-ocr page 1-
FEARSAÏX
res pmisiens
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT 1
.....\' » i HiiillllllilllllHlIIII
••
-ocr page 2-
-ocr page 3-
w\\m \\ofa£ ^-
W. G. van dar REE
^
-ocr page 4-
-ocr page 5-
firS) $ ((
33
1fC
DES
CHRISTENS HEILGEHEIM.
DOOR
Mevrouw PEARSALL SMITH.
ffLa<xx, •fict êmaekdi.
MET EEN VOORWOORD VAN
Dr. ji. E. F a u r e.
ZESDE DRUK.
I v
- ^
-y-
DEN HAAG. — FIRMA H. J. GERRETSEN.
-ocr page 6-
leiden: stoomboekdrukkerij van l. van niftkrik hz.
-ocr page 7-
nik ben gekomen, opdat zij het leven hebben."
Een tering-lijder heeft het leven, en zoolang hij het leven heeft
is er voor hem hoop op herstel en blijft hij het voorwerp der
liefdevolle verzorging van de zijnen. Hij is de spil waarom alles *
in het huisgezin zich wentelt. Alles getroost men zich gaarne voor
den geliefden kranke, men spaart geen moeite of kosten, men
ontziet zich geen enkele opoffering, en van tijd tot tijd ziet men,
zijn moeite beloond, de lijder wint in krachten en hervat zelfs
zijne gewone bezigheden, maar het is helaas.\' slechts eene korte
vreugde. Een bloedspuwing
.... en al de vroegere phasen worden
van voren aan doorloopen. Is dit nu „het leven?" Vraag het den
man zelf, waar hij van uit zijn kunstmatig verwarmd vertrek de
krachtig gespierde mannen lustig en vroolijk hun dagtaak ziet
verrichten?
„0 neen! dit is geen leven ik ben mij zelven tot
een last, ik wenschte wel te arbeiden, maar mij ontbreekt de
kracht
had ik maar een afdoend geneesmiddel, hoe trouw, hoe
naarstig zou ik het aanwenden, al stond het mij nog zoo tegen!"
Geliefde Christenen! ook gij hebt „het leven," maar zegt eens
eerlijk, wat soort van leven is het dat gij leeft ? Van den levens-
lustigen arbeider, die met het eerste morgenkrieken zijn dagtaak
aanvaardt, en als hij
\'s avonds thuis komt zoo weinig van ver-
moeienis af weet, dat hij vrouwlief het werk uit de handen neemt
en daarna met zijn jongske dartelt ?
Helaas, met weemoed moet gij bekennen, dat uw leven maar al
te zeer gelijkt op dat van den teringlijder. Gij hebt geen moed,
geen lust, geen kracht; gij ziet anderen arbeiden, met zegen en
-ocr page 8-
IV
opgewektheid arbeiden, niet als slaven tot hun dagtaak gezweept,
maar als vrije mannen met liefde en lust; een gevoel van ja-
loerschheid maakt zich van u meester, maar gij mist den moed
om het te wagen in de vrije buitenlucht van Gods liefde en gunst,
het is u niet uit het hoofd te brengen, dat gij uw kunstmatig
verwarmde atmospheer zoudt kunnen ontberen. Het kan nu een-
maal niet anders. En toch roep ik u toe: uw geval is niet hope-
loos, integendeel, daar is volkomen genezing voor u te verkrijgen;
daar is balsem in Gilead, daar is een Geneesmeester aldaar. Men
heeft veel kwaad van mijn Heiland gesproken, en op allerlei wijze
Hem gelasterd, maar dit heeft men toch nooit van Hem durven
zeggen: dat Hij ooit een enkel patiënt met minder gunstig gevolg
heeft behandeld.
Broeders en zusters, laat ons moed houden en gelooven in de
kunde van onzen goeden medicijnmeester. Al heeft onze zielskrankte
nog zoo hardnekkig tot hiertoe weerstand geboden, toch behoeven
mij niet te wanhopen. Het was enkel omdat wij op eigene hand
onze huis middeltjes aanwendden, of toevlucht namen tot medicijn-
meesters, die de breuke zijns volks op het lichtste genezen. Zijne
geneesmiddelen feilen nimmer. Gebruiksaanwijzing vindt men nader
duidelijk aangegeven in het heerlijk boekje van Mevrouw Pearsall
Smith, door vriendelijke handen in onze taal overgezet.
Laat niemand dit boekske met vooringenomenheid ter hand
nemen, of daarin meenen te vinden een afbreking van zijne be-
paalde meening of opvatting van
„de waarheid". Er is in ons
vaderland lang genoeg getwist en gestreden omtrent de waarheid.
En wat heeft al die strijd gebaat voor de uitbreiding van Gods
dierbaar Koninkrijk en de opbouwing onzer zielen in geloof en
liefde? Laat ons allen onze overtuiging ernstig en oprecht toetsen
aan Gods heilig woord en
waar zijn voor Hem. Hij zelf zal
door Zijn geest het ware inzicht geven, in Christus als de weg,
de waarheid en het leven.
Laat men ook niet zeggen als zoo velen, wij hebben onze eigene
leeraren, waartoe zouden wij dan nog een uit den vreemde behoe-
ven, en dat nog wel een vrouw, om ons te onderwijzen aangaande
-ocr page 9-
V
de dingen, die ons reeds klaarlijk genoeg zijn aangezegd. Dat nu
is juist de vraag! Zeer vele kinderen Gods hebben den Heere
Jezus als een groot muntbiljet, dat zij zonder pasgeld op zak
dragen, als het er op aankomt om eene kleine betaling te doen
slaan zij verlegen, omdat zij hun muntbiljet niet kunnen inwisse-
len. Onze lieve schrijfster nu leert ons juist deze heerlijke kunst
om den dierbaren Heiland voor en onder alles, zelfs onder de
kleinste omstandigheden des dagelijkschen levens, te gebruiken.
Wij danken God voor de heerlijke en diepe gedachten van onze
diepe denkers en christenwijsgeeren; maar in trouwe, wij hebben
behoefte aan eenvoudig onderwijs, juist voor de praktijk des chris-
tendoms in het leven. Dit nu is het onderwijs, dat wij vooral op
geestelijk gebied behoeven. Moge de Heere daartoe dit boekje in
Zijne genade willen gebruiken.
Zij het de zalige ervaring van velen, die het lezen:
Het heilgeheim. wordt aan zijn vrienden,
Naar zijn vreêverbond getoond.
Zoo wenscht en bidt uw broeder in Christus Jezus onzen Heer.
H. E. F.
-ocr page 10-
VOORWOORD.
------»-—
Dit is geen theologisch boek. Ik erken gaarne, dat ik nimmer
in de theologie studeerde, en geen verstand heb van hare leerrege-
len noch van de wijze, waarop zij gewoon is zich uit te drukken.
Maar de Heere heeft mij door den weg der ervaring en beoefening
eenige lessen uit Zijn woord geleerd, die mij krachtdadig voorU
geholpen hebben in mijn Christelijk leven, en het tot een recht
gelukkig leven gemaakt hébben.
Deze lessen wensch ik mede te
deelen, zoo goed ik kan, opdat ook anderen in dit gelukkige leven
ingeleid mogen worden. Het is mij niet mogelijk, dit geheim voor
mijzelve te houden.
Het is niet mijne begeerte om iemands theologische inzichten
te veranderen. Wellicht weten de meeste mijner lezers veel meer
omtrent de theologie dan ik, en zullen ze by mij, naar hare
regelen te oordeelen, vele vergissingen ontdekken. Maar ik verzoek
u daarop geen acht te slaan. Tracht er veelmeer naar, om door
te dringen tot het proefondervindelijke van H geen ik zocht te
zeggen, en, zoo dat practisch en nuttig blijkt te zijn, zie dan de
gebrekkige wijze van uitdrukken over het hoofd. Bedek het al met
den mantel der Christelijke liefde. Zeg van mij, zoo gij
\'< ver-
kiest, „welnu, zij is maar een vrouw, het is dus niet van haar te
verwachten, dat zij de theologie versta",
maar bedenk, dat God
-ocr page 11-
Vil
somtijds den kinderen geheimen ontdekt, die Hij voor de wijzen
en verstandigen verborgen houdt.
Ik heb mijn boekje den Heer opgedragen, en heb Hem gevraagd
om al wat er niet goed in is tegen te werken, zoodat alléén H geen
er goed in is, ingang in de harten vinde. Ik zend het de wereld
in, het hart vol medelijdende liefde voor al de worstelenden en
vermoeiden in de Kerk van Christus; het bevat eene boodschap
rechtstreeks van mijn hart tot het hunne. Ik geef het beste, dat
ik geven kan, meer kan ik niet. Moge de Heilige Geest er gebruik
van maken en door middel van dit boekje sommige lezers brengen
tot kennis van het ware heilgeheim.
de Schrijfster.
-ocr page 12-
INHOUD.
------------9f------\'-----
Bladz
Hoofdstuk I. Dit heilgeheim is naar de Schrift......      1
Hoofdstuk II. Het heilgeheim nader omschreven.....     10
Hoofdstuk III. Hoe men deel krijgt aan het heilgeheim. ...    16
Hoofdstuk IV. Bezwaren, betreflende de geheele overgave ...    24
Hoofdstuk V. Moeielijkheden op den geloofsweg......    32
Hoofdstuk VI. Is God in alles?...........    39
Hoofdstuk VII. Moeielijkheden aangaande den wil.....     47
Hoofdstuk VIII. Bezwaren aangaande eene leiding......    56
Hoofdstuk IX. Twijfelingen............     65
Hoofdstuk X. De blijdschap der gehoorzaamheid......     73
Hoofdstuk XI. De blijdschap der vereeniging met den Heer               80
Hoofdstuk XII. Vruchten in den dagelijkschen omgang en in den
wandel waarneembaar.........    85
Hoofdstuk XIII. Des Heeren dienst..........    95
-ocr page 13-
HOOFDSTUK I.
DIT HEILGEHEIM IS NAAR DE SCHRIFT.
Waar ik tot de behandeling overga van het ware Christelijke
leven, — het leven dat met Christus verborgen is in God, —
daar worstelen er in mij zoovele gedachten, die zich een
uitweg zoeken te banen, dat ik ze ter nauwernood onder
woorden kan brengen. Waarmede zal ik aanvangen? Wat
is het belangrijkste, dat hierover gezegd kan worden? Hoe
zal ik het voorstellen om het door anderen te doen lezen
en gelooven ? Het onderwerp is zóó heerlijk en de menschelijke
taal is zóó arm en zwak.
Toch moet er getuigenis van worden afgelegd. Het geheim
moet geopenbaard. Want het geldt hier de overwinning, die
de wereld overwint, — de verlossing van al onze vijanden,
daar elk kind Gods naar verlangt en waarom het ook bidt,
maar die gewoonlijk buiten zijn bereik schijnt te liggen. God
geve, dat ik de zaak zóó duidelijk moge mededeelen, dat de
oogen van eiken geloovige, tot wien dit boekje komt, geopend
mogen worden om de waarheid te zien, gelijk zij in Jezus is,
en hij zich dit heerlijk leven persoonlijk moge toeëigenen!
Want ik ben verzekerd, dat ieder bekeerde naar over-
winning en naar rust verlangt; onwillekeurig voelt haast
iedere ziel, dat zij er recht op heeft. Herinnert gij u niet,
sommigen uwer, den eersten jukelkreet uwer ziel, toen gij
aanvankelijk met den Heere Jezus bekend gemaakt werdt,
en met zijne macht om te verlossen? Hoe zeker waart ge
toen van de overwinning! Hoe licht kwam het u toen voor,
meer dan overwinnaars te zijn door Hem, die u heeft lief-
gehad! Aangevoerd door een Leidsman, die nimmer neêrlaag
kende in den strijd, hoe zoudt gij voor nederlagen beducht
zijn? En toch van velen uwer is de persoonlijke ervaring
l
-ocr page 14-
2
DIT HE1LGEHEIM IS
geheel anders geweest! De overwinningen waren klein in
getal en onzeker, de nederlagen talrijk en smartelijk. Gij
hebt niet geleefd, gelijk gij gevoelt, dat kinderen Gods be-
hooren te leven. Wel steunde men op een duidelijk inzicht
in de grondwaarheden des geloofs, maar zonder daarom door
te dringen tot de kracht en het leven dezer waarheden.
Wel bestond er vreugde over de kennis der dingen ons in
de schrift geopenbaard, maar desniettemin waren deze dingen
niet recht voor de ziel, en werden zij nog niet met klaarheid
door haar erkend.
Men gelooft in Christus, men spreekt over Hem, en dient
Hem, maar Hij wordt niet gekend als het tegenwoordige en
ware leven der ziel, als Hij, die daar binnen onafgebroken
woning maakt, en er zich voortdurend in zijne schoonheid
openbaart. Gij hebt Jezus als uwen Verlosser van de bezol-
diging der zonde gevonden, daarom hebt gij getracht naar
den dienst van God, en naar de uitbreiding en de bevordering
van zijn Koninkrijk. Gij hebt de Heilige Schriften trouw
onderzocht en uit deze vele kostbare waarheden saamver-
gaderd, die gij u gesteld hebt tot richtsnoer van uwen levens-
wandel. Maar niettegenstaande al uwe kennis, en al uwen
ijver in des Heeren dienst, hongeren uwe zielen heimelijk,
en gij roept telkens meer om dat brood en water des levens,
dat gij in de Schrift beloofd ziet aan allen, die gelooven.
In den diepsten grond uws harten, weet gij, dat uwe er-
varing niet naar de Schrift is; dat, gelijk een oud schrijver
het uitdrukt, uw godsdienst „maar uit woorden bestaat, ver-
geleken bij \'t geen door de eerste christenen genoten, bezeten
en beleefd werd." — En uwe ziel is in het binnenste van
u verslagen, daar dag bij dag en jaar op jaar uwe vroegere
uitzichten op overwinning meer beneveld zijn geworden, en
gij gedrongen zijt om u neder te zetten bij de overtuiging,
dat het uitnemendste, dat gij van uw geloof te wachten
hebt, een leven is, afgewisseld door nederlaag en overwinning;
na een uur van zonde, een uur van berouw, en dan weer
opnieuw, een vallen en opstaan.
Maar is dit inderdaad alles? Had de Heere Jezus slechts
hierop het oog, toen Hij zijn kostbaar leven nederlegde om
u van de smartelijke en wreede banden des Satans te ver-
-ocr page 15-
3
NAAR DE SCHRIFT.
lossen? Bedoelde Hij niet meer dan deze gedeeltelijke be-
vrijding? Was het zijn voornemen, dat gij voort zoudt wor-
stelen onder het verootmoedigend besef van nederlaag en
teleurstelling? Vreesde Hij wellicht, dat de onafgebroken
overwinning Hem onteeren en smaad op zijn naam zou
werpen? Met alle die beloften aangaande zijne komst, en
het werk, dat Hij gekomen is te volbrengen, bedoelde Hij
daar niets anders mede dan \'t geen uwe ervaring uitmaakt ?
Wordt er wellicht bij elke belofte heimelijk iets voorbehouden,
zoodat hare volkome vervulling onmogelijk wordt? — „De
verlossing uit de hand onzer vijanden," wil dit zeggen, uit
de hand van sommigen hunner? „Die ons bekwaam maakt
om ten alle tijde te triomfeeren," is dit, nu en dan triom-
feeren? „Meer dan overwinnaars door Hem, die ons lief-
gehad heeft," beteekent dit dan, gedurig nederlaag lijden?
Neen, neen, duizendmaal neen! God is machtig om ons vol-
komen te redden, en dit is ook waarlijk Zijne bedoeling.
Het is Zijne belofte, met eede bevestigd: „Om ons te geven,
dat wij verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen
zouden zonder vreeze in gerechtigheid en heiligheid voor
Hem, al de dagen onzes levens." — Dit te volbrengen is
een machtig werk, maar onze Verlosser bezit er het vermogen
toe. Hij kwam om de werken des duivels te verbreken en
waarom zouden wij het een oogenblik veronderstellen, dat
Hem de bekwaamheid of de kracht van wil zou ontbreken
om Zijn eigen voornemen ten uitvoer te brengen?
Stel dan dit ééne uitgangspunt vast: dat Jezus gekomen
is om u volkomen vrij te maken, nu, in dit leven, van de
macht en de overheersching der zonde, en om u geheellijk
te verlossen uit de handen uwer vijanden. Zoo gij niet gelooft
dat Hij dit deed, doorzoek, dan uwen Bijbel, en breng alle
verklaringen bijeen door Hem gegeven, omtrent het doel en
de uitwerking van Zijnen kruisdood. Het zal u verbazen,
wanneer gij zien zult, hoe talrijk en volledig deze verkla-
ringen zijn. Aan al die plaatsen wordt het ons gezegd, dat
Zijn werk onze verlossing is van onze zonden, van onze
banden en onze smetten; en nergens wordt ons te verstaan
gegeven, dat deze verlossing de beperkte bevrijding wezen
zou, waarmede zich de Kerk gedurig tevreden tracht te
stellen.
-ocr page 16-
4
DIT HE1LGEHEIM IS
Laat mij u met betrekking tot dit onderwerp eenige
teksten aan de hand doen. Toen de Engel des Heeren Jozef
in den droom verscheen, en de op handen zijnde geboorte
des Zaligmakers verkondigde, zeide Hij: „En gij zult zijn
naam heeten Jezus, want Hij zal zijn volk zaligmaken van
hunne zonden."
Toen Zacharias bij de geboorte van zijnen zoon „vervuld
werd met den H. Geest" en profeteerde, verklaarde hij, dat
God zijn volk bezocht had, om gedachtig te zijn aan den
eed, dien Hij hun gezworen had, „om ons te geven, dat wij,
verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zou-
den zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem,
al de dagen onzes levens."
Toen Petrus in den voorhof van den tempel te Jeruzalem
tot de verwonderde joden predikte, zeide hij: „God, opge-
wekt hebbende zijn Kind Jezus, heeft denzelven éérst tot
U gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin, dat Hij
een iegelijk van u afkeere van uwe boosheden."
Toen Paulus aan de gemeente te Efeze de wondervolle
waarheid mededeelde, dat Christus haar zoo lief gehad had,
dat Hij zich voor haar overgegeven had, toen voegde hij er
bij: „dat Christus dit deed, opdat Hij haar heiligen zou,
haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het
Woord; opdat Hij haar zich zelven heerlijk zou voorstellen,
eene gemeente, die geen vlek of rimpel heeft, maar dat zij
zou heilig zijn en onberispelijk."
Toen Paulus Titus „zijn oprechten zoon naar het gemeen
geloof," zocht te onderwijzen aangaande de genade Gods,
toen verklaarde hij, dat het doel dier genade was, ons te
onderwijzen, dat wij de goddeloosheid en de wereldsche
begeerlijkheden verzakende, matig en rechtvaardig en god-
zalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; — als
drijfveer om dit te doen, voegt hij er bij, „dat Christus zich-
zelven voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen
van alle ongerechtigheid, en zich zelven een eigen volk zou
reinigen, ijverig in goede werken."
Toen Petrus den Christenen, aan wie hij zijn\' brief richtte,
een\' heiligen, aan Christus gelijkvormigen, wandel op het hart
drukte, zeide hij hun: „Want hiertoe zijtgij geroepen, dewijl
ook Christus voor ons geleden heeft, ons een voorbeeld na-
-ocr page 17-
NAAR DE SCHRIFT.                                           5
latende, opdat gij Zijne voetstappen zoudt navolgen; die geene
zonde gedaan heeft, en er is geen bedrog in Zijnen mond
gevonden." Hierbij voegt hij: „Die zelf onze zonden in Zijn
lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij der zonde
afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden, door wiens
striemen gij genezen zijt."
Als Paulus in den brief aan die van Efeze, den wandel,
die den Christen past, tegen dien van den ongeloovigen
overstelt, dan stelt hij hem de waarheid, die in Christus is,
voor als volgt: „Te weten, dat gij zoudt afleggen, aangaande
de vorige wandeling, den ouden mensch, die verdorven wordt
door de begeerlijkheden der verleiding; en dat gij zoudt ver-
nieuwd worden in den geest uws gemoeds, en den nieuwen
mensch aandoen, die naar God geschapen is in ware recht-
vaardigheid en heiligheid."
En als dezelfde Apostel in Rom. 6 voor immer de vraag
beantwoordt, die betrekking heeft tot het blijven in de zonde,
en aanwijst, hoe volkomen vreemd dit blijven in de zonde
is aan den geheelen geest en het doel onzer verlossing in
Christus, dan voert hij het feit aan van onzen dood en van
onze opstanding met Jezus, als het onwedersprekelijk bewijs
voor onze werkelijke verlossing van zonden, en zegt: „Dat
zij verre. Wij, die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij
nog _in dezelve leven? Of weet gij niet, dat, zoo velen als
wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in Zijnen dood ge-
doopt zijn ? Wij zijn dan met Hem begraven door den doop
in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de dooden
opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzoo ook wij
in nieuwigheid des levens wandelen zouden." Hier voegt hij
aan toe: „Dit wetende, dat onze oude mensch met Hem
gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan
worde, omdat wij niet meer de zonde dienen."
Lieve Medechristenen, zijt gij bereid om het getuigenis
der Schrift aan te nemen in deze zaak? Dezelfde vragen,
die de Kerk in de dagen van Paulus verontrustten, doen
dit heden nog; vragen als „zullen wij in de zonde blijven,
opdat de genade te meerder worde?" Of wel „doen wij dan
de wet te niet door het geloof?" Zal ons antwoord op deze
vragen niet het besliste „dat zij verre," van Paulus wezen,
als ook de roemtaal, waarmede hij verzekert, „dat wij de
-ocr page 18-
6
DIT HEILGEHEIM IS
wet bevestigen in plaats van haar te niet te doen?" „Want
hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch
krachteloos was, heeft God, Zijnen Zoon zendende in ge-
lijkheid des zondigen vleesches, en dat voor de zonde, de
zonde veroordeeld in het vleesch, opdat het recht der wet
vervuld zou worden in ons, die niet naar het vleesch wan-
delen, maar naar den Geest."
Kunnen wij ook maar een enkel oogenblik veronderstellen,
dat de heilige God, die de zonde haat in den zondaar, haar
in den Christen zou kunnen gedoogen, en dat Hij het plan
der verlossing zoodanig saamgesteld zou hebben, dat de van
de straf der zonde bevrijde geloovige zich onmogelijk van de
macht der zonde bevrijd zou kunnen zien?
Ditzelfde wordt zoo goed uitgedrukt door Dr. Chalmers. „De
zonde," zegt hij, „is de smaad, die uit de groote geestelijke
huishouding, waar zich de Heere over verblijdt, moet uitge-
roeid worden... Het zou inderdaad een vreemd bestuur wezen,
indien de zonde den Heere zoo hatelijk ware, dat allen, die
haar bedreven hadden, onder den vloek des doods lagen; maar
dat het den mensch, die in het nieuwe leven overgegaan is,
weer veroorloofd wezen zou, haar te bedrijven; vreemd ware
het, zoo \'t geen eertijds naar recht het verderf ten gevolge
had, nu oogluikend toegestaan werd. Nu de straf opgeheven is,
houdt gij het nu voor mogelijk, dat de onveranderlijke God
zijnen- haat jegens de zonde zoo zeer zou laten varen, dat de
mensch, — de verlorene, maar verloste mensch — nu, bij dien
nieuwen staat van zaken, volharden mocht in datgene, wat
oudtijds hem had vernietigd ? God, die zesduizend jaar geleden
getoond heeft, dat Hij gerechtigheid lief heeft en ongerechtig-
heid haat, draagt Hij de gerechtigheid nog niet diezelfde
liefde toe, en dienzelfden haat aan de ongerechtigheid?
Ik, die nu de Goddelijke liefde inadem, en voor Gods aan-
gezicht wandel in vrede en in genade, zal ik weer pogingen
aanwenden om het monsterachtig verbond tot stand te bren-
gen tusschen een God, die het oogluikend zou aanzien, en
een mensch, die in zijn zonden volhardt?
Hoe zullen wij, die zoo even verlost werden van zulk eene
ontzettende ramp, volharden in het kwaad, waardoor deze
ramp ons overkwam?
Met den beslissenden, met den almachtigen stoot, waardoor
-ocr page 19-
7
NAAR DE SCHUIFT.
het kruis van Christus den vloek der zonde van ons terugdrong,
weert het even zoo zeker de macht en de liefde tot de zonde
van ons af."
Maar niet alléén spreekt aldus Dr. Chalmers; vele andere
heilige mannen, zoo wel uit zijnen tijd als uit den onze, als
ook uit vroegere geslachten, allen stemmen overeen, waar
zij getuigen, dat de verlossing, voor ons aan het kruis van
Golgotha door onzen Heer Jezus Christus volbracht, niet
enkel van de schuld der zonde, maar even zoo goed van hare
macht verlost, want Hij kan volkomenlijk zalig maken degenen,
die door Hem tot God gaan.
Een oud schrijver van de 17de eeuw zegt: „Niets is den
Heere zóó tegenstrijdig als de zonde, en Hij zal het niet gedoo-
gen, dat zij zijn kunstwerk, den mensch, altijd overheersche.
Wanneer wij de oneindige almacht Gods gadeslaan in het ver-
nietigen van al wat Hem wederstaat, wie kan dan aannemen,
dat de duivel Hem altijd wederstand zal blijven bieden?
„Ik houd het er voor, dat het voor den mensch niet samen
gaat, om Christen te zijn, en toch te meenen, dat Christus
de eeuwige Zoon van God, wien alle macht in den hemel
en op aarde gegeven is, aan zonde en duivel toelaat geweld
over hem uit te oefenen.
„Maar, zult gij zeggen, niemand, hoezeer hij zich inspanne,
heeft macht om zichzelf te verlossen, en niemand kan leven
zonder zondigen. Hierbij zeggen wij Amen.
„Maar komt men ons zeggen, dat, zoo \'sHeeren macht
ons te hulpe komt om ons uit de zonde te verlossen, de
verlossing evenwel niet tot stand komt, dan is het ons on-
mogelijk ons met deze leer te vereenigen; ik hoop dat het
u onmogelijk is.
„Zoudt gij er mede instemmen, indien ik u zeide, dat de
Heere Zijne macht hiertoe in het werk stelt, maar dat de
duivel Hem in den weg treedt? Dat deze zaak den Heere
onmogelijk is, omdat de duivel Hem niet toelaat haar ten
uitvoer te brengen? Dat het onmogelijk is, dat iemand van
de zonde bevrijd zou worden, omdat de duivel zulk een
macht over hem heeft, dat de Heere hem niet uitwerpen
kan? Dit is eene ellendige leer, en toch heeft men haar
verkondigd! Zij zegt met zoovele woorden, dat ofschoon des
Heeren macht tusschen beide treedt, de duivel de zonde
-ocr page 20-
8
DIT HEILGEHEIM IS
in den mensch op zulk eene wijze heeft ingeplant, dat \'s
menschen verlossing van haar onmogelijk geworden is. Maar
is niet de mensch een schepping van God en kan Hij hem
niet herscheppen, en de zonde van hem uitwerpen? Zoo
gij zegt: dat de zonde diep in den mensch ingeworteld is,
dan stem ik dit toe; maar niet zoo diep is zij in hem inge-
drongen of Jezus Christus drong nog dieper door in den
grond van \'s menschen natuur, zoodat hij het vermogen
verwierf om den duivel en zijne werken te niet te doen, en
den mensch te herscheppen in ware gerechtigheid en hei-
ligheid. „Wij weten het," zoo vervolgt hij, „dat, indien onze
vrienden als krijgsgevangenen in Turkije of elders verkeer-
den, wij gaarne eene geldsom zouden betalen voor hunne
vrijlating, maar zoo zij in hunne banden bleven verkeeren,
zouden wij ons geld immers niet voor hen willen storten.
Zou iemand zich niet bedrogen achten, die veel geld betaald
had voor hunne vrijlating, waarna zij dan ook volgens het
traktaat vrijgelatene gevangenen geheeten werden, maar
evenwel hunne ketenen moesten blijven slepen? En tot hoe
lang dit? Wel zoo lang als zij leefden.
„Dit heeft betrekking op het lichaam, maar nu spreek ik
van de ziel. Christus moet mij tot verlossing worden, en
mij van banden bevrijden. Maar ben ik een gevangene?
„Ja, voorwaar, immers hij, die de zonde doet, is een dienst-
knecht der zonde, zegt de Heere Jezus. Indien gij gezon-
digd hebt, zijt gij een dienstknecht der zonde, een slaaf, een
gevangene, die verlossing uit zijn banden behoeft. Maar wie
zal voor mij den losprijs betalen, want ik ben arm? Ik heb
niets, en kan mij zelf niet verlossen; wie wil voor mij be-
talen? Eén is er, die den prijs voor mij betaald heeft. Dit
is eene goede tijding! Nu hoop ik op verlossing uit mijne
slavernij. Hoe is zijn naam? Wordt Hij Verlosser genaamd?
Nu dan, nu reken ik ook op den zegen mijner verlossing,
daarop namelijk, dat ik uit zal gaan uit mijne banden. Maar
„neen" zegt men, gij moet nog in de zonden blijven, zoolang
als gij leeft. Hoe nu! word ik dan niet verlost? Blijft het
nog voortbestaan, dit hart, dat zoo verdorven is, en die ver-
keerde wil! Zal ik een verloste heeten en toch niet het ge-
loof bezitten, dat heiligmaking en een reinen wandel werkt ?
Is het niet mogelijk, de overwinning te behalen over de
-ocr page 21-
9
NAAR DE SCHRIFT.
zonde, en heerschappij over haar te blijven voeren ? Moet de
zonde veeleer de overmacht over mij behouden, zoo lang ik
leef? Maar welk een verlosser is deze dan toch, of liever
welken zegen geniet ik in dit leven van mijne verlossing ?"
Dergelijke uittreksels zouden wij van vele andere schrij-
vers kunnen geven als van Marshall en van Romaine, en
zij zouden het bewijs leveren, dat deze leer niet nieuw is
in de Kerk, hoewel het tegenwoordige geslacht haar uit het
oog heeft verloren. Zij is veelmeer de oude leer, die door
alle eeuwen te midden van hun dagelijksch leven de lippen
van Gods heiligen met lofliederen vervuld heeft, en nu wordt
deze oude leer opnieuw verkondigd, opdat beladene en ver-
moeide zielen er zich met onuitsprekelijke vreugde in zou-
den verblijden.
Verwerp deze leer dus niet, lieve lezer, zonder vooraf de
Schrift, al biddende, doorzocht te hebben, om te zien of
deze dingen waarlijk zoo zijn. Vraagt het den Heer om de
oogen uws verstands door Zijnen Geest te openen, opdat gij
weten moogt „welke is de uitnemende grootheid Zijner
kracht aan ons, die gelooven, naar de werking der sterkte
Zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus Jezus, toen
Hij hem uit de dooden opgewekt heeft, en gezet heeft aan
Zijne rechterhand in de hoogste hemelen." En zoo gij bij
aanvang een zwak begrip hebt van Zijne macht, leer dan
geheel afzien van uw vermogen, en uwe zaak geheel in
Zijne hand stellen, vertrouwende dat Hij machtig is u te
verlossen. „Als gij zult uittrekken tot den strijd tegen uwe
vijanden, en zult zien paarden, en wagenen, een volk meer-
der dan gij, zoo zult gij voor hen niet vreezen: want de
Heere, uw God, is met u, die u uit Egypteland heeft opge-
voerd. En het zal geschieden, als gijlieden tot den strijd
nadert, zoo zal de priester toetreden, en tot het volk spre-
ken, en tot hen zeggen: Hoort, Israël, gijlieden zijt heden
na aan den strijd tegen uwe vijanden, uw harte worde niet
week, vreest niet, en beeft niet en verschrikt niet voor hun
aangezicht. Want het is de Heere, uw God, die met u gaat,
om voor u te strijden, tegen uwe vijanden, om u te verlos-
sen." Deut. 20, vs. 1—5.
-ocr page 22-
10
HET HEILGEHEIM
HOOFDSTUK II.
HET HEILGEHEIM NADER OMSCHREVEN.
In het vorige hoofstuk heb ik getracht het hooger Christe-
lijk leven, of zooals ik het noemen zou, het „leven met
Christus verborgen in God" volgens de Schrift te bepalen.
Ik wil dan nu als bewezen aannemen, dat de Schrift den
geloovigen, in den Heere Jezus, een leven van blijvende rust
en van gedurige overwinning voorhoudt, \'t welk zeer ver de
lijn der gewone Christelijke ondervinding overschrijdt, en dat
wij ons in den Bijbel een Heiland voorgesteld zien, die be-
kwaam is, ons zoo zeker uit de macht onzer zonden te red-
den, als Hij ons van de schuld der zonde heeft verlost.
Waar dit verborgen leven eigenlijk in bestaat en in hoe
verre het van de gewone christelijke bevinding verschilt, is
het punt, dat wij nu te overwegen hebben.
Eigenlijk is het eenvoudig onze lasten op den Heer te
leggen en Hem onze zaken te laten regelen in plaats van
te trachten het zelve te doen.
De meeste christenen zijn den man gelijk, die langs den
weg zwoegde en gebukt ging onder een zwaren last, toen
een wagen hem inhaalde en de voerman vriendelijk aan-
bood hem de reis gemakkelijk te maken, welk aanbod met
blijdschap werd aangenomen. Gezeten zijnde, bleef de man
bukken onder zijn last, die hem op de schouders lag. „Waar-
om legt gij uw last niet neer?" vroeg de goedhartige voer-
man. „O!" antwoordde de man, „ik voel dat het reeds te
veel van u gevergd is om mij te vervoeren, zonder dat iku
ook nog mijn last te dragen zou geven." Evenzoo blijven
christenen, die zich aan de zorg en bewaring van den Heer
Jezus hebben overgegeven, menigmaal hun leven lang ge-
bukt gaan onder het gewicht van hun last.
Wanneer ik van lasten spreek, versta ik daaronder alles
wat ons hindert, hetzij in het tijdelijke, hetzij in het gees-
telijke.
In de eerste plaats ons eigen „ik". De grootste last, dien
wij te dragen hebben is ons eigen ik. Onze eigen persoon-
lijkheid is het moeielijkst te regeeren. Ons eigen dagelijksch
bestaan, ons zijn en voelen, onze zwakheden en verleidin-
-ocr page 23-
11
NADER OMSCHREVEN.
gen, onze eigenaardige gemoedsgesteldheid, onze inwendige
bemoeiingen van allerlei aard, — dit zijn de dingen, die ons
ontstemmen en afmatten meer dan iets anders en deze bren-
gen ons het meest in duisternis en in banden. Bij het af-
leggen van uw lasten is het eerste, waarvan gij u ontdoen
moet, u zelven. Gij moet u zelven, met al uwe inwendige
gewaarwordingen, met uwe verzoekingen, met uw gemoeds-
gesteldheid, met uw gansche zijn en voelen aan de bewa-
ring van uw\' God overgeven en ze allen daarlaten. Hij be-
grijpt u en weet met u om te gaan, zoodat gij het aan Hem
kunt overlaten. Zeg tot Hem: „Hier ben ik Heer; ik verlaat
mij op U. Op allerlei wijzen heb ik getracht mij zelven te
vormen tot hetgeen ik weet, dat ik zijn moest, maar \'t is
mij altijd mislukt. Nu geef ik het aan Ü over. Maak mij ge-
heel tot Uw eigendom. Werk in mij al het welbehagen van
Uw wil. Kneed en vorm mij tot een vat U ter eere, gehei-
ligd en bekwaam tot den dienst des Meesters, tot elk goed
werk wel toebereid." Daar moet gij u dan aan houden, u
zelven gedurig en geheel aan God toevertrouwende.
