-ocr page 1-
1
-ocr page 2-
-ocr page 3-
Xö^>-V;
= "«^
/?^r? yr^-o
DE DRIE MERKWAARDIGE SCHELLINGEN:
Het SCHILD, het LAM
EN DE
GULDE1T van GEWICHT
OF DE
MUNTEN van 3, % en 2 TREMISSEN
MET DE DAARMEDE IN VERBAND STAANDE
Uitvoerige beschrijving van het Middeleeuwsche
P0ND- of GELDWEZEN
MET TAL VAN BEREKENINGEN, ZOO VOOR HET
BEPALEN VAN HET GEWICHT,
ALS VOOR DE WAARDE VAN OUDE MUNTEN.
DOOR
A. HOLLESTELLE,
lid van onderscheidene geleerde Genootschappen en van de Provinciale Staten van Zeeland
TE T HOLEN.
TÊIrSTÏIsEDEELTE
j. m. c. pot — tholen.
UNIVERSUM
......,,.1 „,»,fc, ^^„^
-ocr page 4-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
A06000004051714B
0405 1714
i
-ocr page 5-
VOORWOORD.
Voor enkele jaren besloot ik tot de uitgave van: „Het Schild en
de daarmede in verband staande Pondenstelsels",
een werk, dat
in onderscheidene tijdschriften en nieuwsbladen, zelfs tot in het builen-
land, gunstig werd beoordeeld.
Thans verschijnt een uitvoeriger stuk betreffende het oudste ponden-
wezen, samengesteld uit bouwstoffen, die ik sinds jaren heb bijeengebracht,
en waarvoor in hoofdzaak slechts eene omwerking van
„Het Schild"
noodig was. Veel komt daarin echter ook voor, dal als een gevolg
van eene nadere overdenking van het onderwerp moet worden aangemerkt.
Nimmer is een werkje als dit verschenen. Duidelijk uiteengezet
was het oude pondenwezen alzoo niet, en mij schoot niet anders over,
dan ook ditmaal mijn eigen weg te banen. Ik geloof echter niet, dat met
dit geschrift eene volledige beschrijving verschijnt, maar eene, die tot
een meer uitgewerkte en afgeronde leerstellige behandeling zal kunnen leiden.
Ten opzichte van de reeds vroeger gevonden waarde van hel Schild,
wordt hier nog opgemerkt, dal het bepaalde bedrag voor die munt,
zoowel heeft geleid lot de merkwaardige ontcijfering van het gewicht
ook van het oudste pond, als tot de wetenschap, dal de zwaarte van
de geldmark aanvankelijk volkomen heeft overeengeslemd met die van de
gewichtsmark, eene uitkomst, waarin als ware het, hel geheele bewijs
voor de juistheid der berekende waarde van dit Schild ligt opgesloten.
Gaarne had ik mij geheel aan deze zoo schoone Middeleeuwsche
geldsludie gewijd, doch alsdan ware een gansche inbeslagneming van
tijd noodzakelijk geweest. Ik geef daarom thans slechts een klein gedeelte
van \'t geen ik later op dal gebied alsnog wensch te verstrekken. Alles
zal evenwel afhangen, zoowel van tijd en gelegenheid, als van het
onthaal, dat ook aan deze studie zal ten deel vallen.
Ik heb aan deze opstellen gewerkt in de stille binnenkamer, en de
verkregen uitkomsten zijn de vruchten van rustige en stille nren, als de
schrijver inkeerde tot zich zelven of zich onttrok aan de alledaagsche
samenleving. In dezelfde kalme en vredige st-emming, waarin zij ge-
schreven zijn, toenschte ik ook dat zij gelezen, overdacht en beoordeeld werden.
Zij, die echter veel betrekkelijk het pondenwezen in een meer be~
knopt bestek bijeen verlangen, vinden allicht hun oogmerk bereikt in
het hierboven aangehaalde werk.
Tholen, 1896.                                         DE SCHRIJVER.
-ocr page 6-
-ocr page 7-
HOOFDSTUK I.
Algemeene Beschouwingen.
Niets is zoozeer in vergetelheid geraakt, als ons voormalig munt-
of geldwezen. Noch onze tegenwoordige, noch onze vroegere ge-
schiedschrijvers, hebben daaraan genoegzame aandacht gewijd, en het
gevolg daarvan is, dat oude stukken, waarin geldswaarden zijn uit-
gedrukt, dan ook niet meer te verklaren zijn.
\'t Is waar, men rekende oudtijds met ponden, schellingen en
grooten, doch daar nu juist dit geene ponden, schellingen en grooten
waren, als die wij leerden kennen, en deze bovendien aan groote
veranderingen onderworpen waren, zijn de rekeningen onzer vaderen
zelfs nog veel ingewikkelder, dan deze zich in den eersten oogopslag
voordoen.
Had men in de oude herkomsten met ponden, schellingen
en grooten te doen, als uit onze dagen, de rekenwijze en
het muntwezen onzer vaderen zou volstrekt niet ingewikkeld zijn.
Alleen zouden wij dan nog slechts de onderscheidene soorten van
ponden, ondergeschikt aan het hoofdpond, hebben te leeren kennen,
doch deze kunnen bij de bepaalde verhoudingen, die deze tot elkander
en tot het hoofdpond hebben, allicht uit de oude bescheiden worden
bepaald. Dan, alles is anders geweest. De waarde der hoofdponden,
en dus ook die van de daaraan ondergeschikte ponden, was door
alle tijden heen, zeer verschillend.
Voor het bepalen der oude ponden komt het hoofdzakelijk aan
op de kennis van hetgeen als standaard munt voor de samenstelling
van deze werd aangenomen. Dat dit evenwel niet als eene een-
voudige aangelegenheid kan worden aangemerkt, blijkt terstond uit
de zoozeer uiteenloopende berekeningen, betreffende het oude Fransche
Schild, een geld- of muntstuk, ook in deze gewesten in de Middel-
eeuwen schier overal als de eenheid voor de onderscheidene bestaan
hebbende pondenstelsels aangenomen. Zoo onder anderen vindt men
de ÏO\'OOO Schilden, die Graaf Willem "V zijne Moeder jaarlijks
-ocr page 8-
•.
6
zou uitkecren, door den een op f 26*000, door den ander op f 34\'000
en door een derden op slechts f 7\'500 bepaald. Een enkele
heeft de waarde daarvan op f 70\'000 berekend, doch daartegenover
staat weder eene bepaling van het Schild op eene waarde van f 0\'69,
waardoor de door Graaf Willem te bepalen som zou hebben gelijk
gestaan met een bedrag van slechts f 6\'000.
De berekende waarde der ÏO\'OOO Schilden loopt alzoo zeer
uiteen. Meende de een daarvoor een bedrag van slechts f6\'000
van onze munt in rekening te moeten brengen, een ander vond het
raadzamer de waarde daarvan te bepalen op f 70\'000. En volgens
al deze verschillende opgaven, zou het Gouden Schild hebben gelijk
gestaan met een uiteenloopend bedrag van f 0.60, f 0.75, f 2.60,
f3.40 of van f 7.—.
Men kan alzoo aannemen, dat de juiste waarde van het Schild,
de waarde, waarop het geheele geldwezen was gegrond, niet wordt
gekend, niettegenstaande zooveel over die munt is geschreven; en
zonder de kennis ook van dit Schild en de daarop gebouwde pondenstel-
sels is -het niet mogelijk, men moge doen, wat men wil, de geldswaarden
in oude bescheiden uitgedrukt, ook inaar bij benadering te. bepalen.
Ik heb daarom getracht den aangenomen koers van dit Schild
te ontcijferen, door al wat daarop betrekking heeft bijeen te voegen,
en aan een uiterst nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Op de
daarbij verkregen uitkomst is alles, wat in deze bladen betrekkelijk
het oude geldwezen wordt ontwikkeld, gegrond. Bij elke verande-
ring van de bepaalde waarde van het Schild, veranderen ook de
ponden, en omgekeerd, elke wijziging van de ponden, veroorzaakt
ook verandering in het bepaalde voor het Schild.
Het Schild heet in oude rekeningen Scilt; in stukken met
Latijnschen tekst wordt het Scutum en enkele malen ook Florenus
cum scuto genoemd. In het Fransch is de munt bekend onder den
naam van Ecu; in Duitsche bescheiden heet zij nu eens Fertho en dan
weder eens Denarie aurei.
Het geldstuk, Schild genaamd, is zoo oud als het pond, waar-
mede wij onze beschrijving doen aanvangen. Het was daarvan de
schelling, die reeds in 1190 wordt genoemd.
-ocr page 9-
7
Is het nu mogelijk de standvastig aangenomen waarde van het Schild
juist in onze munt uit te drukken, en kan bovendien die waarde
zoowel aan voorafgegane, als aan later aangenomen grondraunten
worden vastgelegd, dan is men waarlijk ver gevorderd, om den draad
van ons geldwezen van het kluwen, waarom die zoo ingewikkeld
geslagen schijnt, te ontwinden.
De kennis van ons oud geldwezen is van groot belang. Toe-
gerust met de wetenschap daarvan, worden tal van bronnen ontsloten,
want \'t valt niet te ontkennen, onze oude oorkonden, en vooral onze
oude rekeningen, bevatten op velerlei gebied, schatten van wétens-
waardige zaken, die ons echter eerst dan duidelijk worden, als de
geldswaarden, daarop betrekking hebbende, kunnen worden herleid.
Eene groote verandering zal, zoowel op het gebied der geld-
berekening uit oude stukken, als op dat van de beschrijving der
munten, ook in de nieuwste werken, door het in deze bladen ont-
wikkelde worden teweeggebracht. In de berekening, omdat een
bedrag van een pond groote, zonder acht te geven op den tijd, waarin
dit aldus was neergeschreven, steeds werd herleid tot f 6.00 en dat
desniettegenstaande daarmede een gansch ander bedrag kan zijn bc*
doeld geweest; in de beschrijving, omdat het pondenstelsel en het
verband tusschen de ponden onderling, niet is begrepen, en veel,
waarvoor men geene geschikte plaats op de bazis van ons voormalig
geldwezen wist aan te wijzen, eenvoudig heeft moeten beschouwen
als daartoe ook nimmer te hebben behoord.
De oorzaak van deze dwaling in de geldberekening uit oude
stukken is, dat men aan elk pond slechts die waarde heeft toegekend,
waarmede het in onze dagen is geëindigd. Men heeft het pond
Vlaamsch ook voor vroeger tijden, gesteld op f 6.00, het pond
Hollandsen op f 0.75, het pond Tournooisch op f 0.375 en het pond
Parisis, om van andere niet meer te gewagen, op f 0.50, zonder
zich ooit te hebben afgevraagd, of te allen tijde die waarden daaraan
waren toegekend. (1)
(1) Zie voor de laatste ponden Parisis de Fransche, zilveren geldstukken van Six Livres
of zes Francs vim het laatst der voorgaande eeuw. Voor de oude herleiding brenge men de
Franc daarom in rekening met f 0.50 in plaats van met f 0,475.
-ocr page 10-
8
Ongetwijfeld hebben dubbelzinnige bepalingen uit het laatst
der XVIe of uit het begin der XVIIe eeuw, daartoe ook aanleiding
gegeven. Vaak toch lezen wij: „een pond Plollandsch geld wordt
geschat op 15 stuivers; een pond koopraans-payement bedraagt 20
stuivers." (1) In den grond der zaak is het hier gestelde wel juist,
maar de voor de hand liggende gevolgtrekking was verkeerd. Sinds
eeuwen herwaarts golden dergelijke gezegden, want steeds was de
stuiver gelijk twee grooten. Het pond Hollandsch bestond derhalve
altijd uit 30, het payement, de Gulden of het Hofpond, uit 40
grooten. Maar welke waarde vertegenwoordigde die stuiver of die
groote door alle tijden heen? Zie, hierop komt het aan.
De stuiver stond niet immer gelijk met acht van de ons alsnog
bekende koperen duiten, of met vijf van onze daarmede gelijk ge-
stelde centen. Zijne waarde was steeds aan groote verandering onder-
worpen, en iramer afhankelijk van het pond, waarop ook die munt
betrekking had. Van daar, dat in sommige evaluatien gezegd wordt,
„ende die oude stuyver gelijk V/2 nieuwe stuyver", waaruit duidelijk
blijkt, dat de laatste in waarde merkelijk minder deed, dan de eerste,
schoon beide toch gelijk stonden met zestien koperen penningen of
acht dergelijke duiten van de ponden, waarop zij betrekking hadden.(2)
En dat ook de ponden zeer verschillend en tevens aan groote
verandering onderworpen waren, kan uit een menigte van stukken
worden aangetoond. In vele posten van de Grafelijke .Rekeningen
komen zelfs niet zelden tweeërlei ponden voor, eenvoudig omdat in
de plaats, waarin de onkosten waren gemaakt, reeds een geheel ander
pond in gebruik was, dan waarmede nog door den Bentmeester werd
gerekend. Wij willen dit thans reeds met een enkele aanteekening uit
de Thesoriers-rekening van Jan Philipszoon van Leyden, staven.
In dat stuk dan lezen wij:                                                  . . ,;"..
...                                                   • « ;.- \'rw\'jEHlkvn
3tnnc 1340. 3ttm fytmitum fyamtt aynï itiftïb\'btlbnfd) J»t*?tf;
iomiut Comitis ïclibmivi UltUchuta rx camera ai eoliunSunt Joljannt
fc* fiurao apufc firujra» pro 16 jxitni» mimtit vani aü, iwttQam, «<i£.w--
(1)    Vaa Leeuwen. Roomsch-Holliindsch Recht bladz. 16] en 102.
(2)    Zie. het vervolg van dit werk,, vooral op het jaar 3532 als wanneer zelft geschil
ontstond over de verschillende waarde van de onderscheidene gebruikte stuivers.
-ocr page 11-
!)
ruin fconrint tomtti» afc natale «lapsmm 16 £ gt.f acuto pro 20 fc. $t.
oaUnt, acato pro 18 Ta. gt... 14 £ 8 ssc. (1)
De gemaakte onkosten bedroegen 16 pond groote, die door den
Rentmeester slechts werden verantwoord met 14 £ 8 schellingen of
met 142/5 pond. De laatst genoemde ponden waren niet beter van
gehalte dan de eerste, maar eenvoudig grooter, en om dit duidelijk
te maken heeft de klerk beide soorten van gebruikte ponden nauw-
keurig bepaald in betrekking tot den alstoen reeds standvastigen koers
van het Schild.
De onkosten waren gemaakt in een pond, waarbij het Schild
verdeeld was in 20 grooten; bij de ponden der verantwoording was
het Schild daarentegen verdeeld in 18 grooten. Beide bedragen zijn
daarom volkomen aan elkander gelijk.
\'t Was een hoogst moeielijke aangelegenheid, om uit de weinige
en zeer verspreid voorkomende gegevens, de in gebruik geweest zijnde
pondenstelsels te ontwikkelen; en waren deze veelal moeielijk te
vatten, de overgangen van de buiten gebruik geraakte tot de vol-
gende ponden, kwamen inzonderheid ingewikkeld voor.
Zal het nu aiat met behulp van dit werk mogelijk zijn, elke
geldelijke bepaling in oude charters of giftbrieven uitgedrukt, te
herleiden of in onze munt over te brengen ? Ik heb gestreefd daartoe
te komen, maar ik ben de eerste, om te bekennen, dat nog veel
ter oplossing overblijft. Stellig vindt men hier veel in betrekking
tot ons voormalig muntwezen opgehelderd, doch hoeveel ook is na-
gegaan, veel zal nog blijken te ontbreken. De weg tot verder
onderzoek is evenwel afgebakend, en alsnu van het bekende uitgaande,
zal veel, doch stellig op minder omslachtige en moeielijke wijze,
alsnog te bepalen zijn.
Na tal van onderzoekingen en na tal van daarop gegronde
berekeningen, is gebleken, dat aan het Schild eene doorgaande waarde
is toegekend van f3,15 ot van 6,30 Francs, en hiermede rekening
houdende vallen de ponden, schier alle in oude Schilden of grooten
uitgedrukt, ook gemakkelijk in Guldens te bepalen.
