-ocr page 1-
"
.
ftf^^
A-*
W
10Ó20
\'tftS
VAW\\
#0|«»
M\\mmum\\ omtrent de geologie m wiim \\\\n, mim\\.11 door de
COMMISSIE VOOR HET GEOLOGISCH ONDERZOEK,
N°. 33.
BESCHRIJVING
VAX
1
ICl N
GRONDBORINGEN
]
n
door Dr. J. LOR IK
(Met twee platen).
7102
7864�6
126327
der Koninklijke Akadeniie van Wetenschappen te Amsterdam.
(T WEEDE N ECTI E.)
DEEL X. N". 5.
UBU
AMSTERDAM,
JOHANNES MULLER.
April 1904.
ACU
2022
-ocr page 2-
BIBLIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
A060��030848448B
3084 844 8
-ocr page 3-
\'Ji.
J3fz</u)/3 005"#33
herereelisge\\ omtrem de geologie van \\ederlam, verzameld door de
commissie voor het geologisch omerzoek,
N°. 33.
BESCHRIJVING
BIBLIOTHEEK DfcR |
RIJKSUNIVERSITEIT I
UTiUCHT I
VAN"
unm 11
overgeplaatst uit
vafflftfflfedsbibliolheek
door Dr. .1. LOR IK
(Met twee platen).
3584 CB Utrecht
Verhandelingen der Koninklijke Akudemie van Wetenschappen te Amsterdam.
(T W E E 1> E S E <J \'V I E.)
DEEL X. N". 5.
AMSTERDAM,
JOHANNES MULLER.
1904.
-ocr page 4-
-ocr page 5-
.1. L0R1É. —• Beschrijving van eenige nieuwe grondboringen V.
F.:"m
i •
1 f?^\'\' v4-M\\ Iteef -i3
I: W         i         il
• A \\ >tt u;-j H
&
\\M.
1 \\lS i
v4l
laUBA\\
i-I •vY\'i
Verhand. Kon. Akad. v. Wetensch. (2« Sectie) Dl. X.
-ocr page 6-
BESCHRIJVING VAN EENIGE NIEUWE
GRONDBORINGEN. — V.
DOOK
Dr. .1. LORIÉ.
A. Do Shiispul Ie Sas van Gent.
In deze „Mededeelingen" n°. 32 van 1903 gaf ik eene beschrij-
ving van den sluisput te Terneuzen, in het groote scheepvaartkanaal
naar Gent. Hierbij sluit zich oen dergelijke sluisput aan, die ik in
September 1903 bezocht en waar ik liet volgende vernam en waarnam.
üe ingraving bevindt zich ten oosten van het dorp Sas van Gent,
liet maaiveld ligt op 1,(5 Al. -\\- A.P., de bodem van den put op
9,5 M. — A.P., het kanaalpeil op 2 M. -{- A.P. Geen wonder
dus, dat de, naar het kanaal gekeerde, doorweekte wand vele sporen
van afschuiving vertoont. De bovengrond bestaat uit zeeklei, die
gemiddeld 50 c.M., naar het N. toe hoogstens 70 c.M. dik is.
Daaronder ligt fijn, kleihoudend zand, dat verscheidene dunnere
kleilaagjes omsluit, eene enkele maal ook eene dikkere, en plaatse-
lijk zelfs aan de oppervlakte komt. Zooals gewoonlijk, bevat het
meer schelpen dan de klei: Mytilm edulis, Cardium editie, Mya
arenaria, Scrobicularia piperita
en enkele voorwerpen van Tellina
balthica.
Hier en daar zijn de lagen zeer fijn en voortreffelijk zichtbaar,
zooals nit nevensgaande fotografie (PI. 1) blijkt.
Deze werd op mijn verzoek genomen aan het noordelijke einde
van den oostelijken wand, de afmetingen worden aangegeven door
eene overeind staande lat, in decimeters verdeeld.
-ocr page 7-
— 4 —
In dozen oostelijker wand trokken nog bijzonder de aandacht:
1° eene laag zwarte klei niet groote schelpen van Scrobicularia,
gelegen tusschen 2 en 1 M. — A.P.
2° eene laag zeer fijn, kleihoudend zand, waarin een overgroot
aantal zoetwaterschelpjes, begrepen tusschen de vlakken van 6,8
en 0,2 M. — A.P. Zij vertegenwoordigt de, in deze ingraving
geheel ontbrekende veenlaag en levert een nieuw bewijs van de
seculaire daling, daar, dijken en bovengrond weggedacht, zoetwater-
weekdieren op deze diepte niet hebben kunnen leven. Er zoude
dan natuurlijk zeewater gestaan hebben.
De gevonden soorten zijn:
1  . Spltaerium corneum L. = Cgclas cornea, veel.
2 . Piaidium amnicum Muller. Uitsluitend jonge voorwerpen, vrij veel.
.\'5. Pisidium fontinale Draparnaud, vrij veel.
1. Valvata depressa Pfeiffer, vrij veel.
5. Planorbia eris fa L. {naaf Heus), zeer veel.
0. Planorbis spirorbis L., zeer veel.
7.   Planorbis Bossmaessleri Auerswald {gfaber), veel.
8.   Planorbis roiundalus Poiret, eenige.
0. Limnea peregra Muller, vrij veel.
10.    Limnea palustris Dra]), vrij veel.
11.    Succinea elegans Risso (nieercndeels zeer jonge voorwerpen),
zeer veel.
12.    Vertigo edentula Drap, een schclpjc.
liet eenige landschelpje, n°. 12 is waarschijnlijk van of niet eene
oeverplant in het water gevallen en heeft geene bijzondere beteekenis.
De overige zijn bewoners van stilstaande, ondiepe wateren, die
allen nog in Midden-Europa worden aangetroffen. Het klimaat, dat
heerschte tijdens het leven dier weekdiertjes, behoeft dus niet van
het tegenwoordige verschild te hebben. Misschien is het zeezand
onder deze zoetwaterlaag door duinen tijdelijk afgesloten geweest
van de zee, maar bij voortgaande daling opnieuw onder zeezand
bedolven. Het is wel opmerkelijk hoezeer in deze afzetting de
gastropoden de pelecvpoden in aantal overtreffen, terwijl in de zee-
afzettingen gewoonlijk het omgekeerde het geval is.
Eene merkwaardigheid, veeleer van historischen dan van geolo-
gischen aard, is eene oude sluis. Zij lag schuin onder den ouden
Gravenjansdijk, eenen ouden zeedijk, in eene richting N 25° W.
