, ten noordoosten van het meer Gennczarct, twee tot drie uur ten
zuidwesten van Safcd. — Hasor. Zie op XI: 1,
37. Kedes, ten noordwesten van het meer Sainachonitis, wordt nog XX: 7; XXI: 32; 2 Kon. XV:
21); 1 Kron. VI: 7 vermeld. Over het „Kedes van Nnftali" van Richt. IV : fi, t» zie aldaar. — Edreï
(verg. op Niim. XXI : 33), En-hasor, onbekend.
3K. Jireon, aan den weg van Safcd naar Tyrus. — Migdal-el, llorem, onbekend. — Beth-Anath,
evenals bier, ook Richt. I : 33 te gelijk met Iteth-sjemes genoemd en waarschijnlijk in de nabijheid
daarvan gelegen, bctcckcnt .buis van Anath\', cenc Kannüuictischc godin. Kvenals lleth-sjcmes, is het
lang iu de macht der Knnaünictcn gebleven. — Beth-sjemes. Zie op vs. 22. — negentien. Zie
op vs. :ü).
40—48. Vnn den stam Dan weten wij, dat hij oorspronkelijk aan de zeekust (Richt. V:17) ten
zuiden van Jafo, en ook meer lnudwaarts in in de steden Timnnth cu Kstaol, woonde (Richt. XVIII:
1—12); dünr echter volg. Richt. 1:34 in het nauw gebracht door de Amorictcn, is een deel hunner,
in den tijd der richtcreu, vertrokken naar het noorden, waar zij de stad I.ais aan de bronnen van
den Jordaan hebben veroverd, die naar hen den naam Van ontving (Richt. XV1I1). Hetzelfde wordt
ons hier verhaald. Ook wordt hun hier ongeveer hetzelfde erfdeel toegewezen, nl. van Jafo, in het
noorden (doch zie op vs. 4C), tot Timnnth, in het zuiden, dus met een inspriugenden hoek in Juda\'»
gebied (zie op XV : IU). Deze beschrijving, overeenstemmende met XV : 9—11 (verg. op XVI: 0), is in
strijd met XV: 10, 38; XVI: 3 (verg. Richt. 1: 34 v.), volgens welke plaatsen het hier aan Dan toc-
ge wezen gebied voor een deel tot Juda, voor een deel tot Jozef behoorde.
-ocr page 449-
jozua XIX: 40—51.
529
41 zevende lot uit.\' De grens van hun erfdeel liep over Sorea, Estaol,
42-44 Ir-sjemes, \' Sjaalabbin, Ajjalon, Jithla, \' Elon, Timnatli, Ekron, \' Elteke,
45, 40 Gibbethon, Baalath,\' Jehud, Bene-Merak, (jath-rimnion, \' Me-liajjarkon
47       en liakkon, het gebied tegenover Jaf\'o insluitend.\' Toen liet gebied der
Daliieten hun te eng werd, trokken zij op, belegerden Lesjam, namen
het in, sloegen het niet liet scherp des zwaards, namen het in bezit,
vestigden zich aldaar en gaven aan Lesjam den naam Dan, naar dien
48       van hun vader Dan.\' Dit was het erfdeel van den stam der Danieten,
naar hunne geslachten, deze steden met hare gehuchten.
4$)          Toen de Israëlieten gereed waren met de toewijzing van het land
naar zijne grenzen, gaven zij aan Jozua, den zoon van Nun, een erf-
50       deel in hun midden. \' Volgens Jahwe\'s last hebben zij hem de stad
gegeven waarom hij verzocht, Timnatb-serah, op het gebergte van
Efraim, welke stad bij versterkte en waarin hij zich vestigde.
51            Dit zijn de erfdeelen welke de priester Eleazar en Jozua, de zoon
van Nun, en de familiehoofden aan de stammen der Israëlieten door
het lot hebben toegewezen, te Hjilo, voor Jahwe\'s aangezicht, voor de
tent der samenkomst. Zoo voleindigden zij de verdeeling van het land.
41.  Sorea, Estaol. Zie op XV: 33. — Ir-sjemes. Zie op XV: 10.
42.  Sjaillabbin, ook Sjaiilbim of Sjaalbon, waarschijnlijk ten noorden van de in het vorige vers ge-
uocinde plaatoen, is niet Ajjalon lang in de macht der Amorictcn gebleven en door den stam Jozef
op dezen veroverd, Richt. 1:35. Verg. 2 Sam. XXIII:32; 1 Kon. IV: (f; 1 Kron. XI: 33 en op 1
Satn. IX: 4. — Ajjalon. Zie op X:12A, 13. — Jithla, onbekend.
43.   Elon, onbekend, komt nog 1 Kon. IV: i) voor. — Timnath. Zie op XV : 10. — Ekron. Zie op
XIII: 3.
44.   Elteke, volg. XXI: 23; 1 Kron. VI: 09 Levietenstad. Waarschijnlijk hetzelfde als Altaka, waar
volgens de Assyrische berichten koning Sanhcrib den Kgyptcnareu slag leverde. — Gibbethon, volg.
XXI: 23; 1 Kron. VI: ft!) Levietenstad, ten tijde van de eerste koningen van Noord-Israël in de
macht der Filistijnen, maar door Israël hun betwist (1 Kon. XV : 27; XVI: 15. 17), lag waarschijn-
lijk ten noordoosten van Ekron. — Baülalh, waarschijnlijk ten zuidoosten van Gezer, behoorde tot
de door Salomo versterkte steden, 1 Kon. IX: 18.
45.   Jehud, twee uur ten noorden van Lydda. — Bene Bitrak, tussehen Jehud en Jafo, cen uur ten
oosten van laatstgenoemde plaats. — Gath-rimmon, volg. XXI: 24; 1 Kron. VI: 09 Levietenstad. Som-
migen mecncii dat het ruim vier uur ten zuiden van Lydda, anderen dat het noordelijker, tussehen
Antipatris en Jninnia gelegen was.
46.   De eerste twee plaatsen zijn geheel onbekend. — Jafo (2 Kron. 11:10; Ezra 111:7; Joua
1:3), het latere Joppe (1 Makk. X : 75 v.; XII: 33; XlUïll; XIV : 5, 31; XV : 28, 35; Hand. IX:
38—43; X:lvv.), thans Jaffa, havenstad aan de Middcllandsehe Zee, waar tegenwoordig de meeste
reizigers naar Jeruzalem ontschepen, hoewel de gelegenheid daartoe er zeer slveht is; maar de gehcele
kust ten zuiden van den Karmcl heeft geen enkele goede ankerplaats. Of deze stad mede tot Dan gc-
rekcud wordt, blijkt niet; zeker werd zij buitengesloten, indien de tekst der Gr. vert. en ten westen
was Jarkon de grens tegenover Jafo
do ware mocht wezen.
47.   Dit vers verbreekt het verband tussehen het voorgaande en het volgende en is waarschijnlijk
later ingelascht; verg. Richt. XVIII: 2!). — En — werd, met verandering van éeno letter; grondt.
En — van hm wegging. De toedracht der zaak wordt hier, evenals Richt. XVIII : 1, vergoelijkend
voorgesteld. De waarheid zal wel zijn, dat de Dauieten, iu deze streek ingedrongen, er zich niet kon-
den handhaven; zie Richt. 1:34 en op Richt. XVIII:]. — Lesjam, volg. andere klinkers; grondt.
Ijesjem. Richt. XVI 11:7, 27 heet zij Lais, wat een andere vorm van hetzelfde woord is, dat ,leeuw\'
beteekent. — Dan, de noordelijkste stad van Kanaiin (Richt. XX : 1; 1 Sam. 111:20; 2 Sam. 111:10
enz.), moet volgens de grensbepaling van vs. 33 in Naftnli\'s gebied hebben gelegen. Van oudsher
was er een heiligdom van Jahwe, Richt. XVII, XVIII, dat 2 Sam. XX:18v. als vraagbaak ver-
meld wordt en door Jerobeam I tot koningsheiligdom is gemaakt (1 Kon. XII: 28—30). Verg. op
Gen. XIV: 14.
49  v. Hit bericht over het erfdeel van Jozua verbreekt den samenhang. Het is ontleend aan cen
oud bericht (verg. XVIII: 2—10), waarin het land, niet door Jozua, maar door de stammen omler-
ling verdeeld werd. De stelling die Jozua hier inneemt tegenover het volk, dat hem, op zijn verzoek,
een erfdeel aanbiedt, is niet in overeenstemming met den hoogcu rang, elders in dit book hem toe-
gekend. Een vervolg op dit bericht vinden wij XXIV: 29 v.
50.   Volgens — versacht. Zulk een gebod van Jahwe wordt, evenmin als het verzoek van  Jozua,
ergens aangetroffen. — Timnalh-serah, waar Jozua gestorven eu begraven is (XXIV: 30; Richt.
  11:9),
ten noorden van het gebergte Gaiis, drie uur ten noordwesten van Gol\'ua en evonzoovcel ten
  noord-
oosten van Lydda, werd later Tamna (1 Makk. IX: 50) en wordt thans Ti/me genoemd.
51.  Onderschrift van het verhaal der laudverdceling in Kzra\'s Wetboek, in dcnzelfden vorm als het
opschrift, XIV: 1.
O. T. I                                                                                                                           34
-ocr page 450-
JOZüa XX : 1—9.
530
HOOFDSTUK XX.
Aanwijzing van ilc vrijsteden. — Jahwe gelast Jozua, door ile Israëlieten <lc vrijsteden te doen aan-
wijzen (1—Ui; zij bestemmen daartoe drie steden ten westen en drie ten misten van den Jor-
dnan (7—9).
In vs. 1—3, 0 (ten decle), 7—\'J wordt de tenuitvoerlegging vermeld van het Nam. XXXV:9—84
door Jahwe aan Mo/.es gegeven gebod. Het is, evenals die verordening, uit Ezra\'s Wetboek, en wijkt
in dezelfde bijzonderheden van de wet op dit onderwerp iu Deut. XIX: I—13 en van Deut.
IV : II—43 at. Hiermede is vs. 4 v., G (ten decle) verbonden, dat met het overige in strijd is en in
Gr. vert. gemist wordt (zie op vs. 4—6). Het is blijkbaar ingclascht door iemand die meende dat
hier gehnudcld moest zijn zoowel naar Deuleronomium als naar Kzra\'s Wetboek.
XX: 1,2 Toen sprak Jahwe tot Jozua: \' Zeg aan de Israëlieten: Wijst de
IJ vrijsteden aan, van welke ik door Mozes tot n gesproken heb, \' waar-
heen de doodslager die iemand bij ongeluk, zonder opzet, heeft ver-
slagen kan vluchten, en die u tot eene vrijplaats tegen den bloedwreker
4       zullen zijn. \' Hij zal naar eene dezer steden vluchten, aan den ingang
der stadspoort gaan staan en ten aanhooren van de oudsten dier stad
zijne aangelegenheid mededeelen; dan zullen zij hem bij zich in de
stad opnemen en hem eene plaats geven, en hij zal bij hen wonen.\'
5       Wanneer nu de bloedwreker hem vervolgt, zullen zij den doodslager
niet aan hem uitleveren; want zonder opzet heeft hij zijn naaste ver-
slagen en zonder van gisteren of eergisteren hem haat te hebben toe-
fi gedragen.\' Zoo zal hij in die stad wonen, totdat hij voor de gemeente
te recht staat; tot den dood des hoogepriesters die er in die dagen is.
Dan zal de doodslager terugkeeren en wederkomen in zijne stad en
7       zijn huis, in de stad waaruit hij gevlucht is. \' Dienvolgens heiligden
zij: Kedes, in (ialilea, op het gebergte van Naftali; Hichem, op het
gebergte van Efraim, en Kirjath-arba, dat is Hebron, op het gebergte
8       van Juda. \' En aan de overzijde van den Jordaan, ten oosten van Jericho,
hebben zij aangewezen: Beser, in de woestijn, op de hoogvlakte, uit
den stam liuben; Kania, in Gilead, uit den stam (iad, en Uolan, in
9       liazan, uit den stam Manasse. \' Dit waren de voor alle Israëlieten en
de in htm midden vertoevende vreemden vastgestelde steden, waarheen
ieder die een ander bij ongeluk had verslagen kon vluchten, om niet
door de hand van den bloedwreker te sterven voordat hij voor de ge-
meente stond.
3.  zonder opzet. Deze uitdrukking, die Deut. IV: 42; XIX: 4, maar niet in Num. XXXV voorkomt,
is van den inlasseher; zie lul.
i—0. In deze verzen hcerscht verwarring, die vooral aan den dag komt in de dubbele tijdsbcpa-
liug in vs. 0 over het verblijf des doodslngcrs iu de vrijstad: de eene, totdat — slaat, geldt den dood-
slagcr wiens zaak nog onderzoent moet worden, de andere, tol — dagen is, den doodslager van wien
het gebleken is dat hij zoudcr opzet heeft gchundeld. Niet de eerste bepaling, maar de tweede strookt
met hetgeen in vs. 4 v. voorafgaat. Waarschijnlijk luidde de oorspronkelijke tekst, zooals tir. vert. dien
geeft; zij Inat op haar slot vnu vs. 3, Die steden zullen u lot erijplaats zijn, alleen volgen opdat de
doodslager niet sterve door den bloedivreter voordat hij vor de gemeente te recht slaat.
De inlassehing
gesehiedde naar Deut. XIX: 4—0 en Num. XXXV : 25, 28.
4.  ten — mededeelen. Zie op Deut. XIX : 12.
7.   Kedes — Juda. De drie vrijsteden ten westen van den Jordaan worden alleen hier genoemd: de
eerste lag in het noorden, de tweede in het midden, de derde in het zuiden des lunds. De laatste twee
hadden zeker vroeger beroemde heiligdommen; dat ook Kedes een bezat bewijst de naam, die ,hcilig-
bcid\' betcekent. Heiligdommen waren van oudsher wijkplaatsen. — Oalilea, in het Hebrecuwsch Oaliel,
d. i. ,kring\', heette oorspronkelijk eene streek op het grondgebied vnn Naftali (2 Kon. XV: 29; vorg.
1 Kon. IX: 11), om hare gemengde bevolking Jez. VIII: 23 (laliel der heidenen genoemd. Lator heeft
de unam eene wijdere bcteekenis gekregen; zoodat hij 1\'alestinn ten noorden van de vinkte van Jizreël
aanduidde. — het gebergte van Naftali, rijk met bosschen bezet, strekt zich van den Antilibanos in
zuidwestelijke richting over het noorden van Karman uit, grenst in het oosten aan het Jordoandal, op
enkele plaatsen aan den oever der beide meren; in het westen aan de valleien van Tyrus en I\'tolcinais,
hier en daar zelfs aan de Middellandsehe Zee, eu gaat in het zuiden langzamerhand over in eene streek
vnn heuvelen en hoogvlakten, die het scheiden van de vlakte vnu Jizreël.
8.   Volg. Deut. IV : 41—43 had Mozcs deze drie vrijsteden reeds aangewezen; zie aldaar.
-ocr page 451-
531
JOZüa XXI: 1 — 12.
HOOFDSTUK XXI.
Aanwijzing van do pricster- en <lc Levictenstedcn. — Op zijn verzoek erlangt de stam Levi woon-
plaatsen (1—3). Het land wordt door hot lot onder de versehilleude afdeelingen van dien stam verdeeld
(4—7). I)e steden der Aaronicten (8—1!)); die der overige Kchathictcn (20—26); die der Gersjonietcn
(27—83); die der Mernrietcn (34—38); samen acht en veertig steden (3!t v.). Zoo heeft Jahwe het
gansche land aan de Israëlieten gegeven (tl—43).
Met uitzondering van de laatste drie verzen, die in het door den Dcutcrouomist hewerkte hoek het
onderschrift van het verhaal der lnndverdccliug uitmaakten, en van vs. 12, dat door den Verzamelaar
is ingelaseht, is dit hoofdstuk uit Kzra\'s Wetboek. Het verhaalt, hoe ten tijde van Jozua het door
Jahwe aan Mozes gegeven gebod ten aanzien der priester- en Levictenstedcn (Num. XXXV : 1—8) is ten
uitvoer gelegd. De lijsten van die steden komen, met enkele afwijkingen, ook 1 Kron. VI: 54—81 voor.
XXI: 1 De familiehoofden der Levieten traden nader tot den priester Eleazar,
Jozua, den zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen der
2       Israëlieten,\' en spraken tot hen te Sjilo in het land Kanaün: Jahwe
heeft door Mozes geboden, ons steden om in te wonen te geven, met
3       haar weidegrond voor ons vee. \' Dientengevolge gaven de Israëlieten,
volgens Jahwe\'s last, van hun erfdeel deze steden met haar weidegrond
aan de Levieten.
4           Het lot kwam uit voor de geslachten der Kehathieten: de zonen van
Aaron, den priester uit de Levieten, verkregen door het lot, uit de
5       stammen Juda, Himeon en Benjamin, dertien steden; \' de overige Keha-
thieten verkregen door het lot, naar hunne geslachten,. uit de stammen
6       Efraim, Dan en half Manasse, tien steden. \' De Gersjonieten verkregen
door het lot, naar hunne geslachten, uit de stammen Issachar, Azer,
7       Naftali en half Manasse in liazan, dertien steden. \' De Merarieten,
verkregen door liet lot, naar hunne geslachten, uit de stammen Ruben,
Gad en Zebulon, twaalf steden.
8            De Israëlieten gaven aan de Levieten de volgende steden met haar
9       weidegrond, zooals Jahwe door Mozes had geboden, door het lot.\' Men
gaf uit de stammen der Judeërs en der Himeonieten deze met name
10       genoemde steden:\' aan de Aiironieten, een van de geslachten der Keha-
thieten, behoorende tot de Levieten, hun gaf men, daar hun het eerste
11       lot was te beurt gevallen,\' Kirjath-Arba, welke Arba de vader der
Enakieten was, dat is Hebron, op het gebergte van Juda, met omlig-
12       genden weidegrond; \' maar het akkerland van de stad, benevens hare
Vs. 4—40. 1 Kron. VI: 54—81.
2. in hei land Kanaün. Waarom deze nadere aanduiding van Sjilo er bij staat, weten wij niet; zij
komt ook XXII:!); Kicht. XXI: 12 voor. — haar weidegrond. Hoever deze zich moest uitstrekken,
wordt Num. XXXV : 4 v. aangegeven.
4—7. Over de drie afdeelingen der Iievieten: Kchathictcn, Gersjonieten en Merarieten, zie Kxod.
VI :1C—10; Num. III.
4.  Het lot. Nadat de stammen, naar verhouding van hunne grootte (Num. XXXV : 8), de steden
hadden aangewezen, werden deze verloot. Hoc de schrijver zich dit voorstelt, is niet geheel duidelijk;
waarschijnlijk zoo, dat eerst door het lot "werd uitgemaakt, welke steden het eerst zouden worden
weggegeven, en daarna, wederom door het lot, welk Lcvietisch geslacht het eerste deel zou krijgen.
Ulijkbnar nam de schrijver eene wonderbare, goddelijke beschikking aan, waardoor de Aiironieten zich
iu de steden van Juda, Simeon en Kenjamiu mochten vestigen; terwijl aan de andere, ondergeschikte,
Lcvictische geslachten de steden in het noorden en het Ovcrjordaauschc ten deel vielen. — de zonen
— Levieten. De Aiironieten waren een onderdeel der Kchathictcn, maar onderscheiden van de overige
door het hun volg. Num. XVIH : 1—7 ten deel gevallen priesterschap.
5.  6. naar hunne geslachten, van, volg. verb. t., naar vs. 7; grondt, van de geslachten van.
6.  half — Bazan, het Overjordaanschc Manasse.
7.  verkregen door het lol, volg. Gr. vert. ingevoegd.
11—16. Over de hier genoemde plaatsen zie op XV: 10, 13, 15, 42, 48, 50, 51 en 55.
12. Verg. XV: 13, waar echter niet slechts het akkerland rondom Hebron, maar de stad zelve aan
Kaleb gegeven wordt; ook is het daar Jozua, en niet, nis hier, de gemeente, die de stad aau Kaleb
schenkt. Het vors is door den Verzamelaar of ceu later schrijver ingelaseht, die de beide voorstcllin-
gen, dat Hebron nau Kaleb cu dat het aau de priesters gegeven werd, met elkander iu overeenstem-
ming trachtte te brengen.
-ocr page 452-
532                                         jozua XXI: 12—35.
gehuchten, haihlen zij aan Kaleh, den zoon van Jefunne, tot eene be-
13       zitting gegeven. \' Aan de zonen van Aiiron, den priester, gaven zij
Hebron, de vrijsta»! voor den doodslager, met haar weidegrond, Libna
14       niet haar weidegrond,\' Jattir met haar weidegrond, Estemoa met haar
15       weidegrond,\' Holon met haar weidegrond, Dehir met haar weidegrond,\'
Ui Asjan met haar weidegrond, Jutta met haar weidegrond en Ueth-sjenies
17       met haar weidegrond; negen steden uit deze heide stammen. \' Voorts
uit den stam Benjamin: Gibeon met haar weidegrond, Geba met haar
18       weidegrond,\' Anathoth met haar weidegrond en Almon met haar weide-
19       grond; vier steden.\' In het geheel luidden de Aiironieten, de priesters,
dertien steden met haar weidegrond.
20           De geslachten der Kehathieten, die Levieten waren, de overige
Kehathieten, zij verkregen door het lot hunne steden uit den stani
21       Efr.iim;\' men gaf hun Hichem, de vrijstad voor den doodslager, met
haar weidegrond, op het gebergte van Efraim, Gezer met haar weide-
22       grond, \' Kibsaim met haar weidegrond en Beth-horon met haar weide-
23       grond; vier steden.\' En uit den stam Dan: Elteke met haar weide-
24       grond, Gibbethon met haar weidegrond, \' Ajjalon met haar weidegrond
25       en flath-rimmon met haar weidegrond: vier steden. \' En uit de eene
helft van den stam Manasse: Taiinach met haar weidegrond en Jibleam
26       met haar weidegrond; twee steden.\' In het geheel tien steden met
haar weidegrond voor de geslachten der overige Kehathieten.
27            De Gersjonieten, een ander geslacht der Levieten, verkregen, uit
den halven stam Manasse: Golan, in Bazan, de vrijstad voor den dood-
slager, met haar weidegrond en lieëstera met haar weidegrond; twee
28       steden. \' En uit den stam Issachar: Kisjon met haar weidegrond,
29       Doberath met haar weidegrond,\' Jarmuth met haar weidegrond en
30       En-gannim met haar weidegrond; vier steden.\' Voorts uit den stam
Azer: Misjeal met haar weidegrond, Abdon met haar weidegrond,\'
31       Helkath met haar weidegrond en lïehob met haar weidegrond; vier
32       steden.\' Verder uit den stam Naftali: Kedes, in Galilea, de vrijstad voor
den doodslager met haar weidegrond, Hammoth-Dor met haar weide-
33       grond en Kartan met haar weidegrond; drie steden.\' In het geheel
hadden de Gersjonieten, naar hunne geslachten, dertien steden met
haar weidegrond.
34           De geslachten der Merarieten, zijnde de overige Levieten, verkregen,
uit den stam Zebulon: Jokneain met haar weidegrond, Karta met haar
35       weidegrond, \' lümmon met haar weidegrond en Nahalal met haar weide-
13. Herhaling van vg. 11, door de inlasschinir vun vg. 12 noodig geworden.
10. Atjan, volg. Gr. vert. en 1 km». VI :51t; Hebr. t. Ai». Het is de ecnigc pricgtcretad in Simcon.
17. Gibeon. Zie op XVII1:25. — Geba. Zie op XVIII: 24.
IK. Analhoik, XVIII: SI—28 niet genoemd onder de gleden vnn licnjainiu, lag écn uur ten noord-
oogten van Jeruzalem en wag de geboorteplaats van den profeet Jcrcmin (Jer. 1:1; XI: 21—23;
XXIX:27; XXXIM7—15); verg. 1 Kon. 11:26; Nch. XI:32; Jez. X: 30. — Almon, volg. 1 Kron.
VI: 00; VII: 8 Alemelh, lag twintig minuten ten noordoogten van Auathoth.
20.  die levieten ware», in onderscheiding van het Kchathietigchc geslacht der Anronietcn, die
priesters waren.
21.  Sichem. Zie tol. op Gen. XXXIV. — Gezer. Zie op X: 33 en op XVI: 10.
22.   Kibsaim, onbekend. 1 Kron. VI: 68 heeft Jokmeam. — Beth-horon. \'Aio op X : It).
23 v. Zie op XIX: 42, 41 en 45.
25.   Taiinach. Zie op XII: 21. — Jibleam, naar 1 Kron. VI: 70 on Gr. vert.; Hebr. t. GalA-rimmon,
dat echter vg. 24 reedg genoemd ig.
26.   Golan. Zie op Dcut. IV: 43. — Beëitera, gamengetrokken uit Jlelh-Ettera, d. i., huig van Agtarte\',
1 Kron. VI: 71 Attaroth; zie op Gen. XIV: 5.
28—33. Zie op XIX: 12, 20, 21, 25, 26, 28, 35 en 87.
32. Kartan, waarvoor 1 Kron. VI: 76 Kirjathaim heeft, komt XIX: 32—39 onder de gteden v&n
Naftali niet voor en ig onbekend.
35. Rimmon, volg. 1 Kron. VI: 77, verg. XIX: 18; grondt. Dimna. — Sahalal. Zie op XIX: 15.
-ocr page 453-
jozua XXI: 35—XXII: 2.
583
3ö grond; vier steden.\' Voorts uit den stam Ruben, Heser, in de woestijn,
de vrijstnd voor den doodslager, met haar weidegrond, Jahas met haar
37       weidegrond, \' Kedemoth met haar weidegrond en Mefaüth met haar
38       weidegrond: vier steden. \' Verder uit den stam Gad: Rama, in (iilead,
de vrijstad voor den doodslager, met Laar weidegrond, Mahanaini met
39       haar weidegrond, \' Hesbon met haar weidegrond en Jaëzer met haar
40       weidegrond; in het geheel vier steden. \' Al die steden verkregen de
Merarieten, naar hunne geslachten, de overigen van de geslachten der
Levieten; hun lot was twaalf steden.
41            In liet geheel waren de Levietensteden, midden in de bezitting der
42       Israëlieten, acht en veertig steden met haar weidegrond.\' Elk dezer
steden bestond uit eene stad met haar weidegrond er omheen; evenzoo
was het met al deze steden.
43           Zoo gaf* Jahwe aan Israël liet gansche land dat hij hunnen vaderen
onder eede beloofd had te zullen geven, en zij namen het in bezit en
44       vestigden zich aldaar. \' En Jahwe gaf hun rust van rondom, geheel
zooals hij aan hunne vaderen had gezworen: geen van al hunne vijan-
den heeft voor hen standgehouden; al hunne vijanden heeft Jahwe
45       in hunne hand gegeven.\' Niets is onvervuld gebleven van ganscli bet
goede woord dat Jahwe tot liet huis van Israël had gesproken; alles
is uitgekomen.
30. De woorden de vrijstad ooor den doodslager en in de woestijn zijn uit (ïr. vcrt. ingevoegd. —
Beter. Zie op Peut. IV : 48. — Jahat. Zie op Num. XXI : 23.
37.   Kedemoth. Zie op Dcut. 11:26. — Mefaüth. Zie on XIII: 18.
38.   Itmiiii. Zie op Deut. IV: 43. — Mahanaim. Zie op Gen. XXXI 1:2.
3\'J. lleslivn. Zie op Nuni. XXI: 25. — Jaêter. Zie op Num. XXI : 32.
42. aeht en veerttg. Dit is do som vun de va. lil, 20, 33, 38 genoemde cijfors en komt overeen
met Num. XXXV : 0 v., volgens welke plaats de stam Lcvi zes vrijsteden en twee en veertig andere
steden moest hebben.
44.  geen — gegeven. Volg. XIII: 2—6; XXIII: 4—10, verg. XV: 03; XVI: 10; XVII: 12, luid Isrncl
niet overal de Knunituicton kunnen verdrijven.
45.  Verg. XXI1I:144; 1 Kon. VIII: 50.
HOOFDSTUK XXII.
Terugkeer der Ovcrjurdoanschc stammen. — Jozua laat de Overjordoansehc stammen, onder lofspraak
cu vermaning, met een deel vnn den behaalden buit, uuur hun erfdeel terugkecren (1—8). Op hun
terugtocht bouwen zij ecu groot altaar (!) v.). Als de Israëlieten dit hooren, rusten zij zich tegen beu
ten strijde (11 v.) en vaardigen zij gezanten naar hen af (13 v.). Dezen vragen opheldering over hunne
ongeoorloofde daad (15—20). De Ovcrjordaansche stammen verzekeren, dat het altaar niet voor offers
bestemd is en alleen dienen moet tot eene getuigenis; terwijl zij Jahwe aan de wettige plaats willen
verecreu (21—211). De gezanten nemen met die verzekering genoegen (30 v.), desgelijks de gemeente
(32 v.); de nnnm van bet altaar (31).
Van dit hoofdstuk bestaat vs. 1—8, waarin het ontslag der Ovcrjordaansche stammen door Jozua
verhaald wordt, uit stukken van verschillenden ouderdom: vs. 1—0 is van den Dcutcronomischcn be-
werker; vs. 74, 8 bevat een aanhangsel hierop; vs. Ia is, waarschijnlijk nog later, ingevoegd. Ook
in vs. 0—34 vinden wij een jong stuk, in den geest van Ezru\'s Wetboek, maar later, opgesteld. Het
is geschreven met het oog op de Joden ua E/.ra. Terwijl de kern des volks iu Judca gevestigd was,
waren velen hunner elders, o. o. iu het Overjordoansehc, woonachtig. Hoc licht konden deze laataten
van de broederen in Kanaün vervreemden en afvallig worden van de zuivere verecring vnn Jahwe!
Hen op dit gevaar te wijzen, te herinneren aan hunne verplichting om uitsluitend aan het gcmccn-
schappelijk heiligdom hunne offers te brengen en, zoo hun dit oumogelijk wns, naar Jahwc\'s erfland
te verhuizen (v». 19), is het doel vnn dit stuk.
XXII: 1 Toen ontbood Jozua de Rubenieten, de Gadieten en den halven stam
2 Manasse,\' en zeide tot hen: Gij hebt gehouden al wat Mozes, Jahwe\'s
dienstknecht, u geboden heeft en hebt ook naar mij geluisterd in alles
2—4a. Verg. inl. op Num. XXX11.
-ocr page 454-
jozua XXII: 16.
534
3       wat ik u geboden heb;\' gij hebt uwe broederen niet in den steek ge-
laten, nu gemiiuen tijd tot op dezen dag, maar zijt uw plicht tegen-
4       over het gebod van Jahwe, uw god, nagekomen.\' En nu heelt Jahwe,
uw god, uwen broederen rust verschaft, zooals hij hun had toegezegd;
keert dan weder en gaat henen naar uwe tenten, naar uw erfland, dat
Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, u aan de overzijde van den Jordaan heeft
5       gegeven.\' Maar betracht zeer nauwgezet het gebod en de wet die
Mozes, Jahwe\'s dienstknecht, u heeft voorgeschreven, door Jahwe, uw
god, lief te hebben, op al zijne wegen te wandelen, zijne geboden te
onderhouden, hem aan te hangen en hem te dienen met uw gansche
6       hart en uwe gansche ziel.\' Zoo nam Jozua met een zegenwensch
afscheid van hen en liet hen gaan. En zij gingen naar hunne tenten.
la Aan de eene helft nu van den stam Manasse had Mozes in IJazan,
aan de andere Jozua aan de westzijde van den Jordaan bij hunne broe-
deren hun erfdeel gegeven.
Tb         Toen Jozua hen met een zegenwensch naar hunne tenten liet gaan,\'
8       zeide hij tot hen: Keert met rijke schatten, zeer veel vee en een over-
vloed van zilver, goud, koper, ijzer en kleederen naar uwe tenten terug;
deelt met uwe broederen den buit op uwe vijanden behaald.
9           Zoo keerden de lUibenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse
terug en trokken weg van de Israëlieten, uit Bjilo in het land Kanaün,
om te gaan naar het land Gilead, bun erfland, waar zij, naar den door
Mozes verstrekten last van Jahwe, vaste bezittingen hadden verkregen.\'
10       Toen nu de Uubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse de
streken van den Jordaan in het land Kanaün bereikt hadden, bouwden
11       zij aldaar, aan den Jordaan, een altaar, in het oog vallend groot.\' En
de Israëlieten hoorden zeggen: Daar hebben waarlijk de Kubenieten,
de Gadieten en de halve stam Manasse een altaar gebouwd tegenover
het land Kanaün, in de streken van den Jordaan, op den Israëlietischen
12       oever!\' Toen zij dat hoorden, kwam de geheele gemeente der Israëlieten
13       te iSjilo samen, om tegen hen te velde te trekken.\' En de Israëlieten
zonden tot de Uubenieten, de Gadieten en den halven stam Manasse, naar
14       het land Gilead, den priester Pinehas, den zoon van Eleazar,\' met tien
vorsten, uit eiken stam van Israël éen familie vorst; elk hunner was
familiehoofd in een van Israëls geslachten.
15           Bij de Hubenieten, de Gadieten en den halven stam Manasse in het
16       land Gilead aangekomen, spraken zij tot hen: \' Zoo zegt de gansche
3. iiii gernimen tijd, volg. XIV : 10 vijf of zes jaren.
7<J. Eeuc opmerking «1» deze verwachten wij hier volstrekt niet; zij is na XIII: 8—32, XIV : 2 v.;
XVII:fi volkomen overbodig en in dit verband misplaatst. — hun erfdeel, duidclijkhcidshalve ingevoegd.
74, S. Deze woorden van .loznn tot de Overjordaansche krijgers, die volg. vs. fl reeds naar buis zijn
gezonden, behooren zeker niet tot het oorspronkelijke verhaal. Zij zijn ingevoegd door iemand die het
ongepast vond, dat Jozua hun wel een zegenwensch, maar geen beluoniug had medegegeven, en ou-
billijk, dat zij niet zouden hebben gedeeld in den door Israël op de vijanden veroverden buit.
9.  Sjilo in het tand Kauatin. Zie op XXI : 2. — het land Gilead. Hier wordt met dezen naam het ge-
heele Overjordaansche aangeduid; zie op Gen. XXXI: 21. — de ItraiUie/en. Zoo hecten in dit verhaalde
stammen ten westen van den Jordaan, in onderscheiding van de Overjordaansche. Dit spraakgebruik
wijst op een tijd toen ten oosten van die rivier betrekkelijk weinig Israëlieten woonden; wat zeker
reeds tijdens den ondergang van Jeruzalem het geval was.
ld. de êtreien — Kanaün, eene onduidelijke plaatsbepaling. Waarschijnlijk bedoelt de schrijver eene
plek in het westelijk Jordaandal, die, als vlak aan den oever gelegen, in het volgende vers gezegd kon
worden tegenover het land Kanaün en op den Itraelietitehen oever te zijn; wellicht Gilgal (IV : 19 enz.),
welke naam met nagenoeg dezelfde letters als het door .streken\' overgezette woord geschreven wordt.
12.   om — trekken. De zonde waarvan zij verdacht worden is deze, dat zij Jahwe op eene onwet-
tige plaats en dus op onwettige wijze willen vereeren; zie inl. op Deut. XII.
13.  Pinehat. Zie op Exod. VI: 25.
14.  tien roriten, de vorsten van alle stammen behalve van Ruben en Rad.
10.  waardoor — komt. Hcbr. t. laat nog volgen thant; volg. Gr. vert. weggelaten.
-ocr page 455-
jozüa XX11: 16—29.
535
gemeente van Jahwe: Wat is dit voor een vergrijp waaraan gij u tegen
Israëls goil hebt schuldig gemaakt, dat gij u thans afkeert van Jahwe
door n een altaar te bouwen; waardoor gij tegen Jahwe in opstand
17       komt!\' Hebhen wij niet genoeg aan de overtreding met 1\'eor, waarvan
wij ons tot op dezen dag niet hebben gezuiverd, en waarvoor de plaag
18       in Jahwe\'s gemeente kwam?\' En gij zoudt u thans van Jahwe afkeeren!
Indien gij heden in opstand komt tegen Jahwe, dan breekt morgen
19       zijne gramschap tegen de gansche gemeente van Israël los.\' Overigens,
indien uw erfland onrein is, steekt naar Jahwe\'s erfland over, waar
Jahwe\'s tabernakel is gevestigd, en verwerft u vaste bezittingen in
ons midden; maar komt niet in opstand tegen Jahwe en brengt ons
niet in opstand, door u een altaar te bouwen behalve het altaar van
20       Jahwe, onzen god.\' Toen Achan, de zoon van Zerah, zich aan den ban
vergreep, is immers over Israëls gansche gemeente de gramschap los-
gebroken, en was het niet die man alleen, die voor zijne overtreding
den geest gaf.
21            Hierop antwoordden de Hubenieten, de Gadieten en de halve stam
22       Manasse en spraken tot de hoofden van Israëls geslachten: \' De god-
heid, God, Jahwe, de godheid, God, Jahwe, hij weet het, en ook Israël
zal het weten! Indien wij opstand of A\'ergrijp tegen Jahwe bedoelden
door ons een altaar te bouwen, om ons van Jahwe af te keeren, dan
23       redde hij ons heden niet!\' Indien wij voornemens zijn om daarop hetzij
brand- en meeloffers te otteren, hetzij dankoffers te brengen, moge Jahwe
24       zelf\' het aan ons thuis zoeken!\' Zoo waar, wij hebben dit uit zekere
bezorgdheid gedaan; want wij dachten: Later zullen uwe zonen tot de
de onze zeggen: Wat hebt gij te maken met Jahwe, den god van
25       Israël?\' Aangezien Jahwe tusschen ons en u, Hubenieten en Gadieten,
den Jordaan als grens gesteld heeft, hebt gij aan Jahwe geen deel. —
Zoo konden uwe zonen oorzaak zijn, dat onze zonen ophielden Jahwe
2(5 te vreezen.\' Daarom zeiden wij: Laten wij dit doen: bouwen wij dat
27       altaar; niet voor brandoffer of slachtoffer,\' maar om een getuige te zijn
tusschen ons en u en onze nakomelingen na ons, dat wij met onze
brand-, slacht- en dankofTers Jahwe willen dienen voor zijn aangezicht;
opdat uwe zonen later niet zeggen tot de onze: Gij hebt aan Jahwe
28       geen deel.\' Voorts dachten wij: Wanneer zij later tot ons of onze na-
komelingen zoo iets zeggen, dan zullen wij zeggen: Let op den vorm
van Jahwe\'s altaar dat onze vaderen gemaakt hebben: het is niet voor
brandoffer of slachtoffer, maar het is een getuige tusschen ons en u.\'
29       Verre zij het van ons, in opstand te komen tegen Jahwe en heden
ons van hem af te keeren, door een altaar voor brand-, meel- en slacht-
17. Zie Num. XXV : 1—5; XXXI: 10; Dcut. IV : 3. — taartan — gezuiverd. Al waren de schiiU
digen gestraft (Num. XXV: 0; Deut. IV : 3), toch was de gemeente nog niet lil de smet en schande
bevrijd.
19. indien — onrein is, sis het Inml der heidenen (zie op Hoz. VIII: 13). en gij dim meent, in de
nabijheid daarvan een heiligdom of altaar van Jahwe te moeten hebben. Mij de Joden na 5K0 gold
het Overjordaansche voor minder heilig dan het land ten westen van den Jordaan. Het Ovcrjordaan.
ache was toen reeds lang in de handen van Aramccrs en andere heidenen geweest. Verg. op K/n :h.
XLVII:13—20. — tabernakel. Zie op Eiod. XXV : 9 en inl. op Exod. XXIV : 12— XI.: 38. _ brengt
— opttand, met verandering van klinkers. — behalve — god. Bedoeld is het altaar in het voorhol
van den tabernakel te Sjilo.
20. Zie H. VII. — en heeft — gegeven, maar hebben velen door zijne schuld het leven verloren
(VII: 5, 12).
22. De godheid. God, .lahtce. De opeenstapeling vnn godsnniiicn en de herhaling dieueu om de ver-
outwoardiging uit te drukken wuarmcde zij de beschuldiging van zich wijzen; verg. op Ps. L«l en
op Ps. 1.IX :(>. — redde — niet\'. Volg. Gr. vert.; Hcbr. t. moogt gij ona — niet redden! Voorts is
door — keeren uit het volgende vers hierheen verplaatst.
27. voor zijn aangezicht aan de plaats waar hij woout, in den tabernakel.
-ocr page 456-
JOZUA XXII: 29—XXIII: 7.
536
offers te bouwen, nevens het altaar van Jahwe, onzen god, dat voor
zijn tabernakel staat!
3<J           Toen de [triester Pinehas en de vorsten der gemeente die hem ver-
gezelden de woorden hadden vernomen die de lfubenieten, de Gadieten
31 en de Manassieten hadden gesproken, keurden zij liet goed.\' Daarom
zeide de priester l*inehas, de zoon van Eleazar, tot de Jtubenieten, de
Gadieten en de Manassieten: Thans weten wij dat Jahwe in ons mid-
den is; daar gij u aan dit vergrijp tegen Jahwe niet schuldig hebt
gemaakt. Hiermede hebt gij de Israëlieten uit Jahwe\'s hand gered.\'
3~ Daarop keerden de priester 1\'inehas, de zoon van Kleazar, en de vorsten
weder van de Hubenieten en Gadieten, uit het land Gilead, naar liet
33       land Kanaiin tot de Israëlieten en gaven hun verslag.\' Kn de Israë-
lieten keurden de zaak goed, en de Israëlieten loofden God. Zij spraken
er niet meer van, tegen hen te velde te trekken, om het door de
34       Kubenieten en de Gadieten bewoonde land te verderven.\' De I»ube-
nieten nu en de Gadieten noemden het altaar: Het is een getuige
tusschen ons dat Jahwe God is.
80. gemeente. Ilebr. t. lnat volgen en ite hoofden aan lsraï-U geslachten; dat volg. Gr. vort. weg-
gelaten is.
34. Hel — il. Dit is ile niiaiii van het altaar. — tusschen om, tusschen de üverjorilaansche »tara-
tucn en de andere.
HOOFDSTUK XXIII.
Toespraak van Jozua. — Jozua ontbiedt de vertegenwoordigers van Israël (1 v.), en verzekert hun
dat Jahwe ook de overgebleven Kanaanictcn zal uitroeien, als Israël zich maar niet door hen laat
verleiden (8—7); want gelijk trouw aan Jahwe hun de zege over hunne vijanden verschnl\'te, zou het
tegendeel hen iu hunne macht overleveren (8—13); gelijk elke belofte tot dusverre vervuld was, zou
dan iedere bedreiging uitkomen (14—10).
Dit hoofdstuk is geheel van den Deutcronoinischcii bewerker. In den vorm eencr toespraak van
Jozua aan Israël predikt hij aau zijne tijdgenooten, dat, zoo Israël, trots Jahwe\'s beloften, geheel Kanaiin
nooit beeft bezeten en ten slotte zelfs uit zijn land is weggovoerd, dit de straf is voor het overn
11
emen
van hcidcuschc zeden en gebruiken.
X XIII: 1 Geruimen tijd later, nadat Jahwe Israël rust had verschaft van al
zijne vijanden rondom en Jozua oud geworden en op leeftijd gekomen
2       was,\' ontbood deze gansch Israël, zijne oudsten, hoofden, rechters en
ambtlieden, en zeide tot hen: Ik ben oud geworden en op leeftijd ge-
3       komen;\' en gij hebt zelven gezien al wat Jahwe, uw god, met al deze
volken gedaan heeft, ben voor u uit verdrijvend; want Jahwe, uw god,
4       streed zelf voor u.\' Ziet, ik heb de hier overgebleven volken door liet
lot aan u toegewezen tot een erfdeel voor uwe stammen, van den
Jordaan af, benevens til de volken die ik heb uitgeroeid, met de Groote
5       Zee in liet westen tot grens.\' Jahwe, uw god, zelf zal hen voor u uit
verjagen en voor u uit verdrijven: zoodat gij hun land in bezit zult
o\' nemen, gelijk Jahwe, uw god, u heeft toegezegd.\' Maar gij moet u
naarstig toeleggen op het onderhouden en betrachten van al wat in
Mozes\' wetboek geschreven staat, dat gij daarvan niet afwijkt, rechts
7 noch links\' en u niet inlaat met deze volken die onder u zijn overge-
bleven, den naam hunner goden niet vermeldt of daarbij zweert, noch
3. waut — n. Verg. X:14; Deut. I :80; Hl: 22.
•1. Ofschoon nog een deel van de oude bevolking in Kanaiin is overgebleven, heeft Jozua het gan-
schc land — deels veroverd, deels niet — onder de Israëlieten verdeeld. Verg. XIII: 2—8. — tot
grens,
volg. Gr. vert. ingevoegd.
">. hen, de overgebleven Kanaanictcn. — gelijk — toegezegd. Zie XIII: 6.
<>. Mozes\' wetboek, nl. Deuteronominm.
7. den naam — vermeldt. Zie op Kxod. XXIII : 13.
-ocr page 457-
537
jozua XXIII:7-XX1V: 1.
8       hen dient of u voor hen nederwerpt.\' Daarentegen zult gij Jahwe, uw
9       god, aanhangen, zooals gij tot op dezen dag gedaan hebt. Kn Jahwe
verdreef groote en machtige volken voor u uit en niemand lieeft voor u
10       standgehouden tot on dezen dag: \' éen van u vervolgde duizend; want
11       Jahwe, uw god, zelf streed voor u, zooals hij u had toegezegd.\' Neemt
12       u dan zeer zorgvuldig in acht, Jahwe, uw god, lief te hebben.\' Want
indien gij van gedragslijn verandert, u aansluit bij het overschot van
deze volken, die hier onder u zijn overgebleven, en u met hen ver-
13       maagschapt, als gij u met hen inlaat, en zij met u,\' zoo moet gij wel
weten dat Jahwe, uw god, verder deze volken niet voor u uit verdrijven
zal; dan zullen zij u tot een kuil en een strik zijn, tot een geesel in
de zijde en tot prikkelen in het oog, totdat gij vergaan zult van dezen
14       goeden bodem dien Jahwe, uw god, u gegeven heeft.\' Zie, ik ga thans
den weg van al wat leeft; erkent nu met uw gansche hart en uwe
gansene ziel, dat geen enkel van al de goede woorden die Jahwe, uw
god, te uwen aanzien gesproken heeft onvervuld is gebleven; alles is
15       voor u uitgekomen, geen woord er van onvervuld gebleven.\' Maar,
gelijk ieder goed woord dat Jahwe, uw god, tot u gesproken heeft aan
u is vervuld, zoo zal Jahwe ieder kwaad woord aan u in vervulling
doen gaan; totdat hij u verdelgt van dezen goeden bodem dien Jahwe,
1(5 uw god, u gegeven heeft.\' Wanneer gij het verbond schendt dat Jahwe,
uw god, u heeft voorgeschreven, andere goden gaat dienen en u voor
hen nederwerpen, dan zal Jahwe\'s toorn tegen u ontbranden en zult
gij welhaast vergaan uit het goede land dat hij u gegeven heeft.
9.  Verg. De.it. IV: 38; XI: 28.
10.  Verg. Lev. XXVI :8; Bout. XXXII: 30; Jez. XXX: 17.
12 v. Verg. op Richt. 11:3.
12.   Verg. Deut. VII: 1—0.
13.  sullen — oog, u cene our/.auk vim ongeluk en smart worden, /ie Nam. XXXIII S 55 en verg.
Exod. XXIII: 88; XXXIV: 12; Peut. Vil: 16; Kzech. XXVIII: 24. — een kuil en een strik. In het
Hebrecuwsch twee woorden voor ittik.
14.   Verg. XXI: 45; 1 Kon. VIII: 56.
16. Verg. Deut. XI: 16 v.
HOOFDSTUK XXIV.
De bondsluiting te Siehcm. — Jozua vergadert de Israëlieten te Siehem (1), herinnert hun, hoc
hunne vnderen aan gene zijde der Kivier gewoond en vreemde goden gediend hebben (2), en Jahwe
daarna hun stamvader Abraham in Kauaün gebracht, zijne nakomelingen uit Egypte bevrijd, hen door
de woestijn gevoerd en het Overjordaansehe in hunne macht gegeven heeft (3—8); boe Jahwe BUeam heeft
genoodzaakt Israël te zegenen (9 v.) en Jerieho on gansch Kuiinün aan hen heeft overgeleverd (11—13);
Israël, verplicht Jahwe te dienen, bcslisse zelf, wie zijn god zal zijn (14 v.). Israël kiest Jahwe (16—18).
Hierop cischt Jozna dal zij de vreemde goden wegdoen; waartoe het volk zich bereid verklaart (19—24).
Het verbond met Jahwe wordt gesloten, zijne wet afgekondigd en ongeteckend, en een gedenksteen
opgericht (25—27); waarna het volk wordt ontslagen (28). Jozua\'s dood en begrafenis (29 v.). Isracls
trouw aan Jahwe bij het leven en tot kort na den dood van Jozua (31); begrafenis van Jozefs go-
beente (32); dood en begrafenis van Kleazar (33).
De kern van dit hoofdstuk, dat zeer veel eigenaardigs bevat (zie op vs. 12, 14 v. en 25 v.), is uit
het Oude-Sngenboek, en wel uit He Elohist. Had de schrijver vroeger vermeld dnt God hij den Sinni
een vorbond met zijn volk had gesloten (zie iul. op Exod. 1:1—XXIV: 11), nu, nadat God de Israc-
lietcn door de woestijn geleid en hun het land Kanaiin gegeven had, moesten zij hem vrijwillig, op
grond van zoovele bewezen weldaden, tot god kiezen en voorgoed met den dienst van alle vreemde
goden breken. Het verhaal is niet in ongeschonden staat tot ons gekomen, maar door dun T)euterono-
misehen bewerkor overgnwurkt (zio op vs. 1, 2, 11, 13, 18 en 31), en daardoor soms onduidelijk gewor-
den (zie op vs. 11 on 18). Vooral in vs. 28—31 is de omwerking, in den geest van Deuteronominm,
onmiskenbaar.
XXIV: 1 Jozua nu verzamelde al de stammen van Israël te Siehem en ont-
-ocr page 458-
538                                         jozua XXIV: 1—ia.
bood Israël* oudsten, hoofden, rechters en ambtlieden. Toen zij zich
2 voor God geplaatst luidden,\' zeide Jozua tot liet gansene volk: Zoo zegt
Jahwe, Israëls god: Aan de overzijde der Rivier hebben uwe vaderen
oudtijds gewoond, Terah, de vader van Abraham en Nahor, en zij dien-
o" den andere goden.\' Maar ik nam uwen vader Abraham van de over-
zijde der Hivier, liet hem het gansene land Kanaiin doortrekken, ver-
4       menigvuldigde zijn kroost en schonk hem Izaiik.\' Voorts schonk ik aan
baak Jakob en Ezuu, en gal\' aan Ezau het gebergte iSeïr, om het in
bezit te nemen, terwijl Jakob en zijne zonen naar Egypte trokken.
Toen zij daar tot een groot, talrijk en machtig volk waren geworden
5       en de Egyptenaren hen \'mishandelden,\' zond ik Mozes en Aiiron, sloeg
Egypte met de teekenen die ik in zijn midden deed, en leidde u daarna
0 uit.\' Toen ik nu uwe vaderen uit Egypte had uitgeleid en zij aan de
zee waren gekomen en de Egyptenaren uwe vaderen nazetten met wa-
7       gens en ruiters, in de Schelffcee,\' riepen zij tot Jahwe, en bij zette
eene dikke duisternis tusschen u en de Egyptenaren en deed de zee
over hen komen, zoodat ze hen bedekte. Met eigen oogen hebt gij
gezien, wat ik den Egyptenaren aangedaan heb. Nadat gij geruimen
8       tijd in de woestijn hadt vertoefd,\' bracht ik u in het land der Amo-
rieten die aan de overzijde van den Jordaan woonden; zij streden met
u, en ik gal\' hen in uwe hand, zoodat gij hun land in bezit naamt,
9       en verdelgde hen voor u uit. \' Toen maakte Balak, de zoon van Sippor,
de koning van Moab, zich op, voerde krijg met Israël en liet JJileam,
10       den zoon van lieor, komen om u te vervloeken. \' Maar ik heb naar
liileaiu niet willen hooren, en gezegend heeft hij u: zoo heb ik u uit
11       zijne hand gered.\' Toen gij den Jordaan overgetrokken en bij Jericbo
gekomen waart, voerden de burgers van Jericbo krijg tegen u, de
Amorieten, l\'erizzieten, Kanaanieten, Hittieten, (lirgasjieten, Iliwwieten
12       en Jebuzieton; maar ik gat\' hen in uwe hand\' en zond de horzelen
1.   ontbood — ambtlieden. Kvcnzoo XXIII: 2. Doch in ilcn aanhef van het vers worden „al de
stammen van Israël" genoemd, en in vs. 2 wordt het tonische volk toegesproken; waarschijnlijk zijn
de woorden door den hewerkcr ingevoegd. — voor God. Dcdocld is: in of bij Jahwe1» heiligdom te
Sichein, waarover zie op Gen. XII : 0. De schrijver drukt zich uit, alsof het volk reeds ecnigcii tijd
iu het land gevestigd was, daar Jahwe reeds een heiligdom te Sichem hnd; verg. vs. 20.
2.   der Hivier, van den Kufraat. — hebben — gewoond. Zie Gen. XI : 28, 31. — Terah — Nahor.
Zie Gen. Xl:2flv. Volgens deze woorden zou met „de vaderen" alleen Terah bedoeld zijn; misschien
zijn zij ingelascht, om te verklaren waarom Abraham van zijne familie moest scheiden. Volgens latere
Joodschc verhalen heeft Abraham om het geloof veel van zijne verwanten te lijden gehad. Verg. op
Jcz. XXIX: 22. — en aj — goden. Verg. Gen. XXXV: 2—1.
3.   it — Abraham. Evenzoo Gen. XII: 1 ; volg. Gen. XI: 31, uit Ezra\'s Wetboek, had reeds Terah zijn
vaderland verlaten, om naar Knnaüu te trekken. — liet — doortrekken. Zie Gen. XII, XIII. — verme-
nigeuldigde rijn kroost.
Zie Gen. XVI : 10; XXII : 17 enz.
4.   Toen — mishandelden, volg. Gr. vert. ingevoegd; verg. Deut. XXVI: 5—8.
5.   de teekenen die, naar Gr. vert.; Hebr. t. zooals.
Ov. Zie Kxod. XIV : 17—XV : 31.
G. zij ... Karen gekomen, volg. verb. t.; grondt, gij ... Kaart gekomen.
7.   tol Jahwe en hij. In het voorgaande spreekt Jahwe in dcu eersten persoon. — «. Volg. vs. 6
waren het niet de door Jozua toegesproken Israëlieten zelven, maar hunne vaderen, die door de Schelf-
zee waren getrokken. Waarschijnlijk is het vers grootcndecls ingelascht.
8.   het land — icoonden, hel gebied van Sihou en Og, in het üverjordnansehe; zie Dcnt. II: 24—III: 11.
!>v. Zie inl. op Num. XXII: 2—XXIV : 25 en ook Dcnt. XXIII : 5 v.
8. voerde krijg met Israël. Overdrijving van Num. Wil: 11. 11, waar lialak slechts voornemens i»
met Israël te strijden, en in strijd met Richt. XI: 25 (verg. Dcnt. 11:9), waar staat dat Balak geen
krijg met Israël hnd gevoerd.
11.   voerden — u. Hiervan wordt in het vcrhanl der verovering van Jericbo (II. VI) niets gemeld.
— de Amorieten — Jebuzieten, de zeven volken van Kananit; verg. op [hut. VII Si. Zij staan hier
vreemd; immers schijnt het, of zij tot de burgerij van Jcrieho behoorden. Dit is zeker niet bedoeld;
de slordige verbinding is het gevolg van omwerking.
12.  zond — dreven. Zie op Kxod. XXIII: 28. — twaalf, volg. Gr. vert.; Hebr. t. twee. Volg.
XII :2t dertig, — niet — boog. Verg. Gen. XI/V1II: 22. De voorstelling dut God de Israëlieten zonder
strijd in het liczit van Kauaaü stelde komt niet overeen met die van hot verhaal der verovering vol-
geus 1—XII.
-ocr page 459-
539
jozua XXIV: 12—27.
voor u uit, <lie hen voor u uit dreven, twaalf\' koningen der Amorieten,
13       niet door uw zwaard noch door uw boog,\' en ik gaf\' u een land waaraan
gij geen moeite hebt besteed, met steden die gij niet gebouwd hebt en
waarin gij toch woont, wijngaarden en olijl\'buomen die gij niet geplant
14       hebt en waarvan gij toch eet. \' Nu dan, vreest Jahwe en dient hem
onberispelijk en getrouw; doet de goden weg die uwe vaderen aan de
overzijde van de Rivier en in Egypte gediend hebben, en dient Jahwe.\'
15       Maar indien het u niet goeddunkt Jahwe te dienen, doet dan heden
eene keuze, wien gij wilt dienen, óf de goden die uwe vaderen aan
de overzijde der Kivier hebben gediend, öi\' de goden der Amorieten
in wier land gij woont. Wat mij en mijn huis aangaat, wij zullen
Jahwe dienen.
16           Het volk antwoordde en zeide: Het zij verre van ons, Jahwe te
17       verlaten, om andere goden te dienen; \' want Jahwe, onze god, is het
die ons en onze vaderen uit Egypteland, uit het slavenhuis, opgevoerd,
die deze groote teekenen voor onze oogen gedaan en ons behoed heeft
op den ganschen weg dien wij afgelegd hebben, en bij al de volken
18       door wier midden wij zijn getrokken.\' Voorts verdreef Jahwe voor ons
uit al de volken en de Amorieten die het land bewoonden. Ook wij
zullen Jahwe dienen; want hij is onze god.
19           Doch Jozua zeide tot het volk: Gij zult niet bij machte zijn Jahwe
te dienen; want hij is een heilig god; hij is een naijverig god; hij zal
20       uwe overtredingen en uwe zonden niet vergeven.\' Wanneer gij Jahwe
verlaat en vreemde goden dient, zoo zal hij van houding veranderen,
u kwaad doen en u vernietigen, nadat hij u vroeger heeft welgedaan.\'
21       Daarop zeide het volk tot Jozua: Neen, maar Jahwe zullen wij dienen.\'
22       En Jozua zeide tot het volk: Gij zijt getuigen onder u, dat gij zelven
Jahwe hebt gekozen, om hem te dienen. Waarop zij zeiden: Wij zijn
23       getuigen!\' Welnu dan, doet de vreemde goden weg die in uw midden
24       zijn, en neigt uw hart tot Jahwe, Israëls god.\' Daarop zeide het volk
tot Jozua: Jahwe, onzen god, zullen wij dienen en naar hem zullen
wij hooren.
25           Toen sloot Jozua, te dien dage, een verhond voor het volk en gaf
26       hun inzettingen en verordeningen, te Bichem.\' Voorts schreef\' hij deze
woorden in het wetboek Gods, nam een grooten steen en richtte dien
27       aldaar op onder de terebint in Jahwe\'s heiligdom.\' Hierop zeide Jozua
18. Waarschijnlijk ingclascht door den Dcutcronomischon bewerker; verg. Dcut. VI: 10.
14 v. Dit gedeelte van Jozun\'s toespraak gaat van du onderstelling uit, dat Israël Jahwe niet voor-
goed tot zijn god had aangenomen en de beslissende keuze tusseheu Jahwe en andere goden nog moest
gedaan worden. Volg. Elod. XIX: 8; XXIV: 3; Dcut. V: 27 was dit reeds bij den Sinni geschied.
14. doet — hebban. Desgelijks vs. 23. Verg. Gen. XXXV: 2. Hier wordt, evenals l,ev. XVII: 7;
Ezcch. XX: 7 v.; XXIII, ondersteld dat de Israëlieten tot dusverre vreemde goden gediend hadden.
Eene andere voorstelling van Israëls godsdienstige» toestand geeft XXIU: 8.
18. al de — Amorieten. Vreemde verbinding. Waarschijnlijk waren in het oorspronkelijke verhaal
alleen de Amorieten genoemd en voegde de Deutcronomische bewerker, die behalve deze nog zes andere
volkstammen kende, er al de tolken aan toe. — Ook ioij, nl. evengoed nis gij (vs. 15).
11). De bedoeling is: bedenkt wel, wat gij doet! Jahwe duldt geen anderen god naast zich en bc-
straft gestreng ook de geringste ontrouw.
23. Zie op vs. 1-1.
25 v. Opmerking verdient dat Jozua hier de middelaar is tusseheu God en het volk, terwijl op een
vroeger verbond, bij den Sinai of in de vlakte van Moab (Exod. XXIV: 5—8; Dcut. XXIX : 1), niet
gezinspeeld wordt. Ook stelt hij hier, evenals Aiozes te Mara (Kxod. XV : 25), inzettingen en vorordc-
ningen vast, die, nnar het schijnt, met de oorkonde van \'s volks verbintenis tot getrouwheid aan
Jahwe, in het wetboek worden opgenomen. Ken en ander bewijst, hoe hoog deze schrijver, die van De
Elohist, Jozua waardeerde.
20. deze woorden, de plechtige verklaringen, door het volk afgelegd. — nam — heiliydom. Zie op
Gen. XII: 0. De steen in het heiligdom te Sichcin was ongetwijfeld eene oude godheid; zie inl. op
Gen. XXVIU: 10—22.
-ocr page 460-
540                                        jozua XXIV: 27—33.
tot het gansche volk: Zie, deze steen zal tot een getuige onder ons
zijn; want bij heeft al de woorden gehoord die Jahwe tot ons gesproken
heeft. Hij zal tot een getuige onder u zijn; opdat gij uwen god niet
28       verloochent.\' Daarop liet Jozua het volk gaan, een ieder naar zijn erfdeel.
29            Nadezen stierf Jozua, de zoon van Nun, Jahwe\'s dienstknecht, in
3U den ouderdom van honderd tien jaar:\' en men begroef hem op liet
jrrondgebied van zijn erfdeel te Timuath-serah, in het gebergte van
Kfraim, ten noorden van tien berg Graas.
31            Israël nu diende Jahwe zoolang Jozua leefde en de oudsten die Jozua
overleefd hebben en het gansche werk hadden leeren kennen dat Jahwe
32       aan Israël gedaan had.\' Het gebeente van Jozef, dat de Israëlieten
uit Egypte hadden medegebracht hebben zij begraven te Sicheni, op het
stuk land dat Jakob voor honderd goudstukken van de zonen van
Hamor, Sichems vader, gekocht en aan Jozef ten erfdeel gegeven bad.\'
33       Toen ook Kleazar, de zoon van Aaron, gestorven was, begroef men
hem op den heuvel van zijn zoon 1\'inehas, aan wien die plaats op het
gebergte van Efraim gegeven was.
V». 28—31. Richt. 11:6—9.
27.  \'/.ir — verloochent. Die steen zou daar staan, om liet volk te herinneren aan zijne verplichtingen
jegens Jahwe en het, in geval vau ongehoorzaamheid, aan te klagen.
28—31. I)czc verzen komen, in ecnigszins andere volgorde, ook Wicht. 11:0—B voor.
28.  Of de schrijver zich voorstelt dat de Israëlieten zich nu eerst in hun gchicd moesten vestigen,
dan wel, dnt zij, na er reeds gevestigd te zijn, thans daarheen terugkeerden, hlijkt niet. Volg. Micht.
11:0 was het eerste het geval; want daar volgt er op om hel land in bezit te nemen; misschien zijn
die woorden hier weggelaten, oin overeenstemming te verkrijgen met vs. 1 en 20, waar het volk
92
reeds ceiiigcn tijd in het land gevestigd is; zie op vs. 1.
29.  honilerd tien jaar. Zoo oud was ook Jozua\'s stamvader Jozef geworden, Gen. L:22, 20.
30.   Zie XIX: 40 T, De (ir. vert. vermeldt hierna nog, dnt men in Jozua\'s graf ook de messen
ncdcrlegde waarmede hij te Gilgal de Israëlieten besneden had.
31.   Na dit vers verwachten wij te hooreu dat Israël na den dood van Jozua en de oudsten ophield
Jahwe te vereeren; wat inderdaad het geval is iu Richt. 11:7—13. Waarschijnlijk heeft wat wij
Richt. 11:10 lezen ook hier gestaan. In Oir. vert. staat, evenals in Richt. IISOv. het geval is, on»
vers onmiddellijk achter vs. 28.
32.  Zie Gen. XXXlII:l!)j L:85| Exod. XIII: 19. — en aan Jozef — had, volg. Gr. vort.j Hebr.t.
zoodat Jozefs zonen ze ten erfdeel verkregen.
33.   Eonc plaats Gibeath-lHiiehan, d. i. ,heuvel van 1\'inchns\', genaamd, lag, naar het schijnt, ten
oosten van Timnath-scrah. Over Pinehni zie inl. op Num. XXV. — Hoewel do priesters, waartoe
Klenzar behoorde, volg. XXI : 10—18 uitsluitcud in het zuiden hunne erfdcelen hadden, heet hij hier
begraven te zijn op het gebergte vau Kfraim, waarschijnlijk volgens ecne oude overlevering, die zich
aan den naam (libeath-Vinehat gehecht had. — Aan het slot van dit hoofdstuk vermeldt de Gr. vert.
nog, dat de Israëlieten in die dagen Jahwe\'s nrk ronddroegen, 1\'inehas zijn vader Kleazar iu het
priesterschap opvolgde en na diens dood eveneens te Gibcuth-I\'inchas begraven werd. Voorts, dat de
Israëlieten toen vreemde goden begonnen te dienen en daarom Jahwe hen overleverde in de macht
van Kglon, den koning van M»n!> (Richt. III: 14). Ecu bewijs, hoe vrij die vertaler te werk giug.
RICHTERE N.
INLEIDING.
Het boek llichteren bevat verhalen over den tijd tusschen den intocht der Israëlieten in Kanaüu
en de geboorte van Samucl, en ontleent zijn uaam nan de mnnncu die in dit tijdvak als redders cu
bestuurders des volks zijn opgetreden; verg. op 11:16.
Nadat in 1: 1—II : 5 cenige bijzonderheden over de verovering des lauds medegedeeld zijn, wordt
over de richters afzonderlijk gehandeld, en wel uit een bepaald oogpunt, dat in de inleiding, 11:0—
III :0, is aangewezen. Achtereenvolgens lezen wij over Othniël, 111:7—11, Ehud, 111:12—80, Sjamgar,
-ocr page 461-
541
INLEIDING OP RIOHTKBBN.
111:31, Harak en Dcbora, IV, V, Gidcon, VI—VIII, Abimelech, IX, Tol», X:lv., Jnïr, X:3—5,
Jetln, X:0—XII: 7, Ibsan, XII: 8—10, Elon, XII: 11 v., Ab.loii, XII: 13—15, Simsou, XIII—XVI.
Hierop volgen nog twee verbalen: een over den oorsprong vim den ccredienst te Dan, XVII, XVIII,
en een over de slachting door du Israëlieten onder licnjamin aangericht tot bestraffing van cene
schanddaad der inwoners van Gibca, XIX—XXI.
Laten wij voorloopig het begin, 1:1—11:5, en het slot, XVII—XXI, binten beschouwing, dan
houden wij een boek over dat, behoudens de verhalen over de zoogenaamde „kleine richters" (X : 1—5;
XII: 8—15) en korte tocvocgselen (zie op 111:31 en op VIII: 22 v.), uit den tijd kort vóór de
Babylonische ballingschap dagteckent. De schrijver, geestverwant van dien van Daulwonomium, had
een ouder werk vóór zich, waaraan hij zijne stof ontleende. Hij bewerkte haar zóo, dat zijne verhalen
duidelijk zijne overtuiging aangaande Jahwe\'s verhouding tot Israël en \'s volks verleden weerspiegelen.
Voor zijn geloofsoog heeft de geschiedenis steeds hetzelfde verloop: Israël komt in verdrukking tot
straf voor zijne zonden, vooral afgoderij; roept het volk dan in den nood tot zijn god, dan verlost hij
het door een richter; zoolang die redder leeft dient het Jahwe; maar na zijn dood valt het weder af,
om opnieuw door Jahwe in de hand van een vijand overgeleverd te worden, /ie 11:0—III :0 en
verder III: 7—11, 12—30, IV : 1 v.; VI: 1; VIII: 33 v.; X: 0—10; XIII: 1. Daarbij stelt hij, evenals
oudere en jongere schrijvers (zie Exod. XVIII; Nam. II enz.), zich den toestand van zijn volk in den
tijd der richters verkeerd voor. In werkelijkheid toch hebben de Israëlictischc stammen vóór Saul
geen staatkundige eenheid bezeten en nimmer eendrachtig gehandeld; slechts bij enkele gelegenheden
sloegen ecnige van hen, door den nood gedrongen, tijdelijk de handen ineen, om, nadat het doel bc-
reikt was, weder elk zijne eigen belangen te behartigen; verg. inl. op Jozuii. Maar onze schrijver
meent dat Israël van den intocht in Kanaiui af een volk is geweest en gebleven. Dienovereenkomstig
maakt hij de richters tot redders en bestuurders van het gnnschc volk, die elkander, hoewel met
tiissclir.nponzen, opgevolgd zijn; zoodat hun bestuur min of meer eeue voorbereiding tot het koning-
schap is geweest. Wat de oude verhalen die hij opnam van hunne daden mcdcdeelen toont ons, dat
hun werkkring inderdaad veel beperkter was en van geen hunner naar waarheid kon gezegd worden
dat hij „Israël richtte", zooals hij het voorstelt. Eindelijk — terwijl de schrijvers der oude verhalen
Efraimictcu waren, die omtrent de oude geschiedenis van Jiuln\'s bevolking gecne overleveringen be-
ziitrn, vult deze bewerker die gaping zoo goed mogelijk aan (zie inl. op 111:7—11).
Uit een en ander volgt, dat, hoe kostelijk de gegevens in 11:6—XVI: 31 ook zijn voor ouzc keunis
van dit tijdvak — en zij hebben inderdaad hiervoor groote waarde — wij ons wel moeten wachten
den inhoud voetstoots als geloofwaardig aan te nemen. Zoo mogen wij er niet uit besluiten dat de
hier genoemde richters inderdaad in de volgorde geleefd hebben waarin ze worden opgegeven: twee of
meer kunnen tijdgenooten geweest zijn; een later genoemde leefde wellicht vroeger dan een eordcr
vermelde. Nog minder staat het vrij, op de talrijke iu ons bock voorkomende tijdsbepalingen cene
berekening van den duur van het tijdvak te bouwen. Immers, naast ecnige bepaalde cijfers voor de
de rcgecriiig van een richter of eene onderdrukking des volks (zie 111:8, 11; IV:3; VI: 1; IX:22;
X\'8; XII:7; XV:20; XVI: 31), waarvan wij de herkomst niet kennen en de waarde niet schutten
kunnen, wordt ettelijke reizen gezegd dut het land veertig — eenmaal tachtig — jaren rustte of
verdrukt werd (zie 111:11, 30; V : 31; VIII: 28; XIII: 1), wat niets anders beteckent dan: een —
of twee — mcnsclicngcslachten (zie op Gen. VII :4 en op 1 Kon. VI: 1). Tot schatting van den
waren duur van dit tijdvak hebben wij slechts deze, zeer onzekere, gegevens: waarschijnlijk leefde
Mozes in de tweede helft der veertiende eeuw (zie op Exod. I : 8) en stierf Salomo ongeveer 913 (zie
op 1 Kon. XI: 42); hoewel de regecringsjaren van Saul, David on Salomo niet nauwkeurig bekend
zijn (zie 1 Sam. XIII: 1; 2 Sam, V : 5; 1 Kon. XI: 42), mogen wij als waarschijnlijk aannemen dat
Saul in het midden der elfde eeuw koning werd; zoodat voor den tijd van de omzwerving in de
woestijn, de verovering van Kanaiin en do richters drie eeuwen overblijven.
De oudo berichten die onze schrijver in het raam zijner geschiedbeschouwing plaatste noemen de
mannen over wie hier gehandeld wordt nog niet „richters", maar zij stellen hou voor als helden door
wie Jahwe nu dezen dan genen stam verloste. Maar ceu geestverwant van onzen schrijver, die zijn
-ocr page 462-
INLBIDING OP RICHTBItBN I : 1—II: 5.
542
werk met de „kleine richter»" aanvulde, ging op zijn voetspoor verder en stelde het richterambt voor,
niet als hij tusschenpoozen bestaande, maar als den regecringsvorm van Israël in dit tijdvak ; zoodat
de richters elkander regelmatig opvolgden. Dewijl hij onn het zestal van zijn voorganger — Othnicl,
Khud, Barak, Gidcon, .lefta, Simson — vijf toevoegde, de X:l—5; XII: 8—15 opgenoemde, rijst het
vermoeden dat hij aap twaalftal bedoeld heeft. Daar nu ons bock (11:0—XVI181), toen hij schreef,
met Samur/ en Koningen verbonden was, was de twaalfde wellicht Kli, die 1 Sam. IV: 184 richter heet.
Inderdaad heeft 11:0—XVI: 31 met vele gedeelten van Samnrl en Koningm écu bock uitgemaakt,
welks samensteller de verhalen over den tijd voor Salomo onveranderd opnam en die over den tijd
daarna in Dciitcroiiomischcn geest bewerkte. Dit geschiedde met de verhalen van het tijdvak der rich-
ters door onzen schrijver en zijn jongeren geestverwant.
De man die later ilit werk in drie dccleu splitste heeft toen aan de verhalen over de richters een
en ander toegevoegd, nl. ecne inleiding, waarin de verovering van Kanaün wordt verhaald, 1:1—II: 5,
en twee verhalen aan het slot, XVII, XVIII en XIX—XXI, over welker herkomst en beteekenis men
de afzonderlijke inleidingen nalczc. Welke veranderingen hij zich in II: 0—XVI: 11 veroorloofd heeft,
is niet zeker. Waarschijnlijk heeft hij, tot vervanging van Eli, er Sjamgar ingebracht (III: SI) en
Gideon de kouingskroon doeu weigeren (VIII: 22 v.).
HOOFDSTUK 1:1—II: 5.
Onder voorgnng van Juda veroveren de stammen van Israël Knnauii. — Jahwe, na Jozun\'s dood
door de Israëlieten geraadpleegd, beveelt dat de Judecrs met het beoorlogen van de Kannünieten
moeten beginnen (1:1 v.); waarna zij, met de Simeoiiieten verbonden, optrekken en de kannünieten
bij Hezck verslaan (8v.)j zij nemen Adonibczek gevangen, verminken hein en nemen hem nuar Jcru-
zalem mede, van welke stad zij zich meester maken (5—S). Zij beoorlogen daarna de Kuunüuieten in
vcrschillcudc dccleu van Zuid-Kanuüu i\'.li en trekken op tegen llubrou (1U) en Debir (11); de lautstc
plaats wordt ingenomen door Othnicl, Knlcbs broeder, die tot loon Kulebs dochter tot vrouw bekomt
(12 v.); deze vraagt cu verkrijgt vun haar vader een bruidschat (Itv.). De Kenicten trekken met
Juda mede en vestigen zich bij Arnd (10); Juda en Simcou veroveren Seintli (17); Juda het land van
Gnth, Alkeion en Kkron (18); het is wel in staat het gebergte in bezit te nemen, maar niet, de bc-
wouers der vlakke streken te overwinnen il\'.h; Hebrou wordt iiuii Knleb gegeven (2U); de ]i«njnmi-
nieteu verdrijven de Jebuzieten niet (21). liet huis Jozef neemt Heibel in (22—20). Opgave der
steden die niet veroverd zijn door Mnnnsse (27 v.), Kfruini (2\'J), Zcbuloii (80), Azor (31 v.) cu Naftali
(33). De Amorieten dringen de Duiiictcn in het gebergte terug, maar worden /.elven door het huis
Jozef onderworpen (31 v.). Hoe het gebied der Amorieten begrensd is (30). De engel van Jahwe ver-
wijt den Israëlieten ilal zij de Kantuiuictcn niet verdreven hebben, en dreigt dat ook hij hen nu niet
verdrijven zal (11:1—3); waarop zij weenend Jahwe aanroepen (1 v.).
Dit verhaal over de verovering van Kuiiaüu geeft ons hiervan eeue andere voorstelling dan het boek
Jozna. Terwijl toch daar de Israëlietische stammen eendrachtig onder leiding van Jozun tegen de
Kanaüiiietcii oorlog voeren en het vermeesterde land verdeden, treden zij hier afzonderlijk op en
maken zij zich, doch gebrekkig, van de hun toegewezen landstreek meester. Dit is wel niet geheel
overeenkomstig de werkelijke toedracht, maar toch meer dan wat Jozna ons verhaalt (zie inl. op dat
boek). Ook komt iu ons stuk althans cene bijzonderheid voor die alle kenmerken der geloofwoardig-
hcid draagt: de verovering vnn Bethel, 1:22—20, en is de lijst der door Israël niet veroverde steden
zeker niet onjuist. Ontleende onze schrijver deze en de meeste andere bijzonderheden aan een oud ge-
schrift, hij nam hetgeen hij daarin vond niet volledig over; want de stam Issachar ontbreekt bij hem
cu bleef toch zeker in het oorspronkelijke verhaal niet onvermeld; ook ging hij niet ordelijk te werk;
immers, vs. 12 past slecht nu va. 11, en vs. 30 behoort niet bij vs. 22—35.
De schrijver leefde nn den val van Samarië in 722, toen Juda zich van lieverlede aan de spits van
Israël stelde; welke eercplaats het onder Jozia feitelijk erlangd heeft. Dientengevolge il zijne belang-
stelling in het overige van Kanaün geriug en vermeldt hij schier alleen, welke steden er onveroverd
bleven; terwijl hij de eer der verovering niet aan Jozua, den Kfraimict, nis hoofd des volks, toekent,
maar aan den stam Judn, die alle andere voorging; verg. op 1:12, 18 en 21 en op Kron. V : 2.
Vs. :i—11 zal wel iu gewijzigdeu vorm tot ons gekomen zijn, daar iu het oorspronkelijke geschrift
zeker Knleb als veroveraar van Helmin optrad. I\'it dat geschrift is waarschijnlijk overgenomen wat
Jozua met ons stuk gemeen heeft.
-ocr page 463-
KICHTBRBN I : 1—14.                                          543
1:1           Na den dood van Jozua vroegen de Israëlieten aan Jahwe: Wie van
2    • ons zal het eerst tegen de Kanaanieten ten strijde optrekken.\'\' Kn Jahwe
antwoordde: Juda zal optrekken; zie, ik geef\' liet land in zijne hand.\'
3       Toen zeide Juda tot zijn broeder Simeon: Trek met mij op in het mij
toegewezen erfdeel, opdat wij de Kanaanieten beoorlogen; dan zal ik
4       ook met u in het uwe optrekken. Kn Simeon ging met hem.\' Toen
nu Juda optrok, gaf\' Jahwe de Kanaanieten en de Perizzieten in hunne
5       hand, en zij versloegen van hen te Bezek tien duizend man.\' Zij troffen
er Adonibezek aan, streden tegen hem en versloegen de Kanaanieten
6       en de Perizzieten.\' Adonibezek nam de vlucht, maar zij vervolgden hem,
grepen hem en hieuwen hem de duimen van handen en voeten af.\'
7       Toen zeide Adonibezek: Zeventig koningen met afgehouwen duimen
van handen en voeten raapten op wat onder mijne tafel viel; zooals
ik gedaan heb heeft God mij vergolden. Zij brachten hem naar Jeruzalem,
8       waar hij stierf.\' De Judeërs streden tegen Jeruzalem, namen haar in,
sloegen haar met het scherp van het zwaard en staken de stad in brand.
9           Daarna daalden de Judeërs ai\', om de Kanaanieten te beoorlogen die
10       in het Gebergte, het Zuiden en de Laagte woonden.\' Juda trok tegen
de Kanaanieten die in Hebron woonden op — Hebron heette voorheen
Kirjath-arba — en versloegen Sjesjai, Ahiman en Talmai, afstammelingen
11       der Enakieten.\' Van daar trok hij op tegen de inwoners van Debir;
12       Debir heette voorheen Kirjath-sefer.\' En Kaleb zeide: Wie Kirjatb-sefer
13       slaat en inneemt, dien geef ik mijne dochter Achsa tot vrouw.\' En üthniël,
de zoon van Kenaz, een jongere broeder van Kaleb, nam het in, en
14       hij gaf hem zijne dochter Achsa tot vrouw.\' Toen zij tot hem kwam,
spoorde hij haar aan, van haar vader akkerland te vragen. Zij liet zich
V». 11—15. Joz. XV: 15—19.
1.   Na — Jozua. Hiermede wordt het verhaal vastgeknoopt anii het slot van Jozua. De aehrijver
bedenkt niet dat hij zoo in strijd geraakt met 11:0, waar Jozua nog handelend voorkomt, terwijl
11:8 zijn dood vermeld wordt. — Wie — optrekkrnf Ondersteld wordt, dat de stammen voortaan
niet meer gemeenschappelijk zullen handelen, maar elk zijn eigen deel zal gtiau veroveren. In dit geval
had het eigenlijk geen zin dat een den anderen zou voorgaan; daar zij alle te gelijk aan het werk
moesteu tijgen. Maar deze voornpplaatsiiig van Juda ligt in de bedoeling van den schrijver; verg. lul.
2.   Het is zeer natuurlijk dat de overlevering Simeon voorstelt als Judn\'s bondgenoot; want Simeon»
steden lagen iu het stamgebied van Juda (Joz. XIX*. 1—!)). De feitelijke toedracht der zaak is deze,
dat de Simeouieten met de Judeërs Kanaau uit het zuiden zijn hiuncngedroiigcn en wat later „Juda"
heette cene samensmelting was van die beide stammen met nict-Israclictische geslachten, die gemecne
zaak niet hen gemaakt en zich onder hen gevestigd hadden (zie o. a. iul. op Nuin. XIII, XIV).
4.  de Kanaiinieten en de Perizzieten. Zie op Gen. XIII: 7. — Bezei. Kcne stad van dien naam lag
tusschen Sichem en Beth-sjean, tegenover en niet ver van Jabes in Gilead, 1 Sam. XI : 8. Doch de
schrijver heeft waarschijnlijk aan deze plaats niet gedacht; zie op vs. 5.
5.  Adonibezek, volg. Joz. X: 1 koning van Jeruzalem, lil zijn naam, die .In-er van liczek\' vertaald
kan worden, zal die der plaats waar de slag is geleverd wel verdicht zijn.
7.  raapten — viel, als honden de hun toegeworpen brokken; verg. Matth. XV: 27. — Zij, ui. de
JudccrB. lil de vermelding van Adonibczcks dood voor de verovering der stad zou men kunnen opmn-
ken dal de zijnen hein, verminkt, binnen Jeruzalem gebracht hebben. Maar de bedoeling is zeker dat
hij öf tijdens de belegering voor de stad, of tin de inneming daarbinnen, stierf.
8.  Over het onhistorisch karakter van dit bericht en ile reden waarom deze schrijver nadrukkelijk
Jeruznlcms verovering aan Juda toeschrijft zie op Joz. XV: 03 en Inl.
9.  het Gebergte — Laagte. Worden hier van Juda\'s vier dcclcii (zie op üetit. 1: 7) drie genoemd, in
vs. 16 volgt het vierde, de Woestijn.
10.  Hebron. Zie op Gcu. XIII: 18. Over de verovering dier stad zie op Joz. X : 3fi—38. — afttam-
nelingen der Enakieten,
volg. Gr. vert. en Joz. XV : 14 ingevoegd. Over Sjetjai, Ahiman en Talmai zie
op Joi. XV : 14.
11—15. Zie aantt. op Joz. XV: 15—19.
12. Terwijl in vs. 9—11 de Judeërs handelen, treedt hier onverwachts Kaleb op. In het geschrift
waaraan onze schrijver zijne stof ontleende kwam deze onregelmatigheid niet voor: daar werd, getuige
Joz. XV:14v., ook het vs. 10 v. verrichte aan Kaleb toegekend. Onze schrijver kent het opzettelijk
aan den stam Juda tor. omdat het zijne bedoeling is dezen te ceren. Daarenboven was het in zijn tijd
van belang, nadrukkelijk te verkondigen dat Hebron en omtrek door Juda veroverd was, dewijl toen
de bevolking dier streek sterk overhelde tot aansluiting bij Edom, met verbreking vsn den band met
Juda; zie op Num. XXIV: 21 v.
-ocr page 464-
\'.
544                                         mCHTKUEN 1: 14—27.
dun van den ezel glijden; waarop Kalei) tot haar zeide: Wat belieft u?\'
15 Zij antwoordde: Geef mij een geschenk; nu gij mij in het dorre land
hebt gezet, moet gij mij wellen geven. En hij gaf haar wellen, hoog
en laag gelegene.
10
          Met de Judeërs trokken ook de zonen van llobab, den Keniet, den
schoonvader van Mozes, van de Palmenstad naar de woestijn in het
zuiden van Juda, bij den afgang naar Arad; zij vestigden zich bij de
17       Amalekieten.\' Juda ging niet zijn broeder rnmeon, en zij sloegen de
Kanaünieten die in >Sefath woonden, tronen de stad met den banvloek
18       en noemden haar Ilorma.\' En Juda veroverde Gaza met haar grond -
gebied, Askelon met haar grondgebied, en Ekron met haar gromlgebied.\'
10 Jahwe nu was met Juda, zoodat zij de bevolking van het gebergte ver-
dreven; maar zij konden de bewoners van de valleien niet verdrijven,
20       omdat zij ijzeren wagens hadden. \' Zij gaven aan Kaleb llebron, zooals
Mozes gelast had, en hij verdreef van daar de drie zonen van Enak.\'
21       En de Benjamiuieten verdreven de Jebuzieten die te Jeruzalem woonden
niet; en de Jebuzieten wonen bij de Benjaminieten te Jeruzalem tot
op dezen dag.
22           (Jok het huis Jozef trok op, en wel naar Bethel, en Jahwe was met
23       hen.\' Toen het huis Jozef liethei bespiedde — do stad heette voorheen
24       Luz —\' zagen de mannen die op de loer lagen iemand de stad uit-
komen en zeiden tot hem: Wijs ons toch, hoe wij in de stad kunnen
25       komen; dan zullen wij u gunst bewijzen.\' En toen hij het hun gewezen
had, sloegen zij de stad met het scherp des zwaards; maar dien man
2<i en zijne geheele familie lieten zij gaan,\' Die man ging naar het land
der llittieten en bouwde eene stad, die hij Luz noemde; zij heet zoo
tot op dezen dag.
27          Manasse heeft de bevolking van Beth-sjean en onderhoorige plaatsen
Vs. 27 v. Joz. XVII: 11—IS.
10. llobab, volg. (Ir. vort. ingevoegd. .Mozes\' schoonvader heet zoo alleen nog IV: 11 en Niun.
X : 20—32; verg. op Rxod, 11:18. — de Palmenstad, Jerieho; /.ie op Deut. XXXIV : 8 en op Joz.
V] : 20. — dn woestijn — Amelekieten, volg. Gr. vert.; llebr. t. naar de woestijn van Juda die ten
zuiden van Arad is; hij ging en vestigde zich bij het volk.
Over ile Kenictcn en hnniiu verhouding tot
de Ainiilekieten zie op Nam, XXIV: 20 en 21 v. — Arad. Zie op Nnm. XXI : 1.
17.  Op de in dit ver» vcrviitte mcdcdeeling slaat Nnm. XXI: 3 terug. Alleen hier heet de platte
Se/ath. Verg. op Nuni. XXI: 1—3. — troffen...met den banvloek. Zie op Exod. XXII: 20.
18.  De tegenstrijdigheid vnn dit vers met het volgende is zoo groot, dut wij ons niet verwonderen
dut Gr. vert. (die ook muist de andere steden Asdod met haar grondgebied vermeldt) er niet invoegt.
Doch de verovering van het r\'ilistijnschc land, in overeenstemming met Joz. 15:45—17, aan Judn
toe te kennen is geheel in den gent van den samensteller van dit verhaal, die Jnda verheerlijken
wil; zie lul.
lil. konden. Dit ontbreekt in llebr. t.
20.   Verg. Xiuii. XIV: 21; Deut. 1:30; Joz. XIV: 6—15. De drie Knnkietcn zijn vs. 10 genoemd.
21.   Dit vers kan niet van dezelfde hand zijn als vs. 8, waar de Judecrs Jeruzalem veroverden, maar
is in overeenstemming met Joz. XVIU:28, waar de stad tot lleujnmiiis grondgebied gerekend wordt.
Inderdaad heeft zij vóór David noch aan de Itcnjaminicten, noch aan de Judcérs behoord; zij lag juist
tusschcu beider gebied in. liet is zeer kenschetsend voor dcu opsteller van dit hoofdstuk, dat hij de
inneming van Jeruzalem aan Juda toekent, maar Benjamin verwijt dat de Jebuzieten er niet uit ver-
dreven zijn; wat Joz. XV : 03, geheel in dezelfde woorden, aan Juda wordt te laste gelegd.
22—20. Dit gedeelte is zeker ontleend aan het oude geschrift waaruit onze schrijver zijne stof putte.
De reden wnnrom hij alleen dit uit de verovering van Xoord-lsracls grondgebied mededeelt is waar-
schijnlijk de belangrijkheid van lietbel. — l\'it den tijd voor Jcrnbeam hooren wij over Ui tin 1 alleen
dat er een heiligdom was, 1 Sam. X : 3. en Samuel er recht sprak, 1 Sam. VII: 10. Zie over het
heiligdom iul. op Gen. XXVIII: 10—22. Het is van groote bcteekenis geworden toen Jcrobeain I het
tot koniugstcmpcl maakte en er een gouden sticrbceld zette, 1 Kon. XII: 28 v.; Am. VII: 13. Naden
val van .Samarië werd het ook voor de liabylonische kolonisten in Xoord-Isracl het middelpunt der
Jahwcverccring, 2 Kon. XVII: 28; en Jozia heeft zijne hcrvormingsmnatrcgelcn ook daar doorgezet,
2 Kon. XXIII: 15—20. Sedert speelt het geen rol van bcteekenis in Isrocls geschiedenis.
23. de — Luz. Desgelijks Gen. XXVIII: 19; XXXV :0v.; Joz. XVIII: 13.
20. het land der llittieten. Zie op Gcu. X:15. Hier wordt waarschijnlijk het land ten noorden van
Palestina bedoeld; maar bet is onzeker, omdat wij de ligging van dit Luz niet kennen.
-ocr page 465-
R1CHTBKBN I ! 27—11 : 2.                                           545
niet verdreven, noch die van Tiiiinach en onderlioorige plaatsen, noch
die van Dor en onderlioorige plaatsen, noch die van Jibleam en onder-
hoorige plaatsen, noch die van Megiddo en onderlioorige plaatsen, en
28       de Kanaiinieten besloten in dit land te blijven wonen.\' Toen Israël
sterk was geworden, maakte het de Kanaiinieten cijnsplichtig, doch ver-
dreven heeft het hen niet.
29           Efraim heeft de Kanaiinieten die in Gezer woonden niet verdreven;
zoodat de Kanaiinieten in zijn midden in Öezer bleven wonen.
30           Zebulon heeft de bevolking van Kitron en die van Nahalol niet ver-
dreven; zoodat de Kanaiinieten in zijn midden bleven wonen; maar
zij werden cijnsplichtig.
31            Azer heeft de bevolking van Akko niet verdreven, noch die van
32       Sidon, Ahalab, Achzib, Helba, Atik en Itehob;\' zoodat de Azerieten in
het midden van de Kanaiinieten, de landsbevolking, woonden; want zij
hebben hen niet verdreven.
33           Naftali heeft de bevolking van Beth-sjemes niet verdreven, nocli die
van Beth-Anath; zoodat zij woonden in het midden van de Kanaiinieten,
de landsbevolking; maar de bevolking van Beth-sjemes en Beth-Anath
werd hun cijnsplichtig.
34           De Amorieten drongen de Danieten het gebergte in; want zij ge-
35       doogden niet dat zij in de valleien kwamen.\' Zoo besloten de Amorieten,
te Har-heres, Ajjalon en Sjaiilbmi te blijven wonen; maar de hand van
het huis Jozef drukte zwaar op de Amorieten, en zij werden cijns-
36       plichtig; \' liet gebied der Amorieten strekte zich uit van den Schor-
pioenenpas, van Sela en verder.
II: 1         De engel van Jahwe ging van Gilgal naar Bochim en zeide: Ik heb
acht op u geslagen, u opgevoerd uit Egypte, u gebracht naar het land
dat ik bij eede aan uwe vaderen toegezegd heb, en gesproken: Ik zal
2 nimmer mijn verbond met u breken;\' maar gij moogt geen verbond
sluiten met de bewoners van dit land en zult u voor hunne goden
Vs. 29. Joz. XVI: 10. — Vs. 31 v. Joz. XIX: 24—31. — Vs. 83. Joz. XIX: 32—3i). — Vs. 34.
Joz. XIX: 40—48.
27 v. Verg. op Joz. XVII: 11—13 en 11.
29.   Verg. op Joz. XVI: 10.
30.  Kitron (Gr. vert. Kedron of Kebron), onbekend; waarschijnlijk stond hier oorspronkelijk een
der Joz. XIX: 10—10 opgenoemde namen. — Nahalol, Joz. XIX: 15; XXI: 35 Nahalol.
31 v. Verg. op Joz. XIX: 24—31.
31.  Ahalab, onbekend, wellicht schrijffout voor Achsjaf, Joz. XI: 1; XIX: 25.
33.   Verg. op Joz. XIX: 32—39 en 38.
34.  Zie op Joz. XIX: 40—iS en 47. — De Amorieten. Zie op Gen. X: 16.
35.  llar-hnres. De nuiim kan .Zonneberg\' bcteckcucn on moet wellicht Ar-heres, d. i. .Zonnestad\',
gelezen worden. Waarschijnlijk is het dezelfde plaats, die Joz. XIX: 41 Ir-sjrmes, .Zonnestad\', Joz.
XV: 10; 1 Kon. IV: 9 Beth-sjemes, .Zonnehuis\', heet; verg. op Joz. XV: 10. — Ajjalon. Zie op Joz.
X: 12*, 13. — Sjaalbim. Zie op Joz. XIX: 42. — op de Amorieten, ingevoegd volg. Gr. vert.
30. den Schorpioenenpas. Zie op Num. XXXIV: 3—5. — Sela, dat alleen nog 2 Kon. XIV: 7 voor-
komt, is blijkbaar eenc plaats aan de zuidelijke grens van Kalman. Gewoonlijk wordt het voor dezelfde
gehouden die sedert de vierde eeuw v. (\'hr. onder den Griekschen naam Petra, d. i. .rotssteen\' —
wat Sela ook bcteekent — voorkomt, eeuwen lang eenc stad van beteekeuis was (hoofdstad van het
rijk der Nubutcérs) en waarvan nu nog belangrijke overblijfselen bestaan. Maar deze plaats lag veel
zuidelijker. — Deze aantcekening over Kunnüns zuidgrens staat hier zeer vreemd.
1.  de engel van Jahwe. Zie op Gen. XVI: 7. In ons boek verschijnt hij nog VI : 11—24; XIII: 3—23.
In welke gedaante hij zich nu van de eeue naar do nndore plnnts begaf en de Israëlieten toesprak,
heeft de schrijver zich blijkbaar niet duidelijk gemaakt. — van Gilgal. Waarschijnlijk bedoelt de
schrijver Gilgal bij Jcricho (zie op Joz. IV: 19) en laat hij den engel van Jahwe van daar Israël
opzoeken, omdat hij in de oude vorhalen het laatst in dien omtrek gezien was; verg. Joz. V:18—
16. — Bochim, onbekend, komt nog Micha 1:10 voor. Wat de naam oorspronkelijk bctcekendc, weten
wij niet; de schrijver verklaarde dien door ,weenendcu\' of .geween\'; zie vs. 5. — Ik — geslagen,
naar gissing ingevoegd.
2.  en zult — verbrijzelen en, volg. Gr. vert. ingevoegd. — Dnt zij misdreven hebben wat hun hier
wordt te laste gelegd staat niet in H. I, maar de schrijver onderstelt het als natuurlijk gevolg van
hunne slapheid in het uitroeien der Kanaiinieten; vorg. 111:1—7; Deut. VII :1—10.
O. ï. I.                                                                                                                         85
-ocr page 466-
f)46                                                   RICHTKRKN 11:2—11.
niet nederbuigen; hunne beelden zult gij verbrijzelen en hunne altaren
omverwerpen. Maar gij hebt niet naar mij geluisterd. Hoe hebt gij
3       zoo kunnen handelen!\' Daarom heb ik ook gezegd: Ik zal hen niet
voor u uit verdrijven; maar zij zullen u tot vijanden en hunne goden
4       u ten valstrik zijn. \' Toen nu de engel van Jahwe deze woorden tot
f) al de Israëlieten sprak, verhieven zij hunne stem en weenden.\' Daarom
noemden zij die plaats Bochim. En zij offerden aldaar aan Jahwe.
3. vijanden. Talg. alle ouilc vertt.; Hcbr. t. zijden; wat wellicht wijst op de lezing lol prikkelen
in de zijden,
Nam. XXXIII: 55. — Het denkbeeld dat de overgelaten Kanauuictcii Israël tot plaag
en strik zouden zijn ook vs. 20—23; Joz. XXIII: 12 v. en elders.
HOOFDSTUK 11:6—111:6.
Jahwc\'s leiding van Israël in den tijd der richters. — De Israëlieten zoeken hun erfdeel op; zij
dienen Jahwe zoolang Jo/.ua en diens tijdgenooten leven, maar gaan daarna andere goden verceren
(11:6—13). Jahwe, in toorn ontstoken, levert hen aan hunne vijanden over (14—15«), maar redt
hen uit de benauwdheid door richters (154—16), naar wie zij echter ook niet luisteren (17); telkens
als Jahwe een richter heeft verwekt, helpt hij hem en redt hij Israël, maar na den dood van zulk
een redder maakt het volk het nog erger dau te voren (18 v.). Jahwe straft het door de nog niet
verdreven oude bevolking in het land te doen overblijven, ten einde daardoor Israël op de proef te
stellen (20—23). Welke volken het zijn die Jahwe in het laud heeft laten blijven, om daardoor den
Israëlieten den oorlog te leeren (111:1—4); Israël verzwagert zich met hen en dient hunne
goden (5 v.).
Dit stuk dient tot inleiding op de verhalen over de richters (111:7—XVI: 31) en geeft het oog-
punt aan waaruit ze moeten beschouwd worden; in woordenkcus en denkbeelden is het nauw met
Deuteronomium verwant. Maar het is niet in zijn oorspronkelijke!! vorm tot ons gekomen. Immers,
het hoofdilcnkbeeld van 11:6—19 is: Israël zondigt; Jahwe straft het door het in de macht zijner
vijanden over te geven; wanneer hij de weeklachten van zijn volk hoort, reilt hij het door een rich-
tcr; nn diens dood herhaalt zich deze gang van zaken. Deze opvatting vinden wij in het bock telkens
terug; zie lul. Mnnr reeds in dit gedeelte, en nog meer in 11:20—111:6, zijn en herhalingen èn af-
wijkcude beschouwingen. Zoo is vs. 13 na vs. 11 v. geheel overbodig, en breekt vs. 17 het verband
tusschen vs. 16 en vs. 18, terwijl de opmerking dat Israël ook naur zijne richters niet luisterde
hier niet voegt. Het verst van het hoofddenkbccld wijkt de voorstelling af dat Jahwe, om Israël
voor zijne lauwheid in het verdrijven der Kanaünietcn to straffen, zelf ook niet zal voortgaan met
dezen te verjagen, maar hen laat overblijven, ten einde door hen Israël op de proef te stellen, of het
hem volstandig zal dienen. Waarschijnlijk hebben wij dus hier de omwerking cenor oude inleiding
door den Deuteronomischcn schrijver.
II: C>         Toen Jozua het volk had laten gaan, begaven zich de Israëlieten,
7       elk naar zijn erfdeel, om het land in bezit te nemen.\' En het volk
diende Jahwe zoolang Jozua leefde en de oudsten die Jozua overleefd
hebben, die het gansene groote werk hadden leeren kennen dat Jahwe
8       aan Israël gedaan had.\' Maar Jozua, de zoon van Nun, de dienstknecht
1) van Jahwe, stierf, in den ouderdom van honderd tien jaar,\' en men
begroef hem op het grondgebied van zijn erfdeel, te Timnath-serah,
10       in het gebergte van Efraim, ten noorden van den berg Gaas.\' Ook
werd dat geheele geslacht tot zijne vaderen verzameld; waarna een
ander geslacht opstond, dat Jahwe niet had leeren kennen, noch het
11       werk door hem aan Israël gedaan.\' Toen deden de Israëlieten wat
V». 6—9. Joz. XXIV: 28—31.
6—9. Deze verzen, die, behalve in de volgorde, bijna woordelijk overeenkomen met Joz. XXIV: 28—81,
vatten den draad van het verhaal waar deze in Jozua werd afgebroken weder op en voegen slecht na
1:1-11:5.
7. hadden leeren kennen, volg. Gr. en Lat. vertt., overeenkomend met Joz. XXIV: 31; Hcbr. I.
hadden gezien.
9.   Timnalh^erah, volg. Joz. XIX: 50; XXIV: 30; grondt. Tirnnaih-heret.
10.  werd — verzami-U. Zie op Gen. XV: 15.
11.  de baal*. Baal, d. i. ,hecr\', .meester\', was oorspronkelijk een algemecne naam voor cene god-
heid, vau gelijke kracht als el, ,god\\ adoon, ,hccr\'. Men onderscheidde de baüls naar de plaatsen
-ocr page 467-
547
RICHTERKN II: 11 —18.
12       kwaad was in Jahwe\'s oog: zij dienden de baiils,\' verzaakten Jahwe,
den god hunner vaderen, die hen uit Egyptelaud had uitgeleid, liepen
andere goden na, van de goden der volken rondom hen, wierpen zich
13       daarvoor neder en tergden Jahwe.\' Zoo verzaakten zij Jahwe en dieuden
14       den liaül en de Astarte\'s.\' Toen ontstak Jahwe in toorn tegen Israël,
gaf hij hen in de hand van plunderaars, die hen beroofden, en ver-
kocht hen aan hunne vijanden die rondom hen woonden: zoodat zij
15       tegen hunne vijanden niet meer konden staandeblijven.\' In al hunne
ondernemingen was Jahwe\'s hand ten kwade tegen hen gekeerd, zooals
Jahwe gesproken en hun gezworen had. Maar wanneer het hun zeer
16       bang was,\' verwekte Jahwe richters, die hen redden uit de hand
17       hunner plunderaars.\' Doch ook naar hunne richters hoorden zij niet;
want zij boeleerden andere goden achterna, wierpen zich daarvoor neder
en tergden Jahwe. Zij weken spoedig af van den weg door hunne
vaderen, die naar Jahwe\'s geboden gehoord hadden, bewandeld: zij han-
18       delden niet goed.\' Als Jahwe hun dan richters verwekt had, was Jahwe
met den richter en redde hen uit de hand hunner vijanden zoolang
waar zij vereerd werden, als Badl-I\'eor, Niim. XXV : 8, 5, BaaUlIermon, 111:8; naar hunne aanbidder»,
zooals uit de plaatsnamen liaal-Juila (zie op 2 Sam. VI: 2) en Baal-Perutiem (zie o» 2 Sam. V: 20)
blijkt; of naar hetgeen omler hunne hoede stond, als de Verboudabaiil, VUI! 88; IX: 4. Ook werd
somtijds, naar het sehijnt, baiil als titel met den naam van een god verbonden, als Baiil-Gad, Joz.
XI: 17 (verg. aant. aldaar). De oude Israëlieten konden er dus geen bezwaar in zien, Jahwe „onzen baal"
of „den baal van Israël" te Doemen. Hoz. Il: 15 v. leert dat zij het inderdaad deden, uianr tevens,
dat sommige godsdienstige leiders des volks er zieh tegen begonnen te verzetten. Dit was het gevolg
der vorcering van den Tyrischeu baiil, Haiil-merkart, d. i. Jlanl-Stedckniiing\', of Haitl-haminan, d. i.
.Zonticbaal\', onder Aehnb, 1 Kon. XVI: 31. Hierdoor werd „de baiil", de baiil bij uitnemendheid, tot
den eigennaam van een god, „Baiil", die Jahwe naar de kroon stak. Nog cenc schrede Verder, en alle
afgoden werden, gelijk in ons vers gesehiedt, met den naam baiila aangeduid. Dientengevolge kreeg
het woord zulk een slechten klank, dut men het niet meer in den zin van „god" wilde gebruiken.
Waar het in namen van menschen of plaatsen voorkwam, werd het — wellicht ook door strenge
lieden in het dagelijks verkeer gemeden, maar zeker — in sommige boekeu onkenbaar gemaakt.
Men schreef in plaats er van el — zoo werd Baiiljat/a veranderd in Kljada, 2 Sam. Vilfl; 1 Kron.
XIV : 7 — of bootje/b, ,schande\' — zoo werd Ubaiil veranderd in Itbooajeth, 2 Sam. II : 8 enz.; 1 Kron.
IX : 89 ; Meribbaiil in Mejiboonjelb, 2 Sam. IX : ö enz., 1 Kron. IX: 40; Jerubbaiil in Jernbbesjefh, VI: 32;
VII: 1, 2» enz.; 2 Sam. XI: 21 — of iets ander»; zie op Num. XXXII: 34— 38 cu op 2 Sam. XXIII: 8.
Soms werd de gcheele naam door een anderen vervangen; zie op IX : 20. Ook trachtte men wel het
gebruik van het woord baal, als het in den naam van een ijveraar voor Jahwe voorkwam, zóo te ver-
klaren dat het uuergcrlijk werd; zie VI: 25—32. Bel, een andere vorm van Baal, is bij de liaby-
loniërs en Assyriërs een titel van den oppersten god geworden en dientengevolge bij Israël als diens
eigennaam gebruikt, Jez. \\ I.VI : 1; Jcr. i\'.i; LI: 44.
13.   Dit ver» is zeker geen oorspronkelijk bestanddeel van den tekst: het herhaalt het in vs. 11 v.
gezegde, maar vervangt de baiil* door den Baiil (zie op vs. 11) en voegt er de Astarte\'s bij; welk
meervoud, dat ook X:6; 1 Sam. VII: 3 v., XII: 10 voorkomt, waarschijnlijk in het algemeen de go-
dinnen aanduidt, maar eigenlijk onjuist is; immers Aalarte is een cigenuanm. Het is de Gricksche
vorm van den naam der godin die iu het O. T. Attoreth heet en daar als voorwerp van de ver-
ceriug der Keniciërs (1 Kou. XI: 5, 33; 2 Kon. XXIII: 18) en der Filistijnen (1 Sam. XXXI: 10)
voorkomt. Haar dienst was zeer verbreid: hij bloeide in Habylonic, Assyrië en geheel Voor-Azië, vau
waar hij tot de Grieken kwam, en had tweeërlei karakter. Hier werd Astarte, als kuische, strenge,
bloedige godin, door onthouding en zelfverminking, (Hik wel door menscheuolfcrs; elders, als godin
der voortplanting, door wellustige praktijken vereerd. Soms ging het een met het ander hand aan
hand. Daar zij onder verschillende volken soms verschillende namen droeg, is het niet uit te maken,
in hoever de verecriug vau de Koningin des hemels, Jer. VII: 18; XI.IV : 1"—30, met de hare samen-
hangt, maar zeker is er nauw verband tusschen haar dienst en het bestaan vau gewijde vrouwen (zie
op Gen. XXXVII1:15) en mannen (zie op Dcut. XX1II:17) onder Israël.
14.  verkocht. Dezelfde uitdrukking 111:8; IV : 2, 9; 1 Sam. XXIII: 7; V: XUV:13. enz.
10. richten. In het Hebreeuwsche woord voor „richten" zijn verecuigd de begrippen van besturen,
aanvoeren, rechtspreken, vonnissen, al hetwelk oudtijds dikwerf aan ecu persoon was opgedragen; verg.
op 1 Kon. 111:0. Daar het opstaan van een man die zijn wil doorzet, orde en recht handhaaft en
velen onder zijne banier schaart, in dagen vau regceringloosheid cu wanorde het sein is van herleving,
is een richter vaak, evenals hier, een redder.
17.   Dit vers breekt het verband tusschen vs. 16 en 18: dat zij naar hunne richters, die hier als
vermaners optreden, niet hoorden doet in deze rcdcnccriug niets ter zake en strijdt ook met vs. 10, waar
staat dat zij na den dood van den richter weder afgoderij pleegden. De opmerking is van iemand die
Israël» schuld nog zwaarder maken wilde dan het oorspronkelijke verhnal haar voorstelde. — boeleerden
— achterna. Zie op Kxod. XXXIV : 15. — en tergden Jahwe, ingevoegd volg. Gr. vert.
18.  beronto kreeg, over het ouheil dat hij zijn volk berokkende, Kxod. XXXII: 12; verg. op Gen. VI: G.
-ocr page 468-
RICHTBRBN II ! 18 —III ! 7.
548
die richter leefde; omdat Jahwe berouw kreeg door hun gekerm van-
19       wege hunne verdrukkers en vertrappers.\' Maar na den dood van den
richter maakten zij het weder erger dan hunne vaderen, door andere
goden na te loopen, die te dienen en er zich voor neder te werpen;
zij lieten niets achterwege van de handelwijze en het weerbarstig ge-
drag hunner vaderen.
20           Toen ontstak Jahwe in toorn tegen Israël en zeide hij: Omdat dit
volk het verhond waartoe ik hunne vaderen verplicht heb overtreden
21       en naar mij niet gehoord heeft,\' zal ook ik verder geen der volken
die Jozua toen hij stierf heeft overgelaten voor hen uit verdrijven; \'
22       ten einde door hen Israël op de proef te stellen, of zij al dan niet er
voor zorgen zullen Jahwe\'s weg te bewandelen, zooals hunne vaderen
23       er voor gezorgd hebben.\' Daarom liet Jahwe die volken overblijven;
hij verdreef ze niet dadelijk en gaf ze niet in Jozua\'s hand.
111:1 Dit nu zijn de volken die Jahwe heeft laten overblijven, om door
hen de Israëlieten, zoovelen zij geen der oorlogen van Kanaün hadden
2       leeren kennen, op de proef te stellen;\' enkel ten bate van de volgende
geslachten tier Israëlieten, om hen den oorlog te leeren, zoovelen als
3       dien te voren niet hadden leeren kennen:\' de vijf vorsten der Filistijnen,
al de Kanaiinieten, de .Sidoniërs, en de Hiwwieten, die het gebergte
Libanon bewonen, van den berg van Baiil-Hermon af tot bij Hamath.\'
4       Zij waren er om door hen de Israëlieten op de proef te stellen, om te
weten te komen, of zij zouden hooren naar de geboden die Jahwe aan
5       hunne vaderen door Mozes gegeven had.\' Toen dan de Israëlieten zich
hadden gevestigd te midden der Kanaiinieten, Hittieten, Amorieten,
6       1\'erizzieten, Hiwwieten en Jebuzieten,\' namen zij hunne dochters tot
vrouw en gaven hunne eigen dochters aan hunne zonen, en dienden
hunne goden.
19. Autmer vaderen, duidelijkheidshalvc in pi. v. hunne (handelwijze en ... gedrug).
20—111:6. In deze verzen vinden wij twee verklaringen van het voortbestaan van een deel der oude
bevolking. Volgens de cene wilde Jahwe daarmede de Israëlieten den krijg leeren; welk doel niet
bereikt is, omdat zij zieh met de Kanuünicteu vermaagschapten (11:23; 111:2, 0); volgens de andere
was het cene straf vau Jahwe voor \'s volks afval (II: 20—22). De tweede, van den Deutcroiiomischcn
schrijver, is door hem met de eerste en met zijne beschouwing van het tijdvak der richters
(II : ֗l\'.h verbonden; waardoor de vreemde voorstelling ontstaan is, dat Jahwo eerst de oude bevolking
spaarde opdat Israël ze zou beoorlogen, en straks om Israël te si rullen omdat het dit niet gcdiiau had.
Kcnc derde reden voor hot voortbestaan der oude bevolking wordt Kxod. XXI1I:29 gegeven; zie ulduar.
1.  oorlogen van Kanaün, oorlogen tot verovering van Kuunün. — om — stellen, niet of zij Jahwe
getrouw zullen blijven, wat II: 22 het doel van het sparen der Kanaünicten heet, maar of zij moed
in den oorlog zouden hebben.
2.  ten bate van, volg. Gr. vert.; Hebr. t. om de iennia van. — De bedoeling is, naar het schijnt:
om hen krijgshaftig te houden.
3.   Verg. Joz. XIII: 2—5. Met al de Kanaiinieten wordt zeker de bevolking der kust ten noorden
van Filistca bedoeld, met de Sidonirr» de Fenicicrs. — de lliicicielen. Zie op Gen. X:1T. — Baiil-
Hermon.
Zie op Joz. XI: 17.
5 v. Zij bezweken dus voor de proef; waardoor nieuwe strafgerichten van Jahwe noodig werden.
HOOFDSTUK 111:7—11.
Othnicl. — De Israëlieten dienen, tot straf van hun afval van Jahwe, acht jaren Kusjan-risjathaim
(7v..i; daarna redt Jahwe hen door Othnicl (!) v.), onder wiens bestuur het land veertig jaren rust
geniet (11).
Deze ver/en zijn van den Dcuteronomischen omwerker des boeks. Zij behelzen geen overlevering
uit den ouden tijd, maar louter verdichting: de figuur van Othnicl is aan I: 11—15 (Joz. XV: 15—li>)
ontleend; de naam van den Arameeschen koning is zinnebeeldig. Het doel der verdichting is, ook uit
het zuiden des lands, vau waar geen der andere richters afkomstig was, een redder van Israël te doen
optreden. Over de cijfers zie lul.
111:7 De Israëlieten deden wat kwaad was in Jahwe\'s oog: zij vergaten
7. de Atjera\'i, die 11:13 „de Astarte\'s" heeten; zie op Exod. XXXIV: 13.
-ocr page 469-
BICHTERBN III : 7—20.
549
8       Jahwe, hun god, en dienden de baiils en de Asjera\'s.\' Toen ontstak
Jahwe in toorn tegen Israël en verkocht hij hen aan Kusjan-risjathaim,
9       koning van Stroomland-Arani, zoodat zij hem acht jaren dienden.\' Maar
toen de Israëlieten tot Jahwe riepen, verwekte hij hun een verlosser, die
hen redde: üthniël, den zoon van Kenaz, een jongere hroeder van
10       Kaleh.\' De geest van Jahwe kwam op hem; hij richtte Israël en trok
ten oorlog uit. Jahwe gaf Kusjan-risjathaim, koning van Aram, in zijne
11       hand, en zijne hand was sterk tegen Kusjan-risjathaim.\' Toen kreeg
het land veertig jaar rust. En Othniël, de zoon van Kenaz, stierf.
8. Kufjan-ritjatkaim, il. i. ,ilc Ethiopiër van dubbele boosheid\'. — Stroomland-Aram. Zie op Gen.
XXIV: 10.
0. Otkniêl. Zie op Joz. XV : 17.
10. Aram, hier in plaats van Stroomland-Aram, evenals Num. XXI1I:7; verg. Num. XXII: 5.
HOOFDSTUK 111:12—31.
Ehud; Sjaragar. — Israël wordt, tot straf voor zijne ongehoorzaamheid, door de Moabieten onder-
drukt (12—14); Ehud vermoordt hun koning Eglon (15—25). Hij roept de Israëlieten ten strijde, die
onder zijne aanvoering de Moabieten volkomen verslaan (20—89)j waarna het land tachtig jaar rust
krijgt (30). Sjamgnr verslaat zeshonderd Filistijnen (31).
Afgezien van vs. 30, berust het verhaal over Ehud zeker op eene oude overlevering, die in hoofd-
zaak — vs. 29 overdrijft blijkbaar, en zie op vs. 20 — geloofwaardig kan zijn. De figuur vau Sjamgar
is wellicht aan V: 6 ontleend en waarschijnlijk hier geplaatst door den jongsten bewerker van het
boek (verg. op IV : 1).
III: 12 De Israëlieten gingen voort te doen wat kwaad was in het oog van
Jahwe. Daarom maakte Jahwe Eglon, den koning van Moab, sterk
tegen Israël, dewijl zij gedaan hadden wat kwaad was in het oog van
13       Jahwe.\' Ilij verzamelde tot zich de Ammonieten en de Amalekieten,
14       trok op, versloeg Israël en nam de Palmenstad in bezit.\' De Israëlieten
15       dienden Eglon, den koning van Moab, achttien jaren.\' Maar toen zij
tot Jahwe riepen, verwekte Jahwe hun een redder: Ehud, den zoon
van Gera, den lienjaminiet, een man die linksch was. Eens zonden de
Israëlieten door hem de schatting aan Eglon, den koning van Moab.\'
10 Toen maakte Ehud een tweesnijdend zwaard, eene el lang, en bond
17       dat onder zijn opperkleed aan de rechterheup.\' Zoo bracht hij de schat-
ting aan Eglon, den koning van Moab, die een zeer zwaarlijvig man
18       was.\' En toen Ehud de schatting aangeboden had, liet hij de lieden
19       die ze hadden gedragen huns weegs gaan,\' maar keerde zelf bij de
beelden in de buurt van Gilgal terug en zeide tot den koning: Ik heb
u een geheim mede te deelen, o koning! Hij zeide: Zwijg! en deed al
20       de omstanders naar buiten gaan.\' En Ehud kwam bij hem binnen,
13. nam, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. tij namen. — de Palmrnatad, Jericho, als 1:16. — dr Amale-
tieten.
Alleen hier en VI : 3 komen zij voor als ten oosten van deu Jordaan wonende. Zij behoordeu
zeker in Zuid-Palcstina te huis; zie op Gen. XIV : 7.
15.   Ehud. Zoo heet 1 Kron. VII: 10; VIII: 6 een geslacht van Benjamin, evenals Oera Gen. XLVI:
21; 1 Kron. VIII: 5; verg. 2 Sam. XVI: 5. —linkten. I)c Hebreeuwschc uitdrukking, die ook XX : 16,
van zevenhonderd llcujamiuieten, voorkomt, wordt wel in Gr. vert. door .iemand met twee rechterhanden\'
overgezet, maar schijnt eene ongeschiktheid der rechterhand aan te duiden. Dat althans Ehud linksch
was, blijkt uit vs. 16—21. — de tchatling, letterlijk ren gese/irnk. Ook elders wordt de verplichte
cijns zoo genoemd, 2 Sam. VIII: 2, 6; 1 Kon. IV : 21; 2 Kon. XVII: 4.
16.  eene el. Het zoo vertaalde Hebrccuwsche woord komt alleen hier voor. De lengte van het wapen
wordt genoemd om een denkbeeld te geven van Eglous zwaarlijvigheid ; zie vs. 21 v.
19.   (iilijul. Zie op Joz. IV : 19. — deed...gaan, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. gingen.
20.   En — deeU». Dit ia gedeeltelijk in strijd met het in vs. 19 verhaalde, gedeeltelijk herha-
ling er van. Waarschijnlijk zijn hier twee handen nnn het werk geweest. — vrrkoetkamer, eene kamer
op het platte dak gebouwd, zoo genoemd, omdat men daar op heotc dagen koelte vond; verg. op Umi.
XXII: 8. — Nu — op, waarschijnlijk uit eerbied, — en — ttaan, volg. Gr. vert. De woorden maken
het tooneel duidelijk. Zoolang Eglon zat, was hij te ver van Ehud af, en kon deze hem niet doorsteken.
-ocr page 470-
550                                       RICHTEUBN III : 20—81.
terwijl hij alleen in zijne verkoelkamer zat, en zeide: Ik heb u een
godswoord mede te deelen. Nu stond Eglon van zijn zetel op en kwam
21       daardoor dicht hij hem te staan.\' Maar terwijl hij opstond strekte
Ehud zijne linkerhand uit, greep het zwaard van zijne rechterheup en
22       stak het hem in het onderlijf,\' zoodat het hecht na het lemmer er in
drong en het vet zich om het lemmer sloot; want hij trok het zwaard
23       niet uit het onderlijf.\' Daarop ging hij uit naar de galerij, deed de
24       tleur van de bovenkamer op den grendel en sloot hem op.\' Toen hij
was weggegaan, kwamen Eglons dienaren en zeiden, de deur der hoven-
kamer gegrendeld vindende: Hij overdekt zeker zijne voeten in de
25       verkoelkamer.\' Zij wachtten tot verlegen wordens toe, en toen hij de
deur der kamer niet opende, namen zij den sleutel, openden haar, en
zie, daar lag hun heer dood ojt den grond!
2b\'          Maar terwijl zij talmden", was Ehud ontkomen en, de beelden voorbij,
27       naar tëeïra ontsnapt.\' Daar gekomen, stak hij in het gebergte van
Efraim de bazuin; waarop de Israëlieten met hem van het gebergte
28       afdaalden, hij aan de spits.\' Il ij zeide tot hen: Mij na ter vervolging!
want Jahwe heeft uwe vijanden, Moab, in uwe hand gegeven. En zij
trokken hem ter vervolging achterna, bezetten de veren van den Jordaan
29       en lieten geen Moabiet dien overtrekken.\' Te dien tijde versloegen zij
van de Moabieten ongeveer tien duizend man, alteniaal welgedane en
30       kloeke mannen; niemand ontsnapte.\' Zoo werd toentertijd Moab ver-
nederd onder Israëls hand en kreeg het land tachtig jaar rust.
31            Na hem kwam iSjamgar, de zoon van Anath, die van de Filistijnen
zeshonderd man met een ossendrijversstok versloeg. (Jok hij redde Israël.
21. Maar terwijl hij opstond, volg. Gr. vcrt. ingevoegd.
23. naar de galerij, zeer onzekere vertaling. Grondt, hoeft tweemaal (aan liet eind van vs. 22 en
hier) hij ging uit naar, telken» gevolgd door een ander, voor ons onverstaanbaar, woord, dat het ge-
dcelte iler bovenverdieping moet uaudiiidcn waarop de verkoelkamer uitkwam, de galerij, bet terras of
iets dergelijks. — op den grendel. De deuren der vertrekken werden waarschijnlijk van binnen ge-
sloten door een grendel of klink, dien men ook vau buiten kou wegschuiven of oplichten met een
sleutel, die met den arm door een gat naar binnen werd gebracht en, daar hij vrij log was, waar-
schijnlijk aan een ketting aan den deurpost hing; zie vs. 25. — Verg. Hoogl. V : 4 en op Jez. XXII: 22.
21. Eglons, diiidclijkhcidshnlvc in pi. v. zijne. — Hij — voeten, doet een middagslaap. Volgens
anderen: doet zijn gevoeg; doch dit past niet bij het lange wachten van vs. 25, cu nog minder 1
Som. XXIV: 4, waar dezelfde uitdrukking voorkomt.
20. Seira, onbekend.
28. trokken .... ter vervolging, volg. verb. t.; Hcbr. t. daalden af.
31. Dit vers breekt het verband; zie op IV: 1. In V : il komt Sjnmgar, de zoon van Anath, in eene
tijdsbepaling voor. Zie verder Inl. — een ossendrijversstok, die eene ijzeren punt had, waarmede men
de dieren
voortdreef.cn wauraan zij zich bezeerden indien zij achteruitschopten; verg. Hand. IX : 5.
HOOFDSTUK IV, V.
Barak en Dobora. — Israël wordt onderdrukt door .labin, koning der Knnaanicten, twintig jaar
lang (IV : 1—3). De profetes Dcbora «poort Barak uit Naftali aan om met zijne stamgcnooteii en de
Zebulonictcn ten strijde te trekken tegen Sizcra, Jabius krijgsoverste (4—7); hij is hiertoe bereid
indien zij medetrekt (8); na hem aangekondigd te hebben dat uu ook eene vrouw de eer van de
overwinning hebben zal, gaat zij met hem (9). Barak roept de Naftalietcn en de Zcbulonieten naar Kedes,
in de buurt waarvan eene Kenictischc familie gelegerd is (10 v.), en verslant Sizera bij den Kisjon
(12—16). Sizera, to voet vluchtende, verschuilt zich in do tent van Jnël, de Kenietischc, en wordt
door haar in den slaap vormoord (17—22). Jnbins heerschappij wordt geheel en al door Israël vcr-
uietigd (23 v.). Dcbora en Barak zingen een lied (V : 1—31a): Looft Jahwe, voor wien vrijwilligers ten
strijde trokken (1 v.). Ik wil Jahwe loven, die zich luisterrijk heeft vertoond (3—5). Diep ellendig
was Israël voordat Dcbora opstond (6—8); maar looft nu Jahwe! (9—11). Uit vele stammen trok
men, ouder leiding van Dcbora en Barak, ten strijde, slechts enkele bleven achter; schande over hen!
(12—18). Met \'s hemels hulp werd het hcir des vijands verslagen (19—22). Vervloekt zij Mcroz, dat
Jahwc\'s strijders niet bijstond (28). Gezegcud Jaöl, die Sizcra versloeg (24—27). Vorgccfs vleide zijne
-ocr page 471-
RICHTBRBN IV : 1—5.
551
moeder zich met de hoop hem met buit beladen te zien tertigkecren (28—31a). — Daarna heeft het
land veertig jaren rust (314).
liet in II. V vervatte lied, gewoonlijk volgens vs. 1 „het lied van Dcbora" genoemd, maar indcr-
daiul vim een ander dichter (zie op vs. 7), is ecu der oudste Isrnclictischc liederen die wij bezitten,
zoo niet het alleroudste. Tc meer betreuren wij het dat het ons niet dan met ettelijke schrijH\'uutcii
is overgeleverd; zoodut meer dan cene zinsnede schier geheel onverstaanbaar is en wij soms zelfs niet
bij gissing den oorsproiikclijken tekst kunnen herstellen. Toch kan omtrent den hoofdiuhoud geen
twijfel bestaan. l)c vlakte van Jizrecl is bezet door zekeren Sizera, van wiens landaard en woonplaats\'
wij niets vernemen. Door zijne hcirmncht is het onderling verkeer der Israëlieten gestremd. .Maar
Dcbora en Barak roepen dezen ten strijde en vinden bij de naastbijwonenden, Efraim, Benjamin, Mn-
chir, Zebulon, Issachar en Naftali, gehoor, terwijl de Overjordaauschc stammen, Ruben eu Gilcad, cu
de kustbewoners Dan en Azer werkeloos blijven. Dij Tnunach komt het tot een irellen; het leger van
Sizera en de met hem verbonden koningen wordt, ondanks hunne talrijke strijdwageneu, verslagen,
hij zelf door cene Kcniotischc, .hiel, omgebracht.
De schrijver van II. IV stelde zijn verhaal grootcndccls uit de gegevens van het lied samen, en liet
het er aan voorafgaan, omdat de voorstelling van de toedracht der zaak, door het lied gegeven, toe-
lichting, zelfs cenige wijziging scheen te behoeven. Sizera werd door hem tot ecu Icgerovcrstc van Jabin
en deze tot koning van Kanaan gemaakt, welken koning hij aan Joz. XI ontleende, waar Jabin aan de
spits der vorsten van N\'oord-Kunaüu aan Jozua het hoofd biedt; zie vooral Joz. XI : 10. Dat Dcbora zoover
in het zuiden woonde als IV : ."> haar plaatst, kon de schrijver uit het lied niet opmaken en is onwaar-
schijnlijk; het bestaan van een „Dcbura-boom" tusschen Itama en Hethcl (verg. op Gen. XXXV: 8)
gaf hem tot die voorstelling aanleiding, Hoc weinig hij op de hoogte was van de ligging der plaat-
sen die hij vermeldde zie op IV :G eu 1). Hij maakte — wij weten niet waarom — Barak, die evcn-
als Dcbora tot Issachur schijnt behoord te hebben (V : 15), tot een Naftalict. Voorts laat hij alleen
dezen stam met den daarnaast wonenden Zebulon aan den strijd deelnemen (IV ; 10), terwijl in het
lied Issachar, de meest benarde, door zijne buren van het noorden en het zuiden geholpen, zich vrij-
vceht (V: 18—18). Het feit dat cene vrouw, Jacl, cu niet de aanvoerder der Israëlieten, de eer heeft
Sizera te vellen, wordt door den verhaler voorgesteld als ecne straf voor de weigering van dien aan-
voerder, aan Jahwe\'s roepstem het oor te leenen tenzij de profetcs met hem medeging (IV:8v.). Hij
heeft zich wellicht vergist in den zin van V:21—27; zie aaut. aldaar.
De hand van den Deutcronomischcii bewerker is te bespeuren in IV :1—3, 23 v.; V: 814. Volgens
hem was ganseh Israël onderdrukt en waren dus Barak en Dcbora redders van het gehecle volk;
verg. inl. op Richleren.
Het feit waarvan het lied de heugenis bewaard heeft was van zeer groote beteckenis voor Israël.
Hadden de Kaunilnieteu zich kunnen handhaven iu de vlakte van Jizrcël, dan zouden de stammen ten
noorden daarvan, Naftali, Zebulon, Azer, nooit met die ten zuiden, Machir (of Manassc), Efraim, Bcn-
jainiu, Dan, écn rijk hebben kunnen uitmaken, en zou Issachar „een ezel van vreemden" gebleven
zijn (zie op Gen. XLIX:14). De overwinning op Sizera stelde Israël in het bezit der streek wanr-
ovcr de groote handelswegen liepen, en was dus mede hierdoor een belangrijke stap tot vorming van
het volk Israël. Opmerking verdient het ontbreken van Juda en Simeon ouder de door den dichter
vermelde stammen. Terwijl hij zelfs den in het Overjordaauschc, op zoo grooten afstand, wonenden
Ruben noemt (vs. 15 v.), liggen zij blijkbaar buiten zijn gezichteitider; wat het geval niet had kun-
ni\'ii zijn indien zij toen reeds in de streek ten westen van de Doodc Zee gewoond hadden. Immers,
hij ziet .In li we komen van den Se ir en uit „Edonu veld" (vs. 4), dat is het land ten zuiden van die
streek; hij kent haar dus wel, maar niet als bewoond door broederstammen (verg. inll. op Nnm. XIII,
XIV en op Jozua).
IV: 1 Na Ehuds dood gingen de Israëlieten voort te doen wat kwaad
2       was in Jahwe\'s oog.\' Daarom verkocht Jahwe hen aan Jabin, den
koning van Kanaan, die in Hasor regeerde; zijn legeroverste was Sizera,
3       en deze woonde in Haroosjeth-huggojim.\' En de Israëlieten riepen tot
Jahwe; want Jabin bezat negenhonderd ijzeren wagenen en had de
Israëlieten twintig jaren lang zwaar verdrukt.
4           Te dier tijd richtte Debora, eene profetes, vrouw van Lappidoth,
5       Israël.\' Zij zetelde onder den Deborapalm, tusschen ltama en Bethel,
1.   Sn Ehuds dood. Sjamgar (III: 31) wordt in het geheel niet mcdegeteld.
2.   Hasor. Zie op Joz. XI: 1. — Ilaroosjetk-kaggojim, ,de werkplaats der volken\', allecu uog vs
18, 16, onbekend.
5. den Deborapalm. Zie op Gen. XXXV: 8.
-ocr page 472-
niCHTEHBN IV: 5—21.
r>52
in het gebergte van Efraim, werwaarts de Israëlieten tot haar ten ge-
G riclite opgingen.\' Zij nu ontbood Barak, den zoon van Abinoam, uit
Kedes in Naftali, en zeide tot hem: Jahwe, Israëls god, beveelt u:
Ga, trek naar den berg Tabor en neem tien duizend man uit de Naf-
7       talieten en de Zebulonieten met u mede.\' Dan zal ik Wzera, den
legeroverste van Jabin, met zijne wagens en zijne legerschaar in liet
8       dal van den Kisjon tot u trekken, en hem in uwe hand geven.\' Maar
Barak zeide tot haar: Indien gij met mij gaat, zal ik gaan; anders
9       niet.\' Waarop zij zeide: Dan ga ik met u. Maar nu zult gij geen eer
behalen op den weg dien gij betreden zult; want aan eene vrouw zal
Jahwe Sizera verkoopen. Dus maakte Debora zich op en ging met
Harak naar Kedes.
10           Nu riep Barak Zebulon en Naftali naar Kedes samen; en tien dui-
zend man trokken in zijn gevolg op; ook Debora trok met hem. — \'
11       Heber, de Keniet, nu had zich afgescheiden van Kain, van de zonen
van Hobab, Mozes\' schoonvader, en zijne tent opgeslagen bij den eik
12       van Besaünannim, in de buurt van Kedes. —\' Toen men aan Sizera
mededeelde dat Barak, de zoon van Abinoam, naar den berg Tabor
13       was opgetrokken,\' riep hij al zijne wagenen, negenhonderd ijzeren
wagenen, en al het volk dat bij hem was, uit Haroosjeth-haggojim
14       naar het dal van den Kisjon, samen.\' En Debora zeide tot Barak:
Maak u op; want dit is de dag waarop Jahwe Wzera in uwe hand
geeft. Gaat Jahwe niet voor u uit? Toen daalde Barak van den berg
15       Tabor af, door tien duizend man gevolgd.\' En Jahwe bracht Sizera
met al zijne wagenen en zijn gansche leger door het scherp des zwaards
in verwarring voor Barak. Sizera, van zijn wagen afgestegen, vluchtte
1(? te voet,\' terwijl Barak de wagenen en het leger tot Haroosjeth-haggojim
vervolgde; het gansche leger van Sizera viel door het scherp des zwaards:
niet éen bleef over.
17           Sizera dan vluchtte te voet naar de tent van Jaël, de vrouw van
Heber, den Keniet; want er was vrede tusschen Jabin, den koning van
18       Hasor, en het huis van Heber, den Keniet.\' Jaël kwam naar buiten,
Kizera te gemoet, en zeide tot hem: Kom binnen, mijn heer, kom bij
mij binnen; vrees niet. Zoo trad hij bij haar binnen in de tent, waar
19       zij hem met een kleed bedekte.\' Hij zeide tot haar: Geef mij toch wat
water te drinken; ik heb dorst. Hierop opende zij een zak melk, gaf
20       hem te drinken en bedekte bem weder.\' Hij zeide tot haar: Ga aan
den ingang der tent staan, en als iemand komt en u vraagt of hier
21       iemand is, zeg dan: Neen.\' Toen nam Jaël, de vrouw van Heber, eene
pin van de tent, vatte den hamer in de hand, kwam stil bij hem bin-
0. Kedea in Naftali. Zie op Joz. XII : 19—28. Het lag minstens vier dagreizen van de plaats waar-
heen Debora Barak ontbiedt. — Tabor, een alleen liggende berg aan den noordoostclijken rand der
vlakte van Jizrecl. Hij komt nog VIII: 18; Ps. I-XXXIX: 13; Jer. XLVI:18; Hoz. V : 1, wellicht
ook Joz. XIX : 22, voor.
7. den Kiajtm. Deze beek loopt door do vinkte van Jizrecl, van den Tabor tot de Middcllandscho
Zee, en wordt gevoed door al het water dat vnn het Gnlilccschc hoogland in zuidelijke en van het
Kfraimictischc gebergte iu noordelijke richting afloopt. Des ondanks is zij des zomers bijna geheel
droog; alleen het westelijk gedeelte heeft altijd water, maar ook dit blijft doorwaadbaar. In den win-
tcr kan zij na een plasrcgcn geweldig zwellen en veroorzaakt dan soms grootc overstroomingen. Iic-
halvc hier, vs. 13; V : 21 en Ps. l.WXIII : Hl komt zij in het O. T. alleen 1 Kon. XVIII: 40 voor.
9. vertoopen. Zie op 11:14. — Kedet. Blijkbaar bedoelt de schrijver het Kedri van vs. 6, en on-
dcrstclt tevens dat dit bij of op den Tabor ligt (zie vs. 12); het was daarvan ongeveer veertien uur
verwijderd.
11. Kain. Zie over dezen volkstam, die ten westen van de Doodc Zee thuis behoorde, op Num.
XXIV: 21 v. Van eene familie daaruit die naar de vlakte van Jizrecl was afgedwaald weten wij niets
dan uit dit verhaal en lied (V : 24). — Hobab. Zie op Exod. 11:18. — den eik van Beiadnannim. Zie
op Joz. XIX : 88.
-ocr page 473-
553
IUCHTKUBN IV: 21—V: 11.
nen en sloeg, terwijl hij vast sliep, de pin in zijn slaap, zoodat ze in
22       den grond drong. Hij werd bewusteloos en stierf.\' Daar kwam llarak,
Sizera vervolgend; Jaël ging naar buiten, hem te genioet, en Beide tot
hem: Kom hier; ik zal u den man laten zien dien gij zoekt. Hij kwam
binnen, en tlaar lag Sizera dood, de pin in den slaap van zijn hoofd 1
23           Zoo vernederde God te dien dage Jabin, den koning van Kanaiin,
24       vóór de Israëlieten,\' en de band der Israëlieten drukte steeds zwaarder
op Jabin, den koning van Kanaiin, totdat zij Jabin, den koning van
Kanaiin, uitgeroeid hadden.
V:l         Te dien dage zong Debora met llarak, den zoon van Abinoam, dit lied:
2                  Wijl vorsten in Israël zich vorstelijk gedroegen,
het volk vrijwillig zich aanbood, looft Jahwe!
3              Hoort, koningen! Gebieders, leent het oor!
Ik, ja ik, wil ter eer van Jahwe zingen,
wil spelen ter eer van Jahwe, den god van Israël.
4                  Jahwe, toen gij uittrokt van den !"*eïr,
voortschreedt uit Edoms veld,
beefde de aarde, sidderde de hemel,
deden ook de wolken water vlieten.
5              De bergen stroomden vanwege Jahwe,
voor Jahwe, den god van Israël.
6                  Ten tijde van Sjamgar, Anaths zoon,
ten tijde van Jaël waren de heirbanen verlaten;
die op reis gingen sloegen zijpaden in;
7             stil zaten de vorsten in Israël,
stil zaten zij, totdat gij opstondt, Debora,
totdat gij opstondt, eene moeder in Israël.
8             Toen men nieuwe goden koos, verdween het brood uit de poorten;
schild noch lans werd gezien onder veertig duizend in Israël.
9                  Gij allen, aanvoerders in Israël,
gij, mannen des volks die vrijwillig u aanboodt, looft Jahwe!
10             Gij die, op schabrakken gezeten, glanzige ezelinnen berijdt,
en gij die over den weg gaat, spreekt er van,
11              bij het geluid der trompetters tusschen de waterbakken;
Vs. 4 v. P». LXVm: 8 v.
2. Wijl — gedroegen, onzekere vertaling.
8. koningen, Gebieden, van Kanaünieten en alle omliggende volken. Zij moeten Jahwe\'» grootc daden
hooren, opdat zij hem vreezen. — spelen, tot begeleiding van mijn zang.
4.   dtn Seir, Edoms veld, dus uit het zuiden. Zie op Deut. XXXII1:2. — I)e dichter doelt niet
op eene vroegere verschijning van Jahwe, maar op zijne komst ter hulp van Hu rak en Debora. —
sidderde, volg. Gr. vert.; Hebr. t. deed vlieten, ceue verschrijving: het woord staat in den volgenden regel.
5.   Na Jahwe heeft grondt, dat is de Sinai, waarschijnlijk eene van den rand in den tekst gedron-
gen anntcekeuing bij Edoms veld, van een man die Exod. XIX kende, zich verbaasde dat Jahwe vol-
gens dezeu dichter niet van den Sinai uittoog, en daarom opmerkte dat deze met Edoms veld bedoeld
werd. Dezelfde inlasschiiig I\'s. LXVIII: 9.
6.  Sjamgar, onbekend; verg. 111:81. — Jaël. Hiermede kan niet de Jaël bedoeld zijn wier helden-
daad vs. 24—27 bezongen wordt; want de tijd der onderdrukking kan niet naar haar genoemd zijn.
— sloegen zijpaden in, om de op do grootc wegen loerende vijanden te ontgaan.
7.   de vorsten, zeer onzekere lezing en vertaling. — gij opstondt. Zoo vertalen wij, aannemende de
oude spelling van den vorm van het werkwoord; naar de nieuwere spelling staat er ik opstond. l)c
verhalcr die het lied opunm vatte het woord iu den lnatstcn zin op; daarom noemde hij vs. 1 in de
eerste plaats Debora. Maar uit vs. 12, 15 blijkt dat zij de dichteres niet was.
8.  verdicten ... uit, volg. verb. t.
9.   Oij allen, volgens zeer onzekere gissing; Hebr. t. Mijn hart aan.
10.   Gij — berijdt. De ezel was het gewone rijdier in vredestijd. Hier worden de nanzicnlijkcn bc-
doeld (verg. X:4; XII: 14), in tegenstelling met gij — gaat, de mindere lieden.
11.  bij — tcaterbakken, onzekere lezing en vertaling. I)é bedoeling is, naar het schijnt, dat men daar
zegetonen doet hooren. — gerechte daden, zulke waardoor hij zijn volk redt; verg. I\'s. OIII: 6. — leiding,
onzekere vertaling. — Na Israël heeft grondt, nog toen daalde Jahwe\'s volk naar de poorten af, dat
hier niet voegt en waarschijnlijk uit vs. 18, waar ongeveer dezelfde letters staan, hierheen verdwaald is.
-ocr page 474-
554                                        niciiTBRBN V : 11—22.
daar bezinge nien Jahwe\'s gerechte daden,
de gerechte «laden zijner leiding in Israël.
12                  Waak op, waak op, Debora, waak op, hef\' een lied aan!
iSta op, lJarak, voer uwe gevangenen weg, zoon van Abinoam!
13             Toen daalde het overschot der machtigen at\',
het volk van Jahwe daalde af met de helden:
14              uit Efraim zij wier wortel in Amalek is;
in zijn gevolg llenjamin met zijne geslachten;
uit Maehir daalden heerschers af;
uit Zebulon die den tellersstaf voeren;
15             vorsten in Issachar met Debora;
en Barak, in de vallei stormt men hem na.
Aan ltubens beken waren groot de overleggingen des harten.
1(5
            Waarom bleeft gij tusschen de schuttingen zitten,
luisterend naar het fluiten der herders?
17             üilead bleef rustig aan de overzijde van den Jordaan;
en Dan, waarom toefde hij bij de schepen?
Azer zat aan het zeestrand en bleef rustig aan zijne baaien.
18             Zebulon is een volk dat zijn leven prijsgaf ten doode,
en Naftali, die op de hoogvlakten woont.
19                  Koningen kwamen en streden;
daar streden de koningen van Kanaün,
bij Taiinach, aan het water van Megiddo;
doch buit van zilver behaalden zij niet.
20             Van den hemel kampten de starren,
uit hare banen getreden, bekanipten zij tSizera.
21                  De beek Kisjon sleurde hen mede,
de overoude beek, de beek Kisjon.
J\'rijze mijne ziel Jahwe\'» kracht!
22             Toen vlogen de hoeven der paarden aan stukken,
van het jagen, het jagen hunner geweldigen.
12.   Waak — aan. Debora wordt opgeroepen, om ecu opwekkend liod, cene profetie van ovorwin-
ning, :i:i ii te heffen. Dal zij mede uittrok wordt vs. 15 gezegd.
13.   Hoogst onzekere lezing en vertaling. Met de machtigen worden wuursch ij ui ij k de Israël ictischc
edelen bedoeld, wier aantal gedund was tijdens de onderdrukking.
14.  uit — is. Bedoeld worden wellicht de Efraimictcn die op het A>nalekiotinch gebergte (XII: 15;
verg. op Niim. XXIV: 20) wonen. — in zijn (Efraiins) gevolg, letterlijk achter hem, volg. Lat vert.;
Hebr. t. achter u; in overeenstemming hiermede is zijne geslachten, in pi. v. uwe geslachten gelezen.
— Mac/iir, d. i. Manassc; zie op Oen. L: 23. Hier woont deze stam nog in het eigenlijk Knnaan. —
leltersstaf, waaronder de aanvoerder zijne manschappen liet doorgnan. Ook Jcz. XXXIII: 18 heet een
bewindvoerder „een teller".
15.  vorsten, met verandering van een kliuker; grondt, mijne vorsten. — en Barak, volg. Gr. en Lat.
vertt.; Hehr. t. en Issachar aldus Barak. — stormt, letterlijk wordt... gezonden. — Aan — groot,
volg. de lezing van vs. 10, waar in Hebr. t. de woorden bij vergissing herhaald zijn.
16.   Het land van Kubcn was, met dat van Gad, voor veeteelt bijzonder geschikt, Num. X.WII. —
herders, met verandering van klinkers; Hebr. t. kudden. — Aan het slot heeft grondt, nog een regel;
verg. bij vs. 15.
17.    (iilead, de woonplaats van den stam Gad. — Dan. Deze stam woont hier nog iu het Joz.
XIX : 40—10 omschreven lnnd; zijne verhuizing naar Lais, II. XVIII. vult dus na den oorlog tegen
Sizera. — Azer. Volg. Joz. XIX: 24—31 had deze stam de kust ten noorden van den Karmel bezet.
18.   Dat Zebulon en Naftali, hoewel gene reeds vs. 14 vermeld was, bier na de optelling der wil-
Hgc en onwillige stammen met zooveel lof genoemd worden, gaf den schrijver van 11. IV aanleiding
tot de voorstelling dat zij nllecn den strijd gevoerd hadden, IV: 6, 10.
l!t. Taiinach. Zie op Joz. XII: 10—23. — hel water van Megiddo, de Kisjon.
20.   Dichterlijke voorstelling van de hul]) die Jahwe aan Israël verleende. I)c starren, hier wellicht
nis bezielde, goddelijke wezens gedacht, komen voor als zijne legerscharen; zie Job XXV: 3; XXXVIII:
7 en op 1 Sam. 1: 3.
21.   de overoude, onzekere vertaling. Anderen eene oorlogsbeek is de Kisjon. — Prijte — kracht!
vertaling volgens zeer onzekere gissiug; Hebr. t. Vertreed, mijne ziel, kracht.
22.   vlogen... aan stukken, met verandering van klinkers; grondt, sloegen stuk. De paarden der
Kanaanicten zijn bedoeld. — geweldigen, de helden die in de strijdwageu» kampten.
-ocr page 475-
555
hioutbukn V : 28—31.
23                  Vervloekt Meroz, zegt de engel van Jahwe;
vervloekt, ja vervloekt hare bewoners;
omdat zij Jahwe niet te hulp zijn gekomen,
Jahwe niet te hulp onder de helden!
24                  Boven alle vrouwen zij Jaël gezegend,
de vrouw van lleher, den Keniet,
boven alle vrouwen in de tent gezegend!
25              Water vroeg hij, melk gat\' zij,
in de pronkschaal bracht zij room.
26             Daar slaat zij hare hand aan de pin,
hare rechter aan den werkmanshamer;
beukt Sizera, verbrijzelt hem het hoofd,
verplettert en splijt zijn slaap.
27             Gekromd viel hij voor hare voeten, daar lag hij;
gekromd viel hij voor hare voeten neder;
waar hij zich kromde, daar lag hij misvormd.
28                  Uit het venster keek klagend naar buiten,
uit het lichtraaiu Sizera\'s moeder:
Wat laat toch de komst zijner strijdkar zich wachten,
wat blijft het rollen zijner wagens lang uit!
29              De schranderste harer edel vrouwen antwoordden;
ook deed zij zich zelve reeds bescheid:
30              Zouden zij niet buit vinden en verdeelen?
Een, twee meisjes voor eiken man,
een buit van bonte gewaden voor Sizera,
een buit van bonte, kleurige gewaden,
een bont gewaad voor den hals der vorstin!
31a              Zoo zullen al uwe vijanden, o Jahwe, omkomen;
maar die hem liefhebben zijn als het opgaan der zon in haar kracht.
316 Toen kreeg het land veertig jaar rust.
i
28. Meroz, ccnc onbekende platte. Waarom zij aan \'s volks vervloeking prijsgegeven wordt, terwijl
Ruben, Gilead, Dan en A/er, aan wie hetzelfde te laste gelegd wordt, slechts cene berisping ontvangen
(vs. 16 v.), blijkt niet. Waarschijnlijk lag zij dicht bij het slagveld, waardoor hare werkeloosheid meer
in het oog sprong dau die der veraf wonende stammen, of heeft zij ronduit hulp geweigerd; verg.
VIII: 4—17. — de engel ran Jahwe. Zie op Oen. XVI: 7.
24—27. dit deze regels heeft de schrijver van H. IV opgenmnkt dat de zaak zich heeft tocge-
dragen zooals zij door hem in vs. 17—21 beschreven wordt. Men kan er zich echter ccnc andere
voorstelling uit vormen, ui. dat .lacl Sizera, terwijl hij voor haar stond te drinken, met ecu hamer
den schedel insloeg; wat wel een ruwe daad zou geweest zijn, maar althans een grooter bewijs van
moed dan de verraderlijke handelwijs die de vcrhalcr haar toeschrijft. l)c onzekerheid waarin wij te
dezen verkceren wordt veroorzaakt door het gebruik van het woord pin in vs. 26, dat ook den
steel van den hamer kan aanduiden; in welk geval hare hand in den eersten regel van vs. 26 dezelfde
ia die in den volgenden hare rechter heet. I)c verhaler zag er de linker in. — De vertaling van ver-
brijselt
en splijt is onzeker.
28.  klagend, zeer onzekere vertaling.
29.  antwoordden, volgens een andoren klinker; Hcbr. t. antwoordde haar.
80. der vorstin, letterlijk der trouwe, volg. verb. t.; grondt, des buit». Wellicht is het woord te
schrappen en het vorige door mijn hals te vertalen.
HOOFDSTUK VI—VIII.
Gideon. — Tot straf voor der Israëlieten zonden, wordt hun land zeven jaar lang door de Midia-
nieten geplunderd (VI: 1—6). Als zij tot Jahwe om hulp roepen, zendt hij ecu profeet, die hun Jnliwc\'s
weldaden herinnert en hun hunne ondankbaarheid verwijt (7—10). De engel van Jahwe verschijnt
aan Gideon, gelast hem zich op te maken tot redding van Israël, en verzekert hem hiertoe Jnhwc\'s
hulp (11—16); Gideon wil den hcmclbodc ccnc gave brengen; deze laat de hem gebrachte spijzen op
chic rots leggen, doet er vuur uit komen dat de spijzen verteert, en verdwijnt (17—21). Gideon, be-
vreesd dat hij moet sterven omdat hij den engel van Jahwe gezien heeft, wordt hieromtrent gcrust-
-ocr page 476-
55ti
INLEIDING OP HICHTEREN VI—VIII.
gesteld en bouwt in Ofrn een altaar ter ccr van Jahwe (22—24). Op diens lust haalt hij de» nacht»
het altanr van den baiil omver, bouwt een outer voor Jahwe en offert daarop een stier (25—27); de
inwoners der stad, dit vernemende, willen hem dooden, maar zijn vader Joas komt voor hem op en
noemt hem Jcruhbniil (28—32). Als do Midinnietcn weder in de vlakte van Jizreël doordringen, wordt
Gideon door Jahwc\'s geest aangegrepen en toept hij zijn geslacht Abiczcr, geheel Manasse en de na-
burige stammen ten strijde (88—35); hij vraagt en erlangt een dubbel woudertecken tot versterking
van zijn geloof (30—40). Met zijne troepen tegenover Midian gelegerd, krijgt Gideon van Jahwe den
last, ze grootendeels weg te zenden; wat hij doet; zoodat hij slechts driehonderd innn overhoudt
(Vilt]—8j. Op Jahwc\'s bevel in het kamp der Midianictcn geslopen, luistert hij er het verhaal af
van een droom, waarin hem de overwinning wordt voorspeld (9—14); hierdoor bemoedigd, wekt hij
de zijnen tot den kamp op (15). Hij rust zijne driehonderd ten strijde, verschrikt het vijandelijk leger
en jaagt het uit elkander (10—22). De stammcu N\'aftali, Azer en Manasse vervolgen de vluchtelingcu;
de Kfraimieten bezetten de veren van den Jurdaan en verslaan twee Midianictischc koningen (23—25);
zij verwijten Gideon dat hij hunne hulp niet eerder gevraagd heeft, maar worden door zijn bescheiden
antwoord bevredigd (VIII : 1—3). Gideon trekt den Jordanu over; de inwoners van Sukkoth en Pciiucl
weigeren hein bijstand (4—9). Hij verlaat de Midianictcn en neemt hunne koningen Zebah en Sal-
munna gevangen (10—12). Hij zijn terugkeer tuchtigt hij de steden die hem hulp geweigerd hadden
(13—17) en doodt de twee gevangen koningen (18—21). De Israëlieten bieden hem het erfelijk koning-
schap aan, maar hij wil het niet aannemen (22 v.). Op zijn verzoek geven zij hem buitgemaakte gouden
sieraden, waarvan hij een efod vervaardigt, die, in Ofrn geplaatst, hem en zijn huis ton valstrik wordt
(24—27). Na Midians vernedering heeft Isrncls land veertig jaar rust (28). Gideons gezin; zijn uiteinde
(29—32). Na Gideons dood dienen de Israëlieten de bnüls, onder andere den Verbondsbaiil, verzaken
Jahwe en vergelden aan Gideons geslacht niet wat hij hun goeds bewezen heeft (33—35).
In dit verhaal zijn tegenstrijdigheden. Om op enkele der meest in het oog vallende te wijzen: wan-
neer wij VII: 23 lezen dat Gideon de Israëlieten uit Naftali, Azer en Manasse oproept om de Midia-
uictcn te vervolgen, dan zouden wij niet vermoeden dat hij van de strijdbare manschap uit diezelfde
stammen een groot deel eerst den vorigen dag (VII: 3, 9) naar huis heeft gezonden: blijkbaar weet
de schrijver van dat bericht niets van een vroegere oproeping. Kvenmin past de vervolging van Midian
door bijnn geheel Noord-Israël bij de voorstelling dat de overwinning èn over het gansche leger der
Midianietcn en over Zebah en Salinunnn niet Jahwc\'s h
3
ulp door slechts driehonderd man behaald
wordt. Ook zou men uit de weigering van Sukkoth en Pcnuël aan Gideon brood voor zijne driehonderd
te geven niet opmaken dat hij met die krijgschaar reeds zulk een luisterrijk wapenfeit volbracht
heeft, en dat Zebah en Salmuunu, voor wie de bewoners dier steden blijkbaar bevreesd zijn, nog slechts
het overschot van het Midianictisch leger ouder hunne bevelen hebben. Kn in VIII: 18 v. verrnst ons
de ontdekking dat Gideon het bij de bestrijding van de Midinnietcn eigenlijk op die twee koningen
voorzien heeft, om op hen den dood zijner broeders te wreken; uit VI: 11—14 moesten wij veeleer
nlleidcu dat hij, na door Jahwe tot redder verkoren te zijn, uit liefde voor zijn volk naar de wapenen
gegrepen had. Dringt zich door een en ander de overtuiging aan ons op, dat wij hier een uit vcr-
schillcudc bcstanddcclcn samengesteld verhaal voor ons hebben, zij wordt nog bevestigd door de op-
merking dat de hoofdpersoon nu eens Gideon dan weder Jerubbaal heet, eenmaal (VIII: 35) Jerubbaal
Gideon,
eu dat niet minder dan drie kceren de oorsprong van deu eeredienst in Ofra verklaard wordt,
VI: 22—24; 25—32; VIII: 24—27.
Van die bcstanddcclcn is zeker het verhaal waarvan ons in VIII: 4—21, 24^32 een gedeelte bc-
waard is gebleven het oudste en geloofwaardigste. Wat wij er van over hebben houdt in, dat Gideon,
die hier waarschijnlijk Jerubbaal heette, uit het Manassictischc geslacht Abiëzcr, aan het hoofd van
driehonderd man den Jordaan overtrok, om op de Midianictische vorsten Zebah en Salmuunu den dood
zijner broeders te wreken; die onderneming was zoo hnchclijk dat de inwoners van Sukkoth en Pcnuël,
uit vrees voor de Midianietcn, weigerden hem levensmiddelen te verstrekken; maar hij versloog de
vijanden, nam de beide opperhoofden gevangen, tuchtigde de ongcloovigc steden, doodde de moordc-
uaars zijner broeders en maakte van de buitgemaakte gouden sieraden een efod, die, door hem in Ofra
opgericht, door de bevolking van den omtrok vereerd werd. Hieraan ging in het oorspronkelijke verhaal
zeker vooraf, hoc de Midianietcn ten westen van den Jordaan hadden geplunderd en gemoord \'VIM:
18); wie die vervolger van Zebah en Salmuunu was; hoc hij zijne driehonderd man bij elkander ge-
kregen had; wellicht ook, hoe de Kfraimieten bij den Kavenstcen eene eerste overwinning op de
.Midinnietcn bevochten hadden (zie op VII : 25). Maar wat hieromtrent te boek gesteld was is verdrongen
door hetgeen nu aan VIII: 4 voorafgaat, waarin wellicht enkele trekken van het oude verhaal zijn
bownnrd. Dan werd aan het slot van het bericht over de overwinning op Zebah en Salmunna zeker
4654
duidelijk medegedeeld, wat VIII: 27, 29 v. niet meer dan gissen doet, dat Jcrubbaül na de behaalde
overwinning heerscher ia geworden over de streek waarin zijne woonplaats Ofra lag.
-ocr page 477-
RICHTRIIBN VI : 1 —11.                                                  557
Ecnc geheel andere voorstelling van Gideon en zijne overwinning op de Midianieten treffen wij in
VI: 1—VIII: 8 aan. Van la laatste verzen, Vil: 23—VIII: 3, was de stof zeker mcerendccls gegeven
in de overlevering van ecnc luisterrijke overwinning, bij den Knvcnstecn op de Midianieten behaald,
die Jez, IX: 3; X : 20 vermeld wordt cu waarvan denkelijk ook het weggelaten gedeelte van het oude
verhaal gewaagde. Overigens behelst het geen geschiedenis, maar is het inklccding van het gods-
dienstig denkbeeld: van Jahwe komt de verlossing van Israël; hij verleent haar zooals het hum bc-
haagt en heeft daarbij de hulp van een talrijk leger niet noodig.
None eigenaardige plaats neemt hier VI: 25—32 in. Het stuk bedoelt, nan den naam van den over-
winnanr der Midianicten, Jerubbaül — dat hij oorspronkelijk zoo heette blijkt uit IX: 28; 2 Sam.
XI: 22 — het aanstootclijk karakter te ontnemen door er een bijnaam van te maken, waarvan ceue
onergerlijke verklaring gegeven wordt. Gideon, dnt ,de houwer\' betcekent, een gepaste bijnaam voor
een overwinnaar (verg. dien van Judas den Hasinonccr, Makkabi, il. i. ,strijdhamer\', en dien van den
overwinnaar der Arabieren in Zuid-Fraukrijk, Karcl Martel, d. i. .hamer\'), werd tot den eigennaam
van den held gemaakt en straks in het oudere verhaal in de plaats van Jerubbaül gesteld. Ook werd
het altaar te Ofra, een bestanddeel van den zeer bcdenkclijkcn eercdienst aldaar, zoo goed mogelijk
van zijn aanstootclijk karakter ontdaan: daar was een offer door wondervuur ontstoken (VI: 17—21);
in Ofra had Gideon een altnar van den baiil door een ter eer van Jahwe vervangen (VI : 25—32).
Dat wij dit verhaal niet in zijn oorspronkelijke!! vorm hebben, blijkt ook uit VI:1,3,4; Vil: 10—15;
zie aldaar. Zeker heeft de Dcuteronomisehe bewerker VI : 7—10 geschreven en VI: 1—6 omgewerkt.
Hij of de laatste bewerker heeft in het andere verhaal VIII: 22 v. ingelascht (zie aldaar), VIII: 33—35,
dat tot overgang dient op het verhaal over Abimelech, II. IX, wellicht ook VI: 25—32.
VI: 1 De Israëlieten deden wat kwaad was in het oog van Jahwe; daarom
2       gaf Jahwe hen zeven jaar lang in de hand van Midian,\' en Midian
was Israël te machtig. Uit vrees voor de Midianieten maakten de
Israëlieten zich de holen die in de bergen zijlij de spelonken en berg-
3       vesten.\' Telkens wanneer de Israëlieten gezaaid hadden trokken de
4       Midianieten, de Amalekieten en de Oosterlingen tegen hen op,\' leger-
den zich tegenover hen en verdierven de opbrengst des lands tot bij
Qaza; zoodat zij in Israël geen leeftocht overlieten, noch schaap, noch
5       rund, noch ezel.\' Want zij trokken op met hun vee en hunne tenten, en
kwamen talrijk als sprinkhanen; zij en hunne kameelen waren ontelbaar,
6       en zij kwamen in het land om het te verderven.\' Als nu Israël zeer
verarmde door de Midianieten, riepen de Israëlieten tot Jahwe.
7           Toen de Israëlieten vanwege de Midianieten tot Jahwe riepen,\'
8       zond Jahwe een profeet tot de Israëlieten, die tot hen zeide: Zoo
spreekt Jahwe, de god Israëls: Ik heb u uit Egypte opgevoerd en uit
9       het slavenhuis uitgeleid,\' u verlost uit de hand van de Egyptenaren
en van al uwe verdrukkers; ik heb hen voor u uit verdreven en u
10       hun land geschonken.\' En ik zeide tot u: Ik ben Jahwe, uw god;
gij zult de goden der Amorieten, in wier land gij woont, niet vreezen.
Maar gij hebt niet naar mij geluisterd.
11            Eens kwam de engel van Jahwe en ging zitten onder de terebint
1.   Midian. Zie op Gen. XXV 2. — In strijd niet het vervolg van het verhaal, lezen wij hier dut
geheel Israël door do Midianieten onderdrukt wordt. Dit is de voorstelling van den bewerker der
oude verhalen; zie inl. op Bichleren.
2.  maakten — zijn. De schrijver en zijne lezers kenden zeker vele spelonken en aloude verstcr-
kingen, grootondccls door de natuur gevormd — 1\'alestiua\'s kalkbergen zijn er zeer rijk in — waarvan
de overlevering zeide dat zij in dien tijd door de Israëlieten waren uitgegraven of tot bergvestingen
gemaakt.
8. Amalekieten. Zie op III: 13. — de Oatlerlingen. \'l\\e op Gen. XXIX : 1. — Dat Israëls vijanden
hier, vs. 33 en VII: 12 door drie namen worden aangeduid, terwijl zij elders, vs. 1, 2, G enz., alleen
Midianieten hceten, verraadt de hand van een overwerker.
4. tot bij Gata, zeker overdrijving, maar in overeenstemming met vs. 1; zie aldaar. Over Gaxa zie
op Gen. X:19.
10.  vreezen, zooveel als: dienen, evenals 2 Kou. XVII : 7. 35, 37.
11.   de engel van Jahwe. Zie op 11:1. — het Ofra van Joat, of het Ofra der Abiï-zrieten, vs. 24,
ecne van elders onbekende stad, die volgens ons verhaal in den omtrek van Sichem gelegen heeft;
over een ander Ofra, in Benjamin, zie op Joz. XVIII: 23. — den Abiëzriet. Abiëzer was een Manas-
sietitch geslacht en komt nog voor Joz. XVII: 2: 1 Krun. VII: 18. — bezig — tlaan. Ecne perikuip
-ocr page 478-
RICHTBRBN VI: 11—25.
558
bij het Ofra van Joas, den Abiëzriet, terwijl diens zoon Gideon bezig
was in eene perskuip tarwe uit te slaan, om ze voor de MicHanieten
12       te verbergen.\' Daar verscheen hem de engel van Jahwe en zeide tot
13       hem: Jahwe is met o, kloeke held.\' (iideon zeide tot hem: Och, mijn
heer, indien Jahwe met ons was, waarom zou dan dit alles ons over-
konien zijn / Waar zijn al zijne wonderdoden, waarvan ons onze vade-
ren verteld hebben, die ons zeiden: Heeft niet Jahwe ons uit Egypte
opgevoerd/ — En nu heeft Jahwe ons verstooteu en in de hand van
14       Midian gegeven.\' Toen wendde zich Jahwe tot hem en zeide: Ga in
deze uwe kracht en red Israël uit de hand van Midian; ik zend u
15       immers/\' Maar hij zeide tot hem: Och, Heer, waardoor zou ik Israël
redden/ Mijn geslacht is immers het onaanzienlijkste in Manasse, en ik
10 ben de jongste in mijne familie.\' Maar Jahwe zeide tot hem: Omdat
17       ik met u zal zijn, zult gij Midian als een eenig man verslaan.\' Toen
zeide hij tot liem: Indien ik gunst in uw oog heb gevonden, geef mij
18       dan een teeken dat gij zelf met mij spreekt.\' Verwijder u niet van hier,
voordat ik tot U kom en de gave die ik uit huis ga halen u voorzet.
11) Hij zeide: Ik zal blijven tot uwe terugkomst. \' Hierop ging Gideon
naar binnen, bereidde een geitenbokje en eene maat meel tot onge-
zuurd brood, deed het vleesch in een korf, het nat in een pot, bracht
het tot hem naar buiten onder de terebint en zette het bij hem.\'
20       De engel van Jahwe zeide tot hem: Neem het vleesch en het brood,
leg liet op gindschen roststeen en giet er het nat over uit. Hij deed
21       zoo. \' Toen strekte de engel van Jahwe de punt van den staf dien hij
in de hand luid uit, en raakte het vleesch en het brood aan; daar
schoot het vuur uit de rots, verteerde het vleesch en het brood, en de
engel van Jahwe was verdwenen.
22           Nu zag (iideon dat het de engel van Jahwe was geweest, en zeide
hij: Helaas, Heer Jahwe! zoo heb ik dan Jahwe\'s engel van aangezicht
23       tot aangericht gezien.\' Maar Jahwe zeide tot hem: Vrede zij u! Vrees
24       niet. Gij zult niet sterven.\' Daarom bouwde Gideon aldaar een altaar
voor Jahwe en noemde het: Jahwe is vrede. Het bevindt zich nog
altijd te Ofra der Abiëzrieten.
25            In dienzelfden nacht zeide Jahwe tot hem: Neem tien mannen uit
was eene rotsholle of eene schuur, zoo groot dut daarin verscheiden mannen te gelijk druiven konden
trede», dus niet onliriiikhmir voor het doel wnartne (iideon de zijne bezigde. Maar men dorschtc l\'c-
woonlijk »|> een dorschvlocr in ik open lucht, liefst op eene hoogte, wanr de wind het kut\' medevoerde.
Met een stok klopte men het graan uit nlleen als de voorraad gering was, Kuth 11:16; Jez. XXVIII:
27; unders dorschtc men of met runderen, die het graan traden (zie op Dcut. XXV: 4), öf met cene
slede (zie op 2 Bun. XXIV: 22).
14.   in deze viee kracht. Waarschijnlijk wordt bedoeld: in de krncht die de straks genoemde zending
door Jahwe u zal vcrleencn.
15.   Heer. Dit woord wordt met dezelfde medeklinkers geschreven als mijn heer. Zij die de klinkers
er bij schreven wilden dat men mijn heer zou lezen in vs. 13, waar de engel, en Heer in ons ven
waar, blijkens vs. 14 en 10, Jahwe zelf wordt toegesproken. Verscheiden hss. en oude vertt. hebben
op beide pil. de engel van Jahiee. — Mijn geslacht, Ahiczer. — mijne familie, het huis van Jon».
19—21. Waarschijnlijk bracht men oudtijds onder Israël op deze manier offers; geheel anders ge-
sehiedde hel later volgeus de wet, Lev. 1—VII. Hier wordt een rotssteen tot altaar gemaakt (verg. op
KmhI. XX: 25); maar de schrijver van vs. 22—24 vond in dit verhaal blijkbaar geen altaar vermeld;
want hij laat Gideon eerst later een altaar bouwen.
20.  Jahwe, volg. hss. en Gr. vert.; Hebr. t. Ood.
21.   Verg. XIII: 19 v.
22—24. Den schrijver dezer verzen was het blijkbaar aanstoutclijk dat Gideon (vs. 17) het bcgecr-
lijk achtte Jahwe te zien; daarom laat hij hem hier vreezen omdat hij hem gezien heeft. Tevens wil
hij van het altaar te Ofra eene andere verklaring geven dan de schrijver vnu vs. 11—21.
22.   Heloot — geiten. Zie op Gen. XVI: 13.
24. Daarom — vrede. Desgelijks heet Kxod. XVII: 15 een altaar: Jahwe is mijne banier.
25—32. Dit verhaal, van een anderen schrijver dan vs. 17—21 en vs. 22—24, tracht wederom
den oorsprong van het altaar te Ofra te verklaren. Bovendien wil het cene oncrgerlijkc verklaring
-ocr page 479-
mchtkubn VI: 25—40.
551)
uwe knechten en een zevenjarigen stier, haal het altaar van den batil
dat aan uw vader toebehoort omver, en houw den gewijden boomstam
26       die daarbij staat om; \' bouw dan een altaar voor Jabwe, uwen god, op
den top dezer sterkte, neem den stier en breng dien als brandoffer op
27       het hout van den gewijden boomstam dien gij omhieuwt.\' Dienvolgens
nam (iideon tien mannen uit zijne knechten en deed zooals Jabwe hem
gelast bad; maar, daar hij zijne verwanten en de inwoners der stad te
28       zeer vreesde om het overdag te doen, deed hij het des nachts.\' Toen
de inwoners der stad den volgenden morgen opstonden, daar was
waarlijk het altaar van den batil omvergeworpen, de gewijde boomstam
die er bij had gestaan omgehouwen en de stier op het nieuw gebouwde
2\'J altaar geofferd!\' Zij zeiden tot elkander: Wie zou dit gedaan hebben/
En toen zij navroegen en uitvorschten, zeide men: Gideon, de zoon
30       van Joas, heeft liet gedaan.\' Nu zeiden de inwoners der stad tot Joas:
lireng uw zoon naar buiten, opdat hij sterve; want bij heeft liet altaar
van den batil omvergeworpen en den gewijden boomstam die er bij
31       stond omgehouwen.\' Maar Joas zeide tot allen die bij hem stonden:
Moet gij voor den baal strijden! gij hem redden ! Wie voor liem strijdt
zal ter dood gebracht worden voordat de morgen om is. Indien hij een
god is, laat hij voor zich zelven strijden, omdat hij zijn altaar omver-
32       geworpen heeft.\' Te dien dage noemde hij hem Jeruhbaiil, zeggende:
De baal strijde tegen hem, omdat bij zijn altaar omvergeworpen heeft!
33           Alle Midianieten nu, Amalekieten en Oosterlingen verzamelden zich,
trokken den Jordaan over en legerden zich in de vallei van Jizreël.\'
34       Toen bekleedde zich de geest van Jahwe met (iideon: hij stak de
bazuin, en de Abiëzrieten gaven aan zijne oproeping gehoor en volgden
35       hem.\' Ook zond hij boden tot de overige geslachten van Manasse, en
zij volgden hem eveneens. Ook zond hij boden tot Azer, Zebulon en
Naftali; waarop zij hem te gemoet trokken.
30          Toen zeide Gideon tot God: Indien gij inderdaad door mij Israël red-
37       den wilt, zooals gij toegezegd hebt — \' zie, ik zal eene wollen vacht
op den dorschvloer leggen; indien alleen op die vacht dauw valt, terwijl
het geheele land droog blijft, dan zal ik weten dat gij door mij Israël
38       redden zult, zooals gij toegezegd hebt.\' En het geschiedde zoo: toen hij
den volgenden morgen opstond en de vacht uitwrong, perste hij er den
39       dauw uit, eene schaal vol water.\' Daarop zeide Gideon tot God: Uw
toorn ontbrande niet tegen mij wanneer ik nog ditmaal spreek. Laat
mij nog eens eene proef met de vacht nemen; nu blijve alleen de
40       vacht droog, terwijl op het geheele land dauw valt.\' En in dien
nacht deed God zoo: alleen de vacht bleef droog, en op het geheele
land viel dauw.
geven van den naam Jerubbaiil, die waarschijnlijk .boiilstrijdcr\', desnoods .llaiil strijdt\' of .zal strij-
den\', in geen geval ,rlaiil zal tegen hein strijden\' heteckent. Zie op 11:11, ook op 2 Snm. XI: 21.
25. tini mannen uit uwe knechten, naar gissing ingevoegd, in overeenstemming met vs. 27. — een
zevenjarigen ttier,
naar verb. t.j Hebr. t. den rund-slier die van uw vader ia en een zevenjarigen, den
tweeden, ttier.
Ook in vs. 20, 28 is in grondt, bij den stier het woord den tweeden gevoegd, door
iemand die den bedorven tekst van vs. 25 vóór zich had. — den gewijden boomstam. Zie op Kxocl.
XXXIV: 13.
20. dezer sterkte. Welke plek hiermede aangeduid wordt, is onbekend; wellicht eene hoogte waarop
de burg van Ofra stond. Op deze sterkte volgt in grondt, nog een woord (met den houtstapel? in de
slagorde?),
dat als hier onverstaanbaar is weggelaten.
33.  den Jordaan, duidclijkhcidshalve ingevoegd. — de vallei van Jizreël, Zie op Joz. XVII: 10.
34.  bekleedde ziek de geest van Jahwe met. Dezelfde uitdrukking voor „de geest bezielde" of „kwam
op iemand" 1 Kron. XII: 18; 2 Kron. XXIV: 20; Job XXIX: 14. — de Abiëzrieten, GiAeon» ver-
wanten.
Dat dezen hem volgden is stellig bestanddeel der oude overlevering geweest; zie VIII: 2. De
jongere verbaier voegt er in vs. 35 de overige geslachten van Mnuassc cu nog drie stamman bij, om
VII: 1—7 voor te bereiden; zie aldaar.
-ocr page 480-
MCHTBRBN VII: 1 —11.
560
VII: 1 Des morgens maakte zich Jerubbaiil, dat is Gideon, met al het volk
dat bij hem was op en legerde zicli aan de bron Harod, terwijl liet
kamp der Midianieten zich ten noorden van hem, van den Leeraars-
y heuvel af\', in de vallei uitstrekte.\' En Jahwe zeide tot Gideon: Gij
hebt zoo veel volk bij u dat ik Midian niet in hunne hand wil geven;
opdat Israël zich niet verhoovaardige tegen mij, zeggende: Mijne eigen
.\'] hand heeft mij gered.\' Kondig daarom ten aanhooren van het volk af:
Wie bevreesd en hang is keere terug! Zoo schiftte Gideon hen. En twee
en twintig duizend man van het volk keerden terug; er bleven tien
4       duizend over. \' Maar Jahwe zeide tot Gideon: Nog is het volk te
talrijk. Voer hen af naar liet water, opdat ik hen daar voor u schifte.
De man van wien ik tot u zeggen zal dat hij met u mag gaan, die
ga met u, en ieder van wien ik tot u zeggen zal dat hij niet met u
5       mag gaan, die zal niet medegaan.\' Zoo voerde hij het volk af naar
het water; waar Jahwe tot Gideon zeide: Allen die met hunne tong
uit het water lekken, zooals een hond lekt, moet gij afzonderlijk zetten;
desgelijks allen die zich op hunne knieën nederlaten, om met de hand
0 het water naar den mond te brengen en zoo te drinken.\' Het aantal
nu dergenen die lekten was driehonderd man; al de overigen hadden
7       zich op de knieën gebogen om water te drinken.\' En Jahwe zeide tot
Gideon: Door die driehonderd die gelekt hebben zal ik u redden en
Midian in uwe hand geven; al de anderen kunnen naar huis gaan.\'
8       Toen namen zij den mondvoorraad en de bazuinen van het volk tot
zich en zond hij de overige Israëlieten weg, ieder naar zijne tent:
maar die driehonderd man hield hij bij zich. Inmiddels was het kamp
der Midianieten beneden hem in de vallei.
9           In dien nacht zeide Jahwe tot hem: Sta op, daal af in het kamp;
10       want ik geef het in uwe hand.\' Indien gij bevreesd zijt af te dalen,
11       begeef u dan met uw knecht Pura naar het kamp\' en luister wat zij
daar spreken. Dan zult gij moed vatten en in het kamp afdalen.
Dientengevolge begaf hij zich met zijn knecht Pura naar de plaats
waar de verst vooruitgeschovenen der gewapende manschap in het
1—8. Dat Giilcon niet een klein aantal krijgers de Mitlianicteu overwon is zeker overeenkomstig
ile oude overlevering, VI: 34; VIII: 2. Mnur terwijl (leze inhield dat dit getal zoo gering was omdat
alleen zijn gcslaeht, Abiézcr, hem volgde, is het hier Juhne\'s uitdrukkelijke wil dat hij met weinigen
zal strijden; opdat het blijken zou dat Jahwe Israëls redder was. Deze tegenstelling, van de hulp die
Juhwe geeft met die welke door menschen wordt aangebracht, speelt cene grootc rol in het gods-
dienstig leven der Israëlieten; verg. o. a. 1 Saiu. XIV: 6; XVII: 47; 2 Kron. XX: 15; Ps. XX: 8;
XXXIllïKl—19| CXLVimOv.i Spr. XXI:31; Jez. XXXI:1—3; Hoz. 1:7; 1 Makk. 111:18;
2 Makk. XV: 27. Zij leidde soms tot de vermaning op Jahwe alleen te vertrouwen, met versmading
van wercldsehe middelen tot redding, als legers, vestingen, bondgenootcu, gcueeshccrcn; zie b. v. 2
Kron. XVI: 12; Jez. XXX: 15; Jcr. XVII: 6.
1. de bron Harod, onbekend, maar eene plaats Harod komt voor 2 Snm. XXIII: 25; 1 Kron.
XI: 27. — den Leeraartheueel, onbekend. Misschien is de tekst bedorven en moet gelezen worden
den heuvel Taior; zie VIII: 18. — de vallei, die van Jizrccl, VI: 33. Waarschijnlijk worden wij hier
aau dcu uoordoostelijkcn hoek, ten noorden van den Gilboa, verplaatst.
3. Verg. Deut. XX: 8. — Zoo schiftle Gideon hen, volg. verb. t. — Kn — terug. Zooveel vrees
boezemde het talrijke leger der Midianieten in.
5. om — en zoo, volg. verb. t., gedeeltelijk met verplaatsing van ecnigo woorden uit vs. 6. — De
1>rocf dient niet, om of do krijgshaftigstcn, 6f — tot vergrooting van het wonder — de minst kloe-
Eeu uit te kiezen; zij is een willekeurig gekozen middel om de tienduizend tot een klein getal te
verminderen.
8. Toen — weg. Zoo wordt bij voorbaat verklaard, hoc die driehonderd aan zoovele kruiken en
bnzuinen kwamen als zij in vs. 16—22 blijken bij zich te hebben. —naar xijne tent, eent uit Aen ow\\en
tijd bewaarde spreekwijze voor „naar huis"; Dcut. XVI: 7; 1 Sam. IV : 10; XIII: 2; 2 Sam. XX:];
1 Kon. VIII: 66; XII: 16; Ps. LXIX:26; CXXXII:8.
Ui—15. Vreemd is het dat Gideon na het wonder mot de vacht weder ceno gcloofsvcrsterking
noodig heeft. Deze voorstelling zal wel cou gevolg zijn van het samengesteld karakter van ons verhaal.
11. zult — vatten, letterlijk zullen uwe handen iierk worden; ovenzoo 2 Sam. 11:7; Zach. VIII: 9;
verg. op 1 Sam. XXIII: 16.
-ocr page 481-
561
iuchteren VII: 11—24.
12       kamp gelegerd waren.\' De Midianieten nu, de Amalekieten en al de
Oosterlingen lagen in de vallei, talrijk als sprinkhanen, hunne ka-
meelen waren ontelhaar als de zandkorrels aan liet strand der zee.\'
13       Toen Gideon het kamp binnenkwam, vertelde juist een man aan zijn
makker een droom; hij zeide: Ik heb een droom gehad: een gebakken
gerstenbrood kwam in het kamp der Midianieten rollen, bereikte de
tent, sloeg ze neder, wierp ze ten onderst boven, en daar lag de tent!\'
14       Zijn makker antwoordde: Dat kan niet anders zijn dan het zwaard
van Gideon, den zoon van Joas, den Israëliet. God heeft de Midianieten
15       en het geheele kamp in zijne hand gegeven.\' Zoodra Gideon dien droom
had hooren vertellen en uitleggen, wierp hij zich ter neder, waarna
hij in de legerplaats der Israëlieten terugkeerde en zeide: Maakt u
op; want Jahwe geeft het leger der Midianieten in uwe hand.
10          Nu verdeelde hij de driehonderd man in drie benden, stelde aan
allen bazuinen en ledige kruiken ter hand, in elke kruik een fakkel,\'
17       en zeide tot hen: Wat gij mij ziet doen moet gij ook doen. Zie, wan-
neer ik aan den rand van het kamp ben gekomen, dan moet gij doen
18       zooals ik doe.\' Wanneer ik en allen die mij vergezellen de bazuin
steken, dan moet ook gij de bazuin steken rondom het geheele kamp
en roepen: Voor Jahwe en Gideon!
19           Gideon nu en de honderd man die hem vergezelden kwamen aan
den rand van het kamp bij het begin van de middelste nachtwaak,
toen men juist de schildwachten had uitgezet; zij stoken de bazuin en
20       sloegen de kruiken die zij in de hand hadden stuk.\' Hierop staken de
drie benden de bazuin, braken de kruiken, grepen met de linkerhand
de fakkels, terwijl zij in de rechterhand de bazuinen hadden om er op
21       te blazen, en riepen: Het zwaard van Jahwe en Gideon!\' Terwijl zij
op hunne plaatsen rondom het kamp bleven staan, ging het geheele
22       leger ijlings schreeuwend op de vlucht. \' En toen zij de driehonderd
bazuinen stoken, keerde Jahwe het zwaard van den een tegen den
ander in liet geheele kam]), en het leger vlood tot lieth-hassjitta, naar
Sereda, tot den oever van Abel-mehola, bij Tabbath.
23           Hierop verzamelden zich de Israëlieten uit Naftali, Azer en geheel
24       Manasse en vervolgden de Midianieten.\' ()ok zond Gideon boden in het
geheele gebergte van Efraim met den last: Daalt af, Midian te gemoet,
en bezet de wateren tot Beth-bara en den Jordaan, zoodat zij er niet
over kunnen. Zoo verzamelden zich alle Efraimieten; zij bezetten de
13. een gebakken gerstenbrood, zinnebeeld van de landbouwers, zooals de tent van de rondzwervende
Midianieten. Het enkelvoud ile tent dient niet om eeue bepaalde tent, b. v. die van den aanvoerder,
aan te duiden, maar is een tegenhanger van het enkelvoud een brood.
10. in — fakkel. Duidelijk is de voorstelling niet. Of men stak den fakkel met het niet brandende
eind in de kruik, om ze samen in cene hand te kunnen dragen, terwijl men in de andere de bazuin
had, öf men stak het brandende eind er in, opdat het licht eerst zichtbaar wierd als de kruiken
werden stukgeslagen. Waarschijnlijk bedoelt de verhalcr het laatste.
17.   Onvermeld blijft het bevel dat de drie benden zich naar verschillende punten moesten begeven.
— Wat gij mij ziet doen, zeer onzekere vertaling.
18.   rondom het geheele kamp. Evenzoo vs. 21. Do schrijver verzuimt zich duidelijk te maken, hoc
drio benden van honderd man ecu kamp van 135.000 mnn (VIII: 10) konden omsingelen, of zelfs
binnen weinige uren van drie ver van elkander verwijderde punten gaan bestoken.
19.  de middelste nachtwaak. Zie op Exod. XIV ! 24.
22. in, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. en in. — De opgave der plaatsen waarheen de Midianieten vloden
is zoo onduidelijk dat het zelfs niet blijkt hoovelc richtingen hier aangegeven zijn. — Beth-haitjitta,
.Acaeicnhuis\', komt elders niet voor en lag waarschijnlijk ten noordwesten van Heth-sjean. — Sereda,
volg. hss. en Syr. vort., komt 1 Kon. XI: 20, 43; 2 Kron. IV: 17 voor (verg. op Joz. 111:10); Hebr.
t. Serera, onbekend; evenals Tabbath. — Abel-mehola. \'/Ais op 1 Kon. IV: 12. Daar deze plaats in het
•Tordaandal Ing, wordt met haar oever wellicht de rand van het Jordnandal in hare nabijheid bedoeld.
22. Volg. VI: 35 waren dezelfde stammen benevens Zcbulon reeds vroeger opgeroepen, rnnar op
Jtthwe\'s last voor het grootste deel weder weggezonden; verg. Inl.
24. Beth-bara, onbekend, wellicht verminkt uit Beth-abara, d. i. .Vcerhuis\'.
O. T. I.                                                                                                                           30
-ocr page 482-
richtkmjn VII: 24—VIII: 12.
562
25 wateren tot Beth-bara en den Jordaan,\' grepen twee Midianietische
vorsten, Oreb en Zei;]), doodden Oreb bij den Ka vensteen en Zeëb bij
de Wolvenpers, vervolgden de Midianieten en brachten de hoofden van
VIII: l Oreb en Zeëb bij Gideon, aan de overzijde van den Jordaan.\' Toen
zeiden de Kfraimieten tot hem: Waarom hebt gij ons dit aangedaan,
dat gij ons niet opriept toen gij de Midianieten gingt bevechten i En
2       zij voeren hevig tegen hem uit. \' Maar hij zeide tot hen: Wat heb ik
nu gedaan gelijk aan hetgeen gij deedt? Is niet Efraims nalezing meer
3       waard dan Abiëzers oogst?\' In uwe hand heeft God de Midianietische
vorsten Oreb en Zeëb gegeven. Wat heb ik kunnen doen gelijk aan
hetgeen gij deedt.\' Toen hij zoo sprak, bedaarde hunne opgewonden-
heid tegen hem.
4           Gideon nu kwam aan den Jordaan en trok dien over met de <Irie-
5       honderd man die hem vergezelden, vermoeid en hongerig.\' En hij zeide
tot de inwoners van Sukkoth: Geeft toch eenige bronden aan mijne
manschappen; want zij zijn vermoeid, en ik vervolg de Midianietische
6       koningen Zebah en Salmunna.\' Maar de overheden van Sukkoth zeiden:
Houdt gij de vuist van Zebah en Salmunna reeds vast, dat wij aan uwe
7       legerbende brood zouden geven ?\' En Gideon zeide: Hiervoor zal ik,
wanneer Jahwe Zebah en Salmunna in mijne hand geeft, uw vleesch
8       dorsenen.\' Van daar trok bij op naar Penuël en deed haren inwoners
hetzelfde verzoek; maar zij antwoordden hem evenals die van Sukkoth.\'
9       Toen zeide hij ook tot de inwoners van Penuël: Wanneer ik in vrede
terugkeer, zal ik dezen toren omverwerpen.
10           Zebah en Salmunna nu waren in Karkor, met hun leger, ongeveer
vijftien duizend man sterk, al wat overgebleven was van het geheele
leger der Oosterlingen; honderd twintig duizend man die het zwaard
11        voerden waren gevallen.\' En Gideon trok op langs den weg der tent-
bewoners, ten oosten van Nebo en Jogbeha, en versloeg het leger, dat
12       geen gevaar duchtte.\' Zebah en Salmunna namen de vlucht, maar hij
vervolgde hen en nam de beide Midianietische koningen Zebah en
Salmunna gevangen, nadat hij het geheele leger uiteengejaagd had.
25. Oreb beteckent ,rnaf\', Zt\'èb ,\\volf\'. Waarschijnlijk heeft de vorhaler du Midianietische vorsten
zoo genoemd om de namen Ravensteen en Wolvenpers te verklaren, bij welke plaatsen de overlevering
zeide dat eenmaal de .Midianieten verslagen waren; zie Jez. X: 20. — aan — Jordaan. Dit is in
strijd met VIII: t, waar Gideon eerst overtrekt, en blijkbaar van een anderen schrijver (zie lul.).
Maar het geheele slot van het vers strookt niet met VTII: 1—3. Immers, door aan Gideon de hoofden
der vcrslngcn vorsten te brengen erkennen de Kfraimieten hem als heer, eu hoc kunnen zij dan tcr-
zclfdcr tijd hevig met hem twisten? Wnarsehijnlijk kende de schrijver ccuc oude overlevering, volgens
welke de Kfraimieten de eigenlijke ovcrwinnaurs van Midiun waren, en brengt hij haar op deze wijze
in verband met de plaats die Gideon in zijn verhaal inneemt.
1.    Waarom — bevechten.\'\' Hetzelfde verwijten de Kfraimieten Jefta in den oorlog tegen de Ammo-
nictcn, XII: 1.
2.    Is — tmii.it.\' Deze zegswijze kan oorspronkelijk even goed de uiting van den trots van het
machtige Kfraim tegenover het kleine Abiczcr, als die der bescheidenheid van Abiëzers aanvoerder
geweest zijn.
4.   trok — over, volg. Gr. vert.; Hebr. t. overtrekkende. — hongerig, volg. Gr. vert.; Hebr. t.
vervolgende.
5.   Sukkoth. Zie op Gen. XXXIII: 17.
0. Zij vertrouwden niet dat Gideon zijn doel bereiken zou, en waren bevreesd voor de wraak der
Midianieten.
7.    Na dorsenen heeft grondt, nog en doornen der woestijn en stekelplanten, dat uit vs. 10 hierheen
is verdwaald. Welke straf bedoeld wordt is niet duidelijk; misschien doodgcesclen.
8.   Venuel. Zie op Gen. XXXII: 80.
10.   Karkor, onbekend.
11.  den weg der tentbewoners, waarschijnlijk den grootcn karavnnnweg van Damaskus naar Arabic. —
Nebo, volgens geringe tekstverandering; Hebr. t. Nobah. Deze plaats lag echter in het noordoosten
(zie op Num. XXXII: 12), terwijl wij hier, blijkens Jogbeha (zie Nuni. XXXII: 85), in het zuidoosten
verplaatst worden; waar ook Nebo lag (zie Num. XXXII: 38). — dat — duchtte. Ongeloofelijk, indien
dit een overschot vnu het uit elkaar gejaagde leger is; maar in het oorspronkelijke verhaal was het
dit niet. Zie lul.
-ocr page 483-
mciiTEHKN VIII: 13—27.                                      563
13, 14 Uit den strijd teruggekeerd, \' ving Gideon, de zoon van Joas, een
knaap op uit de inwoners van Sukkoth, die op zijne navraag voor liein
de overlieden en oudsten van Sukkoth, zeven en zeventig man, op-
15       schreef.\' En toen hij tot de inwoners van Sukkoth kwam, zeide hij:
Hier hebt gij nu Zebah en Salmunna, waaromtrent gij, mij honende,
gezegd hebt: Houdt gij de vuist van Zebah en Salmunna reeds vast,
16       dat wij aan uwe vermoeide mannen brood zouden geven?\' Toen nam
hij de oudsten der stad in hechtenis, en nam doornen der woestijn
en stekelplanten, waarmede hij de inwoners van Sukkoth dorschte.\'
17       Ook wierp hij den toren van Penuël omver en doodde de inwoners
der stad.
18           Hierna zeide hij tot Zebah en Salmunna: Wie waren toch de mannen
die gij op den Tabor gedood hebt^ Zij zeiden: Uws gelijken, konings-
19       zonen van gestalte.\' Hij zeide: Dat waren mijne broeders, de zonen
mijner moeder. Zoo waar als Jahwe leeft, hadt gij hen in het leven
20       gelaten, ik zou u niet dooden.\' Toen zeide hij tot Jether, zijn oudsten
zoon: Sta op, dood hen. Maar de knaap trok zijn zwaard niet uit: hij
21       was bang; want hij was nog jong.\' En Zebah en Salmunna zeiden:
Sta zelf op en val op ons aan; want zooals de man, is zijne kracht.
Toen stond Gideon op, doodde Zebah en Salmunna en nam de maantjes
die hunne kameelen aan den hals droegen.
22            Nu zeiden de Israëlieten tot Gideon: Heersch over ons, en niet alleen
gij, maar ook uw zoon en uw kleinzoon; omdat gij ons uit de hand
23       der Midianieten gered hebt.\' Maar Gideon zeide tot hen: Ik zal over
u niet heerschen; ook mijn zoon zal over u niet heerschen; Jahwe zal
over u heerschen.
24           Voorts zeide Gideon tot hen: Laat mij u iets verzoeken. Ieder van
u geve mij een ring uit zijn buit — want, daar het Ismaëlieten waren,
25       droegen zij gouden ringen.\' Zij zeiden: Gaarne geven wij ze — spreid-
den een kleed uit en wierpen daarop ieder een ring uit zijn buit.\'
26       Het gewicht der gouden ringen waarom hij gevraagd had was zeven-
tienhonderd sikkelen, behalve de maantjes en oorknoppen en purperen
gewaden die door de Midianietische koningen gedragen waren, en de
27       ketenen aan de halzen hunner kameelen.\' En Gideon maakte hiervan
een efod, dien hij in zijne woonplaats Ofra zette. Daar boeleerde gansch
Israël dien efod achterna en werd hij voor Gideon en zijn huis ten valstrik.
13. Na dit vers heeft Hete. t. nog twee onverstaanbare woorden, waarschijnlijk ecne verschrijving
van de voorafgaande.
10. dorschte, volg. Gr. vert., in overeenstemming met vs. 7; Hcbr. t. deed kennen.
18.   Wie waren toch, volg. vert. t.j Hobr. t. Waar waren? — Van dien dood der broeders van
Gideon is in het voorgaande geen melding gemaakt. Waarschijnlijk stond hiervan iets in het verhaal
dat door VI, VII verdrongen is; zie lul. — Over den Tabor zie op Joz. XIX: 12.
19.  Over den plicht der bloedwraak zie op Nnm. XXXV: 12 v. on verg. op Gen. IX: 5.
20.  Jether, dezelfde naam als Jetro, die van Mozcs\' schoonvader, Exod. 111:1.
21.   zooals — tracht. Zij vreezen cen langcren doodstrijd: een knaap kon hen niet met vaste hand
treffen. — de maantjes. Zulke voorwerpen komen Jez. III: 18 ouder de sieraden der Jeriizalcinsche
vrouwen voor en deden zeker ook als amuletten dienst.
22 v. Deze weigering van de erfelijke koningswauidighcid door Gideon is in strijd met IX : 2 (verg.
IX: 28), volgens welke plaats hij wel degelijk over Sichcm gehcerscht heeft. Zij is verdicht om de
kloof tusschen Gideon en Abimclcch zoo breed mogelijk te maken (verg. lul.), en is in den geest vnn
1 Sun. VII: 2—VIII: 22 j X:17—19, een der jongste gedeelten van Samtiel, en van IX: 8—15. —
Het koningschap in elk geval af te keuren, zooals hier geschiedt, kon in den koningstijd bezwaarlijk
bij iemand opkomen, wel na den ondergang van Juda.
24. ring, hetzij ncusring (zie op Gen. XXIV: 22), hetzij oorring (Gon. XXXV: 1). — Ismaëlieten
In Gen. XXV: 13—15 wordt Midian niet onder Ismacls zonen opgenoemd. De naam Ismaelieten duidt
hier waarschijnlijk alle Hcdowieneu aan.
20. zeventienhonderd sikkelen, ongeveer 29 kilo. — oorknoppen, ook Jez. 111:19 vermeld.
27. een efod. Dit woord duidt somtijds ontwijfelbaar een priesterlijk schouderklccd aan (zie op
Exod. XXVIII: 0—14), maar hier on cldors (XVII: 5; XVIII! 17—21; 1 Sam. XIV : 3, 18; XXI: 9;
-ocr page 484-
RIOHTBRKN VIII : 28— 35.
504
28          Zoo werden de Midiiinieten voor de Israëlieten vernederd en staken
het hoofd niet meer op; en het land had in Gideons tijd veertig
jaar rust.
2!)          En Jerubbaül, de zoon van Joas, ging heen en vestigde zich in zijn
30       Imis.\' Gideon had zeventig zonen, lijfelijke zonen; want hij had vele
31       vrouwen.\' Kn ook zijne bij vrouw in ftichem haarde hem een zoon, dien
32       liij den naam Abimelecb gaf.\' Gideon, de zoon van Joas, stierf hoog-
hejaard en werd hegr.iven in de grafstede van zijn vader Joas, te Ofra
der Abiëzrieten.
33           Nadat Gideon gestorven was, boeleerden de Israëlieten weder de
34       haals achterna en maakten zich den Verbondsbaai ten God.\' De Israi;-
lieten dachten niet aan Jahwe, hun god, die hen had verlost uit de
35       hand van al hunne vijanden rondom,\' en bewezen geen liefde aan liet
huis van Jerubbaül Gideon, voor al het goed dat hij Israël gedaan bad.
XXIII:9; XXX:7; Iloz. 111:1) een ander heilig voorwerp, volgens sommigen een beeld van Jnbwe,
waarschijnlijker echter de kist waarin het orakclwcrktuig bewaard werd. — Daar — vaUtrik. Hicr-
mede wordt de «eredienst te Ofra als een afgodische, althans Jahwe zeer onwelgevallige, gebrandmerkt.
In het oorspronkelijke verhaal werd waarschijnlijk, als Bene natuurlijke, zelfs lofwaardige, daad ver-
hnald dat Gideon, de grondlegger der eerste heerschappij in Isrucl, een ceredienst tot wijding van
haar heeft ingericht.
28. Aanteckeiiing van den Dciiteronomischen bewerker van het bock.
2U. Zeker een bestanddeel van bet oorspronkelijke verhaal, een deel dat nu vreemd staat na het stuk
over den ceredienst dien hij te Ofra stichtte.
30.  lijfelijke zonen, letterlijk voortgekomen uit zijne lenden. Dit wordt nadrukkelijk gezegd, omdat
ook ondergeschikte opperhoofden de zonen van een vorst hectcn.
31.  zijne bijvrouw te Siehem. Dit zou eene Israelictische kunnen geweest zijn, maar de schrijver bc-
doelt blijkbaar dat het cene Kutiaünietische was. Met deze vermelding van Abintclcehs afkomst wordt
zijne geschiedenis ingeleid en reeds bij voorbaat het slechte karakter zijner heerschappij verklaard.
33. t/en Verbono\'sbai/l, IX: 10 den Verbondtgod, waarschijnlijk zoo genoemd omdat hij de god was
van den stedenbnud waarover Gideon hcerschte. Keker werd ouder dien naam oorspronkelijk Jahwe
vereerd, nlthuns in zijn tempel Jahwe aangeroepen; maar voor den schrijver is deze baal een afgod.
35. Jerubbaül Uideon. Ken van beide namen, waarschijnlijk Jerubbaül, is later ingelascht; verg. lid.
HOOFDSTUK IX.
Abiinelcch. — Abimclceh, de zoon van Jerubbaül, haalt de Sichcmictcii over, om zich liever door
hem dan door zijne zeventig broeders te lnten beheerschen, en brengt met hunne hulp al die broeders
om bet leven, uitgezonderd Jotham, die aan de slachting ontkomt (1—5). De Sichemieteu huldigen
Abimclceh, en Jothnm houdt hun bij die gelegenheid eene fabel voor, van de hoornen die ecu koning
wenschten, en die, daar de edele hoornen het niet wilden zijn, zich den doornstruik lieten wclge-
vullcn (6—15); hij past haar toe op de verhouding tussehcu Abimclceh en de Sichcinietcn (10—20) cu
ontvlucht naar Hcër (21). Nadat Abimclceh drie jaar koning geweest is, komt hij op gespannen voet
C$A
mei de Siclicinicten, die hem lagen leggen (22—25); Haal en de zijnen komen in de stad en stoken
er het vuur aan (20—29). Abimelechs stadhouder geeft hem er kennis van; wuarop hij tegen Sichcm
optrekt en Gnül verslaat; deze is genoodzaakt de stad te ruimen, die daarna door Abiinelcch verwoest
wordt (30—15). Ook de toren vnn Sichcm wordt, met allen die er in zijn, verbrand (10—-1U). Daarna
neemt Abiinelcch Thobcs in, maar sneuvelt bij de bestorming van den burg (50—55). Zoo strafte God
hem en de Sichcinietcn voor al het bedreven kwaad (50 v.).
In dit verhaal bezitten wij cene oude, in hoofdzaak geloofwaardige, overlevering. De gebeurtenis
waarvan zij de heugenis bewaarde heeft zich ongeveer aldus toegedragen: na den dood van Jerubbaül,
die over Sichcm en den omtrek geheerscht had, maakte zich zijn zoon Abimclceh met geweld van
den troon meester. Deze, de zoon eener Kanaünietische vrouw, was geen ijverig handhaver van de oud-
Isriiclictisehc zeden. Dientengevolge kwam de Israelictische partij tegen hem in verzet, en toen zekere
Guül zich aan hare spits stelde, werd deze wel door Abimelechs stedehouder, Zclml. verdreven, maar
ging Abimelechs rijk toch ten gevolge dier verdeeldheden te gronde (verg. inl. op Gen. XXXIII: 18—
XXXIV: 31). De mislukking dezer poging om een koninkrijk in Israël te stichten is den stam Ma-
nnssc, waartoe Jerubbaül en Abiinelcch behoorden, op verlies zijner macht, zelfs op dat van een deel
zijner woonplaatsen teil westen vnn den Jordnan, te staan gekomen (verg. inl. op Gen. XIjVII:28—
XI,VIII:22).
De schrijver van het verhaal begreep het belangrijke dezer gebeurtenis niet en geeft om geen dui-
-ocr page 485-
K1CHTBRBN IX : 1—9.
ÖC5
delijkc voorstelling van de verhouding der partijen. Zi.in cenig duel is aan te tonnen, hoc de Sichc-
mictcn en Abiniclccli door Jahwe gestrnft worden voor den moord der zeventig zonen van Jcruhhnül;
waarop hij ook de faliel vnn Jotham toepast, die oorspronkelijk eene geheel andere, in het verhaal
misplaatste, beteckenis had (zie op vs. 8—15).
IX: 1 Abimelech, de zoon van Jerubbaül, ging naar iSichem, tot <le broe-
ders zijner moeder, en sprak tot ben en liet gelieele gedacht van de
\'2 lii in il ir zijner moeder: \' Spreekt tocb tot al de burgers van Hichem:
Wat is beter voor u, dat zeventig mannen, alle zonen van Jerubbaül,
over n heerschen, of «lat éen man over u heerscht.\' En dan moet gij
Ji bedenken dat ik uw been en vleescb ben.\' Toen spraken de broeders
zijner moeder in dien geest over bem tot al de burgers van Sichem,
en bet bart van dezen neigde zich tot Abimelech; want zij zeiden:
4       Hij is onze broeder.\' Zij gaven bem dan zeventig sikkelen zilver uit
den tempel van den Verbondsbaai, en Abimelech buurde daarvoor eenige
5       loszinnige en vermetele lieden. Door ben gevolgd,\' kwam bij in bet
huis zijns vaders, te Ofra, en doodde zijne broeders, de zonen van
Jerubbaül, zeventig man, op éenen steen. Alleen de jongste zoon van
Jerubbaül, Jotham, bleef over; want hij had zich verborgen.
15           Hierop verzamelden zich alle burgers van Sichem met de gelieele
bevolking van Millo en gingen Abimelech tot koning maken bij den
7       eik van den wij-steen te Sichem.\' Toen men dit aan Jotham mede-
deelde, ging hij op den top van den berg öerizim staan, verhief zijne
stem en riep hun toe: Hoort naar mij, burgers van Sichem, opdat (Jod
8       naar u hoore!\' Eens gingen de hoornen heen om een koning over zich
9       te zalven. Zij zeiden tot den olijfboom: Wees koning over ons!\' Maar
de olijfboom zeide tot hen: Zou ik ophouden mijne vettigheid te geven,
die goden en menschen in mij eeren, en over de hoornen gaan zweven ?\'
1.   de broeden zijner moeder en het gelieele geslacht van de familie zijner moeder, de llamoriutcn,
d. i. de Kanaanietische bevolking van Sichcm; verg. op VIII: 31.
2.   En dan, als gij inziet dat de eenhoofdige regeeringsvorm de vcrkicslijkstc is en dus uit ui de
zonen van Jcruhhnül een moet gekozen worden. — uw been en vleesch. Verg. Gen. 11:23.
5. of éenen steen, desgelijks vs. IS. Wat dit beteekent, is onbekend; wcllieht: allen te gelijk.
0. Millo, waarschijnlijk eene sterkte die de stad behcerschte. Over het Millo van Jeruzalem zie
op 2 Sam. V : 1). — den eik ran den wij-steen, volgens geringe tekstverandering; grondt, een opge-
richten eik.
Waarschijnlijk wordt dezelfde heilige steen bedoeld waarvan Joz. XXIV:2fiv. gewaagt
(verg. op Gen. .XXVIII i 18). /ir over dien eik op Gen. XII: o.
7.   den top van den berg. De schrijver laat Jotham eene zoo hoogc plaats innemen opdat hij veilig
zijne rede zou kunnen houden, maar vergeet dat hij van zoo grooten afstand niet verstaan kon worden.
— Oerizim. Zie op ])eut. XI: 29.
8—15. IK\' vruchtboomcu staan uit den anrd der zaak zoo hoog aangeschreven dat daaruit de koning
der booiuen moet gekozen worden, hoewel vs. 15 de ceder, als de statigste, het verst van den doorn-
struik afstaat. Maar geen van al die kostelijke hoornen wil de koninklijke waardigheid aanvaarden, /ij
hebben hiertoe een te nuttig leven, terwijl een koning een ijdel bestaan leidt; zie op vs. !). Hieruit
volgt dat alleen iemand die niets te verliezen heeft zich de koninklijke waardigheid kun laten welgevallen.
Deze beschouwing van het kouingschap komt cenigermate overeen met die van VIII : 22 v.; zie aldaar.
8.   den olijfboom. Deze boom heeft ecu knoestigen, vaak krommen, stam met ruwe schors, en is,
schier van onderen af, met eene menigte breed uitloopende takken voorzien; de bladeren, bijna zon-
der steel, laiicctvormig cu stijf, zijn van mnt-grauwe kleur. Is dus de boom op zichzelf niet schoon,
toch is hij, als altijd biaderrijk en vnn ceu rijken opslag omgeven, een passend hcchl voor iets dat goed
gedijt, bij Isracls schrijvers voor het volk of de vromen, I\'s. L:10; CXXVIII:8; Jcr. XI:16; Hoz.
XIV: 7; Sir. XXIV: 14; L:10. Hij stond in hooge eer om zijne vrucht, die grootc waarde heeft,
79
vooral wanneer de boom goed verpleegd en veredeld is, zij zelve zorgvuldig behandeld wordt. Niet alleen
is zij, èn rauw èn ingemaakt, eene zeer gewone spijs, maar, wat haar vooral kostelijk maakt, uit haar
wordt de olie geperst, die eene der kostbaarste voortbrengselen van Palestina, evenals van andere kust-
landcn der Middellnudsehe Zit, wns en is, en olijfgaarden tot eene zeer begeerlijke bezitting mankte,
Deut. VIII\'8; XXXII: 13; XXXIII: M enz. De olijfolie diende vooreerst ter spijshercidiug: zij nam
de plaats in die bij ons de boter heeft (1 Kon. XVII: 12 enz.); dun werd zij in de lamp gebruikt
(Kiod. XXVII :2U enz.); eindelijk zalfde men daarmede het lichaam izic op Kutli 111:3) en heilige
personen en voorwerpen (zie op Gen. XXVIII : 18). Als zaak vnn waarde wordt de olie vermeld
2 Kon. XX: 18; Spr. XXI: 17, 20.
9. zaeten. Hiermede wordt waarschijnlijk bedoeld het wuiven van de tukken over andere hoornen.
-ocr page 486-
566                                       1UCHTBHBN IX : 10—24.
10       Toen zeiden de boomen tot den vijgeboom: Kom, wees gij dan koning
11       over ons!\' Maar de vijgeboom zeide tot hen: Zou ik ophouden mijne
zoetheid en mijne kostelijke vruchten te geven en over de boomen
12       gaan zweven?\' Toen zeiden de boomen tot den wijnstok: Kom, wees
13       gij dan koning over ons!\' Maar de wijnstok zeide tot hen: Zou ik
ophouden mijn most te geven die goden en menschen verblijdt, en
14       over de boomen gaan zweven.\'\' Toen zeiden alle boomen tot den doorn-
15       struik: Kom, wees gij dan koning over ons!\' En de doornstruik zeide
tot de boomen: Indien gij te goeder trouw mij tot koning over u zali\'t,
komt dan toevlucht zoeken in mijne schaduw; maar zoo niet, dan zal
vuur uitgaan van den doornstruik, om de cederen van den Libanon
1(3 te verteren.\' Derhalve, indien gij te goeder trouw en onberispelijk hebt
gehandeld door Abimelech tot koning te maken — indien gij goed
hebt gehandeld jegens Jerubbaül en zijn huis en hem naar verdienste
17       vergolden hebt,\' gij, voor wie mijn vader gestreden en zijn leven in
de waagschaal gesteld en die hij uit de hand van Midian verlost heeft,\'
18       terwijl gij heden opgestaan zijt tegen het huis mijns vaders, zijne zonen,
zeventig mannen, op éenen steen gedood, en Abimelech, den zoon zijnor
slavin, tot koning over de burgers van iSichem gemaakt hebt, omdat
1\'J hij uw broeder is —\' indien gij, zeg ik, heden te goeder trouw en
onberispelijk met Jerubbaül en zijn huis hebt gehandeld, verheugt u
20       dan in Abimelech, en laat hij zich ook in u verheugen.\' Maar indien
niet, dan zal een vuur van Abimelech uitgaan, om de burgers van
iSichem en het huis van Millo te verteren, en een vuur zal uitgaan
van de burgers van Siehem en het huis van Millo, om Abimelech te
21       verteren.\' Hierop nam Jotham de vlucht, ontvlood en ging naar Beer,
waar hij bleef wonen, zich bergend voor zijn broeder Abimelech.
22, 23 Nadat Abimelech drie jaar over Israël geheerscht had,\' zond God
een boozen geest tusschen Abimelech en de burgers van Siehem, en
24 handelden dezen trouweloos tegen Abimelech:\' opdat het geweld den
zeventig zonen van Jerubbaül aangedaan en hun bloed zou neerkomen
op hun broeder Abimelech, die hen gedood had, en op de burgers
van Siehem, die hem de middelen hadden verstrekt om zijne broeders
10. den vijgeboom, een boom van licht, sponsachtig huut met grootc, handvortnige, van boven don-
kere, van onderen witte en lijn behaarde bladeren. Hij schiet vaak hoog op en biedt dan heerlijke
schaduw. De vruchten zijn van oudsher geliefd; zij werden öf in natuurstaat, öf gedroogd en tot
klompen samengeperst (zie op 2 Kon. XX: 7), als spijs gebruikt; vooral de vroegst rijpe wuren ceno
lekkernij (zie op Jcz. XXVIII: 4).
12. den wijnstok. Van oudsher was Palestina uitnemend geschikt voor dezen boom. De wingerd,
die èn steenachtigen grond èn veel warmte wil, gedijt er, vooral aan de zuidelijke hcllingcu der bcr-
gen, voortreffelijk. Hij kan. langs een muur geleid, zeer hoog wordenden werd daarenboven vaak luin
staken opgehouden en in, liefst terrasgewijze, aangelegde wijnbergen/gekweekt. Om de kostbaarheid
was de wijngaard een gewoon beeld voor Israël, als het bij Jahwe geliefd en door hem goed vcr-
zorgd volk (zie op ,1e/.. V : 1). Over den wijn zie np Ren. IX: 21.
18. Verg. P». (\'IV : 15. — die goden... verblijdt, zinspeling op de* plengoffers van wijn.
15. Is de voorstelling dat alle boomen in de schaduw van den lagen doornstruik rusten lachvcr-
wekkend, het denkbeeld dat van hem vuur zou kunnen uitgaan is aan de werkelijkheid ontleend; zie
Kxod. XXII: 6. — de cederen van den Libanon, als edelste vertegenwoordigers van het plauteurijk
ook 1 Kon. IV: 38 genoemd, en 2 Kon. XIV : 0 tegenover den distel gesteld, zijn statige, brecdge-
laktc uualdbiHimen, wier schoon, wit, pittig hout voor zuilen, dnksparren, beschotten van paleizen en
tempels, ook voor beelden en masten, gebruikt werd; hun bezit werd op hoogen prijs gestold; verg.
op Jcz. XIV : 7 v. Om zijne stntigheid was de ceder het beeld van aanzien en macht, Ps. X<\'11 : 1 :l -.
Jez. 11:18 enz. Naast den ceder wordt vaak de cypres genoemd (verg. op 1 Kon. V:*". wellicht
wordt deze soms door hetzelfde woord aangeduid.
21.   Beer, onbekende plaats. Waarschijnlijk woonde daar nog een geslacht dat zich beroemde van
Jerubbaül af te stammen.
22.   over Israël, toevoegsol, wellicht van don Dcutcronomisehoii bewerker. Abimolochs heerschappij
hooft zich zoker niet vorder duu over den omtrek van Sichem uitgestrekt.
21. Achter bloed heeft Hobr. t. nog om te stellen. — die hem de middelen hadden verstrekt, letterlijk
dit zijne handen hadden gestevigd; zie vs. 4v.
-ocr page 487-
5Ü7
RICHTBKBN IX : 24—40.
25 te dooden.\' De burger» van 8icheni legden liein lagen op de bergtoppen
en plunderden allen die hen op den weg voorbijtrokken. En bet werd
Abimelech medegedeeld.
20          Toen kwam Gaiil, de zoon van Jobaal, met zijne broeders over naar
27       rMchem, en de burgers van 8ichem vertrouwden op hem;\' zij gingen
de stad uit, het veld in, oogstten hunne druiven, persten ze en brachten
dankgaven; zij kwamen in hun godshuis, aten, dronken en vloekten
28       Abimelech.\' En Gaal, de zoon van Jobaal, zeide: Wie is Abinieleeh?
wie is de zoon van Jerubbaiil, dat wij hem zouden dienen.\' Is hij niet
een rüchemiet en Zebul zijn landvoogd\' Laat de mannen van Hamor,
den vader van BJcheni, hem dienen; maar waarom zouden wij hem
29       dienen.\'\' Och of ik dit volk in mijne bami had! Dan zou ik Abimeleeh
wel wegjagen. Ik zou tot hem zeggen: Verzamel maar een talrijk heir
en trek uit!
30           Toen Zebul, de stadsoverste, hoorde wat Gaiil, de zoon van Jobaiil,
31       gezegd had, ontstak hij in toorn\' en zond boden tot Abimelech in Anima
met de tijding: Gaal, de zoon van Jobaiil, en zijne broeders zijn naar
32       iSichem gekomen en hitsen de stad tegen u op. \' Maak u dus van nacht
op met het volk dat gij bij u hebt, en leg eene hinderlaag in het veld.\'
33       Dan kunt ge morgen ochtend bij zonsopgang u opmaken en een aanval
doen op de stad; wanneer dan hij en het volk dat hij bij zich heeft
tegen u uittrekken, zult gij hem naar bevind van zaken doen.
34           Dientengevolge maakte zich Abimelech met al het volk dat hij bij
zich had «les nachts op; zij legden zich, in vier benden verdeeld, in
35       hinderlaag tegen tSichem.\' Gaiil, de zoon van Jobaiil, trad de stad uit
en ging voor de poort staan; toen nu Abimelech en zijne manschap-
36       pen uit hunne schuilhoeken oprezen,\' zag Gaiil dat krijgsvolk en zeide
tot Zebul: Zie, daar «laait volk van de bergtoppen af! Maar Zebul zeide
37       tot hem: Gij ziet de schaduw der bergen voor mannen aan.\' Doch
Gaiil ging voort en zeide: Zie, daar daalt volk van den navel «les lands,
en daar komt nog eene bende van den kant van den Wichelaarseik!\'
38       Toen zeide Zebul tot hem: Waar hebt gij nu den grooten mond waar-
mede gij zeidet: Wie is Abimelech, dat wij hem zouden dienen? Dit
is immers het volk dat gij geminacht hebt! Trek dan nu uit en be-
30 strijd het!\' Hierop trok Gaiil ten aanschouwen der burgers van Kichem
40 uit en stree«l tegen Abimelech.\' Maar Abimelech joeg hem op de
vlucht; hij vlood voor hem, en vele dooden vielen tot voor de poort.
26.  Jobaal, of Jehobaiil, hier en vs. 28, 30, 35, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Ebed. Daar Jobaiil ,.Iahwc
is baiil\' bctcckcnt en dus aanstoot gaf, is dn nnam opzettelijk veranderd (zie op II : 11), en wel zoo,
dat op den drager eene smet geworpen werd -. Ebrd beteekeut ,slaaf\'.
27.   dankgavm. Zie op lm. XIX: 21. — hun godshuis, of Art huis van hun god, den Vcrhondsbaal.
Dat hier Jahwe werd aangeroepen blijkt uit het feit dat de samenzwering tegen Abimelech er haar
beslag kreeg.
28.   Wie is de toon van Jerubbaiil f... Is hij niet een Sichemiet f naar gissing; Hebr. t. //\'«\'/• is
Sichem?
(Gr. vert. Wie is de zoon van Sichem, of een Sichemiet.\'\')... Is hij niet de zoon van Jerubbaiil f
wat geen zin geeft. De laatste vrnag moet iets smadelijk» uitdrukken, wat in dr zoon van Jerubbaiil
niet opgesloten ligt, wel in een Sichemiet, daar dit in den mond van Gaiil een Knnaanict heteckent.—
Ieial de mannen van Hamor... hem dienen, volgens geringe tekstverandering; grondt. Dient de mannen
van Hamor.
— Hamor, den Kanaiinietischen stamvader van Sichem, Gen. XXXIII: 1\'J; XXXIV; Joz.
XXIV: 82. — wij, Israëlieten.
29.   Ik zou tot hem zeggen, naar zeer onzekere tekstverbetering, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Hij zeide
tot Abimelech.
80. de slatlsoverste, Abimclechs stadhouder, vs. 28.
31. in Anima, met verandering van écne letter; grondt, in Torma. Aruma, verg. vs. 41, lag waar-
schijnlijk een paar uur ten zuidoosten van Sichem.
87. den navel drs lands. Deze uitdrukking moet, getuige het werkwoord afdalen, dat er bij staat,
eene verhevenheid of een heuvel nabij Sichem aanduiden. Kzcchicl, XXXV1II:12, noemt Kanaau den
navet der aarde.
— den Wichelaarseik. Zie op Gen. XII: 6.
-ocr page 488-
RICHTKRBN IX : 41— 57.
5G8
41            Terwijl Abiiuelecli in Aruma bleef, verjoeg Zebul Gaal en zijne broe-
42       ders, zoodat zij niet langer in Sicbem bleven.\' Den volgenden dag ging
bet volk bet veld in, en toen men dit aan Abimelech mededeelde,\'
43       nam bij zijne troepen, verdeelde ze in drie benden en legde zich in
hinderlaag op bet veld. Toen bij nu het volk de stad zag uitgaan,
44       maakte bij zicli op, overviel en versloeg het.\' Abimelech zelf deed met
de bende die hem vergezelde een aanval en bleef voor de stadspoort
staan, terwijl de twee andere benden aanvielen op allen die in het
45       veld waren en hen versloegen.\' Nadat Abimelech den gelieelen dag
tegen de stad gestreden had, nam hij haar in: waarna hij hare bewo-
ners doodde, de stad slechtte en met zout bezaaide.
4(i          Dit hooiende, gingen al de burgers van Sichems-toren in de ver-
47       schansing van den tempel van den Verbondsgod.\' Toen aan Abimelech
medegedeeld werd dat al de burgers van Sichems-toren daar bijeen
48       waren,\' besteeg hij met al het volk dat bij hem was den berg Salmon.
Hier nam Abimelech eene bijl in de hand, hakte een bundel hout af,
hief dien op zijn schouder en zeide tot het volk dat bij hem was: Wat
40 gij mij hebt zien doen, doet dat ijlings eveneens. \' Toen bakten zijne
manschappen elk een bundel, volgden Abimelech, legden het bout op
de verschansing en staken de verschansing hoven de belegerden in
brand. Zoo stierven ook alle inwoners van Sicbems-toren, ongeveer
duizend mannen en vrouwen.
50           Daarna ging Abimelech naar Tebes, legerde zich tegen Tebes en nam
51       het in.\' In het midden der stad was een sterke toren, waarheen alle
mannen en vrouwen, alle burgers der stad, vluchtten; zij sloten er
5y zich in op en klommen op het dak van den toren.\' Toen trok Abime-
lech de stad binnen tot aan den toren en streed daartegen. Maar toen
hij den ingang van den toren naderde om dien in brand te steken,\'
53       wierp eene vrouw een molensteen op Abimelechs hoofd en brak hem
54       den schedel.\' I.llings riep hij zijn wapendrager en zeide hem: Trek
uw zwaard en steek mij overhoop; opdat men niet van mij zegge:
Eene vrouw heeft hem gedood. Toen doorstak hem zijn dienaar, en hij
55       stierf.\' De Israëlieten, ziende dat Abimelech dood was, trokken af,
ieder naar zijne plaats.
56           Zoo vergold God het kwaad dat Abimelech tegen zijn vader bedre-
57       ven had, door zijne zeventig broeders te dooden; \' ook deed God al het
kwaad, door de Sichemieten bedreven, op hun hoofd wederkeeren, en
kwam over hen de vloek van Jotham, den zoon van Jerubbaül.
41.   Abimelech was buiten staat de stad dadelijk stormenderhand in te nemen; maar de geleden
verliezen hadden de burgers tegen Gaal verbitterd, zoodat de partij van Abimclceh de overhand kreeg
en diens tegenstander verdreef.
42.  ging — in, ging onbezorgd aan den veldarbeid.
44.  de bende, volg. verb. t.; grondt, t/f benden.
45.  mfl zout bezaaide, Daar woest land soms „zout land" heet, Job XXXIX :9; I\'s. (\'Vil: 34; Jer.
XVII : B. bcteckcut deze handeling, dat hij haar veroordeelde om voortaan onbebouwd te blijven. Dit
heeft evenwel hare herstelling niet verhinderd; het eerst komt zij 1 Kon. XII il weder voor.
40. Sichfms-lorm, blijkbaar eene plaats op cenigen afstand van Siehem gelegen, daar de inwoners
den ondergnng dezer stad niet aanzien, maar er van hooren, wellicht dezelfde die vs. 6 Mi/lo heet. —
de virtrhantiug, zeer onzekere vertaling. Hlijkbnar is een gedeelte van den tempel lM-docld, waar-
schijnlijk onderaardsch en met een houten dak, zoo laag dat de vijand er takkebossen op leggen kon.
48. Salmon, onbekende berg; verg. I\'s. XLVIII : 15.
1!». bovfti df bf/ffjerdfn, duidelijkheidshalvc in pi. v. boten hen.
50.   Tebes, onbekend. De plaats had het blijkbaar met Haal gehouden.
51.  aUe burgert. Grondt, en alle burgert.
53. Dit feit wordt herdacht 2 Sam. XI: 20b.
-ocr page 489-
MCUTBRBN X : 1—5.
5ܫJ
HOOFDSTUK X: 1—5.
Tol»; Jaïr. — Na Abimeleoh richt Tol» Israël op het geborgtc vun Kfraim (1 v.). Daarna Jnïr in
Gilcad (3—5).
Waaraan de schrijver van dit gedeelte (zie lul.) de bijzonderheden die hij mededeelt ontleende, weten
wij niet. Hetzelfde geldt van XII: 8—15.
X:l         Na Abimelecb stond op om Israël te redden Tola, de zoon van Pua,
den zoon van Dodo, uit Issaebar; liij woonde te Sjamir, op bet gebergte
2       van Efraim.\' JMe en twintig jaar richtte liij Israël; toen stierf bij en
werd te Sjamir begraven.
3           Na hem stond Jaïr, de Gileadiet, oj) en richtte Israël twee en twintig
4      jaar.\' Hij had dertig zonen; zij reden op dertig ezelveulens en hadden
dertig steden, die men de Jaïrs-gehuchten noemde, zooals zij tot op
5       dezen dag heeten; zij liggen in bet land (xilead.\' Jaïr stierf en werd
begraven in Kanton.
1. Tola en lhia komen Gen. XLVI:13; Num. XXVI: 23; 1 Kron. VII: 1 nis namen van geslachten
van Issnchar voor. — Sjamir. Zie op Gen. XLVI: 13. Bene gelijknamige plaats in Juda Joz. XV! 48.
3. de Oileadiet. Volg. Niun. XXX11:41 wns hij uit Muunssc.
•t. zij — ezelveulens. Hiermede worden zij uls vorsten aangeduid; zie op V : 10 en verg. XII: 14.
Waarschijnlijk dankt de,voorstelling haar ontstaan aan een woordenspel: het llebreeuwsche woord voor
ezelveulen luidt schier juist zoonis dut voor a/ad. — de Jatrt-gehMchten, Zie op Nuin. XXXII: 41.
5. Kamen, onbekend; de lezing staat niet vast.
HOOFDSTUK X:6—XII: 7.
Jcfta. — De Israëlieten gaan allerlei vreemde goden dienen en worden tot straf aan de 1\'ïlistijncn
en do Ammonictcu overgeleverd; de laatsten teisteren Israël tot in Juda toe (X: 6—!)). De Israëlieten
belijden schuld en werpen, als Jahwe hun hunne ondankbaarheid verwijt, de vreemde goden weg;
waarop Jahwe weder goed jegen9 hen gestemd wordt (10—10). Do Ammonieten legeren zich in Gilcnd
tegenover de Israëlieten, die om een geschikten aanvoerder verlegen zijn (17 v.). De Gileadiet Jefta,
uit zijns vaders huis verstouten, is vrijbuiter (XI : 1—3). Zijne hulp wordt door zijne landgenooten
tegen de Ammonieten ingeroepen, en bun toegezegd op voorwaarde dat zij hem ook na de over-
winning als hoofd zullen erkennen (4—10); waarna hij tot hoofd der Gileadiotcn aangesteld wordt
(11). Jcfta beproeft tevergeefs de Ammonieten te bewegen om Israël met rust te laten, en hen te
overtuigen dat zij geen recht hebben op het gebied hetwelk zij zich willen toeeigenen (12—28). Op
het punt tegen hen uit te trekken, doet Jcfta de gelofte dat hij, indien Jahwe hem do overwinning
schenkt, den eersten die hem uit zijn huis te gciuoct treedt aan Jahwe zal offeren (20—31). Hij verslaat
do Ammonieten (32 v.); als hij terugkeert, komt hem zijne dochter aan het hoofd van zingende en
dansende meisjes te gemoet (31); van hnars vaders gelofte hoerende, vraagt zij twee maanden uitstel;
wat hij haar toestaat (35—38). Na verloop van dien tijd volbrengt hij zijne gelofte; hetgeen de lsrnë-
lictische meisjes jaarlijks herdenken (39 v.). De Efraimictcn trekken tegen Jefta te velde, zich be-
klagondc dat hij hen niet tegen do Ammonieten to hulp geroepen heeft; hij zegt dit wel gedaan te
hebben, verslaat hen en doodt zelfs hunne vluchtelingen aan do veren van den Jordaan (XII : 1—8).
Jefta\'s regcoriugstijd, dood en begrafenis (7).
Dit gedeelte van ons bock is wederom blijkbaar niet van éeuo hand. II. X: 0—ld is eenc, door
don Deuteronomischcn bewerker, opgestelde inleiding, die niet nllccu voor Jefta\'s geschiedenis, maar
ook voor die van Simson (XIII—XVI) dienst doet (zie op vs. 7). Verder is het verhaal van Jefta\'s
onderhandeling met de Ainmonieten, XI : 12—28, een toevoegsel, dat zeer onhandig in het ouder ver-
haal ingelascht is (zie op vs. 11 en op vs. 29) en grove fouten togen de geschiedenis behelst (zie op
vs. 18 en op vs. 24). Het overige knu uit het Oude Kichtercnboek zijn on is uit twee stukken, X : 17—
XI: 11, 30—40 en XII: 1—fl samengesteld, die slecht hij elkander voegen (zie op XII: 1 on 2), en
waarvan het laatste, al heeft het wellicht ecne kern van waarheid, althans in het cijfer der verslagen
Kfraimietcn zeer overdrijft (zie op vs. 1 en op vs. 0). Het oudste en geloofwaardigste gedeelte is
X:17—XI: 11, 30—40. Dit hoeft blijkbaar ten doel, van eenc gewoonte der Gilendictischo meisjes,
jaarlijks vier trourdagen te houden, eenc verklaring te geven. Of deze de ware is, kunnen wij uit
don aard der zaak niet meer uitmaken. Maar al was zij dit niet en al had die jaarlijksebo rouwtijd
een anderen oorsprong, dun zou tueh het feit dat onze schrijver dien verklaarde uit eenc herinnering
aait Jefta\'s offer eenc belangrijke bijdrage zijn tot onze kennis van de Isruëliotischc zeden iu den
koningstijd, tocu hij zijn boek opstelde.
-ocr page 490-
570
uiCHTKUBN X : 0—XI: 2.
X : (5         De .Israëlieten gingen voort te doen wat kwaad was in Jahwe\'» oog:
zij dienden de baiils en de Astarte\'s, de goden van Anuu, van Sidon
en van Moab, die der Aiumonieten en der Filistijnen; zij verzaakten
7       Jahwe en dienden hem niet.\' Hierover ontstak Jahwe in toorn tegen
8       Israël en hij verkocht hen aan de Filistijnen en de Aninionieten.\' Zij
verpletterden en verbrijzelden de Israëlieten in dat jaar, en achttien jaren
lang, alle Israëlieten die in bet (Jverjordaansche woonden, in het land
\'J iler Amorieten die in Gilead waren.\' Zelfs trokken de Anmionieten
den Jordaan over, om ook tegen Juda, Benjamin en bet buis El\'raim
te strijden; zoodat het Israël zeer bang werd.
10           Toen riepen de Israëlieten tot Jahwe: Wij hebben tegen u gezondigd,
11       daar wij onzen god verzaakt en de baiils gediend hebben!\' En Jahwe
zeide tot de Israëlieten: Heb ik niet, toen de Egyptenaren, Amorieten,
1U Amnionieten, Filistijnen,\' Fndoniërs, Amalekieten en Midianieten u on-
lü derdrukten en gij tot mij riept, u uit hunne hand gered.\'\' Toch hebt
gij mij verzaakt en andere goden gediend; daarom zal ik u niet weder
14       redden.\' Gaat heen en roept tot de goden die gij uitverkoren hebt;
15       laat die u redden ten tijde uwer benauwdheid!\' Maar de Israëlieten
zeiden tot Jahwe: Wij hebben gezondigd. Doe met ons naar al wat u
1(5 goeddunkt; maar verlos ons toch heden.\' Ook deden zij de buiten-
landsche goden uit hun midden weg en dienden Jahwe. Nu raakte, bij
het zien van Israëls lijden, zijn geduld ten einde.
17           Toen eens de Amnionieten zich verzamelden en in Üilead legerden,
18       terwijl de Israëlieten bijeenkwamen en zich in Mispa legerden,\'zeide bet
volk onder elkander: Wie is de man die den strijd tegen de Amnionieten
aanbinden zal\' Hij zal ten hoofdman over alle inwoners van Gilead zijn.
XI: 1 Jefta nu, de Gileadiet, was een kloek held, maar bij was de zoon
•>
eener ongehuwde vrouw, bij wie Gilead Jefta verwekt bad.\' Toen nu
Gileads vrouw hem zonen baarde en de zonen dezer vrouw opwiesen,
0.   de baiils en de Astarte\'s, als II: 13. — de goden van Aram. !><• ccnigc Arainceschc umi die in
het O. \'I\'. genoemd wordt is Kiinmon, 2 Kon. V:18; minir de schrijver heeft waarschijnlijk noch op
dezen noch op een nndcren god der Arninecrs het oog. Hij denkt in het geheel niet onii bcpnuldc
goden, muur telt de vooruunmstc ïmlmrcn vnn Israël np en laat de Israëlieten al de goden dier volken
vcrccrcn, zonder er zich rekenschap van te geven of dit waarschijnlijk is. Wat de Aromcërs hetreft,
vermoedelijk zijn dezen niet vóór den tijd vnn Dnvid binnen Israëls gezichteinder gekomen; ia den
tijd der richters woonden en heerschten in de later Arnmccsche steden, met name te Duinuskus, waar-
schijnlijk de Hittictcn.
7.   de Filistijnen. In Jcfta\'s geschiedenis worden wij ver van het lnnd der Filistijnen verplaatst;
maar dezen worden hier vermeld om bij voorbaat op XIII—XVI te wijzen.
8.   in ilal iiuir, cene raadselachtige tijdsbepaling: maar het gehcclc vers is zoo vreemd gebouwd dat
wij niet kunnen gissen wat hier gestaan heeft of hoc dit in don tekst gekomen is. — het land —
wuren, wuuixcliijnlijk cene toespeling op XI : 12—28.
\'J. Dit moet vooreerst den Ammonietcuoorlog tot eene zaak van het gansche volk en Jefta tot ecu
richter van geheel Israël maken (XII: 7), vervolgeus XII : 1—6 inleiden.
10. daar, volg. hss. en oude vertt.; Hebr. t. en daar.
11 v. De lezing van deze verzen is zeer onzeker. De Hebr. t, loopt niet af; hij luidt heb ik niet
van de Egyptenaren, Amorieten, Ammonirten, Filistijnen? l)e Sidontirs
enz. onderdrukten u enz. —
Ammonirtrn, filistijnen. Zie 111:13, 31. — NidonÜTs, of Keniciërfl. Dezen hebben nooit de Israëlieten
onderdrukt. De schrijver telt hen slechts mede op omdat hij de Israëlieten hunne goden heeft doen
aanbidden, v». 6. — Amalekieten. Zie VI: 8. — Midianietim, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Matmirten,
blijkbaar ecuo schrijffout. Zie VI—VIII.
10. Ook — weg. Verg. Gen. XXXV: 2; Joz. XXIV: 23; 1 Sam. VII: 3. — Nu — einde, en besloot
hij dus het te rolden.
17.   Gilead en Mispa. Zie op Gen. XXXI : 21 en 49.
18.   hel volk. Hierna heeft grondt, nog de overheden van Gilead. Volgens XI: 11 handelen dezen,
die XI : 5—11 altijd de oudsten van Gilead hcotcn, nnnr de opdrucht des volks.
1.   Gilead. Oorspronkelijk werd hiermede eenvoudig het laud aangeduid: Jefta, de man wiens vader
onbekend was, als vrijbuiter een verschoppeling, heet de zoon van zijn geboortegrond. Maar in dit
vcrhnnl krijgt dat land vlccsch en bloed en wordt een huisvader, wiens wettige zonen den buiten echt
verwekten bannen.
2.  eener andere mouw, cene beleefde uitdrukking voor de moeder van Gileads redder.
-ocr page 491-
571
RICHTBUBN XI: 2—19.
joegen zij Jefta weg en zeiden tot hem: (Jij zult in liet huis van onzen
3       vader niet erven; want gij rijt ile zoon eener andere vrouw.\' Zoo vluchtte
Jefta van zijne broeders weg en ging in het land Tob wonen, waar
zich loszinnige mannen bij hem voegden en met hem strooptochten
maakten.
4           Maar eenigen tijd daarna deden de Ammonieten Israël den oorlog
5       aan.\' Toen nu de Ammonieten Israël den oorlog aandeden, gingen de
0\' oudsten van Gilead Jefta uit het land Tob halen\' en zeiden tot hem:
Kom, wees ons ten aanvoerder, opdat wij tegen de Ammonieten kunnen
7       strijden.\' Maar Jefta zeide tot de oudsten van Gilead: Hebt gij mij
niet gehaat en uit mijns vaders huis weggejaagd.\' Wat komt gij dan
8       nu tot mij, nu gij in de benauwdheid zijt!\' De oudsten van Gilead
zeiden tot Jefta: Niet aldus! Nu keeren wij tot u weder, en gij moet met
ons medegaan, tegen de Ammonieten strijden en dan ons, al den inwoners
9       van Gilead, ten hoofd worden.\' En Jefta zeide tot de oudsten van
Gilead: Wilt gij dat ik terugkeer om tegen de Ammonieten te
strijden, dan moet ik, indien Jahwe hen aan mij overlevert, u ten
10       hoofd zijn.\' En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: Jahwe zal
tusschen ons richten indien wij niet overeenkomstig uw woord han-
11       delen.\' Toen ging Jefta met de oudsten van Gilead mede, en het volk
stelde hem over zich aan tot hoofd en aanvoerder; waarna Jefta al zijne
woorden voor Jahwe\'s aangezicht te Mispa uitsprak.
12           Daarna zond Jefta boden tot den koning der Ammonieten met deze
vraag: Wat hebben ik en gij met elkander uitstaande, dat gij tegen
13       mij oprukt om mijn land te beoorlogen/\' De koning der Ammonieten
antwoordde den boden van Jefta: Israël heeft, toen het uit Egypte
optrok, zich mijn land toegeëigend, van den Arnon tot den Jabbok
14       en den Jordaan. Geef mij dit dus in vrede terug.\' Hierop zond Jefta
15       wederom boden tot den koning der Ammonieten\' en liet hem zeggen:
Zoo zegt Jefta: Israël heeft zich noch het land der Moabieten, noch dat
16       der Ammonieten toegeëigend,\' Immers, toen Israël uit Egypte opgetrok-
ken was, trok het de woestijn in tot de ychelfzee en kwam te Kades.\'
17       Toen zond Israël boden tot den koning van Edom met de bede: Laat
mij toch door uw land trekken. Maar de koning van Edom gaf daaraan
geen gehoor. Desgelijks zond het boden tot den koning van Moab;
18       maar ook deze wilde niet. Zoo bleef Israël in Kades.\' Daarna trok
het de woestijn in, het land van Edom en dat van Moab om, kwam
ten oosten van het land van Moab, en legerde zich aan de overzijde
van den Arnon, zonder op het grondgebied van Moab te komen; want
19       de Arnon was de grens van Moab.\' Toen zomi Israël boden aan Hihon,
den koning der Amorieten, den koning van Hesbon, en Israël zeide tot
3. Tob, ecnc landstreek nan den voet vnn den Hermon, 2 Sam. X : 0, 8.
8. Nii:( aldus! volg. Gr. vert.; Jlebr. t. Daarom. — In Jcftu\'s verwijt lug cene weigering opgesloten.
10.  richten, letterlijk /ivoren.
11.  waarna — uitsprak. Dit heeft stellig betrekking op zijne gelofte, vs. 30 v., waarvan het nu
door de inlussching van vs. 12—28 en vs. 20 gescheiden is.
13. Geen enkele oude overlevering /.egt dat het land tusschen .Inbhok en Arnon ooit bezit der Am-
monicten geweest is. Wol staut vast dat het zuidelijk deel eens eigendom van Moab was; zie inl. op
Num. XXI: 1—XXII : 1. Inderdaad heeft al wat de schrijver vs. 15—28 zegt alleen op de Moabieten
betrekking; hij vergeet geheel dat hij van de Ainiuonieten moet spreken.
10. tot de Schelfzte. l)c schrijver heeft waarschijnlijk het oog op Eiod. XIII: 18. — en kwam te
Koites.
Zie op Num. XX : 1.
19. Over Edoins weigering zie Num. XX: 14—21. Van een verzoek aan Moab om door hun land
te trekken kon zoolang Israël te Kades was geen sprake zijn. IX.\' schrijver heeft geen juiste voorstel-
liug vau Isrncls tocht volgens de oude overleveringen.
18. Zie Num. XXI: t, 10—13.
19—22. Zie Num. XXI: 21—20.
-ocr page 492-
niCHTBKKN XI: 19—34.
57a
hem: Laat mij toch door uw land naar de plaats mijner bestemming
20       trekken.\' Maar Hihon stond Israël niet toe door zijn grondgebied te
trekken, en föhon verzamelde geheel zijn volk, waarmede hij zich te
21       Jahas legerde, en streed tegen Israël.\' Maar Jahwe, de god Israëls,
gaf\' Sihon en geheel zijn volk in de hand van Israël, dat hen versloeg;
waarop Israël het geheele lantl der Amorieten die dat land bewoonden
22       in bezit nam.\' Zij namen het gansene grondgebied der Amorieten in
bezit, van den Arnon tot den .labbok, van de woestijn tot den Jordaan.\'
23       Derhalve, Jahwe, de god Israëls, heeft de Amorieten voor zijn volk
24       Israël uit verdreven: zoudt gij hun land nu in bezit nemen.\'\' Zult gij
niet bezitten wat Kamos, uw god, u in bezit gegeven heeft, en wij
niet geheel het land welks inwoners Jahwe, onze god, voor ons uit
25       heeft verdreven.\'\' Gij zijt toch niet meer dan Halak, den zoon van Sip-
por, de koning van Moab.\' Heeft hij soms met Israël twist gezocht en
20 met hen oorlog gevoerd.\'\' Terwijl Israël in Hesbon en hare onderhoo-
rige plaatsen, in Aroër en hare onderhoorige plaatsen en in al de
steden langs den Arnon driehonderd jaar lang woont, waarom hebt
27       gij ze in al dien tijd niet verlost.\'\' Ik heb dus tegen u niet gezondigd;
maar gij handelt slecht tegen mij door mij den oorlog aan te doen.
Jahwe, die gericht houdt, richte heden tusschen de Israëlieten en de
28       Ammonieten!\' Maar de koning der Ammonieten hoorde niet naar de
woorden die Jefta tot hem had doen spreken.
2\'J          Toen kwam de geest van Jahwe op Jefta; hij trok (rilead en Ma-
nasse door, trok naar Mispe in Gilead en van daar tegen de Ammo-
30       nieten.\' En Jefta legde deze gelofte voor Jahwe af: Indien gij de
31       Ammonieten in mijne hand geeft,\' dan zal de eerste die mij uit de
deur van mijn huis te gemoet komt, wanneer ik in vrede van de
Ammonieten terugkeer, aan Jahwe toebehooren: ik zal hem ten brand-
ott\'er brengen.
32            Daarna trok Jefta tegen de Ammonieten op, om tegen hen te strij-
33       den, en Jahwe gaf hen in zijne hand: \' hij sloeg hen van Aroër af tot
bij Minnith, twintig steden, voorts Abel-keramim: een zeer zware slag!
34       Zoo werden de Ammonieten door de Israëlieten vernederd.\' Toen nu
Jefta Mispa binnentrok en naar zijn huis ging, daar kwam zijne doch-
ter het huis uit, hem te gemoet, met tamboerijnen en in dansreien.
20. stond ...toe, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. vertrouwde.
24.   humus. do god der Moabieten; zio op Nuin. XXI: 29. ])c schrijver denkt dus ook hier nnn
hen, terwijl hij Jefta tot de Ammonieten laat spreken. De god der Ammonieten was Milkom, 1
Kon. XI :5.
25.   Zie Nam. XXII: 2—XXIV: 25. — Gij — meer, hebt toch geen betere rechten? Wat hij zich
liet welgevallen kunt ook gij aanzien. Het woord meer staat in grondt, tweemaal.
20. Aroi\'r wordt in het verhaal der verovering Deut. II, III, herhaaldelijk genoemd (I)cut. 11:30;
111:12; IV: 48); in Xiiin. XXI alleen ilrsbon. — driehonderd jaar, een getal, waarschijnlijk uit de
gegevens van ltichtetm opgemaakt; zie 111:8, 11, 14, 30; IV:3; V : 31; VI: 1; VI11:28; IX : 22
X:2v.; misschien eerst later ingelnscht. —gij, in liet meervoud, uw volk.
29.   Manasse, het Overjordauuschc, Num. XXXII : 88—12. — Mispe in Oilrad, dat vs. 11 Mispa
heet; zie op Oen. XXXI: 49. — van daar tegen de Ammonieten, een afgebroken zin. in vs. 32 aan-
gcvuld door om tegev hen te strijden. Het vers is blijkbaar van den schrijver die vs. 12—28 opstelde
en inlasrhtc.
30.   I)it vers volgde oorspronkelijk op vs. 11.
31.  de eerste — komt. Zonder twijfel belooft Jefta een incnstdienofTer; verg. inl. op Gen. XXII.
Hij behoeft juist niet nau ecu slaaf gedacht te hebben. De aanvoerder en vorst kon stellig over het
leven van ieder, verwant of vrcemdo, beschikken.
32.   Aroi\'r Ing dicht bij den Arnon; Minnith en Abel-keramim, ,dc weide der wijngaarden\', noor-
dclijker, waarschijnlijk tusschen Kabbath-Ammon (Kiladcllia) en Hesbon. l)c opgaaf van het door Jefta
veroverde land is zeer vreemd, daar zij van de noordzijde had moeten beginnen. Ook laat geen andere
overlevering de Ammonieten zoo zuidelijk wonen. Waarschijnlijk heeft de steller van vs. 12—28 hier
iets veranderd.
34. met — dansreien. Desgelijks Exod. XV : 20.
-ocr page 493-
RICHTBRBN KI ! 34—XII : 6.                                     573
Zij was zijn eenig kind: hij had buiten haar zoon noch dochter. \'
35 Zoodra hij haar zag, scheurde hij zijne kleederen en zeide: Helaas, mijne
dochter! gij slaat mij geheel ter neder. (Jij zelve zijt een van hen die
mij in het ongeluk storten! Ik heb mijn mond tot Jahwe opengedaan
3(5 en kan niet terug.\' Zij zeide tot hem: Indien gij uwen mond tot
Jahwe opengedaan hebt, doe dan met mij naar uwe gelofte, nu Jahwe
U vergund heeft wraak te nemen op uwe vijanden, de Ammonieten.\'
37       Voorts zeide zij tot haar vader: Worde mij dit toegestaan: laat mij
twee maanden vrij; opdat ik mij terugtrekke in het gebergte en met
38       mijne speelnooten mijn ongehuwden staat beweene.\' Hij antwoordde:
(ia heen — en gal" haar twee maanden uitstel. Nu ging zij met hare
speelnooten heen en beweende op het gebergte haar ongehuwden staat.\'
3U Maar na verloop van twee maanden keerde zij terug tot haar vader
en voltrok hij aan haar de gelofte welke hij had afgelegd; en zij heeft
40 geen man gehad.\' Daarna werd het eene inzetting in Israël dat de
Israëlietische meisjes jaarlijks vier dagen de dochter van Jefta den
Gileadiet gingen beweenen.
XII: 1 De Efraimieten werden verzameld, trokken over naar Öafon en zei-
den tot Jefta: Waarom zijt gij uitgetrokken om met de Ammonieten
oorlog te voeren zonder ons te roepen om met u te gaan? Wij zullen
2       uw huis boven u in brand steken!\' Jefta zeide tot hen: Toen ik en
mijn volk in strijd gewikkeld waren en de Ammonieten mij zwaar ver-
drukten, heb ik u te hulp geroepen; maar gij hebt mij niet uit hunne
3       hand gered.\' Ziende dat er geen redder was, heb ik mijn leven op het
spel gezet en ben tegen de Ammonieten opgetrokken, en Jahwe heeft
hen in mijne hand gegeven. Waarom zijt gij dan heden tegen mij op-
4       getrokken om tegen mij oorlog te voeren!\' Hierop verzamelde Jefta al
de Gileadieten en streed tegen Efraim; en de Gileadieten versloegen
Efraim, omdat zij gezegd hadden: Üntkomenen van Efraim zijt gij;
5       Gilead ligt midden in Efraim en Manasse!\' Nu bezetten de Gileadie-
ten de veren van den Jordaan, om den Efraimieten den overtocht te
beletten. Wanneer dan een der ontkomen Efraimieten zeide: Laat mij
overtrekken — dan zeiden de Gileadieten tot hem: Zijt gij een Efraimiet?
(i Antwoordde hij: Neen —\' dan zeiden zij hem: Zeg dan eens sjibboleth;
en zeide hij sibboleth, zonder het goed te kunnen uitspreken, dan
grepen zij hem en brachten hem aan de veren van den Jordaan om
35. gij zelve, die om mij te huldigen mij te gemoct treedt.
30. Indien, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. Mijn vailer. — Zij weet blijkbaar niets van haara vaders ge-
lofte. — doe — gelofte. Zij begrijpt aanstond», wat Jefta slechts had doen gissen, dat zij zelve het
offer moet zijn waarvoor de overwinning gekocht is, en is bereid daarvoor haar leven te laten.
37. mij lertiglrekke in het gebergte. Er staat eigenlijk af date op het gebergte; wat geen zin geeft.
Wellicht is de tekst verminkt en heeft er oorspronkelijk gestaan: opdat ik mij begevc naar het gebergte
om enz., en dan afdnle, opdat gij uwe gelofte aan mij moogt voltrekken. — mijn ongehuwden staal
bemeene.
Was het reeds droevig jong te moeten sterven, dat zij ongehuwd en kinderloos heenging
mankte dit lot te zwaarder.
♦0. beweenen, onzekere vertaling, volgens de overlevering in de oude vertt. ncdergelegd, en in over-
ecnstcinmiug met het verhaal, waarin het droevige van haar lot op den voorgrond treedt; nndcren
bezingen.
1.   Wanneer dit geschied is, blijkt niet. De natuurlijkste onderstelling is: un Jcftn\'s overwinning,
niet: na den dood zijner dochter. Kene dergelijke klacht van de Efraimieten vinden wij VIII11. __
Safon, waarschijnlijk de Gadictischc stad, Joz. XIII: 27 vermeld; verg. op Gen. XF.VI: 10.
2.    mij... verdrukten, volg. Gr. vert. ingevoegd. — heb — geroepen, nnor verb. t. Ilicrvau lezen
wij in II. XI niets.
3.  er... tcat, volg. Gr. vert.; Hebr. t. gij ... waart.
4.   Op welken grond de Gileadieten voor weggeloopcn Efraimieten werden gescholden, cu hoc van
Gili\'jul kou gezegd worden dat het midden in Jozefs grondgebied Ing, weten wij niet.
0. ijibboleth. Het woord beteckent ,korcuaar\' of .stroom\'. — lieee m veertig duizend. Dit cijfer is
blijkbaar sterk overdreven.
-ocr page 494-
niCHTKRBN XII : 6—15.
574
het leven. Zoo vielen te «lien tijde van Efraim twee en veertig dui-
zend man.
7
           En Jefta richtte Israël zes jaren. Toen stierf Jefta, de (Hleadiet, en
werd in Safon van Gilead begraven.
7.   Israïl. lil het vcrhunl zelf blijkt dat Jefta uitsluitend in het Overjordoanschc bewind voerde.
— Sa/on, volg. Gr. vert.; verg. vs. 1 ; Ilcbr. t. dr steden.
HOOFDSTUK XII: 8—15.
Ibsan; Rlon; Alidon. — Ibsan en zijne dertig zonen en dertig dochters (8—10). Elon (11 v.).
Abdou en zijne veertig zonen en ilcrtiji kleinzonen (13—15).
Van de korte bcriehtcn over deze drie richter» geldt hetzelfde als van die over Tola en Jaïr,
X: 1—5.
Kil:8, 9 Na hem richtte Ihsan, uit Itethlehem, Israël.\' Hij had dertig zonen.
Dertig dochters zond hij buitenshuis, en meisjes voor zijne zonen bracht
10 hij van buiten in zijn huis. Hij richtte Israël zeven jaar;\' waarna
Ibsan stierf en te lJethlehem begraven werd.
Il, i\'2 Na hem richtte Elon, de Zebuïoniet, Israël, en wel tien jaar;\' waarna
Elon, de Zebuïoniet, stierf en te Ajjalon, in liet land van Zebulon, be-
graven werd.
13           Na hem richtte Abdon, de zoon van Hillel, «Ie Pireathoniet, Israël.\'
14       Hij had veertig zonen en dertig kleinzonen, die op zeventig ezelveulens
15       reden. Hij richtte Israël acht jaar;\' waarna Abdon, de zoon van Hillel,
de Pireathoniet, stierf en te Pireathon, in het land van Efraim, op het
gebergte der Amalekieten, begraven werd.
8.  Brlhlrhrm, waarschijnlijk de Zubulouictischc stad die .loz. XIX : 15 vernield wordt.
0. zond hij buitenshuis, huwelijkte hij uit. — Het groot aantal zijner zonen en schoonzonen maakte
Ibsiiu tot een invloedrijk niiiii; ut;, vs. 11 en VIII: 30 j X: 4.
12.   Ajjalon, in Zebulon, alleen hier; eene iri-li.ikn:iniiiic- stad in Dan Joz. XIX: 12; zie op Joz. X:
124, 13. De naam heeft juist dezelfde medeklinkers als die van den richter die er heet geboren en
begraven te zijn.
13.  dr Pirrathottirt. Pireathon lag waarschijnlijk een ]>oar uur ten zuidwesten van Sichem.
14.  die — reden, /ie op X:4. — hel gebergte der Amalekieten. Zie V : 14 en op Num. XXIV: 20.
HOOFDSTUK XIII—XVI.
Simson. — De Israëlieten, wederom afvallig van Jahwe, worden aan de Filistijnen prijsgegeven
(XIII: 1). Aan een echtpanr uit den stam Dan wordt, eerst aan de vrouw alleen, daarna ook aan
den man, door den engel vim Jahwe de geboorte van een zoon aangekondigd, die nazircer wezen
en Israël verlossen zal (2—23); Simson wordt geboren en bij het opgroeien door Jahwe\'s geest bc-
zield (24 v.). Hij wil eene r\'ilistijnschc uit Timna huwen (XIV :1—1), verscheurt op weg derwaarts
een leeuw, verlooft zich met het meisje, neemt, als hij ter bruiloft gaat, uit het doode lichaam honing
en ontleent dnaraan ecu rnndscl, dat hij den gasten opgeeft (5—14). Als zij dit met behulp zijner
vrouw geraden hebben, slaat hij dertig Filistijnen dood, om met hunne klcedcrcn dun inzet te bc-
talen, en verlaat zijne vrouw (15—20). Haar later met een ander gehuwd vindende, steekt hij den
oogst der Filistijnen in brand (XV: 1—5), en wreekt zich bloedig, wanneer zij uit boosheid daar-
over het huis van zijn schoonvader verbrand hebben (0—8). De Judeërs leveren hem, met zijn
goedvinden, gebonden aan de Filistijnen over, maar hij verbreekt de koorden en verslaat duizend man
met cene czelskinnebiik, die hij daarna wegwerpt (\'J—13), en waaruit, als hij van dorst versmacht,
Jahwe eene bron doet ontspringen (18 v.); hij richt Israël twintig jaar (20). In Gaza zich ophoudende,
wordt hij door de inwoners belaagd, maar draagt \'s nachts de deuren der stadspoort weg (XVI : 1—3).
Zijne minnares Delila, door de vorsten der Filistijnen omgekocht, weet hem eindelijk het geheim van
zijne kracht te ontlokken en levert hem weerloos aan zijne vijanden over (4—20), die hem, na hem
de ongen uitgestoken te hebben, in de gevangenis worpen (21). Hij een feest ter cere van den god
Dagou moet hij dansen voor de talrijke toeschouwers, maar hij rukt du boofdpilurcii van het heilig-
duiii omver en sterft met zijne vijanden (22—30); zijne verwanten begraven hem (31a). Hij richtte
Israël twintig jaar (314).
-ocr page 495-
RICHTEREN XIII: 1—9.                                             575
De krijgshaftige Filistijnen waren voor Israël zeer gevaarlijke naburen; vooral tic naast hen wonende
stammen hadden veel van hen te lijden. Zeker was het mede aan de uitbreiding hunner macht te
wijten, dat een gedeelte der Danicten, die eens de kust bij Joppc bezet hielden (Joz. XIX: 10—MS),
in het gebergte teruggedrongen, in het noorden des lauds een goed heenkomen moesten zockeu (II. XVIII).
Aan grensgevechten, strooptochten over en weer, avonturen van kaniplustigc mannen was zelden gebrek.
Over de verhouding van beide volken vóór den tijd van Saiuuel, toen de Filistijnen Israël deerlijk
benauwden (1 Sam. IV; XIII, XIV en elders), is ons, behalve de korte vermelding van Sjnnigar
(111:31), niets overgebleven dan de legenden over Simson. In deze verhalen over dien zoo jammerlijk
omkomenden strijder met zijne reuzenknicht heeft de overlevering, gelijk zij pleegt te doen, veler
heldendaden cu lotgevallen opgesmukt en samengevat. Het kan zijn dat Simson een historisch pcr-
soiiu is; maar zijn naam is van het gewone woord dat ,zon\' betcekcut afgeleid, en zoniicmythen, d. i.
verhalen waarin de zon wordt geboren, strijdt, sterft, herleeft, waren waarschijnlijk onder Israël en
zijne naburen cvcnniiu onbekend als onder schier alle auderc volken; misschien zijn hieraan dus enkele
trekken van Simsons beeld ontleend. Het eerst denken wij aan zijne lange haren, waarin zijne reuzen-
kracht school, zond at zij te loor ging toen zij werden afgesneden en terugkeerde toen zij weder aan-
grociden : zij beelden wellicht de zonnestralen af. Muur wat hiervan zij, in de Isruclictischc ovcrlevc-
riug over Simson wordt er niut meer aan gedacht.
In onze hoofdslukken, grootcndecls aan het Oude Kichtercnboek ontleend, is den woestcn, sterkeu
Filistijucudoodcr het kleed van een richter Israëls omgehangen, dat hem slecht past. i)c Dcutcrouo-
mischc bewerker, die dit deed, laat hem, na of tijdens cene overheersehing des volks door de Filis-
tijnen, Israël twintig jaar richten (XIII: 1; XV: 20; XVI: 314).
XIII: 1 De Israëlieten gingen voort te doen wat kwaad was in Jakwe\'s oog.
Daarom gaf Jahwe hen veertig jaar lang in de hand der Filistijnen.
2           Er was destijds een man uit Sorea, uit het geslacht der Danieten,
Manoah genaamd, wiens vrouw onvruchtbaar was en geen kind had
3       gebaard.\' Eens nu verscheen de engel van Jahwe aan die vrouw en
zeide tot haar: Zie eens, gij zijt onvruchtbaar en hebt geen kind, maar
4       gij zult zwanger worden en een zoon baren.\' Neem u dus in acht, geen
5       wijn of sterken drank te drinken en niets onreins te eten.\' Want zie,
gij zult zwanger worden en een zoon haren op wiens hoofd geen
scheermes zal komen; want van den moederschoot af zal de knaap een
nazireër Gods zijn. Hij zal beginnen Israël uit de hand der Filistijnen
te redden.
6           De vrouw ging naar huis en zeide tot haar man: Een godsman is
bij mij gekomen; hij zag er uit als de engel Gods, zeer verschrik-
kelijk; maar ik heb hem niet gevraagd van waar hij was, en hij heeft
7       mij zijn naam niet medegedeeld.\' Hij nu heeft tot mij gezegd: Zie,
gij zult zwanger worden en een zoon baren. Drink dus geen wijn of
sterken drank en eet niets onreins; want die knaap zal een nazireër
Gods zijn van den moederschoot af tot zijn sterfdag toe.
8           Toen bad Manoah tot Jahwe en zeide: Och Heer, laat toch de gods-
man dien gij gezonden hebt nog eens tot ons komen, om ons te leeren
9       wat wij voor liet kind dat geboren zal worden moeten doen.\' En God
verhoorde Manoah; zoo kwam de engel Gods weder tot de vrouw,
2.  Sorea. Zie op Joz. XV: 33. — trien* — gebaard. In meer verhalen wordt de geboorte van een
belangrijk persoon voorafgegaan door langdurige onvruchtbaarheid der moeder; zoo bij Izafik (Gen.
XVI: 1] XVIII : 10—lö); Samucl (1 Sam. 1); Johanncs den Doopcr (Luc. 1:7). Aldus wordt die gc-
boorte tot een wonderwerk der godheid gestempeld.
3.  de engel van Jahw<: Zie op Gen. XVI: 7.
4 v. Over dit levenslange nazircaat, alsmede over het tijdelijke, dat later in zwang kwam, zie inl.
op Num. VI: 1—21. Simsons moeder is het cenige voorbeeld van ecne vrouw aan wie cene onthou-
diugsgeloftc opgelegd wordt met het oog op het nazirecr^chap van haar nog ongeboren zoon. Tc
vreemder is dit, omdat uit het verhaal niet blijkt dat hem zelven de onthouding opgelegd is waartoe
zij verplicht wordt.
5. Hij — redden. De schrijver van dit verhaal heeft blijkbaar nog andere overwinningen op de
Filistijnen vermeld, wellicht die van Saul, 1 Sam. XIII, XIV.
0. £eu godtman. volg. Gr. vert.; Hebr. t. De godtman. De vrouw weet niet dat het de engel van
Jahwe is, vs. 10, 21.
-ocr page 496-
RICHTBRKN XIII : 9—XIV : 3.
57(5
terwijl zij oj> het veld zat en Manoah, haar man, niet hij haar was.\'
10       Ulings liep «Ie vrouw heen en deelde liet aan haar man mede, tot hem
zeggende: Zie, de man die toentertijd tot mij is gekomen is mij ver-
11       schenen.\' Toen stond Manoah op, volgde zijne vrouw, kwam bij den
man en zeide tot heni: Zijt gij de man die tot deze vrouw gesproken
12       heeft.\' Hij zeide: Ja.\' Manoah hernam: Welnu, wanneer uw woord
uitkomt, hoe moet die knaap dan behandeld en wat aan hem gedaan
13       worden.\'" Hierop zeide de engel van Jahwe tot Manoah: Ue vrouw
14       moet zich in acht nemen voor alles wat ik haar genoemd heb: \' niets
van hetgeen van den wijnstok komt mag zij eten, wijn noch sterken
drank drinken, niets onreins eten. Al wat ik haar bevolen heb moet
15       zij in acht nemen.\' En Manoah zeide tot den engel van Jahwe: Wij
zouden u gaarne eenigen tijd hier houden en een geitenbokje toebe-
10 reiden om het u voor te zetten.\' Maar de engel van Jahwe zeide tot
Manoah: Al houdt gij mij ook bij u, van uw brood eet ik niet. Maar
wilt gij een brandoffer aan Jahwe brengen, doe het. Manoah toch wist
17       niet dat liet de engel van Jahwe was.\' Voorts zeide Manoah tot den
engel van Jahwe: Hoe heet gij.\' Dan zullen wij u eeren, wanneer uw
18       woord uitkomt.\' Maar de engel van Jahwe zeide tot hem: Wat vraagt
gij mij naar mijn naam! Die is wonderbaar.
19           Nu nam Manoah een geitenbokje met een meeloffer en offerde het op
20       een rotssteen aan Jahwe.\' Terwijl nu de vlam van het altaar ten hemel
steeg, voer de engel van Jahwe in de altaarvlam op, terwijl Manoah
21       en zijne vrouw het zagen en op hun aangezicht ter aarde vielen.\' Toen
nu de engel van Jahwe niet langer door Manoah en zijne vrouw gezien
werd, begreep Manoah dat liet de engel van Jahwe geweest was.\'
22       Daarom zeide Manoah tot zijne vrouw: Wij zullen zeker sterven; want
23       wij hebben een god gezien.\' Maar zijne vrouw zeide tot hem: Indien
Jahwe ons had willen dooden, zou hij uit onze hand geen brand- en
meeloffer hebben aangenomen, noch ons dit alles hebben laten zien;
en in dat geval zou hij ons zulke dingen niet aangekondigd hebben.
24           En de vrouw baarde een zoon en noemde hem Simson. De knaap
25       wies op, Jahwe zegende hem,\' en de geest van Jahwe begon hem
onrustig te maken in Mahane-I)an, tusschen Sorea en Estaol.
XIV: 1 Eens ging Simson af naar Timna en zag daar een Filistijnsch meisje.\'
2       Bij zijne terugkomst deelde hij het aan zijn vader en moeder mede met
de woorden: Ik heb in Timna een Filistijnsch meisje gezien; neemt
3       haar toch voor mij tot vrouw.\' Doch zijn vader en moeder zeiden tot
hem: Is er onder de dochters uwer broeders en in geheel uw volk
geen vrouw, dat gij er eene gaat nemen uit de Filistijnen, die onbe-
15. Hetzelfde verzoek doet Oidcoii, VI : 18.
10. Manoali — ir,ix. Anders zou hij hein geen spijs aangeboden hebben.
17.   Dan — teren. Wisten zij den nunin van den godsiiinu niet, dan konden zij hein niet met de
hem toekomende eer vermelden.
18.   Die is wonderbaar, of een wonder, dus voor menschen onuitsprekelijk.
lü—22. Verg. VI: 19—84.
10. een meeloj/er. Ook Tolgeni de wet moest bij het vleuseh eene gave van meel of gebak en olie
gebrnt\'hl worden. — Aan bet eind van bet vers heeft grondt, nog eerst een paar woorden, die met
geringe verandering, volg. Gr. vert., beteekeneu die wonderlijk handelt; daarna terwijl Mattoon en zijne
vrouw het sagen,
wat blijkbaar uit vs. 20 herhaald is.
22. Verg. op Gen. XVI: 13.
25. onrustig te maken. Alleen hier heet dit eene uitwerking van Jahwc\'s geest te zijn. — itahane.
Dan,
il. i. ,het kamp der Danieten\'; zie XVIII: 12. — Estaol. Zie op Joz. XV: 33.
1.   Timna. Zie op Gen. XXXVIII: 12.
2.   liij zijne terugkomst, letterlijk Toen hij opging, het gebergte in, waarin Sorea en Kstaol lagen.
8. uw volk, volg. hss. en Gr. vert.; Hebr. t. mijn volk. — de Filistijnen, die oubesnedenen. Dcsgc-
lijlu XV: 18; 1 Sam. XIV:«; XVIII: 25—27; XXXI: 4 en eldera.
-ocr page 497-
mohtbbbn XIV: 3—16.                                      577
snedenen.\' Maar Simson zeide tot zijn vader: Neem haar voor mij;
4       want zij behaagt mij.\' Zijn vader en moeder wisten niet dat dit van
Jahwe beschikt was; want hij zocht eene aanleiding om met de Filis-
tijnen in twist te geraken. In dien tijd toch heerschten de Filistijnen
in Israël.
5           iSimson nu ging af, met zijn vader en moeder, naar Timna, en toen
zij aan de wijngaarden van Tim na kwamen, daar trad een jonge leeuw
\'5 hem brullend te gemoet.\' Maar de geest van Jahwe kwam op hem, en
hij scheurde hem vaneen, zooals men een bokje vaneenseheurt, zonder-
dat hij iets in de hand had. En aan zijn vader en moeder vertelde hij
7 niet wat hij had gedaan.\' Zoo ging hij af\' en sprak met het meisje, en
•S zij behaagde hem.\' Toen hij na eenigen tijd terugkeerde om haar te
huwen, week hij van den weg af\', om naar den dooden leeuw om te
zien, en zie, in het lichaam van den leeuw was een bijenzwerm en
ü honing.\' Hij nam dien in zijne hand, at er al voortgaande van, en gaf\',
toen hij bij zijne ouders kwam, er ook bun van mede, en zij aten er
van; maar hij vertelde hun niet dat hij den honing uit het lichaam
11) van den leeuw gehaald had.\' Toen nu zijn vader naar het meisje
afgegaan was, richtte tëimson daar een maaltijd aan; want zoo plachten
de jongelingen te doen.
11            Uaar zij bevreesd voor hem waren, namen zij dertig vrienden, om
12       bij hem te zijn.\' Öinison zeide tot hen: Ik wil u eens een raadsel op-
geven. Verklaart gij mij den zin in de zeven bruilol\'tsdagen en vindt
gij dien, dan zal ik u dertig opperkleederen en dertig stel kleederen
13       geven;\' maar kunt gij ze mij niet mededeelen, dan geeft gij mij dertig
opperkleederen en dertig stel kleederen. Zij zeiden tot hem: Geef uw
14       raadsel op; laat ons het hooren!\' Hij zeide tot hen:
Van den eter ging spijs uit,
van den sterke iets zoets.
15       Drie dagen lang konden zij het niet raden,\' en op den vierden zeiden
zij tot iSimsons vrouw: Haal uw man over om u de oplossing mede
te deelen. Anders verbranden wij u en het huis van uw vader. Hebt
10 gij ons hier genoodigd om ons arm te maken\'\' Toen weende de vrouw-
van Simson bij hem en zeide: Gij haat mij eigenlijk maar en hebt mij
niet lief. Want gij hebt aan mijne landgenooten een raadsel opgegeven
4. Dat Simson het meisje begeert nm twist met de Filistijnen te krijgen is in strijil met vs. 1—3,
waar hij haar begeert omdat /ij hem bekoort. Het vers is waarschijnlijk aan het oude verhaal tocgc-
vocgd door iemand die zich ergerde dat een richter van Israël eene Filistijuschc wilde huwen. Verf;,
op vs. 5—10.
5—10. In deze verzen zijn cenige woorden ingevoegd, die de toedracht der zaak onduidelijk maken.
In het oorspronkelijke verhaal gingen Simson» vader en moeder niet met hem mede toen hij met het
meisje nader kennis ging maken, en kwam hij dus alleen in de wijngaarden van Timna, waar de
leeuw hem te gemoet trad (vs. 5). Dat hij van zijne heldendaad nu niets uau zijne ouders vertelde,
sprak vanzelf en stond er niet bij (vs. 0). Hij keerde, nadat het meisje hem was blijven behngen,
niet terug om haar te huwen, maar naar zijne ouders, om hun te zeggen dat hij bij zijn voornemen
was gebleven, en om toebcreidselcn voor zijn huwelijk te maken: om haar Ie hutten is ingelnscht
(vs. 8). Daarna ging hij weder naar Timna, om het bruiloftsmaal nan te richten, vs. 10; in plaats
van zijn rader had het oorspronkelijke verhnul hij. De omwerkcr ergerde zich waarschijnlijk aan het ge-
drag vnn Simson, dio door te Timua, in het huis van een Filistijn, te gaan huwen eigenlijk een
Filistijn werd, wat van een richter van Isrncl onbegrijpelijk was, en liet daarom zijne ouders zooveel
mogelijk optreden: zoo kreeg do zaak een beteren glimp. Verg. op vs. 4.
11.  Daar — waren, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Toen zij hem zagen. — zij, de bloedverwanten der bruid.
12.  een raadtel. Hij de oplossing von een raadsel kwam het oudtijds meer aan op gelukkig gissen
dan op het vernuftig oplossen van eene moeilijkheid. Verg. 1 Kon. X : 3. — bruilofUdayen, letterlijk
maaltijdidagen; evenzoo vs. 12. — en — dien. Dit is er waarschijnlijk bijgevoegd door iemand die Sim-
sons woordbreuk (zie op vs. 19) wilde verontschuldigen; immers, de Filistijnen hadden, daar zij zijne
vrouw in den arm hadden genomen, het raadsel eigenlijk niet „gevonden".
15. den vierden, volg. Gr. vert.; Hebr. t. deu zevenden. — «, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t.
on*. — hier, volg. verb. t.; Hebr. t. niet?
O.T. I.                                                                                                                           87
-ocr page 498-
578                                   mchtkrek XIV:16-XV: 7.
en mij de oplossing niet medegedeeld. Hij zeide tot haar: Wel, ik heb
ze zelfs aan mijn vader en moeder niet medegedeeld, en zon ik het u
17       doen.\'\' Maar zij weende bij hem de zeven bruiloftsdagen; en op den
zevemlen dag vertelde hij bet haar, omdat zij hem perste, en zij deelde
18       de oplossing van het raadsel aan bare landgenooten mede.\' Zoo zeiden
hem de burgers der stad op den zevenden dag, voordat hij de kamer
inging:
Wat is zoeter dan honing/
wat sterker dan een leeuw \\
Waarop bij tot ben zeide: Hadt gij niet met mijn rund geploegd, gij
hadt mijn raadsel niet gevonden!
IS)
          Toen kwam de geest van Jahwe op hem: hij ging af naar Askelon,
versloeg van de inwoners dier stad dertig man, nam hunne kleeileren
en gat\'die stellen kleederen aan hen die hem de oplossing van het raadsel
medegedeeld hadden. Hierop ging bij, in toorn ontstoken, op naar zijns
20 vaders huis;\' waarna «ie vrouw van .Simson aan een zijner makkers,
die zijn bruidegomsjonker geweest was, ten deel viel.
XV: l Maar eenigen tijd daarna, in den tarweoogst, ging Simson zijne vrouw
opzoeken, een geitenbokje medebrengende. Hij zeide: Laat mij tot mijne
vrouw in baar kamer gaan! Doch haar vader stond hem niet toe naar
2       binnen te gaan\' en zeide: Ik dacht zeker dat gij een geduchten haat
tegen haar hadt opgevat; daarom heb ik haar aan uw makker ge-
geven. Maar haar jongere zuster is immers schooner dan zij \'l Laat
3       zij in bare plaats uwe vrouw worden.\' Maar Simson zeide tot hem:
Ditmaal hebben de Filistijnen geen recht mij te beschuldigen wanneer
4       ik bun kwaad doe.\' Toen ging Siiuson heen, ving driehonderd vossen,
nam fakkels, keerde staart aan staart, hing tusschen elk paar staarten
5       eene fakkel,\' stak die fakkels aan en joeg de dieren in het te veld
staand koren der Filistijnen. Zoo stak hij graanstapels en te veld
0 staand koren, wingerden en olijfgaarden in brand.\' Op de vraag der
Filistijnen, wie dat gedaan had, zeide men: Simson, de schoonzoon van
den Timniet; omdat deze zijne vrouw heeft genomen en aan zijn mak-
ker gegeven. Daarom gingen de Filistijnen heen en verbrandden haar
7 en het huis haars vaders.\' Maar Simson zeide: Als gij zóo doet, dan
17.  bruilofttdagen, als vs. 12.
18.  de kamer, volg. vcrb. t. Bedoeld  wordt de bruidsknmer. — Hadt — geploegd. Hadt gij u niet
bediend van de hulp mijner vrouw, die
  mij alleen toebehoort, dus van cc» ongeoorloofd middel. Heden
waarom hij de betaling weigert; zie op
  vs. 12 en 19.
IQ. Toen — hadden. Dit ia zeker later ingevoegd om Simson te vrijwaren van de verdenking zijn
woord gobrokeu te hebben; maar dit heeft hij in het oorspronkelijke verhaal juist gcreehtvaardigd in
vs. 18. Di\' inlusschcr ging niet handig te werk. Immers, gesteld al dat de kleederen die hij den ver-
slagen Askeloiiieteii afnam voor de gelegenheid bruikbaar waren, waar blijven de dertig oppcrkleedcrcn
die hij nok geveu moest? Ook is het zielkundig zeer vreemd, dat hij nog eens naar Tiinua komt om
zijne schuld nf te doen, en eerst daarna in toorn ontsteekt cu naar huis gaat. Oorspronkelijk volgde dit on-
middellijk op zijne weigering om het afgesprokene te geven. In plaats van de bruidskamcr binnen te
gaan, verliet hij dadelijk de stad. Dit was eene grove belecdiging, die de vader der bruid dadelijk
beantwoordde niet haar aan een ander te geven, vs. 20; verg. op Gen. XXIX: 27.
20. die — teai, onzekere vertaling; anderen die rijn vriend Kat.
1. in den tariceooytt. Dit bereidt vs. 4 voor. — een geitenbokje medebrengende. Dit geschenk duidde
aan, dat hij huwelijksgemeenschap met haar begeerde; verg. op Oen. XXXVIII: 17.
3. hem, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hen. — voeten. Evenals elders, was ook bij Isracl dit dier, waar-
van nog heden in Pnlcstiua racer dan éenc soort veelvuldig voorkomt, om zijne sluwheid bekend,
Luc. XIII: 32. De vraag hoc het mogelijk was van dit eenzaam levend dier zoovele te vangen be-
hoeft ons bij een wonderverhaal als dit niet bezig te houden. Bij de Romeinen was het gewoonte,
jaarlijks op een feest ter eer van Ccres vossen met brandende fakkels aan de staarten het veld iu te
jagen, waarschijnlijk tot afwending van den brand in het koorn. Wellicht heeft een dergelijk gebruik
ook bij Isracl en zijne buren bestaan en is deze trek van het verhaal daaraan ontleend.
5.  en vóór olijfgaarden, volg. Gr. vert. ingevoegd.
6.  het huil haart vadert, volg. Gr. vert.; Hebr. t. haar vader.
-ocr page 499-
579
mcnTBRBN XV : 7—XVI: 2.
8       zal ik niet rusten voordat ik mij op u heb gewroken.\' En hij versloeg
hen, schenkel met heup; een zware slag. Daarna ging hij af en koos
zijn verblijf in de steenkloof van Etaru.
9           Toen trokken de Filistijnen op, legerden zich in Juda en breidden
10       zich uit in Lehi.\' Op de vraag der Judeërs: Waarom zijt gij tegen ons
opgetrokken? antwoordden zij: Wij zijn opgetrokken om iSinison te
11       binden, ten einde hem• te doen wat hij ons gedaan beeft.\' Hierop
gingen drie duizend man uit Juda naar de steenkloof van Etam en
zeiden tot Simson: Weet gij niet dat de Filistijnen over ons heerschen?
Waarom hebt gij ons dan dit gedaan/ Jlij zeide tot hen: Wat zij mij
12       gedaan hadden, dat heb ik hun gedaan!\' Zij zeiden tot hem: Wij zijn
afgekomen om u te binden, ten einde u aan de Filistijnen uit te leveren.
Wimson zeide tot hen: Zweert mij dat gij zei ven niet op mij zult aan-
13       vallen.\' Zij zeiden tot hem: Neen, wij willen u alleen binden en aan
hen uitleveren; dooden zullen wij u stellig niet. Toen bonden zij hem
14       met twee nieuwe touwen en voerden hem van de rots mede.\' Maar toen
hij te Lehi kwam en de Filistijnen onder gejuich hem te gemoet
gingen, kwam de geest van Jahwe op hem en werden de touwen om
zijne armen als in het vuur verkoolde vlasstengels, ja, zijne boeien
15       smolten van zijne handen.\' Hij zag eene weggeworpen ezelskinuebak
liggen, strekte de hand uit, raapte ze op en versloeg er duizend man
1G luede.\' Toen zeide Simson:
Met de ezelskinnebak heb ik hen duchtig afgerost,
met de ezelskinnebak versloeg ik duizend man!
17       Na uitgesproken te hebben, wierp hij de kinnebak weg en noemde
die plaats: de hoogte van Lehi.
18           Daarna kreeg hij grooten dorst en riep tot Jahwe en zeide: Gij hebt
door uwen dienaar deze grooto uitredding geschonken. Zou ik nu van
19       dorst sterven en in de handen der onbesnedenen vallen?\' Toen spleet
Goil het been van de kinnebak, en er vloeide water uit, waarvan hij
dronk; zoodat zijn geest terugkeerde en hij weder opleefde. Daarom
heet die bron: de bron des roepers. Zij is tot op dezen dag in Lehi.\'
20       En hij richtte Israël in de dagen der Filistijnen twintig jaar.
XVI: 1 Eens ging Simson naar Gaza, zag daar eene lichte vrouw en kwam
2 tot haar.\' Toen men den inwoners van Gaza mededeelde: Simson is
in de stad gekomen — omsingelden zij hem en loerden op hem in
de stadspoort; maar den ganschen nacht deden zij niets, denkende: bij
7.   Hoewel hij zelf reilen heeft op zijne vrouw en haar vader vertoornd te zijn, wil hij toch niet dat
zij door de Filistijnen gestraft worden.
8.  tehrnkel met hi-up. Dit schijnt ccuc spreekwoordelijke aanduiding van een zeer geweldigen slag te
zrjn. — Etam, onbekend.
i). Lehi, nog 2 Sani. XXIII: 11 j zio verder op vs. 17.
11. Weet — heertenen? Deze woorden zijn misschien later in den tekst gevoegd, evenals XIV: 44.
15. weggeworpen, volg. Gr. en Lat. vertt. Het woord (remijja) schijnt gekozen te zijn om ceue
woordspeling te maken op de hoogte (ramalh) van Lehi, waarmede het cenige overeenkomst heeft.
IC. hei — afgerott, met verandering van klinkers. l)e vertaling van het hier gebruikte werkwoord,
dat elders niet voorkomt en met dezelfde letters als het Hebreeuwschc woord voor „ezel" geschreven
wordt, steunt alleen op de Gr. vert.
17. de hoogte van Lehi, d. i. ,Kinncbakshoogte\'. Ken dergelijke naam, ook bij andore volken niet
ongewoon, wns waarschijnlijk ontleend nau eene vooruitspringende rots, wier vorm aan eene kinnebak
denken deed. Aan den naam heeft de legende haar ontstaan te dnnken.
19.   het been (kakebeen, letterlijk mortier) van de kinnebak, of in Lehi; zie op vs. 17. — de bron
dei roepert.
De hier zoo verklaarde naam kan ook vertaald worden ,1\'atrijzenbron\', wat wel de oor-
spronkclijkc beteekenis zal zijn.
20.  Toevoegsel vnn den bewerker des boeks.
1.   Oaxa. Zie op Gen. X: 10.
2.   Toen men... mededeelde, volg. Gr. en Lat. vortt. ingevoegd. — Na loeren heeft grondt, den gan-
tchen nacht,
wat, als in strijd met hetgeen er onmiddellijk op volgt, is weggelaten.
-ocr page 500-
wcimsiiHN XVI: 2—17.
f) 80
51 het aanbreken van den morgen zullen wij hera dooden.\' Maar Simaon
bleef tot middernacht te bed, stond toen op, vatte de deuren en de
beide posten der stadspoort, rukte ze met grendel en al los, legde ze
op zijn schouder en bracht ze op den top van den berg die voor
llebron ligt.
4
           Daarna vatte hij liefde op voor eene vrouw in bet dal Sjorek, Delila
f» genaamd.\' Kn de vorsten der Filistijnen gingen tot baar en zeiden tot
baar: Uaal hem over, en zie te weten te komen, waardoor zijne kracht
zoo groot is en waardoor wij hem meester kunnen worden en hinden
om hem te bedwingen. Wij zullen u ieder elfhonderd zilverlingen
6       geven.\' Nu zeide Delila tot Simson: Vertel mij toch eens, waardoor
uwe kracht zoo groot is en waarmede men u zou moeten binden om
7       u te bedwingen.\' Simaon zeide tot haar: Indien men mij bond met
zeven rencbe, niet gedroogde koorden, zou ik machteloos zijn, niet
8       sterker dan een gewoon mensch.\' Zoo brachten de vorsten der Filis-
tijnen haar zeven versche, niet gedroogde koorden, en zij bond hem
\'.) daarmede,\' terwijl zij eenige belagers in de kamer had zitten. Nu zeide
zij: l)e
A3B
Filistijnen, Simson! Toen trok hij de koorden stuk, zooals een
vlasdraad wanneer die door het vuur gezengd wordt stuk springt; het
10       geheim zijner kracht was niet verraden.\' Hierop zeide Delila tot Simson:
(ïij hebt mij om den tuin geleid en mij leugens verteld. Nu moet gij
mij toch mededeelen, waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden.\'
11       Hij zeide tot baar: Indien men mij stevig met nieuwe, tot geen werk
gebruikte touwen vastbond, dan zou ik machteloos zijn, niet sterker
12       dan een gewoon mensch.\' Zoo nam Delila nieuwe touwen, bond hem
daarmede en zeide: De Filistijnen, Simson! terwijl eenige belagers in
de kamer zaten. En hij trok de touwen als een schoenriem van zijne
13       armen.\' Hierop zeide Delila tot Simson: Tot nog toe hebt gij mij om
den tuin geleid en mij leugens verteld. Deel mij toch mede, waarmede
gij zoudt kunnen gebonden worden. Toen zeide hij tot haar: Indien
gij de zeven tressen van mijn hoofdhaar met een doek in elkaar vlocht
en met eene pin in den wand vasthechtte, dan zou ik machteloos zijn,
14       niet sterker dan een gewoon mensch.\' Zoo vlocht Delila, terwijl hij
lag te slapen, de zeven tressen van zijn hoofdhaar met een doek samen,
hechtte ze met eene pin in den wand vast en zeide: De Filistijnen,
Simson! Maar hij, uit den slaap ontwaakt, rukte de pin en den doek
15       uit den wand.\' Hierop zeide zij tot hem: Hoe kunt gij zeggen: Ik
heb u lief — terwijl uw hart mij niet toebehoort.\' Drie keeren hebt
gij mij nu om den tuin geleid en mij niet medegedeeld, waardoor uwe
kracht zoo groot is.
10          Toen zij nu zoo dag aan dag met hare woorden hem perste en
17       plaagde, werd bij er doodelijk mismoedig onder\' en opende baar zijn
ganscbe hart; hij zeide dan tot haar: Geen scheermes is ooit op mijn
hoofd gekomen; want ik ben een nazireër Gods van den moederschoot
af. Indien mij het haar was afgeschoren, zou mijne kracht van mij ge-
weken en ik machteloos zijn, niet sterker dan een gewoon mensch.\'
3. bracht — llebron, op ongeveer twaalf uur afstand* van Gaza.
i. Sjorek, oubekend.
5. elfhonderd ^leerlingen, ongeveer 1870 gulden.
7. koorden. Waarin deze onderscheiden waren van touwen (vs. 11), weten wij niet; misschien
waren de eene va» darmen, de andere van vlas of van riemen vervaardigd; hennep hadden de Israë-
lictcn niet.
9. De Filistijnen, letterlijk De Filistijnen (komen) tegen u (op).
18 v. en met een* pin — tatt, schier geheel ontleend aan Gr. vert.; Hebr. t. heeft hiervan alleen
overgehouden en zij hechtte vatt met eene pin. — Ook rukte — wand volg. Gr. vert.
-ocr page 501-
RICHTKRKN XVI: 18-31.                                     581
18 Nu zag Delila dat hij haar zijn geheele hart had geopend en ont-
bood zij de vorsten der Filistijnen niet de woorden: Komt ditmaal
hier: want hij heeft mij zijn gansene hart geopend. Zoo kwamen de
11) vorsten der Filistijnen tot haar en brachten liet geld mede.\' Zij deed
hem in haar schoot slapen en riep een man, die de zeven vlechten van
zijn hoofdhaar afschoor. Zoo begon hij zwak te worden en week zijne
20       kracht van hem.\' Nu zeide zij: De Filistijnen, Simson! en hij, uit
zijn slaap ontwakende, dacht: Ik zal evenals de vorige keeren vrijko-
men en mij losrukken — niet wetende dat Jahwe van hem geweken
21       was.\' Maar de Filistijnen grepen hem, staken hem de oogen uit,
brachten hem af naar Gaza en bonden hem met koperen ketenen. Zoo
draaide hij den molen in de gevangenis.
22           Maar nauwelijks was zijn hoofdhaar afgeschoren, of het begon weder
23       aan te groeien.\' En eens verzamelden zich de vorsten der Filistijnen,
om een groot offerfeest voor hun god Dagon te vieren en vreugd te
bedrijven, en zij zeiden: Onze god heeft Simson, onzen vijand, in onze
24       hand gegeven!\' Ook het volk, hem ziende, prees zijn god; want zij
zeiden: Onze god heeft onzen vijand in onze hand gegeven, die ons
2ö land verwoestte en velen der onzen deed sneuvelen!\' Toen zij nu vroo-
lijk waren, zeiden zij: Roept Simson, om voor ons kluchten te maken!
l)aarom riepen zij Simson uit de gevangenis, en hij maakte kluchten
voor hunne oogen. Toen zij hem nu tussehen de zuilen deden staan,\'
2(5 zeide hij tot den knaap die hem bij de hand hield: Gun mij wat rust
en laat mij de zuilen betasten waarop de tempel steunt, om er tegen
27       te leunen.\' De tempel nu was vol mannen en vrouwen: daar waren
al de vorsten der Filistijnen, en op het dak ongeveer drie duizend
mannen en vrouwen, die toezagen hoe Simson kluchten maakte.
28           Toen riep Simson tot Jahwe en zeide: Heer Jahwe, gedenk mijner
toch en verleen mij dezen oenen keer nog kracht, o God! opdat ik
ten minste over éen mijner twee oogen wraak neme op de Filistijnen!\'
29       Nu omvatte Simson de twee middelzuilen waarop de tempel steunde
en rustte, de óene met zijne reehter-, de andere met zijne linkerhand,\'
30       en met de woorden: Laat mij sterven met de Filistijnen! boog hij zich
met kracht. Fji de tempel stortte in op de vorsten en al het volk dat
er in was. Het aantal dergenen die hij bij zijn sterven doodde was
31       grooter dan dat van hen die hij in zijn leven gedood had.\' Daarna
kwamen zijne broeders en zijne geheele familie af, namen hem op,
voerden hem mede en begroeven hem tussehen Sorea en Estaol, in
liet graf van zijn vader Manoch. Hij had Israël twintig jaar gericht.
19.   in haar schoot, letterlijk tussehen hare knieën, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. op hare kniei\'-n. — die
... a/schoor,
volg. verb. t.; grondt. zij schoor... af. Maar dit kou /.ij in die houding bezwaarlijk doen,
en waartoe diende dan de man dien zij riep? — Zoo — worden, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hm lij begon
hem Ie bedwingen.
20.   Ik — losrukken. Hij hoeft een gevoel alsof hij weder gebonden is.
21.  maalde hij. Het draaien van den haudinolen was slavonwerk; zie op Kxod. XI: 5,
23. Dagon. Ook te Asdod had, volgens 1 Sani. V : 1—5 (1 Kron. X: 10); 1 Makk. X:88; XI: 4,
deze god vele eeuwen achtereen een tempel. Zijn beeld had het hoofd en bovenlijf van een mcuseh, met
een visehstaart, niet onnntiuirlijk voor den god van strnndbewoners. I)c naam is van het gewone woord
voor ,viscli\' afgeleid en betcekent dus ,dc groote visch\' of .visehgod\'. Meer dan cene plaats iu Knuaun
heette naar hem.
28. ten — oogen. Gccnc wraak was groot genoeg voor het verlies van zijne beide oogen.
31. Hij — gericht, toevoegsel van ecu der bewerkers van het bock.
HOOFDSTUK XVII, XVIII.
Oorsproug van den eeredienst te Dan. — Op het gebergte van Kfraiin leeft zekere Mieha (XVII: 1);
zijne moeder laat van geld dat hij haar ontnomen maar teruggegeven beeft een godsbeeld maken
-ocr page 502-
MCHTKHKN XVII : 1—6.
582
(2—J). Micha heeft cene kapel met een huisgod, waarbij hij eerst een zijner zonen al» priester aun-
stelt (5), later cen omzwervend l*evict, dien hij hiertoe aiui zijn huis verbindt (6—18). l)c Dauieteu
zoeken een ander erfdeel (XVIII : 1) en zenden vijf hunner o|> kondsehap uit (2); dezen, iu Michu\'s
dorp overiiaehtende, laten door den Leviet Jahwe raa
05
dplegen (8—(i). Zij bevinden dat Luis goede kau-
sen voor cene vestiging aanbiedt, en wekken hunne slnmgeuootcii op om tlie stad en haren omtrek
in bezit te nemen (7—10). Zeshonderd Dauieteu breken op, om zieb van Lais meester te maken (7—
12). Hij Miehn\'s dorp gekomen, deelen de vijf verspieders hunnen tnchtgcnootcu mede dat daar een
godshuis met toebehooreu is, halen de heilige voorwerpen weg, en overreden den Leviet met hen mede
te gaan (18—21). Mieha, die hen unzet om het hem ontstolene te herwinnen, deinst terug op de
bedreiging der Dauieteu (22—26). Dezen veroveren I/nis, moorden het uit, vestigen er zich. noemen
het Dan en riehten er het beeld op (27—81a); wie die Leviet was, hoe lang zijn geslaeht daar prics-
terdienst gedaan en het beeld er gestaan heeft (81//, 32).
Het oorspronkelijke verhaal, waarvan dit eene omwerking is, geeft ons oude en volkomen geloof-
waardigc inlichtingen omtrent de vestiging der Dauieteu in l.ai- en den oorsprong van het later
beroemde heiligdom te Dan, en is voor onze kennis van den toestand der Israëlieten in den richtcren*
tijd in menig opzieht van zeer groote waarde, liet beoogde de eer vuil dat heiligdom te vergrooten:
het was overoud, en een kleinzoon van Mozes was de stamvader der aldaar dienst doende priesterschap.
De oinwctkcr daarentegen was geenszins ingenomen niet den tempel te Dan, waarin Jcrobc
2
nin ecu
gouden stierbceld buil geplaatst (1 Kon. XII : 2S v.). Levende, zeker na de verovering van het noor-
den des lauds door de Assyricrs, 732 (2 Kou. XV:2!I), wnursehijnlijk na den val van Samurié, 722,
wellicht veel later, en geestverwant van den schrijver van 2 Kon. XVII, die den val van Noord-lsrucl
0
al» de straf voor \'s volks zonden, inzonderheid voor de. vereering der stieren, aanmerkt (vs. 7—18),
deed hij zijn best, cene smet op dut heiligdom en vooral op het beeld te werpen. Hiertoe lasehtc hij
XVII: 2—l, in (dat beeld is van gestolen geld gemaakt!) en vermeldde telkens het beeld naast den
e tod en den huisgod, die iu het oorspronkelijke verhaal het huisraad van Mieha\'s kapel uitmaakten
(XVIII: 14, 17, 18, 20). Ook voegde hij in XVIH:80v. ccuc tijdsbepaling aan het verhaal toe.
XVII :1 Er was een man van het Efraimietisoh gebergte, Micha gelieeten.\'
2 Eens zeide hij tot zijne moeder: De elfhonderd zilverlingen die u ont-
nomen zijn en waarvan gij ook met eene vervloeking te mijnen aah-
hooren aangifte gedaan hebt, dat geld is bij mij; ik had het wegge-
nomen en geef het u nu terug. Hierop zeide zijne moeder: Gezegend
IJ zij mijn zoon door Jahwe!\' Toen gaf hij die elfhonderd zilverlingen
aan zijne moeder terug. En zij zeide: Bij dezen heilig" ik dit geld aan
Jahwe, het uit mijne hand gevende, ten bate van mijn zoon, om er
4       een gesneden en gegoten beeld van te maken.\' Toen hij dan het geld
aan zijne moeder teruggegeven had, nam zij er tweehonderd zilverlingen
af en gaf ze aan een zilversmid, die er een gesneden en gegoten beeld
van maakte. En het kwam in Mioha\'s-huis te staan.
5            Die Micha nu had een godshuis; hij maakte een efod met huisgoden
6\' en wijdde een zijner zonen, om hem tot priester te zijn.\' In die dagen
1.   Micha, hier en vs. 4 voluit ilichajehu, d. i. ,wic is nis Jahwe?\'
2.   waarvan — hebt, letterlijk gij hebt een eed of vloek gedaan en te mijnen aanhooren gesproken.
/ij had alle aanwezigen bezworen, haar mede tu deeleu wat zij van dut geld wisten. De zoon werd
hierdoor bewogen zich schuldig te verklaren. — en — terug. Dit staat in grondt, aan het eind
van vs. 8.
8. Gezegend — Jahwe.\' Zoo geeft de moeder hare vreugde te kennen over het vinden van het geld
en wil tevens van hem mogelijke uudcelige gevolgen van hare vervloeking afweren. — een — beeld.
I il den aard der zaak is hier slechts van ecu beeld sprake. Waarom de schrijver hiervoor twee woor-
den gebruikt, is niet duidelijk, liet cene, door gemeden beeld vertaald, is het gewone voor ecu go-
denbceld iu het algemeen en komt o. a. in de wet der Tien Woorden (Exod. XX: 1; Deut. V: 8)
voor; het andere dient Exod. XXXII: 4, 8; Deut. IX: 12, 10; 2 Kou. XVII: 16; Neh. IX: 18 voor
het stierbceld. Waarschijnlijk gebruikte de overwerker van wien deze woorden zijn (verg. lnl.j de
beide termen, om te kennen te geven dat het beeld van Micha door de wet verboden, cu tevens dat
het een stierbeeld was.
4.   tweehonderd. De overige negenhonderd hield zij dus achterwege, hoewel zij ze voor een beeld
beloofd had. Zoo bedenkelijk is de oorsprong van het stierbceld te Dan!
5.   een efod (zie op VIII: 27) met huisgoden (zie op Gen. XXXI: 19). Deze behoorden bij elkander
en waren onmisbnar iu cene kapel. Van ecu beeld is in het oorspronkelijke verhaal geen sprake. —
wijdde, letterlijk vulde de hand van; zie op Exod. XXVIII: 41.
0. Deze klucht keert XV111:1; XIX : 1; XXI: 25 terug.
-ocr page 503-
niCHTEUKN XVII: ܗXVIII: 9.
583
7       was in Israël geen koning en <lee<l ieder wat hem goeddacht.\' Nu was
er een jongeling uit Bethleheiu van Juda; hij was een Leviet en ver-
8       keerde daar.\' Deze man ging die stad, Bethlehem van Juda, verlaten,
om elders een goed onderkomen te zoeken; hij trok het gehergte van
9       Kfraim in tot Micha\'s-huis, om van daar verder te reizen.\' Maar Micha
zeide tot hem: Waar komt gij van daan? Hij zeide tot hem: Ik ben
een Leviet uit Bethlehem van Juda, op reis om een goed onderkomen
10       te zoeken.\' Micha zeide tot hem: Mijt\' bij mij en wees mij tot vader
en priester; ik zal u jaarlijks tien zilverlingen, een stel kleederen en
11       den kost geven.\' De Leviet besloot bij dien man te blijven, en de
12      jongeling werd hem als een zijner zonen.\' Micha wijdde den Leviet;
13       zoo werd hem de jongeling tot priester en was in Micha\'s-huis.\' Toen
zeide Micha: Thans weet ik dat Jahwe mij zal weldoen, nu ik dezen
Leviet tot priester gekregen heb.
XVIII: 1 In die dagen, toen in Israël geen koning was, zocht de stam der
Danieten een erfdeel, om er zich te vestigen; want tot nog toe was hun
2       te midden der stammen Israëla geen erfdeel toegevallen. \' Zoo zonden
de Danieten vijf mannen uit verschillende deelen van hun geslacht,
kloeke mannen, van Horea en Estaol uit, om het land te verspieden
en te doorzoeken, Zij zeiden tot hen: Gaat het land doorzoeken. Zij
trokken dan het gebergte van Efraim tot Micha\'s-huis in en over-
3       nachtten aldaar.\' Toen zij nu in de nabijheid van Micha\'s-huis de stem
van den jeugdigen Leviet opmerkten, gingen zij daar binnen en zeiden
tot hem: Wie heeft u hier gebracht? Wat doet gij hier en wat hebt
4       gij hier te maken?\' Hij zeide tot hen: Zoo en zoo heeft Micha mij
5       gedaan: hij heeft mij gehuurd, en ik ben priester geworden.\' Zij
zeiden tot hem: Raadpleeg toch God; opdat wij mogen weten, of de
0 tocht dien wij ondernomen hebben voorspoedig zal zijn.\' Waarop de
priester tot hen zeide: Gaat in vrede. Op den tocht dien gij onder-
nomen hebt houdt Jahwe zijn oog gevestigd.
7           Toen gingen de vijf mannen op weg en kwamen te Lais. Zij zagen,
dat het volk waardoor het bewoond werd zonder zorg leefde op de wijze
der Sidoniërs, rustig en onbezorgd. In dat land was aan niets ter
wereld gebrek. Ook waren zij ver van de Sidoniërs af en badden met
8       Aram niets uitstaande.\' Bij hunne broeders te tforea en Estaol gekomen,
9       zeiden zij tot hen: Wat zijt gij werkeloos!\' Komt, laten wij optrekken
7.   Bethlehem van Juda, tot onderscheiding vnn cene gelijknamige plaats in Zcbulon, Joz. XIX: 15.
— Na .Indik heeft Ilcbr. t. nog uil hit geslacht van Juda. Uit is in lijnrechten strijd met de opguaf
dat hij een Leviet was, en er bijgevoegd door dengene die in XVIII: 30 Mozes tot Manasse maakte
(zie aldaar). Wnurschijnlijk had Gr. vert. deze «oorden niet.
8.  om elders een goed onderkomen te zoeken, letterlijk om te verkecren waar hij vinden sou.
10. vader, geestelijke vader, leidsman, ook XVIII: 1!) cerenaam voor een priester, zooals 2 Kon.
11:12; VI:21j VIII: 9; XIII: 14 voor een profeet, Gen. XLV:8; Jcz. XXII: 21 vooreen hoogen
staatsdienaar, een landsbestnurder en verzorger. — Aan het slot staat nog en de Leviet ging heen, wat
volg. Lat. vert. is weggelaten; het is met bijna dezelfde letters als het onmiddellijk volgende Dn
Leviet besloot
geschreven.
13. Verg. op Gen. XLIX : 7.
1.   De Dun ie ten, oorspronkelijk aan do zeekust govestigd, waren in de klem geraakt tusschen Pili-
Btijncn, Judcërs en Kanaiinietcn, en verhuisden nu; zie op Joz. XIX: 40—48.
2.  Sorea en JCslaol, XIII : 25; XVI: 81 als woonplaats vnn Simson vermeld.
3.  de slem — opmerkten. Misschien merkten zij uan zijn tongval, of uan een lied dat hij zong, dat
hij een Leviet was.
7.   Lais. Zie op Joz. XIX: 47 en vs. 28. — In — gebrek, volgens cene tekstverbetering naar v».
10. Hierna zijn tweo onverstaanbare woorden weggelaten. — Dat zij op de wijze der Sidoniërs, d. i.
l\'ViiicU\'i\'s (zie op Gen. X:15), leofden boteckent wuursehijnlijk dat zij vrcedzume kooplieden waren;
maar dit pleit voor de lezing der Gr. vert. Aram in pi. v. dio vnn Ilcbr. t. menschen (Hobr. adam),
daar vooral kooplieden niet loven kunnen zonder verkeer met menschen. He schrijver bedoelt: noch
van de 1\'enicicrs, noch van de Arnmccrs hadden zij hulp to wachten.
8.  zeiden — werkeloos, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hunne broeders zeiden tol hen: Wal (zijt) gij?
-ocr page 504-
RICHTKRBN XVIII : 9—28.
584
tegen hen: want wij hebben gezien dat het land zeer goed is. Talmt
10       niet om dat land in bezit te gaan nemen.\' Wanneer gij daar komt, zult
gij bij een onbezorgd volk komen, welkt* land ruimte genoeg aanbiedt —
want (iod heeft het in uwe hand gegeven — eene streek waar aan
niets ter wereld gebrek is.
11            Dientengevolge braken van tSorea en Estaol uit het geslacht der
12       Danieten geshonderd man op, ten strijde toegerust.\' Zij trokken oj> en
legerden zich bij Kirjath-jearim in Juda. Daarom noemde men die plaats
13       Mahane-Dan, zooals zij nog heet; zij ligt achter Kirjath-jearim.\' Van
daar trokken zij het gebergte van Efraini in en kwamen bij MioliaV
14       huis.\' Toen namen de vijf mannen die liet land waren gaan verspieden
liet woord en zeiden tot hunne broeders: Weet gij wel dat in dit dorp
een efod met huisgoden en een gesneden en gegoten beeld is\' Weet
15       dan, wat u te doen staat! \' Zoo weken zij derwaarts af en kwamen bij
lb\' Micha\'s-huis.\' De zeshonderd Danieten stelden zich, ten strijde toegerust,
17       voor de poort op,\' terwijl de vijf mannen die het land waren gaan
verspieden het dorp binnentrokken, om het gesneden beeld, den efod
18       niet de huisgoden, en het gegoten beeld weg te nemen.\' Toen zij
Micha\'s-huis binnengingen en het gesneden beeld, den efod met de
huisgoden, en het gegoten beeld wegnamen, zeide de priester tot hen:
19       Wat doet gij daar/\' Zij zeiden tot hem: Zwijg, leg de hand op den
mond, ga met ons mede en wees ons tot vader en priester. Wat is
verkieslijker, priester van het huis van éen man, of priester van een
20       stam en geslacht in Israël te zijn.\'\' Toen nam de priester welgemoed
den efod niet de huisgoden en het gesneden en gegoten beeld en
21       voegde zich bij het krijgsvolk,\' dat zich wendde en zijn weg vervolgde,
kinderen, vee en bagage voorop.
22           Toen zij een eind weegs van Micha\'s-huis af waren, liepen de man-
nen die in de huizen bij Micha\'s-huis woonden te hoop. Zij zaten de
23       Danieten op de bielen \' en riepen hen aan. Dezen keerden zich om en
24       zeiden tot Micha: Wat hebt gij, dat gij te hoop geloopen zijt.\'\' Hij
zeide: (Jij hebt de goden die ik gemaakt heb, en ook den priester,
weggenomen en trekt er mede heen! Wat houd ik nu over? Hoe
25       kunt gij dan vragen: Wat hebt ge!\' Toen zeiden de Danieten tot
hem: Zet zulk eene keel niet tegen ons op! Anders mochten eens
grimmige mannen op u aanvallen en gij u zelven en uw huis in het
2<i ongeluk storten.\' Hiermede vervolgden de Danieten hun weg, en daar
Micha zag dat zij hem te sterk waren, wendde hij zich om en keerde
naar zijn huis terug.
27           Zij namen dus dat wat Micha gemaakt en den priester die hem toe-
behoord had mede en overvielen Ijjus, waar een rustig en onbezorgd
volk woonde: zij sloegen liet met liet scherp des zwaards en verbrand-
28       den de stad.\' Niemand kwam haar te hulp; want zij lag ver van tëidon
9.   Na ii hoeft Hcbr. t. en ijij zijl icerkeloos, waarschijnlijk uit vs. 8 hierheen verdwaald.
11.   Nu braken ... op is, vnl|(. Lat. vert., van (/aar weggelaten.
12.   Kirjath-jearim. Zie up .Toz. IX : 17. — Mahatte-Dan, tl. i. .Damctcukamp\'. Volg. XIII : 25 lag eene
plaats van ilicn naam veel noordelijker, tusschen Sorea en Kstaol.
14. Na het tand heeft grondt, nog Lait.
15—17. Deze verzen zijn zoowel in Hehr. t. als in Gr. vert. zoo verward en door herhalingen
bedorven, dat het oorspronkelijke niet meer met zekerheid is terug te vinden; de vertaling geeft al-
thuus den zin weder.
10.   vader. Zie op XVII: 10.
20.   na gegoten, volg. Gr. vert. ingevoegd.
21.   kinderen — voorop, uit vrees voor vervolging. Micha\'s-huis is blijkbaar eene plaats van botcc-
kenis, dut zeshonderd man tegen hare bevolking maatregelen van voorzorg moeten nomen.
28. Aram. Zie op vs. 7; maar hier heeft Gr. vert. hetzelfde nis Hcbr. t. — Beth-Rehob, oubekend;
verg. op Num. XIII: 21.
-ocr page 505-
R1CHTBUEN XVIII : 28—31.
585
en had met Aram niets uitstaande; zij lag in de vallei van Beth-Kehob.
29       Zij bouwden de stad weder op, vestigden er zich\' en noemden haar
Dan, naar hun stamvader Dan, den zoon van Israël; terwijl de stad te
30       voren Lais had geheeten.\' Daar richtten de Danieten voor zich het ge-
sneden beeld op, en Jonathan, de zoon van Gersjom, den zoon van
Mozes, en zijne zonen zijn priesters van den stam der Danieten ge-
31       weest, totdat het lantl ontvolkt werd.\' Zij zetten voor zich het ge-
sneden beeld dat Micha gemaakt had neder, en het bleef er zoolang
het godshuis in Sjilo was.
80 v. Deze verzen zijn gedeeltelijk van den omwerkcr. Zeker is het hein te wijten dat ilc oprich-
ting vnn het beeld twee keer, 30a en 31», vermeld wordt; wellicht is vnn hem ook cene der twee
bepalingen van den tijd gedurende welken de dienst in Dan is blijven bestaan, en wel de tweede.
De eerste, totdat — word, wijst waarschijnlijk op de verovering van het noordelijk deel des rijks
door Tiglnth-I\'ilezer (2 Kon. XV: 29); de laatste, zoola/i// — was, is zeer duister; de schrijver schijnt
te onderstellen dat in Sjilo tot den val van Samnrië toe een wettige tempel van Jnhwe is geweest.
Verg. .Ier. Vil: 12; doch zie op 1 Sam. XXI tl. — Gersjom. Zie Kxod. 11:22. — Mnccs, volg. Gr.
en Lat. vertt.; Hcbr. t. Manassn, en wel op eenc eigenaardige wijze geschreven. De letter N namelijk
staat iets hooger dan de andere letters, en eenc Joodsche overlevering verklaart dit aldus; hij was
indcrdiiod afstammeling van Mozes (geschreven M.S.H.), maar zijn gedrag was dat van den goddc-
loozcn koning van Juda Manassc (geschreven M. N. S. II.). Verg. op XVII: 7. — Sjilo. Zie op Joz.
XVIII :l.
HOOFDSTUK XIX—XXI.
Isrnël roeit bijna gansch Kcnjamiu uit om eenc schanddaad van Gibca. — Ken Iievict uit het Efrni-
mietisch gebergte haalt zijne bijvrouw, die hem verlaten heeft, uit haars vaders huis te Kcthlchcm
terug (XIX : 1—10). Jcbus, als Kanniinictischc stad, latende liggen, komt hij met zijne vrouw en zijn
knecht in de Bcnjamitiictischc plaats Gibca (11—15), waar zij eerst aan hun lot worden overgelaten,
maar eindelijk een Kfrnimict. hen gastvrij opneemt (16—21). De inwoners der plaats omringen met
de laagste bedoelingen het huis; waarop de I.cvict, om zich te redden, zijne vrouw prijsgeeft, die mis-
handcld wordt zoodat zij het besterft (22—2fi). Haar man keert met het lijk naar zijne woonplaats
terug, hukt het in twaalf stukkeu en zendt die door het geheele grondgebied van Israël; zoodat ieder
wraak over het gebeurde roept (27—30). De Israëlieten, te Mispa ter volksvergadering opgekomen,
laten den Leviet verslag geven van het gebeurde (XX :1—7) en nemen maatregelen om Gibea te
tuchtigen (8—11). Voor Gibca gelegerd, vragen zij vergeefs van de Benjamin ietcn uitlevering der
schuldigen (12—14); de Bcnjnmiuictcu rusten zich tegen hen ten strijde (15 ?.). De Israëlieten raad-
plegcn God, welke stam de andere in den strijd tegen Benjamin moet voorgaan; Juda wordt aange-
wezcu (17 v.). Na eerst tweemaal de nederlaag geleden te hebben (1!)—28), behalen zij eenc volledige
overwinning, waarbij zij Gibca verwoesten en onder de Henjaininietcn cene vrceselijkc slachting nnu-
richten (29—40); slechts zeshonderd man bergen zich op eenc rots, waar zij vier maanden blijven;
alle andere licnjnmiuiotcn worden gedood, al hunne steden verbrand (47 v.). De Israëlieten hadden
gezworen dat geen hunner zijne dochter aan ecu licnjuminict tot vrouw zou geven (XXI :1); daarom
weent het volk, omdat uu een der stammen Israëli moet uitsterven (2 v.). Op ecu offerfeest ovcrleg-
gendo of dit niet te kecren is, bedenken zij dat zij den dood gezworen hebben aan ieder die niet
inct hen zou optrekken, en ontdekken dat de inwoners vau Jnbcs in Gilend hieraan schuldig zijn
(4—9); waarop zij troepen zenden om die stad te verwoesten (10 v.). Vierhonderd ongehuwde meisjes
worden uit haar medegebracht en uan de Kcnjaminictcn tot vrouw gegeven (12—15). Om zonder hun
eed te breken ook aan do overige tweehonderd vrouwen te verschuilen, wijzen de Israëlieten hen op
een olferfcest te Sjilo, als ecne goede gelegenheid om vrouwen te schaken (16—22). De llenjnmiiiictcn
doen dit en herbouwen hunne steden, terwijl de andere stammen hunne woonplaatsen weder opzoeken
(23 v.); zoo ging het toen in Isrnël geen koning was (25).
Met is volkomen duidelijk dat wij hier geen geschiedenis voor ons hebben. Het verhaal verplaatst
ons in den tijd der richters — wanneer wij op XX : 28 afgaan, in de eerste jnrou na de vestiging
van Israël in Knnnün — maar geeft ons vun den tocnmaligcn toestand des volks ecne voorstelling
die ver afwijkt vau hetgeen wij daaromtrent weten: van zulk cene eendrachtige samenwerking der
stammen Israëls als het ons teckent is elders vóór Saul geen spoor te ontdekken. Daarbij komen nn-
dore trekken die den verdichtor verraden: Israël, behalve Benjamin, dat ruim vijf en twintig duizend
man te velde brengt (XX: 15), is vierhonderd duizend weerbnre mannen sterk (XX : 2, 17); die ont-
zaglijke menigte, op cene onuitvoerbare wijze van proviand voorzien (XX: 10), legert zich tegenover
Gibca, in ecne bergstreck waar zelfs het tiende deel er van geen plaats zou kunnen vinden, in
-ocr page 506-
lUGHTBItHN XIX : 1—9.
58(5
slagorde (XX : 10 vv.); zij wordt twee dugcu achtereen geslagen iluur de licujumi nieten, die slechts een
zestiende deel harer sterkte hebhen, zouderdut dezen een noemenswaardig verlies lijden (XX : 15, 44—
16); zij gaal tussehen die twee nederlagen in en na du tweede uls een cenig iiinn naar liet hel om te
•reenen, te ulieren en Jahwe Ie raadplegen (XX: 83, 20) — met den tijd dien deze handelingen kos-
ten moeten wordt hierbij gcencrlei rekening gehoudeni en, wat wellicht het ongeloofclijkste is, dal
geheels volk blijft bij elkaar totdat het .talies heeft doen verwoesten en aan liet overschot van het
bijna uitgemoorde ifciijumiu vrouwen verschaft heeft.
Zonder twijfel is het slak afkomstig uit den tijd minstens twee eeuwen na den val van Jeruzalem.
Toen eerst was Israël, gelijk het hier wordt voorgesteld, „eene gemeente", d. i. eenc godsdienstige of
kerkelijke eenheid; wat het oudtijds alleen in de verbeelding van den schrijver van Kzrn\'s Welhoek
en zijne geestverwanten geweest was. Onze schrijver heeft zijn volk willen leeren, hoe reeds het oude
Israël als gemeente optrad, eenstemmig ijverend tegen hetgeen in haar midden een gruwel in Juhwe\'s
oog was cu voor de instandhouding vau Juhwe\'s volk.
Kvcu onwcdcrsprckclijk als ecu en ander is, even moeilijk te beantwoorden is de vraag, waaraan
de schrijver zijne stof ontleend heeft. Zonder twijfel heeft hij een oud verhual voor zich gehad, maar
hij heeft het zoo omgewerkt, vermeerderd, overladen, dut het onherkenbaar is geworden; zie vooral
op XX : 86o—K> en op XXI : 15—18. |)e omstandigheid dat Hcujuinin de stum was van Saul en fiibea
zijne geboorteplaats, en dat de inwoners van Jnbes in Gilcnd, die hier zich onttrekken aan den strijd
tegen Gibca, op Sauls dankbaarheid aanspraak huilden I Sam. XI) en zich ook erkentelijk jegens hein
getoond hebben (1 Sam. XXXI: 11 —13), terwijl llethlchem, waaruit de mishandelde vrouw afkomstig
was, Duvids geboorteplaats is — dit een en ander leidt tot het vermoeden dut het oorspronkelijke ver-
haal gericht was tegen Saul en zijn huis en afkomstig is van een Judeer uit den koningstijd, waarin
ook de verzuchting dat Israël toen geen koning had (XIX: 1; XXI: 25) beter voegt dun inden tijd
na den vul vau Jeruzalem. Waarschijnlijk heeft er verband bestaan tusschcu het oorspronkelijke ver-
haal en lloz. IX: 9; X:9; maar deze plaatsen zijn zeer duister.
Getuigt de voorstelling dat het gehecle volk verontwaardigd was over de schanddaad van Gilwa\'s
bevolking voor het zedelijk karakter vau den schrijver, daartegen pleit zijn gemis aan wnarhcids-
zin ; immers, wut hij in II. XXI het volk Iaat doen om den overgeblevenen Henjnminietcn vrouwen te
verschaffen is niet beter dan eedbreuk: het komt neer op eerbiediging vuil de leder bij miskenning
vau den geest.
XIX :1 In die dagen, toen in Israël geen koning was», verkeerde diep in het
gebergte van Efraim een Leviet. Hij nam eene bij vrouw uit lietblehem
2 in Juda;\' maar zij werd hem ontrouw en liep van hem weg naar baars
\'ó vaders huis, te IJethlebem in Juda, waar zij vier maanden bleet\'.\' Toen
maakte haar man zich op en ging haar achterna, om naar haar hart
te spreken en haar terug te halen. Hij had zijn knecht en een paar
ezels bij zich. Toen hij bij het huis van haar vader kwam en de
vader van het meisje hem zag, ging hij hem verheugd te gemoet.\'
4       Daar zijn schoonvader, de vader van het meisje, hem niet liet gaan,
bleef\' hij drie dagen bij hem; zij aten, dronken en overnachtten daar.\'
5       Op den vierden dag maakten zij zich des morgens gereed; maar toen
hij opstond om op reis te gaan, zeide de vader van het meisje tot zijn
schoonzoon: Verkwik o met eene bete broods; daarna kunt gij op reis
o\' gaan.\' Zoo bleven zij, en nadat zij samen gegeten en gedronken had-
den, zeide de vader van het meisje tot den man: Kom, besluit nog
7       een nacht te blijven en doe u te goed.\' En toen de man opstond om
heen te gaan, drong zijn schoonvader sterk bij hem aan, zoodat hij
8       daar nog een nacht bleef.\' Den vijfden dag maakte de man zich des
morgens gereed om heen te gaan; maar de vader van het meisje zeide:
Verkwik u toch eerst en stel uw vertrek uit totdat de dag zich neigt.
9       Zoo aten zij samen.\' Toen nu de man opstond om met zijne vrouw
1.   diep — Efraim, zoodat hij om uit het zuiden thuis te komen, Gibca, dat ook op het gebergte
vnn Efraim lag, moest voorbijtrekken; vs. 13. — eene bijcrouw. Zie op Gen. XXXV! 22. l)e yerbiiitc-
nis wordt met dit woord niet als eene oneerbare aangeduid; haar vader heet vs. 4 sijn tehoonrader.
Daarom is het woord in het vervolg steeds door vrouw vertaald.
2.  vier muamlen, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hcbr. t. Iaat er dagen aan voorafgaan.
3.  hij... kwam, volg. Gr. vert. j Hcbr. t. zij hem in... bracht.
-ocr page 507-
587
RICHTBttKN XIX : 9—25.
en zijn knecht heen te gaan, zeide zijn schoonvader, de vader van liet
meisje, tot hem: Zie, de dag zinkt ten ondergang. Blijf toch hier
overnachten en doe u te goed. Dan kunt gij morgen ochtend u gereed-
10       maken voor uw tocht en naar uwe tent gaan.\' Doch de man wilde
niet overnachten, maar stond op, ging heen en kwam tot tegenover
Jebus — dit is Jeruzalem — met twee gezadelde ezels en zijne vrouw.
11            Toen zij hij Jebus kwamen — de dag was reeds ver verstreken —
zeide de knecht tot zijn heer: Laten wij toch in deze stad der Jebu-
112 zieten inkeeren, om er te overnachten.\' Maar zijn heer zeide tot hem:
Wij moeten niet inkeeren in eene stad van vreemden, van lieden die
13       geen Israëlieten zijn, maar liever tot Gibea voorttrekken.\' Hij zeide tot
zijn knecht: Kom, laten wij eene andere plaats zien te bereiken en in
14       Gibea of Barna overnachten.\' Zoo trokken zij voort. Toen zij nu op
den weg dicht hij Gibea waren, dat tot Benjamin behoort, ging de
15       zon onder.\' Daarom verlieten zij den weg, om in Gibea in te keeren
en er te overnachten. De stad binnengekomen, bleven zij op straat,
en niemand nam ben in zijn huis op, om er te overnachten.
1(5          Maar zie, met den avond kwam een oud man van zijn veldarbeid
de stad binnen. Hij was uit het gebergte van Efraiiu en woonde in
17       Gibea, terwijl de ingezetenen der plaats Benjaminieten waren.\' Toen
hij de oogen opsloeg en den reiziger daar op straat zag, zeide de oude
18       man tot hem: Waar gaat gij heen en van waar komt gij.\' Hij zeide
tot hem: Wij zijn op reis van Bethlebem in Juda naar «liep in het
gebergte van Efraim. Van daar ben ik afkomstig; ik ben naar Betble-
hem in Juda geweest en reis nu naar mijn huis. Niemand neemt mij
lü in zijn huis op,\' hoewel wij stroo en voeder voor onze ezels hebben,
ook brood en wijn voor mij zelf, voor uwe dienstmaagd en voor den
20       knecht dien uw dienaar bij zich heeft: er is aan niets gebrek.\' Toen
zeide de oude man: Vrede zij met u! Maar de plicht u van al wat gij
noodig hebt te voorzien rust op mij. In elk geval, overnacht niet op
21       straat.\' Zoo bracht hij hem in zijn huis en voederde de ezels; zij wie-
schen hunne voeten, aten en dronken.
22           Terwijl zij zich te goed deden, daar omringden de mannen der stad,
deugnieten, het huis, tegen de deur bonzende, en zeiden tot den ouden
man dien het buis behoorde: Breng den man die in uw buis gekomen
23       is buiten, opdat wij kennis met hem maken!\' Toen ging de huisheer
tot hen naar buiten en zeide tot hen: Neen, broeders, doet dit kwaad
toch niet, nademaal die man in mijn huis gekomen is. Doet die dwaas-
24       heid niet.\' Ziet, mijne dochter, die nog maagd is, en zijne vrouw wil
ik wel naar buiten brengen; onteert die dan en doet haar wat u
goeddunkt! Maar aan den man moogt gij die dwaasheid niet begaan.\'
25       Toen de lieden niet naar hem wilden hooren, greep de man zijne
1). Uit dit vers zijn cenigc woordon, die bij vergissing in den tekst zijn geraakt, weggelaten.
10. Jebm, vijf kwartier gaans van licthlehcm. He naam komt alleen hier en 1 Kron. XF: 4 v. voor
on is waarschijnlijk door den bewerker afgeleid uit dien der .Tcbuzieteii; want de stad heette reeds in
de veertiende eeuw Jeruzalem; verg. op 2 Sam. V: 6.
12.   De slechte behandeling die hij van de Kanaiinictcn ducht verwacht hij niet van zijne volksgc-
nooten. Deerlijk zal hij teleurgesteld worden. — maar — voordrei/ten is wellicht met Uij — knecht
van vs. 13 bij ongeluk in dcu tekst gerankt.
13.   Gibea en Rama, de eerste Israëlietische stcdon die zij voorbij moesten. Zie op Joz. XVIII: 24 en 25 v.
15. terwijl — overnachten, volslagen gemis aan gastvrijheid bij de inwoners van Gibea. De conige
dio hen opneemt is geen inboorling.
18.  mijn huil, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. het hui» van Jahwe.
19.  »io dienaar, volg. hss.; Hebr. t. heeft het meervoud. — Dat de reizigers al wat zij behoefden
bij zich hadden maakt de ongastvrijheid der bevolking nog schandelijker.
21.  m wieschen hunne voeten. Verg. op Gen. XVIII: 4.
22.  Verg. op Gen. XIX: 5.
-ocr page 508-
588
RiOHTKitBN XIX:25 —XX: 12.
vrouw en bracht haar naar buiten tot. hen, en zij hielden gemeenschap
met haar en koelden hun lust aan haar den geheelen nacht door, tot
den morgen toe; bij het krieken van den dageraad lieten zij haar
20 gaan.\' Zoo kwam de vrouw, bij liet aanbreken van den morgen, huis-
waarts, viel voor het huis van den man bij wien haar lieer was neder
27       en bleef totdat het licht was liggen.\' Toen haar heer des morgens was
opgestaan, opende hij de deur en ging er uit, om zijne reis te vervol-
gen, en daar lag zijne vrouw vóór het huis, de handen op den drempel.\'
28       Hij zeide tot haar: 8ta op, laten wij op reis gaan! Maar niemand ant-
woordde; want zij was dood. Toen legde de man haar op zijn ezel,
29       maakte zich op en ging naar zijne woonplaats.\' Te huis gekomen, nam
hij een mes, greep het lijk, hieuw het, langs de beenderen, in twaalf
30       stukken en zond liet rond in het geheele grondgebied van Israël. \' En
ieder die het zag zeide: Zoo iets is niet gebeurd noch gezien van den
dag af waarop de Israëlieten uit Egypteland trokken tot heden toe.
Let op, beraamt een plan en spreekt!
XX :1 Toen trokken al de Israëlieten uit en kwam de gemeente als een
eenig man samen, van Dan tot Bersjeba, alsmede het land Gilead, bij
2 Jahwe te Mispa.\' Daar plaatsten zich alle stammen Israöls voor Jahwe,
uitmakende de vergadering van het volk Gods, vierhonderd duizend
«1 man te voet die het zwaard voerden.\' En de Denjaminieten boorden
dat de Israëlieten naar Mispa opgetrokken waren. De Israëlieten zeiden:
4       Vertelt, hoe dit booze stuk plaats heeft gehad.\' Daarop antwoordde de
Leviet, de man der vermoorde vrouw, en zeide: Toen ik met mijne
vrouw in Gibea, dat aan llenjamin behoort, kwam om er te over-
5       nachten,\' stonden de burgers van Gibea tegen mij op en omsingelden
des nachts met slechte bedoelingen tegen mij het huis: mij waren zij
van zins te dooden, en mijne vrouw hebben zij onteerd, zoodat zij er
6       van gestorven is.\' Toen heb ik mijne vrouw gegrepen, in stukken
gehouwen en rondgezonden door het geheele veld van Israëls erfdeel;
7       want zij hebben eene schanddaad en dwaasheid begaan in Israël.\' Geeft
8       nu allen, Israëlieten! woord en raad.\' Hierop stond het geheele volk
als een eenig man op en zeide: Niemand van ons zal naar zijne tent
9       gaan, niemand van ons naar zijn huis keeren.\' Dit is het wat wij aan
10       Gibea doen zullen: Tegen haar hij liet lot! \' Wij zullen uit alle stam-
men van Israël tien mannen op elke honderd, honderd op elke duizend,
en duizend op elke tien duizend nemen, om mondvoorraad voor het
volk te halen; opdat wij aan Gibea van Benjamin doen naar al de
dwaasheid die het in Israël begaan heeft.
11            Zoo verzamelden zich alle Israëlietische mannen tegen de stad, als
12       een eenig man verbonden.\' Nu zonden Israëls stammen mannen door
27.  om — vervolgen. De ergerlijke koelbloedigheid die de man hier nnn den dag legt is in ovcr-
cciistcimning met zijn zelfzuchtig gedrag vim de» vorigcu nvoml.
28.  iranl :ij mat dood, uit Gr. vert. ingevoegd.
1.  van Dan tot Keryeba, ccue vnak voorkomende uitdrukking voor het geheele land ven Israël,
1 Sun. 111:2(1; 2 Snrn. III: In enz. — het land Gilead, het Ovcrjordoanscbc; verg. op Gen. XXXI:
21. — Mispa. Vak op Joz. XYI1I: 25v. De schrijver, of omwerker, onderstelt waarschijnlijk dat de
Israëlieten den tabernakel met de ark bij zich hebben en straks met zich voeren; verg. vs. 18, 23.
2.  voor Jahwe, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. dn hoofden van het i/anaehe volk.
5. waren — dooden. Volg. XIX : 22 hadden zij andere bedoelingen.
7. Aan het eind van het vers heeft Ilebr. t. hierheen, wat niet Lat. vert. is weggelaten.
\'.I. Tegen — lol\'. Vermoedelijk is de bedoeling: wij moeten tegen haar optrekken in de door het
lot aan te wijzen orde; verg. vs. 18.
10.   Dat zulk een maatregel onuitvoerbaar is heeft de verhaler blijkbaar niet bedacht. — Gibea,
volg. Gr. en Lat. vertt.; Ilebr. t. Geba. Hiervoor is een mi verstaanbaar woord weggelaten.
11.  tegen de i/ad, Gibea, d. i. met het doel derwaarts te gaan j eerst vs. Hl komen zij vóór de stad.
12.  den.... itam, volg. Gr. en Lat. vertt.; Ilebr. t. heeft het meervoud.
-ocr page 509-
iuchterbn XX : 12—30.
f>89
den ganschen stam Benjamin met de woorden: Wat is dat voor een
13       boos stuk dat onder u geschied is!\' Levert derhalve die mannen, die
deugnieten in Gibea, uit, dat wij hen ter dood brengen en het kwaad
uitroeien uit Israël. Maar de Benjaminieten wilden niet hooren naar
14       hunne broeders, de Israëlieten.\' Zoo verzamelden zich de Uenjaminieten
viit de overige steden naar Gibea, om ten strijde uit te trekken tegen
15       de Israëlieten.\' Te dien dage werden de uenjaminieten uit de overige
steden gemonsterd: vijf en twintig duizend mannen die het zwaard
voerden. Ook werden buiten de inwoners van Gibea zevenhonderd uit-
10 gelezen mannen die linksch waren gemonsterd,\' altemaal slingeraars,
die met den steen zonder missen op een haar troffen.
17            Ook de Israëlieten buiten de Uenjaminieten werden gemonsterd:
vierhonderd duizend man die het zwaard voerden, altemaal krijgslieden.\'
18       Zij maakten zich op en gingen naar Bethel, waar zij God raadpleeg-
den en vroegen: Wie onzer zal het eerst tegen de Benjaminieten ten
lü strijde trekken? En Jahwe antwoordde: Juda zal voorgaan.\' Den vol-
genden morgen maakten zich de Israëlieten op en legerden zich tegen
20       Gibea.\' Toen nu alle Israëlieten uittrokken ten strijde tegen Benjamin
21       en zich in slagorde stelden tegen Gibea,\' trokken de Benjaminieten
uit Gibea en velden op dien dag van Israël twee en twintig duizend
22       man ter aarde.\' Toch verkloekte zich het volk en stelde zich wederom
in slagorde terzelfder plaatse waar het zich den eersten dag geschaard
23       had. \' En de Israëlieten gingen op, weenden tot den avond voor Jahwe\'s
aangezicht en raadpleegden hem, vragende: Zal ik voortgaan met ten
strijde te trekken tegen de Benjaminieten, mijne broeders.\' En Jahwe
antwoordde: Trekt tegen hen op.
24            Maar toen de Israëlieten den tweeden dag de Benjaminieten nader-
25       den,\' trokken dezen hun op dien tweeden dag uit Gibea te gemoet en
velden van de Israëlieten nog achttien duizend man ter aarde, altemaal
2C> mannen die het zwaard voerden.\' Hierop trokken alle Israëlietenan
geheel het volk op, kwamen te Bethel, zaten daar weenend voor Jahwe\'s
aangezicht, vastten te dien dage tot den avond en brachten brand- en
27       dankoffers voor Jahwe. \' Toen stelden de Israëlieten aan Jahwe — daar
28       nu was te dien tijde de verbondsark van God,\' en Binehas, de zoon
van Eleazar, den zoon van Aiiron, deed daarbij toentertijd dienst —
de vraag: Zal ik nog voortgaan met ten strijde uit te trekken tegen
de Benjaminieten, mijne broeders, of er mede ophouden.\' Jahwe ant-
woordde: Trekt op; want morgen zal ik hen in uwe hand geven.
20, 30 Toen legde Israël troepen rondom tegen Gibea in hinderlaag,\' waarna
de Israëlieten, op den derden dag, tegen de Benjaminieten optrokken
en, evenals de vorige keeren, zich tegen Gibea in slagorde stelden.\'
15.  vijf en twintig, volg. Gr. vcrt. j Hcbr. t. se» en tiointig. De schrijver toch zegt dat van Hcn-
jainin gevallen zijn 25.100 (vs. 35) en overgebleven 000 (vs. 47), zooilat het getal buiten de vs. 15
vermelde 700 juist 25.000 moet zijn geweest.
16.   Aan het begin van dit vers heeft Hebr. t. nog van al dit volk zevenhonderd uitgelezen mannen,
herhaling van het voorafgaande, volg. Gr. vert. weggelaten. — linksch. Zie op 111:15. Over het
linksch zijn van slingeraars zie op 1 Krou. XII: 2.
18. Bethel. Zie op 1:22—20. — Dezelfde vraag en hetzelfde antwoord 1: 1 v. Het blijkt niet dat
hier Juda inderdaad in het een of ander voorging.
20. alle, ingevoegd volg. Gr. vert. — Tusschen slagorde en Helden heeft grondt, de zinledige woor-
den met hen de Israëlieten.
22.  Zij vloden dus niet, mnar behielden het veld. De herhaalde nederlagen dienen alleen om Israël*
standvastigheid en Jahwo\'s bepaalden wil om het kwaad te straffen in te helderder licht te stellen.
Na het volt heeft grondt, de mannen van Israël, blijkbaar cenc kantteekening.
23.  gingen op, waarschijnlijk opnieuw naar Hethei; zie vs. 18 en 20.
274, 28a. Deze aantcekeniug, die reeds bij vs. 18 had moeten staan, is wellicht de kantteekening
van een lezer die de Israëlieten wil rechtvaardigen dat zij te Hel hel Jahwe raadplegen.
-ocr page 510-
iuchtbrbn XX : 31—45.
590
\'M De Benjaminieten trokken uit, het volk te gemoet, werden weggelokt
van de stad en begonnen uit het volk eenigen neer te vellen, evenals
de vorige keeren, op de heirbanen, waarvan de eene opwaarts naar
Bethel, de andere over het veld naar Gibea voert — ongeveer dertig
32       man van Israël.\' De Benjaminieten dachten: Geslagen worden zij voor
ons zooals vroeger — maar de Israëlieten hadden afgesproken: Laten
33       wij vluchten en hen van de stad atlokken, de heirbanen op.\' Daarom
verliet het geheele Israëlietische leger zijne stelling en schaarde zich
in slagorde bij Baal-tamar, terwijl de troepen die in hinderlaag waren
van hunne plaats, ten westen van Gibea, opbraken en tegenover Gibea
34       aankwamen,\' tien duizend uit geheel Israël uitgelezen mannen sterk.
Inmiddels was de strijd heftig geworden, terwijl de Benjaminieten niet
35       wisten dat het onheil ben genaakte.\' En Jahwe bracht Benjamin vóór
Israël de nederlaag toe, en de Israëlieten velden op dien dag van üen-
jamin vijf en twintig duizend een honderd mannen, die allen het zwaard
30 voerden.\' Zoo zagen de Benjaminieten dat zij de nederlaag geleden
hadden. En de Israëlieten weken voor Benjamin in vertrouwen op de
37       troepen die zij in hinderlaag tegen Gibea gelegd hadden.\' Dezen
haastten zich om een aanval op Gibea te doen; zij trokken er heen
en sloegen de gansche stad met het scherp van het zwaard.
38           De afspraak van de Israëlieten met de troepen in hinderlaag was,
39       dat dezen eene rookzuil uit de stad zouden doen opstijgen.\' Dienvol-
gens keerden de Israëlieten zich in den slag en begonnen de Benjami-
nieten eenigen van de Israëlieten, ongeveer dertig man, neder te vellen;
want zij dachten: Zij lijden alweder de nederlaag vóór ons, als in den
40       vorigen strijd.\' Maar daar begon de rookzuil uit de stad op te stijgen;
de Benjaminieten zagen om, en zie, de stad stond in brand, de vlam
41       steeg ten hemel!\' Nu keerden de Israëlieten zich om, en de Benjami-
nieten werden van schrik overmand; want zij zagen dat het onheil
42       hen op de hielen zat.\' Zoo keerden zij den Israëlieten den rug toe en
wendden zich naar de woestijn, maar zij werden achternagezet, en zij
43       die uit de stad kwamen sloten hen in en velden hen neder:\' zij ver-
pletterden Benjamin en vertraden hen tot tegenover Gibea, aan de
44       oostzijde.\' Daar vielen van Benjamin achttien duizend, altemaal kloeke
45       mannen.\' En zij hielden nalezing op de heirbanen, vijf duizend man,
en zetten hen achterna tot Gibeon toe, twee duizend man van hen
31. ongeveer — Israël, misschien bij vergissing hier uit vs. 39 ingeslopen.
33. Baiil-tamar moet volgens dit verhaal ten oosten van Gibea gelegen hebben. — ten westen van
Qibea,
volg. Gr. en Lat. vertt.
35. Wat de troepen uit de hinderlaag tot de overwinning bijdroegen vernemen wij niet. Woarschijn-
lijk ging aan dit vers oorspronkelijk de medcdeeliug vooraf dat zij de Henjaminictcii in den rug
vielen; zie op vs. 304—16. — vijf — mannen. Dit komt overeen met de cijfers van vs. 15 en vs. 47;
volgens vs. 40 bedroeg hot getal gesneuvelden 25.000.
304—10. Voor de tweede maal wordt hier de nederlaag der ilenjaminictcn verhaald, hetgeen zeker
de oorspronkelijke schrijver niet gedaan heeft. Waarschijnlijk is dit gedeelte van den omwerkcr, die
Joz. VIII : 19—22 tot model koos. Om van het bij Gibea gebeurde eene daarmede overeenstemmende
voorstelling te geven, wijzigde hij ook het een en ander in het voorgaande; zie op vs. 35.
. 38. Een paar ziulooze letters, blijkbaar verminkte herhaling van het voorafgaande woord, zijn hior
wcggelnten.
3!). ongeveer dertig man. Zie op vs. 31.
40. Na uit de stad heeft grondt, nog eene kolom, van rook, waarschijnlijk eene kantteekening bij het
minder gebruikelijke woord rookzuil,
42.  naar de woestijn. Welke, is niet duidelijk, waarschijnlijk eene in de buurt; zie op vs. 47. —
uit de stad, volg. Lat. vert.; Hebr. t. uit de sleden.
43.  verpletterden, volg. Gr. vert. — en vertraden hen, met weglating van een paar onverstaanbare
woorden daarvóór.
45. Aan het begin is weggelaten En zij keerden zich en vloden ile woestijn in naar de rots Rimmon,
als blijkbaar bij vergissing uit vs. 47 hier herhaald. — Gibeon, volg. Syr. vert.; Hebr. t. Oideom;
Gr. vert. Gileail.
-ocr page 511-
nicnTRRKN XX : 45—XXI: 16.                                  591
46       verslaande.\' Zoo bedroeg het aantal van al de op dien dag verslagen
Benjaminieten vijf en twintig duizend mannen die het zwaard voerden,
47       alteraaal kloeke mannen.\' En zeshonderd mannen keerden zich en
vloden de woestijn in naar de rots Kimmon, waar zij vier maanden
48       bleven.\' Inmiddels keerden de Israëlieten terug tot de Benjaminieten
en sloegen hen met het scherp des zwaards, niensch en dier, al wat
aangetroffen werd; ook staken zij alle steden die zich in het land be-
vonden in brand.
XXI:1 Te Mispa nu hadden de Israëlieten gezworen: Niemand van ons zal
2       zijne dochter aan een Benjaminiet tot vrouw geven.\' Maar toen het
volk te Bethel kwam, zat het daar tot den avond voor Gods aange-
3       zicht; het verhief de stem, weende heftig\' en zeide: Waarom, Jahwe,
god Israëls, is dit in Israël geschied, dat heden een stam uit Israël
4       gemist wordt l\' En den volgenden morgen maakte het volk zich op
en bouwde aldaar een altaar, waarop het brand- en dankotfers bracht.\'
5       Toen zeiden de Israëlieten: Wie uit alle stammen van Israël is niet
ter vergadering tot Jahwe opgegaan/ Want zij hadden een dieren eed
afgelegd met het oog op hem die niet zou opgaan tot Jahwe te Mispa:
G ter dood gebracht zal hij worden.\' De Israëlieten nu droegen leed over
den broederstam Benjamin en zeiden: Thans is een stam afgesneden van
7       Israël.\' Wat zullen wij voor de overgeblevenen ter zake van de vrouwen
doen, nu wij zelven bij Jahwe gezworen hebben dat wij hun geen
8       dochter van ons tot vrouw zullen geven?\' Toen zeiden zij: Is wellicht
een enkele uit Israëls stammen niet tot Jahwe te Mispa opgegaan?
En zie, uit Jabes in Gilead was niemand in het karap tot de verga-
9       dering gekomen.\' Het volk werd gemonsterd, en inderdaad, er was
10       niet éen uit de inwoners van Jabes in Gilead.\' Toen zond de gemeente
twaalf duizend uit hare kloeke mannen derwaarts met den last: Gaat
heen en verslaat de inwoners van Jabes in Gilead met het scherp des
11       zwaards, ook de vrouwen en kinderen.\' Doch met dezen verstande: al
wat manlijk is en alle vrouwen die met mannen gemeenschap hebben
12       gehad zult gij met den ban slaan,\' maar de maagden zult gij in het leven
laten. Zij deden aldus, en men trof onder de inwoners van Jabes in
Gilead vierhonderd maagden aan, meisjes die met geen man gemeen-
schap hadden gehad, en bracht die in het kamp te Sjilo, in het land
13       Kanaan.\' Nu zond de geheele gemeente boden, door wie zij tot de
Benjaminieten die op de rots Ilimmon waren spraken en hun vrede aan-
14       kondigden.\' Hierop keerden de Benjaminieten terug en gaf men hun
de vrouwen die zij uit de vrouwen van Jabes in Gilead in het leven
gelaten hadden. Maar er waren er niet genoeg.
15            En het volk droeg leed over Benjamin, dat Jahwe eene breuke had
16       geslagen in de stammen van Israël.\' Daarom zeiden de oudsten der
47.   Waarschijnlijk volgde dit vers oorspronkelijk op vs. 36a. — Rimmon, waarschijnlijk een kwartier
ten noorden van itcthcl.
48.  keerden... terug, van de vervolging. — menach en dier, onzekere lezing en vertaling.
2.  te Bethel, waar zij ook XX: 20 zich voor Jahwe hchben gesteld.
3.  Benjamin moest uitsterven, daar de zeshonderd overgebleven mannen geen vrouwen konden krijgen.
7.  voor de overgeblevenen. In grondt, gaat hieraan voor hen vooraf.
8.  Jdbet in Gilead, volg. 1 Som. XXXI: 11—13 tegenover en niet ver van Heth-sjcan. Over de
reden waarom hier aan hare inwoners zulk eene flauwheid in het bestraffen van Gibea\'s zonde wordt
toegedicht zie lul.
11.   maar — aldui, ingevoegd volg. Gr. vert.
12.   Sjilo. Zie op Joz. XVIII : 1. Het toevoegsel in — Kanaan ook Joz. XXI: 2; XXII: 9.
14. keerden — terug, naar hun land.
15—18. De oudsten bcraodslagcu hier alsof nog geen maatregel om de Rcnjaminieten aan vrouwen
te helpen genomen is. Waarschijnlijk is dit laatste gedeelte van eene andere herkomst dsn vi. 1—14.
De woorden Maar — genoeg in vi. 14 dienen om vs. 15—24 voor te bereiden.
-ocr page 512-
MCHTERBN XXI : 16—25.
592
gemeente: Wat zullen Avij voor <le overgeblevenen ter zake van de
17       vrouwen doen.\' Want de vrouwen zijn uit Benjamin verdelgd.\' Voorts
zeiden zij: Er worde IJenjamin eene rest gelaten; opdat niet uit Israël
18       een stam uitgedelgd worde!\' Maar wij zelven kunnen hun geen vrouwen
uit onze dochters geven. Want de Israëlieten hadden gezworen: Ver-
vloekt wie eene vrouw aan een Benjaminiet geeft!
19           Toen zeide men: Zie, liet jaarlijkseh leest ter eer van Jahwe wordt
gevierd te Sjilo, dat ten noorden van Bethel, oostelijk van de heirbaan
die van Bethel naar iSichem oploopt, en ten zuiden van Lehona ligt.\'
20       Zij bevalen dan den Benjaminieten: Graat in hinderlaag liggen in de
21       wijngaarden \' en let goed op. Wanneer de meisjes van Kjilo naar buiten
komen om in reien te dansen, komt dan uit de wijngaarden te voor-
schijn, rooft u ieder eene vrouw uit de meisjes van Sjilo en gaat naar
22       het land van Benjamin.\' Komen dan hare vaders of broeders om ons
dit te verwijten, zoo zullen wij tot hen zeggen: Staat haar goedgunstig
aan ons af; want in den krijg hebben wij niet ietler eene vrouw ge-
kregen; gij hebt ze immers niet gegeven; waardoor gij u zoudt lieb-
23       ben bezondigd.\' Be Benjaminieten deden zoo en namen uit de dansenden
die zij geschaakt hadden zoovele tot vrouw als zij zelven talrijk waren;
daarna gingen zij heen, keerden weder naar hun ertdeel, herbouwden
24       de steden en vestigden zicli daarin.\' Toen gingen de Israëlieten van
daar uiteen, bij stammen en familiën, en vertrokken van daar elk naar
zijn erfdeel.
25           In die dagen was in Israël geen koning en deed ieder wat hem
goeddaeht.
17. Kr worde... gelalen, volg. vcrb. t.
19. het — ffe\'t, zooals uit het loeren in Je wijngaarden blijkt, het loofhuttcufccst; verg. 1 Sam.
1:3; 11:19; 1 Kon. VIII: 2, 05; XII: 32.
21.  ilc meisje» van Sjilo. Blijkbaar worilcn Isrnclictischc meisjes uit nllcrlci stammen bedoeld die
te Sjilo kwamen feestvieren; wnartoc zou anders het janrlijkscli feest afgewacht /.iju?
22.   Staal — gekregen. Deze woorden passen niet in den mond der oudsten maar in dien der Heu-
jaminicten. Wellicht hebben zij behoord tot een ander vervolg vau vs. 1—14, waarop in den krijg
schijnt terug te slaan, — gij hebt — besondigd. De schrijver schijnt gevoeld te hebben, hoe zoowel
de beroofde verwanten als de Israëlieten die dit plan bedenken en laten uitvoeren op deze manier
feitelijk hun eed breken.
25. Keu zeer ongepast slot van een verhaal waarin de Israëlieten zich ordelijker en wcttclijker
gedragen dan zij ooit onder een koning hebben gedaan. Het is door den schrijver overgenomen uit
net oude verhaal, waarbij het stellig beter voegde.
R ü T H.
INLEIDING.
Dit geschrift bevat een verhaal over Kuth de Moabietische, die in haar vaderland met een derwaarts
uitgeweken Judeër huwt, en na den dood van haar man, uit liefde voor hare schoonmoeder, haar
geboortegrond en hare goden verlaat, om te Bcthlehem in armoede voor hare schoonmoeder het brood
te verdienen; maar die, om haar edel gedrag hooggeacht bij hare nieuwe medeburgers, door een aau-
zieulijk bloedverwant van haar overleden echtgenoot ten huwelijk wordt genomen en de stammoeder
wordt van koning David.
Daar het boek ons verplaatst in den tijd der richters, staat het in onzeu Bijbel — anders dan iu
den Hebrceuwschen; zie Algeineeue Inleiding — zeer gepast tusscheu Richteren en Samuel. Het is
-ocr page 513-
Rüth 1: 1—7.                                               5Ü3
echter lang na Jen tijil waarover het handelt geschreven. Dit 1*1 ijkt duidelijk uit IV : 7, waar van
cene zinnebeeldige handeling al» van ecu gebruik uit oude dagen gewag wordt gemaakt. Van de
plaats die de richters onder het volk innemen heeft de schrijver dezelfde onjuiste voorstelling als de
Dcutcronomische bewerker van de verhalen over hen (zie op 1:1). Ook wijst zijne taal op lateren tijd.
Daar er geen spoor van is dat hij eeue schriftelijke oorkonde gebruikt heeft, mogen wij reeds om
den jongen oorsprong vnn het boek de bijzonderheden van den inhoud niet voor geloofwaardig houden.
Kcnc zaak van belang in het verhaal, namelijk dat in den gpslachtsbooin vnn David cene vrouw van
Moabictische afkomst voorkomt, kan op zich zelf waar zijn; maar het is bijna ondenkbaar dut hiervan
de heugenis bewnard zou gebleven zijn : wie zou in Davids tijd en nog lang daarna belang gesteld
hebben in de afkomst zijner overgrootmoederr Het boek Samvel kent van Davids afkomst alleen den
naam van zijn vader Izai cu dat hij uit llethlchem was. Ook is het gcslachtsregister vau IV: 18—22
blijkbaar verdicht; er komt althans éen naam in voor, Salmon, die waarschijnlijk een landschap nuu-
duiddc (zie op vs. 20). Dat Israels groote koning eeue vreemde tot stammoeder had strookt met het
doel dat de schrijver beoogt. Het is hem toch niet te doen om zijne lezers met eene bijzonderheid
uit het grijs verleden vau hun volk bekend te maken, maar om hen te vermanen. In zijn tijd, de
laatste helft der vijfde eeuw, was het cene brandende vraag, of het een lid vau Jahwe\'s volk vrij-
stond, cene nict-Israclietische vrouw te huwen. De vurige geestverwanten vnn Ezrn en Nehemjn braud-
merkten, verboden, ontbondeu zooveel zij kouden zulke verbintenissen; zie Kzra IX, X; Neb. IX: 2;
X:30; XIII: 1—3, 23—28. Tegcuover die ijveraars staat onze verhaler, te dezen geestverwant o. n.
der schrijvers van Xiim. XIII, XIV en Jez. LVI: 1—8, de meening voor dat een liefderijk gedrag en
vrijwillige aansluiting aan Israël en zijn god de smet der uitheemsche afkomst delgt: de vrome Moa-
bietischc was waard de vrouw van ecu aanzienlijk Israëliet, ja, Davids stammoeder te worden. Ook
afgezien van deze vrijzinnige strekking, geeft het geschrift ecu in menig opzicht aantrekkelijk beeld
van reine zeden en zelfverloochenende liefde.
HOOFDSTUK 1.
Ruth verlaat haar land uit liefde vour hare schoonmoeder. — Elimclcch gunt met zijne vrouw
Noömi en twee zonen uit llethlehcm naar het land van Moab (1 v.); hij sterft er (3); zijne zonen
huweu Moabietisehc meisjes, Kuth en Orpa, en sterven (4 v.). Noömi gaat met hare beide schoon-
dochters op weg naar Juda (6v.); Orpa laat zich door haar overhalen, in haar .land te blijven (8—11);
Kuth is haar getrouw (15—18). Zij komen samen te llethlchem en vestigen zich aldaar (19—22).
1:1          Eens, in den tijd toen de richters liet land bestuurden, heersehte er
een hongersnood; daarom verliet een man uit Bethlehem in Juda het
land, om, met zijne vrouw en zijne twee zonen, te gaan vertoeven in
2       het veld van Moab.\' Hij heette Elimelech, zijne vrouw Noömi, zijne
heide zonen Mahlon en Kiljon, Efratheërs uit Bethlehem in Juda. Zij
3       kwamen in het veld van Moab en bleven daar.\' Elimelech nu, de
4       man van Noömi, stierf, en zij bleef met hare twee zonen achter.\' Dezen
huwtien Moabietische meisjes; de eene heette Orpa, de andere Ruth.
5       Toen zij er ongeveer tien jaar gewoond hadden,\' stierven ook die
twee, Mahlon en Kiljon. Zoo overleefde die vrouw hare beide zonen en
haar man.
(5          Daarna maakte zij zich met hare schoondochters op en keerde uit
het veld van Moab terug; want zij had in het veld van Moab gehoord,
dat Jahwe op zijn volk acht geslagen had door het brood te geven.\'
7 Zoo verliet zij, van hare beide schoondochters vergezeld, de plaats waar
zij geweest was. Toen zij op weg waren, om naar het land van Juda
1.  — bettuurden. De schrijver stelt zich dit blijkbaar, evenals de Dcuteronomischc bewerkers vau
Richtere», als een eigenaurdigen regeeriugsvorm voor. — Bethlehem in Juda, tot onderscheiding van
de gelijknamige stad in Zcbulon, Joz. XIX: 15.
2.  E/ratheert, d. i. uit Efrnth, het landschap waarin Bethlehem lag; zie op Gen. XXXV : 19.
O. T. I.                                                                                                                          38
-ocr page 514-
594                                              rüth 1: 7—22.
8       terug te keeren,\' zeide Noömi tot hare beide schoondochters: Gaat
heen, keert terug, elk naar het huis uwer moeder. Jahwe doe u wel,
9       zooals gij gedaan hebt jegens de afgestorvenen en jegens mij.\' Jahwe
geve u eene rustplaats te vinden, elk in liet huis van uw man. Hierbij
10       kuste zij haar. Doch zij begonnen luide te weenen\' en zeiden tot haar:
11       Wij gaan met u, naar uw volk.\' Maar Noömi zeide: Keert liever terug,
mijne dochters. Waarom zoudt gij met mij gaan? Ik draag immers
geen zonen meer onder liet hart, die u tot man zouden kunnen worden.\'
12       Keert terug, mijne dochters, gaat heen; want ik ben te oud om weder
te huwen. Ja, al dacht ik ook dat er nog hoop voor mij was, al hield
13       ik ook vannacht huwelijksgemeenschap, al baarde ik nog zonen,\' zoudt
gij wachten totdat zij groot zijn geworden? Zoudt gij daardoor belet
worden te huwen? Neen, mijne dochters! Want het is veel bitterder
14       voor mij dan voor u dat Jahwe\'s hand tegen mij uitgestrekt is.\' Hierop
begonnen zij opnieuw luide te weenen. En Orpa kuste hare schoon-
15       moeder, maar ltuth hing haar aan.\' Toen zeide zij: Zie, uwe schoon-
zuster is wedergekeerd naar haar volk en hare goden; volg haar en
16       keer ook weder.\' Maar lluth zeide: Dring er bij mij niet op aan, dat
ik u verlaten zou en wederkeeren; want waarheen gij gaat zal ik
gaan: waar gij vernacht zal ik vernachten; uw volk is mijn volk;
17       uw god mijn god;\' waar gij sterft zal ik sterven en daar begraven
worden. Zoo, ja meer nog, zal Jahwe mij doen, indien niet de dood
18       alleen scheiding zal maken tusschen mij en u.\' Toen nu Noömi zag
dat zij het er op gezet had met haar te gaan, hield zij op tot haar
er over te spreken.
19           Zoo reisden zij samen, totdat zij te Bethlehem kwamen. En toen zij
Bethlehem binnenkwamen, geraakte de geheele stad in opschudding
20       over haar en zeiden de vrouwen: Is dat Noömi ?\' Maar zij zeide tot
haar: Noemt mij niet Noömi; noemt mij Mara; want de Machtige
21       heeft mij zeer bittere smart aangedaan.\' Ik ben rijk heengegaan, en
arm heeft Jahwe mij doen terugkeeren. Waarom zoudt gij mij Noömi
noemen, nu Jahwe tegen mij getuigd en de Machtige mij in het
22       ongeluk gestort heeft;\'\' Zoo keerde Noömi terug, vergezeld van ltuth
de Moabietische, hare schoondochter, die uit het veld van Moab met
haar medegegaan was. Zij kwamen te Bethleheiu aan in liet begin
van den gerstenoogst.
8. hel hui» uinr morder, wellicht in plnats van „het huis van uw vader" gezegd omdat de vrou-
wenvertrekken de
nnngcwez.cn verblijfplaats dezer weduwen waren. Volg. 11:11 leefde lluths vader nog.
11—13. Zie op Deufc XXV : 5 v.
14.  kuste, ten afscheid.
15.  hare goden, of haar god.
16 v. Zoo scheidt zich ltuth plechtig van haar volk: zij zweert haar landaard en goden af en voegt
zich bij Jahwe\'s volk; verg. 11:12.
17. Zoo — doen. Deze eedforinulc, die herhaaldelijk in Samuel en Koningen voorkomt, is ontleend
aan de plechtigheid der bondsluiting; zie op Gen. XV:9v. Met dit Zoo wees men op de bloedige
stukken. Allengs werd aan dien oorsprong nauwelijks meer gedacht en de formule gebezigd in den
zin vnn: de godheid moge mij straffen, indien enz.
in. /•« dat Noömi f Zij was schier onherkenbaar in haar vervallen staat: oud en arm.
20.  Noömi betcekent ,mijne licfclijkhcid\', Mara, .bittere\'.
21.  rijk, arm, letterlijk vol, ledig. — tegen mij getuigd, door den mij toegezonden rampspoed ge-
toond mij voor cene schuldige te houden. In een dergelijken ziu wordt de hier voorkomende uitdruk-
king vaak gebruikt, 2 Sam. 1:16; Jcz. 111:9 enz.
22.   in — geritenoogtl, bereidt den lezer voor op het in H. II verhaalde. Be gerst was van de
granen het eerst rijp, de tarwe het laatst.
HOOFDSTUK II.
ltuth op do akkers van Boaz. — Een bloedverwant van Noömi\'s overleden mnn is Boaz (1); Ruth
gaat toevallig op zijn land aren lozen (2 v.); Boaz merkt haar op, hoort wie zij is (4—7) en spreekt
-ocr page 515-
595
RUTH II : 1—17.
vriendelijk met haar (S—13). Hij laat haar mcdcctcu en beveelt de maaiers te zorgen dat zij veel
opraapt (14—10). Dientengevolge brengt zij veel thuis en deelt aan hare schoonmoeder haar
\\vedcr-
varen mede (17—10); deze zegt haar dat Bom haar bloedverwant is, en maant haar aan zich bij het
aren lezen tot zijne akkers te bepalen; wnt zij gedurende den gansehen oogst doet (20—23).
II: 1          Noiïmi nu had een bloedverwant van haar mans kant, een vernio
2       gend man, uit Elimelechs geslacht, Boaz genaamd. \' En Itutli de Moa-
bietische zeide tot Noiïmi: Laat mij het veld ingaan en aren oplezen
achter den man hij wien ik gunst vind. Zij zeide tot haar: Ga, mijne
3       dochter. \' Zij ging dan, kwam op het veld en zamelde in achter de
maaiers. Toevallig trof zij het land van Boaz, die uit Elimelechs ge-
4       slacht was. \' En zie, daar kwam Boaz uit Bethlehem en zeide tot de
5       maaiers: Jahwe zij met u! Zij zeiden tot hem: Jahwe zegene al \' Toen
zeide Boaz tot den opzichter der maaiers: Van wien is dat meisje?\'
6       De opzichter der niaaiers antwoordde en zeide: Dat is eene Moabietische,
7       dezelfde die met Noömi uit het veld van Moab gekomen is.\' Zij kwam
vragen: Laat mij toch lezen en inzamelen bij de schoven achter de
maaiers. Zoo kwam zij en bleef van vanmorgen af tot nu toe op de
8       been; stilgezeten heeft zij weinig. \' Nu zeide Boaz tot Ruth: Hoor
eens, mijne dochter, ga niet heen om op een ander veld te lezen; ook
9       moet gij niet van hier gaan, maar u bij mijne meisjes voegen. \' Met
de oogen op het veld dat zij maaien, moet gij achter haar loopen:
ik heb de knechten verboden u aan te raken. En hebt gij dorst, ga
dan naar het vaatwerk en drink van hetgeen de jongens scheppen. \'
10       Toen viel zij op haar aangezicht, boog zich ter aarde en zeide tot hem:
Waarom heb ik gunst in uw oog gevonden, zoodat gij acht op mij
11       geslagen hebt, hoewel ik eene buitenlandsche ben?\' Boaz antwoordde
en zeide tot haar: Het is mij wel verteld, al wat gij voor uwe schoon-
moeder gedaan hebt na den dood van uw man: hoe gij vader, moeder
en geboortegrond hebt verlaten en naar een volk zijt gegaan dat gij
12       gisteren en eergisteren niet kendet. \' Jahwe zal uwe daad vergelden.
Uw loon zij volkomen vanwege Jahwe, den god Israëls, onder wiens
13       vleugelen gij toevlucht zijt komen zoeken! \' Zij zeide: Dat ik gunst
in uw oog vinde, mijn heer! Want gij hebt mij getroost en naar het
hart uwer dienares gesproken, terwijl ik toch niet vergeleken kan
worden met eene uwer dienstmaagden.
14           Tegen etenstijd zeide Boaz tot haar: Kom nader, eet van het brood
en doop uwe bete in den azijn. Zoo ging zij aan de zijde der maaiers
zitten, en hij reikte haar geroost koren, zoodat zij tot verzadiging at
15       en overhield.\' Toen zij weder opstond om te lezen, beval Boaz de
knechten: Laat haar ook tusschen de schoven oprapen en grieft haar
1(5 niet.\' Dan moet gij ook van tijd tot tijd voor haar iets uit de garven
trekken en laten vallen, dat zij het oprape, en haar geen hard woord geven.
17          Zoo las zij tot den avond toe aren op het veld en sloeg toen uit
2. arm oplezen, ceu zwaar werk in de brandende zon en een dat niet veel opleverde. — achter —
vind. Naar \'s lands zeden was de nnlezing voor do armen, en de wet verordende het, Lev. XIX : \'J v.;
XXIII: 22 j Peut. XXIV: 19—21. Een en ander verhinderde niet dat de armen bij het aren lezen
afhankelijk waren van de welwillendheid der eigenaars cu der maaiers.
7.  ttilgezetm. Hcbr. t. voegt er bij tehuis, waarschijulijk eene schrijffout door herhaling der vooraf-
gsande letters; Gr. vert. in het veld.
8.   ooi — gaan, om te eten of te drinken. — mijne meisje», waarschijnlijk de dienstmaagden die
de schoven bonden.
9.   met — maaien, zonderdat gij u om iemand hebt te bekommeren: de arenraapsters keken maar
al te vaak schuw om, uit vrees voor overlaat.
11. gisteren en eergitteren, voorheen; zie op Gen. XXXI: 2.
14. geroost koren, ook I.i-v. XXIII: 14; 1 Sam. XVII: 17 vermeld, in Palestina nog oen niot ongo-
woon voedsel, vooral in den oogsttijd.
-ocr page 516-
ftUTH II: 17—111: 7.
59Ü
18       wat zij gelezen had; het was ongeveer eene maat gerst.\' Zij nam het
op en kwam de stad in. Toen haar schoonmoeder zag wat zij opgeraapt
had en Itutli ook voor den dag haalde en haar gal\' wat zij, na zelve
19       verzadigd te zijn, had overgehouden,\' zeide hare schoonmoeder tot haar:
Waar hebt gij vandaag aren gelezen en gewerkt.\' Gezegend hij die
acht op u geslagen heeft! Zij vertelde aan hare schoonmoeder, hij wien
zij gewerkt had, en zeide: Ue man bij wien ik heden gewerkt heb
20       heet Boaz.\' Hierop zeide Noömi tot hare schoondochter: (iezegend zij
hij van Jahwe, die zijne gunst niet heeft onttrokken, noch aan de
levenden noch aan de dooden! Voorts zeide Noömi tot haar: Die man
21       is een nabestaande van ons; hij is een onzer lossers.\' En liuth de
Moabietische zeide: Ook heeft hij nog tot mij gezegd: Blijf bij mijne
knechten, totdat zij met den geheelen oogst die van mij te veld staat
22       hebben afgedaan.\' En Noömi zeide tot hare schoondochter Ruth: Het
is raadzaam, mijne dochter, dat gij met zijne meisjes naar buiten gaat;
23       zij mochten u op een ander veld eens hardvallen.\' Dientengevolge
bleef zij bij de meisjes van Boaz om aren te lezen, totdat zij met den
gersten- en den tarwenoogst afgedaan hadden. Daarna bleef zij bij hare
schoonmoeder thuis.
17. sloeg — had. Zoo deed men bij kleinen voorraad; zie Jez. XXVIII: 27. — eene maal, bijna
veertig liter.
20. en de dooden. Noömi beschouwt de zorg voor haar levensonderhoud en dat harer schoondochter
als eene gunst, ook aan de overleden echtgenooten bewezen. — een onzer losser». Het werd voor
plichtmatig gerekend dat de bloedverwanten het verarmen en uitsterven van een geslacht voorkwa-
lucn; zij konden dit doen deur het lossen van verkochte familicgocdercn cu het huwen van kindcr-
loozc weduwen; verg. Jcr. XXXII: 7. Ons verhaal leert dat het volstrekt niet altijd gebeurde. De
wet heeft de inachtneming dier gebruiken voorgeschreven, Lev. XXV: 25, 85, 47—19; Deut.
XXV: 5—10.
HOOFDSTUK UI.
Hoaz aan zijn plicht nis bloedverwant herinnerd. — Op aansporing van Noömi, verklaart Uuth zich
bereid om Hoaz des nachts op zijn dnrschvloer op te zoeken en aan zijn plicht als bloedverwant te
herinneren (1—5). Zij doet zoo (0—9), Hij belooft te doen wat zij verlangt, indien ecu nadere ver-
waut het weigert (10—13), en laat haar met een geschenk naar huis gnnu (11 v.), waar haar schooii-
mocder haar den rand geeft, rustig af te wachten totdat Hoaz zijn woord zal gestnnd doen (IC—18).
111:1 Eens zeide Noömi, Ruths schoonmoeder, tot haar: Mijne dochter,
2       zou ik voor u geene rustplaats zoeken, opdat het u welga l\' Welnu,
die Boaz, onze bloedverwant, bij wiens meisjes gij geweest zijt, gaat
3       vannacht op zijn dorachvloer gerst wannen.\' Nu moet gij u baden, u
zalven, uw opperkleed omdoen en naar den dorschvloer gaan. Laat u
aan den man niet zien voordat hij met eten en drinken gedaan heeft.\'
4       Maar als hij gaat slapen, zie dan goed waar hij zich nederlegt, en
ga derwaarts, sla het voeteneinde van zijn dek op en leg u neder. Hij
5       zal u wel zeggen wat u te doen staat.\' Zij zeide tot haar: Al wat gij
mij zegt zal ik doen.
6           Zoo ging zij naar den dorschvloer en deed al wat hare schoonmoeder
7       haar gelast had.\' Toen dan Boaz, na gegeten, gedronken en zich te
goed gedaan te hebben, zich te slapen legde aan den hoek van eene
koornschelf, kwam zij stil, ontdekte het voeteinde van zijn dek en
1.   Eens. Duidelijk is het niet, wanneer dit gebeurde; immers, het dorschen en wannen van de gerst
ging zeker gewoonlijk aan de voleiudiging van den tarwcnoogst vooraf, en de bedoeling kau bczwaar-
lijk zijn dat hetgeen nu volgt eerst na een jaar gebeurd is.
2.  hij — Kannen. Het schijnt dat men voor het wannen gebruik maakte van den avondwind.
3.  ii zaleen. Zoowel mannen als vrouwen pleegden, als zij zich kleedden, het lichaam, vooral het
haar, met welriekende oliën te zalven; in rouwtijd bleef het achterwege; zie 2 Sam. XII:2(1 •. XIV:2;
2 Kron. XXVIII: 15; P.. XX1II:5; Pred. IX: 8; Hoogl. III: 6; IV: 10; Matth. VI: 17; Luc.
VII: 87 v.
-ocr page 517-
RUTH III: 7—IV : 3.
597
8       legde zich neder.\' In het midden van den nacht schrikte de man
wakker en greep om zich heen, en daar lag eene vrouw aan zijn
9       voeteneinde!\' Hij zeide: Wie zijt gij? Zij zeide: Ik hen Ruth, uwe
dienstmaagd. Gij moet uw dek over uwe dienstmaagd uitspreiden, want
10       gij zijt losser.\' Hij zeide: Gezegend zijt gij van Jahwe, mijne dochter.
Wat gij nu doet is nog edeler dan het vorige, daar gij geen jongeling,
11       behoeftig of rijk, achternageloopen zijt.\' Welnu, mijne dochter, vrees
niet; al wat gij vraagt zal ik voor u doen; want de geheele poort van
12       mijn volk weet dat gij eene deugdzame vrouw zijt.\' Maar, al is liet
waar dat ik losser ben, er is nog een losser die u nader verwant is
13       dan ik.\' UI ij f hier den nacht over, en morgen ochtend, wanneer hij
u lossen wil, goed, laat hem het doen; heeft hij geen lust om u te
lossen, dan zal ik het doen, zoo waar als Jahwe leeft. Blijf tot den
morgen liggen.
14           Zij bleef dan aan zijn voeteneinde liggen tot den morgen. Maar nog
voordat men iemand kon herkennen, stond zij op; want hij zeide: Laat
het niet bemerkt worden dat eene vrouw op den dorsen vloer gekomen
15       is.\' Toen zeide hij: Neem den doek dien gij om hebt en houd hem
op. Zij hield hem op, en hij mat haar zes kop gerst toe en legde het
1G op haar. Zoo kwam zij de stad binnen.\' Toen zij bij hare schoonmoeder
kwam, zeide deze: Hoe is het u gegaan, mijne dochter? Zij vertelde
17       haar al wat de man haar gedaan had\' en zeide: Deze zes kop gerst
heeft hij mij gegeven; want hij zeide: Gij moogt niet met ledige han-
18       den bij uwe schoonmoeder komen. \' Hierop zeide zij: Wacht stil af,
mijne dochter, totdat gij verneemt hoe de zaak uitvalt. Want die man
zal niet rusten voordat bij haar nog heden ten einde brengt.
9.   uw dek... uitspreiden, dezelfde uitdrukking voor „iemand huwen" Kzech. XVI: 8; verg. Deut.
XXII:80j XXVII:80.
10.   Hare deugd bestond hierin dut zij het huwelijk met Boaz begeerde, die niet jong meer wiis;
wilt bewees, hoe zij er op gesteld wus het geslncht van hanr overleden innii in stand te houden. Dit
noemt hij nog prijzenswaardiger dan haar liefderijk gedrag jegens hare schoonmoeder.
11.  de — weet. Het is allen bekend. Zie over de poort op Gen. XXfI:17.
18. Het goed van ecu verarmde te lossen was niet alleen een plicht, maar ook een recht, dat Bonz
zich dus niet mocht aanmatigen; verg. op IV : 8.
14.  eene vrouw, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de vrouw. Maar Boaz spreekt alleen bezorgdheid voor zijn
goeden naam uit.
15.  kop, naar gissing ingevoegd. De Hebr. kop (omer) is bijua vier liter groot. — kaam zij, volg.
hss. en Syr. vert.; Hebr. t. kwam hij.
10. Hoe — i/r,in ii,i \' volg. Gr. vert.; Hebr. t. Wie zijt gij f
HOOFDSTUK IV.
Ruth» huwelijk en nakroost. — Boaz stelt aan den naderen bloedverwant van Klimelech voor, het
voormalig land van dezen te lossen; wat hij weigert als hij hoort dat hij dan tevens Ruth moet
huwen (1—0); hij draagt zijn recht aan Bonz over, die het aanvaardt (7—10); de getuigen wenschen
hem Jahwc\'s zegen op zijn huwelijk (11 v.). Bonz huwt Ruth; zij baart een zoon, met wiens bezit de
vrouwen .N\'oömi gelukwcnseheu (13—lfi); dat kind was Obed, de grootvader van David (17). Gcslai\'hts-
boom van 1\'ercs tot David (18—22).
IV: 1 Boaz nu ging ter poorte op en zette er zich neder. Toen de losser
van wien hij gesproken had voorbijkwam, zeide hij: Kom eens bieren
2       zet u neder, gij daar! Hij kwam en zette zich neder.\' Toen nam hij
tien mannen uit de oudsten der stad, tot wie hij zeide: Zet u hfer
3       neder — en zij gingen zitten. Hierop zeide hij tot de losser: Den
1.  gij daar! Do Hebrceuwschc uitdrukking wordt gebruikt wanneer men iemands naam niet noemen
wil of knu. De vcrhaler vond het onnoodig ecu naam te bedenken. Verg. 2 Kon. VI: 8.
2.  tien mannen, als getuigen. De zaak werd in het openbaar behandeld; zie vs. 8, 0; doch voor do
geldigheid der overeenkomst waren getuigen onmisbaar.
-ocr page 518-
RUTii IV : 8—17.
598
sikker die aan onzen bloedverwant Elimelech behoorde heeft Noönii,
4       die uit liet veld van Moab teruggekeerd is, verkocht.\' Ik heb gedacht,
hierover u te moeten aanspreken en te zeggen: Koop hem in tegen-
woordigheid van hen die hier zitten en de oudsten van mijn volk.
Indien gij hein lossen wilt, doe het; zoo niet, deel het mij mede,
opdat ik het wete; want binten u is er geen losser dan ik, die op u
5       volg. Hij zeide: Ik zal het doen.\' Hierop zeide Boaz: Wanneer gij van
Noümi den akker koopt, dan verwerft gij u tevens Ituth de Moabie-
tische, de vrouw van den afgestorvene, om den naam van den afge-
(5 storvene in stand te houden over zijn erfdeel.\' Maar de losser zeide:
Ik zal niet kunnen lossen; dan zou ik mijn erfdeel bederven. Los gij
7       in mijne plaats; want ik kan het niet doen.\' Voorheen nu pleegde
men in Israël bij lossing en ruiling, om de eene of andere zaak haar
beslag te doen krijgen, zijn schoen uit te trekken en aan den ander
8       te geven. Dit was het afdoend getuigenis in Israël. \' Daarom trok de
losser, toen hij tot Uoaz zeide: Sluit gij den koop — zijn schoen uit.\'
\'.( Hierop zeide Hoaz tot de oudsten en al het volk: Gij zijt heden ge-
tuigen dat ik al wat aan Klimelech en wat aan Kiljon en Mahlon
10       behoord heeft van Noömi koop.\' Ook verwerf ik mij Ituth de Moabie-
tische, de vrouw van Mahlon, tot vrouw, om den naam van den afge-
storvene over zijn erfdeel in stand te houden; opdat de naam van den
afgestorvene niet verdwijne uit zijne broeders en de poort zijner plaats.
11       Gij zijt heden getuigen.\' En al het volk in de poort en de oudsten
antwoordden: Wij zijn getuigen! Jahwe make deze vrouw die in uw
huis komt als Kachel en Lea, die samen het huis Israël gebouwd
hebben. Verwerf vermogen in Efrath en maak naam in Bethlehem.\'
12       Uw huis worde als dat van I\'eres, dien Tamar aan Juda gebaard heeft,
door het kroost dat Jahwe u bij deze vrouw geven zal.
13           Zoo nam Ikiaz Ruth en werd zij zijne vrouw; hij kwam tot haar,
14       en Jahwe gaf haar dat zij zwanger werd en een zoon baarde.\' Toen
zeiden de vrouwen tot Noömi: Geloofd zij Jahwe, die u heden een
15       losser niet onthoudt. Zijn naam worde beroemd in Israël!\' Hij zal u
zijn tot een die u verjongt en uwe grijsheid steunt; want uwe schoon-
dochter die u liefde heeft betoond heeft hem gebaard, zij die u meer
1(5 waard is dan zeven zonen.\' Toen nam Noömi het kind, legde het op
17 haar schoot en werd zijne verpleegster.\' En de buurvrouwen gaven het
een naam, zeggende: Aan Noömi is een zoon geboren! en noemden
het Obed. Hij is de vader van Izai, den vader van David.
3. heeft Noömi... verkocht. Wanneer zij dit gedaan kan hebben, blijkt niet. Waarschijnlijk heeft de
schrijver zich onduidelijk uitgedrukt en nllccii bedoeld dut de nkker vnn welks opbrengst Noömi leven
moest in andere handen m overgegaan. Ook vs. 5 is zijne voorstelling verward.
i. zoo niet, letterlijk zoo gij niet lossen milt, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zoo hij niet losten wil.
t. ran Noömi. Dit is zeer onduidelijk gezegd. Immers, zij bad den akker verkocht en miste dus het
recht van verkoop; de bedoeling is: den akker die van haar afkomstig is. — tevens, volg. Lat. en
Syr. vertt.; Hebr. t. (dim) ook van. — om — houden. Zie op 11:20.
0. De losser bedoelt niet dat het huwelijk niet Ruth zijn erfdeel zou ten gronde richten; maar hij
heeft in deze verbintenis geen lust en treedt dus, hoorende dat deze voorwaarde aan de lossiug ver-
bonden is, terug, zeggcude dat de zaak hem op te veel geld te staan komt.
7.  Zie op Deut. XXV : 9.
8.  trok... zijn schoen uil. Met de overhandiging hiervan aan Boaz stond hij dezen zijn recht af.
11.   die samen — hebben. Zie Gen. XXIX, XXX. — E/ralh. Zie op 1:2. — maak naam, onzekere
vertaling; letterlijk roep een naam uit.
12.  J\'eres, het uanzienlijkste geslacht van Juda; zie inl. op Gen. XXXVIII.
14.  losser. Hiermede wordt, getuige heden, de pasgeboren zoon bedoeld, door wien het geslacht van
Klimelech iu stand blijft.
15.  virjonoi, letterlijk de ziel terugbrengt; verg. op Klaagl. 1:11. — die — zonen. Verg. 1 Sam. I : 8.
17. Dat de buurvrouwen een kind zijn naam geven komt elders niet voor. ])c nnnm dien zij hot
geven betcekent .dienende\' en wordt hier vermoedelijk iu verband gebracht met den stoun dien Noömi
vnn het kind heeft te wachten.
-ocr page 519-
kuth IV: 18—22.
599
18          Dit zijn de afstammelingen van Peres: 1\'eres verwekte Hesron;\'
19,20 Hesron verwekte Kam: Kam verwekte Ammina<lal>; \' Amminadab ver-
21       wekte Nabsjon; Nahsjon verwekte iSalmon;\' tSaliuun verwekte Moaz;
22       Boaz verwekte Übed;\' Obed verwekte lzai, en lzai verwekte David.
V». 18—23. 1 Kron. 11:5, 9—15; Matth. 1:3—6; Luc. 111:31—3».
18. Dit — van, dezelfde braak «lic in Ezra\'s Wetboek de gcslachtsregistcrs inleidt; zie op Gen.
II: la. Voliri\'iis dit register liggen slechts negen mcnschcngeslachtcn tusschen Jndn, den zuun vnn
Jakoh, en David in. Anders Gen. XV: 13; 1 Kun. VI: 1; verg. inl. op Richteren,
l\'.l. Ileirun verwekte Ham. Verg. op 1 Kron. II: \'J.
20. Ha/iiioM, volg. Gr. vert. en vs. 21; ook Matth. 1:1 v.; Luc. 111:32; Hcbr. t. Halma, in uu rei n-
stcinming met 1 Kron. 11:11. Daar 1 Kron. II: M Hcthlchem en andere steden de kinderen van
Salmn hecten, duidt de nnnin waarschijnlijk oorspronkelijk het landschap aan waarin deze lagen.
SAMUEL.
INLEIDING.
Samuel behelst verhalen over den man wiens naam het draagt en over Snul en David, die volgeus
1 Snm. VIII—XI en XVI door hem tot koningen zijn aangesteld. Zich aansluitende bij Richteren en
in Koningen onmiddellijk voortgezet, omval het de geschiedenis van Israël van Samucls geboorte tot
de laatste dagen van David, een tijdperk van omstreeks cene eeuw (ongeveer 1100—983). De vcr-
dccling in twee boeken, evenals die vnn Koningen en Kronieken oudtijds den Joden onbekend, is eerst
later uit de vertalingen in den grondtekst opgenomen; zij is op ecu geschikt punt aangebracht: tusschen
het verhaal van Sauls dood en dat van Davids verheffing tot koning te Hobron. In de Gricksche en
de Lntijnschc vertalingen en daarnaar in de Kooinsch-Katholiekc bijbels heet Samuel 1 en 2 Koningen,
ons boek Koningen 3 en 4 Koningen.
Het boek laat zich in drie deelen en een aanhangsel splitsen. Vooreerst 1 Sam. I—XII: Samucls
geboorte en jeugd (1:1—IV :1a); de wegvoering van de ark door de Filistijnen en haar terugkeer
(IV: 14—VII: 1); de overwinning op de Filistijnen en de instelling van het koningschap (VII: 2—
VIII: 22); Sanl tot koning verkoren (IX—XI); Samucls afscheid (XII). Het tweede gedeelte, 1 Som.
XIII—XXXI, handelt over Sauls strijd met de Filistijnen en zijne verdere krijgsverrichtingen (XIII,
XIV); de oorlog met Amalek en de verwerping van Saul door Samuel (XV); David, door Samuel tot
koning gezalfd (XVI: 1—13), komt aan het hof (XVI: 14—23), verslaat Goliath en sluit vriendschap
met Jonathan (XVII: 1—XVIII: 5), wordt om zijn klimmcuden krijgsrocm door Saul met naijver gade-
geslagen, huwt zijne dochter Michal (XVIII: tl—29), en neemt, na herhaalde aanslagen vau Saul op zijn
leven, de vlucht (XVIII: 30—XIX: 24); David en Jonathan (XX); David te Nob, bij den Filistijnschen
koning Achis, en hoofd ecner vrijbuitersbende (XXI: 1—XXII: 5); de priesters vnn Nob door Saul
gedood (XXII: 6—23); David te Kcïla (XXIII: 1—13); Sauls leven door David in de woestijn van
En-gedi gespaard (XX1II:14—XXIV: 23); David en N\'abal (XXV); Davids grootmoedigheid jegens Soul
in de woestijn van Zif (XXVI); David bij Achis (XXVII: 1—XXVIII: 2) j Saul bij de doodcnbezwccrstcr
van Endor (XXVIII: 3—25); David, uit het leger der Filistijnen weggezonden, strijdt tegen cene Ama-
lekictische rooversbende iXXIX, XXX); dood van Saul (XXXI). Het derde gedeelte, 2 Sain. I—XX,
handelt over David als koning. Na den dood van Saul en Jonathan vernomen cu ecu lied op hen ge-
dicht te hebben (I), gaat David naar Hebrou, waar hij koning over Juda wordt, terwijl Isboosjoth
over de andere stammen regeert; vijandelijkheden tusschen beiden (II); Abncr onderhandelt met David
en sterft (III); dood van Isboosjcth; David koning over gansch Israël (IV :1—V : 5); hij maakt Jeru-
zalem tot zijne hoofdstad (V : 0—10), behaalt overwinningen op de Filistijnen (V : 17—25) en brengt
de ark naar Jeruzalem (VI). De profetie van het eeuwige koningschap van Davids huis (VU). Davids
oorlogen en beambten (VIII); zijne zorg voor Mcliboosjeth (IX); zijn oorlog met de Ammonieten en
-ocr page 520-
600
INLEIDING OP BAMITEL.
ili\' Aramccrs (X); zijne overtreding nn-l Uathsjcba en zijne bestraffing door Nnthan ; do onderwerping
van de Ainmonieten (XI, XII); Amnon door Absnlom vermoord (XIII: 1—30); Ahsaloms vlucht en
terugkeer (XIII: 37—XIV : 33); Ahsaloms opstand en Davids vlucht (XV : 1—XVI: 14); Husjai en
Ahitofel (XVI: 15—XVII: 23); Ahsaloms nederlaag en dood (XVII: 21— XIX : 8a); Davids terugkeer
(XIX: 84—89); opstand van Sjcba en lijst van Davids beambten (XIX : K)—XX : 20). Het aanhangsel,
XXI—XXIV, behelst ecnige bijzonderheden uit verschillende tijdperken van Davids leven, nl. de tcrceht-
stelliug van zeven afstammelingen van Saul (XXI: 1—11); vier heldcnstukkcn vau Davids volgelingen
(XXI: 15—22); een lied vau David (XXII); zijne laatste woorden (XXIII :1—7); lijst zijner helden
(XXIII: 8—39); de volkstelling (XXIV).
Keeds bij eeuc oppervlakkige lezing bespeurt men dat Samwl, evenals de meeste nnilere gcschicd-
boeken van het O. T., wit hcstanddcelen van zeer verschillende herkomst en waarde bestaat. Tal van
verhalen komen er in voor die de kenmerken van geloofwaardigheid vertooneii, maar daarnevens
andere waarin blijkbaar het verleden uit het godsdienstig standpunt der schrijvers beschouwd en
dientengevolge onjuist voorgesteld wordt.
liet hoofd bestanddeel van ons boek is een werk dat wij „Het Oude Geschiedboek" zullen noemen,
in de eerste helft der 7de eeuw vervaardigd en zelf reeds uit gedeelten van oudere geschriften
samengesteld.
\'Pot deze behoorden: 1°. een boek, behelzende o. n. cene geschiedenis van Saul, waaraan 1 Sum.
XI: 1—11, 15; XII 1:1—7, 154—XIV: 51 ontleend is. Deze verhalen, eens wellicht met ilc Siinsons-
verhalcii verbonden (zie op Kicht. XIII : 5), zijn zeker uict jonger dan de 8ste eeuw en iu de hoofdzaak
geloofwaardig. Saul wordt hier voorgesteld als een man, die, om zijne verdiensten door het volk tot
koning uitgeroepen, met goed gevolg Isrnëls vijanden bestreed en Jahwe oprecht vereerde. Snmuel
wordt niet genoemd.
2». een doorloopend verhaal over David, door ons „Geschiedenis van David" genoemd. Het hield
in, hoc David aan het hof van Saul kwam, door \'s konings ijverzucht genoodzaakt was te vluchten,
een vrijbuiterslcvcn leidde, vazal van ecu Filislijnschcn koning was, cu na Sauls dood over Juda, na
dien van Isboosjeth over geheel Israël koning werd. Do schrijver besloot met een kort overzicht van
de door Daviil gevoerde oorlogen en cene lijst zijner rijksgrootcn.
Wij bezitten het in 1 Sam. XVI: 1-1—23; XVIII:6—29 (ten deele); XVIII:30—XIX: 17; XXI:2—10;
XXII:l—XXIIIUS; XXV; (XXVI?); XXVIIïl—XXV1II:2; XXIX; XXX; XXXI (ten dooie); 2 Sam.
1:1—V:3, 17—25; VIII. Kvenals de geschiedenis van Saul, is dit verhaal uit de 8ste eeuw afkomstig
en over het geheel geloofwaardig. De schrijver is een bewonderaar van David en stelt hein voor als
gunsteling van Jahwe, die hem uit allerlei beproevingen en moeilijkheden gered en op don troon van
Israël verheven heeft. In verband hiermede wordt Saul, als vervolger van David, iu een ongunstig licht
geplaatst.
8°. een geschrift dat wij „Davids Familiegeschiedenis" kunnen noemen, waaraan 2 Sam. IX—XX
ontleend is. Dat dit geschrift oorspronkelijk meer dan deze hoofdstukken bevat moet hebben springt
in het oog: II. IX kan het begin niet geweest zijn. Wnt hieraan voorafging is echter door de andere
berichten verdrongen; het vervolg vinden wij in 1 Kon. 1:1—II:10« (zie inl. hierop). Hoewel geen
tijdgenoot van David en Salomo (zie aantt. op XII: 20 en XIX: 18), leefde de schrijver zeker niet lang
na hen; hij was zeer goed ingelicht aangaande de gebeurtenissen die hij vermeldde cu bad gceu hijbc-
docliug onder het schrijven: onbewimpeld worden de overtredingen en zwakheden vnn David, den held
van het verbaal, erkend.
Toen de schrijver vau Het Oude Geschiedboek deze verhalen aan elkander reeg, laschte hij er ecnige
stukken, van verschillenden ouderdom, in: vooreerst 1 Sam. IV : \\l>—VII :2a; IX : 1—X : 7, 9—10.
Hierin wordt de invoering van het koningschap voorgesteld als door Jahwe beschikt tot redding van
Israël; de man die daarbij als Jahwc\'s vertegenwoordiger optreedt en den eersten koning zalft is
Samucl, een slechts iu kleinen kring bekend ziener. Voorts voegde hij 1 Sam. XVII: 1—XVII1:5;
2 Sam. VI in, niet het doel om David te verheerlijken als strijder voor de eer van Jahwe en ijveraar
voor zijn dienst.
-ocr page 521-
Ü01
INLEIDING OP SAMCBL.
Dcoogdo dus reeds ilc schrijver vnn het Oude Geschiedboek de verheerlijking vim liet koningschap
en vooral van David, den koning liij uitnemendheid, iu dit laatste opzicht gaan latere toevoegsels op
zijn werk nog verder. Immers, 1 Sam. XXlll:li—XXIV : 23 dient om David vrij te pleiten van eene
roekeloozc daad die hij volgens II. XXVI Ingaan had; 1 Sam. XXI : 10—15 wil zijn dubbelzinnig
gedrag tegenover Aehis waarvan 1 Sam. XXVI1 verhaalde vergoelijken; en in 1 Sam. XX (verg.
XXIII : 10—lKj wordt aan Jonathan de overtuiging toegedicht, die hij in de andere verhalen niet
heeft, dat David hestemd is Sanl als koning op te volgen.
De keerzijde van deze verheerlijking van David was natuurlijk dat Stiul iu steeds ongunstiger lieht
werd geplaatst. Dienovereenkomstig wordt in 1 Sam. XV; XXVII1:3—25; XXXI (ten deele) verhaald
dat Saul door Jahwe verworpen is om zijne ongehoorzaamheid aan Sauiuel. Deze wordt hier voor_
gesteld als Jahwe\'s profeet voor geheid Israël, die al» Modanig ook boven den koning staat. In dit
karakter komt Sauiuel ook voor in 1 Sam. XVI : 1—18, waar hij David als koning zalft, znodra Jahwe
besloten heeft Sunl te doen vallen, en iu 1 Sam. XIX: 18—.\'t. waar hij hem tegen Sanls aanslagen
besehermt. Met de belangrijke rol waarin Sauiuel hier optreedt is geheel in overeenstemming wat in
1 Sam. Ij II: 11—20; 111:1—IV: la over zijne geboorte en roeping als profeet wordt medegedeeld.
Al deze stukken zijn uit denzelfden kring en jonger dan het Oude Geschiedboek, maar ouder dan
Heuleronumium.
Iit den tijd na de invoering van deze wet zijn 1 Sam. 11:27—30 en 2 Sam. VII; waarvan het
eerste beoogt de vcrhcerlijkiug der Sndokictcn, de priesters van den Saloinnuischcu tempel, boven Kli\'s
huis, dat om zijne zonden vernederd wordt, het laatste den eeuwigen duur van Davids huis voorzegt.
Terzelfder tijd werd het met al deze tocvoegseleu verrijkte Oude Geschiedboek iu ecu werk opgc-
nomen dat behalve de geschiedenis der koningen van Israël eu Jiula ook verhalen uit den Hichtcrcntijd
bevatte (zie iull. op Riehtereu en op Koningen). Toen, in de vijfde eeuw, dit boek in drie doelen,
Richteren, Sauiuel. Koningen, werd gesplitst, is het verhaal van Davids laatste dagen (de kern van
1 Kon. I, II) van hetgeen er aan voorafging gescheiden en de inleiding op Koningen geworden, en
tevens Samuel verrijkt met het aanhangsel, 2 Sam. XXI—XXIV, waarvan de bonte inbond op meer
dan een tijdperk van Davids leven betrekking heeft en dat uit gedeelten van zeer verschillende herkomst
bestaat. Wellicht is er toen ook het lied van Ilaiiun, 1 Sam. 11:1—IU, ingevoegd.