(1) Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis door Dr.
H. G, Hamaker. Deel III bladzijde 35 en 30.
-ocr page 12-
10
Het pond met hetwelk wij onze berekeningen en beschouwingen
doen aanvangen, stond gelijk met 20 Schilden. Het moet dus hebben
gelijk gestaan met een bedrag in onze munt van 20 X f3,15 of
van f63,00.
Maar is de gevonden waarde van het Schild nu juist ? Hierop
komt het aan, en daar nu alles, wat in dit werk voorkomt, op die
waarde is gegrond, zullen wij haar ook aan een nauwkeurig onder-
zoek onderwerpen, en nagaan, of zij tegelijk aan alle historische
eischen, op het gebied van ons geldwezen betrekking hebbende,
voldoet. Bovendien zullen wij nagaan, of in derf gcheelen loop van
ons geldwezen een geregelde samenhang te bespeuren valt, en dit
zoo zijnde, zien, of men alsdan met het doorgaande verband eindelijk
sluit aan het tegenwoordige geld.
\'t Is alzoo geenszins mijn oogmerk terstond overtegaan tot het
bewijs van de juistheid van het daarvoor gestelde bedrag; het ge-
heele werk moet als een doorgaande bewijsvoering worden aangemerkt.
Nochtans zal het mijne bedoeling zijn, bij elke bijzondere gelegenheid,
op het gevonden bedrag van f3,15 voor het Schild, als op afdoende
gronden voor het bewijs van het gestelde de aandacht te vestigen.
Ook zij hier opgemerkt, dat het niet gemakkelijk zal vallen een
ander bedrag voor het Schild in rekening te brengen, daar men
alsdan spoedig, zoowel in strijd zal komen met het bedrag der oor-
spronkelijke ponden, als met de zwaarte of het gewicht, dat deze
eenmaal moeten hebben vertegenwoordigd. Ook zal dan de nood-
zakelijke aansluiting aan ons geldwezen worden gemist.
Een gansch ander geval zal het zijn, om tot de weienschap te
komen, in hoeverre de oude Gulden, waarin het Schild is uitgedrukt,
in den loop der eeuwen in gehalte verandering heeft ondergaan.
En hiervoor zullen de juiste gewichtsbepalingen van de oude ponden
ons ten bekwamentijde zeer te stade komen.
Wij hebben in deze gehandeld als eiken persoonlijken bezitter
van een Gulden, die volstrekt niet diens gehalte onderzoekt, zoolang
deze als loopende munt geldig is, of niet van koers verandert, maar
eerst dan zijne aandacht op diens innerlijke waarde vestigt, als deze
weder tegen zuiver of fijn zilver moet worden verrekend.
-ocr page 13-
li
Dat iu deze echter werkelijk groote verandering heeft plaats
gehad, zal duidelijk worden aangetoond. Zelfs in de twee laatste
eeuwen onderging het gehalte van de munt nog wijziging, want
bevatte de Gulden van 1694 en later nog 9.6153 Gram aan fijn
zilver, die van 1839 en van onze dagen houdt daarentegen slechts
9.450 Gram in. Maar de Gulden van 1694 telt in de voorkomende
rekeningen als loopende munt voor een Gulden van onzen tijd of
van 1839, en zoo ook is het met de Guldens van vóór 1694 of
met die, in welke het Schild en de nog oudere munten in deze
beschrijving voorkt-mende, zijn uitgedrukt.
Het pond, hierboven bedoeld, en dat eene waarde had van 20
Schilden of van f63.00, stond, zooals later duidelijk zal worden
aangetoond, ook gelijk met het bedrag van 24 Gouden Lammen,
zijnde eene alsnog veel oudere munt dan het Schild. Elk Lam,
ook Mouton genaamd, stond alzoo gelijk met 5/ö gedeelten van het
Schild of met f 2.625 van onze munt. (1) De waarde van dit geld-
stuk, waarop de veel oudere ponden, die van f63.00 voorafgaande,
waren gegrond, is dus uit de bepaalde waarde van het Schild afgeleid,
of wel het Lam is aan het Schild vastgelegd. Is alzoo het Schild
of te hoog, of te laag bepaald, dan is dit ook het geval met het Lam.
Het bedrag van f2.625 is evenwel slechts de waarde van het
enkele Lam. Het dubbele Lam, ook Duplices aurei, Drachma goud
of Aureolus genoemd, doet in de oude bescheiden 2 X f2.625 of
f 5.25 Het enkele Lam heet in de rekeningen ook wel Florenos regalis.
Behalve het Schild en het Lam bestond nog een andere, zeer
belangrijke oude munt, namenlijk de Gulden van Gewicht, die gelijk
stond met % gedeelte van het Schild, en die alzoo overeen kwam
met f2.10 van onze munt.
Op elk dezer grondinunten zijn gelijktijdig pondenstelsel
gegrond geweest. Op het Schild was het pond gebouwd van 20 X
f3.15 of van f63.00; op het Gouden Lam was het stelsel van
20 X f2.625 of van f52.50 gevormd, en de Gulden van gewicht
lag tot grondslag van het Brabantsche pond van 20 X f2.10 of
van f42.00.
(1) Zie voor deze gewichtige bepaling het vervolg van dit werk.
-ocr page 14-
12
Ten opzichte van deze hoeveelheden zij opgemerkt, dat elk
dezer met ^q gedeelte van zich zelven is verhoogd; de eigenlijke be-
dragen, teruggebracht tot hun grondvorm, zijn f60, f50 en f40,
waaruit duidelijk blijkt, dat, zij het dan ook onder andere benaming,
de Gulden steeds de bazis is geweest, ook zelfs van ons nog ouder
geldwezen, hetgeen later nog meer in het oog zal vallen bij de
bepaling van het eerste of oudste pond.
Bij narekening blijkt, dat de drie hoeveelheden van f 63.00,
f52.50 en f42.00, als hoofdponden aangemerkt, achtereenvolgens
overeenstemmen met 24, 20 en 16 der door ons genoemde gouden
Lammen, terwijl de tot hun grondvorm teruggebrachte hoeveelheden
van f60, f50 en f40, respectievelijk overeenkomen met bedragen
van 24, 20 en 16 van onze tegenwoordige Rijksdaalders.
Op die verhoogingen der ponden komen wij later terug; slechts
als in het voorbijgaan kan daarop alsnu de aandacht gevestigd worden.
Het pond was verdeeld in 20 schellingen en de schelling in
12 grooten. Elk pond stond mitsdien gelijk met 240 grooteu. Bij
het pond van f 63.00 was elke schelling ook verdeeld in 3 tremissen,
zoodat een tremisse gelijk stond met 4 penningen of grooten. Alleen
bij de oudere ponden, die van f63.00 voorafgaande, en bij enkele
Duitsche kleinere rekenponden was de indeeling anders, doch daar-
over eerst later.
Bij deze indeeling van het pond vormden vier schellingen van
het hoofdpond een Groote, en twee schillingen eeive Kleine Mark.
De eerste of oudste Mark kwam in gewicht juist overeen met een
Mark en twee van deze oude Marken vormden het oorspronkelijke
Engelsche pond, of het eerste pond sterling.
\'t Is bijzonder opmerkelijk, het pond Trooisch gewicht voor het
bepalen van de zwaarte van gouden en zilveren voorwerpen is sinds,
door alle tijden en omstandigheden heen, op twee Mark bepaald
gebleven, en het oorspronkelijke gewicht van het Engelsche pond,
kwam daarmede volkomen overeen.
Eens was dus een pond Sterling gelijk een pond, een Mark
gelijk een Mark. Dan, zooals wij zullen zien, er was slechts eene
munt, Mark geheeten, die in zwaarte gelijk stond met een Mark
-ocr page 15-
13
in gewicht, maar één Engelsen pond, dat overeenkwam met ons
Trooisch of Markenpond. Later is alles veranderd; de Mark bleef
niet gelijk een Mark; het pond niet gelijk een pond; elke benaming
in betrekking tot het gewicht werd denkbeeldig. Thans vertegen-
woordigt de zwaarte van de munt, Mark geheeten, slechts een zeer
gering gedeelte van de Mark in gewicht, en niemand eindelijk kon
zelfs meer verklaring vinden voor de woorden Mark en Pond in
betrekking tot de Munt. (1)
En toch er is eenmaal een tijd geweest in welken zoowel het
Pond Goud, als het Pond Zilver, nog werkelijkheid was. In een
giftbrief van den jare 834 betreffende eene schenking aan de Utrechtsche
Kerk, lezen wij het volgende: „Doch ingevalle dat er iemand van
„onze vrienden hier niet tegenwoordig waar, die zijn best zou willen
„doen, om de standvastigheit van deze onze gifte, tzij uyt zijnen
„eigen name, tzij uyt den name van een ander, verkeerdelijk te doen
„vernietigen: vooreerst moet zoo een weten, dat hij bij Godt, zoo
„hij van voorneemen en gevoelen niet en verandert, een streng
„oordeel op zijnen hals zal haaien. Daarenboven zal hij in de boete
„van een pond goud en van drie pond zilver, en zoo hij met ge-
„weld gedwongen moet worden, in de boete van vijf ponden, voor
\'slands schatkamer vervallen." (2)
Later zullen wij zien, welk bedrag aan het pond goud ver-
bonden was, en dat de drie pond zilver slechts een omschrijving
was van het pond groote van het reeds toen aangenomen stelsel.
Stond de waarde van het pond, dat wij staan te ontwikkelen,
gelijk met f 63.00, dan had elke groote, zijnde het 240ste deel van
het pond, eene waarde van f 0.2625. Het Schild kwam dan over-
een met 12, het Lam met 10 en de Gulden van Gewicht met 8
van deze grooten.
De groote van het door ons nog gekende pond van f 6.00, had
daarentegen slechts eene waarde van y240 X f 6.00 = f 0.025,
eertijds overeenkomende met de waarde van 4 duiten. (3)
(1)    Van *i hetf laatste pond, van dat van f6,00, gebruikt Pruisen nog altijd de Kleine,
Oostenrijk de Groote Mark. Be eene heeft alzoo eene waarde van 2 schellingen, de laatste
van 4 schellingen.
(2)    Kerkelijke Historie en outheden der Zeven vereenigde Provinciën. Deel 1 bladz. 137.
(3)    Een bedrag van 2\'/j cent heet men in Zeeland nog vaak «vier duiten."
-ocr page 16-
14
Zoowel het Lam als het Schild, waren gouden muntstukken.
Het Lam komt in de oude bescheiden dikwijls voor als gelijkstaande
met 10 grooten; het Schild wordt daarentegen in de stukken vaak
gezegd overeen te komen met 12 grooten.
Men zou, van de veronderstelling uitgaande, dat de grooten,
de kleinste onderdeelen van het pond, door alle tijden heen dezelfde
waarden hebben gehad, als die van het door ons gekende pond,
voor het gouden Lam alzoo eenc waarde verkrijgen van slechts 10 X
f 0.025 = f 0.25 en voor het gouden Schild eene van 12 X f 0,025
of van f 0.30, hetgeen voor de ÏO\'OOO Schilden door Graaf Willem
V bedoeld, een bedrag zou hebben opgeleverd van ÏO\'OOO X f 0.30
= f3000, zijnde f675000 minder, dan de door Arend medegedeelde
berekening.
Uit een en ander blijkt, dat, of het Schild komt in de oude
bescheiden niet voor, als overeenstemmende met de waarde van 12
grooten, of aan de grooten van weleer moet een gansch andere
waarde worden toegekend, dan die van het pond, met hetwelk som-
migen in onze dagen nog weleens rekenen.
De ponden waren onderscheiden in Munt- en Rekenponden.
Het hoofdpond was gewoonlijk het rekenpond. Daarvan bestonden
schellingen en grooten of deniers grooten. Deniers, penningen,
myten, sterlingen, enz. waren onderdeelen van ondergeschikte
ponden, welke allen bepaalde deelen uitmaakten van het hoofdpond.
De ondergeschikte ponden, die men ook afgeleide ponden zou
kunnen noemen, waren het pond Hollandsch, het pond ïournooisch,
het pond Myten, het pond Parisis, het pond Plandres en het pond
Sterling. Het pond Hollandsch was altijd het */sste deel, het pond
ïournooisch het Yj(ide deel, het pond Myten het 1/24ste, het pond
Parisis het */i2^e en \',e* Pon(i Flandres het ^ï^e deel van het
hoofdpond. Het pond Sterling, gegrond op de ster of het derde
part der gewone groote, was derhalve ook altijd het derde deel van
het hoofdpond. (1)
Maar behalve de vermelde ponden was er nog één, dat wij
gevoegelijkst met den naam van het Hofpond kunnen bestempelen,
(1) Sterling wordt ook afgeleid van Esterling of Oosterling.
-ocr page 17-
15
omdat de Graven of Vorsten het gewoonlijk bezigden, ora „hunne
renten en pachten" daarin te bepalen. Dit Hofpond bestond uit
40 grooten. Het was alzoo juist een zesde gedeelte van het hoofd-
pond. Vooral in de XVe en XV1> eeuw is veel daarmede gerekend.
Het heette toen steeds het pond van 40 grooten. (1)
Dan, bij al het hier vermelde betreffende de onderscheidene
ponden, deed zich nog een ander, een meer vreemd verschijnsel
voor. Er waren steeds tweeërlei hoofdponden, die in waarde tot
elkander stonden, als 20 tot 21 of omgekeerd. Tegenover een pond
groote van f63.00 stond alzoo een ander van f60; tegenover een
pond van f 12,60 een ander van f 12.00, enz., en hier vindt men
de rekeningen gesteld in het grootste, elders in het kleinste van
deze dikwijls gelijktijdig voorkomende ponden. (2) Soms vindt men
slechts van één dezer gebruik gemaakt; in een ander geval is eerst
met het grootste, en later met het kleinste gerekend.
Met de bekende waarde van het Schild kunnen vele rekeningen
worden bepaald. Daarin toch komen gewoonlijk opgaven voor, in
welke het Schild rechtstreeks in betrekking tot het gebruikte pond
is uitgedrukt. Zoo onder anderen leest men in de hiervoren ge-
noemde Thesoriers-rekening van Jan Philipszoon van Leyden van
1340 het volgende:
2lnno 1340. 3t*m per litteram fcomtnt, oatam apub flruwllam fma
quarta oost mitiuitutcm beati iofjanni» Öabttete anno 41, quo& eoloam
abbatt b* iSïtooelborch ao natale bomtni proitmum 200 ecuta, fac ut
in expositie eunt compntata 15 £ (3)
Hier nu zijn 200 Scuta of Schilden gelijk gesteld met 15 van
die ponden, in welke de rekening is gesteld. De 200 Schilden,
berekend naar de ons bekende waarde van 13.15, leveren een be-
drag op van 200 X f3.15 = f630, en deze geldsom gelijk staande
met 15 pond, moet voor één daarvan f42,00 zijn gerekend. (4)
Verlangt men de betrekking van het Hollandsche rekenpond
(1)     Onze Gulden van het pond van f6.00 was dus het Hofpond of het pond van 40 grooten.
(2)     Zie bladz. 10 van dit werk.
(3)     Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Heuegouwschc Huis. Deel III
bladz.
  5.
(4)     Zie betreffende dit pond het vervolg van dit werk,
-ocr page 18-
16
tot het pond groote te kennen, dan bieden posten uit diezelfde
rekening als de volgende, daarvoor gelegenheid.
3lnna 1340. Dt Öaltoo JMflartfcu tt Bculanait, eciliat Banitlt
ie
tnofïciijcii, vn\' ütteram bomini, batam in JBoxataco fma quaria
?o*t <&ttgom anno 40, 100 £ %oU. (act. 12 « 10 »c. $t. (1)
De rekening van den Baljuw van Delfland en Schieland bedroeg
100 £ Hollandsch, die verantwoord zijn met 12 £ 10 schellingen
of met 12J/2 der hierboven bepaalde ponden groote, dus met
12V2 X f42.00 = f525.00.