Vervolgens moet gij eiken anderen last afleggen: uwe
gezondheid, uw goeden naam „uwen christelijken arbeid,"
uwe huizen, uwe kinderen, uwe dienstboden, in één woord,
alles wat u, \'t zij in- of uitwendig, aangaat.
De christenen vertrouwen wel altijd de eeuwige belangen
hunner ziel aan den Heer, omdat zij weten, zonder er een
oogenblik aan te twijfelen, dat zij daar zelf niet voorzorgen
kunnen; maar de dingen van dit tijdelijke leven nemen zij
voor hunne eigene rekening en zoeken die in eigen kracht
te dragen, mogelijk wel met het denkbeeld, zonder het te
willen bekennen, dat het heel veel is om van den Heer te
vragen, dat Hij hen drage zonder daarenboven van Hem te
begeeren, dat Hij ook hunne lasten op zich neme.
Ik heb cene Christelijke dame gekend, die een zeer zwaren
last te dragen had.
Zij kon er niet van slapen noch eten, en liep gevaar hare
gezondheid er onder te verliezen. Op zekeren dag, toen die
last haar bijzonder zwaar was, viel haar aandacht op een
klein traktaatje, dat naast haar op de tafel lag. Het had
tot opschrift: „Hanna\'s geloof." Dit opschrift lokte haar uit
om het blaadje op te nemen en zij ving aan het te lezen,
-ocr page 24-
12                                          HET HEILGEHEIM
weinig vermoedende, dat het eene geheele omkeering in
haar gemoedsbestaan zou te weeg brengen, \'t Was de ge-
schiedenis van eene arme vrouw, die steeds overwinnend
een buitengewoon smartvol leven was doorgeleid geworden.
Op zekeren dag vertelde zij hare levensgeschiedenis aan
iemand, die haar uit liefde was komen bezoeken. Toen zij
gedaan had met spreken zeide de vreemde met blijkbaar
gevoel: „O Hanna, ik weet niet, hoe gij zoo veel leed hebt
kunnen dragen?"
„Ik droeg het niet," was terstond het antwoord, „de Heer
droeg het voor mij." „Ja," zeide de bezoeker toen, „dit is
de ware weg. Men moet zijne zorgen tot den Heer brengen."
„Ja," antwoordde Hanna, „maar wij moeten meer doen dan
dat; wij moeten ze daar laten. De meeste menschen," ver-
volgde zij, „gaan wel met hunne zorgen tot den Heer, maar
nemen die weer met zich meê en zijn dan even vermoeid
en ongelukkig als ooit te voren. Doch ik neem de mijne en
ik laat die bij Hem en ik kom terug en vergeet ze; keert
de kommer weer, dan breng ik dien op nieuw tot Hem; dit
herhaal ik zoo dikwijls, tot dat ik eindelijk vergeet, dat ik
eenig leed heb en ik volkomen vrede smaak." Mijne vriendin
was zeer getroffen door dit voorbeeld en besloot het na te
volgen. De omstandigheden van haar leven kon zij niet ver-
anderen, maar zij bracht die voor den Heer en gaf ze in
Zijne handen over in het geloof, dat Hij die van haar over-
nam, waarna zij al de verantwoordelijkheid, al de zorg en
angst er van aan Hem overliet. Zoo dikwijls de bekommernis
terugkeerde bracht zij ze weer weg: het gevolg hiervan was,
dat, hoewel de omstandigheden onveranderd bleven, hare
ziel te midden van deze volkomen rust en vrede had. Zij
ervoer, dat zij het heilgeheim gevonden had en van dat oogen-
blik af aan trachtte zij nimmer meer hare lasten zelve te
dragen noch iets in haar lot te besturen.
Dit geheim, dat haar zoo doeltreffend bleek te zijn ten
opzichte harer uiterlijke belangen, bevond zij nog veel voor-
treffelijker bij de toepassing op haar inwendig bestaan, dat
eigenlijk nog veel moeielijker te leiden was. Zij gaf zich ge-
heel over aan den Heer met al wat zij was en al wat zij
had, en in het geloof, dat Hij op zich nam, hetgeen zij Hem
toebetrouwde, morde en klaagde zij niet langer en haar
-ocr page 25-
13
NADER OMSCHREVEN.
leven werd glanzend door de vreugde van Hem toe te be-
hooren. Dit is „het hooger christelijk leven!" Het geheim,
\'t welk zij gevonden had, was zeer eenvoudig — alleen dit,
dat het mogelijk is, dit bevel van God op te volgen: „Wees
in geen ding bezorgd; maar laat uwe begeerten in alles,
met bidden en danken bekend worden bij God," en dat de
gehoorzaamheid aan dit bevel de vervulling dezer belofte
tengevolge heeft „de vrede Gods, die alle verstand te boven
gaat zal uw hart en uwe zinnen bewaren door Christus Jezus."
Er is veel te zeggen van dit leven, dat met Christus ver-
borgen is in God, vele bijzonderheden te vermelden van
hetgeen Jezus doet voor hen, die zich alzoo aan Hem over-
geven: maar het wezen der zaak is hier gegeven. De ziel
die dit geheim gevat heeft, houdt .den sleutel, waarmee het
gansche schathuis des Heeren ontsloten kan worden.
En nu vertrouw ik, dat ik u hongerig gemaakt heb naar
dat gezegende leven. Zoudt gij niet wenschen van uwe lasten
ontheven te worden ? Verlangt gij niet het bestuur over uw
onregeerbaar „ik" over te leggen in handen van Een, die
bekwaam is u te besturen en te vormen? Zijt gij niet ver-
moeid en beladen, en lacht de rust, waarvan ik spreek, u
niet vriendelijk toe?
Herinnert gij u het heerlijk gevoel, waarmee gij wel eens
des nachts naar bed zijt gegaan, na een dag van groote in-
spanning en zware vermoeienis? Hoe heerlijk was \'t gevoel
van uitspanning, van de geheele overgave des lichaams aan
rust en gemak. De spanning van den dag hield voor eenige
uren op. Hoofd en hart kwamen tot rust.
Gij mocht u onbezorgd op uw bed uitstrekken, zonder
vrees, dat het u niet dragen kon. Gij rusttet!
Veronderstel, dat gij getwijfeld hadt aan de sterkte van
uw bed en dat gij in vrees verkeerd hadt van ieder oogen-
blik te zullen doorzakken en op den vloer terecht komen;
zoudt gij dan gerust hebben? Zou dan niet elke spier ge-
spannen zijn geweest door vruchtelooze pogingen om u op
te houden en zou de afmatting daarna niet grooter zijn ge-
weest dan zoo gij u in \'t geheel niet te bed begeven hadt?
Laat deze vergelijking dienen om u te leeren, wat het
zegt, op den Heer te vertrouwen. Laat uwe ziel in Hem
hare rust zoeken, gelijk uw lichaam dat des nachts op uwe
-ocr page 26-
14
HET HEILGEHEIM
legerstede doet. Ontbindt eiken band en leg af allen last.
Geef u zelven over aan uwe behoefte naar rust en gemak,
in de zekerheid, dat wanneer Hij u ondersteunt, gij in vol-
komen veiligheid zijt.
Van uwen kant hebt gij eenvoudig te berusten; van
Zijnen kant heeft Hij u staande te houden, en Hij kan niet
wankelen.
Neem eene andere gelijkenis, door den Heer zelf gebezigd —
die van \'t kind. „En Jezus een kindeken genomen hebbende,
zette dat in \'t midden van hen en zeide: „Waarlijk, ik zeg
u, indien gij u niet bekeert en wordt gelijk de kinderen,
gij zult in het koninkrijk der hemelen niet ingaan." Wat is
het eigenaardige van een klein kind, hoe doet het? Het
leeft in \'t geloof en zijn voornaamste karaktertrek is onbe-
zorgdheid. Zijn leven is eene aaneenschakeling van vertrou-
wen van het eene einde des jaars tot het andere. Het ver-
trouwt zijne ouders, het vertrouwt zijne verzorgers, het ver-
trouwt zijne leermeesters, het vertrouwt zelfs menschen, die
geen vertrouwen waard zijn; en dit alles van wege de ver-
trouwelijkheid zijner natuur.
Aan zijn vertrouwen wordt volkomen beantwoord. Het
kind zorgt in niets voor zich zelven en toch wordt er in alles
voor hem gezorgd. Het denkt niet aan den dag van morgen,
het maakt geene plannen, en toch is zijn leven voor hem
afgebakend dag bij dag en uur bij uur. Het gaat zijns vaders
huis in en uit met eene onuitsprekelijke gemakkelijkheid,
geniet er al het goede, zonder er een cent voor uit te geven.
Pestilentie mag de straten zijner stad doortrekken, hij let
er niet op. Hongersnood, vuur en zwaard mogen rondom
het kind woeden, het blijft in volkomen gerustheid zich op
de teedere zorgen zijns vaders verlaten. Het kind leeft in het
tegenwoordige en ontvangt het noodige uit zijns vaders hand,
zooals die het hem dag bij dag toedeelt.
Ik bevond mij eens bij aanzienlijke lieden, die slechts een
eenig, aangenomen kind hadden, aan hetwelk al de liefde en
teederheid, waarvoor een menschenhart vatbaar is, besteed
werd. Als ik dit kind gadesloeg hoe het uit- en inliep met
de vroolijkheid en onbezorgdheid der kindschheid, dacht ik:
welk een treffend beeld is dit kind van de wonderbare ver-
houding van kinderen in het huis van onzen hemelschen
-ocr page 27-
NADER OMSCHREVEN.                                      15
Vader. Ik zeide tot mij zelven: Indien reeds het liefdevolle
hart van hen, die haar verzorgen, zou kunnen gegriefd wor-
den, wanneer dit meisje in eenig opzicht mocht gaan vree-
zen, dat het haar in het vervolg aan iets zou kunnen ont-
breken, hoeveel te meer moet het hart des hemelschcn
Vaders, dat vol teedere liefde vervuld is jegens ons, ge-
griefd worden wanneer Zijne kinderen zoo bezorgd zijn, en
ik begreep, waarom de Heer ons zoo nadrukkelijk gezegd
heeft: „zijt niet bezorgd voor u zelven."
Wie worden in elk huisgezin het best verzorgd? Zijn het
niet de kleine kinderen? En krijgt niet de zuigeling, het
meest hulpbehoevende wicht, het grootste deel der zorgen?
Zooals een schrijver onlangs zeide: het kleine kind „werkt
niet en spint niet en toch is het gevoed, en gekleed, en
bemind en gevierd meer dan eenig ander wezen."
Dit leven des geloofs, waarvan ik spreek, bestaat juist
hierin — een kind te zijn in het huis des Vaders; en waar
dit bestaat, daar wordt elke vermoeide en beladene ziel tot
rust gebracht. Laat de vrijmoedigheid en het kinderlijk ver-
trouwen, die uw hart zoo zeer innemen, wanneer gij die in
uwe kleinen opmerkt, u leeren, hoedanig gij tegenover God
behoort te zijn en, uw lot dan in zijne handen stellende,
zult gij ondervinden, dat de vrede Gods, die alle verstand
te boven gaat, uw hart en uwe zinnen zal bewaren in
Christus Jezus."
„Vertrouw op den Heer en doe het goede, zoo zult gij
wonen in het land en gij zult verzadigd worden."
„Verlustig u alzoo in den Heer en Hij zal u de begeerte
uws harten geven."
„Wentel uwen weg op den Heer; Vertrouw alzoo op Hem
en Hij zal het maken."
„En Hij zal uwe gerechtigheid doen voortkomen als het
licht en uw oordeel als den vollen dag."
„Rust in den Heer en verwacht Hem met geduld."
„En het werk der gerechtigheid zal vrede zijn — en Mijn
volk zal in vrede wonen en in eene vaste woonstede en in
stille rustplaatsen."
-ocr page 28-
1G
HOE MEN DEEL VERKRIJGT
HOOFDSTUK Dl.
HOE MEN DEEL VERKRIJGT AAN HET HEELGEHE1M.
Wij hebben getracht de vraag te beantwoorden of de er-
varingen van dit leven van volkomene overgave, schriftuur-
lijk waren, wij hebben ook eenigermate verklaard, wat dit
leven is; onze volgende stap is dus, dat wij verklaren, hoe
dit leven bereikt en verwezenlijkt wordt.
En in de eerste plaats word ik gedwongen te zeggen, dat
dit gezegende leven niet beschouwd moet worden als iets,
dat wij zelf bereiken, maar als eene gave. Wij kunnen het
niet verdienen, wij kunnen er niet naar opklimmen; wij
kunnen er slechts om vragen en wij kunnen het ontvangen.
Het is de gave Gods in Christus Jezus. En waar het eene
gave geldt, heeft hij, die ontvangt, slechts aan te nemen. —
Nimmer zeggen wij van eene gave: „Zie eens, wat ik heb
verworven" om zóó onze eigene bekwaamheid te verheffen;
maar wij zeggen: „Zie, wat mij gegeven werd," en wij be-
roemen ons in de liefde, den rijkdom en de edelmoedigheid
van den gever. — In onze verlossing is alles gave. Van het
begin tot het einde is God gever, en zijn wij ontvangers en
niet aan hen, die groote dingen doen, worden de rijkste be-
loften geschonken, maar aan hen, die de „volheid der ge-
nade, en de gaven der rechtvaardigmaking," ontvangen. Op-
dat wij dit inwendige leven dus naar eigene ervaring in
zouden gaan, moet de ziel daartoe in een ontvankelijken
toestand verkeeren, en ten volle het feit erkennen, dat dit
leven Gods gave is in Christus Jezus, en dat het niet ver-
kregen kan worden door eenig eigen werk, noch door eigene
inspanning. — Door middel van deze erkentenis vereen-
voudigen wij de vraag grootelijks; want nu schiet ons maar
één punt ter beschouwing meer over; namelijk aan wie de
Heere Zijne gaven schenkt, en hoe zij ze hebben te ont-
vangen? Op deze vraag wensch ik kortweg dit te antwoor-
den, dat de Heer Zijne gaven alleen schenkt aan de Hem
volkomen toegewijde ziel, en dat deze ze zich door het
geloof toeeigent.
De toewijding is het eerste punt. Zij is niet een voorschrift
der wet, ook wordt niet door haar een zegen gekocht of
-ocr page 29-
17
AAN HET HEILGEHEIM.
verdiend, maar deze toewijding is onmisbaar om de bezwa-
ren uit den weg te ruimen en de Heer in de mogelijkheid
te stellen om dit leven mede te deelen. — Zal uit eene
klomp kleiaarde een sierlijk voorwerp gevormd worden, dan
moet het onbeweeglijk liggen in de hand van den potte-
bakker. En zal uit eene ziel een vat gevormd worden Gode
ter eer, geheiligd, toebereid tot \'s Heeren dienst en tot
ieder goed werk, dan moet ook deze ziel zich den Heere
geheel overgeven, en stil liggen in Zijne hand. Deze zaak
is onwederlegbaar.
Eens deed ik eene poging om dit .\'duidelijk te maken aan
een geneesheer, die aan het hoofd van een groot gasthuis
stond. Maar hij scheen niet te kunnen vatten, wat toewij-
ding beteekent, en evenmin de noodzakelijkheid, die daartoe
bestaat. Eindelijk sprak ik tot hem: „Veronderstel, dat gij,
rondwandelende onder uwe kranken, een man ontmoet, die
u ernstig smeekte, hem onder uwe bijzonder nauwlettende
behandeling te nemen, maar die tevens weigerde om al de
verschillende kenteekenen zijner krankheid mede te deelen,
of alle de door u voorgeschreven middelen te gebruiken, en
toch tot u zeide: „Ik ben bereid om uwe voorschriften tot
op zekere hoogte op te volgen, zóó ver als mijn verstand
er zich mede vereenigen kan, maar in sommige opzichten
wensch ik voor mij zelve te oordeelen, en naar eigen inzicht
te handelen." — Wat zoudt gij in dergelijk geval doen?
vroeg ik. — „Wat ik doen zou?" sprak hij verontwaardigd,
„dien man zou ik spoedig aan zich zelf overlaten. Want ik
zou immers niets met hem kunnen aanvangen, tenzij hij
zich geheel aan mij toevertrouwde, en mijne voorschriften
onvoorwaardelijk gehoorzaamde." „Dus," hernam ik, „is het
de eisch, dat men den geneesheer gehoorzame, opdat hij
hoop moge voeden den kranke te behouden?" — „Dit is de
onvoorwaardelijke eisch," antwoordde hij met zelfvertrouwen.
„Welnu," hernam ik, „en deze eisch is niets anders dan
toewijding, wij hebben onze geheele zaak onvoorwaardelijk
in \'s Heeren hand te stellen, en Zijne voorschriften behooren
stiptelijk door ons nagekomen te worden." „Nu vat ik het,"
riep hij uit, „nu vat ik het! Ook zal ik het doen. Van nu
af aan zal de Heer met mij doen, wat Hem behaagt."
Het woord „overgave" drukt wellicht naar sommiger mee-
2
-ocr page 30-
18
HOE MEN DEEL VERKRIJGT
ning dit denkbeeld nog beter uit. Maar welk woord ook door
ons gebruikt worde, we bedoelen de volkomene overgave
van geheel ons wezen aan God — geest, ziel en lichaam,
zóó geheel onder zijne leiding geplaatst, dat Hij er mede
doen kan, al wat Hem behaagt. — We bedoelen, dat de taal
onzes harten onder alle omstandigheden, met het oog op
iedere handeling deze behoort te zijn: „Uw wil geschiede." —
Wij bedoelen het opofferen van alle eigene vrije keuze.
Wij bedoelen een leven van volkomene gehoorzaamheid.
Dit moge hard toeschijnen aan de ziel, die onbekend is met
den Heere, maar voor die Hem kennen, is dit het zaligst leven,
het leven vol vrede. Hij is onze Vader, en heeft ons lief, en
weet wat ons het nuttigste is en daarom verstaan wij, dat
Zijn wil ons onder alle omstandigheden het meest ten zegen
wezen moet. Ik begrijp mij niet, hoe het den Satan gelukt
is om de oogen der Kerk met betrekking tot dit feit, aldus te
verblinden. Maar inderdaad het heeft er den schijn van, alsof
\'s Heeren eigen kinderen meer bevreesd waren voor Zijnen
wil dan voor eenige andere omstandigheid des levens — en
toch heeft Zijn liefdevolle wil enkel teederheid en goeder-
tierenheden in den zin, met onuitsprekelijke groote zege-
ningen voor hunne zielen! Kon ik maar een ieder doen in-
zien, hoe onpeilbaar diep de liefde van \'s Heeren wil is. —
De hemel is een oord van onuitsprekelijke zaligheid, omdat
Gods wil aldaar in volmaaktheid betracht wordt, en ons
leven heeft reeds deel aan de zaligheid, naarmate de wil des
Heeren meer volmaakt gevolgd wordt. Hij heeft ons lief, en
de wil van Hem, die lief heeft, brengt altijd zegen over het
voorwerp der liefde.
Sommigen onzer weten bij ervaring wat beminnen is, als
ook dat, zoo zij naar wensen konden handelen, het voorwerp
hunner liefde met zegeningen overstroomd zou worden. Al
wat het leven zoet, lieflijk en aangenaam maakt zou door
ons met kwistige hand over hen uitgestort worden, zoo wij
slechts onzen wensch voor hen ten uitvoer konden brengen.
Daar dit nu de wijze is, waarop wij liefhebben, hoeveel te
meer is dit met den Heer het geval, die de liefde zelf is. Zoo
wij slechts één blik konden werpen in de peillooze diepte zijner
liefde, zouden onze harten zijnen wil juichende te gemoet
gaan, en dien wil omhelzen als onzen meest kostbaren schat.
-ocr page 31-
10
AAN HET HEILGEHEIM.
Dan zouden wij ons in eene verrukking van dankbare blijd-
schap aan dien wil overgeven, en deze overgave als ons
grootste voorrecht beschouwen. Vele Christenen meenen in-
derdaad dat hun Hemelsche Vader hen neerslachtig maken
wil door hen van al hunne zegeningen te berooven; zij beel-
den zich in, dat zij Hem beletten zullen dit te doen door
zich vast te klemmen aan hunne afgoden. Ik schaam mij
bijna de woorden, die ik hier nederschrijf, en toch moeten wij
eene dwaling onder de oogen zien, die honderden van levens
ellendig maakt. — Een geloovige dame, die deze gewaarwording
kende, klaagde eens aan eene vriendin, dat zij het onmogelijk
vond te zeggen: „Uw wille geschiede;" ook beefde zij voor deze
bede terug. Zij was de moeder van een eenig kind, een
zoontje, dat erfgenaam was van een groot vermogen, en tevens
de afgod haars harten. Nadat zij hare bezwaren ten volle
uitgesproken had, zeide hare vriendin: „Veronderstel, dat
uwe kleine Karel morgen naar u toe kwam loopen, zeg-
gende: „Moeder, nu ben ik besloten om mij voortaan ge-
heel, in alles, wat gij met mij voorhebt, naar uwen wil te
voegen. Ik verlang u altijd te gehoorzamen, en alles te
doen, wat gij voor mij goedkeurt. Ik weet, dat gij mij lief
hebt, en aan uwe liefde zal ik mij geheel toevertrouwen."
Welke gewaarwording zou u nu jegens uw kind bezielen ?
Zoudt gij in uw hart spreken: „welnu, nu zie ik mij in
de gelegenheid Karel ongelukkig te maken? Ik ga hem
van zijn vermaken berooven en \'t leven hem bitter maken ?
Ik zal hem dwingen om te doen, wat hem moeilijk valt, en
hem allerhande lastige bevelen geven?" — „Wel neen,
zeker niet!" riep de moeder met verontwaardiging, „gij
weet, dat ik aldus niet zou kunnen handelen. Gij weet, dat
ik hem aan mijn hart zou sluiten, en met kussen zou over-
laden, en dat ik mij zou beijveren om zijn leven zoo lieflijk
mogelijk te maken." — „Zijt gij dan teederder en liefdevol-
Ier dan de Heer?" vroeg hare vriendin. „Ach! neen," was
het antwoord. „Nu zie ik mijne vergissing in en ik hoop
voortaan even onbeschroomd het woord: „Uw wille ge-
schiede," jegens mijn Hemelschen Vader uit te spreken, als
mijn kleine Karel het tegen mij kan zeggen." — Voor \'t
hart is de aanbiddelijke wil van God zoeter dan gezondheid,
vrienden, geld, gemak of voorspoed.
-ocr page 32-
20
HOE MEN DEEL VERKRIJGT
Die wil verspreidt een lichtglans in het duisterste üur, en
een straal van zonlicht over het droevigste pad. Want Hij
regeert over alles, en zal alles ten beste leiden. Voorzeker
houd ik u niet anders dan een heerlijk voorrecht voor, wan-
neer ik u zeg, dat de eerste schrede, die gij te doen hebt,
die van geheele toewijding is, zoo gij dat leven zult ingaan,
dat met Christus verborgen is in God. Het zou mij leed
doen, indien gij het voor een hard en gestreng gebod hicldt.
Gij moet het met blijdschap, met dankbaarheid en met
ingenomenheid volbrengen. Ga voort en blijf deze toewijding,
gelijk ik haar noemde, als uw voorrecht beschouwen, en
ik geef u deze verzekering, die ik bij ervaring verkregen
heb, dat gij dit leven het zaligste noemen zult, dat gij hadt
kunnen ingaan.
Daarop volgt het geloof. Geloof is een onmisbaar beginsel,
waar het er op aan komt zich eene gave toe te eigenen;
want hoe bereid onze vrienden wezen mogen om ons iets
te schenken, zoo is dit voorwerp eerst het onze geworden,
wanneer wij ook gelooven, dat het ons geschonken is, en het
daarom het onze noemen.
Dit geldt vooral de zuiver-geestelijke gaven. Wij kunnen
iemands onbegrensde liefde bezitten, maar eerst dan behoort
deze liefde ons inderdaad toe, wanneer wij ook gelooven,
dat wij bemind worden. Ik veronderstel, dat de meeste
Christenen deze waarheid begrijpen, daar waar het de ver-
geving hunner zonde geldt. Zij weten, dat schuldvergiffenis
door den Heere Jezus hun eeuwig had kunnen gepredikt
worden, zonder dat zij ooit hun deel zou geworden zijn
totdat zij geloof aan deze prediking wilden hechten en deze
schuldvergiffenis voor zichzelven afsmeekten. Maar wanneer
het nu ernst wordt om het Christelijk leven te beleven, dan
verliezen zij dit beginsel uit het oog, en meenen dat zij,
eenmaal verlost door het geloof, nu te leven hebben door
de werken en door hunne eigene pogingen; en in plaats van
in het ontvangen te volharden, beginnen zij nu te werken.
Van daar dat onze getuigenis hun onbegrijpelijk wordt, dat
het leven met Christus verborgen in God door het geloof
moet ingegeven worden. En toch wordt het ons duidelijk
aangezegd, „dat, gelijk wij den Heere Jezus aangenomen heb-
ben, wij alzoo ook in Hem hebben te wandelen. Wij ont-
-ocr page 33-
AAN HET HEILGEHEIM.                                    21
vangen Hem door het geloof, en alléén door het geloof, en
zoo hebben wij ook met Hem te wandelen door het geloof
en alléén door het geloof. En het geloof, door hetwelk wij
in dit verborgen leven ingaan, is geheel hetzelfde geloof, als
waardoor wij overgebracht werden uit het koninkrijk van
den Satan in dat van den Zoon van Gods liefde; alléén
slaat dit geloof eene andere richting in. Vroeger geloofden
wij, dat Jezus onze Zaligmaker was van de schuld der zonde,
en ons geschiedde naar ons geloof. Nu hebben wij aan te
nemen, dat Hij onze Verlosser van de macht der zonde is
en ook nu zal ons geschieden naar ons geloof. — Toen stel-
den wij ons vertrouwen in Hem met betrekking tot onze
rechtyaardigmaking, en Hij schonk haar ons; nu [hebben wij
weder ons vertrouwen in Hem te stellen met betrekking tot
onze heiligmaking, en nu zal Hij deze ons ook schenken.
Toen namen wij Hem als verlosser aan van de toekomstige
straf der zonde; nu hebben wij Hem aan te nemen als ver-
losser van de tegenwoordige banden der zonde. Toen was
Hij onze plaatsvervanger, nu moet Hij ons leven wezen.
Toen hief Hij ons op uit den afgrond, nu wil Hij ons met
Hem doen zitten in de hemelsche plaatsen.
Hiermede bedoel ik, dat dit alles zelf ondervonden en in
beoefening gebracht moet worden. Volgens Gods Woord
weet ik, dat iedere geloovige in het bezit van al zijn voor-
rechten is, van af het oogenblik zijner wedergeboorte. Maar
naar zijhé ondervinding te oordeelen heeft hij niets, tot dat
hij het zich toeeigent door het geloof. „Alle plaats, waarop
ulieder voetzool treden zal, heb Ik u gegeven." God heeft
ons „gezegend met alle geestelijke zegening in den hemel
in Christus;" maar zoo lang wij in het geloof den voet niet
op deze zegeningen zetten, worden zij de onze niet werke-
lijk. „Naar ons geloof," is de beperking, die hier voortdurend
tot regel verstrekt. Maar dit geloof, waarvan ik spreek, moet
het geloof van het oogenblik zelf wezen. Wij kunnen niet
een soort van toekomstig geloof hebben, dat iets beteekent.
Iemand kan eeuwig gelooven, dat zijne zonden op zekeren
toekomenden tijd vergeven zullen worden en toch nooit tot
bekeering komen. — Hij moet tot het geloof, dat het oogen-
blik zelf geldt, gebracht worden, en moet kunnen zeggen:
„Nu zijn mij mijne zonden vergeven." Eer het zóó ver met
-ocr page 34-
22
HOE MEN DEEL VERKRIJGT
hem komt, heeft hij geene kennis aan het nieuwe leven. En
evenzoo kan geen geloof, dat naar de toekomst uitziet om
verlossing van de macht der zonden, ooit eene ziel binnen
leiden in het leven, dat wij beschrijven. Satan verblijdt zich
in een geloof, dat op de toekomst ziet, want hij weet, dat
het onmachtig is om iets degelijks tot stand te brengen.
Maar hij beeft en vliedt, zoodra de geloovige om bevrijding
in het tegenwoordig oogenblik smeekt en dan ook op be-
vrijding van \'s Boozen macht rekent. Hieruit kunnen wij, tot
hetgeen volgt, besluiten.
Opdat men inga in dit gezegend leven van rust en van
overwinning, behooren twee stappen gedaan te worden. De
eerste stap is, geheele zelfovergave; de tweede, een vol-
komen geloof. Het doet er niet toe, hoe ingewikkeld uwe
persoonlijke ervaringen wezen mogen, het doet er niet toe
van hoedanigen aard uw moeielijkheden, uwe omgeving,
uwe plaats op maatschappelijk gebied zijn; deze beide schre-
den moet gij doen, en zoo gij ze met volle beslistheid doet,
en er moedig in volhardt, dan brengen zij u ongetwijfeld
vroeger of later in de groene weiden en stille wateren van
dit hooger Christelijk leven. Wees er van overtuigd. En zoo
gij iedere andere beschouwing laat varen, en uw aandacht
uitsluitend wijdt aan deze beide punten en hieromtrent tot
helderheid en zekerheid zijt gekomen, dan zult gij voor-
spoedig toenemen, en nog eer gij het voor mogelijk houdt,
zal uwe ziel de haven bereiken, waarnaar zij verlangend
uitziet.
Zal ik u den weg, dien gij trapsgewijs te gaan hebt, nog-
maals voorhouden opdat gij u niet vergissen moogt? — Gij
zijt een kind van God, en verlangt Hem welgevallig te zijn.
Gij hebt uw\' dierbaren Zaligmaker lief; en de zonde in u,
die Hein bedroeft, maakt u moede en mismoedig. Gij zucht
er naar, om verlost te worden van de kracht dier zonde.
Maar al wat gij tot hiertoe aangewend hebt, heeft u niet
kunnen verlossen; en nu, schier wanhopend, vraagt gij of
het waar kan wezen, wat deze gelukkige menschen getui-
gen, dat Jezus inderdaad gewillig en machtig is om u te
verlossen. Voorwaar, in het diepst uwer ziel weet gij, dat
Hij dit is. Gij weet, dat het doel, dat Hem op aarde ge-
-ocr page 35-
23
AAN HET HEILGEHEIM.
bracht heeft juist dit was, dat Hij u verlossen wilde uit de
hand van al uwe vijanden. Verlaat u dan op Hem, stel uwe
zaak met volkomen zelfovergave in Zijne handen, en geloof,
dat Hij haar aanvaardt; en beroep u op Hem, wetende, wie
Hij is en wat Hij beloofd heeft, opdat Hij u nu zonder uit-
stel volkomen zalig make.
Even gelijk gij vroeger geloofdet, dat Hij u van de schuld
der zonde verloste, omdat Hij u hiervan verzekerde in Zijn
Woord, zoo neem nu aan, dat Hij u verlost van de macht
der zonde omdat Hij u ook hiervan de verzekering geeft. Laat
uw geloof bezit nemen van een nieuw vermogen, dat het in
Christus heeft ontdekt. Gij schonkt uw vertrouwen aan uwen
stervenden zaligmaker, vertrouw Hem nu als den voor u
levende. Evenzeer als Hij gekomen is, om u te verlossen van
toekomstige straf, zoo kwam Hij ook, om u te bevrijden van
de banden van het oogenblik. Zoo waar als Hij kwam om uwe
striemen voor u te dragen, zoo kwam Hij ook om uw leven
voor u te leven. Gij zijt geheel machteloos zoo wel voor het
een als voor het ander. Gij zoudt even zoo goed voor uwe
zonden hebben kunnen boeten, als dat gij nu bij machte
wezen zoudt om de ware heiligmaking zelf in beoefening te
brengen. Jezus, en Jezus alléén, moet beide voor u doen, en
in beide gevallen is het alléén maar uwe taak, om Hem de
zaak in handen te geven, en dan te geloorcn, dat Hij haar volbrengt.
Eene dame, die nu ver gevorderd is in dit leven van zelf-
overgave, sprak, toen zij nog in groote duisternis en onzeker-
heid verkeerde, omtrent de wijze, hoe zij dit leven zou ingaan,
tot den vriend, die haar licht zocht te geven: „Gijlieden zegt
allen, „geef u over en vertrouw — geef u over en vertrouw" —
maar ik weet niet op welke wijs ik het doen zal. Spreek u
zelf eens overluid uit, opdat ik wete hoe en wat gij doet."
Zal ik het overluid voor u doen?
„Heere Jezus! ik geloof, dat Gij machtig zijt en ook ge-
willig om mij te verlossen van alle de zorgen, de onrust en
de banden van mijn Christelijk leven. Ik geloof, dat Gij stierft
om mij te bevrijden, en dit niet alléén voor de toekomst,
maar ook in ditzelfde oogenblik en aan deze plaats. Ik
geloof, dat Gij sterker zijt dan de Booze, en dat Gij mij
bewaren kunt, ook mij, in mijne groote zwakte, opdat ik
niet in zijne strikken valle of hem een gewillig oor leene.
-ocr page 36-
24
BEZWAREN, BETREFFENDE
Van nu aan Heer, ga ik mijn vertrouwen op U stellen, om
door U bewaard te worden.
„Ik heb getracht mij zelf te bewaren, maar ik heb ge-
struikeld. Ik ben geheel hulpeloos. Daarom wil ik nu op U
vertrouwen. Ik geef mijzelf aan U. Ik houd geen deel van
mijzelf terug. Ik nader tot U met lichaam, ziel en geest,
opdat Gij deze zoo hervormen moogt, als Uwe liefde en Uwe
wijsheid het begeeren. En nu, ik ben de Uwe. Ik geloof, dat
Gij aanneemt hetgeen ik U aanbied, ik geloof, dat Gij bezit
genomen hebt van dit arme, zwakke en dwaze hart, en dat
Gij reeds in dit zelfde oogenblik aangevangen hebt, in mij
te werken het willen van Uwen wil en het doen van Uw
welbehagen!"