De sluisdeuren keerden naar den noordelijken kant, dus naar de
Schelde, terwijl die in het tegenwoordige kanaal naar den zuide-
lijken kant, naar België keercn. Vermoedelijk stond het water aan
de noordzijde dus nog in open gemeenschap niet de zee. Delengte
-ocr page 8-
5 —
der schutkolk was 35,5 M. de wijdte 3,85 M., de drempel Ing
op 1,82 M. — A.P. Waarschijnlijk is de sluis nooit in gebruik
geweest, er is 30 M. binnenwaarts één stel deuren gevonden, ge-
deeltelijk over elkander liggende, waarin de houten pennen, die de
onderdeden verbinden, niet waren afgesneden. Een en ander liad
den schijn, alsof het werk, nagenoeg gereed zijnde, gestoord was,
misschien door ecnen stormvloed.
In 15G0 werd Sas van Gent versterkt, later werden de vesting-
werken uitgebreid en het is onder deze nieuwe wallen, dat de sluis
gevonden werd. liet scheepvaartkanaal van (Jent naar Terneuzen
werd tusschen 1825 en 1827 gegraven.
H. Boringen te Terneuzen.
In het jaar 1899 werd, voor de cleetrische centrale, in Ter-
ncMizen, eene 25 M. diepe boring uitgevoerd, waarvan de grond-
soorten mij, door den ingenieur II. P. N. Halbertsma in Den Haag,
welwillend ter onderzoeking werden toegezonden.
Beschrijving der Grondsoorten.
I. 0,6 M. -f- A.P. — 0,0 M. — A.P. Lichtgrijze zeeklei,
boven 0,3 M. -f- A.P. zanderig, daarbeneden vast en taai.
II. 0,0 — 5 M. Donkerbruin reen niet duidelijke planten-
overblijfsels.
III.     5 — 0,2 M. Fijn, grijsbrnhi, kleihoudend zand, met sporen
van schelpgrnis.
IV.     0,2 — 0,4 M. Lichtgrijs, zeer fijn zand, met lichtbruin,
bladerig veen vermengd (van zeeplanten?)
V. 0,4 — 10,0 M. Hetzelfde zand, kleihoudend, zonder veen.
VI. 10,9 — 17,4 M. Fijn zand, met eenig grof vermengd,
0,2 — 0,5(1) ni.M. Veel schelpgrnis van Pet-ten, Cardium
editie, Cyprinai/), Dentalium eniale
en een vischwervcltje.
VII. 17,4 — 24,4 M. Lichtgrijze, zanderige, vaste klei. Schelp-
brokstukken van Ostrea ediilis, Astarte Onialii, Corbulagibba,
Cohtmbella sitleata
en Balanus. Verscheidene afgerond-hoekige,
zwarte stukken kalkhoudende zandsteen.
-ocr page 9-
— 6 —
De, in do lagen VI en Vil gevonden schelpjea belmoren in de
plioccne vorming tehuis, waaruit echter in. i. nog niet volgt, dat
deze beide lagen even oud zijn. Vooreerst zijn allen gebroken, ten
tweede komen zij voor met vrij groote keitjes, wat er op wijst,
dat zij zich „auf seeundarer Lagerstiitte" bevinden en ten derde
is in de drie diepste boringen langs het kanaal niets van de plio-
cene vorming gebleken. Onder Walsoorden (Mededeelingen 32) is
door mij het oudste gedeelte daarvan (Systèine Diestien) van 29,55
tot 41,75 AI. — A.l\\ aangetoond.
Over de keitjes, voornamelijk in laag VIT, heb ik het oordeel
ingewonnen van Dr. AI. Mourlon, „Directeur du Service géologique
de la Belgiqne", die er eenige medewerkers aan de geologische
kaart over heeft geraadpleegd.
In eene kei werd een afdruk gevonden, die herinnert aan eene
Cassis of Cassidaria, in eene andere een afdruk eener Turritella.
Deze keien kunnen dus ontstaan zijn in het Plioceen of Alioccen.
Andere gelijken volkomen op zulke nit liet onderste Kupelien (middelste
Oligoceen) en op zulke uit het Asschicn (bovenste Koeeen).
liet is dus zeer waarschijnlijk, dat allen nit oudere (tertiaire)
vormingen zijn „umgelagert", wat aan de overeenkomstige beschou-
wing omtrent de schelpjes veel steun verleend.
In deze „Mededeelingen" n°. .\'50 maakte ik terloops gewag van
eene 135 Al. diepe boring, waaromtrent wijlen mijn vriend Iv
Delvaux mij eenige mededeelingen had gedaan. Sedert dit tijdstip
verscheen in band XVII van liet Bulletin de la Société beige
de Geologie, in Alei 1903, eene uitvoerige beschrijving van ge-
noeinde boring. De heer De Brouwer vergeleek daarin de bestem-
mingen der grondsoorten door den heer Delvaux niet die door den
uitvoerder der boring, O. Thomaes en voegde enkele beschouwingen
van hemzelven toe. Ik ontleen daaraan het volgende:
Boring hij de Staalfabriek van Terneuzen, uitgevoerd in 189».
Beschrijving der Grondsoorten. \')
I. 1,5 AI. A.P. A.P. Grijs, kleihoudend zand, met spo-
ren van plantenovcrblijfsclen.
\') Omtrent de hoogte van het terrein, het „nulpunt der boring", hestaat eenige on-
zekerheid. In het Belgische tijdschrift wordt opgegeven „Cote ± 2\'\', dus zoude liet
nulpunt der horing ongeveer 2 M. liooger liggen clan een algemeen nulpunt. De vraag
is nu: moet onder het laatste het Nederlandsche ~ A.l\'. of het Belgische, het Ostcndesche
-ocr page 10-
— 7 —
II. A.l\\ — 2 M. — A.P. Vezelachtig, bruingeel tot zwart reen.
III.     2 — 2,5 M. Zwart, vast veen, niet stukjes hout.
IV.     2,5 — 3 M. Veen, met los zand vermengd.
V. 3 — 3,5 M. Veen, vermengd met witte, bruingele of
roodbruine zandkorrels.
VI. 3,5 — 0,5 M. Fijne, zanderige lichtgrijze klei met vele
plantenoverblijfselen.
VII. 0,5 — 7,5 M. Zeer vaste, zanderige, zwartbruine klei.
Itevat eenig gruis van zoctwaterschelpjes, benevens kwarts-
en zandsteenkorrels tot 2 m.AI.
VIII. 7,5 — 9,5 M. Fijn zand met eenige grove korrels.
IX. 9,5 —12 M. Fijn, lichtgeel zand.
X. 12 —• 14 M. Fijn, los, wit zand met eenige zwarte kor-
rels van vuursteen en glaukoniet, zeer fijn schelpgruis.
XI. 14 — 10,5 M. Alatig fijn, wit zand met meer zwarte
korrels dan het voorafgaande. Een stuk vuursteen, rol-
steentjes van vuursteen, van glashelder en van wit kwarts,
zandsteen, kwartsiet, stukjes van beenderen en tanden,
schelpgruis.
XII. 10,5 — 41,5 M. Fijn, wit, glaukoniethoudend zand.
XIII.     41,5 — 78,5 iM. Hetzelfde Jijne zand, maar niet eenige
grovere korrels.