Te gelijk met of na die splitsing, waarbij het boek Samuel een afzonderlijk werk werd, zijn er nog
enkele verhalen iu opgenomen, 1 Sam. VII: 24—VIII: 22; X:17—27; XI: 18—14; XII, dio zich
onderscheiden door eene hoogst ongunstige beschouwing van het koningschap, welke uit den aard der
zaak veel gemakkelijker na den vul van Jeruzalem dan daarvóór ontstaan kon; verg. op Kieht. VIII:22 v.
In die verhalen wordt het koningschap beschouwd, niet als eene door de omstandigheden gevorderde
instelling, veelmin nis ecu voorrecht door Jahwe aan Israël verleend, maar als het gevolg van cene
zondige begeerte des volks, die door Juhwe na herhaalde waarschuwingen was ingewilligd. In verband
hiermede werd de tijd voor Sanls optreden als een tijd van buitengewouen voorspoed verheerlijkt:
onder het bestuur van Samuel was Israël het voorwerp van Jahwe\'s bijzondere gunst geweest.
Is zoo ons boek herhaaldelijk uitgebreid, ook na de opneming der jongste verhalen is het niet
onveranderd gebleven. Zelfs nadat het in het Gricksch vertaald was is er gedurig aan gewerkt en
heeft de tekst — zooals de vergelijking er van met die overzetting leert — allerlei, dikwerf belang-
rijke, wijzigingen ondergaan (zie o. a. inl. op 1 Sam. XVIII :U—29). De tijd waarin dit is geschied
is niet nader te bepalen.\'
De Grickschc vertaling bewijst ons vank goede diensten bij de verbetering van den Hcbrcciiwschcn
tekst, dio vol fouten eu hier en daar deerlijk verminkt is; voor de weinige verhalen die iu Kronieken
zijn opgenomen helpt ons soms de tekst van dit bock om dien van Samuel te herstellen; dikwerf
echter moeten wij, om een verstaanbnren zin te krijgen, tot meer of min onzekere gissingen de
toevlucht nemen.
Over de vrijheid waarmede de schrijver van Kronieken te werk ging bij het overnemen, wijzigen
en weglaten van verhalen uit ons bock zie inl. op Kronieken.
-ocr page 522-
(502
1NLBID1NG OP 1 BAMUBI, I : 1—IV : la.
EEKSTE BOEK.
HOOFDSTUK 1:1—IV: 1«.
Sniinii\'Is geboorte en j< umi. — Klkann heeft twee vrouwen, van welke tle ceue, llanna, smi kin-
dereu heeft, tle niulere, l\'cuiiiuu, wel (I: 1 v.); daardoor staat telkens hij het juarlijksch nireriiuutl
te Sjilo gene hij deze achter (3—5); doof tle krenkende woorden hurer metletliugstcr hetlrtieftl, laat
lliiiiim zich nuk door tle liefde van haar iiiiiu niet troosten (fl—H); zij verlost tien inimltijtl en bidt om
een zoon, met tle belofte hem aan Jahwe Ie wijtien (!)—11). De priester Eli houdt haar voor dion-
ken en berispt haar (12—11), doeh laat haar, na vernomen te hebben wat haar deert, met een be-
inocdigcnd woord gaan; waarna llauna zieh weder uau tafel zet (15—IK). Naar huis teruggekeerd,
wordt llanna zwanger en baart Samucl (19 v.). Als het kind gespeend is, brengt zijne moeder hem
naar Sjilo, waar zij hem voor den dienst van Jahwe in het heiligdom aan Kli afstaat (21—28).
Iiied van llanna (11:1—10). Terwijl zij naar hare woonplaats terugkeert, blijft Sainuel te Sjilo (11).
De zouden vun I-Mi\'s zonen (12—17). Sainuel groeit op in het heiligdom cu wordt telken jure door
zijne ouders bezocht (18—21). Kli berispt zijne zonen om hun onbetamelijk gedrag, maar zonder ge-
volg (22—25); terwijl Sainuel toeneemt in deugd (20). Een godsmnii voorspelt Kli dat Jahwe zijn
geslaehl verwerpen en een getrouwen priester aanstellen zal, bij wieu zijne nakomelingen om brood
zullen bedelen (27—30). Jahwe roept Suinucl; hij, mccncndc dat het Kli is, vraagt, wat deze hem te
zeggen heeft; Kli onderrieht hem dat hij eenc godspruak zal ontvangen, en wat hij, als hij wctler gc-
roepeu wordt, moet antwoorden (111:1—9). Jahwe verschijnt aan Samucl en draagt hem op, aan Kli
dcu aanstaanden ondergang van zijn huis bekend te maken (10—14); des anderen daags deelt Sainuel
hem op zijn uitdrukkelijk verlangen de godspraak mede (15—18). Samuels roem als profeet wordt
alom verbreid; van alle kanten stroomt uien naar Sjilo om hem te hooren (19—IV :1a).
Dit verhaal, waartoe oorspronkelijk II: 1—10 cu 27—3C niet behoord hebben, is bestemd om den
lezer iu te lichten aangaande de afkomst en jeugd van Sainuel, tlie in het vervolg van dit bock zulk
eenc belangrijke rol speelt, en dient tevens tot inleiding op IV: 14—VII S 2a, waar de beinaehtigiiig
vim de ark door de Filistijnen en haar terugkeer op Israëlictiseh grondgebied verhaald wordt. Het is
echter niet van dcnzelfden schrijver als deze hoofdstukken, maar opgesteld door iemand die de daar
vermelde ramp, waardoor Kli\'s huis werd getroffen, uit de zouden van hein cu zijne zonen trachtte te
verklaren; zie 11:12—17; 111:10—14.
Ilehalve de geschiedenis van Samuels geboorte en jeugd, boezemde hem blijkbaar het lot van dst
priestcrgcslacht de grootste belangstelling in. Geen wonder! Tot het huis van Kli behoorden de voor-
nuainste priesterfauiilicn van Noord-Israël, die, zoolang dat rijk bestond geëerd eu machtig, bij de
verovering vuu het land door de Assyriërs haar eer eu invloed grootciidcels hadden verloren. In die
vernedering zag onze schrijver de voltrekking vun een oordcel van Jahwe, waarvan de ramp tlie Kli
en zijne zonen trof het begin was geweest, en dat Jahwe lang te voren had aangekondigd. De schrij-
vcr moet dus. na de verovering van Samarië hebben geleefd.
Van Samuel, door wicn het strafgericht aan Kli wordt aaugekondigd, wordt hier eeue voorstelling
gegeven die zeer afwijkt van die in IX: 1—X:1Q. Terwijl hij hier voorkomt als een slechts in
kleinen kring bekend ziener, deelt ons verhaal mede, hoe hij door Jahwe\'s gunst en roeping een pro-
feet werd die in gansch Israël beroemd was. Zonder twijfel is de laatste voorstelling de jongere. Daar
zij behalve hier alleen nog in XV; XXVIII: 3—25 wordt aangetroffen, ligt het vermoeden voor de
hand tlat deze hoofdstukken met de onze van dcnzelfden schrijver ziju en tot de toevoegsclcn bij het
Oude Geschiedboek behooren. Kenc nog jongere voorstelling van Samuels werkzaamheid onder Israël
vinden wij in VII: 2—VIII: 22; X:17—25; XII. Dat Samucl, zoonis hier verhaald wordt, tot de
priesterschap van Sjilo behoord heeft is zeer onwaarschijnlijk: niet slechts wordt elders (zie op VII:
17) steeds llamu als zijne woonplaats genoemd, maar ook wordt er in dit boek nergens op gczin-
spccld dat hij vroeger op cene andere plaats woonde. Blijkbaar moet de voorstelling van Samuels ver-
blijf te Sjilo dienen om hem als profeet van den ondergang van Kli\'s huis te laten optreden.
Door de vernedering der Noord-Israëlietisehc priesterschappen waren die van Juda, vooral die van
Jcruzalems tempel, zeer in aanzien en macht gerezen. De laatste werd cene eeuw later, na do uit-
viiardigiug van de wet van Dêitlironomium en de verwoesting der hoogtctcmpels door Jozia, voor de
ecuige wettige priesterschap van Jahwe verklaard. Niets natuurlijker dan dnt zij zich hierop heel wat
liet voorstaan, en hare verhelling ten koste der andere priesterschappen gaarne voorstelde als eenc
beschikking van Juhwc. Met die bedoeling is 11:27—36 (verg. op 111:12 v.) geschreven. Hierin wordt
verhaald, hoe niet slechts Kli\'s huis tot straf voor zijne zonden vernederd is, maar Jahwe ook den
-ocr page 523-
• 1 bamum, I: 1—9.                                           603
getrouwen priester Sadok, den stamvader >ler Jcruzalcmschc priesterschap, in plaats daarvan tut de
priesterlijke bediening geroepen heeft.
Het lied van Hanna, II: 1—10, is afkomstig uit den laatsten tijd voor de liiillingschap en niis-
seliieu eerst veel later in hel verhaal ingelnscht; verg. de aant. aldaar.
1:1           Er was een zeker man uit Barna, een Sufeër van het gebergte van
Efraim, met name Elkana, de zoon van .leruliam, den zoon van Elihu,
y den zoon van Toali, den zoon van Suf, een Efraiiuiet.\' 11 ij had twee
vrouwen; de eene heette Hanna, de andere 1\'eninna; 1\'eninna had
3       kinderen, Hanna niet.\' Die man nu ging jaarlijks op uit zijne stad,
om te iSjilo Jahwe der heirscharen te aanbidden en hem een offer te
brengen. Aldaar waren de twee zonen van Eli, Hofni en 1\'inehas,
4       priesters van Jahwe.\' Eens otterde Elkana — hij placht daarbij aan
zijne vrouw 1\'eninna en al hare zonen en dochteren verscheiden deelen
5       te geven,\' terwijl hij aan Hanna slechts éen deel gal\'. Toch had hij
0 Hanna lief; maar Jahwe had haar moederschoot gesloten.\' Bovendien
tergde hare medevrouw haar zeer, om haar in drift te doen ontsteken,
7       omdat Jahwe haar moederschoot had gesloten.\' Zoo ging het telken
jare, zoo vaak zij opging in Jahwe\'s huis. Ontstemd, weende zij en at
8       niet.\' En haar man Elkana zeide tot haar: Hanna, waarom weent
gij? waarom eet gij niet? en waarom is uw hart bedroefd\' llen ik u
1) niet meer waard dan tien zonen/\' Maar Hanna stond op, terwijl zij
haar eten in de kamer onaangeroerd liet staan, en plaatste zich voor
Jahwe. En de priester Eli zat op zijn stoel bij den deurpost van Jahwe\'s
tempel.
1
1.   liiimii, eigenlijk Harama, volg. verft. t.; grondt. Ilaramalhaim. De plaats wordt meermalen ver-
meld als woonplaats van Samuel (vs. 19; VII: 17; XV: 34; XVI: 13; XIX: 18, 22 v.; XXV !l;
XXVIII: 3) en wordt elders tot llenjamin gerekend; zie op Joz. XVIII: 25 v. De naam heteekent
,de hoogte\'. Waarschijnlijk is het dezelfde plaats die later Ilaramalhaim, il. i. ,de twee hoogten\',
heette, iu den Grickschcn vorm liamalhem (1 Makk. XI: 34) of Arimalhea (Matth. XXV1I:57; Lue.
XXIII :.">]; Joh. XIX: 38). Gr. vert. zet iu ons hoofdstuk altijd Armathaim; om dezelfde reden
waarom dit gesehiedde is waarschijnlijk iu ous vers ook in Kehr. t. die naam ingeslopen. —
een Sufei\'r, volg. Gr. vert.; Hebr. t. So/im. Suf was, volg. lX:5v., de landstreek waartoe Kama bc-
hoordc; aan het einde van het vers wordt zij als ecu persoon, als Klkana\'s stamvader, voorgesteld;
verg. 1 Kron. VI: 26 en inl. op Gen. X. — het gebergte van Efraim. Zie op Joz. XVII: 15. —
Elkana — Suf. De namen van Elkana\'s voorouders luiden 1 Kron. VI: 20 v. Jeroham, Eliah, Na-
hafh, Suf;
1 Kron. VI: 34 v. Jeroham, Eliël, Taak, Suf. — Jeroham. Gr. vert. heeft hier en 1 Kron.
VI Jerahmeël. — Toah, volg. Gr. vert. en 1 Kron. VI: 34; Hebr. t. Tohu. — een Efraimiet. Volg.
1 Kron. VI : 16—27, 83—17 behoorde zijn geslacht tot Levi.
2.  Zie op Deut. XXI: 15.
3. jaarlijks, éen keer in het jaar (verg. vs. 21), waarschijnlijk op het Richt. XXI: 19 bedoelde
feest. Volg. Kxod. XXIII:17; XXXIV:23; I)cut. XVI: 16 moest ieder Israëliet minstens driemaal
\'sjaars Jahwe\'s aaugezicht komen zien. Daar de schrijver Klkana geen verzuim te laste legt, heeft
hij waarschijnlijk zulk eene wets
�847
bepaling niet gekend. — Jahwe der heirscharen, of Jahwe, de god
der heirscharen. Zoo heet Jahwe ontelbare kceren, vooral bij de profeten, als opperste gebieder van
alle hemclsche machteu; bepaaldelijk wordt hij zoo genoemd waar men tegenover de gewaande hoog-
heid van afgoden of menschen wil doen uitkomen dat alleen Jahwe machtig is cu zijn volk op hem
31
alleen steunen moet (I\'s. I,XXXIX:9; Jcz. 11:12; III: 14 v.; ViUv.j Vlll:12v.; X:16, 23—33;
XXXI: 40; XXXIII: 9; Am. 111:13—15; IV: 13 enz.). De naam schijnt aan Jahwe gegeven to zijn
toen men in de goden der volken, vroeger als zelfstandige heerschers nevens Isracls god erkend,
dienaren, vazallen van Jahwe begon te zien. Anderen mceueii dat de naam oorspronkelijk beteckende:
aanvoerder vnn Israëls legerscharen. — Sjilo. Zie op Joz. XV111:1 j over het heiligdom aldaar llicht.
XXI: 19.
4.  deelen, nl. van het olfcrmaal.
5.  terwijl — gaf. De reden hiervoor geeft Gr. vert. juist aan door het toevoegsel omdat tij geen
kind had.
— Toch, volg. Gr. vert.
6.  om — onltteken, onzekere vertaling.
7.  ging het, met verandering vau klinkers; Hebr. t. deed hij. — Ontstemd (letterlijk En zij werd
ontstemd en),
volg. Gr. vert.; Hebr. t. Zoo tergde zij kaar.
8.  Ben — HM*/ Verg. Ruth IV: 15.
9.  terwijl — staan, letterlijk van achter hare spijs in de kamer, volg. verb. t.; grondt, na het eten
te Sjilo.
— de kamer, in het heiligdom waar de olfcrmaal tijden werdeu gehouden; verg. IX: 22. Ook
de Jeruzalemschc tempel had tot dit en andere doeleinden vele zulke vertrekken; zie 1 Kron. IX:26;
Neb..\' X:37—39; Jer.\'XXXV : 1—5; Kxech. XL: 17, 45; Xtll: 1—14. — en — Jahwe, uit Gr. vort.
-ocr page 524-
1 samukl 1: 10—23.
G04
lü, 11 Zij dan, bitter bedroefd, bad tot Jahwe, weende hevig\' en deed eene
gelofte, zeggende: Jahwe der heirscharen! Indien gij op de ellende uwer
dienstmaagd nederziet en mijner gedenkt, indien gij uwe dienstmaagd
niet vergeet en haar een mannelijken nakomeling geeft; zoo schenk ik
hem voor zijn gansohe leven aan Jabwe, en zal geen scheermes op
zijn hoofd komen.
12           Toen zij nu lang aanhield met bidden vóór Jahwe, terwijl Eli acht
13       gal\' op haren mond —•\' llanna toch sprak bij zich zelve: alleen bare
lippen bewogen zich, hare stem hoorde men niet •—• hield Eli haar
14       voor beschonken.\' I>.iarom zeide hij tot haar: Hoelang zult gij u als
15       eene beschonkene gedragen.\' Uoe uwen roes van u!\' Maar llanna ant-
woordde: Neen, mijn heer, ik ben eene ongelukkige vrouw; wijn of
sterken drank heb ik niet gedronken: maar ik stortte mijn gemoed
lb\' uit voor Jahwe.\' Zie uwe dienstmaagd niet aan voor eene nietswaar-
dige; want vanwege mijn groot verdriet en hartzeer hel) ik tot hiertoe
17       gesproken. \' Toen antwoordde Eli: Ga heen in vrede, en Israels god
18       geve xi wat gij van heni afgebeden hebt!\' En zij zeide: Moge uwe
dienares gunst in uw oog vinden! Daarop ging de vrouw baars weegs,
kwam weder in het vertrek, at met baar man en dronk en liet liet
hoofd niet meer hangen.
il)          Den volgenden morgen keerden zij, na Jahwe te hebben aangebeden,
terug en kwamen weder in hun huis te Itainu. Elkana hield gemeen-
20       schap met zijne vrouw llanna, en daar Jahwe liarer gedacht,\' werd
zij zwanger en baarde een zoon, dien zij Samuel noemde; want, zeide
zij, ik hel) hem van Jabwe afgebeden.
21            Bij de wisseling van het jaar ging de man Elkana met zijn gansehe
gezin weder op, om aan Jahwe de jaarlijksclie offerande, benevens zijne
22       gelofteoffers, te brengen.\' Maar Hanna ging niet op; want zij zeide
tot baar man: Wanneer de knaap gespeend is en ik hem breng, dan
zullen wij Jabwe\'s aangezicht gaan zien en zal hij daar voorgoed blij-
23       ven.\' Toen zeide haar man Elkana tot haar: Doe wat goed is in uw
oog; blijf totdat gij hem gespeend hebt; moge slechts Jahwe uw woord
waar maken! Zoo bleef de vrouw thuis en zoogde haar zoon, tot-
ingovocgd ; Ilebr. -t. beeft in stede hiervan en na het drinken > wet zeker in den tekst is ingevuld
on te verklaren hoc Ilnnna voor dronken kon nangezien worden. — den deurjiott — tempel. Het
heiligdom te Sjilo was dus niet eene tent, als de tent der samenkomst, die volg. Joz. XVIII: 1 hier
zou gestaan hebben, maar een vast gebouw, /ie op Joz. XV lil : 1.
11. tchrnk ik — Jahwe, blijkbaar zooveel als: sta ik hem als priester nnn Jahwe af; zie vs. 24—28;
11:11, 18 v.; 111. Zijne afkomst uit Kfraim was voor den schrijver blijkbaar geen bezwaar
daartegen; verg. op vs. 1. — geen — komei. Dit is volg. Num. VI een kenmerk van den nazirecr.
Wellicht was het een gebruik bij de priesters vau Sjilo. Gr. vert. voegt er nog een ander kenmerk
der nazircers bij, nl. dut hij wijn noch sterken drank znl drinken.
15. ongelukkige, letterlijk zwaar van dag (verg. Job XXX: 25), volg. Gr. en Lnt. vertt.; Hcbr. t.
hard van gemoed.
10. Zie...«iet aan voor, onzekere tekstverbetering volg. Svr. vert. — nietswaardige. Zie op Deut.
XIII: 13.
18. Moge — vinden I Zooveel als: ik beveel mij in uwe gunst aan! — kwam — dronk, volg. Gr.
vert.; Ilebr. t. al. — ut — hangen. Na de belofte van den priester was zij niet bedroefd meer. —
Hel — hangen, volg. Gr. vert. Dezelfde uitdrukking Gen. IV! 8.
20.  dien — afgebeden. Verg. vs. 17. De naam Sami/el heeft eenige overeenkomst met de llcbrceuwsche
woorden die ,van God afgebeden\' beteckenen. De ware betcekenis is waarschijulijk ,de naam Gods\'. —
zeide zij, uit Gr. vert. ingevoegd.
21.  Bij —jaar. Deze woorden (verg. op Kxod. XXX1V:22) zijn uit vs. 20 hierheen verplaatst.—
de jaarlijktehc offerande, tienden en cerstgeboorteu; die eens in het jaar aan Jahwe gewijd werden. —
gelofteoffert, ter betaling van wat men iu den loop des jaars onn Jahwe voor bepaalde gevallen be-
loofd had.
22.  zullen — zien, met verandering van klinkers; grondt, hij zal voor Jahwe\'i aangezicht verschijnen;
zie op Kxod. XXIII: Ir.
23.  uw woord, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. zijn woord. Klkann bedoelt: .Moge Jahwe den knaap slechts
in het leven sparen, zoodat gij uw voornemen volbrengen kunt!
-ocr page 525-
1 SAMUKTi 1: 23—II: 5.
«05
24       dat zij hem speende.\' Zoodra zij hem gespeend had, nam zij liem met
zich mede, benevens een driejarigen stier, eene maat meel en een zak
25       wijn, en kwam in Jahwe\'s huis te Sjilo met den knaap.\' Toen men
20 den stier geslacht had, bracht Ilanna den knaap bij Eli\' en zeide: Met
verlof\', mijn heer! zoo waar als gij leeft, ik ben de vrouw die hier bij u
27       stond om tot Jahwe te bidden.\' Om dezen knaap heb ik gebeden, en
28       Jahwe heeft mij geschonken wat ik van hem afgebeden heb.\' Nu sta
ik van mijn kant hem af aan Jahwe; voor zoolang hij leeft zij hij
aan Jahwe afgestaan. En zij zette hem aldaar vóór Jahwe neder.
II: 1         Toen bad Hanna en zeide:
Mijn hart is in jubel over Jahwe,
verhoogd mijn hoorn over mijn God;
wijd geopend is mijn mond tegen mijne vijanden,
daar ik in uwe hulp mij verblijd.
2                    Er is geen Heilige als Jahwe,
geen Rotssteen als onze God.
3                (Spreekt niet aanhoudend: Omhoog maar, omhoog!
noch kome verwaten taal uit uw mond.
Want een god van wetenschap is Jahwe,
een god die zijne daden recht maakt.
4                    De boog der helden is gebroken,
wankelenden zijn omgord met kracht;
5                verzadigden hebben zich verhuurd voor brood,
en hongerigen opgehouden met arbeiden;
de onvruchtbare heeft zeven gebaard,
en die rijk aan kinderen was is verwelkt.
Vs. 2. Dcut. XXXII: 31 j Ps. XVIII: 32. — V». 5. Lue. I i 53.
24.   een driejarigen stier, volg. Gr. vcrt. Het offer diende om Sninucl aan Jahwe te wijden • verg.
Bxod. XXIX. —kaam, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. bracht hem. — met den knaap, volg. Gr. Vort. j Hebr.
t. en, de knaap was jong.
25.  bracht Ilanna, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. brachten lij of bracht men.
20—28. Volgens deze verzen moet Snmucl levenslang aan den tempel te Sjilo of ecnig ander hcilig-
dom van Jahwe verbonden zijn geweest j hiervan vinden wij echter, behalve in deze eerste drie hoofd-
stnkken, nergens een spoor: overal treedt hij op, niet als priester, maar als ziener of profeet, en is
niet Sjilo, maar Haina zijne woonplaats; zie op vs. 1.
26.   Na leeft heeft Hcbr. t. nog mijn heer; volg. Gr. vert. weggelaten.
28. «oor zoolang hij leeft, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. zoolang hij geweest is. — En — neder, volg.
Gr. vcrt., die deze woorden, misschien ten gevolge van de inschuiving van Hnnnn\'s lied, eerst II : II
heeft; Hebr. t. En hij wierp zich daar voor Jahwe neder.
1—10. Dit lied behelst ccae lofprijzing van Jahwe, door wiens hulp de dichter zich sterk voelt
B5C
7769
tegen zijne vijanden. Hij verheerlijkt hem als den alwetenden en nlmachtigcn beschikker van der
menschen lot, die naar zijn welbehagen arm en rijk maakt, vernedert en verhoogt, de vromen be-
schermt, maar de goddcloozcn doet omkomen. Het is waarschijnlijk na den val van Jeruzalem ver-
vaardigd en, niet door den dichter zelvcn, maar door iemand die vs. 5 op Hanua\'s omstandigheden
toepasselijk vond haar in den mond gelegd cu hier ingelascht.
1.   verhoogd (is) mijn hoorn, ik voel mij krachtig en moedig. De hoorn, het geduchte wapen van
stieren cu andere beesten, is het zinnebeeld van kracht en sterkte; iemands hoorn verhoogcu of ver-
heffen wil dus zeggen „hem sterk maken en bemoedigen" (vs. 1U; I\'s. LXXXIX: 18, 25; XOH:ll;
CXH : 0; verg. Am. VI\'. 18); iemands hoorn afbouwen of breken; „zijne kracht verlammen" (I\'s. I,XXV:
11; Jcr. XLV1II:25; verg. op Job XVI: 15). — mijn god, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. Jahior.— wijd—
vijanden. Ik durf vrijmoedig tegen hen mij verdedigen; wat de dichter van vs. 2 af doet.
2.  Jahwe. Hebr. t. laat nog volgen want er is niemand buiten u. De woorden zijn weggelaten omdat
zij blijkbaar de aautcckcuiug behelzen van ecu lezer die hier de vermelding van Jahwe\'s ccnighciil
miste. — Rotssteen. 7m op Deut. XXXII : I.
3.  Verg. I\'s. LXXV: 0. — een god van wetenschap, die weet wat hij doet. — die — maait, volg.
Gr. vert.; Hcbr. t. voor hem worden dotten recht gemaakt.
4—8. Deze voorbeelden van lotsvernudcriug moeten de pralcrs opmerkzaam maken op de wisscl-
vallighcid van vuor- en tegenspoed, welke Jahwe naar zijn welbehagen verleent of opheft en dns de
niensch zelf niet in zijne macht heeft.
4.  is gebroken, volgens verb. t.; grondt, heeft het meervoud.
5.  opgehouden met arbeiden, volg. verb. t.; grondt, opgehouden, totdat, — verwelkt, door droefheid
over het verlies van hare kinderen beroofd van kracht en schoonheid.
-ocr page 526-
G06                                              1 SAMUBL II : 6—15.
(5                  Het is Jahwe, die doodt en levend maakt,
die in het schimmenrijk doet nederdalen en er uit opkomen;
7                Jahwe, die arm maakt en rijk,
die vernedert, maar ook verhoogt;
8                die den geringe doet opstaan uit het stof,
uit het slijk den nooddruftige verhoogt,
om hen te plaatsen nevens de edelen,
en hen een eerezetel te doen innemen.
Want aan Jahwe hehooren de zuilen der aarde,
en daarop heeft hij de wereld gesteld.
9                De voeten zijner gunstgenooten behoedt hij,
maar de goddeloozen komen om in de duisternis.
Want niet door kracht wordt iemand verwinnaar:
10                Jahwe doet zijn wederpartijder versagen,
dondert in tien hemel over hem;
Jahwe richt de einden der aarde.
Hij geeft kracht aan zijn koning,
en verhoogt den hoorn zijns gezalfden.
11            Daarna ging zij naar Itama huiswaarts; terwijl de knaap Jahwe
diende onder opzicht van den priester Eli.
12           Eli\'s zonen nu waren deugnieten: zij stoorden zich niet aan Jahwe,
13       noch aan wat den priester rechtens van het volk toekwam.\' Telkens
wanneer iemand een otter bracht, kwam de knecht van den priester,
14       zoodra het vleesch kookte, met eene drietandige vork\' en stak daar-
mede in den ketel, den pot, de pan of den schotel; al wat de vork
ophaalde nam de priester voor zich. Zoo deden zij met alle Israëlieten
15       die te Sjilo aan Jahwe kwamen offeren.\' Zelfs voordat zij het vet ont-
staken kwam wel eens de knecht des priesters en zeide tot den man
Vs. 6. Dcut. XXXII: 89*. d. — V». 8. Pb. (\'XIII: 7 v.; Luc. 1: 52.
0. het schimmenrijk. Zie op Gen. XXXVII: 35. — er uit opkomen, uit levensgevaar verlost.
8. Want — gesteld. Hij is de machtige, die lief en leed naar welgevallen uitdeelt. — de zuilen der
aarde,
de bergen.
II. De — duisternis. Juhwc\'s vrijinaehtigc beschikkingen zijn niet willekeurig, maar beantwoorden aan
der menschen gezindheden jegens hem.
10.  lijn tcederpartijder, van Jahwe of van den vers 9 genoemden iemand. Het laatste is het waar-
schijnlijkstc. — dot:t... versagen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Korden versaagd. — dondert — hem. Verg.
VII : 1Ü. — zijn koning. Van een koning, stedehouder van Jahwe, kou Hanna nog niet spreken. —
zijns gezalfden. Jahwe\'s gezalfde (in het Hcbrccuwsch masjiah, door de Grieken uitgesproken messias,
in het Gricksch Christus) heette de koning, omdat hij vanwege Jahwe door zalving gewijd werd en
voortaan in Jahwe\'» naam zijn volk bestuurde (vs. 35; XII: 3, 5j XVI :0; XXIV: 7, 11; XXVI: 9,
11, 1(1; 2 Kron. VI: 12; I\'s. XVI1I:51); eenmaal wordt een vreemde vorst, Cyru», zoo genoemd, al»
voltrekker van Jahwe\'s wil (Jcz. XI.V: 1). „De messins" heette bij de Joden tegen het begin onzer
jaartelling de koning uit Davids geslacht die het godsrijk zou stiehtcu; ten gevolge daarvan is die
naam door de Christenen aan Jezu» gegeven, omdat zij in hein de vervulling zagen van de voor»pel-
lingcn der profeten nangnnudc den Davidstelg. /ie verder inll. op I\'s. II en XX.
11.  Daarna — Itama, volg. Gr. vert.; Hebr. t. l\'.n Klkana ging naar Rama. Deze woorden volgden
oorspronkelijk op 1: 28.
12—17. Tweeërlei overtreding wordt den zonen van Eli te laste gelegd; vooreerst lieten lij zich
door hun knecht een stuk gekookt vleesch uit den pot halen; ten tweede cischtcn zij som», in plaat»
van gekookt, rauw vleesch van de offeraar», omdat zij het gebraden wilden eten. Wn» het eerste eene
daad van geweld, daar zij blijkbaar voor lief hadden moeten nemen wat de offeraar uit eigen bewc-
giug hun aanbood, of wel tevredcu hadden motten zijn met eene plaat» aan het oliei\'inual, het tweede
was niets minder dan een vergrijp tegen Jahwe, du» heiligschennis, v». 12i, 17, 25. Volgen» jongere
wetten, Xum. XVIII: 8—20; Dcut. XVIII: 3, was het aandeel des priester» aan de offeranden niet
meer aan het goedvinden der offeraar» overgelaten, maar door Jahwe vastgesteld en bedroeg het veel
meer dan hier de priesters zich wederrechtelijk toeëigendcu; ook onderstellen die wetten dat de
priester» het vleesch in rauwen staat ontvingen.
13.  den priester... van het volk, volgens andere woordafdeeling, met Gr. en Syr. vertt. j Hebr. t.
den priesters ... bij het volk.
14.  voor zich, volg. Gr. vert. j Hebr. t. er mede. — aan — offeren, volg. Gr. vert.; Hebr. t. daar kwamen.
15.  voordat — ontstaken. Bij de daukoflers werden »tccd> de vctdeoleu voor Jahwe verbrand; zie
-ocr page 527-
1 SAMUBii II: 15—27.
607
die het offer bracht: Geef den priester vleesch om te braden; hij wil
10 geen gekookt vleesch van u nemen, maar rauw.\' Zeide de man dan
tot hem: Laat hen eerst het vet offeren, en neem dan naar hartelust
voor u — dan zeide hij: Neen! nii zult gij het geven; zoo niet, dan
17       neem ik liet met geweld.\' Zoo werd de zonde dier jongelingen zeer
groot voor Jahwe; want zij toonden geen eerbied voor de gaven aan Jahwe.
18           En Saniuel diende voor bet aangezicht van Jahwe, een knaap omgord
19       met een linnen schouderkleed;\' zijne moeder maakte voor hem een
klein manteltje, dat zij hem telken jare bracht, als zij met haren man
20       opging om het jaarlijksche offer te brengen.\' Dan placht Eli Elkana
en zijne vrouw te zegenen en te zeggen: Moge Jahwe u kroost uit
deze vrouw schenken ter vergoeding voor dat wat gij aan Jahwe hebt
21       afgestaan! — waarna zij weder naar hunne woonplaats gingen.\' En
Jahwe sloeg acht op Hanna, en zij baarde nog drie zonen en twee
dochters. De jonge Samuel nu werd groot bij Jahwe.
22           Eli nu was zeer oud, en toen hij alles hoorde wat zijne zonen aan
23       gansch Israël deden,\' zeide hij tot hen: Waarom doet gij zulke dingen
als ik hoor dat door het volk van Jahwe van u verhaald worden 1\'
24       Dat mag niet, mijne zonen! want het gerucht dat ik over u hoor
25       is niet goed: gij gedraagt u overmoedig tegen Jahwe.\' Wanneer de
eene mensch tegen den ander zondigt, treedt de godheid als scheids-
rechter op; maar zondigt bij tegen Jahwe, wie zal voor hem scheids-
rechter zijn? Maar zij luisterden niet naar hun vader; want Jahwe
20 had besloten hen te dooden.\' De jonge Samuel echter nam steeds toe
in leeftijd en in gunst, zoowel bij Jahwe als bij de menschen.
27
          Eens kwam een godsman tot Eli en zeide tot hem: Zoo zegt Jahwe:
Vs. 26. Luc. II: 52.
op Exod. XXIII: 18 en verg. Exod. XXIX: 13, 22, 25; Lev. VIII: 16, 25, 28. Waarschijnlijk te ge-
lijker tijd werd het vleesch voor het oifermaal gekookt; zoodat het na het otteren niet meer rauw te
krijgen was. — braden. Volgens oud gebruik werd het oltcrvlcesch, zoowel hetgeen aan het maal op-
gegeten als wat voor de godheid verbrand werd (Kicht. VI), gekookt. Wilden Eli\'s zonen hun aandeel
gebraden eten, dau moesten zij zich een deel van het vleesch toccigencn voordat Jahwe het zijne had
gehad; wat ongepast was.
17.  zij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de mannen.
18.  schouderkleed. Zie op Exod. XXV1II:6—14. Daar komt het alleen den hoogepriester toe dit
klccdingstuk te dragen; uit onze plaats blijkt dat het oudtijds tot de klceding van clkcn priester,
zelfs vnu de leerjongens, behoorde; verg. XXII: 18.
19.  manteltje. Verg. Exod. XXVIII: 31—85.
20.  In dit vers zijn enkele wijzigingen volg. Gr. en Syr. vertt. aangebracht.
21.  En, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Want. — baarde nog, volg. Gr. vert.; Hebr. t. werd :wanger
en baarde.
22.   deden. Hebr. t. laat nog volgen en dat zij gemeenschap hielden met de vrouwen welke dienst
deden aan den ingang van de tent der samenkomst
(zie op Exod. XXXVIII: 8); volg. Gr. vert. weggelaten.
23.  dat — worden, volg. Gr. vert.
24.  gij — Jahwe, volg. verb. t.; verg. Ps. LXXXIX:39; Spr. XIV: 16.
25.   Wanneer — op, door de uitspraak van priesters of profeten, een zuiveringseed of godsgericht;
verg. Exod. XXII: 8 v. — treedt... als scheidsrechter op, met verandering van een klinker. Eigenlijk
staat er, volgens do medeklinkers, treden goden als scheidsrechters op. /ij die do klinkers er op zetten
waren ongezind dit meervoud goden in den mond van Eli nan te treilen, en daar het Hcbrcouwschc
woord elohiem zoowel ,godcn\' als ,een god\' of ,God\' kan beteekencn (zio op Gen. XX: 13, XXVM:17
en Exod. XXII: 9), spraken zij het werkwoord zóo uit dat er ongeveer staat treedt Ood voor hem als
scheidsrechter op.
Dit was zekor in den geest van den samensteller van Samuel; daarom kozen wij
het dubbelzinnige de godheid. — zondigt — Jahwe, wat Eli\'s zonen gedaan hadden; daardoor stonden
zij onmiddellijk aan Jahwe\'s toorn bloot.
27 v. Volgens deze verzen was het geslacht waarvan Eli hot hoofd was van het verblijf in Egypte
af het voornaamste pricstergeslacht in Israël geweest. De schrijver heeft daarmcdo de Aüronicten
bedoeld. Toen echter de Jcruzalcmschc priesterschap Aiiron als haar stamvader erkende (zie inl. op
Exod. XXIV: 12—XL: 38) en men dus niet meer kon aannemen dat het godsgericht over Eli\'s huis
het gnnsche geslacht der Aitronieteu had getrotfen, ontstond de voorstelling dat dit huis slechts een
tak van de afstammelingen van Aüron, door diens zoon Ithamar, was geweest, 1 Kron. XXIV: 3. Dat
Jahwe reeds tijdens Isracls verblijf in Egypte den priesterstand zou hebben aangewezen is in strijd
met Exod. XXXII: 29 en Deut. X: 7 v.
-ocr page 528-
1 SAMUBL 11:27-36.
(108
(Jeopenbaard lieb ik mij aan mvs vaders huis, toen zij in Egypte slaven.
28 van Farao\'s huis waren,\' en ik heb het uitverkoren uit al de stammen
van Israël om mij tot priesters te zijn, mijn altaar te beklimmen,
offergeur te ontsteken en het schouderkleed vóór mij te dragen, en
heb aan uws vaders huis al de vuuroH\'ers der Israëlieten gegeven.\'
211 Waarom ziet gij dan met afgunstig oog naar mijn offer en mijne gave,
en eert gij uwe zonen meer dan mij, door toe te laten dat zij zich
3U vergasten aan de keur van alle gaven van Israël, mijn volk/\' Daarom
spreekt Jahwe, Israëls god: Al heb ik uitdrukkelijk gezegd: Uw en
uws vaders huis zullen voor altijd voor mijn aangezicht verkeeren,
thans, zegt Jahwe, zij het verre van mij. Want die mij eeren zal ik
31       eeren, maar die mij minachten zullen te schande worden.\' Zie, de dagen
komen dat ik uwen arm en dien van uws vaders huis afbouw, zoodat
32       niemand in uw huis oud wordt.\' Dan zult gij met afgunstig oog naar
al liet geluk zien «lat ik aan Israël verleen, terwijl in uw huis nooit
33       iemand oud wordt.\' Wel zal ik uw geslacht van mijn altaar nietafsnij-
den, om uwe oogen te doen smachten en uw gemoed te doen kwijnen,
34       maar al uwe nakomelingen zullen door het zwaard sterven.\' En daar-
van zal u het teeken zijn hetgeen uwen beiden zonen, Hofni en
35       Pinehas, zal overkomen; op éenen dag zullen beiden sterven.\' En ik
zal mij een betrouwbaren priester aanstellen, die zich gedragen zal naar
hetgeen in mijn hart en gemoed is: een duurzaam huis zal ik hem
30 bouwen, en hij zal voor altijd verkeeren voor mijnen gezalfde.\' En al
27.   (leopenbaard heb ik mij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft door ecue schrijffout dit als vraag. —
tlaven, volg. Gr. vert. iugevoegd.
28.  om — beklimmen. Zie op Eiod. XX : 20.
29.    Waarom — gave, zeer onzekere lezing, wat den zin betreft volg. Gr. vert. De betcekenis is:
Waarom zijt gij, die zoovele voorrechten van mij ontvangen hebt, nog niet tevreden en maakt gij
aanspraak op gedeelten van het otlervleesch die mij toekomen? Verg. op vs. 12—17. De hebzucht van
Kli\'s zonen wordt ook den vader als schuld toegerekend, omdat hij ze niet streng straft. — door —
vergallen, volg. verb. t.; grondt, door u te vergatten. — mijn volk, volg. verb. t.; Hebr. t. aan
mijn volk.
\'Mi. l/tam — mij, die belofte te bevestigen.
31.  uwen — af houw, aan uw gansche geslacht alle eer en aanzien ontneem. Dit zal Jahwe doen
door Kli\'s nakomelingen vroegtijdig te laten sterven en hen ten slotte van cenc andere priesterlijke
familie ufhaukelijk te maken; zie vs. 86.
32.  met afgunstig oog, volgens onzekere tekstverbetering; verg. vs. 29. — ik... verleen, volg. verb.
t.; Hebr. t. bij... verleent.
33.   Wel — afttiijden. Het gcslncht van Mi zou dus ook in het vervolg priesterlijke betrekkingen
blijven bckleedeu. Dit doelt op de priesters van Xoord-Isracl, die voor een deel waarschijnlijk tot dat
geslacht behoorden of gerekend werden. Abjathar, de cenigc die aan den moord van Eli\'s familie door
Saul ontkwam (XXII :0—23), werd door Dnvid als priester aangenomen, maar op zijn ouden dag door
Salomo verbannen (2 Sum. XV: 24—37; XVII: 15; 1 Kon. 1:7, 25; II:2Gv.). Ook van zijne nakomc-
liugen kunnen sommige in Noord-Isrnclietisehc heiligdommen priesterambten verkregen hebben; doch
zie op 1 Kon. 11:27. — om — kwijnen. Verg. Deut. XXVIII: 05. De woorden doelen op de sombere
stemming vnu de Noord-I sraclictischc priesters na de verovering van hun land. — door hel zwaard,
volg. Gr. velt.; Hebr. t. ah mannen. De vroege dood van vs. 31, 32 zal dus een gewelddadige zijn.
34.  het teeken, dat deze voorspelling zal uitkomen. — op — tienen. Zia 11. IV. Daar wordt echter
de dood van Kli\'s zonen niet voorgesteld nis een teeken dat nog grooter rampen aanstaande zijn.
35.   Met den betrouwbaren prietler, dien Jahwe in de plaats van het verworpen priestergcslacht wil
aiiusteUen, wordt Sndok bedoeld, een priester van David naast Abjiithur (2 Sum. VIII\'. 17), voor wien
deze, op Sulomo\'s bevel, het veld moest ruimen (1 Kon. 11:35). Van hem leidden de Jeruzalcmsche
priesters hun geslacht af (zie op 1 Kon. II: 35). Volgens onzen schrijver was hij het hoofd van cene
nieuwe priesterfamilic en klom dus het gcslucht der Sadokieten niet hoogcr op dan tot Davids tijd.
Toen echter de Jeruzalcmsche priesters Aarou als hun stamvndcr gingen beschouwen (zie inl. op Exod.
XXIV : 12—XX:88), werd Sudok tot een afstammeling van dezen, uit zijn zoon Kleazar, gemaakt; zie
op 1 Kron. XXIV: 3. — betrouwbaren, duurzaam. In het Hcbrceuwseh wordt hetzelfde woord van
den priester en zijn toekomstig huis gebruikt. De priester die een duurzaam huis heeft is stamvader
van ecu geslacht dat het priesterschap voor altijd bezitten zal. Dezelfde uitdrukking vau het Davidische
koningschap XXV: 28; 1 Kon. XI: 38. Verg. op Gen. XVI : 2. — verkeeren voor mijnen gezalfde, als
priester den koning vau Israël of vau Juda ten dieustc staan.
30.  De ovcrgeblevcu priesters van Eli\'s geslacht, nakomelingen vau Abjathar (zie op vs. 33), zullen
bij de Sadokieten om ceue ondergeschikte priesterlijke betrekking koineu bedelen. Zie Inl. en inl. op
-ocr page 529-
1 BAMUEI, II: 36—III: 15.                                    609
wie in uw huis is overgebleven zul zien voor hem komen neilerwerpen
om een zilverstukje en een brood en zul zeggen: Lij!\' mij toch bij eene
of andere priesterschap in, opdat ik eene bete broods te eten hebbel
III: 1 In den tijd dut de jonge Sumuel Juli we diende onder bet opzicht
van Eli, in die dagen was het woord van Jahwe Bchaarach; gezichten
\'2 wuren niet menigvuldig.\' Eens nu gebeurde het, terwijl Eli op zijne
plaats lug te slupen — zijne oogen begonnen verduisterd te worden,
3       zoodut bij niet zien kon — \' en de lamp Gods nog niet was uitgegaun,
4       terwijl Samuel in Jahwe\'s tempel sliep, waar de ark Gods was,\' dat
Jahwe riep: Samuel! Samuel! waarop deze antwoordde: Hier ben ik—\'
5       naar Eli liep en zeide: Hier ben ik: gij hebt mij immers geroepen/
Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen; leg u weer neder! En hij ging
6       benen en legde zich neder.\' Toen riep Jahwe wederom: Samuel 1 Samuel!
en hij stond op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik; gij hebt mij
immers geroepen? Doch hij zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon.
7       Leg u weer neder.\' Samuel nu had Jahwe nog niet leeren kennen;
8       hem was nog geen openbaring vun Jahwe geworden.\' Toen riep Jahwe
ten derden male Samuel, en hij stond op, ging nuur Eli en zeide:
Hier ben ik; gij hebt mij immers geroepen.\' Xu begreep Eli dat Jahwe
9       den knaap riep.\' Daarom zeide hij tot Samuel: Ga u nederleggen, en
wanneer men u weder roept, zeg dan: Spreek, Jahwe; want uw dienst-
knecht hoort. Zoo ging Samuel heen en legde zich weer op zijne
plaats neder.
10           Toen kwam Jahwe binnen, bleef staan en riep als de vorige keeren :
Samuel! Samuel! waarop Sumuel zeide: Spreek, Juhwe; wunt uw dienst-
11       knecht hoort.\' En Jahwe zeide tot Samuel: Zie, ik ga iets doen in
12       Israël waarvan ieder die het hoort de beide ooren zullen tuiten;\' dan
zal ik aan Eli al wat ik over zijn huis heb gesproken in vervulling
13       doen gaan, van het begin tot bet einde.\' Gij moet hem aankondigen
dat ik voorgoed zijn huis ga richten; omdat bij weet dat zijne zonen
14       de godheid te schande maken, en hij hen niet heeft bestraft.\' Daarom
zweer ik het huis van Eli: Nooit in der eeuwigheid zul de schuld vun
15       Eli\'s huis door offer of gave verzoend worden.\' Daarop bleef Sumuel
liggen tot den morgen. Des morgens opgestaan, opende hij de deuren
Dcut. XVTII: 1—8. — eene of andere prietlertchap. Wij weten niets van cene indccling der Jcraza-
lemschc priesterschap voor de Ballingschap; maar daarin waren zeker onderscheiden kringen welker
leden hetzelfde werk hadden te doen: offeren, poorten bewaken, hakken, wierook bereiden enz.
1.  gezichten. Zie op Nnm. XII: 6.
2.  zijne — kon. Deze woorden staan hier vreemd: de bedoeling er van kan niet zijn, te verklaren
waarom Eli van de openbaring van Jahwe niets bemerkte; want deze was niet te zien, alleen te
hooren. Misschien zijn ze uit IV: 15 hier, te ongeschikter plaatse, ingclnscht.
3.   de lamp — uitgegaan, dus tegen den morgenstond. Volg. Kxod. XXVII: 21; XXX: 7 v.; Lev.
XXIV : 3 v. moest het licht in den tabernakel van des avonds tot des morgens branden ; zie op Kxod.
XXVII :21. Zoo zal het zeker in alle heiligdommen zijn geweest. Volgens de ouden gaven de gezichten
die men in den morgenstond, bij het ontwaken, ontving den grootstcn waarborg van zekerheid. —
Samuel — wat. Samuel sliep dus in het eigenlijke heiligdom, Eli iu een vertrek daarnaast. Verg. op
Eiod. XXXIII: 11.
4.  riep: Samuel.\' Samuel.\' hier en vs. 0 volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Samuel riep.
10.   Toen — staan. Het schijnt dat Jahwe de vorige keeren niet persoonlijk bij Samuel gekomen
was. — Jahwe, uit Gr. vert. ingevoegd.
11.  waarvan — tuilen. Zie op 2 Kon. XXI: 12.
12 v. Het eerste vers wijst terug naar II: 27—30, waar aan Kli het godsoordocl over zijn huis
wordt aangekondigd. Doch iu vs. 18 wordt nnn Samuel opgedragen, het oordcel, blijkbaar als iets
nieuws, nnn Kli mede te dcclcu. Do twee verzen kunnen dus onmogelijk van dcnzclfdeu schrijver zijn;
vs. 12 is, geheel of gedeeltelijk, nnar aanleiding vnn II: 27—3A ingelascht.
13. Qy moet, volg. nnar vs. 15 verb. t.; grondt. Ik tal. — de godheid, volg. Gr. vert.; Hebr. t.
hun, eene lezing die door het wegvallen van donc lettor ontstond. — hij hen niet heeft bettrafl. De
berisping. Il: 22—25, was geen tucht of straf. Het laatste woord volg. Gr. vert.
15. Dei morgent opgestaan, uit Gr. vert. ingevoegd.
O. T. I.                                                                                                                         39
-ocr page 530-
1 Samitet, III: 15—IV : U.
f) 10
van Jahwe\'s huis. Samuel nu was bevreesd het gezicht aan Eli mede
10 te deelen,\' maar Eli riep hem en zeide: Samuel, mijn zoon! waarop
17 hij antwoordde: Hier ben ik.\' Hij zeide: Wat heeft hij tot u gesproken ?
Verheel het mij toch niet. Zóo, ja meer nog, zal God u doen, indien
1<S gij mij iets verheelt van al wat hij tut u gesproken heeft!\'Toen deelde
Samuel hem alles mede zonder iets voor hem te verhelen; waarop hij
zeide: Hij is Jahwe; hij doe wat goed is in zijn oog.
19            En Samuel groeide op, terwijl Jahwe met hem was en geen zijner
21 woorden onvervuld liet. \' Toen nu Jahwe ook verder telkens te Sjilo
20       verscheen,\' werd gansch Israël van Dan tot Bersjeba gewaar dat
IV: la Samuel betrouwbaar was als profeet van Jahwe.\' En Samuels woord
kwam tot gansch Israël.
17. Zóo — doen. Zie op Ruth 1:17.
19.  zijner, nl. van Samuel.
21. Dit en het volgende vers zijn omgezet volg. Gr. vert. — Hebr. t. laat nog volgen want Jahwe
heul zich aan Samuel te Sjilo geopenbaard door het woord ran Jahwe
(verg. op 1 Kon. XIII: 1); ge-
ilccltclijk volg. Gr. vert. weggelaten. De woorden zijn ingclaseht door iemand die, bevreesd voor mensch-
vormige voorstellingen van Jahwe, de aan Samuel te beurt gevallen versehijning niet als eene open-
baring van Jahwe zelvcn, maar als cene van zijnentwege beschouwd wilde hebben.
20.   van Dan tol Bertjeba, van het noorden tot het zuiden; zie op Kicht. XX: 1.
HOOFDSTUK IV: 14—VII: 1.
De wegvoering van de ark door de Filistijnen en haar terugkeer op Isracls grondgebied. — De
Israëlieten worden door de Filistijnen bij Ebcn-hnëzcr verslagen (IV : 14, 2). De ark van Jahwe, op
raad der oudsten uit Sjilo ontboden, komt onder het geleide van KI i\'s zonen in het leger aan (3v.);
de Israëlieten juichen, en de Filistijnen, bevreesd geworden, wekken elkander tot verdubbelde krachts-
inspunniug op (5—9); Israël wordt verslagen, de ark valt den vijand iu handen, de zonen vnu Eli
sneuvelen (10 v.). Eli zelf, de treurmare vernemende, sterft van schrik (12—18). Zijne schoondochter
baart een zoon en sterft (19—22). De Filistijnen voeren de ark naar Asdod en zetten haar iu den
tempel van Dagon (V : 1 v.); tot twee keeren toe vinden de inwoners van Asdod het beeld van Dagon
voor de ark ncdergcvallcn (3—5). Zij zelvcn worden met pestbuilen bezocht (\'m; de stad Gath, waar-
heen de nrk wordt overgebracht, treft hetzelfde lot (7—9). Desgelijks Ekron; waarna de burgers der
stad de vorsten verzoeken, do ark terug te zeilden (10—12). De Filistijnsche priesters en waarzeggers
vermanen het volk, der ark een zoenoffer mede te geven (VI: 1—(1), haar op con nieuwen wagen te
zetten en daar zoogende koeien voor te spannen, die door den weg dien zij inslaan zullen uitwijzen,
of die rampen al dan niet cene goddelijke strafoefening zijn (7—9); alzoo wordt gedaan, en de koeien
brengen de ark naar Hcth-sjemcs (10—12). De ark wordt afgeladen en een offer aan Jahwe gebracht
(13—18); Jahwe richt cene slachting onder de zonen van Jcchonjn aan, omdat zij de ark niet geëerd
hebben (19); wnarop de inwoners van licth-sjemes den weusch te kennen geven dat de ark naar elders
vervoerd worde (20); die van Kirjath-jearim geven daaraan gehoor en halen haar af (21—VII: 1).
Dit verhaal bedoelt verheerlijking der ark van Jahwe. Dit heilige voorwerp, later ark des verbonds
gchceten (zie op Exod. XXV : 10—22 en op Dcut. X: 1—5), komt hier voor iu zijne oorspronkelijke
bctcckcnis, nis wouing der godheid, en wordt dan ook met Jahwe vereenzelvigd (zie op IV i 3 en VI
19; Nuin. X : 33—36). Hare ontzagwekkende heiligheid wordt iu het licht gesteld: een god der F\'ilis-
tijnen valt voor haar neder, eu voor hen zclven is hare tegenwoordigheid cene bron van allerlei pla-
gen, die niet ophouden voordat men haar met een zoenoffer naar haar land heeft teruggezonden. Wie
haar niet eert staat aan de goddelijke straf bloot. Deze beschouwing vnn de nrk, in strijd met de
denkbeelden vnn de meer verlichte dienaren van Jahwe, bewijst den betrekkelijk hoogen ouderdom
vnn ons stuk, die waarschijnlijk tot de 8ste eeuw opklimt. Verg. 2 Sam. VI.
De rampen die Israël, de ark cü het priestergcslacht troffen worden door den schrijver niet be-
schouwd als straf voor de zonden van Eli en zijne zonen; zie op IV: 17 v. Dit geschiedde eerst door
hem die 1:1—IV :1a als inleiding aan deze hoofdstukken liet voorafgaan; zie iul. daarop.
Ons verhaal heeft deel uitgemaakt van het Oude Geschiedboek; de aanhef (zie op IV : \\b) is later
daaraan toegevoegd.
IV: 16 Eli nu was zeer oud, en zijne zonen gedroegen zich bij toeneming
14. Eli — tegen Iirai\'l, ingevoegd uit Gr. vert.; de eerste woorden zijn blijkbaar van den schrij-
ver die I—III met IV—VI verbond. — Eben-haézer, d. i. ,steen der hulp\', de hulp aanbrengende
-ocr page 531-
1 8AMUBL IV : 1—10.
(511
slecht voor Jahwe\'s aangezicht. In die dagen verzamelden zich de
Filistijnen ten strijde tegen Israël, en trok Israël uit hun te genioet,
om niet hen krijg te voeren. Het legerde zich hij Khen-haëzer, terwijl
2       de Filistijnen zich gelegerd hadden hij Afek.\' De Filistijnen stelden
zicli tegen Israël in slagorde, het gevecht werd algemeen, en Israël
leed de nederlaag voor de Filistijnen: er werden van hen in de slag-
orde, oj) het veld, omstreeks vier duizend man verslagen.
3           Toen het volk in de legerplaats kwam, zeiden de oudsten van Israël:
Waarom heeft Jahwe ons heden de nederlaag laten lijden voor de
Filistijnen.\'1 Laten wij onzen god halen van Sjilo, opdat hij in ons
4       midden kome en ons verlosse uit de hand onzer vijanden.\' Op het op-
onthod van het volk hracht men van Sjilo «Ie ark van Jahwe, die op
de cherubs troont; en de beide zonen van Fjli, Hofni en Pinehas, waren
5       bij de ark.\' Toen nu de ark van Jahwe in het leger kwam, hief gansch
G Israël een groot gejuich aan, dat de grond er van dreunde.\' De Filis-
tijnen, dat gejuich hoorende, zeiden: Wat is dat voor een groot gejuich
in het leger der Hebreen? En vernemende dat de ark van Jahwe in
7       het leger gekomen was,\' werden zij bevreesd; want, zeiden zij, hun
god is bij hen in het leger gekomen! Wee ons! want zoo iets is gis-
8       teren of eergisteren niet gebeurd.\' Wee ons! Wie zal ons verlossen
uit de hand dezer geweldige goden? Dit zijn dezelfde goden die Egypte
9       met allerlei plagen hebben geslagen.\' Weest sterk en gedraagt u als
mannen, Filistijnen! opdat gij niet den Hebreen dienstbaar wordt,
zooals zij het u geweest zijn. Ja, gij moet u als mannen gedragen en
10 strijden.\' Zoo streden de Filistijnen, en Israël leed de nederlaag;
zij vluchtten allen naar hunne tenten, en er werd eene zeer groote
slachting aangericht: van Israël vielen dertig duizend man voetvolk.\'
steen, lag volg. VII: 12 tusschon Mispa en Ilajjcsjana. Waarschijnlijk had de plaats haar naam van
een heiligen steen die daar vereerd werd. Zie op VII: 12. — Afek moet in de nabijheid van F,beu-
haëzcr hebben gelegen. Het is dus een ander dan de gelijknamige plaats die XXIX : 1 ; Joz. XII: 18;
1 Kon. XX: 20—30; 2 Kon. XIII: 17 voorkomt.
2.   het gevecht werd algemeen, onzekere lezing en vertaling. — er werden ... verslagen, met vcrnndc-
ring van een klinker; Hebr. t. zij versloegen. — in de slagorde. De Israëlieten sloegen niet op de
vlucht, maar bleven strijden en keerden in orde naar hunne legerplaats terug.
3 v. Be oudsten schrijven de nederlaag hieraan toe dat de ark niet in het leger was. Gewoonlijk
werd zij in den oorlog medegenomen; zelfs in Dnvids tijd was dit nog gebruik, 2 Sam. XI: 11.
3.   Laten wij onzen god halen, volg. verb. t.; grondt. Laten wij tol ons halen de ark des verbonds
van Jahwe.
In het Hebrceuwsch verschilt tot ons slechts écne letter van onzen god. In het vervolg
is cenige malen (twee keeren in vs. 4, eens in vs. 5; zie ook op V:4; VI: 3 en 18) volg. Gr. vert. de
ark van Jahwe
vertaald, waar Hebr. t. heeft de ark des verbonds van Jahwe of van God. Deze ver-
anderingen zijn blijkbaar opzettelijk in den tekst unugebrncht, toen men in de ark niet meer, als
oudtijds, een voorwerp zag waaraan Jahwe\'s tegenwoordigheid was verbonden, of waarin hij
woonde, maar alleen eene heilige kist ter bewaring van de tafelen des verbonds; zie op Kxod.
XXV: 10—22.
4.   die — tromt. Deze uitdrukking, die behalve hier nog 2 Sam. VI: 2; 2 Kon. XIX: 15 (Jcz.
XXXVII: 10); 1 Kron. XIII :0; Ps. LXXX:2; XCIX: 1 (verg. op 2 Sam. XXII: 11) voorkomt, is
wanrschijnlijk aan de voorstelling van Kzech. 1:4—2H, waar cherubs Juhwe\'s troon dragen, ontleend;
zij duidt hem dus aan als den Albchcersehcr. Dat Jahwe in verband met de ark zoo genoemd wordt
(verg. 2 Sam. VI: 2) is niet hieruit to verklaren dat zich op het deksel daarvan cherubs bevonden;
immers die figuren stonden er oorspronkelijk niet op (verg. op Kxod. XXV: 10—22); maar uit het
misverstand van een inlasscher. Doze zag in onze ark de Kxod. XXV: 10—22 beschrevene on verklaarde
de uitdrukking naar Kxod. XXV: 22. Over den cherub zie verder op Gen. III: 24. — waren. Hebr.
t. laat nog volgen aldaar; volg. Gr. vert. weggelaten.
7.  hun god, volg. Gr. vort.; Hebr. t. een god.— bij hen, uit Gr. vert. ingevoegd; terwijl met dezelfde
vert. voor Wee is weggelaten en zij zeiden.
8.   Dit — geslagen. Verg. Kxod. XVIII: 10 v. — Aan het slot van het vers staat in grondt, nog
in de woestijn, wat hier geen zin geeft en daarom is weggelaten.
9.   zooals — zijn. De schrijver kende dus verhalen over dienstbaarheid van de Israëlieten aan de
Filistijnen; welke, weten wij niet. Misschien doelt hij op hot verdringen van den stam Dan, waar-
schijnlijk door de Filistijnen (Joz. XIX: 47; Kicht. 1:34; XVIII en verg. Richt. XIII—XVI).
10.  naar hunne tenten. Zie op Uicht. VII: 8.
-ocr page 532-
G12                                       1 pamubi. IV: 11—V: 3.
11       De ark Gods werd buit gemaakt, en de beide zonen van Eli, Hofni
en l\'inehas, sneuvelden.
12            Op denzelfden dag kwam een Henjaminiet, die uit de slagorde ge-
loopen was, met gescheurde kleederen en aarde op zijn hoofd, te Sjilo.\'
13       Toen hij aankwam,, zat Kli op zijn stoel bij de poort, acht gevende op
den weg; want zijn hart was angstig geworden om de ark Gods.
Toen nu de man in de stad kwam om bericht te brengen, begon de
14       gansche stad te schreeuwen, \' en toen Eli het geschreeuw hoorde, zeide
hij tot de omstanders: Wat is dat voor een geraas? Intusschen haastte
15       zich de man om Eli bericht te komen brengen.\' Eli was acht en
negentig jaar oud, en zijne oogen stonden star, zoodat hij niet zien
10 kon.\' En de man zeide tot Eli: Ik ben de man die uit de slagorde
ben gekomen; ik zelf ben lieden uit de slagorde gevlucht. Hij zeide:
17       Wat is er gaande, mijn zoon/\' En de boodschapper antwoordde: Israël
is gevlucht voor de Filistijnen; niet alleen is aan het volk eene groote
nederlaag toegebracht, maar ook zijn uwe beide zonen, Ilofni en 1\'inehas,
18       gesneuveld, en de ark Gods is buit gemaakt.\' Toen hij gewaagde van
«Ie ark Gods, viel Kli van zijn stoel, bij de poort, achterover, brak
den nek en stierf; want de man was oud en zwaar. Hij wa.s veertig
jaar richter over Israël geweest.
19           Zijne schoondochter, de vrouw van Pinehas, was hoog zwanger; toen
zij het gerucht hoorde van het wegvoeren van de ark Gods en van
den dood van haren schoonvader en haren man, kromp zij ineen en
20       baarde; want de weeën overvielen haar.\' Toen zij op sterven lag,
spraken de vrouwen die om haar heen stonden: Vrees niet; want gij
hebt een zoon gebaard. Maar zij antwoordde niet en sloeg er geen
21       acht op. \' Zij noemde den knaap Ichabod, zeggende: Weg is de heer-
lijkheid uit Israël! doelende op de wegvoering van de ark Gods en op
22       haar schoonvader en haar man.\' Zij zeide: Weg is Israëls heerlijkheid! —
omdat de ark Gods buit gemaakt was.
V:l          De Filistijnen nu, na de ark Gods te hebben buit gemaakt, ver-
2       voerden haar van Eben-haëzer naar Asdod,\' en brachten haar in den
3       tempel van üagon, waar zij haar naast Dagon nederzetten.\' Maar toen
de inwoners van Asdod des anderen daags vroeg in den tempel van
Dagon kwamen, zagen zij «lat Dagon waarlijk op zijn aangezicht ter
aarde v«x>r de ark van Jahwe lag; zij richtten Dagon weder op en
12.  gescheurde kleederen. Zie op Gen. XXXVII: 29. — aarde op zijn hoofd. \'/Ac op Joz. VII: fl.
13.  bij — Keg, Volg. Or. vert.; Hcbr. t. misschien bij den weg acht gevende. — begon — schreeuwen.
l)c bevolking begreep bij het zien vnn den vluchteling terstond wat er gebeurd was.
14.  lot de omstanders, uit Gr. vert. ingevoegd. — Intusschen — brengen. Voordat mcu Kli kon
antwoorden, stond de bode zelf reeds voor hem.
17 v. Ui\' nederlaag van Israël, de wegvoering der ark cu de dood van Kli en zijne zonen worden
hier alleen als groote rampen, niet als godsoordcclcn, vermeld. Had de schrijver 11:27—36; III:
11—11 geschreven, of zelfs maar gekend, dan zou hij hier, of in het voorgaande, daarop gczins|>celd
en deze ongelukken als de vervulling van de door Jahwe uitgesproken strafbedreiging voorgesteld hebben.
18. Eli, duidclijkhcidshalvc in pi. v. hij. — bij, met geringe wijziging van deu tekst. — Hij —
geweest. Alleen hier heet Kli riehter, elders priester (1:9; 11:11); in I—III treden hij en zijne zonen
op als de personen die voor het volk de offers brengen, in deze hoofdstukken vooral als bewaarders
van de ark. Wij hebben hier cene iiilnssching, waarschijnlijk van iemand die inet hem een twaalftal
richters voltallig wildn maken; zie inl. op Kichtcren.
\'211. Maar — op. /ij liet geen moedervreugde blijken en opende haren mond slechts om haar kind
een somberen naam te geven.
21.  De laatste twee lettergrepen van den naam Ichabod, die alleen nog XIV : 3 voorkomt en waarvan
Gr. vert. zeer uitccnloopcnde lezingen heeft, beteekencn ,heerlijkheid\'. Hoe de schrijver de eerste op-
vatte, is niet zeker, misschien als ,achl\', ,weel\'
22.   Israëls heerlijkheid, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de heerlijkheid uil Israël.
1.  Eben-haëzer. Zie op IV : IA. — Asdod. Zio op Joz. XI: 22.
2.  Dagon. Zie op Kicht. XVI: 23.
3.  in — zagen zij, uit Gr. vort. ingevoegd, — richtten... Keder op, volg. Gr. vort.; Hobr. t. name».
-ocr page 533-
1 samübl V : 3—VI: 4.                                       613
4       zetten hem weder op zijne plaat.*.\' Doch toen zij den volgenden morgen
opstonden, daar lag Dagon waarlijk op zijn aangezicht ter aarde voor
de ark van Jahwe, terwijl het hoofd en de heide handpalmen afgehroken
5       op den dorpel lagen; alleen de romp was overgehleven.\' Daarom treden
de priesters van Dagon en allen die in Dagons tempel komen niet op
den dorpel van Dagon te Asdod, tot op dezen dag.
(5          Toen legde Jahwe\'i hand zich zwaar op de Asdodieten: hij verbijs-
terde hen en sloeg hen met pestbuilen, Asdod en haar grondgebied.\'
7       De burgers van Asdod nu, ziende dat het zoo ging, zeiden: De ark
van Israëls god mag bij ons niet blijven; want hard drukt zijne hand
8       oj) ons en onzen god Dagon.\' Daarom lieten zij al de vorsten der
Filistijnen bij hen samenkomen en zeiden: Wat zullen wij met de
ark van Israëls god doen.\' Zij zeiden: Laat de ark van Israëls god
naar Gath worden overgebracht. Dienvolgens brachten zij de ark van
\'J Israëls god naar Gath over.\' Maar nadat men haar overgebracht had,
trof Jahwe\'s hand de stad en ontstond er eene zeer groote ontroering;
hij sloeg de burgers der stad, klein en groot, dat er pestbuilen bij hen
10       uitbraken.\' Toen zonden zij de ark Gods naar Kkron; maar zoodra de
ark Gods te Kkron kwam, begonnen de Ekronieten te schreeuwen: Zij
hebben de ark van Israëls god tot mij overgebracht om mij en mijn
11       volk te dooden.\' Daarom lieten zij al de vorsten der Filistijnen samen-
komen en zeiden: Zendt de ark van Israëls god weg, en laat zij naar
hare plaats terugkeeren; opdat zij mij en mijn volk niet doode. Want
er was eene doodelijke ontroering in de gansche stad ontstaan; de band
12       van God bad zich zeer zwaar op haar gelegd;\' de lieden die niet
waren gestorven waren met pestbuilen geslagen; zoodat liet hulpge-
roep der stad ten hemel steeg.
VI: 1 Nadat de ark van Jahwe zeven maanden in het gebied der Filis-
9
y tijnen vertoeid had,\' riepen de Filistijnen de priesters en waarzeggers
en zeiden: Wat zullen wij met de ark van Jahwe doen? Doet ons
weten, op welk eene wijze wij haar naar hare plaats zullen terug-
3       zenden.\' Zij zeiden: Indien gij de ark van Israëls god wilt wegzenden,
zendt haar niet weg zonder iets er bij; geeft haar vooral een zoenofler
mede; dan zult gij genezen; waarom toch zou, als voor u verzoening
4       gedaan is, zijne hand niet van u weggenomen worden?\' Toen zeiden
4.   de romp Ml ovrryebleven, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. Dagmi wat op htm overgebleven.
5.   Dit gebruik wordt ook Set\'. I: I) vermeld. Waarschijnlijk wordt danr gedoeld op de gewoouto
der Kilistijnschc lijfwacht van Juda\'s koningen, om, wanneer zij haar heer in het tempel voorhof be-
gclciddc, over den drempel te springen. Het gebruik is wellicht te verklaren uit eerbied voor de
heiligheid des drempels. Gr. vcrt. heeft aan het slot van het vers maar lij s/tringeu er nver.
S. al //,• — Filittijnen, vijf in getal, naar de vijf steden der Fil
9761
istijnen; zie op Joz. XIII: 3. —
Aan het slot is naar (la/a uil Gr. vcrt. ingevoegd.
U. hij, Jahwe; zie op VISQ.
10. mij. I)e l«l« persoon enkelvoud hier en in het volgende vers vat de bewoners der stad tot eene
eenheid samen.
1 v. Deze verzen passen niet goed na de onmiddellijk voorafgaande, V:llv. Daar is verhaald dat
de Ekronieten aan de Kilistijnschc vorsten voorstellen de ark terug te zenden. Zoiulcrdut wij vernemen
dat de vorsten in dien zin ecu besluit hebben genomen, hooren wij hier dat de filistijnen hunne
priesters en waarzeggers ondervragen over de beste wijze om de ark naar hare plaats te doen wcdcr-
keeren. Misschien is er na V : 12 een en ander uitgevallen. Dr Gricksche vertaler, die de leemte ge-
voelde, voegde nn verlor/d had in en hun land van muizen krioelde; uit het geschenk, door de
Filistijnen als zoenotfer incdcgegcven (zie op vs. 4), leidde hij af, dat, mulat de steden door de |>cst
waren geteisterd, het platteland nog door eene muizenplaag was bezocht cu deze aanleiding had ge-
geven tot het raadplegen van de priesters. In dien geest heeft ook Hebr. t. zelf uitbreiding onder-
gaan ; zie op vs. 4.
3.   Dr Kilistijnschc priesters en waarzeggers zijn ten volle overtuigd van Jahwe\'s macht en van de
schuld van hun volk. — alt — it, volg. Gr. vort.; Hebr. t. u zal blijken.
4.  tij/ — gomden umiz\'-u. Het geschenk beantwoordt aan den aard der straf die het moet afweren. Het
oorspronkelijke verhaal heeft zeker allccu vijf gouden muizen vermeld, daar de muis het zinnebeeld
\'
-ocr page 534-
1 SAMUBL VI: 4—15.
614
zij: Waarin moet het zoenoffer dat wij haar zullen geven bestaan? Zij
zeiden: Naar het getal van de vorsten der Filistijnen, vijf gouden pest-
huilen en vijf gouden muizen; want de plaag geldt allen zonder onder-
5 scheid.\' Maakt dan afbeeldingen van uwe pestbuilen en van de muizen
die uw land vernielen, en brengt den god van Israël hulde. Wellicht
zal hij dan zijne hand die op u drukt van u, uwe goden en uw land
(i wegnemen.\' Waarom zoudt gij uw hart verstokken, zooals de Egypte-
naren en Farao hun hart verstokt hebben? Immers, zoodra hij zijn spel
met hen dreef, moesten zij hen laten trekken en gingen zij benen.\'
7       Maakt dan een nieuwen wagen en haalt twee zoogende koeien, aan
welke nog geen juk opgelegd is; spant die koeien voor den wagen en
8       brengt bare kalveren, van haar weg, naar den stal.\' Neemt dan de ark
van Jahwe, zet haar op den wagen, legt de gouden voorwerpen die
gij baar als zoenoffer medegegeven hebt in een kistje naast haar, en
\'J laat ze vrij baars weegs gaan.\' Geeft dan acht: trekt zij op in de
richting van baar gebied, naar Beth-sjemes, zoo heeft zij ons dit groote
kwaad berokkend; maar zoo niet, dan weten wij dat niet zijne band
lü ons leed gedaan heeft; dan is het ons bij toeval overkomen.\' De lieden
deden alzoo: zij namen twee zoogende koeien en spanden die voor den
11       wagen, terwijl zij de kalveren in den stal hielden opgesloten.\' Voorts
zetten zij de ark van Jahwe benevens bet kistje, met de gouden muizen
12       en de afbeeldingen hunner gezwellen, op den wagen.\' En de koeien
liepen rechtuit over den weg in de richting van Beth-sjemes; zijgingen
gestadig al loeiend over hetzelfde pad voort zonder af te wijken ter
rechter- of ter linkerzij, terwijl de vorsten der Filistijnen haar volgden,
tot aan het gebied van Beth-sjemes.
13           De lieden van Beth-sjemes waren bezig met den tarweoogst in de
vallei. Zij sloegen de oogen op, zagen de ark en gingen blijde haar te
14       gemoet.\' Toen nu de wagen op den akker van Jozua, een burger van
Beth-sjemes, gekomen was, bleef hij aldaar bij een grooten steen staan.
Zij klooiden het hout van den wagen en offerden de koeien als brand-
15       offer aan Jahwe.\' De Levieten laadden de ark van Jahwe af, benevens
het kistje dat er bij was, met de gouden voorwerpen er in, en zetten
der vernieling, vooral der pest, was; verg. op 2 Kon. XIX: 35. Later gaven die gouden muizen aan-
lcidiug tot de mecning ilnt er cenc muizenplaag was geweest, en dat tot afwering van de pestzickte
gouden pestbuilen hadden gediend. Verg. op vs. 17, 18a. — toanl — onderscheid. Al weren slechts
drie steden door de plaag bezocht, toch waren alle vijf Kilistijnsche vorstendommen schuldig, en moes-
ten dus van elke soort vijf stuks geleverd worden. Grondt, laat nog volgen en uier vortten, dat als
ongepast is weggelaten.
0. Verg. Kiod. X : 2.
7.  Zie op Deut. XXI: 3. — brengt — ttai. Als de koeien, zonderdat een mensch ze stuurde, met
achterlating barer kalveren, dcu weg nnar Hcth-sjcinos insloegen, dan zou duidelijk blijken dat eeue
hoogere macht in het spel was; verg. vs. 9.
8.  een kistje, onzekere vertaling.
U. lirt/,.yrm \'s. Zie op Joz. XV : 10. — zijne, van Jahwe. Daar het Hebreeuwsche woord voor ,ark\'
mannelijk is, zou deze hier ook bedoeld kunnen zijn. In het gansche verhaal wordt de godheid zoo
innig met de ark verbonden gedacht dat geen scherp onderscheid tusschen beide gemaakt wordt.
11.  met de gouden muizen en de afbeeldingen hunner gezicellen. Deze woorden behooren tot de over-
werkingj zie op vs. 4.
12.   al loeiend, van verlangen naar hare kalveren. Dat zij toch voortliepen was wel een bewijs dat
zij door hoogere macht werden gedreven.
13.   De lieden can, uit Gr. vert. ingevoegd. — gingen — gemoet, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zij ver-
heugden zich bij dien aanblik.
14.   bij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en daar wat. — De koeien gingen vanzelf naar ceno plaata die
voor het offeren geschikt was. — Zij — offerden, nl. de burgers van lieth-sjemes, vs. 15. Het
kloven van het hout van den wagen, waarschijnlijk om het bij het offer te verbranden, evenals
het offeren van de koeien, dient om te verklaren dat de ark haar vaderland niet weder verla-
ten zal.
15.   Het atladen van de ark had vóór het stukslaan van dcu wagen (vs. 14) behooren vermeld te
worden. Waarschijnlijk is dit vers ingelascht door iemand die nadrukkelijk wilde doen uitkomen, dat
-ocr page 535-
1 SAMUKL VI: 15—VII: 1.
615
haar op den grooten steen, en de burgers van Beth-sjemes brachten te
16       dien dage brandoffers en slachtoffers aan Jahwe.\' Toen de vijf\' vor-
sten der Filistijnen dit gezien hadden, keerden zij dien zelfden dag
17       naar Ekron terug.\' Dit zijn de gouden gezwellen die de Filistijnen als
zoenoffer aan Jahwe hebben niedegegeven: voor Asdod, Uaza, Askelon,
18       Gath en Ekron, voor ieder een.\' En de gouden muizen waren naar het
getal van al de steden der Filistijnen, van de vijf vorsten, van de ver-
sterkte stad af\' tot het boerendorp toe. De groote steen waarop zij de
ark van Jahwe plaatsten is getuige tot op dezen dag, op den akker
van Jozua uit Beth-sjeiues.
li)          Maar de zonen van Jechonja verheugden zich niet onder de burgers
van Beth-sjemes toen zij de ark van Jahwe zagen; daarom versloeg
hij zeventig man van hen; en het volk droeg rouw, omdat Jahwe
20       zulk eene groote slachting onder het volk had aangericht.\' En de bur-
gers van Beth-sjemes zeiden: Wie zal voor het aangezicht van Jahwe,
dezen heiligen god, kunnen staan? Tot wien zal hij nu heengaan?
21            Toen zonden zij boden tot de bewoners van Kirjath-jearim met de
boodsebap: De Filistijnen hebben de ark van Jahwe teruggebracht;
VII: 1 komt af en haalt ze bij u.\' En de burgers van Kirjath-jearim kwamen
en haalden de ark van Jahwe; zij brachten haar in het huis van
Abinadab op den heuvel: waarna zij zijn zoon Eleazar wijdden om de
ark van Jahwe te bewaken.
niet, zooals vs. 14 stilzwijgend oudcrstelt, de burgers vnu Betb-sjeincs, mttur de Levieten, die volgens
de wet daartoe alleen bevoegd waren (Num. III, IV; Dcut. X: 6), de nrk hadden afgeladen. Hij
maakte tevens den steen van vs. 14, die in het verbaal waarschijnlijk als altaar moest dienst doen,
tot ecu voetstuk voor de ark.
17.   18a. Deze woorden behooren, evenals gedeelten van vs. 4 v., 11, tot de overwerkiug. Zij zijn
in strijd met vs. 4, wnar het getal der gouden muizen vijf bedraagt, terwijl bet hier gelijk is aan
de som van alle steden en dorpen in Filistea. l)o schrijver, niet begrijpende dat de gouden muizen
eene zinnebeeldige voorstelling waren van de pest waardoor de steden waren geteisterd, meende dat
zij op eene muizenplaag in het gausehe land doelden, en was daarom van oordeel, dat, evenals de
gouden pestbuilen aan het getal steden, de gouden muizen aan het aantal plaatsen in het gausebc
land beantwoorden moesten.
18.  De groote steen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Hel groote weiland. — waarop — plaatsten, van de-
zelfde hand als vs. 15. — is getuige, met verandering van éen klinker. Keu steen als getuige komt
nog Gen. XXXI: 44, 48; Joz. XXIV: 27 voor. Zie verder over heilige stecnen iul. op Gen.
XXVIII: 10—22.
19.  Maar — sagen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Hij sloeg onder de burgers van Beth-sjemes, omdat zij
de ark gezien hadden.
De hier genoemde familie is wellicht dezelfde welker stamvader 1 Krou. XV :
22 (zie aldaar) de Leviet Konanja heet. In dit geval zou hier gezinspeeld worden op de geringe in-
geuomeuheid van deze familie met de ark, en is het verklaarbaar, waarom lutcr, toen het geslacht in
aanzien steeg, deze woorden uit den tekst gelicht werden. — van hen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. van
het volk.
— man. Hebr. t. laat volgen vijftig duizend man. Het is eene inlassching van een lezer,
die wilde voorkomen dat men aan eene strnfoefening aan écne familie, dio van Jechonja, voltrokken,dacht.
20.    Wie — slaan!\' Wie zal, indien Jahwe\'s toorn zoo spoedig ontbrandt, hem kunnen dienen? —
»«, letterlijk van bij ons.
1. waarna — wijdden. Dat hij lid eencr Levietischc familie was wordt niet gezegd; verg. Exod.
XXIV: 5; Richt. XVII: 5.
HOOFDSTUK VII: 2—VIII: 22.
Overwinning op de Filistijnen en instelling van het koningschap. — Samucl vermaant de Israëlie-
te.ii, alleen Jahwe te dienen, en belooft hun op die voorwaarde Jahwe\'s hulp tegen de Filistijnen (2 v.);
do Israëlieten gehoorzamen (4); waarna Sumuel hen tot het houden van ecu boctcdag naar Mispa
samenroept (5 v.). Als de Filistijnen hooren dat Israël daar verzameld is, trekken zij tegen hen
op (7); Samuel bidt en offert voor zijn volk (8 v.), waarop Jahwe de vijanden in hunne handen
geeft (10 v.); Samucl richt een gedenksteen op (12); de macht der Filistijnen is voorgoed gebroken
(18 v.). Samucls werkzaamheid als richter (15—17). Hij stolt zijne zonen als helpers nan, maar dezen
misdragen zich (VIII: 1—3). Daarom vragen Isrnëls oudsten om een koning (4v.); Samucl raadpleegt
Jahwe, die hein gelast naar den wil des volks te handelen en hun het koniugsrecht af te kondigen
(6—l)). Samuel doet dit en voorspelt aan het volk dat zij eenmaal berouw zullen hebben over hun
-ocr page 536-
1 BAMUBL VII : 2—9.
616
wcnseh (10—18). Het volk blijft echter daarbij; weshalve Jahwe nan Samuel gelast, cen koning te
doen verkiezen (19—22).
In deze hoofdstukken wordt het koningschap zeer ongunstig beoordeeld. Terwijl daarin de aan het
volk ongelegde lasten breed uitgemeten worden, wordt geen enkel voordeel, er aan verbonden, gc-
noemd. De instelling zelve is cenc verwerping van Jahwe en getuigt van gebrek aan vertrouwen op
hem: om over zijne vijanden te zegevieren heeft Israël geen koning noodig; zoo vauk het getrouw
was nnu Jahwe is het met zijne hulp steeds overwinnaar geweest. Toch is het koningschap niet in-
gevoerd zonder uitdrukkelijke vergunning van Jahwe: hij zelf heeft, na vergeefsche waarschuwing,
Samuel gelast, aan den wcnseh des volks te voldoen; opdat het bij ervaring den vloek van het
koningschap zou leeren kennen. lu verband hiermede, wordt de tijd toen Samuel het bewind voerde
verheerlijkt: toen stond het volk onder een rechtvaardig en krachtig bestuur, werd alleen Jahwe
gediend, hccrschtcn orde en recht in het land, en werden de vijanden van Israël met Jahwe\'s hulp
gemakkelijk verslagen.
Het ongeloofwaardig karakter dezer voorstelling springt in het oog. Immers, Samuel heeft zijn
volk niet vnn de vijanden verlost (zie op VII: 13 v.); het koningschap is ingesteld omdat de benarde
toestand des lauds een krachtig bestuur dringend vorderde, en de geschikte persoon werd door de
omstandigheden aangewezen (zie inl. op IX—XI). Het was den schrijver, die in de eerste eeuw nu den
val van Jeruzalem zijn werk opstelde, te doen om zijn volk de vernieuwing van het koningschap te
ontraden en het bestuur van vrome mannen als Samuel, als de door Jahwe gewilde staatsregeling,
aau te prijzen; zie op VI11:9.
I)i\' voorstelling van Snmuel uls bestuurder vau het guusche land, die wij hier en X:17—27; XII
aantreffen, is blijkbaar jonger dan die welke elders in dit bock vau hem gegeven wordt; zie inl.
op 1:1—IV : la.
lVzc hoofdstukken bchooren tot de Deutcronomischc tocvocgsclcn bij het Oude Geschiedboek.
VII: \'2 Toen, nadat de ark te Kirjath-jearim eene verblijfplaats gekregen
had, een geruime tijd verloopen was, twintig jaren, keerde zich het
3       gansehe huis Israël tot Jahwe.\' En Samuel zeide tot het gansene huis
Israël: Indien gij van ganscher harte u wilt hekeeren tot Jahwe, doet
dan de vreemde goden, de banls en de Astarte\'s, uit uw midden weg,
richt uw hart op Jahwe en dient alleen hem; opdat hij u verlosse uit
4       de hand der Filistijnen.\' Nu deden de Israëlieten de baüls en de
5       Astarte\'s weg en dienden Jahwe alleen.\' Daarop zeide Samuel: Verza-
6       melt ganseh Israël te Mispa, opdat ik voor u tot Jahwe bidde.\' En
zij verzamelden zich te Mispa, schepten water, goten dat voor Jahwe\'s
aangezicht uit, vastten te dien dage en zeiden: Wij hebben tegen
Jahwe gezondigd! En Samuel sprak recht over de Israëlieten te Mispa.
7           Zoodra de Filistijnen hoorden dat de Israëlieten zich te Mispa ver-
zameld hadden, trokken de vorsten der Filistijnen tegen Israël op, en
toen de Israëlieten dat hoorden, werden zij voor de Filistijnen bevreesd\'
8       en zeiden zij tot Samuel: Laat niet na voor ons tot Jahwe, onzen god,
\'J te roepen, dat hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen.\' Toen nam
2.   Toen — jamt. Hierop moet oorspronkelijk iets gevolgd zijn van de verdere lotgevallen der ark
Ie Kirjath-jearim of van haar vervoer naar elders, in den trant van 2 Sam. VI. Dit vervolg vinden
wij niet in vs. -\'.—YI1I:22, waar over de ark niet meer gesproken wordt; waarschijnlijk is het bij de ver-
binding daarvan met de voorgaande hoofdstukken verloren geguan. De schrijver die VIIiSM—Vlll : 22
iuluschtc behield vau hetgeen hij wegliet deze weinige woorden, om hetgeen hij invoegde met het ver-
haal over de ark samen te kop|>elcii. — knttdr zich. volg. Gr. vert.; Hein\', t. wrrklaayde.
3.  Zie Gen. XXXV: 2; Joz. XXIV: 33.\'— de baalt, uit Lat. vert. ingevoegd om vs. \\. Zie op lticht.
11:11. — de Atlartr\'e. Zie op Kicht. 11:18.
5. Mitpa. Zie op Joz. XVllI:25v.
0. udupttu — uil. Waarschijnlijk beteckeut deze handeling: zooals water dat uitgestort wordt
niet weder verzameld kun worden, zoo zijn wij verloren, indien gij ons niet vergeeft; zie 2 Sam. XIV:
14; I\'s. XXII: 15; I.YIII:8. — raittrn, ten tecken van rouw. — zridm. Hcbr. t. laat volgen
daar; volg. Gr. vert. weggelaten. — En — Mi.\\/,a. Met de verootmoediging des volks ging waar-
schijnlijk veroordeeling en bcstralling van overtreders gepaard. Zoo werd schuld gezoend, het volk gc-
reiuigd eu du ware verhouding tusscheu Jahwe en Israël hersteld.
ö. ten liratidvJW. Grondt, drukt dit met twee woorden uit, waarvan het eerste de jongere, het
tweede de oude benaming vau deze oflersoort is; verg. op Deut. XIII: 10. — anlvoordde, door het
onweder dat, als Samuel nog bezig is met offeren en bidden, over de Filistijnen losbreekt, vs. 10;
verg. II: 10.
-ocr page 537-
617
1 bahuhl VII: 9—VIII: 6.
Saniuel een zuiglani, offerde dat ten brandoffer aan Jahwe, en riep
10       Jahwe aan voor Israël. En Jahwe antwoordde hem.\' Terwijl toch
Samuel het brandoffer bracht en de Filistijnen tegen Israël ten strijde
oprukten, donderde Jahwe met geweldig geluid te dien dage over de
Filistijnen en bracht hen in verwarring, zoodat zij voor Israël de neder-
11       laag leden. \' De mannen van Israël trokken uit Mispa, vervolgden de
iy Filistijnen en versloegen hen tot beneden Beth-kar.\' Toen nam Samuel
een steen, plaatste dien tusschen Mispa en Hajjesjana, noemde hem
13       Eben-haëzer en zeide: Tot dusverre heeft Jahwe ons geholpen.\' De
Filistijnen werden vernederd, zoodat zij voortaan niet meer op Israëls
grondgebied kwamen; en Jahwe\'s hand drukte op de Filistijnen zoo-
14       lang Samuel leefde.\' En de steden welke de Filistijnen aan Israël
hadden ontnomen kwamen weder aan Israël, van Ekron tot (Jath; ook
haar gebied werd door Israël aan de hand der Filistijnen ontwrongen.
En het was vrede tusschen Israël en de Amorieten.
15, 1 o\' En Samuel was richter over Israël zoolang hij leefde.\' Telken jare
bezocht hij op eene rondreis Bethel, Gilgal en Mispa en sprak recht
17 over Israël aan al deze plaatsen;\' waarna hij telkens naar Barna terug-
keerde; want daar was zijn huis en daar sprak hij recht over Israël.
Ook bouwde hij er een altaar voor Jahwe.
VIII: 1 Toen Samuel oud was geworden, stelde hij zijne zonen tot rechters
2       over Israël aan — \' zijn oudste zoon heette Joel en de tweede Abia —
3       tot rechters te Bersjeba.\' Maar zijne zonen wandelden niet op zijne
wegen: zij waren belust op winst, namen geschenken aan en verkrachtten
4       het recht.\' Toen verzamelden zich al de oudsten van Israël, kwamen
5       tot Samuel te Barna\' en zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden,
en uwe zonen wandelen niet op uwe wegen; stel dus een koning over
b\' ons aan om ons te besturen, zooals alle andere volken hebben.\' In het
V». 2. 1 Kron. VI: 28.
11.   De Israëlieten vervolgen du vijanden eerst als dezen reeds in verwarring zijn; hunne nederlaag
is dns uitsluitend Jahwe\'s werk. — Beth-kar, onbekend.
12.   Hajjesjana, of Jesjana, ,dc oude stad\', vol);. Gr. vert.; Hcbr. t. Ilassjen. liet lag ten noorden
vnn Bethel; verg. 2 Kron. XIII: 111. — Eben-haezrr. Volg. IV: 1 heette zoo de plaats waar de Israc-
lietcn ten tijde van Eli door de 1\'il
5001
istijucii werden verslagen: volgens ons vers is deze unaiii haar
eerst later, naar aanleiding vau eene overwinning der Israëlieten op de Filistijnen, gegeven. — Tot
— geholpen, toespeling op den naam Eben-haézer; zie op IV i \\b.
13 v. Dat het hier verhaalde door eu door ongeloofwaardig is hlijkt uit IX: 10; X:l; XIII: 10—
23; XIV:21, waar de Filistijnen (iob als hecren en meesters in het land der Israëlieten gedragen en
dezen een koning krijgen om hen vau de Filistijnen te verlossen; welke taak Saul aanvankelijk met
gniistigen uitslag volbrengt (XIII, XIV).
14.    de Amorieten. Waarschijnlijk duidt deze naam hier niet, als elders, de gehcclc oude bevolking
des lnuds aan, maar alleen de Amorieten die volg. Kicht. I : 31 v. op de hellingen van het gebergte
van Kfraiin, ten oosten van de Filistijnen, woonden. Dat tusschen hen en Israël vrede heersehte be-
teckeut dat zij voortaan in den strijd tusschen Israëlieten eu Filistijnen niet meer de partij der laal-
sten kozen, maar voor Israël, dat ouder Samuel.machtig was, bukten.
15.    Dit is in strijd met X:17—27; XII, waar Samuels riehtcrlijke werkzaamheid, niet tot aan
zijn dood. maar tot aan de instelling vau het koningschap duurt.
1(1 v. Samuel sprak recht over Israël in zijne hoedanigheid van bestuurder des lande. Immers, do
rechtspraak behoorde tot den werkkring vnn hen die het land regeerden; zie op 1 Kou. 111:0. De
hier genoemde plaatsen liirgen betrekkelijk dicht bij elkander. Hierin schemert de herinnering door
aan het feit dat Samuel als ziener in zijne vaderstad Uama en in den iinnstcu omtrek, maar niet ook
buiten dien kring, grooten naam eu invloed had (verg. IX :1—X : 10). Doch volgens VIII: 1 v., waar
hij ook over het rechterambt te Mersjcba beschikt, strekte zijn gezag zich veel verder uit.
17. Kant ilaar wat zijn huis. Dit komt overeen met IX : 0 vv.; XV: 31; XXV : 1. Over zijn ver-
blijf te Sjilo zie iul. op 1: 1—IV : U.
2.   Bersjeba. \'/Au inl. op Gen. XXVI: 1—33.
3.   Zie Exod. XXIII: 2 v„ 0—1); Deut. XVI: 18—20.
4—0. De voorstelling dat Jahwe onwillig toegeeft aau het verlangen vau het vulk is in strijd
met die van IX:15v., waar hij bun uit medelijden een koning geeft, om hen vau de Filistijnen te
verlossen.
5. om ons te besturen. Zie op 1 Kon. III: 0. — zooals — volken. Verg. Deut. XVII: 14.
-ocr page 538-
618
1 SAMCJKI, VIII : ܗ22.
oog van Samuel was het kwaad, zoodra zij gezegtl hadden: Geef ons
7       een koning om ons te besturen — en Haiuuel bad tot Jahwe.\' Jahwe
nu zeide tot Saiuuel: Luister naar het volk ten aanzien van al wat
zij tot u zeggen; want niet u hebben zij verworpen, maar mij, dat ik
8       geen koning over hen zou zijn.\' Juist zooals zij zich jegens mij gedragen
hebben van den dag af dat ik hen opvoerde uit Egypte tot heden toe,
dat zij mij verlieten en andere goden dienden, zoo gedragen zij zich
J) ook jegens u.\' Welaan, geef hun gehoor. Doch waarschuw hen nadruk\'
keiijk en maak hun het recht bekend van den koning die over hen
zal regeeren.
10           Samuel bracht al de woorden van Jahwe aan het volk over, dat
11       hem om een koning had gevraagd,\' en zeide: Dit zal het recht zijn
van den koning die over o zal regeeren: uwe zonen zal hij nemen,
om hen bij zijne wagens en zijne ruiterij in dienst te stellen en hen
12       voor zijn wagen te laten loopen,\' om hen tot oversten over duizend
en over vijftig aan te stellen, om zijn land te beploegen, zijn oogst
binnen te halen, en zijne krijgswapenen en zijn wapentuig te vervaar-
13       digen.\' Uwe dochters zal hij nemen tot specerijbereidsters, slachtsters
14       en baksters.\' Van uwe akkers, wijnbergen en olijfgaarden zal hij de
15       beste nemen en wegschenken aan zijne dienaren;\' van uw bouwland
en uwe wijngaarden zal hij het tiend heffen en dat aan zijne kamer*
10 lingen en dienaren geven. \' Uwe beste slaven, slavinnen en runderen
17       en uwe ezels zal hij nemen en ze bij zijn werk gebruiken.\' Ook van
uw kleinvee zal hij het tiend heffen, en zelven zult gij hem tot slaven
18       zijn.\' Te dien dage zult gij roepen vanwege uwen koning dien gij u
hebt uitverkoren; maar Jahwe zal u dan niet antwoorden.
19           Doch het volk weigerde naar Samuel te hooren en zeide: Neen, er
20       zal een koning over ons zijn!\' Ook wij willen als alle andere volken
zijn en een koning hebben, die over ons rechtspreekt, aan onze spits
21       uittrekt en onze oorlogen voert.\' En Samuel hoorde al de woorden des
22       volks en bracht die aan Jahwe over.\' En Jahwe zeide tot Samuel:
Hoor naar hen en geef hun een koning. Zoo zeide Samuel tot de
mannen van Israël: Gaat henen, ieder naar zijne stad!
fi. bad lot Jahwe, om rand en voorlichting.
7 v. Het verhingen naar een koning heet hier een tecken dut het volk zich onttrekken wil nnn ilo
heerschappij van Jahwe. Gewoonlijk wordt het koningschap geenszins in strijd geacht met de regee-
ring van Jahwe, en de koning vau Israël of Juda beschouwd als Jahwc\'s stedehouder, door wicn hij
zijn wil onder het volk laut volbrengen en handhaven; zie op 11:10.
8. jegens mij, uit Gr. vert. ingevoegd.
!). hel recht... eau den koning, wat de koning van het volk zal kunnen eisehen. Samuel noemt dan
ook (vs. 11—1") nllcen de rechten, geen enkelen plicht, van den koning op. Daarentegen handelt de
koningswet, Dcut. XVII: 14—20, uitsluitend over de verplichtingen des konings. Het onderscheid laat
zich gerccdclijk vcrklurcn: de wet van Deuterouomium heeft de strekking het koningschap te hervor-
mcu, ons stuk dient tot afschrikking.
11.   zijne wagena, volgens andere klinkers, iu overeenstemming met alle oude vertt. — vóór — loo-
jn-n.
De staatsii wagen des kouings werd voorafgegaan door hardloopcrs, die \'s konings komst moesten
melden en voor hem ruim bnuu maken. Absalom had er vijftig, 2 Sam. XV : 1; verg. 1 Kon. 1: 5.
12.   om — aan te tle/len. Dit schijnt cene belofte, en oBicicr te worden was inderdaad in menig
opzicht begeerlijk; maar gedwongen te worden tot den krijgsdienst was toch ook voor de zonen der
aanzienlijken, die zulke betrekkingen kregen, eene kwelling.
16.  runderen, volg. Gr. vert.; llcbr. {.jongelingen,
17.   Ook, volg. Gr. vert. ingevoegd. — kleinvee, de schat van den herder; in vs. 1-4—16 vu sprake
van den landbouwer.
22. Het vervolg von dit verhaal vinden wij X:17—27.
HOOFDSTUK IX—XI.
De koningskcus. — Sauls afkomst (IX:lv.); hij gaat, op bevel zijns vaders, vergezeld van ecu
knecht verloren ezelinnen zoeken (3 v.); nu lang vergeefs gezocht te hebben, besluiten zij den ziener
-ocr page 539-
1 samukl IX: 1—4.                                          619
Samuel te Rama te raadplegen (5—10). Dnar gekomen, vernemen zij dat Samuel ilien Ja); een offer-
maal heeft <>|> ilc hoogte en hiertoe juist de stad verlaten zal (11 — lil); zij komen hein tegen (11).
Jahwe heeft aan Sainuel geopenbaard dat Isracls toekomstige koning tot hem zal komen, en zegt
hem iiu dat Saul het is (15—17). Sninuel neemt Saul mede naar het olfennunl eu zinspeelt een paar
keer op Sauls toekomstige waardigheid (IK—24). Den volgenden morgen doet hij hein uitgeleide en
zalft hein, even buiten de stad, tot koning (25—X:l); hij stelt hem drie leekenen, welker vervulling
hem ten waarborg /al wezen dat Jahwe hem uitverkoren heelt, en geeft hem eenige bevelen (2—8).
I)c teeltenen komen uit (il); oorsprong van het spreekwoord: is Saul ook onder de profeten? (10—12).
Hij houdt voor zijne bloedverwanten het gebeurde geheim (18—18), Sainuel roept het volk te Mispa
samen, waar Saul door het lot tot kouiug wordt aangewezen (17—21<«i; bij de bagage gevonden, wordt
hij in de vergadering gebrneht eu tot koning uitgeroepen; wuarbij Sainuel het koiiiugsreeht afkondigt
en opsehrijft (214—25a); Saul gaat, duor sommigen gevolgd, door anderen geminacht, naar Gibea
(254—27). De koning der Aininonieten belegert Jnbes (XI: 1), welker inwoners, op het punt van zieh
te moeten overgeven, boden door geheel Israël zenden, om hulp te vragen (2 v.). Hunne bede vindt
weerklank bij Saul (4—0), die een groot leger verzamelt (7 v.), de boden met de belofte van hulp
naar Jabcs terugzendt (9 v.) en de Ammoiiictcn verslaat (11). Het volk wil Smits tegenstanders doo-
den, maar hij verbiedt dit (12 v.). Vernieuwing van het kouingsehnp te Oilgal (11 v.).
34
In deze hoofdstukken vinden wij verschil lende berichten over de keuze van Saul tot koning. Het
oudste, geloofwaardigste, is zeker XI : 1—11, 15, hetwelk inhoudt dat Saul, een gewoon burger van
Oibca, door Jahwe\'s geest aangegrepen, de stammen oproept tot bevrijding van Jabes, de benarde stad
ontzet en tot loon daarvoor tot koning uitgeroepen wordt. Het is echter door den, veel jongeren, schrijver
van IX : 1—X:1G opgenomen in een verhaal dat eene geheel andere voorstelling geeft van de wijze
waarop Saul op den troon gekomen is. Hier toch worden de instelling van het koningschap en de
keus van den eersten kouiug afgeleid van eene beschikking van Jahwe en wordt Sainuel tot den
vader van het koningschap gemaakt. Op de heldendaad van Saul vult hierdoor een eigenaardig licht:
daar hij reeds daarvóór in alle stilte tot koning gezalfd was, is het ontzet van Jnbes wel voor hot
volk de aanleiding om hem tot koning uit te roepen, maar voor hein zelveu slechts eene daad waarin
hij den geest vnu Jahwe, bij zijne zalving ontvangen, openbaart. Het verhaal dient tot inleiding op
dat van Sauls eerste overwinningen op de Filistijnen, XIII : 1—7, 154—XIV: 46, en wijst het oog-
punt aan waaruit Saul» ]>crsoon eu daden moeten worden bezien.
Jonger dan deze twee voorstellingen is die dat Saul door het lot gekozen is. Het stuk waarin zij
voorkomt, X:17—27 (XI : 12—11), is het vervolg van VII : 24—VIII: 22; zie inl. daarop. Hij of na
de iulassehing daarvan zijn in het oorspronkelijke verhaal eenige veranderingen aangebracht; zie op
X : 8, XI: 7 en 8.
Met uitzondering van X : 17—27 en de toevocgscleii door de iulassehing daarvan veroorzaakt, heb-
ben deze hoofdstukken deel uitgemaakt van het Oude Geschiedboek; zij kunnen daarin echter niet on-
middellijk op VII :2a gevolgd zijn; waarschijnlijk is hiertusschen iets uitgevallen; verg. op XXI: 1.
IX: 1 Er was eens een man uit Gibea in Benjamin, met name Kis, de
zoon van Abiël, den zoon van Seror, den zoon van Bechonith, den zoon
2       van Afia, een Benjaminiet, een kloeke held.\' Hij had een zoon, Saul
geheeten, jong en flink; ja, er was onder de Israëlieten niemand flinker
dan hij: van den schouder af stak hij boven het gansche volk uit.\'
3       Eens, toen de ezelinnen van Kis, Sauls vader, vermist werden, zeide
Kis tot zijn zoon Saul: Neem een van de knechten mede, maak u op
4       en ga de ezelinnen zoeken.\' Zij dan doorkruisten het gebergte van
Efraim, desgelijks de streek Sjalisja, maar vonden ze niet. Zij door-
1 v. Het gcslachtsregistcr van Saul vinden wij ook 1 Kron. VIII: 30—33; IX: 35—3!). Daar heet
echter de vader van Kis tier, terwijl Seror et voorkomt als Sur.
1.   Oibea in, naar gissing ingevoegd. — een Benjaminiet, met omzetting van twee woorden.
2.   van — uil. Evenzoo X: 23.
4 v. De plaats waar Saul woonde, en van waar hij met zijn knecht den tocht ondernam, wordt niet
genoemd. Uit X : 5, verg. met X : 13—10, blijkt dat het Gibea was. Waarschijnlijk is het ten zuid-
westcu vnn Michnins gelegen Gibea of Geha (zie op Joz. XVIII: 24) bedoeld; verg. X:5 met XIII: 3.
Welke richting Saul op zijn tocht volgde, is wegens de onbekendheid van sommige der hior genoemde
streken en de onbepaaldheid in de opgave van andere niet uit te maken.
4. Zij ... dourkruitten, Grondt, heeft het enkelvoud. — hel gebergte tan Efraim. /ie op Joz. XVII:
15. — Sjaluja, onbekend. De stad Baiil-êjalitja, die er wel toe behoord zal hebben, schijnt in de
nabijheid van Gilgal te hebben gelegen; 2 Kon. IV: 38, 42. — Sjaalim, onbekend, wellicht hetzelfde
als Sjaalabbin in den stam Dan (zie op Joz. XIX: 42), of de streek Sjual (X11I! 17), ten noordoosten
-ocr page 540-
620
1 8AMUEL IX : 4—15.
kruisten Je streek Sjaülim, maar zij waren er niet; eindelijk de streek
5 van Benjamin, maar zij vonden ze niet.\' Toen zij in de streek Sof
waren gekomen, zeide Saul tot den knecht die bij hem was: Kom,
laten wij terugkeeren! Anders maakt mijn vader, in plaats van over
<i de ezelinnen, zich over ons bezorgd.\' Doch hij zeide tot hem: Zie eens,
in die stad woont een godsman, en die man staat in groot aanzien;
al wat hij spreekt komt stellig uit. Kom, laten wij daarheen gaan!
Misschien kan hij ons inlichtingen geven omtrent den tocht dien wij
7       hebhen ondernomen.\' Saul zeide tot zijn knecht: Kn als wij daarheen
gaan, wat zullen wij den man brengen.\' Want het brood in onze
zakken is op, en wij hebben geen geschenk om aan den godsman te
8       brengen. Wat hebben wij bij ons?\' Toen antwoordde de knecht Saul
weder en zeide: Zie, ik hel) nog het vierde van een sikkel zilver bij
mij. Dil zal ik aan den godsman schenken; dan zal hij ons omtrent
lü onzen weg inlichtingen geven. \' Daarop zeide .Saul tot zijn knecht:
Uw voorslag is goed. Kom, laten wij gaan! En zij gingen naar de stad
11       waar de godsman woonde.\' Toen zij nu langs den opgang der stad
opklommen, tronen zij daar eenige meisjes aan die uitgingen om water
9       te putten. Zij vroegen haar: Is de ziener hier/ —\' Voorheen placht
men in Israël te zeggen, als men de godheid ging raadplegen: Komt,
laten wij naar den ziener gaan. Want die tegenwoordig de profeet heet
12       werd voorheen de ziener genoemd. —\' Zij antwoordden hun: Jawel;
de ziener is te vinden; hij is juist in de stad gekomen, omdat het
13       volk heden een offermaal op de hoogte heeft.\' Zoodra gij de stad
binnenkomt zult gij hem juist treffen, voordat hij opgaat naar de hoogte
om te eten. Want het volk eet niet voordat hij gekomen is: eerst
nadat hij het offer gezegend heeft gaan de genoodigden eten. Gaat
14       dus; want juist nu kunt gij hem vinden.\' Toen gingen zij op naar
de stad. Nauwelijks waren zij midden in de poort gekomen, of daar
kwam Samuel hun te gemoet, naar buiten gaande om zich naar de
hoogte te hegeven.
15           Jahwe nu had aan Samuel daags vóór de komst van Saul geopen-
van Michmus. — dr itrrri van Benjamin. Hier en elders in ilit verhaal is lul niet duidelijk, welke
streek de schrijver hieronder verstaal: ilunr Smil toeh wel het eerst zul hehhen gezocht in de nabij-
lu\'iil zijner woonplant* (iihen, die vs. UI; XIII: 2; Joz. X V111:21 nis llciijnminictiseh voorkomt,
schijnt hier slechts een hcpiuild gedeelte van wat elders het gebied vnn Benjamin heet, wellicht de
streek ten zuiden van Itninn, zoo genoemd te worden. Blijkbaar spreekt de schrijver over Benjamin
nu eens in ciigcrcn, dim weder in minieren zin.
5. Suf\'. Zie op 1:1.
n vv. Samuel is hier een in zijne omgeving beroemd wnarzegger, die tot Jahwe in bijzondere bc-
Irekking «iaat; niet, als in VII, VIII, de bestuurder van ganscli Israël; verg. inl. op hel bock.
fl. ik die xlail, Kumu. Dat Samuel op de eene of nudcre wijze aan het heiligdom ie Sjilo verhouden
is of geweest is (1:1—IV : la) wordt in deze hoofdstukken nergens ondersteld.
7.   Ken godsman dien men om raad kwam vragen moest men, naar stuud en vermogen, een geschenk
medebrengen; zie 1 Kon. XIV ! 3; 2 Kou. VIII: 8.
8.   het vierdr vau ren tittel zi/vrr, ongeveer f 0.42J.
U. Dil vers gunt in Ilebr. t. mui vs. 10 vooraf, en is hierheen verplaatst, omdat het eene uuntcc-
kening behelst op het in vs. 11 voorkomende woord tiener. Blijkbaar is het oorspronkelijk eene kaut-
leekening, die op eene verkeerde plaats in den tekst is gedrongen. fieheel juist is zij niet. Immers, in
liet vervolg van ditzelfde verhaal (X : 5 v., 10—13) komen profeten voor en worden dezen van Siimucl,
den ziener, onderscheiden, terwijl, mm den anderen kant, de lnlerc profeten dikwerf zieners worden
genoemd, Am. VII : 12 en elders. De twee benamingen staan dus niet eenvoudig nis de oudere eu de
jongere tegenover elkander. Doch hierin kun de schrijver der aanteekeiiing gelijk hebben, dat de naam
„profeet" allengs, ook in het dagelijksch leven, meer in gebruik kwam en de gewone aanduiding van
den tolk vau Juhwe werd.
12.   dr — juut, onzekere tekstverbetering volg. Gr. vert. — omdat — kerft. Gij treft het dus wel
dat gij hem juist in de stad vindt; want hij is heden, om allerlei beschikkingen voor het oflermaal
te maken (vs. 24), bijna den gansenen dng buiten, op de hoogte. — hoogte, /ie op l)eut. XII: 2.
13.   nadat — lireft. Samuel doet dit, niet als priester, maar als de meest geachte burger zijner stad.
14.  poort, volg. Gr. vert. en vs. 18; grondt, tlad.
-ocr page 541-
1 SAMUEf, IX: 15—X: l.                                     021
1(5 baard:\' Morgen om «lezen tijd zal ik een man uit de streek van Ben-
janiin tot u zenden: dien moet gij tot vorst over mijn volk Israël
zalven, en bij zal mijn volk uit de band der Filistijnen verlossen: want
ik heb de verdrukking van mijn volk gezien, daar zijn geroep tot mij
17       gekomen is.\' Nauwelijks nu zag Samuel Saul, of Jahwe voegde hem
toe: Ziedaar de man van wien ik u gesproken heb: bij zal over
18       mijn volk regeeren.\' En Saul trad in de poort op Samuel toe enzeide:
11) Zeg mij eens, waar is hier het huis van den ziener.\'\' waarop Samuel
Saul antwoordde: Ik zelf ben de ziener; ga mij voor naar de hoogte
en eet beden met mij. Dan zal ik u morgen ochtend laten gaan en
20       u omtrent al wat u ter harte gaat inlichting geven.\' Wat de ezelinnen
betreft die gij nu drie dagen vermist, bekommer u daarover niet; want
zij zijn gevonden. En aan wien zal al wat begeerenswaard is in Israël
ten deel vallen/ Aan wien anders dan aan u en uwe gansene familie?\'
21       Hierop antwoordde Saul: Ik ben immers maar een lienjaminiet, uit
den kleinsten van Israëls stammen, en mijn geslacht is bet geringste
van al de geslachten van den stam Henjamin! Waarom spreekt gij dan
22       zoo tot mij.\'\' En Samuel nam Saul en zijn knecht mede, bracht hen
in de kamer en gaf hun eene plaats aan het hoofd der genoodigden,
die ten getale van omstreeks dertig waren.
23           Toen zeide Samuel tot den kok: Geef hier het stuk dat ik u gaf,
24       waarvan ik tot u zeide: Houd het bij u!\' De kok dischte toen den
schenkel met den vetstaart op en zette ze Saul voor. Toen zeide Samuel
tot Saul: Zie, het overgeblevene is u voorgezet; eet het. Want voor
deze gelegenheid is het voor u bewaard en onthouden aan de overige
gisten. Zoo at Saul te dien dage met Samuel.
25           Toen zij van de hoogte naar de stad waren afgedaald, spreidde men
20 voor Saul een bed op bet dak,\' en ging hij slapen. En zoodra de
dageraad aanbrak, riep Samuel Saul op het dak toe: Sta op, dat ik u
uitgeleide doe! En Saul stond op, en zij gingen met hun beiden naar
27 buiten.\' Toen zij nu afdalende aan het einde der stad waren gekomen,
zeide Samuel tot Saul: Zeg aan den knecht dat bij vooruitga, en blijf
gij bier staan, opdat ik u een woord Gods verkondige.
X: 1
         Toen nam Samuel de kruik met olie, goot ze uit op zijn hoofd,
kuste hem en zeide: Jahwe heeft u gezalfd tot vorst over zijn volk,
10. De instelling vim het koningschap is dus een zegen van Jahwe; anders VII, VIII; zie op
VIII: 4—9. — de verdrukking ran, uit Gr. vert. ingevoegd.
19.  i/a mij voor. dit beleefdheid laat Samuel Saul voorgaan. — u omtrent — geven, zonder Sauls
vragen af te waehteu; zoo geeft hij hem tevens een bewijs van zijn dieper inzicht.
20.   En aan — familiet In raadselachtige woorden zinspeelt Samuel op Sauls toekomstige verheffing.
21.  den kleinsten, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de k/einste (mcerv.); in het vervolg volgens dezelfde vcr-
taling den stam in pi. v. de stammen. — mijn geslacht, vuig. X : 21 dat van Matri.
22.  de kamer, van het heiligdom, waar de onermualtijd gehouden werd; zie op 1:0. — gaf — ge-
noodigden,
cene zinspeling als in vs. 20.
24.  den vetstaart, volg. verb. t. Zie op Kxod. XXIX: 22. — Samuel lot Saul, uit Gr. vert. ingc-
vocgd. — hel ocergeblevime, wat, niet van het eten, maar bij de verdceling van het offcrvlcesch over-
geschoteu was. De maaltijd was nog niet begonnen; zie vs. 13, 22. Voor Saul is het treffende, dat
op hem, die meent onverwachte gnst te zijn, gerekend is en dat hij een der beste stukken krijgt;
verg. Gen. XMII :34. — en onthouden aan de overige gasten, volgens zeer onzekere tekstverbetering.
25.  spreidde — bed, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. sprak hij met Saul. — op het dak. Zie op Dcut.
XXII: 8.
26.   en — slapen, volg. Gr. vort.; Hcbr. t. en lij maakten zich op. — met hun beiden. Hcbr. t.
laat nog volgen hij en Samuel, zeker eene kantteckening van een lezer, die wilde verhoeden dat men
aan Saul en zijn knecht zou denken. Gr. vert. laut met hun beiden weg.
27.   afdalende. De vergelijking met vs. 25 leert dat Kamn op de helling van den berg Ing. —
vooruitga. Hcbr. t. laat volgen en hij ging vooruil; volg. Gr. vert. weggelaten. — hier, volg. Gr. vert.
Hcbr. t. heden.
1. nam — hoofd. Zie op Gen. XXVII1 : is. — kuste hem, tecken van eerbied waarmede do mindere
den meerdere begroette; verg. Matth. XXVI: 48 v.; Luc. VII: 88, 45 en op 1 Kon. XIX: 18 en op
-ocr page 542-
1 BAMUBL X : 1—9.
02Ü
over Israël: gij zult heersehen over Jahwe\'s volk, gij het verlossen uit
de hand zijner vijanden, tën ilit zal u het teeken zijn dat Jahwe u
\'2 gezalfd heeft tot vorst over zijn erfdeel:\' als gij thans van mij weg-
gaat, zult gij bij het graf van Kachel, aan de grens van Benjamin,
twee mannen aantreffen die tot u zullen zeggen: De ezelinnen die gij
zijt gaan zoeken zijn gevonden; en zie, uw vader heeft het voorgeval-
lene met de ezelinnen zich uit het hoofd gezet, maar maakt zicli be-
3       zorgd om u en zegt: Wat kan ik voor mijn zoon doen.\'\' En als gij
van daar verder trekt en aan den eik van Tabor komt, zullen u daar
drie mannen ontmoeten die opgaan naar de godheid te Bethel, de een
met drie bokjes, de ander met drie korven brood, de derde met een
4       zak wijn.\' Zij zullen u naar uw welstand vragen en u twee brooden
5       geven, die gij van hen moet aannemen.\' Daarna zult gij te Gibea
Gods komen, waar de zuil der Filistijnen staat. Zoodra gij daar de
stad binnenkomt, zult gij eene schaar profeten tegenkomen die van de
hoogte afdalen, voorafgegaan door harpen en tamboerijnen, citers en
(j fluiten, terwijl zij zelven profeteeren.\' Dan zal de geest van Jahwe op
u komen, en gij zult met hen profeteeren en een ander mensch worden.\'
7       Wanneer nu deze teekenen uitkomen, doe dan wat uwe hand te doen
8       vindt; want God is met u.\' Ook moet gij mij voorgaan naar Gilgal,
dan zal ik zelf tot u komen om brandoffers te offeren en dankoffers
te brengen; zeven dagen moet gij wachten, totdat ik tot u kom en u
mededeel wat gij te doen hebt.
9           Zoodra hij zich omkeerde om van Samuel weg te gaan, veranderde
Hoc XIII: 2. — Jahwe heeft — teeken zijn, uit Gr. vert. ingevoegd. — liet teeken. In vs. 2—7 stelt
Samuel drie teckenen: uls deze alle uitkomen, heeft Saul het teeken dat Jahwe hein tol koning ver-
koren heeft. Teekenen waardoor het geloof wordt bevestigd wordcu ook vermeld X1V:8—10; Gen.
XXIV: 12—14; Richt. VI: 30—40.
2.  het graf van Kachel, ten zuiden van Mama; zie op Gen. XXXV : li). — de grens van Benjamin.
Zie op IX : 4. Grondt, laat nog volgen te Selsah, waarvoor Gr. vert. waarschijnlijk iets anders gelezen
heeft en dat als onverstaanbaar is weggelaten.
3.  den eik van Tabor, onbekend; tenzij wij moeten lezen van Debora; verg. op Gen. XXXV:8, —
de godheid te Bethel. De godheid waarvan hier gesproken wordt is Jahwe. Het ligt in den aard der
zaak dat Samuel deze ontmoeting dicht bij Bethel stelt. — de een — wijn, als gaven voor de god-
hcid. — korven brood, volg. Gr. vert.; Hebr. t. bollen brood.
5.   Gibea Gods, ook Gibea van Saul of van Benjamin gehecten, wordt zoo genoemd om het heiligdom
aldaar. — de zuil, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de zuilen. Bedoeld wordt ceno tropec, door de Filistijnen
ten teckeu hunner heerschappij over Israël daar opgericht en later door Jonathan omvergeworpen,
XIII: 5. — eene schaar —profeteeren. De profeten onderscheidden zich van andere tolken der godheid,
priesters, waarzeggers enz. (verg. Deut. XVIII: 9—22) hierdoor dat zij in een staat van vervoering
hunne godsprnken gaven (verg. XIX\'. 18—24). Zij verklaarden dien toestand uit de werking van den
goddclijkcn geest; zie vs. 0, 10 en op Gen. 1:2. Maar om dezelfde reden werden zij door hen die
ongunstig over hen dachten voor razciulcn gescholden (verg. op 2 Kon. IX: 11), en werd een dol-
driftige of waanzinnige gezegd „als een profeet te keer te gaan", XVIII: 10. Hetzelfde verschijnsel
deed — en doet — zich bij andere volken voor. Zoo is de naam die een waarzegger bij de Grieken
droeg (mantif) nfgclcid van een werkwoord dat .razen\' beteckent. Verg. 1 Kon. XVIII :25—29. Om
zich in de gcwcnschtc stemming te brengen bedienden zich de profeten somwijlen van kunstmiddelen;
een dier middelen wns de muziek (2 Kon. 111:15), die ook te baat werd genomen om een bonzen
geest te bannen, XVI : 14—23. Hieruit is te verklaren, dat, toen het profetisme wns uitgestorven, het
werk der tcmpclznngers en muzicknntcii „profeteeren" werd genoemd, 1 Krou. XXV : 1—3. Over de
profetenhuizen zie op XIX: 18.
6.  de geett van Jahwe. Zie op Gen. I : 2.
7.  doe — vindt, grijp dan de eerste de beste gelegenheid aan om Israël te verlossen. Hierna ver-
wachten wij te zullen hooren van cene heldendaad van Saul, naar aanleiding waarvan het volk hem
als den door Jahwe uitverkoren koning erkent. Wij vinden haar in XI\'. 1—11; zie Inl.
8.  Dit vers past niet in het verband; immers, volg. vs. 7 moet Saul terstond het werk aangrijpen
dat zich voordoet; terwijl volgens dit vers Samuel, en wel eerst nn zeven dagen, hem zeggen zal wat
hij doen moet. Het dient om XIII: 8—15a voor te bereiden; zie aldaar. — Gilgal. Zie op Joz. IV: 19.
9.  Volg. vs. 6 zou Saul, niet terstond na zijn afscheid van Samuel, maar eerst nadat het derde
teeken zou zijn uitgekomen een nieuw mensch worden. Waarschijnlijk is bij de inlassehing van vs. 8
een deel van het verhaal, waarin uitvoeriger vermeld werd hoc al de teckcuen uitkwamen, weggelaten,
de hoofdzaak daarvan in dit vers samengedrongen en daardoor de tegenstrijdigheid ontstaan. Zie op
v>. 10 en 14.
-ocr page 543-
683
1 SAMUKL X : 9—24.
10       God zijn hart, en al deze teekenen kwamen op dien dag uit.\' Toen
hij van daar te Gihea kwam, daar toog hem eene schaar profeten te
gemoet. En de geest van God kwam op hem en liij profeteerde midden
11       onder hen.\' Toen nu ieder die hem van gisteren en eergisteren kende
zag dat hij zoowaar met profeten profeteerde, zeide men tot elkander:
Wat is toch den zoon van Kis overkomen? Ook Saul onder de profeten ?\'
12       Daarop hernam een van die plaats: En wie is hun vader.\' Danrom is
13       het tot een spreekwoord geworden: Dok .Saul onder de profeten.\'\' Toen
14       hij met profeteeren had opgehouden, ging hij naar zijn huis.\' En Sauls
oom zeide tot hem en zijn knecht: Waar zijt gij heen geweest? Hij
zeide: Wij zijn de ezelinnen gaan zoeken, en toen wij zagen dat zij
15       er niet waren, zijn wij naar Samuel gegaan.\' Hierop zeide Sauls oom:
16       Vertel mij eens, wat heeft Samuel tot u gezegd?\' Toen zeide Saul tot
zijn oom: Hij heeft ons voor vast medegedeeld dat de ezelinnen ge-
vonden waren. Maar van de zaak van het koningschap vertelde hij
hem niets.
17, 18 Samuel nu riep het volk samen tot Jahwe te Mispa,\' en zeide tot
de Israëlieten: Aldus heeft Jahwe, Israëls god, gesproken: Ik heb Israël
uit Egypte opgevoerd en hen verlost uit de hand van de Egyptenaren
19       en van al de koningen die u verdrukten.\' Doch gij hebt heden uwen
god verworpen, die u ten redder was uit al uwe rampen en nooden,
en gezegd: Neen, gij zult een koning over ons aanstellen! — Plaatst
20       u dan naar uwe stammen en geslachten vóór Jahwe.\' Toen deed
Samuel alle stammen van Israël nadertreden, en werd de stam Ben-
21       jamin getroffen.\' Daarna deed hij den stam Benjamin naar zijne ge-
slachten nadertreden, en werd het geslacht Matri getroffen; vervolgens
het geslacht Matri hoofd voor hoofd, en Saul, de zoon van Kis, werd
22       getroffen. Men ging hem dus zoeken, maar vond hem niet.\' Daarom
vroeg men Jahwe weder: Is de man hierheen gekomen? Waarop deze
23       antwoordde: Hij heeft zich verscholen bij de bagage.\' Dienvolgens
ging men hem van daar halen. En toen hij midden onder het volk
24       stond, stak hij van den schouder af boven al het volk uit.\' Toen zeide
Samuel tot het gansche volk: Ziet gij wel dat hij dien Jahwe heeft
uitverkoren zijns gelijke niet heeft onder het gansche volk? En het
gansche volk juichte en zeide: De koning leve!
10—12. Eene andere verklaring vau hot spreekwoord: ook Saul onder de profeten? vinden wij
XIX: 18—24; zie op XIX: 24.
10.  van daar, volg. (ir. vert.; Hebr. t. daar. Uit is geheel overtollig; terwijl van ilaar in den
oorspronkclijkcn tekst, waarin verhaald werd hoe ook de eerste twee teekeuen uitkwamen (zie op vs.
9 en 14) op de plaats van het tweede teeken terugsloeg. — hij... kwam, volg. Gr. en S\\ r. vertt.; Hebr.
t. zij ... kreamen.
               •
11.  rau gisteren en eergisteren. Zie op Gen. XXXI :.">.
12.  En — vader!\' Vraagt gij hoe Saul er toe komt te profeteeren, vraag dan ook, hoc die andere
profeten daartoe gekomen zijn. Waarom deze of gene door Jahwu\'s geest wordt aangegrepen, is een-
voudig onverklaarbaar; verg. Joh. III: 8.
13.  naar xijn huis, met verandering van éene letter; grondt. Maar de hoogte.
14.  Sn nis oom, die volg. XIV: 50 Ner heette. Op zijne vermelding zijn wij niet voorbereid; maar
wij hebben hier een verminkt verhaal; zie op vs. U en 10.
16. koningschap. Hebr. t. laat volgen waarvan Samuel gesproten had; volg. Gr. vert. weggelaten.
17—26a. Vervolg van VIII: 22. Deze verzen zijn in strijd met hetgeen voorafgaat; daar toch is
verhaald dat Saul reeds door Samuel tot koning gezalfd is.
18.  honingen, volg. Lat. vert.; Hebr. t. koninkrijken.
19.  Verg. VIII: 7 en 19. — gezegd: Neen, volg. Gr. vert. en XIII: 19; Hebr. t. tot hem gezegd.
20 v. Over deze wijze van kiezen zie op Joz. VII: 14.
21.  vervolgens — voor hoofd, ingevoegd uit Gr. vort.
22.  veder. Ook de loting was een raadplegen van Jahwe geweest. — /ir — gekomen? volg. Gr.
vert.; Hebr. t. Is hierheen nog een\' man gekomen f
23.  En — uit. Zie op IX: 2.
-ocr page 544-
1 SAMUKL X:25—XI: 11.
024
2.r)           En Saiuuel droeg het volk het recht van het koningschap voor,
schreef het in een hoek en legde dit voor Jahwe neder. Daarop liet
2G Samuel het gansche volk gaan, ieder naar zijn huis.\' Ook Baal ging
naar zijn huis, te Uihea, en de kloeke mannen wier hart Uod geroerd
27 had gingen met hem mede.\' Maar de deugnieten zeiden: Wat zou
deze ons redden! En zij verachtten hem en brachten hem geen geschenk.
XI :1 Maar omstreeks eene maand later trok Nahas, de Ammoniet, op en
sloeg het heleg voor Jabes in (Jilead. Kn al de borgen van Jahes
zeiden tot Nahas: Sluit met ons een verhond, opdat wij u dienen.\'
2 Toen zeide Nahas, de Ammoniet, tot hen: Op deze voorwaarde wil ik
het met u sluiten, dat van elk uwer het rechteroog worde uitgestoken.
\'.I Zoo zal ik g.inseh Israël schande aandoen.\' Hierop zeiden de oudsten
van Jahes tot hem: Gun ons zeven dagen tijd, dat wij door het gansche
land van Israël hoden zenden. Is er niemand om ons te redden, dan
zullen wij ons aan u overgeven.
4            Die hoden dan kwamen te Uihea Sauls en legden de zaak aan het
5       volk voor. Toen verhief het gansche volk zijne stem en weende.\' Daar
kwam juist Saul achter de runderen van den akker. Hij zeide: Wat
heeft het volk, dat het weent.\' Daarop verhaalde men hem wat de
6       mannen van Jahes medegedeeld hadden.\' Toen hij dit hoorde, kwam
7       de geest Uods op Saul. In hevigen toorn ontstoken,\' nam hij een juk
runderen, hieuw ze in stukken en zond die door hoden het gansche
land van Israël rond, met de woorden: Wie niet uittrekt achter Saul
en Samuel, met diens runderen zal men alzoo handelen. Toen viel de
schrik van Jahwe op het volk, en zij trokken als een eenig man uit.\'
8       Hij monsterde hen te Hezek: de Israëlieten waren driehonderd duizend,
9       de Judeërs dertig duizend man sterk.\' Toen zeide hij tot de hoden
ilie gekomen waren: Dit moet gij zeggen aan de hurgers van Jabes
in Uilead: Morgen, als de zon op het heetst is, zal u redding dagen.
De hoden kwamen in de stad en deelden het aan de hurgers van Jabes
10       mede, die zich verheugden.\' En de burgers van Jabes zeiden tot Nahas,
den Ammoniet: Morgen zullen wij ons aan u overgeven; dan moogt
11       gij met ons doen al wat goed is in uw oog.\' Maar den volgenden
25, 2fla. Saul wordt, na verkazen te zijn, nog niet gezalfd en voorgoed tut koning aangesteld; verg.
op XIII: 8—15a.
25. En — voor. Dit was vroeger, VIII: 11—18, reed» geschied tot waarschuwing van het volk;
thans wordt het koningsreeht nis wet nfgekondigd.
20. de kloeke mannen, volg. Or. vert.; Ilehr. t. de kloekheid.
27. brae/iten — geschenk, al» bewijs van hulde. — Aan het einde van dit vers staat in Hcbr. t.
en hij was als zwijgende, dat, naar Gr. vert. verbeterd in Maar omstreeks eene maand later, aan het
begin van II. XI is geplaatst.
I.  Ammoniet. Zie op Gen. XIX: 37 v. — Jahes. Zie op Kicht. XXI! 8. — sluit — dienen. Deel
ons da voorwaarden mede waarop wij u dienstbaar mogen worden, dus het leven niet verliezen.
4 v. De boden komen op hunne rondreis door het land der Israëlieten o. a. te Gibca, niet om aan
Saul, van wicn zij niets bijzonders weten, maar om mui het volk het gevaar waarin zij verkecren
mede te declcn. Snul is hier een gewoon burger, die nis de anderen zijn land bcplocgt; van zijne
vcrhclling tot koning, X : 17—27, weet de schrijver blijkbaar niets.
4. (h/i,ii Sauls, natuurlijk eerst later, toen Saul koning was geworden, zoo genoemd.
7.  boden, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de hoden; doch dit zouden de Jabczictcn zijn, en dezen worden
niet bedoeld. — lint ook Samuel het volk opriep en ten strijde zou aanvoeren blijkt uit het verhaal
niet, is er zelfs mede in tegenspraak: immers had Saul zelfs geen gelegenheid gehad iets vnn zijne
voornemens aan Samuel te doen blijken. Waarschijnlijk zijn de woorden en Hamnel lntcr ingclascht. —
de schrik van Jalitoe, de door Jahwe bewerkte schrik.
8.   Bezek. Zie op Uieht. 1:4. — de Israëlieten — man. Deze cijfers zijn veel te groot; zie vs. 11;
verg. XIII: 2 v. Ook pnst de onderscheiding vnn Israëlieten en Judeërs slecht in dezen tijd. Waar-
schijnlijk zijn deze woorden later ingclascht.
9.  zeide hij, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. zeiden zij. — in de stad, uit Gr. vert. ingevoegd.
10.  tot — Ammoniet, uit Gr. vert. ingevoegd.
II.  stelde — oj>. Verg. Richt. VII: lfl. Het is duidelijk dat de schrijver hierbij niet aan een leger
Tan omstreeks 830.000 iimn gedacht heeft. — de morgeniee.ke. Zie op Riod. XIV: 24.
-ocr page 545-
625
1 SAMUBL XI: 11—XII: 3.
morgen stelde Saul liet volk in drie afdeelingen op; zij drongen in de
iuorgenwake midden in de legerplaats en sloegen de Ammonieten tot
op het heetst van den dag; de overgeblevenen werden verstrooid,
zoodat van hen geen twee bij elkander bleven.
12           Toen zeide het volk tot Samuel: Wie heeft gezegd: Zou Saul koning
13       over ons wezen.\' Levert die mannen uit, dat wij hen dooden! \' Maar
Saul zeide: Op dezen dag zal niemand ter dood gebracht worden; want
14       heden heeft Jahwe redding in Israël aangebracht.\' Toen zeide Samuel
tot het volk: Komt, laten wij naar Gilgal gaan en daar het koning-
15       schap vernieuwen.\' Én het gansche volk ging naar Gilgal; daar maakten
zij Saul tot koning voor het aangezicht van Jahwe te Gilgal en brachten
er slachtoffers voor Jahwe, waarbij Saul en alle burgers van Israël
uitermate vroolijk waren.
12—14. Deze verzen, die zich bij X:17—27 aansluiten, gaan van <le onderstelling uit dat Saul
reeds vóór het ontzet van Jabes tot koning was uitgeroepen, zijn derhalve in strijd met va. 1—11,
waar hij nog als gewoon burger voorkomt, en plaatsen vs- 15 in een eigenaardig licht: de aanstcl-
ling van Saul tot koning, daar verhaald, was eene vernieuwing van zijn koningschap. Bo deze was
uoodig, omdat door het verzet van sommigen (X : 27) Snul den eersten keer niet door het gnnsehe volk
als koning erkend was. Zij dienen dus om ovcrecusteniming te brengen tussehen vs. 15 en X:24v.
15. Hier is vnn Samuel geen sprake; wat wij na vs. 1-1 zouden verwachten. Waarschijnlijk is dus
dit vers van den schrijver van vs. 1—11. — voor — Gilgal, in Jahwe\'s heiligdom aldaar. — tlachl-
offert.
Grondt, voegt er dankoffera bij, een latercu naam voor de slachtoffers.
HOOFDSTUK XII.
Samuels afscheidsrede. — Samuel vraagt de Israëlieten, terwijl hij naar den koning verwijst die
zijne plaats zal innemen, of iemand hem van cenig onrecht betichten kan (1—3), en neemt Jahwe en
den koning tot getuigen van de verklaring des volks dut hij zich niet aan knovelnrij heeft schuldig
geiiiiiakt (Y v.). Hij herinnert hen aan Jahwe\'s uitreddingen en huuno ontrouw, ook in het verlangen
naar een koning aan den dag gelegd (0—12;. Hij betuigt dat wol en wee voor hen en hun koning
voortaan van hun gedrag jegens Jahwe zullen afhangen (13—15), en kondigt aan dat Jahwe op zijne
bede door een tcekeu zijn misnoegen over hun verlangen naar een koning zal te kennen geven (1G v.).
Jahwe geeft het tceken; waarop het volk verschrikt schuld bekent (18 v.). Samuel stelt hen gerust,
belooft dat Jahwe hen, indien zij getrouw zijn, niet verlaten (20—22) en ook hij zelf hun voorbidder
en leernar blijveu zal (23), en eindigt niet eene vernieuwde opwekking tot gehoorzaamheid aan
Jahwe (24 v.).
Dit hoofdstuk is van dcnzelfdcn schrijver als VII; VIII; X:17—27; XI: 12—14, maar behelst
daarvan niet het onmiddellijk vervolg; er moet tussehen in hebben gestaan, dat Samuel, na het volk
huiswaarts te hebben laten keeren (X: 25), het weder samenriep om deze rede aan te hooren; welk
bericht zeker bij de samensmelting van de uiteenloopende verhalen is verloren gegaan. Nog nadrukke-
lijkcr dan daar wordt hier de instelling van het koningschap als eene zonde tegen Jahwe gebrandmerkt:
\'s volks begeerte er naar getuigt van groote ondankbaarheid. Desniettemin, leert de schrijver, heeft
Jahwe ook na de invoering van het koningschap zijn volk niet verlaten, maar — en hiermede doelt
hij op de ballingschap — indien het met zijn koning te gronde gaat, wijte het dit aan eigen schuld.
XII: 1 En Samuel zeide tot gansch Israël: Zoo ben ik u dan te wille ge-
weest in al wat gij mij gevraagd hebt: ik heb over u een koning
2       aangesteld.\' Zie dan, de koning wandelt voor uw aangezicht, terwijl
ik oud en grijs ben geworden en mijne zonen onder u verkeeren. Ik
heb voor uw aangezicht gewandeld van mijne jeugd at\' tot op dezen
3       dag.\' Hier ben ik; legt tegen mij getuigenis af ten overstaan van
Jahwe en zijn gezalfde. Wiens rund, wiens ezel heb ik weggenomen?
1.  Zie VIII: 7.
2.  wandelt voor uw aangezicht, is uw vraagbaak en leidsman. — mijne — verkeeren, volwassen zijn
en openbare betrekkingen onder u bekleeden, VIII: 1—3. Het is eenigszius vreemd dat Samuel hierop
zinspeelt, terwijl de grieve van het volk tegen zijne zonen hem bekend is (VIII : 5). Daar de lezing
van het voorafgaande en grij» ben geworden onzeker is, ligt het vermoeden voor de hand dat eene
fout in den tekst is geslopen.
3.  soengeM, Verg. Am. V: 12. — om — bedekken. Verg. Gen. XX:IC; Kjod. XXHI:8; Spr. XXVIII:27.
O. T. I.
-ocr page 546-
626                                        1 samuel XII: 3-16.
wien heb ik verongelijkt, wien gekrenkt? uit wiens hand zoengeld
iiangenomen, om daarmede mijne oogen te bedekken. Ik zal u te woord
4 staan.\' En zij zeiden: Gij hebt ons niet verongelijkt, ons niet gekrenkt
r> en aan niemand iets ontnomen.\' Hij zeide tot hen: Getuige tegen u
zij heden Jahwe, en getuige zij zijn gezalfde, dat gij in mijne hand
niets gevonden hebt! Waarop zij zeiden: Zoo zij het!
6           Voorts zeide Samuel tot het volk: Getuige is Jahwe, de god die
Aiozes en Aüron verwekt en uwe vaderen uit Egypteland opgevoerd
7       heeft.\' Gaat dan nu staan, dat ik met u rechte voor het aangezicht
van Jahwe en u verkondige alle werken van gerechtigheid die Jahwe
8       aan u en uwe vaderen gedaan heeft: \' toen Jakob met zijne zonen in
Egypte was gekomen, de Egyptenaren hen onderdrukten en uwe vaderen
tot Jahwe riepen, zond hij Mozes en Aaron, leidde uwe vaderen uit
9       Egypte en deed hen wonen aan deze plaats.\' Maar zij vergaten Jahwe,
hun god; daarom verkocht hij hen aan Sizera, den legeroverste van
Jabin, den koning van Hasor, aan de Filistijnen en aan den koning
lü van Moab, die krijg voerden tegen hen.\' Dan riepen zij tot Jahwe en
zeiden: Wij hebben gezondigd: want wij hebbeu Jahwe verlaten en de
batils en de Astarte\'s gediend; verlos ons nu uit de hand onzer vijanden,
11       opdat wij u dienen.\' En Jahwe zond Jerubbaal, Barak, Jefta en Sinison
en verloste u uit de hand uwer vijanden rondom; zoo woondet gij on-
12       bezorgd.\' Doch toen gij zaagt dat Nahas, de koning der Ammonieten,
op u aanviel, zeidet gij tot mij: Neen, maar laat een koning over ons
13       regeeren! — terwijl toch Jahwe, uw god, uw koning is.\' Daar hebt
gij dan den koning dien gij verkoren hebt; en zie, Jahwe heeft een
14       koning over u aangesteld!\' Indien gij Jahwe vreest, hem dient, naar
hem luistert, niet weerspannig zijt tegen Jahwe\'s last en gij zelven
zoowel als de koning die over u regeert u houdt aan Jahwe, uw god,
15       zoo zal hij U redden.\' Maar indien gij niet naar Jahwe luistert en tegen
Jahwe\'s last weerspannig zijt, zoo zal de hand van Jahwe op u en
16       uwen koning drukken om u te verdelgen.\' Gaat reeds nu staan en ziet
5. niets, geen onrechtvaardig verkregen goed.
0. Getuige ia en de god, ingevoegd volg. Gr. vert.
7.  met u rechte, u uwc schuld doe weten. — en u verkondige, ingevoegd uit Gr. vert. — Kerken
van gerechtigheid,
waarin Jnhwc zijne goddelijke rechtvaardigheid en barmhartigheid jegens zijn volk
geopenbaard heeft.
8.   met zijne zonen, ingevoegd uit Gr. vert.; desgelijks de — onderdrnkten. — leidde en deed, vol-
gens andere klinkers, mot Gr. cu Lat. vertt.; Hebr. t. heeft het meervoud.
!•—11. De hier gegeven voorstelling van den Richtercntijd, dat telkens op ontrouw oan Jahwo on-
derdrukking door naburige volken en op berouw verlossing door Jahwe volgde, is dezelfde als die van
den Deiitoronoiiiisehen bewerker vnn Hichtere» ; zie inl. op dat bock.
9.   Zie Richt. 111:12; IV : 1—3; X:7; XIII: 1. De volgorde is hier cene nnderc dan in lUchteren,
waar de onderdrukking door Moab aan die door de beide andere volken voorafgaat; zie op vs. 11. —
ran Jabin, den koning, uit Gr. vert. ingevoegd.
10.   Dan — gediend. Kvcnzoo Kicht. X:10; verg. Richt. VI: 7. — Over de baüU en de Aitarle\'t zie
op Kicht. 11:11 en 13.
11.   Zie Kicht. IV, V; VI—VIII; XI; XIII—XVI; daar gaat echter in tijdsorde Barak aan Jcrub-
baül vooraf; zie op vs. U. — Barak, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Bedan. — Simeon, volg. Gr. vert.;
Hebr. t. Samuet.
12.   I)i zo voorstelling is in strijd met VIII: 4—6, van dcnzelfdcn schrijver, waar de oudsten geheel
andere redenen opgeven voor huu verlangen naar een koning; en ook met XI: 1—11, 15, waar wel de
overwinning op Nahns de aanleiding is tot de verheffing van Saul tot koning, maar niet de vrees voor
hem bij het volk het verlangen naar het koningschap doet ontstaan. Wij hebben deze afwijking waar-
schijnlijk te beschouwen als cene poging van den schrijver om zijn eigen bericht over de instelling
van het koningschap met die van de oudere schrijvers te verecnigen.
13.   dien gij verkoren hebt. Hebr. t. laat volgen om wien gij gevraagd hebt; inlassching van iemand
die de onnauwkeurigheid van de uitdrukking dien gij verkoren hebt opmerkte.
14.  zoo zal hij n redden, volg. Gr. vert. ingevoegd.
15.  en meen koning... om n te verdelgen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en mee vaderen.
IS. reedt nu. Niet alleen de toekomst zal u Jahwe\'s macht lecreu kennen; reeds nu znlt gij huur
ervaren.
-ocr page 547-
1 samubl XII: 1(5-25.                                       Ü27
17       de groote zaak die Jahwe te uwen aanschouwen gaat doen.\' Het is
immers de tarweoogst? Ik zal lieden tot Jahwe roepen, dat hij het
late donderen en regenen. Erkent dan en ziet dat het in het oog van
Jahwe een zeer slecht stuk was dat gij hegaan hebt door een koning
voor u te begeeren.
18           Toen riep Samuel tot Jahwe, en deze liet het te dien dage donderen
en regenen; zoodat het gansche volk zeer bevreesd werd voor Jahwe
19       en voor Samuel.\' Daarom zeide het gansche volk tot Samuel: Bid voor
uwe knechten tot Jahwe, uw god, en laat ons niet sterven; want wij
hebhen boven al onze zonden ook nog hierin misdreven dat wij een
koning voor ons begeerden.
20            Maar toen zeide Samuel tot het volk: Vreest niet. Wel hebt gij al
dit kwaad bedreven; doch wijkt nu maar niet af van Jahwe en dient
21       hem van ganscher harte.\' Wijkt niet af, de nietigheden achterna, die
22       niet helpen en verlossen kunnen, daar zij niets zijn.\' Want Jahwe zal,
ter wille van zijn grooten naam, zijn volk niet verstooten, naardien
23       hij besloten heeft u tot zijn volk te maken.\' Ook wat mij betreft, het
zij verre van mij dat ik tegen Jahwe zondigen zou en ophouden voor
u te bidden! Neen, ik zal u den goeden en rechten weg wijzen.\'
24       Alleen vreest Jahwe en dient hem trouw van ganscher harte; want
25       ziet, hoe groote dingen hij bij u gedaan heeft.\' Maar indien gij u
slecht gedraagt, zult gij zelven zoowel als uw koning omkomen.
17. de tarweoogst, in wolken tijd het in Knnaiin niet pleegt te regenen; verg. Spr. XXVI : I.
21. af. Hebr. t. laat volgen want; volg. Gr. vort. weggelaten. — de nielighedm, de afgoden; verg.
Deut. XXXII: 21 en elders.
HOOFDSTUK XIII, XIV.
Saul en Jonathan in den strijd met de Filistijnen. — Aanteckcuiug over Sauls leeftijd en den duur
zijner regcering (XIII: 1). Saul houdt slechts drie duizend man bij zich (2); Jonathan verbrijzelt de
zuil der Filistijnen te Gibea; waarop de Israëlieten wel ten strijde geroepen worden, maar woldra
slechts in kleinen getale bij Saul blijven (3—7). Saul, na vergeefs gewacht te hebben op Samuel,
ontsteekt zelf het offer voor Jahwe en wordt deswege door Samuel van de koninklijke waardigheid
vorvallen verklaard (8—15a). Terwijl hij slechts zeshonderd man te Gibea bij zich heeft, zenden de
Filistijnen in verschillende richtingen troepen uit (154—18). De Israëlieten zijn bij gebrek aan wape-
nen weerloos (19—22). Jonathan en zijn wapendroger jagen een wachtpost der Filistijnen op de vlucht,
waarna dezen door een schrik Gods bevangen worden (23—XIV: 15). Saul laat nagaan, wie zijner
volgers ontbreekt, verneemt dat het Jonathan en zijn wapendrager zijn, en wil Jahwe raadplegen
(16—18); doch voordat hij dit gedaan heeft, wordt hij door het steeds heviger wordend rumoer be-
wogen op te rukken tegen de vijanden, die hij overwint (1!)—23a). Saul zweert dat al wie voor den
avond iets gebruikt ter dood gebracht zal worden (234, 21); Jonathan, hiervan onkundig, proeft wat
honing en keurt, op den eed zijns vaders opmerkzaam gemankt, dien eed af (25—30). Des avonds
valt het volk op den buit aan en eet het vleesch met het bloed (31 v.); om dit tegen te gaan, bc-
vcelt Saul, de dieren bij hem te brengen om ze te slachten (33 v.), en bouwt aldaar zijn eerste altaar
(35). Op zijne vraag nan Jahwe of hij den vijand vervolgen zal geen antwoord bekomende, laat Saul
door het orakel beslissen, om wiens zoude Jahwe vertoornd is (30—38), en zweert den schuldige den
dood (39); het orakel wijst Jonathan aan, die bekent vóór den avond honing geproefd te hebben (10—
42); Saul wil hem ter dood brengen (43 v.), maar het volk verzet er zich tegen en lost hem (45).
Saul keert huiswaarts, en de Filistijnen vluchten naar hun land (40). Sauls oorlogen (47 v.). Zijne
familie (49—51). Hij heeft voortdurend oorlog te voeren tegen dé Filistijnen (52).
Deze hoofdstukken behooren, met uitzondering van XIII :1, 8—15a; XIV: 52, tot de oudste en
geloofwaardigste gedeelten vnn het Oude Geschiedboek. Ongetwijfeld heeft de schrijver omtrent Saul
meer verhaald dan wij hier vinden, o. a. zijne verheffing tot koning, waarop telkens gezinspeeld wordt;
zie XIV: 47—51. Dit is echter verloren gegaan. Immers, het bericht over Sauls komst aan do regcc-
ring dat wij bezitten in IX: 1—X: 7, 9—10; XI: 1—11, 15, kan in zijn tegenwoordige» vorm (zie
inl. op IX—XI) niet van den schrijver onzer hoofdstukken afkomstig zijn: het is in een geheel nndc-
reii toon geschreven, vermeldt dat Saul, niet, zooals hier ondersteld wordt, als man van iniddclbnrc
-ocr page 548-
1 SAMUBL XIII: 1—8.
028
jaren, maar als jongeling den lruim besteeg (zie op XIII: 2), cu stelt groot belang in Samuel, ilie
hier /i\'lfs niet genoemd wordt. Misschien heeft echter XI: 1—11, 15, dat onder is dan de rest van
dat bericht, tot het werk van onzon schrijver behoord. Ook volgt uit XIV : 47—-i51, hetwelk blijkbaar
ceus het slot eener geschiedenis vnn Saul uitmaakte, dat de schrijver meer dan hier verhaald wordt
over dezen koning heeft medegedeeld. Uit onze hoofdstukken blijkt dat hij zeer met Saul was iugeno-
men, zijne vroomheid hoog waardeerde en van zijne verwerping door Jahwe niets wist. Ken later
schrijver, die deze ingenomenheid niet Saul niet deelde, laschtc XIII: 8—15a in; zie aant. aldaar.
Over XIV : 52 zie ter plaatse.
XIII: 1 .... jaren was Saul oud toen hij koning werd, en twee en . . . .jaren
heeft hij over Israël geregeerd.
2           Saul koos drie duizend man uit Israël uit: twee duizend waren bij
hem te Michmas en op den berg van Bethel, en duizend bij Jonathan
te Uibea in Benjamin; het overige volk had hij ieder naar zijne tent
3       laten gaan.\' En Jonathan haalde de zuil der Filistijnen omver die
te Gibea stond. Zoo hoorden dan de Filistijnen: De Hebreen zijn afge-
4       vallen! Saai nu deed in het gansche land de bazuin steken,\' en geheel
Israël hoorde: Saul heeft de zuil der Filistijnen omvergehaald, en ook
is Israël in kwaden reuk bij de Filistijnen gekomen! Zoo werd het
5       volk opgeroepen om .Saul te volgen, naar Gilgal.\' Ook de Filistijnen
werden verzameld, om krijg te voeren tegen Israël, drie duizend strijd-
wagens, zes duizend ruiters, en voetvolk talrijk als het zand aan den
oever der zee: zij trokken op en legerden zich te Michmas, ten oosten
6       van Beth-awen.\' Toen nu de Israëlieten zagen dat zij in de klem ge-
raakt waren, want het volk was in de engte gedreven, verstaken zij
7       zich in spelonken en ravijnen, in grotten, groeven en putten,\' en
trokken de veren van den Jordaan over naar het land G/ad en Gilead.
Zoo liep, terwijl Saul nog te Gilgal was, al het volk ontsteld van
hem weg.
8           Toen hij nu zeven dagen gewacht had, tot den tijd dien Samuel
1.   Deze woorden, die in Gr. vert. ontbreken, behooren niet bij het vervolg; waarschijnlijk zijn zij
van den Verzamelaar, die in de geschiedenis van Saul cenc opgave van zijn leeftijd bij zijne troons-
bcstijging en van den duur zijnor regecriug, in den trant vun 2 Sam. Vi4j 1 Kon. XIV: 21; XXII:
•12 enz., noode miste. De ontbrekende cijfers kunnen, als in strijd met andere, zijn geschrapt, maar
wellicht heeft de schrijver zelf ze oningevuld gelaten, omdat hij de juiste getallen niet kende. Volg.
Hand. XIII: 12 regeerde Saul veertig jnar. Zie op 2 Sam. 11:10.
2.   ml Israël. Tusschcu Israël en .luda wordt hier, en te recht, geen onderscheid gemaakt; anders
XI: 8; XV: 1 cu cider*. — Michmas, omstreeks een uur ten zuidoosten van Hethel, behalve in dit
verhaal nog vermeld Kzra 11:27; Neh. VII: 31; XI: 31; ,Iez. X : 28. — Jonathan, den zoon van Saul.
I)e schrijver onderstelt dat hij den lezer reeds bekend is. Waarschijnlijk had hij over hem gehandeld
iu het gedeelte dat vroeger uu deze hoofdstukken moet zijn voorafgeguan; zie lul. Naardien Jonathan
hier als aanvoerder voorkomt, werd daar vermoedelijk verhaald dat Saul eerst uls man vun middel-
baren leeftijd den troon beklom. — Gibea in Benjamin. Zie op IX: 4. — hel overige — (/aan, na
de volksvergaderiug te Gilgal, XI: 15. — naar zijne tent. Zie op Richt. VII: 8.
3.   de zuil der Filistijnen. Zie op X : 5. Met het omverhalen van de eerezuil der Filistijnen zcidc
Jonathan hun de gehoorzaamheid op. — zijn afgevallen! volg. Gr. vert.; Hebr. t. laat hooren. In
grondt, staat dit, met de daaraan voorafgaande woorden de Hebreen, aan het slot van het vers.
4.   Saul. Ondersteld wordt dat Jonathan op bevel van zijn vader gehandeld heeft. — naar Gilgal.
Dat Saul Michmas had verlaten is niet vermeld; evenmin, dat de twee duizend man die aldaar bij
hem waren (vs. 2) naar Gibcu waren verplaatst, waar wij hen vs. 154; XIV: 2 aantreffen, terwijl
de Filistijnen bij Michmas gelegerd zijn. Deze leemte in het verhaal is waarschijnlijk het gevolg der
inlassching van vs. 8—15a, waarbij ecu en ander weggelaten en de oproeping van het volk naar
Gilgal ingevoegd is. Vermoedelijk heeft het oorspronkelijke verhaal vermeld dat Saul, bij de nadering
der vijanden, zich van Michmas terugtrok naar Gibea.
5.   drie, volg. Gr. vert.; Hebr. t. dertig. — Beth-auen. Zie op Joz. VII: 2.
6.  raeijne-i, met verandering van éene letter; grondt, doornen. — groeten, onzekere vertaling. »
7.  trokken de reren van ... over, volg. verb. t.; grondt. Hebreen trokken over. — liep... ontsteld van
hem Keg,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. ging onttteld achter hem. — al het volk. Volg. vs. 15 was toch
een deel bij Saul gebleven, Hedoeld is: als het zoo was voortgegaan, zouden ze allen hem verlaten
hebben. — De tweede helft van dit vers is waarschijnlijk bij de inlassching van vt. 8—15a inge-
voegd; verg. op va. 4.
8—15a. Deze verzen, door X : 8 voorbereid, behooren niet tot het oorspronkelijke verhaal. Immers,
terwijl dit dient om de verdiensten van Saul als koning in het licht te stellen (zie vooral XIV: 47—
-ocr page 549-
1 SAMUKL XIII: 8—21
Ü29
had bepaald, en Samuel niet te Gilgal kwam, terwijl het volk dat
9 bij hem was verliep,\' zeide Baal: Brengt het brandoffer en »le dank-
10       offers tot mij! en offerde hij het brandoffer.\' Maar nauwelijks had hij
dit gebracht, of\' zie, daar kwam Samuel. iSaul ging hem te gemoet,
11       om hem te begroeten.\' Maar Samuel zeide: Wat hebt gij gedaan/ Saul
antwoordde: Ik zag dat mijn volk verliep, en gij kwaamt niet op den
12       bepaalden dag, terwijl de Filistijnen te Michmas verzameld waren.\' \'Poen
dacht ik: Nu zullen de Filistijnen nog tot mij afkomen naar Gilgal
4
voordat ik Jahwe vermurwd heb. Zoo vermande ik mij en bracht het
l\'ó brandoffer.\' Maar Samuel zeide tot Saul: Gij hebt dwaas gehandeld.
Hadt gij het gebod dat Jahwe, uw god, u gegeven heeft gehouden,
dan zou Jahwe heden uw koningschap over Israël voorgoed bevestigd
14 hebben.\' Maar nu zal uw koningschap niet bestendig zijn. Jahwe heeft
een man naar zijn hart uitgezocht en tot vorst over zijn volk aange-
15a steld; want gij hebt niet gehouden wat Jahwe u geboden heeft.\' Toen
maakte Samuel zich op, vertrok van Gilgal en ging zijns weegs; wat
van het volk was overgebleven volgde Saul ten strijde.
15ó Toen zij van Gilgal te Gibea in Benjamin waren gekomen, mon-
sterde Saul het volk dat zich bij hem bevond, omstreeks zeshonderd
10\' man.\' Terwijl nu Saul en Jonathan met het volk dat zich bij hen be-
vond te Gibea in Benjamin toefden en de Filistijnen te Michmas ge-
17       legerd waren,\' trokken uit het kamp der Filistijnen drie benden stroo-
pers uit: de eerste wendde zich in de richting van O f ra naar de
18       streek Sjual;\' de tweede in de richting van Beth-horon, en de derde in
de richting van den heuvel die over het dal Seboïm uitziet naar de
Woestijn toe.
19           In Israëls gansche land werd geen smid gevonden; want de Filis-
tijnen hadden gezegd: Laten wij zorgen dat de Israëlieten geen zwaard
20       of speer vervaardigen!\' Daarom plachten al de Israëlieten naar het land
der Filistijnen te gaan, om zich, de een eene ploegschaar of een ploeg-
21       ijzer, de ander eene bijl of een prikkel te laten smeden.\' En als zij
stomp waren, scherpten zij de ploegscharen en ploegijzers, zooals zij
50), wordt hier verhaald dat Saul, nog voordat hij de regecring voorgoed had aanvaard reed»
door Jahwe verworpen was. Een ander verhaal over de verwerping van Saul wordt 11. XV aangc-
troflen. Het onze is blijkbaar het jongste. Niet tevreden met de voorstelling dat Saul, na wettig
koning geweest te zijn, door Jahwe is verstooten, wil de schrijver dezer verzen leeren, dat Saul wel
tot koning verkozen, maar niet als zoodanig gezalfd en dus eigenlijk nooit wettig koning van Israël
geweest is.
8. had bepaald, nit Gr. vert. ingevoegd.
13.  Sauls dwaasheid bestond in zijne ongehoorzaamheid aan het gebod van den profeet, die hem ge-
last had zeven dagen te wachten; daar hij het offer bracht voordat de laatste dag verstreken was. —
Hadt gij — gehouden, met verandering van een klinker; grondt. Gij hebt — niet gehande». — dan
— hebben. Hij was dus nog geen wettig koning; zie op vs. 8—15(1,
14.  Jahwe — aangesteld. ])it ziet op de uitverkiezing cu zalving van David; doch het verhaal hicr-
ovcr volgt eerst XVI: 1—13. Om deze onjuistheid weg te nemen, vertolkte Gr. vert. Jahwe ;al uil-
kiezen en aamtellen.
15.   en ging — gekomen, uit Gr. vert. ingevoegd. Het oog van ecu Hcbrcciiwschcn afschrijver is
blijkbaar van het eene Gilgal naar het volgende afgedwaald. — ie Gibea, waar volg. vs. 2 Jonathan
geposteerd was; verg. op vs. 4. — zeshonderd, van de drieduizend, vs. 2.
17 v. De eerste bende rrekt in noordoostelijke, de tweede in westelijke, de derde in zuidoostelijke
richting.
17.  stroopers, letterlijk de verderver; verg. op Exod. XII: 23. — O/ra, noordoostelijk van Michmas;
zie op Joz. XVIII : 23. — de streek Sjual, .Vossenland\', onbekend. Verg. op IX : 4.
18.  Beth-horon. Zie op Joz. X : 10. — den heuvel, volg. Gr. vert.; Hehr. t. de grens. — dal Seboïm,
.Hycnendal\', onbekend. Volgens Nch. XI: 34 lag eene stad Seboïm in den stam Benjamin. — de
Woestijn,
die van Juda; zie op Joz. XV: SI.
20.    de een, de ander, volg. Gr. vert.; Hebr. t. elk. — prikkel, volg. Gr. vert.; Hebr. t.
ploegschaar.
21.   Lezing en vertaling van dit vers zijn hoogst onzeker. De hier gegeven vertaling is voor het
grootste deel gissing.
-ocr page 550-
1 bamukl XIII: 21—XIV: 15.
630
22       gewoon waren de bijlen aan te zetten en de prikkels te slijpen.\' Dien-
tengevolge werd in oorlogstijd zwaard noch speer bij eenig man van
het gansche volk dat bij ISaul en Jonathan was aangetroffen; maar
Saul en zijn zoon Jonathan zelven hadden ze wel.
23           Een wachtpost der Filistijnen nu was naar den pas van Michmas
XIV:1 uitgetrokken.\' Op zekeren dag zeide tfauls zoon Jonathan tot zijn
wapendrager: Kom, laten wij oversteken naar den wachtpost der Filis-
tijnen — aan den overkant — maar aan zijn vader gat\' hij er geen
2       kennis van.\' iSaul nu zat aan de grens van Gibea onder den granaat-
boom die op den dorschvloer staat; het volk dat hij bij zich had was
3       omstreeks zeshonderd man,\' en Ahia, de zoon van Ahitub, den broeder
van Ichabod, den zoon van Pinehas, den zoon van Eli, den priester
van Jahwe te Hjilo, droeg den efod. Het volk wist niet dat Jonathan
4       was weggegaan.\' Tusschen de passen nu waar Jonathan trachtte over
te steken naar den wachtpost der Filistijnen verhief zich van weers-
kanten eene klip, eene aan deze en eene aan gene zijde; de eene
5       heette Boses en de andere iSene; \' de eene, ten noorden, tegenover
o\' Michmas, de andere, ten zuiden, tegenover üibea.\' Jonathan zeide tot
zijn wapendrager: Kom, laten wij oversteken naar den wachtpost dier
onbesnedenen! Wellicht zal Jahwe ons de zege schenken; want het
maakt voor Jahwe geen onderscheid, met velen of met weinigen de
7       zege te schenken.\' Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al wat
8       uw hart u ingeeft. Ik ga met u. Wat gij wilt, wil ik.\' Daarop zeide
Jonathan: Zie, wij zullen tot die mannen oversteken en ons aan hen
9       vertoonen;\' zeggen zij dan tot ons: Wacht eens even, totdat wij bij u
gekomen zijn! dan blijven wij stilstaan en klimmen niet tot hen op.\'
10       Maar zeggen zij: Klimt eens tot ons op! dan doen wij het; want dan
heeft Jahwe hen in onze hand gegeven. Dit zal ons het teeken zijn.\'
11       Toen nu de wachtpost der Filistijnen die beiden in bet oog kreeg,
zeiden de Filistijnen: Kijk, daar komen Hebreen uit de holen waarin
12       zij zich verscholen hebben te voorschijn!\' En de mannen van den
wachtpost riepen Jonathan en zijn wapendrager toe: Klimt eens tot
ons op, dan zullen wij u iets vertellen! Toen zeide Jonathan tot zijn
wapendrager: Mij na! Jahwe heeft hen in de hand van Israël gegeven.\'
13       En Jonathan klom op handen en voeten naar boven, zijn wapendrager
hem na. Toen keerden zij om voor Jonathan, die hen nedervelde,
14       waarna zijn wapendrager achter hem hen afmaakte.\' Deze eerste slach-
ting, welke Jonathan en zijn wapendrager hebben aangericht, was van
15       omstreeks twintig man.\' Toen ontstond een schrik in de legerplaats
22.   Dit bericht is zeer overdreven. Vi.1l\'. vs. 2; XIV: 22, 31 althans waren de Israëlieten niet
zonder wn|>enen.
23.  den pas, volg. XIV: 5 tusscheu Michmas en Gibcn.
2.  den granaatboom, cen bekenden, heiligen boom; zie op Dcut. XII: 2. — op den dorschvloer, volg.
Syr. vert. j Hcbr. t. te Migron.
3.  Ic/iabod. Zie IV: 10—21. — droeg den efod, hetgeen tot de tank van den i>rioster behoorde. Zie
op Richt. VIII: 27.
."> Voor ten noorden heeft Hebr. t. ecu onverstaanbaar woord, door eene schrijffout ontstaan, dat
•
                       in Gr. vert. ontbreekt.
fi. :ul... dr zege schenken, met omzetting vim twee letters. — want — schenken. Verg. op Kicht. VII: 1—8.
7. Doe — ingeeft, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Doe al wat in uw hart is, neig. — wil ik, uit Gr.
vert. ingevoegd.
10.  het teeken, waaraan zij zouden weten of Jahwe hunne onderneming al dan niet zou doen gc-
lukkcn ; verg. op X : 7.
              •
11.  daar — voorschijn! Zie XIII:6.
13. keerden zij om, volg. Gr. vert.; Hebr. t. vielen tij — die hen nedervelde, uit Gr. vert. ingevoegd.
1-1. Aan het slot van dit vers staan in Hebr. t. eenige mecrendcels onverstaanbare woorden.
15. en achter legerplaats, volg. Gr. vert. — het geheele, volg. Gr. vert.; Hebr. t. onder het geheele.
Na volk is de wachtpost weggelaten. — De schrijver verhaalt blijkbaar een wonder: de stroopers in
-ocr page 551-
1 samukl XIV : 15—29.                                      631
en op liet veld; het gebeele volk, zelfs de stroopers, werden door schrik
bevangen; ja, de aarde beefde, zoodat er een schrik Gods ontstond.
1(5
          Toen de schildwachten van Saul te Gibea in Benjamin zagen dat
17       de legerplaats heen en weer golfde,\' zeide Haul tot het volk dat bij
hem was: Houdt eens monstering, en gaat na, wie van ons weggegaan
is. Bij de monstering bleek dat Jonathan en zijn wapendrager er niet
18       waren.\' Toen zeide >Saul tot Ahia: Haal den efod hier — want Aliia
19       droeg te dier tijd den efod voor Israël.\' Intussohen, terwijl Saul nog
met den priester sprak, werd liet rumoer in de legerplaats tier Filis-
tijnen steeds sterker. Daarom zeide fc>aul tot den priester: Trek uwe
20       hand terug!\' En Saul en liet gansche volk dat bij hem was verza-
melden zich. Maar toen zij ten strijde kwamen, zie, de een was den
ander met het zwaard te lijf gegaan; eene zeer groote verwarring!\'
21       En de Hebreen die tot de Filistijnen in dezelfde verhouding als gisteren
en eergisteren gebleven en met hen te velde getrokken waren, ook zij
keerden zich om en kozen partij voor de Israëlieten die bij !"faul en
22       Jonathan waren.\' Ook zetten al de Israëlieten die zich in het gebergte
van Efraim hadden verscholen gewapenderhand de Filistijnen na, zoodra
23a zij hoorden dat zij op de vlucht waren gegaan.\' Zoo schonk Jahwe op
dien dag Israël de zege.
2\'36,24 Toen nu de strijd zich tot voorbij Beth-awen uitstrekte,\' schaarde
zich het gansche volk, omstreeks tien duizend man, aan de zijde van
Saul en breidde zich de strijd over het gebergte van Efraim uit. Te
dien dage beging Saul een grooten misslag: hij bezwoer het volk met
de woorden: Vervloekt de man die iets gebruikt vóór den avond,
voordat ik mij op mijne vijanden gewroken heb! Dientengevolge at
20 het gansche volk niets.\' Het volk nu kwam in een bosch, en zie,
daar was overvloed van honing; maar niemand bracht de hand aan
27       den mond; want het volk vreesde den eed.\' Maar Jonathan, die niet
gehoord had hoe zijn vader het volk bezworen had, stak de punt van
den stok dien hij in de hand had uit, doopte ze in de honingraten en
bracht de hand aan den mond. Zoo kwam er weer glans in zijne oogen.\'
28       Maar iemand int het volk maakte hem de opmerking: Uw vader heeft
het volk bezworen met de woorden: Vervloekt wie heden iets gebruikt!\'
29       Toen zeide Jonathan: Daarmede heeft mijn vader het land in het on-
verschillende gedeelten vau het land werden op eens door schrik bevangen, ofschoon zij van het ge-
beurde nog geen kennis konden dragcu. — een schrik Godt, ecu panische, d. i. een niet door nareken-
bare oorzaken veroorzaakte schrik; verg. Gen. XXXV i 5.
16. de legerplaats — golfde, volg. Gr. vert.; Hebr. t. het rumoer (of de menigte) vertmott en weg-
ging en hierheen.
18. Haal — hier, om het orakel te raadplegen omtront hetgeen hij doen moest. — den efod, volg.
Gr. vert., verg. vs. 3; Hebr. t. de art God». Dezelfde fout 1 Kon. Il : 26. — Ahia — Israël, volg.
Gr. vert.; Hebr. t. de ark Godi tcat er te dier tijd, en de Itraelieten.
10. Trek — terug. Saul heeft niet meer noodig Jahwe te raadplegen; hij begrijpt zelf wat hij
doen moet.
20.   de een — gegaan. De Filistijnen zagen elkander voor vijanden aan; gevolg vau den schrik
Gods, vs. 15.
21.  die, nit Gr. vert. ingevoegd. — in dezelfde verhouding, vau afhankelijkheid.— en met — waren,
evenals later David, II. XXIX. — keerden zich om, volgens nndcre woordafdecling, naur Gr. vert.; Hebr.
t. rondom en.
22.  het gebergte van Efraim. Zie op Joz. XVII: 15.
23.  Beth-awen. Zie op Joz. VII: 2.
24.   het gansche — misslag, grootendeels volg. Gr. vert.; Hebr. t. en de Itraelieten te dien dage in
de engte gedreven waren.
— Waarin Sauls misslag bestond, leert vs. 29. — Vervloekt — hei! De
vervolging van den vijand mocht zelfs geen oogenhlik worden vertraagd. Na vs. 24 heeft Hebr. t. (25)
En het ganeche land kwam in het woud, en er wat honing op hel veld.
26. overvloed, onzekere vertaling; letterlijk een ttr.oomf
28. Aan het einde van dit vers heeft grondt, nog en het volk wat vermoeid, wat als zinstorend is
weggelaten; vermoedelijk is het uit vs. 31 hierheen verdwaald.
-ocr page 552-
1 BAMUBL XIV: 29—40.
632
geluk gestort; ziet eens, hoe er weer glans in mijne oogen is gekomen,
30       nu ik een weinig van dezen honing heb geproefd.\' 7x)u niet veeleer,
indien het volk heden vrij had kunnen eten van den buit zijner vijan-
den dien het gevonden heeft, de slachting onder de Filistijnen grooter
geweest zijn?
31            Nadat zij te dien dage onder de Filistijnen tot zonsondergang toe
32       eene slachting aangericht hadden, was het volk zeer vermoeid\' en viel
op den buit aan: zij haalden klein vee, runderen en kalveren, wierpen
33       ze op den grond, slachtten ze en aten het vleesch met liet bloed.\' En
men deelde aan Saai mede: Daar bezondigt zicli het volk tegen Jahwe,
door het vleesch met het bloed te eten! Toen zeide hij: (rij misdraagt
34       u. Wentelt een grooten steen hier naar mij toe.\' Voorts zeide Saul:
Verstrooit u onder het volk en zegt bun: Brenge ieder uwer zijn rund
of schaap bij mij, slacht het hierop en eet dan; en bezondigt u niet
tegen Jahwe door het vleesch met het bloed te eten. Hierop bracht
het ganscbe volk, ieder wat bij had, en zij slachtten het aldaar.
35            Daarna bouwde Baal voor Jahwe een altaar. Dit is het eerste altaar
dat hij voor Jahwe gebouwd heeft.
30          Toen zeide Saul: Laat ons van nacht de Filistijnen achternazetten,
ben onder den voet treden, tot het aanbreken van den morgen, en
niemand van ben overlaten. En zij zeiden: Doe al wat goed is in uw
oog. Doch de priester zeide: Laat ons hier tot de godheid nadertreden.\'
37       Zoo vroeg iSaul de godheid: Zal ik de Filistijnen achternazetten?
zult gij hen in de hand van Israël geven? Maar hij antwoordde hem
38       te dien dage niet.\' Daarom zeide Saul: Treedt hier voor, alle hoofden
des volks! en overtuigt u en ziet, door wien heden deze zonde be-
39       dreven is.\' Want, zoo waar als Jahwe leeft, die aan Israël de zege verschaft
heeft, al ware zij door mijn zoon Jonathan bedreven, sterven zal hij.
40       En niemand uit het gansche volk antwoordde hem.\' Voorts zeide hij
tot gansch Israël: Gij gaat aan den eenen kant staan; ik en mijn zoon
Jonathan aan den anderen. Het volk zeide: Doe wat goed is in uw
30.   In dit vers zijn een paar kleine tekstverbeteringen aangebracht.
31.  lol zonsondergang, hoogst onzekere tekstverbetering. In elk geval moet hier gestaan hebben dat
de termijn waarbinnen Saul zijnen krijgslieden het gebruik van spijs verluiden bad verstreken was.
Hcbr. t. van Miehmai tot Ajjalon.
32.   den l/uit, dien de Filistijnen in de legerplaats hadden achtergelaten. De vervolging kan zich
dus niet zoo heel ver, b. v. tot Ajjalon (zie op vs. 31), hebben uitgestrekt. — aten — bloed. De be-
docling zal wel zijn dat zij het vleesch rauw, nog lillend en bloedend, aten. Over het verbod van
bloedgcbruik zie op Gen. IX : 4.
33.  een grooten item, om op te slachten. — hier... toe, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heden.
34.  hierop, op den steen. — tcat, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hel rund. — had. Hcbr. t. laat nog
volgen dei naehti; volg. Gr. vert. weggelaten.
85. een altaar, waartoe waarschijnlijk de vs. 33 genoemde steen diende. Verg. op Exod. XX : 25. —
Dit — heeft. De schrijver heeft dus van meer altaren door Saul opgericht geweten. Het bouwen van
altaren voor Jahwe strekt volgens hem den koning tot eer; de wet volgens welke alleen op het altaar
in den Jcruzalcmsehcn tempel mocht geofferd worden is cenige eeuwen jonger (verg. Kxod. XX : 22—26
en inl. op Heul. XII).
30. de priester, Ahia, vs. 3. — hier, bij het altaar, waar de godheid geacht werd zich te opcn-
baren. — natlertretlen, om Jahwe te raadplegcu over het opgevatte plan.
37.   Maar — niet. Dit was een tecken dat Jahwe vertoornd was; verg. op Ezech. XIV i 3. Hoe het
bleek dat Jnhwc niet antwoordde, weten wij niet zeker. Indien, wat waarschijnlijk is, Saul de godheid
raadpleegde door «riem eu tiimmiem en dit beeldjes waren die dienst deden als loten (zie on Kxod.
XXVIII:3ü), zou in elk geval de beslissing ja of neen moeten geweest zijn; zie op vs. 41. Doch wellicht bc-
vonilen zich nog andere voorwerpen in den cfod des priesters en werd, indien men een van deze trok,
de godheid geacht niet te willen nntwoorden.
38.  door u-irn. met veroudering van écne letter; grondt. Kaardoor. — deze zonde. Vit het zwijgen
van Jnhwc leidt Saul af dat er eene zoude begaan is.
39.  zij, met verandering van eene letter; grondt, heeft het voornaamwoord in het mannelijk geslacht.—
En — hem. Het volk is er blijkbaar niet voor; verg. vs. 42, 45. De schrijver laat het volk een
voorgevoel hebben dat het lot op Jonathan zal vallen.
-ocr page 553-
633
1 bamubi, XIV : 40-51.
.41 oog.\' Toen zeide iSaul: Jahwe, god van Israël, waarom antwoordt gij
lieden uw \' dienstknecht niet.\' Indien de schuld hij mij of mijn zoon
Jonathan ligt, Jahwe, god van Israël, geef dan uriem, maar indien zij
hij uw volk Israël ligt, geel\' dan tummiem. Aangewezen werden Jona-
42       than en Saul, en het volk kwam vrij.\' Nu zeide Saul: Werpt het lot
tusschen mij en mijn zoon Jonathan, en hij dien Jahwe aanwijst zal
sterven, Het volk zeide tot Saul: Uit zal niet geschieden! Maar Saul
was sterker dan het volk. Zoo wierpen zij het lot tusschen hein en
43       zijn zoon Jonathan. Aangewezen werd Jonathan.\' Toen zeide Saul tot
Jonathan: Deel mij mede, wat gij gedaan hebt. En Jonathan deelde
het hem mede en zeide: Ik heb met de pont van den stok dien ik
in de hand had een weinig honing geproefd. Hier ben ik; ik zal
44       sterven.\' Saul hernam: Zóo, ja meer nog, zal God mij doen: gij moet
45       sterven, Jonathan.\' Doch het volk zeide tot Saul: Zou Jonathan, die
deze groote overwinning in Israël bewerkt heeft, moeten sterven.\' Dat
zij verre! Zoo waar als Jahwe leeft! geen haar van zijn hoofd zal ter
aarde vallen; want met God heeft hij het heden volbracht. Kn het
46       volk kocht Jonathan los, zoodat hij niet behoefde te sterven.\' Daarna
trok Saul op en staakte het vervolgen van de Filistijnen, die weder
naar hunne plaats gingen.
47           Nadat Saul het koningschap over Israël had aanvaard, voerde hij
krijg met al zijne vijanden rondom: Moab, de Ammonieten, Edoni, den
koning van Soha en de Filistijnen. Overal waarheen hij zich wendde
48       zegevierde hij.\' Hij gedroeg zich dapper, sloeg Amalek en verloste
Israël uit de hand van hen die het plunderden.
49           De zonen van Saul waren Jonathan, Isjo en Malkisjua, en van zijne
50       beide dochters heette de oudste Merab, de jongste Michal.\' De vrouw
van Saul heette Ahinoam, de dochter van Ahimaas, en zijn krijgsoverste
51       Abner, de zoon van Ner, Sauls oom.\' Kis, de vader van Saul, en Ner,
Abners vader, waren zonen van Abiël.
41. Toen — Israël ligt, grooteudccls naar Gr. vcrt.; Hebr. t. Toen zeide Saul tol Jahwe, den god
van Israël, — uriem, tummiem.
Uit (loze plaats blijkt duidelijk dat deze voorwerpen dienden om door
loting den wil der godheid uit te vorschen, ook, dat diinrdoor de beslissing tusschen iiiri meer dan
twee gevallen of personen verkregen werd; zie op vs. 37.
48. Werpt het lot. Hier wordt wellicht cene andere wijze van loting dan door uriem en timtmicm
bedoeld. Over het lot zie op Jozun Vil: 14. — en hij — zoon Jonathan, ingevoegd volg. Gr. vcrt.
43.  //i/T — tierven. Jonathan is bereid als zocuolfcr voor Jahwe\'s toom te vallen.
44. Dat Saul Jonathan niet spaart wordt als ecu bewijs, niet van zijne wreedheid, maar van zijn eerbied voor
den wil der godheid medegedeeld; want Jahwe cischt een offer; verg. op vs. 15. — mij, uit Gr. vcrt. ingevoegd.
45.  met God — volbracht. Slechts met Gods hulp kou hij cene zoo groote overwinning behalen. —
kocht Jonathan los, öf door een otfer van dieren, öf door iemand uit zijn midden in Jonathans plunts ten
zoenoffer over te (reven.
47.  den koning, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de koningen. — Soba, een Aramecschc staat, daarom ook
Aram Soba genaamd (2 Suin. X: 6, 8; I\'s. LX: 2), in de nabijheid van llnmath (zie op 1 Kun. VIII:
05; verg. 1 Kron. XVIII: 3; 2 Kron. VIII: 3). Ook David heeft met dit land oorlog geroerd (2 Sam.
VIII: 3; X: 6). — zegevierde hij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. handelde hij goddeloos. — Dat Saul al de
genoemde volken overwon is zeker cenijrszius overdreven; eerst David heeft hen werkelijk onderworpen;
xie 2 Sam. V:17—25; VIII: 1—5, 14; X; XII: 26—31. Maar zeker heeft hij zich tegenover, hen
doen gelden en Israël» land voor overvallen gevrijwaard.
48.  Amalek. Zie op Gen. XIV : 7 en op XV : 2. Uit dit vers blijkt dat Amalek niet gekastijd werd
om de XV : 2 opgegeven reden, maar omdat het door zijne strooptochten voor Israël lastig was. —
die het plunderden, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
49.   Isjo (volg. Gr. vert.; Hebr. t. Isici), waarschijnlijk cene verandering van Isbaal of Esbaal,
1    Kron. VIII: 33; IX:3U; over welken naam zie up 2 Sam. 11:8. — Kchalvc de hier genoemde
zonen van Saul wordt XXXI: 2 en 1 Kron. VIII :33 nog Abinadab genoemd; verg. op 2 Sam. XXI:
8. — Merab, Michal. Over de eerste zie XVIII : 10; 2 Sam. XXI :8; over de tweede, later de vrouw
van David, XVIII: 20,27 v.; XIX: 11—17. 25,44; 2 Sam. 1U :13 v.; VI: 10—23; XXI :8 j 1 Kron. XV :29.
50.  Ahinoam. \'lic XXV : 43; XXVII: 3; XXX : 5. — Abner. Zie over hem XVII: 55; XXVI : 5, 14 v. j
2 Sam. II, III. Hebr. t. heeft alleen hier Abiner; Gr. vert. altijd Abenner. — Ner, Sauls oom. Verg. X : 14—16.
51.  zonen, volg. verb. t.; grondt, zoon. Dat Abiël de vader van Kis was weten wij ook uit IX: 1.
Saul en Abner waren dus volle neven. Anders 1 Kron. VIII: 33; IX: 39.
-ocr page 554-
1 8AMUKL X1V:51-XV:5.
634
52         De krijg tegen de Filistijnen was hevig zoolang Saul leefde; en
waar Saul ook een krijgshaftigen en dapperen man zag, lijfde hij hem
hij zijn leger in.
52. Dit vers behoort niet bij <le voorgaande. Immers, zijn daar in een kort overzieht de gowich-
tigstc krijgsverriehtingen van Saul opgenoemd, hier vinden wij blijkbaar den aanhef van een nieuw
berioht daaromtrent. Evenmin behoort liet bij het vervolg; want, terwijl dit vers ons een verhaal van
krijg met de Filistijnen doet verwachten, handelt H. XV over den veldtocht tegen Amalek. Waar-
schijnlijk heeft het bij een verhaal behoord dat verloren is gegaan, en is het hier ingeschoven om de
mecning te voorkomen dat met vs. 47—51 de geschiedenis van San Is oorlogeu ten einde zou zijn.
HOOFDSTUK XV.
De verwerping van Saul. — Samucl gebiedt Saul, Amalek met den banvloek te slaan (1—3). Saul
gehoorzaamt, laat de Kcnietcn zich van de Amalckietcn verwijderen, verslaat Amalek (I—7) en zondert
daarna den koning en de beste stukken vee van het banvounis uit (8 v.). Samucl, door Jahwe van
deze overtreding verwittigd, gaat hem te gemoet (10—12); Saul veinst Jahwc\'s wil volbracht te
hebben, maar wordt door het loeien en binten der medegebrachte dieren verraden (13 v.); hij vcroiit*
sehuldigt zich, mnnr Samucl brengt hem zijne zonde tegen Jahwe onder het oog (15—19); Saul vcr-
dcdigt zich door (e zeggen dat het vee voor olTcrs aan Jahwe bestemd is (20 v.); Samuel herneemt
dat gehoorzaamheid beter is dan offeranden, en verklaart hem in Jahwe\'s .....mi vervallen van het
koningschap (22 v.). Op Sauls bede dat Samuel met hem terugkeere, wendt deze zich af; Saul grijpt
hein bij den mantel, die scheurt; waarop Samuel opnieuw hem verzekert dat Juhwe het koningschap
van hem zal afscheuren (21—29). Samuel laat zich bewegen met Saul mede te gaan (30 v.), en doodt
Agag (32 v.i. Beiden keeren huiswaarts (31 v.).
Dit verhaal bevat geen geschiedenis; zie iiuutt. op vs. 4 en 8. Van dcnzclfdcn schrijver als
XXVIII: 3—25; XXXI (ten deele), en wellicht 1:1—28; 11:11—20; 111, behoort het tot de jongere
stukken van ons bock. Verg. op vs. 1. De strekking van het verhaal is, anti te toouen dat Saul,
hoewel op Jahwc\'s last gezalfd, door ongehoorzaamheid aan hem voor zich en zijn huis den troon
verbeurd heeft. Deze voorstelling, in strijd met die van de oude overleveringen in IX—XI; XIII, XIV,
waarin niet slechts Sauls dapperheid, maar ook zijne vroomheid geroemd wordt, moet dienen Uit
verklaring van het feit dat het huis van Saul voor dat van David heeft moeten plaats maken. Knie
andere voorstelling van Sauls verwerping door Jahwe vinden wij XIII : 8—15a.
De denkbeelden over Jahwe en de ware godsvereering dio hier worden uitgesproken (zie vs. 22,
23, 29) zijn dezelfde als die van de groote profeten der 8ste on 7d« eeuw.
XV: 1 Eens zeide Samuel tot Saul: Mij heeft Jahwe gezonden om u tot
koning over zijn volk, over Israël, te zalven; luister dan naar Jahwe\'s
2      bevel.\' Zoo zegt Jahwe der heirscharen: Ik heb gelet op hetgeen
Amalek aan Israël gedaan heeft, hoe hij hem in den weg trad, toen
3      hij optrok uit Egypte.\' Daarom, ga, versla Amalek en tref hem en
al wat hij heeft met den banvloek; verschoon hem niet, maar sla dood
man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel.
4          Dienvolgens riep Saul liet volk op en monsterde het te Telam,
5      tweehonderd duizend man voetvolk en tien duizend ruiters.\' Toen hij
nu de stad van Amalek bereikt en in het dal eene hinderlaag gelegd
1.  Mij — zaleen. Dit wijst terug op X: 1, niet op X: 17—XI:15, waar Saul wel tot koning gekozen,
maar niet gezalfd wordt; zie op X: 25, 2fla. De schrijver van ons hoofdstuk heeft zeker IX: 1—X:18
gekend, al stelt hij Samuel veel machtiger voor dan hij daar is; zie inl. op 1:1—IV: la.
2.  Over Amalek zie op Gen. XIV: 7; over zijn aanval op Israël na den uittocht Exod. XVII : 1,
8—10; Deut. XXV: 17—19. De groote overeenkomst van laatstgenoemde plaats met de onze wekt
het vermoeden dat onze schrijver haar, althans het geschrift waaraan zij door den schrijver van Deute-
ronomium
ontleend werd (zie inl. op Deut. XXI: 10—21), gekend heeft en daarvan de inklecding van
zijn verhaal overnam.
3.  tref hem en, volg. Gr. vert.; Hebr. t. treft. Over den banvloek zie op tixod. XXII: 20.
4.   Telam, met verandering van een klinker; grondt. Telaim. Zie op Joz. XV: 24. — tweehonderd
duizend man voetvolk,
een in vergelijking van XIII: 2 ongeloofelijk groot getal; Gr. vert. heeft virr-
konderd duizend.
— ruiteri, volg. door gissing verb. t.; grondt, met Judeërt, wat geen zin geeft.
5.  de Mtad van Amalek, de hoofdstad; zie op Deut. II: 9. — eene hinderlaag gelegd had, volg. Gr.
vert.; Hebr. t. gel teint had.
-ocr page 555-
1 SAMUBi, XV : 5—19.                                       635
6       had,\' zeide hij tot de Kenieten: Gaat henen, verwijdert u uit het
midden der Anialekieten, opdat ik u niet met hen ombrenge; gij toch
hebt gunst betoond aan de Israëlieten, toen zij uit Egypte optrokken.
7       Zoo verwijderden zich de Kenieten uit het midden van Amalek.\' En
Saul sloeg Amalek van Telam af in de richting van Sjur, dat vóór
8       Egypte ligt,\' nam Agag, den koning van Amalek, levend gevangen,
9       en bande het gansche volk met het scherp des zwaards.\' Doch Saul
en het volk verschoonden Agag, alsmede het beste van het kleinvee
en van de runderen, de vette en gemeste dieren, en al wat van waarde
was, en wilden ze niet met den banvloek treffen; maar alle have van
geringe of geen waarde troffen zij met den banvloek.
10, 11 Hierop kwam Jahwe\'s woord tot Samuel:\' Het berouwt mij dat ik
Sa ui tot koning heb aangesteld; want hij heeft zich van mij afgekeerd
en mijne woorden niet ten uitvoer gebracht. Toen ontroerde Samuel
en riep den ganschen nacht tot Jahwe.
12           Toen iSamuel den volgenden morgen Saul te gemoet ging, werd hem
medegedeeld: Saul is te Karmel gekomen, heeft zich een gedenkteeken
opgericht, is toen weder heengegaan en verder getrokken, afwaarts naar
13       Gilgal.\' Toen nu iSamuel bij Saul was gekomen, zeide Saul tot hem:
Wees gezegend door Jahwe! Ik heb Jahwe\'s woord ten uitvoer gebracht.\'
14       Hierop zeide Samuel: En wat is dan dat geblaat van schapen in mijne
15       ooren, en het geloei van runderen dat ik daar hoor?\' Saul hernam:
Van de Amalekieten hebben zij die medegebracht, dewijl het volk de
beste stukken van het kleinvee en van de runderen verschoond heeft,
om die aan Jahwe, uw god, te offeren; maar het overige hebben wij
16       met den banvloek getroffen.\' Nu zeide Samuel tot Saul: Houd op! Laat
mij u mededeelen, wat Jahwe van nacht tot mij gesproken heeft. Hij
17       zeide tot hem: Spreek.\' Samuel zeide: Waart gij niet te klein in eigen
oog om hoofd van Israëls stammen te zijn? Toch heeft Jahwe u tot
18       koning gezalfd over Israël.\' En nu heeft Jahwe u op een weg gezonden
en gezegd: Ga en sla hen die tegen mij gezondigd hebben, de Amale-
kieten, met den banvloek en voer krijg tegen hen, totdat gij hen hebt
19       uitgeroeid.\' Waarom hebt gij dan niet naar Jahwe geluisterd, maar
zijt gij op den buit aangevallen en hebt gij gedaan wat kwaad is in
20       het oog van Jahwe?\' Saul zeide tot Samuel: Ik heb naar Jahwe ge-
li. Kenieten. Zie op Num. X: 82 en inl. op Num. XIII, XIV. — verwijdert u. Hebr. t. laai volgen
gaat af; volg. Gr. vert. weggelaten. — de Israëlieten. Hebr. t. laat al voorafgaan; volg. Gr. vort.
weggelaten.
7.  Zie XXVII: 8; Geu. XXV: 18. — Telam, volg. vs. 4 en XXVII: 8; grondt, llawila. — Sjnr.
Zie
op Gen. XVI: 7.
8.   In strijd met dit bericht komt Amalek later nog voor, XXVII: 8j XXX; 2 Sam. VIII: 12;
1 Krou. IV:42v.; Ps. LXXX11:8. Verg. op Num. XXIV: 20.
0. de vette en gemeste. Hier zijn een paar letters omgezet en eenigc weggelaten, — al — wat, niet
slechts van de levende, ook van de levenlooze have. — van geringe of geen waarde, met kleine ver-
anderingen, naar Gr. vert.
11.  liet berouwt mij. Zie op Gen. VI: 6. Dat de schrijver deze uitdrukking hier en vs. 85 niot in
letterlijken zin wil hebben opgevat blijkt uit vs. 28. — ontroerde. Het hier en 2 Sam. VI: 8 ge-
bezigde woord wordt gewoonlijk van toorn gebruikt, maar kan elke heftige aandoening aanduiden. —
riep — nacht. .Inhwe\'s openbaring had des nachts plaats gehad; zie op 111:3. Samuel kon bidden om
herroeping van het vonnis, waarbij hij zichzclvcn als zoenoffer kon aanbieden (verg. Kxod. XXXII: 31 v.),
of vragen dat Jahwe zijn volk om Sauls zonde niet straffen zou.
12.  Karmel. Zie op Joz. XV: 55. — heeft... opgericht, volg. Gr. vert.; Hebr. t. richt... op. —
een gedenkteeken, letterlijk eene hand; zie op 2 Sam. XVIII: 18. — heengegaan — Gilgal, dus in
noordoostelijke richting; daar Gilgal in de Vlakte lag, ging hij daarheen afwaarts; over dit Gilgal zie
op Joz. IV : 19.
17.   Waart — zijn? volg. Gr. vert. Vorg. IX:21.
18.  die legen mij gezondigd hebben, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de zondaars. — gij hen hebt uilge-
roeid,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. zij hen hebben uitgeroeid.
20. koning — medegebracht, om hem als krijgsgevangene te doodeu. Saul vermeldt dit, niet om toe
-ocr page 556-
1 BAMDHL XV : 20—35.
G36
luisterd en den weg bewandeld waarop Jahwe mij gezonden heeft:
koning Agag heb ik medegebracht en Amalek met den banvloek ge-
21       slagen.\' Doch het volk nam van den buit kleinvee en runderen, de
keur van het gebannene, om die aan Jahwe, uw god, te Uilgal te offe-
22       ren.\' Maar Samuel zeide: Heeft Jahwe zooveel behagen in brandoffers
en slachtoffers als in gehoorzaamheid jegens liem.\' Zie, gehoorzamen is
23       beter dan offerande, en opletten beter dan rammenvet;\' want weer-
spannigheid is zonde van waarzeggerij, en ongezeggelijkheid is afgoderij
en wichelarij; omdat gij Jahwe\'s woord hebt geminacht, acht Jahwe
u te min om koning te zijn.
24           Toen zeide Saul tot Samuel: Ik heb gezondigd; want ik heb den
last van Jahwe en uwe woorden overtreden, daar ik voor het volk be-
25       vreesd was en naar hen geluisterd heb.\' Vergeef\' dan toch mijne zonde
2(i en keer met mij terug, dat ik mij voor Jahwe nederwerpe.\' Maar
Samuel zeide tot Saul: Ik keer niet met u terug; omdat gij Jahwe\'s
woord hebt geminacht, beeft Jahwe u te min geacht om koning over
27       Israël te zijn.\' Meteen keerde Samuel zich, om henen te gaan. Saul
28       greej) hem bij de slip van zijn mantel, en die scheurde.\' En Samuel
zeide tot hem: Afgescheurd heeft Jahwe heden van u het koningschap
over Israël, en geven zal hij het aan uw naaste, die beter is dan gij.\'
29       Ook liegt de Onwankelbare Israëls niet en hij heeft geen berouw;
want bij is geen mensch, dat hij berouw zou hebben.
30           Daarop zeide Saul: Ik heb gezondigd. Doch eer mij nu ten aanschouwen
van de oudsten mijns volks en van Israël, en keer met mij terug; dan
31       zal ik mij nederwerpen voor Jahwe, uw god.\' Hierop keerde Samuel
terug en volgde Saul; en Saul wierp zich neder voor Jahwe.
32           Nu zeide Samuel: Brengt Agag, den koning van Amalek, tot mij.
En Agag kwam tot hem met wankelenden tred en zeide: Waarlijk,
33       bitter is de dood.\' Samuel zeide: Zooals uw zwaard vrouwen kinderloos
heeft gemaakt, zoo zal uwe moeder kinderloos zijn onder de vrouwen.
En Samuel hieuw Agag in stukken voor Jahwe\'s aangezicht te Gilgal.
34           Daarop ging Samuel naar Karaa, terwijl Saul huiswaarts keerde
35       naar Gibea Sauls.\' En Samuel zag Saul niet weder tot den dag zijns
doods toe; en Samuel droeg rouw over Saul, hoewel Jahwe berouw had
dat hij Saul koning had gemaakt over Israël.
Vs. 29. Num. XXIII: 19.
tv geven dut hij schuldig in, maar nis daad van gehoorzaamheid; Samuel laat dit gelden en bepaalt
zich verder bij de medegebrachte dieren.
22.   I>v hier uitgesproken denkbeelden zijn in den geest der profeten, die de gehoorzaamheid aan hun,
d. i. Gods, woord boven den uitcrlijkcn ceredienst stelden.
23.  afgoderij en wichelarij, onzekere lezing cu vertaling, lic woorden bctcckcnen letterlijk nietigheid,
waarmede afgoden kunnen aangeduid worden, en huhgtx/en (lerajiem); daar men zich van deze bediende
om de toekomst uit te vorschen (zie op Gen. XXXI: 19), is hier het woord door wichelarij vertaald.
Waarzeggen en wichelen worden hier nis groote zonden voorgesteld; zie iul. op Peut. XVIII i 9—22
en nuut. op Dcul. XVIII: 10 v. Zoo werden zij echter in Sumuels tijd nog niet beschouwd: IX:0—X:8
verg. X : 2, treedt hij zelf nis wnarzegger op en wordt door het volk nis zoodanig getierd, terwijl volg.
XIX: 13—16 David een huisgod had.
25. keer — nederwerpe. Hij smeekt Samuel, met hem deel te nemen aan het offerfeest dat tot
dank voor de overwinning op Amalek ter eerc van Jahwe zou gevierd worden.
27.   Saul. duidelijkhcidshalve in pi. v. hij.
28.   Verg. 1 Kon. XI: 31. — uw naaste, David; zie XVI: 1—13.
29.   Verg. op Gen. VI: 0.
30.  Zie vs. 2 tv. — Saul, duidelijkhcidshalve in pi. v. hij.
32. met wankelenden tred, zeer onzekere lezing en vertaling. — bitter i» de dood. Hebr. t. laat hicr-
nnu voorafgaan geweken ia; volg. Gr. vert. weggelaten.
35. .Samuel — toe. Volg. XIX : 21 zijn zij toch nog weder met elkander in aanraking gekomen. —
Samuel droeg rouw over Saul. blijkbaar tot aan zijn dood toe. Dit wordt ter eere van Samuel vcr-
meld; anders XVI: 1; zie aant. aldaar. — hoewel — Itraël. Zie op vs. 29.
-ocr page 557-
1 8AMÜBL XVI: l —10.                                            t5tf7
HOOFDSTUK XVI: 1—13.
David gezalfd. — Jahwe zendt Samuel naar Betlilehem tot lzai, nm een zijner zonen tot koning
te zalven (1); hij moet voorgeven dat hij komt om te offeren (2 v.). Te Hethlchem gekomen, iioodigt
hij lzai en zijne zonen aan het on\'ennual (-tv.); hij vindt echter onder de aanwezige den door Jahwe
uitverkorene niet (6—10). Maai vernemende dat lzai nog een zoon heeft, die de kndde weidt, laat hij
dien halen, hoort van Jahwe dat dit de hcdocldc is, en zalft hem (11—13).
Dit verhaal vormt een aanhangsel op II. XV; zie op vs. 1. Het is geschreven door iemand die
meende, dat op het verhaal van Sauls verwerping moest volgen, hoc Jahwe door Saninel een nieuwen
koning had laten zalven (verg. XV : 28). Daartoe verdichtte hij dit schoonc verhaal, waarin hij leert
dat de verheffing van David niet het gevolg van toevallige omstandigheden of eigen verdienste geweest
is, zooals uit XVI: 14—23; XVIIS1—XVIII: 5 kon worden afgeleid, maar van de vrije verkiezing
van Jnhwc; en tevens het denkhccld uitdrukt, dat Jahwe hij de keuze van een koning niet op uitcr-
lijke voorrechten, maar op het hart let. Behalve hier komen Samucl en David nog XIX : 18—2-1 niet
elkander in aanraking; dat dit niet historisch is, zie op vs. 18 en inl. op XVIII: 80—XIX: 21.
XVI: 1 Jahwe zeide tot Samuel: Hoe lang zult gij rouw dragen over Saul,
terwijl ik Item te min geacht heb om koning te zijn over Israël/ Vul
uwen hoorn met olie en ga op reis; ik zend u tot lzai, den Bethle-
2       hemiet; want ik heb mij uit zijne zonen een koning uitgelezen.\' Maar
Samuel zeide: Hoe zou ik gaan/ Als Saul het hoort, doodt hij mij.
Hierop zeide Jahwe: Gij moet eene koe medenemen en zeggen: ik kom
3       om aan Jahwe te offeren.\' Noodig dan lzai tot bet ofi\'ermaal; dan zal
ik u doen weten wat gij doen moet, en zult gij mij zalven hem dien
ik u zeggen zal.
4           Samuel deed wat Jahwe hem gezegd had. En toen hij te Bethlehem
kwam, gingen de oudsten der stad hem ontsteld te gemoet en vroegen:
5       Is uwe komst vrede?\' Hij antwoordde: Ja. Ik kom om aan Jahwe te
offeren. Heiligt u en weest heden vroolijk met mij. Hij heiligde lzai
0 en zijne zonen en noodigde hen aan het offermaal.\' Toen zij nu binnen-
kwamen en hij Eliab zag, dacht hij: Hier staat zeker Jahwe\'s gezalfde
7       voor hem!\' Doch Jahwe zeide tot Samuel: Let niet op zijn voorkomen
en zijne hooge gestalte; want ik acht hem te min; God toch ziet niet
op dat waarop de mensch ziet; de niensch ziet op het uiterlijk,
8       maar Jahwe ziet op het hart.\' Toen riep lzai Abinadab en stelde hem
aan Samuel voor; maar hij zeide: Ook dezen heeft Jahwe niet uitver-
9       koren.\' Nu stelde lzai Sjarnma voor; maar hij zeide: Ook dezen heeft
10 Jahwe niet uitverkoren.\' Zoo stelde lzai zijne zeven zonen aan Samuel\'
voor; maar Samuel zeide: Jahwe heeft geen van dezen uitverkoren.
1. Hoe — Israël? Deze woorden slaan terug op XV: 35, maar strooken er toch niet geheel mede.
Immers, terwijl daar zonder eenigc afkeuring gezegd wordt dat Samuel over Saul rouwde, wordt hij
hier daarover door Jahwe berispt: het past niet dat iemand rouwt over een man dien Jahwe ver-
worpen heeft.
2 v. De schrijver deinst er blijkbaar niet voor terug, de veinzerij waaraan Samuel zich schuldig
maakt aan een gebod van Jahwe toe te schrijven; verg. inl. op Exod. VII: 8—XI: 10.
3. tot, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. bij.
i. ontsteld, daar zij duchten dat Samuel hun een of ander godsoordeel znl aankondigen. — vroegen
— vrede ? volg. Gr. vert.; Hebr. t. hij zeide: Vrede is uwe komst.
5. Heiligt u. Zie op Exod. XIX: 10. — weest heden vroolijk, volg. Gr. vert.; Hebr. t. komt bij het
offer.
— Hij — zonen. Hij zelf volbracht deze godsdienstige handeling aan lzai en zijne zonen te
hunnen huize, terwijl de overige oudsten het ieder in zijn eigen huis deden.
7.  zijne hooge gestalte. De schrijver denkt hierbij waarschijnlijk aan Saul, die trots zijne hooge
gestalte, IX: 2; X: 23, toch nan Jahwe niet wclbehagelijk was geweest. — God — waarop de mensch
ziet,
volg. Gr. vert.; Hebr. niet wat de mensch ziet.
8.   Het is niet duidelijk, of lzai van Samucls opdracht kennis draagt en met het oog daarop zijne
zonen voor Samuel plaatst, dnu wel zonder van iets te weten hen als gasten aan den gastheer voor-
stelt. Dit vs. 11 schijnt te volgen dat het laatste het geval was. Samuel spreekt dus zijn oordcel over
de zonen niet tot lzai, maar bij zich zelven.
9.   Sjamma, evenzoo XVII: 18; elders, 2 Sam. XIII: 8; XXI: 21; 1 Kron. 1:18; XX: 7, heet
hij Sjiuiru.
10.  zeide. Hebr. t. Iaat nog volgen tot lzai; volg. Gr. vert, weggelaten.
-ocr page 558-
1 samukl XVI: 11—21.
«38
11            Hierop zeido Saniuel tot Izai: Zijn dit al de jongelieden? En hij
hernam: De jongste ontbreekt nog; die weidt de kudde. En Samuel
zeide tot Izai: Laat hem halen; want wij zullen niet aan tafel gaan
12       voordat hij hier is.\' Toen liet hij hein halen. Hij nu was blozend en
had fraaie oogen en een flink voorkomen. En Jahwe zeide: iSta op,
13       zalf heni; want hij is het.\' Toen nam iSamuel den hoorn met olie en
zalfde hem te midden van zijne broeders. Van dien dag af en voortaan
kwam de geest van Jahwe op David en bleef op hem. En Samuel
stond op en ging naar liania.
11.  De — kudde. Blijkbaar wordt David door zijn vader niet veel geteld; daar al de zonen behalve
hij tot deelneming anu het offcrmaal zijn geroepen. Deze voorstelliug hangt samen met het doel van
den schrijver, de voorkeur van Juhwc tegenover die der mctischcu te doen uitkomen -. doch zie op
vs. 18. — wij — u. Samuel laat Izai nog in den waan dat het offer de reden zijner komst is.
12.  Opmerkelijk, dat bij den schrijver ondanks vs. 7 het uiterlijke blijkbaar zwaar weegt.
13.   Toen — zalfde hem. Verg. X:l. — kwam — David. Verg. X:lü. — En — Kama. De schrij-
vcr verliest het voorwendsel van Samuels komst, het ofler, geheel uit het oog.
HOOFDSTUK XVI: 14—23.
David nan het hof. — Snul is door een boozen geest bezeten (14); hij wil op raad zijner hovelin-
gen een speelman tot zich roepen en hoort den lof van David (15—18). Deze, door den koning ont-
boden, treedt bij hem in dienst (19—22) en brengt hem door zijn spel verlichting aan (23).
Dit is het eerste stuk dat wij bezitten uit de Geschiedenis van David, die in het Oude Gcschied-
bock is opgenomen en het hoofdbestanddeel van 1 Sam. XVI—2 Sam. VIII uitmaakt. Het kan er
echter niet het begin van geweest zijn; dit is, waarschijnlijk bij de iulassching van XV; XVI: 1—13,
verloren gegaan. Kenc andere voorstelling van Davids komst aan het hof dan hier wordt gegeven
treffen wij XVIII: 2 aan. Het vervolg van ons verhaal vinden wij XVI1I:6—29.
XVI: 14 De geest van Jahwe was van Saul geweken en een booze geest,
15       door Jahwe gezonden, maakte hem onrustig.\' Daarom zeiden Sauls
dienaren tot hem: Zie eens, een booze geest der godheid verontrust u;\'
16       onze heer bevele slechts, en zijne dienaren die voor hem staan zullen
iemand zoeken die bekwaam is de citer te bespelen. Als dan een booze
geest der godheid op u is, zal hij met zijne hand in het speeltuig
17       grijpen en zult gij beter worden.\' Saul zeide tot zijne dienaren: Ziet
dan voor mij uit naar iemand die schoon kan spelen, en brengt
18       hem tot mij.\' Hierop antwoordde een der knechten: Ik heb eens een
zoon gezien van Izai, den liethlehemiet, ervaren in het spelen, held-
haftig, geoefend in den krijg, welsprekend, welgebouwd, en Jahwe is
met hem.
19           Toen zond Saul boden tot Izai met den last: Zend mij uw zoon
20       David, die bij de kudde is.\' Hierop nam Izai een ezel, legde daarop
eene vracht brood, een zak wijn en een geitenbokje, en gaf dit aan
21       zijn zoon David voor Saul mede.\' Zoo kwam David bij Saul en stond
14.   Dat Saul door een boozen geest gekweld wordt is hieraan toe te schrijven dat Jahwe\'s geest
van hem geweken is. Waarschijnlijk slaat dit terug op vs. 13, waar die geest op David komt. Dit
verband is echter niet van den oorspronkelijken schrijver, die daarop in het vervolg nergens zinspeelt,
maar eerst bij de iulassching van vs. 1—13 gelegd. In het oorspronkelijke verhaal werd woarschijn-
lijk geen verklaring van Sanls lijden gegeven. — De gerit — geweken. Dat Jahwe\'s geest voortdu-
rend op Saul rustte is nergens gezegd; wel, dat hij bij twee gelegenheden, voorbijgaand, op hem kwam,
X: ld; XI: 6. — een — gezonden. Evenals de geest die een mensen tot groote en goede daden in
staat stelt, wordt ook die welke hem laf en zwaarmoedig maakt van Jahwe afgeleid. In overeenstem-
ming hiermede nam men aan, dat Jahwe zelf iemand verhardde of tot kwaad verleidde; zie op Exod.
IV: 21 en op 2 Sam. XXIV :1.
IA. die bekwaam it...tr betpelen, volgens geringe tekstverandering.
18. David is hier niet, als vs. 11, een bijna vergeten herdersknaap, maar iemand die door zijne
vele uitstekende hoedanigheden reeds de aandacht getrokken had. «lijkbaar kent de schrijver va. 1—
13 niet. — Jahwe u met hem, doet hem gelukken al wat hij onderneemt.
20. legde — vracht, uit Gr. vert. iugevoegd.
-ocr page 559-
1 BAiiuiL XVI: 21-XVII: 3.                               639
vóór hem; ja, toen deze hem zeer lief kreeg, werd hij zijn wapendrager\'
22      en liet Saul aan Izai zeggen: Laat David mij blijven dienen; want hij
23      heeft gunst in mijn oog gevonden.\' En telkens als een booze geest
der godheid op hem was, nam David de citer en speelde er op; dan
kreeg Saul verademing: hij werd beter, en de booze geest week
van hem.
23. Het eerste booze is volg. Gr. vert. iugevoegil.
HOOFDSTUK XVn: 1—XVIII: 5.
David en Goliath. — De Filistijnen en de Israëlieten zijn tegenover elkander bij Socho gelegerd
(XVII: 1—3); de reus Goliath daagt de Israëlieten tot een tweegevecht uit, om daardoor den strijd
te beslechten (4—10); waarvan Saul en de Israëlieten verschrikt zijn (11). David gaat telkens van
Saul naar zijne woonplaats heen en terug (12—15); terwijl de Filistijn dagelijks zijne uitdaging her-
haalt (16). Eens wordt aan David opgedragen, aan zijne broeders raondvoorraad te brengen (17—19).
In het kamp gekomen, gaat hij naar de troepen die tegenover den vijand staan (20—22). Daar hoort
hij Goliaths uitdaging en wint nadere inlichtingen omtrent hem in; waarover hij door zijn broeder
Eliab berispt wordt (23—30). Maar als men hetgeen hij gezegd heeft aan den koning overbrengt, laat
deze hem halen; hij verklaart zich bereid om den Filistijn te bevechten en volhardt daarbij trots de
bezwaren van Saul, die eindelijk toestemt (31—37). David trekt cene wapenrusting aan, die hij echter
weer aflegt (38 v.); met stecnen in de tasch en den slinger in de hand gaat hij op den Filistijn los
(40 v.); deze vloekt hem met honende taal, maar David spreekt zijn vertrouwen op Jahwe uit (42—
47). Hij treft Goliath met een slingerstcen en slaat hem het hoofd af, waarop de Filistijnen vluchten,
door de Israëlieten vervolgd (48—52). De legerplaats der Filistijnen wordt geplunderd, en David
brengt Goliaths hoofd naar Jeruzalem (53 v.). Saul onderzoekt, wie de overwinnaar van Goliath is, en
Abner brengt David tot hem (55—58); Jonathan sluit een vriendschapsverbond met David; Saul
houdt hem aan zijn hof en stelt hem tot krijgsoverste aan (XVIII: 1—5).
Dit verhaal heeft wel tot het Oude Geschiedboek, maar niet tot de daarin opgenomen Geschiedenis
vau David behoord. Het laatste volgt hieruit dat het met het onmiddellijk voorgaande en volgende
op menig punt in onverzoculijkeu strijd is; zie op XVII: 14 v., 19, 25, 33 en XVIII: 5. Het is niet
ongeschonden tot ons gekomen, maar omgewerkt en uitgebreid (zie op XVII: 12—15, 13 en 14 v.), en
wel zoo dat wij niet altijd in staat zijn de oudere van de jongere bestanddcelen met zekerheid
te scheiden.
De inhoud is niet historisch: niet alleen omdat hier van Davids komst aan het hof ecno voor-
stelling wordt gegeven die met een ouder bericht (XVI: 14—23) geheel onvereenigbaar is (zie op
XVII: 19, 55—58 en XVIII: 2); maar vooral, omdat het hier aan David toegeschreven heldcnfeit, blij-
kens 2 Sam. XXI: 19 (verg. op 1 Kron. XX: 5), niet door hem, maar door zekeren Elhanan is vol-
bracht. Blijkbaar is hier de dichtende overlevering aan het woord, die David, den gevierden volks-
hcld, verheerlijken wil en het vertrouwen op Jahwe hoog boven het steunen op lichaamskracht en »>
penen verheft.
Bij de bewerking van dit stuk ontbreekt voor XVII: 12—31, 55—XVIII: 5 de hulp van de oor»
spronkelijko Grieksche vertaling; de Grieksche overzetting van deze verzen die wij in cenige hand-
schriften aantreffen is letterlijke vertaling van den tcgenwoordigcii Hcbrceuwschen tekst en eerst later
ingelascht. Het ontbreken der genoemde verzen in de oorspronkelijke Gr. vert. is hieruit te verklaren,
dat of de vertaler of de schrijver van het Hcbrceuwscho handschrift dnt hij overzette ze wegliet, als
in strijd met XVI: 13—23. Verg. op XVII: 12—15.
XVII: 1 De Filistijnen verzamelden hunne legers ten strijde en vereenigden
zich bij Socho dat tot Juda behoort; zij legerden zich tusschen Socho
2      en Azeka, te Efes-dammim.\' Ook Saul en de Israëlieten hadden zich
verzameld; zij legerden zich in het dal van de terebint en schaarden
3      zich in slagorde tegenover de Filistijnen.\' De Filistijnen stonden aan
1.   Verg. op XIV: 52. — Socho, Azeka. Zie op Joz. XV: 35 en 48. — dat — behoort, tot
onderscheiding van eene gelijknamige plaats; volg. Joz. XV: 35, 48 behoorden twee plaatsen met
den naam Socho tot Juda. — Efei-dammim, 2 Sam. XXIII: 9; 1 Kron. XI: 13 Pai-dammim, on-
bekend.
2.   //\'\'/ dal van de terebint, waarschijnlijk naar een of anderen heiligen boom aldus genoemd, komt,
behalve in dit hoofdstuk, nog XXI: 10 voor.
-ocr page 560-
1 samuki, XVII: 3—18.
640
den eenen, de Israëlieten aan den anderen kant tegen liet gebergte
4       aan, zoodat het dal tusschen beiden was.\' Toen trad uit «Ie slagorde
der Filistijnen een voorvechter op, met name Goliath, uit Gath, zes
5       el en eene span lang;\' een koperen helm op het hoofd, een gesohubden
kolder aan; die kolder had aan koper een gewicht van vijf duizend
G sikkelen;\' voorts koperen scheenplaten aan de beenen, en eene koperen
7       strijdknots over den schouder;\' de schacht zijner speer was als een
weversboom, en de spits zijner speer van zeshonderd sikkelen ijzer;
8       en zijn sehilddrager ging voor hein uit.\' Daar stond hij en riep de
slagorde van Israël toe: Waarom trekt gij uit om u ten strijde te
scharen l Ik ben immers de Filistijn, en gij zijt knechten van Saul l
9       Zoekt u een man uit die tot mij afkomt!\' Indien hij in den strijd
tegen mij opgewassen is en mij verslaat, zoo zullen wij u tot knechten
zijn; maar indien ik hem overwin en versla, zoo zult gij ons tot
lü knechten zijn en ons dienen.\' Voorts zeide de Filistijn: Ik tart heden
de slagorde van Israël: geeft mij een man, dat wij met elkander
11       strijden!\' Toen Saul en gansch Israël deze woorden van den Filistijn
hoorden, werden zij vervaard en vreesden zeer.
12            David was de zoon van een Efratheër. Deze was uit Bethlehem in
Juda en heette Izai. Hij had acht zonen en was ten tijde van Saul
13       reeds een oud man, hoogbejaard.\' De drie oudste zonen van Izai waren
Saul in den strijd gevolgd. Zijne drie zonen die ten strijde getrokken
waren heetten: de oudste Eliab, de tweede Abinadab en de derde
14       Sjanima;\' en David was de jongste. Toen dan de drie oudsten Saul
15       gevolgd waren,\' ging David telkens van Saul naar huis om de kudde
10 van zijn vader te Bethlehem te weiden.\' En de Filistijn trad eiken
morgen en avond toe en stelde zich in postuur, veertig dagen lang.
17           Eens zeide Izai tot zijn zoon David: Neem toch voor uwe broedera
deze maat geroost koren en deze tien brooden mede en breng het
18       ijlings in de legerplaats aan uwe broeders;\' en deze tien stukken melk-
kaaa moet gij den overste over duizend brengen. Vraag uwe broeders
4. tlagorde, volg. Gr. vert.; Hebr. t. legert. — een voorvechter, onzekere vertaling. De Hebreeuwsche
woorden beteekcucu letterlijk man van Je beiile midden* en duiden waarschijnlijk de krijgers aan die,
voordat de slag begon, voor het front van het leger traden, om den vijand uit te dagen tot een twcc-
gevccht. — Gath, eene der vijf Kilistijnsche steden; zie op Joz. XI: 22 en on XIII: 3. — zet el en
eene tpan,
8.41 meter.
. B. vijf duizend sikkelen, 81.85 kilo.
0. tcheniplaten, volgens andere klinkers; grondt, heeft het enkelvoud. — ttrijdknoit. Zie op Joz.
VIII: 18.
" 7. zethonderd tikkelen, 9.82 kilo.
8. Waarom — tcharenf Wat behoeft gij u nllen ten strijde toe te rusten? Wij kunnen de zaak ge-
makkelijker uitmaken, nl. door een tweegevecht. — de t\'ilitlijn, de Filistijn bij uitnemendheid. Deze
benaming voegt kwalijk in Goliaths mond; trouwens, dit geldt van de gcheele zinsnede. Ik — Saul f
Zoekt... uit,
volg. Cïr. vert. — a/komt, van de helling waar do Israëlieten geschaard wnren, V». 8.
Goliath was iu het dal afgedaald.
12—15. Deze verzen zijn zeer omgewerkt, ten einde den strijd tusschen dit verbaal en XVI:
1—13, 14—23 op te belten; verg. op va. 13, 14 v. Oorspronkelijk werd alleen verhaald dat Dnvids
broeders in het leger dienden en hij zelf de kudde zijns vaders weidde.
12. Van David wordt hier gesproken alsof over hein nog niet» was medegedeeld. — Kfralheêr —
Juda,
onzekere vertaling. Waarschijnlijk is een en ander iugelascht. Zie op Gen. XXXV : 11). — hoog~
bejaard,
volgons geringe tekstverbetering; grondt, gekomen onder de mannen.
18. In hot oorspronkelijke verhaal stond dat Izai behalve David slechts drie zonen had. Do om-
werker trachtte dit in overeenstemming te brengen mot XVI: 10—23 (verg. 1 Kron. 11:13—15);
vandaar de overlading in dit vers.
14 v. De afwezigheid der oudste broeders maakt het noodig dat David, die aan het hof is, telkens
te huis komt om de kudde te weiden; alsof hij dit werk bij tusschenpoozen kon doen! Zóo tracht de
omwerker overeenstemming te brengen tusschen XVI: 21, waar David reeds aan het hof verkeert, en
vs. 28, 34—37, waar hij nog herdersknaap bij zijn vader is.
lfl. veertig dagen, een langen tijd. Zio op Gen. VII: 4.
17. maat (Hebr. e/a), byua 40 litor. — geroost koren. Zie op lov. XXIII: 14.
-ocr page 561-
641
1 samubl XVII: 18—34.
19       naar hun welstand en neem van hen een pand in ontvangst.\' >Saul en
zij en alle Israëlieten zijn in het dal van de terebint aan het krijg
voeren met de Filistijnen.
20           Den volgenden morgen maakte David zich op, droeg de zorg voor
de kudde aan een oppasser over, laadde op en ging heen, zooals Izai
hem geboden had. Toen hij aan den legerwal kwam, trokken juist de
troepen uit om zich in slagorde te scharen en hieven zij het krijgs-
21       geschreeuw aan.\' Terwijl nu Israël en de Filistijnen tegenover elkander
22       hunne slagorden opstelden,\' droeg David de zorg voor zijn goed over
aan den oppasser der bagage en liep naar de slagorde. Daar gekomen,
23       vroeg hij zijne broeders naar hun welstand.\' En terwijl hij met hen
sprak, zie, daar trad de voorvechter, Goliath de Filistijn geheeten, uit
Gath, uit de slagorde der Filistijnen op en sprak als boven gezegd is.
24       David hoorde het.\' Alle Israëlieten namen bij het zien van den
25       man de vlucht voor hem en waren zeer bevreesd.\' En een Israëliet
zeide: Hebt gij dien man wel gezien die daar optreedt? Hij treedt op
om Israël te tarten; en de koning zal den man die hem verslaat rijk
begiftigen, hem zijne dochter geven en zijne familie van dienst vrij-
26       stellen in Israël.\' Toen zeide David tot de mannen die bij hem stonden:
Wat zal men den man doen die dezen Filistijn verslaat en de schande
van Israël wegneemt.\' Wie toch is die Filistijn, zoo\'n onbesnedene, dat
27       hij de slagorde tart van tien levenden God!\' Hierop antwoordde het
volk hem gelijk boven vermeld is: Zoo en zoo zal den man gedaan
28       worden die hem verslaat.\' Toen Eliab, zijn oudste broeder, hem tot
die mannen boorde spreken, ontstak hij in toorn tegen David en zeide:
Waartoe zijt gij hierheen gekomen en aan wien hebt gij de zorg voor
dat schamel kuddeke in de woestijn overgedragen? Ik ken uw over-
moed en uw boos hart; gij zijt hier gekomen om den strijd eens te
29       zien.\' David zeide: Wat heb ik nu gedaan ? Het was immers slechts
30       een woord.\' Hiermede wendde hij zich van hem af naar een anderen
kant met dezelfde vragen, en het volk gaf hem hetzelfde bescheid als
den eersten keer.
31            Maar wat David gesproken had werd gehoord en aan Kaul over-
32       verteld; waarop deze hem liet halen.\' David zeide tot Haul: Moge om
zijnentwil aan mijn heer de moed niet ontzinken; uw dienaar zal gaan en
33       strijden met dien Filistijn.\' Maar Saul zeide tot David: Gij kunt niet
losgaan op dien Filistijn om met hem te strijden; want gij zijt een
34       knaap, en hij is een krijgsman van jongs af.\' Hierop zeide David tot
Saul: Uw dienaar hoedde de schapen voor zijn vader; kwam dan een
19.   Hit de hier aan David gagBW inlichtingen blijkt dat hij hok niet wist waar het oorlogster-
rein was. Uit is in strijd met vs. 15, waar hij van het oorlogstcrrein naar Uethlehem telkens heen
en weer gaat, en met XVI: 21, waar hij Sauls wapendrager is.
20.  den legerwal, verschansing die men ter verdediging om het leger opstelde.
23. als boven gezegd il, vs. 84—10. Ecnc soortgelijke verwijzing vs. 27.
25. een Israëliet, volg. verb. t.; Hebr. t. de Israëlieten (leülen). — de koning — Itraël. Het ver-
haal vermeldt niet, in hoeverre Soul deze beloften jegens David is nagekomen. Volg. XVIII: 17—29
heeft Snnl bij andere gelegenheden zijno dochter uitgeloofd. — zijne familie van dienst vrijstellen, ont-
heffen van heerendiensten en leveringen voor bet hof en het leger. Zie VIII\'. 11—17; 1 Kon. IV: 7;
V: 18—18; IX: 22; 2 Kon. IV: 13; verg. l)eut. XXIV: 5.
20. David vraagt naar den bekenden weg, om de aandacht te trekken.
28.  De schrijver die Kliab op zulk ecne minachtende wijze David laat toespreken toont daardoor
geen kennis te dragen van het verhaal van Dnvids zalving in het midden zijner broeders (XVI: 13).
— dt woestijn. Zio op Kxod. 111:1.
29.  Het — woord. Ik maakte immers slechts een praatje.
31.  Hier wordt ondersteld, wat echter niet vermeld is, dat David zich had uitgelaten, den Filistijn
wel te lijf te durven gaan. — werd... oververteld, met verandering van klinkers.
32.  mijn heer, volg. Gr. vert. j Hebr. t. iemand.
33.  een instap. Dit is in strijd met XVI: 18, waar David reeds ceu geoefend krijger il.
O. T. I.                                                                                                                         41
-ocr page 562-
642                                      1 samubl XVII: 84-51.
35 leeuw of beer en sleepte die een schaap van de kudde weg,\' zoo ging
ik hein achterna, sloeg hem en reet het hem uit den muil; keerde
hij zich tegen mij, zoo greep ik hem bij den strot en sloeg hem dood.\'
30 Zoowel den leeuw als den beer heeft uw dienaar verslagen; en dien
Filistijn, dien onhesnedene, zal het als een van hen vergaan, want
37       bij heeft de slagorde getart van den levenden God.\' Voorts zeide David:
Jahwe, die mij redde uit leeuwenmuil en berenklauw, hij zal mij redden
uit de hand van dien Filistijn. Toen zeide Saai tot David: (la, en
Jahwe zal met u zijn.
38           Nu liet Baal David zijne kleederen aantrekken, zette hem een koperen
31) helm op het hoofd en deed hem een kolder aan;\' daarna gordde David
over zijne kleederen heen zich het zwaard aan. Maar hij deed vergeef-
Bche moeite om te gaan; want hij was het niet gewoon. Zoo zeide David
tot Saai: Ik kan hierin niet voort; want ik ben er niet aan gewoon.
40 Hij legde ze dus af,\' nam zijn stok in de hand, zocht vijf gladde
steenen in de beek op, deed ze in de weitasch, nam zijn slinger en
trad op den Filistijn toe.
42           Toen de Filistijn naar David keek en hem in bet oog kreeg, ver-
achtte hij hem, omdat bij een knaap was, een blozende jongen met
43       een fraai voorkomen.\' Daaroni zeide de Filistijn tot David: Ben
ik een hond, dat gij met een stok op mij afkomt/ En de Filistijn
44       venvenschte David bij zijne goden.\' Voorts zeide de Filistijn tot Davit!:
Kom maar op! Dan zal ik uw vleesch aan het gevogelte des hemels
45       en het wild gedierte geven.\' Maar David zeide tot den Filistijn: Gij
treedt mij tegen met zwaard, speer en strijdknots; maar ik treed u
tegen met den naam van Jahwe der heirscharen, den god van Israëls
40 slagorde, dien gij getart hebt.\' Heden levert Jahwe u aan mij over;
ik zal u verslaan, u het hoofd van den romp scheiden, en uw lijk,
benevens de lijken van het leger der Filistijnen, heden prijsgeven aan
bet gevogelte des hemels en de wilde dieren; opdat de gansche aarde
47 erkenne dat Israël werkelijk een god heeft,\' en deze gansche verga-
dering erkenne dat niet van zwaard of speer de overwinning afhangt,
maar dat de krijg Jahwe aangaat, die u in onze hand zal geven.
48, 41) Toen de Filistijn zich opmaakte en David te gemoet ging,\' stak
David de hand in zijne tasch, nam er een steen uit, slingerde dien
en trof den Filistijn in het voorhoofd. De steen drong door den helm
51 heen in het voorhoofd, en hij viel op zijn gezicht ter aarde.\' Ulings
liep David toe, ging op den Filistijn staan, nam diens zwaard, dat hij
uit de scheedè trok, doodde hem en hieuw er hem het hoofd mede af.
38. zijne kleederen, die van Saul.
3!>. hij — moeite, met omzetting van twee letters, volg. Gr. vert. j Hebr. t. hij besloot.
40. vijf. Zie on Gen. M.III ::tl. — de weitasch. In grondt, gaat hieraan vooraf in zijn herderizak
en,
waarschijnlijk ecne kantteckening tot verklaring van het ongewone Hebrceuwschc woord dat door
weitasch is vertaald. — Hebr. t. laat hierop volgen (41) De Filistijn kwam tteedt dichter bij David,
terwijl de schilddrager voor hem uit ging,
volg. Gr. vert. weggelaten. Hier wordt ondersteld dat Go-
liath Dnvid reeds gezien heeft, wat eerst in het volgende vers verhaald wordt.
43. een ttok, volg. Gr. vert., die er nog sieeni-n bijvoegt; Hebr. t. stokken.
45.  met den naam. Die naam is zijn wapen, omdat Jahwe de eer daarvan handhaven zal.
46.   iiir lijk, benevens, uit Gr. vert. ingevoegd.
47.  niet — afhangt, volg. verb. t.; grondt. Jahwe niet door zicaard of speer de overwinning geeft.
Verg. op Richt. VII: 1—8.
48.   ging. Hebr. t. laat nog volgen liep David ijlings naar de slagorde, den Filistijn te gemoet;
volg. Gr. vert. weggelaten.
49.   door — heen, uit Gr. vert. ingevoegd. — Op dit vers Iaat Hebr. t. nog volgen (50) Zoo be-
hield David de overhand over den Filistijn met slinger en steen; hij versloeg den Filistijn en doodde
hem zonderdat David een zwaard had;
volg. Gr. vert. weggelaten. De woorden zijn ingclascht om
duidelijk te doen uitkomen dat David geen zwaard had, wat in vi. 51 ondersteld, maar niet ge-
zegd wordt.
-ocr page 563-
643
1 samubi. XVII: 51—XVIII: 5.
Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, gingen zij op de
52       vlucht;\' en de mannen van Israël en Juda maakten zich op, hieven
een krijgsgeschreeuw aan en zetten de Filistijnen na tot hij Gath en
tot aan de poorten van Ekron; zelfs lagen er verslagen Filistijnen in
53       den poortgang.\' De Israëlieten, van het vervolgen «Ier Filistijnen terug-
54       gekeerd, plunderden hunne legerplaats;\' en David nam het hoofd van
den Filistijn en hracht het naar Jeruzalem, maar zijne wapenen legde
hij in zijne tent neder.
55           Toen Saul David den Filistijn zag te gemoet gaan, had hij tot Ahner,
den legeroverste, gezegd: Wiens zoon is die knaap, Ahner.\' waarop
Abner geantwoord had: Zoo waar als gij leeft, koning! dat weet ik
5(5 niet.\' lïierop zeide de koning: Vraag gij dan eens, van wien diejonge-
57       ling een zoon is.\' Toen nu David van het verslaan van den Filistijn
terugkeerde, haalde Abner hem en bracht hem, het hoofd van tien
58       Filistijn in de hand, voor Saai.\' Toen zeide Saul tot hem: Wiens zoon
zijt gij, knaap.\' waarop David antwoordde: Van uw dienaar Izai, den
Bethlehemiet.
XVIII: 1 Zoodra David zijn gesprek met Saul geëindigd had, voelde zich
Jonathan innig aan hem verbonden: hij kreeg hem lief als zich zei ven.\'
2       Saul nam hem te dien dage hij zich en liet hem niet naar zijns vaders
3       huis terugkeeren,\' en Jonathan sloot een verbond met David, daar
4       hij hem als zich zelven liefhad.\' Derhalve deed hij den mantel dien
bij omhad af en gaf dien aan David, desgelijks zijne kleederen met
5       zwaard, boog en gordel.\' David nu trok uit overal henen waar Saul
hem zond en was voorspoedig. Daarom stelde Saul hem over het krijgs-
volk aan, en dit was goed in het oog van het gansche volk, alsmede
van Sauls dienaren.
52. de mannen van Urai\'l en Juda. Zie op XI: 8. — Gath, volg. Gr. vort.; Ilebr. t. het dal. —
poortgang, overdekten wen in de poort. Niet slechts tot ann, maar tot in de poort zetten de lsrni\'lie-
tcn de Filistijnen na. Grondt, laat nog volgen tol Oalh en Ekron, dat geen zin geeft en daarom is
weggelaten.
54.  In dit vers komt een en ander voor dat onze aandacht verdient. De verhnler vergeet dat Jeru-
zalem
in dien tijd nog niet in de macht der Israëlieten was; zie 2 Sam. V : 0 v. Van Davids tent
kan alleen gesproken worden in de onderstelling dat hij in het leger diende; wat wel in XVI: 21,
maar niet in ons verhaal het geval is. Volg. XXI: II heelt David (ioliaths zwaard niet voor zich ge-
houden, maar is dit in het heiligdom te Nob iu bewaring gegeven. Hoogstwaarschijnlijk heeft dit vers
door overwerking veranderingen ondergaan.
55.   Abner. /ie op XIV: 50.
57. Het is alsof David dadelijk na Goliath gedood te hebben terugkeert en naar den koning gc-
bracht wordt. De schrijver vergeet dat deze toen de Filistijnen vervolgde, vs. 52.
2.  Volg. XVI: 22 was David reeds vroeger voorgoed aan het hof gekomen.
3.  verbond, van vriendschap; verg. XIX: 1—7; XX; XXIII: 10—1H; 2 Sam. IX; XXI : 7. — daar
— liefhail. Kr is alleen sprake van Jonathans liefde voor David. Dat llavid wederkecrig Jonathan
liefhad (2 Sam. 1:20) en bereidwillig de hem aangeboden vriendschap aannam, wordt niet gezegd,
maar stilzwijgend ondersteld.
4.  Door deze handelwijze verklaarde Jonathan David voor zijn boezemvriend.
5.  Helde — aan. Volgens vs. 13 is dit bij cene andere gelegenheid en met eene andere bedoeling
geschied.
HOOFDSTUK XVIII: 6—29.
David, Sauls schoonzoon. — Saul en David worden door de Israclictische vrouwen met muziek
en zang ingehaald (0 v.); Saul wordt ijverzuchtig op David, omdat deze meer verheerlijkt wordt dan
hij (8v.); hij werpt naar hem met de speer, doch David wijkt bijtijds ter zijde (10 v.). Dit vrees voor
David, verwijdert Saul hem van het hof door eene aanstelling tot krijgsoverste, maar wordt door
Davids wapenroem nog meer voor hem beducht (12—15), terwijl het gansche volk David lief krijgt
(10). Saul belooft hem, indien hij zich dapper gedraagt, zijne oudste dochter Mcrnb tot vrouw, maar
geeft haar, als hij zijne belofte zou moeten nakomen, aan ecu ander (17—19). Zijne dochter Miehal
vat liefde voor David op (20), en Saul, David een strik willende spannen, laat hem aansporen, om
hare hand te vragen (21 v.); als David bezwaar maakt wegeus zijue armoede, doet Saul hem weten
-ocr page 564-
1 samuel XVIII: 6—14.
644
dat hij geen niulcr bruidsgcschcnk hmïI dan het bewijs dat hij honderd Filistijnen verslagen heeft
(23—25); David levert dat bewijs en krijgt Michal tot vrouw (26); Saul wordt meer en meer voor
David bevreesd en hem vijandig (28 v.).
Dit stuk is uit hct/clfdc oude geschrift waaraan XVI: 14—23 ontleend is, maar hiervan niet het
onmiddellijk vervolg; zie op vs. 0.
Evenals bij II XVII, bestaat hier groot verschil tussehen den Hebrceuwschcu en den Griekschen
tekst. Hier evenwel is het niet, als daar, te verklaren uit verkortingen, door den Grickschcn vertaler
aangebracht, maar uit de onderstelling dat hij het verhaal in een oorspronkelijker vorm vóór zich
had. Immers, lezen wij alleen de verzen die de (ir. vert. heeft, vs. f>—Ka, 12a, 13—1G, 20, 21a,
22—2\'Ja, achter elkander, dan hebben wij ecu welsluitend geheel: Saul, jaloersch op Davids wapen*
rcH\'in. verwijdert hem van het hof, wordt, naarmate David meer de liefde des volks wint, meer voor
hem beducht, en tracht, door hem zijne dochter Michal tot vrouw te beloven, hem tot roekelooze
daden te prikkelen, opdat hij sneuvele. Iu deze verwachting echter teleurgesteld, moet hij zijne dochter
aan David tot vrouw geven en wordt meer en meer voor hem bevreesd. In dit verbaal nu, waarin wij
niets misscu, zijn iulasschiugeii ingevoegd door iemand die het wilde doen voorkomen dat Saul zijne
vijandschap tegen David reeds dadelijk openlijk aan deu dag gelegd en bovendien zich tegenover hem
aan woordbreuk schuldig gemaakt had.
XVIII: 6 Eens toen zij, nadat David de Filistijnen verslagen had, terug-
kwamen, trokken de vrouwen uit alle steden van Israël, zingende en
dansende, met tamboerijnen, vreugdebetoon en cimbalen, koning Saul
7       te gemoet.\' Kn de spelende vrouwen zongen een beurtzang en zeiden:
Verslagen heeft Saul zijne duizenden,
David zijne tienduizenden.
8       Dit woord nu was kwaad in het oog van Saul, en hij zeide: Zij
hebben David de tienduizenden gegeven en mij de duizenden! Nu ont-
9       breekt hem nog slechts het koningschap.\' En Saul zag David van dien
10       dag at\' met wantrouwen aan.\' Den volgenden dag kwam een booze
geest der godheid op Saul, en hij ging in zijn huis als een profeet te
keer. David nu tokkelde als naar gewoonte met zijne hand het speel-
11       tuig, terwijl Saul de speer in de hand had.\' Daar slingerde Saul de
speer en zeide: Ik zal David aan den muur steken. Doch tot twee
malen toe wendde David zich van hem ai\'.
12           En Saul werd bevreesd voor David; want Jahwe was met hem en
13       was van Saul geweken.\' Daarom verwijderde Saul hem van zich en
stelde hem tot overste over duizend aan. Zoo ging David ten aan-
14       schouwen van het volk uit en in;\' hij was voorspoedig in al wat hij
Vs. 7. XXI: 12; XXIX: 5.
0. I\'.ihx — terugkwamen, Saul cu David houden samen ecu zegepralenden intocht, nadat David de
Filistijnen overwonnen heeft. Het verhaal van die overwiuning ontbreekt en is zeker bij het opnemen
van XVII: 1—XVIII: 5 weggelaten. Men kan iu plaats v. de FilUlijnen ook vertulen den f\'ilütijn;
wat Goliath zou aanduiden. Onze vertaling strookt het best met vs. 7. — zingend* en dansende,
letterlijk om te zingen in dantrijen, volg. verb. t.; Hebr. t. om Ie zingen en de dantrijen.
8. Aan het begin van dit vers heeft Hebr. t. nog En Saul ontstal zeer; weggelaten volg. Gr. vert.,
met welke ook iu hel oog van Saul iu pi. v. in zijn oog gelezen wordt.
9—11. Deze verzen zijn, soms woordelijk, ontleend aan XIX : 9 v.; doch terwijl zij daar volkomen
op hunuc plaats zijn, passen ze hier niet: de oaustclliiig van David tot krijgsoverste (vs. 13) wordt
onverklaarbaar, als daaraan het bericht voorafgaat dat Saul zijne vijandige gezindheid tegen hem
reeds openlijk getoond heeft.
10.  alt een profeet. Profeten stelden zich in hunne godsdienstige opgewondenheid vaak als razendcu
aan; verg. op 2 Kon. IX: 11.
11.  Doek — af. De bedoeling is niet recht duidelijk. Het kan bctcekenen: Saul slingerde de speer
tweemaal, en David is het twee keeren ontkomen; maar ook: David heeft zich bij die éene gelegenheid
tweemaal afgewend. Het waarschijnlijkste echter is dat de schrijver wil zeggen: hij is niet slechts eens
(II. XIX), maar bij twee gelegenheden aan Sauls aanslagen ontkomen. In dit geval heeft hij zich zeer
onnauwkeurig uitgedrukt.
13. Kene andere voorstelling vs. 5: daar wordt David wegens zijne verdiensten tot krijgsoverste
bevorderd. — Het middel, door Saul aangewend om David van het hof te verwijderen, bewijst dat
Saul zijne vrees en ijverzucht nog niet openlijk durfde tonnen ; anders vs. 9—11. — Zoo — uil en in,
d. i. zoo voerde hij het volk ten strijde en weder huiswaarts.
-ocr page 565-
1 samobl XVIII: 14—29.
G45
15       ondernam, en Jahwe was met hem.\' En toen Saul zag hoe hoogst
16       voorspoedig hij was, werd hij voor hem beducht; \' terwijl geheel Israël
en Juda David liefhad, omdat hij te hunnen aanschouwen uit- en inging.
17           Eens zeide Haul tot David: Zie, mijne oudste dochter Merab zal ik
u tot vrouw geven; betoon u slechts een dapper man en voer de oor-
logen van Jahwe. Want Saul dacht: Laat niet mijne hand, maar die
18       der Filistijnen tegen hem zijn.\' Maar David zeide tot Saai: Wie ben
ik en wat is het geslacht mijns vaders in Israël, dat ik des konings
19       schoonzoon zou worden?\' Toen echter Merab, »Sauls dochter, aan David
gegeven moest worden, werd zij tot vrouw gegeven aan Adriël, den
Meholathiet.
20           Maar Michal, Sauls dochter, vatte liefde voor David op, en toen dit
21       aan iSaul werd medegedeeld, stond het hem wel aan;\' hij dacht: Ik
zal haar aan hem geven, opdat zij hem ten valstrik worde en de hand
der Filistijnen tegen hem zij. Zoo zeide Baal tot David: Heden zult
22       gij door huwelijk met de tweede mijn schoonzoon worden.\' Daarom
gelastte hij zijnen dienaren: Spreekt eens met David in vertrouwen
en zegt: Zie, de koning heeft behagen in u, en al zijne dienaren hebben
23       u lief; tracht dan \'s konings schoonzoon te worden.\' Maar toen de die-
naren van Saul alzoo tot David spraken, zeide deze: Is het in uw oog
eene kleiuigheid, \'s konings schoonzoon te worden.\' Ik ben toch slechts
24       een arm en gering man.\' En 8auls dienaren deelden hem mede: Zoo
25       en zoo heeft David gesproken.\' Hierop zeide Saai: Gij moet aan Davit!
zeggen: De koning verlangt geen anderen koopprijs dan honderd voor-
huiden van Filistijnen, om wraak te nemen op \'s konings vijanden.
Saul toch had overlegd, David door de hand der Filistijnen te doen
20 vallen.\' Toen nu zijne dienaren dit aan David overbrachten, stond
het hem wel aan, \'s konings schoonzoon te worden. Voordat de tijd
27       verstreken was\' maakte hij zich op en ging heen met zijne mannen,
versloeg tweehonderd man onder de Filistijnen, bracht hunne voor-
huiden mede en telde ze den koning voor, om zijn schoonzoon te
28       worden. Hierop gaf Saul hem zijne dochter Michal tot vrouw.\' Maar
toen Saai zag en bemerkte dat Jahwe met David was en gansch Israël
29       hem liefhad,\' werd hij nog meer voor David bevreesd. Zoo was Saul
David voortdurend vijandig.
17—10. Dut deze verzen, <liu in Gr. vert. ontbreken, niet tot het oorspronkelijke verhtuil belmoren
blijkt hieruit dat zij niet het vervolg in strijd zijn (zie op va. 22 v.). Zij zijn iiigclnscht om, tegenover
vs. 27, waar Saul de belofte zijne doehtcr aan David te geven nakomt, hem de smet van de sehending
eener dergelijke toezegging aan te wrijven.
17.   Merab. Zie op XIV : 40.
18.  wat it. Hierna heeft Hebr. t. nog mijn heen, wat, als onverstaanbaar, volg. Gr. vert. is weg-
gelaten.
10. den Meholathiet. Over Mehola, gewoonlijk Abel-mehola, zie op 1 Kon. IV: 12.
21. opdat — zij. Zie vs. 25. — Zoo — Korden. Deze woorden zijn van den omwerkcr. De inlas-
sching was noodig na de invoeging van vs. 17—10, doch is iu strijd met het vervolg, waar David
van dezen voorslag van Saul blijkbaar niets weet en door de hovelingen des konings moet worden
aangespoord om Michnls hand te vragen; zie verder op vs. 22 v. — met de tweede, volg. verb. t.;
Hebr. t. met twee.
22 v. Noch de dienaren van Saul noch David hadden zoo kunnen spreken, indien het in de inlas-
sehing, vs. 17—10, verhaalde ware voorafgegaan.
25. koop/irij». Zie op Gen. XXXIV : 12. — voorhuiden. Daar de filistijnen onbesiicdcncn waren, kon
hierdoor worden bowozon dat de gcsucuvoldcu werkelijk tot de Filistijnen behoorden.
20. Voordat — was. Deze zinsnede, die in Gr. vert. ontbreekt, dient, evenals de verandering in
het volgende vers, om Davids hcldeiifcit te vorgrooten: binnen den door den koning gestelden termijn
doodde hij eens zooveel vijanden als deze gecisuht had.
27.  tweehonderd. Gr. vert. heeft houdird. Waarschijnlijk is de verdubbeling van den omwerker. —
telde... voor, volg. verb. t.; grondt, hoeft het meervoud.
28.  gamek lirai\'l, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Michal, Sault dochter.
20. Verg. vs. 12, 15.
-ocr page 566-
(546                                  1 bamuhl XVIII: 30-XIX : 7.
HOOFDSTUK XVIII: 30—XIX : 24.
Siiul» nnnslngcn op Dnvid* leven ; Dnvids vlucht. — Als David voorspoedig is in den strijil met de
Filistijnen, miinkt Snul zijn voornemen bekend David te dooden (XVIII: 30; \\l\\: U . Jonathan
waarschuwt hem, belooft hem zijne voorspraak (14—3) en weet zijn vader weder gunstig te stemmen
(1—o); loodst Dnvid aan het hof terugkeert (7). Ijverzuchtig op Dnvids steeds stijgeuden oorlogsroem,
zoekt Snul hein met zijne speer te treilen (K—10); Michal laat Dnvid ontsnappen (11 v.), misleidt de
boden van Snul (13—10), cu verontschuldigt zich hierover bij dezen (17). David vlucht naar
Hama tut Samucl (18); Snul zendt, tut drie keeren toe, boden uit om hem gevangen te nemen, maar
dezen profetccren met de profeten (19—21); hij zelf gaat, maar wordt eveneens door profetische geest-
vervoering unngegrcpcii (22—24<i); vandaar het woord: Is Saul ook ouder de profeten? (214).
Het eerste gedeelte van dit stuk, XVIII: 30—XIX: 17, waarin verhaald wordt, hoc Saul, nn eerst
gepoogd te hebben in het geheim Dnvid uit den weg te ruimen, zich meer cu meer door zijne ijver-
zucht zoo huit bchccrschcn dat hij hem openlijk nuar het leven staat, is, met uitzondering van enkele
woorden (zie op rs. 5), het vervolg van XVIII :0—29 en, evenals dit, aan de Geschiedenis vnu David
ontleend, liet overige, vs. IS—24 behalve XVI: 1—13 het cenigc bericht waarin Samucl en David
met elkander in aanraking komen, is van een veel jongeren schrijver. Het wil lccreu, hoc Jahwe bij
machte is zijn gunsteling te beschermen (zie op vs. 20), en tevens het ontstaan van het spreekwoord:
Is Snul ook onder de profeten? verklaren; verg. op vs. 24.
XVIII: 30 De vorsten nu der Filistijnen trokken uit, en zoo dikwijls zij uit-
trokken was David voorspoediger dan al de dienaren van Saul, zoodat
XIX: 1 zijn naaiu zeer beroemd werd.\' Daarom sprak Saul tot zijn zoon
Jonathan en al zijne dienaren er over, David ter dood te brengen.
2       Maar Jonathan, Sauls zoon, had groot behagen in David;\' dies bracht
hij het aan David over en zeide: Mijn vader Saul zoekt u te dooden.
Neem u dus in acht, zet u morgen ochtend op eene verborgen
3       plaats neder en houd u schuil;\' dan zal ik naar buiten gaan en naast
mijn vader blijven staan op het veld waar gij u bevindt; ik zal over
u tot mijn vader spreken, zien hoe het staat en liet u overbrengen.\'
4       En Jonathan deed voor David een goed woord bij zijn vader Saul en
zeide tot hem: De koning bezondige zich toch niet aan zijn dienaar
David; want hij heeft niet tegen u gezondigd en zijne daden zijn u
5       tot groot voordeel geweest.\' Hij heeft zijn leven op het spel gezet en
den Filistijn verslagen; zoodat Jahwe door hem eene groote zege aan
gansch Israël verschaft heeft, (jij hebt het gezien en er u in verheugd.
Waarom zoudt gij u dan aan onschuldig bloed bezondigen, door zonder
(i reden David te dooden.\'\' En Saul luisterde naar Jonathan en zwoer:
7 Zoo waar als Jahwe leeft, hij zal niet ter dood gebracht worden.\' Toen
ontbood Jonathan David en deelde hem al deze woorden mede. Daarna
bracht hij David tot Saul, voor wien hij verkeerde als gisteren en
eergisteren.
1—7. Deze verzen gnnn vnu de onderstelling uit dat Saul van Jonathans vriendschnp voor David
niets weet; zij zijn dus vnu een anderen schrijver dan XVIHïl—5 (verg. XX:8), wnnr dit wel het
geval is. Daarentegen vertoonen zij groote overeenkomst met II. XX : zoo hier als daar springt Jona-
thnu bij Snul voor Dnvid iu de bres, cu heeft eene vooraf beraamde ontmoeting vnu de beide vrienden
op het veld plaats. Ons vcrhnnl staat echter bij het andere in duidelijkheid en aanschouwelijkheid van
voorstelling ver nchter (zie op vs. 2 v.) en is waarschijnlijk door den schrijver naar aanleiding daarvan
opgesteld.
1. «lijkbaar wordt bedoeld dat Saul zijne vijandige gezindheid tegen David thans voor het eerst
in den kring zijner hovelingen uitspreekt; straks, vs. 9—17, legt hij te dezcu aanzien alle tcrughou-
ding af en behandelt David openlijk als zijn tegenstander. Volgens den omwerkcr van XVIII: 6—29
had hij dit reeds vroeger gedaan.
2 v. De vuorstelling is zeer onduidelijk: het is niet iu te zien, waarom Jonathan het gesprek met
zijn vader moet houden in de nabijheid van de schuilplaats van David, daar deze volg. vs. 7 hen
toch niet verstaan kon. Zie op vs. 1—7.
3. hoe het slaat, volg. (ir. vert.; Hebr. t. wal.
5. De hier en elders (XXI: 10; XXII: 104, 13) voorkomende herinnering aan XVII: 1—X VI11 : 5
bewijst, dat de samensteller, die dat stuk met de Geschiedenis van David (zie inl. op XVI : 14—28)
verbond, met het oog daarop hier en daar wijzigingen in het oude geschiedverhaal heeft aangebracht. —
door hem, volg. Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 567-
1 samubl XIX: 8—21.
647
8           Toen de oorlog opnieuw uitbrak, trok David uit, streed niet de
Filistijnen en richtte eene groote slachting onder hen aan, zoodat zij
9       voor hem vluchtten.\' Nu kwam een booze geest van Jahwe op Saul,
terwijl hij, de speer in de hand, in zijn huis zat en David het speeltuig
10       tokkelde.\' Saul trachtte David met de speer aan den muur te steken,
maar hij week uit voor Saul, zoodat deze de speer in den muur slin-
11       gerde. Zoo vluchtte David en ontkwam.\' Doch in denzelfden nacht
zond Saul boden naar het huis van David, om er liet oog op te houden,
ten einde hem den volgenden morgen te dooden. Maar Michal, Uavids
vrouw, deelde het hem mede en zeide: Indien gij van nacht uw leven
niet in veiligheid brengt, zult gij morgen ter dood gebracht worden.\'
12       En Michal liet David door een venster naar beneden, waarna bij op
13       de vlucht ging en ontsnapte.\' Hierop nam Michal den huisgod en
legde dien in het bed, legde den geitenharen doek aan het hoofdeinde
14       en dekte hem met de sprei toe.\' Toen nu Saul boden zond om David
15       gevangen te nemen, zeide zij: Hij is ziek.\' Daarop zond Saul de boden
om David te zien en gaf hun den last mede: Haalt hem op het bed
16       hierheen, opdat ik hem doode.\' De boden kwamen binnen, en daar
lag waarlijk de huisgod op het bed, met den geitenharen doek aan
17       het hoofdeinde!\' En Saul zeide tot Michal: Waarom hebt gij mij zoo
misleid en mijn vijand laten gaan, zoodat hij ontsnapt is? Hierop zeide
Michal tot Saul: Hij zelf zeide tot mij: Help mij om weg te komen;
anders dood ik u.
18           Toen David op de vlucht gegaan en ontkomen was, kwam hij bij
Saniuel te IJama en verhaalde hem alles wat Saul hem gedaan had.
Hij ging met Saniuel mede, en samen namen zij hun intrek in het
19       profetenhuis te Barna.\' Zoodra men aan Saul had medegedeeld: Zie,
20       David is in liet profetenhuis te llama —\' zond hij boden uit om David
gevangen te nemen. Maar toen zij de schare van profeten zagen, pro-
feteerend, Saniuel als voorganger aan hun hoofd, kwam de geest Gods
21       op de boden van Saul en profeteerden zij mede.\' Toen men dit aan
9 v. Dit is blijkbaar de eerste keer dat Saul met de speer naar David werpt. Had de schrijver
XVlII:10v. (zie inl. op XVIII: 6—29) gekeud, dan zou hij dit op de eene of andere wijze hebben
aangeduid.
9. Zie op XVI: 14.
11. Verg. Ps. LIX: 1. — Doch (volg. Gr. vcrt. ingevoegd) in denzelfden nacht. Dit is in Hcbr.
t. hij vs. 10 gevoegd. — houden. Hcbr. t. laat volgen en, dat volg. Gr. vert. is weggelaten. Immers
moesten de boden David niet ter dood brengen (verg. vs. 15), maar alleen verhinderen dat hij ont-
snapte. Waarom zij hem niet \'s nachts uit zijn huis halen, wordt niet gezegd.
18. huisgod. Zie op Gen. XXXI: 34. — geitenharen doek, zeer onzekere vertaling. Het voorwerp
moest blijkbaar dienen om het boveneind van den huisgod gedeeltelijk te verbergen, zoodat men het
voor ecu menschenhoofd kon aanzien.
14.  zeide zij, wijzende op het bed waarin de huisgod lag.
15.   Dat de boden van hunne bevinding aan Saul bericht gaven wordt hier cu vs. 17 niet vermeld,
maar als vanzelf sprekend ondersteld. — om David te zien, en zich dus met eigen oogen te overtuigen
dat Michal waarheid had gesproken.
16.  Nu de boden om het bed mede te nemen er dicht bij moeten komen, ontdekken zij de mislci-
diug; den eersten keer, vs. 14 — dit schijnt bedoeld te zijn — had Michal het hun uit de verte
laten zien.
17.   Het vervolg van het verhaal vinden wij XXI! 1 vv.
18.   Rama, Zie op 1:1. — het profetenhuis (te Itama is volg. Gr. vcrt. ingelnscht), letterlijk de woning,
het verblijf.
Ken dergelijk huis was waarschijulijk ook te Gibca, X : 5 v., 10—12, zeker te Gilgal,
2 Kon. IV : 38—11; VI: 1—7. Waarschijnlijk was het de gemeenschappelijke woning van profeten,
tevens de plaats waar zij, dikwijls onder leiding van een bekend profeet, hunne geestelijke ucfoningen
hielden; verg. op 1 Sam. X: 5.
20. zagen, volg. Gr. vort.; Hebr. t. zag. — profeteerden zij mede, wierpen de klecderen van zich,
sprongen als razendcu en uitten in hartstochtelijke taal hun eerbied voor Jahwe en zijne trouwe die-
naren. Daar geestdrift aanstekelijk is, is het hier verhaalde zeer licht te verklaren. De schrijver wil
daarmede oantooncn, hoc machtig Jahwe is, die eerst de dienaren van den vervolger zijns guiistelings,
straks hem zelvcu, door werking van zijn geest hun boos opzet doet vergeten, ja, hen tijdelijk van
vijanden in vrienden verandert.
-ocr page 568-
1 samukl XIX: 21—XX: 4.
648
Saul deed weten, zond hij andere boden; maar ook zij profeteerden.
Nog eenmaal, voor den derden keer, zond Saul hoden; maar ook dezen
22 profeteerden.\' Nu ging Saul, in toorn ontstoken, zelf naar Barna. Bij
den grooten put in Sechu gekomen, vroeg hij: Waar zijn 8amuel en
2«J David? Men antwoordde hem: In het profetenhuis te Barna.\' Zoo ging
li ij van daar naar het profetenhuis te Rama. Maar ook op hem kwam
de geest Gods, en hij profeteerde onderweg al voortgaande, totdat hij
24 in het profetenhuis te Barna kwam.\' Ook hij trok zijne kleederen uit,
profeteerde insgelijks voor liet aangezicht van Samuel, viel neder en
bleef dien ganschen dag en nacht naakt liggen. Daarom zegt men:
Is Saul ook onder de profeten?
22.  i» toorn ontatoken, uit Gr. vert. ingevoegd. — Sechn, onbekend; Gr. vert. Se/i, dat «open plek\'
kan beteckenen.
23.  van daar, volg. Gr. vert.; Ucbr. t. daar.
24.   Verg. X : 5 v. — naakt. Zie op Jcz. XX : 2. — Daarom — profeten f Ecnc andere verklaring
van den oorsprong van dit spreekwoord X : 10—12. Welke van beide de ware in, blijft onzeker. Het
spreekwoord onderstelt alleen dat .Saul bekend stond als ecu man dien men in het gezelschap van
profeten niet zou verwachten. Het bedoelt dus niet ecne blaam op Saul te werpen, zooals dan ook in
II. X niet geschiedt. In ons verhaal daarentegen verkrijgt het een voor Saul ongunstigen zin en brand-
merkt hem als een den profeten vijandig en daarom ongodsdienstig man.
HOOFDSTUK XX.
Jonathan en David. — David openbaart aan Jonathan zijne vrees dat Saul hem wil dooden (1—8),
cu verzoekt hem, uit te vorsehcu hoe zijn vader jegens hem gezind is (I—8); Jonathan belooft, dit
te doen en hem in elk geval zijne bevinding mede te dcclcn (9—13), smeekt voor zich en de zijnen
om Davids gunst, als deze koning zal wezcu (11—16), en zweert hem trouw (17). Jonathan stelt een
teckeu waardoor hij David zal doen weten hoc Saul jegens hem gezind is (18—28). Als David tot
twee keeren toe aan \'s konings tafel gemist wordt, vraagt Saul aan Jonathan naar de reden (21—27),
waarop deze een ontwijkend antwoord geeft (28 v.); Saul heft, in toorn ontstokcu, de speer op tegen
Jonathan, die gramstorig de tafel verlaat (30—34). Hij geeft aan David door het afgesproken teckeu
te kennen dat hij moet vluchten (35—39), en neemt daarna afscheid van hem (40—43).
Dit verhaal is van een schrijver die blijkbaar goed ingelicht was omtrent den tijd waarover hij
handelt. Het is dus waarschijnlijk vrij oud, maar heeft toch oorspronkelijk geen deel van het Oudo
Geschiedboek uitgemaakt; want het is met de daar gegeven voorstelling van Davids vlucht(XIX: 1—17)
in menig opzicht in strijd; zie op vs. 2, 0 v. en 2(1. Later is het, met andere stukken vau verschillenden
ouderdom, daarin opgenomen en is de eerste helft van vs. 1 en vs. 134—10 ingclascht.
XX: 1 Uit het profetenhuis te Barna gevloden, kwam David tot Jonathan
en zeide tot hem: Wat heb ik gedaan, wat is mijne schuld, wat mijne
zonde in het oog van uw vader, dat hij mij naar het leven staat?\'
2       Hij zeide tot hem: Spreek zoo niet! Gij zult niet sterven. Zie, mijn
vader pleegt niets te doen, groot noch klein, zonder liet mij te open-
baren; waarom zou hij dan deze zaak voor mij verborgen houden?
3       Het is niet waar.\' David hernam: Uw vader weet zeer goed dat ik
gunst in uw oog gevonden heb; daarom denkt hij: Laat Jonathan dit
niet weten, opdat hij liem niet waarschuwe. Maar zoo waar als Jahwe
leeft en gij zelf leeft! er is slechts eene schrede tusschen mij en den
4       dood.\' Toen zeide Jonathan tot David: Wat verlangt gij zelf dat ik
1.  De eerste woorden van dit vers dienen om dit hoofdstuk met het voorgaande te verhinden;
zie lul.
2.  De hier door Jonathan uitgesproken twijfel aan de boozc plannen zijns vaders is, evenals Davids
onzekerheid daaromtrent, volkomen onbegrijpelijk, niet alleen na XIX: 18—24, waar David reeds ge-
vlucht is en Saul hem vervolgt, maar ook na XIX : 1—17, waar David de vlucht neemt nadat Saul
een aanslag op zijn leven heeft gedaan; zie ook XIX: 1. Blijkbaar is de schrijver van dit hoofdstuk
een ander dan die van genoemde verhalen.
3.  hrrnam, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zwoer. — Uur — neb. Dit wist Saul volg. XIX : 1—7 nog
niet; zie tmul. aldaar. — lum niet waarachuwe, grootendccls volg. Gr. vert.; Hebr. t. geen leed hebbe.
4.  verlangt, volg. Gr. vort.; Hebr. t. zegt.
-ocr page 569-
649
1 SAMUBL XX: 4—17.
5       voor u doe ?\' Hierop antwoordde David Jonathan: Zie, het is morgen
nieuweiuaan, en ik moet volstrekt met den koning aanzitten. Doch
laat mij gaan! Ik zal mij tot overmorgen avond opliet veld verschuilen.\'
6       Indien uw vader, wat wel zeker is, mij mist, moet gij zeggen: David
heeft mij dringend verlof gevraagd, een vluchtig bezoek aan zijne
vaderstad Bethlehem te brengen, omdat daar het jaarlijksch offer voor
7       zijn gansehe geslacht gebracht wordt.\' Zegt hij dan: Het is goed —
zoo heeft uw dienaar niets te vreezen; maar als hij in toorn ontsteekt,
houd n dan overtuigd dat van zijn kant het onheil vast besloten is.\'
8       Betoon dan goedertierenheid aan uw dienaar; want gij hebt met uw
dienaar een bij Jahwe bezworen verbond gesloten. Heb ik werkelijk
schuld, dood gij mij dan zelf. Waarom zoudt gij mij tot uw vader
9       brengen.\'\' Toen zeide Jonathan: .Spreek zoo niet! Ik zal zeker en vast,
zoodra ik overtuigd ben dat van mijns vaders kant het onheil over u
10       besloten is, het u doen weten.\' Nu zeide David tot Jonathan: Wie
zal het mij mededeelen, indien uw vader u een hard antwoord geeft ?\'
11       Toen zeide Jonathan tot David: Kom, laat ons naar buiten gaan, het
veld in. Nadat zij nu samen naar buiten gegaan waren, het veld in,\'
12       zeide Jonathan tot David: Jahwe, de god van Israël, is getuige, dat
ik morgen of overmorgen mijn vader zal uitvorschen. Bemerk ik dan
dat hij David gunstig gezind is en zend ik u geen bericht om bet u
13       te openbaren,\' dan moge Jahwe aan Jonathan zóo, ja meer nog, doen!
Indien het echter mijn vader goeddunkt dit onheil over u te brengen,
zal ik eveneens het U openbaren en maken dat gij ongedeerd wegkomt.
14       En Jahwe zij met u, zooals hij met mijn vader geweest is.\' Moogt
gij, indien ik dan nog leef, Jahwe\'s goedertierenheid aan mij bewijzen,
15       en indien ik gestorven ben,\' uwe goedertierenheid niet aan mijn huis
onttrekken tot in eeuwigheid! Moge zoo, wanneer Jahwe Davids vijanden
lb\' allen van den aardbodem afrukt,\' de naam van Jonathan niet losgerukt
worden van het huis van David! Jahwe zal het thuis zoeken bij David!\'
17 En Jonathan bezwoer David nog meer, bij zijne liefde voor hem; want
hij had hem lief als zich zelven.
5.  nieuwemaan. Zie op Num. XXVI1I:11—15. Uit onze plaats blijkt dat ilie dag reed» van oudsher
feestelijk gevierd werd; verg. op v». 0. — ik — aanzitten. David, de dagclijkschc gast aan \'» koning»
tafel (v». 25—28), wordt bij gelegenheid van het feest der nienwemaan aldaar stellig verwacht. —
overmorgen avond, volg. verb. t.
6 v. Verg. op vs. 2.
6.  daar — gebracht. Het gebruik zulk een jaarlijksch familicolfer te brengen — natuurlijk met
daarop volgenden maaltijd — is in de oudheid algemeen.
8. een — verbond. Zie XVIII : 8 v.; dat het verbond onder aanroeping van Jahwe\'s naam gesloten
werd wordt daar niet gezegd, maar spreekt vanzelf.
!). Ik — weten. Dat Jonathan in geval Saul zich gunstig over David uitliet hem dit eveneens zou
doen weten wordt niet vermeld, omdat het vanzelf sprak.
10. indien, volg. Gr. vert.
12.  U getuige, ingevoegd volg. Gr. vert. — of, volg. Lat. vert. ingevoegd.
13.  dan — doen\'. Zie op Kuth 1:17. —goeddunkt, met verandering van klinker». — te brengen,
uit Gr. vert. ingevoegd. — En Jahwe — it. Jahwe makc u koning, zooal» hij het mijn vader gedaan
heeft. Deze woorden, en vooral de in vs. 14—16 volgende, verwachten wij hier niet: waar de vrienden
beraadslagen over de beste wijze om het doodsgevaar dat David dreigt af te wenden, is het minsten»
vreemd dat Jonathan van Davids aanstaande verheffing al» van iets ontwijfelbaar zeker» spreekt;
voort» missen wij noodc David» antwoord op het verzoek van Jonathan in vs. 14, 15a, en eindelijk
slaat vs. 17 niet op het onmiddellijk voorgaande, maar op vs. 12, 13a terug. Waarschijnlijk is vs.
134—16 met het oog op XVI: 1—13 ingclascht.
14—16. In deze verzen zijn enkele vcrandcriugcu volg. Gr. vert. aangebracht.
15 v. Moge zoo — David! David moge, als hij koning is, Jonathans nakomelingen al» leden zijuer
eigene familie behandelen; zie 2 Sam. IX: 6—13. Oostersche vorsten plachten bij hunne troonsbestij-
ging de nog in leven zijnde leden van een vroeger huis uit den weg te ruimen ; verg. 1 Kon. 1: 12.
Een dergelijk verzoek doet Suul aan David XXIV : 21 v.
16. Jahwe — David! volg. verb. t.; grondt. Jahwe — de vijanden van David! 1\'it vrees dat men
over het hoofd van den gcccrdcn koning een vloek zou uitspreken, werd hot woord de vijanden van
-ocr page 570-
650
1 samubi, XX: 18—33.
18            Voorts zeide Jonathan tot hem: Morgen is het nieuwemaan. Dan
19       zult gij gemist worden, als uwe zitplaats onhezet blijft.\' En overmorgen
zult gij zeker gemist worden. Begeef\' u dan naar de plaats waar gij u
op den bewusten dag hebt verscholen, en zet u bij den steenhoop aldaar
20       neder.\' Dan ga ik den dag daarna met pijlen schieten om het wit te
21       treffen,\' en zal den jongen gelasten: Ga en zoek den pijl op. Zeg ik
dan uitdrukkelijk tot den jongen: Zie, de pijl ligt van u af, hier naar
toe, raap hem op — kom dan; want dan zijt gij veilig en is er geen
22       gevaar, zoo waar als Jahwe leeft!\' Maar zeg ik tot den jongen: Zie,
de pijl ligt van u af, verder — ga dan heen; want dan zendt Jahwe
23       u weg.\' En wat wij met elkander hebben besproken, dat zal tusschen
24a mij en u blijven bestaan voor altijd.\' Toen ging David op het veld
zich verschuilen.
24è
        Toen het nu nieuwemaan was, zette zich de koning aan tafel om
25 te eten.\' Naar gewoonte nam hij zijne zitplaats tegen «len muur in;
Jonathan zat tegenover hem, Abner naast hem, en de plaats van David
2(5 bleef ledig.\' Maar »Saul zeide er dien dag niets van; want hij dacht:
27       Hem zal iets overkomen zijn waardoor hij niet rein is.\' Toen echter
daags na de nieuwemaan Davids plaats weder ledig stond, zeide Haul
tot zijn zoon Jonathan: Waaroni is de zoon van Izai gisteren noch
28       heden aan tafel gekomen!\' Jonathan antwoordde !"?aul: David heeft mij
29       dringend verzocht naar Bethlehem te mogen gaan.\' Hij zeide: Laat
mij toch gaan; want wij hebben een familieoffer in de stad, en mijne
broeders hebben mij daartoe opontboden. Laat mij dus/, indien ik gunst
in uw oog gevonden heb, stillekens heengaan, om mijne broeders te
30       bezoeken. Daarom is hij niet aan \'s konings tafel verschenen.\' Toen
ontstak fNiul in toorn tegen Jonathan en hij zeide tot hem: Gij vage-
bondenkind! zou ik niet weten dat gij met den zoon van lzai samen-
31       spant, tot schande voor u en voor de schaamte uwer moeder.\'\' Want
zoolang de zoon van Izai op den aardbodem in leven blijft, zult gij
zelf en zal uw koningschap geen vastheid hebben. Laat hem dus hier-
32       heen halen; want hij is een kind des doods.\' Jonathan antwoordde zijn
vader Saul en zeide tot hem: Waarom zou hij ter dood gebracht wor-
33       den? Wat heeft hij gedaan?\' Maar >Saul slingerde zijne speer tegen
er in geschoven. Desgelijks XXV : 22, waar Gr. vert. het mist; hier is het ook in haar tekst inge-
vocgd. Verg. nog 2 Sam. XII : 14.
10. zult gij... gemist worden, volg. Gr. vert. j Hcbr. t. zult gij... afgaan. — op den benmslim dag,
zeer onzekere vertaling; letterlijk op dm dag van het werk of van dn onderneming; misschien wordt
hiermede gedoeld op XIX :1—7. — den steenhoop aldaar, volg. Gr. vert.
20.  Dan — schieten. Daar zeer onzekere tekstverbetering.
21.  den pijl, hier en in het volgende vers volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de pijlen.
22.   irant — weg, is het Jahwe\'» wil dat gij heengaat.
23.  wal — besproken, het door ons aangegaan verbond; verg. op vs. 8. — sol... blijven bestaan,
volg. verb. t.; grondt. Jahwe.
25.  den muur, zeker den achtermuur der zoal, tegenover den ingang, dus de ccrcplaats. — zal tegen-
over hem,
volg. Gr. vert. j Hebr. t. stond op.
26.   Het wegblijven van David wekt bij Saul nog geen nrgwnan; hij verwacht hem blijkbanr den
volgenden dag weer unu tafel. Onbegrijpelijk nn II. XIX. Zie op vs. 2 en 6 v. — Hem — is, eone of
nndcre geringe verontreiniging, die slechts tot den avond duurde; zie XXI: 4; Ijov. XV: 16, 18;
Deut. XXIII: 10 v. — Aan het einde vnn het vers heeft grondt, nog daar hij niet rein is, dat bij
vergissing schijnt toegevoegd te zijn en daarom is weggelaten.
27.  nieuwemaan. Hcbr. t. laat nog volgen de tweede; Gr. vert. den tweeden dag, blijkbaar ter nadere
verklaring van de voorafgaande tijdsbepaling ingclnscht cu daarom door ons weggelaten. — weder, dui-
dclijkhcidshalvc ingevoegd.
28.  te mogen gaan, volg. Gr. vert. ingevoegd.
29.  mijne — opontboden, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hij heeft mij opontboden, mijn broeder.
80. vagehotidenkind, letterlijk zoon eener rondzwervende deerne; het laatste woord volg. alle oude
vertt. Saul wil hiermede niet iets kwaads van Jonathans moeder, Ahinoam, zeggen, maar Jonathan
zelf smaden. — met... samenspant, volg. Gr. vert.j Hebr. t. in... welbehagen hebt.
-ocr page 571-
1 bamukl XX : 33—43.                                       651
hem, om hem te treffen. Toen begreep Jonathan dat zijn vader vast
34       besloten had David te dooden; \' hij stond van tafel op, gloeiend van
toorn, en at op dien tweeden dag der maand niet mede; want hij was
bedroefd om David en omdat zijn vader hem smadelijk bejegend had.
35           Den volgenden morgen ging Jonathan het veld in, tegen den be-
30 paalden tijd, met een kleinen jongen bij zich.\' Hij zeide tot zijn jongen:
Loop heen en zoek de pijlen op die ik ga afschieten. Terwijl nu de
37      jongen heenliep, schoot hij een pijl af, over hem heen;\' en toen de
jongen aan de plaats was gekomen waar de pijl dien Jonathan had
afgeschoten lag, riep Jonathan den jongen na: Ligt de pijl niet verder
38       van u weg.\'\' Voorts riep hij den jongen nog na: Rep u, maak voort,
draal niet! De jongen van Jonathan raapte den pijl op en bracht dien
39       aan zijn heer.\' De jongen nu wist van niets; alleen Jonathan en David
40       wisten van de zaak.\' Toen gaf Jonathan zijne wapenen aan zijn jongen
41       en zeide tot hem: Ga heen, breng ze naar de stad.\' Nauwelijks was
de jongen heengegaan, of David stond van bij den steenhoop op, viel
op zijn gelaat ter aarde en boog drie keeren, waarna zij elkander kusten
42       en aan elkanders borst langen tijd weenden.\' Hierna zeide Jonathan
tot David: Ga in vrede. Wat wij beiden in Jahwe\'s naam hebben
gezworen zal tusschen mij en u en tusschen mijn nakroost en liet uwe
43       bestaan voor altijd.\' Hij stond op en ging zijns weegs, en Jonathan
ging de stad in.
33.  vast besloten had, volg. Gr. vort.
34.  en omtlat. Het eerste woord is ingevoegd. — hem, Jonathan.
35.  Den volgenden morgen, dnngs na liet vs. 27—34 verhaalde, dus den tweeden dag na de nieuwc-
innan; verg. vs. 20. — tegen den bepaalden tijd. Hierna heeft Hcbr. t. nog van David. Ook in het
volgende vers is naar Gr. vert. cenc kleine verandering aangebracht.
87. De jongen blijft staan waar hij den pijl ziet liggen; maar Jonathan doet alsof de jongen üieh
vergist en de pijl verder weg ligt.
38. bracht dien aan, met verandering van een klinker volg. Gr. vert.; Hcbr. t. kaam tol.
Ml—42. Na de voorzorgen, door de beide vrienden genomen, is deze ontmoeting bevreemdend.
41.  den steenhoop, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. het zuiden. — langen tijd, volg. Gr. vert.; Hcbr. t.
totdat David hel lang maakte.
42.   Zie op vs. 23. — gezworen. Hierop lur.t grondt, nog volgen zeggende: Jahwe, wat als onvor-
staanbaar is weggelaten.
HOOFDSTUK XXI: 1—XXII: 5.
David te Nob. — David komt te Nob bij den priester Ahimclcch, veinst cenc geheime opdracht
van den koning te hebben en vraagt om levensmiddelen (XXI: 1—3); Ahimclech geeft hem van het
toonbrood, alsmede het zwaard van Goliath (4—9). David vlucht naar Aehis, den koning der Filis-
tijnen (10); stelt zich «it vrees als een waanzinnige aan (11—13) en wordt door Achis weggezonden
(14 v.). In de bergveste van Adullam verzamelen zich bij hem vierhonderd man (XXII: 1 v.); hij trekt
naar Moub, waar hij zijne ouders in veiligheid brengt (3 v.i, en keert, zijne schuilplaats verlatende,
op last van een profeet naar Juda terug (5).
Dit gedeelte, met uitzondering van XXI: 10—15, is, evenals XXII: ff—23; XXIII: 1—18, ontleend
aan de Geschiedenis van David en volgde daarin op XIX: 17. De samcustcllcr, die het in het Oude
Geschiedboek opnam, heeft er echter een en ander in gewijzigd; zoo heeft hij XXI: 8 v., met hot oog
op de door hein van elders overgenomen geschiedenis van David en Goliath (zie inl. op XVII :1—
XVIIII 5), ingelascht en daarvoor iets anders weggelaten; zie op XXI : 8 v. en op XXII: 14 v.
Veel jonger is XXI: 10—15, dat tot de toevocgselen bij het Oude Geschiedboek behoort. Dit ver-
haal bedoelt, de betrekking waarin David ecu tijd lang tot Achis, een koning der Filistijnen, gestaan
heeft minder ongunstig en vernederend voor to stellen dan zij volgens het Oude Geschiedboek (XXVII;
XXIX), zeker overeenkomstig de waarheid, was geweest. Dat David «enigen tijd vóór Snuls dood,
evenals daarna, vazal der Filistijnen geweest is was een donker punt in zijne geschiedenis; de schrijver
van XXVII; XXIX vergoelijkt hot op zijne manier; die van XXI: 10—15 ontkent het. Zeker was zijn
bericht oorspronkelijk niet bestemd om met XXVII en XXIX in éeu geschrift te worden opgenomen.
-ocr page 572-
652                                        1 bamubl XXI: 1—9.
XXI: 1 David nu kwam te Nob bij den priester Abimelecb. Ontsteld ging
deze heni te geiuoet en zeide tot hem: Hoe komt liet dat gij alleen
2       zijt en niemand bij u hebt.\'\' David zeide tot den priester Abimelecb:
De koning heeft mij iets opgedragen en tot mij gezegd: Niemand
mag weten van de zaak waarvoor ik u uitzend en die ik u heb opge-
dragen. Daarom heh ik mijne volgers op die en die plaats bescheiden.\'
3       Indien gij een brood of vijl" bij de hand hebt, geef mij die dan, of wat
4       gij luaar hebt.\' Hierop gaf de priester David ten antwoord: Gewoon
brood heb ik niet bij de hand; maar er is wel heilig brood. Als uwe
volgers zich maar van hunne vrouwen hebben onthouden, dan mogen
5       zij er van eten. \' David antwoordde den priester en zeide tot hem:
Gisteren en eergisteren zijn wij reeds van onze vrouwen verwijderd
geweest: toen ik op weg ging waren al mijne volgers rein, hoeveel
ü te meer zullen zij heden rein zijn, nu ik de reis volbracht heb. \' Daarop
gaf de priester hem van het heilige brood; want er was geen ander
brood dan het toonbrood, dat van voor Jahwe werd weggenomen, om
als het weggenomen werd door versch brood vervangen te worden. —\'
7       Te dien dage bevond zich daar een van Sauls dienaren, opgesloten
vóór Jahwe, met name Doëg, de Edomiet, de opperherder van tiaul.
8            Voorts zeide David tot Abimelecb: Zie eens, of gij hier niet eene
speer of een zwaard bij de hand hebt. Want ik heb noch mijn zwaard
noch mijne wapenen medegenomen, daar het bevel des konings zoo
9       plotseling kwam. \' De priester zeide: Het zwaard van Goliath, den
1.   Nob Ing in den slum Benjamin, een weinig ten noorden of noordoosten van Jeruzalem, en komt,
behalve hier, nog XXII: il, 11, 19; Neh. Xl:32; Jez. X : 32 voor. Van een heiligdom aldaar hooren
wij elders niets; toch moet dit aanzienlijk geweest zijn. daar de priesterschap er talrijk was; /ie
XXII : 18. — Ahimelech, volg. XXII:!)—23 MM van Ahitiih, dus lU\'htcrklciiizoon van Eli; zie XIV ! 3,
naar een andere zoon van Ahitub, Ahia, als priester in bet leger van Saul voorkomt. Dat wij de
afstammelingen van l-\'.li na II. IV niet meer te Sjilo aantreden wettigt het vermoeden dat het heiligdom
aldaar in verval was, niet onnatuurlijk na het verlies der ark. Het is uict onmogelijk, dat het door
de Filistijnen verwoest is en de profeet Jeremia, Jer. VII: 12, 14; XXVI: C, 9 (verg. I\'s. LXXVUI : 60),
hierop doelt. Ken bericht hierover zou dan in het Oude Geschiedboek tusschen VII: I en IX: 1 gc-
staau hebben en bij de invoeging van VU: 2—VIII: 22 zijn weggelaten. Maar zio op Jer. Vil: 12.—
Ontsteld. Ahiinclech vermoedt dat er iets is voorgevallen, daar een zoo aanzienlijk persoon als David
anders niet zonder gevolg zou komen.
2.   Achter weten heeft Hcbr. t. iets, dat volg. (ïr. vert. is weggelaten. — Daarom — bescheiden, om,
na mij eerst vim mijn geheimen last gekweten te hebben, mij daar weer hij hen te voegen. Het laatste
woord volg. Gr. vert.
3.   Indien, volg. Gr. vert. — vijf. Zie op Geu. Xl.lll :3l.
4.  heilig brood, toonbrood. Volg. Lcv. XXIV:»—9 mocht dit brood alleen door priesters worden
gegeten; op grond daarvan wordt het Matth. Xll:3v.; Mare. II : 25 v. (waar de priester, bij ver-
gissing, Abjathar heet); I/iie. VI:3v. David als wetsovertreding toegerekend dat hij er van at. Vol-
geus ons verhaal echter was het eten van dat brood den leekcn uict verboden, mits zij zich slechts
sedert den vorigeu dag (zie Lev. XV: 18) van huwelijksgemeenschap luidden ontbonden. — dan — eten,
volg. Gr. vert. ingevoegd. — Ahiinclech spreekt alleen van Davids volgers; uit eerbied oppert hij het
beswaar ten aanzien van David zclven niet.
5.   In de lezing en vertaling van dit vers is veel hoogst onzeker. David wil zeggen: daar mijne
volgelingen sinds ik hen onderweg verliet niet tot hunne vrouwen zijn teruggekeerd, zijn zij zeker als
ik weer bij hen kom rein.
f>. dat... icerd weggenomen, volg. verb. t.; Hebr. t. heeft het meervoud.
7.  Dit vers, dut den geregelden gang van het verhaal cenigszins stoort, dient om op te helderen,
hoc Docg de volg. XXII: 9 v. aan Saul verstrekt* inlichtingen kon geven. — opgesloten vóór Jahwe,
genoodzaakt tijdelijk binnen de heilige plaats te vertoeven, om van eene of andere onreinheid gerei-
nigd te worden; zie Lev. XIII: 4, 11, 21 en verg. Neh. VI: 10.
8 v. Daar hut verhaal over David en Goliath, dut hier als bekend ondersteld wordt, geen deel heeft
uitgemaakt van de oorspronkelijke Oeschie
85
deuis van David (zie inl. op XVII : 1—XVIII: 5), moeten
deze verzen, met XXII: 10 ten dccle, door den samensteller van het Oude Geschiedboek zijn ingevoegd.
Misschien heeft hij daarvoor iets anders weggelaten; waarschijnlijk een bericht hoc Ahiinclech voor
David de godheid raadpleegde. Althans, dut de priester dit voor David gedaan heeft wordt XXII :9—15
ondersteld, maar het staat hier niet.
8.  Zie eens, of, volg. Gr. vert. — plotseling, onzekere vertaling.
9.   Ihl — efod. Anders XVII: 54; zie aldaar. Het gebruik buitgemaakte wapenen in een tempel
op te hangen komt ook XXXI: 10 voor. — den efod. Zie op Richt. VIII: 27. — En — hem, inge-
vocgd volg. Gr. vert. — Het oorspronkelijke vervolg op dit vers is XXII: 1.
-ocr page 573-
1 SAMUBL XXI: 9—XXII: 5.                                  653
Filistijn, dien gij in liet dal van de terebint verslagen hebt, hangt
daar in een laken achter den ei\'od. Wilt gij dat medenemen, neem het;
want hier is geen ander. Toen zeide David: Zoo is er geen tweede!
Geef het mij. En hij gat\' het hem.
10           Te dien dage maakte David zich op en vlood voor Saul. En hij
11       kwam tot Achis, den koning van Gath.\' Achis\' dienaren zeiden tot
hem: Dit is immers David, de koning des lands? Hem ter eere zongen
zij immers bij beurtzang:
Verslagen heeft Saul zijne duizenden,
David zijne tienduizenden.
12       En David nam deze woorden ter harte en werd zeer bevreesd voor
13       Achis, den koning van Gath. \' Daarom gedroeg hij zich in hunne tegen-
woordigheid als een krankzinnige, stelde zich onder hunne handen
als een razende aan, trommelde op de deuren der poort en liet zijn
14       speeksel in zijn baard loopen.\' Toen zeide Achis tot zijne dienaren:
15       Daar ziet gij een waanzinnige! Waarom brengt gij dien bij mij\'!\' Heb
ik gebrek aan waanzinnigen, dat gij dezen hier gebracht hebt, opdat
hij mij zijn waanzin toone^ Moet deze in mijn huis komen.\'
XXII: 1 David nu ging van daar zijns weegs en ontkwam naar de bergveste
van Adullam. Toen zijne broeders en zijne gansche familie dat hoorden,
2       kwamen zij daar bij hem; \' ook verzamelden zich bij hem allen die in
benarde omstandigheden verkeerden, die een schuldeischer hadden en
die ontevreden waren, en hij werd hun hoofdman. Zoo waren bij hem
3       omstreeks vierhonderd man.\' Van daar trok David naar Mispe in
Moab en zeide tot den koning van Moab: Laten mijn vader en mijne
moeder bij u blijven, totdat ik weet wat God met mij voor heeft.\'
4       Zoo stelde hij hen in de hoede van den koning van Moah, bij wien zij
5       bleven zoolang David in de bergveste was.\' Maar de profeet Gad zeide
tot David: Gij moet niet in de bergveste blijven; ga heen en begeef
u naar het land Juda. En David ging heen en kwam te Jaar-hores.
10—15. Zie lul.
10.  Achis komt behulvc in dit verhaal voor XXVII; XXIX j 1 Kou. 11:30; verg. op I\'s. XXXIV: 1.—
Gath. Zie op Joz. XI: 22.
11.  Zie XVIII : 0—8. De hovelingen willen Achis bewegen om David uit <len weg te ruimen. Volg.
XXIX: 5 spraken zij zoo bij cene andere gelegenheid. — de koning des lands, die, blijkens den lof
hem tocgezwuaid, bestemd is koning te worden.
13. gedroeg hij zich ... als een krankzinnige, met cene kleine verandering volg. Gr. vert. Zie I\'s. XXXIV : 1.
— onder kunne handen, als de hovelingen hem trachten vast te houden. — trommelde, volg. Gr. vert.
15. Heb — toone? Volg. Gr. vert. zijn deze woorden als vraag opgevat, wat in Ilcbr. t. niet het geval
is. — Moet — komen? Na deze woorden verwachten wij te zullen hooren dat Achis David wegzendt. Dit
is echter het geval niet, daar hier het verhaal ten einde is. De schrijver was blijkbaar geen ervaren verteller.
1.  van daar. In het verband waarin dit vers thans voorkomt: van Gath; oorspronkelijk echter volgde
het vers op XXI: 9 en was het dus: van Nob. — de bergveste, volg. verb. t., naar vs. -l en 5; cvcn-
eens 2 Sum. XXIIIS18; 1 Kron. XI: 15. Grondt, heeft spelonk; welke schrijffout ouder is dan de
opschriften boven I\'s. I.VI1 en (\'XI.II ; zie aldaar. Hij eene bergveste dcukc men niet aan ecu op cene
hoogte gelegen kasteel — wat het woord gewoonlijk beteekent — maar aan ecu berg met holen, ge-
schikt om voor cene bende tot wijkplaats te dienen en waarvan dus licht eene bergveste gemaakt
word. — Adullam. Vak op Gen. XXXVI1I:1.
2.  die een schuldeischer hadden, en dus gevaur liepen om voor hunne schuld nis slnvcn verkocht te
worden; zie op 2 Kon. IV: 1. — die bitter gegriefd Karen, wegens onderdrukking door den koning
of een anderen muehthebbende.
3.  Mispe in Moab, alleen hier. — zeide — Moab. Waarom David juist bij hem bescherming zocht,
weten wij niet. Volg. Kuth IV: 13, 21 v. was Davids overgrootmoeder eene Moabictischo. Ook was het
land der Moabieten niet ver van Hcthlehem, Davids vaderstad. — blijven, volg. Lat. en Syr. vertt.;
Hebr. t. uilgaan.
4.  stelde hij hen, met verandering van écn klinker; grondt, leidde hij hen.
5.   Gad komt nog voor 2 Sam. XXIV: 11—25; 1 Kron. XXI: 0—10; XXIX: 29. — Gij — blijven.
De volksheld mag niet van vreemden afhankelijk blijven en kcerc dus in zijn land terug. — naar het
land Juda. Blijkbaar lag dus Adullam niet in Juda; waarschijnlijk was het Kilistijusch; verg. inl. on
Oen. XXXVIII. — Jaar-hores, d. i. ,het woud van Ilorcs\' (met verandering van cene letter; grondt.
Jaür-harelh), eene onbekende plaats, die ook XXIII: 15, 10 voorkomt.
-ocr page 574-
654                                       1 bamukl XXII: 6—15.
HOOFDSTUK XXII: 0—23.
I>i- moord tuii ili\' priesters. — Saul verwijt zijnen hovelingen, dut niemniiil hein van Jonathans
verlioiul met David iets heeft medegedeeld (fi—8); Doëg verhaalt het voorgevallene te Noh (9 V.);
waarop Sanl Ahimeteeh en ile andere priesters onthiedt, hun rekensehap vraagt en hen, trots Aliinie-
leohl verdediging, laat Ier dood brengen en hunne stad uitmoorden (11—19); Abjathar ontkomt, vlueht
naar David en wordt door dezen in bescherming genomen (20—23).
Zie inl. op XXI: 1—XXII: 5.
XXII:\'5 Toen Saul hoorde dat David en de mannen die bij hem waren eene
bende gevormd hadden — hij zat te Gibea onder de tamarisk op de
hoogte, de speer in de hand, terwijl al zijne hovelingen bij hem
7       stonden —\' zeide Saul tot de dienaren die hij hem stonden: Luistert
toch, lienjaminieten! Zul ook de zoon van Izai aan u allen akkers en
wijngaarden geven.\' u allen aanstellen tot oversten van duizend en
8       van honderd/\' dat gij uilen tegen mij hebt samengespannen, niemand
mij medegedeeld heeft dat mijn zoon met den zoon van Izai een ver-
bond heelt gesloten, en niemand uwer zich om mij bekommert, dat
mijn zoon mijnen dienaar tegen mij heeft opgestookt om mijn belager
9       te zijn, zooals thans het geval is? \' Toen antwoordde Doëg, de Kdomiet —
hij stond bij de dienaren van Saul — en zeide: Ik heb den zoon van
10       Izai te Nob bij Ahimelech, den zoon van Ahitub, zien komen.\' Deze
heeft Jahwe voor hem geraadpleegd, hem teerkost verstrekt en het
zwaard van Goliath, den Filistijn, gegeven.
11            Nu ontbood de koning den priester Ahimelech, den zoon van Ahitub,
met zijne g.msche familie, de priesterschap van Xob. Toen zij allen bij den
12       koning waren gekomen,\' zeide Saul: Luister eens, zoon van Ahitub!
13       Deze zeide: Hier ben ik, mijn heer. \' Saul zeide tot hem: Waarom
hebt gij met den zoon van Izai tegen mij samengespannen, door hem
brood en een zwaard te geven en voor hem de godheid te raadplegen,
dat hij als belager tegen mij zou opstaan, zooals thans het geval is?\'
14       Ahimelech antwoordde den koning en zeide: Wie onder al uwe dienaren
is als David.\' betrouwbaar, schoonzoon des konings, toegang hebbende
15       tot uwe naaste omgeving, een geëerd man in uw huis! \' Ben ik heden
begonnen de godheid voor hem te raadplegen.\' Verre van dien! Legge
dan de koning zijn dienaar en het gansche huis zijns vaders niets te
laste; want uw dienaar wist van dit alles niets, klein noch groot.\'
fl. eene bende gevormd hatlden, letterlijk samengekomen waren, met omzetting van twee letters;
grondt, bekend gemorden waren. — hij zat — Honden. Kr werd dus cenc vergadering of een gc-
richtsdag gehouden. — onder — hoogte, het laatste woord volg. Gr. vert.; Ilcbr. t. Ie ïtama. J)c
hier vermelde tamarisk (verg. op Gen. XXI: 33) was een heilige boom op cenc heilige plaats; zie op
Gen. XII :0.
7 v. Saul doet een beroep op hun eigenbelang. De Henjamiiiictcn, door Saul als staingeuooten boven
anderen begunstigd, hebben van den Judccr David geen voorrechten te wachten.
H. Saul heeft tot op dit oogenblik van Jonathans verbond met David niets geweten; dit komt over-
cen met XIX :1—7, zie de aant. aldaar; doch verg. op XX: 3. — een verbond, uit Gr. vert. inge-
vocgd. — bekommert. Hierop laat grondt, nog volgen en mij medegedeeld heeft.
I). Zie XXI : 7.
10.   Üese — geraadpleegd. Zie op vs. 1-1 v.
12. Uier ben ik. Zie op Gen. XXII: 1.
14 v. Ahimelech verantwoordt zich alleen op de beschuldiging, voor David de godheid geraadpleegd
te hebben. Blijkbaar was dit de hoofdzaak in de aanklacht: daardoor toch kwam David te weten,
welken weg hij moest inslaan, wat hij doen en laten moest. Opmerking verdient dat van hetgeen
hier als hoofdzaak in de aanklacht tegen Ahimelech voorkomt XXI: 1—9 niets gemeld wordt. Waar-
schijnlijk is het daar door iets anders vervangen; zie op XXI: 8 v.
11.   Ahimelech bedoelt: hoc kon ik vermoeden dat ik door David te helpen dcu koniug mishagen
zou? — toegang — omgeving, onzekere vertaling. Dezelfde uitdrukking 2 Som. XXIII: 23.
15. Ben — raadplegim? Het vraagwoord is in Ilcbr. t. uitgevallen, maar wordt in Gr. vert. wccr-
gegevcn. Ahimelech wil zeggen: David kwam immers telkens voor dat doel bij mij. Hoe kon ik dan
iets kwaads vermoeden? — en, uit Gr. vort. ingevoegd. — witt — niets, van eene samenzwering van
David tegen den koning.
-ocr page 575-
1 BAMUBL XXII : lö—XXIII : 6.
G55
16       Doch de koning zeide: Zonder genade zult gij, Ahimelech, met uwe
17       gansche familie ter <lood gebracht worden.\' Én de koning zeide tot
de trawanten, die bij hem stonden: Keert u tegen de priesters van
Jahwe en brengt hen ter dood; want ook zij zijn op de hand van
David, zij hebben geweten dat hij op de vlucht was en hebben
het mij niet medegedeeld. Maar de dienaren des konings wilden de
18       hand niet uitsteken om Jahwe\'s priesters neer te stooten.\' Daarom
zeide de koning tot Doëg: Keer gij u tegen de priesters en stoot hen
neer! En Doëg, de Kdomiet, keerde zich tegen de priesters, stiet hen
neer en doodde op dien dag vijf en tachtig man, allen dragers van
19       het linnen schouderkleed.\' Ook de priesterstad Nob sloeg hij met het
scherp des zwaards: zoowel mannen als vrouwen, kinderen als zuigelingen,
20       runderen, ezels en schapen, met het scherp des zwaards.\' iSlechts éen
zoon van Ahimelech, den zoon van Ahitub, met name Abjatbar, ont-
21       snapte en vluchtte David achterna.\' Toen nu Abjathar aan l>avid
22   . mededeelde dat Saul de priesters van Jahwe had omgebracht,\' zeide
David tot Abjathar: Ik heb dien dag wel geweten dat Doëg, de Edo-
miet, daar was en het stellig aan Saul zou mededeelen; ik ben de
23       oorzaak geworden van den ondergang van uwe geheele familie.\' Blijf
bij mij; vrees niet. Want wie u naar het leven staat staat mij naar
het leven; gij zijt een mij toevertrouwd pand.
17.   trawanten, letterlijk looptri (2 Kon. X:25; XI: 4—21), omdat zij voor tien wagen des konings
uit liepen ; 2 Snm. XV : 1 j 1 Kon. I : 5.
18.  allen, uit Gr. vert. ingevoegd. — drager» — schouderkleed. \'/Ac op 11:18.
20. Abjathar. Zie over hem o.a. 2 Sam. XV : 3-1—29; XVII:15; 1 Kon. I:7vv.; 11:20v.cn
op 11:33.
22.  ik ben de oorsaak geworden van den ondergang, volg. Gr. vert.
23.  u on mij. Deze voornaamwoorden zijn volgens gissing omgezet; Gr. vert. heeft waar ik plooit
zoek voor mij zal ik plaats zoeken voor u.
HOOFDSTUK XXIII: 1—18.
David to Kcïla. — David, vernemende dat Kcïla door de Filistijnen in \'t nauw wordt gebracht (1),
trokt, na twee keeren Jahwo geraadpleegd te hebben, daarheen en verdrijft hen (2—5)j Abjathar is
als priester bij hem (0). Saul roept het volk tegen David te velde (7 v.), en deze, door de godspraak
vernomen hebbende dat Saul warkelijk zal komen en de burgers van Kcïla niet te vertrouwen zijn,
verlaat de stad en gaat een zwervend leven leiden (9—13).
Zie inl. op XXI: 1—XXII: 5.
XXIII: 1 Eens berichtte men aan David: Zie, de Filistijnen voeren krijg
2       tegen Keïla en plunderen de dorschvloeren.\' Toen vroeg David Jahwe:
Zal ik heengaan en die Filistijnen verslaan? Jahwe zeide tot David:
3       Ga, versla de Filistijnen en red Keïla.\' Maar Davids mannen zeiden
tot hem: Zie, wij zijn reeds hier in Juda in vrees, hoe zouden wij
4       dan naar Keïla trekken, naar het open veld der Filistijnen?\' Daarom
raadpleegde David Jahwe wederom, en deze gaf hem ten antwoord:
Maak u op, trek af naar Keïla; want ik geef de Filistijnen in uwe
5       hand.\' Dienvolgens trok David met zijne mannen naar Keïla, streed
tegen de Filistijnen, dreef hun vee weg en richtte eene groote slachting
6       onder hen aan. Zoo redde David de bevolking van Keïla.\' Abjathar
1.  Keïla. Zie op Joz. XV: 44.
2.  vroeg — Jahwe. Hoe, blijkt niet. Kerst vs. 0 wordt Abjathar* efod en va. 9 zijne hulp vermeld.
Toch zal ook hier en vs. 4 wel bedoeld zijn dat David door hem Jahwe raadpleegde.
3.   hier in Juda, in een bergland, vol schuilplaatsen. — het open veld, onzekere vertaling volg.
Gr. t.; Hebr. t. de slagorde.
0. Dit vers staat hier vreemd; het zou beter na vs. 9 of XXII: 23 voegen. Wellicht is het van
xijne plaats geraakt. — e» met hem... afging, grootendeels uit Gr. vert. ingevoegd; Hebr. t. heeft
afging op eene andere plaats.
-ocr page 576-
1 SAMüKL XXIII: O—13.
r>5G
nu, de zoon van Ahimelech, had, toen hij naar Itovid vluchtte en
met liera naar Keila afging, den efod hij zich.
7           Toen men aan San] had bericht dat Uavid te Keila was gekomen,
zeide hij: (Jod heeft heiu in mijne hand verkocht; want hij heeft zich
opgesloten, door eene stad met deuren en grendels binnen te gaan.\'
8       Daarom riep Saul het gansche volk op ten strijde, met het plan naar
9       Keila te trekken, om David en zijne mannen in te sluiten.\' Maar toen
David te weten kwam dat Saul booze plannen tegen hem smeedde,
10       zeide hij tot den priester Abjathar: Breng den efod hier.\' En David
zeide: Jahwe, god van Israël, uw dienstknecht heeft als zeker ver-
nomen dat Saul voornemens is naar Keila te komen, om de stad wegens
11       mij te verwoesten.\' Xu dan, zal Saul afkomen, zooals uw dienstknecht
vernomen heeft.\' Jahwe, god van Israël, deel het toch uwen dienst-
12       knecht mede! Jahwe antwoordde: Ja.\' Toen zeide David: Zullen de
burgers van Kvïla mij en mijne mannen aan Saul uitleveren? En Jahwe
13       antwoordde: Ja.\' Dientengevolge maakten David en zijne mannen, om-
streeks zeshonderd, zich op, trokken uit Keila en zwierven rond op
goed geluk af. En Saul, bericht ontvangen hebbende dat l>avid uit
Keila was ontkomen, zag er van af uit te trekken.
7. verkocht, volg. Gr. vort. Verg. op Iticht. II: 14. — want — gaan. De vrijbuitersbende
was in eene stad, die omsingeld kon worde», eer te vntten dim in het gebergte, met til zijne schuil-
hoeken.
11. Hebr. t. laat nog voorafgaan Zullen de burgert van Keila mij aan hem nitleeeren, wat, aU bij
ongeluk uit va. 12 hierheen verdwaald, gedeeltelijk volg. Gr. vort., is weggelaten. — Nu dan, inge-
vocgd volg. Gr. vert.
13. zeshonderd. Kven/.no XXV: 13. In de bergveste van Adiillam had hij er slechts vierhouileril
(XXII : 2); dit getal heeft (ir. vort. ook hier. — op goed geluk af, letterlijk waar zij ztoierven.
HOOFDSTAK XXIII: 1l-XXIV : 23.
Snnls leven door David in de woestijn van Kn-gedi gespaard. — David, in de woestijn van Zif door
Saul getocht, ontvangt er een bezoek van Jonathan (XXIII :H—18). De Zifietcn bieden Saul aan,
David aan hein over te leveren; welk aanbod Saul gretig aanneemt (19—2Ui). David, die naar de
woestijn van Mnon is gegaan, wordt daar door Saul vervolgd en ontsnapt alleen doordat Saul het
berieht vun een inval der Filistijnen krijgt (2-U—28). Na de Filistijnen bestreden te hebben, gaat
56
Saul David in de woestijn van Kn-gedi opzoeken (XXIV :1—3); in eene spelonk binnengetreden, is
hij in de macht van David, die zich met zijne volgers daar bevindt; maar deze vergenoegt zich met
cene slip van Saids mantel af te snijden (1—8a). Als Saul do spelonk heeft verlaten, roept David
hein na, betuigt zijne onsehuid en doet ecu beroep op Jahwe\'s rechtvaardigheid (86—lfl); Saul is
geroerd, prijst Davids gedrag en smeekt hein, als hij koning zal zijn, zijne nakomelingen te sparen
(17—22); David zweert dit; waarna zij van elkander gaan (23).
Dit verhaal heeft grootc overeenkomst met II. XXVI: de hoofdiiihoud, het leven des konings door
Dnvid gespaard, is dezelfde. In bijzonderheden\'loopcn zij verre uiteen: in II. XXVI heeft het voor-
val plaats in de woestijn van Zif, hier in die van Kn-gedi, nadat Saul David vergeefs in die van
Mnon vervolgd heeft; daar in Suuls leger, waar David hij hem komt terwijl hij ligt te slapen, hier
in eene spelonk, die Saul binnentreedt terwijl David zich daar bevindt. Niettemin hebben de twee ver-
halen allerlei ondergeschikte punten met elkander gemeen en zijn zij soms zelfs gelijkluidend; verg.
XXIII: 19 met XXV1:1; XXIV : 3 met XXVI:2; XXIV:5 met XXVI:8; XXIV : 7, 11 met XXVI:
9, 11; XXIV: 10, 12 met XXVI: 18; XXIV: 15 met XXVI:20; XXIV: 17 met XXVI: 17 enz. Dit
knn onmogelijk toevallig zijn: do beide verhalen zijn stellig niet onafhankelijk vnn elkaar. Hot onzo
is liet jongste: onderscheiden trekken, die hier onduidelijk zijn of in het verhaal niet passen, zijn in
II. XXVI volkomen op hunne plaats en dus daaruit iu ons verhaal overgenomen; zie op XXIII: li,
19, 21, XXIV : 15 en 17. De schrijver vau XXIII: 14—XXIV : 23 heeft derhalve II. XXVI gekend, maar
van het daar verhaalde ceuc andere voorstelling gegeven. Hlijkbnar was daarbij zijn doel, David te
verheerlijken: voor het XXVI: 5—12 verhaalde waagstuk van David, dat hij zijn held onwaardig acht,
stelt hij cene toevallige, d. i. door Jahwe beschikte, ontmoeting in de plnats (zie op XXIV : 1). Voorts
doet hij met nadruk uitkomen dat David, terwijl hij door Saul vervolgd wordt, door Jahwe wordt
-ocr page 577-
657
1 SAMUBL XXIII : 14—24.
gered (zie op XXIII: 26) en bestemd is Sauls opvolger te zijn (XXIII: 17; XXIV: 21), en laat hij
weg wat met zijne denkbeelden over Jahwe in strijd is (zie op XXIV : 10).
Het verhaal is een der latere toevoegselcn tot het Onde Geschiedboek. Toen het daarin werd opgc-
noincn, is wellicht het een of ander bericht daaruit weggelaten; zie op XXV: 1. Het kan zijn dat
dit het oudere verhaal, H. XXVI, zelf geweest is.
XXIII: 14 Davicl hield zich op in de Woestijn in de hergvesten en nam zijn
verblijf op den herg in de woestijn van Zif; Saul zocht hem voortdu-
15       rend, maar God gaf hem niet in zijne hand,\' en David werd bevreesd,
omdat Haul was uitgetrokken om hem naar het leven te staan. David
16       nu was in de woestijn van Zif, in Hores. \' En Jonathan, tëauls zoon,
maakte zich op, ging naar David in Hores, versterkte hem in God\'
J7 en zeide tot hem: Vrees niet; want de hand van mijn vader iSaul zal
u niet vinden. Gij zult koning worden over Israël, en ik zal na u de
18       eerste zijn. Ook weet mijn vader Öaul dit zeer wel.\' En zij sloten met
elkander een verbond voor Jahwe; waarna David in Hores bleef en
Jonathan huiswaarts keerde.
19           Toen trokken de Zitieten naar Saul te Gibea en zeiden: Weet gij
wel dat David zich bij ons schuilhoudt in de hergvesten in Hores, bij
20       den heuvel Hachila, ten zuiden van de wildernis/\' Indien gij dan, o
koning, lust hebt te komen, kom; wij nemen op ons, hem aan den
21       koning over te leveren. \' Daarop zeide Saul: Weest gezegend door
22       Jahwe, omdat gij u over mij ontfermd hebt!\' Gaat nu nog eens ter-
dege onderzoeken en nasporingen doen naar de plaats waar hij zicli
bevindt, en vorscht uit wie hem daar gezien heeft; want men heeft
23       mij gezegd: Hij gaat met groote sluwheid te werk.\' Doet dan naspo-
ringen, onderzoekt alle schuilhoeken waar hij zich pleegt te verbergen
en brengt mij nauwkeurig bescheid. Dan zal ik met u gaan, en, zoo
hij werkelijk in het land is, hem opzoeken onder al de geslachten
van Juda.
24           Toen maakten de Zitieten zich op en trokken voor Saul uit naar
Zif. David nu bevond zich met zijne mannen in de woestijn van Maon,
14 v. Oorspronkelijk heeft hier niet» gestaan dan dat David zich ophield iu de woestijn van Zif;
waarop dadelijk volgde dat de Zitieten hem aan Saul verrieden (vs. 19; XXVI: 1). Maar hij die
ons verhaal iu het Oude Geschiedboek iulaschtc moest om Jonathans ontmoeting met David (vs. 10—
18) hetgeen hij vond wel uitbreiden, en voegde er dus iu dat Saul David voortdurend vervolgde, om-
dat die daad van Jonathan anders slecht paste bij het bericht van vs. 13, dat Saul van de vervol-
ging had afgezien. In zijne aanduiding van de plaats waar David zich iu die woestijn ophield bc-
reidde hij tevens vs. 19 voor.
11. de Woestijn, van Juda; zie op Joz. XV:61. — den berg, den heuvel Hachila, vs. II); XXVI:1.
Dat David zich daar bevond leidt de schrijver ten onrechte af uit XXVI: Ij zie aldaar. — de tcoes-
tijn van Zif.
Zie op Joz. XV : 55.
15. werd bevreesd, volgens nndcre klinkers; grondt, zag. — Hores. Zie op XXII:5.
10—18. Evenals hier, spreekt Jonathan ook XX: 13*—10 tot David over zijne toekomstige ver-
helling tot koning; wat in de oorspronkelijke verhalen van het Oude Geschiedboek, XVIII :1—4;
XIX : 1—7 het geval niet is,
10. versterkte hem (letterlijk sterigde zijne hand), bemoedigde hem door hem op Gods hulp en rand te
wijzen. Dezelfde uitdrukking Richt. IX:24; Neh. 11:18; Job IV.3; Jez. XXXV:3; Jer. XXIII : 14.
17.  na u de eertle, letterlijk voor u de tweede. — Ook — toet. Zie XXIV: 22.
18.  Zie op XVIII: 8.
19.   Dit vers komt overeen met XXVI: 1, behalve de woorden in de hergvesten in Hores, welke
plaatsbepaling met die van vs. 10 overeenkomt. — den heuvel Uaehila, in de woestijn van Zif. In
XXVI: 1 ligt hij niet ten zuiden van maar tegenover, aan den rand van, de wildernis (verg. op Gen.
XVI: 12), wat zeker nauwkeuriger is; want vs. 24 heet ook de woestijn van Maon, die ten zuiden
van die van Zif lag (zie op Joz. XV : 55), ten zuiden dier wildernis te liggen.
22.  hij — uit, volg. verb. t.; Hebr. t. zijn voet zal zich bevinden. — men, volg. verb. t.; grondt, hij.
23.  brengt... bescheid, volg. verb. t.; grondt, keert... terug.
24.   Toen — Zif. Hierna verwachten wij te zullen vernemen, dat de Ziiietcn aan Saul komen be-
richten dat David zich in de woestijn van Maon bevindt, en dat Saul dan uitgaat om hem te zoeken.
Dit wordt echter alleen ondersteld, niet gezegd. Zelfs hooreu wij vnn de Zitieten niets meer. De voor-
stelling van XXVI: 1 v. is eenvoudiger en duidelijker. — de woestijn van Maon. Zie op Joz. XV: 55. —
ili\' Vlakte, d. i. aan den westelijken oever van do Doode Zee.
O. T. I.                                                                                                                           42
-ocr page 578-
1 samukl XX1II.-24—XXIVrll.
(558
25 in de Vlakte, ten zuiden van de wildernis.\' Maar toen Saul met zijne
mannen optrok om hem te zoeken, en men dit aan David mededeelde,
trok deze naar de rots die in de woestijn van Maon is. Saul, dit hoo-
2<5 rende, zette David achterna in de woestijn van Maon.\' Daar trok Saul
met zijne mannen aan den eenen kant langs den berg en David met
de zijne er langs aan den anderen kant. David spoedde zich angstig
voort, om Saul te ontwijken, en Saul met zijne mannen omsingelde
27       David en de zijne, om hem te grijpen,\' toen er een bode bij Saul
kwam met de tijding: Begeef\' u in aller ijl op weg; want de Filis-
28       tijnen hebben een inval in het land gedaan.\' Zoo keerde Saul terug,
stakende het nazetten van David, en trok de Filistijnen te gemoet.
Daarom heeft men die plaats de rots der afscheiding genoemd.
XXIV: 1 En David trok van daar op en hield verblijf in de bergvesten van
2       En-gedi. \' Zoodra nu Saul van zijn tocht tegen de Filistijnen was
wedergekeerd, deelde men hem mede: Zie, David houdt zicli op in de
3       woestijn van En-gedi.\' Toen nam Saul drie duizend man, uit ganseh Israël
uitgelezen krijgers, en ging David en zijne mannen tegenover de Steen-
4       boksrotsen zoeken.\' Hij de schaapskooien aan den weg gekomen, waar
eene spelonk was, ging Saul daarbinnen, om zijne voeten te overdekken,
terwijl David en zijne mannen zich achter in de spelonk bevonden.\'
5       Toen zeiden Davids mannen tot hem: Dit is de dag waarop Jahwe tot
u zegt: Zie, ik geef uwen vijand in uwe band; doe met hem wat u
goeddunkt. En David stond op en sneed ongemerkt eene slip van Sauls
0 mantel af.\' Maar daarna klopte hem het hart, omdat hij de slip van
7 Sauls mantel had afgesneden. \' En hij zeide tot zijne mannen: Jahwe
beware mij, dat ik dit aan mijnen heer, Jahwe\'s gezalfde, doen en de
8« hand aan hem slaan zou! Want hij is Jahwe\'s gezalfde.\' Zoo suste
David zijne mannen en liet hen niet toe tegen Saul op te staan.
86,i) En Saul stond op, verliet de spelonk en ging zijns weegs.\' Nu
stond ook David op, verliet de spelonk en riep Saul na: Mijn lieer
koning! Toen Saul omzag, boog David zich, liet aangezicht ter aarde,
10       wierp zich neder\' en zeide tot Saul: Waarom luistert gij naar de
woorden van mensehen, als zij zeggen: Zie, David zoekt uw ongeluk?\'
11       Op dezen dag ziet gij met eigen oogen, hoe Jahwe u heden in de
spelonk in mijne hand beeft gegeven. Doch ik wilde u niet dooden,
25. hem, uit fir. vcrt. ingevoegd. — die ...ia, volg. Gr. vcrt. j Ilcbr. t. M woonde.
2fl. met zijne mannen is den Bent—j keer uit (Sr. vert. ingevoegd. — Toen — grijpen. Op het
oogcnblik dut het gevnnr het grootst wns kwiiin ilc tijding die Dnvid redding hrneht. Dr schrijver
ziet dnnrin eene beschikking vitn Jnhwc.
28. de rota der afaeheiding, d. i. welke Dnvid van Snul scheidde. Welke de eigenlijke bctcckcnis
van den iinmii dier rots wns, is onbekend.
1. En-gedi. Zie op Joz. XV: 69.
I.   Dr ontmoeting van Dnvid en Snul had dus — nnders dan in II. XXVI — niet door Davids
toedoen, uinnr volgens beschikking van Jahwe plaats. — om — overdekken. Be op Iticht. 111:21.
5. Dit — goeddunkt. Davids mannen zien in het feit dat Snul thans in Davids macht is cene nan-
wijzing van Jahwe dat David hein dooden moet. David antwoordt eerst (vs. 7) nadat hij metterdaad
getoond heeft op hun voorslag niet te willen ingaan (vs. bi).
0. klopte hem het hort, omdat hij met uitgetogen zwaard zoo dicht bij Saul gestaan had. Wat zou
hij gcdnnn hebben indien deze hem bespeurd had? In II. XXVI zoekt hij zonder noodzaak het gevaar
op en wordt hij dus anders nfgcschildcrd dnn hier. — mantel, volg. Gr. en nndcre oude vertt. ingevoegd.
7. Denzelfdcn eerbied voor den gcheiligden persoon des konings legt Dnvid aan den dag XXVI: B,
11; 2 Snm. 1:14 v. Verg. op bod. XXII: 28.
8a. anale, onzekere lezing en vertaling.
10. Waarom — ongeluk.\'\' De XXVI: 19 door David onderstelde mogelijkheid dat Snul door Jnhwc
was aangezet wordt hier niet genoemd. Blijkbaar achtte onze schrijver de daaraan ten grondslag
liggende voorstelling van Jahwe Godc onwaardig.
II.   Op — gegeten. Nu Snul Dnvid en zijne mannen uit de spelonk ziet komen, blijkt hem duidelijk,
in welk gevaar hij verkeerd heeft. — Doch — getpaard, volg. Gr. vert. j Hebr. t. Doch hy zeide om
« te dooden, maar mijn oog(?) heeft n getpaard.
-ocr page 579-
1 samukl XXIV: 11—23.                                     659
maar heb u gespaard en zeide: Ik zal de hand niet slaan aan mijn
12       heer; want hij is de gezalfde van Jahwe. \' Zie, ja, zie de slip van uw
mantel in mijne hand! Toen ik de slip van uw mantel aisneed lieb
ik u niet gedood. Erken dan en zie dat ik niet met kwaad of boos-
heid omga en geen zonde tegen u begaan heb, hoewel gij het op mijn
13       leven gemunt hebt, om het weg te nemen.\' Jahwe zal ricbten tus-
schen mij en u en mij op u wreken; maar mijne hand zal niet tegen
14       u opgeheven worden.\' Zooals het spreekwoord der ouden zegt: Van
boozen komt boosheid. Maar mijne hand zal niet tegen u opgeheven
15       worden.\' Wien is de koning van Israël achternagetrokken\'! wien ver-
16       volgt gij? Een dooden hond, eene enkele vloo.\' Jahwe zal scheids-
reehter zijn en richten tusschen mij en u. Hij zie toe, kome voor mijne
zaak op en verschafte mij recht tegenover u.
17           Toen David deze woorden tot Saul had ten einde gebracht, zeide
Saul: Is dat uwe stem, mijn zoon David? En Saul verhief zijne stem
18       en weende.\' Hij zeide tot David: Gij zijt rechtschapener dan ik. Want
1!) gij deedt mij goed, en ik deed u kwaad.\' (Jij hebt mij heden eene
groote weldaad bewezen: Jahwe had mij in uwe hand overgeleverd,
20       maar gij hebt mij niet gedood.\' Zal iemand, wanneer hij zijn vijand
aantreft, hem rustig zijns weegs laten gaan\'/ Jahwe zal u goed ver-
21       gelden voor hetgeen gij mij heden gedaan hebt.\' En nu, ik weet dat
gij zeker koning zult worden en het koningschap over Israël duurzaam
22       in uwe hand blijven zal.\' Zweer mij dan bij Jahwe, dat gij mijne
nakomelingen niet uitroeien zult, noch mijn naam uit mijns vaders
23       huis delgen.\' David zwoer dit aan Saul; waarop tëaul buiswaarts keerde
en David met zijne mannen naar de bergveste optrok.
12. In Hebr. t. begint het vers met en mijn vader, wat volg. Gr. vert. is weggelaten.
14.   Van — boosheid. Hieruit dat ik u geen leeil heb gedaan blijkt «Int ik geen booze ben. Verg.
Miitlli. VIT: 17 v. — Maar — worden, wellicht bij vergissing uit vs. 13 herhaald.
15.   Dezelfde hourieiuleemoeil, niet onnatuurlijk in <lcn onderdaan tegenover den gezalfde vnn Jahwe,
wiens macht door geen wet beperkt was, ook XXVI: 20; 2 Sant. IX: 8. De woorden zijn echter daar
meer dan hier in overeenstemming met den toon der rede.
17. Deze vraag voegt na vs. 9—10 slecht; zij is ontleend aan XXVI: 17, waar zij zeer gepast is.
1!). Gij — bewezen, volgens geringe tekstverandering; Hebr. t. Gij hebt heden medegedeeld welke
weldaad (jij mij bewezen hebt.
20. rustig zijns weegs, letterlijk op een goeden weg. — voor — hebt, inct omzetting van een paar
woorden, volg. Gr. vert.
21 v. Dit is, met XXIII: 17, de cenige plaats waar Saul van Davids toekomstige verheffing op den
50
troon gewaagt; volgens de oorspronkelijke verhalen van het Oude Geschiedboek wist hij daarvan
niet. Ook XXVI: 25 wenscht Saul David alleen toe dat hij voorspoedig zij. De schrijver die hem de
voorwetenschap van Davids koningschap toedicht leefde in ecu tijd toen Davids geslacht reeds gcruiincu
tijd op den troon had gezeten; vandaar de voorspelling en hel koningschap over Israël duurzaam iu
moe hand blijven tal.
HOOFDSTUK XXV.
David en Nnbal. — Samucl sterft en wordt begraven (1«). David trekt naar de woestijn van Maon
(Ib) en laat aan Nabnl, nis deze het feest van het schaapscheren viert, een geschenk vragen
(2—9); deze gcoft een woigerend antwoord (10 v.), waarop David met vierhonderd man tegen hem
optrekt (12 v.). Nabnls vrouw, Abignil, hiervan onderricht (14—17), laadt vele levensmiddelen op cu
gaat daarmede David te gemoet (18 v.). Als zij den vertoornden David tegenkomt (20—22), werpt zij
zich voor hem neder, keurt het gedrag van haar echtgenoot af, betuigt haar leedwezen Davids boden
niet te hebben gezien, en biedt hem het geschenk aan (23—27); zij smeekt hem geen bloed te vcr-
gictcn; wnarover hij, als hij eenmaal kouing zal zijn geworden, berouw zou hebben (28—31). David
ziet van zijn voornemen af en neemt haar geschenk aan (32—35). Nabel, het voorgevallene van zijne
vrouw vernemende, krijgt een toeval en sterft weldra (36—38). David Ziet iu den dood van Nabnl
eene straf van Jnhwe, vraagt Abigail tot vrouw, die toestemmend antwoordt en terstond naar hem
heentrekt (39—42). Behalve Abigail, had David Ah innam gehuwd (43); terwijl Saul Michal aan een
ander tot vrouw gaf (44).
-ocr page 580-
MO
1 BAMUIL XXV: 1 — 13.
Dit hoofdstuk is, uitgenomen ra. la, nan het Oude Geschiedboek, en wel aan de daarin opgenomen
Geschiedenis van Dnvid ontleend, maar volgde niet onmiddellijk op XXIII : 13 (zie op vs. 1). De
inhoud is waarschijnlijk geloofwaardig. Davids verhouding tot de rijke veehoeders in de Woestijn
wordt hier naar het leven gctcekciid. Intussehen komt, gelijk te verwachten was, hier en daar duidelijk
uit, dat de schrijver tamelijk ver afstaat van den tijd waarin het verhaal ons verplaatst, o. a. in vs.
2H—31, waar Abigail aan David voorspelt dat Jahwe hein een duurzaam huis zal stichten; verg. op
XXIV: 21 v.
XXV: la iSamuel stierf, en gansch Israël verzamelde zich, bedreef rouw over
hem en begroef hem in zijn huis te Rama.
6 David nu maakte zich op en ging af naar de woestijn van Maon.\'
2       Nu was te Maon een man die zijn bedrijf in Karmel had. Deze man
was zeer vermogend: hij had drie duizend schapen en duizend geiten.
3       Eens, toen hij zijne schapen in Karmel schoor —\' de man heette
Nabal, en zijne vrouw Abigail; de vrouw had een scherp verstand en
eene schoone gestalte, maar de man was ruw en slecht van gedrag;
4       hij was een Kalebiet —\' toen dan David in de woestijn hoorde dat
5       Nabal zijne schapen schoor,\' zond hij tien zijner volgers, tot wie hij
zeide: Trekt op naar Karmel, begeeft u tot Nabal, vraagt in mijn
6       naam naar zijn welstand\' en zegt: Ik ben uitgeput, terwijl het u, uw
7       huis en al wat u toebehoort wel gaat.\' Welaan dan, ik heb gehoord
dat men bij u aan het schapen scheren is. Nu zijn de herders van u
met ons samen geweest; wij hebben hun geen leed berokkend, geen
8       stuk hebben zij vermist, zoolang zij in Karmel geweest zijn.\' Vraag
het uwe herders, dat zij het u vertellen. Mogen dan mijne volgers
gunst in uw oog vinden, omdat zij op een blijden dag gekomen zijn.
Geef toch wat u voor de hand komt aan uwe dienaren en aan uw
9       zoon David.\' De volgers van David kwamen bij Nabal en spraken tot
hem in naam van David al deze woorden. Toen Davids dienaren zwegen,\'
10       gaf Nabal hun ten antwoord: Wie is David? wie is Izai\'s zoon? Er
11       zijn tegenwoordig vele knechten die van hun heer wegloopen!\' Zou
ik mijn brood, mijn wijn en het vleesch dat ik voor mijne scheerders
geslacht heb nemen en het geven aan lieden van wie ik niet weet van
12       waar zij zijn?\' Hierop keerden Davids volgers op hunne schreden terug
13       en deelden hem, teruggekomen, dit alles mede.\' Toen zeide David tot
zijne mannen: Ieder gorde zijn zwaard aan! Nu gordden zij ieder zijn
zwaard aan; ook David zelf gordde zijn zwaard aan; en zij trokken
op achter David, omstreeks vierhonderd man, terwijl er tweehonderd
hij de bagage bleven.
1.  Samuel — Rama. Deze aanteekening behoort tot die gedeelten van het boek waarin Samuel als
bestuurder van het gunschc land wordt voorgesteld; immers bedrijft gantch Itraèl rouw over hem.
Daar hij in het Oude Geschiedboek, waartoe dit hoofdstuk voor het overige behoort, niet als zoodanig
voorkomt, zijn deze woorden van een anderen schrijver dan het vervolg on misschien wel aan XXVIII: 3
ontleend. — in zijn huis, ceu familiegraf, op zijn erf, bij zijn huis gelegen; verg. 2 Kon. XXI: 18,
20; 2 Kron. XXXIII: 20. — David — op, volgens hot tegenwoordige verband uit de woestijn van
Kn-gcdi (XXIV :1, 23). Daar echter XXIII: 14—XXIV: 23 later ingeschoven en daarvoor een ander
bericht weggevallen is, volgde dit vers wellicht oorspronkelijk op een ander verhaal. — Maon, volg.
Gr. vert.; Ilebr. t. Paran. Volg. XXIII : 21 v. was David daar reeds geweest; op een vroeger verblijf
aldaar wordt hier echter niet gezinspeeld.
2.  Over Maon en Karmel zie op Joz. XV: 55 en 01. — hij — tcioor. Zie op Gen. XXXI: 19.
3.  een Kalrbiet, afstammeling van Kalei). Kalcbs nakomelingen woonden in en om Ilebrun; zie Jox.
XIV: 0—15; XV: 13—20 en inl. op Num. XIU, XIV.
0. Ik ten uitgeput, volg. verb. t.
8. kerdert, volg. verb. t.; Ilebr. t. knapen. — Mogen — zijn. David verwacht dat zijne boden
Nabal goed gestemd zullen vinden, omdat het een feestdag is. — rij... gekomen rijn, volg. verb. t.;
grondt, wij... gekomen rijn. — uk zoon, erkenning van de meerderheid des rijken door den afhanke-
lijken gelukzoeker.
11. wijn wijn, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. mijn valer.
13. Kveuals XXIII: 13 heeft David hier zeshonderd man; zie aldaar.
-ocr page 581-
1 6AMUBL XXV : 14—27.
601
14           Intusschen had een herdersknaap aan Abigail, Nabals vrouw, mede-
gedeeld: Zie, David lieeft uit de woestijn boden gezonden om onzen
15       beer te begroeten, maar hij is tegen hen uitgevaren.\' En die mannen
zijn zeer goed voor ons geweest; zoodat ons geen leed is weervaren
en wij geen stuk gemist hebben, zoolang wij met hen hebben verkeerd
16       tijdens ons verblijf op het veld.\' Zij zijn ons een muur geweest, zoo
bij nacht als bij dag, zoolang wij met het weiden van de kudde bij
17       hen waren.\' Nu moet gij weten en zien wat te doen; want het staat
vast dat onheil over onzen heer en zijn gansche huis komt. Maar hij
is een deugniet, met wien niet te spreken is.
18           Toen nam Abigail ijlings tweehonderd brooden, twee zakken wijn,
vijf toebereide schapen, vijf schepel geroost koren, honderd rozijnen-
19       koekjes en tweehonderd klompen vijgen, legde die op de ezels\' en
zeide tot hare knechten: Trekt voor mij uit; ik kom achter u aan.
En aan Nabal, haar man, vertelde zij het niet.
20           Toen zij nu, rijdend op baar ezel, in een hollen weg van het gebergte
afdaalde, daar daalden ook David en zijne mannen af haar te gemoet,
21       zoodat zij hen tegenkwam.\' David nu had gezegd: Louter voor niet
heb ik al wat dezen in de woestijn behoorde beschermd, zoodat geen
stuk van al het zijne vermist is; en hij vergeldt mij kwaad voorgoed.\'
22       Zoo, ja meer nog, doe God aan David, indien ik van al de zijnen een
die mannelijk is tot het aanbreken van den morgen laat overblijven!\'
23       Toen nu Abigail David zag, steeg zij ijlings van haar ezel af, viel voor
24       David op het aangezicht, wierp zich ter aarde\' en bleef aan zijne
voeten liggen. Toen zeide zij: Op mij, mijn beer, rust de schuld; maar
laat uwe dienstmaagd tot u spreken en hoor de woorden uwer dienst-
25       maagd aan.\' Laat mijn heer zich toch niet storen aan dien deugniet,
dien Nabal; want zooals zijn naam is is hij zelf: dwaas heteekent zijn
imam, en dwaasheid is in hem. En wat mij betreft, ik, uwe dienst-
maagd, heb de knechten van mijnen heer die gij gezonden hebt niet
20 gezien.\' En nu, mijn heer, zoo waar als Jahwe leeft en zoo waar als
gij zelf leeft, Jahwe heeft u verhinderd met bloedstorting te komen
en u zelven recht te verschaften. Daarom zullen uwe vijanden en zij
27 die mijns heeren ongeluk zoeken als Nabal worden.\' Voorts, dit
huldeblijk, dat uwe dienares voor mijn heer heeft medegebracht, laat
het gegeven worden aan de knechten die in mijns heeren gevolg op-
14. een kerdertknaap, volg. vcrb. t.; grondt, een knaap van de knapen. — kij — uitgevaren, volg.
Gr. vcrt.; Hcbr. t. hij viel op ken aan.
17.  een deugniet. Zie op Deut. XIII: 13.
18.  schepel. Zie op Gen. XV1II:0. — geroost koren. Zie op Ijcv. XXIII: 14. — rozijnenkoekjet,
klompjes samengeperste rozijnen, XXX: 12 j 2 Snm. XVI : 1; 1 Kron. XII: 40. — klompen vijgen,
samengeperste gedroogde vijgen, grooter dan de koeken uil rozijnen bereid; zie op 2 Kon. XX : 7.
22. aan David, volg. Gr. vcrt. j Hebr. t. aan Davids vijanden. Aangezien David zijne bedreiging
niet vervulde, moest de door bein uitgesproken vloek op zijn eigen hoofd zijn nedergekomen. Om
deze gevolgtrekking te voorkomen bracht een lezer die verandering aan; verg. op XX : 10. — een die
mannelijk ia,
letterlijk een die aan een muur watert. De uitdrukking geeft grootc minachting te kennen
en komt dun ook alleen voor waar een geslacht of ceno familie met gchcclc uitroeiing bedreigd wordt,
meestal met daarop volgend den onmondige en den mondige, vs. 34; 1 Kon. XIV: 10; XVI: 11;
XXI: 21; 2 Kon. IX: 8.
24. Op — tchuld. Abigail erkcut dat David recht heeft zich belecdigd te gevoelen, en dat zij, daar
haar man niet toerekenbaar is, voor het gebeurde verantwoordelijk moet worden geacht; verg. vs. 28.
26.  Jaktoe heeft u verhinderd, met weglating vnn een woord (die) uit grondt. — Abigail spreekt alsof David
van zijn voornemen reeds heeft afgezien; zij twijfelt niet, of hij zal het rechtmatige van haar verzoek
erkennen. — tullen — Korden, als dwazen bekend staan en dus te schande worden; verg. 2 Sam.
XIII: 13; Job 11:10.
27.  huldeblijk. Zie op Gen. XXXIII: 11. — heeft medegebracht. Hebr. t. heeft dit in het mannelijk.—
laat — optrekken. Bescheiden uitgedrukt: zij acht hare gaven voor de dienaren goed genoeg, maar
voor iemand als David te gering.
-ocr page 582-
1 samübl XXV: 27—42.
662
28       trekken.\' Vergeef toch de overtreding uwer dienstmaagd! Immers zal
Jahwe voor mijn heer zeker een duurzaam huis stichten, omdat mijn
heer de oorlogen van Jahwe voert en geen kwaad in u gevonden werd
29       uw leven lang. \' Maken menschen zicli op om u te vervolgen en u
naar het leven te staan, zoo zal uw leven in den hundel der levenden
bij Jahwe, uw god, gebonden zijn en zal hij dat van uwe vijanden in
30       een slinger rondslingeren.\' Wanneer dan Jahwe aan mijn lieer doen
zal naar al het goede dat hij aangaande u voorspeld heeft en u tot
31       vorst over Israël aanstelt,\' zoo zal u dit geen hinderpaal en struikel-
blok zijn dat mijn heer zonder noodzaak bloed vergoten en zich zelven
recht verschaft heeft. En wanneer Jahwe mijn heer goed zal doen,
zult gij uwer dienstmaagd gedenken en haar weldoen.
32           Nu zeide David tot Abigail: Geloofd zij Jahwe, de god van Israël,
33       die heden u mij te gemoet gezonden heeft!\' Gezegend uw doorzicht,
en gezegeml gij zelve, die mij heden weerhouden hebt met bloedstor-
34       ting te komen en mij zelven recht te verschaffen.\' Maar zoo waar als
Jahwe, de god van Israël, leeft, die mij verhinderd heeft u kwaad te
doen, indien gij niet u gehaast hadt en mij te gemoet waart gekomen,
er zou van Nabal niemand die mannelijk is tot het aanbreken van den
35       morgen zijn overgebleven.\' Toen nam David van haar aan wat zij
voor hem had medegebracht en zeide hij tot haar: Ga in vrede huis-
waarts; zie, ik hel) naar u gehoord en ben u goedgunstig.
3(5          Toen nu Abigail bij Nabal terugkwam, had deze een maaltijd in zijn
huis als een koningsmaal. Nabal was vroolijk en zwaar beschonken.
Zij deelde hem dus niets, klein nocli groot, mede vóór liet aanbreken
37       van den morgen.\' Maar den volgenden morgen, toen de roes van Nabal
geweken was, deelde zijne vrouw hem het voorgevallene mede; toen
38       bestierf zijn hart en werd hij als een steen.\' En omstreeks tien dagen
later sloeg Jahwe Nabal en stierf hij.
31)          Toen David hoorde dat Nabal dood was, zeide hij: Geloofd zij Jahwe,
die voor mij opgekomen is, den mij aangedanen smaad op Nabal ver-
haald heeft en zijn dienaar heeft weerhouden van kwaad, terwijl hij
het kwaad van Nabal op zijn eigen hoofd heeft doen nederkomen!
Voorts zond David boden tot Abigail, om haar voor zich tot vrouw te
40       vragen.\' De dienaren van David, bij Abigail in Karmel aangekomen,
spraken tot haar: David heeft ons tot u gezonden, om u voor hem tot
41       vrouw te nemen.\' En zij stond op, wierp zich op het aangezicht ter
aarde neder en zeide: Hier hebt gij uwe dienstmaagd als slavin, om
42       de voeten van mijns lieeren knechten te wasschen.\' Ijlings maakte
Abigail zich op, besteeg haar ezel, ging, door vijf dienstmaagden ge-
28. Vergeef — dii-nalmaugd! Zie op va. 24. — Immers — lang. Dnvids trouw «au .liihwc en zijne
rechtschapenheid, <>|> grond waarvan Jahwe hem een duanaam hui* znl bouwen, zijn voor
Ahii.Mil een
waarborg «Int hnre hcile zal worilcn ingewilligd. — een duurzaam hui». Zie op 11:35.
2!). Toespeling op ilc vervolging van David door Snul. Dit vers verbreekt eenigerinnte het verband
en is misschien ingclniicht. — Maken ... rtVA op, volg. Gr. vert.; Ilcbr. t. Hebben ... ziek opgemaakt. —
il\'n bundel der levenden ... gebonden zijn. liet beeld schijnt ontleend nnu den slingeraar, die, terwijl
hij een deel zijner «tecnen wcgslingcrt, een ander deel in zijn buidel bewaart. Keu dergelijk beeld
komt nog voor I\'s. LVI:9; Jcz. VIII: 10; Hoz. XIII: 12. Verg. op bod. XXXII: 32.
31. Volg. Gr. vert. zijn in dit vers ecu paar tekstverbeteringen aangebraeht en is en kaar Ktldoen
er nan toegevoegd. — Vnn hinderpaal is de vertaling zeer onzeker. Licht zou Jahwe hem minder
zegenen om het ounoodig vergoten bloed.
35. ben u goedguntlig. Zie op Gen. XIX : 21.
37. Xnbals dood was ccnc straf van Jahwe voor het onrecht, David aangedaan; zie vs. 3\'J.
41. gij, in het enkelvoud, als tot David gericht. Abigail verklaart zich, als zijne vrouw, tot het
laagste slavinncnwcrk bereid.
42—44. Abigail en Ahinoam zijn de cenige vrouwen van David geweest totdat hij koning te Hebron
werd, 2 Sam. 11:2. Later nam hij er andere bij, 2 Sam. 111:2—5; XI: 20 v. Ook kreeg hij Mu-hal
-ocr page 583-
1 SAMüel XXV : 42—XXVI: 8.
063
43       volgd, met Davit!» boden mede, en werd zijne vrouw.\' Ook had David
Ahinoiim uit Jizreël gehuwd; zoodat deze beiden zijne vrouwen waren.\'
44       Maar Saul bad zijne dochter Michal, Davids vrouw, aan 1\'alti, den
zoon van Lais, uit Gallim, gegeven.
weder, 2 Suin. 111:1!)—10. Ahinoiim e» Abigail worden nog vernield XXVII: 8; XXX:5; 2 Sam.
III: 2 v.; 1 Kron. 111:1.
43. Jizrei\'l, o|i het gebergte van Juda; zie op Joz. XV: 56.
41. Palti heet 2 Snin. 111:15 1\'alliël. — Gallim, vuig. Jcz. X: 3U tusschen Gibca en Annthoth,
in Benjamin.
HOOFDSTUK XXVI.
Sriuls leven in de woestijn van /il\' door David gespaard. — De Zificten verraden aan Saul Davids
schuilplaats, en deze gaat hem zoeken (1—3a); David begeeft zieh naar de plaats «aar Snul zich
gelegerd heeft 3b—5) en sluipt met Abisjai in het kamp tot waar Saul ligt te sla|x\'ii (C v.). llij
weerhoudt Abisjai, die dcu kuning wil dooden, en beveelt hem Sauls speer en waterkruik mede te
nemen (8—12). Op een heuvel geklommen, roept David Abncr en verwijt hein den koning slecht be-
waakt te hebben (13—IA). Hij krijgt antwoord van Saul, die zijne stem herkent; waarup David zijne
unschuld betuigt (17—20). Saul bekent schuld (21); David beroept zich, met verwijzing naar de door
hem medegenomen voorwerpen, op Jahwe, die hem sparen zal, zuoals hij Saul gespaard heeft (22—24);
waarna Saul hem voorspoed voors|iclt en ieder zijns weegs gaat (25).
Deze overlevering omtrent Davids edelmoedigheid jegens Saul is ouder dan die in XX.III : 14—
XX1V:23. Of zij tot de oorspronkelijke gedeelten van het Oude Geschiedboek behoord heefl, dun wel
eerst later daarin is upgenumen, moet onbeslist blijven. In geen geval kan zij onmiddellijk aan XXVII: 1
zijn voorafgegaan. Wellicht heeft dit verhaal eenmaal tusscheu XXIII : 13 en XXV: 2 gestaan. Verg.
inl. up XXIII: 14—XXIV: 23.
XXVI: 1 Eens kwamen de Zitieten tot Saul te Gibea en zeiden: Weet gij
wel dat David zich bij ons, bij den heuvel Hachila, tegenover de wil-
2       dernis, schuilhoudt?\' Toen maakte Saul zich o|> en trok al\' naar de
woestijn van Zif\', met drie duizend man uitgelezen krijgers van Israël,
3       om David in de woestijn van Zif\' te zoeken,\' en legerde zich bij don
heuvel Hachila, die tegenover de wildernis aan tien weg ligt. David
hield zich op in de woestijn. Toen hij nu bespeurde dat Saul hem
4       in de woestijn achterna was gegaan,\' zond hij verspieders uit en kwam
5       nauwkeurig de plaats te weten waar Saul aangekomen was.\' Nu maakte
David zich op, kwam aan de plaats waar Saul gelegerd was, en bezag
de plek waar Saul zich te slapen had gelegd. De krijgsoverste van dezen
was Abner, de zoon van Ner, en Saul sliep in liet kamp, terwijl het
(5 volk om hem heen gelegen! was.\' En Davit! biet\' tuin en zeide tot
Ahinielech, tien Hittiet, en Abisjai, den zoon van Seruja, Joabs broeder:
Wie daalt met mij naar Saul in de legerplaats at\'? waarop Abisjai
zeide: Ik.
7           Toen nu David en Abisjai des nachts bij het volk kwamen, zie, daar
lag Saul te slapen in liet kamp; zijne speer stond aan zijn hoofdeinde
8       in den grond gestoken; Abner en het volk lagen om hem heen.\' En
Abisjai zeide tot David; God heeft heden uwen vijand aan u ovorge-
leverd. Laat mij hem dus met zijne speer aan den grom! steken, met
1. Zie up XXIII: 19. — bij ont, ingevoegd volg. Gr. vert. cu XXIII: 19. David houdt gecu ver-
blijf bij dien heuvel — hij is in de woestijn, vs. 3 — maar de Zitieteu wonen daar, en daar legert
Saul zich dus eerst en gaat van daar de wuestijn in.
4.  kwam — wat, onzekere vertaling.
5.   Abner. Zio up XIV : 50. — tmoijl het volk om hem heen gelegerd wat. Het was dus een waag-
stuk, waarmede hij geen bepaald duel had.
6.   Ahimelech, den Uitliet. Deze, die in Gr. vert. Abimelech heet, komt elders niet vour. — Abi-
sjtii,
broeder van Juah en Azacl, was de zoon van Seruja, volg. 1 Kron. II : 16 Davids zuster. Zie
2 Sam. 11:18—32; X:10 enz. Over Joab, later Davids krijgsoverste zie 2 Sam. 11:12—32; III:
22—89; VIII: 16; X:7vv.; XI; XII: 26—29; XIV; XVII: 24; XVIII; XIX: 1—8; XX: 6—23;
XXIV :l—ö; 1 Kon. 1:7; 11:5 v„ 28—34; 1 Kron. XI: 6, 8.
-ocr page 584-
664                                      1 samübl XXVI: 8—20.
9 éenen stoot; ik zal geen tweeden noodig hebben!\' Maar David zeide
tot Abisjai: Breng hem niet om. Want wie slaat de hand aan Jahwe\'s
10       gezalfde en blijft ongestraft?\' Voorts zeide David: Neen, zoo waar als
Jahwe leeft, Jahwe zal hein slaan, of zijn sterfdag zal komen, of hij
11       trekt ten oorlog en sneuvelt.\' Jahwe beware mij dat ik de hand zou
slaan aan Jahwe\'s gezalfde! Neem dus de speer die aan zijn hoofdeinde
12       staat en de waterkruik, en laat ons gaan.\' En liij nam de speer en
de waterkruik van tSauls hoofdeinde weg, waarna zij lieengingen zon-
derdat iemand ben gezien of opgemerkt had; niemand was wakker
geworden; want zij sliepen allen, omdat een diepe slaap van Jahwe
op hen gevallen was.
13            Weder aan de andere zijde gekomen, ging David op den top van
den berg, in de verte, staan — groot was de ruimte tusschen hen —\'
14       en riep tot liet volk en tot Abner, den zoon van Ner: Antwoordt gij
15       niet, Abner? Abner antwoordde en zeide: Wie roept mij daar?\' David
zeide tot Abner: Gij zijt immers een man! wie is uws gelijke in Israël?
Waarom hebt gij dan uwen lieer, den koning, niet bewaakt? Want
daar is een uit bet volk gekomen om den koning, uwen heer, om te
16       brengen.\' Gij hebt u in dezen niet goed gehouden. Zoo waar als Jahwe
leeft, gij zijt allen des doods schuldig, omdat gij over uw heer, den
gezalfde van Jahwe, de wacht niet gehouden hebt. Zie maar eens!
waar is \'skonings speer? en waar de waterkruik die aan zijn hoofd-
einde stond?
17           Saul nu herkende de stem van David en zeide: Is dat uwe stem,
18       mijn zoon David? David zeide: Ja, mijn heer koning.\' Voorts zeide
hij: Waarom vervolgt mijn heer zijn dienaar toch? Want wat heb ik
19       gedaan? Aan welk kwaad ben ik schuldig?\' Laat dan mijn heer de
koning toch hooren naar de woorden van zijn dienaar: indien Jahwe
u tegen mij heeft opgezet, moge hij een offer ruiken; deden menschen
het, vervloekt zijn zij voor Jahwe\'s aangezicht, omdat zij mij thans
hebben verdreven, zoodat ik van Jahwe\'s erfdeel ben afgesneden, als
20       zeiden zij tot mij: Ga heen en dien andere goden!\' Laat dan toch
0. wie slaat, vol)?. Gr. vcrt. j Hcbr. t. wie heeft geslagen. — wie — ongestraft. Zie op XXIV : 7.
10.   Jahwe zal hem slaan, hij zul cen uiigoluk krijgen. — zij» sterfdag zal komen, letterlijk zijn
dag komt en hij sterft,
d. i. hij sterft zijn natuurlijken dood. Verg. op Ps. XXXVII: |:i.
11.  Neem — gaan. Volg. XXIV: 5 nam David de slip van Sauls mantel mede.
12.  hij, AbUjai, volg. ver», t.; grondt. David, in strijd met vs. 11. — van vóór Sauls, ingevoegd
volg. Gr. vort. — een diepe slaap van Jahwe, door Jahwe veroorzaakt. Zoo toonde Jahwe dat hij met
David was.
13.  aan de andere zijde, nl. van het dal waarin het kamp was opgeslagen.
14.   Wie roept mij daar:\' Hcbr. t. laat volgen tol den koning; volg. Gr. vcrt. weggelaten.
IC. Het tweede waar volgens veranderden tekst.
1!). Dnvid stelt de keus tusschen twee mogelijke oorzaken van Snuls haat: Jahwe heeft dien be-
werkt, of menschen hebben den koning opgestookt. Kene derde, dat hij uit Sauls boozc hart voort-
komt, noemt hij niet. Zeer kiesch cu beleefd. — intlien — opgezet. Dit is in overeenstemming met
de denkwijze der ouden, die niet schroomden \'s mcnschcii boozc opwellingen cu gedachten aan de
werking vnu Jahwe toe te schrijven; zie XVI: 11; Kxml. IV: 21 en de daar aangehaalde plaatsen, en
op 2 Snm. XXIV: 1. Later nnm men daaraan aanstoot; zie op XXIV: 10 en op 1 Kron. X.XI : 1. —
een offer ruiken, en daardoor weer gunstig gestemd worden. De onderstelde ongunstige gezindheid van
Jahwe is niet veroorzaakt door eenc zonde van David (het tegendeel leert vs. 18), maar heeft haar
grond in Jahwe zclvcn; waarom zij dan ook, niet door boete en bckcering, maar door een offer dat
hem in eenc goede stemming brengt, moet worden verdreven. — Ga — goden. Als iemand uit Ka-
natin, Jahwe\'s erfdeel, naar cen ander land verdreven werd, kwam hij in de noodzakelijkheid den
god of de goden van dat land te dienen; al stuitte dit den oprechten dienaar van Jahwe tegen de
horst, hij kon en mocht er zich niet aan onttrekken, daar hij buiten Kanniin vooral van de gunst
van andere goden afhankelijk was. Deze trek, die voor den ouderdom van ons verhaal pleit, ontbreekt
in II. XXIV.
20. terwijl — ben, buiten Kajinüii, Jahwe\'s land. — want. Ik ben tegenover den koning machte-
loos en zal dus, als hij in zijne vervolging volhardt, weldra het land moeten ruimen. — mijn leven,
volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. eene enkele vloo, uit XXIV: 15 ingclascht.
-ocr page 585-
G05
1 samubl XXVI: 20—XXVU: 6.
mijn bloed niet ter aarde vlieten, terwijl ik uit Jahwe\'s oog ben! Want
de koning van Israël is uitgetrokken om mij naar bet leven te staan,
21       gelijk men een veldhoen najaagt op de bergen.\' Toen zeide Saul: Ik
heb gezondigd. Keer terug, mijn zoon David, want ik zal u geen leed
meer doen, omdat lieden mijn leven kostelijk in uw oog geweest is.
22       Zie, ik heb dwaas gehandeld en grof gedwaald.\' David antwoordde en
zeide: Hier is de speer des konings. Laat een der manschappen hier
23       komen en ze halen.\' En Jahwe zal aan ieder zijne rechtschapenheid
en trouw vergelden: u heeft Jahwe heden in mijne macht gegeven,
24       maar ik heb mijne hand niet willen slaan aan Jahwe\'s gezalfde.\' Zie,
zooals heden uw leven in mijn oog hooge waarde had, zoo zal liet
mijne in het oog van Jahwe hooge waarde hebben: zoodat hij mij redt
25       uit eiken nood.\' Toen zeide Saul tot David: Gezegend zijt gij, mijn
zoon David; groote daden zult gij verrichten en veel vermogen. Toen
ging David zijns weegs, en Saul keerde naar zijne woonplaats terug.
21. Verg. XXIV: 18.
23. Verg. XXIV : 16. — in mijne macht, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. in de macht,
25. groote — vermogen. Saul voorspelt David voorspoed, niet het koningschap; Terg. op XXIV: 21 v.
HOOFDSTUK XXVII: 1—XXVIII: 2.
David bij Achis. — David neemt met zijne mannen de wijk naar het land der Filistijnen en vès-
tigt zich te Gath, naar hij voor Saul veilig is (XXVII : 1—4). Op zijn verzoek wijst koning Achis
hem en den zijnen Siklag als woonplaats aan (5 v.); van daar uit onderneemt hij rooftochten op het
gebied van de bondgenootcu der Filistijnen, terwijl hij Achis diets maakt dal hij de .ludeërs bestookt
(7—12). David verklaart zich bereid, met Achis tegen Israël ten strijde te trekken (XXVII1:1 v.).
Dit verhaal volgde in het Oude Geschiedboek op H. XXV en vindt zijne voortzetting in XXIX,
XXX, waarvan het later door XXVIII: 3—25 gescheiden werd. Het is den schrijver te doen om in
het licht te stellen, hoc David, (Kik toen hij een tijdlang vazal van den Filistijiischcn koning was,
steeds alleen den vijanden vnn Israël afbreuk gedaan en hiertoe de Filistijnen bedrogen heeft. Hij
deelt dit mede tot eer van zijn held en ergert zich blijkbaar niet aan diens dubbelzinnig gedrag.
Anders de schrijver vnu XXI: 10—15; zio inl. op XXI: 1—XXII: 5.
XXVII: 1 David zeide bij zich zelven: Nu zal ik tien een of anderen dag
door Sauls hand omkomen. Er blijft voor mij niet anders over dan
onverwijld de wijk te nemen naar het land der Filistijnen. Dan zal
Saul het opgeven, langer naar mij ergens in het gebied van Israël
2       te zoeken, en ontkom ik hem. \' Zoo maakte David zich op en trok,
met de zeshonderd man die bij hem waren, naar Achis, den zoon van
3       Maoch, den koning van Üath.\' En David vestigde zich bij Achis te
Gath met zijne mannen, ieder met zijn gezin; David met zijne twee
vrouwen, Ahinoam, de Jizreëlietische, en Abigail, de vrouw van Nabal,
4       den Karmeliet.\' En Saul, vernemende dat David naar Gath was ge-
vloden, zocht niet langer naar hem.
5           Toen zeide David tot Achis: Indien ik gunst in uw oog gevonden
heb, laat men mij dan eene verblijfplaats geven in eene of andere land-
stad om daar te wonen. Waarom zou uw dienaar in de koningstad
6       bij u wonen ?\' En Achis gaf hem te dien dage Siklag. Daarom heeft
1.   Dat dit vers oorspronkelijk niet het gevolg was van H. XXVI springt in het oog: onmiddellijk
na Sauls verzekering in XXVI:21, 25 is de vrees die David hier blijkt te koesteren onverklaarbaar.—
da», volg. Gr. vert.
2.   Achis. Zie op XXI: 10.
8. Ahinoam, Abigail. Zie op XXV: 42—44. — Naiai, den Karmeliet, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Nabal,
de Karmelietuche.
5.  Uit vs. *—11 blijkt dat David dit verzoek doet om ongestoord op het grondgebied van Achis\'
bondgenootcu te kunnen stroopen.
6.   SU-lag. Zie op Joz. XV : 31. — Daarom — dag. — Achis stond de plaats natuurlijk niet af opdat
-ocr page 586-
1 samubl XXVII: 6—XXVIII: 2.
666
7       Siklag aan de koningen van Ju<la behoord tot op dezen dag.\' De tijd
dien David in liet land der Filistijnen doorgebracht heeft is geweest
8       een jaar en vier maanden.\' David nu en zijne mannen gingen stroop-
tochten doen in het land der Gesjurieten en Amalekieten; want dezen
\'J bewoonden het land van Telaiu tot Egypteland.\' David sloeg het land,
liet man noch vrouw in bet leven en roofde kleinvee en runderen,
ezels en kameelen en kleederen weg. Als hij dan bij Achis terugkwam \'
1U en Achis hem vroeg: Waar hebt gij vandaag een strooptocht gedaan.\'
zoo zeide David: In het Zuiden der Judeërs of: In het Zuiden der Jerah-
11       nieëlieten, of: In bet Zuiden der Kenieten.\' En David liet man noch
vrouw in leven om ze naar Gath te brengen; want, dacht hij, anders
zullen zij van ons vertellen: Zoo heeft David gehandeld. Aldus ging hij
12       te werk zoolang hij in het land der Filistijnen woonde. \' Achis nu
geloofde David en dacht: Hij heeft zich voorgoed bij zijn volk, hij
Israël, in een kwaden reuk gebracht. Nu zal hij voor altijd mij dienst-
haar zijn.
XXVIII: 1 In die dagen verzamelden de Filistijnen hun leger ten oorlog om
met Israël strijd te voeren. Toen zeide Achis tot David: Weet Avel
2 dat gij met uwe mannen met mij te velde moet trekken.\' Waarop
David tot Achis zeide: Dan zult gij eens zien wat uw dienaar doen
kan. Achis zeide tot David: Dan zal ik u aanstellen voor altijd om
mijn persoon te bewaken.
zij viiiii-i:i:in mui Uruël zou belmoren, mnnr in <lc onderstelling <lat Dnviil zijn vazal zou blijven. Maar
Je schrijver wil Judn\'s recht op ilie stad, over welker bezit zeker mei Je Filistijnen getwist werd,
bewijzen.
7.  eenjaar, uuzekerc lezing eu vertaling; Gr. vert. laat het weg.
8.   In dit ver» zijn ettelijke onzekere tekstverbeteringen, de meeste volg. Gr. vert., aangebracht. —
Gesjurieten. Zie op .loz. XI 11:2. — Amalekieten. Dit volk was dus niut geheel uitgeroeid, zooals
XV: 8 is verhaald; zie ook XXX: 1. — Telam. Zie op .loz. XV: 24.
10. Waar, volg. Gr. vort.; Helir. t. Niet. — In — Kenieten. Het Zuiden, een der vier gedeelten
11
van Juda (zie op Dcut. 1:7), werd blijkbaar naar de faiuiliëu die er woonden onderscheiden. Jude\'èra
wordt hier iu eugereu zin gebruikt, niet van de gebcele bevolking van het land dat later het koninkrijk
30
Juda uitmaakte, maar alleen van de eigenlijke Judeërs, naast wie de Siiueonieteu eu de hier genoemde
geslachten, Jera/imeelirten en Kenieten, en de hier niet genoemde Kenizzieten of Knlcbicten (zie op
XXV: 3), het laiul bewoonden. Van de Jerahnieëlicten weten wij nagenoeg niets. Daar zij hier, en
evenzoo XXX: 20, van de Judeërs onderscheiden worden, waren zij blijkbaar een der vreemde stammen
die ten westen van de Doodc Zee gevestigd waren; waarover zie in), op Num. Mll, XIV. Dut hun
stamvader Jcruhuicël 1 Kron. [1:42 broeder van Kalcb, den Kenizzict, heet doet vermoeden dat zij,
evenals de Kenizzieten (zie Gen. XXXVI: 11, 16), Kdumicten waren. De Kenieten waren van .
\\lidia-
nietisehen oorsprong; zie op Num. X: 32.
2. De draad van het verhaal, hier afgebroken, wordt XXIX : 1 weder opgeval.
HOOFDSTUK XXVIII: 3—25.
Saul bij de doodciibvzwccrstcr van Kil-dor. — Samucl sterft en men draagt rouw over hein (8a);
Saul heeft doodenbe/wcriugeu verboden (34); maar als hij, bij het uitbreken van den oorlog met de
Filistijnen, vergeefs Jahwe raadpleegt (1—0), zoekt hij ecue toovenares, gaat verkleed naar cene die
te Ku-dor woont, en cischt, onder verzekering van straffeloosheid, dat zij een doodc oproepe (7—10).
Als zij naar \'skonings wcnseli Samucl oproept, ontwaart zij met schrik dat zij Saul vóór zich heeft
(11 v.); door den koning gerustgesteld, verhaalt zij hoc de verschijning er uitziet, waardoor Saul ovcr-
tuigd wordt dat het Samucl is (13 v.); Samucl kondigt Saul Jahwe\'s oordcel, den dood van Saul en
zijne zonen en Isrnëls nederlaag aan (15—19). Saul valt van ontzetting neder, wordt met moeite
overgehaald iets te eten, en vertrekt (20—25).
Dit verhaal, dat den samenhang tusschen XXVIII: 2 en XXIX: 1 verbreekt, is van dcnzclfdcn
schrijver als II. XV en in zekeren zin de voortzetting daarvan; daar het inhoudt, hoc Samucl ub
zijn dood aan Saul de voltrekking van het vonnis der verwerping aankondigt, dat door hem volgens
XV: 20—28 bij zijn leven uitgesproken was. Iu II. XXXI deelt dezelfde schrijver mede, hoc die voor-
spelling aan Saul en zijn huis iu vervulling is gegaan. Dat het verhaal hier ingelascht werd en daar-
door de eerste twee verzen van dit hoofdstuk van hun vervolg, XXIX: 1 vv., werden losgescheurd,
-ocr page 587-
667
1 SAMUEL XXVIII : 3—13.
hail waarschijnlijk zijne reilen hierin dat in vs. I een dergelijke toestand als in vs. 1 ondersteld wordt.
Na H. XXX zou het cene betere plaat» hebben gevonden.
Ten ann/.icn van ht^t bezweren van dooden staat de verhaler op het standpunt van l)eut. XVIII
9—22: hij houdt het voor mogelijk en twijfelt dan ook niet of het heeft werkelijk plnats gehad, maar
beschouwt het nis eene ongeoorloofde kunst (verg. 1 Kron. X : 13).
XXVIII: 3 Samuel was gestorven, en gansuh Israël bedreet\'rouw over hem
en begroet\' bem te liama, in zijne stad. Saul nu had de ondeniardsche
4       geesten en de demonen uit bet land weggedaan.\' Maar de Filistijnen
verzamelden zich, kwamen en sloegen hunne legerplaats op te Sjunem;
Saul van zijn kant verzamelde gansch Israël, dat zijne legerplaats op
5       den Gilboa opsloeg.\' En toen Saul liet leger der Filistijnen zag, werd
6       bij bevreesd en zeer ontsteld.\' Hij raadpleegde Jahwe, maar Jahwe
antwoordde bem niet, noch door droomen, noch door de uriem, noch
7       door de profeten.\' Toen zeide Saul tot zijne dienaren: Zoekt mij eene
vrouw die over een onderaardschen geest beschikt, opdat ik tot baar
ga en haar raadplege. Zijne dienaren zeiden tot hem: Zie, te En-dor
8       woont eene vrouw die over een onderaardschen geest beschikt.\' Toen
maakte Saul zich onkenbaar, trok andere kleederen aan en ging met
twee mannen derwaarts. In den nacht kwamen zij bij de vrouw, en
hij zeide tot haar: Voorzeg mij de toekomst door den onderaardschen
9       geest; doe voor mij opkomen dien ik u noemen zal.\' Maar de vrouw
zeide tot bem: Gij weet wel wat Saul gedaan beeft, boe bij de onder-
aardsche geesten en demonen idt bet land heeft uitgeroeid. Waarom
10       legt gij mij dan een valstrik om mij om hals te brengen?\' Toen zwoer
Saul baar bij Jahwe: Zoo waar als Jahwe leeft, gij zult om deze zaak
geen straf beloopen.
11            Nu zeide de vrouw: Wien zal ik voor u doen opkomen.\' Hij zeide:
12       Ijaat Samuel voor mij opkomen.\' Doch toen de vrouw Samuel zag,
schreeuwde zij luidkeels en zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij be-
13       drogen.\' (Jij zijt Saul zelf!\' Maar de koning zeide tot haar: Vrees niet.
Zeg wat gij ziet. Toen zeide «Ie vrouw tot Saul: Een goddelijk wezen
3. Dit vers behelst de inleiding op het verhaal: tot recht verstand ui. van hetgeen volgt moet de
lezer weten dat Samuel dood was cu Saul het raadplegen der dooden verboden had. Over het laatste
zie op I)eut. X VIII : In v. De eerste vcroordceliiig er van die wij kennen is Kxod. XXII: 18, uit de
8st« eeuw. Dat reeds Saul het zou verboden hebben is niet onmogelijk, maiir wordt toch door dit
verhaal niet voldoende gewaurborgd. Hier toch hangt het sniiicu met de, zeker niet zuiver historische,
verdecling van Sauls rcgccriiig in twee tijdperken die ecu zeer verschillend karakter vertoonen: in
het eerste volbrengt hij Jahwe\'s wil, gaat met Samuel te rade en verbiedt het ondervragen van de
dooden; in het tweede staat hij met Snmucl op gespannen voet, is van Jahwe verlaten cu neemt uil
radeloosheid zijne toevlucht tot het eens door hem verboden middel om de toekomst uit te vorscheu. —
Samuel — liama. Zie XXV i 1. — in zijne s/a//, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en in zijne a/ad. — de
onderaardiche geetten en de demonen,
naïeve uitdrukking voor het uitvorschen der toekomst door hen.
Zie op Lev. XIX: 31.
I.   Sjunem. Zie op Joz. XIX: 18. — Gilboa, een gebergte, ongeveer 520 meter hoog, dat zich ten
oosten van de vinkte van Jizrccl in zuidoostelijke richting uitstrekt.
(1. Hij raadpleegde Jahwe, op dn gebruikelijke, voor geoorloofd gehouden wijzen i door droomen (zie
op flcn. XX! 3), door de uriem (zie op XIV : 37 en 11) en door profeten. Kerst toen deze alle geen
licht gaven, wendde hij ecu ongeoorloofd middel tuin. — Jahwe antwoordde — profeten. Sauls droomen
hadden geen bctcckcnis, het priesterlijk orakel gaf geen antwoord, de profeten kregen geen opcn-
Imriug van Jahwe. Jahwe wilde dus blijkbaar aan Saul niets niededcelcn. Tcu spijt hiervan poogde bij
inlichtingen omtrent de toekomst in te winnen door het raadplegen van ceii doodc, vs. 15—10; dit
was verzet tegen Jahwe\'s wil en daarom ongeoorloofd.
7.   En-dor, ten noordoosten van Sjuncm, alleen nog I\'s. I,XXXIII : 11 vermeld, en verg. op Joz. XVII: 11.
8.   tot haar, volg. Gr vert. ingevoegd. — Voorzeg — zal. De ondcraardsche geest is dus de mid-
delniir door welken de dooden uit du onderwereld worden opgeroepen. Over liet doodeiirijk, wnaruit
zij hem zul doen opkomen, zie op Gen. XXXVII: 35.
II.   demonen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
12.   Wellicht is de bedoeling dat de vrouw, bij het opkomen der verschijning, in een toestand van
helderziendheid geraakt waardoor zij Saul herkent.
13.   Xeg, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Want. — Een goddelijk Kezen, letterlijk goden, wat wij eene
bovennatuurlijke verschijning of ecu geest zouden noemen.
-ocr page 588-
668                                    1 8AMUBL XXVIII: 13—25.
14       zie ik uit den grond opkomen.\' Hij zeide tot haar: Hoe ziet het er
uit? Zij antwoordde: Een oud man komt op; in een mantel is hij ge-
liuld. Hierop neigde Saul, begrijpende dat liet Samuel was, zijn aan-
15       gezicht ter aarde en wierp zich neder.\' iSamuel zeide tot iSaul: Waarom
hebt gij mij in mijne rust gestoord door mij te doen opkomen? iSaul
zeide: Ik ben zeer benauwd: de Filistijnen voeren krijg tegen mij, en
God is van mij geweken en heeft mij niet meer geantwoord, noch door
de profeten, noch door droomen, noch door de uriem. Daarom heb ik
16       u geroepen, om mij te verkondigen wat ik doen moet.\' iSamuel zeide:
Waarom ondervraagt gij mij, terwijl Jahwe van u geweken is en de
17       partij van uwen naaste gekozen heeft?\' Jahwe doet u zooals hij door
mij gesproken heeft: hij scheurt u het koningschap uit de hand en
18       geeft het aan uwen naaste, aan David.\' Omdat gij niet naar Jahwe
geluisterd en zijnen toorngloed tegen Amalek niet voltrokken hebt,
19       daarom lieeft Jahwe thans evenzoo aan u gedaan.\' Hij zal ook Israël
met u in de hand der Filistijnen geven; morgen zult gij met uwe
zonen sneuvelen en zal Jahwe bovendien de legerplaats van Israël in
de hand der Filistijnen geven.
20           Haul stond verbijsterd en stortte zoo lang hij was op den grond;
want hij was zeer bevreesd geworden vanwege Bamuels woorden, en
had bovendien geen kracht, daar hij den ganschen dag en den gan-
21       schen nacht niets gegeten had.\' De vrouw ging naar iSaul toe en,
ziende dat hij zwaar geschokt was, zeide zij tot hem: Zie, uwe dienst-
maagd beeft naar u geluisterd: ik heb mijn leven op bet spel gezet
22       en naar de woorden geluisterd die gij tot mij gesproken hebt.\' Luister
gij dan nu ook naar uwe dienstmaagd. Laat mij u een stuk brood
voorzetten en eet iets; opdat gij weder bij krachten moogt zijn, wan-
23       neer gij uws weegs gaat.\' Maar hij weigerde het en zeide: Ik wil
niet eten. Doch zijne dienaren en ook de vrouw drongen bij hem aan,
en hij hoorde naar hen, stond van den grond op en zette zich op de
24       rustbank.\' De vrouw had een gemest stierkalf in huis; ijlings slachtte
25       zij dat, nam meel, kneedde het, bakte er ongezuurde koeken van\' en
zette een en ander iSaul en zijnen dienaren voor. Na gegeten te hebben,
stonden zij op en gingen dien zelfden nacht heen.
14.   in een aantel is hij gehuld. Daar Suiil hieraan Siiiimcl herkent, zul wel de profctcnmantcl bc-
doeld zijn (verg. op 1 Kon. XIX: 10). De doodcn werden ondersteld, in het sehimmenrijk het uiterlijk
en de Meeding te hchoiiden die zij hij hun sterven gehad hulden.
15.   «ie/ meer, sedert ik u het laatst zag, na den oorlog tegen Amalek, II. XV. — noch door de
uriem,
uit Gr. vert. ingevoegd.
IC. Wat kan ik, Jahwe\'» profeet, u helpen, nu Jahwe zieh tegen u heeft gekeerd? Ik kan u geen
raad geven; gij zijt verloren. — de — heeft, volg. Gr. vcrt.j Hcbr. t. misschien uw tegenstander
geworden is.
17. Zie XV: 28, waar echter aan Saul de naam van zijn opvolger nog niet medegedeeld wordt. —
* (na doet), volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hem.
18 v. He straf beantwoordt aan de zonde: omdat Saul niet heeft geluisterd naar Jahwe luistert
Jahwe thans niet naar hem; omdat Saul Jahwe\'» wil tegen Amalek niet heeft uitgevoerd (zie II. XV)
doet Jahwe niet naar Sauls wil tegen de Filistijnen; verg. op Exod. IV: 22.
19.  suil — sneuvelen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. (zult) gij en uwe tonen bij mij (zijn).
20.  stond verbijsterd, volg. Gr. vert.; Hebr. t.j grondt, spoedde zich. — want, volg. verb. t.;
Hebr. t. en.
23. drongen... aan, met omzetting van twee letters. Evenzoo 2 Ssm. XIII: 25.
HOOFDSTUK XXIX, XXX.
David, uit het leger der Filistijnen weggezonden, voert krijg met Amalek. — De Filistijnen stellen
zich tegen Israël op (XXIX: 1); hunne vorsten dringen bij Achis aan op verwijdering van David en
zijne manschappen (2—5); Achis zendt hom onder vele verontschuldigingen uit het leger weg (0—11).
Tc Siklag gekomen, zien zij tot hunne groote droefenis dat de stad door de Amalekieten is verbrand
-ocr page 589-
1 samubl XXIX: 1—9.                                   669
en hunne vrouwen en kinderen ziju weggevoerd (XXX: 1—5). Het volk is verbitterd, muur David
raadpleegt Jahwe en trekt, na eene bemoedigende godsprank ontvangen te hebben, de roovers achterna
(6—10). Door een achtergelaten zieken slaaf omtrent hunne bewegingen ingelicht, haalt hij hen in
(11—10), verslaat hen, herovert al het weggevoerde en behnalt daarenboven grooten buit (17—20).
Duvid mttnkt eene bepaling omtrent de verdeeling er van (21—25) en zendt geschenken aan zijne
bondgenootcn in Juda (20—31).
Deze hoofdstukken zijn het vervolg van XXVII: 1—XXVIII: 2. Evenals daar, leert de schrijver
hier dat Duvid, ook toen hij in den dienst van den Filistijnschen koning was, aan zijn volk getrouw
bleef: hij voerde de wapenen niet tegen Saul en zond aan zijne stamgenootcn rijke geschenken. Voor de
onecrlijkheid van Davids gedrag had hij, uuur het schijnt, geen oog. In den argwaan der Filistijnschc
vorsten, die volgens zijn eigen verhaal zeer gegrond was (verg. XXVII: 10—12), en die David uit
eene niet geringe moeilijkheid redde, zag hij waarschijnlijk eene besticring van Jahwe ten bate van
zijn gunsteling.
XXIX: 1 De Filistijnen verzamelden hun geheele leger te Afek, terwijl Israël
2      gelegerd was bij de bron in Jizreël.\' Toen nu de vorsten der Filistijnen
met hunne afdeelingen van honderd en van duizend voorbijtrokken en
3      David en zijne mannen met Achis in de achterhoede optrokken,\' zeiden
de legerhoofden der Filistijnen: Wat moeten die Hebreen! Waarop Achis
tot de legerhoofden der Filistijnen zeide: Dit is immers David, de
dienaar van Saul, den koning van Israël, die nu een paar jaar bij mij
geweest is, zonderdat ik ooit iets in hem gevonden heb, van dat hij tot
4      mij is overgeloopen tot heden toe.\' Maar de legerhoofden der Filis-
tijnen werden zeer op hem vergramd en zeiden tot hem: Zend dien
man weg, dat hij wederkeere naar de plaats waar gij hem een verblijf
hebt aangewezen. Hij zal niet met ons ten strijde trekken; hij mocht
eens in den strijd tegen ons partij kiezen. Waarmede zou hij eerder
bij zijn heer in gunst komen dan met de hoofden van deze mannen?\'
5      Dat is immers dezelfde David tot wiens eer men bij beurtzang zong:
Verslagen heeft Saul zijne duizenden,
David zijne tienduizenden.
6          Toen riep Achis David en zeide tot hem: Zoo waar als Jahwe leeft,
gij zijt een eerlijk man, en in mijn oog is het goed dat gij bij mij in
het leger uit- en ingaat; want ik heb in u niets kwaads gevonden
van dat gij bij mij gekomen zijt tot heden toe. Maar in het oog der
7      vorsten deugt gij niet.\' Keer dan terug en ga in vrede. Zoo zult gij
niets doen wat kwaad is in het oog van de vorsten der Filistijnen.\'
8      Hierop zeide David tot Achis: Wat heb ik toch gedaan? en wat hebt
gij in uw dienaar gevonden van dat ik bij u verkeerd heb tot heden
toe, dat ik niet mag komen en strijden tegen de vijanden van mijn
9      heer den koning?\' Achis liernam en zeide tot David: Gij weet dat gij
1.   Vervolg van XXVIII: 2. In XXVIII :1 worden de stellingen der legers cenigszins ttnders dan
hier aangegeven; doch zoowel hier als duur worden wij verplaatst in den omtrek van den Gilboa eu
in do vlakte van Jizreël. De Filistijnen konden tot hiertoe doordringen, omdat in du streek tusschen
hun land en den Gilboa geen Isruclietische vestingen waren, wanrdoor hun leger kon tegengehouden
worden. Hierom versterkte Salomo Megiddo; zie op 1 Kon. IX: 15. — Afek moet volgens deze plaats
in de nabijheid, wuarsehijnlijk ten westen, van Jizreël hebben gelegen; verg. op IV Si. — de bron in
Jizreël,
onbekende plaats. Misschien schuilt eene fout in dozen naam; Gr. vert. lin-dor, dal in Jisreël is.
2.   de vorsten der Filistijnen, vijf in getal; zie op Joz. XIII : 3. — voorbijtrokken, bij de leger-
moustering. — met Achis, als zijne lijfwacht, XXVIII: 2.
3.  de legerhoofden, dezelfden die vs. 2 vorsten hectcn. — nu een paar jaar, onzekere lezing eu ver-
taling. Do tijdsbepaling komt niet overeen met die van XXVII : 7; maar ook daar is de lezing onzeker. —
tot mij, uit Gr. vert. ingevoegd.
4.   uiden. Hebr. t. laat nog voorafgaan de legerhoofden der Filistijnen; volg. Gr. vert. wegge-
lut.cn. — Waarmede — mannen!\' Door ons te verraden zou hij eene schoone gelegenheid hebbeu om
bij Saul weder in gunst te komen.
5.  Zie XVIII: 7; XXI: 11.
6.  uit- en ingaat. Zie op 1 Kon. III: 7. — Kant — toe. Achis heeft dus van Davids dubbelzinnige
handelwijze tegenover hem niets bespeurd, XXVII i 8—12.
7.  Zoo — Filistijnen, door tegen hun wil mede op te trekken.
-ocr page 590-
1 Samurl XXIX : 9—XXX : 12.
670
in mijn oog goed zijt als de engel Gods; raaar de legerhoof\'den der
Filistijnen hebben gezegd: Hij raag niet met ons ten strijde trekken.\'
10       Maak n dan morgen ochtend op met de dienaren UWB heeren die met
u gekomen zijn, en gaat henen naar de plaats waar ik u een verblijf
heb aangewezen; heb geen slechte gedachte van mij; want gij zijt voor
mij goed als de engel Gods. Maakt u dan morgen ochtend op en trekt
11       zoodra het licht voor u wordt weg.\' Zoo maakten l)avid en zijne
mannen zich op, om den volgenden morgen weg te trekken en terug
te keeren naar het land der Filistijnen, terwijl de Filistijnen optrokken
naar Jizreël.
XXX: 1 Toen David met zijne mannen op den derden dag te Siklag aan-
kwam, luidden de Amalekieten een inval in het Zuiden en ook in
2 Siklag gedaan; zij hadden Siklag geslagen en verbrand \' en de vrouwen
en al wie zich in de stad bevond weggevoerd: zonder iemand, klein
of groot, te dooden, hadden zij hen medegenomen en waren huns weegs
\'] gegaan.\' Toen nu David en zijne mannen bij de stad kwamen, zie,
zij was verbrand, en hunne vrouwen, zonen en dochteren waren weg-
4 gevoerd!\' Nu verhieven David en liet volk dat bij hem was hunne
stem en weenden, totdat zij geen kracht meer hadden om te weenen. \'
T) (Jok Davids beide vrouwen waren weggevoerd, Ahinoam, de Jizreölie-
tische, en Abigail, de vrouw van Nahal, den Karmeliet.
6           En het werd David zeer bang, daar het volk zeide hem te zullen
steenigen; want al het volk was verbitterd, ieder over zijne zonen en
7       dochteren. Maar David sterkte zich in Jahwe, zijn god,\' en zeide tot
den priester Abjathar, den zoon van Ahimelech: iireng mij den efod
8       eens hier. Nadat Abjathar den efod tot David gebracht had,\' raad-
. pleegde David Jahwe en zeide: Zal ik die bende acliternazettenl zal
ik ze inhalen.\' Hij zeide tot hem: Zet na; want inhalen zult gij en
9       verlossen.\' Toen trok David heen met de zeshonderd man die bij hem
waren. Als zij bij de beek Bezor gekomen waren, zette David met
10       vierhonderd man de vervolging voort,\' terwijl tweehonderd man, die
te vermoeid waren om de beek Hezor over te trekken, daar bleven.\'
11       Op het veld vonden zij een Egyptenaar, dien zij tot David brachten.
Zij gaven hem brood, waarvan hij at, en lieten hem water drinken.\'
12       Toen zij hem nog een stuk van een vijgenkoek en een paar rozijnen-
koekjes gegeven hadden en hij gegeten had, kwam hij weder bij; want
9.   Gij wttt, met verandering van ecu klinker; %ri"<>inll. Ik weet. — goed ah de engel God». Achis
geeft de krachtigst mogelijke vcrzckerinir. van zijn vertrouwen op David: liij vertrouwt hem al» (ind
zi\'lvi\'ii; zie op Gen. XVI! 7.
10.   uks lierren, van Saul. — en gaal — Gods, uit Gr. vort. ingevoegd. — hei — tan mij, alsof
ik bijbedoelingen had.
11.  naar Jizrerl. Zie vs. 1.
1.   op den derden dag. Afek lag dus twee tot drie dagreizen van Siklag. Daar volg. 2 Sain. 1:2
de bode die van den Gilbon bij David te Siklag kwam juist evenveel dagen nnodig had, moet Afek
iu de nabijheid van den Gilbon gelegen hebben. — de Amalekieten. Zie op XXVII : 8. — het Huiden.
Zie op XXVII: 10.
2.  en al wie, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. die,
5. Zie XXV : 39—43.
8. Maar — god. David vatte moed door de gedachte aau zijn god en vorschtc daarom diens wil uit.
7v. Zie XXIII: 9—13.
8.  Zal ik die bende achlernazellenf De vragende vorm dezer woorden vol^. Gr. vert. — inhalen...
ver/ossen.
Het eerste heeft tot voorwerp: de vijanden, het tweede: de geroofde vrouwen en kinderen.
Het antwoord is kort, zooals orakels plegen te zijn.
9.  Bezor. Misschien de beek die ten zuiden van Gnza in zee valt; zij komt, behalve hier, alleen
nog vs. 10 en 21 voor. — Aan het slot heeft llebr. t. nog en de overgeblevenen bleven liaan, wat als
ziustorend is weggelaten.
10.  te vermoeid varen, zeer onzekere vertaling. Gr. vert. heeft tweehonderd man bleven staan om te
bewaken en letten zieh neder aan de overzijde van dr beek Bezor.
12.  vijgenkoek, rozijnenkoekjes. Zie op XXV: 18.
-ocr page 591-
1 bamuel XXX: 12—26.                                      671
13       hij had in drie dagen en nachten niet gegeten of gedronken.\' Nu zeide
David tot hem: Aan wien behoort gij en waar komt gij van daan?
Hij antwoordde: Ik hen een Egyptische knaap, de slaaf van een Ama-
lekiet. Mijn meester heeft mij, drie dagen geleden, omdat ik ziek was,
14       laten liggen.\' Wij hadden een inval gedaan in liet Zuiden der Krethiërs,
in dat der Judeërs en in dat der Kalebieten en hebben Siklag verbrand.\'
15       David zeide tot hem: Wilt gij mij naar die bende brengen/ Waarop
hij antwoordde: Zweer mij bij God «lat gij mij niet dooden, noch aan
mijn meester uitleveren zult; dan zal ik u naar die bende brengen.\'
lfl Toen hij hem dit gezworen had, bracht hij hem daarheen. En zie, zij
waren over de geheele streek verstrooid, etende, drinkende en feest-
vierende van al den rijken buit dien zij uit het land der Filistijnen
17       en dat van Juda hadden weggehaald.\' En David overviel hen en sloeg
hen, van de morgenschemering tot den avond, tot verdelgens toe:
niemand van hen ontkwam, behalve vierhonderd manschappen die de
18       kameelen bestegen en op de vlucht gingen.\' David herwon alles wat
de Amalekieten hadden weggehaald; ook herwon hij zijne beide vrouwen.\'
1U Men miste niets, klein noch groot, zonen noch dochteren, noch iets van
den buit, niets van alles wat was weggehaald; alles bracht Üavid
20       terug.\' Toen namen zij al het kleinvee en de runderen, dreven die
voor hem heen en zeiden: Dit is de buit voor David!
21            Toen David bij de tweehonderd mannen kwam die te vermoeid waren
geweest om hem te volgen en die hij bij de beek Bezor had laten
blijven, gingen zij David en het volk dat bij hem was te gemoet, en
22       David trad op hen toe en vroeg naar hun welstand.\' Maar toen vatten
alle slechtaards en deugnieten onder de mannen die met David getrokken
waren het woord op en zeiden: Omdat zij niet met ons getrokken zijn,
willen wij hun niets geven van den buit dien wij herwonnen hebben.
Ieder neme alleen zijne vrouwen en kinderen mede en ga zijns weegs!\'
23       Maar David zeide: Doet niet alzoo, nademaal Jahwe het ons geschonken,
ons bewaard en de bende die ons overvallen had in onze hand gegeven
24       heeft.\' Wie zou in deze zaak naar u willen hooren \'l Neen: wie bij de
bagage blijft krijgt een even groot deel als wie ten strijde trekt; ge-
25       lijk op zullen zij deelen.\' En zoo is het sinds dien dag gegaan: hij
stelde het vast als eene inzetting en verordening voor Israël, tot op
dezen dag.
20           Te Siklag gekomen, zond David een deel van den buit aan de oud-
14. het Xniden — Kalebieten. Zie op XXVII: 10. Met hel /uiden der Krelhiêr» wordt bedoeld het
zuidelijk gedeelte vnti het huid der filistijnen, die ook iïzech. XXV: 10; XXX: 5; Sef. 11:5 met dien
iiimiii worden aangeduid. Verg. op 2 Nam. VIII: 18. — de Kalebieten, de Kcuizzictcn, in dcu omtrek
van Ilcbron; zie inl. op Nuiii. XIII, XIV.
lfl. Toen — had, volg. Gr. en Lat. vertt. ingevoegd.
17. overviel hen, uit Gr. vert. ingevoegd. — tot verdelgen! toe, volg. verb. t.; grondt, tot aan hun
volgenden dag,
20.  Volg. verb. t., gedeeltelijk naar Gr. en Lat. vertt. j Hcbr. t. Toen nam David... zij dreven
vóór dat vee e».
Duur eerst in V». 22 gesproken wordt van de verdecling van het hcrwoniicnc, zullen
hier wel de dieren bedoeld zijn die aan de Amalekictcu behoord hadden en op hen waren buit-
geuiankt.
21.   hij... had laten blijven, met verandering van éon klinker, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. heeft het
meervoud.
22.  deugnieten. Zie op Dcut. XIII: 13. — met ons, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. met mij.
23.  nademaal, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. mijne broeden dat.
21 v. I)e schrijver laat hier door David vaststellen wat in zijn tijd ongetwijfeld ten nanzicn vnn de
verdecling van den buit als recht gold. In ecno zeer jonge wet, Num. XXXI: 25—47, wordt daarom*
treut bepaald dat de cene helft aan hen die aan dcu strijd hebben deelgenomen, de andere aan de
gchcclo gemeente ten goede zal komen.
24.   irie — blijft. l)e schrijver verzuimde in vs. 0 te zeggon dnt aan de tweehonderd de bagage
was toevertrouwd.
26. van den buil, van het aan David geschonken vee, va. 20.
-ocr page 592-
1 SAMUBL XXX : 26—XXXI: 7.
672
sten van Juda, zijne vrienden, niet de boodschap: Hier is een geschenk
27       voor u uit den buit op Jahwe\'s vijanden behaald.\' Hij zond zulks aan
28       die te liethul, te llama van liet Zuiden, te Jattir,\' te Aroër, te »Sife-
29       moth, te Estemoa,\' te Karmel, aan de oudsten in de steden der Jerah-
30       meëlieten en in die der Kenieten,\' aan die te Horma, te Bor-asjan,
31       te Ether,\' te Hebron, en voorts aan alle plaatsen waar Üavid met zijne
mannen verkeerd had.
27.   Belhul, volg. naar Joz. XX: 4 verb. t.; Hebr. t. Bethel. Zie op Joz. XV: 30. — Barna, met
verandering van een klinker; grondt. Bamolh. De plaats komt nog Joz. XIX : 8 voor. — Jattir. Zie
op Joz. XV : 48.
28.   Aroer. Zie op Joz. XV : 22. — Sifemoih, onbekend. — Estemoa. Zie op Joz. XV : 50.
29.   Karmel, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. Rachal; zie op Joz. XV: 55.
80. Horma. Zie op Nuin. XXI: 3. — Bor-atjan. Do naam bcteckent, ,rookput\'. Misschien is het
dezelfde plaats die Joz. XV:42 Asjan heet. — Ether (zie op Joz. XV:42), volg. verb. t.; Hebr. t. Athaeh.
31. Hebron. Zie op Gen. XIII: 18.
HOOFDSTUK XXXI.
Dood van Saul. — De Israëlieten worden door de Filistijnen verslagen (1); drie zonen van Snnl
sneuvelen (2); hij zelf, in het nauw gebracht, beveelt zijn wapendrager hem te dooden, en slaat, als
deze weigert, de hand aan zich zclven (3—6); de Israélietischc steden in den omtrek worden van hare
inwoners verlaten en door de Filistijnen bezet (7). Dezen verminken Sauls lijk en hangen het aan den
muur van Hcth-sjean op (8—10); maar de bewoners van Jnbes nemen de lijken van Saul cu zijne
zonen van den muur af eu begraven ze in hunne stad (11—13).
De voorstelliug die hier van Sauls dood wordt gegeven is iu strijd met die van het Oude Gc-
schiedboek, 2 Sam. 1:1—10. Daar verzekert een Amalekiet, Saul op zijn verzoek gedood te hebben;
hier maakt Saul zelf een eind aan zijn leven. De laatste voorstelling is de jougste; zij schijnt af-
komstig van den schrijver van XV; XXV1II:3—25, volgeus wicn Suul, door Jahwe verworpen, ook
als een van God verlatene sterft. Toch moet ook het Oude Geschiedboek ecu verhaal over Sauls dood
hebbeu behelsd en wijst 2 Sam. II: 44—7 naar vs. 11—13 van ons hoofdstuk terug. Waarschijnlijk
heeft ons verhaal, iu zulk ecu vorm dat daarin de dood van Saul als iu 2 Sam. 1:1—1G werd mede-
gedeeld, oorspronkelijk een deel van dat boek uitgemaakt en is het door den schrijver vau XV;
XXVIII : 3—25 iu zijn tegenwoordigen vorm gebracht; zie op vs. 3.
Met geringu afwijkingen komt het hier verhaalde ook 1 Krou. X: 1—12 voor.
XXXI: 1 Toen nu de Filistijnen tegen Israël streden, sloegen de Israëlieten
voor de Filistijnen op de vlucht, en vielen verslagenen op het gebergte
2       Gilboa.\' De Filistijnen zaten Saul en zijne zonen op de hielen en ver-
3       sloegen Sauls zonen Jonathan, Abinadab en Malkisjua.\' Daarop werd
de strijd zwaar tegen Saul; en toen de boogsebutters hem onder schot
4       kregen, werd hij zeer beangst voor hen\' en zeide tot zijn wapendrager:
Trek uw zwaard en doorsteek er mij mede; anders komen die onbe-
snedenen en drijven hun spel met mij. Maar zijn wapendrager wilde
niet, omdat bij zeer bevreesd was. Nu nam Saul het zwaard en stortte
5       er zich in.\' En Sauls wapendrager, ziende dat hij dood was, stortte
6       zich ook in zijn zwaard en stierf met hem.\' Zoo stierven Saul, zijne
7       drie zonen en zijn wapendrager op éen en denzeli\'den dag.\' En de
1.   Vervolg van XXIX: 11. — vielen — Gilboa. Over den Oitboa zie op XXVIII: 4. Dat op dit
gebergte de slag plaats hiul wordt niet gezegd, alleen, dat de Israëlieten dnurheen vluchtten en er
uedergcsabeld werden. L\'it XXIX: 1, 11 maken wij op, dat de slag in de nabijheid van Jizrcël gele*
verd werd.
2.  Sauls Amen. Verg. XIV : 49.
3.  boogschutters, met weglating van het woord mannen volg. Gr. vert. en 1 krun. X: 3. —
werd hij zeer beangst. Saul is hier minder heldhaftig dan in 2 Sam. 1\'. 6—9: hier geeft hij reeds bij
het zien der vijanden den moed verloren, duur eerst uls hij, door ecne duizeling bovungeu, zich niet
meer verwereu kan.
4.  die onbesnedenen. Hebr. t. laat nog volgen en doorsteken mij; volg. 1 Kron. X: 4 weggelaten. —
omdat hij teer bevreesd «as, zijne hand aan Jahwe\'s gezalfde te slaan.
6. wapendrager. Hebr. t. laat nog volgen benevens al zijne mannen; volg. Gr. vert. weggelaten; 1
Kron. X: 6 heeft zijn gansene huis.
-ocr page 593-
1 samüei, XXXI: 7—13.                                       673
Israëlieten in de steden der vallei en den overkant van «len Jordaan,
ziende dat de Israëlieten gevlucht en >Saul en zijne zonen gesneuveld
waren, verlieten hunne steden en gingen op de vlucht; waarna de
Filistijnen kwamen en ze hezetten.
8           Den volgenden dag, toen de Filistijnen kwamen om de verslagenen
uit te schudden, vonden zij 8aul en zijne drie zonen op het gehergte
ü Gilboa liggen;\' zij hieuwen hem het hoofd af, trokken hem zijne wapen*
rusting uit en zonden die rond in het land der Filistijnen, om de zege
10       te boodschappen aan hunne afgoden en aan het volk.\' Zijne wapen-
rusting legden zij in den tempel van Astarte, maar zijn romp hingen
11       zij op aan den muur van Beth-sjean.\' Toen de inwoners van Ju bes in
12       (iilead hoorden wat de Filistijnen aan Saul hadden gedaan,\' maakten
alle weerbare mannen zich op, trokken den ganschen nacht door en
namen den romp van Saul en die zijner zonen van den muur van
13       Beth-sjean, brachten ze naar .labes en verbrandden ze aldaar.\' Daarop
namen zij hun gebeente, begroeven het onder de tamarisk te Jabes en
vastten zeven dagen.