Vreest gij nu het doen van dezen stap? Is u dit te plot-
seling, te veel eenen sprong in het duister gelijk? Weet gij
niet, dat de geloofssprong slechts schijnbaar in het ijle lucht-
ruim geschiedt, maar in werkelijkheid den voet brengt op de
rots der eeuwen ? Indien gij ooit dit heerlijk land, vloeiende
van melk en honig, wilt ingaan, dan moet gij vroeger of later
uwe voeten zetten in de stroomende wateren, want er is
geen ander pad. En dit zonder uitstel te doen kan u maanden
en zelfs jaren van droefheid en van teleurstelling besparen.
Hoor het woord des Heeren: — „Heb Ik u niet geboden:
zijt sterk en hebt goeden moed, en vreest niet, en verschrikt
niet voor hun aangezicht: want het is de Heere, uw God,
die met u gaat; Hij zal u niet begeven noch u verlaten."
HOOFDSTUK IV.
BEZWAREN, BETREFFENDE DE GEHEELE OVERGAVE.
Van groot gewicht is het, dat christenen niet onbekend
zijn met de listen des Satans; want hij staat gereed om
elke schrede, die de ziel voorwaarts zou doen, te beletten.
Vooral is hij daar werkzaam, waar hij ziet, dat een honger
en dorst naar gerechtigheid ontwaakt, met een geest van
ernstig onderzoek naar al de volheid, die er voor hen is in
Christus Jezus.
-ocr page 37-
L»5
DE GEHEELE OVERGAVE.
Een der eerste bezwaren, die hij voor zulk een opwerpt,
geldt het punt der overgave. Hem, die naar heiligheid dorst,
wordt gepredikt, dat hij zich moet toewijden, en hiernaar
streeft hij. Maar tevens ontmoet hij een bezwaar. Hij meent
het gedaan te hebben, maar gevoelt zich niet veel veranderd
van \'t geen hij vroeger was, alles komt hem ongeveer het-
zelfde voor, en toch had men hem gevleid met de hoop, dat
dit wel het geval zoude wezen; hij is diep teleurgesteld, en
vraagt mismoedig: „Hoe kan ik het dan met zekerheid
weten, dat ik mij den Heer heb overgegeven?"
De groote list des Satans, waarmee hij eene ziel te gemoet
treedt, die in dezen tweestrijd gewikkeld is, de list, die hij
bij geen enkele gelegenheid verzuimt te gebruiken, en die
hij dikwerf met kennelijk voordeel aanwendt, is die met
betrekking tot het gevoel. De ziel wil niet aan hare toewij-
ding gelooven, tot dat zij er het gevoel van geniet; en daar
zij niet gevoelt, dat de Heer haar aangenomen heeft, kan ze
ook niet gelooven, dat Hij het deed. Zooals het zoo vaak
geschiedt, plaatst zij het gevoel vóór het geloof. Maar
\'s Heeren onveranderlijke wet plaatst het geloof op de eerste
en het gevoel op de tweede plaats, Hij doet dit overal; wij
verzetten ons tegen het onverzettelijke, wanneer we hierin
verandering trachten te brengen.
De eenige wijze dus, waarop we deze list des Satans met
betrekking tot onze toewijding kunnen verijdelen is deze:
door des Heeren zijde te kiezen en even als Hij ook het
geloof te plaatsen vóór het gevoel. Geef u zelven beslist en
geheel aan den Heer over, naar het licht, dat gij op dit
oogenblik bezit, met de bede dat de Heilige Geest u al datgene
in uw hart en leven moge aantoonen, wat God wederstaat. —
Toont Hij u het een of ander aan, offer dat den Heere
oogenblikkelijk op met de bede: „Uw wille geschiede." Toont
Hij u niets aan, geloof dan ook, dat ge Hem alles toegewijd
hebt. Dan zijt gij verplicht te gelooven, dat Hij u aanneemt.
Bepaald moet gij er niet op wachten dat gij gevoelt, dat gij
u zelf gegeven hebt, of wel dat Hij u genomen heeft. Gij
hebt dit slechts te gelooven, en er dan op te bouwen, dat
het geschied is.
Indien gij een landgoed aan een vriend wildet geven, dan
zoudt gij dit door het geloof hebben te geven, en hij zou
-ocr page 38-
20
BEZWAREN, BETREFFENDE
het in \'t geloof hebben aan te nemen. Een landgoed is niet
een voorwerp, dat in de hand genomen en een ander kan
worden overgereikt; het weggeven en het aannemen er van is
een zedelijke handeling, een daad van geloof. Nu, zoo gij op
den éénen dag een landgoed aan een vriend gegeven hadt,
en dan zoudt heengaan met het te betwijfelen, of gij het in-
derdaad wel hadt gegeven, en of hij het werkelijk aange-
nomen had, en als zijn eigendom kon beschouwen, en gij in
dezen twijfel het noodig zoudt keuren, om den volgenden dag
weer naar hem toe te gaan om deze gift te vernieuwen; en
op den derden dag zou u weder dergelijke onzekerheid kwellen,
en gij zoudt weer uwe gift gaan vernieuwen; en ook den
vierden dag, en zoo dagen, maanden en jaren hetzelfde her-
halen, wat zou uw vriend hiervan denken en hoe zou het
in uw eigen gemoed gesteld zijn met betrekking tot deze
zaak? Uw vriend zou het voorzeker in twijfel gaan trekken
of gij hem ooit het goed had willen schenken, en gij zelf
zoudt geheel in onzekerheid verkeeren of het goed nu hem
of wel u toebehoorde.
Hebt gij nu, waar het de zaak der toewijding geldt, niet
ongeveer op deze wijze met den Heer gehandeld? Gij hebt
Hem u zelf telkens en telkens op nieuw geschonken, dagelijks,
wellicht maanden achtereen, maar na uwe tijden van toe-
wijding hebt gij het telkens weer betwijfeld of gij inderdaad
u zelven Hem gegeven hadt, en door Hem aangenomen
waart geworden; en daar gij geen merkbare verandering bij
u zelve gevoeldet, zoo kwaamt ge na vele slingeringen tot
het besluit, dat de zaak nog niet was beklonken. Weet gij,
lieve geloovige, dat die soort van onzekerheid eeuwig voort-
bestaan zal, zoo gij er door het geloof geen eind aan maakt ?
Daartoe moet gij komen, dat gij deze zaak als afgedaan be-
schouwt, en haar dan laat rusten: eer gij daartoe komt,
kunt gij niet verwachten, dat gij er iets van gevoelen zult.
De wet der offers, die den Heer gebracht werden, had
tot grondbeginsel, dat, al wat den Heer geschonken werd,
door deze daad heilig en afgezonderd werd van alle andere
dingen, zoodat het tot heiligschennis werd er een ander doel
aan te geven. „Evenwel niets, dat verbannen is, dat iemand
den Heere zal verbannen hebben, van al hetgeen hij heeft
van een mensch of beest, of van den akker zijner bezitting,
-ocr page 39-
27
DE GEHEELE OVERGAVE.
zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is, zal
den Heere een heiligheid der heiligheden zijn." Lev. 27:28.
Wanneer het eens den Heer geheiligd was, dan werd het
geheiligde voorwerp van nu af aan door geheel Israël als
\'s Heeren eigendom beschouwd, en niemand mocht de hand
uitsteken om het terug te nemen.
Al had de gever zijne offerande met een onwillig hart
gebracht, nu zij eenmaal gebracht was, werd de zaak hem
geheel uit de handen genomen, en het geheiligde werd vol-
gens Gods eigene wet, „een heiligheid des Heeren." Des
gevers voornemen heiligde het niet, maar de heiliging van
Hem, die de ontvanger was. „Het altaar heiligt de gave."
En een offer, dat eenmaal op het altaar gelegen had, be-
hoorde den Heer toe van dat oogenblik aan. Stel u een
man voor, die, nadat hij een offer gebracht had, zijn hart
onderzocht om zich van de oprechtheid zijner daad te over-
tuigen, en toen tot den priester wederkeerde, zeggende, dat
hij de oprechtheid zijner daad betwijfelde, en zijne gave
niet op de rechte wijze geschonken had. Ik ben er van
verzekerd, dat de priester hem oogenblikkelijk het stilzwij-
gen opgelegd zou hebben, zeggende: „Hoe gij uw offer ge-
bracht hebt of welke redenen er u toe bewogen hebben,
is mij onbekend. De zaak is deze, gij hebt het offer gegeven,
nu is het des Heeren, want al wat den Heere toegewijd
wordt is een heiligheid des Heeren. Nu is het te laat om
op deze handeling terug te komen."
En niet alleen de priester, maar geheel Israël zou er van
versteld gestaan hebben, indien een man, die eens eene
gave gegeven had, zijne hand weder durfde uitsteken om
haar terug te begeeren. En toch bedrijven ernstig gezinde
Christenen, die terugbeven voor eene heiligschennis, gelijk
die van den Jood, dag bij dag eene dergelijke daad, daar zij
zich met plechtige toewijding aan den Heer geven, en daarop
door ongeloof terug nemen, datgene, dat zij gegeven hadden.
Daar God niet zichtbaar is aan het oog, zoo komt eene
onderhandeling met Hem ons somwijlen minder wezenlijk
voor. Ik veronderstel, dat, zoo wij Zijne tegenwoordigheid
met het oog aanschouwden, op het oogenblik van onze
overgave aan Hem, wij dan doordrongen zouden wezen van
de werkelijkheid der zaak; dan zouden wij gevoelen, dat
-ocr page 40-
28
BEZWAREN, BETREFFENDE
ons woord gegeven was, en dat wij, hoe zeer wij het be-
geerden, dat woord niet terug konden nemen. Dergelijke
onderhandeling ware alsdan even onverbreekbaar, als eene
plechtige belofte, aan uw\' vriend gedaan, die altijd onver-
breekbaar is voor een eerlijk man.
Ons is noodig, dat \'s Heeren tegenwoordigheid eene ge-
wisse zaak voor ons zij, en dat iedere daad onzer ziel als
voor Zijn aangezicht gedaan zij, en dat ieder woord, in het
gebed gesproken, door ons even zeker tot Hem worde ge-
richt, als konden onze oogen Hem zien, en onze handen
Hem tasten. Dan zal de duistere voorstelling van onze
verhouding tot Hem wijken, en wij zullen het gewicht
gevoelen van elk woord, dat wij in Zijne tegenwoordigheid
hebben gesproken.
Ik weet, dat sommige lezers zeggen zullen: „Indien Hij
maar tot mij spreken wilde, en mij zeggen wilde, dat Hij
mij aannam, toen ik mij aan Hem gaf, dan zou het geloo-
ven mij geen moeite meer kosten." — Neen, zeker niet,
maar doorgaans zegt Hij dit niet, totdat de ziel eerst hare
oprechtheid toont door te gelooven, wat Hij reeds gespro-
ken heeft. Hij, die gelooft, heeft het getuigenis, maar niet
hij, die twijfelt. En bij zijn gebod, dat wij ons stellen zullen
als een levende offerande, heeft Hij zich verbonden ons te
zullen aannemen. Ik kan mij geen eerlijk man voorstellen,
die iets aan een ander vraagt, tegelijkertijd twijfelende of
hij het wel zal aannemen; nog minder kan ik mij een
vader denken, die aldus met een geliefd kind zou handelen.
„Miin_zoon, geef Mij uw hart," deze woorden zijn ons tot
zeker onderpand, dat het hart aangenomen zal worden door
Hem, Die het offer gebiedt, en wel op hetzelfde oogenblik,
dat dit hart ten offer gebracht wordt. — Wij mogen vast
gelooven, zelfs zijn wij verplicht het te doen, dat, wanneer
wij ons, naar het gebod des Heeren, aan Hem overgeven,
Hij ons dan aanneemt, daar en op dat oogenblik zelf en
dat wij de Zijnen zijn van dat uur af aan. Eene wezenlijke
verandering heeft alsdan plaats gegrepen, een verbond is
gesloten, dat niet verbroken wordt zonder ontrouw van
onze zijde, en wij weten, dat Hij het niet breken zal.
In Deut. 26 vs. 17, 18 en 19 zien wij, hoe de Heer han-
delt in dergelijke omstandigheden:
-ocr page 41-
29
DE GEHEELE OVERGAVE.
„Heden hebt gij den Heere doen zeggen, dat Hij u tot
een God zal zijn, en dat gij zult wandelen in Zijne wegen,
en houden Zijne inzettingen, en Zijne geboden, en Zijne
rechten, en dat gij Zijner stem zult gehoorzaam zijn.
„En de Heere heeft u heden doen zeggen, dat gij Hem
tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als Hij u ge-
sproken heeft, en dat gij al Zijne geboden zult houden ....
opdat gij een heilig volk zijt den Heere, uwen God, gelijk
als Hij u gesproken heeft."
Wanneer wij belijden, dat de Heere onze God is, en dat
wij in Zijne wegen wandelen en Zijne geboden bewaren
zullen, dan belijdt Hij ons ook. Van dat oogenblik aan
neemt Hij bezit van ons. De Heer heeft van eeuwigheid
aldus gehandeld en gaat hiermede voort. Elk offer is eene
„Heiligheid des Heeren." Dit is zoo duidelijk, dat geen
twijfel daaromtrent kan bestaan.
Maar zoo er nog eenig bezwaar hieromtrent in de ziel
mocht overblijven, zoo laat mij u dan verwijzen naar eene
uitspraak van het N. Test., die deze zaak van eene andere
zijde beziet, maar zich naar mijne meening even duidelijk
uitspreekt. In 1 Joh. 5 vs. 14 en 15 lezen wij: „En dit is
de vrijmoedigheid, die wij tot Hem hebben, dat, zoo wij
iets bidden naar Zijnen wil, Hij ons verhoort. En indien
wij weten, dat Hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo
weten wij, dat wij de bede verkrijgen, die wij van Hem
gebeden hebben." Is het naar Zijn wil, dat gij Hem geheel
toegewijd zult wezen? Op die vraag kan slechts één ant-
woord gegeven worden, want deze toewijding is naar Zijn
bevel.
Is het niet evenzeer naar Zijn wil, dat Hij in u werke
het willen en het werken naar Zijn welbehagen? Ook deze
vraag kan enkel bevestigend beantwoord worden, want Hij
heeft verklaard, dat het Zijn voornemen was dit te doen.
Gij weet dus, dat deze dingen naar Zijn wil zijn, daarom
zijt gij volgens Gods eigen woord verplicht zeker te weten,
dat Hij u hoort. En dit wetende zijt gij verplicht verder te
gaan, en te weten, dat gij de gebeden ontvangt, die gij van
Hem begeert. Ontoangt, zeg ik, en niet ontvangen zult, of
ontvangen moogt, maar nu reeds werkelijk bezit. Het is
aldus, dat wij door het geloof de beloftenissen verkrijgen.
Het is aldus, dat wij door het geloof toegang verkrijgen tot
-ocr page 42-
30
BEZWAREN, BETREFFENDE
de genade, die ons gegeven is in onzen Heer Jezus Chris-
tus. Het is aldus en zóó ook alléén, dat wij onze harten
leeren kennen als „gereinigd door het geloof," en dat wij
door het geloof leeren leven, staan en wandelen.
Ik begeer dit onderwerp zoo eenvoudig mogelijk voor te
stellen, opdat een ieder, die het in beoefening wenscht te
brengen, er geen moeielijkheid mede hebbe; daarom wil ik
met weinige woorden herhalen, welk werk in uwe ziel
plaats grijpen moet om u te verlossen uit den strijd met
betrekking tot deze overgave.
Ik veronderstel, dat gij uw vertrouwen in den Heere Jezus
gesteld hebt, wat de vergeving uwer zonden aangaat, en dat
gij eenigermate bekend zijt met wat het zegt, te behooren
tot de kinderen Gods, en een erfgenaam Gods te zijn door
het geloof in den Heere Jezus Christus. En nu voelt ge in
uwe ziel de begeerte ontwaken om den beelde van uwen
Heer gelijkvormig gemaakt te worden. Opdat dit geschiede
weet gij, dat gij u geheel aan Hem hebt over te geven,
opdat Hij in u werkc al het goede naar het welbehagen van
Zijnen wil; en gij hebt keer op keer getracht het goede te
doen, maar zonder eenig blijkbaar goed gevolg. Het is bij
dit bezwaar waar gij op stuit, dat ik hoop u te mogen hei-
pen. Wat gij nu te doen hebt is, Hem nogmaals te naderen
met de geheele overgave van u zelf aan Zijnen wil; wees
in die overgave zóó oprecht als gij maar wezen kunt. Vraag
Hem, om u door Zijnen Geest iederen geheimen wederstand
te openbaren; zoo die Geest u niets openbaart, geloof dan
ook, dat niets meer in den weg staat, en dat de overgave
volkomen is. Dit moet dan als een afgedane zaak beschouwd
worden; gij gaaft u aan den Heer over, en voortaan zult gij
niet weer op eenigerlei wijze u zelven toebehooren, nooit
moet gij weer luisteren wanneer u het tegendeel wordt in-
gefluisterd. Rijst twijfclzucht in u op, of die overgave bij u
wezenlijk plaats greep, beantwoord haar dan met de stellige
verzekering, dat gij u gegeven hebt. Sta het zelfs niet toe,
deze zaak bestreden worde. Dring zulke gedachten dadelijk
en met beslistheid terug. Gij hebt het ernstig gemeend, dat
gij uwe overgave wildet, gij meent het nu, gij hebt u ook
bepaald en zeker overgegeven. Uwe gewaarwordingen mogen
deze uwe toewijding wellicht bestrijden, maar uw wil moet
-ocr page 43-
31
DE GEHEELE OVERGAVE.
pal blijven staan. De Heer let op de bedoeling van den wil;
daarom hebt gij ook alléén op uwen wil te letten.
Nu de overgave op zoodanige wijze plaats gegrepen heeft,
dat ze niet meer in twijfel getrokken of herroepen kan wor-
den, zoo volgt hierop in de tweede plaats, dat geloofd moet
worden, dat de Heer aangenomen heeft, wat gij Hem opge-
offerd hebt, en nu moet gij ook het opgeofferde als het
Zijne beschouwen. Beschouw het niet aldus, dat het Hem
geofferde Hem eens in eenen toekomenden tijd toebehooren
/ zal, maar het behoort Hem alreeds toe; en Hij is reeds
l begonnen om in u te werken het willen en het werken
naar Zijn welbehagen. En hierin hebt gij te berusten.
Nu is er voor u niets meer te doen, want nu zijt gij des
Heeren; gij bevindt u geheel in Zijne handen, ja, volkomen •
lijk, en Hij heeft uwe geheele verzorging, uwe leiding en
vorming voor Zijne rekening genomen, en Hij zal naar Zijn
eigen woord in u werken, wat Hem welbehagelijk is door
onzen Heer Jezus Christus. Maar op dit standpunt hebt gij
onbeweeglijk te staan. Indien gij uwe toewijding weer op
nieuw in twijfel gaat trekken, of uwe aanneming door den
Heer gaat betwijfelen, dan zal uw wankelend geloof slechts
eene wankelende ervaring opleveren en de Heer zal niet
in u k_unnen werken. Maar verlaat gij u op Hem, dan werkt
Hij, en steeds is het de uitslag van Zijn werk, dat Hij u
naar het beeld van Christus verandert van heerlijkheid tot
heerlijkheid door de kracht Zijns Geestes.
Geeft gij u dan nu in dit zelfde oogenblik geheel aan
Hem over? Gij antwoordt: „Ja." Welnu dan, lieve vriend,
begin er meteen op te bouwen, dat gij de Zijne zijt; dat
Hij u aangenomen heeft, en dat Hij bezig is in u te wer-
ken, het willen en het volbrengen van Zijn welbehagen.
Blijf hierop rekenen. Het zal u ondersteunen, zoo gij uwe
gewaarwording onder woorden brengt, en gedurig in uw
binnenste tot uwen God zegt: „Heer! Ik ben de Uwe; ik
geef mij geheellijk aan U over, en ik geloof, dat Gij mij
aanneemt. Ik wil bij U blijven. Werk in mij al het welbe-
hagen van Uwen wil, en ik wil niet anders dan stil zijn
onder Uwe hand, en in U berusten." — Het zij een daad,
die gij met uwen geheelen wil volbrengt, dit dagelijks voor
den Heer uit te spreken; kom er verscheidene malen daags
-ocr page 44-
32
MOEIELIJKHEDEN OP
op terug, als zijnde uwe doorgaande houding voor \'s Heeren
aangezicht. Belijd uwe toewijding aan den Heer voor u zel-
ven, voor uwen God, en voor uwe vrienden. Belijd den Heer
voortdurend en onbeschroomd; spreek openlijk uw voornemen
uit van in Zijne wegen te wandelen en Zijne geboden te
houden; en het zal uwe levende ervaring worden, dat Hij
er borg voor is, dat gij Zijn eigen volk zult worden, en dat
gij al Zijne geboden zult bewaren, en dat gij „een heilig
volk zult wezen den Heere, gelijk Hij gesproken heeft."
HOOFDSTUK V.
MOEIELIJKHEDEN OP DEN GELOOFSWEG.
De eerste stap, dien ge, na uwe toewijding, op den weg
uit de wildernis der Christelijke bevinding naar het land, dat
van melk en honig vloeit, te doen hebt, is die des geloofs.
Hier, even als bij den eersten stap, betoont Satan zich zeer
vernuftig in het opwerpen van moeielijkheden en het ver-
wekken van hindernissen.
Wanneer het kind van God de oogen geopend heeft om
de volheid te zien, die er voor hem in Jezus is, en wanneer
het begeerig geworden is om die volheid tot zijn eigendom
te maken, dan verneemt het uit den mond van eiken leer-
meester, tot wien het zich wendt, dat die volheid alléén
door het geloof te verkrijgen is. Doch het voorwerp des ge-
loofs is voor zijn geest in zulk eene hopelooze geheimzin-
nigheid gewikkeld, dat deze verklaring, in plaats van licht
op zijn pad te werpen, den weg slechts donkerder enkron-
kelender schijnt te maken.
„Natuurlijk zegt die mensch „is het door het geloof, want
ik weet, dat alles in het Christelijke leven door het geloof
geschiedt. Maar dit maakt juist dat leven zoo moeielijk,
want ik heb geen geloof en ik weet zelfs niet eens wat het
is, noch hoe het verkregen wordt." En aldus, bij zijne
eerste intrede door onoverkomelijk bezwaar terneer geslagen,
vervalt men tot duisternis en bijna tot wanhoop.
Deze ontsteltenis der ziel ontstaat alleen daardoor, dat men
-ocr page 45-
33
DEN GELOOFSWEG.
eene verkeerde opvatting heeft van het geloof; want werke-
lijk is het geloof de eenvoudigste zaak der wereld en de
gemakTteïrjEst te verkrijgen zegen.
Uwe voorstelling van het geloof was misschien dit: gij
hebt het beschouwd als eene vrome oefening der ziel, of als
eene genadige stemming uws harten, eigenlijk als iets tast-
baars, \'t welk eenmaal verkregen zijnde, door ons gezien en
gevoeld kan worden; waarover wij ons verblijden, en \'t welk
wij mogen gebruiken als een vrijbrief om Gods gunst te ver-
krijgen of als een schat, waarmee wij Zijne gaven kunnen
koopen. Gij hebt om geloof gebeden, verwachtende, dat het
u iets van \'t opgenoemde zou aanbrengen, en nu niets van
dat alles uw deel werd, houdt gij vol, dat het u aan geloof
ontbreekt, \'t Geloof is dan ook geheel iets anders. Het is
niets tastbaars. Het is eenvoudig God te gelooven en is
even als het gezicht volstrekt niet te scheiden van zijn voor-
werp. Gij zoudt even goed uwe oogen kunnen sluiten en
naar binnen kijken om te zien of gij gezicht hebt, als dat
gij naar binnen ziet om te ontdekken of gij geloof hebt. Gij
ziet iets en daarom weet gij, dat gij gezicht hebt; gij ge-
looft iets en daarom weet gij, dat gij geloof hebt; want,
gelijk het gezicht alleen bestaat in zien, zoo bestaat het ge-
loof alléén in gelooven; en gelijk het ééne noodige bij het zien
hierin gelegen is, dat men het voorwerp juist zoo ziet gelijk
het is, zoo is ook het ééne noodige bij het geloof, dat men
de zaak gelooft, zoo als zij is. De kracht ligt niet in uw
gelooven, maar in de zaak,, die gij gelooft. Gelooft gij cfe
waarheid, zoo zijt gij behouden, maar zoo gij een leugen ge-
looft, zoo zijt gij verloren, Het gelooven is in beide gevallen
hetzelfde; doch de zaken, die geloofd worden, staan lijn-
recht tegen elkander over; en dit maakt het groote verschil.
Gij verkrijgt de zaligheid niet doordat uw geloof u behoudt,
maar omdat het geloof u aan den Heiland verbindt, Die u
behoudt; zoo is uw geloof werkelijk niets anders dan de
schakel, die u aan Hem verbindt.
Erken dus, bid ik u, hoe het geloof eene eenvoudige zaak
is, dat het niets meer noch iets minder is dan God vol-
komen te gelooven, waar Hij iets voor ons gedaan heeft of
doen zal; en verder te vertrouwen, dat Hij het doen zal.
Het is zóó eenvoudig, dat het bijna niet uit te leggen is;
3
-ocr page 46-
34                                       MOEIELIJKHEDEN OP
zoo iemand mij vroeg, wat het beteekent, om eenig werk
voor mij door een ander te doen verrichten, kon ik slechts
antwoorden: het beteekent dien anderen dat werk te laten
doen en er zelf geen hand aan te slaan. Een ieder van ons
heeft op die wijze wel eens het een of ander gewichtig
werk aan andere handen toevertrouwd en heeft het in vol-
maakte gerustheid gedaan, wegens het groote vertrouwen,
dat hij stelde in hem, die de zaak ondernam.
Hoe menigmaal geven niet moeders de zorg harer dier-
bare kleinen over aan vertrouwde dienstboden en voelen
daarbij geen zweem van vrees. Hoe gedurig vertrouwen wij
niet onze gezondheid en ons leven toe aan koks en voer-
lieden, machinisten, spoorwegbeambten en meer anderen,
die ons geheel in hun macht hebben en die ons in een
oogenblik in de grootste ellende, ja zelfs in den dood wer-
pen konden, zoo zij wilden of zoo ze niet de noodige voor-
zorgen in acht namen! Dit alles doen wij en maken er geen
ophef van. Na de oppervlakkigste kennismaking stellen wij
dikwijls ons vertrouwen in lieden, die wij alléén kunnen be-
oordeelen naar de gewone regels der samenleving; en wij
meenen niets buitengewoons te doen.
Dit alles, lieve lezer, hebt gij meermalen zelf gedaan en
doet gij nog gedurig.
Gij zoudt in deze wereld niet kunnen leven en al de
dingen van het dagelijksche leven niet voor een enkelen
dag door kunnen gaan, zoo gij uw medemensch geen ver-
trouwen kondet schenken, En het komt u nooit in de ge-
dachte om te zeggen, dat gij het niet doen kunt.
En toch aarzelt gij niet, om gedurig te zeggen, dat gij uw
God niet vertrouwen kunt.
Stel u eens voor, hoe het zijn zou, wanneer gij in de tijde-
lijke dingen handeldet, zooals gij het in betrekking tot de
geestelijke doet. Veronderstel, dat gij het morgen in uw
hoofd zoudt krijgen om te zeggen, dat gij niemand ver-
trouwen kunt, omdat gij geen geloof hebt. Gij zoudt aan
uw ontbijttafel zitten en zeggen: „ik kan niets eten, van
\'t geen op tafel staat, want ik heb geen geloof, en ik kan
niet gelooven, dat de keukenmeid geen vergif in de koffie
gedaan heeft of dat de slager geen bedorven vleesch gele-
verd heeft," aldus zoudt gij van gebrek omkomen. Gij zoudt
-ocr page 47-
35
DEN GELOOFSWEG.
uitgaan om uw bezigheden te verrichten en zeggen: „ik kan
me niet op den spoorweg begeven, want ik heb geen ge-
loof, en daarom kan ik den machinist niet vertrouwen, noch
den conducteur, noch de wagenmakers, noch de baanwach-
ters." Zoo zoudt gij gedwongen zijn alles te voet af te doen
en u zeer afmatten en daarenboven in de onmogelijkheid
zijn die plaatsen te bereiken, waar gij gemakkelijk heen
had kunnen sporen. Verder, wanneer uwe vrienden of uw
zaakgelastigde u iets zouden meêdeelen dan zoudt gij zeg-
gen: „het spijt mij, maar ik kan u niet gelooven, ik heb
geen geloof, ik geloof nooit iemand. Zoo gij een nieuwsblad
inzaagt, zoudt gij het neerleggen, zeggende: ik kan waarlijk
geen woord gelooven van \'t geen er in staat, want ik heb
geen geloof; ik geloof niet, dat de Koning bestaat, want ik
heb hem nooit gezien; noch dat er een Ierland is, want ik
ben er nooit geweest."
„Ik heb geen geloof, dus kan ik niets aannemen, dan
wat ik zelf zie en tast. Het is eene groote beproeving, maar
ik kan er niets aan doen, want ik heb geen geloof."
Stel u maar eens één dag van uw leven dien toestand
voor den geest en zie, hoe ellendig het met u gesteld zou
zijn, en zie of gij niet voor een dwaas zoudt doorgaan bij
een ieder, die u gadesloeg. Uwe vrienden zouden beleedigd
zijn en uwe onderhoorigen zouden weigeren u een volgenden
dag te dienen. Doe u vervolgens de vraag, of dit gebrek
aan geloof in uw medemensch, dat reeds zoo verschrikkelijk
en zoo dwaas zou zijn, te vergelijken is bij \'t geen, waar-
aan gij u schuldig maakt, wanneer gij tot God zegt, dat gij
Hem niet kunt vertrouwen noch Zijn woord gelooven; dat
het eene groote beproeving is, maar dat gij het niet helpen
kunt, want dat gij geen geloof hebt?
Is het mogelijk uw medemensch te vertrouwen en uw God
niet te vertrouwen? Het getuigenis van menschen aan te
nemen en dat van God niet? Uwe dierbaarste aardsche be-
langen aan zwakke stervelingen toe te vertrouwen en be-
vreesd te zijn uwe geestelijke belangen over te geven aan
den Zaligmaker, die Zijn bloed gestort heeft om u te redden
en die bekwaam is u volkomen te verlossen?
Waarlijk, waarlijk, lieve geloovige, gij, wiens naam van ge.
loovige, aanduidt, dat gij gelooft, gij zult u zelven nimmer
-ocr page 48-
36
MOEIEI.I.IKHEDEN OP
meer kunnen verontschuldigen, pieitende op uw gebrek aan
geloof. Want dit doende, betuigt gij geen geloof in God te
hebben, want het wordt niet van u gevergd, geloof in u
zelven te hebben en gij zoudt in een verkeerden zielstoestand
verkeeren, indien dit het geval was. Wanneer gij ooit weder
denkt of zegt, „ik heb geen geloof" eindig dan den zin, bid
ik u, voeg er bij „ik heb geen geloof in God." Dit zal u
zoo vreeselijk zijn, dat gij het niet zult kunnen uitspreken.
„Maar," zegt gij, „ik kan niet gelooven zonder den Heiligen
Geest." Zeer wel; wilt gij daarmee betuigen, dat uw gebrek
aan geloof ontstaat uit nalatigheid van den Heiligen Geest
om Zijn werk in u te doen? Is dit zoo, dan zijt gij niet te
laken en hebt gij geen beschuldiging te vreezen, en zijn alle
aansporingen om te gelooven, noodeloos voor u.
Doch neen! ziet gij niet in, dat gij door het volharden in
deze ongeloovige stelling niet alleen „God tot een leugenaar
maakt," maar ook te gelijkertijd een volslagen gebrek aan ver-
trouwen in den Heiligen Geest toont te hebben ? Hij is altijd
bereid om ons in onze zwakheden te hulp te komen. Wij
behoeven nooit op Hem te wachten; Hij wacht altijd op ons.
Ik voor mij heb altijd zulk een volkomen vertrouwen in den
H. Geest en in Zijne bereidvaardigheid om Zijn werk te
volbrengen, dat ik tot een iegelijk van u durf zeggen, dat gij
nu, op dit oogenblik gelooven kunt, en dat, zoo gij het niet
doet, het niet de schuld van den Heiligen Geest, maar uw
eigen schuld is. Buig uw wil dan over naar de andere, de
geloovige zijde en zeg: „Heer ik wil gelooven, ik geloof," en
ga voort het te zeggen. Houd aan in \'t geloof, tegen allen
twijfel in, die Satan in u zoekt te verwekken. Werp u
zelven uit de macht des ongeloofs op het woord en de be-
loften van God en stel u onder de bewaring en de zalige
reddende macht van den Heere Jezus. Hebt gij ooit een
kostbaar goed aan een\' aardschen vriend toevertrouwd, o,
ik smeek u, vertrouw u zelven nu, met al uwe geestelijke
belangen, in de handen van uwen Hemelschen Vriend en
veroorloof u zelven nimmer, vimmer meer te twijfelen.
Onthoud dit, dat er twee dingen zijn, die men nog minder
vereenigen kan dan olie en water, en deze heeten, jvertröü-
wen en bezorgd zijn. Zoudt gij dit vertrouwen noemen, wan-
neer gij iets aan een vriend te verrichten gegeven hadt en
-ocr page 49-
37
DEN GELOOFSWEG.
gij vervolgens dagen en nachten in angstige bezorgdheid
zoudt doorbrengen, niet wetende, of hij het wel goed zou
doen; en zoudt gij het vertrouwen noemen, wanneer gij, na
de redding uwer ziel aan den Heer te hebben overgelaten,
uwe dagen en nachten in angstig vragen omtrent die zaak
doorbracht! Wanneer de geloovige waarlijk in eene zaak
berust, dan heeft hij geene bekommernis meer over haar,
en is hij bekommerd, dan heeft hij geen vertrouwen. Hoe
weinig waar geloof is er in de kerk van Christus, wanneer
deze toets wordt toegepast! Geen wonder, dat de Heer de
aandoenlijke vraag deed: „Wanneer de Zoon des menschen
weder komt op de aarde, zal Hij ook geloof vinden?" Hij
zal zeker veel werkzaamheid vinden, veel ernst en ook zeker
veel toewijding des harten, — maar zal Hij geloof vinden,
hetgeen hij boven alles op prijs stelt? Het is eene ernstige
vraag, die ik gaarne door elk Christen met ernst in over-
weging zag nemen. Laat het ons genoeg zijn, dat wij de
vorige dagen onzes levens in ijdelheid en ongeloof door-
gebracht hebben en mochten wij nu, een ieder van ons,
die onzen gezegenden Heer in Zijne onuitsprekelijke be-
trouwbaarheid kennen, het zegel op zijne trouw zetten door
onze geheele overgave aan Hem.