XIV.     78,5 — 85,5 M. Grijze, zanderige, gliniinerlioudendc klei.
Kleine, goed gerolde keitjes van zwarten vuursteen, van
glashelder kwarts en zandsteen, schelpgruis en visch-
tanden (?).
XV. 85,5 —88 AI. Vaste, grijze klei met verscheidene grovere
bestanddeelen. Keitjes van zwarten vuursteen, bergkristal,
schelpgruis. Een vrij groote kei zwarten vuursteen en een
van zandsteen.
XVI. 8S — 91 Al. Glaukonietrijk fijn zand met eenig schelp-
gruis.
XVII. 91 — 98 AI. Groenzwarte, zeer vaste klei.
XVIII. 98 — 100,5 AI. Schilferende, groenzwarte klei, niet fijne
zandlaagjes.
XIX. 100,5 — 124,4 M. Glimmerhoudende, vaste klei.
peil verstaan worden, dat 2,13 M. onder A.P. ligt? In het eerste geval ligt het terrein
wel wat erg hoog, \'2 M. A.P., in het laatste geval op 0,13 M. — A.P. wat geheel
onaannemelijk is. Volgens welwillende inlichting van den heer J. Nelemans, ingenieur
van \'s Rijks Waterstaat te ïerneuzen, ligt het terrein hinnendijks bij de Staalfabriek
op 1,3 — 1,5 M. A.P. "Wanneer ik aanneem, dat de diepe boring op 1,5 M. -T-A.P.
is aangevangen, ben ik dichter bij de waarheid.
-ocr page 11-
— 8 —
XX. 124,4 — 124,5 M. Donkergroen glaukoniet niet zeld-
zame korrels van bergkristal, zeer kleine nuinninlieten en
eenig schelpgrnis.
XXI. 124,5 — 127,5 M. Klei-, glaukoniet-en gliniinerhondend,
grijsgroen, fijn zand.
XXII. 127,5 — 128,5 M. Grijsbruine, schilferende, glaukoniet-
houdende k-lei. Nummuliten, schelpgruisen bladafdrukken.
XXIII.     128,5 —130,3 M. Glaukonietrijkeym*</, met veel schelp-
gruis. Daarin kwamen voor: eene knol ijzerkies, een
keitje glaukoniethoudenden zandsteen, een stuk vischtand,
nummulieten.
XXIV.     130,3 — 132 M. Fijn, grijs zand niet eenige glimmer
en glaukoniet.
XXV. 132 — 133,1 M. Zand met zandsteen, vuursteen, num-
niulieten, viselitanden en andere fossielen, waarschijnlijk
door de boorbuis dieper gebracht.
Welke geologische verdiepingen kunnen nu in deze reeks grond-
soorten onderscheiden worden? Ik wil beginnen niet het vlak van
1 (5,5 M. — A.l\\, om het hooger liggende later te bespreken. Het
Plioceen ontbreekt onder Terneuzen, zooals te verwachten was, en
wij treffen, volgens Delvaux, op deze diepte aan het „Systènie
Rupelien", het middelste Oligoceen, dat hij laat doorloopcn tot
88 M. — A.P. De Brouwer oppert tegen het laatste eenig be-
zwaar, zonder evenwel eene andere oplossing aan de hand te doen.
Daarop volgt dan het Eoceen, in de eerste plaats, steeds volgens
Delvaux, het „Système Assehien" tot 130,3 M. — A.P., het
„Systènie Laekenien" tot 132 M. — A.P. en het „Système
Bruxellieu" tot het einde der boring (133,1 AI.). Volgens De
Brouwer zouden de heide laatste „Systèmes" zijn het „Ledien" en
het „Paniselieu", dus in elk geval Eoceen.
Omtrent het water, door de boring aan de oppervlakte gebracht,
wordt medegedeeld, dat het veel sulfaten, chloruren en organische
bestanddeelen bevat, vrij veel ammoniak, een weinig kalk en sporen
van ijzer. Prima qualiteit is het dus niet! Per etmaal welden 100 L.
op tot 1 AI. boven de oppervlakte.
Ik kom thans tot de m. i. belangwekkende vraag: „hoe staat
het niet de aanwezigheid van een Diliiviuni onder Terneuzen?" eene
„heikle Frage", zooals ik reeds meermalen opmerkte.
-ocr page 12-
9 —
In deze „Mededeelingen" \'30 van 1902 vond ik op Schouwen
geene aanleiding tot het aannemen van een Diluviuin in boringen
tot 35, 37 en 3S M. — A.P.
Anders was liet bij Bruinisse op Duiveland (n°. 29 van 1901).
De heer Seelheim onderseheidde hier een Diluviuin, beneden 14
tot 20 M. —- A.P. en trachtte het zelfs in tweeën te deelen. Ik
zelf maakte geen bezwaar tegen liet aannemen van een Diluviuin
beneden 20 M. — A.P., hoewel het zeer weinig typisch was.
Onder Walsoorden aan de Westerschelde (32 van 1903) was in
het geheel geene aanleiding aan een Diluviuin te denken.
Onzeker was wederom de zaak langs het kanaal van Terneuzeii
(n°. 30 van 1902), waar ik in eene boring, bij den spoorwegbrug
te Sluyskil, aanleiding vond, om op 14 \'M. — A.P. aan Diluviuin
te gaan denken. Duidelijk was ook hier de zaak niet.
En de boring in Terneiizen zelf, die ik thans onderzocht, heft
den twijfel nog niet op. Op 17,4 M. — A.P. komen werkelijke
keitjes voor, zoodat hier weder „aan Diluviuin gedacht kan worden".
Aan deze laag (VII) sluit zich eene aan (VI) met grof zand, tusschen
10,9 en 17,4 M. — A.P. Echter blijft ook weder de verklaring
mogelijk, dat wij hier slechts niet eene strandvorining te doen
hebben, en deze meening wordt daardoor ondersteund, dat veel
dieper, in het Koceen, herhaaldelijk steentjes gevonden zijn. liet
overzicht der diepe boring bij de staalfabriek toont ze tusschen
78,5 en 88, 128,5 en 130,3, 132 en 133,1 M. — A.P. aan en
deze omstandigheid heeft mijnen twijfel in zeer hooge mate versterkt.
Bij de bespreking dezer diepe boring liet Delvaux de zaak in
het midden, hij trok de bencdengrens van ..Moderne et Quater-
naire" op 12 M. — A.P. en rekende dus de laag met keitjes tot
het „Système Rupclien" (Oligoceen). De lieer De Brouwer won
de mcening in van den heer Ru tot, die zich tegenwoordig in België
het meeste niet het Diluviuin bezighoudt. Hij onderzocht de grond*
soorten zelf niet, maar rekende de lagen IV tot XI tot het „Système
Plandrien", dat overeenstemt met ons Zanddiluviuin, met inbegrip
van het Kenistelsel.