7. »\'» de tieden, itaur verb. t.; grondt, tum de overzijde van, wat onverstaanbaar is. — Het spreekt
vanzelf dat de hier gebezigde uitdrukking overdreven ia; de schrijver wil niet beweren dat de gchccle
bevolking, zoo van het Jordaamlal ten oosten van den Gilboa als van het Ovcrjordaanschc, op de vlucht
ging; Jabes althans werd niet ontvolkt, vs. 11 v. Misschien heeft 1 Krou. X.7 een beteren tekst. —
hunne, uit Gr. vert. en 1 Kron. X:7 ingevoegd.
S>. a/goden, volg. Gr. vert. en 1 Kron. X:9; Hcbr. t. in het huis (of de huizen) hunner afgoden.
I)c goden moeten de teckciieu der overwinning zien, met hunne hulp behaald.
1U. in den tempel van Astarle (llehr. t. heeft den naam der godin in het meervoud), in welke stad
wordt niet gezegd. Astarte had een oud en beroemd heiligdom te Askclou. — hingen zij op, volg. Gr.
vert.; Hebr. t. sloegen lij in. Verg. op XXI: 9. — Beth-sjean. S5ic op Joz. XVII: 11.
11—18. De Jabezietcn vervullen een plicht der dankbaarheid voor de hun eenmaal door Saul gc-
boden hulp, 11. XI; verg. 2 Sam. II: 44—7.
12.  brachten ze, volg. Gr. en Syr. vertt.; Hebr. t. kwamen. — en — aldaar. Kr is geen ander voor-
beeld van lijkverbranding ouder Israël bekend. Wellicht is de tekst bedorven en heeft er gestaan „en
bedreven er rouw over", maar de fout is dan zeer oud; waarschijnlijk had de schrijver van 1 Kron.
X:12 onzen tekst voor zich en liet hij om het ongewone dier handelwijze de woorden weg.
13.   hun gebeente, dat volg. 2 Sam. XXI: 13 v. later naar Snuls familiegraf is overgebracht. Daar
er beenderen overbleven die begraven konden worden, kan de verbranding niet volledig geweest zijn.
— de tamarisk. Zie op Gen. XXI: 38.
TWEEDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Davids rouw over den dood van Saul en Jonathan. — Ken man komt te Siklag David melden dat
de Israëlieten verslagen en Saul en Jounthnn gesneuveld zijn (1—4), verhaalt dat hij zelf den koning,
op zijn verzoek, gedood heeft en toont zijn diadeem en armband (5—10). David en zijne mannen he-
<i rij vin rouw over de verslagenen (11 v.), waarna hij den boodschapper als koningsmoordcr doet ter dood
brengen (13—10). Hij heft een klaagzang over Saul en Jonathan aan (17 v.). Davids klaaglied (19—27):
Israël hoore den dood der helden, die niet gemeld worde in het land der Filistijnen (19 v.). Vervloekt
zij het gebergte waar zij vielen! (21a). Eere den gevallenen, die zoo dapper waren en elkander zoo
liefhadden I (214—28). Mogen Israëls dochtcren hen beweenen (24, 25a). Wat had ik Jonathan liefl
(254, 20). Hoe betreurenswaardig is hunne nederlaag 1 (27).
Dit hoofdstuk is aan het Oude Geschiedboek, en wel aan de daarin voorkomende Geschiedenis van
David, ontleeud. De hier gegeven voorstelling van Sauls dood komt niet overeen met die van 1 Sam.
XXXI en is ouder en voor Saul eervoller dan deze; zie inl. op 1 Sam. XXXI. Nog minder dan het
verhaal legt de klaagzang, vs. 19—27, die aan een ouder geschrift ontleend is (zie op vs. 18), eenigc
blaam op Saul; integendeel, deze wordt hierin geroemd als de man die Israël groot heeft gemaakt
(v«. 24). De dichter oordeelt dus over hem evenals de schrijver van 1 Sam. XIII: 2—7, 154—
O. T. I.
                                                                                                                          43
-ocr page 594-
2 8AMUET. 1: 1—19.
074
XIV: 51. Of die dichter David zelf dan wel ecu ander was, is niet uit te maken. Dat David zooveel
leed van Saul ondervonden heeft behoeft hem niet verhinderd te hebben met groofoa lof van zijn held-
haftigen vijand en dien», door hem zoo beminden, zoon te gewagen.
I: l          Na Sauls dood, toen David, van het verslaan der Amalekieten terug-
2       gekeerd, twee dagen te Siklag vertoefd had,\' kwam daar op den derden
dag een man uit het leger dat bij .Saul was, met gescheurde kleederen
en aarde op zijn hoofd. Bij David gekomen, viel hij ter aarde en wierp
3       zich voor hem neder.\' Op Davids vraag: Van waar komt gij! antwoordde
4       hij hem: Ik ben uit liet leger van Israël ontkomen.\' Hierop zei de David
tot hem: Wat is er gebeurd/ Deel het mij mede. Toen zeide hij: Het
volk is uit den strijd gevlucht: ook is eene groote menigte volks ge-
valleu en gesneuveld: zelfs .Saul en zijn zoon Jonathan zijn dood.\'
T) Daarop zeide David tot den man die hem de tijding bracht: Hoe weet
ó\' gij dat .Saul en zijn zoon Jonathan dood zijn\'\' De man die hem de
tijding bracht zeide: Bij toeval was ik op het gebergte Üilboa, en daar
stond Saul, op zijne speer geleund; de wagens en ruiters waren dicht
7       bij hem.\' Hij keek om, zag mij en riep mij. Ik zeide: Hier ben ik.\'
8       Hij zeide: Wie zijt gij ƒ en ik antwoordde hem: Ik ben een Amalekiet.\'
9       Toen zeide hij tot mij: Kom toch hier en dood mij; want eene duize-
10       ling heeft mij bevangen, en ik ben nog geheel bij krachten.\' Zoo trad
ik op hem toe en doodde hem; want ik wist, dat hij, als hij viel,
niet in leven zou blijven. Toen nam ik den diadeem dien hij op het
hoofd, en den band dien hij om den arm had mede, en breng ze hier
aan mijn heer.
11            Nu greep David zijne kleederen en scheurde ze, en zoo ook al de
12       mannen die bij hem waren;\' zij bedreven rouw, weenden en vastten
tot den avond om .Saul en zijn zoon Jonathan en om het volk van
Jahwe en het huis Israël, omdat zij door het zwaard waren gevallen.\'
13       Voorts zeide David tot den man die hem de tijding had gebracht: Van
waar zijt gij.\' Hij antwoordde: Ik ben de zoon van een vreemde, een
14       Amalekiet.\' Toen zeide David tot hem: .Schroomdet gij dan niet, «Ie
15       hand uit te steken om Jahwe\'s gezalfde om te brengen?\' Meteen riep
hij een zijner volgers en zeide: Treed toe en val op hem aan. Waarop
16       deze hem een doodelijken slag toebracht.\' David zeide tot hem: Uw
bloed is op uw eigen hoofd; want met eigen mond hebt gij tegen u
getuigenis afgelegd door te zeggen: Ik heb Jahwe\'s gezalfde gedood.
17           Toen hief David dezen klaagzang aan over .Saul en zijn zoon Jona-
18       than,\' en gebood, dien den Judeërs te leeren; hij staat geschreven in
het Boek des Kechtschapenen:
19                      De keur, o Israël! is op uwe hoogten verslagen.
Ach, hoe zijn de helden gevallen!
1.  het vertlaan der Jmaiekielen. Zie 1 Sam. XXX.
2.  op den derde* dag. Zie 1 Sam. XXX: 1. — iet — hoofd. Zie 1 Sam. IV: 12.
0. op sijne speer geleund, wegens de duizeling die hem bevangen had, vs. 9. — rnilers, met weg-
lating van een overtollig woord.
7. Uier ten ik. Zie op Gen. XXII: 1.
9.  want — krachten. Saul, hoewel niet gewond, is niet in staat zich te vordodigen en vreest levend
in de handen der vijanden te vallen. Anders 1 Sam. XXXI: 3.
10.   dat hij — blijven. Hij zou vanwege zijne duizeling vallen en dan zoltcr door de vijanden ge-
dood worden.
12. Met het volk van Jahwe en het huis Itraïl wordt hetzelfde aangeduid. Waarschijnlijk is een
van beide ingevoegd.
14. Dr Amalekiet had moeten weigeren aan Sauls verzoek te voldoen. Het dooden van Jahwe\'s
gezalfde was een misdrijf, al geschiedde het op diens verzoek j zie op 1 Sam. XXIV: 7.
18. U» — hoofd. Zie op Lev. XX: 9.
18. dien — leeren, volgens geringe tekstverbetering. Verg. Deut. XXXI: 19, 22; Ps. LX: 1. Hebr. t.
laat volgeu tien toog, volg. Or. vert. weggelaten. — het Boek des Seehttehapenen. Zie opJoz. X: 124,13.
-ocr page 595-
675
2 SAMUBL I : 20—27.
20                       Vermeldt liet niet te Gath,
boodschapt het niet op Askelons straten;
opdat de dochteren der Filistijnen zich niet verblijden,
niet jubelen de dochteren der onbesnedenen.
21                       Hergen van den Gilboa! dauw noch regen zij op u,
op uwe hoogten, gij bergen des doods;
want daar is weggeworpen der helden schild,
het schild van Saul, den gezalfde niet olie.
22                  Zonder bloed van verslagenen en vet van helden
week Jonathans boog nooit terug,
en Wauls zwaard keerde nooit ledig weder.
23                      Haul en Jonathan, die beminden en liet\'elijken,
zijn in leven noch dood gescheiden geweest;
vlugger waren zij dan arenden,
sterker dan leeuwen.
24                      Dochteren van Israël! weent over Saul,
die u karmijnen kleederen gat\' en sieraden,
die gouden versiersels hechtte op uw gewaad.
25                  Ach, hoe zijn de helden gevallen
in het midden van den strijd!
Jonathan! om uw dood ben ik droef te moede;
2(5
                ik ben beklemd om u, mijn broeder Jonathan!
Gij waart mij zeer, ja onuitsprekelijk lief;
uwe liefde gold mij meer dan vrouwenliefde.
27
                    Ach, hoe zijn de helden gevallen,
de krijgswapenen verloren gegaan!
20.   Gath, Atkelon. Zie on Joz. XIII : S.
21.   van den Gilboa, volg. verb. t.; grondt, in den Gilboa. — op — doods, grootcndccls volg. Gr.
vert.; Hebr. t. en velden der gaven. — bergen dei doodt, die door den over u uitgesproken vloek
dorre bergen zult worden. — den gezalfde, volg. Syr. vort.; Ilebr. t. niet gezalfd, lint het schild
van Snul, den gezalfde vim Jnhwe, duur weggeworpen ncderligt, wordt dieliterlijk uun die bergen nis
cene grieve toegerekend.
22.  Zonder — terug, onzekere vertaling. — ledig, onverrichter zake, zoonis het woord Jcz. I<V:11
vertaald is.
23.  vlugger — arenden. Verg. Jer. IV: 13.                       •
21. tieraden, volg. Gr. vert.; Hebr. t. liefelijkheden.
25.  om — moede, volg. verb. t., gedeeltelijk naar Gr. vert.; Hebr. t. o/t utee hoogten doorboord.
26.  ja onuitsprekelijk, met verandering van klinkers; grondt, voegt de woorden bij het volgeude
uwe liefde wat mij onuittprekelijker dan vrouwenliefde.
HOOKDSTTK II.
lluviil koning te Hebrou, Isboosjeth te Mnhanaim; dood van Azaël. — Op Jahwe\'s last trekt Ilavid
met zijne mannen naar Hcbron (1—3), waar hij tot koning over Judn gezalfd wordt (lm. Hij brengt
zijn dank aan de Jabezictcn voor de laatste eer aan Soul bewezen en belooft hun zijn steun (V>—7).
Abner maakt te .Mahanaiiu Isboosjeth tot koning over Israël, terwijl David door Juda gehuldigd wordt;
de duur van beider regecriug (8—11). Joab verslaat Abncrs leger bij Gibcon (12 — 17). Azaël vervolgt
Abner en wordt door dezen gedood (18—23). Zijne broeders, Joab en Abisjai, zetten de vervolging
voort, totdiit zij op Abncrs verzoek wordt gestaakt en beide partijen tcrugkccrcn (21—32).
Dit hoofdstuk maakt ecu geheel uit met de volgende, III: 1—V : 3, wnnrin ons wordt medegedeeld
hoc Ilavid nu don dood van Isboosjeth over alle stammen koning werd. De inhoud aan de Gcschie-
denis vnu David ontleend, is zeker grootcndecls geloofwaardig; doch zie op vs. 10. De voorstelling dat
Jahwe Saul en zijn huis verworpen on David als zijn opvolger nangowczon heeft (1 Sam. XV;
XVI: 1—13; XXVIII: 3—25) vinden wij hier niet terug: dat Israël door Isboosjeth als koning te
erkennen tegen Jahwe\'s wil handelde wordt met geen enkel woord aangeduid. Het lag trouwens
evenzeer voor de hand dat de aanhangers van Saul na zijn dood een zijner zoueu op den troon ver-
hieven, als dat de Judcërs hun dapperen stamgenoot koning maakten, die echter voorloopig alleen all
-ocr page 596-
(576                                         2 samubl II: 1—13.
Wal der Filistijnen kon heersenen. In Kronieken wordt de redering van Isboosjeth nnvcrineld gelatqn
en Diiviil dadelijk na Sanls dood duur geheel Israël te Hcbron, volgens Samucls woord, tot koning ge-
zalfd (1 Kron. XI: 1—3).
11:1         Nadelen raadpleegde üavid Jahwe: Zal ik naar eene van Juda\'s
steden optrekken.\' Waarop Jahwe tot hem zeide: Ja. Op Davids vraag:
2       Waarheen zal ik trekken.\' zeide hij: Naar Hebron.\' Zoo trok David
derwaarts. Ook deed David zijne beide vrouwen, Ahinoam, de Jizreë-
3       lietische, en Abigail, de vrouw van Nabal, den Karmeliet,\' en de
mannen die hij hem waren, elk met zijn gezin, daarheen gaan, en zij
4a vestigden zich in de steden van Hehron.\' Toen kwamen de Judeërs
en zalfden David aldaar tot koning over het huis Juda.
44         Toen men aan David mededeelde: De burgers van Jabes in Gilead
5 hebben Baal begraven —\' zond hij gezanten tot hen en liet hun zeg-
gen: Weest gezegend door Jahwe, gij die dit liefdewerk aan uwen
(i heer, tuin Saul, gedaan en hem begraven hebt!\' Daarvoor betoone u
Jahwe liefde en trouw! En ook ik zal u goeddoen, tot loon daarvoor
7       dat gij dit gedaan hebt.\' Houdt dan goeden moed en weest kloeke
mannen; want al is uw heer Sa ui dood, mij heeft het huis Juda tot
koning over zich gezalfd.
8           Intusschen had Abner, de zoon van Ner, >Sauls legeroverste, Isboosjeth,
1) den zoon van Saai, genomen, naar Mahanaim gebracht\' en tot koning
gemaakt over Gilead, Azer, Jizreël, Efraini, Benjamin, ja, over gansch
10       Israël —\' Isboosjeth, >Sauls zoon, was veertig jaar oud toen hij koning
werd over Israël en regeerde twee jaren — maar het huis Juda hield
11       het met David;\' en de tijd dat David over het huis Juda koning
geweest is te Hebron is zeven jaren en zes maanden.
12            tëens trok Abner, de zoon van Ner, met de dienaren van Isboosjeth,
13       den zoon van Saul, uit Mahanaim naar öibeon.\' Ook Joab, de zoon
van Seruja, trok met Davids dienaren uit Hebron; zij stieten op
1.  Hebron. Zie op Gen. XIII: 18.
2.  zijne beide vrouwen. Zie 1 Sam. XXV\'. 39—43.
3.  de steden van Hebron, de van die stad afhankelijke plaatsen; verg. 1 Kron. II: 43—45.
ia. zalfden. Van Davids zalving door Samuel, 1 Sam. XVI :1—13, weet onze schrijver blijk-
baar niet.
\\b. hebben ...begraven, volg. Gr. vert.; Hebr. t. die... begraven hebben. Zie 1 Sam. XXXI: 11—13.
0. goeddoen — dal, volg. verb. t.; grondt, dit goede doen, dal.
7.  Houd — moed. Zie op Kicht. VII: 11. — mij — gezalfd, en ik zal mijn best doen Israël te
redden. Er schuilt cene zijdclingsche noodigiug in om hem als koning te erkennen.
8.   Abner. Zie op 1 Siim. XIV: 50. — Iibootjelh. Hij heette eigenlijk Ubaiil; zie op Kicht. 11:11
en op 1 Sam. XIV: 411. — Mahanaim. Zie op Gen. XXXII \'.1. In het Ovcrjordaauschc was Isboosjeth
veiliger dan ten westen van den Jordaau. Hij was blijkbaar een oubeteekencud man en geheel van
Abner afhankelijk (verg. 111:0—11).
9.   Gilead, hier in den zin van het geheele Overjordaanschc; zie op Gen. XXXI: 22 v. — Azer,
letterlijk de Azerieten, volgens andere klinkers; grondt, de Aijurieien. Over de woonplaats van den
stam Azer zie op Joz. XIX: 24— 31. — Jizreël, niet de stad (Joz. XIX: 18), maar de vlakte van dien
naam; zie op Joz. XVII: 16.
10.   Itbooejeth — iaren. Daar maar — David onmiddellijk aau vs. 9 aausluit, zijn deze woorden
blijkbaar door een omwerker ingevoegd. De inhoud is gedeeltelijk zeker onjuist; immers, uit V : 5
volgt dat Isboosjeth niet twee maar zeven jaren geregeerd heeft. Van waar de schrijver dit bericht
heeft, weteu wij niet.
11.   Ook dit vers is ingelatcht, waarschijnlijk door iemand die wilde voorkomen dat men uit vt.
10a zou afleiden dat ook David slechts twee jaren te Hebron geregeerd had. Den inhoud ontleende
hij aan V : 5.
12.  naar Gibeon. Zie op Joz. IX : 3.
13.  Joab, de zoon van Seruja, reeds 1 Sam. XXVI: 6 genoemd (zie aldaar), komt hier voor het
eerst als Davids legeroverste voor. Hij was, evenals zijne broeders (vs. 18), zeer aan David verknocht
eu heeft hem gewichtige diensten bewezen, maar, zeker van de liefde der troepen, veroorloofde hij xich
somtijds eigenmachtige handelingen, terwijl David genoodzaakt was hein te ontzien (111:22—39;
XVIII: 5, 14 v.; XIX:1—8a, 13; XX: 4—22). Over zijn dood zie 1 Kon. II: 5 v., 28—34. — uil
Hebron,
uit Gr. vert. ingevoegd. — den rijver van Gibeon, ook Jer. XLI:12 vermeld. — Achter
Gibeon heeft grondt, tezamen.
-ocr page 597-
2 SAMUBL II : 13—28.
677
hen bij den vijver van Gibeon. Zij vatten post, dezen aan den eenen,
14      genen aan den anderen kant van den vijver.\' Toen zeide Abner tot
Joab: Laten de manschappen zich opmaken en \\(k>t ons een steekspel
15      houden! Joab zeide: Zoo zij het!\' Dienvolgens maakten zich op en
werden afgeteld twaalf mannen van Benjamin, voor Isboosjeth, den
16      zoon van Saul, en twaalf uit de dienaren van David,\' Toen zij nu
elkander in de haren vatten en de een den ander het zwaard in de
zijde hield, vielen zij allen te gelijk. Daarom noemde men die plaats
17      het Veld der zijden, dat bij Gibeon ligt.\' Hierop ontstond te dien dage
een uitermate hevig gevecht, waarin Abner en de mannen van Israël
voor het aangezicht van Davids dienaren werden verslagen.
18          Nu waren daar de drie zonen van Seruja: Joab, Abisjai en Azaël.
19      Azaël, vlug ter been als eene gazelle op het veld,\' zette Abner na,
20      zonder rechts of links van achter hem af te wijken.\' Abner keek om
21       en zeide: Zijt gij het, Azaël? Hij antwoordde: Ja.\' Toen zeide Abner
tot hem: Wijk rechts of links af; grijp een van de manschappen aan
en maak zijne wapenrusting buit. Maar Azaël wilde niet van de ver-
22      volging afzien.\' Nogmaals zeide Abner tot Azaël: Houd op mij te ver-
volgen! Waarom zou ik u tegen den grond slaan? Hoe zou ik dan
23      mijn gelaat vrij kunnen opheffen tot uw broeder Joab?\' Doch toen hij
niet wilde ophouden, stiet Abner achteruit en trof hem in den buik,
zoodat de speer in zijn rug uitkwam; hij viel en bleef op de plaats
dood. En ieder die op de plek kwam waar Azaël was gevallen en ge-
24      storven bleef staan.\' Maar Joab en Abisjai zetten Abner na. Toen zij
nu, na zonsondergang, den heuvel van Ammath, die voor den weg
25      naar de woestijn van Gibeon ligt, bereikt hadden,\' verzamelden zich
de Benjaminieten achter Abner, vormden zich tot éene schare en
26      maakten halt op den top van den heuvel van Ammath.\' Nu riep
Abner tot Joab en zeide: Zal liet zwaard altijd door verteren? Gij weet
immers dat het ten laatste op verderf moet uitloopen. Hoe lang wacht
gij dan met het volk te bevelen, het vervolgen van hunne broeders
27      te staken?\' Joab zeide: Zoo waar als God leeft, indien gij niet hadt
gesproken, zou het volk eerst morgen ochtend de vervolging zijner
28      broeders hebben gestaakt.\' Hierop stak Joab de bazuin; waarop het
14.   een steekspel houden, letterlijk spelen of t/onsen. De legers zijn dus niet niet vijandelijke bc-
doelingcn tegen elkander uitgetrokken.
15.  Benjamin. Vnn Isboosjeth» onderdanen worden alleen de licujnminicteu genoemd, omdat Isboosjeth
uit hun stam wns; verg. 111:19. — Voor voor Isboosjeth is en volg. Gr. vort. weggelaten; desgelijks
vs. 31 voor Abners mannen.
16.   in de haren, letterlijk bij het hoofd. — de een — hield, zonder kwade bedoelingen; \'t was
alleen een gevaarlijk spel. — vielen zij allen te gelijk. Het gcvaarlijko spel was dus ernst geworden.
Dat allen U gelijk vielen luidt zeer onwaarschijnlijk, maar men houde in het oog dat dit gedeelte van
het verhaal verdicht is om van een plaatsnaam eene verklaring te geven. — Veld der zijden, volg.
Gr. vert. met verandering van klinkers; Hebr. t. Veld der rotsen.
17.   ontstond — gevecht, volg. verb. t.; grondt, werd het gevecht uitermate hevig. — De dood der
mannen werd door elk der beide partijen aan de andere geweten, en reeds het schouwspel zelf prik-
kcldc den strijdlust.
22.  Hoe — Joab? Abner is bang voor de wruak van Joab, en niet ten onrechte; zie 111:27. Maar
verg. op vs. 20.
23.   achteruit, volg. verb. t.; grondt, met achter de speer. Onder het loopcn steekt Abner met de
speer naar Azacl, die hem op de hielen zit. — En — staan. Deze woorden, die hier vrij ongeschikt
slaan, zijn wellicht aan XX: 12 ontleend en hier ingelascht.
24.  Ammath, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Amma. De plaats komt elders niet voor. — die — ligt, met
weglating van een onverstaanbaar woord, dat waarschijnlijk bij vergissing in den tekst is geslopen.
25.  den heuvel van Ammath, volg. verb. t. (verg. vs. 24); grondt, éen heuvel.
26.  hunne broeders. Hierop ligt de nadruk. Abner voelt diep, hoc dwaas het is dat Israël en Juda
elkander bestrijden. De strijd met Joab was dus van zijne zijde zeker niet gezocht. In ovcrcenstem-
ming hiermede is zijne vrees met Joab geslagen vijanden te worden, vs. 22, en zijn later gedrag,
III: 8—21.
-ocr page 598-
2 samukl II: 28—III: 5.
678
gansche volk halt maakt*, Israël niet langer vervolgde en den strijd
29       niet voortzette.\' Abner en zijne mannen trokken dien gansehen nacht
de Vlakte door, staken den Jordaan over, gingen gansch Hithron door
30       en kwamen te .Mahanaiin;\' tenvijl Joab, van het vervolgen van Abner
teruggekeerd, al zijn volk herzamelde. Men miste van Davids dienaren
31       negentien man en Azaël;\' en Davids dienaren hadden van Benjamin, van
32       Abners mannen, driehonderd zestig man verslagen.\' Zij namen Azaël
op en begroeven hem in het graf van zijn vader te Bethlehem. Den
ganschen nacht trokken Joab en zijne mannen door en waren toen
het licht werd te Hebron.
2\'J. Bit/non, onbekend. Wellicht is ijanteh Bithron onecht en moeten wij lezen trokken voort en
kieamen te Mahanaiin.
81. van Benjamin — mannen. Zie <>{> vs. 15. — Ann het einde v»n het ver» heeft Ilehr. t. Mg
tij waren dood; volg. fir. vert. weggelaten.
32. Vnn Gibcon naar llebron trekkend, kwamen /ij langs Kctblchcm; maar de schrijver wil zeker
niet zeggen dat zij dien nacht in het voorbijtrekken Azaël begroeven.
HOOFDSTUK III.
Abnors onderhaDdelingen met David en zijn dood. — Diivid is voorspoedig in den strijd met zijn
mededinger (1). Lijst van zijne zonen, te Hebron geboren (2—5). Ishoosjcth verwijt Abner, Kis|m, eene
bijvrouw van Satil, genomen te hebben (0 v.); Abner, hierover vertoornd, verklaart David tot koning
over gansch Israël te zullen maken (8—11). Hij biedt David zijne hulp nun (12); deze wil hem niet
bij zich toelaten, tenzij hij hem zijne vrouw Miehal terugbrengt (13 v.), en cischt haar op van Isboosjcth,
die hnar door Abner aan David toezendt (14—1(5). Abner had de oudsten van Israël overgehaald om
David tot koning te kiezen, eu komt nu te llebron, waar hij, door David met ccre ontvangen, zich
met hem verbindt en daarna vertrekt (17—21). Joab, het gebeurde vernemende, verwijt David dat
hij een man als Abner, die zeker den staat van zaken was komen opnemen, bij zich heeft toegelaten
(22—25). Zonder voorkennis vau David laat hij Abner terugroepen en doorsteekt hem (26 v.); David,
dit hoorcndc, spreekt een vloek uit over het huis van Joab (28—30), beveelt het volk over Abner
te rouwen, laat hem begraven, heft een klaagzang over hem aan en vast den gchceleu dag (31—35);
zoodat het volk begrijpt dat Abners dood niet aan hem te wijten is (30 v.). David spreekt met lof
over Abner en beklaagt zich over de hardheid van Joab en zijn broeder (38 v.).
He inhoud van dit hoofdstuk, uit hetzelfde geschrift als de voorgaande geput, is in hoofdzaak
zeker geloofwaardig. Doch de woorden van Abnor verraden hier cu daar (zie vs. \'.), 18) duidelijk het
godsdienstig standpunt van den schrijver. Kukelc verzen (zie op vs. 2—5 en 27) zijn later in het vor-
hnal ingeschoven.
III: 1 De oorlog tusschen het huis van tSaul en dat van David duurde
lang; het huis van David werd steeds sterker, dat van Öaul steeds
zwakker.
2           Te Hebron werden aan David zonen geboren: zijn oudste was Amnon,
3       van Ahinoam, de Jizreëlietische;\' de tweede Daluja, van Abigail, de
vrouw vim Nabal, den Karmeliet; de derde Absalom, de zoon van
4       Maiicha, de dochter van Talmai, den koning van Gesjur;\' de vierde
5       Adonia, de zoon van Haggith; de vijfde Sjefstja, de zoon van Abital;\'
de zesde Jithream, van Davids vrouw Egla. Dezen zijn David te Hebron
geboren.
Vs. 2—5. 1 Kron. 111:1—3.
1.   hi-t huis van David, volg. Gr. vert.; Hebr. t. David.
$—5. Deze verzen zijn in het verband misplaatst cu door een Interen bewerker ingelascht.
2.   Amnon. Zie II. XIII. — Ahinoam. Zie op 1 Sam. XXV :42—44.
3.   Daluja, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Kileab. Verg. op 1 Krou. 111:1. — Abigail. Zie op 1 Sam.
XXV: 42—U. — Abtalom. Zie XIII: 1—XIX: 9. — Talmai — Getjur. Zie XIII: 37 en op Deut.
111:14.
4.   Adonia. Zie 1 Kun. 1: 5—11:25.
5.   Dezen — geboren. Davids zouen die te Jeruzalem geboren zijn worden V : 13—16 en 1 Kron.
111: 5—I) opgenoemd.
-ocr page 599-
2 samubi, 111:6—19.                                        679
6             Toen er dan oorlog was tusschen het buis van Saul en dat van
7       David, trad Abner meer en iueer als meester op in Sauls huis.\' iSaul
had eene bijvrouw gehad, met name llispa, de dochter van Ajja; liaar
nam Abner voor zich. Toen zeide Isboosjeth, de zoon van Saul, tot
Abner: Waarom zijt gij tot de bijvrouw van mijn vader gekomen/\'
8       In lievigen toorn ontstoken om de woorden van Isboosjeth, zeide Abner:
Hen ik zoo\'n hondskop, ik, <lie tegenwoordig gunst betoon aan het
huis van uw vader Saai, zijne broeders en vrienden, en u niet aan
David overgeleverd heb, dat gij nu eene overtreding met eene vrouw
9       op mij verhaalt.\'\' Zoo, ja meer nog, doe Uod aan Abner! Zooals Jahwe
10       aan David gezworen heeft zal ik hem thans doen:\' het koningschap
uit het huis van iSaul overbrengen en Davids troon oprichten over
11       Israël en Juda, van Dan tot Bersjeba.\' En Isboosjeth kon Abner niets
antwoorden, uit vrees voor hem.
12           Toen zond Abner gezanten tot David naar Ilebron en liet hem zeg-
gen: Sluit een verbond met mij. Ik wil u bijstaan om te maken dat
13       gansch Israël zich tot u keert.\' Hij zeide: Goed. Ik wil een verbond
met u sluiten; doch éene zaak eisch ik van u: gij zult mijn aangezicht
niet zien tenzij gij, wanneer gij komt om mijn aangericht te zien,
14       Miclial, Saais dochter, medebrengt.\' En David zond gezanten tot Isboo-
sjeth, den zoon van Saul, en liet hem zeggen: Geef mij mijne vrouw
Miohal, met welke ik mij verloofd heb voor honderd voorhuiden der
15       Filistijnen.\' Hierop liet Isboosjeth haar halen van haren man, 1\'altiël,
16       den zoon van Lais.\' Haar man ging met haar en volgde haar al
weenend tot Bahurim. Toen zeide Abner tot hem: Ga terug. En hij
keerde terug.
17           Intusschen had Abner met de oudsten van Israël onderhandeld en
gezegd: Keeds gisteren en eergisteren hebt gij er naar gestreefd David
18       koning over u te maken.\' Welaan, voert het thans uit; want Jahwe
heeft van David gezegd: Door mijn dienaar David zal ik mijn volk
19       Israël redden uit de hand van de Filistijnen en al zijne vijanden.\' Nu
fl. Toen — David. Hiermede vat ile bewerker den draad van het verhaal weder op, door vs. 2—5
afgebroken.
7.  Ritpa. Zie XXI: 7—14. — kaar — ziek, uit Gr. vert. ingevoegd. — Ubootjetk, de zoon tan Saul,
ingevoegd uit Gr. vert. — Waarom — gekomen? De daad van Abner was eene daad van aanmatiging;
zie op Gen. XXXV : 22.
8.   die. Hierna heeft Hebr. t. voor Juda, wat, met het woord die, in Gr. vert. ontbreekt. — met
eene vrouw,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. met de vrouw.
9.  Zoo — Abner! Zie op Ruth 1:17. — Zooalt — kee/t. De schrijver legt zijne eigen godsdienstige
overtuiging, dat David door Jahwe bestemd was koning over gansch Israël te worden, Abner iu den
mond. Verg. vs. 18 en V:2. Op 1 Sam. XVI". 1—13 wordt niet gedoeld; dit verhaal toch is jonger
dan het onze. — thans, uit Gr. vert. ingevoegd.
10.  van Da» tot Bersjeba. Zie op Richt. XX :1.
12. naar Ilebron, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in zijne plaatt, zeggende: Aan wien bekoort kei tarnt.\'\'
13—10. Zie 1 Sam. XXV : 44.
18. tenzij gij... medebrengt, volg. Gr. vert.; Hebr. t. tenzij voordal gij ...medebrengt. — Verschil"
lende redenen kunnen David bewogen hebben dezen eisch te stollen: misschien had hij Michal indcr-
dnad lief, of meende hij als schoonzoon TM Saul meer kans te hebl>cu door gnusch Israël als koning
erkend te worden; ook kan hij het onbetamelijk hebben geacht dat een ander zijne, des konings, voor-
malige gemnlin had.
14.  David verschaft aan Abner de gelegenheid bij hein te komen. — met — Filistijnen. Zie 1 Sam.
XVIII: 25—27 en aant. op vs. 27 aldaar.
15.  karen, uit Gr. vert. ingevoegd.
16.  Bahurim, aan den weg van Jeruzalem naar Jericho, komt nog voor XVI: 5; XVII: 18; XIX: 17;
I   Kon. II: 8. — Abner, die haar dus blijkbaar haalde en waarschijnlijk meteeii naar David bracht.
17.  Reedt — maken. Desgelijks spreken de Israëlieten, V : 2. De stammen waren dus tegen wil en
dank, waarschijnlijk onder den invloed van Abner, er toe overgegaan om Isboosjeth te huldigen; verg.
II  : s v.; 111:6.
18.  Jakwe — gezegd. Verg. op vs. 0. — zal ik ...redden, volg. Gr. vert.; Hebr. t. keep kij... gered.
10. Benjamin. Met dezen stam onderhandelde Abner afzonderlijk, omdat Saul daaruit afkomstig was
-ocr page 600-
2 SAMUBL III : 19—33.
080
sprak Abner ook nog met de Benjaminieten, en ging heen, om aan
Davit! te Hebron mede te deelen al wat Israël en het gansche huis
20       Benjamin hadden goedgevonden.\' Zoo kwam Abner, met twintig man,
bij David te Hebron, waar deze voor hem en de mannen die bij hem
21       waren een gastmaal aanrichtte. \' En Abner zeide tot David: Ik wil mij
opmaken en heengaan en gansch Israël tot mijn heer den koning ver-
zamelen, opdat zij een verbond met u sluiten; zoo zult gij naar den
vollen wensch van uw hart koning zijn. Hierop liet David Abner gaan
en trok deze in vrede heen.
22           Maar zie, daar kwamen Davids dienaren en Joab van een strooptocht
thuis en brachten grooten buit mede. Abner nu was niet meer bij David
te Hebron; want deze had hem laten gaan, en hij was in vrede ver-
23       trokken.\' Toen dan Joab en de gansche schaar die bij hem was waren
aangekomen, deelde men Joab mede: Abner, de zoon van Ner, is tot
den koning gekomen, en deze beeft hem laten gaan, en hij is in vrede
24       vertrokken.\' Nu trad Joab bij den koning binnen en zeide: Wat hebt
gij gedaan? Daar is Abner bij u gekomen; waarom hebt gij hem laten
25       gaan en is hij in vrede vertrokken?\' Begrijpt gij dan niet dat Abner,
de zoon van Ner, gekomen is om u te misleiden en om uw uit- en
ingaan en al wat gij doet te weten te komen?
26           Van David weggegaan, zond Joab Abner boden achterna, om hem
27       van den put Hassira terug te halen, zonderdat David het wist.\' Toen
nu Abner te Hebron terugkwam, trok Joab hem ter zijde in de poort,
om vertrouwelijk met hem te spreken, en stak hem in den buik, zoodat
28       hij stierf — om bet bloed van zijn broeder Azaël te wreken.\' En
David, eenigen tijd later het hoorende, zeide: Ik en mijn koningschap
zullen voor altijd bij Jahwe onschuldig zijn aan het bloed van Abner,
29       den zoon van Ner;\' het kome neder op het hoofd van Joab en op zijne
gansche familie: steeds mogen er in Joabs huis zijn die vloeiing hebben,
melaatsch zijn, op krukken gaan, door het zwaard vallen of broods-
30      gebrek lijden!\' Zoo hebben Joab en zijn broeder Abisjai Abner om-
gebracht, omdat hij hun broeder Azaël bij Gibeon in den strijd ge-
dood had.
31            Voorts zeide David tot Joab en het gansche volk dat bij hem was:
Scheurt uwe kleederen, omgordt u met treurgewaden en bedrijft rouw,
32       voor Abner uit. Koning David zelf ging achter de baar.\' Zoo begroef
men Abner te Hebron, en de koning verhief zijne stem en weende bij
33       Abners graf; ook weende het gansche volk.\' Toen hief de koning een
klaagzang over Abner aan en zeide:
en de Hcnjaniiiiictcn dus het sterkst aan zijn huis gehecht waren\', zie 1 Smii. XXII: 7; verg.
II: 15, 81.
21. zoo — zijn. Desgelijks 1 Kon. XI: 37. — in trede. Dit wordt in vs. 22, 23, 24 herhaald,
oindnt de schrijver met nadruk wil doen uitkomen dat David en Abner als vrienden gescheiden waren.
Joab heeft dus door den moord van Abner \'s koning* vrede geschonden; zie 1 Kon. II : F>.
24. in vrede, uit Gr. vert. ingevoegd. Aan het einde van het vers heeft Hebr. t. nog een woord,
dat volg. Gr. vert., met verandering van cene letter, aan het begin van het volgende ven is verplaatst
en door de ontkennende vraag is weergegeven.
2f>. put Hassira, onbekend. — om... terug te halen, volgens andere klinkers; grondt, en zij koot-
den ... teruij.
27. ter zijde in, volg. Gr. vert.; Hebr. t. midden in. — vertrouwelijk, onzekere vertaling. — om —
Kreken. Zie 11:18—23. Hetzelfde wordt vermeld in vs. 30; op cene van beide plaatsen zal wel eene
inlassching hebben plaats gevonden.
2\'J. die — zijn. Zie Lcv. XIII, XIV en XV. — op krukken gaan, onzekere vertaling.
30.  Dit vers is waarschijnlijk aan het oorspronkelijke verhaal toegevoegd om Abisjai tot medc-
plichtigc aan den moord te maken, daar vs. 39 de zonen van Seruja vermeld worden. Zie op vs. 27.
31.  treurgewaden. Zie op Gen. XXXVII : 34. — voor Abner uit, bij zijne begrafenis.
33. als een dwaat, een ounoozele, die het gevaar niet ziet en er dus blindelings inloopt.
-ocr page 601-
681
2 SAMUKL III: 33—IV : 5.
Moest Abner sterven als een dwaas?
34              Uwe handen waren niet gebonden,
uwe voeten niet in ketenen geklonken;
zooals men sneeft door de hand van booswichten zijt gij gevallen!
35       Hierop beweende het gansche volk hein nog meer.\' En in den loop
van den dag kwam het gansche volk David dringen brood te nuttigen;
maar David zwoer: Zóo, ja meer nog, doe mij Jahwe, indien ik voor
36       zonsondergang brood of iets anders proef!\' En liet gansche volk
merkte dit op en keurde het goed; al wat de koning deed keurde
37       het geheele volk goed.\' Zoo werd toen al het volk, ja gansch Israël,
overtuigd dat de moord van Abner, den zoon van Ner, \'s konings
38       werk niet was. \' Nog zeide David tot zijne dienaren: Weet gij niet
39       dat heden in Israël een vorst en edelman gevallen is\'!\' Ik, hoewel tot
koning gezalfd, ben heden weekhartig, en die zonen van tëeruja zijn
mij te geweldig. Vergelde Jahwe den boosdoener naar zijne boosheid!
34.   I\'iof — geklonken, zooals het geval zou geweest zijn, indien men u als een misdadiger had ter
dood gebraeht. — duur de hand van, letterlijk vuur hel aangericht van.
35.  kwam — nuttigen, om zoo ecu einde aan den rouw te maken.
36.  al, volg. Gr. vert.; Hebr. t. naar al,
39. David verklaart, oumaehtig of ongezind te zijn om de zonen van Seruja wogens het gepleegde
kwaad te bestraffen, en laat dit aan Jahwe over. — Ik — weekhartig, zeer onzekere vertaling.
HOOFDSTUK IV : 1—V : 3.
Isboosjcths dood; David koning over geheel Israël. — Hij het vernemen van Abners dood ontzinkt
Isboosjcth de moed (IV: 1); Iluünu en Kechab sluipen ongemerkt zijn huis binnen, dooden hem en
brengen zijn hoofd aan David (2—8), die, in plaats van hen te bclooncn, hen ter dood brengen en
het hoofd van Isboosjcth begraven laat (9—12). Al de stammen van Israël komen tot David te Hebron
en zalven hem tot koning over gansch Israël (V : 1—8).
Dit gedeelte is — met uitzondering van IV: 4, waarin te onpas Metiboosjcths afkomst verhaald
wordt — aan hetzelfde geschrift als de voorgaande hoofdstukken ontleend en in hoofdzaak geloof-
waardig; zie iul. op II. II.
IV: 1 Toen Isboosjeth, de zoon van Saul, hoorde dat Abner, de zoon van
Ner, te Hebron gestorven was, hingen zijne handen slap ter neder en
2       was gansch Israël van schrik overmand.\' Nu had Isboosjeth, de zoon
van Saul, in zijn dienst twee mannen, aanvoerders van krijgsbenden;
de een heette Baiina, de ander Itechab, zonen van Rimnion, den Beëro-
thiet, uit de Benjaminieten; want ook Beëroth werd tot Benjamin ge-
3       rekend,\' en de Beërothieten vloden naar Gittaim, waar zij als vreemden
4       bleven tot op dezen dag. —\' Jonathan, de zoon van Haul, had een
zoon die slecht ter been was: vijfjaar was hij oud toen uit Jizreël
het gerucht kwam aangaande iSaul en Jonathan; zijne verpleegster nam
hem op en vluchtte, maar bij den haastigen angst waarmede zij vlood
5       liet zij hem vallen en werd hij kreupel; hij heette Menboosjeth.—\'Die
zonen dan van lümraon, den Beërothiet, Itechab en Baiina, gingen heen
1.  Iibootjeth en de ;oun van Ner, uit Gr. vert. ingevoegd.
24, 3. Kenc geschiedkundige aanteekening van den schrijver, in den trant van Deut. II: 10—12,
20—23. Zij dient om te verklaren, hoc Isboosjcths moordenaars, die uit Bcëroth, dus van Gibconicti-
8chcu oorsprong, waren (zie op Joz. IX: 17), ook Benjaminieten konden hecten.
2.  had Itbouajeth ... in zijn dienst, uit Gr. vert. ingevoegd.
3.   (til tui in, stad iu Benjamin, komt nog Nch. XI: 33 voor. Wanneer de Beërothieten dit deden is
onbekend. Wellicht bij de vervolging van de Gibconictcn door Saul, XXI: 2.
4.  Dit vers staat hier vreemd cu zou daarentegen zeer goed voegen aan den aanhef van II. IX.
Hoc de aanteekening hier komt, kunnen wij niet nagaan. — Mejibuotjelh, oorspronkelijk Meribboül,
zooals 1 Kron. VIII: 84; IX: 40 heeft (verg. op Richt. 11:11), komt nog IX; XVI: 1—4: XIX:
24—80 voor.
-ocr page 602-
682
2 SAMUKli IV : 5—V : 3.
en tratien eens, on het heetst van den dag, het huis van Ishoosjeth
b\' hinnen, terwijl hij zijn middagslaap deed.\' De poortwachtster «les huizes
nu was bij het reinigen van tarwe ingesluimerd en sliep, zoudat ltechab
7       en zijn broeder Daiina onopgemerkt bleven. \' Zoo kwamen zij het huis
binnen, terwijl hij in zijn slaapvertrek op zijn heil lag, sloegen hem
dood, hieuwen hem liet hoofd af\' en namen dat mede. Na den ganschen
8       nacht, de Vlakte volgend, te zijn doorgetrokken,\' brachten zij het hoofd
van Ishoosjeth aan David te llebron en zeiden tot den koning: Uier
is het hoofd van Ishoosjeth, den zoon van Baal, uwen vijand, die u
naar het leven stond; Jahwe heeft mijn lieer den koning heden wraak
9       op Saul en zijne nakomelingen verstdiaft.\' Maar David antwoordde
Keehab en zijn broeder lfcuina, de zonen van Rimmon, den Beërothiet:
10       Zoo waar als Jahwe, die mij uit allen nood bevrijd heeft, leeft!\' Den
man, die mij kwam mededeelen: Saul is dood — en daarmede mij
eene blijde tijding dacht te brengen, heb ik laten vatten en ter dood
11       brengen te .Siklag, om hem zijn bodenloon te geven; \' en nu boos-
wichten een braaf man in zijn huis op zijn heil gedood hebben, zou
ik nu niet zijn bloed op u verhalen en u van de aarde uitroeien ?\'
12       Hierop gaf David een bevel aan zijne volgers, en zij doodden hen,
hieuwen hun de banden en voeten af en hingen die op bij den vijver
in Hebron. liet hoofd van Ishoosjeth namen zij en begroeven het in
het graf van Abner, den zoon van Ner.
V: 1          Toen kwamen al de stammen van Israël tot David te llebron en
2       zeiden: Zie, wij zijn uw been en vleeseh.\' Keeds gisteren en eergisteren,
toen Saul nog koning over ons was, waart gij het die Israël uitleiddet
en inleiddet. En Jahwe heeft tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël
3       weiden; gij zult vorst over Israël zijn.\' Zoo kwamen alle oudsten van
Israël tot den koning te Hebron; en koning David sloot een verbond
met hen voor Jahwe\'s aangezicht, te Hebron, en zij zalfden hem tot
koning over Israël.
V». 94. 1 Kon. 1:294. — Vs. 1—3. 1 Kron. XI: 1—3.
6. De poortwachUter — tliep, volg. Gr. vert.j Hcbr. t. En hierheen ktoamen zij midden in het hui»
tarwe halende en tlaken hem in den buit.
Slavinnen die als poortwachtstors dienst doen ook Joh.
XVIII : 10; Hand. XII: 13.
8. uwen vijand, niet Ishoosjeth, maar Saul.
10.   Zie I : 1—10. — om — geven, volg. verb. t.
11.  een braaf man. Het verdient opmerking dat David hen niet, gelijk den Amalekiet, I : 14, als
kouingsmoorders, maar alleen als moordenaars van een onsehnldig man, laat tcrecbtstcllen. Zijn incdc-
dingcr naar het koningschap over Israël wilde hij blijkbaar niet Jahwe\'* gezalfde noemen.
12.  hingen — llebron, opdat iedereen zien zou dat hij den moord van Ishoosjeth, hoe voordcelig
die voor hem mocht wezen, streng veroordeelde. — het graf van Abner. Zie UI: 32. — den zoon
van Ner,
volg. Gr. vert.; Hcbr. t. te llebron.
1.   Zie, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XI: 1; Hcbr. t. Uier zijn wij. — wij — vleeseh, wij zijn nauw
met u verwant; verg. XIX : 13 v.; Gen. 11:23; XXIX: 14.
2.   Reedt — inleiddet. Zie 1 Som. XVIII: 13—10 en op 111:17. — Bi — zijn. Verg. op 111:9.
3.  zij — Itraêl. Dit had volg. 1 Sam. XVI: 13 Samucl reeds gedaan.
HOOFDSTUK V:4—18.
David, koning to Jeruzalem. — Davids leeftijd bij zijne troonsbestijging en de duur zijner regecriug
(4 v.). Hij trekt tegen de Jcbuzietcn op, die roemen dat hunne veste onneembaar is (0), neemt deze
in, geeft de bevolking aan zijne manschappen prijs, maakt haar tot zijne verblijfplaats en breidt haar
uit (7—9). Zijn voorspoed is klimmend, en Hirom, de koning van Tyrus, zendt bouwmeesters om voor
David een palcis te bouwen; waardoor deze de overtuiging erlangt dat Jahwe hem ten bate van
Israël koning gemaakt heeft (10—12). De zoucn die hem te Jeruzalem zijn geboren (13—10).
De groote beteckeuis die Jeruzalem voor het staatkundig en godsdienstig leven vau Israël heeft
gehad maakt dat wij met bijzondere belangstelling het bericht lezeu hoe David die stad veroverd en
-ocr page 603-
Ö83
2 8AMUB1, V : 4—9.
zich iliiar gevestigd heeft. Ongelukkig is het herieht onvolledig: wij lccrcii er l>. v. niet uit, wanneer
David Jeruzalem heeft vcruvenl. Wel volgt het oniuiildellijk uu het verhaal van zijne zalving tot
koning over ganse h Israël (vs. 1—8) en verplaatst ons ilus in het begin zijner regcering; maar oor-
spronkclijk heeft het hier zeker niet gestaan, ilaar vs. 17 aansluit bij vs. 3 en ilaarvau eens het
onmiddellijk vervolg moet geweest zijn (zie inl. i>[> V : 17—25). Ons berieht is dus, waarschijnlijk door
den samensteller van het Oude Geschiedboek, daartussehen in geselloven. Of deze het aan hetzelfde
gesehrift als de vorige hoofdstukken ontleend heeft, weten wij niet. Iloveiidieu is het hier en daar
zeer onduidelijk, wnnrsehijulijk omdat de tekst bedorven en door iiilnssehingeu ontsierd is (zie op
vs. 6, 7 en 8).
Het verhaal legt grooten nadruk up de sterkte van Jeruzalem cu verheerlijkt dus de dapperheid
Tan David, die desniettegenstaande de vesting inuaiii.
V:4          Dertig jtmr was David mul toen hij koning weid. Veertig jaar is hij
5 koning geweest:\' te Ilehron is hij zeven jaar en zes maanden koning
geweest over Juda, te Jeruzalem drie en dertig jaar over ganseli Israël
en Juda.
b\'
          Toen de koning met zijne mannen naar Jeruzalem, tegen de Jebu-
zieten, de bevolking des laiuls, optrok, zeiden zij tot David: (Jij zult
hier niet binnenkomen: de blinden en «Ie kreupelen zullen u weren!
7       om te kennen te geven: David komt hier niet binnen.\' Dotdi David
8       nam de bergveste van den Sion, dat is de Davidstad, in,\' en zeide te
dien dage: Al wie de Jehuzieten slaat grijpe de kreupelen en de
blinden die Davids leven vijandig zijn bij de keel! Daarom zegt men:
9       Geen blinde of kreupele mag in den tempel komen.\' En David koos
zijn verblijf in de veste, noemde haar Davidstad en bouwde in den
omtrek, van het Millo af binnenwaarts.
Vs. 5. 1 Kon. 11:11; 1 Kron. 111:4; XXIX: 37. — Vs. 0—10. 1 Kron. XI :4—0.
5.  te Ilehron — over Juda, Verg. 11:11.
6.  Jeruzalem. De stnd is gebouwd op twee kale heuvels, die in de riehting van noord naar zuid
door een dal van elkander zijn gescheiden, en gelegen in eeuc onvruchtbare streek. Tcu oosten wordt
zij begrensd door het dal van den Kidron, cene meestal droge beek, dat haar van den Olijfberg
scheidt; ten zuiden door het dal van den zoon van Hinnom (zie op Joz. XV : 8). Oostwaarts leidt een
weg van zes uren gaans door ecne woestijn naar Jericho en verder naar den Jordaau; westwaarts een
van tien uren over licth-huron (zie op Joz. X: 1U) naar de Middellandschc Zee hij Joppe. Daar beide
wegen door woesto plaatsen of over bergpassen loopen, is de stad, vooral voor een leger, moeilijk te
genaken. Daar zij noch op Judeesch noch op Henjaininietisch grondgebied lag, was het een zeer staat-
kundigc maatregel van David, den Judcër, haar tot zijne verblijfplaats te kiezen; zoo wekte hij zoo
min mogelijk den naijver der Judecrs of der Noord-Israëlieten op (verg. op Joz. XV : 03). In Davids
tijd was alleen de zuidelijke punt van den oostelijkcn heuvel, den Skm (zie op vs. 7), bebouwd; het
noordelijk deel, waar later de tempel stond, nog niet (verg. XXIV : 18—25). Dit laatste schijnt oerst
door den ringmuur dien Salomo liet bouwen (1 Kon. 111:1; IX: 15) bij de stad getrokken te zijn.
Over de latere uitbreiding der plaats zie inl. op Neh. III. Welke de heteekenis is van den naam Je-
ruzalem
weten wij niet. Volg. Uicht. XIX: 10 v.; 1 Kron. XI:4v. heette zij vroeger Jebus; maar zie
op Richt. XIX: 10. — sullen u Keren, volg. verb. t.; Hebr. t. hij heeft n geweerd. — om — binnen,
bijna letterlijke herhaling van het voorafgaande, wellicht bij vergissing in den tekst geraakt.
7.   Sion, de berg up welks zuidelijk deel het oude Jeruzalem lag (zie op vs. 0). Hij is steil en
smal, omstreeks een kilometer lang eu verheft zich op sommige punten 750 tot 770 meter boven
zcepcil. Naar den berg heet dikwijls de stad of hnre bevolking (I\'s. XCVII:8; Jez. 1:27; XLIX:
14; Lil: 1; Sef. 111:10), ook wel een gedeelte der stad, vooral de tempel van Jahwe (I\'s. IX: 12;
LXV:2; I,XXIV:2; Jez. VIII: 18; XXIV: 23; Jer. VIII: 19). Eens (1 Kon. VIII: 1) heet de David-
stad zoo, in onderscheiding van den tcm|iclbcrg. Met de bergvette van den Siou wordt waarschijnlijk
het geheele ommuurde gedeelte van den heuvel bedoeld. — dat is de Daridstad. Deze woorden, die
op vs. 9 vooruitloopcn, zijn waarschijnlijk later ingelascht.
8.   Al — keel, hoogst unzekere lezing en vertaling. De bedoeling schijnt te zijn, dat David, met
eeuc toespeling op de woorden der Jehuzieten in vs. 0, de bewoners der veroverde stad nau de wil-
lekeur zijner soldaten prijsgeeft. — Geen — komen. Waarschijnlijk doelt dit op de priesters, die,
als zij een lichaamsgebrek hadden, volgeus de wet Lcv. XXI: 10—23 van de bediening vau het
altaar waren uitgesloten en wellicht oudtijds in het geheel niet in het heiligdom mochten komen. De
woorden zijn dus in dit verband hoogst ongepast cu zeker ingelascht of bedorven.
9.   bouicde — binnenvaart*. Wat met het laatste woord bedoeld wordt, is niet duidelijk; wellicht:
verder naar het middelste gedeelte vau den Sion, dat nog niet bij de stad vetrokken was. llrt Millo,
ook 1 Kon. IX: 15. 21; XI:27; 2 Kou. XII: 20; 1 Kron. XI:8; 2 Kron. XXXII: 5 vermeld, waa
een kasteel, waarschijnlijk aan de noordzijde vau de Davidstad. Blijkens Richt. IX: 0, 20 lag ook bij
Sicheni een kasteel van dien naam.
-ocr page 604-
684                                         2 samubl V : 10—20.
10           Davit) werd steeds machtiger, en Jahwe, de god der heirsoharen,
11       was met hem.\' En Hirom, de koning van Tyrus, zond gezanten tot
David, alsmede cederhout, voorts timmerlieden en metselaars, die voor
12       David een huis houwden.\' Zoo werd David gewaar dat Jahwe hem als
koning over Israël bevestigd en zijn koningschap verheven gemaakt
had, ter wille van zijn volk Israël.
13           David nam, nadat hij van Hehron gekomen was, ook te Jeruzalem
bijzitten en vrouwen, en hem werden ook daar zonen en dochters ge-
14       boren.\' Dit zijn de namen der kinderen die hem te Jeruzalem geboren
15       zijn: Sjammua, Sjobab, Nathan, Salomo,\' Jibhar, Elisjua, Nef\'eg, Jafia,\'
10 Elisjama, Eljada en Elifelet.
Vs. 11—15. 1 Kron. XIV : 1—3.
11.  Zie up 1 Kon. V:l. — Hirom, Hebr. t. Hiram; ver);, op 1 Kon. V : 1. — Tyrut. Zie op Joz.
XIX: 29. — Na mettelaart, letterlijk Kerkert i» stern, beeft Hebr. t. nog het woord muur. dat volg.
Gr. vert. is weggelaten; het i» waarschijnlijk uit 1 Kron. XIV: 1, waar letterlijk slaat Kerkert in
muur,
overgenomen.
12.  Zoo, door den voorspoed dien hij genoot en de vriendschap van den Tyriseheu koning.
13.  te, volg. 1 Kron. XIV: 3; grondt, «ft.
11—16. In 1 Kron. 111:5—8; XIV: 4—7 treffen wij dertien namen aan; daar wordt Elifelet twcc-
niaal genoemd en nog een zoon Nogah vermeld. Op eerstgenoemde plaats heeten voorts du eerste vier:
zonen van Kathsjeba.
10. Eljada, 1 Kron. XIV: 7 Beiljada; zie op llichi. 11:11.
HOOFDSTUK V:17—25.
Overwinningen van David op de Filistijnen. — Door de Filistijnen opgezocht, trekt David zich in
de bergveste terug (17), maar rukt, als de vijand zich in de vallei der Refaïeten uitbreidt, volgens
Jahwc\'s lnst tegen hen op en verslaat hen bij Haal-perasim (1!)—21). Als de Filistijnen weder tegen
hem te velde trekken (22), beveelt Jahwe hem het vijandelijk leger om te trekken en, bij het vcr-
nemcu van gcruisch iu de boomen, aan te vallen (23 v.); zoo verslaat David de Filistijnen (25).
Dit verhaal, aan de Geschiedenis van David ontleend, schijnt eenmaal het onmiddellijk vervolg van
V: 3 te zijn geweest: de Filistijnen, wier vazal David was, beschouwden zijne zalving tot koning over
gausch Israël als afval eu trachtten hem tot zijn plicht te brengcu. Daar het er thans van gescheiden
is door vs. 4—16, ontstaat de voorstelling dat de Filistijnen David eerst aanvallen als hij Jeruzalem
veroverd heeft. Doch deze voorstelling is zeer onwaarschijnlijk: de Filistijnen zullen den afvalligen vazal
wel niet zoolang met rust hebben gelaten; ook zegt vs. 17 uitdrukkelijk dat zij hem aanvallen zoodra
zij zijne zalving tot koning over gauscb Israël vernomen hebben. De bewerker die door inlassching
van vs. (—10 ons verhaal van wat er aan voorafging losmaakte deed dit waarschijnlijk omdat hij in
„de bergveste" van vs. 17, waarmede eeue of andere sterkte iu Juda (XXIII: 13 v.; 1 Sain. Wil: 1.
4, 5; XXIII: 14; XXIV : 1) bedoeld wordt, de vs. 7, 9 vermelde veste van den Sion zag.
Aan ons stuk verwant en wellicht van dcnzclfdcn schrijver zijn XXI : 15—22 en XXIII: 8—39.
V: 17 Toen de Filistijnen hoorden dat men David tot koning over Israël
gezalfd had, trokken zij allen op om David op te zoeken. En deze, dit
18       hoorende, trok af naar de bergveste.\' Maar toen de Filistijnen gekomen
19       waren en zich in de vallei der Refaïeten hadden uitgebreid,\' vroeg
David Jahwe: Zal ik tegen de Filistijnen optrekken.\' zult gij hen in
mijne hand geven/ En Jahwe zeide tot David: Trek op; want ik zal
20       de Filistijnen stellig in uwe hand geven.\' Zoo kwam David te Baül-
perasim en versloeg hen aldaar; waarop hij zeide: Jahwe is voor mij
V». 17—25. 1 Kron. XIV : 8—16.
17.  de bergvette. Zie Inl.
18.  de vallei der Refaïeten. 7Ae op Joz. XV: 8.
19.  Verg. 1 Sam. XIV: 37; XXIII: 2, 9—18 enz.
20.   Baïil-pcratim komt alleen hier en 1 Kron. XIV: 11 voor; verg. Jez. XXVIII:21. De naam,
hier verklaard als ,de baal der doorbraken\', luidde waarschijnlijk oorspronkelijk, naar andere klinkers,
Baiil-l\'artim, d. i. ,de baal van de Parsieten\', een Judeesch geslacht (Num. XXVI\' 20 en verg. op
Gen. XXXV111:29, 80).
-ocr page 605-
2 samubl V : 20—VI: 3.
685
uit door de vijanden heengebroken «als eene waterdoorbnuik. Daarom
21       heet die plaats liaiil-perasim.\' Zij lieten daar hunne goden achter, en
David en zijne mannen namen ze mede.
22           Toen de Filistijnen weder optrokken en zich in de vallei der Kefaïeten
23       uitbreidden,\' raadpleegde David Jahwe, en Jahwe zeide: Gij moet hun
niet te gemoet gaan, trek achter hen om en nader hen van den kant
24       der jiijnboomen.\' Hoort gij het geruisch van schreden in de toppen
der pijnboomen, wees dan wakker; want dan is Jahwe vóór u uitge-
25       trokken, om het leger der Filistijnen te slaan. \' David nu deed juist
zooals Jahwe hem bevolen had, en hij versloeg de Filistijnen, van Gibeon
af tot hij öezer.
21. goden, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XIV; 12; Hcbr. t. godenbeelden. — namen ze mede. Volg.
1 kiem, XIV : 12 werden zij terstond verbrand.
23.   hun... te gemoet, uit Gr. vert. ingevoegd. — pijnboomen. Het Hebrecuwsclie woord duidt cene
soort van hnrsuoom aan, muur welke, is onzeker. Het komt alleen hier en 1 Kron. XIV: 14 v. voor;
verg. op I\'s. LXXXIV : 7.
24.   Het geloof dut het ruisehen der hoornen een tecken is van de tegenwoordigheid der godheid
hangt samen met de verecring van heilige boomen; verg. op Peut. XII: 2. — weet dan wakker, on-
zekere vertaling. In 1 Kron. XIV: 15 wordt het woord, dat zeker den schrijver reeds onvcrstnaubnnr
was, evenals in de oude vertt. omschreven met ten ttrijde trekken.
25.    (iibeon, volg. Gr. vert., 1 Kron. XIV: 10 en Jcz. XXVIII: 21, waar wellicht op ons verhaal
43
gezinspeeld wordt; Ilebr. t. (leba. Over (iibeon zie op .loz. IX: 3. — Gezer. Zie op Joz. X: 33. Het
lag ongeveer ten westen van Gibeon. — Daar de vallei der Ketiiieten, waar de Filistijnen stonden,
zich ten zuidwesten van Jeruzalem uitstrekte en Gibeon ten noorden van Jeruzalem lag, is het niet
duidelijk, hoe David hen vnu Gibeon af in westelijke richting verslaan kon. Waarschijnlijk bedoelt de
schrijver dat David bij het omtrekken van de Filistijnen te Gibeon kwnm en van daar hen aanviel.
HOOFDSTUK VI.
Overbrenging van de ark nnar Jeruzalem. — David gaat met het volk naar Haal-Juda, om de
ark te halen (1 v.); maar als onderweg l\'zza door Jahwe gedood is, omdat hij de ark heeft aangc-
raakt (3—S), durft hij haar niet verder vervoeren, maar plaatst haar in het huis van Obcd-Kdom, dat
daarom door Jahwe gezegend wordt (9—11). Dit hoerende, gaat David de ark halen (12 v.)j waarbij
hij offers brengt en voor de ark uit danst (14 v.); Michal, dit ziende, vat miunchting voor hem op
(10) en doet hem bij zijne terugkomst verwijten (17—20), die David scherp beantwoordt (21 v.);
Michal blijft kinderloos (23).
Dit verhaal — uitgenomen vs. 1 — behoort bij 1 Sam. IV: 14—VII: 1 (verg. vs. 3 met 1 Sam.
VII: 1), waar dezelfde beschouwing van de ark voorkomt als hier (zie iul. aldaar), en bij het bericht
over de verovering en de versterking van Jeruzalem, V: 6—14, waarvan het eens het onmiddellijk
vervolg kan geweest zijn. Met deze stukken is het door den schrijver van het Oude Geschiedboek
opgenomen, in wiens geschrift het hier verhaalde telkens ondersteld wordt, XI: 11; XV: 24—20;
1 Kon. II: 28. Bij die opneming is vs. 1, ter verbinding met het voorgaande, ingevoegd.
VI: 1 Wederom verzamelde David alle uitgelezenen in Israël, dertig duizend
2       man.\' Toen maakte David zich op en trok met al het volk dat bij hem
was naar Baal-Juda, om van daar de ark Gods te halen, waarover de
naam van Jahwe der heirscharen, die op de cherubs troont, is uitge-
3       roepen. \' Zij vervoerden de ark van God op een nieuwen wagen en
haalden haar uit het huis van Abinadab, dat op den heuvel lag, terwijl
de zonen van Abinadab, Uzza en zijn broeder, den wagen geleidden.\'
Vs. 1—11. 1 Kron. XIII: 5—14.
1.   Van een leger waarmede Uavid de ark afhaalt is in bet vervolg geen sprake. Zie lul. — ver-
zamelde,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. ging weder voort.
2.   naar Baal-Juda, volg. 1 Kron. XIII: 6. liaül-Juda was de oude naam van Kirjath-jearim, waar
volg. 1 Sam. VII: 1 de ark stond. Hcbr. t. uit de baale, d. i. de burgers, van Juda, waarschijnlijk
eene opzettelijke verandering; verg. op Joz. IX: 17. — waarover — uitgeroepen. Zie op Deut.
XXVIII : 10. — de naam, volg. oude vertt.; Hcbr. t. heeft het woord tweemaal. — die — troont.
Zie op 1 Sam. IV: 4.
8. Verg. 1 Sam. VII: 1. — nieuwen. Verg. 1 Sam. VI; 7. — zijn broeder, in dit en het volgende
vers met verandering van klinken; grondt, maakt er een eigennaam, Ahio, van.
-ocr page 606-
2 SAMUBL VI: 4 — 17.
686
4, 5 l\'zza ging naast de ark Gods, zijn broeder voor haar uit. \' En David
en het gansehe huis Israël maakten met alle kracht feestgedruisch voor
Jahwe uit, met liederen en met citers, harpen, tamboe rijnen, bekkens
(i en cimbalen.\' Maar toen zij aan den dorschvloer van Nachon gekomen
waren, stak L\'zza de hand naar de ark Gods uit en hield haar vast;
7       want de runderen gleden uit. \' Toen ontstak Jahwe in toorn tegen
Uzza, en God sloeg hem daar, omdat hij zijne hand naar de ark had
8       uitgestoken. Zoo stierf hij aldaar voor Gods aangezicht. \' En David,
ontroerd omdat Jahwe zoo geweldig tegen Uzza was losgebroken, noemde
9       die plaats l\'eres-l\'zza; zooals zij heet tot op dezen dag.\' En David
werd te dien dage bevreesd voor Jahwe en zeide: Hoe zou Jahwe\'s
10       ark twt mij kunnen komen!\' Daarom wilde hij «Ie ark van Jahwe niet
bij zich in de Davidstad haar intrek doen nemen, maar liet haar in-
11       keeren in het huis van Übed-Edom, den Gattiet.\' In het huis van
Übed-Edom, den Gattiet, bleef Jahwe\'s ark drie maanden; en Jahwe
zegende Obed-Edom met zijn gansche huis.
12           Toen nu aan koning David werd medegedeeld dat Jahwe het huis
van Obed-Edom en al wat hem toebehoorde gezegend had om de ark
Gods, ging David heen en voerde met vreugdebetoon de ark Gods uit
13       het huis van Obed-Edom op naar de Davidstad.\' Als de dragers van
Jahwe\'s ark zes schreden voortgetreden waren, otterde hij een stier en
14       een mestkalf.\' En David, met een linnen schouderkleed omhangen,
15       danste met alle macht voor Jahwe uit.\' Zoo voerden David en het
gansche huis Israël de ark van Jahwe met gejubel en bazuingeschal op.
16           Toen de ark van Jahwe de Davidstad binnenkwam, keek Michal,
iSauls dochter, uit het venster, en ziende hoe koning David huppelde
en danste voor Jahwe uit, kreeg zij een gevoel van minachting voor
17       hem.\' Men bracht dan de ark van Jahwe de Davidstad binnen en zette
V». 12. 1 Kron. XV : 25. — Vs. 14—19. 1 Kron. XV: 27—XVI: 8.
4.    Uzza ging, naar gissing ingevoegd. Ilcbr. t. heeft in plaats daarvan de woorden nieuwen en
vervoerden haar uit het hui» van Abinadah, dat op den heuvel lag.
Deze woorden, diu in Gr. vert.
ontbreken, zijn bij vergissing uit het voorgaande vers hierheen verdwaald.
5.   met alle kracht... met liederen, volg. 1 Kron. XIII: 8; grondt, met allerlei cgpressenstammen. —
voor Jahwe uit. De ark wordt dus met Jahwe vereenzelvigd.
6.   Nachon, onbekend; de lezing van den naam is hoogst onzeker; 1 Kron. XIII: 0 Kidon. — de
hand,
uit de oude vertt. en 1 Kron. XIII: 9 ingevoegd.
7.   omdat — uitgestoken, volg. 1 Kron. XIII: 10; grondt, is onverstaanbaar. — voor Gods aange-
zicht,
volg. Gr. vert. eu 1 Kron. XIII: 10; Hehr. t. bij de ark (lods, wat waarschijnlijk eenc opzcttc-
lijkc verandering is, om de gedachte te weren dat Jahwe juist bij de ark zich bevond; maar dit is
wel degelijk bedoeld. Jahwe is vertoornd omdat l\'zza zijn heiligdom, zijne woning, aanraakte. Of hij
dit zonder kwade bedoeling deed, doet niet ter zake. De ark heeft de hulp van een mensch niet noodig.
8.   ontroerd. Zie op 1 Hum. XV: 11. — icas losgebroken. Hier is in het Hebrceuwsch hetzelfde
woord gebruikt, dat V: 20 met doorheenbreken vertaald is. — 1\'eres-Uzza, letterlijk hel losbreken
tegen Visa
of de breuk van Uzza.
9.  Hoe — komen! Uiting van vrees; zij zou niets dan onheil aanrichten.
10.   Obed-Edom, den Gatliet, dus een niet-Israëliet, uit de 1\'ilistijnsche stad Gath. Zijn naam bc-
tcekent ,dicnaar van Kdom\'; waaruit volgt dat Kdoin de naam eener godheid was; verg. op Gen.
XXV : 30. — Het lag in de rede, dat aan de familie in wier huia de ark zoo lang hnd gestaan, ook
na de plaataing van de ark in Jeruzalem, hare bewaking bleef toevertrouwd. Zoo zijn „de zonen van
Obed-Edom" deurwachters eu schatbewaarders aan den tempel geworden, gelijk meer niet-Isrnclicten
aan dat heiligdom verbonden waren. Toen dit, na de invoering van Deuteronomium, klimmende erger-
nis gaf, zijn zij tot Levieten gemaakt; zie 1 Kron. XV: 18, 21, 24; XVI: 5, 38; XXVI: 4, 8, 15;
2 Kron. XXV : 26 en verg. inl. op Num. III, IV en aantt. op Ezcch. XLIV : 7 v. en 10—16.
12.  Na het eerste de ark Gods heeft Gr. vert. zeide David: ik wil den zegen Gods in mijn huis brengen.
13.   Het blijkt niet, of dit écu keer dnn wel na elke zes schreden geschiedde. — de dragers van
Jahwe\'s ark.
In 1 Kron. XV worden zij, in overeenstemming met de wet (Dcut. X : 8 en elders), tot
Levieten gemaakt. — offerde — mestkalf, om Jahwe gunstig te stemmen, opdat hij niet weder onheil
zou aanrichten. Anders 1 Kron. XV : 26.
14.  met — omhangen, dus met het priesterlijk gewaad bekleed; zie op 1 Sam. 11:18.
17. de tent — opgeslagen. Men denke hierbij niet aan den Exod. XXV—XXXI beschreven tabcr-
nakcl (zie inl. op Exod. XXIV: 12—XL: 38), maar aan eene door David voor de ark ingerichte tent.
-ocr page 607-
087
2 BAMUKT, VI: 17—VII: 1.
haar op hare plaats, in de tent die David voor haar had opge-
18       slagen. Daarna droeg David brand- en dankotters op aan Jahwe,\' en
toen het opdragen van die brand- en dankoflers afgeloopen was, zegende
19       David het volk in den naam van Jahwe der heirscharen\' en deelde
aan .il het volk, aan de geheele menigte der Israëlieten, zoo mannen
als vrouwen, aan ieder een brood, eene kruik wijn en een vruchtenkoek
20       uit. Daarop ging al het volk huiswaarts.\' Toen ook David terugkeerde
om zijn huis te zegenen, ging Michal, Sauls dochter, hem te gemoet
en zeide: Wat heeft zich de koning van Israël thans vorstelijk gedragen,
door zich heden ten aanschouwen van de slavinnen zijner dienaren te
21       ontblooten, zooals een danser zich ontbloot! \' Maar David zeide tot Michal:
Zoo waar als Jahwe leeft, die mij boven uw vader en zijn gansche huis
heeft uitverkoren, om mij tot vorst over Jahwe\'s volk, over Israël, aan
22       te stellen, voor Jahwe uit wil ik dansen en vreugde bedrijven, \' mij
klein maken nog meer dan ditmaal en gering zijn in uw oog. En bij
de slavinnen van welke gij spraakt, bij die zal ik mijne eer zoeken.\'
23       En Michal, Sauls dochter, bleef kinderloos tot den dag van haar dood toe.
Vs. 20a. 1 Kron. XVI: 43.
18.   zegende hij het rolt, evenals Salomo, ua de inwijding van den tempel, 1 Kun. VIII: 55—01.
Volgens Deuteronomium en Kzra\'s Wetboek waren uitsluitend de Levieten of de priesters daartoe bc-
voegd; zie op Deut. X:8 en in-I. op Num. VI: 22—27.
19.  eene kruik wijn, onzekere vertaling; sommige oude vertt. een ituk vleeach.
20.  zijn huil (e zegenen, met ceu zegenwensen zijne vrouwen, kinderen en dienaren te begroeten. —
door — onllilooten. I)c priesterklccding (vs. II. die David anu had, was stellig korter dan de gewone.
Verg. op Jcz. XX : 2. — een danter, volg. Gr. vert. j Hebr. t. een ijdel menich.
21.   Xoo waar al» Jahwe leeft, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Voor Jahwe uit. — danten, uit Gr. vert.
ingevoegd.
22.   uw oog, volg. Gr. vert.; Hebr. t. mijn oog. — En — zoeken. Hij zal voortaan met Michal geen
gemeenschap meer houden cu zien of andere vrouweu hem ook zoo minachten. Hieruit wordt de medc-
dccliug van vs. 23 begrijpelijk.
HOOFDSTUK VII.
De profetie van het eeuwige koningschap van Dnvids huis. — David spreekt voor Nathau zijne
bekommering uit dat Gods ark nog in eene tent woont (1 v.); deze wekt hem op, te dom waartoe
het hart hem dringt (3); maar Jahwe gebiedt hem, aan David te zeggen dat hij nooit een huis heeft
begeerd (t—7); voorts, dat hij, zooals in het verleden, ook in de toekomst David zal helpen (8—Ha)
en zijnen nakomelingen, van wie een voor hem een huis zal bouwen, het koningschap bevestigen znl
(114—10); wat Nathau aan David overbrengt (17). David erkent, in het gebed tot .Tuhwe, dankbaar
en ootmoedig diens goedheid jegens hem en zijn huis (18—22), roemt de gunst door Jahwe aan Israël
betoond (23 v.), en bidt dat Jahwe zijne beloften vcrvulle (25—20).
De verwachting van sommige profeten (zie op Jez. XI: 1—9) dat er een tijd zou aanbreken
waarin Israël, ouder het bestuur van een afstammeling van David, boven alle volken geëerd en mnch-
tig zou wezen, gaf aanleiding tot de voorstelling dat Jahwe reeds aan David zelven de belofte had
gegeven dat nakomelingen van hem tot in eeuwigheid den troon van Israël zouden innemen. In ons
hoofdstuk treffen wij die voorstelling aan. Dr schrijver er van is woarschijulijk dezelfde als die van
1 Sam. 11:27—30, waar het priesterschap iu Israël voor altijd aan het huis van Sadok wordt tocgc-
zegd. Verg. Jer. XXXIII: 17, 21.
Voorts wordt iu ons verhaal aan David het voornemen toegeschreven, den Jcruzalemschcn tempel
voor Jahwe te bouwen. Het denkbeeld om het — volgens Deuteronomium — eeltige wettige heilig-
dom voor Jahwe te bouwen moest, volgens onzen schrijver, reeds van David, den grondlegger van
het cenige wettige koningshuis in Israël, zijn uitgegaan. De voorspelling dat Salomo den tempel zal
bouwen is later iugclascht; zie op vs. 12.
Op den inhoud van ons hoofdstuk wordt in XXIII: 1—7 en elders, vooral in Pialmen (zie inl. op
Ps. II), gezinspeeld.
VII: 1 Eens, toen de koning zijn huis betrokken en Jahwe hem rondom
Vs. 1—29. 1 Kron. XVII.
1. zijn huil. Zie V : 11. — Jahwe — vijanden. Dit staat hier vreemd, daar in het voorgaande Tan
-ocr page 608-
($88                                        2 SAMÜEL VII: 1 — 15.
2 rust gegeven had van al zijne vijanden,\' zeide bij tot den profeet
.Nathan: Zie, ik woon in een huis van cederhout en de ark Gods woont
ï{ onder tentdoek.\' Nathan zeide tot den koning: Al wat in uw hart is,
4 ga en doe dat; want Jahwe is met u.\' Maar in dien nacht kwam liet
f» woord van Jahwe tot Natlian:\' Ga aan mijn dienaar David zeggen:
Zoo zegt Jahwe: Zoudt gij een huis voor mij houwen, waarin ik wonen
(5 zou.\'\' Ik heb immers in geen huis gewoond van den dag at\'dat ik de
Israëlieten uit Kgypte opvoerde tot lieden toe, maar ben rondgetrokken
7       in eene tent\' overal waar ik ook heentrok onder gansch Israël. Heb
ik tot éen van Israëls richters, aan wie ik had opgedragen mijn volk
Israël te weiden, hiervan gesproken en gezegd: Waarom hebt gij mij
8       geen huis van cederhout gebouwd!\' Spreek derhalve tot mijn dienaar
David: Z<m zegt Jahwe der lieiracharen: Ik heb n uit de weide van
il achter de kudde gehaald, om vorst over mijn volk Israël te zijn:\' ik
ben met u geweest in al wat gij ondernaaiut en heb al uwe vijanden
voor u uitgeroeid; ik zal u een naam maken gelijk dien van de groot-
10       sten op aarde.\' En ik zal voor mijn volk Israël eene plaats vaststellen,
waar ik het zal planten en waar het duurzaam zal wonen, waar het
niet meer verontrust zal worden en geen boosaardige lieden het meer
11       zullen verdrukken, zooals te voren,\' van den dag af dat ik richters
over mijn volk Israël aanstelde; en ik zal het rust geven van al zijne
vijanden. Voorts kondigt Jahwe u aan dat hij een huis voor u zal
12       maken:\' wanneer uw levenstijd verstreken is en gij ter ruste zult gaan
bij uwe vaderen, zal ik uw nazaat, uw lijtlijken zoon, doen optreden
13       en zijn koningschap vastmaken;\' hij zal mij een huis bouwen en ik
14       zal zijn koninklijken troon vastzetten, voor altijd.\' Ik zal hem ten
vader, en hij zal mij ten zoon zijn: wanneer hij slecht handelt, zal ik
hem tuchtigen, zooals menschen doen, met de roede en met slagen;\'
15       maar mijne gunst zal ik hem niet onttrekken, zooals ik die aan uwen
Va. 8. Pi. IAXVIII: 70 v.
Davids vijanden nllccu <lo Filistijnen vernield zijn; de overige volken waarmede Dnvid oorlog voerde
worden eerst in II. VIII genoemd. — Nathan, Deze profeet treedt alleen hier, XII: 1—Il en 1 Kon.
1: llvv. handelend op. Over 1 Kron. XXIX: 29; 2 Kron. IX: 29 /ie aantt. aldanr.
2.  de — tentdoek. Zie VI : 17.
3.  Al — it, ui. een huis voor Jahwe te bouwen; wat David blijkbaar bedoelde. Verg. I Umi. VII : 40.
5. \'Awiill — houwen. De tegenstelling geeft vs. 11: Jahwe zal een huis maken voor David.
0. tent. Grondt, laat volgen en in eene woning of een tabernakel; weggelaten, omdat het wnarschijn-
lijk met het oog op Elod. XXV—XXXI uit 1 Krou. XVII: 5 is ingevoegd. — Wat hier gezegd wordt
is niet geheel juist: 1 Sam. lil vinden wij de ark in ecu huis met deuren (vs. 15), dat in vs. 3 en
1:9 „een tempel" heet. I\'it VI: 3 v., Ki v.: 1 Sam. VII: 1 blijkt niet, in welke soort van woning
de ark gestaan heeft in den laatsten tijd voordat zij naar Jeruzalem is gebracht. Met het rondtrek-
ken der ark schijnt de schrijver te bedoelen dat zij voor David geen vaste wuonplaats had.
7. onder ijantck Israël, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVII: 6; Hebr. t. onder al de Israëlieten. —
richters, volg. 1 Kron. XVII: 0; grondt. Hammen. — aan — weiden. Van de richters wordt hier,
evenals in de jongste gedeelten van Richteren, als van bestuurders van gnnsch Israël gesproken; zie
inl. op Richteren.
9. een naam, volg. Gr. vert. en 1 Krou. XVII: 8; Hebr. t. een grootat naam.
11.  van den, volg. Gr. vert.; Hebr. t. laat en voorafgaat!. — hel... zijne, volg. verb. t.; grondt, u...
nwe. — kondigt... u aan, volg. verb. t.; groudt. zal u aankondigen. — dal hij (letterlijk Jahwe) —
maken. lu plaats dat David een huis bouwt voor Jahwe, zal deze het voor hem doen, door de konink-
lijke waardigheid erfelijk te maken in zijn geslacht; verg. op Gen. XVI: 2.
12.  ter — vaderen. Zie op Gen. XV: 15. — nazaat. Het hier gebezigde woord duidt gewoonlijk
nazaten
aan en is in dien zin ook 1 Kou. 11:4, waar op onze plaats gedoeld wordt, opgevat; verg.
Ps. LXXXIX: 30—34. De oorspronkelijke bedoeling der rede: niet David zal voor Jahwe, maar Jahwe
zal voor David een buis bouwen, is echter door een overwerker gewijzigd, die de tegenstelling maakte:
niet gij, David, zult een huis bouwen voor Jahwe, maar uw zoon zal het doen.
13.  mij, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVII: 12; Hebr. t. voor mijn naam.
14—16. Deze denkbeelden worden in Ps. LXXXIX uitgewerkt.
14.   De voorspelling van de tuchtiging des koning* wordt 1 Kron. XVII: 13 weggelaten. — zooalt
— ilagen, letterlijk met de roede tan lieden en met slagen van mentenen.
15.   zal ik... onttrekken, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVII: 18; Hebr. t. tal... tmjken. — aan uwen
-ocr page 609-
689
2 samubl VII: 15—29.
16       voorganger onttrokken heb.\' Ja, duurzaam tot in eeuwigheid zullen
uw huis en uw koningschap voor mijn aangezicht zijn; uw troon zal
17       vaststaan voor eeuwig. \' Overeenkomstig al deze woorden enditgeheele
gezicht heeft Nathan tot David gesproken.
18           Toen ging koning David naar binnen, zette zich voor Jahwe neder
en zeide: Wie ben ik, Heer Jahwe, en wat is mijn huis, dat gij mij
19       tot hiertoe gebracht hebt.\'\' En dit was nog niet genoeg in uw oog,
Heer Jahwe; nu doet gij ook aan het huis van uw dienaar beloften
voor de verre toekomst, en vergunt mij een blik in volgende geslachten,
20       Heer Jahwe. \' Maar wat zou David nog verder tot u spreken, daar
21       gij zelf uw dienaar hebt uitverkoren, Heer Jahwe ?\' Ter wille van uw
dienaar en naar uw voornemen hebt gij geheel deze groote zaak gedaan,
22       dit aan uw dienaar bekend te maken.\' Daarom, gij zijt groot, Jahwe
God; want niemand is u gelijk en er is geen god behalve gij, blij-
23       kens al wat wij met eigen ooren hebben gehoord.\' En waar is éene
natie op aarde zooals uw volk Israël, die een god zich ten volk is
gaan loskoopen, om zich een naam te maken en groote en geduchte
dingen aan haar te doen, door natiën en goden voor zijn volk uit te
24       verdrijven?\' Ja, gij hebt uw volk Israël vast aan u verbonden, dat
het u voor eeuwig ten volk zij, terwijl gij, Jahwe, hun ten god zijt
25       geworden.\' Nu dan, Jahwe God, volbreng voor eeuwig het woord dat
gij aangaande uw dienaar en zijn huis gesproken hebt, en doe zooals
26       gij gesproken hebt;\' opdat uw naam voor eeuwig verheerlijkt worde,
doordien men zegt: Jahwe der heirscharen is god over Israël, en het
27       huis van uw dienaar David zal voor uw aangezicht vaststaan.\' Want
gij zelf, Jahwe der heirscharen, Israëls god, hebt aan uw dienaar ge-
openbaard: Een huis zal ik u bouwen. Daarom beeft uw dienaar de
28       vrijmoedigheid gevonden om deze bede tot u op te zenden.\' Derhalve,
Heer Jahwe, gij zijt God, uwe woorden zullen bewaarheid worden, en
29       gij hebt tot uw dienaar dit goede gesproken. \' Laat het u thans be-
hagen, het huis uws dienaars te zegenen; zoodat het voor eeuwig voor
uw aangezicht zij. Want gij, Heer Jahwe, hebt het gesproken, en door
uwen zegen zal het huis uws dienaars gezegend zijn tot in eeuwigheid.
V«. 82. Deut. XXXII: 39a, 6; Jez. XLV : 5 v., 184.
voorganger, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVII: 13; Hebr. t. aan Soul, dien ik {van) voor uk aangezicht
hei weggedaan.
16.  voor mijn aangezicht, volg. Gr. vert.; Hebr. t. voor uw aangezicht.
17.  gezicht, nachtgezicht, v». 4.
19.  vergunt — getlachten, volg. verb. t.; grondt, dit il de wet van mentchen. De lezing is zeer
onzeker.
20.  Waarom zou ik, daar gij zelf mij hebt uitverkoren, nog verder mijne verbazing uitsproken danr-
ovor dat gij mij zooveel gunst bewijst P
21.    Ter wille van, om hom vreugde te verschaffen. — uw dienaar, volg. Gr. vert. en 1 Kron.
XVII: 19; Hebr. t. uw woord.
22.   Daarom, op grond van deze overtuiging erken ik dat gij groot zijt. — Jahwe Ood. In het
boek Samuel komt deze uitdrukking alleeu hier en vs. 25 voor; op beide plaatsen heeft Gr. vert.
Heer Jahwe.
23.   een god...i», gedeeltelijk volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVII: 21; Hebr. t. goden... zijn. — aan
haar,
volg. verb. t.; grondt, aan u. — door — te verdrijven, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVII:21;
Hebr. t. aan uw land. — goden, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zijne goden of zijn god. — voor zijn volk
uit,
volg. verb. t.; grondt, voor uw volk uit, dat gij u uit Egmte hebt losgekocht. Het onvergelijkelijk
rte voorrecht van Israël boven andere volken wordt ook erkend Deut. IV: 7, 32—84; XXXIII :
. Ps. CXLVII: 20.
HOOFDSTUK VIII.
Davids krijgsverrichtingen en zijne rijksgrooten. — David fnuikt de macht der Filistijnen en der
Moabieten (1 v.). Hij overwint Hadadezer, den koning van Soba, en de hem ter hulp gekomen Ara*
O. T. I.
                                                                                                                         44
-ocr page 610-
2 8AMUBL VIII : 1—8.
«90
meers van Damaskus (3—8). De koning van Hamath laat hem met ilczc overwinning gelukwenscheit
en zendt hem geschenken (!) v.), die Daviil met vele buitgemaakte voorwerpen aan Jahwe wijdt (11 v.).
Mij onderwerpt de Kdomicten (13 v.). Lijst vnn Davids rijkagrootcn (15—18).
Dit stuk ma eens het. slot der Geschiedenis vun David. De samensteller van dit geschrift, die zieh
hlijklmar ten doel stelde te verhalen hoc David koning over gausch Israël was geworden, heeft dit
overzicht van zijne oorlogen, een uittreksel uit uitvoeriger berichten (zie inl. op II. X), nis een
aanhangsel nau het verhaal toegevoegd. Hieruit laat zich verklaren dat de voorstelling in menig
opzicht zoo onvolledig en onduidelijk is; zie op vs. 3 v., 3, 4, 5, 12 en 13 v.
VIII: 1 Hierna versloeg David «Ie Filistijnen, vernederde hen en nam den
2       teugel van het bewind uit de hand der Filistijnen.\' Voorts sloeg hij de
Moahieten en mat hen niet het snoer, terwijl hij hen op den grond
deetl liggen: telkens bestemde hij twee snoeren om ter dood te worden
gebracht en een vol snoder om in het leven te blijven. Zoo werden de
Moabieten aan David onderworpen, schatplichtig.
3           Ook versloeg David Hadadezer, den zoon van llehob, den koning
van Soba, toen deze heenging om zijne macht bij de rivier den Eufraat
4       te vestigen.\' David nam van hem zeventienhonderd ruiters en twintig
duizend man voetvolk gevangen; allen wagenpaarden sneed hij de pezen *
T> door, op honderd na, die hij overhield.\' Toen de Arameërs van Da-
maskus Hadadezer, den koning van iSoba, te hulp kwamen, sloeg David
0 van de Arameërs twee en twintig duizend man;\' hij legde bezettingen
in Damasceensch Arani, en Aram werd hem onderworpen, schatplichtig.
7       Zoo schonk Jahwe David de overwinning op al zijne veldtochten.\' De
goutien beukelaars welke de dienaren van Hadadezer hadden gedragen
8       nam David en bracht ze naar Jeruzalem;\' uit Tebah en lierothai, steden
van Hadadezer, voerde koning David ontzaglijk veel koper weg.
Va. 1—18. 1 Kron. XVIII: 1—17.
1.   Jlierna. Dit volgde in het oorspronkelijke geschrift, de Geschiedenis van David, waarschijnlijk
onmiddellijk op V : 25. — den teugel van liet bemind, letterlijk i/eu teugel tier moedersfat/, de heerschappij
die ilc Fil
73
istijnen over hunne omgeving uitoefenden, gelijk cene moederstnd over hare ouderhoorige
plaatsen. Verg. 1 Kron. XVII 1:1. .Maar lezing en vertaling zijn zeor onzeker.
2.   De behandeling die David de Moabieten liet ondergaan was voor dien tijd niet bijzonder hard;
integendeel, dat hij een derde spaarde was genade; want krijgsgevangenen om te brengen was zeer
gewoon. Maar 1 Kron. XVIII: 2 wordt die slachting niet vermeld: zeker rekende de schrijver haar
David onwaardig.
3 v. Uier wordt slechts een deel van Davids strijd niet den koning vnn Soba verhaald. Ken uit-
vocrigcr bericht vinden wij in X : 0—1!).
3.   Hadadezer. In ons boek staat deze naam goed geschreven; in 1 Kron. XVIII: 3, 5 en Gr. vert.
luidt hij lladarezer. Verg. op Gen. XXXVI: 39. — llehob, alleen hier en vs. 12 de naam van Hodad-
czers vader; waarschijnlijk cene vergissing: X: 0, 8 heet zoo een der Aramceschc staatjes waartegen
David oorlog voerde. — Soba. Zie op 1 Sam. XIV: 17. — toen — vestigen, het laatste woord volg.
Gr. vert. en 1 Kron. XVIII: 3; Hebr. t. te doen tcederkeeren. De bedoeling dezer woorden is niet recht
duidelijk; wellicht heeft de schrijver den inhoud van X:lf> willen weergeven en is hij door het
streven naar kortheid onduidelijk geworden.
4.   Het is vreemd dat niet gezegd wordt wat met de krijgsgevangenen geschiedde. Dit verwachten
wij na vs. 2 en omdat hier verhaald wordt wut David met de buitgemaakte paarden liet doen. Grootere
cijfers geeft 1 Kron. XVIII: 4; andere X:18. — sneed hij de pezen door. Zie op Joz. XI: 6.
K. Van Damasceensch Aram is in II. X geen sprake: zijn koning is daar waarschijnlijk onder do
vazallen van Hadadezer begrepen. Deze toch is daar de voornaamste der Aramceschc koningen, wien
de andere als vazallen in den strijd volgen cu die zelfs de macht heeft de Arnmecrs uit Mesopotamic
te ontbieden (X : 10, 10). Waarschijnlijk leefde de schrijver van ons verhaal in een tijd toen niet meer
de koning van Soba, mnur die van Dnmnskus de machtigste wns, en meende hij dnt dit ook oudtijds
zoo geweest was; vandaar dat hij Damuscccnsch Aram afzonderlijk vermeldt en Hadadezer, niet als
hoofd van alle Aramceschc vorsten, maar als een hunner laat optreden.
11. legde bezettingen, onzekere vertaling. Anderen stelde landvoogden aan; nog anderen plaatste
zuilen;
verg. op 1 Sam. X:5. — Zoo — veldtochten. Hiermede schijnt de optelling vnn Davids krijgs-
verrichtiugen besloten te worden. Dit is echter niet het geval; eerst in vs. 14, waar deze woorden
weder voorkomen, zijn zij op hunne plaaU. Dat lij ook hier staan schijnt gevolg van de slordigheid
des schrijvers.
7—12. Verg. 1 Kon. VII: BI.
7.   Zie 1 Kon. XIV: 25—28.
8.   Tebah, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVIII: 8; Hebr. t. Betah. Een stam van dien naam komt
-ocr page 611-
691
2 samubi, VIII: 17.
9          Toen Toü, de koning van Hamath, hoorde dat David het gansehe
10       leger van Hadadezer verslagen had,\' zond hij zijn zoon Hadoram tot
koning David, om naar zijn welstand te vragen en hem geluk te wen-
schen, omdat hij tegen Hadadezer gestreden en hem verslagen had;
want Hadadezer was steeds in oorlog met Toü geweest; zilveren,
11       gouden en koperen voorwerpen bracht liij mede.\' (Jok deze heeft koning
David aan Jahwe gewijd, evenals hij gedaan had met het zilver en
12       goud van al de volkeren die hij had onderworpen: \' van Edom, Moah,
de Ammonieten, de Filistijnen, Amalek, en van den buit van Hadadezer,
den zoon van llehob, den koning van Soba.
13           Ook maakte David zich naam en versloeg hij, bij zijn terugkeer van
het verslaan der Arameërs, van de Edomieten in het Zoutdal achttien
14       duizend man.\' Toen legde hij bezettingen in Edom; in ganscli Edom
legde hij ilie; zoodat gansch Edom David onderworpen was. Zoo schonk
Jahwe de overwinning aan David op al zijne veldtochten.
15            David was koning over ganseh Israël en handhaafde recht en
16       gerechtigheid onder zijn gansche volk;\' en Joab, de zoon van Sernja,
was hoofd van het leger; Josjafat, de zoon van Ahilud, kanselier;\'
17       Abjathar, de zoon van Ahimelech, den zoon van Ahitub, en Sadok
V». 13. Ps. LX: 2.
Gen. XXII: M voor. — Berothai, of Berutha, lag vol;;. Ezcch. XLVII: 10 in de nabijheid van lla-
math. — koper. Hieraan voegt 1 Kron. XVIII : K nog toe Jat koning Salomo hiervan allerlei koperen
voorwerpen liet vervaardigen.
il. Toü, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVIII:!); Hebr. t. Tui. Kvcnzoo vs. 10. — Hamath, Zie op
1   Kon. VIII: 05.
10. Hadoram, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XVIII: 10; Hebr. t. Joram. — Toü. Hij was waarschijnlijk
een der Hittietischc koningen die door de Arnmccrs in \'t nauw werden gebraeht; verg. op Gen. X: 15.
12.   Edom, volg. Gr. en Syr. vertt. en 1 Kron. XVIII: 11; Hebr. t. Aram. — In het voorgaande is
alleen vermeld dat David de Moabietcn, de Fil
46
istijnen en de Aramecrs overwon; de zege op de Kdo-
mieten wordt eerst in vs. 13 v. verhaald. Van den strijd met de Ammonieten lezen wij in X, XI; die
met Arnalck wordt elders niet vermeld.
13 v. Dit berieht had eigenlijk muelen staan vóór vs. 11 v., waar reeds gemeld is wat David met
den oorlogsbuit van Edom deed. Waarschijnlijk werd de schrijver door de optelling in vs. 12opmerk-
zaain op het verzuim dat hij van de overwinning op Kdom nog niets had gezegd, en wilde hij dit
herstellen door deze verzen aan zijn verhaal aan te hangen. Verg. 1 Kon. XI: 15; I\'s. LX:2.
13.   Ook — naam, onzekere vertaling. — en, volg. Gr. vert. iugevocgd. — versloeg hij ...van de
Edomiefen,
volgens gissing, gedeeltelijk naar Gr. vert. en 1 Kron. XVII1:12; I\'s. LX:2, ingevoegd.—
het Zoutdal, waarschijnlijk ten zuiden van de Doodo Zee. Hier versloeg ook Amasja de Edomieten,
2   Kon. XIV: 7; 2 Kron.. XXV : 11.
15—18. Nagenoeg dezelfde lijst van rijksgrootcn XX: 23—20, eene van beambten onder Salomo,
1 Kon. IV: 2—0.
15. handhaafde — tolk, èn als opperste rechter wanneer men zijne beslissing inriep, èn door zoo-
veel mogelijk eerlijke overheden — die tevens rechters waren — aan te stellen.
10. Jotjafal — kanielier. Dit was hij nog onder Salomo, 1 Kon. IV: 3. Kanseliers worden mcer-
mnlcn vermeld, bchnlve hier XX:84; 1 Kon. IV:2; 2 Kon. XVIII :1H, 37; 2 Kron. XXXIVïS;
Jcz. XXXVI: 3, 22. Het waren hoogc beambten, die de gedenkwaardige gebeurtenissen die in bun
tijd plaats hadden opteckendcii; menige bijzonderheid in Koningen vermeld is wis aan hunne nanteekc-
ningen ontleend; zie inl. op Koningen.
17. Abjathar — Sadok, volg. verb. t.; grondt. Sadok, de zoon ran Ahitub, en Ahimelech, de zoon
van Abjathar.
Deze lezing is stellig de oorspronkelijke niet; want volg. XV:2tvv.; XX : 25 en 1 Kou.
II: 20 v. was Abjathar gedurende Davids regecriug en zelfs nog onder Salomo priester; dus wordt
hier ten onrechte zijn zoon genoemd. Voorts was niet Sadok, van wien de afkomst niet bekend is,
mnar Abjathars vader, Ahimelech, een zoon van Ahitub; zie 1 Sam. XXII: 0,20. De verandering is niet
aan slordigheid te wijten iniuir opzettelijk aangebracht! Sadok werd tot zoon van Ahitub gemaakt om
den stamvader der Jcruzalcmschc priesterschap bij het priesterlijk geslacht van KIi in te lijven (1 Sam.
XIV: 3), en tevens Abjathar, de door Salomo verbannen priester, de stamvader van cenige priesterlijke
familiën in Noord-Israel (zie op 1 Sam. II: 33), op zijde geschoven door de vermelding dat niet hij
zelf maar zijn zoon tijdens Davids regcering priester was geweest; verg. 1 Kron. XXIV : 3, 0, 31. Om
dezelfde reden blijft Abjathar 1 Kron. XII: 27 onvermeld. — Sjuja, volg. XX: 25; Hebr. t. Seraja;
Gr. vert. Ata; 1 Kron. XVIII: 10 Sjamja. Is Sjhja de ware lezing, dan komen 1 Kon. IV: 3 zijne
zonen als schrijvers ondor Salomo voor. — schrijver. De werkzaamheden van dezen beambte waren
uit den aard der zaak zeer verschillend i hij hield aantcekening van de gelden in de tempclkns, 2 Kon.
XII: 10 v.; XXII: 3, monsterde de soldaten, die bij voor den dienst opriep, 2 Kon. XXV: 19; 2 Kron.
XXVI: 11; Jcr. Lil: 25, hield wellicht boek van alle uitgaven en inkomsten des konings, en kon voorts,
-ocr page 612-
692                                  2 bamdxl VIII: 17—IX: 10.
18 waren priesters; Sjisja was schrijver;\' Benaja, de zoon van Jojada, hoofd
der Krethiërs en Plethiërs, en Davids zonen waren priesters.
als ieder hoveling, duur den koning als afgezant gebruikt worden (2 Kon. XIX : 2), ook nla gevangen-
bewaarder (Jcr. XXXVII:15).
18. Benaja, onder Duvid hoofd der koninklijke lijfwacht, XX: 23; 1 Kou. 1:8, 20, 32, 38, 44;
11:25, onder Salomo hoofd van het leger, in plaat» van Joab, 1 Kon. 11:35; IV: 4. — hoofd der,
volg. Lat. vert.; 1 Kron. XVIII: 17 en XX: 23; Hebr. t. en de. — Krelhiï-rt-en Pletku-rt. Zoo heette
de lijfwacht des koning»; /.ij was gewoonlijk in zijne nabijheid (XX: 7; 1 Kon. 1:38, 44) cu voltrok
de door den koning uitgesproken doodvonnissen (1 Kon. 11:25, 31). Zij waren zeker Filistijnen (zie op
1 Sam. XXX: II); mnar de herkomst der namen is onbekend.— Daridt zonen waren prirstert. Merkwaardig
is het, hoc de schrijver van Kronieken (1 kron. XVIII : 17), die niet begrijpen kon dat mannen van
uiet-Iievietischen bloede priesters aan Davids hof waren geweest, dit verandert. Onze schrijver weet
van de beperking der priesterlijke waardigheid tot éen bepaalden stam nog niets.
HOOFDSTUK IX.
Davids zorg voor Metibuosjeth. — Op Davids vraag of nog nakomelingen van Saul in leven zijn
verneemt hij van Siba, een dienaar van Saul, dat nog een zoon van Jouathau in leven is (1—4); dien
David hierop laat halen (5). Hij geeft hein Sauls landerijen en vergunt hem gast aan \'s kouiugs tafel
te ziju (0—8), terwijl Siba Meliboosjcths bezittingen moet besturen (!)—11); zoo geschiedt het (12 v.).
Uit verhaal is het eerste dat ons uit de Familiegeschiedenis van David (IX—XX) is bewaard ge-
bleven. Het kan echter niet het begin van dit geschrift zijn geweest; wat er aan voorafging is,
waarschijnlijk door den samensteller van het Oude Geschiedboek, weggelaten, omdat hij hetgeen daar
verhaald werd reeds aan andere bronnen had ontleend. Het stuk komt in Kronieken niet voor.
IX: 1 Eens zeide David: Is er nog iemand van Sauls huis overgebleven
2       aan wien ik gunst kan betoonen ter wille van Jonathan/\' Nu had het
huis van Saul een dienaar, Siba geheeten. Toen men liem bij David
ontboden had, zeide de koning tot hem: Zijt gij Siba^ Waarop hij ant-
3       woordde: Uw dienaar.\' Op \'s konings vraag: Is er niet nog iemand
van het huis van Saul wien ik Gods gunst kan betoonen? zeide Siba
tot den koning: Er is nog een zoon van Jonathan, een die slecht ter been
4       is.\' Hierop zeide de koning tot hem: Waar is hij? Siba antwoordde
den koning: Ten huize van Machir, den zoon van Ammiël, te Lodebar.\'
f) Daarop liet koning David hem uit het huis van Machir, den zoon van
Ammiël, van Lodebar, halen.
6           Toen Mefiboosjeth, de zoon van Sauls zoon Jonathan, bij David kwam,
viel hij op zijn aangezicht en wierp zich neder. David zeide: Mefiboosjeth!
7       en hij: Uw dienaar.\' En David zeide tot hem: Vrees niet; want ik
zal u zeer zeker gunst betoonen ter wille van uw vader Jonathan: ik zal
u al de landerijen van uw vader Saul teruggeven, en gij zult geregeld
8       aan mijn disch brood eten.\' Toen wierp hij zich neder en zeide: Wat
is uw dienaar, dat gij naar een dooden hond als ik ben omziet?\'
9       Nu ontbood de koning Siba, den dienaar van Saul, en zeide tot hem:
Al wat Saul en zijn gansche huis bezeten heeft geef ik aan den
10 zoon uws heeren;\' gij moet met uwe zonen en slaven voor hem
1.   Vuur dit vers heeft waarschijnlijk eens IV: 4 gestaan (zie aldaar), uit welke plaats, vergeleken
met vs. 12, volgt dat David eerst toen hij verscheidene jaren koning was naar Sauls afstammelingen
omzag. — iemand tan Sauls huil. David wil niet slechts aan Jonathans nakomelingen, maar, ter wille
Tan Jonathan, aan al de afstammelingen van Saul gunst betoonen. Verg. op 1 Sam. XX:15v.
2.  een dienaar, een rentmeester of iets dergelijks.
3.   Qodt gumt. Verg. 1 Sam. XX: 14.
4.  Machir — Lodebar komt ook XVII: 27 voor. — Lodebar. Zie op Joz. XIII: 26.
7.  uto vader Saul. Ook XIX : 24 heet Mefiboosjeth de zoon van Saul, al was hij eigenlijk zijn klein-
xoon. — teruggeven. Wat ua Sauls dood met zijne landerijen was gebeurd, weten wij niet. Wellicht
had, toen Sauls afstammelingen zich iu het Overjordaansche ophielden, een lid zijner familie of een
zijner hoorigen gebruik gemaakt van den verwarden stand van zaken om ze aan zich te trekken. —
aij — eten. Verg. XIX: 33—39; 2 Kon. XXV : 29 v.
8.  een dooden hond. Zie op 1 Sam. XXIV : 15.
10. en brood brengen, vuig. Gr. vert.; Hebr. t. en brengen, en het sol brood zijn. — hel huU, volg.
Gr. vert.; Hebr. t. den loon. David zorgt niet alleen voor Mefiboosjeth, maar ook voor zijn gezin.
-ocr page 613-
2 SAMUBL IX: 10-X:6.                                  693
liet land bebouwen en brood brengen aan het huis van uw lieer, dat
daarvan leven zal, terwijl Mefiboosjeth, uws heeren zoon, geregeld brood
zal eten aan mijne tafel. Siba nu bad vijftien zonen en twintig slaven.\'
11      En Siba zeide tot den koning: Naar al wat mijn heer de koning zijn
dienaar beveelt zal uw dienaar doen. Zoo at Mefiboosjeth aan Davids
12      tafel als een van \'s konings zonen.\' Hij had een jeugdigen zoon, Micha
genaamd. En alle hoorigen van Hiba\'s huis waren slaven van Mefi-
13      boosjeth.\' Mefiboosjeth zelf woonde te Jeruzalem; want hij at geregeld
brood aan de tafel des konings. Hij was aan beide voeten kreupel.
11.  Davids, volg. Gr. vcrt. j Hebr. t. mijne.
12.  Micha. Zie 1 Krun. VIII: 34 v.
HOOFDSTUK X.
Davids oorlog met de verbonden Ammonieteii en Aramecrs. — Duvid zendt een gezantschap tot
lliiiiiin, den koning der Ammonieten, om hem deelneming Ie betuigen bij zijns vaders dood (1, 2a);
door de vorsten der Ammoniuten ten aanzien vnn Davids bedoelingen wantrouwend gemaakt, zendt
Haniin de gezanten na smadelijke bejegening terug {2b—5). De Ammonietcn, voor Davids wraak bc-
dneht, werven de Aramecrs als bondgenooten (0); maar .Toab en Abisjni verslaan beide legers (7—14).
De Aramecrs roepen nu hunne stamgeuootcii van over den Eufraat ten strijde (15 v.), maar David trekt
hun te gemoct en behaalt ecne grootc overwinning (17 v.); waarna de Aramecrs vrede maken en den
Ammonietcn niet meer te hulp komen (10).
Dit hoofdstuk, waarvan VIII: 3—8 een uittreksel wordt gegeven, is aan hetzelfde geschrift als het
voorgaande ontleend.
X: 1        Nadezen stierf Nahas, de koning der Aramonieten, en werd zijn
2      zoon Hanun koning in zijne plaats.\' Toen zeide David: Ik wil gunst
betoonen aan Hanun, den zoon van Nahas, zooals zijn vader gunst
heeft betoond aan mij. Daarom zond David zijne dienaren, ten rouw-
beklag wegens zijn vader. Maar toen Davids dienaren in het land der
3      Ammonieten waren gekomen,\' zeiden de vorsten der Ammonieten tot
hun heer Hanun: Meent gij dat David uit eerbied voor uw vader
u boden tot rouwbeklag gezonden heeft? Veeleer heeft David zijne
dienaren tot u gezonden om de stad op te nemen, te verspieden
4      en onderstboven te keeren.\' Hierop liet Hanun de dienaren van David
vatten, schoor hun den baard aan den eenen kant af, sneed hun de
5      kleederen halverwege af, tot aan de stuit, en zond hen weg.\' Toen
men dit aan David berichtte, zond hij hun boden te gemoet — want
die mannen waren zeer geschandvlekt — en liet hun zeggen: Blijft
te Jericho totdat u de baard weder is aangegroeid, en keert dan terug.
ü         Toen nu de Ammonieten inzagen dat zij bij David in een kwaden
reuk waren gekomen, zonden zij boden en huurden van de Araraeërs
van Beth-Rehob en van Soba twintig duizend voetknechten, en van de
Vs. 1—19. 1 Kron. XIX: 1—1!),
1.   Nahas, uit 1 Kron. XIX: 1 ingevoegd. Zio 1 Sam. XI.
2.  zooals — mij. Hiervan wordt elders niets bericht.
3.  de stad, de hoofdstad, Kabbath-Ammon; zie op Deut. 111:11.
4.  schoor — af. De Oosterlingen laten den baard groeien en beschouwen dien als een sieraad van
den man. Het was natuurlijk eene groote schande, als iemand tegen wil en dank do baard verminkt
of afgeschoren werd. — sneed — stuit, zoodat zij tot zoover geheel naakt waren.
5.  want — geschandvlekt. Dit was ecne schande ook voor hun zender; het was dus niet alleen ter
wille van die gezanten, maar ook uit bezorgdheid voor zijne koninklijke eer, dat David hen niet te
Jeruzalem liet komen.
6.   Al de hier gonoemde staten zijn Arameesche; verg. op Gen. X : 22. Over Beth-Rehob, dat vs. 8
Kehoh heet, zie op Num. XIII: 21; over Soba op 1 Sam. XIV: 47; over Maiicha op Deut. 111:14;
over Tob op Richt. XI: 3; maar de lezing staat niet vast; grondt, heeft hier en vs. 8 ls-Tob, —
Verder laat grondt, op Maacha nog volgen duizend man; weggelaten, omdat de schrijver van Kronieken
dit getal bij zijne optelling niet iu rekening brengt ou dus niet gelezen heeft.
-ocr page 614-
2 BAMUEL X : 6—19.
694
7       koningen van Maacha en Tob twaalfduizend man.\' Toen David dit
8       hoorde, zond hij Joab met liet geheele leger, de helden.\' Daarop trokken
de Ammonieten uit en stelden zich vóór de poort in slagorde; terwijl
de Aranieürs van iSoba, Hehob, Tob en Maacha zich afgezonderd van
(J hen o|> het veld opgesteld hadden.\' Joab, ziende dat hij een vijandelijk
leger V(k>r zich en achter zich had, koos een deel van Israëls strijd-
10       macht uit, dat liij tegenover de Arameërs in slagorde stelde;\' terwijl
hij liet overige volk plaatste onder de bevelen van zijn broeder Abisjai,
11       die het in slagorde stelde tegenover de Ammonieten.\' En hij zeide:
Indien de Aranieërs mij te sterk worden, luoet gij mij te hulp komen;
en indien de Ammonieten u te sterk worden, zal ik tot uwe hulp
[\'2 aanrukken.\' Wees kloek en laten wij ons kloek houden voor ons volk
en de steden van onzen god. En Jahwe zal doen wat goed in zijn
oog is.
13           Toen nu Joab met het volk dat bij hem was tegen de Ara-
14       meers ten strijde aanrukte, sloegen zij voor hem op de vlucht;\' en
de Ammonieten, ziende dat de Arameërs op de vlucht waren gegaan,
vluchtten op hunne beurt voor Abisjai en trokken zich terug in de
stad. Hierop keerde Joab van den strijd tegen de Ammonieten weder
en kwam te Jeruzalem.
15            De Arameërs, ziende dat zij voor Israël de nederlaag hadden ge-
16       leden, vereenigden zich allen,\' en Hadadezer zond boden en deed de
Arameërs van de overzijde der Rivier uitrukken; zij kwamen te Helam
17       aan, onder aanvoering van Bjobacb, Hadadezers legerhoofd.\' Men be-
richtte dit aan David, die hierop gansch Israël verzamelde, den Jor-
daan overtrok en te Helam kwam. De Aranieërs stelden hunne slag-
18       orde tegen David op en streden tegen hem.\' De Arameërs gingen
voor Israël op de vlucht, en David doodde van hen zevenhonderd
ruiters en veertig duizend man voetvolk; ook Sjobach, Hadadezers
19       legerhoofd, versloeg hij, zoodat hij stierf.\' Toen nu al de koningen,
Hadadezers vazallen, zagen dat zij in den strijd met Israël de nederlaag
hadden geleden, maakten zij vrede met de Israëlieten en werden hun
onderdanig. En de Arameërs vreesden den Ammonieten weder te hulp
te komen.
7.  de helde». Zie XXIII : 8—39. De samenkoppeling van dit met het voorgaande woord is vreemd,
daar onder de helden toch iets anders dan hel geheele leger verstaan wordt; misschien is het ingevoegd.
8.   de poort, van de hoofdstad der Aminonictcn. — Tob. Zie op vs. 0. — op het veld, in den rug
vim liet lsrnëlietischc leger dat tegen de stad oprukte.
10. Abisjai. Zie op 1 Sam. XXVI : 0. Hier en Kron. II: 10; XI:20 wordt zijn iianm Absjai geschreven.
VI. de sleden. Dit klinkt vreemd. Wellicht had de oorspronkelijke tekst alleen en voor onsen god.
14.  op hunne bei-rt, uit 1 Kron. XIX: 15 ingevoegd. — Hierop — Jeruzalem. Kerst iu het volgende
voorjaar werd de belegering der stad ondernomen, XI: 1.
15.  vereenigden zich allen. De Aramceschc rijkjes die nog niet aan den strijd hadden deelgenomen
wo
5
rden opontboden.
10. lhdatlezer, volg. VIII: 3 koning van Soba, was blijkbaar het hoofd der bondgenootcn (zie
vs. 10): niet slechts roept hij de Arameërs van over den Kufrunt ten strijde, muur hij stelt ze ook
ouder de bevelen van zijn legerhoofd. — Helam, onbekend, komt alleen hier en in het volgende
vers voor.
18. man voetrolk, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XIX: 18; llebr. t. ruilen. — Hadadezers, duidelijk\'
heidshalvc ; grondt, zijn.
10. En — komen, zoodat de Ammonieten, als David den krijg hervat, van bondgenooten verstoken
/i.iu. XI, XII.
HOOFDSTUK XI, XII.
David en llathsjcba; verovering van het land der Ammonieten. — David zendt Joah met bet leger
uuur hel land der Animonieteii en blijft zelf te Jeruzalem, waar hij niet Bathsjcba, de vrouw van
l\'ria, overspel bedrijft (XI: 1—i). AU hij verneemt dat zij zwauger is, laat hij haar man uit het
leger komen, opdat hij in zijn huis overnachte (5—8); maar l\'ria wil zoolang het leger in het vold
-ocr page 615-
2 SAMUBL XI: 1—11.
6\'jr>
is uict in zijn huis komen (!)—11) en blijft mui dit voornemen getrouw, ook nis hij min \'s koning»
tafel dronken gemankt is (12 v.). Hij zijn vertrek geeft David hem een brief mede voor Joab, die den
last inhoudt, l\'ria op het gcvuiirlijkstc punt in den strijd te plaatsen, opdat hij sneuvele (llv.); Joab
gehoorzaamt, en l\'rin sneuvelt (IC v.). Joab zendt ecu bode naar Jeruzalem, die van de nederlaag eu
van Uria\'s dood verslag doet (18—24); waarop David aan Joab laat zeggen, met goeden moed den
strijd voort te zetten (25). Dathsjcbn wordt, na atloop van den rouwtijd over haar man, Davids vrouw
(20, 27a). Hierover op David vertoornd, zendt Jahwe Nnthnn tot hem (\'216; XII :1a); die hein van
een rijken man verhaalt die het cenig uoilam nan een arme ontnam (16—4); als David uitroept dat
die muu den dood verdiend heeft, brengt Nnthaii hem het schandelijke van zijn gedrag ouder het oog
(5—tl) en voorspelt hem onheil (10—12). David belijdt schuld en ontvangt de verzekering dat Jahwe
hem vergeven heeft; maar het kind dut hem geboren is zal sterven (13 v.). Dit geschiedt (15—23);
geboorte van Salomo (24 v.). Op Jonbs uitnoodiging gaat David naar het leger en verovert Kabba,
welker bevolking hij wegvoert; zoo handelt hij met alle steden der Ammouictcii (20—31).
In deze hoofdstukken, met uitzondering van XII : ld—12 (zie aldaar) aan Davids Familiegeschiedenis
ontleend eu in hoofdzaak geloofwaardig, trekt vooral onze aandacht de kloeke tiguur van Nathan, den
handhaver van het geschonden recht tegenover den koning.
In Kronieken komen vun dit gedeelte slechts enkele verzen voor, over de inneming van Kabba;
Davids zonde blijft daar onvermeld.
XI: 1 Na verloop van een jaar, tegen den tijd dat de koningen plegen te
velde te trekken, zond David Joab met zijne dienaren en gansch Israël
uit. Zij verwoestten het land der Ammonieten en sloegen het beleg
2       om Uabba, terwijl David te Jeruzalem bleef.\' Op zekeren avond, toen
hij, van zijne rustbank opgestaan, op bet dak van het paleis wandelde,
zag hij van het dak eene vrouw die zich baadde en zeer schoon was.\'
3       David deed naar die vrouw onderzoek, en toen men hem zeide: Wel,
dat is JJathsjeba, de dochter van Eliam, de vrouw van Uria, den
4       Hittiet,\' zond David boden om haar te halen, en hield, toen zij tot
hem gekomen was, gemeenschap met haar; zij had zich juist van bare
onreinheid gezuiverd. Daarna keerde zij in haar huis terug.
5           Maar de vrouw was zwanger geworden en liet aan David weten:
6       Ik ben zwanger.\' Hierop zond David aan Joab het bevel: Zend Uria,
7       den Hittiet, tot mij. Toen Joab Uria tot David gezonden had\' en deze
bij hem kwam, vroeg David, of het met Joab, bet volk en den krijg
8       goed ging.\' Daarna zeide David tot Uria: Üa naar uw huis en wasch
uwe voeten. En toen hij het paleis verliet, werd hem een gerecht van
9       \'s konings tafel nagebracht.\' Maar Uria legde zich te slapen aan den
ingang van het paleis bij al de dienaren van zijn heer en ging niet
10       naar zijn huis.\' Toen men aan David had medegedeeld: Uria is niet
naar zijn huis gegaan — zeide David tot Uria: Gij komt immers van
11       de reis; waarom zijt gij dan niet naar uw huis gegaan?\' Uria ant-
woordde David: De ark en Israël en Juda houden zich op in tenten,
Vs. la. 1 Krou. XX:1a.
1.  Zie op X:14. — legen — trekken, in het vourjanr; zie op 1 Kon. XX: 22. — zijne dienaren,
hoofdollieicrcii en hoofdainbtenareii. — het land der, ingevoegd uit 1 Kron. XX : 1. — Rati6a. Zie
op Dcut. 111:11.
2.  op — wandelde. Zie op Deut. XXII: 8.
3.  men, volg. Gr. vort.; Hcbr. t. hij. — Balhtjeba, de dochtervan Eliam, volg. 1 Krou. 111:5 Balhajua,
de doohtir van Ammiël,
was volg. X.XI1I : 34 eene kleindochter van Ahitofcl, den Giloniet; verg. op
XV : 12. — Jliltiel. Zio op Geu. X : 15.
4.  lij — gezuiverd. He mnundclijkschc staat van onreinheid was juist ten einde; zij was dus niet
zwanger bij haar man. — Daarna — terug. Het gebeurde kon dus geheim blijven.
8. Ga, letterlijk Ca af. Het pulcis lag op den Sion; Uriu\'s huis aan den voet er van. — wasch
urne voeten. \'/Ae
op Gen. XVIII: 4. — werd — nagebracht; verg. Gen. XLIII: 84. Dit eerbewijs
moest hem aanleiding geven thuis een fccstclijkcn maaltijd te houden.
1). de dienaren van zijn heer, de lijfwacht on de ollicieren van dienst.
11. De ark. Deze placht mon dus in den oorlog mede te nemen; verg. 1 Sam. IV. — tenten,
letterlijk hutten; zie op 1 Kon. XX: 12. — Zoo waar ah Jahwe leeft en gij leeft, volg. verb. t.;
groudt. Zoo waar ah gij leeft en uwe ziel (d. i. gij) leeft.
-ocr page 616-
2 samubl XI: 11—XII: 1.
696
en mijn lieer Joab en mijns heeren dienaren zijn op den naakten grond
gelegerd: zou ik dan naar mijn huis gaan, om te eten, te drinken en
bij mijne vrouw te slapen.\' Zoo waar als Jahwe leeft en gij leeft, dat
12       doe ik niet.\' Hierop zeide David tot Uria: Blijf ook heden hier;
morgen zal ik u laten vertrekken. Zoo bleef l\'ria nog dien dag te
13       Jeruzalem.\' Den volgenden dag noodigde David hem bij zich; hij at
en dronk hij hem, en David maakte hem dronken; doch des avonds
ging hij zich ter ruste leggen op zijn leger hij de dienaren zijns heeren,
naar zijn huis ging hij niet.
14           Den volgenden morgen schreef David een brief aan Joab en gaf
15       dien aan Uria mede;\' daarin schreef hij: Plaats Uria op het punt
waar de strijd het hevigst is, en trek u van achter hem terug: opdat
16       hij in den slag den dood vinde.\' Dienovereenkomstig plaatste Joab,
bij een verkenningstocht naar de zijde der stad, Uria tegenover het
17       punt waar hij wist dat kloeke mannen stonden.\' De burgers der stad
deden een uitval en tastten Joab aan, eenigen van het volk, van David»
18       dienaren, vielen, en ook Uria, de Hittiet, sneuvelde.\' Joab zond toen
19       een bode, om het beloop van den strijd aan David te melden,\' en
gelastte hem: Wanneer gij het beloop van den strijd aan den koning
\'20a, 213 verhaald hebt,\' en de koning gramstorig wordt,\' dan moet gij
22       zeggen: Ook uw dienaar Uria, de Hittiet, is gesneuveld.\' De bode
ging heen, kwam bij David en berichtte hem al wat Joab hem had
20d opgedragen.\' Toen zeide David: Waarom zijt gij zoo dicht bij de stad
gekomen om te vechten? Gij moest toch weten dat gij, van den muur,
21» verslagen zoudt worden.\' Wie heeft Abimelech, den zoon van Jerub-
baal, verslagen? \'t Was immers eene vrouw, die, te Tebes, van den
muur een stuk van een molensteen op hem wierp, zoodat hij stierf?
23       Waarom zijt gij zoo dicht bij den muur gekomen ?\' Hierop zeide de
bode tot David: Met overmacht deden de burgers een uitval tegen
24       ons in het veld; wij zetten hen na tot voor de poort;\' toen schoten
de schutters, van den muur, op uwe dienaren en vonden omstreeks
achttien man van \'s konings dienaren den dood. Ook uw dienaar Uria,
25       de Hittiet, is gesneuveld.\' Toen zeide David tot den bode: Gij moet
aan Joab zeggen: Trek u deze zaak niet aan; want het zwaard ver-
teert nu dezen dan genen. Zet uw strijd tegen de stad met kracht
door en werp haar onderstboven.
2(5          Toen Uria\'s vrouw hoorde dat haar man dood was, bedreef zij rouw
27a over haren heer,\' en als de rouwtijd voorbij was, liet David haar halen
en in zijn huis opnemen; zij werd zijne vrouw en schonk hem een zoon.
21b Maar wat David gedaan had was kwaad in het oog van Jahwe.\'
XII: 1 Daarom zond Jahwe den profeet Nathan tot David, die tot hem kwam
en zeide: Er woonden twee mannen in dezelfde stad, een rijke en een
13. Ven volgenden dag. Pit behoort in «rondt, nog bij v». 12. Het past duur nog minder dan hier;
eigenlijk behoort het in vs. 10, vóór Duvids vraag nnn l\'rin, waarom hij den vorigen avond niet naar
zijn Iniis gegaan WM< — David, den tweeden keer, duidelijkhcidahnlve in pi. v. hij.
15. Plaat» en trek, het eerste volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het meervoud.
1!)—21. ZmiuU uit de volgorde der cijfers blijkt, zijn hier een paar zinsneden omgezet. In Hebr. t.
wordt hetgeen T)avid tot den bode zegt, vs. 206, 21a, nan Joab in den mond gelegd, ingeleid door
en hij lol u zegt, hier veranderd in Toen zeide David. Gr. vert. heeft de verplaatste zinsneden tweemaal.
21<«. Wie — ttierf. Zie Richt. IX: 50—54 en de oantt. aldaar. Als zelfs eene vrouw een man als
Abimelech heeft kunnen dooden omdat hij te dicht bij den muur kwam, hoe kondet gij u dan zoo ver
wagen? — Jeruhóaal, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Jeruhietjeth; zie op Richt. VI: 25—82. — molemteen.
Zie op Peut. XXIV: 6.
21. omatreek» achttien man, uit Gr. vert. ingevoegd.
25. nu dezen dan genen, letterlijk :ui en too. — Aan het slot van bet vers heeft Hebr. t. nog en
bemoedig hem;
volg. Gr. vert. weggelaten.
1. den pro/eet, uit Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 617-
2 8AMUBL XII: 1 — 18.                                        697
2, 3 arme.\' De rijke had kleinvee en runderen in overvloed;\' de arme niets
dan een eenig ooilam, dat hij gekocht en opgekweekt had, en dat hij
hem en met zijne kinderen was opgegroeid; liet at van zijn brood,
dronk uit zijn beker en sliep in zijn arm; liet was hem zoo lief als
4       eene dochter.\' Eens kreeg die rijke man bezoek, en, daar hij niet van
zich verkrijgen kon een zijner schapen of runderen te nemen, om dat
voor den reiziger die tot hem was gekomen te bereiden, haalde hij
liet ooilam van den arme weg en bereidde het voor den man die tot
5       hem gekomen was.\' Toen ontstak David in hevigen toorn tegen dien
man en zeide tot Nathan: Zoo waar als Jahwe leeft, de man die dat
6       gedaan heeft is des doods schuldig\' en zal het lam zevenvoudig ver-
goeden ; omdat hij dit stuk heeft bedreven en zoo nieedoogenloos is
7       geweest.\' En Nathan zeide tot David: Gij zijt die man. Zoo zegt Jahwe,
de god van Israël: Ik heb u tot koning over Israël gezalfd, u uit
8       de hand van Saul bevrijd; \' ik gaf u uws heeren huis en de vrouwen uws
heeren in uwen arm, en gaf u het huis van Israël en Juda; was het
9       te weinig, ik zou u nog meer daarbij hebben gegeven.\' Waarom hebt
gij dan Jahwe\'s woord geminacht, door te doen wat kwaad in zijn oog
is? Gij hebt de vrouw van 1\'ria, den Hittiet, voor u tot vrouw ge-
10       nomen en hem zelven door het zwaard der Ammonieten gedood.\' Daarom
zal het zwaard nimmermeer van uw huis wijken; omdat gij mij ge-
minacht en de vrouw van lTria, den Hittiet, voor u tot vrouw genomen
11       hebt.\' Zoo zegt Jahwe: Zie, ik zal uit uw eigen huis den rampsjioed
tegen u doen opstaan: uwe vrouwen voor uwe oogen weghalen en
ze geven aan uw naaste, die, terwijl deze zon liet ziet, bij uwe
12       vrouwen zal liggen.\' Want, terwijl gij in het geheim gehandeld hebt,
zal ik deze zaak doen ten aanschouwen van gansch Israël, ten aan-
13       schouwen der zon.\' Toen zeide David tot Nathan: Ik heb tegen Jahwe
gezondigd. En Nathan zeide tot David: Dan heeft ook Jahwe uwe
14       zonde vergeven: gij zult niet sterven.\' Maar omdat gij door dit stuk
Jahwe gesmaad hebt, zal het kind dat u geboren is stellig sterven.
15           Toen Nathan naar zijn huis gegaan was, sloeg Jahwe het kind dat
16       de vrouw van Uria aan David geschonken had: het werd ziek.\' En
David ging God zoeken voor den knaap: hij vastte, ging naar binnen
17       en legde zich op den grond neder.\' De oudsten van zijn huis gingen
bij hem staan, om hem tot opstaan te bewegen, maar hij wilde niet
18       en gebruikte geen spijs met hen.\' Op den zevenden dag stierf het
5.  des doodt schuldig. De verzwarende omstandigheid dat een rijke een arme bestal doet David dit
harde vonnis uitspreken. In Exod. XXII: 1 i< op diefstal de doodstraf niet gezet.
6.   zevenvoudig, volg. Gr. vert.; Hebr. t. viervoudig. De wijziging is wellicht van een lezer die de
door David opgelegde straf met Exod. XXII: 1 in overeenstemming wilde brengen ; zie aldaar.
9.  Jahwe\'» woord. De profeet doelt niet op eene geschreven wet, maar onderstelt nis algemeen
erkend, dat doodslag en geweldenarij met Jahwe\'s wil in strijd zijn. — de vrouw tan Uria, den
Uittilt,
volgens gissing; grondt. 1\'ria, den Hittiet, met het zwaard verflagen ru zijne vrouw; dan zou
tweemaal gezegd zijn dat David Uria liet dooden.
10—12. Daar volgens vs. 14 de dood van llathsjeba\'s kind de cenige straf voor Davids misdrijf
was, kan de schrijver de hier genoemde rampen die David en zijn huis getroffen hebben niet nis straf-
feu voor deze zoude van David beschouwd hebben. De verzen zijn waarschijnlijk van een bewerker
of verzamelaar.
10.   zal — wijken, gij en uwe nakomelingen zult gedurig door het zwaard getroffen worden: de
straf znl gelijksoortig zijn met het misdrijf; verg. vs. 11; Exod. IV : 22 en elders.
11.  bij uwe vrouwen liggen. Zie XVI :2I v.
14. Jahwe. Grondt, heeft hiervóór de vijanden van; waarschijnlijk ingevoegd omdat men van David
niet wildo gezegd hebben dat hij Jahwe gesmand had. Eene dorgelijke manier om een ergerlijken
tekst te veranderen was bij de schriftgeleerden niet ongewoon; verg. op 1 Sam. XX: 10.
10. ging — zoeten, bad hem om hulp. — hij — neder. Door boetedoening en rouwbetoon trachtte
hij Jahwe te vermurwen. Na binnen heeft Hebr. t. nog overnachtte; volg. Gr. vert. weggelaten.
17. De oudsten van zijn huis, de aanzienlijkste en incest vertrouwde hovelingen.
-ocr page 618-
2 BAMUKL XII: 18-31.
6\'J8
kind. Nu waren Davids dienaren bevreesd, hem mede te deelen dat
het kind dood was; want, dachten zij, toen wij bij het leven van bet
kind tot hem spraken, heeft bij niet naar ons willen kooren; hoe
zouden wij dan tot hem durven zeggen: het kind is dood! Hij zou
1\'J een ongeluk begaan.\' Maar David, ziende dat zijne dienaren onder
elkander fluisterden, begreep dat het kind dood was en zeide tot zijne
20       dienaren: Is bet kind dood.\' Waarop zij antwoordden: Ja.\' Toen stond
David van den grond op, waschte en zalfde zich, trok andere kleederen
aan, trad liet huis van Jahwe binnen, wierp zich aldaar neder en vroeg,
in zijn huis teruggekeerd, om brood; men zette hem iets voor, en bij at.\'
21       Zijne dienaren zeiden tot hem: Waarom handelt gij zoo.\' Zoolang bet
kind leefde hebt gij gevast en geweend, en nauwelijks is bet gestorven
22       of\' gij staat op en gaat eten.\' Maar bij zeide: Zoolang het kind leefde
heb ik gevast en geweend, omdat ik dacht: Misschien zal Jahwe mij
23       goedgunstig wezen en zal liet kind in het leven blijven.\' Maar waarom
zou ik, nu bij dood is, vasten? Kan ik hem terughalen/ Ik ga wel tot
24       hem, maar hij keert tot mij niet weder.\' En David troostte zijne vrouw
Bathsjeba, kwam tot haar en hield gemeenschap met haar; zij werd
zwanger en baarde een zoon, dien zij Halomo noemde; en Jahwe had
25       hem lief. \' En Jahwe zond een bevel door den profeet Nathan, en bij
noemde hem Jedidja, naar den last van Jahwe.
26           Intusscben belegerde Joab Habba der Ammonieten. Toen hij de water-
27       stad bad ingenomen,\' zond hij gezanten tot David met de boodschap:
28       Ik heb Kabba belegerd, zelfs de waterstad ingenomen. \' Verzamel nu
het overige volk; sla het beleg voor de stad en neem haar in; opdat
niet ik de stad inneme en mijn naam over baar uitgeroepen worde.\'
29       Dienvolgens verzamelde David al het volk, trok naar Kabba, bestormde
30       het en nam bet in.\' Hij nam Milkoni de kroon van het hoofd,
welker gewicht een talent goud bedroeg en waaraan een edelgesteente
zat dat David voortaan als hoofdversiersel droeg. Een ontzaglijk grooten
31       buit nam hij uit de stad mede;\' ook hare inwoners voerde bij weg,
zette hen aan den arbeid bij de zaag, de ijzeren houweelen en de ijzeren
bijlen en luaakte hen tot slaven bij het tichel werk. Evenzoo handelde
hij met al de steden der Ammonieten. Daarna keerden David en bet
gansche volk naar Jeruzalem terug.
V». 80 v. 1 Kron. XX:2v.
18. //*;\' — begaan, ilcn onheilshodc doodcu.
20.   tcaneh/e — aan, ten teeken dat de rouwtijd geëindigd was; zio op ltuth 111:3. — hel Ania
van Jahwe,
don tempel. Do schrijver vergeet dut de/c toen nog niet bestond.
21.   XihiIiiiiii. vuig. Gr. vert.; Ilcbr. t. Wegens.
24.   ieeril zieauger en, uit Gr. vert. ingevoegd. — zij noemde. Kcnc andere lezing vnn den tekst
geeft hij uoemile. — Salomo, /ie over hem V:14; 1 Kun. II—XI; 1 Kron. 111:5; XXIII: 1; 2
Kron. I—IX; I\'s. 1,XXII:1; C\'XXVII : 1; Spr. 1:1; X:l; XXV : 1 ; Prcd. 1:1; Hoogl. 1:1; III:
7—11; Wijsh. 1:1; Sir. XLVII : 12—22; Matth. VI: 29; XII: 42; Luc. XI: 81.
25.   Lezing en vertaling van dit vers zijn zeer onzeker. — Jahiee, duidclijkheidshalve ingevoegd. —
Jedidja, d. i. .geliefde van Jahwe\'. — naar den Uut, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Ier mlle tan
Jahiee.
20. Zio XI :|1. — de waterstatl, volg. vcrl). t.; grondt, de koningslatl. Do waterstad is het doel der
stad dat aan het water ligt. Was dit genomen, dan kon het overige gedeelte, vau water verstaken,
het niet lang meer uithouden. Joub had dus het zwaarste werk gedaan, maar liet de eer der volledige
inneming nnn den koning. Anders 1 Kron. XX:].
30.   Milkom, volgens andere klinkers; grondt, hun koning. Zie op 1 Kon. XI: 5. — een talent,
ruim 4!) kilogram; uit dit gewicht blijkt dat die kroon geen hoofdsieraad vau een iiiensch, maar van
ecu beeld was. — Kaaraan, uit de meeste oude vertt. en 1 Kron. XX : 2 ingevoegd.
31.   :elle — bijlen, hoogst onzekere lezing en vertaling. IV bedoeling schijnt te zijn dat David hen
in de steengroeven liet arbeiden (verg. 1 Kou. VII: 9). — maakte ...tot ttaven, volg. verb. t.; grondt.
Hel ... doorgaan.
-ocr page 619-
699
2 SAMUKI, XIII : 1 — 15.
HOOKDSTVK XIII: 1—37*.
Amnon door Absalom vermoord. — Davids zoon Am non, verliefd op Tamar, de zuster van zijn
broeder Absalom, weet haar door list in zijne macht te krggen, onteert baar en JMgt haar smadelijk
wen (1—17); hevig ontroerd gaat zij heen (18 v.). IMvid straft den schuldige niet, maar Absalom
koestert wrok tegen hein (20—22). Na twee jaar laat Absalom Amnon op een feest, dat ilnor nl de
priuseu bijgewoond werd, vermoorden, waarna de andere de vlucht nemen (88—88), David hoort het
gerucht dat al zijne zonen door Absalom gedood ziju, wordt daaromtrent gerustgesteld en beweent,
bij den terugkeer der ontkomencu, ziju zoon Amnon (30—374).
Uit stuk is aan hetzelfde geschrift als het voorgaande ontleend.
XIII: 1 Nadezen nu — Absalom, de zoon van David, had eene scboone zuster,
2       Tamar geheeten, °I\' "** Amnon, Davids zoon, verliefd werd.\' En Amnon
leed tot ziek wordens toe om zijne zuster Tamar; want zij was maagd,
3       en Amnon zag geen kans om haar iets te doen.\' Maar Amnon had
een vriend, Jonadab geheeten, een zoon van Sjimea, Davids broeder.
4       Deze was een zeer schrander man.\' Kens zeide hij tot Amnon: Prins,
waarom zijt gij toch, morgen aan morgen, zoo gedrukt.\' Zoudt gij het
mij niet vertellen? Amnon zeide tot hem: Ik ben verliefd op Tamar,
5       de zuster van mijn broeder Absalom.\' Toen zeide Jonadab tot hem:
Ga op uw bed liggen en houd u ziek. Komt dan uw vader naar u
zien, zoo zegt gij hem: Laat mijne zuster Tamar eens komen, om mij
eenige spijs te bereiden: zij moet dan voor mijne oogen gebak gereed
6       maken, en ik kijk er naar en eet uit hare hand.\' Amnon dan ging
te bed liggen en hield zich ziek. Toen nu de koning naar hem kwam
zien, zeide Amnon tot hem: Laat toch mijne zuster Tamar voor mijne
oogen een paar koekjes komen gereed maken, dat ik uit hare hand ete.
7            David dan zond iemand naar huis, om aan Tamar te zeggen: Ga
eens naar het huis van uw broeder Amnon en maak hem wat gebak
8       gereed.\' Dienvolgens ging Tamar naar het huis van haar broeder
Amnon, waar hij te bed lag; zij nam deeg, kneedde het, maakte voor
9       zijne oogen koekjes en bakte ze;\' waarna zij een bediende riep, die op-
deed terwijl hij het zag. Maar Amnon weigerde te eten en zeide:
10       Laat iedereen van mij weggaan.\' Toen allen heengegaan waren,
zeide Amnon tot Tamar: Breng nu het gebak in de slaapkamer, opdat
ik uit uwe hand ete. Toen nam Tamar de koekjes die zij bereid had
11       en bracht ze aan haar broeder in de slaapkamer.\' Maar toen zij ze
hem overreikte om te eten, vatte hij haar aan en zeide tot haar: Kom
12       bij mij liggen, zuster!\' Maar zij zeide tot hem: Neen, broeder, onteer
mij niet; want zoo doet men niet in Israël. Doe zulk eene dwaasheid
13       niet!\' Waar zou ik met mijne schande heen.\' En gij zoudt als een
der dwazen in Israël te boek staan. Spreek liever met den koning;
14       want hij zal mij aan u niet onthouden.\' Maar hij wilde naar haar
niet hooren, overmande haar, onteerde haar en hield gemeenschap
met haar.
15            Toen kreeg Amnon een zeer grooten afkeer van haar: de afkeer
2. zag — doen. Het schijnt dat de ongehuwde prinsessen ontoegankelijk waren.
8. Sjimea. Zie op 1 Sam. XVI: 0. — ichrander, of teijt; zie in 1. op Spreuken.
5. Knul — hand, de gril van een zieke.
7.  naar hui», naar ziju eigen huis, waar de dochters die nog maagd wan-a woonden.
8.  voor zijne oogen, in ecu aangrenzend vertrek, waarin Alumni van zijne legerstede af zien kon.
Kerst vs. 10 betreedt zij de slaapkamer. — tcaama — opdeed, volg. verb. t.
12.  want — dicaaiheid niet. Zie op Gen. XXXIV : 7.
13.  hij — onthouden. Het huwelijk met eene halfzuster is in jongere wetten, Lev. XVIII: 9; XX:
17, verboden, maar werd, getuige o. a. deze plaats, oudtijds niet ongeoorloofd geacht; verg. op Lev,
XVI11:0.
-ocr page 620-
700
2 bamubi. XIII: 15—29.
dien hij van haar kreeg was heviger dan de hartstocht dien hij voor
1(5 haar gehad had. Zoo zeide hij tot haar: Sta op en pak u voort!\' Maar
zij zeide tot hem: Neen, broeder; want mij weg te zenden zou nog
grooter kwaad zijn dan het andere dat gij mij gedaan hebt. Maar hij
17       wilde niet naar haar hooren,\' riep den knecht die hem bediende en
zeide: Zet die daar mijn huis uit en grendel de deur achter haar!\'
18       Zij nu liail een prachtig kleed aan, zooals van oudsher koningsdochters,
zoolang zij iuaagd waren, plachten te dragen. Toen nu zijn bediende
19       Tamar het huis uitgezet en de deur achter haar gegrendeld had,\' nam
zij asch en strooide die op haar hoofd, scheurde het prachtige kleed
dat zij aan had, legde de hand op haar hoofd en ging schreiende heen.
20           Haar broeder Absalom zeide tot haar: Is uw broeder Amnon u te
na gekomen.\' Houd u maar stil, zuster. Hij is uw broeder. Trek u
deze zaak niet aan. Zoo bleef Tamar, verlaten, in het huis van haar
21       broeder Absalom.\' Koning David hoorde dit alles en ontstak in hevigen
toorn; maar hij bemoeilijkte zijn zoon Amnon niet, want hij had hem
22       lief, omdat hij zijn eerstgeborene was.\' (Jok sprak Absalom kwaad
noch goed met Amnon; doch hij haatte Amnon, omdat hij zijne zuster
Tamar onteerd had.
20*           Doch twee jaren later had Absalom het feest van het schaap-
scheren te Batil-hasor bij Efron en noodigde hij daarop al de zonen
24       des konings.\' Hij kwam bij den koning en zeide: l\'w dienaar houdt
het feest van het schaapscheren; dat toch de kuning en zijne dienaren
25       met uw dienaar medegaan!\' Maar de koning zeide tot Absalom: Dat
niet, mijn zoon, laat ons niet allen gaan: opdat wij u niet op te zware
kosten jagen. Ën hoewel hij sterk bij hem aandrong, wilde hij niet
20 medegaan en gaf hem zijn afscheid.\' Nu hernam Absalom: Zoo neen,
laat dan mijn broeder Amnon met ons gaan. De koning zeide tot hem:
27       Waarom zou hij medegaan ?\' Doch toen Absalom sterk bij hem aan-
drong, liet hij Amnon en al de zonen des konings met hem medegaan.\'
28       Absalom nu richtte een koninklijken maaltijd aan en gelastte zijnen
volgers: Geeft wel acht! Zoodra Amnon van den wijn vroolijk is ge-
worden en ik u een wenk geef, slaat dan Amnon dood. Vreest niet;
ik gelast het u immers. Weest sterk en gedraagt u als kloeke mannen!\'
29       En Absaloms volgers deden aan Amnon zooals Absalom gelast had;
waarop al de zonen des konings opstonden, hunne muilezels bestegen
en op de vlucht gingen.
16. Neen — andere, grootcudeels volg. Gr. vcrt.
18.  een jirachtig kleed. Zie op Gen. XXXVII: 3. — van ondiher, volgens andere klinkers; Hcbr. t.
beeft een woord dat .mantels\' beteekent.
19.   en strooide die, uit Gr. vertaling ingevoegd. — Ten tecken van rouw strooide incn asch of
aarde op zijn hoofd of ging in de asch zitten, Neh. IX: 1; Est. IV: 1, 3; Job 11:8, 12; Jez. l.VIII:
5; LH:8; Jcr. VI: 26; Klaagl. 111:16; Dan. IX: 3; Jona 111:8 enz. — legde — hoofd. Verg.
Jer. 11:37.
20.   Amnon. Hebr. t. spelt alleen hier den naam Anti non. — Zoo — Aitalom. Zij keerde dus niet
naar het buis haars vaders terug; verg. op vs. 7.
21.  maar — wal, uit Gr. vcrt. ingevoegd.
22.  tprak... kwaad noch goed met. Verg. op Gen. XXIV: 50. — doch, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. want.
23.  het feett tan het ichaaptchercn. Zie op Gen. XXXI: 19 en 1 Sam. XXV : 7. — Baalhator
bij Efron,
misschien hetzelfde als Hasor (Neh. XI: 33), in Benjamin. — Efron, naar verb. t., gedccl*
telijk volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. Efraim. Zie over Efron op Joz. XV: 9 en op 2 Kron. XIII: 19.
25. aandrong. Zie op 1 Sam. XXVIII: 23.
28.  Aóialom — aan, uit Gr. vert. ingevoegd.
29.  muilezel/, de rijdieren der aanzienlijken, XVIII: 9; 1 Kon. 1:33. Gewoonlijk bediende men
zich van ezels of ezelinnen, Num. XXII: 21 — 35; Richt. V:10; XII: 14 enz. Paarden, oudtijds in
Israël niet gebruikt, werden wellicht reeds in Davids tijd voor den koninklijken staatsicwagen gespannen,
maar zijn eerst door Salomo in grooten getale ingevoerd, 1 Kon. X : 28 v., en sedert bij voorkeur als
oorlogsdicrcu gebruikt.
-ocr page 621-
2 samuel XIII : 30—XIV : 2.
701
30           Terwijl zij nog onderweg waren, kwam tot David het gerucht:
Absalom heeft al de zonen des konings verslagen; geen hunner is
31       overgebleven.\' Toen stond «Ie koning op, scheurde zijne kleederen en
ging op den grond liggen, terwijl al zijne dienaren met gescheurde
32       kleederen bij liem stonden.\' Maar Jonadab, de zoon van Davids broeder
Sjimea, zeide: Laat mijn lieer niet denken dat zij al de jongelieden,
des konings zonen, hebben omgebracht; want Amnon alleen is dood.
Immers, van den dag af\' dat hij Absaloms zuster Tamar onteerd heeft
33       was zijn naam bij Absalom gehaat.\' Mijn heer de koning make zich
dus niet ongerust, en denke niet dat alle zonen des konings dood zijn;
34       want Amnon alleen is dood,\' en al zijne broeders zijn ongedeerd. En de
man die op den uitkijk stond sloeg de oogen op en zag eene menigte
volks op den weg van Horonaim, op de berghelling. Hij kwam den
koning melden: Ik heb mannen gezien die den weg van Horonaim
35       afkomen, aan de zijde van den berg.\' Nu zeide Jonadab tot den koning:
Dat zijn de zonen des konings, die terugkomen! Zooals uw dienaar
36       gezegd heeft is geschied.\' Nauwelijks had hij uitgesproken, of daar
traden de zonen des konings binnen, verhieven hunne stem en weenden.
S16 Ook de koning en al zijne dienaren barstten in luid geween los.\' En
de koning rouwde over zijn zoon den gansehen tijd.
31.  bij hem, volg. Gr. vert. ingevoegd.
32.  was — gehaat, volgens geringe tekstverandering; verg. Jcr. XXXII:31, ook 2 Kon. XXIV:3, 20.
34. en — ongedeerd, volg. verb. t.; grondt. En Absalom nam de vlucht. — op den — gezien, uit
Gr. vert. ingevoegd. — Horonaim (den tweeden keer volg. Gr. vert. j Hebr. t. achter hem) is het-
zch\'ili\' als Iteth-horon; /ie op Jol. \\: II).
37*. Deze woorden zijn volgens gissing hierheen verplaatst. — de koning, volg. Gr. vert.; Hebr. t.
hij. — den ganschen tijd. Of hiermede de rouwtijd dan wel Davids gansche levenstijd bedoeld is,
blijkt niet.
HOOFDSTUK XIII: 37a— XIV: 33.
Absaloms vlucht en terugkeer. — Absalom vlucht naar Gcsjur (XIII: 37a); als hij daar drie jaar
geweest is, verlangt David weder naar hein (38 v.)j Joab, dit bemerkende, zendt tot den koning cene
vrouw die zich als cene rouwdragende aanstelt, en hem verhaalt dat zij weduwe is en twee zonen hnd,
van welke de een den ander doodsloeg (XIV: 1—6), en dat nu de familie het leven van den broeder-
moorder cischt, waardoor zij kinderloos dreigt te worden (7); de koning belooft haar zijne hulp (8—11).
De vrouw vraagt, waarom David niet ook zoo aan Israël doet, door den verstooten koningszoon terug
te roepen (12—14), verontschuldigt hare vrijpostighcid door een beroep op Davids gevoel van rccht-
vaardigheid (15—17) en erkent, op de vraag des konings, naar Joabs last gchnndeld te hebben (18—
20). Volgens opdracht des konings haalt Joab Absalom terug, die echter den koning nog niet onder
de oogen mag komen (21—21). Absaloms schoonheid; zijne kinderen (25 — 27). Na twee jaren te Jc-
ruzalem gewoond te hebben, weet hij Joab over te halen opnieuw bij den koning zijne voorspraak te
zijn (28—32); daardoor komt Absalom aan het hof terug (33).
Met uitzondering van XIV: 25—27, dat later is ingelascht, is ook dit gedeelte aan Davids Familie-
geschiedenis ontleend.
XIII: 37a Absalom had de vlucht genomen en was naar Talmai, den zoon
38       van Ammihud, den koning van Gesjur, gegaan.\' Toen hij er drie jaren
39       geweest was,\' werd de geest des konings verteerd van verlangen naar
Absalom; want hij had zich over den dood van zijn zoon Amnon ge-
XIV: 1 troost.\' Toen nu Joab, de zoon van Seruja, bemerkte dat Davids hart
2 naar Absalom trok,\' liet hij eene schrandere vrouw uit Tekoa komen
37a. Wat in grondt, hierop volgt is achter vs. 36 geplaatst. — Talmai — Gesjur, Absaloms groot-
vader ; zie III: 3.
38. In grondt, gaat hieraan vooraf Absalom had de vlucht genomen en naar Oesjur gegaan;
blijkbaar eene vergissing.
89. werd — verteerd, volg. Gr. vert.
2. schrandere, of wijte. Zie inl. op Spreuken. — Tekoa. Zie op Joz. XV : 59. — een rouwgewaad.
-ocr page 622-
2 samdm, XIV : 2—16.
702
en zeide tot haar: Stel u aan als eene rouwdragende; kleed u in rouw-
gewaad, zalf\' u niet met olie, en doe u voor als eene vrouw die reeds
3       geruimen tijd rouw bedrijft over een doods;\' ga dan naar den koning
en spreek zoo en zoo tot hem. De woorden gaf Joab haar in den
4       mond.\' Zoo kwam de Tekoïetische bij den koning, viel op haar aange-
5       zicht ter aarde, boog zich neder en zeide: Help, koning, help! \' Op
des konings vraag: Wat deert n? zeide zij: Ik ben eene wednwvrouw:
(5 mijn man is gestorven.\' Nu had uwe dienstmaagd twee zonen; eens
werden zij op het veld handgemeen, en, daar niemand tusschen beiden
7 trad, sloeg de een zijn broeder dood. \' Kn zie, toen is de geheele familie
tegen uwe dienstmaagd opgetreden met den eisch: Lever den broeder-
moorder uit, opdat wij zijn leven nemen voor dat van zijn broeder,
dien hij gedood heeft. Zoo zullen zij ook den erfgenaam uitroeien en
de kool die mij nog rest uitdooven, om mijn man naam noch nakome-
<S lingsohap op aarde te laten. \' Hierop zeide de koning tot de vrouw:
i) (la naar huis. Ik zal orde op uwe zaak stellen.\' Maar de Tekoïetische
zeide tot den koning: Op mij, mijn beer de koning, en op mijn gezin
zal de schuld neerkomen, terwijl men den koning en zijn troon zal
1U vrijspreken.\' Maar de koning hernam: Wie u een woord zegt, breng
11       dien tot mij; dan zal hij u verder geen leed aandoen.\' Waarop de
vrouw zeide: lloepe toch de koning den naam van Jahwe, zijn god,
aan, dat hij den bloedwreker niet zal toelaten onheil aan te richten;
opdat zij mijn zoon niet ombrengen. Toen sprak bij: Zoo waar als
Jahwe leeft, geen haar van uw zoon zal ter aarde vallen.
12           Hierop zeide de vrouw: Mag uwe dienstmaagd nog een woord tot
13       mijn heer den koning spreken/ De koning zeide: Kpreek! waarop zij
zeide: Waarom heeft dan de koning iets dergelijks in den zin tegen
Gods volk — want nu hij dit woord gesproken heeft, is hij zelf schuldig
14       geworden — dat hij zijn verstooten zoon niet laat terugkeeren f\' Want
als wij sterven, zijn wij als water dat, op den grond uitgestort, niet
meer verzameld wordt. ESn God zal het leven niet wegnemen van hem
die het plan beraamt een verstooteue niet van zich verwijderd te houden.\'
15       Nu, dat ik hier gekomen ben om dit woord tot mijn heer den koning
te spreken is omdat het volk mij bevreesd maakte; en uwe dienst-
maagd dacht: Laat ik eens tot den koning spreken; wellicht zal de
10 koning het woord zijner dienares volbrengen; want de koning zal er
wel ooren naar hebhen, zijne dienares te verlossen uit de hand van
Zie op Gen. XXXVII: 3t. — zalf — olie. Zie op Kuth 111:3. — doe — dood e. Meu moest het iler
rouwkleeding aanzien dat /ij reeds \\wwi gedragen was.
4. ktcam. volg. Gr. vert.; Hebr. t. zeide. — help! uit Gr. vert. ingevoegd.
(i. tloeg — dood, volg. (ir. vert.
7. de geheele familie, wier plii\'ht het w»h den vermoorde te wreken. — zijn — broeder, volgens
het beginsel der wedervergelding. Kiod. XXI: 23—25. — Zoo zullen zij ...uitroeien, volg. Syr. vert;
Hebr. t. opdat toij...uitroeien.
        den erfgenaam, door wicn het geslacht in stand moest blijven. —
de kool — uitdooven. Het voortbestaan van het gcslaeht, waaraan men in Israël groot gewicht hechtte,
wordt bij een brandend haardvuur vergeleken. Iemands laatste kool doovcn is dus de hoop op het
voortduren van zijn geslneht vernietigen.
!). De vrouw vreest, dat, wanneer de koning de bloedwraak verhindert, zij eu haar ge/in veel van
de blocdwrckers te lij
0
den zullen hebben.
11. Roepe... aan, volgens andere klinkers; grondt. Gedenke. — de bloedmreker. Zie op Nnm. XXXV :
12. — sol toelaten, volg. verb. t.
13.   Oodt volk, dat te gelijk van twee zonen des konings beroofd wordt. — i.t hij... geworden, naar
gissing ingevoegd. — zoon, dtiidelijkheidshalve ingevoegd.
14.   Want — wordt. l)c dooden kunnen wij niet in het leven terugroepen. — Ood — houden. God
zal er u niet voor straffen wanneer gij goedertieren zijt. — van hem die het plan beraamt, met om-
zetting van twee letters.
15.  het volk, de incnschcu die haar ecnig overgebleven zoon wilden dooden.
IQ. die... zoekt, uit Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 623-
2 bamubl XIV : 1ܗ30.                                      703
den man die mij en mijn zoon te gelijk uit Gods erve zoekt uit te
17       roeien.\' Ten slotte zeide de vrouw: Moge het woord van mijn heer
den koning tot bevrediging strekken! Want mijn heer de koning is
als de engel Gods in de kennisneming van goed en kwaad. Jahwe, uw
18       god, zij met u!\' De koning hernam en zeide tot de vrouw: Verheel
mij niets van wat ik u thans ga vragen. De vrouw antwoordde: Mijn
15) heer de koning spreke!\' Toen vroeg de koning: Heeft Joah dit alles
met u beraamd/ Waarop de vrouw antwoordde: Zoo waar als gij leeft,
mijn lieer de koning, hij al wat mijn heer de koning spreekt is geen
ontwijken mogelijk, rechts noch links. Ja, uw dienaar Joah heeft mij
den last verstrekt en zelf aan uwe dienstmaagd al deze woorden in
20       den mond gegeven.\' Om de zaak te hemantelen, heeft uw dienaar
Joah dit gedaan; maar mijn lieer is wijs als de engel Gods en begrijpt
alles wat op aarde geschiedt.
21            Hierop zeide de koning tot Joab: Welaan, ik heb die zaak besloten;
22       ga den jongeling, Absalom, terughalen.\' Toen viel Joab op zijn aan-
gezicht ter aarde, boog zich neder, sprak een zegenwensch over den
koning uit en zeide: Thans weet uw dienaar dat hij in uw oog, mijn
heer de koning, gunst heeft gevonden, nu de koning den wensch zijns
23       dienaars heeft vervuld.\' Zoo maakte Joab zich op, ging naar Gesjur
24       en bracht Absalom naar Jeruzalem.\' Doch de koning zeide: Hij moet
in zijn huis zijn intrek nemen en mag mij niet komen zien. Dus be-
trok Absalom zijn huis en kwam den koning niet zien.
25           In gansch Israël was geen man zoo schoon als Absalom, hooggeloofd:
2(5 van do voetzool tot den schedel geen gebrek!\' Wanneer hij zich het
hoofdhaar liet afscheren — telkens na verloop van een jaar liet hij dit
doen; omdat het hem te zwaar werd, liet hij het dan afscheren —
27       woog het tweehonderd sikkel naar het koningsgewicht.\' Aan Absalom
werden drie zonen geboren en éene dochter, met name Tarnar; dit was
eene vrouw met een schoon uiterlijk.
28           Maar nadat Absalom twee jaren te Jeruzalem gewoond had zonder
29       den koning te komen zien,\' ontbood hij Joab, ten einde hem tot den
koning te zenden\'. Maar hij wilde niet bij hem komen. Ook toen hij
30       hem ten tweeden male ontbood, wilde hij niet komen.\' Toen zeide hij
tot zijne dienaren: Ziet, naast mijn akker ligt land van Joab, waarop
hij gerst heeft; gaat er den brand in steken! Toen Absaloms dienaren
31       het in brand hadden gestoken,\' maakte Joab zich op, kwam bij Absalom
binnen en zeide tot hem: Waarom hebben uwe dienaren mijn land in
32       brand gestoken?\' Absalom antwoordde hem: Wel, ik heb u laten zeggen:
17. Ten slotte zeide de vrouw (letterlijk En de vrouw zeide), volg. (ïr. vert.; Hebr. t. En uwe
dienstmaagd zeide,
of dacht. De vrouw maakt met ecu eerbiedig woord ceu einde lum luire toespraak.
— Want — kwaad. De wijsheid en rechtvaardigheid des koning» zijn haar een waarborg dat wat de
koning beslist goed zal zijn; verg. XIX: 27; Spr. XVI i 10. — de engel (lods. Zie op Oen. XVI: 7.
20. begrijpt — geschiedt, zoodat ook Joabs toeleg, het eigenlijke doel mijner komst voor u ver-
borgen te hoiidcu, mislukken moest.
25—27. Deze verzen storen den gang van het verhaal en vermelden bijzonderheden omtrent Ab-
lalom die niet dienen ter opheldering van hetgeen voorafgaat of volgt, maar het karakter van losse
aanteekcuingen dragen. Waarschijnlijk zijn zij door een verzamelaar ingevoegd. Zie ook op vs. 26.
25. hooggeloofd, letterlijk hoog te loven.
20. tweehonderd sikkel naar het koningsgewicht, waarvan het gewicht door den koning was vast-
gcsteld. Wij weten niet dat Israël zulke sikkels gehad heeft; daar de Kab.vloniërs ze wel hadden en
wij hier met een inlasschiug van jonger tijd te doen hebben, wordt waarschijnlijk met den koning die
vau Kabylou bedoeld.
27.   Anders XVIII : 18. — In Gr. vert. volgt hierop nog zij werd de vrouw van Rehabeam, den
zoon van Salomo, aan wien zij Abia baarde.
De dochter van Absalom en moeder van Aliiu heette
echter volg. 1 Kon. XV: 2 (zie aldaar) Maiicha.
28.  Dit sluit zich onmiddellijk bij vs. 24 aan.
30. naast mijn akker, letterlijk naast mij.
-ocr page 624-
704                                   2 BAMUKL XLV : 32—XV : 9.
Kom eens bij mij — ten einde o tot den koning te zenden met de vraag:
Waarom ben ik van Gesjur teruggekomen? Het ware mij beter als ik
daar nog was. Welnu, ik moet den koning zien; indien op mij nog
33 eene schuld rust, dan brenge hij mij maar ter dood!\' Toen trad Joab
bij den koning binnen en deelde het hem mede; waarop hij Absalom
liet roepen, en deze, bij den koning gekomen, boog zich voor hem
neder en viel voor den koning op zijn aangezicht ter aarde, en de
koning kuste Absalom.
32.  indien — il,nul\' Vindt ilc koning dat mijne schuld nog niet geboet ia, dau moge bij mij
dooden; maar alle» liever dan dit leven uog langer te leiden.
33.  en viel, uit Gr. vert. ingevoegd.
HOOFDSTUK XV: 1—XVI: 14.
Absalom» opstand en Davids vlucht. — Absalom voert ecu grootcn staat (XV: 1) en wint door
bedricgclijkc beloften en valschc vriendelijkheid het hart des volks (2—6). Hij gaat naar Hebrun,
onder het voorwendsel daar te offeren (7—•), inaiir laat er zich tot koning uitroepen; onder de saam-
gezworenen is Ahitofcl (10—12). David, vau het gebeurde verwittigd, neemt met zijne dienaren
de vlucht (13—10). Buiten de stad monstert hij zijne volgelingen cu spoort hij, maar tevergeefs,
Itai aan om terug te kecren (17—22). De priesters Sadok en Abjathar gaan, op Davids last, met de
ark naar Jeruzalem terug (23—2!>). Ouder teckeneu van rouw bestijgt David deu Olijfberg (30), bidt
Jahwe, Ahitofels raad tv schande te makeu (31), en beweegt Husjai naar Jeruzalem terug te gaan,
om er, onder den schijn van Absalom te dienen, Davids belangen te behartigen (32—37). Siba biedt
591
den koning rijdieren cu levensmiddelen aan, beticht Metiboosjcth van ontrouw en krijgt de goederen
van ziju heer (XVI i 1—l). Te liahurim gekomen, wordt David door Sjimeï gevloekt (5—8); daar
Abisjni, die hem dooden wil, door David wordt tegengehouden (9—12), blijft Sjimeï David vloekend
naloopen (13 v.).
Ook in dit gedeelte der Familiegeschiedenis van David zijn hier en daar, door een verzamelaar of
omwerker, wijzigingen aangebracht; zie op XV : 24, 25, 27 en XVI: 10 v.
XV: 1 Nadezen schafte Absalom zich een wagen en paarden aan, benevens
2       vijftig man die voor hem uit liepen.\' Ook placht hij zich des morgens
aan den weg naar de poort te plaatsen, en sprak dan ieder aan die
met eene of andere twistzaak naar den koning wilde gaan om recht
te verkrijgen, hem vragende: Uit welke stad komt gij? Antwoordde
3       hij: Uw dienaar is uit dezen of dien stam van Israël —\' dan zeide
Absalom tot hem: Uw zaak is wel goed en billijk, maar van \'s konings
4       wege zal niemand u aanhooren.\' Vervolgens zeide Absalom: Och of
men mij tot rechter in het land aanstelde en ieder die eene twistzaak
5       heeft tot mij kwam; ik zou hem wel recht verschaften.\' Naderde hem
iemand om zich voor hem neder te werpen, dan stak hij de hand uit,
C trok hem naar zich toe en kuste hem.\' Zoo deed Absalom met alle
Israëlieten die om recht te verkrijgen tot den koning kwamen, en zoo
verstrikte hij het hart der burgers van Israël.
7           Na verloop van vier jaren zeide Absalom eens tot den koning: Ver-
gun mij heen te gaan om wat ik aan Jahwe bij gelofte heb toegezegd
8       te Hebren te betalen.\' Want uw dienaar heeft, toen hij in Gesjur, in
Araru, vertoefde, de gelofte gedaan: Indien Jahwe mij naar Jeruzalem
9       doet terugkeeren, zal ik Jahwe te Hebron dienen.\' De koning zeide
1.    Desgelijks Adouia, 1 Kon. 1:5. — wagen. Zie op Gen. XLI: 43. — paarden. Zie op
XIII: 29.
2.   naar den koning, die opperrechter was (zie op 1 Kon. III: 9), maar uit den aard der zaak de
behandeling van vele vragen die men voor hem wilde brengen aan een zijner beambten overliet.
4.  twittzaak. Hebr. t. laat volgen en reckl; volg. Gr. vert. weggelaten.
6.  verstrikte hij ket kart, letterlijk ttal kij kei kart; verg. op Gen. XXXI: 20.
7.  vier, volg. Gr. en Syr. vertt.; Hebr. t. veertig.
8.  te Hebron, uit Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 625-
705
2 samubi, XV : 9—24.
tot hem: Ga in vrede. Waarna hij zich opmaakte en naar llehron ging.\'
10       Maar Absalom zond verspieders uit in alle stammen van Israël, met
den last: Zoodra gij het geluid der bazuin hoort, moet gij zeggen:
11       Absalom is te Hebron koning geworden!\' En met Absalom gingen uit
Jeruzalem tweehonderd man mede, genoodigden, die zonder erg, zonder
12       van iets te weten, raedegingen.\' Ook ontbood Absalom, toen hij bezig
was de otters te brengen, Ahitofel, den Giloniet, Davids raadsman, uit
zijne stad Gilo. Zoo werd de samenzwering sterk en groeide de menigte
die het met Absalom hield steeds aan.
13           Toen men aan David kwam berichten: De Israëlieten hebben partij
14       gekozen voor Absalom —\' zeide David tot al zijne dienaren die bij hem
te Jeruzalem waren: Op! laat ons vluchten; of wij zullen aan Absalom
niet ontkomen. Maakt u in aller ijl voor de reis gereed; anders treft
hij ons, als hij spoed maakt, nog hier aan, brengt bet onheil over ons
15       en slaat de stad met het scherp des zwaards.\' Hierop zeiden des konings
dienaren tot hem: Naar al wat mijn heer de koning het beste keurt:
10 wij staan u ten dienste.\' Zoo ging de koning, door zijn gansche huis
gevolgd, de stad uit, maar hij liet tien bijvrouwen achter, om zijn paleis
te bewaken.
17            Nadat de koning, door al zijne dienaren gevolgd, de stad was uit-
18       gegaan, bleven zij staan bij het Verre Huis,\' waar al het volk hem
voorbijtrok, benevens al de Krethiërs en 1\'lethiërs, en ook al de mannen
van Ittai, den Gattiet, zeshonderd man, die onder zijne aanvoering uit
19       Gath waren gekomen, den koning voorbijtrokken.\' En do koning zeide
tot Ittai, den Gattiet: Waarom zoudt ook gij met ons medegaan.\' Keer
terug en blijf bij den koning; want gij zijt een buitenlander en boven-
20       dien een balling uit uw vaderland.\' Zou ik u, die eerst gisteren zijt
gekomen, heden reeds in uwe rust storen, om met ons te trekken, nu
ik ga waarheen de weg mij zal leiden.\' Keer terug, en laten uwe
broeders met u terugkeeren; en Jahwe betoone n gunst en trouw!\'
21       Maar Ittai antwoordde den koning: Zoo waar als Jahwe leeft en mijn
heer de koning leeft, waar mijn heer de koning is, hetzij het ten doode
22       gaat, hetzij ten leven, daar zal uw dienaar ook zijn.\' Toen zeide David
tot Ittai: Trek dan voorbij. Zoo trok Ittai, de Gattiet, met al zijne
mannen en den ganseben tros dien hij bij zich had, voorbij.
23            En de gansche menigte weende luidkeels, en al het volk trok voor
den koning, die bij de beek Kidron stond, voorbij, in de richting van
24       den olijfboom der woestijn.\' En zie, daar waren ook Sadok en al de
12. ontbood, letterlijk zond en riep, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. alleen zond. — Ahitofel. Zie va. 31 j
XV1:15-XVII:23; 1 Kron. XXVII: 33 v. — den Giloniet. Gilo lag in Juda, o)> het Gebergte; Joz.
XV: 51. — Waarom Ahitofel op David gebeten was, weten wij niet; wellicht om Davids zonde met
Hathsjcba; zie op XI: 3.
17.   zijne dienaren, volg. Gr. vert.; Hebr. t. het volk. — hel Verre Hui*, waarschijnlijk eene hoeve
even buiten Jeruzalem.
18.   het volk hem voorbijtrok, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zijne dienaren hem voorbijtrokken. Terwijl de
hoogwaardigbeidbeklccdcrs hem omringen, moustert David zijne getrouwen. — de mannen van Ittai,
den Gattiet,
volg. verb. t.; grondt, de Gattieten. Deze Ittai komt nog voor XVIII: 2, 12.
19.  den koning, Absalom. — gij zijt een buitenlander, hebt dus niet dezelfde plichten jegens mij als
anderen. — een balling, die dus niet buiten dringende noodzakelijkheid opnieuw in ballingschap moet
gaan. — uil, volg. Gr. vert.; Hebr. t. naar.
20.   en Jahwe — u, uit Gr. vert. ingevoegd.
23.  en al het volk trok... voorbij. Dit staat in Hebr. t. twee keer en is eenmaal volg. Gr. vert. weg-
gelaten. — de beek Kidron. Zie op 1 Kon. 11:37. — stond, volg. verb. t.; grondt, overtrok. — den
olijfboom der,
volg. Gr. vert.
24.  altmede Abjathar, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft Abjathar ging op achter neder. — zetten...
neder,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. goten...uit. — In dit vers zijn door een omwerker verschillende
wijzigingen aangebracht: oursproukelijk heeft stellig Abjathar voor Sadok gestaan, werden de Levieten
niet als dragers van de ark vermeld, en heette deze niet verbondtark, maar ark God* of ark van
O. T. I.                                                                                                                         46
-ocr page 626-
2 samübl XV: 24—37.
706
Levieten, die de verbondsark Gods droegen, alsmede Abjathar; en zij
zetten de ark Gods neder, totdat al bet volk uit de stad zou zijn voor-
25 bijgetrokken.\' Maar de koning zeide tot Sadok: Hreng de ark Gods
naar de stad terug, opdat zij op bare plaats blijve. Vind ik gunst in
Jahwe\'s oog, dan zal bij mij terugbrengen en mij baar en bare woon-
20 plaats doen wederzien;\' maar zegt bij: Ik lieb geen bebagen in u —
27       bier l)en ik; bij doe aan mij zooals goed in zijn oog is.\' Voorts zeide
de koning tot Sadok, den priester: Keer gij in vrede naar de stad
terug, met uw beider zonen, uw zoon, Abimaas, en Jonathan, Abjatbars
28       zoon.\' Ziet, ik zal talmen in de woestijn vlakte, totdat ik van u een
29       woord krijg dat mij aanwijzing doet.\' Zoo brachten Sadok en Abjathar
de ark Gods naar Jeruzalem terug en bleven zij daar.
30            David nu besteeg den Olijvenpas al weenende, het hoofd ontsluierd,
bij zelf barrevoets, terwijl ook al bet volk dat bij hem was met om-
31       sluierd hoofd en al weenende de hoogte opging. \' Toen berichtte men
aan David: Ahitofel is onder de samengezworenen met Absalom! waarop
32       David zeide: Maak toch, Jahwe, Ahitofels raad te schande. \' En nauwe-
lijks was David op den top gekomen, waar men zicli voor God placht
neder te werpen, of daar kwam Husjai, de Arkiet, Davids vriend, hem
33       te gemoet, met gescheurd kleed en aarde op het hoofd.\' Maar David
zeide tot hem: Indien gij met mij trekt, zult gij mij tot last zijn;\'
34       keert gij daarentegen naar de stad terug en zegt gij tot Absalom: l\'w
dienaar, o koning, wil ik zijn; was ik voorheen de dienaar uws vaders,
thans ben ik de uwe — dan kunt gij voor mij den raad van Ahitofel
35       verijdelen. \' liovendien hebt gij daar de priesters Sadok en Abjathar
tot uw dienst. Al wat gij uit het huis des konings boort moet gij
3fi aan de priesters Sadok en Abjathar mededeelen. \' Zij hebben daar
hunne beide zonen bij zich, Sadok Ahimaüs en Abjathar Jonathan;
37 door hen kunt gij alles wat gij verneemt mij doen weten.\' Zoo
kwam Husjai, Davids vriend, in de stad; ook trok Absalom Jeruzalem
binnen.
Jahwe. Dr/c wijzigingen hadden ten dnel, Sadok boven Abjathar te plaatsen (verg. op VIII: 17) en
de voorstelling van de ark en de zorg daarvoor in overeenstemming te brciigen niet die van K/ra\'s
Wetboek, o. a. Eiod. XXV: 10—22; Num. IV.
25. Sadok. Oorspronkelijk werd, evenals in ft, 29, hier en in vs. 27 ook Abjathar genoemd. Zijn
naam is weggelaten om dc/.clfdc reden waarom men hem elders achter Sadok plaatste; zie op vs. 24.
— opdat — blijve, uit (?r. vert. ingevoegd. — hare woonplaats, Jeruzalem.
27.   t/en priester. Grondt, heeft hierna nog een woord dat als onverstaanbaar is weggelatcu. Met
verandering van een paar letters, zou men kunnen lezen den hoogepriester, wat er wellicht gestaan
heeft. In elk geval zijn het woorden van dcu omwerker, die Sadok als den priester bij uitnemendheid
wilde voorstellen. — uk beider. Hieruit en uit vs. 28, waar u in het meervoud staat, blijkt dat oor-
spnuiki lijk ook Abjathar was toegesproken. — Ahimaüs — Abjathar» zoon. Zie XVII: 17, 20; 1
Kon. 1: 42 v.
28.  de woestijnvlakte, ten westen van den Jordaan, de woestijn vnn Jcricho. — Hierheen verplaatst
ons de gelijkenis van den Harmhartigcn Samaritaan, Luc. X : 30—35, en, volgens de kerkelijke over-
lcvoring, het verhaal van de veertigdungsche verzoeking van Jezus, Matth. IV : 1—11; vanwaar de
naam „Quurantania".
29.    en bleven tij daar. Wellicht moet volg. Gr. vert. gelezen worden M zij (nl. de ark)
bleef daar.
30.  den Olijcenpas, de helling vnn den Olijfberg. — het hoofd omtluierd, ten tceken van rouw, als
XIX: 4; Jer. XIV: 3; verg. op Lcv. XIII: 45. — barrevoets. Hetzelfde teeken van rouw Jer. 11:25;
Ezcch. XXIV: 17, 23.
31.   Toen — David, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. En David berichtte. — David schrikte op dit bericht,
omdat Ahitofel zulk een wijs raadsman was; zie XVI: 23.
32.   Davids bede wordt dadelijk verhoord door de komst van Husjai. — men...placht neder te
«er/ten,
volg. verb. t.; grondt, hij... zich nederwierp. — Husjai. Zie XVI, XVII; 1 Kon. IV: 10; 1
Kron. XXVII: 33. — de Arkiet. Zie op Joz. XVI: 2. — David* vriend, uit Gr. vert. ingevoegd. Zie
op Gen. XXVI: 26 en verg. XVI: 16 v.
33.  Husjai was zeker geen krijgshaftig man.
34.  In dit vers zijn een paar zeer geringe tekstveranderingen aangebracht.
-ocr page 627-
707
2 8AMUBL XVI : 1 —14.
XVI :1 Toen Davirf van den top een weinig venier getrokken was, daar
kwam Mefiboosjeths knecht >Siba hem te gemoet, met een koppel ge-
zadelde ezels, beladen met tweehonderd brooden, honderd vijgenkoeken,
2       honderd stuks ooft en een zak wijn.\' Op \'s koning* vr.iag aan Si ba:
Wat wilt gij daarmede.\' antwoordde Siba: De ezels zijn voor liet huis
des konings om op te rijden: bet brood en het ool\'t dienen tot spijs
voor bet gevolg, de wijn tot drank voor de vermoeiden in de woestijn.\'
3       En waar is, vroeg de koning, de zoon uws heeren.\' Siba antwoordde
den koning: Die is te Jeruzalem gebleven; want bij denkt: Nu zal
4       het huis Israël mij het koningschap mijns vaders teruggeven. \' Hierop
zeide de koning tot Siba: Al wat aan Mefiboosjetb behoort is het uwe!
Waarop Siba hernam: Ik werp mij voor u neder. Moge ik gunst in
uw oog vinden, mijn heer de koning!
f)          Toen koning David Bahurim bereikt had, daar kwam uit die plaats
een man uit het geslacht van Sauls familie, met name Sjiiueï, de zoon
6       van Gera; hij kwam al vloekende naar buiten,\' wierp David en al
\'s konings dienaren met steenen, hoewel het ganscbe volk en al de
7       helden aan zijne reehter- en linkerhand waren.\' Ën Sjiiueï zeide bij
8       zijn vloeken: Voort! Voort! bloedmensch, deugniet!\' Jahwe heeft al
het bloed van het huis van 8aul, in wiens plaats gij koning zijt ge-
worden, op uw hoofd doen neerkomen en het koningschap aan uw-
zoon Absalom gegeven. Zoo zijt gij nu in uw ongeluk, omdat gij een
9       man des bloeds zijt.\' Toen zeide Abisjai, de zoon van Seruja, tot den
koning: Waarom zou die doode hond mijn heer den koning vloeken.\'
10       Laat mij hem het hoofd g.ian afslaan.\' Maar de koning zeide: Wat
hebben wij met elkander te maken, zonen van Seruja! Indien hij vloekt
omdat Jahwe tot hem gezegd heeft: Vloek David — wie durft dan
11       zeggen: Waarom hebt gij dat gedaan?\' Voorts zeide David tot Abisjai
en al zijne dienaren: Zie, mijn eigen, lijfelijke zoon staat mij naar het
leven; hoeveel te eer die Benjaminiet. Laat hem vloeken; want Jahwe
12       heeft het hem gezegd.\' Misschien zal Jahwe mijne ellende aanzien en
mij voorspoed geven, om den vloek die heden over mij uitgesproken
13       is goed te maken.\' Zoo vervolgden David en zijne mannen hun weg,
terwijl Sjimeï op de helling van den berg nevens hem liep, aanhou-
dend vloekende, met steenen werpende en het stof doende opdwarrelen.\'
14       Vermoeid kwam de koning met al het volk dat bij hem was aan den
Jordaan, waar hij adem schepte.
1. ilefibootjetht — Siba. Zie H. IX.
3.  de zoon umi heeren, Mcfiboosjeth. — mijnt vadert, van Saul.
4.  Ik — neder, onderdanige dankbetuiging.
5.  Bahurim. Zie op 111:16. — Sjimeï. Het vervolg zijner geschiedenis XIX: 10—23; 1 Kon.
Il:8v., 30—40.
8. al— Saul. Dat leden van Sauls familie door David gedood zijn wordt eerst XXI: 1—14 vcr-
hualil; doch het daar medegedeelde gaat in tijdsorde aan Absaloms opstand vooraf.
10 v. Deze verzen lijden aan overlading en zijn waarschijnlijk door cou omwerker uitgebreid. Immers,
eon gedeelte van vs. 10 wordt in vs. 11 herhaald, en de uitroep Wal — Seruja? komt ook XIX: 22
voor. Hij pnst daar evenmin nis hier; wnut bij boide gelegenheden handelen niet dn twee zonen vnn
Seruja, Jonb en Abisjai, maar alleen de laatste. Ook is het woord te hard ter ufkcuring van Abisjai\'s
verontwaardiging over Sjimcï\'s gedrag. Wellicht wist men bij overlevering, dat David eens zulk een
hard woord tegen zijne trouwe dienaren had gesproken, maar niet, wanneer dit gebeurd was. Hij den
moord van Abner, 111:26—39, zou het beter gevoegd hebben.
12.  mijne ellende, volg. Gr. vert.
13.  tleenen. Hierop laat Hebr. t. nog eens nevent hem volgen; volg. Gr. vert. weggelaten.
14.  aan den Jordaan, uit Gr. vert. ingevoegd.
HOOFDSTUK XVI: 15—XVII: 38.
Absalom, koning te Jeruzalem. — Absalom komt te Jeruzalem, en Husjai biedt hem zijuc diensten
aan (XVI: 15—10). Op Ahitofels raad gaat Absalom, ten aanschouwen van het volk, tot de vrouwen
-ocr page 628-
2 SAMUBL XVI: 15-XVII: 8.
708
/.ijik vnders (20—22). Ahitofcl, wiens raad hoog wordt gewaardeerd (23), vraagt Absalom vergunning,
dien eigen nacht David te vervolgen (XVII: 1—3); wat Absalom en deu zijnen wel aanstaat (tl; maar
Husjai, door Absalom naar zijn oordeel gevraagd (5 v.), keurt dat plan af (7—lü) cu raadt Absalom,
ganseh Israël te verzamelen, om dan met overmacht zijn vader te verpletteren (11—13); wat Absalom
en den zijnen nog meer behangt; zoo had Jahwe het beschikt, om Ahsulom ten val te brengen (11).
Husjai draagt deu priesters op, David aan te sporen deu Jordunn over te steken (15 v.). Jonathan
en Alumnus\' wachten buiten de stad op bevelen (17); men deelt het aan Absalom mede (lHa); zij
verschuilen zich in een put (184, 19); zoodat Absaloms dicuaren die hen zoeken onverrichter zake
teriigkecren (20). David, gewaarschuwd, steekt niet al zijn volk de rivier over (21 v.). Ahitofcl maakt
itii eind aan zijn leven (23).
XVI: 15 Intusschen was Absalom met alle Israëlieten te Jeruzalem gekomen,
10 en Ahitofel met hem.\' Zoodra nu Husjai, de Arkiet, Davids vriend,
bij Absalom kwam, zeide bij tot hem: Leve de koning! Leve de koning!\'
17       En Absalom zeide tot Husjai: Is dit uwe liefde jegens uw vriend ?
18       Waarom zijt gij niet met uw vriend medegegaan?\' Maar Husjai zeide
tot Absalom: Neen! Ik kies partij voor hem dien Jahwe, dit volk en
1!) alle Israölieten hebben verkoren; bij hem wil ik blijven.\' En ten
anderen: wien ga ik dienen? Immers, zijn zoon.\' Zooals ik uw vader
gediend heb, zoo zal ik uw dienaar zijn.
20           Toen zeide Absalom tot Ahitofel: Beraadslaagt met elkander, wat
21       ons te doen staat.\' Ahitofel antwoordde Absalom: Ga tot de bij vrouwen
van uw vader, door hem achtergelaten om het paleis te bewaken; dan
zal ganseh Israël vernemen, hoe gij bij uw vader in een kwaden reuk
zijt gekomen, en zullen allen die het met u houden moed vatten.\'
22       Zoo sloeg men voor Absalom eene tent op het dak op en ging hij, ten
aanschouwen van ganseh Israël, tot de bijvrouwen zijns vaders.
23           De raad dien Ahitofel gaf was te dier tijd zoo goed alsof men om
eene godspraak vroeg; zooveel gold elke raad van Ahitofel, zoowel voor
XVII: 1 David als voor Absalom.\' Ahitofel nu zeide tot Absalom: Laat mij
twaalf duizend man uitzoeken, mij opmaken en nog van nacht David
2       vervolgen;\' opdat ik hem overvalle terwijl hij uitgeput en machteloos
is, en hem opschrikke. Dan zal al het volk dat bij hem is de vlucht
3       nemen en zal ik den koning alleen verslaan.\' Zoo breng ik het gansche
volk tot u terug, gelijk eene bruid wederkeert tot haar man: slechts
éen man staat gij naar het leven, en het gansche. volk zal in vrede
4       zijn.\' En Absalom en al de oudsten van Israël vonden dit woord goed.\'
5       Maar Absalom zeide: Roept toch ook Husjai, den Arkiet; opdat wij ook
U booren, wat hij te zeggen heeft.\' Toen Husjai bij Absalom was ge-
komen, zeide deze tot hem: Zoo en zoo heeft Ahitofel gesproken. Zullen
7       wij zijn raad opvolgen? Zoo niet, spreek gij dan.\' Hierop zeide Husjai
tot Absalom: IJitmaal is de raad dien Ahitofel gegeven heeft niet goed.\'
8       Voorts zeide Husjai: Gij weet zelf dat uw vader en zijne mannen hei-
den zijn, en bovendien verbitterd als eene van hare jongen beroofde
berin. Ook is uw vader een krijgsman: hij zal het volk niet op het
15. alle. Hcbr. t. laat nog volgen het volk, dat volg. Gr. vert. is weggelaten.
21. de bijvrouteen — betcaken. Zie XV: 10. — dan — vatten (zie on Richt. VII: 11). Door de
vrouwen zijns vaders als de zijne te behandelen treedt Absalom beslist als koning op (verg. op Oen.
XXXV : 22), en hoe moeilijker cene verzoening tusschen hem en zijn vader werd, de» te ijveriger zou-
den zijne aanhangers zich weren: het werd een strijd op leven cu dood.
23. Vandaar Davids schrik, XV: 31.
3. gelijk — éen man, volg. flr. vert. — tleektt éen man, David. Voor zoo geringen prij», het leven
van een mensch, zal het heil van het gnnsche volk verkregen worden.
5. Roept, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
8. op het veld. In grondt, staat dit achter berin; blijkbaar behoort het hier. David zal zich niet
laten overvallen en zich wel in spelonken verbergen, vb. 9. — beroofde staat in Hebr. t. in het
mannelijk, evenals Hoi. XIII: 8.
-ocr page 629-
2 samüel XVII: 8—22.                                       709
9 veld laten overnachten.\' Hij is nu wis verscholen in de eene of andere
grot of\' plaats; gaat hij dan aan vallendenvijs tegen het volk te werk
en sneuvelen daarvan eerst eenigen, dan zal men dat hooren en zeggen:
10       Het volk dat Absaloni volgt heeft eene nederlaag geleden.\' Dan zal
zelfs den dappere die het hart van een leeuw heeft de moed ontzinken;
want gansch Israël weet dat uw vader een held is en zijne niedestan-
11       ders dappere mannen zijn.\' Ik voor mij raad u: laat gansch Israël, van
Dan tot Bersjeba, talrijk als het zand aan de zee, tot u verzameld
12       worden en trek gij zelf in hun midden op.\' Dan overvallen wij hem
in eene of andere plaats waar hij wordt aangetroffen, strijken op hem
neder, gelijk de dauw op den aardbodem valt, en laten van hem en
13       al de mannen die bij hem zijn geen enkelen over.\' En wordt hij opge-
nomen in eene stad, dan slaat gansch Israël touwen om die stad en
wij slepen haar naar het dal, totdat daar zelfs geen steentje meer te
14       vinden is.\' Toen zeiden Absaloni en alle Israëlieten: De raad van
Husjai, den Arkiet, is beter dan die van Ahitofel. En Jahwe had het
zoo beschikt, om den goeden raad van Ahitofel te verijdelen; ten einde
Absalom in het ongeluk te brengen.
15            Hierop zeide Husjai tot de priesters tëadok en Abjathar: Zoo en zoo
heeft Ahitofel Absalom en de oudsten van Israël geraden, maar zoo en
16       zoo heb ik geraden.\' Laat dus in aller ijl aan David weten: Gij moet
den nacht niet in de woestijnvlakte blijven, maar zonder verwijl overste-
ken; opdat de koning en het gansche volk dat bij hem is niet omkome.
17           Jonathan en Aldniaas stonden bij de bron Kogel, waar eene slavin
hun bericht zou geven; opdat zij het aan koning David zouden gaan
overbrengen. Want om niet gezien te worden, mochten zij de stad niet
18       binnenkomen.\' Doch een knaap zag hen en deelde liet aan Absalom
mede. Inmiddels spoedden zij beiden zich voort en keerden in bij iemand
19       te Bahurim, die in zijn hof een put had, waarin zij afdaalden.\' De
vrouw nam een kleed, breidde dat over den put uit en strooide gerste-
20       korrels daarop. Zoo was er niets te merken.\' Toen Absaloms dienaren,
bij de vrouw in huis gekomen, vroegen: Waar zijn Ahimaiis en Jona-
than? zeide zij tot hen: Die gingen hier met grooten spoed voorbij.
Zij gingen hen zoeken, maar vonden hen niet en keerden naar Jeru-
zalem terug.
21            Nadat dezen heengegaan waren, klommen zij uit den put, begaven
zich op weg, brachten aan koning David bericht en zeiden tot hem:
Maakt u op en trekt ijlings het water over; want dien en dien raad
22       heeft Ahitofel te uwen aanzien gegeven.\' Dientengevolge maakte David
met al het volk dat bij hem was zich op en staken zij den Jordaan
over: bij het aanbreken van den morgen waren allen zonder uitzonde-
ring den Jordaan overgestoken.
9.  gaat — eenigen, volg. verb. t., gedeeltelijk volg. Gr. vert.
10.   Van zal, volg. Gr. vert.
11.   Ik voor mij, volg. verb. t.; grondt, want. — in hun midden, volg. Gr. vert. — Husjai wil
blijkbaar en David tijd verschaffen om te ontkomen en zijne getrouwen te verzamelen, èn Absalom
zclven aan het oorlogsgevaar blootstellen.
12 v. De opgeschroefde taal past goed in den mond van den verraderlijken raadsman, die op Al>-
saloms ijdelheid werkt.
13.  ilaat, volg. verb. t. — haar, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hem. — daar, op de plaats waar de stad
gelegen heeft.
14.   Jahwe — verijdelen. Het was Jahwe\'s werk dat Absalom en de zijnen den raad Tan Husjai
goedkeurden.
17.  Jonathan en Ahimaat. Zie XV : 30. — de bron Kogel. Zie op Joz. XV :7.
18.   Bahurim. Zie op 111:16.
20. met grooten tpoed, zeor onzekere tekstverbetering, volg. Gr. en Lat. vertt.
-ocr page 630-
2 samuel XVII: 23—XVIII: 3.
7IÜ
23          En Ahitofel, ziende dat zijn raad niet was opgevolgd, zadelde zijn
ezel, maakte zich op, ging huiswaarts naar zijne stad, stelde orde op
zijne zaken, verworgde zich en stierf; hij werd in liet graf zijns vaders
hijgezet.
HOOFDSTUK XVII: 2XIX : 8.
Absaloms nederlaag en dood. — David komt te Mahanaim, en Absalom trekt derwaarts met zijn
leger, nnn welks h<n>fil Amaza staat (XVII: 21—26). David wordt te Mahanairu door zijne aanhangers
van ui het noodde voorzien (27—29). Hij monstert zijn leger, wordt door de zijnen weerhouden zich
zelf MO hunne spits te stellen, en gelast de bevelhebber» Absalom te sparen (XVIII: 1—5). In een
woud bij Mnhauuim komt het tot een slag en lijdt Absalom de nederlaag (6—8); op zijne vlucht
blijft hij in een boom hangen (9) en wordt door Joab doorstoken (10—15); de vervolging wordt ge-
staakt en Absalom begraven (16 v.)j Absaloms gedenksteen (18). Joab slaat het verzoek van Ahimaiis
de overwinning uan David te boodschappen af (19 v.) en zendt een Ethiopiër (21); maar Ahimaiis
krijgt vergunning dezen achterna te loopen en komt hem voorbij (22 v.). Hij den koning gekomen,
meldt hij de overwinning (2t—29); waarna de Ethiopiër bericht brengt van den dood van Absalom
(30—32); David trekt zich weenend op eenc bovenkamer terug (33). Het leger sluipt dientengevolge
de stnd binnen nlsof het cene nederlaag geleden had iXIX : 1—5); Joab waarschuwt den koning dat
zijn gedrag zijne troepen kan doen verloopcn (6 v.); waarop David hen gaat begroeten; Absaloms
leger is gevlucht (8).
Dit gedeelte is, wellicht met uitzondering van XVIII: 18, aan hetzelfde geschrift als de voorgaande
hoofdstukken ontleend.
XVII: 24 David was reeds te Mahanaim gekomen toen Absalom met gansch
25       Israël den Jordaan overstak.\' In plaats van Joab bad Absalom Amaza
tot legerbevelhebber aangesteld; deze Amaza was de zoon van een
Isniaëliet, Jether geheeten, die tot Abigail, dochter van Izai en zuster
26       van Joabs moeder Heruja, gekomen was.\' Zoo legerden zich Absalom
en ganscb Israël in het land Gilead.
27           Zoodra nu David te Mahanaim was gekomen, brachten Sjobi, de zoon
van Nahas, uit lhibba der Ammonieten, Machir, de zoon van Ammiël,
28       uit Lodebar, en Barzillai, de Gileadiet, uit liogelim,\' rustbedden,
spreien, schalen, aardewerk, tarwe, gerst, meel, boonen, linzen, geroost
29       koren, \' honing, boter, kleinvee en koeienkazen, waarvan zij voor David
en het volk dat bij hem was een maaltijd aanrichtten; want zij zeiden:
Het volk is in de woestijn hongerig, vermoeid en dorstig geworden.
XVIII: 1 En David monsterde het volk dat bij hem was, stelde over hen
2       oversten van duizend en van honderd aan\' en splitste het volk in drie
afdeelingen, waarvan hij de eerste onder bet bevel stelde van Joab, de
tweede onder Abisjai, Seruja\'s zoon, den broeder van Joab, de derde
onder Ittai, den Gattiet. Daarop zeide de koning tot het volk: Ik zelf
3       zal met u uittrekken.\' Maar het volk zeide: Gij moogt niet uittrekken.
21. Mahanaim. /ie op Gen. XXXII: 2. — met gansch Israël, volgens den raad van Husjai, vs. 11.
25.   Amaza. Zie XIX: 13; XX: 4—12; 1 Kron. 11:17. — een Ismaëliet, volg. 1 Kron. 11:17,
wour Gr. vert., evenals hier, Jizreëliet heeft; Hebr. t. een man...den Israëliet. — Jether, volg. Gr.
vort. en 1 Kou. 11:5; 1 Kron. 11:17; Hebr. t. Jithra. — Abigail, volg. 1 Kron. II: lil v.: grondt.
Ahiyal. — Izai, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Nahas, dat bij vergissing uit het volgende vers is over-
geuumun.
26.   Absalom en gansch Israël, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Israël en Absalom. — Oiltad. Zie inl. op
Gen. XXX: 25—XXXII: 2.
27.  brachten, uit Gr. vert. ingevoegd. — Sjobi —Ammonieten, wellicht een prins; verg. X : 2; 1 Sam.
XI :l v.; XII: 12. — Machir — lodebar. Zie op IX: 4. — Barzillai. Zie XIX: 81—39. — Rogelim,
onbekend, komt nog XIX: 31 voor.
28.  rustbedden, volg. verb. t. — spreien, uit Gr. vert. ingevoegd. — geroost koren. Dit woord staat
in Hebr. t. tweemaal; den eersten keer, achter meel, is het volg. Gr. vert. weggelaten.
29.   waarvan zij... aanrichtten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zij richtten aan.
\'2. splitste... in drie afdeelingen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zond ...weg. — Ittai. Zie XV: 17—22.
3. gij zijt, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. en nn. — in de stad, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr.
t. uit eene stad. — te hulp, volgens andere klinkers.
-ocr page 631-
2 samubl XVIII: 3—18.
711
Want al nemen wij de vlucht, men zal op ons geen acht slaan, en
al sneuvelt van ons de helft, men zal op ons geen acht slaan; want
gij zijt tien duizend van ons waard. Het is dus liet beste, dat gij in
4       de stad blijft om te hulp te komen.\' Hierop zeide de koning tot hen:
Ik zal aan uw verlangen voldoen. Üe koning ging dus aan de poort
5       staan, terwijl al het volk bij honderden en bij duizenden uittrok,\' en
gaf\' aan Joab, Abisjai en Ittai den last: Behandelt den jongeling, Ab-
salom, met zachtheid. En het gansche volk hoorde, hoe de koning aan
al de legeroversten dezen last ten aanzien van Absalom gaf.
6           Zoo trok het volk uit, het veld in, Israël te gemoet, en toen het
7       in het woud van Mahanaim tot een treffen kwam,\' leed het krijgs-
volk van Israël voor Davids dienaren de nederlaag. En de nederlaag
8       op dien dag was groot: twintig duizend man sneuvelden,\' en toen
de strijd zich over de gansche streek uitbreidde, verteerde het woud
y nog meer volk dan het zwaard te dien dage verteerd had.\' Absalom
zelf, rijdende op een muilezel, stiet op Davids dienaren; de muilezel
kwam onder de takken van eene groote terebint, Absaloms hoofd
raakte in die terebint vast, en hij bleef tusschen hemel en aarde
10       hangen, terwijl de muilezel waarop hij reed doorliep.\' Een m;m zag
het, deelde het aan Joab mede en zeide: Daar heb ik Absalom aan
11       eene terebint zien hangen!\' Toen zeide Joab tot den man die hem dit
mededeelde: Als gij dat zaagt, waarom hebt gij hem daar dan niet
nedergeveld? Ik had u tien sikkelen zilver en een gordel willen
12       geven.\' Maar de man zeide tot Joab: Al kon ik duizend sikkelen
zilver in mijne hand afwegen, ik zou mijne hand niet uitsteken naar
den zoon des konings; want te onzen aanhooren heeft de koning u,
13       Abisjai en Ittai geboden: Past op den jongeling, op Absalom!\' Had ik
mij aan zijn leven vergrepen — en niets blijft voor den koning ver-
14       borgen — dan zoudt gij u op een afstand houden.\' Hierop zeide Joab:
Geenszins. Ik wil u voorgaan. En drie werpspietsen in de hand nemende,
stiet hij ze Absalom, die nog levend luidden in den boom hing, in het
15       hart;\' waarop tien volgers, wapendragers van Joab, van alle kanten op
16       Absalom lossloegen en hem doodden.\' Nu stak Joab de bazuin, waarop
het volk de vervolging van de Israëlieten staakte; want Joab verschoonde
17       het volk.\' Men nam Absalom op, wierp hem in het woud in een grooten
kuil en stapelde een zeer grooten steenhoop op hem, terwijl gansch Israël
naar zijne tenten vluchtte.
18            Absalom nu had, bij zijn leven, den wij-steen die in het Koningsdal
staat genomen en te zijner eere opgericht; want hij zeide: Ik heb geen
6.  Mahanaim, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Efraim.
7.  man tneuvelden, yolg. Gr. vert. ingevoegd.
9.  bleef\'... hangen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. werd... gegeven.
11.  een gordel, vaak een kostbaar kleedingstuk; zie op Jer. XI 11:1.
12.  l\'att op, volg. Gr. vert.
13.  dan — houden, en niet voor mij in de bres springen.
14.  Ik — voorgaan, met verandering van klinkers; grondt. Ik tal vóór u Kochten. Jonb durft de
verantwoording wel op zich nemen. — werpipielsun, volg. Gr. vort.; Hebr. t. ttotken.
10.   Onder het tweede volk worden de aanhangers van Absalom verstaan, die door Joab gespaard
worden toen hun leider gevallen was.
17.  tlapelde — hem. Verg. Joz. VII: 20; V1II:29.
18.  Dit vers is wellicht van een anderen schrijver dan het verhaal in zijn geheel: het is in strijd
met XIV: 27, waar wij lezen dat Absalom drie zonen had. De aantcekeniug is van iemand die kennis
droeg van een gedenkteekeu bij Jeruzalem, „Absaloms hand" genaamd, en hierop bij de vermelding
van den steenhoop op Absaloms graf wilde wijzen. — mj-tteen. Zie op Gen. XXVIII : Is. — het
Koiiinyi.ilal, ook Gen. XIV: 17 vermeld. — hand. Waarschijnlijk heette het gedenkteekeu zou omdat
er eene hand op was afgebeeld, zooals op Kenicische monumenten dikwijls hot geval is. Verg. op 1 Sam.
XV : 12 eu zie Jez. LVI: 5.
-ocr page 632-
2 samubl XVIII: 18—XIX : 1.
712
zoon om mijn naam in gedachtenis te doen blijven. Zoo noemde hij
dien wij-steen naar zijn naam, en hij heet Absaloms hand, tot op
dezen dag.
19           En Ahimaas, de zoon van Hadok, zeide tot Joab: Laat mij heenloopen
en den koning de tijding brengen dat Jahwe hem recht verschaft en
20       hem uit de hand zijner vijanden verlost heeft.\' Maar Joab zeide tot
hem: Vandaag moet gij geen boodschapper zijn; een anderen keer moogt
gij tijding brengen, maar heden niet: \'skonings zoon is immers dood!\'
21       Meteen zeide hij tot een Ethiopiër: Ga den koning melden wat gij
22       gezien hebt. ]Je Ethiopiër boog zich voor Joab en liep heen.\' Maar
Ahimaas, de zoon van iSadok, hield aan en zeide tot Joab: Hoe het
zij, laat ook mij heenloopen, den Ethiopiër achterna. Joab hernam:
Waarom zoudt gij dat doen, mijn zoon? IJodenloon is voor u toch niet
23       te krijgen.\' Ahimaas zeide: Hoe het zij, laat mij gaan. Toen zeide hij
tot hem: Ga dan! En Ahimaas liep in de richting van de Jordaan-
streek en kwam den Ethiopiër voor.
24            David zat tusschen de beide poorten, toen de schildwacht het dak
van de poort op den muur heklom en, de oogen opslaande, zag, hoe
25       daar een man alleen kwam aanloopen.\' De schildwacht meldde dit met
luider stem aan den koning. De koning zeide: Is hij alleen, dan is
20 hij een boodschapper.\' Toen hij steeds nader kwam, zag de schild-
wacht een anderen man komen aanloopen en riep in de poort: Daar
komt alweer een man alleen aanloopen! De koning zeide: Dat is ook
27       een boodschapper.\' De schildwacht vervolgde: Aan het loopen zou ik
zeggen dat de eerste Ahimaas, de zoon van Sadok, is. Waarop de
koning zeide: Dat is een goed man; hij komt zeker met goede tijding.\'
28       Nader gekomen, zeide Ahimaas tot den koning: Heil! wierp zich op
zijn aangezicht voor den koning ter aarde en sprak: Geloofd zij Jahwe,
uw god, die de mannen welke hunne hand tegen mijn heer den koning
29       hebben opgeheven heeft overgeleverd.\' De koning vroeg: Is de jonge-
ling, Absalom, ongedeerd? waarop Ahimaas antwoordde: Ik zag wel,
toen Joab uw dienaar afzond, een grooten oploop, maar ik weet niet
80 wat er gaande was.\' De koning zeide: Ga ter zijde en blijf daar staan.
31       Toen hij ter zijde gegaan was en zijne plaats ingenomen had,\' kwam
de Ethiopiër aan en zeide: Ontvange mijn heer de koning de blijde
boodschap dat Jahwe u heden recht heeft verschaft en u verlost heeft
32       uit de hand van allen die tegen u opstonden!\' De koning vroeg aan
den Ethiopiër: Is de jongeling, Absalom, ongedeerd? waarop hij ant-
woordile: Moge het den vijanden van mijn heer den koning en allen
die tegen u zijn opgestaan om kwaad te doen vergaan als dien jongeling!
33           Toen ging de koning ontroerd naar de bovenkamer van de poort,
weende en zeide al weenende: Mijn zoon! Absalom, mijn zoon! Mijn
zoon Absalom! Och ware ik in uwe plaats gestorven! Absalom, mijn
XIX: 1 zoon! mijn zoon!\' En aan Joab werd bericht: De koning weent en
19. tol Joab, uit Gr. vcrt. ingevoegd.
22.  m — krijgen, volgens geringe tekstverandering.
23.   Ahimaiis zeide, uit Gr. vert. ingevoegd.
24.  tusschen de beide poorten, in den poortgang die do binncn- en biiitcnpoort verbond. — het
dak
— muur, dus dut vnn de buitenpoort.
26. i» de poort, met verandering van klinkers, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. tol den portier. — alweer
een,
letterlijk een ander, volg. Gr. vert. ingevoegd.
28.   Nader gekomen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Roepende.
29.  Is — ongedeerd? T>e vragende vorm volg. Gr. vcrt. — Ik — wat. Ahimaas durft den koning
de wnnrhcid niet zeggen; verg. vs. 20. Het was gevaarlijk cene slechte tijding te brengen. — toen —
afzond. Hcbr. t. heeft nog den dienaar des konings en; als zinstorcud weggelaten.
33. al weenende, volg. Gr. vort,; llebr. t, al gaande.
-ocr page 633-
713
2 samübl XIX: 1—12.
2       bedrijft rouw over Absalom.\' Zoo werd de overwinning eene oorzaak
van rouw voor het gansche volk, omdat het volk toen hoorde: De
3       koning is bedroefd om zijn zoon.\' Daarom sloop het te dien dage als
een dief de stad binnen, evenals volk komt binnensluipen dat be-
4       scliaamd is omdat het in den strijd de vlucht heeft genomen.\' Intusschen
had de koning zijn gelaat omhuld en riep luidkeels: Mijn zoon Absalom!
5       Absalom, mijn zoon, mijn zoon!\' Toen kwam Joab bij den koning in
huis en zeide: Gij hebt heden al uwe dienaren, die uw leven, alsmede
dat van uwe zonen en dochteren, van uwe vrouwen en bijzitten, gered
6       hebben, beschaamd doen staan,\' door lief te hebben die u haten en te
haten die u liefhebben. Immers, gij toont heden dat oversten en die-
naren bij ti niets gelden; want thans begrijp ik, dat het, indien
Absalom in leven was gebleven en wij allen nu dood waren, naar uw
7       zin zou zijn.\' Maak u dus op, ga naar buiten en spreek naar het hart
uwer dienaren; want ik zweer bij Jahwe, dat, indien gij niet naar
buiten gaat, dezen nacht geen man bij u zal blijven; wat grooter on-
heil voor u zou wezen dan alle onheilen die u van uwe jeugd af tot
8       nu toe overkomen zijn.\' Hierop stond de koning op en zette zich in
de poort, en toen aan het gansche volk bericht werd: Zie, de koning
zit in de poort! kwam het gansche volk voor het aangezicht des
konings. En Israël was naar zijne tenten gevlucht.
4. :iju gelaat omhuld. Zie op XV : 30.
7.  tpreek naar het hart uwer dienaren, «preek hen vriendelijk toe en dank hen voor betoonde trouw
en moed. — dat — blijven. Joab vreest dat het leger van David zal afvallen.
8.  kwam — konimji, om hem te begroeten.
HOOFDSTUK XIX: 9—30.
Davids terugtocht tot aan den Jordaan. — De Israëlieten spreken er van, den koning terug te
halen (9v,); David spoort Juda\'s oudsten en Ainnza nan, hierin niet achter te blijven (11—13);
waarop dezen den koning luim verzoeken terug te keeren (14); als do koning nan bet verzoek voldoet,
trekken do Judccrs hem tot den Jordaan te gemoet (IS). Met hen komt Njimcï, die, terwijl Sibn
maatregelen neemt om David over te zetten, hem vergiffenis vraagt; welke hem geschonken wordt
(16—23). MeBboosjeth komt David te gemoet, verklaart door zijn dienaar bedrogen en belasterd te
zijn, en onderwerpt zich aan de beslissing des konings (24—28); welke terstond volgt (.29 v.). Karzillai
komt afscheid nemen van David (31), slaat diens aanbod om hem mede te nemen naar Jeruzalem af,
maar beveelt hem zijn zoon aan (32—37); David willigt zijne bede in en steekt, na afscheid van hem
genomen te hebben, den Jordaan over (38 v.).
Ook dit gedeelte is uit Davids Familiegeschiedenis.
XIX: 9 Het gansche volk in alle stammen van Israël begon morrend te
vragen: De koning heeft ons uit de hand onzer vijanden verlost en
gered uit de hand der Filistijnen. Heeft hij onlangs voor Absalom
10       het land moeten ontruimen,\' waarom zoudt gij thans, nu Absalom,
dien wij tot koning over ons gezalfd hadden, dood is, talmen om den
11       koning terug te halen ?\' Toen dit woord van gansch Israël koning
David ter oore kwam, liet hij aan de priesters Sadok en Abjathar zeg-
gen: Spreekt tot de oudsten van Juda: Waarom zoudt gij de laatsten
12       zijn om den koning naar zijn huis terug te halen?\' Gij zijt mijne
9 v. De redenccring van het volk is deze i zoolang Absalom leefde en David buitenslands was, was
het natuurlijk dat wij bij Absalom hulp zochten; maar nu deze dood is, is hot zaak den oudon
koning, die ons zoo dikwijls gered heeft, terug te halen,
10.  tot koning, volg. Gr. vert. ingevoegd.
11.   Toen — kwam, volg. (ir. vert. van het einde van het vers naar het begin verplaatst. In Hebr.
t. volgt er nog op naar rijn huit.
12.   Evenals Saul bij de Hcnjaminietcn (1 Siun. XXII: 7), zocht David zijn steun bij de Judeërs,
zijne stamgenootcn. — mijn been en vleeich. Zie op V 11
-ocr page 634-
714                                      2 samukl XIX: 12—28.
broeders, gij mijn been en vleesch; waarom zourit gij dan de laatsten
13       zijn om den koning terug te halen?\' En tot Amaza moet gij zeggen:
Gij zijt immers mijn been en vleesch. Zoo, ja veel meer, zal God mij
doen, indien gij niet levenslang mijn legeroverste zijn zult in plaats
14       van Joab!\' Zoo baalde hij alle Judeërs als een eenig man over, en zij
15       verzochten den koning: Keer met al uwe dienaren terug.\' Hierop
keerde de koning terug en kwam tot aan den Jordaan, terwijl de
Judeërs te Gilgal kwamen, om den koning te gemoet te gaan, ten
einde hem den Jordaan te doen oversteken.
lb\'          Te gelijk met de Judeërs trok 8jhneï, de zoon van Gera, de Benja-
17       miniet, uit Bahurim, in aller ijl koning David te gemoet,\' met duizend
man uit Ifenjamin. Intusschen had Siba, de knecht van Sauls huis, met
zijne vijftien zonen en twintig slaven voor den koning den Jordaan
18       bereikt,\' waar zij de noodige toebereidselen maakten om het huis des
konings over te zetten en te doen wat hem welgevallig was. Toen nu
de koning op het punt was den Jordaan over te steken, viel Sjimeï,
19       de zoon van Gera, voor den koning neder\' en zeide tot hem: Laat de
koning mij geen schuld aanrekenen, en niet gedenken, hoe uw dienaar
misdaan heeft ten dage dat mijn heer de koning Jeruzalem verliet,
20       om daarop nog acht te slaan.\' Want ik, uw dienaar, weet wel dat ik
gezondigd heb; daarom ben ik nu de eerste van het gansche huis Jozef
21       mijn heer den koning te gemoet gekomen.\' Nu vatte Abisjai, de zoon
van Seruja, het woord op en zeide: Zou Sjimeï daarvoor niet gedood
22       worden dat hij Jahwe\'s gezalfde vervloekt heeft?\' Doch David zeide:
Wat hebben wij met elkander te maken, zonen van Seruja, dat gij
het mij thans moeilijk maakt? Zou beden iemand in Israël gedood
worden\'? Weet gij dan niet dat ik heden over Israël koning geworden
23       ben?\' De koning dan zeide tot Sjimeï: Gij zult niet sterven — en
bezegelde het met een eed.
24           Ook Metiboosjeth, de zoon van Saul, ging den koning te gemoet.
Hij bad zijne voeten niet verzorgd, zijn baard niet onderhouden en
zijne kleederen niet gewasschen, van den dag af dat de koning was
25       weggegaan totdat hij in vrede terugkeerde.\' Toen hij nu, uit Jeruzalem,
den koning te gemoet kwam, zeide deze tot hem: Waarom zijt gij niet
26       met mij gegaan, Metiboosjeth?\' Hij antwoordde: Mijn heer de koning,
mijn dienaar heeft mij bedrogen. Want uw dienaar had tot hem ge-
zegd: Zadel mij mijn ezel, opdat ik daarop naar den koning rijde; uw
27       dienaar toch is kreupel.\' Maar hij belasterde uw dienaar bij mijn heer
den koning. Doch mijn heer de koning is als de engel Gods; doe dus
28       wat u goeddunkt.\' Immers, terwijl mijne geheele familie van mijn
13. Ama-.a. Zie op XVII i 25.
15.   Gilgal. Zie op Joz. IV : 19.
16.  Sjimei — Bahurim. Zie XVI: 5—14.
17.   met duizend man uit Benjamin. Sjimeï was blijkbaar een in «ijn «tam invloedrijk man; dit
zijn inachtsbetoon diende om David tot vergeving te nopen. Hieruit is ook David» latere beschikking
te zijnen aanzien (1 Kon. II: 8 v.) te verklaren. — Siba. Zie IX; XVI: 1—1. — met — slaven.
Evenzoo IX: 10.
18.  waar — maakten, volg. Gr. vert.
20. ik nu — Jozef. Benjamin behoorde dus tot het huis Jozef; zie op Oen. XXXV: 18.
22. Wat — Seruja. Zie op XVI: 10 v. — dat — maait, letterlijk t/at gij mij thans tot salmi sijt;
welk woord satan 1 Kon. V:4; XI: 23 door tegenstander vertaald is. — Zou — v orden? De vra-
gende vorm volg. Gr. vert. — Heet gij dan niet, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Want weet U niet. —
toning geworden ben. Bij eenc troonsbestijging behoorden daden van goedertierenheid.
24.  de zoon van Soul. 7Ae op IX : 7. — Hij — gewasschen, ten teeken van rouw.
25.   uit, volg. verb. t. iugevocgd.
26.  tot hem, uit Gr. vert. ingevoegd. — Zadel mij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Ik wil zadelen.
27.   Doch — Gods, zal dus rechtvaardig weten te oordeelen; verg. op XIV : 17.
-ocr page 635-
715
2 8AMUBL XIX : 28—40.
heer den koning slechts den dood kon verwachten, hebt gij uw dienaar
onder uwe dischgenooten opgenomen. Wat zou ik dan nog aanspraken
29       doen gelden en bij mijn lieer den koning mijn beklag doen!\' Hierop
zeide de koning tot hem: Waartoe nog meer woorden.\' Ik beslis: Gij
30       en Siba zult de akkers onder elkander deelen.\' En Metiboosjeth zeide
tot den koning: Hij mag ook alles hebben, nademaal mijn heer de
koning in vrede te huis gekomen is.
31            Ook Barzillai, de Gileadiet, was uit llogelim afgekomen en trok met
32       den koning naar den Jordaan, om hem uitgeleide te doen.\' Barzillai
nu was zeer oud, tachtig jaar. Hij had den koning onderhouden, toen
deze zich te Mahanaim ophield; want hij was een zeer vermogend
33       man.\' De koning zeide tot Barzillai: Trek met mij over; ik zal u op
34       uw ouden dag bij mij te Jeruzalem verzorgen.\' Maar Barzillai zeide
tot den koning: Hoe groot is reeds het aantal mijner levensjaren, dat
35       ik nu nog met den koning naar Jeruzalem zou gaan!\' Tachtig jaar
ben ik thans oud. Kan uw dienaar nog goed en slecht onderscheiden?
nog proeven wat hij eet en drinkt? Heb ik nog gehoor voor de stem
van zangers en zangeressen? Waarom zou uw dienaar mijn heer den
36       koning nog tot last zijn?\' Laat uw dienaar slechts een eind weegs
met den koning medetrekken. Waarom zou de koning mij op deze
37       wijze vergelden ? \' Laat uw dienaar terugkeeren en in zijne stad sterven,
bij het graf van zijn vader en moeder. Maar hier is uw dienaar, mijn
zoon Kimham, laat hij met mijn heer den koning trekken, en doe aan
38       hem wat gij zult goedvinden.\' Hierop zeide de koning: Kimham mag
met mij trekken, en ik zal aan hem doen al wat gij kunt wenschen.
Si) Ook zal ik voor u doen al wat gij van mij mocht verlangen.\' Toen
nu het gansche volk den Jordaan overstak, ging de koning ook over;
hij kuste Barzillai, die hem zegende en daarop naar zijne plaats
terugkeerde.
28.   Mcliboosjcth zal iu elk geval met de beslissing des konings, aan wicn hij alles verschuldigd ia,
tevreden zijn. — bij — doen, over de volgens XVI: 4 door den koning genomen beslissing.
29.   Gij — deelen. David herroept gedeeltelijk het XVI: 4 door hem bepaald*.
31.  Zie XVII: 27. — doen. Hierna heeft Hebr. t. nog ongeveer bij den Jordaan.
32.  toen deze :ich ... ophield, volgens andere klinkers; Hebr. t. wellicht bij zijn terugkeer.
33.  u op uk ouden dag, letterlijk uw ouden dag, volg. Gr. vert.; Hebr. t. «.
35. tangen en rangerenen. Zie op 1\'red. II: 8.
30.  met den toning medetrekken. Grondt, heeft nog over den Jordaan; wat, als in ttrijd met vs.
30, is weggelaten.
37. Zie op Gen. XV: 15. — mijn zoon, uit Gr. en Syr. vertt. ingevoegd.
HOOFDSTUK XIX: 40—XX : 26.
Davids terugkeer naar Jeruzalem; opstand van Sjeba. — Op weg naar Gilgal komt het mecrendeel
der Israëlieten zich bij David beklagen dat alleen de Judeërs hem hebben afgehaald (XIX:40v.);
waarover cene bittere woordenwisseling tusschen Judeërs en Israëlieten ontstaat (42 v.). Sjcba steekt
de vaan des oproers op en vindt steun bij de Israëlieten; zoodat David alleen door Judeërs vcrgc-
zeld te Jeruzalem komt (XX: 1 v.), waar hij maatregelen ten aanzien zijner bijvrouwcu neemt (3).
Op Davids bevel gaat Amaza de Judeërs tegen Sjeba te wapen roepen, maar blijft over den gestelden
tijd uit (4v.); waarop David Abisjai met eenigc keurbeuden tegen de opstandelingen laat optrekken (6v.).
Onderweg wordt Amaza verraderlijk door Joab vermoord (8—10), waarna Amaza\'s troepen zich onder
zijne banier scharen (11—13). Joab belegert Sjeba in Abcl-both-Maücha; do inwoners maken Sjeba
van kant, waarna Joab aftrekt (14—22). Lijst van Davids beambten (23—20).
Dit verhaal is, wellicht met uitzondering van XX: 24—26 (zie aldaar), aan hetzelfde geschrift als
de voorgaande hoofdstukken ontleend.
XIX: 40 De koning dan stak over naar Gilgal, en Kimham met hem, terwijl
het gansche volk van Juda en de helft van dat van Israël den koning
40. en de helft van dat van Itraël. Dit kan alleen slaan op de volgers van Sjiineï en van Siba,
-ocr page 636-
il samubl XIX: 40—XX: 7.
716
41       van den overkant haalden. \' Maar zie, daar kwamen de overige Israëlieten
tot den koning en zeiden tot hem: Waarom hebben onze broedere, de
Judeërs, u gestolen en den koning met zijn huis over den Jordaan
42       gevoerd, terwijl toch gansch Israël zijn volk is? \' Al de Judeërs ant-
woordden den Israëlieten: Omdat de koning ons het naast is. Maar
waarom zijt gij hierover zoo in toorn ontstoken.\' Hebben wij op \'s konings
4«} kosten gegeten.\' of heeft hij ons geschenken gegeven? \' Doch Israël
antwoordde Juda: Tien deelen van den koning behooren mij, en bovfcn-
dien ben ik in vergelijking van u de eerstgeborene. Waarom hebt gij
mij dan zoo minachtend behandeld.\' Heb ik niet eer dan Juda besloten,
mijn koning terug te balen.\' Hierop sprak Juda nog scherpere woor-
den dan Israël.
XX: J Nu bevond zich daar toevallig een deugniet, met name ftjeba, de
zoon van Hicbri, een Henjaminiet. Deze stak de bazuin en zeide: Wij
hebben niets met David te maken! Wij hebben niets uitstaande met
2 den zoon van Izai! Elk naar zijne tenten, Israël!\' Toen gingen alle
Israëlieten van David weg en volgden Kjeba, den zoon van Bichri;
maar de Judeërs bleven bij hun koning, van den Jordaan tot aan
\'ó Jeruzalem. \' Te Jeruzalem in zijn huis teruggekeerd, nam de koning de
tien bijvrouwen die hij had achtergelaten om het huis te bewaren,
deed baar in afzondering wonen en voorzag in haar onderhoud, maar
kwam niet tot haar; zoo waren zij tot haar dood toe opgesloten als
onbestorven weduwen.
4           En de koning zeide tot Amaza: Roep mij de Judeërs op en zorg
5       binnen drie dagen bier te zijn.\' Dienvolgens ging Amaza heen om
Juda op te roepen; maar toen hij over den gestelden tijd dien David
(5 bepaald had uitbleef,\' zeide David tot Abisjai: Nu zal Hjeba, de zoon
van Bichri, ons nog gevaarlijker worden dan Absalom. Neem gij dus
de dienaren uws heeren en zet hem na; opdat bij geen versterkte
7 steden bereike en zich aan ons oog onttrekke.\' Toen trokken, onder
aanvoering van Abisjai, Joab, de Krethiërs en 1\'lethiërs en al de helden
uit en verlieten Jeruzalem, om Sjeba, den zoon van Bichri, te vervolgen.
v». 17. Dan is echter de uitdrukking neer overdreven. Daar in vs. 41 alleen van de Judeërs gcspro-
ken wordt, zijn da woorden wellicht een onecht toevoegsel.
41.  lirwijl — is, volg. vcrl>. t.; grondt, terwijl alle mannen van David met hem zijn.
42.  het naait, als stamgenoot. — heeft — gegeven ? volg. Gr. vort.
43.   Tien deelen, tien van de twaalf stammen. Eveuzoo wordt 1 Kon. XI: 29—36 Israël voorgesteld
als verdeeld in twaalf stammen, waarvan tien tot het noordelijk rijk liclioordcn, terwijl van de stam-
iiicii van het zuidelijke alleen Juda genoemd wordt. Welke dnarhij als tweede gedacht is, is niet dui-
delijk; waarschijnlijk Simeon. Itcnjamiu zeker niet; want deze behoorde bij het huis Jozef. — de
eerstgeborene,
volg. (Ir. vert.; Hcbr. t. aan David. l)c noordelijke stammen waren eer dan Juda en
Simeon Kanniiu binnengedrongen; zie iui. op Jozua. — Hebben — halen f Zie\' vs. 10 v. — dan Juda,
volg. Gr. vert.; Hcbr. t. tour mij.
1. een Benjamiuiet, volg. vs. 21 van het gebergte van Efraim. — Wij — Israël.\' Dezelfde woorden
1 Kon. XII: 16; zie aldaar. — Kik naar zijne tenten! Met dezen kreet werd het volk vermaand om
zich te verstrooien en, in stede van hun koning te blijven omringen en volgen, naar huis te kceren ;
verg. op Richt. VII: 8.
8. de tien — bewaren. Zie XV: 16. — kwam niet tot haar, om het XVI: 21 v. verhaalde. — U
onbestorven weduwen,
onzekere lezing en vertaling.
4. binnen drie dagen, volg. verb. t.
6.  Abisjai. Zie op 1 Nam. XXVI: 6. David zag, nu Amaza uitbleef, zijn misslag iu, maar kou het
met zijne koninklijke waardigheid niet ovcrccnbrcngen, aan Joab het opperbevel terug te geven. Door
het op te dragen nan diens broeder, zocht hij zich echter van zijno medewerking te verzekeren. Dat
hij hierin slaagde leert v». 7. — dr dienaren uws heeren, de keiirbeuden die vs. 7 opgenoemd wor-\'
den. — bereike, letterlijk vinde, volg. verb. t. — eiVA aan ons oog onttrekke, volg. Gr. vert.; Hcbr.
t. ons oog redt.
7.  onder aanvoering van Abisjai, volg. Gr. vert.; Hebr. t. onder aanvoering van hem, de mannen
va*. — de Krethiërs en Ptethiérs.
Zie op VIII: 18. — de helden. Zie XXIII: 8—89. Hun hoofd
was volg. XXlll:ls Abisjai.
-ocr page 637-
2 SAMÜBL XX : 8—22.
717
8           Toen zij bij den grooten steen te Gibeon waren, kwam Amaza bun
te gemoet. tën Joab — hij had onder zijn opperkleed een zwaard in de
hand, terwijl hij daarover aan zijne lenden een zwaard in de scheede
9       droeg, dat er uitging en op den grond viel —\' Joab dan zeide tot
Amaza: Gaat het goed niet u, mijn broeder/ en greep hein meteen
10       met de rechterhand in den baard om hem te kussen. \' Daar nu Amaza
niet op zijne hoede was tegen het zwaard dat Joab in de hand had,
stak deze er hem mede in den buik, zoodat de ingewanden op den
grond vielen en Amaza, zonderdat hij hem een tweeden stoot behoefde
te geven, stierf\'. Daarna zetten Joab en zijn broeder Ahisjai Sjeba, den
11       zoon van üicbri, na,\' terwijl een van Joabs volgers bij Amaza bleef
staan en zeide: Al wie Joab genegen is en al wie aan David behoort,
12       volge Joab!\' Amaza nu lag, in zijn bloed gewenteld, midden op den
weg, en toen die man zag dat al het volk bleef staan, droeg bij Amaza
van den weg naar het veld en wierp een kleed over hem; dewijl hij zag
13       dat ieder die er bij kwam bleef staan.\' Zoodra bij van den weg ver-
wijderd was, ging iedereen voorbij, Joab achterna, om Sjeba, den zoon
van Biehri, na te zetten.
14            Deze trok intusschen door alle stammen van Israël; maar men wilde
niet van hem weten. En hij kwam te Abel-beth-Maiicha, gevolgd door
15       al de Bichrieten.\' De vervolgers kwamen hem in Abel-beth-MaiU;ha
belegeren en wierpen een wal tegen de stad op. Toen kwam eene
wijze vrouw de stad uit, ging op het voorwerk staan, terwijl al het
16       volk van Joab bezig was den muur te vernielen,\' en riep: Hoort! Hoort!
17       Zegt toch aan Joab: Kom hier, opdat ik met u spreke!\' Hierop kwam
Joab nader bij haar, en de vrouw zeide: Zijt gij Joab/ Hij antwoordde:
Ja. Zij zeide tot hem: Hoor uwe dienstmaagd aan. Hij zeide: Ik luister.\'
18       Nu sprak zij: Oudtijds placht men te zeggen: Navragen moet men te
19       Abel en te Dan,\' of is afgeschaft wat de betrouwbare mannen van
Israël hebben vastgesteld. Gij tracht eene moederstad in Israël te ver-
20       nietigen. Waarom wilt gij Jahwe\'s erfdeel te gronde richten?\' Joab
hernam: Dat zij verre, verre van mij, dat ik zou te gronde richten
21       en verwoesten!\' Dat is geenszins het geval. Maar een man van het
gebergte van Efraim, met name Sjeba, de zoon van Bichri, heeft zijne
hand tegen koning David opgeheven; levert hem alleen uit, dan zal
ik van de stad wegtrekken. Hierop zeide de vrouw tot Joab: Zie, zijn
22       hoofd zal u over den muur worden toegeworpen.\' Daarna ging de
vrouw de stad in en sprak naar hare wijsheid met de gansche bevol-
8. Gibeon. Zie op Joz. IX: 3. — hij — viel, zcor onzekere lezing en vertaling. Maar de hoofdzaak
is duidelijk: het zichtbare zwaard, dat daarenboven uit de scheede viel, moest Amaxa\'s argwaau
wegnemen en maken dat hij op het andere zwaard niet lette.
10.  zoodot — vielen, letterlijk en tlorlte zijne ingewanden op den grond,
11.  De oproeping dient vooral om de volgelingen van Amaza aan te sporen, niettegenstaande het
gebeurde Joab als hun aanvoerder te orkennen.
18. verwijderd wat, onzekere vertaling.
14.  maar — kwam (volg. Gr. vert.; Hebr. t. kwamen). De woorden staan in grondt, achter Bieh-
rieten.
— Abel-betk-Maacha, volg. verb. t.; grondt. Abel en Beth-Maaeha. De plaats komt, behalve
hier, nog 1 Kon. XV: 20; 2 Kon. XV: 29, en, onder den naam Abel-maim, 2 Krou. XVI: 4 voor. Zij
lag in het noorden van Kanaün, ten westen van Dan. De naam betcekout ,Wcide van het huis
Maücha\' (vorg. op Ucut. III: 14). — de Bichrielen, zijne familie, volg. Gr. vort.
15.   De vervolgen, dnidclijkheidshalvc in pi. v. zij. — wierpen — op. Verg. 2 Kon. XIX: 32; Hab.
1:10. — Toen — uit, volgens gissing ingevoegd; de woorden eene wijze vrouw uit de ttad staan in
grondt, in vs. 16 bij riep.
18 v. Navragen — vattgetteld, volg. Gr. vert. Abel en Dan (verg. op Joz. XIX: 47) komen hier voor
als plaatsen welker oudsten en priesters eeno vraagbaak waren voor ieder die de onvervalschto Israc-
lietischc zeden wilde leeren kennen. Vandaar dat Abel eene mocderstad in Israël heet, d. i. het mid-
delpuut van de streek; verg. Job VIII: 8 v.
22. en tprak, volg. Gr. vert. ingevoegd. — verttrooide zich... naar zijne tenten. Zie op vs. 1.
-ocr page 638-
2 samübl XX: 22—XXI: 4.
718
king; waarop zij iSjeba, den zoon van Bichri, het hool\'d afsloegen en
het Joah toewierpen. Deze stak hierop <ie hazuin, en men verstrooide
zich, van de stad weg, elk naar zijne tenten. Ro Joah keerde naar
Jeruzalem tot den koning terug.
23           Joah was over het gansche leger gesteld; IJenaja, de zoon van
24       Jojada, over de Krethiërs en Plethiërs;\' Adoniram over de heeren-
25       diensten; Josjafat, de zoon van Ahilud, was kanselier;\' Sjisja schrijver;
2(5 iSadok en Ahjathar waren priesters;\' ook was Ira, de Jithriet, priester
van David.
:>:!—20. Nagenoeg dezelfde lijst, met uitzondering van vs. 26 en van Adoniram orer de tétrt*
dietulen,
komt VIII: 16—18 voor; zie aldaar. Wellicht werd bij de inlassching van XXI—XXIV deze
lijst herhaald.
23.  Achter leger heeft grondt, /.tra."I.
24.  Adoniram, volg. Cïr. vert. en 1 Kon. IV :0; Hebr. t. Adoram. Desgelijks 1 Kon. XII: 18.
25.  Sjiija, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. Sjia. Zie op VIII: 17.
20. </\'• Jithriet, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de Jdirirt. Geeft Gr. vert. de ware lezing, dau komt de
man XXIII: 38; 1 Kron. XI: 40 ouder Davids helden voor.
HOOFDSTUK XXI: 1—14.
De hongersnood; zeven afstammelingen van Saul ten zoenoffer gedood. — Onder Davids regcering
hcerseht eens jaren aaneen een hongersnood, die volgens de godspraak cenc straf is voor de vervol-
ging van de Gibeonielen door Saul (l)j op Duvids vraag eiseheu zij de uitlevering van zeven uako-
meliiigen van Saul (2—0). Duvid geeft ze hun; waarna zij door de Gibconieten worden opgehangen
(7—9). Kispn, de moeder van twee hunner, beschermt weken lang de lijken tegen de roofdieren (10);
13
eindelijk laat Dnvid ze, met het gebeente van Saul en Jonathan, iii het familiegraf van Kis begraven
(11—14a); de hongersnood houdt op (146).
Dit verhaal, het eerste van het aanhangsel XXI—XXIV (zie lul.) en blijkens de hier gehuldigde
denkbeelden vrij oud, is volkomen geloofwaardig. Iti welken tijd het hier medegedeelde gebeurd is,
weten wij niet; waarschijnlijk niet lang nadat David over geheel Israël koning geworden was: toeu
waren de grieven der Gibconieten nog verseh genoeg om zoo grooten invloed te oefenen.
XXI: 1 Eens heerschte in Davids tijd hongersnood, drie jaren lang, het eene
jaar na het andere. Daarom ging David Jahwe raadplegen. En Jahwe
zeide: Op Baul en zijn huis rust eene bloedschuld, omdat hij de Gibeo-
2       nieten gedood heeft.\' Hierop riep de koning de Giheonieten en zeide
tot hen — de Giheonieten behoorden niet tot de Israëlieten, maar tot
het overschot der Amorieten; de Israëlieten hadden hun een eed ge-
zworen, maar Beul trachtte hen te verslaan in zijn ijveren voor de
3       Israëlieten en Judeërs — \' David dan zeide tot de Giheonieten: Wat
zal ik u doen en waarmede zal ik verzoening bewerken, zoodat gij
4       Jahwe\'s erfdeel zegent/\' Toen zeiden de Giheonieten tot hem: In onze
zaak met Saul en zijn huis is het ons niet te doen om zilver en goud,
1.  zijn — bloedichuld, volgens andere woordafdceling, naar Gr. vert.; Hebr. t. het huit det bloedt.
— de Giheonieten, niet alle, maar ecnige. Uit het vervolg (vs. 5) blijkt dat Saul het voornemen had
hen uit te roeien. Over de Gibeonictcn en hunne behandeling door Saul zie inl. op Joz. IX. Het is
duidelijk dnt de priester of profeet door wien David de godspraak ontving, hierin wis eenstemmig
met vele tijdgenooteu, Sanls gedragslijn veroordeelde.
2.   Amorieten, hier de oude bevolking van Kanaan; zie op 1 leut. 1: 7. Volg. Joz. IX: 7 waren
de inwoners van Gibeon Hiwwieten. — in — Itraélieien, in deu geest van Kxod. XXIII: 31—33;
XXXIV: 12, 15; Deut. VII: 2; Joz. XXIII; verg. 1 Sam. XXVIII: 3. Hier zieu wij dus de twee staat-
kundig-godsdienstige richtingen der Israëlieten in den tijd van Saul en David tegenover elkander
staan: de cenc, de voorzichtigste, meest wercldsche, wil vrede houden met de Kanaunieten; de andere,
de ijverigste, godsdienstigste, wil hen uitroeien; verg. inl. op Gen. XXXIV. — en de Judeërt, wellicht
door den Verzamelaar bijgevoegd.
3.    Wat — tegent? De vloek der verbitterde Giheonieten rustte op het land en veroorzaakte den
hongersnood. Waren zij verzoend, dan zouden zij Jahwe\'s land weder zegenen en zou de nood op-
houden.
4.   Het door Saul vergoten bloed kon niet door geld goedgemaakt worden. De Giheonieten geven
niet onduidelijk te kennen dat zij menschenlevens eiseheu; maar zij zijn te zwak om de bloedwraak
te voltrekken. Kn David begrijpt, waar zij heen willen.
-ocr page 639-
»
2 SAMUBL XXI: 4—14.                                       719
en het staat niet in onze macht, iemand in Israël te dooden. Hij her-
5 nam: Wat gij vraagt /.al ik O duen.\' Hierop zeiden zij tot den koning:
De man die ons van kant maakte en van zins was ons uit te roeien,
0 zoodat wij nergens in Israüls gansche gebied konden blijven,\' laat ons
van zijne zonen zeven man worden uitgeleverd, opdat wij hen ter eer
van Jahwe ophangen te üibeon, op den berg van Jahwe. En de koning
antwoordde: Ik zal hen uitleveren.
7            De koning nu vergehoonde Mefiboosjeth, den zoon van Jonathan, den
zoon van Saul, wegens den eeil hij Jahwe, die hen, David en Sauls
8       zoon Jonathan, verbond,\' en nam de beide zonen van Kispa, de dochter
van Ajja, die zij aan Saul geschonken had, Armoni en Metiboosjeth,
alsmede de vijf zonen van >Sauls dochter Merab, die zij geschonken had
9       aan Adriël, den zoon van Barzillai, den Meholathiet. \' Hij leverde hen
aan de Gibeonieten over, die hen op den berg voor het aangezicht van
Jahwe ophingen. Zoo vielen zij alle zeven te gelijk. Hunne terdood-
brenging had plaats in de eerste dagen van den oogst.
10           En ilispa, de dochter van Ajja, nam een treurgewaad, spreidde het
voor zich op de rots uit, van het begin van den gerstenoogst totdat
van den hemel water op hen uitgestort werd, en verhinderde de vogelen
des hemels des daags en de wilde dieren des nachts, op hen aan te
11       vallen.\' Toen men aan David mededeelde wat Kispa, de dochter van
12       Ajja, Sauls bijvrouw, gedaan had,\' ging David heen en haalde het ge-
heente van Saul en van zijn zoon Jonathan van de burgers van Jabes
in Qilead, die het hadden weggestolen van het plein te Beth-sjan, waar
de Filistijnen hen hadden opgehangen, toen zij Saul op den (filboa
] 3 hadden verslagen.\' Hij haalde dan hel gebeente van Saul en van zijn
zoon Jonathan van Jabes, en men verzamelde de beenderen der gehan-
14 genen;\' waarna men het gebeente van Saul en van zijn zoon Jonathan,
met dat der gehangenen, in het land van Kenjaniin, te Sela, in het
graf van zijn vader Kis bijzette. Men deed alles wat de koning beval.
Zoo liet zich God voor het land verbidden. Hierna.. .
5.  ran zin* wa* on* uit te roeien, volgens geringe tekstverandering.
6.  ophangen. Zie op Num. XXV: 4. — te Gibeon, op den berg van Jahwe, volg. naar vs. 9 Tcrb. t.;
grondt, te Oiiea van Saul, den uityelezime van Jahwe.
7.   Mefibooêjeth. Zio IX; XIX: 25—30. — den eed — verbond. Zie 1 Sun. XX: 42; XXIH:18.
8.   Riipa, de dochter van Ajja. Zie 111:7. — Merab, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Mie/ml. — Adriël —
Meholathiet. Zie op 1 Sam. XVIII: 19.
9.   op den berg, de heilige hoogte bij Gibcon, vs. 6. — Grondt, heeft aan het slot het begin van
den gerstenoogtt,
wat waarschijnlijk uit het volgende vers hier is ingeslopen. De gerst was het eerst
rijp; verg. op Lev. XXIII: 10.
10.   Het treurgewaad, dat de rouwdragende placht aan te trekken (zie op Gen. XXXVII: 34), legt
Kispa onder zich. — ran hel begin van den gerstenoogtt (gerit volg. Gr. vert. ingevoegd) — werd,
van half April tot den najaarsregen, die iu Octobcr begon. — verhinderde — vallen. Het gebod
de lijken van gehniigenen voor zonsondergang te begraven (l)eut. XXI: 23) bestond blijkbaar
nog niet.
12. Zio 1 Sain. XXXI. — Jonathan. Volg. 1 Sam. XXXI: 8, 12 was te Jabes het gebeente van drie
van Sauls zonen begraven. — hel plein, buiten de poort.
14. met dat der gehangene-i, uit Gr. vert. ingevoegd. — Sela. Zie op Joz. XVIII: 28. — zijn vader,
dien van Saul. — Zoo — verbidden, zoodat de hongersnood ophield; verg. XXIV: 25. — Hierna.
Waarschijnlijk begon hiermede een verhaal dat er oorspronkelijk op volgde, b. v. H. XXIV, dat een
tweede voorbeeld van Jahwe\'s toorn tegcu Israël bovut, en is het bij ongeluk blijven staan toen
XXI: 15—XXIII: 39 er tusschen in geschoven il.
HOOFDSTUK XXI: 15—23.
Heldenstukken van Davids volgelingen. — Abisjai verslaat een Refaïet die Davids leven bedreigt
(15—17). Sibbcchai den Kcfaïct Saf (18), Elhanan Goliath (19), Jonathan een Refaïet met zes vingers
aan elke hand en zes tecnen aan eiken voet (20 v.); tezamen vier Kefaïeten (22).
Deze, stellig oude, overleveringen omtrent heldendaden van Davids mannen in verschillende oor-
-ocr page 640-
720                                      2 samuel XXI: 15—22.
logen met de Filittijnen, verplaatsen ons in den eersten tijd van zijne regcering en hebben oorspron-
kclijk bij V:17—25 behoord; /.ir iul. daarop.
XXI: 15 Eens voerden de Filistijnen wederom oorlog met Israël. David en
zijne dienaren «laaiden at\', legerden zich in (Job en streden met de
16       Filistijnen. Toen stond Dodo, Joas\' zoon,\' een der afstammelingen van
Kat\'a, op — zijne lans had aan koper een gewicht van driehonderd
sikkelen, en hij was met een pantser omgord — en dacht David te
17       verslaan.\' Maar Abisjai, de zoon van iSeruja, kwam hem te hulp en sloeg
den Filistijn dood. Toen bezwoeren Davids mannen hem: (lij moet niet
meer met ons ten strijde trekken en Israëls lamp niet uitblusscben.\'
18       Nadezen was er weder oorlog met de Filistijnen in (lob. Toen versloeg
19       .Sibbechai, de Husjathiet, iSaf, een der afstammelingen van Hafa.\' Toen
er weder oorlog met de Filistijnen was, in Gob, versloeg Klbanan, «Ie
zoon van Jaïr, de Hethleheniiet, Goliath, den Gattiet, wiens speerschacht
20       was als een weversboom.\' Toen er weder oorlog was, in Gath, was er
een man van groote lengte, met zes vingers aan elke hand en zes
teenen aan eiken voet, in bet geheel vier en twintig; ook hij was een
21       nakomeling van Hafa.\' Hij hoonde Israël, maar Jonathan, de zoon van
22       (Sjimea, den broeder van David, versloeg hem.\' Deze vier waren na-
komelingen van Hafa, in Gath; zij sneuvelden door de hand van David
en zijne dienaren.
Vs. 18—22. 1 Kron. XX: 4—8.
15. wederom. In liet voorgaande is van geen oorlog met de Filistijnen sprake geweest. Kr moet
oorspronkelijk iets nis V:17—25 aan zijn voorafgegaan. — legerden zich (letterlijk gingen zitten) in
Gu/t,
met geringe tekstverandering uit vs. 10 hierheen verplaatst. Gob, ook vs. 18 v., eene onbekende
plaats; de hss. der Gr. vert. hebben allerlei andere namen; 1 Kron. XX: t heeft Qezer. — Toen
eland Dodo, de zoon van Joas,... op,
gedeeltelijk naar Gr. vert.; Hebr. t. En David werd moede.
10. een der afstammelingen van Rafa, of een der Jtefaïelen. Zie op Geu. XIV: 5. — lans en
pantser, onzekere vertaling. — sikkelen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. gewicht.
17.  Verg. XVIII! 8. — Israëls lamp niet uitblusschen. Davids dood zon aan Israël zijne hoop voor
de toekomst ontnemen. Verg. op XXII: 2\'J.
18.   Sibbechai, de Husjathiet, komt, behalve 1 Kron. XX: 4, nog XXUI:27; 1 Kron. XI: 29
XXVII: 11 voor. — Haf, 1 Kron. XX:4 Sippai.
19.   Dit heldcnstnk van Klhiuian is later door de overlevering nan David toegeschreven; zie inl.
op 1 Snm. XVII i I—XVIII: 5. Hoc de schrijver vnn Kronieken dezen strijd tracht op te lossen, zie
op 1 Kron. XX : 5. — Jaïr, volg. Gr. vert. eu 1 Kron. XX: 5; Hebr. t. heeft Jacre en laat hierop
nog volgen wevers, dat, bij vergissing nit het vervolg overgenomen, met Gr. vert. is weggelaten.
Wellicht is ook de naam Jaïr eene verschrijving en heette Klhaimns vader Dodo, zie XXIII : 24. —
wiens — icecersboom. Zie 1 Sam. XVII : 7.
20.   Gath. /.ie op Jol, XI : 22. — van groote lengte, volg. 1 Kron. XX : 0. — Sjimea, elders (1 Sam.
XVI: 9; XVII: 13) Sjamma.
21.   Hij ho.mde Israël. Dit wordt 1 Sam. XVII: 10, 25 v., 3G, 45 van Goliath gezegd.
22.  Deze vier waren nakomelingen van Hafa. Ook Goliath wordt dus onder de Hcfaïctcn gerekend.
HOOFDSTUK XXII.
Lied van David. — Na uit de hand van al zijne vijanden verlost te zijn, zingt David een lied ter
eer van Jahwe (1). In dit lied (2—51) spreekt hij zijn vertrouwen op Jahwe uit (2—4), die hem
vroeger in gevaar verhoord had (5—7), tot zijne hulp nedergedaald was (8—13) en hem uit de macht
zijner vijanden had gered (14—20). Zoo vergold hij des zangers onschuld (21—25) en betoonde hij
zijne rechtvaardigheid, die uit zijne handelwijze met alle menschen blijkt (26—28). Met Jahwe\'s hulp
voelt zich de zanger sterk en gerust (29—37) en zal hij zijne vijanden overwinnen (38—46). Jahwe
is overwaard geprezen en bezongen te worden (47—51).
Dit lied, ten onrechte aan David toegeschreven (zie op vs. 21—25, 23, 32 en 51), is stellig eerst
gcruimen tijd na 586 gedicht. Die hier spreekt is niet een persoon, maar de gemeente, die Jahwe\'s
belofte van het eeuwig koningschap, aan David gedaau, op zich zelve toepast; zie inl. op Ps. II. Op
grond van reeds ondervonden uitreddingen, en pleitende op hare vroomheid (verg. op vs. 21—25),
spreekt zij haar vertrouwen uit, dat zij met Jahwe\'s hulp over al hare vijanden zegepralen en over
volkeren heersenen zal. De Verzamelaar liet het onmiddellijk volgen op het verhaal der heldendaden
-ocr page 641-
721
2 SAMUEL XXII : 1—9.
van Davids dapperen (XXI: 17—25), omdat hij daarin proeven zag van de vele uitreddingen waarvoor
David in het lied dankt.
Hetzelfde lied treffen wij aU Ps. XVIII aan. In vele plaatsen wijken de twee teksten van elkander
af; I\'s. XVIII heeft gewoonlijk do beste lezing, maar soms kan ook ons hoofdstuk dienen om die van
den psalm te herstellen.
XXII: 1 David sprak tot Jahwe de woorden van dit lied, toen Jahwe hem
uit de hand van al zijne vijanden en ook uit die van Baul verlost
2       had. \' Hij zeide:
Jahwe is mijne rotskloof, mijne veste, mijn bevrijder;
3                mijn God is de rotssteen waarop ik bouw,
mijn schild, mijn hoorn des heils,
mijn burcht, mijne toevlucht,
die van geweldenarij mij verlost.
4                Prijzende roep ik Jahwe aan,
en van mijne vijanden word ik verlost.
5                    Mij omgaf eene branding des doods,
stroomen des verderfs verschrikten mij;
6               koorden van het schimmenrijk omvingen mij,
strikken des doods lagen mij in den weg.
7               Toen het mij bang was, riep ik Jahwe aan,
kreet ik tot mijn God;
hij hoorde uit zijn paleis mijne stem,
mijn hulpgeroep drong in zijne ooren.
8                Daar schokte en schudde de aarde,
beefden de grondvesten der hemelen,
en schokten, omdat hij in toorn was ontstoken;
9                rook steeg op uit zijn neus,
vuur kwam verterend uit zijn mond,
brandende kolen gingen van hem uit.
1.   toen — had, dus in den laatsten tijd zijns levens. De verlossing uit de hand van Saul zal wel
afzonderlijk vermeld zijn omdat die in Davids geschiedenis zulk eene belangrijke plaats inneemt.
Intusschen ontbreken toespelingen daarop en in het algemeen op bepaalde gebeurtenissen uit
Davids leven.
2 v. De hier voorkomendo beelden drukken uit, hoe Jahwe zich den beschermer en helper zijner
gunstelingen betoont; verg. Ps. XCI: 2 en op Deut. XXXII: 4.
2.  In Ps. XVIII gaat hieraan nog een regel vooraf. — mijn bevrijder, met weglating van een woord,
voor mij, dat in Gr. vert. en Ps. XVIII: 3 ontbreekt.
3.   mijn God, volg. Gr. vert. en Ps. XVIII: 3; Hebr. t. de god van. — mijn hoorn des heil». \'/Ac
op 1 Sam. 11:1. — mijne toevlucht — verlost. Deze woorden ontbreken in Ps. XVIII. In grondt,
volgt nog gij biedt mij hulp; als overtollig weggelaten. Over toevlucht zie op Jez. XXXIII: 16.
4.   Prijzende, met verandering van klinkers.
5—7. Verg. Ps. CXVI: 3 v.
5.   Grondt, laat voorafgaan Want; volg. Gr. vert. en Ps. XVIII weggelaten. — De zanger vcr-
f[dijkt het gevaar waarin hij verkeerdo met den toestand van een schipbreukeling die, pogende het
and te beroiken, met de branding worstelt; verg. Ps. XXXII: 6; XL: 3; XMI:8; LXVIII:23;
LXXXVUI: 6 v.; CXLIV : 7; Jona II: 5 v. Het beeld van den schipbreukeling wordt echter niet altijd
goed vastgehouden.
6.   koorden — dood*. Het schimmenrijk (zie op Gen. XXXVII: 35) trok hem als met koorden
naar zich toe, de dood had zijne strikken reeds op hem geworpen; hij verkeerde dus in levens-
gevaar.
7.   kreet ik, volg. Gr. vert. en Ps. XVni: 7; Hebr. t. riep ik. — zijn paleis, het hcmclscb heilig-
dom; zie Jez. VI: 1—%. — drong, uit Ps. XVIII: 7 ingevoegd.
8—18. Beschrijving van de komst van Jahwe, gevolg van \'s dichters hulpgeroep, onder het beeld
van een onweder: Jahwe ontsteekt in toorn (vs. 8 v.), komt in donkere onweerswolken, door stormen
voortgedreven (vs. 10—13), treft met donderslagen en bliksemflitsen dos dichters vorvolgors (vs. 14—
16) en redt zijn gunsteling (vs. 17—20). Hetzelfde beeld Exod. XIX: 16—19; Ps. L:2v.; LXXVII:
17—20; XCVII:2—5; Jez. XXIX: 6; Joel II:10v.; HI:15v.; Am. 1:14; Nah. 1:3 enz.
8.   de grondvesten der hemelen, Ps. XVIII: 8 der bergen, heeten Job XXVI: 11 zuilen des hemels
en zijn, daar de hemel op de aarde rust, dezelfde als die der aarde; verg. op Deut. XXXII: 22.
9.  rook steeg op uit (letterlijk in) zijn neus. Vorg. op Eiod. XV: 8.
O. T. I.                                                                                                                         46
-ocr page 642-
722                                     2 samükl XXII: 10-26.
10                Hij neigde den hemel en daalde neder,
een donker zwerk onder zijne voeten;
11                hij reed op den cherub en kwam gevlogen,
schoot toe op de vleugelen des winds;
12                legde duisternis rondom zich,
te zijner bedekking donkere wateren, dichte wolken.
13                Uit den glans voor hem kwamen voort
hagel en kolen vuurs.
14                Van den hemel donderde Jahwe,
liet de Allerhoogste zijne stem weerklinken;
15                hij schoot pijlen af, waarmede hij hen verstrooide,
slingerde bliksems, waarmede hij hen in beroering bracht.
16                Zichtbaar werden de beddingen der zee,
blootgelegd de grondvesten des aardrijks
door Jahwe\'s toornende stem,
door het blazen van den adem van zijn neus.
17                Hij reikte uit den hooge, vatte mij,
trok mij uit groote wateren;
18               hij verloste mij uit de macht mijner vijanden,
van mijne haters, die mij te sterk waren.
19                Ten dage mijns ongeluks traden zij mij in den weg;
maar toen was Jahwe mij ten steun:
20                hij leidde mij uit in de ruimte,
redde mij, daar hij welgevallen aan mij had.
21                    Jahwe behandelde mij naar mijne gerechtigheid,
vergold mij naar de reinheid mijner handen.
22                Want ik heb Jahwe\'s wegen gehouden,
en ben niet door zonde afgeweken van mijn God:
23\'
             al zijne verordeningen hield ik voor oogen,
zijne inzettingen verwijderde ik niet van mij.
24                ik was onberispelijk tegenover hem,
en nam mij in acht, dat ik niet schuldig werd.
25                Zoo vergold mij Jahwe naar mijne gerechtigheid,
naar de reinheid mijner handen voor zijne oogen.
26                    Jegens hem die u aanhangt betoont gij u aanhankelijk,
10.   Verg. Ps. CXLIV:5. — Hij neigde den hemel. Wanneer de wolken dalen, schijnt de hemel
omlaag te komen.
11.   Verg. Ps. OIV:8. — cherub. Zio Ezech. IX: 3 en op 1 Sam. IV : 4. — echoot toe, volg. P«.
XVIII: 11; grondt, vericheen.
12.  zijne, uit 1>9. XVIII: 12 ingevoegd. — donkere, volg. P». XVIII: 12.
13.  den glant vóór hem, hetzelfde als Jahwe\'s heerlijkheid, den licht glans die Jahwo omgeeft j zie
op Exod. XVI: 10 en verg. Exod. XXIV: 16 v. — kwamen voort hagel en, volg. Gr. vert. en P».
XVIII: 13; Hebr. t. brandden.
15.   hen, des dichters vijanden; verg. vs. 4. — slingerde blikiemt, volg. verb. t.j verg. Pi.
CXLIV:6.
16.  door — neut. In P». XVIII: 16 worden deze woorden tot Jahwe gesproken.
18. uit — vijanden, volg. Or. vert.; met Hebr. t. werd wellicht bedoeld van mijn machtigen vijand,
waaronder men dan Saul verstond.
20. leidde — ruimte, verloste mij uit den nood die mij beklemde en hergaf mij de vrijheid. Verg.
Ps. IV: 2; XXV: 17; XXXI: 9; CXVIII:5; Spr. XVIII: 16.
21—25. Soortgelijke betuigingen van onberispclijken wandel treffen wij meermalen in Ptalmen aan;
zie Ps. XVII: 3—5; XXVI: 1—7; XLI:1S; XLIV:18v.; LXXXVI:2j Cl; CXIX: 97—104. Zulke
woorden, in den mond van David en van welken mensen ook ongepast, zijn minder aanstootelijk wan-
neer zij der gemeente op de lippen worden gelegd.
23. verordeningen, insettingen. Met deze eigenaardige termen worden steeds in Deuleronomtum
Jahwe\'s geboden aangeduid; waarschijnlijk heeft de dichter ze daaraan ontleend. — verwijderde ik
niet van mij,
volg. Ps. XVIII: 28; grondt, daarvan week ik niet.
25.  de reinheid mijner handen, volg. Gr. vert en Ps. XVIII: 25; Hebr. t. mijne reinheid.
26.  die « aanhangt. Het hier gebruikte woord is het gewone voor een .vroroe\' wanneer het van
-ocr page 643-
2 samubi, XXII: 26—41.                                     728
jegens een onberispelijk man onberispelijk;
27                met den reine handelt gij als een reine,
maar met den verkeerde gaat gij arglistig te werk.
28                Gij toch redt ellendig volk,
en doet hoovaardigen «Ie oogen nederslaan.
29                    Want gij, Jahwe, zijt mijne lamp;
Jahwe brengt in mijne duisternis licht;
30                met u toch breek ik een wal door;
met mijn God spring ik een muur over.
31                     Die God, onberispelijk is zijn weg,
Jahwe\'s eisch is beproefd;
een schild is hij voor allen die op hem bouwen.
32                Want wie is God buiten Jahwe,
wie een rotssteen buiten onzen God.\'
33                dien God, die mij met kracht omgordt,
mijn weg onberispelijk baant,
34                mijne voeten maakt als die van hinden,
en mij op mijne hoogten plaatst;
35                die mijne handen oefent ten strijde,
mijne armen den koperen boog leert spannen.
36                    Gij schenkt mij het schild uws beils;
uwe nederbuigende goedheid maakt mij groot;
37                gij geeft ruimte onder mij voor mijne schreden,
en mijne enkels wankelen niet.
38                    Dies zal ik mijne vijanden vervolgen, verdelgen,
niet keeren voordat ik hen gansch vernietigd heb.
39                Ja, ik zal hen vernietigen, verpletteren, zoodat zij niet weder opstaan,
maar blijven liggen onder mijne voeten.
40                Gij toch omgordt mij met kracht ten strijde,
doet mijne tegenstanders zich onder mij krommen,
41                dwingt mijne vijanden mij den rug toe te keeren,
mijne haters, zoodat ik hen verdelg.
Vi. 31a. Deut. XXXII: 4. — Vs. 31*. c. Spr. XXX: 5. — V». 34. Bib. 111:19.
des monschcn verhouding tot God wordt gebezigd, en dat .gunstrijk\' bctcckent wanneer Gods zegenende
verhouding tot den mensch er door wordt aangeduid. — man, volgens andere klinkers en I\'s. XVIII: 20;
grondt, held.
27.  Een paar verschreven woorden zijn naar I\'s. XVIII: 27 verbeterd.
28.   Gij toch, volg. Gr. vert. en Ps. XVIII: 28. — ellendig. Zie op Ps. IX: 13. — hoovaardigm
de oogen,
volg. Gr. vert. j Hebr. t. uwe oogen op hoooaardigen.
20. Het beeld, in Ps. XVIII: 21) anders uitgewerkt, beteekent: Jahwe waarborgt mijne toekomst,
geeft mij vreugde. Eenc lamp of een lieht is een gewoon beeld van leven en levenskracht of van
datgene waardoor deze onderhouden worden. Men denke hierbij aan de gewoonte der Oosterlingen,
een altijd brandend licht in hun huis te hebben, zinnebeeld van de instandhouding van het geslacht
of de familie. Verg. op XXI: 17 en Job XVIII:6; XXIX: 3j Ps. CXIX:105; CXXXII:17; Spr.
XIII:9; XX: 20; XXIV : 20 enz.
80.  breek ik een tooi door, volg. verb. t.; Hebr. t. ik loop eetie bende.
81.  Jahwe\'» eisch is beproefd. Verg. Ps. CXIX: 140.
32. Het geloof in de cenigheid van Jahwe, hier uitgesproken, wijst op veel lateren tijd dan dien
van David.
38. mij... omgordt, volg. Gr. vert. en Ps. XVni:83; Hebr. t. mijne wijkplaals. — mijn — baant,
volg. Gr. vert. en Ps. XVIII:33, mij in al mijn ondernemen voorspoed geeft.
84.   mijne — hinden, vlug ten aanval en, zoo noodig, ter vlucht; verg. 11:18. — op mijne hoog-
ten,
waar ik mij verschansen en verdedigen kan.
85.   den kopere» boog, die het moeilijkst te spannen was. — leert spannen, volg. verb. t.
86.  uwe — goedheid, letterlijk uwe nederbniging, volg. Ps. XVIII: SC; grondt, uw antwoorden.
87.  gij — schreden. Evenzoo zegt men van iemand die geen ruimte vindt om te gaan dat zijne
schreden belemmerd zijn, Job XVIII : 7; Spr. IV: 12. — enkels, onzekere vertaling.
38. verdelgen. Pi. XVIII: 38 heeft inhalen, zeker den oorspronkelijken tekst.
-ocr page 644-
724                                2 SAMüBL XXII: 42—XXIII: 3.
42                Zij krijten, maar er is geen helper,
tot Jahwe, maar hij antwoordt hun niet.
43                Ik maal hen fijn als stof* der aarde,
vertrap en vertreed hen als slijk op de straat.
44                Zoo doet gij mij ontkomen aan de twisten der volken,
stelt mij tot hoofd van natiën.
Zelfs dienen mij volkeren die ik niet ken,
45                buitenlanders vleien mij;
nauw hebben zij van mij gehoord of zij gehoorzamen mij;
46                buitenlanders raken in verwarring,
vlieden sidderend uit hunne sloten.
47                    Jahwe leeft! Geloofd zij mijn rotssteen,
hoog verheven worde de God mijns heils!
48                die God, die mij wraak verschaft
en volkeren mij onderdanig maakt,
49               die uit het midden mijner vijanden mij leidt.
Voor mijne tegenstanders voert gij mij op de hoogte;
van geweldenaars verlost gij mij.
50                    Dies wil ik, Jahwe, u loven onder de natiën,
met stem en snaren uwen naam prijzen,
51                van u, die zijnen koning groote overwinningen verleent
en gunst bewijst aan zijn gezalfde,
aan David en zijn kroost, tot in eeuwigheid.
42. krijten, volg. Gr. vcrt. cu Ps^ XVIII: 42; Hobr. t. zien rond.
44.  volken, volg. Gr. vort.; Hebr. t. mijn volk. — Helt mij, volg. Gr. vcrt. en Pi. XVIII: 44;
Hebr. t. bewaart mij.
45.   buitenlanders vleien mij. Verg. I\'s. LXVI:8; LXXXI: 10. — nauw — gehoord, zonderdat zij
mijne kracht nog gevoeld hebben.
46.  Onzekere lezing en vertaling.
47.  In den tweeden regel is het woord rot* weggelaten volg. Ps. XVIII: 47.
40. op — voert, om mij in veiligheid te brengen; verg. vs. 34.
51. gezalfde. Zie op 1 Sam. 11:10. — aan David en zijn kroott. Deze woorden bewijzen dat niet
David zelf de dichter ia: hij zou over zich zelvcn niet in den derden persoon hebben gesproken en
van Jahwe\'s gunstbewijzen aan zijn nageslacht niet hebben kunnen gewagen.
HOOFDSTUK XXIII: 1—7.
Davids laatste woorden. — Opschrift en aanhef (1). Jahwe heeft tot David gesproken i een rechtvaardig
en vroom heerscher is zegenrijk als de opgaande zon (2—4); zoo zal, volgens Jahwe\'s belofte, Davids
huis zijn, want Jahwe zal hem heil geven (5); maar de goddeloozen worden op smadelijke wijze
uitgeroeid (6 v.).
Blijkens den eerenaam in vs. 1 aan David gegeven, is dit stuk niet van hem. Een schrijver die
waarschijnlijk H. VII voor oogen had spreekt hier zijne hoogc ingenomenheid mot hot Judcesche
koningshuis uit.
XXIII: 1          Dit zijn Davids laatste woorden:
De godspraak van David, den zoon van Izai,
de godspraak van den man die hoog verheven werd,
den gezalfde van Jakobs god,
den lieveling van Israëls liederen:
2                De geest van Jahwe heeft tot mij gesproken,
zijne rede is op mijne tong;
3                Israëls god heeft gesproken,
1. den — liederen, zeer onzekere vertaling. De woorden moeten beteekenen: het geliefd voorwerp
van Israëls gezangen.
3 v. De zegen der regeering van een vroom koning wordt vergeleken met de vrnehtbaarmakende
werking van helderen zonneschijn na overvloedigen regen.
3. die God vreeit, volgens geringe tekstverbetering; Hebr. t. de vreeze Qodt.
-ocr page 645-
725
2 SAMTJBL XXIII: 3—10.
Israëls rotssteen tot mij gezegd:
Een keerscher over menschen in gerechtigheid,
een heerscher die God vreest,
4              is als het morgenlicht bij zonsopgang,
op een morgen zonder wolken,
dat na den regen het kruid op de aarde doet glinsteren.
5                  Is niet alzoo mijn huis bij God?
Een eeuwig verbond heeft hij met mij gemaakt,
in alles geregeld en verzekerd;
want al mijn heil en al mijn begeeren,
zal hij het niet doen ontspruiten?
6              Maar den deugnieten gaat het allen als doornen der woestijn:
men grijpt ze niet met de hand aan;
7              wie ze aanvat wapent zich met ijzer of speerschacht,
en met vuur worden zij verbrand.
4.   Aan het begin van dit vers is en weggelaten. — dat... doet glinsteren, volg. verb. t. — op,
letterlijk uit, d. i. dat uit de aarde voorkomt.
5.   h niet alzoo, volg. verb. t.; grondt. Want alzoo is niet. — In do laatste twee regels is dezelfde
tekstverandering aangebracht.
0. der woestijn, volgens zeer onzekere tekstverbetering.
7.   Lezing en vertaling van den eersten regel zijn onzeker. De bedoeling is duidelijk: zooals door-
nen niet met de hand worden aangegrepen om verwijderd te worden, maar met ijzeren en houten
werktuigen worden uitgerukt en tot verbranding op een hoop geworpen, zoo zullen de goddeloozen
op gewelddadige wijze worden uitgeroeid. — Aan het slot heeft grondt, nog een woord dat bij ver-
gissing uit het volgende vers hierheen verdwaald en daarom weggelaten is.
HOOFDSTUK XXIII: 8—39.
Lijst van Davids helden. — Davids drie voornaamste helden en hunne daden: Isbaal (8), Eleazar
(9 v.), Sjamma (11 v.). Drie zijner helden halen met levensgevaar voor hem uit den put in Rethlehem
water, dat hij ter eer van Jahwe plengt (13—17). Abisjai en Mcnaja, en hunne daden (18—23). De
overige helden (24—39a); het gehcele getal (394).
Deze lijst treffen wij met tal van afwijkingen ook 1 Kron. XI: 11—41a aan. Vele der namen zijn
in beide teksten met fouten overgeleverd; van sommige is de oorspronkelijke vorm, ook met hulp
der Gr. vert. op beide plaatsen, niet terug te vinden. De mededeclingen omtrent dappere daden van
eenige der helden, in vs. 9 v„ 11 v., 13—17, 18, 20—23 er in gevlochten, zijn van deuzelfden aard
en handelen over dezelfde oorlogen als die in V : 17—25; XXI: 15—22 en dagteekenen met deze uit
ongeveer denzelfden tijd; zie inl. op V: 17—25.
XXIII: 8 Dit zijn de namen van Davids helden: Isbaal, de Hachmoniet, de
voornaamste van de drie; hij zwaaide zijn zwaard over achthonderd
9 man die hij op eenmaal verslagen had.\' Op hem volgde Eleazar, de
zoon van Dodo, de Ahohiet, ook een van de drie helden. Deze bevond
zich bij David te Pas-dammim, toen de Filistijnen zich aldaar ten
10 strijde verzameld hadden en de Israëlieten optrokken.\' Toen hij op-
stond, richtte hij eene slachting aan onder de Filistijnen, totdat zijne
Vs. 8, 9a. 1 Kron. XI: 11—18a. — Vs. 114—17. 1 Kron. XI: 18*—19.
8.   hliaiil, volg. Gr. vert.; Hebr. t. is onverstaanbaar, maar heeft blijkbaar eens laboosjeth, in plaats
van Isbaal, gegeven (zie op Richt. 11:11). — 0*1! Hachmoniet, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XI: 11;
Hebr. t. de Tahkemoniet. Volg. 1 Kron. XI: 11; XXVII: 32 was het een persoonsnaam; maar zie 1
Kron. XXVII: 2. — van de drie, met verandering van klinkers. Bedoeld zijn Davids drie grootste
helden, tot welke ook Eleazar en Sjamma (vs. 9, 11) behoorden; verg. vs. 17, 19. In Kronieken heet
hij de voornaamste van de dertig. — hij maaide zijn zwaard, volg. naar Gr. vert. en 1 Kron. XI: 11
verb. t. Wie het zwaard of de speer (vs. 18) over verslagenen zwaaide gaf daarmede te kennen dat
hij hen gedood had.
9.   de Ahohiet, volg. 1 Kron. XI: 12; grondt, de zoon van Ahohi. — Deze — Filistijnen, volg. Gr.
vert. en 1 Kron. XI: 18; Hebr. t. bij David, toen zij de Filistijnen hoonden. Over Pas-dammim lie
op 1 Sam. XVn: 1.
10.  enkel — schudden, niet om te strijden; Eleazar alleen had de zege bevochten.
-ocr page 646-
2 samukl XXIII: 10—22.
726
hand moede was en aan het zwaard kleefde. Zoo bewerkte Jahwe te
dien dage eene groote overwinning; en het volk keerde, hem achterna,
11       terug enkel om de lijken uit te schudden.\' Op hem volgde Sjamma,
de zoon van Age, de Harariet. Eens hadden de Filistijnen zich bij
Lehi verzameld; daar lag een stuk land met linzen; toen nu het volk
12       voor de Filistijnen vluchtte,\' ging hij midden op dat stuk land staan,
verdedigde het en versloeg de Filistijnen. Zoo bewerkte Jahwe te dien
dage eene groote overwinning.
13           Eens daalden drie van de dertig af en kwamen bij David op de rots,
in de bergveste van Adullam, terwijl de Filistijnen hun kamp in de
14       vallei der Refaïeten hadden opgeslagen.\' Terwijl David zich toen in de
bergveste bevond, was een wachtpost der Filistijnen te Bethlehem.\'
15       En David kreeg een sterk verlangen en zeide: Wie geeft mij water te drin-
10 ken uit den put van Bethlehem, den put in de poort?\' Toen braken de
drie helden door de legerplaats der Filistijnen heen, sphepten water
uit den put van Bethlehem, den put in de poort, namen het mede
en brachten het aan David. Maar hij wilde het niet drinken; hij plengde
17       het ter eer van Jahwe,\' en zeide: Daarvoor beware mij Jahwe! Zou
ik het bloed der mannen drinken die met levensgevaar er op uit zijn
gegaan? En hij wilde het niet drinken. Dit hebben die drie helden
gedaan.
18           Abisjai, Joabs broeder, de zoon van Seruja, was het hoofd van de
dertig; hij zwaaide zijne speer over driehonderd verslagenen en had
19       naam onder de dertig;\' ja, boven de dertig was hij geëerd, zoodat hij
20       hun aanvoerder werd; maar tot de drie reikte hij niet.\' Voorts Benaja,
de zoon van Jojada, een kloek man, van groote krijgsbedrijven, uit
Kabseël: hij versloeg de beide zonen van Ariël uit Moab; ook daalde
hij eens in een kuil af en sloeg daarin een leeuw dood, op een dag
21       dat er sneeuw lag.\' Ook versloeg hij eens een Egyptenaar, een man
van groote lengte, met eene speer in de hand: hij ging met een stok
op hem af, wrong hem de speer uit de hand en doodde hem met zijne
22       eigene speer.\' Deze daden heeft Benaja, de zoon van Jojada, verricht;
V». 18—23. 1 Krou. XI: 20—25.
11.  Sjamma. Verg. 1 Kon. 1:8. — Ilarariet, behalve hier nog vs. 38. — Lehi, met verandering
van klinker». Zie op Richt. XV : 9. — linzen, 1 Kron. XI: 18 gerit.
12.  te dien dage, uit Gr. vert. ingevoegd.
13.   drie van de dertig. De dertig heetten de v». 13—39 opgenoemde helden, die eene keurbende
schijnen gevormd te hebben, welke oorspronkelijk naarschijnlijk uit dertig man bestond. Dat dit getal
niet altijd hetzelfde bleef ligt in den aard der zaak; zie op vs. 39. Het drietal van vs. S— 13 wordt
uitdrukkelijk van de dertig onderscheiden. Hierna heeft grondt, nog hoofd, wat uit 2 Kron. XI: 15
hier is ingeslopen; aldaar voegt het, omdat de dertig daar (zie vs. 10) hoofden zijn. — op de roti,
volg. (ir. vert. en 1 Krou. XI: 15; Hebr. t. naar den oogst. — de bergveste, volg. verb. t., overeen-
komstig vs. 14; grondt, de spelonk; zie op 1 Sam. XXII: 1. — hun kamp, volg. 1 Kron. XI: 15;
Hebr. t. het toild gedierte. — de vallei der llafdieten. Zie op V : 18.
IR. de legerplaats, niet die van vs. 13, maar de wachtpost van vs. 14.
17.   zou ik... drinken, uit Gr. vert. en 1 Kron. XI: 19 ingevoegd. — die drie helt/en, de drie wier
heldendaad iu vs. 13—17 vermeld wordt. Het is echter mogelijk dat vs. 18—17a is ingelascht en vs.
17/\' mis onmiddellijk op vs. 8—12 volgde; iu welk geval oorspronkelijk de drie daar genoemden bc-
docld zouden zijn.
18.   Abisjai. Zie op 1 Sam. XXVI: 6. — de dertig, twee keer in dit en eens iu het volgende vers,
volg. verb. t.; grondt, telkens de drie. — hij — verslagenen. Zie op vs. 8.
19.   Iu dit vers is met Gr. vert. een onverstaanbaar woord weggelaten. — de drie, de vs. 8—12
genoemden.
20.   Benaja. Zie op VIII: 18. — Kabseël. Zie op Joz. XV : 21. — zonen van, uit Gr. vert. inge-
voegd. Waarom het dooden dier twee een buitengewoon heldeustuk heet, weten wij niet. Waarschijnlijk
muntten zij door lichaamskracht uit. — uit, naar gissing ingevoegd. — een kuil, waarin de leeuw,
door de sneeuw misleid, gevallen was.
21.   een man van groote lengte, volg. 1 Kron. XI: 23; grondt, een schoon ma». In Kron. XI volgt
nog van vijf el. — speer. 1 Kron. XI: 23 laat volgen als een weversboom.
22.  dertig, volg. verb. t.; grondt, drie.
-ocr page 647-
2 bamubl XXIII: 22—39.
727
23       hij had naam onder de dertig helden;\' ja, boven de dertig was hij ge-
eerd, maar tot de drie reikte hij niet. David stelde hem aan tot hoofd
over zijne naaste omgeving.
24           Dit zijn de namen van koning Davids helden: Azaël, de broeder van
Joab, een van de dertig, Elhanan, de zoon van Dodo, uit Bethlehem,\'
25, 26 Sjamma, uit Harod, Elika, uit Harod,\' Heles, uit Pelet, Ira, de zoon
27 van Ikkes, uit Tekoa,\' Abiëzer, uit Anathoth, Sibbechai, de Husjathiet,\'
28, 29 Eljon, de Ahohiet, Mahrai, uit Netofa,\' Heled, de zoon van Batina, uit
30       Netofa, Ittai, de zoon van Ribai, uit Gibea in Benjamin,\' Benaja, uit
31       Pireathon, Hiddai, uit Nahale-Gaüs,\' Abiël, uit Beth-araba, Azmaweth,
32, 33 uit Bahurim,\' Eljahba, uit Sjaülbon, Jasjen, de Guniet, Jonathan,\' de
zoon van iSjamma, de Harariet, Ahiam, de zoon van Sjarar, de Harariet,\'
34 Elifelet, de Ahasbiet, Hefer, uit Beth-Maiicha, Eliam, de zoon van
35, 36 Ahitofel, uit Gilo,\' Hesro, uit Karmel, Paiirai, uit Arab,\' Jigeal, de
37       zoon van Nathan, uit Soba, Bani, de Gadiet,\' Selek, de Ammoniet,
38       Nahrai, uit Beëroth, wapendrager van Joab, den zoon van Seruja,\' Ira,
39       de Jithriet, Gareb, de Jithriet,\' Uria, de Hittiet; in het geheel zeven
en dertig.
Vs. 24—89a. 1 Kron. XI: 26—41 a.
23.   David — omgeving. Verg. 1 Satn. XXII: 14. In VIII: 18 is Benaja hoofd der lijfwacht.
24.  Dit — helde», uit Gr. vert. ingevoegd. 1 Kron. XI: 26 heeft alleen de strijdbare helden. — Azaël.
Zie II: 18—32. Daar deze, kort na Davids zalving te Hebron gedood, mede onder de helden gerekend
wordt, heeft deze keurbeude reeds in den allercerstcn tijd van Davids regeering bestaan. — een van de
dertig.
In plaats hiervan verwachten wij hier de plaats van herkomst, Bethlehem, genoemd te zien.
Wellicht is er eene fout in den tekst geslopen. — Elhanan. Zie XXI: 10. — uit, volg. Gr. vert. en
1 Kron. XI: 26 ingevoegd.
25.  Sjamma, 1 Kron. XI: 27 Sjammoth. — Harod. Zie op Bicht. VII: 1.
26.   uit Pelet, 1 Kron. XI: 27 de Peloniet. De plaats heet elders Beth-pelet; zie Joz. XV : 27. —
Tekoa. Zie op Joz. XV : 59.
27.  Anathoth. Zie op Joz. XXI: 18. — Sibbechai, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XI: 29; Ilebr. t. Me-
bvnnai.
Zie XXI: 18.
28.   Eljon, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Salmon; 1 Kron. XI: 29 IIai. — de Ahohiet. Verg. vs. 9. —
Netofa. Zie op 2 Kou. XXV : 23.
29.   lleled, volg. 1 Kron. XI: 80 (1 Kron. XXVII: 15 Heidat); grondt, lleleb. — Ittai, 1 Kron.
XI: 81 llhai. — Qibea in Benjamin. Zie op Joz. XVIII: 24.
30.   Pireathon. Zie op Richt. XII: 15. — Hiddai, 1 Kron. XI: 32 Ilurai. — Nahale-Oads, d. i.
,Beken van Gaas\', waarschijnlijk in de nabijheid van het gebergte Gaas, waarover zie Joz. XXIV: 30
en op Joz. XIX: 50.
81. Abiël, volg. 1 Kron. XI: 32; Hebr. t. Abi-albon. — uit Beth-araba, volg. verb. t.; grondt, uit
Arba.
Zie op Joz. XV: 6. — Bahurim, volg. verb. t.; grondt. Barhum. Zie op III: 16.
32. Sjaalbon. Zie op Joz. XIX : 42. — Jasjen, de Guniet, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de zonen van
Jasjen.
Zie Num. XXVI: 48.
83. de zoon van, volg. Gr. vert. ingevoegd. Zie vs. 11. — Sjarar, 1 Kron. XI: 35 Sachar.— Hara-
riet,
den tweeden keer volg. 1 Kron. XI: 85; grondt. Arariet.
34. Elifelet, 1 Kron. XI: 85 Eli f al. — de Ahasbiet, onzekere lezing; grondt, laat zoon van vooraf-
gaan; 1 Kron. XI: 35 zoon van Ur. — Hefer, uit 1 Kron. XI: 36 ingevoegd. — uil Beth-Maaeha,
volg. verb. t.; grondt, de zoon van den Maachathiet. Zie op XX : 14. — Ahitofel, uit Gilo, 1 Kron.
XI: 36 Ahia, de Peloniet. Zie op XV : 12.
85. Karmel. Zie op Joz. XV: 55. — Padrai, 1 Kron. XI: 36 iVaërai. — uit Arob, 1 Kron. XI: 87
de zoon van Ezbai. Zie op Joz. XV: 52.
36.   Jigeal, de zoon van, 1 Kron. XI: 38 Joel, de broeder van. — uit — Gadiet, 1 Kron. XI: 38
Mibhar, de zoon van den Hagriet. — Soba. Zie op 1 Sam. XIV: 47.
37.   Beëroth. Zie op Joz. IX: 17.
38.  de Jithriet, waarschijnlijk: uit Jattir; zie op Joz. XV:48 en verg. op XX:26 en op 1 Kron. II :58.
39.   Uria, de Hittiet. Zie XI: 3 vv. — zeven en dertig. Dit cijfer wordt verkregen door optelling
van de drie in vs. 8—13, de twee in vs. 18—23 en de twee en dertig in vs. 24—39. In 1 Kron. XI
wordt deze optelling gemist en volgen in vs. 414—47 nog zestien namen.
HOOFDSTUK XXIV.
De volkstelling. — Jahwe, wederom op Israël vertoornd, spoort David aan, het volk te tellen; wat
David aan Joab en andere legeroversten opdraagt (1 v.); vergeefs tracht Joab hem van dit voornemen
af ie brengen; waarop zij \'s konings last uitvoeren (3—9). David beseft gezondigd te hebben en be-
-ocr page 648-
728                                      2 bamürl XXIV: 1—7.
lijdt schuld voor Jahwe (10), clio hom, bij monde van Gad, do keus geeft tusschen drie strafgerichtcn
(11—18); David kiest de pest, en deze breekt terstond uit (14 v.). Maar als do vorderfcngel, bij Ornans
dorachvlocr gekomen, de hand naar Jeruzalem uitstrekt, krijgt Jahwe berouw (16), en David bidt dat
Jahwe hem straffe maar zijn volk spare (17); waarop de profeet Gad hem gelast op ürnans dorsch-
vlocr een altaar te bouwen (18). Oruan biedt hem alle benoodigdheden voor het offer ten geschenke
aan (19—23); David slaat dit aanbod af, koopt den dorschvloer en offert daar aan Jahwe; waarna de
pest ophoudt (24 v.).
Dit verhaal, van dezelfde hand als XXI: 1—14 (verg. op vb. 1), komt, op belangrijke punten ge-
wijzigd, ook 1 Krou. XXI voor. De feiten die het vermeldt zijn zeker geloofwaardig: de volkstelling,
do pest en het boawen vnn een altaar door Dnvid om de pest te bezweren. Doch do voorstelling van
die feiten on van hun onderling verband wordt bcheerscht door de godsdienstige overtuiging van den
schrijver. Hij ziet in de pest eene straf voor de volkstelling, die daarom vooraf aangekondigd en later
op Davids gebed ten declc afgewend wordt. Op welken grond men eene monstering des volks als
zonde beschouwde zie op vs. 3 en op Exod. XXX: 12.
Het groot gewicht dat de schrijver blijkbaar hecht aan de plaats waar David het offer bracht en
dientengevolge de pest ophield, en aan Davids onderhandelingen met Ornnn om die plek te koopen,
laat zich wellicht hieruit verklaren dat aldaar door Salomo de tempel gebouwd is; zie 2 Kron. 111:1.
Daar dit echter noch in ons verhaal noch in dat van den tcmpclbouw in Koningin, maar eerst door
den Kroniekschrijver (zie 2 Kron. 111:1 en inl. op 1 Kron. XXI: 1—XXII: 1) gozogd wordt, blijft
het onzeker, of onze schrijver inderdaad aan de plek wanr de tempel stond gedacht heeft.
XXIV: 1 Jahwe, weder in toorn tegen Israël ontstoken, zette David tegen
\'2 hen oj> door te zeggen: Ga, tel Israël en Juda.\' Dienvolgens zeide de
koning tot Joab en de legeroversten die bij hem te Jeruzalem waren:
Doorkruist al de stammen van Israël, van Dan tot Bersjeba, en mon-
stert het volk. Zoo zal ik de getalsterkte van het volk te weten komen.\'
3       Toen zeide Joab tot den koning: Vermenigvuldige Jahwe, uw god, het
volk, welke zijne sterkte ook zij, honderdvoud, terwijl mijn lieer de koning
het met eigen oogen ziet; doch waarom heeft mijn heer de koning
4       hierin lust 1\' Maar liet bevel des konings was Joab en den legeroversten
te machtig; zoo trokken Joab en de legeroversten van voor den koning
5       uit, om het volk Israël te monsteren.\' Den Jordaan overgestoken, be-
gonnen zij van Aroër en van de stad in het dal, naar Gad en Jaëzer.\'
6       Daarna gingen zij Gilead in, naar het land der Hittieten, tot Kedes,
7       en kwamen in Dan; van Dan wendden zij zich naar Sidon.\' Vervolgens
kwamen zij aan de vesting Tyrus en alle steden der Hiwwieten en
Vs. 1—4. 1 Kron. XXI: 1—ia.
1.  veder slaat terug op XXI: 1—14; zie op XXI: 14. — in — op. Jahwe spoort David tot zonde
aan, om gelegenheid te hebben Israël te tuchtigen. De voorstelling dat eene slechte handelwijs door
Jahwe is gewild en gewerkt vinden wij ook elders; zie op Exod. IV: 21 en op 1 Sam. XXVI: 19.
Hoe men later het oanxtootclijkc dat er in lag zocht weg te nemen, zie op 1 Kron. XXI: 1. — tegen
hen,
tegen Israël; oimlnt het volk zou moeten lijden voor de zonde des konings.
2.  en — waren, volg. Gr. vort., gedeeltelijk ook 1 Kron. XXI: 2; verg. vs. 4; Hebr. t. dm legcr-
overste die bij hem wat.
Hiermede in overeenstemming hooft Hebr. t. ook het enkelvoud Doorkruis;
Gr. vert. het meervoud. — van Dan tot Bersjeba. Zie op liicht. XX: 1.
3.   t\'it de woorden vnn Joab volgt dat het David te doen was om zich door de telling te overtuigen
van de vermenigvuldiging zijns volks, en dit was hoogmoed.
4.  van, uit Gr. vert. ingevoegd.
5.  begonnen zij van, volg. Gr. vert.; Hebr. t. legerden zij zich in. Zij vingen de monstering dus aan
bij de grens van Moab. Monb zelf wordt evenmin als Ammon medegeteld, daar zij, hoewel aan David
onderworpen, niet tot het land van Israël behoorden. — en van, volg. Gr. vert.; Hebr. t. ten zuiden
van.
— de ttad in het dal. Zie op Dout. II: 3fl. — Qad en Jaëzer. Vreemde verbinding, daar Jaëzer
in Gnd lag. Over Jaëzer zio op Nam. XXI: 32.
fl. naar — Kedes, volg. Gr. vort. Over do woonplaats der Hittieten zio op Gou. X:15. Wolk Kedes
hier bedoeld wordt, is onzeker; vorg. op Joz. XII: 19—23. — van Dan wendden zij zich, volg. vorb. t.—
naar Sidon. Zie op Gen. X : 15. Volgens dit en het volgende vers zou du* ten tijde van David Fenicic
tot Israël behoord hebben. Dit heeft de schrijver van ons hoofdstuk niet kunnen mecnen; waarschijnlijk
zijn deze verzen omgewerkt door iemand die de voorstelling van Joz. XIX: 24—31 (zie aldaar) huldigde.
In 1 Kron. XXI ontbreken vs. 5—7.
7. de vesting Tyrus. Zie op Joz. XIX: 29. — alle — Kanaanieten. Hiermede wordt het geheele
land ten westen van den Jordaan nangcduid. Over de namen Hiuaietcn en Kanaanieten zie op Gen.
X:17 en 6. — het Zuiden van Juda. Zie op Joz. XV: 21.
-ocr page 649-
2 samübl XXIV : 7—20.                                      729
8       Kanaiinieten, en eindigden in het Zuiden van Juda, te Bersjeba.\' Zij
doorkruisten het gansche land en kwamen na verloop van negen
9       maanden en twintig dagen te Jeruzalem terug.\' Joab gaf den koning
de uitkomst der volkstelling op: Israël was achthonderd duizend strijd-
bare mannen die het zwaard voerden, Juda vijfhonderd duizend man sterk.
10           Maar nadat David het volk geteld had, begon zijn hart te kloppen
en zeide hij tot Jahwe: Ik heb zwaar gezondigd door hetgeen ik ge-
daan heb. Vergeef toch, Jahwe, de schuld van uw dienaar; want ik
11       heb zeer dwaas gehandeld.\' Doch toen David des morgens was opge-
staan — het woord van Jahwe nu was gekomen tot den profeet Gad,
12       den ziener van David:\' Ga heen en spreek tot David: Zoo zegt Jahwe:
Drie dingen leg ik u voor; kies, welk daarvan ik u zal aandoen —\'
13       kwam Gad tot David en deelde het hem mede en zeide: Zal in uw
land drie jaren hongersnood komen? Of wilt gij drie maanden voor
uwe tegenstanders vluchten, terwijl zij u vervolgen? Of zal in uw land
drie dagen de pest woeden? Weet nu en overleg, welk bescheid ik
14       mijnen zender zal brengen.\' Hierop zeide David tot Gad: Het is mij
zeer bang. Laat mij toch in de hand van Jahwe vallen, want zijne
barmhartigheid is groot; maar laat mij niet in de hand van mensenen
15       vallen.\' Zoo koos David de pest. Het was in den tarweoogst dat de
plaag onder het volk begon, en van Dan tot Bersjeba stierven uit het
16       volk zeventig duizend man.\' Toen strekte de engel zijne hand naar
Jeruzalem uit om het te verderven; maar nu kreeg Jahwe berouw
over het onheil en zeide hij tot den engel die het verderf onder het
volk bracht: Genoeg! laat thans uwe hand zinken. De engel van Jahwe
17       nu was bij den dorschvloer van Oman, den Jebuziet.\' Bij het zien van
den engel die het volk sloeg, zeide David tot Jahwe: Zie, ik heb ge-
zondigd, ik heb slecht gehandeld; maar deze schapen, wat hebben zij
gedaan? Zij toch uwe hand tegen mij en mijns vaders huis.
18           Tenzelfden dage kwam Gad bij David en zeide tot hem: Klim op
en richt voor Jahwe op den dorachvloer van Ornan, den Jebuziet, een
19       altaar op.\' Overeenkomstig het woord van Gad, klom David op, zooals
20       Jahwe geboden had.\' Toen Ornan, die bezig was met tarwe te dorschen,
rondkeek en den koning met zijne dienaren tot zich zag overkomen,
Vs. 8 v. 1 Kron. XXI: 44, B. — Vs. 10—25. 1 Kron. XXI: 8—28.
9.  Volgen» doze opgave zou Israël onder David ongeveer zes en ren half millioen zielen sterk zijn ge-
weest. Dit cijfer is zeker te hoog. Wellicht kwam de schrijver aan deze getallen door aan te
nemen dat Israël sedert den intocht in Kanniiu ruim verdubbeld was; zie Exod. XII: 37 en verg.
Num. 1:46; XXVI: 51. Het eindcijfer in 1 Kron. XXI: 5 is nog hooger.
10.  mulat — had, volgens geringe tekstverandering. — begon — kloppen, letterlijk sloeg hem het
hart,
van vrees. — Dat David nu reeds zijne schuld belijdt verraste den schrijver van 1 Kron. XXI,
die daarom hieraan laat voorafgaan dat Jahwe het volk sloeg. Maar onze schrijver wil niet zeggen dat
David eerst door de plaag tot inkeer komt; de ziener Gad brengt hem dan ook niet zijne zonde onder
het oog, maar kondigt hem alleen straf aan.
11.   Gad komt alleen nog 1 Sam. XXII: 5; 1 Kron. XXIX:29 voor.
12.  leg ik...voor, volg. 1 Kron. XXI: 10; grondt, leg ik ...op.
13.  drie jaren, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XXI: 12; Hebr. t. zeven jaren. — zij u vervolgen, grondt.
hij u vervolgt.
14.  Laat mij, volg. Gr. vert. en 1 Kron. XXI: 13. Hebr. t. Laat on:
15.  Zoo — begon, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Jahwe zond de peil in Israël van den morgen tol een
bestemden lijd.
16.  de engel, nl. van Jahwe, die hier als doods- of verderfengel handelt; verg. op Exod. XII: 23.—
kreeg Jahwe berouw. Zie op Gen. VI: 6. — Ornan, volg. 1 Kron. XXI: 15; grondt. Oma of Arawna.
Evenzoo vs. 18 enz. — Jebuziet. Zie op Gen. X:16.
17.  Een edel woord, vooral in den mond van een koning der oudheid, die licht meende dat het
volk om hem bestond.
18.  Klim op. Eene dorachvloer lag gewoonlijk op eene hoogte. Hier wordt wellicht de top van den
Sion bedoeld; zie Inl.
20. die — dorschen, volgens 1 Kron. XXI: 20 ingevoegd; verg. v». 16.
-ocr page 650-
2 samüïl XXIV : 20—25.
730
ging hij uit, wierp zich op zijn aangezicht voor den koning ter aarde\'
21       en zeide: Waarom komt mijn heer de koning tot zijn dienaar? David
antwoordde: Om den dorschvloer van u te koopen, ten einde daarop
een altaar voor Jahwe te bouwen; opdat de plaag onder het volk op-
22       houde.\' Oman zeide tot David: Mijn heer de koning neme en offere
wat hem goeddunkt: de runderen staan u ten dienste voor het offer
23       en de dorschsleden en het tuig der runderen voor brandhout;\' alles
geeft de dienaar van mijn heer den koning aan den koning ten ge-
schenke. Voorts zeide Ornan tot den koning: Jahwe, uw god, hebbe
24       welgevallen in u!\' Maar de koning zeide tot Ornan: Volstrekt niet.
Ik wil het voor den vollen prijs van u koopen en aan Jahwe,
mijn god, geen brandoffers brengen die mij niets kosten. Zoo kocht
David den dorschvloer en de runderen voor vijftig sikkelen zilver,\'
25       en David bouwde daar voor Jahwe een altaar en offerde brandoffers
en dankoffers. En Jahwe liet zich voor het land verbidden, en de plaag
hield onder Israël op.
22. Verg. 1 Kon. XIX: 21. — dorichtleden. Deze bestonden gewoonlijk uit twee of meer aan
elkander gehechte planken, waarvan de voorzijde omhoog gebogen was en waarin vele gaten waren
geboord, met scherpe stecnen bezet. Dit dientengevolge van onderen scherpe werktuig werd, met
steenen of een mensch die er opzat bezwaard, over de in een kring op den dorschvloer gelegde schoven
getrokken, zoodat het graan uit de hulzen gedreven en tevens het stroo min of meer fijn ge-
maakt werd (verg. Job XLI:22; Jez. XI.I : 15 . Er waren — zijn althans heden — in het Oosten ook
kunstiger vervaardigde sleden of wagens in gebruik; maar reeds deze eenvoudigste dorschslcdc was
ecu kostbaar voorwerp; zij dient thans nog in menige plaats van Syrië en Palestina tot zetel voor
een bruidspaar en paradebed voor een doodc. — Over andere wijzen van dorsenen zie op ltieht.
VI: 11 en op Dcut. XXV: 4.
28. de dienaar van mijn heer den koning, volg. verb. t; grondt. Ornan (Araana), de koning.
24.  vijftig sikkelen zilver, ongeveer ƒ85. Volg. 1 Kron. XXI: 26 betaalde David alleen voor den
dorschvloer 600 sikkelen goud (f 16.200).
25.  offerde — dankoffer», die volg. 1 Kron. XXI: 26 door vuur van den hemel ontstoken werden. —
£n — verbidden. Verg. XXI: 14.
KONINGEN.
INLEIDING.
Koningen is de naam van het laatste der geschiedboeken in het O. \'1\'. die in den Hcbrceuw-
schen Bijbel de eerste helft van den bundel profetische geschriften vormen. Het loopt over een tijd-
perk van ruim vier ecuwen: van Davids laatste dagen tot cenige jaren na den val van Jeruzalem
(083—561). De verdeeling in twee boeken, den Joden oudtijds onbekend en eerst later uit de
vertalingen in den Hebrccuwschen tekst overgenomen, is op een ongeschikt punt geschied: midden in
de geschiedenis van Ahazja van Israël. Koningen sluit zich bij Samnel aan; bepaaldelijk zijn
de eerste twee hoofdstukken vervolg en slot der geschiedenis van Davids hof, die 2 Sam. IX
begint. In de Grieksche vertaling en in de Vulgata is het: 3 en 4 Koningen, omdat daar Samuel
1 on 2 Koningen heet.
Het laat zich in drio deelen splitsen. Vooreerst 1 Kon. I—XI, de regeering van Salomo: zijne troons-
bestijging (I, II); zijne wijsheid en macht (III, IV); zijn tempelbouw (V—VII); de tempelwijding
(VIII: 1—IX: 9); nieuwe mededeelingen over zijn luister (IX*. 10—X:29); de schaduwzijde van zijne
regeeriug. en zijn dood (XI). Het tweede gedeelte, 1 Kon. XII—2 Kon. XVII, behandelt de geschie-
denis der broederrijken Israël en Juda: de afval der tien stammen (XII : 1—24); Jerobeam, vooral
wat hij voor den godsdienst doet en hoe dit door de profeten veroordeeld wordt (XII: 25—XIV : 20);
-ocr page 651-
731
1NLBID1NG OP KONINGEN.
Rehabcam en zijne eerste twee opvolgers (XIV : 21—XV: 24); Israël na Jerobeams dood tot Achab
(XV: 25—XVI: 34); Elia, in het dal Krith eu bij de weduwe te Sarefatb (XVII), op den Karmel
(XVIII), op den Horeb (XIX); Achab en Benhadad (XX); de wijngaard van Naboth (XXI); Achabs
dood (XXII: 1—40); Josjafat (XXII: 41—51); Ahazja van Israël en Elia (1 Kon. XX11: 52— 2 Kon.
1:18); Elia\'s hemelvaart en Eliza\'s eerste wonderwerken (II); de oorlog met Meesjn (III); KI i/n te
Sjuuem on te Gilgal (IV), geneest Naainan (V), doet ijzer bovendrijven en slaat de Arameërs met
blindheid (VI: 1—23), voorspelt uitredding bij het beleg van Samarië ( \\ I : 2 I—VII : 20), geeft raad
aan de Sjunamietischc en voorspelt Hu/nels troonsbestijging (VIII i 1—15); Joram en Ahazja van
Juda (VIII: 16—29); Jehu (IX, X); Athalja (XI); Joas van Juda (XII); Joahaz en Joas van Israël,
Eliza\'s dood (XIII); Amasja (XIV : 1—22); Jerobeam II (XIV: 23—29); Azarja (XV:1—7); Israël»
koningen van Zacharja tot Pekah (XV : 8—31); Jotham en Ahaz (XV : 32—XVI: 20); Hozea, onder-
gang van het rijk Israël (XVII: 1—23); de Samaritanen (XVII: 24—41). De derde afdceling, 2 Kon.
XVIII—XXV, loopt over Juda alleen: Hizkia (XVIII: 1—12); Jeruzalem gered (XVIII: 13—XIX:37);
Hizkia\'s leven verlengd; de gezanten uit Babel (XX); Manasse en Amon (XXI); Jozia; vooral zijne
hervorming van den godsdienst (XXII :1—XXIII: 30); Juda\'s laatste koningen (XXIII: 31—XXIV: 20);
de ondergang van Juda (XXV).
Reeds bij do eerste lezing van Koningen bemerkt men dat het gcon samenhangend eu doorloopend
geheel vormt. Dit ligt aau de ongelijksoortigheid der bestnnddeelen en aan de ongelijkmatige bchan-
deling der stof. Immers geeft het ons, nevens min of meer uitvoerige, soms zeer schoone, verhalen,
allerlei beknopte mededeelingen, voor het tweede eu grootste gedeelte van het werk in cenc bepaalde
lijst vervat, die aan eentonige beschouwingen worden vastgeknoopt, onder gedurige verwijzing naar
voor ons verloren geschriften; zie op 1 Kon. XIV: 21. Dan komen er zoowel berichten in voor van
ooggetuigen of aan echte bescheiden ontleend, als verhalen eerst vele jaren, soms een paar eeuwen, na
de gebeurtenissen opgeteekend.
Tot de betrouwbare geschriften welke aan Koningen ten grondslag liggen behooren voor alles „de
Geschiedenis van Salomo" (XI: 41), en „het boek der kronieken van Israëls koningen" (XIV: 19 enz.)
en „van Juda\'s koningen" (XIV: 29 enz.), die meer dan dertigmaal vermeld worden. Deze werken,
vermoedelijk grootendeels geput uit de aanteekeniugen der kanseliers (1 Kon. IV: 3 en elders), behels*
den de daden on lotgevallen, de krijgsbedrijven eu bouwwerken, i. 6. w. wat men gewoonlijk de ge-
schiedenis noemt, van Salomo en van de vorsten na hem. Het eerste kan nog in de tiende eeuw op-
gesteld zijn, en daarnaar of daaruit is, denkelijk eene of anderhalve eeuw later, 1 Kon. I—XI, in den
oorapronkelijken vorm, vervaardigd. Het tweede werk is mogelijk nog in de achtste eeuw geschreven.
Wellicht echter eerst in de zevende, te gelijk met het derde werk, dat misschien aanvankelijk niet tot
Jojakim (608—598; zie 2 Kon. XXIV: 5) liep, maar van iets vroeger dagtcekende en later voortgezet
is; verg. inl. op 2 Kon. XXIII : 31—XXIV :20a. Hoe dit zij, al het aan deze geschriften ontleende
is in hoofdzaak geloofwaardig. Wat de gebeurtenissen na het midden der negende eeuw betreft, den
inhoud kunnen wij tegenwoordig aanvullen, voor een deel staven, voor een ander deel verbeteren, door
de in den jongsten tijd ontdekte opschriften uit de oudheid (2 Kon. III: 4), vooral door die van de
Assyrischc en Babylonische vorsten; zie op 2 Kon. X:35 en inl. op 2 Kon. XVIII: 18—XIX: 87.
Maar de schrijver van Koningen heeft uit genoemde geschriften slechts weinig geput; omdat de ge-
schiedenis, gelijk ze boven omschreven werd, hem weinig bclnng inboezemde. Dit deed alleen de gods-
dienst; zoodat hij zich voor andere zaken veelal vergenoegde met zijne lezers te verwijzen naar die
werken, toen nog binnen hun bereik. Gelukkig voor ons, heeft hij anders gehandeld met zekere
grootere en kleinere geschriften of stukken, die hij opnam omdat er godsdienstige zaken in vermeld
werden of mede in verband stonden, profeten of priesters er eene rol in vervulden. Het zijn, behalve
de schets van Salomo\'s regeering, verhalen, van Efraimietischen of Judeeschen oorsprong, over de
scheuring, de Israëlietische vorsten Jerobeam, Achab, Joram, Jehu en de Judeesche Joas, Hizkia,
Jozia. Afzonderlijke vermelding verdient een in het begin der achtste eeuw in het rijk Israël ge-
schreven werk, dat wij den Profetenspiegel zullen noemen, voornamelijk handelend over Elia en
Eliza en zelf weder uit onderscheiden bestanddeelen samengesteld, van geringe historische, maar des
-ocr page 652-
782                                                 INLEIDING OP KONINOBN.
te grooter letterkundige, en vooral godsdienstige, waarde (zie inll. op 1 Kon. XVII—XIX en op
2 Kon. IV: 1—VIII: 15). Van dit werk werd een goed deel in Koningen opgenomen. Wanneer of
door wien, weten wij niet; zeker is alleen, dat het er weder kan worden uitgelicht zonderdat eene
leemte ontstaat.
De schrijver van Koningen was een tijdgenoot van Jozia en heeft misschien nog bij het leven, althans
niet lang na het treurig uiteinde van dezen vorst en voor de verwoesting van Jeruzalem zijn werk
vervaardigd. Hij staat op het standpunt der Dcutcronomische wet en beschouwt van daar uit oude
personen en toestanden, ze bcoordeelcude zonder op verschil van tijd te letten, dus alles wat
met die wet in strijd was streng gispende, met name den Jahwedienst op de hoogten, die tot zijne
ergernis ook in het rijk Juda en onder vrome koningen in zwang was, en niet minder streng de
vcreering van Jahwe onder het beeld van een stier, door alle Israëlietische koningen, ook de beste,
in stand gehouden, maar naar verdienste door Israëls ondergang gestraft. De stierdieust werd waar-
schijnlijk reeds afgekeurd in de Efraimietische verhalen die hij opnam, waarin de val der konings-
huizen van Efraim en die van het rijk zelf aan „de zonde van Jerobeam" geweten werd. Hij ver-
trouwt dat de doortastende maatregelen van Jozia een dergelijk strafgericht van Juda hebben afgc-
wend. — Wij behoeven nauwelijks te zeggen, tot hoevcle cu hoc velerlei wijzigingen, inlasschiugen,
uitweidingen deze standvastig volgehouden zienswijze noodwendig aanleiding gaf. Intusschcn is het niet
altoos met zekerheid te zeggen, welke hand deze hier of daar hoeft aangebracht. Immers blijkt dat in
dicnzclfdcn geest aan ons bock werd voortgewerkt. Eene halve eeuw later, toen het vertrouwen op de
heilzame vruchtcu van Jozia\'s hervorming door de uitkomst beschaamd, ook Juda weggevoerd, Jcruza-
lcm met den tempel verwoest was, heeft een vroom Judeër in de eerste eeuw na den val van Jeruza-
lcm (1 Kon. IV : 24), dien wij den loatsten verzamelaar zullen noemen, onder den indruk van Jere-
mia\'s profetieën, den arbeid van zijn voorganger voortgezet en opnieuw bewerkt. Wij herkennen zijne
hand, vooreerst, in de verklaring waarom Juda toch moest ondergaan: Jahwc\'s toorn was door de
zonden van Manassc in te hooge mate opgewekt om door Jozia\'s vroomheid gestild te worden; dan,
in de, bijna altijd onjuiste, becijfering die hij ten beste geeft van de gelijktijdigheid der Israëlietische
en Judcesche koningen; eindelijk, in andere bijvoegsels, door het gansche werk heen verspreid, die
ons blijkbaar na 586 verplaatsen. Eene pooB, niet te kort, ua de bevrijding en verhooging van Joja-
i-Iiiti in 561 (2 Kon. XXV: 27—30), maar voor de inneming van Rabel door (\'yrus in 538, heeft hij
zijn arbeid voltooid. Hij neemt hetzelfde standpunt in als zijn voorganger en verrichtte zijn werk in
het vast vertrouwen op het herstel van Jahwe\'s volk.
Bij de onderscheiding van de verschillende bcstanddeelen, alsmede van den oorspronkelijken schrij-
ver en den laatsten verzamelaar, moeten nevens den inhoud de eigenaardigheden van taal en stijl en
het gemis van samenhang dienst doeu om ons op het spoor te brengen of ons zekerheid te schenken.
Dit geldt ook van hetgeen in de volgende eeuwen, inzonderheid na het verschijnen van het Wetboek
van Ezra (zie inl. op De vijf boeken der Wet), met Koningen is geschied. Toen is namelijk door pries-
terlijke hand, met het oog op dit wetboek, hier iets bijgevoegd, daar iets weggelaten, ginds iets gewij"
zigd. Inzonderheid onderging de geschiedenis van Salomo (1 Kon. I—XI) deze nieuwe bewerking, omdat
daarin de Jeruzalemsche tempel de hoofdplaats inneemt; zij is, gelijk zij thans voor ons ligt, eene vrij
ordelooze verzameling van oudere en jongere borichten, in den geest van Deuteronomivm omgewerkt,
niet lang na den val van Jeruzalem in haar tegonwoordigen vorm gebracht, ton laatste, na het ver-
schijnon der priestcrwct, van enkele inlasschingcn voorzien. Maar ook het overige van het boek heeft,
blijkens den afwijkenden tekst dio aan de Orieksche vertaling ten grondslag gelegen heeft, tot in de
derde (of tweede?) eeuw v. Chr., zij het ook op kleiner schaal, toch min of meer belangrijke
\\vijzi-
ging of omwerking ondergaan (verg. inl. op Joma), zonderdat men in den regel het doel of de reden
er van kan nagaan. Het is niet onmogelijk dat enkele bezitters van een exemplaar van Koningen,
tevens in het bezit van het een of ander werk dat er voor gebruikt of er in opgenomen was, daar-
naar in hun exemplaar veranderingen gemaakt hebben.
De tekst van ons boek is over het geheel zuiver; alleen in 1 Kon. VI, VII is hij gedurig hopeloos
bedorven. Dat Koningen voor een groot deel evenwijdig loopt met Kronieken, en wij een paar verhalen
-ocr page 653-
1 KONINGRN I : l—6.
733
ook elders Tinden (2 Kon. XVIII—XX in Jcz. XXXVI—XXXIX j 2 Kon. XXV in Jer. LU) komt
ona soms te stade otn den geschonden tekst te herstellen.
De schrijver van Kronieken had ons bock, evenals Samuel, voor zich en ontleende daaraan veel.
Over de vrijheid waarmede hij daarbij te werk ging, en over de geringe waarde van hetgeen hij meer
geeft dan dio oudere geschriften, zie inl. op Kronieken.
EERSTE BOEK.
HOOFDSTUK I, II.
Salomo\'s troonsbestijging. — David, oud en afgeleefd, wordt door Abisjag verpleegd (1: 4). Adonia
maakt aanstalten om koning te worden (5—8) eu legt daartoe een feestmaal aan (9 v.). I)e profeet
Nathan geeft aan Bathsjeba den raad, David ten gunste van haren zoon Salomo te bewerken (11—
14); zij volgt dien raad op (15—21), waarbij Nathan haar behulpzaam is (22—27). David belooft
Bathsjeba, Salomo onmiddellijk tot zijn opvolger te doen uitroepen (28—31), en geeft daartoe last aan
den priester Sadok, Nathan en den overste Benaja (32—37). Salomo wordt als koning gezalfd en in-
gehaald (38—10). Adonia en zijne gasten worden van het gebeurde onderricht (41—48); waarop
Adonia naar cenc heilige wijkplaats vlucht, maar van Salomo de toezegging ontvangt dat hij, indien
hij zich rustig houdt, ongedeerd zal blijven (49—53). David vermaant vóór zijn sterven Salomo, de
wet van Jahwe te onderhouden, en draagt hem op, Joab en Simeï een geweldigen dood te doen ster-
ven en Bnrzillai\'s zonen wel te doen (II: 1—9). David sterft cu wordt door Salomo opgevolgd (10—
12). Adonia vraagt, door bemiddeling van Bathsjeba, Salomo om Abisjag tot vrouw, welk verzoek hij
met den dood bekoopt (13—25). Salomo verbant Abjathar (26 v.) en laat Joab in het heiligdom waar-
heen hij de wijk genomen had ncorstootcn (28—35). Simeï, op strnlfc des doods gehouden te Joruza-
lem te blijven, overtreedt na drie jaar dit gebod en wordt gedood (86—46).
Met uitzondering van II: 2—4, 27, door den schrijver van Koningen, in den geest van Veulerono-
mium,
hier ingevoegd, wordt in deze beide hoofdstukken de bijzondere geschiedenis van David, 2 Sain.
IX—XX, voltooid (zie inl. op Samuel). Dit gedeelte maakt den indruk, afkomstig te zijn van goed
ingelichte berichtgevers, die onpartijdig de toedracht van zaken mcdcdcelen; dientengevolge vertoouen
de troonsbestijging van Salomo en zijne maatregelen tot bevestiging zijner heerschappij zich in een
ongunstig licht.
Van het hier verhaalde vinden wij in Kronieken niets dan de korte vermelding van Salomo\'s
troonsbestijging, 1 Kron. XXIII: 1; XXIX: 22.
1:1          Toen koning David oud en bedaagd geworden was, dekte men hem
2      met spreien toe, maar hij werd niet warm.\' Zoo zeiden zijne dienaren:
Men zoeke voor den koning eene jonge maagd, die voor den koning
sta, hem tot verpleegster zij en in zijn arm slape; dan zal onze heer
3      de koning warm worden.\' Men zocht dan in het gansche grondgebied
van Israël naar een schoon meisje en vond Abisjag van Öjunem, die
4      men bij den koning bracht.\' Het was een bijzonder schoon meisje, en
zij was den koning tot verpleegster en diende hem, maar de koning
hield geen gemeenschap met haar.
5          Adonia nu, de zoon van Haggith, voerde een hoogen staat, meenende:
Ik zal koning worden. Hij schafte zich een wagen en ruiters aan, be-
6      nevens vijftig man die voor hem uit liepen.\' Zijn leven lang had zijn
1—4. Deze verzen dienen om hot volgend hofcabaal in te luiden en vooral II: 21—46a op te helderen.
1.  oud. Hij was volg. 2 Sara. V :4 zeventig jaar.
2.  seiden zijne dienaren: Men zoeke voor, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zeiden htm zijne dienaren: Men
zoeke voor mijnen heer.
— die — ita, om zijne bevelen af te wachten en hem te dienen. — zijn
arm, onze keer,
volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. uu> arm, mijn keer.
8. üjunem. Zie op Joz. XIX: 18.
5.  Adonia, of Adonijaku, d. i. .Jahwe is mijn heer\', gelijk zijn naam voluit vs. 9 en elders luidt,
de vierde zoon van David, 2 Sam. III: 2—5, na den dood van Amnon en Absalom de vermoedelijke
troonopvolger; Chileab, de tweede zoon, schijnt jong gestorven of niet in aanmerking gekomen te zijn.
— Hij ickafte ziek — liepen. Evenals Absalom; zie op 2 Sam. XV: 1.
6.  een teer schoon voorkomen. Ook van Absalom wordt dit geroemd, 2 Sam. XIV: 25 v. Het werkte
er toe mede dat hun vader toegevend voor hen was. — volgde in leeftijd op (letterlijk kij had kern
verwekt na) Abtalom.
Verg. 2 Sam. UI: 3 v. Grondt, zij had kern gekaard na Absalom.
-ocr page 654-
1 KONINOBN I : 6—21.
734
vader hem niet bemoeilijkt met de vraag: Waarom doet gij aldus?
Ook had hij een zeer schoon voorkomen en volgde in leeftijd op Ab-
7       salom.\' Hij onderhandelde met Joab, den zoon van Seruja, en met den
8       priester Abjathar, en dezen kozen de partij van Adonia;\' doch de
priester Sadok, Benaja, de zoon van Jojada, de profeet Nathan, Sjamma
en zijne krijgsmakkers, Davids helden, waren niet op de hand van
\'J Adonia.\' Adonia nu offerde kleinvee, runderen en mestkalveren bij de
Slangenrots, die naast de bron Kogel ligt, en noodigde al zijne broe-
ders, \'s konings zonen, en al de mannen van Juda, \'s koning» dienaren;\'
10       maar den proleet Nathan, Benaja, de helden en zijn broeder Salomo
noodigde hij niet.
11            Toen zeide Nathan tot Bathsjeba, Salorao\'s moeder: Hebt gij niet
gehoord dat Adonia, de zoon van Haggith, koning is geworden, buiten
12       medeweten van onzen lieer David?\' Nu dan, laat mij u een raad geven;
13       opdat gij uw leven en dat van uw zoon Salomo redt.\' Ga binnen bij
koning l)avid en zeg tot hem: Hebt gij, mijn beer de koning, niet
aan uwe dienstmaagd gezworen: Salomo, uw zoon, zal na mij koning
worden; hij zal op mijn troon zitten? Waarom is dan Adonia koning
14       geworden/\' Terwijl gij daar nog met den koning spreekt, zal ik na u
binnenkomen en uwe woorden aanvullen.
15           Zoo ging Bathsjeba tot den koning, in zijne binnenkamer; de koning
16       nu was zeer oud en werd door Abisjag van Sjunem bediend.\' Bathsjeba
boog voor den koning en wierp zich voor hem neder; waarop de koning
17       tot haar zeide: Wat verlangt gij?\' En zij zeide: Mijn heer, gij hebt
uwe dienstmaagd bij Jahwe, uwen god, gezworen: Uw zoon Salomo zal
18       na mij koning worden; hij zal op mijn troon zitten.\' En zie, nu is
Adonia koning geworden, zonderdat gij, mijn heer de koning, het
19       weet.\' Hij heeft runderen, mestkalveren en kleinvee in menigte ge-
offerd, al \'s konings zonen genoodigd, ook den priester Abjathar en den
legeroverste Joab, maar uwen knecht Salomo heeft hij niet genoodigd.\'
20       Op u, mijn heer de koning, is het oog van gansch Israël, dat gij hun
te kennen geeft, wie op den troon van mijnen heer den koning na
21       hem zitten zal.\' Anders zullen, wanneer mijn heer de koning bij zijne
7.   Joab on Abjathar zijn aan David levenslang verbonden en trouw gebleven; zij hebben zich
waarschijnlijk bij Adonia gevoegd omdat hij, als de oudste, de rechthebbende was; zie II: 22; gelijk
ook zijne andere broeders, op Salomo na, zich om die reden bij hem zullen hebben aangesloten; verg.
inl. op Geu. XXV.
8.   Sadok. Zie 2 Sam. VIII: 17. Dat de priesters Abjathar en Sadok verschillende partijen kozen, is
waarschijnlijk, gelijk in het geheel deze verdeeldheid der groeten, aan onderlingen naijver te wijten.
— Benaja. Het hoofd der koninklijke lijfwacht, 2 Sam. XX: 23; XXIII: 22. — Nathan. Over zijne
verhouding tot Salomo zie 2 Sain. XII: 25. — Sjamma en zijne krijgtmakkert, volg. Gr. vert.; Hebr.
t. Sjimeï en Rei en. Deze Sjamma is waarschijnlijk de 2 Sam. XXlil : 11 genoemde. — David* helden.
Zie 2 Sam. XXIII: 8—39.
9.  qferde, ter inwijding van het feestmaal waarop hij, in de nlgemccnc opgewondenheid, tot koning
zou worden uitgeroepen. Zie vs. 25; ook 2 Sam. XV: 12. — Slangenrole, Hebr. Eien-{,steen\')hazzo-
Aele/h,
eene plaats buiten Jeruzalem, alleen hier genoemd. — de Bron Bogel. Zie op Joz. XV: 7. —
al de mannen van Juda, zijne stamgenooten, daar hij te Hebron geboren was, 2 Sam. III : 4. Verg. op
1 Sam. XXII: 7 v.
10.   Adonia wist dus dat Salomo zijn mededinger naar de kroon was, en dat Nathan en Benaja op
diens hand waren.
12. opdat gij — redt. Indien Adonia werkelijk koning werd, zou hij, naar Oostersche zeden, tot bevesti-
ging zijner heerschappij, vóór alles zijn mededinger Salomo uit den weg ruimen; verg. op 1 Sam. XX: 15 v.
14.   aanvullen, nl. wat aan uwe woorden of den daardoor gemaakten indruk ontbreken mocht; hier
dus zooveel als bekrachtigen.
15.  sijne binnenkamer, welke de afgeleefde, hulpbehoevende koning niet meer verliet en waar alleen
zijne vertrouwden tot hem mochten doordringen.
19. uwen knecht. Wellicht moet hier, evenals in vs. 25, uieen toon gelezen worden. Gr. vert. had
waarschijnlijk maar — genoodigd niet.
21. hij zijne vaderen ter ruste gaan, in het schimmenrijk. Zie op Gen. XV: 15. — mUdadigeri, des
doods schuldig, omdat wij naar de regeering gestaan hebben. Zie op vs. 12 en verg. II: 22—46.
-ocr page 655-
1 KONINGEN I : 21—35.
735
vaderen zal ter ruste gaan, ik en mijn zoon Salomo als misdadigers
gerekend worden.
22           Terwijl zij nog met den koning sprak, daar kwam de profeet Nathan,\'
23       en men berichtte den koning: Daar is de profeet Nathan. Hij kwam
bij den koning binnen, wierp zich voor hem op zijn aangezicht ter
24       aarde\' en zeide: Mijn lieer de koning, gij hebt dan gezegd: Adonia
25       zal na mij koning worden; hij zal op mijn troon zitten?\' Want hij
heeft heden buiten de stad runderen, mestkal veren en klein vee in
menigte geotterd, al \'s konings zonen, den legeroverste Joab en den
priester Abjathar genoodigd; thans eten en drinken zij bij hem en
26       zeggen: Leve koning Adonia!\' Maar mij, uwen dienaar, den priester
Sadok, Benaja, den zoon van Jojada, en uwen zoon Salomo heeft hij
27       niet genoodigd.\' Zou deze zaak vanwege mijnen heer den koning ge-
schied zijn, en zoudt gij uwe dienaren niet hebben doen weten, wie
op den troon van mijnen heer den koning na hem zitten zal?
28           Hierop antwoordde koning David en zeide: Roept mij Bathsjeba. Toen
29       zij nu was binnengekomen en voor den koning stond,\' zwoer de koning
en zeide: Zoo waar als Jahwe leeft, die mij uit allen nood heeft ver-
30       lost,\' hetgeen ik u bij Jahwe, Israëls god, gezworen heb, dat uw zoon
Salomo na mij koning zal worden en hij in mijne plaats op mijn
31       troon zitten zal, zulks doe ik nog op dezen zelfden dag.\' Toen boog
Bathsjeba met het aangezicht ter aarde, wierp zich voor den koning
neder en zeide: Leve mijn heer, koning David, in eeuwigheid!
32           Nu zeide de koning: Roept mij den priester Sadok, den profeet
Nathan en Benaja, den zoon van Jojada. Toen zij bij den koning binnen-
33       gekomen waren,\' zeide de koning tot hen: Neemt met u de knechten
uws heeren, laat mijn zoon Salomo op mijn eigen muilezel rijden, en
34       voert hem naar Gihon.\' Daar moeten hem de priester Sadok en de
profeet Nathan tot koning over Israël en Juda zalven. Steekt dan de
35       bazuin, en zegt: Leve koning Salomo!\' Trekt voorts in zijn gevolg
de stad in, en hij kome en zette zich op mijnen troon; zoo zal hij
koning zijn in mijne plaats; hem stel ik aan als vorst over Israël en
V». 294. 2 Sam. IV: 94.
22.  Nathan komt het paleis binnen. Bathsjeba vertrekt, vs. 23, wanneer hij wordt aangediend en
bij den koning toegelaten, zie vs. 28; evenals Nathan vertrekt, vs. 28, wanneer zij bij den koning
ontboden wordt, zie vs. 82.
24.   «ij hebt dan gezegd. Nathan en Bathsjeba stellen alles in het werk om den ouden vorst te
prikkeleu om zich in het belang van Salomo te doen gelden. Zij verzekert, vs. 17, dat David haar plechtig
beloofd heeft dat Salomo zijn opvolger zal worden, wijst, vs. 18, er op, dat Adonia buiten zijn mede-
weten den troon wil bestijgen, zegt vs. 20, dat het volk zijne beslissing in spanning verbeidt, herinnert
hem, vs. 21, dat haar leven en dat van haar zoon er mede gemoeid is. Nathan versterkt, vs. 24—27,
den indruk harer woorden, door zeer behendig de gevoeligheid van David gaande te maken. Zoo wordt
het dool bereikt, vs. 28—31.
25.  den legerovertte Joab, volg. Gr. vert.; llcbr. t. de legerooertteit.
23.  uwe» toon, volg. (ir. vert.; Hebr. t. uwen knecht,
27. moe dienaren. Zoo worden genoemd wie niet met Adonia meegaan. Eene andere lezing van den
Hebr. t. geeft dienaar, d. i. Nathan. — Nathan zegt niet dat David ten aanhooren van hem of van
anderen aan Salomo den troon heeft beloofd.
31. Leve — eeuwigheid! Uiting van hare dankbaarheid voor zijne stellige toezegging. Deze zegen-
wensen was ook bij het toespreken van de Perzische koningen zeer gewoon, Neh. 11:3; Dan. 11 :4 •
III: 9; V: 10; VI: 22. Verg. Ps. LXI: 7.
33.  de knechten. Hier is waarschijnlijk de lijfwacht bedoeld, zie vs. 38; elders worden er ook de
.helden" en andere krijgsknechten onder verstaan, 2 Sam. XX: 6, 7. — mijn eigen wmilesel. Het
hoogste eerbewijs dat de koning kon schenken; zie Gen. XLI: 43; Est. VI: 7—9. — muiletel. Zie
op 2 Sam. XIII: 29. — Gihon, eene bron en een vijver, op de oostelijke helling van den Sion, waar-
schijnlijk buiten den stadsmuur. Verg. op 2 Kon. XX: 20.
34.  en Juda, bijgevoegd uit Gr. vert.
35.  hij kome, nl. in het koninklijk paleis.
-ocr page 656-
1 KONINGBN I : 35—52.
736
36       Juda. \' Daarop antwoordde Benaja, de zoon van Jojada, den koning en
zeide: Amen! Jahwe, uw god, bekrachtige de woorden van mijnen
37       heer den koning!\' Gelijk Jahwe met mijnen heer den koning is ge-
weest, zoo zij hij met Salomo en make zijnen troon nog hooger dan
dien van mijnen heer, koning David!
38           Toen daalden de priester Sadok, de profeet Nathan en Benaja, de
zoon van Jojada, met de Krethiërs en 1\'lethiërs, af, deden Salomo op
den muilezel van koning David rijden en voerden hem naar Gihon.\'
39       En de priester .Sadok nam den hoorn met olie uit de tent en zalfde
Salomo; toen stak men de bazuin, en al liet volk zeide: Leve koning
40       Salomo!\' Daarop trok al het volk in zijn gevolg de stad in, spelende
op de fluit en onder groot vreugdebetoon; zoodat de grond scheurde
van hun gedruisch.
41            Dit hoorden Adonia en al de gasten die bij hem waren, toen zij
juist geëindigd hadden met eten: ook Joab hoorde den klank der
42       bazuin en zeide: Vanwaar dat luid gejoel in de stad?\' Terwijl hij nog
sprak, daar kwam Jonathan, de zoon van den priester Abjathar; en
Adonia zeide: Kom binnen; want gij zijt een wakker man en zult
43       iets goeds boodschappen.\' Maar Jonathan antwoordde en zeide: Integen-
44       deel! Onze heer, koning David, heeft Salomo koning gemaakt.\' Hij
heeft hem den priester Sadok, den profeet Nathan en Benaja, den zoon
van Jojada, met de Krethiërs en Plethiërs medegegeven; zij hebben
45       hem op des konings muilezel doen rijden,\' en de priester Sadok en
de profeet Nathan hebben hem te Gihon tot koning gezalfd; van daar
zijn zij juichende de stad ingegaan, die daarop in rep en roer is ge-
46       raakt. Dat is het rumoer dat gij hebt gehoord.\' En niet alleen heeft
47       Salomo zich nedergezet op den koninklijken troon,\' maar ook zijn
\'s konings dienaren binnengekomen om onzen heer, koning David, geluk
te wenschen, zeggende: Make uw god den naam van uwen zoon Salomo
nog roemrijker dan den uwen, en zijn troon nog hooger dan uw troon!
48       En de koning heeft zich op zijn rustbed nedergebogen.\' Ook heeft de
koning aldus gesproken: Geloofd zij Jahwe, Israëls god, die heden een
mijner zonen heeft doen zitten op mijn troon, zoodat mijne eigene
oogen het zien!
49           Toen stonden al de gasten van Adonia ontsteld op en gingen ieder
50       zijns weegs.\' En Adonia, bevreesd voor Salomo, stond op en ging heen
naar de tent van Jahwe en greep de hoornen van het altaar, zeggende:
Laat koning Salomo mij vooraf zweren dat hij zijn knecht niet zal
51       dooden met het zwaard!\' Men berichtte dan aan Salomo: Zie, Adonia
is bevreesd voor koning Salomo; daarom houdt hij de hoornen van
het altaar vast, zeggende: Laat koning Salomo mij vooraf zweren dat
52       hij zijn knecht niet zal dooden met het zwaard!\' Toen zeide Salomo:
Indien hij een braaf man wil zijn, zal geen haar van zijn hoofd ge-
krenkt worden; maar wordt hij op eenig boos opzet betrapt, zoo zal
30. Amen. Zie op N\'iin. V : 22. — Jahwe — koningI volg. Gr. vort.; Hcbr. t. Aldus zegge Jahwe,
de god van mijnen heer den koning!
37.  make — hooger, make zijne heerschappij nog luisterrijker I
38.  daalden... af, van het paleis naar den Gihon, in het lagere gedeelte van Jeruzalem. — de
Krethiërs en Plethiërs,
de koninklijke lijfwacht. Zie op 2 Sam. VIII: 18.
31). den hoorn met olie. Zie op Gen. XXVIII: 18. — stak mm. Het blazen op de bazuin diende om
den nieuwen koning bij Jahwe in gedachtenis te brengen; zie op Num. X: 1—10. — de tent, waarin
de ark van Jahwe stond, 2 Sam. VI: 17.
42. Jonathan, de zoon van Abjathar. Zie 2 Sam. XV: 27; XVII: 17—22.
48. een mijner zonen, ingevoegd uit Gr. vert.
60. naar de tent van Jahwe en zeggende — zwaard, aanvulling uit Gr. vert. — de tent van Jahwe,
als vrijplaats; zie op Exod. XXI: 13. — de hoornen van het altaar. Zie op Exod. XXVII : i.
-ocr page 657-
737
1 koningen I: 52—11: 11.
53 hij sterven.\' En koning Salomo liet hem van het altaar halen; hij
kwam en wierp zich voor koning Salomo neder, en Salomo zeide tot
hem: (Ja heen naar uw huis.
II: l
         Toen de dagen van David hun einde naderden, gat\' hij aan zijn zoon
2       Salomo deze vermaningen:\' Ik ga den weg van al wat leeft; houd u
3       dan kloek en wees een man.\' Neem uwe plichten waar jegens Jahwe,
uwen god, door op zijne wegen te wandelen en zijne inzettingen,
geboden, verordeningen en voorschriften te onderhouden, naar hetgeen
in de wet van Mozes geschreven is: opdat gij voorspoedig moogt zijn
4       in al wat gij doet en overal waarheen gij u wendt.\' Dan zal Jahwe
het woord gestand doen dat hij mij aangaande gesproken heeft: Indien
uwe zonen acht geven op hun weg, om getrouw met hun gansene
hart en ziel voor mijn aangezicht te wandelen, zoo zal op den troon
5       van Israël nooit een afstammeling van u ontbreken.\' Voorts weet gij
zelf wat Joab, de zoon van Seruja, mij gedaan heeft, hoe hij met de
twee legeroversten van Israël, Abner, den zoon van Ner, en Amaza,
den zoon van Jether, gehandeld heeft, die hij heeft gedood, oorlogsbloed
wrekende in vredestijd en met onschuldig bloed den gordel om zijne
6       lenden en de schoenen aan zijne voeten bezoedelend.\' Handel naar uwe
wijsheid, en laat zijne grijze haren niet in vrede naar het schimmen-
7       rijk dalen.\' Maar de zonen van Barzillai den (üleadiet zult gij weldoen;
zij moeten tot uwe dischgenooten behooren; want aldus zijn zij mij te
8       gemoet gekomen toen ik voor uw broeder Absalom vluchtte.\' Dan hebt
gij nog Simeï, den zoon van Gera, den llenjaminiet, uit Bahurim: hij
heeft mij op geweldige wijze gevloekt op den dag dat ik naar Mahanaim
ging; doch toen hij mij te gemoet kwam aan den Jordaan, heb ik hem
!) bij Jahwe gezworen: Ik zal u niet met het zwaard doen sterven.\' Nu
dan, laat hem niet ongestraft; want gij zijt een wijs man en zult wel
weten wat met hem te doen, om zijne grijze haren bebloed naar het
schimmenrijk te doen dalen.
10            Daarna ging David ter ruste bij zijne vaderen en werd in de l)avid-
11       stad begraven.\' De tijd dien David over Israël geregeerd heeft was
veertig jaren: te Hebron regeerde bij zeven jaren en te Jeruzalem drie
Vs. 4. VIII:25; IX:5. — Va. 11. 2 Sam. V:5; 1 Kron. 111:4; XX1X:27.
2.  den weg van al «at leeft, letterlijk der gansche aarde, dat is, van het gansche menschdom, den
weg naar het schimmenrijk; desgelijks Joz. XXIII: 11. — houd — man. Xn komt het er op aan, te
toonen wie gij zijt en wat gij kunt; want nu moet gij de leiding dca volk» op u nemen. Verg.
1 Kron. XXIX:].
3.  uwe plichten, letterlijk datgene wal onderhouden moet worden, — naar hetgeen in de wet van
Mozes geschreven is.
De schrijver onderstelt dat „de wet van Mozes", waarmede hier het hoek l)eule-
ronomium
hcdoeld wordt, reeds van Mozes\' dagen af bestaan had, en denkt bepaaldelijk aan de
koningswet, Deut. XVII : 14—20. Zie aldaar en verg. Joz. 1:7 v.
4.  Indien — ontbreken. In deze bewoordingen staat die belofte, ook V111: 2.">; IX: ö vermeld,
nergens te lezen, maar de schrijver heeft het oog op 2 Sam. VII: 12—2ö. Verg. ook I\'s. (\'XXXII: 11 v.;
Jer. XXXIII: 17.
5.  Verg. 2 Sam. 111:26—30; XX: 8—12. — wrekende, volg. Gr. vert.; Hebr. t. stellende. Abner
had Azaël, Joabs broeder, in deu oorlog verslagen, 2 Sam. II: IS—23; Joab nam hierover wraak
terwijl Abner in vrede was met Joabs koning, 2 Sam. 111:22. — onschuldig bloed, volg. Gr. vert.;
Hebr. t. oorlogsbloed. Joab hnd Amaza vermoord omdat David dezen in zijne plaats tot opperbevel-
hebber had benoemd, 2 Sam. XIX : 13. Zie ook op vs. 31.
6.  Zie v». 9 en op Gen. XXX\\\'II:35.
7.  tot uwe dischgenooten behooren, d. i. opgenomen aan uw hof, onbekrompen leven op uwc kosten. —
aldu; met het ruimst betoon vnu gastvrijheid, 2 Sam. XVII: 27—2i); XIX: 81—31).
8.  Zie 2 Snm. XVI: 5—14 en XIX: 18—28. — Over Simcï\'s lot zie v». 30—40.
0. i;i :ult — dalen. Gij zult wel een voorwendsel vinden waardoor Simeï ecu geweldigen dood sterft,
zonderdat mijn eed wordt gebroken.
10.. de Daoidstad. Zie op 2 Sam. V : 7.
O.T. I.                                                                                                                           47
-ocr page 658-
738                                       1 koningen 11:11—27.
12       en dertig jaren.\' Kn Salomo zette zich op den troon van zijn vader
David, en zijn koningschap werd zeer bevestigd.
13           Een* kwam Adonia, de zoon van Haggitli, bij Batbsjeba, de moeder
van Salomo, en wierp ziel» voor baar neder. Zij zeide: Is uwe komst
14       vrede.\' Hij zeide: Ja.\' Verder zeide bij: Ik wenschte u te spreken. Zij
15       zeide: Spreek.\' Ilij zeide dan: (jij zelve weet dat bet koningsebap
mijn was en ganscb Israël mij aanzag als zijn toekomstigen koning;
maar door een ommekeer is bet koningsebap aan mijn broeder gekomen,
1H want Jahwe bad bet hem toegedacht.\' Thans heb ik éen klein verzoek
17       aan u; wijs mij niet af. Zij zeide tot hem: Spreek.\' Hij zeide: Wil
aan koning Salomo zeggen — want n zal bij niet afwijzen — «lat bij
18       mij Abisjag van Sjunem tot vrouw geve.\' Bathsjeba zeide tot hem:
19       \'t Is goed, ik zelve zal over u den koning spreken.\' Toen dan llathsjeba
bij koning Salomo kwam, om hem over Adonia te spreken, stond de
koning op, ging haar te gemoet en kuste haar; daarna zette hij zich
op zijn troon en deed hij voor de moeder des konings een zetel plaatsen,
20       zoodat zij aan zijne rechterhand zat.\' Nu zeide zij tot hem: Een klein
verzoek kom ik u doen, wijs mij niet af. En de koning zeide tot baar:
21        Vraag slechts, moeder; ik zal u niet afwijzen.\' Toen zeide zij: Laat
Abisjag van Sjunem aan uw broeder Adonia tot vrouw gegeven wor-
22       den.\' Maar koning Salomo antwoordde en zeide tot zijne moeder: Wel,
waarom vraagt gij Abisjag van Sjunem voor Adonia? Vraag liever voor
hem het koningschap: daar hij toch mijn oudere broeder is en den
priester Abjathar en den legeroverste Joab, den zoon van Seruja, tot
23       vrienden heeft!\' En koning Salomo zwoer hij Jahwe: Zóo, ja meer nog,
zal God mij doen, indien Adonia dit woord niet met den dood bekoopt!\'
24       ATu dan, zoo waar als Jahwe leeft, die mij aangesteld en op den troon
van mijn vader David geplaatst heeft, en die mij een huis gemaakt
heeft, zooals hij gezegd iiad; nog dezen dag moet Adonia ter dood ge-
25       bracht worden. Daarop gelastte koning Salomo Denaja, den zoon van
Jojada, hem neer te stooten. Zoo stierf Adonia op dien zelfden dag.
2fi          Tot den priester Abjathar nu zeide koning Salomo: Begeef u naar
Anatboth, op uw landgoed; want gij zijt des doods schuldig; doch ik
zal u beden niet doen sterven, omdat gij den efod voor het aangezicht
van mijn vader David gedragen en in al zijne verdrukkingen trouw
27 gedeeld hebt.\' Aldus verdreef Salomo Abjathar, zoodat hij geen priester
van Jahwe bleef; opdat vervuld werd het woord van Jahwe tegen het
buis van Eli te Sjilo gesproken.
12. zeer beveiligd. Niemand durfde hem de kroon betwisten of zijn gezag aiiuranden.
18. en wierp zich voor haar neder, ingevoegd uit Gr. vert. — /* uwe komtt vrede? Komt gij met
vriendschappelijke bedoelingen\':\' Verg. 1 Snm. XVI: 4.
1(1. Thant. IV gediu-htcngnug ia: indien mij zooveel is ontgnnn, dnn heb ik wel cenige aanspraak
op deze kleine vergoeding.
1!). tutte haar, volg. Gr. vert.; Hebr. t. wierp zich voor haar neder. — aan zijne rechterhand, de
ecreplaats; verg. op Gen. XIA\'III! 14.
22.  Salomo /iet in bet verzoek Van Adonia mnjcsteitsschcniiis, een aanslag op den troon, in ver-
ccuigiiig met zijne vroegere raadslieden en bondgeuooten beraamd. Zie 1: 7 enz.
23.  Xoo — doen. Zie op ltuth 1 :17.
21. mij een hui» gemaakt, de koninklijke waardigheid erfelijk gemankt in mijn gcslneht. Zie op 2
Snm. VII: 11.
25. Het hoofd der koninklijke lijfwacht voert de doodvonnissen tegen stnatsmisdadigers uit. — op
dim zelfden dag,
evenals de naam Adonia, ingevuld uit Gr. vert.
2f>. Analhoth, cene stad, ruim een uur van Jeruzalem; zie op Joz. XXI: 18. —det doodt tehuldig,
letterlijk em kind det doodt. — den efod, volg. verb. t.; Hebr. t. de ark van den lieer Jahwe. Dezelfde
fout 1 Snm. X1V:18. — verdrukkingen. Zie 1 Snm. XXII: SU—23; XXIII: 8—13; 2 Snm. XV : 24.
27. Dit vers is, althans in zijn tegenwoordigen vorm, niet van de hnnd des ouden vcrhnlers, maar
van den Interen bewerker, die, in den geest vnn Deuleronomium, ten onreehto onderstelde dat men buiten
Jeruzalem geen priesterlijke betrekking vervullen kou. — het woord — getproken. Zie op 1 Sam. II: 27—30.
-ocr page 659-
1 KONINGEN II : 28—38.
73<J
28           Toen de mare hiervan tot Joab kwam — want Joab bad partij
gekozen voor Adonia, hoewel liij voor Absalom geen partij gekozen
had — vluchtte Joab naar de tent van Jahwe en greep de hoornen
29       van het altaar.\' Aan Salomo werd bericht: Joab is naar de tent van
Jahwe gevlucht, en zie, hij staat bij het altaar. Nu zond Salomo
Benaja, den zoon van Jojada, met den last: (ia hem neerstooten.\'
30       Benaja kwam bij Joab in de tent van Jahwe en zeide tot hem: Zoo
zegt de koning: Kom naar buiten. Maar hij zeide: Neen; want hier
wil ik sterven. Benaja bracht bescheid en zeide aan den koning: Zoo
31       heeft Joab gesproken en zoo mij geantwoord.\' Toen zeide de koning
tot hem: Ga en doe hem gelijk hij gezegd heeft, stoot hem neer en
begraaf hem. Zoo zult gij het bloed dat Joab zonder recht vergoten
32       heeft niet langer op mij en mijn geslacht doen kleven;\' en zal Jahwe
zijn bloed op zijn eigen hoofd doen neerkomen, omdat hij twee mannen,
braver en beter dan hij, heeft neergestooten en met het zwaard gedood,
zonderdat mijn vader David het wist: Abner, den zoon van Ner, den
legeroverste van Israël, en Amaza, den zoon van Jether, den leger-
33       overste van Juda.\' Zoo zal hun bloed neerkomen op het hoofd van
Joab en van zijn kroost voor altijd; maar David en zijn kroost, zijn
huis en zijn troon zullen van Jahwe vrede hebben tot in eeuwigheid.\'
34       Toen ging Benaja, de zoon van Jojada, op, stiet hem neer en doodde
35       hem; en hij werd begraven op zijn erf in de Woestijn.\' En koning
Salomo stelde Benaja, den zoon van Jojada, in zijne plaats over het
leger, en den priester Sadok stelde de koning in de plaats van Abja-
thar aan.
36           Voorts ontbood de koning Simeï en zeide tot hem: Bouw u een
huis in Jeruzalem en vestig u aldaar; gij moogt de stad volstrekt niet
37       verlaten, her- noch derwaarts;\' want wanneer gij uit de stad gaat, al
was het slechts de beek Kidron over, weet w«d dat gij zeker sterven
zult; uw bloed zal op uw eigen hoofd zijn. En de koning bezwoer
38       het hem te dien dage.\' Hierop zeide Simeï tot den koning: Het is goed.
Gelijk mijn heer de koning heeft gesproken, zoo zal uw knecht doen.
28. de mare hiervan, het bericht dat Adonia gedood en Abjathar van het hof verbannen was. Nu
begreep Joab dat hij aan de beurt lag. — want — gekozen had. Eene aantcekening, hetzij van den
lateren bewerker van Koningen, hetzij van een lezer. — vluchtte — altaar. Zie op 1: 50.
30.   bij Joab, ingevoegd uit Gr. vert. — kom naar buiten. Benaja schroomt, de gewijde plaats met
bloed te bezoedelen; Joab rekent op dien schroom.
31.   Ga en doe hem, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Doe. — begraaf hem. Pc eer der begrafenis mocht
hem om zijne vele on grooto verdiensten niet worden onthouden. — niet langer — kleven. Immers,
zoo lang zij niet was gestraft bleef de misdaad voor rekening des heerschers, in deze beide gevallen
te meer, daar Abner de gast en bondgenoot van David, Amaza zijn bloedverwant was. Zie op vs. 5
en verg. Num. XXXV: 30—31; Deut. XIX : 13.
32.  op zijn eigen hoofd. Daar hij den dood dubbel verdiend heeft, zal zijne terechtstelling, ofschoon
bij het altaar voltrokken, mij niet als moord of heiligschennis worden toegerekend. Zie Exod. XXI: 14.
33.   ran zijn kroost. Eveneens had David Joabs kroost gevloekt 2 Sain. 111 : 28 v. — zullen van
Jahwe vrede hebben,
het zal hun welgaan. „Vrede" is voorspoed, geluk. Zie op vs. 45.
34.  de Woestijn. Het familiegraf van Joab was bij llethlchcm, 2 Snm. 11:32. Met de Woestijn
wordt dus die van Juda bedoeld; zie op Joz. XV: 01.
35.  Satlok. Naar hem heetten de priesters die in den Jcruzalemschen tempel tot nan de hervorming
vau Jozia het altaar bedienden (zie Ezcch. XL: 40; XI.IV: 15 en verg. op 1 Sam. 11:35 en op
1 Kron. XII: 28). Toen daarna pricstcrgcslachten van elders zich dat recht verwierven (zie op Ezcch.
XLIV: 10—16) en na den val van Jeruzalem de hoogepricster van lieverlede het hoofd van het
Joodsche volk werd, noemden zich de aanzienlijke priesters en de met hen verwante Jcruzaleinschc
adel: „zonen van Sadok", Sadokicten, in het X. T. Sndducecrs.
37. al koi het slechts. Deze woorden zijn duidclijkhcidshnlve ingevoegd. De beek Kidron, slechts
weinige minuten ten oosten van Jeruzalem, iu het dal tusschcu den Sion cu deu Olijfberg (2 Sam.
XV: 23), wordt genoemd omdat men haar over moest om naar Hahurim, Simeï\'s woonplaats, (zie
vs. 8), te gaan. Maar ook het verlaten van de stad in cene andere richting was hem verboden. — op
uw eigen hoofd,
flij zult uw dood aan u zelf te wijten hebben; zie op I,ev. XX: 9. — En — dage,
d. i. do koning bevestigde zijne bedreiging met een eed, uit Gr. vort. ingevoegd; vorg. vs. 43.
-ocr page 660-
1 KONINGEN II : 38 — 4d.
740
39       Sedert bleef\' Simeï geruiinen tij<l te Jeruzalem.\' Maar na verloop van
drie jaar liepen twee slaven van Simeï weg naar Achis, den zoon van
Maücha, den koning van CJath. En toen men aan Simeï berichtte: Zie,
40       uwe slaven zijn te (iatli —\' stond Simeï op, zadelde zijn ezel en begaf
zich naar (iath tot Achis, om zijne slaven te zoeken. Zoo ging Simeï
41       en haalde zijne slaven uit Gath thuis.\' Maar toen aan Salomo bericht
werd dat Sinieï uit Jeruzalem naar Gath gegaan en wedergekeerd was,\'
4\'2 ontbood de koning Simeï en zeide tot hem: Heb ik u niet bij Jahwe
bezworen en u gewaarschuwd: wanneer gij Jeruzalem verhult en u her-
ui\' derwaarts begeeft, weet wel dat gij dan zeker sterven zult.\' Daarop
43       hebt gij gezegd: Het is goed. Ik hel) het gehoord.\' Waarom hebt gij
u dan aan den eed bij Jahwe niet gestoord, noch aan het gebod dat
44       ik u gegeven heb.\'\' Verder zeide de koning tot Sinieï: (tij zelf kent
al het kwaad waarvan uw geweten u zegt dat gij het mijn vader
David aangedaan hebt; Jahwe doet uwe boosheid op uw eigen hoofd
45       nederkoinen.\' Maar koning Salomo zal gezegend zijn en Davidfl troon
4li bevestigd voor Jahwe\'s aangezicht lot in eeuwigheid.\' Hierop gaf de
koning bevel aan IJenaja, den zoon van Jojada, die naar buiten ging
en hem nederstiet, zoodat hij stierf. Zoo werd het koningschap in de
hand van Salomo bevestigd.
3». Aclih, waarschijnlijk een ander dan de 1 Sam. XXI: 10—15; XXVII: 1—XXVIII: 2; XXIX
genoemde. — Mnüclia, 1 Snin. XXVII: 2 Maoch.
45. Door zulk eenc zegensprank over zich zelf hoopte men oudtijds geluk en afwending van rampen
te bewerken.
4(5. iepeêligd, door de boven beschreven maatregelen, die eiken opstond onmogelijk maakten en
vrees inboezemden; zie boven, op ra, 12. Deze woorden dienen om hetgeen volgt vast te knoopeu aan
het verhaal dat voorafgaat.
HOOFDSTUK III, IV.
Van Int derde tot het tiende hoofdstuk vinden wij cene niet altijd ordelijke reeks van incdcdcc-
lingcn over den luister van Salomo\'l regeering; de hoofdzaak is de beschrijving van den bouw en de
inwijding des tempels, V:l—IX:!); en gelijk daarop in IX: 10—X: 2!) eene schets van Salomo\'s
wijsheid en heerlijkheid volgt, zoo gaat er in het stuk dat voor ons ligt cene dergelijke vooraf. —
.Salomo huwt eenc Kgyptische prinses (111:1); houdt den eercdienst op de hoogten in stand (2v.)j hij
brengt eene rijke offerande te Gibuon (4), alwaar Jahwe hem in de» droom toestaat een wensen te
kennen te geven (."i), cu de koning om wijsheid vraagt, ten einde zijn talrijk volk goed te besturen
(0—0); Jahwe, in zijn welgevallen hierover, willigt zijne bede in, scheukt hou buitendien rijkdom en
roem cu zegt hem, bij vroom gedrag, ook een lang leven toe (10—11); Salomo nil\'erl te Jeruzalem (15).
Zijne grootc schranderheid in de rcehtsprank tusschen twee vrouwen die twistten over een levend en
een dood kind (10—27), en de indruk hierdoor teweeggebracht (28). I,ijst van zijne rijksgrootcn
(IV : 1—0) en landvoogden (7—10). Talrijkheid en voorspoed van zijn volk en uitgestrektheid van zijn
gezag (20 v., 21 v.); zijne dngclijksehe mondbehoeften (22 v.); zijne paarden (20); de verplichting der
landvoogden (27 v.). Lof van Salomo\'s wijsheid (20—31), vooral in spreuken en liederen aan den dag
gelegd (32 v.) on alom beroemd (34).
Deze schets van Salomo\'s wijsheid cu heerlijkheid is uit zeer verschillende bcstaiiddccleu samcngc-
steld. De bijzonderheden die wij er in aantreffen zijn voor een deel uit oude bronnen geput, waarin
o. n. aan afkcuiing van de godsverecring op de hoogten nog niet wordt gedacht (zie op 111:4); zoo
zijn ook de berichten over \'s konings beambten (IV: 2—0, 7—10, 27 v.) aan oorspronkelijke stukken
ontleend. Deze berichten zijn intiisschen niet ongedeerd tot ons gekomen (zie op IV: 2—6 en 7—10), en
door verschillende oorzaken heerscht, vooral in H. IV, cene schromelijke verwarring (zie op vs. 20—28
en 20; ook op 111:1, 2, 3 cu 4), die nog meer uitkomt bij vergelijking met de Gr. vert., waarin cene
andere, soms juistere, volgorde wordt aaugetrotfen (zie op IV:27v.).
Aan deze verwarring is voor een deel schuld de schrijver van Kouiuyru, die de hem overgeleverde
stof zeer vrij bewerkt heeft. Terugziende op den roemrijken vorst, mankte hij zich, vooral in zijne alge-
mecne beschrijvingen (IV : 20 v., 24 v., 20—34), Ban grootc overdrijving schuldig; terwijl hij, mccuciidc
dat de wet in IhulnOHomium door Mozes was gegeven, hem den eercdienst op de hoogten als schuld
-ocr page 661-
1 KONINGBN III : 1—8.
741
toerekende (111:2 uf 8; zie ook iul. op II. XI). Ook de hand rnn den bewerker die in de eerste
eeuw na den val vnn Jeruzalem leefde is hier en daar te bespeuren; zie op IV: 21.
III: 1 Salomo verbond zich door huwelijk niet Farao, den koning van Egypte;
hij huwde zijne dochter en bracht haar in de Davidstad, totdat hij den
houw van zijn paleis, van den tempel van Jahwe en van Jeruzalem*
2 ringmuur had voltooid.\' Alleenlijk otterde het volk op de hoogten;
want er was tot nog toe voor den naam van Jahwe geen temjiel ge-
8 bouwd.\' Salomo nu had Jahwe lief, zoodat hij de inzettiugen van zijn
vader David volgde; alleenlijk otterde en rookte hij op de hoogten.\'
4       De koning ging naar Gibeon, om daar te otteren; want dat was de
voornaamste hoogte; duizend brandoffers bracht Salomo op dat altaar.\'
5       Te Gibeon verscheen Jahwe aan Salomo des nachts in den droom;
(> en God zeide: Doe een verzoek: wat zal ik u geven.\'\' Hierop zeide
Salomo: (Jij hebt aan mijn vader, uw dienstknecht David, groote gunst
bewezen, zooals hij voor uw aangezicht getrouw en rechtschapen en
met een oprecht hart heeft gewandeld; en gij hebt hem deze uwe
groote gunst blijven betoonen door hem een zoon te geven die op
7       zijn troon zit, gelijk het beden is.\' Nu dan, Jahwe, mijn god, gij
hebt uwen dienstknecht in de plaats van mijn vader David koning
gemaakt: maar ik ben een jeugdige knaap, zoodat ik niet weet uit
8       te gaan en in te gaan;\' en uw dienstknecht is in het midden van
uw volk, dat gij • hebt uitverkoren, een talrijk volk, wegens zijne
V». 4—15. 2 Kron. 1:2—13.
1.   door huwelijk. Kceds vroeger was Salomo gehuwd met Xalimn, eenc Ammonietisehc, de moeder
van Reliabcam, XIV: il. Het huwelijk met de doehter van Farao was uit staatkundig oogpunt van
groot belang; zie IX: 10; X : 2H v. — Farao. Zie op Gen. XII: 15. — de Davitlalail. Zie op 2 Sam.
V: 7. Voorloopig moest de Egyptisebc prinses zieh met het eenvoudige koningshuis van David, nu door
Salomo bewoond, vergenoegen. — den boute ran zijn paleis, eau den tempel eau Jahwe. Zie VI, VII. —
van Jeruzalem* ringmuur. Zie IX: 15. — Waarschijnlijk werd dit vers oorspronkelijk elders gelezen;
Gr. vert. heeft het, met IX: 10, 17a, tussehen IV: 31 en V:l.
2.   Alleenlijk. In het voorafgaande was op de lichtzijde van Salomo\'» regeering gewezen; uu wordt
nis ecuige schaduwzijde genoemd dat het volk gewoon was op de hoogten zijn god te vcrecreu. —
hoogten, die er vele in hel land waren; zie op lïcut. XII: 2. — eoor den naam, voor de vereering;
verg. op Kxod. XXXIII: lil en op Dcut. XXVIII: 10. — geen tempel yrhauied. Dit wordt als verout-
schuldiging aangevoerd; maar zij is even onjuist als onuoodig. Kr waren sedert de verovering van
Kanaiin verseh
18
ciden tempels van Jahwe gebouwd, daaronder ook zulke die voor een grooter of kleiner
deel van het volk middelpunten van godsvereering waren, als te Sjilo, te Xob, te Gibeon en elders;
maar de schrijver van dit vers erkent ze niet, omdat hij ze als onwettig beschouwt, hetgeen zij vóór
de invoering van het wetboek Denteronomium (022 v. (.\'.) uiet waren. Voorts bleef de godsvereering
op de hoogten ook na den bouw van Snlomo\'s tempel iu stand (XV: 11; XXII: 41; 2 Kon. XII: 3;
XIV: 4; XV : 4, 35; XVIII: 4); zij is eerst door de hervorming van Jozin afgeschaft (2 Kon. XXIII:
1—20). Dit vers is blijkbaar hier iugevocgd door een Israëliet, wellicht den schrijver van Koningen,
levende in een tijd, toen de wet die den eercdienst tot den Jcruzalcmschcn tempel beperkte als
Mozaïsch beschouwd en geëerbiedigd werd.
3.   alleenlijk — hoogten. Weder een invoegscl, van cene andere hand dan het voorgaande vers, doch
iu denzclfden geest en met dergelijke bedoeling. — offerde en rookte hij, d. i. slachtte hij de offcr-
dieren en verbrandde ze op het altaar. Elders, waar „rookeu" niet met „offeren" (letterlijk „slachten")
verbonden voorkomt en dus de gcheele heilige handeling aanduidt, is het door „offeren" of „ontsteken"
vertaald. In de jongste geschriften van het O. T. wordt „rookeu" bepaald van het wicrookoH\'er gebezigd.
\' 4. Giheon. Zie op Joz. IX: 8. — de roornaamxtr, letterlijk de grootile. De bedoeling is dat dit
heiligdom den mecsten toeloop had. Dit wijst op den ijver van de bevolking dier streek voor den
Jahwedienst. Ongetwijfeld uit staatkundige overwegingen vierde Salomo te Gibeon een krouingsfeest:
hij wilde zijne nog machtige onderdanen van Kanniinietisehen bloede te vriend houden, totdat hij sterk
genoeg zou zijn hen ten onder te brengen; zie op IX:20v. — In dit vers en de volgende geen zweem
van afkeuring van deze godsverecriug; integendeel is (vs. 5—15) de verschijning en openbaring alhier
van Jahwe in den droom ccue ondubbelzinnige goedkeuring. Hoc men later dit offer van Salomo te
Gibeon trachtte te verklaren zie 2 Kron. 1:3—0; verg. 1 Kron. XVI: 39; XXI: 2».
5. Dot — geven? Als het ware .lahwe\'s antwoord op het hem bij het krouingsfeest gebrachte offer.
7. een jengdige knaap. Overdreven wijze van spreken, naar de gewoonte der Oosterlingen. Hoc oud
Salomo was toen hij koning werd, weten wij niet; maar volgens XIV: 21 was hij bij zijne troousbc-
stijging reeds gehuwd en vader. — uit Ie gaan en in te gaan, verg. Xiiin. XXVII: 17; Deut. XXXI: 2;
1 Sam. XVIII: 13, 10; 2 Kroti. 1:10; zooveel als: in het openbaar zich bewegen. De Oosterling is
bijna alleen buitenshuis werkzaam, neemt te huis zijne rust.
-ocr page 662-
1 K0N1N0BN III : 8—23.
742
(J menigte niet te berekenen of te tellen.\' Wil dan uwen dienstknecht
een opmerkzaam hart geven, om uw volk rechtvaardig te besturen
en tusschen goed en kwaad te onderscheiden; want wie is in staat
10       dit uw machtig volk te besturen.\'\' Uit nu was goed in het oog des
11       Heeren, dat Salomo hierom had gevraagd;\' en God zeide tot hem:
Dewijl gij dit verzoek aan mij hebt gedaan, en niet een lang leven,
noch rijkdom, noch den dood uwer vijanden gevraagd hebt, maar de
12       de gave des onderscheids bij liet hooren van eene rechtzaak,\' zoo heb
ik gedaan naar uw woord en u een wijs en verstandig hart gegeven;
zoodat uws gelijke vóór u niet is geweest en evenmin na u zal op-
13       staan.\' En ook wat gij niet hebt gevraagd heb ik u gegeven, beide
rijkdom en roem; zoodat uws gelijke onder de koningen niet is geweest.\'
1-1 En indien gij op mijne wegen wandelt, door mijne inzettingen en ge-
boden te onderhouden, gelijk uw vader David deed, zal ik u een lang
15 leven schenken.\' Toen ontwaakte Salomo, en zie, het was een droom.
Hij maakte zich op, kwam te Jeruzalem en ging staan voor het
altaar dat vóór de verbondsark van Jahwe was, op den Sion, bracht
brandoffers en dankoffers en legde een grooten maaltijd aan voor zich
en al zijne dienaren.
1<>          Toen kwamen twee lichte vrouwen tot den koning en stonden vóór
17       hein.\' De eene vrouw zeide: Och, mijn heer, ik en deze vrouw wonen
18       in éen huis; en ik kreeg in haar bijzijn in het huis een kind.\' Op
den derden dag na mij kreeg ook deze vrouw een zoon; wij waren
samen, geen vreemde was bij ons in het huis, niemand was er behalve
lü wij beiden.\' Des nachts nu stierf de zoon van deze vrouw, doordien
20       zij op hem was gaan liggen.\' Toen is zij midden in den nacht opge-
staan, heeft, terwijl uwe dienstmaagd sliep, mijn zoon van naast mij
weggenomen en hem in haar arm te slapen gelegd, en haar dooden
21       zoon heeft zij in mijn arm gelegd.\' Toen ik nu in de vroegte opstond
om mijn zoon te zoogen, was hij dood; maar toen ik hem des mor-
gens nauwkeurig bekeek, was het niet de zoon dien ik ter wereld
22  \' had gebracht.\' Hierop zeide de andere vrouw: Neen, de levende is
mijn zoon, en de doode de uwe. Maar zij zeide: Neen, de doode is
uw zoon, en de levende de mijne. Zoo spraken zij in \'s konings tegen-
23       woordigheid.\' Toen zeide de koning: De eene zegt: Dit is mijn zoon,
de levende, en de doode is uw zoon — en de andere zegt: Neen, de
9. rechtvaardig, volg. Gr. vort. ingevoegd. — betlttreii. Besturen en rechtspreken wordt in het
IIcbrccuwsch door hetzelfde woord aangeduid. De koning was vanzelf opperrechter; hem verbleef in
allerlei zaken de beslissing; bij gemis aan wetboeken, rechtsgeleerden enz., was zijne taak even ge-
wichtig als bezwaarlijk. Zie op Kicht. 11:10.
12.  heb ik gedaan. Kvcnzoo vs. 13 heb ik u gegeven. Om de zekerheid der goddelijke belofte uit to
drukken, wordt zij als eene afgedane zaak voorgesteld: uwe bede is verhoord. Verg. Deut. XV : 6. —
Mie» gelijke, onder alle ineiischcn.
13.   Aan het slot heeft Hebr. t. uw leeeu lang, wat volg. Gr. vert. is weggelaten.
11. Dit vers, geheel in den geest van 11:3, behoort niet in dezen samenhang. In het voorafgaande
werden geen voorwaarden gesteld.
15. droom, doch daarom niet minder eene goddelijke openbaring en onfeilbare belofte; dit woord
geeft de wijze aan waarop God zich openbaarde; zie op Gen. XX: 3, ook op Nnm. XII: 0. — maakte
:ich op, voor hel atlaar dal
en op de,i Sion, uit Gr. vert. ingevoegd. Het vers, althans het tweede en
grootste deel er van, is er later bijgevoegd, om Salomo toch ook te Jeruzalem vóór de ark brand- en
ilnnkoll\'erg te laten brengen, als tegenwicht tegen de godsverecring op de hoogte te Gibcon; zie boven
op vs. 2, 3, en 4. — maaltijd, het olfcrmnal van de dankoffers.
10—28. Dit verhaal moet dienen als proeve van de zoo pas aan Salomo geschonken buitengewone
wijsheid.
17.  te» hui». Dit bestond, gelijk veeltijds in het Oosten, uit éen vertrek, slaap- en woonkamer voor
de beide vrouwen.
18.  mij — beide». Dit wordt met zooveel nadruk vermeld, omdat hierin de moeilijkheid lag van de
zaak; niemand was getuige geweost. — een :oon, volg. Gr. vert.;
Ilc.br. t. ent kind.
-ocr page 663-
743
1 KONINGEN III : 23—IV : 8.
24       doode is uw zoon, en de levende is mijn zoon!\' Verder zeide de koning:
Haalt mij een zwaard! En toen men het zwaard bij den koning bracht,\'
25       zeide hij: Snijdt het levende kind in tweeën, en geeft aan ieder de
20 helft.\' Maar de vrouw van wie het levende kind was zeide tot den
koning; want haar hart kromp ineen om haar zoon; zij zeide dan:
Och, mijn heer, geef haar het levende kind, en dood het niet. Doch
de andere zeide: Noch ik, noch zij moet het dan maar hebben; slaat
27       toe!\' Toen hernam de koning: (jeeft het knaapje aan haar die gezegd
heeft: geeft haar het levende kind, en doodt liet niet — zij is de moeder.\'
28       Gansch Israël hoorde van het vonnis dat de koning geveld had en
vreesde den koning; want men zag dat goddelijke wijsheid in hem
was, om recht te spreken.
IV: 1,2 Koning Salomo was koning over gansch Israël.\' Zijne rijksgrooten
3 waren: Azarja, de zoon van den priester Sadok,\' Elihoref en Ahia,
de zonen van Sjisja, schrijvers; Josjafat, de zoon van Alihud, kanselier;\'
4,5 Benaja, de zoon van Jojada, hoofd van het leger;\' Azarja, de zoon van
Nathan, opperlandvoogd; Zabud, de zoon van >»athan, \'s konings ver-
b\' trouwde;\' Ahisjar, hofmaarschalk; en Adoniram, de zoon van Abda,
over de heerendiensten.
7           Verder bad Salomo twaalf landvoogden over gansch Israël, die den
koning en zijn hof van alles voorzagen; voor éene maand in het jaar
8       was aan elk hunner de levering opgelegd.\' Hunne namen waren: de
20. geef en dood, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het meervoud.
27. het knaapje — geeft. Deze woorden, uit Hebr. t. uitgevallen, zijn naar Gr. vert. in den tekst
hersteld.
1.   Deze mededeel ing dient als inleiding op de lijst der hooge beambten.
2—6. Over deze posten zie op 2 Siim. VIII: 16, 17 en 18, waar, evenals 2 Som. XX: 28—20, do
staatsdienaars vim David worden opgeteld. Onder de krijgszuchtige regeering vnn dezen vorst staan
de krijgsoversten vooraan, onder Salomo komen zij eerst in de tweede plaats. Onze lijst is uit echte
bescheiden opgemaakt; maar door de afschrijvers zijn de namen, en niet deze alleen, onwillekeurig
soms veranderd, waartoe het Hebrceuwsehe schrift gercedc aanleiding gaf. In de Gr. vert., die deze
lijst met belangrijke wijzigingen, ook op eenc andere plaats, tusschen II. II en III, heeft, luiden vele
namen anders dan in den Hebr. t. en zijn nog andere ambten vermeld. Hij de groote onzekerheid ten
deze houden wij ons aan laatstgenoemden) maar zie op vs. 4.
2.   de zoon, volgens 1 Kron. VI:8v. de kleinzoon; Azarja was de zoon van Alumnus, dun zoon
van Sadok. Wij worden hier in de tweede helft van Salomo\'s regcering verplaatst; zie op vs. 7—19.
— den priester. Dit woord ontbreekt in Gr. vert.
8. Sjisja, die onder David dit ambt had vervuld. — Josjafat. Deze had reeds ouder David deze
betrekking bekleed.
4.   De tweede helft van dit vers, luidende en Sadok en Abjathur, priesters, is weggelaten als
blijkbaar bij vergissing uit 2 Sani. XX: 25 hier overgeschreven. De opgaaf is in strijd met Il:20v.,
85; aan eenc begenadiging vnn Abjnthar in later tijd kan reeds om zijn hoogen ouderdom niet ge-
dacht worden.
5.   opper/andvoogd, hoofd of opziener van de twaalf landvoogden van welke vs. 7—lil sprake is. —
Hertrouwde. Zie op Gen. XXVI: 20. Hebr. t. laat voorafgaan priester, dat in Gr. vert. ontbreekt.
0. hofmaarschalk, letterlijk over het paleis; de opperintendnut van het huis des konings; waarvoor
hij o. a. te zorgen had zie X: 5, alsmede 2 Kon. XV : 5 en Gen. XI.I : M). Zijne betrekking komt hier
het eerst voor; waarschijnlijk omdat zij onder Salomo, wiens hofhouding in pracht die van David
verre overtrof, hooger rang en aanzien verleende dan te voren. — Adoniram. Hij had dit ambt reeds
iu Davids laatste regeeringsjaren bekleed, 2 Sam. XX: 24. Zijn dood wordt XII: 18 verhaald.
7—19. Van deze lijst geldt hetzelfde als boven is gezegd over de namen en titels iu vs. 2—0;
zelfs zijn hier de eigennamen vnn vijf dezer landvoogden, wier vaders allecu genoemd worden, en do
naam van den vader van Ahimaiis — waarschijnlijk niet Sadok — bij het afschrijven verloren ge-
raakt. Overigens merkc men op, dat de hier genoemde twaalf districten niet samenvallen met de \\voon-
plnatsen der twaalf stammen, waarover zie Joz. XV—XIX. In welke orde de optelling der districten
geschiedt, is niet duidelijk. Voorts moet deze lijst, omdut er twee schoonzoons van Salomo op voor-
komen, vs. 11 en 15, uit de tweede helft van zijne regcering dagteekcncii.
7.   landvoogden, in hun gewest, als vertegenwoordigers des konings, met schier onbeperkte macht
bekleed. Daar geld schaarsch was, voorzagen zij in de behoeften van het hof grooteudeels door lcvc-
riug van natuurvoorlbreugselcn. Ook hadden zij te zorgen dat \'s konings bevelen werden uitgevoerd,
vooral dat genoeg krijgslieden en arbeiders te zijner beschikking stonden. Verg. XII: 4. — gansch
Israël.
Hierbij is Juda niet ingesloten; zie op vs. 10.
8.   gebergte van Xfraim, cene vruchtbare, dicht bewoonde en goed bebouwde streek; zie op Joz.
XVII: 15. De optelling begint bij het midden des lauds.
-ocr page 664-
1 KONINOBN IV : 8—21.
744
\'J zoon van Hur oj> het gehergte van Efraim:\' de zoon van Deker te
10       Matras, Sjaalhim, Beth-sjemes, Elon en Beth-hanan;\' de zoon van Hezed
11        te Arubboth; liij had Socho en het gansche land Hefer;\' de zoon van
Abinadah over het gansche heuvelland van Dor — hij had Tafath, de
12       dochter van Salomo tot vrouw;\' Baiina, de zoon van Ahilud, over
Taiinach, Megiddo, geheel Beth-sjean, dat naast Sarethan, onder Jizreël,
18 ligt, en van Beth-sjean tot Abel-mehola, tot tegenover Jokmeam; \' de
zoon van Geber te Barna in Hilead; hij bezat de gehuchten van Jair, den
zoon van Manasse, die in Uilead liggen, ook de landstreek Argoh,
die in Bazan lipt, zestig groote steden, ommuurd en met koperen
14, 15 si uithoornen;\' Ahinadab, de zoon van Mdo, te Mahanaim;\' Ahiiuaiis
in Naftali — ook hij had eene dochter van Salomo, Bazemath, tot
1(5 vrouw genomen;\' Baiina, de zoon van Husjai, in Azer en Bealoth;\'
17,18 Josjafat, de zoon van 1\'aruah, in Issachar; \' Sjimeï, de zoon van Ela,
lit in Benjamin;\' Ueber, de zoon van Uri, in het land van Gad, het
land van Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van
Bazan. Voorts t\'en landvoogd die in het land van Juda was.
20           Israël nu was talrijk, als het zand aan den oever der zee in menigte,
21       zij aten en dronken en waren vroolijk; \' en Salomo heersehte over al
de koninkrijken van den Euf\'raat af tot het land der Filistijnen en tot
Va. 21. 2 Kron. IX: 26.
\'J. liet tweede district ligt ten zuidwesten van het voorgaande. — Mallat, van elders niet bekend.
— Sjaiilhim ca Elon, volgens Joz. XIX: 42, 18 in den stam Dan; zie aldaar. — Beth-tjemei, naar
Joz. XV: 10 op de grenzen van Juda en Dan; zie aldaar. — Belh-hanan komt elders in het O. T.
ii iet voor.
10.  Arnhhoth, van elders niet bekend. — Soeho. Kr waren twee plaatsen van dien naam, Joz. XV:
SS, 48. —het... land llefsr wordt ook Joz. XII: 17 genoemd, maar is niet met zekerheid aan te wij-
0
zen; verg. 1 Kron. IV: ii. — Waarschijnlijk omvatte dit distriet het zuidelijkst gedeelte van Juda en
de landstreek ten zuiden daarvan gelegen.
11.   de zoon van AHiiatlali, wellicht Davids ouderen broeder, 1 Sam. XVI: 8; XVII: 13. — hel —
Dor. de kuststreek van Dor tot Joppc, gewoonlijk de vinkte van Sjaron genoemd. Zie op Joz. XI : 2.
12.   Baiina, wellicht de broeder van den kanselier Josjafat, vs. 8. — Taiinach, Megiddo, ten oosten
of noordoosten van het gebergte Knrmcl, aan den zuidelijken rand der vlakte van den Kisjon; zio
op Joz. XIIS19—23. — geheel — liijt. Bedoeld zal zijn het zuidelijk gedeelte van het grondgebied
der itad. — Beth-sjean, later Scvthopolis, gelegen waar de vlakte van Jizreël in het Jordnnmlal uit-
loopt; zie op Joz. XVII: 11. — Sarei/tan. Zie op VII: 4(1. — Jitrtël. Zie op Joz. XVII: 10. — Abel-
mehola,
ia het Joiilaundal, vier uur ten zuiden van Heth-sjenn, de geboorteplaats van den profeet
Klizn, XIX: 10; komt nog Richt. VII: 22; 1 Sam. XVIII: 10 voor. — Jokmeam. Zie op Joz.
XII: 19—88.
13.   Dit zesde distriet ligt in het Overjordaansehe en bevat daarvan het noordelijk gedeelte. —
Itama. Zie op Dcut. IV: 43. — ile gehuchten van Jair. Zie op Num. XXXII: 41. — Argoh. Zie op
Dcut. 111:4.
14.   Het zevende district ligt mede in het Overjordaansehe, maar in het zuiden, tusschen dcu Jab-
bok en den Arnon. — Mahanaim. \'/.ie op Gen. XXXII: 2.
15 v. Het achtste en negende district verplaatsen ons in het noorden des lands aan deze zijde van
den Jordaan.
lfi. Husjai, den vriend van David, 2 Sam. XV:32vv. — Bealoth, of Baaloth, eene stad of streek,
elders niet genoemd, in het noorden of noordwesten des lands. Kene gelijknamige plaats Joz. XV: 24.
17. Issachar, ten zuiden van Xaftali, ten noorden of noordoosten van het vijfde district.
19. Oail, naar fir. vert.; Hcbr. t. (lilead. — Het twaalfde distriet ligt weder in het Ovcrjordaan-
sehc. — het land van Juda, naar Gr. vert.; Hcbr. t. in het land, en dan in vs. 20 Juda en. —
Juda, een uitgestrekt gebied, valt, op een klein gedeelte iu het zuiden, mi, buiten de twaalf districten;
het was dus vrijgesteld van het leveren van mondbehoeften aan het hof gedurende eene maand des
jaars; dit voorrecht dankte het aan de omstandigheid dat het koningshuis tot dezen stam behoorde;
zie 2 Sam. XIX: 11—15, 40—13; XX : 1 v. Toch was ook Juda niet van alle verplichtingen ontsla-
gen en stuud dus onder een afzonderlijken landvoogd buiten de twaalf.
20—2(1. Deze verzen zijn blijkbaar ingeschoven, daar vs. 27 met vs. 10 in het nauwste verband
staat en er oorspronkelijk terstond op volgde; verder haugen zij ook onderling niet samen, maar zijn
uit verschillenden tijd en dnnrum niet van gelijke geschiedkundige waarde. De algcmccnc bcschrijvin-
gen, vs. 20 v., 24 v., zijn uit hnar aard het minst geloofwaardig; zie verder op vs. 22 v., 24 en 20.
20 v. De overdrijving in deze verzen valt in het oog; op de schaduwzijden en de uitzonderingen
wordt geen acht geslagen. Zie b. v. XII: 4; XI: 14, 23—40.
21. schatting, letterlijk getcheuken. Ook elders wordt met dit woord de verplichte jaarlijksehc schat-
ting van cijusbare vorsten of volken aangeduid: zie op Richt. 111:15.
-ocr page 665-
745
1 KONINGBN IV: 21—31.
de grens van Egypte; zij brachten Salomo schatting en waren hem
22       onderdanig, zijn leven lang.\' De mondbehoeften van Salomo voor óen
23       dag bedroegen dertig ton bloem en zestig ton meel,\' tien vette en
twintig gewone runderen en honderd stuks kleinvee, behalve «Ie herten,
24       gazellen en damherten en de gemeste ganzen.\' Want hij voerde gezag
over de geheele overzijde van den Eufraat, van Tifsah tot Uaza, over
alle koningen aan de overzijde van den Eufraat, en hij had vrede aan
25       alle kanten rondom.\' Zoo zaten Judeërs en Israëlieten onbezorgd, ieder
onder zijn wijnstok en vijgeboom, van Dan tot Dersjeba, al de dagen
26\' van Salomo.\' Salomo had vier duizend span paarden voor zijne strijd-
wagens, en twaalf duizend rijpaarden.
27           Deze landvoogden nu voorzagen, ieder gedurende zijne nuland, koning
Salomo en allen die tot de tafel van koning Salomo naderden van al
28       liet benoodigde; zij zorgden dat er niets ontbrak.\' De gerst en het
stroo voor de jaarden en de harddravers brachten zij, ieder naar zijne
verplichting, ter plaatse waar het behoorde.
2\'J          Én God gaf aan Salomo wijsheid en zeer groote scherpzinnigheid,
een verstand «lat zooveel omvatte als het zand aan den oever der
30       zee.\' Salomo\'s wijsheid was meer dan de wijsheid aller Oosterlingen,
31       meer dan al de wijsheid van Egypte.\' Hij was wijzer dan alle men-
V». 26. 2 Kron. IX : 25.
22 v. Waarschijnlijk zijn deze cijfers nnn cene oude bron ontleend en behoorden zij oorspronkelijk
achter de opgaven vs. 7—19, 27 v. — ton. Zie o|> V : 11.
23.   telte, genieste. — gewone runderen, letterlijk runderen tan de iceide. — herten, gazellen en
damherten.
Zie op Deut. XIV : I. — Men heeft uit deze cijfer» berekend dat de hofhouding van Salomo
tien tot vijftien duizend personen kan bedragen hebben, hieronder het vrouwentimmer, de lijfwacht en
de gezinnen der hofbeambten mede begrepen.
24.    Want. Uit voegwoord verbindt het volgende niet aan vs. 22 v., maar aan vs. 21. — de ge-
keelt: overzijde van den Eufraat.
Dit was voor de bewoners van Palestina het land ten oosten van
die rivier gelegen (Joz. XXIV: 2, 3; Jez. VII: 20 enz.). Hier evenwel wordt met die woorden de
streek ten. westen van den Eufraat aangeduid (evenals Ezr. VIII: 36; Xeh. 11:7, 9; 111:7 enz.),
waaruit blijkt dat de schrijver aan de oostzijde woonde, onder de ballingen in Bnbylonic, of wel het
spraakgebruik volgde dat na den val van Jeruzalem ook in Palestina inheemsch werd. I il den lccf-
tijd des schrijvers verklaart zich de onjuistheid der hier gegeven voorstelling. Vier of meer eeuwen
un Salomo, te midden van diepe vernedering, terugziende op dien tijd van glorie, dien de verbeelding
reeds had opgeluisterd, kon men vanwege de bittere tegenstelling bijna niet nalaten te overdrijven. —
Tifsah, Thapsacus aan den Kufraat. — Gaza, de zuidelijkste der vijf koningstcden in het land der
r\'ilisl ijni\'ïi; zie op Gen. X : 19.
25.   zaten Judeërs en Israëlieten (de eigenlijke burgers des rijks, in onderscheiding van de bewo-
ni\'i\'s der onderworpen gewesten, vs. 21, 21) — tijgeboom, aanschouwelijke beschrijving van een toe-
stand van ongestoorde!! vrede, overvloed en voorspoed in alle dingcu. Wellicht ontleende onze schrij-
vcr dit beeld aan Micha IV : 4. Of de uitdrukking doelt op de schaduw dan wel op de vruchten
(verg. 2 Kon. XVIII: 31), weten wij niet. Over de beide boomsoorten zie op llicht. IX: 10 en 12. —
van Dan tol Bersjeba. Zie op Richt. XX tl.
26.   Dit vers behoorde beter bij X : 26—29. De volgorde is verward en willekeurig. — vier duizend.
Hcbr. t. veertig duizend. Maar 2 Kron. IX : 25 staat vier duizend, en dit.kleiner getal is iu ovcr-
ecnstciiiming met dat der veertienhonderd wagens X:26; 2 Kron. 1:14. — tpan, onzekere vertaling;
het Hcbrecuwsche woord bcteckcut ,krib\', .voederbak\'. Voor een strijdwngen werden twee of drie paar-
den gespannen. — strijdivagens. Zie op Oen. XLI: 43. — rijpaarden, voor de ruiterij. — Dit alles
wordt met ingenomenheid vcrhanld. Een ander oordeel hierover zie Deut. XVII: 14—20; .Icz. 11:7;
XXX: 16; XXXI: 1; Hoz. XIV: 4; Micha V:9.
27 v. Zie op v». 20—26. In Gr. vert. is de volgorde aldus: 111:2—28; IV: 1—16, 18 v., 17,
27 v., 22—25, 29—34; 111:1; IX : 16, 17a; V : 1 vv.
28.  De gerst, half zoo duur als de tarwe, in gewone tijden het voedsel der armon, door de rijken voor
het vee, inzonderheid voor de paarden, gebruikt. Haver werd niet verbouwd, noch hooi gewonnen. —
harddravers. Het Hcbrecuwsche woord, ook Micha 1:13, schijnt een edel soort vun paarden aan te
duiden, volgens Est. VIII: 10, 14 tot overbrenging van de koninklijke bevelen iu de verschillende
dcclcn des lands gebruikt. — ter plaatse waar het behoorde, te Jeruzalem en in de verschillende steden
waar zich de stallen des konings bevonden, X : 26.
29.  verstand, letterlijk ruimte tan hart. liet hart was bij de Israëlieten de zetel van alle geestelijke
werkzaamheid, zoowel van bidden nis van denken, Job VIII: 10; Klaagl. 111:41 enz.
30.   Oosterlingen. Zie op Gen. XXIX : 1.
31.   De hier genoemde personen zijn ons geheel onbekend. 1 Kron. 11:6 berust op misverstand en
-ocr page 666-
746                                     1 KONINGBN IV: 31— V:l.
schen, wijzer dan Ethan, de Ezrahiet, en Heman, Kalkol en Darda,
de zonen van Mahol; zoodat hij beroemd was bij alle omwonende
«3* volken.\' Salomo gaf drie duizend spreuken, en zijne liederen waren
33       vijl\' duizend.\' Hij sprak over de boomen, van den ceder op den Liba-
non tot de hysop die uit den muur groeit; hij sprak over het vee,
34       de vogelen, de kruipende dieren en de visschen.\' Van alle volken
kwam men om de wijsheid van Salonio te hooren, en hij ontving ge-
schenken van alle koningen der aarde, die van zijne wijsheid hadden
gehoord.
geeft dus peen licht; verg. aldaar. De schrijver van Kronieken vermeldt lleninu en Kthan, met A/af,
als kapelmeesters van Pnvid; zie op 1 Kron. VI: 33.
32.  spreuken. Wat hieronder verstaan wordt zie in de in!, op Spreuken. — rijf duizend. Aldus Oir.
vert., Ilclir. t. duizend vijf; maar de schrijver bedoelde niet ecu nauwkeurig cijfer te geven. — Van
deze spreuken en liedcreu is ons niets bewaard; zie inll. op I\'s. I.XXI1; (\'XXVII; Spreuken; Prediker;
Hooglied.
— Hij de Joden, en door hen bij de Mohammedanen, is Salomo de vorst der toovcnaars, de
bchcerschcr der demonen, geworden.
33.   Inhoud der spreuken en liederen. Geen plant- of dierkunde, maar opmerkingen over de cigcn-
schnppen der planten en dieren, gemaakt ter vergelijking met den mensch en het mciischcnlcvcii; zie
b. v. Spr. VI: 0—8; XXX: 21—31. — de boomen, het plnntenrijk, waarvan de ceder op den Libanon
bU de edelste vertegenwoordiger gidd; zie op llieht. IX: 15. — de hysop. Zie op Kxod. XII: 22. —
het ree — tuschen, volgens de Israëlieten de vier nfdeelingcu van het dierenrijk.
34.  en hij ontving getehenken, ingevoegd volg. Gr. vert.
HOOFDSTUK V—VII.
Salomo\'» tcmpclbouw. — H. V, de voorbereiding. De koning vnu Tyrus knoopt Intrekkingen nan
niet Salomo (1), die voor den bouw des tempels hout en werklieden van hem vraagt (2—0); welk
verzoek Hirnm onder zekere voorwaarden inwilligt (7—12). Opgave der arbeiders van Salomo die
hem hout en stcenon bereiden en brengen (13—18). II. VI, de bouw. Op welk tijdstip de bouw nau-
vnngt (1); beschrijving van den omvang en de inrichting des tempels van buiten, met voorportaal,
vensters en bijgebouwen (2—1(1). Goddelijke belofte aan Salomo (11—13). Inrichting des tempels van
binnen: het beschieten van de wanden en bedekken vnu den vloer; de afscheiding van het koor eu
het schip, benevens de versieringen van beide, alsmede de tafel of het altaar (14—22); de cherubs
(23—28); versiering vnu binnen (29 v.); de deuren der beide vertrekken (31—35); het voorhof (36);
duur van den bouw (37 v.). Vil: 1—12, de bouw vnu het koninklijk paleis. Duur vim don bouw (1);
het huis van het I.ibnuonwoud (2—5); de overige gebouwen (0—8); bouwstoffen en voorhoven (9—
12). VII: 13—51, beschrijving van de metalen kunstwerken. De kunstenaar Uirom, uit Tyrus ont-
boden (13 v.), vervaardigt de groote zuilen met knpitcelcn (15—22), de gegotou zee (23—26), de tien
onderstcllon met bekkens (27—39), en ander werk, alles van koper, noginanls opgeteld, met vermei»
ding van de plaats der gicting (40—17). Opsomming van het gouden gercedschnp (48—50). Overbrcn-
ging der wijgeschenkeu unar den tempel (51).
Wij hebben hier in lioofdznnk historische berichten, uit de pen, niet vnu een tijdgenoot, maar van
een later levend Isruëlict, die uit de overlevering putte, en den tempel, gelijk ook het voorste gedeelte
der paleizen, uit eigen aanschouwing kende; doch wicn het met dat al niet gelukt is, zijnen lezers
ccuc duidelijke vuorstelliug van die bouwwerken in hun geheel en hunne afzonderlijke deden te geven.
Ku hadden wij zijne beschrijving nog maar in haar oorspronkclijken vorm! Doch vooreerst, de tekst
is niet ongeschonden, mnnr hier en daar in zeer ontredderden toestand tot ons gekomen cu dicuten-
gcvolgc meermalen onverstaanbaar (zie b. v. op VII: 19, 20a); en terwijl wij up sommige plaatsen de
hulpmiddelen bezitten om dien te herstellen (zie b. v. op VII: 15—22, 23 enz.), ontbreken deze elders
(zie b. v. op VII: 27—39). Ten andere heeft het oorspronkelijke verhaal iu verschillende tijden wijzi-
gingen ondergaan, vooral door toevoegsels die de heerlijkheid des tempels vergrootten; waarbij de
verbeelding inzonderheid onder den invloed verkeerde van den verdichten Mozaïschen tabernakel (verg.
inl. op Kxod. XXIV : 12—XI,: 38); zie op VI: 20, 21a, 22 en VII: 48—50.
Voor het overige vindcii wij hier nog verschillende opgaven en mededeelingcn, van zeer onderscheiden
dagteckening cu geloofwaardigheid; zie op V : 3, 13 v., 15 v.; VI :1, 11—13 enz.
V: 1         Hirom, de koning van Tyrus, zond zijne dienaren tot Salomo, omdat
1—12. In 2 Kron. II: 1—16 vinden wij ccuc ccuigszins nudcre voorstelling vnu het hier verhaalde.
1. Uirom. Deze juiste spelling vindt men in den llebr. t. vs. 10, 18; elders lliram (zie op 2 Saiu.
V:ll); 2 Kron. Il; VIII; IX Uur/int. Verg. op VII: 13. — tot Salomo, om hem geluk te wciischcu bij
zijne troonsbestijging en vriendschapsbetrekkingen aan te knoopcu. — icant — geveest. Verg. 2 Sam. V\'. 11.
-ocr page 667-
1 KONINGEN V : 1—14.                                        747
hij gehoord had dat men hem had gezalfd in de plaats van zijn vader;
2       want Hirom was altijd met David bevriend geweest.\' Daarop zond
3       Salomo aan Hirom deze boodschap:\' Het is u bekend dat mijn vader
David voor den naam van Jahwe, zijn god, geen huis heeft kunnen
bouwen wegens de vijanden die hem omringden, voordat Jahwe hen
4       onder zijne voeten had gelegd.\' Nu dan Jahwe, mijn god, mij aan
alle zijden rust verschaft heeft, en er nergens een tegenstander ofeenig
5       onheil is,\' ben ik voornemens een huis voor den naam van Jahwe,
mijn god, te bouwen, overeenkomstig hetgeen Jahwe tot mijn vader
David gezegd heeft: Uw zoon, dien ik in uwe plaats op uw troon zal
Ü zetten, die zal het huis voor mijnen naam bouwen.\' Beveel dan nu
dat men mij cederen veile op den Libanon; mijne knechten zullen zich
bij de uwe voegen, en bet loon uwer knechten zal ik u geven, geheel
naar uwe eischen. Want gij weet wel dat onder ons niemand is die
7       verstaat boomen te vellen zooals de Sidoniërs.\' Toen Hirom de woor-
den van Salomo hoorde, verheugde hij zich zeer en zeide: Geloofd zij
Jahwe, de god van Israël, die David een wijzen zoon heeft gegeven
8       over dit talrijk volk! \' En Hirom zond aan Salomo ten antwoord: Ik
heb uwe boodschap aan mij ontvangen; ik van mijn kant zal doen al
9       wat gij verlangt in zake de cederen- en cypressenstanimen;\' mijne
knechten zullen het van den Libanon naar de zee afvoeren, en ik zal
het aan vlotten over zee brengen tot de plaats die gij mij zult doen
weten; daar zal ik bet uiteenslaan en zult gij het ophalen. Gij van
uw kant zult doen wat ik verlang, door mondbehoeften voor mijn hof
10       te leveren.\' Zoo leverde Hirom aan Salomo stammen van ceders en
11       cypressen, zooveel hij verlangde;\' en Salomo leverde aan Hirom twintig
duizend ton tarwe, als spijs voor zijn hof, en twintig duizend vaten
12       fijne olie. Dit leverde Salomo aan Hirom jaar op jaar.\' Jahwe had
aan Salomo wijsheid geschonken, gelijk hij hem gezegd had. Zoo was
er vrede tusschen Hirom en Salomo en sloten zij samen een verbond.
13           Koning Salomo nu deed uit gansch Israël verplichte arbeiders op-
14       komen; de lichting bedroeg dertig duizend man.\' Hij zond ze naar
Va. :>\'>. 2 Sam. VII: 13; 1 Kron. XXII: 10.