Ik herinner mij, hoe ik bij het eerste ontwaken van het
Christelijke leven in mij krachtig aangegrepen ben geworden
door een roepstem, die ik aantrof in een deel onzer preken,
waarbij allen, die den Heer Jezus lief hadden, aangespoord
werden om door de standvastigheid van hun geloof aan
anderen te toonen, hoe zeer Hij al ons vertrouwen waard
is. Ik herinner mij ook, hoe mijne ziel vurig begeerde in
wegen geleid te worden, zoo donker, dat het mijn heerlijk
voorrecht zou worden mij gansch en al op mijn Heer en
Heiland te verlaten. „Gij hebt dezen weg gisteren noch
eergisteren betreden"; mogelijk; doch heden zal het uw\'
voorrecht zijn, om, gelijk nooit te voren, uw vertrouwen in
Jezus te bewijzen, door met Hem een leven des geloofs in
te gaan, waarbij gij van oogenblik tot oogenblik in een
kinderlijk vertrouwen in Hem berust.
Gij hebt u in eenige weinige dingen op den Heer ver-
laten en Hij heeft u niet beschaamd gemaakt. Stel uw
vertrouwen nu in Hem voor alle dingen, en zie, of Hij niet
-ocr page 50-
38
MOEIELI.IKHEDEN OP
overvloedig voor u doen zal boven bidden en denken, niet
naar de maat van uwe kracht en bekwaamheid, maar over-
eenkomstig Zijn alvermogen, dat in u zal werken naar al
het welbehagen van Zijn wil.
Het verontrust u niet, dat de Heer het bestuur heeft
over het heelal, en zou uw bestaan grootere moeielijkheden
opleveren, zoodat gij bekommerd behoefd et te zijn omtrent
Zijn bestuur over u? Weg met zulke nietswaardige twijfe-
lingen! Zoek steun in de macht en in de betrouwbaarheid
van uwen God, en gij zult ondervinden hoe spoedig alle
moeielijkheden verdwijnen bij een vast voornemen van te
willen gelooven.
Heb vertrouwen in donkere tijden; heb vertrouwen in
oogenblikken van licht, heb vertrouwen bij nacht en bij
dag, en gij zult zien, dat het geloof, \'t welk u aanvankelijk
zwaar viel, van lieverlede een natuurlijke toestand der ziel
wordt. Alle dingen zijn mogelijk bij God en „alle dingen
zijn mogelijk voor hem, die gelooft." Het geloof heeft in
vroegere tijden „Koninkrijken overwonnen, gerechtigheid
geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeu-
wen toegestopt, de kracht des vuurs uitgebluscht, de scherpte
des zwaards doen ontvlieden, uit zwakheid kracht doen
verkrijgen, heirlegers der vreemden op de vlucht gebracht,"
en het geloof kan dat alles nog doen. Want de Heer zelf
zegt ons: „Indien gij geloof hadt als een mostaardzaad,
zoo zoudt gij tot dezen berg zeggen: „word opgeheven en
in de zee geworpen" en het zou geschieden en niets zou
onmogelijk zijn."
Zoo gij eenigszins een kind van God zijt, dan moet gij
ten minste een geloof hebben als een mostaardzaad en
daarom moogt gij niet andermaal zeggen, dat gij geen ge-
loof hebt. Zeg liever: „Ik kan mij op den Heer verlaten
en ik wil op Hem vertrouwen en geen macht der hel zal
in staat zijn om mij aan mijn trouwen, wonderbaren, heer-
lijken Verlosser te doen twijfelen!" Wij kunnen den Heer
geen hulde brengen, die Hem zoeter en liefelijker is dan
die van ons gansch_.,ea->aL,,aan Hem toe te vertrouwen.
Omklem dan met het geloof al wat God u gezegd heeft;
smeek van Hem, dat Hij u meer te gelooven geve, en
bedenk, in donkere oogenblikken, dat, hoewel gij voor een
-ocr page 51-
3\'J
DEN GELOOFSWEG.
tijd, zoo het noodig is, door velerlei beproevingen bedrukt
wordt, het is, opdat de beproeving uw geloofs, die veel
kostelijker is dan het goud, dat vergaat, bevonden moge
worden te zijn tot lof en eer, en heerlijkheid bij de ver-
schijning van onzen Heer Jezus Christus.
HOOFDSTUK VI.
IS GOD IN ALLKSJ
Een der grootste hinderpalen om in een kalm, rustig ge-
moedsbestaan te blijven is het bezwaar, dat wij hebben om
God in alles te zien. Men zegt: „Ik kan mij gemakkelijk
onderwerpen aan dingen, die van God komen; maar ik kan
mij niet aan een mensch onderwerpen, en de meesten mijner
kruisen en beproevingen komen tot mij door toedoen van
menschen." Of men zegt: „\'t Is goed en wel om van ver-
trouwen te spreken; maar wanneer ik eene zaak aan God
overgeef, dan komt de mensch er tusschen en brengt alles
in de war, en terwijl het gemakkelijk is mij op God te
verlaten, zoo zie ik er veel bezwaar in op menschen te
vertrouwen."
Dit is geen ingebeeld bezwaar, maar het is van een over-
wegend belang, en zoo het niet opgelost kan worden, maakt
het werkelijk het leven des geloofs eene onmogelijkheid;
want bijna alles in \'t leven overkomt ons door menschelijke
tusschenkomst en de meeste onzer beproevingen zijn \'t ge-
volg van nalatigheid, onkunde, zorgeloosheid, of zonde. Wij
weten, dat God die dingen niet te weeg brengt en zoo Hij
niet in dezelve betrokken is, hoe kunnen wij tot Hem zeg-
gen: „Uw wil geschiede?"
Daarbij, wat nut is het, onze zaken den Heer toe te ver-
trouwen, zoo het den mensch evenwel toegelaten wordt er
zich in te mengen en ze in de war te brengen, en hoe is
het mogelijk in het geloof te leven, wanneer menschen, in
wien het dwaas en verkeerd zou zijn te vertrouwen, een
overwegenden invloed op de richting van ons leven beko-
men? Dan nog hebben die dingen, waarin wij Gods hand
-ocr page 52-
IS GOD IN ALLES?
40
zien, altijd iets in zich, dat vertoost en heelt, al brengt het
wonden toe. Doch de beproevingen, die menschen ons op-
leggen, zijn vol bitterheid.
Hetgeen wij dus behoeven is God in alles te zien en alle
dingen onmiddellijk uit Zijn hand te ontvangen, zonder tus-
schenkomst of tweede oorzaak. Dit is het, waartoe wij
komen moeten, zullen wij voortdurend in eene geheele over-
gave des harten, in eene volmaakte berusting in Gods be-
stuur kunnen verkeeren. Overgave aan God en niet aan
menschen, berusting in God en niet in den vleeselijken
arm, of wij zullen bij de eerste proef bezwijken.
Nu staan wij voor deze vraag: Is God in alles, en vinden
wij eenig bevel in de schrift om alles uit Zijne hand te
ontvangen zonder op bijoorzaken te letten, die middelen
kunnen zijn, waarvan Hij zich bedient, om Zijn raad uit te
voeren? Ik antwoord zonder aarzelen: Ja, Gods kinderen
ontvangen alle dingen dadelijk uit de hand huns Yaders,
onverschillig wie of wat de schijnbare werktuigen waren
om het hun aan te doen. Zij kennen geen bijoorzaken.
De gansche leer der Schrift bevestigt dit. „Er valt geen
muschje op aarde zonder den wil des Hemelschen Vaders.
De haren uws hoofds zijn allen geteld." Wij behoeven in
niets bezorgd te zijn, omdat onze Vader voor ons zorgt. Wij
behoeven ons zelven niet te wreken, want onze Vader neemt
onze verdediging op zich. Wij hebben niets te vreezen, want
de Heer is aan onze zijde. Niemand kan tegen ons zijn,
want Hij is voor ons. Ons zal niets ontbreken, want Hij is
onze Herder. Gaan wij door breede stroomen, zij zullen ons
niet overweldigen; door vuur, het zal ons niet verbranden,
want Hij zal met ons zijn. Hij sluit den mond der leeuwen,
dat zij ons niet schaden kunnen. „Hij verlost en redt uit
alle nooden." Hij verandert de jaargetijden; Hij zet konin-
gen af en stelt koningen aan. Het hart des menschen is in
Zijne hand en Hij leidt het als waterbeken, waarheen Hij wil.
Hij heerscht over het gansche heidendom en in Zijn hand
is alle macht, zoodat niets Hem kan weerstaan; Hij stelt
der zee haar palen; wanneer zij zich verheft, zoo stilt Hij
haar. Hij verijdelt den raad der goddeloozen, en Hij doet al
Zijn welbehagen in hemel en op aarde, in de zee en in al
de diepe plaatsen."
-ocr page 53-
IS GOD IN ALLES?                                        41
Ziet gij de verdrukking der armen, de verdraaiing van
het recht in eenig land, laat het u niet verbazen; Hij, die
hooger is dan de hoogsten, ziet het, en zal recht doen. Wij
zien maar een deel van Zijne wegen. Hoe weinig weten wij
van Hem! Wie kan Zijne macht begrijpen? Hebt gij niet
gehoord „dat de eeuwige God, de Heer, de Schepper van
alle einden der wereld, niet moede nog mat wordt? Er is
geen doorgronding van Zijn verstand."
En deze God is onze toevlucht en sterkte, een ware hulp
in nood. Daarom zullen wij niet vreezen, ofschoon de aarde
bewogen werd en de bergen in \'t midden der zee verplaatst
werden; ofschoon de zee zou bruischen en de bergen bewogen
zouden worden." Ik zal tot den Heer zeggen: „Gij zijt mijn
toevlucht en mijn sterkte, mijn God, op welken ik vertrouw!
Want Hij zal u redden uit \'s vogelvangers net, en van de
pestilentie. Hij zal u onder Zijne vleugelen dekken; Zijne
waarheid zal ten schild en beukelaar zijn. Gij zult niet vree-
zen voor den schrik des daags, voor den pijl, die des nachts
vliegt, voor de pestilentie, die in de donkerheid wandelt,
voor het verderf, dat op den middag verwoest. Aan uwc
zijde zullen er duizend vallen en tien duizend aan uwe
rechterhand; tot u zal het niet genaken. Omdat gij den
Heer tot uw toevlucht, den Allerhoogsten tot uw hoog ver-
trek heb gesteld, zal u geen kwaad wedervaren en geen
plaag zal uwe tent naderen. Want Hij zal Zijne engelen van
u bevelen, dat zij u bewaren in al uwe wegen."
Deze en dergelijke plaatsen der Schrift stellen voor altijd
de vraag voor mij vast aangaande de kracht der bijoorzaken
in \'t leven van Gods kinderen, zij staan allen onder het
opzicht van onzen Vader en niets kan ons deren dan met
Zijn weten en met Zijn toelaten. De daad, die uit zonde
ontstaat en daarom niet aan Gods wil kan toegeschreven
worden, wordt Gods wil jegens ons, zoodra zij ons treft, en
moet, als onmiddellijk van Zijn hand komende, worden aan-
genomen. Geen mensch, noch vergadering van menschen,
geen macht op aarde of in den hemel vermag die ziel te
treffen, die m Christus blijft, of het moet eerst door Hem
heen, en het zegel Zijner toelating ontvangen hebben. Zoo
God voor ons is, dan is het onverschillig, wie zich tegen
ons stelt, niets kan ons op eenigerlei wijze schaden, tenzij
-ocr page 54-
42
IS GOD IN ALLES?
Hij oordeele, dat het ons goed is, dan zal Hij ons ter zijde
staan en het kwaad voorbij doen gaan.
De zorg eens aardschen vaders voor zijn hulpeloos kind
is hiervan slechts een zeer flauw beeld. In de armen des
vaders kan niets het kind raken zonder de toestemming des
vaders, tenzij deze te zwak zij om het te verhinderen.
Is dit het geval, dan lijdt hij liever schade aan zijn eigen
lichaam, eer hij toelaat, dat het zijn kind treffe. Indien een
aardsche vader aldus zorgt voor zijn klein, onnoozel wicht,
hoeveel te meer zal onze Hemelsche Vader, Wiens liefde
oneindig veel grooter, Wiens macht en wijsheid onover-
troffen zijn, voor ons zorgen! Ik vrees, dat er zelfs onder
Gods kinderen enkele gevonden worden, die denken, dat de
Heer hen nauwelijks evenaart in teederheid, in liefde, in
zorgzaamheid; en die in hunne geheime gedachten Hembe-
schuldigen van eene nalatigheid en onverschilligheid, waartoe
zij zich niet in staat gevoelen. Evenwel is het de werkelijke
waarheid, dat Zijne zorg oneindig boven de onze verheven
is en dat Hij, die de haren onzes hoofds telt en zonder
Wiens wil geen muschje op aarde valt, rekenschap houdt
met de kleinste bijzonderheid, die betrekking heeft op
\'t leven Zijner kinderen en die bestuurt en regelt naar Zijn
welbehagen, hoedanig ook haar oorsprong zij.
Talloos zijn de voorbeelden hiervan. Neem Jozef. Wat is,
bij eene oppervlakkige beschouwing, schijnbaar meer in
strijd met Gods wil, wat is meer het werk der zonde dan
dat hij als slaaf wordt verkocht?
En toch, toen Jozef er later van sprak, zeide hij: „Gij-
lieden wel, gij hebt kwaad tegen mij bedacht, maar God
heeft het ten goede gedacht, opdat Hij deed, gelijk het te
dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden."
Voor het zinnelijk oog waren het voorzeker Jozefs booze
broeders, die hem naar Egypte gezonden hadden, doch Jozef,
er op terug ziende met het oog des geloofs, kan zeggen:
„God heeft mij gezonden." Het was ongetwijfeld eene ergerlijke
zonde in de broeders geweest, maar toen het kwaad Jozef
trof, werd het Gods wil voor hem, en was het werkelijk, of-
schoon het er aanvankelijk den schijn niet van had, de
grootste zegen van zijn leven. Zoo zien wij, hoe God zelfs
uit de boosheid der menschen Zich lof toebereidt en hoe
-ocr page 55-
43
IS GOD IN ALLES?
alle dingen, zelfs de zonden van anderen, medewerken ten
goede, voor hen, die God liefhebben.
Ik leerde deze les bij ondervinding lange jaren, eer ik hare
Schriftuurlijke waarheid begon te verstaan. Ik woonde eens
een bidstond bij, die gehouden werd tot bevordering van
meerdere heiliging volgens de Schrift, toen een vreemde
dame opstond om te spreken. Toen ik mij zelve afvroeg,
wie zij toch mocht wezen, dacht ik weinig, dat zij een woord
tot mijne ziel te brengen had, waaruit ik zulk een gewichtige
les te putten zou hebben. Zij zcide, dat het leven des geloofs
haar zeer zwaar viel, van wege de bijoorzaken, die zich,
volgens haar, bijna in alles, wat haar betrof, inmengden.
Hare verlegenheid werd eindelijk zoo groot, dat zij aan God
vroeg om haar, omtrent dit punt in de waarheid te leiden
of Hij werkelijk in alles, al of niet is. Na dit verscheidene
dagen achter elkander gebeden te hebben, kreeg zij, wat
zij noemde, een gezicht: een visioen. Zij meende zich in
eene geheel donkere plaats te bevinden en dat haar, uit de
verte, een helder schijnend lichaam naderde, dat van liever•
lede haar, en alle voorwerpen rondom haar, omscheen. Toen
het haar naderde, was het of eene stem zeide: „dit is de
tegenwoordigheid van God, — dit is de tegenwoordigheid
van God."
Aldus omgeven van deze tegenwoordigheid meende zij al
de groote en verschrikkelijke gebeurtenissen des levens voor
haren geest heen te zien gaan: — Strijdende legers, booze
menschen, woedende dieren, storm en pestilentie, zonde en
lijden van allerlei aard. Zij deinsde in \'t eerst van angst
terug, maar spoedig bemerkte zij, dat de tegenwoordigheid
van God al deze ijzingwekkende verschijnselen zoodanig
door Zijne tegenwoordigheid in bedwang hield, dat geen
leeuw zijn klauw kon uitsteken, geen kogel door de lucht
kon vliegen, zoo Zijne tegenwoordigheid hen geen doorgang
toeliet. Zij zag ook nog, dat, schoon er slechts nog zulk een
smal strookje van die tegenwoordigheid overbleef, geen haar
van haar hoofd gekrenkt kon worden, nog eenig leed haar
kon aanraken, tenzij de tegenwoordigheid zich verdeele en
het kwaad een doortocht liet. Toen gingen al de kleine
kwellingen des levens voor haren geest heen en nu ook
zag zij, hoe deze allen bedwongen werden door de tegen-
-ocr page 56-
u
IS GOD IN ALLES?
woordighcid van God, zoodat geen wrevelige blik, geen hard
woord, noch kleine beproeving, van welken aard ook, haar
konden treffen, tenzij Gods tegenwoordigheid ruimte maakte
en het toeliet.
Hare bezwaren waren geweken, hare vraag was voor altoos
beantwoord. God was in alles; en voor haar bestonden er
voortaan geene bijoorzaken meer. Zij erkende, dat het leven
haar dag bij dag, en uur aan uur onmiddellijk uit de hand
van God beschikt werd, welke ook de werktuigen zijn
mochten, die er schijnbaar een wending aan geven. Nimmer
meer was het haar daarna moeielijk gevallen om te berusten
in Zijn wil met een onwrikbaar vertrouwen in Zijne zorg:
Zoo wij op de onzichtbare dingen letten, zullen wij in
staat zijn dit geheim te vatten. De kinderen van God zijn
geroepen om te letten niet op de dingen, die gezien worden,
want de dingen die gezien worden zijn tijdelijk, maar op
de dingen, die niet gezien worden en die eeuwig zijn.
Konden wij slechts met ons vleeschelijk oog Zijne onzichtbare
krachten zien, die ons van alle zijden omringen, wij zouden
in deze wereld wandelen als in eene onoverwinnelijke sterkte,
want de „Engel des Heeren legert zich rondom degenen,
die Hem vreezen en rukt ze uit."
Wij vinden een treffend bewijs hiervoor in de geschiedenis
van Eliza. De Koning van Syrië voerde krijg tegen Israël,
doch zijne raadslagen werden gedurig verijdeld door den
profeet; eindelijk zendt hij een leger naar de stad van den
profeet met last om hem gevangen te nemen. Wij lezen
dat hij paarden en wagens en een groot heir daar henen
zond; en zij kwamen bij nacht en omsingelden de stad. Dit
was het zichtbare deel der zaak. De dienaar van den profeet
wiens oogen nog niet geopend waren om de onzichtbare
dingen te zien, was bevreesd. Wij lezen: „En de dienaar
van den man Gods stond zeer vroeg op en ging uit; en
ziet een heir omringde de stad met paarden en wagenen.
Toen zeide zijn jongen tot hem: „Ach, mijn Heer! hoe
zullen wij doen?" Maar zijn meester kon de onzichtbare
dingen zien, en hij antwoordde: „Vrees niet, want die bij
ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn." En Eliza bad en
zeide: „Heere open toch zijne oogen, dat hij zie. En de
Heer opende de oogen van den jongen, dat hij zag, en ziet,
-ocr page 57-
46
IS GOD IN ALLES?
de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Eliza."
De tegenwoordigheid van God is de sterkte van Zijn volk.
Niets kan haar weerstaan. Voor Zijn aangezicht vergaan de
goddeloozen, de aarde beeft, de heuvelen versmelten als
was, de sterke steden worden neergeveld; de hemelen dropen
en Sinaï zelf werd bewogen bij de tegenwoordigheid van
God." Hij heeft beloofd, dat Hij Zijn volk zou verbergen
voor den hoogmoed des mans en voor den strijd der tong.
„Mijn aangezicht zal met u gaan," zegt Hij en „Ik zal u
rust geven."
Ik wenschte wel, dat ieder Christen deze waarheid zoo
duidelijk inzag als ik, want ik heb de overtuiging, dat zij
de eenige wegwijzer is tot een leven van volkomen berusting.
Niets buiten haar zal vermogen eene ziel geheel in het heden
te doen leven, gelijk ons bevolen is, zonder bezorgd te zijn
voor morgen. Niets, buiten deze waarheid, zal ooit al de
„ach\'s!" en „wee\'s!" uit het leven verwijderen en deChris-
tenen in staat stellen om te zeggen: „Zekerlijk zal genade
en goedertierenheid mij al de dagen mijns levens volgen."
Zoo wij verblijven in Gods tegenwoordigheid loopen wij
geen gevaar. — Die dat doet, kan in den toon der over-
winning zeggen:
„Ik weet, aan Wien ik mij betrouw. Al wisselen ook dag
en nacht. Ik ken de rots waarop ik bouw; hij faalt niet, die
Uw heil verwacht."
Ik hoorde iemand eens verhalen van eene arme kleur-
linge, die met hard werken haar dagelijksch sober deel ver-
diende, maar daarbij eene moedige Christin was, hoe eene
Christelijke vrouw, die hare blijmoedigheid veroordeelde, ter-
wijl zij die tevens benijdde, op zekeren dag tot haar zeide:
„Ach Nancy, gij hebt nu mooi vroolijk zijn, maar mij dunkt,
de gedachte aan uw toekomst moest die vreugde wel wat
matigen. Veronderstel slechts voor een oogenblik, dat gij
ziekelijk werdt en buiten staat waart om te werken; of ver-
onderstel dat degenen, die u thans in \'t werk hebben, eens
van hier gingen en dat niemand anders u werk gaf; of ver-
ondersteld —" „Houd op! riep Nancy, „ik veronderstel nooit.
De Heer is mijn Herder, ik weet mij zal niets ontbreken;"
„en hoor eens," sprak zij verder tot hare zwaarmoedige
vriendin, „het zijn al die veronderstellingen, die u zoo ellen-
-ocr page 58-
46                                         IS GOD IN ALLES?
dig maken; geef ze allen op en vertrouw op den Heer."
Er is een tekst, die al de veronderstellingen uit het leven
van den Christen kan verbannen zoo hij slechts met kin-
derlijk geloof ontvangen en nageleefd wordt; het is Hebr.
XIII: 5, 6 — „Zijt vergenoegd met het tegenwoordige, want
Hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en Ik zal u niet
verlaten. Zoodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: de Heer
is mij een Helper, en ik zal niet vreezen, wat mij een
mensch zal doen." Wat zegt het, of gevaren van allerlei
aard u omringen en of de boosheid, de dwaasheid, en de
de onkunde van menschen zich vereenigen om u kwaad
te doen?
Gij kunt alle mogelijke vijanden bestrijden methetmacht-
woord: „De Heer is mijn Helper en ik zal niet vreezen wat
mij een mensch zal doen." Is God uw Helper, dan is er
geen mensch, noch vergadering van menschen, die u leed
kan doen, tenzij het God, in Wien gij vertrouwt, behage hen
te laten begaan. Hij zal uw voet voor wankelen bewaren.
Hij, uw Bewaarder, sluimert niet. De bewaarder Israëls
slaapt of sluimert niet. De Heer is uw Bewaarder. De Heer
is uw Schaduw aan uw rechterhand. De zon zal u des daags
niet steken, noch de maan des nachts. De Heer zal u be-
waren voor alle kwaad: Hij zal uwe ziel bewaren. De Heer
zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan tot
in eeuwigheid."
Niets zal ons zoo geduldig en zachtmoedig stemmen tegen-
over hen, die ons bemoeielijken dan dit zien van God in
alles. Het maakt, dat wij in hen alléén werktuigen zien
waarvan God Zich bedient om Zijne liefderijke bedoelingen
met ons te volvoeren, zoodat wij eindelijk Hem inwendig
danken zullen voor de zegeningen, welke zij ons aan-
brengen.
Buiten dat zien van God in alles, zal niets een einde
maken aan alle oproerige gedachten. Christenen wanen zich
dikwijls vrij om tegen menschen te murmureeren, waar zij
tegen God het niet zouden durven doen; doch deze wijze,
om de dingen des levens aan te nemen, maakt een einde
aan alle murmureering. Laat onze Vader eene beproeving
toe, dan moet het zijn, omdat die beproeving de beste en
de zachtste is, die ons toegezonden kan worden en dan bc-
-ocr page 59-
47
MOEIELIJKHEDEN
hooren wij die in dank uit Zijn liefderijke hand aan te
nemen. De beproeving zelve moge hard zijn voor vleesch en
bloed en ik meen ook niet, dat wij het lijden, \'t welk zij
ons aanbrengt, liefhebben en genieten zullen, maar wij kun-
nen en moeten Gods wil daarin aanbidden, want Zijn wil is
altijd goed, zij het zuurheid, zij het zoetheid. In één woord,
deze wijze van den Hemelschen Vader in alles te zien, maakt
het leven tot eene voortdurende dankzegging, geeft een rust
voor \'t hart, en meer dan dat, eene blijdschap des geestes,
die onuitsprekelijk zijn. Iemand heeft gezegd: „Gods wil op
aarde is altijd blijdschap, altijd vrede."
In welke heerlijke, grazige weiden, en langs welke stille
wateren van inwendige rust en verkwikking leidt God niet
Zijne kinderen, daar, waar Hij Zijn wil in hen volbrengt.
Is Gods wil ook onze wil, en gaat Hij altijd Zijn weg,
dan volgen wij ook onzen weg en wij heerschen in een al-
tijddurend koninkrijk. Hij, die aan de zijde van God gaat,
moet in elke ontmoeting overwinnaar zijn, en of de uit-
komst vreugde of droefheid, dood of leven zij, wij mogen
onder alle omstandigheden instemmen met de roemtaal van
den Apostel: „Gode zij dank, Die ons altijd de overwinning
geeft door Christus Jezus onzen Heer."
HOOFDSTUK VII.
MOEIELIJKHEDEN AANGAANDE DEN WIL.
Wanneer het kind van God, door den weg van geheele
overgave en volkomen vertrouwen zich van zichzelven ont-
daan en Christus aangedaan heeft, en wanneer het heeft be.
gonnen iets te kennen van de zaligheid van het leven met
Christus, verborgen in God, dan rijst er zeer licht een be-
zwaar voor zijn geest.
Nadat de eerste aandoening van vrede en rust begint te
bedaren of, zoo als ook wel gebeurt, indien deze zich nog
in \'t geheel niet vertoond heeft, dan beginnen de ervaringen,
die hij doorgemaakt heeft, hem zoo weinig werkelijk voor
te komen, dat hij zichzelven als een schijnheilige beschouwt,
-ocr page 60-
18
AANGAANDE DEN WIL.
wanneer hij zegt en denkt, dat zij waar zijn. Het komt hem
voor, dat zijn geloof niet dieper gaat dan de oppervlakte,
dat het niet meer is dan een geloof der lippen, dat zijne
overgave geen overgave des harten, en daarom niet aanne-
melijk is voor God. Hij durft niet zeggen, dat hij des Heeren
is, uit vrees van eene onwaarheid te spreken, en toch kan
hij het niet over zich verkrijgen van te zeggen, dat hij het
niet is, omdat hij het zoo vurig wenscht te zijn. De moeie-
lijkheid is groot en zeer ontmoedigend.
Doch er ligt hierin niets, dat niet zeer gemakkelijk te over-
komen is, zoo de Christen maar eens de beginsels van
\'t nieuwe leven grondig leert verstaan en weet, hoe hij er
zich in te gedragen heeft. Over \'t algemeen gelooft men,
dat dit leven, verborgen met Christus in God, een leven
van gevoel en aandoeningen is; bij gevolg wordt de gansche
aandacht der ziel daarop gericht, en naarmate dit bevredigend
is of niet, heeft men rust of is men ontsteld. Het leven
met Christus, verborgen in God, is in waarheid volstrekt
geen leven van aandoeningen, maar een leven van den wil,
waarin de veranderlijkheid der aandoeningen niets toe of
afdoet, zoo slechts de wil standvastig op zijn middelpunt
bevestigd blijft, \'t welk is: Gods wil.
Om dit duidelijk te maken moet ik mij eene kleine uit-
wijding veroorloven. Fénélon zegt ergens dat „de zuivere
godsdienst enkel in den wil huisvest." Hiermee bedoelt hij
dat, vermits de wil de heerschende macht in de menschehjke
natuur is, alles in die natuur één harmonisch geheel zal
vormen, wanneer de wil slechts goed geregeld wordt. Door
den wil versta ik niet des menschen wenschen en bedoelen,
maar zijne keus, de beslissende macht, de koning, aan wien
al wat in den mensch is, gehoorzamen moet. De wil is, in
een woord, de mensch, de „Ego" — ons eigen ik.
Men meent wel eens, dat het gevoel de heerschende
macht in ons is, doch, mij dunkt, wij weten allen bij eigen
ervaring, dat er iets binnen in ons is, achter ons gevoel,
achter onze wenschen, een onafhankelijk, zelfbestaand wezen,
dat, wanneer het er op aankomt, alles beslist en alles be-
stuurt. Onze aandoeningeu maken een deel van ons zelven
uit; wij lijden en genieten door dezelve, maar ons eigen ik
zijn zij niet. Zal God bezit van ons nemen, dan zal Hij tot
-ocr page 61-
MOEIELIJKHEDEN ENZ.                                      49
ons inkomen door den wil, het centraal punt onzer persoon-
lijkheid. Zoo Hij dan daar heerscht, door de macht van
Zijnen Geest, dan zal al het overige in ons, onder Zijnen
scepter komen; en, zoo als de wil is, zoo zal de man zijn."
Deze waarheid heeft op de moeielijkheid, die wij bespreken,
eene zeer nauwe betrekking, want de beslissing van onzen
wil is menigmaal zoo lijnrecht in strijd met de beslissing
van ons gevoel, dat, bijaldien wij de gewoonte hebben van
ons gevoel als den toets onzer handelingen te beschouwen,
wij geneigd zullen wezen om ons zelven van schijnheiligheid
te beschuldigen daar, waar wij die dingen voor waar en
werkelijk houden, die onze wil alleen beslist heeft. Zoodra
wij echter den wil als heerscher erkennen, zullen wij alles
beginnen te wantrouwen, wat met hem in strijd is en voor
echt erkennen, wat hij beslist, hoe zeer het gevoel er ook
tegen op moge komen.
Dat het moeilijk is om hiermede in te stemmen, hiervan
ben ik mij volkomen bewust; doch daar het eene zaak geldt,
die zoo bij uitnemendheid praktisch is in het leven des ge-
loofs, zoo bid ik u, lieve lezer, er u niet van af te wenden
eer gij u haar goed eigen gemaakt hebt.
Een voorbeeld zal u mogelijk van dienst kunnen zijn. Een
jong mensch, met veel verstand begaafd, die dit nieuwe
leven zocht te verkrijgen, was geheel ontmoedigd door de
ontdekking, dat hij de slaaf was van de ingekankerde ge-
woonte des twijfels. Voor zijn gevoel scheen niets waar,
niets echt te zijn; en hoe meer hij streed hoe erger het
werd. Hem werd dit geheim aangaande den wil meêge-
deeld, — dat, zoo hij slechts zijn wil liet overhellen naar de
geloovige zijde, zoo hij waarlijk begeerde te gelooven, zoo
in een woord zijn inwendige mensch, zijn eigen Ik zeide:
„Ik wil gelooven! Ik geloof!" hij zich aan zijn gevoel niet
behoefde te storen, want dat zou vroeg of laat wel gedwon-
gen worden om in overeenstemming met zijn wil te komen.
„Wat!" zeide hij, „wilt gij mij wijs maken, dat het aan
mijn wil ligt om in dien zin te gelooven, wanneer niets mij
waar schijnt te zijn: en zou dat een echt geloof wezen?"
„Ja," was het antwoord — „gij hebt alleen maar uw wil
over te brengen naar de zijde van God in deze zaak des
geloofs, en doet gij dat, dan neemt God er dadelijk bezit
4
-ocr page 62-
50
MOEIELI.IKHEDEN
van en werkt in u het willen naar Zijn welbehagen, en
spoedig zult gij ervaren, dat Hij al het overige in u tot on-
derwerping aan Hem zelf gebracht heeft." „Welnu" was
het antwoord, „dat kan ik doen; mijn gevoel kan ik niet
bedwingen maar wel mijn wil, en het nieuwe leven begint
mij mogelijk toe te schijnen, zoo het slechts mijn wil is die
geregeld moet worden. Ik kan mijn wil aan God geven en
ik doe het!" van dat oogenblik af aan heeft die jonge man
zonder acht te slaan op de erbarmelijke klaagtoonen van
zijn gevoel, dat hem van schijnheiligheid beschuldigde, zich
standvastig gehouden aan de uitspraak van zijn wil. Op
elke beschuldiging van het gevoel gaf hij ten antwoord, dat
hij verkoos te gelooven, dat hij zou gelooven, dat hij ge-
loofde; totdat hij, na weinige dagen, als overwinnaar uit
den strijd kwam, hebbende elke gemoedsaandoening, elke
gedachte gevangen gegeven onder de macht van Gods Geest,
en de Heer had bezit genomen van dien wil, die Hem alzoo
in handen gegeven was. Hij had zonder wankelen zich vast-
gehouden aan de belijdenis van zijn geloof ofschoon het
hem toescheen, of hij op waarachtig geloof geen aanspraak
kon maken. Bij oogenblikken had hij al de kracht van zijn
wil noodig gehad om te kunnen zeggen, dat hij geloofde,
zoo strijdig was het met de ervaring der zinnen en met het
gevoelsleven; maar het denkbeeld, dat zijn wil toch eigenlijk
het ware wezen van den mensch is, had post bij hem gevat
en hij wist, dat, zoo hij zijn wil maar aan Gods zijde hield,
hij van zijn kant deed wat hij kon, en dat God alléén de
macht had om in hem al het overige te bedwingen. De uit-
komst is geweest, dat die jonge man een der voortreffelijkste
Christenen geworden is, die ik ooit gekend heb, door zijne
buitengewone eenvoudigheid, door zijne oprechtheid en door
zijne macht over de zonde. Hierin ligt het geheim, dat onze
wil, die de bron is van al onze handelingen, door den val
onder de macht des Satans gekomen was, die hem in ons
tot onzen geheelen ondergang bewerkte. Nu zegt God:
„Geeft u zelven aan Mij over als dezulken, die van den
dood tot het leven zijt overgegaan en Ik zal in u werken
het willen en het volbrengen naar Mijn welbehagen." En
zoodra wij ons overgeven, neemt Hij bezit van ons en werkt
in ons, wat Hem welgevallig is in Jezus Christus. Hij zet
-ocr page 63-
51
, AANGAANDE DEN WIL.
in ons de gezindheid, die in Christus was en hervormt ons
naar Zijn beeld. Zie Rom. XII: 1, 2.