Kene, allen bevredigende oplossing beeft het vraagstuk „Diluviuin
in Zeeland?" dus nog niet gevonden on vermoedelijk zal het voor-
eerst wel zoo blijven.
-ocr page 13-
— 10
C. Boring Ie Brielle.
In liet laatst van 1903 werd, in de stad Brielle, eene 90 M.
diepe boring verricht tot liet verkrijgen van drinkwater. Door be-
niiddeling van den heer P. van der Wallen aldaar ontving ik eene
volledige reeks grond monsters ten geschenke, waarvoor ik Z.Ed. en
de drinkwatercorninissie gaarne mijnen dank betuig.
liet nulpunt der horing ligt op ongeveer 2,5 M. -f~ A.P.
Beschrijving der Grondsoorten.
I. 2,5 .— 0,7 M. -}- A.P. Zanderige, lichthruingrijze zce-
klei, waarin JUactra subtruncata; de bovenste nieter bevat
eenigc brokjes ])iiin.
II. 0,7 M. -- A.P. — 0,3 M. — A.P. Donkergrijze, zanderige,
veenhoudende klei.
lil. 0,3 — 1,9 M. — A.P. Zwart veen niet plantenoverblijfselen.
IV. 1,9 — 12,5 M. Fijn zand, glimmer- en zeer kleihoudend,
zoodat het ook ,,zecr zanderige klei" genoemd zoude
kunnen worden. Lichtblauwgrijs van kleur. Schelpgruis
en herkenbare schelpen, Cardium edule, Tellina balthica,
Scrobicularia jnperita, Hydrobia n/cue;
ecnig plantengruis.
V. 12,5 — 15,5 M. Kleihoudend, lichtblauwgrijs,///// zand,
minder kleihoudend dan het vorige, 0,4 m.M. en kleiner,
enkele korrels tot 1 m.M. Brokstukjes van Mytilus
cdn/is
en Scrobicitlaria, verscheidene voorwerpen van lly-
drobia ulvae.
VI. 15,5 — 23,5 M. Zeer kleihoudend, lichtblauwgrijs, fijn
zand,
zonder schelpgruis.
VII. 23,5 — 20,5 M. Aanmerkelijk van de vorigen verschil-
lend. Fijn, lichtgrijs, ruwkorrelig znnd, met eenig grof
vermengd, niet kleihoudend, 0,3 — 0,4(1) m.M., over-
gaande in kleinere en grootere keitjes kwarts, toetssteen,
enz. tot 1,5, hoogstens 2 e.M. Op 20 M. — A.P. een
stuk hout van 10 X ? X •\' C-M. Kenc dubbelklep van
Tellina balthica, herkenbare brokstukjes van Mytilus edulis
en van Cardium edule.
VUT. 20,5 — 28,5 M. Grof, ruwkorrelig zeer lichthont zand,
0,1 — 2 m.M. Veel keitjes kwarts, enz., het grootste
van 1 X 1 V2 X 3 u.M. Een paar herkenbare brokstukjes
van Cardium edule en eene gave Hydrobia itlcae.
-ocr page 14-
— IJ —
IX. 2S,5 — 31,5 M. Grof, duidelijk lichtbont zand, gclei-
dclijk in tijne grind overgaande. Hoven grover dan onder.
Verscheidene kcitjes kwarts van 1 c.M., het grootste is
een donkergrijze vuursteen van Sl/2 X 1 V2 X 1 V2 (\'^-
Eenige hrokstukjes van Myt\'üus, Cardium en Mact ra en
een paar gave schelpjes van Cardium edule.
X. 31,5 — 37,5 M. Lichtgrijs, niet bont, ruwkorrelig,
fijn zand, met eenig grof vermengd, 0,4 — 0,5(1) 111.M.
en enkele kleine keitjes. Geheel op zich zelf staat een
kcitje toetssteen van 1 c.M.
XI. 37,5 — 40,5 M. Hetzelfde fijne, ruwe, niet bonte zand,
donkergrijs en zeer lcemhoudcnd. Een paar kleinere
„steenen" en een grootere, wegende 1,85 K.G. Zij bestaan
uit lichtgroengrijze, verharde, zanderige leem en vermin-
deren bij het afborstelen in water. Eigenlijke „steenen"
zijn het dus niet.
XII. 40,5 — 43,5 iM. Hetzelfde ruwkorrelige, fijne, bijna
grove, leein- en gliinmerhoudende zand, maar lichtgrijs.
Geen spoor van gele of rood o korrels.
XIII.     43,5 — 49,5 M. Hetzelfde, wederom iets donkerder.
Eene zeer geringe hoeveelheid schelpgrnis, waaronder her-
kenbaar Succinea en Planorbis, dus zoetwaterschelpjcs.
XIV.     49,5 -- 54,3 M. Zanderige, lichtgrijze, gliinmerhoudende
klei; boven 51,5 M. lichtblauw.
XV. 54,3 — 58,5 M. Lichtblauwgrijs, niet bont, fijn, ruw-
korrelig, zeer kleihoudend zand.
XVI. 58,5 —• (52,5 AI. Dezelfde lichtgrijze, glimmerhoudende,
zanderige klei als XIV.
XVII. 02,5 — 05,5 AI. Lichtblauwgrijs, ruwkorrelig, fijn,
glimmer* en kleihoudend zand, als XV.
XV11I. 05,5 —- 70,5 M. Zanderige, gliinmerhoudende, grijze klei.
XIX. 70,5 — 70,5 AI. Als XVII, fijn zand, afwisselend meer
en minder kleihoudend. Een paar „steenen" , gerolde stuk-
ken verharde klei.
XX. 79,5 — 87,5 AI. Zeer fijn en rijn, wit, niet kleihou-
dend zand. Een paar „steenen" van verharde klei, van
3 en 4 c.AI. Hier en daar eenig fijn schelpgruis, soms
eenige grootere hrokstukjes, waaronder alleen Cardium
edule
herkenbaar.
-ocr page 15-
12
Bij hot beschouwen dezer grondsoorten geeft het hoogere gedeelte
geen stof tot opmerkingen. Het bestaat uit zeeklei en zeezand,
zooals gewoonlijk, en omvat eene veenlaag tussehen 0,3 en 1,9 M.
—   A.P. Dit AUuvium is dus het gewone. Dat het niet tot 87,5 M.
—  A.P. doorloopt spreekt, om zoo te zeggen, van zelf.
Waar is echter de grens met het Diluviuni?
Kerst op 23,3 M. — A.P. is er aanleiding aan D. te gaan
denken, een bezwaar is slechts, dat daarin verscheidene schelpjes
voorkomen. Nieuw is deze omstandigheid niet, ik heb mij reeds
met haar beziggehouden in deze „Mededeelingen" n°. 1G, van 1894,
bij het bespreken der boringen te Rotterdam, waar ik eenige
afdeelingen onderscheidde en wel: ,,A", opgebrachte grond, „B",
AUuvium, „C" grof zand met grind en zeeschelpen, enz. Deze
laatste, besloten tussehen de dieptegrenzen van 23,5 en 28,9 M.