Elk pond Hollandsch moet alzoo op i/lO0 X 1525 ofopf5.25
zijn gerekend, en hieruit blijkt, dat het pond Hollandsch stond tot
het pond groote als f5.25 : f42.00 of als 1 : S.
Maar het is hier de plaats niet, reeds met onze berekeningen
aan te vangen. Veel moet tot opheldering nog voorafgaan. Later
komen wij op dit alles en op deze zoo merkwaardige Thesoriers-
rekening uitvoerig terug.
Wat de munt betreft, nu eens werd geld geslagen op het eene,
dan weder vindt men dat de aanmunting betrekking had op het
andere pond. Dikwijls is het moeielijk te weten te komen, zoowel
met welk dezer ponden is gerekend, als waarop het geld was aangemunt.
Houden wij nu met de bepaalde waarde van het Schild en met
het onderlinge verband der ponden rekening, dan kunnen de achter-
eenvolgens in gebruik geweest zijnde stelsels met voldoende zekerheid
worden voorgesteld. Wij hebben dan, als op het Schild gegrond,
de volgende
Eerste Pondenreeks:
I.
20 X f8.15 = f63.00.
VII.
8 X f3.15 = f25.20.
20 X 3.00 = 60.00.
8 X 3.00 = 24.00.
II.
18 X f3.15 = f56.70.
VIII.
6 X f3.15 = f18.90.
18 X 3.00 = 54.00.
6 X 3.00 = 18.00.
III.
15 X f3.15 = f47.25.
IX.
5 X f3.15 = f 15.75.
15 X 3.00 = 45.00.
5 X 3.00 = 15.00.
(1) Rekeningen der Grafelijkheid van Holland, onder het Henegouwsche Huis. Deel
III blad». 4.
-ocr page 19-
17
IV»
14 X f 3-15 = f44.10.
X.
4 X f3.15 = f 12.60.
14 X 3.00 = 42.00.
4 X 3.00 = 12.00.
V.
12 X f3.15 = f37.80.
XI.
4 X f3.15 = f 9.45.
12 X 3.00 = 36.00.
3 X 3.00 = 9.00.
VI.
10 X f3.15 = f31.50.
XIL
2 X f3.15 = f 6.30.
10 X 3.00 = 30.00.
2 X 3.00 = 6.00.
Ten opzichte van deze eerste reeks valt op te merken, dat ook
het pond van f56.00 hier is gebruikt, en dat tusschen deze stelsels,
vooral in de XVe eeuw, nog onderscheidene andere, veelal kleinere
ponden, zijn in gebruik geweest. Bovendien is door alle eeuwen
heen hier menigvuldig gebruik gemaakt van Brabantsche ponden,
van welke wij eveneens de reeks zullen doen volgen. Nog zij be-
richt, dat deze eerste reeks eigenlijk is eene voortzetting van de
oudere ponden, die op het Gouden Lam, en dus op eene andere
grondmunt, waren bepaald. Ook van deze oudere pondenreeks volgt
later opgaaf.
Eindelijk merke men nog op, lettende op de ronde bedragen,
die men voor het tweede pond van elk stelsel verkrijgt, dat ook het
Schild met 1/20 gedeelte van zijn grondvorm is verhoogd. Die grond-
vorm bedroeg alzoo juist f3.00. (1)
HOOFDSTUK II.
Drie gelijktijdig in gebruik gestelde Hoofdponden.
Hiervoren is reeds opgemerkt, dat op elk der omschreven grond-
munten ponden zijn vastgesteld. Stellen wij nu deze ook met al
hun payenienten voor. Men verkrijgt dan de drie ponden door
Hofdijk bedoeld. Bij het pond van f63.00 gold de schelling 3
tremissen, bij het pond van 152.50 stond die gelijk met 2y2 tremisse
en bij het pond van f42.00 deed die slechts 2 tremissen. (2)
(1)    Zie wat wij betreffende deze verhooging op bladz. 10 van dit werk hebben medegedeeld.
(2)    J. W. Hoïmjk. „Ons voorgeslacht." Deel I bladi. 153. Wat den tijd betreft zij
men echter bedacht op de noot aldaar.
                                                                      2
-ocr page 20-
18
Het eerst te behandelen pondenstelsel dan in zijne verdeeling
en in verband met de andere daarbij gebruikte rekenponden ont-
wikkelende, heeft men:
Het Pond Groote van 34 Gouden. Lammen.
Het Pond van f63.00.
De Tremme = f 1,05.
De Schelling = 3 \'Premissen = f3,15.
De Schelling verdeeld in 12 groolen.
De Groote = f 0.2625.
Het Schild of de Schelling overeenkomende met 16 fi Tournooisch
of met 8 fi HoUandsch.
Hel Pond Groote is zwaar:
A.     Aan Zilver 885.G Gram.
B.     Aan Goud 73.8 Gram.
In gebruikslelling van het Pond:
Anno 1180.
Ter moedel ijk door:
Philips Augustus,
Koning van Frankrijk.
Verder wogen:
Een Groote.....3,69 Gram.
Een halve Groote . . . 1,845 „
Een Denier.....0,46 »/8 „
Een Penning.....0,23%6 „
Ponden en
onderdeelen.
£ Groote.
£ HoUandsch.
78 £ Groote.
\'S s
.2 %
2 2
1 **
art "^
6
1 2
S erf
art -
ffi
:1 2
1 o
P-i ert
ert «
<0
o O
t- O
i"Ü Ut
e C3
art .5
£ Sterling.
V3 £ Groote.
1£ =
1 £ =
1 fl =
10 =
1 Trem
ITrem
l$ =
f 63.00
20 0
f3.15
3 Trem.
fl.05
4 ft
f 0.26*25
f7.875
20 fi
f0.393/8
3 Trem.
f 0.18V8
4
f0.03»/32
f4.9375
20 fi
f0.19»/16
3 Trem.
f 0.09%,
io.oi«/„
f2.625
20 fi
f0.18\'/8
3 Trem.
f 0.043/8
4
fo.op/32
f5.25
20 fi
f 0.2625
3 Trem.
f 0.0875
4
f0.023/16
f6.00
20 fi
f 0.30
3 Trem.
f 0.10
4
f0.025
f21.00
20 fl
fl.05
3 Trem.
fO.35
4
f 0.0875
-ocr page 21-
19
Op de sterling van dit pond had betrekking \'t geen wij lezen
bij Hofdijk, dat het pond gelijk was aan 12 onsen, ter waarde van
20 schellingen van drie tremissen, terwijl 4 Friesche ponden, dat
zijn vier ponden Sterling, overeenkwamen met een Frankisch pond.
Het Frankische pond, dat bij de samenstelling der Friesche Wetten,
waaraan Hofdijk zijne opgaven ontleende, bestond, had alzoo eene
waarde van 4 X i 21.00 of van f84.00. Later komen wij op dit
in zoovelerlei opzicht merkwaardige pond, en op die onschatbare
bepaling breedvoerig terug. (1)
Het Hofpond, blijkens het voorgaande een zesde gedeelte van
het Hoofdpond bedragende, had tegenover dit pond groote eene waarde
van f 10.50. Het stond in zijne verdeeling aldus:
1 £ =
f 10.50.
1 £ =
20 0.
1 0 =
f 0.525.
1 11 =
3 trein.
1 trom. =
= f 0.175.
1 trein. =
— 4 pen.
1 pen. =
-. f 0.04375.
De Groote Mark, gelijk staande met 4 schell.
had eene waarde van:...........f 12.GO.
De Kleine Mark, overeenkomende met 2 0, deed: f 0.30.
De oude Engelsche Mark van het pond van f 84,
deed IS Q é $ Sterling; zij stond alzoo gelijk met:
13  0, 13 = f 1.05 =......f 13.65.
4 §, 4 X f0.0875 =...... 0.35.
Of te zamen met:.......f 14.00.
De oude Trooische Mark van het pond van f 90.30,
deed 14 ft 4 § sterling, of:
14  fi, 14 X f 1-05 =......f 14.60.
4 d. 4 X f0.0875 =...... 0.35.
Of samen:..........f 15.05.
(1) W. J. Hofdijk. Ons voorgeslacht. Deel I bladz. 152.
-ocr page 22-
•20
Aan het hoofd van dit ontwikkelde stelsel vindt men het Schild
gelijk gesteld met 8 schellingen Hollandsch of met 16 schellingen
Tournooisch, hetgeen met het bijgebrachte in overeenstemming is.
Een schelling Hollandsch is hier berekend op f0.393/8 en 8
dusdanige schellingen leveren een bedrag op van 8X f 0.393/8 = f 3.15.
Een schelling Tournooisch vindt men in dit stelsel bepaald
op f 0.1911/ie ^ alzo° maken 16 schellingen een bedrag van 16 X
f0.19"/i6 of van f3.15.
Het Schild komt in bescheiden van de XIVe eeuw nog voor
tot een bedrag van 8 schellingen, zooals blijkt uit aanteekeningen
als de volgende:
3lnn 1345. 3ttnt \'a HfXatnoagtyt* na Sinte *&ttganix<ioaci\\ tt <tfWr-
Btltgt bttatlt «nt ttn yatrli gtytcactyt bt 3an van ULitroti tot rojma
öjmn bttyoti atlvt, 21 acxlbt tnot 5 bc. parununt, btn «tilt ven 8
se. iXlaktn 32 »c. 5 Ir. 6 mitm. (1)
Voor het paard, dat voor den Graaf zelf was aangekocht, werd
betaald 21 schilden en 5 schellingen, van welke 8 begrepen waren
in het schild. Men had alzoo daarvoor uitgegeven:
21 schilden, 21 X f3.15 = . . . . f66.15.
5 oude schell. 5 X f 0.39% =. . . 1.96875.
Alzoo te zamen:.......t 68.11875.
In het stelsel van f 42.00 werd daarvoor verantwoord:
32 0, 32 X f2.10 =......f67.20.
5  d, 5 X f0.175 =...... 0.875.
6  myten, 6 X f0-0035/48 = . . . 0.04375.
Of te zamen als boven:.....f68.11875.
Evenzoo zouden wij posten kunnen aanhalen, in welke het
Schild op 16 schellingen wordt bepaald, een bewijs, dat half de
XIVe eeuw niet alleen met het Hollandsch, maar ook nog met het
Tournooisch van dit stelsel werd gerekend, en dat niettegenstaande
het reeds in de XIIe eeuw werd in gebruik gesteld. (2)
(1)    Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel
III bladz. 307.
(2)    Voorafgaande ponden werden soms nog langer gebruikt.
-ocr page 23-
21
Ook bepaalden wij aan het hoofd van het ontwikkelde stelsel,
het gewicht van het pond, zoowel in goud als in zilver, doch daar-
over eerst later, wanneer een en ander in verband met hetgeen moet
voorafgaan, meer uitvoerig zal zijn behandeld. (1)
Deelen wij nu ook de hiervoren genoemde beide andere ponden
mede, namelijk die van f52.50 en f 42.00 en stellen wij ook deze met
al de daarbij behoorende ondergeschikte ponden voor. Men had dan:
Het Pond Groote van 20 Gouden Lammen of van f 52.50.
Be Tremisse = f 1.05. (2)
Be Schelling = 2l/2 Tremisse = f2.625. (2)
Be Groote = f 0.217/8.
Het Pond Groote is zwaar:
A.     Aan Zilver 738 Gram.
B.     Aan Goud 61.5 „
In gebruikstelling Anno 1180.
De Groote
ivoog .
.
3.075
Gram.
De halve Groote ....
1.5375
M
De Denier......
0.3843/»
»
De Penning......
0.1923/)G
JJ
Ponden en
ouderdeelen.
e
-S
o
o
O
ert
-g É
V) O
S o
o at)
m
cc
art -~
"5 »
\'3 2
1 °
art ^
aj
•" ert
ert «
§ o
* art
ai
S 8
i-S n
J\'S
S «
art ^S
es
.5 E
w ert
ert ^
1£=
f52.50
f6.5625
f3.28125
f2.1875
f4.375
f 5.00
f 17.50
l£=
20 fi
20 fi
20 fi
20 fi
20 fi
20 fi
20 fi
lfi =
f2.625
f 0.3*}f
fO.löü
fOJOff
f 0.21 J
f0.25
f 0.875
lfi =
12 Q
12 %
20 Q
12 $
12 §
12 $
12 §
1* =
f0.21V8
f001||
f0.01T%
fO.OO^f
f 0.01$$
f0.02TV
fO.07^
De Groote Mark deed:
De Kleine Mark: .
Het Hofpond was: .
f 10.50.
„ 5.25.
„ 8.75.
(1)     Zie het vervolg van dit werk.
(2)    \\V. J. Hoïduk. Ons Voorgeslacht.
Deel I hladz. 152.
-ocr page 24-
22
En in Brabant had men:
Het Pond Groote van 20 Guldens van Gewiekt of van f 42.
De Tremisse = f\'1.05.
De Schelling = 2 Tremissen = f2.10. (1)
De Groote = f 0.175.
Hel Schild =18 Grooten.
Hel Pond Groote is zwaar:
A.     Aan Zilver 590.4 Gram.
B.    Aan Goud 49.2 „
Jn gcbrvikslclling Anno 1180.
Verder was het gewicht:
Van een Groote......2.46 Gram.
"Van een halve Groote .... 1.23 „
Van een Denier......0.3U3/4 ,,
Van een Penning.....O-IE)3/» ,,
Ponden en
onderdeelen.
£ Grooten.
\'ii O
n3 O
A ®
ffj ^
00
art ^
-C oi
3 2
I «
art ^
o §
* art
art *
.3 §
r/j É-t
£ art
art 2
oi
23 "o
* r^
3 °
art ^S
ÏS
£ Sterling.
J/3 £ Groote.
1£=
l£=
10 =
1.0 =
1«=
f42.00
20 fl
f2.10
12 $
f 0.175
f5.25
20 fl
t 0.2625
12 g
f 0.02^
f2.625
20 fl
f0.13125
12 $
f 0.01^
f 1.75
20 fl
f 0.0875
12 $
f0.00f|
f3.50
20 fi
f 0.175
12 Q
fO.Olft
f4.00
20 fl
f 0.20
12 $
f 0.01$
f 14.00
20 fi
f0.70
12 $
f 0.05|
Van dit Pond had eene waarde:
De Groote Mark van . . . f 8.40.
De Kleine Mark van . . . ,, 4.20.
Het Hofpond van ....,, 7.00.
De groote van het hoofdpond van f 63.00, hier gelijk f 0.2625,
was een muntstuk, dat in oude rekeningen steeds als „duit groote"
(1) W. J. Hofdijk. Ons Voorgeslacht. Deel I bladz. 152,
-ocr page 25-
23
bekend stond. Twee van deze grooten vormden de plak of den
stuiver en twaalf leverden de waarden van den schelling op.
De groote stond gelijk met acht duiten, en ook deze waren in
omloop gebrachte geldstukken. De duit, veelal ook denier genoemd,
was de eenheid of de eigenlijke groote van het pond Hollandsen.
In enkele bescheiden heeten de deniers ook penningen.
De duit of denier was gelijk aan twee penningen. Eén pen-
ning was de groote van het pond Toumooisch, veelal pond zwarte
genoemd. De penning komt in oude stukken ook dikwijls voor
onder den naam van kopkine. Ten opzichte van het pond Tour-
nooisch zij alsnog opgemerkt, dat dit in vele oorkonden ook genoemd
wordt Klein-Tournooisch, in tegenstelling van het pond groote, dat
met den naam van groot of Konings-Tournooisch wordt bestempeld.
De groote stond ook gelijk met vier en twintig myten, en de
myte was de eenheid van het daarnaar genoemde pond, hetwelk alzoo
altijd gelijk stond met een vier en twintigste gedeelte van het hoofdpond.
Meest alle schrijvers over het muntwezen hebben gemeend, dat
de myte niet tot de Hollandsche munten moest worden gerekend.
Dit was verkeerd. Door alle tijden heen werd in deze en ook in
andere gewesten de myte gebruikt, zijnde aanvankelijk bij grootere
ponden een werkelijke, doch bij het steeds kleiner worden der ponden,
eindelijk slechts een denkbeeldige munt. (1)
Enkele hoofdstukken van onze oudste Domein-rekeningen zijn
in het pond Myten opgemaakt, en Middelburg rekende met dit
stelsel tot diep in de XIVe eeuw. (2)
In een der Keuren van Bergeu-op-Zoom komt eene bepaling
voor in betrekking tot de belasting op den verkoop van paarden.