Laat ons een ander voorbeeld nemen. Eene vrouw, die
dit verborgen leven in Christus tot haar deel gekozen had,
werd met eene zware beproeving bedreigd. Haar gansche
gevoel kwam er tegen in opstand en had zij aan haar gevoel
toegegeven, dan ware zij tot wanhoop vervallen, doch zij
kende dit geheim van den wil en wetende, dat zij zelve in
den grond den wil van God tot haar deel gekozen had,
ging zij in \'t geheel niet te rade met haar gevoel, maar
volhardde in het bestrijden van elke gedachte aangaande
deze beproeving met de gedurige herhaling van dit woord:
„Uw wil geschiede! Uw wil geschiede!" Tegen haar eigen
weerbarstig gevoelsleven in betuigde zij, dat zij haar wil in
onderwerping bracht aan dien van God, dat zij zich wilde
onderwerpen en dat Zijn wil haar lust en haar begeeren
was! Het gevolg hiervan was, dat in zeer korten tijd elke
gedachte in haar gevangen gegeven was onder de gehoor-
zaamheid des geloofs en dat zij zelfs mocht ondervinden,
dat ook het gevoel in haar begon te juichen in Gods wil.
Eene andere vrouw had eene heerschende zonde, welk
aan haar gevoelsleven dierbaar was, maar die zij in de kracht
van haar wil verfoeide. Zoolang zij meende onder het beheer
van het gevoel te moeten staan, was zij onbekwaam om die
zonde te overwinnen, maar zij leerde het heilgeheim kennen
en op de knieën vallende, riep zij uit: „Heer, Gij ziet, dat
ik met een deel van mijn wezen deze zonde lief heb, doch
dat ik haar in mijn innerlijk ware wezen haat, en nu geef
ik mijn wil geheel over aan U. Ik wil die zonde niet meer
bedrijven. Verlos Gij mij." Onmiddellijk nam God bezit van
dien wil, die Hem dus overgeleverd werd, begon hem te
bewerken, zoodat Zijn wil het oppergezag kreeg over haar
gevoel en zij verlost werd, niet door de macht van een uit-
wendig bevel, maar door de inwendige werking van Gods
Geest, die in haar het welbehagen des Heeren volbracht.
En nu, mijn lieve medechristen, laat mij toe dat ik u aan-
wijze, hoe gij dit beginsel op uwe moeilijkheden kunt toe-
passen. Let niet langer op uw gevoel, op uwe aandoeningen,
zij zijn uwe dienaren. Sla enkel acht op uw wil, die de ware
koning is van uw wezen. Is hij overgegeven aan God? Is
-ocr page 64-
52
MOEIELIJKHEDEN
hij in Gods hand gesteld? Heeft hij het besluit genomen
van te gelooven, van te gehoorzamen? Is dat het geval dan
zijt gij in Gods hand, dan gelooft gij, dan gehoorzaamt gij,
want uw wil is uw wezen. Dan is de zaak klaar. Uw verbond
met God is even echt daar, waar uw wil alleen handelt,
als daar waar wil en gevoel te zamen stemmen. Het mag
u niet zoo waar toeschijnen, maar in Gods oog is het wel
zoo. Wanneer Gij u dit geheim eigen hebt gemaakt, dat gij
weet dat gij niet te letten hebt op uw gevoel maar alleen
op den staat van uw wil, dan wordt het u mogelijk al de
bevelen der Schrift na te leven, u aan den Heer toe te
wijden, als eene levende offerande, in Christus te blijven,
in het licht te wandelen, u zelven af te sterven; want gij
ontvangt de zelfbewustheid dat in al deze dingen uw wil
werkzaam kan zijn en dat hij de zijde van God kan kiezen;
terwijl gij in wanhoop zoudt wegzinken, indien uw gevoel
daartoe geroepen werd, wetende dat dit geheel onregeer-
baar is.
Wanneer dan de beschuldiging van onwaar, van schijn-
heilig te zijn weder in u opkomt, laat er u niet door beang-
stigen. Zij komt alleen uit uw gevoel voort en is geen
oogenblik der aandacht waard. Zie echter wel toe, dat uw
wil in Gods hand blijft; dat uw inwendig bestaan aan Zijne
bewerking toevertrouwd zij; dat uwe keuze, uwe beslissing
naar Zijne zijde overhellen; en laat het daarbij. — De op-
wellingen van uw gevoel, die door de keus van uw wil
zich gebonden zien onder de macht van God, zullen zich
onvermijdelijk gevangen geven en zich aan Hem onderwerpen
gelijk het dobberend schip langzamerhand onder den ge-
stadigen ruk van den kabel tot stilstaan komt, en gij zult de
waarheid ervaren van het woord „dat, zoo iemand wil den
wil van God doen, die zal bekennen dat deze leer uit God is."
De wil is gelijk aan eene verstandige moeder, het gevoel
daarentegen aan een troep woeste, wilde kinderen. De moeder
beslist, dat er zoo of zoo gehandeld zal worden, naar dat
het haar recht en billijk schijnt. De kinderen komen tegen
het besluit der moeder in verzet en willen dat het zoo niet
zal geschieden. Doch de moeder, die weet dat zij baas is
en niet de kinderen, gaat stil haar gang zonder zich te storen
aan hun geroep en slaat er geen meerder acht op dan om
-ocr page 65-
53
AANGAANDE DEN WIL.
hun te bevelen stil te zijn. Het einde hiervan is, dat de
kinderen vroeg of laat genoodzaakt worden toe te geven en
genoegen te nemen met het besluit der moeder.
Zoo wordt de orde en de harmonie bewaard. Zoo die moeder
nu maar voor een oogenblik het denkbeeld ingewilligd had,
dat de kinderen baas behooren te zijn en niet zij, zou er
een teugellooze verwarring geheerscht hebben, zooals er
voorbeelden van in het familieleven gezien worden. In hoe
menige ziel is er thans niets dan verwarring, enkel omdat
het gevoel en niet de wil er de heerschappij voert.
Bedenk dus wel, dat het wezenlijk ware in uw leven dat-
gene is, wat uw wil bepaalt en niet wat de uitspraak van
uw gevoel is, en dat gij veel meer gevaar loopt van tot ge-
veinsdheid en onwaarheid te vervallen door naar uw gevoel
te luisteren, dan door u vast te houden aan het besluit van
uw wil, dus aan de zijde van God; dan zijt gij geen ge-
veinsde, wanneer gij de gezegende werkelijkheid van Hem
toe te behooren als uw deel vordert, al sprak uw gevoel
ook het tegendeel uit.
Het is mijne overtuiging, dat, met hetgeen den ganschen
Bijbel door, van het „hart" gezegd wordt, niet bedoeld wordt
het gevoel, maar den wil, het eigen, inwendige zijn van den
mensch en dat het Gods bedoeling met den mensch is dat
dit „Ik" Hem overgeleverd worde en dat dit inwendige leven
geheel onder Zijn bestuur gebracht worde. God begeert niet
het gevoel maar den mensch zelf.
Hebt gij u zelven reeds aan Hem gegeven, lieve lezer?
Hebt gij u wel reeds aan Zijne werking onderworpen ? Stemt
gij er in toe, dat uw gansch innerlijk bestaan in Zijne handen
gesteld worde? Laat vrij alles tegen u in verzet komen,
het is uw recht om reeds nu met den Apostel te zeggen:
„Ik ben met Christus gekruist en ik leef niet meer, maar
Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu leef in het vleesch,
dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij lief
gehad heeft en zichzelven voor mij gegeven heeft.
Nadat het voorafgaande reeds bij den uitgever was om
gedrukt te worden, werd mij het volgende ter bevestiging
-ocr page 66-
54
MOE1ELIJKHEDEN
van mijn schrijven door een Fransch leeraar uit Parijs aan-
geboden. Het bevat de ervaring van een gereformeerden
geestelijke en werd sedert vele jaren zorgvuldig bewaard door
den leeraar, die het mij gaf.
Newburgh, Sept. 26 1822.
Geliefde broeder. Ik neem eenige oogenblikken van den tijd, dien ik
gewoonlijk den Heer toewijd, om een kort woord aan u, Zijn dienaar,
te schrijven. Het is zoet te gevoelen dat wij geheel des Heeren zijn, dat
Hij ons aangenomen heeft en ons de Zijnen noemt. Dit is godsdienst
een loslaten van het beginsel, dat men zichzelven toebehoort en een ten
volle aanneming van de blijvende bewustheid: »lk behoor mij zelven
niet, ik ben gekocht voor een prijs." Sedert ik u \'t laatst zag ben ik
vooruit gegaan, en toch is er niets bijzonders in mijn leven voorgevallen;
ik meen ook dat het niet verkieslijk is naar bijzondere gebeurtenissen
om te zien, maar dat men er naar moet streven om heilig te zijn,
gelijk God heilig is, zich uitstrekkende naar den prijs der roeping
van God.
Ik voel mij niet gerechtigd om u te onderwijzen; ik kan u alleen den
weg zeggen langs welken ik geleid werd. De Heer handelt niet op
dezelfde wijze met iedere ziel; zoo moeten wij ook niet trachten de be-
vindingen van anderen na te bootsen, en toch zijn er dingen, die door
ieder, die een rein hart begeert te hebben, beoefend moeten worden.
Kr moet eene persoonlijke toewijding aan God plaats hebben van al
wat in ons is; er moet een verbond met God gemaakt worden,waardoor
men zich geheel en voor altijd aan Hem verbindt. Dit deed ik met
mijn verstand, zonder eenige verandering in mijn gevoel te bespeuren,
en met een hart vol van hardheid en duisternis, van ongeloof en zonde
en ongevoeligheid.
Ik verbond mij om des Heeren te zijn, ik legde alles op het altaar,
als een levende olferande naar dat ik dat het best vermocht. Nadat ik
van de knieën opgestaan was, bespeurde ik geen verandering in mijn
gevoel. Dat was mij eene smartelijke gewaarwording, e» toch had ik
de overtuiging, van in alle oprechtheid en eerlijkheid eene geheele en
eenige toewijding van mij zelven aan God gedaan te hebben. Ik be-
schouwde toen het werk nog in \'t geheel niet als afgedaan, maar be-
sloot om te volharden in den dienst des Heeren en mij zelven tot eene
voortdurende, levende offerande te stellen. Maar nu deed zich de rnoeie-
lijkheid op van dit te volbrengen.
Ik wist, dat het aan mij was te gelooven, dat God mij aannam en
dat Hij in mijn hart wilde wonen. Ik erkende, dat ik dat niet geloofde
en toch de begeerte had van het te kunnen gelooven. Ik las met een
biddend hart in den l»ten brief van Joh. en trachtte mij zelven te over-
tuigen van Gods persoonlijke liefde voor mij. Ik erkende, dat mijn hart
vol boosheid was; er scheen geen macht in mij te zijn om den hoogmoed
te overwinnen, om verkeerde gedachten, die ik haatte, te verdrijven. Maar
-ocr page 67-
55
AANGAANDE DEN WIL.
Christus was geopenbaard om de werken des duivels te vernietigen en
de zonde in rnijn bart was klaarblijkelijk het werk van den duivel. Toen
werd het mij gegeven te gelooven, dat God in mij werkte het willen en
het werken, terwijl ik mijn eigen zaligheid werkte met vreezen en beven.
Ik werd overtuigd aangaande het ongeloof, dat het eene moedwillige,
misdadige, ja eene vreeselijke zonde is; het maakt den trouwen God tot
een leugenaar.
De Heer bracht mij mijne overheerschende zonde voor oogen, inzon-
derheid het prediken van mijzelven in plaats van Christus en het toe-
geven aan zelfbehagen na de prediking. Ik werd bekwaam gemaakt om
mij zelven allen roem te ontzeggen en alleen de eer te zoeken, die uit
God is. Satan worstelde hevig om mij van de Rots der eeuwen af te
stooten; doch, Gode zij dank, ik vond de levenswijsheid van bij het
oogenblik te leven en toen kreeg ik rust.
Ik vertrouwde op het vergoten bloed van Christus als op een voldoende
verzoening voor al mijne vorige zonden, en voor de toekomst stelde ik
mij geheel in Gods hand, met de begeerte om in alle omstandigheden
Zijn wil te doen, maar dat Hij mij dien zou openbaren, en ik erkende,
dat het eenige, wat ik te doen had, was op Jezus te zien voor eene tijdige
vermeerdering van genade en op Hem te steunen voor de reiniging van
mijn hart én voor beveiliging tegen de zonde van ieder oogenblik.
Ik voelde mij gebonden in mijne diepe afhankelijkheid van de genade
van Christus. Ik liet den vijand niet toe mij te verontrusten omtrent
het verledene noch omtrent de toekomst, want ik zag ieder oogenblik uit
naar hulp voor het tegenwoordige oogenblik. Ik wilde een kind van
Abraham zijn en in een blind geloof aan het woord van God mijnen
weg bewandelen zonder naar innerlijk gevoel of naar aandoeningen te
vragen, ik wilde een Christen volgens den Bijbel zijn. Van dien dag af
gaf de Heer mij eene bestendige overwinning over zonden, die mij vroeger
gevangen hielden. Ik verlustig mij in den Heer en in Zijn woord. Ik
verlustig mij in mijn werk van evangeliedienaar; mijn gemeenschap is
met den Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus. Ik ben een eerstbe-
ginnende in \'t geloof en weet dat mijne vorderingen gering zijn, verge-
leken bij die van velen. Mijn gevoel gaat op en neer; maar hoe hoog of
laag het ook gestuurd zij, ik geloof God en verlaat mij op Zijn woord.
Ik heb mij verbonden te wandelen door het geloof en niet door het gevoel.
Het werk des Heeren begint in mijne gemeente te herleven. »God
zij geloofd." De Heere vervulle u met Zijne volheid en schenke u den
Geest van Christus. Wees getrouw! Wandel met God en wees vol-
maakt. Predikt het woord, tijdig en ontijdig. De Heer heeft u lief.
Hij ondersteunt u in den arbeid. Verlaat u geheel op deze belofte:
«Ziet ik ben met ulieden al de dagen tot aan de voleinding der wereld.\'\'
Uw medestrijder
VVlf.I.IAM HlLL.
-ocr page 68-
56
BEZWAREN
HOOFDSTUK VIII.
BEZWAREN AANGAANDE EENE LEIDING.
Gij hebt nu een begin gemaakt met het leven des geloofs,
lieve lezer. Gij hebt u zelven aan den Heer overgegeven,
om de Zijne te zijn geheel en volkomen; Hij heeft u aan-
genomen en is begonnen u te kneden en te vormen tot een
vat ter Zijner eere. Het is uw ernstige begeerte buigzaam
te zijn onder Zijne hand, Hem te volgen, waar Hij u ook
heen wil leiden, en gij vertrouwt op Hem, om in u te werken
het willen en het werken naar Zijn welbehagen. Doch hier
stoot gij op een groot bezwaar. Gij hebt de stem van den
goeden Herder nog niet leeren kennen en bevindt u daardoor
in groote verlegenheid om te weten, wat de werkelijke wil
des Heeren aangaande u zij. Mogelijk zijn er wegen, waarin
de Heer u schijnt te willen leiden, maar die door uwe vrienden
afgekeurd worden. Deze vrienden zijn misschien ouder dan
gij in \'t Christelijk leven en schijnen u toe daarin ook veel
verder gevorderd te zijn. Gij kunt het niet goed verdragen
om van hen te verschillen of hen te bedroeven en gij zijt
huiverig om toe te geven aan \'t geen u toeschijnt plicht te
zijn, terwijl zij er anders over denken. En toch kunt gij u
van uwe indrukken niet los maken en zoo verkeert gij in
grooten twijfel en onrust.
Er bestaat een weg, voor de ziel die zich geheel heeft
overgegeven, om uit al deze moeielijkheden te geraken. Ik
herhaal de geheel overgegevene, want, zoo er op eenig puut
de minste terughouding van den wil is, wordt het schier
onmogelijk Gods gedachten omtrent dat punt te verstaan,
daarom is het allereerst noodig de zekerheid te hebben, dat
het uw ware voornemen is God in alles te gehoorzamen.
Hebt gij die zekerheid, en is het u nu alleen te doen om
Gods wil te kennen, ten einde dien te volbrengen, dan kunt
gij niet twijfelen aan Zijne bereidvaardigheid om u Zijn wil
bekend te maken en om u in de rechte wegen te leiden.
Er zijn hieromtrent vele duidelijke beloften. Ziet b. v. Joh.
X: 3 en 4. „Hij roept Zijne schapen bij name en leidt ze
uit. En wanneer Hij Zijne schapen uitgedreven heeft, zoo
gaat Hij voor hen heen en de schapen volgen Hem, overmits
-ocr page 69-
57
AANGAANDE EENE LEIDING.
zij Zijne stem kennen." En dan Joh. XIV: 26. „Maar de
Trooster, de Heilige Geest, welken de Vader zenden zal in
Mijnen naam, die zal u alles loeren en zal u indachtig
maken alles, wat Ik u gezegd heb." En Jak. 1: 5, 6: „Indien
iemand van u wijsheid ontbreekt, dat hij ze van God begcere,
die een iegelijk mildelijk geeft en niet verwijt, en zij zal hem
gegeven worden." Uit deze plaatsen der Schrift en uit vele
dergelijke moeten wij opmaken, dat de Goddellijke leiding
ons beloofd is, en in \'t geloof moeten wij vertrouwend er
naar uitzien en haar verwachten. Dit is allernoodzakelijkst,
want in Jak. 1:6, 7 wordt ous gezegd: „Dat hij ze begeere
in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt is eene baar
der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en neder
geworpen wordt, want die mensch meene niet, dat hij iets
ontvangen zal van den Heer."
Stel dit punt dan allereerst vast, dat Goddelijke leiding
beloofd is en dat gij zeker zijt haar te ontvangen, zoo gij
er om vraagt. Laat geen inblazing van twijfel u hiervan
afbrengen.
Daarom moet gij bedenken, dat God alle kennis en alle
wijsheid bezit, zoodat het zeer wel mogelijk is, dat Hij u
op wegen zal leiden, waarop volgens Zijn raad, groote zege-
ningen u te wachten staan, doch waarop het kortzichtig
menschelijk oog niet anders dan schade en schande verwacht.
Vergeet niet dat Gods gedachten niet zijn als des menschen
gedachten, noch Zijne wegen als des menschen wegen, en
dat Hij, die van den beginne het einde der dingen weet,
alleen oordeelen kan wat het gevolg van deze of gene daad
zal zijn.
Gij moet u daarom wel voorstellen, dat juist Gods liefde
u mogelijk leiden zal lijnrecht in strijd met de meest ge-
koesterde wenschen uwer dierbaarste vrienden. Gij moet uit
Luk. XIV : 26—33 en dergelijke plaatsen leeren, dat, niet om
behouden te worden, maar om een discipel en volgeling uws
Heeren te zijn, gij mogelijk geroepen zult worden om te
verlaten, al wat gij hebt en zelfs om uw rug toe te keeren
aan vader of moeder, aan broeder of zuster, aan man of
vrouw, of zelfs om afstand te doen van uw leven. Tenzij
de mogelijkheid van dit alles grondig erkend zij, zal de ziel
licht in moeielijkheden geraken, omdat het meermalen gebeurt,
-ocr page 70-
58
BEZWAREN
dat het kind van God, wanneer het pas den weg van ge-
hoorzaamheid ingeslagen heeft, vroeg of laat op paden geleid
wordt, die afgekeurd worden door hen, die hem het liefst
zijn; tenzij hij hierop voorbereid zij en den Heer door dit
alles heen vertrouwt, zal hij nauwelijks weten, wat hij te
doen heeft.
Het spreekt van zelf, dat dit alles volkomen in overeen-
stemming is met die plichten van eerbied en liefde, die wij
in do verschillende betrekkingen des levens jegens elkander
te vervullen hebben. Hoe dichter wij ons bij Christus houden,
hoe meer wij bekwaam gemaakt zullen worden om Zijne
zachtmoedigheid en nederigheid na te volgen en hoe meer
wij onze natunrlijke verzorgers en raadgevers zullen ontzien.
De leiding van den Zaligmaker zal zich altijd openbaren in
den geest van den Zaligmaker. Waar wij in gehoorzaamheid
aan Christus bestuurd worden om te handelen tegen den
wensch en den raad onzer vrienden in, daar ook zullen wij
hun toonen, door een gedrag, vol liefde en geduld, welke
onze drijfveer zij.
Dit punt nu vastgesteld zijnde, komen wij tot de vraag,
hoe de leiding van God zich aan ons openbaart en hoe wij
in staat zullen zijn om Gods stem te kennen.
Er zijn twee bijzondere wegen, waarin Hij Zijn wil aan
ons openbaart — door de Schrift en door middel van de
stem des Heiligen Geestes, Die indruk maakt op ons hart
en op ons verstand. De eerste van deze is de leiding die
wij in den Bijbel vinden. Gij behoeft geen bijzondere en
persoonlijke openbaring te verwachten, totdat gij Gods wil,
met betrekking tot eenig onderwerp, zoo als het daarin ge-
openbaard wordt, erkend en gehoorzaamd hebt. Door dezen
eenvoudigen regel over het hoofd te zien, hebben er vele
ongelukkige misvattingen plaats op \'t stuk der leidingen van
God. Daar, waar onze Vader eene duidelijke bepaling aan-
gaande eenig onderwerp eens voorgeschreven heeft, zal Hij
ons daaromtrent natuurlijk geene bijzondere openbaring geven.
Zoo wij op eene inwendige stem wachten, in plaats van de
Schrift nauwlettend te onderzoekon en haar te gehoorzamen,
stellen wij ons bloot aan de verlokselen van Satan en zullen
wij ongetwijfeld in dwaling vervallen. Niemand, bij voor-
-ocr page 71-
50
AANGAANDE EENE LEIDING.
beeld, behoeft eene onmiddelijke openbaring of kan er eene
verwachten om hem te zeggen, dat hij niet mag stelen,
omdat God reeds duidelijk in Zijn woord Zijn wil daaromtrent
verklaard heeft. Dit schijnt zoo onomstootelijk waar, dat ik
er niet van spreken zou, zoo ik niet menigmaal Christenen
ontmoet had, die dit geheel voorbij gezien hadden en ten
gevolge daarvan tot geestdrijverij vervallen waren. Ik erken,
dat de Bijbel geen regel aangeeft voor eiken bijzonderen
loop van zaken en dat wij in zulke gevallen de onmiddellijke
leiding van den Heiligen Geest behoeven en haar moeten
verwachten.
En toch is de Schrift veel meer beslist zelfs in bijzaken
dan de meeste menschen denken. Er zijn niet veel dingen
van eenig aanbelang in \'t leven, waaromtrent men niet eene
duidelijke aanwijzing in Gods Woord vinden kan. Neem het
stuk der kleeding en wij hebben 1 Petr. III: 3, 4 en 1 Tim.
II: 9. Neem het stuk der samensprekingen en wij wijzen u
naar Eph. IV: 29 en V: 4. Neem het stuk der wraak over
beleedigingen en het staan op uw recht en wij hebben
Rom. XII: 19, 20, 21 en Matth. V: 38—48 en 1 Petrus II: 19—21.
Neem het onderwerp van \'t vergeven van elkanders mis-
daden en wij verwijzen u naar Eph. IV : 32 en Mark. XI: 25,
26. Neem het stuk van gelijkvormigheid aan de wereld en
wij hebben Rom. XII: 2 en 1 Joh. II: 15—17 en Jak, IV : 4.
Neem het stuk van angst en kommer van eiken aard, en
wij zien op Matth. VI: 25—32 en Phil. IV : 6, 7.
Ik noem alleen deze dingen als voorbeelden om aan te
toonen hoe volledig en praktisch de leiding des Bijbels is.
Bevindt gij u dus in verlegenheid, ga dan in de eerste
plaats naar den Bijbel en zie of het punt in kwestie er in
behandeld wordt en bidt God, dat Hij door de kracht Zijns
Geestes het voor u duidelijk make welke Zijn wil zij. Wat
u dan in de Schrift duidelijk geleerd en bevolen toeschijnt,
daar moet gij aan gehoorzamen.
Wanneer wij die uitingen van Gods Geest willen over-
denken, met een verstand verhelderd door de werking des
Geestes, dan zal onze gehoorzaamheid even zeker eene ge-
hoorzaamheid zijn aan een levend woord als ware dat woord
heden, hoorbaar door onzen Heer uit den Hemel tot ons
gesproken. De Bijbel is niet alleen een oude boodschap van
-ocr page 72-
GO
BEZWAREN
God, vele eeuwen geleden tot ons gezonden, maar hij is een
altijd nieuwe boodschap, tot ons gericht zoo dikwijls wij hem
lezen. „De woorden, die Ik tot u spreek, zijn geest en zijn
leven." en gehoorzaamheid aan deze woorden is eene levende
gehoorzaamheid aan een nieuw persoonlijk bevel.
Wij zien dus, dat bijzondere leidingen boven en behalve
die der Schrift, omtrent eenig punt, waarover zij zich
duidelijk uitlaat, niet te verwachten zijn; en dat de
leiding van den Geest nimmer in tegenspraak met de Schrift
wezen kan.
Maar indien gij, na gedaan onderzoek, in den Bijbel geene
aanwijzing vindt omtrent het punt, dat u bezwaart of zoo
de aanwijzing niet al de bijzonderheden betreft van \'t geval,
waarin gij verkeert, dan hebt gij recht tot het vragen van
eene onmiddellijke leiding door de stem des Heiligen Geestes,
komende tot uw hart en indruk makende op uwen geest,
zoodat gij „van uw plicht een klaar bericht krijgt."
De Geest zal u zeker en op de rechte paden leiden en
Hij zal u Gods liefdevollen wil jegens u bekend maken; en
gij zult ondervinden, dat niet alleen uw weg, maar zelfs al
uwe voetstappen door Hem bestuurd worden.
Bij de overgave van u zelven aan het gevoel van plicht
zijn twee gewichtige punten in acht te nemen. Zoo die in-
spraken van den Geest zijn, dan zullen zij in overeenstemming
wezen met de Schrift en met een geheiligd oordeel, want
God heeft voorzeker Zijn wil niet in de eene plaats geopen-
baard om die op eene andere te weerspreken en het is Zijn
stellige belofte, dat Hij „de zachtmoedige zal leiden in
gerechtigheid."
Alles wat dus in tegenspraak is met de Schrift en met
eenen geheiligden zin, moet verworpen worden als werk
des Satans, want wij moeten niet vergeten, dat Satan even
als Gods Geest indrukken kan verwekken op onzen geest,
zoodat het hoog noodig is om op het punt van leiding niet
onbekend te zijn met zijne listen. Door eene verkeerde op-
vatting van het denkbeeld van den Heiligen Geest te ver-
heerlijken, hebben somtijds ernstige en oprechte Christenen
de onderwijzing der Schrift miskend, haar geweld aangedaan
en hun eigen oordeel verguisd. God, Die de eerlijkheid van
hun hart ziet, kan Zich over hen ontfermen en hun vergiffenis
-ocr page 73-
61
AANGAANDE EENE LEIDING.
schenken, maar de gevolgen blijven voor hen in dit leven
dikwijls zeer treurig.
In niets is het ons derhalve zoo zeer noodig, als in dit,
ons hulpbehoevend te erkennen en ons met kinderlijk ver-
trouwen op den Heer te verlaten; Hem het gevaar te zeggen,
waarin wij verkeeren. het gevaar van misleid te worden en
van Hem te verwachten, dat Hij het niet zal toelaten. Aan
elke bijzonder kostbare, geestelijke gave is altijd eenig eigen-
aardig gevaar verbonden en de groote zegen eener bijzondere
leiding maakt geen uitzondering op den regel, maar met de
proef, die ik aangegeven heb, en met eene geheele overgave
van de zaak aan den Heer en een volkomen vertrouwen in
Hem is er niets te vreezen.
Nu ik de gevaren aangewezen heb, zij het mij veroorloofd
een weinig stil te staan bij den zegen en de vreugde die
deze onmiddellijke openbaring van Gods wil ons aanbrengt.
Het schijnt mij toe het grootste van alle voorrechten te zijn.
Vooreerst, dat God mij zoo lief heeft, dat Hij tot in de
kleinste bijzonderheden van \'t leven voor mij zorgt is gansch
wonderbaar; en dan, dat Hij bereid is om er mij alles van
te zeggen en mij te kennen te geven, hoe ik handelen en
wandelen moet om Hem welgevallig te zijn, schijnt bijna te
goed om waar te zijn. Wij laten ons nimmer gelegen liggen
aan de kleine omstandigheden van iemands leven, tenzij wij
die mensch liefhebben. Het is ons, aangaande de menigte
dergenen, die wij ontmoeten, onverschillig hoe zij leven. Doch
zoodra wij iemand beginnen lief te krijgen, vangen wij te
gelijkertijd aan, belang in hem te stellen. Dat God ons Zijne
belangstelling toont is juist een kostbaar Bewijs voor Zijne
liefde, \'t is een groote zegen, wanneer Hij tot ons spreekt
over al^ onze belangen, — over onze kleeding, over onze
lektuur, over onze vriendschappelijke betrekkingen, over
onze bezigheden, over al wat wij doen, zeggen of denken.
Gij moet dit bij eigen ondervinding kennen, lieve lezer, zult
gij komen tot de volle vreugde en het voorrecht van dat
leven, verborgen met Christus in God, want dit is een Zijner
kostbaarste gaven.
Het is Gods belofte, dat Hij in ons zal werken het willen
en het werken naar Zijn welbehagen. Dit beteekent dus,
-ocr page 74-
62
BEZWAREN
dat Hij bezit wil nemen van onzen wil en dien voor ons
zal bewerken, en dat Zijne ingevingen tot ons zullen komen,
niet zoozeer als bevelen van buiten, dan wel als begeerten
die binnen in ons ontspruiten. Zij zullen in onzen wil ont-
staan; wij zullen inwendig eene behoefte gevoelen om zoo
en niet anders te handelen en \'t zal niet zijn door dwang;
alzoo zal het worden een dienen in volmaakte vrijheid, want
het is altijd gemakkelijk te doen, hetgeen wij begeeren, al
zijn de begeleidende omstandigheden zoo bezwarend mogelijk.
Elke moeder weet, dat zij haar kind het gehoorzamen ge-
makkelijk zou kunnen maken, zoo zij slechts meester kon
worden van den wil van \'t kind en dien voor hem kon be-
werken, door hem de begeerte te geven om die dingen te
doen, welke zij van hem verlangt. En dit is het, wat onze
Vader voor Zijne kinderen doet, in de nieuwe bedeeling.
Hij schrijft Zijne wetten in ons hart en in ons verstand, en
wij hebben die lief en worden tot gehoorzaamheid gedreven
door liefde en niet door vrees.
De wijze, waarop de Heilige Geest gewoonlijk Zijne leiding
bewerkt, is de begeerte in \'t hart te leggen om deze of die
zaak te doen of te laten.
Die zich verdiept in \'t gebed, voelt eene plotselinge in-
geving omtrent de eene of andere plichtsbetrachting. „Ik
zou dit willen doen of dat." Zij denkt: „Ik wenschte wel,
dat ik het kon doen." Of de ingeving komt in den vorm
eener vraag, „zou ik niet zoo of zoo moeten handelen?"
Ook somtijds wel dadelijk door overtuiging dat dit of dat
gedaan moet worden.
Terstond moet de zaak den Heer opgedragen worden, met
een vast besluit van den wil om Hem te gehoorzamen; en
is de ingeving in overeenstemming met de Schrift en met
een geheiligden zin, blijft zij u goed toeschijnen, dan is eene
dadelijke gehoorzaamheid de veiligste en gemakkelijkste weg.
Men gehoorzaamt licht, wanneer men het doet, zoodra de
Geest gesproken heeft; aarzelt men en begint men te rede-
neeren, dan wordt het hoe langer hoe moeilijker.
Als algemeene regel neemt men aan, dat de eerste in-
drukken van een hart, dat zich geheel overgegeven heeft,
de beste zijn; want God is getrouw in Zijne beschikkingen
over ons, en wil ons Zijne stem vóór elke andere stem
-ocr page 75-
f>3
AANGAANDE EENE LEIDING.
doen hooren. Zulke indrukken behooren dus nimmer tegen-
spraak bij ons te ontmoeten. Gebed en vertrouwen zijn de
eenigst veilige oefeningen der ziel en ook in deze moet zij
niet te lang verkeeren, opdat de tijd van handelen niet
voorbij ga en de zegen gemist worde.
Komt de ingeving ons evenwel niet duidelijk genoeg voor
om er naar te handelen, vooral zoo zij betrekking heeft op
iets, waarin onze beste vrienden van ons in meening ver-
schillen: dan kan het ons noodig zijn nader licht van den
Heer af te wachten; maar wij moeten wachten in \'t geloof
en in eene nederige eenswillendheid, gedurig „Ja!" zeggen
op den wil van God, hoedanig die wil ook zij. Zoo de in-
geving van Hem is, zal zij aanhouden en steeds sterker
worden; en zoo zij niet uit Hem is, zal zij verdwijnen en
wij zullen vergeten, dat wij haar ooit gekend hebben. Houdt
zij aan, keert zij terug zoo dikwijls wij in nauwe gemeenschap
met den Heer zijn, stoort zij ons in de oogenblikken, wanneer
wij ons tot het gebed afzonderen, verbreekt zij onzen vrede,
dan kunnen wij verzekerd zijn van haar goddelijken oor-
sprong en wij moeten haar opvolgen, of wij zouden eene
onuitsprekelijke schade lijden.
Ik houd het voor de eenigst veilige weg om de twijfeh
achtige dingen voor den Heer neer te leggen, totdat wij bij
helder licht zien, dat wij ze terug moeten nemen.
Eene lieve dame, die gedurende vele jaren een leven van
zelfopoffering geleid had, zeide mij, dat het haar onveran-
derlijke regel was om in elke twijfelachtige zaak naar den
kant der zelfopoffering te beslissen, en dat zij daar nimmer
spijt over gevoeld had. Dit was het geheim van een leven
van ongemeene toewijding. De Apostel geeft ons, met be-
trekking tot twijfelachtige zaken, een regel die mij zeer
duidelijk voorkomt. Sprekende over het eten van verscheidene
vleeschsoorten, die volgens de wet onrein waren, en na zijne
eigene vrijheid daaromtrent betuigd te hebben, zegt hij: „Ik
weet en ben verzekerd bij onzen Heer Jezus, dat er niets
onrein is in zichzelf. Maar die iets onrein acht, dien is het
onrein," En daarna alles te zamen vattende, schrijft hij:
„Hebt gij geloof! hebt dat bij u zelven voor God. Zalig is
hij, die zichzelven niet veroordeelt in \'t geen hij voor goed
houdt. Die twijfelt is aireede veroordeeld, indien hij eet,
-ocr page 76-
64                      BEZWAREN AANGAANDE EENE LEIDING.
omdat hij niet uit geloof eet: en al wat uit het geloof niet
is, dat is zonde." Gij zult gewoonlijk ervaren, lieve lezer,
dat een twijfel de stem van Hem geweest is, Die u oproept
tot meer gelijkvormigheid aan Zijn wil.
Ga dan met al uwe bezwaren tot Jezus; zeg Hem, dat gij
alleen begeert Hem te kennen en naar Zijne stem te luisteren
en vraag Hem, dat Hij u die recht te verstaan geve. Beloof
Hem te zullen gehoorzamen in alles, wat het ook zij. Geloof
zonder wankelen, dat Hij u leidt volgens Zijn woord. Geeft
Hem alle twijfelachtige dingen over, totdat gij er meer licht
in ziet. Luistert onophoudelijk naar Zijne dierbare stem, en
zoodra gij zeker zijt van haar te hooren, laat dan uwe on-
middellijke gehoorzaamheid volgen. Vertrouw, dat Hij u eiken
indruk, die niet uit Hem is zal doen vergeten; Hij is getrouw,
Die u niet aan zelfmisleiding zal overgeven.