—• A.P. vinden wij in de boring te Brielle terug. De bovengrens
te IJ. en R. stemt volmaakt overeen , wat wel de aandacht ver-
dient, de ondergrens ligt daarentegen te B. (31,5 AI.) dieper dan
te R. (2s,(.) AI.). Ik zie thans geene aanleiding mijne nieeningvan
1894 te wijzigen en beschouw dus, ook onder Brielle, de zandlagen
met grind en schelpen, tussehen 23,5 en 31,5 M. — A.P. als
Diluviuni, dut door de golven der zee omgewerkt is. Alle, daarin
gevondene schelpen zijn de gewone van onze tegenwoordige kust
en geven geene aanleiding aan een konder klimaat te denken, evenals
gedurende het dilnviale tijdvak, zoodat ik ze blijf beschouwen als
van jonger dagteekening dan de keitjes. Strikt genomen is liet zand
met grind dus geen ,,eeht Diluviuni", maar veeleer „AUuvium".
Voor de vergelijking met andere boringen is het evenwel gcmakke-
lijker het vooralsnog als Diluviuni te beschouwen.
Onder 31,5 M. — A.P. volgen te Brielle eenige lagen fijn zand
en klei, die zich zeer goed in overeenstemming laten brengen met
D en E onder Rotterdam, waar de bestanddeelen eene andere volg-
orde hebben, een feit van zeer ondergeschikte beteekenis.
Het tabelletje, op blz. 9 in Mededeelingen 29, kan dus voor
Brielle aldus aangevuld worden:
bovengrens grovere afdeeling van het Diluviuni 23,5 AI. — A.P.
bovengrens fijnere         ,,           „ „          ,, 31,5 M. — A.P.,
het laatste cijfer stemt bijzonder goed overeen met dat van Gorkum
(30 M.). Eene onderste, grove afdeeling ontbreekt onder Brielle,
evenals onder Rotterdam.
Mijne aandacht werd nog getrokken door de ruwheid der zand-
korrels in de lagen Vil—XIII, dus tussehen 23,5 en 49,5 Al. — A.P.
-ocr page 16-
— 13 —
Daarboven en daaronder is ook wel zand met zulke ruwe korrels,
doch het is merkbaar fijner en gewoonlijk zijn de korrels in zeer
fijn zand minder goed afgerond dan in grover. Daar in den laatsten
tijd de meening is geopperd als zoude het Landijs zich veel verder
westelijk hebben uitgestrekt dan men steeds meende, heb ik dit
ruwe zand vergeleken met zulk, dat geslibd was uit een viertal
keileemen in Drenthe en Groningen. Dit laatste was niet merkbaar
ruwer en bevatte zelfs eenige volkomen afgeronde en gladde korrels.
1° Waren er echter verscheidene bij van veldspaath, die in het
brielsche zand ontbraken; 2° was zand van de groote zandplaat te
Leut tegenover Nijmegen al even ruw, zoodat ik tot het besluit
kwam, dat aan deze ruwkorreligheid van het zand geen bijzonder
gewicht moet gehecht worden, omgekeerd is de aanwezigheid van
een groot aantal volkomen gladde, afgeronde korrels een feit, dat
veelmeer de aandacht verdient. Ik vestigde die er ook op bij de
beschrijving der boring bij De Bilt (Mededeelingen 30, bladz. 18).
Ter vergelijking met de brielsche boring kunnen wij over eenige
andere op de Zuidhollandsche eilanden beschikken. Ik beschreef\'die
te Spijkenisse in de Mededeelingen n°. 30. Op IS,5 M. was er
aanleiding aan Diluvium te denken, zonder dat daaromtrent eene
bepaalde overtuiging verkregen werd, ook doordat niet dieper dan
20 M. Avas geboord.
Verder vinden wij in Mededeelingen n°. 32, van 1003, bij de be-
schrijving eener boring bij de brug over het Voornsche kanaal,
1500 M. ten /. van Nieuwe Sluis, op 23,6 M. --A.P. vermeld
een grof zand met kwartskeitjes, dat ik toen reeds als Diluvium
beschouwde.
Nu, én onder Rotterdam én onder Brielle, het Diluvium even-
eens tot 23,5 M.—A.P. reikt, wordt de kans zeer veel grooter.
dat het ook hier is aangetroffen. Misschien komt het onder Helle-
voetsluis reeds op 20 M. voor, goed gekenmerkt is bet evenwel niet.
Tusschcn Ifellevoetsluis ecnerzijds en Bruinisse andererzijds ligt
het eiland Overflakkee, van welks ondergrond wij nog zeer weinig
weten. Wel werden te Ooltgensplaat enkele boringen verricht (Mede-
deelingen 32, 1003), doch hare diepte is te onbeduidend (0,8 M.
— A.P.) om voor ons van eenig belang te zijn.
Omtrent de samenstelling van het water der boring had de heer
P. van der Wallen, bovengenoemd, de welwillendheid mij de uit-
komsten mede te deelen van het door den apotheker II. L. Sluyter
te Brielle verrichte onderzoek.
-ocr page 17-
— 14 —
- A.P.   Cl\') NaCl2) NW* SO3 IP N Fe Verd. 3) Org.4) I lardh.5)
29 M.   3135 5168 Spoor Spoor 28 20 6479 120,5 12
37,1 M.   3920 0459
73,5 M.   3400 5616
75,5 M.   3920 0400
75,5 M.    3937 0488
S7,5 M.   8051 13340
1). Boring te Heusilen.
In den loop van 1903 word, voor liet stadhuis te Neusden,
eene 30 M. diepe boring, van gemeentewege uitgevoerd. Op mijn
verzoek werden mij de grondsoorten afgestaan, door bemiddeling
van den heer II. .1. van Hggelcn, seeretaris der gezondheidscom-
missie, wien daarvoor een woord van dank toekomt.
Reeds vroeger werd te I lensden eene boring verricht, waaromtrent
Staring, in zijnen „Bodem van Nederland 11", uitgegeven in 1800,
het volgende mededeelt (bladz. 131):
„De boorput te 1 lensden heeft, tot op eene diepte van 12 el,
„dat is tot zoover men geboord heeft, eene zandlaag, door enkele
„kleilaagjes afgewisseld, opgeleverd, zonder een enkel dierlijk over-
„blijfsel".
Dit is min of meer in tegenspraak met wat in het eerste deel
(van 1850) op bladz. 377 te lezen is.
„Ook in den ...... put . . van 1 leusden is, met het zand,
„grovere grind in menigte voor den dag gekomen". Dit berust
klaarblijkelijk op eene vergissing.