3.  vijanden, letterlijk oorlog. De tekst is wellicht niet geheel zuiver, maar de bedoeling is duidelijk:
Davids vele oorlogen lieten hem geen gelegenheid voor zulk een groot werk. Kcnc andere reden wordt
2 Sam. VII: 5—17, weder cene andere 1 Kron. XXII: 8; XXVHI:2v. opgegeven; zie aldaar. Wat
wij hier lezen is in den geest van Deut. XII: 8—12. — voordal — gelegd. Deze uitdrukking voor
„onderwerpen" is ontleend aan de gewoonte overwonnen vorsten den voet op den nek te zetten (zie Jol.
X: 24) of hen bij het te paard stijgen of aan tafel zitten als voetbank te gebruiken.
4.  Zie op IV: 20 v. — Itftnrimier. Zie op 1 Sam. XIX: 22.
5.  Zie 2 Sam. VII: 13. ])ezc schrijver kende dus reeds 2 Sam. VII in zijn tegenwoordigen vorm;
zie op 2 Sam. VII: 12.
6.  toornen li- vellen. Hieronder zal, behalve de vereischtc houtkcniiis, mede het bereiden en vervoeren
verstaan zijn, dat aan vele bezwaren onderhevig was. — Sidouiï-ra. Hirom was koning van Tyrus;
maar Sidoniërs is de algcmcenc nnam voor Fcnicicrs; zie op Gen. X:15.
7.  dé god van Israël, volg. Gr. vert. en 2 Kron. 11:12; Hobr. t. heden.
8.  ceders. Over de bijzondere deugdzaamheid van den ceder voor bouwwerken zie op Richt. IX: 15.—
cypressen. De cypres, een schoone, hooge, altijd groene boom, levert zeer duurzaam hout en werd
reeds in de oudheid hoog geroemd. Zie Jcz. XIV: 8; LV:13; LX: 13.
9.  de plaats — weten, volgens 2 Kron. II: 10 Jafo. — Gij — leveren. De Fcnicischc steden waren
door scheepvaart en handel zeer rijk, maar het land leverde niet genoeg mondvoorraad voor de bcvol-
king; I\'alestina was haar aangewezen voorraadschuur; verg. Hand. XII: 20.
11.  ticintig duizend ton. Eenc ton (Hebrccuwsch kor) bedroeg bijna vier mudden (393.!) liter) van
onze maat. — twintig duizend raten, volg. Gr. vert. en 2 Kron. 11:10; Hebr. t. twintig ton. Een
vat ia bijna veertig kan (39.39 liter) van onze maat. — ff**, letterlijk gettooieu. De olie die uit stuk
gestooten en in eene mand gelegde olijven droop was fijner dan die in de otijvenpersen door het
treden met de voeten gewonnen werd.
12.  Zie 111:5—12.
18 v. Oud en geloofwaardig bericht; zie op IX: 22.
-ocr page 668-
748                                     1 koninobn V : 14—VI: 5.
den Libanon, tien duizend in de maand, om beurten; éene maand
waren zij op den Libanon, twee maanden te buis; aan liet hoofd der
15 heerendiensten stond Adoniram.\' Ook had Salomo zeventig duizend
1(5 lastdragers en tachtig duizend steenhouwers in het gebergte;\' behalve
de oversten van Salomo\'s opzichters, die den arbeid bestuurden, drie
duizend zeshonderd, die gezag voerden over het volk dat den arbeid
17       verrichtte.\' Op bevel des konings braken zij groote steenen uit, kos-
telijke steenen, om met gehouwen steen de grondslagen van den tempel
18       te leggen.\' De bouwlieden van Salomo, die van llirom en de Qeba-
lieten behieuwen en bereidden de stammen en de steenen voor den
bouw des tempels, drie jaren lang.
VI: 1 In het jaar vierhonderd tachtig na den uittocht der Israëlieten uit
Ëgypteland, in het vierde jaar van Salomo\'s regeering over Israël, in
de maand Ziw, dat is de tweede maand, bouwde hij het huis voor
\'2 Jahwe.\' Het huis «lat koning Salomo voor Jahwe bouwde was zestig
•i el lang, twintig el breed en dertig el hoog.\' Het voorportaal, voor
het schip des tempels, was twintig el groot, langs de "breedte des
4       tempels, en tien el diep, vooraan den tempel.\' Hij maakte aan den
5       tempel schuin toeloopende vensters met latwerk.\' Tegen den muur des
tempels zette hij een ombouw, rondom het schip en het koor; aldus
V». 1. 2 Kron. III: 2. — Vs. 2 v. 2 Kron. III: 3 v.
14. Ailoiiiram. Zie op IV : 0. Hij was niet met het toezicht op den arbeid maar met de zorg voor
het oproepen en aflossen iler nrbeiders, en wat dies meer zij, dus met de administratie, belast.
15 v. Dit bericht is aan cene andere bron dan het onmiddellijk voorafgaande ontleend; vandaar
gemis aan samenhang en overeenstemming.
10. i/rii\' duir.md zeshonderd. Zoo Gr. vert.; llebr. t. drie duitend driehonderd. Het eerste schijnt
verkieslijk, omdat aldus over elke vijftig man een opziener stond; zie 1 Sam. VIII: 12; 2 Kon.
1:9, 11, 18; immers, 30.000 70.000 80.000 = 180.000:50 » 3000. Deze getallen zijn zeer groot,
maar er waren in dien tijd slechts gebrekkige werktuigen om den arbeid te verrichten en menigmaal
geen wegen voor het vervoer.
17.   de grondslagen, namelijk op die plaatsen waar niet de rotsbodem zelf van den Sion daartoe
diende, maar waar het bcrgvlak moest opgehoogd cu geëffend worden; en dit niet alleen voor het
ti\'inpelhiiis. ook voor het voorhof. Wellicht heeft reeds Salomo een muur, of steenen besehoeiing, op
enkele punten uit het dal opgetrokken tot de hoogte des heuvels, om het vlak grooter te maken;
danrvoor en om de open ruimte aan te vullen waren tal van kolossale steenen benoodigd.
18.   G\'ebalieten. liewoticrs van Gebal, of IKblos, cene stad van Kenicic; zie op Joz. XIII: 5. — drie
jaren lang,
uit Gr. vert. ingevoegd. Volgens VI : 1 begon Salomo in het vierde jaar zijner regeering
met den tcmpelbouw.
1. hel jaar vierhonderd tachtig. Aan deze opgave knu geen waarde gehecht worden; zij stelt eon-
vouilig twaalf mensehcngcsla
18
chten, elk van veertig jaar, een vuur het verblijf iu de woestijn, tien voor
het tijdvak der richters, écn voor Davids regecriug; zie iul. op Richtere». — Ziw. De oude, wellicht
Kanuüuictisebc, benaming van de maand die in later tijd Ijjar heet en ongeveer met onzen Mei ovcr-
cenkomt. — dat is de Smeedt maand. Wellicht bijvoegsel van cene latere hand, toen de heugenis
van de oude namen geheel verdwenen was; zie Ta. 38 eu verg. over de tijdrekening op Exod. XII: 2.—
bouicde, ving met bouwen aan, nadat de toebercidsclen gemaakt waren.
2—10. Over deze beschrijving zie lul. Van verscheiden uitdrukkingen is de vertaling onzeker. De
plek waar de tempel gcliouwd is — hier niet genoemd — was volg. 2 Kron. 111:1 de dorsehvlocr
van Ornaii; waarover zie 2 Sam. XXIV: 10—25. Over de ei zie op Kzceh. XI*: 5. Hoogst waarschijnlijk
gelden deze opgaven den tempel van binnen gemeten. Toch was het geen groot gebouw, maar ongeveer
als eene gewone dorpskerk in ons land.
B. het schip, de groote voorkamer des tempels, later „het heilige" genoemd. — twintig el. Het was
dus even breed als de tempel zelf. — groot, letterlijk lang. Lengte heet hier, omdat het de grootste
afmeting geldt, wat wij breedte zouden noemen, evenals straks iu het oorspronkelijke breed staat, waar
wij „diep" zeggen.
1. irhuin — latwerk. Deze vensters dienden minder om het daglicht binnen te laten, hetgeen wegens
de dikte der muren niet dan spaarzaam kou geschieden, dan om den walm der lampen te laten ont-
suappen cu versche lucht te geven. Vensters met latwerk komen ook Kzcch. XI.: 10 voor.
5. Het eerste rondom, volg. Gr. vert.; Hchr. t. rondom de muren des tempels, rondom. — Deze bij-
gebouwen waren natuurlijk slechts aan drie zijden, daar de voorste, of oostelijke, waar het voorportaal
was, vrij bleef. — het koor, later „het allerheiligste" genoemd. — verlrekke». Deze dienden waar-
schijnlijk den priesters als bewaarplaatsen en voor dergelijke doeleinden. Zij waren slechts klein; twee
en een halven meter hoog, die der onderste verdieping even zoo diep, die der tweede ruim drie, die der
derde ruim drie en een halven meter diep. De breedte wordt niet opgegeven; maar waren er, gelijk
-ocr page 669-
749
1 KONINGBN VI : 5—18.
6       maakte hij vertrekken rondom.\' De onderste rij vertrekken was vijf
el diep, de middelste zes el diep, de derde zeven el diep; want hij
had aan den tempel rondom van buiten inkortingen aangebracht,
7       opdat de binten niet in de tempelmuren ingrepen.\' De tempel nu, bij
zijn opbouw, werd gebouwd van aan de steengroef afgewerkten steen:
hamer, houweel, noch eenig ijzeren gereedschap werd aan den tempel
8       bij zijn opbouw gehoord.\' De ingang van de onderste vertrekken was
aan de zuidzijde des tempels; en door openingen kwam men op de
il middelste, en van de middelste op de hoogste verdieping.\' Zoo bouwde
hij den tempel, voltooide dien en dekte hem met kromhouten en rijen
10 cederen balken:\' voorts zette hij den ombouw tegen den ganschen
tempel, vijf el hoog en aan den tempel verbonden met cederen balken.
11,12 Toen geschiedde het woord van Jahwe tot Salomo:\' Aangaande
dezen tempel, dien gij bouwt, indien gij wandelt in mijne inzettingen,
mijne verordeningen nakomt en al mijne geboden onderhoudt, daarnaar
u gedragende, zoo zal ik jegens u het woord gestand doen dat ik tot
13 uwen vader David gesproken heb,\' in het midden der zonen Israëls
wonen en mijn volk Israël niet verlaten.
14, 15 Zoo bouwde Salomo den tempel en voltooide dien.\' Hij beschoot
de wanden des tempels van binnen met cederen planken; van den
vloer des tempels tot de balken van den zolder overtoog hij ze met
hout van binnen, en hij overtoog den vloer des tempels met cypressen
10 planken.\' Voorts schoot hij het achterste gedeelte des tempels, twintig
el groot, met cederen planken af, van den vloer tot de balken, en
17       maakte daarbinnen een koor, een allerheiligste.\' En veertig el was
18       de tempel, dat is het schip voor het koor.\' En van cederhout was
wellicht uit Ezech. XLI: 54—11 mag worden opgemaakt (/.ie aldaar), dertig op elke verdieping, dan
was elk vertrek ook ongeveer twee en een halven meter breed.
0. rij vertrekken, volg. Gr. vert.; Hehr. t. ombouw. — want — ingrepen. De muur de» tempels was
zeer dik, van onderen misschien omstreeks /es el (zie Ezcch. \\ l.l : 5), en zoo gemaakt dat hij op vijf
cl hoogte eene cl, op tien cl hoogte twee el, op vijftien cl hoogte drie el minder dik werd. Zie verder
pp vs. 10. — ile binten, duidelijkheidshulve ingevoegd.
. .7. Deze opmerking moet diencu om den tempel to verheerlijken; zij staat hier vreemd midden in
de boschrijving vnn den bijbouw, maar wordt gemaakt naar aanleiding van de uiedcdecling dat die
bijbouw de buitenmuren des tempels geheel ongedeerd liet.
8.   onderste, naar Gr. eu andere oude vertt.; Ilelir. t. midtlehte. — openingen, in de zoldering,
waarbij men waarschijnlijk ccue ladder zette. De vertaliug is iutusscheu zeer onzeker. — hoogste, let-
terlijk tierde; bedoeld is wat wij „de tweede verdieping" noemen.
9.   ilekte den tempel, maakte het tempeldak. — kromhouten. Du lezing en vertaling van het aldus
weergegeven woord is niet zeker. Op de een weinig gebogen of gewelfde balken die het gebouw over-
spanden, ten naasten bij twaalf nieter lang, lagen over de gansche lengte cederen balken vast aaneen,
en hierop waarschijnlijk — ofschoon het niet wordt vermeld — een plat steenen dak, wellicht met
eene leuning of borstwering in de rondte.
10.  vijf el hoog. Zoo hoog was elke verdieping; samen waren zij dus met hare zolderingen bijna
achttien el hoog, waarboven de tempel uog ruim twaalf, met het dak mee wel veertien, el oprees;
iu dit bovcngcdecltc van den tcinpelmuur waren de vensters waarvan in vs. \\ sprake wus. — balken,
die de zolderingen van het bencdenhuis, der eerste eu der tweede verdieping, teven» de vloeren dier
beide verdiepingen, vormden, iu den buitenmuur der bijgebouwen vustzatcu en op de uitstekken vnn
don eigenlijken tempelmuur rustten.
11—13. Deze verzen, die den samenhang van het verhaal van den tcmpclbouw verbreken, zijn geput
uit ecuo andere bron, en iu den geest der wetgeving van Deuteronomium. Zij ontbreken in Gr. vert.
11.   De draad vuu het verhaal, door het opnemen te dezer plaatse van de godspraak vs. 11—13
afgebroken, wordt hier weer opgevat. Het inwendige van het gebouw wordt nu beschreven, tot vs. 35.
15. balken, naar Gr. vert.; Hebr. t. wamlen. Kvonzoo vs. 10.
IR. kuur. Zulk een binneustc heiligdom, de onschendbare en ongenaakbare plaats, waar de godheid
troonde, vond men iu de meeste tempels der oudheid; zie op Kind. XXVI: 33. — een allerheiligste,
toevoegsel tot dcu oorsproukclijkcn tekst, ontleend aan de beschrijving van den tabernakel in K.\\nd. XXVI.
17.  hel koor. Dit ontbreekt iu Hebr. t., i> ingevoegd uit Gr. vert,                        • •
18 v. Deze verzen verbreken een weinig den samenhang; vs. 20 sluit zich bij vs. 17 aan.
18.  eierlijsteu, letterlijk kolokwinten, of wilde komkommers, eene eivormige vrucht, die zich voor
sieraad in drijfwerk of half verheven beeldwerk zeer goed leent. — alles eederhout. In vs. 15 ver-
namen wij dut de vloer van cypressenhout was.
                                                   ...
-ocr page 670-
1 KONINGEN VI : 18—32.
750
alles aan den tempel van binnen: snijwerk van eierlijsten en bloem-
19       slingers, alles cederhout, geen steen was te zien.\' En een koor in bet
midden des tempels van binnen ricbtte bij in, om aldaar de ark des
20       verbonds van Jahwe te plaatsen.\' Het koor was twintig el lang,
twintig el breed en twintig el boog, en hij overtoog het met gedegen
2lb goud. Verder maakte hij een altaar van cederhout\' vóór het koor en
21« overtoog liet met goud.\' >Salomo overtoog den tempel van binnen met
22 gedegen goud en vlocht gouden ketenen vóur het koor;\' en den ge-
heelen tempel overtoog hij met goud, totdat de geheele tempel gereed
was; ook het gansche altaar dat bij het koor behoorde overtoog bij
met goud.
23d
         Voorts vervaardigde hij in het koor twee cherubs van olijvenhout. \'
20 De hoogte van den eenen cherub was tien el, en evenzoo was de
234, 24 tweede:\' elke cherub was tien el hoog;\' vijf el was de eene vleugel
van den cherub, en vijf el de tweede vleugel van den cherub, tien
25 el van het eene einde zijner vleugels tot het andere;\' ook de tweede
cherub was tien el; éene zelfde maat en éene zelfde gestalte hadden
27       beide.\' En bij stelde de cherubs in bet binnenste des tempels, waar
zij hunne vleugels uitspreidden; zoodat de vleugel van den eenen den
eenen wand raakte en de vleugel van den tweeden cherub den anderen
wand, terwijl hunne vleugels in het midden des tempels elkander aan-
28       raakten;\' en hij overtoog de cherubs met goud.
29           In al de wanden des tempels rondom sneed hij figuren uit: cherubs,
palmboomeu en bloemslingers, zoo in het binnenste deel als in het
30       buitenste.\' Ook den vloer des tempels overtoog hij met goud, zoo in
31       het binnenste deel als in het buitenste.\' En aan den ingang van het
koor maakte hij olijvenhouten deuren, wier posten met de kroonlijst
32       een vijfhoek vormden.\' En op de beide deurvleugels van olijvenhout
V». 20a. 2 Kron. 111:8. — V». 23—28. 2 Kron. 111:10—13.
20. Hel koor. Hebr. t. Vóór het koor. — twintig tl hoog. Daar ilo ganscho tempel, dus ook het
achterste gedeelte, dertig el hoog was, bleef boven het koor eene ledige ruimte vnn tien cl afgeschoten.
Aldus vorkreeg het koor den vorm vnu een teerling. — maakte. Zoo Gr. vert.; Hebr. t. overtoog. —
altaar. Voor een altaar, waarop geofferd, al is het slechts reukwerk gebrand wordt, is hout geen gc-
sehiktc stof; maar hoogst waarschijnlijk wordt hier met dien naam de tafel der toonbroodoii (Kxod.
XXV: 23—30) aangeduid; /ie Ezcch. XLI: 22. In den tempel van Salomo was geen wicrookaltaar; /ie
op VII: 48 en Exod. XXX : 1—10.
21*. vóór — goud. Hij vergissing uit Hebr. t. hier uitgevallen en aan het einde van het vers geplaatst.
21a, 22. Deze gedeelten behooren, naar het schijnt, niet tot het oorspronkelijke bericht. Er is
reden, aan dat overtrekken met goud, dat in vs. 20—22 niet minder dan vijfmaal, en wederom in
vs. 28, 30, 32 voorkomt, te twijfelen; immers, waar wij zulks zouden verwachten wordt van dat
goud geen melding gemaakt (XIV: 20; 2 Kon. XIV: 14; XVI: 17; XVIII: 10); in de beschrijving van
Ezcchicls tempel is er geen sprake van (Kzech. XLI: 156-—20). Waarschijnlijk heeft in later eeuw, toen
het verhaal vnu dcu tabernakel met zijne van goud overtogeu planken (Exod. XXVI: 29) was verdicht,
ecu priester, onderstellende dat de tempel vau dcu rijken koning niet voor den tabernakel had onder-
gedaan, die herhaalde verzekering dat ook de tempel en zijne meubelen met goud overtrokken waren
hier ingevoegd. — vlocht, zeer onzekere lezing en vertaling.
23a. cheruba. /ie op Gen. 111:24. — olijvenhout. Het hout van den wilden olijfboom was om zijne
hardheid, duurzaamheid en schoonheid van kleur, glans en gladheid, zeer gezocht; bij de Grieken
werden er godenbeelden uit vervnardigd.
26.  Dit vers is van zijne plaats geraakt; het behoort vóór vs. 234.
24—27. Waarschijnlijk hebben wij ons deze cherubs voor te stellen, staande op den grond, in het
midden van het koor, met het aangezicht naar den ingang, op tien cl afstands van elkaar, den een
vijf cl van den noordelijken, den ander even ver van den zuidelijken wand, de vleugels uitstrekkende;
zoodat de gansche breedte van het vertrek, twintig el, door de vier vleugels werd ingenomen, en de
twee vleugels die elkander raakten de in het midden geplaatste ark overdekten.
27.  het binnemte det tempel; het koor.
29, 30. zoo — buitenste, zeer onzekere vertaling. Wellicht èn in schip en koor en in voor-
portaal.
31. een vijfhoek, aldus dat de kroonlijst, of bovendorpel, geen rechte hoeken niet de deurposten
vormde, maar twee stompe hoeken, en zijne beide declen met elkander van boven een scherpen of
slompen hoek mankten. Maar de tekst is niet duidelijk en waarschijnlijk bedorven.
-ocr page 671-
1 koningen VI: 32—VII: 7.
751
sneed hij figuren uit: cherubs», palmboomen en bloenislingers, en over-
toog ze niet goud; hij legde liet goud op de cherubs en de palmboomen.\'
33       Eveneens maakte hij tot ingang van het schip olijvenhouten deurposten,
34       vierkante posten;\' en cypressenhouten deurvleugels, eiken deurvleugel
35       van twee omslaande bladen.\' En hij sneed cherubs, palmen en bloem-
slingers uit en overtoog ze met goud, vlak gestreken over het afbeeldsel.
36           .Nog maakte hij bet binnenste voorhof met drie lagen gehouwen
steen en eene rij cederen balken.
37           In het vierde jaar werden «Ie grondslagen van den tempel van
38       Jahwe gelegd, in de maand Ziw;\' en in het elfde jaar, in de maand
Hul, dat is de achtste maand, had hij den tempel voltooid, in alle
onderdeelen en naar alle vereischten; hij bouwde hem in zeven jaren.
VII: l Zijn paleis bouwde Salomo in dertien jaar: toen had hij zijn gansche
2       paleis voltooid.\' Hij bouwde dan het huis van bet Libanonwoud, hon-
derd el lang, vijftig el breed en dertig el hoog, op vier rijen cederen
3       zuilen, met cederen balken op de zuilen,\' en beschoten met (iederhout
boven de ribben die op de zuilen lagen, vijf en veertig, vijftien op
4,5 elke rij;\' en drie rijen latwerk, raam tegenover raam, driemaal;\' en
(i al de openingen en ramen waren vierkant.\' Ook de zuilenzaal maakte
hij, vijftig el lang en dertig el breed, met een voorportaal er voor
7 en zuilen en een luifel er voor.\' Verder maakte hij de troonzaal, waar
hij rechtsprak, de rechtzaal, beschoten met cederhout van den vloer
32.  op de cherubs ra de palmboomen. De bedoeling zul wel zijn: over al de figuren.
33.  ingang van het schip, aan de zijde van het voorportaal.
31. elke» — bladen, letterlijk twee bladen draaiende, de eeue denrrleugel, en twee bladen draaiende,
de tweede denrrleugel.
Klkc deur van de portc brisec bestond weder uit twee helften of binden, waarvan
het cene draaide op zijne eigen scharnieren en tegen het ander aansloeg; zoodat in den regel slechts
cene halve deur geopend behoefde te worden om een persoon door te laten.
30. het binnenste voorhof. De tempel zelf had aanvankelijk slechts écu voorhof; eerst later lezen wij
vnn een tweede (2 Kon. XXI: 5; XXIII: 12; Jer. XXXVI: 10); derhalve heet het tempclvoorhof hier
het binnenste, in tegenstelling met het grootc voorhof; waarover zie op Vil: 12. — eeue rij cederen
balken,
waarschijnlijk boven op de lagen steen.
87. Xiie. Zie op vs. 1.
38. Bul, dezelfde maand die later Marchcswnu heette en grootcndccls met onzen November ovcrccn-
komt. — zeeën jaren, nauwkeuriger: zeven en een halfjaar.
1.  zijn gansche paleis, dat verschillende gebouwen omvatte, die hier achtereenvolgens worden opgc-
noemd en beschreven, als: het huis van het Libanonwoud, de zuilenzaal met voorportaal, de troon- of
gerichtszaal, het woonhuis des konings met voorhof, en het huis van Farao\'s dochter, alle welke ge-
bouwen, met den tempel, door het grootc voorhof omgeven waren; verg. op vs. 12. De beschrijving
is zoo onduidelijk en onvolledig dat het onmogelijk is ons cene voorstelling van het geheel of een
der declen te vormen.
2.  het huis van het Libanonwoud, niet op den Libanon, maar te Jeruzalem, met de andere gebouwen,
ten zuiden van den tempel te zoeken. Het droeg wellicht dien naam omdat het door zijne vele cederen
zuilen aan een Libanonwoud deed denken; het schijnt wel cene ruime feestzaal met bij vertrekken te
zijn geweest; verg. X:17, 21; waarschijnlijk komt het ook .Icz. XXII: 8 voor. — honderd — hoog.
liet besloeg dus, bij gelijke hoogte, eene oppcrvlnkte (100 X 50 cl) ruim viermaal zoo groot als die
vnn het tcmpclhuis ((10 X 20 el).
3.   beschoten. Anderen gezolderd. — ribben, dwarsbalken. Het woord kan ook bc leekenen planken
(VI: 15 v.) of vertrekken (VI: 5 v., 8).
4.  latwerk. Zie VI: 1. Onzekere vertaling, evenals raam.
5.  ramen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. posten. — Ann het slot van dit vers leest men in Hcbr. t. nog
dwarsbalk (?) en vóór raam tegenover raam, driemaal. Als onverstaanbaar en grootcndeels herhaling van
de laatste woorden van vs. 1, weggelaten.
0. Ook. Waarschijnlijk worden de gebouwen opgenoemd in de volgorde waarin zij zich voordeden aan
wie het grootc voorhof intrad; zie op vs. 8. — zaal, letterlijk voorportaal, vestibule, portiek; evenzoo
beide keeren in vs. 7 (troonzaal, rechtzaal) en vs. 8. Beide, de zuilenzaal en de troonzaal, heeteu
voorportaal, omdat zij als het ware de vestibule vormden voor de daarachter in een afzonderlijk, met
een muur omsloten, voorhof gelegen woonhuis des konings. — zuitenz>ul, zoo genoemd als bestaande
uit kolommen, die wellicht van boven gedekt waren, eene open gang of galerij derhalve. — ten
luifel,
hier en Kzech. X LI : 25 v., zeer onzekere vertaling.
7. troonzaal, waarschijnlijk zoo genoemd naar den X : 18—20 beschreven koninklijken troon, en
bestemd niet alleen voor de rechtspraak, maar ook voor de ontvangst van aanzienlijke bezoekers. Deze
zaal was niet open ann de zijden, maar had beschoten wanden. — de balken, volg. Lat. en Syr. vertt.;
verg. VI:15v.; Hebr. t. den vloer.
-ocr page 672-
752                                       1 kokinoin VII: 7—18.
8       tot de bulken.\' Voorts zijn huis, waarin hij woonde, in het andere
voorhof, achter de zaal, in denzelfden trant gemaakt. Ook werd voor
Farao\'s dochter, die Salomo gehuwd had, eene woning in den trant
9       dezer zaal gemaakt.\' Dit alles was van kostelijken steen, gehouwen
steenen, naar vaste maat, met de zaag bearbeid, zoo binnen als buiten,
van de grondslagen tot de nok, en buiten tot het groote voorhof toe.\'
10       De grondslag was van kostelijken steen, groote steenen, van tien el
11       en van acht el;\' en daarboven was liet kostelijke steen, gehouwen
12       steenen, naar vaste maat, en cederhout.\' En daaromheen was het groote
voorhof met drie rijen gehouwen steenen en eene rij cederen balken,
evenals aan het binnenste voorhof van het huis van Jahwe en aan
liet voorhof van het paleis waren.
13,14 Koning Salomo nu ontbood Hirom uit Tyrus.\' Deze was de zoon
eener weduwvrouw, uit den stam Xaftali, en zijn vader was een Tyriër;
hij was koperslager en was vol wijsheid, doorzicht en bekwaamheid,
om iederen arbeid in koper te verrichten. Hij kwam bij koning Salomo
15 en voerde al zijne werken uit.\' Hij goot de twee zuilen voor het por-
taal des tempels, van koper. Achttien el was de eene zuil hoog, en
eene lijn van twaalf el omspande haar, en de dikte der zuil was vier
lfi vingers, hol; evenzoo de tweede zuil.\' Verder maakte hij twee kapi-
teelen, om ze op den top der zuilen te zetten, uit brons gegoten.
Vijf el was de hoogte van het eene kapiteel, en vijf el was de hoogte
17       van het tweede.\' Ook maakte hij de twee vlechtwerken, om de kapi-
teelen die op den top der zuilen waren te bedekken, vlechtwerk voor
18       het eene kapiteel en vlechtwerk voor het tweede.\' Nog maakte hij de
V». 15—18, 81. 2 Kron. 111:15—17.
8.  het andere voorhof, het ommuurde plein waarop het paleis lag; zie op vs. 6 en 12. — de zaal.
Waarschijnlijk is de troonzaal bedoeld. Dat hier elke beschrijving ophoudt, is wel hieraan te wijten
dat de toegang tot dat andere voorhof en tot \'s koning» huis en vrouwentimmer niet openstond:
zoodnt ze onbekend waren en de verhuler zich daarvan met eene algemeenheid moest afmaken. — Ook —
gemaakt. Zie 111:1. lic Kgyptischc prinses had, als zijne voornaamste gemalin, eene afzonderlijke woning.
9.   soo hintten alt buiten. Met binnen worden de muren van de gebouwen, mot buiten wordt beide
keeren in dit vers de vloer vau het plein rondom het paleis bedoeld. — nok, onzekere vertaling. —
kei groote voorhof. Zie op vs. 12.
10.  tan tien el en ean acht el, lang en naar verhouding breed cu hoog.
11.  daarboei-n, boven den grond, op de grondslagen, dus de zichtbare muren. — cederhout, het bc-
schot vau de wanden, de zolderingen eu de balkeu van het dak.
12.  het groote i•oorhof. Daar de tempel in de eerste plaats het heiligdom des koniugs was, maakte
hij deel uit van den grooten koningsburg cu werd door de lijfwacht bewaakt, 2 Kon. \\ 1 : 5—10. Ken
muur omsloot dus de gansclic ruimte (het groote voorhof), waarin cu de tempel en het puleis, elk met
een eigen voorhof, lngeu. Kcnc der tcmpclpuortcn, waarschijnlijk aan de zuidzijde, heette „do Koiiings-
poort", 2 Kou. XVI: 18j verg. op 1 Kron. IX: 18. Hoc men later zich aan die inrichting ergerde
leert Ezech. XU1I:8. — hel binnenste voorhof. Zie op VI: 30. — het voorhof, volg. verb. t. j Hehr. t.
het voorportaal, liedoeld wordt „het andere voorhof" van vs. 8.
13.  In 2 Kron. II is deze Hirom het voornaamste onderwerp der briefwisseling (vs. 3—10 en 11—
10) tusschen Salomo en den koning vau Tyrus (vs. 7, 13). — Hirom. Aldus wordt de naam nauwkeii-
rig gespeld vs. 40; hier, vs. 40 en 45 heet hij lliram; 2 Kron. IV: 11 lluram; verg. op V:l
en 2 Kron. II : 13.
14.   Naftali. 2 Kron. II: 14 heet Hiroms moeder eene Danietische. De stad Dan lag in het stam-
gebicd van Naftali: maar zie op 2 Kron. 11:14. — koper, of brom. Zie op Gen. IV : 22.
15—22. liet bericht betreffende de twee koperen zuilen is in den Hcbr. t. in zeer bedorven toc-
stand tot ons gekomen; maar de Gr. vert., in verband met hetgeen wij vs. 41 v.; 2 Kon. XXV: 13—
17; Jcr. Ml : 17—23 cu 2 Kron. 111:15—17 omtrent deze pilaren lezen stelt ons in stnat den tekst
vcelnl met voldoende zekerheid te herstellen.
15.   goot, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. vormde. — haar — evenzoo, ontbreekt in Hcbr. t., is uit Gr.
vert. en Jer. 1.11:21 er weder in gebracht. — vier vingert, hol. De zuil was niet massief, maar hol;
het brons had eene dikte van vier vingers. Zij was 9.45 M. hoog, met het kapiteel ruim 12 M., en
0.3 M. in omvang, dus bijna 2 M. in doorsnede.
17. Ook — bedekken, volg. Gr. vert. De laatste woorden waren bij ongeluk in vs. 18 verdwaald
geraakt. Hcbr. t. vlechtwerken, maakiel ran vlechtwerk, draadwerk, tnaaktel van guirlande*, voor de
kafrileclen.
— vlechtwerk, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. beide malen zeven.
-ocr page 673-
753
1 KOMNGBN VII : 18—28.
granaatappelen, twee rijen bronzen granaatappelen op liet eene vlecht-
werk; er waren tweehonderd granaatappels rondom het eene kapiteel;
21       en evenzoo maakte hij het aan het tweede.\' Daarna richtte hij de
zuilen op aan het voorportaal van het schip; toen hij de rechterzuil
had opgericht, noemde hij haar Jachin; toen hij de linkerzuil had
19       opgericht, noemde hij haar lioaz.\' Boven op de zuilen nu was de figuur
20       eener lelie, in het voorportaal, vier el; \' en een bovendorpel was op de
22       beide zuilen. \' Zoo was liet werk van de zuilen voltooid.
23           Hij vervaardigde de zee, gegoten werk, tien el groot van den eenen
rand tot den anderen, geheel rond, vijf el hoog, en een snoer van
24       dertig el omspande haar geheel.\' Eene eierlijst was onder haren rand
en omgaf haar van rondom, eene dubbele eierlijst, te gelijk met haar
20 gegoten.\' Hare dikte was eene palm, en haar rand was in den vorm
25       van een bekerrand, een leliekelk; twee duizend vat hield zij.\' Zij stond
op twaalf runderen, drie gewend naar het noorden, drie naar het
westen, drie naar het zuiden en drie naar het oosten; al hunne achter-
deelen waren naar binnen gekeerd; en de zee was boven op hen.
27           Ook vervaardigde hij de onderstellen, tien in getal, van koper; vier
28       el was elk onderstel lang, vier el breed en drie el hoog. \' Het maaksel
Vs. 23—26. 2 Krou. IV: 1—5.
18. granaatappelen, Hcbr. t. zuilen, gelijk omgekeerd iu ditzelfde vers een regel lager in llebr. t.
granaatappelen, in plaats van zuilen, gelezen wordt (in de woorden, reeds iu vs. 17 opgenomen). —
Over den granaat zie op Nuin. XX : 5. — bronzen — eene kapiteel, voor een deel uit Gr. vert., voor
een deel uit vs. 20A, voor een deel naar gissing; llebr. t. rondom liet eene vlechtwerk, om de kapilee-
len te bedekken die boven op de granaat appelen waren.
— Zie verder over de kapiteeleu op vs. 41.
21.   Dit vers volgt iu Gr. vert. te reent op vs. 18. — aan het voorportaal. Waar zij stonden, vóór
of in het portaal, en op welke wijze er mee verbonden, is geheel onbekend; wellicht bevatte vs. lil,
20a oorspronkelijk daaromtrent cenige aanwijzingen. — Jachin, d. i. ,hij (Jahwe?) grondvest\', of ,be-
vestigt\'. — Boa:, misschien: ,in hem is kracht\'; men kan dezen naam ook uitspreken Jiaoz, d. i.....et
kracht\'; dan vormen beide namen tezamen écu zin.
li), 20a. Deze verzen zijn in Hcbr. t. onverstaanbaar en ook met behulp van Gr. vert. niet dan
hoogst gebrekkig te herstellen. Hot bovenstaande is naar Gr. vert., die daarna nog cenige onverklanr-
barc woorden geeft. Hcbr. t. Eu kapileelen die op den top der zuilen waren, lelienwerk, iu het voor-
portaal, vier el. £n kapileelen op de beide zuilen, ook van boven naast den buik die over hel netwerk
was.
Vs. 20i is reeds in vs. 18 grootendeels opgenomen. — lelie, of lotus, een zeer gewoon motief iu
de beeldhouwwerken der Kgyptenaren.
22.  Zoo. Hieraan gaat in Hcbr. t. vooraf en op den top der zuilen lelienwerk, evenals vs. Via.
23.   In 2 Krou. IV : 1 wordt, tussehen de vervaardiging van de zuilen en van de zee, die van het
koperen altaar, twintig el lang en breed en tien cl hoog, vermeld. Hier ontbreekt die vermelding
zoowel in Hcbr. t. als in Gr. vert. Toch moet er volgens VIII: 22, fit; IX: 25; 2 Kon. XVI: 14 V.
oorspronkelijk sprake van geweest zijn. Trouwens, het altaar was het voornaamste van al wat in en
bij den tempel werd gevonden. De oorzaak van het verloren gaan van het bericht is niet met zeker-
hcid aan te wijzen. Wellicht heeft dezelfde hand die VIII: 4 den tabernakel en zijne heilige gereed*
schappen inlaschte het geschrapt, om met het denkbeeldige altaar des tabernakels den tempel te be-
schcuken. — de ze». Aldus werd het koperen vat om zijn grooten omvang genoemd; 2 Kon. XXV: 15
de koperen (bronzen) zee. — tien — anderen, in doorsnede derhalve, zoo wijd mogelijk genomen, 5.25
M. Al deze maten zijn genomen van buiten. — dertig. Gr. vert. drie en dertig.
24.   Bent eierlijst. Zie op VI: 18. — van rondom. Iu Hebr. t. staat nog tien el, van alle kanten
de ste omgevende.
Dit ontbreekt te recht in de Gr. vert. — een dubbele — gegoten, letterlijk twee
rijen de kolokwinten, gegoten bij hare gieting,
namelijk bij het gieten van de zee zelve.
20. Met Gr. vert. te lezen voor vs. 25. Eerst wordt de vorm van hot groote vat, daarna zijn
voetstuk vermeld. De omzetting in Hcbr. t. is waarschijnlijk geschied naar 2 Krou. IV: 3—5; zio
aldaar op vs. 3. — palm, een zesde van de Hcbrceuwsche el. — een leliekelk. Zie op vs. 10, 20a.
De rand was dus een weinig nnnr buiten omgebogen. — twee duizend vat. Bijna 80.000 liter.
25.   runderen. Volg. 2 Kon. XVI: 17 waren ook deze van brons. — en de zee was boven op hen.
Zoo Gr. vert.; Hebr. t. plaatst deze woorden voor en. al hunne achterdeeleu.
27—39. Do beschrijving van de tien waterwagens is zeer onduidelijk, deels door het gebruik van
kunstwoorden wolkc wij niet meer verstaan, deels doordien do tekst even bedorven is als die van vs.
15—22, terwijl ons hier do hulpmiddelen ontbreken om dien te herstellen.
27.  onderstellen. Zooveel als rolwagens. Zij bestonden uit een gemakkelijk naar alle zijden te bewo-
gon onderstel, met drager, waarop ecu waterbekken rustte, volgens 2 krou. IV :fl om het vlccsch
voor het brandoffer in af te spoelen.
28.  tussehen de sporten. Het is niet duidelijk welk gedeelte vnn den wagen hiermede bedoeld wordt;
volgens sommigen de treden van trappen waarmee men klom naar het bekken dat op het onderstel stond.
O. T. I.                                                                                                                          48
-ocr page 674-
754
1 K0N1NOKN VII : 28—42.
nu van het onderstel was aldus: zij hadden lijsten, alsmede lijsten
29 tusschen de sporten. En op de lijsten tusschen de sporten waren
leeuwen, runderen en cherubs; en op de sporten was een voetstuk
van boven; en onder de leeuwen en runderen waren afhangende
30<z festoenen.\' Ieder onderstel had vier koperen raderen en koperen assen.\'
32       De vier raderen waren onder de lijsten; en de handvatsels der raderen
waren in het onderstel; en de hoogte van elk rad was anderhalf el.\'
33       Het maaksel der raderen was als het maaksel van een wageuwiel;
34       hunne handvatsels, velgen, spaken en naven, alles was gegoten.\' En
vier schouderstukken waren aan de vier hoeken van elk onderstel;
35       uit het onderstel kwamen zijne schouderstukken. Boven aan liet
onderstel was een soort van voetstuk, anderhalf el hoog, geheel rond;
en boven op het onderstel waren zijne handvatsels, en zijne lijsten
3fi waren er aan vast.\' En hij graveerde op de bladen zijner handvatsels
en o]) zijne lijsten cherubs, leeuwen en palmen, en tegenover elk daar-
30£ van festoenen rondom.\' En zijne vier voeten, daaraan waren schouder-
stukken; onder liet bekken waren de schouderstukken gegoten, tegenover
31 elk daarvan festoenen.\' En zijn mond was binnen de schouderstukken,
naar boven drie el; en zijn mond was rond; en ook op zijn mond was
37       snijwerk; maar hunne lijsten waren vierkant, niet rond.\' Aldus maakte
hij de tien onderstellen: éen gietsel, éene maat, óene gestalte hadden
38       zij alle.\' Verder maakte hij tien koperen bekkens; veertig vat hield
ieder bekken; vier el was ieder bekken; éen bekken op elk van de
39       tien onderstellen.\' En hij plaatste vijf onderstellen aan de zuidzijde
des tempels en vijf aan de noordzijde des tempels, terwijl hij de zee
ter zuidzijde des tempels plaatste, naar het zuidoosten.
40           Nog vervaardigde Hirom de potten, schoppen en offerschalen. Zoo
voltooide Hirom al het werk dat hij voor koning Salomo in den
41       tempel van Jahwe verrichtte:\' twee zuilen, met twee bolvormige
kapiteelen boven op de zuilen, twee vlechtwerken, om de beide bol-
42       vormige kapiteelen boven op de zuilen te bedekken,\' en vierhonderd
granaatappels aan de beide vlechtwerken: twee rijen granaatappels aan
V». 38a, 39. 2 Kron. IV :0a, 10. — Vs. 40—51. 2 Kron. IV: 11—V:l.
2ö. leeuicru — cherubs, gegoten of gedreven sieraad. — een voetstuk, waarop de bekkens ruitten;
zie v>. 31, 35. Anderen evenzoo.
32. Het schijnt dat vs. 304, 31 na vs. 30 behoort. — handvatsels, .urenen. Naar het schijnt, waren
de assen der voor- en achterwielen niet door een boom aaneenverbonden, maar zat de as van elk
wiel afzonderlijk door cenc greep aan het geheel vast.
34.  schouderstukken, naar het schijnt, dragers in den vorm van een schouder.
35.  een loorl — ander. I)ezc woorden zijn uit vs. 31 van Hebr. t., waarheen zij verdwaald waren,
hierheen teruggebracht; in het vervolg moesten, om een dragelijken zin te verkrijgen, ecuige letters
worden veranderd. — handvatsels — vast. Het gelukt niet, ons uit deze opgaven cenc eenigszins aan-
schouwclijkc voorstelling te vormen.
30.   Dit vers geeft geen zin, noch in den Hebr. t., noch in de (ir. vert. Naar gissing zijn ecnigo
lotters veranderd of omgezet.
302. Ook dit vers is onverstaanbaar, behalve allee» de woorden in het midden. De schouderstukken
dienden om het bekken te doen vaststaan.
31.   zijn mond, kan beteekenen de opening van het voetstuk, of de opening waarin het bokken
paste. — de schouderstukken. Hebr. t. het kapiteel. — drie, naar gissing ingevoegd.
38. vier el, in omtrek.
30. naar het zuidootten, dus iets meer vooruit dan de onderstellen, tusschen voorportaal en altaar.
40.  potten. Zoo Gr. vert., in overeenstemming met vs. 45; 2 Kron. IV: 11; verg. 2 Kon. XXV: 14;
Jer. LH: 18; Hebr. t., door eene onbeduidende verschrijving, hekkens. — schoppen, om de asch van het
altaar te verwijderen. — offerschalen, om het bloed in op te vangen dat gesprengd moest worden, en
om olie, wijn of water te plengen.
41.  bolvormige, letterlijk kogels van de. Wij maken hieruit op, dat de boven (vs. 10—18) beschreven
kapiteelen in hoofdzaak bestonden uit een, wellicht boven en onder afgeplatte», kogel. Maar de ver-
taling van het Hebreeuwsche woord voor hol of kogel is onzeker.
42.  op de beidt. Zoo Gr. vert.; Hebr. t. op de oppervlakte der.
-ocr page 675-
755
1 KONINGEN VII : 42—51.
ieder vlechtwerk, om de beide bolvormige kapiteelen op de beide
43 zuilen te bedekken;\' tien onderstellen, en tien bekkens op de onder*
44, 45 stellen; \' de eene zee, en twaalf runderen onder de zee;\' de potten,
de schoppen en de schalen; al deze voorwerpen die Hirom voor koning
Salomo aan den tempel van Jahwe maakte waren van gepolijst koper;\'
47       vanwege de overgroote menigte werd het gewicht van het koper niet
4(1 nagegaan;\' in de Jordaanstreek goot hij ze, in leemen vormen, tusschen
Sukkoth en Sarethan.
48           Toen plaatste koning Salomo in het huis van Jahwe al de voor-
werpen die hij vervaardigd had: het gouden altaar, en de gouden tafel
49       waarop liet toonbrood lag; \' de luchters van gedegen goud, vijf rechts
en vijf links, vóór het koor; de gouden kelken, lampen en snuiters:\'
50       de schalen, messen, offerschalen, schotels, komforen, van gedegen goud;
en het gouden beslag aan de deuren van het binnenste des tempels,
het allerheiligste, en aan de dubbele tempeldeur, aan het schip.
51            Toen nu de gansche arbeid gereed was dien koning Salomo had
verricht aan den tempel van Jahwe, bracht Salomo de wijgeschenken
van zijn vader David, het zilver en het goud en de vaten, en legde
ze in de schatkamers van den tempel van Jahwe.
45. voorwerpen. Het Hebrceuwsche woord beteekent: ,vaten, gereedschappen, tuig\'. — koper, brons.
Zie on vs. 14.
47.   Dit vers moet, naar Gr. vert., terstond op vs. 45 volgen. In Hebr. t. luidt de aanhef Toen
plaatste Salomo al de voorwerpen.
Zie op vs. 48.
40. hij, Hirom, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de koning. — »\'» leemen vormen, letterlijk in dichte (of
vaste) aarde. 11e leem of klei, voor zulk ceu arbeid vercischt, werd slechts in enkele doelen des Innds
aangetroffen. — Sukkoth, op den oostclijkcu Jordaauoevcr; zie op Gen. XXXIII: 17. — Sarethan, (zie
op Joz. 111:16) aan deze zijde van den Jordaan, vlak tegenover Sukkoth. De plaats om te gieten
lag tusschen beide steden, op den westelijken oever, daar de oostelijke hier geen genoegzame ruimte
aanbiedt.
48—50. Ken toevoegsel vau den jougsten bewerker van Koningen, tot verheerlijking van den tempel.
Zie tol. op V—VIL
48.   Toen plaatste koning. Aldus Gr. vert.; Hebr. t. Toen maakte, cene onjuiste lezing, door de
wanorde in vs. 47 veroorzaakt (zie bovon). — hij vervaardigd had, uit Gr. vert. iugevoegd. — het
gouden altaar,
liedocld wordt een reukaltaar in het schip van den tempel. Zulk een altaar is echter
eerst vele eeuwen later in den tweeden tempel geplaatst. In Salomo\'» tijd, en lang daarna, werd nog
geen wierook bij den cercdienst gebruikt. Zie ook op VI: 20. — de gouden tafel. Volgeus VI: 20 was
zij van cederhout. Reeds ten tijde vau Saul (1 Sam. XXI : 4—0) is van toonbrood sprake. De schrijver
van Kronieken maakt (1 Kron. XXVIII:16; 2 Kron. IV : 8, 19) van (tien) tafels gewag.
49.  kelken, het bovenste gedeelte van den luchter. — lampen, die in de kelken stonden. — snuiters,
lampescharen, of tangen om de pit van de lamp op te halen.
50.  mesten, letterlijk knijpers, om het otfervlccsch mede te behaudelen. — Volgens vs. 40 en 2 Kon.
XXV: 14 waren vele der hier opgenoemde voorwerpen niet van goud, maar van koper. Jer. Lil: 18 v.
vermeldt beide soorten. — het gouden beslag, onzekere lozing en vertaling. — en, ingevoegd uit 2
Kron. IV: 22 en Gr. en andere vertt.
51.   wijgeschenken, wat David van veroverden buit en ontvangen geschenken aan Jahwe geheiligd
had, 2 Snm. VIII: 7—12. — schatkamers. Waar wij deze te zooken hebben, is onzeker; waarschijnlijk
hior of daar in den ombouw des tempels.
HOOFDSTUK VIII: 1—IX: 9.
Do inwijding des tempels. — Salomo brengt, in plechtigen optocht, de ark van Jahwe in hot
koor van den tempel; waarop Jahwo de nieuwe woning betrekt (VIII: 1—11). Salomo merkt dit vcr-
heugd op (12 v.). Hij begroet het volk en looft Jahwe voor de vervulling van zijn woord (14—21).
Daarna spreokt hij het inwijdingsgebed uit (22—58), boginnendc met do erkenning van Gods trouw
en de bede om volkomen verwezenlijking zijner beloften (22—26). De oneindig Verhevene luistere
naar de gebeden die in den tempel zullen opgezonden worden (27—30): in geval van eedafneming
(31 v.), van tegenspoed in den krijg (33 v.), van droogte (35 v.), van andere natuurrampen (37—40);
ook naar don godvruchtigen vreemdeling luistere hij hier (41—43); hij schenke aan Israël, als het, op
verren afstand, in de richting van den tempel bidt, de overwinning in den krijg (44 v.) en in balling-
schap orbarming bij de onderdrukkers (46—51). Besluit van het gobod (52 v.). Salomo zegent het
volk (54—61); waarna zeer overvloedig geofferd en Froolijk feest gevierd wordt (62—66). Nieuwe
-ocr page 676-
1 KONINGEN VIII: 1—6.
756
verschijning aan Salomo van Jahwe, ilic hein, bij volharding iu het goede, allen heerlijks belooft,
maar, bij ontrouw, met voorbeeldige straf, diepe vernedering des volks en verwoesting van den tempel,
bedreigt (IX: 1—9).
Bet is niet wel mogelijk, in dit verhaal een geschiedkundig bestanddeel te ontdekken. Wel is de
ark van Jahwe naar den tempel overgebracht en de/e feestelijk ingewijd; doch van de oude over-
levering die hieromtrent /al hebben bestaan is in dit hoofdstuk geen spoor te vinden. Onze vcrhaler
beschouwt den tempel als het cenige wettige heiligdom des volks en legt aan Salomo de zuiverste
begrippen omtrent Jahwe in den mond (zie op vs. 27; verder vs. 41—13, 00 enz.). Eerst na een bc-
atniui van drie en ccuc halve eeuw, en toen nog met moeite en geweld, heeft de Jcruzalcmsehc tempel
zich zulk een aanzien veroverd als hij hier bezit. M. n. w. dit verhaal van de inwijding is ouder den
invloed van Deitlrronomium vervaardigd (zie b. v. VIII: 51, 01; ook op VIII: 9 en 50); al de voor-
beelden vs. 35—51 zijn aan Deut. XXVIII ontleend; het dagteckent dus op zijn vroegst uit den tijd
na de eerste wegvoering (zie op VIII: 34). Het antwoord van Jahwe, IX: 3—\'J, eene navolging, maar
met scherpe bedreiging, van 111:5—15, en cvcunls het voorafgaande in den geest van Deuleronomium
geschreven, kan eerst na de verwoesting van stad en tempel zijn opgesteld.
In nog later tijd is dit verhaal omgewerkt in den geest van het Wetboek van Kzra. \'Poen werd bij
de overbrenging van de ark die vau den tabernakel en zijne gereedschappen gevoegd, en meer van
dcrgelijkcn nard (zie op VIII: 4, 0, 7—\'J en 05). Ook het bidden in de richting van den tempel (zie
op vs. 44 en 48; verg. op vs. 50) verplaatst ons in de eeuwen na den val vau Jeruzalem. I\'it ver-
gelijking met de Or. vert. blijkt dat die omwerking meer dan eens geschied is; maar het is ons niet
altoos mogelijk, den oudsten tekst terug te vinden (zie vooral op VIII: 1—4, 12 v. en 05).
VIII: 1 Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël en al de stamhoofden,
de familie vorsten der Israëlieten, bij koning Salomo te Jeruzalem, om
de ark des verbonds van Jahwe uit de Davidstad, dat is Sion, op te
2       voeren.\' Zoo vergaderden bij koning Salomo alle mannen van Israël
3       o]) het feest in de maand Kt Intuint, dat is de zevende maand.\' Toen
al de oudsten van Israël gekomen waren, namen de priesters de ark
4       op\' en voerden de ark van Jahwe opwaarts, benevens de tent der
samenkomst en al de heilige voorwerpen die in de tent waren; de
5       priesters en de Levieten voerden ze op.\' Koning Salomo nu, en met
hem de gansche gemeente van Israël die bij hem waren samengekomen,
gingen voor de ark uit, zooveel schapen en runderen offerende dat zij
0 wegens de menigte niet te tellen ofte berekenen waren. \' Hierop brachten
de priesters de ark des verbonds van Jahwe op hare plaats, in het
koor des tempels, het allerheiligste, onder de vleugels der cherubs.\'
V». 1—10a. 2 Kron. V : 2—11a.
1—4. In f!r. vert. begint dit hoofdstuk aldus Toen Salomo den bouw van den Jahmelempel en van
zijn paleis na twintig jaar liail voltooid;
verg. IX Si, 10. Hoewel het niet vaststaat dat deze woorden
oorspronkelijk in Hebr. t. behooren, mag men toch aannemen dat de inwijding van den tempel, die
het koninklijk heiligdom was en bij het paleis behoorde, eerst na de voltooiing van dit laatste is gc-
schicd (zie op VII: 1 en 12). Verder luiden iu Or. vert. deze verzen aldus toen vergaderde koning
Salomo al de oudsten van Israël op Sion, om de ark des verbonds van Jahwe uil de Davidslatl, dal
il Sion, te voeren, in de maand Alhanim
(iu het Hebrccuwsch Ethanim). De priesters droegen de ark
en den tabernakel en de heilige gereedschappen die in den tabernakel waren.
Veel korter dus dau Hebr.
t., die blijkbaar in later tijd omgewerkt en uitgebreid is; de oudste vorm is niet met voldoende zckcr-
hcid te herstellen. Hetzelfde geldt, maar iu minder mate, van vs. 5.
1.   Toen. Iu de zevende maand van het twintigste jaar, vs. 2. — dal is Sion. Zie op 2 Sain. V : 7.
2.  het feest in de maand Ethanim (later Tisri, ongeveer onze Octobcr; zie op Exod. XII : 2), het
herfstfeest, het oudste en grootste der Israëlictische hoogtijdcu, later het loofhuttenfecst genoemd. Zie
op Richt XXI: 19.
4.   de ark van Jahwe. Dit is de oudste benaming; zie op vs. 9. — benevens — waren. Jonger bij-
vocgscl. Kciiwcn lang na den Sulomunischen tcmpelbouw, en zelfs ten tijde der opstelling van dit
reeds vrij jong verhaal der tempelwijding, dacht nog niemand nau den zoogcuaamden tabernakel, die
volgens Exod. XXVI iu Mo/es\' tijd vervaardigd was. Het schijnt dat de overwerker dien tabernakel
met de tent door David voor de ark op den Sion gespannen vereenzelvigde. — de priesters en de
Levieten.
Eene onderscheiding die eerst in de vijfde eeuw gemaakt is; vs. 3 eu 6 is te recht alleen
van de priesters sprake. Zie ook op 2 Kron. V: 4 en 5.
5.  Verg. 2 Sam. VI: 12—15. — gingen... uil, duidelijkhcidshalve ingovocgd; terwijl ecu woord met
hem
volg. Gr. vert. eu 2 Kron. V: 0 is weggelaten.
0. het allerheiligste, verklareud bijvoegsel bij den ouden naam het koor.
-ocr page 677-
1 KOMXGBN VIII: 7—17.
757
7       Want de cherubs spreidden hunne vleugels uit naar de plaats van de
ark, en de cherubs bedekten de ark en hare draagstokken van boven.\'
8       De draagstokken nu staken uit; zoodat men in het heilige de uit-
einden der stokken zien kon A-oor aan het koor; maar daarbuiten kon
\'J men ze niet zien. Zij zijn daar tot heden toe.\' In de ark was niets
dan de twee steenen tafelen die Mozes op den Horeb daarin gelegd
had, de tafelen van het verbond dat Jahwe met de Israëlieten gesloten
10       had, toen zij uit Egypteland uittrokken. \' Toen de priesters uit het
11       heilige gingen, vervulde de wolk het huis van Jahwe,\' en de priesters
konden vanwege de wolk niet blijven staan om hun dienstwerk te
verrichten; want de heerlijkheid van Jahwe vervulde den tempel.
12           Toen sprak Salomo over den tempel, zoodra hij den bouw voltooid had:
De zon heeft Jahwe aan den hemel geplaatst,
en hij zeide, in het duister te willen wonen;
13                    en ik heb u eene verhevene woning gebouwd,
eene duurzame verblijfplaats voor u.
Is het niet geschreven in het Boek des Rechtschapenen?
14           Nu wendde de koning zijn gelaat om en zegende de gansche ver-
g.idering van Israëlieten, terwijl de gansche vergadering Israëls stond,\'
15       en hij zeide: Geloofd zij Jahwe, Israëls god, wiens hand heeft vol-
10 bracht wat zijn mond tot mijn vader David gesproken heeft:\' .Sedert
ik mijn volk Israël uit Egypte heb uitgeleid heb ik geen stad uit al
de stammen Israëls uitverkoren om daar een huis te bouwen, opdat
mijn naam aldaar zou zijn; doch ik heb David uitverkoren tot heer-
17 scher over mijn volk Israël. \' Toen het nu in het hart van mijn vader
David was een huis voor den naam van Jahwe, Israëls god, te bouwen,\'
Vs. 104—81. i Kron. V: 184—VI: 11.
7—9. Kon invoogsol, of liever twoo (vu. 7 v., U), uit later tijd. Vs. 10 sloot zich oorspronkelijk
terstond bij vs. (1 tan. Ook is de benaming hel heilige (vs. 8) zeer jong: voor de vijfde eeuw beet
het voorvertrek des tempels „het schip".
7.   bedekten, of beachermden. De cherubs waren, om zoo te zeggen, wachters over de ark; verg. op
Gen. 111:24.
8.   »\'» het heilige, letterlijk uil hut heilige, iemand die iu het heilige (zie op vs. 7—il) was kou ze
zien; maar daarbuiten, in bet voorportaal, zag men die uiteinden niet meer.
!t. De voorstelling dat de ark de bewaarplaats van de steenen tafelen was komt het eerst Heul.
X:5 voor; zie verder Exod. XXV: 21 ; XL: 20 en, over de ware bcteckenis der ark, op 1 Sain. IV:8.
— de tafelen des verbond», uit de Gr. vert. ingevoegd.
10 v. het heilige. Iuvoegsel van den overwerker. Zie op vs. 7—0. — Na de ark in het koor te
hebben nedergezet, traden de priesters weder naar buiten. Op dit oogcublik daalde de icutt, waarin
Jahwe is, het zichtbaar toeken zijner tegenwoordigheid, neder en vervulde den tempel: als betrok hij
voor aller oog deze zijne nieuwe woning. Verg. Exod. XIII: 21 v.; XXXIII :U; XL: 34 v.; E/cch.
Xl,lll:2. I, 5. — de heerlijkheid tan Jahwe. Zie op Exod. XVI: 10.
12 v. llcbr. t. heeft in plaats hiervan alleen Toen tprak Salomo: Jahwe heeft gezegd, iu het duitter
te willen iconen. Gebouwd heb ik voor u eene verhevene woning, eene duurzame verblijf plaat» voor u.
En ongeveer zóo las de schrijver van Kronieken in het handschrift dat hij gebruikte. Iu pi. v. ik
heb gebouwd
vond hij de juistere lezing en ik heb gebouied of zoo heb ik gebouwd. Zie 2 Kron. VI:
1 v. Gelijk wij de verzen opnamen staan ze in Gr. vert., evenwel niet hier, maar achter vs. 53. en
blijkbaar uit een slordig handschrift vertaald. De verwijzing naar het Boek de» Reehtaehapeneu (wuar-
over zie op Joz. X : 124, 13) maakt het meer dan waarschijnlijk dat ze echt zijn: maar de lezing van
Ree/iltchajieuiti is niet zeker. — Wnt de dichter van deze regels bedoeld heeft met hij zeide, in hel
duitter te willen wonen,
weten wij niet. Hij die ze hier invoegde doelde zeker op de wolk die, vqjg.
vs. 10 v., den tempel vervulde; zoodat door dit wondertecken het bouwen vnn ecu duurzaam ver-
blijf voor Jahwe bleek gelukt te zijn. Verg. Exod. XIX:««; XX: 21 ; Deut. IV: 11; V:22; Job
XXII: 13; I\'s. XCV11: 2. — eene duurzame verblijf plaat» voor u. Tot dusver had Jahwe (de ark) ver-
schillende, laatstelijk louter tijdelijke, verblijfplaatsen gehad: deze tempel zou tot in de vorste toe-
komst zijne woning zijn.
15.   ivieti» — gesproken heeft, letterlijk die getprokeu heeft met zijn mond met mijn vader David
en hel met zijne hand heeft vervuld.
16.  Zie op 2 Kron. VI: 5 v.
17.  Verg. 2 Sam. VII: 1 v.
-ocr page 678-
758                                     1 KOMNGBX VIII: 18—30.
18 heelt Jahwe tot mijn vader David gezegd: Dat het in uw hart was
voor mijnen naam een huis te houwen — het was goed van u dat
l\'J het in uw hart was.\' Doch niet gij zult liet huis bouwen, maar uw
zoon, een die uit u zal voortkomen, die zal voor mijnen naam het
20       huis houwen.\' Nu heeft Jahwe het woord gestand gedaan dat hij ge-
sproken heelt: want ik hen mijn vader David opgevolgd en heh mij gezet
op den troon van Israël, zooals Jahwe gesproken heeft; ook heh ik
21       het huis gebouwd voor den naam van Jahwe, Israëls god,\' en daarin
eene plaats bereid voor de ark, waarin het verbond van Jahwe is,
dat hij met onze vaderen gesloten heeft toen hij hen uitleidde uit
Egypteland.
22           Toen ging Kalomo vóór het altaar van Jahwe staan, ten aanschouwen
van de gansche vergadering van Israël, breidde zijne handen uit naar
23       den hemel\' en zeide: Jahwe, god van Israël, er is geen god gelijk
gij, boven in den hemel noch beneden op de aarde; die het verbond
en de goedertierenheid houdt jegens uwe knechten die van ganscher
24       harte voor uw aangezicht wandelen; \' die jegens mijn vader David,
uwen knecht, wat gij tot hem hebt gesproken zijt nagekomen: met
uwen mond hebt gij het gesproken, met uwe hand hebt gij het, zooals
25       ten huidigen dage blijkt, volbracht.\' Kom dan na, Jahwe, god van
Israël, jegens mijn vader David, uwen knecht, wat gij tot hem ge-
sproken hebt: Nooit zal het u voor mijn aangezicht ontbreken aan een
afstammeling die op den troon van Israël zetelt; indien slechts uwe
zonen acht geven op bunnen weg, om voor mijn aangezicht te wan-
2b\' delen, gelijk gij voor mijn aangezicht gewandeld hebt.\' Nu dan, Jahwe,
god van Israël, worde toch het woord bewaarheid dat gij tot mijn
vader David, uwen knecht, gesproken hebt.
27            Want zou God werkelijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de
hoogste hemel, kan u niet bevatten; laat staan dan dit huis dat ik
28       gebouwd heb.\' Wend u dan tot het gebed en de smeeking van uwen
knecht, Jahwe, mijn god, om te hooren naar den kreet en het gebed
29       die uw knecht heden voor u uitstort: \' dat uwe oogen nacht en dag
geopend mogen zijn over dit huis, over de plaats waarvan gij gezegd
hebt: Mijn naam zal aldaar zijn — zoodat gij hoort naar het gebed
30       dat uw knecht te dezer plaatse bidden zal,\' en luistert naar de smee-
king van uw knecht en van uw volk Israël die zij te dezer plaatse
V». 22. 2 Kron. VI: 12. — Vs. 23—50a. 2 Kron. VI: 14—39.
18 v. Zie 2 Snm. VII: 13.
19.  uit u, letterlijk uil uwe lenden. — den tempel. Pc schrijver lont Salomo spreken alsof de Jahwc-
tempel op den Sion de eerste was; verg. lul.
21.  waarin — ia, namelijk de opteckening er van op de steenen tafelen; zie vs. 9.
22.   l\'it vs. 54 vernemen wij dat hij knielend gebedcu heeft. — brritlde zijne hanilrn uit. Onze gewoonte
van handen vouwen hij het gebed is van ond-Germaanschcu oorsprong; de Israëlieten en oude Christenen
hieven de hnndcu omhoog, meestal de vlakke hand naar boven, als om de gaven des hemels te ont-
vangen, verg. Eiod. IX: 29; Ps. XLIV: 21 ; CXLIII:6, Jez. 1:15.
23.  het eerbond, dat gesloten, en de goedertierenheid, die beloofd is. Zie Dcut. VII: 9; Dan. IX: 4.
24—20. Met de belofte die thans in vervulling is overgegaan (vs. 24) wordt de verkiezing van
Jeruzalem tot middelpunt der Jahwcvcrecring bedoeld; zie vs. 1G. Hieruit vloeit dan vanzelf de hede
voort (vs. 25 v.) dat Jahwe ook de bclofteu die in de toekomst hare vervulling wachten gestand zal doen.
25. Verg. op II: 4.
20.  Jahwe, ingevoegd volg. Gr., Lat. en Syr. vertt.
27. Verg. 2 Kron. 11:6; Jez. LXVI: 1; Jer. XXIII: 24. — Hier begint het eigenlijke inwijdings-
gebed, dat tot vs. 53 in éenen adem voortgaat. Den overgang vormt het redengevend II\'nul. Immers is
de verhevenheid en grootheid van Jahwe de reden waarom Salomo met aandrang vragen en met ver-
trouwen verwachten .kan. — op aarde. In Gr. vert. en 2 Kron. VI : 18 wordt hier nog voorgevoegd
bij de menschen. — Zr l/t de hoogtte hemel, letterlijk en de hemel der hemelen. Zie op Dcut. X : 14.
30. Tot dusver was alleen van de gebeden des konings, in het vervolg is ook van die de» volks
sprake. — in, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. naar.
-ocr page 679-
1 koningin VIII: 30—43.
759
zullen buiden. Ja, gij zult in den hemel, uwe woonplaats, liooren, en
als gij het hoort, vergiffenis schenken.
31
           Ingeval iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed
oplegt, om hem te doen zweren, en hij tut een eed vóór uw altaar
:>*,\' in dit huis komt; \' wil gij dan in den hemel hooren en metterdaad
uwe knechten richten, den schuldige als schuldige behandelen, door
zijn wandel op zijn eigen hoofd te doen nederkomeu, en tien recht-
• schapene in het gelijk stellen, door hem te bejegenen naar zijne recht-
schapenheid.
33           Wanneer uw volk Israël verslagen wordt door een vijand, omdat
zij tegen u zondigden, maar zij keeren tot u weder, belijden uwen
34       naam en bidden en smeeken tot u in dit huis;\' wil gij dan in den
hemel hooren en de zonde van uw volk Israël vergeven, en hen doen
terugkeeren naar den bodem dien gij hunnen vaderen gegeven hebt.
35            Wanneer de hemel toegesloten blijft en er geen regen is, omdat
zij tegen u zondigden, maar zij bidden te dezer plaatse, belijden uwen
naam en bekeeren zich van hunne zonde, daar gij hen vernedert;\'
30       wil gij dan in den hemel hooren en de zonde uwer knechten en uws
volks Israël vergeven, daar gij hun den goeden weg wijst, dien zij
moeten betreden; en geef regen over uw land, dat gij aan uw volk
ten erve gegeven hebt.
37           Als er hongersnood in het land is, als er pest is, als er brandkoren
of honigdauw, sprinkhaan of kever is; als zijn vijand hem benauwt
38       in eene zijner steden; bij welke plaag of ziekte ook;\' wil gij dan elk
gebed en elke smeeking van alle menschen onder geheel uw volk
Israël, als zij ieder de plaag zijns harten erkennen en hunne handen
3i) uitbreiden bij dit huis; \' wil gij dan in den hemel, uwe woonplaats,
hooren en vergeven en handelen, en ieder geven naar geheel zijn
wandel, zooals gij zijn hart kent; want gij alleen kent het hart aller
40       menschenkinderen; \' opdat zij u vreezen al de dagen die zij leven op
den bodem dien gij onzen vaderen gegeven hebt.
41           Ook naar den buitenlander, die niet tot uw volk Israël behoort maar
42       uit een ver land komt om uws naams wil; \' want men zal hooren van
uw grooten naam, sterke hand en uitgestrekten arm; als hij komt en
43       bidt bij dit huis;\' wil gij dan in den hemel, uwe woonplaats, hooren
en handelen naar al wat de buitenlander tot u roepen zal; opdat alle
volken der aarde uwen naam leeren kennen, zoodat zij u vreezen,
31—51. Zeven voorbeelden van goddelijke tusscheukomst of gebedsverhooriug, als zoovele bewijzen
van zijne tegenwoordigheid in bet heiligdom.
31  v. Over den zuiveringseed zie Exod. XXII: 7—13; Lev. VI: 2—4; Num. V: 11—31. — Ingeval
— misdoet. In de oudheid werd de beschuldigde geacht misdreven te hebben zoolang het tegendeel
niet was uitgemaakt.
33.  door, letterlijk voor het aangelicht rau, of cóor; evenals Lev. XXVI: 17; Deut. XXVIII: 25. —
belijden uwen naam. Te voren hadden zij door afgoderij of ongehoorzaamheid hunnen god metterdaad
verloochend; nu erkennen zij hunne schuld en het rechtmatige der straf, alsmede Jahwc\'s grootheid en
zijne uanspraken op hunne gehoorzaamheid.
34.  doen terugkeeren. Uit is, naar \'t schijut, geschreven na de eerste wegvoering in ballingschap
(2 Kon. XXIV : 14—10), doch daar in den tempel gebcdeu wordt, voor de tweede, die vau 586.
35.  Verg. Lev. XXVI: 19 v.; Deut. XI: 17; XXV111: 23 v.
36.  uwer knechten. Hiermede worden wellicht de koningen bedoeld.
37.  Zie over deze rampen Lev. XXVI: 16, 25, 26; Deut. XXVIII: 21, 22, 88—13; Joel 1:4 en
de aanteekeningen op die plaatsen; verder Deut. XXVIII: 52, 59. — eene. Zoo Gr. vert. llelir. t. luidt
in het land. — Heden, letterlijk poorten; verg. op Gen. XXII: 17.
38.   de plaag zijn* harten, de tuchtiging welke hij naar verdienste ontving, derhalve ook de zonde
waardoor hij ze zich op den hals haalde.
40.   Verg. Deut. IV: 10; XXXI: 18.
41.  om uirs naami wil, om u te verceren.
-ocr page 680-
760                                     1 koxikgbn VIII: 43—54.
gelijk uw volk Israël, en weten dat uw naam is uitgeroepen over dit
huis, dat ik gebouwd heb.
44            Wanneer uw volk tegen zijnen vijand ten oorlog trekt, op den weg
waarop gij hen zendt, en zij bidden tot Jahwe in de richting van de
stad die gij hebt uitverkoren, en van het huis dat ik voor uwen naam
45       heb gebouwd; \' hoor dan in den hemel hun gebed en hunne smeeking,
en doe hun recht.
4(5          Wanneer het tegen u zondigt — want geen mensch is er die niet
zondigt — en gij op hen vertoornd zijt en hen aan een vijand over-
47       levert, en men hen wegvoert naar een ver of nabij gelegen land;\' en
zij nemen het ter harte in het land waarheen zij zijn weggevoerd,
bekeeren zich en smeeken tot u in het land dergenen die hen wegge-
voerd hebben: Wij hebben gezondigd, slecht gehandeld, goddeloos
48       gedaan —\' en zij bekeeren zich tot u met hun gansche hart en ziel
in het land hunner vijanden die hen weggevoerd hebben, en bidden
tot u in de richting van hun land, dat gij hunnen vaderen gegeven
hebt, van de stad die gij hebt uitverkoren, en van bet huis dat ik
4U voor uwen naam heb gebouwd; \' hoor dan in den hemel, uwe woon-
50       plaats, hun gebed en hunne smeeking, doe hun recht;\' vergeef uw
volk wat zij tegen u gezondigd, en al de overtredingen die zij tegen
u begaan hebben, en geef hun, erbarming te vinden bij hunne onder-
51       drukkers, dat dezen zich hunner erbarmen.\' Want uw volk en uw erve
zijn zij, die gij uit Egypte hebt gevoerd, midden uit den ijzeroven.
5üJ          Zoo mogen uwe oogen geopend zijn voor de smeeking van uwen
knecht en voor de smeeking van uw volk Israël, om naar hen te
53       hooren, zoo dikwijls zij tot u roepen. \' Immers, gij hebt hen u ten
erve afgezonderd uit alle volken der aarde, zooals gij gesproken hebt
door uwen dienaar Mozes, toen gij onze vaderen uit Egypte uitleiddet,
heer Jahwe.
54           Zoodra Salomo zijn gebed tot Jahwe ten einde had gebracht, geheel
Vs. 52a. 2 Kron. VI :40a.
44. op — zendt, in een veldtocht, op uw bevel, althans met uw goedvinden, ondernomen. — in de
ridUimg van dr t/ad... ai van hel hnü.
De gewoonte om zich bij het bidden naar Jeruzalem te
keeron kon eerst opkomen iiiulut de te
3
mpel aldaar geruimeu tijd voor het cenige wettige heiligdom, de
cciiigc woonplaats van God op aarde, had gegolden. Wij vinden haar dan ook eerst in zeer jonge
geschriften, Dan. VI: 11; 8 Kzra IV: 58. De tempel van Salomo is nooit, zooals de Mohammedanen
het noemen, „kibla", dat is, het punt in welke richting het gebed der gcloovigcn moet worden opgc-
zonden, geweest; dit werd eerst die van Zcruhhnhcl. Vers 44—51 is dus een invoegscl van jonge
dagteekening; verg. op vs. Is. Dit blijkt mede uit vs. 53, dat niet zou geschreven zijn indien vs. 51
reeds was voorafgegaan; na vs. tl—13 verwachten wij niets meer, vooral niet iets dat bij vs. 33 v.
behoorde.
46.   duf hun recht, scheuk hun de overwinning in den strijd.
Ift. tcaul — zondiyt. Kene leerstellige opmerking, in den geest van den Interen tijd; zie Job
XIV: 4; Spr. XX: 9; Prcd. VII: 20. — naar een — land. Zoo Gr. vert. en 2 Kron. VI: 30; Hcbr.
t. naar het land des vijand», ver of nabij yeleyen.
47.   Hij — yrdaau. Dit schijnt cenc formule van schuldbelijdenis uit lotcr tijd, I\'s. CVI:6;
Dan. IX: 5.
48.   in de ricA/iny van hun land. Zie op vs. 44. De bedoeling is; van Jeruzalem en den tempel;
maar het voorgevoegde eau hun land doet zien dat hier aan wegvoering naar verre streken, b. v.
Hnbvlonié\', is gedacht.
50.  yref — iiémmm. liet is niet onmogelijk dat hier wordt gedoeld op de handelwijze der Perzische
koningen, Kzra VI: 14; Vil : 0—28; IX: 9; Xch. 11:2—9, enz.; hoewel het woord hier door iuder-
drukken
vertaald eigenlijk aanduidt tcie hen in ballingschap hadden iceyyevoerd\'; wat de Perzen niet
hadden gedaan.
51.   Want. De bede voor de ballingen, zoo zwaar gestraft en tijdelijk verworpen, wordt aangedrongen
door de herinnering nan de verkiezing en beweldndiging van Israël door Jahwe. — midden uit den
ijxeroeeii.
Beeld van de zwaarste verdrukking; verg. op Dcut. IV : 20.
52 v. Ilcsluit van het inwijdiugsgebcd. In 2 Kron. VI (waar ons vs. 504, 51 mede gemist wordt)
uidt het slot anders; zie aldaar vs. 40—42.
54. 2 Kron. VII ï 1 lezen wij dat hemel vuur ucderdnolde en de offers verteerde.
-ocr page 681-
761
1 KONINGEN VIII : 54—IX : 3.
dit zijn gebed en zijne smeeking, stond hij op van voor liet altaar van
Jahwe, waar hij met ten hemel uitgebreide handen op zijne knieën
55       had gelegen,\' en zegende in staande houding met luider stem de
56       gansche vergadering van Israël, met deze woorden: \' Geloofd zij Jahwe,
die zijn volk Israël rust heeft gegeven, naar alles wat hij heeft ge-
sproken: niet óen woord is onvervuld gebleven van al de goede woor-
57       den die hij door zijn dienaar Mozes gesproken heeft.\' Jahwe, onze god,
zij met ons, gelijk hij met onze vaderen geweest is, hij verlate noch
58       verstoote ons;\' opdat wij ons hart tot hem neigen, op al zijne wegen
gaan, zijne geboden, inzettingen en verordeningen onderhouden, die hij
59       onzen vaderen voorgeschreven heeft.\' Zoo mogen deze mijne woorden,
die ik tot Jahwe smeekend opzond, Jahwe, onzen god, dag en nacht
bijblijven; opdat hij aan zijn knecht en zijn volk Israël geve wat hun
60       toekomt, eiken dag het zijne;\' opdat alle volken der aarde weten dat
61       Jahwe God is, en niemand meer.\' En uw hart zij onverdeeld aan
onzen god Jahwe gewijd, om in zijne inzettingen te wandelen en zijne
geboden te onderhouden, zooals thans.
62           De koning en ganscb Israël met hem brachten offers aan Jahwe.\'
63       Salomo bracht als dankoffer dat hij aan Jahwe offerde twee en twintig
duizend runderen en honderd twintig duizend stuks klein vee; zoo wijdden
64       de koning en al de Israëlieten het huis van Jahwe in.\' Op dien dag
heiligde de koning het midden van het voorhof, vóór het huis van
Jahwe; want daar bracht hij het brandoffer, het meeloffer en de stukken
vet van het dankoffer; want het koperen altaar dat vóór Jahwe stond
was te klein om de brandoffers, de iueeloffers en de stukken vet van
65       de dankotfers te bevatten.\' Zoo vierde Halomo in dien tijd het feest,
en gansch Israël met hem, eene groote vergadering, van den weg
naar Hamath af tot de beek van Egypte toe, voor het aangezicht van
Jahwe, onzen god, in het huis dat hij gebouwd had, etende, drinkende
en zich verblijdende voor het aangezicht van Jahwe, onzen god, zeven
66       dagen lang.\' En op den achtsten dag liet hij het volk gaan; en zij
zegenden den koning en gingen naar hunne tenten, verheugd en blij
gestemd om al het goede dat Jahwe zijn dienaar David en zijn volk
Israël had gedaan.
IX: 1 Toen nu Salomo gereed was met den bouw van Jahwe\'s huis, van
2       het paleis en van al wat hem lustte te maken,\' verscheen Jahwe aan
Salomo ten tweeden male, gelijk hij hem te Gibeon verschenen was.\'
3       En Jahwe zeide tot hem: Ik heb uw gebed gehoord en de smeeking
V». 02—IX : 9. 2 Kron. VII: 4—22.
56. Ook hier wordt blijkbaar op üeuteronomium -iv.in>pi-rlil. Zie b. v. Deut. XII: 10 v. — niet —
heeft. Verg. Joz. XXI: 45; XXIII: 144.
03.  twee en twintig ... honderd twintig duitend. Deze getallen zijn waarschijnlijk overdreven. Inttis-
sehen houdc men in het oog dut hierin het koninklijk ontluuil mui de schare begrepen wns; dunr
vnn do duukott\'crs verreweg het grootste gedeelte min een fcestelijkon mimitijd werd verbruikt.
04.  heiligde, bestemde voor deze bijzondere gelegenheid tot olt\'erplaats.
05.  het fettt. Zie op vs. 2. — llamath. De stiul Kpifuniu nnn de rivier den Orontes, de uiterst*
grens ten noorden, cvcnnls de beek van Egypte in hot zuiden. Zie op Gen. XV: 18; verder Num.
XIII: 21; XXXIV:8; Joz. XV : 4; 2 Kon. X1V:25. — iu het huis — anten god, ingevoegd uit Gr.
vort. — teven dage». Zoo Gr. vert.; zie Deut. XVI: 13. Hebr. t. teven dagen en zeven dagen, veertien
dagen.
Deze bijvoeging, in strijd met het begin van vs. 00, sehijnt gesehied om overeenstemming te
verkrijgen met 2 Kron. VII: 8—10; zie uldoar.
00.  naar hunne tenten. Zio op Kieht. VII: 8.
1.  al wat — maten, letterlijk al den lust van Salomo, dien het hem behaagd had te maken. Verg.
1\'rcd. II: 4—0.
2.  Zie 111: 5—15.
3.  zie, ik — gebed, uit Gr. vert. In 2 Kron. VII: 18—15 vinden wij ceuo beknopte samenvatting
vau Snlomo\'s inwijdingsgebcd, muur thans uls belofte van Jahwe.
-ocr page 682-
762
1 KONINGEN IX: 11.
die gij tot mij opzondt; zie, ik heb gedaan naar uw gansche gebed:
ik heb dit hui», dat gij hebt gebouwd, geheiligd, om daar mijnen
naam te «tellen in eeuwigheid, en mijne oogen en mijn hart zullen
4       daar zijn te allen dage.\' Wat u betreft, indien gij voor mijn aange-
rieht wandelt, gelijk uw vader David heelt gedaan, niet een volkomen
hart en in oprechtheid, doende naar al wat ik u geboden heb, en gij
5       mijne inzettingen en verordeningen onderhoudt;\' zoo zal ik uwen
koningstroon over Israël tot in eeuwigheid bevestigen, gelijk ik tot
uwen vader I>avid heb gezegd: Nooit zal een afstammeling van u op
(i den troon van Israël ontbreken.\' Indien gijlieden en uwe zonen u ge-
heel van mij afkeert en mijne gelwden en inzettingen niet onderhoudt,
ilie ik u heb voorgehouden, maar andere goden gaat dienen en aan-
7       bidden,\' zoo zal ik Israël uitroeien uit het land dat ik hun gegeven
heb, en dit huis, dat ik aan mijnen naam heb gewijd, zal ik uit mijne
oogen wegdoen. Dan zal Israël tot een spreekwoord en een schimpnaam
8       worden bij alle volken\' en dit huis een puinhoop zijn; elk die er
voorbijgaat zal zich ontzetten en sissen, en zeggen: Waarom heeft
\'J Jahwe aldus gedaan aan dit land en dit huis?\' Én men zal zeggen:
Omdat zij Jahwe, hun god, die hunne vaderen uit Egypteland had
uitgeleid, verlaten en zich aan andere goden gehecht, die aangebeden
en gediend hebben; daarom heeft Jahwe over hen al dit kwaad gebracht.
V». 5. 11:4; VIII: 25.
0. yijlifilm. Vrcciiul, daar alleen Salomo wordt toegesproken. Uit vergeet de schrijver van deze
venen; 1*ij spreekt ui de koningen vnn Juda toe, eu slaat duurbij een veel dreigender toon unu dun
die ons vnn elders, b. v. uit 111:5—15, tcgcnkliukt.
7.  Zie op Deiit. XXVIII : 37.
8v. Verg. Ueut. XXIX: 24; Jer. V:l»; XXII: 8 v.
8.  puinhoop, verbeterde lezing. Zie Jer. XXVI: 18; Mieliu 111:12; I\'s. LXXIX:1. Hebr. t., door
een zeer kleine verseb rij ving, allirhoogsle. Verg. op 2 Kron. 1:21. — tuten, het geluid dut nieu bij
groote verbazing onwillekeurig maakt, Jer. XVIII:10; XIX: 8; L: 18; Klaagl. 11:15 enz.
HOOFDSTUK IX : 10—X: 29.
Losse bcriehten over Snlomo\'s heerlijkheid, zijne hulpmiddelen on inkomsten, wijsheid eu groeten
rijkdom (verg. inl. op III, IV). — Zijne betrekking tot Uirom (IX: 10—14). Do hcerendiensteii, voor
zijne veelsoortige bouwwerken, nan de Kunnünieten opgelegd (15—23). De verhuizing zijner voor-
unainste gemalin (24). Zijne geregelde offers (25). Zijne handelsvloot (26—28). Het bezoek der koningin
van Sjcba (X: 1—13). Snlomo\'s rijke inkomsten (14 v.). Zijne gouden schilden ilfiv.i. Zijn troon
(18—20), verdere praeht (21 v.) en roem (23—25). Zijne paarden, en de handel daarin (20—29).
Wij hebben hier weder allerlei mcdcdcelingeu door elkander, uit verschillenden tijd en van onder-
schciden waarde, waarschijnlijk eerst vrij laat bijeenverzameld. Driemaal, blijkbaar uit drieërlei bron,
een over het geheel betrouwbaar bericht aangaande Salomo\'s koopvaardijschepen (IX : 26—28; X:ll v.;
X:22; zie de aantt.). Tweemaal, eens buiten alle verband, heet het dat het zilver niets geacht werd
(X : 21, 27). Nu eens wordt de lezer ondersteld op de hoogte te zijn: zoo wijst IX: 11—14 op V—VII,
en is IX: 24 uict te verstaan zonder 111:1; Vil: 8; dan weder blijkt de vcrhalcr onbekend met het
vroeger gezegde (IX : 22 v.; verg. V : 13—16). De stijl is soms achteloos, de volgorde vrij verward; de
Gr. vert. heeft cene nndcre (ui. IX:10—14, 26—28; X:l—22; 1X:15, 17 v., 20—22; X: 23—29),
maar die volstrekt niet overal de voorkeur verdient. — Tc midden van groote overdrijving, zoowel in
bijzondere opgaven (X:14) als in algemecne schildering (X: 23 v., 27), en naast eeue minder juiste
voorstelling (IX : 22) eu eene oude volksanecdote (IX : 12 v.), treffen wij belangrijke historische medc-
deelitigcn aan (IX: 11, 14, 15, 16, 17—23; ook X : 28 v.). Over de bronnen waaruit deze geput zijn
zie inl. op Ko.n.nj,,,.
IX: 10 Na verloop van twintig jaren, in welke Salomo de beide gebouwen,,
11 het huis van Jahwe en dat des koning», had gesticht; \' waarbij Ui min.
Vs. 10 v. 2 Kron. VIII: 1 v.
-ocr page 683-
1 KONINOBN IX: 11—20.                                      763
de koning van Tyrus, Salomo had ondersteund met cederhout, cypres-
Denhout en goud, zooveel hij maar wenschte, gaf koning Salomo aan
12       Hirom twintig steden in de landstreek üalilea. \' Toen nu Iliroiu Tyrus
verliet en naar Galilea ging om de steden te bezien die Salomo hem
13       gegeven had, behaagden zij hem niet\' en zeide hij: Wat zijn dat
voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt! Daarom noemde
14       men ze het land Kabul tot den huidigen dag.\' Hirom nu zond aan
den koning honderd twintig talenten goud.
15           Het was aldus gesteld met de verplichte arbeiders die koning
Salomo deed opkomen voor den bouw van het huis van Jahwe, van
zijn paleis, van het Millo, van den muur van Jeruzalem en de ver-
J6 sterking van Hasor, Megiddo en (lezer.\' Farao, de koning van Egypte,
was opgetrokken, had Gezer ingenomen, het met vuur verbrand en
de Kanatiiiieten die in de stad woonden gedood; daarna schonk hij
17       het aan zijne dochter, de vrouw van Salomo, als huwelijksgit\'t.\' Salomo
18       nu versterkte Gezer, Hoog- en Laag-Beth-horon,\' üaiilath en Tamar
1\'J in de Woestijn, en in het land\' al de voorraadsteden die Salomo
had, de wagensteden, de ruitersteden, en al wat het Salomo lustte te
bouwen in Jeruzalem, op den Libanon en in het gansche gebied
20 waarover hij heerschte. \' Al het volk dat overgebleven was van de
Hittieten, Amorieten, Perizzieten, Hiwwieten en Jebuzieten, zij die
Vs. 17—28. 2 Kron. VIII: 4—18.
11.  Zie V:6—10, 18 en IX: 14. — twintig steden. De vergoeding in koren en olie, V:9—11, wus
dus niet voldoende geweest wegens de kostburc leveringen vim Hirom. De sehrijver vun Kronieken
stelt de zaak geheel uiidcrs voor; zie on 2 Kron. VIII: 2. — Galilea. Zoo heet in het O. T. het
kleinste, noordelijk gedeelte vnn het gewest dat in het N. T. dien naam draagt. Het grensde aan het
grondgebied van Tyrus. Zie op Joz. XX: 7.
12.  en naar Galilea ging, ingevoegd uit Gr. vert.
18.  mijn broeder. Zoo noemden de vorsten elkander in het vriendschappelijk verkeer. Zie XX\'. 32.—
Kabul. De beteckenis van dezen naam is onbekend; ook weet men uiot zeker, hoe het volk en onze
schrijver dien verklaarden; wellicht ,als niets\'. Uit die nfleidiug of woordspeling is dan de nneedotc
ontstaan dat Hirom, in zijne verwachting teleurgesteld, de landstreek zoo zal hebben genoemd. •
14.   honderd — goud. Een talent goud bedroeg in onze gcldswaarde ongeveer / 81.000. Volgens
1   Kron. XXIX: 3—8 zou Salomo daaraan geen behoefte hebben gehad. Zie ook X: 14.
15.  liet wa» aldus gesteld. Zie V : 13—18. Hoe de heerendiensten ingericht waren, of wie daarvoor
geprest werden, vernemen wij eerst in vs. 20. Vooraf worden de bouwwerken wuarvoor hij ze noodig
had opgesomd. — van zijn paleis — Jeruzalem. Gr. vert. leest hier van het paleis, van de muren van
Jeruzalem, van hel Millo, om de wallen
(of open plekken) van de Davidstad op te trekken (of te om-
muren).
Zie XI: 27. — het Millo. Zie op 2 Sam. V : 9. — den muur van Jeruzalem. Verg. III: 1. —
de versterking, duidclijkheidshalvc ingevoegd. — llasor. In het noorden van Palestina, om van die
zijde hot land tegen een vijnndelijken inval te dekken. Zie op Joz. XI Si. — Megiddo. Zie op Joz.
XII s 21. Deze stad behcerschtc ten zuiden den toegang tot de vlakte van Jizrccl. Verg. op 1 Sam.
XXIX: 1. — Gezer, oud-Kanaanietische koningstad, op de zuidwestelijke grens van het stamgehicd
van Efrnim; de laatste plaats welker bewoners nog na de verovering van Jeruzalem door Dnvid hunne
afhankelijkheid wisten te handhaven. Zie Joz. X:33; XVI: 10; Richt. 1:29.
16.  De vermelding van Gezer geeft den schrijver aanleiding, te verhalen hoc Salomo in het bezit dezer
stad was gekomen. — ah huwelijksgi/t. Haar bezit was voor Salomo vnn belang, om het hart des
lands aan den westkant tegen een aanval van de Filistijnen te dekken.
17.   Hoog-Beth-horon, ingevoegd volg. Gr. vert. en 2 Kron. VIIIS 5. — Over Hoog- en Laag-Beth-
horon
zie op Joz. X S10. Daar deze plaatsen op den weg van Jeruzalem unar de zeekust lagen, waren
zij in oorlogstijd zeer gewichtige punten.
. 18. Baalalh, volg. Joz. XIX S 44 in het stamgehicd van Dan gelegen. — Tamar, cenc stad ten
zuiden van de Doodc Zee gelegen, waarschijnlijk met hot oog op do onderworpen Kdoinietcu duor
Salomo versterkt. Zio Ezoeh. XlVII:18v.; XLVIH: 28. Andere, onjuiste, lezing Tadmor; zie op
2  Kron. VIII: 4.
19.   en in het land al de voorraadsleden, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. heeft in vs. 18 in het land en
hier en al de voorraadsteden. — voorraadsteden, verstorktc plaatsen waar de voortbrengselen des lands
als proviand voor hot leger, en tot onderhoud der bevolking in tijd vnn nood, werden opgelegd. Zio
Exod. 1:11; 2 Kron. XXXII: 28. — wagensteden, ruitersteden, waar de krijgswagens en ruiterij zich
bevonden; verg. op Joz. XI: 4. — al wat — bouwen. Zio vs. 1.
20 v. Hier eerst krijgen wij het verslag dat ons vs. 15 beloofd was. Onder Salomo werden de
afstammelingen der oude bewoners na den val vnu hun laatste bolwerk, Gezer, tot slavernij gebracht.
Dit geldt intusschen slechts van de grootc menigte; sommige aanzienlijke familicn hebben in Israël
-ocr page 684-
1 KONINGEN IX : 20—X : 5.
764
21       geen Israëlieten waren,\' hunne nakomelingen, die in het land waren
overgehleven, die de Israëlieten niet in staat waren geweest met den
banvloek te slaan, dezen deed Salomo opkomen, om heerendiensten
22       te verrichten, tot den huidigen dag.\' Maar uit de Israëlieten maakte
Salomo niemand tot knecht; want zij waren zijne krijgslieden, dienaren,
oversten, keurlingen, hevelhebbers van strijdwagens en ruiterij.
          Dit waren de oversten der opzichters die over den arbeid van iSalomo
stonden, vijfhonderd vijftig, die gezag voerden over het volk dat den
arbeitl verrichtte.
24            Nauwelijks was de dochter van Farao uit de Davidstad overgegaan
naar haar paleis, dat hij voor haar gebouwd had, of hij versterkte
het Millo.
25           Salomo offerde driemaal \'sjaars brandoffers en dankoffere op het
altaar dat hij voor Jahwe had gebouwd, en rookte voor Jahwe\'s aan-
gezicht.
20          Ook rustte koning Salomo schepen uit te Esjeon-geber, dat bij Eloth
27       ligt, aan den oever der Schelfzee, in het land Edom. \' En Hirom zette
op de schepen zijne knechten, bevaren scheepsvolk, bij de knechten
28       van Salomo.\' Zij kwamen te Otir, van waar zij goud haalden, vier-
honderd twintig talenten, die zij aan koning Salomo brachten.
X: 1          De koningin van Sjeba nu hoorde de mare van Salomo, en kwam
2 om hem met raadsels op de proef te stellen. \' Zij kwam te Jeruzalem
met een zeer machtig heir, met kameelen, beladen met reukwerk en
goud in overvloed en edelgesteenten. Bij Salomo gekomen, sprak zij
\'ó met hem van al wat zij in haar hart had,\' en Salomo verklaarde haar
den zin van al hare woorden: niets bleef voor den koning verborgen
4       waarvan hij haar den zin niet verklaarde. \' Toen nu de koningin van
Sjeba al de wijsheid van Salomo zag, alsmede het paleis, door hem
5       gebouwd,\' de spijzen op zijn disch, het zitten zijner dienaren, het staan
Vs. 1—18. 2 Kron. IX: 1—12. — Va. 11—26. 2 Kron. IX: 18—25.
eeno eervolle plant» gekregen (zie b. v. Joz. VI: 25; 2 Sam. XXIII: 81); XXIV : 18). — hevrendieualen,
letterlijk kneehtelijken heerendienal; verft. Ren. XXIX115; Jog. XVI: 10. Zie overigens V:15v. — tot
0)> den htiidigen dag.
De toestand door Salomo gevestigd bleef onveranderd.
22.   Maar — knecht, onjuiste mededecling; zie V:18; XI: 28; XII: 4—14. — keurlingen. Zie op
Kxod. XIV :].
23.   Dit learen. Wij verwachten na dit begin iets naders te vernemen; doch de opgaven schijnen
verloren gemakt te zijn. — vijfhonderd vijftig. Volgens 2 Kron. VIII: 10 tweehonderd vijftig. Indien
wij aannemen dat het hoogste cijfer juist is en elk overste vijftig man onder zich had (zie op V:16),
zon het getal dezer Kanaünietischc slaven bij den verplichten arbeid in \'s koniugs dienst ongeveer
27.500 bedragen hebben. De voorstelling welke wij hier krijgen verschilt van die in V:18-—16;
zoodat ons bericht uil cene andere bron moet geput zijn.
24.  Zie III: 1.
25.  driemaal \'ijaars, overeenkomstig het voorschrift Kxod. XX1I1:14—17^ Of dit bericht historisch
is, schijnt twijfelachtig; wij kennen daarvan de herkomst niet; het vers is wellicht een bijvoegsel. —
///•/ allaar — gebouied. lu II. VII was hiervan geen gewag gemaakt; doch zie op Vil: 23 en verg.
2 Kron. IV : 1; VII: 7. — en rookte. Hcbr. t. heeft nog met hem die of dal. Als onverstaanbaar
weggelaten, evenals de laatste woordcu van dit vers en maakte den limpel qereed.
26.   JSajeon-geber, dat bij Eloth ligt. Zie op Num. XXXIII: 16—36.
28. Of/r. Dit Innd hebbeu wij waarschijnlijk in Zuid-Arabic, en wel op de westkust van Jemen te
zoeken; anderen denken aan Voor-Indic of aan Wcst-Afrika. Het Olirgoud wordt nog vermeld 1 Krou.
XXIX:4; Job XXVIII: 16; I\'s. XLVÜO; Jez. XIII: 12. — goud. In X:llv., 22 lezen wc nog van
andere kostbare ladingen, waarvan de schrijver van dit bericht uict wist. — vierhonderd ttcintig
talenten.
Vier en dertig milliucn gulden in onze munt.
1. Zie Mntth. XII: 42; Luc. XI: 31. — Sjeba. Zie op Gen. X : 7. — MM Salomo. In Hcbr. t. volgt
hierop met betrekking lot den naam ean Jahiee, waarschijnlijk een toevoegsel van een vroom lezer, die
Salomo\'» roem niet zonder dien van zijn god vermeld wilde hebben. — raaitteh. Een wedstrijd in
raadsels is nog in het Oosten zeer in trek; verg. Richt. XIV: 12; Spr. XXX: 18—81.
5. IV gnnsche inrichting van zijn hof in alle dcclcn en onderdcelcn was even prachtig als doelmatig.
— siJH biaudollW, uict slecht» het aantal der gaven, maar ook de pracht waarmede de koning, vooraf-
gegnau door zijne lijfwacht cu gevolgd door zijn huis, ten offer ging.
-ocr page 685-
1 KONINGEN X : 5—18.                                        765
zijner bedienden en hunne kleedij, zijne schenkers, en de brandoffers
die hij offerde in het huis van Jahwe, toen was zij geheel buiten zich
G zelve\' en zeide zij tot den koning: Het is waarheid geweest wat ik
in mijn land had geboord aangaande uwe aangelegenheden en aangaande
7       uwe wijsheid;\' maar ik heb geen geloot\' geslagen aan wat men zeide,
totdat ik zelve gekomen ben en met eigen oogen gezien heb; en
waarlijk, de helft was mij niet aangezegd: gij hebt in wijsheid en
8       voorspoed de mare die ik gehoord had nog overtroffen.\' Gelukkig uwe
vrouwen! gelukkig uwe dienaren hier, die gestadig vóór u staan en
9       uwe wijsheid aanhoor en!\' Geloofd zij Jahwe, uw god, die zooveel be-
hagen in u heeft gehad dat hij u op den troon van Israöl geplaatst
heeft; dewijl Jahwe Israël liefheeft, om het tot in eeuwigheid in stand
te houden, heeft hij u tot koning over hen aangesteld, om recht en
lü gerechtigheid te betrachten.\' Zij schonk den koning honderd twintig
talenten goud, reukwerk in grooten overvloed en edelgesteenten; nooit
is er zooveel reukwerk gekomen als de koningin van Sjeba aan koning
11       Salomo gaf.\' Ook de schepen van Hirom, die goud uit (Mir aanvoerden,
brachten uit Otir sandelhout in grooten overvloed en edelgesteenten.\'
12       Van het sandelhout vervaardigde de koning leuningen voor het huis
van Jahwe en voor het koninklijk paleis, als ook citers en harpen
voor de zangers. Nooit is zooveel sandelhout in het land gekomen,
13       noch tot heden toe er gezien.\' Koning Salomo nu gaf aan de koningin
van Sjeba al haar begeeren, wat zij maar vroeg, behalve hetgeen hij
haar naar koninklijk vermogen had geschonken. Daarna keerde zij om
en trok met hare dienaren weder naar haar land.
14           liet gewicht van het goud dat jaarlijksche inkomst van Salomo
15       was bedroeg zeshonderd zes en zestig talenten goud; \' behalve hetgeen
hij van de kramers en de kooplieden kreeg, terwijl ook al de koningen
van Arabië en de stadhouders des lands aan Salomo goud en zilver
brachten.
10           En koning Salomo vervaardigde tweehonderd rondassen van geplet
17       goud: zeshonderd sikkelen goud ging op ieder rondas;\' en driehonderd
schilden van geplet goud: drie pond goud ging op ieder schild. En
de koning plaatste ze in het huis van het Libanonwoud.
18           Voorts vervaardigde de koning een grooten elpenbeenen troon, dien
8.  vrouwen, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. mannen.
9.  om hut ...in stand te houden en over hen is uit Gr. vcrt. en naar 2 Krui). IX : 8 ingevoegd.
10.  Zie op IX : 14.
11  v. Tusschcnzin naar aanleiding vnn de vermelding der later nooit meer zóo voorgekomen kost-
baarhedcu. Vs. 13 sluit bij vs. 10 aan.
11.   van Jlirom. Volgens IX: 26 v. waren de schenen van Salomo, een deel der bemanning van
Hirom. — sandelhout, eene zeer kostbare houtsoort, donkerrood met zwarte aderen, zeer hard en
zwaar, van den in Indië en 1\'erzic groeienden sandelboom. De vcrtnling staat intusschen niet vast.
12.  leuningen, onzekere vertaling; letterlijk dat waarop men of iel» steunt.
13.  naar koninklijk vermogen. Zoo de Lat. en Syr. vertt. j Hcbr. t. naar het vermogen van koning
Salomo.
Zie Kst. 1:7; 11:18.
14.  Het gewicht. Het gold werd oudtijds gewogen. — zeshonderd zes en zestig talenten, d. i. ruim
32.707 kilogram, of ongeveer vier en vijftig millioen gulden jaarlijks. Eenc verbazend grootc som
voor zulk een klein volk. Waarbij dan nog de buitengewone inkomsten (vs. 15) gevoegd moeten worden,
behalve de natuurproducten en de hcercndicnstcn. Hier heerscht weder overdrijving; zie op IV: 20—20,
20 v. en 24 v. Blijkbaar worden deze rijke inkomsten met ingenomenheid vermeld; anders oordeelt de
wetgever Deut. XVII: 174, schrijvende met het oog op den rijkdom van Salomo. Verg. op IV: 26.
15.  De tekst is zeer bedorven en nanr Gr. vcrt. en 2 Kion. IX: 14 zoo goed mogelijk hersteld. —
Arabië. Zie op Jez. XIII: 20.
16 v. tweehonderd rondassen... driehonderd schilden. Waarschijnlijk bestond dus de lijfwacht van
Salomo, die bij plechtige gelegenheden deze proukschildcn droeg, uit tweehonderd zwanr- en dric-
honderd lichtgewapenden. — zeshonderd sikkelen goud. [luim /"16.000. — drie pond goud. Honderd
vijftig sikkelen, of ruim ƒ4000, — hel huis van het Libanonwoud. Zie op VII: 2.
-ocr page 686-
1 koningen X : 18—29.
766
19       liij overtoog met fijn goud.\' Zes trappen hart de troon, een stierekop
was van achteren aan den troon, en armen waren aan weerszijden van
20       de zitting; terwijl twee leeuwen naast de armen\' en twaalf leeuwen
o]» de zes trappen aan weerszijden stonden: zoo iets werd nooit gemaakt
voor eenig koninkrijk.
21            liet ganaehe drinkservies van koning Halomo was van goud, en de
waschbekkens waren van goud, en al het vaatwerk van het huis van
het Libanonwoud was van gedegen goud; zilver was er niet, want dit
22       werd in tSalomo\'s dagen voor niets geacht.\' Want de koning had
Tarsjisvaarders op zee, met de schepen van Hirom; eens in de drie
jaar kwamen de Tarsjisvaarders aan, met eene lading goud, zilver,
elpenbeen, ebbenhout, apen en pauwen.
2.3          Alzoo werd koning Salomo grooter dan alle koningen der aarde in
24       rijkdom en wijsheid,\' en alle koningen der aarde zochten zijn aange-
zicht, om te luisteren naar de wijsheid die God hem in zijn hart ge-
25       geven had.\' Dan brachten zij ieder zijn geschenk, zilveren en gouden
voorwerpen, gewaden en wapentuig, reukwerk, paarden en muilezels,
geregeld jaar op jaar.
26           Ook bracht Salomo strijdwagens en ruiters bijeen; hij had veertien-
honderd strijd wagens en twaalf duizend ruiters, die hij legde in de
27       wagensteden en bij den koning te Jeruzalem.\' De koning maakte het
zilver te Jeruzalem als steenen, en het cederhout maakte hij als het
28       moerbeziehout in de Laagte, zoo overvloedig.\' De uitvoer van paarden
voor Salomo geschiedde uit Egypte; de kooplieden des konings haalden
29       ze bij koppels tegen betaling.\' Een strijdwagen werd uit Egypte
gevoerd voor zeshonderd zilveren sikkels, een paard voor honderd
vijftig. Aldus deden zij voor al de koningen der Hittieten en voor de
koningen der Arameërs; door hunne bemiddeling geschiedde de uitvoer.
Vi. 26—20. 2 Kron. 1:11—17. — Vs. 27, 28a. 2 Kron. IX:27v.
11). een ilierekop, volgen» iimlcre klinkers, niet Gr. vert.; Hebr. t. een rond boveneind.
21.  drinkservie», zoouls meng vut. scheppers, bekers enz. — watchbekkeni — goud, ingevoegd uit
Gr. vert.
22.   Tartji», of Tartcssus, lug iu Spanje. Duur was cene r\'enicischc volkplanting, en de schepen die
van r\'cnicië daarheen voeren deden do verste reis van die dagen, waren dus vnn du grootste soort;
loodst Taryimaarderi zooveel is als: schepen voor de groote vaart; verg. Wil: Hl. — op see.
Welke zee, wordt niet gezegd. De schrijver heeft öf bedoeld de Koude Zee, overeenkomstig IX:2(i v.,
óf geineend dat Salomo handel op Spanje dreef, gelijk zijne woorden 2 Kron. IX : 21 worden opgevat.
— elpenbeen, ebbenhoal, volg. verb. t.
23—25. Iu deze schildering treilen wij weder de bekende Oosterschc overdrijving aan; verg.
op IV: 24.
21. allr koningen der aarde, naar Gr. vert. en 2 Kron. IX: 23; Hebr. t. de ganiche wereld.
26.  Zie op IV: 26. — legde, iu garnizoen, naar andere klinkers, in overeenstemming mot Gr. vert.
en 2 Kron. 1:11; IX: 25; Hebr. t. voerde. — wagemteden. Zie op IX : 19.
27.   Weder eene overdreven schildering, die het verband der mcdedeclingcu betreflende de paarden
verbreekt. Zie vs. 21. — liet zilver. Gr. vert. en 2 Kron. 1:15 voegen er bij Het goud. — moerbesie-
kout.
De moerbezicboom (sykouioor), een zware boom, met knoestigen stam, wijd uitgestrekte takken
en zoet smakende vruchten (Am. VII: 14), kwam in Palestina veelvuldig voor; het hout, zeer lichten,
duurzaam, werd voor allerlei doeleinden gebruikt. — de Laagte. Zie op Deut. 1: 7.
28.  bij koppelt, onzekere vertaling; hetzelfde woord staat in Hebr. t. nog eens vóór de koop-
lieden.
2\'J. Klkc strijdwagen met de daarbij behoorende twee of drie paarden kostte dus ruim f 1000 van
onze munt, elk paard ruim ƒ2511. — Aldus — uitvoer. De kooplieden van Salomo waren niet alleen
voor hun koning, ook voor die zijner noordelijke naburen, makelaars in paarden. — uitlieten. Zie op
Gen. X:15.
HOOFDSTUK XI.
De schaduwzijde van Salomo\'s regeering. — De vrouwzieke koning wordt door zijne buitenlandschc
gemalinnen tot afgoderij verleid (1—8). Jahwe, hierover vertoornd, kondigt hem zijne strof aan
-ocr page 687-
1 KONINGEN XI: 1—7.
767
(9—13) en verwekt hem tegenstanders: den Edomictischcn prins IIndad, nnn een door Joab aangericht
blocdbnd ontküincn, in Egypte /.eer minzaam bejegend, en na Davids duod in zijn lnnd teruggekeerd
(14—22, 254) j den Aramccschen vrijbuiter Rczon, die kouing van Dnmnskus wordt (23—25«); den
Efrnimict Jcrobcam, hoofd der arbeiders uit Noord-Israël (20—28), wicn de profeet Ahia in Jnhwc\'s
naam het koningschap over de tien stammen na den dood van Salomo toezegt en die voor Salomo
naar Egypte vlucht (2!)—40). Besluit van Salomo\') geschiedenis (41—43).
T)c zaken ons hier medegedeeld: dat Salomo vele vrouwen had, waaronder ook buitcnlnndsehc; dat
hij op den Olijfberg heiligdommen voor vreemde goden oprichtte; dat Hndnd. Rczon en Jerol>cam
hem moeilijkheden berokkenden; nlsmcde afkomst, betrekking en vlucht van laatstgenoemde, en de
dwangdienst van het huis Jozef, zijn historisch. Dit is zeker, omdat zij van elders worden bevestigd
(zie op vs. 3, 7 en 27); ook, omdat zij slecht strooken met het voorafgaande, waar enkel licht zonder
schaduw voorkwam, Salomo\'» heerlijkheid op alle wijzen bezongen werd, hem de zuiverste vroomheid
en de vcrhcvcustc begrippen omtrent God en zijn dienst werden toegekend; eindelijk, omdat zij den
sleutel in handen geven voor het vervolg der geschiedenis: de scheuring onder Kchnbcam, de gods-
dionstigc toestanden enz. Maar het oorspronkelijke verhaal, waarin die menigte vrouwen zonder blaam
en die moeilijkheden niet als straf werden vermeld, is omgewerkt in profetischen geest, in een tijd
toen het aankuoopcu van betrekkingen met Egypte voor den paardeuhandel, het bezit van vele vrou-
wcn, het opstapelen van goud en zilver, de zelfverheffing boven de volksgcnooteu, alles met het oog
op Salomo, aan den koning verboden werd (verg. X : 28 v. met Deut. XVII: 10; XI: 1 met Deut. XVII:
17a; X:14, 21 enz. met Deut. XVII: 174, 20). Toen werd aan Salomo nis sehuld toegerekend dat
hij, in het begin der tiende eeuw, hnd gehandeld in strijd met de denkbeelden der uitstckendsten van
de achtste en zevende eeuw, en werden de moeilijkheden die hij bij zijn leven had ondervonden en de
lotgevallen zijner dynastie na zijn dood als straf voor die sehuld beschouwd (zie op vs. 4, 11—13,
14—40 en 39): zoo zijn vs. 2, 4—6, 9—18, 29—39 (in plaats van het oorspronkelijke verhaal van Jero-
bcams opstand) hier ingevoegd. Dit geschiedde tegen den tijd der Ballingschap (zie vs. 32). Ook in
dit hoofdstuk is de tekst soms in de war gerankt, en geeft Gr. vert. herhaaldelijk (vs. 1—5, 23—25)
cene andere volgorde.
XI: 1 Koning Salomo nu was een minnaar van vrouwen en nam vele
vreemde vrouwen, behalve de dochter van Farao: Moabietische, Am-
monietische, Arameesche, Edomietische, Sidonische, Hittietische en Amo-
2      rietische;\' uit die volken waarvan Jahwe den Israëlieten gezegd had:
Gij zult u met hen niet inlaten, noch zij met u; opdat zij u niet
verleiden tot den dienst hunner goden; aan dezen hechtte zich Salomo,
3      minziek.\' Hij had als vrouwen zevenhonderd vorstinnen en driehonderd
4      bij vrouwen; en zijne vrouwen verleidden hem.\' Op zijn ouden dag
verleidden Salomo\'s vrouwen hem tot den dienst van vreemde goden;
zoodat zijn hart niet onverdeeld, gelijk het hart van zijn vader David,\'
5      Jahwe, zijn god, toebehoorde, maar hij Astarte, de godin der Sidoniërs,
G en Milkom, den gruwel der Ammonieten, vereerde.\' Zoo deed Salomo
wat kwaad was in het oog van Jahwe, en bleef aan Jahwe niet vol-
7 standig getrouw, gelijk zijn vader Uavid.\' Toen bouwde Salomo eene
1.  vrouwen en nam, ingevoegd uit Gr. vert. — Ammouietische, o. n. Nnama, de moeder van Rcha-
benm; zie XIV: 21. — Arameesche ...en Amorieliscke, ingevoegd uit Gr. vert. Zie Deut. VII: 1.
2.  Zie Exod. XXX1V:16; Deut. Vil: 8; Joz. XXIII: 7, 12. — opdat zij u niet, volg. Gr. vert.;
I lebr. t. voorzeker zouden zij u. — verleiden lot den dienst hunner, letterlijk uw hart neigen achter hunne.
3.  Dit vers is een invoegsol, dat in Gr. vert. midden in vs. 1 staat. — Dat een koning zeer vele
vrouwen heeft wordt ook Hoogl. VI: 8 ondersteld.
4.  Eene onjuiste voorstelling uit later eeuw. Salomo geloofde, gelijk ieder iu zijn tijd, nnn het
bestaan dier volksgoden en aan hunne macht. Zijne staatkunde beoogde vriendschappelijk verkeor met
de naburen; daarmede hing de vercering hunner goden samen, die uitmuntend strookte met de praal
zijner regceriug. Duarom, niet alleen om zijne vrouwen, noch bovenal onder haar invloed, ook niet
eerst in zijn ouderdom, bouwde hij, na den Jahwctcmpel, ook heiligdommen voor Astarte, Kamos en
Milkom, 2 Kon. XXIII: 13. Dit wil intusschen niet zeggen dat hij ophield Isracls god te vcr-
eeren, IX: 25.
5.  Aslarte. Zie op Richt. 11:13. — Milkom (2 Sam. XII: 80; 1 Krou. XX :2; Jer. XLIX:1, 8;
Am. 1:15), vs. 7 Moloch geheeten: tweeërlei uitspraak van denzelfden naam. Zie op Lev. XVIII: 21.—
gruwel, d. i. hetgeen in de oogen der ijverige Jahwedicnaars, vooral van later eeuw, gruwelijk wns.
7. hoogte. Zie op Deut. XII: 2. Hier stant het voor hoogtetempel. — Kamos. Zie op Num. XXI: 29. —
den berg ten oosten van Jeruzalem,
den Olijfberg. — Moloch. Zie op vs. 5. — en voor Astarte, de
godin der Sidoniërs,
uit Gr. vert., in overeenstemming met 2 Kon. XXI11:18, ingevoegd.
-ocr page 688-
1 koningen XI: 7—22.
768
hoogte voor Kamos, den gruwel der Moabieten, op den berg ten oosten
van Jeruzalem, en voor Moloch, den gruwel der Aiuraonieten, en voor
8       Astarte, de godin der Sidoniërs.\' Aldus deed hij voor al zijne vreemde
vrouwen, rookende en offerende aan hare goden.
9           Toen werd Jahwe op Salomo vertoond, omdat hij afvallig was ge-
worden van Jahwe, Israëls god, die hem tweemaal verschenen was\'
10       en hem uitdrukkelijk verboden had vreemde goden te vereeren; maar
11       hij hail niet gehouden wat Jahwe hem geboden had.\' Zoo zeide Jahwe
tot Salomo: Naderaaal dit in u is geweest en gij mijn verbond en
de inzettingen die ik u had opgelegd niet gehouden hebt, zal ik het
12       koninkrijk van u afscheuren en aan uw dienaar geven.\' Doch ter
wille van uwen vader David zal ik het niet bij uw leven doen; uit
13       <le hand uws zoons zal ik het scheuren.\' Edoch niet liet gansche
koninkrijk zal ik afscheuren: een stam zal ik uwen zixm geven, ter
wille van mijn knecht David en van Jeruzalem, dat ik heb uitverkoren.
14            Kn Jahwe verwekte Salomo een tegenstander in iladad, den Edomiet,
15       die van koninklijken bloede in Edom was.\' Toen namelijk David Edom
verslagen had en de krijgsoverste Joab was opgetrokken om de ge-
sneuvelden te begraven, had deze alle mannen in Edom omgebracht;\'
16       want zes maanden was Joab daar gebleven met g.insch Israël, totdat
17       hij alle mannen in Edom had uitgeroeid.\' Maar I lm hul ontvlood met
eenige Edomieten uit zijns vaders dienaren naar Egypte; en Hadad
IS was een jeugdige knaap.\' Zij maakten zich op uit Maon en kwamen
in Paran, en namen uit Paran mannen mede, en kwamen in Egypte
bij Farao, den koning van Egypte. Deze gaf hem een huis, legde hem
19       het noodige voor zijn onderhoud toe en schonk hem ook land.\' Iladad
nu stond bij Farao in hooge gunst: hij gaf hem zijne vrouws zuster,
20       de zuster der koningin Tahpenes, tot vrouw.\' Toen nu de zuster van
Tahjienes hem een zoon, Genubath, had geschonken, speende Tahpenes
hem in Farao\'s paleis, en Genubath bleef in het paleis van Farao,
21       onder Farao\'s zonen.\' Maar toen Iladad in Egypteland gehoord had
dat David was ter ruste gegaan bij zijne vaderen en de krijgsoverste
Joab gestorven was, zeide Hadad tot Farao: Laat mij gaan; opdat ik
22       mij naar mijn land begeve.\' Farao zeide tot hem: Wat ontbreekt u
8.  rookemle en offerend?, namelijk Salomo. Zoo Gr. vert. In Hobr. t. staat het vrouwelijk meervoud;
hier doen dus de vrouwen het.
9.  tweemaal. Zie 111:5—15; IX: 1— 8.
10.  uitdrukkelijk verboden. Zie IX \'• 6.
11—13. Deze strafbedreiging is niet historisch. Iu later eeuw beschouwde men het verlies van de
heerschappij over het grootste deel des lamls door Duvids kleinzoon en zijno opvolgers nis cene straf,
niet door Dnvid, innnr door Salomo verdiend wegens de vercering van vreemde goden, en legde toen
deze woorden Jahwe in den mond.
14—M. De bedoeling is dat de moeilijkheden door Salomo van Hadad, ltczon en Jcrobeam onder-
vonden cene straf van Jahwe voor zijne afgoderij waren. In werkelijkheid stonden zij daarmede in
geen verband en greep het welgeslaagd verzet in Kdom en Aram spoedig na David* dood (vs. 21, 25),
dus lang vóór Salomo\'s onden dag (vs. 4), plaats. Zie verder op vs. 32.
14.  Hier volgt in Gr. vert. vs. 23—25a, het bericht van Kczons tegenstand; verg. op vs. 22.
15 v. Zie 2 Sam. VIII: 13 v., waar het gebeurde anders wordt voorgesteld: David behaalt eene
roemrijke overwinning op de Edomieten, onderwerpt hun land en stelt er landvoogden over aan;
zoodat de Kdomicten zijne knechten zijn. Eene stelselmatige uitroeiing van alle mannen is hier buitcn-
gcslotcn. Verg. I\'s. IA : 2.
15.   David Edom rertlayeu had, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Darid iu Et/om Kat. — opgetrokken, nadat
David Kdom verlaten had. — de geneuvelden, van Davids soldaten.
ll\'i. ganteh Itraièl, de gansche legermacht.
18. Maon, eene plaats iu Edom, op het gebergte Sc ir. ten zuiden van de Doode Zee, vier uur ten
oosten van Petra. Zoo naar gissing; Hebr. t. Midian. — Paran. Zie op Gen. XIV: 0. — land, voor
hem en zijne mannen.
20. ipeeiide, wat zeker met grootc plechtigheid geschiedde in de koninklijke feestzaal, ten teeken
dat het kind des ballings ouder \'ikonings zonen werd opgenomen.
-ocr page 689-
769
1 KONINGEN XI: 22—32.
toch bij mij, dat gij aldus zoekt heen te gaan naar uw land? Doch
hij zeide: Niets; maar laat mij toch gaan! En hij maakte zich op en
25£ keerde naar zijn land terug.\' Dit is het kwaad dat Hadad gedaan
heeft; hij had een afkeer van Israël en werd koning over Edom.
23           Ook verwekte God hem een tegenstander in llezon, den zoon van
Eljada, die zijnen lieer Hadadezer, den koning van »Soba, was ontvloden.\'
24       Toen David hen doodde, verzamelde hij mannen bij zich en werd
het hoofd eener bende. Hij nam Damaskus in, bleef aldaar en werd
25a koning te Damaskus.\' Hij was Israëls tegenstander het gansche leven
van .Salomo.
2G
          Ook Jerobeam, de zoon van Nebat, een Efraimiet, uit Sereda, wiens
moeder, eene weduw vrouw, Serua heette, een beambte van Salomo,
27       hief zijne hand tegen den koning op.\' Dit zijn de omstandigheden
waaronder hij zijne hand tegen den koning ophief: Salomo versterkte
het Millo en sloot de gapingen in den muur van de stad Davids, zijns
28       vaders.\' Jerobeani nu was een zeer kloek man; en toen Salomo zag
dat de jonge man zijn werk goed deed, maakte hij hem opzichter over
den ganschen dienst van het huis Jozef.
29           Te dier tijd nu, toen Jerobeam eens uit Jeruzalem gegaan was, trof
de profeet Ahia, uit Sjilo, hem op den weg aan en leidde hem ter
zijde. Ahia nu had een nieuw kleed aan. Als zij dan met hun beiden
30       alleen op het veld waren,\' greep Ahia het nieuwe kleed dat hij omhad,
31       scheurde het in twaalf stukken\' en zeide tot Jerobeam: Neem voor u
tien stukken; want zoo zegt Jahwe, Israëls god: Zie, ik scheur het
koningschap uit de hand van Salomo en geef aan u de tien stammen.\'
32       Maar de eene stam zal voor hem zijn; ter wille van mijn knecht
Vs. 26. 2 Kron. XIII: 6.
22.  En — terug, grootendecls uit Gr. vert. In Ilebr. t. zijn deze woorden, wnarschijnlijk bij de ver-
plaatsing van vs. 23—25a (zio op vs. 14), uitgevallen.
254. Dit — heeft. Zoo Gr. vort.; Hebr. t. En liet ktvaad dat Uadad. — hij had een afkeer. Vcr-
mocdclijk is do tekst hier bedorven. Het kwnad dat Hadad deed wordt eigenlijk niet vermold. — werd
koning over Edom.
Slechts over een gedeelte; want Salomo behield Esjon-gebcr en den weg daarheen
(zie IX : 28). Nog onder Josjafat was I-Mom onderworpen, zie XXII : 48, en eerst onder Joram (857—819)
viel het weder af; zie 2 Kon. VIII: 20. — Edom, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Jram. Zeer natuurlijk is
deze fout ontstaan nadat vs. 254 van vs. 22 gescheiden was.
23—25«. Zie 2 Sam. VIII: 3—8.
23.  hem, Salomo. — tegenstander. Zie op 2 Sam. XIX: 22.
24.  hen, de troepen van Hadadezer. — Hij nam... in, namelijk na den dood van David. Zoo Gr.
vert.; Hebr. t. Zij gingen naar. — bleef, icerd, volg. Gr. vert.; Hebr. t. bleven, Kerdeu.
26.  Sereda. Zie op Kicht. VII: 22.
27.  Dit — ophief. Uit deze woorden blijkt dat oorspronkelijk in de verzen die volgden het verhaal
van den opstand van Jerobeam werd medegedeeld. Maar bet is verloren geraakt, verdrongen door het
later opgesteld, onhistorisch verhaal vs. 29—39. — Salomo — vader: Zie 111:1; IX: 15, 24.
28.   dienst, verplichten zwaren arbeid, verg. XII: 4, 14. — hel huis Jozef, in strikten zin de
stammen Efrnim en Manasso. Dikwerf echter wordt met deze uitdrukking hetzelfde bedoeld als met
„Israël", nl. het noordelijk rijk, de zoogenaamde tien stammen. Deze bevolking kou het moeilijk ver-
kroppen, hccrendicnstcn te verrichten voor een koning uit .Tuda en tot versterking van Jeruzalem.
29.   Te dier tijd, nlgomeonc tijdsbepaling, om hetgeen volgt te verbinden met hot voorafgaande. —
uit Sjilo. Zie op Joz. XVIII: 1. Hij was dus, evenals Jerobeam, Efraimiet. — en leidde hem ter zijde,
uit Gr. vert.
30 v. Eene zinnebeeldige handeling, om de aankondiging die volgt aanschouwelijk en daardoor
meer indrukwekkend te maken; verg. o.». XX: 35—40; XXII: 11; 1 Sam. XV: 28; Jer. XIX;
XXVII: 2 enz.
31.  de tien stammen. Verg. op 2 Sam. XIX: 43.
32.   Natuurlijk was het noch de bedoeling van do profeten die Jerobeams poging begunstigden, noch
die van iemand anders, cene scheuring te weeg te brengen; zij wilden het huis van David door dat
van Jerobeam vervangen, evenals eertijds dat van Saul door dat van David. Deze voorspelling is alzoo
naar de uitkomst opgesteld, evenals die van vs. 13. — de eene stam, Juda. De stam Simeou, in het
zuiden, was in Juda versmolten. Van Benjamin (zie op XII: 17 en 21—24) bleef alleen het zuidelijk
gedeelte, in do onmiddellijke nabijheid van Jeruzalem, aan het huis van David getrouw (zie XII: 29;
XV: 17, 21v.; XVI: 34).
O. T. I.                                                                                                                          49
-ocr page 690-
771)                                      1 koningen XI: 32—43.
David en van Jeruzalem, de stad die ik uit al de stammen Israëls
33       heb uitverkoren.\' Nademaal hij mij verlaten en zich voor Astarte, de
godin van Sidon, Kamos, den god van Moab, en Milkom, den god
der Ammonieten, heeft nedergeworpen, en niet op mijne wegen ge-
wandeld heeft, noch gedaan wat recht is in mijn oog, gelijk zijn vader
34       Üavid. \' Doch niet aan heni zei ven zal ik het koninkrijk ontnemen;
want tot vorst stel ik hem aan voor zijn gansche leven, ter wille van
35       mijn knecht David, dien ik heb uitverkoren,\' die mijne geboden en
inzettingen heeft onderhouden. Ik zal het koninkrijk aan zijn zoon
3<i ontnemen, aan u de tien stammen\' en aan zijn zoon éen stam geven;
opdat mijn knecht David te allen tijde eene lamp hebbe voor mijn
aangezicht te Jeruzalem, de stad die ik mij verkoren heb om aldaar
37       mijnen naam te stellen.\' U zal ik nemen om te heerschen naar den
vollen wensch van uw hart, en gij zult koning over Israël zijn.\'
38       Indien gij dan zult luisteren naar al wat ik u gebieden zal, op mijne
wegen wandelen en doen wat recht is in mijn oog, houdende mijne
inzettingen en geboden, gelijk mijn knecht David gedaan heeft, zoo
zal ik met u zijn en u een duurzaam huis bouwen, zooals ik voor
39       David gedaan heb. Ik zal aan u Israël geven,\' om het nakroost van
40       David te dier oorzake te vernederen; evenwel niet voor altoos.\' Salomo
nu zocht Jerobeam te dooden; maar Jerobeam maakte zich op en
vluchtte naar Egypte tot Sjisjak, den koning van Egypte, en bleef in
Egypte tot den dood van Salomo.
41            Het overige nu der geschiedenis van Salomo, al wat hij heeft ge-
daan, en zijne wijsheid, is beschreven in het boek der geschiedenis
42       van Salomo.\' De tijd dien Salomo te Jeruzalem over geheel Israël
43       geregeerd heeft was veertig jaar.\' Daarna ging Salomo ter ruste bij
zijne vaderen en werd in de stad Davids, zijns vaders, begraven. En
V». 41—43. 2 Kron. IX: 29—31.
33.  hij... heeft, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. zij... hebben. — wat — oog. Zoo Gr. vert. j Hobr. t. voegt
er bij en mijne inzettingen m rerordeuiugen.
34.  het koninkrijk, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. het gantehe koninkrijk.
Wh, aan
«. volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. het aan u.
30. eene lamp, zinnebeeld vim het leven, hier niet van den persoon, maar van de familie. Evenzoo
XV: 4; 2 Kon. VIII i 19.
37.   Verg. 2 Snm. 111:21.
38.  een duurzaam hui» bouwen. Zie op 1 Sam. II : 35 en op Gen. XVI: 2.
39.  te dier oorzake. Zie vs. 38. — niet voor allooi. Hierin ligt, overeenkomstig het stand-
punt van later eeuw, de belofte ecner herstelling van het Davidischc koningschap over geheel
Israël opgesloten.
40.   Voor dit vers is waarschijnlijk uitgevallen wat Jerobeam beproefde en deed, en hoe die op-
stand gesmoord is; zie op vs. 27. — Sjitjak, de eerste Karao die in het O. T. bij zijn naam genoemd
wordt. Zie op Gen. XII: 15. De verhouding tussrhen de koningen van Egypte en Salomo schijnt
beurtelings vijandig en vriendschappelijk te zijn geweest. In den aanvang zijner regecring een Karao
bij wieu Hadnd in blakende gunst staat; daarna een, wiens dochter Salomo huwt, die hem Gezer geeft
en de handelsbetrekkingen begunstigt; ten slotte een bij wieu de oproermaker Jerobeam eene schuil-
plaats vindt.
41.  Eene dergelijke verwijzing naar bronnen of uitvoeriger berichten kan men vinden aan het einde
der geschiedenis van bijna alle koningen van Israël en Juda; zie XIV: 19, 29; XV: 7. 23, 31; XVI:
5, 14, 20, 27; XX1I:39, 40; 2 Kon. 1:18; VIII: 23; X:34; XII: 19; XIII:8, 12; XIV:15, 18,
28; XV:fl, 11, 15, 21, 20, 31, 30; XVI: 10; XX:20; XXI:17, 25; XXIII: 28; XXIV:5.
43. En toen — vaderen, ingevoegd volg. Gr. vcrt., met slechts eene tekstverandering: in pi. v.
Sereila heeft Gr. vcrt. Sirera, dat ook Richt. VII: 22 de plaats van Sereda inneemt. Pit was Jero-
bcams geboorteplaats, vs. 20. I\'it dit bericht, dat alleen inhoudt zijn terugkeer nnar zijne vaderstad,
heeft de schrijver van Kronieken afgeleid dat hij met het volk te Sichem Rchabcam om verlichting
van lasten heeft gevraagd (zie 2 Kron. X:l—3); en naar diens voorstelling veranderde een over-
schrijvcr van Koningen den tekst: hier liet hij deze regels weg en in XII: 2, 3a voegde hij in En
zoodra Jerobeam, de zoon van Nebal, hel hoorde
— hij wat nog in Egypte, waarheen hij voor
koning Salomo gevlucht wat en waar hij wat gebleven
— ontboden zij hem; waarna Jerobeam en de
gantehe vergadering van Itrael kwamen.
Hieraan sloot zich dan san en zij tpraken lol Rehabeam.
Verg. op XII: 12.
-ocr page 691-
1 koningen XI: 43—XII: 11.                                  771
toen Jerobeam, <le zoon van Nebat, dit hoorde — hij was nog in
Egypte, waarheen hij voor koning Salomo gevlucht was en waar hij
was gebleven en voorspoed had — ging hij naar zijne stad, Sereda,
op het gebergte van Efraim. Eri Salomo ging ter ruste bij zijne
vaderen, en zijn zoon liehabeam werd koning in zijne plaats.
HOOFDSTUK XII: 1—24.
De afval der noordelijke stammen. — Kehnbeam verneemt te Sichem van de volksvcrgadcring de
voorwaarden waarop men hem nis koning wil erkennen (1—5), wint het gevoelen in der grijze raads-
hecren zijns vaders (6 v.), daarna dat zijner jongere raadslieden (8—11), en volgt het laatste (12—
15); waarop het volk weigert hem te huldigen, hij de vlucht moet nemen (10, 18 v.), en Jerobeam,
uit Egypte teruggekeerd, koning wordt, behalve over Juda (20). Sjcinaja belet Kchabcain oorlog te
voeren om de heerschappij te herwinnen (21—24).
Dit verhaal is in hoofdzaak geloofwaardig; alleen vs. 21—24 is een jonger bestanddeel.
XII: 1 Rehaheam nu ging naar Sichem; want te Sichem was gansch Israël
3       gekomen om hem koning te maken.\' En zij zeiden tot liehabeam:\'
4       Uw vader heeft ons een hard juk opgelegd; maak gij thans den harden
dienst waartoe uw vader ons dwong, en het zware juk dat hij ons
5       heeft opgelegd lichter; dan zullen wij u dienen.\' Hij zeide tot hen:
Gaat henen tot over drie dagen, en komt dan bij mij terug. Toen nu
6       het volk was henengegaan,\' ging koning Rehabeam te rade met de
mannen van jaren die vóór zijn vader Salomo, toen hij in leven was,
hadden gestaan, en zeide: Hoe raadt gij, dit volk te antwoorden?\'
7       Zij zeiden tot hem: Indien gij heden de gehoorzame dienaar van dit
volk zijt en hun in uw antwoord goede woorden geeft, zullen zij voor
8       altijd uwe dienaren zijn.\' Maar hij verwierp den raad dien de mannen
van jaren hem gegeven hadden, en ging te rade met de jongelingen
9       die met hem waren opgegroeid, die vóór hem stonden,\' en zeide tot
hen: Wat raadt gij dat ik dit volk zal antwoorden, dat tot mij ge-
sproken heeft: Maak het juk dat uw vader ons heeft opgelegd lichter?
10       Én de jongelingen die met hem opgegroeid waren zeiden tot hem:
Zóo moet gij dit volk zeggen, dat tot u gesproken heeft: Uw vader
heeft ons een zwaar juk opgelegd, maak gij het ons lichter — zóo
moet gij tot hen spreken: Mijn pink is dikker dan mijns vaders
11       middel;\' nu dan, heeft mijn vader een zwaar juk op u geladen, ik
zal uw juk nog verzwaren; heeft mijn vader u met zweepslagen bij
uw plicht gehouden, ik zal het u met geeselstriemen doen.
Vs. 1—24. 2 Kron. X : 1—XI: 4.
1. Sichem. Zie op Gen. XII: 6. — koning Ie maken. Zie 1 Sam. XI: 15. Het geschiedde door zal-
ving (zie 2 Sam. 11:4; V: 8), met offers en vreugdebetoon. — Dat de Israëlieten niet naar Jeruza-
lem kwamen, maar Rehabeam tot zich lieten komen in hunne oude hoofdplaats (vs. 25; Joz. XXIV:
I; Richt. IX: 1), was reeds ecu teeken van gebrek aan onderworpenheid. Op dit vers volgt in Hebr.
t. (2) Zoodra Jerobeam, de zoon van Nebat, hel hoorde — hij was nop in Egypte, waarheen hij voor
koning Salomo gevlucht wat, en Jerobeam wat in Egypte gebleven
— (8) ontboden zij hem; waarna
Jerobeam en de gansche vergadering van Israël kwamen. Zie
op XI: 43.
4.  Zie V:13v.; XI:28.
5.  lot over. Zoo Gr. en Lat. vert.; Hebr. t. nog.
7.  De bedoeling is; sta hun, nu zij het heft nog in handen hebben, ruimschoots al wat zij vragen
toe; zijt gij eenmaal als koning door hen erkend, dan kunt gij u alles veroorloven.
8.   verwierp, niet uit afkoer van onoprechtheid, maar uit trots. — die — opgegroeid. Volgens
XIV: 21 was Rehabeam een on veertig jnnr oud.
9.  ik... zal. Zoo al de oude vertt.; Hebr. t. wij... zullen.
10.  mijn pink — middel. Mijne hand zal nog zooveel zwaarder op u noderkomen en u drukken
dan die mijns vaders deed, dat het u, bij de vergelijking met vroeger, zal zijn alsof mijn pink enz.
Zij wilden het volk door bedreigingen tot zwijgen brengen.
-ocr page 692-
772                                         1 KONINGEN XII: 12—21.
12           Toen nu liet gansche volk op den derden dag bij Kehabeam kwam,
13       zooals de koning gezegd had: Komt overmorgen bij mij terug —\' gal"
de koning liet volk een hard antwoord; hij verwierp den raad dien
14       de mannen van jaren hem hadden gegeven\' en sprak tot hen naar
den raad der jongelingen: Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd,
ik zal uw juk nog verzwaren; heeft mijn vader u mei zweepslagen
15       bij uw plicht gehouden, ik zal het u met geeselstriemen doen.\' De
koning luisterde niet naar het volk; want het was eene beschikking
van Jahwe, ten einde zijn woord gestand te doen dat hij door Ahia,
1G den Sjiloniet, tot Jerobeam, den zoon van Nehat, gesproken had.\' En
toen gansch Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde, ant-
woordde het volk den koning: Wat hebben wij met David te maken?
Wij hebben niets uitstaande met den zoon van faal! Kaar uwe tenten,
o Israël! bestuur nu uw eigen huis, o David! Zoo ging Israël naar
18       zijne tenten.\' Koning Itehabeam zond nog Adoniram, die over de
heerendiensten was, maar gansch Israël steenigde hem, zoodat hij stierf;
en koning Kehabeaiu moest zich haasten om zijn wagen te bestijgen
19       en naar Jeruzalem te vluchten.\' Zoo werd Israël van Davids buis
20       afvallig, tot op den huidigen dag.\' Toen nu gansch Israël hoorde dat
Jerobeam uit Egypte was teruggekeerd, outboilen zij hem ter vergade-
ring en maakten hem koning over gansch Israël; aan het huis van
David bleef niemand trouw dan de stam Juda alleen.
21           Toen Kehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het
gansche huis Juda en den stam Benjamin, honderd tachtig duizend
strijdbare manschappen, om oorlog te voeren met het huis Israël, ten
12. Vóór het gauache volk heeft Hebr. -t. Jerobeam en, dat volg. Gr. vert. is weggelaten; zie
op XI : 43.
15. eene beiehikking eau Jahtee. Verg. 11:15; 2 Sam. XVII: 14. — zijn woord. Zie XI: 20—39. —
Dit vers is eene opmerking in den geest vnn vs. 21—24; verg. aldaar.
10. Wal hebben — Itraèt.\' De schrijver volgt 2 Sam. XX : 1 na. Ook hier staat wij, d. i. de Israc-
lieten, tegenover de Judcërs, die wél betrekking op het hnis van David hebben; zie 2 Sam. XIX:
12—15, 41—13. — met David...met di\'n zoon van Izai. Bedoeld wordt het verworpen koninklijk
geslacht. — Naar uwe tenten. Zie op Richt. Vil: 8. — Bestuur, letterlijk Weid, volg. Gr. vert.;
Ilcbr. t. Zie naar. — uw eigen huh. Dit bcteekent hier niet, als gewoonlijk (ook vs. 19), het kouink-
lijk geslacht, maar den stam Juda. — Zoo ging — tenten. Deze bijvoeging is minder nauwkeurig,
daar ilc vergaderden voorloopig te Sichem blijven en straks (vs. 20) Jerobeam kronen. Na vs. IC
heeft Hebr. t. (17) Over de ltraiHielen die in Jnda\'a ttedeu toomden werd Rehabeam koning. Dit is
weggelaten volg. Gr. vert., omdat het blijkbaar in Hebr. t., evenals vs. 2, 3a en Jerobeam en in vs.
12 een toevoegsel is naar 2 Kron. X.
18.   zond, om de hegnne fout te herstellen, door goede woorden of beloften te geven. — Adoniram,
evenals 2 Sam. XX : 24 volg. (ir. vert.; Hebr. t. Adoram. Zie IV :ö; V : 14.
19.   Volgens deze nauteckening zou dit verhaal in Juda en vóór den ondergang van het noordelijk
rijk geschreven zijn. Zie op IX : 21 en op 2 Kon. X : 27. De scheuring had plaats in 943. Dit jaar-
tal is gevonden door de optelling van de regecringsjaren der koningen van Israël en van Juda vóór
de troonsbestijging van Jchu en Athnlja, 847; waarover zie op 2 Kon. X : 35. De som van de regec-
ringsjarcu der Isrnclictischc koningen bedraagt 98: Jerobeam 22 (XIV: 20), Nadab 2 (XV i 25), Hacza
24 (XV: 33), Kla 2 (XVI: 8), Omri 12 (XVI: 23), Achab 22 (XVI: 29), Almzja 2 (XXII: 52), Jorara
12 (2 Kon. 111:1); die der Judecschc 95: Rehabeam 17 (X1V:21), Abia 3 (XV:2), Aza 41 (XV:
10), Josjafat 25 (XXII: 42), Jornin 8 (2 Kon. VIII : 10), Almzja 1 (2 Kon. VIII: 20); waorbij in aan-
merking moet genomen worden dat vaak halve jaren voor gchecle gerekend werden. — De tijdreke-
ning vóór de scheuring is zeer onzeker, daar èn Salomo én David veertig jaren, d. i. een niet bepaaU
den tijd (zie op Gen. VII: 4), heetcn geregeerd te hebben (XI: 42; 2 Sam. V: 4), en de duur Tan
Sauls regeeriug niet opgegeven wordt (zie op 1 Sam. XIII: 1).
20.   uil Egypte, ingevoegd volg. Gr. vert. — ontboden zij hem, uit Sercda; zie XI: 43.
21—24. Dit bericht is blijkbaar van jongere dngtcekening en niet geloofwaardig. Immers was er
van de. scheuring af tot op de regeering van Achnb en Josjafat oorlog tiisschcn Israël en Juda, zie
XIV: 30; XV : 7, 10—22; evenwel niet om Israël onder Judn\'s vorst te brengen, maar omgekeerd;
het gansche denkbeeld dat de afstammelingen vnn David het cenige wettige koningshuis vormden bc-
hoort op ecu later standpunt te huis. Verder is het cijfer honderd tachtig (volg. Gr. vert. honderd
twintig) duizend
krijgers voor het kleine rijk zeer overdreven; zie op 2 Sam. XXIV: 9. Kindelijk is\'
de vermelding van den stam lienjnmin alhier eene onjuistheid, die na vs. 20 te meer in het oog rolt:
deze stam behoorde tot Isracl, behalve hot zuidelijk gedeelte. Zie op XI: 32.
-ocr page 693-
1 K0N1NGBN XII : 21—30.
773
einde het koningschap voor Rehabeam, den zoon van Salonio, te her-
22       winnen.\' Maar het woord Gods geschiedde tot den godsinan Sjemaja:\'
23       Zeg aan Bebabeam, den zoon van Salomo, den koning van Juda, en
24       aan het gansene huis Juda en Benjamin en het overige volk: \' Zoo
zegt Jahwe: Gij zult niet optrekken en geen oorlog voeren met uwe
broeders, de Israëlieten; keert terug, ieder naar zijn huis; want door
mij is deze zaak beschikt. Zij nu luisterden naar het woord van Jahwe
en gingen terug, volgens het woord van Jahwe.
32. Sjemaja. Deze profeet komt cUlcrs iu Koningen niet voor; wel 2 Kroii. XII: 5, 7, 15.
HOOFDSTUK XII: 25—XIV : 20.
Jcrobeam. — Hij bevestigt zijne heerschappij door het versterken vnn ecnigc steden (XII: 25) en
de instelling van een nieuwen ceredienst (2fi—33). Ken godsinan uit Juda spreekt tegen het altaar
te lletbcl (XIII: 1 v.), staaft zijne voorspelling door wonderteekenen (3—C), cu slaat de uituoodiging
des konings af, zooals Jahwe hem bevolen had (7—10). Keu oud profeet uit llethel haalt hem over,
dit bevel te overtreden (11—19), en kondigt later zelf hem de straf voor die overtreding aan (20—
22). De godsinan wordt onderweg door een leeuw gedood en door den ouden profeet begraven (23—
30), die verzekert dat de voorspelling zul uitkomen (31 v.). Jerobeam blijft hardnekkig (33 v.). Zijn
zoon wordt ziek; waarom hij zijne vrouw vermomd zendt naar den profeet Ahin (XIV :1—l), die,
door Jahwe van hare komst verwittigd (5), haar deu ondergang van Jcrobeams gcslaeht tot straf voor
zijue afgoderij (6—11, 14), den dood van haar zoon (12 v.), alsmede de verstrooiing van Israël nan-
kondigt (15 v.); de knaap sterft en wordt begraven (17 v.). Besluit van Jcrobeams regcoring; zijn zoon
Nadab volgt hem op (10 v.).
Het verhaal over den godsinan uit Juda (II. XIII) bezit geen de minste geschiedkundige waarde;
het behelst de vcroordeeling vnn den eercdienst te liethei, is stellig na 022 vervaardigd (XIH:2),
vermoedelijk zelfs gcruimen tijd later, en is een der jongste stukken van Koningen, Kvcnccns is het
verhaal van Ahia\'s strafbedreiging (XIV: 7—10) ecne voorspelling naar de uitkomst, en zijn de mcdc-
deelingen over Jcrobenms maatregelen betreffende den godsdienst Judceseh gekleurd (XII: 32 v.;
XIII: 83 v.).
In Kronieken komt Jerobeam voor 2 Kron. X; XI:14v; XIII.
XII: 25 Jerobeam versterkte Sichem op het gebergte van Efraim en vestigde
20 er zich. Later verliet hij het en versterkte Penuël.\' En Jeroheam zeide
bij zich zei ven: Nu zal het koningschap weder aan het huis van I)avid
27       komen;\' indien toch dit volk opgaat om offeranden te brengen in het
huis van Jahwe te Jeruzalem, zoo zal het hart van dit volk zich
weder hechten aan hun heer, Rehabeam, den koning van Juda, en zij
zullen mij dooden en tot Rehabeam, den koning van Juda, weder-
28       keeren.\' Daarom werd de koning te rade, twee gouden stieren te
vervaardigen, en hij zeide tot het volk: Lang genoeg zijt gij naar
Jeruzalem opgegaan; ziehier, Israël, uwe goden, die u uit Kgypte hebben
2J) opgevoerd!\' Hij plaatste den eenen te llethel, en den anderen zette
30 hij te Dan.\' Deze zaak nu werd eene zonde voor Israël; het volk ging
tot Dan om den eenen, en tot Bethel om den anderen te aanbidden.\'
25. Ongeveer twee eeuwen vroeger waren de versterkingen vernield, die vnn l\'enuél door Ridcon,
dio van Sichem door Abimclech (Richt. VIII: 17; IX : 49). — zijn eerblijf. In XIV: 17 is Tirsn zijne
residentie — Over Peuaël zie op Gen. XXXII: 30.
27.  indien — Jeruzalem. Zie op vs. 28.
28.  tol het volk, volg. Gr. vert.; Hebr. t. tol hen. — Lang — opgegaan. De schrijver gaat uit van
de onjuiste onderstelling dat onder Salomo de tempel op den Sion door het gehccle volk bezocht wns. —
uwe goden. Over dit meervoud en over de nanbidding van Jahwe in de gedaante van een jongen stier
zie op Kiod. XXXII: 1 en 4.
29.  Bethel, Dan. Twee van oudsher heilige plaatsen (zie iull. op Gen. XXVUI\'. 10—22 en op Richt.
XVII, XVIII), Bethel iu het zuiden, Dan in het noorden van zijn rijk, derhalve voor al zijne ondcr-
danen gemakkelijk te bereiken.
30.  voor Itraël, alsmede en tol Bethel om den anderen, is ingevoegd uit Gr. vert.
-ocr page 694-
774
1 KONINGEN XII : 31—XIII: 8.
31       Ook bouwde hij hoogteteinpels en stelde priesters uit alle standen des
32       volks aan, mannen die geen Levieten waren;\' en Jerobeam voerde
een feest in, op den vijftienden dag der achtste maand, gelijk aan het
feest dat in Juda was, en offerde op het altaar. Zóo deed hij te liethei:
hij otterde aan de stieren die hij had vervaardigd, plaatste te Bethel
33a de hoogtepriesters die hij had aangesteld,\' en otterde op het altaar
dat hij had gemaakt te Bethel, op den vijftienden dag der achtste
maand, op het feest dat hij willekeurig had uitgedacht.
334         Toen hij nu een feest voor de Israëlieten aangericht had en het
XIII: 1 altaar beklom om het otter te ontsteken,\' kwam daar op eens een
godsman uit Juda, op last van Jahwe, te Bethel, terwijl Jerobeam
2       bij het altaar stond om het offer te ontsteken,\' en riep tegen het
altaar, op last van Jahwe, en zeide: Altaar, altaar! zoo zegt Jahwe:
Zie, een zoon zal den huize Davids geboren worden, Jozia genaamd;
hij zal op u de hoogtepriesters die op u het otter ontsteken slachten
3       en iuensehenbeenderen op u verbranden.\' En hij stelde te dien dage
een teeken met de woorden: Dit is het teeken dat Jahwe uitgesproken
heeft: zie, het altaar zal splijten en de offerasch die op er ligt zal
4       uitgestort worden.\' Zoodra nu de koning het woord hoorde dat de
godsman tegen het altaar te Bethel had uitgeroepen, strekte hij van
het altaar zijne hand uit, zeggende: Grijpt hem! Maar de hand die
hij tegen hem had uitgestrekt verstijfde, zoodat hij haar niet kon
5       terugtrekken;\' en het altaar spleet vaneen, zoodat de offerasch van
het altaar afstortte, naar het teeken dat de godsman, op last van
6       Jahwe, gesteld had.\' Nu hernam de koning en zeide tot den godsman:
Och, zoek Jahwe, uwen god, te vermurwen en bid voor mij, dat
mijne hand zich late terugtrekken. Toen nu de godsman Jahwe ver-
murwd had, trok de koning zijne hand terug en was zij gelijk te
7       voren.\' Daarop sprak de koning tot den godsman: Kom met mij naar
8       huis, verkwik u, en laat mij u een geschenk geven.\' Maar de gods-
man zeide tot den koning: Al wildet gij mij de helft van uw ver-
V». 81. XIII: 33; 2 Kron. XI: 15.
31.  hooglclemprls. Zie op III: 2 on 4. — priesters — waren. Deze mcdcdceling moet dienen om op
de priesters vso het noordelijk rijk ccue smet te werpen door hunne afkomst verdaeht te maken.
In XIII: 33 worden /ij nog meer gesmaad.
32 v. Deze verzen zijn van meer dan éenc hand. Als gevolg van overwerking en inlassching, treft
men er hcrhalingcu aan, hcersuht er verwarring en is de vertaling hier en daur ouzeker.
32.  op den vijftienden dag. In de vóór de Ballingschap uitgevaardigdo wetten (Kxod. XXIII :16A;
XXXIV: 224; lii\'ut. XVI: 13—15) was het najaarsfeest niet aan een hcpnalden dag gebonden, maar
hing het af van de voleindiging van den oogst; zie inl. op Lcv. XXIII. Wij hebben derhalve hier een
bewijs dnt dit vers en het volgende eerst laat, na de invoering van het Wetboek van Ezra, in hun
tcgeuwoordigen vorm zijn gebracht. — het feest dal in Juda nas. In Juda werd het feest van den
oogst der boomvrurbten, het latere loofhuttenfeest, in de zevende maand gevierd, en op dat feest had
Salomo zijn tempel ingewijd (VIII: 2).
33.   op het feest, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in de maand. — Toen hij nu — had. Waarschijnlijk
wordt het inwijdingsfecst van den tempel te Bethel bedoeld.
1.  op last van Jahtce. Anderen, hier en in het vervolg van dit hoofdstuk met hel noord tan Jahwe.
Verg. op 1 Sam. 111:21.
2.   Verg. 2 Kon. XXIII: 15—20. — Altaar, altaar! Met het altaar wordt de gehccle cercdienst
waartoe het behoort veroordeeld. Zie Inl. — Jozia genaamd. Er is in het O. T. geen tweede voor-
beeld van ccue voorspelling als deze, waarin meer dan drie eeuwen te voren de naam wordt opgegc-
ven van den persoon die het aangekondigd strafvonnis zal voltrekken. Nadat Jozia het altaar te liethei
had verwoest, is die voorspelling aan den profeet uit Juda in den mond gelegd en moest zij op den
lezer dicpeu indruk maken. — menschenbeenderen, het alleronreinstc, tot ontwijding van de offerplaats.
— (hij zat) op n verbranden. Zoo de oude vertt.; Hebr. t. men zal op u verbranden.
3.   hij stelde, naar verb. t.; grondt, hij zal stellen. — de offerasch, letterlijk het vet, of de vette
atch,
wat van het offer, na de onvolkomen verbranding, overbleef. Eenc hoogc aschbelt was eene eer
voor het altaar, als teeken dat er veel op geofferd was; spleet nu het altaar, dan viel die aschhoop
naar beneden.
8. ook — water, ik zal niets gebruiken.
-ocr page 695-
775
1 KONINGEN XIII : 8—24.
mogen geven, ik ga niet met u naar binnen; ook eet ik geen brood
9 en drink ik geen water in deze plaats.\' Want aldus beeft Jahwe mij
bevolen: (Jij zult er geen brood eten uocb water drinken, noch langs
10       denzelt\'den weg als gij gegaan zijt terugkeeren.\' Daarop sloeg bij een
anderen weg in en keerde niet langs den weg terug waarlangs bij te
Betbel gekomen was.
11           Na woonde in Betbel zeker bejaard profeet, wiens zonen, tebuis ge-
komen, bem alles verbaalden wat de godsman dien dag te Betbel bad
12       gedaan, de woorden die bij tot den koning gesproken bad.\' Toen zij
deze aan bun vader verbaalden, sprak bun vader tot ben: Welken
weg is bij gegaan^ En zijne zonen wezen den weg dien de godsman
13       die uit Juda was gekomen ingeslagen bad.\' Hij zeide tot zijne zonen:
Zadelt mij den ezel. Zij zadelden bem den ezel, en hij reed er op weg.\'
14       Hij ging den goilsman acbterna, dien bij vond zitten onder de
terebint, en bij zeide tot bem: Zijt gij de goilsman die uit Juda ge-
15       komen is? Hij zeide: Ja.\' Daarop zeide de ander tot bem: Ga met
16       mij naar buis en eet een stuk brood.\' Maar bij zeide: Ik mag niet
met u teruggaan en bij u inkeeren; ook zal ik brood eten noeb water
17       drinken bij u in deze plaats;\' want Jahwe beeft mij gelast: (Jij zult
aldaar geen brood eten en geen water drinken, noch andermaal den
18       weg gaan welken gij gegaan zijt.\' Maar de ander zeide tot hem: Ook
ik ben profeet, evenals gij, en een engel heeft tot mij gesproken op
last van Jahwe: Breng bem met u terug in uw huis, opdat hij brood
19       ete en water drinke.\' — Hij loog hem voor. — Toen keerde hij met
20       hem terug en at brood in zijne woning en dronk water.\' Doch terwijl
zij aan tafel zaten, kwam het woord van Jahwe tot den profeet die
21       bem had doen terugkeeren,\' en hij riep den godsman die uit Juda
gekomen was toe: Zoo zegt Jahwe: Nademaal gij u tegen het woord
van Jahwe verzet en het gebod dat Jahwe, uw god, u gegeven heeft
22       niet gehouden hebt,\' maar teruggekeerd zijt en brood hebt gegeten
en water gedronken in de plaats waar hij u verboden had brood te
eten en water te drinken, zoo zal uw lijk niet komen in het graf
uwer vaderen.
23           Nadat hij brood gegeten en water gedronken bad, zadelde hij zijn
24       ezel en keerde terug.\' Toen hij onderweg was, kwam hem een leeuw
9. Qij zult — drinken. De bedoeling kim zijn dat hij geen gemeenschap mocht hebben met hen die
bij de ongeoorloofde godsvereering te Hcthcl betrokken waren; maar in het verbod behoeft geene bo-
doeling te liggen. Jahwe had het verboden; dat was genoeg. — noch langs — terugkeeren. Zulk een
geheimzinnig komen en verdwijnen vinden wij meer in de verhalen over de profeten; zie XVII] : 12;
2 Kon. 11:16—18; IX: 3, 10; Hand. VIII ::\'.\'. \' v., deze trek in die verhalen geeft cene volksmcening
aangaande de „mannen des gecstcs" weer; de boodschap van Godswege kwam als het waro uit den
hemel vallen.
11.  zonen ...verhaalden. Zoo vele hss. en de oude vertt.; Hcbr. t. zoon ... verhaalde.
12.  icezen. Zoo, met veranderiug van een klinker, de oude vertt.; Hebr. t. zagen.
14. de ierebint. Waarschijnlijk een bekende, misschien heilige, boom bij Ilcthel; verg. op Gen.
XXXV: 4.
18. Ilij loog hem voor. Dit is zeker geen deel van den oorspronkclijken tekst, maar eene aanteckc-
ning, door een lezer aan den rand geplaatst en van daar in den tekst gekomen, of door een bewerker
er bijgevoegd. De verhalcr heeft bedoeld dat de oude profeet waarheid spreekt; Jahwe heeft den gods.
man uit Juda op de proef gesteld, en deze is bezweken. Zóo alleen is het vervolg te begrijpen: dat
de oude profeet eene godspraak ontvangt, den godsman uit Juda bij zijn leven en na zijn dood op
de vriendelijkste wijze bejegent, zonder voorbehoud aan het gedreigde strafvonnis gelooft, en ten slotte
de ccuigc is die bij het gebeurde voordeel heeft, zie vs. 31 en 2 Kon. XXIII: 18.
22. zoo — vaderen. In de oudheid, die zoowel aan de begrafenis als aan den fnmilicbund hoogo
waarde hechtte, eene zware straf; zie op Gen. XV: 15.
28. mater, ingevoegd uit eeu handschrift en uit do Gr. en Syr. vertt. — en keerde terug. Zoo Gr.
vert.; Hebr. t. van den profeet die hem had doen terugkeeren.
24. zijn lijk — ilaan, ondubbelzinnig bewijs dat het niet een gewoon ongeluk maar eene godde-
lijke straf was; zie vs. 25, 26, en vooral vs. 28.
-ocr page 696-
776
1 KONINGBN XIII: 24—XIV : 4.
tegen, die hem doodde; zijn lijk lag uitgestrekt op den weg, terwijl
de ezel er naast stond en ook de leeuw naast het lijk bleef staan.\'
25 iStraks zagen voorbijgangers het lijk, uitgestrekt op den weg, en den
leeuw naast het lijk staande, en zij kwamen het zeggen in de stad
2<i waar de oude profeet woonde.\' Toen de profeet die hem van zijn weg
had doen omkeeren het hoorde, zeide hij: Dat is de godsnian die zich
28       tegen het woord van Jahwe heeft verzet!\' En hij ging henen en vond
het lijk, uitgestrekt op den weg, terwijl de ezel en de leeuw naast
het lijk stonden: de leeuw had het lijk niet verslonden en den ezel
29       niet verscheurd.\' De profeet nam het lijk van den godsnian op, legde
het op den ezel en voerde hem terug naar de stad, om hem te be-
30       graven; \' hij legde het lijk in zijn eigen graf, en men hief den klaag-
31       zang over hem aan: Ach, mijn broeder!\' Nadat hij hem nu begraven
had, zeide hij tot zijne zonen: Wanneer ik sterf, begraaft mij dan in
het graf waarin de godsnian begraven is: legt mij naast zijn gebeente;
32       opdat mijn gebeente gespaard worde met het zijne.\' Want geschieden
zal wat I*ij op last van Jahwe tegen het altaar te Bethel en tegen al
de hoogtetempels in de steden van iSamarië heeft uitgeroepen.
33           Na het gebeurde bekeerde Jerobeam zich niet van zijn boozen weg,
maar stelde nog meer hoogtepriesters aan uit alle standen des volks:
34       al wie het begeerde, dien ordende hij om hoogtepriester te zijn.\' Zoo
werd dit de zonde van het huis van Jerobeam, waarom het zou worden
uitgeroeid en verdelgd van den aardbodem.
XIV: 1,2 Te dier tijd werd Abia, de zoon van Jerobeam, ziek;\' en Jerobeam
zeide tot zijne vrouw: Maak u op en verkleed u; zoodat niemand
bemerkt «lat gij Jerobeams vrouw zijt, en begeef u naar Sjilo. Daar
woont de profeet Abia, de man die mij voorzegd beeft dat ik koning
3       zou worden over dit volk;\' neem tien brooden, eenig gebak en eene
kruik honing mede en ga tot hem; hij zal u aankondigen, hoe het
4       met den knaap zal gaan.\' De vrouw van Jerobeam deed alzoo: zij
maakte zich op, ging naar Sjilo en kwam in het huis van Abia.
Ahia nu kon niet meer zien, want zijne oogen stonden star van
26. Aan het slut heeft Hebr. t. nog Daarom heeft Jahwe hem aan den leeuw overgegeven, die hem
heeft verscheurd en gedood, naar het noord dat Jahwe tot hem gesproken had.
(27). Toen zeide
hij tol zijne zonen: Zadelt mij den ezel
— en zij zadelden dien. Dit bijvoegsel ontbreekt te recht in
Gr. vert.
29. naar — begraven. Zoo Gr. vert.; Hcbr. t. en hij kwam in de sta/l van den ouden profeet om
rouw te bedrijven en hem te begraven.
80.   men — aan. Zie op Jcr. IX: 17. — Ach, mijn broeder! het gebruikelijk klaaglied; verg. Jcr.
XXII: 18; XXXIV: 5.
81.   legt — het zijne, naar Gr. vert.; Hcbr. t. legt dan naast zijn gebeente hel mijne. Zie over
de bct«ckcnis en «Ie vervulling vau dezen wensch 2 Kou. XXIIl:17v.
32.  huogtetempels. Daarvan was in vs. 2 geen sprake, maar wel XII : 31 en 2 Kon. XXIII: 19 v.—
steden van Samarië. Zie op 2 Kon. XVII: 21. Het gebruik van den naam Samarië verraadt den vcr-
dichtcr; want zelfs de stad die eerst lang na hare stichting aan de streek haar naam gaf bestond ten
tijde van Jerobeam nog niet; althans indien XVI: 24 waarheid behelst.
33.  Zie XII: 31 v., hetwelk hief weder wordt opgevat en voortgezet. — al wie hel begeerde. Zio op
XII: 31. — mdenile hij, letterlijk vulde hij de hand. Zie op Kxod. XXVIII: 41.
34.  dil, niet die aanstelling alleen, inntir de gnuschc ongeoorloofde Jahwedieust. He zonde van Jcro-
beam wordt vermeld XII: 30; XV: 34; XVI: 81; 2 Kou. X : 31 eu elders. — verdelgd — aardbodem.
Verg. XIV : 10 v.; XV : 28—30.
1.   Te dier tijd. Er is boveu geen tijd genoemd; dit dient dus enkel om ons verhaal aan het voor-
afgaande vast te knoopen.
2.   verkleed — zijt. Naar de voorstelling van den schrijver had Jerobeam zich door zijne mant-
rcgclen bctrclTcndc den eercdienst zoo strafwaardig gemaakt in de schatting van den profeet, dat deze,
wetende wie hij voorhad, zeker eene hoogst ongunstige godspraak zou geven. Zie op XXII: 8. —
Sjilo. Zie on Joz. XVIII: 1. — de man — volk. Zie XI: 29—39.
3.   Men kwam niet met ledige handen bij een ziener om eene godspraak te vragen. Zie op 1 Sam.
IX: 7. — tien — honing, een burgerlijk geschenk, waaruit niemand zou opmaken dat de geefster
eene koningiu was. — eenig gebak, onzekere vertaling.
-ocr page 697-
1 KONINGEN XIV : 4—15.                                      777
5 ouderdom; \' maar Jahwe had tot Ahiu gezegd: Straks komt de vrouw
van Jerobeam van u eene godspraak vragen voor haar zoon, want
die is ziek; zóo en zóo zult gij tot haar spreken. Toen zij nu binnen-
b\' kwam, zich als eene vreemde voordoende,\' zeide Ahia, zoodra hij het
geluid harer voetstappen in de deur hoorde: Kom binnen, vrouw van
Jerobeam. Waarom doet gij u als eene vreemde voor.\' Mij is eene
7       harde boodschap aan u opgedragen.\' Ga Jerobeam zeggen: Zoo spreekt
, Jahwe, de god Israëls: A\'ademaal ik u uit het volk verhoogd, u tot
8       vorst over mijn volk Israël aangesteld,\' het koninkrijk aan Davids
huis ontrukt en u gegeven heb, maar gij niet geweest zijt als mijn
dienaar David, die mijne geboden onderhouden heeft en van ganscher
harte mij gehoorzaam is geweest, om alleen wat recht is in mijn oog te
9       doen,\' en gij grooter kwaad hebt bedreven dan allen die vóór u ge-
weest zijn, u andere goden en beelden zijt gaan maken, om mij te
10       tergen, en gij mij achter uwen rug hebt geworpen —\' daarom breng
ik onheil over het huis van Jerobeam en zal van Jerobeam al wat
mannelijk is, den onmondige en den mondige in Israël, uitroeien, en
het huis van Jerobeam wegvagen, gelijk men het vuilnis wegvaagt,
11       totdat er niets van over is:\' wie van" Jerobeam in de stad sterft, dien
zullen de honden verslinden, en wie op het land sterft, dien zullen
de vogelen des hemels verslinden; want Jahwe heeft het gezegd.\'
12       Wat u betreft, maak u op en ga naar huis. Als uwe voeten de stad
13       binnentreden, sterft de knaap;\' en gansch Israël zal over hem rouw
bedrijven en hem begraven; hij toch alleen zal van Jerobeam in een
graf komen, dewijl in hem iets goeds voor Jahwe, Israëls god, ge-
14       vonden is, in het geslacht van Jerobeam.\' Jahwe zal een koning over
15       Israël aanstellen die het huis van Jerobeam zal uitroeien.\' En Jahwe
zal Israël slaan, gelijk het riet in het water wordt gezwiept, en Israël
uit dit goede land, dat hij hunnen vaderen gegeven heeft, uitroeien
V». 10. XXI: 21; 2 Kon. IX: 8. — Vs. 11. XVI: 4; XXI: 24.
5. Toen zij nu binnenkwam, verbeterde lezing, door vernndoring vnn éen klinker, volg. Gr. en
Lnt. vertt.; Hobr. t. opdat het zij als zij binnenkomt.
8. allen die vóór u geweest zijn. Jerobeam mi de eerste koning van Israël; Soul, David en Salomo
komen in dit vcrbnnd niet in uiininerking. In deze onnauwkeurigheid verraadt zieh de jongere, onge-
sehiedkundige beschouwing, in Juda, sedert de uitvaardiging der wet van Deuteronomium, gehuldigd,
die Jerobeam om de instelling van den stierdicust als den zondigen koning bij uitnemendheid brnnd-
merkte. Zie ook vs. lfl. — andere noden en beidden. Het eerste is onwaar: de sticrhceldeu — en
andere heeft Jerobeam, zoover wij weten, niet gemaakt — stelden Jahwe voor (zie op XII: 28). Zoo
kan dus noch Ahia noch cenig tijdgenoot van Jerobeam, eerst een Judcër van veel lutcr tijd, hebhen
gesproken. Over de gelijkstelling van goden en beelden zie op Kiod. XX : 5. — achter meen rug hebt
geworpen.
Verg. Nch. IX:20; Je/. XXXVIII:17; Ezcch. XXIII: 35; Miehn VII: 10.
10.  al wal mannelijk ia. Zie op 1 Sam. XXV: 22. — den onmondige en den mondige. Zie op Deut.
XXXII =30.
                                 \'                                                         J                        J             V
11.   de honden, in het Oosten diep veracht (zie 1 Sam. XXIV: 15; 2 Sam. 111:8; IX: 8; XVI :9;
2 Kon. VIII: 13; 1\'red. IX : 4) liepen, en loopeu, in de dorpen en steden onbeheerd rond, maar wor-
den geduld, omdat zij door hun afkeer van vreemdelingen min of meer voor de openbare veiligheid
waken en door het verslinden van nas en afval de openbare reinheid eu gezondheid bevorderen; zie
Exod. XI: 7; XXII: 31; ook 2 Kon. IX : 35 v.; Jcr. X V : 8.
13.   alleen — in een graf komen. In de oudheid, ook onder Israël, werd het de grootste ramp en
schande gerekend, geen begrnfeuis te krijgen; zie op Deut. XXVI1I:26.
14.   Dit vers is na vs. 10 v. overtollig; blijkbaar is het later door cene andere hand ingevoegd,
waarschijnlijk te gelijk met de volgende twee. De vervulling dezer profetie zie XV : 28 v. — Na uil-
roeien
heeft Hcbr. t. nog de woorden deze thans, eu vat ook nuf nis onverstaanbaar weggelaten.
15 v. Deze onheilsprofetie over het rijk der tien stammen is hier later aangehangen (verg. 2 Kon.
XVII: 1—28), na den ondergang vau dat rijk in 722, en is vnn Judeeseh standpunt, iu den geest van
Deuteronomium, geschreven.
15.  gelijk — gezwiept. Beeld vnn volslagen machteloosheid: gelijk het geknakte riet speelbal is van
den wind, zoo znl Israël het van de mnehtigc rijken zijn. — naar de overzijde der Itivir, den Kufraat:
zie 2 Kon. XVII: C, 23. — gewijde boomstammen. Zie op Exod. XXXIV : 13.
-ocr page 698-
778                                     1 KONINGBN XIV : 15—21.
en naar de overzijde der Rivier verstrooien, dewijl zij hunne gewijde
16       boomstammen hebben gemaakt, Jahwe tergende.\' Zoo zal hij Israël
prijsgeven ter oorzake van Jerobeams zonde, die hij zelf heeft bedreven
17       en Israël heeft doen bedrijven.\' De vrouw van Jerobeam maakte zich
op, ging op weg en kwam te Tirsa; toen zij den drempel van het
18       huis betrad, stierf de knaap.\' (iansch Israël hegroef hem en bedreef
rouw over hem, overeenkomstig het woord dat Jahwe door zijnen
dienaar, den profeet Ahia, gesproken had.
1\'J          Het overige nu der geschiedenis van Jerobeam, zijne oorlogen en
zijne regeering, het is beschreven in het boek der kronieken van
20 Israëlfl koningen.\' De duur van Jerobeams regeering was twee en
twintig jaar; toen ging hij ter ruste bij zijne vaderen, en zijn zoon
Nadab werd koning in zijne plaats.
Vs. 20. XI: 41 enz.
16.  Jerobeams zonde, volden» veranderden klinker; Hcbr. t. heeft het meervoud. Dezelfde verande-
ring is ook in het vervolg vnuk aangebracht; omdat foor den kenner van het Hcbrccuwsch hier en
daar (b. v. 2 Kon. XIII: 2, 0, 11) ondubbelzinnig blijkt dat oorspronkelijk het enkelvoud bedoeld is.
Met „de zonde van .fcrobeam" werd de stierdieust bedoeld; zij die het meervoud aanduidden dachten
waarschijnlijk nan alles wat XII: 20—33a hem te laste gelegd wordt.
17.   Tiraa. Zie op Joz. XII: 21. Tirsa is ook XV: 21, 33; XVI: 8, 23 de hofstad van den Israclic-
tischen koning, tot de stichting van Samaric. Zie intusschen XII: 25, waar alleen eerst Sichem en
daarna 1\'cuucl nis residenties vim Jerobeam worden genoemd.
19 v. De berichten betreffende de koningen van Israël worden in den regel besloten mot cenc ver-
wijzing naar de bron waaruit men hunne geschiedenis kon lecren kennen, en met do mcdcdccliiig van
hun ontslapen, hunne begrafenis en hun opvolger. Verg. op vs. 211 en 31.
19.  zijne oorlogen. Zie vs. 30.
20.  lioee en twintig jaar. Van 948 tot 922. — toen ging hij ter ruste. Verg. op 2 Krou. XIII: 20.
HOOFDSTUK XIV: 21—XV : 24.
Rehabeam, Abia, Aza. — Afgoderij in Judn onder Uchabeam (XIV: 21—24). Inval van de Egyp-
tenaren (25—28). Besluit van Kehabeams regeeriug (29—31). Abia (XV : 1—8). Aza, een godsdienstig
koning (9—15). Zijn oorlog met llacza vau Israël en bondgenootschap met Kcnhadad van Aram (10—
22). Besluit van zijne regeering (23 v.).
Deze beknopte mededcelingen, naar een bepaald plan ingericht (zie op XIV : 21 en op XIV : 29, 31),
zijn grootcndcels aan de rijksjnarboeken van Judn\'s koniugen ontleend ou, voor zoover de tekst zuiver
is (zie op XV : 2 en 10), volkomen betrouwbaar. Intusschen putte de schrijver van Koningen uit genoemde
bron, behalve mimen en cijfers, slechts enkele, niet eens altoos belangrijke, bijzonderheden, vooral don
godsdienst betreffende, Immers was deze voor hem, evenals voor den latereu bewerker, do hoofdzaak;
zooals mede blijkt uit do opmerkingen en oordeelvellingen welke zij zolvcn ten beste geven (zio XIV:
21; XV: 4, 5). Het standpunt waaruit zij het verleden beschouwen is dat der wet van Dcutcrono-
mium,
en ten gevolge daarvan is hun oordeel dikwerf niet geheel juist (XIV : 22—24; XV : 3, 14).
De vergelijking van de rcgccringsjarcn der koningen van de beide rijken (zie op XIV: 21) is door een
der laatste bewerkers vau Koningen ingesteld, en de uitkomst daarvan is aan het oudere bericht toe-
gevoegd.
XIV: 21 Rehabeam, de zoon van Salomo, werd koning in Juda; een en
veertig jaar was Rehabeam oud toen hij koning werd, en zeventien
jaar heeft hij geregeerd te Jeruzalem, de stad die Jahwe had verko-
ren uit al de stammen Israëls om daar zijnen naam te stellen; zijne
Vs. 21. 2 Kron. XII: 13 v.
21.   Bij de troonsbestijging der Judccsehe koningen worden in den regel hun leeftijd ou regcerings-
duur, nismede de naam en afkomst hunner moeder vermeld, maar vooraf het regceringsjaar van den
gelijktijdigen Israclictischon koning. Dit laatste, niet uit oHiciccle bronueu geput, maar uit do berc-
keuing van ecu bewerker vau Koningen, den lautstcn verzamelaar, komt natuurlijk nog niet bij Reha-
beam voor, en niet meer na den ondergang van het noordelijk rijk. Zie XV: 1, 9 enz. en verg. op
XV: 25. Op het bericht der troonsbestijging volgt steeds het beknopt oordeel over den koning uit
godsdienstig oogpunt; zie XV: 3, 11 enz. en op XV: 26. — zeventien jaar. Van 943 tot 927. — de
stad
— stellen, invoegscl, van het standpunt van Deuteronomium. Zie op Dcut. XII: 5.
-ocr page 699-
779
1 KONINGEN XIV : 21—XV : 3.
22       moeder heette Naiima, de Amnionietisohe.\' Juda nu deed wat kwaad
was in liet oog van Jahwe; zij maakten zijne ijverzucht gaande, meer
dan ooit hunne vaderen hadden gedaan, door de zonden die zij bedreven:\'
23       ook zij richtten zich hoogten op, wij-steeuen en gewijde boomstammen,
24       op eiken hoogen heuvel en onder eiken lommerrijken boom;\' zelfs
waren er gewijden in het land; men deed naar al de afschuwelijkheden
der volkeren die Jahwe voor de Israëlieten uit had verdreven.
25           In het vijfde jaar van Eehabeams regeering trok tëjisjak, de koning
26       van Egypte, tegen Jeruzalem op\' en nam de schatten van den tempel
en van het paleis, benevens de gouden beukelaars die David uit de
hand der dienaars van Hadadezer, den koning van >Soba, genomen en
naar Jeruzalem gebracht had, dat alles nam hij mede, als ook de
27       gouden schilden die Salomo gemaakt had. \' In de plaats van deze
maakte koning Behabeam koperen schilden, welke hij toevertrouwde
aan de oversten der trawanten die de wacht hielden aan den ingang
28       van het paleis:\' zoo vaak de koning naar den tempel ging droegen
de trawanten ze, en zij brachten ze terug in hunne wachtkamer.
29           Het overige nu der geschiedenis van Kehabeam, en al wat hij heeft
gedaan, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
30       Er is voortdurend oorlog geweest tusschen llehabeam en Jerobeam.\'
31       En Rehabeani ging ter ruste bij zijne vaderen en werd bij zijne
vaderen begraven in de Davidstad, en zijn zoon Abia werd koning in
zijne plaats.
XV: 1 In het achttiende jaar der regeering van Jerobeam, den zoon van
2       Nebat, is Abia koning geworden over Juda;\' drie jaar regeerde hij te
Jeruzalem; zijne moeder heette Maacha, de dochter van Absalom.\'
3       Hij beging al de zonden die zijn vader vóór hem gedaan had; hij
hing Jahwe, zijn god, niet onverdeeld aan, gelijk zijn vader David.\'
Vs. 25—28. 2 Kron. XII: 2—11. — Vs. 29—31. 2 Kron. XII: 15 v. — Vs. 1 v. 2 Kron. XIII: 1, 2a.
22—24. De zonde van het volk is tevens de schuld des konings. Overigens wordt hier als zonde
toegerekend wat zulks in de tiende eeuw en veel later nog niet was: de ceredienst op de hoogten.
22.  zijne ijverzucht. Zie op Kxod. XX: 5.
23.  hoogten. Zie op Deut. XII: 2. — wij-steenen. Zie op Gen. XXVIII: 18. — gewijde boomstam-
men.
Zie op Exod. XXXIV : 13. — op eiken — boom. \'/Ac op Deut. XII: 2. Het is eeuc staande uit-
drukking; zie 2 Kon. XVI:4; XVII:lü; 2 Kron. XXVIII:4; Jez. LVII:5; Jer. 11:20; 111:6, 13;
XVII: 2; Kzcch. VI: 13; XX: 28. Het woord eiken behelst eene niet ongewone overdrijving.
24.  gewijde». Zie op Deut. XXI1I:17.
25 v. Op een zuidelijken muur van den tempel van Karnak werd deze veldtocht (939) vereeuwigd.
— Sjisjak. Zie op XI: 40.
26.   beneven» — gebracht had, ingevoegd uit Gr. vert., naar welke nog een paar kleine wijzigingen
in dit vers zijn aangebracht. Zie 2 Siim. VIII: 7. Over Soba zie op 1 Sam. XIV : 47. — de gouden
ichilden die Salomo gemaakt had.
Zie X : 16 v.
27.  trawanten, letterlijk loopers. Zie op 2 Kon. XI: 4.
28.   Het koninklijk tempelbezoek had telkenmale iu plechtigcn optocht plaats. Zie op X: 5 on
16 v. — in hunne wachtkamer. Deze koperen schilden behoefden niet afzonderlijk en zorgvuldig be-
waard te worden zooals de goudon, X : 17.
29.   31. Zie op XIV: 19 v. De opgaven over de Judecschc koningen eindigen iu den regel als die
over de Israclictischc; manr alleen bij ccrstgcnocmdcn, als bchuoreudc tot een huis, wordt het fami-
liegraf vermeld.
29.  Zie 2 Kron. XI: 5—12, 13—17, 18—23; XII: 1—12.
30.  Deze medcdceling komt hier ecu weinig achteraan, evenals XV : 1b.
31.  Daeidstad. Hierachter heeft Hcbr. t. :ijne moeder heette Naama, de Ammonietische, misplaatste
herhaling uit vs. 21, die te recht in Gr. eu Syr. vertt. ontbreekt. — Abia, voluit Abijahu. Zoo Gr. en
Syr. vertt. en 2 Kron. XII: 10; Hcbr. t. Abiam.
1.  Zie op XIV: 21.
2.  drie jaar. Van 926 tot 924. — Maiieha, de dochter van Absalom. 2 Kron. XIII: 2 heet zij do
dochter van Uricl uit Gibca. Indien Absalom de ware lezing is, en er de zoon van David mede bc-
docld wordt, heeft men, daar Absalom do oudere broeder van Abia\'s grootvader was, onder dochter
waarschijnlijk afstammelinge (kleindochter) te verstaan. 2 Sara. XIV: 27 korat eene dochter van Absa-
lom voor die Tamar heet.
-ocr page 700-
780
1 KON1NGBN XV: 4 — 18.
4       Doch ter wille van David heeft Jahwe, zijn goil, hem eene lamp ge-
geven te Jeruzalem, door zijn zoon na hem aan te stellen en Jeruzalem
5       in stand te houden;\' omdat David zoolang hij leefde gedaan had wat
recht was in het oog van Jahwe en niet was afgeweken van al wat
hij hem geboden had.
7           Het overige nu der geschiedenis van Ahia, en al wat hij heeft ge-
ilaan, is beschreven in liet boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
8       Er is oorlog gevoerd tusschen Abia en Jerobeam. En Abia ging ter
ruste bij zijne vaderen, men begroef hem in de Davidstad, en zijn zoon
Aza werd koning in zijne plaats.
9           In het twintigste jaar der regeering van Jerobeam over Israël werd
10       Aza koning over Juda;\' een en veertig jaar heeft hij geregeerd te
11       Jeruzalem; zijne moeder heette Maiicha, de dochter van Absalom.\' Aza
deed wat recht was in het oog van Jahwe, gelijk zijn vader David:\'
12       hij deed de gewijden weg uit het land, en verwijderde de schandgoden
13       die zijne vaderen gemaakt hadden.\' Ook zette hij zijne moeder Maiicha
als koningin af, omdat zij een afschuwelijk voorwerp voor Asjera had
geniaakt: Aza hieuw dat voorwerp om en verbrandde het in het dal
14       Kidron.\' Maar de hoogten werden niet afgeschaft; toch hing Aza zoo-
15       lang hij leefde Jahwe onverdeeld aan.\' Ook bracht hij de wijgeschen-
ken zijns vaders en zijne eigene in het huis van Jahwe: zilver, goud
en allerlei voorwerpen.
16           Er is oorlog geweest tusschen Aza en Baëza, den koning van Israël,
17       zoolang zij leefden.\' IJaëza, de koning van Israël, trok tegen Juda op
en versterkte Iiama, om niemand van Aza, den koning van Juda, te
18       laten ingaan of uitgaan.\' Toen nam Aza al het zilver en goud dat
Vs. 74. 2 Krun. XIII : 2b. — V». 8. 2 Kron. XIV : 1. — Vs. 11 v. 2 Kron. XIV : 2 v., 5; XV: 8. —
V». 13—15. 2 Kron. XV: 10—18. — Vs. 14a. XXII: 44j 2 Kon. XII :3; XIV: 4; XV : 4, 35. —
Vs. 10—22. 2 Kron. XVI: 1—0.
4.  eene lamp. Zie op XI: 30.
5.  geboden had. Hcbr. t. voegt hierbij behalve in de zaak van Vria, tien Uitliet (zie 2 Som. XI,
XII). Dit ontbreekt te recht in Gr. vert. Ken opmerkzaam bijbellezer schrcof «leze aantcekening nnn
ilcn rand, van waar zij later in ilen tekst sloop. Daarna hoeft Hebr. t. (vs. 0) Er ia, zoolang hij
leefde, oorlog geweest tusschen Rehabeam en Jerobeam,
dat weggelaten is volg. Gr. vert.; verg. vs. 7
en\' XIV: 30.
7.   2 Kron. XIII: 22 wordt dó verhandeling ean den profeet ftldo als bron genoemd. — Er is —
Jerobeam. Zie op XIV: 30 en verg. 2 Kron. XIII: 3—20.
8.   zijn zoon. Indien de tekst vs. 2 en 104, verg. vs. 13, in orde is, was Aza niet de zoon, maar
de broeder van Abia; maar /ie op vs. 2 en op vs. 10.
10. een en veertig jaar. Van \'J23 tot 883. — Maiicha, de dochter van Absalom. Gr. vert. heeft hier
en vs. 13 A/ia, de dochter van Absalom. Zie op vs. 2.
12.  de gewijden. Zie op Dcut. XXIII : 17. — de schandgoden. Zie op Lcv. XXVI : 30.
13.   koningin. Hier (en 2 Kron. XV:10), evenals XI: 19; 2 Kon. X:13j Jer. XIIT: 18; XXIX: 2,
staat in het Ilcbrccuwsch letterlijk gebiedster en wordt de hoogst geplaatste vrouw in den lande, hetzij
de koningin (de sultane fnvoritc), hetzij de kouinginmocder (de sultane valide) bedoeld. Welke eer
onder Israël der moeder van den rcgccrendcn vorst gewerd, zie 11:13, vooral IIS 10. — een ufschu-
icelijk vooricerp.
Wat hiermede bedoeld wordt, is geheel onzeker; waarschijnlijk ecu onkicsch zinne-
bccld der godheid als natuurkracht. — Asjera, hetzelfde woord dat elders geirijde boomstam is ver-
taald maar hier, XVIII: 10; 2 Kou. XXI: 7; Richt. 111:7; 2 Kron. XV: 10: XXIV: 18 als eigen-
naam is behouden; zie op Kxod. XXXIV: 13. — dal Kidron, ten oosten van Jeruzalem; zie op 1
Kon. 11:37.
14.   de toogten werden niet afgeschaft. Zie op XIV: 22—24. — hing — aan, letterlijk wat Aza\'t
hart
— onverdeeld met Jahwe.
15.   Dit vers verklaart, hoc Aza uit den door Sjisjak gcplundcrdcn tempel (XIV : 25 v.) schatten kon
wegnemen, vs. 18.
10. Kcne bijzonderheid uit dezen oorlog wordt Jer. XLI: 0 vermeld. — zoolang zij leefden. Zie het
tegenstrijdig bericht 2 Kron. XV: 10.
17.   Rama, twee uur ten noorden van Jeruzalem; zie op Joz. XVIII: 25 v. — om — uitgaan. De
bedoeling van Itaczn schijnt geweest te zijn, Jeruzalem aan den noordkant geheel nf te sluiten.
18.   overgebteren. Verg. XIV: 20. — hij, letterlijk koning Aza. — Benhadad, in Gr. vert. altijd
Benhadar. Iu het O. T. komen drie Aramccschc koningen van dien naam voor, allen te Damaskus:
-ocr page 701-
1 KONINGEN XV : 18—25.
7«l
in de schatkamers van den tempel en in die van het paleis overge-
bleven was, en stelde liet ter hand aan zijne dienaren, die hij zond
tot Benhadad, den zoon van Tabrinuuon, den zoon van Hezjon, den
li) koning van Aram, die te Daniaskus woonde, met de boodschap:\' Er
is een verhond tusschen mij en u, tusschen mijn vader en den uwen.
Hierbij zend ik u een geschenk, zilver en goud. Welaan, verbreek uw
verbond met Baëza, den koning van Israël, opdat hij van mij aftrekke.\'
20       En Benhadad luisterde naar koning Aza, zond de legeroversten die hij
had tegen de steden van Israël en overweldigde Ijjon, Dan, Abel-beth-
21       Maücha en geheel Kinnerotb, met het gansche land van Naftali.\' Toen
Baëza dit hoorde, hield hij op met Kama te versterken, en bleef te
22       Tirsa.\' Nu riep koning Aza ganscli Juda op; niemand was vrijgesteld;
en zij namen de steenen en balken van liaina welke Baëza had ge-
bruikt weg, en koning Aza versterkte daarmede Geba in Benjamin
en Mispa.
23            Al het overige nu der geschiedenis van Aza, al zijne dappere daden,
al wat hij heeft gedaan, en welke steden hij heeft versterkt, is be-
schreven in liet boek der kronieken van Juda\'s koningen. Doch op zijn
24       ouden dag had hij eene ziekte aan zijne voeten.\' Aza ging ter ruste
bij zijne vaderen en werd bij zijne vaderen begraven in de Davidstad,
en zijn zoon Josjafat werd koning in zijne plaats.
V». 234, 24. 2 Kron. XVI: 12—14.
bchnlvc don hier genoemde (omstreeks i)00), een tijdgenoot van Achab (omstreeks 800), in II. XX,
wiinrsrhijnlijk ook 2 Kon. VI: 24—VIII: 15, en een tijdgenoot vnn Jons, den zoon vun Joahnz (om-
strecks 800), 2 Kon. XIII: 3, 24 v. — Damatkus. Zie op Gen. XIVi 15.
21). Ijjon, cene stad in hot noorden des lands, westelijk vnn Dnmuskus, ook 2 Kon. XV : 29 ver-
meld. — Dan. Zie op Gen. XIV: 14. — Abel-bethMatïclia. Zie op 2 Snm. XX: 14. — Kinneroth. Zie
op Joz. XIX: 35. — Naftali. Zie Joz. XIX : 32—39.
21.   hield — Tina. Waarschijnlijk omdat Benhadad dit tot voorwaarde des vredes had gestold. —
bleef ie. Lat. en Gr. vertt. keerde terug naar. — Tina. Zie op XIV: 17.
22.   Geba (zie op Joz. XVIII: 24), een half nur ten zuidoosten, en Mispa (zie op Joz. XVIII: 25 v.),
een uur ton zuidwesten van Kama, wareu de noordelijke grenssteden van het rijk Juda.
24.  de Davidstad, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de stad Davidt, jy»# vadert.
HOOFDSTUK XV : 25—XVI: 34.
Israël* koningen van Nadab tot Achab. — Kcgcering van Nadab (XV:25v.); hij wordt vermoord
en opgevolgd door Baëza, die het gansche geslacht van Jerobeam uitroeit (27—31). Kegccring van
Baëza (33 v.), die door den profeet Jehu wordt bestraft (XVI: 1—7). Zijn zoon Ela volgt hem op (8)
on wordt vermoord door Zimri, die het gansche geslacht van Buczn verdelgt (9—14). Zimri, na ccuc
regeering van zeven dagen, door Omri belegerd, verbrandt zich met zijn palcis (15—20); na zijn dood
burgeroorlog (21 v.). Regeering van Omri, den stichter van de hoofdstad Samarië (23—28). Zijn zoon
Achab volgt hem op, huwt Izcbcl en maakt zich aan veel goddeloosheid schuldig (29—33); herbouw
van Jcricho (34).
In dozo zeer schrale mededeelingcn over de eerste koningen van Israël nn Jerobeam wordt, evenals
bij dio vnn Judn (zie op XIV: 21), een bepaald plan gevolgd (zie op XV : 25). In zoover zij nnn do
Israëliotischo rijksjaarbocken ontleend zijn, zijn zij geloofwaardig. Maar dit betreft slechts een klein
gedeelte; want den schrijver van Koningen boezemde alleen de godsdienst belang in; ten aanzien van
do inccr wereldlijke verdiensten, krijgsboleid en staatsbestuur, van Ruëzu, Omri en Achab vergenoegde
hij zich dus met ceuc eenvoudige verwijzing naur die jaarboeken. Over het standpunt waarop hij zich
bij de bcoordceling van den godsdienst der koningen van Israël plaatst eu over de vergelijking van
hunne regoeringsjarcu met die der Judecschc koningen zie inl. op XIV: 21—XV: 24.
XV: 25 Nadab, de zoon van Jerobeam, werd koning over Israël in het tweede
25.   Bij de troonsbestijging der koningen van Israël wordt in den regel huns vaders naam, hunno
hofstad en hun regecringsduur vermeld, voorafgegaan door het regecringsjaar van den gclijktijdigen
Judeeschen koning: dit laatste uit de berekening van den jongstcn verzamelaar van ons boek. Zie
vs. 38; XVI: 8 enz. en op XIV: 21. — twee jaar. Van 921 tot 920. Volgens vs. 28 en 83 geen
volle twee jaar.
-ocr page 702-
1 koningen XV : 25—XVI: 7.
782
jaar der regeering van Aza over Juda en heeft twee jaar over Israël
20 geregeerd.\' Hij deed wat kwaad was in het oog van Jahwe en wan-
delde op den weg zijns vaders en in de zonde welke deze Israël had
27       doen bedrijven.\' Ikëza, de zoon van Ahia, van het huis Issachar, maakte
eene samenzwering tegen hem en versloeg hem hij Gibbethon, eene
stad der Filistijnen, terwijl Nadab en gansch Israël Gibbethon insloten;\'
28       lkëza doodde hem in het derde jaar der regeering Yan Aza over Juda
29       en werd koning in zijne plaats.\' Zoodra hij koning was, versloeg hij
het gansche huis van Jerobeam en liet van Jerobeam niets over wat
adem had, totdat hij hem verdelgd bad, naar het woord dat Jahwe
30       door zijn dienaar Ahia van Sjilo gesproken had:\' wegens de zonde
die Jerobeam had bedreven en Israël had doen bedrijven, toen hij
31       Jahwe, Israëls god, tergde.\' Het overige nu der geschiedenis van
Nadab, en al wat bij beeft gedaan, is beschreven in het boek der
kronieken van Israëls koningen.
33           In het tierde jaar der regeering van Aza over Juda werd Baëza, de
zoon van Ahia, koning over Israël te Tirsa, en hij regeerde vier en
34       twintig jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog van Jahwe en
wandelde op den weg van Jerobeam en in de zonde welke deze Israël
XVI: 1 had doen bedrijven.\' Toen kwam het woord van Jahwe tot Jehu,
2       den zoon van Hanani, tegen Baëza:\' Nademaal ik u uit het stof ver-
hoogd en tot vorst over mijn volk Israël gesteld heb, maar gij op den
weg van Jerobeam hebt gewandeld en mijn volk Israël hebt doen zon-
3       digen, om mij te tergen met hunne nietigheden,\' zoo vaag ik Baëza
en zijn huis weg en zal uw huis stellen gelijk dat van Jerobeam, den
4       zoon van Nebat:\' wie van Baëza in de stad sterft, dien zullen de
honden verslinden, en wie van hem op het land sterft, dien zullen
de vogelen des hemels verslinden.
5           Het overige nu der geschiedenis van Baëza, al wat hij gedaan heeft,
en zijne dappere daden zijn beschreven in het boek der kronieken van
6       Israëls koningen.\' Baëza legde zich ter ruste bij zijne vaderen en werd
7       te Tirsa begraven, en zijn zoon Ela werd koning in zijne plaats.\' Ook
was door den profeet Jehu, den zoon van Hanani, het woord van Jahwe
gekomen tegen Baëza en zijn huis, wegens al het kwade in het oog van
Jahwe dat hij had gedaan, om hem te tergen met het maaksel zijner
28.   Zie op XIV: 22—24. Allo Israëlietischc koningen zonder uitzondering (zie op XVI: 19) zijn
niiiir het oordeel van onzen schrijver goddeloos, omdat zij „de zonde van Jerobeam", d. i. den stier-
dienst, laten bestaan; cene onjuiste beschouwing, van het standpunt des schrijvers. Zie vs. 34; XVI:
18 enz. Omri en Achnb hecten om hun ltaüldicnst goddcloozcr dnn de anderen; zie XVI: 25 v., 80—
33; 2 Kon. III: 2 v.
27. het huis, hier zoovoel als de stam of het geslacht, j— Gibbethon, ook XVI: 15—18; wnarschijn-
lijk cene vesting in het noorden van Kuisten; de juiste ligging is onbekend. Zie op Joz. XIX: 44.
29.  naar — had. Zie XIV: 7—11.
31. Na dit vers staat in Hebr. t. (32) Er is oorlof geweest lunchen Ata en Baëza, den koning
van Israël, zoolang zij leefden.
Het ontbreekt in Gr. vert. Tc recht; want het is louter herhaling van
vs. 10; daarenboven staat het op cene ongeschikte plaats; want eerst na vs. 33 begint het verhaal
der regeering van liacza; wat aan vs. 33 voorafgaat behoort nog bij Nadab.
83. Zie op vs. 25. — over Israël, volg. Gr. vert.; Hebr. t. over gansch Israël. — vier en twintig
jaar.
Van 920 tot 897.
34. Zie op vs. 26.
1.  Jehu, den zoon van Hanani. Zie 2 Kron. XIX: 1—3; XX: 34.
2.  Zie XIV: 7. — nietigheden, volg. Gr. vert. (vorg. vs. 13); Hebr. t. zonden. Met nietigheden wor-
den de beelden der godheid bedoeld; zie op Deut. XXXII: 21.
3 v. Verg. XIV : 10 v.
5. al, bijgevoegd uit Gr. vert.
7. Toevoegsel, na vs. 1—4 vrij overtollig, waarschijnlijk van de hand eens bewerkers. — om al,
volg. hss., Gr. en Syr. vertt.; Hebr. t. en om al. — het maaksel zijner handen, de afbeeldingen der
godheid. — zich — Jerobeam. Zie XIII: 34.
-ocr page 703-
1 KONINGBN XVI : 7—22.
783
handen, en omdat hij zich gedroeg als het huis van Jeroheam, hoewel
hij dit verslagen had.
8           In het zes en twintigste jaar der regeering van Aza over Juda is
Ela, de zoon van Baëza, koning geworden over Israël te Tirsa, en hij
9       regeerde twee jaar.\' Toen maakte zijn dienaar Ziniri, de bevelhebber
over de helft der wagens, eene samenzwering tegen hem, terwijl hij
te Tirsa beschonken aan den maaltijd zat in het huis van Arsa, den
10       hofmaarschalk, te Tirsa;\' Zimri kwam binnen, versloeg en doodde hem,
in het zeven en twintigste jaar der regeering van Aza over Juda, en
11       werd koning in zijne plaats.\' Koning geworden, heeft hij, zoodra hij
op zijn troon zat, het gansene huis van Baëza verslagen, hem niets
12       mannelijks overgelaten, noch maag noch vriend.\' Zimri verdelgde het
gansche huis van Baëza, naar het woord dat Jahwe door den profeet
13       Jelui tot Baëza gesproken had,\' wegens al de zonden die Baëza en zijn
zoon Kla hadden bedreven en Israël hadden doen bedrijven, om Jahwe,
14       Israëls god, te tergen met hunne nietigheden. \' Het overige nu der
geschiedenis van Ela, en al wat hij heeft gedaan, is beschreven in het
boek der kronieken van Israëls koningen.
15           In het zeven en twintigste jaar der regeering van Aza over Juda
werd Zimri koning, en hij regeerde zeven dagen te Tirsa, terwijl het
16       volk Qibbethon, de stad der Filistijnen, belegerde.\' Maar toen het
volk in het kamp hoorde: Zimri heeft eene samenzwering gemaakt,
ja, den koning verslagen! maakte gansch Israël te dien dage in het
17       kamp den legeroverste Oniri tot koning over Israël.\' Omri trok met
18       gansch Israël van Gibbethon op, en zij sloten Tirsa in.\' En toen Zimri
zag dat de stad was ingenomen, ging hij in den burcht van het paleis,
19       stak het paleis boven zijn hoofd in brand en stierf;\' wegens de zonden
die hij bedreven had, doende wat kwaad is in het oog van Jahwe,
wandelende op den weg van Jerobeam en in de zonde die deze gedaan
20       bad, om Israël te doen zondigen.\' Het overige nu der geschiedenis
van Zimri, en de samenzwering welke bij heeft gesmeed, is beschreven
in het boek der kronieken van Israëls koningen.
21            Toen verdeelde zich het volk Israël in tweeën: de eene helft des
volks hield het met Tibni, den zoon van Ginath, om hem koning te
22       maken, en de andere helft met Omri;\' maar de aanhang van Omri
kreeg de overhand over dien van Tibni, den zoon van Ginath; Tibni
stierf, op denzelfden dag met zijn broeder Joram, en Omri werd
koning.
8.  twee jaar. Van 89G tot 895. Volgens vs. 10 niet ten volle twee jaar.
9.  wagens. De strijdwapen* worden bedoeld, \'t Was dus, evenals van Raëza, cene militaire samen-
zwering. — hofmaarschalk. Zie op IV : 6.
11. maag, letterlijk lotter of bloedtoreker. Hedoeld worden de naaste bloedverwanten, op wie de
plicht der bloedwraak rustte. Zie Num. XXXV: 13. — niet, namelijk: Zie op 1 Sam. XXV: 22.
13. nietigheden. Zie op vs. 2.
15.  In — Juda. Het jaar 895. — Gibbet\'um. Zie op XV: 27.
16.  ijansch Itraêl. Gewone spreekwijs, met zeker voorbehoud te verstaan: alleen het krijgsvolk dat
vóór Gibbethon lag wordt bedoeld. In vs. 21 vernemen wij, dat het niet gansch Israël was, maar
slechts een gedeelte, dat Omri tot koning koos.
18.  den burcht, het hoogste, meest versterkte gedeelte van het paleis.
19.  Zimri, nog 2 Kon. IX: 31 vermeld, was slechts zeven dagen koning geweest, had dus nog nau-
welijks gelegenheid gehad van zijn staatsbeleid of godsdienstige richting bewijzen te geven; maar over
alle koningen van Israël wordt een vonnis gestreken: aan de zonde van Jerobeam staan zij allen
schuldig. Zie op XV : 20.
20.   De gewone uitdrukking. In dit geval zullen die kronieken wel niet veel meer behelsd hebben
dan onze schrijver er uit heeft medegedeeld.
22. De duur van den burgeroorlog wordt niet opgegeven. Volgens vs. 23, vergeleken met vs. 15 v.,
heeft hij vier jaren geduurd. — op — Joram, ingevoegd volg. Gr. vert.
-ocr page 704-
784                                     1 koningen XVI: Ü3—34.
23           In het een en dertigste jaar der regeering van Aza over Juda werd
Omri koning over Israël, en hij regeerde twaalf\'jaar. Te Tirsa regeerde
24       hij zes jaar;\' toen kocht hij van Sjemer den berg Samarië voor twee
talenten zilver, en bouwde o[> den berg eene stad, die hij naar Sjemer,
25       den eigenaar van den berg, Samarië noemde.\' Omri nu deed wat
kwaad was in het oog van Jahwe, hij maakte het erger dan allen
2<i vóór hem:\' hij wandelde op al de wegen van Jerobeam, den zoon van
Nebat, en in de zonde welke deze Israël had doen bedrijven, om
Jahwe, Israëls god, te tergen met hunne nietigheden.
27           Het overige nu der geschiedenis van Omri, al wat hij gedaan heeft,
en de dappere daden die hij heeft verricht, zijn beschreven in het boek
28       der kronieken van Israëls koningen.\' Omri ging ter ruste bij zijne
vaderen en werd te .Samarië begraven, en zijn zoon Achab werd koning
in zijne plaats.
2i>          Achab, de zoon van Omri, werd koning over Israël in het acht en
dertigste jaar der regeering van Aza over Juda, en Achab, de zoon
van Omri, heeft twee en twintig jaar over Israël te Samarië gere-
30      geerd.\' Achab, de zoon van Omri, deed wat kwaad was in het oog
31       van Jahwe, meer dan allen vóór hem.\' Alsof het hem te gering was,
in de zonde van Jerobeam, den zoon van Nebat, te wandelen, nam
hij Izebel, de dochter van Ethbaiil, den koning1 der Sidoniërs, tot vrouw,
32       en ging den baal dienen en aanbidden;\' hij richtte een wij-steen voor
den baiil op in den Baiiltempel dien hij te Samarië had gebouwd.\'
33       Ook maakte Achab den gewijden boomstam, en ook verder deed hij,
om Jahwe, Israëls god, te tergen, meer dan al de koningen van Israël
34       voor hem.\' In zijn tijd heeft Ahiël, van lJethel, Jericho opgebouwd;
op Abiram, zijnen eerstgeborene, heeft hij haar gegrondvest, en op
Segub, zijn jongsten zoon, heeft hij hare poorten opgericht, naar het
woord dat Jahwe door Jozua, den zoon van Nun, had gesproken.
23. een en dertigste jaar. Deze berekening is onjuist, evenals die vbii XXII\'. 41, 52. Zie Inl. —
twaalf jaar. Van 8U5 tot 884.
21. Samarië, Grickschc uitspraak vnn den Hcbreeuwschcii naam, die in den gewonen tekst luidt
Sjomeron, in bet Aranicesch Sjamerain (K/rn IV: ld. 17). Hij kan inderdaad afgeleid zijn van Sjemer,
een niet ongewoiien Israclictischeu familienaam (1 Kron. VI: 46; VIII: 12), waarnaar ook eene andere
stad heette (.Toz. XI: 1; XIX: 15). I)e schoonc ligging vnn Samarië wordt Jcz. XXVIII: 1 geroemd.
Het was dvrdchnlf uur vnn Slchem, veertien uur van Jeruzalem verwijderd. Tot den ondergang van
het noordelijk rijk toe is het de hoofdstad gebleven; daarna door de Assvricrs met vreemde kolonis.
ten bevolkt; ten slotte door Herodes den Groote uitgebouwd, verfraaid, versterkt en ter eer van Augus-
tus Sctnsle (Grickschc vertaling van Augusta) gehceten. Dit is nog heden de naam van een vervallen
dorp, dnt van de eens prachtige stad is overgebleven. Te voren had Samarië zijn naam nnu het lnnd-
sehnp (zin op XIII: 32) en aan zijne bewoners, de Samaritanen (2 Kon. XVII: 29), gegeven. — twee
talenten zilver,
ongeveer tien duizend tweehonderd gulden.
26.  nietigheden. Zie op XV : 2.
27.  al, ingevoegd uit vele hss. en Gr. en Syr. vertt.
2!). het arht en dertigste jaar der regeering van Aza. Onjuiste berekening; zie op vs. 23. — twee
en twintig jaar.
Van 883 tot 862.
31.   nam — vrome. Dit huwelijk wordt om de gevolgen, de iuvoering vau den Vcnicischcn baül-
dienst in Israël, zoo streng afgekeurd. Zie op Itieht. 11:11. — Ethbaiil, of Jthobal, oorspronkelijk een
priester, moordenaar en opvolger van Thelcs, koning vnn Tyrus en Sidon. Met Sidonii\'rs worden hier
niet de bewoners vnn Sidon alleen, maar nlle Fcuiciërs bedoeld; zie op Gen. X:15.
32.   wij-steen, verbeterde lezing, volg. 2 Kon. 111:2; en zio op Gen. XXXIII:20. — den gewijden
boomstam,
die daar bij den wij-steen in den Baaltcinpcl stond. Zie 2 Kou. X: 26 en op Kxod.
XXXIV: 13.
34. Zie op Joz. VI: 26 en op Job XV: 28. — Ahiël, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Hiel.
HOOFDSTUK XVII—XIX.
Elia. — Klia kondigt Aehab langdurige droogte aan (XVII: 1). Op bevel van Jahwe verbergt hg
zich in liet dal Krith, wanr de raven hem spijzigen (2—6). Vervolgens zendt Jahwo hem voor zijn
onderhoud naar Sarcfnth tot eene weduwe, wier meel en olie hij doet strekken zoolang de hongersnood
-ocr page 705-
785
1 KONINGBN XVII: 1.
duurt (7—10). Haar zoon sterft en wordt door hem weder levend gemaakt (17—2-1). lu het derde
jaar tot Acbab gezonden (XVIII: 1 v.), ontmoet Klia deu vromen Obadja (2—15), en daarna Achab,
van wien hij cischt, het volk en de liaiilprofetcn op den Karinel bijeen te rocpeu (10—19). Hij be-
straft het volk, en slaat voor, door het tcekeu van vuur uit den hemel op het offer te laten uitmaken,
of Jahwe, dan wel de baal God is (20—24). Da liaiilprofeten roepen vruchteloos tot hun god (25—29).
Klia\'s offer en altaar, met water overgoten (30—35), wordt op zijne bede door vuur verteerd (30—
38); waarna het volk Jahwe huldigt cu, op Klia\'s bevel, de rtaiilprofeten slacht (39 v.). Klia belooft
Achab regen, en spoedt zich, als deze komt, te gelijk met den koning naar Jizrecl (41—10). Izebel
bedreigt Elia met den dood (XIX: 1 v.); waarop hij vlucht naar de woestijn (3 v.) en, door een engel
gespijzigd (5—7), naar den Horcb gaat (8), waar hij eene merkwaardige verschijning van Juhwe ont-
vangt (9—11), benevens den last, Hnzncl, Jehu en Kliza te zalven tot voltrekking van Jahwe\'s straf-
gericht (15—18). Koeping van Eliza (19—21).
Wij hebben in deze drie hoofdstukken het eerste gedeelte van hetgeen de schrijver van Koningen
heeft overgenomen uit een geschrift, vooral over Klia cu Kliza, dut wij den 1\'rofetcnspiegel kunnen
noemen, omdat het ten doel had, in luisterrijke voorbeelden te loeren, wat een echt profeet is en hoe
hij zich gedraagt: het hield den profetenzonen voor, zonder voorbehoud of aarzeling de stem van
Jahwe te gehoorzamen en op zijne hulp en zorg te vertrouwen. In dit geschrift gingcu wis aan het
ons bewaarde bericht over Klia andere vooraf (zie op XVII : 1 en 3) en waren ook medcdecliiigcii
vervat die in Koningen niet zijn opgenomen (zie op XVII: 1 en XVIII:!; XIX: 15, 16 en 19). l)e
schrijver van den l\'rofetcnspiegel had dit verhaal over Klia geput uit cene andere bron dan sommige
volgende (zie inll. op XXI, 2 Kon. I en II) en dan die over Kliza; zoodat er hier en daar tegenspraak
is met het vervolg (zie op XIX: 15 en 10 en inl. up 2 Kon. \\ 111:1—15).
Ons verhaal werd in het rijk Israël (zie op XIX : 3), waarschijnlijk niet lang na den aanvang der
achtste eeuw, opgesteld. Niet vroeger; want Kliza, wiens dood volg. 2 Kon. XIII: 11 ouder de rcgee-
ring van Joas (802—787) valt, was reeds gestorveu eer het werd vervaardigd; daar verhalen over
hem invloed hebben geoefend op het ontstaan of de optcekening van die over Klia (zie op Wil: 17—
21 en inl. op 2 Kon. IV). Maar ook niet veel later; daar hier nog geen spoor is van bestrijding van
den stierdicust, reeds door Hozen veroordeeld. Kr ligt dus een vrij groot tijdsverloop tusschcu de
werkzaamheid van Klia (onder Achab, 883—802) en de vervaardiging van dit verhaal. Trouwens, de
geheele inhoud bewijst dat wij geen betrouwbaar gedenkschrift over Klia\'s leven voor ons hebben.
Van zijn optreden en werken, dat op zijne tijdgenooten een geweldigen en diepen indruk mankte,
legt hier het nageslacht in dichterlijken trant getuigenis af, zouder zich om nauwkeurigheid te be-
kommcren (zie b. v. op XVIII: 15 en XIX: 8). Zijne medestanders (zie op XVIII: 22), ook wie van
elders als Aehabs onverzoenlijke wederpartij bekend stonden (XXII: 8), heeft de overlevering, opzette-
lijk of onwillekeurig, in het duister gelaten, ten einde zijn persoon als strijder voor Jahwe des te
beter te doen uitkomen; en daarom almede is hem hier ecuc schitterende overwinning op deu liuiü-
dienst toegeschreven (II. XVIII). Dat dit verdichting is, leert zoowol de aard van het verhaal als het
vervolg der geschiedenis: eerst onder Jehu is Jnhwe overwinnaar gebleven. Historisch is, behalve de
droogte (zie op XVII: 1), vooral de strijd tusschen den Jahwcdicnst en den Haiüdienst, en de rol die
de Jahweprofctcn, hier door Klia vertegenwoordigd, daarbij hebben gespeeld. Om de belangrijkheid
van dit onderwerp cu niet minder door de schoonheid van den vorm behoort ons verhaal tot de be-
roemdstc en aantrekkelijkste uit het gansche O. T.
XVII: 1 Elia, de Tisbiet, uit Tisbe in Gilead, zeide tot Achab: Zoo waar als
Jahwe, Israëls god, leeft, vóór wien ik sta, er zal in de eerstvolgende
jaren geen dauw of regen zijn, tenzij op mijn woord.
1. Elia, voluit Elijahu, d. i. ,Jahwc is mijn god\'. — Elia treedt op zonderdat van te voren iets
aangaande hem is gezegd; zie Inl. — uit Titbe, volg. Gr. vert.; Hcbr. t., met andere klinkers bij
nagenoeg dezelfde medeklinkers, ra» de opgezelenen. Uit Tisbe, door de bijvoeging in Gilead, het Ovcr-
jordaanschc land, onderscheiden van ecu stadje van dien naam iu Galilca, in den stam Xaftali, Tob.
1:2, komt elders niet voor; de liggiug is onbekend. De Verzamelaar vnu Koningen heeft dit bijvoeg-
sel uil Tüie in Gilead waarschijnlijk ontleend aan een vroeger gedeelte van het geschrift over Klia
waaruit hij dit verhnul putte. — vóór wien ik sta, als dienaar. Met betrekking tot Jahwe wordt het
gewoonlijk van de priesters gezegd; zie Deut. X : 8. Geheel buiten den ecredienst oin, vinden wij het
ook XVIII: 15; 2 Kon. 111:14; V:lfi, in den mond van Elia en Kliza, die daarmede nadrukkelijk
te kennen geven dat zij Jahwe\'s tolken zijn en van hem alleen afhangen. — M de eernt volgende
jaren,
naar XVI1I:1 meer dan twee jaar; Luo. IV: 25 en Jac. V:17 geven, naar latere Joodscho be-
rekening, vicrdehnlf jaur. Klavius Josefus spreekt van eene droogte van écu gnuscli jaar tijdens Ithobul
van Tyrus, Aehabs tijdgenoot. — geen dauw of regen. Met droogte, eu haar gevolg hongersnood, als straf
voor do afgoderij, wordt gedreigd Lev. XXVI: 19 v.; Deut. XI: 10 v.; XXVIII: 23 v. — op mijn woord,
wanneer ik, wien Jahwe daartoe volmacht verleent, het beveel. Aldus moest het onvermogeu blijken van
den baiil en zijne profeten om het volk uit dezeu nood te redden.
O. T. I.                                                                                                                          60
-ocr page 706-
1 KONINGEN XVII: 2—19.
786
2, 3 Toen kwam het woord van Jahwe tot hem: \' Ga van hier, wend u
oostwaarts en verberg u in het dal Krith, tegenover den Jordaan;\'
4       uit de beek zult gij drinken, en de raven heb ik geboden u daar
5       van spijs te voorzien.\' Hij ging en deed naar het woord van Jahwe:
6       liij ging en bleef in het dal Krith, tegenover den Jordaan,\' en de
raven brachten hem des morgens brood en des avonds vleesch, en uit
de beek dronk hij.
7           Maar na verloop van tijd droogde de beek op, omdat er geen regen
8       op aarde was geweest.\' Nu kwam het woord van Jahwe tot hem:\'
9       Maak u op, ga naar Sarefath, bij Sidon, en blijf aldaar: zie, ik heb
10       eene weduwvrouw aldaar geboden in uw onderhoud te voorzien. \' Zoo
maakte hij zich op en ging naar iSareiath, en toen hij aan den ingang
der stad kwam, zie, daar was eene weduwvrouw aan liet hout sprok-
kelen. Hij riep haar toe: Och, haal mij een weinig water in de kan,
11       opdat ik drinke.\' En toen zij het ging halen, riep hij haar toe: Och,
12       breng mij een stuk brood mede, opdat ik ete.\' Maar zij zeide: Zoo
waar als Jahwe, uw god, leeft, ik heb geen broodkoek meer, niets
dan een handvol meel in het vat en een weinig olie in de kruik; en
nu sprokkel ik een paar houten en ga te huis iets bereiden voor mij
13       en mijn zoon; hebben wij dat gebruikt, dan moeten wij sterven.\' Maar
Elia zeide tot haar: Vrees niet; ga, doe naar uw zeggen; doch maak
eerst er voor mij een kleinen broodkoek van en breng mij dien hier;
14       voor u zelve en uw zoon zult gij daarna iets bereiden.\' Want zoo
zegt Jahwe, de god Israëls: Het meelvat zal niet uitgeput worden en
de oliekruik zal niet ledig raken vóór den dag waarop Jahwe regen
15       over het aardrijk geeft.\' Hierop ging zij heen en deed naar Elia\'s
16       woord, en zij at zelve en hij en haar gezin, een tijdlang: \' het meelvat
werd niet uitgeput en de oliekruik werd niet ledig, naar het woord
dat Jahwe door Elia had uitgesproken.
17           Nadezen werd de zoon der vrouw, der meesteres van het huis, ziek;
en zijne ziekte werd zeer hevig, totdat geen adem moer in hem was.\'
18       Nu zeide zij tot Elia: Wat heb ik met u te maken, man Gods? Gij
zijl in mijn huis gekomen om mijne schuld in gedachtenis te brengen
19       en mijnen zoon te doen sterven!\' Maar hij zeide tot haar: Geef mij
uwen zoon. En hij nam hem uit hare armen, droeg hem naar de
3.   van hiir. In liet voorafgaande is niet gezegd, waar Elia zich op het oogcuhlik bevond. — ver-
berg u.
Zie XVIII: 10. — het dal, of ile beek, Krith komt slechts hier (en vs. 5) voor. De ligging
is onbekend. — tegenover, of voor aan, of ten ootten van. Ook vs. 5.
0. brood... vleeech, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft beide malen brood en vleeich,
7—16. Verg. Lm. IV : 25 v.
9. Sarefath, bij Sidon, letterlijk dat van Sidon il; wij zouden zeggen: de Fcnicische stad. Sarefath,
in het N. \'1\'. (Luc. IV: 20) Sarepta, lag aan de Middellandschc Zee tnsschen Tyrus en Sidon, derde-
half uur van laatstgenoemde plaats verwijderd. Ook hier heerschte droogte en hongersnood; zie vs. 12,
14. — weduwvroutv. Kenc zeer behoeftige, die uit eigen middelen niet in staat was hem te onderhou-
dcn. Kvcnals bij de raven, kwam dus ook hier de goddelijke tusschenkomst duidelijk aan het licht.
10—16. Verg. 2 Kon. IV: 1—7, 42—44.
11.  opdat ik ete, ingevoegd uit de Or. vert.
12.  broodkoek. Hiermede wordt het eenvoudigste gebak bedoeld: deeg, ook zouder gist, in eene pan,
of in de hcetc asch, of op gloeiende steenen (XIX : 6) gebakkeu. — olie. Niet voor het bakken, maar
om over het brood te strijken, gelijk bij ons de boter; zie op Richt. IX! 9.
15. een tijdlang, totdat droogte en hongersnood een einde nam, vs. 14. De Lat. vert. heeft van
dien dag af,
als begin van het volgende vers.
17—24. De vergelijking van dit gedeelte, dat hier zeer goed gemist kan worden, met 2 Kon.
IV: 8—37 wekt het vermoeden dat wat eerst van Kliza verteld is op Klia is overgebracht. Hieruit
is de hier vreemde uitdrukking meetteret van het huis te verklaren.
18.   mijne schuld in gedachtenis te brengen, bij God. De bedoeling is dat zij anders de aandacht
Gods niet zou getrokken hebben; maar de aanwezigheid van Elia had de opmerkzaamheid van Jahwe
op haar gevestigd. Verg. Luc. V: 8. — te doen sterven, tot straf voor mijne zonden.
19.  bovenkamer. Verg. op Deut. XXII: 8.
-ocr page 707-
787
1 koningen XVII: 19—XVIII: 12.
bovenkamer waar hij zelf\' zijn verblijf hield, legde hem neder op zijn
20       bed,\' en riep tot Jahwe: Jahwe, mijn god, hebt gij zelfs over de
weduwe bij wie ik gehuisvest ben onheil gebracht en haren zoon ge-
21       dood?\' Daarop strekte hij zich drie keeren over den knaap uit, en
riep tot Jahwe: Jahwe, mijn god, moge de ziel van dezen knaap in
22       hem wederkeeren!\' En Jahwe verhoorde Elia: de ziel van de knaap
2.\'i keerde in hem terug, en hij herleefde.\' Toen nam Elia den knaap,
bracht hem uit de bovenkamer af naar binnen, gaf hem aan zijne
24 moeder en zeide: Zie, uw zoon leeft.\' Nu zeide de vrouw tot Elia:
Thans weet ik dat gij een godsman zijt en het woord van Jahwe in
uwen mond waarheid is.
XVIII: 1 Langen tijd daarna, in het derde jaar, kwam het woord van Jahwe
tot Elia: (ia u aan Achab vertoonen; opdat ik regen over het aardrijk
2       geve.\' Zoo ging Elia om zich aan Achab te vertoonen. De hongers-
3       nood nu was zwaar in Bamarië;\' daarom ontbood Achab Obadja, zijn
4       hofmaarschalk. Obadja was zeer godvruchtig: \' toen Izebel de profeten
van Jahwe uitroeide, had Obadja honderd profeten genomen en ver-
borgen, vijftig bijeen, in eene grot, en hen voorzien van brood en
5       water.\' Achab zeide tot hem: Welaan, laat ons het land doortrekken,
naar alle waterwellen en naar alle beken; misschien vinden wij gras
om de paarden en muilezels in het leven te houden, zoodat wij niet
6      gansch verstoken raken van vee.\' Zij verdeelden dan het land onder
hen beiden, om het door te trekken: Achab ging onverzeld den eenen
7       weg, en Obadja ging onverzeld den anderen weg.\' Toen Obadja op
weg was, daar kwam Elia hem te gemoet; en Obadja, hem herken-
nende, viel op zijn aangezicht en zeide: Zijt gij daar, mijn heer Elia?\'
8       Hij zeide tot hem: Ja. Ga aan uwen heer zeggen: Daar is Elia.\'
9       Maar hij zeide: Welke zonde heb ik begaan, dat gij uwen dienaar aan
lü Achab overlevert om mij te dooden?\' Zoo waar als Jahwe, uw god,
leeft, er is geen volk of koninkrijk waarheen mijn heer niet heeft ge-
zonden om u te zoeken; en als zij zeiden: Hij is er niet — liet hij
11       dat koninkrijk of volk bezweren dat het u niet kon vinden.\' En nu
12       zegt gij: Ga uwen heer zeggen: Daar is Elia.\' Maar dan zal het zoo
gaan: ik ga van u weg, de geest van Jahwe neemt u op, ik weet
niet waarheen. Kom ik het dan aan Achab melden, en hij vindt u
20.  zelfs, ondanks hare gastvrijheid voor mij.
21.  Verg. 2 Kon. IV:84v.; Hand. XX: 10. — de ziel, het leven. Verg. op Ps. XIX: 8.
1.  in het derde jaar, nl. van de droogte. Zie op XVII: 1. — opdat ik — geve. Kerst op het woord
van KI ia tot den koning (XVII: 1) zou aan de landpluug een einde komen.
2.   De hongersnood nu was zwaar in Samarie. Wegen» de langdurige droogte leverde de hoofdstad en
haar nnastc omtrek zelfs geen voedsel meer op voor de koninklijke stallen, vs. 5.
8.   Obadja, voluit Obatljaha, d. i. .dienaar van Jahwe\'. — hofmaarschalk. Zie op IV : 6.
4.   Vuu deze vervolging hebben wij geen bericht; alleen wordt er vs. 22; XIX: 10, 14; 2 Kon.
IX: 7 op gezinspeeld. — brood en water, spijs en drank; zie op XIII: 8.
5.    Welaan — doortrekken, volg. Gr. vort.; Hobr. t. Ga het land door. — gras. Het gewone voed-
sel wns gerst; zie op IV: 28; doch daaraan was in dezen tijd van gebrek geen denken meer. — zoo-
dat
— vee, volg. Gr. vert.; Hobr. t. zoodat aij niet uitroeien van het vee. Met vee worden hier do
trek- en lastdieren bedoeld.
7. viel.„op zijn aangezicht. Kerbiedigc begroeting; zie op Gen. XVIII: 2.
9.   Welke — begaan, waarmede heb ik dat verdiend? zie vs. 124, 13. — om mij ie dooden. Als hij,
door mij verwittigd van uwc aanwezigheid, u straks niet meer vindt, zal hij mij verantwoordelijk
stellen voor uw verdwijuen en zijne teleurstelling op mij wreken. Zie vs. 12.
10.   Achab heeft Klia overal doen opzoeken, minder om hem te straffen voor zijne stoutheid, dan
wel om hem te dwingen, het woord te spreken dat aan de droogte een einde zou maken, XVII: 1;
verg. 2 Kou. 1:9, 15.
12. Hlijkbaar wenscht Obadja, maar durft niet vragen, dat Klia met hem mede naar Achab gaat.
Maar Klia, in het besef zijner waardigheid als godsman, wil dat Achab tot hem komt. — zal de
geest
— waarheen. Over dit plotseling verschijnen en verdwijnen van de profeten zie op XIII: 9;
verg. ook Kzech. III: 12, 14.
-ocr page 708-
788
2 KONINGBN XVIII : 12 —26.
niet, dan brengt hij mij om het leven. En uw dienaar vreest Jahwe
13       van zijne jeugd af.\' Heeft men mijnen heer niet verhaald wat ik ge-
daan heb, toen Izebel de profeten van Jahwe ombracht? dat ik honderd
man van de profeten van Jahwe heb verborgen, vijftig bijeen, in eene
14       grot, en hen heb voorzien van brood en water.\' Én nu zegt gij: Ga
15       uwen heer zeggen: Daar is Elia. Dan zal hij mij ombrengen.\' Maar
Elia zeide: Zoo waar als Jahwe der heirscharen leeft, voor wien ik
lfi sta, heden vertoon ik mij aan hem.\' Toen ging Obadja Achab te ge-
17       moet en meldde het hem; waarop Achab Elia te gemoet ging.\' Nauwe-
lijks zag Achab Elia, of Achab zeide tot hem: Zijt gij daar, beroerder
18       Israël»?\' Maar hij zeide: Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws
vaders huis, doordien gij Jahwe, uwen god, verlaten en u aan de baiils
19       gehouden hebt.\' Welaan, zend boden en vergader tot mij gansch Israël
op den berg Karmel, alsmede de vierhonderd vijftig baiilprofeten en
de vierhonderd profeten van de Asjera die aan de tafel van Izebel eten.
20           Zoo zond Achab boden in liet gansche gebied van Israël en verga-
21       derde de profeten op den berg Karmel.\' Hier trad Elia op het gansche
volk toe en zeide: Hoe lang loopt gij kreupel aan beide zijden? Indien
Jahwe God is, houdt u aan hem; indien de baül het is, dan aan dezen!
22       Het volk antwoordde hem niets.\' Toen zeide Elia tot het volk: Ik
ben de eenige profeet van Jahwe die is overgebleven, terwijl de pro-
23       feten van den baül vierhonderd vijftig in getal zijn.\' Men geve ons
dan twee stieren, laten zij er éen uitkiezen, in stukken houwen en op
het hout leggen, maar zonder er vuur bij te doen; ik zal den anderen
stier bereiden en op het hout plaatsen, en er ook geen vuur bij doen.\'
24       Roept gij dan uwen god aan, en ik zal Jahwe aanroepen; en de god
die door vuur antwoordt, hij is God. Toen antwoordde het gansche
volk en zeide: Dat is goed.
25            Nu zeide Elia tot de profeten van den baül: Kiest een stier uit en
bereidt hem het eerst, want gij zijt de talrijksten; en roept uwen god
2G aan; maar vuur zult gij er niet bij doen.\' Toen namen zij den stier
en bereidden hem, en riepen den baül aan van den morgen tot den
middag, zeggende: Antwoord ons, Baal, antwoord ons! Doch geen ge-
18.   .lalnrr, uwen god, volg. Gr. vcrt.; Hcbr. t. de geboden van Jahwe. — de haiils. Zïc op\'
Richt. II: 11.
19.   In dezen eisch ligt de belofte opgesloten van regen, waarop Elia\'s wcdcrvcrschijning reed» het
uitzicht opende. — boden, duidclijkhcidshulve ingevoegd. Kvenzoo vs. 20. — den berg Karmel. Over
dit gebergte zie op Joz. XII: 19—23. Uit ons verhaal — zie vooral vs. 30 — blijkt dat het eene
heilige plaats was, maar die in den laatsten tijd als ofterplaats voor Jahwe in onbruik was geraakt.
Ook Eliza hield zich daar gedurig op, 2 Kon. 11:25; IV: 25. — en de vierhonderd profeten van de
Asjera die aan de tafel van Izebel eten,
d. i. die door de koningin onderhouden worden. Daar in het
vervolg, vs. 22, 25—29, 40, nergens sprake van hen is, zijn deze woorden zeker een later toevoegsel,
van iemaud die in de Atjera de gade van den baal zag; zie over haar op Kxod. XXXIV: 13.
20.  in — Israël, volg. vele hss.; Hebr. t. onder al de Israëlieten. — de profeten, blijkens het ver-
volg tevens priesters, van den baül.
21.   lijden, onzekere vertaling. Van het hier gebruikte Hebrceuwschc woord wordt een ander afge-
leid dat Ps. CX1X:1!3 voorkomt en .weifelaar\' bcteekent. — Elia vergelijkt, in zijn scherp verwijt
aan het volk, het beurtelings aanhangen en verecren van Jahwe en van den baal met den waggelen-
den gaug van iemand die aan beide kanten mank is, dus beurtelings naar rechts en naar links
overzwikt.
22.    Ik — overgebleven. Desgelijks XIX: 10, 14. Dit is niet in overeenstemming met vs. 4, 13;
XX: 13, 22, 28, 35, 87; XXII.
24. Roept — Qod. De hier toegesprokenen zijn de Baalprofetcn, hoewel Elia\'s woorden in hun ge-
heel tot het volk zijn gericht.
26. den stier, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft nog dien hij hun gegeven had. — Antwoord ons, in-
gevoegd uit Gr. vert. — geen antwoord, letterlijk geen antwoorder. — huppelden. Een offerdans
wordt bedoeld; verg. 2 Nam. VI: 14, 16; Eiod. XXXII: 6. Hij het uitblijven van antwoord neemt de
opwinding gestadig toe, vi. 28. — tij gemaakt hadden, volg. vele hu. en vertt.; Hebr. t. hij ge-
maakt had.
-ocr page 709-
1 KONINGEN XVIII: 26—41.
789
luid en geen antwoord! Toen huppelden zij bij het altaar dat zij ge-
27       maakt hadden.\' En des middags dreef Elia den spot met hen en zeide:
ltoept met luider stem; hij is immers een god. Zeker is hij in gepeins,
of hij heeft zich afgezonderd, of hij is op reis; misschien slaapt hij en
28       moet wakker worden.\' Zij nu riepen met luider stem, en zij sneden
zich naar hun gebruik, met messen en priemen, totdat het bloed langs
29       hen stroomde.\' Toen de middag voorbij was, profeteerden zij nog, tot
tegen den tijd van het offer; maar geen geluid of antwoord of acht-
geving.
30           Nu zeide Elia tot het gansche volk: Treedt op mij toe. Het gansche
volk trad op hem toe. Hierop herstelde hij het vernielde altaar van
31       Jahwe:\' Elia nam twaalf steenen naar het getal der stammen van de
zonen Jakobs, tot wien Jahwe\'s woord gekomen was: Israël zal uw
32       naam zijn —\' en bouwde van die steenen een altaar in den naam
van Jahwe. Voorts maakte hij eene groeve, als de ruimte voor twee
33       schepels zaaikoren, rondom het altaar,\' schikte het hout, hieuw den
34       stier in stukken en legde die op het hout.\' Vervolgens zeide hij: Vult
vier kruiken met water en giet het over het brandoffer en het hout
uit. Zij deden alzoo. En hij zeide: Nog eens. En zij deden het ander-
maal. Daarop: Ten derden male. En zij deden het ten derden male;\'
35       zoodat het water rondom het altaar liep. Ook de groeve vulde hij
met water.
36           Ten tijde nu van het avondoffer trad de profeet Elia toe en zeide:
Jahwe, god van Abraham, Izaiik en Israël, blijke het heden dat gij
God in Israël zijt en ik uw dienaar ben, die naar uw woord al deze
37       dingen gedaan heb.\' Antwoord mij, Jahwe, antwoord mij; opdat dit
volk wete dat gij, Jahwe, God zijt en gij hun hart tot u geneigd hebt.\'
38       Daar viel het vuur van Jahwe neder en verteerde het brandoffer, het
hout, de steenen en de aarde; het lekte ook het water dat in de groeve
39       was op.\' Toen nu het gansche volk dit zag, vielen zij op hun aange-
40       zicht en zeiden: Jahwe is God! Jahwe is God!\' En Elia zeide tot hen:
Grijpt de profeten van den baal: dat niemand van hen ontkome! En
zij grepen hen, en Elia voerde hen af naar de beek Kisjon en slachtte
hen aldaar.
41           Toen zeide Elia tot Achab: Ga eten en drinken; want ik hoor het
27.   Lezing en vertaling van deze spotrede zijn niet geheel zeker. Elia maakt hier het geloof aan
den baiil belachelijk. Intusschcn vergelijke men op Ps. III: 8.
28.  zij sneden zich. Over dit gebruik als tecken van rouw zie op Lev. XIX: 28. Hier geschiedt het
in godsdienstige opgewondenheid, om van de godheid verhooring af te dwingen. — naar hun gebruik.
In de oudheid vrij algemeen, vooral in Frygië; ook in deu nicuweren tijd, in den Islam, bij de Dcr-
wisjen.
29.   profeteerden zij. De uitdrukking voor godsdienstige opwinding. Zie op 1 Sam. X:5. — lot —
offer, letterlijk totdat de offergave (of het meeloff\'er) opsteeg. Dat dit in den laten namiddag of des
avonds plaats had volgt uit 2 Kon. XVI: 15, en wat daar omtrent den Jcruzalcmschcn tempel ge-
meld wordt was waarschijnlijk ook bij andere heiligdommen in Israël en Juda in gebruik; zoodat het
„opstijgen van de offergave" den lezer aanstonds het bedoelde uur van den dag voor den geest riep.
Over het morgen- en het avondbrandoffer van later tijd zie op Exod. XXIX: 38—42. Verg. ook op
2 Kou. 111:20.
30.  het vernielde altaar van Jahwe. 7Ae XIX : 10, 14.
31 v. Elia — naam van Jahme. Dit is, blijkens inhoud en vorm, een later invoegsel, bedoelende
Elia\'s werk voor de twaalf stammen te doen strekken. — Jakobs — zijn. Zie Gen. XXXV : 10 en
verg. 2 Kon. XVII: 34*.
32. als — zaaikoren. Eene zonderlinge opgave van vlaktemaat, wier uitgebreidheid wij ook niet
naar ruwe gissing kunnen bepalen.
34. Hij deden alzoo, ingevoegd volg. Gr. vert.
36.   Ten — avondoffer. Zie op vs. 29.
37.  hun — hebt, door onloochenbare openbaring uwer macht hen van dwaling en schuld overtuigd
en teruggebracht; zoodat zij voortaan niet meer den baiil, maar u alleen zullen dienen.
40. Kisjon. Zie op Richt. IV 7.
-ocr page 710-
790                                1 koningen XVIII: 41—XIX: 8.
42       gedrui&ch van een piasregen.\' Achab ging eten en drinken, en Elia
beklom den top van den Karmel, kromde zicb ter aarde en legde zijn
43       aangezicht tusschen zijne knieën.\' Voorts zeide hij tot zijn jongen:
Klim eens op en zie uit, naar zee. Hij klom op, zag uit en zeide:
Er is niets. En hij zeide: Zie nog eens uit, zeven malen! Zoo deed
44       de jongen, zeven malen.\' En den zevenden keer zeide hij: Zie, een
wolkje, klein als eene manshand, komt uit zee op. Toen zeide hij: Ga
aan Achab zeggen: Span in en daal af; opdat de piasregen het u niet
45       belette.\' En in een ommezien was de hemel zwart van wolken en wind
en viel een zware piasregen. Achab reed weg en ging naar Jizreël;\'
40 maar de hand van Jahwe was over Elia, zoodat hij zijne lenden om-
gordde en vóór Achab uit liep tot bij Jizreël.
XIX: 1 Toen nu Achab aan Izebel verhaalde al wat Elia gedaan had, en
2       hoe hij al de proleten met het zwaard had gedood,\' zond Izehel een
bode tot Elia, met de woorden: Zoo, ja meer nog, zullen de goden mij
doen, indien ik morgen om dezen tijd uw leven niet stel als dat van
3       een hunner!\' Toen werd hij bevreesd, maakte zich op en ging heen
om lijfsbehoud. Te Bersjeba, in Juda, gekomen, liet hij daar zijn jongen
4       achter\' en ging zelf de woestijn in, eene dagreis ver. Hier gekomen,
zette hij zich onder eene bremstruik; hij verlangde te sterven en zeide:
\'t Is nu genoeg, Jahwe, neem mijn leven; want ik ben niet beter dan
5       mijne vaderen.\' Hierop legde hij zich neder en sliep in onder eene
bremstruik; maar, zie, een engel stiet hem aan en zeide tot hem: Sta
(5 oj), eet.\' Hij zag op, en daar stond aan zijn hoofdeneind een broodkoek
en eene kruik water. Hij at en dronk, en legde zich wederom te
7       slapen.\' Doch de engel van Jahwe stiet hem ten tweeden male aan
8       en zeide: Sta op, eet; anders is de reis u te ver.\' Zoo stond hij
op, at en dronk, en ging, door de kracht van die spijs, veertig dagen
41.   Ga eten en drinken. Wees vroolijk en onbezorgd; want de tijd der ellende is voorbij. — want —
piasregen. Klia vertrouwt zoo vast op de toezegging van Jahwe, dat het hem is alsof hij den regen
reeds hoort.
42.  kromde — knieën, ootmoedige houding van den smcckcling.
43.  zijn jongen. Ook XIX : 3; later komt hij niet meer voor. — Zie... uit, ingevoegd volg. Gr. vert.
—  Zoo — malen, ingevoegd uit Gr. vert.
44.   daal af, naar de vlakte in welker zuidoostelijk gedeelte Jizreël lag; over wclko zie op Joz.
XVII: 16. — hel, ui. den terugkeer naar huis, door den toestand der wegen.
45.  Jizreël. Zie op Joz. XIX: IS. liet lag op eenige uren afstand van den Karmel; maar do schrij-
ver bekommert er zich niet om, wat hij al in enkele namiddagiiren laat gesehicdeu (vs. 20, 30—35,
40, 41, 42—14, 45 v.); want zijne bedoeling is natuurlijk niet dat deze rit in stormaclitigcii nacht
plaats grijpt.
46.   de hand — Elia, d. i. hij voelde zich door eene goddelijke macht aangegrepen, inet buitcnge-
vtonc krachten toegerust. — zijne lenden omgordde. Verg. op Exod. XII 11.
1.  hoe, volg. (ir. en andere vertt.; Hebr. t. al nat.
2.  Zoo — doen. Zie op Kuth 1:17. — morgen om dezen lijd, indien gij dan nog in het land zijt.
De bedreiging dient om Elia op de vlucht te jagen. — uw leven — hunner, u niet dooden zal, gelijk
gij hen deedt.
3.   werd hij bevreesd, naar andere klinkers, met enkele hss., Gr., Lat. en Syr. vertt.; Hebr. t. zag
hij.
Waarschijnlijk wrldcn de schriftgeleerden die de klinkers op de letters zetten niet weten dat Klia
bevreesd was geworden. Deze vrees zou ook ons, na de behaalde overwinning, zeer bevreemden, indien
die overwinning historisch was (zie Inl.). — Bersjeba, de zuidelijkste stad van Kauaün. Zie iul. cp
Gen. XXVI: 1—33. — in Juda, letterlijk dat van Juda is. Deze bijvoeging verraadt een noord-lsrac-
lictischcn schrijver.
4.   onder eene bremstruik. De brom komt in do stroken ten zuiden van Palestina overvloedig voor,
04
vooral in do dalen, umi do bedding der beken. Do talrijke takken, met weinig blad, withouten bloesem
en kleine bessen, bieden cenigc schuilplaats tegen zou en wind. Zie verder Job XXX : 4; I\'s. CXX: 4.
—   want — vaderen. Woord der moedeloosheid: er is aan inij niet verloren; daar ik even zwak en
sterfelijk ben als mijne vaderen.
6. een broodkoek, letterlijk ent op gloeiende sieenen gebakken koek; zie op XV1I:13.
8. veertig dagen en narhten. De afstand van Kcrsjcba tot den berg die gewoonlijk voor den Horcb
wordt gehouden (zie op Exod. III: 1) is geen acht dagreizen. Hij lag waarschijnlijk nog veel dichter
bij. Dit was den schrijver ten naasten bij wel bekend; maar de veertig etmalen behooren tot den
dichterlijken vorm van zijn verhaal (zie op Gen. VII: 4 en verg. o. a. Deut. IX: 11, 18).
-ocr page 711-
1 KONINGBN XIX : 8—18.                                     791
9 en nachten, tot aan den berg Gods, den Horeb.\' Hier ging hij de
grot binnen en overnachtte aldaar; en zie, het woord van Jahwe kwam
10       tot hem: Wat hebt gij hier te doen, Elia?\' Hij zeide: Ik heb vurig
geijverd voor Jahwe, den god der heirscharen; want de Israëlieten
hebben u verlaten, uwe altaren verwoest en uwe profeten met het
zwaard gedood; ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mij het
11       leven te benemen.\' Toen zeide hij: Kom uit en ga op den berg staan
vóór Jahwe. Hij kwam uit en stond aan den ingang der grot; en zie,
Jahwe ging voorbij. Eerst een geweldige stormwind, die bergen brak
en rotsen verbrijzelde, voor Jahwe uit; niet in den wind was Jahwe.
12       Na den wind eene aardbeving; niet in de aardbeving was Jahwe.\' Na
de aardbeving vuur; niet in het vuur was Jahwe. Na het vuur het
13       suizen van eene zachte stilte.\' Zoodra Elia dit hoorde, omhulde hij
zijn gelaat met zijn mantel. En zie, eene stem klonk hem tegen: Wat
14       hebt gij hier te doen, Elia?\' Hij zeide: Ik heb vurig geijverd voor
Jahwe, den god der heirscharen; want de Israëlieten hebben u verlaten,
uwe altaren verwoest en uwe profeten met het zwaard gedood; ik ben
15       alleen overgebleven, en zij zoeken mij het leven te benemen.\' Toen
zeide Jahwe tot hem: Ga heen, keer denzelfden weg terug, naar de
woestijn van Damaskus; zalf, daar gekomen, Hazaël tot koning over
16       Aram;\' voorts zult gij Jehu, den zoon van Ninisji, tot koning over
Israël zalven, en Eliza, den zoon van Hjafat, van Abel-mehola, zult gij
17       tot profeet in uwe plaats zalven.\' Wie dan aan het zwaard van Hazaël
ontkomt, dien zal Jelui dooden, en wie aan het zwaard van Jehu ont-
18       komt, dien zal Eliza dooden.\' Maar ik zal in Israël zeven duizend
\'J. Wat — Elia? Elia had het toonecl van zijne werkzaamheid niet mogen verlaten.
10.   //. volg. Gr. vert.; Hcbr. t. uw verbond. Evenzoo vs. 14. — uwe altaren verwoest. Zie XVIII: 80.
Deze klacht onderstelt dat die altaren, op verschillende plaatsen des lands voor Jahwe opgericht, wet-
tigc plaatsen van eercdienst zijn; hetgeen zij op het standpunt van den wetgever in üeuteronomium,
tevens dat van den Verzamelaar van Koningen, niet waren; zie op 111:2 en 4; in!, op VIII: 1—IX i 9
en elders. — uice profeten met het zwaard gedood. Zie op XVIII: 22.
11.   Hij — grot. Deze woorden staan in den Hebr. t. in vs. 18, waar zij blijkbaar misplaatst
zijn, terwijl zij hier niet gemist kunnen worden. — Overigens vergelijke men voor deze verschijning
het verhaal Kxod. XXXIII: 18—XXXIV:9; de verhalen zijn waarschijnlijk niet van elkaar onaf-
hankelijk.
12.   vuur, geweldige bliksemstralen. — liet suizen van eene zachte stille, hetwelk na heftige bcroc-
riugen in de natuur, bepaaldelijk na een zwaar onweder, onbeschrijfelijk aangenaam aandoet. — Blij-
kens het drievoudig niet in... was Jahwe, beteekent deze schildering, ter bemoediging van Elia, dat
onder Israël geweldige tooneeleu van beroering en bloedstortiug, hier door storm, aardbeving en vuur
afgebeeld, moesten voorafgaan, eer Jahwe, met zijn verkwikkenden vrede, zou kunnen komen en wonen
onder zijn volk.
13.   Zie op vs. 11. — omhulde hij zijn gelaat, uit eerbied en om de godheid die voorbijging niet
in het aangezicht te zien; want wie God zag was een kind des doods. Zie op Gen. XVI: 13.
14.  Zie op vs. 10.
15.  naar de woestijn ean Damaskus. Daar Damaskus in een zeer vruchtbaar oord ligt, en Klia bui-
tcudien niet naar eene woestijn moest gaan maar naar Damaskus zelf, schuilt in de woorden de
woestijn van
cene fout. Misschien is het bij vergissing ingevoegd en luidde de tekst oorspronkelijk
begeef u naar Damaskus en zalf Hazaël enz. — Volgens 2 Kon. VIII: 7—15 hoeft — niet Elia
Hazaël tot koning gezalfd, maar — Eliza Hazaël aangekondigd dat hij koning over Aram zou worden.
Zie op vs. 10.
10. voorts — TsraiH zalven. Volgons 2 Kon. IX: 1—1U heeft — niet Klia, maar — op Kliza\'s
bevel con der profetenzonen Jehu tot koning gezalfd. Zie op vs. 15. Do schrijver van ons verhaal
onderstelt dat Elia zelf Hazaël en Jehu heeft gezalfd. Zie op vs. 19 en verg. Inl. — Jelui, den zoon
van Nimsji.
Volg. 2 Kon. IX : 2 Jehu, den zoon van Josjafat, den zoon van Nimsji. — Abel-mehola,
Zie op IV : 12. — tot profeet in uwe plaats, d. i. tot uw opvolger.
17.   het zwaard tan Hazaël. Volgens 2 Kon. X:32v. (verg. VIII: 12) valt het kwaad dat Hazaël
aan Israël gedaan heeft eerst na den ondergnng van Achabs huis en de uitroeiing van dcu Hnüldicnst.
— dien zal Eliza dooden. De boetgezanten die Jahwc\'s strafgerichtcn aankondigen worden geacht ze
door hun woord te voltrekken; zie op Gen. XXVII : 35. In de verhalen ons omtrent Eliza bewaard,
2 Kon. II—VIII, komt deze profeet echter meer als trooster van ongclukkigen en weldoener van zijn
volk dan als boetgezant voor.
18.   Maar — overblijven, die aan de strafgerichten over de goddeloosheid des volks zullen ontko-
men, de weinige getrouwen, de kern waaruit het rechtvaardig volk der toekomst zal voortkomen.
-ocr page 712-
1 KONINGBN XIX: 18—XX: 1.
792
doen overblijven: hen allen wier knie zich niet voor den baal gebogen
en wier mond hem niet gekust heeft.
19            Zoo ging liij van daar en trof Eliza, den zoon van >Sjafat, terwijl hij
aan het ploegen was, twaalf koppels voor hem uit, hij zelf bij het
20       twaalfde. Elia ging hem voorbij en wierp zijn mantel op hem.\' Hij
verliet de runderen, liep Elia achterna en zeide: Laat mij mijn vader
en mijne moeder kussen, en u dan volgen. Hij zeide tot hem: Ga
21       heen, keer terug; immers, wat heb ik u gedaan?\' Toen keerde hij
van hem terug, nam het koppel runderen, slachtte ze, kookte ze over
het tuig tier runderen en gaf het vleesch aan het volk, en zij aten.
Daarna maakte hij zich op, volgde Elia en was zijn dienaar.
Dit tot weerlegging van Elia\'s mismoedige klacht vs. 10, 14. — wier mond hem niet getuft heeft.
Het kussen van een bcelil of zijn voetstuk is ecne godsdienstige hulde; zie op Hoz. XIII: 2. Nog
heden kussen de Mohammedanen den zwarteu steen in de Kaaba te Mekka.
19.   van ilaar. Dit moet in dit verband beteekeneu: van den Horeb; doch de afstand tot Abel-me*
hola is groot. Wellicht is tusschen vs. IS eu 19 een bericht weggelaten waarin de zalving van Hazacl
en Jehu door Elia werd vermeld, of volgde oorspronkelijk op vs. 18 het verhaal der volledige uitvoe*
ring van den last vs. 16, hetwelk vervangen is door vs. 19—21, ontleend aan een ander verband cu
waarin van ecne zalving van Eliza geen sprake is. — twaalf koppelt, waarvan elf door andere ploe-
gers, zijne ondergeschikten (zie vs. 21), bestuurd. Eliza was dus de zoon van een welgesteld land-
bouwcr. — wierf) :>jn mantel op hem. Dit is cene zinnebeeldige handeling, aanduidende, of dat Eliza
zich als zijn dienaar bij hem moest voegen, óf dat hij voortaan den profctcnmautcl moest dragen,
derhalve nu tot het profetenambt geroepen werd; zie 1 Sam. XXVIII: 14; 2 Kon. 11:8, 13; /ach.
XIII: 4; Matth. 111:4. Over cene zalving (vs. IC) lezen wij niets.
20.   Laat — kussen, tot afscheid; verg. J.uc. IX: 61. — immirs — gedaan f Dit is in elk geval
ecu toornig woord, dat öf beteckent: wat hebben wij met elkander uitstaande? öf-. welke verplichtingen
hebt gij aan mij, die u zouden verhinderen te blijven wat gij zijt?
21.    Toen — terug, niet om de zijnen vaarwel te zeggen, maar om op plechtige wijze met zijn ver-
leden te breken. — hel koppel, waarmede hij zelf geploegd had (vs. 19). — het tuig, of gereedschap,
nl. het juk met tocbchoorcii, als brandhout gebezigd. Verg. 2 Nam. XXIV : 22. — gaf hel vleesch, met
omzetting van twee woorden. Eliza bereidde aan zijne ouderhoorigen een afscheidsmaal. — zijn die-
naar.
Verg. 2 Kon. 111:11.
HOOFDSTUK XX.
Achah overwint Ucnhadad. — Ucnhadad belegert Samarië (1); zijn eerste, hoewel zware, eisch wordt
toegestaan (2—4), cou nieuwe, buitensporige, nfgcslagen (5—9); waarop hij last geeft tot den storm
(10—12). Een profeet kondigt Achab de overwinning ann (13 v.), die schitterend behaald wordt (15—21).
Maatregelen voor een nieuwen veldtocht (22—25), die het volgend jaar plaats grijpt (26 v.), en waarin,
naar Jahwe\'s belofte (28), de Israëlieten andermaal de volledige zege behalen (29, 30a), terwijl Hen-
hadad, in den uitersten nood, om lijfsbehoud smeekt (304—33a) en door Achab vriendelijk bejegend
en vrijgelaten wordt (334, 84). Een profeet bestraft hierover den koning gestreng (35—13).
In de Oriekscho vertaling gaat II. XXI (de wijngaard van Naboth) vooraf; zoodat het verhaal van
de oorlogen met de Aramcërs (XX, XXII) geregeld wordt voortgezet en ten einde gebracht. Dit was,
naar het schijnt, de oorspronkelijke volgorde: evenals hier vs. 13 v. voorbereidt op vs. 15—21, vs. 22
op vs. 23, vs. 28 op vs. 29—34, evenzoo moet vs. 35—43 voorbercideu op Wil: 1—38: den af-
loop van Achabs derden strijd met de Arameers, als strafgericht van Jahwe, voorspeld door een pro-
feet. Aan die voorspellingen door profeten was den schrijver blijkbaar het meeste gelegen.
Opmerking verdient dat hier vnn Elia geen sprake is; alsmede, dut de profeten, wel verre van
vervolgd te worden, ongestoord in Samarië wonen en bij den koning geëerd zijn, terwijl zij van hun
kant, op cene enkele uitzondering na, hem welgezind zijn: dit een en ander lijnrecht in strijd met
XVII—XIX (zie XVIII: 4, 22; XIX: 10, 14), maar geheel in overeenstemming met H. XXII. Evenzoo
steekt de gunstige schildering van Achabs karakter als verstandig, dapper en edelmoedig (zie v>. 7,
11, 15 vv., 31 vv.; verg. XXII: 31, 34 v.) scherp af bij de ongunstige voorstelling van XVII—XIX,
XXI. In al deze opzichten verdient, naar het schijnt, ons verhaal de voorkeur. Stellig is de kern er
van uit oude bronnen geput en de hoofdzaak, Achabs herhaalde overwinningen op de Aramcërs, ge-
loofwaardig. /ie verder inl. op II. XXII.
XX: 1 Benhadad, de koning van Aram, verzamelde zijne gansche legermacht;
1. Benhadad. Zie op XV : 18. Tegen dezeu Ucnhadad heeft koning Salmanezer II van Assyrië drie-
maal (854, 849 en 846) een veldtocht ondernomen en hem overwonnen. — koningen, blijkens vs. 24,
onderhoorige vorsten, die hem (zie vs. 16) hulptroepen leverden.
-ocr page 713-
793
1 KONINGEN XX : 1 —15.
twee en dertig koningen stonden hem bij, niet paarden en strijdwagens.
2       Zoo trok hij op, sloot Saniarië in en tastte het aan.\' Hij zond boden
3       naar de stad tot Achab, den koning van Israël, \' en zeide hem: Zoo
zegt Benhadad: Uw zilver en goud is mijn, en uwe schoonste vruuwen
4       en zonen zijn mijn.\' Hierop antwoordde ile koning van Israël: Naar
uw woord, mijn heer de koning; ik ben van u met al het mijne.\'
5       Toen kwamen de boden andermaal en zeiden: Zoo zegt Benhadad: Ik
heb u de boodschap gezonden: Uw zilver en goud, uwe vrouwen en
6\' zonen zult gij mij geven.\' Doch neen, ik zal morgen om dezen tijd
mijne dienaars tot u zenden, die uw huis en de huizen uwer dienaars
zullen doorzoeken en al wat hunne oogen begeeren tot zich zullen
7       nemen en wegvoeren.\' Nu ontbood de koning van Israël al de oudsten
des lands en zeide: Merkt nu en ziet dat deze het toelegt op onzen
ondergang; want toen hij tot mij zond om mijne vrouwen en zonen,
8       mijn zilver en goud, heb ik het hem niet geweigerd.\' En al de
oudsten en het gansche volk zeiden tot hem: Luister niet en bewillig
9       niet.\' Zoo zeide hij aan de boden van Benhadad: Zegt mijnen heer,
den koning: Alles waarom gij den eersten keer tot uwen dienaar hebt
gezonden zal ik doen; maar dit kan ik niet doen. Toen nu de boden
10       heengegaan waren en hem antwoord gebracht hadden,\' zond Benhadad
hem de boodschap: Zóo, ja meer nog, zullen de goden mij doen, indien
het puin van iSamarië voldoende is om al het volk dat mij volgt de
11       holle hand te vullen!\' Maar de koning van Israël antwoordde: Genoeg!
12       Een die aangespt roeme niet als een die ontgespt.\' De ander, dit
woord hoorende, terwijl hij en de koningen in de tenten aan den maal-
tijd zaten, zeide tot zijne dienaars: Legt aan! Zij legden aan op de stad.
13           Daar trad een profeet op Achab, den koning van Israël, toe en zeide:
Zoo zegt Jahwe: Ziet gij heel deze groote menigte? Welnu, ik lever
14       ze heden aan u over; en gij zult weten dat ik Jahwe ben.\' Achab
zeide: Door wien? Hij zeide: Zoo zegt Jahwe: Door de knapen van
de districtshoofden. Achab zeide: Wie zal den strijd aanbinden? Hij
15       zeide: Gij.\' Toen monsterde hij de knapen der hoofden; er waren er
3. schoonste. Dit slaot op beiden, vrouwen, (lic de heerscher in zijn harem opnemen, cu zonen (zie
op 1:6), die hij uau zijn hof gebruiken (zie 2 Kon. XX : 18) en tevens als gijzelaars voor huns vaders
trouw behouden zou.
6.   Doch neen, d. i. bij nader inzien heb ik besloten. Achabs toegeeflijkheid doet Bcnhadads cischen
nog hooger stijgen. — hunne, volg. Gr. vert. j Hcbr. t. titoe.
7.  de oudsten des landt, de aanzicnlijksten door geboorterceht, hoofden van geslachten en stammen;
al degenen die in Samarië waren worden opgeroepen ter raadsvergadering. — onzen, duidelijkhcids-
halve ingevoegd. — niet geweigerd. Achab wil zeggen: zoolang Benhadad alleen hot mijne vroeg heb
ik niet geweigerd. Het hapert dus niet aan mijne bereidwilligheid. Maar uu heeft hij, zelfs daarmede
niet tevreden, geëischt dut wij alles, niet slechts mijne eigendommen, maar ook die van mijne die-
naren, aan de willekeur zijner beambten zullen prijsgeven.
10.  voluoende — vullen. Zoo talrijk is zijn leger, dat, als elk der manschappen een handvol puin
van Samarië, hetwelk hij zich reeds als gansch verwoest voorstelt, wil nemen, er te kort komt.
11.   Genoeg! volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Spreekt. — Een — on/gespt. Wie zijne wapenrusting eerst aantrekt
beroeme zich niet alsof hij reeds, na behaalde overwinning, huur allegde. Beginner is nog geen winner.
12.   de tenten. Het woord, hier en 2 Snm. XI: 11; Am. IX: 11 door tent vertaald, is gewoonlijk
hut of loofhut overgezet; zie Gen. XXXIII:17; Lcv. XXIII: 33—13; Jez. 1:8. — legt aan, nl. de
belegcringswerktuigen. Maakt u gereed tot stormloopen.
13—21. In dit verhaal heerscht cenige verwarring. Volg. vs. 14 zal Jahwe door niet weerbare
mannen de overwinning geven; waarmede overeenstemt vs. 21, waar de koning van Israël eerst na
de behaalde overwinning uittrekt. Hiermede is echter in strijd de voorstelliug van vs. 15, 17, 19, dat
de legermacht der Israëlieten onmiddellijk achter de knapen ten strijde trekt.
14.   Voor wien f nl. zal Jnhwe dit werk der verlossing verrichten. — de knapen, de bedienden, de
stalkuechten en dergelijke niet strijdbare lieden. Zóo zal Jahwo\'s macht blijken. — Wie — aanbin-
den?
Moet ik aanvullen of den aanval afwachten?
15.   monsterde hij. Blijkens het vervolg sluit dit hier in, dat zij in slagorde geschaard werden, om
uit te trekken ten strijde. — het gansche volle, nl. al het krijgsvolk dat zich in Samarië bevond. —
alle Israëlieten, zeven duizend man. De Gr. vort. heoft alle kloeke manschappen, zestig duizend.
-ocr page 714-
1 KONINGEN XX: 15—29.
794
tweehonderd twee en dertig; en achter hen monsterde hij het gansche
16       volk, alle Israëlieten, zeven duizend man.\' Op den middag trokken zij
uit, terwijl Benhadad in de tenten beschonken aan den maaltijd zat,
17       met de twee en dertig koningen die hem hielpen.\' Voorop togen de
knapen der districtshoofden. Toen men aan den koning van Aram
18       meldde: lit .Samarië zijn manschappen uitgetrokken —\' zeide hij:
Of zij zijn uitgetrokken om vrede aan te bieden, of om te strijden,
19       grijpt hen levend.\' Inmiddels togen zij de stad uit, de knapen der
20       districtshoofden en de legermacht die hen volgde,\' en ieder versloeg
zijn man. De Aranieërs vluchtten, de Israëlieten vervolgden hen, en
Benhadad, de koning van Aram, ontkwam te paard met eenige ruiters.\'
21       Daarop trok de koning van Israël uit en sloeg de paarden en strijd-
wagens en richtte onder de Aranieërs eene groote slachting aan.
22           Toen trad de profeet op den koning van Israël toe en zeide tot hem:
Kom, houd u kloek, en merk en zie wat u te doen staat; want na
verloop van een jaar zal de koning van Aram tegen u optrekken.\'
23       En de dienaars van den koning van Aram zeiden tot hem: Hun god
is een berggod; daarom zijn zij ons te sterk geweest. Maar strijden
24       wij met hen in de vlakte. Of wij sterker zullen zijn dan zij!\' Voorts
doe dit: verwijder de koningen, ieder uit zijne plaats, en vervang hen
25       door stadhouders.\' Dan zult gij zelf u eene legermacht tellen, gelijk
aan die welke gij verloren hebt, met evenveel paarden en strijdwagens;
opdat wij met hen strijden in de vlakte. Of wij sterker zullen zijn
dan zij! Hij luisterde naar hen en deed aldus.
2b\'          Na verloop van een jaar dan monsterde Benhadad de Arameërs en
27       trok op naar Afek, ten strijde tegen Israël.\' Ook de Israëlieten werden
gemonsterd en van leeftocht voorzien, en trokken hun te gemoet; en
de Israëlieten legerden zich tegenover hen, als twee troepjes geiten,
28       terwijl de Arameërs het land vulden.\' Toen trad de godsman op den
koning van Israël toe en zeide: Zoo zegt Jahwe: Omdat de Arameërs
gezegd hebben: Jahwe is een berggod en geen dalgod — zal ik heel
deze groote menigte aan u overleveren, en gijlieden zult weten dat
29       ik Jahwe ben.\' Nadat zij nu zeven dagen lang tegenover elkander ge-
legerd waren geweest, kwam het op den zevenden tot een treffen, waarin
de Israëlieten van de Arameërs honderd duizend voetknechten op óen
17. Toen men aan den koning van Aram meldde, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Toen M Benhadad zond
en men hem berichtte.
21.   Daarop — uit. Dit bericht bevreemdt ons na vs. 14.
22.  de profeet. Dezelfde als ilic vnu vs. 13. — na — jaar, letterlijk bij den terugkeer van het
jaar.
Bedoeld is: wanneer de tijd om uit te trekken (het voorjaar) weder daar is. In den winter
voerde men geen oorlog; /ie 2 Sam. XI :1. Achnb moest dit jaar zich ten nutte maken om tegen den
te verwachten nieuwen aanval voldoende gewapend te zijn.
23.  god, berggod. Dit mag, wat het Hebreeuwsche woord aangaat (zie op Gen. UI : 5), eveugoed in het
meervoud gclczeu worden: goden, berggodeu; maar zie vs. 28. — berggod, naar de gewone heidenscho
opvatting dat iedere god zijn bijzonder grondgebied had, waar hij het meeste vermocht. Jahwe heet
hier zoo, omdat Isracls land een bergland was, wellicht ook omdat hij bij voorkeur op bergen werd
vereerd. Verg. op Dcut. XXXIII: 2. — daarom — geiceeat, toen wij streden in de bergstreck van
Samarie. Zie XVI: 24; Am. III :9j IV : 1; VI: 1.
24.   vertcijdir — plaats. Zet hen af; verg. vs. 1. Met hunne plaat» wordt de stad of streek be-
docld waarover zij als lecnmuuiicn van den koning van Aram hccrschtcn. — stadhouders, die, afhan-
kelijkcr dan koningen, gewilliger volgers zouden zijn in den nieuwen veldtocht; zie vs. 25.
25.   gij zelf, zij \'t ook door middel van de stadhouders; maar de lichting zou overal geschieden
in lienhudads naam; de koningen zouden het niet meer doen. — tellen, doen opschrijven en bijeen-
brengeu.
20. Afek. Zie op 1 Sam. XXIX :1. De slag werd dus in de vlakte van Jizrccl geleverd.
27.  ah tieee troepjes geiten. Hiermede wordt hun gering aantal aanschouwelijk gemaakt, tegenover
de groote menigte der Arameers.
28.  de godsman. Waarschijnlijk is dezelfde bedoeld als de profeet van vs. 13 en 22.
-ocr page 715-
795
1 KONINOBN XX : 29—41.
30       dag versloegen;\' en toen de overgeblevenen naar Afek vluchtten, de
stad in, viel de muur op de zeven en twintig duizend man die over-
gebleven waren. Ook Benhadad vluchtte en kwam in de stad, in eene
binnenkamer.
31           Toen zeiden zijne dienaars tot hem: Zie eens, wij hebben gehoord
dat de koningen van het huis Israël genadige koningen zijn; laat ons
dan rouwkleederen om ons middel doen en koorden om ons hoofd, en
zoo uitgaan tot den koning van Israël; misschien zal hij uw leven
32       sparen.\' Zij gordden dan rouwkleederen om hun middel en koorden
om hun hoofd; en zoo tot den koning van Israël komende, zeiden zij:
Uw knecht Benhadad zegt: Worde toch mijn leven gespaard! Hij
33       zeide: Is hij nog in leven? Hij is mijn broeder.\' De mannen vatten
dit als een goed voorteeken op, hielden hem Huks bij zijn woord en
zeiden: Benhadad is uw broeder. Waarop hij zeide: Haalt hem hier.
Toen nu Benhadad tot hem uitkwam, liet hij hem op zijn wagen
34       klimmen.\' Benhadad zeide tot hem: De steden welke mijn vader aan
uw vader ontnomen heeft zal ik teruggeven, en gij zult u straten in
Damaskus maken, zooals mijn vader in Somalië gedaan heeft. En hij
zeide: Ik van mijn kant zal u op deze voorwaarde vrijlaten. Zoo sloot
hij eene overeenkomst met hem en liet hem vrij.
35           Maar een uit de profetenzonen zeide tot zijn metgezel op last van
30 Jahwe: Sla mij. Deze weigerde hem te slaan.\' Hierop zeide hij tot hem:
Nademaal gij naar Jahwe niet geluisterd hebt, zal u terstond als
gij van mij gaat een leeuw dooden. En toen hij van hem ging, kwam
37       hem een leeuw tegen en doodde hem.\' Daarna vond hij een ander en
38       zeide: 81a mij. En deze sloeg en verwondde hem.\' Nu ging de profeet
henen en stelde zich den koning in den weg, onkenbaar door zijn
39       tulband over de oogen.\' En toen de koning voorbijging, riep hij tot
den koning en zeide: Uw knecht was het strijdgewoel ontweken, en
zie, daar bracht een bevelhebber een man bij mij en zeide: Bewaar
dezen man; indien hij gemist wordt, zult gij voor hem in de plaats
40       komen of een talent zilver betalen.\' Maar terwijl uw knecht hierheen
\'v\\ y«n daarheen keek, weg was hij. Toen zeide de koning van Israël tot
4l\\^hem: Zoo hebt gij, naar uwe eigen uitspraak, uw verdiende loon.\' Nu
80.  enie binnenkamer, letterlijk eene kamer in eene kamer. Verg. XXII: 25; 2 Kon. IX: 2.
81.  koorden om ons hoofd. De bedoeling zal wel zijn: om den nek. Evenals de rouwgewaden, het
tecken van den diepstcn deemoed: zij gaven zich op genade of ongenade over.
83. De — op. Ken voorteeken toch geldt slechts, volgens de oudheid, indien men er nis \'t ware
terstond beslag op legt. — hielden — noord. I)c lezing en vertaling is niet geheel zeker. — liet hij
(Achab) hem (Benhadad) op zijn vagen klimmen, ten teeken dat hij hem niet als ovcrwonncliug,
maar als broeder behandelen wilde, /ie 2 Kon. X:15.
34. Benhadad, duidclijkhcidslialve in pi. v. hij. — mijn vader. Zie XV : 18. — uw vader. Do oorlogen
van Omri worden alleen vernield XVI: 27. — stralen, eene afzonderlijke wijk, waarin de Israëlieten
onder eigen bestuur en rechtspleging konden leven en handel drijven. Eene zaak vmi hoog belang in
de oudheid, toen gelijkheid voor de wet niet bestond en iemand in een vreemd land, tenzij zijne natie
door zulk eene overeenkomst bevoorrecht was, rcchtloos tegenover de bevolking stond. — Eu hij zeide,
naar gissing ingevoegd.
85. de profetenzonen. Zoo hectcu 2 Kon. 11:8, 5, 7, 15 j IV : 38—41 j VI: 1—7; Am. VII: 14 do
bewoners der profetenhuizen; wanrovor zie op 1 Som. XIX: 18. — op last van Jahwe. Dezelfde uit-
drukkiug als XIII : 2, 5, 18.
30. Nademaal — hebt. Ken profeet is viior alles verplicht, onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan
Jahwe\'s last te bctooncn. Zie XIII: 20—28. — een leeuw. Ook XIII: 24—28 is een leeuw do uitvoer-
der van Jahwe\'s vonnis.
88.  zijn tulband, volg. verb. t.; Hebr. t. atch.
89.  een bevelhebber, volg. verb. t. j Hebr. t. een afgeweken man. — een man. Uit de waarde die
deze krijgsgevnngene heeft blijkt dat een aanzienlijke bedoeld wordt.
40. hierheen en daarheen keek, volg. do oude vertt.j Hebr. t. hier en daar bezig wat, of dit of dat
deed.
— Zoo, gelijk in vs. 89 (aan het slot) was gezegd. — uw verdiende loon. Ondersteld wordt dat
die bevelhebber hem zoo gcslngcn heeft in toorn over die ontsnapping.
-ocr page 716-
796
1 koningen XX : 41—XXI: 7.
deed hij haastig den tulband van zijne oogen weg; waarop de koning
42       van Israël hem herkende als een van de profeten,\' en hij tot hem zeide:
Zoo zegt Jahwe: Omdat gij den man die onder mijn banvloek ligt
hebt vrijgelaten, zult gij voor hem in de plaats komen, en uw volk
43       vt>or zijn volk.\' Toen ging de koning van Israël naar zijn huis, wre-
velig en vergramd, en kwam te Samarië.
42. den man — ligt, Itcuhadad, dien Jahwe ten ondergang had gewijd; verg. Jez. XXXIV: 5. —
zult — Xe»*™. Zie XXII : 2\'J—38.
HOOFDSTUK XXI.
I)c wijngaard van Xahoth. — Achab is verstoord, omdat Naboth weigert hein zijn wijnberg te
vcrkoopcii (1—4). Izcbcl belooft hem dien (5—7), en gelast de overheid te Jizreël, Naboth te doen
aanklagen en tcrcchtstcllen (8—10). Haar last wordt volvoerd (11—11), waarop Achab den wijngaard
in bezit neemt (15 V.). Klia, door Jahwe gezonden, bestraft hem ten strengste (17—30); geduchte bc-
dreigiug tegen Achab en Izebel (21—24) om hunne zware zonden (25 v.). Daar Achab zich verootiuoc-
digt (27), wordt de «traf uitgesteld (28 v.).
Over de zonderlinge plaatsing van dit hoofdstuk tusschen XX en XXII zie ml. op 11. XX. Wij heb-
ben hier weder ecu stuk uit de geschiedenis vau Klia, doch of het aan den 1\'rofctenspiegcl ontleend
is, is onzeker. Met XVII—XIX toch heeft ons verhaal dit gemeen dat Klia als bode. vau Jahwe\'s straf-
gcricht den schuldigen koning onverwachts onder de oogen komt; maar terwijl hij daar als strijder
voor Jahwe tegen den baül optreedt, is hij hier de handhaver van het geschonden recht; duur is de
begunstiging van den Kualdieust, hier ccuc bepaalde misdaad de reden voor de uitroeiing van Achabs
geslacht. Ken verzamelaar, dit gevoelende, heeft het een met het ander ia. verband gebracht door de
invoeging van vs. 25 v.
Ons verhaal is in hoofdzaak historisch; het bezit niet slechts inwendige kenmerken vau gcloof-
waardighcid, maar wordt ook van elders in hoofdtrekkcu bevestigd en in bijzonderheden nangevuld
(zie op 2 Kon. IX:25v.). Wij moeten echter het slot uitzonderen: Achabs berouw (vs. 27—20), uit-
gcdacht om het uitstel der gedreigde straf te verklaren (zie op vs. lit, 29 en XXII: 88).
XXI:1 Kadezen gebeurde het volgende: Naboth van Jizreël had een wijn-
2       gaard naast het paleis van Achab, den koning van .Samarië.\' En Achab
sprak tot Naboth: Geel\' mij uwen wijngaard, opdat hij mijn lusthof
worde; want hij ligt juist naast mijn huis; ik wil u er een beteren
voor in de plaats geven; of, indien dit u liever is, wil ik u geld
3       geven, zooveel bij waard is.\' Maar Naboth zeide tot Achab: Daarvoor
4       beware mij Jahwe, het erfdeel mijner vaderen u te geven!\' Achab,
thuis gekomen, wrevelig en vergramd om hetgeen Naboth van Jizreël
tot hem gesproken had: Ik geef u het erfdeel mijner vaderen niet —
ging op zijn bed liggen, wendde zijn gelaat af en at niet.
5           Toen kwam Izebel, zijne vrouw, bij hem en sprak tot hem: Waarom
(5 zijt gij wrevelig gestemd en eet gij niet?\' Hij zeide tot haar: Omdat,
toen ik met Naboth van Jizreël sprak en hem zeide: Geef mij uwen
wijngaard voor geld; of, indien gij het begeert, wil ik u een anderen
er voor in de plaats geven — hij gezegd heeft: Ik geef u mijn wijn-
7 gaanl niet.\' Maar Izebel, zijne vrouw, zeide tot hem: Nu moet gij
toonen dat gij koning over Israël zijt. Sta op, eet en wees goedsmoeds;
1. Kadezen, onbepaalde tijdsopgavc, ingevoegd om dit verhaal ecnigermate aan het voorafgaande
vast te knoopen. — Jizreël. Zie op Joz. XIX: 18. — had, volg. Gr. vert.; Hebr. 1. heeft nog Ie Jizreël;
waarschijnlijk cene naiiteckcuing aan den rand der bladzijde, behoorendc bij liet paleis en te onjuister
plaats in den tekst ingeslopen.
3.   Daarvoor — Jahwe, letterlijk Dat zij verre van mij vanwege Jahwe. Zie Joz. XXII: 2!); 1 Sam.
XXIV: 7. Zijne gehechtheid aan het voorvaderlijk erf was hem gewetenszaak, godsdienstzaak.
4.  thuis, waarschijnlijk te Samaric; zie vs. 8. — niet, letterlijk geen brood. Evenzoo vs. 5.
7. Nu — zijt, letterlijk Gij moet nu koninklijk bevind over Israël voeren. Anderen verstaan dit als
vraag op hckcligcn toon Voert gij »* koninklijk bewind over Itraël? Aldus Gr. vert., met invoeging
van zóo.
-ocr page 717-
1 KONINGBN XXI : 7—20.
797
8       ik zal u den wijngaard van Naboth leveren.\' Daarop schreef zij een
brief uit naam van Achab, sloot dien met zijn zegel en verzond hem
9       aan de oudsten en de edelen, de stadgenooten van Naboth.\' Zij schreef
in den brief het volgende: Kondigt eene vasten af; plaatst Naboth
10       aan het hoofd des volks,\' en zet tegenover hem twee deugnieten, die
tegen hem moeten getuigen: Gij hebt God en den koning vaarwelge-
zegd. Hrengt hem dan naar buiten en steenigt lieru, opdat hij sterve.
11            De mannen nu zijner stad, de oudsten en de edelen, zijne stadge-
nooten, deden zooals Izebel hun gelast had, naar hetgeen geschreven
12       was in den brief dien zij hun gezonden had:\' zij kondigden eene
13       vasten af en plaatsten Naboth aan het hoofd des volks;\' vervolgens
kwamen de twee deugnieten, zetten zich tegenover hem, en de deug-
nieten getuigden tegen hem ten overstaan van het volk: Naboth heeft
God en den koning vaarwelgezegd. Toen bracht men hem buiten de
14       stad en steenigde hem, zoodat hij stierf.\' Daarop zonden zij aan Izebel
15       bericht: Naboth is gesteenigd en is dood.\' En zoodra Izebel hoorde
dat Naboth was gesteenigd en dood was, zeide zij tot Achab: Maak
u op, neem den wijngaard van Naboth van Jizreël in bezit, dien hij
geweigerd heeft u voor geld af te staan; want Naboth is niet meer
16       in leven, hij is dood.\' Zoodra Achab nvi hoorde dat Naboth dood was,
maakte hij zich op, om den wijngaard van Naboth van Jizreël in bezit
te gaan nemen.
17, 18 Toen kwam het woord van Jahwe tot Elia, den Tisbiet:\' Maak u
op, ga Achab, den koning van Israël, die te Hamarië woont, tegemoet;
zie, hij is in den wijngaard van Naboth, dien hij in bezit is gaan
19       nemen,\' en spreek tot hem: Zoo zegt Jahwe: Hebt gij doodslag be-
gaan en u tevens verrijkte Daarom, ter plaatse waar de honden het
20       bloed van Naboth hebben gelekt zullen zij ook het uwe lekken.\' Toen
zeide Achab tot Elia: Hebt gij mij gevonden, mijn vijand.\' Hij zeide:
8.   tloot — zegel. De opgerolde brief (Ps. XL: 8; Jez. XXXIV: 4) werd gesloten met leem (Job
XXXVI11 : 1 ti — bij wijze van ons lak — waarin het koninklijk zegel, even geldig als bij ons de
handteekening, werd afgedrukt. Izebel had dus daarvoor den zegelring van haar gemaal, en hiermede
onbeperkte volmacht, ontvangen. Verg. Est. VIII: 8, 10.
9.  eene vasten, Kene nlgcmccnc en openbnre verootmoediging voor Jahwe (verg. 1 Sam. VII: 6), ter
gelegenheid wuarvan ieder verplicht was, iu de volksvergadcring het kwaad van zijn naaste aan te
brengen dat nog onbekend, althans ongestraft, gebleven was, waardoor dus de goddelijke toorn kon
rusten op stad of land. /ie op 2 Sam. XXI : 3. — ploalit — rotts. Hij den optocht en in de verga-
dering moest Naboth, als bekend staande voor een der vroomsten en besten, vooraan geplaatst wor-
den. Werd hij, na zulk eeuc onderscheiding, aangeklaagd en op wettige wijze van schuld overtuigd,
des te zwaarder cu zekerder wns dan zijne straf.
10.  twee. Op de gelijkluidende aanklacht van twee personen werd men onder Isracl veroordeeld. Zie
Deut. XVII: 6; XIX: 15, welke verordeuingen wel uit later tijd zijn, doch slechts het oude gebruik
bekrachtigden; verg. op Num. XXXV : 30. — deugnieten. Zie op Deut. XIII: 13. Dit woord stond na-
tnurlijk niet in den brief; de schrijver ontleent het aan vs. 13. — Gij — vaartoelgezegd. Zie op Kiod.
XXII: 28. Majesteitscheunis — en deze misdaad wil Izebel zien in de weigering van Naboth aan
den koning — kon tevens als godverzaking worden toegerekend, omdat de koning als gezalfde en
vertegenwoordiger Gods werd erkend. Over vaarwelgezegd zie op Job 1:5. — Brengt — buiten. Bui-
ten de poort der stad was de plaats der terechtstelling. Verg. Lev. XXIV : 14, 23. — ttcenigt hem.
Deze doodstraf was voor zulk eene misdaad aangewezen. Vergelijk, al is deze wet eerst dcrdchalve
eeuw na Achab ingevoerd, Deut. XIII: 10; XVII: 5; ook Lev. XXIV : 14, 16.
15.  neem — in bezit. Hieruit moet men opmaken dat de goederen van tcrechtgesteldcn wegens ma-
jesteitschcunis aan de kroon vcrvieleu. Volgens 2 Kon. IX: 26 warcu de zonen van Naboth met hun
vader gesteenigd.
16.   om — nemen, letterlijk om af te dalen — Samaric\' was hoog gelegen — naar den icijngaard
va» Naboth, om dien in bezit te nemen.
Evenzoo vs. 18.
19.   De woorden en ipreek tot hem t Zoo zegt Jahtoe staan in Hebr. t. tweemaal. — Daarom, volg.
Gr. vert. ingevoegd. — ter plootte waar. Dit behoort mede tot de eigenaardige kenteekenen der god-
delijke vergelding. Zie verder op XXII: 88 en op 2 Kon. IX: 26.
20.   Toen, nl. toen Elia den last van Jahwe (vs. 17—19) ten uitvoer legde, hetgeen onze schrijver
stilzwijgend onderstelt. — Hebt — vijand? Achab gaat van de onderstelling uit dat Elia zijn per-
soonlijke vijand ia, die de gelegenheid zoekt hem kwaad te doen.
-ocr page 718-
1 koningen XXI: 20—29.
798
Ik hel) u gevonden; omdat gij u verkocht heht om te doen wat kwaad
21       is in het oog van Jahwe.\' Zoo zegt Jahwe: Zie, ik ga onheil over
u brengen, ik zal u wegvagen en van Achab al wat manlijk is, den
22       onmondige en den mondige in Israël, uitroeien,\' en uw huis stellen
gelijk dat van Jerobeam, den zoon van Nebat, en gelijk dat van llaëza,
den zoon van Aliia: omdat gij mij getergd hebt en Israël hebt doen
23       zondigen.\' Ook van Izebel heeft Jahwe gesproken: De honden zullen
24       Izebel verslinden op den grond van Jizreël.\' Wie van Achab in de
stad sterft, dien zullen de honden verslinden, en wie van hem op
25       het land sterft, dien zullen de vogelen des hemels verslinden.\' Neen,
nooit heeft iemand zich zoo als Achab verkocht om te doen wat kwaad
was in liet oog van Jahwe, daartoe aangezet door zijne vrouw Izebel.\'
2(> Zeer afschuwelijk handelde hij, aan de schandgoden zich houdende,
naar al wat de Amorieten gedaan hadden, die Jahwe voor de Israëlieten
uit had verdreven.
27            Achab nu, zoodra bij deze woorden hoorde, scheurde zijne kleederen
en deed een rouwkleed om het lijf, vastte, legde zicli in het rouwkleed
28       te slapen en liep zachtkens.\' Toen kwam het woord van Jahwe tot
29       Elis, den Tisbiet:\' Hebt gij gezien dat Achab zich voor mij heeft ver-
ootmoedigd.\' Omdat hij zich voor mij verootmoedigd heeft, zal ik het
onheil niet in zijne dagen hrengen; in de dagen zijns zoons zal ik het
onheil over zijn huis brengen.
21—24. Deze woorden passen niet in ilcn mond van Klin bij deze gelegenheid; zij zijn vim den-
zclfden man die XIV: 10 y.; XVI:]—]; 2 Kon. IX: 8—10 schreef.
21.  Zoo zegt Jahwe, ingevoegd naar tic Gr. vert. — Zie verder op XIV : 10.
22.  Zie XV: 20; XVI: 3, 11. — Kr ia hier geen sprake meer van den gcrcchtelijkcn moord
van Naboth, mnnr — geheel onverwachts — van Achahs beleid in zake den godsdienst. Zie
XVI: 30—33.
23.   i/e» grond, verbeterde lezing, door bijvoeging van cene letter, naar 2 Kon. IX: 10, 3(5, 37;
Hebr. t. voormnur, gloeit,
21. Zie op XIV: 11. — tan hem, ingevoegd nnar vele hss., Gr. en Syr. vertt.
25 v. Hier spreekt noch Jahwe, noch Klin, inaur de schrijver.
2(1. schanitgoilen. Zie op Lcv. XXVI: 30. — Amorieten. Verg. op Oen. X : 10.
27. tehturat — zachtkens, onderscheiden manieren van rouwbetoon. Over het scheuren der klccdc-
ren en het rouwkleed zie (icn. XXXVI]: 20, 84 en elders; dit op het blootc lijf te dingen (zie 2 Kon.
VI: 30) was, wegens de ruwe stol\', eene boetedoening, nog verscherpt, indien men het ook bij nacht
aanhield (Joel 1: 13). Ook het stil en langzaam loopeu kan een treken van ootmoed zijn.
29. Zie op XXII : 38. — zijm zoons, Joriim. Zie 2 Kon. IX, X.
HOOFDSTUK XXII: 1—40.
Achnbs dood. — Nn driejarigen vrede met de Arninccis (1), wil Achab, met Josjnfnt tot bondge-
noot, Itnma op hen heroveren (2—t); op verzoek van Juda\'s koning, raadpleegt hij over dit plan de
profeten, die hem eenparig de zegepraal beloven, behalve Micha, die, later ontboden, het sneuvelen
van Isrncls koning voorspelt (5—18) en verklaring geeft van de eenstemmige profetie der anderen
(19—23). Hij wordt hiervoor geslagen (24 v.) en gevangen gezet (20—28). Achab, niettegenstaande ge-
nomen voorzorgen (29—33) in den slag gewond (34), sterft den hcldcndood (35—38). liesluit van zijne
regeering (39 v.).
J)e beide laatste verzen stnan op zich zelf, wijzen de rijksjnarbocken als hunne brou aan en doen
ons betreuren dat daaruit niet veel meer is bewaard gebleven. Het daaraan voorafgaand verhaal is,
blijken, inhoud en kleur, afkomstig uit een profetischeu kring. Opmerkelijk, dat ook bier meestal
„de koning van Israël" voorkomt, zonder zijn naam Achab, evenals in II. XX, waarmede ons hoofd-
stuk nauw samenhangt, en in de verhalen over Eliza (zie inl. op 2 Kon. IV). Het is onafhankelijk
van het geschrift over Klia en Eliza (zie inl. op XVII—XIX), ja, met den inhoud daarvan op inccr
dan een punt in tegenspraak: hier is van Klia geen spoor, en treedt Micha op als de standvastige
tegenstander van Achab; deze koning, in stede van de profeten uit te roeien, staat met de mcesten
hunner op een goeden voet; zijn karakter vertoont zich hier weder in een minder ongunstig licht
(verg. inl. op 11. XX). Aan het slot heeft ons verhaal waarschijnlijk eene wijziging ondergaan (zie op
vs. 25 en vs. 38). De hoofdinhoud is stellig geloofwaardig.
-ocr page 719-
1 KONINGBN XXII : 1 — 13.
799
XXII: 1 Zoo zaten zij drie jaren stil, dat er geen oorlog was tusschen Aram
2       en Israël.\' In liet derde jaar kwam Josjafat, de koning van Juda, tot
3       den koning van Israël.\' Toen zeide de koning van Israël tot zijne
dienaren: Weet gij wel dat llarua in üilead van ons is/ En wij blijven
4       in gebreke, het den koning van Aram al\' te nemen!\' Daarop zeide hij
tot Josjafat: Gaat gij met mij ten strijde naar liama in Gilead/ En
Josjafat zeide tot den koning van Israël: Ik ben als gij, mijn volk is
5       als uw volk, mijne paarden zijn als uwe paarden.\' Doch Josjafat zeide
(5 tot den koning van Israël: Raadpleeg toch vooraf Jahwe.\' Toen verzamelde
de koning van Israël de profeten, omstreeks vierhonderd man, en zeide
tot hen: Zal ik tegen Itama in Gilead ten strijde gaan, of het nalaten/
Zij zeiden: Trek op, en zeker zal de Heer het in \'s konings hand
7       geven.\' Maar Josjafat zeide: Is hier niet nog een profeet van Jahwe,
8       om door hem de godheid te raadplegen/\' Hierop zeide de koning van
Israël tot Josjafat: Er is nog éen man door wien wij Jahwe kunnen
raadplegen; maar ik haat hem, omdat hij mij nooit goed, maar kwaad
profeteert: Micha, de zoon van Jimla. Maar Josjafat zeide: De koning
9       spreke niet aldus!\' Nu riep de koning van Israël een kamerling en
10       zeide: Haal terstond Micha, den zoon van Jimla.\' Intussc-hen zaten de
koning van Israël en Josjafat, de koning van Juda, elk op zijn troon,
bekleed met purperen gewaden, aan den ingang der poort van Samarië,
11       terwijl al de profeten voor hen profeteerden.\' En Sedekia, de zoon van
Kenaüna, had zich ijzeren horens gemaakt en zeide: Aldus spreekt
Jahwe: Hiermede zult gij de Arameërs stooten, totdat gij hen ver-
12       nietigd hebt.\' En in dier voege profeteerden al de profeten: Trek op
naar Itama in Gilead, en wees voorspoedig! Jahwe zal het in \'s konings
hand geven.
13           De bode nu die gegaan was om Micha te roepen sprak aldus tot
V». 2—35. 2 Kron. XVIII : 2—34.
1.   zij, Aram en Israël, of lienhadad en Achab. — drie jaren, na het vredesverdrag XX: 31, waar-
aan dit verhaal zich onmiddellijk aansloot.
2.   Na de langdurige vijandige verhouding tussehen de broederrijken (verg. XIV: 30; XV: 7, 10),
kwam volgens vs. \\\'i onder de regecriug van Aehab en Josjafat de vrede tot stand. Naar het schijnt,
nam Josjafat daarbij de verplichting op zich, den koning van Israël in den oorlog bij te staan (vs. 4;
2 Kon. III: 7). Het verbond was bezegeld door het huwelijk van Joram, den zoon van Josjafat, met
Athalja, de dochter van Achnb; zie 2 Kon. VIII: 18.
3.   Barna in Gilead. /ie op Dcut. IV: 43. lienhadad had dus, tegen zijne belofte (XX: 34), deze
plaats nog altoos in bezit gehouden.
4.  Ik — uwe paarden. Ik stel mij met mijne ganschc krijgsmacht te uwer beschikking.
0. zeker, ingevoegd uit Gr. vert. — Zij zeiden — geven. Het gevoel dat Achab in deze zaak het
recht aan zijne zijde had, gepaard nan vaderlandsliefde, vertrouwen op Jahwc\'s macht, en welwillend-
heid jegens den koning, guveu hun deze eenparige godsprank in; ook minder edele drijf veeren kun-
nen in het spel geweest zijn; verg. vs. 13 v., 26 v.
7.   Il — raadplegen? Josjafat wenscht volle zekerheid, dat niet soms ecu is overgeslagen die gc-
raadplccgd behoorde te worden; immers zou zoo iemand daarover verstoord kunnen zijn en onheil be-
rokkenen. Er kan ook wantrouwen tegen de vierhonderd profeten bij gekomen zijn.
8.   omdat — profeteert. Hit deed Micha, omdat in zijn oog Achab wegens den Kaüldicnst — of
wegens den moord van Naboth — de straf van Jahwe verdiend hnd. Men achtte het gevaarlijk dat
iemand een profeet dia hem niet genegen wns raadpleegde, omdat deze allicht door de nauwe bctrek-
king waarin hij tot de godheid stond ongunstigen invloed op haar antwoord oefenen kon. Zie op
v». 18. — Se kening — aldus/ Beleefd verzoek aan Achnb om zijn weerzin tegen Micha tö
overwinnen.
10.   bekleed met purperen gewaden. Zie Richt. VIII: 26; purperen is tekstverbetering bij gissing;
Hcbr. t. bekleed met gewaden, op een dorichvloer; zie 2 Kron. XVIII: 9. — profeteerden, d. i. in
godsdienstige opgewondenheid spraken en handelden. Zie op 1 Sam. X: 5.
11.   Over de gewoonte der profeten door zinnebeeldige handelingen de voorspelling van de toe-
komst indrukwekkender te maken zie op XI: 80 v. — ijzeren horen», beeld van kracht; zie op 1
Sam. 11:1.
13. al — voorspeld, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de woorden der profeten zijn uit éenen mond goed
voor den koning.
— zij — goedel Dit verzoek van den bode gaat uit van de onderstelling dat de
profeet zelf er veel aan kon doen dat zijne godspraak gunstig of ongunstig luidde.
«
-ocr page 720-
1 KONINGEN XXII: 18 —26.
800
hem: Zie eens, al de profeten hebben uit éenen mond den koning het
goede voorspeld; zij toch uw woord als dat van een hunner, en voor-
14 spel het goede.\' Maar Micha zeide: Zoo waar als Jahwe leeft, wat
Jahwe mij zal zeggen, dat zal ik spreken.
J5          Toen hij nu bij den koning gekomen was, zeide deze tot hem: Micha,
zullen wij naar Barna in Gilead ten strijde gaan, of het nalaten? Hij
zeide tot hem: Trek op en wees voorspoedig! Jahwe zal liet in \'s konings
1(5 hand geven.\' Maar de koning zeide tot hem: Hoeveel malen moet ik
u bezweren, niets dan de waarheid in Jahwe\'s naam tot mij te spreken l\'
17       Toen zeide hij: Nu dan! Ik zag gansch Israël verstrooid over de her-
gen, als schapen die geen herder hebben, en Jahwe zeide: Uezen
18       hebben geen heer; ieder keere in vrede naar zijn huis terug.\' Hierop
zeide de koning van Israël tot Josjafat: Heb ik het u niet gezegd:
19       Hij profeteert mij nooit goed, maar kwaad.\'\' Doch Micha zeide: Nu
dan! Hoor het woord van Jahwe. Ik zag Jahwe gezeten op zijn troon
en het gansene heir des hemels bij hem staande aan zijne rechter- en
20       zijne linkerhand;\' en Jahwe zeide: Wie zal Achab, den koning van
Israël, overhalen, dat hij optrekke en sneuvele bij Rama in Gilead.\' De
21       een nu zeide aldus, en de ander zeide alzoo.\' Toen trad de geest
vooruit, ging vóór Jahwe staan en zeide: Ik zal hem overhalen. Jahwe
22       zeide tot hem: Hoe ?\' Hij zeide: Ik zal heengaan en een leugengeest
zijn in den mond van al zijne profeten. Hij zeide: Gij zult hem over-
23       halen; ja, gij zult het vermogen.\' Ga heen en doe alzoo. Nu dan, zie,
Jahwe heeft een leugengeest gelegd in den mond van al deze uwe
profeten; en Jahwe heeft kwaad over u besloten.
24           Toen trad Sedekia, de zoon van Kenaiina, toe, gaf Micha een kinne-
bakslag en zeide: Hoe is de geest van Jahwe van mij overgegaan om
25       tot u te spreken?\' Micha zeide: Dat zult gij gewaarworden, te dien
dage als gij zult gaan in eene binnenkamer, om u te verbergen.\'
2(5 De koning van Israël nu zeide: Neem Micha en breng hem terug bij
15. Trek op — geven. Michft xa;l>rnikt met opzet dezelfde woorden als de andere profeten (va. 0,
12), maar doet dit — «lijken» de ongeduldige vraag van Achab, vs. 10 — op zulk een toon dat deze
wel moest bemerken hoc weinig hein dit ernst was.
17.   Nu dan! ingevoegd volg. Gr. vort. — Ik zag, nl. in profetische geestvervoering. — als
schapen r/ie geen henler hebben,
ingewikkelde aankondiging van Achabs dood. — in vrede. Met den
dood van den aanvaller was de oorlog ten einde; verg. vs. 30.
18.  /ie vs. 8.
lö. Verg. Jcz. VI: 1. — Micha, duidclijkhcidshalvc; Hebr. t. hij. — Hoor het woord van Jahwe.
Micha weert de verdenking van zich dnt hij uit persoonlijken afkeer van Achab, niet op lnst van
Jahwe, zijne ongunstige godspraak gaf, en lnat aanstonds de verklaring volgen van het verschil tus-
scheii hein en de andere profeten. — het gantche heir des hemelt, de engelen, de hofhouding van
Jahwe. Kr wordt hier eene raadsvergadering vau den hcmclkoning beschreven. Verg. Job 1:7—12;
11:1—0; I\'s. I.XXXII.
20.   Wie zal, wie kan? wie weet het beste middel? — den koning van Israël, ingevoegd volg.
Gr. en Lat. vertt. en 2 Krou. XVIII: 19. — en sneuvele. De toeleg van Jahwe is, Achab te doen
sterven.
21.   de geest. De geest van Jahwe (vs. 21), die over den mensch komt, om hem tot buitengewone
daden in staat te stellen (zie b. v. Richt. VI: 34; XIV : 0, lö; XV: 14), en die bepaald de profeten
bezielt (zie op Gen. 1: 2), wordt hier, als dienaar van Jahwe en voltrekker van zijn welbehagen, ver-
persoonlijkt (zie Spr. VIII: 22—31). — trad... vooruil, uit de rij der dienaren die rechts en links van
Jahwe\'s troon stonden.
22.   Ik — profeten. De vierhonderd waren dus ook volgens Micha Jahwe profeten en te goeder
trouw. Zie op .Ier. IV : 10.
24.   Hoe — spreken? Hoe is het denkbaar, dat de geest van Jahwe, die mij vervulde, in u zou
zijn gevaren?
25.   te die» dage — verbergen. Zie op XX : 30. Als Achab gesneuveld zou zijn, zou Sedckia zich ver-
schuilen zoo goed hij maar kon, hetzij uit schaamte, hetzij uit vrees voor de wraak van het hof of
de woede des volks. De vervulling dezer profetie wordt niet vermeld, maar was wellicht in het oor-
spronkelijke, nog niet aan het slot gewijzigde, verhaal beschreven, evenals het verdere lot van Micha
(zie op vs. 38).
-ocr page 721-
1 koningen XXII: 26—38.                                801
27      Amon, den overste der stad, en bij Joas, den zoon des konings;\' en
zeg: Zoo zegt de koning: Zet dezen in de gevangenis en spijzigt
hem met brood en water der verdrukking, totdat ik ongedeerd weder-
28      kom.\' En Micha zeide: Indien gij werkelijk ongedeerd wederkomt,
heeft Jahwe niet tot mij gesproken.
29          Daarna trokken de koning van Israël en Josjafat, de koning van
30      Jada, naar Itama in Gilead op.\' De koning van Israël nu zeide tot
Josjafat: Ik zal mij onkenbaar maken en zoo in den strijd komen;
maar trek gij uwe eigen kleederen aan. En de koning van Israël
31      maakte zich onkenbaar en kwam zoo in den strijd.\' De koning van
Aram had aan zijne twee en dertig oversten der strijdwagens dit bevel
gegeven: Valt op klein noch groot aan, maar op den koning van
32      Israël alleen.\' En toen de oversten der strijdwagens Josjafat zagen,
zeiden zij: Stellig, dat is de koning van Israël — en keerden zich
33      tegen hem ten aanval. Maar Josjafat hief zijn oorlogskreet aan;\' en
toen de oversten der strijdwagens zagen dat het niet de koning van
34      Israël was, lieten zij van hem af.\' Maar een man spande den boog
zonder erg en trof den koning van Israël tusschen de aanhechtsels en
het pantser. Hij zeide tot zijn wagenmenner: Wend den teugel en
35      voer mij uit de slagorde; want ik ben gewond.\' De strijd werd
heviger te dien dage; intusschen werd de koning overeind gehouden
in den wagen, tegenover de Arameërs, en des avonds stierf hij; het
36      bloed van de wond stroomde in den bak van den wagen.\' Toen ging,
omstreeks zonsondergang, de kreet door het leger: Elk naar zijne stad
37      en elk naar zijn land; want de koning is dood!\' Toen zij te Samarië
38      kwamen, begroeven zij den koning aldaar,\' en zij spoelden den wagen
af aan den vijver van Samarië, zoodat de honden zijn bloed lekten,
terwijl de lichtekooien er in baadden, naar het woord dat Jahwe ge-
sproken had.
27.  brood en water der verdrukking, gevangeniskost. — ongedeerd, letterlijk »*» vrede.
28.   Na gesproken heeft Hebi. t. nog En hij zeide: Luistert, alle stammen! wat volg. Gr. vert. is
weggelaten. Het is bij vergissing uit Micha 1:2 hier ingelascht door een afschrijver, die onzen
Micha, den zoon van Jimla, verwarde met den profeot Micha uit Moresjeth-Gath, den schrijvor van
het naar hem gcuoemde boek.
80. Ik zal mij onkenbaar maken, om het hem door Micha aangezegde vonnis te ontgaan. — maar —
aan. Josjafat had geen reden, zooals Achab, om zich te vcrkleedcn.
31.   Valt — aan. De aanvoerders hielden in de oudheid veelal tweegevechten. — den koning van
Israël alleen.
Hieruit blijkt, hoc hoog Achab om moed en bokwaamheid bij zijno vijanden stond aan-
geschreven.
32.  hief zijn oorlogskreet aan, om zijne manschappen aan te vuren tot dappere tegenwecr. Aan
zijn oorlogskreet: Voor Jahwe en JosjafatI (verg. Richt. VII: 18, 20) werd hij herkend. Kr staat
eigenlijk alleen hief een kreet aan, waarmede de schrijver zeker bedoeldoj: don oorlogskreet, maar dat
2 Kron. XVIII: 31 als een gebed is opgevat.
34.   zonder erg, letterlijk in zijn eenvoud, zonder de bedoeling om Achab te treffen. Dezelfde uit-
drukking 2 Sam. XV: 11. Achabs vermomming redt hem niet; de maatregel van den Arameeschcn
koning schaadt hem niet; buiten het overleg der menschen om volvoert Jahwe zijn raadsbesluit. —
tusschen — pantser. Aan het pantser dat de borst beschermde waren metaleu aanhechtsels bovcstigd,
die het onderlijf bedekten. Deze bevestiging had hier en daar openingen: do eenige plaatsen waar een
pijl kon doordringen en dan doodelijk trof. — Wend den teugel, letterlijk Wend uwe handen om. —
de slagorde, volg. Gr. vert.; Hobr. t. het leger; wat zeker cene fout is; want blijkens vs. 35 bleef
Achab onder do strijders.
35.  werd — gehouden, opdat de Israëlieten niet zouden bespeuren dat hij doodelijk gewond was. —
het bloed — wagen. Deze mcdedccling diont ter voorbereiding van vs. 38.
86.   elk — land, Israël of Juda. — want de koning is dood! volg. Gr. vert.; waarvoor Hebr. t.
in het bogin vnn vs 37 heeft en de koning stierf. Zie verder op vs. 17.
87.  zij ...kwamen, volg. Gr. vort.; Hebr. t. hij... kwam.
38. de lichtekooien er baadden, in don vijver waarin het bloed liep. De bedoeling schijnt wel
te zijn dat hierdoor aan Achab een nieuwe smaad werd aangedaan. In de voorspelling XXI: 19
komt daarvan niets voor (wel in Gr. vert.). — naar — had. Zie XXI: 10. Intusschen heet het duur,
dat te Jizrecl — niet te Samarië — de honden Achabs bloed zouden lekken. Verg. 2 Kon. IX: 26.
Blijkbaar hebben deze verhalen oorspronkelijk niet bij elkander behoord.
O. ï. I.
51
-ocr page 722-
1 KONINGEN XXII: 39—50.
802
.39         Het overige nu der geschiedenis van Achab, en al wat hij gedaan
heeft, het elpenbeenen paleis dat hij heeft gebouwd, al de steden die
hij heeft versterkt, het is beschreven in het boek der kronieken van
40 Israëls koningen.\' En Achab ging ter ruste bij zijne vaderen, en zijn
zoon Ahazja werd koning in zijne plaats.
39.   het elpenbeenen pa/eis, zoo genoemd, naar het schijnt, omdat het van binnen aan de wanden
overvloedig met opgelegd elpenbeen versierd was. Zie i\'s. XLV:9; Am. 111:15; verg. Hoogl.
VII: 4.
40.   Ahazja, Hebr. Ahazjahu. d. i. ,Jahwe houdt (hem) vast\'. Achabs tweede zoou heette Jehoram
(Joram),
d. i. ,Jahwc is verheven\', zijne dochter Athaljahu, of Athalja, d. i. ,Jahwc is gewelddadig\'.
Mede uit deze namen blijkt dat Achab Jahwe als Israëls volksgod eerbiedigde.
HOOFDSTUK XXII: 41—51.
Josjafat. — Josjafat van Jnda, een godsdienstig koning (41—47); zijne mislukte scheepvaart (48—
50); zijn dood (51).
Een onsamenhangend bericht, voor een deel (vs. 41 v., 45 v., 51) aan de kronieken van Juda\'s ko-
ningen ontleend; over vs. 47—50 zie op vs. 46.
XXII: 41 Josjafat, de zoon van Aza, werd koning over Juda in het vierde
42      jaar der regeering van Achab over Israël;\' vijf en dertig jaar was
Josjafat oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijf en twintig jaar
43      te Jeruzalem; zijne moeder heette Azuba, de dochter van Sjilhi.\' Hij
bewandelde in elk opzicht den weg van zijn vader Aza; hij week er
44      niet van af, doende wat recht was in het oog van Jahwe.\' Slechts
werden de hoogten niet afgeschaft: nog offerde en rookte het volk op
45      de hoogten.\' En Josjafat maakte vrede met den koning van Israël.
46          Het overige nu der geschiedenis van Josjafat, de dapperheid die hij
betoond en de oorlogen die hij gevoerd heeft, is beschreven in het
47      boek der kronieken van Juda\'s koningen.\' De rest der gewijden, hen die
ten tijde van zijn vader Aza waren overgebleven, ruimde hij weg uit
48      het land.\' Er was geen koning in Edom; de stadhouder van koning\'
49      Josjafat bouwde Tarsjisvaarders om naar Ofir te varen om goud; maar
zij gingen niet, want de schepen leden schipbreuk te Esjeon-geber.\'
50      Toen zeide Ahazja, de zoon van Achab, tot Josjafat: Laat mijne
knechten met uwe knechten op de schepen gaan. Maar Josjafat wei-
Va. 42—J4, 40. 2 Kron. XX: 31—34. — Vs. 44. XV: 14a enz. — Vs. 49 v. 2 Kron. XX: 35—37.
41.  in — Israël, onjuiste berekening van den Verzamelaar van Koningen. Zie op XVI: 23.
42.   rijf en twintig jaar. Van 882 tot 858.
43.  Zie XV: 11—15.
44.  Zie op III: 2.
45.    Zie op vs. 2. — den koning van Israël, Achab. Die vrede duurde voort onder Ahazja
en Joram.
40. Zie 2 Kon. III. Na deze algemeene verwijzing verwacht men geen bijzonderheden meer; alleen
de vermelding van dood en begrafenis. Oorspronkelijk volgde dus hierop vs. 51. Vs. 47—50 worden
in Gr. vert., althans volgens de meeste en beste handschriften, gemist en stonden dus niet iu alle
exemplaren van Koningen. Daarenboven zijn zij in verminkten toestand overgeleverd; zoodat de lezing,
vooral van vs. 48 v., zeer onzeker in. De hoofdzaak kan historisch zijn.
47.  Zie XV: 12.
48.  Er — Edom. Dit wordt medegedeeld, om te verklaren hoe Josjafat te Esjeon-geber schepen kon
uitrusten; maar zie 2 Kon. 111:8. Verg. op XI: 254.
49.   Tarsjisvaarders. Zie op X: 22. — naar Ofir, om goud. Zie op IX: 28. Josjafat trachtte zich
dezelfde milde bron van inkomsten te openen als weleer Salomo. — zij gingen, volg. de oude vertt.;
Hebr. t. hij ging. — te Etjron-grbrr. Dus nog op de reede.
50.   mijne knechten. De kust bij den Karmel was door Israëlieten bewoond, en ook door hunne
vriendschappelijke betrekking met de r\'cnicicrs had Ahazja onder zijne onderdanen meer bevaren lie-
den dan Josjafat. Zie IX: 27; X:ll, 22. — Maar Josjafat weigerde. Waarom, wordt niet vermeld.
Wellicht alleen uit geldgebrek, of omdat de eerste mislukking een slecht voorteeken scheen. Volgens
2 Kron. XX: 30 v. keurde Jahwe de samenwerking van Josjafat met Ahazja «f.
-ocr page 723-
1 KONINGEN XXII : 50—2 KONINGBN I : 4.                           803
51 gerde.\' Josjafat ging ter ruste bij zijne vaderen en werd bij zijne
vaderen begraven in de stad Davids, zijns vaders, en zijn zoon Jorara
werd koning in zijne plaats.
Vs. 51. 2 Kron. XXI: 1.
51.  Oorspronkelijk stond dit vers onmiddellijk na vs. 40. Zie XI: 41—t3 en/.
HOOFDSTUK XXII: 52—2 KONINGEN 1:18.
Ahazja en Elia. — Ahazja van Israël, een goddeloos koning (XXII: 52—54); Moabs afval (2 Kon.
1:1). Ahazja doet een /.waren val en laat over zijn herstel een Filistijnsch orakel raadplegen (2),
maar Elia voorkomt dit en laat hem tot straf den dood aanzeggen (3v.); Ahazja, dit vernemende
(5—8), zendt een en andermaal een hoofdman met vijftig soldaten, om hem gevangen te nemen, maar
Elia doodt hen met vuur uit den hemel (9—12); een derde ontkomt met zijne manschappen aan dit
lot alleen door ootmoedige bede (13 v.); met hem gaat Elia mede tot den koning en voorzegt diens
dood (15 v.). Ahazja sterft en wordt opgevolgd door zijn broeder Joram (17 v.).
Het begin en slot van dit stuk behelst de gewone mcdcdeelingcn over Isracls koningen. Daartus-
schen in (zie op vs. 1) is een verhaal over Elia geschoven, van anderen aard, jonger oorsprong en
minder waarde dan de overige verhalen over dezen profeet (zie inll. op 1 Kon. XVII—XIX; XXI;
2 Kon. II): hier spreekt niet Jahwe, maar zijn engel, tot hem (vs. 3, 15) en is er in zijn persoon
en werk niets groots (vb. 9—12). De krankheid en dood van Ahazja, alsmede het bestaan van het
orakel te Ekron, zijn de ecnige bijzonderheden welke historisch zijn.
XXII: 52 Ahazja, de zoon van Acbab, werd koning over Israël te Samarië
in het zeventiende jaar der regeering van Josjafat over Juda, en
53      regeerde over Israël twee jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
van Jahwe en wandelde op den weg zijns vaders en zijner moeder en
in de zonde die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen be-
54      drijven:\' hij diende den baal en aanbad hem; hij tergde Jahwe, den
2 KON. 1:1 god Israëls, naar al wat zijn vader gedaan had.\' Moab viel na
Achabs dood van Israël af.
2          Toen Ahazja, door een val uit het tralievenster van zijne boven-
kamer te Samarië, krank lag, zond hij boden en zeide tot hen: Gaat
Baal-zebub, den god van Ekron, raadplegen, of ik van deze mijne
3      krankheid herstellen zal.\' Toen sprak de engel van Jahwe tot Elia,
den Tisbiet: Maak u op, ga de boden van den koning van Samarië
te gemoet en spreek tot hen: Is er soms geen god in Israël, dat gij
4      Baal-zebub, den god van Ekron, gaat raadplegen ?\' Daarom, zoo zegt
Jahwe: Van het bed waarop gij u gelegd hebt zult gij niet afkomen;
Vb. 1. III: 5.
52—54. Zie XV : 25 v. en elders.
52.   het zeventiende jaar ...van Josjafat, onjuiste berekening; verg. vs. 41; XVI: 29; 2 Kon. 1:17;
VIII: 17, 26. Zie op vs. 42. — twee jaar, 801, 880.
53.  in de sonde, volg. Gr. vert.; Hebr. t. op den weg.
1.  na Achabi dood. Moab was door David onderworpen, 2 Sam. VIII: 2, na de scheuring aan Israël
schatplichtig, naar luid van het opschrift van Meesja (zie op III: 4) door Omri onderdrukt. Het be-
richt van den afval is, ten gevolge vnn de inschuiviug der verhalen over Elia (vs. 2—16 en H. II),
losgemaakt van dat over den veldtocht tegen Moab (II. III), dat er oorspronkelijk zeker dadelijk
op volgde.
2.   uit het tralieveniter, hetzij dit open stond, hetzij het vlechtwerk, toen hij er tegen leunde, brak.
— Baal-zebub, d. i. letterlijk ,heer der vliegen\' of .vliegengod\', d. i. do god die de zwermen vliegen
of muggen (muskieten), in het Oosten voor mensch en dier eene zware bezoeking, aanvoert of verwij-
dert. Uit onze plaats blijkt dat hij te Ekron werd vereerd en zijn orakel aldaar in de negende eeuw
zeer in trek was. Uit zijn naam is waarschijnlijk die vnn Beëlzebul, als hoofd der bonze geesten,
alleen in het N. T. (Matth. X:25; XII: 24, 27; Mare. 111:22; liuc. XI: 15, 18 v.), verbasterd. —
Ekron, de noordoostelijkste der vijf Filistijnsche steden. Zie op Joz. XIII: 8. — of ik — zal. Zulk
eene vraag deed men, ten einde een gunstig antwoord te bekomen, van kostbare geschenken en offers
vergezeld gaan.
4. Elia ging, om den goddelijken last te volbrengen. Kortheidshalve wordt de uitvoering hier niet
vermeld.
-ocr page 724-
804
2 KON\'INGBtf I : 4—17.
5 want gij zult sterven. Elia ging.\' Toen nu de boden bij Abazja terug-
(5 kwamen, zeide hij tot hen: Hoe zijt gij daar terug?\' Zij zeiden tot
hem: Een man kwam ons te gemoet en zeide tot ons: Gaat terug
naar den koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zoo zegt
Jahwe: Is er soms geen god in Israël, dat gij zendt om Baal-zebub,
den god van Ekron, te raadplegen.\' Daarom zult gij van het bed
7       waarop gij u gelegd bebt niet afkomen; want gij zult sterven.\' Toen
sprak hij tot hen: Wat was het voor een man, die u te gemoet kwam
8       en deze woorden tot u gesproken heeft?\' Zij zeiden tot hem: Het was
een harig man, met een gordel van leder om zijn middel. Toen zeide
hij: Dat is Elia, de Tisbiet!
9           Nu zond hij een hoofdman over vijftig met zijne manschappen op
hem af. Deze klom naar hem op, terwijl hij zat op den top des bergs,
10       en sprak tot hem: Man Gods, de koning zegt: Kom af!\' Maar Elia
antwoordde en sprak tot den hoofdman: Indien ik dan een godsman
ben, zoo dale vuur van den hemel en vertere u en uwe manschappen.
Toen daalde vuur van den hemel en verteerde hem en zijne manschap*
11       pen.\' Wederom zond hij een hoofdman over vijftig met zijne man-
schappen op hem af. Deze klom op en sprak tot hem: Man Gods, zoo
12       zegt de koning: Kom terstond af!\' Maar Elia antwoordde en sprak
tot hem: Indien ik een godsman ben, zoo dale vuur van den hemel
en vertere u en uwe manschappen! Toen daalde vuur van den hemel
13       en verteerde hem en zijne manschappen.\' Ten derden male zond hij
een hoofdman over vijftig met zijne manschappen. Deze derde hoofd-
man nu klom op, kwam, ging voor Elia op de knieën liggen en smeekte
hem: Man Gods, laat toch mijn leven en dat uwer knechten, dezer
14       manschappen, kostelijk zijn in uw oog.\' Zie, vuur is van den hemel
gedaald en heeft de twee vorige hoofdlieden met hunne manschappen
verteerd; nu dan, laat het leven uwer knechten kostelijk zijn in üw
15       oog.\' Toen sprak de engel van Jahwe tot Elia: Daal met hem af;
wees niet bevreesd voor hem. Zoo stond Elia op, ging met hem af
16       naar den koning\' en sprak tot hem: Zoo zegt Jahwe: Omdat gij boden
hebt gezonden om Baül-zebub, den god van Ekron, te raadplegen, zult
gij van het bed waarop gij u gelegd bebt niet opstaan; want gij zult
sterven.
17           En hij stierf, naar het woord van Jahwe dat Elia gesproken had,
en zijn broeder Joram werd koning in zijne plaats, in het tweede jaar
der regeering van Joram, den zoon van Josjafat, over Juda; want hij
5. Jlia:ju, duidelijkheidshalvc; Hcbr. t. hem. — Boe — terug? Ondersteld wordt dat Elia hun
dicht bij Samnric te gemoet kwam. Ekron lag eenc groote dagreis van de hoofdstad. De koning had
hen dus eerst over een paar dagen teruggewacht.
8.   harig may. Hierbij kan gedacht worden aan cene sterk behaarde huid (verg. Gen. XXV: 25).
Gewoonlijk verstaat men het van Klia\'s mantel; zie 11:8, 13; 1 Kon. XIX: 19; Zach. XIII: 4. Waar-
schijnlijk wordt bedoeld: een man met ongekort hoofd- en baardhaar, on de wijze der nazireers. —
met — middel, de eenvoudigste dracht. Verg. op Jer. XIII: 1.
9.   jV« soud — af. Waarschijnlijk wilde Ahazja den profeet in zijne macht hebben om hem eene
gunstiger godspraak af te dwingen en hem anders te straffen. — mantchappen, letterlijk vijftig. Even-
zoo vs. 10, 11, 12, 13, 14.
10.  Zie Luc. IX: 54.
11.  klom op, volg. Gr. vert.; Hebr. t. antwoordde.
12.  hem, volg. een paar hss., Gr. en Syr. vertt.; Hebr. t. hen. — vuur, volg. vele hu. en de meeste
oude vertt.; Hcbr. t. vuur God».
14. het leven uwer knechten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. mijn leven.
16.  Na raadplegen heeft Hebr. t. (uit vs. 3 en 0) it er tornt geen god in Itraël om tyne godspraak
te raadplegen?
weggelaten volg. Gr. vert.
17.   :ij" broeder, ingevoegd uit de oude vertt — in het — Juda, invoegscl van den Verzamelaar
van Koningen, naar onjuiste berekening, als gewoonlijk. Zie 111:1; VIII: 16; 1 Kon. XXII: 52.
-ocr page 725-
2 koningbn 1: 17—11: 8.                                  805
18 had geen zoon.\' Het overige nu der geschiedenis van Ahazja, wat hij
gedaan heeft, is beschreven in het boek der kronieken van Israëls
koningen.
HOOFDSTUK II.
Klia\'s hemelvaart e» Kliza\'s eerste wonderwerken. — RH», standvastig van Kli/.a begeleid, bezoekt
voor bet laatst de profctcnkolouicn (1—G), sehcidt de wateren van den Jurdann (7 v.), vergunt Kli/.u
een laatst verzoek te doen (9 v.), en vaart voor zijne oogen ten hemel (11 v.). Evenals zijn meester,
verdeelt Kliza de rivier en gaat er door (13 v.); hij wordt door de profetenzonen als Klia\'s opvolger
erkend (15—18). Hij maakt het water te Jericho gezond (19—22), bestraft knapen die hem bespotten
(23 v.), en komt, na een bezoek aan den Karmcl, te Samaric (25).
De verhalen over Elia\'s uiteinde en Kliza\'s eerste wonderen behoorden oorspronkelijk niet bijeen.
Vs. 1—18 en vs. 19—25 zijn vnn vcrsehillendc schrijvers, maar waren door den vervaardiger van
den 1\'rofetenspiegcl (zie inl. op 1 Kon. XVII—XIX) reeds verbonden eer de Verzamelnnr van Konin-
gen
dit stuk opnam (zie op vs. 1), met cene korte inleiding van zijne hand (vs. la), tot inlnssching in
het verband van zijn boek. Wat vs. 19—24 aangaat, op de verhnlcn betreffende Eliza komen wij
terug in de inl. op H. IV.
Klia\'s hemelvaart vormt een prachtig slot van zijne geschiedenis, een waardigen tegenhanger van
Klia op den Horeb (1 Kon. XIX), ofschoon wellicht niet van dezelfde dichterlijke pen (verg. vs. 9 met
1 Kon. XIX\'. IR). Meesterlijk getcekend is, ook door middel van eentonige herhaling, het voorgevoel
der naderende scheiding bij Elia, Kliza en de profetenzonen, het verlangen van den meester naar ccu-
zaamheid, de vcrklccfdhcid van den dienaar en hare belooning, de algemecue spanning (ook vs. 7) en
eerbiedige stilte, de plechtige geheimzinnigheid van het gansche tooncel. Het behoeft geen betoog
dat het verhaal geen geschiedkundig bestanddeel hoegenaamd bevat. Ook verraadt het te hoogc
kunst om als legende onwillekeurig ontstaan te zijn. Het is gedicht tot verheerlijking van den groo-
ten profeet.
11:1        Toen Jahwe Elia in den storm ten hemel zou opnemen, ging Elia
2      met Eliza uit Gilgal.\' En Elia zeide tot Eliza: Blijf hier; want Jahwe
heeft mij naar Bethel gezonden. Maar Eliza zei: Zoo waar als Jahwe
leeft en gij leeft, ik verlaat u niet. Zoo daalden zij naar Bethel af.\'
3      En de profetenzonen van Bethel kwamen de stad uit, tot Eliza, en
zeiden tot hem: Weet gij dat Jahwe heden uwen heer en meester
4      zal wegnemen? Hij zeide: Ik weet het wel; houdt u stil.\' En
Elia zeide tot Eliza: Blijf hier; want Jahwe heeft mij naar Jericho
gezonden. Maar hij zeide: Zoo waar als Jahwe leeft en gij leeft, ik
5      verlaat u niet. Zoo kwamen zij te Jericho.\' En de profetenzonen van
Jericho traden op Eliza toe en zeiden tot hem: W^et gij dat Jahwe
heden uwen heer en meester zal wegnemen? Hij zeide: Ik weet het
6      wel; houdt u stil.\' En Elia zeide tot hem: Blijf hier; want Jahwe
heeft mij naar den Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zoo waar als
Jahwe leeft en gij leeft, ik verlaat u niet. Zoo gingen zij met hun
7      beiden.\' Vijftig man nu uit de profetenzonen gingen ginder van verre
8      staan, terwijl zij beiden aan den Jordaan stonden.\' Elia nam zijn man-
1.    Toen — opnemen. Aankondiging van hetgeen volgen zal, maar bij de lezers als bekend onder-
stold wordt. — uit Gilgal. Hier waren zij gekomen of hadden zij zich opgehouden, zooals waarschijn^
lijk vooraf vermeld was in het geschrift over Elia waaraan dit verhaal van zijne hemelvaart is ont-
lccnd. Over dit Gilgal, zuidwestelijk van Sjilo en noordelijk van Hethcl gelegen, zie op Dcut. XI: 30.
Uit IV: 38—11 blijkt dat zich hier, evenals te Heibel en te Jericho, cene profctenkolonic bevond.
Over een ander Gilgal zie op Joz. IV: 19.
2.   Blijf hier. Zie vs. 4 en 6. Elia weet dat hij zal opgenomen worden. — Bethel, Zie inl. op Gen.
XXVIII: 10—22.
8. de profetenzonen. Zie op 1 Kon. XX: 85. — en meester, letterlijk van doven uk hoofd. Even-
zoo vs. 5.
4. En Elia zeide tol Eliza, volg. Gr. vort.; Hebr. t. En Elia zeide tol hem: ElizaI
7.   Vijftig — liaan, om te zien waar zij bleven. Zio vs. 16.
8.  Gelijk Mozcs met zijn staf (Exod. XIV: 15), zoo beheerscht Elia met zijn mantel de wateren.
Over den profcteumautcl zie op 1 Kou. XIX: 19.
-ocr page 726-
806                                        2 koningen II: 8—22.
tel, rolde hem op en sloeg het water; het verdeelde zich her- en der-
9 waarts, en zij heiden gingen door het droge over.\' Toen zij nu waren
overgegaan, zeide Elia tot Eliza: Verzoek iets dat ik u doen zal voor-
dat ik van u word weggenomen. Eliza zeide: Zoo moge een dubbel
10       deel van uwen geest op mij zijn. \' Hij zeide: Gij vraagt heel wat.
Indien gij mij ziet wanneer ik van u word weggenomen, zal het u
11       zoo geschieden; maar indien niet, dan niet.\' Terwijl zij nu, al spre-
kende, verder gingen, zie, een wagen van vuur en paarden van vuur,
die hen van elkander scheidden; en Elia voer in den storm ten hemel.\'
12a Eliza zag het en riep: Mijn vader, mijn vader, Israëls strijdwagens en
ruiterij! En hij zag hem niet meer.
124, 13 Toen greep hij zijne kleederen en scheurde ze in tweeën.\' Daarna
hief hij Elia\'s mantel op, die van hem afgevallen was, keerde terug
14       en stond aan den Jordaanoever.\' Daar nam hij Elia\'s mantel, die van
hem afgevallen was, en sloeg het water, maar het verdeelde zich niet;
toen zeide Eliza: Waar is dan toch de god van Elia? en sloeg het
water ten tweeden male; nu verdeelde het water zich her- en der-
15       waarts, en hij ging door het droge over.\' Toen de profetenzonen van
Jericho ginds hem zagen, zeiden zij: De geest van Elia rust op Eliza.
Dus gingen zij hem te gemoet en wierpen zich voor hem neder ter
16       aarde.\' Voorts zeiden zij tot hem: Zie eens, er zijn bij uwe dienaren
vijftig kloeke mannen; laat hen toch uwen heer gaan zoeken. De geest
van Jahwe mocht hem eens opgenomen en op een der bergen of in
17       een der dalen geworpen hebben. Hij zeide: Zendt niet.\' Doch als zij
hem tot verlegen wordens toe drongen, zeide hij: Zendt dan! Nu
zonden zij vijftig man, die drie dagen zochten; maar zij vonden hem
18       niet.\' Toen zij nu bij hem wederkwamen, terwijl hij te Jericho ver-
toefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: Gaat niet?
19           De mannen der stad zeiden tot Eliza: Zie eens, de ligging der stad
is goed, gelijk mijn heer ziet; maar het water is slecht, en het land
20       brengt misgeboorten teweeg.\' Hij zeide: Haalt mij eene nieuwe schaal
21       en legt daarop zout. Zij haalden hem die,\' en hij ging uit naar de
waterwei, wierp daar zout in en zeide: Zoo zegt Jahwe: Ik heb dit
water gezond gemaakt; het zal geen dood of misgeboorte meer veroor-
22       zaken.\' Zoo werd het water gezond, tot op den huidigen dag, naar
het woonl,ilat Eliza gesproken had.
9.   een dubbel deel. Na den dood des vaders werd de oudste zoon het hoofd der familie en ontving
een dubbel deel van do erfonis; zie Deut. XXI: 17. Eliza verlangt dus het hoofd der profetenzonen
te worden; zie v». 15. Volg. 1 Kon. XIX: 16 stond reeds van te voren vast dat hij Elia\'s opvolger
zou zijn.
10.   Indien — weggenomen. Die opneming behoordo tot do hoogere orde van dingen, welke alleen
mot door God geopend oog, niot met het gewone zintuig, kon worden waargenomen; zie VI: 17.
Viel mi aan Eliza dit gezicht te beurt, zoo was zulks het bewijs dat Jahwe hem tot ziju tolk had
uitverkoren.
11.   verder. Wellicht heeft do schrijver gedacht aan den omtrek der plaats waar Mozcs gestorven
was, den Nebo. — wagen — vuur, uit den hemel afgezonden, om Elia over te brengen naar de woon-
plaats der godheid en der engelen. Zie op VI: 17. Behalve Elia is Henoch de cenigc inensch in het
O. T. die aan hel gemeenc sterflot ontkomt.
12.   Mijn — ruiterij! ontleend aan XIII: 14. Zie verder aldaar. — tcheurde ze in tweeën. Tceken
van diepe smart; zie Gen. XXXVII: 29 en elders.
14.  maar — over. Toen de eerste proef mislukte, eischtc Eliza Elia\'s god op, om zijn werk, evenals
dat zijns meesters, te doen slagen. Zoo volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. en zeide: Waar is Jahwe,
de god van Elia? zelf e hij! en tloeg het water, dat Hek verdeelde her- en derwaartt, en Eliza
ging oeer.
15.   ruil op Eliza, is op hem gedaald en woont in hem (verg. Jez. XI: 2); hij is dus Elia\'s op-
volger.
16.  Zie op 1 Kon. XIII: 9.
20. eene nieuwe tchaal. Verg. op Num. XIX: 2. — tont. Zoo wordt IV : 41 meel gebruikt om er
een wonder mede te verrichten.
-ocr page 727-
2 KONINGEN II : 23—III : 6.
807
23          Van daar ging hij op naar Bethel. Terwijl hij op den weg ging,
kwamen er kleine jongens uit de stad, die hem beschimpten en tot
24      hem zeiden: Voort, kaalkop! voort, kaalkop!\' Toen keerde hij zich
om, zag hen en vloekte hen in den naam van Jahwe; waarop twee
beren uit het woud kwamen, die twee en veertig van die kinderen
verscheurden.
25          Van daar ging hij naar den berg Karmel, en van daar keerde hij
naar Samarië terug.
24.  Verg. op Gen. XXVII: 35.
25.  den berg Karmel. Hier is Eliza IV : 25. — keerde hij naar SamariS terug. Wij hebben nog niet
vernomen dat hij einar geweest was; wellicht werd dit vermeld in een ander deel van het geschrift
waaraan ons verhaal is ontleend. Volg. VI : 32 woont hij daar.
HOOFDSTUK III.
De veldtocht tegen Moab. — Regeering van Joram over Israël (1—3). Afval van de Moabictcn
(4 v. i, tegen wie Joram, met Josjafat tot bondgenoot, optrekt (6—8); gebrek aan water brengt bet
leger in den uitersten nood (9 v.). Jahwe belooft bij monde van Eliza uitkomst en volledige zege-
praal (11—19). Deze belofte wordt vervuld (20—25); en de koning van Moab kan zich, na een
vruchtcloozen uitval, alleen redden door het offer van zijn zoon (26 v.).
Zijn de eerste drie verzen van den schrijver van Koningen, het verhaal van den veldtocht tegen
Moab heeft hij blijkbaar aan dezelfde bron ontleend als 1 Kon. XX en XXII\'. 1—37, waarmcdo het
soms letterlijk overeenkomt (verg. vs. 7, 11 met 1 Kon. XXII: 4 v., 7) en de uauwste verwantschap
vertoont: ook hier, al is het uit de overlevering door profetische hand te boek gesteld, zijn niet de
profeten, maar de koningen de hoofdpersonen; ook hier wordt wel geregeld Josjafat, maar zelden de
koning van Israël met name genoemd, enz. Het is, evenals genoemde hoofdstukken, in Kfraim vcr-
vaardigd, en, ofschoon Eliza er handelend in optreedt, niet aan het geschrift over Elia en Eliza ont-
leend. Wat den inhoud aangaat, de opstand van Moab wordt door een gelijktijdig gedenktceken bc-
•
            vestigd en toegelicht (zie op vs. 4), en, al is in het verhaal van de redding der verbonden legers de
hand der dichtende sage niet te miskennen, de hoofdzaak is stellig geloofwaardig.
III: 1 Joram, de zoon van Achab, werd koning over Israël te Samarië,
in het achttiende jaar der regeering van Josjafat over Juda, en regeerde
2      twaalf jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog van Jahwe, hoewel
niet zóo als zijn vader en zijne moeder; want hij deed den wijsteen
3      van den baiil weg welken zijn vader gemaakt had;\' alleen kleefde hij
de zonde aan die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen be-
drijven: daarvan week hij niet af.
4          Meesja, de koning van Moab, was rijk in vee en bracht aan den
koning van Israël honderd duizend hamels op en van honderd duizend
5      rammen de wol.\' Maar zoodra Achab gestorven was, viel de koning
6      van Moab van den koning van Israël af.\' Zoo toog koning Joram in
1.  iet achttiende — Juda. onjuiste berekening van den Verzamelaar van Koningen; zie op 1:17. —
twaalf jaar, van 859 tot 848.
2.  den tcij-tteen. Zie op 1 Kon. XVI: 32. Intusschen vermocht hij niet den Kaüldienst uit te roeien
(zie X: 18—28), wat tijdens het leven zijner moeder (IX: 30) moeilijk geschieden kon (1 Kon. XVI:
31 en op 1 Kon. XVIII : 19).
3.  Zie op 1 Kon. XV : 26.
4.  Zie op 1:1. — Meesja, de koning van Moab. Van hem bezitten wij nog een hoogst merkwaar*
digen gedenksteen, met een opschrift van vier en dertig regels, door hem zelf opgericht tot herinne-
ring nan zijn opstand tegen Israël, de door hem herbouwde, versterkte en veroverde steden en zijn
geluk in den krijg. Hij geeft daarvan de eer aan zijn god Karans (zie op Num. XXI: 29), dio door
zijne profeten hem tot het een en ander aangemoedigd en hem dezen voorspoed geschonken had,
en wicn hij de Israëlietischc bevolking van de veroverde steden geofferd en do buit gemaakte heilige
zaken van Jahwe gewijd had. Dit alles is gebeurd vóór den veldtocht van Joram en Josjafat en
heeft er aanleiding toe gegeven. De gedenksteen, in Augustus 1868 door een Duitschcn zendeling
onder de puinhoopen van Dibon, ten noorden van den Arnon en vier uur oostelijk van de Doode
Zee, gevonden, daarna door de Arabieren stuk geslagen, maar door Fransche geleerden zoo goed mo-
gelijk hersteld, wordt in het Louvre te Parijs bewaard.
-ocr page 728-
2 KON1NGB.N III: 6—19.
808
7       dien tijd uit Samarië en monsterde gansch Israël;\' daarna zond hij
aan Josjafat, den koning van Juda, de boodschap: De koning van
Moab is van mij afgevallen; wilt gij met mij ten strijde trekken tegen
Moab? Hij zeide: Ja; ik ben als gij, mijn volk is als uw volk, mijne
8       paarden zijn als uwe paarden.\' Hij zeide: Langs welken weg zullen wij
optrekken/ De ander zeide: Langs den weg der woestijn van Edom.
9       Zoo trokken de koningen van Israël, Juda en Edom te velde; maar
toen zij een marsch van zeven dagen hadden afgelegd, hadden het
10       leger en de lastdieren die hen volgden geen water. \' Toen zeide de
koning van Israël: Helaas, zoo heeft dan Jahwe deze drie koningen
11       geroepen om hen aan de Moabieten over te leveren!\' Maar Josjafat
zeide: Is hier niet een profeet van Jahwe, door wien wij Jahwe kunnen
raadplegen.\' Waarop een uit de dienaars van Israëls koning antwoordde:
Ja, hier is Eliza, de zoon van Sjafat, die water op Elia\'s handen goot.\'
12       En Josjafat zeide: Bij hem is Jahwe\'s woord. Zoo gingen de koning
van Israël en Josjafat, de koning van Juda, en de koning van Edom
13       tot hem.\' Maar Eliza zeide tot den koning van Israël: Wat heb ik
met u te maken? Ga naar de profeten van uw vader en moeder! De
koning van Israël zeide tot hem: Laat toch niet Jahwe deze drie
koningen geroepen hebben om hen aan de Moabieten over te leveren.\'
14       Eliza zeide: Zoo waar als Jahwe der heirscharen leeft, vóór wien ik
sta, indien ik niet den persoon van Josjafat, den koning van Juda, in
aanmerking nam, ik zou niet naar u omzien noch acht op u slaan.\'
15       Nu dan, haalt mij een citerspeler. En zoodra de citerspeler tokkelde,
1(5 kwam de hand van Jahwe op hem,\' en hij zeide: Zoo zegt Jahwe:
17       Maakt dit dal vol putten; \' want zoo zegt Jahwe: Hoewel gij wind
noch piasregen zult zien, toch zal dit dal vol water loopen, en zult
18       gij zelven drinken, met uw vee en uwe lastdieren.\' Ja, dit zal Jahwe
19       nog te gering zijn: hij zal Moab aan u overleveren,\' en gij zult iedere
versterkte stad overweldigen, eiken goeden boom vellen, alle water-
bronnen verstoppen en alle goede landerijen met steenen bederven.
7.   wilt — Moab? Een beleefde vorm om vnn cen afhankelijk bondgenoot hulptroepen te vragen.
— Ja — uwe paarden. Zie op 1 Kon. XXII\'. 4.
8.   Hij zeide. Waarschijnlijk is .lornm van Israël bedoeld, en met De ander Josjafat van Juda. —
Langt irelkm weg. Men kon den Jordanu oversteken en van het noorden in Moab vallen, of door
Juda en Kdom, ten zuiden om de T)oodc Zee heen, van de andere zijde het land binnentrekken. De
laatste weg Ug open omdat Edom van Juda afhankelijk was. Waarom men dien koos, weten wij niet;
waarschijnlijk, omdat zóo de Moabictischc hoofdstad rasser te bereiken was. Edoms afhankelijkheid
(verg. 1 Kon. XXII: 48) heeft niet lang meer geduurd, VIII: 20.
9.   zeven dagen. De tocht ging langzaam, wegens de gesteldheid van het terrein en het voor lecf-
tocht meegevoerde vee. Volgens vs. 21 v. stonden de verbondenen nu aan de grens vnn Moab. — af
gelegd,
letterlijk omgetrokken, nl. om de zuidelijke punt van de Doode Zee.
11—14. Zie op Ezcch. XIV: 8.
11.   Zie 1 Kon. XXII: 7. — die — goot, die persoonlijke diensten aan Elia bewees. Hij het han-
denwasschvn gebruikt men in het Oosten een dienaar die het water uit de kan over de handen uit-
gict, waarna het in eenc kom vloeit, doch daarin niet meer gebruikt wordt.
12.  dr koning van Juda, ingevoegd volg. een paar hss., Gr., Lat. en Syr. vertt.
13.  dr profeten — moeder. Zie 1 Kon. XVIII: 19. — Laat — leveren, zoonis het geval zal blijken
te zijn, tenzij gij onze voorspraak bij Jahwe zijt en ons cene godspraak geeft. Anderen Niet alzuol
Kant Jahwe heeft deze drie koningen geroepen om
enz.
14.   vóór wien ik sta. Zie op 1 Kon. XVII: 1. — den persoon van Josjafat, vanwege zijne gods-
vrucht, 1 Kon. XXII: 5, 7, 43, 47.
15.   Eliza had ditmaal muziek noodig om in de stemming te komen, voor het ontvangen ecner
openbaring vereischt. Verg. op 1 Sam. X : 5. — zoodra — tokkelde, volg. verb. t. — kwam de hand
van Jahwe op hem.
Verg. op 1 Kon. XVIII: 46.
16.  Maakt dit dal tol putten, om het water, wanneer dit het dal inliep, te vergaderen.
17.  kw vee, het slachtvee.
19. Na iedere verttrrkte stad heeft Hebr. t. nog en iedere uitgelezen tlad, wat volg. Gr. vert. ia
weggelaten. — eiken goeden boom, alle hoornen van waarde, in de eerste plaats de vruchtboomen. Zie
iutusscheu Deut. XX: 19.
-ocr page 729-
809
2 KONINGEN 111:20—27.
20           Den volgenden morgen dan, omstreeks den tijd van het offer, daar
kwam Mater van den kant van Edom, zoodat het land vol werd van
21       het water!\' Al de Moahieten nu hadden gehoord dat de koningen
tegen hen te velde getrokken waren, en waren opgeroepen, jong en
22       oud die de wapens konden dragen, en stonden aan de grenzen.\' Toen
zij nu den volgenden morgen zich opmaakten, en de zon over het
water was opgegaan, zagen de Moabieten ginds het water rood als
23       bloed,\' en zeiden: Dit is bloed. Zeker zijn de koningen handgemeen
geworden en hebben zij elkander verslagen. Nu dan, aan den buit,
24       Moabieten!\' Maar toen zij bij het kamp der Israëlieten kwamen,
maakten zich de Israëlieten op, sloegen de Moabieten, die voor hen
op de vlucht gingen, en drongen, de Moabieten verslaande, al verder
25       binnen; \' de steden verwoestten zij, op eiken goeden akker wierp ieder
zijn steen en maakte hem er vol van, alle waterbronnen verstopten
en eiken goeden boom velden zij; totdat alleen Kir-harezeth overbleef,
26       hetwelk de slingeraars omsingelden en beschoten. \' Toen nu de koning
van Moab zag dat de strijd hem te machtig was, nam hij met zich
zevenhonderd man die het zwaard voerden, om door te breken bij den
27       koning van Edom; maar zij konden niet.\' Daarop nam hij zijn eerst-
geboren zoon, die in zijne plaats koning zou worden, en offerde hem
ten brandoffer op den muur. Toen kwam een groote toorn over Israël;
zoodat zij van hem aftrokken en terugkeerden naar hun land.
20.   omtlreekt — offer, letterlijk alt de offergave opsteeg. Het woord hier door offergave vertaald
duidt elders het mccloflcr aan. Zulk een werd volg. XVI: 15 (zie aldaar en verg. op 1 Kon. XVIII :
29) geregeld des avonds gebracht. Dus wordt in uu/c plaats, waar vau den morgen sprake is, ui\' het
woord in den algeinccncn /in van „ulier"\' gebezigd, ui\' ecu ander gebruik ondersteld.
21.  jong — dragen, letterlijk van elk die den gordel omgordde en daarboven, d. i. allen die den
leeftijd hadden bereikt om iu den oorlog uit te trekken. Onder Israël was dit, althans in later tijd,
van het twintigste jaar af, Num. 1:20; verg. Exod. XXX: 14.
23.  zijn ... handgemeen gemorden, onzekere vertaling.
24.   en drongen...al verder binnen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. is door een kleiuc vorschrijving
bedorven.
25.   totdat — overbleef, naar gissing. Grondt, hoeft totdat hij hare tteenen overliet in Kir-harezeth.
— Kir-harezeth, allecu hior (maar zie op Jcz. XVI: 7), olders Kir-here» (Jez. XVI: 11; .Ter. XIjVIH :
31, 36) of Kir-Moab (Jcz. XV :1) gchectcu, waarschijnlijk het tegenwoordige Kerak; do voornaamste
vesting dor Moabieteu, in het zuidon van hun land gelegen, op den top van con steilen heuvel, om-
streeks vijf uur van de Doodo Zee.
26.   om — Edom, aan de zijde waar dezo met zijne troepen stond, bij wion hij dus den zwaksten
tegenstand, misschien wel medewerking, verwachtte.
27.   Daarop — brandoffer, het uiterste redmiddel om de godheid (Kamos), wier schrikkelijk onge-
noegen hein uit zijn zwaren rampspoed bleek, te verzoenen en haar gunst en bescherming af te dwin-
gen. Zie op l.ev. XVIII: 21. — op den muur, die zeer breed was (zie VI: 26), ten aanschouwen der
belegeraars evengoed als der belegerden. — toorn, van de godheid, blijkbaar uit de cene of andere
groote ramp die tot den aftocht noopte. Vau welke godheid, wordt niet gezegd, maar het kan gecne
andere dan Kamos zijn, die in zijn land macht oefent. — hun land, volg. Gr. vert.; Hebr. t.
het land.
HOOFDSTUK IV.
Eliza te Sjnnem on te Gilgal. — Hij vermenigvuldigt de olie eencr arme weduwe (1—7). Door cene
vrouw te Sjuncm gastvrij behandeld (8—11), belooft hij haar een zoon (12—16), en wekt hot kind,
als het gestorven is (17—20), weder op (21—37). Hij maakt vergiftig eten onschadelijk (38—tl). Hij
voedt honderd man met luttel spijs (42—44).
Van IV: 1 tot VIII: 15 vinden wij eene reeks wonderen, door Eliza verricht; trouwens, reeds
11:19—25 behoorde tot die reeks, en XIII: 14—21 besluit haar: zij vormde het tweede gedeelte van
den Profetenspiegcl, welk» eerste deel over Elia handelt (zie inll. op II. II en op 1 Kon. XVII—
XIX). Tusschcn de beide dcclen merkt men in vorm en inhoud (zie o. a. op IV: 6, 10 en 31) te veel
overeenkomst op, om niet aan te nemen dat de verhalen betreffende don eenen profeet ontstaan zijn
onder den invloed van die over den ander. Meestal zijn die over Eliza de oorspronkelijkste; verg. op
1 Kon. XVH: 17—24.
-ocr page 730-
810
2 KONINGEN IV : 1—9.
Kvcnals gene, zijn deze van verschillende herkomst en betuekenis: cenc plaatselijke legende (II:
19—22), naast overleveringen in de profetenkoloniëii (IV: 1—7, 38—41, 42—14; VI: 1—7; ook II:
23 v.? en wellicht IV: 8—37 met VIII: 1—0), deels volksverhalen met cenc kern van waarheid
(VI : 24—VII:20; VIII: 7—15; ook V?), deels dichterlijke uitwerking eencr godsdienstige overtui-
ging (VI: 8 —23). Vandaar verschil op meer dan écu punt. Volgens sommige verhalen woout Kliza te
Samaric (11:25; V : 3—27; VI: 24—VII: 20); volgens andere op den Karmol (IV: 25; zie 11:25),
of te Dothon (VI : 13), of met de profeteuzonen te Gilgal (IV: 38; zie 11:1). In du meeste hoeft
hij een dienaar (IV: 38, 43; VI: 15, 17) wiens naam in de overlevering niet bekend was; in cen
tweetal heet deze Gchazi (IV: 8—37 met VIII: 1—6; en V), maar deze Gchazi, V : 27 met onge-
nccslijkc inelaatschheid gestraft, verkeert VIII: 4 v. gezond cu geëerd aan \'s konings hof. Nu eens
wordt er tusschen Israël cu Aram vriendschapsbetrekking ondersteld (V); straks blijkt er telkens oor-
log te heersenen (VI: 8—VII: 20); eene enkelo maal staan twee strijdige berichten vlak achter elkan-
der (VI: 23 en 24).
Evenwel stemmen al die verhalen wat den nlgemccncn geest betreft merkwaardig overeen: in
tegenstelling met de strenge, sombere figuur van den kluizenaar Klia, leeft Kliza midden onder zijn
volk (zie reeds 111:11), als toevlucht voor ongclukkigen en Israëls steun in donkere dagen (zie o. a.
op XIII: 14); tegenover vele weldaden worden slechts twee strafwonderen, in het voorbijgaan, vermeld
(11:24; V: 27). Dit nu is niet toevallig; immers, werkte Klia onder Aehab, toen de strijd tusschen
Jahwe cu dm baiil op het hevigst was, Kliza begon zijn arbeid onder Jornm, die den baiil reeds min-
der ijverig diende (111: 2 f.), en bloeide onder Jehu, Jouhoz en Joas (XIII: 14), de ijverige bekampers
van den liaiildienst, ouder wier regeering Israël des ondanks meer dan vroeger van de Aramcors te
lijden had en cen profeet zich dus meer dan voorheen moest geroepen voelen tot troosten.
Welke historische waarde intusschcu aan enkele tafercelcu of onderdeden moge worden toegekend
(zie vooral VI: 24—VII: 20), opmerking verdient, dat deze vier vijf hoofdstukken zóo weinig bc-
hooren in het verbund van Koningin dat ze er uit kunnen worden weggenomen zonderdat de draad
der geschiedenis wordt afgebroken; voorts, dnt, hoc vaak er ook van Israëls koning sprake zij (IV :
13; V:5—8; VI: 9—12, 21, 26, 28, 33; VII: 2, 6, 9, 11, 12, 14, 17, 18; VIII: 3—6), nooit zijn
naam wordt genoemd (verg. inl. op III en op 1 Kon. XXII: 1—40); zoodat men meestal (IV: 13;
V:5—8; VI: 9—12, 21; VIII: 3—6) niet weet, wie van de vier bovengenoemde vorsten bedoeld
wordt; evenwel, zie op VI: 32.
IV :1 Eene vrouw uit de vrouwen der profetenzonen riep tot Eliza: Mijn
man, uw knecht, is gestorven, en gij zelf weet dat uw knecht god-
vreezend is geweest. Nu is de schuldeischer mijne beide kinderen
2      komen halen als zijne slaven. \' Eliza zeide tot haar: Wat kan ik voor
u doen? Vertel mij: wat hebt gij in huis? Zij zeide: Uwe dienstmaagd
3      heeft niet met al in huis behalve eene kruik olie.\' Hij zeide: Ga
heen, vraag buitenshuis vaten, van al uwe buren, ledige vaten, vooral
4      niet te weinig.\' Qa dan in huis, sluit de deur achter u en uwe
zonen, en giet in al die vaten, terwijl gij wat vol is laat wegzetten.\'
5      Zij dan ging van hem weg en sloot de deur achter zich en hare zonen;
6      dezen zetten de vaten bij haar, en zij goot steeds.\' Toen ze nu vol
waren, zeide zij tot haar zoon: Breng mij nog een vat. Maar hij zeide
7      tot haar: Er is geen vat meer. Toen stond de olie stil.\' Zij ging het
aan den godsman vertellen, en deze zeide: Ga de olie verkoopen, be-
taal uwe schulden, en leef met uwe zonen van het overschot.
8          Op zekeren dag ging Eliza door Sjunem. Aldaar woonde eene ver-
mogende vrouw, die hem drong om brood te eten. Dus nam hij daar,
9      zoo vaak hij er doorging, zijn intrek om brood te eten.\' En zij zeide
1. als tijne alarm, letterlijk voor ricA tol slaven. Een schuldeischer had het recht, op den persoon
of op vrouw en kinderen vnn wie zijne schulden niet betalen kon beslag te leggen, om hen als sla-
vcn in zijn dienst te houden of te verkoopen. Zie Lcv. XXV: 39; Neh. V : .">, 8; Jez. L:l; Matth.
XVIII:25.
3.  vaten, tonnen, potten, kannen, enz.
4.  giet, nl. olie uit hare kruik, die voortdurend strekken zou.
8. Verg. 1 Kon. XVII: 14—16, waar Klia olie en meel wonderbaar vermenigvuldigt.
8. Sjunem. Zie op Joz. XIX: 18. — brood te eten, het middagmaal te haren huize te gebruiken. —
l>ui — eten. Volgens de regelen der Oostersche gastvrijheid zon het eene belecdiging geweest zijn,
elders te gaan. Verg. Mare. VI: 10.
-ocr page 731-
811
2 KONINGBN IV : 9—27.
tot haren man: Zie eens, ik weet dat het een heilig godsman is, die
10       hier gedurig doortrekt.\' Laat ons nu eene kleine getimmerde boven-
kamer maken en daar voor hem een bed, tafel, stoelen luchter plaatsen.
11       Wanneer hij dan bij ons komt, zal hij daar zijn intrek nemen.\' Toen
hij nu op zekeren dag aldaar kwam, nam hij in de bovenkamer zijn
12       intrek en legde er zich te slapen.\' Daarna zeide hij tot zijn knecht
Gehazi: Hoep die iSjunammietische. Toen hij haar geroepen had en
13       zij voor hem stond,\' zeide hij tot hem: Zeg haar: Zie, al deze moeite
hebt gij u voor ons getroost; wat kan men voor u doen.\' Kan men
voor u spreken met den koning, of met den legeroverste.\' Maar zij
14       zeide: Ik woon in het midden mijns volks. \' Hij zeide: Wat is er dan
voor haar te doen? Waarop Gehazi zeide: Zij heeft geen zoon, en haar
15       man is oud.\' Toen zeide hij: Itoep haar. Toen hij haar geroepen had
16       en zij in den ingang stond,\' zeide hij: Op dezen tijd in het volgend
jaar drukt gij een zoon aan het hart. Zij zeide: Neen, mijn heer, man
Gods, belieg uwe dienstmaagd niet!
17           De vrouw nu werd zwanger en baarde een zoon op den bepaalden
18       tijd in het volgend jaar, gelijk Eliza tot haar gesproken had.\' Maar toen
het kind groot werd, ging het op zekeren dag naar buiten bij zijn
19       vader, bij de maaiers.\' En het zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn
hoofd! Deze zeide tot den knecht: Neem hem op en breng hem bij
20       zijne moeder.\' Hij nam hem op en bracht hem bij zijne moeder, op
21       wier knieën hij lag tot den middag; toen stierf hij.\' Nu ging zij naar
boven en legde hem op het bed van den godsman, sloot de deur, ging
22       naar buiten\' en riep haren man toe: Zend mij een der knechten
en eene der ezelinnen; opdat ik ijlings naar den godsman ga en terug-
23       kome.\' Hij zeide: Waarom gaat gij heden naar hem toe? Het is geen
24       nieuwemaan of sabbat. Zij zeide: Alles wel.\' Vervolgens zadelde zij
de ezelin en zeide tot haren knecht: Drijf gestadig voort, houd mij
25a niet op in het rijden, tenzij ik het u zeg.\' Zoo ging zij en kwam bij
den godsman, op den berg Karmel.
256 Zoodra de godsman haar zag aankomen, zeide hij tot zijn knecht Gehazi:
26       Daar is die Sjunammietische;\' nu dan, loop haar te gemoet en zeg
tot haar: Is het wel met u? met uw man? met uw kind? Zij zeide:
27       Alles wel.\' Maar toen zij bij den godsman op den berg gekomen was,
10. getimmerde, bovenkamer, letterlijk wandbovetikamer, cl. i. niet eene loofhut of eene van gespannen
doek vervaardigde tent, maar een getimmerd bovcnvertrek. Het bevond zich on het platte dak, waar-
heen men opklom /onder met do huisgenooten in aanraking te komen; zie op Dcut. XXII: 8. Ook
Elia woonde te Sarefuth in zulk een vertrek, 1 Kon. XVII: 19—23. — luchter, standaard om do lamp
op te plaatsen.
12.   Gehazi. Zie lul.
13.  tot hem, tot Gehazi. Waarom Kliza zich niet regelrecht tot haar wendt, maar door bemiddeling
van zijn knecht met haar spreekt, is niet duidelijk. Hoogstwaarschijnlijk is de tekst in de war;
immers, vs. 15 moet de vrouw wederom geroepen worden zonderdat wij van haar heengaan iets ver-
namen. — spreken — legeroverste, /ie op 1 Sam. XVII: 25. Eliza was dus ecu mon van invloed aan
het hof. Verg. XIII: 14. — Ik — volks. Ik heb dus geen voorspraak aan het hof vau noodc.
15.  in den ingang, van het vertrek door Eliza bewoond; uit eerbied gaat zij niet binnen.
16.   Op — jaar. Verg. Gen. XVII: 21; XVIII: 10, 14. — belieg uwe dienstmaagd niet! Zij durft
op zulk een geluk nauwelijks hopen.
19.  Mijn — hoofd! Hij kreeg een zonnesteek. Zie Jud. VIII: 3. In den oogsttijd is het reeds in
den morgen (zie vs. 20) buitengemeen heet in Palestina.
20.  lag, volg. Gr. vert.; Hebr. t. tat.
23. het — sabbat. Nieuwemaan (zie op Num. XXVIII: 11—15) en sabbat (zie op Exod. XX: 8—
11) worden als gelijksoortige feest- of heilige dagen ook elders samen genoemd (Jez. 1:13; Ezcch.
XLVI:3; Hoz. 11:10); dan rustten de gewone bezigheden (Am. VIII: 5), werden in de heiligdom-
men offers gebracht en de profeten bij voorkeur bezocht. — Alles wel, d. i. Stel u gerust. Dit zegt zij
omdat zij zich niet wil laten ophouden. Desgelijks vs. 26.
25. oti den berg Karmel. Hier, ruim zes uur van Sjuncin, was dus, volgens ons verhaal, de gewone
verblijfplaats des profeten; verg. 11:25.
-ocr page 732-
8iy
2 KONINGEN IV: 27—42.
greep zij zijne voeten. Gehazi trad toe, om haar weg te duwen. Maar
de godsman zeide: Laat haar begaan; want zij is bitter bedroefd, en
Jahwe heeft het voor mij verborgen gehouden en liet mij niet mede-
28 gedeeld.\' En zij zeide: Heb ik van mijn heer een zoon gevraagd?
2\'J heb ik niet gezegd: Misleid mij niet ?\' Toen zeide hij tot Gehazi:
Omgord uwe lenden, neem mijn staf mede en ga; als gij iemand ont-
moet, groet hem niet, en als iemand u groet, beantwoord hem niet;
30       en leg mijn staf op het aangezicht van den knaap.\' Doch de moeder
van den knaap zeide: Zoo waar als Jahwe leeft en gij leeft, ik ver-
31       laat u niet. Toen stond hij op en volgde haar.\' Gehazi nu ging voor
hen uit en legde den staf op het aangezicht van den knaap; maar
er kwam geen geluid of achtgeving. Dus keerde hij terug, hem te
32       gemoet, en berichtte hem: De knaap is niet ontwaakt.\' Eliza kwam
het huis binnen, en daar was de doode knaap op zijn bed nedergelegd. \'
33       Hij ging de kamer binnen, sloot de deur achter hen beiden en bad
34       tot Jahwe.\' Daarna ging hij boven op het kind liggen: hij leide zijn
mond op den zijnen, zijne oogen op de zijne, zijne handen op de zijne;
zoo kromde hij zich over hem heen, totdat het vleesch van het kind
35       warm werd.\' Daarna kwam hij er af, ging door het huis eenmaal op
en neder, klom op en kromde zich over hem heen. Toen niesde de
3(5 knaap zevenmaal achtereen en deed zijne oogen open.\' Nu riep hij
Gehazi en zeide: Iloep de Sjunammietische. Deze riep haar, zij kwam
37       tot hem, en hij zeide: Neem uw zoon op.\' Toen kwam zij binnen,
viel aan zijne voeten en wierp zich ter aarde; daarna nam zij haren
zoon op en ging henen.
38           Eliza nu keerde naar Gilgal terug, terwijl hongersnood in het land
was, en de profetenzonen gingen vóór hem zitten. Hij zeide tot zijn
knecht: Zet den grooten pot op en kook moes voor de profetenzonen.\'
39       Toen ging er een uit in het veld om groenten te lezen, en vond een
wilden wingerd, waarvan hij wilde kolokwinten las, zijn kleed vol;
hij kwam en sneed ze in den pot met moes; want hij kende ze niet.\'
40       Daarna schepte hij voor de mannen op om te eten; maar zoodra zij
van het moes aten, schreeuwden zij het uit en zeiden: Man Gods, de
41       dood is in den pot! en zij konden het niet eten.\' Maar hij zeide:
Haalt meel. Hij wierp het in den pot en zeide: Schep voor het volk
op, dat zij eten. Toen was er geen kwaad in den pot.
42           Eens kwam iemand uit Baal-sjalisja en bracht den godsman brood
27.   greep zij zijne toeten, in stomme smart hem om hulp smeekend. — Oehaii — duwen, dewijl
zulk cene handelwijze niet bestaanbaar scheen met den eerbied voor den godsman.
28.  Verg. v». 16. — Mialrid mij niet, onzekere overzetting, op grond van Gr. en Lat. vertt.
29.   Omgord uwe lenden, om onbelemmerd vlug te kunnen loopcn. Zie op Exod. XII lil. — mijn
ttaf,
als middel tot uitoefening van wonderkracht, evenals de mantel van Klia, II: 8, 14, en Mozes\'
wonderstaf, Kxod. XIV : 10 enz. — als gij — In antwoord hem niet. Bij de uitvoering van een godde-
lijkcn last bckommerc hij zich om geen mensch. Desgelijks Luc. X: 4.
31. er kwam — achtgeving, geen teeken van leven. Verg. 1 Kon. XVIII: 29.
32—37. Verg. 1 Kon. XVII: 19—23.
36.  Neem uw zoon op. Verg. Luc. VII: 15.
37.  ging henen. Het vervolg van de geschiedenis dezer vrouw VIII: 1—6.
38.   Gilgal. Zie op 11:1. — hongersnood. Zie VIII :1. — gingen vóór hem zitten. Zie VI: 1. —
zijn knecht. De naam wordt niet genoemd; zie lul.
39.  een wilden wingerd. Ilcdocld is cene daarop gelijkende kalcbasachtigc klimplant. — wilde kolo-
kwinten.
Keuc kogelronde, gladde vrucht, van de grootte eens appels, als braak- cu zuiveringsmiddel in
gebruik, oudtijds om den zeer bitteren smaak voor vergiftig gehouden. Maar het is niet geheel zeker,
welk gewas bedoeld wordt. — hij, hier en vs. 40 volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft beide keeren het
meervoud.
40.  de dood — pot! Er is vergif in het etenl
42—14. Ook dit wordt ondersteld gedurende den hongersnood (vs. 38) te zijn voorgevallen. — Verg.
Matth. XIV: 15—21 ,cn de\'gelijkluidende plaatsen.
-ocr page 733-
2 KONINGEN IV : 42—V : 7.
813
der eerstelingen, twintig gerstebrooden en tuinvruchten in hare hulzen.
43      Toen zeide hij: Geef het aan het volk, opdat het ete.\' Maar zijn
dienaar zeide: Hoe zal ik dit aan honderd man voorzetten.\' Hij zeide:
Geef liet aan het volk, opdat het ete. Want zoo zegt Jahwe: Eten en
44      overhouden. \' Toen zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over,
naar het woord van Jahwe.
42.   BaiiUsjalisja. \'Aio op 1 Sam. IX: 4. — brood der eerstelingen, gebakken uit liet versch go-
dorschte gniiui. Zie Lev. II: 14; XXIII: 20. — twintig gerstebrooden. De brooden der Israëlieten,
rond en plat, ter grootte vau een tafclbord, waren hoogstens ecu duim dik en veeltijds dunner.
Twintig vau zulke brooden was dus geen groote hoeveelheid. — tuinvruchten in hare hulzen, onzekere
lezing cu vertaling.
43.   zijn dienaar. Een ander woord dan vs. 38, maar alweder ter aanduiding van een onbekende.
HOOFDSTUK V.
Naiiman. — Naiiman, de Aramccschc lcgeroverste, melaatsen geworden (1), verneemt door eene Is-
raëlietischc slavin zijner vrouw (2) dat te Samarië cen profeet woont die hem genezen knn (3), cu
vertrekt mot rijke geschenken en cen brief van zijn vorst aan dien van Israël (1—6); welke laatste,
met de zaak verlegen, door Eliza geholpen wordt (7 v.). Naiiman krijgt vnn Eliza den last zich zevcn-
maal in den Jordaan te baden (9v.); waarover hij eerst verontwaardigd is (11 v.), maar welks opvol-
ging straks hem geneest (13 v.). Tot Kliza teruggekeerd, huldigt hij Jahwe als den eenigen god en
beproeft tevergeefs zijn weldoener geschenken te doen aannemen (15—19). Gchazi loopt hem achterna
en wordt door eene leugen geschenken machtig (20—24); waarop Eliza hem met mclaatschheid
straft (25—27).
Het verhaal munt uit door natuurlijkheid eu aanschouwelijkheid, alsmede door de tcekening van
goede verhoudingen en edele gezindheden. De strekking is, aan te tooucn dat de roem van Israëls
god door zijn dienaar ook buitenslands werd verbreid (verg. VI: 8—23; VIII: 7—15); voorts, den
profeten belangeloosheid aan te bevelen eu hen tegen iuhaligheid en bedrog te waarschuwen (verg.
Micha III: 11).
V: 1         Naüman, de legeroverste van den koning van Aram, was een groot
man bij zijn heer en in hooge gunst; want door hem had Jahwe aan
de Arameërs overwinning geschonken. Maar de man was melaatsch.\'
2      Eens waren Arameesche benden uitgetogen, die uit het land van Israël
een jong meisje roofden. Deze was in dienst bij de vrouw van Naiiman\'
3      en zeide tot hare meesteres: Was mijn lieer maar bij den profeet te
4      Samarië; dan zou die hem van zijne melaatschheid afhelpen.\' Toen
kwam hij en deelde het aan zijn heer mede, zeggende: Zoo en zoo
5      heeft het meisje uit het land van Israël gesproken.\' Hierop zeide de
koning van Aram: Ga dan, en laat ik een brief aan den koning van
Israël zenden. Zoo ging hij op reis, nam tien talenten zilver, zes dui-
6      zend sikkelen goud en tien stel kleederen mede,\' en bracht aan den
koning van Israël den brief, van dezen inhoud: Als deze brief tot u
komt, weet dan dat ik mijn dienaar Naiiman tot u zend, opdat gij
7      hem van zijne melaatschheid afhelpt.\' Zoodra nu de koning van Israël
1.  want — geschonken. Volgens de jongere zienswijze is het Jahwe, de ecnige bestuurder aller din-
gen, die ook voor vreemde volken de krijgskans beslist; volgens het oudere volksgeloof beschikte iedero
nationale godheid hierover ten gunste van haar volk. /ie op 111:4 on 27. — was melaatseh, volg.
Gr. vert.; Hebr. t. was een melaatsche krijgsheld. Over deze vreesolijke ziekte, welke Naiiman eerst
na zijne heldendaden zal gekregen hebben, zie Lev. XIII, XIV.
2.  benden. Hedoeld worden lichtgewauende, ongeregelde troepen, die op buit waren uitgegaan. Verg.
VI:23; XIII:20v.
3.   den profeet te Samarië. Bedoeld is Eliza, die hier dus ondersteld wordt zijne voste woonplaats
in de hoofdstad te hebben. Zie vs. 9; VI: 82 eu iul. op IV.
4.  zijn heer, den koning van Aram. Gr. vert. Toen kwam zij (de vrouw van Naiiman) en deelde het
aan haren heer
(echtgenoot) mede, die het den koning mededeelde.
5.   laat — zenden. Hier wordt eene vriendschappelijke verhouding tusschen Israël en Aram onder-
Hteld. — Een talent zilver bedroeg ƒ5100, een sikkel goud ƒ27 in onze munt. — ttel kleederen, een
kostbaar en geliefd geschenk. Zie Gen. XLV:22; Kicht. XIV: 12, 13, 19.
-ocr page 734-
2 KONINGEN V : 7—18.
814
den brief had gelezen, scheurde hij zijne kleederen en zeide: Ben ik
God, om te dooden en levend te maken, dat deze tot mij zendt om
iemand van zijne melaatschheid af te helpen? Merkt toch en ziet
dat hij slechts een voorwendsel tegen mij zoekt.
8           Maar toen de godsman Eliza hoorde dat de koning van Israël zijne
kleederen gescheurd had, zond hij den koning de boodschap: Waarom
hebt gij uwe kleederen gescheurd? Laat hem bij mij komen; opdat
9       hij gewaarworde dat er een profeet in Israël is.\' En Naiiman kwam
met zijne paarden en zijn wagen, hield stil aan den ingang van Eliza\'s
10       huis,\' en Eliza zond hem een bode, met den last: (ia heen, baad u
zevenmaal in den Jordaan, opdat uw vleesch terugkome en gij rein
11       wordt.\' Maar Naiiman ging verstoord heen en zeide: Zie, ik had ge-
dacht: hij zal stellig naar buiten komen, bij mij gaan staan, den naam
van zijn god Jahwe aanroepen, zijne hand strijken over de plek, en
12       zoo het melaatsche wegnemen.\' Zijn niet de rivieren van Damaskus,
de Abana en de Parpar, beter dan al de wateren van Israël? Kan ik
mij dan niet daarin baden en rein worden? En hij keerde om en ging
13       in gramschap heen. \' Maar zijne knechten traden toe en spraken tot
hem en zeiden: Indien de profeet u iets moeilijks voorgeschreven had,
zoudt gij het dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij u gezegd heeft:
14       Baad u, en gij zult rein worden!\' Zoo daalde hij af, dompelde zich
zevenmaal in den Jordaan, naar het woord van den godsman, en zijn
vleesch kwam terug, gelijk het vleesch van een jongen knaap, en hij
werd rein.
15           Toen keerde hij, met zijn gansche gevolg naar den godsman terug,
kwam binnen, ging vóór hem staan en zeide: Zie, ik weet nu dat er
geen god is op de gansche aarde behalve onder Israël; nu dan, neem
16       toch een huldeblijk van uwen dienaar aan.\' Maar hij zeide: Zoo waar
als Jahwe leeft, vóór wien ik sta, ik neem niets aan. En hoe hij hem
17       drong iets aan te nemen, hij weigerde. \' Toen zeide Naiiman: Zoo niet,
worde dan toch aan uw dienaar eene vracht aarde voor een koppel
muilezels gegeven; want uw dienaar zal geen brandoffer of slachtoffer
18       meer brengen aan andere goden dan aan Jahwe.\' Deze zaak vergeve
Jahwe uwen dienaar: als mijn heer het huis van llimmon binnen-
7.   Ben — maken. Verg. Dout. XXXII: 39; 1 Sam. 11:6. — een voorwendsel, om mij den oorlog
te verklaren.
8.   Kliza staat blijkbnar op goeden voet met den koning. Verg. IV: 13.
10. uw vleesch terugkome. Door de ziekte verloor hij zijn vleesch allengs en op do akeligste wijze.
12.   Het grootste voorrecht vnn Damaskus en omstreken was door alle eeuwen heen overvloed van
voortreffelijk water. De Varpar komt van den Hermon; de Abana, of Amana, tegenwoordig Barada,
komt van den Antilihanos af cu stroomt in zeven armen door de stad. Het water is koel en helder.
Hoogst natuurlijk dat Naiiman deze stroomen boven het water van den Jordaan verkoos.
13.  Indien, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Mijn vader.
14.  daalde hij af, van Samaric naar den Jordaan. — kwam terug. Zie op vs. 10. — gelijk —
knaap, zoo gezond en frisch.
15.   geen — Itrarl. Zonderlinge samenvoeging, doch aan het geloof der profeten, hier Naiiman in
den mond gelegd, niet vreemd, dat de eenige God tegelijkertijd min of meer aan het land en volk
van Israël gebonden, daartoe beperkt zou zijn. Zie op vs. 17. — een huldeblijk, letterlijk een zegen.
Zie op Gen. XXXI11:11.
16.  vóór wien ik tta. Zie op 1 Kon. XVII: 1.
17.  Zoo niet. Indien mij dus niet vergund wordt, u een bewijs van mijne erkentelijkheid te geven.
•r— eene vracht — muilezel». Zooveel als deze kunnen torsen. — want — Jahwe. Naiiman gaat uit
van de onderstelling dnt de eenige God, Jahwe, als god van Kanaün en Israël, nergens anders dan
op zijn eigen grond mag vereerd worden. Indien hij in zijn hof te Damaskus de uit Kanaiin medege-
brochtc aarde uitstort en daarop een altaar bouwt, staat dit op den grond van Jahwe en zal deze de
daarop gebrachte offers aannemen. Verg. Hoz. IX: 3—5.
18.   mijn heer, de koning van Aram. — llimmon, of Kamman, Arameesche godheid, ook door liaby-
lonicrs en Assyriërs vereerd. — terwijl — arm, terwijl ik hem als adjudant vergezel. Zie VII: 2, 17.
— ik — nederwerp, omdat ik mij daaraan niet onttrekken kan. Na deze woorden heeft Hebr. t. nog
eens bijna dezelfde woorden.
-ocr page 735-
2 koningbn V : 18—VI: 4.
815
treedt om aldaar zich neder te werpen, terwijl hij leunt op mijn arm,
en ik mij dus in het huis van Ilimmon nederwerp, zoo moge Jahwe
19a uwen dienaar in deze zaak vergeving schenken.\' Hij zeide tot hem:
Ga in vrede.
194,20 Toen hij nu hem verlaten en een eind wegs afgelegd had,\' zeide
Gehazi, de knecht van den godsman Eliza: Zie, mijn heer heeft dezen
Arameër Naüman gespaard, door niet van hem aan te nemen wat hij
had medegebracht; doch, zoo waar als Jahwe leeft, ik loop hem achterna
21      en neem wat van hem! \' Zoo ging Gehazi Naüman achterna. En Naü-
man zag hoe hij hem volgde, sprong van zijn wagen, hem te gemoet,
22      en zeide: Is alles wel?\' Hij zeide: Alles wel. Mijn heer zendt mij met
de boodschap: Zie, daareven zijn twee jongelingen uit het gebergte van
Efraim tot mij gekomen, profetenzonen; wil hun een talent zilver en
23      twee stel kleederen geven.\' Naüman zeide: Wees zoo goed, neem twee
talenten. Hij drong hem, pakte twee talenten zilver in twee geldbui-
dels, en gaf ze, met twee stel kleederen, aan een paar knechten, die
24      ze voor hem uit droegen.\' Bij de hoogte gekomen, nam hij het hun
af, bezorgde het in huis en zond de mannen weg, die heengingen.\'
25      Zoodra hij binnenkwam en bij zijn heer stond, zeide Eliza tot hem:
Van waar, Gehazi? Hij zeide: Uw knecht is her- noch derwaarts ge-
26      gaan.\' Maar hij zeide tot hem: Was niet mijn hart bij u toen de
man zich omkeerde, van zijn wagen af, u te gemoet? Nu hebt gij
dan zilver aangenomen en zult daarvoor koopen tuinen, olijf- en wijn-
27      gaarden, kleinvee en runderen, slaven en slavinnen. \' Maar de melaatsch-
heid van Naüman zal u en uw nakroost aankleven voor eeuwig. En
hij ging van hem weg, melaatsch als sneeuw.
20. dezen Arameër. Gehazi bedoelt: tegenover een buitenlander behoefde men allerminst zoo belan-
geloos zich te gedragen.
24. de hoogte. Waarschijnlijk is een hoog gelegen punt in Snmaric bedoeld. Ook in Jeruzalem werd
ecne stadswijk zoo genoemd; zie op Neh. III: 20.
26.   Was niet mijn hart bij u, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Mijn hart is niet heengegaan. — Nu —
tuinen, ongeveer volg. Gr. vert.; Hebr. t. Is het een tijd om zilver aan te nemen en om aan te nemen
(of te koopen) kleederen.
27.  als sneeuw. Zie op Num. XII: 10.
HOOFDSTUK VI: 1—28.
Eliza aan den Jordaan en te Dothan. — Eliza doet, bij den bouw van een profetenhuis, ijzer drij«
ven (1—7). In den oorlog met Aram maakt hij aan den koning van Israël de plannen des vijands
bekend (8—10); deze wil hein door een leger doen oplichten (11—14), maar eenc hemelmacht bc-
schermt den godsman (15—17), die de Aramccrs, met blindheid geslagen (18), naar Samaric voert
(19 v.), van waar hij zorgt dat zij ongehinderd vertrekken (21—23).
Is het eerste dezer verhalen van hetzelfde gehalte als IV : 1—7, 38—41, 42—44, het andere neemt
hooger vlucht dan de overige verhalen over Eliza en staat op gelijken rang met de schoonste over
KI ia: het is de aanschouwelijke voorstelling van het denkbeeld dat de vrome steeds door God be-
schermd wordt en veilig op hem mag vertrouwen.
VI: 1 De profetenzonen zeiden eens tot Eliza: Zie toch, de plaats waar wij
2      vóór u zitten is te bekrompen voor ons.\' Laat ons gaan naar den Jor-
daan en van daar ieder een balk halen, opdat wij ons daar eene plaats
3      maken om er te wonen. Hij zeide: Gaat.\' Maar éen zeide: Wees zoo
goed en ga met uwe knechten mede. Hij zeide: Ik zal medegaan.\'
4      Zoo ging hij mede, en zij, aan den Jordaan gekomen, hieuwen de
1.   de plaats. Het gemeenschappelijk verblijf. Zoo ook vs. 2; verg. IV: 88. — vóór u zitten, als
uwe leerlingen. Zoo ook vs. 2.
2.  den Jordaan, aan welks oevers toen vele boomen groeiden. Deze profetenkolonie bevond zich dus
niet ver van de rivier, wellicht te Jerieho.
-ocr page 736-
816
2 KONINGKN VI: 4—21.
5       booraen om.\' Maar terwijl óen den bijl deed neerdalen, daar schoot
het ijzer in het water; en hij riep: Ach, mijn heer, en het is geleend!\'
6       De godsman zeide: Waar is het gevallen/ en toen hij hem de plaats
gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarhenen, deed
7       zoo het ijzer drijven, \' en zeide: Neem het op. De ander strekte zijne
hand uit en greep liet.
8           De koning van Aram was in oorlog met Israël. Toen hij nu beraad-
slaagde met zijne dienaren: In die en die plaats zult gij u in hinder-
9       laag leggen — \' zond de godsman den koning van Israël bericht: Wees
op uwe hoede, die plaats niet voorbij te trekken; want daar liggen de
10       Arameërs in hinderlaag.\' Dan zond de koning van Israël bericht naar
de plaats die de godsman hem genoemd had. Zoo waarschuwde hij den
koning, en was deze daar op zijne hoede, niet slechts eenmaal of twee-
11       maal.\' Hierover geraakte de koning van Aram in heftigen toorn; hij
ontbood zijne dienaren en zeide tot hen: Zult gij mij niet mededeelen,
12       wie mij verraadt aan den koning van Israël l\' Toen zeide een uit zijne
dienaren: Neen, mijn heer de koning, maar de profeet Eliza, in Israël,
bericht aan den koning van Israël al wat gij in uw slaapvertrek
13       spreekt.\' Hij zeide: Gaat dan zien, waar hij is; opdat ik zende om
14       hem te vatten. En toen hem werd bericht: Hij is te Dothan —\' zond
hij derwaarts paarden en wagens en een machtig heir, die des nachts
15       aankwamen en de stad omsingelden.\' De dienaar van den godsman
maakte zich op en ging naar buiten, en zie, daar omringde een heir
met paarden en wagenen de stad! Toen zeide zijn knecht tot hem:
1G Ach, mijn heer, hoe moeten wij doen?\' Maar hij zeide: Vrees niet;
17       want zij die met ons zijn zijn talrijker dan zij die met hen zijn.\' En
Eliza bad en zeide: Jahwe, open zijne oogen, opdat hij zie. En Jahwe
opende de oogen van den knecht; zoodat hij zag, hoe daar het ge-
18       bergte vol paarden en wagenen van vuur was, rondom Eliza.\' Toen
zij dan tot hem afdaalden, bad Eliza tot Jahwe en zeide: Sla dit volk
met blindheid. En hij sloeg hen met blindheid, naar het woord van
19       Eliza.\' Nu zeide Eliza tot hen: Dit is de weg niet, en dit is de stad
niet; volgt mij, opdat ik u brenge bij den man dien gij zoekt. En hij
20       bracht hen naar Samarië.\' Nauwelijks waren zij te Samarië gekomen,
of Eliza zeide: Jahwe, open hunne oogen, opdat zij zien. En Jahwe
opende hunne oogen, zoodat zij zagen; en zie, zij waren in Samarië!\'
21       De koning van Israël nu zeide tot Eliza, zoodra hij hen zag: Zal ik
5. bijl en schoot, volg. Gr. vert.; Hebr. t. balk en viel. — het U getemd! Verzwaring vun het
onheil.
8. berandilaagie met zijne dienaren, d. i. krijgsraad hield met zijne hoofdofficieren. — die en die.
Zie over deze uitdrukking op Ruth IV : 1. — zult gij — leggen. De lezing is, beide in Hebr. t. en
in (ir. en andere oude vertt., zoowel hier als in het laatste woord van vs. 9, onzeker.
10.  niet — tweemaal. Het gebeurde herhaaldelijk.
11.  mij verraadt, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. wellicht uit die van ons lijn.
12.  m uw slaapvertrek, in de verborgenste plaats tot de vertrouwdste personen. Verg. Pred. X; 20.
13.   Dothan, eene stad, vijf uur ten noorden van Sumaric, aan of nabij den karavauenweg tutschen
Aram en Egypte. Verg. op Gen. XXXVII: 17.
16.  zij die met ons zijn, onze bondgenooten of helpers.
17.  open — zie. Ken hemelsch heirleger was, volgens de bedoeling des schrijvers, werkelijk nan-
wezig, doch voor het gewone, niet door God geopende, menschenoog niet waarneembaar. Wien God
de „oogen opent", die ziet wat anderen verburgen is. Zie Nuin. XXII: 21—35; XXIV: 3 en op Num.
XII: 6. — van vuur. Vuur is het element waarin de godheid en hare dienaren wonou of zich open-
baren. Zie op Gen. XV: 17. — rondom Eliza, te zijner bescherming. Zie I\'s. XXXIV: 8.
18.    Toen — afdaalden, nl. de Arameers van de nabijzijnde hoogten af naar de stad, tot Eliza. —
blindheid. Verg. Gen. XIX : 11.
20.  open — zien. Hier is het gewone, natuurlijke „zien" bedoeld, ganach anders dan vs. 17.
21.  Zij waren weerloos in de macht van Israëls koning overgeleverd. — mijn vader. Zie op Richt.
XVII: 10.
-ocr page 737-
2 komxobn VI: 21—29.                                  817
22      hen verslaan, mijn vader?\' Maar hij zeide: Geenszins. Die gij met
uw zwaard en boog gevangen hebt genomen, hen moogt gij verslaan.
Zet hun brood en water voor, opdat zij eten en drinken, en laten zij
23      dan heengaan naar hun heer.\' Daarop bereidde hij hun een grooten
maaltijd en liet hen, nadat zij gegeten en gedronken hadden, ver-
trekken, en zij gingen heen naar hun heer. Sedert kwamen de benden
der Arameërs niet meer in het land van Israël.
22. Die — moogt gij verslaan, volgens geringe verandering in den tekst; Hebr. t. Zoudt gij hen
die
— verdaan? Muur dit geeft geen zin. Krijgsgevangenen af te innken was oorlogsgcbruik; maar
deze Arameërs waren niet in den strijd gevangen genomen.
28. Sedert — Israël. Het was nu den koning van Arani gebleken dat tegen deze goddelijke bc-
scherming van Israël geen beleid en heirkracht baatten.
HOOFDSTUK VI: 21—VII: 20.
Het beleg van .Samaric. — In Samaric, door de Arameers ingesloten (VI: 24), is hongersuood (25),
die tot gruwelen brengt (20—29); weshalve de koning Kliza wil doen dooden (30 v.). Maar de profeet
wacht hem af (32 v.), belooft volledige uitkomst (VII : 1) en zegt des konings adjudant, die ongeloo-
vig spot. dm dood aan (2). Vier melaaUchen buiten de stad, in wanhoop naar het vijandelijk kamp
gegaan, vinden dit verlaten (3—5); daar Jahwe door een ijdelcn schrik de Arameërs had doen vluch-
ten (0 v.). De mclaatschcn doen zich te goed (8) en bcrichtcii in de stnd dat het kamp verlaten is
(9—11); de koning vermoedt eene krijgslist (12), doch nader onderzoek bevestigt de heugelijke tijding
(13—15); waarna het kamp der Arameers geplunderd en de voorspelling van Kliza volkomen vervuld
wordt, ook ten opzichte van den adjudant (IC—20).
Dit verhaal, uit den mond des volks door de pen eens profeten opgetcekend, behoorde niet tot den
Profetcnspicgel, maar wellicht tot hetzelfde Kfraimictische geschrift waaraan II. III en 1 Kon. XX
en XXII ontleend zijn. Het is levendig en aanschouwelijk en in hoofdzaak geloofwaardig. Van vroo-
                 f
gcre verhalen over Kliza onderscheidt het zich o. a. hierin dat Kliza uict onder de profctenzoueii ver-
keert, maar, evenals in H. V, in de hoofdstad een eigen huis bewoont, waar hij de hoofden des volks
ontvangt en hun moed inspreekt.
VI: 24 Nadezen verzamelde Benhadad, de koning van Aram, zijn gansche
25 leger, trok op en sloot Samarië in.\' Toen kwam er zware hongersnood
in Samarië, daar zij het insloten totdat een ezelskop tachtig zilver-
20 lingen kostte en een vierde maatje duivenmest vijf zilverlingen.\' Eens
ging de koning op den muur, toen eene vrouw hem smeekte: Help,
27      heer koning! \' Hij zeide: Helpt Jahwe u niet, van waar moet ik u
28      hulp verschaffen? van den dorschvloer of van de perskuip?\' Vervol-
gens zeide de koning tot haar: Wat hebt gij.\' Zij zeide: Deze vrouw
heeft tot mij gezegd: Geef uwen zoon, dat wij hem vandaag opeten;
2\'J dan zullen wij mijn zoon morgen opeten. \' Alzoo hebben wij mijn zoon
gekookt en opgegeten; maar tóen ik des anderen daags tot haar zeide:
24.   Nadezen. Dit woord moet, als zeer algemeene tijdsbepaling, ons verhaal aan het voorgaande
vastknoo|ien; waarbij voorbijgezien is dat tusschen het slot van het voorgaande en het hier volgende
verhaal de sterkste tegenspraak heerscht. Zie op vs. 23. — Benhadad. Zie op 1 Kon. XV: 18. De-
zclfde koning had reeds eenmaal, onder Achab, Samaric belegerd, 1 Kon. XX: 1.
25.   een ezelskop. De ezel behoorde tot de dieren welker vlcesch later voor onrein gold, dus niet
gegeten mocht worden. Sedert wanneer dit het geval was, weten wij niet. In elk geval moest de
hongersnood wel zeer zwaar zijn, wanneer men voor den kop zulk een verbazend hoogen prijs be-
toalde. — tachtig (Gr. vert. vijftig) zilverlingen. Ken zilvcrling, of zilveren sikkel, bedroeg/l.70 van
onze munt. — een vierde maatje. Zooveel als ecu halvo kop (liter) bij ons. — duivenmesl, zeer onzc-
kere lezing en vertaling.
2(1. Eens — muur. De muur was zeer breed (zie op III: 27), en do koning ging daarop rond om
den toestand te onderzoeken en de strijders door zijne tegenwoordigheid te bemoedigen. — de koning.
Waarschijnlijk Joram; zie op vs. 32.
27.   van den — perskuip!\' Moet ik u helpen aan koren of aan wijn? De vrouw witt zelve wel dat
de koning dit niet vermocht.
28.    Vervolgens. De koning bemerkt aan het gelant of de manioren der vrouw dat het geen gewone
klacht om voedsel was die zij deed hooreu. — Over het vervolg verg. Deut. XXVIII: 58—57; Klaagl.
IV: 10; Ezech. V:10.
O. T. I.                                                                                                                         52
-ocr page 738-
2 KONINGEN VI: 29—VII: 4.
818
Geef uw zoon, dat wij hem opeten — heeft zij haren zoon verstopt.\'
30       Toen de koning de woorden tier vrouw hoorde, scheurde hij zijne klee-
deren, terwijl hij op den muur ging; en nu zag het volk dat hij er
31       onder op het bloote lijf een rouwkleed droeg.\' En hij zeide: Zoo, ja
meer nog, zal God mij doen, indien het hoofd van Eliza, den zoon van
32       tëjafat, heden niet valt! \' Eliza zat in zijn huis, en de oudsten zaten
bij hem. De koning nu zond iemand voor zich uit; maar voordat de
bode bij Eliza kwam, zeide deze tot de oudsten: Hebt gij gezien dat
deze zoon des doodslagers iemand gezonden heeft om mij het hoofd af
te slaan? Ziet toe. Zoodra de bode komt, sluit de deur en dringt hem
met de deur weg; doen zich niet de schreden zijns heeren terstond
33       achter hem hooren!\' Terwijl hij nog met hen sprak, daar trad de
koning bij hem binnen en zeide: Zie, welk een onheil, door Jahwe
VII: 1 beschikt! Wat zou ik langer op Jahwe hopen ?\' Toen zeide Eliza: Hoort
het woord van Jahwe. Zoo zegt Jahwe: Morgen om dezen tijd kost
in de poort van Samarië een schepel meelbloem een sikkel en twee
2       schepel gerst een sikkel.\' Toen antwoordde de hopman op wiens arm
de koning leunde den godsman en zeide: Zie, al maakte Jahwe vensters
in den hemel, zou dat gebeuren? En hij zeide: Gij zult het met eigen
oogen zien, doch daarvan niet eten.
3           Er waren nu vier mannen, melaatschen, vóór de poort, die tot
elkander zeiden: Wat blijven wij hier vertoeven totdat wij zijn omge-
4       komen?\' Zeggen wij: wij zullen de stad ingaan — in de stad is hongers-
30.   dat — droeg. Gewoonlijk droeg men het rouwkleed over alles heen. Zooveel te meer trof deze
verborgen boetedoening des kouings. Hij trachtte daarmede Jahwe te verbidden. Zie 1 Kon. XXI: 27;
Jez. XXXII: 11.
31.   niet valt, letterlijk op hem zal blijven staan. Hier wordt ondersteld dat Eliza door uitkomst
vanwege Jahwe te beloven de drijver is geweest van den hardnekkigen tegenstand den Arameërs ge-
boden, dus schuld had aan den hongersnood, of dat hij niet genoeg bij Jahwe op redding had aange-
drongen.
32.   de oudsten. Zie op 1 Kou. XX: 7. — zaten bij hem, om een woord van Jahwe van hem te
vernemen of zijne voorbede te verzoeken, in beide gevallen om bemoediging en steun in den hoog
geklommen nood; verg. b. v. Jcr. XXXVII: 3, 17; Kzcch. VIII: 1 — De koning, duidelijkhcidshalvc
in pi. v. Hij. — zond, met den blocdigeu last. — maar, ingevoegd volg. Gr. vert. — bij Eliza, duidc-
lijkhcidshnlvc iu pi. v. bij hem. — zoon des doodslagers. Twee koningen uit ver uitcenliggcnde tijdperken
van Klin\'s leven kouden zoo genoemd worden : öf Joahaz, de zoon vnn Jchu, wcgcn9 de slachting van
Achabs huis en vnn de lSaiildicniuirs, door Jchu aangericht (IX, X; verg. Hoz. 1:4); of Jorum, de
zoon vnn Achab, om den moord van Nnboth en zijne zonen (IX: 20; 1 Kon. XXI: 11)). Haar Eliza
waarschijnlijk het bloedbad vnn Jehu niet heeft afgekeurd, cu althans een deel der oudsten het goed-
keurde, kunnen wij bezwaarlijk aannemen dat hij hem als „den moordenaar" heeft aangeduid. Waar-
schijnlijk spreekt hij dus hier van Jorani; zonder twijfel heeft de verzamelaar die dit verhaal hier
opnam op hem het oog. — dringt — terg. Het schijnt dat de deur naar binnen openging. Hoor van
binnen tegen de deur te duwen hield men dus den bode buiten, ook al wilde hij met geweld haar
openen. — doen — hooren!\' .lorum had met het gegeven bevel om Kliza te dooden toch geen vrede,
volgde dus zijn bode op den voet.
33.   de koning, tekstverbetering naar VII: 17; Hebr. t. de bod*. — trad... bij hem binnen, letter-
lijk daalde...tot hem af. — Zie — beschikt! He hongersnood, die zulke gruwelen (vs. 28 v.) met
zich brengt. Zoover is het met ons gekomen! — Wat — hopen f d. i. in afwachting van uitkomst,
door Jahwe te zenden.
1.   Hoort. Gr. vert. Hoor, als tot den koning alleen gericht. — in de poort van Samarie, waar
markt werd gehouden. — een schepel (Hebr. sea), ruim dertien kop (liter) vnn onze maat. — een
sikkel.
Bedoeld is: een zilvoren; zie op VI: 25. — In het gewone leven zouden deze prijzen nog vrij
hoog geweest zijn, maar in vergelijking met de duurte tijdens don hongersnood (VI: 25) waren zij
ongcloofelijk lang.
2.  de koning, volg. hss. en oude vertt.; Hobr. t. aan den koning. — de hopman — leunde, de adju-
dnnt; verg. V : 18. Over de hoplicdcn zie op Kxod. XIV : 7. — vensters in den hemel. Zie op Gen. 1:6.
— zou dat gebeuren? Al regende het uit den hemel koren, dan zou zulk een ^overvloed en goedkoopte
nog niet te verwachten zijn. — hij, Kliza.
3.   vóór de poort. Zij woonden in ellendige hutten buiten den stadsmuur, naar nog thans bestaand
gebruik in het Oosten. Als oureinen waren zij, ook bij het naderen van het vijandelijk leger, niet
binnengelaten. Zie XV:."; I,cv. XIII: 46; Num. V: 2 v. — omgekomen, van gebrek. Had men wei-
licht hun aanvnnkelijk uit de stad leeftocht toegeworpen, in den laatstcn tijd was dit opgehouden
door het gebrek.