Boven alles vertrouw Hem. Nergens komt het geloof meer
te stade dan hier. Hij heeft beloofd uw leidsman te zullen
zijn. Gij hebt het Hem gevraagd en nu moet gij gelooven,
dat Hij het is en ook aannemen dat wat komt door Hem
u wordt toegezonden. Geen aardsche vader of meester zou
zijne kinderen of dienstboden kunnen leiden, zoo zij weigerden
zijne bevelen te erkennen voor de uitspraak van zijn wil.
God kan die zielen niet leiden, welke Hem nooit genoeg
vertrouwen schenken om te gelooven, dat Hij het doet.
O! wees toch niet bevreesd voor dat heerlijke leven, dat
uur bij uur en dag bij dag onder de leiding van den Heer
voortgaat! Zoo Hij u van de wereld zoekt af te zonderen
om u in eene nauwe gemeenschapsoefening bij Hem te doen
leven, deins er niet voor terug. Beschouwt het als uw grootste
voorrecht. Verblijd er u in. Omhels het met ijver. Laat alles
varen, opdat het uw deel moge zijn.
0, wilt gij leven, leef voor God;
Verbeid Hem vroeg en laat.
De Geest en \'t bloed Zijns Zoons stelt tot
Dien strijd, dat werk in staat.
Neen; Gods geboden zijn niet zwaar,
Maakt liefde ons blij en sterk;
Dat Jezus Zich ons openbaar,
En — licht is \'t moeielijkst werk.
-ocr page 77-
TWIJFELINGEN.
Zij uw geweten tref baar teer;
Doof niet zijn inspraak, neen:
Genade roept; volg meer en meer.
Dat is volmaakt zijn, dat alleen.
HOOFDSTUK IX.
TWIJFELINGEN.
Vele christenen zijn verslaafd aan de hebbelijkheid van
te twijfelen. Geen dronkaard werd immer sterker door de
ketenen van zijn verderfelijke lust gekluisterd, dan zij door
de hunne worden gebonden. Elke stap van hun christelijk
leven is een ontzettend waagstuk tegen een leger van twijfe-
lingen, die altijd door op de loer liggen om bij iedere gunstige
gelegenheid hen te bespringen. Hun leven kwijnt, hun werk
wordt verlamd en hun gemeenschap met God gestoord door
hunne twijfelingen. En hoewel het leven des geloofs waarover
dit boek handelt, de ziel veelal geheel ontrukt aan de sfeer,
waar deze twijfelingen zoo welig tieren, toch gebeurt het
wel eens, dat de oude dwingeland zich weder verheft om
den voet te laten struikelen en het hart te doen falen, al
kan hij er niet in slagen om den geloovige tot de wildernis
terug te drijven.
Wij herinneren ons zeker nog de kinderlijke bekoring en
afschuw tevens bij ons verwekt door de geschiedenis van
Christens gevangenneming in het kasteel Twijfel door den
goddeloozen reus Wanhoop en onze ongeveinsde vreugde bij
zijne bevrijding van uit die zwaar gegrendelde gevangenis.
Weinig vermoedden we toen, dat wij ons door denzelfden
tiran gevangen zouden zien nemen en in dezelfde gevangenis
opsluiten, en toch vrees ik, dat er voor ieder lid van Christus\'
gemeente minstens één zulk eene ervaring is geweest.
Sla het verhaal nog eens op, zoo het u niet versch meer
in het geheugen is, en zie of er geen ervaringen beschreven
zijn voor uwe eigene ziel bitter om door te maken, en niet
minder droevig om op terug te zien.
En toch schijnt het vreemd dat menschen, wier naam
„geloovigen" reeds in zich sluit, dat hun kenmerkende
5
-ocr page 78-
66
TWIJFELINGEN.
eigenaardigheid is dat zij gelooven, moeten bekennen, dat
zij zoodanige ervaringen doormaken. Evenwel is die zulk een
algemeen zich voordoende hebbelijkheid, dat ik mij voorstel,
werd de groote meerderheid dergenen, die tot de kerk be-
hooren, hernoemd, de eenig passende naam, die hun gegeven
kon worden, zou zijn die van Twijfelaars. In trouwe, de
meeste christenen hebben zich aan hunne twijfelingen, als
aan een soort van niet te ontwijken krankheid overgegeven,
waaraan zij zwaar lijden, maar waaraan zij ook dienen on-
derworpen te zijn als een bestanddeel der onmisbare tucht
van dit aardsch bestaan. Zij treuren over hun twijfelen, zoo
als b. v. iemand zou kunnen treuren over zijn rheumatiek,
zij zien op zichzelven als voorwerpen van groot eigenaardig
lijden, voor wie men niet dan de teederste zorg en medelijden
mag hebben.
En dit geldt al te dikmaals van geloovigen, die ernstig be-
geeren het leven en den wandel des geloofs te betreden, ja
op dien weg vele schreden misschien reeds hebben gedaan.
Het kan zijn, dat zij verlost zijn van de twijfelingen, die eer-
tijds hen kwelden, omtrent de vraag of hunne zonden wel
waarlijk zijn vergeven en of zij wel eindelijk den hemel
zullen bereiken, maar van het twijfelen zelf zijn ze nog
niet verlost. Zij hebben de hebbelijkheid slechts op een hooger
niveau geplaatst; misschien spreken zij aldus: „Ja, ik geloof
dat mijne zonden zijn vergeven, ik ben een kind van God
door het geloof in Jezus Christus. Dit durf ik niet langer in
twijfel trekken maar. —" En dit „maar" opent een lijst van
twijfelingen omtrent elke verklaring en elke belofte, die onze
Vader aan Zijne kinderen heeft gegeven. De een voor de andere
na verwerpen zij en weigeren ze te gelooven, totdat zij
stelliger bewijs erlangen, dan het eenvoudig woord van
hunnen God. En dan verwonderen zij zich, dat zij in duisternis
worden gelaten, beschouwen zichzelven bijna als martelaren
en zuchten onder de eigenaardige geestelijke bestrijdingen,
die zij hebben te verduren.
Geestelijke bestrijdingen! Veel juister ware het om van
geestelijke opstanden te spreken. Onze strijd is een strijd
des geloofs; het eigen oogenblik nu dat we twijfelen, veran-
dert onze strijd van aard en wordt hij opstand; met alle
kracht wil ik hier tegen opkomen.
-ocr page 79-
TWIJFELINGEN.                                            67
Even zoo goed mocht ik met de jammerklachten van een
dronkaard samenstemmen en mij met hem vereenigen in
het gebed om genade om de tucht te verdragen van zijne
rampzalige lust, als een enkel oogenblik gehoor te geven
aan de weeklachten van deze verslaafde zielen en trachten
hen te troosten onder hunne slavernij. Zoowel dezen als
genen zou ik niet anders mogen verkondigen dan de volkomen
verlossing, die Jezus voor hen beschikbaar heeft en hen
bidden, smeeken, bevelen, met al de kracht mijner geheele
natuur, om zich hiervan te bedienen ter verkrijging van de
verloren vrijheid. Geen oogenblik zou ik gehoor geven aan
hunne wanhopende verontschuldigingen. Gij moest vrij zijn,
gij kunl vrij zijn, gij moet vrij zijn!
Wilt gij mij dan komen vertellen dat het eene onont-
komelijke noodwendigheid is dat God door Zijne kinderen
moet worden verdacht ? Is het voor uwe kinderen noodwendig
oin u te verdenken ? Zoudt gij zulk een bestaan bij hen ver-
dragen, zelfs een enkel uur? Zoudt gij medelijden hebben
met uwen zoon, zoudt gij denken dat het bij hem een ver-
schoonbare zwakheid was, als hij tot u kwam met de be-
tuiging „Vader, ik kan uw woord niet gelooven, ik kan uwe
liefde niet vertrouwen?"
Gedurig roep ik mij voor den geest de wijze, waarop een-
maal de verontwaardiging van eene moeder werd gaande
gemaakt, over een klein gebrek aan vertrouwen door een
harer kinderen aan den dag gelegd. Zij had hare beide
kleine meisjes aan mijn huis gelaten, terwijl zij was gaan
boodschappen doen. De eene, met al het blijhartig vertrouwen
aan de kindschheid eigen, nam gaarne deel aan de genoegens
die mijn kinderkamer aanbood, zong en speelde vroolijk tot
aan de terugkomst van hare moeder. De andere met het
ellendig wantrouwen een rijperen leeftijd eigen, zat in een
hoek, zichzelf afvragende of haar moeder wel terug zou
komen om haar af te halen, terwijl zij zich inbeeldde, dat
zij aan haar lot zou worden overgelaten, met het ongelukkig
gevolg, dat zij zich in een toestand van volslagen radeloosheid
opwerkte. Niet licht vergeet ik de uitdrukking op het gelaat
dier moeder, toen bij haar terugkeer het weenend kind ver-
haalde, wat haar deerde. Droefheid, gekrenkte liefde, ver-
ontwaardiging en medelijden streden om het hardst om den
-ocr page 80-
68
TWIJFELINGEN.
voorrang. De verontwaardiging echter behield de overhand,
en ik twijfel er aan of dat kleine meisje immer te voren
zulk eene onzachte kastijding ontvangen had.
Wel honderd malen in mijn leven is dat tooneel met zijn
aangrijpend onderwijs mij voor den geest gekomen en drong
het mij met beslistheid aan alle twijfelingen omtrent de
liefde, zorg en teederheid van mijn hemelschen Vader den
toegang te weigeren, die daar aanklopten aan de deur van
mijn hart.
Ik houd mij overtuigd, dat voor vele menschen de twijfel
een ware luxe is, en het toegeven daaraan hun te ontzeggen,
zou voor hen een eisch zijn van de grootste zelfverloochening.
Het is een luxe, die, even als het toegeven aan alle onge-
oorloofde genietingen, zeer droeve gevolgen met zich brengt;
echter met het oog op de droefheid en ellende, waaraan
het uwe christelijke ervaring onderwierp, voelt gij u allicht
genoopt tot deze verklaring „helaas voor mij geen luxe, maar
alleen eene ontzettende beproeving."
Maar wacht een oogenblik. Beproef eens het te laten
varen, en gij zult ontdekken of het al dan niet een luxe
is. Komen uwe twijfelingen zich niet aan uwe deur verdringen
als eene schare van belangstellende vrienden, die uwen be-
narden toestand kennen en nu gekomen zijn om u te troosten ?
En is het nu geen weelde om u bij hen neer te zetten en
hen te onderhouden, om het oor te leenen aan hunne troost -
redenen! Zou het geen zelfverloochening zijn om u met
beslistheid van hen af te wenden en u volstrekt niet met
hen te willen inlaten ? Indien gij hieromtrent in onzekerheid
verkeert, onderneem het eens.
Hebt gij nooit het genot gesmaakt van harde gedachten
te koesteren omtrent hen, die, zoo als gij meendet, u onrecht
hebben aangedaan? Hebt gij nooit gevoeld wat een begoo-
cheling het is om hunne onvriendelijkheden u voor den geest
te roepen, hunne kwaadwilligheid na te gaan en allerlei
onaangename en verkeerde dingen u in te beelden? Het
maakte u natuurlijk ongelukkig, maar toch was het een
soort betooverende smart, die gij maar niet gaarne wildet
laten varen.
En nu, hieraan volkomen gelijk is de luxe van den twijfel.
De zaken liepen u tegen in uwe levenservaring. Uwe lots-
-ocr page 81-
GO
TWIJFELINGEN.
bedoelingen waren duister, uwe verzoekingen eigenaardig,
uw toestand scheen geheel verschillend van dien van ieder
ander. Wat natuurlijker dan de gevolgtrekking dat God, om
de eene of andere oorzaak, u had verlaten, dat Hij u niet
liefheeft en omtrent uwe belangen zich niet bekommert?
En hoe onweerstaanbaar schijnt dan de gevolgtrekking, dat
gij te goddeloos zijt, dan dat Hij om u zou geven, of dat gij
te moeielijk zijt voor Hem om u te besturen.
Gij denkt er niet aan om Hem te beschuldigen van onrecht
of Hem te bedillen, immers gij gevoelt, dat Zijne onverschillig\'
heid jegens en verwerping van u door uwe onwaardigheid
ten volle verdiend zijn. En juist deze uitvlucht laat u de
vrijheid om toe te geven aan uwe twijfelingen, onder het
deksel van een juist en waar besef van uw eigene tekort-
komingen. Maar intusschen koestert gij zoo zeker harde en
verkeerde gedachten van den Heer, als gij het ooit gedaan
hebt van een mensch, dien gij als vijand beschouwdet; immers
Hij verklaart, dat hij kwam niet om rechtvaardige maar om
zondaars te behouden; en juist uwe zonde en onwaardigheid
is uwe voornaamste aanspraak op Zijne liefde en zorg.
Met even veel recht kon het arme kleine lam, dat van de
kudde afdoolde in de woestijn, spreken: „de herder heeft
mij niet lief, zorgt voor mij niet, denkt niet aan mij, omdat
ik verloren ben. Hij bemint slechts en verzorgt enkel de
lammeren die nimmer afdwalen." Of de kranke spreken:
„de geneesheer zal mij niet komen opzoeken noch mij genees-
middelen voorschrijven, omdat ik krank ben. Hij bekommert
zich enkel over die gezond zijn." Jezus zegt; „Die gezond
zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die
ziek zijn." En wederom spreekt Hij: „Wat mensch onder u,
hebbende honderd schapen, en één van die verliezende,
verlaat niet de negen en negentig in de woestijn en gaat naar
het verlorene, totdat Hij hetzelve vinde?"
Alle voorstellingen derhalve, die wij ons Hem aangaande
maken, die verschillen van hetgeen Hij aangaande zichzelven
getuigt, zijn harde gedachten, en daaraan toe te geven is
veel erger dan harde gedachten te koesteren aangaande een
aardschen vijand of tegenstander.
Van het begin tot het einde uwer christelijke loopbaan
is het altijd zondig om aan twijfelingen toe te geven. Twijfe-
-ocr page 82-
70
TWIJFELINGEN.
lingen zijn altijd van den Duivel en altijd onwaar. Het eenig
middel om ze te bestrijden is ze rechtstreeks en krachtig
het zwijgen op te leggen.
Dit brengt mij van zelf tot het toepasselijk gedeelte van
geheel dit onderwerp — het verkrijgen van verlossing van
deze zieldoodende hebbelijkheid. Ik zou zeggen, dat mende
verlossing hiervan verkrijgt, zoo als men die erlangt van
iedere andere zonde: Zij wordt gevonden in Christus en in
Christus alleen. Gij moet Hem uwen twijfel in handen geven,
zoo als gij geleerd hebt te doen mot uwe andere verzoe-
kingen. Gij moet doen, wat gij gedaan hebt met uw humeur
of uwen hoogmoed. Gij moet het aan den Heer overgeven.
Stellig geloofde ik dat het eenig afdoend middel daartegen
is eene verbintenis aan te gaan, zooals men b. v. een dronkaard
aanraadt tegen het drankgebruik, enkel op den Heer ver-
trouwende om u standvastig te bewaren.
Gelijk bij iedere verdere zonde is de kracht in den wil,
en den wil om te twijfelen moet men overgeven, even als
gij den wil hebt afgestaan om aan eenige andere verzoeking
toe te geven. God neemt altijd bezit van een overgegeven
wil. Zoo wij maar komen tot het keerpunt van te zeggen,
dat wij niet meer willen twijfelen, en deze centrale vesting
van ons bestaan aan Hem overgeven, zal Zijn gezegende
Geest terstond in ons werken al het welbehagen van Z ij n e n
wil, en wij zullen ervaren dat wij voor twijfelen worden
bewaard door Zijne almachtige, allesoverwinnende kracht.
Het eigenlijke punt in deze vraag omtrent het twijfelen
is, dat de ziel niet altijd tot de volkomcne overgaaf komt,
maar geneigd is eene kleine verborgene vrijheid om te twij-
felen zich voor te behouden, daar zij dit in zoodanige ge-
vallen voor noodzakelijk acht.
„Ik wensch niet meer te twijfelen," zullen wij zeggen, of
„ik hoop het niet meer te doen," maar het is moeilijk om
daartoe te komen dat men zegt: „ik wil niet meer twijfelen."
Maar de overgave is niet volkomen voor men er toe gekomen
is om te zeggen „ik wil niet." De vrijheid om te twijfelen
moet voor eeuwig worden prijs gegeven. De ziel moet hare
toestemming geven tot een onafgebroken en voortdurend ver-
trouwen. Het is onmisbaar noodig om in deze kloek door te
-ocr page 83-
71
TWIJFELINGEN.
tasten. Zoowel voor den twijfelaar als voor den dronkaard
is het noodig om met beslistheid tot een keerpunt te komen.
Het gaat niet aan om het langzamerhand te willen te boven
komen. Enkel van het geheel onthoudingsbeginsel kan men
hier goede uitkomsten verwachten.
Is de overgave eenmaal geschied, dan moet de ziel on-
voorwaardelijk op den Heer vertrouwen, om uitkomst bij
elke voorkomende verzoeking. Zij moet het schild des geloofs
opheffen het eigen oogenblik dat de aanval komt. De aller-
eerste aanblazing van den twijfel moet men aan den Heer
overgeven en Satan aanzeggen, de zaak met Hem te ver-
effenen; moet men beslist weigeren om zelfs een enkel
oogenblik aan den twijfel het oor te leenen. Laat hem komen
met nog zoo schoonschijnende redenen, of onder welken
dekmantel der nederigheid ook, de ziel moet eenvoudig ant-
woorden: „ik mag niet twijfelen, ik moet vertrouwen. De
Heer is goed en Hij heeft mij lief." Deze drie kleine
woordjes telkens en telkens weer herhaald: „Jezus redt mij,
Jezus redt mij" zal het grootste leger van twijfelingen, waar-
door immer eene ziel werd bestormd, op de vlucht drijven.
Ontelbare malen heb ik het beproefd en nimmer faalde het.
Houd u niet op, om met Satan te redetwisten of hem te
bewijzen, dat hij ongelijk heeft. Luister niet naar hem —
behandel hem met de grootste minachting. Ontzeg hemden
toegang en dringt hij zich toch aan u op, geef hem dan geen
gehoor. Wees telkens met een „er staat geschreven" gereed.
En vergeet vooral niet om te zien op Jezus, en zeg Hem,
dat Gij Hem vertrouwt en bij dit uw voornemen wilt vol-
harden. Laten de twijfelingen dan maar vrij, zoo luide als
zij willen, de stem verheffen, als gij hun de deur uws harten
niet ontsluit, kunnen zij u toch geen schade aanbrengen.
Ik weet, dat het u soms zal toeschijnen als sloot gij de
deur tegen uw beste vrienden, en uwe harten zullen naar
uwe twijfelingen verlangen, sterker nog dan de Israëlieten
naar de vleeschpotten van Egypte. Maar verloochen u zelven;
neem in deze zaak uw kruis op en weiger meêdoogenloos
zelfs op een enkel woord acht te geven.
Nog heden gebeurde het, dat een gansch leger van twij-
felingen mij bij het ontwaken opwachtten, en bij mijne deur
aanklopten om binnengelaten te worden. Niets scheen waar,
-ocr page 84-
72                                            TWIJFKL1NGEN.
niets wezenlijk, en het minst van alles scheen het mogelijk
dat ik — arm, ellendig ik — het voorwerp kon zijn van des
Heeren zorg en liefde. Ware ik nu maar vrij om deze twij-
felingen binnen te laten, ze stoelen aan te bieden en uit te
noodigen zich recht thuis te maken, welk een genot zou ik
niet hebben kunnen smaken! Maar jaren geleden heb ik
een verbintenis aangegaan tegen het twijfelen, en even weinig
kon ik er aan denken deze verbintenis te verbreken, als
die tegen het drankgebruik. Ik durfde den eersten twijfel
niet binnen laten. Derhalve hief ik mijn schild des geloofs
op, het eigen oogenblik dat ik mij deze inblazingen bewust
werd, en de gansche schare aan den Heer overgevende om
te overwinnen, begon ik te herhalen: „Het bloed van Jezus
reinigt mij, het bloed van Jezus reinigt mij. — Jezus redt
mij, Jezus redt mij nut" De overwinning was volkomen. De
vijand was als een stortvloed aangekomen, maar de Heer
had tegen hem de banier verheven en hij was gansch ver-
slagen en op de vlucht gedreven; en mijne ziel zingt het
lied van Mozes en der kinderen Israëls zeggende: „Ik zal
den Heer zingen, want Hij is hoogelijk verheven! Het paard
en zijnen ruiter heeft Hij in de zee geworpen. De Heer is
mijn kracht en mijn lied, en Hij is mij tot heil geweest. De
Heer is een krijgsman, Heer is zijn naam."
Lieve, twijfelende ziel, ga heen en doe desgelijks en even
gelijke overwinning zal de uwe zijn.
Waar gij dit boekje uit de handen legt, neem de pen op
en schrijf uw vast besluit ter neer om nooit meer te twijfelen.
Laat het eene afgedane zaak zijn tusschen den Heer en uwe
ziel. Doe voor altijd afstand van uwe vrijheid om te twijfelen.
Plaats uwen wil in dezen aan des Heeren zijde en reken
op Hem om voor vallen u te bewaren. Zeg Hem alles om-
trent uwe volslagen machteloosheid en uwe lang gekoesterde
hebbelijkheid van te twijfelen, hoe geheel onbekwaam gij
zijt om den vijand af te slaan, en geef den geheelen strijd
aan Hem over. Zeg Hem, dat gij nimmer weer zult twijfelen
en keer uw aangezicht van nu voortaan altijd naar Jezus,
afziende van u zelven en van uwe twijfelingen, zonder aar-
zelen de belijdenis des geloofs vasthoudende, immers Hij die
i et beloofd heeft is getrouw. En zoo zeker als gij het beginsel
vu 1 )5) i /ir )i j • > 11 t)ï li jt eindo toe bewaart, zult gij
-ocr page 85-
DE BLIJDSCHAP DEK GEHOORZAAMHEID.                     73
ook hierin ervaren dat gij meer dan overwinnaar zijt
door Hem, die u heeft liefgehad.
HOOFDSTUK X.
DE BLIJDSCHAP DER GEHOORZAAMHEID.
Ik herinner mij eens ergens de volgende spreuk gelezen
te hebben: „Volkomen gehoorzaamheid zou volkomen geluk
zijn, zoo wij slechts volkomen vertrouwen hadden in de macht
van Hem, dien wij gehoorzamen." Ik herinner mij, hoe dit
gezegde mij trof als de aanwijzing van een mogclijken, doch
tot hiertoe onbekenden weg van geluk; hoe het mij later,
onder het wettelooze en willekeurige mijner handelingen,
weder voor den geest zweefde als een beeld van rust, en
van eene ontwikkeling, eene bereikbare heiliging, die in mij
al mijn zuchten en klagen tot zwijgen zou brengen.
Behoef ik te zeggen, dat deze rust mij nu geopenbaard
is, niet als een beeld, maar als eene werkelijkheid, en dat
ik in den Heere Jezus den meester erken, aan wien wij allen
onbepaalde gehoorzaamheid schuldig zijn, en door wiens juk
op ons te nemen wij tot volkomen rust komen zullen?
Lieve, twijfelende ziel, gij weet niet welk eene vreugde
gij mist. De meester heeft zich aan u geopenbaard, Hij roept
u op tot eene geheele overgaaf en gij huivert en aarzelt.
Tot op eene zekere maat wilt gij u wel overgeven; gij vindt
dit zelfs goed en betamelijk; maar eene geheele overgave,
zonder eenige terughouding, schijnt u een al te groote eisch.
Daar schrikt gij voor terug. Dat heeft te veel in, denkt gij,
en \'t is te veel gewaagd. Eene matige gehoorzaamheid, dat
wilt gij, eene geheele doet u terugdeinzen.
                  ^
Daarenboven ziet gij anderen schijnbaar met een gerust
geweten een veel ruimer pad bewandelen dan dat, \'t welk
voor uw voet gebakend is, en gij vraagt u zelven af, waarom
dit zoo is. Het komt u vreemd en hard voor, dat gij zoudt
moeten doen, \'t geen zij niet doen, en laten datgene waartoe
zij vrijheid vinden.
O, lieve medechristen, dit verschil tusschen u en hen is
-ocr page 86-
74                                       DE BLIJDSCHAP DER
uw voorrecht, ofschoon gij dit nu nog niet inziet. Uw Heer
zegt: „Hij, die mijne geboden heeft en die dezelve bewaart,
die heeft Mij lief en die Mij lief heeft zal van den Vader
geliefd worden en Ik zal hem lief hebben en Ik zal Mij zelven
aan hem openbaren." Gij h<M Zijne bevelen; zij, die gij be-
nijdt, hebben die niet. Gij kent den zin uws Hceren in menig
opzicht, waaromtrent zij als nog in duisternis verkecren. Is
dit geen voorrecht? Betreurt gij het, dat uwe ziel in zulk
een nauwe en innige gemeenschap met uwen Meester ge-
bracht is, dat Hij u dingen kan meêdeelen, welke zij, die
zich meer verwijderd houden, niet kunnen weten? Ziet gij
niet welk eene teedere vertrouwelijkheid dit in heeft?
Er bestaan verscheidene betrekkingen in \'t leven, waarbij
de beide partijen slechts eene zeer matige toegenegenheid
van elkander vergen. Wij kunnen zeer aangename vrienden
hebben en toch een groot deel van ons leven zeer verschil\'
lende belangen najagen. Zijn wij vereenigd, dan genieten wij
zeer elkanders gezelschap en vinden veel aanrakingspunten
met elkander; evenwel maakt scheiding ons niet ongelukkig
en wordt eene meer innige vriendschap met anderen niet
buiten gesloten. De liefde is niet groot genoeg, zoodat zij ons
wederkeerig het recht en de begeerte zou geven om dieper
in elkanders bijzondere belangen te treden. Wij vinden het
voegzaam om een zekere graad van afstand te bewaren. Doch
er bestaan andere betrekkingen in \'t leven. Daar wordt de
vriendschap, liefde. Beide harten geven zich aan elkander
om niet langer twee, maar één te zijn. Er ontstaat een een-
heid der zielen, die al wat den een toebehoort tot het eigen-
dom van den anderen maakt. Verschillende belangen en
verschillende levenspaden zijn niet meer mogelijk. Dingen,
die vroeger recht en billijk waren, houden nu op dit te zijn
van wege den engen band, die gelegd is. De terughouding
en de afs
tand, die bij bloote vriendschap welvoegelijk zijn,
kantte. liefde niet gedoogen. Liefde geeft alles en eischt
alles in ruil terug. De begeerte van den een wordt voorden
ander eene verplichting, die hij na moet komen, en de ge-
heirae wensch van ieders hart is te weten, wat het verlangen
van den ander is ten einde op vleugelen van den wind er
aan te kunnen voldoen.
Zuchten zij, die alzoo liefhebben, onder het juk, dat de\'
-ocr page 87-
GEHOORZAAMHEID.                                         75
liefde hun oplegt? Benijden zij de koele, kalme, beredeneerde
vriendschap welke zij rondom zich zien en betreuren zij den
innigen band, die hunne ziel met het voorwerp hunner liefde
verbindt, wegens de verplichtingen, die daardoor op hen
rusten? Roemen zij niet veel eerder in die verplichtingen,
en beklagen zij niet inwendig hen, die nog zoo van verre
staan en niet nabij durven treden? Is niet elke nieuwe
uiting van den geest des eenen tot dien des anderen een
nieuw genot en een groot voorrecht, en kan eenig pad voor
de liefde te steil wezen?
O, lieve vrienden, zoo gij ooit iets van deze liefde, voor
een uur slechts, gekend hebt; zoo ge ooit een medemensen
zóó bemind hebt, dat het u eene vreugde was in zijn belang
eenige opoffering te kunnen doen; zoo eene geheele overgave
van uw wil aan den wil van een ander u ooit als een zegen
en als een lang begeerd voorrecht toegelachen heeft, dan
smeek ik u, bij de teedere, bij de smachtende liefde van
uwen Hemelschen vriend, weest zoo gezind jegens Christus!
Zijne liefde voor u is inniger dan die van een vriend.
Gelijk een bruidegom zich verheugt over zijn bruid, zoo
verheugt Hij zich over u en niets dan de overgave der bruid
kan Hem voldoen. Hij gaf u alles en vraagt ook alles in
ruil terug. Des menschen terughouding zou hein grieven.
Hij spaarde zich zelve niet en hoe zoudt gijuzelven sparen?
Voor u stortte Hij mildelijk uit al wat Hij had, en voor Hem
moet gij over hebben, al wat gij bezit.
O, weest toch mild in uwe zelf-overgave! Beantwoordt
Zijne onbeperkte toewijding aan u met eene onbeperkte
toewijding aan Hem. Weest zeer begeerig om u, zoo als gij
zijt, in Zijne liefde-armen te werpen en de teugels van het
hpwind Hem in handen te geven,. Geeft Hem alles; doet
afstand van alles, waar gij Hem niet bij kunt hebben. Neemt
het besluit om voortaan geene eigene keuze te hebben, en
roemt in de heerlijke vereeniging met Christus, die deze
toewijding niet alléén mogelijk, maar noodzakelijk maakt.
Is de begeerte nooit in u opgekomen om de bewijzen uwer
liefde te verspillen op iemand, die ver buiten uw bereik was
öf door rang óf door omstandigheden, en met wien gij niet
genoeg eigen waart om hem te durven naderen? Hebt gij
niet in uw binnenste den aandrang gevoeld tot eene geheele
-ocr page 88-
70
DE BLIJDSCHAP DER
zelfovergave en tot eene volkomene toewijding, die in u als
een vuur scheen te branden en toch geen voorwerp vond,
waarop die toegepast kon worden? Zijn niet uwe handen
gevuld geweest met albasten flesschen van kostelijkcn nar-
dus, dien gij nimmer vermocht uit te storten? Zoo gij dan
nu de liefelijke stem van uwen Heer hoort, die u roept om
in zijne nabijheid te verkeeren, afstand doende van alles
buiten Hem, zult gij dan nog aarzelen, nu de geestdrift der
toewijding u niet alleen gegund, maar van u gevorderd wordt ?
Zult gij het hard vinden, zoo Hij aan u meer van Zijnen
Geest en Hcmelschen zin openbaart, dan aan anderen en
zoo Hij u niet toestaat, gelukkig te zijn in iets, dat u van
Hem zou verwijderen? Begeert gij te gaan, daar waar Hij
niet met u kan gaan en genoegens na te jagen, waarin Hij
niet deelen kan?
Neen, neen, duizendmaal neen! Gij ijlt den wil uws Hoeren
blijmoedig te gemoet. Zijn geringste wensch wordt u tot een
wet, die gij niet zonder hartzeer overtreden zoudt. Gij zult
roemen in de engten des wegs, dien Hij voor u uitgebakend
heeft en hen beklagen, die door hunne afdwalingen uwe
vreugde missen. De plichten, die de liefde oplegt, zullen
uwe zoetste voorrechten zijn en het recht, dat gij verkregen
hebt, van alles__op den Heer te mogen werpen, zal u op-
heffen en u stellen als in eene plaats van onuitsprekelijke
heerlijkheid. Het volmaakte geluk, dat eene volmaakte ge-
hoorzaamheid geeft, zal opgaan over uwe ziel en gij zult
iets beginnen te verstaan van \'t geen Jezus bedoelde, toen
Hij sprak: „Ik verlustig mij in het doen van Uw wil, o
mijn God."
Denkt gij, dat deze vreugde alléén aan uwe zijde wezen
zal ? Verblijdt de Heer zich niet in hen, die zich alzoo geheel
aan Hem gegeven hebben en wier lust het is, Hem te gehoor •
zamen ? O, mijne vrienden, wij zijn niet in staat om hierover
te spreken; evenwel laat de Schrift hier en daar een licht-
straal vallen, op de blijdschap, op het welbehagen, dat de
Heer in ons heeft waardoor de ziel in verrukking gebracht
wordt. Dat wij den Heer behoeven is gemakkelijk te begrijpen,
maar dat Hij ons noodig zou hebben, komt ons ongelooflijk
voor. Dat onze begeerte naar Hem zou uitgaan, bevreemdt
ons niet, maar dat Zijne begeerte tot ons zou zijn, dat gaat
-ocr page 89-
77
GEHOORZAAMHEID.
ons menschelijk begrip te boven. En toch — en toch, Hij
zegt het, en wat kunnen wij anders dan Hem gelooven ? Hij
heeft ons hart vatbaar gemaakt voor deze alles beheerschende
liefde en Hij biedt zich zelf als \'t voorwerp dier liefde aan.
Die liefde is Hem oneindig kostbaar; „zij is schoon in zijne
oogen, zij neemt zijn hart in." Zij doet Hem uitroepen: „Hoe
schoon is uwe uitnemende liefde, mijne zuster, „bruid!"
Hij begeert haar en verlangt haar van zijn volk. Hij klopt
gedurig bij elk hart aan en vraagt er om, als het eerste
voorwerp der liefde binnen gelaten te worden. „Wilt gij Mij
aannemen", zegt Hij tot den geloovige, „als uw beminde?
Wilt gij Mij volgen in lijden en eenzaamheid, wilt gij om
mijnentwille verdrukking dragen en geen andere belooning
vragen dan Mijn blik van goedkeuring en Mijn woord van
lof? Wilt gij u onvoorwaardelijk aan Mijn wil overgeven?
Wilt gij mij het beheer over u, en al wat gij zijt, overlaten ?
Wilt gij u tevreden stellen met Mij, om Mij alléén te be-
hagen? Mag ik Mijn raad in alle opzichten in u volbrengen?
Wilt gij zoo nauw in gemeenschap met Mij treden, dat eene
scheiding van de wereld voor u noodzakelijk zal worden ?
Wilt gij Mij als uw bruidegom aannemen en alles verlaten
om Mij aan te kleven?"
Op duizenderlei wijzen biedt Hij deze vereeniging met
Hem den geloovigen aan. Maar niet allen zeggen „ja" op
Zijne vraag. Andere liefdebanden, andere belangen zijn hun
te kostbaar, om die zoo maar op zij te zetten. Zij derven
daardoor den Hemel wel niet, maar zij berooven zich zelven
van eene onuitsprekelijke vreugde.