Deze bepaling luidt: „De Paerdenthol is een oort van den gulden
voor den vercooper, ende voor den cooper negen myten." (3)
Nu eens vindt men de groote van het pond bepaald in be-
trekking tot de duiten of deniers van het Hollandsch, en dan eens
(1) Ook de Kopkine, de groote van het pond Toumooisch werd door het verkleinen der
ponden van werkelijke, denkbeeldige munt.
2    Zie deswege het vervolg van dit werk.
3    Losse aanteekeningen nopens de Geschiedenis van Bergen-op-Zoom.
-ocr page 26-
24
wordt deze uitgedrukt in betrekking tot de eenheden van het Tour-
nooisch. Men treft dientengevolge dikwijls de bepaling aan, „dat
een goede coninghstornoyse" gelijk is aan acht penningen, of dat
deze gerekend wordt voor zestien penningen. In het eene geval had
men het oog op het Hollandsch, in het andere op het ïournooisch van
het betrekkelijke hoofdpond.
Het hier bijgebrachte zou met tal van voorbeelden te staven
zijn. Slechts een enkele dergelijke bepaling hierop betrekking heb-
bende, vinde hier plaats.
In de meermalen aangehaalde rekening van Jan Phimpszoon
van Leyden lezen wij:
Jirtn» 1340. He Jreïrmco Combarbo apub (Êraot, qua» pra*«iittt
botntno pro «cpenst» suis ibibem bomimca post Jpetri en jpauli anno
41 per fienrintm )6}amer 15 £ 22 b. tor, grosso pro 16 b. facit 18 se.
10 b. $ 1 «eter. (1)
Hier is het verschuldigde bepaald in het Tournooisch, hetgeen
ook blijkt uit de daaraan toegevoegde omschrijving der tot grondslag
genomen penning of eenheid, die zestien malen genomen, de eigenlijke
groote van het hoofdpond moest opleveren.
Deze wijze van omschrijving van de groote in betrekking tot
de eenheden van de rekenponden en omgekeerd werd door de schrij-
vers over het oude muntwezen niet begrepen. Bij Van Mieris
lezen wij van eene gcldbepaling „van 20 pond Hollantscher pen-
ninghe, enen goeden conincks tornois te rekenen voor acht penninghe
of payement daerteghens vrijs gels", en elders „elck ghemeth omme
ses scellinghen zwarten tournoisen, enen ouden grooten conincx
tournoisen over zestien penninghen." In het eene geval was ook
hier het geld bepaald in het Hollandsch, van hetwelk de eenheid
of de denier achtmaal genomen moest worden, om de groote op te
leveren van het hoofdpond; in het andere geval was het geldelijk
bedrag uitgedrukt in het Tournooisch van hetwelk de penning of
de kopkine zestienmalen vervat was in de groote, doch hieromtrent
(1) Rekeningen der Grafeliikheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel
III bladï. 7.
-ocr page 27-
25
merkt Professor Van dek Chijs op: „wij weten niet, waaraan die
afwisseling van bepaling anders toe te schrijven, dan aan de ver-
schillende deniers; de Hollandsche schijnen eens zoo goed van ge-
halte geweest te zijn als de Tournooische." (1) Neen, de deniers of
penningen waren van gelijke gehalte en van dezefde munt, maar
die van het pond Hollansen deden het dubbele van de deniers of
penningen van het ïournooisch, omdat de ponden in grootte of bedrag
tot elkander stonden, als 1/8: i/16, dat is als, 2 : 1.
Ook bij narekening van den hierboven meêgedeelden post,
blijkt alles in overeenstemmig te zijn met onze beschouwing. De reke-
ning is gesteld, wij zagen het reeds hiervoren, in het pond groote van
f42.00 (2) en de onkosten, ad 15 £ 22 duiten of penningen zijn
geboekt in het Tournooisch daarvan. De laatste, de onkosten, bedroegen:
15 £ Tourn. 15 X 12.625 _ . , . f39.378/16.
22 d. Tourn. 22 X 0.013/32 = . . 0.2éyt6.
Dus samen:........f39.619/16.
De Eentmeester heeft daarvoor verantwoord in
het pond groote 18 Q 10 dg. 1 Es. of:
18 fi $, 18 X f2.10 =.....f37.80.
10 d. Q, 10 X 0.175 =..... 1.75.
1 engels 1 X O.OO^ = (3) . . . 0.069/16.
Of samen:.........f39.6196,
en alzoo volkomen overeenstemmende met het bovenstaande.
Wat de munt betreft, men zou kunnen zeggen, van het pond
groote had men den schelling, de plak en de groote; van het pond
Hollandscli den duit of denier, van het pond ïournooisch de kopkine
of den penning; van het pond Myten, de myte en van het pond
Sterling, de ster of de ester. Het oortje, van hetwelk reeds in 1276
wordt gewag gemaakt, bestond uit twee deniers.
Geheel het pondenstelsel van f63.00 was uit gouden Lammen
samengesteld. Het hoofdpond bestond, zooals wij reeds vroeger op-
merkten, uit 24 dusdanige geldstukken; het pond Hollandsch deed
(1)    Werken van Teylers Genootschap.
(2)    Zie bladz. 1* van dit werk.
(3)    Zijnde den sterling van het destijds reeds in gebruik gekomen pond van f 15,75.
-ocr page 28-
26
3, het pond Tournooisch V/v het pond Myten 1, het pond Parisis
2 en het pond Sterling 8 stuks daarvan, en toch stond alles weder
in nauw verband met het Schild.
HOOFDSTUK III.
Het Schild en de Munt volgens enkele schrijvers.
Wat het Schild aangaat, Arend zegt in zijne Vaderlandsche
Geschiedenis daarvan het volgende; „Men twijfelt of dit eene wezen-
„lijke, dan slechts denkbeeldige inunt geweest zij. Zij komen in
„vele en verschillende beteekenissen of benamingen en gehalten voor.
„De meest gebruikelijke waren de oude Schilden, welke met vier en
„twintig schellingen klein Tournooisch, en gewone, die met een en
„twintig schellingen vier grooten dezer munt overeenkwamen. Doch
„de waardij dezer Schilden is altijd noch overal dezelfde geweest,
„en kan bezwaarlijk nauwkeurig opgegeven worden." (1)
Evenals ten opzichte van de andere door hem genoemde mun-
ten, heeft ook die schrijver zich omtrent de oude Schilden vergist.
Er was aanvankelijk maar één zoogenaamd Fransch Schild. In latere
tijden werden er ook door andere vorsten aangemunt, doch bedoelde
men ook toen het oude, dan werd dit er gewoonlijk bijgevoegd, in
enkele gevallen zelfs met de bepaling erbij van „scilden met den arent."
Het was ook blijkens de daarvan alsnog aanwezige exemplaren
volstrekt geen denkbeeldige, maar een wezenlijke gouden munt.
Alleen zij hier nog opgemerkt, dat ook aan menige andere munt
den naam van Schild gegeven werd.
Of ten tijde, toen het Schild in vollen omloop was, reeds goud
geld van verschillend gehalte bestond, valt te betwijfelen, daar zelfs
de Engel, ook „goede oude gouden scilt" geheeten, en door Graaf
Willem V, in 1355 aangemunt, nog van 24 karaat of van fijn goud
geslagen is. Ook de alstoen aangemunte Schilden moesten zijn „alsoo
„ghoet van goude ende gewichte als de Vlaemsche, dat is de Eransche.(2)
(1)    J. P. Arend. Algemeene Geschiedenis des Vaderlands. Deel II, Ie stuk bladz. 520.
(2)    Handvesten en Privilegiën van Dordrecht door Mr. P. H. van ujs Wal. Deel I bladz. 250.
-ocr page 29-
27
Voor eenige jaren zijn in België nog enkele stukken van deze
munt ontdekt en wel van die, welke door Willem V geslagen zijn.
De Hertog komt daarop voor, gekroond op zijn versierden middel-
eeuwschen zetel, met het zwaard in de rechterhand; de linkerhand
rust op zijn schild, dat aan zijn linkerzijde staat. Dat Schild bevat
ook den dubbelen arend, de Rijkstype, die het eerst op onze Hol-
landsche munten voorkomt. Het omschrift is: DVX. CVIL. BAVR.
DE. GRA. COMES. HOL. ZELAD. De keerzijde bevat het gewone,
versierde kruis en het opschrift XPC. VINCIT: XPC, REG. NAT.:
XPC. INPBRAÏ. (1)
Onderscheidene waarden zijn aan het oude Eransche Schild in
de dagen, waarvan Arend spreekt, nooit toegekend geweest. Het
komt steeds in de rekeningen tot hetzelfde bedrag voor. De
bewering, dat het nu eens gelijk stond met de waarde van 21
schellingen en 4 grooten, en dan eens effen af met 24 schellingen
van het pond zwarte of Tournooisch, vindt alleen zijn grond in \'t
verschil der in gebruik gekomen ponden in betrekking tot welke
het werd bepaald. Zoolang men rekende met het pond van f63.00
stond het Schild gelijk met de waarde van 16 schellingen Tournooisch
of met 8 schellingen Hollandsch; (2) toen men rekende met het
daarop gevolgde pond van f56.00 was het gelijk aan 18 schellingen,
en de beide door Arend bedoelde gevallen hadden betrekking op
andere reeds veel kleinere ponden. (3)
Hofdijk zegt van de munt uit het midden der XIIIe eeuw
het volgende: „Gemeenlijk rekent men bij ponden, schellingen en
„grooten, zoodanig, dat twaalf grooten een schelling en twintig
„schellingen een pond maken. Maar er waren steeds twee soorten
„van deze munten: zware of grooten en lichten of kleinen; de zwaren
„worden ook oude groote Koningstornoisen, de lichten, kleinen of
„zwarten tornoisen genoemd. Een pond Konings-tornoisen staat gelijk
„met 16 pond zwarte of kleinen, alzoo maken zestien schellingen
„zwarte tornoisen te zamen een schelling oude Konings-tornoisen, en
„een zware groot bezit de waarde van zestien kleinen of zwarten."(4)
(1)    Zie voor wat betreft de beteekenis daarvan het vervolg van dit werk.
(2)    Zie bladzijde 10 van dit werk.
(3)    Zie het vervolg van dit werk.
(4)    "W, J. Hofdijk. Ons Voorgeslacht in zijn dagelijksch leven geschilderd. Deel IV bladz. 132.
-ocr page 30-
28
In hoofdzaak valt hierop niet veel aan te merken; alleen de
onderscheiding in oud en gewoon Konings-Tournooisch is blijkens al
het voorgaande minder juist, doch overigens is een en ander in over-
eenstemming met hetgeen wij daaromtrent mededeelden.
Wat de Schilden betreft, daarvan zegt deze schrijver het vol-
gende: In vele streken zijn Schilden, bedragende een en twintig
schellingen vier grooten het stuk; deze komen het meest voor, maar
er zijn ook oude Schilden van vier en twintig schellingen en anderen.
Ook deze auteur is door het verschil van het aantal schellingen
in het Schild vervat, op het dwaalspoor geraakt. De Schilden van
21 Q 4 § waren aldus bepaald in betrekking tot het pond groote
van f47.25. (1) Daarvan bedroeg de schelling ïournooisch f 0.14£|
en de penning of kopkine f0.01^596. De waarde van de munt
daarnaar berekenende, heeft men:
21 ö, Tournooisch, 21 X f0.14g£ = f3.106\\.
4 p.,
          „            4 X f 0.01 &\\ = „ 0.045f.
En alzoo te zamen:.......f3.15.
Het Schild van 24 schellingen was aldus bepaald in betrekking
tot het Brabantsche pond van f 42.Oü. Daarvan bedroeg de schelling
Tournooisch f 0.13125 en 24 dusdanige schellingen stonden insgelijks
gelijk met het bovenstaande, want 24 X f 0.13125 = f3.15.
In plaats van eene oudere, was de laatste alzoo eene jongere
Schildbepaling, want hoe grooter aantal schellingen noodig waren
voor de waarde van het Schild, hoe kleiner pond in betrekking tot
hetwelk het was bepaald.
De oudste bepaling is die, waarbij het Schild gelijk stond met
zestien schellingen Tournooisch of met acht schellingen Hollandsch,
zooals wij boven het hiervoren ontwikkelde pondenstelsel vermeldden.(2)
Het Schild was eenvoudig de schelling van het pond, met hetwelk
wij onze beschrijving deden aanvangen en juist met dezen Schelling als
bekende grootheid, kunnen de nog meer tot het grijze verleden af-
dalende andere geldelijke bepalingen worden nagespoord en opgehelderd.
(1)    Zie de pondenreeks op bladz. 16 van dit werk.
(2)    Zie blazijde 18 van dit werk.
-ocr page 31-
29
HOOFDSTUK IV.
Het Keulsch en het Leuvensch. De Denarii Aurei.
Zeer merkwaardige bepalingen betreffende het oude geldwezen
zijn ook te vinden in de Geschiedenis van Graaf Willem van
Holland. (1) Aangaande de Munt te Keulen in gebruik, lezen wij:
„De uitspraak van het geschil tusschen den Aartsbisschop van Keulen
„en Giglau, door scheidsmannen in 1252 gedaan, is leerzaam omtrent
„de Munt van eene plaats, die in dit opzicht daarna zal blijken, de
„standaart was, op welken zoo veele anderen het oog gevestigd hielden.
„De Aartsbisschop moest volgens deze beslissing voor nieuwe Munt
„instaan, en de Munt van den Keulschen penning zou nooit vernieuwd
„worden dan bij de verkiezing of inwijding van een nieuwen Bis-
„schop, of bij zijne terugkomst in den dienst des Rijks van over de
„Alpen: gelijk van oudsher slechts in deze beide gevallen het slaan
„van een anderen penning was geoorloofd geweest, en dewijl de
„thans in gang zijnde penning, waarop des Aartsbisschops beeltenis
„stond, door veele veranderingen vervalscht was geworden, moest
„dezelve nu tot den eenigsten stempel, die het behoorde te hebben,
„terugkeeren, en de gedaante daarvan zou duidelijk en kennelijk
„worden, dat hij aan een ieder gemakkelijk bleek ver van alle ver-
„valsching te zijn; en opdat dit te beter in acht genomen zou worden,
„zoude er een staal van den eersten slag, gelijk weleer, in de Sacristie
„van den Keulschen Dom worden weggelegd, ter waarde van 13 j}
„4 penningen Keulsch, en even zooveel geld aan de goede trouw
„der burgeren ter bewaring gegeven worden, opdat elke penning
„van denzelfden slag aan de zuiverheid en het gewicht van dat geld
„altijd getoetst konde worden." (2)
Trachten wij nu den inhoud van dit stuk in verband te brengen
met hetgeen wij van andere zijde vernemen. Te Keulen, zegt Hofdijk,
stond de Engelsche Mark gelijk met 13 fl 4 $ Sterling denariën,
doch een Trooische Mark werd daar gerekend op 14 Q 4 $ dus-
danige denariën. Wij berekenden deze beide Marken hiervoren bij
het ontwikkelde pondenstelsel op f 14.00 en f 15.05. (3)
(1)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland door Mr. J. Meerman. Deel IV.
(2)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland door Mr. J. Meerman. Deel IV bladz. 208.
(8) Zie bladzijde 19 van dit werk, waar ter plaatse deze Marken tevens zijn omschreven.
-ocr page 32-
30
Dat men nu hier werkelijk met de oude Engelsche Mark te
doen heeft, blijkt duidelijk uit de bepaling harer waarde, en ook uit
die bepaling harer waarde ziet men, dat deze in betrekking tot het
pond sterling van f21.00 alzoo is gesteld.