-ocr page 739-
819
2 KONINGBN VII : 4—16.
nood; daar sterven wij; en blijven wij hier, dan sterven wij ook;
welaan, laat ons overloopen naar de legerplaats der Arameërs: laten
zij ons in het leven, dan blijven wij in leven, en dooden ze ons, dan
5      sterven wij.\' Zoo maakten zij zich op in de schemering, om in de
legerplaats der Arameërs te komen; maar toen zij aan het uiteinde
van de legerplaats der Arameërs kwamen, zie, daar was niemand.\'
6       Want de Heer had het Arameesche leger een geluid van wagenen,
paarden en een groot heir doen hooren; zoodat zij tot elkander zeiden:
Zie, de koning van Israël heeft tegen ons de koningen der Hittieten
7      en der Egyptenaren gehuurd, om ons te overvallen.\' Derhalve hadden
zij in de schemering zich opgemaakt en waren gevlucht, met achter-
lating van hunne tenten, paarden, ezels, de legerplaats zooals zij was;
8      vluchtende om lijfsbehoud.\' Die melaatschen kwamen dan aan het
uiteinde van de legerplaats, gingen eene tent binnen, aten en dronken,
namen er zilver, goud en kleederen uit weg, en gingen het verbergen.
Daarna kwamen zij terug, gingen eene andere tent binnen, namen er
9      uit weg, en gingen het verbergen.\' Toen zeiden zij tot elkaar: Wij
handelen onbehoorlijk. Dit is een dag van eene blijde boodschap, en
wij houden ons stil. Indien wij toeven tot het morgenlicht, zoo komt
de schuld op ons neer. Nu clan, kom aan, laten wij het aan het paleis
10      gaan berichten.\' Zoo kwamen zij, riepen de poortwachters der stad en
berichtten hun: Wij zijn in de legerplaats der Arameërs gekomen, doch
daar is geen mensch te zien of te hooren; slechts de paarden en ezels,
11       vastgebonden, en tenten zooals zij zijn.\' De poortwachters nu riepen
12      en berichtten het in het paleis.\' Maar de koning, in den nacht
opgestaan, zeide tot zijne dienaren: Ik wil u vertellen wat de Arameërs
ons gedaan hebben. Zij weten dat wij honger lijden; daarom zijn zij
uit de legerplaats getogen, om zich in het veld te verbergen, zeggende:
Als zij de stad\' uitgaan, zullen wij hen levend grijpen en de stad
13      binnenkomen.\' Doch een uit zijne dienaren antwoordde en zeide: Laat
men dan een vijftal paarden nemen van de hier overgeblevenen.
Zij staan toch gelijk met de gansche menigte van Israël die zijn uit-
14      gestorven. Laat ons die zenden en zien.\' Zoo namen zij een paar
ruiters, en de koning zond hen het Arameesche leger achterna, met
15      den last: Gaat en ziet.\' Zij dan gingen hun achterna, tot aan den
Jordaan; en zie, de geheele weg lag vol kleederen en voorwerpen die
de Arameërs op hunne overhaaste vlucht hadden weggeworpen. Toen
16      nu de boden terugkeerden en het den koning berichtten,\' ging het
volk de stad uit en plunderde de legerplaats der Arameërs. En een
4.  laten zij ons in het leven, en geven zij ons uit medelijden iets te eten.
5.  de schemering, blijkens het vervolg, vs. 9, 12, wanrsohijnlijk de nvondschemering.
0. vagenen — heir. Zie VI: 14. — Hittieten. Zie op Gen. X: 15. — gekuurd, voor geld overgc-
hoold, zijne bondgenootcu te wordon. Zie 2 Sam. X:0; 1 Kon. XV: 18 v.
7. met — ezels. Dit bericht is bevreemdend. Daar pnurden en ezols bij het vluchten zcor to stade
komen, schuilt hier eene onjuistheid, althans overdrijving, in een volksverhaal licht te verklaren.
10.   de poortwachters, volg. Aram. en Syr. vertt.; zie het volgende hun en vs. 11; Hebr. t. den
poortwachter.
— tenten zooals zij zijn, onopgeredderd en van alle» voorzien. Zie vs. 7.
11.   De poortwachters — berichtten, volg. vele hss. en oude vertt.; Hebr. t. Hij nu riep de poort-
wachters, en zij berichtten.
12.  zijne dienaren, de inderhaast tot eene vergadering opgeroepen rijksgrooten en hoofdofficieren.
13.  een vijftal, d. i. eenige; verg. op Gen. XLIII: 84. — hier, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in haar. —
de hier — Israël, volg. zeer vele hss. en de oude vertt.; Hebr. t. heeft deze woorden tweemaal. De
bedoeling is: wij kunnen ze gerust wagen; want ze zijn anders toch den dood gewijd.
14.  ruiters, volg. Gr. vert.; Hebr. t. ongeveer paardenwagens.
15.  hun, den Arameers. — tot aan den Jordaan. De kortste weg van Samarië tot den Jordaan loopt
over Beth-sjean en is ruim negen uren lang. De overlevering heeft hiermede geen rekening gehouden.
— voorwerpen, vaten, gereedschap, wapenen.
-ocr page 740-
2 koningen Vil: 16—VIII: 4.
820
schepel bloem kostte een sikkel en twee schepel gerst een sikkel, naar
17       het woord van Jahwe.\' De koning nu had den hopman op wiens arm
hij leunde aangesteld over de poort; maar het volk vertrad hem in de
poort, zoodat hij stierf; gelijk de godsman gesproken had, toen de
18       koning bij hem binnentrad.\' Zoodra toch de godsman tot den koning
gezegd had: Twee schepel gerst zal morgen om dezen tijd in de
poort van Samariö een sikkel, en een schepel bloem zal een sikkel
19       kosten —\' had de hopman den godsman geantwoord: Kn zie, al maakte
Jahwe vensters in den hemel, zou dat gebeuren.\' waarop hij gezegd
20       had: Gij zult het met eigen oogen zien, doch daarvan niet eten.\' En
zóo is het hem gegaan: het volk vertrad hem in de poort, zoodat
hij stierf.
17. op — leunde, terugslag op vs. 2. — aangesteld over de poort, om de orde te bewaren. — maar
hei tolk rerlrml hem,
in het gedrang. Kal de hopman met eigen oogen gezien hehbeu, hoe goedkoop de
levensmiddelen waren geworden, dan moctcii wij aannemen dat dit gedraug plaats had bij den open-
haren verkoop der buitgemaakte goederen; waarvoor de poort de aangewezen plaats was; zie op Gen.
XXII: 17. Maar de verhaler maakt zich van de toedracht geen duidelijke voorstelling.
174—20. Van gelijk de godsman af tot aan het einde van dit hoofdstuk hebben wij een wijdloopig
invoegsel, dat reeds in alle oude vertalingen wordt aangetrofleu, doch waarschijnlijk niet is van den
Verzamelaar van Koningen, maar van de hand eens lezers of afschrijvers, die, in de vervulling der
strafbedreiging groot behagen scheppende, vs. 1 en 2 hier op zijne wijze herhaalde.
17. gesproken had, volg. hss., Lat. en Syr. vertt.; Hebr. t. voegt er bij wat hij, of die, getpro-
ken had.
HOOFDSTUK VIII: 1—15.
Nog eens de Sjunammictischc. Kliza en Ilazacl. — J)e Sjunammietischc, op raad van Kliza, die ecu
hongersnood van zeven jaren voorspeld had, buitenslands gegaan (1 v.), krijgt bij haar terugkeer van
deu koning ter wille van den profeet al hare goederen weder (3—ft). Kliza gaat naar Damaskus en
voorspelt er aan Ilazacl den dood van den kranken koning Hcuhadad en zijne troonsbestijging (7—
13); van welke profetie het eerste deel des anderen daags vervuld wordt (14 v.).
Twee zeer ongelijksoortige verhalen. Het eerste staat hier op ceue vreemde plaats; door de ver-
melding van den hongersnood hangt het ecuigszins samen niet IV: 38—41; het is eigenlijk een aan-
haugscl van IV : 8—37; zoodat wij het b. v. na IV: 44 zouden verwachten. Het verraadt zijn jongeren
oorsprong doordien het reeds (in vs. 4) cene Kliza-lcgcude onderstelt waarvan Gehazi de betrouwbare
zegsman heet. Deze komt hier derhalve in een ander daglicht dan II. V, welk hoofdstuk öf onzen
schrijver onbekend gebleven was, öf door hem over het hoofd is gozicn.
Het tweede verhaal heeft ecu geschiedkundigen achtergrond; in hoever echter de bijzonderheden
geloofwaardig zijn, laat zich niet uitmaken. Opmerkelijk is de tegenstrijdigheid van deze overlevering
niet de, jongere, Klia-lcgcndc, volgens welke KI ia Ilazacl tot koning zou hebben gezalfd, om met
Jchu en met Kliza voltrekker van Jahwe\'s strafgerichtcn over Isracls afgoderij te zijn (1 Kon.
XIX: 15—17).
VIII: 1 Kliza had tot de vrouw wier zoon hij had opgewekt gezegd: Maak
u op en ga heen, met uw huisgezin, en vertoef in den vreemde, waar
gij wilt; want Jahwe heeft den hongersnood geroepen, en die is reeds
2      in het land gekomen, om zeven jaar te duren.\' De vrouw maakte zich
op en deed naar het woord van den godsman: zij ging, met haar
huisgezin, heen en vertoefde in het land der Filistijnen zeven jaar.\'
3       Na verloop van zeven jaar keerde de vrouw uit liet land der Filis-
tijnen terug, en zij vertrok om den koning te smeeken om haar huis
4       en akker.\' De koning nu was met Gehazi, den knecht van den gods-
man, in gesprek en zeide: Verhaal mij toch al de groote dingen welke
1. wier — opgewekt. Zie IV: 34 v. — geroepen, doen komen, natuurlijk als straf. Verg. P«.
CV: 16; Jcr. XXV:29.
3. lenig, naar hare woonplaats Sjunem. — vertrok, zeer spoedig na hare aankomst, uit Sjunem naar
Saniiiric, omdat zij hare vaste goederen vond in de handen van vreemden die ze niet wilden afstaan,
of wellicht voor de kroon in beslag genomen.
-ocr page 741-
2 KONINGEN VIII : 4—15.
821
5       Eliza gedaan heeft.\' Juist was hij bezig den koning te verhalen hoe
hij den doode had opgewekt, toen de vrouw wier zoon hij had opge-
wekt den koning kwam smeeken om haar huis en akker. Nu zeide
Gehazi: Heer koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon, dien Eliza
6       heeft opgewekt. \' De koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde
het hem. Hierop gaf de koning haar een kamerling mede, met den
last: Zij moet al het hare terugkrijgen, met de gansche opbrengst van
den akker, van den dag af dat zij het land verliet tot heden.
7           Eliza kwam te Damaskus, terwijl Benhadad, de koning van Aram,
ziek lag. Toen dezen bericht werd: De godsman is hier gekomen —\'
8       zeide de koning tot Hazaël: Neem een geschenk mede, ga den gods-
man te gemoet, en raadpleeg Jahwe door hem, aldus: Zal ik van deze
9       mijne krankheid herstellen?\' Hazaël ging hem te gemoet en nam een
geschenk mede, allerlei kostbaarheden van Damaskus, eene vracht van
veertig kameelen; hij kwam, ging vóór hem staan en zeide: Uw zoon
Benhadad, de koning van Aram, heeft mij tot u gezonden, met de
10       vraag: Zal ik van deze mijne krankheid herstellen?\' Eliza zeide tot
hem: Ga hem zeggen: Gij zult zeker herstellen. Maar Jahwe heeft
11       mij doen zien dat hij zeker sterven zal.\' Toen hij nu zijn gelaat strak
zette en verbijsterd stond tot verlegen wordens toe, weende de gods-
12       man.\' En Hazaël zeide: Waarom weent mijn heer? Hij zeide: Omdat
ik weet, hoeveel kwaad gij den Israëlieten doen zult: hunne vestingen
zult gij in vlam zetten, hunne jongelingen met het zwaard dooden,
hunne kleine kinderen verpletteren, hunne zwangere vrouwen open-
13       rijten.\' Hazaël zeide: Maar wat is uw knecht, die doode hond, dat hij
deze groote zaak zou doen! Eliza zeide: Jahwe heeft mij u getoond
14       als koning over Aram.\' Zoo ging hij van Eliza weg en kwam bij zijn
heer, die tot hem zeide: Wat heeft Eliza u gezegd? waarop hij zeide:
15       Hij heeft mij gezegd: Gij zult zeker herstellen.\' Den volgenden dag
nu nam hij het vliegendek, doopte het in water en spreidde het over
zijn aangezicht, zoodat hij stierf. En Hazaël werd koning in zijne
plaats.
7.   Eliza — Damaskus. De schrijver zegl niet, muur bedoelt toch zeker, dat de profeet zich daar-
heen begaf op last van Jahwe. — Benhadad. Zie op 1 Kon. XV: 18.
8.   llaza\'èl. /ie 1 Kon. XIX: 15, 17. — een geschenk. Zie op 1 Sam. IX: 7. — ga den godsman te
gemoet.
Wij zouden zeggen: ga hem uwc opwachting maken.
9.   allerlei — Damaskus. Damaskus, de stapelplaats van don handel tusschen Voor- en Achtcr-Azië
(verg. tizech. XXVII : JSv.\'i, leverde zoowel van eigen bodem als van elders overvloed van natuur-
en kunstvoortbrengselen. Intusschcn behoeft met eene vracht van veertig kameelen niet noodwendig
bedoeld te zijn zulk eene groote hoeveelheid als deze dieren torsen konden; men mag in aanmerking
nemen dat de Oosterlingen, bij het overhandigen van geschenken, gaarne veel omhaal maken, b. v.
voor ieder geschenk een afzonderlijken kameel gebruiken. — uw zoon, eerbiedige wijze van toespreken.
Verg. op Richt. XVII: 10.
10.   Ga — herstellen, volgens eene lezing van Hebr. t. en alle oude vertalingen. Eene andere lezing
van den Hebr. t. heeft Ga zeggen: Gij zult zeker niet herstellen; ccue opzettelijke tekstverandering,
ten einde den profeet geen onwaarheid te doen zeggen.
11.   Hazaël, verbaasd over het zonderlinge antwoord, bleef den profeet zwijgend aanzien, totdat deze
in tranen uitbarstte. — verbijsterd stond, volgens andere klinkers; Hebr. t. richtte. Dit geeft geen
zin; maar zij die de klinkers bij de medeklinkers zetten trachtten zoo den tekst in overeenstemming
te houden met de lezing niet in vs. 10.
12.   hunne vestingen — openrijten. Gij zult oen allcrvcrnielcndstcn oorlog tegen hen voeren; zie
VIII: 28 v.; X:32v.; XHI:3v.; 1 Kon. XIX:17; Am. 1: 3 v. Over de gruwelen die destijds in oor-
logstijd gepleegd werden zie I\'s. CXXXVII:9; Am. 1:13; Hoz. X:14; XIV: 1; Nah.\' III: 8.—
jongelingim, de bloem der strijdbare manschap.
13.  die doode (ingevoegd uit Gr. vert.; verg. 1 Sam. XXIV: 15; 2 Sam. IX: 8; XVI: 9) hond, ccue
in het Oosten uiet ongewono betuiging vun deemoed. — mij u geloond, in een gezicht dat de toe-
komst onthulde. Van eene zalving van Hazaël door Eliza is geen sprukc. Verg. Inl.
15. het vliegendek, onzekere vertaling. Het woord schijnt een netwerk te beteekenen. — Verder
blijkt het niet duidelijk, wie doze dingen doet, en waarom. De bcdooliug is zeker dat Hazaël zijn
koning heeft verstikt.
-ocr page 742-
822                                    2 koningen VIII: 16—26.
HOOFDSTUK VIII: 16—29.
Joram on Ahazja van Juda. — .lorum, ccn goddeloos koning (16—19); afval van K/lom en van
l.ilniii (20—22); besluit zijner regecring (23 v.). Ahazja, een goddeloos koning (25—27); hij bezoekt
Joram van Israël, die in den krijg tegen de Aramcërs gewond is, te Jizrcël (28 v.).
Al te beknopte incdcdcclingcn, voor ccn deel ontleend aan de rijksjaarboeken van Judn (vs. 17,
20—22, 24, 26; zie vs. 23), maar aangevuld met de bekende eigenaardige beschouwingen van dcu
schrijver van Koningen (vs. 18 v. en 27) en de onjuiste becijferingen van den laatstcn Verzamelaar
(vs. 16, 25).
VIII: 16 In het vijfde jaar der regeering van Joram, den zoon van Achab,
den koning van Israël, werd Joram, de zoon van Josjafat, den koning
17       van Juda, koning;\' twee en dertig jaar was hij oud toen hij koning
18       werd, en hij regeerde acht jaar te Jeruzalem.\' Hij bewandelde den weg
der koningen van Israël, gelijk het huis van Achab gedaan heeft; want
hij had de dochter van Achab tot vrouw; en hij deed wat kwaad was
19       in het oog van Jahwe.\' Doch Jahwe wilde Juda niet verderven, ter
wille van zijn knecht David; zooals hij dezen had toegezegd, hem te
20       allen tijde eene lamp te zullen geven voor zijn aangezicht.\' In zijn
tijd vielen de Edomieten af van onder Juda\'s hand en stelden zij een
21       koning over zich aan.\' Joram dan trok met al zijne strijdwagens den
Seïr in; maar toen hij zich in den nacht had opgemaakt, sloeg hij
de Edomieten, die hem omsingeld hadden, benevens de oversten der
22       strijdwagens; en het volk vluchtte naar zijne tenten.\' Zoo vielen de
Edomieten af van onder Juda\'s hand, tot op dezen dag. Toen, in
denzelfden tijd, viel Libna af.
23           Het overige nu der geschiedenis van Joram, en al wat hij heeft
gedaan, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
24       Joram ging ter ruste bij zijne vaderen en werd bij zijne vaderen be-
graven in de Davidstad; en zijn zoon Ahazja werd koning in zijne plaats.
25           In het twaalfde jaar der regeering van Joram, den zoon van Achab,
den koning van Israël, werd Ahazja, de zoon van Joram, den koning
26       van Juda, koning.\' Twee en twintig jaar was Ahazja oud toen hij
Vs. 17—22. 2 Kron. XXI: 5—10, 20«. — Vs. 24a. 2 Kron. XXI: 20*. — Vs. 244—29. 2 Kron.
XXII: 1—6.
16.   In — Israël, onjuiste berekening vsn den laatstcn Verzamelaar van Koningen; zie op 1:17 en
op 1 Kon. XIV : 21. — Israël. Hcbr. t. voegt hierbij en Josjafat, den koning van Juda, weggelaten
volg. enkele hss. van den Hcbr. t. en van de Gr., Lat. en Syr. vertt. Het kan zijn dat deze inlas-
sching in enkele exemplaren geschied is door een afschrijver, of een lezer, die de tegenstrijdigheid
in de opgaven der gelijktijdigo regeeringsjaren der Israëlietische kouingen Achab, Ahazja, Joram, en
der Judccschc Josjafnt, Joram (zie III: 1 j 1 Kon. XXII: 41 v.) wilde ophcfTcn door de onderstelling
dat Joram van Juda nog bij het leven zijns vaders den troon beklommen en ecu paar jaar gclijktij-
dig met hem geregeerd had.
17.  acht jaar, van 857 tot 849.
18.  taant — vrouw, Athalja. Zie op vs. 26 en op 1 Kon. XXII: 2. — en — Ja/mr. Zie 2 Kron.
XXI: 6, 10—20.
19.  eene lamp. Zie op 1 Kon. XI: 36. — voor zijn aangezicht, volgens gissing, naar 1 Kon. XI: 36;
door eene zeer kleine verschrijving heeft Hebr. t. zijnen zonen; waarvan, met opzettelijke verbetering,
vele hss. en oude vertt. hebben gemaakt en zijnen zonen. Zie verder 1 Kon. XI: 36.
20.  Zie op III: 8 en op 1 Kon. XI: 254.
21.  den Setr in, volg. verb. t.; Hebr. t. naar Sa\'ir, eene onbekende plaats. Over den Seir, het ge-
bergte waar de Edomieten woonden, zie op Gen. XIV : 6. — maar — tenten. Hij ontkwam dus ter-
nauwcmood. Dat hij in het nauw was gebracht wordt niet vermeld, is misschien uitgevallen. — het
volk,
de Judeërs.
22.   tot op dezen dag. Zie XIV : 7. — Libna, in de Laagte; zie Joz. X: 29. Daar Libna van Juda
afviel, was hare bevolking zeker mcerendeels niet Israëlietisch, maar Kanoanietisch of Kdomie-
tisch. In het laatste geval ligt het voor de hand dat Kdonis geslaagde afval het sein gaf tot
den haren.
25.  In — Israël. Volg. IX: 29 het elfde. Zie verder op vs. 16.
26.  eenjaar. In 848. — dochter; blijkens vs. 18, kleindochter. Zie op 1 Kon. XV: 2.
-ocr page 743-
2 KONINGKN VIII: 26—IX : 2.
823
koning werd, en bij regeerde éen jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette
27       Athalja, de dochter van Omri, den koning van Israël.\' liij bewandelde
den weg van het huis van Achab en deed wat kwaad was in het
oog van Jahwe, gelijk het huis van Achab; want hij was verzwagerd
28       aan het huis van Achab.\' Toen nu Joram, de zoon van Achab, ten
strijde trok tegen Hazaël, den koning van Arani, te Kama in Gilead,
29       wondden de Aranieërs Joram; \' en koning Joram keerde terug, om
zich te Jizreël te laten genezen van de wonden die de Aranieërs hem
te Bama toebrachten, in den oorlog met Hazaël, den koning van Arani.
Toen kwam Ahazja, de zoon van Joram, de koning van Juda, at\', om
Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te bezoeken; want hij was krank.
28 v. Deze verzen l>ercideu den lezer voor op het bcrieht van Ahazja\'s dood te Jizreël, IX: 21—29.
28.    Toen nu Joram, de zoon van Achab. llebr. t. hoeft Toe» hij met Joram, den zoon van Achab.
Zoo sehrecf zeker niet de oorspronkelijke vcrhaler. Het voorzetsel met is waarschijnlijk uit 2 Kron.
XXII: 5 overgenomen. — liama in Gileail. Zie 1 Kon. XXU.
29.  keerde terug, terwijl het leger te Raina bleef; zie IX: 1—15.
HOOFDSTUK IX, X.
.1 t-lm. — Op last van Bliza, zalft een profcteiizoon Jehu te Kama tot koning, met bevel Achabs
huis uit te roeien (IX: 1—10). Jehu, door zijne wapenbroeders gehuldigd (11—13), begeeft zich in
aller ijl naar Jizreël, waar zijn koning Joram verpleegd wordt en juist een bezoek van Ahazja van Juda
ontvangt (1-1—IC); Jornm, nn vruchteloos boden op kondschap tot den naderenden Jehu gezonden te
hebben (17—20), rijdt zelf met Ahazja hem te geinoct (21) eu wordt met dezen gedood (22—29).
Ook Izcbel vindt een smadelijk einde (30—37). Hierop daagt Jehu de grooten te Siimuriu uit, een
van Achabs afstammelingen op den troon te plaatsen (X: 1—3); doch zij beloven uit vrees gehoor-
zaamheid (4 v.) en brengen op zijn bevol al die afstammelingen om het leven (0—8), wier hoofden
Jehu te Jizreël ten toon stelt, als bewijs dor vervulling van Jnhwc\'s woord (9v.); om vervolgens te
Jizreël al wie bij Achab behoorden af te maken (11). Op weg naar Samnric brengt hij de broeders
van Ahazja om (12—14) en ontmoet hij Jonadab, die als getuige van zijn ijveren voor Jahwe hem
vergezelt (15 v.). Te Samaric verdelgt hij alle betrekkingen van Achab (17), brengt door list de die-
naren van den baul bijeen (18—24), die hij allen laat slachten (25), om vervolgens den Baüldieust uit
te roeien (26—28); doch den stierdienst houdt hij in stand (29). Jahwe keurt de uitroeiing van Achabs
huis goed (30), maar laat, om den stierdienst (31), het rijk Israël door de Arameërs zeer besnoeien
(32 v.). Besluit van Jchu\'s regecring (34—30).
Indien men de toevoegsels van den schrijver van Koningen (IX: 84—10a; X : 29—31; ook IX : 14,
15a, 364, 37; X : CA) eu zijne uittreksels uit zijne bron en verwijzingen nnar haar (IX: 28; X:34v.),
alsmede enkele klcino iulnsschingcu van den laatstcn Verzamelaar (IX: 29), die soms van meer dan
cone hand zijn (X: 32 v.), aftrekt, blijft ecu van de nnnschouwclijkstc en betrouwbaarste verhalen
des O. T.\'s over, waarvan slechts een klein gedeelte (X:18—28) ongeschiedkundig is. Het beschrijft
do omwenteling in het rijk Israël in het begin der twecdo helft van de negende eeuw en is stellig
cenigen tijd vóór Samarië\'s verwoesting (722; zie X:27), waarschijnlijk vóór den ondergang vnn
Jchu\'s huis (745), opgesteld. Het draagt over het geheel den stempel van zuivere overlevering; waar
het in kleinigheden afwijkt van andere verhalen die toespelingen op dezelfde voorvallen behelzen is
dit steeds in zijn voordeel \'IX: 1, 25, 26); doch enkele verschijnselen, vooral de ongeschiedkundigc
voorstelling in X: 18—28, nopen ons, den afstand tusschen de gebeurtenis en hare opteekening niet
al te klein te stellen.
IX: 1 De profeet Eliza riep eens een uit de profetenzonen en zeide tot
hem: Omgord uwe lenden, neem deze kruik olie mede, en ga naar
2 Eama in Gilead.\' Zie, daar gekomen, om naar Jehu, den zoon van
Josjafat, den zoon van Nimsji. Ga binnen, doe hem opstaan uit den
1.   Do afwezigheid dos konings uit het leger wegens do in den strijd outvnngen wonden wordt go-
bruikt om de samenzwering tot rijpheid en de omwenteling tot stand te brengen. Volg. 1 Kon. XIX:
16 zou Klia Jehu gezalfd hebben; zie aldaar eu inl. op 2 Kon. VIII: 1—15.
2.   daar, binnen de stad, die thans dus in de handen der Israëlieten, niet der Arameërs, was. Zie
vs. 14. — Ga binnen, in het huis waar de hoofdofficieren bijeen zijn. — zijne broederen. Verg. ons
„wapenbroeders". — in eene binnenkamer. Zie op 1 Kon. XX: 30.
-ocr page 744-
•
824                                       2 KONINGEN IX : 2—15.
3       kring zijner broederen en breng hem in eene binnenkamer.\' Neem
dan de kruik olie, giet die op zijn hoofd en zeg: Zoo spreekt Jahwe:
Ik zalf u tot koning over Israël. Open daarna de deur en neem zonder
4       toeven de vlucht.\' Zoo ging de jongeling, de profeet, naar Kuma in
5       Gilead,\' kwam in, juist als de oversten van het heir daar zaten, en
zeide: Ik heb u iets te zeggen, overste. Jehu zeide: Wien van ons
6       allen? Hij zeide: U, overste.\' Toen stond hij op en ging in huis; en
hij goot de olie op zijn hoofd en zeide tot hem: Zoo zegt Jahwe,
Israëls god: Ik zalf u tot koning over het volk van Jahwe, over Israël.\'
7       Gij zult het huis van Achab, uwen heer, slaan, en ik zal het bloed
van mijne dienaren, de profeten en de overige dienaren van Jahwe,
8       wreken op Izebel\' en op het gansche huis van Achab. Ik zal van
Achab al wat mannelijk is, den onmondige en den mondige in Israël,
9       uitroeien,\' en het huis van Achab maken als het huis van Jerobeam,
10       den zoon van Nebat, en als dat van Baëza, den zoon van Ahia; \' en
Izebel zullen de honden verslinden op den grond van Jizreël, en nie-
mand zal haar begraven. Hierop deed hij de deur open en nam de
vlucht.
11           Toen Jehu buiten kwam bij de dienaars zijns heeren, zeiden dezen
tot hem: Alles wel? Hij zeide: Ja. Zij zeiden: Waarvoor kwam deze
razende tot u? Hij zeide tot hen: Gij kent den man en zijne taal.\'
12       Maar zij zeiden: Leugens! Vertel het ons. Thans zeide hij: Zoo en zoo
heeft hij tot mij gezegd: Aldus zegt Jahwe: Ik zalf u tot koning over
13       mijn volk Israël.\' Toen nam ijlings ieder zijn kleed en legde het
onder hem op een der wagens, zij staken de bazuin en zeiden: Jehu is
14       koning!\' Zoo maakte Jehu, de zoon van Josjafat, den zoon van Nimsji,
eene samenzwering tegen Joram. Joram nu had met gansch Israël
15       liama in Gilead bezet tegen Hazaël, den koning van Aram;\' maar
koning Joram was teruggekeerd, om zich te Jizreël te laten genezen
van de wonden die de Arameërs hem toegebracht hadden, in den oorlog
Vs. 8—10a. 1 Kon. XXI: 21—23. — V». 144, 15a, 164. VIII: 28 v.; 2 Kron. XXII: 5 v.
3.   Open — vlucht, niet voor de veiligheid, maar omdat het hij een profeot zoo hchoorde; zie on
1 Kon. XIII: 9.
4.  de jongeling, volgens sommige hss., Gr. en Sjt. vertt.; Hebr. t. heeft het woord tweemaal.
6. in huii. Zij zaten dus blijkbaar buiten, op straat of op eene binnenplaats; Jehu gaat met den
profeet naar eene binnenkamer, vs. 2.
8.   en op, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en ondergaan zal. — al wat mannelijk il. Zie op 1 Sam.
XXV: 22. — den mondige eu den onmondige. Zie op Dcut. XXXII: 30. Verg. 1 Kon. X1V:10. —
Met Ik zal begint een invocgscl, dat doorloopt tot begraven vs. 10. In het oorspronkelijke verhaal
volgde op hel gamche huil ra» Achab terstond Hierop enz., vs. 104. Dergelijke onheilsprofetieën
leenden zich zeer goed tot uitweidingen en herhalingen; verg. op 1 Kon. XIV: 14, 15 v. en XXI:
21—24.
9.  Zie 1 Kon. XIV : 10; XV : 29; XVI: 3, 11 v.
11.   zeiden dezen, volg. vele hss. eu alle oude vertt.; Hebr. t. zeide deze. — Allei wel? letterlijk
li het vrede f Zie vs. 17, 19, 22; IV: 23, 26. — Hij — zeiden, ingevoegd uit Gr. vert. — rotende.
Spottenderwijs werden de profeten zoo genoemd omdat zij in hunne godsdienstige opgewondenheid
zich soms vreemd aanstelden; deze profeet gaf er aanleiding toe door de wijze waarop hij zich had
aangemeld, en door zich zoo plotseling uit de voeten te maken. Zie Jcr. XXIX: 26; Hoz. IX: 7 en op
1 Kam. X : 5. — Gij — taal. Als de man een razende is, dan is zijne taal razernij. Jehu maakt zich
van het antwoord af, zoolang hij geen zekerheid heeft dat de bowlschap als godspraak geëerbiedigd
zal worden.
12.   Leugeni! Het is zoo niet; gij tracht ons slechts wijs te maken dat het niets beduidt. — mijn
rolk,
ingevoegd uit Gr. vert.
18. Toen — hem. Huldebetoon; verg. Matth. XXI: 7 v. — op een der vageni, om hem door
de stad rond te voeren en als koning aan het leger te vertoonen. Verbeterde lezing, gedeeltelijk
naar Gr. vert.; Hebr. t. is onverstaanbaar, maar heeft het woord trappen; de oude vertt. zijn wil.
lekeurig.
14, 15a. Invocgscl, waardoor het verband van het oorspronkelijke verhaal wordt verbroken; vs. 154
volgt terstond op vs. 13; zie vs. 16.
-ocr page 745-
825
2 KONINGBN IX : 15—28.
met Hazaël, den koning van Aram. En Jehu zeide: Indien het uwe
goedkeuring wegdraagt, ontsnappe niemand uit de stad, om het te
gaan berichten in Jizreël.
16           Vervolgens besteeg Jehu den wagen en begaf zich naar Jizreël; want
Joram lag aldaar; en Ahazja, de koning van Juda, was afgekomen,
17       om Joram te bezoeken.\' De wachter die op den toren te Jizreël stond
zag de bende van Jehu aankomen en zeide: Ik zie een troep menschen.
Waarop Joram zeide: Neem een ruiter en zend dien hun te gemoet,
18       om te vragen: Is alles wel?\' De ruiter ging hem te gemoet en zeide:
De koning vraagt: Is alles wel? waarop Jehu zeide: Wat gaat het u
aan, of alles wel is? Keer om en volg mij. De wachter berichtte: De
19       bode is tot hen gekomen, maar niet teruggekeerd.\' Toen zond hij een
tweeden ruiter, die bij hen kwam en zeide: De koning vraagt: Is
alles wel? waarop Jehu zeide: Wat gaat het u aan, of alles wel is?
20       Keer om en volg mij.\' De wachter berichtte: Hij is tot hen gekomen,
maar niet teruggekeerd; en het rijden is als van Jehu, den zoon van
21       Nimsji; want hij rijdt als een razende.\' Hierop zeide Joram: Span
aan. En toen men zijn wagen aangespannen had, gingen Joram, de
koning van Israël, en Ahazja, de koning van Juda, ieder op zijn wagen,
de stad uit, Jehu te gemoet, en kwamen hem tegen bij het stuk land
22       van Naboth, den Jizreëliet.\' Zoodra Joram Jehu zag, zeide hij: Is alles
wel, Jehu? Maar hij zeide: Hoe zou alles wel zijn, zoolang de vele
23       afgoderijen en tooverijen uwer moeder Izebel duren ?\' Toen wendde
Joram den teugel en vluchtte, terwijl hij tot Ahazja zeide: Verraad,
24       Ahazja!\' Maar Jehu spande den boog en trof Joram tusschen de armen,
zoodat de pijl door zijn hart uitkwam en hij in zijn wagen ineenzonk.\'
25       En hij zeide tot Bidkar, zijn hopman: Neem hem op en werp hem
op den akker van Naboth, den Jizreëliet; want ik gedenk, toen ik en
gij naast elkander reden achter zijn vader Achab, hoe Jahwe tegen
26       hem deze godspraak gaf:\' Voorzeker, ik heb het bloed van Naboth
en zijne zonen gisteren gezien, spreekt Jahwe, en zal het u op dezen
akker vergelden, spreekt Jahwe. Nu dan, neem hem op en werp hem
op den akker, naar het woord van Jahwe.
27           Toen Ahazja, de koning van Juda, het zag, vluchtte hij in de rich-
ting van Beth-haggan; maar Jehu achtervolgde hem en zeide: Treft ook
hem! en hij trof hem in den wagen in den pas van Gur, bij Jibleam.
28       Maar hij vluchtte naar Megiddo, en stierf daar.\' Zijne dienaren ver-
voerden hem op den wagen, brachten hem naar Jeruzalem en begroeven
17. memchen, naar gissing ingevoegd. — Hrcm... en zend. Kortheidshalve worden de koninklijke
bevelen, ten gevolge van de berichten des torcnwachtcrs gegeven, voorgesteld als tot dezen gericht.
21.   het — liabolh. In 1 Kon. XXI was sprake van een wijnberg van Naboth, palende aan het
koninklijk paleis en park; hier van een stuk land, buiten de stad gelegen. Zie verder op vs. 26.
22.   afgoderijen, letterlijk hoererijen; verg. op Exod. XXXIV: 15. — tooverijen. Zie op Dcut.
xvni: 10 v.
23.   Toen — teugel. Zio op 1 Kon. XXII: 84.
25.  zijn hofman. Zie op Exod. XIV: 7. — ik gedenk, volg. de oudo vertt. j Hcbr. t. gedenk. —
toen — Achab. Van deze begcloidors wordt 1 Kon. XXI geen gewag gemaakt. — godtpraak. Zio op
Jcr. XXIII: 33.
26.  en zijne tonen. Van dezen was in 1 Kon. XXI geen sprake; zie aldaar op vs. 15. — guteren,
kort geleden. — ik — vergelden. In 1 Kon. XXI: 19 eenigszins anders; zie aldaar en op 1 Kon.
\\\\II: 38
27 v. Verg. 2 Kron. XXII: 9.
27.   Ahazja wordt als kleinzoon van Achab door Jehu achtervolgd en gedood. — Beth-haggan, on-
bckeud; blijkbaar tusschen Jizrecl en Megiddo gelegen. — eu hij trof hem, ingevoegd volg. Gr. vert.
— Gur, komt elders niet voor. — Jibleam. Zie op Joz. XVII: 11. — Megiddo. Zie op Joz.
XII: 19—23.
28 v. Deze verzen verbreken den samenhang tusschen vs. 27 en vs. 30.
28.  brachten hem, ingovoegd volg. Gr., lat. en Syr. vertt.
-ocr page 746-
826
2 koniwgbn IX : 28-X: 7.
29       hem in zijn graf, bij zijne vaderen, in de Davidstad.\' In het elfde jaar
der regeering van Jorani, den zoon van Achab, was Ahazja koning
over Juda geworden.
30           Jelui nu kwam te Jizreël. Toen Izebel het hoorde, beschilderde zij
31       hare oogen, versierde haar hoofd en keek uit het venster.\' Toen Jehu
de poort binnenkwam, zeide zij: Alles wel? Zimri, moordenaar van
32       zijn heer! \' Hij hief zijn gelaat naar het venster en zeide: Wie houdt
het met mij.\' wie.\' En toen twee, drie kamerlingen naar hem keken,\'
33       zeide hij: Werpt haar er uit. Zij wierpen haar er uit; haar bloed
spatte tegen den wand en tegen de paarden, die haar vertrapten.\'
34       Daarna kwam hij binnen, en na gegeten en gedronken te hebben,
zeide hij: Ziet nu naar die vervloekte om en begraaft haar; want zij
35       is eene koningsdochter.\' Men ging haar begraven, maar vond niets
3b* van haar dan den schedel, de voeten en de handpalmen.\' Terugge-
komen, berichtten zij hem dit, en hij zeide: Dit is het woord hetwelk
Jahwe, door zijn dienaar Elia, den Tisbiet, heeft gesproken: Op den
grond van Jizreël zullen de honden het vleesch van Izebel verslinden;\'
37 en het lijk van Izebel zal op den grond van Jizreël zijn als mest over
het land; zoodat men niet kan zeggen: Dat is Izebel.
X:l
         Achab nu had zeventig zonen te Samarië. En Jehu schreef een brief,
dien hij verzond naar Samarië aan de oversten der stad, aan de oud-
2       sten en aan de opvoeders van Achabs zonen, van dezen inhoud:\' Als
deze brief tot u komt, vermits gij bij u hebt de zonen van uwen
heer, de strijdwagens, de paarden, eene versterkte stad en den wapen-
3       voorraad,\' zoo ziet om naar den besten en geschiktsten uit de zonen
uws heeren, plaatst hem op zijns vaders troon, en strijdt dan voor het
4       huis uws heeren.\' Maar zij werden uitermate bevreesd en zeiden: Zie,
die twee koningen zijn niet bestand geweest tegen hem; hoe zouden
5       wij dan bestand zijn l\' Zoo zonden de hofmaarschalk, de stadsvoogd,
de oudsten en de opvoeders tot Jehu de boodschap: Wij zijn uwe
dienaren en zullen doen al wat gij ons zegt; wij zullen niemand koning
0 maken. Doe wat goed is in uw oog.\' Toen schreef hij hun ten tweeden
male een brief, inhoudende: Indien gij het met mij houdt en mij ge-
hoorzaam zijt, neemt dan de hoofden der zonen uws heeren en brengt
ze mij morgen om dezen tijd te Jizreël. De koningszonen, zeventig man,
7 waren bij de aanzienlijken der stad, die hen grootbrachten.\' En zoodra
29.   elfde. Volg. VIII: 25 het twaalfde.
30.  beschilderde zij hare oogen. De vrouwen in het Oosten verfden zich de wenkbrauwen en boido
oogleden met een zwnrt blinkend poeder, om de oogen grooter en vuriger te doen schijnen; verg. Jcr.
IV: 30; Ezech. XXIII: 40. — versierde haar hoofd. Kunstige kapsels waren bij de aanzienlijke vrou-
wen in het Oosten reeds in zeer ouden tijd in gebruik; prachtige sluiers cu andere kostbare sieraden
kwamen daarbij te stade. Izebel, haar lot voorziende, wil geen vrees tooncn, maar als koningin ster-
ven. — hel venster, van een bovenvertrek.
81. Allet — heer.\' l\'ittartcnde vraag. Over Zimri zie 1 Kon. XVI: 15—20.
33. die haar vertrapten, volg. alle oude vertt.; Hebr. t. en hij vertrapte haar.
84. eene koningsdochter. Zie 1 Kou. XVI: 31.
37. aU mest over het land. Desgelijks Jer. VIII: 2; IX: 22; XVI: 4; XXV : 33.
1.   Achab — Samarië. Hieronder is waarschijnlijk het gansebe „huis van Achab", de zonen zijner
broeders en andere verwanten, zoover zij zich in de hoofdstad bevonden, begrepen. Overigens ia zeven-
tig
een rond getal. — der itad, aan, volg. Gr. vert.; Hebr. t. ran Jizreël. — de opvoeden, of ver-
plegers.
Verg. Xum. XI: 12; Jez. XLIX:23; Gal. IV: 2. — van Achab» zonen, volg. Gr. vert.; Hebr.
t. van Achab.
2.  Het hoofd van den brief is, als gewoonlijk, verzwegen; verg. op V:6. — utoen heer, waarachijn-
lijk Joram.(zie vs. 3), hoewel ook Achab kan bedoeld zijn.
3.  Deze boodschap was eene uitdaging, die doel trof (vs. i v.j.
5.  hof maar schalk. Zie op 1 Kon. IV: 6.
6.  der zonen, volg. sommige hss., Lat. en Syr. vertt. en vs. 8; Hebr. t. der mannen der zonen. —
brengt ze mij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. komt bij mij. — morgen om dezen tijd. Jizreël lag op liegen
uur afstand vau Samarië. —De — grootbrachten, overbodige opgave na vi. 1 v.
-ocr page 747-
2 koningbn X: 7—19.                                       827
de brief tot hen gekomen was, namen zij de koningszonen en slachtten
hen, zeventig mannen, deden hunne hoofden in manden en zonden
8       ze hem te Jizreël..\' Toen de bode hem kwam berichten: Zij hebben
de hoofden der koningszonen gebracht — zeide hij: Legt ze in twee
9       hoopen vóór de poort tot morgenochtend.\' Den volgenden morgen
kwam hij buiten, ging staan en zeide tot het gansche volk: (jij zijt
rechtvaardig. Zie, ik heb samengezworen tegen mijnen heer en hem
10       gedood, en wie heeft deze allen verslagen?\' Weet dan dat van liet
woord hetwelk Jahwe tegen het huis van Achab gesproken heeft niets
onvervuld blijft; Jahwe heeft gedaan wat hij door zijn dienaar Elia
11       gesproken heeft.\' Daarna versloeg Jehu allen die van Achabs huis te
Jizreël waren overgebleven, benevens al zijne grooten, vertrouwden en
priesters; totdat er niemand meer van over was.
12, 13 Vervolgens maakte hij zich op en ging naar Waruarië.\' Toen hij
onderweg bij Deth-eked-haroïm was, trof hij de broeders van Ahazja,
den koning van Juda, aan. Hij zeide: Wie zijt gij.\' Zij zeiden: Wij
zijn de broeders van Ahazja; wij zijn afgekomen om de zonen des
14       konings en die der koningin te begroeten.\' Hij zeide: Grijpt hen
levend. Zij grepen ben levend en slachtten hen bij den put van Beth-
15       eked, twee en veertig man; niemand van hen liet hij over.\' Van daar
gaande, trof hij Jonadab, den zoon van Kechab, aan, die hem tegen-
kwam; hij groette hem en zeide tot hem: Zijt gij mij van harte toe-
gedaan, gelijk ik u van harte toegedaan ben? Jonadab zeide: Ja. Toen
zeide Jehu: Indien ja, geef mij dan de hand. Hij gaf hem de hand;
lö waarna hij hem bij zich op den wagen deed klimmen\' en zeide: Ga
mede en aanschouw mijn ijver voor Jahwe. Zoo liet hij hem op zijn
17       wagen rijden.\' Te Hamarië gekomen, versloeg hij allen die van Achab
te Samarië waren overgebleven, totdat hij hem verdelgd had, naar
het woord dat Jahwe tot Elia gesproken had.
18           Daarna verzamelde Jehu het gansche volk en zeide tot hen: Achab
19       heeft den baal maar weinig gediend, Jehu zal hem veel dienen.\' Der-
8.   de poort, of van de stad, of van het paleis, waar de koning gehoor verleende en rechtsprak.
Jehu wil, zooals in vs. 9 v. wordt beschreven, een soort van openbaren rechtshandel laten plaats heb-
ben, om zich te zuiveren tegenover de menigte.
9.   Gij zijl rechtvaardig, gij moogt uitspraak doen, daar gij geen aandeel hebt aan al het voorge-
vallene.
10.    Weel dan. Die zeventig afgehouwen hoofden leveren het bewijs, dat niet Jehu, uit persoonlijke
eerzucht, maar Jahwe, naar zijn vooraf aangekondigd vonnis, de bewerker van al het gebeurde, en
dus de aansprakelijke persoon, is; Jehu is slechts de voltrekker van het strafgericht. Zie op vs. 8.
Intusschen blijkt uit Iloz. 1:4, dat „het bloedbad van Jizreël" door velen, straks ook door de pro-
feten, wel degelijk ann Jehu en zijn huis als schuld is toegerekend. .Muur zie op vs. 30.
12. maakte hij zich op, volg. Gr. vort.; Hcbr. t. voegt hierbij en kwam. — Toen — was, onzekoro
vertaling; de tekst is zeker niet in orde. — Beth-eked-haröim, d. i. Jiindhnis der herders\', vs. 14
korter Belh-eked, d. i. ,Bindhuis\', genoemd, cene onbekende plaats.
18.   afgekomen, van Jeruzalem, naar Samaric of naar Jizreël. — om — begroeten. Zij vermoedden
dus niets van het voorgevallene. — dtr koningin, hier Izebel; zie op 1 Kon. XV : 13.
14.  Zij worden vermoord, als mede behoorende tot „Achabs huis"; verg. op IX:27.
15.  Jonadab, den soon van Rechali, stamvader der Rcchabieten, die wij dcrdchalvc eeuw later te
Jeruzalem aantreffen, .Ter. XXXV. Hij had zijnen stamgonootcn en nakomelingen verboden, wijn te
drinken, akkerbouw te drijven, huizen te bouwen: zij moesten in tenten als zwervende herders leven,
op aartsvadcrlijke wijze. Wij hebben hem ons dus voor te stellen als een ijveraar voor Jahwe en oude
zeden, tegenstander van al wat nicuwerwetsch en uitheemsch was. Tusschen hem en Jehu blijkt over-
eenstemming en wcderzijdsche hoogachting te bestaan. Zie ook 1 Kron. 11:55; Xeh. 111:14. — In
den tekst zijn een paar woorden veranderd, en andere uit Gr. vert. ingevoegd.
16.  liet hij, volg. de meeste oude vortt.; Hcbr. t. lieten zij.
17.  naar — had. Zie 1 Kon. XXI: 21 v.
19.  al de — baal. De schrijver mankt hier, naar hot schijnt, van de „dienaren" van den baal eene
afzonderlijke klasse, maar is daarmodc niet getrouw aan de werkelijkheid. — een groot offer. De bc-
doeling is waarschijnlijk: een schitterend kroningsfeest, aan den baiil gewijd. — Dit — brengen. Na
al het gebeurde, vooral daar Jehu van den aanvang af als de uitverkorene der Jahwcprofetcn en de
-ocr page 748-
828                                      2 KONINGEN X : 19—31.
halve, noodigt bij mij al de profeten, dienaren en priesters van den
baal; niemand worde gemist; want ik wil een groot offer aan den
baiil brengen; al wie gemist wordt verbeurt het leven. Dit deed Jehu
bedriegelijk, ten einde al de dienaren van den baiil om te brengen.\'
20       Jehu zeide dan: Heiligt een hoogtijd voor den baal. En men kondigde
21       dien af.\' Daarop zond Jehu in gansch Israël, en al de dienaren van
den baiil kwamen, zoodat niemand achterbleef die niet kwam; en zij
22       gingen in den Haültenipel, zoodat deze overvol was.\' Toen zeide hij
tot den schatbewaarder: Brengt een kleed voor al de dienaren van den
23       baal. Deze bracht de kleederen voor hen te voorschijn.\' Nu ging Jehu
met Jonadab, den zoon van Bechab, in den Baaitempel en zeide tot
de dienaren van den baiil: Onderzoekt en ziet toe dat hier onder u
niemand van de dienaars van Jahwe zij, maar alleen dienaren van den
24       baiil.\' Toen gingen zij binnen, om slachtoffers en brandoffers te brengen.
Jehu nu had buiten tachtig man geplaatst, en gezegd: Wie een der
mannen die ik in uwe handen stel laat ontsnappen boet het met
25       zijn leven.\' Zoodra hij nu gereed was met het brengen van het brand-
offer, zeide Jehu tot de trawanten en de hoplieden: Komt binnen,
verslaat hen; niemand kome er uit! En de trawanten en de hoplieden
versloegen hen met het scherp des zwaards, wierpen hen weg en
20 gingen tot den burg van den Baiiltempel;\' zij brachten den gewijden
27       boomstam van den Baaltempel naar buiten en verbrandden dien;\' zij
wierpen den wij-steen van den baiil omver; zij wierpen den Baiilteiupel
28       omver en maakten er mesthoopen van, tot op dezen dag.\' Zoo verdelgde
29       Jehu den baiil uit Israël.\' Alleen de zonden van Jerobeani, tien zoon
van Nebat, welke hij Israël had doen bedrijven, daarvan week Jehu
niet af: de gouden stieren te Bethel en te Dan.
30           Jahwe dan zeide tot Jehu: Nademaal gij deugdelijk gedaan hebt wat
recht is in mijn oog, en naar al wat in mijn hart was gehandeld hebt
met Achabs huis, zullen uwe zonen tot in het vierde geslacht op den
31       troon van Israël zitten.\' Maar Jehu zorgde niet, met zijn gansche
hart te wandelen in de wet van Jahwe, Israëls god: hij is niet afge-
voltrckkcr hunner cischen openlijk was onbetreden (zie IX: 22, 36 v.; X: 10, 15 v.), was, zou men
zeggen, het bedrog nl te doorzichtig en kouden al die vertooning en sterke aandrang, evenals de ge-
nomen voorzorgen (22 v.), bezwaarlijk iemand misleiden (18 v.). Dit gedeelte van het vorhaal is blijk-
baar niet geschiedkundig. Zie ook op vs. 23.
22.   sehatbeicaarder, onzekere vertaling. — een kleed, een feestgewaad bij deze plechtige gelegcn-
lu-iil. I)i\' bedoeling is, de personen door Jehu voor den dood bestemd nan de soldaten die het vonnis
moesten voltrekken kenbaar te maken. Dat het onmogelijk zou geweest zijn, in dien geheel gcvulden
tempel aau ieder een kleed te overhandigen en het hem te doen aantrekken, maakt de schrijver zich
niet duidelijk.
23.   Onilirzoekt — baiil. Hieruit zou volgen dat zij die den baiil dienden Jahwe ganschclijk vcr-
waarloosdcn, en omgekeerd. Maar er was geen Israëliet die Jahwe, den god zijns volks, niet vereerde;
en verreweg de meenten hndilen er onder Achab en Joram geen kwaad in gezien bij gelegenheid
nevens hem den baiil te dienen. Jehu kan derhalve niet zoo gesproken hebben; de voorstelling is on-
juist; zie op vs. 10.
21. laai ontsnappen, volgens andere klinkers; Hebr. t. outt-iapt.
25. wierpen ze teeg. De bedoeling is niet duidelijk. — burg, het eigenlijk tempelhuis, zeer onzekere
vertaling. Letterlijk itad.
2fi. den gewijden boomstam, naar gissing, met het oog op 1 Kon. XVI: 33; en omdat verbranden
wel van hout, maar niet van steen mogelijk is; Hebr. t. de urij-iteenen. Verg. op XIII: 6.
27.  den wij-steen. Volg. 111:2 was deze reeds door Joram verwijderd. — maakten er mesthoopen ra».
Verg. Ezra VI: 11; Dan. 11:5; 111:29. — tot op dezen dag. Hieruit blijkt dat ons verhaal voor de
verwoesting van Samaric is opgesteld.
28.   Dit wil zeggen dat de openlijke vereering van den Tyriacben baiil nu ophield; maar allerlei
inlandsche baiils bleven in eerc; zie op Hoz. II ; 1.", v.
29.  Zie op 1 Kon. XV: 26.
30.   Verg. XV : 12. — l\'it deze goedkeuring, aan Jahwe in den mond gegeven, blijkt dat de schrij-
ver van Koningen, evengoed als de opsteller van het oorspronkelijke verhaal, zonder voorbehoud inge-
nomeu was met de bloedige maatregelen van Jehu. Zie op vs. 10. — en, ingevoegd uit Gr. vert.
-ocr page 749-
2 KONINGEN X : 31—XI : 2.
8Ü9
32       weken van de zonde die Jerobeam Israël heeft doen bedrijven.\' In die
dagen is Jahwe begonnen, Israël in te korten: Hazaël versloeg hen in
33       het gansche grondgebied van Israël,\' van den Jordaan ten oosten af,
het gansche land (iilead, Gad, Huben en Manasse, van Aroër aan de
beek Arnon af, (tilead en Hazan.
34           Het overige der geschiedenis van Jelui, al wat hij gedaan heeft
en al zijne dappere daden, is besebreven in het boek der kronieken
35       van Israëls koningen.\' Jehu ging ter ruste bij zijne vaderen, men be-
groef hem te Samarië, en zijn zoon Joaliaz werd koning in zijne plaats.\'
3G Üe duur van Jehu\'s regeering over Israël was acht en twintig jaar,
te Bamarië.
32 v. De samenhang laat hier wel iets te wenschen over; vs. 33 schijnt jonger inlassching (van
meer dan éene hand, blijkens de herhaalde vermelding van Gilead), um vs. 32a nader toe te lichten.
Zie verder op Am. I : 3.
33. Aroar aan de beek Arnon. Zie op Deut. Il: 30.
30. acht en twintig jaar. Van 847 tot 820. — liet jaar 8 47, dnt der troonsbestijging van Jehu in
Israël en van Athalja in Juda, wordt gevonden door de som van de regecriugsjaren der koningen
van Israël te voegen bij 722, in welk jaar wij uit Assyrischc bescheiden met zekerheid weten dat
Samarie gevallen is, of liever bij 721, toen de laatste koning van Israël, Ho/ea, gevangen is gcno-
mi\'ii; zie op XVII: 4. Die jnren zijn volgens ons bock: .lehu 28 (X: 30), Joahaz 17 (XIII: 1), Joas
10 (XIII: 10), Jerobeam II 41 (XIV: 23), Zncharjn en Sjallum zeven maanden (XV: 8, 13), Mcnnhcm
10 (XV: 17), Pekohja 2 (XV : 23), Pekah 20 (XV : 27), Hozca 9 (XVII: 2), samen 143; maar hiervan
moeten 20 afgetrokken worden, daar 1\'ekahja en 1\'ekuh twee nanicu zijn voor denzelfdcu koning, die
slechts twee jaar geregeerd heeft; zie inl. op XV : 8—31.
Wat den regeeringstijd der Judceschc koningen betreft, deze is moeilijker te bepalen. Daar de op-
gave dat Samarië is gevallen in het zesde jaar van koning Hizkia, XVIII: 10, wellicht niet cene ovcr-
lcvcring is maar ceac berekening van een verzamelaar van Koningen, is het veiliger te rekenen van
586 af, toen Ncbukadrcsar Jeruzalem innam. Bij dit cijfer dan de som van de regecriugsjaren der
laatste koningen van Juda optellende, krijgen wij voor de troonsbestijging van Hizkia 725, aldus:
Hizkia 29 (XVIII: 2), Manasse 55 (XXI : 1), Amon 2 (XXI: 1»), Jozia 31 (XXII: 1), Joahaz drie
maanden (XXIII: 31), Jojakim 11 (XXIII: 30), Jojachiu drie maanden (XXIV: 8), Sedekia 11 (XXIV:
18). Uitgaande van 725, als het jaar van Hizkia\'s troonsbestijging, en wetende dat 847 dat van
Athalja geweest is, raken wij verlegen met de bepaling van den regeeringstijd der Judceschc koniu-
geu in dit tijdvak naar de in ons boek opgegeven jaren. Zij zijn nnuielijk: Athalja 0 (XI: 3), Joas
40 (XII :1), Amasja 29 (XIV: 2), Azarja 52 (XV: 2), Jothain 10 (XV : 33), Ahaz 10 (XVI: 2), samen
159, terwijl slechts voor 122 ruimte is. De moeilijkheid wordt, hoewel niet zonder eenigc willekeur,
door een drietal gissingen opgeheven, waarover zie op 2 Kon. XIV: 17; XV: 2 en XVI: 2.
Al deze berekeningen zijn min of meer onzeker, daar de opgaven van den regeeringstijd in den regel
slechts jaren noemen, en wij niet weten, of daarbij gedeelten van jaren voor geheele gerekend zijn dan
wel maanden onvermeld zijn gebleven. — Over de regeeringsjareu voor 847 zie op 1 Kon. XII: 19.
HOOFDSTUK XI.
Athalja. — Athalja doodt alle kouingstelgcn (1); alleen de zuigeling Joas wordt gered en zes jaar
lang in den tempel verborgen (2 v.). De priester Jojada smeedt eene samenzwering met do lijfwacht
(4—8) en maakt Joas koning (9—12). Athalja komt hierop in (13 v.) en wordt gedood (15 v.). Ver-
bond tusschen Jahwe, vorst on volk (17); uitroeiing van den Uaüldienst (18); overbrenging van Joas
uuur het paleis (19 v.); hij was toen zeven jaar oud (21).
Dit verhaal is waarschijnlijk uit dezelfde bron als XII : li—14, waarin eveneens de Jcruznlcmsche
tempel en priesterschap de voornaamste plaats innemen (zie inl. op II. XII; ook op XV: 32—
XVI: 20), terwijl in de verhalen uit het rijk Israël de profeten de hoofdrol vervullen. Het is in
hoofdzaak geloofwaardig en steekt zeer gunstig af bij de jongere voorstelling van dezelfde gebeurtenis
in Kronieken.
XI: 1 Toen Athalja, de moeder van Ahazja, zag dat haar zoon gestorven
was, maakte zij zich op en bracht het gansche koninklijk geslacht om.\'
2 Maar Josjeba, de dochter van koning Joram, Ahazja\'s zuster, nam Joas,
V». 1—20. 2 Kron. XXII: 10—XXIII: 21.
1.   Athalja. Zie VIII i 18, 26. — gestorven. Zie IX: 27 v. Volg. X: 13 v. had Jehu reeds twee en
veertig „broeders van Ahazja" gedood. — het — geslacht, alle printen van den bloede, die thans of
later aanspraak konden maken op den troon; daaronder hare eigen kleinzonen.
2.   de — zuster. Zij behoeft daarom geen dochter van Athalja geweest te zijn. — voedster. Zie op
-ocr page 750-
2 KONINGBN XI : 2—14.
830
den zoon van Ahazja, stal hem met zijne voedster uit het midden
der prinsen, die gedood werden, en verborg hem in de beddenkamer
3       voor Athalja; zoodat hij niet gedood werd.\' En hij bleef bij haar, in
het huis van Jahwe, verscholen, zes jaar lang; terwijl Athalja het land
regeerde.
4           Maar in het zevende jaar zond Jojada om de oversten der Kariërs
en trawanten en liet hen bij zich komen in het huis van Jahwe, sloot
een verbond met hen, dat hij hen deed bezweren in het huis van
5       Jahwe, en toonde hun den zoon des konings.\' Daarop gaf hij hun
dezen last: Ziet hier wat gij doen moet: het derde deel uit u, zij die
7       op den sabbat inrukken en de wacht van het paleis hebben,\' en de
beide afdeelingen van u, allen die op den sabbat uittrekken, zullen de
8       wacht van het huis van Jahwe bij den koning hebben.\' Gij zult u
rondom den koning scharen, elk met zijne wapenen in de hand; wie
dan binnen de gelederen komt wordt gedood; en gij moet bij den
9       koning blijven, waar bij gaat of komt.\' De oversten nu deden naar
al wat de priester Jojada hun gelast had: ieder nam zijne manschap-
pen, die op den sabbat inrukten met die op den sabbat uittrokken,
10       en kwam bij den priester Jojada,\' die aan de oversten de speren en
11       beukelaars gaf van koning David, die in den tempel waren.\' En toen
de trawanten, elk met zijne wapenen in de hand, hadden post gevat
van de zuidzijde tot de noordzijde des tempels, bij het altaar en den
12       tempel, om den koning heen,\' bracht hij den zoon des konings naar
buiten, zette hem den diadeem op, deed hem de armbanden aan,
maakte hem tot koning en zalfde hem, terwijl men in de handen
klapte en zeide: Leve de koning!
13           Toen Athalja de trawanten en het volk hoorde, ging zij tot het
14       volk in het huis van Jahwe.\' Daar zag zij den koning staan bij de
Ge». XXIV! 59. — verborg, volg. Gr., Lat. en Syr. vcrtt.j llebr. t. zij verborgen. — de beddenkamer,
waarschijnlijk het vertrek in het paleis waar de matrassen en dergelijke bewaard werden.
3.  in het huis van Jahwe, ergens in den ombouw 1 Kou. VI: 5, of in eene kamer van het voorhof;
natuurlijk met medeweten van den priester Jojada. — zea jaar. Van 847 tot 842.
4.   Jojada. Zie over hem, behalve dit en het volgende hoofdstuk, ook Jer. X XIX : 28. Zonderling,
dat hier, den eersten keer dnt hij voorkomt, niet wordt gc/.cgd dat hij opperpriester was. — overaten,
letterlijk overaten der honderden. Kvcnzoo vs. !), 10, 15, 19. — der Kariira en trawanten, ook vs. 19,
de koninklijke lijfwacht. Onder David en Salomo heet zij de Krcthiërs en 1\'lethicrs, 2 Sam. VIII: 18;
XX: 7, 23; 1 Kon. 1:38, 41; onder Saul, Hehnbcam en Jehu: de trawanten, vs. 13; X:25; 1 Sam.
XXII: 17; 1 Kou. XIV: 27 v. Kariër kan moeilijk iets anders dan een volksnaam zijn; Karic heette het
zuidwestelijk landschap van Klcin-Azie. Zie verder op 2 Sam. VIII: 18.
5.  7. Welk het voorschrift van Jojada was, is niet duidelijk. Blijkens de oude vertt. verstond men
reeds oudtijds den tekst niet. Onze llebr. t. is blijkbaar ook in wanorde geraakt; vs. 6 luidt onge-
veer en hel derde deel in de poort Zur, en het derde deel in de poort achter de trawanten; zoo zult
gij de wacht van hel paleis houden tot afweer r:);
wnt, als onverstaanbaar en den samenhang tusschea
vs. 5 en 7 verbrekende, is weggelaten. — Naar het schijnt, was het de gewoonte dut van de drie
compagnieën der lijfwacht door de weck twee aan het palcis en eene aan den tempel dienst deden,
en op den sabbat omgekeerd; het complot nu houdt in, op den afgesproken sabbat de compagnie die
werd afgelost in den tempel te houden, zoodat de gansche lijfwacht, daar vereenigd, den jongen ko-
ning omringen kon.
8. wie dan binnen de gelederen komt, met vijandige bedoelingen tegen den koning. — gelederen, ook
vs. 15, onzekere vertaling.
10.  Deze mcdcdeeling bevreemdt ons. Hadden die oversten geen wapens? Waren het wellicht wijge-
schenken van David en als zoodanig heilig? — averen, volg. Gr. vert. en 2 Kron. XXIII: 9; Hebr. t. apeer.
11.   Het altaar stond op een kleinen afstand voor het portaal des tempels; deze ruimte werd ten
noorden en ten zuiden door de lijfwacht afgezet; zoodat Joas, toen hij vóór den tempel stond, aan
alle kanten gedekt was. — om den koning heen. Dit is bij voorbaat gezegd.
12.   i/e armbanden, volg. verb. t. naar 2 Sam. 1:10. Anderen vertalen het Hebreeuwsche woord
door .sieraden\', de koninklijke insigniën; het beteekent gewoonlijk de Geboden (zie op Kxod. XXV: 16).
— maakte en zat/de, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het meervoud.
13.  en, ingevoegd uit Gr. vert.
14.  bij — gebruik. Zie XXIII: 3. Wij weten niet, welke zuil. 2 Kron. XXIII: 13 staat, in de plaats
van die woorden, bij zijne tuil aan den ingang. Niet onmogelijk dat hierin de oorspronkelijke lezing
-ocr page 751-
831
2 KONINOBN XI: 14—21.
zuil, naar het gebruik, en de oversten en de trompetten bij den koning,
en al het volk des lands zich verheugende en de trompet blazende!
15 Toen scheurde Athalja hare kleederen en riep: Verraad, verraad!\' En
de priester Jojada gelastte den oversten, den bestuurders van het heir,
en zeide tot hen: Brengt haar tiiBschen de gelederen naar buiten, en
elk die achter haar komt worde met het zwaard gedood. Want de
priester had gezegd: Zij worde niet gedood in het huis van Jahwe.\'
• 1(5 En zij sloegen de hand aan haar, zoodat zij door den ingang der paar-
den kwam in het paleis; alwaar zij gedood werd.
17          Daarna sloot Jojada het verbond tusschen Jahwe en koning en volk,
18      dat het een volk van Jahwe zou zijn;\' en al het volk des lands ging
naar den tempel van den baal, wierp zijne altaren omver, brak zijne
beelden kort en klein, en doodde Mattan, den priester van den baiil,
vóór de altaren. Daarna stelde de priester opzieners aan over het
19      huis van Jahwe.\' Toen nam hij de oversten, de Kariërs en trawanten,
en al het volk des lands, en zij voerden den koning af uit het
huis van Jahwe en kwamen door de poort der trawanten in het
20      paleis; waar hij zich op den koningstroon zette.\' Al het volk des
lands verheugde zich, terwijl de stad rust had. Athalja hadden zij met
21      het zwaard in het paleis gedood.\' Joas was zeven jaar oud toen hij
koning werd.
Vs. 21. 2 Kron. XXIV: la.
schuilt. — trompetten, voor trompettert, hetzij die van den tempel, hetzij die van de lijfwacht.
Door het blazen op de trompet werd de koning aan de goddelijke bescherming aanbevolen. Zie 1
Kon. 1: 39 en op Nuin. X : 1—10 en 9.
15.  den bestuurder» van het heir. Deze invoeging staat hier zeer vreemd.
16.  der paarden. Wij zouden zeggen: der rijtuigen. Men kon dus met wngens uit het paleis in het
voorhof komen. Ken andere toegang wordt vs. 19 vermeld. — alwaar, in hot paleis; dat is niet uood-
wendig in het gebouw zelf j reeds hot „andere voorhof" (1 Kon. VII: 8) wordt tot het paleis gc-
rekend.
17.  De woorden tuitchen — volk staan in grondt, tweemaal.
18.  den tempel van den baiil, die waarschijnlijk in de onmiddellijke nabijheid, misschien wel in het
voorhof van den Jahwctempel was. De Kaaldicnst, door Athalja op het voetspoor van haar vader be-
gunstigd, was zonder twijfel voor Jojada en zijne geestverwanten de grootste ergernis harcr regcering;
zoodat de herstelling van Davids koningshuis ecu bepaald godsdienstig karakter liail. — wierp zij ui-
altaren
enz. Wat hier wordt verhaald was de tenuitvoerlegging van het pas gesloten verbond en is
wellicht eerst gevolgd op de invoering des kouings in zijn paleis. Althans was de aanstelling van op-
zieners over den Jahwctempel, die hier na de gewelddadige bervormingsmaatrcgelen en voor den intocht
des konings in zijn palcis vermeld wordt, niet iets dat zulk een haast had.
19.  voerden den koning af. De tempel lag op bet hoogste gedeelte van den berg, het palcis een weinig
lager. — door de. poort der trawanten. Zie op vs. 10. — waar — lette. Verg. 1 Kon. 1:35, 46.
20.   Al — zich. Dat Athalja ook haren aanhang had gehad en zeker menigeen den gcfnuikten Haül-
dienst betreurde ziet de schrijver, in zijne ingenomenheid met de omwenteling, voorbij. — nat had.
Hiermede wordt een toestand van vrede cu geluk aangeduid.
HOOFDSTUK XII.
Joas van Juda. — Regecring van Joas (1—3). Zijne zorgen voor het onderhoud van den tempel
(4 v.) worden door de nalatigheid der priesters verijdeld (6 v.); zoodat nieuwe maatregelen moeten ge-
nomen worden (8—10), tengevolge waarvan alle werkzaamheden aan het gebouw geregeld plaats grij-
pen (11—16). Ken aanval van Hazacl van Aram wordt afgekocht (17 v.). Joas wordt door samen-
zwcerders gedood (19—21).
Met uitzondering van de eigenaardige beschouwingen des schrijvers van Koningen in vs. 2a, 3, en
van de becijferingen in vs. 1, is dit een geloofwaardig bericht, hetwelk zich van dat in Kronieken over
de regecring van Joas (2 Kron. XXIV) gunstig onderscheidt. Het begin en het einde zijn blijkbaar
aan de rijksjaarbocken ontleend, en het verhaal van Joas\' maatregelen voor den coredienst (4—10),
waaruit dan ook overgouomen (zie inl. op XI: 1—20), is afkomstig van een wèl ingelicht tijdgenoot,
die groote belangstelling in den tempel had (verg. inl. op XV : 32—XVI : 20).
-ocr page 752-
832                                       2 KONINGBN XII: 1 — 11.
XII: 1 In liet zevende jaar van Jehu, den zoon van Nimsji, werd Joas, de
zoon van Ahazja, koning, en hij regeerde veertig jaar te Jeruzalem;
2       zijne moeder heette >Sibja, uit Bersjeba.\' Joas deed zijn gansche leven
wat recht was in het oog van Jahwe, daar de priester Jojada hem
3       onderwees.\' Slechts werden de hoogten niet afgeschaft: nog otterde en
rookte het volk op de hoogten.
4           Joas nu zeide tot de priesters: Al het geld, dat als wijgeschenk in
het huis van Jahwe wordt gebracht, gangbaar geld, het geld van de
door eiken priester geschatte personen en al het geld hetwelk iemands
5       hart hem dringt in het huis van Jahwe te brengen,\' zullen de priesters
in ontvangst nemen, ieder van zijn bekende, en dan zullen zij de
breuken van den tempel herstellen, welke breuk daar ook gevonden
G wordt.\' Maar in het drie-en-twintigste jaar der regeering van Joas
7       hadden de priesters de breuken van den tempel niet hersteld.\' Dus
ontbood koning Joas den priester Jojada met de priesters en zeide tot
hen: Waarom herstelt gij de breuken van den tempel niet? Nu dan,
neemt van uwe bekenden geen geld meer in ontvangst, maar geeft
8       het voor de breuken van den tempel.\' De priesters bewilligden,
van het volk geen geld te ontvangen en de breuken van den tempel
i) dan ook niet te herstellen.\' En de priester Jojada nam eene kist, in
welker deksel hij een opening boorde, en zette die naast den wij-steen,
ten zuiden wanneer men den tempel binnenkwam; daarin zouden de
priesters-dorpelwachters al het geld doen dat in den tempel gebracht
10       werd.\' En toen zij zagen dat er veel geld in de kist was, kwam de
schrijver des konings met den hoogepriester; zij pakten het geld bijeen
11       dat in den tempel gevonden werd, telden het\' en stelden het afge-
wogen geld aan de opzichters van de werklieden in den tempel ter
Vs. 3. 1 Kon. XV: 14a enz.
1. den zoon van Nimsji en ile noon van Ahazja, uit Gr. vert. ingevoegd, — veertig jaar. Van 841
tot 802. — Bersjeba. Zie\' inl. op Geil. XXVI: 1—83.
3.  Zie op 1 Kon. III: 3.
4 v. De tempel was koninklijk heiligdom; dus zorgde de koning voor het onderhoud van het gc-
liouw en de bezoldiging der priesters. Het was niet meer dan natuurlijk dat daarvoor de verschillende
tempel in komsten werden besteed. Nu wordt hier, naar het schijnt, bepaald, welke gelden voor het her-
stellen van den tempel moesten worden afgezonderd. Wij weten niet, of die regeling nieuw was, door
Joas ingevoerd, dan wel bestendiging van een bestaand gebruik ; in welk laatste geval de koning de
priesters herinnert aan hunne verplichting, van het geld dat zij ontvingen het heiligdom in orde te
houden. Wellicht was in de laatste jaren, na Josjafats dood (zie VIII: 18) en vooral ouder Athulja
(zie op XI : 18), minder dan te voren gezorgd voor het onderhoud van den Jahwctcmpcl. — I)e ver-
taling van cenige woorden is onzeker, de tekst waarschijnlijk geschonden.
4.   gangbaar geld. Zie op Gen. XX1II:10. — het geld — personen. Men denke aan den losprijs
van eerstgeborenen (Nuin. XVIII: 10) en van aan Jahwe gewijde personen of dieren (I,cv. XXVII), die
door de priesters moest worden bepaald. — hetwelk — brengen, vrijwillige gaven.
5.   de breuken, scheuren, vervallen plaatsen en al wat noodig had bijgewerkt of vernieuwd te wor-
den. De tempel was nu ongeveer anderhalve eeuw oud. Verg. XXII: 3—7.
0. het drie-en-twintigste jaar. Wij hebben niet vernomen, in welk regceringsjaar hij de priesters op
hunne verplichting gewezen had; daar hij als zevenjarige knaap op den troon kwam, natuurlijk eerst
verscheiden jaren later. — hadden — hersteld. Zij hadden het geld voor zich zclvcn gehouden, of voor
den cercdienst gebruikt, althans niet besteed voor het doel waartoe de koning het bestemd had.
9.   den wij-steen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. het allaar. Maar het altaar stond niet aan den ingang
des tempels, waar toch de aard der zaak en de woorden wanneer men den tempel binnenkwam eischen
dat de offerkist stond. Wij maken hieruit op, dat hetgeen Jez. XIX : 19 van Kgypte voorspeld wordt:
een altaar in het midden, een wij-steen aan den ingang, althans onder de regeering van Joas en zeker
ook daarna in den Salomonischcn tempel werkelijkheid was. Verg. op Gen. XXVIII: 18. — dorpelwach-
tert.
Zie op XXIII: 4.
10—15. Verg. XXII: 4—7.
10.   den hoogepriester. Deze titel dagteekent eerst uit den tijd van Kzra: hij komt in ons verhaal
alleen hier voor, is dus blijkbaar later ingevoegd. Zie inl. op XXII: 1—XXIII: 30. — pakten het geld
bijeen,
b. v. bij het pond, of bij zeker aantal ponden; zie vs. 11. — telden het, de aldus gemaakte
geldbuidels.
-ocr page 753-
833
2 KONINGEN XII: 11—21.
hand, die het dan uitbetaalden aan de timmerlieden en de bouwmees-
12       ters die aan den tempel werkten,\' als ook aan de metselaars en steen-
houwers, tot aankoop van hout en gehouwen steen, om de breuken
van den tempel te herstellen: voor alle uitgaven aan den tempel tot
13       herstelling.\' Doch van het geld dat in den tempel gebracht werd
werden geen zilveren schalen, messen, offerschalen, trompetten, geenerlei
14       gouden of\' zilveren gereedschap, in den tempel gemaakt;\' want men
gaf het aan de werklieden, die daarvoor het huis van Jahwe her-
15       stelden.\' Men hield geen afrekening met de mannen wien men het
geld ter hand stelde, om het aan de werklieden te geven; maar zij
16       handelden op goed vertrouwen.\' Het geld voor schuld en voor zonden
werd niet in het huis van Jahwe gebracht, maar viel den priesters
ten deel.
17           Daarna trok Hazaël, de koning van Aram, op, streed tegen Gath
en nam het in; waarna hij aanstalten maakte om tegen Jeruzalem op te
18       trekken. \' Maar Joas, de koning van Juda, nam al de wijgeschenken
die zijne vaderen Josjafat, Joram en Ahazja, de koningen van Juda,
en hij zelf hadden gewijd, benevens al het goud dat in de schatkamers
van den tempel en van het paleis gevonden werd, en zond het aan
Hazaël, den koning van Aram; waarop deze van Jeruzalem aftrok.
19           Het overige nu der geschiedenis van Joas, en al wat hij gedaan
heeft, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
20       Zijne dienaren stonden op, maakten eene samenzwering en versloegen
21       Joas in het huis Millo, dat afdaalt naar Hilla;\' zijne dienaren Jozachar,
de zoon van Sjimeath, en Jehozabad, de zoon van öjomer, sloegen
hem, dat hij stierf. Men begroef hem bij zijne vaderen in de David-
stad, en zijn zoon Amasja werd koning in zijne plaats.
13. tchalen, metten. Zie op 1 Kon. VII: 50.
16.  De woorden hier tchuht en zonden vertaald beteekenen in de Wet ,schuld-\' en .zondoffer\' (zie
Lev. IV : 1—VII: 10), maar staan hier in den oorspronkelijker! zin; het geld voor tchuld en voor zonden
duidt de om de eene of andere overtreding verbeurd verklaarde goederen, opgelegde geldboeten en andere
gedwongen giften aan, die, in onderscheiding van de vs. 4 genoemde gaven, den priesters ten deel
vielen. Verg. Hoz. IV: 8.
17.  Daarna, onzekere tijdsbepaling. — Hazaël. Zie VIII: 8—15; 1 Kon. XIX: 15, 17. Wat wij hier
van hem lezen zal hebben plaats gehad nadat hij het rijk Israël had overwonnen, XIII: 3. — Gath,
eene van de vijf koningsteden der Filistijnen, Joz. XIII: 3, Davids toevluchtsoord toen Saul hem ver-
volgde, 1 Sam. XXVII. Het had ook tijdens Salomo zijn oigon koning, 1 Kon. II: 39, en was dus zeker
na de scheuring des rijks onafhankelijk gebleven. Zie op Anms VI: 2.
20. het huis Millo, waarschijnlijk hetzelfde wat elders hel Millo heot, of een deel daarvan; zie
op 2 Sam. V: 9. — dat a/daalt naar Si/la. Door onbekendheid met de plaatselijke gesteldheid ontgaat
ons de zin dezer woorden. Ook is waarschijnlijk de tekst niet zuiver en is in het woord SU/a eene fout
ingeslopen.
HOOFDSTUK XIH.
Joahaz en Joas van Israël. Eliza\'s dood. — Koning Joahaz volgt de zonden van Jerobeam; waarom
Jahwe Israël aan de Arameërs overlevert (1—3, 7); wel schenkt hij op \'s koningi gebed een redder
(4 v.), doch de oude zonde blijft (6). Besluit van zijne regeering (8 v.). Zijn zoon en opvolger Joas wijkt
evenmin van die zonde (10 v.). Besluit van zijne regeering (12 v.). Joas verkrijgt van Eliza op diens
sterfbed de toezegging eener drievoudige overwinning op de Arameërs (14—19). Eliza sterft; de aan-
raking van zijn gebeente doet een lijk herleven (20 v.). De Arameërs verdrukken Israël tijdens Joahaz
(22); maar Jahwe erbarmt zich (23); en als Hazaël gestorven is (24), herovert Joas de aan zijn vader
ontnomen stcdeu (25).
Er heerscht in dit hoofdstuk eene hopelooze verwarring. Nu eens stuiten wij op gebrek aan samen-
hang (verg. op vs. 4—6 en 7), dan weder op herhaling (vs. 3 v. en 22 v.); straks op tegenstrijdigheid
(zie op vs. 10 en 14). Nadat Joas gestorven is, wordt zijne jongste ontmoeting met den profeet en,
wederom iets later, zijn geluk in den krijg met Aram verhaald; wij krijgen dan ook het besluit van
zijne regeering nog eens (XIV: 15 v.), en wel in het verhaal der regeering van Amasja (XIV : 1—22),
O. T. I.
                                                                                                                          53
-ocr page 754-
2 KONINGEN XIII: 1—12.
834
dio door hem overwonnen wordt (XIV: 8—14); zie ook op vs. 13. In sommige onde handschriften
van de Gricksche vertaling vinden wij cene cenigszins hetere orde en een paar toevoegsels; doch dit
helpt ons niet voldoende om den oorspronkclijken tekst te vinden; het toont ons alleen dat dit
stuk herhaaldelijk is omgewerkt. Waarom juist hier dio wanorde en gedurige overwerking, weten
wij niet.
11e bcstanddeclcn zijn veelsoortig. Uiterst weinig is aan de rijksjaarbocken ontleend (vs. Ib, 10A);
wat wij betreuren, daar wij wciischcn zonden veel te vernemen omtrent de verdienstelijke vorsten uit
Jehu\'s huis (verg. inl. op XIV: 23—29). In plaats daarvan krijgen wij, behalve de gewone invocgsels en
becijferingen, cene kostelijke profctenlegende (vs. 14—19), met een aanhangsel zonder waarde en in
slechten stijl (vs. ÏOt.j verg. inl. op II. IV). Dat die legende een historischen achtergrond heeft is
niet onwaarschijnlijk; ook elders in dit stuk worden historische herinneringen aangetrofTeu (vs. 3, 64,
7, 22. 24, 25).
XIII: 1 In liet drie-en-twintigste jaar der regeering van Joas, den zoon van
Ahazja, over Juda werd Joahaz, de zoon van Jehu, koning over Israël
2       te Saniarië, en hij regeerde zeventien jaar.\' Hij deed wat kwaad was
in het oog van Jahwe en volgde de zonde die Jeroheam, de zoon van
3       Nehat, Israël had doen bedrijven; hij week daarvan niet af. \' Daarom
ontstak de toorn van Jahwe tegen Israël; zoodat hij het voortdurend
gaf in de hand van Hazaël, den koning van Aram, en van Denhadad,
4       den zoon van Hazaël.\' Maar Joahaz vermurwde Jahwe; en Jahwe ver-
hoorde hem; want hij had Israëls verdrukking gezien, dat de koning
5       van Aram het verdrukt had.\' Daarom gaf Jahwe aan Israël een redder,
die het van onder de hand van Aram deed uitgaan; zoodat de Israë-
0 lieten in hunne tenten woonden als gisteren en eergisteren.\' Nochtans
weken zij niet af van de zonde die het huis van Jeroheam Israël had
doen bedrijven; daarin wandelden zij. Ook bleef de gewijde boomstam
7       te Samarië staan.\' Want hij liet aan Joahaz geen volk over dan vijftig
ruiters, tien strijdwagens en tienduizend voetknechten; want de koning
van Aram richtte hen te gronde en stampte hen fijn als stof.
8           Het overige nu der geschiedenis van Joahaz, al wat hij gedaan heeft
en zijne dapperheid, is beschreven in het boek der kronieken van Israëls
9      koningen.\' En Joahaz ging ter ruste bij zijne vaderen, en men begroef
hem te Samarië; en zijn zoon Joas werd koning in zijne plaats.
10           In het zeven-en-dertigste jaar der regeering van Joas over Juda werd
Joas, de zoon van Joahaz, koning over Israël te Samarië, en hij regeerde
11       zestien jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog van Jahwe: hij
week niet af van de zonde die Jeroheam, de zoon van Nebat, Israël
had doen bedrijven; daarin wandelde hij.
12           Het overige nu der geschiedenis van Joas, al wat hij heeft gedaan
Vs. 12 v. II. XIV: 15 v.
1.  zt-veniien jaar. Van 819 tot 803.
2.  Zie op 1 Kon. XV: 20.
3.  voortdurend, zoolang de regeering van Joahaz duurde. Wij vernemen ditzelfde nog eens vs. 22.
— Over Hazaël zie op XII: 17; over Benliadad zie op 1 Kon. XV: 18.
A—d. Deze verzen verbreken den samenhang tusschen v». 3 en 7.
5.   Daarom — redder. Evenwel niet ten tijde van Joahaz, zooals men uit het begin van vs. 4 zou
opmaken; bedoeld is zijn kleinzoon, Jerobcam II (zie XIV: 27), of wellicht zijn zoon Joas (zie va.
17—19, 25). — die het... deed uitgaan, volg. Gr. vert.; Hebr. t. zoodat het uitging. — in hunne
tenten woonden,
spreekwoordelijke uitdrukking voor een toestand van vrede en voorspoed. Verg. op
Richt. VII: 8.
6.  Weder de bekende ongeschiedkundige beschouwing van den godsdienstigen toestand in het noor-
delijk rijk. — wandelden tij, volg. oude vertt.; Hebr. t. wandelde hij. — Ooi — liaan. Volgeus X:26
was onder Jchu de gewijde boomstam van den Baultcmpel verbrand; hier zal dus van een in den
Jahwetempcl te Samarië sprake zijn. Verg. XXI: 3.
7.   Dit vers sluit zich niet bij het onmiddellijk voorafgaande, maar bij vs. 3 aan. — hij, Jahwe. —
tlampte hen fijn, volg. verb. t„ gedeeltelijk naar Gr. vert.; Hebr. t. dortehte hen.
10. hi — Juda, onjuiste berekening, hier in strijd met vs. 1. — zeitien jaar. Van 802 tot 787.
-ocr page 755-
835
2 KONINGEN XIII : 12—25.
en zijne dappere daden, hoe hij met Amasja, den koning van Juda,
heeft gestreden, is beschreven in het boek der kronieken van Israëls
13       koningen.\' En Joas ging ter ruste hij zijne vaderen; en Jerobeam zette
zich op zijn troon; en Joas werd te Samarië bij de koningen van Israël
begraven.
14           Eliza nu was krank aan de ziekte waaraan hij zou sterven; en Joas,
de koning van Israël, kwam tot hem af, weende bij hem en zeide:
15       Mijn vader, mijn vader, Israëls strijdwagens en ruiterij!\' Eliza zeide
16       tot hem: Neem boog en pijlen. Hij nam boog en pijlen.\' Nu zeide
hij tot den koning van Israël: Leg uwe hand op den boog. Zoo deed
17       hij; waarna Eliza zijne hand op die des konings legde\' en zeide: Open
het venster naar het oosten. Toen hij het geopend had, zeide Eliza:
Schiet. Hij schoot. Eliza zeide: Een pijl der overwinning van Jahwe!
Een pijl der overwinning op Aram! Gij zult Aram bij Afek verslaan.\'
18       Vervolgens zeide hij: Neem de pijlen. Hij nam ze. Nu zeide hij tot
den koning van Israël: Sla tegen den grond. Hij sloeg driemaal, en
19       hield toen op.\' Toen werd de godsman op hem verstoord en zeide:
Och, hadt gij vijf- of zesmaal geslagen! Dan zoudt gij de Arameërs
gansch en al hebben verslagen; nu zult gij hen slechts driemaal slaan.
20           Eliza stierf en werd begraven. Eens kwamen Moabietische benden
21       in het land;\' en terwijl eenige menschen bezig waren een man te
begraven, daar zagen zij de bende! Daarom wierpen zij den man in
het graf van Eliza en gingen heen. Maar toen de man aan het ge-
beente van Eliza raakte, hei-leefde hij en stond op zijne voeten.
22           Hazaël, de koning van Aram, heeft Israël al den tijd van Joaliaz
23       verdrukt.\' Maar Jahwe kreeg deernis met hen, erbarmde zich hunner
en wendde zich tot hen, ter wille van zijn verbond met Abraham,
Izaük en Jakob; hij wilde hen niet verderven en verwierp hen voor-
24       alsnog niet van voor zijn aangezicht. \' Toen Uazaël, de koning van
Aram, gestorven was, werd zijn zoon Henhadad koning in zijne plaats.\'
25       En Joas, de zoon van Joahaz, ontnam aan Benhadad, den zoon van Hazaël,
de steden welke zijn vader in den oorlog aan Joahaz had ontnomen.
Joas heeft hem driemaal verslagen en de steden van Israël heroverd.
12 v. Hierna verwacht men niet meer over Joas te hooren; doch vs. 14—19 vinden wij hem aan
het sterfbed van Eliza; vs. 25 vermeldt zijne overwinningen op Aram, XIV: 8—14 zijn geluk in den
oorlog tegen Juda, XIV: 15 v. andermaal ziju sterven.
12.  hoe — gestreden. Zie XIV : 8—14.
13.  en — troon. In het oog vallend is hier de afwijking van de gewone orde en de wijziging van
de gebruikelijke formule, die wij XIV: 10 zuiver wcdervinden.
14.   Raar Elia volgens 1 Kon. XIX: 19—21 nog onder Achabs regcering (883—862) Eliza als die-
naar aan zijn persoon verbonden had, en deze onder Joram (859—848) als profeet was opgetreden en
erkend (zie 111:11—19), was hij onder Joas (802—787) waarschijnlijk in de tachtig jaar oud en bad
cene loopbaan van meer dan cenc halve eeuw achter zich. — Mijn — ruiterij! Joas noemt Eliza
vader, uit eerbied voor den godsmnn (verg. op Hicht. XVII: 10), en Israëls strijd\'wagens en ruiterij
(verg. II: 12a), omdat de profeet in tijdon van zwaren druk Israël evcuveel waard was geweest als
dit kostelijk deel eens legers. Wij nierkeu hier op, dat profeet en koning op een goeden voet met cl-
kander verkeeren; gansch anders dan vs. 11 zou doen verwachten.
10.  Leg, letterlijk Doe rijden.
17.  naar het oosten, in de richting van Aram. — Afek. Zie op 1 Sam. IV : 1*. Hierachter heeft
Hebr.  t. gansch en al, ingevoegd uit vs. 19.
19.   Och — geslagen! volg. Gr. vert.; Hebr. t. ongeveer Oij hadt... moeten slaan.
20.   Na land heeft grondt, een paar hier onverstaanbare woorden.
21.  Daarom — Eliza. Wij weten niet, hoc de vcrhaler zich dit heeft voorgesteld, daar de graven
niet ras of gemakkelijk geopend konden worden. — gingen heen. Hebr. t. heeft het enkelvoud.
23. Dit vers staat vreemd tusschen vs. 22 en 24. — wendde zich tol hen, om hunne gebeden te
verhooren en hen te redden uit den nood. — zijn verbond — Jai-oh. Zie op Deut. 1: 8.
25. de steden — ontnomen. Hieronder zijn niet begrepen die in het Overjordaansche, welke Hazaël
reeds aan Jehu had ontnomen, X:32v., en die eerst Jerobeam II heroverd heeft, XIV : 25. — Joas
heeft
— heroverd. Blijkbaar een toevoegsel, waaruit blijken moet dat Eliza\'s profetie (vs. 19) letter-
lijk is vervuld.
-ocr page 756-
2 KONINGBN XIV : 1—10.
836
HOOFDSTUK XIV: 1—22.
Amiuja vun Juda. — Amasja, een vroom koning (1—4), doodt de moordenaar» zijns vadera (5 v.)
en verslaat de Kdomicten (7). Door Joas van Israël uit te dagen (8—10) berokkent hij zich cene neder-
laag en maakt Jeruzalem en .luda afhankelijk van Israël (11—14). liesluit der regecring van Joas
(15 v.). Amasja wordt in cene sameuzwering gedood (17—20), eu door zijn zoon Azarjo opgevolgd
(21), die Elath herovert en versterkt (22).
Deze laatste mcdcdecliug staat hier op zeer vreemde plaats — eerst XV : 1—7 wordt ons de regcc-
ring van Azarja verhaald — en in vreemden vorm: blijkbaar is zij overgenomen uit een ander ver-
band (zie aant.). Kvenzeer bevreemdt ons in vs. 15 v. de herhaling van XIII: 12 v. (zie inl. op H.
XIII). Voor het overige hebben wij in dit stuk, naast het gewone: de beschouwingen van den schrij-
vcr van Koningen (vs. 3, 4, 64), de berekening van den laatsten verzamelaar (vs. 1), en de uittreksels
uit de rijksjaarbockeu (vs. 2, 18), onderscheiden geschiedkundige berichten, uit laatstgenoemde bron
geput, of van elders ontleend (vs. 5, 6a, 7, 8—14, 17, 19—21).
XIV: 1 In het tweede jaar \'er regeering van Joas, den zoon van Joahaz,
over Israël werd Amasja, de zoon van Joas, den koning van Juda,
2       koning; \' vijf en twintig jaar was hij oud toen hij koning werd, en
hij regeerde negen en twintig jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette
3       Joaddan, uit Jeruzalem.\' Hij deed wat recht was in het oog van
Jahwe, hoewel niet gelijk zijn vader David: juist zooals zijn vader
4       Joas gedaan had deed hij.\' Slechts werden de hoogten niet afgeschaft:
5       nog offerde en rookte het volk op de hoogten.\' Zoodra hij het
koningschap stevig in de hand had, bracht hij zijne dienaren om die
6       den koning, zijn vader, hadden omgebracht.\' Maar de kinderen der
moordenaars bracht hij niet ter dood; overeenkomstig hetgeen geschre-
ven is in het boek der wet van Mozes, waarin Jahwe geboden heeft:
De vaders zullen niet worden ter dood gebracht om de kinderen, noch
de kinderen om de vaders; maar ieder zal wegens zijne eigen zonde
7       sterven.\' Hij heeft de Edomieten in het Zoutdal verslagen, tienduizend
man, en Sela gewapender hand vermeesterd, dat hij Jokteöl noemde,
zooals het heet tot op dezen dag.
8           Toen zond Amasja boden aan Joas, den zoon van Joahaz, den zoon
van Jelui, den koning van Israël, zeggende: Laten wij elkander eens
9       onder de oogen zien!\' Maar Joas, de koning van Israël, zond Amasja,
den koning van Juda, dit bescheid: De distel op den Libanon zond
den ceder op den Libanon de boodschap: Geef uwe dochter aan mijn
zoon tot vrouw. Maar het wild gedierte op den Libanon liep er over-
10 heen en vertrapte de distel. \' Gij hebt de Edomieten duchtig verslagen
en wordt nu overmoedig; geniet uw roem en blijf te huis; waarom
zoudt gij uw ongeluk opzoeken en ten val komen, en Juda met u?\'
Vs. 1—6. 2 Kron. XXV: 1—4. — Vs. 64. Deut. XXIV: 16. — Vs. 7—14. 2 Kron. XXV: 11,
17—24.
2. MM en tminiig jaar. Van 801 tot 773. Maar zie op vs. 17.
4.  Zie op 1 Kon. 111:2, 3 en XIV: 22—24.
5.  zijne — omgebracht Zie op XII: 20 v.
6.  mereenkomitig — heeft. Deze wet, Deut. XXIV: 16, heeft eerst eene kleine twee eeuwen later
het licht gezien; maar de schrijver van Koningen, die Deuieronomium voor het werk van Mozes houdt,
meent dat Amasja haar reeds kende en bij deze gelegenheid zich daarnaar gedragen had. In waarheid
is de praktijk voorafgegaan aan de theorie: men heeft gevoeld, welk ceu schromelijk onrecht de oude
rechtspraak met zich bracht (zie b. v. IX: 26; Joz. VII: 14; en verg. Kzech. XVIII) en er zich niet
langer aan gehouden. Wellicht hebben wij hier het eerste in het oog vallend voorbeeld van afwij-
king. Eerst later werd het nieuwe recht opgenomen in het met het hoogste gezag uitgevaardigd
wetboek.
7.   de Edomieten, sedert cene halve eeuw van Juda afvallig; zie VIII: 20—22. — het Zoutdal. Zie
op 2 Sam. VIII: 13. — Sela. Zie op Richt. 1:30. — lot op dezen dag. Daar wij uiet weten, hoelang
de stad dien naam heeft gedragen, baat ons deze tijdsbepaling niet.
9. ceder. Zie op Richt. IX: 15.
-ocr page 757-
2 KONINGEN XIV: 11—22.
837
11       Maar Amasja luisterde niet. Toen trok Joas, de koning van Israël,
op, en zagen hij en Amasja, de koning van Juda, bij Beth-sjerues in
12       Juda elkander onder de oogen.\' En Juda leed tegen Israël de neder-
13       laag, zoodat zij vluchtten, ieder naar zijne tent.\' Ook nam Joas, de
koning van Israël, Amasja, den zoon van Joas, den koning van Juda,
bij Beth-sjemes gevangen, trok Jeruzalem binnen, brak een stuk van
vierhonderd el uit den muur van Jeruzalem, van de Efraimspoort tot
14       de Hoekpoort, \' nam al bet goud en zilver en al de vaten die in het
huis van Jahwe en in de schatkamers van het paleis gevonden werden,
benevens de gijzelaars, en keerde naar Hamarië terug.
15           Het overige nu der geschiedenis van Joas, wat hij heeft gedaan en
zijne dapperheid, hoe hij met Amasja, den koning van Juda, gestreden
heeft, is beschreven in het boek der kronieken van Israëls koningen.\'
16       En Joas ging ter ruste bij zijne vaderen en werd te Samarië bij de
koningen van Israël begraven; en zijn zoon Jerobeam werd koning in
zijne plaats.
17           Amasja, de zoon van Joas, den koning van Juda, leefde na den dood
van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israël, nog vijftien
18      jaar.\' Het overige nu der geschiedenis van Amasja en al wat hij heeft
gedaan is beschreven in bet boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
19       Toen men te Jeruzalem eene samenzwering tegen hem maakte, vluchtte
hij naar Lachis; maar men zond naar Lachis, hem achterna, doodde hem
20       aldaar\' en vervoerde hem op een wagen naar Jeruzalem, waar hij in
21       de Davidstad bij zijne vaderen begraven werd.\' Daarop nam het gansche
volk van Juda Azarja, nu zestien jaar oud, en maakte hem tot koning
22       in de plaats van zijn vader Amasja. \' Hij beeft Elatb versterkt en weder
aan Juda gebracht, nadat de koning bij zijne vaderen was ter ruste gegaan.
V». 15 v. XIII: 12 v. — V». 17—22. 2 Kron. XXV : 25—XXVI: 2.
11.   Beth-sjemes, zes uur westelijk vau Jeruzalem. Zie op Joz. XV: 10.
12.  ieder naar zijne tent. Zie op Richt. VII: 8.
13.  Amasja — Juila, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Amasja, den koning van Juda, den zoon van Joas,
den zoon tan Ahazja.
— vau, voor de Efraimspoort, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in. — de Hoekpoort,
waarschijnlijk aan den noord westelijken hoek van het oude Jeruzalem; 2 Kron. XXV: 23; XXVI: 9;
Jer. XXXI: 38; Zach. XIV: 10. De Efraimspoort, waarschijnlijk ongeveer 210 meter zuidelijker, mede
aan den westelijken muur, uitziende op het dal, Nch. XII: 39.
14.  Op de vraag, hoc Joas, de kleinzoon van Jehu, deu ijveraar voor Jahwe, en bevriend met Eliza,
don Jnhwetempcl te Jeruzalem kou beroovcn, dient tot autwoard, dat Joas de daaruit weggevoerde
voorwerpen tot opluistering van de Jnhweteinpels in zijn eigen rijk kan hebben gebruikt en deze onge-
twijfcld hooger stelde dnn het heiligdom te Jeruzalem. — de gijzelaars, onderpanden voor de trouw
van het hof te Jeruzalem en van de stnm- en familiehoofden. Juda werd dus een wingewest van hniel.
15 v. Deze verzen staan hier vreemd, midden in de geschiedenis van Amasja; maar de vermelding
van Joas\' dood was noodig tot recht verstaud van vs. 17.
17.   Uefde — jaar. Er staat niet dat hij zoolang nog regeerde. Wij hebbeu dus als waarschijnlijk
aan te nemen dat hij in 788 door Joas is onttroond. De jaren 788—773, gedurende welke in wcr-
kclijkhcid Joas en, na zijn spoedig gevolgden dood (787). Jerobeam II over Juda en Jeruzalem heersch-
ti\'ii. zijn vs. 2 bij de regeeringsjaren van Amasja, en XV : 2 wederom bij die van Azarja gerekend.
18.  en al wat hij heeft gedaan, ingevoegd uit de Gr. vert.
19.  Lachis. Zie op Joz. X: 3.
21.  Azarja. Zoo heet hij ook XV: 1. 6, 7, 8, 13, 17, 23, 27 (zie intusschen op XV: 13, 30, 32 en
84); 1 Kron. 111:12; maar hij heet Uzzia 2 Kron. XXVI: 1, 3, 11 en elders, als Jez. 1:1; VI: 1;
Hoz. 1:1; Arno» 1:1; Zach. XIV: 5.
22.  Elath, aan de golf van Akaba, zie üeut. 11:8; 1 Kon. IX : 26. — weder aan Juda gebracht. Josjafat
had het nog in bezit gehad, 1 Kon. XXII: 48 v.; maar door den afval onder Jornin wns het verloren
gegnau en, zooals hier blijkt, door Amasja na de overwinning in het Zoutdal (vs. 7) niet heroverd. —
*l,- koning. Uit den samenhang waarin dit vers oorspronkelijk heeft behoord bleek ongetwijfeld, van
welken koning sprake wns. Voor ons is niet duidelijk, wio hieronder te verstaan zij. Edoms koning
wordt hier niet vermeld. Amasja zou aU „zijn vader" zijn aangeduid. De koning van Israël, als na
den slag bij Beth-sjemes, vs. 11—14, Israëls opperheer, zou kunnen bedoeld zijn, en dnn is het Jero-
beam II; maar do regeeringsjaren geven hier moeilijkheid: toen Jerobeam II „bij zijne vaderen ter
ruste ging" (740), had Azarja, naar het schijnt, reeds (sedert 751) feitelijk het beatuur moeten afstaan
aan zijn^ zoon (zie op*XV : 5).
-ocr page 758-
2 koningen XIV : 23—29.
838
HOOFDSTUK XIV: 28—29.
Jerobeam II. — Jerobcam II volgt de zonde van Israëls eereten koning (28 v.), heretelt, naar de
profetie van Jnna, het rijk in zijn grootsten omvang (25); daar Jahwe uit medelijden met zijn volk
door hem redding schenkt (26 v.). Besluit van zijne regecring (28 v.).
Wat de schrijver van Koningen ons hier mededeelt geeft aanleiding om het zeer te betreuren
dat hij zoo uiterst weinig herinneringen aangaande de schitterende regecring van Jcroheam II heeft
bewaard, die voor de Israclietischc letterkunde het eerste tijdvak van hoogen bloei is geweest en uit
het oogpunt van godsdienst en beschaving veel merkwaardigs heeft opgeleverd (zie iul. op De vijf
boeken der Wet, over De Jahwist en De Elohist; voorts, verg. inll. op Nam. XXII: 2—XXIV: 25,
Hozea en Amos).
XIV: 23 In het vijftiende jaar der regeering van Amasja, den zoon van Joas,
over Juda, werd Jerobeam, de zoon van Joas, den koning van Israël,
24       koning te Samarië, en hij regeerde een en veertig jaar.\' Hij deed
wat kwaad was in het oog van Jahwe: hij week niet af van de zonde
25       die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven. \' Hij heeft
het grondgebied van Israël heroverd, van bij Hamath tot aan de Zee
der Vlakte, overeenkomstig liet woord dat Jahwe, Israëls god, door
zijn dienaar, den profeet Jona, den zoon van Amittai, uit Gath-hefer,
26       gesproken had.\' Want Jahwe had gezien dat de ellende van Israël
zeer bitter was, dat het met den onmondige en den mondige gedaan
27       was en Israël geen helper had.\' Daar nu Jahwe niet had besloten,
Israëls naam van onder den hemel uit te wisschen, redde hij het door
Jerobeam, den zoon van Joas.
28           Het overige nu der geschiedenis van Jerobeam, al wat hij heeft ge-
daan en zijne dapperheid, hoe hij heeft gestreden en hoe hij Damaskus
en Hamath voor Israël heroverd heeft, is beschreven in het boek der
29       kronieken van Israëls koningen.\' En Jerobeam ging ter ruste bij zijne
vaderen en werd te Samarië bij de koningen van Israël begraven; en
zijn zoon Zacharja werd koning in zijne plaats.
28. een en veertig jaar. Van 786 tot 746.
2-1. Zie op 1 Kon. XV: 26. — de zonde, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. al de zonden. Verg. op 1 Kon.
XIV : 16.
25.   heroverd, gelijk het was in de dagen van David en Salomo. — Hamath. Zie op 1 Kon. VIII:
65. — de Zee der Vlakte, /ie op Dcut. 1:1. De grens van Jcrobcams rijk in het zuidoosten wordt
Amos VI: 11 iets nauwkeuriger aangegeven als de Beek der Vlakte, d. i. de Wilgenbcck; die Moab
van Kdom scheidde; zie Joz. XV!7. Het Ovcrjordannsche, met Moab, is hier dus mede ingesloten.—
het woord — gesproken had. Wij bezitten deze profetie niet meer. Vermoedelijk werd zij in het begin
van Jerobcams regecring uitgesproken, onder den indruk der grootsche verwachtingen, door dezen ko-
ning opgewekt en schitterend door hem vervuld. — Jona, den zoon van Amittai. Verg. inl. op Jona.
— Oath-hefer. Zie op Joz. XIX: 13.
26.   bitter, volg. alle oude vertt.; Hebr. t. weerspannig. — dat het — had, dat Israël uitgeput en
weerloos aan den vijand was prijsgegeven. Overdreven schildering, vooral na de verdienstelijke regce-
ring van Joas (XIII: 10—25) zeer onjuist. — onmondige en mondige. Zie op Deut. XXXII: 86.
27.   Daar — tcisschen. Naar het schijnt, wordt hier Israëls voortdurend bestaan ondersteld; zoodat
dit geschreven moet zijn vóór den val van Samarië (722). Vermoedelijk is de „redder" van XIII: 5
ontleend nan dit vers.
28.   Damaskus en Hamath. Het uittreksel uit de rijksjaarboeken is door zijne overgroote bekuopt-
heid hier onnauwkeurig. Damaskus is een korten tijd, onder David, aan Israël schatplichtig geweest
(2 Simi. VIII: 6), maar heeft evenmin als Hamath, Davids bondgenoot (2 Sam. VIII: 0), ooit tot
Israël behoord; zoodat die beide rijken niet heroverd konden worden. Maar ook hunne verovering door
Jerobcam is onwaarschijnlijk. Dit alleen kunnen wij aannemen dat Arams koning en die van Hamath
een tijdlang aan hem schatting hebben opgobrncht. Dit Assyrischc opschriften maakt men op, dat
het rijk van Damaskus in dezen tijd zwak was. In dat geval kon Joroboam, die, gelijk al zijne voor-
gangers van Jchu af, schatplichtig bondgenoot van Nincve\'s koning was, te eer deze voordcelen op zijne
noordelijke naburen bchnlen. — voor Israël, volg. Syr. vert.; Hebr. t. voor Juda in Israël.
29.  en werd te Samarië... begraven, ingevoegd uit Gr. vert.
HOOFDSTUK XV: 1—7.
Azarja. — Azarja van Juda, een vroom koning (1—4); hij wordt melaatsen; zoodat zijn zoon Jotham
mederegent wordt (5). Besluit van zijne regeering (6 v.).
-ocr page 759-
2 KONINGEN XV : 1—9.
839
Dit stuk is, op de gewone uitzonderingen na (vs. 8 v.; verder vs. 1), aan de rijksjaarboeken van
Juda ontleend, dus geloofwaardig, doch zeer arm in bijzonderheden.
XV: 1 In het zeven-en-twintigste jaar der regeering van Jerobeam over
Israël werd Azarja, de zoon van Amasja, den koning van Juda, koning;\'
2      zestien jaar was hij oud toen hij koning werd, en hij regeerde twee en
vijftig jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Jecholja, uit Jeruzalem.\'
3      Hij deed wat recht was in het oog van Jahwe, geheel zooals zijn
4      vader Amasja had gedaan.\' iSlechts werden de hoogten niet afgeschaft:
5      nog offerde en rookte het volk op de hoogten.\' Jahwe nu sloeg den
koning, zoodat hij melaatsch werd, tot zijn sterfdag toe. Daarom ver-
bleef hij in zijn huis, afgezonderd, terwijl Jotham, \'s konings zoon, als
hofmaarschalk, het volk des lands bestuurde.
6          Het overige nu der geschiedenis van Azarja, en al wat hij heeft ge-
daan, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
7      En Azarja ging ter ruste bij zijne vaderen, en men begroef hem bij
zijne vaderen in de Davidstad; en zijn zoon Jotham werd koning in
zijne plaats.
Vs. 2v. 2 Kron. XXVI: 3 v. — Vs. 5, 7. 2 Kron. XXVI: 21, 23.
1.   ƒ» — Itraël, onjuiste berekening van den laatstcn verzamelaar van Koningen. Zie op 1:17
en elders.
2.  twee en vijftig jaar. Van 787 tot 736; doch waarschijnlijk voerde hij zelf als koning hoogstens
twee en twintig jaar, van 772 tot 751, de teugels; daar zijne eerste vijftien regeeriugsjaren elders
(XIV: 2) bij die zijns vaders worden gerekend (zie op XIV: 17), gelijk de laatste — wij weten niet,
hoeveel — bij die zijns zoons (zie vs. 5); ja, wellicht zijn nog ecnige jaren meer van hem af te
trekken en aan zijn kleinzoon te geven (zie op XVI: 2).
4.  Zie op 1 Kon. 111:2, 3 en XIV: 22—24.
5.  Over de oorzaak 2 Kron. XXVI: 16—20 voor deze bezoeking opgegeven zie aldaar. — in zijn
hiii.i. afgezonderd,
volgens andere woordafdeeling; terwijl afgezonderd zeer onzekere vertaling is. —
hofmaarschalk. Zie op 1 Kon. IV : 6.
6.  Verg. inl. op 2 Kron. XXVI.
7.  men — DacicUlad. Verg. op 2 Kron. XXVI: 23.
HOOFDSTUK XV: 8—81.
Isracls koningen van Zacharja tot Pekah. — Kegccring van Zacharja, door Sjallum van troon en
leven beroofd (8—12). Itcgecring van Sjallum, door Menahein gedood on opgevolgd (13—15). Kcgec-
ring van den wrecden Mcnuhcm (16—18); zware gcldhefliiig voor den koning van Assyric (19 v.).
IScsluit van zijne regeoriug (21 v.). Kegccring van 1\'ekahja, door 1\'ckuh omgebracht (23—26). Kogcc-
ring van Pekah (27 v.), ontvolking van een deel des lands door de Assyricrs (29); Hozca doodt Pekah
en volgt hem op (30 v.).
Evenals het voorgaand stuk, bestaat ook dit uit de gewone beschouwingen, berekeningen en vcrwij-
zingcu naar de rijksjaarboeken, met enkele uittreksels er uit.
Vermoedelijk is in bovenstaande lijst een koning te veel. Volgens de Assyrische berichten toch
heeft Mcnuhcm in 738 uan Tigluth Pilczcr II schatting betaald, en Hozen werd koning in 732
(ncgeu jaar voor den aauvnng van het beleg van Samarië, toen hij werd gevangen genomen,
XVII: 4 v.); derhalve is het onmogelijk, dat tusschen die twee jaren in 1\'ekahja twee en Pekah twin-
tig jaar geregeerd hebben. Waarschijnlijk duiden die twee namen dcnzelfden koning aan, gewoon-
lijk Pekah (afkorting van PetaAja) genoemd, en regeerde deze 731—733. Hij is ons, behalve uit
Koningen, ook uit Jez. VII: 1—9; VIH:6 bekend. — Over de hier vermelde koningsmoorden zie Hoz.
VII: 1—7 en nantt. aldaar.
XV: 8 In het acht-en-dertigste jaar der regeering van Azarja over Juda
werd Zacharja, de zoon van Jerobeam, koning over Israël, te Samarië,
9 en hij regeerde zes maanden.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
van Jahwe, zooals zijne vaderen gedaan hadden: hij week niet af van
de zonde die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven.\'
8.   /» — Juda, onjuiste opgave; zio op vs. 1. — zet maanden. In het jaar 745.
-ocr page 760-
2 KONINGEN XV : 10—25.
840
10       En Sjallum, de zoon van Jabes, maakte eene samenzwering tegen hem,
versloeg hem in Jibleam, doodde hem en werd koning in zijne plaats.\'
11       Het overige nu der geschiedenis van Zacharja is beschreven in het
12       boek der kronieken van Israëls koningen.\' Dit was het woord door
Jahwe tot Jelui gesproken: Uwe zonen zullen tot in het vierde ge-
slacht op den troon van Israël zitten. Alzoo is het geschied.
13           Sjalluni, de zoon van Jabes, werd koning in het negen-en-dertigste
jaar der regeering van Azarja over Juda, en regeerde eene volle maand
14       te Saiuarië.\' Daarna trok Menahem, de zoon van Gadi, van Tirsa op,
kwam te Samarië, sloeg aldaar Sjallum, den zoon van Jabes, doodde
15       hem en werd koning in zijne plaats.\' Het overige nu der geschiedenis
van Sjallum, en de samenzwering welke hij gemaakt heeft, is beschre-
ven in het boek der kronieken van Israëls koningen.
16           Toen sloeg Menahem Tifsah met al wat daarin was en de onder-
hoorigheden, omdat het voor hem de poort niet ontsloten had; de
17       zwangere vrouwen deed hij openrijten.\' In het negen-en-dertigste jaar
der regeering van Azarja over Juda werd Menahem, de zoon van Gadi,
18       koning over Israël, te Samarië, en hij regeerde tien jaar.\' Hij deed
wat kwaad was in het oog van Jahwe: hij week niet van de zonde
19       die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven.\' In zijne
dagen overviel Pul, de koning van Assyrië, het land. En Menahem
gaf aan Pul duizend talenten zilver, opdat hij hem bijstond om het
20       koningschap stevig in zijne hand te krijgen;\' Menahem hief dit geld
van Israël: alle personen van vermogen moesten den koning van As-
syrië ieder vijftig sikkel zilver geven. Toen keerde de koning van
Assyrië terug en bleef daar niet in het land.
21            Het overige nu der geschiedenis van Menahem, en al wat hij heeft
gedaan, is beschreven in het boek der kronieken van Israëls koningen.\'
22       En Menahem ging ter ruste bij zijne vaderen, en zijn zoon Pekahja
werd koning in zijne plaats.
23           In het vijftigste jaar der regeering van Azarja over Juda werd Pekahja,
de zoon van Menahem, koning over Israël, te Samarië, en hij regeerde
24       twee jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog van Jahwe: hij week
niet van de zonde die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen
25       bedrijven.\' Zijn hopman Pekah, de zoon van ltemalja, maakte eene
samenzwering tegen hem, sloeg hem te Samarië in den burcht van
het paleis, met Argob en Arje, terwijl hij vijftig man uit de Gilea-
10. M Jibleam, volg. Gr. vcrt. Over deze plaats zie op Joz. XVII: 11.
12.  Zie X:80.
13.  in — .1 ml o. Zie op vs. 8. — Azarja, volg. zeer vele hss. en oude vertt.; Hebr. t. Uzzia. Zie
op XIV: 21.
16.   No onderhoorigheden heeft grondt, nog van Tirsa uit. — Tiftak, eene van elders onbekende
plaats. Van Thapsacus aan den Eufraat (1 Kon. IV: 24) toch kan geen sprake zijn. De handschriften
der Gr. vcrt geven verschillende andere namen; daaronder Tappuah, eene stad op de grenzen van
Kfraim en Manasse; zie op Joz. XII: \\(i/i—18. — voor hem, ingevoegd volg. oude vertt. — ontsloten
had.
Hebr. t. heeft hierbij nog en hij sloeg, wat weggelaten is volg. Gr. vert.
17.  In — Juda. Zie op vs. 8. — tien jaar. Van 744 tot 785.
19.   In zijne dagen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. aan het slot van vs. 18 al zijne dagen. — Pul. De
Atsyrischc opschriften kennen dezen koning niet; volgens deze heeft Menahem zijne schatting betaald,
in 738, aan Tiglath Pilczer II. Wellicht droeg deze voor zijne troonsbestijging den naam Pul; in elk
geval moet hij bedoeld zijn. — duizend talenten, ruim vijf millioen gulden van onze munt. — om —
krijgen. Hieruit blijkt dat Menahem zelf te zwak was om oproerige bewegingen te dempen.
20.   hief— Israël, onzekere lezing en vertaling. — vijftig sikkel, een pond zilver, f 85. Daar het
talent zestig pond heeft, kan men hieruit opmaken dat er ongeveer zestig duizend vermogende lieden
in Israël waren, wicn hij die belasting kon opleggen. Verg. XVIII: 14.
23. In — Juda. Zie op vs. 8.
25. den burcht. Zie op 1 Kon. XVI: 18. — Argob en Arje, onbekende personen, wellicht bevelheb-
bers der koniuklijke lijfwacht. Maar waarschijnlijk is de tekst bedorven.
-ocr page 761-
2 koningen XV : 25—33.                                     841
26       dieten bij zich had, doodde hem en werd koning in zijne plaats.\' Het
overige nu der geschiedenis van Pekahja, en al wat hij heeft gedaan,
is beschreven in het boek der kronieken van Israëls koningen.
27           In het twee-en-vijftigste jaar der regeering van Azarja over Juda
werd Pekah, de zoon van llemalja, koning over Israël, te Samarië,
28       en hij regeerde twintig jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
van Jahwe: hij week niet af van de zonde die Jerobeam, de zoon van
29       Nebat, Israël had doen bedrijven.\' In de dagen van Pekah, den koning
van Israël, kwam Tiglath Pilezer, de koning van Assyrië, veroverde
Ijjon, Abel-beth-Maacha, Janoah, Redes, Hasor, Gilead, Galilea, het
gansche land Naftali, en voerde de inwoners gevankelijk naar Assyrië.\'
30       En Hozea, de zoon van Ela, maakte eene samenzwering tegen Pekah,
den zoon van Remalja, sloeg en doodde hem, en werd koning in zijne
31       plaats.\' Het overige nu der geschiedenis van Pekah, en al wat hij
gedaan heeft, is beschreven in het boek der kronieken van Israëls
koningen.
27. In — Juda. Zie op vs. 8. — twintig jaar. Zie Inl.
29. Ijjon, evenals de volgende steden, in het noorden van Israël gelegen. Zie o[> 1 Kon. XV: 20. —
Abel-beth-Maacha. Zie op 2 Sam. XX: 15. — Janoah, van elders onbekend. — Kedcs. Zie op Joz.
XII: 19—23. — Ilasor. Zie op Joz. XI: 1. — Gilead, het Overjordaanschc. Zie op Gen. XXXI: 21.
Zonderling staat het hier onder al die steden en streken van Noord-Israël ten westen van den Jor-
daan. — Qalilea. Zie op Joz. XX: 7. — het — Naftali. Zie op Joz. XIX: 32—39. — en voerde —
Assyrië. Dit is dus de eerste wegvoering naar Assyrië; de tweede wordt vermeld XVII: 0. — De inval
van de Assyriërs is veroorzaakt door het verzoek van Ahaz aan Tiglath Pilezer om hulp tegen de
verbonden koningen, van Aram en Israël (XVI: 7—9). Natuurlijk werd deze oorlog tegen Juda (vs.
87; XVI: 5) ook in de jaarboeken van Israël vermeld.
80. Aan het eind van dit vers heeft Hebr. t. nog in hel twintigste jaar van Jotham, den zoon van
Vzzia;
wat is weggelaten volg. Gr. vort., omdat het op eene vreemde plaats staat (evenals eene der-
gelijke opgave in 1:17) en niet alleen met vs. 33, maar ook met XVII: 1 in strijd is.
HOOFDSTUK XV: 32—XVI: 20.
Jotham en Ahaz. — Regeering van Jotham over Juda (XV: 32—38). Rcgccring van den goddeloo*
zen Ahaz (XVI: 1—4). Door de koningen van Aram en Israël in het nauw gebracht (5 v.), roept hij
met goed gevolg de hulp van Assyrië\'s koning in (7—9). Naar het model van een altaar dat hij te
Damaskus ziet laat hij den priester Uria er een voor den tempel te Jeruzalem maken (10 v.), regelt
den offerdienst daarop (12—16) en maakt verschillende veranderingen in den tempel (17 v.). liesluit
zijner regeeriug (19 v.).
Wanneer wij do onjuiste becijferingen XV: 32; XVI: 1 on de eigenaardige beschouwingen van den
schrijver van Koningen (XV : 34, 85a; XVI: ïb—4) ter zijde laten, bestaat er geen reden om de gc-
loofwaardigheid van het hier verhaalde in twijfel te trekken. De onbevooroordeelde wijze waarop
Ahaz\' maatregelen betreffende den ceredienst worden medegedeeld, alsmede de hier onderstelde goede
verhouding tusschen den koning en den van elders gunstig bekenden opperpriester, pleiten voor het
geschiedkundig karakter en steken gunstig af bij de jongere, onhistorische bcoordecling van \'s konings
gedrag (XVI: 24—4). Wij herkennen in XVI: 10—18 (ook XV: 35«) dcnzelfden geest als in XI en
XII: 5—17: ook hier is de tempel met al wat daarop betrekking heeft hoofdzaak; doch geen spoor
vooralsnog van de denkbeelden en het streven in de wetgeving van Deuteronomium belichaamd (verg.
inll. op XI en XII). Voor het overige bevat dit stuk, behalve do uittreksels uit de rijksjnarbocken en
de verwijzingen daarheen (XV: 33, 86, 38; XVI: 2a, 19 v.), enkele bijzonderheden, aan laatstgenoemde
bron ontleend, bijgevolg betrouwbaar, doch met even karige als ongeschikte hand medegedeeld (XV : 37;
XVI: 5—9).
XV: 32 In het tweede jaar der regeering van Pekah, den zoon van Remalja,
over Israël werd Jotham, de zoon van Azarja, den koning van Juda,
33 koning.\' Vijf en twintig jaar was hij oud toen hij koning werd, en
V». 38—86, 88. 2 Kron. XXVII: 1—3, 7—9.
82. In — Israël, onjuiste opgave. Zie inl. op XV: 8—81. — Azarja, volg. Gr. vert.; Hebr. t, Uzzia.
33. zestien jaar. Van 750 tot 735. Zie op XV: 2 en op XVI: 2.
-ocr page 762-
842
2 koningen XV : 33—XVI: 9.
hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Jerusja, de
34       dochter van Öadok.\' Hij deed wat recht was in het oog van Jahwe:
35       geheel zooals zijn vader Azarja gedaan had deed hij.\' Slechts werden
de hoogten niet afgeschaft; nog offerde en rookte het volk op de
hoogten. Hij heeft de Bovenpoort van den tempel gebouwd.
3(5          Het overige nu der geschiedenis van Jothani, en al wat hij heeft
gedaan, is beschreven in liet boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
37       In die dagen begon Jahwe Kesin, den koning van Aram, en Pekah,
38       den zoon van Kemalja, op Juda af te zenden.\' En Jothaiu ging ter
ruste bij zijne vaderen en werd in de Davidstad bij zijne vaderen be-
graven; en zijn zoon Ahaz werd koning in zijne plaats.
XVI: 1 In het zeventiende jaar van Pekah, den zoon van Kemalja, werd
2       Ahaz, de zoon van Jotham, den koning van Juda, koning.\' Twintig
jaar was Abaz oud toen hij koning werd, en hij regeerde zestien jaar te
Jeruzalem. Hij deed niet wat recht was in het oog van Jahwe, zijnen
3       god, gelijk zijn vader David: \' hij bewandelde den weg der koningen
van Israël; zelfs beeft hij zijn zoon door vuur overgegeven, naar de
afschuwelijke praktijken der volken die Jahwe voor de Israëlieten uit
4       had verdreven:\' bij offerde en rookte op de hoogten en de heuvelen
en onder eiken lommerrijken boom.
5           Toen trokken Kesin, de koning van Aram, en Pekah, de zoon van
Kemalja, de koning van Israël, naar Jeruzalem op ten oorlog en sloten
b\' Ahaz in; en liij was niet tegen hen bestand.\' Te dier tijd heeft Kesin,
de koning van Aram, Elath voor Edoru heroverd; bij wierp de Judeërs
uit Elath; waarop de Edomieten kwamen en zich er vestigden tot
7       op dezen dag.\' Ahaz nu zond gezanten aan Tiglath Pilezer, den
koning van Assyrië, met de bede: Ik ben uw knecht en uw zoon;
trek op en red mij uit de hand van den koning van Aram en den
8       koning van Israël, die zich tegen mij hebben opgemaakt.\' Ook nam
Ahaz liet zilver en goud dat zich in den tempel en in de sclmtkamers
van het paleis bevond, en zond het den koning van Assyrië ten
9       geschenke. \' En de koning van Assyrië luisterde naar hem, trok
Vs. 2—1. 2 Kron. XXV111:1—1. — Vs. 5. Je/.. VII: 1. — Va. 7. 2 Kron. XXVIII: 16.
34.  Azarja, volg. verb. t.; grondt, l\'zzia; zie op XIV: 21.
35.  de Bovenpoort, aan den noordelijken ingang van het voorhof, K/cch. IX: 2; verg. op Jor. XX:2.
Kene tcmpclpoorl te bonwen was een werk van belang; verg. Kzech. XL: 0—10.
37.   Zie hierover XVI: 5—9. Do plaats vnn dit bericht, tuiachon vs. 30 en 38, verraadt dat het
cene inlnsschiiig is. — Jiesin. flr. vert. ltwiou, welke uitspraak door de Assyrischc berichten bcvcs-
tigd wordt.
38.  t/r Daridstad, volg. hss. en oude vertt.; Hebr. t. de alad rati ajn vader Ilaviil.
1.  In — Remalja. Zie op XV: 82.
2.  zestien jaar. Daar in 725 lli/kia koning was, moet dit cijfer zestien eenc schrijffout zijn voor
acht of negen, zoodat Ahaz van 734 tot 720 regeerde (verg. op XV: 33); tenzij wij den aanvang van
Ahaz\' regecring eenigc jaren vroeger, nog tijdens het leven van Aznrja (zie op XV: 2), plaatsen, maar
dan ook .lothain even nevel* jaren vroeger laten beginnen en eindigen. Ook is het mogelijk dat Ahaz
een tijd lang met zijn vndcr samen heeft geregeerd (zie op Jcz. VII: 2).
3.  hij — Israël. Verg. op 1 Kon. XV : 26. — door vuur overgegeven. De uitdrukking luidt volledig
„aan den Moloch door vuur overgeven"; zie op Lev. XVIII: 21. Over het kiudcroffcr zie aldaar. Wei-
licht heeft Ahaz dit kosthnnrstc offer gebracht toen hij bij het beleg van Jeruzalem door Kesin en
Pekah in den uitersten nood verkeerde (verg. III: 27). Het ligt in de reden dat zij» voorbeeld navol-
ging vond en zoo in zijn rijk den stoot gaf tot cene godsdienstige opwekking in heidenseben zin. —
naar — verdreven. Zie Deut. XII: 31; XVIII: 9 v., 12.
4.  Zie op 1 Kon. XIV: 23.
5.   Zie over dezen veldtocht, in 734 ondernomen, Jez. VII. — hij icas niet tegen hen bestand,
letterlijk hij kon niet strijden, volg. verb. t.; Hebr. t. zij konden niet strijden.
0. Dit vers verbreekt het verband tusschen vs. 5 en 7. — Edom, volg. verb. t.; Hebr. t. Aram. —
heroverd. Zie XIV: 22.
9. rermeesterde hel, na een beleg van bijna twee jaar, 733 en 782. — voerde de bevolking weg,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. voegt er bij naar Kir, kantteekcuing van een lezer of afschrijver, die in het
-ocr page 763-
843
2 KONINGBN XVI : 9—20.
op naar Damaskus, vermeesterde het, voerde de bevolking weg en
doodde Besin.
10           Toen nu koning Ahaz aan Tiglath Pilezer, den koning van Assyrië,
te Damaskus zijne opwachting ging maken, zag hij het altaar te Da-
maskus; en koning Ahaz zond aan den priester Uria de teekening en
liet model van het altaar, zooals het in zijn geheel was ingericht.\'
11       En de priester Uria bouwde het altaar, in alles overeenkomstig het-
geen koning Ahaz uit Damaskus gezonden had, zoo heeft de priester
Uria het gemaakt, tegen de komst van koning Ahaz uit Damaskus.\'
12       Toen nu de koning uit Damaskus kwam, ging hij het altaar zien; de
13       koning naderde het altaar en offerde er op:\' hij ontstak zijn brandoffer
en meeloffor, plengde zijn dankoffer en sprengde het bloed der dank-
14       offers die hij gaf, op liet altaar.\' Maar het koperen altaar dat vóór
Jahwe stond, dat bracht hij vooruit van vóór den tempel, van tusschen
het altaar en den tempel, en zette het ter zijde van het altaar, aan
15       den noordkant.\' En koning Ahaz gebood den priester Uria: Ontsteek
op het groote altaar het morgen-brandoffer en het avond-meeloffer, de
brandoffers en de meeloffers des konings, de brandoffers, de meeloffers
en de plengoffers van al het volk des lands, en spreng er op al het
bloed van brandoffer en slachtoffer; het koperen altaar nu zal mij een
16       punt van nadere overweging zijn.\' De priester Uria nu deed geheel
17       zooals koning Ahaz gebood.\' Voorts beroofde koning Ahaz de onder-
stellen van hun gotid en nam er de lijsten en het bekken af; hij heeft
de zee van de koperen runderen die er onder waren afgelicht en haar
18       op een steenen plaveisel gezet;\' ook heeft hij het sabbatsgestoelte in
den tempel gebouwd en het buitenste van den ingang des konings bij
den tempel verlegd wegens den koning van Assyrië.
19           Het overige nu der geschiedenis van Ahaz, en al wat hij heeft ge-
daan, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
20       En Ahaz ging ter ruste bij zijne vaderen en werd in de Davidstad bij
zijne vaderen begraven; en zijn zoon Hizkia werd koning in zijne plaats.
Vs. 19 v. 2 Kron. XXVIII: 26 v.
bericht van de ontvolking van Damaskus de vervulling las van de godspraak tegen de Aramccrs, Am.
1:5. Kir was, volg. Am. IX: 7, de streek waaruit de Aramcërs afkomstig waren. Hare ligging is
onbekend. Uit Jez. XXII: 6 maken wij op dat zij toen een wingewest van Assyrië was.
10. hel allaar te Damaskus. Dit luidt alsof daar slechts écn altaar stond. Natuurlijk waren er in
Damaskus volc. Maar de schrijver stelt alleen in dit éene belang. — de printer Uria. Deze wordt
Jez. VIII : 2 met cerc gonoemd.
14.  liet koperen altaar. Zie op 1 Kon. VII: 28. — het altaar, het nieuwe, straks hel groote
genoemd.
15.  het morgen-brandoffer en het avond-meeloffer. Zie op Exod. XXIX: 88—12. Men bemerkt hieruit
dat reeds ten tijde van Ahaz regelmatig des morgens een brandoffer, des avonds een mecloffer werd
gebracht. — een punt van nadere overweging, onzekere vertaling.
17.   de lijtien. Dit staat iu Hebr. t. voor de onderstellen. Over deze en het bekken zie 1 Kon. VII:
27—39 en de oantt. Anderhalve eeuw later, bij Jeruzalems verwoesting (586), waren de onderstellen, of
waterwagens, nog bij den tempel aanwezig; zie XXV : 13, 10; Jer. MI: 17. — Over de zee en de
runderen
zie 1 Kon. VII: 23—26. — In van de — gezet zijn ecu paar kleine tekstveranderingen aangc-
bracht. — Welke reden voor deze veranderingen bestond, wordt niet gezegd; maar voor het berooven
van de lijsten zie vs. 8; de overige maatrcgelon getuigen vnn \'s konings belangstelling in den eere-
dienst. Zie iutusscheu op vs. 18 (aan het eind).
18.   het sabbatsgestoelte, onzekere vertaling. Wellicht wordt bedoeld een gestoelte of galerij waarin
zich het hof bij het morgenoffer op den sabbat bevond. De Gr. vert. heeft, met geringe verandering,
verhoogde zitplaats. — heeft hij... gebouwd, volg. Gr. vert.; Hebr. t. dien men gebouwd had. — den
tempel,
het voorhof. — het builemte, waarschijnlijk het gedeelte dat aan den kaut van het paleis lag.
— ingang dei koning; in den tempel, dus de verbinding met het paleis; zie op 1 Kon. VII: 12. —
bij den tempel verlegd. De vertaling is onzeker, en de bedoeling onduidelijk. — wegens den koning
van Assyrië.
Dit zal wel beteekenen i om de schatting te kunnen betalen. Doch dan past het alleen bij
het berooven van de onderstellen. Om die reden nebben wij het waarschijnlijk voor een toevoegsel
te houden.
19.  Zie XXIII: 11 v. — en al, ingevoegd volg. velo hsj. on oudo vortt.
-ocr page 764-
844                                      2 KONINGEN XVII : 1—7.
HOOFDSTUK XVII: 1—23.
Hozen. Oiiilrri.Mii;: van Israël. — Hozen, koning van Israël (1 v.), worilt van ilen koning van As-
syric afvallig (3), die hem gevangen zet (4), Samarië belegert en inneemt, en Israël naar Assyrië
wegvoert (5 v.). Verklaring hiervan: Isracls zonden tegen Jahwe (7), hunne navolging van den gods-
dienst der Kaïiaanicten (8—11) en, ondanks de prediking der profeten (12 v.), hardnekkige godver-
zaking (14—17) haddeu Jahwe\'» toorn en deze straf veroorzaakt (IK). Met Juda ia het om dezelfde
reden eveneens gegaan (19 v.). Jerobeams zonde was de oorzaak van Isracls ondergang (21—23).
De regecring van Isracls laatsten koning is, op de gewone onjuiste berekeningen na (vs. la, 6a),
door den schrijver van Koningen uit de rijksjaarboeken geput (vs. 14, 3—G). De beschouwing die
volgt is niet éeu geheel: tegen het einde vinden wij eene zeer jonge inlassching (vs. 19 v.), die Juda
mede betrekt in Isracls zonde eu straf; het geschiedkundig overzicht dat daaraan voorafgaat (vs. 7—18)
is van den schrijver van Koningin, die den ondergang van Juda nog niet kent en ook niet voorziet; vs.
21—23 kan ouder zijn. Enkele kleinere invoegsels in den tekst ziju licht te herkeuncn (vs. 8, 13,16).
XVII: 1 In het twaalfde jaar der regeering van Ahaz, den koning van Juda,
werd Hozea, de zoon van Ela, te iSamarië koning over Israël, en hij
2       regeerde negen jaar.\' Hij deed wat kwaad was in het oog van Jahwe;
hoewel niet als de koningen van Israël die vóór hem geweest waren.\'
3       Tegen hem is .Salmanezer, de koning van Assyrië, opgetrokken, en
4       Hozea werd zijn onderdaan en bracht hem schatting.\' Maar toen de
koning van Assyrië bevond dat Hozea samenspande, daar hij gezanten
aan Ho, den koning van Egypte, gezonden en aan den koning van
Assyrië geen schatting opgebracht had, zooals jaar op jaar, nam de
5       koning van Assyrië hem gevangen en sloot hem in den kerker.\' Toen
trok de koning van Assyrië op in het gansche land en naar Samarië,
b\' dat hij insloot, drie jaar lang.\' In het negende jaar van Hozea heeft
de koning van Assyrië >Samarië ingenomen en de Israëlieten gevankelijk
naar Assyrië gevoerd, waar hij hen «leed wonen in Halah en aan den
Habor, de rivier van Gozan, en in Ide steden van Medië.
7          De Israëlieten hadden gezondigd tegen Jahwe, hun god, die hen uit
Egypteland van onder de hand van Farao, den koning van Egypte,
v8. 5v. XVm: 94—11.
1.   Tu — Juda, onjuiste opgave; zie op XV : 30 en XVI: 2 en verg. inl. op XV : 8—31. — werd
— Itrai\'l. Zie XV : 30 en verg. op vs. 3. — nuffen jaar. Van 732 tot 724.
2.   hoewel — waren. In wolk opzicht hij zich gunstig van hen onderscheidde, wordt niet gezegd;
zie op 1 Kon. XV : 26. De schrijver van Koningen moet in zijne bron mcdedcclingen hebben gevon-
den die hem tot deze oordeelvelling noopten.
3.    Tegen — opgetrokken. Aangaande dezen krijgstocht vernemen wij van elders niets. — en Hozea
werd zijn onderdaan.
Naar luid van Assyrische berichten was Hozea van zijne troonsbestijging af
onderhoorig of cijnsbanr aan den koning van Assvric, Tiglath 1\'ilezcr II (745—728), den voorganger
van Salmanezer IV (727—723). — tchatting. Zie op 1 Kon. IV: 21.
4.   Aio, wellicht te lezen Sewe, of Sawa, in de Assyrische berichten Sabe, op de Egyptische gc-
dcuktcckcncii Sttbaka, door Gricksche schrijvers Sabakon genoemd, een Kthiopisch koning van Egypte,
een machtig en zeer gunstig bekend vorst. In 720 werd hij, met zijn bondgenoot, den koning van
Oaza, bij Kalia door den Assyrischen koning Sargou verslagen. — den kmiimj van Egypte, en als zoo-
danig den innchtigstcn vijand van Assyrië\'s koning en zijn grootaten mededinger naar de heerschappij
over Vóor-Azic. — nam — kerker. Was Hozea wellicht door een van Salmauezerg vazallen gevangen
genomen voordat de koning met zijn leger kwam (vs. 5)?
B. drie jaar, in den loop waarvan Salmanezer IV door Sargon (722—706) is vervangen. Zie
op vs. 6.
6.   Eenc vroegere wegvoering wordt vermeld XV: 29. — In — Hozea, onjuiste opgave: de regee-
ring van Hozea had, na negen jaar, bij zijne gevangenneming een einde genomen. — de koning van
Atiyrië,
Sargou, die, naar luid van een opschrift te zijner eer, in zijn eerste regeeringsjoar Samaric
innam, 27.280 inwoners incdevoerde, en een stadhouder over het land aanstelde, dat verplicht bleef
den vroegeren cijns op te brengen. Zie ook op vs. 24. — Halah, evenals Gozan, waarschijnlijk een
landschap in Mesopotamië. — de Habor, waarschijnlijk de rivier (\'haboras, die bij (\'ircesium zich in
den Eufraat stort. — de steden. Gr. vert. hier en XVIII: 11 de bergen. — Medië. Zie op
Gen. X:2.
7.   De — gezondigd, letterlijk Omdat de — gezondigd; want vs. 7 tot en mot vs. 17 vormt een
langen voorzin, waarvan de nazin is vs. 18 Daarom enz.
-ocr page 765-
2 KONINOBN XVII : 7—23.
845
8       had opgevoerd, en andere goden gevreesd;\' zij hadden gewandeld in
de inzettingen der natiën die Jahwe voor de Israëlieten uit verdreven
9       had;\' de Israëlieten hadden trouweloos dingen die niet behoorlijk waren
gedaan tegen Jahwe, hunnen god: zich hoogten gebouwd in al hunne
10       steden, zoowel in de wachttorens als in de versterkte steden,\' en zich wij-
steenen en gewijde boomstammen opgericht, op eiken hoogen heuvel
11       en onder eiken lommerrijken boom; \' zij hadden daar gerookt, op
alle hoogten, gelijk de natiën die Jahwe voor hen uit had weggevoerd,
12       booze dingen gedaan om Jahwe te tergen,\' de schandgoden gediend,
13       waarvan Jahwe hun gezegd had: Gij zult dat niet doen.\' Wel had
Jahwe door eiken profeet en ziener Israël en Juda nadrukkelijk ver-
maand: Bekeert u van uwe booze wegen, en onderhoudt mijne geboden
en inzettingen, naar de gansche wet die ik uwen vaderen geboden heb,
14       al wat ik u door mijne knechten de profeten heb geboodschapt.\' Doch
zij hadden niet geluisterd; zij waren even hardnekkig geweest als
15       hunne vaderen, die Jahwe, hun god, niet vertrouwd hadden:\'zij hadden
zijne inzettingen, het verbond dat hij met hunne vaderen gesloten had,
en de vermaningen die hij hun had gegeven, versmaad; de nietigheden
nageloopen en zich nietig gemaakt; de natiën die rondom hen woonden
16       gevolgd, van wie Jahwe hun geboden had, niet te doen als zij; \' al de
geboden van Jahwe, hun god, verzaakt; zich een gegoten beeld, twee
stieren, gemaakt, een gewijden boomstam gemaakt; zich voor al het
17       heir des hemels nedergeworpen; den batil gediend;\' hunne zonen en
dochteren door vuur overgegeven; zich met waarzeggerij en wichelarij
ingelaten; zich verkocht om te doen wat kwaad was in het oog van
18       Jahwe, om hem te tergen.\' Daarom was Jahwe hevig vertoornd op
Israël; zoodat hij het uit zijne oogen wegdeed; er bleef niet over dan
de stam Juda alleen.
19           Ook Juda heeft de geboden van Jahwe, hun god, niet onderhouden,
20       maar gewandeld in de inzettingen welke Israël gemaakt had.\' Daarom
heeft Jahwe het gansche geslacht Israëls versmaad, verdrukt, in de
hand van plunderaars gegeven totdat hij het heeft weggeworpen uit
zijne oogen.
21            Want Israël had zich van het huis van David losgescheurd en Jero-
beam, den zoon van Nebat, koning gemaakt; Jerobeam had Israël van
22       Jahwe afgetrokken en eene groote zonde doen bedrijven,\' en de Israë-
lieten hadden gewandeld in al de zonde die Jerobeam had begaan,
23       zij waren er niet van afgeweken;\' totdat Jahwe Israël uit zijne oogen
8. de inzettingen — had. Verg. op Jcr. X \'• 3. — Hierop volgt nog en de (of der) koningen van
Israël, die zij gemaakt
(of aangesteld) kodden, waarschijnlijk eene kantteckening bij bet eerstvolgend
de hraëlielen (vs. 9), van een lczor die, gelijk elders ook in Koningen geschiedt, de schuld van al het
verkeerde inzonderheid op de koningen schuiven wilde (zie op vs. 21).
0. trouweloos, on/.ckcrc vertaling.
10. Zie op 1 Kon. XIV: 23.
12. schandgoden. Zie op Lov. XXVI: 80.
18v. Zie Jer. VII:25v.; XI:7v.; XVIII: 11; XXV: 4 v.; XXXV: 15.
18. eiken profeet en ziener, volg. verbeterde woordafdeeling.
15.   de nietigheden — gemaakt. Evenzoo Jer. 11:5; nietigheden zijn afgoden; zie op Deut.
XXXll: 21.
16.   Vreemd staat twee stieren «Is verklaring van een gegoten beeld. — ziek voor al het heir des
hemels nedergeworpen.
Deze beschuldiging schijnt onverdiend; want de hier bedoelde afgoderij wordt
eerst onder Mauasse in Juda vermeld, XXI: 3.
17.  hunne — overgegeven. Zie op Lev. XVIII: 21. — zich — ingelaten. Zie op Deut. XVIII: 10 V.
19 v. Blijkbaar eene invoeging van een afschrijver die misvatting van vs. 184 voorkomen wilde.
20.  het gansche geslacht Israëls, de beide rijken Israël en Juda.
21.   H imt. In dit en het volgend vers wordt de oorzaak van Israëls ondergang alleen gezocht in
„de zonde van Jerobeam"; in vt. 7—18 daarentegen wordt gewezen op de velerlei afdwalingen en de
onbekeerlijkheid van het volk zelf.
-ocr page 766-
2 KONINGBN XVII : 23—28.
84G
heeft weggedaan, zooals hij door al zijne knechten de profeten gesproken
had. Zoo werd Israël uit zijn land weggevoerd naar Assyrië, tot op
dezen dag.
23.   tot op dezen dag. Van een terugkeer tier weggevoerden vernemen wij ook in het vervolg niet
het minste; muur wel mogen wij uit deze woorden o]>muken, dat, toen zij werden neergeschreven,
Judn nog niet in ballingschap was weggevoerd.
HOOFDSTUK XVII: 24—41.
De Samaritanen. — Vreemde volkplanters, door den Assyrischen koning naar Samarië en omstreken
overgebracht (24), worden door Jahwe, omdat zij hem uict verecren, getuchtigd (25), en leeren van
een uit Assyrië teruggezonden Israclietischeu priester, hoc Jahwe te dienen (26—28). Tegelijkertijd
blijven zij hunne oude goden vereeren (20—34a). Zij hebben Jahwe niet vereerd, die aan Israël ten
strengste verbood andere goden te dienen (344—39); maar vergeefs (40). Zij blijven Jahwcdicnst en
afgoderij vercenigen (41).
lic belangrijke en in hoofdzaak geloofwaardige beschrijving van den godsdienstigen toestand in het
voormalig rijk Israël moet zijn ncdergcschrevcn voordat Jozia, in den jare G22, daar als hervormer
is opgetreden (vs. 34a), doch zeer kort te voren (vs. 414). Omdat de beschrijving is gegeven van
Judccsch standpunt, wordt hier wel naar cene bovennatuurlijke oorzaak voor de bekecring der heidcn-
schc kolonisten tot den Jnhwedieust gezocht (vs. 25), maar de natuurlijke reden voorbijgezien, ui. de
invloed der talrijke overgebleven Israëlictische bevolking op de in haar midden gevestigde vreemde*
lingen. Van ganscli anderen aard dan die beschrijving is de later ingevlochten en terstond herkenbare
beschouwing, vs. 344—10, die uitgaat vun het bestaan en onbestreden gezug der üeuteroiioinische wet,
en dus op zijn vroegst omstreeks 000, maar wellicht eerst veel later is opgesteld.
XVII: 24 De koning van Assyrië nu deed er komen uit Babel, Kutha, Awwa,
llaniath en Sefarwaiiu, en wonen in de steden van Saniarië in de
plaats der Israëlieten; zij namen Hamarië in bezit en woonden in hare
2.r) steden.\' In den eersten tijd dat zij aldaar woonden vereerden zij Jahwe
niet. Daaroiu zond Jahwe leeuwen op hen af, die sommigen van hen
26       doodden.\' En men zeide tot den koning van Assyrië: De volken die
gij hebt weggevoerd en in de steden van Samarië doen wonen kennen
den dienst van den god des lands niet; daarom heeft deze leeuwen op
hen afgezonden, die thans hen ombrengen, vermits zij den dienst van
27       den god des lands niet kennen.\' Toen beval de koning van Assyrië:
Zendt een van de priesters die ik van daar heb weggevoerd derwaarts;
opdat bij er ga wonen en hun den dienst van den god des lands
28       leere.\' Zoo kwam een van de priesters die men uit Samarië had weg-
gevoerd en vestigde zich te Bethel: deze leerde hun, hoe zij Jahwe
moesten vereeren.
24.   De koning vun Assyrië, volg. Kzrn IV: 2 Rzarhaddon (081—009), de zoon en opvolger vnn
Sunherib (XIX: 37), volg. Kzra IV: 10 Osuappar; zie aldaar. .Misschien echter heeft reeds Sargon het
gedaan. — uit Babel. Naar luid van Assyrischc opschriften, heeft Sargon in zijn eerste regecringsjaar
den koning vnn Babel verslagen en ecu aantal inwoners overgeplaatst naar het Westen. — Kutha,
waarschijnlijk cene stad uit Midden-linbylonic. Kuthecrs is de unnm welken de latere Joden aan de
Samaritanen geven. — Awwa. ])c ligging dezer stad of streek is onbekend. — Jlamalh, stad en land
der Uitlieten, wier koning door Sargon in zijn tweede regceringsjanr werd overwonnen. Zie XVIII : 34
cu op 1 Kou. VIII: 05. — Sefarwaim, onbekend. De plaatsing na Hamath doet cene stad ten noorden
van den Libanon verwachten. Misschien is het Sibrnim vnn Kzcch. XLVII:10. — Samarië, hier de
landstreek rondom de voormalige hoofdstad van Israël en naar haar genoemd; in de apokriefe boeken
des O. \'I\'s. en iu het N. T. de nuain voor het middelste der drie wcstjordaansche gewesten, zich uit-
strekkende vnn den zuidrand der vlakte van Jizrccl tot twee uur ten zuiden van Sichcm. De uitdruk-
king steden van Samarië ook vs. 20; XXIII: 11); 1 Kon. X1I1:32.
25.  eereerden zij Jahwe niet, zij vereerden vooralsnog uitsluitend hunne vaderlandsche goden; zie vs.
30 v. — Daarom — doodden. Zie htf, XXVI: 22; Kzech. XIV: 15. Het was natuurlijk dat in een
gedeeltelijk ontvolkt land de roofdieren zich vermenigvuldigden; zie fixod. XXIII: 29; Deut. VII: 22.
20. weggevoerd, uit hun vaderland, de in vs. 24 opgenoemde steden.
27.  ik... heb, volg. Gr. vort. j Hobr. t. gij... hebt. — hij... ga, volg. Gr., Lat. eu Syr. vertt.; Hebr.
t. zij ...gaan.
28.  te Bethel, sedert Jerobeam I het middelpunt van den Jahwedienst in Israël, en reeds veel vroc-
ger eene der heiligste plaatsen in Kanaan; zie inl. op Gen. XXVIII: 10—22.
-ocr page 767-
847
2 KONINGEN XVII : 29—38.
29           Iedere natie nu maakte haar eigen god, die zij plaatsten in de
hoogtetempels welke de lieden van Samariö gemaakt hadden, iedere
30       natie in de steden waar zij woonde:\' de Babyloniërs maakten Sukkoth-
31       henotli; de Kutheürs Neergal; de Hamathieten Asjima;\' de Awwieten
Nibhaz en Tartak; de Hefarwieten verbrandden hunne kinderen voor
32       Adnimmelech en Anammelech, de goden van Sefarwaim.\' Zij vereerden
Jahwe en stelden zich uit alle standen hoogtepriesters aan, die voor
33       hen dienst deden in de hoogtetempels;\' maar terwijl zij Jahwe ver-
eerden, dienden zij tevens hunne eigen goden, naar het gebruik der
34a volken waaruit men hen had weggevoerd;\' tot op dezen dag doen
zij naar hunne oude gebruiken.
344 Zij vereeren Jahwe niet en handelen niet naar de inzettingen en
verordeningen, naar de wet en de geboden die Jahwe heeft voorge-
schreven aan de zonen van Jakob, aan wien hij den naam Israël heeft
35       gegeven.\' Met dezen toch heeft Jahwe een verbond gesloten en hun
heeft hij geboden: Gij zult geen andere goden vereeren, u niet voor
36       hen nederwerpen, noch hen dienen, noch hun offeren;\' maar Jahwe,
die met groote kracht en uitgestrekten arm u uit Egypteland heeft
opgevoerd, hem zult gij vereeren, voor hem U nederwerpen, aan hem
37       offeren.\' En de inzettingen en verordeningen, de wet en de geboden
die hij voor u heeft neergeschreven, zult gij te allen tijde zorgvuldig
38       betrachten, en gij zult geen andere goden vereeren.\' En het verbond
29.  Iedere natie, elk «Ier vs. 2-4 opgenoemde volken of stammen. — maakte haar eigen god. Bedoeld
zijn de godenbeelden. — in — hadden. Zie 1 Kon. XII : lil ; XIII: 32. Met de lieden van Samarie\'
worden hier de oude bewoners vi\\n het gewest Snmnric en iu \'t geheel van het rijk Israël
bedoeld.
30.   Sulclcoth-benoth. Het is niet zeker, welke Babylonische godheid hiermede bedoeld wordt. —
Neergal, of Nirgal, ook van elders als de god van Kutha bekend, voorgesteld onder het beeld van
een kolossalcn leeuw, met groote vleugels en met het hoofd van ecu man; terwijl ook de naam zou
beteekenen .lceuwcngod\'. — Asjima, van elders onbekende godheid. Wellicht is de naam, evenals van
den ccrstgeiiocmden god en van de twee die nu volgen, niet goed geschreven, en daardoor onken-
baar. In Gr. vert. luiden ze anders.
31.  Nii/ia; en Tartak, van elders onbekende godheden. — Adrammelech. Deze naam beteckent ,Adar
is koning\', Anammelech ,Anu is koning\'. Adar en Anu komen zeer dikwijls als namen van Bnbyloui-
Bche of Assyrischc goden in de opschriften voor. Adar heet ook Keman; een zijner titels luidt „vuur-
god"; hij wordt voorgesteld onder een dergelijk beeld nis Neergal (zie op vs. 30). Anu was een der
hoogste goden der Habyloniërs; zijn beeld is dat van ecu man, bekleed met eene visehhuid, die op zijn
hoofd uitloopt als tulband. — Over het kinderoll\'cr zie op Lcv. XVI11:21.
32.   Xij, de vreemde kolonisten. Voorbijgezien wordt dat zij zich met de oude Israëlictische bevol-
king vermengd hadden. Toch was dit bestanddeel zoo overwegend dat de Samaritanen zich „Israël"
noemden. — uit alle standen. Zie 1 Kon. XII: lil; XIII: 33. Dit wordt niet tot hunne eer vermeld.
— Opmerkelijk, dat onder de grieven tegen die bekeerde kolonisten niet behoort de vcrecring van
Jahwe onder de gedaante van een stier. Wellicht mogen wij uit dit stilzwijgen opmuken dat deze wijze
van verecring niet is hernieuwd.
344. Xij vereeren Jahwe niet. Ucchtstrcckschc tegenspraak met vs. 32 en 33; ook met vs. 41. Hier
is op eens een ander schrijver aan het woord, die met nadruk verzekert dat de boven beschreven
.Tahwedicust eigenlijk dien naam niet dragen mag. Deze schrijver gebruikt de woorden niet in de
betcekenis wolkc zij iu het voorafgaande hadden; waarom iu pi. v. doen hier handelen, van dienst of
godsdienst hier verordening is vertaald. — de — verordeningen, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hunne inzet-
tingen en hunne verordening.
Blijkens de terstond volgende woorden (zie ook vs. 37), wordt de wet
in Deuleronomium bedoeld. He schrijver ziet over het hoofd, dat zijn verwijt niet toepasselijk is op de
vreemde kolonisten, maar alleen de achtergebleven Israëlieten treft. Deze verwarring, waardoor het ver-
band tusschen de voorafgaande en de volgende verzen geheel ontbreekt, is te wijten aan den wer-
kclijkcn toestand in het voormalig rijk Israël, waar de kolonisten met de oude bewoners, die verre-
weg de groote meerderheid uitmaakten, samensmolten; alsmede nan de minachting waarmede de stipte
Judeërs op dat gemengd ras neerzagen; zie op Ezra IV: 1—5. — den naam Israël, aan welken Israë-
lictcn en Judeërs eene bijzondere, hoog edele betcekenis hechtten. Zie op vs. 32 en verg. Gen. XXXII:
28; XXXV: 10; 1 Kon. XVIII: 30.
85—37. Evenals het onmiddellijk voorafgaande, zijn ook deze verzen geschreven door een Judcër
voor wien de wet in Deuleronomium als het zonder voorbehoud in alles te volgen richtsnoer gold.
Wij vinden hier dan ook menige eigenaardige uitdrukking, in Deuteronomium gedurig voorkomende.
86. met — arm. Dezelfde uitdrukking Dcut. IV:34; V:15; VII: 19; XXVI: 8.
37.  neergeschreven, in het wetboek van Deuleronomium.
38.  hy...heeft, volg. Gr. vert.; Hebr. t. ik...heb.
-ocr page 768-
848
2 koningen XVII: 38—XVIII: 4.
dat hij met u gesloten heeft zult gij niet vergeten, noch andere goden
39       vereeren.\' Maar Jahwe, uwen god, zult gij vereeren; en hij zal u
40       redden uit de hand van al uwe vijanden.\' Doch zij hebben niet ge-
luisterd, maar doen naar hun oud gebruik.
41           Deze natiën dan vereerden Jahwe en dienden hunne godenbeelden;
ook hunne kinderen en kindskinderen doen evenals hunne vaderen ge-
daan hebben, tot op dezen dag.
40.  Doch — ijeluisteril. Dit moet slaan, Keiijk al het vorige, vs. 3-tó—39, op de Israëlieten. —
maar — gebruik. Dit moet slaan op Je kolonisten. Hiermede vat de schrijver het slot van het vorige
verhaal, vs. \'Ha, weder op. Intusschen is hij zich van deze begripsverwarring niet bewust. Zio op
vs. 84*.
41.   kinderen en kindskinderen. Dus waren op het oogenblik dat dit geschreven werd reeds ten
minste twee geslachten na Samaric\'s val voorbijgegaau. In vervolg van tijd zijn de Samaritanen ge-
trouwe en volijverige Jahwedienaars geworden, die voor de Joden in stiptheid van wctsbetrachting
niet wilden onderdoen.
HOOFDSTUK XVIII: 1—12.
Hizkia. — Hizkia, een zeer vroom koning, hervormt den Jahwedienst (1—6), werpt het juk der
Assyriërs af (7) en verslaat de Filistijnen (S). In zijn tijd wordt door de Assyriërs Samarië in-
genomen en de burgerij in ballingschap weggevoerd, tot straf voor de ongehoorzaamheid aan Jahwe
(9-12).
Het beknopt verslug van Hizkia\'s regeering (vs. 1—8) geeft ons de gewone losse aaneenrijging van
karige historische niedcdoelingeu uit de rijksjuarboekeu of vau elders, met toevoegsels van de hand
des schrijvers vau Koningen en onjuiste berekeningen van den laatsten bewerker. In de herhaling
(verg. XVII: 5 v.) van het bericht vnn Samaric\'s val (vs. 9—12) vinden wij dezelfde bestanddeelen.
Het meest trekt in dit stuk onze aandacht bet bericht van Hizkia\'s hervorming (vs. 4). Wij vra-
gcu: is dit historisch? Het gelijkt zoozeer op het verhaal van Jozia\'s hervorming (XXIII! 4—15),
dat het hiervan cene beknopte navolging schijnt. De schrijver van Koningen, die den vorigen vorsten
vnn .Tudu telkens verwijt dat zij de hoogten niet afschaften, kon zich niet voorstellen dat ook Hizkia
dit niet zou gedaan hebben. De schrijver van Kronieken (2 Kron. XXIX i 3—XXXI: 21) maakte er
nog zeer veel bij wat volstrekt onhistorisch is. Intusschen, ieU in dezcu geest heeft Hizkia zeker ge-
daan ; althans heeft hij de koperen slang vergruizeld. Hoogst waarschijnlijk keerde zich des konings
ijver vooral tegen de beelden, waartegen ook Jezaja fel streed en welker gebruik door den val van
Noord-Isracl blijkbaar veroordeeld word (verg. iul. op Exod. XXXII—XXXIV); waarom wij vermoe-
den dat do maatregel niet lung na den ondergang van Samarië en onder den indruk vau deze gebeur-
tcuis is genomen (zie XVII : 21—23). Hij bleef wellicht beperkt tot Jeruzalem en naasteu omtrek
(verg. inl. op Jezaja). Met Mauasse kwam de heideusche partij weder aan het roer, die alles in tegen-
gestelden zin inrichtte (XXI). Ouder Jozia is de poging van Hizkia hervat en heeft de streng-Jahwis-
tischc richting eenc besliste zegeprual behaald (XXII, XXIII).
XVIII: 1 In het derde jaar der regeering van Hozea, den zoon van Ela, den
koning van Israël, werd Hizkia, de zoon van Ahaz, den koning van
2       Juda, koning;\' vijf\' en twintig jaar was hij oud toen hij koning werd,
en hij heeft negen en twintig jaar te Jeruzalem geregeerd; zijne moeder
3       heette Abi, de dochter van Zacharja.\' Hij deed wat recht was in het
4       oog van Jahwe, geheel zooals zijn vader David gedaan had.\' Hij heeft
de hoogten afgeschaft, de wij-steenen verbrijzeld, den gewijden boom-
stam omgehouwen en de koperen slang die Mozes gemaakt had ver-
gruizeld; want tot die dagen toe waren de Israëlieten gewoon te harer
V». 2 v. 2 Kron. XXIX : 1 v.
1.  In — Israël, onjuiste opgavo.
2.  negen .en twintig jaar. Van 725 tot 697. — Abi, in Gr. vert. Abu of Abuth, 2 Kron.
XXIX :l Abia.
3.  Hetzelfde wordt van Jozia getuigd, XXII: 2. Verg. vs. 5.
4.  Zie op 1 Kon. XIV : 23. — die Mozei gemaakt had. Zie op Num. XXI: 4b—9. — men noemde,
volgens andere klinkers; Hebr. t. hij noemde. — Nekuetan, zooveel als .kopergod\', volgens anderen
.slanggod\'. De woorden voor .koper\' en .slang\' hebbon in het Hebreeuwsch veel overeenkomst.
-ocr page 769-
2 koninobn XVIII: 4—12.                                    849
5       eer te offeren; men noemde haar Nehustan.\' Op Jahwe, Israëls god,
heeft hij vertrouwd; zoodat na hem zijns gelijke niet is geweest onder
al de koningen van Juda, evenmin als onder die voor hem waren;\'
6       hij was aan Jahwe verkleefd, hij week niet van hem af, maar onder-
7       hield de geboden die Jahwe aan Mozes gegeven had.\' Zoo was Jahwe
met hem; in al zijne ondernemingen was hij voorspoedig: hij kwam
in opstand tegen den koning van Assyrië en was zijn onderdaan niet;\'
8       hij heeft de Filistijnen verslagen tot (Jaza en onderhoorigheden toe,
zoowel de wachttorens als de versterkte steden.
9           In liet vierde jaar der regeering van Hizkia, dat is het zevende der
regeering van Hozea, den zoon van Ela, over Israël, trok öalmanezer,
10       de koning van Assyrië, tegen Samarië op, dat hij insloot\' en na ver-
loop van drie jaar innam; in het zesde jaar van Hizkia, dat is het
negende der regeering van Hozea over Israël, is öamarië ingenomen.\'
11       En de koning van Assyrië voerde de Israëlieten naar Assyrië, en plaatste
hen te Halah en aan den Habor, de rivier van Gozan, en in de steden
12       van Medië.\' Omdat zij niet naar Jahwe, hunnen god, geluisterd, maar
zijn verbond overtreden hadden, al wat Mozes, de knecht van Jahwe,
had geboden: zij hadden daarnaar noch geluisterd, noch gehandeld.
Vs. 94—11. H. XVII: 5 v.
5. zoodat — waren. Dezelfde lofspraak wordt XXIII: 25 aan Jozia gegeven; verg. vs. 8.
7.  hij kwam — niet. Sedert Ahaz (XVI: 7 v.) was Juda schatplichtig aan den koning van Assyrië.
Waarschijnlijk hing deze opstand samen met de maatregelen tot hervorming van den godsdienst. Na
zi\'m voor Jahwe to hebben geijverd, kon hij van zijne gunst gewi9 zijn.
8.  tot Qaza en onderhoorigheden toe. Derhalve, daar Gaza de zuidelijkste der vijf koniugstedeu was,
het gansche land der Filistijnen.
9.  het sevende — Israël, onjuiste opgave; zie op XVII :1, 4 en 6.
10.  en...innam, volgens andere klinkers; Hebr. t. en zij ...innamen.
11.  plaatate, volgens andere klinkers; Hebr. t. voerde. Desgelijks 1 Kon. X:26. — te — Medie. Zie
op XVII: 6.
HOOFDSTUK XVIII: 18—XIX: 87.
Hizkia en Sanherib; Jeruzalem gered. — Sanherib, de koning van Assyrië, trekt tegen Hizkia op
(XVIII: 18), die vergiffenis vraagt en tegen ecne zware schatting verkrijgt (14—16). De koning van
Assyrië laat Jeruzalem opcischeu door gezanten (17 v.), die het hopelooze van verzet aautooncn (19 v.),
daar Egypte niet kan helpen (21), Jahwe vertoornd (22, 25) en Hizkia machteloos is (23 v.). De be-
ambten van Hizkia trachten het volk buiten de onderhandelingen te houden (26 v.); maar de Assyrische
gezanten stoken het tegen Hizkia op (28—30) en raden het zich over te geven (31 v.), daar geen god,
ook Jahwe niet, tegen de Assyriërs is opgewassen (33—35). Het volk zwijgt, naar \'s kouings bevel (36),
en de benmbtcn brengen de boodschap aan Hizkia (37), die in rouw naar den tempel opgaat (XIX: 1)
en beambten tot den profeet Jczaja zendt om zijne voorbede in den nood (2—4). Jczaja belooft uit-
redding (5—7). Sanherib loot schriftelijk Jeruzalem opeischen, onder verwijzing naar het onvermogen
van alle goden tegen Assyrië (8—13). Hizkia gaat met dezen brief tempel waart* en smeekt God, tegen
dien hoon zijne eer te handhaven (14—19). Jczaja bericht den koning dat zijne bede verhoord wordt
(20): Jeruzalem zal den aftrekkenden Sanherib\'beschimpen (21), die Jahwe durfde hooncn (22) en
trotsche plannen koesterde (23 v.). Wist hij niet dat hij met zijne veroveringen louter een werktuig
was van Jahwe, nu zal hij het ondervinden (25—28); terwijl voor Jeruzalem en Juda uitkomst daagt
uit de ellende (29—31). Sanherib zal Jeruzalem, door Jahwe beschermd, niet schaden, maar naar zijn
land wederkecren (32—34). In denzelfden nacht richt de engel van Jahwe ecne slachting aan in het
leger van Sanherib (35), die, naar Ninevc teruggekeerd (36), daar wordt vermoord (37).
Het bericht (XVIII: 14—16) van Hizkia\'s onderwerping aan Sanherib, ongetwijfeld geloofwaardig
en waarschijnlijk aan de rijksjaarboeken ontleend, bereidt ons allerminst voor op het onmiddellijk
volgende verhaal betreffende de vergeefsche opeisching van Jeruzalem en de vernieling van Sanherib»
leger (XVIII: 17—XIX: 37). Geen wonder derhalve, dat men in het onzekere verkeert, hoe het een
met het ander samenhangt. Met des te meer belangstelling nemen wij konnis van de Astyrische op-
schriften, die ons over bet beloop van dezen oorlog in \'t kort het volgende geven: Na Fenicië\'s afval-
ligen koning door een ander vervangen te hebben, dwingt Sanherib Hizkia tot gehoorzaamheid. Zes en
O. T. I.
                                                                                                                          54
-ocr page 770-
850                                2 KONINGEN XVIII : 13—17.
veertig versterkte steden van Jnda, benevens tullooze burchten en kleinere plaatsen, vermeestert en
plundert hij, urn ze daarna aan Filistijnschc vorsten weg te schenken, terwijl hij de bevolking, 200.150
personen, met onnoemelijk veel vee, als buit wegvoert; Hizkia is, als een vogel in zijne kooi, in zijne
hoofdstad Jeruzalem ingesloten en brengt, van schrik overweldigd, cene verbazend zware schatting op,
terwijl zijne kostbaarheden, ook zijne dochters, vrouwen, dienaars, naar Nincvc worden gevoerd. —
Natuurlijk is deze voorstelling gegeven van Assyrisch standpunt; doch zij stemt in hoofdzaak overeen
met bovengenoemd bericht (XVIII: 1-1—10), terwijl zij voor hetgeen daarop volgt (in XVIII: 17—XIX : 37)
niet of nauwelijks plaats schijnt te laten. Intusschcn blijve niet onopgemerkt dat de opschriften geen
woord bevatten van cene inneming van Jeruzalem.
Voorts bemerken wij bij aandachtige lezing, dat hier, in Koningen, niet een doorloopend verhaal
vóór ons ligt, maar cene samenvoeging van twee profetische verhalen (XVIII: 17—XIX : 9a en XIX:
\'Mi—:!i\'p>. van gelijken inhoud en dezelfde strekkiug. Wij hooren tweemaal in hoofdzaak dezelfde bood-
schap van Sanherib met dezelfde uitwerking op Hizkia en Jezaja (of Jahwe), zonderdat den tweeden
keer naar den eersten verwezen wordt. Immers, XVIII: 22, 25, 30, 33—35 en evenzeer XIX : 10—13
heet het: vertrouwt niet op Jahwe! XIXtl en wederom XIX: 11 gaat Hizkia in zijn angst tcmpelwaarts;
XIX : 7, maar ook XIX: 33, voorspelt Jezaja Sanhcribs aftocht. Alleen in bijzonderheden, mccrendccls
van ondergeschikten nard, wijken de twee verhalen van elkander af.
Wat uu hunne geloofwaardigheid betreft, omtrent die bijzonderheden blijven wij geheel in het on-
zekere; er komen verscheiden trekken iu voor die niet historisch zijn en bewijzen dat beide eerst vrij
laat zijn opgesteld (zie op XVII1:22; XIX: 7, 15, 18, 19, 35 en 3(1). Ook bestaat er gegronde twijfel,
of Jezaja in dien tijd als trooster is opgetreden. Verg. inll. op Jez. XXII: 1—14; XXVIII, XIX, XXX
en XXXI. Maar tegen den hoofdinhond, namelijk dat Hizkia, in het vertrouwen op Jahwc\'s hulp, San-
heribs trotsche opcisching heeft afgewezen, bestaan geen overwegende bezwaren. Slechts weten wij niet
recht, waar die weigering van Hizkia in het verband der gebeurtenissen te plaatsen.
Wij lezen XVIII: 13, 17—XIX: 37, met geringe afwijkingen, maar in minder zuiveren tekst, ook
Jez. XXXVI, XXXVII. Hier is (Jez. XXXVI, tusschen vs. 1 en 2) het feit van Hizkia\'s onderwerping
verzwegen, om dezelfde reden waarom het in Koningen door het verhaal van de vergeefsche opeisching
geheel in de schaduw gesteld wordt.
XVIII: 13 Ia het veertiende jaar van Hizkia\'s regeering trok Sanherib, de
koning van Assyrië, op tegen al de versterkte steden van Juda en
14      vermeesterde ze.\' Toen zond Hizkia, de koning van Juda, aan den koning
van Assyrië te Lachis de boodschap: Ik heb misdreven; wend u van
mij af\'; wat gij mij oplegt zal ik opbrengen. De koning van Assyrië
vorderde van Hizkia, den koning van Juda, driehonderd talenten zilver
15      en dertig talenten goud.\' En Hizkia gaf al het geld dat zich in den
1(3 tempel en in de schatkamers van het paleis bevond.\' Bij die gelegen-
beid heeft Hizkia, de koning van Juda, het goud doen afsnijden van
de deuren van Jahwe\'s tempel en van de pijlers die hij zelf had laten
overtrekken, en heeft het aan den koning van Assyrië gegeven.
17         De koning van Assyrië nu zond uit Lachis den tartan, den rabsaris
en den rabsjake met een machtig heir naar Jeruzalem, tot koning
Hizkia. Toen dezen opgegaan en te Jeruzalem gekomen waren, vatten
zij post bij de waterleiding van den Bovenvijver, op den weg naar het
V». 13. 2Kron. XXXH:l;Jez. XXXVI :1.- Vs. 17—37. 2Kron. XXXH:9—15; Jez. XXXVI:2—22.
13.   ƒ« — regeering, d. i. 711. Maar toen heerschte Sargon; in pi. v. veertiende zal het moeten
luiden vier-en-tmntigite, i. i. 701. — Sanherib, van 705 tot 682 koning van Assyrië. Talrijke op-
schriften stellen ons in kennis van zijne krijgsdaden en stichtingen. — al — Juda. Verg. lul.
14.   Lachis. Zie op Joz. X: 3. Ken Assyrisch opschrift vermeldt dat Sanherib den oorlogsbuit van
de stad Lachis in ontvangst neemt. — driehonderd — goud. Ecu talent zilver bedroeg ƒ 5100, een
talent goud ƒ81.000; de gevorderde som was dus in \'t geheel bijna vier milliocn gulden.
16.  het goud, duidelijkheidshalve ingevoegd.
17.  tartan. Ook Jez. XX : 1 is dit de titel van den Assyrischen oppcrvcldhcer; deze is dus het
hoofd van het gezantschap, die een ander het woord laat doen; rahtari» beteekent waarschijnlijk
,overstc der gcsuedencii\', dus opziener van den harem; raitjaie kan voor een Hebrceuwsch oor onge-
veer hebben geluid ,oppcrschenker\', maar is in het Assyrisch waarschijnlijk .opperhoofdman\', .overste\'.
Aan het legcrhoofd wordt een overste als woordvoerder medegegeven, en een aanzienlijk hofbeambte,
voor het geval dat lezen of schrijven noodig mocht zijn. Jez. XXXVI: 2 is slechts vau den rabsjake
sprake, die ook 2 Kon. XIX: 8 alleen terugkeert. — Toen dezen opgegaan en... gekomen maren, volg.
hss. en Gr., Lat. en Syr. vertt.; Hebr. t. heeft de woorden tweemaal. — bij — Bleekertveld. Dcsge.
-ocr page 771-
851
2 KONINGBN XVIII: 17—27.
18       Bleekersveld,\' en riepen om den koning; waarop de hofmaarschalk
Eljakim, de zoon van Hilkia, de schrijver tëjehna en de kanselier Joali,
19       de zoon van Azaf, tot hen uitgingen.\' En de rabsjake zeide tot hen:
Zegt toch aan Hizkia: Zoo spreekt de groote koning, de koning van
20       Assyrië: Wat is dit voor een vertrouwen dat gij koestert/\' Denkt gij
dat louter woorden beleid en kracht tot den oorlog zijn.\' Op wien ver-
trouwt gij dan toch, dat gij tegen mij in opstand gekomen zijt?\'
21       Ziedaar, gij vertrouwt op dien geknakten rietstok, Egypte, waarop
niemand kan steunen of hij dringt in zijne hand en doorboort haar.
Zóo is Farao, de koning van Egypte, voor al wie op hem vertrouwen.\'
22       En als gij tot mij zegt: Op Jahwe, onzen god, vertrouwen wij — is
hij het niet, wiens hoogten en altaren Hizkia heeft weggedaan, terwijl
hij tot Juda en Jeruzalem zeide: Vóór dit altaar, te Jeruzalem, zult
23       gij aanbidden?\' Kom aan, ga eens eene weddingschap aan met mijnen
heer, den koning van Assyrië: ik zal u twee duizend paarden geven,
24       indien gij in staat zijt daarvoor berijders te leveren.\' Hoe zoudt gij
dan den aanval kunnen afslaan van een enkelen der minste dienaren
van mijnen heer? En gij vertrouwt op Egypte voor strijdwagens en
25       ruiterij!\' Meent gij dat ik buiten Jahwe om tegen deze plaats ben
opgetrokken, om die te verderven? Jahwe heeft mij gelast: Trek op
tegen dat land en verderf het.
26           Toen zeiden Eljakim, de zoon van Hilkia, Sjebna en Joah tot den
rahsjake: Spreek toch Arameesch met uwe dienaren, wij verstaan het
wel; en spreek met ons geen Judeesch, ten aanhooren van het volk
27       op den muur.\' Maar de rabsjake zeide tot hen: Heeft mijn heer mij
dan met deze opdracht alleen tot uwen heer en tot u gezonden? Of
ook tot die mannen die daar op den muur zitten, en met u hunne
lijks Jez. VII: 3. Omtrent de lig)?\'"!; van «lezen vijver en dit veld, zooals ook van de Jez. XXII t W,
11 vermelde vijvers, bezitten wij geen zekerheid. Waarsehijulijk lag de Botenvijver iu het zuiden van
den Sion, of van het oude Jeruzalem, en het Bleekertveld in het zuidelijk gedeelte van het Kidrondal.
Zeker wordt hier een punt aangewezen in de onmiddellijke nabijheid van de muren.
18.  Over Eljakim en Sjebna zie Jez. XXII: 15—25.
19.  de groote koning, een titel dien ook op de opschriften de Assvrische koningen zich zclven
gewoonlijk geven. Verg. Ezech. XXVI: 7. — De vraag van den rabsjake onderstelt ecne andere hou-
ding van Hizkia, en cene andere verhouding van Sauherib tot hem, dan vs. 14—16; zij geeft den
indruk dat Hizkia, als bondgenoot van Egypte, en in vertrouwen op Jahwe, tegen Sauherib
in opstand is.
20.   louter woorden, letterlijk aleclita eene zaak van lippen; desgelijks Spr. XIV:28. — beleid —
zijn? de plaats daarvan kunnen innemen?
21—24. Over dit verbond van Hizkia met Egvpte verg. inll. op Jez. XXIX, XXX en XXXI.
21.  Verg. Ezech. XXIX: 64, 7.
22.  gij. Hier wordt niet meer tot Hizkia, maar tot zijne beambten, of de Judecrs in het algemeen,
het woord gericht. — it — weggedaan. Zie op vs. 3. — te Jeruzalem, ontbreekt Jez. XXXVI: 7. In
elk geval een juist en duidelijk toevoegsel. — In den mond van den Assyrischen gezant is deze op-
merking, waarmede vs. 25 nauw samenhangt, bevreemdend. Ook geeft zij cene onjuiste voorstelling
van den aard en den omvang vnn Hizkia\'s hervorming; zie inl. op XVIII: 1—12. Wij mogen er uit
opmaken dat deze trek van ons verhaal er eerst na de hervorming van Jozia (622) is ingebracht, en
dat de schrijver wist dat die hervorming niet door alle vrome Judecrs werd beschouwd als een aan
Jahwe welgevallig werk.
23 v. Deze uitdaging spreekt do rabsjake in zijn eigen nnam. In vs. 25 geeft hij weder de woorden
van zijn heer.
24.  een enkelen, volg. verb. t.; Hebr. t. een enkelen ttadhouder.
25.  De bedoeling is, dat Jahwe, vertoornd over de verwoesting zijner hoogten en altaren (vs. 22),
Sauherib heeft gezonden om zijne geschonden eer te wreken. Dit rijmt echter niet met vs. 35; ook
laat het zich, afgezien van het onhistorisch uitgangspunt, in den mond der gezanten niet goed
plaatsen.
26.   Arameeach. Deze taal werd in den handel tusschen onderscheiden volken van Vóor-Azie\' tot diep
in Arabic gebruikt. In Nineve zijn koopcontracten in het Assyrisch en Arameesch gevonden. — u-ij
verstaan het wel.
De Judcesche beambten verstonden dus geen Assyrisch.
27.   die — drinken. Zij hebben te wachten de afgrijselijke ontbering verbonden aan een langdurig
beleg. Verg. 2 Kron. XXXII: 11.
-ocr page 772-
2 KONINGEN XVIII: 27—XIX : 4.
852
28       uitwerpselen zullen moeten eten en hun water drinken ?\' Daarop ging
de rabsjake staan en riep met luider stem in het Judeesch en zeide:
Hoort de woorden van den grooten koning, den koning van Assyrië!\'
29       Zoo zegt de koning: Laat Hizkia u niet misleiden; want hij is niet
30       bij machte, u te redden uit mijne hand.\' Ook doe Hizkia u niet ver-
trouwen op Jahwe, zeggende: Jahwe zal ons zeker redden; zoodat deze
stad niet in de hand van den koning van Assyrië zal gegeven worden.\'
31       Luistert niet naar Hizkia; want zoo zegt de koning van Assyrië: Hul-
digt mij en gaat uit tot mij; eet dan ieder de vrucht van zijn wijn-
32       stok en vijgeboom, en drinkt ieder het water uit zijn put;\' totdat ik
kom en u medeneem naar een land gelijk het uwe, een land van
koren en most, van brood en wijngaarden, van olijfboomen en honing;
zoo nioogt gij leven en niet sterven. Luistert toch niet naar Hizkia,
33       als hij u opstookt, zeggende: Jahwe zal ons redden.\' Hebben dan de
goden van andere natiën hun land uit de hand van Assyrië\'s koning
34       gered/\' Waar zijn de goden van Hamath en Arpad.\' waar die van
Sefarwaim\'! waar ook die van het land van Samarië ï Hebben zij Samarië
35       uit mijne hand gered?\' Wie zijn er onder al de goden der landen die
hun land uit mijne hand hebben gered, dat Jahwe Jeruzalem uit mijne
hand redden zou/
36           Het volk zweeg stil en antwoordde hem geen woord; want zoo
37       luidde het gebod des konings: gij zult hem niet antwoorden.\' Maar
de hofmaarschalk Eljakim, de zoon van Hilkia, de schrijver Sjebna en
de kanselier Joah, de zoon van Azaf, kwamen bij Hizkia, met ge-
scheurde kleederen, en brachten hem de woorden van den rabsjake over.\'
XIX: 1 En koning Hizkia, dit hoorende, scheurde zijne kleederen, sloeg een
2       rouwgewaad om en trad het huis van Jahwe binnen.\' Toen zond hij
den hofmaarschalk Eljakim, den schrijver Sjebna en de oudsten der
priesters, in rouwgewaad, naar den profeet Jezaja, den zoon van Amos,\'
3       die tot hem zeiden: Zoo zegt Hizkia: Dit is een dag van benauwdheid,
van kastijding en van versmading; want kinderen zijn in de geboorte
4       gekomen, maar er is geen kracht tot baren.\' Wellicht zal Jahwe, uw
V«. 1—37. Jez. XXXVII: 1—88.
29. uit mijne (volg. vele hss. eu oude vertt.; Ilebr. t. zijne) hand. Dit ontbreekt Jez. XXXVI: 14.
32. gelijk het uwe. Verg. Deut. VIII :8j XXXIII: 28.
34.   Waar zijn de goden!\' Zie XIX : 18. — Over Hamath, Sefarwaim en het land van Samarië zie op
XVII: 24, waar tevens blijkt, dat niet Sanherib, maar Sargon, de krijgsdaden heeft verricht waarop
hier wordt gedoeld. — Arpad, ceu stad en staat in Aram, in het O. T. in verband met Hamath of
met Damaskus genoemd (Jez. X:9; Jer. XLIX:23v.), ook op de Assyrische opschriften voorkomend,
nis in 72U door Sargon getuchtigd. Men meent drie uur ten noorden van Alvppo de bouwvallen ont-
dekt te hebben. — waar ook die van het land van Samarië!\' De god van Israël was dezelfde als de
god van Judn, al. Jahwe; doch de rabsjake wordt ondersteld tusschcu beiden onderscheid te maken.
— Wij volgden hier (ir. vert. In Hcbr. t. ontbreken deze woorden en volgt op de vermelding dier
vreemde goden onmiddellijk dal zij Samarië uit mijne hand hebben gered? Maar dit geeft geen zin.
Niemand toch kon van de goden dier landen verwachten dat zij Samarië zouden redden, waarmede
zij niets uitstaande hadden. Daarentegen stann in den Ilebr. t. hier en XIX: 13 twee woorden die
door sommigen worden opgevat als eigennamen van landen of steden, llena en hcwa (zie XVII: 24,
31), door anderen, volgens een paar oude verlt., als werkwoorden hij heeft verdreven en omgekeerd;
in Gr. vert. ontbreken zij hier, en staat XIX: 13 öf alleen Enag (llena) öf, in andere hss., Anet en
Vdu.
Zij ontbreken ook Jez. XXXVI: 19 en zijn hier en XIX: 13 waarschijnlijk onecht. Zie Jez.
XXXVII: 13.
35.   Reeds van vs. 324 af wordt een andere toon aangeslagen dan in vs. 22 en 25. Hetgeen wij
hier lezen komt beter met den geest dier eeuw en met den inhoud der Assyrische opschriften over-
cen dan hetgeen wij boven vonden.
2.  de oudsten der prieiler; d. i. hunne hoofden of voornaamsten; eene alleen hier en Jer. XIX: 1
voorkomende uitdrukking. — Dit aanzienlijk gezantschap bewijst, hoc hoog de persoon, of het profeten-
ambt, van Jezaja bij den koning stond aangeschreven. Verg. XXII: 14.
3.   mant — baren. Hecld der grootste benauwdheid: de barensweeën hebben haar toppunt bereikt,
en omdat de kracht der vrouw begeeft, is er levensgevaar voor moeder en kind. Verg. Hoz. XIII: 13
-ocr page 773-
2 KONINOBN XIX : 4—18.
853
god, de woorden hooren van den rabsjake, dien zijn lieer, de koning
van Assyrië, heeft gezonden om den levenden God te hoonen, en zal
Jahwe, uw god, hem kastijden voor de woorden die hij gehoord heeft.
Zend dus een gebed op voor het nog aanwezig overschot.
5, 6 Toen de dienaren van koning Hizkia bij Jezaja kwamen,\' zeide Jezaja
tot hen: Dit zult gij aan uwen heer zeggen: Zoo spreekt Jahwe: Vrees
niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede de dienaren van
7       Assyrië\'s koning mij hebben beschimpt.\' Zie, ik zal een geest in hem
zenden, dat hij, op het hooren van eene tijding, naar zijn land weder-
keert; alwaar ik hem door het zwaard zal vellen.
8           De rabsjake, terugkeerende, vond den koning van Assyrië strijdende
tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis was opgebroken.\'
9       En toen hij aangaande Tirhaka, den koning van Ethiopië, hoorde: Zie,
hij is tegen u ten strijde getrokken — zond hij andermaal gezanten
10       tot Hizkia, met den last:\' Zoo zult gij aan Hizkia, den koning van
Juda, zeggen: Laat uw god u niet misleiden, op wien gij vertrouwt,
alsof Jeruzalem niet in de hand van Assyrië\'s koning zou gegeven
11       worden.\' Zie, gij hebt zelf gehoord wat de koningen van Assyrië aan
alle landen hebben gedaan, ze ten ondergang doemende; en gij zoudt
12       gered worden ?\' Hebben de goden der natiën die door mijne vaderen
verdorven zijn ze gered? Gozan en Haran, Kesef en de Edenieten in
13       Tel-Assar?\' Waar zijn de koningen van Hamath, van Arpad, en die
van de stad Hefarwaim?
14            Nadat Hizkia den brief uit de hand der gezanten aangenomen en
gelezen had, ging hij op naar den tempel, breidde den brief uit voor
15       Jahwe\' en bad tot Jahwe: Jahwe der heirscharen, god Israëls, die op
de cherubs troont! gij alleen zijt God over alle koninkrijken der aarde;
10 gij hebt den hemel en de aarde gemaakt.\' Neig, Jahwe, uw oor en
luister; open, Jahwe, uwe oogen en zie; verneem al de woorden die
17       Sanherib heeft gezonden om den levenden God te hoonen.\' Ja waarlijk,
Jahwe, de koningen van Assyrië hebben de natiën en haar land ver-
18       woest\' en hare goden in het vuur geworpen; want het waren geen
4. Hizkia hoopt dat Jahwe, om zijne eer te handhaven, hem ter hulp zal komen. — de Koorden,
volg. vele he9., Syr. vert. en Jcz. XXXVII: 4; Hebr. t. al de woorden. — hem, Sanherib, duidelijk-
heidshalvc ingevoegd. — Xend — overschot, d. i. voor Jeruzalem en de daar vergaderde bevolking.
7.   naar zijn land wederkeert. Eie op vs. 0 en op vs. 30. Aan den verdcrfengel, vs. 35, wordt hier
niet gedacht. — alwaar — vellen. Zie vs. 37. Doch tuaschon den terugkeer van Sanherib en zijn dood
liggen twintig jaar. — Het antwoord van Hizkia aan den rabsjake is niet medegedeeld.
8.  Libna. Zie op VIII: 22. — dat hij — opgebroken, na het vermecsterd te hebben; zie op XVIII: 14.
9.   Tirhaka. Zijn naam komt op Egyptische bouwwerken voor en wordt in de Assyrische opschriften
vermeld; in laatstgenoemde, als bondgenoot van I\'alcstijnsche opstandelingen tegen Assyrië, die door
Ezarhaddon, Sanhcribs zoon en opvolger (681—669), en Asurbanipal (668—626) overwonnen wordt. —
zond hij andermaal, letterlijk keerde hij weder en zond hij. De vergelijking met vs. 7 doet ons ver-
moeden dat oorspronkelijk op dit keerde hij weder volgde naar zijn land; hetgeen natuurlijk bij de
toevoeging van zond hij — last werd weggelaten; waardoor keerde hij weder een gansch anderen zin
kreeg, en wel zooals in den tekst is vertaald.
12.   Zie 2 Kron. XXXII: 17. — mijne vaderen, mijne voorgangers op den troon. Immers, Sargon,
de vader van Sanherib, was de eerste van zijn stamhuis. — Gozan. Zie np XVII: 6. — llaran. Zie
op Gen. XI: 31. — Retef, eene stad in Mesopotamic, meermalen in de Assyrische opschriften vermeld.
— de Edenieten, waarschijnlijk een rijk aan de beide oevers van den Midden-Kufraat. Verg. Kzech.
XXVII: 23; Amos 1:5. — Tel-Assar, eene ons onbekende plaats. De naam beteekent ,heuvel van
Assur\'. Zij moet, evenals al de in dit vers vroeger genoemde, in westelijk Mesopotamic gelegen hebben.
13.   Zie op XVIII: 34.
15.   der heirscharen, ingevoegd volg. Gr. vort. en Jez. XXXVII: 16. — die — troont. Zie op 1 Snm.
IV: 4. — gij alleen — gemaakt. Zulk een verheven godsbegrip vorwachtcn wij niet uit den mond van
Juda\'s koning op het einde der achtste eeuw.
16.   Verg. Dan. IX: 18. — ai, ingevoegd volg. vele hss., Lat. en Syr. vertt. en Jez. XXXVII: 17.
18. Zie 2 Kron. XXXII: 19. — want — mensehenhanden. Deze beschouwing van de afgoden en
hunne beelden vinden wij eerst na den val van Jeruzalem en in de psalmen; zie Jez. XLIV : 9—20:
Ps. CXV:2—8; CXXXV: 15—18.
-ocr page 774-
2 KONINGEN XIX : 18—26.
854
goden, maar slechts werk van menschenhanden, hout en steen; dies
19       hebben zij ze vernield. \' Daarom, Jahwe, onze god, red ons toch uit
zijne hand; opdat alle koninkrijken der aarde weten dat gij, Jahwe,
de eenige God zijt.
20           Toen deed Jezaja, de zoon van Amos, Hizkia het volgende aanzeggen:
Zoo spreekt Jahwe der heirscharen, Israëls god: Wat gij tot mij ge-
beden hebt aangaande Banherib, den koning van Assyrië, heb ik ge-
21       boord.\' Uit is het woord dat Jahwe tegen hem gesproken heeft:
ü veracht en bespot de jonkvrouw, de dochter Sions;
u achterna schudt het hoofd Jeruzalems dochter.
22           Wien hebt gij gehoond, beschimpt/
tegen wien de stem verheven?
Uw trotschen blik hebt gij opgeslagen tot den Heilige Israëls!
23           Uoor uwe gezanten hebt gij den Heer gehoond.
Gij zeidet: Met mijn tal van wagenen heb ik bestegen
der bergen top, diep den Libanon in,
om zijne statige ceders te vellen,
de keur zijner cypressen,
om door te dringen tot zijn hoogsten top,
het woud zijner gaarde.
24           Ik heb gegraven en water van vreemden gedronken,
en doe met mijne voetzolen al de stroomen van Egypte opdrogen.
25                Hebt gij niet gehoord dat ik het van overlang gereed gemaakt,
het van oude dagen her besloten heb?
Nu heb ik het doen komen;
opdat versterkte steden tot stapels puin zouden verwoest worden,
2(3
          terwijl hare inwoners machteloos zijn,
verschrikt en beschaamd staan,
aan kruid op het veld gelijk, aan groene planten,
aan het gras op dak en dreef.
10. opdat — zijl! Weder ccn denkbeeld van later tijd; zie op Jez. XLI: 4.
20.  der heirscharen, ingevoegd volg. Gr. vert.
21.  de dochter Sions, of Jeruzalems, is, volgens ceno zeer gewone beeldspraak — vergelijk ons „stede-
maagd" — die in het O. T. ook op andere steden en streken, zooals Juda, Sidon, liubcl, Egypte
wordt toegepast, oorspronkelijk de burgerij of bevolking, maar menigmaal ook de stad of het land
zelf, als persoon voorgesteld. — u achterna. Do voorstelling is dat de Assyricrs bezig zijn af te
trekken. — schudt hel hoofd, gebaar van spot, waarmede men op tergende wijze zijn vermaak in
iemands leed te kennen geeft, Job XVI: 4; I\'s. XXII: 8; (\'IX: 25; Jer. XVIII: 16; Klaagl. 11:15.
22.  uw trotschen blik, volgens een anderen klinker. — de Heilige Israëls. Dit is eene in het boek
Jezaja niet minder dan dertigmaal, elders hoogst zelden, voorkomeudc benaming van Jahwe, uitdruk-
kende de ongenaakbare verhevenheid van den god die Israël beschermde en door Israël werd gediend;
zie op Jez. VI: 3.
23.   De Libanon, rijk aan ceders en cypressen, leverde voor ccn leger dat de daar wonende 8tam-
nicii wilde onderwerpen groote moeilijkheden op. — ceders en cypressen waren een kostbare oorlogs-
buit. Verg. op Jez. XIV: 7 v. — tol zijn hoogste» top, volg. verb. t., in overeenstemming met Jez.
XXXVII: 24.
24.   //• heb gegraven, nl. putten, waar de bestaande voor mijn leger niet genoeg water opleverden
of door de bevolking verstopt waren. — teater van vreemden, letterlijk vreemd water, d. i. in een vreemd
land. — en doe — opdrogen. De verovering van Kgyptc was het grootschc einddoel van den tocht;
doch Sanherib zou het niet bereiken. — Voor Egypte wordt hier (Jez. XXXVII: 25), Jez. XIX: 6
en Micha VII: 12 een naam, wijziging van den gewonen vorm, gebruikt die het als een wal at burcht
aanduidt.
25.  van overlang — besloten heb. Jahwe had het reeds lang geleden beschikt; Sanherib was niets
dan ecu werktuig ter volvoering van Gods raadsbesluiten. Deze opvatting vinden wij wel, anderhalve
eeuw later, in Jez. XLI:26; XLII:9; XUll:9—13; XLIV:7; XLV:21; XLVI:10; XLVI1I:3—6,
maar niet bij onzen profeet; doch zie Jez. XXII: 11.
26.  machteloos, letterlijk kort van hand. — verschrikt en beschaamd staan, eene gedurig voorkomende
spreekwijs voor hopelooze verlegenheid en verslagenheid, Jez. XX: 5; Jer. VIII: 9; XIV: 4; XVII: 18;
XLVIII:39; L:2. — aan — dreef, dat in I\'alestina verschroeit zoodrn de zomerzon haar invloed
doet gevoelen; verg. Job VIII: 12; Ps. CXXIX: 6. — dreef. Zoo Jez. XXXVII:27; Hebr. t. heeft
hier brandkoren.
-ocr page 775-
2 KONINGBN XIX : 27—36.
855
27           Ik sla gade uw opstaan en uw nederzitten;
uw uitgaan en uw ingaan ken ik,
alsmede uw woeden tegen mij.
28           Omdat gij tegen mij woedt,
en uw overmoed mij ter oore is gekomen,
zal ik mijn haak in uw neus steken,
mijn toom aan uwe lippen leggen,
en u terugvoeren langs den weg dien gij gekomen zijt.
29           En dit zal u het teeken zijn: dit jaar zult gij eten wat vanzelf is
opgeschoten, het tweede jaar wat dan nog opkomt; maar in het derde
jaar zult gij zaaien en oogsten, wijngaarden planten en hunne vruchten
30       eten.\' Dan zal opnieuw het ontkomene van het huis Juda, het over-
schot, wortels schieten naar beneden en vruchten dragen naar boven;\'
31       want van Jeruzalem zal een overschot uitgaan, en van den berg t?ion
wat ontkomen is. De naijver van Jahwe der heirscharen zal dit doen.
32           Daarom, zoo zegt Jahwe van Assyrië\'s koning: Hij zal bij deze stad
niet komen, er geen pijl afschieten, geen schild tegen haar opheffen,
33       geen wal tegen haar opwerpen.\' Langs den weg dien hij gekomen is
zal hij wederkeeren, maar in deze stad zal hij niet komen, spreekt
34       Jahwe.\' Ik zal deze stad beschutten, haar reddende, om mijnentwil en
ter wille van David, mijn knecht.
35           In denzelfden nacht nu ging de engel van Jahwe uit en sloeg in
het leger der Assyriërs honderd vijf en tachtig duizend man. Toen zij
den volgenden morgen zich opmaakten, zie, het waren allen ontzielde
36       lijken! \' Nu brak iSanherib, de koning van Assyrië, op, nam den terug-
Vs. 31<r. Jez. 9:6. — V». 85—37. 2 Kron. XXXII: 91.
27.   Verg. Fs. OXXXIX: 1—12. — Ik sla gade (letterlijk Vóór mij is) uw opstaan, volg. verb. t.;
Hcbr. t„ bij vs. 26 gevoegd, vóór het U veld slaand toren. — uw — ingaan. Zie op 1 Kon. III: 7.
28.   Ken haak of ring deed men wilden dieren en gevangenen door den neus of de kinnebak, om
er de leidsels aan vast te maken; verg. 2 Kron. XXXIII: 11; Ezeeh. XIX: 4, 9; Am. IV: 2 en op
Kzech. XXXVIII: 4. — De toom werd bij de wcgleiding van gevangenen vaak gebruikt.
29.  w. De aangesproken persoon is niet meer Sanhcrib, maar Hizkia (of Israël). — het teeken, van
de redding door Jahwe; zie op Jez. VII: 11. — wat vanzelf is opgeschoten; ook Lev. XXV S 5, 11;
letterlijk, hel uitgevallene, datgene wat bij het oogsten in het vorig jaar is uitgevallen en nu, zondcrdnt
er opnieuw gezaaid is, opkomt. — wat dan nog opkomt, dat weinige en schrale koren dat nog in
het tweede jaar nadat er gezaaid is hier en daar opschiet. — Waarschijnlijk is de bedoeling deze:
in het haast afgcloopcn jaar hebben wij moeten teren op hetgeen het lnud vanzelf opleverde,
omdut iu het vorig jnnr wegens den inval der Assyriërs niet gezaaid is; zulks kou ook dit jaar om
dezelfde reden niet geschieden, zoodat ook iu het volgend jaar gebrek te wachten staat. Manr dan
zullen wij zaaien en planten, om in het tweede jaar na dit, en voortaan geregeld, overvloed te hebben.
30.   Wie in den krijg en zijne ellenden niet zijn omgekomen worden tot cenc nieuwe en krachtige
bevolking. Zie over dat overschot, de hoop der toekomst, de kern van het volk Gods, Jez. lV:2v.;
X:20—23; XI: 10—16. — wortel — boven. Verg. Jez. XXVII: 6,
31.   Natuurlijk waren deze ontkomeucn vooral te Jeruzalem te zoeken, de eenige plaats die den
Assyriërs niet in handeu gevallen was. — De naijver van Jahwe (zie op Eiod. XX: 5) is hier Jahwc\'s
blakende ijver voor zijne eer, zijn dienst, zijn volk.
32.  geen schild tegen haar opliejfen, bij het stormloopcn. — geen wal. Verg. 2 Sam. XX: 18; Hab. 1: 10.
33.  gekomen is, volg. hss., allo oude vertt. en Jez. XXXVII: 34; Hebr. t. komen zal.
84. om — knecht. Het is Jahwe te doen om zijne eigen heerlijkheid, manr ook om de vervulling
der beloften aan David gedaan (verg. VIII: 19; 1 Kon. XV: 4): een denkbeeld, niet van den profeet
Jezaja, maar van den schrijver van Koningen.
35.   Waarschijnlijk is het verhaal van deze verdelging in een nacht aan Jez. XVII: 14 ontleend en
moot het de letterlijke vervulling van die profetie in het lieht stclleu. In Jez. XXXVII: 36 ontbreken
de woorden In denzelfden nacht. — de engel van Jahiee, de voltrekker vun zijne strufgerichten; 2 Som.
XXIV: 16 brengt deze „verdcrfcngel" de pest. — sloeg — man. Het cijfer is ongcloofclijk hoog, en
waar het geschiedde wordt niet gemeld. Men brengt gewoonlijk dit verhaal in verband met eenc
Egyptische legende bij den Grickschcn geschiedschrijver Herodotus: dat het Assyrisch leger bij 1\'elusium,
aan de Egyptische grens, door muizen — het y.iuucbceld van de pest; zie op 1 Sam. VI: 4 — werd
te gronde gericht. Wellicht ligt dezelfde gebeurtenis aan die lcgoudc en nan ons verhaal ten grondslag.
36.  en hij bleef te Nineve. Blijkens de Assyrische opschriften heeft Sanherib in de volgende twintig
jaren zijner regeering nog vijf grootere of kleinere krijgstochten ondernomen, doch geen naar het
westen (Palestina).
-ocr page 776-
2 koningen XIX : 36—XX : 5.
856
37 tocht aan en bleef te Nineve.\' Eens, toen hij zich nederwierp in den
tempel van zijnen god Nisroch, sloegen hem zijne zonen Adrammelech
en Sareser met het zwaard. Zij ontkwamen naar het land Ararat, en
zijn zoon Ezarhaddon werd koning in zijne plaats.
37. Nisroch. Zoover wij weten, droeg geen god der Assyriërs dezen naam. Men heeft daarom vcr-
schillendc veranderingen voorgeslagen, om den naam van een hunner bekende goden in den tekst te
brengen. Wellicht schuilt de fout niet bij een afschrijver, maar reeds bij den vcrhaler. — Adrumme-
leek.
Zie op XVII: 31. — Sareser, waarschijnlijk voluit Nirgalsareser, d. i. ,de god Nirgnl beschermt
den koning\'; zie op XVII: 30 en verg. Jer. XXXIX: 3, 13. — het land Ararat, in Oost-Armenië,
dus buiten de grens van het Assvrische rijk. Zie op Gen. VIII: 4. — K:arhxi/don. Zie op vs. 9 en
fora IV: 2.
HOOFDSTUK XX.
Hizkia\'s ziekte. I)e gezanten van Babel. — Hizkia wordt ziek, en Jezaja kondigt hem den dood
aan (1); doch op zijne smeekbede (2 v.) laat Jahwe hem door den profeet spoedig herstel, nog vijftien
jaar levens en redding van de Assyriërs toezeggen (1—6); ook schrijft Jezaja een middel voor (7), en
laat op \'s kunings verzoek een wonder geschieden ten waartecken van de goddelijke belofte (8—11).
De koning van Kabel zendt aan Hizkia bij zijn herstel ecu gezantschap (12), aau hetwelk deze zijne
rijkdommen toont (13); waarop Jezaja de wegvoering van al die schatten eu van Hizkia\'s nakomelingen
naar Babel voorspelt (14—19). Besluit van Hizkia\'s regeering (20 v.).
In de laatste twee verzen herkennen wij gerecdelijk de hand van den schrijver van Koningen. Inhoud
eu vorm van de beide vcrhalcu die voorafgaan verheffen hun jongeren oorsprong en onhistorisch
karakter boven redelijken twijfel. Het wonderteeken (vs. 8—11) en de voorspellingen van eene onbe-
rekcubare toekomst (vs. 6a, 17 v.) gaan de grenzen van het geloofclijke verre te buiten; ook spreken
Hizkia eu Jezaja in den bekenden stijl van ons boek (vs. 3, 64). Het zijn twee legenden uit profetische
kringen, na den val van Jeruzalem te boek gesteld, en woarvnn de tweede den toeleg verraadt, Jeru-
zalems verwoesting en den ondergang van Davids koningshuis reeds door den beroemden profeet te
laten voorspellen. Of hieraan geschiedenis ten grondslag ligt, is niet uit te maken.
De twee verhalen behooren bijeen (vs. 12) en onderstellen het onmiddellijk voorafgaande (vs. 6),
met hetwelk zij, tor wille van do voorname rol daar on hier door Jezaja gespeeld, uit Koningen in
Jezaja zijn overgenomen. Do vcrgelijkiug van de twee teksten valt in elk opzicht ten gunsto van dien
in Koningen uit (zio verder lul. op Jez. XXXVIII, XXXIX).
XX: 1 In die dagen werd Hizkia doodelijk krank; en de profeet Jezaja, de
zoon van Amos, kwam tot hem en zeide tot hem: Zoo zegt Jahwe:
Stel orde op uwe zaken; want gij gaat sterven en zult niet langer
2      leven.\' Toen wendde hij zijn gelaat naar den wand en bad tot Jahwe:\'
3      Och, Jahwe, gedenk toch, hoe ik getrouw en met een onverdeeld
hart voor uw aangezicht heb gewandeld en gedaan wat goed is in uw
4      oog! En Hizkia weende bitterlijk.\' Jezaja nu was het binnenhof nog
5      niet uit toen het woord van Jahwe tot hem kwam:\' Keer terug en
zeg aan Hizkia, den vorst mijns volks: Zoo spreekt Jahwe, de god van
uw vader David: Ik heb uw gebed gehoord, uwe tranen gezien. Zie,
ik zal u genezen; ten derden dage zult gij opgaan naar het huis van
Vs. 1—11. 2 Kron. XXXII:24; Jez. XXXVIII:1—8.
1. In die dagen. Blijkens de eerste woorden van vs. 6 viel deze ziekte in het veertiende jaar van
Hizkia\'s regeering (verg. XVIII: 2); derhalve in 712. Daarentegen bedoelt, blijkens het vervolg van
vg. 6, de schrijver van Koningen, wiens onjuiste berekening wij reeds XVIII: 13 vernamen (zie al-
daar), dat deze ziekte viel tijdens den inval van Sanherib; maar zie op vs. 12.
3.   Och — oog! Een vroege dood werd als straf voor goddeloosheid beschouwd; Hizkia nu vrat
nauwelijks veertig jaar oud (zie op vs. 1). — met een onverdeeld hart. Dezelfde uitdrukking 1 Kon.
VIII: 61; XI: 4; XV : 3, 14. — voor — gewandeld. Zie op Gen. XVII: 1.
4.   het binnenhof, volg. Gr. vert. en eene lezing van Hebr. t.; volg. eene andere lezing de midden-
ttad.
Welk gedeelte van den burg hiermede bedoeld wordt, weten wij niet; wij kennen alleen het
andere voothof,
waarin het paleis lag (1 Kon. VII: 8), en het groote voorhof (1 Kon. VII: 12), dat
al de koninklijke gebouwen en den tempel met zijn voorhof (het binnenste voorhof, 1 Kon. VI: 86)
omsloot.
5.  ten derden dage, na korten tijd; zie Hoz. VI: 2; Luc. XIII:32.
-ocr page 777-
857
2 KONINGEN XX : 5—13.
6       Jahwe.\' En ik zal vijftien jaren aan uw leven toevoegen, u en deze
stad uit de hand van Assurs koning redden, en ik zal deze stad
beschutten, om mijnentwil en ter wille van David, mijn knecht.\'
7       Voorts zeide Jezaja: Neemt een vijgenkoek, om dien op het gezwel te
8       leggen, opdat hij geneze.\' Hizkia zeide tot Jezaja: Wat is het teeken
dat Jahwe mij zal genezen en ik ten derden dage zal opgaan naar het
(J huis van Jahwe?\' Jezaja zeide: Dit zal u vanwege Jahwe het teeken
zijn dat Jahwe zal doen wat hij u heeft toegezegd: moet de schaduw
10       tien treden voortgaan, of moet zij tien treden teruggaan?\' Toen zeide
Hizkia: Het zegt weinig, of de schaduw tien treden neigt; neen, maar
11       de schaduw moet teruggaan, tien treden achterwaarts.\' Nu riep de
profeet Jezaja tot Jahwe, die de schaduw op de treden, zoover de zon
op de treden van Aha/, was gedaald, deed teruggaan, tien treden
achterwaarts.
12           Te dier tijd zond Merodach Baladan, de zoon van Baladan, de koning
van Babel, een brief met een geschenk aan Hizkia; want hij had ge-
13       hoord dat Hizkia ziek was geweest.\' En Hizkia verblijdde zich over
Vs. 13—19. Jez. XXXIX: 1—8.
0. En — toevoegen. Zulk cene nauwkeurige voorspelling met cijfers komt in cehtc profetieën niet
voor; ze is achterin», naar de uitkomst, aan Jezaja op de lippen gelegd; verg. op Jer. XXVIII: 10.
— ik — knecht. Zie op XIX: 34.
7. een vijgenkoek, een klomp samengeperste vijgen, niet alleen als smakelijk voedsel geliefd, 1 Sam.
XXV: 18; XXX: 12; 1 Kron. XII: 40, maar in de gansche oudheid ook als geneesmiddel gebruikt.
Intusschen is de bedoeling niet, dat de genezing het natuurlijk gevolg is geweest van het uitwendig
gebruik van vijgen; evenmin als het .Tordaanwatcr (V : 10) Naüman doet herstellen; de wondermncht
van Jahwe brengt die uitkomst te weeg, en het middel is van ondergeschikt belang. — om dien... te
leggen, opdat hij geneze,
ongeveer volg. Gr. en Syr. vertt.; verg. op Jez. XXXVIII: 21; Hebr. t. en
zij namen dien en legden dien... en hij genas.
— het gezwel. Kxod. IX: 9, 11 is het woord vertaald
uitslag; Deut. XXVIII: 27, 35 zweren.
8v. Verg. op Jez. VII: 11.
9.  Moet de schaduw... voortgaan, volg. Gr. vert.; Hebr. t. De schaduw is voortgegaan. Maar volgens
vs. 10 geeft Jezaja aan Hizkia de keus tusschen voorwaartsche of achterwaartsche beweging. — tien
treden.
Blijkbaar is hier sprake van een zonnewijzer (zie vs. 11). Hoe deze wns ingericht, weten wij
niet. Onze zonnewijzers waren in dien tijd onbekend. Niet onmogelijk dat het woord, met treden (el-
ders, Kxod. XX: 26; 1 Kon. X : 19 enz. trappen) vertaald, hier zou moeten luiden graden. Maar het
is ook mogelijk te denken aan cene op ecne hoogc, vrije plaats staande zuil of obelisk, tot welke men
opklom langs ooue trap van twintig treden, die naar beneden in breedte toenamen, zoo dnt de scha-
duw bij de eerste zonnestralen van den morgen op de laagste trede westwaarts viel, na cenigen tijd
éene trede hooger kwam enz., om na den middag op dezelfde wijzo op de trap oostwaarts te dalen en
bij de laatste zonnestralen van den avond de uiterste treden te treffen. Men neme hierbij in nanmor-
king, dat de verdeeling in urcu van den natuurlijken dag, van zonsopgang tot zonsondergang, voor
de Ballingschap bij de Israëlieten waarschijnlijk niet in gebruik was: een Hebrceuwsch woord voor
;uur\' is er in het O. T. niet. Zie verder op vs. 10. Zooveel alleeu is zekor, vooreerst, dat de schrijver
bedoelt een wonder te verhalen, zoodat wij niet aan eenc natuurlijke verklaring mogen denken; voorts,
dat Hizkia in die „treden van Ahaz" (vs. 11) cene inrichting bezat die in staat stelde om, door den
stand van de schaduw waar te nemen, den tijd van den dag te bepalen.
10.  Het schijnt wel dat op het oogenblik waarop Jezaja met Hizkia spreekt tien treden (graden?) het
uiterste punt van weerszijden is, dus tien tredeu oostwaarts het eind van den avond, tien treden
terug den middag aanwijst. In beide gevallen is het wonder even groot; maar in de schatting van
Hizkia is een versnelde voortgang veel minder vreemd dan een teruggang; vandaar zijn wensch. Het
wonder was tevens zinnebeeld van de toegezegde levensverlenging: Hizkia\'s dag neigde (vs. 1) ten
avond met zijne lange schaduwen (Ps. CII:12; CIX:23; OXLIV:4; Jer. VI: 4), maar keerde door
de goedheid van Jahwe als het ware tot den middag terug.
11.   de zon, ingevoegd volg. Syr. en \\ ram. vertt.; verg. Jez. XXXVIII: 8. — de treden van Ahaz.
Zie op vs. 9. Uit XVI: 10 weten wij dat deze koning goncigdheid ann den dag legde om buiton-
landscho kunst naar Jeruzalem over te planten. Misschien dankto daaraan ook deze zonnewijzer het
aanzijn. De zonnewijzer toch is door de Babyloniërs (Chaldecn) uitgevonden.
12.   Merodach, volg. cenigo hss., Gr. en Syr. vertt., Jez. XXXIX: 1 en de Assyrische berichten;
Hebr. t. Berodach. Verg. XXV: 27; Jer. L:8. Volgens die berichten regeordc hij van 722 tot 710
over Babel en is hij in 710 door Snrgon (zie op XVll: 5 en 0) overwonnen en gevangengenomen. —
want — geweest, dns tot gelukwensching. Anders 2 Kron. XXXII: 31. Indien de Joodschc geschied-
schrijver Josefus ons bericht goed heeft opgevat, was het te doen om een bondgenootschap tegen de
Assyriërs. Aldus krijgt ook het geschenk ecne bijzondere beteekenis, evenals aan Hizkia\'s zijde het
toonen van al zijne schatten en hulpmiddelen (vs. 13).
-ocr page 778-
858
2 koningen XX: 13—20.
die gezanten en liet hen zijn gansche voorraadhuis zien, het zilver en het
goud, het reukwerk en de treffelijke olie, zijn tuighuis en al wat zich in
zijne schatkamers hevond; er was in zijn paleis en in zijn gansche ge-
14       bied niets dat Hizkia hen niet liet zien.\' Toen kwam de profeet Jezaja
tot koning Hizkia en zeide tot hem: Wat hebben deze mannen gezegd,
en van waar komen zij tot u? Waarop Hizkia zeide: Uit een ver land
15       zijn zij tot mij gekomen, uit Babel.\' Hij zeide: Wat hebben zij in uw
paleis gezien? Hizkia zeide: Al wat in mijn paleis is hebben zij gezien;
16       in mijne schatkamers is niets dat ik hen niet heb laten zien.\' Toen
zeide Jezaja tot Hizkia: Hoor het woord van Jahwe der heirscharen:\'
17       Zie, de dagen komen, wanneer al wat in uw paleis is en wat uwe
vaderen tot op dezen dag hebben opgestapeld naar Babel zal gevoerd
18       worden, zonderdat iets wordt overgelaten, zegt Jahwe.\' En van uwe
zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij zult verwekken, zal men
nemen, en zij zullen kamerlingen zijn in het paleis van Babels koning.\'
19       Hierop zeide Hizkia tot Jezaja: Het woord van Jahwe dat gij gespro-
ken hebt is goed. Immers, zeide hij, als in mijne dagen vrede en
veiligheid mogen heerschen!
20           Het overige nu der geschiedenis van Hizkia, al zijne dappere daden,
en hoe hij den vijver en de waterleiding gemaakt en water in de stad
Vs. 20 v. 2 Kron. XXXII: 32 v.
13.   verblijdde zich, volg. eenige hss., Gr., Lat., Syr. vertt. en Jez. XXXIX: 2; Hebr. t. hoorde. —
die gezanten, duidclijkheidshnlve in pi. v. hen. — roorratu/huit, onzekere vertaling; wellicht reukicerk-
huit.
— Blijkbaar moet dit zijn voorgevallen voor hetgeen wij XVIII: 14—16 lezen. Zie ook vs. 17.
14.  tot mij, ingevoegd volg. Gr. vert. en Jez. XXXIX: 3.
16.  der heimeharen, ingevoegd volg. Gr. vert. en Jez. XXXIX: 5.
17.  Hier wordt de vervanging van de Assyrische door de Babylonische wereldmacht en de wegvoe-
ring van al de schatten van Juda\'s koningen door Nebucadresar voorspeld. Maar deze voorspelling
op Jezajn\'s lippen is zeker onhistorisch. Nergens in de godspraken van Jezaja eu zijne tijdgenootcn
iets van dien aard; steeds wordt van Assyric onheil verwacht en aangekondigd. Zij zou dan ook door
Hizkia en de toen levenden volstrekt niet begrc|icii zijn, dus haar doel hebben gemist. Dat er geen
sprake is van de Assyricrs, van wie Hizkia toch zooveel leed zou ondervinden, bewijst dat hier
werkelijk niet Jezaja aan het woord is, maar een schrijver die na 586 leefde, en bij dit verhaal
van de eerste aanraking der Judcërs met de Babylonicrs onwillekeurig Jcruznlems verwoesting voor
den geest had. Hij verraadt zich in vs. 19, door Hizkia uit de woorden van Jezaja te laten afleiden
dat de aangekondigde straf nog zeer lang zal uitblijven, ofschoon er in die woorden niets vun staat.
18.  Zie XXII :20«, en verg. 1 Kon. XI: 12; XXI: 29.
20. Het is zeer onzeker, op welke waterwerken in en bij Jeruzalem de schrijver het oog heeft.
Dat tegenwoordig en reeds sedert lang een groote wuterbak in het westelijk deel van Jeruzalem „de
vijver van Hizkia" heet bewijst niets. Aan gecne dier hcdcudaagschc benamingen ligt cene overlevering
ten grondslag. Waarschijnlijk wordt met den vijver en de iraterleidiiig gedoeld op een deel der water-
werken bij den tegciiwoordigeu Silwnnvijvcr, den ouden Siloah, aan den zuidelijken voet van den Sion.
Deze vijver is reeds vroeg door een tuimel verbonden geweest met „de Vrouwe Maria bron" — zoo-
als zij tegenwoordig heet — aan den oostelijken voet van den Sion, wellicht dezelfde als de Gihon;
zie op 1 Kon. 1: 33. Die tunnel is een der oudste bergwerken van deze soort. In Juni 1880 werd
daarin, vlak bij deu Silwauvijvcr, een opschrift ontdekt, het ecnige oud-Israclictischc dat wij nog heb-
ben, dat, met groote moeite afgeschreven en ontcijferd, in zes regels een bericht over de doorgraving
bleek te bevatten, waarin wordt verhaald, hoe de mijngravers, die te gelijk van het noorden en van
het zuiden nan het werk waren getogen, honderd el onder den begnucu grond op hetzelfde punt
samenkwamen, en het water straks door den tunnel twaalfhonderd cl van de bron in deu vijver
stroomde. Daar Jez. VII: 3; VIII: 6 reeds onder Ahaz van cene waterleiding en van het water van
Siloah gesproken wordt, is het onzeker, of daarmede, dun wel met de leiding die Hizkia maakte, die
tunnel bedoeld is. Wanneer nun Hizkia hier en 2 Kron. XXXII: 3 v., 30 wordt toegeschreven dnt hij
water in de stad gebracht eu de bronnen daarbuiten verstopt heeft, dan behoeft dit met het boven
beschreven werk niet samen te hangen. Om belegeraars aan wntergebrek te doen lijden en do belegerde
bevolking daarvoor te bewaren, was het van groot belang, binnen de stad ruime waterbakken te ver-
vaardigcu en te zorgen dat zij vol waren en gevoed werden. Onder den tempelberg nu zijn er van
reusachtige afmeting, en Sir. XLVIH:17 geeft Hizkia de eer der vervaardiging van dezulke. Waar-
schijnlijk doelen daarop de woorden van onzen tekst hij heeft watnr in de ttad gebracht. Maar een
gedeelte daarvan en van de er bij behoorende waterleidingen dagteekent zeker uit latere tijden. Ten
gevolge van de herhaalde verwoestingen en herbouwingen der stad verkeeren wij in het onzekere
omtrent de geschiedenis van al die waterwerken. Neh. 111:15 wordt een „vijver der waterleiding"
vermeld.
-ocr page 779-
859
2 KONINGEN XX : 20—XXI: 6.
gebracht heeft, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s
21 koningen.\' En Hizkia ging ter ruste bij zijne vaderen, en zijn zoon
Manasse werd koning in zijne plaats.
21. Verg. op 2 Kron. XXXII: 33.
HOOFDSTUK XXI.
Manasse en Amon. — Manasse, een goddeloos koning (1 v.), doet het hervormingswerk van zijn
vader te niet en voert allerlei afgoderij in (3—7a); waardoor Jahwe\'» beloften aan Israël verijdeld
worden (74—9). Jahwe doet daarom Jcruzalcms en Juda\'s ondergang aankondigen (10—15). Manasse\'s
bloedschuld cu zonden (16); besluit zijner regeering (17 v.). Amon treedt in de voetstappen van zijn
vader (19—22) en wordt omgebracht door samenzweerders (23); het volk doodt hen en plaatst Jozia
op den troon (21). Hcsluit van Amons regeeriug (25 v.).
Deze mededeeliugen, voor welker karighcid de ingevlochten beschouwingen ons niet schadeloos stel-
len, zijn van het standpunt der Dcuteronomische wet gegeven en blijkbaar van meer dnn éenc haud.
Inhoud, stijl en plaatsing van vs. 4, ten overvloede de vergelijking met vs. 7, bewijzen dat het een
later invoegscl is. Van het overige is vs. 1, althans de eerste helft van vs. 2, vs. 16—18, vs. 19 v.,
vs. 23—26 blijkbaar door ileu schrijver van Koningen gegeven naar zijn bekend plan; want wij vinden
hier, als gewoonlijk, de beknopte opgaven, de aauhaling vnn en de verwijzing naar de jaarboeken,
en wat dies meer zij. Vs. 10—15 is geschreven, wellicht voor een deel nonr cene oudere godspraak
(vs. 12—14), door den bewerker na den val van Jeruzalem; immers, terwijl zijn voorganger nog hopen
kon dat de zouden van Manasse door de hervorming van Jozia waren uitgewischt, dus ook het oordeel
was afgewond, zag hij het, bij het licht der uitkomst, anders in, beschouwde de verwoesting van
Jeruzalem en de wegvoering der Judecrs als het strafgericht voor die zware zouden en schreef deze
beschouwing hier, waar zij zijns inziens behoorde, neder. Aan wien vnn deze twee wij elk deel vnn
vs. 1—9 danken, is moeilijk te beslissen.
XXI: 1 Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde
2      vijf en vijftig jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Hefsibah.\' Hij
deed wat kwaad was in het oog van Jahwe, naar de afschuwelijke
praktijken der volken die Jahwe voor de Israëlieten uit had verdreven.\'
3      Hij herbouwde de hoogten die zijn vader Hizkia had vernield, richtte
altaren op voor den baal en maakte een gewijden boomstam, zooals
Achab, de koning van Israël, had gedaan, wierp zich voor het gansche
4      heir des hemels neder en diende het.\' En hij heeft altaren gebouwd
in het huis van Jahwe, waarvan Jahwe had gezegd: Te Jeruzalem zal
5      ik mijnen naam stellen.\' Hij bouwde altaren voor het gansche heir
6      des hemels in de beide voorhoven des tempels.\' En hij heeft zijn zoon
Vs. 1—10. 2 Kron. XXXIII: 1—10.
1.  vijf en vijftig jaar. Van 696 tot 642.
2.   Zie XVI: 3; XVII: 8 en verg. Dcut. XII: 31; XVIII: 9, 12. — Het oordeel in dit en de vol-
gende verzen over Manasse geveld wordt natuurlijk uitgesproken vnn het standpunt des verhalers;
wat niet wegneemt dat hij op het standpunt der hcidensche richting onder de Judecrs zelfs zeer gods-
dienstig was. Al heeft hij er niet aau gedacht, Jahwe, Isracls god, niet te vereeren, de vooral onder
Ezarhoddon (zie op XIX: 9) gebleken oppermacht <jer goden van Assyric, van welk rijk Juda onder
Manasse een onderdeel uitmaakte, bracht er toe, ook hen, de goden van de zon, mnau en sterren, te
aanbidden; waarbij de ouderwetsche vormen van den Jahwedienst, alsook de Haaldienst, het Moloch-
offer, tooverij en wichclarij enz. vanzelf herleefden.
3.   Hij — vernield. Zie iul. op XVIII: 1—12. — een gewijden óoomtlam, blijkens XXII1: t. 6,
in den tempel van Jahwe. Zie verder op Exod. XXXIV: 13. — zooal» — gedaan. Zie 1 Kon. XVI:
32 v. — het — hemeU. Verg. XXIII: 12; en «ie op Deut. IV: 19. Volg. vs. 5, XXIII: 4 en 11
geschiedde ook de verecring der hemellichamen in den tempel; verg. XXIII: 5; Jcr. VII: 30;
XXXII: 34; Kzcch. VIII. Men bracht dus op de eene of andere wijze verband tusschen Jahwe en
deze goden.
4.   En — gebouwd. Er staat niet, voor wien of wie; de bedoeling is zeker: voor de afgodeu. Na
va. 3 en vóór vs. 5 bevreemdt ons deze geheel overtollige medcdeeling. Ook blijkens den stijl is dit
vers een later invoegscl. — in — itellen. Zie vs. 7. — waarvan — tlellen. Zie 1 Kon. VIII: 29; IX: 3.
5.   Hij — hemelt. Wij verwachtten dit bericht na vs. 84 niet meer. — in — tempeli. Zie op 1 Kon.
VI: 36 en VII: 12.
-ocr page 780-
2 KONINGBN XXI: 6—17.
860
door vuur overgegeven, waarzeggerij en wicbelarij gepleegd, bezweer-
ders van onderaardsche geesten en van demonen aangesteld: hij heeft
veel gedaan dat kwaad was in het oog van Jahwe, om hem te
7       tergen.\' Hij zette liet Asjera-beeld dat hij had gemaakt in het huis
waarvan Jahwe tot David en zijn zoon had gezegd: In dit huis en te
Jeruzalem, dat ik uit al de stammen Israëls heb uitverkoren, zal ik
8       mijnen naam tot in eeuwigheid stellen,\' en nimmermeer zal ik Israëls
voet doen zwerven buiten den bodem dien ik hunnen vaderen gegeven
heb; indien zij slechts zorgen te doen al wat ik hun geboden heb,
naar de gansche wet die mijn knecht Mozes hun heeft voorgeschreven.\'
9       Maar zij hebben niet geluisterd; en Manasse deed hen afdwalen, zoodat
zij deden wat kwaad was in het oog van Jahwe, meer dan de volken
die Jahwe voor de Israëlieten uit had verdelgd.
10, 11 Toen sprak Jahwe door zijne dienaren de profeten:\' Omdat Manasse,
de koning van Juda, deze afschuwelijke dingen heeft bedreven, erger
dan al wat de Amorieten, die v(k»r hem in het land waren, gedaan
hebben, en ook Juda heeft doen zondigen door zijne schandgoden,\'
12       daarom, zoo zegt Jahwe, Israëls god: Ik g.v zulk een onheil brengen
over Jeruzalem en over Juda dat elk die het hoort de beide ooren
13       zullen tuiten:\' ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van iSamarië trek-
ken en het paslood van Achabs huis, en zal Jeruzalem uitwisschen
gelijk men een schotel uitwischt: men wischt dien uit en keert hem
14       om.\' Ik zal het overschot van mijn erve verstooten, hen geven in de
hand hunner vijanden, zoodat zij voor al hunne vijanden tot buit en
15       roof worden;\' omdat zij gedaan hebben wat kwaad was in mijn oog
en mij voortdurend tergden, van den dag af toen hunne vaderen uit
Egypte togen tot op heden.
16            Ook heeft Manasse zeer veel onschuldig bloed vergoten, totdat hij
er Jeruzalem boordevol van had gemaakt; behalve de andere zonden
welke hij Juda heeft doen bedrijven, doende wat kwaad was in het oog
van Jahwe.
17           Het overige nu der geschiedenis van Manasse, en al wat hij heeft
Vs. 17—25. 2 Kron. XXXIII: 18—25.
6.   En — overgegeven. Zie op XVI: 3. — waarzeggerij — aangesteld. Zie op Reut. XVIII: 10 v. —
hem, ingevoegd volg. zeer vele handschriften, alle oude vertt. en 2 Krou. XXXIII: 6.
7.  hel Asjera-beeld. Zie op 1 Kon. XV: 13. Misschien wordt hierop gedoeld Ezech. VIII : 3, 5; verg.
2 Kron. XXXIII: 7, 15. — In — stellen. Breedcr uitwerking van hetzelfde denkbeeld als vs. 4,
blijkbaar van cene andere hand.
8.  en — gegeven heb. Met het vast verblijf van Jahwe te Jeruzalem hing het vast verblijf van zijn
volk in Kanaiiii «innen. — naar — roorgesehreven. Jiedoeld wordt de wet in Deuteronomium; zie o. a.
Driit. VII: 4; VIII: 19 v. — In dit vers, evenals in vs. 9, 16, 17, zijn naar Gr. vort. kleine tekst-
veranderingen aangebracht.
9.  zij hebben niet geluülerrt. Zie XVII: 40a.
11.  de Amorieten. Zie op Gen. X: lil.
12—14. Waarschijnlijk zijn deze verzen, die zeer veel eigenaardigs behelzen — zie vooral de alleen
hier voorkomende beeldspraak vs. ISA — overgenomen uit eene godspraak van dien tijd of later.
12.  dat elk — luiten, de indruk van een ontzettend ongeluk; zie 1 Sam. 111:11; Jer. XIX: 3.
13.   Verg. Jez. XXVIII :17a; XXXIV:11«; Klaagl. 11:8; Dan. V:26v.; Am. VII: 7 v. — ik
zal
— trekken, il. i. Jeruzalem verwoesten, evenals Samarië verwoest is. Het beeld dat volgt, en het
potlood van Achabs huil,
moet iets dergelijks beteekenen, maar is minder gepast, daar het hier stad
en land geldt en niet eene familie; eene vergelijking van Davids huis met dat van Achab lag zeker
niet in des schrijvers bedoeling.
14.  mijn erve, het volk Israël. — buit en roof. Zie Jez. XLII:22; Jer. XXX : 16 enz.
16. onschuldig bloed. Verg. XXIV : 4. — Waarschijnlijk wordt gedoeld op ijveraars voor Jahwe die
hun verzet tegen de maatregelen des konings betreffende den godsdienst met den dood moesten bekoo-
pen. Manasse was uit den aard der zaak verdraagzaam; maar hij kon als koning bezwaarlijk dulden
dat die ijveraars met alle middelen zijn beleid in zake van godsdienst bestreden. Volgens eene latere,
ongeloofwaardige overlevering, waarop wellicht Hebr. XI: 37 gezinspeeld wordt, zou Manasse Jezaja
op hoogen ouderdom hebben doen middendoorzagen.
-ocr page 781-
2 KONINGBN XXI: 17—26.                                 861
gedaan, en de zonden die hij heeft bedreven, zijn beschreven in het
18      boek der kronieken van Juda\'s koningen.\' En Manasse ging ter ruste
bij zijne vaderen en werd in den tuin van zijn paleis, den tuin van
Uzza, begraven; en zijn zoon Amon werd koning in zijne plaats.
19          Amon was twee en twintig jaar oud toen hij koning werd, en hij
regeerde twee jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Mesjullemeth,
20      de dochter van Harus, uit Jotba.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
21       van Jahwe, evenals zijn vader Manasse gedaan had;\' hij bewandelde
den gansenen weg dien zijn vader bewandeld had, diende de schand-
22      goden die zijn vader had gediend en wierp zich voor hen neder;\' hij
verliet Jahwe, den god zijner vaderen, en wandelde niet op den weg
23      van Jahwe.\' J)e dienaars van Amon nu maakten eene samenzwering
24      tegen hem en doodden den koning in zijn paleis.\' Daarop versloeg het
volk des lands al de samenzweerders tegen koning Amon en maakte
zijn zoon Jozia koning in zijne plaats.
25          Het overige nu der geschiedenis van Amon, wat hij heeft gedaan,
26      is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\' Men
begroef hem in zijn graf, in den tuin van Uzza; en zijn zoon Jozia
werd koning in zijne plaats.
17.   al — gedaan. Verg. 2 Kron. XXXIII: 14. — en de zonden die hij heeft bedreven. Natuurlijk
stonden de maatregelen eens kouings met betrekking tot den godsdienst mede in de rijksjaarboekeu
vermeld, doeb — dit spreekt vanzelf — niet als zonden, maar als roemrijke daden van bestuur.
18.   de» tuin van Uzza. Zie vs. 26 en XXIV :0. Zoowel de persoon als de plaats zijn ons onbekend.
Daar van Ilizkia af het bijzetten „bij zijne vaderen" niet meer wordt vermeld, was wellicht het fn-
miliegraf van Judu\'s koningen vol; zoódat elders eene nieuwe begraafplaats werd gemaakt en
gebruikt.
19.   twee jaar. Van 611 tot 610. — Jotba, van elders onbekend.
24. het volk des lands. Wat hier en XXIII: 30 met deze uitdrukking wordt bedoeld, is twijfclach-
tig; waarschijnlijk hetzelfde als XIV: 21 met het volk van Juda. Het handelend optreden van het
volk — vertegenwoordigd door zijne oudsten? — beoogde en bewerkte vermoedelijk eene afwijking
van de gewone orde van opvolging. Althans was Joahaz, dien het volk des lands koning maakte
(XXIII: 30), jonger dan Jojakim (XXIII: 36) en dus niet de aangewezen upvolgcr van Jozia.
26. Men, volg. hss., Gr., Lat. en Syr. vertt.; Hebr. t. Hij, — in den tuin van Uzza. Zie op vs. 18.
HOOFDSTUK XXII: 1—XXIII: 30.
Jozia. — Jozia, een zeer vroom koning (XXII: 1 v.). In zijn achttiende regeeringsjaar heeft op zijn
last eene vernieuwing van den tempel plaats (3—7). Hij die gelegenheid doet de priester het in den
tempel gevonden wetboek den koning ter hand stellen (8—10a), die, over den inhoud zeer verschrikt
(104, 11), door een aanzienlijk gezantschap Jahwe laat raadplegen (12 v.). De profetcs Hulda antwoordt
dat het strafgericht zeker zal komen (14—17), maar Jozia, tot loon zijner goede gezindheid, het niet
zal beleven (18—20u). Na dit antwoord ontvangen te hebben (20i), gaat de koning met zijn volk op
naar den tempel (XXIII : 1, 2a) en Iaat het wetboek voorlezen (26); waarop allen zich verbinden tot
stipte gehoorzaamheid (3). Thans wordt de tempel van de afgodische voorwerpen gezuiverd (1), worden
de afgodische priesters in Juda afgezet (5), de gewijdo boomstam van den tempel verbrand (6), de
huizen der gewijden aldaar vernield (7), de hoogten van Juda en Jeruzalem verontreinigd, en de
Levietische Jnhwepricsters van daar overgebracht naar de tempclstad (8 v.), het tofeth onbruikbaar ge-
maakt (10), de paarden en wagens van den zonnegod weggedaan (11), alsmede de altaren ter vereeriug
van de hemellichamen (12); ook de heiligdommen van Salomo op den Olijfberg voor de goden der
naburige volkeu (13 v.) eu dat van Jerobeam te Bethel voor Jahwe vernield (15). Te Bethel ziet Jozia
hot graf van den Judecschen godsman die voor meer dan drie eeuwen dit alles had voorspeld, en ge-
biedt zijn gebeente te sparen; waardoor het gebeente van den ouden profeet te Bethel mede onaange-
roerd blijft (16—18); na ook de hoogtetempcls in de steden van Samaric verontreinigd en de priesters
gedood te hebben, keert Jozia naar Jeruzalem terug (19 v.). Hier wordt op zijn last het pascha zoo
gevierd als in geen eeuwen was geschied (21—23). Ook andere heidensche personen en zaken roeit
hij uit (24), trouwer aan de wet dan cenig koning voor hem en na hem (25); doch het strafgericht
ovor Juda en Jeruzalem is onherroepelijk (26 v.). Besluit van zijne regeering (28); de koning van
Egypte, op zijn tocht naar Assyrië door Jozia aangevallen, doodt hem (29); hij wordt naar Jeruzalem
vervoerd, hier begraven en door zijn zoon Joahaz opgevolgd (30).
-ocr page 782-
2 KONINGEN XXII: 1-12.
862
Het begin en eiud (zie XXII: 1; XXIII: 29 v.) is weilcr door den schrijver van Koningen op
de gewone wij/c (/.ie XXII: 2) aan de gewone brun (XXIII: 28) ontleend en uitermate schraal.
Maar die schrijver heeft ons een kostelijk verhaal bewaard over cene der merkwaardigste gebeurtc-
nissen in de geschiedenis van Israels godsdienst: de hervorming van Jozia (zie inl. op Deuterouomium).
Dit verhaal (XXII: 3—XXIII: 21) betreft wel ceue gebeurtenis die in zijne dagen, althans zeer kort
geleden, had plaats gegrepen, maar is toch niet van zijne hand; de steller was over het geheel goed
onderricht. Blijkbaar werd het geschreven, en door hem opgenomen, in de vaste overtuiging dat Jozia\'s
hervormiug het voortbestaan van Juda, Jeruzalem en den tempel waarborgde. Het heeft betrekkelijk
weinig geleden eer het tot ons kwam. De voornaamste schade die het ondervond is, dat het oorspron-
kelijke orakel van llulda door den schrijver van Koningen die ook het slot toevoegde (XXIII: 25—27),
naar de treurige uitkomst door een auder vervangen is (zie op XXII: 15—20). Later toegevoegd is
XXIII: 16—20.
XXII: 1 Jozia was acht jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde een
en dertig jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Jedida, de dochter
2       van Adaja, uit Hoskath.\' Hij deed wat recht was in het oog van
Jahwe en bewandelde den gansenen weg van zijn vader David, zonder
af te wijken ter rechter- of ter linkerhand.
3           In het achttiende jaar nu van Jozia\'s regeering zond de koning
den schrijver Hjafan, den zoon van Asalja, den zoon van Mesjullam,
4       naar liet huis van Jahwe, met den last:\' Ga naar den hoogepriester
Hilkia, en laat hij het geld dat in den tempel gebracht is, hetwelk
5       de dorpelwachters hebben ingezameld van het volk, uitstorten\' en het
aan de opzichters van de werklieden in het huis van Jahwe ter hand
stellen. Dezen moesten het dan geven aan de werklieden die in den
6       tempel waren, om de breuken des tempels te herstellen:\' aan de tim-
merlieden, de bouwmeesters en de metselaars, en tot aankoop van hout
7       en gehouwen steen, om den tempel te herstellen.\' Doch er werd geen
afrekening met hen gehouden van het geld dat hun ter hand was ge-
steld; maar zij handelden op goed vertrouwen.
8           Toen zeide de hoogepriester Hilkia tot den schrijver Hjafan: Ik heb
in het huis van Jahwe het boek der wet gevonden. En Hilkia gaf
9       het boek aan Hjafan, die het las.\' De schrijver Hjafan nu, bij den
koning komende, bracht den koning bescheid en zeide: Uwe dienaren
hebben het geld dat zich in den tempel bevond uitgestort en aan de
opzichters van de werklieden in het huis van Jahwe ter hand gesteld.\'
10      Voorts verhaalde de schrijver Hjafan den koning: De priester Hilkia
11       heeft mij een boek gegeven. En Hjafan las het den koning voor.\' Toen
nu de koning de woorden van het boek der wet hoorde, scheurde hij
12       zijne kleederen. \' En de koning gaf den priester Hilkia, Ahikam, den
zoon van Hjafan, Achbor, den zoon van Michaja, den schrijver Hjafan
V». la, 2. 2 Kron. XXXIV: 1 v. — Vs. 3—XXIII: S. 2 Kron. XXXIV: 8—31.
I.  een en dertig jaar. Van 039 tot 009. Verg. Jer. XXV : 1, 3. — Boikalh, eenc stad in Juda, van
onbekende ligging; verg. Joz. XV : 39.
3—T. lil het hier verhaalde mag worden afgeleid dat Jozia reeds vóór zijne hervonning van den
godsdienst blijken van zijne belangstelling in de Jahweverecring, met name in het tempelgebouw,
heeft gegeven. Verg. XII: 4—10.
4.  hoogeprirtter. Zoo ook vs. 8; XXIII: 4; een titel, eerst na Kzra gegeven. Daarentegen staat vs. 10,
12, 14; XXIII: 24 prietter. Zie op XII: 10. — dorpelicaehtert. Zie op XXIII: 4. — uilttorlen (nl.
uit de offerkist), volg. bijna alle oude vertt.; Hebr. t. voleindigen.
5.    liezen. Hier gaat de last des kouings onmerkbaar over in eene nadere verklaring van den
schrijver.
8. hel toet der teel. Dit is hier Deuterouomium in zijn oorspronkelijken vorm. Zie inl. op
DeuteronomiuM.
II.  ichetirde hij zijne kleederen, van rouw en schrik, omdat de godsdienstige toestand in menig op-
zicht in strijd was met de eischen van het wetboek; zoodat de daarin gedreigde straffen te duchten
waren. Jozia twijfelt niet, of hij heeft inderdaad de wet van Mozes hooren voorlezen.
12. Ahikam. Deze komt Jer. XXVI: 24 als Jeremia\'s beschermer voor; zie aldaar. Ook met twee
-ocr page 783-
863
2 KONINGEN XXII : 12—XXIII : 3.
13       en den dienaar des konings Azaja in last:\' Gaat Jahwe voor mij,
het volk en gansch Juda raadplegen over de woorden van dit boek
dat gevonden is; want groot is Jahwe\'s gramschap, die tegen ons is
ontbrand, omdat onze vaderen niet hebben geluisterd naar de woorden
van dit boek, om naar al wat daarin geschreven is te doen.
14           Zoo gingen de priester Hilkia, Aliikam, Achbor, fSjafan en Azaja naar
de profetes Hulda, de vrouw van den kleederbewaarder Sjallum, den
zoon van Tikwa, den zoon van Harhas — zij woonde te Jeruzalem, in
15       de Voorstad — en spraken tot haar.\' Zij zeide tot hen: Zoo spreekt
10 Jahwe, Israëls god: Zegt den man die u tot mij gezonden heeft:\' Zoo
spreekt Jahwe: Ik ga onheil brengen over deze plaats en hare inwo-
17       ners, al de woorden des boeks dat Juda\'s koning gelezen beeft.\' Hunkit
zij mij verzaakt en aan andere goden geofferd hebben, ten einde mij
te tergen met al liet maaksel hunner handen, zoo zal mijne gramschap
18       tegen deze plaats ontbranden en niet uitgebluscht worden.\' Maar tot
den koning van Juda, die u gezonden heeft om Jahwe te raadplegen,
tot hem zult gij aldus zeggen: Zoo spreekt Jahwe, Israëls god: Wat
19       hetreft de woorden die gij hebt gehoord,\' zie, omdat uw hart week is
geworden en gij u voor Jahwe vernederd hebt, toen gij hoordet wat
ik tegen deze plaats en hare inwoners heb gezegd: dat zij tot eene
verwoesting en verwensching zal worden, en gij uwe kleederen gescheurd
en voor mijn aangezicht geweend hebt — zoo heb ook ik gehoord,
20       spreekt Jahwe.\' Daarom zal ik u tot uwe vaderen vergaderen, en gij
zult in uw graf worden opgenomen in vrede, en uwe oogen zullen al
het onheil niet aanschouwen dat ik over deze plaats en hare inwoners
breng. En zij brachten den koning bescheid.
XXIII: 1 Toen zond de koning boden en verzamelde tot zich al de oudsten
2       van Juda en Jeruzalem.\' En de koning ging op naar het huis van
Jahwe, de mannen van Juda en al de inwoners van Jeruzalem met
hem, alsmede de priesters en de profeten, en het gansche volk, van
den kleinste af tot den grootste toe; en hij las hun al de woorden
voor van liet boek des verbonds, dat in den tempel gevonden was.\'
3       Daarna ging de koning bij de zuil staan en sloot vóór Jahwe het
verbond, dat zij Jahwe zouden volgen en zijne geboden, voorschriften
andore zonen van Sjafan, Eleaza en Oemarja, staat genoemde profeet op goeden voet, Jer. XXIX: 3;
XXXVI: 10—26. — Achbor. Dczo komt nog Jer. XXXVI: 12 voor, als vader van Klnathan, een dor
Judecscbc vorsten (verg. op Jer. XXVI: 22). — den dienaar de» konings. Welke betrekking aan het
hof hiermede wordt aangeduid, wcteu wij niet.
13.  daarin, volg. hss., Or. vert. en 2 Kron. XXXIV: 21; Hcbr. t. over ons.
14.  den kleederbewaarder, opzichter, hetzij van de koninklijke kleerkamer in het palcis, hetzij van
de priesterlijke iu den tempel. — de l\'oorstatl, letterlijk de tweede stad; verg. Sef. I: Hl. Welk gc-
deelte van het oude Jeruzalem hiermede bedoeld wordt, is niet zeker.
15—20. Wij mogen gerust aannemen dat deze profetie eerst achterna, toen het gebleken was dat
de doortastende maatregelen vau Jozia toch den ondergang van Juda niet hadden mogen keeren, aan
Hulda is op de lippen gelegd. Zoowel het doortasten van Jozia als de stemming die sedert bij de
meerderheid der profeten te Jeruzalem heerschte (zie inl. op Jeremia) bewijst dat de koning cu zijne
raadslieden zich van de invoering der wet en van het hervormingswerk de schoonste vruchten voor
volk en land beloofden; in dien geest zal dus ook Hulda hebben gesproken.
17. het maaksel hunner handen, de afgoden; verg. Deut. IV: 28; XXXI: 29 ; 1 Kon. XVI: 7.
19.  zie, duidclijkheidshalve ingevoegd. — (lat — worden. Verg. Jer. XLIV:22. Jeruzalems lot zal
zóo ellendig zijn dat wie eene stad wil vervloeken haar dat lot zal toewenscheu. Het tegendeel Gen.
XII: 2 en elders; zie op Gen. XII: 3.
20.  en hare inwoners, ingevoegd volg. Gr. vert. en 2 Kron. XXXIV: 28.
1.  boden, duidelijkheidshalve ingevoegd. — verzamelde tot zich, volg. Gr. vert. en 2 Kron. XXXIV:
29; Hebr. t. men verzamelde tot hem.
2.   hij las... voor, of hij liet... voorlezen. — het boek des verbonds. Zoo heet het wetboek, omdat die
wet den grondslag vormde van het tusseben Jahwe en Israël gesloten verbond.
8. bij de zuil, de voor den koning aangewezen standplaats, vermoedelijk aan den ingang van het
voorportaal des tempels. Verg. op XI: 14. — sloot — verbond, ging onder aanroeping van Jahwe en
-ocr page 784-
2 KONINGEN XXIII : 3 —9.
864
en inzettingen met hart en ziel onderhouden, om de woorden van het
verbond die in dit boek geschreven stonden gestand te doen. En het
gansche volk trad tot het verbond toe.
4           Daarop gelastte de koning den hoogepriester Hilkia, den plaatsver-
vangenden priester en de dorpelwachters, al de voorwerpen, voor den baal,
voor den gewijden boomstam en voor het gansche lieir des hemels ge-
maakt, uit den tempel van Jahwe te verwijderen; waarna hij dien
huiten Jeruzalem in de velden van den Kidron verbrandde; en hij
5       droeg het stol\' er van naar Bethel.\' En hij zette de altaardienaars af
die de koningen van Juda hadden aangesteld om op de hoogten in de
steden van Juda en den omtrek van Jeruzalem te offeren, mitsgaders
hen die offerden voor den baal, voor de zon, de maan, de sterren-
0 beelden en het gansche heir des hemels.\' Hij verwijderde den gewijden
boomstam uit het huis van Jahwe naar buiten Jeruzalem, naar het dal
Kidron, verbrandde hem in het dal Kidron, vergruisde hem tot stof,
7       en wierp dat stof op de gemeene begraafplaats.\' Hij brak de huizen
af der gewijde mannen in het huis van Jahwe, waar de vrouwen
8       kleeden weefden voor den gewijden boomstam.\' Hij deed al de pries-
ters uit de steden van Juda komen en verontreinigde de hoogten waar
de priesters het offer hadden ontstoken, van Greba af tot Bersjeba toe.
Ook brak hij de hoogte der portiers af, aan den ingang der poort van
Jozua, den overste der stad, die gelegen was aan de linkerzijde van
9       wie de stadspoort binnenkwam.\' Doch de hoogtepriesters mochten het
altaar van Jahwe te Jeruzalem niet beklimmen; maar zij kregen hun
nis in zijne tegenwoordigheid de verbintenis aan. — En — toe, aanvaardde de verbintenis. Het ge-
vonden wetboek, dus nis rijkswet afgekondigd en erkend, verkreeg daarmede gezag.
4.   den plaalsvervangenden priester, den vice-hoogepricster, volg. de Aram. vert., XXV: 18; Jer.
Lil: 24; Hebr. t. heeft het meervoud. — de dorpelwachters, volg. XII: 9 zelvcn priesters; verg.
XXII: 4; Jer. XXXV:4. Volgens XXV: IS waren zij drie in getal. — al de voorwerpen, al het ge-
reedschn]), de gewijde zaken, bij het otteren en voor den gansenen dienst der afgoden bcnoodigd. —
den gewijden boomstam, of de Asjera. Vak vs. 6 cu 7, en op XXI: 7. — het gansche heir des hemels.
Zie op XXI: 3. — Kidron. Zie op 1 Kon. 11:37; verg. Jer. XXXI: 40. — en hij — Bethel. Waar-
toe deze noodclooze moeite? Hethcl ligt vier uur van JeruzalemI Uok van den iuhoud afgezien, wijst
de stijl nau dut deze wuordcu ecu jonger toevoegsel ziju, waarschijnlijk ingegeven door afkeer van
Bethel, als den hoofdzetel van den ouwettigcu Juhwedicnst.
5.   Ook dit vers, dat het verband tusschcu vs. 4 en 0 v. verbreekt en ons op eens buiten Jeruza-
lem verplaatst, is van jongere hand. — altaardienaars, een ongewoon woord voor priesters, dat ook
Hoz. X:5 en Scf. 1:4 voorkomt. — om... te offeren; volg. Lat., Aram., Syr. vertt.; Hebr. t. M hij
offerde.
— de koningen van Juda. Ook vs. 11. Deze algemcene opgaaf heeft iets bevreemdend». Wij
denken aan Ahaz, Mnnasse en Amon. — de sterrenbeelden, misschien bepaaldelijk do twaalf trekenen
van den dierenriem; volgens nudcreu de planeten.
fi. den gewijden boomstam. Zie op vs. 4 en verg. vs. 7; ook XXI : 3. — de gemeene begraafplaats,
een onrein oord. Verg. Jer. XXVI: 23.
7.   der gewijde mannen. Zie op Dcut. XXIII: 17. — kleeden, of spreien (1 Kon. 1:1), volg. Gr. en
Syr. vertt.; Hebr. t. huizen. — den gewijden boomslam, of de Atjera. Zie op vs. 4.
8.   Hij — komen. Hij dwong al de Jahwepriesters die op de hoogten in de verschillende steden
van Juda dienst deden zich naar Jeruzalem te verplaatsen. Zie vs. 0. — Celui, of Gibea. Zie op Joz.
XVIII: 24; de noordelijkste stad vau Juda, welks zuidelijkste Hcrsjcbn wns. — Bersjeba. Zie inl. op
Gen. XXVI: 1—33. — Ook — binnenkwam, invocgsel dat het verband tusschen vs. 8a en 9 ver-
breekt. Zie op vs. 4. — de hoogte der portiers, volgens andere klinkers; Hebr. t. de hoogten der
poorten,
wat niet past, want er is slechts van éene poort sprake. Hoe het kwam dat de wachters van
die poort cenc eigene hoogte hndden is ons evenzeer onbekend als waar de poort van Jozua lag, wie
deze Jozua was en welke stadspoort bedoeld wordt. Intusschen doet deze mcdrdecling zich voor als
uit betrouwbare bron gevloeid. — binnenkwam, ingevoegd uit Gr. en Aram. vertt.
9.   Dit vers sluit zich aan bij het eerste gedeelte vau vs. 8. — kregen hun deel van de spijzen,
letterlijk alen deelen, volg. verb. t.; Hebr. t. aten ongezuurd brood. Maar de priesterlijke inkomsten
bestonden slechts voor een gering gedeelte uit ongezuurde brooden; en de bedoeling is, dat de naar
Jeruzalem overgebrachte hoogtcpricsters, hoewel voortaan onbevoegd geacht te offeren, toch hun aan-
deel aau die inkomsten ontvingen, waarvoor zij waarschijnlijk ondergeschikte werkzaamheden moesten
verrichten. Verg. over dezen maatregel Deut. XVIII:6—8 en de inl. op Deut. XVI11 : 1—8; ook
Kzech. XLIV : 10—10. — in — broederen, d. i. der Jeruzalemschc priesters. Hierin ligt opgesloten dat
de hoogtepriesters niet hen een geslacht uitmaakten, d. i. insgelijks Levieten wurcu.
-ocr page 785-
865
2 KONINGEN XXIII: 9— lti.
10       deel van de spijzen in het midden hunner hroederen.\' En hij heeft
het tofeth in liet dal van den zoon Uinnoms verontreinigd; opdat
niemand zijn zoon en dochter den Moloch door vuur zou overgeven.\'
11       Voorts deed hij de paarden weg die de koningen van Juda ter eere
van de zon hadden gezet aan den ingang van het huis van Jahwe die
voerde naar de kamer van den kamerling Nethanrnelech, in de Par-
12       wars; en den zonnewagen verbrandde hij.\' Ook de altaren op liet dak
der opperzaal van Ahaz, die de koningen van Juda gemaakt hadden,
benevens de altaren die Manasse in de beide voorhoven des tempels
had gemaakt, heeft de koning omvergeworpen en er af gehaald; en
13       hij heeft het stof in de beek Kidron geworpen.\' De hoogten tegen-
over Jeruzalem aan de zuidzijde van den Olijfberg, die Salomo, de
koning van Israël, had gebouwd voor Astarte, den gruwel der tSido-
niërs, voor Kamos, den gruwel van Moab, en voor Milkom, het ver-
14       foeisel der Amraonieten, verontreinigde de koning.\' Hij heeft de wij-
steenen verbrijzeld en de gewijde boomstammen uitgeroeid; en hij
15       strooide de plaats vol menschenbeenderen.\' Ook het altaar te Bethel
en de hoogte welke Jerobeam, de zoon van Nebat, had gemaakt, waar-
mede deze Israël had doen zondigen, ook dat altaar en de hoogte wierp
hij omver en verbrijzelde de steenen, ze vergruizende tot stof; en hij
verbrandde een gewijden boomstam.
16           Jozia nu wendde zich om, en toen hij de graven die daar in den
10.   Invocgscl; wij zijn vs. 11 nog altoos met den tempel bezig. — Over het kiudcroffer zie op
Lev. XVIII: 21. — tofeth. Wij hebben over de inriehting dezer offcrplaats, welker naam ,brandplaats\'
bcteekent, geen betrouwbare overlevering. Zie echter op Jez. XXX : 33, .Ier. VII: 31 v. en XIX: 6. —
hel dal van den zoon llinnoms begrensde Jeruzalem ten zuiden. Zie op Joz. XV: 8.
11.   ter eere vau de zitn. Bij omgangen tot eer van den zonnegod reed zijn beeld in een wagen, met
prachtige paarden bespannen. Bijzonderheden omtrent deze godsdicnstplechtighcid onder Israël zijn ons
onbekend. — aan dm ingang van, volg. alle oude vertt.; liebr. t. van in te gaan in. — kamer. Het
woord komt meermalen voor, ter aanduiding van woningen of zalen, in ecu der voorhoven des tem-
pels, vooral bij ccue der poorten, gebouwd, hetzij voor het bewaren van kostbaarheden, gereedschap-
pen, offergaven, hetzij tot woonplaats, of rustplaats, voor priesters, Levieten, portiers en voorname
burgers, hetzij als eetzalen voor de offermaaltijden, ook der leckcn. Zie o. a. Kzra X:0; Nch. XIII:
4—!>; Jer. XXXV:2, i; XXXVI: 10 en op Ezech. XL: 17. — Nethanmelech, vau elders oubekeud.
— de Paricars, waarschijnlijk een aanbouw aan de westzijde des tempels; zie 1 Krou. XXVI: 18, waar
de plaats het Parhar heet. — den zonneaagen, volg. Gr. vert.; liebr. t. heeft het meervoud.
12.    Ook de altaren, waarschijnlijk opgericht voor „al het hcir des hemels". — op hel dak, van
waar men vrij tot de sterren kon opzien; verg. .Ier. XIX: 13; XXXII:2\'J; Scf. 1:5. — Ahaz. Deze
zal dus reeds de hemellichamen hebben vereerd, doch, naar het schijnt, in zijn paleis, niet iu den
tempel; dit deed eerst Manasse. Anderen zoeken dé opperzaal eau Aha: ergens in de voorhoven,
boven „den ingang des konings" (zie XVI: 18). — die de koningen van Juda gemaakt hadden,
weder dezelfde zonderlinge opgave als vs. 5. — die Mana»se — gemaakt. Zie op XXI : 5. -- en
er afgehaald,
volgens andere klinkers; liebr. t. en hij liep van duur. — en hij heeft — geworpen,
weder ecu invocgscl.
13.    Zie op 1 Kon. XI: 5 en 7. — den Olijfberg, volgens andere kliukers. liebr. t. laat het woord
door Oljf vertaald zoo uitspreken dat het ,verderver\' bcteekent, zeker om de plaats te brandmerken.
Daar de Lat. vert. het door .ergernis\' weergeeft, heet de zuidelijkste der drie toppen vuu den Olijf-
berg, althans sedert de 13de eeuw, „de berg der ergernis".
14.   Hij — uitgeroeid, invoegsel. liet tweede gedeelte van dit vers sluit zich onmiddellijk bij vs. 13
aan. — de plaats, die vau do afgodische hoogten of hoogtctempcls vs. 13. — vol inensetienbeeudiren,
hot meest onreine en verontreinigende in de schatting der Israëlieten; verg. inl. op Nam. XIX.
15.    Ook — gemaakt. Al wns het koninklijk heiligdom te Bethel (Am. Vil: 13) bij de verwoesting
des lnnds door de Assyriers ondergegaan, de plek was even heilig, cenc veel bezochte olferpInaU en
het brandpunt van den Jnhwedieust in die streken gebleven (zie XVII: 28). Het geheel heet de
hoogte,
waarvan het altaar het middelpunt uitmaakte. — en (na te Bethel), ingevoegd uit Lat. eu
Syr. vertt. — en verbrijzelde de steenen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en verbrandde de hoogte. — Dat
Jozia aldus te Uethel als heerscher zich deed gelden was wellicht mogelijk geworden door het ver-
val der Assyrischc macht na den dood vau Assurbanipal (BBS—020). Verg. op v». 29. — en hij
verbrandde een geieijden boomstam,
invocgscl.
10—20. Deze verzen zijn blijkbaar ingevoegd door den schrijver vau 1 Kon. XIII, of althans naar
dat verhaal. De man die ze neerschreef meende zeker dat de hoogtepricsters iu het voormalig rijk
Kfraiin veel strenger moesten behandeld zijn dan die iu Juda (vs. 8 v.), omdat zij volg. XVII: 32; 1
Kon. XII: 31; XIII: 33 niet uit den stam Levi waren.
O. T. I.
.",
-ocr page 786-
866                                   2 koningen XXIII: i6—27.
berg waren zag, liet hij de beenderen uit de graven halen, verbrandde
ze op het altaar en verontreinigde dit, naar het woord van Jahwe
dat de godsrnan haii uitgeroepen, toen Jerobeani op het feest bij het
altaar stond. Kn Jozia, zicli omwendende en de oogen opheffende naar
17       het graf van den godsman die deze dingen uitgeroepen had,\' zeide:
Wat is dat voor een grafsteen dien ik daar zie/ Waarop de lieden
der stad tot hem zeiden: Dat is het graf van den godsman die uit
Juda kwam en tegen het altaar van Bethel heeft uitgeroepen wat gij
18       nu hebt gedaan.\' Toen zeide hij: Laat hem met rust; niemand roere
zijn gebeente aan. Zoo ontkwam het gebeente van den ouden profeet
die te Bethel woonde, met het gebeente van den godsman die uit
Juda gekomen was en al wat Jozia gedaan heeft had uitgeroepen.\'
19       Ook al de hoogtetempels in de steden van Hamarië, die de koningen
van Israël hadden gemaakt, om Jahwe te tergen, schafte Jozia af; hij
20       handelde er mede geheel zooals hij te Bethel had gehandeld;\' en hij
slachtte o]) de altaren al de hoogtepriesters die daar waren, en ver-
brandde er menschenbeenderen op. Toen keerde hij naar Jeruzalem terug.
21            Daarop gelastte de koning het gansche volk: Viert pascha voor Jahwe,
uwen god, naar hetgeen in dit boek des verbonds geschreven staat.\'
22       Immers, zulk een pascha was niet gevierd van den tijd der richters af
die Israël hadden bestuurd, en gedurende al den tijd der koningen van
2!3 Israël en van Juda.\' Maar in het achttiende jaar van koning Jozia is
dit pascha ter eere van Jahwe te Jeruzalem gevierd.
24           Ook hen die onderaardsche geesten en die demonen ondervraagden,
de huisgoden en de schandgoden, en al de gruwelijke voorwerpen die
in het land Juda en te Jeruzalem gezien werden, heeft Jozia wegge-
vaagd, om de woorden der wet, geschreven in het boek dat de priester
25       Hilkia in den tempel gevonden had, gestand te doen.\' Gelijk bij was
er geen koning vóór hem geweest, die zich met zijn gansche hart en
met zijne gansche ziel en met zijne gansche kracht tot Jahwe had be-
keerd, naar de gansche wet van Mozes, en na hem is zijns gelijke niet
20 opgestaan.\' Nochtans kwam Jahwe niet terug van de groote hitte zijns
toorns, die blaakte tegen Juda, om al de tergingen waarmede hem
27 Manasse getergd had;\' en Jahwe zeide: Ook Juda zal ik uit mijne
oogen wegdoen, gelijk ik Israël heb weggedaan, en deze stad, die ik
V». 22 v. 2 Kron. XXXV : 18 v.
10. verbrandde — dit. Maar het altaar was reeds omvergehaald en tot stof vergruisd (vs. 15), kon
ilns niet neet gebruikt of verontreinigd worden. Dat Jozia de hoogtcpricsters van liethei op het
altaar deed slachten, zooals 1 Kon. XIII: 2 voorspeld wordt, stnat hier wel niet, maar is blijkens vs.
19 v. wel door den schrijver bedoeld. — (oen — godtman, ingevoegd uit Gr. vert.
17.   Wat — tief Kr is van geen grafsteen sprake geweest. .Maar de gansche verhaaltrant in dit en
het voorgaand vers is zonderling en verraadt den inlasscher.
18.  het gebeente van den ouden — uitgeroepen, volg. Gr. vert.; verg. 1 Kon. XIII: 31; Hcbr. t.
zijn gebeente met bel gebeente van den profeet die uit Samarië gekomen wal.
19.  Zie op 1 Kon. XIII: 32. — Jahice, ingevoegd volgens bijna alle oude vertt.
21—23. Zie 2 Kron. XXXV: 1—19.
21. naar — tlaat. Zie Deut. XVI: 1—8 en inl. en aantt. aldaar.
22 v. Verg. Nch. VIII: 18. — Volgens dit bericht, aan welks geloofwaardigheid niet valt te twijfelen,
dngteckent dus de viering van het paaschfecst overeenkomstig de wet in Deut. XVI : 1—8 van Jozia\'s
18<ie regecringsjnar. I)e schrijver van Kronieken stelt de viering van zulk een wettelijk pascha reeds
onder liizkia (2 Kron. XXX).
24.  hen — ondervraagden. Zie op Deut. XVIII: 10 v. — de huUgoden. Zie op Gen. XXXI: 19. —
de sehandgoilen. Zie op Lcv. XXVI: 30.
25.   met zijn — kracht. Zie Deut. VI: 5 en gelijkluidende plaatsen.
20 v. Kvenals de profetie van Hulda, XXII: 15—20, zijn ook deze verzen eerst geschreven toen
bij de uitkomst gebleken was dat Jozia\'s hervorming het gevreesde strafgericht niet had kunnen keeren.
Zie op XXI: 10—15.
-ocr page 787-
2 KONINGEN XXIII : 27—31.
867
had uitverkoren, Jeruzalem, en het huis, waarvan ik gezegd had: Aldaar
zal mijn naam zijn — zal ik versmaden.
28           Het overige nu der geschiedenis van Jozia, en al wat hij heeft ge-
daan, is heschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
29       In zijn tijd trok Farao Necho, de koning van Egypte, op tegen den
koning van Assyrië, naar de rivier den Eufraat. En toen koning Jozia
hem te gemoet toog, doodde hij hem te Megiddo, zoodra hij hem zag.\'
30       Zijne dienaars vervoerden zijn lijk van Megiddo, brachten hem naar
Jeruzalem en begroeven hern in zijn graf. Daarop nam het volk des
lands Joahaz, den zoon van Jozia, zalfde hem en maakte hem koning
in zijns vaders plaats.
Vs. 28. 2 Kron. XXXV: 20 v. — Vs. 29 v. 2 Kron. XXXV: 20—25. — Vs. 30. 2 Krou. XXXV :
24a; XXXVI: 1.
28.  Over de regecring van Jozia zie nog .Ier. XXII: 15 v.
29.  farao Necho II was vim 010—595 koning van Egypte. — trok — op, langs de kust der Mid-
dellandsehe Zee, den heirwcg over Gaza. — tegen — Assyrië. Dit geschiedde in den aanvang der
regeering van Necho II, in 009. Met het jaar 020 begint het verval van Assyrië (zie op vs. 15); in
000 is Niucvc door de Meden en Bubylonicrs ingenomen. — En — toog, in het vertrouwen op Jahwe,
die zijne vroomheid belooncu en hem helpen zou om de Egyptenaren, hoe overmaehtig ook, uit het
land van Jahwe te verdrijven. — Megiddo. Zie op Joz. XII : 19—23. Jozia had dus zijn gebied tot
de vlakte van Jizrecl uitgebreid (verg. op vs. 15), tenzij hij handelde als vazal van Assur. — :oodra
hij hem xag,
bij het eerste handgemeen worden. Zie XIV : 8, 11.
80. Joaha:, met voorbijgang van zijn ouderen broeder Eljakim op den troon verheven; verg. vs. 30
met vs. 31 en zie op XXI: 24. Jcr. XXII: 11 heet hij Sjallum; zie aldaar.
HOOFDSTUK XXIII: 31—XXIV: 20a.
De laatste koningen van Juda. — Joahaz, een goddeloos koning, wordt na cenc regecring van drie
maanden afgezet en naar Egypte gevoerd door Farao Necho, die Jojakim tot koning aanstelt en het
land cenc schatting oplegt (XXIII: 31—35). Jojakim, een goddeloos koning (30 v.), wordt vazal van
Ncbukadnesar (XXIV: 1), maar wordt, omdat hij afvalt, getuchtigd, volgens het besluit van Jahwe, Juda
wegens Manassc\'s zonden te verwerpen (2—1). Einde van zijne regecring (5v.); Egypte door Habel
vernederd (7). Jojachin, een goddeloos koning, regeert drie maanden (8 v.); als Ncbukadnesar Jeruzalem
belegert, geeft hij zich met al het zijne op genade of ongenade over (10—12); waarna tempel en
paleis geplunderd worden, de voornaamste ingezetenen, ook het hof, als ballingen naar Kabel gevoerd
worden (13—10), en Sedckia tot koning wordt aangesteld (17). Sedekia, een goddeloos koning (18 v.);
Juda\'s ondergang door Jahwe besloten (20a).
Wij weten niet met juistheid te bepalen, tot hoever de schrijver van Koningen de geschiedenis be-
schreef: of hij ook den dood van Jozia, de afzetting van Joahaz, de troonsbcklimmiug van Jojakim
vcrmoldde. Immers, do voortzetter van zijn werk heeft het in denzelfden trant (zie XXIV: 8 v., 18 v.
vervolgd. Wij vinden hier dezelfde eigenaardige godsdienstige beschouwingen iXXIll : 32, 37; XXIV: 24,
3 v., 9, 134, 19, 20a) — evenwel, XXIV: 3a eu 20a, in een tot dusver niet aangetroffen vorm — en
een dergelijk gebruik van de beschikbare oorkonden. Tot en met de regeering van Jojakim zijn het de
rijksjaarboeken (XXIII: 31, 33—30; XXIV: 1, 2a, 0), waarnaar wij, als gewoonlijk, verwezen worden
(XXIV: 5). Voor de korte regecring van Jojachin en die van «Sedckia is een ander, ons onbekend, ge-
gchrift, wellicht een aanhangsel op „het bock der kronieken van Juda\'s koningen", geraadpleegd (XXIV:
7, 8, 10—13a, 15—17, 18); en wat wij daaruit vernemen verdient in hoofdzaak vertrouwen. Ook in
dit stuk is de verhaaltrant vrij ongeschikt: waarschijnlijk is het de schrijver zelf die het verband tus-
schcii XXIV :15a en 17 door de invoeging van vs. 154, 10 verbreekt; als gewoonlijk, zijn do mcde-
declingen over de regecring van Jojakim (zie XXIV : 1 v.) en die van Sedekia meer dan onvolledig: het
boek Jeremia biedt ons hier eeno hoog te waardceren aanvulling. Ecne latere hand heeft XXIV: 14 inge-
voegd; welk vers misschien oorspronkelijk op de wegvoering van het jaar 580, bij Sedekia\'s val en
Jeruzalcms verwoesting, betrekking had en ergens in H. XXV aan den kant geschreven stond, maar bij
ongeluk te ongepaster plaatse in den tekst werd opgenomen. Zie verder inl. op XXIV: 204—XXV: 30.
XXIII: 31 Joahaz was drie en twintig jaar oud toen hij koning werd, en
Vs. 31a, 33 v. 2 Kron. XXXVI: 2—4.
31. drie maanden, in het jaar 009. — Ilamital, volg. vele hss., Gr. en Lat. vertt., XXIV: 18 en Jer.
Lil: 1; I li\'l>r. t. llamutal. — Libna. Zie op Joz. X : 29.
-ocr page 788-
868
2 koningen XXIII: 31—XXIV: 2.
hij regeerde drie maanden te Jeruzalem; zijne moeder heette Hamital,
32       de dochter van Jeremia, uit Libna.\' Hij deed wat kwaad was in het
33       oog van Jahwe, geheel zooals zijne vaderen gedaan hadden.\' Maar Farao
Necho zette hem te lübla, in het land Hamath, als koning te Jeruzalem
af en legde het land eene geldboete op van honderd talenten zilver
34       en tien talenten goud.\' Daarna maakte Farao Necho Eljakim, den zoon
van Jozia, koning in de plaats van zijn vader Jozia en veranderde zijn
naam in Jojakim, en Joahaz nam hij mede. Zoo kwam deze in Egypte
3a en stierf daar.\' Het zilver en goud nu gaf Jojakim aan Farao; doch
hij schatte het land, om het geld volgens den eisch van Farao te
geven: van liet volk des lands, van ieder naardat hij geschat werd,
vorderde hij het zilver en goud, om het aan Farao Xeclio te geven.
30          Jojakim was vijf en twintig jaar oud toen hij koning werd, en
hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; zijne moeder heette Zebida, de dochter
37 van 1\'edaja, uit Kuma.\' Hij deed wat kwaad was in liet oog van
XXIV:1 Jahwe, geheel zooals zijne vaderen gedaan hadden.\' In zijn tijd
trok Nebukadnesar, de koning van liabel, op; en Jojakim werd zijn
2 onderdaan, drie jaar lang. Toen kwam hij weder in opstand;\' waarop
hij op hem afzond de benden der Chaldeën, der Arameërs, der Moa-
bieten en der Ammonieten, die hij op Juda afzond om het te gronde
te richten; naar het woord dat Jahwe door zijne knechten de profeten
Vs. 30 v. 2 Kron. XXXVI:5. — Vs. 1». 2 Kron. XXXVI :6a.
32.  Deze oordeelvelling mnnkt een zonderlingen iiulnik; vooreerst, omdat Joahaz slechts zeer kort
gelegenheid heeft gehad te tooiien wie hij was; voorts, omdat tot zijne raderen toeh ook zijn vrome
vader Jozia behoorde. Muur onze schrijver hud zich nu eenmaal aun een vast plan gebonden; zie op
1 Kon. XIV: 21. Over Joahaz zie verder Jer. XXII: 10—12; Kzech. XIX: 3 v.
33.   Ribta, cenc stad in Aram, ten zuiden van Hamath, aun den rechter* of oostclijkcu oever vnn
den Orontes, in de vluktc tusschen de noordelijke uiteinden van den Libanon en den Antilibanos, in
den krijg een bclungrijk punt, omdat de omtrek overvloed van spijs voor incnsrh en dier oplevert
cu omdat van daar de weg noordoostwaarts over Karkeinis naar Nineve en zuidwaarts naar Damaskus
openstaat. Verg. XXV:20v.; Jer. XXXIX : 5 v.; LH : 9 v., 26 v. Hierheen had Neeho dus Joahaz ont-
boden. — het land Hamath, welks hoofdplaats de stad van dien naam wus. Zie op 1 Kou. VIII : 65.
— zette... af, volg. Gr. vert. en 2 Kron. XXXV1:3; Ilcbr. t. bond. — tien latenten, volg. Gr. en
Syr. vertt.; Hebr. t. een talent. Ook XVIII: 1 I (zie aldaar is de verhouding dezelfde: tien talenten
zilver tegen een talent goud. De boete bedroeg ruim f 500.000 aan zilver en ruim f 800.000
aan goud.
34.   en — Jojakim. Eljakim betcekent ,God bevestigt\', Jojakim .Jahwe bevestigt\'. De reden voor
deze naamsverandering is ons onbekend. Zie op XXIV ! 17. Overigens vergelijke men Ocu. \\ 1,1 :•!">;
Dan. 1:7. — en tlierf daar. Zie Jer. XX11:12.
85. geschat, aan een hoofdelijken omslag onderworpen.
36.  elf jaar. Van 60S tot 5!)7. — Ruma, eene ons onbekende plaats; misschien dezelfde als de
Joz. X V : 52 genoemde.
37.   Hij — Jahwe. I it de godspruken en de geschiedenis van Jwemia leeren wij koning Jojakim
van ongunstige zijde kennen. Zie o. a. Jer. XXU: 13—19; XXVI: 20—23; XXXVI. — geheel —
luidden. Zie op vs. 32.
1.   Nebukadnesar. Zoo wordt de naam meestal in het O. T. geschreven, daarentegen in Jeremia en
Ezechiït, op ruim dertig plaatsen, Nebukadresar, met een r, overeenkomstig de Babylonische gcschrif-
ten. Hij regeerde met zeldzumen glans van 601 tot 562 over üabylonic. Nog bij het leven zijns
vaders, Xubopolassur, den overwinnaar van Nineve (zie op XXIII: 29), versloeg hij Paren Nccho bij
Karkeinis aan den Kitfruut in 605 (verg. Jer. XLVI : 2, het vierde jaar van Jojakim). Hierop moest
hij naar Bubel gaan, omdat zijn vader gestorven was en hij dus in zijne hoofdstad de regecring aan-
vaarden en orde op de zaken stellen moest. Daarna, volg. Jer. XXXVI: 9 in het vijfde jaar van Joja-
kiin. 604 of 603, heeft hij aanstalten gemaakt voor een tocht naar Palestina. Van dien tocht, die in
603 of 602 kun hebben plnnts gehad, is hier sprake. Ten onrechte wordt hij 2 Kron. XXXVI: 6;
Dan. 1:1 v. vroeger gesteld. Zie op Dan. 1:1.
2.   hij, Xebukadrcsur, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Jahwe; wat er zeker ingevoegd is door een lezer
die hierin het bestel van Jahwe zag. — naarop — afzond. Nebukodresar zelf schijnt elders de han-
den vol gehad te hebben. — der (.\'haldeen, eigenlijk Chasdei-n. Zoo heette de bevolking van Zuid-
Habyloniè. In Daniël heeft die naam eene andere hctcckcnis gekregen; zie op Dan. 1:4. — der Ara-
meert, der Moabieten en der Ammonieten.
Juda stond dus met zijne naburen op vijandigen voet: zij
waren aan Kabel onderdanig gebleven, Juda daarentegeu was Kgypte\'s bondgenoot geworden (zie op
vs. 7). Later veranderde dit; zie Jer. XXVII:!—11.
-ocr page 789-
2 konixgbn XXIV: 2—14.
8Ö9
3      gesproken had.\' Louter door den toorn van Jahwe overkwam het Juda
dat hij het wegdeed uit zijne oogen, wegens de zonden van Manasse,
4       naar al wat deze bedreven had,\' alsmede wegens het onschuldig bloed
dat hij vergoten en waarmede hij Jeruzalem vervuld had; Jahwe heeft
het niet willen vergeven.
5            Het overige nu der geschiedenis van Jojakim, en al wat hij heeft
gedaan, is beschreven in het boek der kronieken van Juda\'s koningen.\'
6      Jojakim ging ter ruste bij zijne vaderen en werd bij zijne vaderen in
den tuin van Uzza begraven; en zijn zoon Jojachin werd koning in
7       zijne plaats.\' De koning van Egypte nu kwam voortaan niet meer uit
zijn land; want de koning van Babel had alles wat aan den koning
van Egypte toebehoord had genomen, van de beek van Egypte af tot
de rivier den Eufniat toe.
8           Jojachin was achttien jaar oud toen hij koning werd, en hij heeft drie
maanden te Jeruzalem geregeerd; zijne moeder heette Nehusta, de
9       dochter van Elnathan, uit Jeruzalem.\' Hij deed wat kwaad was in het
10       oog van Jahwe, geheel zooals zijn vader gedaan had.\' Te dier tijd
trokken de dienaren van Nebukadnesar, den koning van Babel, naar
11       Jeruzalem op; en de stad werd ingesloten.\' En toen Nebukadnesar, de
koning van Babel, voor de stad gekomen was, terwijl zijne dienaren
12       haar hadden ingesloten,\' ging Jojachin, de koning van Juda, met zijne
moeder, zijne dienaren, vorsten en kamerlingen tot den koning van
Babel uit. En de koning van Babel nam hem, in het achtste jaar
13       zijner regeering, gevangen, trok de stad binnen,\' haalde daaruit al de
schatten des tempels en die van het paleis en sneed het goud van al
de voorwerpen af welke ftilonio, de koning van Israël, in den tempel
14       van Jahwe had gemaakt; zooals Jahwe gesjtroken had.\' En hij heeft
gansch Jeruzalem, al de vorsten en al de personen van vermogen
weggevoerd, tienduizend ballingen, benevens al de handwerkslieden en
V». 5—9. 2 Kron. XXXVI: 8 v.
3.   Louter — Juda. De schrijver ziet in deze vijandelijke invallen het begin van het einde van
Judo; on te recht. — door den toorn, volg. Gr., Syr., en Arnm. vertt.; Hobr. t. op bevel. Zoo v».
20a. — om — oogen. Verg. XXIII: 27. — wegens — had. Zie XXI: 10—15.
4.  alsmede — bloed. Zie op XXI: 16.
5.   Uit deze vcrwijziug blijkt dat de rijksjnnrbockcu tot en met de regecring van Jojakim zijn bij-
gehouden of bijgewerkt.
6.   en tcerd — begraven, volg. Gr. vert. ingevoegd. Zie op XXI: 18 en verg. op 2 Kron. XXXVI:
6 v. Waarschijnlijk met het oog op .Ier. XXII: 18 v.; XXXVI: 30, werd dit bericht van zijne bcgra-
fenis in den Hebr. t. geschrapt. — Jojachin. Kldcra, 1 Kron. lil: 10 v.; Kat. 11:0; .Ier. XXII: 24,
28; XXIV:]; XXVII: 20; XXVIIIM; XXIX: 2; XXXVII: 1, heet hij Jerhonja.
7.   Dit wordt vermeld omdat de Judccrs steeds op Egypte als bondgenoot rekenden wanneer zij
van de Assyricrs of Habylonicrs afvielen; zie XVIIIi81; Kgyptc toch was de natuurlijke mededinger
van de Aziatische grootmacht eu had getracht, bij het verval van Assyric, zijn gebied uit te breiden;
zie XXIII: 29. Intusschcn is deze mededecling niet volkomen juist; zie Jcr. XXXVII :.">. 7, 11;
Kzceh. XVII: 15; maar wèl is Kgvptc door Ncbukndrcsar overwonnen en diep vernederd; zie Jer.
XLIII:8—13; XLVI: 13—20; Ezec\'h. XXIX, XXX. — de beek van Egypte. Zie op Gen. XV : 18.
8.   drie maanden, volg. I Kron. XXXVI: 9 drie maanden en tien dagen. — Elnathan. Hij of een
gelijknamig man komt voor Jer. XXXVI: 12; verg. op XXII: 12.
9.  Zie op XXIII: 32. Verg. over Jojachin Jcr. XXII: 24—30.
10.   Te dier tijd, bij den aanvang zijner regcering, in 597.
13.  trok de stad binnen, ingevoegd volg. Gr. vert. — al — tempels. Dit al is overdreven, evenals
in VS. 14; zie XXV: 18; Jer. XXVII: 10—22. De bcrooving van zoovele kostbare voorwerpen, die
vroeger den ceredienst opluisterden, ging den Judccrs zeer aan het hart, Jcr. XXVIII.
14.   Ken invocgscl, dat voor een deel herhaling is vnn vs. 15 v., voor een grootcr deel kwalijk
rijmt met de opgaven aldaar. Verg. lul. — gansch Jeruzalem en er uerd — lands. Dit is moeilijk
overeen te brengen mot het feit dat te Jeruzalem een koninklijk hof bleef eu do stad elf jaren later
een beleg van anderhalf jaar door de Habylonicrs kon doorstaan. — de handwerkslieden en slotenma-
kers,
cvcuals hier, verbonden vs. 10; Jcr. XXIV : 1 ; XXIX : 2. — de handwerkslieden, smeden, timmcr-
lieden enz., die in de oudheid zeldzamer waren en als kunstenaars hoogcr geacht werden dan thans.
— de — lands. Zie Jer. XXXIX: 10.
-ocr page 790-
2 koningbn XXIV : 14—20a.
870
slotenmakers; er werd niets overgelaten behalve de geringe bevolking
15       des lands.\' Hij voerde Jojachin naar Babel, met de moeder en de
vrouwen des konings en zijne kamerlingen: ook de voornaamsten des
16       lands deed hij als ballingen uit Jeruzalem naar Babel gaan,\' benevens
al de lieden van vermogen, zeven duizend in getal, en de handwerks-
lieden en slotenmakers, duizend in getal, allen strijdbare manschappen,
17       die de koning van Babel als ballingen naar Babel bracht.\' En de
koning van Babel maakte Mattanja, den oom van Jojacbin, koning in
zijne plaats en veranderde zijn naam in Sedekia.
18           Sedekia was een en twintig jaar oud toen hij koning werd, en hij
beeft eli\' jaar te Jeruzalem geregeerd; zijne moeder heette Uamital, de
19       dochter van Jeremia, uit Libna.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
20« van Jahwe, gebeel zooals Jojakim had gedaan.\' Want door den toorn
van Jahwe kwam bet gericht over Jeruzalem en Juda, totdat hij ze
heeft weggeworpen uit zijne oogen.
V». 17, 20a. 2 Kron. XXXVI: 10—12; Jer. LU: 1—3.
15. de moeder... des koning». Zij komt ook voor Jer. XIII: 18; XXII :2fi; XXIX: 2.
10. zevenduizend en duizend, natuurlijk ronde getallen, huisvaders met hunne gezinnen, dus in het
geheel nog geen vijftigduizend zielen. Sanheribs opschriften geven voor de vroegere wegvoering (701)
een veel honger cijfer; zie inl. op XVIII: 13—XIX: 37. — naor Babel. Niet de stad, maar het land
wordt bedoeld; verg. op Kzcch. 1:1.
17.   Mattanja, den zoon vau Jozia, vollen broeder van .Tnahaz; verg. ra. 18 met XXIII: 31. —
i/en oom van Jojachin, duidelijkheidshalve in pi. v. zijn oom. Misschien volgde dit vers oorspronkc-
lijk op vs. 15a, waar Jojachin genoemd wordt. — en — Sedekia. Ma/lanja beteekent ,gavc van
Jahwe\', Sedekia, ,Jnhwc is mijne zege\'. Verg. op Jer. XXIII: o. Dat .Mattanja zelf, of profeten, of
andere Jmlecrs die van zijne troonsbestijging alle heil verwachtten, laatstgenoemden naam voor den
eersten in de plaats hebben gc9tcld, is gemakkelijker te verklaren dan waarom Nebukadrcsar het zou
hebben gedaan.
18.  elf jaar. Van 590 tot 580.
19.  Over bet karakter van Scdekin, welwillend, maar zwak en weifelmoedig, zie Jer. XXI: 1—10;
XXIV : 8; XXXII: 1—5; XXXIV : 1—7; XXXVII—XXXIX.
20a. liet tjericht, duidelijkheidshalve in pi. v. het.
HOOFDSTUK XXIV: 20b—XXV: 30.
Judn\'s ondergang. — Sedekia wordt afvallig (XXIV :20b); Nobukadncsar neemt, mi een beleg van
anderhalf jaar, Jeruzalem in (XXV : 1—3); waarop de koning met hot leger vlucht (4), maar achter-
haatd en vreeselijk gestraft wordt (5—7). Jeruzalem wordt verwoest (8—10), en de bevolking, op de
geringstcn na, weggevoerd (11 v.). De heilige voorwerpen uit den tempel worden als buit mcdcgc-
nomon (13—17). Keuige vooruamc Jeruzalcmiuers en andere gevangenen worden door Xchuknducsar ter
dood gebracht, en het volk wordt in ballingschap weggevoerd (18—21). Ocdalja, tot landvoogd over
da achtergeblevenen aangesteld (22), tracht de ontkomen legeroverstcn met hunne manschappen gerust
te stellen (23 v.), maar wordt straks door een hunner vermoord (25); waarop de anderen naar Egypte
vluchten (20). Jojachin, na zcvcn-en-dcrtigjarigc gevangenschap in vrijheid gesteld, wordt door den
koning van Habel eervol behandeld (27—30).
Het kort verslag van Scdekin\'s regecring, de beschrijving van Jeruzalems vnl, het verhaal van wat
daarna is geschied, dus XXIV : 18—XXV : 30, vinden wij, in nauwkeuriger tekst, ook Jer. MI; alleen
wordt daar de geschiedenis van Gednlja (XXV: 22—26) gemist, als vroeger brecder verhaald (Jer.
XL—XLII). Verg. ook op Jer. XXXIX :lv. en 4—13. In het hoek Jeremia staan die stukken niet
op hunne oorspronkelijke plaats; zij zijn daarin opgenomen uit Koningen. Dit blijkt o. a. uit Jer.
Lil: 2, 3a vergeleken met 2 Kon. XXIV: 19, 20a. Waaraan onze schrijver den inhoud vau H. XXV
voornamelijk ontleende, weten wij uict; wellicht aan het in de Ballingschap vervaardigd aanhangsel op
„het boek der kronieken van Juda\'s koningen" (verg. inl. op XXIII: 31—XXIV : 20a). Wij hebben
geen reden, oan de geloofwaardigheid van het verhaal te twijfelen, maar wel, over de onduidelijkheid
,/ie b. v. vs. 5, 8) en slordigheid (vs. 9) en vooral over de groote onvolledigheid ons te beklagen.
Renigcn tijd na 501, en vóór Babels ondergang in 538, is het oorspronkelijke verhaal opgesteld en
ook in ons bock opgenomen. De eigenaardigheden van den schrijver vau Koningen komen hier niet te
\\i>nrschijn; de schrijver hiervan heeft zich vergenoegd, af en toe met cenigc bekorting, over te »chrij-
vcu wat hij vond,
-ocr page 791-
871
2 koningkn XXIV : 206-XXV : 11.
XXIV: 2(M Hedekia nu kwam in opstand tegen den koning van Babel;\'
XXV: 1 en in liet negende jaar zijner regeering, op den tienden dag der
tiende maand kwam Nebukadnesar, de koning van Babel, met zijn
gansche heir vc\'wr Jeruzalem, sloeg zijn kamp er tegen op en bouwde
2       eene omschansing in de rondte.\' Zoo werd de stad ingesloten tot bet
3       elfde regeeringsjaar van iSedekia.\' En op den negenden der vierde
maand, toen zware bongersnood heerschte in de stad, en bet volk des
4       lands geen brood had,\' werd eene bres in de stad gemaakt; waarop
alle krijgslieden in den nacbt vluchtten, door de poort tusschen de
twee muren, die bij den koningstuin is, terwijl de Chaldeën rondom
5       de stad lagen. Zij sloegen den weg naar de Vlakte in;\' maar bet heir
der Chaldeën jaagde den koning achterna en haalde hem in de vlakte
van Jericho in; waarop zijn gansche heir hem verliet en zich ver-
b" strooide.\' Zij grepen den koning en brachten hem naar den koning
7       van Babel, te Bibla. Deze sprak bet vonnis over hem uit: \' bij liet
de zonen van i^edekia voor zijne oogen slachten, hem zelven de oogen
uitsteken, hem in boeien slaan en naar Babel brengen.
8           Op den zevenden dag der vijfde maand, in bet negentiende regee-
ringsjaar van Nebukadnesar, den koning van Babel, kwam Nebuzaradan,
de overste der lijfwacht, de dienaar van Babels koning, te Jeruzalem;\'
9       hij verbrandde den tempel en bet paleis; ook stak bij alle huizen van
10       Jeruzalem en ieder huis van een aanzienlijke in brand;\' den ringmuur
van Jeruzalem wierp het gansche heir der Chaldeën dat met den overste
11       der lijfwacht was omver.\' Het overschot van het in de stad overge-
bleven volk, de overloopers die tot den koning van Babel waren over-
V». 20*—XXV: 21. Jer. Lil: 34—27. — V». 204. 2 Kron. XXXVI: 13. — Vs. 1—12. Jer.
XXXIX: 1—10.
20*. Over een vroeger plan tot opstand, dat evenwel niet tot uitvoering kwam, zie Jer.
XXVII—XXIX.
1. zijner regeering, namelijk van Sedekia. — op — maand, ongeveer in de maand Januari van het
jaar 587. — kwam. na al de steden van Juda, op twee na, te hebben vermeestert, Jer. XXXIV: 7.
—   en bouwde, volg. een paar handschriften, Gr. en Syr. vertt.; Hebr. t. (zie Jer. LU : 4) zij bonw-
den.
— omschansing, ecu vcstingwerk rondom de belegerde stad, om haar allen toevoer af te snijden
en haar uit te hongeren; zie Kzech. IV: 2; XVII: 17; XXI: 22; XXVI: 8.
8. vierde. Pit komt hier in Hebr. t. noch in de oude vertt. voor, maar is, als onmisbaar, uit Jer.
Lil: 0 ingevoegd; zie ook Jer. XXX1X:2. De tijdsbepaling op — maand verplaatst ons ongeveer in
Juli ."iSil. Het beleg had dus bijna anderhalf jaar geduurd. In dien tusschcutijd was het eene poos
nfgebroken, toen de (\'haldccu het Kgvptisch leger, dat onder Farao Hofrn tot ontzet aanrukte, te ge-
moet waren getrokken, Jer. XXXVIÏ : 5—8; zie verder Jer. XXXIUM; XXXIV: 8—22. — toen —
had. Zie Jer. XXXVI1:21; Klnagl. 11:20; IV: 10.
4. vluchtten, ingevoegd volg. hss., Lat. en Syr. vertt.; verg. Jer. Lil: 7. — de poort tusschen de
twee muren.
Deze lag in het zuidoosten van het oude Jeruzalem en gaf toegang tot het Kidroudal;
de koningstuin lag nnbij die poort. — sloegen, volg. hss., Gr. en Syr. vertt. cu Jer. LU: 7; Hebr. t.
sloeg. — de Vlotte. Zie op Deut. 1:1.
B. Verg. Ezech. XII: 12—14. — den koning. Dus was Sedekia mede gevlucht; verg. Jer. XXXIX:4.
—  de vlakte can Jericho. Ook Joz. IV: 13; V : 10; verg. op Nam. XXII: 1.
6.  te Itit/a. Zie op XXIII : 33. Nebukadrcsar was dus niet bij het leger vóór Jeruzalem. — Deze —
uil, volg. hss., Gr., Lat. en Syr. vertt. en Jer. LU: 9; Hebr. t. heeft het meervoud.
7.   hij liet... slachten, volg. Gr., Lat. en Syr. vertt. en Jer. LU: 10; Hebr. t. heeft het meervoud.
—  Jer. LU: 11 wordt er nog bijgevoegd en in de gevangenis zetten tot den dag zijns doods.
8.   Verg. 2 Kron. XXXV!: 19. — Op den zevenden dag der vijfde maand. Ken paar handschriften
en Syr. vert. hebben den negenden; Jer. 1.11:12, den tienden. Het laatste is wellicht het juiste
cijfer. Het volgende (vs. 9—21) greep dus eene maand na de vlucht des konings plaats. Nebuzaradan
komt, om het strafgericht over do trouwcloozo stad te voltrekken. Verg. over het lot van Jcruzalom
Klaagl. V:ll—18. — Nebuzaradan, d. i. .Ncbo schonk nakroost\', ook vs. 11; Jer. XXXIX: 9, 11,
13; XL il.
9.  en ieder — brand. Vreemd uu hetgeen onmiddellijk voorafgaat. Do tekst is zeker in de war.
10.  met, ingevoegd volg. zeer vele handschriften, Lat., Syr. en Aram. vertt. en Jer. Lil: 14.
11.  der werkmecslers, of kunstenaars. Men denkc aan de weggevoerde handwerkslieden, XXIV : 14,
IC. De lezing van Gr. vert. en Jer. LU: 15 is gevolgd, maar de vertaling is onzeker; hetzelfde woord
Spr. VIII: 30; Hoogl. VII: 1. Hebr. t. heeft der menigte.
-ocr page 792-
2 KONINGBN XXV: 11—25.
872
geloojien, en liet overschot tier werkmeesters voerde Nebuzaradan, de
12       overste der lijfwacht, mede;\' maar van liet geringe volk des lands liet-
de overste der lijfwacht achter als wijngaardeniers en landbouwers.
13            De koperen zuilen in den tempel, de onderstellen en de kojieren
zee in den tempel sloegen de (\'haldeën stuk en voerden het koper er
14       van naar Babel;\' de potten, schojijien, messen, schotels en al het
15       koperen gereedschap waarmede men dienst deed namen zij weg;\' de
komforen en offerschalen, zoowel de gouden als de zilveren, nam de
Ki overste der lijfwacht mede.\' De twee zuilen, de eene zee en de onder-
stellen, die Salomo voor den tempel gemaakt had: er was geen wegen
17       aan het koper van al deze voorwerpen.\' Achttien el was de eene zuil
hoog; daarop was een kojieren kapiteel, drie el hoog, met vlechtwerk
en granaatappelen rondom het kajiiteel, alles van koper; eveneens aan
de tweede zuil kapiteel, vlechtwerk en honderd granaatappels.
18            Verder nam de overste der lijfwacht den oj)jierj)riester 8eraja, den
19       jilaatsvervangenden priester Sefanja en de drie dorpelwachters;\' en uit
de stad nam hij een kamerling die gesteld was over het krijgsvolk,
en vijf man van \'s koning* raden, die in de stad gevonden waren,
en den schrijver van den legeroverste die het volk des lands tot den
dienst opriep, en zestig man uit het volk des lands, die in de stad
20       gevonden waren; \' Nebuzaradan, de overste der lijfwacht, nam hen en
21       voerde hen tot den koning van Babel, te Ribla;\' en de koning van
Babel bracht hen ter dood te Ribla in het land Haniath. En Juda
werd van zijn bodem in ballingschap weggevoerd.
22            Wat het volk betreft in het land van Juda overgebleven, dat Nebu-
kadnesar, de koning van Babel, had overgelaten, daarover stelde hij
23       Gedalja, den zoon van Ahikam, den zoon van Sjafan, aan.\' Toen nu
al de legeroversten met hunne manschappen boorden dat de koning
van Babel Gedalja had aangesteld, kwamen zij tot hem, te Mispa,
namelijk Ismaël, de zoon van Nethanja, Jobanan, de zoon van Kareab,
»Seraja, de zoon van Tanhumetb, uit Netofa, en Jaiizanja, de zoon van
24       den Maachathiet, met hunne manschajipen.\' En Gedalja zwoer hun en
hunnen manschajipen en zeide tot hen: Vreest niet u aan de Chaldeën
te onderwerjien; zet u neder in het land en weest den koning van
25       Babel onderdaning; opdat het u welga.\' Maar in de zevende maand
Vs. 23—25. Jcr. XL: 7—9; XLI: 1—3.
13. De koperen zuilen. Zie 1 Kon. VII: 15—22 en aantt. nlilnar. — de onderstellen. Zie 1 Kon.
VII: 27—39 en nantt. iililimr. — de koperen zee. Zie 1 Kon. VII: 23—25 on aantt. aldaar. — het
koper.
Zie on 1 Kon. VII114. — Verg. ook Jor. XXVII: 19.
14 v. Zio 1 Kon. VII : KI, 45, 50.
10. Waarschijnlijk is hier vóór onderstellen liet getal den uitgevallen. — er — voorwerpen, Dcsge-
lijks I Kon. VII: 47.
17.   Zie 1 Kon. VII: 15—18. — drie el. Volg. 1 Kon. VII: 16 en Jcr. MI: 22 vijf el. — kapt.
teel, vlechtwerk en honderd granaatappels,
volg. fir. vert.; Hcbr. t. oj> het eleehttcerk. In Jcr. Lil S 22 v.
staat een langere tekst, die zeker de oorspronkelijke is.
18.   Seraja. Zie 1 Kion. VI: 14; Kzra VII : 1. — den plaatsvervangenden priester. Zie op XXIII: 4.
— Sefanja. Zie op Jci\\ XXI Si.
19.  vijf, Jcr. L1I:25 zeeën. — \'skoniugs raden, letterlijk die het aangezicht des konings zagen, d.i.
die te allen tijde den toegang tot hem hadden. — den schrijver van den legeroverste, volg. Gr. vert.
en Jcr. Lil: 25; Hcbr. t. den schrijrer-legeroverste.
22.   Gedalja. Zie Jcr. XXXIX : 14; XL:5v. — Ahikam. Zie XXII: 12.
23.  al — manschappen, èn vnn huis en hof verdreven lieden, die nu als vrijbuiters rondzwierven,
en cen deel der met Scdckia gevluchte en aan de (\'haldecuwschc vervolgers ontkomen troepen, vg. 5,
Zie Jer. XL: 7. — Mispa. Zie op Joz. XVIII: 26. — fietofa, eene stad in Juda; zie 2 Sam. XXIII:
28 V.; 1 Kron. 11:54; Kzra 11:22; Xch. VII: 20. — Maachathiet. Wij kennen geen ander Maacha
dan het Arameesche landschap; waarover zie op Gen. XXII: 24 en op Deut. 111:14.
24.   h aan de Chaldeën te onderwerpen, volg. hss., Lat. vert. en Jer. XL: 9; Hebr. t. voor de
knechten der Chaldeën,
-ocr page 793-
87a
2 koningen XXV : 25-30.
kwam Ismaël, de zoon van Nethanja, den zoon van Elisjaraa, van
koninklijken bloede, met tien man, en zij sloegen üedalja, «lat hij
stierf, alsmede de Joden en de Chaldeën die bij hem waren te Mispa;\'
26       waarop het gansche volk, groot en klein, en de legeroversten zich
opmaakten en naar Egypte gingen; want zij waren bevreesd voor de
Chaldeën.
27           In het zeven-en-dertigste jaar der ballingschap van Jojachin, den
koning van Juda, op den zeven-en-twintig.sten dag van de twaalfde
maand, heeft Evilmerodach, de koning van Babel, in het jaar zijner
troonsbestijging, het hoofd van Jojachin, den koning van Juda, ver-
28       hoogd en hem uit de gevangenis doen gaan;\' liij sprak hem vriendelijk
toe en stelde zijn zetel hooger dan die der koningen die te Babel bij
29       hem waren.\' Hij legde zijne gevangeniskleederen af en at gestadig
30       aan zijnen disch, zoolang hij leefde.\' En zijn onderhoud werd hem ge-
stadig van \'s koning» wege verschaft, dag aan dag, zoolang hij leefde.
Vs. 27—30. Jcr. Lil:31—84.
25. Zie Jcr. XL] : 1—15. — »\'« de zevende maand. Wij lezen niet, van welk juni-. Ook niet, on welken
dag het geschiedde, hoewel <li« in gedachtenis bleef; zie o|> /neb. VIII : lü. Indien van betzelfde jaar
waarin al bet voorafgaande plaats greep, dun zon bet reeds drie maanden na de vlucht en gevangen-
neming van Sedekia, twee maanden na de verwoesting van Jeruzalem, in October 580, zijn geschied.
Doch Jer. 1.11:80 geeft ons aanleiding te gissen dat er vier of vijfjaar tUMcheu liggen. Jcr. XL!
14; XI.1: 10 maken het waarschijnlijk dat Haiilis, koning der Ammonieten, ismaël had opgestookt.—
Eliijama. Jer. XXXVI: 12, 20 komt een schrijver van dien naam voor. — en xij sloegen Oedalja, ge-
durende den maaltijd waarop hij hen gastvrij en in goed vertrouwen (Jcr. XL: 13—10) onthaalde,
Jcr. XLT.1—8.
20. waarop — opmaakten, nadat zij onder aanvoering van Jobanan Ismaël achterhaald en zijne gc-
vangencn bevrijd hudden, Jcr. \\l,l: II—15. — en naar Egypte gingen, na de godspraak van Jercmia
gevraagd, na lang wachten ontvangen en in den wind geslagen te hebben, Jer. XM : 10—Xf,III:7.
— want — Chaldeën, namelijk, dat Ncbukadresar den moord van zijn landvoogd ook op de onschul-
digen bloedig wreken zou.
27.  liet zeven-en-derligste jaar, d. i. het jaar 561. Jojachin was toen vijf en vijftig jaar oud. —den
zevcn-en-lwntigiiten.
Jcr. Lil: 31 den vijf-cn-lwintigxteii. — Evilmerodach, zoon en opvolger van Ncbu-
kadresar, van 501 tot 500 koning van Babel. — het hoofd — verhoogd. Zie op I\'s. 111:4. — en
hem...doen gaan,
ingevoegd volg. hss., Gr. en Syr. vertt. en Jer. LH: 31.
28.  der koningen, de vazallen van den koning van Babel, door dozen tot verhooging van den luister van
zijn hof bij zich gehouden. — bij hem, aan den koninklijken disch. Verg. 2 Sam. IX: 7,10—13 j XIX:33—39.
KRONIEKEN.
INLEIDING.
Kronieken is de naam van een bock, dat, na eene reeks gcslachtrcgistcrs van Adam tot de derde
eeuw voor Christus, de geschiedenis behelst van het volk Israël, met name van Juda, van den dood
von Saul tot het eerste jaar der regcoring von Cyrus te Kabel. De vcrdeeling in twee boeken, oudtijds
den Joden onbekend, is, evenals die van Samuel en Koningen, eerst later uit de vertalingen in den
grondtekst overgenomen; zij is op geen ongeschikt punt aangebracht: bij de troonsbcklimniing van Salomo.
Wij onderscheiden in Kronieken twoc hoofddeelcn. liet eerste, 1 Kron. 1:1—IX: 34, behelst lijsteu
van namen, die eensdeels op de herkomst dor Israëlictischc geslachten, anderdeels op hunne woon-
plaatsen na Juda\'s herstel betrekking hebben. Op de gcslachtlijst van Adam tot Israël (I) volgen
die van Israëls zonen: Juda (II: 1—IV: 23), met afzonderlijke vermelding van het geslacht van
David (III) en de bevolking van Juda (IV : 1—23); Simeon (vs. 24—43); de Overjordaanscho stam-
men (V); Levi (VI); Issachar (VII: 1—5); Benjamin (vs. 6—12); Naftali (vs. 13); Manasse (vs. 14—10);
-ocr page 794-
874                                                 INLEIDING OP KRONIEKEN.
Kfruim (va. 20—2!l)j Azcr (va. 30—10). Met eo» overzicht der Bonjamiuietischc geslachte» (VIII) en
der bevolking van Jeruzalem (IX : 1—84) wordt het eerste gedeelte besloten. Het tweede, 1 Kron. IX:
35—2 Kron. XXXVI : 23, omvat de geschiedenis des volks van Sauls dood tot het jaar 538. Het kau
gevoegelijk iu drie ondcrafdcclingen gesplitst worden, waarvan de eerste, 1 Kron. IX: 35—XXIX :29,
handelt over David: zijne geschiedenis wordt ingeleid door een stuk over Saul (IX: 35—X: 14),
waarop het verhaal over Davids zalving tot kouing cu zijne vestiging te Jeruzalem volgt (XI: 1—9).
Hierna wordt ons bericht van zijne krijgsmacht, vóór en na zijne troonsbekliiiiming (XI: 10—XII: 40),
van de overbrenging der ark, den bouw van een paleis cu de oorlogen met de filistijnen (XIII—XVI).
Nadat hij, namens Jahwe, de belofte van het eeuwige koningschap voor zijn huis heeft ontvangen
(XVII), behaalt hij grootc overwinningen op de naburige volken (XVIII—XX) en maakt hij toebcrcid-
sclcu voor den tcinpelbouw. De plaats voor het heiligdom wordt aangewezen (XXI: 1—XXII :1); de
bouw voorbereid (XXII: 2—19). Als hij Salomo tot zijn opvolger bestemd heeft (XXIII: 1), neemt hij
vele maatregelen betredende den ecredieust: hij laat de Levieten tellen, stelt den leeftijd vast waarop
zij in dienst treden en de werkzaamheden die zij verrichten moeten (XXIII: 2—32); deelt de priesters
en de hun ten dienst staande Levieten in klassen in (XXIV); desgelijks de Levictischc zangers (XXV),
portiers (XXVI: 1—19), schatbewaarders (XXVI: 20—28) en de overige Levictischc beambten (XXVI:
20—32). Nadat cene lijst van Davids militaire en burgerlijke hoogwaardighciclbeklccdcrs is medegedeeld
(XXVII), worden zijne laatste beschikkingen en zijn dood vermeld (XXVIII, XXIX). De tweede onder-
afdccling, 2 Kron. 1—IX, handelt over Salomo: zijn droom te Gibeou, zijn rijkdom en handel (I);
toebereidselen tot den bouw van het heiligdom (II); bouw (111:1—V:l) en inwijding daarvan (V : 2—
VII: 22); Salomo\'s macht, rijkdom en roem (VIII: 1—IX : 31). De derde, 2 Kron. X: 1—XXXVI: 21,
bchnndelt de geschiedenis van Juda, van Kehabeam tot Sedekia: Kchabcain (XI, XII); Abia (Xlll);
Aza (XIV—XVI); Josjafat (XVII—XX); Joram (XXI); Ahazja (XXII: 1—9); Athalja (XXII: 10—
XXIH:21); Joas (XXIV); Amasja (XXV); Uzzia (XXVI); Jothnm (XXVII); Ahaz (XXVIII); Hizkia
(XXIX—XXXII); Manusso en Amon (XXXIII); Jozia (XXXIV, XXXV); Joahaz, Jojakim, Jojachin,
Sedekia (XXXVI :1—21). Het boek wordt besloten met de vermelding van den aanhef van het bevel-
schrift van (\'yrus waarbij den Joden vergund wordt naar hun land terug te keeren (XXXVI: 22 v.).
Kronieken is van denzelfden schrijver als Ezra — Nehemja, maar later geschreven (zie op 2 Kron.
XXXVI: 22 v.). Ongetwijfeld heeft de schrijver, nadat hij het ontstaan en de vestiging der Joodsche
gemeente verhaald had, gevoeld dat Samuel en Koningen op dit verhaal geenszins eenc geschikte
inleiding vormden, en achtte hij daarom zich geroepen, de geschiedenis der kouingen opnieuw te
beschrijven.
Zijn werk vertoont eensdeels trekken van overeenkomst met Samuel—Koningen: groote gedeelten
van die boeken vinden wij in het onze, dikwerf woordelijk, terug; doch anderdeels wijkt het daar-
van ten zeerste af: mcuig feit wordt hier iu een gausch ander licht geplaatst dan daar, en bovcn-
dien behelst ons bock tal van verhalen die iu de oudere geschriften niet worden aangetroffen; waarom
het in de Gricksche en de Latijnschc vertaling Paralipomrna, d. i. ,ovcrgeslagen stukken\', heet. Waar-
aan heeft de schrijver dit deel van zijne stof ontleend ? Oogenschijulijk stonden hem tal van geschriftcu
ten dienste; immers hij verwijst, vooral in het tweede hoofddeel van zijn werk, niet slechts naar het
boek der koningen van Israël en Juda
of van Juda en Israël (\\ Kron. IX: 1; 2 Kron. XVI: 11;
XXV: 26; XXVII: 7; XXVIII: 26; XXX1I:32; XXXV: 27; XXXVI: 8), cider» de verhandeling van
hel boek der konintjen
(2 Kron. XXIV : 27) of de geschiedenis der koningen van Israël (2 Kron. XX: 34;
XXXIII: 18) geheeten, maar ook naar de geschiedenis van Samuel, van Nathan en van God (1 Kron.
XXIX: 29), die va» Nathan, de profetie van Ahia en het gelicht rau Jeddo (2 Kron. IX: 29), de ge-
schiedenis van Sjemaja en Iddo
(2 Kron. XII: 15), de verhandeling van den profeet Iddo (2 Kron.
XIII: 22), de geschiedenis van Jehu, den zoon van Jlanani (2 Kron. XX: 34), de geschiedenis der
tieners
(2 Kron. XXXIII: 19) en voorts naar het gezicht van Jezaja (2 Kron. XXXII: 82) en eene
beschrijving der geschiedenis van l\'zzia, de vroegere zoowel als de latere, door Jezaja (2 Kron.
XXVI: 22). Maar zien wij nader toe, dan bespeuren wij dat nl deze titels, behalve het gezicht van
Jezaja,
dal op het bock Jezaja of eeu der dcclcn er van kan doelen, betrekking hebben op hetzelfde boek
-ocr page 795-
875
INI,BIDING OP KUONIEKBN.
der koningen van ItraiH en Juda, naar de mccniiig van onzen schrijver samengesteld uit berichten vnn
profeten, die ieder de gebeurtenissen vuil zijn tijd hadden te bock gesteld. Welke de inhoud en de
omvang van dat boek was, weten wij niet met zekerheid. Het kan zijn, dat daarmede bedoeld wordt
eene jongere bewerking der boeken ibimuc/ en Koningni dan wij bezitten, maar waarschijnlijk is dit
niet. In elk geval waren de kanouieke hoeken van dien naam zijne voornaamste bronnen. In het weg-
laten of bekorten van menig gedeelte hiervan, in de wijziging van hetgeen hij er uit overnam, en iu
de stukken die hij er aan toevoegde openbaart hij zijne eigene zienswijze, voor een goeil deel stellig
ook die zijner tijdgenootcu, eene zienswijze waardoor het verleden zijns volks op eigenaardige wijze
wordt gekleurd.
Wij loeren dus uit ons bock aangaande de oude geschiedenis vnn Israël niets dat wij niet uit Sumuel
en Koningen reeds wisten. I)e voorstelling van Isracls verleden die wij er uit krijgen is in onoplos-
baren strijd met die welke deze boeken ons geven, en stellig ongeloofwaardig. Maar om dezelfde reden
waarom wij ons bock als kenbrou vnu Isracls oude geschiedenis verwerpen achten wij het hoog als
middel tot verrijking onzer kennis vnn de godsdienstige denkbeelden van den tijd des schrijvers. Die
tijd was zeker het Grickschc tijdvnk, waarschijnlijk het midden of het laatste vierde der derde eeuw
voor (\'hr.; immers tot zoover zet hij een geslaehtregister voort; zie inl. op 1 Kron. III. Zijne onver-
holen voorliefde voor de Levieten, vooral voor de zangers, doet vermoeden dat hij zelf tot dezen bc-
hoorde, althans in hun kring leefde.
Welnu, deze man, een I*cviet van omstreeks 25Ü voor (\'hr., schrijft de geschiedenis vnu ziju volk
om zijne tijdgenootcu te lcercn en te vermauen. Hij toont aan i
1°. Dat de Joodsche gemecute van zijn tijd het echte Israël is, van de schepping af door (iod tot
ziju volk bestemd, /ij stamt af van de aartsvaders en de twaalf zonen van Jukob en is van zuiver
Israclietisch bloed: geen vreemden zijn, van de vroegste tijden af, in haar opgenomen. Vandaar dat
de schrijver met nadruk doet uitkomen dat al de bestanddcelcn waaruit vroeger of later het volk
was samengesteld, bijgevolg ook de geslachten die in zijn tijd de Joodsche gemeente vormden, zuiver
Israclietisch wareu, en hij tevens aan Isracls beroemde mannen uit het verleden iu de gesluchtlijstcn
van zijn volk hunne plaats aanwijst (lis inll. op 1 Kron. II; IV! 24—13; VII; VIII; IX: 1—84).
Dio gemeente nu is wel de voortzetting alleen vnu het rijk Juda, maar dit is van de scheuring af het ware
Israël geweest, waarom vromen uit alle stammen zich daarbij hebbeu aangesloten (zie op 2 Kron.
XI: 13—17); immers, het is steeds geregeerd door het koningshuis van David, dat, door God verkoren,
bestemd is ook iu de toekomst over Israël te heerschcu (zie inl. op 1 Kron. III en mint. op 1 Kron.
XVII: 14), en heeft het eenigo wettige heiligdom en de ceuigc wettige priesterschap bezeten. Daarom
wordt het noordelijk rijk met stilzwijgen voorbijgegaau: de scheuring was van den kaut der tien
stammen niets dun afval van den waren God en zijn dienst (verg. inll. op 2 Kron. X:l—XI: 4;
XIII: 1—XIV: 1). Zoo is dus do Joodsche gemeente erfgeunam van al de door God aan Israël ver-
leende voorrechten en gedane beloften.
2°. De Heilige Schrift der Joodsche gemeente, de wet vnn Mozcs, heeft van oudsher in Israël ge-
golden als wet van God, door de vromen nooit zonder zegen gehoorzanmd, door de goddeloozcn nooit
straffeloos overtreden. Hare bcpaliugcn omtrent het cene heiligdom, den ccrcdicnst, de tcnipcldienarcn,
de rechtspraak, zijn, hoewel niet alle van den beginne af volledig toegepast, in al de eeuwen waarin
koningen over Israël regeerden als geboden Gods bekend geweest (zie b. v. inl. op 1 Kron. XV, XVI en
aantt. op 1 Kron. XVI: 39; XXI: 29; 2 Kron. XIX : 8—11); de hervormingen van Hizkia en Jozin
waren slechts terugkeer tot een vroegcren wettigen toestand (zie inll. op 2 Kron. XXIX; XXX: 1—
XXXI: 1; XXXIV, XXXV). Met name toont de schrijver aan, dat de wetsbepalingen ten aanzien van
de tempcldienaren gedurende al dien tijd in Israël hebben gegolden: niet slechts werd bet onderscheid
tusschen priesters en Levieten steeds zorgvuldig in acht genomen, maar ook heeft van Mozcs\' tijd af
steeds een hoogepriestcr uit het geslacht van Aüron aan het hoofd van het volk gestaan (1 Kron.
VI: 3—15); nooit heeft een niet-Lcviet straffeloos een offer ontstoken (verg. op 2 Kron. XXVI: 16—20);
nooit hebben niet-Levietcn als zangers of portiers bij de ark of in den tempel dienst gedaan; al wie
volgens de oude gcschicdbockcn priesterlijke werkzaamheden verricht heeft, zooals Snimicl of Obcd-Edom,
-ocr page 796-
876
INLEIDING OP KRONIEKEN.
deed dat krachtens zijne afstamming uit l-ivi (zie inl. <>]> 1 Kmn. VI en verg. op 1 Kron. XVI: 38).
3°. Ouk de cercdienst der Joodschc gemeente, voorzoovcr hij niet door de wet is geregeld, berust
op goddelijke verordeningen, aan David gegeven. Onvid heeft de vcrdeeling der priesters en der Le-
vieten, zelfs der Lcvietische zangers "en portiers, benevens hunne voorrechten en vcrplichtiugcn, op
Gods last vastgesteld; ilr iiiriehting des tempels en den vorm zijner gereedschappen volgens goddelijk
model voorgeschreven (zie inl. op 1 Kron. XXII: 2—19); niets is overgelaten aan menschclijke
\\vil-
lckeur. De schrijver wil echter door het gezag vnu het verleden niet slechts bcstuandc instellingen
bekrachtigen, maar tevens zijne eigene denkbeelden omtrent verbetering vuu den cercdienst ingang
doeu vinden of bestaande geschilpunten naar zijn inzicht beslechten. Dit geldt bepaaldelijk van de
verhouding der Levieten tot de priesters; de schrijver verzuimt gecuc gelegenheid, de eersten te
verheffen, op hunne trouw aan Jahwe te wijzen, en met nadruk te betoogen dat hun eene eervoller
plaats dan zij tot nog toe innamen in den tcmpcldienst toekomt (zie inll. op 1 Kron. XXI11; XXIV;
XXV; XXVI; 2 Kron. XXXI: 2—21; XXXIV, XXXV en aantt. op 2 Kron. V:ll—13; Vlll:15;
XVII:7— 0; XXX:17v., 22«, 27; XXXI: 14, 19; XXXV:Sr. enz.).
Di\' voorstelling uu welke de schrijver, door deze beginselen geleid, van het verleden vnn zijn volk
geeft dient om zijnen tijdgeuootcn op het hurt te drukken, de wet getrouw te betrachten en het
heiligdom en zijne dienaren te ceren en in waarde te houden (zie inll. op 1 Kron. XXVIII, XXIX;
2 Kron. XXXI: 2—21 en aantt. op 2 Kron. XXIV: 10 en 14). God toch is rechtvaardig. Kn wel zoo,
dat hij ieder straft of beloont, niet naar hetgeen de vaderen goed of kwnuil gedaan hebben, maar
naar eigen verdienste (zie inl. op 2 Kron. X: 1—XI: 4 en aantt. op 2 Kron. XXXUI: 10 cu XXXVI:
6 v. 12—16). Men leere uit de geschiedenis, dat vorst en volk (zie op 2 Kron. XV : 12—15), als zij
wet en tempel in eerc hielden, steeds voorspoedig geweest, daarentegen, als en zoolang zij deze ver-
zaaktcn. met rampspoed gestraft zijn. Zoo late Israël zich dan gezeggen en zij het getrouw aan hetgeen
Mozcs in David in Gods naam hebben verordend.
Verheven is het godsdienstig standpunt van den schrijver dus niet: vroomheid bestaat voor hem
grooteudccls iu tcmpcldienst; de meerdere of mindere godsvrucht der koningen openbaart zich voor
alles in hunne meerdere of mindere belangstelling iu het heiligdom cu den cercdienst. Doch men ver-
gete niet, welke grooto beteckenis iu dien tijd ook voor het vroom gemoed de tempel had: velen
kwamen alleen daar onder den invloed vnu de reine en verheffende denkbeelden en gevoelens, in
de psalmen die daar werden aangeheven uitgedrukt. Hoc machtig die invloed was, blijkt ook hieruit
dat onze schrijver iu menig opzicht op een hooger standpunt van godsdienst en zedelijkheid staat dan
zijne zegslieden; zie op 1 Kron. XIV: 11, 12; XV: 29; XVII: 21; XXI: 1; XXIX: 11; 2 Kron. XV : 5
en inl. op 1 Kron. XXVIII, XXIX.
EERSTE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Geslnchtrcgistcr van Adam tot Israël. — De oudvaders van Adam tot Noach cu zijne zonen (1—4).
De afstammelingen van Jafeth (5—7), van (\'ham (8—10) cu vnn Scm (17—23). De oudvnders vnn
Som tot Abraham en zrjne zonon (24—28). De afstammelingen vnn Isnincl (29—31), vnn Kcturn
(32 v.), vnn Izaiik (34), van Kznu (35—12). Edomi koningen (43—50) en stamhoofden (51—53).
Al deze opgaven zijn aan OenetU ontleend: vs. 1—4 aan Gen. V; vs. 5—7 aau Gen. X:2—4;
vs. 8—10 aan Gen. X:0—8; vs. 11—16 aan Gen. X:13—17; vs. 17—23 aan Gen. X:22—29;
vs. 24—27 aan Gen. XI: 10—26; vs. 28 aan Gen. XVI: 15; XXI: 1—3; vs. 29—31 aan Gen.
XXV: 18—16; vs. 32 v. aan Gen. XXV: 1—1; vs. 35—37 aan Gen. XXXVI: 1—14; vs. 38—42 aan
Gen. XXXVI: 20—28; vs. 43—53 aan Gen. XXXVI: 31—IS. De schrijver is echter nu en dan van
zijn voorbeeld afgeweken (zie op vs. 27, 32 en 38), om eene stelselmatige orde in de getallen te bren-
gen: evenals op de eerste tien oudvnders, door N\'oachs drie zonen, zeventig afstammelingen van die
zonen volgen, bestaat ook de geslachtlijst van Sem tot Abraham uit tien namen en bedraagt het aan-
tal afstammelingen van Abraham, uit de drie takken: Ismacl, Kctura en Izaiik, eveneens zeventig;
verg. op II: 3—33.
-ocr page 797-
1 KRONIBKKN I : 1—39.
877
1:1-3 Adam, Seth, Enos,\' Kenan, Mahalalel, Jered,\' Henoch, Methusjelah,
4       Lamech,\' Noach, Sem, Cham en Jafeth.
5           De zonen van Jafeth: Goiuer, Magog, Medië, lunië, Tubal, Mesjech
6,7 en Tiras.\' De zonen van Gonier: Askenaz, Kifatli en Toganua;\' de
zonen van Ionië: Elisja, Tarsjis, de Kittiërs en de Rodiërs.
8, 9 De zonen van Cham: Ethiopië, Egypte, Put en Kanaün.\' De zonen
van Ethiopië: iSeba, Hawila, >Sabta, Uaëma en iSabtecha. De zonen van
10       Raëina: fijeba en Dedan.\' Ethiopië nu verwekte Nimrod; deze begon
11       een geweldige op aarde te zijn.\' En Egypte verwekte de Ludiërs, de
12       Anamieten, de Libyers, de Naf\'tuhieten,\' de Pathruzieten, de Kasluhieten,
13       van welken de Filistijnen zijn uitgegaan, en de Kaftoiïeten.\' En Kanaün
14       verwekte Sidon, zijn eerstgeborene, en Heth,\' en den Jebuziet, den
15, 16 Amoriet, den Girgasjiet,\' den Hiwwiet, den Arkiet, den Siniet,\' den
Arwadiet, den Semariet en den Hamathiet.
17           De zonen van 8em: Elam, Assur, Arpachsjad, Lydië, Aram, Us, Hul,
18       Gether en Mesjech.\' Arpachsjad verwekte ftjelah; iSjelah verwekte
19       Heber;\' aan Heber werden twee zonen geboren; de een heette Peleg,
omdat in zijn tijd de aarde verdeeld werd; zijn broeder heette Joktan.\'
20,21 Joktan verwekte Almodad, tëjelef, Hasarmaweth, Jerah,\' Hadoram,
22, 23 l/al. Dikla,\' Ebal, Abimaël, Sjeba,\' Otir, Hawila en Jobab. Deze allen
zijn Joktanieten.
24-26 iSem, Arpachsjad, Sjelah,\' Heber, Peleg, Reu,\' Serug, Nahor, Terah,\'
27, 28 Abram, dat is Abraham.\' De zonen van Abraham: Izaük en Ismaël.
29           Dit zijn hunne afstammelingen. Ismaëls eerstgeborene was Nebajoth,
30       voorts Kedar, Adbeël en Mibsam,\' Misma en Duma, Massa, Hadad en
31       Tema,\' Jetur, Naris en Kedma. Dit waren de zonen van Ismaël.
32           De zonen van Ketura, Abrahams bij vrouw. Zij baarde Zimran, Jok-
sjan, Medan, Midian, Jisbak en iSjuah. De zonen van Joksjan: 8jeba
33       en Dedan;\' de zonen van Midian: Efa, Efer, Hanoch, Abida en Eldaii.
Deze allen waren zonen van Ketura.
34, 35 Abraham nu verwekte Izaük. Izaüks zonen: Ezau en Israël.\' De zonen
36       van Ezau: Elifaz, Reüel, Jeüs, Jaëlam en Korali.\' De zonen van Elifaz:
37       Teman en Omar, Sefi en Gaëtham, Kenaz, Timna en Amalek;\' de zonon
38       van Reiiel: Nahath, Zerah, Sjamma en Mizza.\' De zonen van Seïr:
39       Lotan, Öjobal, Sibeon, Ana, Disjon, Eser en Disjan.\' De zonen van
Vg. 1—4. Luc. III: 30—38.
5—23. Wanneer men de drie zoneii van Noach niet medetclt, behelst deze lijst zeventig namen;
nl. veertien van Jafcths (va. 5—7), dertig van Chama (va. 8—16), zen en twintig van Sems (va. 17—
23) zonen.
6. Rifatk, volg. vele has., Ren. lila Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Difath.
12. van — uitgegaan, /ie op Gen. X:13.
17. Ut — Metjeck waren volg. Gen. X : 23 zonen van Aram.
27. Abram. Zijne broeden, Nahor en lliiran met hunne afstammelingen. Gen. XI:27; XXII:20—21
vermeld, worden hier overgeslagen, blijkbaar omdat zij in het stelsel niet passen; zie Inl. — Abram,
dat U Abraham.
Zie Gen. XVII: 5.
29—12. Wanneer men Abraham, zijue bijvrouw en zijue twee zoneu niet medetclt, behelst ook deze
lijst zeventig nuincn. Abraham toch heeft door Ismuël twaalf, door Ketura dertien, door Izaük twee,
door Kzau zestien, door Seïr zeven en twintig afstammelingen.
32. Dedan. Ook zijue ionen wordun Gen. XXV: 3 vermeld; onze schrijver verzwijgt ze om do op
vs. 27 vermelde reden.
30. Sit/i. Gen. XXXVlïll Se/o. — Timna, volg. Gen. XXXVI: 12 de bijvrouw van Elifaz en Auuv
leks moeder.
38.   Seïr. Om voor Abrahams nakomelingen het getal zeventig te verkrijgen, moet deze niet mede-
geteld wordon. Daar zijne zonen onder Abrahams nfstainiuelingcu medegcrekend worden, heeft de
schrijver hom blijkbnur voor een zoon of kleinzoon van Kzau gehouden; wat hij oorspronkelijk
uiet was.
39.  Hernam, volg. Gr. vert. en Gen. XXXVI: 22; Hebr. t. Homam.
-ocr page 798-
1 KRONIEKEN 1:39 — 54.
878
40       Lotan: Hori en Hernam, en Lotans zuster was Tinina; \' de zonen van
iSjobal: Alwan, Manahath en Ebal, Sjeti en Onam; <le zonen van^ibeon:
41       Ajja en Ana;\' de zonen van Ana: Disjon; de zonen van Disjon: Hemdan,
42       Esban, Jithran en Keran;\' de zonen van Eser: Uilban, Zaawan en
Jaiikan; de zonen van Disjan: Us en Aran.
43           IXt zijn de koningen die over liet land Edom geregeerd bebben
voordat de Israëlieten een koning badden: Bela, de zoon van Beor;
44       zijne stad heette Dinbaba.\' Na den dood van JJela werd koning in
45       zijne plaats Jobab, de zoon Aan Zerab, uit JJosra.\' Na den dood van
Jobab werd koning in zijne plaats Husjaru, uit bet land der Tema-
4G nieten.\' Na den dood van Husjaru werd koning in zijne plaats Hadad,
de zoon van Bedad, die de Midianieten in het veld van Moab versloeg;
47       zijne stad beette Awith.\' Na den dood van Hadad werd koning in zijne
48       plaats Sarula, uit Masreka.\' Na den dood van Samla werd koning in
49       zijne plaats Saul, uit Rehoboth aan de JJivier.\' Na den dood van Saul
50       werd koning in zijne plaats Baülhanan, de zoon van Achbor.\' Na den
dood van Haiilhanan werd koning in zijne plaats Hadad; zijne stad
heette 1\'ati en zijne vrouw Mehetabeël, de dochter van Matred, de
51       dochter van Mezahab.\' Na den dood van Hadad waren Edoms stam-
52       hoofden: de stamhoofden van Timna, Aiwa, Jetheth,\' Oholibama, Ela,
53, 54 Pi non,\' Kenaz, Teman, Mibsar,\' Magdiël en Iraru. Dit waren Edoms
stamhoofden.
40.  Altcan, volg. fir. vcrt. en Oen. XXXVI: 23; Hcbr. t. Aljan. — Sjefi, Gen. XXXVI: 23 Sji/o.
41.  Het komt in gcslachtlijstcn ïncermalen voor, (Int, zooals hier, o]> zonen slechts écu imam volgt;
zie II: 7 v., 31 ; IV : 15; XXI11: 10. — Ana, Scïrs zoon, vs. 38. — JJitjott, de zoon van Seïr, vs. 38. —
llemdam, volg. vele hss., fir. Vort. en Ren. XXXVI: 20; Hebr. t. Ilamrau.
42.  liiëjan, volg. Ren. XXXV1:2H; Hebr. t. Disjon.
50.   1\'aii, volg. Lat. en fir. vertt. cu ficn. XXXVI: 39; Hebr. t. Pat.
51.   Au — llmliiil. Dat Kdoin toen eerst stamhoofden bad wordt ficn. XXXVI: 40—13 niet gezegd.
HOOFDSTUK II.
fieslachtlijst van Jndn. — De zonen van Israël (1 v.). De zonen van Judn (3v.); die van 1\'ercs
en Zerali (5—8). I)c zuncn van Hcsron (0). fieslachtlijst van Hcsrons zoon Ham tut David (10—17).
Afstammelingen van Kalcb, den zoon vnu Hcsron, uil Azubn en Kfrnth (18—20); de laat geboren
zonen van Hcsron (21—24). fieslachtlijst van Hcsrons zoon Jerahmecl (25—33); aanhangsel daarop
(3t—41). fieslachtlijst van Kalcb (42—50a); aanhangsel daarop (502—55).
Dat dit aan samengesteld stuk is springt in het oog. Naast lijsten die handelen over de onderlinge
betrekking van geslachten of plaatsen treffen wij andere nan, die de afkomst van bijzondere personen
vermelden. Kttclijkc namen komen meer dan eens, in verschillende verhoudingen, voor. Zoo worden
van Kalcb niet minder dnn drie gcslachtregisters gegeven. In bijzonderheden is het onmogelijk de
verschillende bcstanddcclcn van elkander te scheiden, vooral omdat van menige grocpecring van namen
de strekking ons ontgaat, en wij dikwerf niet weten, of door een naam cenc familie of cenc plaats
wordt aangeduid. In het algemeen kunnen wij dit zeggen: onzen schrijver heeft ten dienste gestaan
cenc lijst van de nfstainmcliugcu vnn Hcsron uit zijne zonen Jerahmecl en Kaleb, die wij terugvinden
in vs. 25—33, 42—50a, waarbij vs. 9 (zonder Ram) als opschrift behoord heeft. De opsteller van
deze lijst wilde blijkbaar deze niet-Israclietische geslachten, die in den loop des tijds met Juda waren
versmolten, in dezen stam inlijven, evenals de schrijver van Kzra\'s Wetboek ten opzichte van Kaleb
heeft gedaan (zie inl. op Nuin. XIII, XIV). De schrijver van Kronieken heeft haar overgenomen en uit-
gebreid, o. a. door de toevoeging van vs. 502—55, volgens welke verzen de afstammelingen van Kaleb
uit Uur iu de streek van liethlchem woonden. Wij weten niet, waarom hij hen daar plaatste; mis-
schien wel omdat de oude woonplaats der Kalebieten, Hcbron en omtrek, in zijn tijd in de macht
der Idumecrs was. Ten einde deze voorstelling met die van de vroegere lijst te verbinden, vermeldt
hij (rs. 18 v.) dat Hur de zoon was van Kalebs tweede vrouw Kfrnth, aldus genoemd naar de streek
waarin liethlchem lag (zie op Ren. XXXV: 19); hiermede geeft hij tevens te kennen dat Kalcb niet
altijd daar gewoond heeft. Dat in de vijfde eeuw en daarna ook in het Overjordaanschc Judecrs woon-
den drukt hij, vs. 21—23, aldus uit: Hesron huwde, op hoogen leeftijd, de dochter van Machir, den
zoon van fiilead, en werd zoo de stamvader van Jaïr.
-ocr page 799-
879
1 KRONIEKEN II: 1 —19.
Onze schrijver toont meer dan eens er prijs op te stellen, aan beroemde personen uit de geschic-
denis van zijn volk ecne plaats in de geslachtrcgistcrs van Israël aan te wijzen. Dit doet hij ook in
dit hoofdstuk: hij lijft Kthan, Hcmaii, Kalkol en Darda, Hur en rlesalccl hij Juda in; zie op vs. 6,
19 en 20. Vooral stelt hij belang in de gcslachtlijst van koning David (vs. 10—17), welke hij dan
ook in II. III tot zijn eigen leeftijd toe voortzet.
Ettelijke opgaven in dit stuk heeft de schrijver nan ons bekende geschriften ontleend: vs. 3—6
aan Gen. XLVU12 en Num. XXVI: 20 v.; vs. 10—12 aan Kuth IV: 19—22, en zie op vs. 1 v.,
3—5, 7, 10, 13—15, 10, 17 enz. Waarom hij van de stammen het eerst Juda behandelt, zie
op V:2.
11:1         Dit zijn de zonen van Israël: Ruben, Himeon, Levi en Juda, Issachar
2       en Zebulon,\' Dan, Jozef en Benjamin, Nat\'tali, Gad en Azer.
3           De zonen van Juda: Er, Onan en Sjela, drie, hem geboren uit de
doebter van iSjua, de Kanaünietische; Er, Juda\'s eerstgeborene, mis-
4       haagde aan Jahwe, zoodat hij hem deed sterven.\' Voorts baarde hem
zijne schoondochter Tamar Pens en Zerah; in het geheel had Juda
5,6 vijf zonen.\' De zonen van Peres: Hesron en Hamul;\' de zonen van
Zerah: Zamri, Ethan, Heman, Kalkol en Darda, in het geheel vijf.\'
7       De zonen van Karmi: Achar, die Israël in het ongeluk stortte door
8       zich aan den ban te vergrijpen;\' de zonen van Ethan: Azarja.
9           De zonen die Hesron geboren zijn: Jerahmeël, Ram en Kelubai.\'
10 Ram verwekte Amminadab; Amminadab verwekte Nahsjon, den vorst
11,12 der Judeërs;\' Nahsjon verwekte Salma; iSalma verwekte Uoaz;\' Boaz
13       verwekte übed; übed verwekte Izai;\' Izai verwekte Eliab, zijn oudsten
14       zoon, Abinadab, den tweeden, tëjimea, den derden,\' Nethaneël, den
15       vierden, Raddai, den vijfden,\' üsem, den zesden, David, den zevenden,\'
16       en hunne zusters, Seruja en Abigail. De zonen van Seruja: Abisjai,
17       Joab en Azaël, drie;\' en Abigail baarde Amaza; de vader van Amaza
was Jether, de Ismaëliet.
18           Kaleb, de zoon van Hesron, verwekte bij zijne vrouw Azuba Jerioth,
19       en dit zijn hare zonen: Jesjer, Sjobab en Ardon.\' Na Azuba\'s dood
1 v. Zie Gon. XXXV: 23—20, waar echter Jozef en Benjamin aan Dan voorafgaan.
3—33. Indien Jether (vs. 17) wordt inedegctcld, bedraagt het getal van Juda\'s nakomelingen wederom
zeventig: vijf zonen van Juda, twee van Peres, vijf van Zerah, drie nakomelingen van Zernh, drie
van Hesron, twintig nakomelingen van Kam, negen van Kaleb, drie en twintig van Jerahmeël; verg.
inl. op H. 1.
3—5. Zie Gen. XXXVIII en inl. op dat hoofdstuk; verg. Gen. XLVI:12; Num. XXVI: 19—21.
6.   Zamri, in overeenstemming met Gr. vert. en Joz. VII: 1; Hebr. t. \'Zimri. — Ethan — Darda,
de laatste naam volg. vele hss., oude vertt. en 1 Kon. IV: 31; Hebr. t. Dara. In Koningen heet
Ethan een Ezrahiet, terwijl de andere drie daar tonen tan Ma/m/ genoemd worden. Onze schrijver vatte
blijkbaar Ezrahiet op in den zin van Zarhiet en maakte nu alle vier tot zonen van Zerah. Elders
heeft hij Ethan en lleman onder de geslachten van Levi opgenomen; zie op VIS 33.
Tv. Zie op 1:41.
7.   Kar mi, volg. Joz. VII: 1. 17 v. zoon van Zimri of Zamri (verg. vs. 0). — Achar. Zie op Joz.
VII: 20.
9.   Van Hesron worden vs. 21, 21 nog tweo zonen genoemd. — Ram. Deze is in vs. 25, 27 niet,
zooals hier, broeder, maar zoon van Jerahmeël. Dit stond stellig in de oude gcslachtlijst (zie Inl.);
doch onze schrijver heeft hem hier tusschen Jerahmeël en Kelubai ingeschoven om het geslacht van
David, waarvan Ham volg. Kuth IV: 18—22 de stamvader was, tot een zelfstandig Judccsch geslacht
te maken. Over de afkomst van David zie inl. op Ruth. — Kelubai, Kaleb. Hij heet elders, ook in
dit boek (IV: 15), de zoon van Jefunne, o. a. Num. XIII: 7; XIV: 6; Deut. 1:30.
10.  den vortt der Judeèrt. Zie Num. 1:7; 11:3; VII: 12.
13—15. Volg. 1 Sam. XVI :ö—10; XVII: 12 v. had Izai acht zonen; de namen der oudste drie
worden ook daar vermeld, echter met dit verschil dat Sjimea daar Sjamma heet (zie op 1 Sam.
XVI: 9); die der volgende drie komen elders niet voor.
16.  Zie op 1 Sam. XXVI: 6 en zie 2 Sam. 11:18. — Abisjai. Zie op 2 Sam. X:10.
17.  Zie op 2 Sam. XVII: 25.
18 v. De bedoeling is: de Kalebicten hebben, voordat zij zich in Kfrath vestigden (vs. 504—55),
elders gewoond, maar hebben hunne vroegere woonplaatsen verlaten. De naam van Kalebs eerste vrouw
beteckent dan ook ,de verlatene\'; die van Jerioth, welke .tentdoek\' betcekent, doelt wellicht op het
zwervend herdcrsleveu dat zij in hunne vroegere woonplaatsen leidden.
18.  zijne vrouw Azuba, volg. Syr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Azuba, ecne vrouw en.
-ocr page 800-
1 KRONIEKEN II: 19—36.
880
20       nam Kaleb tot vrouw Efrath, die hem Hur baarde.\' Hur verwekte
21       Uri; Uri verwekte Besaleël.\' Daarna kwam Hesron tot de dochter van
Machir, den vader van Gilead; hij heeft haar tot vrouw genomen
22       toen hij zestig jaar oud was, en zij baarde hem Segub,\' en iSegub
verwekte Jaïr; deze had drie en twintig steden in liet land Gilead.\'
23       Gesjur en Araiu ontnamen hun de Jairs-gehuchten en Kenath met
onderhoorigheden, zestig steden. Deze allen waren zonen van Machir,
24       den vader van Gilead.\' Na Hesrons dood is Kaleb te Efrath gekomen.
En Hesrons vrouw was Abia, en zij baarde hem Ashur, den vader
van Tekoa.
25           De zonen van Jerahmeël, Hesrons eerstgeborene, waren: Ram, de
26       oudste, voorts Buna, Oren en Oseni, uit Ahia;\' maar Jerahmeël had
27       nog eene vrouw, Atara geheeten; deze was de moeder van Onam.\' De
zonen van Kam, Jerahmeëls eerstgeborene, waren: Maas, Jamin en
28       Eker. \' De zonen van Onam waren: Sjamniai en Juda; de zonen van
29       Sjammai: Nadab en Abisjur.\' De vrouw van Abisjur heette Abibail;
30       zij baarde hem Ah ban en Molid.\' De zonen van Xadab: Seled en
31       Appairu. Seled stierf kinderloos; \' de zonen van Appaim: Jisjei; de
32       zonen van Jisjei: Sjesjan; de zonen van Sjesjan: Ahlai.\' De zonen van
Jada, den broeder van Sjammai: Jether en Jonathan. Jether stierf
33       kinderloos;\' de zonen van Jonathan: Peleth en Zaza. Dit waren de
zonen van Jerahmeël.
34           Sjesjan nu had geen zonen, slechts dochters. En Sjesjan had een
35       Egyptisehen slaaf, Jarka genaamd;\' aan dezen slaaf Jarka gaf hij
36       zijne dochter tot vrouw, en zij baarde hem Attai. \' Attai verwekte
19.   Hur. Zie op Exod. XVII: 10. Kciic volledige geslachtlijst van hein vinden wij vs. 504—55. —
Efrath. Zie Inl.
20.  Zio Exod. XXXI:2; XXXV:30.
21 v. Jaïr, volg. Nnm. XXXII: 41 (lie aldaar); Dcut. 111:11 zoon van Mannsso, heet hier gespro-
ten uil het huwelijk van een kleinzoon van Juda met eene kleindochter van Maunssc. Dit hetcekent:
de bevolking der Jnïrs-geliuchtcti is gemengd, gedeeltelijk Manassictisch, gedeeltelijk Judccsch; wat op
den tijd na Kzrii wijst, toen vele Judeërs zich in het Ovcrjoidaanseho hadden nedergezet; verg. iul.
op Joï. XXII.
21.   Maehir, dan vader van Gilead. Zie op Gen. L:23 en op Num. XXVI: 29—32 en verg. Num.
XXVII: 1;
\\\\.\\ll : M); Deut. 111:15. — h>j heeft — wat. Do vermelding van Hesrons hoogen leef-
tijd geeft te kennen dat de vermenging van Judeërs en Mannssioton eerst van later tijd dag-
teckent.
22.   drie en twintig, volg. Kieht. X : 4 dertiij.
23.   Gesjur — Heden. Op welke gebeurtenis de schrijver het oog heeft, weten wij niet; wellicht op
het 2 Kon. X:32v. verhulde; waar het even onzeker is, op wie de woorden Hazaiil versloeg hen
doelen, als hier wie niet hun aangeduid worden. Over Gesjur zie op Deut. 111:11; over Aram op
(icn. X : 22. — en (volg. Imt. vert. ingevoegd) Kenath met onderhmiriyhedrn. Zie op Num. XXXll:42.
— zestig steden. Blijkbaar deukt de schrijver aan de zestig steden van Argoh iu linzaii (Deut. 111:1;
1 Kon. IV : 13), en meent hij — hoewel ten onrechte — dut tlit dezelfde zijn als de Jairs-gehuchteu
en Kenath met hare onderhoorige plaatsen. In deze dwaling is de schrijver van Deuteronomium hein
voorgegaan; zie op Dcut. 111:11. — Üeze allen, nl. Scgub, Jaïr en hunne afstammelingen.
21. is Kaleb ...gekomen, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hehr. t. in Kaleb. — Ashur. Zie IV: 5—7. —
Tekoa, iu de vijfde eeuw eene stad van bcteckenis, Xch. III: 5, 27; zie op Joz. XV : 59.
25. Jerahmeël. \'/Ac op 1 .Sain. XX VII: 10. — uit Ahia, volg. verb. t.; grondt. Ahia.
20. Onam komt ook 1 : 10 voor. Zoo heet Gen. XXXVI: 23 een Horietisch geslacht.
27. Jamin wordt ook IV: 21 vermeld. Zoo heet Reu. XI.VI : In een .Simcouietisch geslacht.
31. Zie op I: 11. — Jiijeï komt ook IV: 20 voor en is volg. IV: 12 een Siiiiconictiseh geslacht. —
Ahlai zou volg. vs. 31 eene dochter moeten zijn.
34 - 11. Deze verzen vormen een aanhangsel op de geslachtlijst van Jernhineel. Zij Icercn dat dit
geslacht voor een deel van gemeugd Egvptisch-Israëlictischc afkomst was. Zoo houdt de schrijver
rekening met de overlevering dat Jerahmeël oorspronkelijk een niet-Israclictisch geslacht was cu
Juda van oudsher verbonden was geweest met stammen van ten dcele Egyptische herkomst (zie iul!.
op Gen. XVI; Xum. XIII, XIV). Opmerking verdient dot de meeste der hier voorkomende namen
ook in de lijsten van Dnvids medestanders of van zijne nakomelingen worden aangetroffen: Attai
XII: 11; Nathan 2 Sam. V:15; XX1II:30; ZabaJ XI: 41; Obed XI: 47 ; Jehu X1I:8; llelet 2 Saiu.
XXIII:2G; Jekaiuja 111:18; Etisjama lll:i\'>; 2 Sam. V:10. De lijst is van een anderen schrijver
D�1B
dan het onmiddellijk voorafgaande; verg. vs. 34 met vs. 31.
-ocr page 801-
1 KUONIBKEN II ! 36—54.                                     881
37 Nathan; Nathan verwekte Zabad;\' Zabad verwekte Eflal; Eflal ver-
38,39 wekte Obed;\' Obed verwekte Jebu; Jehu verwekte Azarja; \' Azarja
40       verwekte Heles; Heles verwekte Eleaza; \' Eleaza verwekte Wzemai;
41       Sizemai verwekte Sjallum: \' Sjallum verwekte Jekamja, en Jekamja
verwekte Elisjama.
42           De zonen van Kaleb, den broeder van Jerahnieël: Meesja, zijn eerst-
geborene; deze was de vader van Zif; en de zonen van Maresja, den
43       vader van Hebron.\' De zonen van Hebron: Korah, Tappuab, Itekem
44       en Sjeraa.\' Sjema verwekte liaham, den vader van Jorkeam, en Uekem
45       verwekte Sjammai.\' De zoon van Bjammai: Maon, en Maon was de
46       vader van Beth-sur.\' Voorts heeft Efa, de bij vrouw van Kaleb, gebaard:
47       Haran, Mosa en Gazez. Haran beeft Jahdai verwekt. \' De zonen van
48       Jahdai: Regem, Jotham, Geesjan, Pelet, Efa en Sjaiif. \' Kalebs bij vrouw
49       Maiicha lieeft iSjeber en Tirhana gebaard; \' ook baarde zij iSjaiif, den
vader van Madmanna, Sjewa, den vader van Machbena en van Gibea.
50a De dochter van Kaleb was Achsa.\' Dit waren de zonen van Kaleb.
504 De zonen van Hur, den eerstgeborene van Efrath: Sjobal, de vader
51       van Kirjath-jearim, \' Salma, de vader van Bethlehem, Haref, de vader
52       van Beth-geder.\' De zonen van Sjobal, den vader van Kirjath-jearim,
53       waren: Keaja en half Manahath. \' En de geslachten van Kirjath-jearim:
de Jithrieten, de Puthieten, de Sjumathieten en de Misraïeten. Uit
54       dezen zijn de Soreathieten en de Estaolieten voortgekomen. \' De zonen
42—50a. Dit gedeelte, uit de oude oorkonde (zie lul.), behelst in den vorm eeucr gcslachtlijst cene
opgave van de plaatsen die de Kalebieteu voor de Hallingschnp in bet Zuidcu van Juda en eeuige
andere streken hebben bewoond. Wel zijn vele der hier "voorkomende nninen van elders niet bekend,
doch al de bekende duiden óf plaatsen aan in de omgeviug van Hebron, of komen elders als namen
van Midianietischc of Edomietische geslachten voor; het laatste geldt van Efa (vs. 46 v.), die Gen.
XXV: 4, en Rekem, die Num. XXXI i 8 tot Midian, en van Korah en Sjammai, die Gen. XXXVI: 14,
17 tot Kilum gerekend worden.
42.  Zif. Zie op Joz. XV : 55. — Mareeja — Hebron. Voor het eerste zie op Joz. XV: 44, voor het
tweede op Gen. XIII: 18. Waarom Maresja de vader van Hebron heet, weten wij niet; waarschijnlijk
was in den tijd des schrijvers het laatste van het eerste afhankelijk.
43.   Tappuah. Zio op Joz. XV: 53. — Sjema. Zie op Joz. XV : 52—54.
45. Maon. Zie op Joz. XV: 55. — Bfth-iur. Zie op Joz. XV: 58.
40. Efa, de bijvrouio. Streken die als kinderen van vrouwen van lageren rang worden voorgesteld
hebben niet tot het oorspronkelijk gebied behoord of namen in het geslacht eene ondergeschikte plaats
in. Daar Efa volg. Gen. XXV: 4; Jez. LX: 6 de naam van ecu Midianietisch geslacht is, worden
met de kinderen die zij aan Kaleb schonk plaatsen aangeduid van gemengde Knlebietisch-Midianieti-
sche bevolking. Met Haran, .Vota en Gazez zijn derhalve plaatsen in Midian bedoeld; ilota mag
dus niet met de gelijknamige stad in Benjamin, Joz. XVIII: 26, verward worden. — Jahdai, volg.
verb. t.; grondt. Gazez.
47.  Efa, in vs. 46 naam eener bij vrouw.
48.  Maaeha. Zoo heet VII: 15 v. eene bijvrouw van Machir; met hare zonen worden dus waar-
schijnlijk Kulcbictischc geslachten in het Ovcrjordaanschc bedoeld.
49.  Sjaiif. Deze is vs. 47 zoon van Jahdai. — Madmanna. Zie op Joz. XV : 31. — Gibea. Zie op
Joz. XV: 57. — De — Achsa. Zie Joz. XV: 15—19; Richt. 1:12—15.
504. De zonen (volg. Gr. vort.; Hebr. t. zoon) van Uur, den zoon van Kaleb; zie vs. 19. De hier
volgende lijst stelt Kaleb voor als den stamvader van een groot deel der bevolking van noordelijk
Juda (zie op vs. 18 v.); zij onderstelt dus den toestand lang na den val van Jeruzalem; hetgeen ook
blijkt uit vs. 55, waar de afkomst van zekere klassen van schriftgeleerden, blijkbaar des schrijvers
tijdgenootcn, vermeld wordt. — Sjobal, volg. IV : 1 zoon van Juda, is volg. Gen. XXXVI: 20, 29 een
Horictisch geslacht. — Kirjath-jearim. Zie op Joz. IX: 17.
51.  Salma, vs. 11; Ruth IV : 20 v. een van Dnvids voorvaderen. — Bethlehem. Zie op Joz. XV: 59,
— Beth-geder, wellicht hetzelfde als Geder; zie op Joz. XII: 18.
52.   Reaja en half Manahath, volg. verb. t., het eerste woord naar IV : 2, het andere naar vs. 54;
Hebr. t. llaro\'è (,de ziener\') en half Manuholh. Reaja is Ezra 11:47; Neh. VII: 50 de uaam van eene
familie van geschonkencn, V: 5 die van een Kubenictisch geslacht. Manahath was eene streek van
Juda aan de Dauietischc grens; verg. VIII: 6. Voor de eene helft wordt het tot Sjobal, voor de
andere tot Salma gerekend; evenzoo wordt Sorea, dat tot Manahath behoorde (vs. 54), als een onder-
deel van de beide geslachten vermeld; zie vs. 53 v.
53.   de Jithrieten. Zie XI: 40 en zie op 2 Sant. XXIII: 38. — de Soreathieten en de Eitaolielen.
Zie op Joz. XV: 33. De andere namen komen elders niet voor.
54.   de Nelofathieten. Zie op 2 Kon. XXV: 23. — Alroth-belh-Joab, d. i. ,de kronen van Joabs
huis\', onbekend.
O. T. I.
5(1
-ocr page 802-
1 KRONIEKEN II : 54—III : 9.
882
van Salma: Bethlehem, de Netofathieten, Atroth-beth-Joab en de be-
55 volking van half Manahath, de Soreathieten.\' Voorts de geslachten
der schriftgeleerden die te Jabes wonen, de Tireathieten, de Sjimea-
thieten, de Suchathieten; dit zijn de Kinieten, die van Haiumath, den
vader van het huis llechab, afstammen.
55. De hier genoemde geslachten of klassen zijn ons van elders niet bekend; evenmin Jabet (in
het lltbrceuwsch anders geschreven dan Jabes 1 Sam. XI), dat, behalve hier, nog IV : 9 v. als naam
van cru aunzicnlijk man ot\' geslacht, in Juda gevestigd, voorkomt. Misschien zijn de hier vermelde
namen geen eigennamen maar duiden zij verschillende klassen van schriftgeleerden naar hunne werk-
zaamhcdeii aan; de woorden kunnen betcekenen .poortwachters\', .zangers\' en .huttenbewoners\'. In dit
geval hebben deze geleerden waarschijnlijk behoord tot de gcschonkcncn, die, van nict-Israclietischc
afkomst, oudtijds diensten iu den tempel of iu een ander heiligdom verrichtten ; verg. inl. op Num.
III, IV. — dit zijn de Kinieten, nl. de geslachten van Jabes. l)e Kinieten of Kenieteu, van de vroegste
tijden af ouder de Israëlieten geëerd (zie op Xum. X:32; inl. op Num. XIII, XIV en verg. 1 Sam.
XV : 5—7), worden hier met de Kechabicten vereenzelvigd en tot de Judcërs gerekend. — Ilammatk
komt alleen hier voor. — het huis Rechab. Zie op 2 Kon. X : 15.
HOOFDSTUK III.
Geslachtlijst Tan David. — De zonen van David (1—9). De koningen van Juda (10—16). De af-
staminelingen van Jcchonja (17—24).
Indien de voorgeslagen lezing van vs. 21 de ware is, zet de schrijver de lijst van Davids nakome-
lingcn, vervolg van 11:9—17, tot het elfde geslacht na Zcrubbabcl, dus tot het eind der derde eeuw,
voort. Blijkbaar stelt hij groot belang in het geslacht van koning David; wat zieh verklaren laat,
niet slechts uit de beteckenis die het had in het verleden, maar evenzeer uit het geloof dat het be-
stemd was ook in de toekomst, bij de verheerlijking van Israël, cenc grootc rol te spelen. De opga-
ven van vs. 1—10 zijn uit de boeken Samuel en Koningen geput: vs. 1—4a uit 2 Sam. 111:2—5;
v». 4* uit 2 Sam. V:5; vs. 5—8 (XIV: 4—7) uit 2 Sam. V: 14—16; zie verder op vs. 10—14.
Waaraan die van vs. 17—24 ontleend zijn, weten wij niet, doch waarschijnlijk zijn zij niet ten volle
vertrouwbanr. De voorstelling althans dat Zcrubbabcl, het hoofd der Joden bij den herbouw des tcm-
pcls, van David afstamde treffen wij bij Haggai en Zacharja, zijne tijdgenooten, dio hem dikwijls met
eerbied noemen, niet aan, en kan door onzen schrijver verdicht zijn om de stichting van den tweeden
tempel toe te schrijven aan een lid vnn hetzelfde geslacht dat den eersten gebouwd had.
111:1 Dit zijn de zonen van David die hem te Hebron geboren zijn: de
eerstgeborene Arnnon, van Ahinoam, de Jizreëlietische; de tweede
2      Daluja, van Abigail, de Karmelietische; \' de derde Absalom, de zoon
van Maiicha, dochter van Talmai, den koning van Gesjur; de vierde
3      Adonia, de zoon van Haggith;\' de vijfde Sjefatja, van Abital; de zesde
4      Jithream, van zijne vrouw Egla. \' Zes zijn hem geboren te Hebron,
waar hij zeven jaren en zes maanden regeerde, terwijl hij drie en
5      dertig jaren te Jeruzalem geregeerd heeft.\' De volgenden zijn hem
geboren te Jeruzalem: 8jammua, Sjobab, Nathan en Salomo, vier, van
6      Bathsjua, de dochter van Ammiël;\' voorts Jibhar, Elisjua, Elifelet,\'
7-9 Nogah, Nefeg, Jatia,\' Elisjama, Eljada en Elifelet, negen.\' Dit zijn
alle zonen van David, behalve de zonen der bijvrouwen, en Tamar was
hunne zuster.
1. Daluja, volg. Gr. vert. (verg. op 2 Sam. 111:3); Hebr. t. Daniël. — Nog zijn in dit en het
volgende vers een paar schrijffouten verbeterd.
5.  Sjammua, volg. XIV: 4 en 2 Sam. V: 14; Hebr. t. Sjimea. — Bathsjua, 2 Sam. XI: 3 en elders
Bathsjeia. Zie op 2 Sam. XI: 3. — Ammiël, 2 Sam. XI: 3 Eliam. — Dat Bathsjeba, zoonis hier
staat, vier zonen had is ons van elders niet bekend en onwaarschijnlijk; want Salomo, die hier in de
vierde plaats genoemd wordt, was volg. 2 Sam. XII : 24 v. de eerste dien zij na den vroegen dood
van haar eerstgeborene anu David schonk. De woorden tan — Ammiël gelden dus alleen Salomo en
zijn bij ongeluk achter rier verdwaald. Het kan zijn dat ze oorspronkelijk eene kantteckening waren
die te verkeerder plaatse in den tekst is geslopen.
6 v. Elifelet, Nogah. Deze twee namen ontbreken 2 Sam. V: 14—16, waarschijnlijk te recht, daar
Elifelet in vs. 8 andermaal voorkomt, daar te recht, en Nogah verschrijving van het volgende Nefeg
kan zijn. Toch heeft de schrijver ze wellicht reeds in de door hem geraadpleegde lijst gevonden, daar
hij ze hier mcdctelt en XIV : 5 v. nogmaals vermeldt.
6.   Elisjua. volg. XIV: 5; 2 Sam. V:15; grondt. Elisjama.
9. de zonen der óijvronicen. Dezen worden ook 2 Sam. V:13 vermeld. — Tamar. Zie 2 Sam. XIII.
-ocr page 803-
883
1 KRONIEKEN III : 10—24.
10          De zoon van Salomo was Rehabeam, zijn zoon was Abia, zijn zoon
11      was Aza, zijn zoon was Josjafat,\' zijn zoon was Joram, zijn zoon was
12      Ahazja, zijn zoon was Joas,\' zijn zoon was Amasja, zijn zoon was
13      Azarja, zijn zoon was Jotham, \' zijn zoon was Abaz, zijn zoon was
14      Hizkia, zijn zoon was Manasse,\' zijn zoon was Amon, zijn zoon was
15      Jozia. \' De zonen van Jozia: de eerstgeborene Joahaz, de tweede Jojakim,
16      de derde Sedekia, de vierde Sjallum.\' De zonen van Jojakim: zijn zoon
was Jechonja, zijn zoon was Sedekia.
17          De zonen van Jechonja, den gevankelijk weggevoerde: zijn zoon was
18      Sjealtiël,\' voorts: Malkiram, Pedaja, Sjenassar, Jekamja, Hosjama en
19      Nedabja.\' De zonen van Pedaja: Zerubbabel en Sjimeï. De zonen van
20      Zerubbabel: Mesjullam, Hananja en hunne zuster Sjelomith;\' voorts:
21      Hasjuba, Ohel, Berechja, Hasadja, Jusjab-hezed, vijf. \' De zonen van
Hananja: Pelatja, zijn zoon was Jezaja, zijn zoon was Uefaja, zijn zoon
22      was Arnan, zijn zoon was Obadja, zijn zoon was rijechanja.\' De zonen
van Sjeohanja: Sjemaja; de zonen van Sjemaja: Hattus, Jigeal, Bariah,
23      Nearja en Sjafat, zes. \' De zonen van Nearja: Eljoënai, Hizkia en Azri-
24      kam, drie.\' De zonen van Eljoënai: Hodawja, Èljasjib, Pelaja, Akkub,
Johanan, Delaja en Anani, zeven.
10—14. Over deze nakomelingen van David, allen koningen van Jiida, zie 1 Kon. XI: 43; XIV:
31; XV:8, 24; 2 Kon. VIII: 16, 25; XI:2; XII:1, 21; XV:7, 38; XVI:20; XX:21;
XXI: 18, 26.
15 v. Joahaz (volg. Gr. vert. en 2 Kron. XXXVI: 1— 4; 2 Kon. XXIII: 30—34; Hebr. t. Johanan)
wordt hier ten onrechte de oudste genoemd en van Sjallum onderscheiden; zie op 2 Kon. XXIII: 30
en op Jer. XXII: 11. Over Jojakim zie op 2 Kon. XX1II:34. Sedekia, de zoon van Jozia, wordt,
wederom ten onrechte, onderscheiden van Jojachins opvolger, die hier de zoon en 2 Kron. XXXVI:
10 de broeder van Jojachin heet, maar volg. 2 Kon. XXIV: 17 zijn oom was. Over Jechonja of Jo-
jachin
zie op 2 Kon. XXIV : 6.
17. den gevankelijk weggevoerde. Zie 2 Kon. XXIV: 15; XXV: 27.
19. Zerubbabel, het hoofd der Joden bij den tempelbouw; zie Ezra 111:2, 8; V:2; Hagg. 1:1,
12, 14; 11:3, 24; Zach. IV: 0—10. Volg. Ezra 11:2; Neh. VII: 7; XII: 1 was hij aanvoerder der
tijdens Cyrns terugkeerende ballingen. Ook komt hij Matth. 1:12; Luc. 111:27 voor. Op bijna al
deze plaatsen heet hij do zoon van Sjealtiël, die hier zijn oom is. — De zonen, volg. hss., Gr. en
Syr. vertt.; Hebr. t. De zoon.
21.   De tonen, hier en vs. 23, volg. hss. on oude vertt.; Hebr. t. De zoon. — zijn zoon is eens
ingevoegd uit Gr., Lat. en Syr. vertt., met welke ook viermaal zijn zoon in pi. v. de zonen van ge-
lezen wordt.
22.   Hattus. Een afstammeling van David van dezen naam komt ook Ezra VIII: 2, als tijdgenoot
van Ezra, voor. — zet, zonen en kleinzonen van Sjechanja.
HOOFDSTUK IV: 1—28.
Andermaal eene gcslachtlijst van Juda. — Geslachten van Juda (1); de zonen van Sjobal (2), van
Hur (3 v.), van Ashur (5—7), van Kos (8). De naam Jabcs (9 v.). De zonen van Kelub (11 v.), van
Kcnaz (13 v.), van Kalcb (15), van Jehallelecl (10), van Ezra (17—19), van Sjimon (20). De zonen
van Sjela (21—23).
Deze geslnchtlijst, die wij na H. II niot verwachten, is in vclo opzichten voor ons onvcrstnan-
baar: tal van de hier voorkomende namen zijn ons geheel onbekend, van andere is de lezing hoogst
onzeker, en bovendien ontgaat ons telkens het onderling verband der deelcn. Ecnigc weinige zijner
opgaven heeft de schrijver uit andere boeken van het O. T.; hier en daar schijnt hij te doelen op
overleveringen die wij niet kennen (zie op vs. 22); maar voor het grootste gedeelte heeft hij waar-
schijnlijk zijne stof ontleend aan verhoudingen van zijn tijd. Het verdient althans opmerking, dat be-
trekkclijk vele der hier voorkomende namen ook in andere jonge geschriften worden naugetroffen en
plaatsen, geslachten of familicu nanduidon die in de vijfde eeuw of later botcekenis hadden; zie op
v». 2, 8, 12, 14, 17, 18 en 20. De schrijver geeft dus waarschijnlijk een overzicht van de in zijn tijd
in het Joodsche land levende geslachten, hunne woonplaatsen en onderlinge verhouding; waarbij hij
zich niet beperkt tot de nakomelingen van Juda, maar ook andere, met name Henjaminietischc en
Iicvietische, geslachten vermeldt; zio op vs. 2, 4, 7, 8, 12, 14 en 20. De reden waarom hij, na de lijst
van H. II, deze nog heeft samengesteld, is wellicht hierin te zoeken dat de cene op een ander tijd-
vak doolt dan de andere.
-ocr page 804-
1 KRONIEKEN IV: 1—14.
884
IV: 1,2 De zonen van Juda: Peres, Hesron, Kelub, Hur en Sjobal.\' Reaja,
de zoon van Sjobal, verwekte Jahath; Jabatb verwekte Abumai en
3       Laliad; dit zijn de geslachten der Soreathieten.\' En dit waren de
zonen van Etani: Jizreël, Jisnia en Jidbas; hunne zuster heette Has-
4       selelpoui;\' 1\'enuël was de vader van (jredor, en Ezer de vader van
IIiisja: dit zijn de zonen van Hur, Efraths eerstgeborene, den vader
5       van Bethlehem.\' Ashur, de vader van Tekoa, had twee vrouwen: Uelea
6       en Nauru.\' Naiira baarde hem Ahuzzaiu, Heter, de Timeuieten en de
7       Ahastarieten; dit zijn de zonen van Naüra.\' De zonen van Helea:
8       Sereth, iSohar en Etbnan.\' Kos verwekte Auub, Hassobeba en de ge-
9       slachten van Aharhel, den zoon van Harum.\' Jabes nu was meer ge-
eerd dan zijne bruederen; zijne moeder had hem Jabes genoemd: Want
10       ik, zeide zij, ik heb met smart gebaard.\' En Jabes riep den god van
Israël aan: Indien gij, zeide hij, mij rijkelijk zegent en mijn grondge-
bied uitbreidt, uwe hand met mij is en gij alle kwaad weert, zoodat
ik geen smart heb! — waarop God deed komen wat hij gevraagd had.
11           En Kelub, de broeder van Sjuha, verwekte Mehir; deze was de
12       vader van Eston; \' en Eston verwekte het huis Kafa, Pazeah en Tehinna,
13       den vader van de stad Nahas. Dit zijn de mannen van Rechab.\' De
zonen van Kenaz: Othniël en Öeraja; de zonen van Othniël: Hathath
14       en Meonothai. \' Meonothai verwekte Üfra, en Seraja verwekte Joab,
1.   Kelub, volgens gissing: groudt. Karmi. Uit het vervolg blijkt dat Kelub bedoeld is; daar na
de afstammelingen van Sjobal (vs. 2) en Hur (vs. 3 v.), niet die van Karmi, maar die van Kelub
(vs. 11) worden ongenoemd. — De zonen, d. i. afstammelingen, van Juda vertegenwoordigen vijf op-
ecnvolgendc geslachten; zie 11:3—5, 0, 18 v., 504. Riders heeft Juda zelf ook vijf zonen; 11:4;
Gen. XXXVUI: 3—5, 2» v.j XLV1:12.
2.   Reaja, Soreathieten. Zie II: 52 v. Sorea (zie op Joz. XV : 33) behoort ouder de plaatsen die in de
vijfde eeuw door Joden bewoond werden, Neh. XI:;.".). — Jahath. Dit is VI: 20, 48; XXIII: 10 v. j
XXIV: 22; 2 K. ii.ti. XXXIV: 12, de uaum van een Levietisch geslaeht.
3.   de ionen van, volg. hss. en Gr. vert.; Hebr. t. Abi (of de vader eau). — Etam eu Jizreêl, stc-
den op het Gebergte; verg. op Joz. XV : 59 eu 50. De andere namen in dit vers, van elders onbe-
kend, duiden waarschijnlijk ook plaatsen of geslachten in diezelfde streek aan.
4.   1\'eiiuïl, De Btnd van dezen naam in het Overjordaanschc (zie op Gen. XXXII: 30) kan hier niet
bedoeld zijn; waarschijnlijk is het hier een lienjnminictisch geslacht; zie VIII: 25. — Qedor. Zie
vs. 18 en op Joz. XV: 58. — llusja. Zie XI:29; XX: 4; 2 Sam. XXIII: 27. — Efrath, Kulebs
vrouw; zie II! 19. — den vader van Bethlehem, volg. 11:51, 54 door Hurs zoon Salma.
5—7. Vele der hier voorkomende namen wijzen naar het zuiden van Juda.
5.  Ashur, de vailer van \'lekoa. Zie op 11:24.
0. llefer. Zie op 1 Kou. IV : 10. — de Timeuieten. De naam hangt wellicht samen met dien der
Edomictischc landstreek Temnn (zie op Gen. XXXVI: 11).
7.  Sohar, een Simconietisch geslacht, Gen. XIA\'1:10.
8.  Kos, of llakkot. Zoo heette een priestergeslacht, XXIV: 10; Ezra 11:61; Neh. 111:4, 21;
VII: 63.
9 v. Deze verzen dienen om den unam der stad Jabes te verklaren en den bloei van de scholen
der schriftgeleerden nldanr (zie op II: 55) aan te duiden. Het ongewone Hebrecuwsche woord voor
.siuart\' (oseb) heeft eenige overeenkomst met Jabes en wordt er daarom, zelfs twee keer, mede in
verband gebracht.
10. Indien — heb! De nazin, die ecne belofte van Jabes behelsd moet hebben, b. v. dan zal ik
mij wijden aan de studie uwer wet of iets dergelijks, ontbreekt. De schrijver liet hem weg, daar het
hem alleen te doen was om de verklaring van den naam die in den voorzin gegeven wordt. Het
kan ook zijn dat de Hebreeuv>sche stijl medebracht den nazin in eeue dergelijke furmule weg
te laten.
11 v. Deze verzen zijn voor ons nagenoeg geheel duister, daar de meeste namen elders niet voor-
komen. Wellicht wareu de hier genoemde geslachten Kalebieten; de schrijver echter schijnt Kelub,
door de bijvoeging den broeder van Sjn/ia. van Knleb in vs. 15 te onderscheiden.
12.   het huis Ra/a, waarschijnlijk de bevolking van de vallei der Refaicteu; zie op Joz. XV : 8. —
Pazeah. Zoo heet cene familie van geschonkeuen, Ezra 11:49; Neh. 111:6; VII: 51. — Dit —
Rechab, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Recha. Bedoeld zijn waarschijnlijk de van vs. 8 of genoemden; Jabes
althans wordt ook II: 55 tot de Kechabieteu gerekend.
13.   Kenaz, Othniël. Zie op Joz. XV: 17. — Seraja komt als broeder van Othniël elders niet voor.
— en Meonothai, uit Gr. en Lat. vertt. ingevoegd. De naam staat wellicht in verband met de
Meiinieten
(zie op vs. 41), of met de stad Maon, die Joz. XV: 55; 1 Sam. XXV: 2 ver-
meld wordt.
14.   O/ra. Zoo heet Joz. XVIII: 23; 1 Sam. XIII: 17 eene stad in benjamin. — Joab. Zoo heet
-ocr page 805-
1 KRONIBKBN IV : 14—28.                                     885
den vader van het Handwerkersdal; want het waren handwerkslieden.\'
15       De zonen van Kaleb, den zoon van Jefunne: Ir, Ela en Naüm; de
16       zonen van Ela: Kenaz. \' De zonen van Jehalleleël: Zif, Zifa, Tirja en
17       Azareël.\' De zonen van Ezra: Jether, Mered, Efer en Jalon. Dit zijn
de zonen van Bithja, de dochter van Farao welke Mered gehuwd had;
zij werd zwanger en baarde Mirjam, Sjammai en Jisbah, den vader
18       van Estemoa. \' En zijne Joodsche vrouw haarde: Jered, den vader van
Gedor, Heber, den vader van >Socho, en Jekuthiël, den vader van
19       Zanoah.\' De zonen eener andere Joodsche vrouw: Naham, de vader
20       van Keïla, de Garmiet, en Estemoa, de Maüchathiet. \' De zonen van
Sjimon: Amnon en Rinna, Hanans zoon, en Tilon. De zonen van
Jisjeï: Zoheth en de zonen van Zoheth.
21            De zonen van Sjela, den zoon van Juda: Kr, de vader van Lecha,
Laëda, de vader van Maresja, en de geslachten van het huis der lijn-
22       waadmakers, het huis Asbea.\' Voorts Jokira en de mannen van Kozeba
en Joas en Saraf, die naar Moah in ballingschap waren gegaan maar
23       herwaarts teruggekeerd zijn; dit zijn oude geschiedenissen;\' zij waren
de pottebakkers en de bewoners van plantsoenen en schaapskooien;
bij den koning, in zijn dienst, hebben zij daar gewoond.
Ezra 11:6; Nch. VII: 11 ccn Juodsch geslacht in de vijfde eeuw. — het Ilandic/Tkersdal. Dit lag
volg. Neh. XI: 35 in de nabijheid vnn Jeruzalem en werd duur Henjaminicten bewoond.
15.   Dit ver» wil zeggen: Kenaz en zijne zonen (vs. 13 v.) behooren tot Kaleb. Volg. Xum. XXXII:
12; Joz. XV: 17; Richt. 111:9 daarentegen behoorde, omgekeerd, Kaleb tot Kenaz; deze, hier klein-
zoon van Kaleb, is daar zijn vader. De verandering is een gevolg hiervan dat in ons boek Kaleb een
hoofdgeslacht van Juda is; verg. inl. op H. II. — Kenaz, volg. hs». en de oude vertt.; Hebr. t. en
Kenaz.
Met Ela behoort hij 1: 52 v. tot Edoms stamhoofden; verg. I : 30.
16.  Zif. Zie op Joz. XV\': 55.
17—19. In het geslacht Mered worden éene gemengd Joodsch-Egyptische en twee zuiver Joodsche
liniën onderscheiden.
17.   De tonen, volg. hss., Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. De toon. — Ezra, misschien dezelfde als
Ezer, vs. 4, hoofd van een Joodsch geslacht ten tijde van Nehcmja, Neh. III: 19. — Jet/ter en Sjam-
mai
zijn II: 32 Jeruhmeclictcn. — Dit — hatl. Deze woorden zijn uit het volgende vers hierheen
verplaatst — en haarde, naar gissing ingevoegd. — Estemoa. Zie op Joz. XV : 50. Deze en de in het
volgende vers genoemde plnatson liggen alle op het Gebergte.
18.   Gedor. Deze stamt volg. vs. 4 door Penucl vnn Uur af; zie aldaar. — Soclio, Zie op Joz. XV:
48. — Zanoah. Zie Joz. XV : 56. Het behoort met Keïla (vs. 19) tot do in de vijfde eeuw door Joden
bewoonde plaatsen; zie Neh. XI: 30; beider bewoners helpen aan den herbouw van Jcruzalems muren,
Neh. 111:13, 17 v.
19.   eener — Naham, volg. verb. t.; grondt, van de vrouw van llodijja, de znêter van Naham,
«aren.
— Keïla. Zie op Joz. XV : 44. Daar dit in de Laagte lag, hebben wij waarschijnlijk daar ook
Estemoa te zoeken, dat de schrijver blijkbaar van de gelijknamige plaats in vs. 17 onderscheidt.
20.   Dit vers is ons geheel onverstaanbaar. Hanan is Ezra 11:46; Neh. VII: 49 de naam eener
familie van geschonkenen, en Neh. VIII: 7; X: 11, 23, 27; XIII: 13 die van een Leviet. Over Jujeï
zie op 11:31. — de zonen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de zoon.
21—23. Dit toevoegsel bevreemdt ons na vs. 1, dat alleen afstammelingen van Juda door Peres
doet verwachten.
21.   Sjela. 7Ae Gen. XXXVIII:»; XLVI:12; Num. XXVI:20. — Er, volg. 11:3; Gen. XXXVIII:3
zoon van Juda en volg. Gen. XXXVIII: 7 v. kinderloos gestorven. — Maresja. Zie op II: 42. — De
overige namen in dit vers zijn evenals de meeste in de twee verzen die volgen ons onbekend.
22.   Kozeba, wellicht hetzelfde als Kczib, volgens Gen. XXXVIII: 5 Sjela\'s geboorteplaats; de beide
voorstellingen: Sjeln is te Kezib geboren, en: do lieden dier plnats zijn Sjela\'s zonen, drukken het-
zelfdc denkbeold uit: het geslacht Sjeln woonde te Kezib. — die — teruggekeerd zijn, volgens gis-
sing; grondt, levert geen zin op.
23.  inwoners van plantsoenen en schaapskooien, wijngaardeniers en herders. — den koning, waar-
schijnlijk dien van Moah.
HOOFDSTUK IV: 24—43.
Simeon. — De afstammelingen van Simeon (24—27). Hunne woonplaatsen (28—3:1). Eenige hun-
ner geslachten maken zich meester van eene streek bij Gerar (34—11), andere van een deel van het
gebergte Seïr (42 v.).
De namen van Simeons zonen en die hunner woonplaatsen zijn aan Bijbelboeken ontleend; zie op
vs. 24, 25 en 28—33; van waar de schrijver de verdere bijzonderheden omtrent de verhuizing vaq
-ocr page 806-
886                                      1 KRONIEKEN IV : 24- 40.
sommige Simeonietischc geslachten (vs. 39—43) heeft, weten wij niet, maar dut ze niet geloofwaardig
zijn volgt uit het doel waarmede de schrijver ze vermeldt. Hij wil er toch door lecren dat de ten
zuiden van Juda gelegen strekeu reeds van oudsher door Israëlieten bewoond zijn geweest en dus
rechtens tot het land der Joden hehooreu ; met hetzelfde doel lijft hij cenige Ismaëlictischc stammen
bij Simcon in; zie op vs. 25. Tc recht wordt Simcon hier en XII: 25 terstond na Juda behandeld
met wicn hij steeds ten nauwste verbonden was (zie op Joz. XIX: 1—9); elders, 2 Kron. XV :3;
XXXIV : fi, wordt hij, ten onrechte, tot Xoord-Isrnël gerekend.
IV: 24, 25 De zonen van Siroeon: Nemuël, .lamin, Jarib, Zerah, Baal;\' zijn
26       zoon was Sjalluiu, zijn zoon was Mibsani, zijn zoon was Misma.\' De
zonen van Misnia: zijn zoon was Hammuël, zijn zoon was Zakkur,
27       zijn zoon was Sjiiueï.\' En Sjinieï had zestien zonen en zes dochters;
maar zijne broeders hadden niet vele zonen, en al hunne geslachten
hebben zij niet gebracht tot het aantal der zonen van Juda.
28, 20 Zij woonden te Bersjeba, Molada, Hasar-sjual,\' Billia, Esem, Tolad,\'
30, 31 Bethuël, Horma, .Siklag,\' Beth-markaboth, Hasar-suzira, Beth-bireï en
32       Sjaaraim. Dit waren hunne steden (totdat David koning werd)\' en ge-
33       huchten: Etani, En-rinimon, Tochen, Ether en Asjan; vijf steden\' en
al hunne gehuchten rondom deze steden tot Baül toe. Dit waren hunne
woonplaatsen; en zij hielden hunne geslachtregisters.
34, 35 Mesjobab, Jamlecli, Josja, de zoon van Amasja,\' Joel, Jehu, de zoon
36       van Josjibja, den zoon van Seraja, den zoon van Aziël, \' Eljoënai, Jaa-
37       koba, Jesjohaja, Azaja, Adiël, Jezimiël, Benaja\' en Ziza, de zoon van
iSjifeï, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van iSjimri,
38       den zoon van Hjemaja;\' dezen, hier met name opgegeven, waren
vorsten in hunne geslachten toen hunne familiën zich sterk vermenig-
39       vuldigd hadden; \' zij trokken dus heen, aan den ingang bij Gerar tot
40       oostwaarts van het dal, om weide voor hunne kudden te zoeken,\' en
vonden vette en vruchtbare weide; het was een ruim en breed, rustig
en veilig land, want de vroegere bewoners behoorden tot de zonen
24.   Deze opgave komt bijna geheel met die van Num. XXVI: 12—14 (zio aldaar) overeen; alleen
staat daar Jachin in pi. v. Jarib. Anders Gen. XLVI:10; Exod. VI : 14.
25.   gijn — Sjallum. Kcdocld is, nnar het schijnt, dat hij een zoon wus van Saul. Daar alleen dit
geslacht wordt voortgezet, wil de schrijver wellicht zeggen dat de andere verdwenen zijn. — Mibsam
en Misimi zijn 1: 29 v. j Ren. XXV: 13 v. Ismaëlietische geslachten.
20. Zakkur en üjiméi. Dit zijn namen van geslachten tijdens Kzra en Nehcmja, Ezra VIII: 14; X:
33, 38; Neh. 111:2.
27. al kunne geslachten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hun gansche geslacht.
28—33. Deze verzen zijn, met ettelijke afwijkingen in de schrijfwijze der namen, ontleend aan Joz.
XIX: 2—8. Zie op Joz. XV: 26, 28, 29, 30, 31, 32, 42; XIX: 2, 7 en 8.
31.   Belh-biréi, elders Beth-lebaoth of Lebaoth; zie op Joz. XV: 32. — totdat — werd. Deze woor-
den stann hier zeer vreemd en zijn wellicht ingelascht; hun schrijver kan er mede bedoeld hebben
dat na Davids troonsbestijging niet al de genoemde steden, b. v. Siklug (zie 1 Som. XXVII: 6), Si-
mconictisch gebleven zijn.
32.   Klam komt Joz. XIX:" niet voor en wordt vs. 3 tot Juda gerekend. — Ether, uit Joz. XV: 42;
XIX: 7 ingevoegd; ook Gr. vert. heeft vijf namen.
33.  en — toe. Zie op Joz. XIX: 8.
34—37. Namen der Simconietische geslachtshoofden tijdens den in vs. 39—41 vermelden trek. Van
waar de schrijver ze heeft en in hoever de opgave vertrouwen verdient, weten wij niet. Er zijn er
onder die zeer bevreemden: Jamlech bctcekeut .hij make koning\', Eljoënai is een naam die alleen door
personen in de vijfde eeuw gedragen wordt, III: 23 v.; Ezra X: 22, 27; Neh. XII: 41; Jaakoba is
letterlijk ,naar Jakob\'. Ook is het zonderling dat tusschen deze en de vs. 24—27 genoemde Simeo-
nictcn elk aanknoopingspunt ontbreekt.
38.  toen — hadden, en het dus noodig werd nieuwe woonplaatsen te zoeken.
39.   Gerar, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Gedor. Zie op Gen. XX: 1 en inl. op Gen. XXVI: 1—83. —
het dal, wellicht het Gen. XXVI: 17 vermelde, hoewel daar met een ander woord aangeduid. Evenals
de samcusteller van Gen. XXVI: 1—33 (zie inleiding daarop), leert onze schrijver dat Gerar Israclie-
tisch eigendom is.
40.   ruim en breed, rustig en veilig. Zie Richt. XVIII: 7, 10, 27. — vant — Cham, waren een\'
overblijfsel der Kanaiiuieten; zie Gen. X:18—20. Dat het een veilig land was leidt de schrijver,
naar bet schijnt, hieruit af, dat, bij de uitroeiing der Kanaanieten, een deel hunner hier ongemoeid
was gebleven,
-ocr page 807-
1 kronibkbn IV : 40—V : 6.                                887
41       van (\'liain.\' Zij dan, ten tijde van Ilizkia, den koning van Juda, met
name opgeschreven, kwamen en sloegen hunne tenten, alsmede de
Meünieten, die zich daar bevonden, tronen hen met den banvloek, tot
op dezen dag, en vestigden zich in hunne plaats; want daar was weide
42      voor hunne kudden.\' Ook zijn van hen, van de Simeonieten, vijf bon-
den! man naar het gebergte Seïr getrokken, aan wier hoofd stonden:
43      Pelatja, Nearja, Refaja en Uzziël, zonen van Jisjeï;\' zij versloegen het
overschot der van Amalek ontkomenen en vestigden zich daar, tot op
dezen dag.
41.  ten — opgeschreven, de vs. 34—37 genoemden. Het verhaalde zou dus tijdens de regeering van
Ilizkia moeten hebben plaats gehad. — hunne tutten. Het waren dus zwervende herders. — de Meii-
nieten
zijn hier een volkstam ten oosten van Gerar; 2 Krou. XXVI: 7 worden zij nevens Filistijnen
en Arabieren, 2 Krott. XX : 1 nevens Moab en Ammoii vermeld. Ken geslacht van gesehonkenen ten
tijde van K/ra en Nehemja. „de zonen der Meünieten" (Ezrn II: 50; Neh. VII: 52), stamt, iunir het
schijnt, van hen af. Verg. op vs. 13.
42 v. Zie op Exod. XVII: 8—10 en op Nam. XXIV: 20.
42.  van hen, ean de Simeimielen, van de in het stamland gcblevenen. Hier wordt du» eene tweede
verhuizing van Simeon verhaald. Anderen mecuen: van de in Gerar gevestigden. — Seïr. Zie op Gen.
XIV :C. — Jisjeï. Verg. op 11:31.
43.    Amalek. Zie op Gen. XIV: 7. Wellicht wordt met het overschot — ontkomenen gedoeld
op de tegen hen door Saul en David gevoerde oorlogen, 1 Sam. XIV: 48; XV; 2 Sain. VIII: 12.
HOOFDSTUK V.
De Overjordaansche stammen. — De afstammelingen van Kuhcn (1—8«); het gebied van een
zijner geslachten (8i, 9), in Sauls tijd op de Hagareuen veroverd (10). Het land der Gadietcn (11);
hunne geslachten (12—15) en de door hen bewoonde streken (16). De opstelling van gcslachtregisters
der Overjordaansche stammen en de som hunner strijdbare mannen (17 v.); hunne overwinning op
naburige volkstammen (19—22). Woonplaatsen van den halven stam Mauassc (23); zijne familiehoof-
den (24). De wegvoering der bevolking van het Overjordaansche naar Assyric (25 v.).
Slechts een zeer klein gedeelte van deze gcsluchtlijsten is aan ons bekende geschriften ontleend (zie
op vs. 3); het wordt, meestal zeer los (zie op vs. 4), met andore opgaven van onbekende herkomst
verbonden. De bijzonderheden omtrent overwinningeu, door deze stammen op Hagurencu en andere
oostwaarts wonende volken behaald, en de uitbreiding hunner woonplaatsen, als gevolg daarvan, zijn
stellig niet geloofwaardig (zie op vs. 10 en 18—22), maar danken haar ontstaan aan het streven van
den schrijver, Israëls grondgebied in het verledcu zoo uitgebreid mogelijk voor te stellen. De Joden
hebben volgens hem aanspraak op die streken ten oosten en ten noorden van Kanaan die hier door
de Overjordaansche stammen veroverd of bevolkt heeten te zijn.
V: 1         De zonen van Ruben, Israëls eerstgeborene — want hij was de eerst-
geborene, maar omdat hij de sponde zijns vaders ontwijd had, is zijn
eerstgeboorterecht aan Jozef, den zoon van Israël, gegeven, zonderdat
2      deze op het geslachtregister de plaats des eerstgeborenen kreeg;\' want
Juda was wel de sterkste onder zijne broederen en bestemd grooter
3      vorst te zijn dan hij, maar de eerstgeboorte had Jozef. —\' De zonen
van Ruben, Israëls eerstgeborene: Henoch en Pallu, Hesron en Karmi.\'
4      De zonen van Joel: zijn zoon was Sjemaja, zijn zoon was Gog, zijn
5      zoon was Sjimei,\' zijn zoon was Micha, zijn zoon was Reaja, zijn zoon
6      was Joel, zijn zoon was Baal,\' zijn zoon was Beëra, dien Tilgath-Pil-
1.   want — had. Zie Gen. XXXV: 22; XLIX: 3 v. — is — gegeven. Zio op Gen. XIiVHI:5. —
Jozef, volg. hss. en Svr. vert.; Hobr. t. de tonen van Jozef. — zonderdat — kreeg. Deze plaats had
Ruben behouden, vs. 3\'; II: 1 v.; Num. 1:5, 20; XXVI: 5.
2.   De schrijver doet uitkomen, dat, terwijl Kuben de eerste plaats op de gcslachtregisters inneemt
en Jozef het deel van den eerstgeborene ontving, Juda toch de voornaamste stam was. Deze is dan
ook door hem het eerst behandeld; verg. II: 3 met II: 1 v. — bestemd — hij. Zie XXVIII: 4 en
verg. iul. op lucht. 1: 1—II: 5.
3.  Zie Gen. XLVI: 9 ; Exod. VI: 1; Num. XXVI: 5 v.
4.  Joel. Hoe dit geslacht met de vorige samenhangt, zegt de schrijver niet.
5.  zijn zoon was Joel, uit Gr. vert. ingevoegd.
6.  Zie 2 Kon. XV: 29. — Tilgalh-Pilnezer. Zoo wordt in Kronieken (vs. 26; 2 Kron. XXVIII: 20)
de naam geschreven dio 2 Kon. XV:29; XVI: 7, 10 juister Tiglath-Pilezer luidt,
-ocr page 808-
888
1 KRONIKKBN V : 6—18.
nezer, de koning van Assyrië, gevankelijk heeft weggevoerd; hij was
7       een vorst der Itubenieten.\' En zijne broeders, naar hunne geslachten,
toen zij met hunne afstammelingen in geslachtregisters werden inge-
8       schreven: Jeïël, het hoofd, Zacharja\' en Bela, de zoon van Azaz, den
zoon van Sjema, den zoon van Joel. Deze woonde in Aroër en tot
9       Nebo en Baal-meon toe;\' en oostwaarts woonde hij tot bij de woestijn
die aan de rivier den Eufraat begint; want hun vee in het land Gi-
10       lead was talrijk.\' Ten tijde van !"faul hebben zij oorlog gevoerd met
de Hagarenen; dezen vielen in hunne handen, en zij woonden in hunne
tenten langs de gansche oostelijke grens van Gilead.
11            De zonen van Gad woonden tegenover hen, in het land Bazan, tot
12       Salcha toe.\' Joel was het hoofd, Sjafani de tweede; voorts Jatinai en
13       Sjafat, in Bazan.\' En hunne broeders, naar hunne familiën: Michaël,
14       Mesjullam, Sjeba, Jorai, Jaëkan, Zia en Eber, zeven.\' Het waren zonen
van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van
Gilead, den zoon van Michaël, den zoon van Jesjisjai, den zoon van
15       .lal[dn, den zoon van Buz.\' Ahi, de zoon van Abdiël, den zoon van
16       Guni, was hoofd hunner familiën.\' Zij woonden in Gilead, Bazan en
onderhoorige plaatsen en op alle weidegronden van Sjaron tot aan
hunne uiterste grenzen.
17           Zij werden allen in geslachtregisters ingeschreven ten tijde van Jotham,
den koning van Juda, en van Jerobeam, den koning van Israël. \'
18       De zonen van Ruben, de Gadieten en de halve stam Manasse telden
7.   zijne broeder», van Becra. Dezen werden niet in ballingschap weggevoerd. — hunne geslachten,
volg. Gr. vert.; Hebr. t. zijne getlachlen.
8.   Het geslacht Bela woonde van de Kubenietische geslachten het meest oostelijk; hier wordt zijne
westelijke grens aangegeven. — Aroër. Zie on Deut. II: 36. — Nebo M Baal-meon. Zie op Num.
XXXII: 34—38.
9.  het land Gilead, hier, als dikwijls elders, het Overjordaanschc.
10.   Het hier verhaalde, ons van elders niet bekend, dient om aan te tonnen dat Rubens gebied
zich, van den tijd van Saul af, zelfs ten oosten van het Overjordaansche heeft uitgestrekt. Dit is in
strijd met hetgeen wij van elders aangaande dezen stam weten; zie op Gen. XXXV: 22; Deut.
XXXIII: 6 en inl. op Num. XVI. — de Hagarenen, een Bcdowicnenstam tusschen Palestina en de
Perzische Golf. Zij komen nog vs. 19 v.; Ps. IiXXXIII:7 voor. Verg. inl. op Geil. XVI.