Gij toch, zijt niet een van dezen. Van het begin af aan
heeft uwe ziel op al Zijne aanbiedingen een volmondig: „Ja
Heer, ja!" ten antwoord gegeven. Gij zijt meer dan bereid
om al de schatten uwer zelfopofferende liefde op Hem uit
te storten. Gij dient uw Heer met eene opgewektheid, met
een vuur, die de meer voorzichtige en gematigde christenen
rondom u verontrusten. Uwe liefde noodzaakt u tot eene
scheiding van de wereld, waarvan een lagere graad van liefde
geen begrip heeft. Opofferingen en dienstvaardigheid, die
niet in \'t bereik vallen van hen, die verdeeld zijn van hart,
vallen u gemakkelijk en zoet. Het leven der liefde, dat gij
ingetreden zijt, geeft u het recht tot eene geheele ontlediging
-ocr page 90-
78
DE BLIJDSCHAP DER
van u zelven in Hom, den Ecnigen, dien uwe ziel liefheeft.
Het wordt niet alleen een voorrecht maar een plicht u
vrijheden te veroorlooven, welke zij, die zich meer op een
afstand houden, zich niet zouden durven toeëigenen.
Uw Heer vordert van u, juist van wege uwe eenheid met
Hom, veel meer dan Hij van hen vraagt. Wat voor hen
plichtmatig is, wordt u door de liefde verboden. Aan u kan
Hij Zijn heilgeheim openbaren; van u verwacht Hij onmid-
dellijk antwoord op al de eischen Zijner liefde.
O, hoe wondervol, hoe heerlijk is het voorrecht, dat u ten
deel geworden is! Wat zegt het weinig of de menschen u
haten en u afscheiden uit hun midden, of zij u veroordeelen
en uw naam smaadheid aandoen om Zijnent wil! Gij moogt
u daarin verblijden en van vreugde opspringen; want zie,
uw loon is groot in den Hemel; en zoo gij deelgenoot zijt
van Zijn lijden, zoo zult gij het ook zijn van Zijne heerlijkheid.
„Hij ziet in u den arbeid Zijner ziel en is verzadigd ge-
worden." Uwe liefde en uwe overgave aan Hem zijn het
kostbare loon voor alles, wat Hij voor u deed. Dat loon is
Hem onuitsprekelijk zoet. Vrees dan niet u over te geven
aan eene onbegrensde liefde voor uwen Heer. Beperk in
geenendeele uw dienst noch uw gehoorzaamheid. Anderen
mogen het niet goedkeuren, Hij zal het prijzen, en dat is
genoeg. Laat uw hart en uw hand even vrij zijn om Hem
te dienen als Zijn hart en Zijn hand het waren om u te
dienen. Geef hem alles wat er aan u is — lichaam, ziel en
geest, tijd, gaven, stem, alles. Leg uw gansche leven voor
Hem open, opdat hij het moge doorzien. Zeg dagelijks tot
Hem: Heer, hoe zal ik dezen dag besteden naar Uw welbe-
hagen? Waar zal ik heengaan? Wat zal ik doen? Wien zal
ik bezoeken? Wat zal ik zeggen?
Stel uw kleeding onder Zijn toezicht, en zeg: „Heer, leer
mij, hoe ik mij te kleeden heb om U te behagen." Leg uwe
boeken, uwe bezigheden, uwe vrienden Hem voor en zeg:
„Heer! onderricht mij omtrent dit alles, leer mij Uw oordeel
daar over verstaan." Laat geen dag noch uur voorbij gaan,
waarin gij niet nauwgezet Zijn wil doet en Hem geheel volgt.
Dit werkelijk dienen van den Heer zal den glans van uw
leven verhelderen, het zal het eentoonigste bestaan met een
hemel-melodie vervullen.
-ocr page 91-
79
GEHOORZAAMHEID.
Hebt gij het ooit betreurd, dat het ideaal uwer jeugd zoo
spoedig verloren ging in de harde werkelijkheid van \'t leven ?
Breng dan Christus aldus in uw leven en in al Zijn kleinste
bijzonderheden, en een veel grooter ideaal zal u voor den
geest zweven, dan de schoonste dagen uwer jeugd ooit op-
geleverd hebben, en niets zal u langer strak of hard voor-
komen. Het geringste bestaan zal hierdoor verheerlijkt wor-
den. Menigmaal, wanneer ik eene arme vrouw aan de
waschtobbe zag en daarbij dacht aan het weinig opwekke-
lijke van zulk een, ja, mij bijna afvroeg waarom het zoo zijn
moet, dan schoot het mij op eens te binnen als een lichtstraal,
dat ook dit leven in Christus en met Christus geleefd, Hem
volgende, waar Hij ook heen zou willen leiden, met een
hemelsch ideaal vervuld zou worden, dat elk uur er van
verheerlijken zou. Dan vervolgde ik getroost mijnen weg,
wetende dat Gods beste zegeningen ook gevonden worden
op het pad der armen en geringen naar de wereld- „Want",
zegt de Heer, „een iegelijk", rijk of arm, oud en jong, dienst-
knecht of vrije, „een iegelijk, die den wil van God doet, die
is Mijn broeder, en zuster en moeder."
Sta een oogenblik stil bij deze wondervoile woorden. Zijn
broeder, Zijne zuster en moeder! Wat zouden wij niet hebben
willen geven om een van die te zijn! O, laat mij u smeeken,
lieve cristen, om te komen en te tasten en te zien hoe goed
de Heer is en welke heerlijke goederen „Hij weggelegd
heeft voor hen, die Zijne geboden bewaren" en die doen,
hetgeen welgevallig is in Zijn oog.
Neh. VIII: 9—13. »En zij lazen in het boek in de wet Gods, duidelijk
en den zin verklarende, zoo maakten zij, dat men het verstond in het lezen.
En Nehemia (dezelfde is Hattirsathe) en Ezra, de priester, de schriftgeleerde,
en de Levieten, die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk: deze dag
is den Heere uwen God heilig: bedrijft dan geenen rouw, en weent niet;
want al het volk weende, als zij de woorden der wet hoorden.
Voorts zeide hij tot hen: gaat, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt
deelen dengene, voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heer
heilig; zoo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren, die is uwe sterkte.
En de Levieten stilden al het volk, zeggende : zwijgt, want deze dag is
heilig, daarom bedroeft u niet. Toen ging al het volk heen om te eten, en
om te drinken, en om deelen te zenden, en om groote blijdschap te maken ;
want zij hadden de woorden verstaan, die men hun had bekend gemaakt."
-ocr page 92-
80           DE BLIJDSCHAP DER VEREENIGING MET DEN HEER.
HOOFDSTUK XI.
DE BLIJDSCHAP DER VEREENIGING MET DEN HEER.
Al de leidingen van God met de ziel van den geloovige
moeten dienen om haar tot eenheid met Hem te brengen,
opdat de bede van onzen Heiland vervuld worde: „Opdat
zij allen een zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in mij en ik in U>
dat ook zij in ons een zijn.".....„Ik in hen en Gij in mij,
opdat zij volmaakt zijn in een, en opdat de wereld bekenne,
dat Gij mij gezonden hebt en hen lief gehad hebt."
Deze heerlijke eenheid der zielen lag in Gods plan met
Zijn volk, van vóór de grondlegging der wereld. Dit is het
heilgeheim, dat van eeuw tot eeuw verborgen was. Het werd
volbracht in den dood van Christus. Het werd geopenbaard
door de Schriften en het wordt getoond aan velen van Gods
geliefde kinderen.
Maar niet aan allen, hoewel het waar is voor allen. GojJ
houdt het niet verborgen. Hij maakt het niet moeielijk te
vinden, maar de oogen van velen zijn te duister en hun hart
is te ongeloovig, dan dat zij^het grijpen zouden. Het is met
het doel om hen persoonlijk onder de dadelijke ervaring van
het heilgeheim te brengen, dat de Heere in dezen tijd, aan
alle plaatsen, geloovigen aanspoort om zich geheel aan Hem
over te geven, opdat Hij in hen al het welbehagen van
Zijnen wil moge werken.
Al de vorige stappen in het Christelijk leven leiden tot
deze ervaring. De Heere heeft er ons voor bestemd, en tot-
dat wij het begrepen en vrijwillig aanvaard hebben, kan Hij
over den „arbeid Zijner ziel voor ons niet verzadigd worden"
en hebben onze harten hunne ware rust niet gevonden.
De gewone loop der Christelijke ervaring is ons geschetst
in het leven der Discipelen. Eerst werden zij opgewekt om
hun toestand en hun nood te erkennen en zij gingen tot
Jezus en bleven bij Hem. Toen volgden zij Hem, werkten
voor Hem, geloofden in Hem; en toch, hoe weinig waren
zij Hem gelijk! Zij streden om den voorrang; zij keerden
zich af van het kruis, zij begrepen noch de zending noch de
woorden van hunnen Meester; zij verlieten Hem in\'t oogen-
-ocr page 93-
DE BLIJDSCHAP DER VEKEENIGING MET DEN HEER.          81
blik des gevaars. Toch werden zij uitgezonden om te prediken,
door Jezus erkend voor Zijne discipelen, met macht omgord
om voor Hem te arbeiden. Zij kenden Christus alléén „naar
het vleesch" als hun Heer en Meester, maar nog niet als
hun leven.
Daarna kwam het Pinksterfeest en deze zelfde discipelen
leerden Hem kennen, als innerlijk aan hen geopenbaard, als
een, aan wien zij verbonden waren, als hun inwonend leven.
Van toen af was Hij voor hen de inwonende Cristus, wer-
kende in hen het willen en het werken naar Zijn welbehagen,
hen verlossende door de wet des Geestes van de wet der
zonde en des doods onder welke zij gevangen waren. Nu
was er geen strijd meer tusschen hun wil, hun belang en
dat van den Heer. Eén wil dreef hen aan, en dat was die
van Jezus. Eén belang alléén was hun dierbaar en dat was
het Zijne. Zij waren één gemaakt met Hem.
Deze beschrijving zal door allen voor waar en echt erkend
worden, schoon velen mogelijk nog niet tot den hoogsten
stap van dit leven in Christus opgeklommen zijn. Gij hebt
misschien veel voor Jezus verlaten, lieve lezer; gij moogt
in Hem gelooven, voor Hem werken, Hem liefhebben, en
toch zijt ge Hem nog niet gelijk. Gij weet wat trouw en
vertrouwen is, maar nog niet wat\' eenheid is. Er bestaat
voor u nog een dubbele wil, een dubbel belang, een dubbel
leven. Gij hebt uw eigen leven nog niet verloren om het
leven in Christus alléén te vinden. Eens was het: ik en
niet Christus. Toen werd het: ik en Christus. Mogelijk is
het nu: Christus en ik. Maar is het reeds bij u geworden:
Christus alleen, en ik in \'t geheel niet?
Zoo niet, wil ik u dan zeggen hoe gij daartoe komen kunt?
Zoo gij mij gevolgd hebt door al de vorige hoofdstukken van
dit boek, dan zult gij zeker gereed zijn om den laatsten stap
op den geloofsweg te doen, welke uwe ziel uit haar zelve
in Christus overbrengen zal, en gij zult bereid zijn om voor
altijd in hem te blijven, en geen ander leven te kennen dan
het Zijne.
Het eenige, wat gij noodig hebt, is te begrijpen wat de
Schrift leert aangaande de wonderbare eenheid met Christus,
opdat gij in waarheid de zekerheid moogt verkrijgen van
tot deze geroepen te zijn.
0
-ocr page 94-
82
DE BLIJDSCHAP DER
Wanneer gij woorden leest als 1 Cor. III: 16 „ Weet gij niet
dat gij Gods tempel zijt en de Geest Gods in ulieden woont ?"
en gij ziet dan aan het begin van \'t hoofdstuk tot wien deze
wondervolle woorden gericht worden — tot „jonge kinderen
in Christus, die nog vleeschelijk waren," dan zult gij be-
merken, dat deze eenheid der ziel, waarvan ik spreek, dit
onuitsprekelijk heilgeheim van een inwonenden God, het
deel is zelfs van de zwakste en gebrekkigste geloovigen in
Christus; zoodat het niet iets nieuws is, maar gij alleen te
verwezenlijken hebt, hetgeen gij reeds bezit. Van elk die in
den Heere Jezus gelooft, is het volkomen waar, dat zijn
„lichaam een tempel is des Heiligen Geestes, Die in hem is,
Diert hij van God heeft."
Doch het is even waar, dat, zoolang de geloovige dit niet
weet en niet in de kracht van deze waarheid leeft, zij voor
Hom is als bestond zij niet. Gelijk de schatten in den akker
waren, alvorens de eigenaar ze er vond en gebruikte, zoo
ook woont het leven van Christus in elk geloovige, eer hij
het weet en er zich in verheugt. De kracht er van wordt
niet ervaren, ten zij de geloovige vrijwillig afstand doe van
zijn eigen leven en hij het leven van Christus er voor in
de plaats stelle.
Lieve vriend, ik verkondig u de blijde tijding, dat de Heer
in uw hart is. Sedert den dag uwer bekeering heeft Hij daar
gewoond, maar gij zijt er onwetend van gebleven. Elk oogen-
blik van dien tijd had in de zonnestralen Zijner zoete tegen-
woordigheid doorgebracht, en elke stap had volgens Zijn
raad gedaan kunnen worden; maar omdat gij niet wist, dat
Hij bij u was, en omdat gij naar Hem niet gevraagd hebt,
is uw leven eenzaam en vol teleurstelling geweest. Maar nu
ik u de blijde tijding breng, hoe zult gij die ontvangen ? Zijt
gij blijde Hem te bezitten ? Zult gij elke deur wijd open doen
om Hem binnen te laten? Zult gij blijmoedig en dankbaar
het bestuur over uw leven in Zijne hand stellen? Zult gij
Hem in alles raadplegen en Hem eiken weg en eiken stap
voor u doen kiezen? Zult gij Hem in uw binnenste kamer
noodigen en Hem de deelgenoot maken van uw meest ver-
borgen leven? Zult gij „Ja" zeggen op al Zijn begeeren naar
eenheid met u en zult gij zonder terughouding uzelven met
al wat u aangaat in Zijne hand overgeven ? Zoo gij wilt, dan
-ocr page 95-
83
VEKEENIG1NG MET DEN HEER.
zal uwe ziel iets beginnen te kennen van de vreugd der
vereeniging met Christus.
En toch is dit alles eigenlijk eene flauwe voorstellingvan
de gezegende werkelijkheid. Want het is veel heerlijkerom
in eene werkelijke eenheid met den Heer gebracht te wor-
den, zoodat men één van wil, één van zin, één van belang
en één van leven met Hem is, dan dat men Hem inwo-
nende heeft in huis en hart. Menschelijke woorden ver-
mogen die heerlijkheid niet uit te drukken en toch gevoel
ik behoefte om het te doen. Ik verlang uwe zielen er zoo
begeerig naar te maken, dat gij dag noch nacht rust hebt
zoo lang gij haar niet geniet. Begrijpt gij die woorden: één
met Christus? Vat gij iets van hunne wondervolle betee-
kenis? Raakt uwe geheele ziel niet in vervoering over deze
grootsche bestemming? Want zij is eene werkelijkheid. Zij
beteekent geen ander leven te hebben dan zijn leven, geen
wil te hebben buiten zijn wil, geen belangen buiten de zijne,
deelgenoot van zijn rijkdom te zijn, in zijn vreugde en in
zijne droefheid te deelen, zijn leven in ons te openbaren,
één van zin met Hem te zijn; te denken, te gevoelen, te
handelen, te wandelen zoo als Hij deed. Wie had kunnen
denken, dat zulk eene bestemming de onze zou zijn?
Begeert gij die te bereiken lieve medechristen! Uw Heer
wil u die niet opdringen^ want Hij begeert u tot medgezel
en vriend te hebben en eene gedwongen vereeniging zou
hiermede in strijd zijn. Zij moet van uwen kant vrijwillig
wezen. De bruid moet van harte „ja" tot haar bruidegom
zeggen, anders wordt de vreugd der vereeniging geheel
gemist. Kunt gij vrijwillig „ja" tot uw Heer zeggen?
De onderhandeling is zoo eenvoudig en toch zoo waar.
In drie stappen wordt zij gedaan. Vooreerst, overtuigd te
zijn van de waarheid, dat deze heerlijke inwoning van God
naar de leer der Schrift is; dan u geheel over te geven om
zijn eigendom te worden, en eindelijk te gelooven, dat Hij
u aangenomen heeft en woning in u maakt.
Begin met u zelven als dood te erkennen en Christus als
uw leven te beschouwen. Blijf onbewegelijk daarbij staan.
Zeg, „ik ben met Christus gekruist, en ik leef niet meer,
maar Christus leeft in mij," zeg dit keer op keer, dag en
nacht, totdat het in u wortel gevat heeft. Leg gedurig, in
-ocr page 96-
84
DE BLIJDSCHAP DEB
\'t geloof, uw eigen leven af en doe aan het leven, dat uit
Christus is. Laat deze daad, door gedurige herhaling, de
uitdrukking van uw gansche wezen zijn. En zoo zeker als
gij dit dag aan dag doet, zult gij gedurig de dooding van
den Heere Jezus in uw lichaam ondervinden, opdat ook het
leven van Jezus in uw sterfelijk vleesch geopenbaard worde.
Gij zult leeren verstaan wat verlossing beteekent en voor
uw verwonderd oog goddelijke geheimen geopenbaard zien,
waarvan gij vroeger geen denkbeeld hadt. Gij zult in deze
wonderbare vereeniging zien, dat Christus en uwe ziel niet
langer twee zijn, maar één, want „niemand heeft ooit zijn
eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt
het, gelijk Christus de gemeente, want wij zijn leden van
zijn lichaam, van zijn vleesch en van zijn beenderen." En
gelijk het gezegd is van den man „om deze oorzaak zal hij
zijn vader en zijne moeder verlaten en zal zijne vrouw
aanhangen en zij beiden zullen één vleesch zijn," zoo is
ook van Christus gezegd: „Deze verborgenheid is groot,
maar ik spreek van Christus en van de Gemeente."
O, lieve lezer, wat hebt gij op dit alles te zeggen? Wat
kunt gij anders doen dan het aannemen in alle mogelijke
uitgebreidheid van liefde en eenheid?
Ontvang uwen Heer als uwen Bruidegom en verlang naar
de bewijzen zijner liefde. „Laat Hem u kussen met de
kussen Zijns monds, want Zijne uitnemende liefde is beter
dan wijn." Laat Hem „u brengen in Zijne binnenkamer en
„laat Zijne banier voor u liefde zijn." Hoor naar Zijne stem,
wanneer Hij u roept. „Sta op, mijne vriendin, mijne schoone
en kom. Vergeet uw eigen volk en uws vaders huis; en
uw Koning zal tot u zeggen in de uitnemende taal der liefde:
„Gij hebt mij het hart genomen, mijne zuster, o bruid! gij
hebt mij het hart genomen met een van uwe oogen, met
een keten van uwen hals. Hoe schoon is uwe uitnemende
liefde, mijne zuster, o bruid; Hoe veel uitnemender is uwe
liefde dan wijn, en de reuk uwer olieën dan alle specerijen!"
„O, zeker, zult gij Hem vasthouden en Hem niet laten
gaan. „Gij zult opkomen uit de woestijn, ondersteund door
de armen van uwen beminde, en zult nederzitten met wei-
lust onder Zijne schaduw; Zijn linkerhand zal onder uw
hoofd zijn en Zijn rechterhand zal u omhelzen." Uwe ziel,
-ocr page 97-
85
VEREENIGING MET DEN HEER.
overstelpt door deze heerlijke vereeniging, zal eindelijk ver-
staan, wat Jezus bedoelde, toen Hij zeide: „Ik heb hun de
heerlijkheid gegeven, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij
een zijn, gelijk als wij een zijn. Ik in hen en Gij in mij,
opdat zij volmaakt zijn in één en opdat de wereld bekenne,
dat Gij mij gezonden hebt en hen lief gehad hebt, gelijk
Gij mij liefgehad hebt."
HOOFDSTUK XII.
VRUCHTEN IN DEN DAGELIJK8CHEN OMGANG EN IN
DEN WANDEL WAARNEEMBAAR.
Indien alles waar is, wat door ons gezegd werd omtrent
het leven met Christus verborgen in God, dan moeten de
vruchten zeer in het oog loopen in den dagelijkschen om-
gang en in den geheelen wandel, dan moeten zij, die dit
leven ingingen met al zijne genietingen, ook inderdaad bij-
zondere menschen zijn, ijverig in goede werken.
Mijn dierbare zoon schreef eens ongeveer het volgende
aan een\' vriend: wij zijn de getuigen des Heeren; dat kan
niet missen, want de wereld wil den Bijbel niet lezen,
maar zij wil ons leven lezen; en van het getuigenis, dat
ons leven van zich geeft, zal hun geloof in den goddelijken
aard van onze belijdenis afhankelijk zijn. — Een reeds
overleden leeraar sprak: wij leven in eene eeuw van daad-
zaken : in plaats van zich met theorieën tevreden te stellen,
gaat men steeds meer over tot het onderzoeken van feiten.
Zal onze belijdenis veld winnen, dan moet het nu blijken
dat zij meer is dan eene theorie, en wij zijn verplicht aan
de navorschingen der kritizeerende geesten onzer eeuw het
groote feit aan te bieden van menschenlevens, die werkelijk
en onwedersprekelijk hervormd werden door \'s Heeren al-
macht, die in hen werkte naar het welbehagen van Zijnen
wil. Geef ons het leven te aanschouwen, spreekt de man
van wetenschap, en wij zullen ons laten overtuigen. Wan-
neer de Kerk bekwaam gemaakt zal zijn, om in al haar
-ocr page 98-
86                 VRUCHTEN IN DEN DAGEUJKSCHEN OMGANG
leden het heilige leven aanschouwelijk te maken, dan zal
het ongeloof uit zijnen laatsten schuilhoek verdreven wor-
den. Daarom is het mijne begeerte, alvorens mijn boek te
besluiten, nog zeer ernstig met u te spreken over \'t geen
ik de onmisbare vruchten acht te zijn van een geloofsleven,
gelijk ik beschreven heb, om daarna al mijne lezers hunne
verantwoordelijkheid op het hart te drukken, om te wan-
delen waardiglijk der roeping, waarmede zij geroepen zijn.
En tot sommigen uwer ten minste, wensch ik als totper-
soonlijke vrienden te spreken, want ik ben er van overtuigd
dat wij samen niet tot zóó ver in dit boekje gevorderd kun-
nen zijn, of er moet wederkeerig in onze harten warmer be-
langstelling voor elkander ontwaakt zijn, met de innige be-
geerte, dat wij allen in alles den lof verkondigen mogen
van Hem, die ons getrokken heeft uit de duisternis tot Zijn
wonderbaar licht. Als een vriend tot vrienden mag ik dan
zeker zonder omwegen spreken, en het zal mij ongetwijfeld
vergeven worden, zoo ik afdaal tot eenige bijzonderheden
des dagelijkschen levens, die wel schijnbaar van gering ge-
wicht zijn, en er nochtans een groot deel van uitmaken.
De maatstaf der heiligmaking in het leven is onder Chris-
tenen zóó klein, dat met verbazing wordt neergezien op elk
leven, dat het kenmerk draagt van oprechte toewijding, al
is die trap van toewijding ook nog uiterst gering. Zelfs ziet
een groot deel der kerk afkeurend op dergelijk leven neer.
En, meerendeels zijn zij, die den Heere Jezus navolgen,
tevreden met een leven, dat het leven der wereld zóó
nabij komt, dat zij, die er acht op slaan, het verschil be-
zwaarlijk onderscheiden kunnen.
Maar wij, die gehoord hebben hoe onze God ons roept
tot een leven van volkomene toewijding en van volmaakt
vertrouwen in Hem, wij behooren niet aldus te handelen.
Wij hebben uit de wereld uit te gaan en ons van haar te
onderscheiden, wij moeten haar in leven noch wandel ge-
lijkvormig worden. Wat zij lief heeft, najaagt en waar zij
belang in stelt, moet door ons vaarwel gezegd worden.
Onze wandel moet in den hemel zijn, wij hebben de dingen
te zoeken, die boven zijn, waar Christus is, zittende ter
rechterhand Gods.
Wij hebben de wereld te doorwandelen gelijk Jezus haar
-ocr page 99-
EN IN DEN WANDEL WAARNEEMBAAR.                       87
doorging. Het gevoelen dat in Hem was, moet ook in ons
wezen. Als vreemdelingen en als bijwoners hebben wij ons
te onthouden van de vleeschelijke begeerten, die krijg voeren
tegen de ziel. Als goede krijgsknechten van Jezus Christus
moet gij u zoo veel mogelijk ontworstelen aan de beslom-
meringen dezes levens, opdat gij Hem behagen moogt, die
u tot den krijg heeft geroepen, wij hebben allen schijn des
kwaads te ontwijken. Wij moeten vriendelijk zijn jegens el.
kander, goedertieren, vergevende de een den ander gelijk
ons God in Christus Jezus vergeven heeft. Het is niet aan
ons om hoog gevoelende te zijn bij beleediging of onvrien-
delijk, maar kwaad hebben wij met goed te vergelden,
en wij moeten den anderen wang toekeeren aan de hand,
die ons slaat. Wij hebben altijd de laagste plaats te be-
kleeden, en niet naar eigene eer te jagen maar naar de eer
van anderen. Wij behooren zachtmoedig, ootmoedig en lank-
moedig te zijn; niet voor ons eigen recht zullen wij optre-
den, maar voor dat van anderen. Al wat wij doen, hebben
wij voor Gods eer te doen.
En om het alles in één woord saam te vatten, daar Hij,
die ons geroepen heeft, heilig is, hebben wij ook heilig te
zijn in al onzen wandel; want er staat geschreven: „Zijt
heilig, want Ik ben heilig."
Nu, lieve vrienden, beoefent toch dit alles op zeer be-
sliste wijze in het leven, hiermede toch wordt voorzeker
een\' wandel bedoeld zeer onderscheiden van dien der meeste
Christenen. Het bedoelt, dat wij inderdaad en geheellijk
onzen rug zullen toekeeren aan de wereld met haar ver-
maken en haar wegen. Het wil zeggen, dat wij een afge-
zonderd volk zullen wezen, niet in Gods oogen alléén, maar
ook in de oogen der wereld, die ons omringt; en dat, waar-
heen wij ons begeven, het uit onze gewoonten, onze klee-
ding, onze gesprekken en uit \'t geen wij najagen bespeurd
moet worden, dat wij navolgers zijn van onzen Heere Jezus
Christus, en niet van de wereld, gelijk Hij niet van de
wereld was. Dan zal ons geld ons niet langer toebehooren,
waar wij zullen het als \'s Heeren eigendom aanmerken, dat
gebruikt moet worden in Zijnen dienst. Wij zullen geene
vrijheid gevoelen om onze gaven uitsluitend te besteden in
het najagen van aardsche belangen, maar daar wij eerst
-ocr page 100-
88                 VRUCHTEN IN DEN DAGELIJKSCHEN OMGANG
het koninkrijk Gods zoeken en Zijne gerechtigheid, zullen
alle deze dingen ons rijkelijk worden toegevoegd. Geene
verhevene plaatsen nog tijdelijke voordeden zullen door ons
worden nagejaagd. Het zal ons niet geoorloofd wezen ons
te voegen naar de wereld, wat onze kleeding en onze levens-
wijze aangaat. Het zal ons niet mogelijk wezen, om deel
te nemen aan danspartijen en comédievoorstellingen, gelijk
de wereld dit doet. Ook zullen wij onzen tijd en de gaven
van ons verstand niet durven verspillen met het lezen van
romanlectuur. Onze dagen zullen in den dienst des Heeren
besteed worden en niet in onzen dienst: toch zullen daarom
al onze wettige plichten veel beter behartigd worden dan
ooit te voren omdat, al wat wij doen, volbracht zal wor-
dcn „niet naar oogendienst als menschen-behagers, maar
als dienstknechten van Christus, doende den wille Gods
van harte."
In al deze dingen zullen wij ongetwijfeld door \'s Heeren
Heiligen Geest geleid worden, zoo wij ons onvoorwaardelijk
aan Zijne leiding toevertrouwen. Maar tenzij ons het ware
Christelijk leven voorgehouden zij, zullen wij door onwe-
tendheid verhinderd worden in het herkennen van Zijne
stem: daarom is het dan ook, dat ik mij zeer duidelijk en
beslist wensch uit te spreken, in \'t geen ik hieromtrent heb
te zeggen.
Ik heb opgemerkt, dat, zoodra eene toegewijde ziel den
Heer trouw begon te volgen, sommige gewisse kenteekenen
hier vroeger of later volgden.
Een zachtmoedige en stille geest kenmerken allengs het
dagelijksch leven, alsook een onderworpen aannemen van
\'s Heeren wil, zoo als die in de dagelijksche gebeurtenissen
des levens tot ons komt; — buigzaamheid onder de hand
Gods om al het welbehagen van Zijnen wil te volbrengen
of te lijden; zachtmoedigheid bij aanstoot; kalmte te mid-
den van onrust; toegeeflijkheid voor de wenschen van an-
deren, en tevens ongevoeligheid voor de beleedigingen door
hen ons aangedaan: rust heeft de plaats ingenomen van
zenuwachtige gejaagdheid, van bezorgdheid en van kom-
mer; — al deze, en dergelijke genadegaven, blijken onver •
anderd de natuurlijke ontwikkeling naar buiten te zijn van
dat inwendige leven, dat met Christus verborgen is in God.
-ocr page 101-
EN IN DEN WANDEL WAARNEEMBAAR.                       89
Wat nu hunne levenswijze aangaat, zoo zien wij altijd dat
zulke Chistenen vroeger of later hunne werelsche vermaken
laten varen; zij hebben geen smaak meer in het lezen van
romans: ook niet in het dragen van kleinoodiën, maar nemen
een eenvoudige kleeding aan zonder noodeloozen opschik;
zij wenschen alle ijdele gebruiken te laten varen, als ook
alle bloot zinnelijke genietingen. Ik heb opgemerkt, dat zij
doorgaans het rooken van tabak er vroeger of later aan
geven, ook het drinken van wijn en bier, behalve wat hun
voor de gezondheid wordt voorgeschreven.
In den dans zien zij een vermaak, dat den Heer niet kan
verheerlijken; de opera en de comedie zijn plaatsen, die zij
als navolgers van den Heerc Jezus niet kunnen bezoeken.
Met hunne stem wenschen zij den Heerc te verheerlijken
en Zijnen lof te verkondigen. Hun geld wordt ten dienste
des Heeren besteed. De pen wordt Hem toegewijd om voor
Hem te schrijven, de mond om van Hem te spreken, de
haeden en de voeten om Zijne bevelen ten uitvoer te bren-
gen. Jaar op jaar worden zulke Christenen minder aardsch-,
en meer hemelschgezind, Christus meer verheerlijkende,
Hem meer gelijk, totdat zelfs hun gelaat zooveel openbaart
van de schoonheid van het inwendige leven, dat allen die
hen aanzien, het bespeuren, dat zij met Jezus geweest zijn
en bij Hem blijven.
Ik ben er van overtuigd, dat reeds ieder uwer eenige god-
delijke influisteringen of waarschuwingen ontvangen heeft
omtrent het leven alhier door mij beschreven. Zijt gij er
zelf niet meer of min van bewust, dat de stem Gods in het
diepst uwer ziel met u over deze dingen gesproken heeft?
Viel het u in den laatsten tijd niet moeielijk om u uit te
dossen, gelijk dit bij de wereld gebruikelijk is? Rezen er
in den laatsten tijd geen twijfelingen op in uwe ziel om-
trent het najagen dier vermaken, waaraan gij vroeger on-
nadenkend deel naamt? Jagen sommigen uwer vroegere
gewoonten u tegenwoordig geene gewetensangsten aan, die
bij u den wensch doen ontstaan van uw leven te verande-
ren ? Vangt gij niet aan den weg van toewijding aan \'s Hee-
ren dienst met dezen wensch te beschouwen: „Ach! werd
ook deze weg door mij bewandeld!"
Dit verlangen en dit twijfelen, al deze innerlijke onrust,
-ocr page 102-
90                 VRUCHTEN IN DEN DAGEL1.IKSCHEN OMGANG
is de stem van den goeden Herder, die in uw hart weer-
klinkt, een die u roept of gij niet zoudt gaan uit al wat
niet naar Zijnen wil is. Ik smeek u, wil u niet afwenden
van Zijne stem, daar Hij zacht met u komt pleiten. Gij zijt
nog onbekend met de liefelijke paden, waarop Hij u schrede
voor schrede wenscht te leiden, gij weet ook nog niet, welk
een schat van zaligheid aan het eind van dat pad gevonden
wordt, of gij zoudt u voorwaarts spoeden en u met blijdschap
voegen naar al wat Hij van u begeert. De hoogste punten
van het christelijk leven kunnen dan eerst bereikt worden,
wanneer de Gids, die daarheen moet geleiden, ieder oogen-
blik trouw gevolgd wordt, en Hij toont u slechts ééne schrede
van den weg te gelijk, in de kleine omstandigheden van
uw dagelijksch leven, en van u eischt Hij slechts, dat gij
u aan Zijne leiding zult toevertrouwen. Is er dan iets, dat
u kwelt, of onzeker doet zijn, zoo wees er van overtuigd,
dat hierin de stem van uwen Heer tot u komt: offer zonder
uitstel op, \'t geen Hij van u eischt, en verblijd u met groote
blijdschap, dat Hij bij aanvang u leiden en richten wil.
Buig u onder Zijne dierbare handen; begeef u daar, waar
Hij u heen lokt, wend u af van al datgene, daar Hij uvoor
terug doet deinzen, gehoorzaam Hem in volmaaktheid, en
Hij zal u schielijk uitgeleiden in een leven van gelijkvor-
migheid aan Hem, dat vóór Hem getuigen zal jegens allen,
die u omringen, meer dan gij hiervan ooit zult kunnen
weten.
Ik heb eene ziel gekend, die zich aldus overgegeven had
om den Heer te volgen, waarheen Hij haar ook leiden mocht;
in drie korte maanden werd zij uitgeleid uit diepten van
duisternis en van wanhoop en werd zij zich volkomen be-
wust van de zaligste vereeniging met den Heere Jezus
Christus. Van uit haar duisternis wijdde zij zich geheel den
Heer toe, met volkomen overgave van haren wil aan Hem,
opdat Hij in haar werken mocht, het willen en het werken
naar Zijn welbehagen. Onmiddellijk ving Hij aan door Zijnen
Geest tot haar hart te spreken, Hij droeg haar kleine liefde-
diensten op, die zij om Zijnentwille volbracht, en deed haar
onrust gevoelen omtrent eenige gewoonten, en omtrent een
en ander in hare levenswijze, in haren opschik, haar lezen,
haar zingen en hare vermaken. Zij herkende hierin des
-ocr page 103-
EN IN DEN WANDEL WAARNEEMBAAR.                    91
Heeren stem, en zij offerde Hem elk voorwerp op, waar
Hij om vroeg, ook datgene, waar zij slechts den geringsten
twijfel over gevoelde, want zij dacht dat het veiliger was
het twijfelachtige voor rekening van den Heer te laten, dan
gevaar te loopen van Hem ongehoorzaam te zijn. Aan Zijne
hand ging zij met reuzenschreden voorwaarts; dagelijks was
haar wil meer met den Zijnen éénswillend, zoodat haar
leven zulk een krachtig getuigenis van zich gaf, dat haar
omgeving, die haar aanvankelijk niet geloofd, maar weder-
staan had, gedwongen werd te gelooven, dat het werk, dat
in haar plaats greep, uit God was, en ook voor eene der-
gelijke toewijding aan den Heer gewonnen werd. En toen
zij na drie korte maanden tijds, waarin zij den Heere trouw
gevolgd had, schielijk toegenomen was, kon Hij hare ziel
binnenleiden, in de diepste geheimen Zijner liefde, en haar
volgens Hosea 2 vs. 19 in eeuwigen ondertrouw aan Hem-
zelven verbinden.