Te Keulen gebruikte men alzoo het Engelsche geld, dat onder
den naam van het. „Keulsch" doorging. Verschil bestond tusschen
het Keulsche en het Engelsche pond niet. Dit blijkt trouwens ook
overtuigend uit een verdrag van 1256 tusschen heer Jan van Ouyck
en die van Dordrecht, ten overstaan van den Hollandschen Graaf,
van een tol door den laatste te Cuyck te betalen en in welk verdrag
de bepaling voorkomt van „drie Coelsche ofte drie Engelsche pen-
ningen". Het was dus onverschillig welke penningen verstrekt werden,
wijl ze gelijke waarde hadden. (2)
Men had te Keulen alzoo de Mark van 13 J] 4 penningen
Engelsche of van f 1-1.00 en het Keulsche geld stond in zijne verdeeling
als het pond Sterling hiervoren vermeld. Men had derhalve dan:
1 £ = f21.00.
1 £ = 20 fi.
1 Ö = f 105.
1 j] = 12 Penn.
1 penn. = f 0.0875.
De drie Keulsche penningen, hierboven in de overeenkomst van
1256 bedoeld, stonden dus gelijk met één van de ons bekende
grooten, of met f 0.2625.
"Van het Keulsche geld vindt men ook gebruik gemaakt door
Jan, Hertog van Brabant, in 1271, bij gelegenheid deze de door de
Dordsche schippers te betalen tolgelden te Litte regelde. (2) Uit het
stuk op deze aangelegenheid betrekking hebbende, blijkt dat nevens
de Keulsche grooten of deniers, ook obolen of halve deniers in om-
loop waren gebracht. Zelfs in 1285 wordt dit Keulsche geld nog gebruikt
bij het verdrag van den Heer van Cuyck met de poorters van Dor-
drecht over den tol te Cuyck. Ook in dat stuk worden drie Keulsche
penningen gelijk gesteld met drie Engelsche. (3)
(1)    F. van Mieris. Deel I.
(2)    Mr. Th. van den Bebgii. Oorkondcuboek van Holland en Zeeland. Peel II bladz. 145.
(S) Ibid. Ibid.
-ocr page 33-
31
Het Keulsche geld alzoo gelijk zijnde aan het Engelsche, en dit
laatste weder overeenkomende met het pond sterling van het pond
groote van f63.00, blijkt dat alles aan het Schild of het Lam is
vastgelegd. (1)
Ook het halve pond sterling, hetwelk gelijk stond met f 10.50, was op
vele plaatsen in Duitschland in gebruik. „Men verneemt dit uit de
„aangehaalde Geschiedenis van Graaf Willem van Holland, waarin
„de schrijver zegt: Te Wetzlav heb ik een huis in erfpacht zien
„uitgeven voor 7 schellingen Keulsch of zoo de ligte Munt beter
„was voor 14 ft". (2) In het laatste geval betaalde men juist de
helft meer schellingen, natuurlijk, omdat zij de helft kleiner of
lichter waren.
Dit halve pond, waarop wij later terug komen, stond in zijn
verdeeling, als volgt:
1 £ = f 10.50.
1 £ = 20 fl.
1 0 = f0.525.
1 fl = 12 penn.
1 penn. = f 0.04375.
Met dit half pond kan echter ook bedoeld zijn de Mark van het
pond groote van f 52.50, want ook deze had eene waarde van f 10.50.(3)
„Voorts wierdt ook te Hildesheim", aldus gaat de schrijver van
genoemde Geschiedenis voort, „de schelling 12 penningen waard
geschat. „De Leuvensche", zegt hij, „moet onder de ligtsten
behoord hebben, terwijl er derdehalf derzelve noodig waren, om een
Keulschen uit te maken." (4)
De schelling Keulsch staat gelijk met f 1.05 en dit bedrag nu
stemt overeen met 21/i schelling Leuvensch. Men heeft alzoo ter
bepaling van het Leuvensch:
2t/2 schell. Leuvensch = f 1.05,
of 1 schell. Leuvensch = „ 0.42, waaruit volgt dat
20 schell. Leuvensch of 1 £ een bedrag vertegenwoordigde van
1      Zie bladzijde 18 van dit werk.
2      Geschiedenis van Graaf Willem van Holland door Mr. J. Meerman. Deel IV bladz. 220.
3      Zie bladzijde 21 van dit werk.
4      Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV 220.
-ocr page 34-
32
20 X f 0.42 = f8.40; zijnde juist de Mark van het Brabantscho
pond groote van f42.00. (1)
Dit zoogenaamde Leuvensebe pond stond in zijne verdeeling
als volgt:
1 £ = f8.40.
1 £ = 20 0.
1 fi = f 0.42.
1 Q = 12 penn.
1 penn. = f 0.035.
Treffend is deze mededeeling, vooral wanneer men die beschouwt
in het verband, dat tusschen het Brabantsche geld en dat van de
overige landen destijds nog bestond. Aanvankelijk toch gebruikte
men in Brabant bij de veranderde indeeling een pond groote, dat
tegenover dat van Frankrijk, Engeland, Duitschland en onzestreken
stond als 2 : 3. Met andere woorden: men bediende zich daar van
een pond van f42.00 en hier van een van f63.00, en beide ponden
hadden hunne marken van f8.40 en f 12.60. (2)
Later deelen wij de reeks der Brabantsche ponden mede. Van
de munt op de Mark van f8.4Q geslagen, is onder anderen gebruik
gemaakt in den uitersten wil van Godevaart, Heer van Breda,
van 1246. (3)
Die uiterste wil bevat vele besprekingen, meest alle in Leuvensche
schellingen uitgedrukt. Ook in een charter van 1276 van Hendrik
IV, Heer van Breda, is met dit Leuvensche stelsel gerekend. (4)
In een stuk van 1273 maakt Arnout van Loven eveneens
gebruik van dit geld. Hij en zijne vrouw Isabella geven aan den
Abt en het Convent van Middelburg, tegen een jaarlijkschen cijns van
12 Leuvensche denariën in leen 30 Bunders moer. Deze moeren
of buitengronden, gelegen onder Halsteren, waren kort te voren door
hen aangekocht van Johannis Bollaert, iemand uit een te Bergen-
op-Zoom en later te Tholen zeer bekend geslacht.
De uitgifte of overdracht had plaats voor 12 Leuvensche denariën
(1)    Zie bladzijde 24 van dit werk.
(2)    Zie de bladzijden 22 en 19 van dit werk.
(3)    Beschrijving dpr Stadt en Lande van Bivda door Thomas Ernst van Goor, bladz. 416.
(4)    Ibid.
-ocr page 35-
33
of voor 12 X f 0.035 = f 0.42 van \'t Bunder, hetgeen voor de
80 Bunders eene jaarlijksche erfpacht opleverde van f 12.60 of van
een zoogenaamde Keulsohe Mart. (1)
In de overeenkomst van Jan, Heer van Heusden, met Floris V,
van 12 Januari 1273 is insgelijks van het Leuvensche geld gebruik
gemaakt, (2) terwijl in 1274 Dirk van Voorne, Heer van Heen-
vliet, zijne vrouw Elizabeth, Colyn Buchsdochter, eene „duwerie"
bemaakt van 100 £ Leuvensoh, onder verband van zijne tienden in
Heusden en van een bepaald gedeelte in het geschot van die gemeente.(3)
In een stuk van 1293 wordt nog wel gesproken van „Ingelsche
Brabanders", doch onder deze munt hebben wij het sterling van het
Brabantsche pond van f42.00 te verstaan. (4)
Nog zij hier opgemerkt, dat in het zoo dikwijls aangehaalde
werk, bevattende de Geschiedenis van Graaf Willem van Holland,
ook gelezen wordt van eene onderhandeling tusschen den Graaf van
Gelder en het Klooster Mariënweerd, waarin van een erfcijns van
3 Denarii aurei gesproken wordt, onder nadrukkelijke bijvoeging,
dat elk der gouden denariën met 3 schellingen Keulsch kon worden
voldaan. (5)
De Denarii Aurei, volgens deze bijzonder merkwaardige bepaling
gelijk gesteld met 3 schellingen Keulsch, deed alzoo 3 X f 1-05 =
f3,15, en zie hier nu ongezocht, het bedrag van het later zoo bekende
Schild, dat ons bij het opsporen van de waarde van oude munten,
zulke onschatbare diensten bewijst.
"Waarom het zoo merkwaardige Schild reeds in Graaf Willem\'s
tijd in Duitschland onder den naam van Gouden Denarie stond be-
kend, vindt in het volgende voldoende verklaring: het zilveren Pond
Groote van f63.00 bestond uit 20 Schilden, het pond goud daaren-
tegen uit 12 X 20 of 240 zoodanige geldstukken, hetgeen voor
het laatste, voor het pond groote van goud een bedrag opleverde
van 240 X f 3-15 of van f756.—. (6)
(1)    Inventaris van het Oud-Archicf van de provincie Zeeland. Deel III afl. 1 bladz. 33.
(2)    Mr. Ph. van den Bergii. Oorkondenboek. Deel I bladz. 109.
(3)    Ibid. Ibid. bladz. 145.
(4)    Inventaris van het Oud-Archief van de Prov. Zeeland.
(5)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV bladz. 211.
(6)    Het gewone pond goud, namelijk het pond van twee Mark, vertegenwoordigde daaren-
tegen
  maar een bedrag van f420.—.                                                                            3
-ocr page 36-
84
Bij dit gouden pond groote had men:
1 £ = f756—.
1 £ = 20 fl.
1 fi = f37.80.
10= 12 Denariën.
1 den. = f3.15.
De munt stond alzoo niet ten onrechte als de Denarii Aurei
bekend, en ongetwijfeld is zij reeds bij de ingebruikstelling van het
pond groote van f63.00 met dien naam bestempeld geweest.
HOOFDSTUK V.
De Uncias of de ons, de Sterling en de Londensche
Penning van 1257.
In oude historische bescheiden uit ons Grafelijk tijdperk lezen
wij herhaaldelijk van onsen en penningen, en slechts in enkele ge-
vallen van schellingen en grooten. Er schijnt zelfs een tijd geweest
te zijn, waarin het gebruik van eerstgenoemde muntsoort meer
algemeen was, dan die van de laatste, en het is daarom, dat ik
ook heb onderzocht of die ons en het daarop gegronde stelsel, vast te
leggen was aan het Schild of aan het daarop reeds bepaalde pond.
In de meermalen aangehaalde Geschiedenis van Graaf Willem
van Holland lezen wij, dat 3 onsen te Worrns gelijk stonden met
5 schellingen Keulsch, en Ducange stelt 8 onsen op een Mark en
12   op een pond, welk een en ander, hoe merkwaardig, in overeen-
stemming is met al het voorafgaande en het volgende.
Vijf schellingen Keulsch of Engelsen leveren een bedrag op
van 5 X f 1.05 = f5.25 en deze geldsom overeenkomende met 3
onsen, moet elk dezer laatsten, gerekend zijn op f 1.75.
De bekende Engelsche Mark, de Mark sterling, bepaald op
13  fi 4 d. en door ons berekend op f 14.00, staat gelijk, zegt Dücangk
met 8 onsen, iets wat werkelijk het geval is, want 8 X f 1.75 =
f 14.00. Het pond, bepaald op f21.00, stond volgens diens getui-
-ocr page 37-
85
genis gelijk met 12 onsen. Ook dit is juist, daar 12 X f 1-75
weder f21.00 oplevert. (1)
Wij hebben hier nu twee afzonderlijke bepalingen voor de waarde
van de ons. Eene rechtstreeks in betrekking tot het Keulsch of tot
het pond Sterling van het hiervoren ontwikkelde stelsel, en eene
van een ganscli anderen kant, niet van het tot dusverre omschreven
geld afhankelijk, doch beiden leidende tot een bedrag van f 1.75
voor die munt. Dan, het zijn niet alleen deze gegevens, waardoor
het bedrag van de ons is bepaald, ook andere, alsnog volgende
opgaven geven dezelfde waarde voor dit geldstuk aan.
Waarlijk bijzonder treffend zijn deze uitkomsten. Daar staat
die onschatbare bepaling van Ducangb voor ons: „3 onsen zijn
„5 schellingen Keulsch, 8 onsen maken een Mark en 12 onsen
„leveren een pond op."
Maar welke waarde moest aan „die uncias" of ons worden toe-
gekend, en welk pond en welke Mark werd bedoeld? Zie, dit wist
men niet; men kon dit ook niet weten, want nooit zouden bepa-
lingen als deze en de voorgaande, tot oplossing zijn te brengen
geweest, ware men niet bekend geworden met de waarde van den
„Denarii Aurei" of van het in zoo menigerlei opzicht werkwaardige
Schild. En \'t is die „Denarii Aurei" of dit Schild, dat als een
gouden draad door heel ons geldwezen loopt, in betrekking tot het-
welk al datgene, wat wij nopens het oude muntwezen zullen mede-
deelen, wordt bepaald.
In 1269 was geschil ontstaan tusschen Jan, Heer van Arkel,
en het Kapittel van de Domkerk te Utrecht over de Tienden van
Oosterwijk en Hokelhem en over het Patronaatrecht der kerken aldaar.
De zaak werd, blijkens onderstaande akte, aan het oordeel van scheids-
mannen onderworpen op boete van 50 Marken sterling. Het bedoelde
stuk luidt: „Wij Johan van Arkel, knaap, en Otto van Arkkl,
„Ridder, maaken bekend allen dengenen, dewelke den tegenwoordigen
brief ^zullen zien en hooren leezen, dat wij het verschil, en de stoffe
„van \'t krakeel, \'t welke tusschen de eerw. mannen Aemiliüs, Deken
„en \'t Kapittel der Domkerke t\'Utrecht aan de eene, en ons aan
(1) G«scluedeuis van Graaf Willem vaü Holland. Deel IV bladz. 219.
-ocr page 38-
.\'56
,,de andere kant, gaande is over de Tienden van Oosterwijk en
„Hokelhem, over het recht van \'t patroonschap der gemelde plaatsen, en
„over meer andere zaaleen en gerechtigheden daartoe behoorende, zuiver-
„lijk eu eenvoudiglijk verbleven zijn aan de godsdienstige mannen,
„den Kommandeur van het Duitsche Huys te Utrecht, Giselbertus,
„bijgenaamd Van Goy, Broeder van \'t zelve huys, en Giselbertus,
„bijgenaemd Van Amstelle, Kanunniken van St. Mariaaskerke te
„Utrecht, als aan goede mannen, door den gemelden Dekeu en
„Kapittel en door ons gezamentlijk verkooren; en dat wij op de
„boete van 50 Mark sterlingen belooft hebben goed te zullen keuren
„en te zullen aannemen, al wat sy tusschen nu en het naastkomende
„feest van Allerheyligen goed sullen vinden door eene uytspraak van
„goede mannen uyt te wijzen: welverstaande nochtans dat ze alles
„en ieder in \'t bijzonder, \'twelke gebruikelijk is tusschen God en
„hunne zielen vooraf zullen laaten gaan; en dat ze de waarheid der
„zaake behoorlijker wijze en door een naarstig onderzoek alvorens
„onderzocht zullen hebben. Waarbij noch bedongen is, dat ingevalle
„de gemelde goede mannen binnen den gestelden tijd, ter gelegen-
„heid van eenig voorval, geene uytspraak tusschen den Deken en
„het Kapittel voornoemd en tusschen ons Jan en Otto gegeven
„mogten hebben, dat hij Johan voornoemd, van dien tijd af met den
„ban beswaart zal blijven als te voorenj en dat alles en ieder in
„\'t bijzonder wat tot deze zaak behoort, zoo verre als het te voren
„afgehandelt was, zal blijven in den staat in denwelken het tegen-
„woordig is. Doch bij aldien de meergemelde goede mannen eene
„uytspraak koomen te geeven, en wij ons aan die uytspraak niet
„willen houden, zullen wij in de gemelde boete van 50 Marken ver-
„vallen: dewelke aan den Deken en het Kapittel voornoemd, betaalt
„zullen worden. Ik, Johan van Arkel, stelle aan den Deken en
„het Kapittel voornoemd tot mijne borgen, met handtastinge en
„ieder voor \'t geheel, den gemelden Otto van Arkel, en Frkderik
„van Zevender, Ridders, mitsgaders Hugo, knaap, bijgenaamd Büttere.