Van veel gewicht zijn deze mededeelingen niet, zoodat ik overga
tot de
Beschrijving der Grondsoorten.
1. 4 M. -f A.P. — 1 M. — A.P. Lichtgrijze, zanderige k/ei.
Het eene monster is iets geel-, het andere iets blauwachtig.
\') lu milligrammen per liter.
*) Berekend uit liet chloorgehalte,
\') Verdampingsresidu.
*) Organische stoffen.
") In duitsche graden.
-ocr page 18-
— 15 —
II. 1 — 4 M. — A.P. Zeer zanderige, lichtgrijze klei.
III.     4 — 9 M. Fijn, wit of zeer lichtbont zand, met eenig grof
vermengd (0,4 — 0,5, soms 0,7 m.M.), met enkele korrels
tot 1 in.M. en een enkel wit kwartskeitje van 3 m.M.
IV.     9 — 10 M. Hetzelfde fijne zand, maar kleihoudend en met
een paar keitjes.
V. 10—12 M. Bruingrijze, zeer zanderige, glimmerlioudeiule
klei. Deze bevat hetzelfde zand als er boven en onder ligt.
VI. 12— 18 M. Hetzelfde fijne zand als IV.
VII. 13— 10 M. Fijn, eenigszins leemhoudend, wit zand, korrel-
grootte 0,3 — 0,5 m.M., enkele malen 0,7 of zelfs 1 m.M.
VIII. 10 — 19 M. Grof, wit zatul. Hetzelfde als de vorige mon-
sters, doch met merkbaar meer grove korrels, boven 0,5 m.M.
Knkele keitjes wit kwarts van 1 c.M., zwartblauw kwartsiet
van Y2 en 8/4 c. M., en een van grauwakke, van 2 X 3 X 4 c. M.
IX. 19 — 20 M. Grof zand, maar zoowel met meer fijne als
grove korrels, die tot fijne grind overgaan. Een enkel wit
kwartskeitje van 1 XIX2 C-M.
X. 20 - 21 HL. Fijn, wit glimmerhoudend zand, 0,4—0,5 m.M.,
zeer enkele korrels tot 1 m.M.
XI. 21 — 22 M. Grof, ongelijkkorrelig, witmwA, 0,3—1,5 m.M.
XII. 22 — 23 M. Fijn, eenigszins kleihoudend, wit zand.
XIII.     23 — 24 M. Grof zand als XI.
XIV.     24 — 25 M, Grof zand en fijne grind, die geleidelijk in
elkander overgaan. Witte kwarts keitjes tot 2 c.M.
XV. 25 — 20 M. Grof zand zonder grind, als XI.
Bij eene poging, deze 15 monsters tot groepen te verecnigen, valt
in de eerste plaats in het oog het duidelijke onderscheid tusschen
VII en VIII. Mij komt het groot genoeg voor om er eene grens
te trekken tusschen Zand- en Grinddiluvium. Evenzoo valt een ver-
schil in het oog tusschen II en III, doch de klei van de monsters
1 en II bevat geen enkel schelpbrokstukjc en ziet er ook anders
uit dan onze gewone alluviale rivierklei. Ik trek dus hier gcene
grens tusschen Alluvium en Zanddiluvium, maar onderscheid slechts
tusschen Zanddiluvium boven en Grinddiluvium beneden 16 M. —A.P.
In deze ,,Mededeelingen", n°. 10 van 1894 werden eenige
„Boringen bij Heusden" beschreven en wel bij de dorpen Pocde-
rooien, Andel en Nederheniert. Zij reiken echter niet dieper dan
10,75 M. — A.P., waar, onder Heusden zelf, het Grinddiluvium
ter nauwernood is aangevangen. Toch kon ik in deze acht boringen
-ocr page 19-
— 16 —
op S M. — A.P. eene grens trekken tusschen „fijn zand en klei"
eenerzijds en „grof zand met grind" andererzijds.
Er is eenige tegenstrijdiglieid tusschen deze oudere boringen en
de nieuwere, die ik zoude willen verklaren uit de omstandigheid,
dat gene in rechtstreeksche afzettingen der Maas zijn verricht.
E. Boring te Groningen.
In het afgeloopen jaar werd voor de bekende uitgeversfirma
Wolters te Groningen eene, 53 M. diepe boring uitgevoerd, waarbij
van meter tot meter grondsoorten werden verzameld. Met de meeste
bereidwilligheid werden zij mij ter onderzoeking afgestaan, waar-
voor ik bij dezen aan den heer Ter Horst mijnen dank betuig.
Beschrijving der Grondsoorten.
1. 5,9 — 2,9 M. -\\- A.P. Donkergrijze, zanderige, vaste keileem.
II. 2,9-- 1,9 M. A.P. Grof, leemhoudend, lichtbruingrijs
keizand.
III.      1,9 M. -f A.P. — 5,1 M. — A.P. Lichtbruinroode kèi-
leeui
met enkele keitjes, afwisselend iets meer bruin- en
grijsachtig.
IV.      5,1 —9,1 M. — A.P. Lichtgrijze, zeer zanderige leem met
keitjes.
V. 9,1 —10,1 M. Leemhoudend, fijn,mv/konéïigzand(0,
0,5 m.M.), met eenige keitjes wit kwarts, enz. tot l en 2 c.M.
VI. 10,1 — 17,1 M. Hetzelfde grijsbriiine, fijne zand, doch
minder leemhoudend en met meer korrels van 0,5 m.M. en
grooter. Weinig witte kwartskeitjes van een paar millimeters.
VII. 17,1 — 18,1 M. Hetzelfde fijne zand, met enkele witte
kwartskeitjes van 1 c.M.
VIII. 1S, 1 — 21,1 M. Fijn, leemhoudend, grijs zand, als de vorigen,
met zeer weinig kwartskeitjes van hoogstens 3 m.M.
IX. 21,1 —22,1 M. Zeer kleihoudend fijn zand.
X. 22,1 -- 23,1 M. Zeer fijn, lichtgrijs, glim merhoudend zand,
0,05 — 0,1 (0,3) m.M.
XI. 23,1 — 24,1 M. Lichtgrijze, zanderige klei.
XII. 24,1 — 33,1 M. Uiterst fijn, 0,05 m.M. en minder, licht-
j>;rijs, glimmerhoudend zand.
-ocr page 20-
— 17
XIII.     33,1 35,1 M. Grijze, zanderige, glimnterhoudende klei.
XIV.     35,1 - 39,1 M. Zeer fijn en fijn (tot 0,3 m.M.) lichtgrijs,
leemhoiidend zand.
XV. 89,1 — 45,1 M. Zeer fijn en fijn, without zand, 0,2—0,3
(0,5) in.M. Glimmerhoudend, veel meer lichtgrijze dan licht-
roode korrels.