11.   Bazan, hier alleen de streek tusschen het meer Gennczaret en het Haurangebergte; zie op Num.
XXI: 33. — Saleha. Zie op Deut. III: 10. Dat het gebied der Gadieten zich zoover uitstrekte is in
strijd met Deut. III: 12—15, waar Hazan en zelfs een deel van Gilead aan half Manasse ten deel
valt; verg. op vs. 28.
12 v. Opmerking verdient dat geen der Gen. X I.V I : 10 genoemde afstammelingen van Gad hier voorkomt.
12.   •>/ Bazan, Dit slaat waarschijnlijk op al de in dit vers genoemde geslachten; zij worden daar-
door onderscheiden van de zeven in vs. 13, die elders, wellicht in Gilead, woonden.
14.   Gilead, volg. Num. XXVI: 29 afstammeling van Manasse. Dat hij van Gad heet af te stam-
men is het gevolg hiervan dat de schrijver de Gadieten in Gilead en Kazan plaatst en de Manas-
sicten noordelijker lant wonen. — Buz, een Aramccschc of Arabische volkstam, nog vermeld Gen.
XXII: 21, Job XXXII: 2; Jcr. XXV: 23. Hij wordt hier bij Gad ingelijfd.
15.  Wanneer Ahi gcslachtshoofd was, blijkt niet; wellicht tijdens het vs. 17 verhaalde.
10. onderhoorige plaatsen. Dit komt elders slechts bij steden voor; bij den naam van een land ge-
voegd, kan het niet anders beteekenen dan de in dat land liggende plaatsen. — Sjaron. Wellicht it
dit eene andere schrijfwijze voor Sirjon en wordt er de Hermon of een gedeelte van dit gebergte
mede aangeduid; zie op Deut. 111:9 en verg. Ps. XXIX :fi; Jez. XXXIII: 9. Over de vlakte van
dezen naam zie op XXVII: 29.
17. Over Jotham zie 2 Kon. XV: 32 vv.; over Jerobeam, den tweede, 2 Kon. XIV: 23 vv. Deze ko-
ningen regeerden gelijktijdig van 750 tot 746, doch de aanvang van Jerobeam» regeering valt veel
vroeger dan die van Jotham. Dat de schrijver hier, en nog wel in de eerste plaats, den koning van
Juda vermeldt, tot wiens rijk God niet behoorde, geschiedt omdat hij de dynastie van dit rijk als
de ccuig wettige beschouwt.
18—22. Dit bericht zou beter voegen na vs. 23 v., waar over half Manasse, dat hier nevens Ruben
en Gad optreedt, gehandeld wordt; dat het daaraan voorafgaat komt wellicht hiervan dat de schrij*
ver eerst de uitbreiding van grondgebied in het oosten en daarna die in het noorden (vs. 23) wilde
vermelden. De inhoud is stellig onhistorisch: de opgaven omtrent den buit (vs. 21) klinken onge-
loofelijk, en eene zoo aanzienlijke uitbreiding van het grondgebied der Overjordaanschc stammen als
waarvan hier bericht wordt is in strijd met al wat wij van elders van hen weten; verg. inl. op
Num. XXXII,
-ocr page 809-
889
1 KRONJBKBN V : 18—26.
aan strijdbare mannen, lieden die schild en zwaard droegen, tien boog
spanden en in den krijg geoefend waren, vier en veertig duizend zeven-
19       honderd en zestig dienstplichtigen.\' Zij voerden oorlog met de Haga-
20       renen, Itur, Nafis en Nodab.\' Zij verkregen hulp tegen hen, en de
Hagarenen en al hunne bondgenooten werden in hunne hand gegeven;
want zij hadden in den strijd tot God geroepen, die aan hunne bede
21       gehoor gaf, omdat zij op hem vertrouwd hadden.\' Zij voerden weg,
van hun vee, vijftig duizend kameelen, tweehonderd vijftig duizend
stuks klein vee en twee duizend ezels, en van menschen, honderd duizend
22       zielen;\' want velen waren gesneuveld, daar het een krijg van God
was. En zij vestigden zich in hunne plaats, tot aan de wegvoering.
23           De zonen van den halven stam Manasse woonden in dat land, van
Hazan tot Baal-Hernion, den f^enir en het gebergte Hermon; en in den
24       Libanon breidden zij zich uit.\' Dit waren hunne familiehoofden: Efer,
Jisjeï, Eliël, Azriël, Jeremia, Hodawja en Jabdiël, strijdbare helden,
beroemde mannen, hoofden hunner familiën.
25           Maar toen zij zich vergrepen aan den god hunner vaderen en de
goden naboeleerden van de volken des lande, die God voor hen uit
26       verdelgd had,\' wekte Israël» god den geest op van Pul, den koning
van Assyrië, en dien van Tilgath-l\'ilnezer, den koning van Assyrië,
die hen, de Rubenieten, de Gadieten en den halven stam Manasse,
gevankelijk wegvoerde en naar Halah, aan den Habor en de rivier van
Gozan, bracht; waar zij tot op dezen dag zijn.
18.   vier — dienttpliehtigen. Hier is het aantal dienstplichtigen van de twee en een halven stam
kleiner dan dat van Ruiten of vau Gad alleen in den Mozaïsche» tijd,
\\iuii. 1:21, 25; XXVI: 7,
18; zie daarentegen Joz. IV : 13. Hetzelfde is het gevol met Azcr (zie op VII: 40). Talrijker gewor-
den zijn Issachar (zie op VII: 5) en Benjamin (zie op VII: 11). Van de overige stammen worden
geen opgaven verstrekt; waarom niet, is onbekend.
19.   de Hagarenen. Zie op v». 10. — Uur, Xajie (ook 1:81), Nodab (alleen hier), Arabische stara-
men tusscheu I\'alestiua en de Perzische Golf; zie op Gen. XXV : 15.
20.  Zij verkregen hulp, namelijk van God.
22.  want — was. He bloedige nederlaag geeft reden van den ontzaglijken buit dien zij maakten.
— de wegvoering, die van 731 (733) of die van 722; zie op vs. 26.
23.   dat land, het Overjordaanscho. — van Hazan, de zuidelijke grens van hun gebied. Do Mnuos-
sieten — zoo is de bedoeling — woonden niet in eigenlijk Bazan, waar de Gadieten zich hadden
gevestigd, maar ten noorden er van; zie op vs. 11. — Baal-llermon. Zie op Joz. XI: 17. — den
Senir en het gebergte Herman.
Zie op Deut. III: 8 en 9. — en in den Libanon, uit Gr. vert. inge-
voegd. Evenals Ruben en Gad imar het oosten, breidde dus Manasse naar het noorden zich uit. Over
den Libanon zie op Deut. 1: 7.
24.  E/er, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. en K/er.
25.   Verg. IX : 1; 2 Kon. XVII: 7—18.
26.  Zie op 2 Kon. XV: 19 en 29. De schrijver ziet, ten onrechte, in Pul en Tilgath-Pilnezer (zie
op vs. 6) twee koningen. — Halah — Gozan, dezelfde streken waarheen volg. 2 Kon. XVII :6; XVIII:
11 de inwoners van Noord-Isracl na de verovering van Samaric gebracht werden. Terwijl echter in
Koningen met de rivier van Gozan eene nadere bepaliug van den Habor wordt gegeven, deukt onze
schrijver blijkbaar aan twee verschillende rivieren. Op Habor laat Hebr. t. nog volgen Hara, wat
misschien met naar het Gebergte vertaald kan worden; met Gr. vert. weggelaten; verg. op 2 Kon.
XVII: Ö. De schrijver verwart blijkbaar de wegvoering van 2 Kon. XV: 29 met die van 2 Kon.
XVII: 6.
HOOFDSTUK VI.
Levi. — Geslachtlijst van Levi tot en met Aiirons zonen (1—3), van Aarons zoon Kleazar tot in
de Ballingschap (4—15). De drie Levietische geslachten (16—19): de afstammelingen van Gersjon
(20 v.), van Kehath (22—28), van Merari (29 v.). De door David aangestelde zangers (31 v.): geslacht-
lijsten van Heman (83—38), Azaf (39—43) en Kthan (44—47). Dienstwerk der Levieten (48) en der
priesters (49). Geslachtlijst van Aaron tot Sadoks zoon Ahimaiis (50—53). Lijst van de priester* en
de Levietensteden (54—81).
Een gedeelte der hier voorkomende lijsten, vs. 1—4, 16—19, 22 v., 54—81, is aan ons bekende
geschriften ontleend (zie aantt. daarop en op va. 8); of ook het verdere, geheel of gedeeltelijk, door
den schrijver van elders overgenomen, dan wel door henuelvcn voor het eerst opgesteld is, weten wij
-ocr page 810-
890                                            1 KHONIBKKN VI ! 1—8.
niet. Dnt ook in het eerste geval de gcslachtregisters niet aan eene geloofwaardige overlevering te
danken, maar kiiu»tmatig samengesteld ziju, blijkt o. n. uit de herhaling van ecnige namen (verg. vs.
9 met v». 10. 13; vs. 23 met vs. 25, 26, 27); zelfs komt eene reeks nnmcu tweemaal in dezelfde
geslachtlijst voor (verg. vs. 7 v. met vs. 11 v.).
liet geslachtregister van Aiiron, vs. 1—15, 50—53, gaat, o[> het voetspoor van Kzra\'s Wetboek,
van de onderstelling uit, dat Israël van de wetgcviug op den Sinni af tot aan de Ballingschap steeds
hoogepriesters heeft gehad uit het geslacht van Aiirous zoon Kleazar, die elkander geregeld zijn opge-
volgd. I)czc voorstelling is volstrekt ongeloofwaardig: eene hoogepriestcrlijke waurdigheid zooals hier
ondersteld wordt bestond vóór de Hallingsehap in Israël niet; zie op Kxod. XXIX: 30. Doch al had
zij toen wel bestaan, toch zouden wij aan deze lijsten alle vertrouwen moeten ontzeggen: vooreerst
zijn zij blijkbaar kunstmatig opgesteld (zie op vs. U en 12 v.); voorts missen wij er namen op die
wij stellig zouden verwachten: die van een paar opperpriesters in Jcruzalcms tempel, in Koninyen
vermeld, Jojada i2 Kou. XI. XII; Jer. XXIX: 26) en I\'ria (2 Kon. XVI : 10—IK), en evenzeer die
van KM. I\'inehas, Ahitub, Ahia, Ahimelech en Abjathar, die in het laatste gedeelte van het tijdvak
der riehtercu tot in het begin van Sutomo\'s regeering hoofden vnn een voornaam priestergeslacht in
4
Israël waren. Laatstgenoemden zijn met opzet weggelaten en tot afstammelingen van een jongeren
zoon van Aiiron gemaakt (zie op XXIV: 8), omdat de schrijver niet kon aannemen dat leden van
een door .lahwc verworpen geslacht (zie op 1 Sam. II : 27 v.) wettige hoogepriesters geweest waren.
Van de eerstgenociiidcn verzwijgt hij .lojada wellicht om de op 2 Krou. XXII: 11 vermelde reden, eu
I\'ria om hetgeen van hem 2 Kon. XVI: 10—18 verhaald wordt; zie op 2 Krou. XXV1U:22—25,
Daarentegen wordt Sadok, de stamvader der Jeruzalemsche priesterschap, van wiens afkomst niets
bekend was (zie op 2 Sam. VIII: 17), in bet geslacht van Aüron ingelijfd eu op zijne afstumming van
Aiirons oudsten zoon, Kleazar, groote nadruk gelegd; zie op vs. 50—53.
De geslnchtlijstcu der Levieten dienen vooral om enkele beroemde mannen uit het verleden, Samucl,
licman en Kthon, in den stam Levi in te lijven. Samuel, volg. 1 Sam. 1: 1 uit den stam Kfrnim,
moest een Leviet zijn geweest, omdat hij priesterlijke werkzaam beden had verricht (zie 1 Sum. VII:
10); maar vooral was er onzen schrijver veel aan gelegen, licmnii en Kthnn, die 1 Kun. IV : 31 als
wijzen geroemd worden, als afstammelingen van Levi voor te stellen. Daar volgens hem licman en
Kthnn, met Azaf, de stamvaders waren der Jeruzalemsche tempelzangcrs (zie op vs. 33), en deze
zangkoren in zijn tijd reeds lang als Levieten werden aangemerkt (zie inl. op Num. III, IV), moesten
ook zij zelvcn in dien stam worden opgenomen; wat hier geschiedt door elk van hen bij een der drie
Lcvictische geslachten iu te lijven. De schrijver bedenkt blijkbaar niet dat hij lleinnn en Kt ban
elders (zie op II : (i) tot Judecrs heeft gemaakt.
Mot de vermelding van do lijst der priester- en J.cviotenstedcn, vs. 54—81, uit Joz. XXI herhaald,
wil hij te kennen geven dut priesters en Levieten het door do wet huu toegewezen grondgebied in
Duvids tijd inderdaad hebben bezeten. Hoe ongeloofwaardig dit is, zie inl. op Num. XXXV.
VI: 1,2 De zonen van Levi: Gersjon, Kehath en Merari.\' De zonen van
ïi Kehath: Aniram, Jishar, Hebron en Uzziël.\' De zonen van Amram:
Aiiron, Mozes en Mirjam. De zonen van Aiiron: Nadab en Abihu, Elea-
4 zar en Ithamur.\' Eleazar verwekte I\'inehas; I\'inehas verwekte Abisjua;\'
5,0 Abisjua verwekte Bukki; Bukki verwekte Uzzi;\' Uzzi verwekte Zerahja;
7      Zerahja verwekte Merajoth;\' Merajoth verwekte Amarja; Amarja ver-
8      wekte Ahitub;\' Ahitub verwekte Sadok; Sadok verwekte Ahiniaas;\'
1.  Zie vs. 16; Gen. XLVI: 11; Eiod. VI: 15; verg. XX1II:6; Num. XXVI: 57.
2.  Zie vs. 18 en Exod. VI: 17.
3—14. Deze lijst komt, met uitzondering van de namen in vs. 7—10, Amarja tot Johanan, nog
voor iu Kzra VII: 1—5, welke verzen ook van onzen schrijver zijn (zie aldaar); vs. 4—8 wordt v«.
50—53 herhaald.
3.   De zonen — Mirjam. Zie Exod. VI: 19; Num. XXVI: 59. — De timen van Aiiron — Ithamar.
Zie XXIV: 1; Kxod. VI: 22; Num. 111:2, 4; XXVI: 60. — Over Nadab en Abihu zie XXIV: 2 en
op Lcv. X: 1—3. Eleazar was, volg. Num. XX: 28, opvolger van Aiiron in de hoogepricsterlijke
waardigheid. Over Ithamar, volg. XXIV : 3 stamvader van Eli\'s huis, zie op 1 Sam. II: 27 v.
4.  1\'inehaê. Zie inl. op Num. XXV.
7—14. Deze reeks van vijftien namen wordt Neh. XI: 11 tot eene van zes ingekrompen, waarin
Merajoth niet, zooals hier, aau Ahitub voorafgaat, maar op hem volgt.
8. Ahitub verwekte Satlok. Eli had een kleinzoon Ahitub (1 Sam. XIV : 3), dien een overwerker
van 2 Sam. VIII: 17 tut vader van Sadok had gemaakt (zie aldaar). Onze schrijver, die dien overge-
werkten tekst waarschijnlijk kende, heeft Ahitub, den vader van Sadok, blijkbaar voor een ander ge-
houden dan Eli\'s kleinzoon. — Ahimaa*. Zie 2 Sam. XV: 36; XVI11: 19—32.
-ocr page 811-
1 KRONIEKEN VI : 9—30.                                      891
9 Ahimaiis verwekte Azarja; ileze is het die het priesterambt in den
tempel welken Salomo te Jeruzalem gebouwd heeft heeft bekleed. En
10, 11 Azarja verwekte Johanan; \' Johanan verwekte Azarja;\' en Azarja ver-
12       wekte Amarja; Amarja verwekte Ahitub; \' Ahitub verwekte Badok;
13       Sadok verwekte Bjallum; \' tSjallum verwekte Hilkia; llilkia verwekte
14, 15 Azarja; \' Azarja verwekte Seraja; Seraja verwekte Josadak, \' en Josadak
is heengegaan toen Jahwe Juda en Jeruzalem door Nebakadnesar ge-
vankelijk wegvoerde.
1(5, 17 De zonen van Levi: Uersjon, Kehath en Merari. \' Dit zijn de namen
18       der zonen van Gersjon: Libni en Sjinieï.\' De zonen van Kehath: Amram,
19       Jishar, Hebron en Uzziël.\' De zonen van Merari: Mahli en Musji. Dit
20       zijn de geslachten der Levieten naar hunne vaderen.\' Van Uersjon:
21       zijn zoon was Libni, zijn zoon was Jahath, zijn zoon was Zinima,\' zijn
zoon was Joah, zijn zoon was Iddo, zijn zoon was Zerah, zijn zoon was
22       Jeathrai.\' De zonen van Kehath: zijn zoon was Amminadab, zijn zoon
23       was Korah, zijn zoon was Assir,\' zijn zoon was Elkana, zijn zoon was
24       Ebjazaf, zijn zoon was Assir,\' zijn zoon was Tahath, zijn zoon was
25       l\'riël, zijn zoon was Uzzia, en zijn zoon was Saul:\' de zonen van K1-
26       kana: zijn zoon was Amazai, zijn zoon was Alumoth,\' zijn zoon was
27       Elkana, zijn zoon was Bui, zijn zoon was Nahath,\' zijn zoon was Eliab,
zijn zoon was Jeroham, zijn zoon was Elkana, zijn zoon was Bamuel;\'
28       de zonen van Hamuel: Joel, de oudste, en Abia, de tweede.
29           De zonen van Merari: Mabli, zijn zoon was Libni, zijn zoon was
30       Sjimeï, zijn zoon was Uzza,\' zijn zoon was Hjimea, zijn zoon was Ilaggia,
zijn zoon was Azaja.
9.  deze — bekleed. Deze woorden zijn ter wille van de tijdsorde uit va. 10 hierheen verplaatst. Do
bedoeling toch is dat Azarja de eerste hoogepricster in den tempel is geweest; zie 1 Kou. IV: 2.
De verwnrring is Kk. wijten aan den terugkeer van den nuniu Azarja in ra. 10 v. — lu vs. 10 cu 13
komen nog twee hoogepricsters van dcuzelfden naam voor; met den ecueu heeft de schrijver waar-
schijnlijk Azarja ten tijde van Uzzia (2 Krou. XXVI: 1"), met den anderen diens naamgenoot teu
tijde van Hizkia (2 Krou. XXXI : 10) bedoeld; in dit geval echter staan zij hier op de verkeerde
plaats. — Het schijnt dat de schrijver de lijst der hoogepriesters iu twee tijdvakkeu scheidt: het
eerste, van Aarou tot eu met Ahimaas, volg. 1 Kon. VI: 1 eeue tijdsruimte van 480 jaar, met twaalf
hoogepricsters, d. i. twaalf geslachten van 40 jaar; het tweede, van Azarja, den eerstcu priester iu
den tempel, tot aan de liallingschap, met elf hoogepriesters, d. w. z. als wij aannemen dat de schrijver
den tijd der liallingschap voor een geslacht rekent, tot aan deu terugkeer der Joden, eveneens cenc
tijdruimte van twaalf geslachten.
11.  Amarja. Volg. 2 Krou. XIX: 11 was er een hoogepriester van dien naam ten tijde van Josjafat.
12 v. Zie IX : 11, waar Azarja hoofd van een pricstcrgeslacht in de vijfde eeuw is. Aan zijn stamboom
heeft de schrijver eenige namen ontleend om de lijst der hoogepricsters vóór de Kallingschap te vullen.
12.  Sjallum, IX: 11; Nch. XI: 11 Mesjullam. — llilkia, volg. 2 Kon. XXII: 4, 8, 14; XXIII: 4
priester ten tijde van Jozia.
14. Seraja. Zie 2 Kon. XXV: 18, 21a. — Jotadak, de vader van Jozua of Jezua, die met Zerub-
babcl aan het hoofd der Joden stond tijdens deu tcinpelbouw, Kzra 111:2; V:2; Hagg. 1:1, 12,
14; 111:2; Zach. 111:1—9; verg. Kzra 11:2; Neh. VII: 7; XII: 1, 10, 26.
10—19. Zie Exod. VI: 15—18; Num. 111:17—20 en verg. vs. 1 v.
10.   Qertjon, hier en vs. 20, 43 volg. vs. 1 en Gr. vert.; Hebr. t. Girtjom.
20 v. Van deze namen treilen wij sommige weer nnn in het gcslachtregistcr van Azaf, vs. 41—48;
in de Wet komen de Gersjonieten niet voor.
22—28. Deze lijst komt, in omgekeerde orde, met ettelijke nfwijkingcu, ook vs. 33—38 voor. Hier
dient zij blijkbaar om Samucls afkomst van Kehath aan te tooucn.
22 v. Zie Exod. VI: 20—23. Aldaar — evenals hier vs. 37 — is echter niet Amminadab, die ook
vs. 18 niet onder de zonen van Kehath voorkomt, maar Jishar, de zoon van Kehath cu de vader van
Korah. Amminadab heet Exod. VI: 22 Aarons schoonvader, die een Judcër was (zie aldaar); wellicht
noemt de schrijver hem met opzet in plaats van Jishar, om den schoonvader van Aaron bij Levi in
te lijven. — Assir. Elkana cu Ebjazaf (Abiazaf) zijn volg. Exod. VI: 28 broeders.
24.   Uriël — Soul, vs. 3ö Sefanja, Azarja, Joel.
25.  zijn zoon Kat Amazai, zijn zoon, volg. vs. 35 en Gr. vert.; Hebr. t. Amazai en.
26 v. Suf, volg. vs. 85; grondt. So/ai. — Suf — Elkana. Zie op 1 Sam. 1: 1. Aan Suf laat Hebr.
t. nog Elkana voorafgegaan; wat volg. Gr. vert. is weggelaten.
27.  zijn zoon uat Samael, uit Gr. vert. ingevoegd. Zie 1 Sam. 1:19 v.
28.  Joel — tweede, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de oudtle, latni, en Abia. Zie 1 Sam. VIII: 2.
29 v. Eene andere reeks van afstammelingen van Merari treffen wij vs. 44—47 aan.
-ocr page 812-
1 KRONIEKEN VI : 31—47.
892
31            Dezen zijn het die David gesteld heeft over al wat het gezang in
32       den tempel betreft, sedert de ark eene rustplaats vond; \' zij hadden
den dienst van liet gezang vóór den tabernakel van de tent der samen-
komst, totdat Salomo het huis van Jahwe te Jeruzalem had gebouwd;
33       zij namen hun ambt waar volgens de hun gegeven verordening.\' Dezen
dan zijn liet die met hunne zonen dat ambt waarnamen: van de
Kehathieten de zanger Jleman, de zoon van Joel, den zoon van Samuel,\'
34       den zoon van Klkana, den zoon van Jerohani, den zoon van Eliël, den
35       zoon van Toah,\' den zoon van Suf, den zoon van Elkana, den zoon
3(3 van Mahatli, den zoon van Amazai,\' den zoon van Elkana, den zoon
37       van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Sefanja, \' den zoon van
Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjazaf, den zoon van
38       Koran,\' den zoon van Jisliar, den zoon van Kehath, den zoon van
Levi, den zoon van Israël.
39           En zijn broeder was Azaf, die aan zijne rechterhand stond: Azaf, de
4U zoon van Berechja, den zoon van Sjimea, \' den zoon van Michaël, den
41       zoon van Baüzeja, den zoon van Malkia, \' den zoon van Ethni, den
42       zoon van Zerah, den zoon van Adaja,\' den zoon van Ethan, den zoon
43       van Zimma, den zoon van Sjimeï,\' den zoon van Jahath, den zoon van
üersjon, den zoon van Levi.
44           En hunne broeders, de zonen van Merari, aan de linkerhand: Ethan,
45       de zoon van Kisji, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,\' den
4b\' zoon van Hasjabja, den zoon van Amasja, den zoon van Hilkia,\' den
47 zoon van Amsi, den zoon van Bani, den zoon van Sjemer,\' den
31 v. Zie XV : 14 vv.; XVI: 4 v„ 37, 41 v.
31.  sedert — vond, nn hnre omzwervingen cone vaste piMt*, to Jeruzalem, XV: 1; XVI: 1; 2
Sam. VI: 17.
32.   tabernakel — samenkomst. In deze uitdrukking; verbindt de schrijver twee onvereeuigbare voor-
stellingen van het heiligdom in de woestijn, die wij beide in de Wet aantreffen, die van de teut der
aamenk
-3iii.il, uit het Oude Sagcnbock, en die vau den tabernakel, uit het Wetboek van Ezrn; zie inll.
op Exod. XXIV: 12—W,: 38 en op Exod. XXXII—XXXIV. Van den strijd tusschen beide is hij zich
niet bewust; hij gebruikt nu deze (XVI: 39; XXI: 29), dan gene benaming (2 Kron. 1:3). Volgens
de aangehaalde plaatsen dacht hij zich genoemd heiligdom ten tijde van David en in het begin van
Salomo\'s regcering te Gibcou (zie op XVI: 39). — volgena — verordening. Zie H. XXV.
33—38. Zie ra. 22—28 en de nautt. aldaar.
33.   Dezen, Hcmaii, Azaf (vs. 39) en Kthan (vs. 44); verg. XV : 17, 19. Elders noemt onze schrijver
hen in eene andere volgorde en heet de laatste Jedutlinn, XXV : 1—6; 2 Krou. V:12; XXIX:I3v.;
XXXV: 15. Xa den herbouw des tempels — sedert wanneer, weten wij niet — waren de tempelznn-
gers in nfdceliiigun gesplitst. Eene daarvan droeg den imam vau „zonen van Azaf" i Kzra II: 41)
Neh. VII: 44). Wie Azaf was en wanneer hij leefde, weten wij niet; onze schrijver maakt hem tot
een tijdgenoot van David, hoofd van een Levietisch tempelkoor (XVI: 5, 7, 37) en dichter (2 Kron.
XXIX: 30), en vermeldt hem ettelijke keeren in de door hem geschreven of overgewerkte gedeelten
van E:ra—Xehemja (Kzra 111:10; Neh. XI: 17, 22; XII:4G). Overigens komt hij iu de opschrif-
tcn van Ps. L; 1.WI11 — I.WXII! voor. Eene andere afdceliug heette „de zonen van Jeduthuu". Dit
woord, waarmede oorspronkelijk wellicht eene zangwijzc werd nnngeduid (zie I\'s. LXIT: 1; I*XXVII:1),
is bij onzen schrijver de naam van den stamvader dezer nfdecling; als zoodanig treilen wij hem, bc-
halve in ons boek, nog Neh. XI: 17; Ps. XXXIX : I aan. Gedreven door de zucht om den Levieti-
schen geslachten van zijn tijd beroemde mannen uit het verleden tot stamvaders te geven, heeft onze
schrijver Jcduthun met den wijze uit Salomo\'s tijd Kthan vereenzelvigd; waarom hij beurtelings beide
namen gebruikt (verg. Ps. LXXXIXïl). Eene derde nfdecling heet naar den in 1 Kon. IV: 31 nevens
Ethan genoemden lleman, die wellicht d<>or onzen schrijver het eerst tot haar stamvader gemaakt is.
Hij komt, behalve in ons bock, nog Ps. LXXXV11I:] voor. Zoo zijn iu ons bock de zangers verdeeld
in drie klassen, welke beantwoorden aan de drie Levietischc geslachten: Kehath, Gersjou, Merari
(verg. op 11:6). Behalve dezen worden in de opschriften der psalmen nog „de zonen van Koran"
vermeld, Ps. I.XXXlVïl; LXXXV : 1; LXXXVII: 1; LXXXVIII: 1.
39. Azaf. Zie op vs. 33.
41—13. Deze reeks van namen komt, met vele afwijkingen, ook vs. 20 v. voor. Het gebrek aan ovcr-
eenstcmming is voor een deel wellicht gevolg van de slordigheid van afschrijvers, maar voor een an-
der deel te wijten aan onuchtzaamheid vnn den schrijver zelven.
43.   Oerajon. Zie op vs. 16.
44—47. Verg. v». 29 v.
44.   Ethan. Zie op vs. 33. — Kiaji, XV: 17 Kuajaja; verg. op 8 Kron. XXIX : 12—14.
47. Mahli en Muaji. Dezen zijn volg. Exod. VI: 18; Num. III: 20 broeders.
-ocr page 813-
893
1 KRONIEKEN VI : 47—61.
zoon van Mahli, den zoon van Musji, den zoon van Merari, den zoon
van Levi.
48           Hunne broeders de Levieten waren geschonken voor alle dienstwerk
49       aan den tabernakel van het huis Gods. \' Maar Aiiron en zijne zonen
rookten op liet brandotf\'eraltaar en op het wierookaltaar, waren voor
al het werk aan het hoogheilige en om verzoening te bewerken voor
Israël, naar al wat Mozes, de dienstknecht Gods, bevolen had.
50           Dit zijn de zonen van Atiron: zijn zoon was Eleazar, zijn zoon was
51       Pinehas, zijn zoon was Abisjua,\' zijn zoon was Bukki, zijn zoon was
52       Uzzi, zijn zoon was Zerahja, \' zijn zoon was Merajoth, zijn zoon was
53       Amarja, zijn zoon was Ahitub, \' zijn zoon was Hadok, zijn zoon was
Ahimaas.
54           En dit waren hunne woonplaatsen naar hunne kampen op hun
55       grondgebied: van Aarons zonen, het geslacht der Kehathieten; \' hun
gaf men, daar hun het lot was te beurt gevallen, Hebron, in het land
56       Juda, met haar omliggenden weidegrond,\' maar het akkerland van de
stad, benevens hare gehuchten, had men aan Kaleb, den zoon van
57       Jefunne, gegeven; \' aan de zonen van Aiiron gaf men de vrijsteden
Hebron, Libna met haar weidegrond, Jattir met haar weidegrond,
58       Estemoa met haar weidegrond, \' Holon met haar weidegrond, Debir
59       met haar weidegrond,\' Asjan met haar weidegrond, Jutta met haar
60       weidegrond en Beth-sjemes met haar weidegrond; \' en uit den stam
Benjamin: Gibeon met haar weidegrond, Geba met haar weidegrond,
Alemeth met haar weidegrond en Anathoth met haar weidegrond. In
het geheel hadden zij dertien steden, in hunne geslachten.
61           Van de overige Kehathieten, naar hunne geslachten, door het lot:
48 v. Zie Num. III: 5—10 en de aantt. aldaar.
48.  de Levieten, namelijk de nuderc, met uitzondering van de zangers. — geschonken. Zie op Num.
111:9. — den — Gods. Verg. op vs. 82.
49.   Zie Lev. XVI:32v.-, Nuin. XVIII: 7 enz. — het brandofferaltaar en hel wierookaltaar. Zie
Exod. XXVII: 1—8; XXX: 1—10. — het hoogheilige. Verg. Eiod. XXIX: 37; Lev. XXI: 22.
50—53. Herhaling vun vs. 3—8; zij dient om met nadruk te doen uitkomen dat Sudok, de stam-
vader der Jeruzalemsche priesterschap, van Aiiron afstamde.
54—81. Dit gedeelte, aan .Toz. XXI: 4—40 ontleend, wijkt in sommige opzichten daarvan af: do
schrijver heeft enkele verzen verplaatst (zie op vs. 54, 01—05), de optelling van de steden veelal
weggelaten (verg. b. v. vs. 00—70 met Joz. XXI: 20—20) en hier en daar cene min of meer belang-
rijke wijziging aangebracht (zie op vs. 57, 07 cu 77). Ook ontbreken hier in Hebr. t. eeuige namen
die op de lijst in Josna voorkometi en wijken andere van de daar vermelde af (zie op vs. 58, 59 v.,
08, 09, 70, 71, 72, 73, 74, 75, 70 en 77); in hoever deze afwijkingon aan den schrijver zelven of aan
afschrijvers geweten moeten worden, is dikwijls moeilijk uit te maken.
65. hel lol, Joz. XXI: 10 hel eerste lol. — In Joz. XXI: 5—9 gaan aan de tweede helft van dit
vers (Joz. XXI: 10) nog cenige verzen vooraf, die onze schrijver eerst in vs. (il—05 opnoemt. De
reden daarvan is dat hij op de geslnehtlijst der Aüronieteu, vs. 50—53, terstond hunne woonplaatsen
wilde laten volgen.
57.   de vrijsteden, Joz. XXI: 13 de vrijslad (verg. Joz. XX : 7). De schrijver wil dus al de steden
vun dit en de volgende twee verzen als vrijsteden beschouwd hebben; evenzoo dio van vs. 07 v.
Daarentegen duidt hij Golan, Kedes cu Rama, vs. 71, 70 en 80, die Joz. XXI: 27, 32, 38 vrijsteden
heeten, niet als zoodanig aan; waarschijnlijk omdat zij in Gnlilea en het Ovcrjordannschc lagen. —
Achter Jattir is volg. Joz. XXI: 14 met haar weidegrond ingevoegd.
58.  Holon, volg. Joz. XXI: 15; grondt. Uilen.
59 v. In deze verzen zijn uit Joz. XXI: 10 v. Julia mei haar weidegrond en Gibeon met haar weide-
grond
ingevoegd; uit de optelling in vs. 004 blijkt dat de schrijver ze vermeld heeft.
00.   uit den slum Benjamin. Dat de in vs. 57—59 opgenoemde plaatsen tot het stumgebied van
Juda (en Simcon) behoorden lezen wij Joz. XXI: 9, maar is hier verzwegen.
01—05. Deze verzen behoorden te staan voor vs. 544—00; zie op vs. 54. Vs. 04 behelst het op-
schrift van de gehcelc lijst, vs. 05 vuu die der pricstersteden.
01.  Dit vors, in Hebr. t., wellicht ten gevolge der omzetting (zie op vs. 54), onverstnaubnar, is naar
Joz. XXI: 5 en gedeeltelijk naar (ir. vert. verbeterd. Het verdient de aandacht dat hier zoowel Hebr.
t. als Gr. vert. zwijgt van den stam Dau; wat mede vs. 09 en VII: 12 (zie aanll. aldaar) het geval
ia; ook Opeuh. Vil: 5—8 is Dan overgeslagen. Toch heeft de schrijver hem stellig onder de Israëlie-
tische stammen gerekend; zie II: 2; XII: 35 ; XXVII: 22. Het schijnt dat de weglating met opzet is
geschied door een overschrijver, die, waarschijnlijk om het verhaalde Richt. XVII, XVIII (verg. 1 Kon.
-ocr page 814-
894                                          1 KRONIEKEN VI : 61 — 78.
62       uit de stammen Efraim, Dan en half Manasse, tien steden. \' Van de
Gersjonieten, naar hunne geslachten: uit de stammen Issachar, Azer,
63       Naftali en Manasse in Bazan, dertien steden. \' Van de Merarieten, naar
hunne geslachten, door liet lot: uit de stammen Uuben, Gad en Zebulon,
64       twaalf steden.\' En de Israëlieten gaven aan de Levieten de steden met
65       hare weidegronden, door het lot; \' zij gaven, uit de stammen der Judeërs,
der Simeonieten en der Benjaminieten, deze steden, die zij met name
opnoemden.
66            Van de geslachten der Kehathieten; de steden van hun grondgebied
67       waren, uit den stam Efraim: \' men "gaf hun de vrijsteden Wchem met
haar weidegrond, op het gebergte van Efraim, Gezer met haar weide-
68       grond, \' Jokniearu met haar weidegrond en Beth-horon met haar weide-
69       grond:\' en uit den stam Dan: Elteke met haar weidegrond, Gibbethon
met haar weidegrond, Ajjalon met haar weidegrond en Gath-rimmon
70       met haar weidegrond;\' en uit den halven stam Manasse: Taiinach
met haar weidegrond en Jibleam met haar weidegrond. Deze waren
van de geslachten der overige Kehathieten.
71            Van de Gersjonieten, uit de geslachten van den halven stam Manasse:
Golan, in Bazan, met haar weidegrond en Astaroth met haar weide-
72       grond;\' uit den stam Issachar: Kisjon met haar weidegrond, Dobrath
73       met haar weidegrond,\' Jarmuth met haar weidegrond en En-gannim
74       met haar weidegrond; \' uit den stam Azer: Misjeal met haar weide-
75       grond, Abdon met hare weidegrond,\' Helkath met haar weidegrond
76       en llehob met haar weidegrond; \' uit den stam Naftali: Kedes, in
Galilea, met haar weidegrond, Hammoth met haar weidegrond en
Kartan met haar weidegrond.
77            Van de overige Merarieten, uit den stam Zebulon: Jokneam met
haar weidegrond, Karta met haar weidegrond, Bimmon met haar weide-
78       grond en Tabor met haar weidegrond; \' aan de overzijde van den
Jordaan bij Jericho, ten oosten van den Jordaan, uit den stam Ruben:
XII: 29), Dan niet wnnrdig keurde, onder de Israclictischc stammen te worden medcgeteld. — Fan —
Kehathieten. Men vuile aan: waren de woonplaatsen; verg. vs. 5-1. Evenzoo vs. 06, 71, 77. — tien
tteden,
opgenoemd in vs. 06—70.
62. Gersjonieten. Zie op vs. 16. — dertien tteden, opgenoemd in vs. 71—70.
03.   twaalf sleden, opgenoemd in vs. 77—81.
04.   door het lot, uit het volgende vers hierheen verplaatst; verg. Joz. XXI: 8 v.
65.  gaven, nnn de Aiironicton. Dat dezen bedoeld zijn is .Toz. XXI : 0 uit het verband duidelijk,
hier uiet. — deze tlrdiii — opnoemden, wat reeds vs. 55—59 is geschied.
66.   Van, volg. verb. t.; grondt. Vit.
67.  de vrijtteden, de in dit en het volgende vers genoemde; Joz. XXI: 21 de rrijttad, Sichem alleen
zie op vs. 57.
68.  Jokmeani, .Toz. XXI : 22 Kihiaim.
69.   en — (Übbethon met haar weidegrond, naar .Toz. XXI: 23 ingevoegd. De schrijver moet deze
plaatsen genoemd hebben, blijkens vs. 61 tien tteden. Over de reden der weglating zie op vs. 01.
70.   Taiinach, volg. Joz. XXI: 25; grondt. Anar. — Jibleam, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Bileam. —
Deze waren, duidclijkhcidshalvc ingevoegd. — de getlachten, met verandering van klinkers; grondt.
een geslacht. Dezelfde verbetering ook in het volgende vers.
71.   Gersjonieten. /ie op vs. 10. — Astaroth, Joz. XXI! 27 Be\'êttera.
72.   Kitjon, volg. Joz. XXI: 28; grondt. Kedet; dit volgt echter in vs. 70.
73.  Jarmuth, volg. Joz. XXI: 29; grondt. Ramoth (verg. op Joz. XIX: 21). — En-gannim, volg.
Joz. XXI : 29 ; grondt. Anem.
74.   Mitjeal, volg. Joz. XXI: 30; grondt. Masjal.
75.    Ilelkalh, volg. Joz. XXI: 31; grondt, llukok, dat volg. Joz. XIX: 34 (llukkok) tot Naftali
behoort.
76.   Hammoth, volg. Joz. XXI: 32 (Hammath-Dor); grondt. Ilammon, dat volg. Joz. XIX: 28 tot
Azer behoort. — Kartan, volg. Joz. XXI: 32; grondt. Kirjalhaim.
77.   I\'an — Merarieten. Hier is overgeslagen uit Joz. XXI: 34 de Levieten; wordt dit ingevoegd,
dan luidt de tekst I\'an de Merarieten, zijnde de overige Levieten. — Jokneam — Karta met haar
weidegrond,
uit Joz. XXI: 34 ingevoegd. Zonder deze ontbreken er twee nan het twaalftal, vs. 03. —
Rimmon, volg. Gr. vort. (verg. op Joz. XXI: 35); Hebr. t. Rimmono. — Tabor (Joz. XXI: 35 Nahla[),
onbekend; verg. op Joz. XIX i 22.
-ocr page 815-
1 KRONIEKEN VI : 78—VII : 10.
895
Beser, in de woestijn, met haar weidegrond, Jahas met haar weide-
79       grond,\' Kedemoth met haar weidegrond en Mefatith met haar weide-
80       grond; \' uit den stam Gad: llama in Gilead, met haar weidegrond,\'
81       Hesbon met haar weidegrond en Jaëzer met haar weidegrond.
HOOFDSTUK VII.
De overige stammen. — Gcslachtlijst van Issachnr (1—5); van Benjamin (0—12); van Naftali (13);
van Mnnassc (14—19); van Efraim (20—2!)); van Azcr (30—40).
Deze gcstachtlijsten zijn, met uitzondering van enkele verzen, die uit andere boeken van het O. T.
zijn overgenomen (zie op vs. 1, 0, 12, 13, 14—19 en 30 v.), aan ons onbekende geschriften ontleend
of door den schrijver zelvcn naar bepaalde gegevens opgesteld. Zij handelen over de Israclictische
stammen in het verleden, maar blijkbaar heeft de schrijver telkens het oog op den toestand lang na
de verwoesting van Jeruzalem (zie op vs. 10, 14, 15 en 214—23). Voorts grijpt hij, evennis elders, ook
hier de gelegenheid aan om de gcslachtlijst van een van Isrncls beroemde mannen, van Jozua, te
geven (vs. 25—27; verg. ook op vs. 10).
Dat wij hier alle opgaven over de stammen Zcbulon en Dan missen is waarschijnlijk aan de slordig-
hcid van een afschrijver te wijten; zie op vs. 12.
VII: 1,2 De zonen van Issachar: Tola, Pua, Jasjub en Sjimron, vier.\' De
zonen van Tola: Uzzi, Kefaja, Jeriël, Jahmai, Jibsam en tëamuel,
hoofden van hunne familiën, van Tola, strijdbare helden; hun aantal,
naar hunne afstammelingen, bedroeg ten tijde van üavid twee en
3       twintig duizend zeshonderd man. \' De zonen van Uzzi: Jizrahja; de
zonen van Jizrahja: Michaël, Obadja, Joel en Jissjia, vijf, altemaal
4       hoofden;\' en bij hen, naar hunne afstammelingen, naar hunne familiën,
benden krijgsvolk, zes en dertig duizend man: want zij hadden vele
5       vrouwen en kinderen.\' Voorts hunne broeders, van al de geslachten
van Issachar, strijdbare helden; zeven en tachtig duizend man in het
geheel wees hun geslachtregister aan.
6, 7          De zonen van Benjamin: Bela, Becher en Jediaël, drie. \' De zonen
van Bela: Esbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri, vijf, familiehoofden,
strijdbare helden; hun geslachtregister wees twee en twintig duizend
8       vier en dertig man aan. \' De zonen van Becher: Zemira, Joas, Eliëzer,
Eljoënai, Omri, Jeremoth, Abia, Anathoth en Alemeth; deze allen waren
9       zonen van Becher.\' Hun geslachtregister, naar hunne afstammelingen,
van de hoofden hunner familiën, strijdbare helden, wees twintig dui-
10 zend tweehonderd man aan.\' De zonen van Jediaël: Bilhan; de zonen
van Bilhan: Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaiina, Zethan, Tarsjis en Ahi-
1.  Zie Gen. XLVI:13; Num. XXVI: 23 v. — De zonen, volg. Lat. en Syr. vertt.; Hebr. t. Van
de zonen.
2.  ten tijde van David. Misschien wordt gedoeld op de volkstelling, XXI; 2 Sam. XXIV. — twee —
man, waarschijnlijk alleen de weerbare manschappen.
3.  De — Jizrahja. Zie op 1:41. — vijf, een zoon en vier kleinzoons van Uzzi.
4.  Met de denden krijgsvolk schijnen afstammelingen van de vs. 3 genoemden bedoeld te zijn. Daar
hun aantal grootcr is dan dat van al de nakomelingen van Uzzi\'s vnder Tola in den tijd van David
(vs. 2), doelt de schrijver met ons vers wellicht op een latcrcn tijd. In dit geval is in het cijfer van
het gezamenlijk aantal Issacharieten (vs. 5) dat van vs. 2 niet begrepen.
5.  zeven en tachtig duizend man, weerbare manschappen. Over het aantal Issacharieten in Mozes\' tijd
zie Num. 1:29; XXVI: 25.
6.  De zonen van, volg. hss. en de oude vertt. ingevoegd. — Over de zonon van Benjamin zie op
Gen. XLVI:21. In VIII: 1 v. en Num. XXVI: 38 v. worden vijf, Gen. XLVI:21 zelfs tien zonen vnn
Benjamin opgeteld. Van de drie, hier vermeld, komt ecu, Bela, op al die plaatsen voor, Becher alleen
hier en op laatstgenoemde, Jediaël alleen hier. Verg. op VIII: 1 v.
7.  Andero afstammelingen van Bela VIII: 3; Num. XXVI: 40.
8.   Eljoënai en Jeremoth zijn namen van personen uit de vijfde eeuw; zie op IV : 34—37 en verg.
Ezrn X:20v.; Anathoth en Alemeth (VI: 00) zijn steden in Benjamin; zio op Joz. XXI: 18.
10. De — Bilhan. Zie op 1:41. — Jeu» is volg. Gen. XXXVI: 18 de naam van een Kdomietisch
geslacht, Kenaiina herinnert aan de Kanaanieten, Tarsjis is eene stad in Spanje (zie op 1 Kon.
X: 22). Daar hiernevens Benjamin genoemd wordt, is waarschijnlijk de bedoeling dat het geslacht
-ocr page 816-
1 KRONIEKEN VII: 10—21.
896
11       sjahar;\' deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, strijdbare
helden; zeventien duizend tweehonderd man, dienstplichtigen ten oorlog.\'
12       Voorts de iSjuppieten en de Huppieten, zonen van Ir; Husjam, zoon
van een ander.
13           De zonen van Naftali: Jahsiël, Guni, Jeser en Sjallum — de zonen
van Bilha.
14           De zonen van Manasse, die zijne Arameesche bij vrouw gebaard heeft:
156 zij baarde Machir, den vader van Gilead; \' de naam van den tweeden
U)a zoon was Selofhad, en Selofhad had dochters. En Machir nam eene
vrouw wier naam was Maücba, en zijne zuster heette Hammolecheth.\'
10 Maticha, de vrouw van Machir, baarde hem een zoon, dien zij Peres
noemde; zijn broeder heette Sjeres. Zijne zonen waren Ulam en liekem; \'
17       de zonen van Ulam: Bedan. Dit zijn de zonen van Üilead, den zoon
18       van Machir, den zoon van Manasse.\' Zijne zuster Hammolecheth baarde
19       Ishod, Abiëzer en Mahla.\' De zonen van Sjemida waren: Ahjan, Sichem,
Likhi en Aniam.
20           De zonen van Efraim: Sjuthelah, zijn zoon was Bered, zijn zoon was
21       Tahath, zijn zoon was Eleada, zijn zoon was Tahath, \' zijn zoon was
Zabad, zijn zoon was Sjuthelah; voorts Ezer en Elead. Dezen werden
Jediael bestond uit ecnc samensmelting van lleiijnminicten en vreemden. Zulk eene gemengde bcvol-
kiug, deels Ueujaminictisch, deels uiet-Isniëlietiseh, woonde in het veld van Moab; zie VIII: 8—10,
waar behalve Jeiit ook Iluyam (vs. 12) wordt aangetroffen; zie op VIII: 9 v. — Ehud, volg. lucht.
111:15 een Heujaminietisch richter.
11. familiehoofden, volg. verb. t. — zeventien —man. De som van dit en de vs. 7, 9 voorkomende
cijl\'ors is 59.434; Num. XXVI: 41 telt Henjnmiu 45.000 man.
12.   de Sjuppirten en de Huppieten; VIII: 5 Sjefufam en lluram; Num. XXVI: 39 Sjufam en
Ilufam; verg. Gen. XLVI: 21. Zij zijn hier achterkleinzonen (want Ir is dezelfde als Iri, vs. 7),
VIII: 5 kleinzonen, op de twee andere plaatsen zonen van Benjamin. — llutjam, de zoon van een
ander,
gedeeltelijk volg. Gr. vert.; Hebr. t. Jlutjim (d. i. ,de Husjieten\'), zonen van een ander. Volg.
Gen. XLVI: 23 (zie aldaar en verg. Num. XXVI: 42) is hij een zoon van Dan; wellicht heeft hier
oorspronkelijk gestaan de zonen van Dan: llutjam en is dit door een overwerker opzettelijk veran-
derd; zie op VI : 61.
13.   Zie Gcu. XLVI: 24; Num. XXVI: 48. — de zonen van Bilha. Deze woorden hebben in Gen.
XLVI: 25, waaraan zij ontleend zijn, betrekking op Dnn en Naftali; verg. Gen. XXX S 4—8; zulks
is waarschijnlijk oorspronkelijk ook hier het geval geweest; doch dan moet iu vs. 12 Dan genoemd
zijn geweest; zie aldaar.
11—19. Vele der hier genoemde Manassietische geslachten treffen wij ook Num. XXVI: 29—33;
Joz. XVII: 2 aan. Het is vreemd dat de schrijver hier, waar hij handelt over half Manasse ten wes-
ten van den Jordaan, ook Machir en Gilead, die ten oosten woonden, noemt, terwijl hij ze V : 23 V.,
waar wij ze verwachten, onvermeld lnat.
14.   Na Manasse is weggelaten Atrïcl; door eene schrijffout, of uit Num. XXVI: 31, in den tekst
gekomen. — zijne Arameesche bijvrouur. Door den Maiiassietcu eene heidensche stammoeder te geven
werpt de schrijver eene smet op hunne afkomst. Bij Manasse denkt hij mede aan de verachte Sama-
ritmen; vurg. op vs. 15. — Machir. Zie op Gen. L:23 en op Joz. XVII :1.
15.   Grondt, is schromelijk verward en naar gissing hersteld. — Selofhad, hier broeder van Ma-
chir, heet elders ziju achterkleinzoon, Num. XXVII :1; Joz. XVII: 3. Over zijne dochter» im nog
Num. XXV1:33; XXXVI; inl. op Num. XXVII: 1—11. _ Maacha. Hedocld schijnt het Arameesche
rijkje vun dien naam; zie op Gen. XXII: 24. — Hammolecheth. Deze imam, die alleen hier voor-
komt, is de vrouwelijke vorm van Moloch met het lidwoord (zie op Lev. XVI11:21). Ook door dezen
naam ziuspcelt de schrijver op de heidensche afkomst der Samaritanen; verg. op vs. 14.
16.   Al de hier genoemde nakomelingen van Machir zijn ons van elders onbekend. — de — Bedan.
Zie op 1: 41.
17.   Dit — Gilead. Dat zij dit waren is in het voorgaande niet vermeld.
18.   Mahla is volg. Num. XXVI: 33 (zie aldaar); XXVII: 1; Joz. XVII: 3 ecnc dochter van
Selofhad.
19.   Sjemida, nog niet genoemd, is aan Num. XXVI: 32; Joz. XVII: 2 ontleend. — IAkhi, mis-
schien dezelfde als llelek, Nam, XXVI: 30; Joz. XVII: 2. — Aniam, wellicht dezelfde nis Noa, die
elders (zie op Num. XXVI : 33) eene dochter van Selofhad heet.
20 v. Van de hier genoemde Kfraimietische geslachten komt alleen Sjulhelah elders, Num. XXVI:
35, voor. De hcrhaliug van cenige namen bewijst wellicht dat de schrijver niet vele Efraimietiache
geslachten kende.
21a. Ezer en Elead, blijkens vs. 22 zonen van Kfruim.
214—23. liet hier verhaalde, waarvan VIII: 13 een vervolg is, behelst waarschijnlijk eene oude
overlevering ointreut strooptochten van Kfrnim iu het land der Filistijnen. In hoever zij geloofwaar.
dig is en iu weikeu tijd zij ons verplaatst, weten wij echter uiet. Zie op VIII: 13 v.
-ocr page 817-
897
1 KRONIEKEN VII : 21—40.
gedood door de mannen van Gath, de inboorlingen des lands; want zij
22       waren afgedaald om hun vee weg te nemen.\' Hun vader Efraini be-
dreef geruimen tijd rouw, en zijne broeders kwamen om hem te troosten.\'
23       Daarna kwam hij tot zijne vrouw; deze werd zwanger en baarde een
zoon, dien liIj Beria noemde; want slecht was het met zijn huis ge-
24       gaan.\' Zijne dochter was Sjeëra; zij bouwde Laag en Hoog Beth-horon
25       en Uzzen-sjeëra.\' En zijn zoon was Befah, zijn zoon was liesjef, zijn
26       zoon was Telah, zijn zoon was Tahan,\' zijn zoon was Laëdan, zijn zoon
27       was Ammihud, zijn zoon was Elisjama,\' zijn zoon was Non, zijn zoon
28       was Jozua.\' Hunne bezitting en hunne woonplaatsen: Bethel met onder-
hoorigheden, voorts oostwaarts Naaran en westwaarts (iezer met onder-
hoorigheden, en Sichem met onderhoorigheden, tot Ajja met onderhoorig-
29       heden toe. \' Onder de macht der Manassieten waren: Beth-sjean met
onderhoorigheden, Taünach met onderhoorigheden, Megiddo met onder-
hoorigheden en Dor met onderhoorigheden. In deze steden woonden de
zonen van Jozef\', den zoon van Israël.
30           De zonen van Azer: Jimna, Jiswa, Jiswi, Beria en hunne zuster
31       Serah.\' De zonen van Beria: Heber en Malkiël; deze was de vader
32       van Birzaith. \' Heber verwekte Jaflet, Sjomer, Hotham en hunne zuster
33       Sjua.\' De zonen van Jarlet: Bazach, Birahal en Aswath; dit waren de
34       zonen van Jarlet; \' de zonen van Sjomer: Ahi, Kohga, Hubba en Aram;\'
35,36 de zonen van zijn broeder Helem: Sofah, Jimna, iSjeles en Amal.\' De
37       zonen van Sofah: Suah, Harnefer, Sjual, Beri, Jimra,\' Beser, Hod,
38       Sjanima, Sjilsja, Jithran en Beëra.\' De zonen van Jether: Jefunne,
39, 40 I\'ispa en Ara.\' De zonen van Ulla: Arah, Hanniël en Uisja.\' Deze
allen waren zonen van Azer, familiehoofden, uitgelezenen, strijdbare
helden, hoofden der vorsten; hun geslachtregister had betrekking op
den krijgsdienst. Hun aantal bedroeg zes en twintig duizend man.
22. Verg. Gen. XXXVII: 84 v.
28. slecht, letterlijk met onheil, in het Hcbrecuwsch brrna, toespeling op ilcn naam Beria.
24.  Zijne, Kfrnimi. — Luaij en lloiuj Beth-horon. Zie op Joz. X : 10. — Vzzen-sjeëra, onbekend.
25—27. Gcslachtlijsl vun Jozun; de namen waaruit zij is samengesteld zijn gedeeltelijk die van
elders voorkomende Efraimieten, zooals lahan, Ammihud, Elisjama iNniu. 1:10; VII: 48; X:22;
XXVI • 85), gedeeltelijk onbekend.
25.  zijn (nl. Kfraims) zoon tras Befah. Het hierop volgende zijn zoon is uit Gr. vert. ingevoegd.
27.   Hun, met verandering van klinker; grondt. Non.
28.   Bethel. Zie op Joz. XVIII: 13. — Naaran. Zie op Joz. XVI: 7. — Oezer. Zie op Joz. XVI: 8. —
Sichem behoort vs. 19 tot Mnnassc. — Ajja, onbekend; volgens eene andere lezing van Hebr. t. Oaza. —
De beschrijving begint bij de zuidelijke grens, waarvan het oostelijk en het westelijk eindpunt worden
opgegeven, en gaut dan noordwaarts; in vs. 29 volgt do opgave van de steden aan Jozefs noordelijke grens.
2». Zie op Joz. XVII: 11—13. — ƒ« deze steden, de vs. 28 v. genoemde.
80 v. Zie Gen. XLVI:17; Num. XXVI: 44— 48. Birzaith komt daar echter niet voor.
30. Beria is vs. 23 een afstammeling van Efrniin, VIII: 13 van Benjamin.
32. Jaflet. Zie op Joz. XVI: 3.
34.  Sjomer, volg. vs. 32 en Gr. vert.; Hebr. t. Sjemer. — Ahi heet V:15 een afstammeling
van Gad.
35.  de zonen, volg. hss., Or. en Lat. vertt.; Hebr. t. de zoon. — Helem moet hier wel, als broeder
van Jaflet en Sjomer, denzclfdcn aanduiden die vs. 32 llotham heet.
38.  Jether heet vs. 37 Jithran.
39.   Vila, in het voorgaande niet genoemd. Misschien is zijn naam daar uitgevallen of door eene
schrijffout onkenbaar geworden.
40.  hoofden der vorsten, hoofdaanvoerders van het leger. — hun — krijgsdienst, zoodat grijsaards
eu kinderen niet, zooals b. v. 2 Kron. XXXI: 18, medegeteld werden. — zes en twintig duizend. Dit
cijfer is aanmerkelijk lager dan dat van Num. 1:41 (41.500); XXVI: 47 (53.400).
HOOFDSTUK VIII.
Henjaminietische geslachten. — Benjamins zonen en kleinzonen (1—4). Benjaminietische geslachten
in Manahath (5—7), in het veld van Moab en in Lydda en omstreken (8—12). Henjaminietische
geslachten te Jeruzalem (13—28). Voorouders en afstammelingen van Saul (29—40).
O. T. I.                                                                                                                          57
-ocr page 818-
1 KRONIEKEN VIII: 1—13.
898
Dat, tin VII: (I—12, nogmaals gcslachtlijstcn van lienjamin worden gegeven bewijst ilat de schrijver
groot belang stelde in dezen stam. Natuurlijk; want volgens hein was Benjamin een der stammen
die het rijk Juda hailden uitgemnnkt. Hoewel dit slechts voor een klein gedeelte het gevnl is geweest
(zie op 1 Kon. XI : 32;, kon de schrijver het nlleidcn uit de omstandigheid dat Jeruzalem in de vijfde
eeuw niet slechts door Judecrs, maar ook door liciijaniinieten bewoond was (IX : 7—9; Xeh. XI: 7 v.).
83
Terwijl VII: fl—12 gehandeld is over Kciijamiii vóór de Ballingschap, geeft onze schrijver hier, in
den vorm van oude geslachtrcgistcrs, die tot lang na Ezra voortgezet worden (zie op vs. 29—10),
medcdceliugen omtrent de woonplaatsen van de Benjaminictischc geslachten in zijn tijd. Deze strekken
zich nu veel verder uit dan vroeger (zie Joz. XVIII\'. 21—28): in het westen tot op het voormalige
grondgebied van Dan en tot het land der Filistijnen (zie op vs. <M, 7, 8, 12 en 13), in het oosten in
het veld van Moab (vs. 8). Kvenals elders (zie iull. op II en VII), wordt ook hier in de geslnchtlijst
de stamboom van een beroemd man, Saul. opgenomen.
VIII: 1 Benjamin verwekte Hela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweeden,
2, 3 Aharah, den derden,\' Noha, den vierden, en Rafa, den vijfden.\' En
4.  6a Bela had zonen: Addar, Gera, Abihud,\' Abisjua, Xaiiman en Ahia.\' En
5.  C)6 dit zijn de zonen van Abihud:\' Gera, Sjefufam en Huram;\' zij waren
familiehoofden der inwoners van Geba en werden gevankelijk wegge-
7       voerd naar Manahath;\' Gera was liet die hen gevankelijk wegvoerde,
8       en hij verwekte lTzza en Abihud.\' En Sjaharaim verwekte in het
veld van Moab, na zijne vrouwen Husjim en Baan te hebhen wegge-
9       zonden,\' toen verwekte hij hij zijne vrouw Hodes: Johah, Sibja, Meesja,
10 Milkom,\' Jeüs, Sjochja en Mirma; dit waren zijne zonen, familie-
11, 12 hoofden.\' Bij Husjim had hij verwekt: Abitub en Elpaiil.\' De zonen
van Elpaiil: Eber, Misjeam en Sjemer; deze heeft Ono en Ixjd met
onderhoorigheden gebouwd.
13
          Beria en Sjema — dit waren familiehoofden der inwoners van Ajja-
1 v. Andere lijsten vnn Benjamin! zonen VII: fi; Gen. XLVlSBl (zio nldnnr); Num. XXVI: 38 v.
Aharah is wellicht dezel&le nis Ahiram, Niim. XXVI: 38; de Inntsto tweo komen nllcen hier voor.
Dat vnn de drie zonen van Benjamin in VII: 0 (zie aldaar) hier slechts Hela voorkomt en overigens
andere nam™ vermeld worden, is wellicht omdat de hier genoemde geslachten grnotcndccls in andere
streken woouden.
3—5. Vnn dezen komen Addar (dezelfde nis Ard), Gera, Naiiiuan in Gun. XLVI:21, Sjefufam
(volg. Gr. vert. en Nuni. XXVI: 89; Hebr. t. Sje/u/an) en Huram (dezelfde nis Ilufam) in Num.
XXVI: 39 nis zonen vnn Benjamin voor. Geheel nuderc namen treilen wij VII: 7 ann; zie op vs. 1 v.
Verg. op Gen. XLVISSl. — Met Gr. vert. is vs. da voor vs. 5 gezet en Ahia gelezen in pi. v.
Ahoah; Abihud, nnnr gissing; grondt. Ehud, nnders geschreven dan de naam vnu den richter, Richt.
III: 15.
6b, 7. Vnn de hier vermelde bijzonderheid weten wij vnn elders niets. Do schrijver wil er mede
verklaren, hoc het kwam dat aan de Dunietisehe grens, wnnr Manahatli Ing (zie op II : 52 en op Joz.
XV ï 59), Kcnjnmiuietcii woonden; verg. op VII: 214—23.
6.   Geba, of Gibea. \'/Ae op Joz. XVIII: 24.
7.   Gera. In grondt, gaat hieraan vooraf Xaiiman, Ahia; nis niet strookeud met het vervolg wcg-
gclnten. Grra — zoo heet ook Richt. 111:15 Khuds vnder — wns een Bcnjnminict; het gold dus eeu
twist vnn stnmgenootcu onderling. — U::a, misschien dezelfde nis Utti of Uzziël, VII: 7.
8 v. De bedoeling is dnt een gedeelte van dit geslacht vnn Lvilda en omstreken, wnnr het oor-
spronkclijk thuis behoorde (zie v». 12), nnnr hot Ovcrjordannschc verhuisd is.
8.  Sjaharaim, waarschijnlijk dezelfde als Ahisjahar, VII: 10. — het veld van Moah, hetzelfde als
de vlakte tan Moab; zie op Num. XXII: 1. — na. Hebr. t. laat volgen hen; volg. Gr. en Lat vertt.
weggelaten. — Jlntjim. Zoo heet Gen. XLVI: 23 (zie aldaar) een zoon van Dan (verg. VII: 12). Door
aan de vrouw vnn Sjnharaim, de moeder van eeuigc Hcnjnminictischc geslachten, dezen naam te geven
wil de schrijver zeggen dat een gedeelte van Benjamin in de vijfde eeuw eu daarna in het oorspron*
kclijke gebied van Dnu woonde; zie op vs. 12.
9 v. Sommige dozer namen komen elders als namen van niet-Israëlietische geslachten of personen
Voor: Jubab is Gen. X: 29 een Arabisch geslacht, 1:23 een der Joktanictcn; verg. I:44v.; Gen.
XXXVI: 33 v. Meesja is Gen. X: 30 een gedeelte van het land wnnr met nudcre stammen Jobab
woonde; Milkom (volg. Gr. vert.; Hebr. t. Malkam) is 1 Kon. XI: 5 een Ammonietischc god. lilijkbaar
wil de schrijver zeggen dat de Ilcnjnminictische bevolking van het veld van Moab in zijn tijd zeer
gemengd was.
12. Sjemer, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Sjemed. Andere zonen van Elpaiil nog vs. 17 v. — Lod, het
latere hydda (Hand. IX : 85), ongeveer drie uur ten zuidoosten van Joppe, dus in het oude stamge-
bied van Dan (zie op Joz. XIX: 40—48), komt nevens Ono nog voor Kzra 11:83; Neh. VII: 87;
XI: 35, waar zij belmoren tot de steden die door de Joden bewoond werden.
13 v. Beria en Sjema, Benjamiuietische geslachten, wier afstammelingen, vs. 15 v., 10—21, volgens
-ocr page 819-
899
1 KRONIEKEN VIII : 13 — 37.
14 Ion; zij hebben de inwoners van Gath op de vlucht gedreven —\' en
15,16 zijne broeders Sjasjak en Jereiuoth.\' Zebadja, Arad, Eder,\' Michaël,
17 JisjKi en Joha, zonen van Beria;\' Zebadja, Mesjullam, Hizki, Heber,\'
18,19 Jisnierai, Jizlia en Jobab, zonen van Elpaiil;\' Jakim, Zichri, Zabdi,\'
20,21 Eliënai, Sillethai, Eliöl,\' Adaja, Ueraja, Sjiinrath, zonen van .Sjime\'i;\'
22-24 Jispan, Ëbed, Eliël,\' Abdon, Zichri, llanan,\' Hananja, Elam, Antliothja,\'
25, 2(5 Jifdeja en Penuël, zonen van Sjasjak; \' en Sjamsjerai, Bjeharja, Athalja,\'
27,28 Jaiiresja, Elia en Zichri, zonen van Jeroliam; \' dit zijn hoofden van
familiën, hoofden naar hunne afstammelingen; zij woonden te Jeruzalem.
29           Te Gibeon woonde de vader van Gibeon, Jeïël; zijne vrouw heette
30       Maiicha.\' Zijn oudste zoon was Abdon, voorts: >Sur, Kis, Baal, Ner,
31, 32 Nadab,\' Gedor, Ahjo, Zecher en Mikloth. \' En Mikloth verwekte Sjimea;
ook dezen woonden met hunne broeders te Jeruzalem tegenover hunne
33       broeders.\' En Ner verwekte Abner; Kis verwekte Saai; Saul verwekte
34       Jonathan, Malkisjua, Abinadab en Esbaül. \' De zoon van Jonathan was
35       Meribbaiil, en Meribbaiil verwekte Micha. \' De zonen van Micha: Pithon,
36       Melech, Taiirea en Ahaz.\' En Ahaz verwekte Jehoadda; Jehoadda ver-
37       wekte Alemeth, Azmaweth en Zimri; Zimri verwekte Mosa; \' Mosa
vs. 28, te Jeruzalem woonden. Zij komen hier, evenals hunne broeden vs. 14 — van wier afstammc-
lingeu hetzelfde geldt, vs. 22—25, 20 v. — zonder vermelding hunner afkomst voor. Van Beria ver-
wondert ons dit niet; dit is, blijkens VII: 23, de naam van een Kfrniinietisch geslacht, volgens vs.
13 bekend door cene overwinning op de Filistijnen. Het verdient opmerking dat de Efraimict Beria,
die de Gattietfii versloeg, hier bij Benjamin wordt ingelijfd; terwijl de vernedering door de Gatticten
(VII: 21 b—23) aan Efraim gelaten wordt. In deze voorstelling openbaart zich des schrijvers afkeer
van de Samaritanen, aan wie hij bij K f ruim deukt, maar tracht hij tevens aau te wijzen dat Benjn-
min, dat gedeeltelijk ook in het oude Filistca woonde (zie lul.), reeds in den ouden tijd aldaar vcr-
ovcringen gemankt had.
13.   Ajjalon was volg. Joz. XIX : 42 cene Panictische stad. Zie op Joz. X:12A, 13.
14.  zijne broeder», volgens nnderc klinkers, in overeenstemming met Gr. vert.; Hebr. t. Ahjo. —
Het bevreemdt dnt Klpaiil, wiens afstammelingen vs. 17 v. worden opgenoemd, hier niet voorkomt;
wellicht is hij bij ongeluk uitgevallen.
15—27. He schrijfwijze der namen is dikwerf onzeker en ongelijkmatig: Sjime\'i (vs. 21) heet vs. 13
Sjema, Jeroliam (vs. 27) vs. 14 Jfremoth; Klpaiils zonen Mesjullam, Heber, Jismerai (vs. 17 v.) hecten
vs. 12 Misjeam, Kber, Sjemer. Ettelijke namen komen meer dan eens voor: Zebadja en Stiel tweo
keer, Zichri drie keer, jispa komt nog eens in den vorm Jispan voor. Zeer vele treffen wij ook in
Szra—Nehemja aan: Zebadja, Michaël, Elam in de lijsten der, zoo het heet, teruggekeerde ballin-
gen (Kzra 11:7, 31; VIII: 8; verg. X : 20); Mesjullam (verg. IX: 7) en Zichri in die der te Jcruza-
lem wonende Beujainiuicteu (Xch. XI : 7, 0); llanan, Elam, Authothja of Anathoth, Mesjullam in dio
der onderteckenaars van de verbondsacte ten tij Ie van Nehemjn (Xch. X : 14—27); Mesjullam, Eliënai
of Eljoëiiai (111:23), Elam, Ebed of Abdi, Zabdi of Zaba/l, Hananja, Elia, Sjime\'i, Adaja in die van
de Israëlieten die met vreemde vrouwen gehuwd waren \'K/ra X:25—42).
28. hoofden naar kunne afstammelingen, stamvaders.
2!)—40. Deze verzeu, met uitzondering vau vs. 3\'J v. en met geringe afwijkingen IX: 35—44 her-
haald, behelzen de geslachtlijst van Saul en wel tot het veertiende geslacht na hem. Wordt de duur
van een geslacht op veertig jaar gerekend (zie op Gen. Vil: 4), dan reikt zij, daar Saul ongeveer
1025 moet gestorven zijn, tot in de vijfde eeuw.
26. Te — Jeïël (de laatste naam volg. IX: 35 en Gr. vert. ingevoegd), d. i. de stamvader van de
in de volgende verzen genoemde Gibcouietischc geslachten. Elders is niet Gibeon (waarover zie op Joz.
IX13), maar Gibca de plaats waar het geslacht van Saul thuis behoorde (zie op 1 Sam. lX:4v.);
waarschijnlijk heeft ook de schrijver laatstgenoemde plaats bedoeld, en werd deze niet slechts Qibea
en Geba (zie op Joz. XVIII: 24), maar ook Gibeon geschreven.
80. Abdon woont vs. 23 te Jeruzalem. — Sur, misschien dezelfde als Seror, 1 Sam. IXtl, —
Ner, naar IX: 30 ingevoegd; in Gr. vert. volgt hij op Nadab.
31.   Zecher, IX: 37 Zacharja; verg. Zichri, vs. 19, 23, 27. — en Mikloth, volg. IX: 37 en Gr.
vert. ingevoegd.
32.   ook dezen, de afstammelingen van Mikloth, in tegenstelling met do vroeger genoemden, die te
Gibeon woonden. — met hunne broeders, do andere te Jeruzalem wonende Benjaminieten, vs. 15—28.
— tegenover hunne broeders, hunne stamgenooten te Gibeon en in andere plaatsen buiten Jeruzalem.
33.   Ner verwekte Abner, de laatste naam, hier en IX: 30, volgens gissing; grondt. Kit; verg. 1
Sam. XIV: 51. — Jonathan — Esbaiil, in overeenstemming met 1 Sam. XXXI: 2; Abinadab ont-
breekt 1 Sam. XIV: 40; over Esbaül of tsboosjeth zie op 2 Sam. II: 8.
34.  Meribbaiil. Zie op 2 Sam. IV: 4. — Micha. Zie 2 Sam. IX: 12.
85. Taiirea, IX : 41 Taharea.
36. Alemeth. Zie op VII : S. — Azmaweth. Deze naam komt ook XI 83; XII: 3; 2 Sam.
XX1U:31 vuur.
-ocr page 820-
1 KRONIKKBN VIII : 37—IX : 4.
900
verwekte Binea: zijn zoon was Refaja, zijn zoon was Eleaza, zijn zoon
38       was Asel. \' Asel had zes zonen; zij heetten: Azrikaiu, Bochru, Ismaël,
39       iSjearja, O bad ja en Hanan; deze allen waren zonen van Asel. \' De zonen
van zijn broeder Esjek: Ulam, zijn eerstgeborene, Jeiis, de tweede, en
40       Ëlifelet, de derde.\' De zonen van Ulam waren strijdbare helden, boog-
schutters; en zij hadden vele zonen en kleinzonen: honderd vijftig.
Dezen behoorden allen tot de Benjaminieten.
37. Refaja, volg. IX: 43 en Gr. vcrt.; Hobr. t. Ra/a.
39.   Vlam, Jeiis. De eerste is VII: 16 v. <lc nniiiii van ecu Naftalietisch, do tweede Vil: 10 die vim
cc» lieujamiuietisch geslacht.
40.   D,:rn ... allen, al de in dit hoofdstuk genoemden.
HOOFDSTUK IX:1—3t.
Do bevolking vim Jeruzalem. — (ïnnsch Israël is in geslachtregisters opgenomen en Juda nnar
Biibel weggevoerd (1). De vroegere bevolking van het land (2); do bewoners van Jeruzalem (3):
Judeërs (4—6); Ileujnminieten (7—9); priesters 110 —13); Levieten (14), vooral zangers (15v.) en por-
tiers (17), van oudsher met dit ninht bekleed (18—22); de werkzaamheden der portiers in het bijzon-
dor (23—2fl«) en der Levieten in het algemeen (204—32). Twee onderschriften (33 v.).
De kern van dit gedeelte, vs. 2—17, vertoont zeer groote overeenkomst met Neh. XI: 3—19;
beide zijn door onzon schrijver (zie inl. op Ezra—Nrhemja) aan een uitvoeriger stuk, uit Nehcmja\'s ge-
denksehrifton ontleend, een stuk, dat lijsten behelsde van do voornaamste geslachten der Joodsehe be-
volking in Kanniiu, kort vóór of teu tijde van Nehcmju (zie inl. op Neh. XI). Terwijl echter de lijst
in Nehemja dit karakter behouden heeft (zie Neh. XI: 25—30), is zij hier geworden cene lijst uitslui-
tend van de bevolking van Jeruzalem. Op beide plaatsen is het oorspronkelijke stuk sterk overge-
werkt, blijkbaar met bet doel om in de reeks der priestcrgcslachtcn ook het hoogepriesterlijkc op te
nomen (zie op va. 10—12) on om de portiers en zangers, in Neh. XI ook do geschonkenen, bij do
Levieten in te lijven (verg. inl. op Nuin. III, IV). Kenc vergelijking der tweo lijsten leert ons, hoe
slordig onze schrijver bij het weergeven van geslacht registers is te werk gegaan; in ons hoofdstuk
vergeet hij zelfs ten slotte zijn onderwerp, om het oen en ander over de werkzaamheden der Levieten
mede te dcclcn (vs. 23—32), en met nadruk te doen uitkomen dat de voorvaderen ook van de por-
tiers die in zijn tijd dienst deden bij den tempel reeds ten tijde van David bij de nrk, ja in dien
van Mo/.es bij den tabernakel waren aangesteld, vs. 19—21.
IX: 1 Zoo was gansch Israël opgenomen in een geslachtregister: zij staan
ingeschreven in het boek der koningen van Israël. En de Judeërs zijn
gevankelijk naar Babel weggevoerd wegens hun vergrijp.
2            De vroegere bewoners, elk in zijne bezitting in hunne verschillende
steden, waren: Israël, de priesters, de Levieten en de geschonkenen.\'
3       Tp Jeruzalem woonden: Judeërs, Benjaminieten, Efraimieten en Manas-
4       sieten.\' Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon
1.   Dit vers vormt den overgang vnn de gcslochtlijstcn in de voorgaande hoofdstukken tot die van
vs. 2—34. De schrijver wil zeggen: terwijl de tot dusverre medegedeelde geslachtregisters van de Is-
raëlieten opklimmen tot de vroegste tijden, is hetgeen uu volgt eene opgave van de jongste geslach-
ten. — tij — Israël. Dit stond in dat boek (verg. inl. op Kronieken) evenmin als hetgeen de schrij-
ver 2 Krou. XXIV: 27; XXXII 1:18 zegt dnarauu ontleend te hebben. — hun vergrijp, dat zij zich
vergrepen hadden aan den god hunner vaderen; zie V : 25.
2.  JJe vroegere bewonen. Dit is waarschijnlijk uit Nehcmja\'s gedenkschriften overgenomen en doelde
daar op den tijd vóór Nehcmja (zie op Neh. VII: I en inl. op Neh. VII). — hunne... steden. Wij
verwachten dus te zullen hooren van geslachten die in andere plaatsen dan Jeruzalem gevestigd
waren; hiervan spreekt echter ons hoofdstuk niet, wel Neh. XI : 25—36. — Israël, do leeken in
tegenoverstelling van do geestelijken; evenzoo Kzra X : 25. — de priesters — geschonkenen, bij wie
Neh. XI: 3 nog de zonen van Salomo\'ê slaven genoemd worden, verschillende klassen van tempeldie-
naren; zie inl. op Num. III, IV on nant. op Num. 111:9.
3.   Efraimieten en ilauassieten komen in de lijst niet voor en worden ook Neh. XI niet vermeld.
De schrijver noemt hen, omdat in zijn tijd, evenals in dien van David en Salomo, Jeruzalem weder
de hoofdstad was van gansch Israël en dus volgens hem door Israëlieten uit alle stammen bewoond
moest zijn. Vandaar ook de voorstelling in ons bock dat vau tijd tot tijd de vromen uit Noord-Israël
naar Juda en Jeruzalem zijn verhuisd, 2 Kron. XV :9; XXX: 11, 18; XXXI: 1.
4—6. Afstammelingen van 1\'eros, Sjola en Zernh, de drie geslachten vau Juda, II: 3 v. Do lijst
komt, met ettelijke afwijkingen, ook Neh. XI: 44—6 voor; o. u. wordt daar het geslacht Zerah gemist.
-ocr page 821-
1 KRONIEKEN IX : 4—15.                                      901
van Imri, den zoon van Bani, van de zonen van Peres, den zoon van
5,6 Juda.\' Van de ("fjelanieten: Azaja, de oudste, en zijne zonen.\' En van
de zonen van Zerah: Jeüël en zijne broeders, zeshonderd negentig.\'
7       Van de Benjaminieten: Sallu, de zoon van Mesjullain, den zoon van
8       Hodawja, den zoon van Hassenua; \' Jibneja, de zoon van Jeroham: Ela,
de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; Mesjullaro, de zoon van
9       Sjefatja, den zoon van Refiël, den zoon van Jibneja,\' en hunne broe-
ders, naar hunne afstammelingen, negenhonderd zes en vijftig. Deze
allen waren familiehoofden van hunne familiën.
10, 11 Van de priesters: Jedaja, Jojarib, Jachin,\' Azarja, de zoon van Hilkia,
den zoon van Mesjullam, den zoon van Sadok, den zoon van Merajoth,
12       den zoon van Ahitub, de vorst van het huis Gods; \' Adaja, de zoon
van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malkia; Maiizai, de
zoon van Adiël, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesjullam, den
13       zoon van Mesjillemith, den zoon van Immer,\' en hunne broeders,
hoofden hunner familiën, zeventienhonderd zestig kloeke helden, voor
het werk van den dienst van het huis Gods.
14           Van de Levieten: Sjemaja, de zoon van Hassjub, den zoon van Azri-
15       kam, den zoon van Hasjabja, van de Merarieten.\' Voorts Bakbakkar,
Heres, Galal, Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zicbri, den
4.   Vthai, Neh. XI: 4 Alhaja; de namen der voorvaderen zijn echter iu de twee lijsten verschillend,
met uitzondering wellicht van Imri, d. i. Amarja.
5.  Sjelanieten, met verandering vnn klinker» (verg. Num. XXVI: 20); grondt. Sjilonieten. — Azaja,
Neh. XI: 5 Madzeja. Iu pi. v. zijne zonen vermeldt de lijst in Sehemja een zestal voorvaderen.
0. zijne, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hunne. — zeshonderd negentig. In Nch. XI: 6 wordt het getal
van 1\'ercs\' zonen, dat hier gemist wordt, opgegeven. De oorspronkelijke lijst heeft waarschijnlijk het
aantal leden van elk der drie geslachten vermeld.
7.   Snltu, de zoon run Mesjullam. Evenzoo Neh. XI: 7, waar echter de namen der voorvaderen
anders luiden. Over Mesjullam zie op VIII : 15—27. — Ilodaieja, den zoon van Ilassenua. i)ezc
komt onder den naam Juda ook Neh. XI: ft voor (verg. op Ezra III:!)), doch niet onder de voor-
vaderen van Sallu. llodaioja heet V:2l ecu Mnnussictisch, Ezra II: 40; Nch. VII: 43 een Lcvietisch
geslacht; 111:24 ecu Davidict.
8.   Uit vers ontbreekt in de lijst van Nehemja. Als Benjaminictcn vinden wij ook elders genoemd
Jeroham, VIII: 27, Uzzi, VII: 7, eu Mesjullam (zie op vs. 7).
9.  negenhonderd zet en vijftig. Dit cijfer heeft betrekking op \\\\\\ de vs. 7 v. genoemden; Neh. XI! 8
negenhonderd aeht eu twintig. — allen, Hebr. t. laat volgen mannen; volg. Gr. vert. weggelaten.
10—12. Zie Nch. XI: 10—14. Jedaja, Jojarib, Jachin, Malkia en Immer komen XXIV : 7—18 voor
als uamcu van priesterklassen, de eerste twee tevens Neh. Xil:0, 19 als namen van uit Kabel terug-
gekeerde priesters. Daar van de namen der vier priesterlijke geslachten iu de vijfde eeuw (Ezra
11:30—39; Neh. VII: 39—42) hier behalve Pashur, d. i. Malkia (zie Jer. XXI : 1), en Immer, ook
Jedaja voorkomt, is deze in de oorspronkelijke lijst waarschijnlijk de stamvader van het eerste ge-
slacht geweest. De Kroniekschrijver heeft dan, daar hij het hoogcpriestcrlijk geslacht miste, ecnige
namen uit de lijst der hoogepriesters (Azarja Ahitub, VI : 12 v., waar alleen Merajoth ontbreekt)
ingelascht eu zoo Jedaja, naar het schijnt, bij die familie ingelijfd.
11.   Azarja, Neh. XI: 11 Seraja, die VI: 14 Azarja\'s zoon heet. Deze namen worden ook elders
verwisseld; verg. Ezra 11:2 met Neh. VII: 7. — de vortl run hel huis Godi. Zoo heet ook een priester
Azarja, ten tijde van Ilizkia, 2 Kron. XXXI: 13.
12.   Tusschen Jeroham eu Pashur heeft Neh. XI: 12 nog drie namen. — Van Maiizai worden Neh.
XI: 13, waar hij Amassai heet, slechts vier voorvaderen, gedeeltelijk met afwijkende namen, op-
genoemd.
13.   Wat hier bijecnstar.t en vau alle priesters gezamenlijk geldt is Neh. XI: 12, 13, 14 over drie
geslachten verdeeld. Ook worden daar de cijfers van elk geslacht afzonderlijk opgegeven; de som van
deze, 1192, is echter veel kleiuer dan het hier genoemde getal, 17*511.
40
14.   Sjemaja. Deze had volg. Nch. XI : 1."> v., met nog twee anderen, te zorgen voor de uitwendige
aangelegenheden des tempels; daar wordt echter een voorvader meer genoemd eu niet gemeld dat hij
tot de Merarieten behoorde. - Hasjabja. Deze naam komt ook elders in ons bock iu de gcslachtlijst
van Merari voor, doch nu eens (VI: 44 v.) als die vau een voorvader van Ethan (Jeduthun), dan
weder (XXV: 3, 19) als die vau een nakomeling vnn hem; verg. XXVI :30; X.VVI 1:17. Stellig was
er in de vijfde eeuw een Leviet vun dezen naam, Ezra VIM: 19, 24; verg. Neh. X:ll;
XII: 21, 24.
15 v. De klassen der tempelzangers: Aznf, Jeduthun, Hcnian (zie op vs. 10); Neh. XI: 17 vermeldt
de laatste niet en duidt alleen Aznf als zanger aan. De voorstelling vnn het drietal klassen is van
onzen schrijver; zie op VI: 33.
16. Bakbakkar, Neh. XI: 17; XII: 9, 25 Bakbukja genoemd, wordt Neh. XI: 17 niet, zoools hier,
voor Mattanja, maar als op hem volgend vermeld. Naar dezen nnam is wellicht de zifngersfamilie
-ocr page 822-
1 KUONIBKEN IX : 15—22.
902
16       zoon van Azaf.\' Obadja, de zoon van Sjemaja, den zoon van Galal,
den zoon van Jeduthun; Berechja, de zoon van Aza, den zoon van
17       Klkana, in de gehuchten der Xetoiathieten woonachtig.\' J)e portiers:
Öjallum, Akkub, Talinon, Ahiman en hunne broeders; Bjallum was het
18       hoofd, \' en nog heden is hij aan de koningspoort, ten oosten. Zij waren
19       de portiers van de legerplaatsen der Levieten.\' Kalium, de zoon van
Kore, den zoon van Ebjazaf, den zoon van Koran, en zijne broeders,
van zijne familie de Korahieten, hebben dienst gedaan als dorpelwach-
ters bij de tent, en hunne vaderen hebben bij de legerplaats van
20       Jahwe den ingang bewaakt.\' 1\'inehas, de zoon van Eleazar, is oudtijds
21       vorst over hen geweest; Jahwe zij met hem!\' Zacharja, de zoon van
22       Mesjelemja, is portier geweest bij de tent der samenkomst.\' Het ge-
zamenlijk aantal van hen die tot dorpelwachters waren uitgelezen be-
llukkia, XXV: 4, 13, door onzen schrijver verdicht. — Heres, Galal komen Nek. XI: 17 niet voor
als zelfstandige geslachten; den laatste heeft de schrijver uil de gcslachtlijst van Obndjn (vs. 16) her-
haald. — Mallanja — Xirhri (\\eh. XI : 17 Xabdi; Xeh. XII: 35 Xakkur), den zoon tan Azaf. Mat-
tanja komt Nch. XII: 35 (ver).\', vs. H) voor onder de voorvaderen van een Leviet uit Xeheinja\'s tijd,
terwijl hij Neh. XI: 17 diens tijdgenoot is. Nehemja zelf vermeldt Neh. XIII : 13 zekeren llauan —
waarschijnlijk eeu Leviet — den toon van Xakkur, den zoon van Mallanja. Deze namen kunnen voor
onzen schrijver de aanleiding geweest zijn, eene zangersfamilie Mallanja. den zomi van Mirlia, den
zoon van Xakkur
of Xirhri, te verdichten en deze in onze lijst en in Neh. XI :17; XII: 35 in te las-
schen. In XXV: 2, 4, 10, 10 komen Kukkur en Muttnnja voor als afzonderlijke geslachten; als af-
stammcliug van Azaf behoort Mattnnja, volg. VI: 3!)—43, tot het geslacht Gersjou. Ken Azuliet Mat-
tanja wordt 2 Kron. XXIX : 13 vermeld.
16.    Obadja (Xeh. XI: 17 Aid»), de zoon van Sjemaja (Xeh. XI: 17 Sjammtia), behoort, daar hij
van Jeduthun, d. i. Kthau (zie op VI: 33), heet af te stammen, tot de Mcrnrictcn; zio VI: 44. Hij
komt, evenals hier (vs. 15), nog Nch. XII: 25 nevens Mattanja en liukbukja voor. Verg. o|> 2 Kron.
XXXIV : 12. — Berechja — woonachtig. Deze woorden ontbreken in Neh. XI en |>nsscu ook niet in
de lijst; daar het geslacht Betechja bij Xetofa (verg. Xeh. VII: 20; XII: 28 en zie o]> 2 Kon.
XXV: 23) en niet te Jeruzalem woonde. De schrijver heeft ze iugelascht, om nevens afstammelingen
van Azaf en Jeduthun ook zonen van dcu derden zanger Ilemnii te vermelden; immers is Klkana,
de stamvader vnn Hercchja, ook een voorvader van Heman, VI: 33—38. Daar Klkana en Ilemun tot
de Kchuthirtcn behoorden, heeft de schrijver zangers uit alle drie geslachten van Lcvi vermeld.
17.    Neh. XI: 19 noemt alleen Akkub en Talmen. Deze twee met Sjallum komen ook Kzra 11:42;
Nch. VII: 45j XII: 25 voor, Sjallum en \'lal/non nog Kzrn X: 24. Do vierde naam is door onzen
schrijver toegevoegd, waarschijnlijk hij ongeluk, daar Ahiman in het Hebrecuwsch met op éone na
dezelfde letters geschreven wordt als hunne broeders. — Sjallum, of Mesjullam (verg. 2 Kron.
XXXIV: 12), dezelfde nis Mesjelemja en Sjelemja (vs. 21; XXVI: 1, 14), was de naam vau eene,
waarschijnlijk priesterlijke, porticrsl\'auiilie vóór de Ballingschap (.Ier. XXXV: 4); zij behield ook in
den tweeden tempel hare betrekking (Kzra 11:42; X:24; Neh. VII: 45), maar daalde later tot den
stand der Levieten af. Volgens onzen schrijver was zij dit altijd geweest en had David (XXVI tl, 14)
den Leviet Mesjelemja tot portier bij den tempel aangesteld.— hunne broeders, volg. hss. cu Gr. vert.;
Hehr. t. hun broeder.
18—21. In deze verzen tracht de schrijver aan te toonen dat het geslacht hetwelk in ziju tijd het
ambt van portier bij eene der tempelpoorten waarnam van Mozes\' tijd af dit ambt bij het wettige
heiligdom bekleed had. Voor de Ballingschap droegen eenigc voorname priesters den titel vau „prics-
ter-dorpolwachter", 2 Kou. XII :0; XXIII:4; XXV : 18.
18.   nog heden is hij, ui. het geslacht Sjallum. De schrijver leefde dus gcruiincn tijd na Neheinja,
op wiens leeftijd vs. 2—17 betrekking heeft. — de kimingspmnt. In den te
8
mpel van Salomo was aan
de zuidzijde een toegang voor den vorst, 2 Kou. XVI: 18 de ingang des koniugs genoemd. I\'it onze
plaats maken wij op, dat er ook in den tweeden tempel eene koningspoort, en wel tcu oosten, was; zij
zal haar naam hebben gekregen naar Kzech. XLVI: 1—3. Verg. XXVI: 14. — Met de legerplaatsen
der Levieten, de legn plaats
ra» Jahice (vs. 19; 2 Kron. XXX 1:2\'. dr tent (vs. 19), de tent der
samenkomst
(vs. 20), het huis van Jahtee cu het huis der tent (vs. 23), het huis Gods (vs. 11), wordt
het i\'ciii\' wettige heiligdom in verschillende tijden bedoeld.
19.   Over het geslacht van Kotah zie op Num. XVI : 1. — de tent, waarin David de ark plaatste,
2 Sam. VI : 17. — en — bewaakt, waren ten tijde van Mozcs portiers bij het heiligdom. Van por-
tiers bij den tabernakel gedurende de woestijnreis vermeldt echter zelfs Kzra\'s Wetboek niets.
20.    1\'inehas. Zie inl. op Num. XXV. — is — geveest, evenals zijn vader Klcnzar volg. Num.
111:32 oppervorst aller Levieten was. — Jahice zij met hem! In de latere Joodsche letterkunde staat
deze of eene soortgelijke zegenbede dikwerf achter een hooggcècrbicdigdeu naam; in het ü. T. is het
alleen hier bet geval.
21.   licdocld is: hij was ten tijde van David portier bij den tabernakel te Gibcon, terwijl zijn vader
die betrekking bij de tent waarin de ark stond bekleedde; zie op XV: 18. Volg. XXVI: 14 werd hij
daarna aangesteld bij de noordpoort des tempels.
22.    Dit vers slaat op vs. 17 terug. Hoe het komt dat hier het getal zooveel grooter wordt opge-
geven dan Neb. XI: 19, weten wij niet met zekerheid; waarschijnlijk geeft de schrijver het getal op
-ocr page 823-
1 KRONIBKBN IX : 22—34.
903
droeg tweehonderd twaalf. Dezen hadden hunne geslachtregisters in
hunne gehuchten. Uavid en de ziener Saiuuel hebben voorgoed hun
23       dezen post toevertrouwd.\' Zij waren met hunne zonen gesteld over
de poorten van het huis van Jahwe, bet huis der tent, om die te be-
24       waken;\' de portiers moesten staan naar de vier windstreken: naar het
25       oosten, bet westen, het noorden en bet zuiden;\' terwijl hunne broe-
ders in hunne gehuchten regelmatig voor zeven dagen met hen dienst
26       moesten komen doen; \' want op hen, de vier hoofden der portiers,
rustte de verantwoordelijkheid. Ook deden sommige der Levieten dienst
27       bij de vertrekken en de schatkamers van het buis Gods;\' zij moesten
rondom het huis Gods den nacht doorbrengen; want bun was de be-
waking toevertrouwd, en zij moesten eiken morgen de deuren ontsluiten.\'
28       Andere gingen over het gereedschap van den dienst: geteld brachten
29       zij het aan, en geteld brachten zij het weder weg.\' Aan nog andere
was de zorg opgedragen voor de vaten en alle heilige voorwerpen,
en voor de meelbloem, den wijn, de olie, den wierook en de welrie-
30       kende kruiden.\' Eenige priesterzonen waren de bereiders van het
31       mengsel uit de welriekende kruiden.\' Mattitbja, een der Levieten, de
eerstgeborene van den Korahiet Sjallum, had voor bet bakwerk te
32       zorgen;\' terwijl eenige van de Kehathieten, hunne broeders, de zorg
hadden voor het stapelbrood, om dit eiken sabbat in gereedheid te
brengen.
33            En dit waren de zangers, familiehoofden der Levieten, die in de
vertrekken vrij van dienst waren; want dag en nacht moesten zij aan
34       het werk zijn.\' Dit waren de familiehoofden der Levieten, hoofden
naar hunne afstammelingen; zij woonden te Jeruzalem.
van de in zijn tijd dienstdoende portiers. I)au is volgens onzen schrijver hun aantal steeds toegeno-
men: hel bedroeg volg. XXVI : 8—19 in den tijd van Dnvid 93, volg. Kzrn II: 12 in dien van Ze-
rubbabel 139, volg. Nch. XI: 19 in dien van Nchcmjn 172, volgeus onze plaats in dien van den
schrijver 212. — Lezen — gehuchten. Zij woonden voorheen, evenals de zangers Nch. XII: 29 (verg.
op v». 10), buiten Jeruzalem; terwijl volg. vs. 25 sommige nog in de gehuchten woonden en andere
naar Jeruzalem verhuisd waren, was toch hun aller gcslachtregistcr in de gehuchten gebleven. —
Dar\'ui — toevertrouwd, ui. het ambt van portier bij den tabernakel en den tempel; verg. int. op H.
XXVI. Dit geldt alleen van de vs. 17 genoemde geslachtshoofden, die in Duvids tijd geacht worden
geleefd te hebben, en hunne nakomelingen; hunne voorvaderen waren reeds door Mozes bij den taber-
nakel aangesteld, vs. 19 v. Van Snmuels bemoeiingen in dezen lezen wij nergens elders iets.
23. het liui.1 der tent. Deze woorden, die hier zeer vreemd staan, schijnen te kennen te geven dat
zij, de vs. 17 genoemde vier, ook reeds vóór den tempelbouw bij de teut (vs. 19) dienst deden.
26a. de — portiers. Zie vs. 17. — de verantwoordelijkheid, zoodat zij, vanwege hunne verantwoor-
delijkhcid, de stad niet mochten verlaten.
264—32. Over de werkzaamheden der Levieten verg. XX1II:28—32.
264. Ook — dien»/, volg. verb. t.; grondt. Dit waren de Levieten en zij deden dien.it. — de ver-
trekken.
Zie op 2 Kou. XXIII: 11. — de schatkamer.,. Zie op 1 Kon. VII: 51. — Verg. XXVI: 20—28.
28. gereedschap ran dm dienst. Voor gereedschap is in het Hcbrccuwsch hetzelfde woord gebruikt
nis dat hetwelk in vs. 29 door vaten is vertaald. Hier schijnen de voorwerpen van edel metaal be-
doeld te zijn in onderscheiding van het minder kostbare offergereedschap.
30. Zie Kxod. XXX: 31—38 en aiint. aldaar.
81. de eerstae/mrene — Sjallum. Volg. XXVI: 2, 11 wns niet hij, maar de portier Zacharja Sjal-
lums oudste zoon. Mnttithja heet hier zoo wegens de gewichtige betrekking die hij bekleedde. Levie-
ten vnn dezen naam noemt onze schrijver ook elders: uit Dnvids tijd een zanger uit het geslacht Je-
duthiin (XV : 18, 21; XXV: 8, 21) en een uit het geslacht Azaf (XVI: 5), alsmede een uit den tijd
van Xchemja (Xeh. VIII: 5). Verg. nog Kzrn X:43. — het bakwerk. Zie Lev. 11:5; VI: 21.
32.  het stapelbrood. Zie op Lev. XXIV: 5—9.
33 v. Het eerste vers behoort als onderschrift bij vs. 1-1—10, het tweede bij vs. 14—32. Dat de
schrijver het eerste niet onmiddellijk op vs. 16 laat volgen komt hienan, dat hij eerst de gewone
werkzaamheden der Levieten wilde vermelden, vs. 264—32, waarvan hij de zangers wilde zien
vrijgesteld.
33.   in de vertrekken, waar de meeste der vs. 264—32 genoemde werkzaamheden plaats vonden. —
dag — zijn. Zij moesten niet slechts in deu tempel spelen en zingen, ook tezamen zich oefenen, de
instrumenten in orde houdcu enz. Met nadruk doet de schrijver uitkomen dat de tempclzangers een
zwaren dienst hadden; men mocht hun geen ander werk daarbij opdragen.
-ocr page 824-
904                                   1 KHONIEKES IX : 35—X : 7.
HOOFDSTUK IX: 35—X: 14.
Saul. — Geslachtlijst van Saul (IX: 35—Ui. Do Israëlieten worden door do Filistijnen verslagen
(X: 1); drie zonen van Saul sneuvelen (2); hij zelf, in benauwdheid gebracht, beveelt zijn wnpcudra-
ger hem te doodcu, en slaat, als deze weigert, do hand aan zich zelvcn (3—ö); do Israélietische ste-
den in do vlakte van Jizrccl, van inwoners verlaten, worden door de Filistijnen bezet (7). Dezen
plunderen Sauls lijk en leggen zijn hoofd en zijne wapenrusting in de tempels hunner goden (8—10);
de bewoners van Jabes nemen de lijken van Saul en zijne zonen op en begraven ze in hunne stad
(11 v.). Sauls dood was de straf voor zijne ongehoorzaamheid aan Jahwe (13 v.).
Dat van Saul, behalve de geslachtlijst, alleen de dood vermeld wordt vindt zijne reden hierin dat
de schrijver hem nauwelijks als wettigen koning van Israël erkent: op dezen titel mocht eerst David
met recht aanspraak maken. Isracls eerste koning wordt hier alleen genoemd omdat door zijn sneu-
velen het koningschap op David is overgegaan; zijn dood wordt met nadruk als een strnfgericht
voorgesteld. Een gedeelte, X:l—12, is bijna woordelijk aan 1 Sam. XXXI: 1—13 ontleend; zie dus
de aantt. aldaar.
IX: 35 Te Gibeon woonde de vader van Gibeon, Jeïël; zijne vrouw heette
30 Maiicha.\' Zijn oudste zoon was Abdon, voorts: Sur, Kis, Maiil. Ner,
37,38 Nadab,\' Gedor, Ahjo, Zacharja en Mikloth. \' En Mikloth verwekte
Sjimea; ook dezen woonden met hunne broeders te Jeruzalem tegen-
39       over hunne broeders. \' En Ner verwekte Ahner; Kis verwekte Saul;
40       Saul verwekte Jonathan, Malkisjua, Abinadab en Esbaül.\' De zoon
41       van Jonathan was Meribbaiil, en Meribbaül verwekte Micha.\' De zonen
42       van Micha: Pithon, Melech, Tabarea en Ahaz.\' En Ahaz verwekte
Joadda; Joadda verwekte Alemeth, Azmaweth en Zimri; Zimri verwekte
43       Mosa; \' Mosa verwekte llinea; zijn zoon was Refaja, zijn zoon was
44       Eleaza, zijn zoon was Asel. \' Asel had zes zonen; dit zijn hunne namen:
Azrikam, Bochru, Ismaël, Sjearja, Obadja en Uanan; dit waren de zonen
van Asel,
X: 1         Toen nu de Filistijnen tegen Israël streden, sloegen de Israëlieten
voor de Filistijnen op de vlucht, en vielen verslagenen op het gebergte
2       Gilboa. \' En de Filistijnen zaten Saul en zijnen zonen op de hielen en
3       versloegen Sauls zonen Jonathan, Abinadab en Malkisjua.\' Daarop
werd de strijd zwaar tegen Saul; toen de boogschutters hem onder
4       schot kregen, werd hij beangst voor hen \' en zeide hij tot zijn wapen-
drager: Trek uw zwaard en doorsteek er mij mede; anders komen die
onbesnedenen en drijven hun spel met mij. Maar zijn wapendrager
wilde niet, omdat hij zeer bevreesd was. Nu nam Saul het zwaard
5       en stortte er zich in.\' En Sauls wapendrager, ziende dat hij dood was,
6       stortte zich ook in zijn zwaard en stierf. \' Zoo stierven Saul en zijne
7       drie zonen; zijn gansche huis is te gelijk gestorven.\' En al de Israë-
lieten in de vallei, ziende dat zij gevlucht en Saul en zijne zonen
gesneuveld waren, verlieten hunne steden en gingen op de vlucht;
waarna de Filistijnen kwamen en ze bezetten.
35—44. Deze lijst, die reeds VIII: 29—38 voorkomt (zie de aantt. aldaar), wordt hier herhaald als
inleiding op het verhaal van Sauls dood. Waarom de schrijver de VIII: 89 v. vermelde afstammelin-
gen van Saul hier weglaat, weten wij niet.
88.   Sjimra, volg. VIII: 32 en Gr. vert.; Hebr. t. Sjimeam.
89.  Abnrr. Zie op VIII: 33.
41.  rn Aha:, uit Gr. vert. en VIII: 35 ingevoegd.
42.  Joadda, tweemaal. Gr. vert. en volg. VIII: 36; Hebr. t. Jaara.
5.  zijn, volg. Gr. vert. en 1 Sam. XXXI: 5; Hebr. t. hrt.
6.  zijn — getlonen. Anders 1 Sam. XXXI:6. De schrijver drukt zich zeer onnauwkeurig uit; elders
(VIII
: 34—39; IX: 40—14) vermeldt hij zelf dat het geslacht van Saul tot in zijn tijd is blijven voort-
bestaan. Hij bedoelt waarschijnlijk, dat met den dood van Saul en zijne drie zonen niemand uit dit
geslacht overbleef die in staat was de regeering te aanvaarden; Isboosjeth toch, volg. 2 Sam. 11:8—
10 Sauls zoon en opvolger, wordt door hem niet als koning van Isracl erkend; zie inl. op XI: 1—9.
7.   dr Itraïlietn in da vallei, de bevolking van de vlakte van Jizreél; volg. 1 Sam. XXXI: 7 ook
die van meer verwijderde streken.
-ocr page 825-
1 KKONIBKEN X : 8—XI : 3.                                    905
8            Den volgenden dag, toen de Filistijnen kwamen om de verslagenen
uit te schudden, vonden zij Baal en zijne zonen op het gebergte Gilboa
9       liggen;\' zij schudden hem uit, namen zijn hoofd en zijne wapenrusting
mede en zonden ze rond in het land der Filistijnen, om de zege te
10       boodschappen aan hunne afgoden en aan het volk.\' Zijne wapenrusting
legden zij in den tempel van hun god, en zijn schedel hingen zij op in
11       den tempel van Dagon. \' Toen al de inwoners van Jabes in Gilead
12       hoorden al wat de Filistijnen aan 8aul hadden gedaan, \' maakten alle
weerbare mannen zich op, namen den romp van Saul en die zijner
zonen mede, brachten ze naar Jabes, begroeven hun gebeente onder de
terebint te Jabes en vastten zeven dagen.
13            Zoo stierf Saul, omdat hij zich aan Jahwe vergrepen had, doordat
hij het woord van Jahwe niet had onderhouden en bovendien den
14       onderaardschen geest ondervraagd had om hem te raadplegen, \' terwijl
hij Jahwe niet geraadpleegd had. Daarom deed Jahwe hem sterven en
het koningschap overgaan op David, den zoon van Izai.
10.   hun goil, 1 Sam. XXXI: 10 Astarte. — en zijn schedel hingen zij op (de laatste woorden volg.
Gr. vert.; Hebr. t. sloegen zij) in den tempel van Dagon, Dit wordt in 1 Sam. XXXI gemist,
waar het wellicht bij vergissing is uitgevallen. Daarentegen ontbreekt hier 1 Sam. XXXI: 104; verg.
op vs. 12. Over Dagon zie op Kicht. XVI: 23.
11.  de inwonen, volg. een hs , Gr. vert. en 1 Som. XXXI: 11 ingevoegd.
12.  namen — mede. Dat zij ze van den muur van Hcth-sjean afhaalden, zooals in Samuel verhaald
wordt, zegt de schrijver niet. Keuden wij 1 Sam. XXXI: 10 uiet, dan zouden wij uit deze plaats niets
anders kunnen opmaken dan dat zij ze weghaalden van het slagveld. Of de schrijver dit bedoeld,
dan wel uit onverschilligheid voor de daad der Jabezietcn het verban! bekort heeft, weten wij niet.—
naar Jabes. In 1 Sam. XXXI: 12 volgt nog dat zij de lijkeu verbrandden; zie. aldaar. — de terebint, 1
Sam. XXXI: 13 de tamarisk.
13.   hij het — onderhanden. Zie 1 Sam. XIII: 8—15n; XV. — den — raadplegen. Zie 1 Sam.
XXVIII: 3—25. Onze schrijver zinspeelt hier op een voorval hetwelk hij in zijn boek niet vermeldt;
hij onderstelt dus dut Samuel aan zijne lezers bekend is.
14.  terwijl — had. Dit is in strijd met 1 Sam. XXVIII: 6, 15.
HOOFDSTUK XI: 1—9.
David koning te Jeruzalem. — Gansch Israël komt bij David en zalft hem tot koning (1—3). Hij
trekt tegen de Jcbuzietcn op, neemt hunne veste in (4 v.), maakt Joab tot legcrovcrsto (0), kiest
Jeruzalem tot zijne woonplaats en .versterkt het (7 v.); zijn voorspoed klimt steeds (0).
Dit gedeelte is, evenals het voorgaande, aan Samuel ontleend; zie 2 Sam. V : 1—3, 6—10 en de
aantt. aldaar. Het volgt daar echter niet, zooals hier, onmiddellijk op de beschrijving van Sauls einde
(1 Sam. XXXI), maar is er van gescheiden door het verhaal van Davids houding na Sauls dood, zijne
verheffing tot vorst van Juda, zijn oorlog met Isboosjcth en de vermoording van dezen, 2 Sam. I—IV.
Dit een en ander was onzen schrijver wet bekend; in 111:1, 4; XXIX: 27 vermeldt bij althans het
koningschap van Dnvid te Hcbron; maar blijkbaar beschouwde hij de regceriug van Isboosjeth als on-
wettig of als geheel zonder betcekenis (verg. op XII: 29), en was volgens hein David onmiddellijk
na Sauls dood de ecnige ware koning vau gansch Israël geweest. In verband daarmede kon hij ook
niet overnemen uit 2 Sam. V : 1 v. dat David te Hcbron nllcen over Juda koning geweest was.
XI: 1 Toen verzamelde zich gansch Israël bij David te Hebron en zeide:
2       Zie, wij zijn uw been en vleesch.\' Iteeds gisteren en eergisteren, reeds
toen Ban! nog koning was, waart gij het die Israël uitleiddet en
inleiddet. En Jahwe, uw god, heeft tot u gezegd: Gij zult mijn volk
3       Israël weiden; gij zult vorst over mijn volk Israël zijn.\' Zoo kwamen
alle oudsten van Israël tot den koning te Hebron; en koning David
1—3. Verg. XII: 23—40.
1. te Hebron. Dat David hier woonde is in het voorafgaande niet gezegd, maar wordt 2 Sam.
11:1—V: 3. verhaold; verg. III: 4; XXIX: 27.
8. koning David, het eerste woord uit Gr. en Syr. vertt. en 2 Sam. V: 3 ingevoegd. Dat David
hier en in het onmiddellijk voorafgaande koning heet voordat hij gezalfd is, is 2 Sam. V : 3, waar
hij op het oogenblik zijner zalving tot koning van Israël reeds zeven en een half jaar koning Tan
-ocr page 826-
906                                      1 KRONIEKEN XI : 3—10.
sloot een verbond met hen voor Jahwe\'s aangezicht, te Hebron, en
zij zalfden hem tot koning over Israël, naar het woord van Jahwe
door iSamuel.
4           Toen David met gansch Israël optrok naar Jeruzalem — dat is
5       Jehus, en daar waren de Jehuzieten, de bevolking des lands —\' zeiden
de inwoners van Jelms tot David: (jij zult hier niet binnenkomen.
Duch David nam de bergveste van den 8ion, dat is de Davidstad, in\'
0 en zeide: Al wie het eerst de Jehuzieten slaat zal opperhoofd en aan-
voerder worden. Joab nu, de zoon van Seruja, beklom haar het eerst
7       en werd opperhoofd.\' En David nam zijn verblijf in de vesting; daarom
8       noemt men haar de Davidstad.\' Hij versterkte de stad van rondom,
van het Millo af in haar ganschen omvang, terwijl Joab het overige
9       der stad moest herstellen.\' David werd steeds machtiger, en Jahwe der
heirscharen was met hem.
Juda geweest is, natuurlijk, doch klinkt hier, waar het verhaalde ondersteld wordt terstond na Snuls
dood te zijn voorgevallen en zijn koningschap over Juda stilzwijgend wordt voorbijgegaan, vreemd. —
naar — Samuel. Deze woorden ontbreken in 2 Sain. V; zij doelen waarschijulijk op 1 Sara. XIII:14;
XVI: 13.
4.   Hieraan gaan in 2 Sam. V nog een paar verzen vooraf, behelzende eene opgave van den duur
van Duvids regcering te Hebron en te Jeruzalem, Verg. Inl. — met ganteh hrail, volg. 2 Sam. V:6
met zijne mannen, d. i. de schaar zijner dapperen. Onze schrijver laat David van den beginne af op-
treden als koning van het gentene volk. — dat ü Jebnt. Zie op Richt. XIX: 10. — de bevolking dei
landt,
liedocld is: de vroegere, in Kanaiin gevestigd voordat de Israëlieten er in trokken.
5.   Gij zult hier niet binnenkomen. In 2 Sam. V: 0 laten de Jebuzieteu nog ecu cu ander volgen, dat
de schrijver met opzet weglant; zie op vs. G.
6.   Al — werd opperhoofd. Anders i Sam. V : 8 (zie aldaar). T)e schrijver heeft hetgeen daar staat
veranderd, wellicht omdat reeds hij het niet meer verstond; ten gevolge daarvan heeft hij ook in het
vorige vers een en ander weggelaten. Wat hier van Joab verhaald wordt is in strijd met 2 Sam.
11:13—82; 111:22—31) (zie op 2 Surn. 11:13), waar hij reeds tijdens Davids regcering te Hebron
over Juda zijn legcrhoofd is. Danr de schrijver van Davids koningschap over Juda alleen niets wil
weten en hij toch Joab zoo spoedig mogelijk als zijn lcgerovcrstc wil doen optreden (verg. inl. op
XI: 10—17), laat hij hem bij de verovering van Jeruzalem die eervolle plaats verwerven.
7.  men. 2 Sam. V : !> is David het onderwerp.
8.  tericijt — herttellen. Deze woorden ontbreken in Samuel.
HOOFDSTUK XI: 10—47.
Lijst van Davids helden. — Opschrift (10); Davids drie voornaamste helden en hunne daden:
Jasjobcam (11), Elcazar (12, 13a), Sjamma (134, 14). Drie zijner helden halen met levensgevaar
voor hein uit een put te Hethlchem water, dat hij ter eer van Jahwe plengt (15—19). Abisjai en
liemtjn, en hunne daden (20—25). De overige helden (20—47).
Hot eerste en grootste gedeelte van deze lijst, vs. 11—41a, treffen wij ook 2 Sam. XXIII: 8—39
aan; waarom wij uanr de aantt. aldaar verwijzen. Of het aan dit gedeelte van Samuel ontleend is,
dan wel beide schrijvers uit dezelfde bron geput hebben, weten wij niet. De zestien namen die onze
lijst meer bevat, vs. 41*—17, zijn door den schrijver — van waar, weteu wij niet — toegevoegd,
waarschijnlijk omdat hij meende dat zij nnmcu uit alle stammen behelzen moest en de Overjordnan-
schc er niet genoegzaam op vertegenwoordigd waren. Dat het stuk, in Samuel eerst in het aanhangsel
opgenomen, in ons bock reeds hier zijne plaats vindt, is gevolg vun het plan des schrijvers, on-
middcllijk na het verhaal hoc David tot koning gezalfd is en Jeruzalem veroverd heeft, cene opsom-
ming te geven van de strijdkrachten waarover hij ter handhaving zijner heerschappij beschikken kon
(XI: 10—XII: 40); met dit doel heeft hij van Davids helden legeroanvocrders gemaakt (zie op vs. 10),
na reeds in vs. 0 Joab als opperbevelhebber vermeld te hebben.
XI: 10 Dit zijn de hoofden van Davids helden, die hem in zijn koning-
schap krachtig ter zijde stonden met gansch Israël, om hem tot koning
10. de hoofden van handt helden. De in de lijst genoemden zijn dus legeraanvoerders; verg.
XXVII: 2—15, waar vele der hier genoemden als zoodanig voorkomen; dit zijn ze uiet 2 Sam.
XXIII: 8—39, waar zij zelveu, en niet zooals hier en XII: 1 ook hunne ondergeschikten, de helden
hectcn. — om — maken, om hem op den troon te handhaven. — naar — Itraiil. Verg. vs. 3 en
2 Sam. III: 18.
-ocr page 827-
1 KROXIEKEN XI ! 10—22.                                     907
11       te maken, naar het woord van Jahwe over Israël. \' Dit zijn de namen
van Davids helden: Jasjobeam, de zoon van Hachnioni, de voornaamste
van de drie: hij zwaaide zijne speer over driehonderd man, die hij
12       op eenmaal verslagen had.\' Op hem volgde Eleazar, de zoon van Dodo,
13       de Ahohiet; deze was een van de drie helden. \' Hij bevond zich bij
David te Pas-dammim, toen de Filistijnen zich aldaar ten strijde ver-
zameld hadden en de Israëlieten optrokken. Toen hij opstond, richtte
hij eene slachting aan onder de Filistijnen, totdat zijne hand moede
was en aan het zwaard kleefde. Zoo bewerkte Jahwe te dien dage eene
groote overwinning; en het volk keerde, hem achterna, terug alleen
om de lijken uit te schudden. Op hem volgde Sjamma, de zoon van
Age, de Haraiïet. Eens hadden de Filistijnen zich bij Lehi verzameld;
daar lag een stuk land met gerst; toen nu het volk voor de Filis-
14       tijnen vluchtte,\' ging hij midden op dat stuk land staan, verdedigde
het en versloeg de Filistijnen. Zoo bewerkte Jahwe eene groote over-
winning.
15           Eens daalden drie van de dertig hoofden tot David af naar de rots,
naar de bergveste van Adullam, terwijl de Filistijnen hun kamp in
16       de vallei der Jiefaïeten hadden opgeslagen. \' Terwijl David zich toen
in de bergveste bevond, was een wachtpost der Filistijnen te Bethlehem.\'
17       En David kreeg een sterk verlangen en zeide: Wie geeft mij water
18       te drinken uit den put van Bethlehem, den put in de poort\'\' Toen
braken die drie door de legerplaats der Filistijnen heen, schepten
water uit den put van Bethlehem, den put in de poort, namen het
mede en brachten bet aan David. Maar David wilde het niet drinken;
19       hij plengde het ter eer van Jahwe\' en zeide: Daarvoor beware mij
mijn god! Zou ik het bloed dezer mannen drinken? Want met levens-
gevaar hebben zij bet gehaald. En hij wilde het niet drinken. Dit
hebben die drie helden gedaan.
20           Abisjai, de broeder van Joab, was bet hoofd van de dertig; bij
zwaaide zijne speer over driehonderd verslagenen en bad naam onder
21       de dertig; \' boven de dertig was hij geëerd, zoodat hij hun aanvoerder
22       werd; maar tot de drie reikte hij niet.\' Benaja, de zoon van Jojada,
11. de namen, volg. 2 Snm. XXIII: 8; grondt, hel getal, wilt bij Dit zijn niet voegt. — Jasjobeam,
2 Sam. XXIII i 8 Isbaiil. De schrijver heeft den naam wellicht met opzet veranderd: een naam met
„balt" samengesteld behoorde niet op de lijst van Davids helden. — de zoon van Jlachmoni, 2 Sam.
XXIII: 8 de llachmonut; volg. XXVH:2 was hij zoon van Zabdiël. — de drie, volg. Gr. vert. en 2
Sam. XXIII: 8; Hebr. t de dertig. — driehonderd, 2 Sam. XXIII: 8 achthonderd.
18.   en de Israëlieten — Lehi verzameld, uit 2 Sam. XXIII: \'JA—\\\\a ingevoegd. De schrijver kan
dit niet hebben weggelaten, daar hij volg. vs. 11 v. van drie helden iets verhaald moet hebben; wat
zonder deze woorden het geval niet zou zijn. — gerst, 2 Sam. XXIII: 11 linzen.
14.   ging hij ...verdedigde ...versloeg, volg. Gr. vert. en 2 Sam. XXIII: 12; Hebr. t. heeft telkens
bet meervoud. — bewerkte, volg. Gr. vert cu 2 Sam. XXIII: 12.
15.   dertig. De schrijver vergeet dat hij in dit hoofdstuk veel meer dan dertig namen opnoemt. —
naar vóór de rots, volg. de oude vertt. en 2 Sam. XXIII: 13, waar het met op vertaald is; Hebr. t.
<./>\'of over. — de bergveste, in pi. v. de spelonk, evenals 2 Sam. XXIII! 13. Het is echter mogelijk
dat de schrijver vun Kronieken reeds den bedorven tekst van Samuet voor zich had.
17. een sterk verlangen, naar het frissche water, waarmede hij als knaap en als jongeling zoo vaak
zijn dorst had gclescht.
19.   drinken. Hierop laat grondt, volgen tot den prijs van hun leven; als herhaling van het terstond
volgende weggelaten. — met levensgevaar, letterlijk tol den prijs van hun leven.
20.  Abisjai, volg. 2 Snm. XXIII: 18, Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Absjai (verg. op 1 Sam. XXVI:6).
— hel hoofd van de dertig. De schrijver vergeet dat de dertig volgens hem niet eene keurbende vormen (rie
op 2 Sam. XXIII: 13) die een aanvoerder heeft, maar allen legeraanvoerders zijn; zie op vs. 10. — de
dertig,
twee koeren in dit on eens in het volgende vers volg. verb. t.; grondt, telkens de drie; verg.
op 2 Sam. XX1II:18.
21.   In dit vors is een woord onder de twee als onverstaanbaar weggelaten.
22.   Benaja, in dit boek nog XVIII: 17; XXVH:5v.; zie verder op 2 Sam. VIII: 18. — een kloek
man.
Hiervoor is evenals 2 Sam. XXIII: 20 de soon van weggelaten. — zonen van, uit Gr. vort.
ingevoegd.
-ocr page 828-
1 KRONIEKBN XI : 22—47.
908
een kloek man, van groote krijgsbedrijven, uit Kabseël: hij versloeg
de beide zonen van Ariël uit Moab; ook daalde hij eens in een kuil
af en sloeg daarin een leeuw dood, op een dag dat er sneeuw lag.\'
23       Ook versloog hij den Egyptenaar, een man van vijf el lengte, met
eene speer als een weversboom in de hand: hij ging met een stok
op hem af, wrong hem de speer uit de hand en doodde hem met
24       zijne eigene speer.\' Deze daden heeft Benaja, de zoon van Jojada, ver-
25       richt; hij had naam onder de dertig helden.\' Boven de dertig was hij
geëerd, maar tot de drie reikte hij niet. En David stelde hem aan tot
hoofd over zijne naaste omgeving.
26            Voorts de strijdbare helden: Azaël, de broeder van Joab, Elhanan,
27       de zoon van Dodo, uit Bethlehem,\' 8janimoth, uit Harod, Heles, de
28       Peloniet,\' Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa, Abiëzer, uit Anathoth,\'
29,  30 Sibheehai, de Husjathiet, Ilai, de Aliohiet,\' Maand, uit Netofa, Heled,
31       de zoon van Baüna, uit Xetofa, \' Ithai, de zoon van Bibai, uit Gibea
32       in lfenjamin, Benaja, uit Pireathon,\' Hurai, uit Xahale-Gaas, Abiël,
33, 34 uit Beth-araba, \' Azniaweth, uit Bahurini, Eljahba, uit .Sjanlbon,\' de
zonen van Hasjem, uit Gizon, Jonathan, de zoon van 8jage, de Hara-
35 riet,\' Aliiam, de zoon van 8achar, de Harariet, Elifal, de zoon van
30,  37 Ur,\' Hefer, uit Mechera, Aliia, de Peloniet,\' Hesro, uit Karmel, Naiirai,
38       de zoon van Ezbai, \' Joel, de broeder van Nathan, Mibhar, de zoon
39       van den Mugriet,\' .Selek, de Ammoniet, Nahrai, uit Beëroth, de wapen-
40       drager van Joab, den zoon van [Seruja,\' Ira, de Jithriet, Gareb, de
41, 42 Jithriet, \' Una, de Uittiet, Zabad, de zoon van Ahlai, \' Adina, de zoon
van iSjiza, de Kubeniet, een hoofd der Kubenieten, en met hem dertig
43, 44 man, \' Hanan, de zoon van Maacha, en Josjafat, de Mithniet,\' Uzzia,
45       uit Astarotb, Sjama en Jeïël, de zonen van Hotharn, uit Aroër,\' Jediaël,
46       de zoon van Sjirari, en zijn broeder Joha, de Tisiet,\' Eliël, uit Maha-
naim, en Jeribai en Josjamja, de zonen van Elnaiim; voorts Jithma,
47       de Moabiet, \' Eliël, Obed en Jaaziël, uit 8oba.
23. vijf el, ruim dordchnlf meter. Verg. 1 Sain. XVII: 4.
27.   Sjammolh, 2 Suin. XXIII: 25 Sjamma. — Harod, volg. 2 Sam. XXIII: 25; grondt. Haror. Hierop
volgt 2 Siini. XXIII: 88 Etika, uit Harod. — de Pelouiel. In 2 Sm». XXIII: 20 stunt uit J\'elel, eene
plaats in Judu. Daar de schrijver elders (XXVII: 10) Heles tot een Kfraimiot mnnkt, heeft hij wellicht
met opzet hier den nnnm der geboorteplaats veranderd.
28.   Verg. XXVII:\'J, 12.
29.   Ilai, 2 Snrn. XXIII: 28 E/jon. Wellicht, dnnr E/jou bctcekent ,dc Allerhoogste\', vond de schrij-
vcr dc/en nnnm ongepast.
32.   Band, 2 Snrn. XXIII: 30 Iliddai. — Beth-araba, volg. verb. t.; grondt. Arba.
33.   liahurim, volg. verb. t. grondt. Raharum.
84 ae tonen ran Hanjem, uit Gizon, 2 Snrn. XXIII : 32 Jasje», de Ouniet. — Sjage, 2 S«m.
XXIII: 33 Sjamma.
35.   Sachar, 2 Sam. XXIII: 33 Sjarar. — Elifal, 2 Snrn. XXIII: 31 Elifelet.
36.   Mtihera, 2 Snm. XXIII: M Belh-Maacha. — Ahia, de Peloniet, 2 Sam. XXIII: 84 Etiam, de
zoon eau Ahitofel, uit Oilo.
De nanm van Ahitofel, den bekenden tegenstander va» David, paste op
de lijst van Duvids getrouwen niet. Ook is E/iam wnarschijulijk met opzet veranderd; zoo toch
heette volg. 2 Snm. XI : 3 Knthsjcba\'s vader, dien de schrijver om Davids zonde met Hathsjeba niet
noemen wilde.
37.   Saiirai, 2 Snm. XXIII: 35 Paiirai. — de zoon van Ezbai, 2 Snm. XXIII: 35 uil Arob.
38.   Dit vers luidt 2 Snm. XXIII: 36 Jigeal, de. zoon van Halkan, uit Soba, Baui, de Oadiet.
41*—17. Dcse namen komen 2 Snm. XXIII niet voor en zijn ook van elders niet bekend. De hier
genoemde plnntsen liggen nagenoeg alle in het Overjordaansche.
42.  en met hem dertig man, onzekere vertaling.
43.   de Mithniet, onbekcud.
44.   Attarolh. Zie op Gen. XIV: 5. — Aroer. Zie op Deut. Il: 36.
45.  de Titiet, onbekend.
46.   uit Mahanaim, volg. verb. t. Over Mahanaim zie op Gen. XXXII: 2.
47.   uit Soba, volg. verb. t. Over Soba zie op 1 Sam. XIV: 47.
-ocr page 829-
1 KRONIEKEN XII : 1—9.
909
HOOFDSTUK XII: 1—22.
Aanhangers van David vóór zijne verhclling tut koning. — IV Kcnjamiuicteu die zich te Siklag
bij Darid voegden (1—7). De Gadieteu die in de bergvestc tot hem kwamen (8—15). Ecnigc Ucuju-
minicten en Judccrs, aldaar tot hein gekomen, werden op hunne belofte van trouw door David tot
hoofden zijner bende aangesteld (16—1H). De Mannssicteu die zich bij hem aansloten toen hij uit
het kamp der Filistijnen was weggezonden werden eveneens tot oversten aangesteld; want Davids
leger vermeerderde dagelijks (19—22).
11
Waaraan de schrijver de namen en bijzonderheden die hij hier mededeelt en die niet in Samuel
worden aungetrou*cu ontleend heeft, weten wij niet. Het kan zijn dnt onder de hier genoemden inder-
daad aanhangers van David voorkomen en dat eene en andere hier vermelde bijzotiderhcid op sehriftc-
lijkc overlevering berust; maar de voorstelling in haar geheel is in strijd met oudere berichten en
ongeloofwaardig. Dat David voor zijne zalving tot koning een gausch leger had met tal van oversten
(vs. 18, 22); dat de mannen die hein volgden tot de aanzienlijkste!) des volks, leger- en gcslachts-
hoofdcu, behoorden (vs. 14, 20); dat niet slechts Judccrs, maar ook Israëlieten uit het Overjordaan-
sche (Gad), uit Noord-Isracl (Mauassc) eu zelfs vnn Suuls verwanten (licnjumin) zich bij hem mmslo-
ten, dit een en ander komt niet overeen met 1 Sain. XXII :lv.; XXIII118; XXV : 10, 13; XXX:
9 v., volgen» welke plaatsen cene schaar van hoogstens zeshonderd man, gelukzoekers eu ontevredenen,
waarschijnlijk mccrciidcels Judeèrs, David volgde. Blijkbaar is des schrijvers bedoeling de voorstelling
te geven, dat David reeds voordat hij de regeering aanvaardde door de besten en voornaainsteu uit
het ganschc land als toekomstig koning erkend werd en aan het hoofd van een goed deel van lsraels
legerscharen stond.
XII: 1 Dezen zijn het die bij David te Siklag gekomen zijn, toen hij nog
uit de tegenwoordigheid van Saul, den zoon van Kis, gebannen was;
2       zij behoorden onder de helden, waren zijne medestrijders, met bogen
gewapend, zoowel met de rechter- als met de linkerhand steenen slin-
gerende en met pijl en boog schietende; zij behoorden tot Sauls broe-
3       deren, uit Benjamin:\' Ahiëzer, het hoofd, en Joas, zonen van Hassje-
maa, uit Gibea, Jeziël en Pelet, zonen van Azmaweth, Beracha, Jehu,
4       uit Anathoth,\' Sjamma, uit Gibeon, een der drie helden en boven de
dertig uitstekend, Jeremia, Jahaziël, Johanan, .lozabad, van Gedera,\'
5, (5 Eleüzai, Jerimoth, Uealja, Sjemarja, Sjefatja, de Haritiet, \' Elkana, Issjia,
7       Azareël, Joëzer, Jasjobeam, Korahieten,\' Joëla en Zebadja, zonen van
Jeroham, uit Gedor.
8           Uit de Gadieten hebben zich afgezonderd en bij David gevoegd in
de berg veste in de Woestijn de strijdbare helden, in den krijgsdienst
geoefend, voorzien van schild en lans, met een uitzicht als van leeuwen
9       en vlug als gazellen op de bergen: \' Ezer, het hoofd, Obadja, de tweede,
1.   te Siklag. Zie 1 Sam. XXVII: 5 vv. — onder de helden, wier aanvoerders in het voorgaande
hoofdstuk vermeld zijn; zie op XI : 10. — zijne medestrijder», letterlijk helper» den oorlog.
2.   zij — Benjamin. Dit is niet geheel juist: ook Judeërs kumcu op de lijst voor; zie op vs. 3, 4,
6 en 7. Dat zoovele van Sauls stamgenooteu zich bij David reeds te Siklag hebben aangesloten is on-
geloof baar.
3.   Joa» komt IV: 22, Pelet 11:47 ouder de Judccrs voor. — Gibea. Zie op 1 Som. IX:4v. —
Azmaiceth. Zie XI: 33. Wellicht is de plaats van dezen naam (zie op Ezra 11:21) bedoeld eu betce-
kent dus zonen tan Azmaiteth: uit Azmaweth afkomstig. — Anathoth. Zie op Joz. XXI: 18.
4—7. Het grootste deel dezer namen komt ook op de lijsten F.zra VIII: 2—14 en X:18—43 voor:
Jahazicl Kzra VIII : 5, Johauan Kzra V11I : 12, Juzabad Fïzra X : 22, Jerimoth of Jeremuth Ezra X :
26, 29, Sjemarja Kzra X: 32, 41, Sjefatja Ezra VIII: 8, Utjia Ezra X:31, Azareël Ezra X:41,
Zebadja Ezra VIII: 8; X : 2(1. Indien de schrijver ze inderdaad daaraan ontleend heeft, dan verdient
de opgave geen vertrouwen; zie op Neh. XII : 41 v.
4.   Sjamma, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hmaja. Zie XI: 13. — Gibeon. Zie op Joz. IX: 9. — drie,
volg. verb. t.; grondt, dertig. — Gedera, in de Laagte, in Juda; zie op Joz. XV ! 36.
5.  de Ilarijtel, van het geslacht Ilarif, Neh. VII: 24; X:19.
6.   Korahieten. Volg. 11:43 was Korah een Judccsch geslacht. Hoevelen van de genoemden biertoe
gerekend worden, blijkt niet.
7.   Jeroham, naam van een Beujaminiet VIII: 27; IX: 8. — uit Gedor, volg. vele hu. en de oude
vertt.; Hebr. t. uit de bende. Over Gedor, eene stad in Juda, zie op Joz. XV: 58.
8.   de èergoetle in de Woe»lijn. Zie op 1 Sam. Wil: I. Do (indiciën kwamen dus vroeger dan de
vs. 1—7 genoemden tot David. — met — bergen. Zie 2 Snm. 1:28; 11:18.
-ocr page 830-
1 KKONIBKBN XII : 9—22.
910
10,11 Elial), de denle,\' Masmanna, de vierde, Jeremia, de vijfde,\' Attai, de
12 zesde, Eliël, de zevende,\' Johanan, de achtste, Elzabad, de negende,\'
13, 14 Jeremia, de tiende, Machbannai, de elfde.\' üit waren de legerhoofden
uit de Gadieten; de kleinste kon honderd, de grootste duizend staan.\'
15 Zij zijn het die in de eerste maand den Jordaan zijn overgestoken,
toen liij overal buiten zijne oevers getreden was, en die al de bewoners
der valleien, ten oosten en ten westen, op de vlucht hebben gejaagd.
10          Toen eenige Benjaminieten en Judeërs bij de bergveste tot David
17       kwamen,\' ging David tot ben uit en zeide tot hen: Indien gij met
vrede tot mij komt, om mij te helpen, zoo zal ik mij innig aan u
verbonden gevoelen: maar is het om mij aan mijne tegenstanders te
verraden, ofschoon ik met geen geweldenarij omga, zoo moge de god
18       onzer vaderen het zien en straffen!\' Toen bekleedde zich de geest met
Amazai, het hoofd der dertig, en hij antwoordde: l\', David, behooren
wij; met u houden wij het, zoon van Izai! Heil, heil u! en heil wie
u helpt! want uw god heeft u geholpen. Toen nam David hen op en
stelde hen tot hoofden der bende aan.
19           Van Manasse zijn eenigen tot David overgeloopen, toen hij met de
Filistijnen was opgekomen ten strijde tegen Baal — hij heeft hen
echter niet geholpen; want met opzet hebben de vorsten der Filistijnen
hem weggezonden, daar zij zeiden: Ten koste van onze hoofden zal
20       hij tot zijnen heer Saul overloopen —\' toen hij dan naar Hiklag
toog, zijn van Manasse tot hem overgeloopen: Adnah, Jozabad, Jediaël,
Micbaill, Jozabad, Klihu en Silletbai, hoofden der geslachten van Ma-
21       nasse.\' Zij hebben David geholpen tegen de bende; want het waren
22       allen strijdbare helden, en zij werden oversten in het heir;\' want ge-
regeld dag aan dag kwamen er bij David om hem te helpen; totdat
het een groot leger was geworden, als een leger Gods.
9—13. Ook deze lijst is willekeurig samengesteld: vijf van de elf namen komen ook vs. 4—7
voor (/.ie nlduar): Jeremia (tweemaal), Johanan, Mier als Joëzer en Elzabad ui» Jozabad. Obadja is
weder mm Kzrn VIII! 9 ontleend en Eliël wordt XI: 46 v. onder de helden aangetroffen.
14.  de legerhoofden. De bedoeling schijnt te zijn dat zij met hunne ondergeschikten kwamen.
15.  Waarschijnlijk is de bedoeling dat dit gebeurde toen de Gadieten naar David trokken. .Misschien
ligt er ecue oude overlevering aan ten grondslag. — in de eerste maand, van het jaar, volgens de
jongere tijdrekening (zie op Kxod. XII: 2), dus in de lente, wanneer de rivieren het sterkst gewas-
sen zijn; verg. Joz. 111:15. — de bewoner» der valleien, der vluktc van den Jordaan, ton oosten en
ten westen.
17.   en :eide tol hen. Hieraan laat Hcbr. t. voorafgaan en hij antwoordde, dat, met de oude vertt.
hier weggelaten, naar vs. 18 verplaatst is, waar het in Hebr. t. ontbreekt.
18.    Toen — Amazai. Zie op Richt. VI: 31. — Amazai, waarschijnlijk dezelfde als Amaza, Davids
volle neef volg. 2 Sam. XVII: 25. Daar hij het hoofd der dertig heet, wat volg. XI: 20 Abisjai was,
kan Amazai eene schrijffout, wellicht vau den schrijver zelvcn, voor Abisjai zijn. — der bende. Zie
1 Sam. XXII: 2.
19.  toen — Saul. Zie 1 Sam. XXIX. — hij heeft, met verandering van een klinker volg. Gr. vert.;
Hebr. t. zij hebben. — Zie 1 Sam. XXI: 14 v. en inl. op 1 Sam. XXIX, XXX.
20.   toen — toog, daarheen terugkeerde, 1 Sam. XXX: 1. — Adnah — Sillelhai. Vau de zeven
namen treffen wij er weder vier in Kzra VIII en X aan: Adnah of Adna Kzrn X:30; Jozabad (twee-
maal) Kzrn X:22, Michai\'l Kzra VIII: 8; verg. op vs. 4—7 en op vs. 9—13. Jediaël komt XI: 45
onder Davids helden voor. — hoofden — Manasse. Zie op vs. 14.
21.  Zij, de in vs. 20 genoemden. — de bende, der Amalekicten; zie 1 Sein. XXX : 1—20.
22.   De dagclijksche aanwas vnn Davids leger verklaart dat hij zoovele legerovcrsten aanstelde. —
een leger Gods, een sterk en talrijk leger; verg. op Gen. XXIII :0.
HOOFDSTUK XII: 23—40.
David, door gensch Israël tot koning verheven. — Het aantal gewspenden die David te Hebron
tot koning maken (23): van Juda (24), Simeon (25), Levi (26—28), Benjamin (29), Kfraim (30),
half Manasse (31), Issachar (32), Zebulon (33), Naftali (34), Dan (35), Azer (36), de Overjordaansche
stammen (37). Gansch Israël stemt met hen in (38); zij blijven drie dagen te Hebron, waar zij rijke-
lijk onthaald worden (39 v.).
-ocr page 831-
1 KRONIEKEN XII : 23—37.                                    911
Dit bericht treffen wij in Stuntel niet aan en ia geheel ongeloofwaardig. Vooreerst is het op zich
zelf onwaarschijnlijk: de cijfers die er in voorkomen zijn veel te groot, en de voorstelling dat <lczc
honderdduizenden drie dagen lang te Hebron bijeengeweest cu daar met levensmiddelen, zelfs uit het
noorden des lands aangevoerd, feestelijk onthaald zouden zijn (vs. 3\'J v.) is bijna ongerijmd. Maar
in de tweede plaats komt hetgeen hier verhaald wordt niet overeen met 2 Sam. V: 1—3, dat de
schrijver zelf XI: 1—3 heeft overgenomen, waar alleen de oudsten van Israël, niet gansche legers,
tot David komen om hem tot koning uit te roepen. Hlijkbaar wilde de schrijver David en zijn ko-
ningschap verheerlijken, door zijne verheffing tot koning als de vervulling van den cenparigen wensch
van het gansche volk voor te stellen.
De reden waarom de cijfers van Juda en Siineon, de stammen die David het naast verwant waren,
alsmede van Levi, zooveel kleiner zijn dan die van de overige behalve Hcnjamin, is waarschijnlijk
de onderstelling van den schrijver dat de strijdbare manschap van deze stammen voor het grootste
deel reeds tijdens Sauls leven zich bij David aangesloten en hem als koning erkend had.
XII: 23 Dit zijn de getallen der afdeelingen van de slagvaardige manschap-
pen, tot David te Hebron gekomen om, naar den last van Jahwe,
24       het koningschap van Saul op hem te doen overgaan: \' Judeërs, die
schild en lans droegen, zes duizend achthonderd slagvaardige man-
25       schappen;\' van de Öimeonieten zeven duizend en éen honderd strijd-
26       bare helden voor den krijgsdienst;\' van de Levieten vier duizend zes-
27       honderd man,\' ook Jojada, de vorst der Aiironieten, benevens drie
28       duizend zevenhonderd man,\' en 8adok, een strijdbare jonge held, met
29       de leden zijner familie, twee en twintig vorsten;\' van de Benjaminieten,
Sauls broeders, drie duizend; het meerendeel hunner bleef vooralsnog
30       aan het huis van Saul getrouw;\' van de Efraimieten twintig duizend
achthonderd strijdbare helden, mannen van naam, naar hunne familiën;\'
31       van den halven stam Manasse achttien duizend, die met name opge-
32       geven waren om David tot koning te gaan maken;\' van de Issacha-
rieten, die inzicht hadden in de tijden, zoodat zij wisten wat Israël
doen moest, van hunne hoofden. tweehonderd, met al hunne broeders
33       onder hunne bevelen;\' van Zebulon vijftig duizend dienstplichtigen,
strijdvaardige mannen, met allerlei krijgswapenen, die met een onver-
34       deeld hart zich aansloten;\' van Naftali duizend vorsten, en bij hen
35       zeven en dertig duizend man met schild en speer;\' van de Danieten
36       acht en twintig duizend zeshonderd strijd vaardigen;\' van Azer veertig
37       duizend dienstplichtigen, strijdvaardige mannen;\' uit het üverjordaan-
sche, van de Itubenieten, de öadieten en den halven stam Manasse,
honderd twintig duizend man, met allerlei krijgswapenen.
23. lot David te Hebron gekomen, voor de verovering van Jeruzalem; zie XI: 1 en 4. — naar den
laat van Jahwe. 7Ae
X:lt; XI: 24, 34.
27.  Jojada, de vorst der Aiironieten, de hoogepriestcr. Hij komt nergens voor als priester in Davids
tijd; niet hij maar Abjathar was nevens Sadok Davids priester; zie 2 Sam. VIII: 17 j XV: 2tvv. en
elders. Waarom do schrijver Abjathar verzwijgt, zie op 2 Sam. VIII: 17; dat hij Jojada in zijne plants
noemt ia gevolg van misverstand van 2 Sam. VIII: 18, waarin hij, verkeerdelijk, las dat Henaja, de
soon van Jojada,
en dus ook deze zelf, priester ten tijde van David was geweest; verg. XXVII: 5.
28.   De Sadokietcn behoorcu tot de Aiironieten, maar worden als het voornaamste pricstcrgeslncht
afzonderlijk vermeld. Zon was de toestand nn Ezrn; toen toch golden alle Jcruzalcmsche priesters voor
Aiironieten (zie inl. op Kxod. XXIV : 12—XIj : 38), maar bleven de nakomelingen der oorspronkelijke
Jcruzalcmsche priesterschap, de Sadokietcn (zie op 1 Sam. 11:35 en op 2 Sam. VIII: 17), boven
hunne medepriesters den voorrang innemen. De twee en twintig vorsten van het huis Sadok bcnnt-
woorden ann de twee en twintig priestcrgcslnchten van Neh. XII: 1—20; elders zijn er vier en twin-
tig, XXIV: 7—18, of een en twintig, Neh. X: 2—8.
29.   het meerendeel — getrouw. Vandaar het betrekkelijk geringo aantal. Waarschijnlijk doelt de
schrijvor op de regcering van Isboosjcth, en is deze volgens hem slechts door een deel der i)enjnmime-
tcn als koning erkend. Hierom acht hij hot geoorloofd, de gebeurtenissen 2 Sam. II: 1—IV : 12 ver-
meld all van ondergeschikt belang geheel te verzwijgen; zie inl. op XI: 1—\'J.
31. den halven stam Manasse, ten westen van den Jordnan.
82. die — moest. Ikdoeld is wellicht de wijsheid die 2 Sam. XX: 18 aan de oudsten en priester!
van Abel en Dan wordt toegeschreven.
37. krijgswapenen, met weglating van éen woord, volg. Gr. vert.
-ocr page 832-
1 KRONIEKEN XII : 38—XIII : 7.
912
38           Deze allen, krijgslieden, zijn in gesloten gelederen, met volle toe-
wijding, te Hebrun gekomen om David tot koning te maken over
gansch Israël; ook alle overige Israëlieten waren eensgezind om David
39       tot koning te maken.\' En zij bleven daar bij David drie dagen, etend
40       en drinkend; want bunne broeders hadden voor ben aangerecht.\' Ook
brachten hunne nabestaanden, zelfs uit Issachar, Zebulon en Naftali,
levensmiddelen op ezels, kameelen, muildieren en runderen: meelspijs,
vijgen- en rozijnenkoeken, wijn, olie, runderen en kleinvee in overvloed;
want er was blijdschap in Israël.
39. HuUue Itroedera, die reeds vroeger zich bij David gevoegd hadden, vs. 1—22.
HOOFDSTUK XIII.
De ark afgehaald van Kirjath-jcarim. — David ontbiedt alle Israëlieten, uit het gehccle land, om
de ark te halen (1—5); hij trekt met het volk naar Kirjath-jeariin (0), on de feestelijke optocht heeft
plaats (7 v.), totdat Jahwe l\'zza, omdat hij de ark heeft aangeraakt, doodt (9v.); waardoor David
zoo bevreesd wordt, dat hij haar niet bij zich durft opnemen, maar laat plaatsen in het huis van
Obed-Kilom, dat daarom door Jahwe gezegend wordt (11—14).
Hier, evenals X, XI, is de schrijver weer afhankelijk van Samuel, en wel van 2 Sam. VI. Maar
van dit hoofdstuk wordt voorloopig alleen het eerste gedeelte overgenomen (verg. vs. 0—14 met 2
Sam. VI: 2—11); het overige volgt in XV, XVI. Dnnrtusschen in, [I. XIV, wordt een en ander
medegedeeld dat volgens Samuel (2 Sam. V:ll—25) aan het afhalen van de ark voorafging. De
reden dezer verplaatsing is, dat, naar het oordeel van den schrijver, David terstond na de verovering
van Jeruzalem schikkiugcu moest hebben getroffen om de ark daarheen te brengen; de dienst van
Jahwe ging hem immers boven alles ter harte; hij kou niet eerst aan den bouw van een palcis voor
zich zelven en aan krijg met de Filistijnen gedacht hebben. Ovcrigcus wijkt ons verhaal slechts in
kleinigheden vnu Sn muf l af (zie b. v. op vs. 1 cu 14); alleen laat de schrijver, wegens het groot belang
der znak en voor de meerdere plechtigheid, het plan om de ark af te halen door David nemen iu
overeenstemming met het gansche volk, dat dan ook aan den feestclijken optocht deelneemt.
XIII: 1 Nadat David met de oversten van duizend en van honderd, met
2       alle vorsten, beraadslaagd had,\' zeide hij tot de gansche vergadering
van Israël: Indien het u goeddunkt en het Jahwe, onzen god, welge-
vallig is, laten wij dan zenden om onze broeders die in alle land-
streken van Israël gebleven zijn, en tevens om de priesters en de
Levieten in de steden waar zij hun weidegrond hebben; opdat zij zich
3       bij ons verzamelen\' en wij de ark van onzen god tot ons overbrengen;
4       want ten tijde van Waul hebben wij naar haar niet gevraagd.\' En de
gansche vergadering zeide dat men zoo doen zou; want de zaak stond
5       het gansche volk aan.\' Zoo vergaderde David gansch Israël, van den
stroom van Egypte af tot bij Hamath toe, om de ark Gods van K.ir-
6      jath-jearim te doen komen.\' En David en gansch Israël trokken naar
Baiila, naar Kirjath-jearim, dat in Juda ligt, om van daar de ark Gods
op te voeren, waarover de naam van Jahwe, die op de cherubs troont,
7       is uitgeroepen.\' Zij vervoerden de ark Gods op een nieuwen wagen
uit het huis van Abinadab, terwijl Uzza en zijn broeder den wagen
2. velgerallig it, met weglating van cene letter, volg. Gr. vert. — de Levieten. Zij waren dus ook
bij het vervoer der ark aanwezig. Toch wnren zij bij deze gclegouheid aanvankelijk de dragers niet;
zie XV: 2, 13; wanrom David hen thans met die taak niet belastte, verzuimt de schrijver mede te
deelcn. — de Heden — AM n. Zie Joz. XXI.
5.  van — toe, van het zuiden tot het noorden. Over den ttroom tan Egypte zie op Joz. XIII: 3;
over Uamalh op 1 Kon. VIII : 65.
6.  gamcA ltrael. In 1 Snm. V : 1 is slechts sprake van 30.000 man. — Baiila. Zie op Joz. IX: 17. —
waarover, volg. de oude vertt. en 2 Sam. VI: 2. — tan JaAwe, die op cherubi troont, staat in grondt,
terstond achter Godt; verg. 2 Sam. VI: 2.
7.    V::a en zijn broeder (do laatste twee woorden volg. Lnt. vert.; zie op 2 Sam. VI: 3) waren
volg. 2 Sam. VI : 3 zonen van Abinadab.
-ocr page 833-
913
1 KRONIEKEN XIII: 7—XIV : 8.
8       geleidden.\' David nu en gansch Israël maakten met alle macht feest-
gedruisch voor God uit, met liederen en met citers, harpen, tamboe-
9       rijnen, cimbalen en trompetten.\' Maar toen zij aan den dorschvloer
van Kidon gekomen waren, stak Uzza de hand uit om de ark vast te
10       houden; want de runderen gleden uit.\' Toen ontstak Jahwe in toorn
tegen lTzza en hij sloeg hem; omdat hij zijne hand naar de ark had
11       uitgestoken; zoo stierf hij aldaar voor Gods aangezicht.\' En David,
ontsteld omdat Jahwe geweldig tegen Uzza was losgebroken, noemde
12       die plaats Peres-Uzza; zooals zij heet tot op dezen dag. \' En David
werd te dien dage bevreesd voor God en zeide: Hoe zou ik de ark
13       Gods bij mij doen komen!\' Daarom deed David de ark Gods niet bij
zich in de Davidstad haar intrek nemen, maar Het haar inkeeren in
14       het huis van Obed-Edom, den Gattiet.\' Zoo bleef de ark Gods in
hare woning bij het huis van Obed-Edom drie maanden; en Jahwe
zegende het huis van Obed-Edom en al het zijne.
0.  Kidon, 2 Sam. VI: fi Nackon.
10. omdat — uitgestoken. Terwijl 1\'zzn volg. 2 Sam. VI :ö de ark vasthield, lezen wij hier alleen
dat hij daartoe de hand uitstak. Blijkbaar niet opzet heeft onze schrijver de voorstelling van het
oude verhaal gewijzigd, omdat zij nnn de heiligheid der ark te kort deed. — Volg. XV: 13 was
Jahwe\'s toorn om eene andere reilen ontbrnnd; zie aldaar.
14. in hare woning bij hel huis van Obed-Edom, 2 Sam. VI: 11 in hel huis van Obed-Edom. De
schrijver wilde de meoning voorkomen dat de ark in een gewoon huis had gestaan. — drie maanden,
in welken tijd plaat9 had wat in H. XIV zal worden medegedeeld.
HOOFDSTUK XIV.
Houw van Davids paleis en zijno overwinningen op de Filistijnen. — Hiram, de koning van Tyrus,
zendt bouwmeesters om voor David een paleis te bouwen (1 v.). De zonen die hem te Jeruzalem gcbo-
ren worden (3—7). Door de Filistijnen opgezocht, rukt David volgens Jahwe\'s last tegen hen op en
verslaat hen bij Baiil-perasim (8—12). Als do Filistijnen weder tegen hem aanrukken (13), beveelt
Jahwe hem, het vijandelijk leger om te trekkon en bij het vernemen van geruisch in de boomen aan
to vallen (14 v.); dientengevolge verslaat David de Filistijnen (16) en wordt hij alom bekend en ge-
vroesd (17).
Het hier verhaalde komt bijna evenzoo als hier 2 Sam. V:ll—25 voor; het staat hier echter in
een ander verband dan in Samuel; zie inl. op H. XIII.
XIV: 1 En Hiram, de koning van Tyrus, zond gezanten tot David, alsmede
cederhout en metselaars en timmerlieden, om voor hem een huis te
2       bouwen.\' Zoo bemerkte David dat Jahwe hem als koning over Israël
bevestigd had, en dat zijn koningschap hoog verheven was geworden
ter wille van zijn volk Israël.
3           David nam te Jeruzalem nog meer vrouwen en verwekte nog meer
4       zonen en dochteren.\' Dit zijn de namen der kinderen die hij te Jeru-
5       zalem heeft gekregen: Sjammua, Sjobab, Nathan, Salomo,\' Jibhar,
6, 7 Elisjua, Elifelet,\' Nogah, Nefeg, Jafia,\' Elisjama, Beëljada en Elifelet.
8          Toen de Filistijnen hoorden dat David tot koning over gansch Israël
1.  Hiram, of Ituram; verg. op 1 Kon. V:l.
2.  en, uit Gr. vert. on 2 Sam. V: 12 ingevoegd. — verheven wds geworden, met verandering van
een klinker.
3.  meer. Dit woord vindt 2 Sam. V: 13 zijne bevredigende verklaring in het voorafgaande nadat
hij van Hebron gekomen was,
dat hior is weggelaten. — vrouwen. Nevens deze worden 2 Sam. V : 23
bijzitten genoemd, die onze schrijver III: 9 ook vermeldt.
4—7. De namen komen overoon met 111:5—8; verg. op 2 Sam. V:14—10 j alleen heet BeUjada
daar Eljada. Het is niot aan te nemen dat onze schrijver dezen naam veranderd heeft; Beëljada
toch, of Baaljada, bevat den naam baal; wellicht stond oorspronkelijk ook in Samuel Beëljada en
heoft onze schryvor vergeten dit, volgens zijno gewoonte (verg. op XI: 11), te wijzigen.
5. Elifelet, volg. III :0j grondt. Elpelet.
8. trok hun te gemoet. Volg. 2 Sam. V: 17 trok David af naar do bergveste; doch deze voorstelling
mishaagde onzen schrijver, omdat zij scheen in te houden dat David den strijd ontweek.
O. T. I.                                                                                                                         58
-ocr page 834-
1 KRONIEKEN XIV : 8—17.
914
gezalfd was, trokken zij allen op om David te zoeken. En deze,
9 dit hoorende, trok hun te gemoet.\' Maar toen de Filistijnen gekomen
10       waren en een inval in de vallei der Kefaieten hadden gedaan,\' vroeg
David God: Zal ik tegen de Filistijnen optrekken, en zult gij hen in
mijne hand geven? En Jahwe zeide tot hem: Trek op; ik zal hen in
11       uwe hand geven.\' Zoo trok hij op naar Baiil-perasim, alwaar David hen
versloeg: en David zeide: God is door mij door de vijanden heenge-
hroken als eene waterdoorhraak. Daarom noemde men die plaats Baal-
12       perasim.\' Zij lieten daar hunne goden achter, die men op Davids
bevel verbrandde.
13           Toen de Filistijnen wederom een inval in de vallei der Refaïeten
14       deden,\' raadpleegde David God andermaal; en God zeide tot hem: Huk
niet op achter hen aan; trek om van hen weg, en nader hen van
15       tegenover de pijnbooiuen;\' en zoodra gij het geruisch van schreden
in de toppen der pijnboomen hoort, ga dan uit ten strijde; want God
is voor u uit getrokken, om het leger der Filistijnen te verslaan.\'
1G David nu deed zooals God hem bevolen had en versloeg het leger der
17 Filistijnen van Gibeon af tot Gezer.\' En Davids roem verbreidde zich
in alle landen, en Jahwe verwekte schrik voor hem bij alle volken.
11.  trok hij, volg. hss. en Syr. vcrt.; Hebr. t. trokken zij. — naar, volg. Gr. vert.; Hebr. t. in. —
door mij,
2 Sam. V : 20 mor mij uit. De voorstelling dat Jahwe aan de spits der Israëlieten streed,
hier vermeden, beeft onze schrijver in vs. 15 behouden.
12.   die — verbrandde. Hiervoor beeft 2 Sam. V:21 dat David en zijne mannen ze medennmen.
Doch dan kon het schijnen dat zij de godenbeelden behouden hadden; David moest overeenkomstig
de wet Deut. VII: 5, 25 gehandeld hebben.
13.  der llefdieten, uit 2 Sam. V: 22, écu hs. en Gr. en Syr. vertt. ingevoegd.
14.  Ruk — aan. De Filistijnen hebbeti dus David en zijn leger in den rug. Volg. 2 Sam. V: 23
was dit het geval niet. Wellicht met opzet is onze schrijver van de voorstelling in het oude verhaal
afgeweken, omdat hij niet kon aannemen dat Jahwe aan David verboden zou hebben den vijand van
voren nnn te vallen; verg. op vs. 8.
15.  i/a dan uit ten ttrijde. \'/Ac op 2 Sam. V: 24.
IC. versloeg, volg. éen hs., de oude vertt. en 2 Sam. V:25; Hebr. t. heeft het meervoud.
HOOFDSTUK XV, XVI.
De ark naar Jeruzalem overgebracht. — David brengt te Jeruzalem alles voor do ark in gerecd-
hcid (XV :1); hij beveelt daarna dat zij alleen door Levieten gedragen worde (2), doet ganseh Israël
te Jeruzalem samenkomen (3), verzamelt de priesters en de Levieten (4—10) en gelast hun, na zich
geheiligd te hebben, de nrk op te voeren (11—14), die thans, overeenkomstig de wet, door Levieten
gedragen wordt (15). Volgens Davids bevel worden de Lcvictischc zangers voor den optocht in orde
geschaard (10—21). desgelijks de nndere Levieten en de priesters (22—24). Zoo gnat David met al
het volk heen om de ark te halen (25); men brengt offers, en David danst vóór de ark (20—28);
waarom Michal minachting voor hem opvat (29). De ark wordt in eene teut geplaatst, offers worden
gebracht en geschenken aan het volk uitgedeeld (XVI: 1—3). David stelt een deel der Levietische
zangers en een paar priesters bij de ark aan (4—6) en draagt den eersten het zingen ter eer van
Jahwe als taak op (7). Ken lied (8—36a): Opwekking aan de Israëlieten, Jahwe te verheerlijken en
blijde de teekenen zijner wondermacht te gedenken (8—13). Hij, Israëls God, is de bestuurder der
gansche aarde (14) en handhaaft het verbond, aangegaan met de aartsvaders (15—19), die hij overal
en tegen ieder beschermd heeft (20—22). Alle volken moeten Jahwe, den eenigen, waarachtigen God,
verheerlijken (23—30), aarde en hemel, zee, veld en woud hem prijzen (31—33). Israël zocke tegen
dé heidenen hulp bij Jahwe, die tot in eeuwigheid geloofd zij (34—30a). Het gansche volk stemt
hiermede in (304). David stelt bij de ark Azaf en zijne broeders als zangers aan, andere Levieten als
portiers (37 v.); bij den tabernakel te Gibeon Sadok en zijne broeders als priesters, Heman en Jedu-
thun met hunne broeders als zangers, anderen als portiers (39—42). Volk en koning keeren huis-
wanrts (43).
Het bericht over het vervoer der ark naar Jeruzalem in 2 Sam. VI: 12—23 is hier grootendecls,
met inkorting van het over Michal verhaalde (zie op XV : 29), en bijna woordelijk overgenomen, maar
tevens aanmerkelijk uitgebreid. Wat de schrijver er aan toevoegt heeft vooreent de strekking, aan te
-ocr page 835-
1 KRONIEKEN XV: 1 — 13.                                         915
tooncii dat David overeenkomstig de wet — het Wetboek van Kzrn — gehandeld heeft: de ark wordt
door Levieten gedragen en door priesters op trompetten blazend voorafgegaan; het dient tevens om
de voorstelling te geven dat reeds ten tijde van David Levieten ook als muzikanten en zangers bij
den eeredienst waren aangesteld. Dit was intusschen in de eeuw van David en Salomo eu nog lang
daarna stellig het geval niet; zie inl. op H. XXV en verg. inl. op Num. III, IV. De eigennamen
die hier voorkomen zijn voor een deel dezelfde die onze schrijver ook aan priesters en Levieten van
tateren tijd geeft (zie op XV: 7, 8, 9 v., 18 en 22); vele er van treffen wij aan als namen van prics-
ters en Levieten uit de vijfde eeuw (zie op XV : 8, 18, 23 en 21); zij zijn op goed geluk door den
schrijver hier samengebracht, om nan de voorstelling die hij van Davids tijd geeft een schijn van
geloofwaardigheid bij te zetten; verg. op Neh. XII: 41 v. Wat het lied betreft dot wij XVI: 8—36
aantreffen, dit is niet van onzen schrijver, maar ingelascht door iemand die meende dat David, toen
hij de Levieten voor het lofgezang bij de ark aanstelde, hun ook het lied dat zij bij die gelegenheid
moesten aanheffen had voorgeschreven. Het behelst echter niets dat daarop zinspeelt; het is eene
verheerlijking van Jahwe iu zulke algemecne bewoordiugen dat het bij verschillende gelegenheden
gezongen kon worden en stellig ook gezongen is. Het is oorspronkelijk niet écn geheel: vs. 8—22
is aan Ps. CV: 1—15, vs. 23—33 aan I\'s. XCVI, vs. 34—36 aan Ps. CVI:1, 47 v. ontleend. Daar
deze psalmen alle zeer jong zijn (zie inll. daarop), ia het lied eerst vele eeuwen na David samcnge-
steld. In het oorspronkelijke verhaal sloot dus vs. 37 onmiddellijk bij vs. 7 aan.
XV: 1 Toen David nu zich huizen maakte in de Davidstad, hracht hij voor
de ark Gods eene plaats in gereedheid en sloeg hij voor haar eene tent
2      op.\' En David beval dat niemand de ark Gods zou dragen dan de
Levieten; want hen had Jahwe uitverkoren om de ark van Jahwe te
3      dragen en hem te dienen, voor altijd.\' En David vergaderde gansch
Israël te Jeruzalem, om de ark van Jahwe op te voeren naar de
4      plaats die hij voor haar in gereedheid gebracht had.\' Hij verzamelde
5      de Aaronieten en de Levieten;\' van de zonen van Kehath: Uriël, den
6      vorst, en zijne broeders, honderd twintig;\' van de zonen van Merari:
7      Azaja, den vorst, en zijne broeders, tweehonderd twintig; \' van de zonen
8      van Gersjon: Joel, den vorst, en zijne broeders, honderd dertig;\' van
de zonen van Elisafan: Sjemaja, den vorst, en zijne broeders, twee-
9      honderd;\' van de zonen van Hebron: Eliël, den vorst, en zijne broeders,
10      tachtig;\' van de zonen van Uzziël: Amminadab, den vorst, en zijne
11      broeders, honderd twaalf.\' Hierop ontbood David de priesters Sadok en
Abjathar, alsmede de Levieten Uriël, Azaja, Joel, Sjemaja, Eliël en
12      Amminadab,\' en zeide tot hen: Gij zijt de familiehoofden der Levieten;
heiligt dan u zelven en uwe broeders, en voert de ark van Jahwe,
den god van Israël, op naar de plaats die ik voor haar in gereedheid
18 gebracht heb;\' want omdat gij haar den vorigen keer niet droegt, is
2. Het hier verordende is overeenkomstig Num. 1:50; IV: 15; VII: 9.
4. de Aaronieten, de priesters, worden eerst v». 11, de Levieten reeds vs. 5—10 vermeld; de Levio-
ten het eerst, omdat hun bij het vervoer der ark de gewichtigste taak was opgedragen.
5—10. Kehath, Merari, Gertjon (volg. verb. t.j grondt. Gertjom; verg. op VI: 16), de drie Levie-
tische geslachten, Exod. VI: 15. De andere hier genoemde drie zijn afdeelingen van Kehath (zie
Exod. VI: 17, 21): llrbron en Uzziël (verg. VI: 2) zijn zonen, Etiiafa», of Ehafan, is een klein-
zoon van Kehath. De Kehatbieten worden het eerst genoemd en tot hen behooren vier van de ze»
hier vermelde Lcvictische geslachten, omdat zij volg. Num. IV: 15; VII: 9 de heiligste voorwerpen
moesten dragen.
6. Uriël. Zie VI: 24.
6.  Azaja. Zie VI: 30.
7.  Joel. Zie VI: 36; XXni:8; XXVI: 22. Een Kehathiet van dezen naam tijdens Hizkia wordt
2 Kron. XXIX: 12 vermeld.
8.  Sjemaja. Zie XXIV :.6; XXVI: 4, 6 v.; ook Levieten ten tijde van Josjafat, Hizkia en Jozia hee-
ten zoo, 2 Kron. XVII:8; XXIX:14; XXXI:15; XXXV: 9. In de vijfde conw was er eene Levie-
tischo familie van dezen naam, Neh. XI: 15 (verg. 1 Kron. IX: 14); XII: 35 v.
9 v. Eliël eu Amminadab komen ook VI: 22, 34 als namen van Levieten voor; Eliël heet 2 Kron.
XXXI: 18 een Leviet tijdens Hizkia; over Amminadab zie op VIS 22 v.
11.  Sadok en Abjathar. Zie 2 Sam. VIII: 17; XV: 15—28, on op 1 Sam. 11:38 en 85. De schryver
vergeet dat hij XII: 27, niet Abjathar, maar Jojada nevens Sadok genoemd heeft.
12.  heiligt...*. Zie op Exod. XIX: 10. — de plaats die, volg. eenige hu. ingevoegd.
18. De XIII: 9 v.; 2 Sam. VI: Cv. vermelde toorn van Jahwe was dut niet slechU gevolg van
-ocr page 836-
916                                     1 KttONIEKBN XV: 13—24.
Jahwe, onze goil, tegen ons losgebroken, daar wij hem niet gezocht
14       hadden naar behooren.\' Zoo heiligden zich de priesters en de Levieten,
15       om de ark van Jahwe, den god van Israël, op te voeren;\' en de zonen
der Levieten droegen de ark Gods, zooals Mozes naar het woord van
Jahwe geboden had, aan de draagstangen op hun schouder.
K)          Voorts beval David den vorsten der Levieten hunne broeders, de
zangers, op te stellen, om met muziekinstrumenten, harpen, citers en
17       cimbalen een luid vreugdegedruisch te doen hooren.\' Zoo stelden de
Levieten op: Heman, den zoon van Joel, en van zijne broeders: Azaf,
den zoon van Berechja, en van de Merarieten, hunne broeders: Ethan,
18       den zoon van Kusjaja;\' benevens hunne broeders van den tweeden
rang: Zacharja, Jaaziël, ^jemiramoth, Jehiël, Unni, Eliab, Denaja,
Maiizeja, Mattithja, Elifale, Mikneja, Obed-Edom, Jeiël, en Azazja, de
19       portiers.\' De zangers Heman, Azaf en Ethan moesten muziek maken
20       met koperen cimbalen,\' Zacharja, Jaaziël, Sjeniiramoth, Jehiël, Unni,
Eliab, Maiizeja, üenaja op de harp op de wijze van „Jonge vrouwen",\'
21       Mattithja, Elifale, Mikneja, Obed-Edom, Jeiël en Azazja met citers op
22       de wijze van „De achtste", om voor te spelen.\' Konanja, de vorst der
Levieten, had het opzicht over het dragen; want hij was der zake
23,24 kundig;\' Berechja en Elkana waren portiers bij de ark;\' de priesters
l\'zza\'a overtreding, mnnr tevens hiervan dat de ark niet door de Levieten gedragen, maar op een
wagen vervoerd nas, waardoor de wet was overtreden. Ook 2 Sam. VI: 13 wordt de ark gedragen,
maar dat dit door Levieten geschied is en geschiedeu moest vermeldt alleen ons verhaal. Daarom heet
het hier ook: Jahice is, niet tegen l\'zza, maar tegen ons losgebroken. — haar ... droegl, duidclijkheids-
halvc ingevoegd.
15. de draagstangen. Zie Kxod, XXV : 13—15; Num. IV : 4 v. — op hun schouder. Zie on Num.
VII: 9.
10. vreugdegedruisch, met geringe verandering volg. Gr. ca Lat. vertt.
17.  Zie VI: 33, 89, 44. — Kusjaja, VI :44 Kisji.
18.  Jaiiziël. Hieraan gaat in Hebr. t. vooraf den zoon van; volg. hss. en Gr. vert. weggelaten. —
Azaya, uit Gr. vert. ingevoegd; verg. vs. 21. — Vele der hier voorkomende namen treilen wij ook
elders in dit boek als Lcvictcnnamen aan: Zacharja, behalve hier nog IX: 21; XVI: 5; XXIV: 25;
XXVI: 2, 11, 14; 2 Kron. XX: 14, is een naam ook van Levieten ten tijde van Hizkia (2 Kron.
XXIX: 13) en Jozia (2 Kron. XXX1V:12; XXXV: 8); Sjemiramoth die van een Leviet tijdens Josja-
fat (2 Kron. XVII :S); Jehiël, behalve hier nog XX11I:8; XXIX : 8, die van Levieton ten tijde van
Hizkia (2 Kron. XXIX: 14; XXXI: 13) en Jozia (2 Kron. XXXV: 8); Eliab is ook VI: 27 de naam
van een Leviet; Benaja, behalve hier nog 2 Kron. XX: 14, is ook de naam vun een Leviet ten tijde
van Hizkia (2 Kron. XXXI: 13); Maiizeja die van een Leviet ten tijde van Uzzia (2 Kron. XXVI:
11); Mattithja komt nog 1X:31; XVI:5; XXV:3, 21 voor; Jeiël, behalve hier nog XVI:5; 2
Kron. XX: 14, is ook de naam vnn Levieten ten tijde van Uzzia (2 Kron. XXVI: 11), Hizkia (2 Kron.
XXIX: 13) en Jozia (2 Kron. XXXV: 9); een Leviet Azazja treilen wij nog 2 Kron. XXXI : 13 aan.
Over Obed-Edom zie op 2 Sam. VI: 10. Unni, Maiizeja en Mattithja komen ook als namen van Lc-
vietcn in den tijd van Nchemja in door onzen schrijver overgewerkte stukken voor, Neh. VIII: 5, 8;
XH: 9, 42. — portiers. Of de schrijver bedoelt dat al de hier genoemden dan wel enkelen hunner
dit waren, blijkt niet; vs. 23 v. worden behalve Obed-Edom en Jeiël slechts twee anderen genoemd.
Volg. vs. 20 v.; XVI: 5 waren zij .allen ook zangers. Wellicht meende de schrijver dat het onder-
scheid van Levictischc zangcrs- en porticrsfamilicn eerst uit Davids loatstcn tijd dagteckende (zie
XXHI; XXV : 1; XXVI :1); voor dien tijd konden dan, volgens hem, leden van cene en dezelfde fu-
milie zoowel de cene als de andere betrekking waarnemen.
20.  Jaiiziël, volg. v». 18; grondt. Aziël. — op de wijze van „Jonge croutcen". Verg. Ps. IX: 1 j
XLVI:l.
21.  op de wijze van „De achtste". Zie op Ps. VI :1. — om voor te spelen, onzekere lezing en vertaling.
22.  Konanja, met verandering van een klinker volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Kenanja. Zoo hee-
ten, behalve dezen Leviet hier en XXVI: 29, nog Levieten ten tijde van Hizkia (2 Kron. XXXI: 12 v.)
en Jozia (2 Kron. XXXV: 9). Wellicht is hij dezelfde als Jechonja, 1 Sam. VI: 19, en dient de lof
die hein hier wordt toegezwaaid om de blaam, daar op dit geslacht geworpen (zie op 1 Sam. VI: 19),
uit te wisschen. — de torst der Levieten. Hebr. t. laat volgen over het dragen; met Gr. vert. wegge-
laten. — had het opzicht, onzekere lezing en vertaling.
23.   Berechja en Elkana behooren VI: 39; IX : 16 tot de voorvaderen van Azaf. Levieten met den
naam Elkana komen nog VI: 23—36 voor; een Leviet of priester Berechja leefde in de vijfde eeuw,
Neh. III: 4, 30; VI: 18. — portiers. Ook het Hebreeuwsche woord bcteckent: menschen aan de poort;
dezen behooren dus eigenlijk niet bij de ark noch bij de tent waarin zij straks geplaatst wordt, maar
bij een tempel of palcis. Van de vier die hier en vs. 24 genoemd worden gingen wellicht twee voor
en twee achter de ark.
-ocr page 837-
1 KRONIKKBN XV : 24—XVI : 6.
U17
Sjebanja, Josjafat, Netlianeël, Amazai, Zacharja, Benaja en Eliëzer bliezen
op trompetten voor de ark Gods uit; ook waren Obed-Edom en Jeïël
portiers bij de ark.
25            Zoo gingen David, de oudsten van Israël en de oversten van duizend
been om de ark des verbonds van Jahwe uit liet huis van Obed-Edom
26       met vreugdebetoon op te voeren.\' En terwijl God de Levieten die de
ark des verbonds van Jahwe droegen bijstond, offerde men zeven stie-
ren en zeven rammen.
27            En David was bekleed met een mantel van fijn lijnwaad, en even-
zoo al de Levieten die de ark droegen, de zangers en Konanja, de
overste bij het dragen, en David had een linnen schouderkleed aan.\'
28       Zoo voerde gansch Israël de ark des verbonds van Jahwe op met ge-
jubel, bazuingeschal, trompetten en cimbalen, muziek makende op har-
29       pen en citers.\' Toen nu de ark des verbonds van Jahwe de Davidstad
binnenkwam, keek Micbal, tëauls dochter, uit het venster, en koning
David ziende springen en vreugde bedrijven, vatte zij minachting voor
XVI: 1 hem op.\' Men bracht dan de ark Gods binnen en zette haar in de tent
die David voor haar had opgeslagen. Daarna bracht men brandoffers
2       en dankoffers aan God; \' en toen David met het opdragen van het
brandoffer en de dankoffers gereed was, zegende hij liet volk in den
3       naam van Jahwe\' en deelde hij aan al de Israëlieten, zoo mannen als
vrouwen, aan ieder een brood, eene kruik wijn en een vruchten-
koek uit.
4           Toen stelde hij vóór de ark van Jahwe eenige Levieten als dienaren
5       aan, om Jahwe, Israëls god, te roemen, te loven en te prijzen: \' Azat\',
het hoofd, Zacharja, als tweede in rang, voorts Jaiiziël, Hjemiramoth,
Jehiël, Mattithja, Eliab, Benaja, Obed-Edom en Jeïël, met harpen en
0\' citers; terwijl Azaf met de cimbalen muziek maakte,\' alsmede de
priesters Benaja en Jahaziël met de eens voor altijd voorgeschreven
21. Do meeste der hier voorkomende nameu treffen wij ook turn nis nnmen van priesters in Ktra
— Nehemja: Sjebanja, Nch. X:4; XII: 14; Nethaneël, Ezra X:22; Neh. XII: 21: Zacharja, Neh.
XII: 10, 41; Eliëzer, Ezra X : 18. Over Benaja zie op XII: 27. — bliezen op trompetten. Zie Num.
X:l—10. — Jeïël, volg. vs. 21 en Gr. vort.; Hebr. t. Jehia.
25.   Zie 2 Sam. VI: 12. — ark de» verbond» ran Jahiee, 2 Sam. VI: 12—17 ark Gods of ark van
Jahwe.
De schrijver huldigt natuurlijk de jongere voorstelling\', zie 2 Krou. V: 10 en op Exod.
XXV: 10—22.
26.   Anders 2 Som. VI: 13. — offerde men, 2 Sam. VI: 14 offerde hij. De schrijver wilde den
schijn vermijden dat David het deed; verg. op XVI: 1. — ;even slieren en zenen rammen, 2 Sam.
VI: 18 een ilier en een mest kal f.
27—XVI: 8. Zie 2 Sam. VI: 14—19.
27.   Na dragen heeft grondt, nog de of der zangers. — In 2 Sam. VI: 14 wordeu niet alleen de
hier nevens David vermelde personen gemist, maar wordt ook van Davids klccding alleen het linnen
schouderkleed
genoemd. Onze schrijver voegde er den mantel van fijn lijmeaad aan toe; deze toch
behoorde waarschijnlijk tot de priesterlijke kleeding, al wordt in de wet (Exod. XXVIII: 31 v.;
XXXIX: 22 v.) alleen van den mantel des hoogepricsters gesproken. Het verdient opmerking dat de
schrijver dit klcedingstuk ook door Levieten laat dragen, ongetwijfeld om hen daardoor te verheerlijk
ken; zie ml op Kronieken en aant. op 2 Kron. V: 11//—13.
28.  ï)c schrijver breidt 2 Sam. VI: 15 door de toevoeging van verschillende muziekinstrumenten,
trompetten — citers, uit.
29.  Terwijl de schrijver met geringe wijzigingen dit vers uit 2 Sam. VI : 10 overneemt, laat hij het
vervolg er van, 2 Sam. VI: 20—23, weg; waarschijnlijk omdat in Davids woorden ecu en ander hein
aanstootelijk voorkwam; zie op 2 Sam. VI: 22. — Vóór de Davidstad is volg. hss. tot weggelaten.
1. bracht men, wat volg. 2 Sam. VI: 17 David deed; verg. op XV : 26. In het volgende ver» echter
vergeet onze schrijver de voorstelling van Samnel te veranderen; zie op 2 Sam. VI: 18.
3. Hierop volgt in 2 Sam. VI: 19, 20a, dat David en al het volk huiswaarts keerden. Dit ver-
meldt onze schrijver eerst in vs. 43; hij laat het volk blijven totdat het loflied der Levieten is gezongen.
5.   AI deze namen ook XV: 17 v.. waar nog enkele mcor voorkomen. — Jaaziël, volg. XV: 18;
grondt, en Jeïël.
6.   Verg. XV : 24. Jahaziël wordt daar niet genoemd; de naam komt alleen hier als die van een pries-
ter voor. In 2 Kron. XX: 14 lezen wij van een Leviet Jahaziël, die een voorvader Benaja heeft. —
de eens voor altijd voorgeschreven, letterlijk de vaste, met geringe tekstverandering.
-ocr page 838-
1 KRONIEKEN XVI: 6—27.
918
7       trompetten, voor de ark des verbonds van God.\' Op dien dag, toen
voor het eerst, heeft David aan Azaf en zijne broeders opgedragen om
het Looft hem aan te heften ter eer van Jahwe.
8                    Looft Jahwe, roept zijnen naam aan,
maakt onder «Ie volkeren zijne daden bekend;
9                zingt hem ter eer, roemt hem met stem en snaren,
gewaagt van al zijne wonderen;
10                roemt in zijn heiligen naam;
verblijde zich het hart van hen die Jahwe zoeken.
11                Vraagt naar Jahwe en zijne kracht,
zoekt te allen tijde zijn aangezicht.
12                Gedenkt de wonderen die hij heeft gedaan,
zijne teekenen en de vonnissen zijns monds,
13                kroost van Israël, zijn dienaar,
zonen van Jakob, zijne uitverkorenen!
14                    Hij, Jahwe, is onze God;
zijne vonnissen zijn op de gansche aarde.
15                Hij gedenkt eeuwig zijn verbond,
tot in het duizendste geslacht hetgeen hij heeft verordend,
16\'
              het verbond met Abraham gesloten,
zijnen eed aan Izaiik gedaan;
17                hij heeft dien aan Jakob voorgoed bevestigd,
aan Israël als een eeuwig verbond,
18                zeggende: IJ geef ik het land Kanaan,
als het n toegewezen erve —
19                toen zij nog gering in aantal waren,
weinigen en als vreemden daarin toevende.
20                En toen zij trokken van volk tot volk,
van het eene rijk naar eene andere natie,
21                liet hij niemand toe hen te verdrukken,
maar tuchtigde koningen om hunnentwil:
22                Tast mijne gezalfden niet aan,
en doet mijnen profeten geen kwaad!
23                    Zingt allen, gij aardbewoners, Jahwe ter eer,
boodschapt zijn heil van dag tot dag;
24                vermeldt zijne eer onder de natiën,
onder alle volkeren zijne wonderen!
25                Want groot is Jahwe en zeer te prijzen,
geducht is hij boven alle goden;
26                want alle goden der volkeren zijn afgoden,
en Jahwe heeft den hemel gemaakt.
27                Majesteit en luister zijn voor zijn aangezicht,
,
           macht en blijdschap in zijne woonplaats.
V.. 8—22. P«. CV: 1—15. — V». 8. Jez. XH:4. — Vs. 23—33. Ps. XCVI.
8—22. Zie de aantt. op Ps. CV : 1—15.
18.  Itrael, Ps. CV: 6 Abraham; verg. Ps. CV:42v.
14.  zijne — aarde. Deze voorstelling van Jahwe\'s beerschappij over de gansche aarde werd in
Davids tijd nog niet gehuldigd; zie op 1 Sam. XXVI: 19.
15.  Hij gedenkt, volg. Gr. vert. en Ps. CV:8j Hebr. t. Gedenkt.
16.  het verbond, duidelijkheidshalve ingevoegd.
19.  zij (de Israëlieten i... te ar en, volg. Gr. en Lat. vertt. en Ps. CV: 12; Hebr. t. gig ...vaart.
28. Ps. XCVI: 14, 2b; vs. la en 2« zijn bier weggelaten.
25. Verg. Ps. XCV:8; XCVII: 7, 9.
27. zijne uvonplaatt, Ps. XCVI: 6 zijn heiligdom. De schrijver verandert opzettelijk de uitdrukkin-
gen die op den tempel betrekking hebben; zie ook op vs. 29.
-ocr page 839-
1 KRONIKKBN XVI : 28—39.
919
28                Geeft aan Jahwe, gij geslachten der volkeren,
geeft aan Jahwe eer en macht;
29                geeft aan Jahwe de eer zijns naams,
draagt geschenken aan en komt voor zijn aangezicht;
werpt u voor Jahwe neder in heiligen feestdos.
30               Krimpt allen voor hem ineen, gij aardbewoners!
Ook heeft hij de wereld vastgezet, onwankelbaar.
31                De hemel verblijde zich, de aarde zij verheugd;
en men zegge onder de natiën: Jahwe is koning!
32                Buldere de zee en hare volheid;
juiche liet veld en al wat er op is!
33                Dan zullen de boomen des wouds jubelen voor Jahwe;
want hij komt om de aarde te richten.
34                    Looft Jahwe, want hij is goed;
want eeuwig duurt zijne goedertierenheid.
35                Zegt: Eed ons, God onzes heils!
herzamel ons en verlos ons van de natiën;
opdat wij uw heiligen naam loven,
en in uwe glorie roemen.
36                Geloofd zij Jahwe, Israëls God,
van eeuwigheid tot eeuwigheid!
En het gansche volk zeide: Amen! en Prijs Jahwe!
37           En hij liet aldaar, vóór de ark des verbonds van Jahwe, Azaf en
zijne broeders, om altijd, eiken dag naar zijn eisch, voor de ark dienst
38       te doen;\' alsmede Obed-Edom, Hoza en hunne broeders, acht en zestig
39       man, als portiers;\' maar den priester Sadok en de priesters, zijne
Vs. 30*. Ps. XCIIIlle. — Vb. 35 v. Ps. CVI: 47 v.
28 v. Verg. Ps. XXIX: 1 v. en aantt. aldaar.
29. voor zijn aangezicht, Ps. XCVI: 8 in zijne voorhoven. 2Ae op vs. 27.
80 v. In Ps. XCVI: 9—11 volgt vs. 814 op vs. 30a, dan vs. 804, voorts cene regel die hier ge-
mist wordt, daarop vs. Sla, 32a enz. De volgorde is, door welke oorzaak ook, in de war geraakt;
wellicht was zij oorspronkelijk vs. 30a, 314, 304, 31a.
31—33. Opwekkingen tot de natuur om Jahwe ter eere te jubelen treffen wij in geschriften van
voor de Ballingschap niet aan; wij vinden ze Ps. LXIX:35; XCVIII: 4, 7v.; CXLVIII; Jez. XLII:
10—12; XLIV:23; XLV:8; LV:12. Zij drukken het denkbeeld uit dat Jahwe de gansche natuur
beheerscht en deze zijne heerschappij erkennen inoet.
32 v. Zie Ps. XCVIII: 7—9.
32. de zee en hare volheid. Zie op Deut. XXX111 :10.
83. Op dit vers volgen in Ps. XCVI: 13 nog twee regels.
34. Deze woorden, waarschijnlijk aan Jcr. XXXIII: 11 ontleend, komen alle of voor een deel her-
haaldelijk in Psalmen voor: Ps. C:5; CVI: 1 j CVII:1; CXVIII: 1; CXXXVI: 1—26. Verg. 2 Kron.
V:13; VII: 3 enz.
85.  Zegt, ontbreekt Ps. CVI: 47. — God onzes heils, Ps. CVI: 47 Jahwe, onze God. — herzamel —
natiën. De Israëlieten waren dus verstrooid en werden door heidenen verdrukt; dit was het geval
sedert het begin der Ballingschap; verg. Deut. XXX: 3 v.; Neh. 1:8 v.; Zach. II: 10 v. — en ver-
los ons.
Dit outbreckt Ps. CVI: 47.
86.   En — Juli ir e! Ps. CVI: 48 En het gansche volk zegge: Amen.\' Uallelujah! Hij de inlnsschiug
van het lied werd dit overeenkomstig de gelegenheid gewijzigd. — Amen. Zie op Num. V: 22. In
den dienst van den tweeden tempel antwoordde de gemeente met dit woord, somtijds herhaald (Ps.
I.XX1I : 19), op een lied of gebed; waardoor zij verklaarde de daarin uitgedrukte gedachten en gcvoe-
lens tot de hare te maken.
38.   Obed-Edom — man, volg. verb. t.; grondt. Obed-Edom en hunne broeders, acht en zestig man,
en Obed-Edom, de zoon van Jeduthun, en Iloza.
Over Obed-Edom zie op 2 Sam. VI: 10; Hoza komt
alleen nog XXVI: 10 v., 10 voor, weder als porticrsgcslacht. — acht en zestig. Volg. XXVI: 8—11
bedroeg het aantal nakoincliugeu van Obod-Edom twee en zestig, dat van Hoza dertion, dat van Me-
sjelemju achttien; in het geheel drie en negentig portiers. Wnarschijnlijk is de bedoeling dat de ove-
rigen, vijf en twintig in getal, dienst deden bij den tabernakel te Gibeon; zie op vs. 42.
39.   Sadok. Dat Abjathar niet genoemd wordt zal wel niet toevallig zijn: Sadok was de priester
bij uitnemendheid. Zie op XII: 27 en 28. — den tabernakel — Gibeon. Te Gibeon was een druk be-
zochte hoogtetempel, waar o. a. koning Salomo zijn luisterrijk kroningsoffer bracht (1 Kon. 111:4);
-ocr page 840-
920
1 kronibkbn XVI: 89—XVII: 5.
broeders, vóór den tabernakel van Jahwe, op de hoogte te Gibeon,\'
40       om gestadig des morgens en des avonds brandoffers aan Jahwe te
brengen op het brandofferaltaar, en alles na te komen wat in Jahwe\'s
41       wet geschreven staat, wat hij aan Israël geboden had;\' en met hen
Heman en Jeduthun en de overige uitgelezenen, die met name zijn
opgegeven, om aan te heffen het Looft Jahwe; want voor eeuwig is
42       zijne goedertierenheid!\' Zij hadden trompetten en cimbalen om muziek
te maken, en andere instrumenten voor het gezang ter eere Gods; ook
waren de zonen van Jeduthun aan de poort.
43           Daarop ging het gansene volk elk naar zijn huis en ging David
heen om zijn huis te zegenen.
onze schrijver, overtuigd dat tijdens David en Salomo Jahwe steeds op wettige wijze vereerd was,
onderstelt, daar zulks slechts in den tabernakel kon geschieden, dat dit heiligdom daar gestaan heeft
(verg. XXI: 20 T.). Om dit uu te rijmen met het bericht, vs. 1; 2 Sain. VI : 10, dat de ark door
David terstond naar Jeruzalem werd gebracht, moet hij toegeven dat de ark niet in den tabernakel
was gezet (verg. 2 Kron. I : 8 v.), en neemt hij aan, dat de Levieten gedeeltelijk te Jeruzalem bij de
ark, gedeeltelijk te Gibeon bij den tabernakel dienst deden. Sadok, het hoofd der priesters, plaatst hij
natuurlijk bij dcu tabernakel, omdat daar de offers gebracht werden, al komt hij hierdoor in strijd
met 2 Sain. XV: 94—2!t, waar Sadok met Abjathar te Jeruzalem de ark ouder zijne hoede heeft.
40.   des morgen» en dn avonds brandoffers. Zie Exod. XXIX : 38 v.; Nam. XXVIII: 3 v., 8. —
brandoffer allaar. Zie Exod. XXXVIII: 1—7.
41.  die — opgegeven. Zie XV : 16—21. — want — goedertierenheid. Zie op vs. 34.
48. Zij hadden, letterlijk En met hen; Hcbr. t. laat nog volgen Heman en Jeduthun (herhaling van
het begin vnn vs. 41), wat volg. Gr. vert. is weggelaten. — om muziek te maken, volg. Gr. vert.;
Hcbr. t. voor toie muziek maakten. — andere, duidelijkheidshalve ingevoegd. — ook — poort, van het
heiligdom te Gibeon. Daar van de drie porticrsgcslachtcn, XXVI: 1—11 (zie op vs. 88), alleen Hoza
uit het geslacht is waartoe Jeduthun behoort (Mcrnri; zie XXVI: 10), kan alleen zijne familie bedoeld
zijn; doch dan meent de schrijver dat slechts een gedeelte daarvan bij de poort van den tabernakel
stond, daar zonen van Hoza volg. vs. 38 ook de ark moesten bewaken.
43. Zie op vs. 3 cu op 2 Sain. VI\'. 20.
HOOFDSTUK XVII.
Godshuis en koningshuis. — David gcett aan Nathan zijn voornemen te kennen, een tempel voor
de nrk te bouwen (1), wat deze goedkeurt (2); doch enkele uren later reeds gebiedt hem Jahwe, aan
David te zeggen dat hij nooit een huis heeft begeerd (3—0); voorts, dat hij, evenals in het ver-
leden, ook in de toekomst David en zijn volk holpen (7—10) en zijnen nakomelingen, van wie een
voor hem een tempel zal bouwen, het koningschap bevestigen zal (11—14); wat Nathan aan David
overbrengt (15). Duvid erkent in het gebed tot Jahwe, dankbaar en ootmoedig, zijne goedheid jegens
hem en zijn huis (10—10), roemt de gunst door Jahwe aan Israël betoond (20—22), eu spreekt zijn
vertrouwen uit dat Jahwe zijne beloften zal vervullen (23—27).
Dit gedeelte komt bijna woordelijk niet 2 Sam. VII overeen, alwaar men de aantt. raadplege; een
en ander echter, dat den schrijver te uitvoerig of min gepast voorkwam, liet hij weg (zie op vs. 18
cu 27); terwijl hij hier en daar een paar kleine wijzigingen aanbracht, om den inhoud met zijn
godsdienstig standpunt en zijne geschiedbeschouwing in overeenstemming te brengen (zie op vs. 4, 5,
14 en 21).
                  "
XVII: 1 Eens, nadat David zijn huis betrokken had, zeide hij tot den profeet
Nathan: Zie, ik woon in het huis van cederhout, en de ark des ver-
2       bonds van Jahwe woont onder tentdoek.\' Nathan zeide tot David: Al
3       wat in uw hart is doe dat; want God is met u.\' Maar in dien nacht
4       kwam het woord Gods tot Nathan: \' Ga aan mijn dienaar David zeg-
gen: Zoo zegt Jahwe: Niet gij zult voor mij het huis bouwen waarin
5       ik zal wonen.\' Ik heb immers in geen huis gewoond van den dag af
dat ik Israël opvoerde tot heden toe, maar ik ben rondgetrokken in
1. nadat — had. Zie XIV :1; XV: 1.
4.   Niet gij, maar Salomo; 2 Sam. VII: 5 is oorspronkelijk de tegenstelling eene andere; zie op
2 Sam. VU : 12.
5.  ik ben — tabernakel, volg. Gr. vert. en 2 Sam. VII:7; Hebr. t. ik toot van tent tot tent en van
tabernakel.
Het laatste woord is waarschijnlijk door den schrijver met het oog op Exod. XXV—XXXI
toegevoegd en van hier ook in den tekst van Samurl ingeslopen; zie aldaar.
-ocr page 841-
1 KRONIEKEN XVII : 5—23.                                    921
6       eene tent en een tabernakel,\' overal waar ik heentrok onder gansch
Israël. Heb ik tot éen van Israëls richters, aan wie ik bad opgedragen
mijn volk te weiden, biervan gesproken en gezegd: Waarom hebt gij
7       mij geen buis van cederbont gebouwd?\' Hpreek derhalve tot mijn die-
naar üavid: Zoo zegt Jahwe der heirscbaren: Ik heb u uit de weide
van achter de kudde gebaald, om vorst over mijn volk Israël te zijn;\'
8       ik ben met u geweest bij al wat gij ondernaamt en heb al uwe vijan-
den vóór u uitgeroeid; ik zal u een naam maken gelijk dien van de
9       grootsten op aarde.\' En ik zal voor mijn volk Israël eene plaats vast-
stellen, waar ik bet zal planten en waar bet duurzaam zal wonen, waar
het niet meer verontrust zal worden en geen boosaardige lieden bet
10       meer zullen misbandelen, zooals te voren,\' van den tijd af dat ik
richters over mijn volk Israël aanstelde, en ik zal al uwe vijanden
vernederen. Dies kondig ik u aan dat Jahwe een huis voor u zal
11       bouwen:\' wanneer uw levenstijd verstreken is en gij ter ruste zult
gaan bij uwe vaderen, zal ik uw nazaat, een uwer zonen, doen op-
12   . treden en zijn koningschap vastmaken;\' hij zal mij een huis bouwen,
13       en ik zal zijn troon vastzetten, voor altijd.\' Ik zal hem ten vader, en
hij zal mij ten zoon zijn: mijne gunst zal ik hem niet onttrekken,
14       zooals ik die aan uwen voorganger onttrokken heb;\' ik zal hem in
mijn huis en in mijn koningschap tot in eeuwigheid bevestigen; zijn
15       troon zal vaststaan voor eeuwig.\' Overeenkomstig al deze woorden en
dit geheele gezicht heeft Natban tot David gesproken.
16\'          Toen ging koning David naar binnen, zette zich voor Jahwe neder
en zeide: Wie ben ik, Jahwe God, en wat is mijn huis, dat gij mij
17       tot hiertoe gebracht hebt 1\' En dat was niet genoeg in uw oog, o God;
nu doet gij ten aanzien van het huis uws dienaars beloften voor de
verre toekomst en vergunt mij een blik in volgende geslachten, Jahwe
18       God.\' Wat zou David nog verder tot u spreken, u tot eer; daar gij
19       zelf uw dienaar hebt uitverkoren?\' Jahwe, ter wille van uw dienaar
en naar uw voornemen hebt gij geheel deze groote zaak gedaan: al
20       deze groote dingen bekend te maken.\' Jahwe, niemand is u gelijk, en
er is geen god behalve gij, blijkens al wat wij met eigen ooren hebben
21       gehoord.\' En waar is éene natie op aarde zooals uw volk Israël, die
God zich ten volk is gaan loskoopen, om u een naam te maken en
groote en geduchte dingen te doen, door voor uw volk uit, dat gij uit
22       Egypte hebt losgekocht, natiën te verdrijven?\' Gij hebt uw volk
Israël u voor eeuwig tot een volk gemaakt, en gij, Jahwe, zijt hun
23       ten God geworden.\' Nu dan, Jahwe, worde het woord dat gij aan-
0. mishandelen, onzekere lezing en vertaling.
10. van den. Grondt, laat en voorafgaan. — dat (vóór Jahwe), volg. 2 Sam. VII: 11; Hcbr. t. en.
13.  De schrijver lnat weg wat 2 Sam. VII: 14 van de tuchtiging des konings wordt gezegd; dit
achtte hij blijkbaar te midden vim de beloften van Jahwe aan het Davidische koningshuis misplaatst.
14.   ik — bevestigen, Davids huis zal voor altijd den tempel en de door Jahwe verleende heer-
schappij bezitten. Daar dit huis in den tijd van onzen schrijver reeds lang niet meer regeerde, heeft
hij wollicht, evenals de dichter van I\'s. LXXXIX (zio iul. op Ps. II), de hier voorkomende beloften
van Jahwe aan Dnvid toegepast op Israël.
17.  vergunt mij een blik in volgende geslachten, volg. verb. t.; verg. op 2 Sam. VII: 19.
18.  spreien, ingevoegd volg. Syr. vert. en 2 Sam. VII: 20. — eer. Hierop laat Hcbr. t. nog vol-
gen «to dienaar; volg. Gr. vert. weggelaten.
20.  Hiervóór heeft 2 Sam. VII: 22 nog Daarom, gij zijt groot. — blijkens, volg. Gr. vert. cu 2 Sam.
VII: 22; Hobr. t. in.
21.   ten, volg. 2 Sam. VII: 23; grondt, «en. — «n...t« doen, uit 2 Sam. Vil: 23 ingevoegd. —
natiën. Hierop volgt 2 Sam. VII: 23 en goden; met opzet door onzen schrijver weggelaten. — In
SamHel is de strekking der vraag, ander» dan hier, deze: heeft ooit een god voor een volk gedaan
wat Jahwe voor Israël deed? Daar aldus het bestaan van andore goden ondersteld wordt, kon onze
schrijver er zich niet mede vereenigeu en veranderde hij het.
-ocr page 842-
922                              1 KnoNiBKBN XVII: 23-XVIII: 9.
gaande uw dienaar en zijn huis gesproken hebt bewaarheid voor
24       eeuwig, en doe zooals gij gesproken hebt; \' opdat bet bewaarheid worde,
en opdat uw naam voor eeuwig worde verheerlijkt, doordien men zegt:
Jahwe, Jahwe der heirscbaren, is Israëls god, en liet huis van David,
25       uw dienaar, staat vast voor uw aangezicht.\' Want gij zelf, mijn god,
hebt aan uw dienaar geopenbaard dat gij hem een huis bouwen zult;
daarom heeft uw dienaar de vrijmoedigheid gevonden om voor uw
2(5 aangezicht te bidden.\' Derhalve, Jahwe, gij zijt God en hebt aangaande
27 uw dienaar dit goede gesproken,\' en het beeft u thans behaagd, bet
huis uws dienaars te zegenen; zoodat het eeuwig voor uw aangezicht
zal zijn. Daar gij, Jahwe, den zegen hebt uitgesproken, is het geze-
gend tot in eeuwigheid.
24.  Jahicr — god, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. Jahwe der heirteharen, Israi\'ls god, is god van Izraïl.
25.  de vrijmoedigheid, ingevoegd volg. Lat. vert. en 2 Som. VII: 27.
20. God. In 2 Sam. VII: 28 volgt nog uwe Koorden tullen bewaarheid worden.
27. Het slot is in 2 Sam. VII: 29 ceuigszins uitvoeriger.
HOOFDSTUK XVIII.
Davids krijgsverrichtingen; zijne rijksgrooten. — David fnuikt de macht der Filistijnen en der
Moabietcn (1 v.). Hij overwint Hndarezer, den koning van Soba, en de hem ter hulp gekomen Ara-
meers van Damaskus (3—8). Met de behaalde zege laat de koning van Hamath hem gelukwenschen
en zendt hem geschenken (9 v.), welke David met vele buitgemaakte voorwerpen aan Jahwe wijdt
(11). De Bdomieten geslagen en onderworpen (12 v.). Lijst van Davids rijksgrooten (14—17).
Dit hoofdstuk is, meestal woordelijk, aau 2 Sam. VIII ontleend; hier en daar (vs. 1, 2, 3, 4, 8,
11, 12, 17) is, bij toeval of met op/.ct, iets gewijzigd, bijgevoegd of weggelaten.
XVIII: 1 Hierna sloeg David de Filistijnen, vernederde hen en nam Gath
2       met onderboorigheden uit de hand der Filistijnen.\' Voorts sloeg hij de
Moabieten; zoo werden dezen aan David onderworpen, schatplichtig.
3           Ook sloeg David Hadarezer, den koning van Soba, bij Hamath, toen
deze heenging om zijne macht bij de rivier den Eufraat te vestigen.\'
4       David nam van hem duizend wagenstrijders, zeven duizend ruiters
en twintig duizend man voetvolk gevangen; van alle wagenpaarden
5       sneed hij de pezen door, op honderd na, die hij overhield.\' Toen de
Arameërs van Damaskus Hadarezer, den koning van Soba, te hulp
kwamen, sloeg David van de Arameërs twee en twintig duizend man,\'
b\' en hij legde bezettingen in Damasceensch Aram, en Aram werd hem
onderworpen, schatplichtig. Zoo schonk Jahwe David de overwinning
7       op al zijne veldtochten.\' De gouden beukelaars welke de dienaren van
Hadarezer hadden gedragen nam David en bracht ze naar Jeruzalem;\'
8       uit Tebah en lierothai, steden van Hadarezer, voerde David ontzaglijk
veel koper weg; hiervan heeft Salomo de koperen zee, de zuilen en
het koperen gereedschap gemaakt.
9           Toen Toü, de koning van Hamath, hoorde dat David het gansche
1.   Gath met onderhoorigheden. Daar Gath onmiddellijk na Davids dood in de macht der Filistijnen
is (1 Kon. II: 39), en nergens gemeld wordt dat dezen het op de Israëlieten hebben heroverd, is dit
bericht ongeloofwaardig. Wellicht heeft misverstand van de uitdrukking in 2 Sam. VIII : 1 den scbrij-
ver op een dwaalspoor geleid; ook kan er eene schrijffout in het spel zijn.
2.  Waarom de schrijver hier Davids behandeling der krijgsgevangenen uict vermeldt, zie op 2 Sam.
VIII: 2.
3.   Hadarezer. Deze heet 2 Sam. VIII: 8 juister Hadadezer; zie aldaar. — bij Hamath, letterlijk
naar Hamath tor, wordt 2 Sam. VIII: 3 gemist. Zie ap 1 Kon. VIII: 65 en verg. Nam. XIII: 21.
4.   duizend — ruiter; 2 Sam. VIII: 4 zeventienhonderd ruiter; 2 Sam. X: 18 zevenhonderd wagen-
itrijdert.
6. bezettingen, uit 2 Sam. VIII: 6 en de oude vertt. ingevoegd.
8. Tebah, volg. verb. t.; grondt. Tibhath. — Berolhai, volg. 2 Sam. VIII: 8 en wellicht Gr. vert.;
Hebr. t. Kun. — hiervan — gemaakt. Toevoegsel van den schrijver. Zie 1 Kon. Vil: 18—46.
-ocr page 843-
923
1 KRONIEKEN XVIII : 9—17.
10      leger van Hadarezer, den koning van Soba, verslagen had,\' zond hij
zijn zoon Hadoram tot koning David, om naar zijn welstand te vragen
en- hem geluk te wenschen, omdat hij tegen Hadarezer gestreden en
hem verslagen had — want Hadarezer was steeds in oorlog met Toü
11      geweest — tevens allerlei gouden, zilveren en koperen voorwerpen.\' Ook
deze heeft koning David aan Jahwe gewijd, evenals het zilver en goud
dat hij allen volkeren, Edom, Moab, den Ammonieten, den Filistijnen
12      en Amalek, had afgenomen.\' Abisjai, de zoon van Seruja, had van de
13      Edomieten in het Zoutdal achttien duizend man verslagen.\' Toen legde
hij bezettingen in Edom; zoodat al de Edomieten David onderworpen
waren. Zoo schonk Jahwe de overwinning aan David op al zijne veld-
tochten.
14          En David was koning over gansch Israël en handhaafde recht en
15      gerechtigheid onder zijn gansche volk.\' Joab, de zoon van Seruja, was
16      hoofd van het leger; Josjafat, de zoon van Ahilud, kanselier;\' öadok,
de zoon van Ahitub, en Ahimelech, de zoon van Abjathar, waren
17      priesters; Sjawsja was schrijver;\' Benaja, de zoon van Jojada, hoofd der
Krethiërs en Plethiërs, en Davids zonen waren de voornaamsten naast
den koning.
11.   De buit van Hadarezer, die 2 Sam. VIII: 12 medo vermeld wordt, is hier weggelaten, omdat
daarover in vs, 8 reeds beschikt is.
12.   De overwinning on de Edomieten wordt 2 Sam. VIII: 13 aan David zelvcn toegeschreven; I\'s.
LX: 2 aan Joab; waarom hier aan Abisjai (zie op 11:16), is moeilijk te gissen; wellicht is cene
schrijffout er de voorname oorzaak van, te eer daar de tekst van 2 Sam. VIII: 13 reeds zeer vroeg
bedorven was. Verg. 1 Kon. XI: 15 v.
16.   Sadok — Abjathar. Zie op 2 Sam. VIII: 17. De schrijver had waarschijnlijk den bedorven
tekst van Samuel reeds voor zich; zie op VI: 8. — Ahimelech, volg. XXIV: 3, 6, 81, hss. en de oudo
vertt.; llebr. t. Abimelech.
17.  de voornaamtim naast den koning. In welk opzicht en waarom de schrijver hier van zijn voor-
beeld afwijkt, zie op 2 Sara. VIII: 18.
HOOFDSTUK XIX: 1—XX: 8.
Davids oorlog met de Ammonieten en Arameers; heldenstukken zijner volgelingen. — David zendt
een gezantschap tot Hanun, den koning der Ammonieten, om hem deelneming te betuigen bij zijns
vaders dood (XIX : 1, 2a); maar door de vorsten der Ammonieten ten aanzien van Davids bedoelingen
wantrouwend gemaakt, zendt Hanun de gezanten na ecne smadelijke bejegening terug (2ö—5). De
Ammonieten, voor Davids wraak beducht, werven de Arameers nis bondgenooten (6 v.); maar Joab en
Abisjai verslaan beide legers (8—15). De Aramccrs roepen uu hunne staiugenootcn van over den
Eufraat ten strijde (16); maar David trekt hun te gemoet en behnalt cene groote overwinning (17 v.);
waarna de Arameërs vredo maken en den Ammonieten niet meer te hulp komen (10). Een jaar later
zendt David Joab met het leger naar het land der Ammonieten, waar deze Rahba inneemt (XX: 1);
David voert een ontzaglijken buit en de bcvolkiug als dwangarbeiders uit ltabba weg en handelt
evenzoo met de andere Ammonietischc steden (2 v.). Sibbechai verslaat den Kefaïet Sippai (4), Elkana
den broeder van Goliath (5), Jonathan eenen reus met zes vingers aan elke hand en zes tceneu aan
eiken voet (6 v.), allen Refaïeten (8).
Van dit gedeelte is XIX: 1—XX: 3, met geringe afwijkingen, overgenomen uit 2 Sam. X; XI: 1;
XII: 30 v. Wat in Samuel hieraan voorafgaat, 2 Sam. IX, liet de schrijver weg, omdat het een voor-
val uit Davids bijzouder leven behandelt, dat voor zijn doel, de geschiedenis van Davids koningschap,
van geen belang was. Om dezelfde reden ging hij het verhaal van David en Bathsjeba, dat (2 Sam.
XI: 2—XII: 25) in de geschiedenis van Davids oorlog met do\' Ammonieten is ingevlochten, stilzwij-
gend voorbij; hij deed dit te eerder, omdat David, dien hij afschildert als den man naar Gods hart,
hier in een zeer ongunstig licht verschijnt. Het laatste gedeelte, XX: 4—8, is, met ceno belangrijke
wijziging (zie op XX: 5), aan 2 Sam. XXI: 18—22 ontleend, en hier geplaatst omdat de schrijver
al de oorlogen van David in eens wildo afhandelen. Van al wat in Samuel tusschen 2 Sam. XII: 31
en XXI: 18 voorkomt wordt in ons boek niets vermeld, deels omdat het tot Davids familiegeschiede-
nis behoort, deels omdat het den koning niet tot eer verstrekt, deels omdat het volgens de begrippen
des ^schrijvers (zie inl. op het boek) onverklaarbaar was dat zulko binncnlaudsche troebelen zouden
hebben plaats gehad onder de regcering van een vroom koning als David.
-ocr page 844-
1 KttONIEKEN XIX : 1 —16.
924
XIX: 1 Nadezen stierf Nahas, de koning der Amnionieten, en werd zijn
2       zoon Haiiiiii koning in zijne plaats.\' Toen zeide David: Ik wil gunst
betoonen aan Hanun, den zoon van Xahas; want zijn vader heeft gunst
betoond aan mij. Daarom zond David boden tot rouwbeklag wegens
zijn vader. Maar toen Davids dienaren in het land der Anmionieten
3       bij Hanun tot rouwbeklag waren gekomen,\' zeiden de vorsten der
Amnionieten tot Hanun: Meent gij dat David uit eerbied voor uw
vader boden niet rouwbeklag tot u gezonden heeft\' Veeleer zijn zijne
dienaren tot u gekomen om de stad op te nemen en het land te ver-
4       spieden.\' Hierop liet Hanun de dienaren van David vatten, schoor
hen, sneed hun de kleederen halverwege af, tot bovenaan het been,
5       en zond hen weg.\' Zoo gingen zij heen. Toen men nu David aangaande
die mannen bericht bracht, zond de koning hun boden te gemoet
— want die mannen wuren zeer geschandvlekt — en liet hun zeggen:
Blijft te Jericho totdat u de baard weder aangroeit, en keert dan terug.
G          Toen nu de Amnionieten inzagen dat zij zich bij David in een
kwaden reuk hadden gebracht, zonden Hanun en de Ammonieten dui-
zend talenten zilver om wagens en ruiters van Stroornland-Aram, van
7       Maiichietisch Aram en van !Soba te huren.\' Zij huurden twee en dertig
duizend wagens, benevens den koning van Maiicha en zijn volk. Dezen
kwamen en legerden zich vóór Medeba; terwijl de Ammonieten zich
8       uit hunne steden verzameld hadden en ten strijde kwamen.\' Toen
David dit hoorde, zond hij Joab met het geheele leger der helden.\'
9       Daarop trokken de Ammonieten uit en stelden zich voor de stad in
slagorde; terwijl de koningen die gekomen waren zich afzonderlijk op
10       het veld opgesteld hadden.\' Joab, ziende dat hij een vijandelijk leger
vóór zich en achter zich had, koos een deel van Israëls strijdmacht
11       uit, dat hij tegenover de Arameërs in slagorde stelde;\' terwijl hij het
overige volk plaatste onder de bevelen van zijn broeder Abisjai, die
12       het in slagorde stelde tegenover de Ammonieten.\' En hij zeide: Indien
de Arameërs mij te sterk worden, moet gij mij te hulp komen; en
13       indien de Ammonieten u te sterk worden, zal ik u helpen.\' Wees
kloek en laten wij ons kloek houden voor ons volk en de steden van
onzen god. En Jahwe zal doen wat goed in zijn oog is.
14           Toen nu Joab met het volk dat bij hem was tegen de Arameërs
15       ten strijde aanrukte, sloegen zij voor hem op de vlucht;\' en de Am-
monieten, ziende dat de Arameërs op de vlucht waren gegaan, vluchtten
op hunne beurt voor zijn broeder Abisjai en trokken zich terug in de
stad. En Joab ging naar Jeruzalem.
16           De Arameërs, ziende dat zij voor Israël de nederlaag hadden geleden,
I.  Hanun, uit Gr. en Syr. vcrtt. en 2 Sani. X:l ingevoegd.
8. de stad op te nemen, volg. Gr. vort. en 2 Snm. X:3; Hcbr. t. op (e nemen en onderstboven
te keeren.
4. schoor hen, 2 Sani. X: 4 schoor hun den baard half af.
6 v. Dit bericht is uitvoeriger dan dat van 2 Snm. X: 6.
6.  duttend talenten rilper, vijf milliocn een honderd duizend gulden in onze munt. — wagent en
ruiter».
Volg. 2 Sam. X:ö bestonden de Arnmeeschc hulptroepen uit voetknechtcn. — Stroomland-
Aram.
Zie op Gen. XXIV: 10. Deze Arameërs kwamen echter volgens vs. 16 eerst later ton strijde;
2 Snm. X : fi is dan ook van hen voorloopig geen sprake, maar wel van llcth-llchob en Tob, die door
onzen schrijver, om ons onbekende redenen,\'worden weggelaten.
7.  iicee en dertig duizend, de som van de twiutig duizend van Uchob en Soba en de twaalf duizend
van Maiicha en Tob, 2 Snm. X : 0. — Medeba, volg. Nuin. XXI: 30 j Jez. XV : 2 eene Moabietische
stad. Hoc de schrijver aan Medeba komt, is een raadsel; volg. 2 Sam. X : 8—14 had de slag plaats
bij Rabbath-Ammon, waaraan wij ook vs. 0 moeten denken.
8.  leger der helden, met verandering van een klinker; Hcbr. t. leger, de helden. Verg. op XI: 10.
0. de stad, Kabba.
II.  ttcldefjolg. Gr. vert. cu 2 Sam. X:10; Hebr. t. stelden.
-ocr page 845-
1 KRONIEKEN XIX: 16—XX : 8.
925
zonden boden en deden de Arameërs van de overzijde der Kivier uit-
17       rukken, onder aanvoering van Sjofach, Hadarezers legerhoofd.\' Men be-
riclitte dit aan David, die hierop gansch Israël verzamelde, den Jordaan
overtrok en hen overviel. David stelde zijne slagorde tegen de Arameërs
18       op, en zij streden met liem.\' De Arameërs gingen voor Israël op de
vlucht, en David doodde van hen zeven duizend wagenstrijders en veertig
19       duizend man voetvolk; ook het legerhoofd Sjofach doodde hij.\' Toen nu
Hadarezers vazallen zagen dat zij in den strijd met Israël de nederlaag
hadden geleden, maakten zij vrede met David en werden hem onderdanig.
En de Arameërs wilden den Ammonieten niet weder te hulp komen.
XX: 1 Na verloop van een jaar tijds, tegen den tijd dat de koningen plegen
te velde te trekken, voerde Joab het krijgsbeir uit, verwoestte het land
der Ammonieten, kwam bij Jlabba en belegerde het, terwijl David
2       te Jeruzalem bleef. En Joab sloeg Ilabba en haalde het omver.\' En
David nam Milkom de kroon van het hoofd, welker gewicht een talent
goud bleek te bedragen en waaraan een edelgesteente zat dat David
voortaan als hoofdversiersel droeg. Een ontzaglijk grooten buit nam
3       hij uit de stad mede;\' ook hare bevolking voerde hij weg en zette
ze aan den arbeid bij de zaag, de ijzeren houweelen en de bijlen. Even-
zoo handelde David met al de steden der Ammonieten. Daarna keerden
David en het gansche volk naar Jeruzalem terug.
4           Nadezen was er oorlog met de Filistijnen te Gezer. Toen versloeg
Sibbechai, de Husjathiet, Sippai, een der afstammelingen van de Itefa-
5       ieten; waardoor zij gefnuikt werden.\' Toen er weder oorlog met de
Filistijnen was, versloeg Elbanan, de zoon van Jaïr, Lahmi, den broeder
van Goliath, den Gattiet, wiens speerschacht was als een weversboom.\'
6       Toen er weder oorlog was, in Gath, was er een man van groote
lengte, met zes vingers aan elke hand en zes teenen aan eiken voet,
7       vier en twintig; ook hij was een nakomeling van Hafa.\' Hij hoonde
Israël; maar Jonathan, de zoon van Sjimea, den broeder van David,
8       versloeg hem.\' Dit waren nakomelingen van Ilafa in Gath; zij sneu-
velden door de hand van David en zijne dienaren.
16.  Wat hier van de Arameërs gezegd wordt deed volg. 2 Sain. X: 10 Hadarczer. — Sjofach, hier,
en vs. 18, in 2 Sam. X:lii Sjobach.
17.   en hen overviel, 2 Sam. X:17 en te Ilelam kwam. — David Helde — op. Een paar woorden,
twee keer geschreven, zijn volg. Gr. vert. eens weggelaten. In 2 Sam. X:17 zijn het de Arameërs, dio
de slagorde tegen David opstellen; onze schrijver vond het omgekeerde den koning waardiger.
18.  zeven duitend, 2 Sam. X: 18 zevenhonderd.
19.  met David, 2 Sam. X: 19 met de Israëlieten. De schrijver stelt met opzet den koning voor
het volk in de plaats.
1.   terwijl— Heef. Deze opmerking dient 2 Sam. XI: 1 als inleiding tot het verhaal van David
en Bathsjcba, dat hier weggelaten wordt. — En — omver. Volg. 2 Sam. XII: 26—28 nam Joab slechts
do waterstad in en liet hij de verovering van de stad zelve aan David over, die daartoe overkwam.
Het wegvallen van deze bijzonderheid is oorzaak dat wij hetgeen in vs. 2 v. volgt niet zouden begrij-
pen indien wij het verhaal van Samuel niet kenden.
2.  Milkom, volgens veranderde klinkers; grondt, hun koning. Verg. op 1 Kon. XI: 5. — welker ge-
wicht... Heek te bedragen,
volgens andere woordafdccling en met verandering van klinkers.
8. zette — bijlen, zeer onzekere lezing en vertaling; het laatsto woord volg. 2 Sam. XII: 31;
grondt, zagen.
4.  In 2 Sam. XXI: 15—17 gaat hieraan nog een heldcnstuk van een van Davids volgelingen vooraf.
Het is wellicht wcggelaton omdat het Davids krijgsroem scheen te beuadcelen. — Oezer (2 Sam.
XXI: 18 Gob). Zie op Joz. X: 33. — Sippai, 2 Sam. XXI: 18 Sa/. — waardoor — werd. Deze
woorden ontbroken in Samuel; zij zijn toegevoegd door onzen schrijver, wien de onderworping van de
Filistijnen meer belang inboezemde dan de hcldenfcitcn van Davids dapperen.
5.  Lahmi, den broeder van Goliath, 2 Sam. XXI: 19 (versloeg Klhanan) de Bethlehemiel (Hebrceuwsch:
Belh-hallahmi), Goliath. De schrijver wildo met die verandering den strijd tusschen 2 Sam. XXI: 19
on 1 Sam. XVII (zie inl. op 1 Sam. XVII: 1—XVIII: 5) opheffen.
8. DU, 2 Sam. XXI: 22 Deze vier. Het laatste woord moest de schrijver weglaten, omdat hij 2
Sam. XXI: 15—17 niet vermeld had. — door — David. Dat David aan deze gevechten deel nam
heeft onzo schrijver niet vermeld. Wat 2 Sam. XXI: 15—17 daarvan staat heeft hij weggelaten.
-ocr page 846-
926
1 KRONIEKEN XXI : 1—5.
HOOFDSTUK XXI: 1—XXII: 1.
De volkstelling. — Satan spoort David aan, het volk te tellen, wat David aan Joab en andere
legcroverstcn opdraagt (XXI: 1 v.); vergeofs tracht Joab hem vnn dit voornemen af te brengen,
waarop hij \'skonings last uitvoert (3—C). Als God hiervoor Israël straft, beseft David gezondigd te
hebben en belijdt bij schuld voor Jahwe (7 >\'.), die hem, bij monde van Gad, de keus geeft tusschen
drie strafgerichten (9—12); Dnvid kiest, en terstond breekt de pest uit (13 v.); maar als de vcrderf-
cngel, bij Ornans dorschvloer gekomen, de hand naar Jeruzalem uitstrekt, krijgt Jahwe berouw (15),
terwijl David bidt dat Jahwe hem straffe maar zijn volk spare (lOv.)-\'De profeet Gad gelast, op
bevel van den engel, David om op Ornan9 dorschvloer een altaar te bouwen (18); David, bij Oman
gekomen, vraagt dezen, den dorschvloer aan hem te verkoopen ; Oman biedt hem alle benoodigdheden
voor het offer ten geschenke aan (19—23); David slaat dit aanbod af, koopt den dorschvloer en
brengt er een offer aan Jahwe, dat door vuur van den hemel ontstoken wordt; waarna de pest op-
houdt (24—27). Hij brengt voortaan uitsluitend alhier zijne offers en bestemt de plek tot plaats voor
den tempel (28—XXII: 1).
Dit verhaal komt, behoudens niet onbelangrijke afwijkingen (zie op XXI: 1, 4, 6, 7, 16, 18, 23,
25 en 2C), met 2 Sam. XXIV ovcrecu. Wat daar echter waarschijnlijk slechts aangeduid wordt, dat
de plek waar de pest ophield de plnats was waar later de tempel zou staan, zegt onze schrijver met
duidelijke woorden (vs. 28—XXII: 1). In verband hiermede beschrijft hij uUvocriger dan in het oude
verhaal geschiedde de verschijning van den engel (XXI: IS), laat hij door vuur van den hemel Davids
offer ontsteken (XXI: 26), en verhaalt hij, dat David, na aldaar den engel Gods gezien te hebben,
op geen andere plek meer aan Jahwe geofferd heeft (XXI: 28). Het verhaal dient tevens ter inleiding
op de beschrijving van Davids tocbereidsclen tot den tcmpclbouw, XXII: 2—XXIX : 25.
XXI: 1 Satan trad tegen Israël op en zette David aan om Israël te tellen.\'
2      Dienvolgens zeide David tot Joab en de legeroversten: Gaat Israël
tellen, van Bersjeba tot Dan, en brengt mij bericht, opdat ik hun
3      getal wete.\' Toen zeide Joab: Vermenigvuldige Jahwe zijn volk,
welke zijne sterkte ook zij, honderdvoud, tenvijl mijn heer de koning
het met eigen oogen ziet! Immers, mijn heer de koning, zij zijn allen
mijns heeren knechten. Waarom verlangt mijn heer dit\'f Waarom zou
4      hij schuld op Israël laden?\' Maar het bevel des konings was Joab te
machtig; zoo ging hij uit, trok gansch Israël door, kwam te Jeruzalem
5      terug,\' en gaf aan David de uitkomst der volkstelling op: gansch
1.  Wat 2 Sam. XXIV: 1 Jahwe doet wordt hier aan Satan toegeschreven. De voorstelling dat Jahwe
zelf den men9ch tot zonde aanzette (verg. op 1 Sam. XXVI: 19) had reeds lang voor den tijd van
onzen schrijver aan de besten des volks aanstoot gegeven: de Heilige kon niet zelf de bewerker der
zonde zijn. Dientengevolge was de voorstelling ontstaan van een hcmelsch wezen door wiens bemid-
deling Jahwe den mensch tot het kwade aanspoorde. Dit wezen heette Satan. Hoewel hij in het O. T.
nog niet, als bij de latere Joden en de schrijvers van het X. T., een tegenstander van God en de
koning van een hem vijandig rijk, maar steeds een zijner dienaren is, vertoont hij toch ook daar reeds
eenige trekken van den Interen Duivel: hij zet de menschen op tot het kwade, brengt hunne zonden
bij God nan en gelooft niet nan onbaatzuchtige deugd en vroomheid. Satan betcekent ,tegenstander\'
(Num. XXII: 22, 32; 1 Kon. V:4; XI: 14, 23, 25; IV CIX:6) en komt, met het lidwoord, als de
naam van dezen dienaar Gods het eerst voor /ach. III: 1 v., waar de Satan als een aanklager bij God
van den hoogepriester Jozun optreedt en door God wordt terechtgezet. Job 1:0—12; 11:1—6 ver-
schijnt hij in den hemelraad onder „de zonen Gods" als degene wiens taak het is de aarde te door-
kruisen en het kwaad der menschen bij Jahwe aan te brengen, en aan wien wordt opgedragen de
vroomheid van Job, waaraan hij niet gelooft, op de proef te stellen. Op onze plaats is Satan een
eigennaam geworden.
2.   de leger/merite», volg. Gr. vert.; Hcbr. t. de volksoversten. — van Bersjeba tot Dan, gewoon*
lijk van Dan lot Bersjeba; wellicht met opzet begint de schrijver bij het zuiden, bij Judo.
3.  terwijl — ziet, uit Gr. vert. en 2 Sam. XXIV : 3 ingevoegd.
4.  De schrijver laat Joab alleen doen wat volg. vs. 2 ook den legeroversten was opgedragen en
wat dezen volg. 2 Sam. XXIV: 4 ook hielpen uitvoeren. Voorts laat hij de vermelding van de streken
die Joab doortrok achterwege. Blijkbaar Btelt hij in de bijzonderheden weinig belang en haast hij
zich om te komen tot wat voor hem het gewichtigste is.
5.   De weerbare manschap van Juda was dus bijna de helft van die van ganseh Israël; ware ook
Benjamin, dat in dit boek steeds tot het rijk Juda gerekend wordt (2 Kron. XI: 1), geteld, wat volg.
vs. 6 niet het geval was, dan zou de verhouding voor Juda nog gunstiger zijn geweest. Volg.
2 Sam. XXIV: 9 daarentegen was de verhouding van Juda, niet tot ganseh Israël maar tot het
overige Israël als vijf tot acht. De schrijver meent dat het rijk Juda (met Benjamin), dat voor
hem het eigenlijke Israël is, ongeveer de helft van het volk omvat heeft.
-ocr page 847-
927
1 KRONIBKBN XXI : 5—21.
Israël was elfhonderd duizend man die het zwaard voerden, Juda vier-
6 honderd zeventig duizend man die het zwaard voerden.\' Maar Levi
en Benjamin had hij niet medegeteld; want het bevel des konings
stond Joab tegen.
7, 8 Maar God was misnoegd over het gebeurde en sloeg Israël.\' Toen
zeide David tot God: Ik heh zwaar gezondigd dat ik dit gedaan heb;
maar nu, vergeef toch de schuld uws dienaars; want ik heb zeer
9 dwaas gehandeld.\' En Jahwe sprak tot Gad, den ziener van David:\'
10       Ga aan David zeggen: Zoo spreekt Jahwe: Drie dingen leg ik u voor;
11       kies, welk daarvan ik u zal aandoen.\' Zoo kwam Gad bij David en
12       zeide tot hem: Zoo zegt Jahwe: Kies:\' of drie jaren hongersnood, öf
drie maanden voor uwe tegenstanders vluchten, terwijl het zwaard
uwer vijanden u achterhaalt, öf drie dagen het zwaard van Jahwe, de
pest, in het land, zoodat Jahwe\'s engel verderf aanricht in het gansche
gebied van Israël. Nu dan, overleg, welk bescheid ik mijnen zender
13       zal brengen.\' Hierop zeide David tot Gad: Het is mij zeer bang. Laat
mij toch in de hand van Jahwe vallen, want zijne barmhartigheid is
14       zeer groot; maar laat mij niet in de hand van menschen vallen.\' Nu
zond Jahwe de pest in Israël; zoodat er van Israël zeventig duizend
15       man vielen.\' En God zond een engel naar Jeruzalem om het te ver-
derven, maar toen hij het verderf aanrichtte, zag Jahwe het en kreeg
hij berouw over het onheil. Toen zeide hij tot den verderfengel: Genoeg;
laat thans uwe hand zinken. De engel van Jahwe nu stond bij den
16       dorschvloer van Oman, den Jebuziet.\' En David, de oogen opslaande,
zag den engel van Jahwe staan tusschen aarde en hemel, in de hand
het ontbloote zwaard, uitgestrekt over Jeruzalem. Nu vielen David en
17       de oudsten, in rouwgewaad gehuld, op hun aangezicht,\' en zeide David
tot God: Immers heb ik bevolen het volk te tellen; ik ben het die
gezondigd heb; ik, de herder, heb kwaad gedaan; maar dezen, de
schapen, wat hebben zij bedreven/ Jahwe, mijn god, zij toch uwe hand
tegen mij en mijns vaders huis, maar niet ter plage tegen uw volk.
18           De engel van Jahwe nu had Gad bevolen, aan David te zeggen\'dat
hij zou opklimmen, om een altaar voor Jahwe op te richten op den
19       dorschvloer van Oman, den Jebuziet.\' En David klom op, naar het
20       woord dat Gad in naam van Jahwe gesproken had.\' Oman nu was
21      juist bezig tarwe te dorschen.\' Toen David aan den dorschvloer kwam,
6.  Dit staat niet in 2 Sam. XXIV en is door den schrijver toegevoegd; verg. op XXVII:23v. Dat
hij juist deze twee stammen niet laat tellen heeft zijne reden: Levi was do priesterstam (verg. Num.
1:47, 49), en in Benjamin lag volgens den schrijver Jeruzalem met het heiligdom.
7.   Dit is in strijd met het vervolg en met 2 Sam. XXIV: 10—17, waar Jahvve Israël eerst slaat
nadat hij door Gad aan David de straf heeft laten aankondigen. Hoe onze schrijver aan zijne voor-
stelling is gekomen, zie op 2 Sam. XXIV : 10.
12.  vluchten, volg. Gr. en Lat vertt. en 2 Sam. XXIV : 13; Hcbr. t. verdelgd. — de petl, Jnlwe\'s
engel,  volg. verb. t.; grondt, laat beide keeren en voorafgaan.
14.   Nu — in Itraël. Dat David de pest koos, wordt hier niet, als in 2 Som. XXIV: 15, uitdruk,
kelijk
  gezegd, doch ondersteld uit Davids woorden in vs. 13 te volgen.
15.  En — Juli ir,• het. Eene andere voorstelling 2 Sam. XXIV : 16.
10. Uitbreiding van 2 Sam. XXIV : 17a, waar van een zwaard des engels geen sprake is, in den
trant van Num. XXII: 23 en Joz. V : 13. — de oudtten. Dezen komen in 2 Sam. XXIV niet voor.
18. In 2 Sam. XXIV spreekt de engel niet; hij is daar enkel de voltrekker van Jahwe\'s strafge*
richt; volgens onzen schrijver, in wiens tijd de engelen eene veel grootcr plaats dan voor de Balling-
schap in de geloofsvoorstellingen der Joden innamen, was hij ook de overbrenger van Jahwe\'s bevelen.
20.   Oman — dortchen. Hieraan gaat in grondt, vooraf En Oman keerde terug (of keek op, volg.
Lat. vert.) en zag den engel (Gr. vert. den koning), terwijl zijn» vier zonen ziek bij hem verborgen
(Gr. vert. terwijl zijne vier zonen met hem gingen). Deze woorden, die in het verband niet recht
passen, zijn waarschijnlijk ontstaan uit eene slordige overschrijving van 2 Sam. XXIV : 20a. Hij die
se in hun tegenwoordigen vorm hier plaatste miste blijkbaar in het verhaal de vermelding dat ook
Oman den engel zag.
21.  aam den dorichvloer, volg. verb. t.; grondt, bij Oman.
-ocr page 848-
1 KROMEKKN XXI: 21—XXII : 1.
928
zag Ornan op, verliet, David bemerkend, den dorschvloer en wierp
22       zich op zijn aangezicht voor David ter aarde.\' En David zeide tot
Ornan: Geef mij de plek van den dorschvloer, opdat ik daarop een
altaar voor Jahwe bouwe; geef ze mij tegen den vollen prijs, opdat
23       de plaag onder het volk ophoude.\' Ornan zeide tot David: Neem het,
en doe mijn heer de koning wat hem goeddunkt; zie, ik geef de run-
deren voor de brandoffers, de dorschsleden voor brandhout, de tarwe
24       voor het meeloffer; alles geef ik ten geschenke.\' Maar koning David
zeide tot Ornan: Volstrekt niet. Ik wil het voor den vollen prijs koo-
pen; want ik wil niet wat aan u behoort nemen voor Jahwe, om
25       brandoffers te brengen die mij niets kosten.\' Zoo gaf David aan Ornan
26       voor de plek een gewicht van zesli*nderd sikkelen goud.\' Daar bouwde
David dan voor Jahwe een altaar en offerde brandoffers en dankoffers;
en toen hij tot Jahwe riep, antwoordde hij hem door vuur van den
27       hemel op het brandotferaltaar.\' En op Jahwe\'s bevel stak de engel zijn
zwaard weder in de scheede.
28           Te dier tijd, toen David zag dat Jahwe hem op den dorschvloer van
29       Ornan, den Jebuziet, geantwoord had, offerde hij aldaar.\' De tabernakel
van Jahwe, dien Mozes in de woestijn gemaakt had, en het brandoffer-
30       altaar waren te dier tijd op de hoogte te Gibeon;\' maar David durfde
niet derwaarts gaan om God te raadplegen, daar hij voor het zwaard
XXII:1 van Jahwe\'s engel verschrikt was.\' En David zeide: Dit is een huis
van Jahwe God, en dit is een brandofferaltaar voor Israël.
23. de tarwe voor hel meeloffer, door den schrijver toegevoegd, om de benoodigdheden voor het
offer volledig <>]> te noemen.
21. om ... te brengen, met cene geringe verandering, volg. Gr. vert.
25. zeshonderd nikkelen goud, eenc veel grootere som dan 2 Sam. XXIV : 24 genoemd is; zie aldaar.
I)e grond waarop de tempel stond moest rijkelijk betaald zijn.
2(1. antwoordde — brandofferaltaar. Zoo werd dit altaar, evenals dat van den tabernakel (Lcv.
IX: 21) eu van deu tempel (2 Kron. VII: 11. door Jahwe zelven ingewijd. Deze bijzonderheid is door
onzen schrijver toegevoegd.
27.  Over het zwaard van den engel zie op vs. 10.
28—XXII tl. Deze verzon, die in 2 Sam. XXIV ontbroken, zijn door den schrijver toogovoegd on
vermelden datgene waarom het hem eigenlijk te doen is: al was het David zelf niet vergund den
tempel te bouwen, toch heeft Jahwe hem de plek aangewezen waarop die verrijzen moest; zoodat
David zelf van dat oogcnblik af nergens elders meer geofferd heeft; zie Inl.
28.   Te dier tijd, van toen af. — offerde hij aldaar, dus niet meer te Gibeon bij den tabernakel.
29.   Kr waren dus toen volgens den schrijver twee plaatsen wanr Jahwe vereerd kon worden. Daar
echter de wet slechts éene plaats van godsvereering gedoogt, heeft hij wellicht gemeend dat zij niet
te gelijkcr tijd maar beurtelings in gebruik zijn geweest: David offerde sinds do in dit hoofdstuk ver-
haalde verschijning van Jahwe\'s engel uitsluitend op Ornans dorschvloer, Salomo in het begin zijner
regecring bij den tabernakel te Gibeon (2 Kron. 1: 3—0), totdat na do inwijding des tempels deze
voorgoed de cenigc offcrplnnts werd.
30.  derv-aart», letterlijk daarvóór, d. i. voor dat altaar.
1. Jahwe Ood. Zie op Joz. XXII: 22. •
HOOFDSTUK XXII: 2—19.
Voorbereiding voor den tempclbouw. — David laat stecneu houwen en brengt groote hoeveelheden
metaal en hout voor den tempclbouw bijeen (2—1), omdat Salomo\'s krachten voor die omvangrijke
taak niet berekend zijn (5). Hij beveelt Salomo den tempel te bouwen (0); Jahwe heeft het hem
zelven verboden, maar beloofd dat zijn zoon het zal doen (7—10); Salomo betrachte slechts Jahwe\'s
wet; zoo zal hij bij het werk voorspoedig zijn (11—13); wat voor den bouw noodig is, ontzettend
veel edel metaal, en wat dies meer zij, zelfs de werklieden, heeft David reeds bijeengebracht; zoodat
Salomo terstond kan beginncu (11—16). David spoort de oversten van Israël aan, Salomo te steunen
(17-19).
Terwijl in 2 Sam. VII (zie inl. daarop) aan David slechts het voornemen om den tempel te
bouweu is toegedicht, stelt onze schrijver, in dit en de volgende hoofdstukken, hem voor als den man
die den tempelbouw in allen deele heeft voorbereid: hij brengt het benoodigdc in groote hoeveelheden
bijeen, verzamelt de werklieden en stelt aan Salomo een bestek ter hand, hetwelk de inrichting van
-ocr page 849-
1 KRONIBKBN XXII ! 2—13.                                   929
het heiligdom in bij/omlcrheden bepaalt (XXVIII:11—21). Bovendien geeft hij cene reeks voorschrif-
ii\'ii ten aauzieu van de priesterlijke en Levietische geslachten die in den ti-mjicl den dienst zullen
waarnemen, en deelt hij ze in klassen in. Volgeus deze voorstelling komt dus niet aan Salomo, maar
aan David de grootste verdienste van bouw en inrichting des tempels toe: de zoon had slechts laten
verwerken wat de vader bijeengebracht, slechts ten uitvoer gelegd wat deze vastgesteld had. Als een
andere Mozes, had Dnvid rechtstreeks van Jahwe alle geboden cu aanwijzingen ontvangen; aan Salomo
was slechts de volvoering daarvan opgedragen (verg. op XXVIII: 20). Dat deze voorstelling door cu
door onhistorisch is volgt uit hetgeen inl. op 2 Sam. VII gezegd is; zij dient tot verheerlijking van
David en van den Jcruzalemscheu tempel, welks inrichting en eeredienst vnn niemand minder dan
van Isracls beroemdstcn koning afkomstig mochten zijn.
XXII: 2 David beval, al de vreemden die in Israëls land waren bijeen te
brengen, en stelde ben aan tot steenhouwers, om steenen uit te breken
3       en te bebouwen voor den bouw van den tempel.\' Hij legde in groote
boeveelheid ijzer gereed, voor de nagels aan de poortdeuren en voor
de ankers, en koper in zoo groote hoeveelheid dat liet onweegbaar was;\'
4       voorts cederenstammen, ontelbaar vele; want de Sidoniërs en de Tyriërs
5       hadden cederenstammen in menigte aan David gebracht.\' En David
zeide: Mijn zoon Salomo is jong en teer, en het voor Jahwe te bouwen
huis moet bovenmate grootsch worden, tot roem en luister voor alle
landen; laat ik dus voor hem toebereidselen maken. Daarom maakte
David voor zijn dood toebereidselen op groote schaal.
6           Toen liet hij zijn zoon Salomo roepen en beval hem een huis voor
7       Jahwe, den god van Israël, te bouwen.\' David dan zeide tot Salomo:
Mijn zoon, ik zelf was voornemens, een huis te bouwen voor den naam
8       van Jahwe, mijn god;\' maar tot mij kwam het woord van Jahwe
aldus: Veel bloed hebt gij vergoten en groote oorlogen gevoerd; gij
moogt geen buis voor mijnen naam bouwen, omdat gij veel bloed voor
9       mijn aangezicht op aarde vergoten hebt.\' Zie, een zoon wordt u ge-
boren; deze zal een man van rust zijn, en ik zal hem rust verschaften
van al zijne vijanden rondom; want Salomo zal hij heeten, en vrede
10       en kalmte zal ik in zijne dagen aan Israël geven.\' Hij zal voor mijn
naam een huis bouwen; hij zal mij ten zoon, en ik zal hem ten vader
zijn, en ik zal den troon van zijn koningschap over Israël vastzetten
11       voor altijd.\' Nu dan, mijn zoon, Jahwe zij met u; zoodat gij voor-
spoedig zijt met den bouw van het huis van Jahwe, uw god, zooals
12       hij u aangaande heeft toegezegd.\' Geve Jahwe u slechts verstand en
doorzicht, en stelle hij u over Israël en ter onderhouding der wet van
13       Jahwe, uw god.\' Dan zult gij voorspoedig zijn, indien gij nauwgezet
2. David — brengen, om hen te tellen (2 Kron. II: 10 v.) en voor den arbeid aan den tempel ge-
reed te houden. — al, volg. de oude vertt. ingevoegd; evenzoo in het vervolg hen, volg. Gr. vert. —
vreemden, nakomelingen van de oude bevolking des lands (2 Kron. VIII: 7; 1 Kon. IX: 15—23).
4. Kant — gebracht. Volg. 1 Kon. V: 8—10 (2 Kron. II: 8—10) heeft Hirom ze geleverd aan
Salomo. Verg. Ezra 111:7.
G. Waarschijnlijk verplaatst ons de schrijver aan het einde van Davids leven; zie XXIII: 1. In
zijne laatste woorden tot Salomo volg. 1 Kon. II: 2—0 treffen wij het bevel een tempel te bouwen
niet aan.
8.   De vele oorlogen die volg. 1 Kon. V: 3 David geen tijd lieten zich aan den bouw van een
tempel te wijdeti zijn volgens deze plaats en XXVIII: 2 v. voor Jahwe een beletsel, hein dat werk
toe te staan. Al ziet ook onze schrijver in de door David behaalde overwinningen zoovele bewijzen
vnn Jahwe\'s gunst, toch «trekken zij volgens hem David niet uitsluitend tot eer: bloedvergieten maakt
onrein voor Jnhwo. In dit opzicht heeft de schrijver zuiverder denkbeelden dan do oudere Isrnclicti-
»che geschiedschrijvers. Do reden waarom David den tempel niet bouwde was volg. XVII: 4—14; 2
Sam. VII: 5—10 ecno andere.
9v. Zie 1 Kon. V : 4 v.
9.  Salomo, Hebrecuwsch Sjelomo, is verwant met tjalóm, ,vrede\' of .heil\'. Over Salomo zie op 2 Sam.
XII: 24.
10.  Verg. XVII: 12 v.; XXVIII :0.v.; 2 Sam. VII:18v.; 1 Kon. V: 5.
12.   Oete — doorzicht. Verg. 1 Kon. III: 6—15.
13.  snit gij voortpoedig zijn, in het bouwen van den tempel, vs. 10. Deze belofte doelt in 1 Kon.
O. T. I.                                                                                                                         59
-ocr page 850-
1 KRONIEKEN XXII: 13—19.
930
betracht de inzettingen en verordeningen die Jahwe aan Mozes voor
Israël heeft gegeven; wees sterk en kloek, vrees niets en wees niet
14       versaagd.\' Zie, door mijn moeitevollen arbeid heb ik voor Jahwe\'s
huis gereedgelegd: aan goud honderd duizend talenten, aan zilver een
millioen talenten, aan koper en ijzer zooveel dat het niet gewogen kan
worden; want het is in groote hoeveelheid voorhanden; ook hout en
15       steen heb ik gereedgelegd, waaraan gij nog kunt toevoegen.\' Voorts
staan o werklieden in menigte ten dienste: steenhouwers, metselaars
1(5 en timmerlieden, ook kunstenaars, bekwaam tot allerlei arbeid\' in goud,
zilver, koper en ijzer, ontelbaar vele. Op dan, aan den arbeid! en Jahwe
zij met u!
17            Voorts beval David aan alle oversten van Israël, zijn zoon Salomo
18       behulpzaam te zijn:\' Jahwe, uw god, is immers met u en heeft u
rondom rust verschaft; want hij heeft de bewoners der aarde in mijne
hand gegeven, en de aarde is aan Jahwe en zijn volk onderworpen.\'
19       Wijdt u thans met hart en ziel aan het zoeken van Jahwe, uw god;
maakt u op en bouwt het heiligdom van Jahwe God; opdat men de
ark des verbonds van Jahwe en de heilige vaten van God in het huis
brenge dat voor den naam van Jahwe zal worden gebouwd.
II: 3, waar ze evenals hier door David aan Salomo gegeven wordt, niet op den tempclbouw. — »«-
dien — gegeven. Hedoeld zijn de geboden in de Wet vervat; de uitdrukkingen zijn aan Deuleronomium
ontleend; verg. Deut. IV : 1; V : 1; VII: 4; XI: 32 enz. — weet ttert — veraatigd. Verg. Dcut. 1:21;
XXXI: 0, 8; Joz. 1:0 v.
14. He hier vermelde sommen zijn verbazend groot en bcloopen meer dan dertien millinrdcn gul-
dens: een tnlcnt goud bedroeg, in onze gcldswaardc, ongeveer ƒ81.000, een talent zilver ongeveer
ƒ5100; volg. XXIX: 8—8 werd later door David zelvcn en de voornaamste Israëlieten hieraan nog
heel wat toegevoegd. De sommen die in Ktmingeti als buitengewoon groot vermeld worden zijn bij de
hier genoemde gering; verg. 1 Kon. IX: 14; X:10, 14. — waaraan gij nog kunt toevoegen, zooals hij
gedaan heeft volg. 2 Kron. II: 7 v., 15.
17.   oversten van Iiraël, behalve hier nog XXIII: 2, elders legeroveraten (XXV : 1) of overaten van
duizend
(XIII\'. 1; XV : 25 ; XXVIII: 1). De schrijver laat hen bij alle gewichtige gelegenheden optreden.
Zij dienen tot stotl\'eciing vnn het tafereel.
18.   iriinl — onderworpen. Zeer overdreven schildering vnn Israël» macht tijdens David.
11). de ark dea verlionda vnn Jahwe. Zie XV :1, 28—XVI il, — de heilige vaten van God, die zich
in den tnbcrnnkel te Gihcon bevonden, XXI 21).
HOOFDSTUK XXIII.
De Levieten; hunne nfdcclingen en werkzaamheden. — David, oud geworden, verzamelt de oversten,
de priesters en de l/cvicten (1 v.); de I.«vielen worden geteld (3—5). David verdeelt hen in nfdcclingen
nnnr de drie zonen van I<cvi (fl): de geslachten vnn Gersjnn (7—11), dio van Kchath (12—20) en
die van Mcrari (21—23). Hij stelt hen van hun twintigste jaar af in dienst (24—87); de werkzaam.
heden dio hun zijn opgedragen (28—32).
Ten aanzien van de rechten en plichten der Levieten was nog in de vierde eeuw veel onzeker. De
wet liet in dit opzicht alles te regelen over: zij droeg den Levieten het vervoer van den tabernakel
op (Nam. III, IV), waaruit natuurlijk voor hun werkkring in den tempel niets kon worden afgeleid,
en bepaalde zich voorts tot de algemeene opmerking dat zij door Jahwe aan de priesters geschonken
waren om dezen bij te staan fNum. VIII : 6—22). Wel verbood zij den Levieten nadrukkelijk de
hand naar het priesterschap uit te steken (zie inl. op Num. XVI); maar zij omschreef hunne bevoegd*
heid niet. Hij deze onzekerheid moest hierover telkens twist ontstaan tusschen priesters en Levieten.
Dit is dan ook het geval geweest. Dat de tempclzangcrs en portiers Levieten moesten wezen, hierover
was men het eens (zie inl. op Xum. III, IV); maar in hoever de Levieten bij den offerdienst moch-
ten medewerken, hierover liepen blijkbaar de meeningen uiteen. De priesters trachtten zooveel moge-
lijk de Levieten op een afstand te houden door voor zich zelvcn op alle eenigszins gewichtige
\\verk-
zaamheden aanspraak te maken; terwijl de Levieten van hun kant naar uitbreiding hunner bevoegdheid
streefden. In dezen strijd nu komt onze schrijver beslist voor de Levieten op. Zonder de aan de
priesters bij de wet gewaarborgde rechten aan te tasten, trekt hij overal de Levieten voor; zie op
XXIV : 20—31 en inl. op Kronieken. Zoo ook hier: in ons hoofdstuk wordt eerst over de Levieten,
slechts daarna, XXIV : 1—10, over de priesters gehandeld; bijna twee derden van het gansene aantal
-ocr page 851-
931
1 KRONIBKBN XXIII: 1—11.
Levieten zijn voor den eeredienst bestemd, de portiers en zangers vormen de minderheid (vs. 3—5);
eenige werkzaamheden waartoe de priesters alle Israëlieten hadden bevoegd verklaard worden uitsluitend
den Levieten opgedragen (zie op vs. 29 en 31); het aantal dienstdoende I,.\'vielen wordt aanzienlijk
vermeerderd (zie op vs. 24); verg. op vs. 4 en 32.
Ettelijke der hier voorkomende namen zijn waarschijnlijk die van de in des schrijvers tijd dienst-
doende Lcvietische geslachten (verg. op vs. 8 v. en 20); sommige zijn verdubbeld (zie op vs. 9), andere
wellicht van elders toegevoegd (verg. op vs. 8 v. en 21), om het door den schrijver beoogde aautal
van twee en twintig Lcvietische geslachten (zie op vs. 6) te verkrijgen; verg. iul. op H. XXIV.
XXIII: 1 Toen nu David oud en zat van dagen was geworden, maakte hij
2       zijn zoon Salomo tot koning over Israël.\' Hij verzamelde al de over-
3       sten van Israël, alsmede de priesters en de Levieten.\' De Levieten van
dertig jaar af en daarboven werden geteld; hun aantal, hoofd voor
4       hoofd geteld, bedroeg acht en dertig duizend man.\' Van dezen zullen
vier en twintig duizend belast zijn met het werk in het huis van Jahwe,
5       zes duizend zullen ambtlieden en rechters,\' vier duizend portiers zijn,
en vier duizend zullen Jahwe prijzen met de instrumenten die ik daar-
toe gemaakt heb.
6            En David deelde hen in afdeelingen in naar de zonen van Levi,
7       Gersjon, Kehath en Merari.\' Van de öersjonieten: Laëdan en Sjimeï.\'
8,9 De zonen van Laëdan: Jehiël, het hoofd, Zetham en Joel, drie;\' de
zonen van Sjimeï: Sjelomith, Haziël en Haran, drie; dit waren de
10       familiehoofden van Laëdan.\' De zonen van Sjimeï: Jahath, Ziza, Jeüs
11       en Beria; dit waren de zonen van Sjimeï, vier.\' Jahath was het hoofd,
Ziza de tweede; Jeüs nu en Beria hadden niet vele kinderen en stonden
1. In deze weiuige woorden geeft de schrijver den hoofdinhoud vun 1 Kon. I terug.
3.   van — daarboven. Evcnzoo Num. IV: 3, 23, 80, 39—48; anders vs. 24 (zie aldaar); Num.
VIII: 23—20.
4 v. Hier wordt, blijkens het slot van vs. 5, David sprekend ingevoerd.
4.  het teert — Jahwe, wat in vs. 28—32 in bijzonderheden vermeld wordt. — ambtlieden, belast
met het handhaven der orde, wanrschijnlijk vooral in den tempel. Verg. 2 Kron. XIX: 11 en op Kxod.
V: 6. — rechtere. Vóór de Hnllingschap waren de vorsten en oudsten rechters (zie op Dcut. XVI: 18
en verg. 1 Kon. XXI: 11—16; Jcr. XXVI: 10); in menig geval, vooral in godsdionstige aangclegcn-
heden, werd de beslissing der priesters gevraagd. Hat. de behoefte aan opzettelijk aangestelde rechters
somtijds gevoeld werd leereu Exod. XVIII (zie inl. op dit hoofdstuk) en Dcut. XVI : 18. Ezechiël In-
vul daarvoor, naar het schijnt met uitsluiting van de leekeu, de priesters aan (Ezech. XL1V:24).
Later was te Jeruzalem een hoog gerechtshof (in den Grickschcu tijd „Sanhedrin" gchectcn), uit aan-
zicnlijke priesters en leeken bestaande, maar bleven overigens alle Israëlieten die do noodige kennis
bezaten bevoegd recht te spreken. Onze schrijver nu wil ook in dit opzicht den Levieten eer en invloed
verzekeren en leert daarom dat reeds David hen tot het rechterambt geroepen had. Denzclfden geest
ademt 2 Kron. XIX. — Over het leeraarsambt zie op 2 Kron. XVII: 7—9.
5.  die — heb. Verg. 2 Kron. XXIX: 26; Neh. XII: 36, en zie op Am. VI: 5.
6.   hen, de gezamenlijke Levieten. Hunne onderafdeelingen: de Levieten voor den ceredienst, de
zangers en de portiers, worden XXIV: 20—31 (zie aldaar); XXV; XXVI in klassen ingedeeld. —
afdeelingen, tezamen twee en twintig: negen van Gersjon, negen van Kehath en vier van Merari;
evenveel priesterklassen waren er volg. Neh. XII: 1—7 in de vijfde eeuw.
7.  Laëdan en Sjimeï. De eerste komt als zoon van Gersjon, behalve in dit hoofdstuk, nog XXVI: 21
voor; elders, VI: 2, 5; Kiod. VI: 17; Num. 111:18, 21, hcetcn Gersjons zonen Libni en Sjimeï.
8 v. De meeste der hier voorkomende namen treffen wij ook in lijsten van tijdgenooten van Ezra
aan: Jehiël Ezra VIII: 9; X : 2, 21, 26; Joel Ezra X:43; Neh. XI:9; Sjimeï Ezra X:23; Sjelomilh
Ezra VIII: 10; Haziël of Jahazièl Ezra VIII: 5. Slechts écn daarvan (Sjimeï) is die van een Leviet, de
andere zijn namen van nict-Levietcn, die wellicht later in deu Levictenstand zijn opgenomen (verg.
inl. op Num. III, IV) en daarom hier genoemd worden. Het kan echter ook zijn, dat onze schrijver
op goed geluk af eenige namen uit de lijsten in Sera — Nehemja genomen heeft; zie op XII: 4—7 en
Neh. XII: 41 v. Over Jehiël zie nog op XV: 18; over Joel op XV: 7; over Jlaziël of Jahazièl op
XII: 4—7.
8.  Zetham en Joel zijn volg. XXVI: 22 zonen van Jehiël.
9.  Sjimeï, niet de vs. 7 en 10 genoemde, maar een zoon of kleinzoon van Laëdan; VI: 17 heet zoo
een kleinzoon van Gersjon, en VI: 29 treffen wij onder de geslachten van Merari een Sjimeï, zoon
van Libni, aan. De Levietische familie Sjimeï werd blijkbaar nu eens tot Gersjon, dan weder tot
Merari gerekend. — Sjelomith, Jlaziël komen in deze lijst ook als zonen van Kehath voor, vs. 18 v.
Over Sjelomilh zie nog op 2 Kron. XI: 18—23.
10.  Jahath heet VI: 20 zoon van Libni (Laëdan), VI: 42 zoon van Gersjon; het is ook de naam
van een Leviet tijdens Jozia, 2 Kron. XXXIV: 12. — Over Ziza (volg. vs. 11 en Gr. vert.j Hebr. t.
\'/.inu) en Jent zie op 2 Kron. XI: 18—23.
-ocr page 852-
1 KRONIBKBN XXIII: 11—26.
932
12       als éene familie voor éen deel van het werk.\' De zonen van Kehath:
13       Amram, Jishar, Hebron en Uzziël, vier.\' De zonen van Amram: Aiiron
en Mozes. Aüron nu werd afgezonderd om als hoogheilig gewijd te
worden, hij zelf en zijne zonen, voor altijd, om offers voor Jahwe te
ontsteken, hem te dienen en in zijnen naam te zegenen, voor altijd; \'
14       maar de zonen van Mozes, den man Gods, werden tot den stam der
15,10 Levieten gerekend.\' De zonen van Mozes: Gersjom en Eliëzer.\' De
17       zonen van Gersjom: Hjebuël, het hoofd;\' de zonen van Eliëzer waren:
Hehabja, het hoofd; Eliëzer had geen andere zonen, maar de zonen van
18       llehabja waren zeer talrijk.\' De zonen van Jishar: Hjelomith, het hoofd.\'
19       De zonen van Hebron: Jeria, het hoofd, Amarja, de tweede, Jahaziël,
20       de derde, Jekameam, de vierde.\' De zonen van Uzziël: Mieha, het
hoofd, en Issjia, de tweede.
21            De zonen van Merari: Mahli en Musji. De zonen van Mahli: Eleazar
22       en Kis.\' En Eleazar liet bij zijn dood geen zonen, alleen dochters na,
23       en de zonen van Kis, hare broeders, huwden haar.\' De zonen van
Musji: Mahli, Eder en Jerimoth, drie.
24           Dit waren de zonen van Levi naar hunne familiën, de familiehoofden
naar hunne gemonsterden, met name hoofd voor hoofd geteld, die het
werk deden voor den dienst in Jahwe\'s huis, van twintig jaar af en
25       daarboven.\' Want David zeide: Jahwe, Israëls god, heeft aan zijn volk
26       rust verschaft en woont voor altijd te Jeruzalem;\' dus hebben voortaan
12.  Zie op VI: 2.
13.   De — Mozes. Zie Km ui. VI: 19. — om... gewijd U worden, vuig. Gr. vert.; Hcbr. t. om hem
te wijde».
— hoogheilig. Zoo hecten ilc priesters alleen hier. — offer» vóór Jahwe Ie ontsteken. Zie
Lev. I—VII e» verg. Kxod. XXX : 7—10. — in zijnen naam te zegenen. Zie Num. VI: 22—27.
14.  werden — gerekend, in onderscheiding van de Aüronicten.
15.  Zie Kxod. 11:22; XVllI:8v.
10. In dit en de twee volgende verzen wordt driemaal gesproken van zonen, terwijl telkens slechts
écu zoon genoemd wordt. De schrijver sluit blijkbaar de verdere afstammelingen mede in. Zie op
1:41. — Sjebuél. Kvenzoo XXV: 4; XXVI: 24. De naam luidt XXIV: 20; XXV : 20 Sjuóaë/, wat Gr.
vert. ook hier heeft.
17.  llehahja komt nog XXIV: 20; XXVI: 25 voor. — Eliézer — zonen. Gorsjon dus wol; dit blijkt
nit liirlil. XVIII: 80; doch den aldaar vermelden Jonathan, die den stand niet tot eer verstrekte,
noemt de schrijver opzettelijk niet.
18.  Sjemolith. Zie op v«. 9.
19.   Verg. XXIV: 28 en XXVI: 31. — Amarja. Kvenzoo heet een Leviet ten tijde vnn Hizkia, 2
Kron. XXXI: 15. — Jahaziël, nog XXIV: 23. Zoo beet ook een Leviet ten tijde van Josjafat, 2 Kron.
XX: 14. Verg. op vs. 8 v. en 9. — Jekameam komt alleen hier en XXIV: 23 voor.
20.  Dezelfde namen XXIV : 24 v. — Mieha komt, behalve IX: 15, ook als naam van een Leviet voor
in Nch. X: II; XI: 17, 22. — Isijia is alleen hier en XXIV: 21, 25 naam van een Leviet.
21—23. Verg. XXIV : 26—30.
21.  De zonen — Musji. Zie VI: 19. — Eleazar. Een Lcvictisch geslacht van dezen naam bestond
in den tijd des schrijvers niet; dit volgt uit vs. 22. Dat deze naam vermeld wordt vindt wellicht
zijne verklaring hierin dat de schrijver den 1 Sam. VII: 1 genoemden Klcazar bij Lcvi wilde inlij-
ven. — Kit. Zoo heet ook 2 Kron. XXIX : 12 een Leviet, zoon van Merari, ten tijde van Hizkia.
22.  huwden haar, overeenkomstig Num. XXXVI: 6—9.
23.  Mahli, behalve hier en XXIV : 30 steeds broeder van Musji. — Eder is alleen hier en XXIV : 30
een Leviet. — Jerimoth, nog XXIV: 30; XXV: 4, 22; XXVII: 19, heet ook een Leviet tijdens Hizkia,
2 Kron. XXXI: 13.
24.  run twintig jaar af. David heeft, volg. vs. 27 in zijn laatsten tijd, den leeftijd waarop de Lc-
vieten in dienst gesteld werden vervroegd; zie op v». 3 eu verg. 2 Kron. XXXI: 17. Als reden hier-
van wordt opgegeven dat het dragen van den tabernakel niet meer noodig was, en de vele werkzaam-
heden, hun thans opgedragen, vs. 28—31, uitbreiding van het aantal dienstdoende Levieten noodzakelijk
maakten. Deze bepaling beeft volgens onzen schrijver van toen af steeds gegolden (2 Kron. XXXI: 17;
Kzra III: 8). De ware toedracht der zaak was als volgt: de priesterlijke wet had bepaald, eerst dat de
Levieten op hun dertigste, later dat zij op hun vijf en twintigste jaar in dienst zouden treden; zie
op Num. VIII: 24. De vermeerdering van de hun opgedragen werkzaamheden, gepaard aan de be-
geerte der Levieten hunne zonen zoo spoedig mogelijk eene winstgevende betrekking aan het heilig-
iloin te bezorgen, was oorzaak dat op vervroeging van de indienststclling der Levieten werd aange-
drongen. Deze eisch wordt door onzen schrijver krachtig ondersteund i opdat men hem niet met een
beroep op de wet afwijzc, leert hij dat de verandering van den werkkring der Levieten, door den
tempelbouw noodig geworden, reeds David had doen besluiten, hen op twintigjarigen leeftijd in dienst
te stellen.
-ocr page 853-
1 KRONIEKEN XXIII : 26— 32.
933
de Levieten den tabernakel en al de voorwerpen die voor den dienst
27       daarin noodig zijn niet meer te dragen — \' volgens de laatste schik-
kingen toch van David bestond het aantal Levieten uit die van twintig
28      jaar en daarboven —\' maar is hunne plaats naast de zonen van Aaron
voor den dienst in het huis van Jahwe: zij zijn belast met het toezicht
op de voorhoven, de vertrekken, de reiniging van alle heilige dingen
29       en de dienstverrichting in het huis Gods,\' en met de zorg voor het
stapelbrood, de bloem voor het meelotfer, de ongezuurde vladen, het
bakwerk in de pan, de mengsels en alle inhouds- en lengtematen;\'
30       zij moeten eiken morgen, en desgelijks des avonds, gereed staan om
31       het Looft en Prijst hem aan te heffen ter eer van Jahwe,\' zorgen voor
al wat behoort tot het brengen van brandoffers aan Jahwe op de sab-
batten, de nieuwemanen en de feesttijden, zoovele naar het daaromtrent
32       verordende geregeld vóór Jahwe gebracht moeten worden.\' Zoo hebben
zij hunne plichten ten aanzien van de tent der samenkomst, van het
heiligdom en van de zonen van Aaron, hunne broeders, voor den dienst
van Jahwe\'s huis, waar te nemen.
27. Dit vers hangt met vs. 26 slecht snmeu i dat het dragen niet meer noodig was kon niet ten
gevolge hebben dnt de Levieten vroeger iu dienst gesteld werden, maar was de reden dat hun ander
werk, het vs. 28—32 opgetelde, opgedragen werd.
29. De bereiding van de mcclotlers, die hier den Levieten wordt opgedragen, is Lcv. II: 1—10
overgelaten nun de offeraars. — alle inhoud>- en lengtematen. In Ezech. XLV : 9—12 wordt aan de
vorsten de zorg opgedragen voor eenheid en vastheid in maten en gewichten (zie aldaar op vs. 10 v.).
Het ligt voor de hand dat zij die de offers moesten bezorgen, voor welker bestauddeclen de maat in
de wet was voorgeschreven, deze zaak ter harte namen. Vandaar dat onze schrijver ze aan de Levieten
opdraagt.
81. Zie Num. XXVIII. — voor — aan Jahwe, o. a. voor het slachten der dieren, het aftrekken
der huid enz.; het eigenlijk offeren geschiedde door de priesters. Dat het slachten der offerdieren tot
de taak der Levieten behoorde blijkt uit 2 Kron. XXX: 17; XXXV: 5—11. Terwijl reeds Ezcchicl
hun dit werk had opgedragen (zie op Ezcch. XLIV:11), hadden de priesterlijke wetgevers alle Israc-
lieten daartoe bevoegd verklaard (zie op Lev. 1:5); onze schrijver cischt voor de Levieten het hun
ontnomen voorrecht weder op; verg. op 2 Kron. XXIX: 34.
132. Zie Num. XVIII: 2—4. — plichten ten aanzien... van hel heiligdom hebben volg. Num.
XVIII: 5 de priesters. Dat onze schrijver de uitdrukking bezigt met het oog op de wcrkznnmheden
der Levieten is stellig niet toevallig: de taak der Levieten is zoo gewichtig gemaakt als maar ccnigs-
zins met de wetsvoorschriften bestaanbaar was. — de zonen van Jaron, hunne broeders. Onze schrij-
ver legt gaarno nadruk op de verwantschap van de Levietcu met de priesters; zie 2 Kron. XXIX:
84; XXXV: 15; Ezra IH:8; VI: 20.
HOOFDSTUK XXIV.
Pricstcr- en Levictenafdcelingcn. —• A&rons zonen (1 v.); zij worden door David iu klassen verdeeld (3);
de zonen van Elcazar vormen zestien, die van Ithainar acht afdcclingen (4); de rangordening wordt vnst-
gcsteld door loting, waarbij oen Leviet als schrijver dienst doet (5 v.). De vier cu twintig afdcclingen
naar hare volgorde (7—19). Afdeclingcn van Levieten (20—30); ook hare volgorde wordt door het
lot bepaald (31).
De splitsing der Jeruzalemscho priesters in afdcclingen, die beurtelings den dienst in den tempel
waarnamen, dagteckent van gcruimeu tijd na den herbouw des tempels; voor dien tijd vinden wij er
geen spoor van. Het juiste tijdstip waarop zij tot stand kwam kennen wij niet; want het bericht van
Neh. XII: 1—7, dat reeds ten tijde van Zerubbabcl en Jezua de priesters in 22 klassen verdeeld
waren, is van onzen schrijver, die ook Ezra — Nehemja iu hun tegenwoordigen vorm bracht, en niet
geloofwaardig. Iu den tijd van Ezra en Nehemja waren er vier voorname priestergeslachtcu; Jedaja,
Immer, Pashur en Harim (Ezra 11:36—39; Nch. VII: 39—42; verg. op IX: 10—12) en eenige andere,
zooals Hakkos, waarvan de priesterlijke afkomst niet vaststond (Ezra 11:01—03; Nch. VII: 68—65
verg. Nch. 111:4 en Ezra VIII: 33). Ecno indecling van de priesters iu een cu twintig of twee en
twintig klassen treffen wij eerst aan in de lijst welke aan Neh. XII: 1—26 ten grondslag ligt en
door onzen schrijver is omgewerkt (zie iul. daarop). Daar zij uit het laatst der vierde eeuw dagtee-
kent, moet toen deze indeeling bestaan hebben; waarschijnlijk is iu de daarop volgende eeuw het
aantal klassen op vier en twintig gebracht. Wat de namen betreft, merkeu wij een groot verschil op,
niet slechts tusschen ons hoofdstuk en Neh. XII: 1—7, 12—21, maar ook tusschen de twee laatstge-
-ocr page 854-
1 KRONIBKBN XXIV : 1—6.
934
noemde plaatsen onderling; verg. op Neh. XII: 12—21. Stellig zijn bij het afschrijven tal van fouten
ingeslopen, maar ook kunnen in den loop des tijds sommige afdcelingen andere namen hebben gckrc-
geu; b. v. als eene familie in aanzien steeg, kan zij den naam der afdeeling waartoe zij behoorde ver-
drongen en daarvoor dcu haren in de plaats gesteld hebben. De in ons hoofdstuk voorkomende pries-
tcrafdeclingen waren zeker die welke ten tijde van den schrijver in den tempel dienst deden. Kvenals
alles wat op de inrichting van den tempeldicnst betrekking heeft, wordt ook deze indeeling tot David
teruggebracht.
Om de Levieten niet bij de priesters te doen achterstaan, laat de schrijver ook hen door David in
klassen indcelcn; zie EL XXIII. Het is althans zeer twijfelachtig, of zulk ecue indceling der Levieten,
waarvan wij elders geen spoor ontdekken, ooit bestaan heeft. De schrijver laat David niet de Levieten
in het algemeen, maar de verschillende groepen waarin zij naar hunne werkzaamheden gesplitst waren,
elk afzonderlijk indeden. Daar in de volgende twee hoofdstukken over de zangers en portiers gchan-
dcld wordt, zijn in het onze waarschijnlijk bedoeld de afdcelingen van die Levieten die den priesters
moesten ter zijde staan. De lijst daarvan, vs. 20—31, grootcndeels herhaling van die der Lcvicten-
afdeelingen in II. XXIII, bevat enkele namen die ook in de lijsten der andere groepen voorkomen
(zie op vs. 20—22) en is zeer ongeloofwaardig. Waarschijnlijk waren in den tijd des schrijvers slechts
zeer weinige Lcvietische familicn uitsluitend bij den offerdienst behulpzaam; daar echter de schrijver
de voorstelling huldigt dat dezen in Davids tijd de kern van den Levietenstand uitmaakten (zie
XXIII: 3—5), wilde hij van hen, evengoed als van de zangers en de portiers, eene verdeeling opgeven,
maar moest hij, wegens gebrek aan gegevens uit de werkelijkheid, zich daarbij grootendeels bepalen
tot het overschrijven van een deel cener andere lijst.
XXIV: 1 Wat de Aiironieten betreft, dit waren hunne afdeelingen. De zonen
2      van Aiiron: Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.\' Maar Nadab en
Abihu stierven voor het aangezicht van hun vader, zonderdat zij zonen
3      hadden. Zoo bekleedden Eleazar en Itbamar het priesterschap.\' En
David, iuet Sadok uit de zonen van Eleazar, en Abimelech uit die
4      van Ithaniar, deelde hen voor hunne taak in hun dienst in.\' Daar
nu de zonen van Eleazar, wat betreft de hoofden der mannen, talrijker
bleken to zijn dan die van Ithamar, deelden zij hen aldus in: de zonen
van Eleazar kregen zestien familiehoofden, die van Ithamar naar hunne
5      familiön acht.\' Nu deelden zij hen in door het lot, den een met den
ander; want er waren heilige vorsten en vorsten Gods niet slechts uit
6      de zonen van Eleazar maar ook uit die van Ithamar geweest.\' De
schrijver Sjemaja, de zoon van Nethaneël, een Leviet, schreef hen op
vóór den koning, de vorsten, den priester Sadok, Ahimelech, den zoon
van Abjathar, en de familiehoofden der priesters en der Levieten;
beurtelings werd eene familie voor Eleazar en eene voor Ithamar
getrokken.
1.  De ionen — Ithamar. Kvenzoo VI: 3.
2.  Zie Lev. X : 1—3; Num. III: 4. — voor — vader, nl. van Aaron. Op de aangehaalde plaatsen
staat voor Jahwe\'i aangezicht, wat den schrijver, om welke reden dan ook, aanstoot gaf.
3.  met Sadok — Ithamar. Ithamar was dus de stamvader van Eli; zie op 1 Sam. XXI: 1 en verg.
op 1 Sam. II: 27 v. en op 2 Sam. VIII: 17. De priesters uit Israël die na Jozia\'s hervorming een
ambt in den tempel hadden verkregen en van Kli heetten af te stammen (zie op 1 Sam. 11:33 en 36)
namen in den tweeden tempel den tweeden rang onder de Aürouieten iu. Onze schrijver is hun cch-
ter niet ongunstig gezind; hij laat de verdeeling plaats hebben onder medewerking van de hoofden
der zonen van Eleazar en van Ithamar: van bevoorrechting van den ecnen boven den anderen tak
was volgens hem geen sprake.
4.  hoofden der mannen, familiehoofden. De ongewone uitdrukking wordt gebruikt omdat in hetgeen
onmiddellijk volgt de uit dezen gekozen hoofden der klassen familiehoofden heeten.
5.   den een met den ander, letterlijk die nerens die; zoodat de beide takken gelijke rechten hadden.
Al was die van Ithamar minder talrijk dan de ander, toch had ook hij voorname priesters als Eli
voortgebracht; verg. op vs. 0. — heilige vort/en en vorilen Godi. Beide titels duiden blijkbaar hoogge
plaatste priesters aan; hoe zij onderscheiden zijn, weten wij niet.
6.   Sjemaja, de zoon van Nethaneël. Over den eerste zie op XV: 8 j Nethaneël was volg. XXVI: 4
Sjemaja\'s broeder; volg. 2 Kron. XXXV: 9 was dit ook de naam van een Leviet tijdens Jozia, die
ook een broeder Sjemaja had. Neh. XII: 36 treffen wij Sjemaja en Nethaneël naast elkander als namen
van Levieten aan. — beurtelings — getrokken. Wat de schrijver bedoelt, is niet geheel duidelijk;
wellicht, dat namen van Elcazars en die van Ithamars zonen afzonderlijk in eene bus waren gedaan
en beurtelings uit elke bus getrokken werd. In dit geval zouden de acht familicn van Ithamar tot de
-ocr page 855-
1 KRONIBKBN XXIV: 7—31.
935
7, 8 Het eerste lot kwam uit voor Jojarib, het tweede voor Jedaja,\' het
9 derde voor Harini, het vierde voor tëeorim,\' het vijlde voor Malkia,
10 het zesde voor Mijjaruin,\' het zevende voor Hakkos, het achtste voor
11,12 Abia,\' het negende voor Jesjua, het tiende voor Hjechanja,\' het elfde
13       voor Eljasjib, het twaalfde voor Jakim,\' het dertiende voor Hufl\'a, het
14       veertiende voor Jesjebeab,\' het vijftiende voor Bilga, het zestiende voor
15       Immer,\' het zeventiende voor Hezir, het achttiende voor Happisses,\'
1(5,17 het negentiende voor Pethahja, het twintigste voor Ezechiël,\' het een
18       en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gaiuul,\' het
drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maiizja.\'
19       Dit was hunne ambtsordening voor hun dienst, volgens welke zij in
Jahwe\'s huis moesten komen, overeenkomstig de hun door hun vader
Aüron gegeven verordeningen, zooals Jahwe, de god van Israël, dezen
gelast had.
20           Wat de overige zonen van Levi betreft, van de zonen van Amram
21       waren: Sjubaël en Rehabja; van de zonen van tSjubaël: Jehdeja; \' van
22       de zonen van Rehabja: Issjia, het hoofd.\' Van de Jisharieten: iSjelo-
23       moth; van de zonen van Sjelomoth: Jahath.\' Van de zonen van Hebron:
Jeria, het hoofd, Amarja, de tweede, Jahaziël, de derde, Jekameam,
de vierde.
24.         De zonen van Uzziël: Micha; van de zonen van Micha: Hjamir;\'
25,2(5 Micha\'s broeder was Issjia; van de zonen van Issjia: Zacharja.\' De
27       zonen van Merari: Mahli en Musji;\' de zonen van Merari door zijn
28       zoon Jaazia: Sjoham, Zakkur en Ibri.\' Van Mahli: Eleazar; doch deze
29,30 had geen zonen;\' van Kis: de zonen van Kis: Jerahmeël.\' De zonen
van Musji: Mahli, Eder en Jerimoth. Dit waren de zonen der Levieten
31 naar hunne familiön.\' En ook dezen wierpen het lot zoo goed als
eerste zestien nfdeclingen behoord hebben; dit kan de schrijver inderdaad hebben bedoeld, daar hij
blijkbaar verhinderen wil dat de priesters uit Ithamar bij die uit Eleazar worden achtergesteld; verg.
op vs. 3 en 5. Uit was in den eeraten tijd na den herbouw des tempels het geval geweest; de zonen
van Ithamar toch waren de nakomelingen dier hoogtcpricsters die, op grond van het in Druterono-
miiim
verordende, priesterambten in den
Jeruzalemscb.cn tempel hadden verkregen, maar als cene lagere
klasse dan de Sadokicten beschouwd werden; zie inl. op Kiod. XXIV: 12—XL: 38.
7—18. De namen der eerste, tweede, vijfde, zestiende en een en twintigste afdceling worden ook
IX: 10—12 (Neh. XI: 10—13), die der eerste, tweede, derde, vijfde, zesde, achtste, tiende, vijftiende
en vier en twintigste ook iu de lijsten Neh. X:2—8; XII: 1—7, 12—21 aangetroffen. Van de overige
komen als uamcu van priesters of priesterfamilièn voor: Hakkos Ezra 11:61; Neh. VII: 63, Jetjua
Ezra 11:36; Neh. VII: 39, Etjatjib Ezra X:6j Neh. 111:1, 20; XII: 10, 22 v.; XIII: 4, Immer
Neh. 111:29 (ook reeds Jer. XX: 1); over Malkia verg. Jer. XXI: 1. De overblijvende vinden wij als
uantcn van priesters elders niet terug.
19.   voor — komen. De Aarouictcn hadden ook andere plichten, waarvoor deze indeeling niet gold;
zij had alleen betrekking op den offerdienst. — overeenkomstig — had. Bedoeld zijn de wetten op
den offerdienst die Jahwe aan Aiiron gegeven en deze aan zijne nakomelingen overgeleverd had.
20—31. l)c meeste der hier voorkomende namen zijn uit XXIII: 12—23 herhaald; alleen de Gcr-
sjonioten ontbreken. Met deze gedeeltelijke herhaling schijnt de schrijver te willen aanwijzen, welke
der in II. XXIII vermelde afdcelingcn bostemd waren do priesters bij den offerdienst ter zijde to staan.
De lijst vormt althans een aanhangsel op die der priesterklassen: bijna ongemerkt gaat de schrijver
van de cene tot de audcro over (vs. 20); bij de indeel ing dezer Levieten werken, evenals bij die dor
priesters, Sadok en Ahimelech mede, wat bij die der zangers en portiers het geval niet is (verg. vs. 31a
met vs. 3; \\XV: 1, 8; XXVI: 12 vv.); nadruk wordt gelegd op de verwantschap dezer Levieten met
de priesters, die vs. 31 hunne broeden heeten.
20—22. Deze Levieten zijn volg. XXVI: 23—26 schatbewaarders.
20.   Sjubael heet XXIII: 16 Sjebuêl; zie aldaar. — en Rehabja, met geringe tekstverandering volg.
Gr. vert. uit vs. 21 hierheen verplaatst. — Jehdeja. Iemand van dezen naam komt ook XXVII: 80 voor.
22.  Sjelomoth heet XXIII: 18 Sje/omith, wat Gr. vert. ook hier tweemaal heeft.
23.   Van — hoofd, volg. Gr. vert.; Hebr. t. En de zonen van Jeria.
24  en 29. Zie op 1:41.
25.  Zacharja. Zie op XV : 18.
26.  Hier zijn een drietal woorden weggelaten, die uit het volgende vers hierheen verdwaald zijn.
27.  Aan Sjoham Iaat Hebr. t. en voorafgaan; volg. Gr. vert. weggelaten. — Zakkur, XXV: 2, 10
ecne zangersfamilie, komt Neh. X:12; XIII : 13 all naam van een Leviet voor. De overige namen
treffen wij elders niet aan.
-ocr page 856-
1 KRONIEKBN XXIV ! 31—XXV : 7.
936
hunne broeders, de zonen van Aaron, voor koning David, iSadok, Ahi-
melech en de familiehoofden der priesters en der Levieten, de voor-
naamste familie zoo goed als hare minste zuster.
HOOFDSTUK XXV.
De «fdcclingcn der zangers. — De zonen van Azaf, Jedntlmn en Heman worden voor het gezang
nfgezouderd (la); nnincu en aantal hunner geslachten (ld—0); de som der daartoe behoorende pcr-
soncu (7); hunne dienstregeling wordt door het lot bepaald (8). De vier en twintig afdeeliugen (9—81).
Welke rangordening van de Levictischc zangers ten tijde van onzen schrijver in den Jcruzaleinschcn
tempel bestond, weten wij niet. Stellig niet de splitsing iu vier en twintig afdcclingcn, die in dit
hoofdstuk als van David afkomstig wordt voorgesteld. Immers, niet slechts is de splitsing in de drie
takken : Azaf, Jeduthuu, llcman vinding van den schrijver (zie op VI: 33), maar ook is een deel der
uamen verdicht izic op vs. 4) en zijn de getallen kunstmatig gevormd (zie op vs. T). Het streven van
den schrijver is blijkbaar, voor de Levictischc zangers ecne dergelijke regeling in te voeren als voor
de priesters reeds bestond.
XXV: 1 Toen zonderden David en de legeroversten voor den dienst af de
zonen van Azaf, Heman en Jeduthun, die op citers, luiten en cimbalen
profeteerden. Hun aantal — dat van de mannen die werkelijk in dienst
2       waren — \' van de zonen van Azaf: Zakkur, Jozef, Nethanja en Asjarela,
zonen van Azaf, onder de leiding van Azaf, die volgens aanwijzing des
3       konings profeteerde;\' van Jeduthun: Jeduthuns zonen Gedalja, Jisri,
Jezaja, Hasjabja, tSjimeï en Mattithja, zes, die de citer bespeelden onder
de leiding van hun vader Jeduthun, die bij het Looft en Prijst Jahwe
4       profeteerde;\' van Heman: Hemans zonen Bukkia, Mattanja, Uzziël,
iSjebuèl, Jerimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti en Romamtièzer,
5       Josbekasja, Mallothi, Hothir, Mahazioth.\' Deze allen waren zonen van
Heman, den ziener des konings, die met woorden Gods den hoorn
moesten verhoogen. En God schonk aan Heraan veertien zonen en drie
ü dochters.\' Deze allen namen onder de leiding huns vaders deel aan
het gezang in Jahwe\'s huis, met cimbalen, luiten en citers, voor den
dienst in het huis Gods, volgens aanwijzing des konings: Azaf, Jeduthun
7 en Heman.\' Hun aantal dan, daarin begrepen dat hunner broeders die
1.  Azaf, Heman en Jeduthun. Zie op VI: 33. — profeteerde», ook vs. 2 en 3 van de zangers en
muzikanten gebruikt. Dat het woord deze betcekenis kon verkrijgen bewijst dat men in den tijd des
schrijvers het oude profetisme niet meer kende. Verg. op Spr. XXX! 1. — Hun aantal. Dit woord
wordt eerst in vs. 7 weder opgenomen. — ra» — icaren, in onderscheiding van de leerlingen, v». 8.
2.   Behalve Zakkur (zie op XXIV : 7) en Nethanja (2 Kron. XVII: 8) komen deze namen alleen in
dit hoofdstuk als namen van Levieten voor. — Deze vier zonen van Azaf maken met de zes van
Jeduthun (vs. 3) en de veertien van Heraan (rs. 4) juist vier en twintig uit, het getal van de afdec-
lingen der zangers.
3.  Jisri, volg. vs. 11; grondt. Seri. — Sjiméi, uit vs. 17 ingevoegd; Gr. vert. vult het zestal met
een anderen naam aan. — De laatste vier komen in l\'.-ra — Nehrmja afs namen van Levieten voor:
over Jezaja zie Ezra VIII: 19; over llasjabja zie op IX: 14; over Sjimeï (ook naam van een Leviet,
zoon van Heman, tijdens Hizkia, 2 Kron. XXIX: 14) zie Ëzra X:23; over Mattithja zie op XV: 18.
— hel — Jahwe. Verg. XVI! 7.
4.  Do namen van den eersten, tweeden en vijfden van Hemans zonen zijn elders die van Levieten:
over Bukkia, of Bakbukja, en Mattanja zio op IX\'. 15; over Jerimoth op XII :t-—7. Uzziël heet ook
een Leviet tijdens Hizkia (2 Kron. XXIX : 14). Over SjebuU zio op XXIII : 16. De laatste negen namen
kunnen, met geringe wijziging van klinkers, aldus vertaald worden Erbarm u mijner, Jahwe, erbarm
u mijner; mijn god :ijt gij. Hoog verheerlijk en verhef ik de hulp; zittend in kommer, vencelk ik. Hij
gaf gezichten in overvloed.
Blijkbaar hebben wij hier versregelen, waarvan de schrijver eigennamen
heeft gemaakt.
B. den ziener. Zoo heet 2 Kron. XXIX: 30 Azaf en 2 Kron. XXXV : 15 ook Jeduthun. De Levie-
tische zangers zijn voor den schrijver wat oudtijds de profeten waren; verg. op vs. 1. — die — ver-
hoogen.
Wat dit beteckent, is onzeker. Wellicht wordt bedoeld dat de zonen van Heman in hun gezang
de beloften Gods ten aanzien van de verheerlijking van David en zijn huis moesten vermelden. Over
de uitdrukking „den hoorn verhoogen" zie op 1 Sara. 11:1.
6.  Deze allen. Dit slaat terug, niet op de zonen van Heman alleen, maar op die van Azaf, Jeduthun
en Heman.
7.  hunner broeien, der manlijke leden der vier eu twintig farailicn, waarvan alleen de hoofden zijn
-ocr page 857-
937
1 KRONIBKEN XXV : 7—31.
geoefend waren in de liederen ter eer van Jahwe, van alle deskundigen
8       tezamen, bedroeg tweehonderd acht en tachtig.\' En zij wierpen het
lot voor de dienstregeling, evenals hunne broeders, zoo goed voor den
kleinsten als voor den grootsten, voor deskundigen en leerlingen.
9           Het eerste lot kwam uit voor Azaf: Jozef was de eerste, hij zelf
met zijne broeders en zonen twaalf; Gedalja de tweede, bij zelf met
10       zijne broeders en zonen twaalf;\' de derde Zakkur, met zijne zonen en
11       broeders twaalf;\' de vierde Jisri, met zijne zonen en broeders twaalf;\'
12, 13 de vijfde Nethanja, met zijne zonen en broeders twaalf;\' de zesde
14       Bukkia, met zijne zonen en broeders twaalf;\' de zevende Asjarela, met
15       zijne zonen en broeders twaalf;\' de achtste Jezaja, met zijne zonen en
1G broeders twaalf;\' de negende Mattanja, met zijne zonen en broeders
17, 18 twaalf;\' de tiende iSjimeï, met zijne zonen en broeders twaalf;\' de
19       elfde Uzziël, met zijne zonen en broeders twaalf; \' de twaalfde Hasjabja,
20       met zijne zonen en broeders twaalf; \' de dertiende Sjubaël, met zijne
21       zonen en broeders twaalf; \' de veertiende Mattithja, met zijne zonen
22       en broeders twaalf;\' de vijftiende Jerimoth, met zijne zonen en broe-
23       ders twaalf; \' de zestiende Hananja, met zijne zonen en broeders twaalf;\'
24,25 de zeventiende Josbekasja, met zijne zonen en broeders twaalf;\' de
26       achttiende Hanani, met zijne zonen en broeders twaalf; \' de negentiende
27       Mallothi, met zijne zonen en broeders twaalf; \' de twintigste Eliatha,
28       met zijne zonen en broeders twaalf; \' de een en twintigste Hothir,
29       met zijne zonen en broeders twaalf; \' de twee en twintigste Giddalti,
30       met zijne zonen en broeders twaalf;\' de drie en twintigste Mahazioth,
31       met zijne zonen en broeders twaalf; \' de vier en twintigste llomamti-
ezer, met zijne zonen en broeders twaalf.
opgenoemd. — de liederen ter eer van Jahwe. Zie op Pa. (\'XXXVII: 4. — tweehonderd acht en tachtig,
il. i. vier ou twintig maal twaalf, du» een willekeurig gevormd cijfer.
8.  hunne broedera, volgens gissing ingevoegd. — deskundigen en leerlingen. Daar het gauschc getal
zangers volg. XXIII: 5 vier duizend bedroeg en er tweehonderd acht en taehtig meesters waren, kwa-
men op elke afdeeling ruim honderd vijftig leerlingen.
9—31. Het is stellig niet toevallig dat do vier zonen van Azaf allen in de eerste zeven afdcelingen
vallen, die van Jeduthuu niet lager dan tot de veertiende afdalen, en die van Ilemau de laagste plaatsen
innemen. De in des schrijvers tijd bestaande zangcrgcslachtcn toch noemden Azaf\'cn Jeduthuu hunne
stamvaders, terwijl het geslacht Hcman door onzen schrijver verdicht is (zie op VI: 33) en de namen
der daartoe behoorende tamiliën kunstig zijn samengesteld. In deze verzen zijn, behalve de in do vol-
gendo anntt. vermelde, tul van geringe tckstvcrbetcriugcn aangebracht.
9.  Jozef — twaalf, volg. verb. t.; grondt, voor Jozef.
14. Asjarela, volg. vs. 2 en Gr. vert.; Hebr. t. Jezarela.
18. Uzziël, volg. vs. 4 en Gr. vort.; Hebr. t. Azarecl.
HOOFDSTUK XXVI.
De nfdcelingon der portiers, der schatbewaarders en der ambtlicden en rechters. — Tot de portiers
behooren: fainilicu von Mesjelemja (1—3) en van Obed-Edom (4—7); het aantal harer leden (8v.);
familicn van Hoza (10 v.). Het bewaken der vier tempelpoorten wordt hun door het lot aangewezen
(12—19). De Levieten-schatbewaarders (20—28). De Levieten die voor do uitwendige nnngclcgeiihcdcn
waren aangesteld (29—32).
In de vijfde eeuw behoorde het bewaken vnn de poorten des tempels tot de workznamhedon der
Levieten (zie Neh. XII: 25). Zelfs treffen wij enkele der hier genoemde Levieten in Ezra — Neltemja
als portiors in den tempel nan (zie op IX: 17). Hunne splitsing in vier en twintig afdcelingen (zie
op vs. 17 v.) is echter evenmin als die der zangers aan de werkelijkheid ontleend; zij dankt haar
ontstaan aan hot streven van den schrijver, om voor do Levietische portiers de inrichting te verkrij-
gen die bij de priesters reeds bestond. In hoever de bewaring der tcmpelschattcn, hier aan de Lovic-
ten opgedragen, tot hunne taak behoord heeft, weten wij niet. Uit Neh. XIII: 13 blijkt dat zij in
Nehemja\'s tijd nevens do priesters het toezicht hadden op do magazijnen waarin de Israëlieten do
tienden en eerstelingen brachten; indien zij ook bewaarders waren van de gouden en zilveren tempel-
schatten — wat uit Ezra VIII: 33 schijnt te volgen — stonden zij als zoodanig zeker onder do
-ocr page 858-
938
1 KRONIEKEN XXVI : 1 —14.
priesters, die ze althans in 70 na C\'hr. beheerden. De voorstelling van onzen schrijver dat de Levic-
tcn het toezicht hadden op alle tumpclschattcn zonder onderscheid is dus niet aan den bestaanden
toestand ontleend, maar ceuc poging om de Levieten tot gewichtiger taak te roepen. Over de Levic-
tischc rechters zie op XXIII: 4.
XXVI: 1 Wat de afdeelingen der portiers betreft: tot de Korahieten behoorde
2       Mesjelemja, de zoon van Kore, den zoon van Ebjazaf. \' En Mesjelemja
liad zonen: Zacharja was de oudste, Jediaël de tweede, Zebadja de
3       derde, Jatbniël de vierde, \' Klam de vijfde, Johanan «Ie zesde, Eljoënai
4       de zevende.\' Ook Obed-Edom had zonen: .Sjemaja was de oudste, Joza-
bad de tweede, Joah de derde, Sachar de vierde, Nethaneël de vijfde,\'
5       Amniiël de zesde, Issachar de zevende, Peüllethai de achtste; want God
G had hem gezegend.\' Ook aan zijn zoon Sjemaja werden zonen geboren,
die gezag hadden in hunne familiën; want het waren kloeke helden.\'
7       Sjemaja\'s zonen dan waren: Othni, Kefaël, Obed en Elzabad, en zijne
8       brueders, kloeke mannen: Elihu en .Semachja.\' Dezen behoorden allen
tot de zonen van Obed-Edoni, zij zelven met hunne zonen en broeders,
kloeke mannen, deugdelijk voor den dienst — twee en zestig van
9       Obed-Edom. \' Ook Mesjelemja had zonen en broeders, kloeke mannen,
10       achttien.\' En ook Hoza, uit de Merarieten, had zonen: Sjimri was het
hoofd; want hij was wel de eerstgeborene niet, doch zijn vader stelde
11       hem tot hoofd aan;\' Hilkia was de tweede, Tebalja de derde, Zacharja
de vierde, allen zonen en broeders van Hoza, dertien.
12           Deze afdeelingen der portiers, deze hoofden der mannen, waren, even-
13       als hunne broeders, verplicht om in Jahwe\'s huis dienst te doen.\' Men
wierp voor hunne familiën, zoo goed voor de kleine als voor de groote,
14       voor elke poort het lot.\' Voor de Oostpoort viel het lot op Sjelemja;
ook voor zijn zoon Zacharja, een raadsman vol doorzicht, wierp men
1. de Korahieten, oen geslacht van Kehath, VI: 22. De portiers behooren allen tot Kehath of tot
Merari; zie vs. 1!). — Mesjelemja, dezelfde als Sjallum of Sjelemja; zie op IX : 17. — den zoon van
Ebjazaf,
volg. IX: 10; grondt, uit de zonen van Azaf.
2 v. De moeste dezer namen treffen wij ook in de lijsten der Joodschc gemeente aan: over Zacharja
zie op XV: 18 en zie Neh. VIII: 1; XII: 35, waar het de naam is van oon Loviet; over Zebadja,
Elam
en Eljo\'ènai zie op VIII: 15—27 en op XII: 4—7.
4 v. Obed-Edom behoort nog tot de Korahieten. Zie op 2 Sain. VI: 10. .Sommige dozer iiainen zijn
ook die van Levieten: Sjemaja, zie op XV: 8; Jozabad, wiens naam ook door Levieten tijdens Hizkia
en Jozia gedragen wordt (2 Kron. XXXI: 13; XXXV: 9), zie Kzra VIII: 38; Neh. XI : 10 en op XII:
4—7; Nethaneël, zie op XXIV : 0. Joah behoort VI: 21 (verg. 2 Kron. XXIX: 12) tot het geslacht
Gcrsjon; op de laatste plaats heet zoo een tijdgenoot van Ilizkiu. De overige uamen komcu elders
niet, althans niet als Levietcnnnmcn, voor.
5. want — gezegend. Verg. XIII: 14.
0. die — familiën, zoodut zij hoofden van afdccliugcn werden.
7. De hier genoemde Levieten knmeu elders niet voor; de namen Elzabatl en Elihu vinden wij ook
XII: 12, 20. — en (volg. Gr. vert. ingevoegd) zijne, waarschijnlijk Sjemaja\'s, broedert.
8—11. Zie op XVI: 38.
10 v. Van de hier voorkomende namen treffeu wij Hilkia en Zacharja ook aan als die van
Levieten; over den eersten (die Neh. XII: 7, 21 als pricstemuam voorkomt) zie Neh. VIII! 4;
over den tweeden zie op vs. 2 v. Sjimri heet ook een Leviet tijden» Hizkia, 2 Kron. XXIX: 13.
10. muil — aan. Het geslacht Sjimri was dus niet altijd het voornaamste [geslacht van Hoza ge-
wcest, maar dit door uitsterving of achteruitgang van cene andere familie geworden. — de eeritge-
borene,
volgens geringe tekstverandering.
12. evenalt hunne broeden, zangers en andere Levieten.
13—18. De schrijver onderstelt dat de tempel van Salomo vier poorten had, waarschijnlijk in den
muur van het buitcnvoorhof, aan elke hemelstreek éene. Hij heeft zich dan voorgesteld dat het bui-
tcnvoorhof het eigenlijke heiligdom met het binnenvoorhof geheel omgaf. Zoo is het stellig in zijn
tijd geweest, en waarschijnlijk ook in den tem pel dien Kzechicl gekend heeft; immers, in zijne be-
schrijving van het toekomstig heiligdom heeft het buitenvoorhof drie poorten, elk tegenover cene
poort van het binnenvoorhof, Ezech. XL: 6—37. In den tempel van Hcrodes daarentegen lag het
bui ten voorhof, het voorhof der vrouwen, niet rondom maar ten oosten van het voorhof der priesters,
dat aan drie kanten koor en schip omsloot.
14. Aan het geslacht Mesjelemja, blijkbaar het voornaamste, was dus de bewaking van twee poor-
tcn opgedragen. — voor, uit Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 859-
939
1 KBONIBKBN XXVI: 14—29.
15       het lot, en zijn lot kwam uit voor de noordpoort;\' op Obed-Edom viel
16       het lot voor de zuidpoort, en op zijne zonen voor liet magazijn;\' op
Hoza voor de Westpoort met de poort J*jallecheth, aan den opgaanden
17       weg, de eene wachtpost naast den anderen. \' Aan den oostkant stonden
er dagelijks zes, aan den noordkant vier, aan den zuidkant vier en bij
18       het magazijn telkens twee;\' bij het 1\'arbar aan den westkant: vier aan
19       den weg, twee bij het l\'arbar.\' Dit waren de afdeelingen der portiers,
uit de zonen van Korah en van Merari.
20           De Levieten, hunne broeders, die over de schatkamers van het huis
21       Gods en van de wijgeschenken waren gesteld, waren:\' de zonen van
Laëdan, den Gersjoniet — van Laëdan waren de familiehoofden der
22       Gersjonieten — Jehiël,\' de zonen van Jehiël en diens broeders Zetham
23       en Joel, over de schatkamers van Jahwe\'s huis.\' Wat de Amramieten,
24       Jisliarieten, Hebronieten en Uzziëlieten betreft,\' Öjebuël, de zoon van
Gersjom, den zoon van Mozes, had het oppertoezicht over de schat-
25       kamers.\' Wat zijne broeders, van Eliëzer, aangaat, zijn zoon was lle-
habja, zijn zoon Jezaja, zijn zoon Joram, zijn zoon Zichri, zijn zoon
20       tSjelomoth. \' Deze >Sjelomoth en zijne broeders waren aangesteld over alle
schatkamers der wijgeschenken die koning David, de familiehoofden,
de oversten over duizend en over honderd en de legeroversten gewijd
27       hadden;\' van de oorlogen en van den buit hadden zij een deel als
28       heilige gave afgezonderd, om Jahwe\'s huis te verrijken;\' ook al wat
Samuel, de ziener, 8aul, de zoon van Kis, Abner, de zoon van Ner,
Joab, de zoon van Seruja, of wie ook, gewijd hadden, stond onder het
opzicht van Sjelomoth en zijne broeders.
29            Van de Jisharieten waren Konanja en zijne zonen voor de uitwen-
dige aangelegenheden over Israël aangesteld als ambtlieden en rechters;\'
15.    het iinnju:ij,i. in de nabijheid der zuidpoort. Volg. Neb. XII: 25 waren tutu nllc poorten
magazijnen.
16.   Aan het begin van dit vers heeft Hebr. t. nog op Sjuppim; volg. Gr. vcrt. weggelaten. — de
poort Sjallecheth
komt slechts hier voor; zij bevond zich aan het 1\'arbar, ecu uitbouw aan de west-
zijde des tempels; zie op 2 Kon. XXIII: 11. — de eene — anderen, een aan de poort van het I\'ar-
bar, een aan den ingang van het buitenvoorhof.
17 v. Er waren dus vier en twintig posten te bezetten. De schrijver zal dan ook wel bedoeld heb-
ben dat er vier en twintig afdeelingen van portiers waren. Dit getal verkrijgen wij inderdaad, als wij
bij Obed-Edoms zonen Sjemaja niet mederekenen, in wiens plaats zijne zoucu treden: zeveu vnu Mesjc-
lcmjn, zeven van Obed-Kdom, zes van Sjemaja, vier van Hoza.
17.   dagetijkt, volg. Gr. vcrt.; Hebr. t. de Levieten. — telkens twee. Kr waren dus twee poorten
aan het magazijn.
18.   vier — Parbar, vier aan de buitenpoort van den uitbouw, twee aan den ingang van het bui-
tenvoorhof.
20.   hunne broeder», volg. Gr. vert.; Hebr. t. Ahia. — de schatkamer» — wijgetchenken. Dezelfde
onderscheiding XXVIII: 12. Hoc zij verschilden, is niet duidelijk. Wellicht dienden de eerste tot bc-
waarplaatsen van tienden en eerstelingen (verg. Xeh. XIII: 12); over de andere zie vs. 26.
21  v. Zie XXIII: 7 v.
21.  den Gertjoniel. Grondt, laat voorafgaan de zonen van. — der Gertjonielen. Grondt, van Laëdan,
den Gertjoniel.
De Gersjonieten die schatbewaarders waren behoorden uitsluitend tot den tak Laëdan,
niet tot Sjimeï.
22.  dient broeden, met\' verandering van klinkers; Hebr. t. heeft het enkelvoud.
23.   De vier geslachten van Kehath.
24 v. Zie XXIII: 15—17.
84. ,V/VW. Zie op XXIII: 16.
25. zijne (Sjebuëls) broedert, van Eliëzer, den tweeden zoon van Mozes, dus Sjebuëls neven. —
Over Jezaja zie op XXV: 3; over Zichri op VIII: 15—27. fyelomoth. Gr. vcrt. heeft hier en vs. 26
tyelomith; wat ook Hebr. t. vs. 28 heeft. Sjelomith heet XXIII: 18; XXIV: 22 ceuc familie van Jishar.
28.   Saul, de zoon van Kit. Het verdient opmerking dat hij niet koning geuoemd wordt; zie op
2 Kron. VI: 5 v. — of wie ook, letterlijk al wie wijdden. — De schrijver gaat van de onderstelling
uit, dat reeds in den tijd van Samuel en Saul al wat aan Jahwe gewijd werd aan een en hetzelfde
heiligdom werd geschonken.
29.   Konanja, met verandering van een klinker, met Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Kenauja. Zie op
XV: 22. — ambtlieden en rechten. Zie op X.X.1II: t, volgens welke plaats hun aantal zes duizend be-
droeg; waarschijnlijk zijn in dit cijfer mede de vs. 30—32 vermelde Levieten begrepen.
-ocr page 860-
940
80
151
32
1 KRONiBKBN XXVI: 30—XXVII: 3.
van de Hebronieten hadden Hasjabja en zijne broeders, zeventienhon-
derd kloeke mannen, het toezicht op de verplichtingen van Israël, aan
de westzijde van den Jordaan, ten aanzien van alle werkzaamheden
voor Jahwe en den dienst des konings.\' Tot de Hebronieten behoorden
Jeria, het hoofd — er is naar de Hebronieten, naar hunne afstamming
volgens familiën, in het veertigste jaar van Davids koningschap een
onderzoek ingesteld, waarbij bleek dat onder hen kloeke belden waren
te Jaëzer in Gilead —\' en zijne broeders, twee duizend zevenhonderd
kloeke mannen; hen stelde koning David aan over de Hubenieten, de
Gadieten en den halven stam Manasse, voor alle aangelegenheden van
God en van den koning.
30.  Uatjabja. Zie op IX : H.
31.  Jerim komt nog XXIU: 19; XXIV: 23 voor. — De tusschenzin verklnitrt, waarom deze Hcbro-
nicU\'ii met het werk onder de Kubcnictcii, de Gadieten en hnlf Manasse (vs. 32), d. i. het Overjor-
dnanschc, belast waren, in onderscheiding van hen die over de bevolking ten westen van deu Jordaau
stonden (vs. 30). — Jaëzer. Zie VI: BI, waar de plaats aan de Merarietcn behoort.
32.   Op twee duizend zeeenhonderd laat grondt, nog volgen familiehoofden; daar volg. vs. 30 het
cijfer niet slechts de hoofden, maar alle leden der familiën aanduidt, is dit woord weggelaten.
HOOFDSTUK XXVII.
Lijsten van militaire en burgerlijke beambten van David. — De twaalf afdcclingcn der Israëlieten,
die om de maand den koning dienen, en hare aanvoerders (1—15). De twaalf stamvorsten (10—22).
Waarom het geheelc aantal der Israëlieten niet is opgetcekend (23 v.). Twaalf beheerders van Davids
bezittingen (25—31). Ken zevental hoogwaardigheidsbekleders tijdens David (32—34).
Deze lijsten verdienen geen vertrouwen. De namen ziju voor een groot gedeelte aau Samuel out-
lcend, maar in de voorstelling der betrekkingen en werkzaamheden van hen die er mede aangeduid
worden wijkt de schrijver zeer ver van zijne zegslieden af; zie op vs. 2—15. Dat het leger in twaalf
afdcclingcn, elke onder een afzonderlijken aanvoerder, verdeeld was, die om de maand moesten opko-
nicn, is eeiie verdichting van den schrijver, die meende, dat, evenals in zijn tijd de priesters, oudtijds
niet alleen dezen en de Levieten, maar ook het leger uit elkander nflossende afdcclingcn bestaan had.
Dat de stammen als zoodanig door bijzondere vorsteu bestuurd werden is cenc voorstelling, aan Kzra\'s
Wetboek ontleend (zie op vs. 10—22), waaraan uoch voor noch na den ondergang van Jeruzalem do
werkelijkheid beantwoord heeft. Voorts wordt de vertrouwbuarheid der lijsten zeer verdacht door do
voorliefde voor bcteckcnisvolle getallen dio de schrijver telkens openbuart: het leger bestaat uit twaalf
afdcclingcn van telkens vier en twintig duizend man : er zijn twaalf stamvorsten en twaalf beheerders
van Davids goederen; zelfs in het aanhangsel, dat zeven hoogwaardigheidsbekleders optelt, verloochent
hij deze voorliefde niet.
XXVII: 1 De Israëlieten naar hun aantal, de familiehoofden, de oversten
van duizend en van honderd en hunne ambtlieden, zoovelen als den
koning dienden in alle aangelegenheden der afdeelingen, die maande-
lijks gedurende alle maanden van het jaar inrukten en uittrokken,
elke afdeeling van vier en twintig duizend man.
2           Over de eerste afdeeling, van de eerste maand, voerde het bevel
Jasjobeam, de zoon van Zabdiël; tot zijne afdeeling behoorden vier en
3       twintig duizend man;\' hij was uit de zonen van Peres en het hoofd
1. ambtlieden, wellicht Levieten; zie XXIII: 1.
2—15. Al deze namen zijn aan het eerste gedeelte van de XI: 10—47 voorkomende lijst ontleend
en duiden hier, even onhistorisch als daar, legerovcrsten nau; zie op XI: 10. Ook de cijfers zijn on-
gcloofwaardig: vooreerst zijn ze kunstmatig gegroepeerd: de 12 maal 24.000 man beantwoorden aan
de 24 maal 12 zangers (zie op XXV: 7); en ten tweede zijn ze veel te groot: Itcnajn b. v., volg.
2 Som. VIII: 18 enz. hoofd van Davids lijfwacht, welke (verg. 2 Sam. XV : 18) stellig slechts uit hon-
derden bestoud, is hier bevelhebber van ceue legerafdccliug van vier en twintig duizend man. Waarom
de schrijver sommige namen, die toch reeds in het begin van de lijst (XI: 10—17) voorkomen, o. a.
Joabs broeder Abisjai, weglaat en hier en daar de volgorde wijzigt, weten wij niet.
3. de zonen tan Peret, tot wie ook David behoorde, 11:5, 9—15. — van alle legerovereten, van
de mindere bevelhebber., oversten over duizend en honderd, in zijne afdeeling. Dit geldt ook van al
de anderen. Joab was opperbevelhebber van het leger, vs. 34.
-ocr page 861-
1 KRONIEKEN XXVII : 3—22.
941
4       van alle legeroversten van de eerste maand.\' Over de afdeeling van
de tweede maand stond Eleazar, de zoon van Dodai, de Ahohiet; tot
5       zijne afdeeling behoorden vier en twintig duizend man.\' De derde leger-
overste, voor de derde maand, was Benaja, de zoon van den opper-
priester Jojada; tot zijne aideeling behoorden vier en twintig duizend
(3 man.\' Deze Benaja was een held van de dertig en over de dertig ge-
7       steld; over zijne afdeeling stond zijn zoon Ammizabad. \' De vierde,
voor de vierde maand, was Azaël, Joabs broeder, en na hem zijn zoon
Zebadja; tot zijne afdeeling behoorden vier en twintig duizend man.\'
8       De vijfde, voor de vijfde maand, was de vorst Sjammoth, de Zarhiet;
9       tot zijne afdeeling behoorden vier en twintig duizend man.\' De zesde,
voor de zesde maand, was Ira, de zoon van Ikkes, uit Tekoa; tot zijne
10       afdeeling behoorden vier en twintig duizend man. \' De zevende, voor
de zevende maand, was Heles, de 1\'eloniet, een Efraimiet; tot zijne
11       afdeeling behoorden vier en twintig duizend man. \' De achtste, voor
de achtste maand, was Hibbechai, de Husjathiet, van de Zarhieten; tot
12       zijne afdeeling behoorden vier en twintig duizend man.\' De negende,
voor de negende maand, was Abiëzer, uit Anathoth, een Benjaminiet;
13       tot zijne afdeeling behoorden vier en twintig duizend man. \' De tiende,
voor de tiende maand, was Maharai, uit .Netofa, van de Zarhieten; tot
14       zijne afdeeling behoorden vier en twintig duizend man.\' De elfde, voor
de elfde maand, was Benaja, uit Pireathon, een Efraimiet; tot zijne
15       afdeeling behoorden vier en twintig duizend man. \' De twaalfde, voor
de twaalfde maand, was Heldai, uit Netofa, van Othniël; tot zijne
afdeeling behoorden vier en twintig duizend man.
10          Over de stammen van Israël waren gesteld: als vorst van de Uube-
nieten Eliëzer, de zoon van Zichri; van de Simeonieten Hjefatja, de zoon
17       van Maücha;\' van Levi Hasjabja, de zoon van Kemuël, van Aiiron
18       Sadok;\' van Juda Eliab, een van Davids broeders; van Issachar, Omri,
19       de zoon van Michaël;\' van Zebulon Jismaja, de zoon van Obadja; van
20       Naftali Jerimoth, de zoon van Azriël;\' van de Efraimieten Hozea, de
21       zoon van Azazja;\' van den halven stam Manasse Joel, de zoon van
Pedaja; van den halven stam Manasse in Gilead Jiddo, de zoon van
22       Zacharja; van Benjamin Jaüziël, de zoon van Abner; \' van Dan Azareël,
de zoon van Jerohara. Dit waren de stamoversten van Israël.
4.  Eleazar, de zoon van, volg. XI: 12 en 2 Sam. XXIII: 9 ingevoegd. — Na Ahohiet heeft Hebr. t.
nog en zijne afdeeling en (Gr. vcrt. over zijne afdeeling) de vorst Mikloth; waarschijnlijk cene schrijffout.
5.  den opperpriester (volgens geringe tekstverandering) Jojada. Zie on XII: 27.
0. over de dertig gesteld, hun aanvoerder. Anders XI: 25; 2 Sam. XXIII: 23. — over zijne, het
eerste woord volg. Gr. vert. Daar Henaja hoofd van de dertig was, trad zijn zoon als zijn plaatsvcr-
vanger bij de afdeeling op.
7.  na — Zebadja, na Azacls dood. De schrijver onderstelt dus dat Azaél nog legerovcrste van David
is geweest; verg. XI: 20.
8.  Sjammoth, de Zarhiet, het eerste woord volg. XI: 27; grondt. Sjamhuth; het tweede, dn Zarhiet,
d. i. afstammeling van het Judceschc geslacht Zerah (zie Gen. XXXVIII: 28 en elders), naar gissing;
grondt, ongeveer de Jizrahiel.
10. de Peloniet. Zie op XI: 27. — een Efraimiet. Elders (zie op XI: 27) is Holes ecu Judeër. De
schrijver wil blijkbaar doen uitkomen dat David legcrhoofdcn had uit alle stammen.
15. Heldai. Verg. op 2 Sam. XXIII: 29. — van Othniël, uit zijn geslacht. Zie over hem Joz. XV: 17;
Richt. 1:12—15.
16—22. Stamvorsten worden ook Num. 1:4—16 vermeld (zie aldaar). De stammen Gnd en Azer
ontbreken; waarschijnlijk omdat, daar Levi medegerekend en de beide helften van Manasse elk afzon-
dcrlijk geteld worden, het twaalftal vol is; waarom juist die twee stammen worden weggelaten, weten
wij niet.
17.   Het verdient opmerking, dat de stam Levi, hoewel slechts voor écn geteld, twee stamvorsten
heeft, écn voor Levi en écn voor Aiiron; voorts, dat de schrijver den hoogepriester niet tot hoofd
van den stam maakt en zelfs Hasjabja, den vorst der Levieten (zie over hem op IX: 14), voor hem
vermeldt; verg. inl. op H. XXIII.
18.  Eliab, volg. 11:13 en Gr. vert.; Hebr. t. Elihu.
-ocr page 862-
942                                  1 KRONIBKKN XXVII: 23 — 34.
23            Doch David heeft het aantal van hen die twintig jaar en daar be-
neden waren niet laten opnemen; want Jahwe had beloofd, Israël
24       talrijk te maken als de starren des hemels.\' Joab, de zoon van Seruja,
is wel begonnen te tellen, maar heeft het niet ten einde gebracht,
daar hierom eene groote gramschap over Israël kwam. Daarom is het
getal niet opgenomen in het boek der kronieken van koning David.
25            Over de magazijnen des konings was gesteld Azmaweth, de zoon van
Adiël, en over de magazijnen op het land, in de steden, dorpen en
2<i torens Jonathan, de zoon van Uzzia;\' over de veldarbeiders, voor het
27       bebouwen van den grond, Ezri, de zoon van Kelub;\' over de wijn-
gaarden Sjimei, uit Itama, en over de wijnkelders in de wijngaarden
28       Zabdi, uit Sjefam;\' over de olijf- en moerbeziënboomen in de Laagte
29       Baülhanan, uit Gedera, en over de oliepakhuizen Joas;\' over de run-
deren die in de .Sjaron weidden Bjirtai, uit Wjaron, en over die in de
30       valleien Sjafat, de zoon van Adlai;\' over de kameelen Obil, de Ismaë-
31       liet; over de ezelinnen Jehdeja, uit Meronoth,\' en over het kleinvee
Jaziz, de Hagriet. Deze allen waren beheerders der bezittingen van
koning David.
32           Jonathan, Davids bloedverwant, was raadsheer; hij was een man van
doorzicht en een geleerde; Jehiël, de zoon van den Hachmoniet, was
33       bij de zonen des konings;\' Ahitofel was des konings raadsheer, Husjai,
34       de Arkiet, des konings vriend,\' en na Ahitofel Jojada, de zoon van
Benaja, en Abjathar; des konings legeroverste was Joab.
28 v. Deze verzen zijn zeer merkwaardig, indien wij ze vergelijken niet XXI : 1—0. Blijkbaar heeft
de sehrijver met liet daar door hein medegedeelde geen vrede: David komt er in een te ongunstig
licht voor. Hier heet het, dat Duvid, krachtens zijn geloof in Jahwe\'s belofte, Israël niet geteld heeft;
terwijl van Joab, die XXI : 3 de telling ontraadt, zóo gesproken wordt dat het is alsof hij de schuld
draagt van Jahwe\'s toorn. Van de Israëlieten boven de twintig jaar is hier geen sprake; daar van
hen, als dienstplichtigen, het aantal als bekend ondersteld wordt.
SM. Daarom — David. Alsof de andere cijfers, die van de Levieten en van de legerafdcelingcn,
daaraan wel ontleend waren! — hel boek, volg. Gr. vert.; Hebr. t. liet getal.
25—31. Van deze namen, twaalf in getal, komen in de lijst van Davids helden voor: Asmawelh,
XI: 88; XII:3; 2 Sam. XXUI:31; Jonathan, XI: 34; 2 Sam. XXIU:32; Baülhanan of IIa-
nan,
XIS 43.
25. de magazijnen ilet koningt, in Jeruzalem.
2". Rama. Zie op 1 Sam. 1:1. — Sjefam wordt nog Xum. XXXIV: 10 v. vermeld.
28.  de Laagte. Zie op Dcut. 1:7. — Gedera. Zie op Joz. XII: 13.
29.  Sjaron. Zoo heette de vruchtbare en bloemrijke vlakte langs de Middcllandsche Zee tiisschcn Ocsa-
rca en Joppe; zij wordt nog vermeld Hoogl. 11:1; Jcz. XXXIII: 9; XXXV: 2; LXV : 10. In V: 16
is het eene streek in het Overjordauimchcj deze schijnt hier bedoeld, daar Sjafat, diu in dit vers ook
genoemd wordt, V:12, 10 in het Ovcrjordnauschc woont.
30.  Meronoth, onbekend.
31.  de Hagriet, ook XI: 38.
32—34. In deze verzen, die een aanhangsel op het voorgaande vormen, voegt de schrijver eenige
namen van hoogwaardigheidsbekleders tijdens David bijeen, die, met eene enkele uitzondering, alle
aan Samurl ontleend zijn; zie volgende aantcekeningen.
32.  Jonathan, Datiilt bloeihericant, wellicht dezelfde als de zoon van Davids broeder Sjimca, XX: 7;
2 Sam. XXI: 21. — Jehiël — konings, was hun opvoeder. Uit ambt, 2 Sam. VIII: 15—18; XX:
23—20 niet vermeld, is hier toevertrouwd aan een Leviet; immers, dat was Jehiël; zie op
XXIII: 8.
33.   Ahitofel. Zie 2 Sam. XV: 12, 31; XVI: 23; XVII: 1—23. — Hutjai, de Arkiet. Zie 2 Sam.
XV. 32 enz.
84. na Ahitofel, na zijn dood, 2 Sam. XVII: 23. — Jojada — Abjathar, beiden van priesterlijke
afkomst; voor den eerste zie vs. 5 en op XII: 27; Abjathar, de bekende priester, wordt hier tot
Davids raadsheer gemaakt, om do incening to voorkomen dut hij nevens Sadok opperpriester in het
ciligdom wns geweest; verg. op XVIII: 10 en op 2 Sam. VIII: 17.
HOOFDSTUK XXVIII, XXIX.
Davids laatste beschikkingen; Salomo wordt koning. — Dnvid vergadert allo voorname Israëlieten
te Jeruzalem (XXVIII: 1), doolt hun mede, dat God, dio hom verhinderd hooft zijn voornemen om
ecu tempel te bouwen ten uitvoer te brengen, hiertoe zijn zoon Salomo heeft uitverkoren (2—7),
-ocr page 863-
943
1 KRONIBKBN XXVIII : 1—7.
wien hij, evenals hen, aanspoort om Jahwe\'s geboden te onderhouden (8—10). Hij geeft aan Salomo
het model van den tempel en het goud en zilver voor het vaatwerk van het heiligdom (11—19);
tot zijne bemoediging wijst hij hem op degenen die hem ter zijde zullen staan (20 v.). Vervolgens
zich tot het volk wendende, vraagt David, wie voor den tempelbouw iets over heeft (XXIX: 1—5). De
aanzienlijke Israëlieten brengen vrijwillig groote geschenken, waarover koning en volk zich verheugen
(G—9). David looft Jahwe, aan wien dat alles te danken is, en bidt dat hij volk en koning bij die
goede gezindheid bewnre (10—19). Op Davids aansporing, looft het gansehc volk Jahwe en maakt
Salomo koning (20—22), wiens regcering voorspoedig en luisterrijk is geweest (23—25). Kinde van
Davids regeering (20—28). Besluit zijner geschiedenis (29 v.).
De hier gegeven voorstelling wijkt sterk af van hetgeen wij 1 Kon. 1:1—11:12 over den laatsten
tijd van David lezen. Terwijl hij daar een afgeleefde grijsaard is, die onder den invloed zijner om-
geving staat, stelt onze schrijver hem voor in volle kracht en zelfstaudig tot het einde toe. In plaats
van de gedachten van wraak die volg. 1 Kon. II: 5—9 den koning op zijn sterfbed bezighouden,
vervult hem hier tot het laatste toe de gedachte aan den bouw van Jahwe\'s tempel en den cercdienst.
Ook zouden wij uit onze hoofdstukken niet opmaken dat Davids laatste levensdagen cu het begin van
Salomo\'s regecring beroerd werden door een strijd om den troon (zie op XXIX: 24). Ilchclzcn dus
deze hoofdstukken, naar zij van de in Koningen gegeven voorstelling afwijken, niets geloofwaardigs
omtrent Davids laatste dngen, /.ij leeren ons daarentegen iets van de bedoelingen des schrijvers kennen. Hij
zet zijne verheerlijking van David voort (verg. inl. op II. XXII): het uiteinde van den koning naar
Jahwe\'s hart moest voorspoedig en schoon zijn geweest; hij kon zijn leveu niet geëindigd zijn met
gedachten van wraak. Voorts noopte ingenomenheid met den ceredienst den schrijver, zijnen lezers de
Israëlieten van den tijd van David en Salomo als voorbeelden van vrijgevigheid jegens den tempel
voor te stellen ; zie op XXJ.X ! ö—9.
XXVIII:! Toen vergaderde David alle oversten van Israël: de oversten der
stammen, de oversten der afdeelingen die den koning dienden, de
oversten van duizend en van honderd, de beheerders van alle bezit-
tingen en het vee van den koning en zijne zonen, alsmede de kamer-
2       lingen, de helden en alle dapperen, te Jeruzalem.\' En koning David
ging staan en zeide: Hoort naar mij, mijne broeders en mijn volk! Ik
was voornemens een huis der rust voor de ark des verbonds van Jahwe
en voor de voetbank van onzen god te bouwen, en heb ook voor den
3       bouw toebereidselen gemaakt; \' maar God heeft tot mij gezegd: Gij
zult voor mijn naam geen huis bouwen; want gij zijt een oorlogsman
4       en hebt bloed vergoten.\' Doch Jahwe, Israëls god, heeft mij uit mijne
gansche familie uitverkoren om tot in eeuwigheid koning te zijn over
Israël; want Juda heeft hij tot vorst verkoren, in het huis Juda mijne
familie, en onder de zonen mijns vaders heeft hij welbehagen gehad
5       in mij, om mij koning over gansch Israël te maken; \' en van al mijne
zonen — want tal van zonen heeft Jahwe mij geschonken — heeft
hij mijn zoon Salomo uitverkoren om te zitten op Jahwe\'s konings-
6       troon,\' en hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon iSalomo, die zal mijn huis
en mijne voorhoven bouwen; want ik heb hem mij ten zoon uitver-
7       koren, en zal hem ten vader zijn;\' ik zal zijn koningschap beves-
tigen tot in eeuwigheid, indien hij mijne geboden en verordeningen
1.   de oversten der stammen. Zie XXVII: 16—22. — de oversten der afdeelingen — dienden. Zie
XXVH:2—15. — de beheerder» — koning. Zie XXVII: 25—31. — de helden. Zie XI: 10—47.
2 v. Zie op XXII: 8.
2.   de voetbank van onzen god, de ark, waarop Jahwe tusschen de cherubs geacht werd te wonen;
xie op Exod. XXV: 17 en op Ps. XCIX:5. — en heb — gemaakt. Zie XXII: 2—*, 14—16;
XXIII—XXVI.
4. Wij verwachten nu te hooren: maar uw zoon Salomo zal voor mij een huis bouwen; doch dit
volgt eerst vs. 0. Hetgeen David daaraan laat voorafgaan van Jahwe\'s belofte aangaande het eeuwige
koningschap van zijn huis is ontleend aan 2 Sam. VII; wat echter daar in den gcdachtengang zeer
gepast is ia hier min of meer storend.
4.  Juda — verkoren, tot den stam waaruit de koning zou voortkomen; zie op V: 2.
5.  Jahwe"* koningstroon. Jahwe is de eigenlijke koning van Israël; de koning zijn stedehouder; Terg.
XXIX \' 23
6.   ia. Verg. XVII: 12 v.; XXII: 10.
7.  Verg. 1 Kon. 111:14; VI: 12; VIII: 61; IX: 4.
-ocr page 864-
1 KRONIEKEN XXVIII : 7—18.
944
8       getrouw betracht, zooals hij heden doet.\' Welaan, ten aanschouwen van
gansch Israël, Jahwe\'s vergadering, en ten aanhooren van onzen god:
onderhoudt al de geboden van Jahwe, uw god, en vraagt er naar;
opdat gij het goede land in bezit houdt en aan uwe zonen na u ten
erfdeel nalaat, voor eeuwig.
9           En gij, mijn zoon iSalorao, erken den god uws vaders en dien hem
niet een onverdeeld hart en een willig gemoed; want alle harten onder-
zoekt Jahwe, en elk maaksel van overleggingen doorziet hij; indien gij
naar hem vraagt, zal hij zicli door u laten vinden; maar indien gij
10       hem verlaat, zal hij u voor altijd verstouten.\' Zie nu, dat Jahwe u
heeft uitverkoren, om hem een huis ten heiligdom te bouwen; wees
sterk en voer het uit.
11            Toen gaf David aan zijn zoon Salomo het model van het schip met
zijne gebouwen: schatkamers, bovenkamers en binnenkamers, en van
12       het huis van het deksel: \' alsmede het model van al wat liem in den
geest voor oogen stond: van de voorhoven van Jahwe\'s huis en al de
vertrekken rondom, bestemd tot magazijnen van het huis Gods en van
13       de wijgeschenken, \' het ontwerp omtrent de afdeelingen der priesters
en der Levieten, omtrent al het dienstwerk in Jahwe\'s huis en omtrent
14       alle gereedschappen ten behoeve van den dienst in den tempel. \' Voorts
eene opgave van het gewicht aan goud, van het goud, voor alle ge-
reedschappen voor elk deel van den dienst afzonderlijk, en van het
gewicht van alle zilveren gereedschappen, van alle gereedschappen voor
lf) elk deel van den dienst afzonderlijk.\' Verder het gewicht aan goud
voor de gouden luchters met hunne lampen, voor eiken luchter met
zijne lampen afzonderlijk, en voor de zilveren luchters, voor eiken
luchter met zijne lampen, zooveel als voor eiken luchter afzonderlijk
16       noodig was.\' Ook het goud, afgewogen, voor de tafels voor het stapel-
brood, voor elke tafel afzonderlijk, en zilver voor de zilveren tafels;\'
17       en de vorken, offerschalen en kannen van zuiver goud, en het benoo-
digde voor de gouden pullen, voor elke pul afzonderlijk afgewogen, en
18       voor de zilveren pullen, voor elke pul afzonderlijk afgewogen; \' voorts
gelouterd goud voor het wierookaltaar, afgewogen, en goud voor het
model van den wagen, de cherubs, die hunne vleugelen uitspreidden
10.   De toespraak vim Salomo wordt door vs. 11—18 afgebroken en va. 19 voortgezet.
11.  hel iiimlsl, dat David van Jahwe had ontvangen, vs. 10, evenals Mozcs dat van den tabernakel,
Kxod. XXV:D, 10. — hel schip, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hel voorportaal. — schatkamers, waar-
schijnlijk in den ombouw vnn drie verdiepingen, 1 Kon. VI: 5 v.; VII: 51. — bovenkamers. De tcm-
pcl had dus cene bovenverdieping, wat volg. 1 Kon. VI: 20 (zie aldaar) slechts van het gedeelte boven
het koor gold. In den tempel van Herodes was dit stellig het geval. — binnenkamers, in tegenstcl-
ling met de vertrekken in den ombouw, het schip of heilige zelf met het voorportaal. — hel huis
van het deksel,
het allerheiligste; zie op Exod. XXV: 17.
12.  de vertrekken ronilom. Zie XXIII: 28.
13.  het oulicerp, dnidclijkhcidshalve ingevoegd; evenzoo in het volgende vers MM opgave.
15. luchters. Zie 1 Kon. VII : 49 en op Exod. XXV: 81—38. Van zilveren luchters is alleen
hier sprake; zij stonden waarschijnlijk, in den tijd des schrijvers, in het voorportaal en andere
vertrekken.
10. «V tafels voor hel slapelbrood. Volg. 2 Kron. IV : 8, 19 waren er tien. Volg. 1 Kon. VII: 48 was
er slechts cene; zoo ook in den tabernakel (Exod. XXV: 23—30), terwijl onze schrijver zelf
elders (2 Kron. XXIX: 18) ook slechts éene vermeldt. Waarschijnlijk heeft hij gemeend dat bij
de tien luchters tien tafels behoorden. — zilver — tafels. Zilveren tafels komen elders in het
O. T. niet voor.
17.  vorken, offerschalen. Zie op Exod. XXVII: 3.
18.  het tcierookaltaar. Zie op Exod. XXX: 1—10. — voor het model van den Kagen, om den
wagen naar het daarvan getoonde model te vervaardigen. De benaming „wagen" voor de cherubs is
ontleend aan Ezecb. 1:4—24; zie aldaar. — de — bedekten. De schrijver neemt het bericht van 1
Kon. VI :23a—28 over, zonder acht te slaan op de voorstelling van Exod. XXV: 10—22, of stilzwij.
gend aannemende dat de ark met cherubs op het deksel onder de vleugels der groote cherubs gc-
stoau heeft.
-ocr page 865-
945
1 KBONIBKBN XXVIII : 18—XXIX ! 8.
19       over de ark des verbonds van Jahwe en haar bedekten.\' Dit alles heeft
Jahwe in een geschrift van zijne hand mij duidelijk gemaakt, alle
werken van het model.
20           Nog zeide David tot zijn zoon Salomo: Wees sterk en kloek en vat
het werk aan; vrees niets en wees niet versaagd; want Jahwe God,
mijn god, is met u; hij zal u begeven noch verlaten voordat al het
21       werk voor den dienst in Jahwe\'s huis voltooid is.\' En ziedaar de
afdeelingen der priesters en der Levieten voor den gansenen dienst in
het huis Gods; voorts hebt gij bij het gelieele werk te uwer beschik-
king allerlei kunstenaars, die tot allerlei dienst bereid zijn, alsmede de
oversten en het gansche volk, voor al uwe aangelegenheden.
XXIX: 1 Toen zeide koning David tot de gansche vergadering: Mijn zoon
Balomo, dien God verkoren heeft, is jong en teer, en het werk is
groot; want niet voor een mensch is de burcht bestemd, maar voor
2       Jahwe God.\' Zooveel ik kon heb ik voor het huis mijns gods gereed
gelegd: het goud voor de gouden, het zilver voor de zilveren, het ijzer
voor de ijzeren, het hout voor de houten voorwerpen, onyxsteenen en
inzetsteenen, pronksteenen en steenen met veelkleurige aderen, aller-
3       hande edelgesteenten en marmerblokken, in overvloed.\' Daarenboven
— want ik heb een welgevallen in het huis mijns gods — ik persoon-
lijk heb een vermogen, goud en zilver; dat geef ik aan het huis mijns
gods boven en behalve al wat ik voor het heiligdom reeds heb gereed-
4       gelegd:\' drie duizend talenten goud, van het üürgoud, en zeven duizend
talenten gelouterd zilver, om daarmede de wanden der gebouwen te
5       overtrekken,\' en voor de gouden en de zilveren versieringen, en voor
al het werk van kunstenaarshand. Wie biedt zich nu vrijwillig aan,
om heden een wijdingsoffer te brengen aan Jahwe?
ö          Toen boden zich vrijwillig aan de oversten der familiën, die der
stammen van Israël, die van duizend en van honderd, alsmede de be-
7       heerders van het bedrijf des konings.\' Zij gaven voor den dienst van
het huis Gods: aan goud, vijf duizend talenten en tien duizend darie-
ken; aan zilver, tien duizend talenten; aan koper, achttien duizend
8       talenten; aan ijzer, honderd duizend talenten.\' Voorts stond ieder wat
bij hem aan edelgesteenten gevonden werd af voor den schat van
19.   David wordt hier weder, aansluitend aan vs. 10, sprekende ingevoerd. — een geschrift. Het
blijkt niet, of de schrijver hiermede doelt op Exod. XXV—XXXI, dan wel op een afzonderlijk geschrift,
dat Jahwe aan David bij de modellen heeft ter hand gesteld.
20.  Nagenoeg dezelfde woorden spreekt Mozes tot Jozua, Dcut. XXXI: 8; Joz. 1: 5. Blijkbaar denkt
de schrijver zich de verhouding van David tot Salomo als die van Motet tot zijn opvolger.
21.  allerlei kunstenaars. Verg. Exod. XXXVI: 1 v. — de oversten. Zie op XXII: 17.
1.   dien, volg. Gr. vert.; Hebr. t. éenen. — burcht. Alleen hier en vs. 19 draagt de tempel dezen
naam; in Nehemja, Ester en Daniël heet zoo de stad Sjusjan.
2.   Zie XXII: 14. — onyxsleenen en inzetsteenen. Zie op Exod. XXV: 7. —pronksteenen, letterlijk
steenen van spiesglans; verg. op Jez. LIV:11.
4.   hel Ofirgoud, d. i. het goud hetwelk door den handel op Oilr in het land kwam. De schrijver
vergeet dat dit eerst in Salomo\'s tijd het geval was ; zie 1 Kon. IX: 28. — om — overtrekken. Zio
2 Kron. III: 5—10.
5.   een wijdingsoffer te brengen. Dit wordt gewoonlijk, ook door onzen schrijver (2 Kron. XIII: 9),
van de priesters gezegd (zie op Exod. XXVIH:41); alleen hier van hen die vrijwillige gaven
schenken.
6—9. De aanzienlijken in Davids tijd heeten even gewillig om gavon voor het heiligdom te offeren
als do stamvorsten in dien van Mozes (Num. VII).
6.  Zie XXVIII: 1.
7.   darieken, cene Perzische gouden munt, ter waarde van ruim 13 gulden; behalve hier komt
zij alleen nog Ezra II: 69 j VIII: 27; Neh. VII: 70—72 voor. Deze munt is eerst door Darius
Hystaspis (521—485) geslagen; dat onze schrijver ze reeds in de geschiedenis van David vermeldt
bewijst dat zij in zijn tijd reeds lang gangbaar was; hij moet dus geleefd hebben toen de Israëlieten
geruimen tijd onder de Perzische heerschappij hadden gestaan.
8.  Jehiël. Zie XXVI: 21 v.
60
O. T. I.
-ocr page 866-
1 KRONIEKBN XXIX : 8—24.
946
9 Jahwe\'s huis, onder het opzicht van Jehiël, den Gersjoniet.\' En het
volk verheugde zich over hunne gewilligheid; want met een onverdeeld
hart schonken zij vrijwillig hunne gaven aan Jahwe, en ook koning
David verheugde zich zeer.
10           Toen loofde David Jahwe ten aanschouwen van de gansche verga-
dering en zeide: Geloofd zijt gij, Jahwe, god van onzen vader Israël,
11       van eeuwigheid tot eeuwigheid! \' U, Jahwe, is de grootheid, de kracht,
de luister, de glorie en de majesteit; want alles in hemel en op aarde
behoort u; u, Jahwe, is de heerschappij, en gij zijt het die u als hoofd
12       over alles verheft.\' De rijkdom en de heerlijkheid komen van u; gij
regeert over alles: in uwe hand is sterkte en kracht, in uwe hand is
13       het alles groot en sterk te maken.\' Daarom, onze god, loven wij u
14       en prijzen wij uw luisterrijken naam;\' wie toch ben ik en wat is mijn
volk, dat wij in staat zouden zijn zulke vrijwillige gaven te brengen?
15       Van u is alles, en uit uwe hand hebben wij het u gegeven.\' Want
vreemden zijn wij voor u en opgezetenen als al onze vaderen; als eene
16       schaduw zijn onze dagen op aarde, zonderdat er hoop is. \' Jahwe, onze
god, deze gansche schat, dien wij gereedgelegd hebben om voor u,
voor uw heiligen naam, een huis te bouwen, komt uit uwe hand en
17       behoort geheel aan u.\' En ik weet, mijn god, dat gij het hart toetst
en een welgevallen hebt in oprechtheid: ik heb met een oprecht hart
dit alles vrijwillig geschonken, en nu heb ik gezien dat ook uw volk
18       dat zich hier bevindt met blijdschap vrijwillige gaven brengt;\' Jahwe,
god van onze vaderen Abraham, Izaiik en Israël, bewaar dit voor
eeuwig, zulk eene gezindheid in het hart van uw volk, en richt hun
19       hart op u.\' Geef ook aan mijn zoon Salomo een onverdeeld hart om
uwe geboden, vermaningen en inzettingen te onderhouden, alles uit te
voeren en den burcht te bouwen waarvoor ik alles heb toebereid.
20           Toen zeide David tot de gansche vergadering: Looft toch Jahwe, uw
god! En de gansche vergadering loofde Jahwe, den god harer vaderen,
21       boog en wierp zich voor Jahwe en den koning neder.\' En den vol-
genden dag slachtten zij slachtoffers voor Jahwe en brachten zij aan
Jahwe brandoffers: duizend stieren, duizend rammen, duizend lammeren,
met de daarbij behoorende plengoffers, en slachtoffers in menigte, voor
22       gansch Israël.\' Te dien dage aten en dronken zij voor Jahwe\'s aange-
zicht met groote blijdschap, en maakten Salomo, den zoon van David,
voor de tweede maal koning; zij zalfden hem tot vorst voor Jahwe
23       en Sadok tot priester.\' Zoo zette zich Salomo op Jahwe\'s troon als
koning in plaats van zijn vader David, en hij had voorspoed. Gansch
24       Israël gehoorzaamde hem;\' ook betoonden zich al de oversten en helden,
Vs. 16a. Pt. XXXIX: 13. — Vs. 15*. Job VIII: 94.
10.  god — Itrael. Verg. v§. 18.
11.  bekoort u, het laatste woord volg. verb. t. — mant — verheft. De denkbeelden over Jahwe\'s
almacht, hier uitgesproken, zijn veel verhevener dan die welke in oudere geschriften aan David wor-
den toegekend; zie b. v. op 1 Sam. XXVI: 19.
14.   Van — gegeven. Verg. 1 Kor. IV: 7.
15.   vreemden — opgezetenen, wij leven op een bodem die de onze niet is, van uwe gastvrijheid.
Zie op Gen. XXI11:4. — zonderdat er hoof U, om hier op aarde te blijven. Ook het vluchtige van
ons leven bewijst dat wij hier Gods gasten zijn.
22. voor de ticeede maai. De eerste maal XXIII: 1. — Sadok tol prieiter, tot hoogepricster. Daar
Sadok dit reeds voorlang was (zie VI: 8; XXIV: 8, 6, 31), bedoelt de schrijver blijkbaar dat hij bij
de troonsbeklimming van Salomo opnieuw gekozen en gezalfd is. Aanleiding tot deze voorstelling gaf
1 Kon. II: 35, waar Sadok in plaats van Abjathar door Salomo tot priester wordt aangesteld. Over
de zalving van priesters, die in Koningen nergens vermeld wordt, zie op Exod. XXIX : 7.
28. Verg. 1 Kon. II: 12.
24. ai de zonen van koning David, dus ook Adonia. Dat hij tot onderwerping gedwongen werd en
-ocr page 867-
1 KRONIEKBN XXIX : 24—2 KRONIEKEN 1:3.                           947
alsmede al de zonen van koning David, aan koning Salomo onderdanig.\'
25 En Jahwe maakte Salomo uitermate groot ten aanschouwen van gansch
Israël en verleende hem een luisterrijk koningschap, zooals geen enkel
koning van Israël vóór hem bezeten had.
2G
         Zoo is David, de zoon van Izai, koning geweest over gansch Israël.\'
27      De tijd dien hij over Israël geregeerd heeft is veertig jaar: te Hebron
28      regeerde hij zeven en te Jeruzalem drie en dertig jaar.\' Hij stierf in
hoogen ouderdom, zat van jaren, rijkdom en eer, en zijn zoon Salomo
werd koning in zijne plaats.
29          De geschiedenis nu van koning David, de vroegere zoowel als de
latere, is beschreven in de Geschiedenis van Samuel, den ziener, in
30      die van Nathan, den profeet, en in die van Gad, den schouwer: \' zijn
gansche koningschap, zijne heldendaden en de lotgevallen die hij, Israël
en alle koninkrijken der wereld gehad hebben.
ten slotte als verdocht van hoogverraad ter dood gebracht is (1 Kon. 1:49—53; 11:13—25) zouden
wij hieruit niet opmaken.
25. geen enkel koning van Israël. Overdreven uitdrukking. Immers gingen slechts twee koningen
aan hem vooraf.
27. Evenzoo 1 Kon. 11:11.
29.  de Geschiedenis — schouwer, waarschijnlijk dat gedeelte van het herhaaldelijk vermelde Boek
der koningen van Israël en Juda waarin de geschiedenis van David stond. De hier genoemde profeten
treden op 1 Sam. XVI: 1—13; XIX: 18—24; XXII: 5; 2 Sam. VII; XII: 1—25; XXIV; 1 Kon.
1:11—11:12. Verg. op 2 Kron. IX: 29.
30.   die — hebben, letterlijk die tijn heengegaan over. — alle koninkrijken der wereld. Overdreven
uitdrukking. Bedoeld zijn natuurlijk de lotgevallen alleen van die landen met welke Israël tijdens
David in aanraking is geweest.
TWEEDE BOEK.
HOOFDSTUK I.
Begin van Salomo\'s regeering. — Salomo wordt koning en is voorspoedig (1); hij gaat, door talrijke
Israëlieten gevolgd, eene rijke offerande bij den tabernakel te Gibeon brengen (2—6). Daar staat
Jahwe hem toe, een wensch te kennen te geven (7); waarop Salomo om wijsheid vraagt, ten einde
zijn talrijk volk goed te bestureu (8—10); Jahwe, hierover voldaan, willigt zijne bede in en belooft
hem buitendien rijkdom en roem (11 v.); waarop Salomo naar Jeruzalem terugkeert en de regeering
aanvaardt (13). Zijne strijdwagens en paarden (14—17).
De hier voorkomende bijzonderheden zijn, dikwerf woordelijk, aan Koningen ontleend; hier en daar
echter heeft do schrijver er niet onbelangrijke wijzigingen in aangebracht; zie op vs. 2—6,13 en 14—17.
Weggelaten zijn: 1 Kou. 1:1—111:3 (doch zie op vs. 1), omdat het daar verhaalde eene schaduw op
Salomo\'s regeering werpt, en 1 Kon. III: 16—28, waar een voorval vermeld wordt dat voor het
doel des schrijvers, de geschiedenis van Israëls godsdienstigen toestand tijdens Salomo, van geen ge-
wicht was (verg. inl. op 1 Kron. XIX : 1—XX: 8).
1:1         Salomo dan, de zoon van David, versterkte zich in zijn koningschap,
en Jahwe, zijn god, was met hem en maakte hem uitermate groot.\'
2      En Salomo sprak tot gansch Israël, de oversten van duizend en van
honderd, de rechters, alle vorsten van gansch Israël en de familie-
3      hoofden,\' en ging met die geheele vergadering naar de hoogte te
Gibeon; want daar was de tent der samenkomst van God, die Mozes,
1.  Zie 1 Kon. 11:12, 40*. — maakte hem uitermate groot. Zie 1 Kron. XXIX: 25.
2—6. Uitbreiding van 1 Kon.  III: 4. Wat onze schrijver meer heeft dient om Salomo te vrijwaren
voor de verdenking dat hij te Oibeon een onwettig offer zou hebben gebracht; zie op 1 Kron.
XVI: 39.
2 v. In 1 Kon. III: 4 wordt  van eene menigte die Salomo vergezelt geen melding gemaakt. Onze
schrijver laat bij alle plechtige  gelegenheden de vertegenwoordigers van Israël aanwezig zijn; verg.
inl. op 1 Kron. XIII.
2.  en, voor de familiehoofden,  uit Gr. vert. ingevoegd.
-ocr page 868-
948
2 KRONIEKEN 1:3—17.
4       Jahwe\'s dienstknecht, in de woestijn gemaakt had.\' Doch David had
de ark Gods uit Kirjath-jearim opgebracht naar de plaats die David
voor haar had ingericht; want hij had voor haar eene tent opgeslagen
5       te Jeruzalem.\' Ook het koperen altaar, dat Besaleël, de zoon van Ori,
den zoon van Hur, gemaakt had, was daar voor den tabernakel van
r> Jahwe, en dit zochten Salomo en de vergadering op.\' Daar, op het
koperen altaar voor Jahwe, dat tot de tent der samenkomst behoorde,
daarop bracht Salomo duizend brandoffers.
7           In dien nacht nu verscheen God aan Salomo en zeide tot hem:
8       Doe een verzoek; wat zal ik u geven ?\' Hierop zeide Salomo tot God:
Gij hebt aan mijn vader David groote gunst bewezen en mij in zijne
9       plaats koning gemaakt.\' Laat dan, Jahwe God, het woord dat gij tot
mijn vader David gesproken hebt bewaarheid worden; daar gij mij
koning gemaakt hebt over een volk talrijk als het stof der aarde,\'
10      geef gij mij nu wijsheid en kennis; opdat ik voor dit volk kan uit-
11       en ingaan; want wie zou dit uw groote volk kunnen besturen!\' En
God zeide tot Salomo: Dewijl dit in uw hart geweest is en gij rijk-
dom noch schatten, roem noch den dood uwer haters, zelfs geen lang
leven begeerd hebt, maar begeerd hebt wijsheid en kennis, om mijn
12       volk, waarover ik u koning gemaakt heb, te besturen,\' zoo zij die
wijsheid en die kennis u geschonken, en zal ik u ook rijkdom, schatten
en roem geven, zooals de koningen die vóór u geweest zijn niet hebben
13       bezeten en niemand na u bezitten zal.\' Toen kwam Salomo van de
hoogte te Gibeon, van vóór de tent der samenkomst, weder te Jeru-
zalem en werd koning over Israël.
14           Salomo nu bracht strijdwagens en ruiters bijeen: hij had veertien-
honderd strijdwagens en twaalf duizend ruiters, die hij legde in de
15       wagensteden en bij den koning in Jeruzalem.\' De koning maakte het
zilver en het goud te Jeruzalem als steenen, en het cederhout maakte
1(5 hij al» het moerbeziehout in de Laagte, zoo overvloedig.\' De uitvoer
van paarden voor Salomo geschiedde uit Egypte; de kooplieden des
17 konings haalden ze bij koppels tegen betaling;\' ook gingen zij naar
Egypte en voerden uit: den strijdwagen voor zeshonderd zilveren sik-
kels, het paard voor honderd vijftig. Aldus deden zij voor al de koningen
der Hittieten en voor de koningen van Aram; door hunne bemiddeling
geschiedde de uitvoer.
5. Zie Exod. XXXI :l—11 j XXXVIII:1.
0. \'/«/ — bekoorde, en dus niet, zooals 1 Kon. 111:4 ondersteld wordt, in een hoogtetenipcl stond.
7—12. Zie 1 Kon. 111:5—13 en nantt. aldaar; de schrijver heeft een en ander verkort of omgezet.
!». hel woord — hebt. Zie 1 Kron. XVII: 11—14.
12.  de koningen — zijn. Zie on 1 Kron. XXIX : 25. — niemand — zal. Dit wordt 1 Kon. III:
12—14 niet beloofd. Omgekeerd laat onze schrijver de belofte van een lang leven, die Jahwe daar
aan Salomo doet, weg, misschien omdat de daaraan verbonden voorwaarde volg. 1 Kon. XI: 1—8 niet
vervuld werd.
13.   van de, volg. Gr. vert.; Hebr. t. op de. — werd koning over Itrail. Dit staat in Koningen
eerst 1 Kon. IV: 1.
14—17. Deze verzen komen ook 1 Kon. X: 26—29 voor. Onze schrijver heeft ze naar den aan-
vaug van Salomo\'s geschiedenis verplaatst, om terstond te doen zien, hoe Jahwe\'s belofte aan Salomo
glansrijk vervuld werd. Hij herhaalt ze in verkorten vorm IX: 25, 27 v.
15.  het goud. Dit wordt 1 Kon. X:27 (verg. IX: 27) niet genoemd. De bijvoeging dient tot opsic-
ring der beschrijving van -Salomo\'s rijkdom.
16.  bij koppelt. Zie op 1 Kon. X: 28.
HOOFDSTUK II.
Toebcreidsclen tot den tcmpclbouw. — Salomo zondert arbeiders af voor den bouw van tempel en
paleis (1 v.). Hij vraagt van den koning van Tyrus voor den tempelbouw een bouwmeester en hout
-ocr page 869-
2 KB0N1BKBN II ! 1—8.
\'J49
van den Libanon (3—9), tegen eenc gift van levensmiddelen aan de werklieden (10). De koning van
Tyrus geeft een gunstig antwoord (11—16). Opgave van het aantal vreemden die Salomo in dienst
stelt (17 v.).
Het hier verhaalde is in hoofdzaak aan 1 Kon. V; VII: 13 v. ontleend. l)e schrijver heeft zich
echter niet onbelangrijke afwijkingen veroorloofd, met het doel Israël en zijn koning te verheerlijken:
Salomo\'s verhouding tot den Tyrischen koning is hier voor Israëla vorst veel eervoller dan daar;
Hurams toon is onderdaniger; de stedehouder van Jahwe wordt door den vreemden vorst meer met
den aan Jahwe verschuldigdcn eerbied behandeld (zie op vs. 10 en 15); de eer de heilige voorwerpen
vervaardigd en de versieringen aan den tempel aangebracht te hebbeu komt niet alleen den buiteu-
lander, maar ook Israëlietiseheu kunstenaars toe (zie op vs. 7, 8 en 18).
II: 1         Toen Salomo besloten had een huis voor den naam van Jahwe en
2       een huis voor zijn koningschap te bouwen,\' telde hij af zeventig dui-
zend lastdragers en tachtig duizend steenhouwers in het gebergte, terwijl
3       drie duizend zeshonderd opzichters over hen gesteld waren.\' Hierop zond
Salomo aan Huram, den koning van Tyrus, deze boodschap: Wat gij
voor mijn vader David gedaan hebt, wien gij ceders zondt, opdat hij
4       voor zich een huis zou bouwen om er in te wonen — \' zie, nu ga ik
een huis bouwen voor den naam van Jahwe, mijn god, om het aan
hem te heiligen, ten einde offerwierook voor hem te ontsteken, het
stapelbrood geregeld neder te leggen, brandoffers te brengen des mor-
gens en des avonds, op de sabbatten, de nieuwemanen en de feesttijden
5       van Jahwe, onzen god; waartoe Israël voor altijd verplicht is.\' En het
huis dat ik ga bouwen moet groot zijn; want onze god is grooter dan
ö alle goden;\' wie zou in staat zijn voor hem een huis te bouwen?
Immers, de hemel, ja zelfs de hoogste hemel, kan hem niet bevatten;
wie ben ik dan dat ik voor hem een huis zou bouwen, tenzij om vóór
7       hem offers te ontsteken?\' Zend mij dus een kunstenaar die goud, zilver,
koper, ijzer, purper, karmijn en violet bewerken kan en kundig is in
het snijden van figuren; opdat hij werke met de kunstenaars die bij
mij in Juda en te Jeruzalem zijn, die mijn vader David heeft beschik-
8       baar gesteld.\' Zend mij ook cederen- en cypressenstamruen en sandel-
hout van den Libanon; want ik weet dat uwe knechten bekwaam
zijn in liet vellen van de boomen van den Libanon; en zie, mijne
Vs. 5. Exod. XVII1:11. — Vs. 6. VI: 18; 1 Kon. VIII:27.
1.   een huis voor zijn koningschap. Wat in 1 Kon. VII: 1—12 van dit paleis verhaald wordt blijft
hier achterwege: het staat met den eeredienst niet in betrekking en boezemt den schrijver dus geen
belangstelling in.
2.  Zie 1 Kon. V:15v.
3.   Hierop — boodschap. Volg. 1 Kon. V: 1 v. had deze zending plaats naar aanleiding van bet
door den Tyrischen koning aan Salomo gezonden gezantschap om hem met zijne troonsbestijging geluk
te wenschen. — Huram. Hij heet 1 Kron. XIV: 1 Hiram; 1 Kon. V : 1, 7, 10, 18 Hirom. — men —
iconen. Zie 2 Sam.. V: 11; 1 Kron. XIV: 1. Volg. 1 Kron. XXII: 4 hadden de Kcniciërs aan David
ook reeds voor den tcmpclbouw ceders geleverd.
4.   De nazin beantwoordt niet aan hetgeen de voorzin verwachten deed; hij had moeten zijn: dit
moet gij ook voor mij doen, nu ik een huis ga bouwen enz. — offerwierook voor hem te ontsteken. Zie
Exod. XXX : 1—10. — het stapelbrood geregeld neder te leggen, letterlijk de geregelde stapeling. Zie
Exod. XXV : 23—30. — brandofers — god. Zie Num. XXVIII: 1—XXIX: 89.
6.   tensij — ontsteken. De tempel is dus niet Jahwc\'s woning, maar de plaats waar hij vereerd
wordt. De schrijver drukt zich nog sterker uit dan die van 1 Kon. VIII: 27—30.
7.   Met den kunstenaar wordt bedoeld de 1 Kon. VII: 13 v., 40 genoemde Tyriër, die echter volgens
die plaats en IV : 11—16 alleen bekwaam was in het bewerken van metalen. Bij het opnoemen zijner
kundigheden stond den schrijver Exod. XXXI: 1—11; XXXV : 30—35 voor den geest. — opdat hij
toerke,
hier en vs. 14 duidelijkheidshalve ingevoegd. — de kunstenaars — gesteld. Zie 1 Kron.
XXII: 15; XXVIII: 21. De schrijver doet met nadruk uitkomen dat ook Israëlieten in staat waren
de heilige voorwerpen voor Jahwc\'s tempel te vervaardigen. Wat bij den tabernakel door Israëlieten
was verricht (Exod. XXXV—XL) kon bij den tempel niet door buitenlanders alleen zijn gedaan.
8.   sandelhout. Dit wordt 1 Kon. V:8 niet genoemd en kwam volg. 1 Kon. X : 11 (zie aldaar)
niet van den Libanon, maar uit Oflr. — ik meet — Libanon. Dat niemand onder de Israëlieten
dit werk verstond zooals de Sidouiérs (1 Kon. V : 6) laat onze schrijver, als voor de Israëlieten ver-
nederond, weg.
-ocr page 870-
2 KRONIKKBN II : 8—18.
950
9 knechten zullen zich bij de uwe voegen;\' en laat hout in overvloed
voor mij worden gereedgemaakt; want het huis dat ik ga bouwen
10       moet groot en wonderbaar zijn.\' En zie, aan de houthakkers, de vel-
lers der booruen, lever ik, als spijsvoorraad voor uwe knechten, twintig
duizend ton tarwe, twintig duizend ton gerst, twintig duizend vat
wijn en twintig duizend vat olie.
11            En Huram, de koning van Tyrus, antwoordde in een schrijven dat
hij aan Salomo zond: Omdat Jahwe zijn volk liefheeft, heeft hij u tot
12       koning over hen aangesteld.\' Voorts zeide Huram: Geloofd zij Jahwe,
Israëls god, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat hij aan
koning David een wijzen zoon heeft gegeven, begaafd met verstand en
doorzicht, om een huis voor Jahwe en een huis voor zijn koningschap
13       te bouwen.\' Zoo zend ik u een kunstenaar, begaafd met doorzicht,
14       Huram-abi,\' den zoon eener vrouw uit Dan, maar wiens vader een
Tyriër was, een man kundig in het bewerken van goud en zilver, van
koper, ijzer, steen en hout, van purper, violet, fijn lijnwaad en karmijn,
in het snijden van allerlei figuren en in het beramen van allerlei ont-
werpen die hem worden opgegeven; opdat hij werke met uwe eigen
15       kunstenaars en die van uw vader, mijnen heer David.\' Mijn heerzende
dus de tarwe en de gerst, de olie en den wijn, waarvan hij gesproken
16       heeft, aan zijne knechten;\' dan zullen wij boomen op den Libanon
vellen, zooveel gij noodig hebt, en ze u in vlotten over zee toezenden
naar Jafo, van waar gij ze naar Jeruzalem kunt halen.
17           Hierop telde Salomo al de manlijke vreemden die in Israël waren,
na de telling welke zijn vader David van hen had doen houden; er
18       bleken er honderd drie en vijftig duizend zeshonderd te zijn.\' Van dezen
maakte hij zeventig duizend tot lastdragers, tachtig duizend tot steen-
houwers in het gebergte, en drie duizend zeshonderd tot opzichters
om den arbeid van het volk te besturen.
V». 11. l Kon. X: 9.
10. Dit is iets gansch anders dan de jaarlijksche levering waartoe Salomo volg. 1 Kon. V : !t—11
door den Tyrischcti koning verplicht wordt. De voorstelling van Koningen scheen den schrijver voor
Salomo niet eervol genoog. — ah spijsvoorraad, volg. Gr. vert. en 1 Kon. V: 11.
12.   zeide Huram, tot Salomo, in den brief. Volg. 1 Kon. V: 7 spreekt de koning dit niet tot Sa-
lomci, maar tot zijne omgeving. — die — gemaakt heeft. Huram spreekt als ware hij een Israëliet
uit den tijd des schrijvers; hij erkent Israëls god als den Eenige.
13.   Iluram-abi, d. i. ,Huram (is) mijn vader\', IV: 16 lluram-abiw, d. i. ,1 Inruilt (is) zijn vader\'; een
van beide is waarschijnlijk eene schrijffout, wellicht zijn beide het, van Huram, zooals hij IV: 11
heet; verg. op 1 Kon. VII: 13.
14.   uit Dan, volg. 1 Kon. VII: 14 uit Naftali. Waarschijnlijk dacht de schrijver aan Oholiab, die
uit deu stam Dan was; zie Eiod. XXXI: 6; XXXV: 34 v., welke plaaUeu hem stellig voor den geest
stonden. — mijnen heer David. Zoo onderdanig spreekt de Tyrischc koning in 1 Kon. V niet.
15.  De toon van den koning is hier veel minder gebiedend dan 1 Kon. V: 94.
16.  Jafo. Dit is 1 Kon. V: 9 niet genoemd. De schrijver vermeldt het omdat het de meest gelegene
havenplaats voor Jeruzalem was; volg. Ezra III: 7 werd hierheen ook het hout voor den tweeden
tempel vervoerd. Over Jafo zie op Joz. XIX: 46.
17.   vreemden. Zie VIII: 7 v.; 1 Kon. IX: 15, 20—22. — de telling — houden. Misschien wordt
gedoeld op 1 Kron. XXII: 2. — Het cijfer is de som van de vs. 18; 1 Kon. V:15v. genoemde
getallen.
18.   Wat hierop in 1 Kon. V:18 volgt laat de schrijver weg, blijkbaar omdat hij meent dat het
bereiden van de stammen en de steenen voor den tempelbouw door Israëlieten geschied was.
HOOFDSTUK IH:1—V:l.
De tempelbouw. — De plaats waar en het tijdstip waarop Salomo den tempel bouwt (Hl: 1 v.);
afmetingen, inrichting en versiering van het heiligdom (3—9). De cherubs en het voorhangsel (10—14).
De twee zuilen (15—17). Het koperen altaar en de xee met de waachbekkens (IV: 1—6). De luchters
en de tafel» ("».); de voorhoven (9 v.). Opsomming van al de koperen voorwerpen (11—18). Op-
-ocr page 871-
2 KU0NI2KIN 111:1—11.                                      951
telling van het gouden gereedschap (19—22). Overbrenging van Davids wijgcschcnkeii naar den
tempel (V:l).
In hoofdzaak volgt de schrijver 1 Kon. VI, VII, maar hij laat het een en ander weg dat hem geen
belang inboezemt. Enkele malen geeft hij het oudere verhaal zóo verkort weder dat hij onduidelijk
wordt (zie op 111:5 en 10), of heeft hij het misverstaan (zie op IV: 3 en 18). Uok wijzigde hij hier
en daar het oorspronkelijke verhaal opzettelijk, óf om iets dat hem daarin ergerlijk voorkwam (zie op
IV: 9), öf tot meerdere opluistering van het heiligdom (zie op 111:4, 6, 8, 15; IV: 5, 8 en 22), óf
om de beschrijving meer in overeenstemming te brengen met de inrichtiug van den tempel van zijn
tijd of van den in Exotltn beschreven tabernakel (zie op 111:14; IV: 6, 7 eu 9).
111:1 Toen begon Salomo het huis van Jahwe te bouwen, te Jeruzalem,
op den berg der Moria, waar aan zijn vader David de verschijning
was te beurt gevallen, ter plaatse die David er voor toebereid had, op
2       den dorschvloer van Oman, den Jebuziet.\' Hij begon te bouwen in de
3       tweede maand, in het vierde jaar zijner regeering.\' En dit zijn de
afmetingen volgens welke Salomo den grondslag legde bij den bouw
van het huis Gods: de lengte, in ellen van de vroegere afmeting, was
4       zestig, de breedte twintig el — \' het voorportaal, vóór het huis, langs
de breedte van het huis, was twintig el lang — en de hoogte was honderd
5       twintig el. Hij overtoog het van binnen met zuiver goud.\' Het groote
vertrek beschoot hij met cypressenhout, dat hij met hjn goud belegde,
6       met palmboomen en guirlanden er op;\' ook overtoog hij de wanden
tot opluistering met edelgesteenten, en het goud was goud van Par-
7       waim.\' Zoo bekleedde hij het huis, balken, dorpels, wanden en deuren,
met goud; ook sneed hij cherubs op de wanden uit.
8            Voorts maakte hij het allerheiligste vertrek, langs de breedte des
tempels twintig el groot en twintig el diep; hij bekleedde het met fijn
9       goud, zeshonderd talenten,\' en het gewicht der nagels bedroeg vijftig
sikkels aan goud. Ook de bovenkamers bekleedde hij met goud.
10           Hij vervaardigde in het allerheiligste vertrek twee cherubs, een
11       kunstwerk, en overtrok ze met goud.\' De vleugelen der cherubs hadden
eene lengte van twintig el; de eene vleugel van den eenen, van vijf
el, raakte den wand van den tempel, terwijl zijn andere vleugel, van
1.   op den berg der Moria. Alleen hier wordt naar Gen. XXII: 2 do tempelberg zoo genoemd; zie
iul. op Gen. XXII. — Kaar — gevallen. Zie 1 Kron. XXI: 16—XXII il. — ter — had, met verplaat-
sing van een paar woorden, volg. Gr. vert.
2.  maand. Hierop volgt in Hebr. t. nog in de tweede; volg. Gr. en Lat. vertt. weggelaten.
3.  in — afmeting, in heilige ellen; zie op Ezech. XL: 5.
4.   vuur het huü ... lang, volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. tóor de lengte. — de hoogte wat
honderd twintig el.
Volg. I Kon. VI: 2 was de tempel van Salomo slechts dertig el hoog. Dr tweede
tempel moet aanmerkelijk hooger zijn geweest. Immers, toen Herodes in het jaar 20 voor Chr. den
tempel wilde herbouwen, maakte hij er de Joden opmerkzaam op dat de vaderen den tempel zestig
el lager hadden gemaakt dan die van Salomo geweest was. Hij ging dus niet van het cijfer van
Koningen, maar van dat van onzen tekst uit, en leert ons derhalve dat de tweede tempel zestig el hoog
was. Onze schrijver, onderstellende dat het heiligdom van Salomo het latere ver overtrof, heeft dit
cijfer verdubbeld en gemeend dat het eene bovenverdieping had (verg. op 1 Kron. XXVIII: 11). De
tempel van Hcrodes was honderd el hoog. — Hij — goud. 7Ae op 1 Kon. VI: 21«, 22.
5.   Anders 1 Kon. VI: 15. — Uet groote vertrek, het schip of het heilige. Dat de tempel in twee
vertrekken verdeeld was is niet gezegd, maar wordt als bekend ondersteld. Desgelijks verzuimt de
schrijver te melden dat ook de wanden van het allerheiligste met hout beschoten werden.
6.   Van versiering der wanden met edelgesteenten is in Koningen geen sprake. Verg. 1 Kron.
XXIX: 2. — Parwaim, onbekend.
8.   groot, letterlijk lang, zie op 1 Kon. VI: 3. De hoogte wordt niet opgegeven, evenmin die van
de cherubs; wat in Koningen wel het geval is. De 1 Kon. VI: 20, 26 opgegeven cijfers pasten niet
bij de hoogte van het geheele gebouw, vs. 4. — zeehonderd talenten. Eene waarde van bijna 49 mil-
lioen gulden. Deze ongeloofelijk groote som wordt 1 Kon. VI: 20 niet vermeld.
9.  vijftig sikkel*, ruim acht hectogram (818,5 gr.). — de bovenkamer». Zie op 1 Kron. XXVIIIJ11.
10—13. Deze beschrijving komt overeen met die van 1 Kon. VI: 23a—28. Alleen wordt hier de
hoogte der cherubs niet aangegeven (zie op vs. 8) en komen in vs. 136 een paar trekken voor die
in Koningen schijnen te zijn uitgevallen.
10.   een kunstwerk, onzekere vertaling; 1 Kon. VI: 28a van olijvenhout. — (hij) overtrok, volg. Gr.
vert.; Hebr. t. men overtrok.
-ocr page 872-
952                                   2 KR0N1KKBN III! 11—IV : 8.
12       vijf el, een vleugel van den tweeden cherub raakte.\' Desgelijks raakte
de eene vleugel van den tweeden cherub, van vijf el, den wand des
tempels, terwijl zijn andere vleugel, van vijf el, den vleugel van den
13       eersten cherub aanroerde.\' De vleugels van deze cherubs spreidden
zich twintig el uit; zij stonden op hunne voeten met het gezicht naar
14       het huis.\' En het voorhangsel vervaardigde hij van violet, purper,
karmijn en tijn lijnwaad, en hij bracht daarop cherubs aan.
15           Voorts maakte hij, vóór het huis, twee zuilen, vijf en dertig el hoog,
ltf met eene kroon op den top, van vijf el.\' (Jok maakte liij guirlanden
als een krans en zette die op den top der zuilen, en honderd granaat-
17 appelen, die hij aan de guirlanden deed. \' Daarna richtte hij de zuilen
op voor het schip, de eene aan de rechter-, de andere aan de linker-
zijde; de rechter noemde hij Jachin, de linker Boaz.
IV: 1 Voorts vervaardigde hij een koperen altaar, twintig el lang, twintig
2       el breed en tien el hoog.\' (Jok vervaardigde hij de zee, gegoten werk,
tien el groot van den eenen rand tot den anderen, geheel rond, vijf
3       el hoog, en een snoer van dertig el omspande haar geheel.\' Op run-
deren gelijkende gestalten, die haar van rondom omgaven, waren onder
haar, van tien el, van alle kanten de zee omringende, dubbele rijen
4       runderen, te gelijk met haar gegoten;\' zij stond op twaalf runderen,
drie gewend naar het noorden, drie naar het westen, drie naar het
zuiden en drie naar het oosten; de zee was boven op hen, en al hunne
5       achterdeelen waren naar binnen gekeerd.\' Hare dikte was eene palm,
en haar rand was in den vorm van een bekerrand, een leliekelk; er
6       ging drie duizend vat in.\' Verder vervaardigde hij tien bekkens en
plaatste vijf ten zuiden en vijf ten noorden, tot wassching; de bestand-
deelen van het brandoffer moest men daarin afspoelen; en de zee was
voor de priesters, om zich daarin te wasschen.
7           Ook maakte hij de gouden luchters, tien, zooals daaromtrent veror-
dend was, en plaatste ze in het schip, vijf aan de zuid-, en vijf aan
8       de noordzijde.\' Desgelijks tien tafels, die hij in het schip nederzette,
13.   met — liui», zoodat mcu bij bet binnentreden van het allorhciligste hen van voren zag.
14.  Volg. 1 Kon. VI: 31 was het heilige van het allerheiligste niet door een voorhangsel, maar
door deuren gescheiden. Deze vermeldt onze schrijver IV : 22; doch hier neemt hij den tabernakel tot
voorbeeld; zie op Kxod. XXVI: 31. Wellicht hing in den tempel vau Zerubbabcl een voorhangsel.
15—17. Zie 1 Kon. VII: 15—22, 41 v.
15.   vijf en dertig el koog, 1 Kon. VII: 15 (zie ook 2 Kon. XXV: 17; Jer. Lil: 21) slechts acht.
tiem el.
16.  all een trant, met omzetting der letters; grondt, in het koor. Hedoeld is vlechtwerk om de kapi-
teclcn, 1 Kon. VII: 17. — konderd granaatappelen. Eene vergelijking met IV: 13 (1 Kon. VII: 18,
42) leert dat om elk kapiteel twee rijen granaten waren, elke van honderd stuks; de schrijver drukt
zich dus onnauwkeurig uit.
                                                             i
1. l)c vervaardiging van dit altaar en zijne afmetingen worden in Koningen niet vermeld, ofschoon
er van het altaar zelf gesproken wordt, 1 Kon. VIII: 22, 54; IX: 25; zie op 1 Kou. VII: 23. Verg.
Ezcch. XLIII: 13—17.
2—5. Zio 1 Kon. VII: 23—25.
3. De schrijver heeft 1 Kon. VII: 24 misverstaan. Daar toch is sprake, niet van ruuderbecldcn,
maar van de dubbele cierlijst die onder den rand van de zee om deze heen liep. Dit misverstand
had ten gevolge dat de schrijver hetgeen verder over de runderen gezegd wordt onmiddellijk liet vol-
gen (vs. 4), waardoor nu het oorspronkelijke vervolg (vs. 5) zeer ongeschikt achtcraankomt; zie op
1 Kon. VII: 26. — Op runderen gelijkende gittallen. De schrijver wil blijkbaar voorkomen dat men
aan eigenlijke sticrbeclden denkt.
5.   drie duizend, 1 Kon. VII: 26 twee duizend. — Aan het einde van het vers is tij hield wegge-
latcn, als uit 1 Kon. VII: 26 ingeslopen.
6.   Verder — noorden. Zie 1 Kon. VII: 38 v. De onderstellen van de bekkens, 1 Kon. VII: 27—87
uitvoerig beschreven, worden vs. 14 slechts vermeld. — Over de bestemming van de zee en de bek-
kens wordt in Koningen niet gesproken; de schrijver volgt hier Eiod. XXX : 17—21; XL: 30 v.
7.  Zie 1 Kon. VII: 49 en op 1 Kron. XXVIII: 15. — tien — wat. Dit wordt met nadruk gezegd,
opdat het niet den schijn hebbe alsof Salomo willekeurig van het voorschrift der wet, Exod. XXV:
31—40; XXXVII: 17—24, was afgeweken.
-ocr page 873-
2 KUONIEKBN IV ! 8—V : 1.                                    953
vijf aan de zuid-, en vijf aan de noordzijde, en voorts honderd gouden
9 offerschalen. \' Ook maakte hij het voorhof der priesters en den grooten
hof, alsmede deuren voor dien hof, welker vleugels hij met koper over-
10       trok.\' En hij plaatste de zee aan de zuidzijde, naar het zuidoosten.
11            Nog vervaardigde Huram de potten, schoppen en offerschalen. Zoo
voltooide Huram het werk dat hij voor koning Salonio in het huis
12       Gods verrichtte:\' twee zuilen, de twee holvormige kapiteelen hoven op
de zuilen, de twee vlechtwerken, om de twee holvormige kapiteelen
13       boven op de zuilen te bedekken,\' de vierhonderd granaatappels aan de
beide vlechtwerken — twee rijen granaatappels aan ieder vlechtwerk,
14       om de beide bolvormige kapiteelen op de zuilen te bedekken —\' de
15       tien onderstellen en de tien bekkens op die stellen,\' de t\';ene zee en de
16       twaalf runderen daaronder,\' en de potten, schoppen en schalen; al deze
voorwerpen maakte Huram-abiw voor koning Salomo voor het huis
17       van Jahwe, van gepolijst koper.\' In de Jordaanstreek liet de koning
18       ze gieten, in leemen vormen, tusschen Sukkoth en Sereda.\' En Salomo
vervaardigde al deze voorwerpen in overgroote menigte; want het ge-
wicht van liet koper werd niet nagegaan.
19           Zoo vervaardigde Walomo al deze voorwerpen die tot het huis Gods
behoorden, ook liet gouden altaar, de tafels waarop het toonbrood lag,\'
20       de luchters met hunne lampen, die volgens verordening vóór het koor
21       moesten worden ontstoken, van gedegen goud,\' de kelken, lampen en
22       snuiters, van goud,\' de messen, offerschalen, schotels en komforen, van
gedegen goud, voorts den ingang van het huis, de binnendeuren aan
het allerheiligste, en de tempeldeuren aan het schip, van goud.
V: l          Toen nu het geheele werk dat Salomo verrichtte aan liet huis van
Jahwe gereed was, bracht hij de wijgeschenken van zijn vader David
daarin en legde hij het zilver, het goud en de vaten in de schatkamers
van het huis Gods.
8.   Zie op 1 Kron. XXVIII: 16. — honderd gouden offerschalen. Offerschalen worden ook 1 Kon.
VII: 40 vermeld, mnnr dat zij van goud en ten getale van honderd waren is toevoegsel van onzen
schrijver.
9.   het voorhof der priesters, 1 Kon. VI: 36; VII: 12; Ezcch. X 1,1 II: 5 hel binnenste voorhof of
binnenvoorhof
gehceten. De schrijver volgt de verordening van Ezeeh. XLIV:17—27, stellig in ovcr-
ccnstcmining met do werkelijkheid in zijne dagen, dat het binnenste voorhof alleen door priesters
mocht betreden worden. — den grooten hof, XX i 5 het nieuwe, 1 Kon. Vit: 12 het groote, Ezcch.
XL: 17 het buitenste voorhof genoemd. Dat hierin het koninklijk palcis lag, zooals 1 Kon. VII: 12
ondersteld wordt (zie aldaar), wordt hier niet gezegd; de schrijver heeft dit stellig, evenals Ezcchicl,
afgekeurd (zie op Ezeeh. X 1,111 :8), en dus ondersteld dat het zoo in Salomo\'s tijd niet geweest was.
— welker — overtrok, in tegenstelling met de deuren van don eigcnlijkon tempel; zie vs. 22; 1 Kou.
VI: 31, 33—35.
10.  ii ni de zuidzijde, van het tcmpelhuis, 1 Kon. VII : 39.
11—Vil. Zio 1 Kou. VII: 40—51.
12. bolvormige kapiteelen, volg. vs. 13 en 1 Kon. VII: 41; grondt, bollen en kapiteelen.
14. tien, tweemaal volg. Gr. vert. en 1 Kon. VII: 43 ingevoegd.
16.  Huram-abiw. Zie op 11:13.
17.  Sereda. Zie op Richt. VII: 22. 1 Kon. VII: 46 Sarethan.
18.  al deze voorwerpen. Onnauwkeurige uitdrukking: alleen de potten, schoppen en schalen kunnen
bedoeld zijn.
20.  met hunne lampen. Dit ontbreekt in 1 Kou. VII: 49 en is hier voorbnrig ingevoegd; zij worden
in vs. 21 nog eens vermeld.
21.  Na goud zijn volg. Gr. vert. drie woorden weggelaten.
22.  voorts — goud. De schrijver heeft blijkbaar 1 Kon. VII: 50 niet goed verstaan of slordig gc-
lezcu en maakt in plaats van het beslag der deuren de deurvleugels zclvcn van zuiver goud.
HOOFDSTUK V: 2—VII: 22.
De inwijding des tempels. — Salomo brengt, in plechtigcn optocht, de ark vau Jahwe in het
koor van den tempel; waarop de hcerlijkhoid van Jahwe het gebouw vervult (V: 2—14). Hij merkt
dit verheugd op (VI i 1 v.). Hij begroet het volk en looft Jahwe voor de vervulling van zgu woord
-ocr page 874-
2 KRONIEKEN V:2—11.
954
(3—11). Op ocnc koperen stollagc knielend (12 v.), «preekt hij het inwijdingsgobcd uit (14—22): het
begint met de erkenning van Gods trouw en de bede om volkomen verwezenlijking zijner beloften
(14—17); de oneindig Verhevene luistere naar de gebeden die in den tempel zulleu opgezonden wor-
den (18—21): in geval van eedafueming (22 v.), van tegenspoed in den krijg (24 v.), van droogte
(26 v.), van andere natuurrampen (28—31); hij luistere hier ook naar den godvruchtigen buitenlander
(32 v.) en schenkc aan Israël, als het, op verren afstand, in de richting van den tempel bidt, de
overwinning in den krijg (34 v.), en in ballingschap hulp en vergiffenis (3(5—89); het gebed eindigt
met de bede dat Jahwe van den tempel bezit neme en de priesters, de vromen en den koning zegene
(40—12). Vuur van den hemel verteert de offers op het altaar, en Israël looft Jahwe (VII: 1—3).
Koning en volk brengen hem rijke offers (4—7) en vieren het loofhuttenfecst; waarna het volk dnnk-
bnar gestemd huiswaarts keert (8—10). Des nachts verschijnt Jahwe aan Salomo, belooft hem de ver-
houring van zijn gebed en, bij volharding in het goede, de voortdurende heerschappij van zijn geslacht
over Israël, en bedreigt hem, bij ontrouw, met voorbeeldige straf, diepe vernedering des volks en ver-
nocsting van den tempel (11—22).
Dit gedeelte is, mccrendcels woordelijk, aan 1 Kon. VIII: 1—IX : 9 ontleend. De schrijver heeft een
en ander ingevoegd of gewijzigd, om de voorstelling in overeenstemming te brengen met de wet en
de beschrijving van de inwijding des tabernakels, ook om den Levietischen zangers, van wie in 1
Kon. VIII geen sprake is, bij die plechtigheid eeu werkzaam aandeel te geven; zie op V: 4, 114—
18; VI: 13; VII: 1—3, 6 en 8—10.
V: 2         Toen vergaderde Salomo de oudsten van Israël en al de stamhoofden,
de faniilievorsten der Israëlieten, te Jeruzalem, om de ark des verbonds
\'ó van Jahwe uit de Davidstad, dat is Sion, op te voeren.\' Zoo vergader-
den hij den koning alle mannen van Israël, op het feest, dat is de
4      zevende maand. \' Toen al de oudsten van Israël gekomen waren,
5       namen de Levieten de ark op\' en vervoerden de ark, benevens de
tent der samenkomst en al de heilige voorwerpen die in de tent
(5 waren; de priesters en de Levieten voerden ze op.\' Koning Salomo nu
en de gansche gemeente van Israël die bij hem was samengekomen
gingen voor de ark uit, zooveel schapen en runderen offerende dat ze
7      wegens hunne menigte niet te tellen of te berekenen waren.\' Hierop
brachten de priesters de ark des verbonds van Jahwe op hare plaats,
in het koor des tempels, het allerheiligste, onder de vleugels der
8      cherubs. \' Die cherubs spreidden hunne vleugels uit over de plaats van
de ark, en de cherubs bedekten de ark en hare draagstokken van
9      boven.\' De draagstokken nu staken uit; zoodat men in het heilige
de uiteinden der stokken zien kon voor aan bet koor; maar daarbuiten
10      kon men ze niet zien. Zij zijn daar tot heden toe. \' In de ark was
niets dan de twee tafelen die Mozes daarin nedergelegd had op den
Horeb, waar Jahwe met de Israëlieten een verbond had gesloten, toen
11       zij uit Egypte uittrokken.\' Toen de priesters uit het heilige gingen —
want al de priesters die er waren hadden zich geheiligd, zonder reke-
8.  dut — maand, onnadenkend nageschreven uit 1 Kon. VII: 2, waar echter in de maand Ethanim
voorafgaat; verg. op VIII t 8.
4.  de Levieten, 1 Kon. VIII: 8 de priester*. Het vervoeren van de ark en den tabernakel was volg.
Num. III, IV den Levieten opgedrageu, en dit was dus volgens den schrijver ook in Salomo\'s tijd
door hen, en niet door de priesters, geschied. In vs. 7 doen het echter de priesters, omdat daar sprake
is van het brengen der ark in het allerheiligste, dat slechts zij mochten betreden.
5.  en, voor de Levieten, uit Gr. vert. ingevoegd.
9.  het heilige, volg. Gr. vert. en 1 Kon. VIII: 8; Hebr. t. de ark.
10.  daarin, ingevoegd uit 1 Kon. VIII: 9. — waar — had. Onnauwkeurige teruggave van 1 Kon.
VIII: 9*.
114—13. De eerste woorden van vs. 11 en de laatste van vs. 13 zijn aan 1 Kon. VIII: 10 ontleend
en maken daar cene zinsnede uit. De onhandig ingevoegde tusschenzin heeft ten doel, aan te toonen
dat de Lcvietische zangers bij de inwijding des tempels eenc voorname rol speelden: hun aantal —
zij zijn er allen — is veel grooter (zie 1 Kron. XXIII: 5) dan dat der priesters die op de trompetten
blazen; ook zijn zij, evenals de priesters, aan ccuo bijzondere klccding kenbaar. Van deze laatste
wordt, behalve in dit boek (zie XX: 21 en op l Kron. XV :j27), nergens in het O. T. gesproken; het
is een der voorrechten die de schrijver voor de Levieten eischt.
-ocr page 875-
U55
2 KRONIEKEN V : 11—VI: 14.
12       ning te houden met de afdeelingen.\' En de Levietische zangers, alte-
maal: Azaf, Heman en Jeduthun met hunne zonen en broeders, stonden,
in njn lijnwaad gekleed, met cimbalen, luiten en citers, ten oosten van
het altaar, en nevens hen ongeveer honderd twintig priesters die op
13       de trompetten bliezen. \' Op eenmaal vingen de trompetters en de zan-
gers eenstemmig aan, Jahwe te prijzen en te loven; en zoodra men
aanhief met de trompetten, de cimbalen en de andere muziekinstru-
menten en met het „Looft Jahwe, want hij is goed; want eeuwig duurt
zijne goedertierenheid", werd het huis vervuld van eene wolk, het huis
14       van Jahwe; \' zoodat de priesters vanwege de wolk niet konden blijven
staan om hun dienstwerk te verrichten; want de heerlijkheid van
Jahwe vervulde het huis Gods.
VI:1 Toen sprak Salomo: Jahwe heeft gezegd, in het duister te willen
2       wonen. \' Zoo heb ik u eene verheven woning gebouwd en eene duur-
zame verblijfplaats voor u.
3           Nu wendde de koning zijn gelaat om en zegende de gansche ver-
gadering van Israëlieten, terwijl de gansche vergadering Israëls stond,\'
4       en hij zeide: Geloofd zij Jahwe, Israëls god, wiens handen hebben vol-
5       bracht wat zijn mond tot mijn vader Uavid gesproken heeft:\' Sedert
ik mijn volk uit Egypteland heb uitgeleid, heb ik geen stad uit al de
stammen Israëls uitverkoren om daar een huis te bouwen, opdat mijn
naam aldaar zou zijn, en geen man uitverkoren om vorst te zijn over
6       mijn volk Israël;\' maar nu heb ik Jeruzalem uitverkoren, opdat mijn
naam aldaar zij, en David uitverkoren tot heerscher over mijn volk
7       Israël.\' Toen het nu in het hart van mijn vader David was, een huis
8       voor den naam van Jahwe, Israëls god, te bouwen,\' heeft Jahwe tot
mijn vader David gezegd: Dat het in uw hart was, voor mijnen naam
een huis te bouwen — het was goed van u dat dit in uw hart was.\'
9       Doch niet gij zult het huis bouwen; maar uw zoon, een die uit u zal
10       voortkomen, die zal voor mijnen naam het huis bouwen.\' Nu heeft
Jahwe het woord gestand gedaan dat hij gesproken heeft; want ik ben
mijn vader David opgevolgd en heb mij gezet op den troon van Israël,
zooals Jahwe gesproken heeft; ook heb ik het huis gebouwd voor den
11       naam van Jahwe, Israëls god,\' en daarin de ark geplaatst, waarin het
verbond van Jahwe is dat hij met de Israëlieten gesloten heeft,
12           Toen ging hij voor het altaar van Jahwe staan, ten aanschouwen
van de gansche vergadering van Israël, en breidde zijne handen uit —\'
J3 want Salomo had eene koperen stellage gemaakt en die midden in den
hof geplaatst, vijf el lang, vijf el breed en drie el hoog; hierop ging
hij staan, knielde neder ten aanschouwen van de gansche vergadering
14 van Israël, breidde zijne handen naar den hemel uit\' en zeide: Jahwe,
god van Israël, er is geen god gelijk gij in hemel of op aarde; die
het verbond en de goedertierenheid houdt jegens uwe knechten die
18. „Looft — goedertierenheid". Zie op 1 Kron. XVI: 34. — het huis van Jahwe. Deze woorden zijn
bij vergissing overgenomen uit 1 Kon. VIII: 10, waar do zin anders gebouwd is.
5 v. Deze tekst wijkt in enkele punten van 1 Kon. VIII: II\', nf. Daar is de tegenstelling: ik heb
nooit cene stad tot tempelstad uitverkoren, maar wel een man, David, tot heerscher over Israël. Hier:
ik heb vroeger geen stad tot tcmpelstad en geen man (aan Snul wordt niet gedacht) tot heerscher
over Israël uitverkoren, maar nu heb ik Jeruzalem tot tempelstad en David tot heerscher gekozen.
Wij geven dus de bedoeling van onzen schrijver weer, wanneer wij vertillen maar nu heb ik 3eru:a-
lem uitverkoren,
hoewel hij dit nu niet uitdrukt, omdat het 1 Kon. VIII: 10 niet staat.
18. Toevoogsel van den schrijver; het dient om do mecning te voorkomen dat Salomo in het pries-
tervoorhof, waar het altaar stond, het volk zou hebben toegesproken; wat hem als leek, naar de denk-
beelden van deu Interen tijd, niet vrijstond. Daarom laat de schrijver hem staan in het buitenste
voorhof. Dat deze uitlegging van vs. \\i onjuist is springt in het oog. — ttellage, volg. verb. t.;
grondt, bekken. — knielde neder. Verg. 1 Kon. VIII: 54.
-ocr page 876-
Ö5G
2 KKONIEKBN VI : 14—30.
15 van ganscher harte voor uw aangezicht wandelen;\' die jegens mijn
vader Üavid, uwen knecht, wat gij tot hem lieht gesproken zijt nage-
komen: met uwen mond hebt gij het gesproken, met uwe hand hebt
10 gij het, zooals ten huidigen dage blijkt, volbracht. \' Kom dan na,
Jahwe, god van Israël, jegens mijn vader David, uwen knecht, wat
gij tot hem gesproken hebt: Nooit zal het u voor mijn aangezicht
ontbreken aan een afstammeling die op den troon van Israël zetelt;
indien slechts uwe zonen acht geven op hunnen weg, om in mijne
17       wet te wandelen, gelijk gij voor mijn aangezicht gewandeld hebt.\' Nu
dan, Jahwe, god van Israël, worde toch het woord bewaarheid dat gij
tot David, uwen knecht, gesproken hebt.
18            Want zou God werkelijk bij de menschen op aarde wonen? Zie, de
hemel, zelfs de hoogste hemel, kan u niet bevatten; laat staan dan dit
19       huis, dat ik gebouwd heb.\' Wend u dan tot het gebed en de smeeking
van uwen knecht, Jahwe, mijn god, om te hooren naar den kreet en
20       het gebetl die uw knecht heden voor u uitstort:\' dat uwe oogen dag
en nacht geopend mogen zijn over dit huis, over de plaats waarvan gij
gezegd hebt uwen naam daar te zullen vestigen; zoodat gij hoort naar
21       het gebed dat uw knecht te dezer plaatse bidden zal,\' en luistert naar
de smeekingen van uw knecht en van uw volk Israël die zij te dezer
plaatse zullen bidden. Ja, gij zult in den hemel, uwe woonplaats,
hooren, en als gij het hoort, vergiffenis schenken.
22            Indien iemand tegen zijn naaste misdoet, en deze hem een eed oplegt,
om hem te doen zweren, en hij tot een eed vóór uw altaar in dit huis
23       komt; \' wil gij dan in den hemel hooren en metterdaad uwe knechten
richten, den schuldige vergelden, door zijn wandel op zijn eigen hoofd
te doen nederkomen, en den rechtschapene in het gelijk stellen, door
hem te bejegenen naar zijne rechtschapenheid.
24           En wanneer uw volk Israël verslagen wordt door een vijand, omdat
zij tegen u zondigden, maar zij bekeeren zich, belijden uwen naam en
25       bidden en sraeeken voor uw aangezicht in dit huis;\' wil gij dan in
den hemel hooren en de zonde van uw volk Israël vergeven, en hen
doen terugkeeren naar den bodem dien gij hun en hunnen vaderen
gegeven hebt.
26            Wanneer de hemel toegesloten blijft en er geen regen is, omdat zij
tegen u zondigden, maar zij bidden te dezer plaatse, belijden uwen
naam en bekeeren zich van hunne zonde, daar gij hen vernedert;\'
27       wil gij dan in den hemel hooren en de zonde uwer knechten en uws
volks Israël vergeven, daar gij hun den goeden weg wijst dien zij
moeten betreden; en geef regen over uw land, dat gij aan uw volk
ten erve gegeven hebt.
28            Als er hongersnood in het land is, als er pest is, als er brandkoren
of honigdauw, sprinkhaan of kever is; als zijn vijand hem benauwt
29       in eene zijner steden; bij welke plaag of ziekte ook;\' wil gij dan elk
gebed en elke smeeking van alle menschen en van geheel uw volk
Israël, als zij elk hunne plaag en hunne smart erkennen en hunne
30       handen uitbreiden bij dit huis,\' wil gij ze in den hemel, uwe woon-
plaats, hooren en vergeven, en ieder geven naar geheel zijn wandel,
16. i\'m mijne wet, 1 Kon. VIII: 25 voor mijn aangezicht. De schrijver denkt san de wet van Mozes,
welker vermelding hij hier miste.
19. heden, uit Gr. vert. en 1 Kon. V1I1:28 ingevoegd.
29. en vóór tan. Dit en staat in 1 Kon. VIII: 38 niet. Onze schrijver doet hierdoor den schijn
ontstaan alsof hij met alle menschen anderen dan Israëlieten bedoelde; wat hij zeker niet beoogde,
daar de buitenlander vs. 32 volgt.
-ocr page 877-
2 KRONIBKBN VI : 30—VII : 3.
957
zooals gij zijn hart kent: want gij alleen kent liet hart der menschen-
31       kinderen;\' opdat zij u vreezen, om op uwe wegen te wandelen al de
dagen die zij leven op den bodera dien gij onzen vaderen gegeven hebt.
32           Üok naar den buitenlander, die niet tot uw volk Israël behoort maar
uit een ver land komt om uws naams wil, om uwe sterke hand en
uwen uitgestrekten arm; wil gij dan, als zij komen en bidden bij dit
33       huis,\' wil gij in den hemel, uwe woonplaats, hooren en handelen
naar al wat de buitenlander tot u roepen zal: opdat alle volken
der aarde uwen naam leeren kennen, zoodat zij u vreezen, gelijk uw
volk Israël, en weten dat uw naam is uitgeroepen over dit huis, dat
ik gebouwd heb.
34           Wanneer uw volk tegen zijne vijanden ten oorlog trekt, op den weg
waarop gij hen zendt, en zij bidden tot u in de richting van deze stad,
die gij hebt uitverkoren, en van het huis dat ik voor uwen naam heb
35       gebouwd; \' hoor dan in den hemel hun gebed en hunne smeeking, en
doe hun recht.
36           Wanneer het tegen u zondigt — want geen mensch is er die niet
zondigt — en gij op hen vertoornd zijt en hen aan een vijand over-
37       levert, en men hen wegvoert naar een ver of nabij gelegen land;\' en
zij nemen het ter harte in het land waarheen zij zijn weggevoerd, be-
keeren zich en smeeken tot u in het land hunner wegvoering: Wij
38       hebben gezondigd, slecht gehandeld, goddeloos gedaan — \' en zij be-
keeren zich tot u met hun gansche hart en ziel in het land van hen
die hen weggevoerd hebben, en bidden in de richting van hun land,
dat gij hunnen vaderen gegeven hebt, van de stad die gij hebt uit-
verkoren, en van het huis dat ik voor uwen naam heb gebouwd;\'
39       hoor dan in den hemel, uwe woonplaats, hun gebed en hunne smee-
king, doe hun recht en vergeef uw volk wat zij tegen u gezondigd
hebben.
40           Nu dan, mijn god, mogen uwe oogen geopend zijn en uwe ooren te
41       luisteren gelegd worden naar liet gebed te dezer plaatse.\' Welaan, Jahwe
God, sta o]), kom tot uwe rust, gij zelf en uwe machtige ark; dat
uwe priesters, Jahwe God, zich bekleeden met heil en uwe vromen
42       zich in het goede verblijden.\' Jahwe God, sla de bede van uwen ge-
zalfde niet af; gedenk de gunstbewijzen aan uw knecht David toe-
gezegd.
VII: 1 /ioodra Salomo zijn gebed ten einde had gebracht, daalde vuur van
den hemel neder en verteerde het brandoffer en de slachtoffers, terwijl
2       de heerlijkheid van Jahwe het huis vervulde;\' zoodat de priesters het
huis van Jahwe niet konden binnengaan, daar de heerlijkheid van
3       Jahwe zijn huis vervulde.\' En alle Israëlieten, ziende dat het vuur en
de heerlijkheid van Jahwe op het huis nederdaalden, knielden, met het
32. Slordig overgenomen van 1 Kon. VIII: 42.
38. van hen die, letterlijk van hunne wegvoering, hen die, een slordig overgeschreven tekst van 1
Kon. VIII: 48.
40—12. Vnn deze verzen is bet eerste ongeveer gelijkluidend met VII: 15; Neb. 1:0; Ps. C\'XXX:
2, en zijn de twee andere aan Ps. (\'XXX11 : 8—10 ontleend. Het geheel treedt in de plaats van 1 Kon.