„En wij, Johan de .... , Otto, Prederik en Hugo, borgen voor-
„noemd, belooven op ons woord en onder de zegels van de gods-
„dienstige mannen, den Abt van St. Paulus en de Kommandeur
-ocr page 39-
87
„van \'t Duytsche Huys, dat we al het bovenstaande zullen onder-
„houden. Gegeven in \'t jaar des Heeren 1269 daags voor het feest
„van den H. Apostel Jacobus". (1)
Naar aanleiding van de daarin genoemde Marken sterling merken
de schrijvers van „De Historie ofte beschrijving van \'t Utrechtsche
Bisdom" op: „Hieruyt ziet men dat er ook sterlingen in gebruik zijn
„geweest bij onze voorouders. En niet alleen zijn ze bij ons, maar
„ook in Frankrijk, in \'t Bisdom van Keulen en elders in gebruik
„geweest. In Frankrijk heeft S. Lodewijk eene ordonnantie gemaakt,
„in \'t jaar 1256, hoe hoog dat men een sterling moest aannemen:
„welke ordonnantie zoude duuren tot den 15 Augusti, en daarna zouden
„er geene sterlingen meer aangenomen worden."
Dezelfde schrijvers halen aan, dat volgens Hocsemius, een oud
schrijver, blijkt dat 20 sterlingen gelijk stonden met eene ons, en
dat een sterling de zwaarte had van 36 „dikke gerste graantjes."
Ten opzichte van de Marken sterling deelen zij mede, uit de
geschriften van Hocsemiüs vernomen te hebben, dat de Mark voor
een half pond of voor 8 onsen genomen werd.
Uit deze zeer merkwaardige aanteekeningen, die de gewichtige
mededeelingen van Dücange aanvullen, valt zoowel nopens het En-
gelsche, als het Keulsche of Duitsche geld, weder veel te leeren.
Vooreerst toch blijkt daaruit, dat de Engelsche Mark, bepaald op
13 fi 4 sterling denariën, of op f 14.00 gelijk stond met 8 onsen,
of wat het voornaamste is, met een half pond. Aan elke ons kende
men alzoo ook volgens deze aanteekening, eene waarde toe van f 1.75.
\'t Is opmerkelijk, hoe de bepaling van het bedrag der ons, aan
de geschriften van Hocskmius ontleend, in overeenstemming is met
die van Dücangk, hiervoren vermeld.
Verder wordt gezegd, dat een ons 20 sterlingen deed. Elke
sterling moet alzoo ook blijkens deze mededeeling hebben gelijk ge-
staan met y20 X f 1.75 of met f 0.0875, hetgeen ook juist weder
het bedrag is, dat wij hiervoren voor die munt hebben berekend.(2)
En waren nu verder acht onsen, overeenkomende met een Mark
(1)     Historie ofte Beschrijving van \'t Utrechtsche Bisdom. Leiden bij S. Luchtmans.
Deel ir bladz. 351.
(2)    Zie bladz. 18 van dit werk.
-ocr page 40-
38
sterling of met f 14.00, gelijk aan een half pond, dan moeten 16
onsen, een heel pond, ook een bedrag hebben opgeleverd van f 28.00.
Het is inzonderheid dit aloude pond Sterling van f 28.00, waarop
wij later moeten terugkomen, dat reeds nu zoozeer onze aandacht
trekt. Wij zullen beide ponden Sterling, namelijk die van f 28.00
en f21.00 en van hetwelk het eene verdeeld was in 16 en het andere
in 12 onsen, hier in hunne verdeelingen voorstellen.
Men had dan ten opzichte van het pond van f 28.00 volgens
Hocsemius:
                     1 £ = f28.00.
1 £ = 10 uncias.
1 un». = f 1.75.
1 uns. = 20 penn.
1 penn. = f 0.0875.
En betreffende het pond Sterling van f 21.00 volgens Dccange:
1 £ = f21.00.
1 £ =12 uncias.
1 un\'. = f 1.75.
1 uns. == 20 penn.
1 penn. = f 0.0875.
Blijkens het op bladzijde 18 ontwikkelde stelsel, was dit pond
ook verdeeld in schellingen en penningen of sterlingen, weshalve
men ook had:
1 £ = f21.00.
1 & = 20 fl.
10= f 1.05.
1 ff = 12 sterl.
1 sterl. = f 0.0875.
Zoowel bij het gebruik van het oudere, als bij dat van het
nieuwere pond, onderging de uncias en de penning of de sterling
alzoo geene verandering, eenvoudig omdat men de indeeling van de
verschillende waarden der ponden in het aantal onsen had gewijzigd.
Maar de uncias of ons was oorspronkelijk nog verdeeld in 2
loto\'s of looden. Bij het pond van f28.00 had men alzoo:
-ocr page 41-
89
1 £ =
f28.00.
1 £ =
16 uncias.
1 uns. ==
f 1.75.
1 un». s;
2 looden.
1 lood =
f 0.875.
1 lood =
10 sterl. of p
1 penn. =
f 0.0875.
En bij liet pond van f21.00 de looden opnemende, had men:
1 £ = f21.00.
1 £ =12 uncias.
1 un*. =\' f 1.75.
1 uns. = 2 looden.
1 lood = f 0.875.
1 lood = 10 penn.
1 penn. = f 0.0875.
Zoowel bij het voorafgaande pond van f 28.00, als bij het later
gevolgde van f21.00, hadden het lood en de uncias alzoo standvastige
waarden van f 0.875 en f 1.75. De sterling of de penning bleef
steeds gelijk f 0.0875, ook bij de later gevolgde indeeling van het
pond in schellingen en sterl ingen.
De sterling van het pond van f 28.00 was oud. Toch was deze
niet de oudste. Als zoodanig moet worden aangemerkt, de sterling
van het eerste of oudste pond, dat, zooals wij later zullen vernemen,
eene waarde had van f 35.00.
De sterlingen van de ponden hadden, bij eene verdeeling van
deze in schellingen en deniers eene geheel andere waarde, dan de
sterlingen van het onsenstelsel, en op twee dier eerste, op die van
de ponden van f35.00 en f28.00 ziet het gewicht in Hocsemiüs\'
geschriften aangehaald, doch daarover later.
Alleen bij het hiervoren ontwikkelde pond van f63.00 hadden
de sterlingen in beide stelsels, verdeeld in dat van onsen en schel-
lingen, gelijke waarde. De sterling toch van het pond van f21.00,
verdeeld in 20 schellingen en de schelling in 12 deniers, deed
f 0.0875, en de sterling van dit zelfde pond, verdeeld in 12 onsen
en de ons in 20 sterlingen, leverde diezelfde waarde op.
-ocr page 42-
10
\'t Is van groot belang de aandacht te vestigen op de gelijkheid
der sterlingen of penningen bij het onsenstelsel; eensdeels omdat in
vele oude stukken met onsen is gerekend, en anderdeels, omdat een
en ander zal leiden tot verklaring van hetgeen later volgt.
Is ons uit oude geschriften gebleken van een achtereenvolgens
gemaakte pondverdeeling in 16 en 12 onsen, en bleek het ons
daarbij dat in verband met de daling der ponden, ook het aantal
onsen, in een pond vervat, eene evenredige vermindering heeft onder-
gaan, tengevolge waarvan de onderdeden steeds gelijk bleven, het
is als hoogstwaarschijnlijk aan te nomen, dat ook het oudste pond
Sterling van f35.00 voor het Burgerlijke leven reeds deel heeft
uitgemaakt van dit onsenstelsel.
Dit pond dan, zal ongetwijfeld verdeeld zijn geweest in 20 onsen
en overigens in zulke onderdeden, als bij de vorige ponden zijn
vermeld. Men had dan:
1 £ = f35.00.
1 £ =20 onsen.
1 ons = f 1.75.
1 ons = 2 looden.
1 lood = f 0.875.
1 lood =10 penn.
1 penn.= f 0.0875.
Hiervoor pleit hetgeen wij lezen bij Hofdijk, dat 5 pond zilver,
volgens \'s Keizers laatste verklaring, van omstreeks 800, gelijk stond
met honderd schellingen of onsen. (1) 5 Ponden zilver nu leverden
een bedrag op van 5 X f35.00 = f175, en deze geldsom gelijk
staande met 100 schellingen, moet elk dezer ook op eene waarde
van f 1.75 zijn gerekend.
Dan, al hebben wij hieromtrent geene zekerheid, dat het pond
van f28.00 gelijk stond met 16 onsen, en dat van f21.00 slechts
verdeeld was in 12 onsen, is na al het bijgebrachte aan geenerlei
twijfel meer onderhevig. En daar nu het eerst genoemde van deze
twee ponden zeer oud is, en alleen dat van f35.00 opklimt tot het
grijze verleden, tot den tijd, waarin het pondenstelsel is ingevoerd,
(4) W. J. Hofdijk. Ons Voorgeslacht in zijn dagelijisch leven geschilderd. Deel II bladz. 215.
-ocr page 43-
41
kunnen met hetgeen, waaromtrent wij zijn verzekerd, nu toch vele
geldrekeningen, in onsen uitgedrukt, worden bepaald.
In den Giftbrief van Arnurf en zijne gemalin Lutgaard aan
het klooster te Egraond, is reeds sprake van uncias. (1) Ook
tijdens het leven van Graaf Dirk III, die van 993 tot 1039 regeerde,
rekende men met uncias of onsen. De Geschiedenis verhaalt, dat
hij goederen besprak aan St. Adelberts-Altaar. Onder het geschonkene
komt voor een eigendom van vier mansen, dat elk jaar \'tien pond
opbracht; een land in Radenburgebroke, dat 16 onsen en een stuk
grond in Leutan, dat 13 onsen aan inkomsten schonk.
Onder het bestuur van Graaf Floris I, die van 1049 tot 1061
regeerde, rekende men insgelijks met onsen. De goederen door zijne
dochters aan St. Adelbert geschonken, bestonden uit een stuk grond
in Escomandelf, dat 5 pond en eene ons opbracht, en uit een manse,
die 32 onsen opleverde. (2)
Ook in Graaf Dirk Vs tijd werd nog gerekend met onsen.
Althans in 1083 lezen wij nog van uncias en libras, (3) en in den
Blaffert vau de inkomsten der Abdij van Egmond onder den Abt
Adellard leest men zoowel van uncias als van denarios. (4)
In een stuk van Paus Eugenius III van 13 Mei MCXLVII spreekt
men alleen van solidos of schellingen, doch in een charter van 1175
wordt weder gewag gemaakt van uncias. (5) In een ander stuk van
Paus Alexander III van 5 November MCLXXIX is weder sprake
van quatuor solidos Erisingensis of van vier Eriesche schellingen, (5)
doch in een stuk van 1190 wordt reeds melding gemaakt van
decem solidos Coloniensis of van 10 schellingeu Keulsch.
De ponden tegenover de onsen in bovenstaande opgaven bedoeld,
en voorkomende vóór 1180 zijn ongetwijfeld die van f28.00, toen
deze alsnog waren verdeeld in 16 onsen. Eerst toch bij de vastr
stelling van het pond van f 21.00 of van het pond groote van f 63.00,
is de verdeeling in 12 onsen gevolgd.
(1)     Hollandsche, Zeelandsche en Friesche chronyck door Petrus Scriverius.
(2)    Ibid.
(3)     Ibid.
(4)     Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Deel I, bladz. 58.
(6)
    Ibid bladz. 69, 81, 97, 101 en 107.
-ocr page 44-
12
Maar men heeft ook na 1180, en dus van het laatste onsen-
stelsel nog gebruik gemaakt. De boeten in de Hunsingosche Keur
van 1252 zijn meestal nog in onsen bepaald, zooals blijkt uit de
volgende daaraan ontleende opgaven:
Anno 1252. Op eene wond die men meten kon onder de klee-
deren, stond 10 onsen 8 penningen.
Voor dusdanige wond moest alzoo eene boete betaald worden van:
10 onsen, 10 X f 1-75 =.......f 17.50.
8 penn. 8 X f 0.0875 =....... 0.70.
Of te zamen van......f 18.20.
Anno 1252. Op het scheren of afrukken der wenkbrauwen
stond 4 onsen of 4 X f 1.75 = f7.00, overeenkomende met een
halve Engelsche Mark. (1)
Anno 1252. Op de expilatio de cingulo de pube foeminae
stond eene boete van 6\'*/2 Mark of van 61/., X f 10.50 = f68.25,
zijnde een oud pond van 26 gouden Lammen, (i)
Anno 1252. Op de integra purfusio stond 30 onsen of 30 X
f 1.75 = f52.50, overeenkomende met een reeds in gebruik zijnd
pond van 20 gouden Lammen. (3)
Anno 1252. Op een mosdolch, dat is een buil aau de pezen
van het hoofd, stond eene boete van 8 onsen. En 8 onsen maken
8 X f 1-75 = f14.00 of juist een Engelsche Mark. (4)
Dan, de boeten in die Keur zijn niet uitsluitend in onsen en
penningen bepaald; men heeft die enkele malen ook in schellingen
en penningen uitgedrukt, zooals blijkt uit het volgende:
Anno 1252. Op het afrukken van het haar van het onderste
ooglid stond 5 schellingen 4 penningen.
(1)    Zie  bladzijde 19 van dit werk.
(2)    Zie  het vervolg van dit werk.
(8)
    Zie  bladzijde 21 van dit werk.
(4)
    Zie  bladzijde 19 van dit werk.
-ocr page 45-
43
Daarvoor moest dus worden opgebracht:
5 0, 5 X fl.OB =.........f5.25.
4 penn, 4 X f0.0875 = ....... 0.35.
Samen.........f5.60, of eene
kleine Mark van een bekend pond. (1)
De schrijver van „Ons Voorgeslacht" zegt, dat de Engelsche
sterlingen, over welke wij in deze zoo breedvoerig hebben gehandeld,
van zoo fijn en gedegen zilver waren geslagen, dat twee harer de
waarde hadden van één Londenschen penning van 1257, eene bepa-
ling, waaruit onzes inziens echter alleen blijkt, dat die groote stad
destijds ook rekende met het Brabantsche pond van f42.00, van
hetwelk de penning of groote waarlijk gelijk stond met twee ster-
lingeu, want 2 X f 0.0875 = f 0.175. (2)
HOOFDSTUK VI.
De Keulsche Mark en het Geld van Rednathes.
Betreffende de Marken uit Graaf Willem\'s tijd lezen wij:
„Naar Marken, Marken zilvers of gelijk er dikwijls bijgevoegd wordt,
„Marken zuiver of beproefd zilvers, rekende men het gansche Keizer-
„rijk door, en dit was zelfs de meest gewone wijze, om groote som-
„men uittedrukken. De Keulsche Mark had onder allen den meesten
„roem, en goldt den geheelen Uliijn en in de naburige streken: ja,
„er wierdt gelijk de Culm- en Thornsche Wetten ons aantoonen, tot
„zelfs in Pruissen toe naar gerekend. Elk derzelven bedroeg 12
„schellingen Keulsch, gelijk ieder van deze wederom 12 penningen
„waard was." (3)
Hier hebben wij nu te doen met eene andere zeer gewichtige
bepaling, eene bepaling van des te grooter waarde, wijl het bedrag
van den Keulschen schelling ons bekend is, en de denkbeeldige
munt, hier bedoeld, daarmede alzoo gemakkelijk kan worden be-
rekend. Met uitzondering van de oude Engelsche Mark, was die
(1)    Geschiedenis vau Graaf Willem van Holland. Deel III bladz. 60.
(2)    Zie blad/.. 22 van dit werk.
(3)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV bladz. 212.
-ocr page 46-
44
munt steeds het vijfde gedeelte van het vastgestelde hoofdpond. De
Mark, waarop bovenstaande bepaling betrekking heeft, stond gelijk
met 12 schellingen Keulsch. Zij had alzoo eene waarde van 12 X
f 1.05 — f 12.60, of bedroeg ook juist het vijfde gedeelte van het
hiervoren ontwikkelde stelsel. De Keulsche Mark was dus de Mark
van het pond van f63.00. (1)
Deze Mark werd in Duitschland ook als pond gebruikt, doch
het geld, daarop geslagen, werd onderscheiden van het eigenlijke
Keulsch of van dat, hetwelk was aangemunt op het pond Sterling
van f21.00. Uit het voorgaande is men ook bekend geraakt met
de wijze, waarop deze Mark, als pond gebruikt, was ingedeeld.