XVI. 45,1 - - 47,1 M. Zeer fijn, witbont zand(0,05) 0,1—0,2 m.M.
Aan deze beknopte beschrijving valt het volgende toe te voegen:
In den kcileeni I werden aangetroffen:
1° Lichtgrijs graniet van 5 X 4 X ^ c.M.; idem met rooden
veldspaath van 21/2 X 2 X 1» ee" derde van l X 1 X 1
c.M.;
Syeniet van 4 X 21/, >< 11/2 c.M.;
itioriet van (5 \\ 4 X 2J/2; 41/., X ;{ X 3; 3 Y2V\'I \'/.,;
«Xi\'/iXiVi c" W.XiV.X i o.m.;
4° (7«ew« van 4 X 3 X 2 c.M.;
Kwartsiet van 2 X 1 X 1 C.M.;
G° Lichtgeelgrijze munteen van 8 X ^ X 7 m.M.;
7° Vuilwit fooarfo van 2 X \' V2 X \' c.M.;
8° Lichtbruine zandsteen van 1 X 1 X \' c.M.;
9° Zwarte leisteen van 15 X l() X 3 "> M.
In het keizand II werden onderscheiden:
Graniet 5X4X3; 31/, X 3 X l1/»: 2V2 X 2 X 1;
2 X l\'/a X l1/*; A X 1 X 1 c.M. (3 stuks); 15 X. 10X7;
13X10X6 m.M.;
Amphiboliet l1/., X 1% XI c.M.;
Kwartsiet ll/2 >( 1 X 1 c.M.;
Zandsteen 4>l/2 X 41/, X 2 (bruin), 2\'/2 X 2 V \' (bont);
5° Wit /r/)7 11X7X0 m.M.;
G° Roode potscherf 35 X 20 X 8 m.M.
Tot 4 M. diepte is de grond dus nog geroerd.
De roodbruine keilecni 111 werd door slibben gescheiden in vier
bestanddeelen. 1722,2 G. leverden daarbij op:
a l!S0,5 G. Grof zand en fijne grind van verschillende steen-
soorten, als graniet, dioriet, kwartsiet, kwarts, vuurstecn, silurische
kalksteen.
b 145 G. b\'ijn, lichtbont zand van 0,4—0,5, tot hoogstens 1 m.M.
c 729 G. Zeer fijn, minder bont zand, van 0,3—0,4 m.M. en
d (507,7 G. Lichtroodbruine klei.
Op volkomen dezelfde wijze werd de zanderige lichtgrijze leem
IV gesplitst, na afscheiding eener lichtblauwgiïjze vuursteenscherf
Verhand. Kon. Akad. v. WetPiiecli. Cl\' Sectie). Dl. X.                                                              E 2
-ocr page 21-
— 18 -
mot dikko witte verweeringskorst, groot 4\'/2 X 2 X 1 C\'M- Zoo-
doende leverden 1055 G. op:
« 200,2 G. Grof zand en fijne grind, van hoogstens 1 c.M.
middellijn. Daarin zijn zeeroverwegend kiezelgesteenten, als: kwarts,
toetssteen, zandsteen, vtuirsteen met slechts een paar keitjes rood
graniet.
h 141,0 (i. Fijn, lichtbont zand van 0,4—0,5 m.M., met
enkele korrels tot 1 m M.
c 500 G. Zeer fijn, minder bont zand mei kwartspoeder, 0,4 m.M.
en kleiner.
(I 143,55 G. Lichtgrijze klei.
De vraag is nu of IV ook als kcilecm mag beschouwd worden,
wat in. i. voor lil vaststaat. De verhouding der verschillende bo-
standdeelen loopt aanmerkelijk uiteen en bedraagt:
III.
IV.
II
10,42%
24,00%
b
8,42 ,.
13,45 ..
c
42,33 „
48,24 „
tl
3S,73 „
13,01 .,
00,00%                     09,90%
In IV zijn dus de grovere bestanddoelen sterker ontwikkeld ten
koste der klei. De hoeveelheid van liet zeer fijne zand loopt niin-
der uiteen.
Belangrijk is ook het onderscheid in de fijne grind a. Die van
IV gelijkt volkomen op grind van het Gemengde Diluvium, waarin
skandinaafsche gesteenten dikwijls in zeer geringe hoeveelheid voor-
komen. Ik vind daarin echter geen e aanleiding om IV ook niet
als keileem te beschouwen. Op het verschil kom ik later terug.
Van 0,1 tot 21,1 M.—A.l\\ volgt eene, betrekkelijk grove afdeeling,
waarin nog eenige kwartskeitjes voorkomen; het overige, tot 47,1 M.
— A.P. bestaat uit fijn en zeer fijn zand niet klei of leem.
Ter vergelijking komt in de eerste plaats in aanmerking eene
boring te Haren bij Groningen. Prof. Van Calker deed daarom*
trent in hot Natuur- en Geneeskundige Congres van 1803 eenige
korte opgaven, door mij overgenomen in deze „Modedeelingen" 13
van IS93. Van 0,75 M. -j- A.P. tot 5,5 M. — A.P. werd kei-
leem aangetroffen, van daar tot het einde, op 50,5 M. — A.P.,
zand, af on toe mot grind vermengd, dat van boven nog noordsch
ra                                     o                                                               o
materiaal bevat.
-ocr page 22-
19 —
In de tweede plaats, een zevental boringen in en 0111 Assen
(Mededeelingen 13 en 25). Van deze zijn drie van meer belang
dan de vier overige, omdat zij tot grootere diepte reiken, liet zijn
VI (Looner veld 1896), VII (Looncr veld 1897) en III (Zwarte-
watersweg IS 89).
In III komt, tusschen 61,5 en 04,5, in VI, tusschen lüü en
115,3 M. — A.P., eene grind voor niet overwegende zuidelijke
gesteenten, dus (iemengd Diliivinni. In VII wordt, tusselien 52,8
en 08,8 M. — A.P., eene dergelijke grind aangetroffen, doch ge-
beel zonder Skandinaafsche gesteenten, dus zuiver (toevallig) Rijn-
diluvium.
Ook in liet hooseer liggende zand komen nog enkele kwarts-
O               uu                                                                    O
keitjes voor, die echter snel verminderen, terwijl liet zand fijner
wordt en ook wel niet potklei afwisselt. Nog liooger komende wordt
het zand weder grover en ten slotte door keileem bedekt, die ge-
woonlijk de oppervlakte bereikt. Wij hebben dus in alle deze
boringen (ook te Sneek, waar de onderste grind eveneens gemengl
is), twee grove afdeelingen, door eene fijne afdeeling gescheiden.
In de jongste groninger boring ligt onder de keileem uitsluitend
het bovenste gedeelte der fijnere afdeeling, die naar onderen steeds
fijner wordt, in de boring te Haren schijnt het onderste gedeelte
bereikt te zijn.