VIII: 52 v.
42. «</•/•,; gezalfde, den koning. — de gunstbewijzen aan uw knecht Dacid toegezegd. Verg. op
Jez. LV:3.
1—3. Dit wordt in Koningen niet verhaald, maar is in overeenstemming met hetgeen l,ev. IX:23v.
van de inwijding van het altaar in den tabernakel wordt medegedeeld. Blijkbaar is voor den schrijver
dit wonder, veel meer dan de ark, het teeken van Jahwe\'s tegenwoordigheid in het heiligdom (verg.
op VI:41); trouwens in zijn tijd stond er geen ark meer in den tempel.
3. plaveuel. Zie Kzcch. XI.: 17 v. — daar klonk het, duidelijkheidshalve ingevoegd. — „looft —
goedertierenheid"\'. Verg. op 1 Kron. XVI: 84.
-ocr page 878-
2 KRONUÏKBN VII : 3—19.
958
aangezicht op den grond, op het plaveisel, wierpen zich neder, en daar
klonk het: Looft Jahwe, want hij is goed; want eeuwig duurt zijne
goedertierenheid.
4, 5 De koning en het gansche volk brachten offers aan Jahwe.\' Koning
Salonio bracht een offer van runderen, twee en twintig duizend, en
honderd twintig duizend stuks kleinvee; zoo wijdden de koning en het
6       gansche volk het huis Gods in.\' De priesters namen hunne dienst-
plichten waar, en de Levieten stonden met de muziekinstrumenten ter
verheerlijking van Jahwe — vervaardigd door koning David voor het
„Looft Jahwe; want eeuwig duurt zijne goedertierenheid" — en met
lofliederen Davids, door hen gezongen; tegenover hen bliezen de pries-
7       ters op de trompetten, terwijl gansch Israël stond.\' En Salonio heiligde
het midden van het voorhof dat vóór het huis van Jahwe was; want
daar bracht hij de brandoffers en de vetstukken der dankoflers; want
het koperen altaar dat Halomo gemaakt had kon de brandoffers, de
meelofl\'ers en de vetstukken niet bevatten.
8           Ook vierde Salomo in dien tijd het feest, zeven dagen lang, en
gansch Israël met hem, eene zeer groote vergadering, van den weg
9       naar Haniath af tot de beek van Egypte toe.\' En op den achtsten dag
hielden zij een hoogtijd; want de inwijding des altaars hadden zij zeven
10       dagen lang gevierd en het feest zeven dagen.\' En op den drie en twin-
tigsten van de zevende maand liet hij het volk gaan naar hunne tenten,
verheugd en blijde gestemd om het goede dat Jahwe aan David, aan
Salomo en aan zijn volk Israël had gedaan.
11            Toen nu Salomo den tempel van Jahwe en het koninklijk paleis
voltooid had en alles wat hem in den zin was gekomen te maken in het
huis van Jahwe en in zijn paleis gelukkig tot stand had gebracht,\'
12       verscheen Jahwe des nachts aan Salomo en zeide tot hem: Ik heb uw
gebed gehoord en deze plaats mij tot een huis der offeranden uitver-
13       koren.\' Wanneer ik den hemel toesluit, zoodat er geen regen is, de
sprinkhanen gebied het land af te vreten, of pest onder mijn volk zend,\'
14       en het volk waarover mijn naam is uitgeroepen zich verootmoedigt,
en zij bidden, zoeken mijn aangezicht en bekeeren zich van hun boozen
wandel, dan zal ik in den hemel hooren, hunne zonde vergeven en
15       hun land herstellen.\' Nu zullen mijne oogen geopend zijn en mijne
10 ooren te luisteren gelegd worden naar het gebed te dezer plaatse.\' Zoo
heb ik dan dit huis uitverkoren en geheiligd; opdat mijn naam aldaar zij
tot in eeuwigheid: mijne oogen en mijn hart zullen daar zijn te allen
17       dage.\' Wat u betreft, indien gij voor mijn aangezicht wandelt, gelijk
uw vader David heeft gedaan, doende naar al wat ik u geboden heb,
18       en gij mijne inzettingen en verordeningen onderhoudt;\' zoo zal ik uwen
koningstroon bevestigen, waartoe ik mij tegenover uw vader David
verbonden heb, toen ik zeide: Nooit zal u een afstammeling die over
19       Israël heerscht ontbreken.\' Maar indien gijlieden een anderen weg
0. Dit vers, ilnt in Koningen ontbreekt, wil doen uitkomen, dat bij de offeranden des konings de
priesters, en niet de koning zelf, het eigenlijke otferwerk verrichtten, en ook de Devietischc zangers
op hun post waren; verg. op V:ll—13.
8—10. Het feest dat volg. 1 Kon. VIII: 65 v. met de inwijding des tempels samenvalt laat onze
schrijver daarop volgen. Ook duurt volgens hem het feest niet zeven, maar acht dagen, overeenkom-
stig het voorschrift der wet i.Vum. XXIX: 85): eerst op den drie en twintigsten der maand, d. i. den
negenden dag na het begin van het feest, en niet op den achtsten, zooals 1 Kon. VIII: 66 gezegd
wordt, laat Salomo het volk gaan.
11. het koninklijk paltit. Zie op 11:1.
124—15. Deze belofte vau Jahwe treilen wij in Koningen niet aan; zij is een terugslag op Salomo\'s
gebed; verg. VI: 21, 26, 28, 40. Jahwe heeft, volgens onzen schrijver, uitdrukkelijk verzekerd dat
hij in al de door Salomo opgenoemde gevallen het gebed in den tempel verhooren zou.
-ocr page 879-
2 KRONIBKBN VII ! 19—VIII ! 4.                                 959
inslaat en de inzettingen en geboden die ik u heb voorgehouden ver-
20       laat, en andere goden gaat dienen en aanbidden;\' zoo zal ik \'Israël
wegrukken van mijn grond, dien ik hun gegeven heb, en dit huis dat
ik aan mijnen naam heb geheiligd zal ik van voor mijn aangezicht
wegwerpen en het tot een spreekwoord en een schimpnaaru maken
21       bij alle volken.\' Dit huis, dat allerhoogst is geweest voor eiken voor-
bijganger, daarover zal hij zich ontzetten en zeggen: Waarom heeft
22       Jahwe aldus gedaan aan dit land en dit huis?\' En men zal zeggen:
Omdat zij Jahwe, den god hunner vaderen, die hen uit Egypteland
had uitgeleid, verlaten en bij andere goden steun gezocht en die aan-
gebeden en gediend hebben; daarom heeft Jahwe over hen al dit on-
heil gebracht.
21. dat allerhoogst is geweest. \'liW> heet de tempel nergens. M;iur de schrijver had vuur zich den
tokst van 1 Kou. IX: 8 (zie aldaar), waar allerhoogste eeue schrijffout is voor puinhoop, en maakte
uit de onverstaanbare woorden zoo goed hij kon een zin.
HOOFDSTUK VIII, IX.
Salomo\'a heerlijkheid, zijne hulpmiddelen en inkomsten, wijsheid en rijkdom. — Salomo verovert
Hamath-Soba en versterkt steden in Hamath en in Kanaün (VIII: 1—6). De heerendiensten aan de
Kanaanieten opgelegd (7—1U). Farao\'s dochter neemt haar intrek in het paleis (11). Salomo regelt
volgens de wet den offerdienst en volgens Davids voorschrift het dienstwerk der priesters en der
Levieten (12—10). Zijne handelsvloot (17 v.). Het bezoek der koningin van Sjeba (IX: 1—12). Salomo\'a
rijke inkomsten (13 v.). Zijne gouden rondassen en schilden (15 v.). Zijn troon (17—19) en kostbaar
vaatwerk (20 v.); zijn roem buitenslands (22—24). Zijne paarden en wagens, macht en rijkdom (25—
28). Besluit van Salomo\'s geschiedenis (29—31).
Dit gedeelte is ontleend aan 1 Kon. IX : 10—X : 29 ; XI: 42 v., waarmede het grootendeels woor-
delijk overeenstemt. De afwijkingen zijn voor een deel veroorzaakt door misverstand van den soms
reeds bedorven tekst dien de schrijver voor zich had (zie op VIII: 3, 4 en 18). Enkele kceren zijn zij
aan opzet te wijten: nu eens heeft de schrijver, om te doen uitkomen dat alles volgens do wet
was geschied, iets toegevoegd, dan weder iets wcggeluteu of gewijzigd wat Salomo of het Israëlieti-
sche volk in Salomo\'s tijd niet tot eer verstrekte (zie op VIII: 2, 8, 11, 12—16 en 17 v.). In over-
censtemming hiermede is het, dat hij de schaduwzijde van Salomo\'s regeeriug, 1 Kon. XI :1—40,
niet vermeldt: de koning dio den tempel bouwde moest een vroom koning zijn geweest en zijne
regeering zich gekenmerkt hebben door onafgebroken voorspoed en ongestoorden vrede. Ken enkele
maal verkort onze schrijver een bericht, omdat hij het vroeger reeds heeft medegedeeld (zie op
IX: 25—28).
VIII: 1 Na verloop van twintig jaren, waarin Salomo het huis van Jahwe
2       en zijn eigen huis had gebouwd,\' versterkte Salomo de steden die
Huram aan Salomo geschonken had, en deed hij daarin Israëlieten
3       wonen.\' Daarna trok hij naar Hamath-Soba en maakte zich daar-
4       van meester.\' Hij versterkte ïadmor in de woestijn en al de magazijn-
2.   Dit bericht is lijnrecht tegenovergesteld aan 1 Kon. IX: 11—18, waar niet Huram aan Salomo,
maar Salomo aan Huram steden ten geschenke geeft. De machtige en vrome Salomo kon geen Israc-
lietische steden aan een heiden hebben afgestaan; veeleer was het tegenovergestelde het geval ge-
weest. Daarom ook laat de schrijver weg wat 1 Kon. IX: 14 vermeld wordt, dat de Tyrischo vorst
Salomo met geld ondersteund heeft: Salomo was rijk genoeg!
3.  Uamath-Soba, onnauwkeurige uitdrukking voor: Hamath in de nabijheid van Soba; zie op 1 Sam.
XIV: 47 en verg. 1 Kron. XVIII: 3, 9. Dat Salomo dit land, welks koning met David in vriend-
schappelijke betrekking gestaan had (2 Sam. VIII: 9 v.; 1 Kron. XVIII: 9—11 en verg. op 2 Kon.
XIV: 28), veroverd heeft lezon wij elders niet.\'
4—6. De hier genoemde plaatsen komen 1 Kon. IX:17v. in eene andere volgorde voor. Onze
schrijver plaatst Tadmor voorop, omdat dit in het noordon lag, waarhoen ook het pas vermelde Ha-
math den lezer verplaatst. Gezer, in Koningen vermeld, verzwijgt hij, stellig omdat hij niet aannam
dat deze stad door den Egyptischcn koning veroverd en daarna door hem als huwlijksgift aan Salomo
geschonken was, zooals 1 Kon. IX : 16 verhaald ywordt.
4.   Tadmor, de oase dio later bij de Grieken en Romeinen onder den naam Palmyra is beroemd
geworden, van oudsher een belangrijk station in de groote Syrische wocstiju, aan den handelsweg
van Circesium ten oosten en van Thapsacus ten noorden naar Damaskus, van waar het vijftig uren
-ocr page 880-
960                                     2 KRONIBKBN VIII: 4—16.
5 steden die hij in Hamath gebouwd had.\' Voorts versterkte hij Hoog-
en Laag-Beth-horon en maakte ze tot vestingen met muren, deuren en
0 grendels; \' ook Haalath en al de magazijnsteden die Salomo had, al de
wagensteden en al de ruitersteden; hij bouwde al wat hem gelustte in
Jeruzalem, op den Libanon en in zijn ganscbe rijksgebied.
7           Al liet volk dat overgebleven was van de Hittieten, Amorieten,
8       Hiwwieten en Jebuzieten, die geen Israëlieten waren,\' hunne nakome-
lingen die in het land waren overgebleven, die door de Israëlieten
niet waren uitgeroeid, dezen deed Salomo opkomen, om heerendiensten
9       te verrichten, tot op den huidigen dag.\' Maar uit de Israëlieten maakte
(Salomo bij zijn werk niemand tot knecht; want zij waren krijgslieden,
zijne oversten, keurlingen, bevelhebbers van strijdwagens en ruiterij.\'
lü Dit waren de oversten der opzichters die koning Salomo had, twee-
honderd vijftig, die gezag voerden over het volk.
11            En Salomo bracht de dochter van Farao uit de Davidstad naar het
huis dat hij voor haar gebouwd had; want, zeide hij, geen vrouw zal
wonen in het paleis van David, deu koning van Israël; want het is
heilig, omdat de ark van Jahwe daarbinnen gekomen is.
12           Toen bracht Salomo brandoffers aan Jahwe op Jahwe\'s altaar, dat
13       hij voor het voorportaal had opgericht.\' Daarop moest men de voor
eiken dag voorgeschreven offers brengen, naar het gebod van Mozes,
op de sabbatten, de nieuwemanen en de feesttijden, driemaal in het
jaar, op het feest der ongezuurde brooden, op dat der weken en op dat
der loofhutten.
14            Voorts wees hij, volgens de verordening van zijn vader David, aan
de afdeelingen der priesters haar dienstwerk aan, alsmede den Levieten
hunne verplichtingen: de lofliederen aan te heffen en onder het oog
der priesters dienst te doen in het voor eiken dag voorgeschreven
werk; voorts den portiers, naar hunne afdeelingen, poort voor poort;
15       want zoo was het gebod van David, den man Gods.\' Men overtrad
in geen enkel opzicht het gebod des konings ten aanzien van de
priesters en de Levieten, ook niet ten aanzien van de schatkamers.
16           Zoo kwam al het werk van Salomo tot stand, van den dag der
te paard verwijderd is. Dat Salomo deze stad zou bezet hebben is ecne vergissing van den schrijver,
die het vond in het Tornar in de Woestijn van 1 Kou. IX : 18. — die — hatt. Deze woorden ont-
breken 1 Kon. IX: 18.
5. en maakte M, diiidclijkhcidshalvc ingevoegd.
8.  die door — uitgeroeid. Dat zij daartoe niet in staat waren geweest, zoosls 1 Kon. IX\'. 21 gezegd
wordt, geeft onze schrijver niet toe. — lol oji dim huidigen dag, gedachteloos uit 1 Kon. IX: 21 over-
genomen; verg. op V : 3.
9.  zijne oversten, keurlingen, volg. 1 Kon. IX : 22; grondt, en de oversten zijner keurlingen.
10.  tweehonderd vijftig. Volg. 1 Kou. IX: 28 vijfhonderd vijftig.
11.   En — had. Zie 1 Kon. IX: 21. Dnt Salomo met de Egyptische koningsdochter gehuwd was
en hij haar het palcis van David tot tijdelijke woonplaats had aangewezen, is in ons boek niet vcr-
nicld, maar welen wij uit 1 Kou. 111:1; IX: 16. De schrijver zwijgt over dit huwelijk, blijkbaar
omdat het in zijn oog Salomo tot oneer verstrekt. — want, zeide — gekomen is. De tent waarin
David de ark had nedergezet stond waarschijnlijk in de onmiddellijke nabijheid van zijn paleis; zie 2
Siiin. VI: 17. De hier opgegeven reden van de verhuizing der Egyptische koningsdochter is stellig de
wurc niet; zij ging met Salomo uit het oude paleis van David naar het nieuwe, door Salomo gebouwde,
over, zoodra dit gereed was. De verklaring des schrijvers getuigt van zijne begeerte om Salomo voor
te stellen uls uiterst bezorgd voor de reinheid der heilige plaatsen.
12—IC. Uitbreiding van 1 Kou. IX: 25: met nadruk doet de schrijver uitkomen dat de eeredienst
geheel naar de voorschriften der wet en de verordeningen van David werd ingericht.
13.  driemaal in het jaar. Zie Exod. XX1II:14—19.
14.  Zio 1 Kron. XXIV—XXVI.
16. Men overtrad, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Men week af. — ten aanzien der schatkamers. Zie
1 Kron. XXVI: 20—28. Dat de schrijver dit zoo uitdrukkelijk vermeldt doet vermoeden dat in zijn
trjd de priesters niet geneigd waren de tempclsehatteu aan Levieten toe te vertrouwen.
16. van den dag...af, volg. Gr. en Syr. vertt.; Hebr. t. tol den dag. — Jahwe\'s — gereed. Verg.
op 1 Kou. IX: 25.
-ocr page 881-
961
2 KRONIBKKN VIII : 16—IX : 12.
grondvesting van Jahwe\'s huis af tot aan zijne voltooiing. Jahwe\'s
huis was gereed.
17           Toen trok Salomo naar Esjon-geber en Elath, aan den oever der
18       zee, in het land van Edom.\' En Huram zond hem door zijne knechten
schepen en bevaren mannen, en dezen kwamen met Salonio\'s knechten
te Ofir, van waar zij vierhonderd vijftig talenten goud haalden, die zij
aan koning Salomo brachten.
IX: 1 De koningin van Sjeba nu hoorde de mare van Salomo, en kwam,
om hem door raadsels op de proef te stellen, te Jeruzalem, met een
zeer machtig heir, en kameelen, beladen met reukwerk en goud in
overvloed en edelgesteenten. Bij Salomo gekomen, sprak zij met hem
2       van al wat in haar hart was,\' en Salomo verklaarde haar den zin
van al hare woorden: niets was voor Salomo verborgen, waarvan hij
3       haar den zin niet verklaarde.\' Toen nu de koningin van Sjeba de
4       wijsheid van Salomo zag, alsmede het paleis, door hem gebouwd,\' de
spijzen op zijn disch, het zitten zijner dienaren, het staan zijner be-
dienden en hunne kleedij, zijne schenkers en hunne kleedij, en de
brandoffers die hij offerde in het huis van Jahwe, toen was zij geheel
5       buiten zich zelve\' en zeide zij tot den koning: Het is waarheid wat
ik in mijn land had gehoord aangaande uwe aangelegenheden en aan-
6       gaande uwe wijsheid; \' maar ik heb geen geloof geslagen aan wat
men zeide, totdat ik zelve gekomen ben en met eigen oogen gezien
heb; en waarlijk, de helft van uwe buitengewone wijsheid was mij
niet aangezegd: gij hebt de mare die ik gehoord had nog overtroffen.\'
7       Gelukkig uwe vrouwen en gelukkig uwe dienaren hier, die gestadig
8       voor u staan en uwe wijsheid aanhooren!\' Geloofd zij Jahwe, uw god,
die zooveel behagen in u heeft gehad dat hij u op zijn troon geplaatst
heeft, als een koning van Jahwe, uw god; dewijl uw god Israël lief-
heeft, om het tot in eeuwigheid in stand te houden, heeft hij u tot
koning over hen aangesteld, om recht en gerechtigheid te betrachten.\'
9       Zij schonk den koning honderd twintig talenten goud, reukwerk in
grooten overvloed en edelgesteenten; nooit is er zooveel reukwerk ge-
10       weest als de koningin van Sjeba aan koning Salomo gaf.\' Ook de
knechten van Huram en die van Salomo, die goud uit Ofir haalden,
11       brachten sandelhout en edelgesteenten mede.\' Van het sandelhout ver-
vaardigde de koning trappen voor het huis van Jahwe en het koninklijk
paleis, als ook citers en harpen voor de zangers; de gelijke daarvan
12       waren nooit in liet land van Juda gezien.\' Koning Salomo nu gaf aan
17 v. Dit bericht is onhandig samengesteld uit 1 Kon. IX: 26—28 en X:ll, 22. Etjon-gi-ber en
Elath
(het laatste woord volg. Gr. vert.; Hebr. t. Etoth) is eenc vergissing; 1 Kon. IX : 26 heeft te-
recht Etjon-geber bij Elath. Dat Huram schepen naar Ksjon-gcbcr zou gezonden hebbeu is ongeloofe-
lijk; zij zouden over land moeten vervoerd zijn of Afrika hebben omgezeild; I Kon. IX: 26—28
spreekt alleen van cene zending van scheepsvolk. Tot de voorstelling van onzen schrijver gof 1 Kon.
X: 11, 22 aanleiding: hadden Salomo en Huram volgens laatstgenoemde plaats gezamenlijk eene vloot
die handel dreef op Ofir, dit kon onze schrijver niet aannemen: zulk eene verbintenis met den vreem-
den vorst zou Salomo niet tot eer hebben verstrekt, en bovendien was hij rijk genoeg om alleen die
vloot ir bezitten.
18. vierhonderd vijftig, 1 Kon. IX : 28 vierhonderd twintig.
4. de brandoffer», volg. Gr. vert. en 1 Kon. X: 5.
6.  aan wat men zeide, volg. Gr. vert. en 1 Kon. X: 7; Hebr. t. aan wat zij zeiden.
7.  vrouwen, volg. Gr. vert.j Hebr. t. mannen.
8.  op zijn troon. Zie op 1 Kron. XXVIH: 5. — een koning van Jahwe, die in Jahwe\'s naam en
volgens zijn wil regeert.
10.  De schepen van Huram of Hirom, 1 Kon. X:ll vermeld, zijn hier door de knechten van Huram
en die van Salomo
vervangen om de op VIII: 17 v. medegedeelde reden.
11.   trappen, onzekere vertaling. — de gelijke daarvan, van het sandelhout of van de muziek in-
striimenicii; 1 Kon. X: 12 geldt de lof het sandelhout. — hei land van Juda. De schrijver drukt
zich onnauwkeurig uit; hij bedoelt het land van gansch Israël.
O. T. I.                                                                                                                           61
-ocr page 882-
2 KR0N1BKBN IX : 12—29.
962
de koningin van Sjeba al haar begeeren, wat zij maar vroeg, behalve
al wat zij voor den koning had medegebracht. Daarna aanvaardde zij
de terugreis en trok met hare dienaren weder naar haar land.
13           Het gewicht van het goud dat de jaarlijksche inkomst van Salomo was
14       bedroeg zeshonderd zes en zestig talenten goud,;\' behalve hetgeen de
kramers en de handelaars inbrachten, terwijl ook al de koningen van
Arabic en de stadhouders des lands aan .Salomo goud en zilver brachten.
15           En koning Salomo vervaardigde tweehonderd rondassen van geplet
1(5 goud: zeshonderd sikkelen geplet goud ging op ieder rondas: \' en
driehonderd schilden van geplet goud: driehonderd sikkelen goud ging
op ieder schild. En de koning plaatste ze in het huis van het Liba-
nonwoud.
17            Voorts vervaardigde de koning een grooten elpenbeenen troon, dien
18       hij overtoog met zuiver goud.\' Zes trappen had de troon, eene voet-
bank in goud gevat en armen aan weerszijden van de zitting; terwijl
19       twee leeuwen naast de armen\' en twaalf\' leeuwen op de zes trappen
aan weerszijden stonden: zoo iets werd nooit gemaakt voor eenig
koninkrijk.
20           Het g.uische drinkservies van koning Salomo was van goud, en al
het vaatwerk van het Libanon woud van gedegen goud; zilver werd in
21       Salomo\'s dagen voor niets geacht.\' Want de koning had schepen die
op Tarsjis voeren met de knechten van Huram; eens in de drie jaar
kwamen de Tarsjisvaarders aan, met eene lading goud, zilver, elpen-
been, ebbenhout, apen en pauwen.
22           Alzoo werd koning Salomo grooter dan alle koningen der aarde in
23       rijkdom en wijsheid,\' en alle koningen der aarde zochten zijn aange-
zicht, om te luisteren naar de wijsheid die God hem in zijn hart ge-
24       geven had.\' Dan bracht ieder hunner zijn geschenk, zilveren en gouden
voorwerpen, gewaden, wapentuig en reukwerk, paarden en muilezels,
geregeld jaar op jaar.
25           Ook had Salomo vier duizend span paarden met wagens en twaalf
duizend ruiters, die bij legde in de wagensteden en bij den koning te
26       Jeruzalem.\' Hij heerschte over al de koningen van den Eufraat af tot
27       het land der Filistijnen en tot de grens van Egypte.\' De koning maakte
het zilver te Jeruzalem als steenen, en het cederhout maakte hij als
28       het moerbeziehout in de Laagte, zoo overvloedig.\' Men haalde voor
Salomo paarden uit Egypte en uit alle landen.
29           Het overige nu der geschiedenis van Salomo, zoowel der vroegere
12. behalve — medegebracht. De schrijver zal wel bedoeld hebben: behnlve gaven van gelijke
waarde als die welke zij voor hem had medegebracht; maar liet zich tot deze ongelukkige uitdruk-
king verleiden door den tekst van 1 Kon. X: 13, dien hij niet begreep, maar die met behalve hei-
geen
begon.
14. In de eerste helft van dit vers is eene geringe verandering aangebracht. Zie op 1 Kon. X:15.
10. driehonderd eikkeien, 1 Kon. X : 17 drie pond.
18. eene — gevat, onzekere lezing en vertaling; in Hebr. t. volgt nog verbondene, dat in den zin
niet past en daarom is weggelaten. Indien onze schrijver den tekst zooals deze 1 Kon. X: 19 ver-
taald is vóór zich gehad heeft, dan kan hij dien, omdat hij aanstoot nam aan den stierekop, met op-
zet veranderd hebben.
21. tehepen die op Tartji» voeren. De schrijver heeft de uitdrukking Tartjievaardert niet begrepen;
zie op 1 Kon. X:22. De schepen voeren niet op Tarsjis, maar op Otir. — de knechten van Huram,
1 Kon. X : 22 de tehepen van Ilirom; zie op VIII: 17 v. — elpenbeen, ebbenhout, volg. verb. t.; evenals
1 Kon. X:22.
25—28. Daar 1 Kon. X: 26—29 reeds vroeger (1:14—17) door den schrijver is opgenomen, be-
paalt hij zich hier tot eeu uittreksel uit deze verzen, en voegt daaraan een en ander toe dat in Ku-
ningen
(1 Kon. IV: 21, 20) reeds vroeger medegedeeld maar door hem overgeslagen was.
28.  en uil alle landen. Slordige eu onnauwkeurige verkorting van 1 Kon. X: 29.
29.   Met de Oetchiedenit van den profeet Naihan kan gedoeld zijn op 1 Kon. I, II; met de pro-
feite van Ahia
op 1 Kon. XI: 20—40; Jeddo (elders Iddo, XII: 15; XIII: 22) komt in Koningen
-ocr page 883-
2 kronieken IX : 29—X : 11.                                 963
als der latere, is beschreven in de Geschiedenis van den profeet Nathan,
in de profetie van Ahia, den Sjiloniet, en in het gezicht van den ziener
30       Jeddo over Jerobeam, den zoon van Nebat.\' Salomo regeerde te Jeru-
31       zalem over geheel Israël veertig jaar. \' Daarna ging Salomo ter ruste
bij zijne vaderen, en men begroef hem in de stad van David, zijn
vader, en zijn zoon Rehabeam werd koning in zijne plaats.
niet voor; wellicht heeft de schrijver het oog op 1 Kon. XIII, waar een ongenoemd Judcesch profeet
aan Jerobeam Jahwe\'s strafgericht over zijn huis aankondigt. Verg. op 1 Kron. XXIX : 29.
HOOFDSTUK X : 1—XI: 4.
De afval der noordelijke stammen. — Rehabeam verneemt te Sichcm vau het volk en van Jerobeam,
die uit Egypte teruggekeerd is, de voorwaarden waarop men hem als koning wil erkennen (X: 1—5),
wint het gevoelen in der grijze raadshecreu zijns vaders (6 v.), daarna dat zijner jongere raadsliedcu
(8—11), en volgt het laatste (12—15); waarop het volk, behalve Juda, weigert hem te huldigen en
hij de vlucht moet nemen (16—19). Sjcmaja belet Rehabeam oorlog te voeren om de heerschappij te
herwinnen (XI: 1—4).
Dit stuk is geheel aan 1 Kon. XII: 1—24 ontleend. De schrijver lant weg hetgeen op Jcrobeams
verheffing tot koning betrekking heeft, omdat hij hem niet als zoodanig erkent. Daar hij echter niet
geheel over hem zwijgen kan, laat hij hem, in strijd met de voorstelling van Koningen, als aan-
voerdcr der opstandelingeu optredeu; zie op X S 2 v. Voorts stelt hij niet, zooals 1 Kon. XI: 9—13,
31—36 geschiedt, den afval der noordelijke stammen voor als cene straf voor de zonde vau Salomo
(verg. op XIII: 6 v.), omdat de door hem gehuldigde vergeldingsleer dit verbood; zie op XXXIII: 10
en XXXVI:12—16.
X: 1          Rehabeam nu ging naar Sichem; want te Sichem was gansch Israël
2       gekomen om hem koning te maken.\' Zoodra Jerobeam, de zoon van
Nebat, dit gehoord had — hij was in Egypte, waarheen bij voor koning
3       Salomo was gevlucht — keerde hij uit Egypte terug.\' Men ontbood
hem; waarop Jerobeam en gansch Israël kwamen en tot liehabeam
4       zeiden:\' Uw vader heeft ons een hard juk opgelegd; maak gij thans
den harden dienst waartoe uw vader ons dwong en het zware juk
5       dat hij ons heeft opgelegd lichter; dan zullen wij u dienen.\' Hij zeide
tot hen: Komt over drie dagen tot mij terug. Toen nu het volk was
6       henengegaan,\' ging koning Rehabeam te rade met de mannen van
jaren, die voor zijn vader Salomo, toen hij in leven was, hadden ge-
7       staan, en zeide: Hoe raadt gij dit volk te antwoorden?\' Zij zeiden
tot hem: Indien gij dit volk te wille zijt, hen vriendelijk behandelt
en bun goede woorden geeft, zullen zij voor altijd uwe dienaren zijn.\'
8       Maar hij verwierp den raad dien de mannen van jaren hem gegeven
hadden en ging te rade met de jongelingen die met hem waren opge-
9       groeid, die vóór hem stonden,\' en zeide tot hen: Wat raadt gij dat
ik dit volk zal antwoorden, dat tot mij gezegd heeft: Maak het juk
10       dat uw vader ons heeft opgelegd lichter?\' En de jongelingen die met
hem waren opgegroeid zeiden tot hem: Zóo moet gij zeggen aan het
volk, dat tot u gesproken heeft: Uw vader heeft ons een zwaar juk
opgelegd, maak gij het ons lichter — zóo moet gij tot hen zeggen:
11       Mijn pink is dikker dan mijns vaders middel;\' nu dan, heeft mijn
2 v. Volgens Koningen heeft Jerobeam zich eerst na het uitbreken van den opstand bij de opstan-
delingen gevoegd (zio op 1 Kon. XI: 43); onze schrijver laat hem van den beginne af als hun woord-
voerdor optreden. Dit is stellig onhistorisch: de man die uit vrees voor de doodstraf het land had
verlaten kan niet voor de omwenteling in naam der Israëlieten met Rehabeam onderhandeld hebben.
2. Zie 1 Kon. XI: 40.
7. Indien — behandelt. De schrijver verzacht de 1 Kon. XII: 7 voorkomende uitdrukking, die hem
blijkbaar ongepast voorkwam.
9. ik... zal, volg. de oude vertt. en 1 Kon. XII: 9; Hebr. t. inj... zullen.
-ocr page 884-
964                                   2 KRONIBKBN X : 11—XI : 4.
vader een zwaar juk op u geladen, ik zal uw juk nog verzwaren; heeft
mijn vader u met zweepslagen bij uw plicht gehouden, ik zal het
u met geeselstriemen doen.
12            Toen nu Jerobeam en het gansche volk op den derden dag bij Reha-
beam kwamen, zooals de koning gezegd had: Komt overmorgen bij
13       mij terug — \' gaf de koning hun een hard antwoord; koning Reha-
14       beam verwierp den raad der mannen van jaren\' en sprak tot hen naar
den raad der jongelingen: Heeft mijn vader u een zwaar juk opgelegd,
ik zal het nog verzwaren; heeft mijn vader u met zweepslagen bij
15       uw plicht gehouden, ik zal het u met geeselstrieiuen doen.\' Zoo heeft
de koning niet naar het volk geluisterd: want het was eene beschik-
king van God, opdat Jahwe het woord gestand deed dat hij door Ahia,
16       den .Sjiloniet, tot Jerobeam, den zoon van Nebat, gesproken had.\' En
toen gansch Israël zag dat de koning niet naar hen luisterde, ant-
woordde het volk den koning: Wat hebben wij met David te maken?
Wij hebben niets uitstaande met den zoon van Izai! Een ieder naar
zijne tenten, o Israël! Bestuur nu uw eigen huis, o David! Zoo ging
17       gansch Israël naar zijne tenten.\' Over de Israëlieten die in de steden
18       van Juda woonden werd Rehabeam koning.\' Koning ltehabeam zond
nog Adoniram, die over de heerendiensten was; maar de Israëlieten
steenigden hem, zoodat hij stierf; en koning ltehabeam moest zich
haasten om zijn wagen te bestijgen en naar Jeruzalem te vluchten.\'
19       Zoo werd Israël van Davids huis afvallig, tot op den huidigen dag.
XI: 1 Toen ltehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis
Juda en Benjamin, honderd tachtig duizend strijdbare manschappen,
om oorlog te voeren met Israël, ten einde het koninkrijk voor zich te
2       herwinnen.\' Maar het woord van Jahwe kwam tot den godsman Sje-
3       maja:\' Zeg aan Rehabeam, den zoon van Salomo, den koning van
4       Juda, en tot gansch Israël dat in Juda en Benjamin woont:\' Zoo zegt
Jahwe: Gij zult niet optrekken en geen oorlog voeren met uwe broe-
ders; keert terug, ieder naar zijn huis; want door mij is deze zaak
beschikt. Zij nu luisterden naar het woord van Jahwe, keerden terug
en trokken niet tegen Jerobeam op.
14.  Heeft mijn vader... opgelegd, volg. h9S. en Gr. vort.; Hobr. t. Ik zal... opleggen.
15.  het woord — had. Dit zet onze schrijver onbedacht neder; want hij hoeft het verhaal 1 Kon.
XI: 29—89 niet overgenomen.
10. En toen ... zag. Dit ontbreekt in grondt.
17.  de Iiraëlirlen — woonden, de Judecrs; zie op XI: 3. Verg. op 1 Kon. XII: 18.
18.  Adoniram, volg. Gr. vert.; Hobr. t. Hadoram.
3.  gantek — woont. Anders 1 Kou. XII: 23. De schrijver doet duidelijk uitkomen dat ook Juda,
en niet slechts het noordelijk rijk, aanspraak heeft op den naam Israël. Verg. op XI: 13—17.
4.  kef woord, volg. Gr. vert.; Hebr. t. de woorden.
HOOFDSTUK XI: 5—XII: 16.
Rehabeam. — Rehabeam versterkt steden in Juda (XI: 5—11). De priesters en Levieten uit het
Noorden verhuizen naar Juda en vermeerderen de kracht van dit rijk (12—17). Rehabeams vrouwen
en kinderen (18—23). Rehabeam en zijn volk verlaten Jahwe (XII: 1); daarom trekt de koning van
Egypte tegen Jeruzalem op (2—4); Sjemaja verkondigt dat dit een strafgericht is; maar als de
koning en het volk zich verootmoedigen, moet hij in naam van Jahwe hun zeggen dat zij niet ver-
nietigd, maar matig gekastijd zullen worden (5—8). Zij worden door de Egyptenaren geplunderd,
maar niet te gronde gericht (9—12). De duur van Rehabeams regecring; zijne moeder, en zijne flauw-
heid in het dienen van Jahwe (13 v.). Besluit zijner regeering (15 v.i.
Wat 1 Kon. XIV: 21—31 van Rehabeam vermeld wordt is hier nagenoeg geheel overgenomen,
doch een en ander ia verplaatst (zie op XII: 12) eu niet weinig er aan toegevoegd, nl. XI: 5—17,38;
XII: 26—8, 12, 14. In afwijking van Koningen onderscheidt onze schrijver in de regeering van
-ocr page 885-
2 KBONIBKBN XI : 5—18.
965
Rehabeam twee tijdperken: het eerste, dat drie jaren duurde (XI: 17), was een tijdperk Tan gods-
vruclit: priesters, Levieten en vromen uit het noordelijk rijk verhuisden naar Juda; daarom was het
een tijd van grooten voorspoed (zie op XI: 5—12 en 18—23); in het tweede waren vorst en volk
ontrouw aau Jahwe en had tot straf daarvoor de inval der Egyptenarcn plaats. De afval van Jahwe,
die volgens Koningen den ganschen duur van Kehabcams regecring had gekenmerkt, wordt hier dus
tot dit tweede tijdvak beperkt.
XI: 5 Itehabeam nu woonde te Jeruzalem, en maakte in Juda eenige
6,7 steden tot vestingen:\' hij maakte Bethlehem, Etam, Tekoa,\' Beth-sur,
8-10 Socho, Adullam,\' Gath, Maresja, Zif,\' Adoraira, Lachis, Azeka,\' Sorea,
11       Ajjalon en Hebron, in Juda en Benjamin, tot versterkte steden.\' Hij
bracht die vestingen in staat van tegenweer en legde er bevelhebbers
12       in, voorraden van levensmiddelen, olie en wijn;\' ook in elk dier steden
rondassen en speren; zoo bracht hij ze in geduchten staat van tegen-
weer. Alzoo bleven Juda en Benjamin aan hem.
13           En de priesters en de Levieten die in gansch Israël waren vervoeg-
14       den zich, uit hun gansche gebied, bij hem;\' want de Levieten verlieten
hun grond en hunne bezitting en kwamen naar Juda en Jeruzalem;
daar Jerobeam en zijne zonen hen beletten priesters voor Jahwe te zijn,\'
15       en hij priesters aanstelde voor de hoogten, voor de satyrs en voor de
16       stieren die hij vervaardigd had.\' In hun gevolg kwamen uit alle stam-
men van Israël diegenen die hun hart zetten op het zoeken van Jahwe,
den god Israëls, naar Jeruzalem, om aan Jahwe, den god hunner
17       vaderen, te offeren.\' Zij vermeerderden de kracht van hét rijk Juda en
sterkten Rehabeam, den zoon van Salomo, drie jaar lang; want drie
jaar lang bewandelde hij den weg van David en Salomo.
18           Rehabeam nam tot vrouw Mahalath, de dochter van Jerimoth, den
5—12. Wat 1 Kon. XII: 25 van Jerobeam vermeld wordt, dat hij steden versterkte, wordt hier
gezegd van Rehabeam. Het bericht dankt zijn ontstaan aan het streven van den schrijver, Itehabeam
in den eersten tijd zijner regecring voor te stellen als een goed koning, die voor de veiligheid van
het rijk zorgt: in dit boek toch zijn het uitsluitend de vrome koningen die zich toeleggen op het
versterken van Jeruzalem en andere steden; zie XIV : 5 v.; XVII: 2, 12; XXVI: 6, 9 v.; XXVIl:8v.;
XXXII: 5; XXXIII: 14.
6.  Bethlehem, Etam, Tekoa. Zie op Joz. XV: 59.
7.   Beth-sur. Zie op Joz. XV: 58. — Socho. Zie op Joz. XV: 48. — Adullam. Zie op Gen.
XXXVIII :l.
8.   Qath. Zie op Joz. XI: 22. Volgens 1 Kon. II: 39 had dezo Filistijnsche stad een eigen koning
en behoorde zij dus niet aan Israël. — Maresja. Zie op Joz. XV: 44. — Zif. Zie op Joz. XV: 55.
9.   Adoraim, twee en een half uur ten westen van Hebron, komt slechts hier voor. — Lachis. Zie
op Joz. X: 8. — Azeka. Zie op Joz. X: 10.
10. Sorea. 7Ae op Joz. XV : 33. — Ajjalon.
Zie op Joz. X\'.lZb, 13. — Hebron. Zie op Gen.
XIII: 18.
13—17. Dit lezen wij in Koningen niet; het is door onzen schrijver uit het 1 Kon. XII: 26—88;
XIII: 38 v. verhaalde afgeleid; de maatregelen van Jerobeam hebben — meende hij — de priesters,
de Levieten en alle vromen naar Juda gedreven. Voor den schrijver is Juda het echte Israël; de
ware Israëlieten uit alle stammen hebben zich daarbij aangesloten; verg. op vs. 3 en zie op XII :1,
6; XV: 9; XXI:2 en XXVIII: 27.
13.   uit hun gansche gebied. De schrijver bedoelt de priester- en Levictensteden; zie 1 Kron. VI:
54—81; Joz. XXI.
14.   de Levieten. Alleen dezen worden hier genoemd, omdat de priesters niet behoefden to verhui-
zen, daar de priesterstedon alle in Juda lagen; zie op Joz. XXI : 4. — daar — zijn. De schrijver
meent dnt in het noordolijk rijk, onder Jerobeam en zijne zonen, d. i. zijne opvolgers, geen Lcvietische
priesters hebben dienst gedaan. Hoezeer dit in strijd is met de geschiedenis, leeren inll. op Exod.
XXXIV : 12—XL: 38 en op Dcut. XVIII: 1—8. In Koningen was alleen vermeld dat Jerobeam ook
niet-Levietcn tot priesters aanstelde.
15.   De schrijver heeft blijkbaar geen voorstelling van den ecredienst in het noordelijk rijk en zet
maar een drietal woorden die een slechten klank hebben naast elkander; verg. XVII: 6; XXVIII: 2.
Over hoogten zie op Deut. XII: 2, over satyrs op Lev. XVII: 7, over stieren op Exod. XXXII: 1 en
4; deze heeten XIII: 9 kortweg niet-goden.
16.  om — offeren, en zich te Jeruzalem te vestigen.
17.  beieandelde hij, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het meervoud.
18—23. Van de hier genoemde zonen van Rehabeam is ons van elders alleen Abia bekend. De
lijst verdient geen vertrouwen: de meeste der hier voorkomende namen toch zijn blijkbaar door den
schrijver uit andere verdichte lijsten bijeengezocht: Jerimoth en Sjemarja treffen wij aan 1 Kron.
-ocr page 886-
966                                 2 KRONIEKEN XI: 18—XII : 11.
zoon van David en van Abihail, de dochter van Eliab, den zoon van
19,20 Izai;\' zij baarde hem zonen: Jeüs, Sjemarja en Zahara.\' Daarna huwde
hij Maiicha, de dochter van Absalom, die hem Abia, Attai, Ziza en
21       Sjeloniith baarde.\' Rehabeam nu had Maticha, de dochter van Absalom,
meer lief dan al zijne andere vrouwen en bij vrouwen; want hij had
achttien vrouwen genomen en zestig bij vrouwen en verwekte acht en
, twintig zonen en zestig dochters.
22           En Rehabeam stelde Abia, den zoon van Maticha, tot hoofd, tot vorst
23       onder zijne broeders, aan; want hij wilde hem koning maken.\' Wijselijk
verspreidde hij eenige van al zijne zonen over alle streken van Juda
en Benjamin, in alle vestingen; hij gaf hun mond voorraad in overvloed
en vroeg voor hen eene menigte van vrouwen.
XII: 1 Toen nu het koningschap van Rehabeam bevestigd was en hij sterk
was geworden, verliet hij de wet van Jahwe, en gansch Israël met
2       hem.\' En in het vijfde jaar van Rehabeanis regeering trok Sjisjak, de
koning van Egypte, tegen Jeruzalem op — want zij hadden zich aan
3       Jahwe vergrepen — \' met twaalfhonderd wagens en zestig duizend ruiters,
terwijl het volk dat met hem uit Egypte kwam ontelbaar was: Libyers,
4       Sukkijieten en Ethiopiërs.\' Hij nam de vestingen die tot Juda behoor-
5       den in en drong tot Jeruzalem door.\' Maar de profeet Sjemaja kwam
tot Rehabeam en de oversten van Juda, die zich vanwege Sjisjak in
Jeruzalem verzameld hadden, en zeide tot hen: Zoo spreekt Jahwe:
Gij hebt mij verlaten; nu verlaat ik u ook en geef ik u aan Sjisjak
6       over.\' Hierop verootmoedigden zich de oversten van Israël en de
7       koning en zeiden: Jahwe is rechtvaardig.\' Toen nu Jahwe zag dat
zij zich verootmoedigden, kwam het woord van Jahwe tot Sjemaja:
Zij hebben zich verootmoedigd; nu zal ik hen niet verderven, maar
hun binnen kort uitkomst schenken; mijne gramschap zal zich door
8       Sjisjak niet over Jeruzalem uitstorten;\' doch zij zullen hem tot knechten
worden; opdat zij mijnen dienst en dien van de koninkrijken der
9       wereld leeren kennen.\' Zoo trok dan Sjisjak, de koning van Egypte,
tegen Jeruzalem op en nam al de schatten mede van den tempel en
van het paleis, dat alles nam hij mede, alsmede de gouden schilden
10       die Salomo gemaakt had.\' In de plaats van deze maakte koning Reha-
beam koperen schilden, welke hij toevertrouwde aan den overste der
11       trawanten, die de wacht hielden aan den ingang van het paleis:\' zoo
XII: 5; JeiU en gbrnJ 1 Kron. XXlII:10j Attai 1 Kron. XII: 11; Sjelomilh 1 Kron. XXIII: 9, 18;
de cijfers in vs. 21 schijnen verdicht, en eindelijk missen wij onder Rehnbeams zonen Aza; zie op 1
Kon. XV: 8. Het bericht dient om den voorspoed van Kchnheams huiselijk leven, zijn rijkdom en be-
leid in het licht te stellen; verg. op vs. 23.
18. Jerimoth, den zoon run David. Deze komt elders onder de zonen van David niot voor. Het
hierop volgende en is uit Gr. vert. ingevoegd. — Eliab. Zie 1 Kron. II: 13.
20. Verg. op l Kon. XV : 2.
23. De wijsheid van Rehabeam bestond hierin, dat hij de broeders van Abia van het hof ver-
wijderde en hunne ijverzucht bezwoer door hun aanzieulijke betrekkingen toe te vertrouwen. — voor
ken.
Dit ontbreekt in grondt. Maar de bedoeling met het vragen van vele vrouwen moet zijn, dat hij
die voor zijne zonen vroeg, om hen zoo met de invloedrijkste fnmiliën te verzwagereu en zich door
den hoogen staat dien hij hen liet voeren aanzien te verwerven.
1. Zio 1 Kon. XIV: 22—24. — verliet — hem, in het begin van het vierde jaar; zio XI: 17. —
ffatuc/i Au a/V, Juda. Zio op XI: 13—17. Verg. vs. 6.
2—8. De inval der Egyptcnaren wordt hier, anders dan in Koningen, als een strafgericht voor-
gesteld.
3.  Libyert. Zie op Gen. X:18. — Sukkijieten, onbekend. — Eihiopiirt. Zit op Gen. X: 6.
4.  de vettingen. Bt XI: 5—11.
6.  van Iirae\'l, Juda. Zie op vs. 1.
7.  mijne — uitilorteu. Ik zal hen wel tuchtigen, maar in mijne gramschap niet verdelgen.
8.  opdat — kennen, ervaren, hoeveel beter het is Jahwe te dienen dan den Treemdeling ondcrda-
nig te zijn.
-ocr page 887-
2 KBONlKKKN XII: 11—XIII: 2a.
967
vaak de koning naar den tempel ging, kwamen de trawanten en
droegen ze, om ze daarna in hunne wachtkamer terug te hrengen.\'
12       Doch daar hij zich verootmoedigd had, had Jahwe\'s toorn van hem
afgelaten; zoodat hij liem niet geheel en al ten verderve hracht. Ook
was er in Juda nog veel goeds.
13           En koning Kehabeam versterkte zich te Jeruzalem en bleef koning;
want een en veertig jaar was ltehabeam oud toen hij koning werd,
en zeventien jaar regeerde hij te Jeruzalem, de stad die Jahwe had
verkoren uit al de stammen van Israël om daar zijnen naam te
14       stellen; zijne moeder heette Naiima, de Ammonietische. \' Hij deed
wat kwaad was; want zijn hart was niet standvastig in het vragen
naar Jahwe.
15           De geschiedenis nu van llehabeam, zoowel tle vroegere als de latere,
is beschreven in de Geschiedenis van den profeet tSjemaja en den
ziener Iddo. Voortdurend was er krijg tusschen Kehabeam en Jerobeam.\'
16       En Rehabeam ging ter ruste bij zijne vaderen en werd in de David-
stad begraven; en zijn zoon Abia werd koning in zijne plaats.
12.   Daar Kehabeam nog twaalf jaren na den inval der Egyptenareu regeerde en dit ecu gunstbc-
wijs van Juhwc was, moest ltehabeam zich bekeerd hebben. Daarom vermeldt de schrijver den dnur
van Kehabeams regeering (vs. 13) niet, zooals 1 Kon. XIV: 21, voor, maar na den inval van Sjisjak,
en wel na Kehabeams bekecring. — Ook — goeds. Dit doelt vooral op de priesters, Levieten en vro-
men die uit trouw aan Jahwe naar Juda verhuisd waren, XI: 13—17.
13.   versterkte zich, herstelde zich van de geleden schade. — want. Dit geeft rekenschap van het
pas gezegde, dat Kehabeam koning bleef; immers, hij regeerde na Sjisjaks inval nog twaalf jaren.
14.   Het oordeel 1 Kon. XIV : 22—24 over Juda tijdens Kehabeams regeering uitgesproken wordt
hier verzacht.
15.   Geschiedenis — Iddo. Men vergelijke de gedeelten van Koningm. die op Kehabeams regeering
betrekking hebben. Sjemaja is de vs. 5, 7 en 1 Kon. XII: 22 vermelde profeet, tijdgenoot van Keha-
beam; over Iddo zie op IX: 29. Hierop volgt in grondt, ter opleekening in de geslachtlijsten; wat als
onverstaanbaar is weggelaten.
HOOFDSTUK XIII: 1—XIV: 1.
Abia. — Abia\'s troonsbestijging, de duur zijner regeering en de naam zijner moeder (XIII: 1, 2a).
Abia bindt den strijd met Jerobeam aan (24, 3), brandmerkt, in eene toespraak tot da vijanden, den
afval der tien stammen nis verzet tegen Jahwe, op wiens hulp zij daarom niet kunnen rekenen (4—9),
en wijst op de trouw van Juda, dat volgens de voorschriften der wot hem dient en dus zijn god uau
de spits heeft (10—12a); daarom zie Israël van den strijd af (124). Jerobeam valt de Judeërs van
voren en van achteren aan (13); maar dezen roepen tot Juhwc (14), die hun te hulp komt en den
Israëlieten eoue groote nederlaag toebrengt (15—18); Abia neemt Jerobeam cenige steden af (19);
Jerobeams machteloosheid en uitoindc, Abia\'s voorspoed (20 r.). Besluit van Abia\'s regeering (22;
XIV: 1).
Van de geschiedenis vnn Abia in 1 Kon. XV: 1—8 is alleen vs. 1 v., 8, nagenoeg onveranderd,
overgenomen. Het korte bericht, 1 Kon. XV: 7, dat er oorlog was tusschen Abia en Jerobeam, is
hier uitgewerkt tot een vrij uitgebreid verhaal over eene groote overwinning van Abia op do Isrnc-
lieten, waardoor de macht van Jerobeam voorgoed werd geknot. De hooge cijfers van vs. 3 en 17, de
onderstelling dut de dienst vnn Jahwe zooals hij eerst na Ezra bestaan heeft reeds van de stichting
van den tempel te Jeruzalem dagteckent, stempelen het tot eene verdichting, die de strekking heeft,
Juda in onderscheiding van Israël te verheerlijken. In Koningen miste de schrijver een verhaal waar-
uit bleek dat het vromo Juda, dat zijn god op wcttigo wijze diondc, door Jahwe geholpen werd tegen
het in zijn oog afgodische Israël (zie op vs. 8) met ziju onwettig koningschap (zie op vs. 6 v.). Het
1 Kon. XII: 21—24; XIV: 25—28 verhaalde belette hem echter dit reeds bij Kehabeams regeering
*e verkondigen; daarom maakte hij Abia, van wion in Koningen slechts kwaad vermeld wordt, tot een
vroom koning en legde hij nadruk op den voorspoed dien deze vorst ook iu zijn huiselijk leven ge-
noot ; zie op vs. 20 v.
XIII: 1 In het achttiende jaar der regeering van Jerobeam werd Abia koning
2a over Juda;\' drie jaar regeerde hij te Jeruzalem; zijne moeder heette
Maacha, de dochter van Uriël uit Gibea.
2. Maacha, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Michaja. — de dochter van Uriël. Elders, XI : 2(1 v.; 1 Kon.
V
-ocr page 888-
2 KRONIBKBN XIII : 20—14.
963
26, 3 Er is oorlog gevoerd tusschen Abia en Jerobeam.\' Abia bond den
strijd aan, met een leger van oorlogshelden, vierhonderd duizend krij-
gers, terwijl Jerobeam zich tegenover hem in slagorde had gesteld met
4       achthonderd duizend krijgers, dappere helden. \' En Abia ging staan op
den berg f?emaraim, in het gebergte van Efraim, en zeide: Hoort naar
5       mij, Jerobeam en gansch Israël!\' Gij kunt immers weten dat Jahwe,
de god van Israël, het koningschap over Israël tot in eeuwigheid heeft
gegeven aan David, aan hem en zijne zonen, bij een zoutverbond.\'
6       Maar nu is Jerobeam, de zoon van Nebat, de knecht van Davids zoon
Salomo, in opstand gekomen en heeft tegen zijn heer oproer gemaakt.\'
7       Daar loszinnige, nietswaardige lieden zich bij hem aansloten, is hij
driest opgetreden tegen Salomo\'s zoon Kehabeam, en deze, nog jong en
8       teer van gemoed, kon hem geen tegenstand bieden.\' En nu meent
ook gij tegenstand te kunnen bieden aan het koningschap dat Jahwe
uitoefent door Davids zonen, omdat gij eene groote menigte zijt en
de gouden stieren die Jerobeam voor u tot goden gemaakt heeft bij
9       u hebt.\' Hebt gij niet de priesters van Jahwe, de zonen van Aiiron,
en de Levieten verdreven, en u priesters gemaakt als de volken van
andere landen? Ieder die kwam om zijn wijdingsoffer te brengen, met
een jongen stier en zeven rammen, werd priester van de niet-goden.\'
10       Wij daarentegen, onze god is Jahwe, en wij hebben hem niet verlaten:
als priesters dienen Jahwe Aiirons zonen en de Levieten in hun ambt.\'
11       Zij ontsteken voor Jahwe brandoffers, eiken morgen en eiken avond,
zorgen voor den offerwierook, voor het stapelbrood op de reine tafel
en voor den gouden luchter met zijne lampen, om ze eiken avond aan
te steken; want wij nemen onze plichten waar jegens Jahwe, onzen
12       god, terwijl gij hem verlaten hebt.\' En ziet, bij ons gaat God aan de
spits, en zijne priesters met de trompetten voor het alarm, om tegen
u alarm te blazen. Israëlieten, voert toch geen krijg met Jahwe, den
god uwer vaderen; want gij zult niet voorspoedig zijn.
13           Jerobeam nu deed eenige troepen ter hinderlaag bestemd eene om-
trekkende beweging maken, om hen in den rug aan te vallen; zoodat
vóór Juda troepen stonden en andere in hinderlaag in hun rug waren.\'
14       De Judeërs keerden zich om, en daar hadden zij den strijd van voren
XV : 2 is zij ccnc dochter van Absalom. Waarschijnlijk is de verandering opzettelijk gemaakt en wilde
de schrijver Abia\'s moeder van de afgodische moeder van Aza (XIV: 16; 1 Kon. XV: 10, 18), die den-
zelfdcn naam draagt, onderscheiden; verg. op 1 Kon. XV:8. — Gibea. Zie op Joz. XVIII: 24.
3.   De cijfers hier en vs. 17 zijn ongelnofelijk groot, zelfs in vergelijking met het reeds sterk over-
drevcne van XI: 1; verg. op 1 Kon. XII: 21—24.
4.   Semaraim, hij de stad van dien naam; zie op Joz. XVIII: 22. De slag heeft dus plaats op het
grondgobied van Noord-Isracl.
5.  een zoutverbond. Zie op Lev. 11:13.
6 v. De opstand tegen Kehabeam is hier, anders dan X:l—XI: 14; 1 Kon. XII: 1—24, niet het
gevolg vaTi de grievende behandeling die het volk van Kehabeam ondervond, maar het werk van
lichtzinnigen on nietswaardige!!. Kehabeam zelf wordt van schuld vrijgepleit, en aan zijne jengd on
zijn gebrek aan ervaring wordt geweten wat inderdaad gevolg was van zijn overmoed. Zoo wordt
Juda in het gelijk gesteld tegenover Israël.
7.  hij, hi-m, volg. Gr. vert.; Hebr. t. heeft het meervoud. —jong en teer van gemoed. Volg. XII: 18;
1 Kon. XIV: 21 was hij bij zijne troonsbeklimming reeds een en veertig jaar.
8.   lot goden. De gouden stieren zijn volgens den schrijver geen afbeeldingen van Jahwe, maar af-
goden; zooals hij ze vs. 9 rondweg noemt; verg. op XI: 15.
9.   Zie XI: 18—15; 1 Kon. XII: 31; XIII: 83. — zijn «ijdingtoffer te brengen. Zie op Exod.
XXVIII: 41. — een jongen titer en zeven rammen. Zie Exod. XXIX: 94— 85; de offers brj de priester-
wyding worden niet volledig opgenoemd.
10.   in hun ambt, volg. Gr. vert.; Hebr. t. »\'» hel ambt.
11.  Zie Exod. XXIX:88—42; XXX:7; XXV: 80, 81—40; XXVII:20r.
12.  en zijne — blazen. Zie Num. X : 8 v.
13 v. Dat de omstandigheden voor de Judeën zoo ongunstig waren deed de hulp van Jahwe dei
te duidelijker uitkomen.
-ocr page 889-
969
2 KRONIBKEN XIII : 14—XIV : 1.
en van achteren! Nu riepen zij tot Jahwe, terwijl de priesters op de
15       trompetten bliezen;\' zoo maakten de mannen van Juda alarm. Toen
nu de mannen van Juda alarm maakten, deed God Jerobeam en gansch
16       Israël de nederlaag lijden voor Abia en Juda:\' de Israëlieten vloden
17       voor Juda, en God leverde hen aan Juda over.\' Abia en zijn volk
richtten eene groote slachting onder hen aan, zoodat van Israël vijf-
18       honderd duizend krijgers sneuvelden.\' Zoo werden te dier tijd de Israë-
lieten vernederd en behielden de Judeërs de overhand, omdat zij ge-
19       steund hadden op Jahwe, den god hunner vaderen. \' En Abia vervolgde
Jerobeam, en nam hem eenige steden af: lfethel met onderhoorigheden,
20       Jesjana met onderhoorigheden en Efron met onderhoorigheden.\' Jerobeam
kwam niet weer bij krachten zoolang Abia leefde; en Jahwe sloeg hem,
21       en hij stierf.\' Maar Abia versterkte zich. Hij huwde veertien vrouwen
en verwekte twee en twintig zonen en zestien dochters.
22           Het overige nu der geschiedenis van Abia, zijn handel en wandel,
XIV: 1 is beschreven in de Verhandeling van den profeet Iddo.\' En Abia ging
ter ruste bij zijne vaderen, men begroef hem in de Davidstad, en zijn
zoon Aza werd koning in zijne plaats. In zijn tijd heeft het land tien
jaren rust gehad.
17. vijfhonderd duizend. Zie op vs. 8.
19.   Bethel. Zie op Richt. 1:22—26. — Jeijaua. Zie op 1 Sam. VII: 12. — Efron, waarschijnlijk
op het gebergte van dien naam; zie op Joz. XV: 0. Wellicht komt de plaats ook 2 Sam. XIII: 23
voor. — Op ile verovering dezer steden wordt ook XV : 8 gedoeld. De mededecling is ongeloofwaardig;
volg. 1 Kon. XV : 17 althans was, tijdens llnéza, het zuidelijker dan deze drio steden gelegen Kama nog
in de macht van Noord-Isracl. Het is den schrijver blijkbaar te doen om het in zijn oog afgo-
dische Bethel, tot straf voor de daar gepleegde zonden, in de handen van Juda\'s koning te doen
vallen.
20 v. Jerobeam wordt gestraft, Abia gezegend. Het schijnt dat Abia Jerobeam overleefde; dit is in
strijd met 1 Kon. XIV : 20 v.; XV: 1—9.
20.   Jahwe — itierf Jerobeams dood was een strafgericht: hij had een plotselingen dood of stierf
aan cene smartelijke ziekte; verg. 1 Sam. XXV: 38. Hiervan lezen wij in Koningen niets.
22. de Verhandeling tan den profeet Idtlo. Wellicht bedoelt de schrijver het gedeelte van Konin-
gen
dat over Abia en zijn tijd handelt, 1 Kon. XV: 1—8. Verg. IX: 29.
1. In — gehad. Dit was nog een der zegenrijke gevolgen der regeering Tan den vromen Abia en
wordt daarom roods hier vermeld; verg. XIV : 0—8; XV : 15.
HOOFDSTUK XIV: 2—XVI: 14.
Aza. — Aza, een godsdienstig koning, is sterk en voorspoedig (XIV: 2—8). Hij behaalt, op zijn
gebed tot Jahwe, eene groote overwinning op Zerah, den Ethiopiër (9—15). De profeet Azarja wekt,
met verwijzing naar Isracls verleden, koning en volk op om in het goede niet te vertragen (XV: 1—7).
Hierop voert Aza allerlei hervormingen in (8) en verzamelt hij zijn volk en de uit Israël overgc-
komen vromen te Jeruzalem, waar zij zich met een eed verbinden Jahwe te dienen; ieder verheugt
er zich in en Jahwe verschaft het land rust (9—15). Aza ijvert voor Jahwe, maar niet genoeg (16—18).
Hij geraakt in oorlog met Racza van Israël en roept Benhadad van Aram te hulp (19—XVI: 6).
Hierover bestraft hem de profeet Hanani, doch Aza laat hem in de gevangenis zetten (7—10). Be-
sluit van Aza\'s regeering (11—14).
Hetgeen 1 Kou. XV: 9—24 van Aza verhaald wordt is door onzen schrijver nagenoeg geheel ovcr-
genomen, maar was volgens hem onvolledig. Vooreerst las hij daarin met bevreemding dat Aza altijd-
door oorlog had moeten voeren, en miste hij een bericht over den voorspoed die Aza en zijn volk
om hunne vroomheid moest ten deel gevallen zijn; hij verbeterde het cene door herhaaldelijk tijdper-
ken van rust te vormeldcn die Jahwe aan zijn volk verschafte (XIV:7; XV: 154), en vulde het andere
aan door het verhaal van de groote overwinning op Zerah (XIV: 9—15). Voorts moest hetgeen
1 Kon. XV: 16—22 van de schaduwzijde van Aza\'s regeering verhaald werd de rechtvaardige straf
voor \'s konings zonden zijn geweest. Vandaar dat hier twee tijdperken in zijne regeering worden
onderscheiden: in het laatste, verreweg het kleinste (XV: 19), staakte Aza het hervormingswerk
(XV: 17), steunde hij niet meer op Jahwe (XVI: 7—9, 12) en mishandelde hij een godsman en andere
zijner onderdanen (XVI: 10).
Hier treffen wij in ons boek voor het eerst een paar profeten aan, Azarja en Hanani, die niet in
-ocr page 890-
970                                              2 KRONIKKBN XIV : 2—15.
Koningen voorkomon. ])c schrijver houdt er van, door toesprnkou die hij godsmanueu op de lippen
legt, umi zijne lezers de vermaningen en lccringen die naar zijne neming in de verhalen vervat zijn
voor te houden, en bedient zich daarom van verdichte namen, wanneer zijne zegslieden er hem geeno
aan de haud doen.
XIV: 2 Aza deed wat goed en recht was in het oog van Jahwe, zijn god:\'
3       hij verwijderde de vreemde altaren en de hoogten, verbrijzelde de wij-
4       steenen, hieuw de gewijde boomstammen om\' en gebood Juda, naar
Jahwe, den god hunner vaderen, te vragen en de wet en de geboden
f) te betrachten.\' Uit al de steden van Juda verwijderde hij do hoogten
(i en de zonnebeelden, en het rijk had onder hem rust.\' Ook bouwde hij
vestingen in Juda; want het land had rust en hij had geen oorlog in
7       die jaren te voeren, daar Jahwe hem rust verschafte.\' Daarom zeide
hij tot Juda: Laat ons deze steden versterken en omringen van muren
en torens met deuren en grendels. Nog hebben wij het land te onzer
beschikking, omdat wij naar Jahwe, onzen god, gevraagd hebben; wij
hebben naar hem gevraagd, en hij heeft ons rust verschaft rondom.
8       Zoo bouwden zij en waren voorspoedig.\' En Aza had een leger: uit
Juda driehonderd duizend man, gewapend met rondas en speer, en uit
Benjamin tweehonderd tachtig duizend man, die het schild droegen en
den boog spanden. Dit waren allen kloeke helden.
9           Zerah nu, de Ethiopiër, trok daartegen uit met een leger van mil-
10       lioen man en driehonderd wagens en drong tot Maresja door.\' En Aza
trok uit hem te gemoet en stelde zich in slagorde in het dal Sefat bij
11       Maresja.\' Nu riep Aza tot Jahwe, zijn god, en zeide: Niemand kan
in den strijd tusschen den machtige en den krachtelooze helpen zooals
gij. Help ons, Jahwe, onze god! want op u steunen wij en in uwen
naam zijn wij tegen deze menigte opgetrokken. Jahwe, gij zijt onze
12       god; geen sterveling blijve krachtig nevens u.\' Toen sloeg Jahwe de
Ethiopiërs voor de oogen van Aza en Juda; de Ethiopiërs vluchtten,\'
13       en Aza en het volk dat bij hem was zetten hen na tot bij Gerar. Er
vielen van de Ethiopiërs zoovelen dat zij zich niet konden herstellen;
want zij werden vermorzeld voor Jahwe en zijn leger, en men voerde
14       zeer grooten buit weg.\' Daarna sloegen zij al de steden rondom Gerar,
want de schrik van Jahwe had haar overvallen; en plunderden al die
15       steden, want er was groote buit in.\' Ook hebben zij tenten van vee-
hoeders geslagen en kleinvee in menigte en kameelen weggevoerd.
Hierop keerden zij naar Jeruzalem terug.
2—5. Deze beschrijving van Aza\'s hervorming omvat meer dan die van 1 Kon. XVïllv. Volg.
1 Kon. XV: 14 — door onzen schrijver zelvcn onbedachtzaam XV : 17 overgenomen — heeft Aza de
hoogten niet afgeschaft, en dus de daarbij bchoorendc wij-stecnen en gewijde boomstnmmen ook niet;
zie op 1 Kon. XIV: 22—24. Doch een vroom koning kon, volgens onzen schrijver, dezen in zijn tijd
onwettigen ccrcdicust niet hebhen laten bestaan; zie echter op XV: 17. De „schandgoden die zijne
vaderen gemaakt hadden" (1 Kon. XV: 12) vermeldt hij niet, daar hij Aza\'s vaderen van geen afgo-
dcrij wilde betichten.
5. de zonnebeelden. Zie op I<cv. XXVI: 80. — het rijk — rust, ten gevolge van zijne vroomheid.
0 v. Zie op XI: 5—12.
7.   Nog. Dit is ongepast in Aza\'s mond: hij spreekt van het standpunt des schrijvers, die daarbij
denkt aan den onrustigen tijd die straks voor Juda zal aanbreken.
8.   Hot aantal krijgers is aanmerkelijk grootcr dan tijdens Abin (XIII: 8); gevolg van Jahwe\'s zegen.
9—15. Dit verhaal, dat in Koningen niet voorkomt, is geheel verdicht, zooals reeds uit de ongeloo-
felijk groote cijfers en de overdrijving in vs. 13 blijkt. Over de strekking er van zie lul.
9.   Zerah, de Ethiopiër. Bedoeld wordt een Egyptisch koning; doch dat in dezen tijd Ethiopiër*
over Egypte regeerden is zeer onwaarschijnlijk. — mittioen. De sterkte van het vijandelijke leger
moest buitengewoon groot zijn, om de overwinning van Aza des te luisterrijker te maken. — ifaretja.
Zie op Joz. XV: 44.
10.  het dal Se/at, onbekend; wellicht is de naam verdicht, daar hij beteekenen kan ,de plaats waar
men uitziet\', nl. naar God.
18. Oerar. Zie op^Gen. XX: 1.
-ocr page 891-
971
2 KRONIBKKN XV : 1—14.
XV: 1 Azarja nu, de zoon van Oded — de geest van God was op hem —\'
2 ging uit, Aza te gemoet en zeide tot hem: Hoort naar mij, Aza en
gansch Juda en Benjamin. Jahwe is met u, wanneer gij met hem zijt,
en indien gij naar hem vraagt, laat hij zich door u vinden; maar
\'S indien gij hem verlaat, verlaat hij u.\' Menigwerf heeft Israël tijden
heleefd dat liet geen waren god, geen priester-leeraar en geen wet had;\'
4       maar keerde het, wanneer het benard werd, tot Jahwe, Israëls god,
5       terug, en zocht het hem, dan liet hij zich door hen vinden.\' In zulke
tijden was er geen vrede voor hem die uit- of inging, maar kwamen
6       groote beroeringen over alle bewoners der landen;\' dan botste volk
tegen volk en stad tegen stad, omdat God hen in verwarring bracht
7       door allerlei nood.\' Gij dan, weest sterk, en dat uwe handen niet slap
hangen; want er is stellig loon voor uwen arbeid.
8           Zoodra Aza deze woorden en de profetie gehoord had, vatte hij moed,
deed de gruwelen weg uit het gansche land van Juda en Benjamin,
en uit al de steden die hij op het gebergte van Efraim had ingenomen,
vernieuwde het altaar van Jahwe dat voor Jahwe\'s voorportaal stond,\'
9       en verzamelde gansch Juda en Benjamin, benevens hen die uit Efraim,
Manasse en Himeon bij hen verkeerden; want uit Israël waren hem
tal van lieden bijgevallen, toen zij zagen dat Jahwe, zijn god, met
10       hem was.\' Zij nu verzamelden zich in de derde maand van het vijf-
11       tiende jaar van Aza\'s regeering te Jeruzalem,\' offerden op dien dag
aan Jahwe van den buit dien zij hadden medegebracht zevenhonderd
12       runderen en zeven duizend stuks kleinvee. \' En zij gingen het verbond
aan dat zij naar Jahwe, den god hunner vaderen, met hart en ziel
13       zouden vragen;\' ieder die niet naar Jahwe, den god van Israël, vroeg
zou gedood worden, van den kleinste af tot den grootste toe, hetzij
14       man of vrouw.\' Toen deden zij met luider stem een eed aan Jahwe,
1—7. De toespraak dient om Aza aan te sporen met de zuivering van den godsdienst voort te gaan.
De profeet spreekt als wist hij reeds dat Aza ontrouw aan Jahwe zou worden: wie, het goede be-
gonnen hebbende, daarin niot volhardt stelt zieh aan allerlei straffen bloot.
I.   Oded. Een profcot van dezen naam komt XXVIII: 9 voor.
3 v. De woorden doen denken aan Richt. 11:10—23 (verg. Deut. IV:39v.)j de schrijver heeft
echter Israëls gansche verleden tot op zijn tijd toe voor den geest.
8. dal — had, dat het deed alsof ze er niet waren.
5. die uil- of inging, die iets ondernam. — alle bewoners der landen. De rampen waarmede Israël
bezocht werd troffen de gansche wereld. Israëls god is de beheerscher der gansche aarde.
7.  er — arbeid. Desgelijks Jer. XXXI: 16; verg. Gen. XV: 1.
8.  de profetie. Hierop laat grondt, volgen den profeet Oded; als zinstorend weggelaten. —
deed — Benjamin. De hervorming van vs. 2 was dus niet volledig geweest. — de sleden — inge-
nomen.
Verg. XVII: 2. Hiervan lezen wij elders niets; waarschijnlijk denkt de schrijver aan de door
Abia veroverde steden, XIII: 19. — vernieuwde — stond, dus in het binnenvoorhof. Alle vrome ko-
ningen verbeteren iets aan den tempel, XXIV: 4.
9.   Evenals onder Rchabcam, lokte ook nu Juda\'s voorspoed talrijke Israëlieten naar Juda, waar-
door dit rijk meer en meer het echte Israël werd; zie op XI: 13—17. Vreemd, dat ook Simeon hier
genoemd wordt; deze stam toch lag op het grondgebied van Juda (zie op Joz. XIX\'. 1—9). Doch onze
schrijver rekent nllc stammen behalvo Juda en Benjamin tot liet noordelijk rijk en schrijft onnaden-
kend. Dcsgolijks XX XIV : 6.
10.   hel vijftiende jaar. Do strijd met Zcrah (XIV: 9—15) en Azn\'s hervorming (XV: 8) vallen dus
tusschen het tiende (zio XIV: 1) en het vijftieude jaar zijner rogeering.
II.   den buil. Zie XIV : 13 v., waar echter do runderen niet vermeld worden. — dien, uit Gr. vert.
ingevoegd.
12—15. Niet slechts Aza, ook zijn volk is getrouw aan Jahwe. De schrijver stelt het altijd, met
éene uitzondering (zie op XXVII: 2), z<5o voor, dat koning en volk samen öf Jahwe dienen of van
hem afvallen; zie XII: 1; XXVIII:6; XXXHI:10; XXXIV:82v.; XXXVI:14. Blijkbaar liet zijne
opvatting van de rechtvaardigheid Gods niet toe, dat een zondig volk om de vroomheid van zijn
koning gezegend, of een vroom volk om de zonde van den vorst getuchtigd werd. Hij zou dus in
sommige gevallen hebben moeten zeggen dat de koning rampspoedig en het volk voorspoedig was,
of omgekeerd. Deze moeilijkheid vermijdt hij door de voorstelling dat het volk altijd het voorbeeld
van zijn koning volgt.
18. Verg. Deut. XVII: 2—7.
-ocr page 892-
972                                 2 kroniekbn XV : 14—XVI: 8.
15       onder gejubel, trompet- en bazuingeschal.\' En gansch Juda verheugde
zich over dien eed; want van ganscher harte deden zij den eed en
geheel vrijwillig zochten zij Jahwe. Daarom liet Jahwe zich door hen
vinden en verschafte hij hun rust rondom.
16           Ook zette Aza Maiicha, des konings moeder, als koningin af, omdat
zij een afschuwelijk voorwerp voor Asjera gemaakt had; Aza hieuw
dat voorwerp om, vergruisde het en verbrandde liet in het dal Kidron.\'
17       Maar de hoogten werden in Israël niet afgeschaft; toch was Aza\'s hart
18       zoolang hij leefde onverdeeld.\' Ook bracht hij de wijgeschenken zijns
vaders en zijne eigene in het huis Gods, zilver, goud en allerlei voor-
19       werpen.\' En er is geen oorlog geweest tot het vijf en dertigste jaar
van Aza\'s regeering.
XVI: 1 In het zes en dertigste jaar van Aza\'s regeering trok Baëza, de
koning van Israël, tegen Juda op en versterkte Barna, om niemand van
2       Aza, den koning van Juda, te laten uitgaan of ingaan.\' Toen nam Aza
zilver en goud uit de schatkamers van.Jahwe\'s huis en van het paleis
en zond het aan Benhadad, den koning van Arani, die te Damaskus
3       woonde, met de boodschap:\' Er is een verbond tusschen mij en u, tus-
schen mijn vader en den uwen. Hierbij zend ik u zilver en goud.
Welaan, verbreek uw verbond met Baëza, den koning van Israël;
4       opdat hij van mij aftrekke. \' En Benhadad luisterde naar koning Aza,
zond de veldoversten die hij had tegen de steden van Israël en over-
weldigde Ijjon, Dan, Abel-maim en alle magazijnsteden van Naftali.\'
5       Toen Baëza dit hoorde, hield hij op met Barna te versterken en staakte
6       zijn werk.\' Nu nam koning Aza gansch Juda, zij haalden de steenen
en balken van Barna welke Baëza gebruikt had weg, en hij versterkte
daarmede Geba en Mispa.
7           Te dier tijd kwam de ziener Hanani tot Aza, den koning van Juda,
en zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den koning van Aram
en niet op Jahwe, uw god, daarom is het leger van Arams koning u
8       ontkomen.\' De Ethiopiërs en Libyers waren immers een talrijk leger
met zeer vele wagens en ruiters, en toch heeft Jahwe, omdat gij op
15. vericha/te hij hun ruil. Dit tweede tijdperk van rust, van het vijftiende tot het zes eu dertig-
ste regecringsjaar van Aza, volgt, evenals het eerste (XIV: 5), op Aza\'s hervormingen.
10—18. Zio 1 Kon. XV: 13—15.
17. Onnadenkend neemt de schrijver uit 1 Kon. XV: 14 dit vers over, waarvan het eerste deel in
strijd is met zijn eigen bericht XIV: 2—5, het tweede met hetgeen hij XVI :1—10 gaat verhalen.
Door die tegenstrijdigheid is de Grickschc vertaler verleid, voor onverdeeld het woord niet in te voe-
gen. Of de schrijver de tegenstrijdigheid in zijn verhaal heeft opgemerkt en voor zich zclvcn heeft
trachten op te lossen, weten wij niet. Wellicht heeft hij, blijkens in Israël, dat Koningen niet heeft,
gemeend dat alleen in het noordelijk rijk de hoogten bleven bestaan. Ook kan hij zich hebben voor-
gesteld, dat Aza in zijn goeden tijd den dienst op de hoogten tegenging, bij de verslapping van zijn
ijver dien toeliet. Eeno soortgelijke tegenstrijdigheid vinden wij in de geschiedenis van Josjafat; zie
op XX: 33. — koi Aza\'i hart... onverdeeld. Bij ongeluk liet de schrijver met Jahwe, dat Koningen
heeft, weg.
19. Dit is in strijd met 1 Kon. XV: 16. Waarom onze schrijver van Koningen afwijkt, zie Inl.
1—6. Zie 1 Kou. XV: 17—22.
1. In — jaar. Volgens 1 Kon. XV: 33; XVI: 8 stierf Baëza reeds in het zes en twintigste regee-
ringsjaar van Aza. De schrijver stelt den krijg met Baëza zooveel later, omdat hij het laatste, roem*
looze, tijdperk van Aza\'s regeering zoo klein mogelijk wil maken.
4.   overweldigde, volg. Gr. vert. en 1 Kon. XV: 20 j Hebr. t. heeft het meervoud. — Abel-maim,
verschrijving van Abel-beth-maöcha in 1 Kon. XV: 20. — alle magazijntteden van Naftali, met om-
zetting van twee woorden. De schrijver las den tekst van 1 Kon. XV: 20 verkeerd. Over magazijn-
lieden
verg. VIII: 4.
5.  en itaakle zijn tcerk. De schrijver las 1 Kon. XV: 214 verkeerd en maakte er iets van.
7—9. Het steun zoeken bij vreemden wordt Aza als zonde toegerekend; dit is in Koningen het ge-
val niet.
7. Hanani, volg. XIX: 2; 1 Kon. XVI: 1 de vader van den profeet Jebu. — daarom — ontkomen.
Als Aza\' op Jahwe gesteund had, zou hij de verbonden Arameërs en Israëlieten verslagen hebben.
-ocr page 893-
1 KRONIBKBN XVI : 8—14.
973
9 hem steundet, hen aan u overgeleverd.\' Want Jahwe laat zijne oogen
gaan over de gansche aarde, om zich een helper te betoonen dergenen
wier hart onverdeeld op hem gericht is. Gij hebt in dezen dwaas ge-
10       handeld; want van nu af zult gij oorlogen hebben.\' Maar Aza werd
gramstorig tegen den ziener en zette hem in het tuchthuis; want hij
was hierover in ziedenden toorn tegen hem ontstoken. Ook mishandelde
Aza te dier tijd sommigen uit het volk.
11            De geschiedenis nu van Aza, de vroegere zoowel als de latere, is
12       beschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.\' In het negen
en dertigste jaar zijner regeering kreeg Aza eene ziekte aan de voeten,
eene zeer hevige ziekte; en ook in zijne ziekte vroeg hij niet naar
13       Jahwe, maar naar de geneesheeren.\' En Aza ging ter rust bij zijne
14       vaderen en stierf in het een en veertigste jaar zijner regeering;\' men
begroef hem in he\'t graf dat hij voor zich had doen uithouwen in de
Davidstad, en legde hem op het rustbed dat men had opgevuld met
specerijen en allerhande kruiden, die door eene keurige bewerking van
den specerijbereider tot een geurig mengsel waren bereid; ook brandde
men te zijner eer een buitengewoon grooten brand.
9.   Jahwe — aarde. Verg. Zach. IV: 10. Deze woorden getuigen van des schrijvers verheven gods-
bcgrip. — O ij hebt in. dezen dwaas gehandeld. Verg. op 1 Sam. XIII: 13.
10.  het tuchthuis, letterlijk het huis van het blok, d. i. het huis waarin de gevangenen met de han-
den en voeten of met de voeten alleen in een houten blok gesloten werden; zie Job XIII: 27; Jer.
XX:2v.; XXIX: 26; Hand. XVI: 24.
11—14. Uitbreiding van 1 Kon. XV: 28 v.
12.   In — regeering, 1 Kon. XV: 23 op zijn ouden dag. De schrijver vermeldt het jaar, om te
doen uitkomen dat Aza krank werd na en stellig ook ten gevolge van het vs. 1—3 vermelde. —
ook — geneesheeren. In zijne ziekte zocht hij, evenmin als in zijn strijd met liacza, hul» bij God;
daarom moest bij er aan sterven. Deze opvatting van de oorzaak cu het gevolg van Aza\'s ziekte vin-
don wij in Koningen niet. Verg. op Richt. VII: 1—8.
13.  in — regeering. Zie 1 Kon. XV: 10.
14.  ook — brand. Meu placht ouder Israël, cvonals overal in de oudheid, aan een doodc allerlei voor-
werpen, wapenen, klccdcren, geld, soms ook slaven en vrouwen, mede te geven, meeneudc dat hij
daarvan in een volgend leven genot zou hebbeu. Hiertoe doodde men de dieren en menschen, sloeg
men de voorwerpen stuk of verbrandde ze. Werd bij zulk eene gelegenheid veel aan de vlammen prijs-
gegeven, dan was dit ecue eer voor den afgestorvene. Vooral voor de koningen braadde men een
brand, Jer. XXXIV: 5. Volgens onzen schrijver viel dit eerbewijs den goddeloozcn .lorum niet ten
deel, XXI: 19.
HOOFDSTUK XVII: 1—XIX: 8.
Josjafiit; zijn vroomheid en voorspoed; zijn verbond met Acbab. — Josjafat brengt zijn land in
staat van tegenweer tegen Israël (XVII :lv.); wegens zijne vroomheid schenkt Jahwe hem voor-
Bpoed (3—6). Hij doet zijn volk iu de wet onderwijzen (7—9). Door de omliggende volken gevreesd,
ontvangt hij van sommige hunner rijke geschenken (10 v.); zijn rijkdom en leger (12—19). Hij ver-
zwagert zich met Achab en gaat naar Snmarië, waar hij feestelijk ontvangen wordt (XVIII: 1 v.);
hij verklaart zich bereid, met Achab naar Rama op te trekken (3), en haalt Achab over om de pro-
feten van Jahwe te raadplegen, die eenparig de zegepraal beloven (4 v.); maar Micha, de zoon van
Jimlii, op aandringen van Josjafat ontboden, voorspelt het sueuvelen van Achab (0—17) en ver-
klaart de eenstemmigheid der andere profeten (18—22). Hij wordt hiervoor geslagen en gevangen
gezet (23—27). Achab sneuvelt, niettegenstaande genomen voorzorgen, terwijl Josjafat door God gered
wordt (28—34). De profeet Jchu voorspelt aan Josjafat onheil wegens zijn bondgenootschap met Achab,
maar erkent zijne vroomheid in andere opzichten (XIX: 1—3).
Deze geschiedenis, met het vervolg dat wij XIX: 4—XXI: 1 aantreffen, behelst het grootste ge-
deelte van hetgeen Koningen over Josjafat verhaalt (1 Kon. XV: 244; XXII: 1—38, 41—51; 2 Kon.
111:4—27), maar is aanmerkelijk uitvoeriger. De schrijver, die uit Koningen Josjafat als een
zeer vroom koning had leeren kennen, vond tot zijne bevreemding daarin slechts weinig van zijne
vroomheid verhaald; daarom werkte hij de berichten hierover uit, o. a. door hem de zorg voor
het godsdienstonderwijs des volks en de invoering eener Gode welgevallige rcchtsbcdeeling toe te
schrijven.
Het ongeloofelijk verhaal van Josjafats overwinning (XX: 1—30) dient om eene leemte die
-ocr page 894-
2 KRONIBKBN XVII: 1—11.
974
hij in Koningen opmerkte aan te vullen. Daar toch la» hij niet dat Josjafat ook in den krijg voor-
spoedig was, en een vroom koning moest dit geweest zijn. Terwijl hij eindelijk de verhalen over
.losjafats vriendschappelijke verhouding tot de koningen van Israël, die in het oudere geschrift zon-
der afkeuring besproken wordt, overnam, voegde hij daaraan toe dat de koning er in Jahwe\'s naam
over berispt en door Jahwe gestraft is: vriendschap sluiten met het van Jahwe afvallige Israël
was zoude.
XVII: 1 Zijn zoon Josjafat werd in zijne plaats koning en versterkte zich
2       tegen Israël:\' hij legde troepen in al de vestingen van Juda en bezet-
tingen in het land van Juda en in de steden van Efraim die zijn
3       vader Aza had ingenomen.\' En Jahwe was met Josjafat; want hij
wandelde op de vroegere wegen zijns vaders en vroeg niet naar de
4       batils,\' maar hij vroeg naar den god zijns vaders, wandelde in zijne
5       geboden en deed niet als Israël.\' Daarom maakte Jahwe dat hij het
koningschap stevig in de hand had, en gaf gansch Juda aan Josjafat
geschenken; zoodat hij rijkdom en heerlijkheid had in overvloed.\'
(5 Hierdoor werd hij hoog van moed op Jahwe\'s wegen en verwijderde
hij wederom de hoogten en de gewijde boomstammen uit Juda.
7           In het derde jaar zijner regeering zond hij zijne vorsten: Benhail,
übadja, Zacharja, Nethaneël en Michaja uit, om in de steden van Juda
8       onderwijs te geven,\' en met hen de Levieten Sjemaja, Nethanja, Zebadja,
Azaël, Sjemiramoth, Jonathan, Adonia, Tobia en Tob-adonia, Levieten,
9       alsmede de priesters Elisjama en Joram.\' Zij gaven onderwijs in Juda,
terwijl zij het wetboek van Jahwe bij zich hadden; zij trokken al de
steden van Juda door en onderwezen het volk.
10           En de schrik voor Jahwe viel op al de koninkrijken der landen die
rondom Juda lagen; zoodat zij geen oorlog voerden met Josjafat. \'
11       Filistijnen brachten aan Josjafat geschenken en eene vracht zilver; ook
1.  versterkte zich teijen Israël. Uit duidt op cenc vijandelijke verhouding van Josjafat tot het noor-
dolijk rijk. Hiervan is in Kuningen geen sprake; de schrijver heeft ze verdicht, omdat de vrome koningen
van Juda op een gespannen voet met het afgodische Israël moesten gestaan hebben; verg. inl. op
XIII: 1—XIV: 1.
2.  de vestingen van Juda. Zie XI: 5—12; XIV : 6 v. — de steden — ingenomen. Zie op XV: 8.
3.  de vroegere — vaders. Hebr. t. laat nog volgen David; volg. Gr. vert. weggelaten. Bedoeld is
het eerste gedeelte vun A/a\'s regecring; zie inl. op XIV : 2—XVI: 14. — de batils. Zie op Richt.
11:11; hier een algemcenc naam voor afgoden.
5. Verg. XVIII: 1.
0. werd — wegen, kreeg hij lust en moed om het hervormingswerk aan te vatten. — verwijderde
hij ook de hoogten.
Het omgekeerde lezen wij XX: 33; zie aldaar. Een vroom kouing kon geen heilig*
dommcii buiten het ecnig wettige te Jeruzalem in zijn land geduld hebben. — de gewijde boomstam-
men
(zie op Kxod. XXXIV: 13). De schrijver kiest willekeurig een onwettig gebruik, dat hij Josjafat
laat afschaffen; verg. op XI: 15.
7—9. Wat hier van den tijd van Josjafat verhaald wordt was eerst sedert de invoering van Ezra\'s
Wetboek het geval: toen eerst werd wetskennis voor eiken Israëliet onmisbaar geacht en dientcngc-
volgc het volk in de wet onderwezen. Kr waren voor dit onderwijs geen aangewezen personen; ieder
— priester, Leviet of leek — mocht het geven, en te allen tijde is het ook door mensehen van nller-
lei stand gegeven; maar het lag in den nnrd der zaak, dat de Levieten, aau de priesters verwant en
toch van de voornaamste priesterlijke rechten en wcrkznnmhcdcu verstoken, zich er op toelegden. De
schrijver, die zich den godsdienstige» toestand des volks ouder een vroom koning in de oudheid niet
anders kon denken dan zooals die in zijn tijd was of moest zijn, schreef reeds aan Josjafat de bevor-
dcring van die heilige zaak toe. Uit de voorstelling dat in diens tijd de wctslecraars voor het grootste
deel Levieten waren mogen wij allcidcn dat de schrijver aan dezen bij voorkeur het onderricht in de
wet wil zien opgedragen.
7 v. De namen van vs. 7 komen alle, met uitzondering van den eersten, Neh. XII: 25, 35 v. voor.
Benhail kennen wij van elders niet als eigennaam; de naam bcteekent ,een kloek man\'. Van die
van v». 8 zijn Sjemaja, Nethanja, Sjemiramoth en Joram in ons boek ook namen van Levieten tijdens
David (zie 1 Kron. XV: 8, 18; XXV: 2; XXVI: 25), en komen Zebadja, Azaël, Jonathan in de
lijst van Davids legerhoofdcn en beambten voor (1 Kron. XXVII: 7, 25). De namen zijn willekeurig
gekozen.
10—19. Dit staat niet willekeurig na vs. 7—9: die rijkdom en macht was belooning voor zijn ijver
voor do wet.
11. Filistijnen en Arabieren (zie op Jez. XIII: 20) komen in ons boek meermalen in verdichte stuk-
ken neven» elkander voor; zie XXI: 16; XXVI: 6 v.
-ocr page 895-
2 KRONIBKBN XVII : 11—XVIII : 11.                             975
brachten hem de Arabieren kleinvee: zeven duizend zevenhonderd
12       rammen en zeven duizend zevenhonderd bokken.\' Zoo werd Josjafat
steeds rijker, bovenmatig rijk. Ook bouwde hij in Juda kasteelen en
13       magazijnsteden,\' en had hij groote have in de steden van Juda en
14       krijgslieden, kloeke helden, te Jeruzalem.\' Dit was hunne monstering
naar hunne familiën: van Juda als oversten over duizend: vorst Adna
15       met driehonderd duizend kloeke helden, \' naast hem vorst Johanan
16       met tweehonderd tachtig duizend man,\' en naast hem Amasja, de
zoon van Zichri, die eeue vrijwillige gave aan Jahwe gebracht had,
17       met tweehonderd duizend kloeke helden.\' En van Benjamin: een kloeke
held, Eljada, met tweehonderd duizend man, met boog en schild ge-
^18 wapend,\' en naast hem Jozabad met honderd tachtig duizend slagvaar-
[19 digen.\' Dit waren de krijgers die den koning ten dienste stonden, be-
halve die welke de koning in de vestingen in ganscb Juda gelegd had.
XVIII: 1 Toen nu Josjafat rijkdom en heerlijkheid in overvloed bezat, ver-
2       zwagerde hij zich met Achab.\' Eenige jaren later ging hij eens tot
Achab, te Samarië. En Achab slachtte voor hem en liet volk dat bij
hem was kleinvee en runderen in menigte, en spoorde hem aan, met
3       hem op te trekken tegen Barna in Gilead.\' Achab, de koning van
Israël, zeide tot Josjafat, den koning van Juda: Gaat gij met mij naar
Barna in Gilead.\' En hij zeide tot hem: Ik ben als gij, mijn volk is als
4       uw volk; met u ga ik ten strijd.\' Daarna zeide Josjafat tot den koning
5       van Israël: Baadpleeg toch vooraf Jahwe.\' Toen verzamelde de koning
van Israël de profeten, vierhonderd man, en zeide tot hen: Zal ik
tegen Bama in Gilead ten strijde gaan, of het nalaten? Zij zeiden:
6       Trek op, en God zal het in \'s konings hand geven.\' Maar Josjafat
zeide: Is hier niet nog een profeet van Jahwe, om door hem de god-
7       heid te raadplegen?\' Hierop zeide de koning van Israël tot Josjafat:
Er is nog éen man door wien wij Jahwe kunnen raadplegen; maar
ik haat hem, omdat hij mij nooit goed, maar altijd kwaad profeteert:
het is Micha, de zoon van Jimla. Maar Josjafat zeide: De koning
8       spreke niet aldus!\' Nu riep de koning van Israël een kamerling en
9       zeide: Haal terstond Micha, den zoon van Jimla.\' Intusschen zaten
de koning van Israël en Josjafat, de koning van Juda, elk op zijn
troon, bekleed met gewaden, op een dorschvloer aan den ingang der
10       poort van Samarië, terwijl al de profeten vóór hen profeteerden.\' En
Sedekia, de zoon van Kenaiina, had zich ijzeren horens gemaakt en
zeide: Aldus spreekt Jahwe: Hiermede zult gij de Arameërs stooten,
11       totdat gij hen vernietigd hebt.\' En in dier voege profeteerden al de
profeten: Trek op naar Bama in Gilead, en wees voorspoedig! Jahwe
zal het in \'s konings hand geven.
14—18. Do sterkte van het leger is weer grootcr dan onder Aza (zie op XIV: 8); bewijs van Jahwe\'s
klimmende gunst. — .1,1,m. en Jozabad zijn namen ook van krijgsoversten van David, 1 Kron. XII:
20; een zoon van Johanan komt XXIII : 1 ; XXVIII: 12 voor.
16. die — had, nl. Zichri. Zie 1 Kron. XXIX: 6 v.
1.   Toen — bezat. Verg. XVII: 5. Voorspoed verleidt tot zonde; zie Deut. VIII: 11—22; XXXII:
15. — verzwagerde hij zich met Achab, door voor zijn zoon Achabs dochter Athalja tot vrouw te
nemen. Dit had volgens den schrijver plaats in het tiende of elfde jaar van Josjafat» regcering;
immers, volg. XXI: 20 (2 Kon. VIII: 17) vergeleken mot XXII: 2 (2 Kon. VIII: 20) was Ahazja,
Josjafats kleinzoon uit dit huwelijk, veertien jaar uud toen Josjnfat stierf; daar Josjafat vijf en twin-
tig jaar regeerde, moet hij in diens elfde regceringsjaar geboren zijn.
2.   Eenige jaren later. Daar korten tijd later Achab gesneuveld is en dit, volg. 1 Kon. XXII: 52,
in het zestiende of zeventiende jaar van Josjafats regeering plaats had, zes of zeven jaar na het va.
1 vermelde; zie aldaar. — En Achab — menigte. Hij onthaalde zijne gasten rijkelijk. Dit lezen wij in
hot verhaal van Koningen niet. — met hem, uit Gr. vert. ingevoegd.
5. Zal ik, volg. Gr. vert. en 1 Kon. XXII :0; Hebr. t. Zullen wy.
9. op een dorichvloer, naar den bedorven tekst van 1 Kon. XXII: 10; zie aldaar.
-ocr page 896-
2 KKONIRKBN XVIII : 12—31.
976
12           De bode nu die gegaan was om Micha te roepen sprak aldus tot
hem: Zie eens, al de profeten hebben uit éenen mond den koning het
goede voorspeld; zij toch uw woord als dat van een hunner, en voorspel
13       het goede.\' Maar Micha zeide: Zoo waar als Jahwe leeft, wat mijn
god mij zal zeggen, dat zal ik spreken.
14           Toen hij nu bij den koning gekomen was, zeide deze tot hem:
Micha, zullen wij naar Karua in Gilead ten strijde gaan, of het nalaten ?
Hij zeide: Trekt op en weest voorspoedig! Zij zullen in uwe hand ge-
15       geven worden.\' Maar de koning zeide tot hem: Hoeveel malen moet
ik u bezweren, niets dan de waarheid in Jahwe\'s naam tot mij te
16       spreken?\' Toen zeide hij: Ik zag gansch Israël verstrooid over de
bergen, als schapen die geen herder hebben, en Jahwe zeide: Dezen
17       hebben geen beer; ieder keere in vrede naar zijn huis terug.\' Hierop
zeide «Ie koning van Israël tot Josjafat: Heb ik het u niet gezegd:
18       Hij profeteert mij nooit goed, maar kwaad?\' Doch Micha zeide: Nu
dan! Hoort het woord van Jahwe. Ik zag Jahwe gezeten op zijn troon
en het gansche heir des hemels staande aan zijne rechter- en zijne
19       linkerband;\' en Jahwe zeide: Wie zal Achab, den koning van Israël,
overhalen, dat hij optrekke en valle bij Itama in Gilead? De een nu
20       zeide zus, en de ander zoo.\' Toen trad de geest vooruit, ging voor
Jahwe staan en zeide: Ik zal hem overhalen. Jahwe zeide tot hem:
21       Hoe?\' Hij zeide: Ik zal heengaan en een leugengeest zijn in den
mond van al zijne profeten. Hij zeide: Gij zult hem overhalen; ja, gij
22       zult het vermogen. Ga heen en doe alzoo.\' Nu dan, zie, Jahwe heeft
een leugengeest gelegd in den mond van deze uwe profeten; en Jahwe
heeft kwaad over u besloten.
23           Toen trad Sedekia, de zoon van Kenaana, toe, gaf Micha een kinne-
bakslag en zeide: Langs welken weg is de geest van Jahwe van mij
24       overgegaan om tot u te spreken?\' Micha zeide: Dat zult gij gewaar-
worden, te dien dage als gij zult gaan in eene binnenkamer, om u te
25       verbergen.\' De koning van Israël nu zeide: Neemt Micha en brengt
hem terug bij Amon, den overste der stad, en bij Joas, den zoon des
26       konings;\' en zegt: Zoo zegt de koning: Zet dezen in de gevangenis
en spijzigt hem met brood en water der verdrukking, totdat ik onge-
27       deerd wederkom.\' En Micha zeide: Indien gij werkelijk ongedeerd
wederkomt, heeft Jahwe niet tot mij gesproken. Toen zeide hij: Hoort,
volkeren altegader!
28           Daarna trokken de koning van Israël en Josjafat, de koning van
29       Juda, naar liama in Gilead op.\' De koning van Israël nu zeide tot
Josjafat: Ik zal mij onkenbaar maken en zoo in den strijd komen;
maar trek gij uwe eigen kleederen aan. En de koning van Israël
30       maakte zich onkenbaar en kwam zoo in den strijd.\' De koning van
Aram had aan zijne oversten der strijdwagens dit bevel gegeven: Valt
op klein noch groot aan, maar op den koning van Israël alleen.\'
31       En toen de oversten der strijdwagens Josjafat zagen, zeiden zij: Dat
is de koning van Israël — en keerden zich tegen hem ten aanval.
12. al — voorspeld, volg. Gr. vert.; zie op 1 Kon. XXII : 18.
14. (zullen wij) het nalaten? volg. verb. t.; grondt, zal ik kei nalaten.1\'
18.  Micha. Evenals 1 Kon. XXII: 19; zie aldaar.
19.  De een — :w. Hierin is een woord (zeggende) volg. de oude vertt. en 1 Kon. XXII: 20 weg-
gelaten.
27. Toen — allegader! Deze woorden, die in Koningen ontbreken, zijn aan Micha 1:2 ontleend.
De schrijver verwart blijkbaar Micha, den zoon van Jimla, met den veel later levenden gelijknamigen
Judeeschcn profeet en wil zeggen: toen sprak hij de profetie uit die in Micha staat.
31. Maar — weg. Van deze woorden komen in Koningen alleen de eerste voor. De schrijver laat
-ocr page 897-
2 kromekrn XVIII: 31—XIX : 6.
977
Maar toen Josjafat een kreet aanhief, kwam Jahwe hem te hulp en
32       lokte God hen van hem weg.\' Zoodra toch de oversten der strijdwa-
gens zagen dat het niet de koning van Israël was, lieten zij van hem
33       af.\' Maar een man spande den boog- zonder erg en trof den koning
van Israël tusschen de aanhechtsels en het pantser. Hij zeide tot den
wagenmenner: Wend den teugel en voer mij uit de slagorde: want
34       ik ben gewond.\' De strijd werd heviger te dien dage; intusschen hield
de koning van Israël zich staande in den wagen, tegenover de Ara-
meërs, tot aan den avond; en hij stierf tegen zonsondergang.
XIX: l Toen Josjafat, de koning van Juda, in vrede huiswaarts keerde,
2       naar Jeruzalem,\' ging de ziener Jehu, de zoon van Hanani, uit, hem
te gemoet en zeide tot koning Josjafat: Mocht gij den goddelooze hei-
pen en de haters van Jahwe liefhebben.\' Hierom zal gramschap van-
3       wege Jahwe over u komen.\' Toch is iets goeds in u gevonden; want
gij hebt de gewijde boomstammen uit het land weggedaan en uw hart
er op gezet naar Jahwe te vragen.
Josjafat niet, zooals daar, een oorlogskrcct nanhetfen, maar tot Jnhwc roepen en dezen hem bijstaan:
\'s konings redding is gevolg van Jahwe\'s hulp.
33.   den voor wagenmenner volg. Gr. vert. ingevoegd. — de slagorde, volgens dezelfde tckstverbctc-
ring als 1 Kon. XXII: 3-1.
34.   Wat 1 Kon. XXII: 86—38 nog volgt is hier weggelaten, omdat het terugslaat op ecne in ons
boek niet vermelde profetie.
2.  Jehu, de zoon van Hanani, ook XX : 31 vermeld, was volg. 1 Kon. XVI: 1 een profeet in Noord-
Isroèl en tijdgenoot van Itacza. Over Hanani zie XVI: 7. — Hierom — komen. Gedoeld wordt op
hetgeen XX :1 v. zal verhaald worden.
3.  Zie XVII: 4, 0.
HOOFDSTUK XIX : 1—XXI: 1.
Josjafat; zijno zorg voor het rechtswezen en zijne grootc overwinning. — Josjafat stolt rechters aan
in de steden en richt een hoog gerechtshof op te Jeruzalem (XIX: 4—11). Door drie volkeren te
gelijk aangevallen, zoekt hij met zijn volk hulp bij Jahwe (XX: 1—13). Ken profeet gebiedt hem
in naam van Jahwe, den volgenden dag de vijanden te gemoet te trekken (11—10) en belooft hem
door Jahwe\'s hulp de overwinning (17—19). Josjafat spreekt den uittrekkenden Judccrs moed in en
stelt zangers aan hunne spits (20 v.); als dezen een lied annhelfcn, bewerkt Jahwe dat de vijanden
elkander vernietigen (22 v.); de Judccrs, hen allen verslagen ziende, plunderen de lijken, drie dagen
lang, loven Jahwe (21—20) en gaan, naar Jeruzalem teruggekeerd, ten tempel op (27 v.)j alle omwo-
nendc volken vreezen Josjafat (29 v.). Josjafat was een godsdienstig koning, doch schafte de hoogten
niet af (31—33); zijne mislukte scheepvaart (35—37); besluit vau zijne regecring (31; XXI: 1).
Over dit gedeelte zie inl. op XVII: 1—XIX : 3.
XIX: 4 Josjafat nu woonde te Jeruzalem. En hij trok wederom uit onder
het volk, van Hersjeba tot aan het gebergte van Efraim, en hekeerde
5 hen tot Jahwe, den god hunner vaderen.\' Hij stelde rechters in het
G land aan, in alle vestingen van Juda, stad voor stad,\' en zeide tot de
rechters: Ziet toe, wat gij doet; want gij hebt niet het recht van
4—11. Volgens zijne gewoonte, stelt de schrijver ook hier eenc in zijn tijd bestaande en door hem
gewaardeerde instelling voor als het werk van een vroom koning uit de oudheid. Dat hij door Josja-
fst de rechtspleging laat ordenen, hiertoe vond hij wellicht aanleiding in diens naam, die .Jahwe
richt\' beteckent.
4.   wederom. Dit slaat terug op XVII: 7—9. De schrijver wil zeggen: nu volgt de tweede hervor-
ming van Josjafat. — Met Bertjeba is de zuidelijke, met het gebergte van K/raim (zie op Joz. XVII: 15)
de noordelijke grens vnn Josjafats rijk bedoeld. — bekeerde — vaderen, door den ontredderden toe-
stand vnn het rechtswezen, die uit vcrwoarloozing van de wet van Mozcs voortkwam, te herstellen.
5—7. Josjafat gedraagt zich naar de wet Deut. XVI: 18—20.
6. de bettining, volg. Gr. vert.; Hebr. t. bij de betlitting. Dit woord bij u il de beilitiing leert
ons het grootc onderscheid tusschen de bevoegdheid der rechters in den ouden tijd en in den tegen-
woordigen. Genen hadden zelden ecne schriftelijke aanwijzing, hoe zij ecne zaak moesten bcoordeelen:
zij zelven vormden door hunne beslissingen het recht. Dit woord was dus zeer geschikt om hcu hunne
zware verantwoordelijkheid te doen beseffen.
69
O. T. I.
-ocr page 898-
2 KRONIBKBN XIX : 6—XX : 6.
978
menschen maar het recht van Jahwe te handhaven, en hij u is de be-
7       slissing.\' Moge dan de schrik voor Jahwe over u zijn. Gaat nauwgezet
te werk; want bij Jahwe, onzen god, is geen onrecht, geen aanzien
des persoons, noch aanneming van geschenken.
8           Ook stelde Josjafat te Jeruzalem eenige Levieten, priesters en familie-
hoofden van Israël aan voor het recht van Jahwe en de twistzaken
9       der inwoners van Jeruzalem,\' en hij gaf hun dezen last: Aldus zult
gij handelen, in vrees voor Jahwe, in oprechtheid en met een onver-
10       deeld hart: \' in alle twistzaken welke vanwege uwe broeders die in
hunne steden wonen tot u komen, over manslag, over de opvatting
van wetten, geboden, inzettingen of verordeningen, moet gij hen onder-
richten; opdat zij niet schuldig worden voor Jahwe en over u en uwe
broederen geen gramschap losbreke. Zoo zult gij handelen; opdat gij
11       geen schuld op u laden moogt.\' Zie, Amarja, de hoogepriester, zal
over u gesteld zijn in alle zaken van Jahwe, en Zebadja, de zoon van
Ismaël, de vorst van het huis Juda, in alle zaken des konings; als
ambtlieden staan de Levieten u ten dienste. Handelt dan vastberaden,
en Jahwe zij met den brave!
XX: 1 Eenigen tijd later kwamen de Moabieten en de Ammonieten met
2       een deel der Meünieten ten strijde tegen Josjafat.\' Toen men aan Josjafat
kwam berichten: Eene groote menigte trekt van den overkant der
Zee, uit Edom, tegen u op en zij zijn reeds te Hasason-tamar, dat is
3       Engedi —\' werd hij bevreesd, besloot Jahwe te raadplegen en riep
4       voor gansch Juda een vasten uit.\' Nu verzamelde zich Juda om hulp
te zoeken bij Jahwe; ja, uit alle steden van Juda kwamen zij om
5       Jahwe te zoeken.\' En Josjafat ging in de vergadering van Juda en
Jeruzalem staan, in het huis van Jahwe, vóór het nieuwe voorhof,\'
6       en zeide: Jahwe, god onzer vaderen, gij zijt immers god in den hemel,
gij heerscher over alle koninkrijken der volken; in uwe hand is sterkte
8—11. De schrijver bedoelt ongetwijfeld dat Josjafat de wet Dcut. XVII: 8—13 heoft uitgovoerd,
maar laat hem inderdaad eene cenigszins andere rcchtsrcgcling invoeren dan duur is voorgeschreven:
die wet toch kent wel geestelijke en burgerlijke rechters te Jeruzalem, maar niet een hoog gcrechts-
hof, uit geestelijken en leeken bestaande, vermeldt geen hoogepriester en maakt het onderscheid tus-
scheu priesters en Levieten niet; zie op Dcut. XVII:!). Blijkbaar heeft de schrijver bij zijne voor-
stelling het hooge wetgevend en rechtsprekend lichaam dat in zijn tijd te Jeruzalem bestond, het
latere Sanhedrin, voor oogen.
8, Levieten. Dezen worden inct opzet voor de priesters vermeld: hun komt de rechtspraak toe; zie
op 1 Kron. XXIII: i. — hel recht van Jahwe en de twistzaken, kerkelijke en burgerlijke zaken, in
V». 11 als zaken van Jahwe en zaken det koning» onderscheiden. — der inwoners va», volg. Gr. vert.;
Hebr. t. en zij keerden terug naar.
10.  de opvatting — verordeningen. Hiervan is Dcut. XVII: 8 geen sprake; eerst geruimen tijd later,
toen de rechters niet meer volgens oude gewoonten en mondelinge overlevering (verg. op 2 Sam.
XX: 18), maar naar de geschreven wet, moesten vonnissen, konden geschillen over wctsvcrklaring
voorkomen.
11.  Amarja, volg. 1 Kron. VI: 11 de vijfde hoogepriester na Davids tijdgenoot Sadok, evenals Josja-
fat de vijfde koning na David was. — Zebadja. Zoo heet ook een legcroverste van David, 1 Kron.
XXVII: 7. — ambtlieden, gerichtsdicnaars; zie op 1 Kron. XXIII: 4.
1—28. Dit verhaal vertoont eenige trekken van overeenkomst met 2 Kon. III: 4—27 en is wel-
lielit daarnaar verdicht. Josjafat, daar met Israël en Kdom tegen Moab verbonden, staat hier alleen
tegenover do verbonden Moabieten, Ammonieten en Kdomieten.
1 v. De XIX: 2 aangekondigde straf.
1.  Meünieten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Ammonieten. Zij woonden volg. ts. 10, 22 v. op het gebergte
Seïr; verg. op 1 Kron. IV: 41.
2.   der Zee, der Doodc Zee. — Edom, volg. verb. t.; grondt. Aram. — Ilataion-tamar. Zie op
Gen. XIV: 7.
8. riep — uit, ten teeken van rouw. Het uitroepen van vastendagen voor hot gansche volk of do
ganscho gemeente, ten teekeu van rouw, komt slechts in jonge geschriften voor; Richt. XX: 2(1; Joel
II: 15, en verg. Lev. XVI.
4.  hulp, duidclijkheidshalve ingevoegd.
5.  voor het nieuwe (d. i. het buitenste; zie op IV: 9) noorhof, zoodat hij de daar vergaderde menigte
overzien kon, VI: 18.
-ocr page 899-
979
2 KRONIEKEN XX : 6—20.
7       en kracht, en niemand kan staande blijven nevens u.\' Gij, onze god,
hebt immers de bewoners van dit land voor uw volk Israël uit ver-
dreven en het voor altijd aan het kroost van Abraham, uwen vriend,
8       geschonken;\' en zij hebben zich daarin gevestigd en er u een heiligdom
9       voor uwen naam gebouwd, met de bedoeling: \' wanneer onheil ons
overkomt, zwaard, strafgericht, pest of hongersnood, dan zullen wij
gaan staan vóór dit huis en vóór u; want uw naam is in dit huis;
en zullen wij in onzen nood tot u roepen, opdat gij hoort en redt.\'
10       Daar komen nu de Ammonieten, de Moabieten en die van het gebergte
8eïr, in wier land gij Israël, toen het uit Egypteland trok, niet ver-
gund hebt te komen — want zij zijn voor hen uit den weg gegaan
11       en hebben hen niet verdelgd — \' en zie, zij vergelden het ons door
te komen om ons te verdrijven uit de bezitting die gij ons gegeven
12       hebt. \' Onze god, zult gij hen niet vonnissen\'/ Want wij hebben geen
kracht tegen deze groote menigte die tegen ons optrekt, en wij weten
13       niet wat te doen; maar ons oog is op u.\' En gansch Juda stond voor
het aangezicht van Jahwe, zelfs hunne kleine kinderen en vrouwen.
14           Toen kwam, in liet midden der vergadering, de geest van Jahwe op
Jahaziël, den zoon van Zacharja, den zoon van Benaja, den zoon van
Jeïël, den zoon van Mattanja, den Leviet, uit de zonen van Azaf,\'
15       en hij zeide: Merkt allen op, Judeërs, inwoners van Jeruzalem en
koning Josjafat! Zoo spreekt Jahwe tot u: Vreest niets en wordt niet
versaagd voor die groote menigte; want niet u gaat de krijg aan,
16       maar Gode.\' Trekt morgen hun tegen. Zie, zij zullen den bergpas
Hassis bestijgen, en gij zult hen aantreffen aan den rand van het dal
17       voor de woestijn Jeruël.\' Gij hebt daarbij niet te strijden; vat post,
gaat staan en aanschouwt de redding die Jahwe u zal aanbrengen.
Juda en Jeruzalem, vreest niets en wordt niet versaagd; trekt morgen
18       uit hun te genioet; Jahwe is met u.\' Toen boog Josjafat zich, het
aangezicht ter aarde, en vielen gansch Juda en de inwoners van Jeru-
19       zalem voor Jahwe neder, om Jahwe te aanbidden.\' En de Levieten,
zoowel Kehathieten als Korahieten, stonden op, om met zeer luide
stem Jahwe, den god van Israël, te prijzen.
20           Toen zij den volgenden morgen zich opmaakten en uittrokken naar
de woestijn van Tekoa, ging Josjafat, terwijl zij uittrokken, staan en
zeide: Hoort naar mij, Juda en inwoners van Jeruzalem. Vertrouwt op
Jahwe, uw god, en gij zult het houden; vertrouwt op zijne profeten,
7. Abraham, uwm vriend. Zie op Jez. XI.l:8 v.
9.  Terugslag op Salomo\'s gebed, VI: 21—42.
10.   die van Art grbrrgte Srïr, de Mciinieten van vs. 1. — want — verdelgd. I)c schrijver volgt
de voorstelling van Deut. 11:1—23; zie inl. daarop.
12. wij AMen geen kracht. Dit is met het oog op XVII: 12—19 ongerijmd. De schrijver wil leeren
dat Juda niet door eigen kracht maar door Jahwe gered is.
18.  Aan het slot heeft Hebr. t. nog rn :onen; volg. Gr. vert. weggelaten.
14.  Al de hier voorkomende namen zijn in dit bock ook namen van Levieten tijdens David: over
Jahanrl zie 1 Kron. XV:20j XXIII: 19; XXIV: 23; over ZacAarja 1 Kron. XV: 18, 20; XVI: 5;
XXIV: 25; XXVI: 2, 11, 14; over Benaja 1 Kron. XV: 18, 20; XVI:5; over JeiiU 1 Kron. XV:
18, 21; over Mattanja 1 Kron. XXV: 4, 16. Daar de schrijver dit verhaal naar 2 Kon. 111:4—27
verdicht heeft, wekt het bevreemding dat hij den daarin voorkómenden profeet Klizn niet vermeldt;
waarschijnlijk gaat hij hem met stilzwijgen voorbij omdat hij tot Noord-Isracl behoorde; verg. op
XXI: 12—15.
15.   Verg. 1 Sam. XVII: 47 en op Richt. VII: 1—8.
16.   Ilimsix, waarschijnlijk aan den noordrand der Doodc Zee, komt elders in hot O. T. niet voor. —
Jeruel, volg. vs. 20 een deel van de woestijn van Tekoa.
17.   Verg. Kxod. XIV: 18.
19.  zooiorl KeAatAirlen alt KoraAieten. Deze verbinding is vreemd, daar volg. 1 Kron. VI: 22, 37 v.
de Korahieten cene onderafdecling der Kehathietou zijn.
20.  de woetiiju van Tekoa. Zie op Joz. XV: 59. — Vertrouwt — kouden. Zie op Jez. VII: 9.
-ocr page 900-
980
2 KRONIEKEN XX ! 20—34. ,
21       en gij zult voorspoedig zijn.\' En na met het volk beraadslaagd te
hebben, stelde hij mannen aan, die ter eer van Jahwe zouden zingen
en, in heiligen feestdos, terwijl zij aan de spits der slagvaardigen uit-
trokken, hem zouden prijzen en zeggen: Looft Jahwe; want zijne
22       goedertierenheid is voor eeuwig.\' En zoodra zij aanvingen met juichen
en prijzen, deeil Jahwe tegen de Ammonieten, de Moabieten en die
van het gebergte >Seïr, die tegen Juda optrokken, belagers opstaan;
23       zoodat zij verslagen werden. \' De Ammonieten en Moabieten gingen
staan tegenover de bewoners van het gebergte Seïr, om hen uit te
roeien en te verdelgen, en toen zij met de bewoners van Seïr gereed
24       waren, hielpen zij elkander in het verderf.\' Toen nu Juda, aan den
hoogen rand der woestijn gekomen, zich naar de menigte toekeerde,
zie, daar lagen zij dood op den grond; niemand was ontkomen.\'
25       Nu kwam Josjafat met zijn volk om den buit in te zamelen; zij
vonden bij hen ontzaglijk veel: have, kleederen en voorwerpen van
waarde. Zij kregen zooveel dat zij het niet konden vervoeren; drie
dagen waren zij bezig met bet inzamelen van den buit, want die was
20 groot.\' Op den vierden dag werden zij vergaderd in de Lofvallei; daar
toch hebben zij Jahwe geloofd; daarom noemde men die plaats Lof-
27       vallei, en zij heet zoo tot den huidigen dag.\' Hierop namen alle
mannen van Juda en Jeruzalem, Josjafat aan het hoofd, den terugtocht
aan, om naar Jeruzalem weder te keeren met vreugdebetoon; want
28       Jahwe had hun vreugde verschaft over hunne vijanden.\' Met luiten,
citers en trompetten trokken zij Jeruzalem binnen, naar het huis van
29       Jahwe. \' En de schrik van God viel op alle koninkrijken der wereld,
toen zij hoorden dat Jahwe tegen Israëls vijanden gestreden had.\'
30       Verder was Josjafats regeering ongestoord; zijn god gaf hem rust
rondom.
31           Josjafat werd koning over Juda; vijf en dertig jaar was hij oud toen
hij koning werd, en vijf en twintig jaar regeerde hij te Jeruzalem; zijne
32       moeder heette Azuba, de dochter van Sjilhi.\' Hij bewandelde den weg
van zijn vader Aza; hij week er niet van af, doende wat recht was in
33       het oog van Jahwe.\' Slechts werden de hoogten niet afgeschaft: nog
34       richtte het volk zijn hart niet op den god zijner vaderen.\' Het overige
nu der geschiedenis van Josjafat, zoowel der vroegere als der latere,
is beschreven in de geschiedenis van Jehu, den zoon van Hanani, welke
is opgenomen in het boek der koningen van Israël.
_\\
21.   Di\' zangers zijn natuurlijk Iicvietcn; de heilige feestdot \\* hun ambtsgewaad; zie op V:ll—
13. — Looft — reuwig. Zie op 1 Kron. XVI: 31.
22.   Fm — frijnt*, bij het uittrekken uit Jcruzulcm. De vijanden zijn dus reeds vernietigd voordat
de Judccrs hen untmoct hebben. — belagers, die twist stookten tusschen de vijanden en bewerkten
dat zij op elkander aanvielen. Wie de schrijver hiermede bedoelt, is niet duidelijk; waarschijnlijk
denkt hij aan hcmelsche machten. In elk geval is de bedoeling: de nederlaag der vijanden is uitslui-
tciul het werk van Jahwe.
23.   De schrijver schijnt deze voorstelling aan 2 Kon. 111:23 ontleend te hebben; verg. Kzech.
XXXVII1:21; Zach. XIV: 13.
25. kleederen, volg. hss. en Ijat. vert.; Hebr. t. lijken.
20. de Lofrallei, onbekend. Het is waarschijnlijk een imam, door den schrijver voor zijn doel
gemaakt.
31—33. Dit is, grootendecls letterlijk, aan 1 Kon. XXII: 41—11 ontleend.
31. Josjafat — Juda. Hierop moest nog iets volgen, wat dan ook 1 Kon. XXII : H het geval is,
til. in het vierde jaar van Achab. Dit laat de schrijver weg, omdat hij de rcgccringsjarcii der koningen
van Israël ook elders niet vermeldt.
33.   Slechts — afgeschaft. Dit is onnadenkend overgenomen uit 1 Kon. XXII: 44 en brengt den
schrijver met zich zclvcn in strijd (XVIIS 0), evenals in de geschiedenis van Aza; zie op XV: 17.
34.   De schrijver bedoelt wellicht die gcdcoltcn van Koningen waarin, behalve de geschiedenis van
Juda, ook die van het noordelijk rijk tijdens de regecring van Josjafat verhaald wordt; evenals hier,
noemt hij XXXIII: 18 zijne bron: het boek der koningen, niet van Juda en Israël, maar van Israël.
-ocr page 901-
2 KRONIEKKN XX ! 35—XXI ! 6.
981
35           Hierna ging Josjafat, de koning van Juda, een bondgenootschap aan
36       met Ahazja, den koning van Israël; deze handelde goddeloos.\' Hij
nam hem tot bondgenoot, om schepen te bouwen waarmede men naar
37       Tarsjis zou varen. En zij bouwden schepen te Esjon-geber.\' Maar
Eliëzer, de zoon van Dodia, uit Maresja, profeteerde tegen Josjafat:
Daar gij een bondgenootschap met Ahazja hebt aangegaan, breekt Jahwe
uw maaksel stuk. En de schepen verongelukten, zoodat zij niet naar
XXI: 1 Tarsjis konden varen.\' En Josjafat ging ter ruste bij zijne vaderen
en werd bij zijne vaderen begraven in de Davidstad; en zijn zoon
Joram werd koning in zijne plaats.
35—37. Kenc andere voorstelling treffen wij 1 Kon. XXII: 48—50 oan. Het verschil is aldus to
verklaren: de ramp die Josjafats schepen trof was, volgens onzen schrijver, cene straf; hiervoor moest
cenc oorzaak wonïeu gezocht, die hij meende te vinden in de vriendschappelijke verhouding waarin,
blijkens 1 Kon. XXII: 50, Josjafat tot Ahazja had gestaau. Dientengevolge wijzigde hij de voorstelling
van Koningen, volgeus welke Ahazja eerst na het ongeluk gemeenschappelijk met Josjafat wilde kan-
delen, in dien zin, dat Josjafat in deze onderneming van den beginne af met Israëls koning verbon-
den was.
35.   Hierna, liet dit woord, dat op niets terugslaat, becht de schrijver dit verhaal op onhandige
wijze aan het voorgaande vast. Al plaatste hij het, in navolging van Koningen, ann het slot der
geschiedenis van Josjafat, hij heeft stellig niet gemeend dat het kier vcrkaalde op Josjafats laatsten
tijd betrekking bad. Immers, daar Aknzja, Achabs opvolger, slechts twee jaar regeerde, moet het kort
na Achabs dood (II. XVIII) hebbeu plaats gehad, en ging het dus waarschijnlijk, volgens onzen schrij-
vcr, aan het tijdperk van voorspoed, XIX: 4—XX: 30 besekreven, vooraf. — Ahazja — Israël. Zie
over kern 1 Kon. XXII: 52—2 Kon. 1:18.
36.   schepen — varen. Volg. 1 Kou. XXII: 49 naar Olir. Hetzelfde misverstand als vroeger; zie op
IX: 21.
87. Dodia, volg. Gr. vert. j Hebr. t. Dodawa. — Maresja. Zie op Joz. XV: 44.
HOOFDSTUK XXI: 2—20.
Joram. — Joram, volgens Josjafats wentelt koning geworden, doodt al zijne broeders (2—V) en
regeert goddeloos (5—7); Edom en Ljbnu worden afvallig (8—10). Hij leidt zijn volk op den vcr-
keerden weg (11); do profeet Klia kondigt kcin in een brief groote rampen auu (12—15); iuval der
Filistijnen en der Arabieren (10 v.); bij sterft aan cenc vrccselijkc ziekte en wordt als een ccrlooze
begraven (18—20).
Van dit gedeelte is vs. 5—10, met geringe wijzigingen, aan 2 Kon. VIII: 17—22 ontlcond. Het
overige is verdiebt (zie op vs. 12—15 en 17) om den koning, die als schoonzoon van Achab door den
schrijver verfoeid wordt, nog slechter te maken dan hij in Koningen wordt geteckcud (zie vs. 4, 11),
cu hem voor te stellen als het afschrikwekkend voorwerp van Jnhwe\'s straffende gerechtigheid (zie vs.
16—20, en verg. op vs. 10). Hiertoo verandert do schrijver zelfs eenmaal de voorstolling van Koningen
in het tegendeel; zie op vs. 20.
XXI: 2 Joram nu had broeders, zonen van Josjafat: Azarja, Jehiël, Zacharja,
Azarjahu, Michaël en Hjefatja; deze allen waren zonen van Josjafat, den
3       koning van Israël.\' Hun vader gaf hun vele geschenken in zilver,
goud en kostbaarheden, alsmede vestingen in Juda; maar het koning-
4       schap gaf hij aan Joram, want deze was de oudste.\' Toen ecliter Joram
het koningschap zijns vaders aanvaard en zich versterkt had, doodde
hij al zijne broeders met het zwaard, alsmede eonige van Israëls vorsten.\'
5       Twee en dertig jaar was Joram oud toen hij koning werd, en hij
6       regeerde acht jaar te Jeruzalem.\' Hij bewandelde den weg der koningen
van Israël, gelijk het huis" van Achab gedaan heeft; want hij had de
2.   Joram, duidelijkhcidshulvc in pi. v. Hij. — Azarja — Sjefalja. Dczcu worden als zonen van
Josjafut elders niet genoemd. De namen komen alle in ons bock telkens voor als die van Levieten: over
Azarja zie 1 Kron. VI: 36; over Jehiël en Zacharja op 1 Kron. XV: 18; over Michaël 1 Kron. VI:
40; over Sjefalja op 1 Kron. XII: 4—7. Azarja en Azarjahu (dezelfde naam) komon ook XVIII : I
nevens elkander voor. — den koning van Israël. Juda is voor den schrijver het ware Israël; zie op
XI: 13—17. Gr. vert. heeft den koning van Juda.
3.  Josjafat had evenals Ilchabcain gehandeld (XI: 22 v.). Het wordt tot zijne eer vermeld.
4.  Van deze gruweldaad meldt Koningen niets; zie lul. — Israëls, Juda\'s; zie op vs. 2.
-ocr page 902-
2 KR0N1EKBN XXI: 6—20.
982
dochter van Achab tot vrouw; en bij deed wat kwaad was in bet oog
7       van Jahwe.\' Docli Jahwe wilde het huis van David niet verderven,
wegens bet verbond dat bij met David gesloten bad; zooals bij beloofd
8       bad te allen tijde eene lamp te geven hem en zijnen zonen.\' In zijn
tijd vielen de Edomieten af van Juda en stelden zij een koning over
9       zich aan.\' Daarom trok Joram been met zijne vorsten en al zijne strijd-
wagens; en toen bij zich in den nacht bad opgemaakt, sloeg bij de
Edomieten, die hem omsingeld badden, benevens de oversten der strijd-
10       wagens. \' Zoo vielen de Edomieten af van onder Juda\'s hand, tot op
dezen dag. Toen, in denzelfden tijd, is ook Libna van onder zijne band
afgevallen; want bij bad Jahwe, den god zijner vaderen, verlaten.
11           Ook maakte bij hoogten in de steden van Juda, deed de inwoners
12       van Jeruzalem boeleeren en dreef Juda op den verkeerden weg.\' Des-
wege kwam een brief van den profeet Elia tot hem van dezen inhoud:
Zoo zegt Jahwe, de god van uw vader David: omdat gij niet bewan-
deld hebt de wegen van uw vader Josjafat en die van Aza, den koning
13       van Juda,\' maar den weg van Israëls koningen; zoodat gij Juda en de
inwoners van Jeruzalem deedt boeleeren naar het voorbeeld van Acbabs
huis, en ook uwe broeders, uws vaders zonen, die beter waren dan
14       gij, gedood hebt;\' zie, daarom zal Jahwe groote slagen toebrengen aan
15       uw volk, uwe zonen, uwe vrouwen en uwe ganscbe bezitting.\' En gij
zelf zult aan eene kwaadaardige ziekte, aan eene ingewandsziekte, lijden,
totdat tengevolge dier ziekte, na jaar en dag, de ingewanden er uit komen.
Iu*          Toen wekte Jahwe tegen Joram den geest op der Filistijnen en der
17       Arabieren die naast de Etbiopiürs wonen;\' zij trokken op tegen Juda,
vermeesterden bet en voerden alles wat in het koninklijk paleis werd
aangetroffen weg, alsmede zijne zonen en vrouwen; geen zoon hield hij
18       over dan zijn jongsten, Ahazja.\' En na dit alles trof Jahwe hem in
1U zijne ingewanden met eene ongeneeslijke ziekte;\' eenigen tijd later, na
een tijdsverloop van twee jaar, kwamen in zijne ziekte zijne ingewanden
er uit en stierf hij onder hevige pijnen. Zijn volk brandde voor hem
20 geen brand, zooals men voor zijne vaderen gedaan had.\' Twee en dertig
jaar was hij oud toen hij koning werd, en acht jaar heeft hij te Jeru-
zalem geregeerd. Hij ging heen zonder begeerd te zijn; men begroef
hem in de Davidstad, maar niet in de graven der koningen.
7. e» zijnen zonen. De schrijver had den bedorven tekst van 2 Kon. VIII: 19 vóór zich en maakte
van zijnen zonen (schrijffout voor voor zijn aangezicht): en zijnen zonen.
9.  zijne vorsten en. Dit heeft de schrijver gemaakt van den oorspronkelijkcu tekst van 2 Kon.
VIII: 21 (den Seïr iu), dien hij verkeerd las.
10.   u-nul — verlaten. Dit staat niet iu Koningen; onze schrijver ziet iu den afval van Edom en
l.iliini cene straf van Jahwe.
11.  Dit vers, dat in Koningen ontbreekt, dient tot inleiding op den brief van Elia. — in de sleden,
volg. Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. op de bergen. — deed — teeg. Verg. op XV : 12—15.
12—15. Dit bericht is in strijd met de voorstelling vnu Koningen; immers, volg. 2 Kon. 111:11—
19 was Eliza reeds bij het leven van Jorams vader Josjafat in Klia\'s plaats getreden. Klijkbaar wilde
de schrijver, die iu den regel de profetcu uit het noordelijk rijk stilzwijgend voorbijgaat (zie op XX :
14), den beroemden Elia toch vermelden; in de geschiedenis echter van Josjafat, wiens tijdgenoot hij
was, scheen deze boctprofect niet te passen; des te beter in die van Joram, den schoonzoon van Achab,
die, als deze, den Haiildienst begunstigde, waartegen Elia steeds gestreden had.
13. naar — huis. Bedoeld is de invoering van den Baaldienst. — zonen, volg. Gr. vert.; Hebr, t. huis.
15.  ticaadaardige, volg. Gr. vert.; Hebr. t. vele.
16.  Zie op XVII: 11.
17.  zijne zonen. Volg. XXII: 1 werden zij gedood; zie aldaar. — zijn jimgsten. Evenzoo XXII : 1.
Uit vs. 20, vergeleken met XXII: 2, volgt dat Joram bij Ahnzja\'s geboorte achttien jaar oud was;
het is uiet waarschijnlijk dat toon reeds zijn jongste zoon zou geboren zijn. — Ahazja, volg. Gr. vert.;
Hebr. t. Joahaz.
19.  Zijn — had. Zie XVI: 14.
20.  niet in de graven der toningen. Dit is in lijnrechten strijd met 2 Kon. VIII: 24. Maar de
schrijver achtte den goddeloozen koning geen eervolle begrafenis waard. Verg. op XXVIII: 27.
-ocr page 903-
2 kkon-ikkkn XXII: 1—9.                                     983
HOOFDSTUK XXII: 1—9.
Aha/ju. — Ahazja\'s troonsbckliinniing en ilc duur zijner regecring (1); ouder den invloed zijner
betrekkingen uit Achab* huis wordt hij goddeloos (3 v.). Hij bezoekt Joram, zijn bondgenoot, in den
strijd tegen de Arameërs gen-oud, te Jizreël (5 v.) ; wat door God alzoo beschikt was, opdat hij, niet
zijne verwanten, den dood zou vinden door Jehu; hij wordt eervol begraven (7—9).
Van dit gedeelte is vs. 1—6 grootendcels aan 2 Kon. VIII: 25—29 ontleend; terwijl 2 Kon. IX:
16—29; X: 12—14 in vs. 7—9, voor een deel zeer onnauwkeurig (zie op v». 9), is samengevat.
Anders dun in Koningen, wordt hier de dood van Ahazja als cenc straf van Jahwe beschouwd wegens
het door hein met deu koning van Israël gesloten verbond.
XXII: 1 De inwoners van Jeruzalem maakten zijn jongsten zoon Ahazja in
zijne plaats koning; want de bende die onder de Arabieren in de
legerplaats was gekomen bad al de ouderen gedood. Zoo werd Ahazja,
2       de zoon van Joram, den koning van Juda, koning.\' Twee en twintig
jaar was Ahazja oud toen hij koning werd, en hij regeerde t\';en jaar te
3       Jeruzalem; zijne moeder heette Athalja, de dochter van ümri.\' Ook hij
bewandelde den weg van het huis van Achab; want zijne moeder was
4       zijne raadgeefster in goddeloosheid.\' Zoo deed hij wat kwaad was in
het oog van Jahwe, gelijk het huis van Achab; want de leden hiervan
waren na den dood zijns vaders zijne raadgevers, hem ten verderve.
5           Het was ook op hun raad, dat hij met Joram, den zoon van Achab,
den koning van Israël, ten strijde trok tegen Hazaël, den koning van
Aram, bij ltama in Gilead. Toen de Arameërs Joram gewond hadden,\'
6       en deze teruggekeerd was om zich te Jizreël te laten genezen van de
wonden die men hem te Iiama had toegebracht, in den oorlog met
Hazaël, den koning van Aram, kwam Ahazja, de zoon van Joram, de
koning van Juda, ai\' om Joram, den zoon van Achab, te Jizreël te
7       bezoeken; want hij was krank.\' Door God nu was de ondergang van
Ahazja besloten, dat hij bij Joram zou komen, en, daar gekomen, met
Joram Jehu, den zoon Yau Nimsji, te gemoet zou gaan, dien Jahwe
8       gezalfd had om het huis van Achab uit te roeien.\' Toen Jehu het
vonnis aan het huis van Achab voltrok, trof hij ook de vorsten van
Juda aan en de zonen van Ahazja\'s broeders, die bij Ahazja dienst
9       en deden, doodde hen.\' Hierop liet hij Ahazja zoeken; men nam hem
gevangen, terwijl hij zich te iSamarië verborgen hield, voerde hem tot
Jehu en bracht hem ter dood. Daarna begroef men heru; want, zeide
men, hij is een zoon van Josjafat, die van ganscher harte naar Jahwe
gevraagd heeft. En het huis van Ahazja had niemand die in staat
was de regeering te aanvaarden.
1.   want — gedood. Dit is in strijd met 2 Kon. X: 13 v., waar het heet dat Ahazja\'s broeders op
last van Jehu werden omgebracht. Met de bende — gekomen schijnt gedoeld te worden op de XXI :
16 v. genoemden; waarom de schrijver zich zoo vreemd uitdrukt, weten wij niet; wellicht is de tekst
in het ongercede geraakt.
2.   Tuve en twintig, volg. Gr. vert., in overeenstemming met 2 Kon. VIII: 26; Hebr. t. tweeënveertig.
5.   Dat Ahazja met Joram ten strijde trok wordt 2 Kon. VIII: 28 (zie aldaar) niet vermeld; onzo
schrijver leidt het ui\' uit de vriendschappelijke verhouding die tusschcu de beide koningen bestond. —
de Arameërs, volg. verb. t„ met invoeging van cene letter.
6.  Ahazja, volg. Gr. vert. en 2 Kou. VIII: 29; Hebr. t. Azarja.
7.  De stijl van het oorspronkelijke is even vreemd als die van onze vertaling. — met Joram —
gaan. Zie 2 Kon. IX: 16, 21. — dien — uit te roeien. Zie 2 Kon. IX: 1—10.
8.   de zonen van Ahazja\'t broeden. In 2 Kon. X: 13 v. worden de broeders van Ahazja vermeld,
maar de schrijver heeft dezen reeds vs. 1 laten vermoorden.
9.   men nam — dood. Deze voorstelling is onvercenigbaar met die van 2 Kon. IX: 27 v. Waar-
schijnlijk heeft de schrijver het daar verhaalde bij vergissing onjuist weergegeven. — Daarna — heeft.
De schrijver wil blijkbaar zeggen dat hij eervol begraven werd; waarschijulijk bedoelt hij dat Ahazja,
anders dan Joram (zie XXI: 20), in de koningsgraven werd bijgezet (2 Kon. IX: 28). Blijkbaar acht
hij hem minder zondig dan zijn vader. — Én — aanvaarden. Dit is in strijd met vs. 10; maar de
schrijver denkt alleen aan Ahazja\'s zoon Joas, die nog geou jaar oud was.
-ocr page 904-
2 KnoMBKBN XXII: 10—XXIII: 3.
984
HOOFDSTUK XXII: 10—XXIII 21.
Allinljii. — Athalja iluodt alle leden van bet koaiuklijk huis (XXII: 10); nllccn tic zuigeling Joas
wordt gered en in den tempel verborgen (11 v.). Na zes jaar smeedt de priester Jujada cene samen-
zwcriug met de Levieten en de familiehoofden uit het gansehe land en neemt hij maatregelen om de
heiligheid des tempels te handhaven (XXIII :1—7); dientengevolge wordt Joas op den troon verheven
(8—11). Athalja komt op het gejuich van het volk tocsnelteu (12 v.) cu wordt gedood (Ui.). Ver-
bond tusschen Jahwe, vorst eu volk (10); uitroeiing van den Dniildicnst (17); Jojnda zorgt voor de
veiligheid cu de heiligheid van den tempel (18 v.); men brengt Joas naar het paleis (20 v.).
Dit stuk is aan 2 Kon. XI ontleend, maar met vele veranderingen. De schrijver voelde zich gc-
noopt deze aan te brengen, omdat het oude verhaal hem in menig opzicht niet voldeed. Vooral liin-
derde hein, dat Jojada cene samenzwering tot herstel van den dienst van Jahwe smeedde uitsluitend
met de oversten der koninklijke lijfwacht, terwijl van de gemeeute en het talrijke tcmpclpcrsoneel
geen gewag werd gemaakt. Daarom verving hij de lijfwacht door de Levieten cu de familiehoofden,
wat ten gevolge had dat hij allerlei onnauwkeurigheden eu ongerijmdheden in zijne Voorstelling van
het gebeurde bracht; zie op XXIII: 1—3 eu 8. Ook ergerde hem de voorstelling dat de koning en
andere lecken in het biniicnvoorhof hadden gestaan, en trachtte hij ze daarom door ccuc andere te
vervangen. Daar hij zooveel mogelijk de bewoordingen van het oude verhaal behield, is dit hem slechts
ten dcclc, en dnn nog dikwerf ten koste van de duidelijkheid, gelukt; verg. op XXIII :ö v.
XXII: lü Toen Athalja, de moeder van Ahazja, zag dat haar zoon gestorven
was, maakte zij zicli op en bracht het gansehe koninklijk geslacht,
11       van het huis Juda, om.\' Maar de prinses Josjaheath nam Joas, den
zoon van Ahazja, en stal hem uit het midden der prinsen die gedood
werden, en bracht hem, met zijne voedster, in de beddenkaiuer. Daar
verborg hem Josjaheath, de dochter van koning Jorani, de vrouw van
den priester Jojada — want zij was Ahazja\'s zuster — voor Athalja;
12       zoodat deze hem niet doodde.\' En hij bleef zes jaar lang bij hen, in
het huis Gods, verscholen; terwijl Athalja het land regeerde.
XX11I:1 Maar in het zevende jaar vatte Jojada een kloek besluit op; hij
nam de oversten over honderd: Azarja, den zoon van Jeroham, Ismaël,
den zoon van Johanan, Azarja, den zoon van übed, Matizeja, den zoon
van Adaja,. en Elisjafat, den zoon van Zichri, met zich in den tempel.\'
2 Dientengevolge trokken zij Juda rond en verzamelden de Levieten uit
al de steden van Juda, alsmede de familiehoofden van Israël, die daarop
o" naar Jeruzalem kwamen.\' En de gansehe vergadering sloot een ver-
10.  bracht — om, volg. nllc oude vortt. en 2 Kon. XI: 1; Hebr. t. sprak.
11.  de vrouw — Jojada. Dat Josjaheath (in Koningen heet zij Josjeba) dit was vermeldt Koningen
niet, maar heeft onze schrijver afgeleid uit 2 Kon. XI: 3, waar gezegd wordt dat Josjeha in den
tempel woonde. Of iets dergelijks in den tijd onzes schrijvers nog plaats had, weten wij niet; later
kwam het stellig niet meer voor. Maar indien in zijn tijd nog mcuschen woonden in de bijgebouwen
des tempels, dan zeker alleen pricsterfnmilicn. Daar hij Josjaheath tot vrouw van Jojada maakte,
schreef hij in het volgende vers bij hen, d. i. bij Jojada en Josjnbcath, in pi. v. bij haar, zooals 2
Kou. XI: 3 heeft. — Ahazja\'s zuster. Indien de schrijver in haar cene dochter van Athalja zag, dus
cene kleindochter van Izcbcl, de Fciiicische, is vermoedelijk Jojada door hein niet in de lijst der hoogc-
pricsters opgenomen, omdat de hoogepriestcr volg. Lcv. XXl: 14 geen vrouw van niet zuiver Israclietisch
bloed mocht huwen; verg. inl. op 1 Krou. VI.
1—3. De mannen met wie Jojada volg. 2 Kon. XI: 4, waar zij oversten der Kariêrs eu trawanten
hcetcn, de samenzwering aangaat, zijn hier oversten over honderd, hebben niet anders te doen dau
de Levieten en familiehoofden uit het gansehe land samen te roepen, en worden daarom verder niet
vermeld (doch zie op vs. 9). Hoc cene samenzwering waartoe al de Levieten en familiehoofden naar
Jeruzalem werden samcugcroepeu geheim kon blijven, is een raadsel.
1.   De meeste der hier voorkomende namen zijn elders namen van priesters: over Azarja, Jeroham
en Adaja zie 1 Kron. IX:llv.; over Azarja en Johanan 1 Kron. VI: 9—14; over Ismaêl eu Matizeja
Ezra X:21v.; over Zichri Neh. XII : 17. Wellicht meende de schrijver inderdaad dat de oversten
over honderd hoofden van priesterlijke nfdeclingcn waren. — in den tempel, volg. Gr. vert.; Hebr. t.
in een verbond.
2.   dr familiehoofden. Dezen zijn, met priesters en Levieten, in de geschriften van de vijfde eeuw en
daarna de vertegenwoordigers der gemeente; zie Ezra 1:5; 111:12; VIII: 29; Neh. VIII: 14. — ra»
Israël. De Judeesche familiehoofden vertegenwoordigen gansch Israël; zie op XI: 13—17.
3.   met den koning. Deze wordt dus bij de samenzwering aanwezig gedacht, wat 2 Kon. XI: 4 het
-ocr page 905-
985
2 KRONIEKBN XXIII: 3—13.
bond met den koning in het huis Gods, en Jojada zeide tot hen: Zie,
de zoon des konings moet koning worden, zooals Jahwe aangaande het
4       huis van David beloofd heeft.\' Ziet hier, wat gij doen moet: het derde
deel uit u, die op sabbat inrukken, zoo priesters als Levieten, zullen
5       dorpelwachters zijn;\' een derde zal in het koninklijk paleis, een derde
in de poort Jezod, en het gansche volk in de voorhoven van Jahwe\'s
ü huis staan.\' Niemand mag Jahwe\'s huis binnentreden dan de priesters
en de dienstdoende Levieten; zij mogen daarbinnen komen, want zij
zijn heilig; maar het gansche volk neme zijne verplichting jegens
7       Jahwe in acht.\' De Levieten zullen zich rondom den koning scharen,
elk met zijne wapenen in de hand — wie binnen den tempel komt
worde gedood — zij zullen bij den koning blijven, wanneer hij naar
8       binnen gaat of naar buiten treedt. \' De Levieten nu en gansch Juda
deden naar al wat de priester Jojada gelast had: ieder nam zijne
manschappen, die op den sabbat inrukten met die op den sabbat uit-
trokken; want de priester Jojada had de afdeelingen niet ontslagen.\'
9       Nu gaf de priester Jojada aan de oversten over honderd de speren,
schilden en beukelaars van koning David, die in het huis Gods waren, \'
10       en stelde het gansche volk op, elk met zijn wapen in «Ie hand, van
de zuidzijde tot de noordzijde des tempels, bij het altaar en den
11       tempel, om den koning heen.\' Hierop leidde men den zoon des konings
naar buiten, zette hem den diadeem op, deed hem de armbanden aan
en maakte hem tot koning. Jojada en zijne zonen zalfden hem en
zeiden: Leve de koning!
12           Toen Athalja hoorde, hoe het volk kwam aanloopen en den koning
13       toejuichte, ging zij tot het volk in het huis van Jahwe.\' Daar zag
zij den koning staan op zijne standplaats aan den ingang, en de
oversten en de trompetten bij den koning, en al het volk des lands
vreugde betoonende en op trompetten blazende, alsmede de zangers
geval niet is; de voorstelling is wellicht het gevolg hiervuu dat vs. 10 de koning bij voorbant gc-
noemd wordt (/ie op 2 Kon. XI: 11). — hel httit van David, volg. Gr. vort.; Uebr. t. de zonen
van David.
4 v. De hier gegeven voorstelling is even onduidelijk als die van 2 Kou. XI: 5—7, de poort Jezod
even onbekend nis de poort Sur; waarschijnlijk heeft de schrijver het in Koningen verhauldo /elf
niet begrepen. Dit stunt echter vast: wat in Koningen nnn de lijfwncht is opgedragen wordt hier
nnn priesters en Lcvicteu gelust; de schrijver deukt dunrbij nnu de afdeelingen de/cr tcuipcldic-
uaren (zie 1 Krou. XXIII—XXVI) die op den afgesproken sabbat elkander nllostcn. Waarom dit
zoo geschied moest zijn, leert vs. 0. Dat hierdoor de voorstelling outstant nlsof Levieten ook de wacht
van het paleis betrokken, wat natuurlijk nrgwnan moest wekken, hierom bekommert de schrijver
zich niet.
6 v. Uit stelt onze schrijver in de pluats vnn hetgeen 2 Kon. XI: 8 verhaald wordt: dat de lijf-
wacht, ter bescherming des konings, ieder muist doodcu die binnen hnre gelederen kwnm. 1\'r voor-
stelling die hij geeft is hoogst onduidelijk, voornl omdat niet blijkt wat hij bedoelt met Jahice\'s luns,
wuurin het gansche volk niet, alleen de priesters en dienstdoende Levieten mogen komen. Wij deuken
het liefst nnn het binncuvoorhof, dnnr de toegang tot den eigenlijken tempel ook den Lcvietcu ver-
boden wns; doch in dit gcvnl moet de schrijver iu vs. 5 öf met de voorhoven van Jahwe\'s huis bui-
tenvoorhoven öf met hel gansche volk Levieten bedoeld hebben; verg. op vs. 10.
8. ieder nam zijne manschappen. Ongerijmd; dnnr het op de Levieten en gansch Juda, d. i. al de
familiehoofden, slnnt. De woorden zijn gednchtcloos overgenomen uit 2 Kou. XI:!), wnar zij betrekking
hebben op de oversten der lijfwacht. — want — ontslagen, zoodnt ook de afdceliugcn die afgelost
moesten wordeu in den tempel bleven.
10.   het gansche volk, volg. vs. 7 de Levieten. Zij waren dus de troepen der oversten over honderd,
aan wie de wapenen waren ter hand gesteld.
11.   deed — aan, nnnr dezelfde gissing nis 2 Kon. XI: 12. — Jojada en zijne zonen. Zoo speelden
de priesters hierbij de groote rol.
12.   het volk — aanloopen. Dezen tekst heeft de schrijver verkregeu door omzetting van ecu paar
woorden van 2 Kon. XI: 13: de traieauten (letterlijk de loopenden) en het volk.
13.   op zijne standplaats (volgens andere klinkers naar XXXIV: 81) aan den ingang. licdoeld is
waarschijnlijk de pluuts nnn den iugnug van de Oostpoort van het binncuvoorhof, waar volg. Kzech.
XLVI: 2 de koning van de offeranden getuige mocht zijn. Hier vertoont hij zich aan het in het
buitenvoorhof verzamelde volk. Iu Koningen- staat Joas bij cenc zuil tussenen den tempel en het
-ocr page 906-
986
2 KRONIEKEN XXIII! 13—21.
met de muziekinstrumenten, het sein gevende om lofliederen aan te
heffen. Toen verscheurde Athalja hare kleederen en riep: Verraad!
14       verraad!\' En de priester Jojada liet de oversten over honderd, aan-
voerders van liet heir, naar buiten gaan en zeide tot hen: Brengt haar
tusschen de gelederen weg, en elk die achter haar komt worde met
het zwaard gedood. Want de priester had gezegd: Gij moogt haar niet
15       in den tempel dooden.\' Zoo sloegen zij de hand aan haar en doodden
haar, toen zij in den ingang van de poort der rijtuigen van het
paleis kwam.
1(3          Daarna sloot Jojada een verbond tusschen hem zei ven en het gansche
17       volk en den koning, om een volk van Jahwe te zijn;\' en het gansche
volk ging naar den tempel van den baal, wierp zijne altaren omver,
brak zijne beelden stuk en doodde Mattan, den priester van den batil,
18       voor de altaren.\' Voorts stelde Jojada opzieners aan over het huis
van Jahwe, door bemiddeling van de priesters en de Levieten, die
David voor den dienst aan het huis van Jahwe had ingedeeld, om de
brandoffers van Jahwe, naar het voorschrift van Mozes\' wet, te brengen
11) met vreugdebetoon en gezang, volgens Davids beschikking.\' Ook stelde
hij de portiers op hun post bij de poorten van Jahwe\'s huis; opdat
niemand die in eenig opzicht onrein was er zou binnenkomen.
20           Toen nam hij de oversten over honderd, de aanzienlijken en heer-
schers onder het volk, en al het volk des lands, en voerde den koning
af uit het huis van Jahwe; zij kwamen door de Bovenpoort in het
21       paleis, waar zij den koning op den koningstroon zetten.\' En al het
volk des lands verheugde zich, terwijl de stad rust had. Athalja nu
hadden zij met het zwaard gedood.
altaar, en liet volk, ook in het bimietivoorhof, voor het altaar; vit:.\', op 2 Kon. XI: 11. — alsmede
— aan te heffen, ile I.cvictische zangers. Dezen, in Koningen niet vermeld, moehten bij onzen schrij-
vcr vooral niet ontbreken.
14. naar buiten, uit het binnen* naar het buitcnvoorbof, waar Athalja zieh bovond.
10. hem zelven, als vertegenwoordiger vuu Jahwe. In plaats hiervan staat 2 Kon. XI: 17 Jahwe.
18 v. Hiervan staat in Koninyen alleen Voort» — Jahwe. Wat de schrijver hieraan toevoogt dient
om te voorkomen dat men aan andere tempcldicuaren zou denken dan aan die welke David volg.
1 Kron. XXI11—XXVI had aangesteld.
18. de priesters en de Levieten, volg. de oudo vertt.; Hebr. t. de Levielische priesters (de priesters
de Levieten).
De weglating van en kan opzettelijk zijn; zie op XXX : 27.
20. de aannenlijken en heerschers onder het volk, In plaats hiervan heeft 2 Kon. XI: 19 de Ka-
rii\'rs en de trawanten.
De schrijver wil de lijfwacht in het geheel niet vernielden en verandert doar-
om ook de poort der trawanten in de Bovenpoort, volg. XXVII: 3 ceue tcmpelpoort.
HOOFDSTUK XXIV.
Jobs. — Joss regeert ouder de leiding van Jojada (1—3). Zijne zorgen voor het herstel vsn den
tempel worden door de traagheid der Levieten verijdeld (4—6); nieuwe maatregelen, daardoor noodig
geworden, slagen door de gewilligheid des volks uitnemend (7—11); ten gevolge waarvan de tempel
geheel hersteld wordt (12 v.); van het geld dat hierna overblijft laat Joas kostbaarheden voor den
tempel vervaardigen (14). Na Jojada\'s dood laat Joas zich overhalen om de afgoderij te begunstigen
(15—18); daarover door Zacharja, Jojada\'s zoon, berispt, laat hij dezen in den tempel dooden (19—
22); waarna een Aramcesch leger hein eeae grootc nederlaag toebrengt (23 v.) en hij zelf door twee
zijner dienaren gedood wordt (25 v.). Besluit (27).
Aan dit hoofdstuk ligt ten grondslag 2 Kon. XI: 21—XII: 21, dat echter door onzen schrijver
zeer gewijzigd is weergegeven. Hij meende in de regcering van Joas twee tijdperken te moeten onder-
scheiden. De rampen die dezen koning tegen het einde zijner regeering hebben getroffen waren,
volgens hem, het bewijs dat hij niet levenslang aan Jahwe was getrouw geweest. Doch van den
anderen kant moest Joas, als ijverig verzorger van den tempel, gedurende een gedeelte zijner regcc-
ring een oprecht dienaar van Jahwe geweest zijn. Deze overwegingen, in verband met eene onjuiste
opvatting van 2 Kon. XII: 2 (zie op vs. 2), leidden hem tot de voorstelling, dat Joas zoolang Jojada
leefde godvruchtig was geweest, maar ua diens dood. den verkeerden weg bewandeld had. Om de
-ocr page 907-
087
2 KKONIBKBN XXIV: 1—11.
tegenstelling der twee tijdvakken scherp te doen uitkomen, stelt de schrijver de rampen die Joas
trollen nog zwaarder voor dan in Koningen het geval is (zie op vs. 23 v. en 24) en maakt hij Joas tot
moordenaar van den zoon zijns weldoeners. Over de wijzigingen die hij in het verhaal van Joas\' tcm-
pelhcrstel aanbrengt zie op vs. 4—14.
XXIV: 1 Zeven jaar was Joas oud toen liij koning werd, en veertig jaar
regeerde hij te Jeruzalem; zijne moeder heette Hibja, uit Bersjeba.\'
2       Joas deed wat recht was in het oog van Jahwe zoolang de priester
3       Jojada leefde.\' En Jojada nam voor hem twee vrouwen, bij welke hij
zonen en dochteren verwekte.
4           Nadezen vatte Joas het plan op, het huis van Jahwe te vernieuwen.\'
5       Hiertoe verzamelde hij de priesters en de Levieten en zeide tot hen:
Gaat uit naar de steden van Juda en zamelt geld in bij gansch Israël,
om, van jaar tot jaar, het huis uws Gods te herstellen, en maakt voort-
gang met de zaak. Maar de Levieten maakten er geen voortgang
o\' mede.\' Toen ontbood de koning den hoogepriester Jojada en zeide tot
hem: Waarom hebt gij niet zorg gedragen dat de Levieten de belas-
ting van Mozes, den dienstknecht van Jahwe, en van Israëls gemeente
7       voor de tent der getuigenis, van Juda en Jeruzalem inden?\' Want de
goddelooze Athalja en hare zonen hebben verwoestingen aangericht in
het huis Gods en ook al de heilige voorwerpen van Jahwe\'s huis voor
8     . de baüls gebruikt.\' Op bevel des konings maakten zij toen eene kist,
9       zetten die buiten bij de poort van Jahwe\'» huis\' en lieten in Juda en
Jeruzalem bekend maken, dat men de belasting die Mozes, de dienst-
knecht Gods, in de woestijn aan Israël had opgelegd aan Jahwe zou
10       brengen.\' En met vreugde brachten alle oversten en het gansche volk,
11       tot den laatsten man toe, die op en wierpen ze in de kist.\' Wanneer
men nu de kist bracht bij de vanwege den koning met liet toezicht
belaste Levieten, en dezen zagen dat er veel geld in was, kwam de
2.   zoolang — leefde, 2 Kou. XII: 2 staat zijn gansche leven, daar de priester Jojada hem onder-
wee»;
maar wie geneigd is er in te lezen wat ouzc schrijver er in vond kau den llebrccuwschen
tekst vertalen al zijne dagen, waarin de priester Jojada hem onderwees. Zoo reeds Gr. en Lat. vertt.
3.   Dat de koning ook in de keus van zijne vrouwen zich door den priester liet leiden acht de
schrijver een bewijs vau vroomheid.
4—14. De hier gegeven voorstelling wijkt in menig opzicht van die vau 2 Kon. XII: 4—10 af. In
deze wus het een en ander dat onze schrijver niet kon aannemen. Uitgaande van de onderstelling dat
de wet dagteekende van Mozes en dus door ecu vroom koning zeker gehandhaafd was, geloofdo hij
niet dat Joas maatregelen kon genomen hebben die blijkbaar geheel daar buiten om gingen. Hij
stelt dus hetgeen in Koningen vermeld wordt vau Joas\' bemoeiingen in zake de tempelinkomstcu voor
als een maatregel ter uitvoering van hetgeen de wet ten aanzien van belastingen voor do priesters en
het heiligdom voorschreef (Exod. XXX : 12—10; XXXVIII: 25 v.; Num. XVIII: 8—20). Tevens roemt hij
de oversten en al het volk in Joas\' dagen als volijverig in het opbrengen dezer belastingen — wat
zeker voor zijne tijdgenooten eene niet overbodige vermaning inhield — en zuivert hij de priesters
van de smet vau onwil, iuhaligheid en gebrek aan belangstelling in het heiligdom, terwijl hij alleen
den Levieten traagheid te laste legt, eene fout die hij wellicht in de Lcvictou van zijn tijd te bcris-
peu vond.
4.  Waardoor dio vernieuwing des tempels noodig was geworden, zio op vs. 7. In Koningen is alleen
sprake van de herstellingen die elk gebouw behoeft.
5.   de priesters en de Levieten. In het vervolg is alleen van Levieten sprake; aan dezen was sedert
Nehemja (zie Nch. X : 32—39) het innen der tcmpclbclnsting opgedragen. Nevens hen worden de prios-
ters genoemd, als 2 Kon. XII: 4—10 vermeld. — gansch Israël, het ware Israël, Juda.
7.   Dit ontbreekt in Koningen. — en (volg. Gr. en Lat. vertt. ingevoegd) hare zonen. De schrijver
vergeet dnt dezou reeds voor hare troonsbestijging gedood waren, XXII: 1. — hebben — Gods. Do
schrijver meent dat onder Athalja de tempel van Jahwe opzettelijk beschadigd is. Dit is onjuist; ook
onder Athalja was de tempel het koninklijk heiligdom, en was Jahwe, al werden ook audcre goden
nevens hem vereerd, de god des volks.
8.   builen, aan eene poort van het buitcnvoorhof. Volg. 2 Kon. XII: 9 schijnt de kist bij den in-
gang van het binncnvoorhof gestaan te hebben. In den tijd van onzen schrijver mocht het volk niet
meer, als vroeger, het binncnvoorhof botreden; zie op IV: 9.
10.   De Israëlieten zijn gewillig in het opbrengen der tempelbelasting.   Zoo spoort de schrijver zijne
tijdgenooten tot mildheid jegens het heiligdom aan.
11.   Van het wegbrengen der kist naar een ander vertrek en van   do Levietische commissie van
toezicht is in Koningen geen sprake. Wellicht ontleent do schrijver een
  en ander aan hetgeen in zijn
-ocr page 908-
988
2 KRONIKKBN XXIV: 11—23.
schrijver des konings met een beambte van den hoogepriester, om de
kist te ledigen, haar op te nemen en weder op hare plaats te zetten.
12       Zoo deden zij dagelijks en verzamelden zij geld in overvloed.\' Dit gaven
de koning en Jojada aan de opzichters over den arbeid aan het huis
van Jahwe, en dezen huurden steenhouwers en timmerlieden, om den
tempel te vernieuwen, ook smeden en koperslagers, om den tempel te
13       herstellen.\' De arbeiders deden hun werk, en het werk vorderde onder
hunne handen; zij bouwden liet huis Gods op naar den eisch en brachten
14       het in goeden staat.\' Toen zij er mede gereed waren, bracht men de
rest van het geld aan den koning en aan Jojada; en hij liet daarvoor
gereedschappen voor den tempel vervaardigen, gereedschappen voor
den dienst en voor het offeren, lepels en gouden en zilveren voor\\ver-
pen. En men bracht voortdurend brandoffers in Jahwe\'s huis, zoolang
Jojada leefde.
15           Maar Jojada werd oud en zat van dagen en stierf — hij was toen
10 hij stierf honderd dertig jaar —\' en men begroef hem in de David-
stad, bij de koningen; want hij had goed gehandeld jegens Israël en
17      jegens God en zijn huis.\' En na Jojada\'s dood kwamen de vorsten
van Juda en wierpen zich voor den koning neder. Toen luisterde de
18       koning naar ben,\' en zij keerden het huis van Jahwe, den god hunner
vaderen, den rug toe en dienden de Asjera\'s en de afgoden. Om deze
1\'J hunne schuld kwam gramschap over Juda en Jeruzalem.\' Hij zond
onder hen profeten, om hen tot Jahwe terug te brengen, die hen waar-
20       schuwden; maar zij luisterden niet.\' Toen bekleedde zich de geest van
God met Zacharja, den zoon van den priester Jojada; hij ging voor
het volk staan en zeide tot hen: Zoo spreekt God: Waarom overtreedt
gij Jahwe\'s geboden en wilt gij niet voorspoedig zijn? Want nu gij
21       Jahwe verlaten hebt, verlaat hij u.\' Toen zwoeren zij tegen hem samen
en steenigden hem, volgens het gebod des konings, in liet voorhof van
22       Jahwe\'s huis.\' En koning Joas gedacht niet der gunst welke zijn vader
Jojada hem bewezen had en liet zijn zoon dooden. Maar stervend sprak
deze: Jahwe zie het en wreke het!
23           En bij de wisseling van het jaar trok een Arameesch leger tegen
hem op; zij rukten Juda en Jeruzalem binnen, brachten alle volks-
tijJ gebruikelijk was. — mei een beambte van den hoogeprieiter. Volg. 2 Kon. XII: 10 komt de hoogc-
priestcr zelf. Doch in de schatting vau onzcu schrijver stond deze daarvoor te hoog. — dagelijks.
Zooveel geld kwam er in.
13. het Kerk vorderde, letterlijk /iel heeMeetch kwam op. Desgelijks Nch. IV: 7; Jez. LV1II:8;
Jcr. VIII: 22; XXX: 17; XXXIII: 6.
11. Dit is in strijd met 2 Kon. XII: 13 v. De bedoeling is: er was zooveel geld ingekomen dat
er na nfbctaling vau alle onkosten nog overbleef om allerlei kostbaar gereedschap te koopen. — hij.
liet blijkt niet, wien de schrijver bedoelt: den koning of Jojadn.
15 v. Dit lezen wij in Koningen niet. De vrome hoogepriester wordt bij onzen schrijver door Jahwe
gezegend tot aan zijn einde. Hij laat hem daarom honderd dertig jaar oud worden, zonder te bedenken
dat, daar Joas veertig jaar regeerde (vs. 1) cu Jojada voor hem stierf, die laatste bij Joas\' troons-
bcklimming meer dan negentig jaar oud moot zijn geweest. Zijne vrouw Josjabcnth (XXII: 11), Jorams
dochter, kan, volg. XXI: 5; XXII: 2, bij haars vaders dood niet veel ouder dan twintig en dus (verg.
XXIII : 1) teu tijde van .loas\' troonsbckliinming hoogstens zeven en twintig jaar oud zijn geweest.
Hlijkbanr heeft de schrijver het cijfer verdicht, zonder te onderzoeken of het bij het overige van
het verhaal past.
17.   wierpen — neder, met het verzoek om weder afgoderij too te staan. Koning en volk worden
tegelijkertijd ontrouw aan Jahwe; zie op XV : 12—15.
18.  de Aijera\'a. Zie op 1 Kon. XV: 13. — Om — Jeruzalem, zooals uit va. 23—26 blijkt.
20. bekleedde — Zacharja. Zie op Richt. VI: 34. — voor hel volk, letterlijk boven hel volk. Hij
stond in het binnenvoorhof en sprak vau daar het in het bui ten voorhof, dus lager, staande volk toe.
23 v. Wat 2 Kon. XII: 17 v. verhaald wordt, dat Joas met groote opofferingen, o. a. van de tem-
pclschattcn, den inval van het vijandelijke leger heeft afgewend, neemt onze schrijver niet aan; hij
maakt den daar vermelden rampspoed zwaarder.
23. bij—jaar. Hiermede wordt Exod. XXXIV: 22; 1 Sam. 1:21 het najaar bedoeld; bij onzen
-ocr page 909-
2 KRONIEKBN XXIV ! 23—XXV : 3.
989
oversten uit het volk om en zonden hun ganschen buit aan den koning van
24       Damaskus.\' Want al kwam het Arameesche heir met een gering aantal
mannen, toch heeft Jahwe een zeer talrijk heir aan hen overgeleverd,
omdat zij Jahwe, den god hunner vaderen, hadden verlaten. Ook aan
25       Joas voltrokken zij een strafgericht.\' En toen zij van hem wegtrokken
— want zij lieten hem in hevige pijnen achter — maakten zijne die-
naren eene samenzwering tegen hem, wegens het bloed van den zoon
van den priester Jojada, en doodden hem op zijn bed; zoo is hij ge-
storven. Men begroef hem in de Davidstad, maar niet in de graven
20 der koningen.\' Dit zijn de mannen die tegen hem hebben samenge-
zworen: Zabad, de zoon van iSjimeath, de Ammonietische, en Jozabad,
de zoon van Sjimrith, de Moabietische.
27          Over zijne zonen, de zwaarte van den hem opgelegden last en de
grondvesting van (lods huis staat geschreven in de Verhandeling van
het boek der koningen. Zijn zoon Amasja werd koning in zijne plaats.
schrijver, in wiens tijd het janr in de lente begon, beteckent de uitdrukking: in bet volgende voor-
jaar. — alle volktorrrtlen, die het meest schuld luidden aan den afval van Jahwe, vs. 17 V.
24.   Ook — ttrafgericht, doordat zij hem verwondden.
25.  tcegent — Jojada. Deze woorden geven niet de drijfveer der moordenaars aan. maar het oog-
punt waaruit de schrijver den dood van Joas beschouwt. — den zoon, volg. Gr. en Lat. vertt.;
Hebr. t. 4* zonen. — niet in de graven der koningen. Dit is in strijd met 2 Kou. XII: 21; verg.
op XXI: 20.
20. Kr is cenig verschil met 2 Kon. XII: 21 in de namen. Waarom de moordenaars hier, de cen
zoon eem i Ammonietische en de ander zoon eener Moabietische hceten, weten wij niet; wellicht wil
de schrijver zeggen dat Joas, tot zijne schande en tot zijn ongeluk, mannen van niet zuiver Isrnc-
lietischc afkomst onder zijne dienaren had.
27. de zwaarte — Uut, onzekere lezing en vertaling. Dit slaat waarschijnlijk op 2 Kon. XII: IK.
— de Verhandeling van het hoek der koningen, het gedeelte van Koningen dat over Joas handelt, 2
Kon. XI: 21—XII: 21, waar echter van Joas\' zoueu niets verhaald wordt. — Zijn —plaatt. Zie 2
Kon. XIV :l.
HOOFDSTUK XXV.
Amasja. — Amasja, koning geworden, doodt de moordenaars zijns vaders (1—4). Hij monstert zijn
leger en ncomt Israëliotische huurtrocpen in dienst (5v.); door ecu godsmnn hierover berispt, zend
hij zo weg (7—10); hij verslaat de Kdomietcn (11 v.); de weggezonden huurtrocpen plunderen cciiigc
steden (13). Amasja vervalt tot afgoderij (14), geeft den profeet die hem daarover bestraft een smn-
dclijk bescheid en wordt hiervoor met straf bedreigd (15 v.). Door Joas van Israël uit te dagen (17—
19) berokkent hij zich eene nederlaag, die eene plundering van Jeruzalem ten gevolge heeft (20—24).
Hij wordt in eene samenzwering gedood (25—28).
De geschiedenis van Amasja, in 2 Kon. XIV : 1—14, 17—21 vervat, is hier nagenoeg geheel opge-
iioinen ; wat ons verhaal meer behelst dient om ook van dezen koning de lotgevallen te plaatsen in
de lijst van de cigennardigc gcschicdbcschoiiwing die door den schrijver gehuldigd wordt. Daar Amasja
voorspoedig was geweest tegen de Kdomietcn, maar ongelukkig tegen Israël, moest het gunstig oor-
deel, 2 Kon. XIV: 3 over hem uitgesproken, getemperd worden: alleen het eerste deel zijner rcgcc-
ring was door godsvrucht, het tweede door ontrouw aan Jahwe gekenmerkt geweest. Vandaar het bc
richt dat hij, na zijne overwinning op Kdom, tot afgoderij verviel en zich ongehoorzaam tooudc aan
het profetische woord, vs. 14—16; terwijl zijn rampspoed in vs. 20, 27 uitdrukkelijk met zijne afgo-
dcrij in verband wordt gebracht.
XXV: 1 Vijf en twintig jaar oud, werd Amasja koning, en negen en twintig
jaar regeerde hij te Jeruzalem; zijne moeder heette Joaddan, uit Jeru-
2       zalem.\' Hij deed wat recht was in het oog van Jahwe, doch niet met
3       een onverdeeld hart.\' Zoodra hij nu het koningschap stevig in zijne
hand had, doodde hij zijne dienaren die den koning, zijn vader, hadden
1—4. Wat 2 Kon. XIV: 2—fl, waaraan deze verzen ontleend zijn, gezegd wordt vnn den hoogten-
dienst des volks tijdens Amasja\'s regecring wordt hier weggelaten. Als de koning aan Jahwe getrouw
is, is het volk niet ontrouw; zio op XV: 12—15.
2. niet met een onverdeeld Aart, zooals in het tweede tijdperk zijner regecring, vs. 14—24, bleek;
doch ook reeds in het eerste was hij niet standvastig in zijne trouw aan Jahwe, vs. G—10.
-ocr page 910-
2 KRONIEKEN XXV : 3—16.
990
4       omgebracht.\' Maar hunne kinderen bracht hij niet ter dood; overeen-
komstig hetgeen geschreven is in de wet, het boek van Mozes, waarin
Jahwe geboden heeft: De vaders zullen niet sterven om de kinderen,
noch de kinderen om de vaders; maar ieder zal wegens zijne eigen
zonden sterven.
5           Amasja nu verzamelde Juda, stelde hen op naar familiën, bij over-
sten van duizend en van honderd ingedeeld, gansch Juda en Benjamin,
monsterde hen, van twintig jaar ai\' en daarboven, en bevond dat er
driehonderd duizend krijgers waren die ten strijde uittrokken en speer
G en schild voerden.\' Ook huurde hij uit Israël honderd duizend sterke
7       helden voor honderd talenten zilver.\' Toen kwam tot hem een gods-
man, die tot hem zeide: Laat, koning, het leger van Israël niet met
u trekken; want Jahwe is niet met Israël, met al die Efrainiieten.\'
8       Maar, indien gij meent met dezen u sterk te maken ten oorlog, dan
zal God u ten val brengen voor uwe vijanden; want God heeft macht
9       om te helpen en om ten val te brengen.\' Doch Amasja zeide tot den
godsman: En wat dan te doen met de honderd talenten die ik aan
de troepen van Israël gegeven heb? En de godsman antwoordde: Jahwe
10       is in staat u meer te geven dan dit.\' Toen zonderde Amasja de troepen
die uit Efraim tot hem gekomen waren af, opdat zij naar hunne woon-
plaats zouden teruggaan. Zij ontstaken hierover in hevigen toorn tegen
Juda en keerden in brandenden toorn huiswaarts.
11           Maar Amasja schepte moed, voerde zijn volk aan, trok naar liet Zout-
12       dal en versloeg de tSeïrieten, tien duizend man.\' Nog tien duizend
man voerden de Judeërs levend weg en brachten hen naar den top
der rots, van waar zij hen naar beneden wierpen, zoodat zij allen ver-
13       pletterd werden. \' Intusschen deden de lieden van de troepen die Amasja
had doen terugkeeren, zoodat zij niet met liem ten strijde trokken, een
inval in de steden van Juda, van Samarië tot Ueth-horon, versloegen
van de inwoners drie duizend man en maakten veel buit.
14           Nadat Amasja van het verslaan der Edomieten huiswaarts gekeerd
was, bracht hij de goden der Seïrieten mede in zijn land, stelde ze
voor zich tot goden op, wierp zich daarvoor neder en offerde hun
15       ter eer.\' Daarom ontstak Jahwe\'s toorn tegen Amasja en zond hij een
profeet tot hem, die tot hem zeide: Waarom hebt gij gevraagd naar
de goden van het volk, naar hen die hun eigen volk niet hebben kunnen
16       verlossen uit uwe hand?\' Maar terwijl hij tot den koning sprak, zeide
deze tot hem: Hebben wij u tot raadgever des konings aangesteld?
Houd daarmede op; waarom zou men u ombrengen? Toen hield de
profeet op en zeide: Nu weet ik dat Jahwe voornemens is u te ver-
derven, dewijl gij dit gedaan en naar mijn raad niet geluisterd hebt.
5. driehonderd duizend krijger». Een veel kleiner getal dan ten tijde van Josjafat, XVII: 11—19;
gevolg van verminderden zegen van Jahwe onder de regcering der drie laatste, goddeloozc, koningen.
C—10. Hulp zoeken bij Noord-Isracl was zonde; zie inl. op XVII i 1—XIX: 3. Amasja\'a voorspoed
in den strijd met Kdnm was dan ook het gevolg hiervan dat hij op Gods last de Kfraimietische
huurtrocpen bad weggezonden; zijn rampspoed, in vs. 13 vermeld, de straf hiervoor dat hij ze eerst
in dienst genomen en niet van den beginne af op God alleen vertrouwd had.
8. Maar — oorlog, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Maar kom gij zelf, gedraag u kloek ten tlrijde.
11.  Zie 2 Kon. XIV : 7*. — de Seirieten, de Edomieten.
12.  In plaats hiervan meldt Koningen dat Amasja Sela veroverd heeft. Maar onze schrijver, geen
stad van dien naam kennende, heeft dit bericht misverstaan, en den naam, die ,rots\' beteekent, verta-
lendc, er van gemaakt wat wij hier lezen.
13.  Zie op vs. 0—10. — de tteden — Betk-horon. Daar Beth-horon eenc der noordelijkste plaatsen
van Juda was (zie op Joz. X:10), lagen de hier bedoelde steden grootendeels in het noordelijk rijk;
dot een gedeelte daarvan aan Juda behoorde is ook XIII: 19 vermeld. Het eigenlijke Juda, het aan
Jahwe getrouwe volk, had van de plunderaars weinig te lijden.
14.  offerde, letterlijk rookte; zie op 1 Kon. III : 3.
-ocr page 911-
2 KRONIEKEN XXV : 17—28.
991
17          Toen werd Amasja, de koning van .lmla, te rade, boden te zenden
aan Joas, den zoon van Joahaz, den zoon van Jehu, den koning van
Israël, met de uitdaging: Laten wij elkander eens onder de oogen
18      zien!\' Maar Joas, de koning van Israël, zond Amasja, den koning
van Juda, dit bescheid: De distel op den Libanon zond den ceder
op den Libanon de boodschap: Geef uwe dochter aan mijn zoon tot
vrouw. Maar het wild gedierte op den Libanon liep er over heen en
19      vertrapte de distel.\' Gij denkt: Ik heb Edom verslagen! en wordt nu
overmoedig; geniet thans uw roem en blijf thuis; waarom zoudt gij
20      uw ongeluk opzoeken en ten val komen, en Juda met u \'l\' Maar
Amasja luisterde niet; want God had besloten hen over te leveren
21      aan Joas, omdat zij naar de goden van Edom gevraagd hadden.\' Toen
trok Joas, de koning van Israël, op, en zagen hij en Amasja, de koning
22      van Juda, bij Beth-sjemes in Juda, elkander onder de oogen.\' En Juda
leed tegen Israël de nederlaag, zoodat zij vluchtten, ieder naar zijne
23      tent.\' Ook nam Joas, de koning van Israël, Amasja, den koning van
Juda, den zoon van Joas, den zoon van Ahazja, bij Beth-sjemes ge-
vangen; hij bracht hem naar Jeruzalem, brak een stuk van vierhonderd
el uit den muur van Jeruzalem, van de Efraimspoort tot de Hoek-
24      poort,\' nam al het goud en zilver en al de vaten die in het huis
Gods, bij Obed-Edom, gevonden werden, en de schatten van het paleis,
benevens de gijzelaars, en keerde naar Samarië terug.
25          Na den dood van Joas, den zoon van Joahaz, den koning van Israël,
leefde Amasja, de zoon van Joas, den koning van Juda, nog vijftien
26      jaar.\' Het overige nu der geschiedenis van Amasja, zoowel der vroegere
als der latere, is beschreven in het boek der koningen van Juda en
27      Israël.\' Sedert Amasja afweek van Jahwe maakte men te Jeruzalem
eene samenzwering tegen hem; hij vluchtte naar Lachis; maar men
28      zond naar Lachis, hem achterna, doodde hem aldaar,\' vervoerde hem
op een wagen en begroef hem bij zijne vaderen in de Davidstad.
17—24. Zie 2 Kon. XIV: 8—14.
19.  Ik heb, volg. verb. t.; Hcbr. t. Qij hebt. — geniet... uw roem, volg. Gr. vcrt. en 2 Kou. XIV:
10; Hebr. t. om roem te doen genieten. — en, vóór blijf, ingevoegd volg. 2 Kou. XIV: 10.
20.   toant — hadden. Toevoegsel van den schrijver met het oog op vs. 14—16. — hen, koning en
volk. Het volk heeft met den koning Jahwe verlaten; verg. op XV: 12—15. — aan Joas, uit Gr.
vert. ingevoegd.
23.    Aliiiya, volg. verb. t.; grondt. Joahaz. Dezolfde schrijffout XXI: 17. — bracht hem naar,
2
Kon. XIV: 13 trok... binnen. — de lloekpoorl, inct verandering van kliukers, volg. Gr. en Lat.
. vf.rtl. en 2 Kon. X1V:13; zie aldaar.
24.  bij Obed-Edom. Toevoegsel van den schrijver; verg. 1 Kron. XXVI: 15.
20. het boek — Itrael, die gedeelten van Koningen welke de geschiedenis der beide rijken tijdens
Amasja\'s regecring behelzen.
27.  Sedert Amatja afioeek van Jahwe. Toevoegsel van den schrijver, die ook Amasja\'s gewelddadigcu
dood als eene straf voor zijne zonden beschouwt.
28.  de Davidttad, volg. Gr. vert. en 2 Kou. XIV : 20; Hebr. t. de stad van Juda.
HOOFDSTUK XXVI.
Uzzia. — l\'zzin volgt zijn vader op (1) en herovert en versterkt Klath (2); hij is een vroom
koning zoolang de profeet Zachurja leeft (8—5), overwint do Filistijnen, Arabieren en Meünieten
(6—8) en versterkt de muren van Jeruzalem (9); zijn veestapel en landbouw (10); zijn legér en oor-
logswerktuigen (11—15). Als hij echter het heilige binnentreedt om op het wierookaltaar te offeren
(16) en toornig wordt op de priesters die hem daarvan willen terughouden, wordt hij mclaatsch
(17—20); wat hij blijft tot zijn dood toe, terwijl zijn zoon Jotham het volk bestuurt (21). Besluit
van zijne regeering (22 v.).
In het verhaal van 2 Kon. XIV: 21 v. j XV: 1—7 over Uzzia, of liever over Azarja, zooals hij
eigenlijk heette (zie op 2 Kon. XIV: 21), die daar als een vroom vorst geteekend is, bevreemdde den
-ocr page 912-
992                                       2 KRONIBKBN XXVI: 1 — 13.
schrijver het bericht dat Uzzia in het laatst van zijn leven melaatsen «as geweest, zonderdat er bij
vermeld werd, door welke zonde hij zich dit lijden op den hals had gehaald. Ecne straf moest het
geweest zijn; vandaar het verhaal (va. 16—20) dat hij in de rechten der priesters was getreden.
Waarom de schrijver juist deze zonde hem toedicht, weten wij niet; wellicht vond hij in de omstan-
dighcden van zijne dagen aanleiding, zijnen tijdgciiooten eerbied voor die rechten in te scherpen. Van
den anderen kant moest een vorst wiens vroomheid zoozeer — en blijkens zijne langdurige regecring
terecht — geroemd werd meer voorspoed hebben gehad dan het verhaal van Koningen deed vcrmoc-
den. Daarom wordt vs. f>—15 zijne macht en rijkdom in het eerste tijdperk zijner regeering uitvoc-
rig gctcckcud.
XXVI: 1 Hierop nam het gansche volk van Juda Uzzia, nu zestien jaar
oud, en maakte hem tot koning in plaats van zijn vader Amasja.\'
2       Hij heeft Klath versterkt en weder aan Juda gebracht, nadat de koning
3       hij zijne vaderen was ter ruste gegaan.\' Zestien jaar was Uzzia oud
toen hij koning werd, en twee en vijftig jaar regeerde hij te Jeruzalem;
4       zijne moeder heette Jecholja, uit Jeruzalem.\' Hij deed wat recht was
in het oog van Jahwe, geheel zooals zijn vader Amasja had gedaan.\'
5       Hij vroeg naar God zoolang Zacharja, die inzicht had in de vreeze
Gods, leefde; en zoolang hij naar Jahwe vroeg gaf God hem voor-
(5 spoed.\' Hij trok uit en voerde krijg met de Filistijnen, sloopte de
muren van Gath, Jahne en Asdod en bouwde steden in het gebied van
7       Asdod en onder de Filistijnen.\' En God verleende hem hulp tegen de
Filistijnen, tegen «Ie Arabieren die te Gur-Batil woonden en tegen de
8       Meünieten; \' ook gaven de Ammonieten geschenken aan Uzzia. Zoo
verbreidde zich zijn roem tot Egypte toe; want hij betoonde zich
9       krachtig in zeer hooge mate.\' Voorts bouwde Uzzia torens te Jeruzalem
aan de Hoekpoort, aan de Dalpoort en aan den inspringenden muur
10       en bracht ze in staat van verdediging. \' Ook bouwde hij torens in de
Woestijn en deed hij vele putten uithouwen; want hij had een grooten
veestapel in de Laagte en op de hoogvlakte, landbouwers en wijngaar-
deniers op de bergen en op den Karmel; want hij was een liefhebber
11       van den landbouw.\' En Uzzia had een heir dat krijgsdienst verrichtte,
dat te velde trok in zooveel afdeelingen als door den schrijver Jeïël
en den ambtman Maüzeja, onder het opzicht van Hananja, een van
12       \'s konings oversten, gemonsterd waren.\' Het aantal familiehoofden der
13       kloeke helden bedroeg in het geheel twee duizend zeshonderd;\' onder
hunne bevelen stond eene heirmacht van driehonderd zeven duizend
1—4. Zie 2 Kon. XIV: 21 v.; XV:2v.
2. E/alh, met verandering van écu klinker volg. Gr. vert.; Hcbr. t. FJolh.
4.   Hierop volgt in 2 Kon. XV : 4 de mcdcdccliug dat het volk nog offerde op de hoogten. Wegge-
latcn om de op XXV : 1—1 vermelde reden.
5.   Zacharja, een van elders niet bekend profeet. — in de vreeze, volg. Gr. vert.; Hebr. t, in het
Hen.
— Wat hier van l\'zzia verhaald wordt is blijkbaar navolging van XXIV: 2, 17—22.
0 v. Zie op X\\\'Il:ll.
6.    Gath, Atdod. Zie op Joz. XI: 22. — Jabne. Zie op Joz. XV: 11. — bomrde tteden, als alle
vrome koningen; zie op XIS 5—12. — in — Filistijnen, liet blijkt niet, of Asdod, al dan niet, door
den schrijver tot het land der Filistijnen wordt gerekend. Zie op Zach. IX: 0.
7.   Gur-Baal, onbekend. — de Meünieten. Zie op 1 Kron. IV: 41.
9.   de Hoekpoort. Zie op 2 Kon. XIV: 13. — de Dalpoort, aan de westelijke zijde van het oude
Jeruzalem, Neh. 11:13; 111:13. — den intpringniden muur, aan de oostzijde der stad, Neh.
III: 19 v„ 24 v.
10.   torens, wachthuizen tot bescherming der kudden. — de Woeilijn, de Laagte. Zie op Dcut.
1:7. — dé hoogvlakte, in het Overjordaanschc. Zio op Dcut. III: 10. — den Karmel. Zio op Joz.
XII: 19—23. — l\'zzia\'s gebied zou zich dus tot in hot Overjordaanschc en tot den Karmel, d. ï. diep
in het noordelijk rijk, hebben uitgestrekt. Dit is stellig onjuist; want hier regeerde Jerobeam II van
Israël; zie 2 Kon. XIV: 25 en aant. aldaar.
11.  zooveel — varen. Bij de monster ing was ieder bij zijn familiehoofd ingedeeld; er waren zoovele
afdeelingen als fnmilichoofden; zie vs. 12. — Jeïël, Maüzeja en Hananja zijn ook namen van Levieten
tijdens David; over de eerste twee zie op 1 Kron. XV: 18, over Uananja zie 1 Kron. XXV: 4, 23.
13. De sterkte van het leger, ofschoon nog ver beneden het cijfer van Josjafats krijgsmacht (XVII:
14—18), is sedert Amasja (XXV : 5) weder een weinig toegenomen; gevolg van l\'zzia\'s vroomheid.
-ocr page 913-
993
2 KRONIEKEN XXVI: 13—23.
vijfhonderd krijgers, mannen in de volle kracht, om den koning tegen
14       den vijand te helpen.\' En Uzzia rustte hen, het gansche leger, uit
15       met schilden, speren, helmen, kolders, bogen en slingersteenen.\' Ook
liet hij te Jeruzalem werktuigen, door een kunstenaar uitgevonden,
vervaardigen, om ze op de torens en de hoeken te plaatsen, ten
einde pijlen en groote steenen te werpen. Zoo werd zijn roem wijd
verbreid; want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk was
geworden.
16           Maar toen hij sterk was geworden, werd hij overmoedig, zoodat hij
zich bezondigde; hij vergreep zich aan Jahwe, zijn god, en trad Jahwe\'s
17       huis binnen, om op het wierookaltaar wierook te ontsteken.\' Doch de
priester Azarja en tachtig priesters van Jahwe met hem, kloeke man-
18       nen, volgden hem naar binnen,\' gingen bij koning Uzzia staan en
zeiden tot hem: Het komt u, Uzzia, niet toe, wierook voor Jahwe te
ontsteken, maar den priesters, Aiirons zonen, die daartoe gewijd zijn.
Verlaat het heiligdom; want gij hebt u vergrepen en zult daarvoor
19       geen eer ontvangen van Jahwe God.\' Uzzia werd woedend. Maar toen
hij, liet wierookvat in de hand, in woede tegen de priesters losbarstte,
botte de melaatschheid op zijn voorhoofd uit, ten aanschouwen der
20       priesters, in het huis van Jahwe, bij liet wierookaltaar.\' De hooge-
priester Azarja en al de andere priesters wendden zich tot hem, en zie,
hij was melaatsch op het voorhoofd! Verschrikt joegen zij hem weg;
en hij zelf spoedde zich ook om weg te komen, omdat Jahwe hem
21       getroffen had.\' En koning Uzzia is tot zijn sterfdag toe melaatsch ge-
bleven en woonde als melaatsche in het huis der afzondering; want
hij was buiten den tempel gesloten; terwijl Jotham, zijn zoon, als
hofmaarschalk, het volk des lands bestuurde.
22           Het overige nu der geschiedenis van Uzzia, zoowel der vroegere als
der latere, heeft de profeet Jezaja, de zoon van Anios, beschreven.\'
23       En Uzzia ging ter ruste bij zijne vaderen; men begroef hem bij zijne
vaderen op den doodenakker der koningen; want, zeide men, hij was
melaatsch. En zijn zoon Jotham werd in zijne plaats koning.
15.   werktuigen. Zulke schietwerktuigcn waren zeker in den tijd des schrijvers in gebruik. — won-
derlijk geholpen,
door God.
16—20. In dit verhaal, dat in Koningen niet wordt aangetroffen, begaat de schrijver ceu paar
fouten. Vooreerst stond voor de Ballingschap in den tempel geen wierookaltaar (zie op 1 Kon. VI:
20); voorts is hetgeen hier Uzzia als eene groote zonde wordt toegerekend, het verrichten van prieg-
terlijke werkzaamheden, tot de invoering der wet van Deuteronomium niet het uitsluitend voorrecht
van ecu bepaalden stand geweest; zie op Exod. XX: 26, op Exod. XXIV : 5; inl. op Num. XVI, en
verg. 1 Kon. 111:4; IX: 25. Het verhaal is verdicht om aan te toouen dat Jahwe het uitsluitend
recht der Aiironieteu, hun bij de wet (Num. XVIII: 1—7) toegekend, het heilige binnen te treden en
het wicrookoffer te ontsteken, krachtig gehandhaafd heeft. Wee den leek, al was hij overigens een
vroom menscb of een koning, die zoo iets durfde onderstaan I
16.  Overmoed, gevolg van voorspoed; verg. XII: 1; XVIII :1; XXXII: 25; Deut. XXXII: 15.
17.  Azarja. In de lijst vnu 1 Kron. VI: 4—15 komen wel hoogepricsters van dezen naam voor,
maar geen hunner kan I\'zzia\'s tijdgenoot zijn geweest; zie op 1 Kron. VI: 9.
18.  zult — God, zacht uitgedrukt voor: gij zult daarvoor gestraft worden.
19.  botte — vit. Ook Num. XII is melaatschheid de straf die op aanmatiging van priesterlijke
voorrechten door onbevoegden volgt. Wellicht heeft dit hoofdstuk den schrijver bij zrjue verdichting
voor den geest gestaan.
21.   Verg. Lev. XIII: 46. — in het huis der afzondering. Zie op 2 Kon. XV: 5.
22.  De schrijver laat Uzzia\'s geschiedenis beschreven zijn door Jezaja, omdat deze volg. Jez. 1:1;
VI: 1 nog bij het leven vnn dien koning is opgetreden.
28. men begroef — melaatsch. De melaatsche koning kon niet in de koningsgraven zijn bijgezet,
zooals 2 Kon. XV: 7 vermeld wordt; toch acht de schrijver hem niet zoo schuldig als .lorum, van
wien hij uitdrukkelijk zegt (XXI: 20) dat hij niet in de graven der koningen werd bijgezet. Wat van
Uzzia\'s begrafenis gezegd wordt, bij zijne vaderen op den doodenakker der koningen, houdt het midden
tusschen eene eervolle en eene smadelijke begrafenis.
O. T. I.
03
-ocr page 914-
2 KRONIEKEN XXVII : 1—9.
994
HOOFDSTUK XXVII.
.Totham. — Jotham, een vroom koning (I v.), bouwt veel (3 v.) en ia voorspoedig in den strijd met
de Ammonictcn fa v.). Resluit zijner regeering (7—9).
Met uitzondering van v». 34—fl en cenige woorden in vs. 2, is dit hoofdstuk aan 2 Kon. XV:
33—38 ontleend. Pc schrijver heeft het bericht van Koningen uitgebreid, omdat dit van ecu vroom
vorst als Jotham te weinig voorspoed meldde. Hiermede strookt zeer goed dat hij daaruit vs.
37 niet overneemt: de oorlog van Rcsin en l\'ckah tegen .Tuda kon niet onder zulk een vroom koning
zijn uitgebroken; waarom de schrijver den aanvang daarvan naar de regeering van den goddcloozcn
Ahaz verplaatst.
XXVII: 1 Vijf en twintig jaar was Jotham oud toen hij koning werd, en
zestien jaar regeerde hij te Jeruzalem; zijne moeder heette Jerusja,
2       de dochter van Sadok.\' Hij deed wat recht was in het oog van Jahwe,
geheel zooals zijn vader Uzzia gedaan had — alleenlijk, hij is den
tempel van Jahwe niet binnengegaan — maar het volk bezondigde
3       zich nog.\' Hij heeft de Bovenpoort van den tempel gebouwd en veel
4       gebouwd aan den muur om den Ofel;\' ook heeft hij steden gebouwd
5       in het gebergte van Juda, en in de wouden burchten en torens.\' Hij
ook heeft krijg gevoerd met den koning der Ammonieten en ben over-
wonnen; zoodat de Ammonieten hem in dat jaar honderd talenten zilver
gaven, benevens tien duizend ton tarwe en tien duizend ton gerst; dit
Drachten de Ammonieten ook in het tweede en het derde jaar aan
6       hem op.\' Zoo werd Jotham machtig; want hij wandelde standvastig
voor Jahwe, zijn god.
7           Het overige nu der geschiedenis van Jotham en al zijne oorlogen
en ondernemingen zijn beschreven in het boek der koningen van Israël
8       en Juda.\' Vijf en twintig jaar was hij oud toen hij koning werd,
9       en zestien jaar regeerde hij te Jeruzalem.\' En Jotham ging ter ruste
bij zijne vaderen, en men begroef hem in de Davidstad; en zijn zoon
Ahaz werd koning in zijne plaats.
2.  alleenlijk — binnengegaan, zooals zijn vader gedaan had, XXVI: 16—21. — het volk — nog. Dit
bestond volg. 2 Kon. XV : 35 hierin dat het volk nog offerde \'en rookte op de hoogten. Onze schrij-
vcr wil zulk eene openlijke overtreding van Jnhwe\'s wet onder dezen vromen koning, van wicn hij
niets dan goeds weet te verhalen, niet laten plaats hebben en meent blijkbaar dat het volk in het ver-
borgen zondigde. Dat de hoogtendienst door Jotham geduld zou zijn heeft onze schrijver stellig uiet
bedoeld; zie op XXVIII: 25. Dit is in ons bock de cenige keer waarin het volk het voorbeeld van
zijn koning niet volgt; zie op XV: 12—15.
3 v. Zie op XI: 5—12.
3.  den muur om den O/el. Ofel was een heuvel op het zuidoostelijk gedeelte van den tempelberg;
hij was door een muur omringd. Verg. XXXIII: 14; Neh. III: 26 v.; XI: 21, en op Micha IV : 8.
7.  hel boek — Juda, die gedeelten van Koningen waarin de geschiedenis van Israël en Juda tijdens
Jotham verhaald wordt.
8.   Met deze herhaling van vt. l<s wordt de leegte aangevuld die door de weglating van 2 Kon.
XV : 37 ontstaan was.
HOOFDSTUK XX Vin.
Ahaz. — Ahaz, een goddeloos vorst (1—l), wordt achtereenvolgens door de koningen van Aram
en Israël mingevallen en verslagen (5—8). Een profeet gaat het leger van Israël te gemoet en cischt
in Jahwc\'s naam de vrijlating der gevangen Judcërs (0—11); waartoe, volgens den raad van cenige
aanzienlijke Kfraimieten, besloten wordt (12—15). Ahaz, ook door Kdomicten en Filistijnen in het
nauw gebracht, roept, de hulp in van den koning van Assyrië, die hem echter nog meer in ongelegen-
heid brengt (16—21). Hij offert aan vreemde goden, schaft den dienst van Jahwe af en vergrijpt zich
aan de kostbaarheden des tempels (22—25). Besluit van zijne regeering (26 v.),
Ahaz, reeds 2 Kon. XVI als een goddeloos vorst geteckend, wordt door onzen schrijver nog zwarter
gemaakt: hij vergroot de lijst zijner zonden (zie op vs. 2), stelt in een ongunstig licht wat in het
oudere geschrift zonder blaam vermeld was (zie op vs. 24) en maakt hem tot een afgodendienaar en
tempelverwoeiter (zie op vs. 22—25). In verband hiermede, stelt de schrijver zijne regeering als bui-
-ocr page 915-
2 KIIONIBKBN XXVIII. 1 — 12.
995
tengcwoon rampspoedig voor; waartoe hij nederlagen verdicht en de uitredding door de hulp van
den koning van Assyrië tot eenc nieuwe ramp maukt (/.ie op vs. 5—8 en IS—21). Zoo getuigt Ahaz\'
geschiedenis van niets dan schuld en ellende.
XXVIII: 1 Twintig jaar was Ahaz oud toen hij koning werd, en zestien
jaar regeerde hij te Jeruzalem. Hij deed niet wat recht was in het
2       oog van Jahwe, gelijk zijn vader David,\' maar hewandelde de wegen
van Israëls koningen en maakte zelfs gegoten beelden voor «Ie batils;\'
3       ook offerde hij in liet dal van den zoon van Hinnom en gaf zijne
zonen door vuur over, naar de afschuwelijke gewoonten der volken
4       die Jahwe voor de Israëlieten uit verdreven had;\' hij offerde en rookte
op de hoogten en op de heuvelen en onder eiken lommerrijken boom.
5           Daarom leverde Jahwe, zijn god, hem over aan den koning der
Arameërs; dezen versloegen hem, voerden velen van zijn volk als
krijgsgevangenen mede en brachten hen naar Damaskus. Ook werd hij
overgeleverd aan den koning van Israël, die hem eene groote nederlaag
G toebracht.\' Pekah, de zoon van Kemalja, doodde in Juda honderd twintig
duizend man op een dag, altemaal kloeke mannen; omdat zij Jahwe,
7       den god hunner vaderen, hadden verlaten.\' Zichri,\'een Kfrainüeüsch
held, doodde den prins Maiizeja, den hofmaarschalk Azrikam en Elkana,
8       den tweede in rang na den koning.\' De Israëlieten voerden van hunne
broeders tweehonderd duizend vrouwen, zonen en dochters als krijgs-
gevangenen mede; ook namen zij hun een grooten buit af, dien zij
naar iSamarië brachten.
9           Nu was daar een profeet van Jahwe, Oded geheeten; deze ging het
leger dat naar Samarië huiswaarts keerde te gemoet en zeide tot hen:
Ziet, omdat Jahwe, de god uwer vaderen, tegen Juda vergramd was,
heeft hij hen aan u overgeleverd; maar gij hebt onder hen gemoord
10       met eene woede die ten hemel schreit;\' en nu denkt gij de bewoners
van Juda en van Jeruzalem als slaven en slavinnen onder u te hou-
den, terwijl immers bij u zelven louter schuld tegen Jahwe, uw god,
11       gevonden wordt.\' Hoort dan naar mij: laat de krijgsgevangenen die
gij van uwe broeders hebt weggevoerd terugkeeren; want de blakende
12       toorn van Jahwe rust op u.\' Toen traden eenigen van de hoofden der
2.  Zie op XI : 15. — en maakte — baalt, zooals de stierbeelden te Dan en Bethel, die onze schrijver
aan baiiU d. i. afgoden (zie op lticht. II: 13) gewijd acht. Deze woorden, alsmede de eerste van vs. 3,
ontbreken in Koningen; de schrijver vult de lijst van Ahaz\' zonden aan.
3.   hel dal — Hinnom, Zie op Joz. XV : 8. — zijne zonen. In 2 Kon. XVI: 3 staat het enkelvoud;
de verandering dient tot verzwaring van \'skonings schuld. Verg. XXXIII: 6.
5—8. Terwijl in 2 Kon. XVI: 5 v. Resin en Pekah samen Juda den oorlog aandoen, beginnen zij
hier de vijandelijkheden na elkander. Wellicht wil de schrijver zoo gelegenheid vinden voor zijne
vermaning ann de Israëlieten, de Judcërs niet te mishandelen. Waarom hij niet, evennis ziju voor-
ganger, vermeldt dat de vijand het beleg voor Jeruzalem heeft moeten opbreken, is duidelijk: die
oorlogen waron de straf voor Ahaz\' zonde, en Jnhwc\'s strafgericht werd altijd voltrokken (zie op
XXIV: 23 v,). In plaats daarvan Innt hij dus Ahaz tweo groote nederlagen lijden, waarin meer dau
een derde van zijn leger (verg. XXV: 5) sneuvelt. Van wuar hij do namen van vs. 7 heeft, weten wij
evenmin als waarom hij het bericht dat Elath door Kesiu voor Edom heroverd werd (verg. XXVI: 2)
weglaat.
6. omdat — verlaten. Het volk is evenals de koning aan Jahwe ontrouw geworden; verg. op
XV: 12—15.
8.   van hunne broedere. Hierin ligt een verwijt: de Israëlieten hadden wegens hunne verwantschap
met de Judcërs dezen niet mogen beoorlogen. Dit beroep op de broederlijke betrekking der beide vol-
ken doet de schrijver niet als Juda Israël overwint (zie b. v. XIII: 3—20); alleen heeft hij het XI: 4,
in een uit Koningen overgenomen stuk, laten staan.
9—15. De strekking van het hier verhaalde is: al heeft Jahwe de Israëlieten gebruikt om de Ju-
deërs te tuchtigen, toch gelden zij, de van Jahwe afgewekenen, bij hem veel minder dan dezen en
zijn zij niet bestemd over hen te heersenen. Integendeel is het een plicht voor de bewoners van Sa*
marie en Galilea de Joden in alles bij te staan.
9.   Oded, van elders onbekend; ook de vader van een profeet (XV: 1) heet zoo. — die ten hemel
tehreit,
letterlijk die den hemel bereikt.
-ocr page 916-
2 KRONIEKEN XXVIII ! 12—24.
996
Efraimieten tegen de uit den strijd teruggekeerden op: Azarja, de
zoon van Johanan, Berechja, de zoon van Mesjillemoth, Hizkia, de zoon
13       van Sjallum, Amaza, de zoon van Hadlai,\' en zeiden tot hen: Brengt
de krijgsgevangenen niet hierheen. Want opdat wij in schuld zouden
komen bij Jahwe, denkt gij onze zonde en schuld te vermeerderen;
immers, reeds drukt eene zware schuld op ons en rust een blakende
14       toorn op Israël.\' Hierop gaven de krijgslieden de gevangenen en den
huit vrij, ten aanschouwen van de oversten en de gansche vergadering,\'
15       en eenige mannen, die met name opgegeven zijn, stonden op en boden
den gevangenen hulp: alle naakten onder hen kleedden zij van den
buit, gaven hun kleeding en schoeisel, spijs en drank, zalfden hen,
vervoerden hen, al de uitgeputten op ezels, en brachten hen naar
Jericho, de Palmenstad, bij hunne broeders; waarop zij naar öamarië
terugkeerden.
16           Te dier tijd zond koning Ahaz gezanten aan de koningen van As-
17       syrië, dat dezen hem helpen zouden.\' Bovendien waren de Edomieten
gekomen en hadden Juda verslagen en krijgsgevangenen medegevoerd.\'
18       Ook hadden de Filistijnen een inval gedaan in de steden van de Laagte
en van het Zuiden, dat tot Juda behoorde, en Beth-sjemes, Ajjalon,
Gederoth, Socho en onderhoorigheden, Timna en onderhoorigheden en
19       Gimzo en onderhoorigheden ingenomen en zich daar gevestigd;\' want
Jahwe vernederde Juda ter oorzake van Ahaz, den koning van Israël,
omdat hij zich in Juda losbandig gedragen en zich zwaar aan Jahwe
20       vergrepen had.\' En nu overviel hem Tilgath-Pilnezer, de koning van
21       Assyrië, en bracht hem in het nauw, in stede van hem bij te staan;\'
want Ahaz had wel den tempel en de paleizen des konings en der
vorsten geplunderd en de schatten daarvan aan den koning van Assyrië
gegeven, maar zonderdat hij daarvoor hulp kreeg.
22           Terwijl men hem zoo in het nauw bracht, ging hij nog voort
23       zich aan Jahwe te vergrijpen, deze zelfde koning Ahaz:\' hij offerde
aan de goden van Damaskus, die hem geslagen hadden, daar hij dacht:
de goden van Arams koningen, zij helpen hen; aan hen zal ik offeren,
opdat zij ook mij helpen. Maar juist dezen hebben gediend om hem
24       en gansch Israël ten val te brengen.\' Ook bracht Ahaz de vaten van
het huis Gods bijeen en sneed er het goud af; hij sloot de deuren van
12.   De meeste dezer namen komen ook als namen van Israëlieten in de vijfde eeuw voor; zie Kzra
VIII: 12; Neh. 111:4, 12, 15, 23, 30; VII: 21; X:18; XI: 13.
13.  immeri — lirail, om den stierdienst en den afval van Davids huis.
15.  de Palmenitad. Zie op Joz. VI: 26.
16—21. Het bericht 2 Kon. XVI: 7—9 (XV: 29) is hier aanmerkelijk gewijzigd. Vooreerst is de
nood waarin Ahaz verkeerde grootcr gemaakt, door hem ook van invallen der Edomieten en Filis-
tijnen te doen lijden. Kn dan wordt Ahaz hier zelfs door den koning van Assyrië, die volg. 2 Kon.
XVI: 9 (verg. op 2 Kon. XV : 29 en XVI: 5) hem geholpen heeft, in het nauw gebracht. Dat de Assy-
riers het strafgericht dat Jahwe aan Juda voltrok, ook slechts ten deelc, zouden hebben afgewend acht
de schrijver ondenkbaar; verg. XXIV : 23 v.
16.   de koningen pan Attyrië. Vreemd is het meervoud, en geen wonder dat alle oude vertt. het
enkelvoud hebben; maar ook XXX : 6; XXXII: 4, 31 spreekt de schrijver van koningen, terwijl slechts
een is bedoeld.
18.   Over de hier genoemde plaatsen zie op Joz. X:13; XV: 10, 35 en 41; Gimzo, ten oosten van
Iivdda, komt alleen hier voor.
19.  Itrarl. Zie op XI: 13—17.
20.   Tilgath-Pilnezer. Zie op 1 Kron. V: 6. — in — staan, met verandering van klinkers.
22—25. Van afgoderij en het afschaffen van den dienst van Jahwe (verg. XXIX: 6 v.) is 2 Kon.
XVI: 10—18, waaraan dit gedeelte ontleend is, geen sprake. Wat daar verhaald wordt van het op-
richten van een nieuw altaar in Jeruzalcms tempel, naar een Damascecnsch model, heeft onze «\'brij-
ver opgevat als een offeren aan de goden van Damaskus.
83. de goden — helpen hen. De Arameers hadden dus niet, zooals 2 Kon. XVI: 9 verhaald wordt,
van de Assyriërs iets te lijden gehad.
24. liet het goud (de laatste woorden duidelijkheidshalve ingevoegd) er af tnijden. Van de volg.
-ocr page 917-
2 KRONIBKBN XXVIII: 24—27.                                997
25       Jahwe\'s huis en maakte altaren aan alle hoeken in Jeruzalem;\' ook
richtte hij in elke stad van Juda hoogten op, om te offeren aan andere
goden. Zoo tergde hij Jahwe, den god zijner vaderen.
26           Het overige nu van zijne geschiedenis, en al zijne gedragingen, de
vroegere zoowel als de latere, zijn beschreven in het boek der koningen
27       van Juda en Israël.\' En Ahaz ging ter ruste bij zijne vaderen, en
men begroef hem in de stad, in Jeruzalem; men bracht hem niet in
de graven van Israëls koningen; en zijn zoon Hizkia werd koning in
zijne plaats.
2 Kon. XVI: 17 (zie aldaar) door Abaz aangebrachte verbeteringen maakt onze schrijver eene moed-
willige schending van de tempelvaten. — hij — huis. Dit strijdt niet alleen met 2 Kon. XVI:
12—15, maar is ook uit den aard der zaak onwaarschijnlijk: de tempel was altijd het koninklijk
heiligdom.
25.   richtte hij... hoogten op. l)e hoogtendienst was dus afgeschaft geweest; waarschijnlijk bedoelt de
schrijver door Jotham. — offeren, letterlijk rooien; zie op 1 Kon. III t 3.
26.   Het — gedragingen. Hcdoeld worden de hier niet vermelde bijzonderheden uit Ahaz\' gcschie-
denis in Koningen.
27.   in de ttad — koningen. Hem viel dus nog minder eer te beurt dan zelfs Joram (XXI: 20) en
Joas (XXIV: 25). Ahaz is in het oog des schrijvers de slechtste van Juda\'s koningen. Maar men bracht
— koningen is lijnrecht in strijd met 2 Kon. XVI: 20. Verg. op XXI: 20. — Uraïlt, in pi. v. Juda\'s;
zie op XI: 13—17.
HOOFDSTUK XXIX.
Hizkia; herstel van den tcmpeldienst. — Hizkia, een zeer vroom koning (1 v.), opent de deuren
des tempels weder (3) en beveelt de priesters en Levieten zich te heiligen, opdat zij hem helpen om
den dienst van Jahwe te herstellen (4—11). De Levieten en priesters reinigen den tempel, in zestien
dagen (12—17), en geven daarvan den koning bericht (18 v.). Hizkia, den volgenden dag met de
stadsoversten ten tempel opgegaan, laat door de priesters brand- en zondoffers brengen tot wijding
des volks (20—24); waarbij de Levietisehe zangers liederen aanheffen ter eer van Jahwe (25—28) en
de koning en zijn volk zich voor Jahwe nederwerpen (29 v.). Hierna brengt het volk op aansporing
van Hizkia brand- en slachtoffers in menigte (31—33); vanwege de traagheid der priesters en het
vele werk moeten de Levieten hen bijstaan (34 v.); koning en volk verheugen zich in het herstel van
den dienst van Jahwe (30).
De geschiedenis van Hizkia is zeer uitvoerig en met blijkbare ingenomenheid door onzen schrijver
verhaald (XXIX—XXXII); om hetgeen 2 Kon. XVIII: 3—8 van het hervormingswerk van dezen
koning vermeld werd is hij voor hem een der iiitncmendstc koningen van Juda, een tweede David
(zie op vs. 2). De stof is ontleend aan 2 Kou. XVIII—XX (Jez. XXXVI—XXXIX), doch daaruit is
weggelaten wat Hizkia niet tot eer verstrekte (zie inll. op XXXII :1—23 en 24—33) en nagenoeg
al wat op den profeet Jezaja betrekking, heeft (zie op XXXII: 20). Dit treft te meer, daar elders
in ons boek telkens profeten optreden. De reden hiervan is waarschijnlijk deze: in ons boek treden
profeten, met eene enkele uitzondering (XX: 14—17), alleen op om iets te verbieden en te ontraden,
of om te waarschuwen en te bestraffen (1 Kron. XVII; XXI: 9; 2 Kron. XI: 1—4; XII: 5—8;
XV: 1—7; XVI: 7—10; XIX :1—8; XX: 37; XXI: 12—15; XXIV: 19—22; XXV: 7—10, 15v.);
maar dit hadden de werkelijk vrome koningen, zooals Salomo, Abia, Jotham, Hizkia en Jozia, niet
noodig; zij hadden genoeg aan de wet; daarom behoefde in hunne geschiedenis van profeten geen
sprake te zijn. Liet do schrijver het een en ander uit Koningen weg, veel meer heeft hij er aan
toogevocgd, niet mindor dan drie gehccle hoofdstukken, XXIX—XXXI; deze moeten dienen om
Hizkia voor te stellen als den man naar Gods hart, die van ijver voor den eeredienst blaakt, in alles
getrouw is aan de wet en aan de instellingen van David ten aanzien van den tempeldienst en de
ambten van priesters en Levieten, en die voor de belangen der tempeldienarcn op afdoende wijze zorgt.
Als altijd, gaat de schrijver hierbij uit van de meening dat de eeredienst van zijne dagen reeds
dagteekende van David en Salomo, en hij dus, wanneer hij door goddelooze koningen gestaakt of ver-
waarloosd was, door de vrome, als Hizkia en Jozia, slechts behoefde hersteld te worden. Bovendien
beoogt hij blijkbaar, den stand der Levieten te verheffen (zie op XXIX: 5, 11, 12—14, 16, 18, 34;
XXX: 27 en XXXI: 14) en zijne tijdgenooten op te wekken tot mildheid jegens het heiligdom (zie op
XXIX: 32 v. en XXXI: 4—8).
Van H. XXIX is alleen vs. 1 v. aan 2 Kon. XVIII: 2 v. ontleend; al het overige is door den
schrijver verdicht. Hij onderstelt dat Ahaz den dienst van Jahwe heeft afgeschaft; wat met het be-
richt van Koningen in strijd is; zie op XXVIII: 24.
-ocr page 918-
998                                   2 KHO.NIEKBN XXIX: 1 — 15.
XXIX: 1 Vijf en twintig jaar oud werd Hizkia koning, en negen en twintig
jaar regeerde hij te Jeruzalem; zijne moeder heette Abia, de dochter
2 van Zacharja.\' Hij deed wat recht was in het oog van Jahwe, geheel
y zooals zijn vader David gedaan had.\' In de eerste maand van het
eerste jaar zijner regeering opende hij de deuren van Jahwe\'s huis en
4       herstelde ze.\' Nu liet hij de priesters en de Levieten komen, verza-
5       melde hen op het Oostplein\' en zeide tot hen: Hoort naar mij, Le-
vieten. Heiligt u thans, heiligt dan het huis van Jahwe, den god
6       uwer vaderen, en verwijdert alle onreinheid uit het heiligdom.\' Want
onze vaderen hebben slecht gehandeld, gedaan wat kwaad is- in het
oog van Jahwe, onzen god, en hem verzaakt; zij hebben het aange-
zicht afgewend van Jahwe\'s woning en haar den rug toegekeerd.\'
7       Ook hebben zij de deuren van het voorportaal gesloten, de lampen
uitgebluscht, geen wierook ontstoken en in het heiligdom geen brand-
8       offer aan Israëls god gebracht.\' Daarom kwam Jahwe\'s gramschap over
Juda en Jeruzalem en maakte hij hen tot een speelbal, tot een ont-
9       zetting en gesis, zooals gij met eigen oogen ziet.\' Ziet, hierom zijn
onze vaderen door het zwaard gevallen, en onze zonen, dochters en
10       vrouwen gevankelijk weggevoerd.\' Maar nu geeft mijn hart mij in,
een verbond met Jahwe, den god van Israël, te sluiten; opdat zijn
11       gloeiende toorn van ons aflate.\' Mijne zonen, weest tbans niet traag;
want u heeft Jahwe uitverkoren om hem ten dienste te staan en zijne
dienaren en offeraars te zijn.
12           Toen maakten de Levieten zich op: Mahath, de zoon van Amazai,
en Joel, de zoon van Azarja, van de Kehathieten; van de Merarieten:
Kis, de zoon van Abdi, en Azarja, de zoon van Jehallelel, en van de
Gersjonieten: Joah, de zoon van Zimma, en Eden, de zoon van Joah.\'
13       Voorts, van de zonen van Elisafan: Sjimri en Jeïël; van de zonen van
14       Azaf: Zacharja en Mattanja;\' van die van Hernan: Jehiël en tSjimeï,
15       en van die van Jeduthun: Sjemaja en Uzziël.\' Nadat zij hunne broe-
derB verzameld hadden, heiligden zij zich en gingen zij, naar het ge-
2.  geheel — had. Deze lof wordt in on» boek alleen nog aan Jozia (XXXIV: 2), in Koningen boven-
ilii\'n aan Aza (1 Kon. XV: 11) en, middellijk, aan Josjafat (1 Kou. XXII: 43) gegeven.
3.  i» de eerste maand, van hot kerkelijk jaar, dus Nizan (zie XXX: 2 v.), dio althans na Ezra de
eerste maand van het jaar was; zie op Exod. XII: 2. Waarschijnlijk wordt bedoeld dat Hizkia toen
ook de regecring aanvaardde: de vrome koniug herstelde onmiddellijk den dienst van Jahwe. —
opende — huit. \'Aid XXVIII: 24. — herstelde ze. Volg. 2 Kon. XVIII: 10 liet hij ze met goud over-
trekken.
4.   hel Ooslplein, waarschijnlijk de vrije ruimte ten oosten van de Waterpoort; verg. Kzra X:9;
Neh. 111:26; VIII: 2.
5.   Levieten, algcinecue benaming voor de priesters en de Levieten in engcren zin; verg. 1 Kron.
XV: 12. Wellicht gebruikt de schrijver dezeu naam omdat volgens hem (1 Kron. XXIII: 28) de zorg
voor de reinheid van al het heilige aan de Levieten was opgedragen. — Heiligt v. Zie op Exod.
XIX: 10.
6.   onze raderen. Het volk en de priesters en Levieten waren dus met Ahaz van Jahwe afgevallen;
zie op XV: 12—15. — zij — toegekeerd. Verg. op Jer. 11:27.
7.   de deuren van het voorportaal, die in het heilige binnenleidden. — geen brandoffer aan Itraêlê
god gebracht.
Dit is in strijd met 2 Kon. XVI: 12—16.
9. Zie XXVIII: 6, 8, 17.
11. zijne... offeraars. Daar Hizkia ook de Levieten aanspreekt, geldt dit woord ook hen: zij
mochten wel zelven niet offeren, maar moesten toch, volgens onzen schrijver, daarbij den priesters ter
zijde staan.
12-—14. Van deze namen treffen wij Mahath en Joel ook aan in de lijst der voorvaderen van Heman
(1 Kron. VI: 85 v.), Kit (of Kisji) in die van Ethans (1 Kron. VI: 44), Zimma in die van Azafs
voorgeslacht (1 Kron. VI: 42); terwijl Zimma 1 Kron. VI: 20 v. evenals biereen zoon Joah heeft.
Van de overige zijn Sjimri (1 Kron. XXVI: 10), Jeiel, Zacharja (1 Kron. XV: 18), Mattanja, Uztiil
(1 Kron. XXV: 4), Jehiël, Sjimci (1 Kron. XXIII: 7—9) en Sjemaja (1 Kron. XV : 8) namen van
Levieten tijdens David. Ettelijke komen als namen van Levieten XXXI: 13—15 weder voor. Het ver-
dient opmerking dat geen priesters met name genoemd worden.
15. volgem de voorschriften (letterlijk de Koorden) van Jahwe, overeenkomstig de wet.
-ocr page 919-
2 KRONIEKEN XXIX: 15—26.
999
bod des konings, volgens de voorschriften van Jahwe, naar binnen,
16       om Jahwe\'s huis te reinigen.\' Doch de priesters begaven zich in het
binnenste van Jahwe\'s huis om het te reinigen; zij brachten al het
onreine dat zij in Jahwe\'s tempel vonden naar het voorhof\' van Jahwe\'s
huis, waar de Levieten het in ontvangst namen, om het naar buiten,
17       in het dal van den Kidron, te brengen.\' Na op den eersten dag der
eerste maand met het heiligingswerk begonnen te zijn, waren zij op
den achtsten der maand aan het voorportaal van Jahwe gekomen en
heiligden zij het huis van Jahwe in den tijd van acht dagen; zoodat
18       zij op den zestienden van de eerste maand gereed waren.\' Hierop
traden zij bij koning Hizkia binnen en zeiden: Wij hebben het gansche
huis van Jahwe gereinigd: het brandofferaltaar met al de daarbij be-
hoorende gereedschappen, de tafel voor het stapelbrood met al wat
19       daarbij behoort;\' voorts hebben wij al de vaten die koning Ahaz
tijdens de regeering door zijne goddelooze handelwijze smadelijk heeft
ter zijde gesteld weder in orde gebracht; zie, zij staan voor het altaar
van Jahwe.
20           Toen maakte koning Hizkia zich op, verzamelde de oversten der
21       stad en ging op naar Jahwe\'s huis.\' Nadat men zeven stieren, zeven
rammen, zeven lammeren en zeven geitebokken had binnengebracht
als zondoffer voor het koninklijk huis, voor het heiligdom en voor
Juda, beval Hizkia aan de zonen van Atiron, de priesters, ze op het
22       altaar van Jahwe te offeren.\' Men slachtte de runderen; de priesters
vingen het bloed op en sprengden het op het altaar; daarna slachtte
men de rammen, waarvan zij het bloed ook op het altaar sprengden;
vervolgens slachtte men de lammeren, waarvan zij eveneens het bloed
23       sprengden op het altaar.\' Hierna bracht men de zondofferbokken vóór
24       den koning en de vergadering; dezen legden er de handen op,\' de
priesters slachtten ze en goten liet bloed ter ontzondiging op het
altaar, om voor gansch Israël verzoening te bewerken; want voor gansch
25       Israël had de koning het brandoffer en het zondoffer bestemd.\' Ook
stelde hij bij het huis van Jahwe de Levieten op met cimbalen, luiten
en citers, volgens het gebod van David, van \'s konings ziener Gad en
van den profeet Nathan; want door Jahwe was het gebod uitgevaar-
26       digd door bemiddeling zijner profeten.\' Toen gingen de Levieten met
de muziekinstrumenten van David en de priesters met de trompetten
16. Dit vers veroorzaakt verwarring: uit vs. 17 toch blijkt dat dezelfden die de voorhoven
reinigden ook het voorportaal en het heilige reinigen moesten: wanneer zij in de eerste acht
dagen met de voorhoven gereed zijn, beginnen zij in de tweede met het eigenlijke heiligdom. Wordt
vs. 16 weggelaten, dau missen wij niets en zijn het de Levieten die het gansche werk verrichten.
Waarschijnlijk is het ingevoegd door iemand die meende dat de schrijver den Levieten te groote
voorrechten toekende en dat hun de toegang tot het heilige niet vrijstond. — Kidron. Zie op 1
Kon. 11: 37.
18. Indien hier, wat waarschijnlijk is (zie op vs. 16), sprake is van de Levieten, dan is de voor-
stelling in strijd met Num. IV: 1—15, waar den Levieten uitdrukkelijk verbodeu wordt, de voor-
werpen in het heilige en het allerheiligste, dus ook de tafel der toonbrooden, aan te raken. Zie op
1 Kron. XXIII: 27.
21.   zeven ttieren — zondoffer. Uit vs. 22 blijkt dat alleen do bokken ten zondoffer bestemd
waren; de overige dieren waren dus zeker brandoffers.
22.  Men tlaektt». Wie het deden, blrjkt niet; alleen van de zondofferbokken wordt (vs. 24) uitdruk-
kelijk gezegd dat de priesters ze slachtten. — vingen — altaar. Zie Lev. 1:5, 11.
23.   dezen, de koning en de oversten, die de gemeente vertegenwoordigden. — legden er de handen
op.
Dit is Lev. I\\ : t, 15, 24, 20, 33 uitdrukkelijk voor het zondoffer voorgeschreven, Lev. 1:4 ook
voor het brandoffer.
24.   goten — altaar, anders dan bij het brandoffer; verg. Lev. 1:5, 11, 15 met Lev. IV: 5—7,
16—18, 25, 30, 34.
25.   Zie 1 Kron. XV: 16. — Kant — profeten. Dat Jahwe aan David zijne verordeningen gaf door
profeten is vinding van den schrijver; zijne zegslieden vermeldden het niet.
-ocr page 920-
ü! KRONIBKBN XXIX : 26—36.
1000
27       op hunne plaats staan,\' en beval Hizkia, het brandoffer naar het altaar
op te dragen. En op het oogenblik dat men met het brandoffer aanving
vingen ook de liederen aan ter eer van Jahwe, alsmede de trompetten,
met begeleiding van de muziekinstrumenten van David, den koning
28       van Israël.\' Nu wierp de gansche vergadering zich neder, deed bet
gezang zich hooren, en werden de trompetten geblazen, alles zoolang
20 totdat het brandoffer verteerd was.\' Zoodra het offeren was afgeloopen,
bogen zich de koning en allen die zich bij «hem bevonden en wierpen
30       zich neder.\' Hierop bevalen koning Hizkia en de vorsten den Levieten,
een loflied voor Jahwe aan te heffen met de woorden van David en
van den ziener Azaf; en zij hieven het loflied aan, jubelend van
vreugde, terwijl zij zich neigden en zich nederwierpen.
31           Toen hief Hizkia weder aan en zeide: Thans hebt gij uw wijdings-
offer aan Jahwe gebracht; treedt toe en brengt slachtoffers en lofoffers
in Jahwe\'s huis. Nu bracht de vergadering slachtoffers en lofoffers, en
32       ieder wiens hart er hem toe dreef ook brandoffers.\' Het getal brand-
offers dat de vergadering bracht was: zeventig stieren, honderd rammen,
33       tweehonderd lammeren; altemaal ten brandoffer voor Jahwe;\' en.de
heilige gaven bestonden uit zeshonderd runderen en drie duizend stuks
34       kleinvee.\' Daar er echter te weinig priesters waren om allen brand-
oflerdieren de huid af te trekken, ondersteunden hen hunne broeders
de Levieten, totdat het werk gereed was en de priesters zich geheiligd
hadden; want de Levieten hadden meer ernst gemaakt met zich te
35       heiligen dan de priesters.\' Ook waren de brandoffers met de vetstukken
der dankoffers en de bij het brandoffer behoorende plengoffers zeer
36       talrijk.\' Zoo werd de dienst van Jahwe\'s huis geordend. En Hizkia en
het gansche volk verheugden zich over hetgeen God voor zijn volk
had verordend; want snel was het in zijn werk gegaan.
27. de liederen ... ter eer van Jahwe. 7Ae op I\'». CXXXVII: 4. — met begeleiding. Hebr. t. laat en
voorafgaan; volg. Gr. vcrt. weggelaten.
30.  den ziener Azaf. Hij komt in ons boek alleen bier nis dichter voor. \'/.ir op 1 Kron. VI: 33 en
op XXV: 5.
31.   Thans — gebracht. Zie op Kxod. XXVIII: 41. Daar hetgeen volgt tot de gcbeclc gemeente gezegd
ia, moet ook dit tot baar gericht zijn. De bedoeling is dus: nu door de gebrachte offers de gemeente
weder gewijd is, kan ieder lid er van weder zijne gaven brengen. — lofoffers, dankoffers, Lev.
VII: 18, 18; XXII: 29.
32 v. De schrijver spoort hiermede zijne tijdgenooten tot mildheid in het brengen van offers aan.
32.  ten brandoffer. Dit waren de grootste gaven; want hiervan behield de offeraar niets voor zich zelven.
33.  de heilige garen, de lof- of dankoffers.
84. Daar — icaren, doordat velen zich nog niet geheiligd hadden. — ondersteunden — Levieten.
Het slachten en ontweien der offerdieren geschiedde oudtijds door dengene die het offer bracht, zooals
ook door de wet (Lev. 1:6) ondersteld wordt. Ongetwijfeld waren er echter steeds personen in den
tempel die desgevorderd daarbij hulp verleenden. Dit was natuurlijk eeue weinig eervolle taak, en
daarom wijst Kzechiël hiervoor de Levieten aan, tot straf voor hun nfval van Jahwe (Ezcch. XLIVïll).
Onze schrijver nu beschouwt deze werkzaamheid niet meer als cene straf, maar als een voorrecht;
volgens hem zijn de leeken er niet toe bevoegd, behoort zij tot den werkkring der priesters, en zijn
dezen door hun plichtverzuim de oorzaak geweest dat de Levieten het recht daartoe hebben verkrc-
gen; verg. op 1 Kron. XXIII : 31. Het slachten der paaschlammcrcn is zelfs volgens hein het uitslui*
tend voorrecht der Levioton geworden; zie op XXX : 17 v. en XXXV : 6. — hunne broedera de Limieten.
Zie op 1 Kron. XXIII: 82. — want — priesters. Ook in deze woorden toont de schrijver zijne voor-
liefde voor de Levieten.
35.   Ooi — talrijk. Dit dient eenigermate tot verontschuldiging der priesters: er was zooveel te
doen. — de bij het brandoffer behoorende plengoffers. Zie Num. XV : 1—10.
36.   hetgeen — verordend, dat ook de Levieten de offerdieren zouden slachten. Wat hier door den
drang der omstandigheden werd toegelaten moest Israël dus voor het vervolg als eene verordening
Gods aanmerken en ook later in praktijk brengen.
HOOFDSTUK XXX: 1—XXXI: 1.
Hizkia; de viering van het paaschfeest. — Hizkia roept het volk ter viering van het pascha naar
Jeruzalem (1), besluit, na overleg met de oversten en de Jcruzalommcrs, dat dit in de tweede maand
ü! KRONIBKBN XXIX : 26—36.
1000
27       op hunne plaats staan,\' en beval Hizkia, het brandoffer naar het altaar
op te dragen. En op het oogenblik dat men met het brandoffer aanving
vingen ook de liederen aan ter eer van Jahwe, alsmede de trompetten,
met begeleiding van de muziekinstrumenten van David, den koning
28       van Israël.\' Nu wierp de gansche vergadering zich neder, deed bet
gezang zich hooren, en werden de trompetten geblazen, alles zoolang
20 totdat het brandoffer verteerd was.\' Zoodra het offeren was afgeloopen,
bogen zich de koning en allen die zich bij «hem bevonden en wierpen
30       zich neder.\' Hierop bevalen koning Hizkia en de vorsten den Levieten,
een loflied voor Jahwe aan te heffen met de woorden van David en
van den ziener Azaf; en zij hieven het loflied aan, jubelend van
vreugde, terwijl zij zich neigden en zich nederwierpen.
31           Toen hief Hizkia weder aan en zeide: Thans hebt gij uw wijdings-
offer aan Jahwe gebracht; treedt toe en brengt slachtoffers en lofoffers
in Jahwe\'s huis. Nu bracht de vergadering slachtoffers en lofoffers, en
32       ieder wiens hart er hem toe dreef ook brandoffers.\' Het getal brand-
offers dat de vergadering bracht was: zeventig stieren, honderd rammen,
33       tweehonderd lammeren; altemaal ten brandoffer voor Jahwe;\' en.de
heilige gaven bestonden uit zeshonderd runderen en drie duizend stuks
34       kleinvee.\' Daar er echter te weinig priesters waren om allen brand-
oflerdieren de huid af te trekken, ondersteunden hen hunne broeders
de Levieten, totdat het werk gereed was en de priesters zich geheiligd
hadden; want de Levieten hadden meer ernst gemaakt met zich te
35       heiligen dan de priesters.\' Ook waren de brandoffers met de vetstukken
der dankoffers en de bij het brandoffer behoorende plengoffers zeer
36       talrijk.\' Zoo werd de dienst van Jahwe\'s huis geordend. En Hizkia en
het gansche volk verheugden zich over hetgeen God voor zijn volk
had verordend; want snel was het in zijn werk gegaan.
27. de liederen ... ter eer van Jahwe. 7Ae op I\'». CXXXVII: 4. — met begeleiding. Hebr. t. laat en
voorafgaan; volg. Gr. vcrt. weggelaten.
30.  den ziener Azaf. Hij komt in ons boek alleen bier nis dichter voor. \'/.ir op 1 Kron. VI: 33 en
op XXV: 5.
31.   Thans — gebracht. Zie op Kxod. XXVIII: 41. Daar hetgeen volgt tot de gcbeclc gemeente gezegd
ia, moet ook dit tot baar gericht zijn. De bedoeling is dus: nu door de gebrachte offers de gemeente
weder gewijd is, kan ieder lid er van weder zijne gaven brengen. — lofoffers, dankoffers, Lev.
VII: 18, 18; XXII: 29.
32 v. De schrijver spoort hiermede zijne tijdgenooten tot mildheid in het brengen van offers aan.
32.  ten brandoffer. Dit waren de grootste gaven; want hiervan behield de offeraar niets voor zich zelven.
33.  de heilige garen, de lof- of dankoffers.
84. Daar — icaren, doordat velen zich nog niet geheiligd hadden. — ondersteunden — Levieten.
Het slachten en ontweien der offerdieren geschiedde oudtijds door dengene die het offer bracht, zooals
ook door de wet (Lev. 1:6) ondersteld wordt. Ongetwijfeld waren er echter steeds personen in den
tempel die desgevorderd daarbij hulp verleenden. Dit was natuurlijk eeue weinig eervolle taak, en
daarom wijst Kzechiël hiervoor de Levieten aan, tot straf voor hun nfval van Jahwe (Ezcch. XLIVïll).
Onze schrijver nu beschouwt deze werkzaamheid niet meer als cene straf, maar als een voorrecht;
volgens hem zijn de leeken er niet toe bevoegd, behoort zij tot den werkkring der priesters, en zijn
dezen door hun plichtverzuim de oorzaak geweest dat de Levieten het recht daartoe hebben verkrc-
gen; verg. op 1 Kron. XXIII : 31. Het slachten der paaschlammcrcn is zelfs volgens hein het uitslui*
tend voorrecht der Levioton geworden; zie op XXX : 17 v. en XXXV : 6. — hunne broedera de Limieten.
Zie op 1 Kron. XXIII: 82. — want — priesters. Ook in deze woorden toont de schrijver zijne voor-
liefde voor de Levieten.
35.   Ooi — talrijk. Dit dient eenigermate tot verontschuldiging der priesters: er was zooveel te
doen. — de bij het brandoffer behoorende plengoffers. Zie Num. XV : 1—10.
36.   hetgeen — verordend, dat ook de Levieten de offerdieren zouden slachten. Wat hier door den
drang der omstandigheden werd toegelaten moest Israël dus voor het vervolg als eene verordening
Gods aanmerken en ook later in praktijk brengen.
HOOFDSTUK XXX: 1—XXXI: 1.
Hizkia; de viering van het paaschfeest. — Hizkia roept het volk ter viering van het pascha naar
Jeruzalem (1), besluit, na overleg met de oversten en de Jcruzalommcrs, dat dit in de tweede maand
-ocr page 921-
1001
2 KllONIBKBN XXX : 1—6.
zal plaats hebben (2 v.) en laat ite Israëlieten door boden opwekken tot bekeering (i—9). In \\oord-
Israël wordt de uitnoodiging door de mecsten smadelijk afgewezen, door ecnigen aangenomen (10 ».),
maar gansch Juda geeft er gehoor aan (12). Nadat de te Jeruzalem vergaderde gemeente de heidensche
altaren heeft verwijderd, worden de fecstoffers gebracht (13—10), waarbij de nict-rcincn door de
Levieten bijgestaan worden en door \'s konings voorbede vergiffenis verwerven (17—2(1); zeven dagen
lang viert men feest (21), bij gelegenheid waarvan de Levieten door den koning zeer worden geprc-
zi\'ii (22«). Hierop wordt nog een zevendaagsch feest gevierd iiili—20); waarna het volk, na den
zegen ontvangen en in het ganscho land de afgodische voorwerpen vernietigd te hebben, huiswaarts
keert (27—XXXI: 1).
Volg. 2 Kon. XXIII: 2]—23 (zie op 2 Kon. XXIII: 22) dagteckent de viering van het paaschfecst
volgens de wet eerst van Jozia\'s achttiende regeeriugsjaar. Uit kon onze schrijver niet aannemen; ook
onder vroegere koningen moest zij hebben plaats gehad. Dientengevolge verhaalt hij van een
luisterrijk paaschfecst tijdens Hizkia. Hij liet echter wat in Koningen van Jozia\'s paaschfeest
vermeld werd niet weg, mnar vatte het zoo op dat dit het eerste paaschfecst was geweest in den
koningstijd dat in ieder opzicht gevierd was zooals het behoorde (XXXV : 18). Het feest tijdcus
Hizkia had zich nog door enkele onregelmatigheden gekenmerkt: het wns niet in de eerste maar in
de tweede maand gevierd; vele van verre gekomencn hadden zich niet behoorlijk gereinigd; de
Levieten hadden de paaschlammcren, niet voor alle feestgangers, maar alleen voor ile onreincn ge-
slncht. Stond het dus bij het feest in Jozia\'s tijd achter, het was luisterrijker dan alle feesten die
sinds Salomo gevierd waren (XXX: 26); want dit wns sedert de scheuring het eerste feest waaraan
gansch Israël deelnam.
XXX: 1 Hizkia nu zond boden tot gansch Israël en Juda en schreef ook
brieven aan Efraim en Manasse, dat zij in Jahwe\'s huis te Jeruzalem
zouden komen om het pascha te vieren ter eer van Jahwe, den god
2       van Israël.\' En de koning, zijne vorsten en de gansche vergadering te
Jeruzalem werden te rade, het pascha te vieren in de tweede maand;\'
3       want te dier tijd konden zij het niet vieren, dewijl de priesters zicli
niet in genoegzamen getale geheiligd hadden en het volk niet te Jeru-
4       zalem verzameld was.\' Toen dit nu door den koning en de gansche
5       vergadering was goedgevonden,\' besloten zij, in gansch Israël, van Ber-
sjeba tot Dan, eene oproeping te doen, dat men zou komen om ter eer
van Jahwe, Israëls god, het pascha te Jeruzalem te vieren; want men
6       had het niet, naar de Schrift, in getale gevierd.\' Zoo gingen de ijlboden
met de brieven vanwege den koning en zijne vorsten gansch Israël en
1.  Hizkia — boden. Wanneer dit geschiedde, zegt de schrijver niet. Waarschijnlijk heeft hij zich voor-
gesteld dat Hizkia het deed dadelijk na zijne troonsbestijging, in dezelfde eerste maand waarin de
tempelreiniging plaats had (XXIX). Zie vs. 3. — tot — Juda. De schrijver ziet voorbij dat in
het eerste regeeringsjaar van Hizkia het noordelijk rijk uog bestond (zie 2 Kon. XVII: 1; XVIII: 1)
en Hizkia daar niets te bevelen had. Hlijkbaar denkt hij aan zijn eigen tijd, toen de hoogepriester
en het Sanhedrin wel alleen over Juda gesteld waren maar teveus groot gezag hadden onder de
vrienden der wet in het overige deel van Palestina. Dat hij na Israël en Juda nog Efraim en
Manatie
afzonderlijk vermeldt en aan dezen niet door boden maar door brieven de uitnoodiging van
Hizkia laat overbrengen, is niet toevallig; met deze stammen toch bedoelt hij de Samaritanen, die
hij niet slechts van de Judcërs, maar ook van de andere stammen die tot het noordelijk rijk behoor-
den, wil onderscheiden; verg. op vs. 10 v.
2 v. De pnaschvicring mocht iu enkele buitengewone gevallen in de tweede maand plaats hebben;
zie Nuin. IX: 0—13. Zulk een geval deed zich nu voor. Dat de viering op den door de wut voor-
geschreven dag in de eerste maaud (Exod. XII: 0), behalve door de vs. 3 genoemde oorzaken, ook
verhinderd werd doordat toen de tempel nog niet gereinigd was (zie XXIX: 17) schijnt de schrijver
niet bedacht te hebben.
2.   de gansene vergadering, bestaande uit de te Jeruzalem samengeroepen vertegenwoordigers van
gansch Israël (vs. 1). De oproeping van het geheelc volk wordt eerst vs. 5—9 verhaald.
3.   te dier tijd, in de eerste maand, toen de tempel gerciuigd werd. — dewijl — hadden. Verg.
XXIX: 84.
5.   van Bertjeba lot Dan. Gewoonlijk heet het: van Dan tot Bcrsjeba; zie op Richt. XX :1. Maar
deze schrijver laat de boden natuurlijk in Juda beginnen. — want — gevierd. Ml paschaviering van
het gansche volk — dit schijnt met in getale bedoeld te worden — had sedert Salomo (zie vs. 26),
d. i. sedert de scheuring, niet plaats gevonden. De plaats der Schrift waarop gedoeld wordt is Deut.
XVI: 1—8, 16.
6.   het overschot — Jssgrië. Deze benaming is voor Israël en Juda in Hizkia\'s eerste jaar, toen
Samarië nog stond en Juda door de Assyriërs nog niet geteisterd was, zeer ongepast. De schrijver
-ocr page 922-
1002                                          2 KRONIEKEN XXX: 6 —18.
Juda door, aldus op \'s konings last sprekend: Israëlieten, keert u tot
Jahwe, den god van Abraham, Izatik en Israël; opdat hij zich keere
tot het overschot, tot hen die van u ontkomen zijn aan de hand der
7       koningen van Assyrië,\' en weert niet gelijk aan uwe vaders en broe-
ders, die zich aan Jahwe, den god hunner vaderen, vergrepen hebben
en die hij tot eene ontzetting gemaakt heeft, zooals gij met eigen
8       oogen ziet.\' Weest dan niet zoo hardnekkig als uwe vaderen; geeft
Jahwe de hand, komt in zijn heiligdom, dat hij voor altijd geheiligd
heeft, en dient Jahwe, uw god; opdat zijn gloeiende toorn van u aHate.\'
\'J Want indien gij u bekeert tot Jahwe, zullen uwe broeders en zonen
erbarming vinden bij hen die hen gevankelijk hebben weggevoerd, en
zullen zij naar dit land mogen terugkeeren; want goedertieren en barm-
hartig is Jahwe, uw god: hij zal zijn aangezicht niet van u afwenden,
indien gij u tot hem keert.
10           Toen nu de boden het land van Efraim en Manasse, tot Zebulon toe,
doortrokken, van stad tot stad, lachte men hen uit en dreef men den
11       spot met hen;\' doch ettelijke mannen uit Azer, Manasse en Zebulon
12       verootmoedigden zich en gingen naar Jeruzalem.\' Ook in Juda werkte
de hand Gods: zoodat hij hen eenswillend maakte om het gebod van
den koning en de vorsten, naar het woord van Jahwe, op te volgen.
13           Zoo verzamelde zich veel volk te Jeruzalem, om in de tweede
maand het feest der ongezuurde brooden te vieren, eene zeer talrijke
14       vergadering.\' Zij maakten zich op, verwijderden de altaren die te Jeru-
zalem stonden, alsmede alle wierookouters, en wierpen ze in het dal
15       van den Kidron.\' Daarna slachtte men het pascha, op den veertienden
der tweede maand. Intusschen waren de priesters en de Levieten zich
gaan schamen, hadden zich geheiligd, en brachten nu brandoffers in
16       Jahwe\'s huis.\' Zij gingen op hun post staan, zooals het behoorde naar
de wet van Mozes, den man Gods: de priesters het bloed sprengend
17       uit de hand der Levieten;\' want er was een groot deel van de ver-
gadering dat zich niet geheiligd had, en de Levieten waren belast met
het slachten der paaschlammeren voor elk die niet rein was, om ze
18       aan Jahwe te heiligen.\' De meesten toch van het volk, velen uit Efraim
en Manasse, Issachar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, en aten
denkt aan zijn eigen tijd (zie op vs. 1 en 10 v.) en laat hier en vs. 9 Hizkia tot hot volk spreken
alsof een deel daarvan in ballingschap was en de overigen in hun land een kommervol bestaan
leidden. Onder de koningen van Assyrie (verg. op XXVIII: 16) kunnen ook de latere, Chaldecuwsche
of Perzische, behcerschers van het oude Assyrischc rijk verstaan wordeu; zie op V./.m VI: 22. De uit-
drukking „het overschot" is bijkans een kunstterm; verg. op Jez. X: 20—23.
7. die hij — ziet. Desgelijks XXIX: 8.
10 v. In het midden des lnnds, met name in Efraim, vonden de boden geen gehoor; wel in het
noorden, bepaaldelijk in Azer; in Manasse en Zebulon was de stemming verdeeld. Zoo was de toe-
stand in des schrijvers tijd: de Samaritanen, in het midden des lands, wilden van Jeruzalems tempel
niet weten; doch uit het Noorden, uit Gnlilca, kwam men daar Jahwe aanbidden. Verg. op vs. 1 en
op 1 Kron. IX : 3.
14.   de altaren — stonden. Zie XXVIII:24. — wierookouters, onzekere vertaling; wellicht de
XXVIII: 25 vermelde hoogten. — Voor het feest wordt alle afgoderij in Jeruzalem opgeruimd; daarna
ook die in geheel Juda en Israël, XXXI: 1.
15.   de priesters en de Levieten. Volg. XXIX : 34 hadden alleen de priesters verzuimd zich te hei-
ligen; de Levieten worden ook vermeld omdat hetgeen volgt mede op hen betrekking heeft.
10. uit de hand der Leeieten, die, na het paaschlam geslacht te hebben, het bloed den priesters
aanboden. Dit was anders het werk van de Israëlieten die het offer brachten; waarom thans de Le-
vieten bet deden, leert vs. 17. Dat het, evenals het slachten der paaschlammeren, van nu af hun
voorgoed was opgedragen zien wij uit XXXV: 11.
17 v. Dit staat op eene lijn met XXIX: 34. Zooals daar aan de Levieten, in plaats van aan de
gevers, het aftrekken van de huid der offerdieren wordt opgedragen, zoo hier het slachten der paasch-
lammeren. Doen zij dit hier slechts voor de onreinen, op het paaschfeest van Jozia, dat in elk op-
zicht was zooals het behoorde, zullen zij het voor allen zonder onderscheid doen; zie XXXV : 6.
18. niet — Schrift. Zie Nuni. IX: 6. — Welke de bedoeling des schrijvers was met dit verhaal,
-ocr page 923-
2 kkonibkbn XXX : 18—XXXI: 1.                            1003
het pascha niet volgens de Schrift. Doch Hizkia had voor hengebeden:
19       Moge Jahwe, de Algoede, verzoening bewerken voor ieder\' die met een
ernstig hart vraagt naar (Jod, naar Jahwe, den god zijner vaderen, al
20       doet hij het niet met de reinheid die bij het heilige voegt.\' En Jahwe
21       verhoorde Uizkia en genas het volk.\' Zoo vierden de Israëlieten die
zich te Jeruzalem bevonden zeven dagen lang het feest der ongezuurde
brooden, met groot vreugdebetoon, terwijl de Levieten en de priesters
22a dag aan dag met alle macht Jahwe prezen.\' En Hizkia sprak naar
het hart van al de Levieten, die in hetgeen Jahwe betrof deugdelijke
kennis aan den dag legden.
226 Toen zij nu in zeven dagen het feest hadden ten einde gebracht,
23       dankoffers offerend en Jahwe, den god hunner vaderen, lovend,\' werd
de gansche vergadering te rade nog zeven dagen feest te vieren, en
24       zoo vierden zij nog zeven dagen lang een vreugdefeest;\' want Hizkia,
Juda\'s koning, had duizend stieren en zeven duizend stuks kleinvee,
en de vorsten hadden duizend stieren en tien duizend stuks kleinvee
aan de vergadering als offergave geschonken. En priesters heiligden
zich in grooten getale.
25            Zoo verheugden zich de gansche vergadering van Juda, de priesters,
de Levieten, de geheele vergadering van hen die uit Israël waren ge-
komen, alsmede de vreemden, zoowel zij die uit het land van Israël
26       waren gekomen als zij die in Juda woonden;\' er was groote vreugde
in Jeruzalem; want sinds den tijd van Salomo, den zoon van David,
27       Israëls koning, was iets dergelijks te Jeruzalem niet gebeurd.\' En de
priesters en de Levieten stonden op en zegenden het volk, en zij wer-
den verhoord: hun gebed drong tot zijne heilige woning, tot den hemel,
XXXI: 1 door.\' Toen dit alles was afgeloopen, zijn alle Israëlieten die zich
daar bevonden uitgetogen naar de steden van Juda, hebben de wij-
steenen verbrijzeld, de gewijde boomstammen omgehouwen en de hoogten
en de altaren omvergeworpen, in gansch Juda en Benjamin, en in
Efraim en Manasse, totdat alles was opgeruimd. Daarna keerden al de
Israëlieten naar hunne steden, elk naar zijne bezitting, terug.
neten wij niet met zekerheid. Waarschijnlijk kwam het in zijn tijd vaak voor, dat Joden die ver
van Jeruzalem woonden, öf uit onkunde, öf uit gebrek aan cene goede gelegenheid, zich niet behoorlijk
gereinigd hadden voordat zij te Jeruzalem kwamen om het paaschfecst te vieren. Menig ijveraar zal
dezulken hebben willen weren. Doch onze schrijver is toegefelijk: hij wil dat men die broeders die
van verre komen toelate, en handhaaft den eisch der reinheid door te verordenen dat de I<evieten
de paaschlammeren dier onreinen zullen slachten.
20.   genat, wendde de rampen af die anders hadden moeten volgen, Lev. XV: 81; verg. 1 Kor.
XI: 29 t.
21.  met alle macht, volg. verb. t.; grondt, met krachtige instrumenten.
22a. Alleen de Levieten, niet de priester», krijgen eene loftuiting van Hizkia.
224. hadden ten einde gebracht, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. hadden gegeten.
23.  nog zeven dagen, evenals bij de inwijding des tempels ten tijde van Salomo, VII: 9.
24.   de vorsten — geschonken. De aanzienlijken onder des schrijvers tijdgenooten mochten aan hen
een voorbeeld nemen. — En — getale, zoodat het groot aantal offerdieren nu geen bezwaar op-
leverde, zooals op het feest in de eerste maand, XXIX: 32—34. Wat toen de vreugde verstoorde is
nu uit den weg geruimd: gansch Israël kan vroolijk feestvieren, vs. 25 v.
25.  de vreemden. Dezen mochten volgens de wet ook aan het feest deelnemen; zie op Exod. XII: 19.
26.  Zie VII: 1—10. — iet» dergelijks, zulk eene feestviering van het gansche volk.
27.  de priesters en de Levieten. Volg. hss. en Lat. vert. is en ingevoegd; het is waarschijnlijk met
opzet weggelaten, zoodat er ,de Lcvictischc priesters\' stond, omdat het zegenen van het volk volg.
Num. VI: 22—28 alleen den priesters wns opgedragen en hier dus niet van priesters en Levieten,
maar van Lcvictischc priesters sprake moest zijn. De schrijver breidt ook hier den werkkring der
Levieten uit, en meeudc stellig dit te mogen doen op grond van Dout. X: 8, waar, onder meer, het
zegenen van het volk aan den gansenen stam Lovi wordt opgedragen. Verg. op XXIII: 18.
1. Zie 2 Kon. XVIII: 4 en aant. aldaar. Wat daar echter van den koning allceu uitgaat is hier
het werk vau de gansche gemeente. — in gansch — Manasse. Zoo trok ook Jozia hervormend het
gansche land door, 2 Kon. XXIII: 13—20. De schrijver vergeet dat Hizkia niet, evenals Jozia, als
heerschcr kon optredcu in het noordelijk rijk; zie op 2 Kou. XXIII: 15.
-ocr page 924-
2 KRONIEKEN XXXI : 2—9.
1004
HOOFDSTUK XXXI: 2—21.
Hizkia\'s zorg voor den ccrcdicnat en de tempcldicnaren. — Hizkia stelt de afdcclingcn der prics-
ters en der Levieten vast (2), bekostigt zelf een groot deel van den offerdienst (3) en spoort het volk
aan voor het onderhoud der tctn|icldicnareii te zorgen (4); het volk brengt zoovele gaven naar den
tempel dat niet slechts de priesters en Levieten er van kunnen leven, maar er nog veel overblijft
(5—10). Het overschot wordt iu vertrekken van den tempel opgeborgen en aan de hoede van l,cvir-
ten toevertrouwd (11—13); Hizkia zorgt voor cenc eerlijke verdecling der heilige gaven en het hou-
den van geslarhtregisters der priesters en Levieten (14—19). Hij handelt in alles volgens de wet cu
heeft voorspoed (20 v.).
Dit hoofdstuk leert ons, hoe de schrijver wilde dat men zorgen zou voor het onderhoud der tem-
peldienareu en voor de bewaring cu verdeeling der heilige gaven. Dat hij niet in allen dcelc weergeeft
wat in zijn tijd bestond blijkt hieruit dat de uitvoering van enkele wetten die nooit zijn opgevolgd,
zooals van die op de priesterstcdeu (Num. XXXV: 1—8) en wellicht die op de veetienden (Lev. XXVII:
32 v.), hier ondersteld wordt. .Met de beschrijving van de offervaardigheid der Israëlieten ten tijde van
Hizkia wil de schrijver zijne tijdgenooten opwekken, de hun door de wet opgelegde verplichtingen
jegens de tcmpeldieuarcn getrouw na te komen; dan zullen dezen zich onbezorgd aan hunne ge-
wichtige taak kunnen wijden. Voorts dient hetgeen hij Hizkia laat verordenen omtrent de bewaring
en verdecling der heilige gaven om den werkkring der Levieten eervoller en winstgevender te maken;
zie op vs. 14 en 19.
XXXI: 2 Voorts stelde Hizkia de afdeelingen der priesters en der Levieten
vast, en deelde daarbij ieder in naar zijn priesterlijken of Levietischen
dienst: voor de brandoffers en de dankoffers, om te dienen en om lofzangen
en jubelliederen aan te beffen, binnen de poorten van Jabwe\'s leger-
3       plaatsen.\' En de bijdrage des konings, uit zijne bezittingen, diende
voor de brandoffers: voor de morgen- en de avondbrandoffers, voor die
van de sabbatten, de niemvemaansdagen en de feesttijden, overeen-
4       komstig hetgeen in de wet van Jahwe is voorgeschreven.\' En hij zeide
tot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem, dat zij de bijdrage voor
de priesters en de Levieten zouden geven; opdat dezen zich met ernst
5       zouden kunnen toeleggen op de wet van Jahwe.\' Zoodra dit gebod
algemeen bekend werd, schonken de Israëlieten rijkelijk het beste van
koren, most, olie, honing en alle opbrengst des velds; ook brachten
6       zij het tiend van alles mildelijk op.\' Desgelijks brachten de Israëlieten
en de Judeërs die in de steden van Juda woonden het tiend van
runderen en kleinvee, alsmede de heilige gaven die aan Jahwe, hun
7       god, geheiligd waren, en legden die bij hoopen neder.\' In de derde
maand begonnen zij die hoopen aan te leggen, en in de zevende maand
8       waren zij er mede gereed.\' Toen kwamen Hizkia en de oversten, en
9       die hoopen ziende, loofden zij Jahwe en zijn volk Israël.\' En toen
Hizkia bij de priesters en de Levieten aangaande die hoopen navraag
2.  Over de afdr.elingen der priesters en der Levieten zie 1 Kron. XXIII—XXVI. Hier wordt onder-
steld dat ze tijdens Ahaz\' regecring ontbonden waren. — en deelde... in, diiidelijkhcidshalve inpe-
voegd. — Jahwe\'» legerplaatsen, uitdrukking ontleend aan de voorstelling van den tabernakel in de
woestijn, Num. II; verg. op 1 Kron. IX: 18.
3.   De koning zorgde uit eigen middelen dat de Num. XXVIII: 3—XXIX: 38 voorgeschreven offert
gebracht werden. Daar de wet geen koning kent, stond het daarin niet dat hij dit doen moest, maar
Ezech. M.V: 17 wordt het hem opgedragen.
4—8. Wellicht waren vele tijdgenooten van onzen schrijver traag in het opbrengen der heilige gaven,
en wordt hun het voorbeeld der Israëlieten in Hizkia\'s tijd voor oogen gehouden, om hen aan hunne
verplichtingen ten deze te herinneren.
4.  de bijdrage — Levieten, wat daaromtrent Num. XVIII en elders verordend is.
5.  de Itraélieten, hier de Jeruzalemmcrs, zie v». 6.
6.   de Israëlieten — woonden. Zie XI: 10 v. — het tiend van runderen en kleinvee. Zie op Lev.
XXVII : 32. — de heilige gaven. Hieraan laat grondt, voorafgaan het tiend van; dit is weggelaten,
omdat de heilige gaven, keurgaven, eerstelingen, in haar geheel, niet slechts het tiend daarvan,
afgestaan werden.
7.   de derde maand, de zevende maand. In de derde, omstreeks pinksteren, was de tarweoogst ten
einde, in de zevende viel de inzameling der druiven en boomvruchten.
-ocr page 925-
2 KR0N1RKBN XXXI: 9—18.
1005
10       deed,\' zeide Azarja, de hoogepriester van het huis Sadok, tot hem:
Sinds men begonnen is de gaven in Jahwe\'s huis te brengen hebben
wij tot verzadiging toe gegeten en rijkelijk overgehouden; want
Jahwe heeft zijn volk gezegend; wat wij overhielden is deze groote
voorraad.
11            Hierop gelastte il i/k ia, kamers in den tempel in te richten, en
12       toen men dit gedaan had,\' bracht men daarin nauwgezet de offergaven,
de tienden en de wijgeschenken. Hierover werd als opziener gesteld
13       de Leviet Konanja, en zijn broeder Hjimeï, als tweede.\' Voorts werden
Jehiël, Azazja, Nahath, Azaël, Jerimoth, Jozabad, Eliël, Jismachja,
Mahath en Benaja bestierders onder opzicht van Konanja en zijn broe-
der Sjimei, volgens beschikking van koning Hizkia en Azarja, den
14       vorst van Gods huis.\' De Leviet Kore, de zoon van Jimna, de portier
aan de Oostpoort, werd aangesteld over de aan God gebrachte vrijwil-
lige gaven, om de gave voor Jahwe en het hoogheilige uit te deelen;\'
15       hem stonden in de priestersteden trouw ter zijde Eden, Minjamin,
Jesjua, Sjemaja, Amarja en Sjechanja, om aan hunne broeders, afdeelings-
gewijze, zoowel aan de kleinen als aan de grooten, elk zijn deel te
IC geven;\' met uitzondering van de in hun geslachtregister opgenomen
manlijke personen van drie jaar oud en daarboven, van die allen die
in Jahwe\'s huis kwamen, om volgens den eisch van eiken dag den
dienst waartoe zij verplicht waren, naar hunne afdeelingen, waar te
17       nemen.\' Wat liet geslachtregister der priesters betreft, dit was inge-
richt naar familiën; maar dat der Levieten, van twintig jaar af en
18       daarboven, naar hunne dienstregeling in hunne afdeelingen.\' Zij moesten
in de geslachtregisters opgenomen worden met al hunne kinderen,
10.  Azarja. 7Az op 1 Kron. VI: 9.
11.  kamert. Of de schrijver bedoelt dat de oude (zie op 1 Kon. VI: 5) opnieuw in gebruik gesteld,
dan wel nieuwe gebouwd werden, blijkt niet.
12 v. De meeste dezer nnmen worden ook door Levieten uit Davids tijd gedragen: over Konanja
zie op 1 Kron. XV : 22, over Sjime\'i en Jehiël op XXIX: 12—11, over Azazja op 1 Kron. XV: 18,
over Jerimoth op 1 Kron. XXIII: 23, over Jozabad op 1 Kron. XXVI: 4 v., over Eliël op 1 Kron.
XV: 0 v., over Benaja op 1 Kron. XV : 18. Nahath heet ook een Leviet, voorvader van Samuel (1
Kron. VI: 26); over AzaiU zie op XVII: 8, over Mahath op XXIX: 12—14.
14.   Kore — Oostpoort. Zie 1 Kron. IX: 19. — vrijtcillige garrn, niet alleen offers, maar ook
allerlei min of meer kostbare zaken die iemand, ook zonderdat hij eene gelofte had gedaan, uit
dankbaarheid, schuldgevoel of vrees aan Jahwe gaf. Hiervan kwam een gedeelte in de tempelkas —
wat de gave voor Jahwe heet (zie Lev. VII: 14, 82; X: 14 v.) — een ander deel, bepaaldelijk van
het offervlccsch, mocht alleen door de priesters gegeten worden cu heet hel hoogheilige (Lev. VI: 17.
26, 29; VII: 6). Van andere gaven was een deel voor den dienstdoenden priester, een deel voor eene
familie, cene afdccling, of voor de gohcelo priesterschap. De regeling hiervan is ons slechts uit later
tijd en zoer gebrekkig bekend. Of de vcrdecling van het den priesters toekomende ooit, zooals hier
vermeld wordt, aan Levieten is opgedragen geweest, moet betwijfeld worden. Wel moesten de Levieten
volg. N iiiii. XVIII: 25—29; Neh. X: 37 het voor de priesters bestemde deel van het tiend ophalen en
aan hen ter hand stellen, maar dat zij deze of andere priesterlijke inkomsten onder de rechthebbenden
zouden hebben verdeeld is hoogst onwaarschijnlijk. De schrijver beoogt blijkbaar met de hier gegeven
voorstelling den werkkring der Levieten uit te breiden.
15.   de priestersteden. Zie Joz. XXI: 10—19; 1 Kron. VI: 54—60 en inl. op Num. XXXV. —
Of de schrijver met de hier genoemde mannen priesters of Levieten bedoelt, blijkt niet. Personen
die deze namen dragen treffen wij elders zoowel onder de priesters als onder de Levieten aan.
\\lin-
jamin,
of Mijjamin, Jesjua (oen Levieteunnam Kzrn 11:40; Neh. VII: 43; VIII: 8; IX: 4 v.; X:9;
XII: 8, 24) en Sjechanja komen in do lijst der vier en twintig pricstcrafdcclingcn voor; zie op
1 Kron. XXIV: 7—18. Sjemaja, 1 Kron. XV: 8 (zie aldaar) naam van een Leviet, is Ezra X : 21;
Neh. XII: 6, 18 een priesternaam; evenzoo is Amarja Neh. XII: 2, 13 de naam van een priester,
terwijl hij 1 Kron. XXIII: 19 door een Leviet wordt gedragen; Eden, of Adna, XXIX: 12 een Levie-
tennoam, is Neh. XII: 15 die van een priester. — hunne broedrrt, de priesters die niet naar Jeruza*
lem gingen om daar den dienst waar te nemen en toch om hunne afkomst recht op priesterlijke in-
komsten hadden; zie op vs. 16.
16.   De priesters die met hunne familicn naar Jeruzalem giugen om daar hun ambt waar te nemen
kregen er een deel vnn de offeranden en andere baten, welko hun die in de pricstersteden bleven
niet gegeven werden.
18. I)i\' bedoeling is waarschijnlijk deze: voor het heilig houden rau den tempel en de gewijde
-ocr page 926-
2 KUON1BKEN XXXI ! 18—XXXII ! 2.
1006
vrouwen, zonen en dochters, van den geheelen stand; want door hunne
19       betrouwbaarheid moesten zij het heilige heilig houden.\' Ook waren er
voor de zonen van Aaron, de priesters, die op den weidegrond hunner
steden woonden, voor elke stad afzonderlijk, mannen die met name
zijn opgegeven aangesteld, om aan ieder manlijk persoon onder de
priesters zijn aandeel te geven, alsmede aan elk die in het geslacht-
register der Levieten was opgenomen.
20           Zoo deed Hizkia in gansch Juda; hij deed wat goed, recht en trouw
21       was jegens Jahwe, zijn god;\' in ieder werk dat hij aanving in zake
van den dienst in het huis Gods, in zake van de wet en de geboden,
door te vragen naar zijn god, heeft hij van ganscher harte gehandeld
en voorspoed gehad.
handelingen mm het noodig nauwlettend toe te zien op de afkomst, ook van de Levieten, maar
vooral van de priester». Immers, alleen de zoon van een priester en ecne vrouw van zuiver Israëlie-
tischen bloede was bevoegd priester te worden. Daarom moest er een register worden gehouden,
waarin niet alleen zij zclven, maar ook hunne vrouwen en de kinderen die zij bij haar hadden, ston-
den ingeschreven. Indien een oubcvocgde het altaar bediende, waren de offers niet geldig; deed iemand
van niet zuiver Lcvictische afkomst dienst in den tempel, dan was dit wel minder noodlottig, maar
het deed toch afbreuk aan de zuiverheid vau den eeredienst. — moestrn — houden, volgens geringe
tekstverandering naar Gr. vert.
19. die op — Kooni/en. Zie Lcv. XXV: 34; Num. XXXV: 1—8; Joz. XXI. — altmfdi-----opgenotnen.
Ook de Levieten moesten dus een deel hebben van de vrijwillige gaveu, waarop volgens de wet uit-
sluitend de priesters aanspraak hadden; zie op vs. 14.
20 v. Zoo vat de schrijver 2 Kon. XVIII: 5—la samen.
HOOFDSTUK XXXII: 1—23.
Hizkia uit de macht van Sanhcrib gered. — Sanherib, de koning van Assyric, belegert de steden
van Juda (1) en mankt nnnstnltcn om tegen Jeruzalem op te trekken, dat door Hizkia in staat vau
verdediging gebracht wordt (2—8). Sanherib laat Jeruzalem opcischcu door gezanten (!)), die het
hopeloozc van verzet nantooneu (10), daar Jahwe, door Hizkia belecdigd, niet redden zal (11 v.) en
het gebleken is dat de goden van alle landen machteloos tegen de Assyricrs zijn (13—15); in dien
geest spreken zij nog meer en had Sanherib ook een brief aan Hizkia geschreven (18—19). Hizkia en
Jezaja smeckeii (iod om hulp (20), en deze zendt een engel die in het Assyrischc leger ocno grootc
slachting aanricht, waarop Sanherib naar zijn land terugkeert en vermoord wordt (21). Zoo is Hizkia
door Jahwe geholpen; hij wordt vau nu af door alle volkeren geëerd (22 v.).
Van 2 Kon. XVIII: 13—XIX : 37 (Jez. XXXVI, XXXVII), waaraan dit gedeelte in hoofdzaak ont-
lcend is, zijn grootc stukken hier weggelaten; somtijds deed de schrijver dit om te bekorten (zie op
vs. 20 en 21), doch ook liet hij een cu ander weg dat, naar zijn oordcel, Hizkia tot oneer verstrekte:
vooreerst, het bericht van Hizkia\'s opstand (2 Kon. XVIII: 7), waarin lag opgesloten dat hij aan
Sanhcrib onderworpen was geweest, wat met dezen vromen koning het geval niet kon geweest zijn;
dan, op het voetspoor vau den schrijver van Jez. XXXVI, dat van Hizkia\'s onderwerping (2 Kon.
XVIII: 14—16), wat hem om dezelfde reden ongeloofwaardig voorkwam; voorts, al wat betrekking
had op Hizkia\'s boudgenooten (zie op vs. 9—15 en 17), dnar de vrome op zijn god alleen steunt; en
eindelijk hetgeen in het oude verhaal van Juda\'s tegenspoed (zie op vs. 1 en 9—15), van de insluiting van
Jeruzalem en vau de radeloosheid van Hizkia en zijne grooteu (zie op vs. 15) vermeld werd. Het
eigenaardig oogpunt waaruit de schrijver de redding van Jeruzalem wil beschouwd hebben geeft hij
reeds in vs. 1 aan: zij was het loon van Hizkia\'s vroomheid.
XXXII: 1 Hierna, na deze betooning van trouw, is Sanherib, de koning
van Assyrië, gekomen en Juda binnengetrokken; hij belegerde de ver-
2 sterkte steden en dacht ze te vermeesteren.\' Toen nu Hizkia zag dat
Sanherib gekomen was en aanstalten maakte tot den strijd tegen Jeru-
1. na — trouw, na hetgeen Hizkia, in gehoorzaamheid aan de wet, voor den tempel en zijne die-
naren gedaan had. Hetgeen volgt is dus het loon voor Hizkia\'s vroomheid. — dacht te te vermeeite-
ren.
Volg. 2 Kon. XVIII: 13 heeft hij ze werkelijk vermeesterd; maar deze tegenspoed kon, volgens
onzen schrijver, den vromen Hizkia niet getroffen hebben.
2—8. Het hier verhaalde lezen wij in Koningen niet en is waarschijnlijk aan Jez. XXII: 8—11
ontleend; althans, ook daar wordt vermeld dat men tegen Sanheribs nadering Jeruzalcms muur ver-
sterkte, het water naar de stad afleidde en zich wapenen aanschafte.
-ocr page 927-
2 KRONIEKBN XXXII : 2—17.
1007
3       zalem,\' werd hij met zijne oversten en helden te rade om de water-
4       bronnen buiten de stad te verstoppen. Hij vond medewerking:\' eene
menigte volks verzamelde zich en verstopte alle bronnen, alsmede de
midden door het land stroomende beek, terwijl men zeide: Wat be-
hoeven de koningen van Assyrië bij hunne komst rijkelijk water te
5       vinden?\' En hij toog moedig aan liet werk, herstelde geheel den ver-
broken muur en bouwde torens daarop, en richtte daarbuiten een anderen
muur op, versterkte het Mulo in de Davidstad en liet werpspiesen en
6       schilden in menigte vervaardigen.\' Nu stelde hij krijgsoversten over
het volk aan, verzamelde hen bij zich op het plein der stadspoort en
7       sprak naar hun hart, aldus:\' Zijt sterk en kloek, vreest niet en weest
niet vervaard voor den koning van Assyrië en die gansche menigte
8       die bij hem is; want ons staat een sterkere bij dan hem;\' hem een
vleeschelijke arm, maar ons Jahwe, onze god, om ons te helpen en
onze oorlogen te voeren. En het volk steunde op de woorden van
Hizkia, Juda\'s koning.
9           Nadezen zond iSanherib, de koning van Assyrië, zijne dienaren naar
Jeruzalem, terwijl hij zelf met zijne gansche legermacht voor Lachis
gelegerd was, tot Hizkia, den koning van Juda, en tot gansch Juda
10       dat te Jeruzalem was, met deze boodschap: Zoo zegt Hanherib, de
koning van Assyrië: Waarop vertrouwt gij, dat gij daar in Jeruzalem
11       belegerd blijft zitten?\' Hizkia stookt u op om u van honger en dorst
te laten sterven, door te zeggen: Jahwe, onze god, zal ons redden
12       uit de. hand van den koning van Assyrië.\' Deze zelfde Hizkia heeft
immers zijne hoogten en altaren weggedaan, terwijl hij tot Juda en
Jeruzalem zeide: Slechts voor éen altaar moogt gij u nederwerpen en
13       daarop alleen offeren.\' Weet gij niet, wat ik en mijne vaderen gedaan
hebben aan alle volken der wereld? Hebben de goden van de natiën
14       der wereld hun land uit mijne hand kunnen redden?\' Wie van alle
goden dezer natiën, door mijne vaderen ten ondergang gedoemd, heeft
zijn volk uit mijne hand kunnen redden — dat uw god u zou kunnen
15       redden uit mijne hand ?\' Laat dan Hizkia u niet misleiden en op deze
wijze opstoken. Gelooft hem niet; want geen enkele god van eenige
natie of eenig rijk kon zijn volk uit mijne hand of die mijner vaderen
redden, laat staan dat uw god u zou kunnen redden uit mijne hand.\'
16       Nog meer zeiden zijne" dienaren tegen Jahwe God en zijn dienstknecht
17       Hizkia.\' Ook had hij een brief geschreven, om Jahwe, den god van
Israël, te tarten en tegen hem te spreken, van dezen inhoud: Evenmin
4.   verstopte alle bronnen, waarvan men vuig. Jez. XXII : \'\'/>, 11 meteen het water naar de stad
afleidde; verg. op 2 Kon. XX: 20. — de — beek, waarschijnlijk de Kidron. — de koningen. Verg.
op XXVIII: Ui. Onwillekeurig denkt de schrijver niet alleen aan Sanhcrib, maar ook aan latere Assy-
rischc of Chaldcciiwsehc koningen die Jeruzalem hebben benard.
5.   Verg. op XI: 5—12. — den verbroken muur, sinds het XXV : 23 verhaalde nog niet hersteld.
— torent daarop, volg. verb. t.; grondt, op de torent. — daarbuiten een (volg. Gr. vert.; Hebr. t.
den) anderen muur. Dat de Davidstad door een dubbelen muur was omgeven blijkt ook uit 2 Kon.
XXV: 4; Jez. XXII: 11. Dat Hizkia hem bouwde lezen wij alleen hier; verg. XXXIII: 14. —het
Mi/tc
Zie op 2 Sam. V: 9.
6.  het plein der stadspoort, volg. Nch. VIII: 2, 17 bij de Waterpoort.
7v. Verg. Deut. XXXI: 6; 2 Kon. VI: 16 en op Jez. XXXI: 3.
9—15. Zie 2 Kon. XVIII:17—35, dat hier zeer verkort en gewijzigd wordt weergegeven. Wegge*
laten is wat daar van het bondgenootschap met Egypte gezegd is (zie In!.), alsmede de bespotting
van Hizkia\'s leger, dat met het bericht over zijne krijgstoerustingen, vs. 2—6, en met des schrijven
overtuiging dat vrome koningen sterke legers hadden (zie op XIV: 8) in strijd was.
15.   Wat 2 Kon. XVIII: 80—XIX: 4 verhaald wordt van de diepe verslagenheid die zich van den
koning en zijne dienaren meester maakte laat onze schrijver weg: de vrome vorst kan geen oogen*
blik in zijn geloof en vertrouwen geschokt zijn geweest.
16.   Nog meer, de woorden iu 2 Kon. XVIII : I il—35, voorzoover ze hier niet zijn medegedeeld.
17.   Ook — geschreven. Volg. 2 Kon. XIX: 8—14 zond Sanhcrib een brief niet een tweede gezant*
-ocr page 928-
1008                               2 KRONIRKKN XXXII : 17—25.
als de goden van de natiën der wereld, die hunne volken niet uit
mijne hand gered hebben, zal de god van Hizkia zijn volk uit mijne
18       hand redden.\' En zij riepen met luider stem het volk op den muur in
het Judeesch toe, om het vrees en angst aan te jagen; opdat zij de
19       stad in hunne macht kregen,\' en spraken over den god van Jeruzalem
als over de goden van de volken der aarde, die maaksels van men-
schenhanden zijn.
20           Naar aanleiding hiervan baden koning Hizkia en de profeet Jezaja,
21       de zoon van Amos, en zij schreiden ten hemel.\' Toen zond Jahwe
een engel, die alle kloeke helden, vorsten en oversten in het leger
van den koning van Assyrië wegvaagde; zoodat deze met beschaamde
kaken naar zijn land terugkeerde, en toen hij in den tempel van zijn
god kwam, daar door zijne lijfelijke zonen met het zwaard werd geveld.\'
22       Zoo verloste Jahwe Hizkia en de inwoners van Jeruzalem uit de hand
van iSanherib, den koning van Assyrië, en uit de hand van allen, en
23       gaf hun rust rondom.\' En velen brachten geschenken aan Jahwe te
Jeruzalem en kostbaarheden aan Hizkia, Juda\'s koning; van toen af
werd hij hoog in het oog van alle natiën.
schap; daar onze schrijver slechts éen voor Jeruzalem laat komen, vlecht hij in het verhaal hiervan
de mededeeling omtrent den brief in. IV nadering der Ethiopiër», die Sauherib bewoog voor de tweede
maal gezanten te zenden, wordt hier weggelaten: Hizkia heeft volgens den schrijver geen bondgenoo-
ten gehad.
18.   Zie 2 Kon. XVIII: 28. Wat in Koningen hieraan voorafgaat, van de vergeefsche poging van
Hizkia\'s dienaren om de Assyriörs te bewegen Arameesch te spreken, laat onze schrijver met opzet
weg: zij behoefden geen oogenblik te twijfelen aan de standvastigheid van het volk; vorst en volk
waren écu in trouw ann Jahwe (verg. op XV : 12—15).
19.  Zie op 2 Kon. XIX: 18.
20.  Volg. 2 Kon. XIX: 14—10 bad alleen Hizkia en deelde Jezaja hem daarop Jahwc\'s antwoord
mede, 2 Kon. XIX: 20—34. lu plaats hiervan geeft onze schrijver slechts dit éenc vers; dat Jezaja
met den koning bad kan hij hebben afgeleid uit 2 Kon. XIX: 46. Alleen hier treedt Jezaja in Ili/-
kia\'s geschiedenis op; zie inl. op 11. XXIX.
21.  Zie 2 Kon. XIX: 35—37, dat hier zeer verkort is weergegeven.
22.  gaf hij hun rust, volg. Gr. vert.; Hebr. t. leidde hij hen.
HOOFDSTUK XXXII: 24—33.
Hizkia\'s ziekte en de gezanten vnn Kabel. — Hizkia wordt op zijn gebed door Jahwo uit eenc
ziekte gered (24). Hij wordt overmoedig; maar de straf daarvoor wordt, daar hij berouw toont, tot
na zijn dood uitgesteld (25 v.). Hizkia\'s rijkdom en werken (27—30); op het toppunt van zijn voor-
spoed, wordt hij door God op de proef gesteld (31). Besluit vfïïi Hizkia\'s regecring (32 v.).
Het in 2 Kon. XX (Jcz. XXXVIII: 1—8; XXXIX) verhaalde wordt hier verkort wedergegeven, en
daarenboven cciiigermnte verward, doordat de schrijver de twee verhalen, dat van Hizkia\'s ziekte en
dat van het gezantschap uit Kabel, tot écu heeft trachten te mnken. Al wat naar zijn oordeel den
vromen koning niet tot eer verstrekte heeft hij weggelaten of gewijzigd. Hoewel hij zijn held niet
geheel van schuld vrijpleit, brengt hij die tot zulke bescheiden verhoudingen terug dat zij slechts
eene lichte schaduw op Hizkia\'s luisterrijke regecring werpt. Zie op vs. 25, 20, 27—30 en 31. Waarom
hij den profeet Jezaja niet vermeldt, zie inl. op H. XXIX.
XXXII: 24 In die dagen werd Hizkia doodelijk krank. Toen bad hij tot
Jahwe, en deze sprak tot hem en gaf hem een teeken.
25
          Maar Hizkia beantwoordde de ondervonden weldaden niet; want hij
werd overmoedig. IJaarom kwam gramschap over hem, alsmede over
24.  de;e tprak tot hem, door Jezaja; 2 Kon. XX : 5 v. — gaf hem een teeken. Dat hij dit deed op
verzoek van Hizkia, zooals 2 Kon. XX: 8—11 verhaald wordt, laat de schrijver, wellicht met opzet,
weg, omdat Hizkia daardoor gebrek aan geloof in Jahwe\'s woord openbaarde.
25.   hij werd overmoedig, door den voorspoed, zooals ook andere vrome koningen; zie op XXVI: 16.
Dat de schrijver hiermede doelt op Hizkia\'s gedrag jegens de Babylonische gezanten blijkt eerst uit
vs. 31. Wat hierin te berispen is, "wordt 2 Kon. XX: 14—18 niet gezegd; doch verg. op 2 Kon. XX:
12. — Juda en Jeruzalem. Het volk heeft zich dus met den koning bezondigd en bekeert zich met
hem (vs. 26); zie op XV: 12—15.
-ocr page 929-
2 KRONIEKEN XXXII : 25—33.
1009
26       Juda en Jeruzalem.\' Daar echter Hizkia zich vernederde in zijn over-
moed, evenals de inwoners van Jeruzalem, kwam Jahwe\'s gramschap
niet over hen in de dagen van Hizkia.
27           Hizkia nu bezat zeer grooten rijkdom en luister: hij maakte zich
schatkamers voor zilver, goud, edelgesteenten, balsem, schilden en aller-
28       hande begeerlijke voorwerpen,\' magazijnen voor de opbrengst van
koren, most en olie, stallen voor alle soorten van vee, en kooien voor
29       de kudden.\' Ook maakte bij steden en een grooten veestapel van klein-
vee en runderen; want God had hem zeer vele bezittingen geschonken.\'
30       Deze zelfde Hizkia heeft ook de waterwei van den Gihon boven den
grond verstopt en het water onder den grond westwaarts naar de
Davidstad geleid. Voorspoedig was Hizkia in alles wat hij ondernam.\'
31       Zelfs in het geval der tolken van Babels vorsten, die tot hem gezonden
waren om te vragen naar het teeken dat in het land geschied was,
verliet God hem enkel om hem op de proef te stellen, ten einde te
weten te komen al wat in zijn hart was.
32           Het overige nu van Hizkia\'s geschiedenis en zijne daden van vroom-
heid zijn beschreven in het Gezicht van den profeet Jezaja, den zoon
33       van Amos, en in het boek der koningen van Juda en Israël.\' En
Hizkia ging ter rust bij zijne vaderen; men begroef hem aan den weg
die opwaarts voert naar de graven van Davids zonen, en gansch Juda
en de inwoners van Jeruzalem bewezen hem eer bij zijn dood. Zijn
zoon Manasse werd koning in zijne plaats.
20. kwam — llhkia. De schrijver zegt niet, als die van Koningen, dat zij later wel kwam; dit
ware ook in strijd geweest met zijn geloof dat de kinderen niet voor de zouden der ouders gestraft
worden; zie op XXXIII: 10. De wegvoering der schatten naar Kabel, volg. 2 Kon. XX: 12—19 straf
voor Hizkia\'s zonde, is volg. XXXVI: 11—21 straf voor de zonden van Scdekia en zijne tijdge-
nooten.
27—30. Deze beschrijving van Hizkia\'s voorspoed, die wij 2 Kon. XX: 13 (Jez. XXXIX: 2) in
veel beknopter vorm in het verhaal van het bezoek der Babylonische gezanten aantreffen, wordt hier
met opzet gegeven nn het bericht van Hizkin\'s schuld en berouw: zijn voorspoed duurde tot aan
zijn dood.
28. kooien voor de buiden, met omzetting der woorden, volg. Gr. vert.
30.  Zie op 2 Kon. XX: 20.
31.  de tolken van BabeU vorsten (verg. op vs. 4 en op XXVIII: 16), Babylonische geleerden; zij
komen, anders dan de gezanten 2 Kon. XX: 12, met een zuiver wetenschappelijk doel. — die —
tcaren, volgens andere klinkers; Hebr. t. die tot hem gezonden hadden. — om — wat. Dit was de be-
doeling van Jahwe.
32.   zijne daden van vroomheid. Verg. XXXV: 26. — het Oezicht — Itraël. Het woordje en is den
tweeden keer uit Gr. vert. ingevoegd. Bedoeld zijn Jez. XXXVI: 1—XXXIX: 8 en 2 Kon. XVIII: 1—
XX: 21. Verg. op Jez. 1:1.
33.    men — zonen. Deze woorden zijn wellicht in Koningen uitgevallen en in dit geval gc-
loofwaardig. Waarom Hizkiu daar, eu niet in de koningsgraven, begraven werd, weteu wij niet.
Zijn de hier vermelde graven dezelfde die Neh. 111:16 „de Davidsgraven" heeten? — bewezen hem eer.
Verg. XVI: 14; XXI: 19.
HOOFDSTUK XXXni.
Manasse en Amon. — Manasse, een goddeloos koning (1 v.), doet het hervormingswerk van zijn
vader te niet en voert allerlei afgoderij in (3—9). Daar vorst en volk niet naar waarschuwingen
luisteren (10), laat Jahwe Manasse gevankelijk wegvoeren naar Babel (11), waar hij zich bekeert
(12) en vergiffenis erlangt van Jahwe, die hem naar Jeruzalem laat terugkecren (13). Daarna ver-
sterkt Manasse Jeruzalem en de steden vnn Juda (14), schaft den afgodendienst af en herstelt den
dienst van Jahwe (15—17). Besluit zijner regeering (18—20). Amon treedt in de voetstappen zijns
vaders, maar bekeert zich niet, als deze (21—23), en wordt door samenzweerders omgebracht (24); het
volk doodt de moordenaars en plaatst Jozia op den troon (25).
Van dit hoofdstuk is een groot gedeelte aan 2 Kon. XXI ontleend; verg. vs. 1—10 met 2 Kon.
XXI: 1—10; vs. 18—20 met 2 Kon. XXI:17v.; vs. 21—25 met 2 Kon. XXI: 19—24. Maar terwyl
onze schrijver 2 Kon. XXI: 11—16, als strijdig met zijn geloof aan Gods rechtvaardigheid (zie op
vs. 10), heeft weggelaten, lascht hij vs. 11—17 een verhaal in van Manasse\'i bekeering en herstel,
O. T. I.                                                                                                                          64
-ocr page 930-
1010
2 KRONIEKEN XXXIII: 1—12.
dat in Koningen niet wordt aangetroffen. Dit is zeker verdicht en wordt ook door de A-Lyrische
opschriften niet bevestigd. Deze toch verhalen wel, dat Manasse met andere vorsten van Voor-Azië
afhankelijk is geworden van den Assyrischen koning Asurbanipal, maar niet, dat hij naar Babcl wcgge-
voerd en later op den troon hersteld is. Had Manasse ter hervorming vau den Jahwcdienst gedaan
wat hier aan hem wordt toegeschreven, dan zou voor Jozia nagenoeg niets te doen zijn overgebleven
en hetgecu 2 Kon. Wil. XXIII verhaald wordt geheel onbegrijpelijk zijn. De schrijver werd tot
zijne voorstelling gebracht door de overtuiging dat een koning die tot zijn dood toe in zijne zonden
volhardde onmogelijk vijf en vijftig jaar had kunnen regeeren; had hij dezen zegen van zijn god
ondervonden, dan moest althans het laatste gedeelte zijner regecring door trouw aan Jahwe zijn ge-
kenmerkt geweest.
XXXIII: 1 Twaalf jaar was Manasse oud toen hij koning werd, en vijf en
2       vijftig jaar regeerde hij te Jeruzalem.\' Hij deed wat kwaad was in
het oog van Jahwe, naar de afschuwelijke praktijken der volken die
3       Jahwe voor de Israëlieten uit had verdreven.\' Hij herbouwde de
hoogten die zijn vader Hizkia had omvergeworpen, richtte altaren op
voor de baüls, maakte gewijde boomstammen, wierp zich voor het
4       gansche heir des hemels neder en diende het.\' Ook bouwde hij altaren
in het huis van Jahwe, waarvan Jahwe had gezegd: Te Jeruzalem zal
5       mijn naam zijn tot in eeuwigheid.\' Hij bouwde altaren voor het
gansche heir des hemels in de beide voorhoven van Jahwe\'s huis.\'
6       Ook heeft hij zijne zonen door vuur overgegeven in het dal van den
zoon van Hinnom, waarzeggerij, wichelarij en tooverij gepleegd, be-
zweerders van onderaardsche geesten .en van demonen aangesteld; hij
heeft overvloedig gedaan wat kwaad was in het oog van Jahwe, om
7       hem te tergen.\' Het afgodsbeeld dat hij gemaakt had zette hij in het
huis Gods, waarvan God tot David en zijn zoon Salomo had gezegd:
In dit huis en te Jeruzalem, dat ik uit alle stammen Israëls heb uit-
8       verkoren, zal ik mijnen naam tot in eeuwigheid stellen,\' en nimmer-
meer zal ik Israëls voet doen wijken van den bodem dien ik hunnen
vaderen toegewezen heb; indien zij slechts zorgen te doen al wat ik
hun geboden heb, naar de gansche wet, de inzettingen en de verorde-
9       ningen die door bemiddeling van Mozes gegeven zijn.\' Zoo deed
Manasse Juda en de inwoners van Jeruzalem afdwalen, zoodat zij meer
kwaad deden dan de volken die Jahwe voor de Israëlieten uit had
verdelgd.
10           Toen sprak Jahwe tot Manasse en zijn volk, maar zij luisterden
11       niet.\' Daarom bracht Jahwe over hen de legeroversten van den koning
van Assyrië; zij grepen Manasse met haken, sloegen hem in ketenen
12       en voerden hem naar 1 label.\' Maar toen men hem zoo benard had,
I.   Wij vernemen uit 2 Kon. XXI : 1 ook nog den naam van Manassc\'s moeder; in ons boek
worden van nu af de namen van de moeders der koningen niet meer vermeld; zie vs. 21;
XXX1V:1.
3. de baalt en gewijde boomstammen. Hiervoor heeft 2 Kon. XXI: 3 het enkelvoud.
6.  zijne amen. In 2 Kon. XXI: 6 staat zijn zoon; de schrijver vergroot Manassc\'s schuld, evenals
die van Ahaz; zie op XXVIII: 3.
7.   het afgodtbeeli, 2 Kon. XXI: 7 het Atjera-beeld. Door de verandering welke onze schrijver in
vs. 3 aanbracht kon hij ons vers daarop niet laten terugslaan; dus doet hij het voorkomen alsof hier
sprake is van een in het voorgaande niet vermeld afgodisch voorwerp.
8.  hunnen, volg. Gr. vert. en 2 Kon. XXI: 8; Hebr. t. uwen.
9.   Hieraan gaat in Koningen vooraf maar zij hebben niet geluisterd, wat onze schrijver naar vs. 10
heeft verplaatst.
10.   Toen tprak Jahwe, volg. 2 Kon. XXI: 10 door de profeten; wat zij zeiden, 2 Kon. XXI: 11—15,
laat onze schrijver weg, omdat het daar uitgesproken denkbeeld, de verwoesting van Jeruzalem ia de
straf voor Manasse\'s zonde, in strijd was met zijn geloof aan Gods rechtvaardigheid, dat zijne pa«-
sende uitdrukking vond in Ezcch. XVIII: 20. Omdat Manasse zelf de straf voor zijne zonden moet
hebben ontvangen, laat de schrijver hem gevnukelijk wegvoeren naar Kabel. — en zijn volk. Dit
dwaalt met zijn koning af en bekeert zich met hem (vs. 16); zie op XV: 12—15.
II.  zij grepen Manatte met haken. Beeld aan de vischvangst ontleend; verg. op 2 Kon. XIX: 28.
-ocr page 931-
2 KRONIEKEN XXXIII: 12—25.                              1011
heeft hij Jahwe, zijn god, vermurwd: hij verootmoedigde zich diep
13       voor den god zijner vaderen\' en bad tot hem. En deze liet zich ver-
bidden, verhoorde zijne smeeking en bracht hem naar Jeruzalem tot
zijn koningschap terug. Zoo wist Manasse dat Jahwe God is.
14           Nadezen heeft hij een buitenmuur van de Davidstad gebouwd, ten
westen van den Gihon, in het dal, tot aan den ingang van de Visch-
poort, dien om den üfel getrokken en zeer hoog gemaakt. Voorts legde
15       hij legeroversten in alle versterkte steden van Juda.\' Hij verwijderde
de vreemde goden en het beeld uit Jahwe\'s huis, ook al de altaren die
hij op den tempelberg en in Jeruzalem had opgericht, en wierp ze
16       buiten de stad.\' Ook bouwde hij het altaar van Jahwe weder op, bracht
daarop dankoffers en lofoffers, en beval Juda Jahwe, den god van Israël,
17       te dienen.\' Intusschen otterde het volk nog op de hoogten, maar alleen
aan Jahwe, hun god.
18           Het overige nu der geschiedenis van Manasse, zijn gebed tot zijn
god en de woorden der zieners die in naam van Jahwe, den god van
Israël, tot hem gesproken hebben, dit staat in de Geschiedenis der
19       koningen van Israël.\' En zijn gebed, en hoe God zich door hem liet
verbidden, en al zijne zonden en overtredingen, en op welke plaatsen
hij hoogten gebouwd en de gewijde boomstammen en beelden opgericht
heeft, vóór zijne verootmoediging, dit is beschreven in de Geschiedenis
20       der zieners.\' Manasse ging ter ruste bij zijne vaderen, en men begroef
hem in den tuin van zijn paleis; en zijn zoon Amon werd koning in
zijne plaats.
21           Twee en twintig jaar was Amon oud toen hij koning werd, en twee
22      jaar regeerde hij te Jeruzalem.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
van Jahwe, evenals zijn vader Manasse gedaan had; aan alle beelden
die zijn vader Manasse gemaakt had bracht Amon offers en diende ze.\'
23       Maar hij heeft zich niet voor Jahwe verootmoedigd, zooals zijn vader
Manasse zich verootmoedigd had; want deze Amon heeft groote schuld
24       op zich geladen.\' Zijne dienaren maakten eene samenzwering tegen
25       hem en doodden hem in zijn paleis;\' waarop het volk des lands allen
die de samenzwering tegen koning Amon gemaakt hadden versloeg en
zijn zoon Jozia koning maakte in zijne plaats.
14.   Als alle vrome koningen, legt ook Manasse na zijne bekeering zich op het versterken van
Jeruzalem toe; zie op XI: 5—12. — heeft — gebouwd. Indien dit dezelfde muur is als de XXXII: 5
vermelde, dan bedoelt de schrijver dat Manasse dien b( hersteld öf voltooid heeft. — lm Keilen —
gemaakt. Do muur liep ten wetten van den Gihon (zie op 1 Kon. 1: 33), dus langs de oostzijde der
Davidstad, dnurna in noordelijke en noordwestelijke richting tot de Vischpoort, aan de noordwestelijke
punt van den tempelberg (zie Nch. 111:3; XII: 30; Sef. 1:10); zoodat de heuvel Ofcl (zie op XXVII: 3)
mede ingesloten was. — het dal, van den Kidron.
15.  het beeld. Zie vs. 7.
10. Ook — op. Dat dit vernield was geweest is niet gezegd. De schrijver onderstelt het als iets dat
vanzelf spreekt, evenals hij ook Ahaz den tempel heeft doen sluiten; verg. op XXVIII: 24.
17.   Dat er toch nog iets onwettigs was blijven bestaan diende de schrijver wel te zeggen, daar
anders voor Jozia niets te hervormen zou zijn overgebleven.
18.   zijn gebed tot zijn god. Onder de apokriefe boeken des O. T.s. bevindt zich een geschrift dat
den titel draagt „Gebed van Manasse, den zoon van Hizkia," door een Griekschen Jood in het Grieksch
geschreven. — de woorden — hebben. Zie 2 Kon. XXI: 11—15; verg. op vs. 10. — de Qetchiedenit
der koningen van Itraël.
Is hiermede, wat waarschijnlijk is (zie op XX: 31), ons boek Koningen bedoeld,
dan laat de schrijver daaraan ook iets ontleend zijn, zijn gebed tot zijn god; wat er niet in stond.
10. de Qeichiedeni» der ziener» (volg. Gr. vert.; Hebr. t. van llozui). De schrijver zal wel bedoelen
hetzelfde geschrift waarin volg. vs. 18 de woorden der zieners stonden.
20.  den tuin van, naar Gr. vert. en 2 Kon. XXI: 18 ingevoegd.
21.  Zie op vs. 1.
22.  aan — diende ze. De schrijver vergeet dat Manasse die beelden weder verwijderd had, vs. 15.
25. De schrijver geeft 2 Kon. XXI: 25 v. verkort weder.
-ocr page 932-
1012                              2 KRONIBKKN XXXIV : 1—4.
HOOFDSTUK XXXIV, XXXV.
Jozia. — Jozia, een zeer vroom koning (XXXIV: 1 v.), ruimt, in het twaalfde jaar zijner regeering,
vele afgodische voorwerpen in Jnda en Israël op (3—7). In zijn achttiende regeeringsjaar heeft op
zijn last eene vernieuwing van den tempel plaats, waarbij Levieten als opzichters dienst doen (8—13).
Bij die gelegenheid doet de hoogepricstcr Hilkia het in den tempel gevonden wetboek den koning
ter hand stellen (11—18), die, over den inhoud verschrikt (19), door ecu aanzienlijk gezantschap
Jahwe laat raadplegen (20 v.). De profetcs Hulda antwoordt dat het strafgericht zeker komen (22—25),
maar Jozia, tot loon voor zijne goede gezindheid, het niet beleven zal; wat den koning wordt overge-
bracht (26—28). Hierop gaat deze met zijn volk op naar den tempel en leest er het wetboek voor
(29 v.); waarop allen zich verbinden tot stipte gehoorzaamheid (31 v.) en Jozia alle afschuwelijke
voorwerpen uit het gansche land verwijdert (33). Jozia doet het pascha te Jeruzalem vieren (XXXV :1);
den priesters wijst hij hunne taak aan, alsmede den Levieten, aan wie het slachten der paaschlam-
meren wordt opgedragen (2—6). De koning en zijne vorsten, de hoofden der priesters en die der
Levieten schenken fecstgaven (7—9); naar de wet worden de offers gebracht, en alle tcmpeldicnaren
komen hunne verplichtingen na (10—16); het paaschfeest wordt gevierd zooals het in eeuwen niet
geschied was (17—19). Daarna valt Jozia, trots goddelijke waarschuwing, den koning van Egypte aan
en sneuvelt (20—21a); het gansche volk draagt rouw over hem, en klaagzangen worden op hem ge-
dicht i2t«. 25). Besluit (26 v.).
Een vrij groot gedeelte dezer hoofdstukken is aan 2 Kon. XXII: 1—XXIII: 30 ontleend; verg.
XXXIV : 1 v. met 2 Kon. XXII : 1 v.; vs. 8—32 met 2 Kon. XXII: 3—XXIII : 3, terwijl XXXIV : 34—7
een uittreksel uit 2 Kon. XXIII: l—20, 21 behelst. Doch het verhaal heeft onder de handen van
onzen schrijver een geheel ander karakter verkregen. Hem toch bevreemdde de plaats die in het oude
verhaal het vinden van het wetboek innam, alsof dit voor koning en volk iets nieuws kon hebben
bevat en aanleiding hebben gegeven tot velerlei hervormingen. Die wet dagtcekende immers van
Mozcs, en de vrome voorgangers van Jozia hadden haar gekend en gehoorzaamd. Met name had
Hizkia dit gedaan. Om de verkeerde gevolgtrekkingen die zijne lezers te dezen uit het verhaal van
Koningen konden maken te voorkomen, laat hij Jozia\'s hervorming aan het vinden van het wetboek,
dat er volgens Koningen de nnnleiding toe gaf, voorafgaan (zie op XXXIV : 3 en 8—13), en maakt hij
ook de viering van het paaschfeest tijdens Jozia daarvan geheel onafhankelijk (zie op XXXV: 1 en 18).
Voorts steekt de schrijver ook hier de Levieten in de hoogte (zie op XXXIV : 8—13, 9, 12, 30;
XXXV: 3 en 8 v.), vooral door hen bij de paaschviering eene zeer voorname rol te laten spelen
(XXXV: 10—15), en wekt hij zijne tijdgenonten op tot rijke giften aan den tempel door de beschrijving
van de mildheid van koning en aanzienlijken jegens het heiligdom; terwijl hij, door Jozia\'s dood op
het slagveld als eene straf voor te stellen, zijue overal in het boek aan den dag tredendo overtuiging
aangaande de rechtvaardigheid Gods predikt.
H. XXXV troffen wij ook aan in 3 Ezra 1:1—33. Zie over dit apokriefe boek inl. op Ezra —
Nehemja.
XXXIV: 1 Acht jaar was Jozia oud toen hij koning werd, en een en dertig
2      jaar regeerde hij te Jeruzalem.\' Hij deed wat recht was in het oog
van Jahwe en bewandelde de wegen van zijn vader David, zonder af
3      te wijken ter linker- of ter rechterhand.\' Reeds in het achtste jaar
zijner regeering, toen hij nog jong was, begon hij naar den god van
zijn vader David te vragen, en in het twaalfde jaar begon hij Juda
en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde boomstammen en
4      de gesneden en de gegoten beelden.\' Men wierp in zijne tegenwoordig-
heid de altaren der baiils omver, de zonnebeelden die daarop waren
1. De naam van Jozia\'s moeder is weggelaten; zie op XXXI 11:1.
8. •\'» het twaalfde jaar. Volg. 2 Kon. XXII: 3; XXIII: 4 begon hij zijn hervormingswerk eerst in
zijn achttiende regeeringsjaar, na de ontdekking van het wetboek. Onze schrijver achtte het waar-
schijnlijk ongeloofelijk dat een vroom koning als Jozia zoolang zou gewacht hebben de hand aan dit
goede werk te slaan, waarvoor immers het vinden van het wetboek niet noodig was, daar reeds Ma-
nasse hetzelfde gedaan had (XXXII1:15). Maar door deze vervroeging is het oude verhaal, volgens
hetwelk deze hervorming wel iets nieuws was en uitgelokt werd door het vinden van het wetboek
in Jozia\'s achttiende jaar, in een geheel ander licht geplaatst.
4—7. In dit uittreksel uit 2 Kon. XXIII: 4—20 zijn sommige bijzonderheden eerst door vergelijking
met het bericht van Koningen verstaanbaar.
4. der baalt. Zie op Richt. 11:13. In het oudere verhaal (2 Kon. XXIII: 4) is sprake van den
baal.
— de zonnebeelden. Zie op Lev. XXVI: 30. — waarna — kudden. Verg. 2 Kon. XXm: 6,
-ocr page 933-
1013
2 KBONIBKBN XXXIV : 4—12.
aangebracht hieuw hij af, hij verbrijzelde en vergruisde de gewijde
boomstammen, de gesneden en de gegoten beelden; waarna hij het stof
5       strooide op de graven dergenen die hun geofferd hadden.\' Ook verbrandde
hij beenderen van priesters op hunne altaren en reinigde zoo Juda en
6       Jeruzalem.\' Desgelijks in de steden van Manasse, Efraim, Simeon, zelfs
7       in Naftali — in hare rondom liggende puinhoopen —\' wierp hij de
altaren en de gewijde boomstammen omver, vergruisde de beelden tot
stof en hieuw alle zonnebeelden af, in het gansche land van Israël.
Daarop keerde hij naar Jeruzalem terug.
8           In het achttiende jaar zijner regeering — toen hij bezig was met
het reinigen van land en tempel — zond hij Sjafan, den zoon van
Asalja, Maazeja, den stadsoverste, en Joah, den zoon van Joahaz, den
9       kanselier, om het huis van Jahwe, zijn god, te herstellen.\' Bij Hilkia,
den hoogepriester, gekomen, stelden zij het in den tempel gebrachte
geld, dat de Levieten-dorpelwachters bijeengegaard hadden van Manasse,
Efraim en het gansche overschot van Israël, alsmede van gansch Juda,
10       Benjamin en de inwoners van Jeruzalem,\' dat stelden zij ter hand aan
de opzichters van de werklieden in Jahwe\'s huis. Dezen gaven het aan
de werklieden die in Jahwe\'s huis bezig waren om het te herstellen
11       en te stevigen;\' zij gaven het aan de timmerlieden en de metselaars,
tot aankoop van gehouwen steenen en van hout voor de binten, en om
de vertrekken die de koningen van Juda verdorven hadden te zolderen.\'
12       En die mannen handelden bij het werk op goed vertrouwen. Opzichters
over hen waren: de Levieten Jahath en Obadja, uit de zonen van Merari,
benevens Zacharja en Mesjullam, uit de Kehathieten, voor de leiding
«raar alleen van het stof van een verbranden gevrijden boomstam sprake is. In plaats van op de
volksbegraafplaaU laat onze schrijver het stof strooien op de graten (volg. verb. t.) der afgodendie-
naars; alsof men die van de andere kon onderscheiden! De strekkiug der wijziging is: de schimp
trof alleen de schuldigen.
5.   Zie 2 Kon. XXIII: 16—18. Dut het beenderen van priesters waren staat daar niet, maar heeft
de schrijver waarschijnlijk afgeleid uit 1 Kon. XIII: 2; 2 Kon. XXIII: 20, waar het slachten der
huogtcpricsters op de altaren vermeld wordt; dit laatste verzwijgt hij, als zijnen held onwaardig.
6.   Verg. 2 Kon. XXIII: 19. — ijimeon wordt hier ten onrechte tot het noordelijk rijk gerekend;
zie op XV:!). — puinhoopen, met verandering van een klinker. Oc schrijver meeut dat sedert den
val van Samaric alle steden van het noordelijk rijk in puin lagen.
8—13. I)e hier gegeven voorstelling wijkt in menig opzicht van 2 Kon. XXII: 3—7 af; want
de onder Joas genomen maatregel, waarop hier wordt teruggezien, is iu ons boek anders dan in
Koningen voorgesteld; zie op XXlV : 4—14. Ook breidt de schrijver den werkkring der Levieten uit:
zij, en niet de lecken-opzichters (2 Kon. XXII: 5), hebben de leiding van het werk on betalen het
geld aan de werklieden uit.
8.  toen — tempel. Dit heeft de schrijver aan het verhaal toegevoegd, opdat het niet den schijn zou
hebben alsof Jozia nu eerst met zijne hervormingen begon. — Sjafan heet hier niet, evenals 2 Kon.
XXII: 3, de ichrijver; dit ambt toch wordt volgens onzen schrijver door Levieten waargenomen
(vs. 13). — Maazeja — kamelier. Deze mannen worden in het verhaal van Koningen niet genoemd:
waarschijnlijk achtte onze schrijver het ongepast dnt de koniug slechts een persoon, en niet een deftig
gezantschap, tot den hoogepriester gezonden had. — om — heratelten, volg. 2 Kon. XXII: 3—0 om
voor de betaling der werklieden te zorgen. Blijkens het vervolg is dit ook hier bedoeld.
9.   de Levieten-dorpeltoachteri. Zie iul. op 1 Kron. XXVI. Dat het Levieten waren zegt 2 Kon.
XXII: 4 niet. — Manatie — Itraïl. Volgens den schrijver bezochten dus ook de bewoners van
het noordelijk rijk den tempel te Jeruzalem; wellicht bedoelt hij: sedert de vs. 6 v. vermelde her-
vorming.
10.   ttelden zij ter hand. Dit deed volg. 2 Kon. XXII: 4 v. de hoogepriester. — de opzichten —
huit, de vs. 12 genoemde Levieten. — aan voor de werklieden, ingevoegd volg. Gr. vort.
11.   die — hadden. Waarop dit doelt, weten wij niet. De schrijvor vermeldt het waarschijnlijk om
te doen uitkomen, dut hier niet van het gewone onderhoud, maar van eene buitengewone herstelling
sprake is. Jozia wordt, evenals andere vrome koningen, als een teinpelveruieuwer voorgesteld.
12.   die mannen, de Levieten-opzichters. — Van de hier voorkomende namen treffen wij Jahath en
Zacharja ook als namen van Levieten tijdens David aan; zie op 1 Kron. XV: 18 en op 1 Kron.
XXIII: 10. Obadja en Mesjullam, Neb. XII: 25 namen van Levieten-portiers (verg. op 1 Kron. IX:
16 en 17), komen als pricsternnmen voor Neb. X : 5, 7, de laatste bovendien 1 Kron. IX: 11; Nch.
XI: 11; XII: 13, 16, en in den vorm Sjalhim 1 Kron. VI: 12 v.; Ezra VII: 2. — voor — werk. Zij
hadden, schijnt de schrijver te bedoelen, het toezicht over het werk in zijn geheel, de in het vervolg
-ocr page 934-
2 KROMKKKN XXXIV : 12—25.
1014
van het werk; en alle Levieten die kundig waren in Let bespelen van
13       muziekinstrumenten\' hadden het opzicht over de lastdragers en over
alle werklieden hij elk soort van arheid; ook waren ettelijke Levieten
schrijvers, ambtlieden en portiers.
14           Toen zij nu het in Jahwe\'s huis gebrachte geld uit de kist haalden,
vond de priester Hilkia het boek der wet die Jahwe door Mozes ge-
15       geven had.\' Nu richtte hij het woord tot den schrijver Sjafan enzeide:
Ik heb in Jahwe\'s huis het boek der wet gevonden — waarop hij het
10 hoek aan Sjafan gaf.\' Sjafan bracht het aan den koning en gaf hem
tevens aldus bescheid: Al wat uwen dienaren is opgedragen hebben zij
17       gedaan:\' zij hebben het geld dat zich in het huis van Jahwe bevond
18       uitgestort en aan de opzichters der werklieden ter hand gesteld.\' Voorts
verhaalde de schrijver Sjafan den koning: De priester Hilkia heeft mij
19       een boek gegeven. En Sjafan las er den koning uit voor.\' Toen nu de
20       koning de woorden der wet hoorde, scheurde hij zijne kleederen.\' En
de koning gaf Hilkia, Ahikam, den zoon van Sjafan, Abdon, den zoon
van Micha, den schrijver Sjafan en den dienaar des konings Azaja in
21       last: Gaat Jahwe voor mij en het overschot in Israël en in Juda
raadplegen over de woorden van dit boek dat gevonden is; want groot
is Jahwe\'s gramschap, die over ons is uitgestort, omdat onze vaderen
niet gezorgd hebben Jahwe\'s woord te volbrengen naar al wat in dit
boek geschreven staat.
22           Zoo gingen Hilkia en de anderen die de koning had aangewezen
naar de profetes Hulda, de vrouw van den kleederbewaarder Sjallum,
den zoon van Tokhath, den zoon van Hasra — zij woonde te Jeruzalem,
in de Voorstad — en spraken tot haar zooals hun was opgedragen.\'
23       En zij zeide tot hen: Zoo spreekt Jahwe, Israëls god: Zegt den man
24       die u tot mij gezonden heeft: \' Zoo spreekt Jahwe: Ik ga onheil
brengen over deze plaats en hare inwoners, al de vervloekingen die
geschreven staan in het boek dat men den koning van Juda heeft
25       voorgelezen.\' Omdat zij mij verzaakt en aan andere goden geofferd
hebben, ten einde mij te tergen met al het maaksel hunner handen,
genoemden alleen dat over de bijzonderheden. — Vreemd, dat Levietischc muzikanten opzichters zijn
van de lastdragers en in vs. 13 ook Levietische tchrijtert, ambtlieden en portier! vermeld worden;
maar blijkbaar wil de schrijver het herstel van den tempel doen plaats hebben onder de leiding van
den gcheelen Levietenstand.
13.   hadden. Hiervóór is en weggelaten. — en over, volg. Gr. vert.; Hebr. t. en hadden de lei-
ding van.
14.   In het oudere verhaal (2 Kon. XXII: 8) staat niet, dat Hizkia bij het ledigen der kist het
boek vond, maar dat hij bij die gelegenheid Sjafan er kennis van gaf.
15.   den achrijver. Hier en vs. 20 laat de schrijver het woord dat hij vs. 8 wegliet onwillekeurig
staan. — gaf. Hierop laat 2 Kon. XXII: 8 volgen die het lat. Waarschijnlijk liet onze schrijver het
weg, omdat hij niet als het oudere verhaal alleen Deuteronomium (en dit nog slechts ten deele), maar
het gansche wetboek bedoelt, dat Sjafan onmogelijk in korten tijd kon uitlezen.
10. Sjafan — koning. Deze woorden loopen op vs. 18 vooruit; de schrijver heeft het begin van
2 Kon. XXII: 9 verkeerd gelezen i het woord dat daar bcteekeut hij kwam tot beteekent, met andere
klinkers uitgesproken, hij bracht {het) tot.
17.  der werklieden, volg. Gr. vert. en 2 Kon. XXII: 9; Hebr. t. en aan de werklieden.
18.  lat — voor, dus niet het geheelc boek, zooals 2 Kon. XXII : 10; zie op vs. 15.
20.  Hilkia. Hier en vs. 22 wordt bij dezen naam den priester weggelaten, wat er 2 Kon. XXII: 12,
14 bij staat; waarschijnlijk met opzet, om hem van den hoogepriester te onderscheiden; deze toch
stond in de schatting vnn onzen schrijver te hoog om door den koning als afgezant gebruikt te wor-
don; verg. op XXIV: 11. — Abdon, 2 Kon. XXII: 12 Achbor.
21.   het overtchot — Juda. De schrijver drukt zich uit alsof ook van Juda reeds een deel was
weggevoerd, en meent blijkbaar dat het vroegere rijk Israël tot Jozia\'s gebied behoorde. Anders 2 Kon.
XXII: 13. — want — volbrengen. Dit heeft de schrijver gedachteloos overgenomen: het is in strijd
met zijne overtuiging aangaande Gods rechtvaardigheid; zie op XXXIII: 10.
22.   had aangewezen, uit Gr. vert. ingevoegd. — Tokhath, Batra, 2 Kon. XXII: 14 Tikwa, Uarhat.
24. al de vervloekingen. Onze schrijver denkt hierbij aan Lov. XXVI; Deut. XXVII: 15—20;
XXVIII : 15—68. In 2 Kon XXII: 16 staat al de woordtn.
-ocr page 935-
2 kroniekbn XXXIV : 25—XXXV : 3.                          1015
zoo zal mijne gramschap over deze plaats uitgestort en niet uitgebluscht
26       worden.\' Maar tot den koning van Juda, die u gezonden heeft om
Jahwe te raadplegen, tot hem zult gij dit zeggen: Zoo spreekt Jahwe,
27       Israël» god: Wat betreft de woorden die gij hebt gehoord,\' zie, omdat
uw hart week is geworden en gij u voor God vernederd hebt, toen
gij mijne woorden tegen deze plaats en hare inwoners hoordet, en gij
u voor mij vernederd, uwe kleederen gescheurd en voor mijn aange-
28       zicht geweend hebt — zoo heb ook ik gehoord, spreekt Jahwe.\' Ik zal u
tot uwe vaderen vergaderen, en gij zult in uw graf worden opgenomen
in vrede, en uwe oogen zullen al het onheil niet aanschouwen dat ik
over deze plaats en hare inwoners breng. En zij brachten den koning
bescheid.
29           Toen zond de koning boden en verzamelde al de oudsten van Juda
30       en Jeruzalem.\' En de koning ging op naar het huis van Jahwe, en
al de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem met hem,
alsmede de priesters en de Levieten, en het gansche volk, van den
kleinste af tot den grootste toe; en hij las hun al de woorden voor
van het boek des verbonds dat in het huis van Jahwe gevonden was.\'
31       Daarna ging de koning op zijne standplaats staan en sloot voor Jahwe
het verbond, dat zij Jahwe zouden volgen, en zijne geboden, voor-
schriften en inzettingen van ganscher hart en ziel onderhouden, om
de woorden van het verbond die in dit boek geschreven stonden te
32       volbrengen.\' En hij deed allen die zich in Jeruzalem en Benjamin
bevonden toetreden, en de inwoners van Jeruzalem handelden naar het
33       verbond van God, den god hunner vaderen.\' En Jozia verwijderde
alle afschuwelijke voorwerpen uit al de streken die aan Israëlieten
behoorden, en verplichtte allen die zich onder Israël bevonden tot den
dienst van Jahwe, hun god. Zoolang hij leefde zijn zij niet afgeweken
van Jahwe, den god hunner vaderen.
XXXV: 1 Toen vierde Jozia te Jeruzalem pascha ter eer van Jahwe. Men
2       slachtte het pascha op den veertienden dag der eerste maand.\' En Jozia
stelde de priesters aan bij het werk waartoe zij verplicht waren en
3       sprak hun moed in voor den dienst in Jahwe\'s huis;\' en tot de Levie-
ten, de onderwijzers van gansch Israël, de aan Jahwe geheiligden,
zeide hij: Plaatst de heilige ark in het huis dat Salomo, de zoon van
David, den koning van Israël, gebouwd heeft; gij hebt niets meer op
27. mijne, volg. Gr. vert. j Hebr. t. zijne.
80. de Levieten. Met opzet noemt de schrijver dezen in plaats van de profeten die 2 Kon. XXIII: 2
vermeld worden.
31.  op zijne standplaats, 2 Kon. XXIII: 3 bij de zuil. Zie op XXIII: 18.
32.   de inwonen — vaderen. Dit staat in Koningen niet; het volk volgt den vorst; verg. vs. 334
en op XV : 12—15.
33.   In deze woorden wordt 2 Kon. XXIII: 4—20, waarvan reeds vs. 4—7 een uittreksel gegeven
is, nog eens samengevat.
1—19. Dit paaschfeest onderscheidde zich van dat onder Hizkia hierdoor dat het in elk opzicht
naar den eisch gevierd werd, wat met het andere het geval niet was; verg. vs. 1 met XXX: 2 v. en
zio op vs. 6.
1.   op — maand, volgens de wet, Exod. XII: 0; Lev. XXIII: 5. — De viering van bet paaschfeest
staat in geen verband met de vinding van het wetboek; anders 2 Kon. XXIII: 21.
2.  sprak hun moed in, in den trant van XXIX: 6—11. Wegens de zwaarte der taak (zie vs. 14)
hadden zij bemoediging noodig.
8. de onderwijzers tan gansch Israël. Zie op XVII: 7—9. — Plaatst — heeft. Wij hebben niet gehoord
dat de ark uit den tempel verwijderd was; ook had volg. 1 Kron. XXIII: 26—82 reeds David de
Levieten van de verplichting de heilige voorwerpen te dragen ontheven en hun andere werkzaamheden
opgedragen. De schrijver schijnt te willen zeggen dat hetgeen David omtrent de werkzaamheden der
Levieten beschikt had eerst onder Jozia zijn beslag heeft gekregen. Te gelijk verheerlijkt hij de Levieten
door de voorstelling dat zij althans bij die eene gelegenheid het allerheiligste hadden mogen binnen-
treden; wat volgens de wet (zie op Lev. XVI: 2) alleen don boogepriester, eenmaal in het jaar,
vrijstond.
-ocr page 936-
1016
2 KR0N1EKKN XXXV ! 3—14.
dea schouder te dragen. Dient nu Jahwe, uw god, en zijn volk Israël;\'
4       maakt u gereed, naar uwe familiën in uwe afdeelingen, zooals die door
David, den koning van Israël, en zijn zoon Salomo zijn opgeschreven,\'
5       en gaat in het heiligdom staan, telkens een deel eener Levietische
6       familie, voor groepen van familiën uwer broeders, de leeken.\' Slacht
dan het pascha en maakt het gereed voor uwe broederen, u gedragende
naar het woord dat Jahwe door Mozes gesproken heeft.
7           En Jozia schonk als offergave aan de leeken, aan elk die zich daar
bevond, kleinvee, lammeren en geitjes, alle ten paaschoffer, dertig dui-
zend stuks, en voorts drie duizend runderen; dit was van de bezit-
8       tingen des konings.\' Ook schonken zijne vorsten vrijwillig aan het volk,
aan de priesters en aan de Levieten offergaven. Hilkia, Zacharja en
Jehiël, tempelvorsten, gaven aan de andere priesters twee duizend zes-
9       honderd stuks ten paaschoffer en driehonderd runderen.\' En Konanja
en zijne broeders Sjemaja en Nethaneël, en Hasjabja, Jeïël en Jozabad,
oversten der Levieten, schonken aan de andere Levieten vijf duizend
10       stuks ten paaschoffer en vijfhonderd runderen.\' Nu werd de dienst
vastgesteld: de priesters gingen op hun post staan, alsmede de Levieten,
11       naar hunne afdeelingen, volgens het gebod des konings;\' zij slachtten
het pascha, de priesters sprengden uit hunne hand het bloed, terwijl
12       de Levieten den dieren de huid aftrokken;\' het ten brandoffer bestemde
deel zonderden zij af, om het aan de familiegroepen der leeken te
geven, ten einde het aan Jahwe op te dragen, zooals in het boek van
Mozes geschreven staat; evenzoo handelde men met de runderen.\'
13       Daarna braadden zij het pascha aan het vuur zooals het behoort,
kookten de geheiligde stukken in potten, ketels en pannen en brachten
14       het ijlings aan alle leeken.\' Daarna bereidden zij het voor zich zelven
en voor de priesters; want de priesters, Aiirons zonen, hadden tot in
den nacht werk met het opdragen van de brandoffers en de vetstukken;
daarom bereidden de Levieten het voor zich zelven en voor de pries-
5.   In dit vers is en voor telkent weggelaten. — telken* — leeken. Daar er natuurlijk veel meer
leeken* dan Leviotcufamiliën waren, moest elk deel eener Levietische familio aan vele lcckcufamilicn
ten dienste staan.
6.   Achter pascha heeft Hehr. t. nog en heiligt u; volg. Gr. vort. en 3 Ezra 1:0 woggelaten. De
heiliging moest aan het werk in het heiligdom voorafgaan. — Op het paaschfeest onder Ilizkia had-
den de Levieten alleen voor de onreinen de paaschlammercn geslacht (zie op XXX:17v.); nu doen
zij het voor alle feestgangers zonder onderscheid; en zoo behoorde het, volgens den schrijver. — u —
heeft. De Levieten moesten zorgen dat alles naar de wet geschiedde; dat zij de paaschlammercn
moesten slachten schrijft echter de wet niet voor.
7.  dertig duizend, drie duizend. Jozia alleen schenkt meer dan do koning en de vorsten samen
op het paaschfeest tijdens Ilizkia, XXX: 24. — ten paaschoffer. Het paaschoffer moest volg. Exod.
XII: 5 een lam zijn, doch men offerde daarbij andere dieren ten feestoffer; verg. Dcut. XVI: 2. —
runderen. De schrijver onderscheidt deze fcestoffers uitdrukkelijk van de paaschoffer»; wat Dcut. XVI! 2
niet geschiedt.
8 v. Elk der zes Lcvietenvorsten schenkt bijna evenveel als elk der drie pricstervorsten; de eersten
zijn dus bijna even vermogend als de laaUten, of milder.
8.  Zacharja en Jehiël zijn veelvuldig voorkomende Levietennamen (zie op 1 Kron. XV: 18); Jehiël
is alleen hier naam van een priester, Zacharja enkele malen meer; zie op 1 Kron. XV: 24.
9.   Over Konanja zie op 1 Kron. XV: 22, over Sjemaja en Nethaneèl op 1 Kron. XXIV : 6, over
Hasjabja op 1 Kron. IX: 14, over Jeïël op 1 Kron. XV: 18, over Jozabad op 1 Kron. XXVI: 4 v.
Nethanecl, Hasjabja en Jozabad zijn ook nricsternamen; zie 1 Kron. XV: 24; Ezra X: 22; Neh.
XII: 21.
11.  zij, de Levieten. Verg. op XXIX: 34. — het bloed, uit Gr. vert. ingevoegd.
12.  het — deel, letterlijk het brandoffer. Bedoeld zijn die gedeelten van de offerdieren die verbrand
werden, Lev. 111:3—5, 9—11, 14—16. — om — op te dragen. De leeken stelden het den priesters
ter hand.
18. braadden — behoort. Zie Exod. XII: 8 v. — de geheiligde stukken, van de feeatoffers. — brachten
hei
(zoowel het paaschlam als het vleesch der feestoffers) ijlings aan de leeken. Dit was noodig; want
het moest nog denzelfden dag gegeten worden, Exod. XII: 10.
14. de priesters, Aarons zonen. Den tweeden keer heeft Gr. vert. hunne broeders, Aiirons zonen.
i
-ocr page 937-
1017
2 KnoNiBKEN XXXV: 14—25.
15       ters, Aarons zonen.\' En de zangers, de zonen van Azaf, stonden op
hun post, naar het gebod van David en van Azaf, Heiuan en Jeduthun,
des konings zieners; en de portiers, elk bij zijne poort; zij behoefden
hun dienst niet in den steek te laten, want de Levieten, hunne
16       broeders, bereidden het voor hen.\' Zoo werd op dien dag de gansche
dienst van Jahwe vastgesteld ten aanzien van de bereiding van het
pascha en liet opdragen van de brandoffers op Jahwe\'s altaar, naar
17       het gebod van koning Jozia.\' De Israëlieten die zich daar bevonden
vierden te dier tijd het pascha en het feest der ongezuurde brooden,
18       zeven dagen lang;\' zulk een pascha was in Israël niet gevierd van
de dagen van den profeet Samuel af; geen der koningen van Israël
had zulk een pascha gevierd als Jozia vierde, met de priesters en de
Levieten, gansch Juda en Israël, daar aanwezig, en de inwoners van
19       Jeruzalem.\' In het achttiende jaar van Jozia\'s regeering is dit pascha
gevierd.
20           Na dit alles, toen Jozia den tempel weder in orde gebracht had, is
Necho, de koning van Egypte, opgetrokken om hij Karkemis aan den
21       Eufraat strijd te voeren. Toen nu Jozia hem te gemoet toog,\' zond
Necho gezanten tot hem met de boodschap: Wat hebben wij met
elkander te doen, koning van Juda? Niet u geldt het heden, maar
het huis waarmede ik in oorlog ben. God heeft mij bevolen mij te
haasten; wacht u, u te verzetten tegen God, die met mij is; opdat hij
22       u niet verderve.\' Doch Jozia keerde zich niet van hem af, maar had
vast besloten om met hem te strijden, zonder te luisteren naar de
woorden van Necho uit Gods mond. Hij kwam dan om te strijden in
23       het dal van Megiddo. \' En de schutters troffen koning Jozia. Toen
zeide de koning tot zijne dienaren: Brengt mij weg; want ik ben
24       zwaar gewond.\' En zijne dienaren droegen hem van den strijdwagen
af, vervoerden hem op zijn tweeden wagen en brachten hem naar
Jeruzalem, waar hij stierf en in de graven zijner vaderen begraven
25       werd. Gansch Juda en Jeruzalem droegen rouw over Jozia,\' Jeremia
dichtte een klaagzang op hem, en alle zangers en zangeressen her-
16. zieners, volg. Gr. vcrt. j Hebr. t. ziener. — de Levieten, hunne broedera. Zie op 1 Kron. XXIII : 32.
16.  De paaschvicring tijdens Jozia gold als voorbeeld voor de toekomst.
17.  Zie Exod. XII: 15—20. — te dier lijd, op den vs. 1 genoemden dag.
18.  zulk een pascha, zóo volgens de wet tot in de minste bijzonderheden en zó» luisterrijk; het
paaschfeest tijdens Hizkia stond er ver bij achter; zie op vs. 1—10 en inl. op XXX: 1—XXXI: 1.
De schrijver van Koningen heeft iets anders bedoeld; zie op 2 Kon. XXIII: 22. — van de —• Samuel,
2 Kon. XXIII: 22 van den tijd der richten. Het tijdvak der richters wordt in ons boek met stilz\\vij-
gen voorbijgegaan.
19.  Hierop volgt in Gr. vert. 2 Kon. XXIII: 24—27.
20—24. Wat deze vorzen meer behelzen dan 2 Kon. XXIII: 29, 80« heeft de strekking, den dood
en de nederlaag van Jozia voor te stellen als ecne straf: hij heeft tegen Gods wil den strijd bcgon-
nen. Ten gevolge hiervan laat de schrijver ook den grootcn lof die 2 Kon. XXIII: 25 aan Jozia ge-
geven wordt weg.
20.   toen — had. De schrijver bedoelt het herstel van den tempeldienst, waartoe ook de paasch-
viering behoorde. — om — voeren. Tegen wicn, wordt niet gezegd, evenmin als vs. 21. Waarschijn-
lijk is dit met opzet verzwegen, om niet den schijn te wekken alsof Jozia als Assyric\'s bondgenoot
ten strijde toog; de vrome koning kou niet van vreeindeu afhankelijk zijn geweest. — Karkemit. Zie
op Joz. X: 9. Blijkbaar verwart de schrijver den veldtocht van Necho waarin Jozia hem te gemoet
trok (609) met dien welke met den slag bij Karkemis eindigde (605).
21.   Necho, duidelijkheidshalvc in pi. v. hij. — Ood. Necho spreekt als dienaar van den eenigen
God, die de wereld bestuurt.
22.   had vaat besloten, volg. allo oude vertt.; Hebr. t. maakte zich onkenbaar. — de woorden van
Necho uit Gods mond.
Wat Necho gezegd had was dus ook volgens den schrijver eene waarschuwing
Gods geweest. — het dal van Megiddo. Zie op Joz. XVII: 16.
24.   Volg. 2 Kon. XXIII: 29 v. stierf Jozia te Megiddo en werd zijn lijk naar Jeruzalem gebracht.
— in de graven zijner vaderen, 2 Kon. XXIII: 30 in zijn graf.
25.   Klaagzangen over den ongclukkigcn afloop van den slag bij Megiddo, die aan zoovele hoogge-
gpannen verwachtingen een einde maakte, zijn er stellig geweest. Of Jeremia zulk een lied gedicht
-ocr page 938-
1018                      2 kronibkbn XXXV : 25—XXXVI: 6.
dachten hem in hunne klaagliederen; wat zij nog heden doen. Men
maakte die tot eene inzetting voor Israël; zij staan in de Klaagliederen
opgeschreven.
2b\'
         Het overige nu der geschiedenis van Jozia en zijne daden van vroora-
heid overeenkomstig hetgeen in de wet van Jahwe staat, zijne geschie-
27 denis, zoowel de vroegere als de latere,\' is beschreven in het boek der
koningen van Israël en Juda.
heeft, is zeer twijfelachtig. Stellig onjuist is dat in ons boek Klaagliederen lijkzangen op Jozia zou-
den voorkomen; zie inl. op Klaagliederen. Onze schrijver kan een dier liederen aan Jeremia hebben
toegekend.
27. Bedoeld worden die gedeelten van Koningen waarin over Jozia gehandeld wordt.
HOOFDSTUK XXXVI.
Dr laatste koningen van Juda. — Joahaz wordt, na eene regeering van drie maanden, afgezet door
den koning van Egypte, die Jojakim op den troon plaatst (1—t). Jojakim, een goddeloos vorst,
wordt door Ncbukadnesar overwonnen en met een deel der teinpclvatcn naar Ilabcl gevoerd (5—7);
besluit zijner regeering (8). Jojachin, ook een goddeloos koning, wordt eveneens, met al de overge-
bleven kostbaarheden des tempels, naar Kabel gebracht (9 v.). Sedekia regeert elf jaar (11); zijne
zonden en die van het volk eu de priesters zijn oorzaak dat Jahwe den koning der Chaldecn tegen
Jeruzalem doet optrekken; deze doodt een deel der bevolking, plundert tempel en paleizen, steekt stad
en tempel in brand (12—19) en voert de ovcrgcbleveu bevolking in ballingschap weg (20 v.). Cv rus
vergunt den ballingen terug te kceren (22 v.).
Met uitzondering van do laatste twee verzen is dit hoofdstuk aan 2 Kon. XXIII: 30*—XXV : 21
ontleend. Maar de schrijver heeft zich niet onbelangrijke wijzigingen veroorloofd; niet slechts bekort
hij hier en daar aanmerkelijk, maar ook geeft hij eene vcelszius andere voorstelling van het gc-
bcurdc. Terwijl het oudere verhaal vermeldt, dat de koning van Babel twee keer een deel des volks
in ballingschap heeft weggevoerd, eens in 597 met Jojachin, eens in 586 met Sedekia, laat onze
schrijver, in hot luatstgenoomdo jaar, in eens het ganschc volk (zie op vs. 20) wogvocren; daarentegen
verhaalt hij, dat niut slechts Jojachin en Sedekia door Nobukadncsar gcvnukelijk naar Babel zijn
medegenomen, mnur ook reeds Jojakim; zie op vs. 6 v. Waarom hij over de norzaak van Juda\'s onder-
gang auders oordeelt dan de oudere schrijver, zie op vs. 12—16.
Het hier verhaalde t rellen wij ook aan 3 Ezra 1: 32—55 ; II: 1—5.
XXXVI: 1 Daarop nam het volk des lands Joahaz, den zoon van Jozia, en
2      maakte hem koning in zijns vaders plaats te Jeruzalem.\' Drie en
twintig jaar was Joahaz oud toen hij koning werd, en drie maanden
3      regeerde hij te Jeruzalem.\' De koning van Egypte zette hem als koning
te Jeruzalem af en legde het land eene geldboete op van honderd
4      talenten zilver en een talent goud.\' Daarna maakte de koning van
Egypte zijn broeder Eljakim koning over Juda en Jeruzalem en ver-
anderde zijn naam in Jojakim, terwijl Necho zijn broeder Joahaz mede-
nam en naar Egypte bracht.
5          Vijf\' en twintig jaar was Jojakim oud toen hij koning werd, en elf
jaar regeerde hij te Jeruzalem. Hij deed wat kwaad was in het oog
6      van Jahwe, zijn god.\' Nebukadnesar, de koning van Babel, trok tegen
1.   Jozia. Hierop laat 2 Kon. XXIII: 30 volgen zalfde hem; onze schrijver laat dit weg, wellicht
omdat niet het volk, maar de priesters den koning moesten zalven.
2.   De naam van Joahaz\' moeder en het ongunstig oordeel over hem in 2 Kon. XXIII: 31 v. zijn
hier weggelaten; over het eerste zie op XXXIII: 1, over het tweede op 2 Kon. XXIII:32.
3.   alt koning, uit Gr. vert. en 2 Kon. XXIII: 33 ingevoegd. — een talent. De schrijver had den
bedorven tekst van 2 Kon. XXIII: 33 voor zich; zie aldaar.
4.   over Juda en Jeruzalem. Hiervoor staat 2 Kon. XXIII: 84 in de plaat» van zijn vader Jozia;
wat de schrijver als onnauwkeurig zal hebben weggelaten.
5.   Behalve den naam van Jojakims moeder (zie op vs. 2), heeft de schrijver uit 2 Kon. XXIII: 86
weggelaten geheel zooalt zijne vaderen gedaan hadden. Dit achtte hij stellig onjuist: vele van Joja-
kims voorouders, o. a. zijn vader Jozia, waren vrome vorsten geweest.
6 v. De geschiedenis van Jojakim luidt volg. 2 Kon. XXIV: 1—4, 6 geheel anders. Met het daar
uitgesproken oordeel, dat Mauasse\'s zonden de oorzaak waren van de rampen die Juda tijdens Jojo-
-ocr page 939-
1019
2 KUOMBKEN XXXVI : 6—17.
hem op, sloeg hem in ketenen, om hem naar Babel weg te voeren.\'
7       Ook bracht Nebukadnesar een deel der vaten van Jahwe\'s huis naar
8       Babel en plaatste ze in zijn paleis aldaar.\' Het overige nu der geschie-
denis van Jojakim, de afschuwelijke dingen die hij bedreven heeft, en
wat verder aan hem gevonden werd, is beschreven in het boek der
koningen van Israël en Juda. En zijn zoon Jojacliin werd koning in
zijne plaats.
9           Acht jaar was Jojachin oud toen hij koning werd, en drie maanden
en tien dagen regeerde hij te Jeruzalem. Hij deed wat kwaad was in
10       het oog van Jahwe.\' Na verloop van een jaar heeft koning Nebu-
kadnesar hem naar Babel laten halen, met de kostbare vaten van
Jahwe\'s huis, en zijns vaders broeder Sedekia koning gemaakt over
Juda en Jeruzalem.
11            Een en twintig jaar was Sedekia oud toen hij koning werd, en elf
12      jaar regeerde hij te Jeruzalem.\' Hij deed wat kwaad was in het oog
van Jahwe, zijn god: hij vernederde zich niet voor Jeremia, die uit
13       Jahwe\'s mond profeteerde.\' Ook kwam hij in opstand tegen koning
Nebukadnesar, die hem toch een eed bij God had doen zweren; maar
hij was hardnekkig en verstokt van hart, zoodat hij zich niet tot
14       Jahwe, den god van Israël, bekeerde.\' Ook pleegden alle priestervorsten
en het volk zeer vele vergrijpen, naar alle afschuwelijke dingen dei-
heidenen, en verontreinigden zij het huis dat Jahwe te Jeruzalem
15       geheiligd had.\' Wel liet Jahwe, de god hunner vaderen, hen door
zijne gezanten waarschuwen, onverdroten; want hij had mededoogen
16       met zijn volk en zijne woning;\' maar zij belachten Gods gezanten,
verachtten zijne woorden en dreven den spot met zijne profeten, totdat
de grimmigheid van Jahwe onverbiddelijk tegen zijn volk opstak.\'
17       Toen deed hij den koning der Chaldeën tegen hen optrekken, en deze
kim (rollen, kon onze schrijver niet instemmen: Manassc had zijiir zonden geboet, en Jojakim kon
alleen gestraft zijn voor wat hij zelf had misdreven; verg. op vs. 12—16. Voorts heeft stellig de
overtuiging dat de voorspellingen Jer. XXII: 18 v.; XXXVI: 30 moesten zijn uitgekomen den schrijver
tot de voorstelling gebracht dat Jojakim een gelijk lot als Jojachin had getroffen j waartoe ook do
groote overeenkomst van de namen der beide koningen kan hebben medegewerkt. Verg. op San. 1: 1.
7. Verg. Ezra 1:7; Dan. 1:2.
9.   Acht. In 2 Kon. XXIV: 8 staat achttien. Blijkbaar had onze schrijver een bedorven tekst voor
zich, waarin het cijfer tien op ecne verkeerde plaats stond, ten gcvolgo waarvan hij er tien dagen
van maakte, die hij bij den regeeringstijd van drie maanden voegde.
10.   Na — jaar, in het voorjaar, als do koningen plachten ten oorlog te trekken; zie 1 Kron.
XX: 1. — heeft — kuit. In deze weinige woorden geeft de schrijver den hoofdinhoud van 2 Kon.
XXIV: 10—16 weder. Met opzet verzwijgt hij de belegering en verovering van Jeruzalem en de weg-
voering van een deel der bevolking: de Ballingschap begint eerst met de verwoesting van Jeruzalem.
Terwijl de schrijver gemeenlijk de voorstelling geeft dat koning en volk écne lijn trekken in hunne
verhouding tot Jahwe (zie op XV: 12—15), was dit volgens hem, naar het schijnt, onder de. regeering
van Jojakim en Jojachin het geval niet. Althans, tegen zijne gewoonte, vermeldt hij niet dat het volk
te gelijk met deze koningen van Jahwe afviel; waarom dan ook de tuchtiging niet het volk, maar
alleen do vorsten trof. Onder Sedekia was de toestand anders: toen bezondigde zich het ganschc volk
met den koning (vs. 14—16). Daarvoor werd het ganschc volk gestraft met de verwoestiug van Jeru-
zalem en do wegvoering naar Babel. — zijns vaders broeder, volg. Gr. en Lat. vertt.; verg. 2 Kon.
XXIV: 17: Hebr. t. zijn broeder.
12—16. De ondergang van Juda, volg. 2 Kou. XXIV: 3 v., 20a de straf voor de zonden der vaderen,
vooral van Manassc, is volgens onzen schrijver alleen te wijten aan de goddeloosheid van Sedekia en
zijne tijdgenooten; verg. op vs. 6 v.
12. hij — profeteerde. Verg. Jer. XXI: 8—XXII: 9.
18. die — zweren. Zie Ezech. XVII: 13—18. De opstand wordt hier dus veroordeeld; wat in Koningen
niet het geval is, maar het natuurlijk gevolg was van de verwijzing naar Jercmia\'s profetieën.
14.  Met den koning heeft dus ook hot volk zich bezondigd; zie op XV: 12—15. Opmerking ver-
dient, dat niet de Levieten, maar wel al de priesters als schuldigen vermeld worden. — verontrei-
nigden
— had. Waarschijnlijk deukt onzo schrijver aan Ezech. VIII en meent hij dat do tempelont-
wijding, daar beschreven, in Scdekia\'s tijd plaats had gehad; doch zie inl. op dat hoofdstuk.
15.  onverdroten. Zie op Jer. VII: 18.
16.  Zie Jer. XXVI: 5; XXIX: 19; Ezech. XXXIII: 32.
-ocr page 940-
2 KBONIEKBN XXXVI ! 17—23.
1020
doodde hunne jongelingen met het zwaard in hun heiligdom, zonder
mededoogen voor jongeling of maagd, grijsaard en hoogbejaarde: alles
18       leverde hij aan hem over.\' En alle vaten van het huis Gods, groote
en kleine, en de schatten van den tempel, alsmede de schatten van
19       den koning en zijne vorsten, alles bracht hij naar Babel.\' Ook staken
zij het huis Gods in brand, wierpen den muur van Jeruzalem omver
en deden al hare burchten in vlammen opgaan, zoodat al hare kost-
20       bare vaten aan het verderf werden prijsgegeven.\' En wie door het
zwaard waren overgelaten voerde hij gevankelijk naar Babel, waar zij
hem en zijnen zonen tot knechten waren, totdat het Perzische rijk de
21       heerschappij verkreeg;\' opdat het woord van Jahwe, door Jeremia\'s
mond gesproken, vervuld werd: totdat het land zijne sabbatten ver-
goed zal hebben. Zoolang tocb het land woest lag heeft het gerust,
om zeventig jaren vol te maken.
22           En in het eerste jaar van Cyrus, den koning der Perzen, heeft Jahwe,
opdat zijn woord, door Jeremia gesproken, in vervulling zou gaan, den
geest van Cyrus, den koning der Perzen, opgewekt; ten gevolge waar-
van deze in zijn gansche rijk, ook bij geschrifte, deed afkondigen:\'
23       Aldus zegt Cyrus, de koning der Perzen: Alle rijken der aarde heeft
Jahwe, de god des hemels, mij gegeven, en hij zelf heeft mij opge-
dragen voor hem te Jeruzalem in Juda een huis te bouwen. Wie uwer
dan tot eenig deel van zijn volk behoort, zijn god zij met hem, en hij
trekke op!
17. Verg. Jcr. XV : 1—9 ; XXXII: 8 v., 28.
20.   ui* — Babel. De schrijver gelooft blijkbaar dat er geen Judecrs in het land overbleven; het
tegendeel leert 2 Kon. XXV : 12, 22—26; Jer. XL: 1— XLIII: 7. — Van het lot van Sedekia, waar-
over 2 Kon. XXV : 5—7 bericht wordt, zwijgt onze schrijver, waarschijnlijk onwillekeurig.
21.   De profetie van Jeremia, waarop hier gedoeld wordt (Jcr. XXV: 11; XXIX: 10), heeft alleen
betrekking op den duur der ballingschap; dat die jaren cene vergoeding zouden zijn voor even zoo-
vele niet gevierde sabbatsjaren zegt de profeet niet, maar leidt onze schrijver af uit Lev. XXVI: 34 v.
In zeveutig maal zeven, dat is 490 jaar, was dus volgens den schrijver het sabbatsjaar niet in acht
genomen. Dit brengt ons, daar de som der regecringsjaren vnn Juda\'s koningen 394 bedraagt en wij
daarbij de 70 jaren der ballingschap tellen moeten, tot het midden van Snlomo\'s regecring; dus
was volgens den schrijver het sabbatsjaar in Davids tijd en in do eerste jaren van Snlomo\'s regcoring
wel, daarua niet meer gevierd; verg. inl. op Lev. XXV. — Zoolang — lag. De schrijver stelt zich
blijkbaar voor, dat gedurende den ganschen tijd der ballingschap het land onbebouwd was; geheel
het volk wns in Babel. Zie op vs. 20. — zeventig jaren. Zooveel tijd is dus volgens onzen schrijver
verloopen tusschen de verovering van Jeruzalem en den terugkeer der ballingen tijdens Cyrus, d. i.
538; zie op Kzra 1:1. Dit tijdvak omvat echter slechts omstreeks vijftig jaren, van 586 tot 538.
22 v. Deze verzen komen ook voor Ezra 1: 1—3a (3 Ezra II: 1—5), maar behelzen alleen den
aanhef van het edict vnn Cyrus, dat daar in zijn geheel wordt medegedeeld. Zij dienen om den lezer
een wenk te geven dat Ezia het vervolg van ons boek is. Voor de bijzonderheden zie nuntt. aldaar.
28. zijn god zij, volg. Gr. vort.; en Ezra 1:3 Hcbr. t. Jahwe, zijn god.
EZRA - NEHEMJA.
INLEIDING.
Deze twee boeken zijn oorspronkelijk in den Joodschen kanon en de Grieksche vertaling een ge-
weest. In de Latijnschc overzetting heet Ezra „het eerste" en Nehemja „het tweede boek van Ezra"
of „Nehemja". In de Christelijke Kerk zijn zij van lieverlede als twee boeken behandeld; de Joden
hebben de Christenen daarin gevolgd; zoodat zij thana ook in den Hcbrceuwschen bijbel afzonderlijke
geschriften zijn.
-ocr page 941-
1021
INIiKIDING OP BZKA — NEHEMJA.
Eara, alznn genoemd naar den man die van H. VII af de hoofdpersoon is, laat zich gerccdelijk in
twee deelen splitsen. Het eerste, I—VI, waarvan IV : 8—VI: 18 in het Aramecsch is geschreven, bc-
handelt de lotgevallen der Joden in Palestina van het eerste jaar van C\'yrus\' regcering over Dabei
tot het zesde jaar van Darins Hystaspis (538—515).
Hierin wordt ons medegedeeld: de terugkeer der bnllingcn volgens vergunning van Cyrus (I); de
lijst der teruggekeerden (II); de oprichting van het brandoftcrnltaar en de herstelling van den ccrc-
dienst (111:1—(!) j de voorbereiding en de aanvang van den teinpclbouw (111:7—13); de tegcnkau-
ting der Samaritanen, ten gevolge van de weigering der Joden om hen aan den tempel te laten mede-
bouwen (IV: 1—5); herhaalde aanklachten tegen de Joden ingebracht wegens den herbouw der muren
(IV : 6—23); de staking van den tempelbouw (IV: 24); de bouw, in Darius\' tweede regeeringsjaar
begonnen, in zijn zesde voltooid (V: 1—VI: 18); de viering van het paaschfeest (VI: 19—22).
Het tweede gedeelte, VII—X, waarvan VII: 12—26 in het Aramecsch is geschreven, verplaatst ons
in het zevende jaar van Artaxerxes I I.anghand (458) en vermeldt den terugkeer van Ezra en zijne
medeballingen naar Jeruzalem (VII, VIII), alsmede de maatregelen ten anu/.ien der gemengde huwc-
lijkcn (IX, X).
Nehemja, alzoo genoemd naar den Joodschen landvoogd die den muur van Jeruzalem hersteld heeft,
verhaalt, hoe Nchemja van koning Artaxerxes in diens twintigste regeeringsjaar (415) vergunning
vraagt en verkrijgt, tot herstel van den muur van Jeruzalem naar het land zijner vaderen terug te
kceren (1:1—II: 10). Te Jeruzalem gekomen, neemt hij den muur in oogenschouw en weet hij de
Joden te bewegen het herstel daarvan ter hand te nemen; met welk voornemen hunne vijanden
den spot drijven (11:11—20). Nadat ons de lijst van hen die aan het werk deelnamen is mcdcgc-
deeld (III), vernemen wij, hoc Nehemja zich verdedigt tegen de nanslagen zijner vijnnden (IV), de
Joden overhaalt om de schulden hunner verarmde volksgenootcn niet iu te vorderen (V), en op zijne
hoede is tegen de lagen van zijne Joodsche en niet-Joodschc tegeustauders (TISi—14). Na de vol-
tooiing van den muur neemt hij maatregelen voor de bewaking der poorten en het bestuur der stad,
en zint hij op middelen om hare bevolking te vermeerderen (VI: 15—VII: 5); waarop ons de reeds
in Ezra II voorkomende lijst van teruggekeerden opnieuw wordt medegedeeld (VII: 6—73). Hierop
volgt: het verhaal van de voorlezing der wet en de viering van het loofhuttenfeest (VIII), dat vnn do
vergadering waarin Israël zich afzondert van de vreemden eu zich opnieuw aan Jahwe en zijn dienst
verbindt (IX, X), een kort bericht over de vermeerdering van Jeruzalems bevolking (XI: 1 v.), eene
lijst der bewoners van Juda en Benjamin (XI: 3—36), lijsten van priester- en Levictenhoofden uit
verschillenden tijd (XII: 1—26), het verhaal van de inwijding van den muur (XII: 27—43), dat van de
aanstelling van opzichters over de tempel vertrekken (XII: 44—47), en eene medcdccling omtrent de
uitzuivering van vreemden uit Israël (XIII: 1—3). Het bock wordt besloten met een bericht over
Nehemja\'s maatregelen tot hervorming, na eene tijdelijke afwezigheid in het twee en dertigste jaar
van Artaxerxes (XIII: 4—31).
De schrijver dezer boeken is dezelfde als die van Kronieken; door aan het slot hiervan den aanhef
van Sara (Ezra I : 1—8a) te hechten (2 Kron. XXXVI: 22 v.), geeft hij te kennen dat Sara het
onmiddellijk vervolg op Kronieken behelst en reeds geschreven was toen hij laatstgenoemd boek op-
stelde. Voor de samenstelling van zijn werk heeft hij cenige geschriften gebruikt, hier en daar woor-
delijk door hem wedergegeven, maar dikwijls ook met groote vrijheid behandeld, uitgebreid of verkort,
gewijzigd of verplaatst. De voornaamste van deze zijn een tweetal werken, dio wij naar hunno
schrijvers Gedenkschriften van Ezra en Gedenkschriften van Nehemja zullen noemen. Aan het eersto
is ontleend Ezra VII: 27—VIII: 34; IX, aan het andere Neb. 1:1—VII :5a; XIII: 4—31; waarin
de verzamelaar hier en daar kleine wijzigingen heeft aangebracht (zie de bijzondere inll.). Andere
stukken uit dezelfde gedenkschriften, stukken waarin het gebmik van den eersten persoon nagenoeg
geheel gemist wordt, zijn door den Kroniekschrijver sterk omgewerkt; hiertoe behooren, uit K/ra\'»
boek: Ezra VII: 1—26; VIII: 85 v.; X; uit dat van Nehemja: Neb. XI: 1 v., 8—36; XII: 27__48,
44—47; XIII: 1—8. Van Neh. VII: 6—X : 39, dat in zijn oorspronkelijken vorm ook in de Gedenk-
srhriften gestaan heeft, is het niet uit te maken, of het aan die van Ezra dnn wel aan die van Nc-
-ocr page 942-
1022
INLEIDING OP BZRA — NEHEMJA.
hcmja ontleend is. Rchalve deze hebben onzen schrijver nog andere geschriften ten dienste gestaan:
Nch. XII: 1—26 is de bewerking van cene lijst uit den tijd van Alcxander den Groote, oorspronke-
lijk tot aanvulling van het register in Neh. XI: 3—36 opgesteld. Aan het bericht over den tempel-
bouw in den tijd van Darius, Ezrn V, VI, liggen een paar verhalen ten grondslag waarin daarvan
eene andere voorstelling dan door den Kroniekschrijver gegeven wordt, en dio dus door hem van elders
moeten zijn overgenomen; wellicht heeft hij ook voor Kzra IV: 6—23 van een geschreven bericht ge-
bruik gemaakt. Van Kzra I; III; IVïl—5; VI: 19—22 blijkt niet dat de schrijver daarvoor andere
geschriften heeft geraadpleegd.
De gedeelten van onze boeken die uit de Gedenkschriften zijn overgenomen hebben groote waarde
voor do geschiedenis van den tijd waarover zij handelen; daarentegen is al wat do Kroniekschrijver
toegevoegd en zelf opgesteld heeft grooteudcels verdicht. Met name geldt dit van zijn verhaal over
den terugkeer der ballingen, de grondvesting des tempels en de staking van den bouw in den tijd
van Cyrus, Kzra 1:1—IV : 5, 24. De profeten Haggai en Zacharja, die tijdens den tempelbouw onder
Darius leefden, weten van geen andere grondvesting des tempels dan van die in hunne dagen (zie
Ilagg. 11:19) en onderstellen geen terugkeer: volgens hen duurt de straftijd nog voort en is de tijd
der verlossing nog aanstaande (zie Zach. 1:2 v., 12; 11:6—18; VI: 9—15; VIII: 7—17). Ook de
twee door onzen schrijver gebruikte verhalen waaruit Kzra V:l—VI: 15 is samengesteld, hoewel een
daarvan den tempelbouw toeschrijft aan Cyrus, vermelden den terugkeer niet (zie inl. op Ezra V, VI),
terwijl de lijst van teruggekeerden oorspronkelijk geen betrekking had op den tijd van Cyrus (zie inl.
op Ezra II).
Bovendien hebben de gebcurtcuissen elkander niet alle opgevolgd in de orde waarin zij door den
Kroniekschrijver worden medegedeeld. Zoo moet de invoering der wet (Neb. VIII) hebben plaats
gehad na de vergadering van Nch. IX, X (zie inl. hierop), en is deze gehouden niet vóór, maar na
hetgeen Neh. XIII: 4—31 verhaald wordt; zie op Xeh. X:37; XIII: 5 en 13. Voorts staat niet alleen
de lijst der teruggekeerden (Ezra II; Neh. VII: 6—73) op geen van de beide plaatsen waar zij voor-
komt daar waar zij behoort (zie inl. op Ezra II en aant. op Neh. VII: 5), en kan tusschen de vol-
tooiing (Neh. VI: 15) en de inwijding van den muur (Nch. XII: 27—43) niet alles zijn voorgevallen
wat onze schrijver tusschen die beide gebeurtenissen vermeldt, maar gaan ook de verhalen over Ezra
ten onrechte aan die over Nchemja vooraf. Terwijl toch Ezra met eene aanzienlijke schare van bal-
lingcn iu het land der vaderen is wedergekeerd, wordt in Neh. 1:1—VII: 5; XIII: 4—31 geen enkele
maal op dien terugkeer gezinspeeld en zoeken wij onder de namen van de bouwers van den muur
(Neh. III) vergeefs die van Ezra\'s reisgenooten (Ezra VIII: 2—14); ook treffen wij in het verhaal
van Ezra\'s komst en eerste verrichtingen te Jeruzalem althans éene bijzonderheid aan die ons hoogst-
waarschijnlijk in den laatsten tijd van Nehemja\'s stadhouderschap verplaatst; zie op Ezra X: 6. Verg.
op Neh. XII: 26.
Waarschijnlijk is do orde waarin de gebeurtenissen waarover in onze boekeu gehandeld wordt indcr-
daad hebben plaats gehad, deze: nadat de in Juda en Jeruzalem achtergebleven Judeërs van 519 tot
515 den tempel hadden herbouwd (Ezra V:l—VI: 15), is in 445 Nehemja te Jeruzalem gekomen en
heeft hij het herstel van den stadsmuur tot stand gebracht (Neh. 1:1—VII: 5; XII: 27—43); in 433
van eene reis naar den koning teruggekeerd, trad hij op als hervormer van den godsdienst zijns volks
(Noh. XIII: 4—31). Niet lang daarna kwam Ezra met zijne schaar ballingen in Jeruzalem aan;
ziende dat zijue volksgcnooten zich met de heidenen hadden vermengd, trachtte hij, maar vergeefs,
de gemengde huwelijken te ontbinden (Ezra VII—X); en hierna werd, naar het schijnt onder leiding
van Ezra en Nchemja, de groote vergadering gehouden waarin de Israëlieten zich afzonderden van de
heidenen en „de gemeente" gevormd werd (Neh. IX, X en verg. XIII: 1—3). In die gemeente werd
straks hot Wetboek van Ezra ingevoerd (Neh. VIII).
De reden waarom de Kroniekschrijver cene andere voorstelling van de opvolging der gebeurtenissen
gaf ligt voor de band. Volgens hem was gansch Israël in ballingschap weggevoerd (verg. 2 Kron.
XXXVI: 20) en waren in Palestina geen Israëlieten achtergebleven. Het herstel van Israël, dat met
den tcmpclbouw aanving, was dus eerst mogelijk geweest na den terugkeer van cene talrijke schaar
-ocr page 943-
EZRA 1:1,2.
1023
ballingen; deze mnest derhalve vóór Darius hebben plaats gehad. Daar nu reeds de overlevering,
waarschijnlijk op grond van Jez. XLIV: 28—XKV: 8, de grondvesting des tempels aan (\'yrus had toe-
geschreven, liet onze schrijver den terugtocht der ballingen onder Cyrus plaats hebben. Om de voorsteU
ling te weren dat de tempelbouw onder Darius, lang vóór de afzondering van Israël vau de heidenen,
dus door onreinen, had plaats gehad, onderstelde hij dat men reeds in den tijd van den tcmpelboiiw
zich van de vreemden had afgescheiden (zie Kzra VI: 21). Gelijk door de in Cyrus\' tijd teruggekeerden
de tempel herbouwd en zoo een begin met Isracls herstel gemaakt was, kwam, volgens onzen schrijver,
ook de eer van den herbouw vau Jcruzalems muur, het tweede groote werk vau Isracls herstel, aan
gewezen ballingen, de met Kzra teruggekeerden, toe. Hiertoe plaatste hij Ezra VII—X vóór het bc-
richt van het herstel van den muur door Nehemja en dagteckende hij Kzra\'s komst reeds van het
zevende jaar van Artaierxcs; ja, niet onduidelijk geeft hij in Kzra IV: 6—23 te verstaan, dat reeds
voor Nehemja\'s komst de herbouw des miiurs door de met Kzra teruggekeerden was aangevat. Zoo
was dus het herstel vau Israël van de teruggekeerde ballingen uitgegaan en door hen tot stand gebracht.
Over de reden waarom de schrijver Nch. IX, X op Neh. VIII liet volgen zio inl. op Neh. IX, X.
In do Griekschc vertaling, waarin onze boeken onder den naam van „het tweede boek van Kzra"
voorkomen, gaat er, als „het eerste boek van Kzra", een geschrift aan vooraf dat behalve ons boek
Kzra — met belangrijke afwijkingen echter in de rangschikking der ondcrdeelcn — ook de laatste
twee hoofdstukken van Kronieken, Xeh. VII: 73—VIII: 13 en eene legende over Zerubbabcl aan het
hof van Darius behelst. In de inleidingen en aantcekeningen wordt het meermalen aangehaald als 3
Etra, onder welken naam het voorkomt onder de apokricfe boeken van het O. T.
EZRA.
HOOFDSTUK I.
Terugkeer der ballingen. — Cyrus, door Jahwe aangespoord, laat in zijn gansche rijk bekend maken
dat allen die tot Israël behooren moeten optrekken naar Jeruzalem om den tempel te herbouwen
(1—3), waartoe hunne tegenwoordige medeburgers hen met rijke geschenken zullen ondersteunen (4).
Velen geven aan die roepstem gehoor (5 v.). Cyrus laat de tcmpclvatcn, eens door Ncbukaduesnr uit
Jeruzalem medegenomen, aan hon ter hand stellen (7—11).
Dit hoofdstuk, van den Kroniekschrijver, welks inhoud ook 3 Ezra II: 1—14 staat, behelst geen
geschiedenis. Immers, het is zeer onwaarschijnlijk dat de vergunning tot den terugkeer der ballingen
het gevolg zou zijn geweest van een besluit van Cyrus om, volgens Jahwe\'s last, den Jcruzalcmschen
tempel te herbouwen. Zelfs heeft tijdens Cyrus in het geheel geen terugkeer van ballingen op groote
schaal plaats gehad; zie inl. op Ezra—Nehemja.
1:1         En in het eerste jaar van Cyrus, den koning der Perzen, heeft Jahwe,
opdat zijn woord, door Jeremia gesproken, in vervulling zou gaan, den
geest van Cyrus, den koning der Perzen, opgewekt; ten gevolge waar-
van deze in zijn gansche rijk, ook bij geschrifte, deed afkondigen:\'
2 Aldus zegt Cyrus, de koning der Perzen: Alle rijken der aarde heeft
Jahwe, de god des hemels, mij gegeven, en hij zelf heeft mij opge-
1—3. Voor dit gedeelte, tot hij trekke op, zie op 2 Kron. XXXVI: 22 v.
1. het eertte jaar van Oyrut, den koning der Penen, lfedoeld is het jaar waarin Cyrus zich meester
maakte van Babcl en dat daarom bij de Joden als het eerste jaar zijner regcering gold. Cyrus, de
tweede van dien naam, wiens naam in het O. T. Korea luidt, uit het Perzische koningsgcslncht van
Achacmcncs, dnt behalve over 1\'erzië ook over Ansjnm (Klam) regeerde, beklom iu 558 den troon,
veroverde in 549 en 548 Mcdië, in 540 Lydië, het rijk van Croezus, en in 538 Jlabcl; hij stierf in
521). Hij heet hier koning der Perzen, omdat Perzië de kern van zijn rijk uitmaakte; elders, V: 13,
koning van Babel. Op hem bouwden de Joden in de ballingschap hunne hoop van verlossing; waarom
hij met de titels van Jahwe\'s vriend (Jez. XLIV: 28) en gezalfde (Jez. XLV: 1) geëerd, en als de
door Jahwe geroepene (Jez. XI,I : 25; XLV:4 v., 13) voorgesteld wordt. Hoewel die hoop niet vervuld
is, hebben de latere Joden hem als den hersteller van Israël gehuldigd; in ons boek is hij het die
de ballingen naar hun land doet terugkecren en den herbouw des tempels niet slechts vergunt maar
uitdrukkelijk gelast (zie behalve ons hoofdstuk: IV:3; V:13—17; VI:3—5). Wellicht heeft do
mildheid die Cyrus in den aanvang zijner regecring betoonde aan niet-Perzische godsverecringen deze
voorstelling bevorderd. Hij wordt nog vermeld 111:7; IV: 5; Dan. VI: 29; X:l.
-ocr page 944-
1024                                            mba 1:2—11.
3       dragen, voor hem te Jeruzalem in Juda een huis te bouwen.\' Wie
uwer dan tot eenig deel van zijn volk behoort, zijn god zij met hem,
hij trekke op naar Jeruzalem in \' Juda en bouwe het huis van
4       Jahwe, Israëls god; dat is de god die te Jeruzalem woont.\' En al wie
is overgebleven moet, in elke plaats waar hij verblijf houdt, door zijne
medeburgers ondersteund worden met zilver, goud, have en vee, onge-
rekend de vrijwillige gaven voor het huis van den god die te Jeru-
zalem woont.
5           Dienvolgens maakten zich de familiehoofden van Juda en Benjamin
op, de priesters en de Levieten, ieder wiens geest God opgewekt had
om op te trekken tot het herbouwen van het huis van Jahwe te Jeru-
6       zalem.\' En allen die in hunne omgeving woonden verleenden hun
bijstand met allerlei, met zilver, goud, have, vee en kostbaarheden,
behalve al wat men als vrijwillige gave schonk.
7           Ook leverde koning (Jyras de vaten van Jahwe\'s huis uit, die Nebu-
kadnesar uit Jeruzalem weggenomen en in het huis zijns gods geplaatst
3 had.\' Die leverde Cyrus, de koning der Perzen, uit en stelde ze in han-
den van Mithredath, den schatmeester, die ze Sjesbassar, den vorst van
9 Juda, voortelde.\' Hun aantal was als volgt: duizend gouden en duizend
10       zilveren kommen, negen en twintig offerpannen,\' dertig gouden en
twee duizend vierhonderd tien zilveren bekers en nog duizend stuks
11       andere vaten.\' Al de vaten, gouden en zilveren, vijf duizend vierhon-
derd negen en zestig stuks, die alle heeft Sjesbassar medegenomen,
toen de ballingen uit Dabei naar Jeruzalem werden opgevoerd.
4. Verg. Exod. III: 21 v.; XI:2v.; XII: 35 v. — Blijkbaar wil do schrijver den uittocht uit Babcl
op dien uit Egypte doen gelijken. — mort... ondersteund worden, ter uitrusting voor de rei». — de
vrijwillige
— woont, die dus ook door heidenen zouden gegeven worden, evenals VIII : 25. Ook voor
bouw en iurichting van den tabernakel en van Salomo\'s tempel waren vrijwillige gaven geschonken;
zie Exod. XXXV: 21, 29; Nam. VII; 1 Kron. XXIX :ö—9. Volg. VI: 4 zouden alle kosten voor den
tcmpelbouw uit de koninklijke kas bestreden worden.
C. allerlei, uut, volg. 3 Ezra 11:9; Hebr. t. vaten van.
7.  die — had. Zie 2 Kon. XXIV: 13; XXV : 13—17 ; 2 Kron. XXXVI: 7; Jer. XXVII: 16; XXVIII: 6;
Lil: 17—23; Dan. 1:2; V:2v. Volg. 2 Kron. XXXVI: 7 had Ncbukadnesar ze niet in een tempel
maar in zijn paleis geplaatst. Over den naam Neóultadneaar zie op 2 Kon. XXIV: 1.
8.   Mithredath. Ken hoogwaardigheidsbekleder van dezen naam treffen wij ook IV: 7 aan. —
Sjeabaaaar is volg. V : 14, 10 de landvoogd der Joden, naar het schijnt, een 1\'crs, door wien Cyrus
de grondslagen des tempels liet leggen. Onze schrijver, volgens wien Zcrubbabcl dit gcdaau heeft
(111:8—13), schijnt Sjeabaaaar voor een anderen naam van Zcrubbabcl gehouden te hebben. — den vorat
van Juda.
Zoo heet de landvoogd van Juda alleen bier.
9.   duizend, vóór gouden, volg. 3 Kzra 11:12; Hebr. t. dertig. — offerpannen, onzekere vertaling.
Anderen meaaen.
10.  twee duizend, volg. 3 Ezra 11:12; Hebr. t. wellicht van de tweede soort.
11.  vijf— zestig, volg. 3 Kzra 11:13; Hebr. t. vijf duizend vierhonderd. Het laatste cijfer is veel
grooter dan de som der in Hebr. t. voorkomende getallen.
HOOFDSTUK II.
Lijst der teruggekeerden. — Opschrift (1); de twaalf hoofden der teruggekeerden (2a). Lijsten der
Israclictische geslachten, met opgaven van het aantal hunner leden (2b—35), der priesters (30—39),
der Levieten (40), der zangers (41), der portiers (42), der geschonkenen (43—54), der afstammelingen
van Salomo\'s slaven (55—58). Kcnigc familiën kunnen hare Israclictische, andere hare priesterlijke
afkomst niet bewijzen; waarom de laatste voorloopig van het priesterschap worden uitgesloten (59—03).
Gezamenlijk aantal van de leden der gemeente (64); hunne bezittingen in slaven en vee (05—07).
Kcnige familiehoofden geven bijdragen tot den herbouw van den tempel (08 v.). Gansch Israël woont
in zijne steden (70).
Dezo lijst komt, behalve 3 Ezra V: 7—46, ook Noh. VII: 0—78a voor. De vergelijking dor drie
lijsten leert dat nu eens in Ezra dan weder in 3 Ezra of in Nehemja de oorspronkelijke tekst is
bewaard; doch ten aanzien van de cijfers is meestal niet uit te maken, welke de oudste lezing is;
zij toch loopen in de drie lijsten dikwerf zeer uiteen, en terwijl de hoofdsom in alle dezelfde blijft,
-ocr page 945-
1025
KZiu II: 1, 2a.
komt zij in geen van de drie met de som der afzonderlijke cijfer» oTereen (zie op vs. 64). Waar-
schijnlijk is de lijst ontleend ann de Gedenkschriften van Nehemja.
Zegt het opschrift dat wij hier de opgave hebben der uit Babel teruggekeerde Israëlieten, het zegt
niet, wanneer zij, zelfs niet of zij allen gelijktijdig, teruggekeerd zijn. Maar de schrijver die haar hier
opnam heeft haar beschouwd als eenc lijst der teruggekeerden tijdens (\'yrus; dit blijkt niet slechts
uit de plaats die hij haar aanwees, onmiddellijk na het bericht van het vertrek der ballingen uit
Babcl (H. I), maar ook uit vs. 2, waar Zcrubbabcl en Jezua vermeld worden, en uit vs. 08 v., dat
ons in den tijd voor den herbouw des tempels verplaatst.
Doch als zoodanig levert de lijst grootc moeilijkheden op. Vooreerst is het cijfer der volgens haar
teruggekeerden in verhouding tot dat der naar üubel weggevoerde Judeérs veel te groot. Volg. 2 Kon.
XXIV : 14—10 toch werden in 597 tien duizend, volg. Jer. UI :28 v. in 587 on 580 (zie op Jer. LU: 28—30)
drie duizend achthonderd vijf en vijftig, volg. Jer. MI : 30 iu 581 zevenhonderd vijl\' en veertig, du»
in het geheel veertien duizend zeshonderd Judeërs, huisvaders met hunne gezinnen (zie op 2 Kou.
XXIV: 10), naar Babcl weggevoerd. Xcnieii wij hierbij in aanmerking dat een zeer groot aantal ballin-
gen achterbleef (zie VII, Vlll en Kater), dan is het vs. 64 vermelde cijfer veel te groot. Voorts be-
helst de lijst niet slechts namen van aanzienlijke familicn (vs. 3—li), 30—32), maar ook van Uur-
gerijen, het volk (vs. 20—28, 33—35). Die burgerijen bestaan, volg. vs. 1*, uit teruggekeerde ballingen
die zich onlangs in de woonplaatsen hunner vaderen hebben gevestigd. Dit nu is onaannemelijk; men
kan desuoods onderstellen, dat de ballingen de heugenis bewaard hadden van de plaatsen van waar
hunne vaderen waren weggevoerd, en dat iu den vreemde gemeenschappelijke herkomst een band was
blijven ui! maken tusselien voormalige stad- en dorpsgenootcn, maar bezwaarlijk aannemen dat zij
allen zich weer in diezelfde plaatsen hebben nedergezet. Gedurende hunne afwezigheid toch hadden
tal van vreemden zich in Juda gevestigd; van menige stad zal de vroegere bevolking in Kabel zijn
achtergebleven; de eene plaats zou dus overbevolkt zijn geworden, terwijl de andere behoefte aan
inwoners had. Hoe hoog men ook de voorliefde der ballingen voor de oude woonplaatsen van hun
geslacht aansla, de omstandigheden hebbeu wis velen genoodznakt, niet daar maar elders hun verblijf
te kiezen. Wordt dus vs. It het karakter der burgerijen onjuist voorgesteld, dan ligt het vermoeden
voor de hand dat dit aan ecu omwerker is te wijten, eu dat de oorspronkelijke lijst met de bevolkingen
der door haar vermelde plaatsen niet uitsluitend teruggekeerden heeft bedoeld. Ook mag uit vs. 08 v.
niet worden afgeleid dat ouzc lijst betrekking heeft op den tijd voor den tcmpclbouw; daar cene
vergelijking met Neh. VII: 70—72 leert dat deze verzen zijn omgewerkt cu oorspronkelijk bctrek-
king hadden op een tijdstip daarua (zie op vs. 08 v.). Over de opgave van de twaalf aanvoerders
zie op vs. 2a.
Ongetwijfeld heeft dus onze lijst eens een ander karakter vertoond dan er hier aan gegeven wordt.
Wellicht was zij oorspronkelijk een register van de gezamenlijke geslachten en burgerijen die het
herstelde Israël, „de gemeente", uitmaakten, van welker ontstaan Neh. IX, X verhaalt (zie inl.
daarop). Daar deze gemeente, naar hare kern, ook „de zonen der ballingschap" of „de tcrugge-
keerden uit de gevangenschap" kon hectcu (zie op IV :1), kon zulk een register tot opschrift
hebben; Dit rijn de zonen van het landschap die opgetrokken rijn uit de gevangenschap der ballingen
(va. la). Do Verzamelaar van Ezra—Nehemja heeft het dan, o. a. door hot onmiddellijk achter
H, I te plaatsen, door inlassching vun vs. 14. 2a en door vs. 68 v. in zijn tegenwoordigen vorm te
brengen, tot eene lijst van teruggekeerden tijdens (\'yrus gemankt.
II: 1         Dit zijn Je zonen van het landschap die opgetrokken zijn uit de
gevangenschap der hallingen die Nebukadnesar, de koning van Babel,
naar Babel gevoerd had, en die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en
2a Juda, elk naar zijne stad; \' die gekomen zijn met Zerubbabel, Jezua,
Nehemja, 8eraja, Keëlaja, Nahamani, Mordochai, Bilsjan, Mispar, Big-
wai, Helium, Baana.
1. het landschap, de Perzische provincie waartoe Juda met Jeruzalem behoorde; verg. Neb. 1:3;
XI: 3; Pred. V S 7. — De vorm van het opschrift duidt aan dat hier de teruggekeerde ballingen ver-
meld worden, in onderscheiding, niet van de achtergeblevenen iu Babel, maar van de uverigc bevol-
king van Palestina. — elk — stad. De schrijver meent dus dat ieder zich vestigde in de plaats waar
zijne vaderen gewoond hadden; zie Inl.
2a. Ken twaalftal namen; Hcbr. t. heeft er slecht» elf; Nahamani is uit Neh. VII: 7 en 3 Ezra
V:8 ingevoegd. Voorts geeft de lijst in Nehemja: Azarja in pi. v. Seraja; Radmja iu pi. v. Keëlaja;
Mispereth
iu pi. v. Mispar. — Blijkbaar worden bedoeld aanvoerders der teruggekeerde Joden; zooals
zij 8 K/ra V : 8 uitdrukkelijk genoemd worden. Het twaalftal wil aanduiden dat de teruggekeerden
vertegenwoordigers zijn van gausch Israël; zie inl. op Kronieken. Of het historisch is, moet betwij-
feld worden. Wellicht behelsde de oorspronkelijke lijst minder namen, en venneldde zij hier die van
O. T. I.                                                                                                                          65
-ocr page 946-
ezra II: 24—25.
1026
26, 3       Het aantal mannen van het volk Israël was: \' de zonen van Paros,
4      twee duizend honderd twee en zeventig;\' die van Sjefatja, driehonderd
5, 6    twee en zeventig;\' die van Arah, zevenhonderd vijf en zeventig; \' die
van Pahath-Moab, van de zonen van Jezua en Joab, twee duizend
7,8    achthonderd twaalf; \' die van Klam, twaalf honderd vier en vijftig; \' die
9      van Zattu, negenhonderd vijf en veertig; \' die van Zakkai, zevenhon-
10,11   derd zestig;\' die van Bani, zeshonderd twee en veertig;\' die van
12      Bebai, zeshonderd drie en twintig;\' die van Azgad, twaalfhonderd twee
13, 14  en twintig;\' die van Adonikam, zeshonderd zes en zestig;\' die van
15      Bigwai, twee duizend zes en vijftig; \' die van Adin, vierhonderd vier
1(), 17  en vijftig; \' die van Ater, van Hizkia, acht en negentig; \' die van
18      Besai, driehonderd drie en twintig; \' die van Jora, honderd twaalf; \'
19,20  die van Hasjum, tweehonderd drie en twintig;\' die van Gibeon, vijf
21, 22  en negentig; \' die van Bethlehem, honderd drie en twintig;\' de lieden
23      van Netofa, zes en vijftig; \' die van Anathoth, honderd acht en twintig;\'
24,25  de zonen van Azmaweth, twee en veertig; \' die van Kirjath-jearim,
de hoofden der gemeente; dit vermoeden wij omdat wij hier niet slechts een Nehemja, maar Nrh.
VII: 7 ook een Azarja aantreffen, wiens naam in het Hebreeuwsch zeer groote overeenkomst met
dien van Ezra heeft. Ook komen Zcrubbobel en Jezua, niet bij hunne tijdgenooten Haggai en Zu-
charja, maar, behalve hier, alleen bij den Kroniekschrijver (K/ra 111:2, 8; lV:2v.; Neh. XII: 1) als
hoofden der teruggekeerden voor. — Zerubbabel, volg. 1 Kron. III: 1!) (zie aldaar en inl. op 1 Kron. III)
een afstammeling van Dnvid, was tijdens den tcinpclbonw Perzisch landvoogd over Judca, Hagg. 1:1,
12, 14; 11:3, 5, 22, 24; Zach. IV. — Jezua, behalve hier en vs. 3(1; 111:2, 8; IV: 3; V:2; Neh.
VII: 7; XII: 7 steeds Josua, is de bekende hoogepricster, Hagg. 1:1, 12, 14; Zach. III, wiens vader
Josadak 1 Kron. VI: 3—15 van Aüron heet af te stammen. De naam Jezua (Jezus) is bij do oude
Joden zeer gewoon: in ditzelfde hoofdstuk hectcu zoo nog ecne Judceschc, cene priesterlijke en cene
Levietischc familie (vs. 6, 36, 40).
2b. Israël. /<><> hectcn de teruggekeerden met nadruk; de achtergeblevenen in Palestina worden,
b. v. door Haggai cu Zaeharja, meestal Juda of de Joden geheeten. — Volg. 3 Ezra V : 41 zijn met
mannen bedoeld allen die den twaalfjarigen leeftijd bereikt hadden. — In deze lijst gaat, evenals Neh.
XI: 3—19, anders dan Ezra VIII: 1—14; X:18—14; Neh. X: 1—27, het volk aan priesters en Le-
vietcn vooraf.
3—35. De Neh. VII: 8—38 voorkomende lijst wijkt in enkele opzichten van de onze af; sommige
namen zijn anders: voor Bani (vs. 10) heeft Neh. VII: 15 liiniiuj; voor Jora (vs. 18) Neh. VII: 24
Hart/; voor Azmaweth (vs. 24) Neh. VII: 28 Beth-azmaweth. Hier en daar is de volgorde ecne
andere: Hasjum (vs. 19) staat Neh. VII: 22 tusschen Ater en Besai in; Jericho gaat Neh. VII:36v.
aan tod enz. vooraf, waarop het hier (vs. 33 v.) volgt; Bethlehem en Netofa, hier (vs. 21 v.) of-
zondcrlijk vermeld, worden Neh. VII: 20 samengevoegd; Magbis (vs. 30) ontbreekt in Neh. VII en
3 Ezra V. Voorts is er groot verschil in de cijfers: de som, hier 24.144, is in Nehemja 25.406.
Ecne vergelijking der afzonderlijke getallen leert dat het verschil aan schrijffouten te wijten is:
somtijds verschilt het cijfer der honderdtallen, der tientallen of der eenheden, terwijl de andere over-
eenkomen; verg. vs. fl met Neh. VII: 11; vs. 8 met Neh. VII: 13; vs. 10 met Neh. VII: 15;
vs. 11—13 met Neh. VII: 16—18; vs. 15 met Noh. VII: 20; vs. 17 met Neh. VII: 23; vs. 28 met
Neh. VII: 32; vs. 85 met Neh. VII: 38. De cijfers van 3 Ezra V:9—23 wijken op soortgelijke wijze
af en geven in hoofdsom 23.910. — De namen in vs. 3—19, 30—32 zijn van geslachten, die in
vs. 20—28, 33—35 van plaatsen.
3—19. Vele der hier vermelde geslachten komen ook elders, vooral in de lijsten VIII: 1—14;
X:18—44; Neh. X:l—27, voor: Paros VIII:3; X:25; Neh. 111:25; X:14; Sjefatja VIII:8;
Pahath-Moab VIII :4; X:30; Neh. 111:11; X:l4; Elam VIII: 7; X : 2, 26; Neh. X:14; XII:42;
Zattu X:27; Neh. X:15; Zakkai X:28; Neh. 111:20; Bani (Neh. VII: 15 Binnuj) X:29;
Neh. X:14; Bebai VIII: 11; X:28; Neh. X:15; Azgad VIII: 12; Neh. X:15; Adonikam VIII:13;
Neh. X: 16; Bigwai (verg. vs. 2) VIII: 14; Neh. X:16; Adin VIII: 6; Neh. X:16; Ater (verg.
vs. 42) Neh. X:17; Besai Neh. X:18; Jora, Neh. VII: 24; Jlarif (deze namen beteekenen ,herfst-
regen" en .herfst\'), Neh. X:19; Hasjum X:33; Neh. VIII: 4; X:18. Arah (vs. 5) komt nog Neh.
VI: 18 voor. Over enkele dezer geslachten verg. op Neh. X: 14—27.
6. Jezua en (uit Neh. VII: 11 en 3 Ezra v:ll ingevoegd) Joab, onderafdeelingen van Pa-
hath-Moab.
20—35. In do lijst van Noh. XI: 25—36, waar do steden in Juda en Benjamin worden opgenoemd
die ten tijde van Nehemja door Joden bewoond waren, komen van de hier vermelde slechts voor:
Anathoth, Kama, Geba, Michmas, Hcthel, Lod, Hadid en Ono.
20.   Qibeon, volg. Neh. VII: 25; grondt. Oibbar. Zie op Joz. IX: 8.
21.  Bethlehem. Zie op Joz. XV : 59.
22.  Netofa. Zie op 2 Kon. XXV: 23.
23.  Anathoth. Zie op Joz. XXI: 18.
24.  Azmaweth, Neh. VII: 28 Beth-azmaweth, komt nog Neh. XII: 28 voor; het lag in de nabijheid,
wellicht een paar uur ten noordoosten, van Jeruzalem. Verg. op 1 Kron. XII: S.
-ocr page 947-
1027
BZUA II : 25-47.
26       Kefira en Beöroth, zevenhonderd drie en veertig;\' die van Barna en
27       Geba, zeshonderd een en twintig;\' de lieden van Michraas, honderd
28       twee en twintig; \' die van Bethel en Ai, tweehonderd drie en twintig;\'
29,30
  de zonen van Nebo, twee en vijftig; \' die van Magbis, honderd zes en
31, 32
  vijftig;\' die van een ander Elaiu, twaalfhonderd vier en vijftig;\' die
33       van Harim, driehonderd twintig;\' die van Lod, Hadid en Ono, zeven-
34       honderd vijf en twintig; \' die van Jericho, driehonderd vijf en veertig;\'
35       die van Henaii, drie duizend zeshonderd dertig.
36           De priesters: de zonen van Jedaja, van het huis Jezua, negenhonderd
37,38
  drie en zeventig;\' die van Iramer, duizend twee en vijftig;\' die van
39       1\'ashur, twaalfhonderd zeven en veertig;\' die van Harira, duizend
zeventien.
40           De Levieten: de zonen van Jezua en die van Kadmiël, van de zonen
van Hodawja, vier en zeventig.
41            De zangers: de zonen van Azaf, honderd acht en twintig.
42           De portiers: de zonen van Sjallum, van Ater, van Talmon, van
Akkub, van Hatita, van Hjobai, in het geheel honderd negen en dertig.
43           De geschonkenen: de zonen van Siha, van Hazufa, van Tabbaoth,\'
44,45
  van Keros, van Siaha, van Padon,\' van Lebana, van Hagaba, van
46, 47
  Akkub, \' van Hagab, van Salmai, van Hanan,\' van Giddel, van Gahar,
25.  Kirjalh-jearim (volg. hss., Gr. en Lat. vertt.; Hebr. t. Kirjath-arim)— Beëroth. Zie op Joz. IX: 17.
26.   Ramn. Zie op Joz. XVIII: 25 v. - Geba. Zie op Joz. XVIII: 24.
27 Michmas. Zie op 1 Nam. XIII: 2.
28.  Bethel en Ai. Zie inl. op Gen. XXVIII: 10—22 en aant. op Oen. XII: 8.
29.   Nebo. Of een geslacht dan wel cenc plaat» bedoeld is, weten wij niet. In het laatste geval is
het wellicht Nob (Neh. XI: 32); een geslacht Nebo komt X:4S; Neh. VII: 33 (verg. Nch. X : lil,
Nobai) voor.
30—32. Hier worden weder geslachten opgenoemd: Magbis is wellicht hetzelfde als Magpias, Neh.
X:20; een geslacht Klam is reeds vs. 7 vermeld; Harim (vs. 39; X:21, 31; Neh. 111:11; X: 5,
27; XII: 15) staat 3 K/.ra V : 16 onder de geslachten, onmiddellijk voor de zonen van liesai (vs. 17).
Daar nn de eerste naam in Neh. VII ontbreekt, de tweede blijkbaar cene herhaling is van vs. 7,
on 3 Ezra V alle drie namen te dezer plaatse gemist worden, hebben deze verzen vermoedelijk niet
tot de oorspronkelijke lijst behoord.
33.   Over Lod en Ono zie op 1 Kron. VIII: 12. — Hadid, ten noorden van Lod, volg. Neh.
XI: 31 eene stad in Benjamin; zij heet 1 Makk. XII: 38; XIII: 13 Adida.
34.  Jericho. Zie op Joz. VI: 26.
35.  Senaiï. Of hiermede eene stad, dan wel een geslacht wordt aangeduid, weten wij niet; doch
verg. op Neh. X: 14—27. De zonen run Senaa komen nog Neh. III: 3 voor.
36—39. Van deze priestcrgcslachten komen de eerste drie ook Neh. XI: 10—14 (zie aldaar), de
laatste drie ook Kzra X: 20—22 voor. Het geslacht Immer wordt nog Neh. III : 29 vermeld. Met
uitzondering van 1\'ashur worden deze geslachten 1 Kron. XXIV: 7 v., 11, 14 onder de priesterklassen
opgenoemd. De cijfers van 3 Kzra V : 24 zijn veel kleiner; de som er van bedraagt slechts 2588.
36.   van hel huis Jezua, waarschijnlijk den bekenden hoogepriester (zie op vs. 2a). Zijne familie
behoorde dus tot het geslacht Jedaja; deze is echter Nch. XII: 1—7 hoofd van een priesterlijk ge-
slacht tijdens Jezua.
40—12. Van de Levieten worden hier de zangers en portiers nog onderscheiden; dezen waren indcr-
daad voor een goed deel niet uit Levi. Zie inl. op 1 Kron. XXIII.
40.   Jezua en Kadmiël komen ook 111:9; Nch. IX:4v.; X:9; XII : K, 24 nevens elkander voor.
Daar Jezua de vader is van een Leviet uit Ezra\'s tijd (VIII: 33), kan naar dezen een geslncht genoemd
zijn. — de zonen van Hodawja. Alleen dezen van het geslacht Kndmiël; zie 111:9. Wellicht is Hodia
(Neh. VIII: 7; IX: 5; X:10, 13, 18) eene verbastering van dezen naam.
41.   Van de drie zangersfamilicn Azaf, Ileman en Ethan (Jcduthun) kent onze schrijver blijkbaar
alleen de eerste; zie op I Kron. VI: 33. Over de zangers zie inl. op 1 Kron. XXV.
42.  De portiers, volg. Neh. VII: 45 en 3 Ezra V:28; grondt. l)e zonen der portiers. — Over de
portiers zie inl. op 1 Kron. XXVI. — Van deze geslachten komen Sjallum (Mesjultam), Talmon, Akkub
ook Neh. XII: 25; Sjallum en Talmon (Telem) X:24; Akkub en Talmon Neh. XI: 19 voor. Zie op
1 Kron. IX: 17. De overige drie geslachten alleen hier.
43—54. Over de geschonkenen, hier nog niet tot de Levieten gerokend, zie op 1 Kron. IX: 2. Met
uitzondering vnn Akkub, Hagab en Asna treffen wij dezelfde namen, met geringe afwijkingen, ook
Neh. VII: 46—56 aan, terwijl 3 Ezra V: 29—32 een drietal namcu meer geeft. De meeste zijn van
elders onbekend. Siha was volg. Neh. XI: 21 een hunner hoofden; Akkub, Hanan en Bakbuk komen
Neh. VIII: 7; X:10; XI: 17; XII: 9, 25; XIII: 13 als Levieten voor. Over de Meünieten zie op 1
Kron. IV: 41; de Nefusieten of Nefisjieten (Neh. VII: 52) behoorden wellicht tot den Iimaclietischen
•tem Nafii (Gen. XXV: 15).
-ocr page 948-
1028
bzua 11:47—66.
48,49 van Reaja,\' van Resin, van Nekoda, van Gazzam, \' van Uzza, van
50 Pazeah, van Bezai, van Asna, van de Meünieten, van de Nefuzieten,\'
51,52 van Bakbuk, van Hakufa, van Harhur, \' van Basluth, van Mehida,
53, 54 van Harsja,\' van Harkos, van >Sizera, van Tamah,\' van Nesiah, van
Hatifa.
55
          De zonen van Salomo\'s slaven: de zonen van Sotai, van Hassofereth,
56, 57 van l\'eruda,\' van Jaiila, van Darkon, van (xiddel,\' van Sjefatja, van
58       Hattil, van 1\'oehereth-hassebajim, van Anii.\' De geschonkenen en de
zonen van Öalomo\'s slaven waren in het geheel driehonderd twee en
negentig.
59           Dit zijn zij die opgetogen waren uit Tel-raelah, Tel-harsja, Kerub,
Addan en Immer, maar die liunne familie en hun stamboom niet konden
60       aanwijzen, of zij al dan niet uit Israël stamden: \' de zonen van Delaja,
61       die van Tobia, die van Nekoda, zeshonderd twee en vijftig.\' En van
de priesterzonen: de zonen van Habaja, die van Hakkos, die van IJar-
zillai, die eene dochter van Barzillai, den (Jileadiet, tot vrouw genomen
G2 had en nu naar hun naam heette.\' Dezen zochten naar hun geslacht-
register, doch daar men dit niet vond, werden zij van liet priesterschap
63       buitengesloten.\' De tirsjatha verbood hun van het hoogheilige te eten,
totdat er weder een priester met de uriem en tummiem zou staan.
64           De gansche gemeente bestond in het geheel uit twee en veertig
65       duizend driehonderd zestig man;\' ongerekend hunne slaven en slavin-
nen; dezen waren ten getale van zeven duizend driehonderd zeven en
66       dertig. En zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen.\' Hunne
55—58. Over de zonen vnn Salomo\'s slaven, ook Nch. XI: 3 vermeld en blijkens vs. 58 niet de
geschonkenen ceue klasse uitmakende, zie 1 Kon. IX : 20 v. Wel staat dnar niet dat Salomo de Ka-
unünictischc bevolking tot tcmpclsluvcn maakte, en trof dit lot ook zeker niet al wie tot haar bc-
hoordc; maar het ligt in den aard der zaak, dat de arme landbevolking die niet van Israëlictische
afkomst was, toen de tempel van Jeruzalem gebouwd en de dieust daarin geregeld werd, tot het
zwuarste en ouedelste werk daaraan geprest en zooveel uoodig op den duur aan het heiligdom vcr-
bouden werd; verg. op Joz. IX: 21. — De namen, met uitzondcriug van Asna, komcii, behoudeus
afwijkingen in de schrijfwijze, ook Nch. VII: 57—5\'J voor; 3 Kzra V : 33 v. heeft zeven namen meer.
.">\'.! v. De hier genoemde geslachten waren wel uit Kabel gekomen, maar hunne Israëlictische afkomst
was twijfelachtig. Uit deze verzen blijkt, dat de schrijver eene lijst, niet van de teruggekeerden in het
algemeen, maar van het teruggekeerde, in Knuaitu herstelde, Israël geven wil; zij was dus eene lijst
vau het ware Israël, waarop ook Israëlieten die gceu ballingen geweest waren zijn medegcteld.
59. Deze Babylonische plaatseu zijn van elders niet bekend; verg. op Kzech. 111:15. Addan heet
Nch. VII: 01 Addon; en voor Immer is volgens laatstgenoemde plaats ingevoegd. Heeft onze plaats
de ware lezing en maken dus de drie laatste woorden een naam uit, dan zouden de drie familiën van
vs. 00 uit drie plaatsen komen.
00.  zeshonderd twee en vijftig. Nch. VII: 02 zeshonderd twee en veertig.
01.  Hakkos. Daar cen lid van dit geslacht volg. Ezra VIII: 33 (verg. Neh. 111:1, 21) priesterlijke
werkzaamheden verricht, wordt wellicht bedoeld dat de priesterlijke afkomst, niet van het gansche
geslacht, maar van cenige personen die beweerden er toe te behooren, betwijfeld werd. Hakkos komt
1 Kron. XXIV : 10 ouder de priesterklassen voor. — die van Barzillai — heette, stellig een Noord-
Israclictisch pricstergcslacht. Over Barzillai zie 2 Sam. XVI1:27; XIX : 31—39; 1 Kon. 11:7. — hun
naam,
dien der afstammelingen van Barzillai.
03.   De tirsjatha. Dezen titel, die den landvoogd (pacha) schijnt aan te duiden, draagt elders
Nehcmjn, Nch. VIII: 10; X:l. — van het hoogheilige te eten, wat alleen den priesters geoorloofd
was; zie Lev. VI: 17, 25—29; VII: 0 v. — totdat — slaan, totdat de hoogepriester weder in de
gelegenheid zou zijn, Jahwe omtrent moeilijke gevallen te raadplegen. Oudtijds deed men dit door
uriem en tummiem (zie op Exod. XXVIII: 80), doch dit orakelwcrktuig is in den tweeden tempel niet
in gebruik geweest. Blijkens onzen tekst werd dit gemis soms gevoeld; waarom dan ook dikwijls de
inrichting van den tcmpeldienst als voorloopig en gebrekkig aangemerkt werd.