Voor het bewijs, dat het geld op de Keulsche Mark aangemunt,
onder eene andere benaming in omloop was gebracht, is de volgende
uitweiding noodzakelijk.
In de zoo dikwerf aangehaalde Geschiedenis van Graaf Willem
van Holland, wordt ook gesproken van Talenten. Een zoodanige
munt wordt gezegd gelijk te staan met 7 penningen Keulsch of
met 7 X f 0.0875 = f 0.6125. (2)
In de Hildesheimsche Keuren wordt bepaald: „zoo iemand om
„misdaad gevat en vrij verklaard wordt, moeten zij, die hem later
„wegvoeren, 8 Talenten borgstellen, opdat zij verder hem recht-
„vaardig rechten zouden." (3)
De borgstelling beliep alzoo 8 X f 0.6125 of f4,90, het be-
drag van een ouden Engel of van eene munt, die vaak in oude
bescheiden wordt genoemd, en die geslagen is voor het Parisis van
het Brabantsche pond groote van 28 Guldens van Gewicht of van
f 58.80. (4) Het later voorkomende pond van 14 Schilden of van
f44.10, bestond juist uit negen zoodanige Engelen van welke het
Talent het achtste deel uitmaakte.
Vervolgens wordt verhaald, dat een bedrag van 72 Talenten
gelijk stond met 70 schellingen Kednathes. (5) Brengen wij nu
deze zoo belangrijke bepaling met het bekende Talent in berekening,
(1)    Zie bladzijde 17 van dit werk.
(2)    Geschiedenis van Graaf Willem vin Hollans. Deel IV.
(3)    Ibid.
(4)    Zie het vervolg van dit werk.
(5)    Geschiedenis van Graaf Willem va» Holland. Deel IV bladz. 218.
-ocr page 47-
45
dan blijkt, dat men onder het geld van Rednathes hebbe te ver-
staan de munt, geslagen voor het Markenpond van f 12.60.
De 72 Talenten vertegenwoordigen een bedrag van 72 X
f 0.6125 of van f44.10, zijnde juist het pond\'groote van 14 schilden.
Déze geldsom nu stond gelijk met 70 schellingen van de munt van
Rednathes, weshalve elke dezer schellingen eene waarde moet hebben
gehad van f4Vi° °f van f(,.63. En is een schelling gelijk f 0.63,
dan vertegenwoordigde het pond, daarop gegrond, eene waarde van
20 X f 0,63 = f 12.60. (1)
Betreffende het Talent zij hier nog opgemerkt, dat wij daarbij
niet hebben te denken aan het Talent der ouden. De munt, onder
dien naam bekend, schijnt zeer verschillend te zijn geweest. Ook
de schrijvers van de „Kerkelijke Historiën" begrepen dit. Daarin
toch leekenden zij nopens deze munt reeds aan: „Het is zeker, dat
„een talent, in de middelste eeuwen, voor dezelfde geldsomme niet
„genomen is, voor de welke het in de oude tijden genomen wierd.
„Maar op den eenen tijd, en in \'t eene landschap, was een talent
„hooger als op een anderen tijd en in een ander landschap. Som-
„wijlen en op sommige plaatsen, is een talent geschat op honderd
„ponden gouds; somwijlen op vijftig ponden; dikwijls is een talent
„niet hooger geschat als een pond, en ook wel als een mark. (2)
Dan, de onderscheidene waarden, met welke deze munt voorkomt,
schaadt niet aan onze berekening; het hierbedoelde talent is gelijk
7 penningen Keulsch en de laatste, de penningen, zijn bekende of
aan het Schild vastgelegde munten.
Het geld op de Mark van f 12.60 geslagen, ontving zijn naam
van den muntmeester Rednathes, en de nadere omschrijving was
noodig ter onderscheiding van de eigenlijke Keulsche of Engelsche munt.
Men had dan: 1 £ = f 12.60.
1 £ = 20 0.
lfl= f 0.63. (3)
10= 12 penn.
__________
                   1 penn. = f 0.0525.
(1)    Zie bladzijde 19 van dit werk.
(2)    Kerkelijke Historie en Outheden der Zeven vereenigde Provinciën. Deel II bladz.
481
in noot.
(3)    Zie hierboven voor den schelling van Rednathes.
-ocr page 48-
46
Welk een schoon aanknoopingspunt ligt in de bepaling van die
Mark voor het Keulsche geld met dat van het hierboven ontwikkelde
opgesloten. De Mark, berekend in de Aartsbisschoppelijke munt,
heeft dezelfde waarde, als ware zij rechtstreeks bepaald in betrekking
tot ons eerst ontwikkelde pond. En overtuigd van het goede
verband tusschen het hier, in Duitschland en in Engeland in gebruik
geweest zijnde geld, is men nu ook verzekerd van de deugdelijkheid
der andere daarop gegronde berekeningen.
Zooals wij die hierboven gebruikten, is de verhouding der beide
geldsoorten tot elkander in de Geschiedenis van Graaf Willem van
Holland medegedeeld. De schrijver van dit belangrijke werk heeft
die opgave ontleend aan oude Latijnsche bronnen. In het werk van
Dr. Tergast: „Die münzen Ostfrieslands", vindt men echter het
volgende: „Die wichtigsten Bestimmungen enthalt von den 17
„Kuren für uns die zweite, mit der wir bereits früher den urkund-
„lichen Beweis für die Einfuhrung eines leichteren Denars in
,,Friesland erbracht haben. Sie lautet: Secunda petitio: pax omnibus
„ecclesiis et omnibus deo devotis, sub pena LXX et duorum talen-
„torum; et talentum debet esse de VII denariis Agrippine, sic olim
„dicebatur Colonia. Sed quia illa moneta fuit reinota, elegerunt
„populi vi ciniorem, et denarium leviorem, et coinmu taverunt pro
„LXX et duobus talentis LXXII solidos Rednathes monete. Quin
„que pacem violaverit, solvet tria talenta sculteto, que sunt XX
„et unus solidos regalis banni." (1)
Volgens deze lezing zouden niet 72 Talenten gelijk hebben
gestaan met 70 schellingen Rednathes, maar zouden 72 Talenten
evenveel waarde hebben gehad als 72 schellingen.
Het door Dr. Tergast bijgebrachte is ongetwijfeld ontleend aan
het Asega Buch van E. D. Wiarda, in hetwelk de volkskeuren
der Rustringers in het Friesch, Hoogduitsch en Latijn, in drie
kolommen naast elkander zijn geboekt: De Latijnsche tekst is de oudste
en alzoo geene vertaling. Deze luidt in opzicht tot de verhouding
van de Talenten tot de schellingen van Rednathes ook in dat boek,
zooals Meerman die in zijne Geschiedenis van Graaf Willem van
(1) Die Münzen Ostfrieslands, biudz. 8.
-ocr page 49-
47
Holland ons mededeelt. Ook daarin heet het: et commutaverunt
pro LXX et duobus talentis LXX solidos Eednathes monete. (1)
Is nu de Latijnsche tekst foutief, of is hier een licht verklaar-
bare vergissing begaan bij de overzetting van dien in de beide
andere talen? Zonder te willen afgaan op de gegeven berekening, die
pleit voor de opgaaf van den schrijver van de Geschiedenis van
Graaf Willem, valt het ongerijmde van de bepaling, als zouden 72
Talenten hebben gelijk gestaan met 72 schellingen van Eednathes
onmiddellijk in het oog. Ware dit werkelijk het geval geweest,
waarom dan toch het getal 72 gebruikt en waarom niet eenvoudig
gezegd, dat de waarde van het talent gelijk stond met die van den
schelling, iets wat toch noodwendig uit deze bepaling zou zijn voort-
gevloei d? Alleen bij in waarde verschillende geldstukken, is een
juiste verhouding, in cijfers uitgedrukt, voor een vergelijk noodzakelijk.
Bijvoorbeeld: 5 Marken zijn gelijk 3 Guldens.
Neen, 70 Schellingen van Eednathes stonden gelijk met 72
Talenten, want de bedoelde schelling deed f 0.63 en het Talent
f 0.6125, en hieruit volgt: 70 X f 0.63 = 72 X f 0.6125 =
f44.10 gelijk het £ van 14 Schilden. (2)
Gaan wij alvorens te vervolgen, nu ook na in welken tijd
van de Keulsche Mark en het daarop geslagen geld is gebruik gemaakt,
want de munt schijnt in 1252 in Duitschland wel verbetering, doch
geene verandering te hebben ondergaan. Hierop wordt ook gezin-
speeld in de alstoen gedane uitspraak. De in gang zijnde penning,
waarop des Aartsbisschops beeltenis stond, was vervalscht, en om
die vervalsching te voorkomen, werden de bekende voorzorgsmaatregelen
in achtgenomen.
Eeeds bij de uitgifte der Tienden van Krabbendijke in 1190
door den Deken van St. Salvator te Utrecht vindt men van „decem
solidos coloniensis" of van tien Keulsche schellingen gewag ge-
maakt. (3) Dit is de oudste mij voorgekomen opgaaf van het
gebruik van het geld op het pond van f 63.00 betrekking hebbende.
Merkwaardig in opzicht tot het gebruik van dit geld of liever
(1)    Asega-Buch. Bearbeitet von F. D. Wiarda. Berlijn 1805. In éo.
(2)    Zie bladzijde 17 van dit werk.
(3)    Mr. Ph. van den Bekgh. Oorkondenboek van Holland en Zeeland, Deel I bladz. 11$,
-ocr page 50-
\' -
48
van de zoogenaamde Keulsche Mark is een charter van 1200. In
dat stuk leest men: Domino Hügoni de Vorne bona nostra in
Portfliet dedimus in pacto pro duabus Marcis, scilicet 24 solid. colon.
denars. dona bilium solvendis annuatim circa festum S. Laurenti.(l)
Hugo van Vooene kreeg de goederen te Poortvliet alzoo in erfpacht
voor 2 Marken, die gezegd worden gelijk te staan met 24 schellingen
Keulsch. Het waren dus Marken van 12 schellingen Keulsch of van
12 X f 1.05 = f 12.60 en bijgevolg Marken van het hiervoren
ontwikkelde pond. (2)
Ook werd van dit geld gebruik gemaakt in 1204, bij gelegen»
heid van het verdrag tusschen den Bisschop van Utrecht en Lodewijk,
Graaf van Loon, want in het desbetreffende stuk wordt gewag ge-
maakt van 300 Mark wettig Keulsch geld. (8)
In de overeenkomst voor het sluiten van een huwelijk tusschen
Machteld, dochter van Hertog Hendrik van Brabant, en den zoon
van Graaf Willem T van Holland, van 5 November 1214, leest
men: „De Hertog heeft aan zijne Dochter twee duizend vijf honderd
„Marken Keulsche Munte gegeven, en met dit geld zal zij zoowel
„als de Graaf van Holland en zijn zoon te vreden zijn, en voor
„altijd afstand doen van alle allodiale goederen, erfenissen, renten,
„inkomsten en van alles, \'t gene haar, levende haaren Broeder of
„zijne erven, van de zijde haars Vaders of haarer Moeder zoude
„konnen opkoomen." (4)
De Hertog van Brabant schonk zijne dochter 2500 Mark Keulsch
of 2500 X 12.60 = f31500, en hoe opmerkelijk, dit bedrag staat
juist gelijk met 10.000 Schilden.
Verder leest men in dat stuk: dat Willem, Graaf van Holland,
aan genoemde Machteld, dochter des Hertogen, tot een huwelijks-
goed gegeven heeft „vijf honderd ponden Hollandsche munte jaarlijks
„te ontvangen van zijne allodiale en leengoederen, welke hij haer in
„zekere plaetsen heeft aangewezen."
Willem stond zijne schoondochter alzoo toe een jaargeld van
(1)    Mr. Ph. van den Uminn. Oorkondenboek vau Holland en Zeeland. Deel I bladz. 107.
(2)    Zie bladz. 19 van dit werk.
(3)    F. van Mieris. Deel I bladz. 143.
(4)    F. van Mieris. Deel I bladz. 163.
-ocr page 51-
»
49
500 £ Hollandsch of 500 van X f7.875 = f3937.50, overeen-
komende met 1500 Gouden Lammen. (1)
De Huwelijksgift van Graaf Willem II, aan zijne zuster Mar-
garetha, en bedoeld in het charter van 12 Juli 1249, was eveneens
in dusdanige Marken uitgedrukt. De Landsheer toch zegt: „Noverint
„itaque tam presentes quam futuri, quosscrire fuerit oportunum,
„quod cum de consilio principum et magnatum imperii percelso viro
„comiti Hennanno de Henneberg dilecto cororio nostro Margaretam
„karissiinan sororem nostram copulassemus et dedissemus matri
„inonialiter in uxorem, prodo te sua quatuor milia marcarum bonarum
„et legalium colon denariorum promissiinus per solvendas et promisisse
„tenore presentium protestamus, duodecim solidis pro marca qualibet
„computatis, pro pecunia thelonium nostrum apud Geervliet," enz. (2)
De som, die Graaf Willem gaf, bestond uit 4000 Mark en elk
van deze had eene waarde van 12 schellingen Keulsch. Margaretha
ontving alzoo 4000 X f 12.60 = f 50\'400, zijnde juist, hoe op-
merkelijk, 1000 £ groote of 16\'000 Schilden.
Nagenoeg de geheele XIIIe eeuw vindt men in staatsstukken
van die zoogenaamde Keulsche munt gebruik gemaakt; ook het
betrekkelijke hoofdpond bleef lang voor het opmaken van stukken
tot grondslag strekken der berekeningen, en \'t is aanmerkenswaardig,
dat sommige ponden zoo lang, andere daarentegen zoo korten tijd
voor administratieve aangelegenheden werden gebezigd. Alleen vindt
men het niet altijd even duidelijk vermeld, of met liet Keulsche
geld, geslagen op de Engelsche Mark, of met dat, aangemunt op de
Keulsche Mark, is gerekend.
HOOFDSTUK VIL
Andere Afleidingen.
De Fertho, de Aureolus, het Drachma Goud en het
Groningsche stadspond.
In het zoo dikwijls aangehaalde werk, over de geschiedenis van
Graaf Willem van Holland, wordt ook de Fertho genoemd. De
(1)    Zie bladz. 11 van dit werk.
(2)     Mr. Ph, van den Bergii. Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Deel I bladz. 265.
-ocr page 52-
50
pure Mark stond gelijk met vijf, de Keulsche met vier dergelijke
munten. Vergissen wij ons in deze niet, dan had men in het eerste
geval de Mark van f 15.75, in het laatste, die van f 12.60 op het
oog, uit welk een en ander alsdan blijkt, dat in Duitschland destijds
onder Fertho het later zoo bekende Schild werd verstaan. Deze
munt heette daar Fertho, omdat de waarde daarvan juist gelijk stond
met het vierde gedeelte der Mark. (1)
Te Wetzlar, waar, zooals wij reeds op bladzijde 31 hebben
aangetoond, men rekende met het pond van f 10,50, stond de Fertho
gelijk met 6 schellingen. Daar gold een schelling f 0,525 en zes
van deze leveren ook een bedrag op van 6 X f 0,525 of f3.15.
Zie, men staat verbaasd over al dergelijke uitkomsten; overal toch
bespeurt men verband, overal juistheid der bepalingen.