In de beide aangehaalde „Mededeelingen" trachtte ik de drie-
deeling te verklaren door eene oscillatie van het Land ijs. Met
naderde, de smeltwateren zetten de onderste grind af, daarna trok
het zich terug, om opnieuw te naderen, de plaats van Assen,
Groningen, enz. te bereiken en er zijne grondmoraine (keileem) af
te zetten. Af en toe bereikten nog Rijntakken deze breedte, latei-
niet meer.
Over de keileem valt niet veel bijzonders te zeggen in de borin-
gen I, II, 111, V, VI en VIT te Assen.
In IV (Infanteriekazerne, 1S<)2) is zij verdubbeld, tengevolge van
het optreden eener laag fijn en matig grof zand, tusschen 9 en
9,0 M. -\\- A.P. Eene kleine oscillatie vanden ijsrand is voldoende
om dit verschijnsel te verklaren en zelfs overbodig, omdat het zand
zeer goed afgezet kan zijn door eenen subglacialen waterstroom.
In onze boring is van eene zoodanige verdubbeling sprake, door
de laag keizand II tusschen 2,9 en 1,9 M. -f- A.P. Tevens ver-
schilt de keileem III niet onbelangrijk van IV en /"oude men deze
laatste tot het Gemengde Diluvium kunnen rekenen. Al. i. is de
verklaring van dit verschil eenvoudig. De keileem werd op den
voorhandenen ondergrond afgezet, deze bevatte Rijndiluvium, dat,
-ocr page 23-
20
tot een zeker bedrag, in de grondmoraine werd opgenomen. Naar-
mate deze in dikte toenam, werd de ondergrond meer en meer
gezuiverd van Rijndiluvium en zoo ook de grondmoraine zelve. Ik
vind hier niet de geringste aanleiding om aan twee verschillende
ijstijdvakken te denken. Eerder zoude daartoe aanleiding zijn bij
het vergelijken der onderste en der bovenste grove afdeelingcn,
hoewel ook deze op bevredigende wijze door eene oscillatie ver-
klaard kunnen worden.
Over den Hondsrug, en wel in de nabijheid van het drentsche
dorp Kksloo, werden in 1902 door Prof. K. Dubois cenige mededeelin-
gen gedaan in de „Verhandelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen", getiteld „The Geological Structure of the Honds-
rug in Drenthe and the Origin of that Uidge".
De aandacht wordt daarin gevestigd op de betrekkelijk geringe
dikte der keileem, hoogstens 1 M., en op het feit, dat deze rust
op zand met keitjes van kwarts en toetssteen, dat als Rijndiluvium
wordt beschouwd. Ik kan mij, zooals uit het voorafgaande blijkt,
met die gevolgtrekking wel vereenigen.
Anders staat het met eene bijzonderheid, op bladz. 4 en ."> ver-
meld. In put XLT werd een blok kwartsiet aangetroffen met eene
middelüjn van 0,33 M., in tweeën gespleten, zoodat het bovenste
stuk, ten opzichte van het onderste, l1/., c.M. in zuidoostelijke
richting is verschoven. Dit is dus een feit! Schrijver grondt daarop
evenwel de hypothese, dat de ijsbeweging in haar geheel niet van
N.O. naar Z.W. heeft plaats gehad, zooals nog altijd algemeen
wordt aangenomen, doch van N.VV. naar /.O., zoodat het punt
van uitgang niet in Scandinavië, maar in Schotland moet gezocht
worden. Het komt mij nu voor, dat hier eene sterke \\vanvcrhou-
ding is tusschen liet belang van het waargenomen feit en dat van
de hypothese.
Dergelijke verschijnselen, waarin, zeer plaatselijk, eene andere
bewegingsrichting is aangetoond, zijn reeds lang bekend. In mijne
„Contributions a la (iéologie des Pays-Bas" 11 van 1887 wees ik
op het belangrijke verschil in richting der opgerichte lagen, dat in
ééne en dezelfde spoorwegingraving (Uecnen) 40° kan uiteenloopen.
Ik aarzelde toen, deze oprichting toe te schrijven aan de persing
van het landijs, doch ben van die aarzeling geheel teruggekomen.
Tegenwoordig beschouw ik den heuvelrug Keenen—Amersfoort—
Huizen als eene eindinoraine, tegen welke beschouwing nog geen
bezwaar is gemaakt. Meermalen verandert die eindinoraine van
richting, doordat zij uit verschillende boogvormige stukken bestaat,
-ocr page 24-
21
en liet sterkst is die verandering wel bij Amersfoort zelf. De bekende
„Amersfoortsche Berg" toch is in. i. niets anders dan liet snijpunt
van twee zulke bogen, de eene is bij de stad gericht naar het
N.N.O., de tweede naar liet W.Z.\\Y\\, zoodat het richtingsverschil
wel 100° bedraagt. liet is nu niet zoo bijzonder inoeilijk zich voor
te stellen, dat de ijsrand, ook in liet klein, eene vereeniging was
van zulke boogvormige stukken en dat de radiale drukking, die de
rand uitoefende, on het eene punt 90° en meer verschilde niet die
op het andere. Om de verklaring te vinden van het verschuiven
van het kwartsietblok te Eksloo, over eenen afstand van anderhaIve
centimeter
behoeven wij dus niet Schotland als uitgangspunt der
ijsbeweging aan te nemen, maar kunnen bij de oude meening blijven.
Utrecht, Januari 1904.
(28 April 1904.)
-ocr page 25-
J.LORIE. J3e.sc/tr//nVig- van genjge nieuwe Grondboringen V _____
Hcusden.
Groiiitifipcti.
5.9.
Brielle.
Ter Neuzen. 2S
♦VJK.
A.
♦ ijiK
0,3-
V
n
/.f»
Z.K
5
6,1\'
30
EZ.
K
EZ.
KZ.
M
.Ï4,j
BZ.
\'"rr
Z.KZ.
K.KZ.
/:.•..»
)••/.
KEZ. JS..Ï
M
KZ.
/.".,.;
EZM.
K
Gr
GZ.
Gr.
i?4
6S.S
EZ.
KEZ
\'•\'\':;.vj O.Z.
.♦♦♦
t
ö.ï.5
W
22.1
--\'V
i-i.l
23,3 i^^r?
EZ
Gr
M
G.Z.
Ge
GZ
Gr
24^buJi
ö
70..5F
265
Scliaall: 0,004.
V- Veen.
F - 7^«.
G = Grof
Z • Zand.
Z = Z<w.
u - Kto^.
Gr\' Grind.
K - Klei
KL- Kcileeru.
M - Mollusken
{Sclidjicri).
nul
l\'.KZ.
KZ
m
3i,ö
:;.\',;
EZ
r.o,-.
.;.\'»,/
ZEZ.
37.S
M.
ZEZ.
«/:..\'
:» EZ.
ili
M.
I&3K.
ts.s
so
I \'eriuuid. h\'on.. Heul. v. M \'etenach. (2t Sectie), Dl. X.