04.  Dit getal, dat ook Neh. VII: 00 cu 3 Ezra V : 41 voorkomt en dus goed gewaarborgd is, gaat
de som der afzonderlijke cijfers in alle drie teksten te boven: deze is in ons hoofdstuk 29.818, in
Nch. VII 31.089, in 3 Ezra V 30.143. Hieruit volgt dat in do afzonderlijke getallen fouten zijn in-
geslopen of eenige geslachten zijn uitgevallen.
05.  tweehonderd (Nch. VII: 07; 3 Ezra V : 42 tweehonderd vijf en veertig) zangers en zangeressen.
Teinpclzangcrs kunneu niet bedoeld zijn; daar dezen vs. 41 zijn vermeld. Doch de tekst is zeker be-
dorven. Het Hebreeuwsche woord voor ,zangers\' verschilt van dat voor .stieren\' zeer weinig, en wij
missen het rundvee aan de spits der dieren die vs. 00 v. vermeld worden. Maar de fout is zeer oud;
duur ook 3 Kzra V:42; Neh. VII: 07 zoo lezen.
-ocr page 949-
bzra II: 66—70.                                          1029
paarden waren zevenhonderd zes en dertig in getal, hunne muildieren
67       tweehonderd vijf en veertig,\' hunne kameelen vierhonderd vijf en
dertig, hunne ezels zes duizend zevenhonderd twintig.
68            Eenige familiehoofden nu schonken, zoodra zij tot het huis van
Jahwe te Jeruzalem gekomen waren, vrijwillige gaven voor het huis
69       Gods, om het op zijne plaats weer op te richten;\' naar vermogen
droegen zij hij tot den schat waaruit de dienst werd bekostigd: een
en zestig duizend darieken goud, vijf duizend pond zilver en honderd
priestergewaden.
70            Zoo woonden de priesters, de Levieten, een deel van het volk, de
zangers, de portiers en de geschonkenen in hunne steden, en gansch
Israël in zijne steden.
68 v. Dit bericht is ccnc gebrekkige samenvatting van Nch. Vil: 70—72: terwijl daar de geschenken
van den tirsjatlia, de familiehoofden en het volk afzonderlijk vermeld worden, geven hier de familie-
hoofden alleen; toch bcdrriagt de som van het geschonkene hier meer dan daar. — zoudra — richten.
Door deze toevoeging krijgen de gaven die opgenoemd worden ceuc geheel andere bestemming dan /.ij
in Neh. VII : 70—72 hebben. Daar betcekent de schat iraaruit de dienst werd bekostigd het fonds
voor dea tcmpeldienst, terwijl hij hier bestemd is voor den opbouw van den tempel; voor welk doel
een geschenk van priestergewaden niet zeer gepast was. Daar het Hebrecuwsche woord voor dienst
ook ,werk\' betcekent, kou de schrijver de in Neh. VII gebruikte uitdrukking behouden.
69.  een en zestig duizend darieken, ongeveer zc\\cnhonderd twee eu dertig duizend gulden. De dariek
is ecue Perzische muut ter waarde van ruim ƒ13. Zij is het eerst geslagen door Darius Hystaspis,
dus na den tijd waarvan hier sprake is; zie op 1 Kron. XXIX : 7. — vijf duizend pond zilver, vier-
honderd vijf en twiutig duizend gulden.
70.   Dit vers is, waarschijulijk ten gevolge van ovcrwerking, zeer onduidelijk. In Neh. VII\'. 73
staan de zangers en portiers voor een deel van hel volk en wordt in zijne sleden gemist; in 3 Kzra
V : 46 lezen wij achter het volk de woorden in Jeruzalem en op het land, in pi. v. in hunne sleden,
terwijl in zijne steden door in hunne dorpen vervangen wordt.
HOOFDSTUK III.
Herstel van den offerdienst; grondlegging des tempels. — Tegen de nadering van de zevende
maand wordt het altaar herbouwd (1 v.), waarop de morgcn-en de avondoffers weder gebracht worden (3);
hot loofhuttenfeest wordt naar de wet gevierd (4) en daarna do offerdienst geregeld waargenomen (5 v.);
do Keuiciërs worden gehuurd om voor den teiupclbouw cederenstammeu naar Jafo te vervoeren (7). In
de tweede maand van het tweede jaar worden de Levieten tot opzichters over den tcmpclbouw aau-
gesteld (8v.); als de grondslag gelegd is, looft de schare Jahwe met muziek, zang en gejubel
(10 v.); doch velen van de ouderen weeuen; wat echter door het jubelen der menigte niet gehoord
wordt (12 v.).
Dat de .loden, zooals hier verhaald wordt, reeds tijdens Cyrus de grondslagen des tempels gelegd
hebbeu komt in hoofdzaak overeen met H. 1, hetwelk leert dat de herbouw van den tempel het
doel was door Cyrus mot do vergunning tot terugkeer der ballingon beoogd, en met de voorstcl-
ling vau het Arameeschc geschrift, door onzen schrijver gebruikt (V : 13—16; zie inl. op V, VI),
dat Sjcsbassar op Cyrus\' last den tempel gegrondvest heeft; maar het is in strijd met V : 1—5;
Hagg. 1:1; 11:11, 10; Zach. 1:1, 7; 1V:9; Vl:12v.; Vlll:!i, waar de bouw eerst in het tweede
jaar van Darius heet te beginnen. De laatste voorstelling is ongetwijfeld de ware; zie inl. op II. I.
Hoe onze schrijver de overlevering volgens welke de tempelbouw in Darius\' tweede jaar een aanvang
had genomen rijmt met de voorstelling die hij geeft, zie inl. op II. IV.
Even ongeloofwaardig is het bericht, vs. 1—6, dat reeds van de zevende maand van het eerste
jaar af do offerdienst is hersteld. Al hebben de Joden stellig reeds vóór den herbouw des tempels,
wellicht reeds kort nu de verwoesting van Jeruzalem, op de heilige plaats geofferd (verg. op
Jer. XLI: 5), dat zij dcu offerdienst ingesteld hebben zoonis bier beschreven wordt is onaannemelijk;
immers, de wet waarnaar deze werd ingericht is die vau Kzra\'s Wetboek (zie op vs. 3, 4 eu 10),
en dit is eerst tijdens K/ra en Nehcmja ingevoerd (zie inl. op Neh. VIII). Tevens worden hier
de iudeeliug vau het tempel personeel en de regeling van de taak der priesters en Levieten, zooals
die in Kronieken aan David worden toegeschreven, ondersteld, en verdient dan ook in dit opzicht
het verhaal geen vertrouwen (zie op vs. 8, 10 en 11). Over andere onhistorische trekken zie op
vi. 1, 7 en 12.
Het stuk komt ook 3 Kzra V: 47—63 voor.
-ocr page 950-
BZRA III : 1—9.
ïoao
III: 1 Tegen de nadering van de zevende maand, toen de Israëlieten in
de steden woonden, verzamelde zich het volk als éen man te Jeruzalem.\'
2 En Jezua, de zoon van Josadak, met zijne broeders de priesters, alsmede
Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, met zijne broeders, maakten zich op
en herbouwden het altaar van den god van Israël, om daarop brand-
offers te brengen, naar hetgeen geschreven staat in de wet van den
\'3 godsman Mozes.\' Zij richtten dan het altaar op zijne grondslagen op
en brachten daarop brandoffers aan Jahwe, morgen- en avondbrandoffers.\'
4       Ook vierden zij het loofhuttenfeest, naar hetgeen geschreven staat, en
brachten de brandoffers op eiken dag ten behoorlijken getale, zooals
5       voor eiken dag was vastgesteld,\' en van toen af de vaste brandoffers
en die van de nieuwemanen en alle geheiligde hoogtijden van Jahwe,
alsmede de offers van al wie eene vrijwillige gave aan Jahwe bracht.\'
b\' Van den eersten dag der zevende maand af zijn zij begonnen brand-
offers aan Jahwe te brengen, hoewel de grondslag des tempels nog
7       niet gelegd was.\' Voorts gaven zij geld voor de steenhouwers en tim-
merlieden, en spijs, drank en olie voor de Sidoniërs en Tyriërs, om
cederenstammen van den Libanon naar zee te vervoeren, naar Jafo,
volgens de vergunning die Cyrus, de koning der Perzen, te hunnen
bate gegeven had.
8           In het tweede jaar nadat zij tot het huis Gods te Jeruzalem waren
gekomen, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel, de zoon van
Sjealtiël, Jezua, de zoon van Josadak, en hunne broeders, de overige
priesters en Levieten, en al de anderen die uit de ballingschap naar
Jeruzalem waren gekomen, de Levieten van twintig jaar af en daar-
boven aan te stellen om het opzicht te hebben over het werk aan
9       het huis van Jahwe.\' Zoo waren Jezua, zijne zonen en broeders,
Kadruiël en zijne zonen, namelijk de zonen van Hodawja, en de zonen
van Henadad, hunne zonen en broeders, de Levieten, allen tezamen
1.   Nagenoeg dezelfde woorden lezen wij ook Nch. VIII: 1 evenals hier onmiddellijk achter do lijst
der teruggekeerden. Doch daar dienen zij als inleiding op het verhaal van de voorlezing der wet door
Kzra, bier zijn zij de aanhef van een bericht dat ons in het eerste jaar na den terugtocht (538 of
587) verplaatst. Waarschijnlijk was die lijst toen zij hier ingevoegd werd reeds met Nch. VIII ver-
bonden en nam onze schrijver onwillekeurig de op haar volgende tijdsbepaling mede over, waarmede
hij nu het verhaal van de stichting van het brandofferaltaar inleidde. — de zevende maand, Tisri,
waarin ook het loofhuttenfeest (vs. 4) viel, en wel, blijkens vs. 8, van het eerste jaar na don
terugtocht.
2.  Met do broeder» vnn Zerubbabel zijn waarschijnlijk de familiehoofden bedoeld.
3.  zijne grondslagen (of zijne plaats). Hierop lant Hebr. t. volgen want in vrees (die) op hen (was)
vanwege de volken der landen, of met geringe tekstverandering, want tegen of tot hen kwamen er van
de volken der landen,
dat volg. Gr. vert. is weggelaten. In 3 Kzra V: 50 staat iets dergelijks. —
morgen- en avondbrandoffers. Zie op Exod, XXIX : 88—42, waaruit blijkt dat het vaste avoudbrand-
offcr eerst eene eeuw later in gebruik is gekomen.
4.   naar hetgeen geschreren staal. Zie Lcv. XXIII: 33—43 en verg. op Nch. VIIIJ15 V. — ten —
vastgesteld. 7Ae Num. XXIX: 13—38.
5.   van toen af, letterlijk hierna, dus van den 15den Tisri af had de offerdienst geregeld plaats.
Dit is voor zoover de vaste brandoffers betreft in strijd met vs. 3 en 6, volgens welke verzen deze
reeds van den eersteu af geregeld gebracht waren. Wellicht is vs. 4 v. ingevoegd. Hchalvc de hier ver-
melde offers noemt 3 Kzra V : 52 nog die van den sabbat.
7.   Verg. 1 Kon. V:9; 2 Kron. II:15v. De schrijver laat den bouw des tweeden tempels onder
dezelfde omstandigheden als dien van den eersten plaats hebben.
8.   hunne broeders, letterlijk hunne overige broeders. — Levieten. Ook zij behooren dus tot Jezua\'s
broeders. Kvcnals in Kronieken, waar de zonen van Aiiron hunne broeders hectcn, wordt hier, om de
Levieten te verheerlijken, nadruk gelegd op hunne verwantschap met de priesters; verg. op 1 Kron.
XXIII: 82. — al — gekomen, waarschijnlijk de familiehoofden, de broeders van Zerubbabel; zie vs. 2. —
van twintig — daarboven, den volg. 1 Kron. XXIII: 24, 27 door David vastgcstelden leeftijd voor
het in dienst treden der Levieten. Verg. op Num. VIII: 24. — o» — Jahwe. Zie 1 Kron. XXIII: 4.
De schrijver plaatst de Levieten blijkbaar met opzet op den voorgrond; verg. inl. op Kronieken.
9.   Zie 11:40. — Hodawja, volg. 11:40; grondt. Juda. — en de zonen — Levieten. Deze woorden
zijn vBn het einde van het ver» hierheen verplaatst. — Henadad komt nog Neh. 111:18, 24;
X: 9 voor.
-ocr page 951-
1031
bzra III: 9—13.
10       belast met het toezicht op de arbeiders aan het huis Gods.\' Toen nu
de bouwlieden den grondslag van Jahwe\'s tempel gelegd hadden,
gingen de priesters, in ambtskleeding, met de trompetten, en de Le-
vieten, de zonen van Azat\', met cimbalen, op hun post staan, om
Jahwe te loven naar de aanwijzing van David, den koning van Israël.\'
11       En zij hieven aan met: Prijst en looft Jahwe; want hij is goed, en
eeuwig duurt zijne goedertierenheid jegens Israël. En liet gansche
volk hief bij dit loven van Jahwe luide jubelkreten aan, omdat de
12       grondslag van Jahwe\'s huis was gelegd.\' Maar velen van de priesters,
de Levieten en familiehoofden, van de ouderen, die den eersten tempel
nog gezien hadden, weenden luidkeels toen te hunnen aanschouwen
de grondslag van dezen tempel gelegd werd, terwijl vele anderen los-
13       barstten in vreugdekreten.\' En het volk kon de vreugdekreten niet
van het luid geween des volks onderscheiden; want het volk hief
luide jubelkreten aan, en het gejuich werd op verren afstand gehoord.
10.  in ambtakleecling, volgens de wet, Exod. XXXIX : 1—32. — de trompetten. Zie Num. X : 1—10. —
gingen... op hun post staan, met veruudcring vau een klinker volg. hss. en oude vertt.; Hebr. t.
ttelden zij ...op hun post. — de Levieten — A:af. Hier worden dus de zangers tot de Levieten gerc-
kend; anders II: 40—42. — met cimbalen. Verg. 1 Kron. XV : 16—21; XVI: 5; XXV : 1—8. — naar de
aanwijzing van David.
Zie 1 Kron. XVI : 7.
11.  Prijtt —goedertierenheid. Zie 1 Kron. XVI: 34, 41; 2 Kron. V:13; Vil: 3; XX: 21.
12.   De herinnering aan de vergane heerlijkheid van den eersten tempel, gepaard aan de gedachte
hoe Israël verucderd was en nog weinig betcckciide, deed do ouderen van dagen wecnen. I>e voor-
stelling is ontleend aan Ilagg. 11:3; Znch. IV : 10, waar cehtcr gesproken wordt vau de beduchtheid
der ouden dat het heiligdom hetwelk gebouwd zal worden niet met dat van Salomo te vergelijken
zal zijn.
13.  Vanwege het gejubel hoorde men het geween niet.
HOOFDSTUK IV.
De tempelbouw gestaakt. — De tegenstanders der Joden geven het verlangen te kennen aan den
tcmpclbouw mede te werken, krijgen hierop een weigerend antwoord en trachten het werk te ver-
hinderen (1—5). De Joden worden aangeklaagd bij Ahasvcrus (6), alsmede bij Artnhsjasta (7); ook
schrijven Helium, Sjimsjai en andereu een brief aan dezen koning, waarin gewezen wordt op het
gevaar dat zijne heerschappij van den herbouw der muren dreigt (8—16). De koning gelast, de Joden
te beletten met het werk voort te gaan (17—22); hetgeen geschiedt (23). De herbouw des tempels
wordt gestaakt tot Darius\' tweede jaar (24).
De eerste Perzische koningen na Cyrus (over wien zie op 1:1) zijn elkander aldus opgevolgd:
Cambyzes (529—521), Darius Hystaspis (521—485), Xerxes (485—465), Artaxerxes I (465—124).
Wanneer dus ons verhaal den tempelbouw laat staken tot het tweede jaar van Darius ten gevolge
van brieven aan Xeries en Artaxerxes geschreven, is het blijkbaar volstrekt ongeloofwaardig. Dit
springt nog meer in het oog, als wij opmerken dat vs. 6—23 niet over den tempelbouw maar over
den herbouw van den muur van Jeruzalem handelt. Dat de samensteller van ons hoofdstuk deze
tegenstrijdigheden niet zou hebben opgemerkt is niet te gelooven. Waarschijnlijk neeft hij dit stuk
hier geplaatst, om te kennen te geven, dat soortgelijke aanklachten als bij Xerxes en Artaxerxes over
den herbouw der muren zijn ingebracht, ook de voortzetting van den tempelbouw hebben verhinderd.
Maar al staat het hier in een geheel verkeerd verband, op zich zelf zou het historie kunnen behelzen
en de staking van den horbouw van den muur onder Artaxerxes naar waarheid kunnen vermeld
hebben. Evenwel, ook dit is niet waarschijnlijk; het verhaal van Nehemja over het herstel van don
muur (Neb. I—VI) maakt niet deu indruk dat reeds voor hem door andereu dit werk is beproefd;
ook vertoonen de mededceliugen van den schrijver, vooral de brieven, die den schijn hebben van
letterlijk te zijn weergegeven, alle kenteekenen van verdichting (zie op vs. 9, 10 en 19 v.). Het stuk
kan verdicht zijn om aan te toonen, dat evenals de bouw des tempels reeds voor Darius, onder Cyrus,
was aangevangen, ook die der muren reeds voor Nehemja, onder Xerxes, begonnen was; geen gebrek
aan ijver en belangstelling bij de teruggekeerde Joden, maar tegenwerking van de Samaritanen was
dan de oorzaak dat het herstel van tempel en muren betrekkelijk zoo laat tot stand is gekomen.
Wy vinden dit gedeelte ook 3 Bzra V: 64— 70; 11:15—26.
-ocr page 952-
bzra IV : 1—7.
1032
IV: 1        Toen de tegenstanders van Juda en Benjamin hoorden dat de bal-
lingen bezig waren een tempel te bouwen tot eer van Jahwe, den god
2       Israëls,\' traden zij toe op Zerubbabel en de familiehoofden en zeiden
tot hen: Laat ons met u bouwen; want zoo goed als gij vragen wij
naar uwen god, en aan hem brengen wij onze offers reeds sedert den
tijd van Ezarhaddon, den koning van Assyrië, die uns hierheen heeft
3       gevoerd.\' Maar Zerubbabel, Jezua en de overige familiehoofden van
Israël zeiden tot hen: Wij hebben niets met u te maken, dat wij met
u een huis voor onzen god zouden bouwen; wij alleen zullen het
Douwen voor Jahwe, den god van Israël, zooals koning Cyrus, de
4       koning der Perzen, ons gelast heeft.\' Daarop deed het volk des lands
de handen van Juda\'s volk verslappen en schrikte hen van het bouwen
5       af:\' zij huurden tegen hen raadgevers om hun voornemen te verijdelen,
waarin zij slaagden zoolang Cyrus, de koning der Perzen, leefde en tot
aan de regeering van Darius, den koning der l\'erzen.
6           En onder de regeering van Ahasverus, in het begin zijner regeering,
schreven zij eene aanklacht tegen de bewoners van Juda en Jeruzalem.\'
7       En ten tijde van Artahsjasta hebben liislaiu, Mithredath, Tabeël en
zijne andere medestanders, aan Artahsjasta, den koning der Perzen,
1—5. Deze verzen vermelden het uuUtann ilcr vijandschap tnsschen de Joden en de Samaritanen,
waarvan in het X. T. en elders meermalen gewaagd wordt; zie Luc. IX : 52—5fi; X : 30—30; XVII:
12—19; Joh. IV : 4—12; VIII: 18; verg. Sir. L:25v. Het bericht is echter onbetrouwbaar; daar
zulk eeu schroom zich met vreemden af te geven meer is in den geest van Ezra en zijne inedestauders,
als ook in dien van den schrijver van kronieken, dan in dien van de leiders der Joden eeu kleine
eeuw voor Kzra, die juist tegen de vermenging der Joden met vreemden zoo krachtig moest optreden.
De haat tnsschen beide volken, waarschijnlijk reeds wortelend in den nloudcu naijver tnsschen Juda
en Isracl, is zeker sterk gegroeid in den tijd vnn Kzra en Nehemja, toen zij die zich beroemden het
ware Israël te wezen zich vau de overige, half hcidenschc, bevolking van Palestina, waartoe ook de
Samaritanen behoorden (zie lul. op 2 Kon. XVII : 24—41), nfzonderden (Neb. IX, X). Dat de stich-
tiug van den tempel op de Renzin! (zie op Neh. XIII: 28 v.) dien haat nog vermeerderde spreekt
vanzelf.
1.  de tegenstanders van Juda en Benjamin, de bewoners van Noord-Israel, volgens vs. 2 de Kuthccrs,
de latore Samaritancu. — /worden. Volg. 3 Kzra V:G4v. waren zij door het trompetgeschal (111:8—
13) opmerkzaam gemankt op hetgeen te Jeruzalem voorviel. — ballingen, letterlijk zonen der balling-
schap.
Zoo hecten de teruggekeerden ook VIS16, 19 v.; VIII: 35; X : 7, 10. Niet op al deze plaat-
ten worden echter met dezen naam uitsluitend gewezen ballingen bedoeld; dikwerf wordt, er mr.Ie nun-
gcduid de Israélietischc bevolking in Judu die ontstaan was door de aaneensluiting vau do in
Kansen achtergeblevenen met de teruggekeerden. Danrom noemt de Kroniekschrijver, die een terugkeer
reeds ouder Cyrili aanneemt, de Israélietischc bevolking die Kzra in Juda aantrof eenvoudig „bal-
liugen", „zonen der ballingschap", IX: 4; X:0—8. In i\\ch. VIII: 18 noemt hij de gemeente in Juda
tijdens Kzra en Nehemja in haar geheel „de uit de gevungenschap teruggekeerden".
2.   Zie 2 Kon. XVII: 21—41. — Ezarhatldon. Deze wordt in het bericht van Koningen niet gc-
nociud; uit een Assyrisch opschrift blijkt echter dat hij inderdaad kolonisten uit het oosten vun zijn
rijk naar Arum en de zeekust, dus waarschijnlijk ook naar 1\'ulestiun, verplaatst heeft. — die — ye-
voerd.
Zij spreken alsof alle bewoners van Samnrie kolonisten waren, wat toch stellig het geval niet
was; verg. iul. op 2 Kon. XVII: 24—11. Blijkbaar beschouwt de schrijver, evenals de latere Joden,
de Samaritanen als heidenen van afkomst. Ook gaan deze woorden vau de onderstelling uit, dat alle
kolonisten in Samnrie derwaarts gebracht zijn door Kzarhaddon. Dit is onjuist: Sargon vermeldt in
zijne opschriften dat hij, zelfs meer dan eens, bewoners vau door hein veroverde landen naar .Samnrie
verplaatst heeft. Verg. op vs. 10.
3.  zooall — heeft. Zie 1:3; VI: 3 v.
4.  het ruil; dei lands, de Kuthcërs.
5.  raadgever», die hunne /aak bij den Pcrzischen koning moesten bepleiten. Hlijkbnar doelt de
schrijver op mannen nis de in vs. 7 v. genoemden. — tcaarin zij slaagden, duidclijkheidshalvc inge-
voegd. Het ligt in den nard vau den Hebrceuwschen stijl dit niet uit te drukken.
6 v. Waarover de Joden aangeklaagd werden, wordt niet gezegd; daar tijdens de hier genoemde
koningen de tempel voltooid was, kan niet anders dan de bouw der muren bedoeld zijn; dan is deze
volgens den schrijver reeds in het begin \\nn Xerxes\' regeering begonnen. Zie Inl.
6.   Ahasverus, die behalve iu Ester slechts hier en Dan. IX: 1 voorkomt, is Xcrxcs, die van 485
tot 465 regeerde. — zij. I\'it vs. 7 blijkt dat de raadgevers de brieven schreven. Wie dit ten tijde
van Xerxes wnreu, vernemen wij niet.
7.   ArlaJujasla, behnlve in dit hoofdstuk nog VI: 14; VII: 1, 7, 11 v., 21; VIII: 1; Neh. 11:1;
V:14; XIII
: 0 vermeld, is Artaxerxes I Langhand, die 405—124 regeerde. Uok deze brief heeft
blijkbaar eene aanklacht tegen de Joden behelsd. De briefschrijvers zijn ons, evenmin als die van vs.
8, van elders bekend: Mithredath is eeu Perzische (verg. 1:8), Tabeël wellicht een Araineesche naam
-ocr page 953-
1033
EZRA IV : 7—17.
geschreven; de brief was geschreven in het Arameesch en vertaald.
8 (Arameesch)\' Rehum, de stadhouder, en Sjinisjai, de schrijver, hebben
tegen Jeruzalem een brief geschreven aan koning Artahsjasta, van
\'J dezen inhoud —\' toen ter tijd schreven Itehum, de stadhouder, en
Sjimsjai, de schrijver, met de anderen, hunne ambtgenooten, de l\'er-
zische rechters, commissarissen en opzieners, de lieden van Erech, die
1U Babyloniërs, van Sjusjan, die Elamieten zijn,\' en van de overige vol-
keren die de groote en doorluchtige Asenappar had weggevoerd en doen
wonen in de stad Samarië en in de andere steden aan den overkant
11       der Rivier, en zoo voort.\' Aldus luidt het afschrift van den brief dien
zij aan koning Artahsjasta hebben gezonden: Uwe dienaren, de lieden
12       van den overkant der Rivier, en zoo voort.\' Den koning zij bekend
gemaakt dat de Joden die van u herwaarts zijn getogen te Jeruzalem
zijn gekomen; zij herbouwen die oproerige en booze stad, brengen de
13       muren in goeden staat en herstellen de grondslagen.\' Nu zij liet den
koning bekend gemaakt, dat, indien deze stad herbouwd en de muren
in goeden staat gebracht worden, zij geen belasting, schatting of tol
zullen opbrengen; wat aan het inkomen der koningen schade zal doen.\'
14       Aangezien wij nu het zout van bet paleis eten en het ons niet voegt
de benadeeling van den koning aan te zien, daarom zenden wij den
15       koning bericht en doen hem weten\' dat men eens navorsche in het
boek der gedenkwaardigheden van uwe vaderen. (Jij zult daarin vinden
en daaruit vernemen dat deze stad eene onhandelbare stad was, die
schade toebracht aan koningen en landschappen, en dat men van ouds-
10 her oproer in haar maakte; daarom is deze stad verwoest.\' Wij ver-
wittigen den koning, dat, indien deze stad herbouwd en de muren in
goeden staat gebracht worden, gij daardoor aan den overkant tier
lüvier uw gezag zult verliezen.
17          De koning zond bericht aan Rehum, den stadhouder, en Sjinisjai,
(verg. Jcz. Vil : 0). — het Arameesch, de taal vau West-Azic (zie op 2 Kun. XV11I : 2(1). — en ver-
Imilil.
Waarschijnlijk wordt bedoeld dat ccuc llebrccuwschc vertaling bij de oorkonde gevoegd was.—
(Arameesch). Uit is eenc waarschuwing vuu den schrijver dat hij zich voor het volgende van de Ara-
iiicesche taal gaat bedienen. Het kan ook eene, bij ungeluk in dcu tekst geraakte, kautteekening vau
een lezer zijn. Desgelijks Dan. II: 4.
8. de stailhouder, behalve hier nog vs. 9, 17, is een titel van den Pcrzischen landvoogd, hier dus
van het gebied ten wcstcu van den Eufraat, waartoe ook het Joodsche land behoorde. — ran dezen
inhoud.
Deze volgt eerst vs. 114. Om dea tusschenzin, wordt in vs. 11a de inhoud van vs. 8 in ande-
ren vorm herhaald.
!). schreven, duiilclijkhcidshalve ingevoegd. — hunne — Elamieten zijn, volgens zeer onzekere tekst-
verbetcringen en vertaling. Het woord door commissarissen vertolkt komt nog V:0; VI: 6, dat hot-
welk door opzieners is overgezet alleen hier voor. Over Breek zie op Gen. X:10; over Sjusjan op
Neb. 1:1; over de Klamieten op Jcz. XXI: 2. liet de lieden ran worden natuurlijk de vcrtegcuwoor-
digers der nederzettingen vau deze en andere niet genoemde volkeren bedoeld.
10.    Asenappar, de Assyrische koning Asurbauipal (008—020). Van dezen koning weten wij
echter wel, dat hij van de in vs. \'J genoemde volken, met name van de door hem overwonnen
Ktainicteu, eeu deel naar Assyrië verplaatst heeft, maar niet, dat hij volkplantingen naar Samarië
heeft gezonden. — den on riant der Rivier, ten westen vau den Eufraat. De schrijver spreekt van
het standpunt des koning*. — en zoo voort, en wat dies meer van de briefschrijvers te zeggen was;
verg. vs. 11.
11.   en zoo voort, en wat verdor tot de bcgroetingsformulc in een brief behoort; verg. vs. 17
en VII: 12.
12.   die — tjetogen, die volg. Ezra VII, VIII met Ezra uit Babylouië zijn vertrokken. Daar hun
werk verijdeld is, heeft de schrijver blijkbaar ondersteld dat zij reeds voor Nehcmja met den bouw
der muren begonnen zijn.
13.   De versterking van Jeruzalem zal ten gevolge hebben dat de Joden zich aan het opper-
gezag van den Pcrzischen koning onttrekken. — aan het inkomen, onzekere vertaling. Andereu
voortaan.
14.  hel zout van hel paleis eten, van het hof afhankelijk zijn. De briefschrijvers zijn dus koninklijke
ambtenaren en schrijven in hun cigeu imam, niet in dien vau de volkstammen die in vs. 0 genoemd zijn.
15.   uwe vaderen, niet slechts de Perzische vorsten, maar ook de vroegere koningon van Assyrië
cu Habylouië, Artaxurxcs\' \\ oorgangers. — daarom is deze stad curicoest, door Ncbukadresar.
-ocr page 954-
1034
bzra IV: 17—24.
den schrijver, en aan de anderen, hunne medestanders, die in Saiuarië en
de overige streken van den overkant der Rivier woonden: Heil, en zoo
18       voort.\' De brief dien gij ons gezonden hebt is niij duidelijk voorgelezen.\'
19       Dienvolgens is op een door mij gegeven bevel een onderzoek ingesteld
en heeft men gevonden dat van oudsher deze stad zich tegen koningen
20       verheft en afval en oproer in haar gemaakt wordt.\' En machtige
koningen hebben over Jeruzalem geregeerd, die gebieders waren over
het geheele land aan den overkant der Rivier, en aan wie belasting,
21       schatting en tol werd opgebracht.\' Geeft dan last dat die mannen het
werk staken; opdat deze stad niet herbouwd worde voordat daartoe
22       door mij last wordt gegeven.\' En zorgt hierin geen verzuim te plegen;
waartoe zou dit bederf, tot nadeel van koningen, verder gaan?
23           Zoodra het afschrift van den brief van koning Artahsjasta aan Rehum
en Sjimsjai, den schrijver, en hunne medestanders was voorgelezen,
gingen zij in aller ijl naar Jeruzalem tot de Joden en noodzaakten hen
24       met geweld en kracht om den arbeid te staken.\' Toen werd het werk
aan het huis Gods te Jeruzalem gestaakt en bleef het rusten tot het
tweede jaar van de regeering van Darius, den koning der Perzen.
17. en zoo voort. \'/Ac op vs. 11.
19 v. Waar de koning dit onderzoek liet instellen en men iets vond van Jeruzalem» weerbarstig*
licid in den ouden tijd, mnakt de schrijver zich niet duidelijk. In I\'erzischc geschriften wns daarvan
zeker niets te vinden, wel iu Assyrisohc of Babylouische. Hetgeen men er volg. vs. 20 in vond geldt
echter alleen van David en Salomo, van wie in die oorkonden, voor zoover wij ze bezitten, geen mei-
ding gemaakt wordt en van wie wij niet weten dat zij met Assyric of Babylonic in aanraking zijn
geweest. l)c gchcclc voorstelling schijnt door onzen schrijver verdicht te zijn.
21. Geeft dan last. De brief is blijkbaar gericht aan hooge ambtenaren, niet aan de bevolking; zie
op vs. 14. — voordat — gegeven, wat inderdaad geschied is, Neh. I, II.
24. Dit vers is nog, evenals vs. 8—28, in het Arameesch geschreven, ofschoon vs. 1—5, waarop het
terugslaat, in het Hcbrecuwsch is gesteld.
HOOFDSTUK V, VI.
Di\' tempel voltooid. — Door Haggai en Zacharja aangespoord, beginnen Zcrubbahcl en Jczua don
tempel te bouwen (V: 1 v.) j hoewel zij hierover door den landvoogd Tatthonai en anderen tot ver-
uutwoording wordon geroepen, behoeven zij het werk niet te staken voordat de beslissing des konings
is ingewonnen (!)—5). Brief van Tatthenai en anderen aun koning Darius, wuariu zij medcdeclen
wat de Joden doen en dat dozen zich beroepen op een bevelschrift vau Cyrus; waaromtrent zij
\'s konings beslissing vragen (0—17). Bij een onderzoek, op Darius\' last ingesteld, wordt eene oorkonde
gevonden, inhoudende dat Cyrus den herbouw des tempels, de betaling der kosten uit de koninklijke
inkomsten en de uitlevering der tcmpclvnteu bevolen heeft >. VI : 1—5). Derhalve moet men de Joden
ongehinderd laten voortwerken, hun de kosten betalen en de benoodigdhedeu voor den ceredienst
verstrekken (0—10); wie aan deze beschikking iets verandert zal ter dood gebracht worden, en Gods
vloek zal op hem rusten (11 v.). \'s Konings bevel wordt opgevolgd, en de tempel is bet zesde jaar
van DariuB\' regcering voltooid (13—15); hij wordt met offeranden ingewijd, en den priesters en
Levieten wordt hun dienstwerk opgedragen (IC—18). Men viert het pascha en het feest der onge-
zuurde brooden (19—22).
Deze hoofdstukken, met uitzondering van VI: 19—22 in het Arameesch opgesteld, zijn niet van
een schrijver. Niet slechts is VI: 16—22 van eene andere hand dan al wat voorafgaat, maar ook dit
is uit twee verhalen samengesteld. Dit blijkt niet alleen uit den gebrekkigen samenhang dien wij eene
enkele maal er in opmerken (zie op VI: 6—12), maar vooral uit de tegenstrijdigheden die er in
voorkomen (zie op V: 2, 14—16 en VI: 2). Het gelukt ons echter niet de bcstanddeeleu met zekerheid
van elkander te scheiden, vooral omdat van de beide verhalen slechts een gedeelte is overgenomen.
Wellicht heeft V : 1—10; VI: 1 v. (ten deele), 6—15 tot het eene, V: 11—17; VI: 1 v. (ten deele), S—5
tot het andere behoord. Beide gaven van den tempelbouw eene andere voorstelling dan wij in I;
III; IV: 1—5, 24 aantreffen: volgens het eerste werd er mede begonnen, niet onder Cyrus\' maar
onder Darius\' regeering (V: 2); volgens het tweede had Cyrus wel den bouw gelast en daartoe een
hoogwaardigheidbekleedcr naar Juda gezonden, maar was de bouw zonder staking voortgezet (V : 14—16);
beide zwijgen vau teruggekeerde ballingen. De voorstelling van deze verhalen, waarvan het eerste
-ocr page 955-
1035
EZRA V : 1 — 10.
geloofwaardiger is dan het tweede, is stellig ouder dan die welke wij in de voorgaande hoofdstukken
aantreffen. Wat ons hier medegedeeld wordt van een bcrieht omtrent don tcmpelbouw dat Perzische
beambten aan Oarius doen toekomeu, waarop de/c deu Joden vergunning gaf hun werk voort te zetteu,
kan in hoofdzaak waar zijn; toch hebben wij ook hier geen zuivere geschiedenis. De ambtelijke
stukkeu van (\'yrus eu Darius zijn, blijkens ettelijke daariu gebruikte iiitdrukkingcu, door een Jout!
opgesteld; vooral de uiterst milde bepalingen voor de Joden, daarin voorkomende, verraden den ver-
dichter (zie op V:8; VI: 6—12, 8, 9 v. en 12). Heide vcrhalcrs hadden blijkbaar het doel, de gunstige
gezindheid der Perzische koningen jegens den tempel in het licht te stellen cu zoo dezen te ver-
heerlijken. Of de Verzamelaar van Ezra—Nehemja zelf de twee verhalen verbonden, dan wel iu den
saincngestclden vorm gevonden heeft, weten wij niet. Dat hij hier en daar iets gewijzigd of iuge-
lascht heeft is zeer waarschijnlijk; zie op VI: 14.
Wij vinden dit verhaal ook 3 Kzra VI, VII.
V:l          Haggai, de profeet, en Zacharja, de zoon van Iddo, profeteerden tot
de Joden die in Juda en Jeruzalem woonden, in den naam van Israëls
2       god.\' Toen maakten zich op Zerubbabel, de zoon van Sjealtiël, en Jezua,
de zoon van Josadak, en zij begonnen liet huis Gods te Jeruzalem te
bouwen, en met hen waren de profeten van God, die hen ondersteun-
3       den.\' Te dier tijd kwamen tot hen Tatthenai, de landvoogd van het
gebied aan den overkant der Rivier, en f^jethar-bozenai met hunne
medeambtenaren, en spraken tot hen aldus: Wie heeft u vergunning
gegeven, dit huis te bouwen en deze bouwstoffen in gereedheid te
4, 5 brengen ?\' Hoe heeten de mannen die dezen bouw ondernemen 1\' Maar
daar het oog van hun god op de oudsten der Joden rustte, nood-
zaakten zij hen niet, het werk te staken voordat de beslissing van
Darius zou zijn aangekomen. Zij zouden dan over de zaak een schrijven
uitvaardigen.
6           Afschrift van den brief dien Tatthenai, de landvoogd van het gebied
aan den overkant der Rivier, en Sjethar-bozenai met zijne ambtge-
nooten, de commissarissen van den overkant der Rivier, aan koning
7       Darius gezonden hebben.\' Zij zonden hem een bericht, waarin het vol-
8       gende geschreven stond: Aan koning Darius alle heil!\' Den koning
zij bekend gemaakt dat wij ons naar het landschap Juda hebben be-
geven, tot het huis van den grooten God; dit wordt opgebouwd van
blokken steen, hout wordt op de wanden gelegd, en het werk wordt
9       zorgvuldig verricht en vordert onder hunne hand.\' Toen hebben wij
bij die oudsten navraag gedaan en tot hen aldus gesproken: Wie heeft
u vergunning gegeven, dit huis te bouwen en deze bouwstoffen in
10 gereedheid te brengen?\' Ook hebben wij hen naar hunne namen ge-
1.   In hoever wij in Haggai en Zacharja de prediking dier mannen hebben, zie inll. op die boeken.
— Na Iddo is volg. 8 Kzra VI: 1 pro/eten weggelaten. — Na god heeft de Aramccschc tekst tot of
over hen; 8 Ezra VI: 1 mist het.
2.   zij begonnen. Dat de grondslagen des tempels reeds gelegd waren, vs. 16; III : 8 v., wordt hier
niet ondersteld. Anders vs. 16; zie op vs. 14—16. — de profeten van God, Haggai en Zacharja. —
die hen ondersteunden, door hunne prediking.
3 v. De Perzische grootwaardighcidbcklccders weten blijkbaar niets van een verbod van een vroc-
geron koning (II. IV) in zake den tempclbouw.
3.   Tatthenai — Rivier. Daar Zerubbabel, blijkens Hagg. 1:1, 14; 11:3, 22, te dier tijd landvoogd
van Juda was, was hij zonder twijfel aau den landvoogd van het gebied ten westen van den Eufraat
ondergeschikt. — bouwstoffen, onzekere vertaling.
4.  Aan het begin van dit vers heeft Aram. t. nog Toen spraken wij (Gr. vert. zij) tot hen alt volgt;
volg. 3 Ezra VI: 4 weggelaten. Maar het is niet onmogelijk dat de woorden, hier zinloos, door den
sumousteller van het stuk letterlijk zijn overgenomen uit vs. 0.
5.   daar — ruitte, daar God hun gunstig gezind was; wat hieruit bleek dat men hen niet nood-
zaakte het werk te staken. — een schrijven, waardoor de beslissing des koninga den Joden zou wor-
den bekend gemaakt.
6.  de commuiarüten. Zie op IV: 9.
8. tot — Ood, van welks bouw zij vernomen hadden. Dat zij Jahwe zoo noemen bewijst dat deze
brief door een Jood is opgesteld.
-ocr page 956-
BZRA V : 10—VI: 4.
1036
vraagd, om u inlichting te kunnen geven door u de namen te schrijven
11       van de mannen die aan hun hoofd staan.\' Hierop hehben zij ons het
volgende bescheid gegeven: Wij zijn dienstknechten van den God van
hemel en aarde, en wij herbouwen het huis dat vele jaren voordezen
gebouwd is en dat een groote koning van Israël gebouwd en voltooid
12       heeft.\' Daarom, omdat onze vaderen den God des hemels hebben ver-
toornd, heeft bij hen overgeleverd aan Nebukadnesar, den koning van
Kabel, den Chaldeër; deze heeft dit huis verwoest en het volk naar
13       Babel weggevoerd.\' Doch in het eerste jaar van Cyrus, den koning
van lkibel, beeft koning Cyrus last gegeven dit huis te herbouwen;\'
14       ook heeft koning Cyrus de gouden en zilveren vaten van het huis
Gods die Nebukadnesar uit den tempel te Jeruzalem medegenomen en
in den tempel te Babel gebracht had, uit den tempel te liabel te voor-
schijn gehaald, waarna zij werden overgegeven aan Sjesbassar, dien hij
15       tot landvoogd aanstelde\' en tot wien hij zeide: Neem deze vaten, trek
heen en zet ze neder in den tempel te Jeruzalem, en worde het huis
10 Gods op zijne vroegere plaats herbouwd.\' Toen is die Sjesbassar ge-
komen, heeft de grondslagen van het huis Gods in Jeruzalem gelegd,
en van toen af tot nu toe is er aan gebouwd, maar liet is niet vol-
17 tooid. —\' Indien het nu den koning goeddunkt, worde in des konings
schatkamer daar te 15abel een onderzoek ingesteld, of door koning Cyrus
vergunning is gegeven om dit huis Gods te Jeruzalem te herbouwen.
En dan doe de koning ons zijn besluit omtrent deze zaak toekomen.
VI: 1 Toen stelde men op bevel van koning Darius een onderzoek in in
2       de boekerij te Uabel, waar men de schatten nederlegde,\' en werd in
de burcht te Ahmetba, dat in het landschap Medië ligt, eene rol ge-
3       vonden waarop geschreven stond: Oorkonde.\' In het eerste jaar van
koning Cyrus heeft koning Cyrus dit bevel gegeven: het huis Gods
te Jeruzalem, dit huis zal herbouwd worden tot eene plaats waar men
offers brengt, met stevige fundamenten; zestig el zal het hoog en zestig
4       el breed zijn,\' van drie lagen gehouwen steen en éene laag hout. De
12.   Nebukadnesar. Zie op 2 Kon. XXIV: 1 en op Dan. 1:1.
13.   Verg. 1:1—4.
14—10. Dit komt niet overeen met hetgeen 111:8—13 verhaald wordt. Immer», düar staat dat
de teruggekeerde Joden onder leiding van Zcrubbabel eu Jezua de grondslagen des tempels gelegd
hebben, hier, dat Sjesbassar op bevel van Cv nis, blijkbaar met hulp van de in Palestina wonende
Joden, het gedaan heeft. Voort* wijkt deze voorstelling af, niet sleehts van die van v». 2, waar eerst
onder Darius de bouw begonnen wordt, maar ook van die van IV: 1—5, 24: de bouw, daar gestaakt,
is hier van Cyrus\' tot Darius\' tijd onafgebroken voortgezet. Over Sjesbassar zie op 1: 8.
17. Woorden, niet vau de Joden, maar van de briefschrijvers.
1.   de boek/rij. Te Nineve cu in de nabijheid van Kabel heeft men inderdaad overblijfselen gevon-
den van gebouwen waarin staatsstukkeu. geschreven op in de zon gedroogde lecmen tichels, bewaard
werden. Ongetwijfeld heeft zulk ecu gebouw ook te Kabel niet ontbroken.
2.   Akmelha, door de Grieken Kcbatana genoemd, het tegenwoordige llamndan, was het zomervcr-
blijf der I\'erzischc koningen; het was in 55U door Cyrus veroverd; verg. Judith 1:2—1. Hoe men in
het archief te Kabel zoekende het stuk te Ahmetha kon vinden, wordt niet gezegd. Ongetwijfeld zijn
hier twee berichten ineengevlochten. — Medië. Zie op Gen. X:2.
3.   Verg. 1:2. — mei stevige fundamenten, zeer onzekere lezing eu vertaling. — zestig — zijn. Inden
tekst zijn hier ongetwijfeld fouten ingeslopen; immers, de opgave der lengte ontbreekt. Wellicht zijn
hier oorspronkelijk dezelfde afmetingen opgegeven als iu 1 Kon. VI: 2. Heeft de schrijver aan den
tweeden tempel grootcr afmetingen gegeven dan aan dien vau Salomo — de breedte vau Oü el is het
dubbel van die van den eersten tempel met den ombouw aan weerskanten (1 Kon. VI\'. 2, C) — dan
heeft hij dit gedaan om den tempel te verheerlijken. Historisch is het gewis niet. Het lag toch voor de
hand, de uit zware stcenblokkeu samengestelde muren, die zeker voor een deel nog stonden, te her-
stellen en niet alles op te ruimen en een veel grootcr gebouw dan dat van Salomo op Ie trekken; hoe
ware in dat geval ook Hagg. 11:4; Zach. IV : 10 te verklaren?
4.  run — hout. Dit geldt 1 Kon. VI: 36 van den muur van het voorhof. — éene, volg. Gr. vert.;
Aram. t. nieuw. — De kotten rullen uit de koninklijke kat betaald «orden. Dit lezen wij elders (I en
III) niet en is in strijd met Ilagg. 1:2—11, waar ondersteld wordt dat de tempelbouw wegens armoede
der bevolking nog niet is ter hand genomen. De tempelbouw wordt hier geheel als een werk van
Cyrus voorgesteld.
-ocr page 957-
1037
EBIIA VI: 4—13.
5       kosten zullen uit de koninklijke kas betaald worden. \' Ook zal men de
gouden en zilveren vaten van het huis Gods die Nebukadnesar uit
den tempel te Jeruzalem weggenomen en naar Habel gebracht heeft,
teruggeven; opdat zij in den tempel te Jeruzalem op hunne plaats
komen en gij ze in het huis Gods nederzet.
6           Derhalve, Tatthenai, landvoogd van het gebied aan den overkant der
Rivier, Sjethar-bozenai, gij moet met uwe ambtgenooten, de conimis-
sarissen, van den overkant der Rivier, verre blijven van die plaats.\'
7       Laat den arbeid aan dat huis Gods ongehinderd voortgaan: dat de
landvoogd der Joden en hunne oudsten het herbouwen op zijne plaats.\'
8       Voorts wordt door mij last gegeven, hoe gij met die oudsten der Joden
moet medewerken tot den bouw van dit huis Gods: uit \'skonings
inkomsten van de schatting die aan den overkant der Rivier geheven
wordt zullen stipt aan die mannen de kosten worden betaald; hetgeen
9       niet nagelaten mag worden.\' En wat noodig is, zoowel jonge stieren
als rammen en lammeren tot brandoffers voor den God des hemels,
tarwe, zout, wijn en olie, naar het voorschrift der priesters te Jeruza-
10       lem, worde hun zonder verzuim dag aan dag verstrekt;\' opdat zij
liefelijke offergeuren ontsteken voor den God des hemels en bidden
11       voor het leven des konings en zijner zonen.\' Voorts wordt door mij
gelast, dat, wanneer iemand aan deze beschikking iets verandert, tot
straf een balk uit zijn huis gehaald en hij opgehangen daaraan vast-
12       gehecht en zijn huis tot een mesthoop gemaakt zal worden.\' En God,
die zijn naam daar heeft doen wonen, stoote ieder neder, koning of
volk, die zijne hand uitstrekt om het te wijzigen of aan dit huis Gods
te Jeruzalem schade toe te brengen. Ik, Darius, heb dit bevel gegeven;
stipt worde het uitgevoerd!
13           Toen hebben Tatthenai, de landvoogd van het gebied aan den over-
kant der Rivier, Sjethar-bozenai en hunne medeambtenaren stipt ge-
handeld overeenkomstig den last dien koning Darius hun had doen
5. zij, volg. verb. t.; grondt, heeft het enkelvoud. — gij, Sjesbussiir. De schrijver ziet voorbij dat
deze hier niet wordt toegesproken.
6—12. De schrijver verzuimt te vermelden dat wij hier een brief van Darius en niet meer het
schrijven van Cyrus hebben: de aanhef van den brief ontbreekt. Ook verdient het opmerking dat
Darius niet terugwijst naar het bevelschrift van Cyrus en schrijft alsof niemund voor hem omtrent
den tempelbouw iets verordend had; wat hieruit is te verklaren dat dit gedeelte van een anderen
schrijver is dan v». 3—5. Het stuk is stellig verdicht; wat niet slechts blijkt uit den naam God iles
hemelt,
hier aan Jahwe gegeven, maar ook uit andere uitdrukkingen die er in voorkomen; zie op vg.
8, 9 v. en 12.
7.  de landvoogd dit Joden, Zcrubbabcl.
8.  Of de Joden zulk een geldelijken steun van den koning bij den tempclbouw hebben gehad, mag
betwijfeld worden. Haggai en Zacharja melden daarover niets, en doen telkens uitkomen dat de Joden
met geringe middelen het werk tot stand brachteu, Hagg. 1:2—11; Zach. IV: 10.
9 v. Dergelijke schikkingen ten bate van den ecredienst te Jeruzalem worden bij Joscfus van Antiochus
den Groote en van Artnhsjasta iu ons bock medegedeeld. Met het bevelschrift van dcu laatste,
VII: 15—22, heeft het onze groote overeenkomst, maar het reikt verder: terwijl Artahsjastu slechts
tot een zeker bedrag de koninklijke kas ter beschikking stelt, en verder Ezrn aanspoort de kosten
van den eercdienst te bestrijden uit vrijwillige gaven van heidenen en Joden te liabylon, neemt Darius
al de onkosten voor zijne rekening. Blijkbaar hebben wij hier met eenc verdichting te doen.
9.  tarwe — olie, voor de offers, Eiod. XXIX: 40 v.; Num. XXVIII: 3—8 enz.
10.  Offers en gebeden voor den koning worden vermeld. 1 Makk. VII: 33; XII: 11.
11.  opgehangen. Waarschijnlijk wordt hier aan spietsen gedacht, waarbij de veroordeelde levend
op de scherpe punt van een paal werd gezet; eenc straf, door de Assyricrs dikwerf toegepast. Ande-
ren denken aan kruisiging; de kruisstraf, waarbij de veroordeelde met nagels of alleen met koorden
aan een paal werd gehecht, zoodat hij door de pijnlijke houding en van honger en dorst omkwam,
was ook onder de Joden zeer gewoon. — zijn huil — worden, /ie 2 Kon. X : 27; Dan. II *. 5.
12.   die — wonen. Deze uitdrukking behoort tot bet eigenaardig Dcutcronomische spraakgebruik
(Deut. XII: 11; XIV: 23; 1 Kon. VIII: 29; Neh. 1:9; Jer. VII: 12); wie dit Darius in den mond
legt doet zich daardoor als verdichter kennen. — om het te wijzigen. Het is niet duidelijk, of bedoeld
wordt: dit huis, dan wel dit bevelschrift. Een vloek tegen hen die hunne geschriften beschadigen of
vernietigen spreken de Assyrische koningen aan het eind hunner gedenkschriften dikwerf uit.
-ocr page 958-
bzra VI: 13—22.
1038
14       toekomen.\' En de oudsten der Joden bouwden en vorderden goed, door
het profeteeren van den profeet Haggai en van Zacharja, den zoon
van Iddo; zij bouwden en voltooiden krachtens bevel van den god van
Israël en krachtens bevel van Cyrus, Darius en Artahsjasta, den koning
15       der Perzen.\' Zoo was dit huis gereed den derden dag van de maand
Adar; dit was het zesde jaar der regeering van koning Darius.
1(5          Nu vierden de Israëlieten, de priesters, de Levieten en de overige
17       ballingen de inwijding van dit huis Gods met vreugde,\' en brachten
ter inwijding van dit huis Gods ten offer honderd stieren, tweehonderd
rammen, vierhonderd lammeren, en ten schuldoffer voor gansch Israël
18       twaalf bokken, naar het getal der stammen van Israël.\' En zij stelden
de priesters aan, naar hunne klassen, en de Levieten, naar hunne
afdeelingen, over den dienst van God, die te Jeruzalem woont, naar
hetgeen in het boek van Mozes geschreven staat.
19           En de ballingen vierden het pascha op den veertienden van de eerste
20       maand.\' Want de priesters hadden zich gereinigd, en de Levieten waren
allen tot den laatsten man toe rein. Zoo slachtten zij het pascha voor
al de ballingen, ook voor hunne broeders, de priesters, en voor zich
21       zei ven.\' En het werd gegeten door de Israëlieten die uit de balling-
schap teruggekeerd waren, en door allen die zich van de onreinheid
der volken des lands afgezonderd en zich bij hen aangesloten hadden
22       om Jahwe, den god van Israël, te zoeken.\' Ook vierden zij met vreugde
zeven dagen het feest der ongezuurde brooden; want Jahwe had hun
vreugde bereid en het hart van den koning van Assur tot hen gewend
om hen te ondersteunen bij het werk van het huis van God, den god
van Israël.
14. Artahsjasta, den koning der Perzen. Daar deze vorst na Darius en dus na de voltooiing des t«m-
pi\'ls leerde en de uitdrukkelijke vermelding dat hij koning der Perzen was, alsof de twee anderen dat
niet waren, hoogst bevreemdend is, zijn deze woorden — waarschijnlijk door den Verzamelaar —
ingc.lascht. De reden daarvan kan geweest zijn, dat de schrijver, mecneude dnt hier de begunstigers
van den tempel, niet uitsluitend van den tcmpelbouw, genoemd waren, om het VII: 11—26 verhaalde,
Artahsjasta miste.
16. den derden dag, 3 Kzra VII: 5 den drie en twintigste»; dan zou, indien het feest der inwijding,
evennis iu 1 Kon. VIII: 05, cene weck duurde, de tempel juist met den aanvang des jnars in gebruik
zijn genomen; want Adar was de twaalfde maand; zie op Kxod. XII: 2. — het zesde — Darius, 516.
16.  ballingen. Zie op IV : 1.
17.  honderd — lammeren, een veel kleiner getal dan bij de inwijding des tempels tijdens Salomo,
1 Kon. VIII: 03. — ten schuldoffer. Deze offers worden 1 Kon. VIII niet vermeld; zij kwamen vooral
na den val van Jeruzalem in zwang; zie inl. op I<ev. V: 1—VI: 7. — naar — Israël. De terugge-
keerden worden als vertegenwoordigers der twaalf stammen beschouwd; zie op 11\'. 2a en VIII: 35.
18.  Wij hebben hier de voorstelling van Kronieken: over de klassen en afdeelingen van priesters en
Levieten zie inl. op 1 Kron. XXIV. — naar — staat. Zie b. v. Lev. I, II; Num. 111:6; VIII: 9, 14.
19.  Zie Exod. XII: 6; I<cv. XXIII: 5—14, dus volgens de bepalingen van Ezra\'s Wetboek.
20.  Kvenals in Kronieken, is hier den Levieten het slachten der panschoffers opgedragen; zie inl. op
1   Kron. XXIII. — ll\'ant — gereinigd, zoodat zij alle diensten konden verrichten. Dit was volg.
2   Kron. XXIX: 34 wel eens anders geweest. — Zoo — zelven. Zie 2 Kron. XXXV: 11—14. — hunne
broeders, de priesters.
Zie op 1 Kron. XXIII: 32.
21.   allen — zoeken. De afzondering der Israëlieten van de nict-Joodschc bevolking des lands en
hunne aansluiting aan de teruggekeerde ballingen, met wie zij voortaan de Isrnclictische „gemeente"
vormden, had volg. Noh. IX, X (zie vooral Nch. IX: 2; X: 28 v.) veel later plaats.
22.   Met den koning van Assur is hier de Perzische koning Darius bedoeld, die zoo genoemd kon
worden omdat hij over het gebied van de voormnlige Assyrische koningen heerschte. In geschriften van
na den val van Jeruzalem wordt meermalen de Unbylonische of Perzische heerschappij, somtijds ook die
van Syrië, met den naam Assur aangeduid; b. v. 2 Kron. XXX: 6; Ps. LXXXIII:\'J; Jez. XXVII: 18;
Kloagl. V:6; Micha V:4v.; VII: 12; Zach. X:10; wellicht ook Num. XXIV: 24. Ook heet de Per-
zische koning eens (Neh. XIII: 6) koning can Babel.
HOOFDSTUK VII, VIII.
K/.ra\'s tocht van Babel naar Jeruzalem. — Geslachtlijst van Ezra (VII: 1—5); hij il, door Jahwe
beschermd en door den koning begunstigd, met een aantal medeballingen, in Artaxcrxes\' levende
-ocr page 959-
1039
RZRA VII : 1—6.
jaar van Babel naar Jeruzalem getrokken (6—10). Hij neemt een aanbevelend schrijven van den koning
mede: ieder Israëliet heeft verlof met Ezra naar Jeruzalem te trekken, waarheen deze gezonden wordt
om de giften vnn den koning cu zijn volk voor den tempel over te brengen en de wet zijns Gods
overal waar Joden wonen te handhaven; groote voorrechteu worden aan den tempel en zijne bedienaars
toegekend en aan Ezra wordt de bijstand der koninklijke ambtenaren verzekerd (11—28). Ezra, Jahwe lovend
voor zijne gunst, verzamelt hoofden uit Israël tot zich (27 v.). Lijst van de familiehoofden die met
Ezra trekken, met opgave van het getal hunner onderhoorigcu (VIII: 1—14). Daar Ezra onder zijne
tochtgenootcn geen Levieten vindt, zendt hij een gezantschap tot zekeren Iddo, opdat deze hem cenigc
opzockc; welke zending met goed gevolg bekroond wordt (15—20). Nadat zij gevast en gebeden hebben
(21—23) en Ezra de medegenomen schatten ter bewaring heeft gegeven aan twaalf priesters en twaalf
Levieten (24—30), breken zij op en komen na ecne voorspoedige reis te Jeruzalem (31 v.), waar zij, na
eenige dageu rust, de kostbaarheden aan een viertal priesters cu Levieten ter hand stellen (33 v.).
De teruggekeerden brengen offers aan Jahwe en overhandigen des konings brief aan zijne beambten,
die hun daarop steun verlccuen (35 v.).
Een groot deel van deze hoofdstukken, VII: 27—VIII: 34, is blijkbaar van den man zelven over
wien zij handelen en dus ceno bron van den eersten rang. Daarentegen wordt in hetgeen hieraan voor-
afgaat en er op volgt niet door, maar over hem gesproken. Hier hebben wij het werk van den Kro-
niekschrijver, die niet slechts hetgeen hij in Ezra\'s Gedenkschriften vond omgewerkt, maar ook daarin
wijzigingen en toevoegsels aangebracht heeft: in Vil : 1—5 maakt hij Ezra tot een lid der hoogc-
priesterlijkc familie, in vs. 8—10 laat hij den hoofdinhoud van het vervolg bij wijze van inleiding
aan Ezra\'s eigen verhaal voorafgaan; in VII: 7—9 heeft hij tijdsbepalingen van eigen vinding inge-
vocgd (zie lul. op Ezra—Nehemja en annt. op VIII : 31). Ook het bevelschrift van Artnxerxes,
VII: 11—28, in het Aramecsch geschreven, is stellig niet door dien 1\'crzischcu koning uitgevaardigd,
maar door den schrijver opgesteld: de koning spreekt als een gcloovig Israëliet, voor wien allecu
Jahwe God is (zie op VII: 12), toont het hoogste belang te stellen in de Joodschc wet, van welke
hij niet alleen geheel op de hoogte is, maar die hij ook als de volmaakte uitdrukking van Gods wil
beschouwt (vs. 14, 17, 21, 23, 25 v.), en geeft ongeloofclijk groote voorrechten aan Ezra en de Jcru-
zalcmschc priesterschap (zie op vs. 20—23, 24 en 25). Indien Ezra zelf een bevelschrift van Artnxerxes
heeft medegedeeld, heeft dit stellig anders geluid. Ook in VIII: 35 v. is de bewerker aan het woord.
Hij vond zeker iets in Ezra\'s Gedenkschriften dat met zijne voorstelling van het gebeurde in strijd
was en dat hij daarom niet wilde vermelden; wat dit geweest is, kunnen wij zelfs niet gissen.
Deze hoofdstukken komen ook 3 Ezra VIII: 1—68 voor.
VII: 1 Nadezen, onder de regeering van Artahsjasta, den koning der Perzen,
is Ezra, de zoon van Seraja, den zoon van Azarja, den zoon van Hilkia,\'
2      den zoon van Sjallum, den zoon van Hadok, den zoon van Ahitub,\'
3      den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,\'
4, 5 den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van liukki,\' den
zoon van Abisjua, den zoon van Pinehas, den zoon van Eleazar, den
6 zoon van Aiiron, den hoogepriester,\' deze Ezra dan opgetrokken uit
Babel; hij was een geleerde, grondig bekend met de wet van Mozes,
welke Jahwe, de god van Israël, gegeven heeft. En de koning stond
Vi. 1—5. 1 Kron. VI: 3—14.
1—5. Deze geslachtlijst, van Aiiron tot Seraja, ia die van de hoogepriesters voor de Ballingschap,
1   Kron. VI: 3—14; alleen behelst de laatste een zestal namen meer tusschen Azarja en Merajoth
(vs. 3), die hier bij vergissing schijnen uitgevallen te zijn, alsmede den naam van Seraja\'s zoon Josa-
dak. Daar Suraja volg. 2 Kon. XXV: 18—21 door Ncbukadrcsar in 586 gedood werd en dus bijna
130 jaar vóór Ezra leefde, kan deze zijn zoon niet geweest zijn; de onmiddellijke voorvaderen van
Ezra zijn dus weggelaten, wat onverklaarbaar zou zijn indien Ezra zelf de lijst had opgesteld, doch
begrijpelijk is bij den Kroniekschrijver: deze toch wilde aantooncn dat Ezra van het hoogepriesterlijk
geslncht was, maar kon de hoogepriesters na den val van Jeruzalem niet als Ezrn\'s voorvaderen ver-
melden, daar hij niet in Palestina maar in Babel geboren was.
1. Nadttzen. Tusschen het in V, VI verhaalde en de hier vermelde gebeurtenissen ligt ecne groote
tijdruimte, volg. vs. 7 v. van 66 jaar, van 519 tot 458; doch zie inl. op Ezra—Nehemja. — Artak-
tjatta.
Zie op IV : 7.
6. yeleerde. Het woord dat alzoo vertaald is komt meermalen voor ter aanduiding van een knnink-
lijken ambtenaar en is dan door .schrijver\' weergegeven, IV: 8 v., 17, 23; 2 Sam. VIII: 17; XX: 25;
2   Kon. XII: 10 enz. Somtijds echter betcekent het „geleerde" (1 Kron. XXVII: 32), meermalen
„schriftgeleerde". Zoo heet Ezra vs. 11; Neh. VIII: 2, 5, 14; verg. op vs. 11. — daar — was, daar
Jahwe hem beschermde; verg. op 1 Kon. XVIII: 46. — De uitdrukking komt in Ezra—Nehemia her-
haaldelijk voor, vs. 9, 28; VIII: 18; Neh. 11:8, 18.
-ocr page 960-
1040                                          kzra VII: 6—17.
hem, daar de band van Jahwe, zijn god, over hem was, al wat hij
7       verlangde toe.\' Dientengevolge trokken ettelijke Israëlieten, alsmede
priesters, Levieten, zangers, portiers en geschonkenen, naar Jeruzalem
8       op, in het zevende jaar van koning Artahsjasta.\' En hij kwam te
Jeruzalem in de vijfde maand; dit was des konings zevende jaar; \'
9       want o]) den eersten dag der eerste maand heeft hij den tocht uit
Babel aanvaard, en op den eersten van de vijfde maand is hij,, daar
Jahwe\'s zegenende hand over hem was, te Jeruzalem aangekomen;\'
10       want Kzra had er zijn hart op gezet, de wet van Jahwe te zoeken en
te betrachten en inzetting en recht in Israël te onderwijzen.
11            Aldus luidt liet afschrift van den brief dien koning Artahsjasta ge-
geven heeft aan Kzra, den priester-schriftgeleerde, die geleerd was in
de woorden van Jahwe\'s geboden en inzettingen betreffende Israël: \'
12       Artahsjasta, de koning der koningen, aan Kzra, den priester, den ge-
leerde in de wet van den God des hemels: Volkomen, en zoo voort.\'
13       Door mij wordt gelast, dat in mijn koninkrijk ieder van het volk Israël,
van zijne priesters en van de Levieten die zich vrijwillig aanbiedt
14       om naar Jeruzalem te trekken met u trekken mag;\' nademaal gij
vanwege den koning en zijne zeven raadsbeeren gezonden wordt om
een onderzoek in te stellen naar Juda en Jeruzalem, op grond van de
15       wet uws gods, die gij in de hand hebt,\' en om het zilver en het
goud over te brengen dat de koning en zijne raadsheeren vrijwillig
schenken aan den god van Israël, wiens woning te Jeruzalem is,\'
1(5 alsmede al het zilver en goud dat gij zult verkrijgen in het gansche
landschap Babel, met de vrijwillige giften van het volk en de priesters
die zij zullen schenken voor het huis van hun god te Jeruzalem.\'
17 Daarom zult gij voor dat geld nauwgezet koopen stieren, rammen,
lammeren, met de daarbij behoorende meel- en plengoffers, en ze op
het altaar van het huis uws gods te Jeruzalem ten offer brengen.\'
7.   De verschillende afdcelingeu worden in dezelfde orde nis 11:2—13 opgenoemd. Zangers en por-
tiers worden VIII: 1—14 niet vermeld j Levieten en geschonkenen hehben zich volg. VIII: 15—20
niet vnn den beginne al\' bij den tocht aangesloten. Blijkbaar hebben wij hiur do voorstelling, niet van
Kzra zelvcn, maar van den Kroniekschrijver.
8.   dit —jaar. Dit is jnist in vs. 7 gezegd; de herhaling bewijst dat de schrijver groot gewicht
aan deze tijdsbepaling hecht.
9.   heeft hij... aanvaard, zeer onzekere vertaling met verandering van klinkers; Hebr. t. dit ia de
grondslag.
Volg. VIII: 81 begon de reis den twaalfden van de eerste maand; in elk geval duurde zij
ruim drie en cene halve maand. Dit is niet geheel verklaarbaar. Wel was de weg van Babel naar
Jeruzalem, eerst in noordwestelijke richting langs den Eufraat tot Thapsacus of Karkemis, en dan in
zuidwestelijke door het dal van den Oroutes, omstreeks I UMI kilometer lang, en vorderde een talrijk
leger met vrouwen, kinderen, goederen en vee langzaam, maar toch, indien de opgave van onzen tekst
juist is, moet Kzra zich onderweg geruimen tijd opgehouden hebben. Verg. op VIII: 16—20.
10.  want. Dit geeft reden van de gunstige gezindheid van Jahwe.
11.  den priester-schriftgeleerde. Den eersten naam draagt Kzra ook X: 10, 10; Neh. VIII: 3 (verg.
op vs. 1—5); over den tweeden zie op vs. 0. Ueidc worden hem, behalve hier, ook vs. 12, 21 j Neh.
VIII: 10; XII: 26 gegeven.
12.  den God des hemels. Deze uitdrukking komt in dit bevelschrift nog vs. 21, 23 voor; overigens
heet Jahwe hier „de god van Israël" (vs. 15), „hun god" of „uw god" (vs. 16, 17), „de god van Jeru-
zalem" (vs. 19). Zie lul. — Volkomen, en zoo voort, waarschijnlijk: volkomen heil (verg. V: 7) en het-
geen verder tot ceuc bcgroetingsformule in brieven behoort. De vertaling van het eerste woord is
echter onzeker.
13.   zijne priesters. Hierna zouden wij niet de, maar zijne Levieten verwachten. Wellicht is de Le-
v iel en
toegevoegd.
14.  zijne zeven raadsheeren. Dezen komen nog vs. 15, 28; Est. I: 14 voor. Op laatstgenoemde plaats
hcetcn zij de zeven vorsten der Perzen en Meden die hei aangezicht des konings zagen, d. i. die in zijue
86
onmiddellijke nabijheid verkeerden. De voorstelling van den koning met zijne zeveu raadsheeren bcant-
woordt aan die van den (I\'erzisehcn) god Ahura-mazda met zijne zeven trawanten. — de tcet —
hebt,
die Ezra zou invoeren, Neh. VIII.
16.  het volk en de priesters, de Joden in Habylonië. Dat dezen wel eens giften voor den tempel zon-
den zie Zach. VI: 9—15.
17.  Daarom, overeenkomstig het doel waarmede die gelden gegeven zijn.
-ocr page 961-
1041
BZRA VII: 18—VIII: 2.
18       Wat u en uwen broederen zal goeddunken met het overige zilver en
19       goud te doen, dat moogt gij doen, naar den wil van uw god;\' maar
lever de vaten die men u geeft voor den eeredienst in het huis uws
20       gods voltallig af voor den god van Jeruzalem.\' En wat gij voor andere
henoodigdheden van het huis uws gods nog te betalen zult hebben
21       kunt gij betalen uit de koninklijke schatkist.\' Voorts wordt door mij,
koning Artahsjasta, gelast aan alle schatmeesters aan den overkant der
Rivier: alles wat Ezra, de priester, de geleerde in de wet van den
22       God des hemels, u vragen zal moet stiptelijk worden geleverd,\' tot
een bedrag van honderd talenten zilver, honderd ton tarwe, honderd
23       vaten wijn, honderd vaten olie, en zout zonder beperking.\' Al wat
volgens het gebod van den God des hemels is moet hoogst nauwgezet
voor het huis van den God des hemels gedaan worden; want waarom
zou er gramschap losbreken tegen de regeering van den koning en
24       van zijne zonen/\' Voorts wordt u kond gedaan, dat het niet vrijstaat
aan eenig priester, Leviet, zanger, portier, geschonkene of een
anderen bedienaar van dit huis Gods belasting, schatting of tol op te
25       leggen.\' En gij, Ezra, stel, naar de wijsheid uws gods die gij bezit,
overheden en rechters aan, om recht te spreken over het gansche volk
aan den overkant der Uivier, voor zoover zij de wetten uws gods
26       kennen: hem die ze niet kent zult gij ze leeren.\' En ieder die de wet
uws gods of die van den koning niet opvolgt, aan hem zal strikt recht
gedaan worden: hij zal hetzij ter dood of tot verbanning of tot boete
en gevangenis worden veroordeeld.
27           Geloofd zij Jahwe, de god onzer vaderen, die dit den koning in het
28       hart gaf tot versiering van het huis van Jahwe te Jeruzalem,\' en die
mij gunst heeft doen vinden bij den koning en zijne raadsheeren en
bij al de machtige vorsten des konings. Ik nu gevoelde mij gesterkt,
daar de hand van Jahwe, mijn god, over mij was, en bracht uit Israël
hoofden bijeen om met mij te trekken.
VIII: 1 Dit nu zijn hunne familiehoofden, met opgave van hun geslacht,
die onder de regeering van koning Artahsjasta met mij uit Habel zijn
2 getogen:\' uit de zonen van 1\'inehas Gersjom; uit die van Ithamar
19. de vaten — god: Zie VIII: 25—27.
20—23. Het is ondenkbaar dat een Perzisch koning aan een Joodsch priester de vergunning om
tot zulk een bedrag over \'s konings geld te beschikken gegeven zou hebben; verg. op VI: 9 v.
22.   honderd talenten zilver, ongeveer ƒ510.000. — ton, vaten. Zie op 1 Kon. V\'ll. — De bc-
docling is waarschijnlijk dat Ezra jaarlijks over dit bedrag beschikken mocht.
23.  waarom — zonen t Indien de offers in den tempel niet behoorlijk gebracht werden, zou God het
op den koning en zijne opvolgers verhalen. De koning spreekt als een die Jahwe als den cenigen God
en den cercdienst te Jeruzalem als den cenigen Godc wclgevalligcn beschouwt.
24.   De Syrische koning Antioehtis de Grootc (223—187) heeft eens een deel van het tempelpcr-
sonccl van hoofdgeld en kroonbclnsting vrijgesteld; maar dit geschiedde toen de hoogepriestcr aan
het hoofd des volks stond, en dus te zorgen had langs den een of anderen weg dat de koning het
zijne kreeg. Maar wat de Perzische koning hier aan alle bedienaren des tempels, tot de laagste toe,
vergunt: volkomen vrijdom vnn belastingen, getuigt vnn zulk eenc ongehoorde voorliefde voor nl wat
priesterlijk is, en zou den landvoogd voor zulke moeilijkheden gesteld hebben, dat de gchcelc zaak on-
geloofclijk is.
25.  het gansche — Rivier, de daar wonende Joden. Dezen werdon dus aan de rechters te Jeruzalem
onderworpen. Dit mocht een Joodsch ijveraar in den Griekachcn tijd zich als mogelijk kunnen voor-
stellen, maar was in K/ra\'s tijd eenvoudig ondenkbaar.
27.   Van hier nf is het oorspronkelijke weder Hcbrceuwsch en spreekt Ezra zelf. — tol — Jeru-
zalem.
Ezra gedenkt alleen \'s konings beschikkingen omtrent den tempeldicnst, niet die omtrent de
invoering der wet. Hieruit volgt met hoogc waarschijnlijkheid, dat in hetgeen hieraan in Ezra\'s eigen
geschrift voorafging niets vermeld was van de invoering der wet, wel van gunstige beschikkingen
des konings omtrent den tempel, die echter niet zoo buitensporig zullen geweest zijn als de Kroniek-
schrijver ze vs. 20—20 voorstelt.
28.  hoofden, met hunne onderhoorigen.
2—14. Onder do hier vermelde geslachten zijn twee priesterlijke geslachten, twaalf Israclictischc en
het Dnvidischc. De priesterlijke boeten naar een kleinzoon en een zoon van Aiiron t Pinehna en Ithamar.
O. T. I.                                                                                                                          60
-ocr page 962-
1042                                          bzra VIII: 2—17.
3       Daniël; uit die van David Ilattus,\' de zoon van Sjechanja; uit die
van Paros Zacharja — met hem stonden op het register honderd vijftig
4       mannen —\' uit die van Pahath-Moab Eljehoënai, de zoon van Zerahja,
5       en met hem tweehonderd mannen;\' uit die van Zatthu Sjechanja, de
6       zoon van Jahaziël, en met hem driehonderd mannen; \' uit die van Adin
7       Ebed, de zoon van Jonathan, en met hem vijftig mannen; \' uit die
van Elam Jezaja, de zoon van Athalja, en met hem zeventig mannen;\'
8       uit die van Sjefatja Zebadja, de zoon van Michaël, en met hem tachtig
9       mannen; \' uit die van Joab Obadja, de zoon van Jehiël, en met hem
10       tweehonderd achttien mannen; \' uit die van Bani Sjelomith, de zoon
11       van Jozifja, en met hem honderd zestig mannen;\' uit die van Bebai
Zacharja, de zoon van Bebai, en met hem acht en twintig mannen;\'
12       uit die van Azgad Johanan, de zoon van Hakkatan, en met hem hon-
13       derd tien mannen; \' uit die van Adonikam hoofden van lageren rang,
wier namen waren: Elifelet, Jeiël en Sjemaja, en met hen zestig man-
14       nen,\' en uit die van Bigwai Uthai, en met hem zeventig mannen.
15           Ik verzamelde hen aan de rivier die naar Ahawa stroomt, en wij
legerden ons daar drie dagen. Toen ik nu acht gaf op het volk en de
1G priesters, trof ik daar niemand van de Levieten aan.\' Daarom zond ik
Eliëzer, Ariël, Sjemaja, Elnathan, Jarib, Elnathan, Nathan, Zacharja
17 en Mesjullam, hoofden, benevens Jojarib en Elnathan, leeraars,\' met
eene opdracht tot Iddo, het hoofd in de plaats Kazifja, en gaf hun in
den mond wat zij moesten spreken tot Iddo, zijne broeders en de ge-
schonkenen die te Kazifja wonen: dat zij ons dienaren voor het huis
Blijkbaar worden bedoeld de twee grootc priestcrafdeclingcn die gewoonlijk naar Aiirons zonen
Klcazar en Ithnmnr hceten (zie inl. op 1 Kron. XXIV); uit onze plaats blijkt dat men in Ezra\'s tijd
als stamvader van de eerste, niet Eleazar, maar Pinehas noemde (verg. VIII: 33). De Israëlictischc gcslach-
tcn treffen wij ook aan II: 3—15 (Neh. VII: 8—20) — alleen is daar (vs. 6) Joab niet, als hier, een zelfstandig
geslacht, maar eene onderafdccling van Pahath-Moab — en Neh. X: 14—16, waar alleen Sjefatja en
Joab ontbreken; verg. X: 25—43. In de opgaven der cijfers wijkt 3 Kzra VIII: 31—12 hier en daar
van Hebr. t. af; de hoofdsom, hier 1490, bedraagt daar 1C90; welke de oorspronkelijke cijfers zijn,
is niet uit te maken. — Het twaalftal speelt in dit hoofdstuk cene groote rol: twaalf zijn hier de
Israëlictischc geslachten die Kzra medebrongt; wat niet toevallig is, daar om dit getal te verkrijgen
eene onderafdccling (Joab) tot een zelfstandig geslacht is gemaakt; aan twaalf priesters en twaalf
Levieten worden de tempelvatcn toevertrouwd (vs. 24); het aantal offerdieren dat de teruggekeerden
offeren is twaalf of een veelvoud daarvan (vs. 35). Blijkbaar stelt Ezra de door hem teruggevoerde
ballingen als de twaalf stammen, als Israël, voor.
2. Daniël komt ook Neb. X:0 voor; 3 Ezra VIII: 32 Gamaliël. — Ilaltut is 1 Kron. 111:22
kleinzoon van Sjechanja. Volg. Neh. XII: 2 was hij een priester, met Zerubbabcl teruggekeerd; verg.
Neh. III: 10.
8. de zoon van, volg. 3 Ezra VIN: 32; Hebr. t. van de zonen van.
5. Zatthu, uit Gr. vert. en 3 Ezra VIII: 35 ingevoegd.
10. Bani, uit 3 Ezra VIII: 39 ingevoegd.
13.  hoofden van lagiren rang. Het schijnt dat dit geslacht geen erkend hoofd had.
14.  Na Uthai heeft Hebr. t. en Zabbud of en Zakkur; weggelaten volg. Gr. vert.; met hem bewijst
dat slechts een naam voorafging.
15.  Ahawa, onbekend. Vs. 21, 31 heet de rivier zelve zoo.
10—20. Het oponthoud, door deze zending veroorzaakt, kan cene der redenen van den langen duur
der reis geweest zijn; zie op VII: 9.
10. Van de hier voorkomende namen treffen wij vele ook in de lijst X: IS—13 aan: Eliëzer X:18,
23, 31; Sjemaja (ook vs. 13) X:21, 31; Jarib X:1S; Nathan X: 39; Zacharja X:2G; Meijullam
X:15, 29. Of dezelfde personen bedoeld zijn, weten wij niet; vele Joden van dezon tijd droegen
dezelfde namen; zelfs komen in ons vers drie met den naam Elnathan voor, nevens wie nog eon
bijna gelijknamige Nathan vermeld wordt. Ariël en Elnathan vinden wij alleen hier; Metjullam is
Neh. XII: 13, 16 de naam van twee priesterhoofden (verg. Neh. 111:4, 0, 30); Zacharja en Metjullam
komen als Levictennamcn ook Neh. VIII: 5 nevens elkander voor; Sjemaja en Jojarib zijn namen van
pricsterhoofden ten tijde van Zenibbabcl, Neh. XII: 6, 18 v. (verg. Neh. XI: 10); Zacharja die van
oen priesterhoofd ten tijde van Jojakim, Neh. XII: 10, 35, 41.
17. Iddo, anders geschreven dan de naam van het Neh. XII: 4, 10 vermelde pricsterhoofd ten tijde
van Zerubbabcl en die van den vader van den profeet Zacharja (zie op Zach. 1:1). Hij wns
blijkbaar een overheidspersoon in de ons onbekende plaats Kazifja. Uit de vereeniging van hem en
zijne broeder» met de getchonkenen volgt waarschijnlijk dat zij Levieten waren; maar de lezing van
de getchonkenen is onzeker. — de getchonkenen. Zie over dezen inll. op Num. III, IV en op Joz. IX en
-ocr page 963-
BZRA VIII : 17—30.
1043
18      van onzen god zouden brengen. \' Dienvolgens brachten zij ons, daar de
zegenende hand onzes gods over ons was, eenige mannen van doorzicht:
uit de zonen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon van Israël,
19      Sjerebja met zijne zonen en broeders, achttien man,\' en Hasjabja met
Jezaja, uit de zonen van Merari, met zijne broeders en zonen, twintig
20      man;\' voorts van de geschonkenen die David en de vorsten ten dienste
der Levieten geschonken hadden tweehonderd twintig, die allen met
name vermeld zijn.
21           Nu kondigde ik daar, aan de rivier de Ahawa, een vasten af, opdat
wij ons zouden verootmoedigen voor onzen god, om van hem af te
bidden eene voorspoedige reis voor ons, onze kinderen en al onze have.\'
22      Want ik schaamde mij den koning te vragen om eene legermacht en
ruiters tot onze bescherming tegen vijanden onderweg; want wij had-
den tot den koning gezegd: De hand onzes gods is zegenend over allen
die hem zoeken, maar zijne macht en zijn toorn zijn tegen allen die
23      hem verzaken.\' Zoo vastten wij en baden onzen god hierom, en hij
liet zich door ons verbidden.
24          Toen zonderde ik twaalf van de priestervorsten af, alsmede Sjerebja
25      en Hasjabja met een tiental uit hunne broederen,\' en woog hun af het
zilver, liet goud en de vaten, de wijgaven van het huis onzes gods,
welke de koning, zijne raadsheeren en vorsten, en gansch Israël dat
26      daar woonde geschonken hadden.\' Zoo stelde ik hun afgewogen ter
hand: aan zilver zeshonderd vijftig talenten, en zilveren vaten ter
27      zwaarte van honderd talenten, aan goud honderd talenten,\' twintig
gouden bekers ter waarde van duizend darieken, en twee vaten van
28      geglansd koper, even kostbaar als goud.\' En ik zeide tot hen: Gij
zijt aan Jahwe geheiligd, de vaten zijn heilig, en het zilver en goud
29      is vrijwillige gave aan Jahwe, den god uwer vaderen;\' waakt er over
en bewaart liet totdat gij het kunt afwegen aan de priestervorsten, de
Levieten en de familiehoofden van Israël te Jeruzalem, in de vertrekken
30      van Jahwe\'s huis.\' Hierop namen de priesters en de Levieten het
zilver en het goud, alsmede de vaten, in ontvangst, om ze naar Jeru-
zalem in het huis onzes gods te brengen.
aautt. op 11:43—5-1; Num. 111:9 en Joz. IX: 21, en verg. op vs. 20. — zijne broeden en, volg.
3 Ezra VIII: 47; Hebr. t. zijn broeder.
18.   eenige mannen van doorzicht, volg. 3 Ezra VIII: 48; Hebr. t. beeft het enkelvoud. — Sjerebja.
Hebr. t. laat en voorafgaan, dat volg. 3 Ezra VIII: 48 is weggelaten. Hij komt nog voor vs. 24; Neh.
VIII:8; IX:4v.; X:12; XII:8, 24.
19.  llaejabja komt als Leviet nog voor vs. 24; Neh. X: 11; XII: 24 (verg. XI: 15); als priesterhoofd
Neh. XII: 21. — Jezaja is alleen hier de naam van een Leviet. — uit de zonen van Merari. Hit slaat alleen
op den laatstgenoemden of op de twee laatstgenoemden terug, niet op Sjerebja, die, vs. 18, uit de
zonen van Mahli
heet; Merari en Mahli staan hier dus als twee Levietischo geslachten nnast elkan-
dcr, wat in strijd is met Exod. VI: 18, waar Mahli eene onderafdecling van Merari is.
20.   de getchonketien — hadden. Zie op vs. 17. Hat zij ten diemte der Levieten waren geschonken
is niet geheel juist; zij waren ten dienste van het heiligdom, dus van de daarin dienstdoende priester-
schap; maar daar zij het geringste werk deden, kon men hen do slaven der Levieten noemen. Hit
waren zij echter nog niet ten tijde van Havid. Immers, al kan reeds deze koning, evenals Salomo
na hem (zie op 11:55—58), een deel der onderworpen Kanaanietische bevolking aan heiligdommen
verbonden hebben, deze lieden kunnen toen niet aan de Levieten zijn geschonken, daar er toen geen Le-
vieten in den hier bedoelden zin waren. — die — zijn. Of dit het geval was in de Gedenkschriften
van Ezra, die dos hier eene bekorting zouden hebben ondergaan, weten wij niet.
24.   Zie op vs. 2—14. — altmede, volg. 8 Ezra VIII: 55 ingevoegd. — Sjerebja en Haejabja.
Zie vs. 18 v. — Volg. 1 Kron. XXVI: 20—28 waren uitsluitend Levieten belast met de bewaring der
tempclschatteu.
25.  Zie VII: 15—19.
26 v. Een talent zilver is /5000, een talent goud ƒ 81.000, eene dariek ruim ƒ 13 (zio op 1 Kron.
XXIX: 7). In plaats van twee telt 3 Ezra VIII: 58 tien of twaalf koperen vaten.
29. familiehoofden, volg. verb. t.; Hebr. t. familievortte». — in ontbreekt in Hebr. t.
30.  het zilver. Grondt, laat hieraan het gewicht of, met verandering van een klinker, het gewicht
van
voorafgaan.
-ocr page 964-
BZRA VIII: 31—30.
1044
31           Toen braken wij op van de rivier de Ahawa, op den twaalfden dag
der eerste maand, om naar Jeruzalem te trekken. En de hand onzes
gods was over ons: hij verloste ons uit de hand van vijand en belager
32       op den weg,\' en wij kwamen te Jeruzalem. Nadat wij daar drie dagen
33       hadden vertoefd,\' werden den vierden dag in het huis onzes gods het
zilver, het goud en de vaten gewogen en ter hand gesteld aan den
priester Meremotli, den zoon van Uria, en aan Eleazar, den zoon van
J\'inelias, terwijl de Levieten Jozabad, de zoon van Jezua, en Noadja,
34       de zoon van Binnuj, bij hen waren; \' alles werd geteld en gewogen,
en het gezamenlijk gewicht te dier tijd opgeschreven.
35           De uit de gevangenschap gekomenen, de ballingen, brachten brand-
offers aan den god van Israël: twaalf stieren voor gansch Israël, zes
en negentig rammen, twee en zeventig lammeren, twaalf zondotfer-
30 bokken, alles ten brandoffer voor Jahwe.\'\' Voorts overhandigden zij de
bevelschriften des konings aan de koninklijke satrapen en landvoogden
van het gebied aan den overkant der Rivier; waarop dezen aan het
volk en het huis Gods hulp verleenden.
31.  Daar Kzra ccnigcti tijd heeft noodig gehad om van Kabel naar de Ahawa te trekken, en hij daar
volg. vs. 15 drie dagen gebleven is voordat hij gezanten uitzond om Levieten te zoeken, moeten dezen,
indien Kzra niet vroeger dan den eersten van diezelfde maand uit Kabel is vertrokken (VII: 9), in
ongeloofelijk korten tijd marschvnurdig geweest zijn. Daarom is de tijdsbepaling van VII :!> waarschijn-
1 ijk niet aan Kzra\'s geschrift ontleend maar door den Kroniekschrijver bedacht. — op den — maand.
Als met de drie dagen van vs. 15 de eerste drie van de maand (verg. VII: 9) bedoeld zijn, heeft de
aanwerving der Levieten een uitstel van negen dagen veroorzaakt.
32.   wij kwamen te Jeruzalem, volg. VII: 9 op den eersten der vijfde maand. — drie dagen. Zoo-
lang neemt ook Nchcmjn rust bij zijne komst te Jeruzalem, N\'eh. 11:11.
33.  Miremoth, de» zoon van Uria. Deze komt ook Nch. III:4, 21; X: 5 voor. Volg. Nch. XII: 3 was hij met
Zcrubbubcl teruggekeerd. — Jozahad, de zoon van Jezua, waarschijnlijk ook X:23; Neh. XI: 10 bedoeld.
— Binnuj. Zoo heet Xch. XII: 8 een met Zerubbnbcl teruggekeerde; verg. op Nch. 111:24.
35 v. Deze verzeu onderscheiden zich van hetgeen voorafgaat en hetgeen volgt hierdoor dat niet
Kzra zelf spreekt. De Kroniekschrijver heeft dus het oorspronkelijke gewijzigd; waarom hij dit noodig
achtte, kunnen wij niet gissen.
35. ttcaalf. Zie op vs. 2—14. Ook de overige getallen zijn veelvouden van twaalf. — tweeënzeventig,
volg. 3 Kzra VIII: 07; Hcbr. t. zeven en zeventig.
80. bevelschriften. In het voorgaande is slechts een vermeld. — het gebied aan den overkant der
Rivier,
d. i. ten westen van den Kufraat. Zie op 1 Kon. IV: 24.
HOOFDSTUK IX, X.
Kzrn\'s maatregelen ten aanzien der gemengde huwelijken. — Als Kzra verneemt dat het volk zich
niet vnn de heidenen heeft afgezonderd, bedrijft hij rouw en zit als wezenloos ter neder, terwijl velo
godvrcczcudcn zich om hem scharen (IX S]—1); tegen den tijd van het avondofler staat hij op cu
bidt (5): Israël, om zijne zonden naar verdienste gekastijd, heeft nauwelijks, door Jahwe\'s erbarmen,
eenigc verlichting van straf verkregen, of het heeft zijne schuld verzwaard door Jahwe\'s verbod zich
met de heidenen te vermaagschappen te overtreden, cu kan slechts het ergste verwachten (0—15).
Als hij bidt, verzamelt zich cene talrijke menigte, weenend, om hem (X:l); Sjcchanja wekt hem op
om maatregelen te nemen dat de vreemde vrouwen worden weggezonden, en belooft hem steun (2—1);
Kzra laat het volk zweren dat te zullen doen (5); waarop hij in het vertrek van Johanan, den
zoon van Kljasjib, rouw bedrijvend gaat overnachten (0). De ballingen worden te Jeruzalem samen-
gerocpen (7 v.) en vergaderen den twintigsten van de negende maand op het tempelplein onder een
stortregen (9); als Kzra hen vermaant alle vreemde vrouwen weg te zenden, stemmen zij daarin toe,
maar stellen tevens voor, de nadere regeling aan den rand der voornamen over te laten; waartoe bc-
slotcn wordt (10—löa); Kzra draagt het onderzoek op aan do familiehoofden; dio den eersten dag
van de eerste maand daarmede gereed komen (104, 17). Lijst van hen die met vreemde vrouwen gc-
huwd waren: priesters (18—22), Levieten, zangers, portiers (23 v.), Israëlieten (25—48). Onder-
schrift (44).
In het eerste dezer hoofdstukken, die wij ook 3 Kzra VIII: 09—IX: 30 aantreffen, spreekt Kzra
zelf, in het andere wordt over hem gesproken. Daaruit volgt niet dat H. IX in zijn geheel uit Kzrn\'s
Gedenkschriften cu II. X geheel van den Kroniekschrijver is; want deze heeft ook in het eerste wijzi-
-ocr page 965-
bzua IX : 1—7.                                            1045
gingen aangebracht (zie op IX: 1, 4 en S v.) en ook het laatste in hoofdzaak aan Ezra\'s geschrift ont-
lccnd. Maar wel is hij in H. X veel vcnler ilan in II. IX van het oorspronkelijke geschrift afgc-
wcken. Dit blijkt ook uit den inhoud; deze is ten dcelc onvolledig: telkens is, meestal met opzet,
iets weggelaten dat in het oorspronkelijke verhaal niet kan hebben ontbroken (zie op X:l, 15 v. en
44); ten deelc onduidelijk (zie op X : 12—17). De reden waorom de Kroniekschrijver de voorstelling
van zijn zegsman niet altijd overnam is licht te gissen. De poging van Kzrn om de huwelijken van
Israëlieten met vreemde vrouwen ontbonden te krijgen heeft niet slechts hevigen tegenstand ontmoet
(zie X:12—15), maar is ten slotte mislukt (zie op X: 44). Dit wilde de Kroniekschrijver vcr-
blocmcu. Daarom heeft hij juist die gedeelten waaruit dit het duidelijkst moest blijken weggelaten,
of ze zoo onduidelijk gemaakt dat de ware toedracht der zaak er nog slechts met moeite iu te ont-
dekkcu is.
IX: 1 Zoodra men hiermede gereed was, traden de vorsten op mij toe en
zeiden: Het volk, Israël, de priesters en de Levieten, heeft zich niet
afgezonderd van de volken der landen, in hunne afschuwelijkheden,
van de Kanaiinieten, Hittieten, 1\'erizzieten, Jebuzieten, Ammonieten,
2       Moabieten, Egyptenaren en Amorieten;\' want zij hebben uit hunne
dochteren voor zich zelven en hunne zonen vrouwen genomen, zoodat
het heiligo zaad zich met de volkeren der landen vermengd heeft; en
3       de vorsten en regenten zijn in dit vergrijp voorgegaan.\' Toen ik
dit hoorde, scheurde ik mijn kleed en mijn mantel, trok mij het
4       haar uit hoofd en baard en zat ontzet ter neder.\' En tot mij verza-
melden zich allen die ontsteld waren door de woorden van Israëls god
over het vergrijp der ballingen. Ontzet bleef ik zitten tot aan het
5       avondoffer.\' Maar toen het de tijd van dit offer was, stond ik uit mijne
verootmoediging op, terwijl ik mijn kleed en mijn mantel scheurde,
boog mij op de knieën, strekte de handen uit tot Jahwe, mijn god,\'
6       en zeide: Mijn god, ik ben te beschaamd en verlegen om mijn aangezicht
tot u, mijn god, op te beuren; want onze zonden zijn ons boven het
7       hoofd gewassen, en onze schuld is hemelhoog.\' Van den tijd onzer
vaderen af tot op dezen dag toe zijn wij in groote schuld; om onze
zonden zijn wij, onze koningen en onze priesters overgeleverd aan de
koningen der landen, aan zwaard en gevangenschap, aan plundering en
1.   Zoodra — was. Do woorden zijn van den Kroniekschrijver (verg. 2 Kron. XXIX: 29; XXXI: 1),
in Ezrn\'s bock zal wel ecne nauwkeuriger tijdsbepaling hebben gestaan. liet hier verhaalde had tus-
schen den eersten dag van de vijfde (Vil : 8) en den twintigsten van de negende maand (X: 9) plaats;
waarschijnlijk, daar Ézra nog geheel onkundig is van hetgeen men hem mededeelt, niet lang na zijne
aankomst. — in (volg. Gr. vert.; Hebr. t. naar) hunne afschuwelijkheden. De Israëlieten hadden dus hunne
zeden en gebruiken overgenomen. — Kanaiinieten — Amorieten, cene even onoordeelkundige optelling
van \'s landt uict-Isrnclietische bevolking, de tolken der landen of het volk des lands gehcetcn, als die
welke in üeut. VII: 1 (zie aldaar) en elders voorkomt. Kanaiinieten en Amorieten (zie op Gen. X:
16), Uitlieten, Perizzieten en Jebuzieten waren, voor zoover zij in I\'nlcstina woouden, reeds met Israël
versmolten; Ammonieten, Moahieten en Egyptenaren staan zeer vreemd tusschen de andere iu en zijn
waarschijnlijk aan Deut. XXIII: 3—7 ontlceud. Dientengevolge wordt het verbod van huwelijken met
vreemde vrouwen, in Eiod. XXXIV : 12—10; Deut. VII: 8 v. alleen ten aanzien van de Kanaanictcu
gegeven, feitelijk tot alle buitenlanders uitgebreid; eveuzoo Mal. 11:11.
2.   het heilige zaad. Zie Jez. VI: 13; Mal. 11:15 en verg. Neh. IX : 2. — de vorsten — voor-
gegaan,
letterlijk de hand der vorsten en regenten is in dit vergrijp de eerste geweest.
3.   Het scheuren van de klcedercn en het uitrukken van hoofd- en baardhaar waren teckenen
van rouw.
4.  die — god, de godvreezenden. In X : 3 hecten zij die ontsteld waren door de wet van onzen jjod.
Verg. Jez. LXVI:2, 5. — Met de ballingen worden bedoeld de tijdens (\'yrus teruggekeerden
en zij die zich bij hen hadden aangesloten (zie op IV : 1), dus do Isrnclietischo bevolking die Kzra
iu Knnniui aantrof; evenzoo X:ö—8. Do woorden over hel vergrijp der ballingen zijn zeker van den
Kroniekschrijver. — tol aan het avondoffer. Dezelfde tijdsbepaling 1 Kon. XVIII: 20; verg. 2 Kon.
XVI: 15.
6—15. Dit gebod vertoont trekken van overeenkomst mot Neh. IX: 7—87 j vorg. vs. 7 met Noh.
IX: 32, 34; vs. 0 met vs. 36; vs. 15 met vb. 33 enz. Zie ook Dan. IX: 4—10.
6.  onze — gewassen. Verg. Ps. XXXVIII: 4, ook Ps. LXV: 4«.
7.   de koningen der landen, dio van Assyrië, Dabylonic en Perzië. Evenals Neh. IX: 32, wordt hier
de straftijd geacht begonnen te zijn met de onderwerping van Israël aan Assyric.
-ocr page 966-
1046
bzra IX: 7—X: 1.
8      beschaming des aangezichts, zooals nog heden het geval is.\' En nu is
sedert kort vanwege Jahwe, onzen god, erbarmen betoond, zoodat hij ons
eene rest heeft overgelaten en ons een bout heeft gegeven in zijne
heilige plaats, om onze oogen te verhelderen en ons in onze dienst-
9      baarheid een weinig verademing te schenken.\' Want wel zijn wij
dienstbaar; doch in onze dienstbaarheid heeft onze god ons niet ver-
laten, maar ons gunst doen vinden bij de koningen der Perzen, zoodat
zij ons verademing schonken, om het huis van onzen God weder op te
richten en zijne puinhoopen te herstellen, en ons een muur gaven in
10      Juda en Jeruzalem.\' Wat kunnen wij nu, o onze god, na deze dingen
11      zeggen 1 Want wij hebben de geboden verzaakt\' die gij gegeven hebt
door uwe dienaren de profeten, als zij zeiden: Het land waarin gij
komt om het in bezit te nemen is een vervuild land door de vuilheid
van de volkeren der landen, door de afschuwelijke dingen waarmede
zij het in hunne onreinheid van het eene einde tot het andere ver-
12      vuild hebben;\' geeft dan uwe dochters niet aan hunne zonen en neemt
voor uwe zonen hunne dochters niet, en bevordert nooit of nimmer
hun geluk en hun welzijn; opdat gij sterk wordt en het goede des
13      lands eet en dit voor altijd uwen zonen ter bezitting laat.\' Na alles
wat ons overkomen is om onze booze werken en onze groote schuld
— want gij, onze god, hebt nog verschoonend een deel onzer tekort-
koming voorbijgezien en ons eene rest, zooals hier is, gelaten —\'
14      zouden wij weder uwe geboden verbreken en ons vermaagschappen
met deze afschuwelijke volken? Zoudt gij dan niet tegen ons toornen
15      totdat wij vernietigd zijn, zonder overschot en zonder rest?\' Jahwe,
god van Israël, gij zijt rechtvaardig; want als eene rest zijn wij thans
overgebleven. Hier zijn wij voor uw aangezicht in onze schuld; want
wij kunnen hierom voor u niet bestaan.
X: 1        Terwijl nu Ezra bad en de schuldbekentenis aflegde, weenend en zich
nederwerpend voor het huis Gods, had eene zeer groote menigte uit
Jeruzalem, mannen, vrouwen en kinderen, zich bij hem verzameld;
V». 124. Deut. XXIII: 6.
8 v. Met het door Jahwe betoonde erbarmen kan niet gedoeld zijn op het feit dat hij in 58C eene
rest in Kanaan deed overblijven of in 538 de ballingen deed terugkeeren; hiervan toch zou tederl
kort
niet kunnen gelden. liet ziet op den terugkeer van Ezra en de zijnen, die mot de Israclietische
bevolking in Kanaün eene reit konden hectcn. Deze was een bout; want, evenals een bout of spijker
in een huis dient om allerlei voorwerpen aan op te hangen (verg. op Jez. XXII: 23), zoo was dit
overschot van Israël in Palestina het middelpunt waarom zich het volk in de verstrooiing herzamc-
len kon. Verg. Neh. IX: 31. De tcmpolbouw, die in vs. 9 vermeld wordt, is echter niet door deze
rest tot stand gebracht en evenmin een blijk van een eerst sedert kort door Jahwe betoond erbar-
ini\'ii; wij moeten het er dus voor houden, öf dat Ezra bij het vermelden van onlnngs ondervonden
zegen onwillekeurig te ver in het verleden teruggrijpt, öf dat de woorden om — herstellen, die
zonder schade voor den zin kunnen gemist worden, niet uit Kzra\'s geschrift maar van den Kroniek-
schrijver zijn, die gemeend kan hebben dat hier sprake was van het herstel van Israël in den tijd
van Cyrus.
8.  om onze oogen te verhelderen. Hierna is met Gr. vert. onze god weggelaten.
9.  een muur, beeld van de bescherming waardoor de Perzische koningen Isracls volksbestaan waar-
borgden.
11 v. Deze woorden zijn in den stijl en den geest van Deuteronomium, zelfs ten dcelc aan dit boek
ontleend; zie Deut. VII: 3; XI:8j XXIII:6j verg. Exod. XXXIV:15v. Dot Ezra ze den profeten
toeschrijft wil niet zeggen, dat hij ze in een profetisch geschrift heeft aangetroffen, maar dat dezen,
naar zijne mcening, in dicnzelfdcn geest hebben gepredikt.
13. want — gelaten. Verg. Neh. IX: 81; Ps. CM: 10.
15. want — overgebleven. Dat er nog eene rest van Israël ovor was was een bewijs van Jahwo\'s
erbarmen (vs. 13); dat er slechts eene rest van over was, een bewijs van zijne rechtvaardigheid. —
Kant wij — bestaan. Verg. Ps. CXXX: 3.
1. Van hier of verhaalt Ezra zelf niet meer. — voor het huit Gods. Dat hij hier was is in
het voorgaande niet gezegd. — had — verzameld. Volg. IX\'. 4 waren allen die ontsteld waren door
de woorden van Isracls god reed» bij hem. — uit Jeruzalem, volg. 3 Ezra Vin: 98; Hebr. t.
ii i7 Israël,
-ocr page 967-
BZRA X : 1—10.
1047
2       want het volk was in een heftig geween uitgebarsten.\' En Sjechanja,
de zoon van Jehiël, uit de zonen van Elam, nam het woord en zeide
tot Ezra: Wij hebben een vergrij]) gepleegd tegen onzen god, door
vreemde vrouwen, van de volkeren des lands, in huis te nemen. Toch
3       is er ten deze hoop voor Israël.\' Laat ons dan een verbond met onzen
god sluiten, dat wij alle vrouwen en die uit haar geboren zijn zullen
wegzenden, volgens den raad van mijnen heer en van hen die ontsteld
zijn door het gebod onzes gods; en naar de wet zal gehandeld worden.\'
4       Op! want de zaak rust op u, en wij zijn met u; wees sterk en handel.\'
5       Nu stond Ezra op en deed de priestervorsten, de Levieten en gansch
Israël zweren dat naar dit woord gehandeld zou worden, en zij legden
C den eed af.\' Hierop verliet Ezra de plaats vóór het huis Gods, ging
naar de kamer van Johanan, den zoon van Eljasjib, en overnachtte
aldaar, zonder brood te eten of water te drinken; want hij rouwde
7       over het vergrijp der ballingen.\' Nu deed men in Juda en Jeruzalem
eene oproeping uitgaan tot alle ballingen, dat zij zich te Jeruzalem
8       zouden verzamelen;\' wie niet binnen drie dagen kwam, al zijne have
zou, volgens besluit der vorsten en oudsten, met den banvloek getroffen
worden, en hij zelf zou van de gemeente der ballingen worden alge-
scheiden.
9           Dientengevolge verzamelden zich na drie dagen alle mannen van
Juda en Benjamin te Jeruzalem; het was de negende maand, op den
twintigsten dier maand; en al het volk zette zich op het plein van het
huis Gods, bevend vanwege de zaak zelve en vanwege de stortregens.\'
10 En Ezra, de priester, stond op en zeide tot hen: Gij hebt een vergrijp
2.   Een Jehiël, vil de zonen van Elam komt vs. 26 voor in de lijst van hen die met vreemde
vrouwen gehuwd waren. Is dit dezelfde aU de hier vermelde, dan heeft Sjechanja de wegzending van
zijne eigen moeder of stiefmoeder aangeraden. Sjechanja behoorde dan niet tot de met Ezra tcruggc-
keerden. — in huis te nemen. Alleen hier on vs. 10, 14, 17 v.; Neh. XIII: 23, 27 wordt deze uit-
drukking voor „huwen" gebruikt. Waarschijnlijk wordt dit woord opzettelijk vermeden: het was in
de schatting dos schrijvers geen huwelijk, slechts een samenwonen. — Toch — Israël, wat Ezra, blij-
kens IX: 14, niet durfde deuken.
3.  een verbond met onzen god sluiten, ceno verbintenis tegenover hem aangaan. — volgens den raad
van mijnen heer
(met verandering van een kliuker, naar Gr. vert. en 3 Ezra VIII: 95 j Hcbr. t.
den lieer) — gods. Ezra en de vromen (verg. op IX: 4) zullen beslissen, hoe.
5.  Nu — op. Hij had dus zoolang Sjechanja sprak op den grond gelegen, vs. 1.—de priestervorsten,
de Levieten en gansch Israël.
Hiermede schijnen bedoeld te zijn al do vromen die zich om Ezra vcr-
zameld hadden; daar dezeu echter bezwaarlijk zoo genoemd konden worden, is de uitdrukking waar-
schijnlijk niet van Ezra zclven, maar van den oinwerker.
6.   de — Eljasjib. Waarschijnlijk is deze Johanan dezelfde als de hoogepriester van dien naam,
die Neh. XII: 23 zoon van Eljasjib beet, maar Neh. XII: 10 v. (waar hij Jonathan heet), 22 als zijn
kleinzoon wordt aangeduid. Daar Eljasjib (over wicn zie op Neb. 111:1) nog in het 32ste jaar van
Artaxerxes hoogepriester was (Neh. XIII: 6), is het onwaarschijnlijk dat zijn zoon of kleinzoon reeds
in het 7de jaar diens konings — want het hier verhaalde had plaats kort na Ezra\'s komst te Jeru-
zalem (zie IX: 1) — een vertrek in den tempel had (verg. Neh. III: 30) en derhalve een aanzienlijk
man was. Waarschijnlijk is dus het tijdstip van Ezra\'s tocht in VII: 8 v. verkeerd opgegeven. Over
de kamers zie op 2 Kon. XXIII: 11. — overnachtte, volg. 8 Ezra IX: 2; Hebr. t. ging. — Uit deze
plaats schijnt te volgen dat Johanan ecu geestverwant van Ezra was. — ballingen, in dit en het vol-
gende vers als in IX: 4; zie aldaar.
7.   Wanneer dit plaats had, hooren wij niet. Stellig was er na het vs. 6 verhaalde eenige tijd
verloopen.
8.   al — met den banvloek getroffen worden. Waarschijnlijk wordt bedoeld verbeurdverklaring ten
bate van het heiligdom. — de gemeente der ballingen, do godsdienstige gemeenschap van alle Israc-
lieten die zich van do onreine landsbcvolking hadden afgezonderd en waarvan de teruggekeerden do
kern uitmaakten. Daar zulk eene gemeente volg. Neh. IX, X eerst door Ezra en Nehemja is tot stand
gekomen, kan Ezra zo niet reeds bij zijno komst in Kanaün hebben aangetroffen. De voorstelling is
van den Kroniekschrijver, volgens wieu de vorming dor gemeente reeds tijdens den tcmpelbouw had
plaats gehad; zie VI: 21.
9.   de negende maand, Kislew, ongeveer December (zie op Exod. XII: 2), do regentijd. Do vergade-
ring had dus plaats ruim vier maanden na Ezra\'s komst te Jeruzalem; verg. op IX: 1. — hel plein
va» het huis Gods,
ton oosten van den tempel, vóór de Waterpoort, Neh. VIII: 2.
10.  waardoor — hebt. De oude schuld was nog niet geheel geboet; verg. IX: 13 v.
-ocr page 968-
ezra X: 10—19.
1048
gepleegd en vreemde vrouwen in luns genomen, waardoor gij de schuld
11       van Israël vermeerderd hebt.\' Brengt dan hulde aan Jahwe, den god
uwer vaderen, en doet wat hem behaagt: zondert u af\' van de volken
12       des lands en van de vreemde vrouwen.\' Hierop antwoordde de gansche
gemeente en zeide met luider stem: Zoo, naar uw woord, zijn wij ver-
13       plicht te handelen. \' Edoch, het volk is talrijk, en het is de regentijd,
zoodat het buiten niet is uit te houden; ook is het geen werk voor
éen of\' twee dagen, daar wij in deze zaak veel misdreven hebben.\'
14       Laten toch onze vorsten voor de gansche gemeente optreden, en dat
alle bewoners onzer steden die vreemde vrouwen in huis genomen hebben,
met de oudsten en rechters van elke stad, op bepaalde tijden hier
komen; ten einde den gloeienden toorn onzes gods te dezer zake van
15       ons af te wenden.\' (Slechts Jonathan, de zoon van Azaël, en Jahzeja,
de zoon van Tikwa, kwamen hiertegen in verzet, terwijl Mesjullam
10 en de Leviet Sjabbethai hen ondersteunden.\' En de ballingen deden
alzoo. Dienvolgens zonderde Ezra, de priester, eenige mannen af, de
familiehoofden naar hunne familiën, allen met name vermeld, en
dezen hielden zitting op den eersten dag van de tiende maand om de
17       zaak te onderzoeken,\' en zij kwamen gereed met al de mannen die
vreemde vrouwen in huis genomen hadden, den eersten dag van de
eerste maand.
18           Onder de zonen der priesters bleken er te zijn die vreemde vrouwen
in huis genomen hadden; van de zonen van Jezua, den zoon van
19       Josadak, en zijne broeders: Maiizeja, Eliëzer, Jarib en Gedalja.\' Zij
verbonden zich met handslag hunne vrouwen weg te zenden, en ver-
11.  Brengt dan hulde aan Jahwe. Zie op Joz. VII: 19.
12—17. Er i» in deze voorstelling iet* duisters. Duur de schrijver bedoelt dat ten gevolge van
do scherpe bedreigingen vau vs. 8 de gehcclc Israëlietische bevolking, dus ook zij die met vreemde
vrouwen gehuwd waren, ter vergadering was opgekomen, en deze ten volle met Ezra\'s woorden in-
stcindc, begrijpen wij niet dat de vergadering niet terstond besloot de vreemde vrouwen weg te zenden
en nog een opzettelijk onderzoek naar de schuldigen noodig achtte. De voorstelling is blijkbaar van
den Kroniekschrijver; in het oorspronkelijke geschrift van Ezra is die instemming waarschijnlijk niet
zoo eenparig geneest, het voorstel in vs. 14 wellicht uitgegaan van cene minderheid, Kzra\'s gccstvcr-
wanten, en zullen de tegenstanders van vs. 15 wel uit naam van zeer velen hebben gesproken.
12.  de gansche gemeente, vs. 8 de gemeente der ballingen, vs. 10 de ballingen genoemd.
14.  alle — hebben. Vim do overtreders die te Jeruzalem woonden wordt niet gerept. Dat ook zij
voor de vorsten moesten verschijnen spreekt vanzelf.
15 v. Dat tegen den voorslag van Ezra, de vrecindo vrouwen weg te zenden, verzet ontstond ver-
wondert ons niet en weten wij ook van elders (zie inl. op Rulh). Wat er ons hier van wordt mede-
gedeeld is onvolledig: wij vernemen niet, hoe de tegenstand gebroken of wellicht aan de bezwaren
te gemoct gekomen werd; ook kan vs. 10 oorspronkelijk niet het onmiddellijk vervolg van vs. 15 gc-
wecst zijn. Hoogstwaarschijnlijk heeft Ezra in zijne Gedenkschriften hierover meer medegedeeld en is
dit door den Kroniekschrijver weggelaten.
15.  Mesjullam wordt wellicht ook VIII: 10 (zie aldaar) aangetroffen, Sjahbelhai Nch. XI: 10.
10. zonderde — af, volg. verb. t.; Ilebr. t. werden de priester Ezra (volg. Gr. vert. en) eenige
mannen afgezonderd.
— de familiehoofden naar hunne familiën, zoodat elke familie door haar hoofd
vertegenwoordigd was. — allen met name vermeld, waarschijnlijk iu Kzra\'s Gedenkschriften; verg. VIII: 20.
17. met al de mannen, volg. verb. t.; Ilebr. t. met alles, mannen. Wellicht is met alles de ware
tekst en zijn de woorden de mannen — hadden eens het opschrift boven de lijst van vs. 18—48 gc-
wvcst en hier bij vergissing in den tekst geslopen.
18—44. In deze lijst komen voor: zeventien priesters, zes Levieten, éen znngcr, drie portiers en
zes en tachtig leckeu, in het geheel honderd dertien mnnncii. Dat zij niet ongerept tot ons gekomen
is blijkt reeds hieruit dat de namen der portiers (vs. 24) die van geslachten, niet van personen, zijn;
zie ook op vs. 25—43. Opmerking verdient het groot aantal gelijknamige personen dat wij hier aan-
treffen; sommige namen komen viermaal, andere driemaal, een groot aantal tweemaal voor.
18—22. Do hier genoemde priesterlijke geslachten zijn dezelfde nis die van 11:80—39; Noh. VII:
39—42; alleen wordt dat van Jedaja hier naar een zijner beroemdste leden, don hoogepriester .Tczua,
genoemd, vs. 18. Ettelijke dezer unmen treilen wij aan Nch. XII (vs. 0, 18 v., 21, 41 v.). Maiizeja
was ook de nnum van priesters vóór de Hallingschnp, Jcr. XXI: 1; XXIX:25; XXXV:4; XXXVII: 3.
Eliëzer komt wellicht ook VIII: 33 voor.
19. Zij — handslag. Zie op Kzech. XVII: 18. — wegens hunne schuld, een schuldoffer; waarover zie
Lcv. V : 1—VI: 7. Of de bedoeling is dat ook de overigen deze belofte aflegden en dit offer brachten,
blijkt uiot; over het nakomen dezer belofte zie op vs. 44.
-ocr page 969-
1049
kzra X: 19—44.
20       plichtten zich tot het offer van een rara wegens hunne schuld.\' Van
21       de zonen van Immer: Ilammi en Zebadja;\' van <le zonen van Harim:
22       Matizeja, Elia, Kjemaja, Jehiöl en Uzzia;\' van de zonen van Pashur:
Eljoënai, Maüzeja, Ismaël, Nethaneël, Jozahad en Eleaza.
23           Onder de Levieten: Jozabad, Hjinieï, Kelaja, dat is Kelita, Pethahja,
Juda en Eliëzer.
24           Onder de zangers: Eljasjib, en onder de portiers: Sjallum, Telem
en Uri.
25           Onder Israël: van de zonen van Paros: Ramja, Izzia, Malkia, Mijja-
26       min, Eleazar, Malkia en Benaja;\' van die van Elam: Mattanja, Za-
27       charja, Jehiël, Abdi, Jeremoth en Elia;\' van die van Zattu: Eljoënai,
28       Eljasjib, Mattanja, Jeremoth, Zabad en Aziza;\' van die van Bebai:
29       Johanan, Hananja, Zabbai, Athlai;\' van die van Bani: Mesjullam,
30       Mallucli, Adaja, Jasjub, Hjeul, Jeremoth;\' van die van 1\'ahath-Moab:
Adna, Kelal, Benaja, Maazeja, Mattanja, Besaleël, Binnuj en Manasse;\'
31,32 van die van Harim: Eliëzer, Issjia, Malkia, Sjemaja, 8imeon,\' Benjamin,
33       Mallucli, iSjemarja;\' van die van Hasjum: Mattenai, Mattatta, Zabad,
34       Elifelet, Jeremai, Manasse, Sjimeï;\' van die van Bani: Maüdai, Amram
35-37 en Uöl,\' Benaja, Bedeja, Keluhu,\' Vanja, Meremoth, Eljasjib,\' Mattanja,
38, 39 Mattenai en Jaiizai,\' Bani, Binnuj, Sjimeï,\' iSjelemja, Nathan, Adaja,\'
40-42 Machnadbai, >Sjasjai, Sjarai,\' Azareël, Sjeleiuja, Sjemarja,\' ftjallum,
43       Amarja, Jozef;\' van die van Nebo: Jeïël, Mattithja, Zaba<l, Zel)ina,
Jaddai, Joel, Benaja.
44           Deze allen hadden vreemde vrouwen genomen en hadden kinderen
bij haar.
23 v. De zangera en de portiers worden hier nog niet tot de Levieten gerekend.
23.   Jozabad, ook VIII: 33 en Neh. XI: 16, wordt met Kelita (zie Neh. X: 10) Nch. VIII: 8 nis
Leviet vermeld; ecu Leviet l\'elhahja komt ook Nch. IX: 5 voor; verg. Nch. XI: 24.
24.   Dnt onder de schuldigen slechts écu zanger genoemd wordt is wellicht het gevolg van des
Kroniekschrijvers voorliefde voor deze tcmpcldicnarcn. — Sjallum en Telem (Talmoii) zijn 11:42 por-
ticrsgcslnchtcn.
25—43. Deze geslachten komen alle 11:3—35; Nch. VII: 8—38, de meeste hunner ook VIII: 3—
14 voor. Dat Bani tweemaal, vs. 20 ra 34, genoemd wordt is ongetwijfeld gevolg van conc schrijffout;
den ecucn keer zal het Bunni of Bigtoai moeten zijn. Daar uit het cenc geslacht Hani vs. 84—12
niet minder dan zeven en twintig overtreders vermeld worden, is het hoogst waarschijnlijk dat hier
eenige geslachtsnamen zijn uitgevallen. De Gr. vertt. geven vele namen in anderen vorm; meestal is
het niet mogelijk de ware lezing vast te stellen. — Wat de personen betreft: de twee Malkia\'»
(vs. 25) komen wellicht ook Neh. 111:11, 14, 31 voor; over \'Aacharja (vs. 26) verg. VIII: 3, 11,
waar een zoon van Paros en een van Bebai zoo hecten; over Jehiël (vs. 26) vs. 2; VIII: 9; over Abdi
(vs. 26) VIII: 9, waar Obadja staat; over Eljoënai (vs. 27) VIII: 4, waar een zoon van 1\'ahath-Moab zoo heet;
over llananja en Zabbai (vs. 28) Neh. 111:8, 20; over Metjullam (vs. 29) VIII: 16; Nch. X:20;
over Malluch (vs. 29, 32) Nch. X:27; over Benjamin (vs. 32) Nch. 111:23; over Elifelet (vs. 33)
VIII: 13; over Nathan (vs. 89) VIII: 16; over Amarja (vs. 42) Neh. X:8; over Jéiël (vs. 48)
V1I1: 13; over Joel (vs. 43) Neh. XI: 9. Wanneer al dan niet dezelfde personen bedoeld zijn, is niet
uit te maken.
25.  Itraël, de lecken. Kvciizoo 1 Kron. IX: 2.
44. en — haar, gedeeltelijk naar Gr. vert.; Hebr. t. is onvertaalbaar; 8 Kzra IX : 86 en zij zonden
haar met kinderen weg.
Deze vortnling schijnt voortgekomen te zijn uit den wensch Kzru\'s maatregel als
geslaagd voor te stcllcu. Dit schijnt echter het geval niet geweest to zijn, daar wel verhaald wordt
(vs. 19) dat sommigen beloofden hunne vrouwen weg te zenden, maar niet, dat zij hot deden. Ook
was het verzet tegen den maatregel blijkbaar sterk; zie op vs. 15 v. Hoogstwaarschijnlijk volgde in
Kzru\'s eigen geschrift ecu en ander over den uitslag van zijne pogingen tot hervorming in dezen,
maar heeft do Kroniekschrijver dit opzettelijk weggelaten.
-ocr page 970-
1050
NKHBMJA I : 1—8.
NEHEMJA.
HOOFDSTUK 1:1—11:10.
Nchemja, landvoogd van Jticla. — Opschrift (I: lo). Nehemja, te Sjusjan vernemende dat de Joden
in hun land in groote ellende vcrkccrcn (\\b—3), bedrijft rouw en bidt Jahwe, onder herinnering
aan zijne beloften aan zijn ongelukkig en schuldig volk, dat hij erbarmen vindc bij den koning,
wiens schenker hij is (4—11). Ecuigc maanden later, als hij voor den koning wijn schenkt, vraagt
deze naar de reden zijner droefheid (II: 1 v.); als hij hoort dat Nchemja Jcruzalcms muren wenscht
te herbouwen, belast hij hein met cenc zending naar Juda (3—6) en geeft hij hem brieven van oan-
bevcling mede, welke Nchemja straks aan \'s koniugs ambtenaren ter hand stelt (7—0); de zending
van Nchemja wekt do vijandschap op van Sanballat en Tobia (10).
Dit is het eerste stuk dat ons uit de Gedenkschriften vnu Nehemja bewaard is. De Krouiekschrij-
vcr volgt ze geregeld tot VII: 5.
I: la De geschiedenis van Nehemja, den zoon van Hachalja.
\\b In de maand Kislew van het twintigste jaar, toen ik in den burg
2       Sjusjan was,\' kwam llanani, een mijner broeders, met eenige mannen
uit Juda. Toen ik hen vroeg naar de Judeërs, de rest die van de ge-
3       vankelijk weggevoerden was overgebleven, en naar Jeruzalem,\' zeiden
zij tot mij: De overgeblevenen, zij die van degevankelijk weggevoerden
daar in het landschap zijn overgebleven, verkeeren in grooten nood
en smaad, terwijl de muur van Jeruzalem verwoest ligt en hare poorten
4       verbrand zijn.\' Zoodra ik dit hoorde, zette ik mij weenend neder en
bedreef rouw, dagen lang: ik vastte en bad tot den God des hemels\'
5       en zeide: Ach, Jahwe, God des hemels, groote en geduchte God, die
liet verbond en de goedertierenheid handhaaft voor hen die hem lief-
6       hebben en zijne geboden onderhouden,\' moge toch uw oor luisterend
en mogen uwe oogen geopend zijn om het gebed van uw dienstknecht
te hooren, dat ik thans voor u uitspreek, dag en nacht, ten gunste
van uwe dienstknechten, de Israëlieten, en waarin ik belijdenis doe van
de zonden die de Israëlieten tegen u hebben bedreven; ook ik en mijns
7       vaders huis hebben gezondigd.\' Wij hebben tegen u zeer slecht gehan-
deld en de geboden, inzettingen en verordeningen niet onderhouden
8       die gij aan uw dienstknecht Mozes gegeven hebt.\' Gedenk toch
Vs. 5. Dan. IX: 4.
1.   Nehemja. Een ander Israëliet van dezen naam komt voor III: 16. — HacAalja, alleen aog Xll.—
Kislew. Zie op 11:1. — het twintigste jaar, der regecring van Artaxeries I Langhand, 445. —
burg Sjusjan, aan de rivier den Ulai (Dan. VIII : 2), oudtijds hoofdstad van Klam, door den Assyri-
schen koning Asurbunipnl veroverd, was het wintervcrblijf der Perzische koningen, die des zomers
zich ophielden te Kchatuna (zie op Kzrn VI: 2). De benaming burg duidt haar als eene versterkte stad
aan; inderdaad zijn ouder de bouwvallen dezer plaats de overblijfselen cener citadel gevonden, ten
noorden woarvnu de puinhoopen van ecu paleis liggen, welks bouw door Darius Hystaspis begonnen
en door Artaxeries II Mncinon (401—358) voltooid werd. De plaats wordt behalve hier Kst. 1:2;
11:3, 8; 111:15; VIII: 15; Dan. VIII: 2 vermeld.
2.   een mijner broeders. Zie VII: 2. — de rest — overgebleven, de Judccrs die niet waren weg-
gevoerd. Nehemja weet niets van een terugkeer van ballingen.
3.  i« het landschap, Juda; verg. op Ezra 11:1. — terwijl — zijn. Waarschijnlijk: nog altijd sedert
580. Immers, indien dit zag op eene verwoesting die onlangs had plaats gehad, dan zouden de Joden
voor Nehemja in stdat zijn geweest Jeruzalem te herbouwen; maar dit is ongeloofclijk: wat hij, gc-
steund door \'s konings gezag, niet dan met groote moeite heeft kunnen tot stand brengen, hoe zouden
zij het zonder dien steun vermocht hebben?
4.    Nehemja treurt omdat Isracls smaodheid nog steeds voortduurt. — Verg. Ext* IX: 3—
K , Y * A
5.  die — onderhouden. Verg. IX: 32; Deut. VII: 9, 12; 1 Kon. VIII: 23.
6.  mogen — hooren. Verg. 1 Kon. VIII: 52.
7—9. De uitdrukkingen waarvan Nehemja zich bedient zijn meestal aan Dcuteronomium ontleend:
over de geboden — verordeningen zie op Deut. IV : 1; over de plaats — nonen zie op Deut. XII: 5; ook
het woord dat hier (vs. Sb, 9) als een woord van Mozes wordt aangehaald, hoewel niet letterlijk met
eenige Bijbelplaats overeenkomende, is in hoofdzaak uit Deut. XXX: 2—4.
-ocr page 971-
NBHKMJA I : 8—II: 8.
1051
het woord dat gij uwen dienstknecht Mozes gelast hebt te spreken:
Indien gij u niet misdraagt, zal ik u verstrooien onder de volken;\'
9 maar indien gij u tot mij bekeert, zoodat gij mijne geboden onderhoudt
en ze volbrengt, dan zal ik, al waren uwe verdrevenen aan het einde
des hemels, hen van daar herzamelen en brengen naar de plaats die
10       ik heb uitverkoren om aldaar mijn naam te doen wonen;\' zij zijn toch
uwe dienstknechten en uw volk, die gij door uwe groote kracht en
11       uwe sterke hand verlost hebt.\' Och Heer, moge toch uw oor luisteren
naar het gebed van uw dienstknecht en naar dat uwer dienstknechten die
verlangen uwen naam te vreezen; schenk heden uwen dienstknecht
voorspoed, en geef dat hij erbarmen vinde in het oog van dien man.
Ik toch was schenker des konings.
II: 1         In de maand Nizan van het twintigste jaar van koning Artahsjasta,
toen hij eens bij den wijn zat, hief ik den beker op en gaf dien aan
den koning; ik nu was in zijne tegenwoordigheid nooit bedroeft! ge-
2       weest.\' De koning zeide tot mij: Hoe ziet gij er zoo bedroefd uit, daar
gij toch niet ziek zijt.\' Dit kan niet anders dan harteleed zijn. Toen
3       werd ik uitermate bevreesd\' en zeide tot den koning: De koning zal
tot in eeuwigheid leven! Hoe zou ik er niet bedroefd uitzien, daar de
stad waar de graven zijn mijner vaderen woest ligt en hare poorten
4       door vuur zijn verteerd ?\' Toen zeide de koning tot mij: Wat zoudt gij
5       dan wenschen? Nu bad ik tot den God des hemels\' en zeide tot den
koning: Indien het u goeddunkt en uw dienaar geschikt is in uw oog,
belast mij dan met eene zending naar Juda, naar de stad waar de
6       graven mijner vaderen zijn; opdat ik haar herbouwe.\' Hierop zeide de
koning, terwijl de gemalin naast hem zat, tot mij: Hoelang moet
uwe reis duren? en wanneer kunt gij terugkeeren? Het dacht dan den
koning goed mij eene zending op té dragen, en ik gaf hem een be-
7       paalden tijd op.\' Voorts zeide ik tot den koning: Indien het den koning
goeddunkt, mogen mij brieven worden medegegeven aan de landvoog-
den aan den overkant der Rivier, dat zij mij laten doortrekken totdat
8       ik in Juda kom;\' alsmede een brief aan Azaf, den bewaker van den
koninklijken lusthof, dat hij mij hout levere, om de poorten van den
burg die tot den tempel behoort van balken te voorzien, alsmede voor
Vs. 96. Dcut. XXX: 4.
10.  die — hebt, uit Egypte.
11.  die» man, den koning.
1.   de — jaar. Nizan neemt hier in de orde der maanden eene latere plaats in dan Kislcw (zie
1:1) en is dus niet de eerste maand van hel jaar; want men telde de jaren der Perzische koningen
waarschijnlijk, evenals die der Assyrische en Babylonische, te beginnen met het eerste volle jaar
hunner regcering. Nehemja stelt dus den nanvang des jnars in den herfst; zie op Exod. XII: 2. Dat
hij van Kislcw tot Nizan, dus ongeveer drie innandcu, wachtte om met zijn verzoek voor den dag te
komen, was omdat hij niet uit eigen beweging anu den koning iets durfde vragen; verg. Est. IV: 11;
V: 2. — beter, letterlijk triju. — ik — geweett. De woorden dienen om te verklaren waarom de
koning nu eerst hem naar zijne droefheid vroeg; hij had zich altijd voor den koning goedgehouden.
Anderen ik had hem nooit mishaagd.
2.  bevreetd, omdat hij nu zijn wensch moest openbaren en daarmede den koning vertoornen kon.
8. De — leven! Zie op 1 Kon. 1:31. — vaar — vaderen. De Israëliet hechtte groote waarde aan
het familiegraf; zie op Gen. XV: 15 en verg. 2 Sain. XIX: 37.
6.  Het — tijd op. Natuurlijk heeft Nehemja, in antwoord op \'s konings vraag, eerst een tijd bepaald
en daarna het verlof gekregen, maar hij vermeldt den uitslag, als het voornaamste, het eerst. Stellig
heeft hij echter niet voor zoo lang verlof gevraagd als volg. V: 14 zijne afwezigheid geduurd heeft.
Ook is hier geen sprake van de waardigheid van landvoogd, die hij volgens die plaats van den asn-
vang af bekleed heeft. Wij moeten dus als waarschijnlijk aannemen dat de koning, reeds voor Ne-
hemja\'s vertrek, het verlof in eene aanstelling tot landvoogd veranderd heeft.
7.   Verg. Ezra VIII: 86. — Dit verzoek kan Nehemja hij eene latere gelegenheid tot den koning
hebben gericht.
8.   den koninklijken lusthof. Het laatste is vertaling van eon oorspronkelijk Perzisch woord, dat in
ons „paradijs" voortleeft en behalve hier nog Pred. 11:5; Hoogl. IV: 13 wordt aangetroffen. Welk
-ocr page 972-
NBHKMJA II: 8—16.
1052
den stadsmuur en voor het huis dat ik zal hetrekken. En de koning
ü gaf ze mij, daar de zegenende hand mijns Gods over mij was.\' Toen
ik hij de landvoogden aan den overkant der Ittvier kwam, gaf\' ik hun
\'s konings brieven; ook legeroversten en ruiters had de koning mij
medegegeven.
         Doch zoodra Sanhallat, de Horoniet, en Tobia, de Ammonietische
dienaar, liet hoorden, waren zij er grootelijks over ontstemd dat iemand ge-
komen was om te trachten iets goeds voor de Israëlieten tot stand te
brengen.
park er door aangeduid! wordt, weten wij niet. — burg — behoort. Deze burg (6ira) lag waarschiju-
lijk op dezelfde plaats als de door Hcrodcs gestichte Antouia, in den noordwesthoek van den tempel-
berg. — voor den stadsmuur, bepaaldelijk voor de daartoe bchoorende poorten. — hel hnit dal ik
zal betrekkrii,
als landvoogd. — daar — Kat. Zie op Ezra VII: 0.
9.   ook — medeijnjeern. Hierom wilde Ezra niet vragen, Ezra VIII: 22. N\'ehcmja reist als \'s konings
landvoogd.
10.    Sanballal en Tobia worden herhaaldelijk als Nchcmja\'s tegenstanders vermeld, vs. 19; IV :1,
3, 7; VI : 1 v., 6, 12, 14; XIII: 28. I)c eerste was volg. IV: 7 v. een man van invloed bij de
Samaritanen; hij heet steeds de lloroniel, d. i. de geboortige uit Horonaim in Moab (zie Jcz. XV: 5)
of uit Heth-horon fzie op Joz. X:10). Volg. XIII: 28 was hij stellig niet van Israclictischc, maar,
naar zijn naam, die ,Sin geeft leven\' beteckeut, te oordcelen, wellicht van Hnbylonischc afkomst.
Tobia heet de Ammonirtische dienaar, nl. van den koning, omdat hij van Ammonietische afkomst was.
Heiden zijn waarschijnlijk koninklijke ambtenaren geweest, ondergeschikt aan den landvoogd van den
overkant der Itivicr. Zij waren wellicht ontstemd over Nehcmja\'s komst omdat zij vreesden dat de
versterking van Jeruzalem hun invloed in het landschap Juda zou verminderen.
HOOFDSTUK 11:11—20.
Voorbereiding tot den herbouw der muren. — Drie dagen na zijne annkomst te Jeruzalem bczich-
tigt Neliemjn, buiten iemands weten, des nachts de muren (11—lfl). Hij wekt overheid en volk op
om den herbouw ter hand te nemen, waartoe zij zich bereid verklaren (17 v.). De tegenstanders der
Joden smalen op hunne onderneming, maar N\'ehcmja spreekt zijn vertrouwen op den God des hemels
uit (19 v.).
II: 11 Toen ik te Jeruzalem gekomen en daar drie dagen geweest was,\'
12      stond ik den volgenden nacht op; ik had slechts enkele mannen bij
mij en had aan niemand medegedeeld wat mijn God mij in het hart
gaf om voor Jeruzalem te doen; ook had ik geen dier bij mij behalve
13      dat waarop ik zelf reed.\' Ik ging dan des nachts de stad uit door de
Dalpoort, in de richting van de Drakenbron, naar de Mestpoort, en
nam de muren van Jeruzalem die verwoest waren in oogenschouw;
14      ook waren hare poorten door het vuur verteerd.\' Ik ging door tot de
üronpoort en den Koningsvijver; maar hier was geen ruimte voor het
15      dier waarop ik reed om er door te komen.\' Zoo klom ik des nachts
in het dal naar boven, nam den muur in oogenschouw, keerde toen
door de Dalpoort in de stad terug en kwam zoo thuis.
10         De regenten nu wisten niet, waarheen ik gegaan was en wat ik
beoogde; ik had het aan de Joden, de priesters, de edelen, de regenten
11.   drie dagen. Zie Ezra VIII: 32.
13 v. Over den loop van den muur zie inl. en aantt. op H. III.
13.   de Dalpoorl, ten zuidwesten van den tempelberg, waarschijnlijk zoo gchectcn omdat zij toegang
gaf tot het dal ten wcstcii van dien berg, komt nog 111:13; 2 Kron. XXVI: 9 voor. — de Draken-
bron,
onbekend, lag volgens deze plaats tusschen Dal- en Mestpoort. — de Mestpoort, nog III: 13 v.;
XII: 31 vermeld, lag duizend cl ten zuiden van de Dalpoort (111:13), waarschijnlijk niet ver van den
vijver Siloah; door haar leidde een weg naar de westelijke of Bovenstad.
14.    de Bronpoort, die nog 111:15; XII: 37 voorkomt, lag in de onmiddellijke nabijheid van de
Mestpoort (zie op 111:15), iets verder oostwaarts. — den Koninjtvijver, in de nabijheid van den
koninklijken tuin; zie op 2 Kon. XXV: i. — hier — komen, wegens al het daar opgehoopte puin.
15.    Zoo — boven, te voet langs de helling. — keerde — terug. Hij keerde, zonder de stad rond
te zijn geweest, langs denzclfdcn weg terug.
16.    de overigm — hadden, bouwmeesters, werklieden. Daar Nchcmja over het werk, den herbouw
der muren, nog met niemand gesproken had, bedoelt hij: die er mede te doen zouden krijgen.
-ocr page 973-
1053
NBHKMJA II : 16—20.
en de overigen die met het werk te doen hadden, tot nog toe niet
17       medegedeeld.\' Nu zeide ik tot hen: Gij ziet de ellende waarin wij ver-
keeren, dat Jeruzalem woest ligt en hare poorten verbrand zijn. Wel-
aan, laten wij den muur van Jeruzalem herbouwen; opdat wij niet
18       langer een voorwerp van smaad zijn.\' Hierbij wees ik er hen op, hoe
zegenend de band mijns Gods over mij geweest was, en wat de koning
tot mij gezegd bad. En zij zeiden: Wij zullen ons opmaken en bouwen
— en sloegen met moed de hand aan bet goede werk.
19           Maar toen Sanballat, de Horoniet, Tobia, de Ammonietische dienaar,
en Gesjem, de Arabier, het boorden, bespotten en smaadden zij ons en
zeiden: Wat voert gij daar uit.\' maakt gij opstand tegen den koning!\'
20       Doch ik stond hun te woord en zeide tot ben: Ue God des hemels
zelf zal bet ons doen gelukken, en wij, zijne dienaren, zullen ons op-
maken en bouwen; maar gij hebt deel noch recht noch gedachtenis
in Jeruzalem.
17.  de ellende — zijn. 7Ae 1:3.
18.  sloegen — werk, letterlijk sterkten hunne handen ten goede.
19.   Gesjem, de Arabier, ook Gasmu gcheeton, komt nog VI! 1 v., 6 voor; waarschijnlijk was
hij hot hoofd van een Arabischcu volkstam in zuidelijk Palestina. — De tegenstanders, liefst
geen geweld tegen \'s koning* landvoogd willende gebruiken, beginucu met spot (verg. IV:1—3).
Straks zullen zij door overrompeling (IV: 7—11) en list (VI : 1—9) de onderneming trachten te
verijdelen.
20.   maar — Jeruzalem, en hebt dus niets met ons werk te maken; gedachtenis heeft iemand daar
waar zijne voorouders hebben gewoond en hij derhalve een zeker recht kan laten gcldcu; verg.
Jez. LVI: 5.
HOOFDSTUK III.
De herbouw der poorten en muren van Jeruzalem. — Wie gewerkt hebben aan het herstel
van Jcruzalcms poorten en miircu: van de Schaapspoort tot de Vischpoort (1 v.), van daar tot de
Onde poort (3—5), van daar tot de Dalpoort (0—12), van daar tot de Mcstpoort (13), van daar
tot de trappen der Davidstad (14 v.), van daar tot de Inkorting (10—19), van daar tot den hook
van do Hocht (20—24), tot den Ofelmuur (25—27), van de 1\'aardenpoort tot do Schaapspoort
(28—32).
De muur van Jeruzalem over welks herstel hier gehandeld wordt was door David en Salomo gc-
bouwd en omgaf van de twee heuvels waarop Jeruzalem lag alleen den oostclijkcn; zie op 2 Sam.
V: 0, 7 en 1 Kon. 111:1; IX: 15. Sedert is aan vergrooting der stad en uitbreiding der muren
zeker voorloopig niet gedacht. No Salomo toch, toen Jeruzalem niet meer de hoofdstad van een
machtig rijk was, maar slechts die van het weinig beteekenende Juda, was de door Salomo ommuurde
stad meer dan voldoende voor de bevolking, en deed zich allerminst de behoefte gevoelen om de
stad uit te leggen en ook den westelijken heuvel te ommuren. Al was hetgeen ons uit den tijd der
koningen van murenbouw verhaald wordt ten volle geloofwaardig — alleen Kronieken maakt er
melding van, 2 Kron. XXVI: 9; XXVII:3; XXX: 14 — dit heeft in elk geval alleen betrekking
op herstel vnn den ouden muur, die, zooals wij uit 2 Kon. XIV : 18 (2 Kron. XXV: 23) weten, wel
eens veel geleden heeft. Dat Nchcmja aan vergrooting der stad niet gedacht heeft spreekt vanzelf:
hij moest zelfs op middelen peinzon om de oude stnd te bevolken (VII: 4 v.; XI: 1 v.).
Kerst geruimen tijd na hem is de wcstclijko heuvel ommuurd: toen Hcrodcs in het jaar 37 vóorChr.
do stnd veroverde, was het grootste, het zuidelijk, gedeelte van dezen heuvel door een muur omgeven; het
heette, omdat het hooger lag dan de Davidstad op den oostelijkcn licuvol, de Bovenstad; daarna is
het noordelijk deel, de Voorstad, bij de stad getrokken door ecu muur die in het noordoosten aan
den burg, in het zuidwesten aan het midden van den noordelijken muur der Bovenstad aansloot;
eindelijk is door Agrippa I (40—44 na Chr.) nog ecne aanzienlijke ruimte ten noorden van de twee
heuvels ommuurd, die onder den naam Kezetha de jongste stadswijk uitmaakte.
Ons stuk is, met XII: 27—13, hoogst belangrijk voor de kennis van het oude Jeruzalem; wij
leeren er niet slechts de namen der poorten uit kennen, maar ook de volgorde waarin zij gelegen
waren: beginnende van het noorden, gaat de beschrijving langs de wcst- en de zuidzijde naar het
oosten, om bij de poort waar zij aanving te eindigen. In bijzonderheden echter blijft voel onzeker;
zelfs gelukt het ons niet altijd te bepalen, of eenc of andere poort aan de west* of zuidzijde dan wel
-ocr page 974-
NBHBMJA III : 1—8.
1054
mui dcu oostelijkcn muur moet worden gezocht. De onderzoekingen die in de laatste tientallen jaren
door opgravingen ter plaatse zijn ingesteld geven voor de verklaring van ons hoofdstuk betrekkelijk
weinig licht; immers, zelfs wanneer zij ons den loop der muren en de ligging der poorten duidelijk
aanwijzen, kennen wij nog slechts de gesteldheid van het latere, niet die van het oude Jeruzalem.
III: 1 De hoogepriester Eljasjib maakte zich op met zijne broederen, de
priesters, en zij herbouwden de Schaapspoort; zij wijdden haar en plaats-
ten er de deuren in; voorts tot den toren Hammea, dien zij wijdden,
2       tot den toren Hananeël.\' Naast hem bouwden de lieden van Jericho;
3       naast hen bouwde Zakkur, de zoon van Imri.\' De Vischpoort is her-
bouwd door de lieden van tëenati; zij legden er balken in en voorzagen
4       haar van deuren, sluitboomen en grendels;\' naast hen verrichtte het
herstellingswerk Meremoth, de zoon van Uria, den zoon van Hakkos;
naast hen Mesjullam, de zoon van Bereehja, den zoon van Mesjezabeël;
5       naast hen Sadok, de zoon van Bailna;\' naast hen deden liet de Tekoïeten,
doch hunne adellijken bogen den nek niet tot den dienst huns ïïeeren.\'
G De Oude poort is hersteld door Jojada, den zoon van Pazeah, en Me-
sjullam, den zoon van Bezodeja: zij legden er balken in en voorzagen
7       haar van deuren, sluitboomen en grendels;\' naast hen verrichtten het
herstellingswerk Melatja, de Gibeoniet, en Jadon, de Meronotbiet, de
lieden van Gibeon en Mispa, die tot den ambtszetel van den landvoogd
8       van den overkant der Rivier behoorden;\' naast hen Uzziël, de zoon van
1 v. De beschrijving begint bij den noordelijken muur, en gaat van het oosten naar het westen.
1.   Kljasjib, volg. XII: 10 kleinzoon van den hoogepriester Jczua, komt nog vs. 20 v.; XII: 22 v.;
XIII: 4; Kzra X:0 voor. — de Sc/iaapspoort, nog vs. 32; XII: 39; Joh. V:2 vormcld, noordc-
lijk of noordoostelijk van het terrein waarop de tempel stond. Omdat zij in de nabijheid des tempels
lag, werd haar bouw den priesters opgedragen. — wijdden haar, voorloopig; de inwijding van alle
poorten met die van den gansenen muur had volg. XII: 27—17 eerst later plaats. Het is zeker niet
toevallig dat dc/e voorloopigc wijding alleen vermeld wordt van het stuk dat de priesters bouwden. —
plaatsten — in. Verg. Vil: 1. — voort» — Ilananeël, nl. bouwden zij den muur. Deze twee torens
komen nog XII: 39, de tweede bovendien Jcr. XXXI: 38; Zuch. XIV: 10 voor; zij lagen ten westen
van de Schaapspoort en schijnen tot den II: 8 vermelden burg behoord te hebben. De naam van den
eersten beteekent ,de Honderd\'; waarom, weten wij niet.
2.   Dezen bouwden dcu muur tot de Vischpoort. — dé lieden van Jericho. De Joden uit de steden
buiten Jeruzalem werkten meestal aan dat gedeelte van den muur dat in de richting hunner woon-
plonts ligt; daarom de burgers van Jericho aan den noordkant. — hen. Grondt, hem. — Zakkur. Gc-
lijknamigc personen komen voor X:12; XII: 35; XIII: 13.
3—12. Dit gedeelte, van de Visch- tot de Dalpoort, strekte zich uit van de noordwestelijke punt
der stad tot ongeveer het midden van den westelijken muur.
3.   De Vischpoort, nog XII: 39; 2 Kron. XXXIII: 14; Scf. 1:10 vermeld, lag noordwestelijk van
den burg. — de lieden tan Senaü. Zie op Ezra II i 35.
4.  Meremoth — Bakkos, nog vs. 21, een priester; zie op Kzra VIII: 33, en over het geslacht Bak-
kos
op Kzra 11:01. Met Meremoth treffen wij ettelijke andere van de hier voorkomende namen in
de lijst der met Zcrubbabel en Jczua teruggekeerde priesters aan (XII : 1—7): Jedaja en Jlattut
(vs. 10), Rehum (vs. 17), Azarja (vs. 23; in het Hebrceuwsch bijna op dezelfde wijze als Ezra
(XI 1:1) geschreven), Sjemaja en Sjcchanja (vs. 29). Hoewel de Kroniekschrijver de lijst verdicht en
deze namen waarschijnlijk aan ons hoofdstuk ontleend heeft, mogen wij er uit afleiden dat hij ze als
namen van priesters heeft beschouwd. Dit kunnen ze inderdaad, met éenc uitzondering (zie op vs. 17),
geweest zijn. — Priesters wareu waarschijnlijk ook Mesjullam, de zoon van Bereehja, en Sadok. De eerste
komt nog voor vs. 30; VI: 18 (zie aldaar) en wellicht XII: 13, 10; Kzra X:15; de tweede XIII: 13.
De nameu Mrsjezabeël en Baana vinden wij ook X: 21, 27. — hen, Meremoth, zijne familieleden en
onderhoorigen.
5.   de Tekoïeten. Zie op Joz. XV: 59. — doch — ïïeeren, weigerden ann den herbouw der muren,
dat een werk was in den dienst van Jahwe, mede te doen; verg. Jcr. XXVII: 11.
0. De Oude poort, letterlijk de poort der Oude, d. i. van do oude stad of den ouden muur, volg.
XII: 39 tusschen de Kfraims- en do Vischpoort. — Ken geslacht Pazeah vinden wij VII: 51 j Kzra
II: 49. — Mesjullam. Of dit dezelfde is als de Kzra X : 29 genoemde, weten wij niet.
7.  Over Gibeon (VII: 25; Kzra II: 20) en Mispa zie op Joz. IX : 3 en XVIII: 25 v. — de Meronothiet,
uit Meronoth, dat nog 1 Kron. XXVII: 30 voorkomt en wellicht in de nabijheid van Mispa lag;
immers schijnt Jadon uit Meronoth hoofd van de lieden uit Mispa te zijn. — die — behoorden.
Bedoeld is, naar het schijnt, dat deze lieden uit Gibeon en Mispa, anders dan de Mispacrs van vs. 15,
19, niet tot Nehcmja\'s landvoogdij behoorden; is dit zoo, dan liep de noordelijke grens daarvan door Mispa.
Anderen vertalen bij den zetel — Rivier en mecnen dat hiermede een burg wordt aangeduid waar
de opnerlandvoogd tijdens zijn verblijf in Jeruzalem woonde.
8.  hen. Grondt, hem. — van hel is den eersten keer ingevoegd. — Tusschen de Oude poort on den
-ocr page 975-
NBHEMJA III: 8—17.
1055
Harhaja, van het goudsmedengild; naast hem Hananja, van liet spece-
rijbereidersgild; zij lieten Jeruzalem tot den breeden muur liggen; \'
9 naast hen Refaja, de zoon van Hur, overste van het halve distrikt
10       Jeruzalem;\' naast hem Jedaja, de zoon van Harumaf, tegenover zijn
11       huis; naast hem Hattus, de zoon van Hasjabneja; \' een tweede gedeelte
is hersteld door Malkia, den zoon van Harira, en Hassjub, den zoon
12       van Pahath-Moab, alsmede de Bakoventoren;\' naast hen verrichtte het
herstellingswerk Mjallura, de zoon van Hallohes, overste van het halve
13       distrikt Jeruzalem, hij zelf met zijne dochters.\' De Dalpoort is hersteld
door Hanun en de inwoners van Zanoah; zij herbouwden haar en
voorzagen haar van deuren, sluitboomen en grendels; alsmede duizend
14       ellen muur tot aan de Mestpoort.\' De Mestpoort is hersteld door
Malkia, den zoon van Rechab, den overste van het distrikt Beth-hak-
kerem; hij herbouwde haar en voorzag haar van deuren, sluitboomen
15       en grendels.\' De Bronpoort is hersteld door Sjallun, den zoon van
Kolhoze, den overste van het distrikt Mispa; hij herbouwde haar, bracht
haar onder dak en voorzag haar van deuren, sluitboomen en grendels;
alsmede de muur van den vijver der waterleiding bij den konings-
16       tuin, tot aan de trappen die van de Davidstad afwaarts loopen.\' üp
hem volgend verrichtte het herstellingswerk Nebemja, de zoon van
Azbuk, de overste van het halve distrikt Beth-sur, tot tegenover de
17       Davidsgraven en tot den aangelegden vijver en het heldenhuis.\' Op
hem volgend verrichtten het herstellingswerk de Levieten: Rehum, de
breeden muur lag volg. XII: 38 v. de Efraimspoort, die hier niet vermeld wordt. Wat met den breeden
muur
bedoeld wordt, woton wij niet, vooral omdat de woorden zij — liggen duister zijn; wellicht
wordt er mede aangeduid, dat zij een deel van den ouden muur niet herbouwden, maar in plaats
daarvan een meer binnenwaarts gelegen muur van het koninklijk palcis, die dan de breede muur zou
wezen, in den stadsmuur opnamen (zie op XII: 38); zij lieten dan een deel van het voormalig Jeru-
zalcm, tusschen den ouden en den breeden muur, buiten de stad liggen.
9.  Hur, het beroemde geslacht van dien naam; zie op 1 Kron. II: 19.— het halve distrikt Jeruzalem.
De andere helft vermeldt vs. 12. Het landschap Juda was dus in distrikten verdeeld.
10.  hem, den eersten keer volg. verb. t.; Hebr. t. hen. — Jedaja en Hattus, volg. XI: 10 en
X:4 priesters tijdens Nehemja; de eerste naam is VII: 39; XII: 19, 21; Ezra 11:36 die van een
priesterlijk geslacht, de tweede Ezra VIII :2 die van een Davidiet. Zie op vs. 4. — tegenover. Hebr. t.
laat voorafgaan en; volg. hss. en Gr. vert. weggelaten.
11.  een tweede gedeelte. Dit beteckent wellicht dat de hier genoemden ook nog een ander stuk her-.
steld hebbeu; zie op vs. 21 en 27 en verg. vs. 19, 20, 24, 30. Daar zij echter behalve hier in de
lijst niet voorkomen, mooton wij onderstellen dat deze niet in haar geheel is medegedeeld. — Malkia
en Ilarim zijn X:3, 5 priesters; doch VII: 11, 35; X : U, 27; Ezra 11:6, 32 zijn Ilarim en Pahath-
Moab
geslachtsnamen, ook lïattjub X: 23. — de Bakoventoren, volg. XII: 38 v. tusschen do Efraims-
poort en de Dalpoort en ten zuiden van den breeden mnur.
12.  Ilallohet, ,de toovcnaar\', ook X : 21 geslachtsnaam. — overtte — Jeruzalem. Zie op vs. 9. —
zijne dochter; die dus op hare kosten bouwlieden hadden aangesteld.
13.  de Dalpoort. Zie op II: 13. — Zanoah, ook volg. XI: 30 door Joden bewoond. Zie op Joz.
XV:34. — duizend — Mestpoort, een vcol grooter gedeelte dan de anderen herstelden; wellicht had dit
niet veel geleden. De Mestpoort lag dus een halven kilometer (zie op Oen. VI: 15) zuidelijker dan de Dalpoort.
14.  Malkia. Zie op Ezra X: 25—43. — den zoon van Rechab, wellicht hetzelfde als den Rechabiet;
zie op 2 Kon. X:15. — Beth-hakkerem, .wijngaardshuis\', nog Jcr. VI: 1 vermeld; zie aldaar.
15.   De Bronpoort. Daar tusschen deze en de vorigo poort geen muur vermeld wordt, lagen zij in
elkanders onmiddellijke nabijheid (zie op II: 14). — Kolhoze komt nog XI: 5 voor. — Mitpa. Zie op
vs. 7. —" de muur — waterleiding. Mot den vijver is dio van Siloah bedoeld, die door cone leiding
uit den Gihon van water voorzien werd; zie op 2 Kon. XX: 20. — De koningttuin lag ten oos-
ten of ten zuidoosten van die leiding. De beschrijving is hier reeds tot den oostetijken\'muur gevor*
derd. — de trappen die van de Davidttad afwaarti loopen. 7A} liepen langs de binnenzijde van den
oostelijken muur naar de Davidstad (verg. XII: 37); langs de buitenzijde was de weg zeker moeilijk
begaanbaar. Haar benedencinde lag niet aan de zuidelijke punt van den heuvel, maar iets hoogcr:
eerst als men, van het zuiden komende, den muur van den koningstuin voorbij was, kwam men aan
de trappen, die men van de oostzijde beklom.
16.  Beth-tur. Zie op Joz. XV: 58. — de Damdtgraven. Verg. op 2 Kron. XXXII: 33. Zij lagen waar-
schijnlijk ten noordoosten van den koninklijken tuin. — den aangelegden tijver, onbekend. Hij lag blijkbaar
ten noorden van dien van Siloah en is waarschijnlijk een van de Jez. XXII: 9—11 vermelde vijvers.—
het heldenhuu, de vroegere kazerne der koninklijke lijfwacht, 2 Sam. XVI: 6; XXIII: 8.
17.  de Levieten. Bedoeld is eene afdoeling Levieten waarvan Rehum, de zoon van Bani, het hoofd
-ocr page 976-
NEHBMJA III: 17 — 29.
1056
zoon van Bani; naast hem Hasjabja, de overste van het halve distrikt
18       Keila, voor zijn distrikt;\' op hem volgend hunne broeders: Binnuj,
19       de zoon van Henadad, de overste van het halve distrikt Keila,\' en naast
dezen Ezer, de zoon van Jezua, de overste van Mispa, een tweede ge-
deelte, tegenover het punt waar het tuighuis naar de Bocht op-
20       loopt.\' Op hem volgend verrichtten het herstellingswerk Baruch, de
zoon van Zakkai, een tweede gedeelte, van de Bocht tot den ingang
21       van het huis van den hoogepriester Eljasjib;\' op hem volgend Mere-
nioth, de zoon van Uria, den zoon van Hakkos, een tweede gedeelte,
van den ingang van het huis van Eljasjib tot de grens van Eljasjibs
22,23 huis.\' Op hem volgend de priesters uit de Jordaanstreek;\' op hen
volgend 15enjamin en Hassjub, tegenover hun huis; op hen volgend
Azarja, de zoon van Maüzeja, den zoon van Ananja, in de nabijheid
24       van zijn huis;\' op hem volgend Binnuj, de zoon van Henadad, een
tweede gedeelte, van het huis van Azarja tot de Bocht, tot aan
25       den hoek.\' Palal, de zoon van Uzai, tegenover de Bocht en den
van het paleis vooruitspringenden hoogsten toren, bij het gevangenhof;
2C op hem volgend Pedaja, de zoon van Baros.\' De geschonkenen woonden
op den Ofel tot tegenover de Waterpoort, ten oosten, en den vooruit-
27       springenden toren.\' Op hem volgend verrichtten het herstellingswerk
de Tekoïeten, een tweede gedeelte, van het punt tegenover den grooten
28       vooruitspringenden toren tot aan den Ofelmuur.\' Van de Baardenpoort
29       af deden het de priesters, elk tegenover zijn huis;\' op hen volgend
was; deze komt elders niet als Leviet voor, maar X: 25, met Bani (X: 14), onder de Israclictischc geslachten j
verg. Kzra 11:9 en op vs. 4.— Bani is Levietennaam IX: tv.; X:14; XI: 15, 22. — Hasjabja, een
ander dan de reisgenoot van Kzra, Ezra VIII: 19, 24. — Keila. Zie op Joz. XV: 44. — voor zijn
distrikt,
voor zijne helft van het distrikt Keila.
18.   hunne broeders, de overige burgers van Keila. — Binnuj (volg. vs. 24; X: 9 en Gr. vert.;
llebr. t. Bawicai), de zoon van Henadad was volg. X : 9 een Leviet, zijn geslacht volg. Kzra III: 9
een Lcvictisch.
19.  de overste van Mispa, wel te onderscheiden van den overste van het distrikt Mispa, vs. 15. —
een tweede gedeelte. Van ecu ander gedeelte dat hij herbouwde lezen wij niet; zio op vs. 11. —
waar — oploopt, ceno voor ons onduidelijke plaatsbepaling. De Bocht, in den oostulijkeu muur,
bevond zich wellicht ten noorden van de Davidstad, waar de tempelberg begon; verg. 2 Kron. XXVI: 9.
20—25. De hier genoemden werken aan dat gedeelte van den muur dat een inspringendeu hoek
vormt; de afdccliug van vs. 20 begint bij de Bocht, blijkbaar aan het zuidelijk uiteinde; die van
vs. 24 bereikt het noordelijke eindpunt, dat dan ook de hoek genaamd kon worden. In vs. 25 wordt
met het stuk muur tegenover de Bocht bedoeld de verder noordwaarts zich uitstrokkende muur.
De hier vermelde huizen lagen dus aan deu inspringenden hoek, dat van den hoogepriester aan het
zuidelijk gedeelte daarvau.
20.   Na volgend heeft Hebr. t. een woord dat ,hij ontbrandde\' beteckent; volg. Gr. vert. weggelaten.—
Baruch, de zoon van Zakkai (of Zubbai), wellicht een priester, X: 6. — Eljasjib. Zie op vs. 1.
21.   tleremoth — Hakkos. Zie op vs. 4, waar het eerste gedeelte dat hij herbouwde vermeld is;
verg. op vs. 11. — Het hoogcpriestcrlijk paleis besloeg cenc aanmerkelijke ruimte.
23.   Hassjub. Ken persoon van dezen naam ook vs. 11. — Over Azarja zie op vs. 4.
24.   Verg. vs. 18 en op vs. 11.
25.  den — toren, waarschijnlijk aan de zuidoostelijke punt van het oude koninklijk palcis, dat ten
zuiden van het tcinpcltcrrcin lag; zie op 1 Kon. VII: 1 en 2. — het gevangenhof. Zie op Jer.
XXXVII: 21. — Pedaja, hier van het geslacht Paros (Ezra 11:3), is VIII: 5; XIII: 13 een Leviet.
20. O/el, eigenlijk ,hoogte\', heet het oostelijk en zuidoostelijk gedeelte vnn den tempelberg, en
komt behalve hier nog XI: 21; 2 Kron. XXVII: 3; XXXIII: 14; Micha IV: 8 voor. Ook andere
steden hadden hun Ofel: Samaric, 2 Kon. V: 24 (waar hoogte vertaling vnn Ofel is) en Dihon, vol-
gens het opschrift op den steen van Meesja. — de Waterpoort, iu den oostelijken tcmpelmuur (XII: 37),
zoo wellicht genoemd omdat men door haar het water uit den Gihou in deu tempel droeg. Langs
hare oostzijde strekte zich een plein uit waar volksvergaderingcn werden gehouden, VIII: 2, 4, 1?;
Ezra X: 9. — Dnnr vs. 27 onmiddellijk bij vs. 25 aansluit, is dit vers misschien van elders, van
achter vs. 27, hierheen verdwaald.
27.   hem, Pedaja. — de Tekdieten. Zie vs. 5. — van — toren. Tot zoover heeft dus Pedaja ge-
werkt. — Ofelmuur. Wie dezen herstelde, wordt niet gezegd; waarschijnlijk deden het de geschon*
kenen; verg. over Ofel op v». 26.
28.  de Paardenpoort, nog Jer. XXXI: 40 vermeld, lag in het noordoosten, waarschijnlijk ten noorden
van den Ofelmuur. Ecnc gelijknamige aan den tempel 2 Kon. XI: 10; 2 Kron. XXIII: 15.
29.  Sadok, de zoon van Immer, dus priester, Ezra II: 37. — Over Sjemaja en Sjeehanja zie op vs. 4. Volg.
-ocr page 977-
1057
nkhemja III: 29—IV : 6.
Sadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis; op hem volgend Sje-
30       maja, de zoon van Sjechanja, de bewaker van de Oostpoort;\' op hem
volgend Hananja, de zoon van Sjelemja, en Hanun, de zesde zoon van
Salaf, een tweede gedeelte; op hem volgend Mesjullarn, de zoon van
31       Berechja, tegenover zijne kamer;\' op hem volgend Malkia, van het
goudsraedengild, tot liet huis der geschonkenen en dat der kooplieden,
tegenover de poort van het Mi f kad tot de bovenkamer op den Hoek; \'
32       tusschen de bovenkamer op den Hoek en de .Schaapspoort verrichtten
de goudsmeden en kooplieden het herstellingswerk.
1 Kron. XXVI: 4, Cv. was een Sjemaja, de zoon vuu Obcd-Kdom, tijdcu9 David aangesteld als
portier van den tempel. Dit ambt nam ook onze Sjemaja waar, indien althans, wat waarschijnlijk is,
de Oostpoort dezelfde is als de Waterpoort.
30.  Hananja, de zoon van Sjelemja, volg. XII: 12, 41 priesterhoofd. Sjelemja kan de XIII: 13 ver-
melde zijn. — Hanun, de zesde zoon tan Salaf, zeker een ander dan de vs. 13 genoemde. — Mesjullarn
— Berechja, ook vs. 4. Daar hij, en niet Hanun, als bouwer van deu muur reeds vermeld is, heeft
misschien een tweede gedeelte oorspronkelijk achter zijn uaam gestaan. — zijne kamer, in den tempel;
verg. op Kzra X : 6.
31.  het huis der geschonkenen. Daar dezen zuidelijker woonden (vs. 26), moet hier een gebouw aan
deu tempel bedoeld zijn waarin zij hunne werkzaamheden verrichtten. — het Mifkad komt nog
Ezech. XLIII: 21 voor, waar het door de daarvoor bestemde plaats vertaald is, en waaruit blijkt dat
het in de nabijheid des tempels lag. — de óovenkauier op den Hoek komt elders niet voor.
32.  Hier keert de beschrijving tot het punt van waar zij uitging (vs. 1) terng.
/
HOOFDSTUK IV.
Bezwaren bij den bouw. — Sanballat en Tobia laten zich hoonend over de onderneming der Joden
uit (1—3); waarom Nehemja de wraak Gods over hen afroept (4 v.). Als het werk halverwege vol-
tooid is, beramon de tegenstanders om het met geweld te verstoren (fl—8) en zetten de Joden tegen
hen wachtposten uit (9). Bij het vermeerderen der moeilijkheden (10—12), neemt Nehemja krachtiger
maatregelen en wekt hij het volk op tot den strijd (13 v.). Hierop gaan de Joden weer aan den
arbeid (15), doch zijn tegen aanvallen op hunne hoede (IR—18) en moeten wanneer de bazuin zich
laat hooren zich verzamelen (19 v.). Al de bouwlieden overnachten te Jeruzalem, terwijl Nehemja en
zijn gevolg dag noch nacht uit de kleêrcn komen (21—23).
IV: 1 Zoodra Sanballat hoorde dat wij bezig waren den muur te herbouwen,
ontstak hij in toorn en was hij uitermate ontstemd, en den spot drij-
2       vend met de Joden,\' zeide hij, in tegenwoordigheid van zijne broeders
en het heir van Samarië: Wat voeren die stumpers van Joden daar
uit? Zullen zij het overlaten aan God? offers brengen? het vandaag
nog afmaken? de steenen doen herleven uit de hoopen stof, al zijn die
3       door brand vernield?\' En Tobia, de Ammoniet, die bij hem stond,
zeide: Wat zij ook bouwen, als een vos er op springt, dan scheurt hij
4       hun steenen muur vaneen. — \' Hoor, onze God, hoe wij een voorwerp van
minachting zijn geworden; doe hun hoon op hun eigen hoofd neder-
komen en geef hen ter plundering over in een land van ballingschap;\'
5       dek hunne schuld niet toe, en worde hunne zonde van voor uw anti-
gezicht niet weggewischt; want zij stonden tergend tegenover de
bouwers.
6           Intusschen bouwden wij voort aan den muur. Weldra was hij in
zijn ganschen omvang ter halver hoogte hersteld, en het volk had hart
1.   Over Sanballat en Tobia (vs. 3) zie op II: 10. — dat — herbouicen. Hij vreest dat het met
den bouw ernst wordt. Trots al hun spotten, zijn de tegenstandors blijkbaar zeer ongerust.
2.   sijne broeders, zijne incdeamhtcnarcn. — hel heir van Sdmarii\'; waarover Sanballat, naar het
schijnt, in naam des koniugs, het bevel voerde. — aan God, volg. verb. t.; grondt, aan hen. — Tot
dien spot hadden de Joden stellig aanleiding gegeven, door meer dan eens in moeilijke omstandig\'
heden zich tot bidden en offeren te bepalen en niet te handelen.
4 v. Zulke gebeden van Nehemja midden in zijn verhaal treffen wij ook V:19; VI: 9, 14; XIII: 14,
22, 29, 31 aan.
O. T. I.
07
-ocr page 978-
1058                                            NEHBMJA IV : G—21.
7       voor den arbeid.\' Doch toeu Hanballat en Tobia, de Arabieren, de
Amnionieten en de Asdodieten hoorden dat het werk aan Jeruzalems
muren vorderde en de scheuren begonnen gedicht te worden, ontstaken
8       zij in hevigen toorn\' en spanden zij allen met elkander samen om
Jeruzalem te gaan beoorlogen en onder het volk verwarring te stichten.\'
9       Toen baden wij tot onzen God en stelden tegen hen, dag en nacht, eene
wacht op uit vrees voor hen.
10           Ook zeide Juda: De kracht der lastdragers bezwijkt, en het puin is
11       veel; wij kunnen aan den muur niet bouwen.\' En onze tegenstanders
dachten: Zij mogen niets weten en merken voordat wij midden onder
hen komen en hen dooden; zoo zullen wij het werk doen ophouden.\'
12       Als nu de Joden die in hunne nabijheid woonden kwamen, en tienmaal,
uit allerlei plaatsen, tot ons zeiden: Gij moet tot ons terugkeeren —\'
13       stelde ik in de lage plaatsen achter den muur, in de verschansing,
daar stelde ik het volk naar geslachten op, met hunne zwaarden,
14       lansen en bogen.\' Ik zag toe, stond op en zeide tot de edelen, de
regenten en het overige volk: Vreest niet voor hen; denkt aan den
grooten en geduehten Heer en strijdt voor uwe broeders, uwe zonen
en dochters, uwe vrouwen en huisgezinnen.
15            Toen nu onze vijanden hoorden dat het ons bekend geworden was
en God hun raad verijdeld had, keerden wij allen naar den muur, ieder
16       tot zijn werk, terug.\' Van dien dag af was de helft van mijn gevolg
aan het werk bezig en hield de andere helft de lansen, schilden, bogen
en pantsers, terwijl de oversten achter het gansehe huis Juda stonden.\'
17       Wat de bouwlieden van den muur betreft, de lastdragers droegen puin
weg; met de éene hand deed men het werk, terwijl de andere het
18       wapen vasthield;\' en de metselaars hadden elk zijn zwaard aan de
lenden gegord terwijl zij metselden, en de man die de bazuin stak
19       stond nevens mij.\' En ik zeide tot de edelen, de regenten en al het
overige volk; Het werk is groot en omvangrijk, zoodat wij op den
20       muur ver uiteenstaan, op een grooten afstand van elkander;\' op de
plaats van waar gij het geluid der bazuin hoort komen, derwaarts moet
gij u bij ons verzamelen; onze God zal voor ons strijden.
21            Zoo deilen wij het werk, terwijl de helft van hen met lansen gewa-
pend was, van het krieken van den dageraad totdat de starren te voor-
7. de Asdodielen. Verg. XIII: 23 v. — het teert ... vorderde. Verg. op 2 Kron. XXIV : 13.
10 v. Opsomming van moeilijkheden waarmede Neheinja te worstelen had: moedeloosheid van bin-
nen, lagen van buiten.
10.  Juda, de Joodsehc bouwlieden.
11.  Wat de tegenstanders in het sehild voerden had Nchemja van de Joodsehc grensbewoners
(vs. 12) vernomen.
12.  «\'m hunne nabijheid, van de tegenstanders. — tienmaal, herhaaldelijk; zie op Gen. XXXIS 7. —
Gij — terugkeeren. Dit spraken zij tot huune medeburgers eu verwanten die aan de muren werkten:
ze zouden terugkeeren om hen te beschermen.
13.  de versehansing, volg. verb. t. Waarschijnlijk wordt hier de plaats aangeduid waarheen de man-
sehappen werden samengetrokken.
11. liet schijnt dat Xehemja zat bij de plaats waar het volk werd opgesteld, en dat hij, nu dit
gedaan was, opstond om het toe te spreken.
15.  keerden — terug. Het werk was dus tijdelijk gestaakt geweest.
16.   mijn gevolg, letterlijk mijne jongelingen, nog vs. 23; V : 10, 15 v.; XIII: 19 vermeld. — de
tante».
Hieraan laat Hcbr. t. en voorafgaan. — tervijl — stonden, ten einde terstond bij de hand te
zijn om zich aan de spits der Joden te stellen.
17 v. J)e bouwlieden tan den muur worden onderscheiden in lastdragers, opperlieden, die tevens het
puin moeten wegruimen, en metselaars. — droegen puin weg, letterlijk laadden op.
18. de man — mij, om bij het niiustc gevnur do bouwlieden bijeen te roepen.
21. Zoo deden wij werk. Daar wij ook in het Hibrccuwsch nadruk heeft, schijnt Nehemja te bedoelen:
ik zelf en mijn gevolg, waarop ook de onmiddellijk volgende woorden betrekking hebben. Zie vs. 16,
waarop ons vers dus terugziet en waarmede het wellicht eens nauwer verbonden was.
-ocr page 979-
nbhemja IV : 21—V : 8.
1059
22       schijn kwamen.\' Ook zeiile ik te dier tijd tot het volk: Ieder moet met
zijn gevolg binnen Jeruzalem overnachten; zoodat zij ons des nachts tot
23       eene wacht, des daags tot eene werkkracht zijn.\' Ik zelf, mijn gevolg
en de lieden mijner lijfwacht, wij legden nooit onze kleederen af; elk
had zijn wapen aan zijne rechterhand.
22.  Velen waren dn» gewoon in den omtrek te overnachten.
23.  mijn gevolg. Zie op vs. 10. — en de lieden mijner tij/ieae/it, wellicht uit Sjusjnn met hein
gekomen (zie II: Ü) cu blijkens deze plaats van het gevolg wel te onderscheiden. — aan zijne rechter-
hand,
volg. verb. t.; grondt, het mater.
HOOFDSTUK V.
Nchemjn\'s verdiensten jegens zijn volk. — Het volk heft luide klachten nan: om koren te verkrijgen
hebben zij akkers en huizen moeten verpanden en hunne kinderen verkoopen (1—5). Nehcmjn, hierover
22
ontroerd, weet door woord en voorbeeld de schuldcischcrs te bewegen tot de belofte om de te pand ge-
nnmen bezittingen terug te geven en de schulden kwijt te schelden, welke belofte met een eed bevcs-
tigd wordt (6—13). Gedurende zijn stadhouderschap heeft hij, anders dan zijne voorgangers, geen
tafelgelden van het volk geëischt (14 v.), onbaatzuchtig nan den bouw der muren geholpen (10) en op
oigen kosten tal van Joden aan zijne tafel gespijzigd (17 v.); God moge het hem vergelden (1\'J)!
Het eerste gedeelte, vs. 1—13, verplaatst ons waarschijnlijk iu den tijd na den herbouw der muren;
het overige, vs. 14—19, heeft betrekking op den ganschen duur vnn Nchemju\'s eerste verblijf in
Palestina. Dit laatste verwachten wij eerst aan het einde van het verhaal over dit tijdvak, waarover
echter hier nog niet gesproken wordt; ook in de eerstvolgende hoofdstukken wordt over den tijd van
den bouw gehandeld. Nehemja vermeldt het reeds hier, omdat hij zijne opofferingen en bemoeiingen ten
bnte van zijn volk, waarover hij reeds in het vorige hoofdstuk begon te spreken, in ccus wil nfhandelen.
V: 1          Eens ontstond er een groot geroep van het volk, mannen en vrouwen,
2       tegen hunne broeders, de Joden.\' Sommigen zeiden: Wij, met onze
zonen en dochters, zijn talrijk; wij moeten koren hebben om te eten
3       en in het leven te blijven.\' Anderen zeiden: Onze akkers, wijngaarden
en huizen moeten wij verpanden om koren te verkrijgen in den duren
4       tijd.\' Weder anderen zeiden: Wij hebben op onze akkers en wijngaarden
5       geld opgenomen voor de belasting aan den koning.\' Welnu, ons lijf is
zoo goed als dat van onze broeders, onze kinderen zijn zoo goed als
die van hen, en toch moeten wij onze zonen en dochters tot slaven
maken; ja, van onze dochters zijn er reeds eenige slavinnen geworden,
zonderdat wij er iets tegen vermogen, daar onze akkers en wijngaarden
6       in andere handen zijn overgegaan.\' Ik ontroerde hevig, toen ik hun
7       geroep en deze woorden hoorde,\' overlegde de zaak bij mij zelven en
zeide verwijtend tot de edelen en regenten: Vordert gij van elkander
8       schulden in 1 En ik belegde tegen hen eene groote vergadering,\' waarin
ik tot hen zeide: Wij hebben onze Joodsche broeders die aan de heide-
1—5. De verarming waarvan hier sprake is kan mede veroorzaakt zijn door den herbouw der
muren, waardoor vele handen nan den landbouw werden onttrokken, en door de vijandelijkheden der
naburen; verg. op IV : 12.
1. de Joden, hier, in tegenstelling met het volk, do aanzienlijken.
4 v. Deze sprekers zijn nog meer vernrmd dan de vorige; zij hebben reeds da vrije beschikking over
de opbrengst van hun grond niet meer; wanrom zij zelfs genoodzaakt zijn hunne kinderen tot slaven
te verkoopen.
5. moeten — maten. Dat Israclietische ouders hunne kinderen konden verkoopen wordt ook Exod.
XXI: 7; Lev. XXV: 39; 2 Kon. IV: 1 ondersteld. — zonderdat — vermogen, letterlijk zonderdat
onze hand om» ten god ü;
verg. op Gen. XXXI: 29. — daar — overgegaan, en wij dus genoodzaakt
zijn, op andere wijze, o. n. door het verkoopen onzer dochters, in onze nooddruft te voorzien. De wet
Lev. XXV: 13—28, volgens welke de grond slechts tijdelijk kon vorvreemd worden, was nog niet
geschreven, en is nooit algemeen in acht genomen.
7.   Vordert — in? Een pand van iemand nemen wns niet ongeoorloofd (Exod. XXII: 27—27; Deut.
XXIV: 10 v.), wel tegen rente leenen (Exod. XXII: 25; Lev. XXV: 35—38; Deut XXIII: 19 v.), als.
mede het geleende met geweld terugvorderen van iemand die verarmd was.
8.   Wij — losgekocht, verarmde Joden in Palestina. — voor zoover — toelieten, onzekere vertaling
overeenkomstig Gr. en Lat. vertt. — zij — Korden? Wij zouden hen weder van u ihocten loskoopcn?
-ocr page 980-
1060
NBHKMJA V : 8 — 18.
nen verkocht waren, voor zoover onze middelen toelieten, losgekocht,
en nu zoudt gij weder uwe broeders verkoopen, en zij zouden aan ons
9 verkocht worden! Zij zwegen en konden niet antwoorden.\' Toen zeide
ik: Het is niet goed wat gij doet. Moest gij niet in de vreeze van
onzen God wandelen om den hoon van de volkeren, onze vijanden ?\'
10       Ook ik zelf, mijne broeders en mijn gevolg, wij hebben geld en koren
11       van hen te vorderen; wij willen die schuldvordering laten varen.\' Geeft
hun nog heden hunne akkers, wijngaarden, olijventuinen en huizen
terug, alsmede de schuldvordering van geld of koren, most of olie,
12       welke gij aan hen hebt. \' Ilierop zeiden zij: Wij zullen het teruggeven
en de schuld niet van hen invorderen; wij zullen doen zooals gij zegt.
Nu riep ik de priesters en nam hun den eed af dat zij alzoo doen
13       zouden.\' Ook schudde ik mijn kleed uit en zeide: Zoo schudde God
ieder die dit woord niet gestand doet uit zijn huis en vermogen, en
zoo zij hij uitgeschud en ledig! Hierop zeide de gansche vergadering:
Amen — en prees Jahwe. En het volk deed naar dit woord.
14            Ook heb ik, van den dag af dat de koning mij heeft aangesteld om
in bet land Juda hun landvoogd te zijn, van het twintigste tot het
twee en dertigste jaar van koning Artahsjasta, twaalf jaren lang,
evenmin als mijne broeders, bet brood van den landvoogd gegeten.\'
15       De vroegere landvoogden, zij die mij voorgegaan zijn, hadden het volk
zware lasten opgelegd en van hen voor brood en wijn dagelijks veertig
sikkels zilver genomen; ook badden de lieden van hun gevolg den
baas gespeeld over bet volk. Maar ik heb zoo niet gedaan, uit vrees
1G voor God.\' Ook heb ik den bouw van dezen muur ondersteund, en
geen stuk grond hebben wij genomen, terwijl toch al de lieden van
17       mijn gevolg daar bij het werk verzameld waren.\' Voorts had ik vele
Joden, zoowel de regenten, honderd vijftig man, als hen die van de
18       omwonende volken tot ons kwamen, aan mijne tafel.\' Wat voor eiken
dag werd toebereid — een rund, zes uitgelezen stuks kleinvee en ge-
vogel te — dat werd op mijne kosten toebereid, alsmede wat telkens
voor tien dagen van allerlei wijnen in overvloed werd ingeslagen;
0. om — vijanden, om dezen te «loon ophouden.
10.   wij willen — varen. Het stuken dor vordering sluit kwijtschelding in.
11.   Met de kwijtschelding gu gepaard teruggave der iu heslag genomen bezittingen. — de schuld-
vordering,
met invoeging vu ecne letter; grondt, hel honderdste.
12.   A\'k — af. Nchemja vertrouwt blijkbaar de bloote belofte niet; daarom laat hij den schuld*
eischers (dezen toch zullen wel met hun bedoeld zijn) door de priesters een eed afnemen.
18. schuilde ik mijn kleed uil. Het woord met ,kleed\' vertaald is eigenlijk dot gedeelte van het gc-
waud dat de borst bedekt. Nehcmjo neemt zijn kleed met beide handen op, vouwt het op de borst tot een
zak samen en laat het dan los. Dezelfde zinnebeeldige handeling Hand. XVIII: il. Het vervolg leert
hare beteckenis kennen. — prees Jahwe, die het hart der rijken tot die mildheid bewogen eu daardoor
de lasten van vele armen verlicht had.
11. de koning, duidclijkhcidshalvc in pi. v. hij. — van — lang, van 415 tot 433. — hel brood
van dru landvoogd.
Terwijl de landvoogd uit de koninklijke kas bezoldigd werd, had hij tevens aan-
spraak op leveringen van brood en wijn door zijne onderdanen.
15.  dagelijks, volg. Lat. vert. — zilver. Het schijnt dat zij veertig sikkels zilver (ƒ08) dagelijks
mochten eischcu.
16.   Ook — ondersteund. Daar Nelieinju hier spreekt van zijne geldelijke opofferingen, bedoelt hij
niet zijne bemoeiingen ten aanzien vau den milieubouw in het algemeen, maar dat hij een gedeelte
hiervan voor zijne rekening had genomen en zijne volgers er aan had doen medewerken (IV : 16). —
Voor het beschikbaar stellen van zijn gevolg had hij voor zich zelven en voor hen loon kunnen
eischen ; maar niet ren akker had hij zich toegeëigend.
17.  Welke overheidspersonen met de regenten bedoeld worden, is niet duidelijk; waarschijnlijk de
distriktsoversten die buiten Jeruzalem woonden, van welke in H. III eenige vermeld worden. Als zij
den landvoogd te Jeruzalem kwamen raadplegen, waren zij zijne dischgenootcn. — hen — kwamen,
Joden in de verstrooiing die te Jeruzalem kwamen offeren.
18.   wat... werd ingeslagen, duidelijkheidsbalve ingevoegd. — de dienst. Hieronder knnncn zoo-
wel de dagelijksche lasten, voor eercdienst enz., als de buitengewone, b. v. tot herbouw der muren,
verstaan worden. Waarschijnlijk wordt vooral bedoeld wat van \'skonings wege gevorderd werd.
-ocr page 981-
nbhemja V : 18—VI: 10.
1061
met dat al heb ik het brood van den landvoogd niet begeerd, omdat de
19 dienst zwaar op dit volk drukte.\' Gedenk, o mijn God, mij ten goede
al wat ik voor dit volk gedaan heb.
19. Een soortgelijk gebed XIII: 14, 22, 31. Hierin opeubnart zich rceil» de wcrkhcilighcid van het
latere Jodendom, dat met goede werken loon van God meende te verdienen.
HOOFDSTUK VI.
Xchemja\'s tegenstanders leggen hem lagen; de muur voltooid. — Sanballat en zijne medestanders
noodigen, met nrglistige bedoeling, Xehemja tot cene samenkomst, maar hij weigert hieraan gevolg
to geven (1—4); Sanballat herhaalt de uituoodiging in een open brief, waarin staat dat geruchten
over een door Nchemja beraamden opstand den koning kouden ter ooreu komen (5—7); Nehemju
antwoordt dat die geruchten door Sanballat verzonnen zijn (8 v.). Keu profeet bij wicu hij iu huis
komt wil hem overhalen in den tempel de wijk te nemen (IU); maar Xehemja begrijpt dat hem een
strik gespannen wordt (11—13); hij bidt dat God het zijnen vijanden vcrgcldc (14). Intussehen is de
muur hersteld (15). Alle naburige volken worden bevreesd (10); Tobia houdt eenc drukke briefwisse-
ling met zijne Joodsche vcrwautcn, die hem vergeefs bij Xehemja voorspreken (17—19).
VI: 1         Zoodra het Sanballat, Tobia, Gesjem, den Arabier, en onzen overigen
vijanden was ter ooren gekomen dat ik den muur herbouwd had en
er geen scheur in was overgebleven — al had ik nog geen deuren in
2       de poorten geplaatst —\' zonden Sanballat en Gesjem mij de volgende
boodschap: Kom, laten wij eene samenkomst hebben te Kefirim in de
vallei van Ono — waarbij zij kwaad tegen mij in den zin hadden.\'
3       Maar ik zond boden tot hen met het antwoord: Een groot werk heb
ik onder handen; daarom kan ik niet komen. Waarom zou het werk
blijven rusten? wat gebeuren zou zoodra ik er de hand aftrok en
4       tot u kwam.\' Nog vier keeren zonden zij mij dezelfde boodschap; maar
5       ik gaf hun hetzelfde antwoord.\' Nu zond Sanballat nogmaals, voor den
G vijfden keer, zijn knecht tot mij, met een open brief bij zich,\' waarin
geschreven stond: Onder de volken loopt het gerucht, en Gesjem zegt
het ook, dat gij en de Joden van zins zijt oproer te maken, dat gij
daarom den muur herbouwt, en dat gij op het punt staat koning over
7       hen te worden.\' Ook zoudt gij profeten hebben aangesteld om van
u te Jeruzalem te roepen: Koning in Juda! Nu mochten dergelijke
dingen eens den koning ter ooren komen! Kom dus, laten wij samen
8       beraadslagen.\' Toen liet ik hun zeggen: Er is niets van dien aard als
9       gij zegt gebeurd, maar gij hebt het zelf uitgedacht.\' Want zij wilden
allen ons vrees aanjagen, denkende: dan zullen hunne handen bij het
werk verslappen en komt het niet tot stand. — Nu dan, stevig mijne
handen!
10          Eens trad ik het huis binnen van Sjemaja, den zoon van Delaja, den
zoon van Mehetabeël, terwijl deze daar was opgesloten. Hij zeide: Laten
wij in het huis Gods samenkomen, in het tempelhuis; dan sluiten wij
1.  De vijanden der Joden (over wie zie op II: 10, 19), het ongeraden achtend weder met geweld op te
treden (IV : 7 v., 15), trachten door list Xehemja uit den weg te ruimen. — al — grplaaltl. Zie VII: 1.
2.  Kefirim, wellicht hetzelfde als Kefira; zie op Joz. IX: 17. — Oho. Zie op 1 Kron. VIII: 12.
3.  wal gebeuren zou, duidclijkheidshalve ingevoegd.
5.  met een open brief, dus bestemd om door de Jeruzalcmmers gelezen te worden en hun schrik
aan te jagen.
6.   Qesjem, letterlijk lias hui, wat dezelfde naam is. — Aan hot eind van het ver» is dergelijke dingen
volg. Gr. vert. weggelaten.
7.  laten — beraadslagen, om dat onheil af te wenden.
9.  Nu — handen. Zoo bidt Nehcmja tot God. Zie op IV : 4 v.
10.   terwijl — opgeilotm. Wat dit beteekeut, is niet recht duidelijk. Wellicht was het eene zinnc-
beeldige handeling, waardoor Sjemaja wilde te kennen geven dat Xehemja zich verschuilen moest;
verg. Ezech. III: 24. Ook kan hij zoo Xehemja, die hem waarschijnlijk meermalen raadpleegde, heb-
ben willen nopen hem in zijn huis op te zoeken.
-ocr page 982-
1062
NBUBMJA VI: 10—19.
de deuren daarvan; want zij komen u dooden, van nacht komen zij
11       u dooden.\' Doch ik zeide: Zou een man als ik vluchten? En wie van
mijn» gelijken zou liet terupelhuis kunnen binnentreden en in leven
12       blijven? Ik ga er niet in.\' Ik begreep, dat niet God hem gezonden
had, maar dat hij die profetie over mij had gesproken dewijl Tobia en
13       Sanballat hem omgekocht hadden.\' Hij was omgekocht opdat ik dit
uit vrees doen en een misstap begaan zou; dan zou dit hun aanleiding
14       tot een boosaardig gerucht hebben gegeven, om mij te smaden.\' Gedenk,
mijn God, Tobia en Sanballat en doe hun naar deze hunne werken,
alsmede der profetes Koadja en den overigen profeten die mij vrees
wilden aanjagen.
15           Den vijf en twintigsten van Elul, in twee en vijftig dagen, was de
muur voltooid.
16           Zoodra nu al onze vijanden dit hoorden, werden alle volkeren rondom
ons bevreesd en daalden in eigen schatting; zij begrepen dat dit werk
17       vanwege onzen God was tot stand gebracht.\' Nog schreven in die
dagen de edelen van Juda vele brieven die naar Tobia gingen, en
18       desgelijks kwamen er van Tobia aan hen;\' want hij had in Juda velen
die met hem verbonden waren, daar hij een schoonzoon was van Sjechanja,
den zoon van Arah, en zijn zoon Jonathan met de dochter van Mesjul-
19       lam, den zoon van Berechja, gehuwd was.\' Ook vertelden zij mij van
zijne goede hoedanigheden en brachten mijne woorden aan hem over.
Tobia had brieven geschreven, om mij vrees aan te jagen.
11. me — btijrenf Daar Nehemja ecu leek was en een leek op straffe des doods het heilige niet
betreden mocht, begrijpt hij, nu Sjemaja hem hiertoe uitnoodigt, dat hem een strik wordt gespannen.
13.  om piij te smaite», als tcmpclschcnuer.
14.  der profetee — aanjagen, Sjcinuja was dus niet de cenigc profeet die met Nehemja\'s tcgcnstan-
ders heulde. Wel ecu bewijs van het verval van het profetisme; verg. Zach. XIII: 2—6 en zie op
Dout. XVIII: 81 t.
15.   In welk jaar de voltooiing van den muur viel, wordt niet gezegd, waarschijnlijk nog in het
twintigste van Artahsjasta. — Over Elul zie op Exod. XII: 2. — in tweeen vijftig dagen, Dezo tijdruimte
schijnt te kort, maar is dit inderdaad niet, als meu in aanmerking neemt den grooten ijver waarmede ge-
werkt werd en de talrijke werkkrachten, en bedenkt dat hier en daar de muur niet veel herstel noodig
had (verg. op 111:13). Volgens Josefus had de bouw twee jaar cu vier maanden geduurd; wellicht
heeft men later, toen men meende dat ook de muur om de Hovenstud reeds tot den door Nchemja
herstelden behoord had, de tijdruimte te beperkt gevonden.
18.  Sjeeliauja, ilen zoon van Arah. Zie VII! 10; Ezra 11:5. — zijn zoon — wat. Daar Arah geen\'
priesterlijk geslacht was, zal de verwantschap van Tobia met den hoogopricstcr Eljasjib (XIII: 4) door
dit huwelijk ontstaan zijn; Mcsjullum was dus waarschijnlijk een priester; verg. op 111:4.
19.  zijne goede hoedanigheden. Het licbrceuwsche woord heeft klankovereenkomst met Tobia. — Tobia
— jagen. Öczc opmerking dient om te doen uitkomen dat Nehemja wat men hem van Tobia ver-
telde niet geloofde: hij had, evenals Sanballat (vs. 5—7), brieven geschreven met het doel Nehemja
tegen te werken.
HOOFDSTUK VII.
Maatregelen tot versterking vnn Jeruzalem. — Na de voltooiing van den muur laat Nehemja de
deuren in de poorten hnngeu cu stelt hij portiers aan (1); hij draagt het opzicht over de stad aan
een paar mannen op, wien hij tevens aanwijzingen geeft omtrent het openen en sluiten der poor-
ten (2 v.). Daar de stad te schraal bevolkt is, roept hij cenc volksvergadering samen, om eenc lijst
der bevolking op te maken (4, 5a), en vindt de lijst der in den beginne teruggekeerden (öb). 7A} bevat
opschrift (0); de namen van de twaalf hoofden der teruggekeerden (7a); lijst der Israëlietischc leeken-
gcslaehtcn, met opgaven van het aantal huuner leden (tb—38), der priesters (39—42), der Levieten
(43), der zangers en portiers (44 v.), der geschonkenen (46—5C), der afstammelingen van Salomo\'s
slaven (57—60); eenigo familicu kunnen hare Israclictische, andere hare priesterlijke afkomst nic
bewijzen; waarom de laatste voorloopig van het priesterschap worden uitgesloten (61—65). 6ezamcn-
lijk aantal van de leden der gemeente (66); hunne bezittingen in slaven en vee (67—69). De land-
voogd en ecnigc familiehoofden geven bijdragen voor den ccredienst (70—72). Gansch Israël woont
in zijne steden (73).
-ocr page 983-
NBHEMJA VII : 1—15.                                        1063
Van dit gedeelte is vs. 1—5, blijkens het gebruik van den lsten persoon, grootendecls (zie op vs.
1 en 5) uit Xehemjo\'s Oedenkscbriftcu. De lijst, vs. 6—73, welke wij ook Kzra II aantreffen, stoat
hier evenmin als daar op hare plaats (zie op vs. 5), en kwam oorspronkelijk zeker in een ander
verbaud voor (zie int. op Kzra II). De lijst van Jeruzalems bevolking viuden wij wellicht XI: 3—30
(1 Kron. IX :1—17), en een bericht van Xehemjn\'s maatregelen om die bevolking te vermeerderen
lezen wij XI: 1 v.
VII: 1 Toen nu de muur herbouwd was, zette ik de deuren in en werden
2       de portiers, de zangers en de Levieten aangesteld.\' Ik droeg het bestuur
over Jeruzalem op aan mijn broeder Hanani en aan Hananja, den
overste van den burg; want deze was een boven velen vertrouwbaar
3       en godvreezend man;\' en zeide tot hen: De poorten van Jeruzalem
mogen niet geopend worden voordat de zon heet is, en terwijl de por-
tiers nog op hun post staan moet men de deuren dicht maken en
zult gij sluiten; voorts moet gij wachtposten van inwoners van Jeru-
zalem opstellen, ieder op zijn eigen post, ieder tegenover zijn huis.
4            Daar nu de stad wijd van omvang en groot, en het volk dat er in
5       woonde weinig was, en er geen huizen gebouwd waren,\' gaf mijn God
mij in het hart, de edelen, de regenten en het volk bijeen te roepen
om eene geslachtlijst aan te leggen. En ik vond de geslachtlijst van
hen die in den beginne waren opgetrokken, waarin ik geschreven vond:
ö          Dit zijn de zonen van het landschap, die opgetrokken zijn uit de
gevangenschap der ballingen, die Nebukadnesar, de koning van Dabei,
naar Dabei gevoerd had, en die teruggekeerd zijn naar Jeruzalem en
la Juda, elk naar zijne stad;\' die gekomen zijn niet Zerubbabel, Jezua,
Nehemja, Azarja, Haümja, Nahaniani, Mordochai, Dilsjan, Mispereth,
Digwai, \'Helium, Daiina.
1b         Het aantal mannen van het volk Israël was:
8          De zonen van Daros, twee duizend honderd twee en zeventig;\'
9, 1Ü die van Sjefatja, driehonderd twee en zeventig;\' die van Arah, zeshon-
11       derd twee en vijftig;\' die van Pahath-Moab, van de zonen van Jezua
12       en Joab, twee duizend achthonderd achttien;\' die van Elam, twaalf hon-
13,14 derd vier en vijftig;\' die van Zattu, achthonderd vijf en veertig;\' die
15 van Zakkai, zevenhonderd zestig; \' die van Dinnuj, zeshonderd acht en
Vs. fl—73. Ezra II.
1.   Wat zar.gert en Levieten met de bewaking der stadspoorten te doen hebben, is niet in te zien.
Waarschijnlijk heeft de Kroniekschrijver, die bij portiers onwillekeurig unu de bewakers der tempel-
poorten dacht, ze hier ingevoegd.
2.  mijn broeder llauani. Zie 1:2. — tien overste van den burg, waarschijnlijk door den Pcrzischcu
koning aangesteld. Over den burg zie \'op II: 8.
3.   De vs. 1 vermelde portiers hebbeu des daags de wacht; des nachts wordt de stad bewaakt door
Jeruzalemschc burgers. De bepalingen omtrent openen en sluiten dienen om te verhoeden dat de ge-
opende poorten ooit onbewaakt zijn. — ieder op — hui». De bedoeling schijnt te zijn dat ieder een
deel van den muur had te bewaken; welk gedeelte (zooveel mogelijk) gelegen was tegenover het huis
van zijn bewaker. Daar Jeruzalem eene langwerpige stad was, in de richting van noord naar zuid,
is deze regeling niet zoo onpraktisch als zij schijnt.
4 v. Dat Jeruzalem slechts ten decle bevolkt cu bebouwd was (het laatste wordt met en er geen
huizen gebouied Karen
bedoeld), zoodat Xehcmja maatregelen moest beramen om de bevolking te ver-
meerderen, zou hoogst bevreemdend zijn, indien de duizenden van vs. 06 v., Kzra II: 01 v. reeds uit
Habel waren teruggekeerd en grootendeels zich in Jeruzalem haddeu gevestigd.
5. En — opgetrokken. Wat Xehemja hieraan kon hebben, is niet duidelijk. Eene lijst van terug-
gekeerden toch behelsde niet uitsluitend namen van Israëlieten die te Jeruzalem zich haddeu geves-
tigd en kon hem dus voor zijn doel, eene geslachtlijst vnu de tegenwoordige bevolking van Jeruzalem
op te maken, zeer weinig helpen. Ook is vs. 0—73 oorspronkelijk gecu lijst vau teruggekeerde bal-
lingen geweest; zie inl. op Kzra II. Vermoedelijk heeft de Verzamelaar wat hier in Xehemja\'s Ge-
denkschriften volgde weggelaten (zie lul.) en daarvoor deze lijst in de plnats geschoven; in dit geval
heeft hij in dit vers ook een en ander gewijzigd en heeft er in pi. v. hen die in den beginne Karen
opgetrokken
iets anders gestaan, wellicht de vroegere beKonert (1 Kron. IX: 2).
0—73. Zie aantt. bij Kzra II.
7. Rehum, volg. Kzra 11:2; grondt. Nehum. — Gr. vert. voegt na Mitpereth den naam Ezra in.
-ocr page 984-
NBHBMJA VII: 15 — 66.
1064
16,17 veertig;\' die van Bebai, zeshonderd acht en twintig;\' die van Azgad,
18       twee duizend driehonderd twee en twintig;\' die van Adonikam, zes-
19       honderd zeven en zestig;\' die van Bigwai, tweeduizend zeven en
20,21 zestig;\' die van Adin, zeshonderd vijf en vijftig;\' die van Ater, van
22 Hizkia, acht en negentig; \' die van Hasjuru, driehonderd acht en
23,24 twintig;\' die van Itesai, driehonderd vier en twintig;\' die van Harif,
25,26 honderd twaalf;\' die van Gibeon, vijf en negentig;\' de lieden van
27       IJetlileliem en Netofa, honderd acht en tachtig;\' die van Anathoth,
28       honderd acht en twintig;\' die van Beth-azmaweth, twee en veertig;\'
29       die van Kirjath-jearim, Kefira en Beëroth, zevenhonderd drie en veertig;\'
30, 31 die van Rama en Geba, zeshonderd een en twintig;\' die van Michmas,
32 honderd twee en twintig; \' die van Bethel en Ai, honderd drie en
33, 34 twintig; \' die van Xebo, twee en vijftig; \' de zonen van een ander
35 Elaiu, twaalfhonderd vier en vijftig; \' die van Harim, driehonderd
36, 37 twintig; \' die van Jericho, driehonderd vijf en veertig; \' die van Lod,
38       Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig; \' die van tëenaii, drie
duizend negenhonderd dertig.
39           De priesters: de zonen van Jedaja, van het huis Jezua, negenhon-
40,41 derd drie en zeventig; \' die van Iranier, duizend twee en vijftig;\' die
42       van Pashur, twaalfhonderd zeven en veertig; \' die van Harim, duizend
zeventien.
43           De Levieten: de zonen van Jezua en die van Kadmiël, van de zonen
van Hodawja, vier en zeventig.
44           De zangers: de zonen van Azaf, honderd acht en veertig.
45           De portiers: de zonen van Hjallum, van Ater, van Talraon, van Ak-
kub, van Hatita, van Sjobai, honderd acht en dertig.
46           De geschonkenen: de zonen van Siha, van Hazufa, van Tabbaoth,\'
47, 48 van Keros, van Hia, van radon,\' van Lebana, van Hagaba, van Salmai,\'
49, 50 van Hanan, van Giddel, van Gahar,\' van Iteaja, van Resin, van Ne-
51, 52 koda,\' van Gazzam, van Uzza, van Pazeah, \' van Bezai, van de Meünieten,
53, 54 van de Nefisjezieten,\' van Bakbuk, van Hakufa, van Harhur,\' van
55       Basluth, van Mehida, van Harsja,\' van Barkos, van Sizera, van Taraah,\'
56       van Nesiah, van Hatifa.
57           De zonen van Salomo\'s slaven: de zonen van Sotai, van Sofereth,
58, 59 van Perida,\' van Jaüla, van Darkon, van Giddel,\' van Sjefatja, van
60       Hattil, van Pochereth-hassebajim, van Amon.\' De geschonkenen en de
zonen van Salomo\'s slaven waren in het geheel driehonderd twee en
negentig.
61            Dit zijn zij die wel opgetogen waren uit Tel-melah, Tel-harsja, Kerub,
Addon en Immer, maar die hunne familiën en hun stamboom niet konden
62       aanwijzen, of zij al dan niet uit Israël stamden:\' de zonen van Delaja,
63       die van Tobia, die van Nekoda, zeshonderd twee en veertig.\' En van
de priesters: de zonen van Habaja, die van Hakkos, die van Barzillai,
die eene dochter van Barzillai tot vrouw had genomen en nu naar
64       haar naam heette.\' Dezen zochten naar hun geslachtregister, doch daar
men dit niet vond, werden zij van het priesterschap buitengesloten.\'
65       De tirsjatha verbood hun, van het hoogheilige te eten, totdat er weder
een priester met de uriem en tummiera zou staan.
66           De gansche gemeente bestond in het geheel uit twee en veertig dui-
83. Nebo. Hierop laat grondt, nog een ander volgen; daar de naam nog niet eer is voorgekomen,
is dit rolg. Ezra II: 29 weggelaten.
43. en die van Kadmiël, volg. Ezra II: 40. Ook is volgens dezelfde plaats eene letter vóór Hodatoja
weggelaten.
-ocr page 985-
1065
nehbmja VII: 06— VIII: 2.
67 zend driehonderd zestig man;\' ongerekend hunne slaven en slavinnen;
dezen waren ten getale van zeven duizend driehonderd zeven en dertig.
En zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.\'
69       De kameelen waren vierhonderd vijf en dertig in getal, de ezels zes
duizend zevenhonderd twintig.
70           En ettelijke familiehoofden schonken giften voor den dienst: de tir-
sjatha gaf tot den schat: in goud duizend darieken en vijftig pleng-
71       schalen, benevens vijfhonderd dertig priestergewaden.\' Eenige familie-
hoofden gaven aan den schat waaruit de dienst werd bekostigd: aan
goud twintig duizend darieken en aan zilver twee duizend tweehonderd
72       pond.\' Hetgeen de rest van het volk gaf bedroeg: aan goud twintig
duizend darieken, aan zilver twee duizend pond, en zeven en zestig
priestergewaden.
73           Zoo woonden de priesters, de Levieten, de portiers, de zangers, een
deel van het volk, de geschonkenen en gansch Israël in hunne steden.
67. Hierop volgt in Hebr. t. (68) Hunne paarden Karen zevenhonderd zei en dertig in getal, hunne
muildieren tweehonderd vijf en veertig;
wat in do meeste hss. eu Gr. vert. ontbreekt en uit Ezra
11:65 schijnt te zijn ingclascht.
69—72. De giften waren bestemd voor een fonds waaruit in den tempeldieust voorzien werd, zoo-
nis vooral uit de vermelding der priettergc Kaden blijkt. Over de wijziging die in Kzra II is aange-
bracht zie aldaar op vs. 68 v.
HOOFDSTUK VIII.
Invoering van Ezra\'s wetboek. — Op verlangen van het volk brengt Kzra, in de zevende maand,
de wet van Mozcs te voorschijn (1—3); hij leest er een halven dag uit voor, staande op eenc ver-
hevenheid, door veertien mannen omringd (-l v.); het volk luistert eerbiedig naar voorlezing en gebed
(6v.)i eenige Levieten lezen uit de wet vuor en verklaren het gelegene (8v.); Nchemja, Ezra en do
Levieten wekken het volk op om dicu dag feestelijk te vieren (10—12); hetgeen geschiedt (13). Als
men den volgenden dag in de wet leest, hoe in de zevende maand loofhutten moet worden gevierd
(14—16), heeft de viering zoo feestelijk plaats als sinds den tijd van Jozua niet geschied was (17 v.);
dagelijks leest Ezra uit de wet voor, on den nchtstcn dag is het hoogtijd (10).
Wij hebben hier, zooals blijkt uit ettelijke herhalingen en oneffenheden (zio op vs. 6, 8, 10, 12 en
18), een overgewerkt stuk. Het oorspronkelijke verhaal, in hoofdzaak geloofwaardig en zeer belangrijk,
vermeldt de invoering van eene wet door Ezra; hoewel de schrijver meent dat die door Mozes ge-
schreven maar sinds den tijd van Jozua vergeten was, lijdt het geen twijfel, of hier wordt gehandeld
over eeno nieuwe wot, die voor Ezra aan Israël nooit bekend is geweest. Deze wet nu bezitten wij
nog, niet afzonderlijk, maar samengewcven met oudere geschriften en met jongere toevoegsels, in de
zes eerste boeken van het O. V.; het is het geschrift dat wij Ezra\'s Wetboek noemen. Verg. de ini.
op De vijf boeken der Wet en de bijzondere inleidingen in Getietii—Jozua. Het verhaal is niet uit
Nehemja\'s Gedenkschriften (zie op vs. 1), maar hoogstwaarschijnlijk uit die van Ezrn genomen en uit
het verband waarin het daar voorkwam losgemaakt; do tijdsbepaling waarheen vs. 1 terugwijst (zio
aldaar) vinden wij in hetgeen er thans aan voorafgaat niet, terwijl in hetgeen er thans op volgt geen
bekendheid met de wet welker invoering hier verhaald is wordt oudersteld (zie inl. op IX, X). De
Kroniekschrijver, die het hier plaatste, heeft het tevens overgewerkt, vooral met het doel de Levieten
bij do invoering der wet eenc voorname rol te laten spelen.
Een gedeelte van ons stuk, vs. 1—13, komt, met VII: 73, ook 3 Ezra IX: 37—50 voor.
VIII: 1 Tegen de nadering van de zevende maand, toen de Israëlieten in
2 hunne steden woonden,\' verzamelde zich het volk als éen man op het
plein vóór de Waterpoort en zeide tot Ezra, den schriftgeleerde, dat
1.  Zie op Ezra 111:1. — dt zevende maand, Tisri; zie vs. 15. Hier wordt dus de aanvang des
jaars in het voorjaar gesteld, wat in de Gedenkschriften van Nehemja het geval niet is; zie op 11:1.
Ook worden hier, evenals door den Kroniekschrijver (Ezra 111:1, 6, 8; VII:9) en Ezra (Ezra \\ 111:31;
X: lfiv.), de maanden naar hare volgorde, niet, als door Nehemja (Neh. 1:1; 11:1), naar hare namen
vermeld. Daar dus deze tijdsbepaling niet terugwijst naar hetgeon voorafgaat, weten wij niet welk jaar
bedoeld is.
2.  het plein voor de Waterpoort. Zie op III: 26. — den schriftgeleerde. In het volgende vers heet
hij de prieiter; zie op Ezra VII: 6. — hel boek ran Mozcj wet. Dat het volk het nog niet kende blijkt
-ocr page 986-
1066
NEHEMJA VIII : 2—13.
hij het boek van Mozes\' wet, die Jahwe aan Israël had gegeven, zou
3       halen.\' En Ezra, de priester, bracht de wet vóór de gemeente, mannen,
vrouwen en allen die in staat waren er naar te luisteren, op den
4       eersten dag der zevende maand. \' Hij las daaruit voor, van dat het
licht werd tot den middag, op het plein voor de Waterpoort, aan de
mannen, de vrouwen en al wie het verstaan konden, en het oor van het
5       gansche volk hing aan het boek der wet.\' En Ezra, de schriftgeleerde,
stond oj) eene houten verhevenheid, die men voor deze gelegenheid ver-
vaanligd had, en naast hem stonden, aan zijne rechterhand, Mattithja,
iSjema, Anaja, Azarja, Uria, Hilkia en Maiizeja, en aan zijne linkerhand,
1\'edaja, Misjaël, Malkia, Hasjuni en Hasbaddana, Zacharjaen Mesjullam.\'
6       En Ezra opende het boek ten aanschouwen van het gansche volk; want
hij stak boven het gansche volk uit; en zoodra hij het opende, stond
7       het gansche volk op. \' En Ezra loofde Jahwe, den grooten God; waarop
het gansche volk antwoordde: Amen! Amen! met opsteking der handen,
en zij bogen en wierpen zich voor Jahwe neder, het aangezicht op den
8       grond.\' En de Levieten Jezua, ltoni, 8jerebja, Jamin, Akkub, Sjabbethai,
Hodia, Maiizeja, Kelita, Azarja, Jozabad, Hanan, I\'elaja onderrichtten
9       het volk in de wet, terwijl dit op zijne plaats bleef.\' Zij lazen uit het
boek, uit de wet Gods, voor, duidelijk en met daarbij gevoegde verkla-
1U ring, zoodat men het voorgelezene verstond.\' Toen zeide Nehemja— hij
was de tirsjatba — met Ezra, den priester en schriftgeleerde, en de Levieten
die het volk onderrichtten, tot liet gansche volk: Deze dag is aan Jahwe,
uw God, geheiligd, bedrijft geen rouw en weent niet — want het
11       gansche volk weende op het hooren van de woorden der wet.\' Voorts
zeide hij tot hen: Gaat heen, eet lekkere spijzen en drinkt zoete dran-
ken en zendt daarvan geschenken aan hen voor wie niets toebereid is;
want de dag is onzen Heer heilig. En weest niet bedroefd; want de
12       vreugde in Jahwe, die is uwe sterkte.\' En de Levieten brachten het
gansche volk tot kalmte, zeggende: Weest bedaard; want de dag is
13       heilig, en weest niet bedroefd.\' Toen ging het gansche volk heen om
te eten en te drinken, geschenken te geven en grooto vreugde te be-
uit het vervolg; het wist echter wel dut Ezra zulk een wcthoek bezat; hoc het dit wist, heeft de
schrijver stellig medegedeeld, muur het is bij de bewerking weggelaten.
3. allen — luistere», dus nlleeii de jonge kinderen uitgesloten. — den — maand. Zie on Lev.
XXIII: 23—25.
5.  Azarja, uit 3 Ezra IX: 13 ingevoegd; zoodat er zeven ftau eiken kant staan.— Met de mannen die
naast Ezra stnun worden waarschijnlijk priesters en Levieten bedoeld; ettelijke hunner namen treffen
wij ook in H. III uan (zie 111:4, 0, 11, 14, 21—25, 31), andere X: 2 v., 8; Ml: 7. 21, II; Ezra
X:21—23. l)c opsomming is ongetwijfeld van den Kroniekschrijver.
6.  En — tolk. Dit verwachten wij na vs. 4 niet meer; wellicht sloot dit in het oorspronkelijke
verhaal aan vs. 3 aan.
7.  Wanneer dit plaats had, voor, onder of na het lezen, blijkt niet.
8.  Vele der hier genoemde Levieten treffen wij ook aan IX: 1 v.; X:9—13; XII: 8, 24; voorts
Sjerebja Kzra VIII: 18; Jezua, Ilodia (Hodurju) VII: 43 (Ezra 11:40); Sjabbethai en Jozabad XI: 16;
Ezra VIII : 33; X:15; Akkub als naam cencr porticrsfamilic VII: 45 (Ezra II: 42); XII:25. — de
Levieten.
In Hebr. t., waar het op l\'e/aja volgt, gaat hieraan e» vooraf, dat niet 3 Ezra IX: 48 ia
weggelaten. — Hoc wij ons de werkzaamheid dezer Levieten nevens die van Ezra moeten voorstellen,
is niet duidelijk; uit teritijl — bleef schijnt te volgen dat zij na Ezra ontraden, om het door hem
voorgelezcuc te verklaren. licze voorstelling is echter zeer vreemd en waarschijnlijk door den Krouick-
schrijvcr in het verhaal gebracht.
10.  Volgens vs. 11 {zeide hij) is hier oorspronkelijk slechts een persoon, waarschijnlijk Nehemja, ge-
noemd geweest. — de liryatlm. Zie op Ezra II: 63. — en vóór ichriflgeleerde, uit Gr. vert. en 3
Ezra IX : 40 ingevoegd. — Kant — teef. Blijkbaar hooren zij iets waarvan zij nog niets wisten; verg.
2 Kon. XXII: 11.
11.  de vreugde — tterkte, de bctooning van blijdschap omdat men Jahwe\'s volk is is hem welge-
vallig en daarom een middel om zijne gunst te verwerven en door hem gesterkt te worden.
12.   Dit was na vs. 10 v. niet meer noodig. Het vers is van den Kroniekschrijver, die de Levieten
op den voorgrond wil laten treden.
-ocr page 987-
1067
NEHKMJA VIII: 13—19.
drijven; want zij hadden acht geslagen op de woorden die men hun
had toegesproken.
14           En den tweeden dag verzamelden zich de familiehoofden van het
gansche volk, de priesters en de Levieten bij Ezra, den schriftgeleerde,
15       om kennis te nemen van de woorden der wet.\' Zij vonden geschreven
in de wet welke Jahwe door Mozes gegeven had, dat de Israëlieten op
het feest in de zevende maand in loofhutten moesten verblijf houden,\'
16       en dat zij in al hunne steden en in Jeruzalem moesten uitroepen en
afkondigen: Trekt naar het gebergte en haalt takken van olijven en
oleasters, van mirten en palmen, van loofrijke hoornen, om hutten te
17       maken, naar de iSchrift.\' En het volk ging de stad uit, haalde ze en
maakte zich hutten, elk op zijn dak, alsmede in hunne hoven, in de
voorhoven des tempels, op het plein van de Waterpoort en op dat van
18       de Efraimspoort.\' De gansche gemeente, de uit de gevangenschap terug-
gekeerden, maakte hutten en woonde in die hutten: want van den
tijd van Jezua, den zoon van Nun, af tot dien dag toe hadden de
19       Israëlieten zóo niet gedaan; en er heerschte zeer groote vreugde.\' En
dagelijks las hij voor uit het boek der wet, van den eersten dag af
tot den laatsten toe. Zij vierden het feest zeven dagen, en op den
achtsten was het hoogtijd, naar de verordening.
14. den tweeden dag, der maand Tisri; zie vs. 2. — om kennis te nemen. Hiervóór is volg. Gr.
vert. en weggelaten.
15 v. De wetsbepaling waarop gedoeld wordt is Lev. XXIII: 33—13. Be aanhaling is echter niet
letterlijk. De mirten en oleasters, in do wet niet vermeld, komen nog Jcz. XL1 : 19 voor.
16.   Dat de afkondiging geschied was verzuimt de schrijver te berichten. — de voorhoven des lem-
pels.
Zie op 1 Kon. VI : 30.
17.  Over de Waterpoort zie op 111:20; over de Efraimspoort op 111:8.
18.  De — maakte hutten. Daar dit in vs. 10 reeds gezegd is, hebbeu wij hier een anderen schrijver.
Waarschijnlijk zijn deze woorden van den Kroniekschrijver, die daarmede te kennen wilde geven,
dat met het volk van vs. 17 niet alle in l\'alcstiua wonende Joden, maar slechts de teruggekeerde ballin-
gen en zij die zich bij hen hadden aangesloten (zie op Kzra VI: 21) bedoeld worden. — van den —
gedaan. De schrijver onderstelt, dat de wet waarop hij het oog heeft wel vau Mozcs af bcstaun heeft
en tot den dood van Jozua opgevolgd is (/.ie Joz. XXIV: 31), maar dat zij daarna is veronacht-
zaamd. Hij bedriegt zich in den ouderdom vau de wet, die eerst in Kzru\'s tijd is opgesteld; maar
hierin kun hij gelijk hebben dat de viering van loofhutten, hoewel ook in het koningstijdvak in
zwang (zie Deut. XVI: 13—15 en verg. op Lev. XXIII: 42), na de invoering vau Kzru\'s wet een ander
karakter gekregen heeft. Onze schrijver is ceu ander dan die van Ezra III: 4 v., volgens wien de vic-
ring van dit feest naar de Schrift reeds in den tijd van Zcrublmbol cu Jezua had pluats gehad.
19.  hij, Ezra? — op — hoogtijd. Zie op Lev. XXIII: 36.
HOOFDSTUK IX, X.
Isrnël hersteld. — Als op den vier en twintigstcn dcrzelfde maand de Israëlieten met rouwbetoon
zijn samengekomen (IX: 1), scheidt zich het nakroost van Israël van de vreemden nf (2v.); Levieten
roepen tot God en wekken tot lofverhcfliug op (4 v.). Gebed van Ezra (6—37): Gij, Jahwe, schepper
en onderhouder van hemel en aarde, hebt dit land aan Abraham beloofd en onze vaderen, onder vele
teekenen en gunstbewijzen, uit Egypte door de woestijn herwaarts geleid (6—15); niettegenstaande
hunne ongehoorzaamheid, zijt gij hen blijven weldoen en hebt gij de oude bevolking des lands aan hen
overgeleverd (10—25a). Toen zij door den overvloed u vergaten, hebt gij hen telkens laten onder-
drukken, maar ook, als zij tot u riepen, hen gered (25b—28); ook toen zij onverbeterlijk bleken en
niet luisterden naar de profeten, hebt gij hen overgeleverd aan de volken der lauden, zonder hen
echter geheel te vernietigen (29—31). Moge thans de straf lang geuoeg hebben geduurd, al was
zij ten volle verdiend; want omdat wij u niet hebben gediend, zijn wij dienstbaar geworden en brengt
het land zijne vruchten voor vreemden voort (32—37). Maar uu willen wij cene verbintenis aangaan,
die op schrift gesteld en onderteckcud zal worden (38). — De namen der onderteekenaars: der aanzien-
lijken en priesters (X:l—8), der Levieten (9—13) en der volkshoofden (14—27); bij hen sluiten zich
aan al wie zich van de vreemden afzonderen, met de belofte de wet Gods te betrachten (28 v.); zij
verbinden zich, zich niet met vreemden te vermaagschappen, op sabbat van geen vreemden te koopen
en het sabbatsjaar te houden (30 v.). De vergadering neemt maatregelen tot instandhouding vau den
-ocr page 988-
1068                                         NBHEMJA IX : 1—5.
eeredienst (82—34) en belooft eerstelingen, eerstgeborenen, keurgaven en tienden op te brengen en
af te leveren in de dntirtoe besteiude vertrekken des tempels (35—39a) j zoo zullen zij voor den
tempeldienst zorgen (394).
De vergadering van welke hier verhaald wordt was blijkbaar van groote bctcekenis: zij beoogde het
herstel van Israël. Toen <]e ballingen met Ezra in het land hunner vaderen wederkeerden, vonden zij
daar cene gemengde bevolking: tnl van vreemden hadden er zich sedert den ondergang van Jeruzalem
gevestigd; de overgebleven Joden verkeerden met hen op vriendschappelijke!! voet of hadden zich zelfs
met hen vermaagschapt, waardoor de zuiverheid der voorvaderlijke zeden schade leed en Jahwe\'s wet op
menig punt werd verwaarloosd. Met dien toestand hadden de teruggekeerden geen vrede, en drongen
dientengevolge aan op afscheiding van de heidenen. In onze hoofdstukken nu wordt verhaald, hoe velen
der achtergeblevenen, met de gewezen ballingen, het besluit namen om zich van hunne heidensche
omgeving af te zonderen, en hoc zij zich aaneensloten, onder schuldbelijdenis en belofte van trouw aan
Jahwe. Zoo vormde zich cene gemeente, die van lieverlede de kern van het Jodendom is geworden.
Tot de wet waaraan de vergadering trouw beloofde (X: 29) behoorde blijkbaar Kzra\'s Wetboek nog
niet. Als toch de gemeente, nadat zij zich tot gehoorzaamheid aan de wet verbonden beeft, nog tal
van verplichtingen op zich neemt (X : 32—39), waarvan de meeste met voorschriften van dat wet-
bock overeenkomen (zie op vs. 35, 36 en 37 en verg. op vs. 33), dan geeft zij daarmede te kennen
dat deze in de door hnar aanvaarde wet niet met zoovele woorden waren voorgeschreven; dnn toch had
zij ze niet opzettelijk behoeven vast te stellen. Behoorde dus de wet welker invoering in II. VIII is
medegedeeld niet tot die waaraan de Israëlieten hier trouw beloven, dan volgen onze hoofdstukken
ten onrechte op het onmiddellijk daaraan voorafgaande. De volgorde is het werk van den Kroniek-
schrijver, die meende dat de vergadering geen andere wet dan de in zijn tijd geldende, waartoe ook
die van Ezra behoorde, had kunnen aannemen. Om nu ons verhaal uan II. VIII vast te knoopen en
te gelijk de Levieten in de hoogte te steken, heeft hij daarin, vooral in den aanhef, ettelijke wijzi-
gingen aangebracht (zie op IX il, 3 en 4 v.). De afscheiding van de heidenen, hier vermeld, was
volgens hem niet de eerste van dien nard; daar zulk ecne afzondering, nnar hij meent, reeds tijdens
den teinpclbouw hnd plaats gevonden (zie Ezra VI : 21).
Ging dus de hier vermelde gebeurtenis in tijdsorde vooraf aan die van II. VIII, ze schijnt later
te hebben plnuts gehad dan hetgeen in XIII: 4—31 wordt medegedeeld (zie op X : 37). Ons verhaal
kan eens onmiddellijk gevolgd zijn door VII: 6—73 (Ezra II), dnt de lijst behelst van de geslachten
en burgerijeu die tezamen de gemeente vormden (zie iul. op Ezra II), en met dit en II. VIII, de
cenigc stukken waarin de tirsjatha voorkomt, uan Ezra\'s Gedenkschriften zijn ontleend.
IX: 1 En op den vier en twintigsten van dezelfde maand verzamelden zich
de Israëlieten, vastend, in rouwkleederen en met aarde op het hoofd.\'
2       Toen scheidde zich het nakroost van Israël van alle buitenlanders af,
en zij gingen staan en legden eene belijdenis af van hunne zonden en
3       de schuld hunner vaderen.\' En terwijl zij opstonden op hunne plaats,
lazen zij gedurende een vierdedeel van den dag uit het boek der wet
van Jahwe, hun Üod, en gedurende een ander vierdedeel legden zij
eene schuldbekentenis af en wierpen zij zich neder voor Jahwe, hun
4       God.\' En op het gestoelte der Levieten traden Jezua en Bani, Kadmiël,
Sjebanja, Bunni, Sjerebja, Bani, Kenani en riepen met luider stem tot
5       Jahwe, hun God.\' En de Levieten Jezua en Kadmiël, Bani, Hasjabneja,
1. den — maand, van Tisri, dus twee dagen na het einde van liet feest, VIII: 19. Deze tijdsbe-
paling, die deze hoofdstukken aan het voorgaande vastknoopt, is waarschijulijk van dcu Kroniek-
schrijver; verg. op VIII :1. — vattend — hoofd. Waarom zij rouwden, is niet gezegd. I\'it het vervolg
leiden wij af: omdat zij zich schuldig gevoelden door hunne vermenging met vreemden. Doch dan moet de
schrijver dit ook vermeld hebben en is de aanhef van het oorspronkelijke verhaal door dcu Kroniek-
schrijver, die dit rouwen op dat van VIII : 10 v. wilde laten terugslaan, weggelaten.
                                    •
3. Er wordt gezegd dat het volk voorleest; bedoeld zal wel zijn dat de Levieten het deden. De
onduidelijkheid der voorstelling is stellig aan den overwerker te wijten.
4 v. Vau de hier genoemde personen komeu vele ook elders voor: Jezua en Kadmiël VII: 43; Ezra II:
40; 111:9; Sjerebja en Jlusjabneja (wellicht dezelfde als Jlatjabja) Ezra VIII: 18 v. en elders. Verg.
VIII :s; X:9—13; XII: ft v., 24. In Gr. vert. ontbreken in vs. 4 de laatste twee, in vs. 5 de laat-
ste zes; wellicht hebben de lijsten uitbreiding ondergaan. — De twee achttallen Levieten die achter-
eenvolgens het gestoelte der Leoieten bestijgen doen deuken aan de twee zeventallen van VIII: 5 en
behoumi, evenals dezen, tot het werk van den Kroniekschrijver. Evenals hij VIII: 8 Ezra door Levieten
laat ter zijde staan bij het lezen, zoo hier bij het bidden.
5. looft — eeuwigheid.\' Verg. 1 Kron. XVI: 36.
-ocr page 989-
1069
NEHEMJA IX : 5—17.
Sjerebja, Hodia, Sjebanja, Pethahja zeiden: Op, looft Jahwe, uwen God,
van eeuwigheid tot eeuwigheid! En Iaat men uwen heerlijken naam
6       loven, die allen lof en prijs te boven gaat.\' En Ezra zeide: Gij alleen
zijt Jahwe; gij hebt den hemel, ook den hoogste n hemel, met zijn gan-
sche heir, gemaakt, de aarde met al wat daarop, de wateren met al
wat daarin is; gij houdt dat alles in leven, en het heir des hemels
7       werpt zich voor u neder.\' Gij zijt Jahwe God, die Abraham uitverkoren,
hem uit Ur der (\'haldeën geleid en hem den naam Abraham gegeven
8       hebt.\' En daar gij zijn hart voor uw aangezicht geloovig hebt bevon-
den, hebt gij met hem het verbond gesloten dat gij het land der
Kanaiinieten, Uitlieten, Amorieten, Perizzieten, Jebuzieten en Girga-
sjieten, dat gij dat aan zijn nakroost geven zoudt. En gij hebt uw
9       woord gestand gedaan; want gij zijt rechtvaardig.\' En toen gij de
ellende onzer vaderen in Egypte zaagt en hun geschrei hoordet aan
10 de Schelfzee,\' hebt gij teekenen en wonderen gedaan aan Farao, al
zijne dienaren en het gansche volk zijns lands; want gij wist dat zij
verwaten tegen hen gehandeld hadden. Zoo hebt gij u een naam ge-
1J maakt, gelijk gij thans hebt.\' De zee hebt gij vóór hen gekliefd,
zoodat zij midden door de zee over het droge trokken, en hunne ver-
volgers hebt gij in de kolken geworpen, als een steen in machtige wateren.\'
12       In eene wolkkolora hebt gij des daags hen geleid en in eene vuur-
kolom des nachts, om hun den weg te verlichten waarlangs zij moesten
13       gaan.\' En op den berg Sinai zijt gij nedergedaald, hebt van den hemel
met hen gesproken en hun rechte verordeningen en vertrouwbare
14       wetten, goede inzettingen en geboden gegeven.\' Ook hebt gij hun
uwen heiligen sabbat afgekondigd en hun geboden, inzettingen en
15       wetten gegeven door uw dienstknecht Mozes.\' Ook gaaft gij hun brood
uit den hemel voor den honger, en deedt gij water uit de rots te
voorschijn komen voor hun dorst. En gij zeidet tot hen, dat zij het
land in bezit zouden komen nemen waaromtrent gij uwe hand hadt
opgestoken dat gij het hun geven zoudt.
16           Maar zij, onze vaderen, waren overmoedig en hardnekkig en luister-
17       den niet naar uwe geboden; \' zij weigerden te luisteren en gedachten
C—37. Het gebed vertoont, vooral in het laatste gedeelte, trekken van overeenkomst met dat van
Ezra 1X:6—15; zie op vs. 30, 31, 33 en 3(5; ook met Jer. XXXII: 17*—23: verg. vs. 0 mot Jer.
XXXI1:17; vs. 10 met .Ter. XXXII: 20; vs. 22—20 mot Jer. XXXlI:22v.
6.  Bh Ezra zeide, uit Gr. vort. ingevoegd. — O ij alleen zijt Jahwe. Sinds Jahwe nis de cenige God erkend
werd, vorkrecg zijn naam, zooals hier, de betcekenis van „God". Zie op Jcz. XLl: 1. — r/eit hoogsten
hemel.
Zie op Peut. X: 14. — het heir — neder. Geen der hemclsche machten betwist dus meer uwc
heerschappij.
7.  Zie Gen. XI: 31; XII: 1 v.; XV: 7; XVII: 5.
8.  geloovig. Het Hcbreeuwsche woord, dat eigenlijk .betrouwbaar\' beteckent, is zóo vertaald, omdat
hier wordt teruggezien op Gen. XV : 0. — het verbond, Gen. XV: 18—21. — gij zijl rechtvaardig, geeft
dus nnn elk wat hem toekomt, aan uw bondsvolk zegen; verg. Jez. XLV: 21 en op Jez. XLI: 2.
9.   Verg. Exod. II: 23—28 ; III: 7, 10 v.; XIV : 10.
10.   Zie Exod. VII: 8—XI: 10; Deut. VI: 22. — dat — hadden. Zie Exod. XVIII: 11. — tegen
hen,
de Israëlieten. — Zoo — hebt. Die teekenen aan Egypte hebben Jahwe\'s naam voorgoed be-
roemd gemaakt; verg. Exod. IX: 10; Deut. IV: 32—35; Jez. I.MII : 1.\' 14.
11.   Zie Exod. XIV:21v.; XV: 19. — hunne — wateren. Zie Exod. XV: 5, 10 en verg. Jer.
XLIII: 16 v.
12.  Zie op Exod. XIII: 21.
13.  Zie Exod. XIX, XX en op Deut. IV: 36. — De hier en vs. 14 voorkomende uitdrukkingen zijn
aan Deuteronomium ontleend; zie op Deut. IV: 1.
14.   Vau de Tien Woorden wordt hier, evouals Exod. XVI: 23; XXXI: 17, het sabbatsgebod met
name vermeld; hieraan werd na den val van Jeruzalem steeds grooter gewicht gehecht; verg. op X:
81. — In hun geboden — Mozet worden alle wetten buiten de Tien Woorden samengevat.
15.   Zie Exod. XVI:4; XVII:6; Deut. VIII: 3, 15v.; Ps. LXXVIII: 15 v., 20—25; CV:40v. —
waaromtrent — zoudt. Zie Exod. VI: 7; Xuin. XIV: 30.
16.  Zie Exod. XXXII: 9; XXXIII: 3; Deut. 1:43; IX: 6, 13. — zij, onze. Grondt zij en onze.
-ocr page 990-
nbhemja IX: 17—28.
1070
niet de wonderwerken die gij voor hen gedaan hadt, maar toonden
zich hardnekkig en stelden een opperhoofd aan om tot hunne dienst-
baarheid in Egypte terug te keeren. Maar gij rijt een god van ver-
geving, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertieren-
18       heid, en hebt hen niet aan hun lot overgelaten. \' Zelfs hebben zij zich
een gegoten stier gemaakt en gezegd: Dat is uw god, die O uit Egypte
19       heeft opgevoerd — en groote smaadredenen uitgesproken.\' Toch hebt gij
in uw groot erbarmen hen niet in de woestijn aan hun lot overgelaten:
de wolkkolom, zij is overdag niet van hen geweken en heeft niet op-
gehouden hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts,
20       om voor hen den weg te verlichten waarlangs zij moesten gaan.\' En
uwen goeden geest hebt gij gegeven om hen te onderrichten; gij hebt
uw manna van hun mond niet geweerd en hun water gegeven voor
21       den dorst. \' Veertig jaren lang hebt gij hen in de woestijn onderhouden,
zoodat zij aan niets gebrek hadden: hunne kleederen zijn niet versleten
22       en hunne voeten niet doorgeloopen.\' En gij hebt hun koninkrijken
en volken gegeven en ze aan hen uitgedeeld: zij namen in bezit het
land van Hihon, den koning van Hesbou, en dat van Og, den koning
2\'ó van Bazan.\' En gij hebt hun zonen gegeven zoo talrijk als de starren
des hemels, en hen gebracht in het land waarvan gij tot hunne vaderen
24       gezegd hadt dat zij het in bezit zouden komen nemen.\' En toen die
zonen het land binnenkwamen en in bezit namen, hebt gij de inwoners
des lands, de Kanaünieten, vóór hen geknakt en aan hen overgeleverd,
zoowel hunne koningen als de volken des lands, om naar goedvinden
25       met hen te handelen.\' Zoo hebben zij versterkte steden en een vet
land veroverd, huizen vol van allerlei goede gaven, uitgehouwen water-
bakken, wijngaarden en olijfbooraen en tal van vruchtbooraen in bezit
genomen. Maar toen zij gegeten hadden, verzadigd waren, vet waren
20 geworden en weelderig leefden van uwe groote weldaden,\' zijn zij weer-
spannig geworden en in opstand gekomen tegen u, hebben zij uwe wet
achter den rug geworpen, uwe profeten die hen vermaanden, om hen
tot u terug te brengen, gedood, en groote smaadredenen uitgesproken.\'
27       Daarom hebt gij hen aan hunne tegenstanders overgeleverd, die hen
benauwden; maar als zij ten tijde hunner benauwdheid tot u riepen,
hoordet gij in den hemel en gaaft gij hun in uw groot erbarmen
28       redders, om hen uit de hand hunner tegenstanders te redden.\' Doch
Vs. 174. Exod. XXXIV : 6 enz.
17.  stelden een opperhoofd aan. In Num. XIV : 4 is nllcen gezegd dut zij dit voornemens waren. —
in Egypte, volg. hss., Gr. en andere oude vertt.j Hebr. t., door het uitvallen van éene letter, in
hunne weerbarstigheid.
18.  Zie Kxod. XXXII:4, 8; Deut. IX: 12, 18.
19.  voor — verlichten, volg. Gr. vert.; Hebr. t. voor hen te lichten en den weg. — Dat wolk- en
vuurkolom ook na den afval het volk bleven geleiden staat Num. XIV : 14.
20.   uiren goeden geest, nog I\'s. t\'XI.III : In. — Niettegenstaande de ongehoorzaamheid des volks,
bleef Jahwe hen spijzigen en drenken, Num. XI: 6—9; XX : 2—8.
21.  Zie op Deut. VIII: 4.
22.  Zie Num. XXI: 21—35; Deut. 11:26—111:11. — aan hen, volg. Gr. vert.; Hebr. t. naar de
zijde.
— Sihon. Hierop laat Hebr. t. volgen en het land van; volg. Gr. vert. weggelaten.
23.  Zie Deut. 1:10. — hebt hun zonen gegeren, aan Mozes\' tijdgenooten. De schrijver vermeldt dit, omdat
niet die tijdgenooten zclvcn, maar hunne kinderen Kanaün zouden beerven, Deut. 1:85. — Kaarvan
— nemen. Zie Deut. 1: 39.
24.  geknakt. Ook het Hebrccnwschc woord heeft klankovereenkomst met Kanaünieten.
25 v. Het eerste gedeelte is aan Deut. VI: 11 ontleend; voor het andere zie op Deut. XXXII : 15.
26. uwe wet achter den rug geworpen. Dezelfde uitdrukking 1 Kon. XIV: 9; Kzech. XXIII: 35. —
uwe pro/eten — gedood. Verg. 1 Kon. XVIII: 4, 13; XIX: 10; 2 Kron. XXIV: 20 v. Gaandeweg
ontstonden allerlei legenden omtrent den marteldood van profeten; verg. Matth. V:12; XXIII: 29—31;
Luc. XI: 47; XIII: 33 v.
27 v. Deze verzen beschrijven het tijdvak der richters volg. Richt. II: 6—23.
-ocr page 991-
NBHBMJA IX : 28—38.                                      1071
zoodra zij rust hadden gekregen, deden zij weder kwaad voor uw aan-
gezicht; als gij hen dan opnieuw overliet aan hunne vijanden en dezen
hen vertraden, dan nepen zij u weder aan en hoordet gij uit den hemel
29       en verlostet hen naar uw erbarmen, vele malen.\' (lij vermaandet hen,
om hen terug te brengen tot uwe wet; maar zij, in hun overmoed,
wilden niet hooren naar uwe geboden en zondigden tegen uwe ver-
ordeningen, bij welker opvolging een raensch zal leven; zij keerden
weerspannig den schouder af, waren hardnekkig en wilden niet luisteren.\'
30       En gij liadt vele jaren geduld met hen en vermaandet hen door uwen
geest, door middel van de profeten; maar zij leenden liet oor niet.
31       Daarom hebt gij hen overgeleverd aan de volken der landen.\' Maar
in uw groot erbarmen hebt gij hen niet vernietigd noch verlaten; want
gij zijt een genadig en barmhartig god.
32           Nu dan, onze God, groote, sterke en geduchte God, die het verbond
en de goedertierenheid bewaart; mogen in uw oog niet gering zijn al
de rampen die ons, onze koningen, vorsten, priesters en profeten, onze
vaderen en uw gansche volk hebben getroffen, van den tijd der
33       koningen van Assur af tot heden toe.\' Gij waart rechtvaardig bij al
wat ons overkomen is, want gij hebt trouw gehandeld; maar wij
34       hebben ons goddeloos gedragen;\' ook onze koningen, vorsten, priesters
en onze vaderen hebben uwe wet niet betracht en niet geluisterd naar
35       de geboden en vermaningen die gij hun gegeven hebt.\' Zij hebben
bij het bestaan van hun rijk en bij den grooten zegen dien gij hun
gegeven hadt, en in het uitgestrekte en vette land dat gij te hunner
beschikking hadt gesteld, u niet gediend en zich van hunne hooze
36       gedragingen niet bekeerd.\' Zie, nu zijn wij zelven dienstknechten in
het land dat gij onzen vaderen geschonken hadt om de vruchten en
het goede daarvan te eten; ja, wij zelven zijn dienstknechten in dit
37       land,\' en het brengt zijn rijk gewas voort voor de koningen die gij
over ons gesteld hebt om onze zonden; zij beschikken over ons lijf en
ons vee naar hun goedvinden, en wij zijn in grooten nood.
38           Maar in al deze omstandigheden gaan wij eene verbintenis aan en
brengen die op schrift; en onze vorsten, Levieten, priesters komen op
het bezegelde stuk te staan.
29.  bij — leven. Vorg. Lov. XVIII: 5; Ezcch. XX: 11. — zij — af. Verg. Zaoh. VII: 11.
30.  hebt — landen, aan Assyriërs, Habjloniërs, Perzen; verg. vs. 82. Gedoeld wordt dus niet alleen
op de wegvoering van Juda in 597 en 580, maar ook op die van Noord-Israël, 2 Kon. XV: 29;
XVII: 6. K/ra spreekt uit naam van gansch Israël («ie gansehe volt, vs. 32), dat alle stammen om-
vat. Verg. Ezra IX : 7.
31.   Verg. Kzra IX: 13; Ps. (\'111:10.
82. K/ra hoopt dat nu de straftijd ophouden en Israël hersteld worden zal. Dit herstel vangt thans
aan met de afzondering van Israël van do heidenen (vs. 2). — Voor de in dit vers gebruikte uit-
drukkingen verg. Exod. XVIII: 8; Num. XX: 11; Deut. X: 17.
33. Gij — H. Verg. Ezra IX: 15. — onze koningen — vaderen. Dezelfde reeks ook vs. 32, waar
bovendien de profeten voorkomen, die hier ontbreken, omdat zij, de dienaren door wie Jahwe het
volk vermaande (vs. 30; Ezra IX: 11), niet tot de schuldigen behoorden. In Kzra IX: 7 wordt ge-
sproken van onze koningen en priesters.
35. het — land. \'/Ac Deut. VIII: 7—10; XI: 8—15. Vergeleken met de landstreek die de Joden
in Ezrn\'s tijd bewoonden, kon hun land voor de wegvoering uitgestrekt hectcn.
30. nu zijn wij zelven dienstknechten. Verg. Ezra IX: 9.
88. Het gebed eindigt, nuchter genoeg, met deze medcdccling aan God dat zij zich nu gnnn be-
keeren. Eigenlijk vergeet de schrijver geheel dat wij onder het gehoor van den biddeuden Ezra zijn en
keert hij terug tot het verhaal IX : 1—3. Was in IX: 2 gezegd dat Israëls kroost zich ging afzon-
deren van de heidenen, nu gaat hij verhalen welke maatregelen hiertoe genomen werden. — in al
deze omstandigheden,
in al onze ellende. — Levieten, priester». De volgorde is stellig niet oor«pron-
kelijk. — komen... te staan, evenals stonden X:l, duidclijkhcidshalvc ingevoegd. — hel bezegelde
stuk,
hetwelk de belofte inhield zich aan Jahwe te verbinden. Over de bezegeling zie op Jer.
XXXII: 10—14. — Van hier af tot het einde van het volgende hoofdstuk toe vinden wij den
eersten persoon meervoud; waarschijnlijk is het Ezra, die mede in naam van het overige Israël spreekt.
-ocr page 992-
NBHBMJA X : 1 — 31.
1072
X:l         Op de bezegelde stukken stonden: Nehemja, de tirsjatha, de zoon
2,3 van Hachalja, en Sedekia;\' Seraja, Azarja, Jeremia,\' Pashur, Amarja,
4-6 Malkia,\' Hattus, Sjebanja, Mallucb,\' Harim, Meremoth, Obadja, \' Daniël;
7,8 Ginnethon, Riruch,\' Mesjullam, Abia, Mijjamin, \' Maiizja, Bilgai, Sje-
9 ma ja: dit waren de priesters. \' En de Levieten: Jezua, de zoon van
10       Azarja, lhnnuj, van de zonen van Henadad, Kadmiël,\' en bunne broe-
11       ders Sjebanja, Hodia, Kelita, 1\'elaja, Hanan, \' Micha, Kehob, Hasjabja,\'
12-14 Zakkur, Sjerebja, Sjebanja,\' Hodia, Bani, Jamin.\' De volksboofden: van
15, 1(5 Paros, 1\'ahath-Moab, Elam, Zattu, Baai,\' Bunni, Azgad, Bebai,\' Adonia,
17-19 Bigwai, Adin,\' Ater, Uizkia, Azzur,\' Hodia, Hasjum, Besai, \' Harif,
20,21 Anatboth, Nibai,\' Magpias, Mesjullam, Hezir, \' Mesjezabeël, Sadok,
22-24 Jaddua, \' 1\'elatja, Hanan, Anaja,\' Hosjea, Hananja, Hassjub, \' Hallohes,
25, 2(5 Pilha, Sjobek,\' tiehum, Hasjabna, Maüzeja; \' voorts Arab, Hanan, Anan,\'
27       Mallucb, Harim, Baüna.
28           En de rest van het volk, de priesters, de Levieten, de portiers, de
zangers, de geschonkenen, en al wie zich had afgezonderd van de
volken der landen tot de wet Gods, hunne vrouwen, hunne zonen en
dochteren voor zoover zij tot jaren des onderscheids waren gekomen,\'
29       sloten zich bij hunne broeders, hun adel, aan en namen, met eene
vervloeking en een eed, op zich, te wandelen in de wet Gods, die door
Mozes, den dienstknecht Gods, was gegeven, en te onderhouden en te
betrachten al de geboden van Jahwe, onzen God, en zijne inzettingen
30       en verordeningen;\' voorts, dat wij onze dochters niet zouden geven
aan de volkeren des lands en hunne dochters niet zouden nemen voor
31       onze zonen.\' Ook zouden wij van de volkeren des lands, die hunne
1—8. Wij verwachten hier niuiicu vim bijzondere personen, zooals wij ilnn ook in vs. 1 aantreffen.
Maar de priesternamen, van vs. 2 af, zijn deels personen-, deels geslachtsnamen. Geslachtsnamen zijn Pas-
hur
en llarim (Vil: 11 v.; Kzra Il:38v.; verg. Kzra X : 21 v.j, Seraja (zie op Kzra VII: 1—5; verg.
XI: 11; E/.ia 11:2), wellicht ook Malkia, volg. Jer. XXI: 2 Puslmrs vader. Andere zijn namen van
bijzondere personen uit Ezrn\'s en Nehemjn\'s tijd; van priesters: Daniël (Kzra VIIIX 2), Mesjullam,
Barue/i, Meremoth, Azarja, Sjemaja
(111:4, 12, 20 v., 34, 2!) v.), van lecken: Jeremia, Amarja,
Malluch, Obadja, Mijjamin
(XII: 81; Ezrn VIII :9; X: 25, 29, 32, 12); over Hat/us zie op 111:10.
Blijkbaar is de lijst overgewerkt en uitgebreid door iemand die hier de priesterklassen vermeld wilde
zien; ettelijke dezer namen komen dan ook in de lijst dier klassen, 1 Kron. XXIV : 7—18, de meeste
bovendien XII : 1—7, 12—21 voor. Terwijl echter 1 Kron. XXIV vier en twintig, Nch. XII twee en
twintig klassen vermeldt, telt onze plaats er slechts een en twintig. Welke namen de lijst oorspron-
kelijk bevatte, is niet meer uit te maken; stellig die van vs. 2, en waarschijnlijk <lio welke ook in
II. III en Ezrn VIII voorkomen; Ezra, dien wij hier uoode missen, schuilt wellicht in Azarja, welke
naam XII :1 inderdaad door dien van Kzra vervangen is; verg. op Ezra 11:2a.
1. de lirsjatha. Zie op Ezra 11:03.
9—13. Al deze namen, op drie na, komen ook VIII ï8; IX:4v. voor. Als Levieten tijdens Ezra
en Nehemja kennen wij Hasjabja en Sjerebja (Ezra VIII: 18 v.), Kelila (Ezra X : 23) en Binnuj (zio
op 111:18). Jezua (volg. Ezra VIII: 33 een Leviet), Kaïlmiïl en Hodia (Hodmeja) zijn elders namen
van geslachten; zie op Ezra II: 10. Volg. XII: 21—20 waren Hasjabja, Sjerebja, Jezua en Kndmicl
hoofden van Levieten tijdens Nehemja. De lijst, die uitsluitend namen van bijzondere personen bevat
moet hebben, heeft stellig uitbreiding ondergaan; wat ook blijkt uit de herhaling van ecu paar namen
(Sjebanja, Hodia).
13. Jamin, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. Betiinu.
14—27. De namen tot Slagpias (vs. 20), alsmede Arah (vs. 26, volg. Gr. vert.; Hebr. t. Ahia) en
llarim (vs. 27) zijn geslachtsnamen en komen bijna alle ook VII: 8—24; Ezra II\'. 3—19; VIII: 8—14
voor; alleen missen wij hier Sjrfalja en Zaitai, düar Azzur en Hodia (elders Leviet; zie op vs. 9—13).
Nibai is wellicht dezelfde als de Nebo van VII: 33. Van de overige komen in II. III voor: Mesjullam,
Mesjezabeël, Sadok
, Hanauja, Hassjub, Hallobes, Rehum, Hasjabna (Hasjabneja, 111:10; IX : 3),
Maüzeja, Baüna, terwijl wellicht Pelalja en Jaddua dezelfden zijn als de Melalja en Jado» van III: 7
en de twee Hanan\'s dezelfden als de twee Hanun\'s van III : 13, 30. Hosjea kan dezelfde zijn sis
Hosjaiija van XII: 32; Malluch komt misschien ook Ezra X: 29 of 33 voor; terwijl de overigen
alleen hier worden aangetroffen. Wij vinden dus ook hier namen van geslachten en bijzondere ner-
sonen nevens elkander; de oorspronkelijke lijst heeft waarschijnlijk behelsd de namen der geslacnU-
hoofden met die der geslachten waarvoor zij teekenden.
29.  sloten — aan. Zij onderteckenden het stuk niet, maar verbonden zich bij eede.
30.  Zie Exod. XXXIV : 12, 15 v.; Deut. VII: 2—4; Ezra IX: 18.
31.  Het verbod van koopen en verkoopen op den sabbat komt niet uitdrukkelijk in de wet voor,
-ocr page 993-
1073
NEHBMJA X : 31—37.
waren en allerlei granen op den sabbatdag ter markt brachten, niets
koopen op den sabbat of op een heiligen dag, en in het zevende jaar
liet land braak laten liggen en elke schuldvordering laten varen.
32           Voorts stelden wij voor ons zelven de verplichting vast, jaarlijks het
derde van een sikkel te geven voor den dienst van liet huis onzes
33       Gods,\' voor het stapelbrood, het vaste meelofl\'er en het vaste brand-
offer, de offers van sabbat en nieuwemaan, voor de feestoffers, de
wij- en zondoffers, om Israël verzoening te doen toekomen, en voor elk
34       werk aan liet huis onzes Gods.\' Ook wierpen wij, de priesters, de
Levieten en het volk, het lot in zake de levering van hout, dat dit
in het huis onzes Gods gebracht zou worden, naar onze familiën, jaar-
lijks op bepaalde tijdstippen, ter verbranding op het altaar van Jahwe,
35       onzen God, zooals in de wet geschreven staat.\' En dat wij de eerste-
lingen van onzen grond en die van alle soorten van boomvruchten
3G jaarlijks in den tempel zouden brengen,\' alsmede de eerstgeborenen
van onze zonen en van ons vee, zooals in de wet geschreven staat,
en de eerstgeborenen van onze runderen en ons kleinvee, dat wij ze
in het huis onzes Gods zouden brengen aan de priesters die daar dienst
37 doen;\' ook de keur van ons meel, van onze gaven en van alle soorten
van boomvruchten, van most en van olie, zouden wij den priesters
brengen, om ze neder te leggen in de kamers van het huis onzes Gods,
maar werd gerccdelijk uit Kxod. XX:8—11; XXIII:12; Lev. XXIII:3; Deut. V:12—15 afgeleid;
verg. XIII: 15—22. — een heiligen dag, een feestdag. In Num. XXVIII, XXIX worden de dagen waarop
geen werk mocht geschieden opgenoemd. — in — varen, volg. Kxod. XXIII: 10 v.; Lev. XXV: 1—7;
Dcut. XV: 1—3; verg. .Ier. XXXIV : 12—22.
32.  Zie op Kxod. XXX:14—10. — het derde van een sikkel, ongeveer ƒ0,57.
33.  hel tlapelbrood. Zie op Lcv. XXIV : 5—9. — hel ratte meeloffer en het vatte brandoffir, waarvan volg.
2 Kon. XVI: 15 reeds voor de Hallingschap het eerste des avonds en het andere des morgens gebracht
werd (verg. 1 Kon. XVIII:29, 36; Ezra IX:4v.). Volg. Kxod. XXIX: 38—12; Lev. VI: 8—13;
Nura. XXVIII: 3—9, uit Kzra\'s Wetboek, moest \'s morgens en \'s avonds een vast brandoffer met
daarbij bchoorcud meelofl\'er gebracht worden. — de wij- en zondoffers. 11e eerste zijn dankoflers
die voor do gansche gemeente gebracht werden; verg. 2 Kron. XXIX: 33; XXXV: 13; over de laatste
zie tul. op Lev. V : 1—VI: 7. De iu Ezra\'s Wetboek dikwerf daarnevens vermelde schuldofl\'ers worden
hier niet genoemd.
34.  Hoe oudtijds de altaren het noodige hout kregen, wordt niet gemeld. De zaak zal wis geen
groote moeilijkheden hebben opgeleverd; immers, de meeste streken des lands leverden hout in ovcr-
vlocd, en de verschillende heiligdommen konden het licht in voldoende hoeveelheid van de omwonende
bevolking krijgen. Maar na de invoering van de wet van Deuleronomium veroorzaakte de aanschnlling
van hout voor het altaar meer moeite: de omtrek van Jeruzalem leverde niet veel, eu dewijl het altaar
in Jeruzalems tempel het eenige altaar van Jahwe was, waren de offers er talrijk en werd dus veel
vereischt. Daarom is te dezer zake cene regeling getroffen en verplichtten zich ceuige aanzienlijke
familiën om op bcpnnlde tijdstippen hout te leveren. Ook was, althans later, bovendien écu dag in het
jaar, de 15de Ab, aangewezen als de tijd waarop ieder die wilde zijne bijdrnge, klein of groot, bracht.
Volg. Neh. XIII: 31 is deze zaak door Nehcnijn geregeld.
35—39. Het nieuwe in deze besluiten is dnt mcu van de hier vermelde gaven voortaan geen oH\'er-
maaltijdcu meer zal aanrichten, maar ze aan de tcmpeldiennren afstaan. Alleen de eerstelingen van
de vcldvriichtcn waren reeds vroeger (Deut. XVIII: 4) den priesters toegekend.
35.   De zin hangt af van l\'oorlt — roti in vs. 32. — Over de eerttelingen zie op Kxod. XXIII: 19. —
die — boomvruchten. Daar over hetgeen van de boomvruchten bereid wordt, ook van most, olie en koren
(verg. Kxod. XXII: 29 j Deut. XVIII: 4), in vs. 37 gesproken wordt, zijn hier de boomvruchten
in den natuurslaat bedoeld. Hiervan worden in de oude wetten de eerstelingen niet gecischt, wel
in Kzra\'s Wetboek, Num. XVIII: 13, waar zij onder do eerttelingen van al wal in hun land groeit
begrepen zijn.
30. In dit vers is eenc herhaling: nadat de eerstgeborenen van het vee zijn vermeld, worden nog
die van onze runderen en out kleinvee genoemd. Dit komt, omdat hier op twee wetsbepalingen wordt
gewezen: op Kxod. XIII: 1—16, en op Deut. XV:19v. De woorden zooalt — tlaal komen alleen bij
de aanhaling van de eerste voor, omdat deze onveranderd overgeuomeu wordt, niet bij de tweede,
omdat deze het gebruiken vau de eerstgeborenen aan offermaaltijden voorschrijft; wat hier wordt ofgc-
schaft. Hoewel hetgeen hier besloten wordt overeenkomt met het in Kzra\'s Wetboek voorgeschrevcne
(Num. XVIII: 15—18), beroept de gemeente zich hierop niet, maar leidt zij hare verplichting uit
oudere wetten af. Het genoemde wetboek was dus nog niet ingevoerd.
37. de keur — olie. In onderscheiding van vs. 85 worden hier bedoeld de eerstelingen van hetgeen
uit koren, boomvruchten enz. bereid is. Hetzelfde was reeds in nagenoeg dezelfde bewoordingen voor-
geschreven door Kzcchicl (Kzeeh. XLIV: 30) en wordt ook iu Kzra\'s Wetboek (Num. XVIII: 8—20;
O. T. I.                                                                                                                           08
-ocr page 994-
1074
NEHKMJA X : 37—XI: 3.
en het tiend van onzen grond aan de Levieten, terwijl zij, de Levieten,
in al onze akkerbouw drijvende steden het tiend zouden inzamelen.\'
38       En de priester, Aiirons zoon, zou bij de Levieten zijn, als dezen het
tiend inzamelden, en de Levieten zouden het tiend van het tiend naar
39       het huis onzes Gods brengen in de kamers van het magazijn.\' Want
naar die kamers zouden de Israëlieten en de Levieten de gaven van
het koren, de most en de olie brengen, aangezien daar de vaten van
het heiligdom, benevens de dienstdoende priesters, de portiers en de
zangers waren. Wij wilden het huis van onzen God niet verwaarloozen.
verg. Ntim. XV: 17—21) bepaald. Over de keur zie op Exod. XXIII: 19. — de kamera — God», bc-
waarploatscn van hetgeen men voor den ccredienst opbracht, vs. 39; XII: 11: XII1:.">. —het tiend van
onzen grond.
Van veetiendcn is hier nog geen sprake; zie op Lev. XXVII: 32; overigens komt hetgeen
hier bepaald wordt geheel overeen met het Kum. XVIII: 25—29 voorgeschrevcne. — ternijl —
inzamelen, en hetgeen hun daarvan toekwam onderling zonden verdeelen. Dit is ecne bepaling ten
gunste der Levieten. Volg. XIII: 10—13 haalden zij niet zelven het tiend op, maar werd dit in de
tcmpclmagazijiien gebracht, waar het onder de priesters en Levieten verdeeld moest worden. Toen de
laatstcn echter hun aandeel niet ontvingen, zal tot den hier vermelden maatregel zijn besloten.
38.   de priester — inzamelden, om toe te zien dat de priesters het hun toekomende aandeel, het
tiend van hel tiend,
ontvingen; verg. XII: 17; Num. XVIII: 2(1. — en de Levieten — magazijn. De
negen tienden die hun zelven toekwamen brachten zij dus niet daarheen; zij mochten ze zeker ondcr-
ling verdeelen.
39.  de Israëlieten en de Lrvieten, de eersten al hunne gaven, de anderen het tiend van het tiend. —
de vaten van het heiligdom, de gereedschappen voor den dienst, als plcngvaten, schalen, bekers enz.;
dat die in de magazijnen waren beteckent niet dat zij daar bewaard werden, maar dat zij aange-
schaft en hersteld werden uit de gaven die daar werden gebracht, evenals dat de priesters, de por-
tiers en de zangers
daar waren niet wil zeggen dat zij daar verblijf hielden, maar dat zij daaruit
hunne bezoldiging kregen. De Levieten worden niet genoemd, omdat hun aandeel aan het tiend niet
in de mngazijncn kwnm (/.ie op vs. 38); portiers en zanger» worden hier blijkbaar nog niet tot de
Levieten gerekend.
HOOFDSTUK XI.
Lijst der bevolking van Judn cu Benjamin. — Ken tiend ,< gedeelte van het volk, door het lot
aangewezen, vcBtigt zich te Jeruzalem (1 v.). Lijst der bevolning van Jeruzalem en de steden vau
Juda (3—30): Jeruzalem is bewoond door Judecrs en Ilenjaniinieten: hoofden der Judcesche ge-
slachten (4—0), der ltenjamiuictische (7—9), der priesters (10—11), der Levioteu (15—18), der por-
tiers (19); bijzonderheden omtrent de overige bevolking (20—24). Lijst der door Judecrs en Benja-
minietcn bcwoondo steden (25—35); cenigc Judecschc nfdcclingen van Levi behooren bij Ilenjnmin (30).
De lijst vs. 3—35, die voor een deel ook 1 Kron. IX: 2—17 voorkomt (zie inl. op 1 Kron,
IX: 1—31), is aan Nehemja\'s Gedenkschriften ontleend en behelst in hoofdzaak betrouwbare opgaven
omtrent de Joodsche bevolking vau Juda en Jeruzalem tijdens Nehcmju; wellicht is zij hot gcslacht-
register dat Nehemjn (VII: 5; zie aldaar) zegt gevonden te hebben en heeft zij in zijn geschrift de
plaats van VII: 0—73 ingenomen. Zij is echter niet ongerept tot ons gekomon, maar door den Kro-
nickschrijvcr sterk gewijzigd; zie voor zoover vs. 3—19 betreft inl. op 1 Kron. IX: 1—31, en voor
hetgeen alleen hier voorkomt op vs. 0 en 17—23. Ook kan de onduidelijkheid van enkele opgaven,
naar welker zin wij moeten raden (zie op vs. 9, 23, 2-t en 30), ten declc aan den bewerker te wijten
zijn. De eerste twee verzen zijn wellicht de samenvatting vau een uitvoeriger bericht over Nehemja\'s
maatregelen tot vermeerdering van Jcruzalems bevolking, dat, blijkeus VII: 5, in zijn geschrift moet
hebben gestaan.
XI: 1 De oversten des volks woonden te Jeruzalem, en het overige volk
wierp het lot, om een tiende deel naar Jeruzalem, de heilige stad, te
brengen; opdat het zich daar zou vestigen, terwijl de andere negen tien-
2       den in de steden zouden wonen. \' En het volk zegende alle mannen
die zich vrijwillig in Jeruzalem vestigden.
3           Dit zijn de hoofden van het landschap die te Jeruzalem en in de
Vs. 3—19. 1 Kron. IX: 2—17.
1. Zoonis uit brengen blijkt, is hier geen sprake van de vestiging van onlangs aangekomen ballin-
gen, maar van de verplaatsing van een deel der gezeten bevolking naar Jeruzalem.
3—19. Zie aantt. op 1 Kron. IX: 2—17.
3. de koofden van het landiehap, de geslachtshoofden die in het landschap (zie op Kzra II: 1)
woonden. — Zangers en portiers worden hier niet afzonderlijk vermeld, maar onder de Levieten gerekend.
-ocr page 995-
KKSBMJA XI: 3—16.                                        1075
steden van Juda woonden. Zij woonden, elk op zijn erfdeel, in hunne
steden: Israël, de priesters, de Levieten, de geschonkenen en de zonen
4       van Salorao\'s slaven.\' Te Jeruzalem woonden Judeërs en Benjaminieten.
Van de Judeërs: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zaoh&rja,
den zoon van Amarja, den zoon van Sjefatja, den zoon van Mahalaleül,
5       van de zonen van Peres; \' en Maiizeja, de zoon van Baruch, den zoon
van Kolhoze, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van
6       Jojarib, den zoon van Zacharja, Jen zoon van den Sjelaniet.\' De zonen
van Peres die te Jeruzalem woonden waren in het geheel vierhonderd
acht en zestig kloeke mannen.
7            En dit zijn de Benjaminieten: Sallu, de zoon van Mesjullam, den
zoon van Joëd, den zoon van Pedaja, den zoon van Kolaja, den zoon
8       van Maiizeja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jezaja; \' en op hem
9       volgend: Gabbai, iSallai, negenhonderd acht en twintig;\' voorts Joel,
de zoon van Zichri, de over hen gestelde beambte, en Juda, de zoon
van Hassenua, plaatsvervangend hoofd der stad.
10,11 Van de priesters: Jedaja, de zoon van Jojarib, Jachin,\' Seraja, de
zoon van Hilkia, den zoon van Mesjullam, den zoon van Sadok, den
12       zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, den tempel vorst;\' met hunne
broeders, die den dienst voor den tempel waarnamen, achthonderd twee
en twintig; voorts Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja,
den zoon van Amsi, den zoon van Zacharja, den zoon van Pashur,
13       den zoon van Malkia,\' en zijne broeders, hoofden van familiën, twee-
honderd twee en veertig; voorts Amassai, de zoon van Azareël, den
14       zoon van Ahzi, den zoon van Mesjillemoth, den zoon van Immer,\' en
zijne broeders, krachtvolle mannen, honderd acht en twintig; en over
hen was gesteld Zabdiël, de zoon van Haggedolim.
15            En van de Levieten: Sjemaja, de zoon van Hassjub, den zoon van
16       Azrikam, den zoon van Hasjabja, den zoon van Bunni.\' Sjabbethai en
Jozabad, van de hoofden der Levieten, waren gesteld over de uitwen-
4—6. Van de zonen van Juda ontbreekt hier Zerah, die 1 Kron. IX: 0 wel voorkomt.
4.   .1 mlu en Benjamin. Nevens hen worden 1 Kron. IX: 3 Kfraim en Manassc genoemd. — Athaja,
1 Kron. IX: 4 Uthai, met ecne andere reeks voorvaderen. Deze en de volgende nnmen zijn, naar het
schijnt, die van gcslachtshoofden.
5.   Maiizeja, 1 Kron. IX: 5 Azaja, komt wellicht ook X: 25; l\'./.ni X: 30 voor. — Kolhoze, nog
111:15. — Sjetaniet, d. i. afstammeling van Sjcln, met verandering van klinkers; Hebr. t. Sjiloniel.
6.   Dit vers is van zijne plaats geraakt: het slaat niet op vs. 5 maar op vs. 4 terug. Terwijl hier
het aantal alleen van I\'ercs\' afstammelingen wordt opgenoemd, vinden wij 1 Kron. IX: G alleen dat
van de zonen van Zerah.
7—9. Van deze lijst komt 1 Kron. IX: 7—9 alleen het eerste gedeelte, tot Meijullam, voor. Juda, de
zoon van Uatsenua
is daar, als llodawja, de zoon van Ilasienua, een van Sallu\'s voorvaderen. Het cijfer, dat
zoo hier als daar dat van alle Jeruzalcmsche Benjaminieten is, is daar iets hoogcr. Of Joel, de zoon
van Zichri,
schuilt in Kla .... den zoon van Mirhri (1 Kron. IX : 8), is onzeker.
7.  De namen Kolaja en Maiizeja komen ook Jcr. XXIX: 21 voor.
8.   Gabbai, Sallai. De tweede naam is wellicht eene schrijffout voor Hall» en oorspronkelijk cene
kantteekoning.
9.   De bedoeling schijnt te zijn dat Joel over al de van vs. 3 af genoemden gesteld en Juda zijn
plaatsvervanger was. Of zij de voorgangers dan wel de opvolgers van de VII: 2 genoemden waren,
weten wij niet.
10—14. In 1 Kron. IX: 10—13 is Jojarib niet de vader van Jedaja, maar wordt hij naast hem
genoemd, lezen wij Azarja in pi. v. Seraja, ontbreken in do geslachtslijst van Adaja een drietal
namen, zijn ettelijke anders geschreven en wordt als som van nl de priesters opgegeven: zevcutieu-
honderd zestig, terwijl zij hier slechts elfhonderd twee en negentig bedraagt. Over den oorspronkc-
lijkeu vorm dezer geslachtslijst zie op 1 Kron. IX : 10—12.
14. zijne, volg. Gr. vert.; Hebr. t. hunne. — over — ITagaedolim, waarschijnlijk over al de ge-
noemden van va. 10 af. Welk ambt hier bedoeld wordt, weten wij niet; ook is de naam llaygedolim,
,de grooten\', bevreemdend.
15—18. Geslachtshoofden der Levieten; 1 Kron. IX: 14—16 heeft er niet, zooals hier, zes, maar
zeven; voorts ontbreken daar vs. 16 en 18, heet .Bakbukja daar Bakbakkar en komt Abda er alt
Obadja voor; in pi. v. den zoon van Bunni staat daar van de Merarieten, terwijl Zabdi er Zichri heet.
16. Sjabbethai en Jozabad zijn ook van elders als Levieten tijdens Ezra en Nehemja bekend; over
-ocr page 996-
1076                                       NBHEMJA XI : 16—28.
17       dige aangelegenheden des tempels.\' Mattanja, de zoon van Micha, den
zoon van Zabdi, den zoon van Azaf, was hoofd van liet lofgezang, die
het „Looft hem" hij het gebed aanhief, Bakbukja de tweede onder zijne
broeders; voorts Abda, de zoon van 8jammua, den zoon van Galal, den
18       zoon van Jeduthuu.\' In het geheel was het aantal Levieten in de
heilige stad tweehonderd vier en tachtig.
19           En de portiers: Akknb, Talmon en hunne broeders, die de wacht
hielden aan de poorten, honderd twee en zeventig.
20           De overige Israëlieten, priesters en Levieten woonden in alle steden
van Juda, elk op zijn erfdeel.
21            De geschonkenen woonden op den Ofel, en Siha en Gispa waren
over hen gesteld.
22           De opziener der Levieten te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani,
den zoon van Hasjabja, den zoon van Mattanja, den zoon van Micha,
uit de zonen van Azaf, de zangers, voor den dienst in het huis Gods;\'
23       want er was bun aangaande een bevel des konings en eene verbintenis
24       aangaande de zangers, wat hunne dagtaak betreft.\' En Petbahja, de
zoon van Mesjezabeël, uit de zonen van Juda\'s zoon Zerah, stond den
koning ter zijde in alle aangelegenheden van het volk.
25           En wat de vlekken op hunne velden betreft, er woonden Judeërs in
Kirjath-arba en onderhoorigheden, in Dibon en onderhoorigheden, in
26, 27 Jekabseël en hare vlekken,\' in Jesjua, Molada, Beth-pelet,\' Hasar-sjual,
28 Bersjeba en onderhoorigheden,\' Siklag, Mechona en onderhoorigheden,\'
den eersten zie VJII: 8; Kzra X:15, over den tweeden Ezra VIII: 33; X: 23. — de — tempels, het
in stand honden der gebouwen, het beheer der gelden enz.
17—23. In deze verzen heerscht eene schromelijke verwarring: nadat in vs. 18 de lijst der Levieten
schijnt afgesloten, komt vs. 22 v. op hen terug; va. 20 behoort als opschrift boveu vs. 25—36;
Mattanja — Azaf, vs. 17 een Levietenhoofd uit den tijd van Nehomjn, is vs. 22 (verg. XII: 35) een
der voorvaderen van een tijdgenoot van Nchcmja. Stellig heeft hier dus omzetting en inlnssching
plaats gehnd. Wellicht volgde oorspronkelijk op vs. 10 do mcdcdeeling dat Uzzi, de zoon van Bani,
den zoon van Hasjabja
(vs. 22), die, blijkens de namen zijner voorvaderen (Bani d. i. Bunni), tot
Sjemuja (vs. 15) behoorde, het hoofd der Levieten was; daarna vs. 18. Vervolgens zullen de zangers
(vs. 17), portiers (vs. 19) en geschonkenen (vs. 21) vermeld zijn geweest. 11e veranderingen hadden ten
doel, de zangers, portiers en geschonkenen bij de Levieten in te lijven, en voorts do cersteu nog te
verheerlijken door het hoofd der Levieten, Uzzi, tot een zanger te maken, waartoe zijne geslnchtslijst
(vs. 22) met namen vnn znngcrsgeslnchten (Mattanja — Azaf) aangevuld werd.
17.  lofgezang, volg. (ir. en Lat. vertt.; Hcbr. t. begin. — die — aanhief, onzekcro vertaling. Over
het „Looft hem" zie 1 Kron. XVI:7; XX11I:30; XXV:3; 2 Kron. V:13; VII:0 enz. — Bakbukja.
Zie op 1 Kron. IX: 15. In VII: 53 is Bakbuk een geslacht van geschonkenen. — Jedulhun. Dit zangers-
geslacht komt in Ezra — Nehemja alleen hier voor. Zie op 1 Kron. VI: 33.
18.   l)c in het vervolg (vs. 1\'J, 21) genoemden worden dus niet tot de Levieten gerekend.
21. Verg. 111:20. — Siha is VII : 4fi een geslacht.
23. De vertaling van dit ver» is onzeker; sommigen vertalen het woord dat door ons met hunne
dagtaak
is weergegeven door hun ilagelijktch onderhoud. Ook weten wij niet, of met eene verbinletiit
cene beschikking des konings, dan wel van iemand anders bedoeld wordt. De koning is waarschijulijk
Artaxcrxcs Laughand.
21. Waar deze vertegenwoordiger der Joden bij den 1\'erzischen koning wooudc, blijkt niet. Daar
al de in deze lijst vermelden in Judea woonachtig waren, zoeken wij ook Pelhahja het eerst hier;
maar de aard zijner waardigheid schijnt te onderstellen dat hij aan het hof verkeerde. — Pethahja is
IX: 5 de naam van een Leviet, 1 Krun. XXIV: 10 die eener priesterklasse.
25—35. De streek waarin de hier opgegeven plaatsen liggen is uitgestrekter dan die van Kzra
II: 20—35: strekt de laatste zich zuidwaarts slechts tot Kethehcm uit, hier is het zuidelijkste punt
Hcrsjeba. \'t Verschil is waarschijnlijk het gevolg van de bedoeling der lijsten: worden in Ezra II (zie
inl. daarop) wellicht alleen die plaatsen genoemd welker bevolking op de grootc vergadering van Neli.
IX, X vertegenwoordigd wns, onze lijst vermeldt al de op een zeker tijdstip door Judeërs en Henja-
minicteu bewoonde streken van het Joodsche land.
25—30. Behalve Kirjath-arba zijn nl deze plaatsen steden van het Zuiden en de Laagte; de
meeste worden Joz. XV: 21—34 (verg. Joz. XIX : 4—7) aangetroffen. Over Kirjalh-arba zie op Gen.
XIII: 18, Dibon op Joz. XV : 22, JekabteH op Joz. XV : 21, Jetjua en Molada op Joz. XV : 20, Belh-
pelet
op Joz. XV: 27, Ilaëar-ijual en Bertjeba op Joz. XV : 28, Siklag op Joz. XV: 31, En-rimmon op
Joz. XV: 32, Sorea op Joz. XV : 38, Jarmuth op Joz. X: 3, Zanoah op Joz. XV: 34, Adullam op Gen.
XX.VVI1I : 1 en Joz. XV: 35, LaekU op Joz. X:3 en XV: 39, Azeka op Joz. X:10 en XV: 35.
Mechona komt elders niet voor.
-ocr page 997-
/
nkhhmja XI: 29—XII: 10.                                   1077
29,30 En-rimmon, Sorea en Jarrauth,\' Zanoah, Adullam en liare vlekken,
Lachis en liare velden, Azeka en onderhoorigheden. Zoo waren zij ge-
lil legerd van Bersjeba tot het dal van Hinnom.\' De Benjaminieten van
32 Geba af, Michinas, Ajja, Bethel en onderhoorigheden, \' Anathoth, Nob,
33-35 Ananja,\' Hasor, Raroa, Gittaim,\' Hadid, iSeboim, Neballat,\' Lod en
36 Ono, het Handwerkersdal.\' En van de Levieten behoorden Judeesche
afdeelingen bij Benjamin.
30. Berxjeba en hel dal van Ilinnom, het zuidelijkste en liet noordelijkste punt van hun gebied;
over het laatste zie op Joz. XV: 8.
31—35. Van de hier genoemde plaatsen treffen wij Gcba, Michmas, Ajja, d. i. Ai (verg. op Jcz.
X: 28), Bethel, Anathoth, Barna, Loit, lla/lid en Ono ook Kzra 11:20—35 aan; zie aantt. aldaar.
Over Nob zie op 1 Sam. XXI: 1, Gittaim op 2 Sain. IV : 3, Seboïm op 1 Sain. XIII : 18, het lland-
werkertdal
op 1 Kron. IV : 14. De overige plaatsen komen slechts hier voor. Ilaaor wellicht 2 Sam.
XIII: 23.
36. De bedoeling hiervan is niet duidelijk; wellicht wil de schrijver zeggen, dat, hoewel de Levieten
op Judecsch grondgebied woonden, ecnigc hunner afdeelingen in Benjamin hunne diensten moesten bc-
wijzen. Toen dit geschreven werd, woonden dus do Levieten nog grootendcola buiten Jeruzalem; verg.
XII: 27; XIII: 10—13. Volg. Gr. vort. is wellicht te lezen En van de Levieten waren afdeelingen in
Juda en Benjamin.
HOOFDSTUK XII: 1—26.
Priesters en Levieten\' uit verschillenden tijd. — Lijst van met Zcrubbabel en Jczua teruggekeerde
priesters en Levieten (1—9), van de hoogepriesters, van Jczua tot Jaddua (10 v.). 1\'ricstcrhoofden
tijdens den priester Jojakim (12—21). Wanneer de Lcvictcn- en de pricsterhoofdcu zijn opgeschreven
(22 v.)j hoofden der Levieten (24 v.); onderschrift (20).
Volgens vs. 22 en 26 (zie aldaar) heeft de oorspronkelijke lijst behelsd namen van pricsterhoofdcu
uit don tijd van Darius en Jojakim, en van Levietcuhoofdcn uit dcu tijd van Xchcmja on Kljasjib
tot Johanan. Zij schijnt onder den hoogepriester Jaddua, een tijdgenoot van Aleiaudcr den Grootc,
opgesteld te zijn, tot nanvulling van de lijst XI: 3—35. De Kroniekschrijver heeft haar uitgebreid tot
den tijd van Zcrubbabel en Jezua en de namen der familiehoofden tot geslachtsnamen gemaakt; hij
heeft vs. 1—9 en 10 v. toegevoegd en vs. 12—21 in den tegenwoordigcn vorm gebracht.
XII :1 Dit zijn de priesters en de Levieten die opgetrokken zijn met Zerub-
2 babel, den zoon van Mjealtiöl, en Jezua: Heraja, Jeremia, Ezra, \' Amarja,
3, 4 Mallueh, Hattus,\' Sjechanja, Harim, Meremoth,\' Iddo, Ginnethoi, Abia,\'
5-7 Mijjamin, Maiidja, Bilga,\' tëjemaja en Jojarib, Jedaja, \' Sallu, Amok,
Hilkia, Jedaja. Dit waren de hoofden van de priesters en van hunne broeders
8       ten tijde van Jezua.\' En de Levieten: Jezua, Binnuj, Kadmiöl, Sjerebja,
Juda, Mattanja, die met zijne broeders over het lof\'gezang was gesteld,\'
9       voorts Bakbukja en Unni, hunne broeders, naar rangorde van dienst,
10 tegenover hen.\' En Jezua verwekte Jojakim, Jojakim verwekte Eljasjib,
1—7. Hoofden van twee on twintig priesterklassen, die naar hen genoemd werden, vs. 12—21.
Velen hunner komcu ook X: 2—8 voor, waar echter slechts een en twintig priesters opgesomd
worden: behoudens afwijkingen in de schrijfwijze (Ksra voor Azarja, Maadja voor Maiisja, Bi/ja
voor Bilaai, Gennelhoi voor Ginnethon), hebben de lijsten veertien namen gemeen (van welke een,
Harim, volg. verb. t., verg. vs. 15; grondt. Rehum), waarover zie op X:l—8. Van de overige treffen
wij Jedaja (die hier tweemaal voorkomt), Jojarib, Hilkia ook XI: 10 v. (1 Kron. IX: 10 v.) aan;
over Sjechanja verg. 1 Kron. XXIV: 11; Iddo is blijkens vs. 16 de naam vau den vader van ceneu
Zacharja; de schrijver kan hem aan Zach. 1:1 hebben ontleend; Sallu (vs. 20 Saltai) en Amok komen
alleen in dit hoofdstuk als priesternamen voor (verg. XI: 7; 1 Kron. IX: 7). Van de VII: 39—42
(Kzra II: 36—39) voorkomende vier priostergcslnchtcn ontbreken Pashur en Immer.
7. en van hunne broeders, de broeders der hoofden. Zij waren hoofden niet slechts van de priesters
die van hen afstamden, maar ook van hunne pricsters-tijdgenooten.
8 v. Dit kunnen geen stamvaders vau Lcvictcnklasscii uit den tijd van Zcrubbabel geweest zijn;
volgens vs. 26 toch leefden zij in den tijd van Xchcmja; Sjerebja was volg. Ezrn VIII: 18 tijdgenoot
van Kzra, Mattanja volg. XI: 17 van Xchcmja; verg. VIII: 8; IX: 4. Enkele dezer namen komen als
die van Levictenklassen VII: 43; Kzra 11:40 voor; Juda is wellicht dezelfde als de daar genoemde
1 lodiie-ja (zie op Kzra III: 9). Met de vs. 9 genoemden (over Bakbukja zie op XI: 17 en op 1 Kron.
IX: 15) moeten echter gcslachteu, geen hoofden, bedoeld zijn; daar zij uit afdeelingen bestaan die
beurtelings dienst doen. Kvcnals XI: 17, worden hier de zangers tot de Levieten gerekend.
10 v. Gcslachtlijst van hoogepriesters in den herbouwden tempel, aansluitende bij 1 Kron. VI: 8—15 en
derhalve van do hand vau don Kroniekschrijver. Zij loopt tot don tijd van Alcxandcr den Grootc, wiens
i
-ocr page 998-
NBHKMJA XII : 10—26.
1078
11       Eljasjib verwekte Jojada,\' Jojada verwekte Jonathan, en Jonathan ver-
wekte Jaddua.
12          Ten tijde van Jojakim waren priesters, familiehoofden: van Seraja,
13      Meraja; van Jeremia, Hananja;\' van Ezra, Mesjullam; van Amarja,
14, 15 Johanan; \' van Malluch, Jonathan; van Sjebanja, Jozef; \' van Harim,
16      Adna; van Merajoth, Helkai; \' van Iddo, Zacharja; van Ginnethon,
17      Mesjullam;\' van Abia, Zichri; van Minjamin,....; van Moadja, Piltai;\'
18, 19 van Ihlga, Sjammua; van ftjemaja, Jonathan; \' van Jojarib, Mattenai;
20,21 van Jedaja, Uzzi; \' van Sallai, Kallai; van Amok, Eber;\' van Hilkia,
Hasjabja; van Jedaja, Nethaneël.
22          Wat de Levieten betreft, ten tijde van Eljasjib, Jojada, Johanan en
Jaddua zijn familiehoofden opgeschreven en de priesters tot de regeering
23      van Darius, den Pers.\' De zonen van Levi, de familiehoofden, zijn op-
geschreven in het boek der kronieken. Tot den tijd van Johanan, den
24      zoon van Eljasjib,\' waren hoofden der Levieten: Hasjabja, Sjerebja,
Jezua en Kadmiël. En hunne broeders, die tegenover hen stonden om
het „Prijst hem" en „Looft hem" aan te heffen, naar het gebod van
25      David, den man Gods, afdeeling naast afdeeling, waren:\' Mattanja,
Bakbukja, Obadja. Portiers, de wacht houdende bij de magazijnen der
26      poorten, waren Mesjullam, Talmon, Akkub.\' Dezen leefden ten tijde van
Jojakim, den zoon van Jezua, den zoon van Josadak, en ten tijde van
Nehemja, den landvoogd, en van Ezra, den priester-schriftgeleerde.
tijdgenoot Jaddua was, en is uit vs. 22 overgenomen, met toevoeging van twee namen, om haar tot den
tijd van Jezua te doen opklimmen. Of de lijst volledig is, mag betwijfeld worden; een zestal hooge-
pricsters is voor een tijdvak van nagenoeg twee eeuwen zeer gering. — Jojakim, nog vs. 12, 26; over
Eljasjib zie op 111:1; Jojada, nog vs. 22; XIII: 28; Jonathan heet vs. 22 v.; Ezra X: 0 Johanan en
is vs. 23, evenals Kzra X: 6, zoon, niet kleinzoon, van Eljasjib.
12—21. Hoc licht in lijsten vun uamen fouten insluipen, leert cene vergelijking van deze verzen
met vs. 1—7; verg. Sjebanja met Sjechanja, Merajoth met Meremolh, Ginnethon met Oinnelhoi, \\li»-
jamin
met Mijjamin, Moadja met Maüdja. Hij ongeluk zeker is het geslacht llattus (vs. 2) en een
naam achter Minjamin weggevallen.
22.  tol, volg. vorb. t.;" Hobr. t. op, — Darius, den Pers. Drie Dariusscn hebben over 1\'erzic gchccrscht:
Darius I Hystaspis (521—485), Darius II Nothus (421—404) en Darius III Codomannus (836—831).
Daar du schrijver, getuigo den titel den Vers, na den val der Perzische hcorschappij, dus na den jong-
stcn dezer drie, leefde, cu in dit hoofdstuk opgaven uit ouder en jonger tijd gemengd zijn, is hot niet met
zekerheid uit te maken, welke koning bedoeld is. Waarschijnlijk de eerste, en heeft de schrijver
willen zeggen dat men in diens tijd de hoofden der priesterlijke, van den tijd van Eljasjib af ook die
der Iicvictischc, geslachten begon op te leekenen. De toen levende hoofden zouden dus de namen aau do
geslachten gegeven hebben; volg. 1 Kron. XXIV bestouden die geslnchtcn reeds in den tijd van David.
23—25. Ook hier vinden wij namen van personen naast geslachtsnamen; de eerste in vs. 24a, de
andere in vs. 244, 25. De laatste zijn van den Kroniekschrijver, die ook zangers en portiers onder de
Levieten opneemt; verg. op vs. 8 v.
23.  het boek der kronieken. Indien dit vers van den Kroniekschrijver is, kan hij bet oog gehad
hebben op Kronieken, en heeft hij wellicht bedoeld de zonen van Levi: Gersjon, Kehath en Merari,
1 Kron. VI : 1. Dan moet hij het echter, daar hij ons bock vroeger dan Kronieken schreef (zie inl. op
dat boek), later hebben ingclnscht.
24.   Voor warm is en weggelaten; waardoor de laatste woorden van het vorige vers niet dit ver-
bonden zijn. — Hasjabja, Sjerebja, Jezua en (volg. verb. t.; grondt, zoo» van) Kadmict, Levieten uit
den tijd vnn Ezra en Nehemja, X: 9, 11 v.; Ezra VIII: 18 v., 33.
25.   Mattanja, Bakbukja, Obadja. Zie op XI: 17 en op 1 Kron. IX: 15 en 16. — I\'ortiers, de wacht
houdende,
met omzetting van een paar woorden. — Mesjullam — Akknb. Zie op 1 Kron. IX : 17.
26.   Wellicht het onder3chrift der oorspronkelijke lijst: de eerste tijdsbepaling geldt voor de priester.,
de tweede voor de Levietenhoofden. De lijst heeft dus oorspronkelijk geen namen uit den tijd van
Jezua, vs. 1—9, behelsd. Opmerking verdient dat Nehemja hier aan Kzra voorafgaat.
HOOFDSTUK XII: 27—XIII: 8.
Inwijding van den muur. — Nadat de Levieten-zangers te Jeruzalem verzameld zijn (XII: 27—29)
en de priesters en Levieten zich zelven, volk, poorten en muren gereinigd hebben (30), stelt Nehemja
op den muur twee koren op, van welke het eene in zuidelijke richting over den muur trekt (31),
gevolgd door Hosjaja, de helft der vorsten, priesters en Levieten, en Ezra aan de spits (32—36);
het vervolgt zijn weg tot aau de Waterpoort (37). Het andere trekt noordwaarts, gevolgd door Nehemja
-ocr page 999-
nehemja XII: 27—33.                                   1079
met de helft van het volk, en houdt stand hij de Gevangenpoort (38 v.). I)e beide koren stellen zich op
in den tempel; ook Nehemja en de hem volgende vorsten, priesters en Levieten, die liederen aanhcf-
fen (40—42); mcu brengt offers en viert feest (43). Aanstelling van opzichters over de magazijnen
en de gaven voor de tempeldienaren (14); dezen toch kwamen hunne verplichtingen nauwgezet na
(45 v.), en gansch Isracl bracht wnt hun toekwam geregeld op (47). Het volk van gemengden bloede
wordt van Isracl afgezonderd (XIII: 1—3).
Dit gedeelte bestaat uit drie, door de tijdsbepaling Te dien dage (XII: 44; XIII: 1 los aanccn-
geregen stukken. Het eerste, XII: 27—13, is, blijkens het gebruik van den eersten persoon, uit de Gc-
denkschriften van Nehemja, maar door den Kroniekschrijver (zie op XII: 27—29, 33 v. en 41 v.) ovcr-
gewerkt, tengevolge waarvan de duidelijkheid der voorstelling dikwerf veel te wensvhen overlaat; zie
op XII: 32, 36 en 40. Ous verhaal heeft iu het oorspronkelijke geschrift stellig iu een audcr verband
gestaan; want dat tusschen de voltooiing van den muur (VI: 15; VII: 1—3) en zijne inwijding al het
in VIII: 1—X:40 verhaalde zou zijn voorgevallen is onwaarschijnlijk.
Ook XII: 41—47 is in zijn tegenwoordigen vorm van den Kroniekschrijver, die zich door de voorstelling
dat reeds üavid en Salomo zangers en portiers hebben aangesteld (zie op vs. 45) verraadt. Hij wijst
op den tijd van Nehemja als op een vervlogen tijd terug; daar hij (vs. 47) aan zijne tijdgenooten de
Israëlieten uit den tijd van Zerubbabcl en van Nehemja ten voorbeeld stelt: toen waren priesters
en Levieten nauwgezet in de waarneming van hun ambt en voorzag gansch Israël gewillig in hun
onderhoud. Waarschijnlijk heeft in zijn tijd aan een en ander veel ontbroken. Het bericht dot hij ver-
werkte kan aan Nchemja\'s Gedenkschriften zijn ontleend.
Het derde stuk, XIII: 1—3, handelt over hetzelfde onderwerp als IX, X; het kan eens deel heb-
ben uitgemaakt van het verhaal dat daaraan ten grondslag ligt. De Kroniekschrijver heeft het met
XII: 44—47 hier geplaatst, omdat deze stukken hem voorkwamen cene geschikte inleiding te zijn op
XIII: 4—14.
XII: 27 Bij de inwijding van den muur zocht men de Levieten op uit al
hunne woonplaatsen, om hen naar Jeruzalem te brengen, tot deelneming
aan de inwijding niet vreugdebetoon, dankzegging en liederen, met
28      cimbalen, luiten en citers.\' En de zonen der zangers verzamelden zich,
zoowel van de streek rondom Jeruzalem als van de dorpen der Neto-
29      fathieten,\' van Beth-gilgal en van de velden van Geba en Azmaweth;
want de zangers hadden vlekken voor zich gebouwd rondom Jeruzalem.\'
30      Nadat de priesters en Levieten zich gereinigd hadden, reinigden zij het
31      volk, de poorten en den muur.\' Hierna liet ik de vorsten van Juda
den muur beklimmen en stelde ik twee groote koren op; het eene
ging naar rechts op den muur, in de richting van de Mestpoort;\'
32, 33 daarachter gingen Hosjaja en de helft der vorsten van Juda,\' Azarja,
27—29. Met de Levieten van vs. 27 zijn, blijkens vs. 28, zangers bedoeld. Voor de inwijding van
den muur waren, bchnlvc priesters, die de godsdienstige plechtigheden moesten voltrekken, vooral
zangers eu muzikanten uoodig. Het oorspronkelijke verhaal vermeldde dus zeker dnt men maatregelen
nam om dezen te Jeruzalem te brengen; maar de Kroniekschrijver, die hen in den stam Levi zocht
in te lijven (zie iul. op 1 Krou. VI), heeft hen hier tot Levieten gemaakt.
27. met vreugdebetoon, volg. verb. t.; grondt, en vreugdebetoon. — met — citers. Dergelijke optcl-
liugen ook 1 Kr..u. XIII:8; XV: 16, 21; XXV: 1; 2 Kron. XXIII: 18.
28 v. Over Netofalhitten, Geba en Azmaweth, die ook Ezra II: 22—26 (Neh. VII: 26—30) voor-
komen, zie aautt. aldaar. — Beth-gilgal, elders alleen Gilgal; zie op Joz. IV : 19. — Over deze woon-
plaatsen der tempclzaugcrs lezen wij elders niets.
30. zich gereinigd hadden. Zie 1 Kron. XV: 12; XXIX: 15; XXX: 3, 15, 17 v.; XXXV: 6; Ezra VI: 20,
eu verg. Lev. XXI: 1—15. — reinigden — muur, waarschijnlijk door besprengiug: over heiliging van
menschen zie op Kiod. XIX: 10, van plaatsen Lev. XVI: 33.
32. daarachter, achter de lieden die het koor uitmaakten. Wie dat waren, blijkt niet; daar volg.
vs. 33—36 priesters en zangers het koor volgden. Nu worden echter onder hen die volg. vs. 38
achter bet koor van den tweeden stoet gingen geen priesters en zangers vermeld; wellicht vormden
dezen in het oorspronkelijke verhaal het koor, dat dan in den eeueu stoet door Hosjaja, in den andc-
ren door Nehemja, met de helft van de vorsten eu het volk, gevolgd werd. Verg. op vs. 33 v. —
llotjaja moet een aanzienlijk man zijn geweest; daar hij in dezen stoet dezelfde ecreplaats inneemt
als Nehemja in den anderen. De naam komt nog Jer. XLII: 1; XLH1:2 voor.
33 v. Azarja, Ezra (over deze namen zie op X: 1—8), Mctjullam, Sjemaja en Jereaiia zijn bekende
priesternamen, waarmede de Kroniekschrijver XII: 1, 6, 13 (verg. X: 2, 7 v.) priesterhoofden ten tijde
van Zerubbabcl en van den priester Jojakim aanduidt. Boezemt reeds hierom de optelling weinig
vertrouwen in, zij wordt nog ongeloofwaardiger doordat Juda en Benjamin, als waren dit ook
priesternamen, daar tusschen in staan. In het oorspronkelijke verhaal zal met Juda eu Benjamin het
-ocr page 1000-
1080                                       nkhbmja XII: 33—44.
34, 35 Ezra en Mesjullam,\' Juda en Benjamin, tSjeniaja en Jereniia,\' en eenige
zonen van priesters met trompetten; Zacharja, de zoon van Jonathan,
den zoon van Sjemaja, den zoon van Mattanja, den zoon van Michaja,
3(5 den zoon van Zakkur, den zoon van Azaf,\' en zijne broeders Sjemaja,
Azareël, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneël, Juda, Hanani, met muziek-
instrumenten van David, den man Gods; en Ezra, de schriftgeleerde,
37       aan hunne spits.\' Gekomen hij de Bronpoort, trokken zij, recht voor
zich uit, de trappen der Davidstad op, over den opgang naar den muur
38       bij Davids paleis, tot aan de Waterpoort, ten oosten.\' En het tweede
koor, dat naar links ging en dat ik zelf met de helft des volks volgde,
trok over den muur van bij tien Bakoventoren tot den Breeden muur,\'
39       dan van bij de Efraimspoort, langs de Oude poort, de Vischpoort, de
torens Hananeël en Hammea, tot aan de >Schaapspoort, waarna zij bij
40       de Gevangenispoort standhielden.\' De beide koren stelden zich op in
41       den tempel; ook ik zelf met de helft der regenten\' en de priesters
Eljakim, Maiizeja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zacharja, Hananja, met
42       trompetten, \' en Maiizeja, tSjemaja, Eleazar, Uzzi, Johanan, Malkia,
Elam en Ezer. En de zangers lieten zich hooren, onder leiding van
43       Jizrahja.\' En men bracht te dien dage groote offers en was vroolijk,
daar God hun groote vreugde bereid had; ook de vrouwen en kin-
deren waren vroolijk, zoodat de vreugde van Jeruzalem in de verte
gehoord werd.
44           Te dien dage werden mannen aangesteld, belast met het opzicht over
de kamers welke bestemd waren voor de schatten: de wijgaven, de
keurgaven en de tienden, om daarin, naar de volgorde van de lande-
volk zijn aangeduid (verg. Ezra 1:5; IV: 1; X: 9) ilat met Hosjajn en ile helft der vorsten van
Juda liet koor volgde. De Kroniekschrijver licoogdc hier, evenals vs. 41, een zevental pricstcrnanicn
te geven.
85. eenige — trompetten. Zie Nuni. X:l—10. — De gcslnchtlijst vnn Zacharja, van het Levietisch
geslacht Sjemaja (XI: 15), is, naar het schijnt, door den overwerker met Mattanja — Azaf oangc-
vuld; zie op 1 Kron. IX: 15 en verg. op XI: 22. Over Mattanja en Zakkur verg. XIII : 13.
3rt. Ilclmlvc Sjemaja (zin XI: 15) komen deze Levieten elders in Ezra—Nrliemja niet voor. —
met — (lor/3. \'/Ac. vs. 24; 1 Kron. XVÜfl; XXIII: 5; 2 Kron. XXIX:20; Ezra lil: 10. — Ezra —
spits.
Het blijkt niet, of de schrijver bedoelt: aan de spits van de van vs. 32 af geuoemden, dan
wel alleen van de vs. 35 v. vermelden. Daar echter Hosjajn het hoofd der eersten, Zacharja dat der
anderen is, blijft er voor Ezrn geen plaats; ook is de vermelding van hem hier aan het slot der op-
somming zeer vreemd. Hoogstwaarschijnlijk is hij eerst bij de overwerking in het verhaal gebracht.
37.   Dit vers sluit bij vs. 31 aan; over de bijzonderheden zie op 11:14; III: 15 en 20.— Gekomen,
dnidcüjkhcidshnlvc ingevoegd. — recht voor zich uit, volg. Gr. vert.; Hcbr. t. heeft er en voor. Den
lezers die Jeruzalem kenden zal deze beschrijving vnn den tocht wel duidelijk geweest zijn; ons is zij
dat niet. — Dacids paleis, in de Davidstad, 2 Sain. V: 11; verg. 1 Kon. 111:1. — Op het plein
voor ilc Waterpoort houden zij halt, om zich daar met den anderen stoet te verecnigen.
38 v. Zie 111:1—11 en aantt. aldoor.
38.   naar links, met invoeging van cenc letter; grondt, tegenover, — de helft des volks, ook do
vorsten. — tot den Breeden mntir, dien zij dus niet betreden schijnen te hebben; zij volgden dus den
ouden muur langs de Efraimspoort; verg. op 111:8.
89. de Ocrangenispoort, waarschijnlijk in den noordelijken muur vnn het tcmpclvoorhof. De stoet
verliet dus bij de Schnnpspoort den muur.
40. ook — regenten. Hier en in het volgende vors wordt de samenstelling van den twocdeu stoet,
te laat, vermeld.
41 v. Een zevental priesters (vs. 41) en een achttal Levieten (vs. 42), evenals vs. 88 v., 86. Dnt
de laatsteu Levieten zijn wordt wel niet gezegd, monr is waarschijnlijk, omdat ook in den eersten
stoet Lcvictischc zangers voorkomen, vs. 35 v. Al deze namen komen, met uitzondering van Eljakim
en Michaja, sommige met geringe afwijking (Uzzi is dezelfde als Uzzia, Ezer als Azareït), ook in de
lijst Ezra X: 20—13 voor. De Kroniekschrijver grijpt bij de samenstelling zijner reeksen vnn eigen*
namen dikwerf op goed geluk af cenige namen uit cenc of andere lijst; verg. op vs. 88 v.; 1 Kron.
11:31—11; XII: 4—7, 0—13, 20 en XXIII: 8 v. — En de — Jizrahja. Slordig verhaald. Immers
zullen niet alleen de zangers van het tweede koor, onder Jizrahja, maar ook die van het eerste, onder
Zacharja (vs. 35), zich hebben loten hooren.
48. zoodat — werd. Verg. Ezra III: 13.
44. Te dien dage slaat niet op het onmiddellijk voorafgaande terug. In het oorsponkelijke geschrift
moet bedoeld zijn geweest de tijd toen Nehcmja maatregelen nam ter bevordering van den tempel*
-ocr page 1001-
1081
nbhkmm XII: 44—XIII: 3.
rijen der steden, de vastgestelde aandeelen voor de priesters en de Le-
vieten te bergen; want Juda had vreugde aan de dienstdoende priesters
45 en Levieten.\' Zij namen de verplichtingen jegens hun God en die in
zake de reinheid waar, evenzoo de zangers en de portiers, naar het
40 gebod van David en zijn zoon Salomo;\' want in Davids tijd, van ouds,
was Azaf het hoofd der zangers en van het lofgezang en van het
47 „Looft God".\' En gansch Israël bracht in den tijd van Zerubbabel en
in dien van Nehemja liet den zangers en den portiers toekomende op,
hunne nooddruft voor eiken dag; zij wijdden het aan de Levieten, en
dezen wijdden daarvan aan de zonen van Aüron.
X111:1 Te dien dage werd uit het boek van Mozes aan liet volk voorge-
lezen en vond men daarin geschreven: Geen Ammoniet nocli Moabiet
2 zal ooit of immer in de vergadering Gods komen;\' want zij zijn de
Israëlieten niet met brood en water tegemoet gekomen, en Bileam heeft
hen tegen hen gehuurd om hen te vervloeken; maar onze God heeft
\'6 den vloek in zegen verkeerd.\' Toen zij nu de wet hadden gehoord,
zonderden zij al het volk van gemengden bloede van Israël af.
Vs. 14, 2. Deut. XXIII: 3—5.
dienst; zie op XIII: 10. — werden — kameri. Toen dozen niet vortrouwbnnr bleken, stelde Nehemja
anderen nan, XIII: 10—13. Over de bestemming dier vertrekken verg. X: 38 v. — naar de volgorde
van
(letterlijk naar) — steden, zoodut de gnven der verschillende streken afzonderlijk gehouden
werden. — de vaitgeitetde aandeelen. Hchr. t. laat volgen der wet; volg. Gr. vert. weggelaten.
45. evenzoo. Hetgeen hiermede wordt ingeleid hangt zeer los aan hetgeen voorafgaat. Waarschijnlijk
is van hier af de Kroniekschrijver aan het woord. — de zangera — Salomo. Zie 1 Krou. XXV, XXVI j
2 Kron. VIII: 14.
4(1. Dit vers, waarin cene geringe tekstverandering volg. Gr. vert. is aangebracht, geeft de reden
op waarom de geboden waaraan de zangers zich hebben te onderwerpen door David gegeven zijn: in
diens tijd leefde hun stamvader.
47. Op den lof hier aan Israël toegezwaaid viel echter in Nehcinja\'s tijd wel wat af te dingen;
XIII: 10. — zij — Levieten. De schrijver heeft het oog op de tienden die de Israëlieten den Levieten
ter hand stellen. Hij wil blijkbaar zeggen dat ook de zangen en de porlieri hieruit bezoldigd werden.
— dezen — Aüron, nl. het tiend van het tiend.
1 V. De woorden uit Deut. XXIII: 3—5 zijn hier verkort aangehaald; doch in plaats van tot de
Israëlieten wordt hier van hen gesproken. Toch houdt de schrijver zich overigens zoo getrouw aan zijn
voorbeeld dat hij over de Israëlieten, evenals daar geschiedt, eerst in het meervoud, daarna in het
enkelvoud (in pi. v. hen stnat er eigenlijk hem) spreekt, De bepaling omtrent Ammonictcii en Moabicten
wordt hier op de gehcele vreemde bevolking van het Joodschc land toepasselijk geacht.
8. Wat hier verhaald wordt heeft groot e overeenkomst met hetgeen IX: 2; X: 28 is medegedeeld;
alteen zonderen daar de Israëlictcu zich van de volkcrcu des lands af, terwijl zij hen hier van zich
verwijderen.
HOOFDSTUK XIII: 4—31.
Nehcinja\'s tweede verblijf in Jeruzalem. — Kljasjib heeft voor zijn bloedverwant Tobin een vertrek
in den tempel ingeruimd (4 v.), tijdens Nehcinja\'s afwezigheid aan het hof van Artahsjasta (6); van
daar teruggekeerd, verneemt Nehemja wat er gebeurd is en laat hij Tobia\'s huisraad op straat wer-
pen en de vertrekken reinigen (T—9). Als hij hoort dnt men in de behoeften der Levieten niet bc-
hoorlijk voorzien heeft en dezen daarom Jeruzalem hebben verlaten, haalt hij hen terug en zorgt dat
Juda zijne verplichtingen nakomt (10—12); hij stelt betrouwbare mannen aan over de magazijnen en
bidt dat God zijne diensten gedenke (18 v.). Over de ontheiliging van den sabbiit richt hij ver-
wij ten tot de edelen van Juda (15—18); hij laat de poorten op sabbat sluiten en bewaken, en neemt
maatregelen dat de kooplieden niet meer in de onmiddellijke nabijheid van den muur den nacht door-
brengen (19—21); aan Levieten wordt de bewaking der poorten op den sabbat opgedragen (22). De
Joden die met vreemde vrouwen getrouwd zijn worden door hem, met herinnering aan Salomo, op
het gevaar daarvan gewezen; zij moeten zweren hunne kinderen niet met vreemden te laten huwen
(23—27); een kleinzoon van Eljasjib, mot eene dochter van Sauballat gehuwd, wordt weggejaagd
(28); moge God do ontwijding van het priesterschap straffen! (29). Nehemja stelt bepalingen vast
omtrent den dienst vnn de tempeldienaren en de verplichtingen van hot volk (30 v.).
Dit gedeelte is weder, bijna in zijn geheel, uit de Gedenkschriften van Nehemja overgenomen; slechts
hier en daar heeft de Kroniekschrijver er iets ingelascht, eene enkelo maal wellicht iets weggelaten (zie
-ocr page 1002-
1082
NEHEMJA XIII : 4—13.
op vs. 4, 6 en 29). Waarom de hier vermelde gebeurtenissen vroeger moeten hebben plaats gehad dan
de Ezra IX, X en Neh. IX, X medegedeelde, zie op vs. 5, 12, 13 en 23—29.
XIII: 4 Voordezen had de priester Eljasjib, die over de kamers van het
5 huis onzes Gods gesteld en met Tobia verwant was,\' dezen eene groote
kamer ingeruimd, waar men vroeger placht neder te leggen het meel-
offer, den wierook, het gereedschap en het tiend van het koren, den
most en de olie, hetgeen den Levieten, zangers en portiers toekwam,
(3 en de wijgaven voor de priesters.\' Toen dit alles voorviel, was ik niet
te Jeruzalem; want in het twee en dertigste jaar van Artahsjasta,
den koning van Habel, was ik bij den koning gekomen, en eenigen
7       tijd later ben ik, na den koning verlof gevraagd te hebben,\' te Jeru-
zalem wedergekeerd. Toen ik nu kennis kreeg van het kwaad dat
Eljasjib gedaan had, door voor Tobia eene kamer in te ruimen in de
8       voorhoven van het huis Gods,\' was ik zeer ontstemd; ik liet al het
D huisraad van Tobia uit de kamer werpen,\' gelastte de kamers te rei-
nigen en bracht al de gereedschappen des tempels, het meeloffer en
den wierook er in terug.
10           Ook kwam ik te weten dat de aandeelen voor de Levieten niet
waren gegeven, en dat dezen, de Levieten en de zangers, die den dienst
moesten waarnemen, dientengevolge, elk naar zijn akker, waren uit-
11       geweken.\' Daarom richtte ik verwijten tot de regenten en zeide: Waarom
heeft men het huis Gods verwaarloosd/ Ik bracht hen weder bijeen
12       en stelde hen op hun post,\' en gansch Juda bracht nu het tiend van
13       het koren, den most en de olie naar de magazijnen.\' En ik stelde als
beheerders over de magazijnen aan: den priester Sjelenija, den schrijver
Sadok, en Pedaja, die tot de Levieten behoorde, en als hunne helpers:
4.   Voordezen, vóór het twee en dertigste jaar van Artnhsjasta, vs. G. De tijdsbepaling slaat terug
op een bericht dat er in Nchemja\'s Gedenkschriften aan voornfging, maar ons niet is bewaard gc-
blevcn. Waarschijnlijk behelsde het Nchemja\'s verhaal van zijn vertrek naar den I\'crzischcn koning
en zijn terugkeer naar Judca, en is dit door den Kroniekschrijver in vs. 6, 7a kort samengevat en
als een tusschenzin in ons verhaal ingevlochten, daar het voor het recht verstand er van oumisbaar
was. — di\' priester Eljasjib. Zie op 111:1. Waarom hij hier niet, als elders, de hoogepricstcr heet,
weten wij niet; maur hij was blijkbaar een hooggeplaatst man, daar hij over de kamers (met veran-
dering van een klinker; llcbr. t. heeft het enkelvoud) van het huis Gods gesteld was en de XII: 44
vermelde mauncn dus onder hem stonden. — met Tobia verwant. Zie op II: 19. Hoe hij hem bestond,
wordt uiet gezegd; doch zie op VI: 18.
5.  eene groote kamer ingeruimd, om daar te wonen als hij zich te Jeruzalem ophield; zie vs. 8. —
hel meeloffer, wat men voor de bereiding daarvan noodig had. — het gereedschap, b. v. de voorwerpen
die men gebruikte bij het meten en afwegen en bij het overbrengen van de oflerbeiioodigdhcdcii naar
het heiligdom. — het tiend — toekwam. Volgens een besluit der groote vergadering (X: 38) behoefde
het tiend der Levieten niet meer in het heiligdom gebracht te worden; ons verhaal verplaatst ons
dus in den tijd vóór die vergadering. — den — portiers. Zangers en portiers worden hier nog van
de Levieten onderscheiden; verg. vs. lil.
fl. het — Artahsjashi, in 438. — den koning van Babel. Zoo kon de Perzische koning hecten als
behcerscher van het vroegere Babylonische rijk (zie op Kzra VI: 22); het is echter waarschijnlijk dat
niet Nchemjn zelf, maar de Kroniekschrijver hem zoo genoemd heeft (zie op vs. 4). — eenigen tijd
later,
wellicht nog in hetzelfde of in het volgende jaar. Uit Nehcmjn\'s optreden te Jeruzalem schijnt
te blijken dat hij het ambt van landvoogd weder aanvaardde; doch volg. V: 14 had hij slechts tot
433 deze betrekking bekleed.
7. Het ergerlijke bestond vooral hierin dat een niet-Isracliet in den tempel verblijf hiold.
11). de aandeelen voor de Levieten, de tienden. — dal dezen — uitgeweken. Hier wordt ondersteld
dat de Levieten, die volg. XII: 27 v. nog buiten woonden, sedert naar de stad waren verhuisd. Dit wat
zeker een maatregel van Nehcmja; het bericht daarvan is echter niet tot ons gekomen. — elk naar zijn
akker,
naar de steden en vlckkcu buiten Jeruzalem, om daar in hun onderhoud te voorzien.
11.  Daarom — regenten. Verg. vs. 17; V : 7. — Waarom — verwaarloosd!\' Zie X: 39.
12.  Ten aanzien van de opbrengst van het tiend wordt hier dezelfde toestand ondersteld als in
va. 5 ; zie aldaar.
13.   De volgens XII: 44 aangestelde beheerders der gaven waren blijkbaar niet eerlijk geweest; ook
uit Mal. III: 8—10 weten wij dat met het tiend bedrog gepleegd werd. Daarom stelt Nchemja thans
betrouwbare mannen aan. — Sjelemja en Sadok zijn wellicht dezelfden als de III: 29 v. genoemden;
een Leviet Pedaja komt VIII: 5, eeu Leviet llanan VIII: 8 voor; Xakkur en Mattanja, ook XII: 35
in écne geslachtlijst, maar in omgekeerde orde; zie aldaar. — den schrijver. Het Hebreeuwsche woord
-ocr page 1003-
1083
NEHEMJA XIII : 18—23.
Hanan, den zoon van Zakkur, den zoon van Mattanja; want zij golden
voor betrouwbaar; hunne taak was het doen van uitkeering aan hunne
14      broeders. \' Gedenk mijner hierom, mijn God, en wisch de diensten
niet uit die ik aan het huis mijns Gods en den dienst daarvan be-
wezen heb.
15          In die dagen zag ik, hoe sommigen in Juda perskuipen traden op
den sabbat, vrachten koren binnenhaalden en op ezels laadden, ook
wijn, druiven, vijgen en allerlei waren, en die op sabbatdag in Jeru-
zalem brachten, en ik waarschuwde hen nadrukkelijk toen zij levens-
16      middelen verkochten.\' Ook de Tyriërs die in de stad woonden brachten
er visch en allerhande koopwaren en verkochten ze op den sabbat
17      aan de Judeërs en in Jeruzalem.\' Hierover richtte ik verwijten tot de
edelen van Juda en zeide tot hen: Welk een boos stuk begaat gij,
18      den sabbatdag te ontwijden!\' Zoo hebben immers uwe vaderen gehan-
deld, ten gevolge waarvan onze God al dezen rampspoed over ons en
over deze stad gebracht heeft; en nu maakt gij dat de toorn over
Israël nog heviger wordt door den sabbat te ontwijden.
19          Zoodra nu de poorten van Jeruzalem vóór den sabbat in het donker
lagen, werden op mijn last de deuren gesloten en verbood ik ze te
openen voordat de sabbat voorbij was; en ik plaatste eenigen van
mijn gevolg bij de poorten, opdat op den sabbatdag geen vracht zou
20      binnenkomen.\' Toen nu de kramers en de handelaars in allerlei waren
21      een en andermaal buiten Jeruzalem hadden overnacht,\' waarschuwde
ik hen en zeide tot hen: Wat blijft gij daar den nacht over vóór den
muur! Indien gij dit weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van
22      dien tijd af zijn zij op den sabbat niet meer gekomen.\' Voorts gelastte
ik den Levieten dat zij zich zouden reinigen en zouden komen om
de poorten te bewaken, ten einde den sabbatdag heilig te houden.
Gedenk mijner ook hierom, mijn God, en spaar mij naar de grootheid
uwer goedertierenheid.
23          In denzelfden tijd liet ik het oog vallen op de Joden die Asdodie-
kan ook door den tchriflgeleerde worden vertaald. — Ook na deze hervorming schijnt het beheer over
de gaven niet onberispelijk te zijn geweest; althans op de groote vergadering werd volg. X: 37 v. cene
andere regeling getroffen; zie op vs. 5.
14.  Verg. op V : 19.
15.  hen, volg. verb. t. iugevocgd.
10. de Tyriirt, de kooplieden bij uitnemendheid; zie Ezcch. XXVII. — vitch, die zij van hunne
landslieden gedroogd kregen en te Jeruzalem aan de markt brachten. — en in Jeruzalem. Dit voegt
de schrijver er bij om te kennen te geven: eu dat nog wel in de heilige stad!
18.  Zoo — gehandeld. Zie Jcr. XVII: 19—27. — ten gevolge — heeft. De straftijd wordt als nog
voortdurend gedacht; verg. Ezra IX: 7. — maakt — toordt. Verg. Ezra X: 10, 14.
19.   iti het donker lagen, niet meer door de zon beschenen werden, dus voor den sabbat, die met
zonsondergang begon, Lev. XXIII: 32. — mijn gevolg. Zie op IV : 16. De bedoeling is dat de poorten
telkens geopend werden voor menschen die do stad iu- of uitgingen; alleen zij die koopwaren droegen
of vervoerden werden geweerd. — opdat — binnenkomen, volg. Gr. vert.; Ilebr. t. op den labbatdag
zou geen vracht binnenkomen.
22.  Nevens do gewone portiers (zie op VII: 1), werden op dcu sabbat Levieten bij de poorten ge-
plaatst, die zich voor dat werk moesten reinigen, omdat het een godsdienstplicht was; niet om de
bewaking der stad, maar om de heiliging vau den sabbat was het te doen. — Gedetik — goeder-
tierenheïd.
Zie op V : 19.
23—29. Dit bericht is zeer bevreemdend, indien aan het hier verhaalde Ezra IX, X is voorafgegaan.
Niet zoozeer, omdat ondanks de door Ezra genomen maatregelen zoovele Joden met vreemde vrouwen
gehuwd waren i Ezra\'s hervorming kon immers verijdeld zijn; maar omdat de eisch dicu Nehemja
stelt lang zoo ver niet gaat als die van Ezra: terwijl deze scheiding van de vreemde vrouwen en
hare wegzending eischt, stelt Nehemja zich tevreden met do belofte dat do met heidensche vrouwen
gehuwden hunne kinderen niet met vreemden zullen laten trouwen en verder dergelijke huwelijken
ook door hen niet zullen gesloten worden. Het optreden van Nehemja is eene eerste schrede op den
weg waarop Ezra verder ging en valt dus voor dat van Ezra.
23.  Waar deze Joden woonden, wordt niet gezegd; waarschijnlijk zoowel te Jeruzalem als in andere
plaatsen. — Aidodietiiche. Zie op Zach. IX: 6.
-ocr page 1004-
NEHBMJA XIII: 23—31.
1084
tische, Ammonietische of Moabietiscbe vrouwen hadden in huis ge-
24       nomen \' en wier kinderen voor de helft, terwijl zij geen Joodsch konden
25       spreken, Asdodietisch spraken, of de taal van welk volk ook.\' Ik richtte
verwijten tot hen en vervloekte hen; ik sloeg eenige van hunne man-
nen en trok hun de haren uit, en ik bezwoer hen bij God: Gij zult
uwe dochters niet geven aan hunne zonen, noch van hunne dochters
2G vrouwen nemen voor uwe zonen of voor u zelven.\' Om dezulken im-
mers is Salomo, de koning van Israël, tot zonde vervallen. Hoewel
onder de groote volkeren geen koning aan hem gelijk geweest is en
hij een geliefde was bij zijn God, die hem tot koning over gansch
Israël had aangesteld, hebben de vreemde vrouwen ook hem tot zonde
27       verleid.\' Zou het dan voor u niet ongehoord zijn al dit groote kwaad
te doen, en u aan onzen God te vergrijpen door vreemde vrouwen te
28       huwen?\' En een der zonen van Jojada, den zoon van den hoogepriester
Eljasjib, was schoonzoon van Sanballat, den Horoniet; daarom joeg ik
2\'J hem uit mijne omgeving weg.\' Gedenk hunner, mijn God, om de
ontwijding van het priesterschap en van Gods verbond met de priester-
schap en met de Levieten.
30           Ik reinigde hen van al het uitheemsche, stelde de verplichtingen
31       der priesters en der Levieten, van elk in zijn dienst, vast,\' en trof
schikkingen omtrent de levering van het hout op bepaalde tijden en
omtrent de eerstelingen. Gedenk mijner hierom, mijn God, ten goede.
24.  voor de helft. Nehcmja bedoelt niet, tint zij eene half Joodschc huil\' vrcemilc huil spraken,
maar dat de helft der kinderen uil de gemengde huwelijken niet goed Joodsch, alleen cene of andere
vreemde taal, kon spreken. — de taal van welk volk ook, van het volk waartoe de moeder hchoordc.
25.  vervloekte — uit. Uit geschiedde met hen die de door Nehcmja gecischto belofte niet wilden
afleggen. — Gij zult — zelve». Zie Deut. VII: 8.
26.  Zie 1 Kron. XI : 1—8. Indion zelfs Salomo door vreemde vrouwen tot zonde verleid is, hoeveel
te meer zal dat met n het geval zijn.
27.  niet ongehoord, letterlijk gehoord.
28 v. Iets dergelijks als hier van een zoon van Jojada verhaald wordt deelt de geschiedschrijver
Klavius Josefus mede van con priester Manasse, broeder van den hoogepriester Jnddna (zie XII: 11).
Gehuwd met cene dochter vnn Sanballat, werd hij, daar hij zijne vrouw niet wilde verstoeten, uit de
Joodschc gemeente gebannen en begaf hij zich tot de Samaritanen, in wier land hij, met do hulp van
zijn schoonvader, op den berg Gerizim een tempel stichtte, waarin hij zelf en zijne nakomelingen als
hoogepricsters dienst deden.
28.   De kleinzoon des hoogepricsters wordt strenger behandeld dan andere Joden; zie op vs. 23—29.—
Jojada — Eljasjib. Zio XII: 10 v. Toen dit gebeurde was Kljnsjib, naar het schijnt, nog hoogepriester.—
Sanballat, den Horoniet. Zie op 11:10.
20. hunner. Hieruit volgt dat ook anderen dan Jojada\'s zoon het priesterschap oneer aandeden; wat
niet alleen op huwelijken met vreemde vrouwen behoeft te doelen; verg. Mal. 11:1—0. Wellicht heeft
Nehcmja ook verhaald van maatregelen die hij tegen hen genomen heeft, maar is dit door den Kro-
niekschrijvcr weggelaten. — Gods (duidclijkhcidshnlve in pi. v. het) verbond met de priesterschap. Zie
Mal. 11:4—7. — De laatste woorden en met de Levieten hangen zeer los achteraan; wellicht zijn
zij van den Kroniekschrijver, die hier, zooals dikwerf elders, de Levieten in het verhaal brengt.
30.   hen, de priesters. — stelde — vast, wees aan elk geslacht het werk in het heiligdom aan,
regelde de orde van den dienst enz.
31.   Verg. X:84v. — Gedenk-goede. Zie op V:19.
ESTER.
INLEIDING.
Dit boek heet naar Ester, de Joodsche gemalin van koning Ahosweros, door wier tusschenkomst
haar volk aan een groot gevaar ontkomen is. Haman toch, de grootvizier, verbitterd omdat de Jood
Mordochai zich niet voor hem wilde buigen, had allen Joden den dood gezworen en den koning
-ocr page 1005-
1085
INLEIDING OP K8TBR.
overgehaald tot het besluit hen op den 13dcn der maand Adar, een dag door het lot bepaald, te doen
ombrengen. .Maar, toen dit vonnis was afgekondigd, wist Mordochai, die de oom van Ester nas, haar
te bewegen den koning om genade te smecken. Zij slaagde: Haman werd gehangen; den Joden is vcr-
gunniug gegeven zich te verdedigen en zich twee dagen lang te wreken op hunne vijanden; Mordochai,
die kort te voren om een vroeger den koning bewezen dienst bij hem in cerc gekomen was, werd groot-
vizier in Hamans plaats. Tot gedachtenis aan deze uitredding is een jaarlijksch feest op den 1 Wen en
15den der maand Adar ingesteld, hetwelk purim genoemd werd, naar pur, ,het lot\', omdat de dag
der slachting door het lot bepaald was.
Dat dit verhaal niet geloofwaardig is springt in het oog. Is het reeds vreemd dat een feest ge-
iiocmd zou zijn naar cene onbeduidende bijomstandigheid, nog vreemder is het dat zulk een verbitterd
vijand der Joden als Haman door het lot zou bepaald hebben, in welke maand zij zouden omgebracht
worden, en te eenen male ongeloofelijk is het, dat, indien al eeuig koning er toe kon komen, den
vrede van zijn ganschc rijk in gevaar te brengen door zulk een verschrikkelijk en dolzinnig besluit,
hij den dag van dien beraamden algemecnen Jodenmoord elf maanden vooraf (III: T) zou bekend
maken. Kon hij denken dat de aldus gewaarschuwde duizenden zich als lammeren zouden laten
slachten en zich niet voorbereiden op tegenweer? Is dit ondenkbaar, dan valt hiermede de bctrouw-
bnarheid van het gansche verhaul, omdat dit de spil is wanrom het draait. Wij hebbeu het dus van
het begin tot het eind voor eenc verdichting te houden.
Waar de schrijver woonde, in Perzic of een aangrenzend land, dan wel in Palestina, weten wij
niet; maar hij leefde gcruimen tijd na den val van het Perzische rijk, daar hij zijne lezers op niet
betrouwbare wijze inlicht omtrent bijzonderheden van het Perzische hof; zie op 1:1, 13; 11:3;
IV : 11 en VIII: si. Waarschijnlijk schreef hij zijn bock in het laatst der tweede eeuw.
Wat hij er mede beoogde, is duidelijk: hij wilde den oorsprong van het purimfeest verklaren en
de viering er van op 14 en 15 Adar aanbevelen. Het feest bestond blijkbaar in zijn tijd reeds onder
de Joden (zie op IX: 19), maar waarschijnlijk werd het noch algemeen, noch door allen op dcnzelfden
tijd gevierd. Hij wilde hierin eenheid brengen en tevens aan de dagen eeuc nationale beteekenisgeven;
zoonis voor hem meer dan éeu Israëliet met andere feesten gedaan bad; zie inl. op l.ev. XXIII.
Welke de oorsprong van purim is, of het een oud-Isruclictisch focst dan wel in luier eeuw van
vreemden overgenomen wns, weten wij niet. Waarschijnlijk is het aan een Babylonisch nieuwjaarsfeest
ontleend, waarop men zich voorstelde, hoe de god Marduk — in het Hebrceuwsch Merodnch (zie op
Jer. L:2) — door het lot bepaalde, wat aan koning en volk in het ingetreden jaar wedervaren zou.
Over den naam purim zie op III: 7. Wat den inhoud van het verhaal betreft, de schrijver ontleende
dien zeker gedeeltelijk nnn het reeds bestaande feest, voor een ander deel wellicht aan een paar volks-
vertellingcn. In de hoofdfiguren schuilt hier en daar iets zinnebeeldig»; het zal toch wel niet toe-
vallig zijn dat Mordochai ecu licnjamiuict heet en onder zijne voorvaderen een Sjimci cu een Kis
voorkomen (11:5); welke namen door een afstammeling en door den vader van Saul gedragen zijn (2 Sam.
XVI: 5 enz.; 1 Sam. IX : 1 enz.); terwijl ziju vijand Haman een nakomeling van Agag, Sauls vijand
(1 Sam. XV), heet (111:1, 10; IX: 24).
l)e schrijver kweekt door zijn bock onder zijne gcloofsgeuooten grooten volkstrots aan en bitteren
haat togen de heidenen i het doolloos vermoorden van duizenden onschuldige Perzen wordt met inge-
nomenheid verteld. Merkwaardig is het dat geen godsnaam in het bock voorkomt. Wel openbaart
zich iu de omstandigheden waaraan de Joden hunne redding te daukeu hebben cene macht die het
Jodendom begunstigt (IV: 14); maar dat daarin de vinger van Jahwe zou te zien zijn zegt de schrijver
evenmin als hij er zijn god voor dankt.
Het boek is — kleine eer voor het Jodendom I — zeer geliefd geworden bij do Joden: het is niet
slechts in den kanon opgenomen en in het Grieksch vertaald, maar in die vertolking met vele toe-
voegsels voorzien, die merkwaardig zijn, omdat zij ons toonen hoe de vertolkers zich aan sommigo
declen van het boek stieten en wat zij uitvoeriger cu kleuriger wenschten (zie op 1:1; 11:0; 111:4,
14; IV: 17; V: 1 v. en VIII: 12). Ook is een uittreksel van het boek gemaakt en onder de Grieksch
sprekende Joden verbreid; in het Arameesch bestaan er niet minder dan drie bewerkingen van. De
-ocr page 1006-
K8TBR I: 1 — 1Ü.
1086
schriftgeleerden hebben verordend dat het _op eiken eersten dag van purim, „den Mordochai-dag", in
de synagogen moest worden voorgelezen, en luidruchtige toejuichingen bij den naam van Mordochai
en verwenschingen bij dien van Hnman hebben eeuwen lang getoond, hoezeer het in den smaak der
gemeenten viel.
HOOFDSTUK I.
Koningin Winti afgezet. — Koning Ahasweros richt in Sjusjan een grooten maaltijd aan voor zijne
vorsten (1—l) en een voor al wie zich in Sjusjan bevindt (5—8). Desgelijks doet de koningin voor
de vrouwen (9). Op den laatsten dag ontbiedt koning Ahaswero9 koningin Wasti, om hare schoonheid
aan zijne gasten te toonen (10 v.); maar zij weigert te komen (12a). De koning, hierover vergramd
(124), vraagt den raad zijner vorsten (13—15); dezen zeggen te vreezen dat het voorbeeld der ko-
ningin alle vrouwen in het rijk tot ongehoorzaamheid aan hare mannen zal verleiden (16—18); daarom
moet Wasti voor eene andere plaats maken (19 v.). De koning vindt dit goed en vaardigt een bevel
uit dat ieder man heer in zijn huis moet zijn (21 v.).
1:1           Ten tijde van Ahasweros — dit is de Ahasweros die regeerde van
2       Indië tot Ethiopië, honderd zeven en twintig provinciën — \' in dien
tijd, toen koning Ahasweros op zijn koninklijken troon in den burg
3       Sjusjan zat,\' in het derde jaar zijner regeering, richtte hij een maaltijd
aan voor al zijne vorsten en dienaren; het heir der Perzen en Meden,
4       de edelen en vorsten der provinciën stonden vóór hem,\' terwijl hij den
rijkdom zijner koninklijke heerlijkheid en de luistervolle pracht zijner
grootheid ten toon spreidde, vele dagen achtereen, honderd tachtig
5       dagen.\' En na afloop dier dagen richtte de koning voor al het volk
dat zich in den burg Sjusjan bevond, van den aanzienlijkste tot den
geringste, in den hol\' van den tuin van het koninklijk paleis een
fi maaltijd van zeven dagen aan.\' Witte, bonte en violetkleurige stoffen,
vastgemaakt met linnen en purperen koorden aan zilveren bogen en
marmeren zuilen! gouden en zilveren rustbedden op den mozaïekvloer
7       van malachiet en marmer, van parelmoer en zwarten steen!\' drank
gereikt in gouden bekers, de een verschillend van den ander, en
8       koningswijn in overvloed, naar \'s konings rijkdom!\' Het drinken ging
naar het voorschrift: niemand drong; want zóo had de koning al zijne
hooge hofbeambten gelast: dat men naar ieders believen moest handelen.
9           Ook de koningin Wasti had in het paleis van koning Ahasweros
10 een vrouwenmaaltijd aangericht.\' Op den zevenden dag nu, toen de
koning vroolijk was van den wijn, beval hij Mehuman, Bizzeta, Har-
1.   Aan dit vers gaat in Gr. vert. een stuk vooraf, waarin verhaald wordt hoe Mordochai een van
God beschikten droom had, waarin het aanstaand gevaar en de redding daaruit hem werden mede-
gedeeld. — Ahasweros, Xcrxcs I (480—465), zoon van Darius Hystaspis; hij komt behalve in dit boek
Ézrn IV: 6; Dan. IX: 1 voor. — honderd —provinciën, Hoe de schrijver aan dit cijfer komt, weten
wij niet. Volg. Dan. VI: 2 had „Darius de Meder" honderd twintig landvoogden aangesteld. Wellicht
is er verband tusschen die twee opgaven. Die van oudere, Grieksche, schrijvers over de indeeling van
het Perzische rijk loopcn uiteen: sommige noemen twintig, andere negen en twintig \'provinciën
(satrapicen); maar deze waren uit den aard der zaak weder verdeeld in districten, die aan onderland-
voogden toevertrouwd waren.
2.  den burg Sjusjan. Zie op Neb. 1:1.
3.  het heir der Perzen en Meden. Of de grootspraak lievende schrijver zich hiervan eene duidelijke
voorstelling heeft gevormd, is te betwijfelen. Zeker is het, dat de uitdrukking „Perzen en Meden" of
„Meden en Perzen", die nog vs. 14, 18, 19; X:2; Dan. V:28; VI:9, 13; VIII: 20 voorkomt, het
bestaan van zulk een verecnigd koninkrijk onderstelt; wat onjuist is; zie inl. op Dan. II.
8.  naar hei voorichri/l, naar de koninklijke verordening op de feestviering aan het hof. — niemand
drong.
Dit schijnt er op te wijzen dat men elders wel tot drinken gedwongen werd, en dus dit feest
en alle koninklijke feesten zich onderscheidden door matigheid. Met de rest der beschrijving strookt
dit echter niet. Eer is de bedoeling: elders dronk men alleen op bevel of vergunning van den ccrc-
monicmccstcr, aan het hof deed elk het naar believen.
9.   De voorstelling schijnt te zijn, dat de koning alleen de manlijke bevolking van Sjusjan ont-
haaldc, de koningin de vrouwlijke.
-ocr page 1007-
bstbu 1: 10—22.
1087
bona, Bigta, Abagta, Zethar en Karkas, de zeven kamerlingen die voor
11       koning Ahasweros dienst deden,\' koningin Wasti met de koninklijke
kroon vóór den koning te brengen, om hare schoonheid aan de volken
12       en vorsten te toonen; want zij was schoon van uiterlijk. \' Maar koningin
Wasti weigerde op het bevel des konings, hetwelk de kamerlingen
haar overbrachten, te komen. Toen werd de koning zeer vergramd, en
13       zijn toorn ontbrandde in hem.\' En de koning zeide tot de wijzen, de
kenners der tijden — want in zulke gevallen pleegt de koning zich
14       te beraden met al de kenners van wet en recht; \' die hem liet naast
stonden waren Karsjena, Sjethar, Admatha, Tarsjis, Meres, Marsena,
Memuchan, de zeven vorsten der Perzen en Meden, die het aangezicht
15       des konings zagen, de eereplaatsen bekleedden in het rijk — \' Wat vol-
gens het recht te doen met koningin Wasti, omdat zij aan het bevel
van koning Ahasweros, hetwelk de kamerlingen haar hebben overge-
10 bracht, niet gehoorzaamd heeft?\' Hierop zeiden Memuchan en de vor-
sten tot den koning: Niet tegen den koning alleen heeft koningin
Wasti zich misdragen, maar tegen al de vorsten en al de volken, in
17       alle provinciën van koning Ahasweros; \' want het geval van de koningin
zal bekend worden aan alle vrouwen, en maken dat zij hare mannen
zullen minachten, wanneer men verhaalt: Koning Ahasweros beval de
18       koningin Wasti vóór hem te brengen, en zij is niet gekomen.\' Dien-
zelfden dag nog zullen de vorstinnen der Perzen en Meden, als zij het
geval van de koningin hooren, het vertellen aan alle vorsten des
konings; en dan geen gebrek aan minachting en gramstorigheid!\'
19       Indien het den koning goeddunkt, worde door hem een koninklijk
bevel uitgevaardigd en opgeschreven in de wetten van 1\'erzen en
Meden, onherroepelijk: Dat Wasti niet meer voor koning Ahasweros
kome! En hare koninklijke waardigheid geve de koning aan eene andere,
20       die beter is dan zij.\' Wanneer dan deze verordening des konings, die
hij uitvaardigen zal, in zijn geheele koninkrijk — want dat is groot! —
vernomen wordt, dan zullen alle vrouwen eere geven aan hare man-
21       nen, van den aanzienlijksten tot den geringsten.\' Dit dacht den koning
en den vorsten goed, en de koning deed naar den raad van Memu-
22       chan\' en zond brieven naar alle provinciën des konings, naar elke
provincie in haar eigen schrift en naar elk volk in zijne eigen taal, dat
ieder man heer in zijn huis zou zijn en bevelen kon wat hem behaagde.
11. om — toonen, zoonis hij, v». 4, zijn anderen rijkdom ten toon gespreid had.
13.  de kennen der tijden, de sterrenwichelaars, onder wie hier ook de aanzienlijken en raadslieden
des konings begrepen zijn, die er inderdaad niet toe behoorden.
14.  Over de zeven raadslieden des konings zie op Kzra VII: 14.
17. mannen, of heeren.
19. Ook VIII: 8; Dan. VI: 9, 13 wordt cene wet van Perzen en Meden onherroepelijk genoemd,
gelijk menig koning zijne wetten voor onherroepelijk en den vrede dien hij sloot voor ecuwig verklaarde.
De uitkomst spot vaak met dia grootsprank.
22. bevelen — behaagde, naar verb. t.; Hebr. t. on tpreken sou naar de taal van zijn volk..
HOOFDSTUK II: 1—18.
Ester wordt koningin. — Op den raad zijner dienaren, beveelt de koning schoone meisjes te verzamelen,
om uit haar eene plaatsvcrvangstcr voor Wasti te kiezen (1—t). De Jood Mordochai, een afstammeling van
de met Jcchonja weggevoerden (5 v.), heeft eene aangenomen dochter, Kstcr, die ook naar het vrouwen-
timmer des konings gevoerd wordt (7 v.); zij verkrijgt de gunst van den bewaker der verzamelde meisjes
(\'J v.); haar afkomst deelt zij niet mede, en Mordochai houdt de betrekking met haar aan (11). Naeenjaar
van voorbereiding, worden de meisjes beurtelings tot den koning gebracht (12—14); als de beurt aan
Ester komt, voegt zij zich in haar opschik naar den raad van den bewaker (15). De koning maakt
haar tot kouiugin en laat zijue vereeniging met haar door het gantche land vieren (10—18).
-ocr page 1008-
1088                                          bstkii II: 1—11.
II: 1         Nadezen, toen de gramschap van koning Ahasweros bedaard was,
dacht hij weder aan Wasti, aan hetgeen zij gedaan had en aan hetgeen
2       over haar besloten was.\' Toen zeiden de jongelingen des konings, die
hem bedienden: Men zoeke voor den koning jonge maagden, schoon
3       van uiterlijk;\' de koning stelle beambten aan in alle provinciën van
zijn rijk, die alle jonge maagden, schoon van uiterlijk, verzamelen moeten
en naar den burg Sjusjan brengen, in liet vrouwentimmer, onder de hoede
van Hegai, den kamerling des konings, den bewaker der vrouwen, en
4       men geve haar de schoonheidsraiddelen die zij behoeven.\' En het
meisje dat den koning behaagt zal koningin worden in plaats van
AVasti. Dit dacht den koning goed, en hij deed alzoo.
5           Nu was in den burg Sjusjan een Jood, Mordochai geheeten, de zoon
van Jair, den zoon van Sjimeï, den zoon van Kis, een Benjaminiet,\'
6       die weggevoerd was uit Jeruzalem onder de ballingen die met Jechonja,
den koning van Juda, door Nebukadnesar, den koning van Babel, weg-
7       gevoerd waren.\' Hij was voogd over Hadassa, dat is Ester, de dochter
van zijn oom; want zij had vader noch moeder; en het meisje was
fraai van gedaante en schoon van uiterlijk. Mordochai had haar bij den
8       dood van haar vader en hare moeder als dochter aangenomen.\' Toen
nu het bevel des konings en zijne verordening afgekondigd werd en
vele meisjes verzameld en naar den burg Sjusjan gebracht werden,
onder de hoede van Hegai, werd ook Ester medegenomen naar het
paleis en onder de hoede van Hegai, den bewaker der vrouwen, ge-
9       steld.\' Daar het meisje hem behaagde en zij gunst bij hem vond,
maakte hij spoed met haar hare schoonheidsmiddelen en hare spijzen
en dranken te geven en de zeven hiervoor geschiktste meisjes uit het
paleis bij haar te plaatsen; waarop hij haar met hare meisjes deed
10       verhuizen naar de beste vertrekken van het vrouwentimmer.\' Ester
nu had niet gezegd, van welk volk en van welke afkomst zij was;
11       want Mordochai had haar verboden dit mede te deelen.\' En Mordochai
wandelde dagelijks langs den hof van het vrouwentimmer, om te ver-
nemen naar den welstand van Ester, en hoe het haar ging.
2 v. Naar de afkomst dier meisjes wordt niet gevraagd. Maar, al mocht de koning in zijn
vrouwentimmer opnemen wie bij wilde, zijne koningin mocht hij alleen uit cene der zeven hoogste
familiën kiezen.
8.   Hegai. Zoo vs. 8, 15; hier staat llege. — schoonheidsmiddelen. Waarschijnlijk worden baden,
zalvcu, reukwerken en andere vcrsicringsmiddelen bedoeld.
5.   een Jood. Dit woord is hier in de half godsdienstige half nationale beteckenis gebruikt die het
na Kzrn gekregen heeft, niet om Mordochai\'s afkomst uit Juda aan te duiden: hij was uit
Benjamin. — Mordochai. Deze nnam is ufgcleid van dien van den Rnbylonischen god Marduk of
Mcrodach en wordt ook Kzra 11:2; Neh. Vil: 7 door een Jood gedragen. — Over den stamboom
van Mordochai zie iul. op het hoek.
6.  die, Kis. Immers, indien Mordochai weggevoerd was met Jechonja, d. i. in 507, kon hij niet onder
Xerxes I (zie op 1:1) geleefd hebben. Dus wordt zijn grootvader bedoeld; tenzij de schrijver met de
tijdrekening in de war was. — Jechonja, of Jqjachin. Zie op 2 Kon. XXIV: 6.
9.  hare\' spijzen en dranken, letterlijk hare porlién. Ook Dan. 1: 3—10 wordt verhaald dat zij die
voor den dienst des konings opgeleid werden vorstelijk werden gevoed, opdnt zij er goed zouden uitzien.
De gcmocdsbczwnrcn vuu Daniël en zijne vrienden tegen de onreine spijs deelde Ester niet; trouwens,
er is geen spoor van, dnt zij het ongeoorloofd vond zich onder de vrouwen en bijzitten van den
heidenschen vorst te laten opnemen. Dit heeft blijkbaar sommige lezers bevreemd; vandaar dat Ester
in het gebed dat zij volgens het toevoegsel in Gr. vert. uitspreekt betuigt afkeer te hebben vau den
luister waarin zij leeft en de huwelijksgemeenschap met deu heiden. — de teven — polei», als stnat-
siedames: zoo werd zij door hem bij voorbaat als vorstin behandeld.
10.  Waarom zij dit niet mocht doen, wordt niet verklaard. Maar de inklceding van het verhaal
eischt dat Kstcrs afkomst lang onbekend blijft.
11.  De schrijver wil Mordochai de betrekking met zijne nicht laten onderhouden, die hem later
moet te stade komen, en vergeet, hoc uiterst moeilijk het voor een man was inlichting uit het
vrouwenpaleis des konings te verkrijgen: wie daar dagelijks voorbijliep en steeds naar dezelfde vrouw
vroeg was een kind des doods en deed dit onmogelijk een jaar achtereen.
-ocr page 1009-
10S9
BSTBR II : 12—20.
12          Telkens als de beurt van een meisje kwam om bij koning Ahasweros
gebracht te worden, nadat zij twaalf maanden lang behandeld was naar
de verordening op de vrouwen — want zoolang duurden voor haar
de dagen der voorbereiding: zes maanden werden zij behandeld met
mirreolie en zes met balsems en allerlei sclioonheidsmiddelen der
13      vrouwen —\' werd zóo het meisje naar den koning gebracht, dan
werd haar al wat zij verlangde uit het vrouwentimmer medegegeven
14      naar het verblijf des konings.\' Was zij des avonds naar binnen gegaan
en des morgens teruggekeerd naar een tweede vrouwentimmer, onder
de hoede van Sjaüsgaz, den kamerling des konings, die de bijvrouwen
bewaakte, dan kwam zij niet meer bij den koning, tenzij de koning
15      lust in haar had en zij met name geroepen werd.\' Toen nu Ester, de
dochter van Abihail, den oom van Mordochai, die haar als dochter
aangenomen had, aan de beurt kwam om naar den koning gebracht
te worden, vroeg zij niets dan wat Hegai, de kamerling des konings
die de vrouwen bewaakte, haar aanbeval. Zoo viel Ester in den smaak
van allen die haar zagen.
16          In de tiende maand, dat is de maand Tebeth, van het zevende jaar
der regeering van koning Ahasweros, werd Ester tot hem in het
17      koninklijk verblijf gevoerd.\' En de koning kreeg Ester meer lief dan
alle andere vrouwen: zij beviel en bekoorde hem meer dan alle andere
maagden; daarom plaatste hij de koninklijke kroon op haar hoofd en
18      maakte haar koningin in plaats van Wasti.\' Toen richtte de koning
een grooten maaltijd aan voor al zijne vorsten en dienaren, het Ester-
maal, verordende een vrijen dag voor de provinciën en deelde geschen-
ken uit met koninklijke mildheid.
12.   der voorbereiding, letterlijk harer verfraaiing. — werden zij behandeld, duidelijkhcidshalvc
ingevoegd.
13.  at mat zij verlangde, al wat zij meende dat dienstig was om den koning te behagen, opschik,
gevolg, wat ook.
14.  een tweede vrouwentimmer, cene andere afdceling van den harem, die waarin do bijvrouwen bc-
waard werden.
15.  Proeve van bescheidenheid en verstandig overleg.
16.   Tebeth. \'Ixt. op Exod. XII: 2.
18.  Luisterrijke viering der bruiloft door het geheele rijk. De vertaling een vrijen dag is onzeker.
HOOFDSTUK II: 19—III: 15.
Alle Joden tullen vermoord worden. — Mordochai ontdekt cene samenzwering tegen den koning
en maakt die door Ester aan den vorst bekend (II: 19—23). Door \'s konings gunst wordt Haman
machtiger dan alle rijksvorsten, en ieder buigt voor hom, uitgenomen Mordochai (III: 1—4); waarom
Haman besluit, om met hem op een dag alle Joden te doen doeden (5 v.); door het lot wordt de
dertiende der maand Adar hiertoe vastgesteld (7). Haman zegt den koning dat in zijn rijk een vreemd
volk leeft, hetwelk hij doe ombrengen; waartoe deze onmiddellijk besluit (8—11). Het koninklijk
bevel den dertienden Adar eerstvolgende alle Joden om het leven te brengen wordt in geschrift ge-
bracht en naar alle deelcn des rijks door ijlboden verzonden (12—14); als het ook in Sjusjan wordt
afgekondigd, is de stad hierover ontroerd, terwijl de koning en Haman gaan zitten drinken (15).
II: 19 Toen nu ten tweeden male maagden verzameld werden, terwijl Mor-
20 dochai in de poort des konings zat —\' Ester had, zooals Mordochai
haar bevolen had, niet gezegd van welke afkomst en van welk volk zij
was; Ester gehoorzaamde Mordochai zooals toen zij onder voogdij bij
19.  Dat Mordochai in de poort des konings zat beteekent niet dat hij er eene vaste bediening
had, iiianr alleen dat hij zich daar gowoonlijk ophield. Hot bericht moet dienen om begrijpelijk te
maken, hoe hij de samenzwering tegen den koning kon ontdekken en daarvan Ester in kennis stellen.
20.   Daar men niet wist dat Mordochai Ester\'a aanverwant was, namen de samenzweerders zich
niet voor hem in acht.
O. T. I.
M
-ocr page 1010-
1090
bsteïi II: 20-111: 9.
21       hem was —\' in die dagen, terwijl Mordochai in de poort des konings
zat, werden Bigtan en Teres, twee kamerlingen des konings, uit de
dorpelwachters, gramstorig en trachtten de hand aan koning Ahasweros
22       te slaan.\' Maar Mordochai kwam dit te weten en deelde liet aan
koningin Ester mede, en Ester zeide het uit naam van Mordochai aan
23       den koning.\' Toen de zaak onderzocht en waar hevonden was, werden
die twee aan een paal opgehangen en werd het opgeschreven in het
hoek der kronieken, dat vóór den koning lag.
III: 1 Daarna maakte koning Ahasweros Haman, den zoon van Bamme-
datlia, den Agagiet, aanzienlijk en machtig; hij plaatste zijn zetel hooger
2       dan dien der overige grooten die bij hem waren.\' En alle dienaren
des konings die in de poort des konings zich ophielden bogen voor
Haman en wierpen zich voor hem neder; want zoo had de koning
aangaande hem gelast; maar Mordochai hoog niet en wierp zich niet
3       neder.\' Toen zeiden de dienaren des konings die in des konings poort
zich ophielden tot Mordochai: Waarom overtreedt gij des konings
4       bevel?\' En als zij dit dag aan dag tot hem zeiden en hij niet naar
hen hoorde, deelden zij het aan Haman mede, om te zien of de woorden
van Mordochai van kracht zouden zijn; want hij had hun medegedeeld
5       dat li ij een Jood was.\' Toen nu Haman zag dat Mordochai niet voor
0 hem boog of zich nederwierp, werd hij vervuld van gramschap.\' Maar
het was hem te min de hand aan Mordochai alleen te slaan; daar
men hem nu had medegedeeld tot welk volk Mordochai behoorde,
zocht Haman naar een middel om alle Joden in het gansche koninkrijk
7       van Ahasweros, de volksgenooten van Mordochai, om te brengen.\' In
de eerste maand, dat is de maand Nizan, van het twaalfde jaar van
koning Ahasweros wierpen zij het pur, dat is het lot, vóór Haman,
voor eiken dag, voor elke maand, om op éenen dag het geslacht van
Mordochai uit te roeien; het lot viel op den dertienden dag der twaalfde
maand, dat is de maand Adar.
8           Toen zeide Haman tot koning Ahasweros: Er is een volk, in al de
provinciën van uw koninkrijk verstrooid en verspreid onder de andere;
het heeft wetten welke van die van alle andere volken verschillen, en
des konings wetten gehoorzaamt liet niet. Het betaamt niet dat de
9       koning liet ongemoeid laat.\' Indien het den koning goeddunkt, dan
worde een schriftelijk bevel uitgevaardigd om het uit te roeien, en
23. eeti paal, waarschijnlijk ccn kruis. — werd — lag, en verder vergeten, Het bericht dient om
II. VI voor to bereiden.
1.  den Agagiet. Zie inl. op het bock.
2.   Mordochai — neder. Uit vs. 1 kunnen wij opmaken dnt zijn onwil om voor Haman te buigen san
fierheid op zijne afkomst was toe te schrijven: een Jood buigt niet voor ccn gunsteling des konings!
i. om — was. Dit kan niet anders bctcckciicn dnn dnt hij gezegd had dat een Jood niet\' mocht
buigen voor cenig mensrh. In het gebed dat na IV: 17 in Gr. vert. staat zegt Mordochai, dat hij
niet uit hoogmoed geweigerd had Haman te ceren, maar omdat hij alleen voor God wilde buigen.
7. Nizan. Zie op Exod. XII: 2. — wierpen zij, volg. verb. t. j Hebr. t. wierp hij. — het pur, dat it het lot.
Er is geen taal bekend waarin pur ,lot\' beteekent. Hoc de schrijver aan die verklaring komt, is niet
zeker. Waarschijnlijk wn« het de benaming van het feest, cene verbastering van het Babylonische woord
puhr(u), dnt do goden vergadering aand
5
uidde waarin onder voorzitterschap van Marduk het lotdermen-
schen in het ingetreden jnar bepaald werd (zie inl. op het bock). Het was dus niet willekeurig met
dien naam het begrip van ,hct lot\' to verbinden. — voor eiken — maand, d. w. z. voor eiken dag
stelden zij de Vraag: zullen wij dezen voor den Jodcnmoord bepalen? Telkens luiddo het antwoord
ontkennend, totdat liet eindelijk op den dertienden Adnr bevestigend uitviel. Hot was alsof zij gownnr-
schuwd werden het plan niet te volvoeren. — om — dertiende» dag, ingevoogd volg. fir. vert., die
echter den veertienden dag heeft; manr volg. vs. 13; IX : 1 enz. moet de dertiende genoemd zijn geweest.
— Adar. \'//ie op Exod. XII: 2.
0. tien duizend talenten zilver, 51 milliocu gulden! Dit was niet de opbrengst der verbeurd verklaarde
goederen; want ieder zou de Joden mogen uitplundcrcu (vs. 13); maar Haman bood uit eigen mid-
deleu die som aau de uitvoerders van \'s konings last aan, om dezen over te halen zijn wcnseli te ver-
vullen ; verg. IV : 7.
-ocr page 1011-
BSTEii III: 9—IV : 4.
1091
tien (luizend talenten zilver weeg ik af aan hen die niet het werk
10       belast zijn, om het in de schatkist des konings te storten.\' Hierop
deed de koning zijn zegelring van zijne hand en gaf dien aan Haman,
11       den zoon van Hannnedatha, den Agagiet, den Jodenvervolger,\' en de
koning zeide tot Haman: Dat zilver is u geschonken; ook het volk,
om er mede te doen wat u goeddunkt.
12           Nu werden, op den dertienden dag der eerste maand, de schrijvers
des konings ontboden, en men schreef al wat Haman beval aan de
stadhouders des konings en aan de landvoogden die elk over eene
provincie, en aan de vorsten die elk over een volk gesteld waren,
naar elke provincie in haar eigen schrift, naar elk volk in zijne eigen
taal; liet werd in naam van koning Ahasweros geschreven en met
13       \'s konings zegelring verzegeld.\' Zoo werden met ijlboden brieven ge-
zonden naar alle provinciën des konings, dat men zou verdelgen, dooden
en ombrengen alle Joden, van den jongsten tot den oudsten, kinderen
en vrouwen, op éen en denzelfden dag, op den dertieiiden der twaalfde
maand, dat is de maand Adar, en dat men hunne have zou plunderen.\'
14       Het afschrift hield in, dat in elke provincie eene verordening zou uit-
gevaardigd worden, openbaar aan alle volken, op dien dag gereed te
15       zijn.\' De ijlboden gingen uit, gedreven door des konings woord, en de
verordening werd in den burg Sjusjan uitgevaardigd. De koning en
Haman gingen zitten drinken, terwijl de stad Sjusjan in beroering was.
12.  op — maand, onmiddellijk na de ontvangen goedkeuring des konings.
13.  Hicrnn volgt in Gr. vert. het koninklijk bevelschrift zeil\'.
14.  op — zijn. Zij hadden al den tijd zich voor te bereiden tot de slachting; want, daar de konink-
lijkc ]iostdiciist in l\'erzie sedert Darins Hystnspis /.eer goed was, kon het koninklijk bevel tien maan-
den vóór 13 Adar in de uiterste hoeken van het rijk aangekomen zijn.
HOOFDSTUK IV.
Ester overgehaald om voor hnar volk on te komen. — Mordochai vertoont zich in rouwgewaad voor
het paleis (1—3) en deelt aan een bode der koningin die hem de reden komt vragen \'s konings lie
volschrift mede, met verzoek aan Ester, naar den koning te gaan en genade voor hunr volk te smce-
ken (4—8). Ester laat Mordochai wijzen op het groot gevaar dut zij loopt door ongerocpen bij den
koning te komen, vooral daar zij sinds lang niet bij hem ontboden is (9—11); uiuar hij wijst haar
op het gevaar dat ook zij als Jodin loopt, cu dringt er op aan dat zij zal trachten hulp aan te
brengen (12—14); waarop Ester hem gelast alle Joden te Sjusjan drie dagen to doen vasten; ook
zij zal vasten en daarna tot den koning gaan (15 v.); Mordochai gehoorzaamt (17).
IV: 1 Toen Mordochai al wat geschied was vernam, verscheurde hij zijne
kleederen, hulde zich in rouwgewaad en asch, ging zijn huis uit, de
2 stad door, luid en bitter krijtende.\' Zoo kwam hij tot voor de poort
des konings; want in rouwgewaad mocht men de poort des konings
8 niet binnengaan.\' Insgelijks was in alle provinciën, waar ook het bevel
des konings en zijne verordening aankwam, groote rouw onder de Joden,
vasten, geween en misbaar; velen spreidden zak en asch als leger.\'
4 Toen nu de dienaressen en kamerlingen van Ester het haar kwamen
mededeelen, werd de koningin zeer angstig en zond zij gewaden om
Mordochai daarmede te kleeden en het rouwgewaad van hem weg te
1. hulde — usc/i, d. i. trok een rouwkleed nun en strooide asch op zijn hoofd.
3.  velen — leger, ten tceken van grooteu rouw; verg. Jez. LVIII: 5.
4.  het, nl. dat Mordochai zich in rouwgewaad voor hot paleis vertoonde. — werd — angstig, ver-
luocdcude dat een onheil was geschied. — Hier en in het geheclc verhaal komt de onhandigheid van
den verdichter aan het licht: hij vergeet geheel eu al dat \'s konings bevel eene openbare zaak was,
allerminst in het paleis een geheim, en dat Ester, als ieder ander, licht kon begrijpen, waarom „de
Jood" Mordochai in rouwgewaad liep. — zond — nemen, opdat hij in de poort kon komen eu haar
de oorzaak van zijn rouw mededeelen.
-ocr page 1012-
B8TKK IV : 4— 17.
ïooa
5       nemen; maar hij nam ze niet aan.\' Hierop riep Ester Hathacli, een
van \'s konings kamerlingen, dien bij haar ten dienste gesteld had, en
gaf hem last ten aanzien van Mordochai, om te vernemen, wat dat
6       beteekende en waarom dat geschiedde.\' Hathacli dan ging naar buiten
7       tot Mordochai op het stadsplein voor de poort des konings,\' en Mor-
dochai deelde hem al wat hem overkomen was mede en bet bedrag van
het geld dat Haraan beloofd had voor des konings schatkist te zullen
afwegen, als prijs voor de vergunning de Joden om te brengen;\'
8       ook gaf hij hem een afschrift van het bevelschrift hen om te brengen
dat in Sjusjan uitgevaardigd was; opdat hij Ester zou inlichten, haar de
zaak verhalen en haar gelasten naar den koning te gaan, ten einde
hem genade te vragen en van hem gunst af te smeeken voor haar volk.
9           Hathacli ging naar binnen en deelde aan Ester mede wat Mordochai
10       gezegd had; \' waarop Ester aan Hathach opdroeg het navolgende aan
11       Mordochai te zeggen: \' Alle dienaren des konings en de bewoners van
\'s konings provinciën weten dat voor ieder, man of vrouw, die onge-
roepen tot den koning in het binnenhof komt dezelfde wet geldt: hen
te dooden; tenzij de koning hem den gouden schepter toereikt; dan
blijft hij in leven. Ik nu ben de laatste dertig dagen niet bij den
12       koning ontboden.\' Toen men aan Mordochai de woorden van Ester
13       overbracht,\' liet Mordochai haar antwoorden: Meen niet dat van alle
Joden gij alleen in het huis des konings het leven zult behouden.\'
14       Immers, indien gij nu zwijgt, zullen de Joden wel van elders verade-
ming en redding erlangen, maar zult gij en uws vaders huis omkomen.
En wie weet, of gij niet juist voor een tijd als deze tot de koninklijke
15       waardigheid gekomen zijt.\' Toen liet Ester aan Mordochai dit bescheid
16       geven: \' Ga, verzamel alle Joden die zich in Sjusjan bevinden en vast
om mijnentwil: eet en drinkt niets drie dagen lang, nacht en dag. Ik
zal eveneens met mijne dienaressen vasten. En alzoo zal ik tegen de
wet in bij den koning binnentreden; kom ik dan om, dan kom ik om.\'
17       En Mordochai ging heen en deed alles wat Ester hem gelast had.
8. voor haar volk. Do schrijver vergeet dat hij Ester haar afkomst voor ieder geheim heeft doen
houden.
11. De naaste bloedverwanten van koning Darius Hystaspis hadden het recht, niet slechts onge-
roepen, maar zei I\'s onaangediend, bij hem binnen te treden, al maakten zij hiervan zeker een be-
schciden gebruik; en uit den aard der zaak stond het onder dezen koning en zijne opvolgers ieder
vrij om een gehoor to verzoeken. Maar deze schrijver doet het voorkomen alsof zelfs de koningin
niet ongerocpen bij haar gemaal komen mocht; blijkbaar om do onderneming van Ester als zeer ge-
vaarlijk te teckenen.
13.   De schrijver zal wel bedoelen: dat gij gespaard zult worden omdat gij in het paleis woont.
14.   Immers — omkomen. Het Jodendom is onvernietigbaar; dus zullen wij, van waar dan ook, hulp
erlangen; maar wee den Jood of Jodin die niet voor zijn volk opkomt! Of God hem straffen zal, dan
wel de Joden zei ven wraak zullen nemen, laat do schrijver in het midden. — Eu — zijt. Misschien
heeft God met uwe verheffing tot koningin juist voorgehad, door u uw volk te reddeu.
16.  om mijnentwil, om zóo voor mij hulp van God te erlangen. — nacht en dag. Gewoonlijk duurde
een vastendag slechts van zonsopgang tot zonsondergang; maar de buitengewone omstandigheden
maakten zulk gestreng en langdurig vasten noodzakelijk. — alzoo, gewapend met de goddelijke hulp,
door dat vasten verkregen.
17.  Hierop volgen in Gr. vort. het gebed van Mordochai en dat van Ester. De laatste zegt o. a.
dat zij aan het hof geen oureinc spijzen gegeten heeft en eigenlijk nooit vroolijk geweest is; zie verder
op II: 9.
HOOFDSTUK V.
Haman op het toppunt zijner grootheid. — Ester gaat tot den koning, wordt genadig ontvangen
en vraagt hem met Haman ter maaltijd (1—5); op het eind daarvan verzoekt zij den koning, ook
den volgenden dag met Haman bij haar den maaltijd te gebruiken (6—8). Naar huis gaande, ergert
Hamau zich over Mordochai, die niet voor hem buigt (9); thuis gekomen, praalt hij voor zijne vrouw en
-ocr page 1013-
estkii V : 1—14.                                           1Ö93
zijne vrienden met nl zijn rijkdom en eer (10—12), maar klaagt, dat zoo lang Mordochai in de poort
des konings zit, hij er geen genot van heeft (13), en laat op raad van de zijnen eene galg voor Mordochai
oprichten (14).
V: 1          Den derden dag trok Ester een koninklijk gewaad aan en ging staan
in het binnenhof van het paleis, tegenover de koningszaal, terwijl de
koning in de koningszaal op zijn koninklijken troon zat, tegenover
2       den ingang der zaal.\' Zoodra hij nu de koningin in liet voorhof\' zag
staan, vond zij gunst in zijn oog, en de koning reikte den gouden
schepter dien hij in de hand had aan Ester toe; waarop Ester nader-
3       trad en de punt van den schepter aanraakte.\' De koning zeide tot
haar: Wat hebt gij, koningin Ester, en wat is iiw verlangen? Tot de
4       helft van mijn koninkrijk — het zal u ingewilligd worden. \' En Ester
zeide: Indien het den koning goeddunkt, kome de koning met Haman
5       heden aan den maaltijd dien ik hem bereid heb.\' De koning zeide:
Haalt terstond Haman, opdat geschiede naar het woord van Ester.
Zoo kwam de koning met Haman aan den maaltijd dien Ester bereid
6       had.\' Bij het drinkgelag zeide de koning tot Ester: Wat is uwe bede?
Zij zal ingewilligd worden. En wat is uw verlangen? Tot de helft mijns
7       koninkrijks — er zal naar gedaan worden.\' Ester antwoordde: Mijne
8       bede en mijn verlangen is:\' indien ik gunst in het oog des konings
gevonden heb, en het den koning goeddunkt mijne bede in te willigen
en naar mijn verlangen te doen, dan kome de koning met Haman
morgen weder aan den maaltijd dien ik bereiden zal; dan zal ik mor-
gen \'s konings vraag beantwoorden.
9           Dien dag ging Haman het paleis uit, vroolijk en goedsmoeds; maar
toen hij Mordochai zag, die in des konings poort niet opstond en niet
voor hem sidderde, werd Haman met gramschap tegen Mordochai ver-
10       vuld.\' Hij bedwong zich echter en ontbood, thuis gekomen, zijne
11       vrienden en zijne vrouw Zeres;\' hij weidde uit over de heerlijkheid
van zijn rijkdom, het aantal zijner zonen en al de grootheid die de
koning hem geschonken had, en hoe deze hem verheven had boven de
12       vorsten en de dienaren des konings.\' Voorts zeide Haman: Zelfs heeft
de koningin Ester nevens den koning niemand dan mij tot den maal-
tijd dien zij bereid heeft doen komen. Ook tegen morgen ben ik weder
13       door haar met den koning genoodigd.\' Maar dit alles baat mij niet,
14       zoolang ik den Jood Mordochai in \'s konings poort zie zitten.\' Toen
zeiden zijne vrouw Zeres en al zijne vrienden tot hem: Dat men een
paal make, vijftig el hoog, vraag morgen aan den koning dat men er
Mordochai aan hange, en ga dan vroolijk met den koning naar den
maaltijd! Dit stond Haman aan, en hij liet den paal oprichten.
1 v. Dit korte verhaal wordt in Gr. vert. breed uitgewerkt: prachtig uitgedost gaat zij, God oan-
rocpendc, naar den koning; als deze bij haar aanblik toornig wordt, valt zij in onmacht. Maar God
verandert de stemming des konings, zoodat hij haar met zoete woorden tot zich zelve brengt; waarna
zij zegt in zwijm te zijn gevallen bij het zien van zijn luister, en opnieuw llauwvalt.
I.  Oen derden dag. Was dus de driedaagsche vasten nog niet voorbijP — tegenover — zaal, zoodat
hij ook het binnenhof kon overzien.
8. Dit zou zeker eene zeer onverstandige handelwijze geweest zijn: het was zeer gevaarlijk den
koning ongeduldig te maken. Maar de schrijver laat het zoo geschieden om Haman zoo hoog mogelijk
te doen stijgen; opdat zijn val te dieper zou zijn. — morgen weder, duidclijkheidshalvc ingevoegd.
II.  liet aantal zijner zonen, tien, volg. IX :6—10.
14. een paal, waarschijnlijk wordt een kruishout bedoeld; maar ook voor andere martelingen, nis
spietsen, werd een paal opgericht. — vijftig el. Die onmatige hoogte past bij den toon van hot boek.
HOOFDSTUK VI.
Mordochai geëerd. — Den koning wordt in een slapcloozcn nacht uit de kronieken voorgelezen,
hoe Mordochai eens zijn leven gered heeft, en hij verneemt dat hem daarvoor gecuerlei belooning gc-
-ocr page 1014-
KSTKIl VI : 1 —14.
1094
geven is (1—8); hij vraagt aan llamau, die komt verzoeken Morilochai te doen ophangen, wat mcu
den mau zal doen dien de koning wil eeren; en Haman, wanende dat hij zelf bedoeld is, stelt voor,
dien man koninklijk uitgedost door een der rijksgrooteu in de straten der stad te doen rondleiden
(4—9); waarop de koning hem gelast zoo met Mordochai te doen (10). Mannin gehoorzaamt (11), en
als hij het gebeurde nan zijne vronw en zijne vrienden mededeelt, verklaren zij dit voor een boos
voortecken (12 v.); men hnalt hem af voor den maaltijd der koningin (14).
VI: 1        In dien nacht week de slaap van den koning en beval hij het gc-
schiedboek, de kronieken, te halen. Toen men hem daaruit voorlas,\'
2       vond men geschreven dat Mordochai aangifte had gedaan betreffende
Higtan en Teres, twee kamerlingen des konings, uit de dorpehvachters,
3       die getracht hadden de hand aan koning Ahasweros te slaan.\' En de
koning zeide: Welke eer en grootheid is hiervoor aan Mordochai ge-
schonken.\' Waarop de jongelingen des konings die hem bedienden
4       zeiden: Hem is niets geschonken.\' Nu zeide de koning: Wie is in het
voorhof.\' Haman nu was in het buitenhof van het paleis gekomen, om
den koning te vragen dat hij Mordochai aan den paal zou ophangen
5       dien hij opgericht had. \' De jongelingen des konings zeiden dus tot
hem: Haman staat in het voorhof. De koning hernam: Laat hem
0 binnenkomen. \' Toen Haman binnengekomen was, zeide de koning tot
hem: Wat zal men den man doen wien de koning eer wil bewijzen?
Haman dacht: Wien zou de koning meer eer willen bewijzen dan mij?\'
7       en zeide dus tot den koning: De man wien de koning eer wil bewijzen
8       — wel,\' men brenge een koninklijk gewaad, waarmede de koning
bekleed is geweest, en een paard waarop de koning gereden heeft en
9       op welks kop eene koninklijke kroon heeft gestaan, \' men stelle dat
gewaad en dat paard ter hand aan een der grooten des konings, der
edelen; deze moet den man dien de koning wil eeren met dat kleed
tooien, op dat paard in de straten der stad rondvoeren, en voor hem
10       uit roepen: Zoo doet men den man dien de koning wil eeren!\' De
koning antwoordde Haman: Haal ijlings het kleed en het paard, zooals
gij gezegd hebt, en doe zoo aan Mordochai, den Jood, die in de poort
des konings zit. Laat niets van hetgeen gij gesproken hebt achter-
11       wege.\' Dientengevolge haalde Haman het kleed en het paard, tooide
Mordochai, voerde hem in de straten der stad rond en riep voor hem
12       uit: Zoo «loet men den man dien de koning wil eeren! \' Daarna keerde
Mordochai naar des konings poort terug. En Haman spoedde zich naar
13       zijn huis, in rouw en het hoofd omhuld.\' Hij verhaalde al wat hem
wedervaren was aan zijne vrouw Zeres en al zijne vrienden; waarop
zijne wijzen en zijne vrouw Zeres tot hem zeiden: Indien die Mordochai,
voor wien gij nu aanvankelijk reeds gevallen zijt, uit het geslacht der
Joden is, zult gij niet tegen hem opgewassen zijn, maar zeker geheel
14       voor hem vallen.\' Zij spraken nog met hem, toen de kamerlingen des
konings Haman met spoed kwamen halen voor den maaltijd dien Ester
bereid had.
2. Zie II: 21 v. — In pi. v. Bit/tan staat in Hcbr. t. Bigtana.
9.  deze, volg. Gr. vert.; Hebr. t. men.
10.  den Jood. De koniug wist dus niet dat met het volk hetwelk hij ter uitroeiing veroordeeld had
de Joden bedoeld waren; verg. VII: 3 v.; ook wordt III: 8 hun naam niet genoemd.
13. Indien — il. Dat Mordochai ecu Jood was wisten zij zeer goed. De schrijver laat hen zoo
spreken, om te kennen te geven dat de reden waarom Mordochai onweerstaanbaar was juist lag ia
zijne Joodsehe afkomst: de Joden worden als onverwinlijk en onvergankelijk getcekend.
HOOFDSTUK VU.
Haman ten val. — Op den maaltijd vraagt de koning Ester, evenals den vorigen dag, naar hare
begeerte (1 v.); zij smeekt om haar leven en dat van haar volk (3 v.), en wijst op Haman als haar
-ocr page 1015-
BBTEii VII: 1—VIII: 2.
1095
belager (5 v.); de koning loont gramstorig den tuin in; Haman smeekt Ester vergeefs om zijn leven
(7): de koning doet hem ophangen aan den voor Mordochni opgcrichtcu paal (8—10).
VII: 1 De koning en Haman kwamen dan met koningin Ester maaltijd
2       houden.\' En ook op dezen tweeden dag zeide de koning bij liet drink-
gelag tot Ester: Welke bede hebt gij nu, koningin Ester? Zij zal inge-
• willigd worden. En wat is uw verlangen? Tot de helft mijns konink-
3       rijks — er zal naar gedaan worden.\' Toen antwoordde koningin Ester:
Indien ik gunst in uw oog, o koning, gevonden heb en het den koning
goeddunkt, dan worde mij op mijne bede mijn leven geschonken, en
4       op mijn verlangen dat van mijn volk; \' want wij zijn verkocht, ik en
mijn volk, om verdelgd, gedood en omgebracht te worden. Indien wij
nog tot slaven en slavinnen verkocht waren, zou ik gezwegen hebben;
want de verdrukking zou niet in aanmerking komen bij de schade des
5       konings.\' Toen zeide koning Ahasweros tot koningin Ester: Wie is de
man? en waar is hij wien zijn hart ingegeven heeft om zoo te han-
(i delen?\' En Ester zeide: Een vijandig en nijdig man, Haman, die
booswicht! En Haman kromp ineen voor het oog van den koning en
7       de koningin. \' Toen stond de koning gramstorig op van het drinkgelag
en ging den tuin van het paleis in, terwijl Haman achterbleef om van
koningin Ester levensbehoud af te smeeken; want hij zag dat van
8       \'s konings wege het onheil over hem besloten was.\' Toen de koning
uit den tuin van het paleis naar de zaal van het drinkgelag terug-
keerde en Haman op het rustbed waarop koningin Ester lag was neder-
gevallen, zeide de koning: Ook nog de koningin bij mij aan buis ge-
weid
aandoen! Nauwelijks was het woord over des konings lippen, of
9       men omwond Hamans gelaat.\' En Harbona, een der kamerlingen, zeide
tot den koning: Zie, de paal dien Haman heeft doen maken voor
Mordochai, die een heilzaam woord voor den koning gesproken heeft,
staat, vijftig el hoog, bij Hamans huis. Hangt hem er aan, zeide de
10 koning.\' Zoo hingen zij Haman aan den paal dien hij voor Mordochai
opgericht had, en \'s konings gramschap was gestild.
4.  want — konings. In pi. v. verdrukking heeft Hebr. t. verdrukker. De bedoeling schijnt to zijn:
de verdrukking die wij zouden te lijden hebben zou door den prijs dien wij als slaven zouden op-
brengen voor de kas des konings vergoed worden; maar worden wij gedood, dan heeft de koning dit
voordcel niet.
5.  ingegeven, letterlijk gevuld.
8.  Haman — ned/rgevallen, om genade af te smeeken. — men omwond Ilamant gelaal. Ook elders
komt eene dergelijke handeling als begin cener terechtstelling voor.
9.  die — heeft, door do samenzwering aan te geven. — bij, letterlijk in, d. i. op het erf van zijn huis.
HOOFDSTUK VIII.
De Joden mogen zich te weer stellen. — De koning overlaadt Ester en Mordochai inet rijkdom
en eer (1 v.). Ester smeekt den koning den bevolen Jodciimoord to herroepen (3—6), en deze geeft
haar en Mordochai vergunning in zijn naam eene andere wet uit te vaardigen; want ccuc eenmaal
uitgevaardigde kon niet herroepen worden (7 v.). Zij doen naar alle dcelcn des lnnds een bevelschrift
uitgaan, waarin de koning den Joden vergunning geeft zich op den voor den moord bestemden dag
tegen hunne vijanden te weren en hen uit te plunderen (9—14). Vreugde bij de Joden, zoowel to
Sjusjnn als elders; volo heidenen gaan uit vrees tot het Jodendom over (15—17).
VIII: 1 Te dien dage schonk koning Ahasweros aan koningin Ester het
huis van Haman, den Jodenvervolger, en Mordochai kwam in \'s konings
tegenwoordigheid; want Ester had medegedeeld, in welke betrekking
hij tot haar stond. \' De koning deed den zegelring dien hij van Haman
2
1. hei huis van Haman, al zijne bezittingen.
-ocr page 1016-
1096                                         KSTKR VIII: 2—14.
had doen wegnemen van zijn vinger en gaf dien aan Mordochai, en
Ester stelde Mordochai aan over het huis van Haman.
3           Daarna sprak Ester opnieuw, terwijl zij aan \'s konings voeten neder-
viel, tot hem en smeekte hem weenende, het booze plan van Haman,
den Agagiet, en hetgeen hij tegen de Joden beraamd had ongedaan te
4       maken. \' Toen de koning aan Ester den gouden schepter toegestoken
5       had, stond zij op, bleef voor den koning staan \' en zeide: Indien het
den koning goeddunkt en ik gunst bij hem gevonden heb, indien de zaak
den koning zuiver toeschijnt en ik hem welgevallig ben, laat dan een
bevelschrift uitgevaardigd worden om de brieven te herroepen waarin
het plan staat van Haman, den zoon van Hammedatha, den Agagiet,
die hij geschreven heeft om de Joden in al de provinciën des konings
ö om te brengen. \' Want hoe zou ik het onheil dat mijn volk zal treffen
kunnen aanzien? hoe kunnen aanzien den ondergang van mijne maag-
7       schap?\' En koning Ahasweros zeide tot koningin Ester en den Jood
Mordochai: Zie, ik heb het huis van Haman aan Ester gegeven en
hem zelven heeft men aan den paal gehangen, omdat hij de hand tegen
8       de Joden heeft uitgestoken. \' Schrijft gij nu in des konings naam aan-
gaande de Joden naar het u goeddunkt, en verzegelt het met des
konings zegelring; want een geschrift dat in den naam des konings
geschreven en met des konings zegelring verzegeld is kan niet her-
roepen worden.
9            Aanstonds werden de schrijvers des konings ontboden, in de derde
maand, dat is de maand Siwan, op den drie en twintigsten dag daarvan,
en naar al wat Mordochai gelastte schreef men aan de Joden, aan de
stadhouders, aan de landvoogden en aan de vorsten der provinciën,
van Indië tot Ethiopië, honderd zeven en twintig provinciën, naar elke
provincie in haar eigen schrift en aan elk volk in zijne eigen taal, en
10       aan de Joden in hun schrift en in hunne taal.\' Hij schreef dan in
naam van koning Ahasweros, verzegelde het met des konings zegelring
en zond brieven door bereden ijlboden, gezeten op harddravers, ren-
11       paarden uit de koninklijke stoeterij; \' dat de koning den Joden in alle
steden toestond, zich te verzamelen en voor hun leven op te komen,
door te verdelgen, te dooden en om te brengen alle manschappen van
volk of provincie die hen zouden benauwen, met vrouwen en kinderen,
\\2 en hunne have buit te maken,\' in al de provinciën van koning Ahas-
weros, op éen en denzelfden dag, den dertienden der twaalfde maand,
13       dat is de maand Adar. \' Het geschrift hield den last in, dat in alle
provinciën eene verordening zou. uitgevaardigd worden, openbaar aan
alle volken, dat op dien dag de Joden gereed moesten zijn om zich te
14       wreken op hunne vijanden.\' De ijlboden, op harddravers gezeten, op
renpaarden, gingen uit, gejaagd en gedreven door des konings woord,
en de verordening werd uitgevaardigd in den burg Sjusjan.
2. Ester — Haman, als haar rentmeester.
. 8. want — worden. Dat ilc koning aan Ester en Mordochai volmacht geeft in zijn naam het tcgcn-
ovcrgcstcldc te schrijven van hetgeen hij vroeger verordende schijnt door den schrijver niet voor ceno
herroeping gehouden te worden. Verg. op I : 10.
9.  Siwan. Zie op Eiod. XII: 2. — honderd zeven en twintig provinciën, als 1: 1.
10.  harddravers — stoeterij. De beteckenis der enkele woorden moge onzekci*zijn, do zin is vast
zoo uitgedrukt.
11—14. Herhaling van 111:13—15, alleen naar de veranderde omstandigheden gewijzigd. — Ter-
wijl vs. 11 den Joden vergund wordt zich te verdedigen, bedoelt vs. 13 blijkbaar dat zij ook als aan-
vallcrs mochten optreden; wat zij \'IX : 5—10 ook doen.
12. Hierop volgt in (ir. vert. de brief des konings. Haman wordt daarin voor een ondankbaar onder-
el mm en snood landverrader uitgemaakt; de Joden krijgen hoogen lof.
-ocr page 1017-
1097
KBTBR VIII: 15—IX: 10.
15          En Mordochai ging heen uit \'s konings tegenwoordigheid met een
koninklijk gewaad van violet en wit, een grooten gouden diadeem en
een mantel van fijn linnen en purper, terwijl de stad Sjusjan jubelde
16      van vreugde: \' voor de Joden was het licht en vreugd, blijdschap en
17      eer.\' Ook in alle provinciën en steden, waar ook het bevel des konings
en zijne verordening aankwam, was onder de Joden vreugd en blijd-
schap, maaltijd en feestdag, en velen van de bevolking des lands
gingen tot het Jodendom over; want de schrik voor de Joden was op
hen gevallen.
15. Of bedoeld wordt dat Mordochai den eersten keer na zijne verheffing den koning zoo uitge-
dost verliet, dan wel dat hij telkens in voratelijken tooi uit het paleis kwam, maakte de schrijver zich
evenmin duidelijk als zijne eerste lezers er naar vroegen.
17. Verg. IV : 8.
HOOFDSTUK IX, X.
Instelling van purim. — Den twaalfden Adar richten de Joden eene slachting aan onder hunne
vijanden, waarbij de ambtenaren des konings hen ondersteunen (IX: 1—5); in Sjusjan doodeu zij
vijfhonderd man, waaronder de tien zonen van Haman (6—10). Op verzoek van Ester, wordt hun in
Sjusjan nog een dag der wraakneming gegeven, op welken /ij wederom vele vijanden dooden (11—15).
De Joden buiten Sjusjan dooden, alleen op den dortienden der maand, vijf en zeventig duizend vij-
auden en maken den veertienden tot een feestdag (16 v.); terwijl de Joden te Sjusjan eerst den vijf-
tienden feestvieren (18); vandaar dat de Joden ten platten lande steeds den veertienden vieren (19).
Mordochai verordent in een schrijven aan alle Joden dat de veertiende en de vijftiende feestdagen
moeten zijn (20—25); wat de Joden aanvaarden; men noemt het feest purim (20—28). Kater en
Mordochai dringen in hun schrijven krachtig op de regeling dier dagen aan (29—32). Mordochai,
de eerste na den koning, staat in groot aanzien bij zijn volk (X).
IX: 1 In de twaalfde maand nu, dat is de maand Adar, op den dertienden
dag daarvan, op den dag waarop het woord des konings en zijne ver-
ordening tot uitvoering zou komen, op dien dag, waarop de vijanden
der Joden gehoopt hadden hen meester te worden maar juist het om-
gekeerde geschiedde: dat de Joden zei ven meester werden van hunne
2      haters,\' verzamelden zich de Joden in hunne steden in alle provinciën
van koning Ahasweros, om de hand te slaan aan hen die hun onheil
zochten; en niemand hield stand voor hen, want de schrik voor hen
3      was op alle volken gevallen.\' En alle vorsten der provinciën, de stad-
houders, de landvoogden en zij die voor des konings dienst zorgden
steunden de Joden; want de schrik voor Mordochai was op hen ge-
4      vallen. \' Mordochai toch was machtig in het huis des konings, en zijn
roem verbreidde zich door alle provinciën; want de man Mordochai
5      werd steeds machtiger.\' En de Joden richtten eene slachting aan onder
hunne vijanden, eene slachting van zwaard, doodslag en verdelging, en
6      deden met hunne haters naar hun believen.\' In den burg Sjusjan
7      doodden en verdelgden de Joden vijfhonderd man.\' En zij doodden
8      Parsjandatha en Dalfon en Aspatha\' en Poratha en Adalja en Aridatha\'
9, 10 en Parmasta en Arizai en Aridai en Waizatha,\' de tien zonen van
Haman, den zoon van Hammedatha, den Joden vervolger; maar aan den
buit sloegen zij de hand niet.
5. Zie op VIII: 11—14.
7—9. De tien namen van Hamans zonen worden in den Hebreeuwschen bijbel op eigenaardige
manier geschreven, onder elkander; opdat zij bij de voorlezing in de synagogen langzaam, met nadruk
uitgesproken worden. Van welken tijd deze schrijfwijze is, weten wij niet; maar zij drukt volkomen
de bedoeling van den schrijver uit, die blijkbaar met wellust deze wraakoefening verhaalt. Verg. op
Joz. XII: 9—24.
10. maar — niet. Geen winzucht dreef hen dus. Desgelijks vs. 15, 16. Hamans vermogen was aan
Eeter toegewezen.
-ocr page 1018-
X8TKU IX: 11—SS.
1U«J8
11            Toen o]) dienselfden dag aan den koning was medegedeeld, hoevelen
12       in den burg Sjusjan gedood waren,\' zeide de koning tot koningin Ester:
In den burg Sjusjan hebben de Joden gedood en verdelgd vijfhonderd
man benevens do tien zonen van Ilaman; wat zullen zij in de overige
provinciën des konings gedaan hebben! Wat is nu uwe bede? Zij zal
worden ingewilligd. En wat is uw verlangen? Er zal naar gedaan
l\'ó worden.\' Hierop zeide Ester: Indien bet den koning goeddunkt, dan
worde ook morgen aan de Joden te Sjusjan vergunning gegeven te
doen als heden, en men bange de tien zonen van Ilaman aan den
14 paal. \' Toen zeide de koning dat aldus moest geschieden; eene ver-
ordening werd in Sjusjan uitgevaardigd, en de tien zonen van Ilaman
lf) hing men op. \' Dientengevolge verzamelden zich de Joden te Sjusjan
ook op den veertienden dag der maand Adar en doodden in Sjusjan
driehonderd man; maar aan den buit sloegen zij de hand niet.
10          De overige Joden, zij die in de provinciën des konings woonden,
verzamelden zich en kwamen voor hun leven op, koelden hun gemoed
aan hunne vijanden en doodden van hunne haters vijf en zeventig
17       duizend man; maar aan den buit sloegen zij de hand niet.\' Dit ge-
schiedde op den dertienden der maand Adar, en zij hadden rust op den
veertienden dier maand en maakten dien tot een dag van maaltijd en
18       vroolijkheid.\' Maar de Joden te Sjusjan badden zich op den dertienden
en den veertienden der maand verzameld en op den vijftienden gerust;
zoodat zij dezen tot een dag van maaltijd en vroolijkheid maakten.\'
1\'J Daarom vieren de Joden op het land, zij die in de open steden wonen,
den veertienden dag der maand Adar als een dag van vroolijkheid en
maaltijd, als een feestdag, waarop men elkander geschenken zendt.
20           En Mordochai schreef deze dingen op en zond brieven aan alle Joden
in alle provinciën van koning Ahasweros, aan hen die dichtbij en aan hen
21       die veraf woonden,\' om voor hen vast te stellen dat zij jaarlijks den
22       veertienden en den vijftienden der maand Adar vieren zonden — \' omdat
dit de dagen waren waarop de Joden hun gemoed hadden gekoeld aan
hunne vijanden, en dit de maand was die voor hen van jammer ver-
keerd was in vroolijkheid, van rouw in een feestdag — opdat zij die
dagen zouden maken tot dagen van maaltijd en vroolijkheid, waarop
23       men elkander geschenken en aan de armen giften zond.\' De Joden
nu hebben als regel aangenomen wat zij begonnen waren te doen en
24       wat Mordochai hun geschreven had.\' Want ilaman, de zoon van
Hammedatha, de Agagiet, de vervolger van alle Joden, had een plan
gemaakt tegen de Joden om hen om te brengen, en had het pur, d. i.
25       het lot, geworpen, om hen te beroeren en om te brengen; \' maar toen
zij vóór den koning kwam, beeft deze mondeling en schriftelijk bevolen
10. vijf— (luizend. Gr. vort. heeft vijftien duizend; wnt het verhaal niet minder ongeloofclijk mmikt.
17. Jiit geschiedde, duidelijkhcidshalve ingevoegd.
10. de Joden — wonen. Tegenover hen staan (Ie Joden die in de groote steden leven. En do schrgver
heeft ongetwijfeld ann dezen, en niet alleen aan die van Sjusjan, gedacht. Hij verraadt onwillekeurig
dat in zijn tijd het feest door sommigen op den 14dcn, door anderen op den 15de» werd gevierd. Hij
nu tracht de viering te doen plaats hebben door alle Joden op beide dagen. Laat hij dit vs. 21 en
27 reeds door Ester en Mordochai verordenen, dan komt hij in strijd met hetgeen hij hier mededeelt.
Volgens Josefus werd het purimfeest door alle Joden op den veertienden en den vijftienden gevierd, en
de rabbijnen verordenden de voorlezing van Etter in open plaatsen op den veertienden en in de van
oudsher ommuurde steden van Palestina op den vijftienden. — geschenken, letterlijk portiën, omdat de
geschenken van dien dag meestal uit eetwaren bestonden.
23. hebben als regel aangenomen. Hebr. t. heeft het enkelvoud, en alt regel is duidelijkheidshalve
ingevoegd.
25. Dit is eene zeer onduidelijke samenvatting van het gebeurde, niet goed verstaanbaar zonder
kennis van bet voorafgaand verhaal; zij moet Ester aanduiden, hoewel hier niet genoemd; de zinsnede
-ocr page 1019-
bstbu IX : 25—X : 3.                                        1099
dat het booze plan hetwelk hij tegen de Joden beraamd had op zijn
hoofd zou terugkomen, en heeft men hem zelven en zijne zonen aan
20 den paal gehangen.\' Daarom noemde men die dagen purim, naar het
pur. Daarom, om den ganschen inhoud van den brief, om hetgeen zij
in deze zaak gezien hadden en om hetgeen hun wedervaren was,\'
27       stelden de Joden vast en namen zij aan voor zich zelven, voor hun
nakroost en voor allen die zich bij hen zouden voegen, voor altijd,
dat zij die twee dagen jaarlijks zouden vieren, volgens het geschrift
28       dat er over handelt en op den bepaalden tijd,\' en dat die dagen zouden
worden herdacht en gevierd, geslacht uit geslacht in, in alle familiën,
provinciën, steden. En deze purimdagen zullen niet te loor gaan
onder de Joden, en hunne herdenking zal niet verdwijnen uit hun
nakroost.
29            En koningin Ester, de dochter van Abihail, en de Jood Mordochai
schreven zeer nadrukkelijk dat men den inhoud van dien tweeden brief
30       over purim zou gestand doen.\' En hij zond brieven aan alle Joden in
de honderd zeven en twintig provinciën van het rijk van Ahasweros
31       met woorden van vrede en trouw,\' dat men die purimdagen zou vast-
stellen op hun bepaalden tijd, zooals de Jood Mordochai en koningin
Ester voorheen vastgesteld hadden, en zooals zij zelven voor zich en
hun nakroost bepalingen over vasten en daarbij behoorende weeklachten
32       vastgesteld hadden.\' En het bevel van Ester regelde al wat op die
purimdagen betrekking heeft, en het werd in het boek opgeschreven.
X: 1         En koning Ahasweros legde aan het vasteland en aan de eilanden
2       der zee belastingen op.\' En al zijn geweldig en machtig werk benevens
het bericht over de grootheid van Mordochai, welke de koning hem
verleend had, zijn immers geschreven in het boek der kronieken van
3       de koningen der Meden en Perzen 1\' Want de Jood Mordochai was de
eerste na koning Ahasweros; groot was hij onder de Joden en welge-
vallig aan zijne talrijke broeders, het goede zoekende voor zijn volk
en vrede verkondigende aan geheel zijn nakroost.
kim echter ook vertaald worden: toen het, do zaak, de koning bekend werd; wat echter onderstellen
zou dat den schrijver do toedracht der zaak zoonis hij zelf die verhaald heeft slechts gebrekkig voor
oogen stond.
20. purim. Dit is, of schijnt althans te zijn, het meervoud van pur; waarover zio o» III: 7.
27. voor alten — voegen, de heidenen die het Jodendom zouden nanncmen, de proselieten. — volgens —
handelt,
den brief van Mordochai? Of dit boek? Zie vs. 32. — den bepaalden lijd, dun Mden en den
15dcn Adar. Dat dit zoo nadrukkelijk geleerd wordt wekt het vermoeden dat het feest in sommige
streken op andere dagen gevierd werd en do schrijver eenheid ten deze wilde bevorderen ; verg. op vs. 11).
29.  dien tweeden brief, dien van vs. 20, in onderscheiding van dien van VIII: 1)—14.
30.  hij, Mordochai. — met — trouw, vrede ademende, in onderscheiding van de eerste.
31.   :»»«/.» — hadden. Kr wordt niet gezegd dat die vasten bij purim behoorde, zooals daarvan ook
tot nog toe geen sprake was en rouwbetoon slecht bij den aard dier dagen voegde. Do bedoeling is:
zooals sommige vastendagen (b.v. do Zach. VIII: 19 vermelde) niet door de wet voorgeschreven, maar
door de Joden naar omstandigheden vastgesteld en in eerc gehouden zijn, zoo moeten dezen ook het
purimfeest in stand houden. Misschien naar aanleiding van deze woorden is later ecne dricdaagscho
vasten na het feest ingesteld, „Ester-vasten" genaamd.
32.  hel boek. Hcdoelt do schrijver zijn oigen boek? Verg. vs. 27.
1.  Dit dient alleen om een hoog denkbeeld te geven van de grootheid van Mordochai, den eerste
na zulk een machtig vorst.
2.  zijn — Persen? Do formule is aan het boek Koningen ontleend. De schrijver bekommert er zich
niet over, of zulk een bock bestaan heeft.
3.  zijn nakroost. Zoowel zijn eigen nakroost kan bedoeld zijn als de volgende geslachten van zijn volk.
-ocr page 1020-
INHOUD.
BU.
Voorrede voor liet eerste doel.....................         I.
Verkortingen on verklaringen.....................      XI.
Verbeteringen in liet corsto deel aan te brengen.............   XIII.
Algomeeue inleiding..........................         1.
Inleiding op l)e vijf boeken der wet..................       19.
Genesis I—XI............................       23.
Genesis XII—L...........................       47.
Exodus 1:1—XXIV : 11.......................     139.
Exodus XXIV : 12—XL : 38......................     196.
Levitieus I—X............................     233.
Leviticus XI-XVI..........................     252.
Levitieus XVII-XXVI........................     270.
Numeri 1:1—X : 28.........................     301.
Numori X : 29—XXXVI: 13......................     326.
Inleiding op Deuteronomium......................     391.
Deutoronomium 1:1—IV : 43.....................     393.
Deutoronomium IV: 44—XI: 32....................     407.
Deuteronomium XII—XXVI......................     421.
Deuteronomium XXVII—XXXIV...................     454.
Jozua I—XIV.....\'.......................     477.
Joc.ua XV—XIX...........................     618.
Jozua XX—XXIV..........................     530.
Richteren..............................     540.
Ruth................................     598.
Samuel...............................     599.
Koningen..............................     730.
Kronieken..............................     873.
Ezra—Nehemja............................   1020.
Ester................................   1084.