Zoudt gij veronderstellen, dat zij ooit redenen heeft gehad,
om hare onverdeelde toewijding aan den Heer te betreuren ?
Of dat eenig ander gevoel, dan dat van dankbaarheid en
van blijdschap, immer hare ziel vervullen kon, bij het na-
gaan der schreden, hoe zwaar zij haar wel eens toeschenen,
waarlangs hare voeten geleid werden, om haar dit toppunt
van zaligheid te doen bereiken? Zoo gij, lieve lezer, derge-
lijken zegen begeert te kennen, geef u dan over als zij deed,
aan de leiding van uwen dierbaren Heiland, en beef niet
terug voor \'tgeen Hij van u eischen mag. Voorwaar, Hem
kunt gij u zelven toevertrouwen! En indien het zaken geldt,
die u van geen gewicht toeschijnen, als waren zij de aan-
dacht uws Heeren niet waardig, houd dan in gedachte, dat
Hij niet ziet zoo als de mensch ziet, en dat, wat u gering
toeschijnt, in Zijn oog de sleutel kan zijn tot de aller-
geheimste drijfveeren van uw wezen. Opdat Hij u geheel
naar Zijnen wil vorme, moet gij buigzaam onder Zijne hand
wezen, en deze buigzaamheid wordt nog spoediger door u
bereikt, wanneer gij de kleine, dan zelfs, wanneer gij de
groote dingen opoffert. Uwe ééne en groote begeerte is nu,
Hem volkomen te volgen; kunt gij dan niet voortdurend
„Ja" zeggen op alle Zijne dierbare bevelen, groot of klein;
kunt gij het Hem niet toevertrouwen, dat Hij u langs den
-ocr page 104-
92 VRUCHTEN IN DEN DAGEL1.JKSCHEN OMGANG
kortsten weg geleide tot datgene, wat uwe volle zaligheid
uitmaakt ?
Mijn lieve vriend, het moge u al of niet bekend geweest
zijn, maar dit, en niets minder dan dit, werd bedoeld door
uwc geheele toewijding. Toewijding is volkomene gehoor-
zaamheid. Zij wil zeggen, dat de wil van uw God voortaan
onder alle omstandigheden, en ten allen tijd uw wil wezen
moet. Zij wil zeggen, dat, van het oogenblik uwer overgave
af aan, uwe vrijheid van wil aan banden gelegd is, daar
gij u geheel onder de heerschappij van uwen Heer gesteld
hebt. Toewijding wil zeggen, dat gij Hem ieder uur volgt
waar Hij u heen leiden mag, zonder dat gij er ooit over
denken zoudt, om u zelven van Hem af te keeren.
En nu roep ik u op om uw woord trouw gestand te doen.
Laat al het overige varen, opdat gij het leven van Christus,
dat in u woont, vrij aan het daglicht moogt laten treden,
en zich openbaren in uw leven, in uwen wandel en uwe
gesprekken. Door een wondervollen band zijt gij aan uwen
Heer verbonden: wandel dan, gelijk Hij gewandeld heeft,
laat u gansch en al zalig maken, opdat een ongeloovige
wereld het in u aanschouwe, hoe machtig Hij is om te
behouden. Wees niet beschroomd om hierin te bewilligen,
want Hij is uw Heiland, en het ligt in Zijne macht om dit
alles te bewerken. In uwe hulpelooze zwakheid eischt Hij
niet van u, dat gij het zelf doen zoudt; Hij vraagt maar,
dat gij u zelf aan Hem toevertrouwen zult, dat Hij in u
werken moge het willen en het volbrengen naar Zijn al-
machtig welbehagen. Gij hebt slechts u zelf aan Hem toe
te vertrouwen, Hij is het die werkte. En nimmer, neen,
nimmer zal Hij u een bevel geven, zonder aan het bevel
de macht toe te voegen om het te volbrengen. Bekommer
u in deze zaak niet over den dag van morgen, maar geef
u met volkomen vertrouwen over aan den Heer, die u lief-
heeft, en die beloofd heeft Zijne schapen nimmer op eenig
pad te leiden, zonder zelf voor hen uit te gaan om hun
den weg te banen en hun dien gemakkelijk te maken. Doe
eiken kleinen stap, dien Hij u duidelijk aanwijst. Breng ge-
heel uw leven voor Hem in al deszelfs bijzonderheden, opdat
Hij het ordene en besture. Volbreng zonder uitstel en met
blijdschap dat goede, dat Zijn Geest uwe ziel influistert.
-ocr page 105-
EN IN DEN WANDEL WAARNEEMBAAR.                    98
En dagelijks zult ge ervaren, dat Hij u al meer en meer
met Hem eenswillend maakt in alle dingen; Hij brengt u
in den smeltkroes en hervormt u, zoo als gij dit het best
kunt verdragen, opdat uit u een vat voortkome tot Zijne
verheerlijking, tot Zijn gebruik wel toebereid, ijverig in
goede werken.
Aldus zal door u de zoete vreugd gesmaakt worden een
zendbrief van Christus te zijn, die gekend en gelezen wordt
van alle menschen; en uw licht zal zoo helder schijnen dat
men niet u, maar uwe goede werken ziende, niet u zal
verheerlijken, maar uwen Vader, die in de hemelen is.
„En het zal geschieden, indien gij de stem des Heeren,
uws Gods, vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen
al Zijne geboden, die ik u heden gebiede, zoo zal de Heere
uw God u hoog zetten boven alle volken der aarde.
En al deze zegeningen zullen over u komen, en u aan-
treffen, wanneer gij de stem des Heeren, uws Gods, zult
gehoorzaam zijn.
Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij
zijn in het veld.
Gezegend zal zijn de vrucht uws buiks, en de vrucht
uws lands, en de vrucht uwer beesten, de voortzetting
uwer koeien, en de kudden van uw klein vee.
Gezegend zal zijn uw korf, en uw baktrog.
Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij
zijn in uw uitgaan.
De Heer zal geven uwe vijanden, die tegen u opstaan,
geslagen voor uw aangezicht: door éénen weg zullen zij tot
u uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw
aangezicht vlieden.
De Heer zal den zegen gebieden, dat hij met u zij in
uwe schuren, en in alles, waaraan gij uwe hand slaat; en
Hij zal u zegenen in het land, dat u de Heere, uw God,
geven zal.
De Heere zal u zich zelven tot een heilig volk bevestigen,
gelijk als Hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden
des Heeren, uws Gods zult houden, en in Zijne wegen
wandelen.
En al de volken der aarde zullen zien, dat de naam des
Heeren over u genoemd is, en zij zullen voor u vreezen.
-ocr page 106-
94
DES HEEREN DIENST.
En de Heeren zal u doen overvloeien aan goed, in de
vrucht uws buiks, en in de vrucht uwer beesten, en in de
vrucht uws lands, op het land, dat de Heer uwen vaderen
gezworen heeft u te zullen geven.
En de Heere zal u tot een hoofd maken, en niet tot een
staart, en gij zult alleenlijk boven zijn, en niet onder zijn,
wanneer gij hooren zult naar de geboden des Heeren, uws
Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen."
HOOFDSTUK XIII.
DES HEEREN DIENST.
Wellicht is er in de Christelijke ervaring geen deel, dat
kennelijk grooter verandering ondergaat, wanneer het leven
met Christus, verborgen in God, ingegaan wordt, dan \'t
geen betrekking heeft op den dienst des Heeren.
Zoo lang wij nog in het lagere Christelijke leven verkee-
ren, is er aan den dienst eene meerdere of mindere maat
van dwang verbonden; het wil zeggen, dat wij haar min of
meer plichtmatig beschouwen, somwijlen zelfs als eene be-
proeving of als een kruis.
Sommige dingen, die ons in het eerst eene blijdschap en
een genot waren, beginnen ons zwaar te wegen — wellicht
worden zij daarom toch trouw volbracht, maar met een vaak
verborgen wederstreven, met menigen uitgesproken en on-
uitgesproken wensch, dat zij niet volbracht behoefden te
worden, of dat zij ten minste niet zóó vaak voorkwamen.
De ziel betrapt er zich zelf op, dat het „Mag ik," die vraag
der liefde, bij haar vervangen wordt door het „Moet ik"
van den plicht. Het juk, dat eerst zoo gemakkelijk op de
schouders rustte, begint te drukken, en de last valt ons zwaar.
Eene lieve Christin deelde mij eens het volgende mede:
„Toen ik pas bekeerd was," sprak zij, „was ik zoo vervuld
van vreugde en van liefde, dat ik maar al te gelukkig en
te dankbaar was, zoo ik maar iets voor mijnen Heer kon
doen, en begeerig snelde ik iedere geopende deur binnen.
-ocr page 107-
95
DES HEKKEN DIENST.
Maar allengs bedaarde deze eerste blijdschap, mijne liefde
werd minder waard, en ik ving aan het in mijn hart te
betreuren, dat ik in het eerst zoo heel ijverig geweest was,
want nu was ik ingewikkeld in zóó vele liefdediensten, die
mij bezwaarlijk werden.
Ze weder opgeven kon ik niet, toen ik er eens mede be-
gonnen was, of ik zou groote opspraak veroorzaken en
toch, begeerde ik voortdurend meer, dat ik ze maar opge-
ven kon.
Het werd van mij verwacht, dat ik de zieken zou op-
zoeken, om bij hunne bedden met hen te bidden. Het werd
van mij verwacht, dat ik de bidstonden bijwonen, en er
een woord spreken zou.
Het werd van mij verwacht, dat ik ten allen tijde gereed
zou staan voor elk Christelijk werk, en het besef, dat dit
alles van mij verwacht werd, drukte mij ter neder. Ten
slotte woog het mij zoo onuitsprekelijk zwaar, om dat Chris-
telijk leven, dat ik ingeslagen had te leven, dat elke soort
van handenarbeid mij gemakkelijker begon toe te schijnen,
en ik zou er de voorkeur aan gegeven hebben, zoo ik den
geheelen dag had moeten schrobben en schuren, dan dage-
lijks den kring van alle mijne Christelijke werkzaamheden
te moeten doorloopen. Ik benijdde de keukenmeid en de
wasch vrouwen."
Dit getuigenis moge aan sommigen overdreven toeschijnen
maar zeg mij, lieve geloovigen, drukt het niet sommigen
uwer ervaringen met levendige kleuren uit? — Hebt gij
uw Christelijk werk nimmer volbracht gelijk een slaaf zijne
dagtaak, wetende dat dit werk nu eenmaal uw plicht was,
dat gij dientengevolge te volbrengen hadt, maar het werk
volbracht zijnde, zijt gij toen niet tot uwe persoonlijke bezig-
heden en belangen met blijde veerkracht terug gesprongen?
Het spreekt van zelf, gij waart er |u van bewust, dat
deze gewaarwording zondig was, ook schaamdet gij u harer
uit het diepst uws harten; en toch wist gij niet, hoe gij er
verandering in brengen zoudt. Gij hadt uw werk niet lief,
en hadt gij het met een ruim geweten geheel op kunnen
geven, dan zoudt gij het gaarne gedaan hebben. Maar het
is mogelijk, dat dit voorbeeld uw toestand niet beschrijft;
misschien zult gij u zelf in een ander terug vinden.
-ocr page 108-
96
DES HEKKEN DIENST.
Wanneer gij uw werk in gedachten overziet, dan hebt gij
het lief; doch aanvaardt gij den arbeid, dan gaan er zoo
vele zorgen aan gepaard, en zoo groot is de verantwoorde-
lijkheid, zoo vele zijn de teleurstellingen, dat gij uwe eigene
bekwaamheid betwijfelt, en neerslachtig en bedrukt de
hand aan den arbeid slaat, die tot een zwaren last wordt.
Dan kwelt gij u ook over de vruchten van uw werk, en
beantwoorden deze niet aan uwe verwachting, dan hindert
en drukt u ook dit ter neer.
Welnu, van al deze bezwaren, van al deze banden, is
gansch en al ontheven de ziel, die ingaat in het volle en
zalige leven des geloofs. — In de eerste plaats wordt elke
soort van dienst des Heeren tot blijdschap, want daar zij
zich geheel in de hoede des Heeren overgegeven heeft,
werkt Hij in haar het willen en het volbrengen van Zijn
welbehagen, en de ziel wordt inderdaad begeerig om datgene
te doen, wat de Heer van haar verlangt. Het volbrengen
van \'t geen ons aangenaam is, strekt ons altijd tot genot;
dan geven wij geen acht op de inspanning, die er mede
gepaard gaat noch op de lichamelijke vermoeienis. — Zoo
\'s menschen wil op eene zaak gericht is, dan veracht hij de
bezwaren, die hem in het bereiken van zijn doel belemme-
ren, dan weigert hij stil te staan bij hinderpalen of tegen-
stand. Velen begaven zich naar het eind der wereld om een
aardsch fortuin bij een te garen, of om hunne roemzucht
te bevredigen, en dat een of ander kruis gepaard kon gaan
met het bereiken van dit doel, scheen hun dwaasheid toe.
Hoe vele moeders hebben zich zelve daarmede geluk ge-
wenscht, en hebben zich verblijd over de eer haren zonen
aangedaan, wanneer deze bevorderd werden tot betrekkin-
gen van eer en van gewicht, in dienst van hun land, schoon
deze hooge ambten haar jaren lang van hare geliefden
scheidden, en deze een leven vol van zelfverloochening te
gemoet gingen! Toch zouden deze mannen en deze moeders
gemeend hebben, dat zij een kruis opnamen, te zwaar om
gedragen te worden, zoo de dienst van Christus dezelfde
opoffering van huis en vrienden, en van aardsch gemak van
hen gevorderd had. De wijze, waarop wij eene zaak be-
schouwen, maakt haar ons al of niet tot een kruis.
En ik schaam er mij over, als ik bedenk, dat eenig Chris-
-ocr page 109-
97
DES HEEREN DIENST.
ten ooit de lip zou laten hangen of tranen zou schreien,
wanneer het er op aan komt, eene zaak voor Christus te
doen, die een man van de wereld volgaarne voor geld zou
volbrengen.
Wat wij in het Christelijk leven van noode hebben, zijn
geloovigen, die even begeerig zijn om \'s Heeren wil te vol-
brengen als andere menschen, die ijverig zijn in \'t jagen
naar het doen van hun eigen wil. Dit is geheel in den geest
van het Evangelie. Dit is het ook, wat de Heer met den
mensch voor heeft; ook is het dit, wat God ons beloofd
heeft. Als de Heer het nieuwe Verbond beschrijft in Hebr.
8 vs. 6 tot 13, dan zegt Hij: „het zal niet langer het oude
Verbond zijn, gemaakt op den berg Sinaï, van de uiterlijke
wet, die den mensch dwingt door geweld — maar het zal
van nu aan eene wet zijn, die binnen in hun hart inge-
schreven is, en die den mensch door de liefde beweegt.
„Ik zal mijne wetten in hun verstand geven," zegt Hij, „en
in hunne harten zal Ik die inschrijven." — Dit heeft geene
andere beteekenis, dan dat wij Zijne wet zullen liefhebben,
want wat in ons hart ingeschreven is, hebben wij noodza-
kelijk lief. En in hun verstand geven, wil voorzeker het-
zelfde zeggen, als de Heer werkende in ons, „het willen en
het werken naar Zijn welbehagen," en beteekent, dat wij
zullen willen, wat God wil, en Zijn liefdevolle geboden niet
daarom zullen volbrengen, omdat onze plicht ze gebiedt,
maar omdat wij zelf begeerig geworden zijn, om te doen,
wat Hij gaarne ziet. Wij kunnen ons geen ander middel
denken, dat krachtiger zou kunnen werken. Hoe vaak dach-
ten wij bij de opvoeding onzer kinderen: „Ach! bezaten
wij slechts het vermogen om tot hun binnenste in te drin-
gen, om hen te leeren willen, wat wij willen, hoe gemak-
keiijk zouden wij hen dan kunnen leiden!"
En hoe vaak ondervonden wij het in onzen omgang met
eigenzinnnige en stuursche menschen, dat wij er ons voor
te wachten hadden, om hen bekend te maken met onze
wenschen; maar door omwegen moesten wij hen zóó ver
zoeken te brengen, dat zij uit eigene beweging voorsloegen
\'t geen ons wenschelijk toescheen, en dan was er geen
vrees meer voor tegenstand. En wij allen, van nature een
halsstarrig volk, wij verzetten ons allen meer of min tegen
7
-ocr page 110-
98
DES HEEREN DIENST.
eenc wet die tegen ons e-verstaat, terwijl wij deze zelfde wet
niet blijdschap omhelzen, wanneer zij uitgaat van ons eigen
binnenste.
Daarom dan ook neemt de Heer zich voor, dat Hij bezit
wil nemen van des menschen inwendig bestaan, dat Hij
zijnen wil beheerschen en leiden, en dat hij dien voor den
ïnensch bewerken wil; daarna wordt gehoorzaamheid gemat
keiijk, ja zelfs een genot, dan wordt Zijn dienst volmaakte
vrijheid, zoodat de Christen niet nalaten kan uit te roepen;
„Hoe heerlijk is deze dienst! Wie had zich kunnen voor-
stellen, dat de aarde zulk een vrijheid aanbood?"
Indien gij dus in banden verkeert, lieve Christen, wat is
het dan, dat gij te doen hebt? Het is, dat ge uw wil ge-
heel in handen van uwen Heer stelt, en Hem de geheele
leiding er van overgeeft. Zeg op alles „Ja, Heer, ja!" Ver-
trouw het Hem toe, dat Hij aldus het willen in u werke,
zoodat alle uwe wenschen en genegenheden in overeenstem-
ming gebracht mogen worden met Zijnen liefdevollen wil,
die boven alles te beminnen is.
Ik heb dit herhaalde malen met gezegend gevolg zien
geschieden onder omstandigheden, waar een gunstige uitslag
vooruit onmogelijk scheen. Onder anderen bij eene dame,
die jaren lang in vreeselijk verzet geleefd had tegen iets,
waarvan zij de rechtmatigheid erkende, hoezeer zij het ook
haatte. Ik sloeg haar gade, hoe zij uit diepten van wanhoop
en zonder eenig gevoel van \'t geen zij deed, haar\' wil en
die zaak in de handen van den Heer opgaf, en hoe zij be-
gon te zeggen: „Uw wil geschiede: Uiv wil gesehiedel" En
nauwelijks was één uur verstreken of de gansche zaak
kwam haar onder een veranderd daglicht voor; hare beproe-
ving werd kostbaar in haar oog. Verbazend is het wonder,
dat de Heer werkt in den wil, die Hem geheel toegewijd is.
Moeielijke dingen maakt Hij gemakkelijk, en wat bitter
was, maakt Hij zoet. — Dit is verlossing. Zij is eene groot-
sche zaak, O! beproef deze overgave, gij, die daar voortgaat
al zuchtende onder de lasten en bezwaren van uw dagelijksch
Christelijk leven, en zie maar, of niet Jezus in Zijne liefde
het leven, dat gij nu voorttors«J»t als een last, omzetten wil
in een leven van zalige vrijheid."
En wederom, indien gij den wil van God op zich zelven
-ocr page 111-
DES HEEREN DIENST.                                      99
lief hebt, maar hem toch in de beoefening streng en bezwaar-
lijk vindt, dan schenkt n het wondervolle geloofsleven ook
hier de gewenschte vrijheid. Want dit leven kent goene
angsten, en zucht onder goene lasten, \'t Is de Heer, die al
onze bezwaren op zich genomen heeft, en op wien wij al
onze zorgen leggen. Daarom zegt Hij: „Weest in geen ding
bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles Mij bekend wor-
den en Ik zal er in voorzien."
Weest in geen ding bezorgd, zegt Hij, ook niet in uwen
dienst. Bovenal niet in uwen dienst, dunkt mij; want daarin
zijn wij ons zelven van onze hulpeloosheid zóó bewust, dat
onze grootste bezorgdheid toch niets uitwerken zou. En
waartoe zou het leiden, al dachten wij al zeer diep na over
eigene geschiktheid en ongeschiktheid! De werkmeester heeft
toch boven allen twijfel het recht om eenig werktuig dat
Hem welbehagelijk is voor zijn werk te gebruiken, en het
werktuig zelf immers het recht niet, om te bepalen, of het
nu wel het meest geschikte werktuig is voor het gebruik.
Hij weet het, en zoo Hij ons gebruiken wil, dan moeten
wij immers ook de geschiktheid bezitten. En voorwaar zoo
is het, zoo wij het maar konden vermoeden, hoe juist onze
ware geschiktheid in onze volslagene hulpeloosheid gelegen
is. Zijne kracht kan zich slechts in onze zwakheid verheer-
lijken. Daarvan is het volgende een schoon voorbeeld.
Eens bezocht ik een idioten-gesticht, en zag ik, hoe de
kinderen met stomme klokken (dumb-bells) een gymnas-
tische oefening te doen hadden. Nu weten wij, dat het aan
idioten zeer zwaar valt hunne bewegingen behoorlijk te richten.
Gewoonlijk ontbreekt het hun niet aan kracht, maar aan de
behendigheid om deze kracht in beoefening te brengen, van
daar dan ook, dat zij niet veel kunnen uitrichten. Bij deze
lichaamsoefening was hunne gebrekkigheid in het oog loopend.
Hunne bewegingen waren uiterst lomp. Nu en dan trof het
eens, dat zij zich op de maat bewogen, maar dat was slechts
toeval, want doorgaans hielden zij geene maat. Ik nam even-
wel een klein meisje waar, wier bewegingen naar den eisch
waren. Nooit was zij uit de maat. En wat mocht hiervan de
reden zijn? Niet dat zij meer kracht bezat dan de overigen;
neen, de oorzaak lag juist in hare volslagene krachteloos-
heid. Zij kon haar vingeren zelfs niet om de stomme klok-
-ocr page 112-
100
DES HEEREN DIENST.
ken heen sluiten, noch ze opbeuren, maar de onderwijzer,
die achter haar stond, moest alles voor haar doen. Zij stelde
hare leden als werktuigen in zijne handen, en hij volbracht
zijne kracht in hare zwakheid. Hij wist hoe die bewegingen
uitgevoerd behoorden te worden, want hij had ze zelf uit-
gedacht, en daarom werden zij goed uitgevoerd, wanneer hij
het deed. Zij deed niets, dan zich overgeven in zijne handen
en toen deed hij alles. Het overgeven was haar aandeel aan
het werk, maar" al de verantwoordelijkheid ging hem aan.
Haar bekwaamheid werd niet gevorderd, maar alles kwam
op de zijne aan. In hare zwakheid was hare grootste kracht
gelegen. En zoo dit een beeld is van ons Christelijk leven,
dan moet het ons niet bevreemden, dat Paulus zeggen kon:
„Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, op-
dat de kracht van Christus in mij wone." — Wie zou zich
daarin niet beroemen zóó geheel zwak en hulpeloos te zijn,
dat de Heere Jezus Christus geene beletselen meer aantrof,
om in en door ons te werken, het volmaakte welbehagen
van Zijn almachtigen arm.
Daarbij, indien het werk het Zijne is, dan is ook de ver-
antwoordelijkheid voor Zijne rekening, zoodat het ook niet
aan ons is om ons omtrent de uitkomst van het werk te
kwellen. Al wat er betrekking op heeft, is Hem bekend en
Hij weet het alles te regelen. Waarom Hem dan niet alles
overgelaten, en waarom niet daarin bewilligd, om als een
kind geleid te worden, waar onze weg ook heen mocht
gaan? Het is een bekende zaak, dat de arbeiders, die met
den moesten zegen werken, niet diegenen zijn, die de meeste
onrust over hun werk gevoelen, maar het alleen laten in
handen van hunnen geliefden Meester, en Hem vragen van
hen met betrekking tot het werk te willen leiden van oogen-
blik tot oogenblik; ieder oogenblik stellen zij in Hem het
meest onvoorwaardelijk vertrouwen, wetende dat Hij het
hun aan kracht noch aan wijsheid zal doen ontbreken. Wan-
neer men hen gadeslaat dan zou men geneigd zijn te den-
ken, dat zij wellicht te zorgeloos zijn, daar belangen van
eeuwig gewicht in het spel zijn. Maar wanneer gij geleerd
hebt, hoe de macht van \'s Heeren heilgeheim juist in ge-
loofsvertrouwen gelegen is; wanneer gij de schoonheid en
de kracht gadeslaat van het leven, dat zich geheel aan zijnen
-ocr page 113-
101
DES HEEREN DIENST.
invloed en aan zijne bewerking overgeeft, dan zult gij hen
niet langer veroordeelen, maar dan zult gij er u veeleer over
bevreemden, hoe er nog zijn onder \'s Heeren arbeiders die
het wagen zelf lasten te torsteen, of verantwoordelijkheid
öp"zïch te willen laden, die Hij toch alléén dragen kan.
In \'s Heeren dienst treffen wij nog een paar andere knel-
lende banden aan, waarvan ons het geloofsleven verlost. Wij
leeren begrijpen, dat de verantwoordelijkheid voor al het
werk, dat ons in de we/eld ontmoet, niet op ons drukt. De
bevelen houden op .algemeen te zijn, zij komen nu persoon-
lijk tot ons. De Meester geeft ons geen plan van werkzaam-
heden met groote trekken, terwijl Hij het aan onze wijsheid
en aan onze bekwaamheid overlaat om ons er het best door-
heen te helpen ; neen, Hij leidt ons schrede voor schrede,
en met elk uur geeft Hij ons de bijzondere leiding, die voor
dat uur noodig is. Zijn Heilige Geest in ons wonende, brengt
op het vereischte oogenblik het noodige bevel tot onze her-
innering. Dientengevolge is het niet aan ons, om ons met
veelheid van overleggingen te vermoeien, maar wij hebben
slechts in de voetstappen te treden, die ons geopenbaard
worden, en zoo volgen wij onzen Heer, waarheen Hij ons
leidt. De voetstappen van den geloovige worden door den
Heere bestuurd; zijn weg niet alléén, maar elk zijner afzon-
derlijkc schreden over den weg. Vele Christenen dwalen
hierin, en stellen zich voor, dat zij op eenmaal eene opeen-
hoping van bevelen ontvangen. Zij verkeeren [bijv. in de
meening, dat de Heer, wanneer Hij hun op zekeren dag, als
zij in den spoortrein gezeten zijn, het bevel geeft om aan
zeker iemand een traktaatje te geven, dat zij nu voortaan
aan een ieder, dien zij ontmoeten traktaatjes te geven heb-
ben. Aldus bezwaren zij zich zelf met een onuitvoerbaar
bevel.
Zekere jeugdige Christin werd eens door den Heer gebruikt
om op eene wandeling de boodschap des heils te brengen
tot eene ziel, die zij ontmoette; van nu af meende zij, dat
het haar bevolen was allen, die zij ontmoette, omtrent hun
zielstoestand aan te spreken. Dit nu was een bepaalde on-
mogelijkheid, en dien ten gevolge geraakte zij hierover in
groote onzekerheid. Zij zag er tegen op om haar huis te
verlaten, en beschuldigde zich van voortdurende ontrouw.
-ocr page 114-
102
DES HEEREN DIENST.
Eindelijk zeide zij tot eene vriendin, wat haar op het hart
drukte, en deze, die meer ervaring had van \'s Heeren wegen
met Zijne kinderen, wees haar op hare dwaling; zij toonde
haar aan, hoe de Heer voor ieder zijner bijzondere arbeiders
een bijzonder werk heeft, en zoo min als in een welgeordend
huishouden de verschillende dienstboden het zich konden
voorstellen, dat één hunner bij beurte het werk van al de
overigen zou kunnen doen, zoo min konden ook \'s Heeren
dienstknechten het zich voorstellen, dat elk hunner verplicht
was alles te verrichten. Zij raadde haar aan om zich met
haar werk onder \'s Heeren onmiddellijke leiding te stellen,
het aan Hem over te laten, dat Hij haar den bepaalden per-
soon zou aanwijzen, tot wien Hij wilde, dat zij zou spreken;
daarbij gaf zij haar de verzekering, dat Hij zijn schapen nim-
mer uitzendt, of Hij gaat zelf vóór hen henen, hun den weg
bereidende. Deze raad volgde zij op: den last, die haar drukte,
legde zij op den Heer, en hierop volgde de rijk gezegende
weg, waarop zij zich dagelijks door den Heer bestuurd wist,
en veel werk voor Hem verrichten mocht, en dit zonder zorg
of gedruktheid, daar Hij haren gang richtte en haren weg
baande.
Het komt mij voor, wanneer wij ons in dezen weg in
\'s Heeren hand stellen, dat wij dan eene daad volbrengen,
die vergeleken kan worden bij het verbinden van den stoom-
ketel met de machine, die door hem in beweging gebracht
moet worden. De beweegkracht ligt niet in de machine maar
in den stoom, en het werktuig is onnut, zoo het van den
ketel gescheiden is. Maar is het verband tusschen werktuig
en stoom te weeg gebracht, dan geschiedt de beweging zon-
der bezwaar van wege de beweegkracht die haar drijft.
Aldus wordt het Christelijk leven gemakkelijk onnatuurlijk,
wanneer het de ontwikkeling is van het goddelijk leven, dat
in ons werkt. Het meerendeel der Christenen leeft in eene
zekere spanning, omdat hun wil niet waarlijk eenswillend is
met den wil van God; aan alle de aanrakingspunten sluit
zich de ééne wil niet volkomen aan den anderen aan, van
daar dat de bewegingen van het werktuig nog bezwaar ont-
moeten. Maar wanneer de aansluiting volkomen wezen zal,
en de wet van den geest des levens, in Christus Jezus, in
ons werken kan naar de sterkte zijner macht, dan zijn wij
-ocr page 115-
103
DES HEEREN DIENST.
ook wezenlijk vrij gemaakt van de wet der zonde en des
doods, en zullen wij de heerlijke vrijheid der kinderen Gods
leeren kennen.
Nog een ander bezwaar in \'s Heeren dienst, waarvan het
geloof de ziel verlost, heeft betrekking op de nabetrachtingen,
die altijd op het Christelijk werk volgen. Deze kunnen van
tweeërlei aard zijn. De ziel is geneigd zich zelve met haar
welslagen geluk te wenschen en wordt opgeblazen; of is
diep ter neder gedrukt, daar zij het werk als mislukt be-
schouwt. Opgeblazenheid of neerslachtigheid volgen haast
onvermijdelijk op het werk, de eerste dezer beiden dient
het meest gevreesd te worden, schoon de laatste ons het
meest doet lijden. Maar hebben wij ons den Heere geheel
toegewijd, dan hebben wij geen dezer beide te vreezen. Want
daar wij ons al arbeidende onder \'s Heeren hoede plaatsen,
laten wij ook de uitkomst in Zijne handen, en willen zelfs
niet nadenken over onzen eigen invloed in deze zaak.
Jaren geleden trof ik dezen volzin aan in een oud boek:
„Wanneer een daad door u verricht wordt, verdiep u dan
niet meer in nabetrachtingen over \'t geen gij deedt; doe het
niet om u zelven te verheffen, en ook niet om u zelf ver-
wijtingen te doen. Vergeet de dingen, die achter zijn zoodra
zij voorbij zijn, en laat ze aan den Heer over."— Dit woord
is mij zeer tot zegen geweest. Wanneer ik verzocht word,
gelijk soms geschiedt, om mij aan dergelijke nabetrachtingen
over te geven, hetzij zij van de eene of van de andere soort
wezen mogen, dan wend ik mij beslist van deze af, en wei-
ger over mijn werk te denken, daar ik het aan den Heer
overlaat om de tekortkomingen te dekken, en er dien zegen
aan te verbinden, die Hem goed dunkt.
Dus, om kort te gaan, al wat vereischt wordt om onbe-
zorgd en gezegend te arbeiden, is dat wij ons werk eenvou-
dig in des Heeren hand stellen, en het daar laten blijven.
Breng het niet tot Hem in het gebed, zeggende: „Heer!
leid mij, Heer! geef mij wijsheid, Heer! bestuur mij," om
dan bij het oprijzen van de knieën, den geheelen last weer
op u zelven te laden, u beijverende om uwen weg te banen.
Laat de zaak aan den Heer; houdt in gedachte, dat gij u
niet beangstigen moet over \'t geen gij Hem vertrouwt. Ver-
trouwen en onrust gaan niet samen. Bezwaart uw werk u,
-ocr page 116-
104
DES HEEREN DIENST.
het komt van daar, dat gij Hem niet vertrouwt. Maar zoo
gij het Hem toevertrouwt, dan zult gij zekerlijk ervaren, dat
het juk door Hem op u gelegd, zacht is, en dat Hij u een
lichten last geeft te dragen, en zelfs te midden van een
leven van rusteloozen ai-beid, zult gij de rust uwer ziel vinden.
Indien onze Heere maar eene schare bezat van dergelijke
arbeiders, dan laat het zich niet zeggen, wat Hij al niet met
deze zou kunnen doen. Voorwaar „één hunner zou er duizend,
en twee zouden er tienduizend op de vlucht jagen," en niets
zou hun onmogelijk zijn. Want voor den Heer is het niets
om uit te redden, hetzij door eene groote menigte, of door
dien, die geene kracht heeft.
Moge de Heer eerlang zulk eene schare bijeen brengen.
Moogt gij, dierbare lezer, uw naam opgeteekend zien onder
de namen van deze geloovige zielen, die zwak in zich zel-
ven, zich als uit den dood levend geworden, den Heere toe-
wijden. Laat elk uwer leden Hem als een wapen der ge-
rechtigheid toegewijd zijn, om door Hem naar Zijn welbehagen
gebruikt te worden.
„Waarom ook wij, van dien dag af, dat wij het gehoord
hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeeren,
dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijnen wil,
in alle wijsheid en geestelijk verstand. Opdat gij moogt wan-
delen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle
goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis
van God; met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte
Zijner heerlijkheid, tot lijdzaamheid en lankmoedigheid, met
blijdschap. Dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt
heeft, om deel te hebben in de erve der heiligen in het licht."
„De God nu des vredes, die den grooten Herder der scha-
pen, door het bloed des eeuwigen Testaments, uit de dooden
heeft weder gebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus,
die volmake u in alle goed werk, opdat gij Zijnen wil moogt
doen, werkende in u hetgeen voor Hem welbehagelijk is, door
Jezus Christus; denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwig-
heid, Amen."