Ook leest men van een Drachma Goud. Daaromtrent treft
men zelfs de volgende merkwaardige bepaling aan: „omtrent het
„Drachma Goud of den Rijnschen Aureus of Aureolus, 60 penningen
„te Regensburg geslagen, waren te Augsburg aan zulk een Aureo-
„lus gelijk." (2)
De penning van het Duitsche of Keulsche geld, hebben wij
hiervoren berekend op f 0.0875, en daar gezegd wordt, dat het
Drachma of de Rijnsche Aureolus gelijk stond met 60 stuks van
die penningen, zoo moet die munt eene waarde hebben gehad van
60 X f 0,0875 of van f5,25, welk bedrag overeenkomt met dat
van het Dubbele Lam. (3)
Sommigen hebben deze munt aangemerkt als de Mark en
daartoe bestond eenige aanleiding, daar het bedrag van f5,25 het
Hollandsen was van het gelijktijdig in gebruik gestelde Brabantsche
pond groote van f42,00, en het Hollandsch veelal ook onder den
naam van Mark doorging. (4)
Maar er waren andere redenen, waarom de Aureolus ook als
Mark werd aangemerkt. De groote Mark van het gelijktijdig inge-
stelde pond van 20 Gouden Lammen of van f52.50 deed f 10.50
(1)     Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV bladz. 223.
(2)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV bladz. 210.
(3)    Zie bladz. 11 van dit werk.
(4>)
    Zie bladzijde 22 van dit werk.
-ocr page 53-
51
en daar nu tegenover elke groote Mark, altijd eene kleine stond,
van de helft der waarde, moest deze laatste, dat is de Aureolus, ook
werkelijk als Mark worden aangemerkt. (1) En toch was de Aureolus
eene oorspronkelijke munt, die lang voor het in gebruik komen van
het pond van f 52,50 bestond. Wij zullen zelfs vernemen, dat déze
tot grondslag moet zijn gelegd geweest voor het bepalen van het
bedrag van het oudste pond.
Vervolgens leest men: „De Hertog van Beieren met zijne
„muntverplaatsing naar Landshut, versümmcrde het geld zoodanig,
„dat er toen om het bedrag van den Aureolus uit te maken, 150
„zulke penningen vereischt wierden." (2)
Het geld werd door den Hertog echter niet verminderd in
waarde, maar, als op enkele andere plaatsen van Duitschland,
was datgene, wat men als rekenpond gebruikte, daar anders inge-
deeld. In Beieren had men:
1 £ = f21.00.
1 £ = 20 fi.
1 fi = f 1.05.
1 fl = 30 penn.
1 penn. = f 0.035, overeenkomende met de
waarde van den penning van het Leuvensche pond. (3) Van deze
kleinere penningen nu waren 150 stuks noodig voor het bedrag of
de waarde van den Aureolus, want 150 X f 0,035 = f5,25.
Ook wordt gezegd, dat de waarde van 3 Talenten overeen-
komt met die van 21 schellingen in den Koninklijken Ban. (4) De
drie Talenten deden 3 X f 0,6125 = f 1,8375 en dit bedrag gelijk
staande met 21 schellingen, moet elke schelling aldaar op f 0,0875
zijn gerekend of bepaald geweest. Het kleine pond op zoodanigen
schelling gegrond, had alsdan eene waarde van 20 X f 0,0875 =
f 1,75, overeenkomende met eene ons of uncias. (5) \'t Is echter ook
mogelijk, dat het pond van den Koninklijken Ban oorspronkelijk is
(1)    Ibid. bladz. 21.
(3)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV bladz. 210.
(3)    Zie bladzijde 32 van dit werk.
(4)    Geschiedenis van Graaf Willem. Deel IV.
(5)    Zie bladzijde 34 van dit werk,
-ocr page 54-
52
gesteld geweest op een tiende gedeelte van de aloude Mark van het
eerste pond.
Over de kleinte van dit pond verwondere men zich echter niet.
Er waren er van nog minder bedrag, zooals uit liet volgende valt
af te leiden. De schrijver van „Ons Voorgeslacht" bericht ons, dat
vier honderd Groningsche ponden gelijk gesteld waren met twintig
Engelsche Marken, en dat de laatste, de Engelsche Marken, daar
op 12 schellingen sterling werden berekend.
De Engelsche of hier echter de gewone Mark van 12 schellingen
sterling, had eene waarde van 12 X f 1.05 of van f 12,60 en 20
van deze leverden eeii bedrag op van 20 X f 12,60 = f252.
Deden nu 400 Groningsche ponden evenveel als f252, dan moet
één dezer in rekening zijn gebracht met f 0,63.
Er waren ook in Duitschland destijds nog kleinere ponden, dan
dat van f 1,75, hierboven bedoeld, in gebruik. Zoo wordt verhaald,
dat 200 Marken Kculsch ingewisseld werden voor 3000 £, hetgeen
voor het laatste, het pond, slechts een bedrag oplevert van f 0,84. (1)
Maar niet alleen met kleine ponden, ook met Marken werd
veel gerekend. Zooals wij hebben gezien, was in Duitschland hoofd-
zakelijk in gebruik de oude Engelsche Mark, die in betrekking tot
het pond groote van f 63.00 was bepaald op 13 f] 4 d. sterling of
op f 14,00. Geheel het zoogenaamde Keulsche geld was daarop
gegrond. (2)
Deze Engelsche Mark was de denkbeeldige munt van het pond
van f84,— hetwelk alsnog verdeeld was iu 24, in plaats van in
20 schellingen, en daar de Mark, ook bij de gewijzigde indeeling
van het pond, toch gelijk bleef aan de waarde van vier schellingen,
maakte zij oudtijds altijd het zesde en later steeds het vijfde gedeelte
uit van het betrekkelijke pond.
Nevens de Engelsche Mark bestond ook nog immer de veel
oudere Trooische Mark, die in betrekking tot het pond van f 63,—
was bepaald op 14 Q 4 d, sterling of op f 15,05. Zij had haar
ontstaan te danken aan een nog veel ouder pond, dan dat van
(1)    Geschiedenis van Graaf Willem van IIollaku. Deel IV.
(2)    Zie bladz, 29 en vervolg van dit werk.
-ocr page 55-
58
f84,00, hetgeen wij ter geschikter plaatse zullen doen uitkomen.
Betreffende deze laatstgenoemde Mark zeggen de schrijvers van het
Utrechtsche Bisdom het volgende: „De Mnrk van Troyen was de
„gemeenste en wierd in de koopmanschap meest overal, zelfs in
„Duitschland, Spanje, Engeland, Nederland en in de vordere landen
„van Europa, gebruikt." (1)
\'t Is opmerkelijk, dat de eene Mark, die van 13 fl 4 sterling-
denariën steeds als de Engelsche, en die van 14 Q 4 d. daarentegen
altijd als de Trooische, is omschreven. Bij nader inzien van de
pondenstelsels vindt men daarvoor evenwel, naar wij meenen, ver-
klaring. De eerstgenoemde Mark toch is die van het pond van
f84,00, hetwelk zeer lang in Engeland is in gebruik geweest, terwijl
de andere betrekking heeft op een pond, waarop nimmer daar, maar
wel in Duitschland, geld is aangemunt.
Maar vooral de nieuwe Mark, die van het pond van f63,00
en die gelijk stond met een bedrag van 12 schellingen Keulsch of
met f 12,60, was veel in gebruik. Het geld, daarop aangemunt,
was, zooals wij mededeelden ter onderscheiding van de eigenlijke
Keulsche munt, bekend als het geld van Rednathes. (2)
Te Wetzlar en ook op vele plaatsen in Gelderland, maakte
men gebruik van de Mark van het pond van f52,50, die f 10,50
deed. Ook deze stond als rekenpond bekend en in sommige oude
bescheiden heet zij de Mark van 10 schellingen Keulsch.
De Mark van het pond van f42,00 en die eene waarde had
van f 8,40, leerden wij inzonderheid kennen als het Leuvensche pond.
In geheel het Hertogdom Brabant werd daarmede gerekend, terwijl
de helft daarvan, de halve of kleine Mark, en f 4,20 geldende, ook
hier zelfs menigvuldiglijk voorkomt als gouden Engel.
Een Eriesche Mark stond gelijk met vier Wedums of
met vier gouden Lammen, dus met 4 X f2,625 of f 10,50.
Elk Wedum deed 10 penningen, en daar de groote van het
pond van f 63,00, in Friesland in gebruik, eene waarde had
van f 0.2625, komt deze bepaling van het Wedum, in betrekking
(1)     Kerkelijke Historie en Outheden der Zeven vereenigde Provinciën. Deel II bladz, 353
(2)    Zie bladzijde 44 en volgende van dit werk.
-ocr page 56-
54
tot dit pond met de werkelijkheid overeen, want 10 X
f 0,2625 is f2,625.
Ten opzichte van de Mark van f 10,50 wordt in de Geschiedenis
van Granf Wiixkm van Holland in noot opgemerkt: „wanneer er
„bij Gudeni gevonden wordt, dat eene Mark gelijk was aan 10
„schellingen Keulsch, schijnt dit van andere, dan van Keulsche Marken
„te moeten verstaan worden." (1)
Uit die aanteekening blijkt, dat deze Mark in historische be-
scheiden dus werkelijk voorkomt, met eene waarde van 10 schellingen
Keulsch, hetgeen juist is, daar een schelling Keulsch gelijk staat met
f 1,05 en 10 dusdanige schellingen een bedrag opleveren van f 10,50.(2)
De Mark van f 10,50 is ook door die bepaling aan het andere
geld vastgelegd, en niet alleen de Mark, ook het pond, waarop zij
trekking heeft, is daardoor als met een dubbel snoer aan de andere
ponden verbonden.
Ook de Lindmark was de Mark van het pond van f52,50.
Het Wedum of Lam, zoo wordt bij de bepaling van deze opgemerkt,
stond gelijk met 12 penningen, doch ook deze opgaaf is niet in
strijd met de werkelijkheid. Het Wedum, hier bedoeld, is recht-
streeks bepaald in betrekking tot het pond, waarop de Mark be-
trekking had. De groote toch van het pond van f52,50 komt
overeen met f 0,21875 en 12 van deze munten vormden het bedrag
van het Lam, want 12 X f 0,21875 = f2,625. (3)
De Reilmark kwam overeen met 7^2 van laatst bedoelde
Marken. Zij vertegenwoordigde mitsdien eene geldswaarde van
7i/i X f 10,50 of van f78,75, gelijkstaande met het bedrag van
een zeer oud pond van 30 gouden Lammen.
Veel en lang werd met al deze Marken gerekend; in vele bescheiden
wordt het geld daarop aangemunt, genoemd, doch in welke geldsoort
de verantwoordingen of besprekingen ook gesteld zijn, bij de herleidingen
komt men steeds tot gelijke, verrassende uitkomsten uithoofde van de
bepaalde verhouding, die tusschen de onderscheidene munten bestond.
(1)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland door Mr. .louw Meerman, vrijheer
van Dalem. Deel IV bladz. 212.
(2)    Zie bladz. 30 van dit werk.
(8) Zie bladzijde 21 van dit werk.
-ocr page 57-
•
55
Later kwamen in de XIITe eeuw nog vele andere Marken in
gebruik. Hofdijk verhaalt onder anderen nog het volgende: „In
„het Overkwartier en op de Veluwe wordt gerekend met Brabantsche
„Marken ter waarde van acht-en-veertig schellingen/\' Ter verklaring
van deze bepaling zij opgemerkt, dat na het gebruik van het pond
van f 63,00 of van 20 Schilden, achtereenvolgens zijn in gebruik
gekomen, de ponden van 18 en 16 Schilden of van f 56,70 en f 50,40.
Van het laatstgenoemde pond had het Tournooisch ot het pond
Zwarte eene waarde van i/16 X f50,40 of van f3,15, en deschel-
ling van dit pond Tournooisch kwam overeen met i/.,0 X f 3,15 =
f 0,1575. Acht-en-veertig van d«ze kleine schellingen zwarte leverden
een bedrag op van 48 X f 0,1575 = f7,56 en dit nu was de
Mark, die men op het oog had in het Overkwartier en op de Veluwe.
Dan, het bedrag van f7,56 was de eigenlijke Mark van het
Brabantsche pond van 18 Guldens van Gewicht of van 18 X f 2,10
= f37,80.
In het verhaal van Hofdijk wordt dan ook verder gezegd,
„dat men onder de hier aangewezen Mark niet hebbe te verstaan,
„de oude, die gelijk was aan vier ponden der gebruikte Tournooische
„penningen." De oude Mark had alzoo eene waarde van vier dier
ponden, in welker schellingen deze Brabantsche was bepaald. Zij
kwam derhalve overeen met 4 X f3,15 = f 12,60, hetgeen op
treffelijke wijze blijkt met het voorafgaande in overeenstemming te zijn.
Ook deelt men mede, dat het bedrag van vier der laatst bedoelde
oude Marken, gelijk stond met het pond, in betrekking tot welks
Tournooisch de Brabantsche Mark was bepaald. Het pond groote
van hetwelk het Tournooisch bedoeld werd, was alzoo gelijk met
4 X f 12,60 of f50,40.
Zie, een en ander met elkander in verband brengende, met
hoeveel voorzichtigheid en juistheid wordt dan de bedoelde munt
omschreven. Men drukt de Mark uit in schellingen Tournooisch\'
men zegt hoeveel ponden van dit Tournooisch genomen moeten
worden voor de waarde van de oude, zoo bekende Keulsche Mark,
en tot voorkoming van alsnog mogelijke vergissing deelt men tevens
mede, hoe dikwijls die bekende Keulsche Mark genomen moet worden,
-ocr page 58-
56
om te weten van welk hoofdpond het Tournooiseh genomen is.
Waarlijk de bepalingen zijn even zorgvuldig en vernuftig, als de
daarmede verkregen uitkomsten verrassend.
HOOFDSTUK VIII.
Rekeningen in welke van het Pond van f63,00
is gebruik gemaakt.
Men treft slechts enkele fragmenten van rekeningen aan, welke
in het pond groote van f63,00 zijn gesteld. In een stuk van 1358
wordt evenwel nog gesproken van „mille scutati; quilibet scutatis
„ad valorem duodeciin grossarum antiquorura computandus." (1) Hier
is de waarde van het Schild alzoo nog in oude grooten van het
pond van f63,00 bepaald. Deze alstoen met recht oude grooten
genoemd, hadden eene waarde van f 0,2625 en 12 van deze leverden
voor het Schild een bedrag op van 12 X f 0,2625 = f3,15.
In de hieronder volgende verantwoordingen is nog ten deele
van het oude pond gebruik gemaakt, hetgeen blijkt uit de Schild-
bepaling in 8 schellingen, (2) doch aan het einde is het bedrag
reeds in het pond groote van f42,00 overgebracht. Van dit laatste
pond deed de schelling f2,10 en de groote f 0,175.
De posten tot bewijs van het gebruik van het oude pond, hier-
onder volgende, zijn ontleend aan de Thesoriers-rekcning van
Joannes van Nedeehem, \'s Graven klerk, van 1344—1345 en om
te doen zien, dat deze rekening werkelijk in het stelsel van f42,00
is opgemaakt, ga de volgende verantwoording, in welke het Schild
tot het pond duidelijk uitkomt, voor af:
2lnno 1344. 3ttm ontiaen »<m in etot van tinbtht, Tuit si mjm
§ert Itentie in $b,etteoen $\\)dt>t, ïatt si ntgn» ffytien brttf o( Jjjfbbjfn,
$\\)t$\\)tvtn tt Cubfht et» tt«8ifss bagh/e na olïrfrhtnbfrbatl) tnt jatv
44, it» borgb/n sgn b* ffyne van (ffi^numbf, it €)at van on Ccckc,
ffyttr JDirric »on Ürttpnoot enüe Ojttt <É>ooevant van atv Delft 1000
*alb*. üRaksn 75 £ $. (1)
(1)    F. van Mieris. Deel II.
(2)     Zie bladzijde 18 van dit werk.
(3)    Rekeningen der Grafelijkheid onder het Henegouwsche Huis. Deel III bladz. 333.
-ocr page 59-
57
Nu leveren 1000 Schilden een bedrag van 1000 X f3,15 =
f3150.—. En dit bedrag, overeenkomende of verantwoord met 75
£, blijkt dat elk van deze op i 42,00 moet zijn gerekend.
Ook de betrekking van het Schild tot den schelling van het
gebruikte pond is in liet volgende duidelijk bepaald.
2timo 1344. Jlem betatlt om boegen enoe bigotbeie, baet men ntjma
(§*r«t a,h/lt in voexbe te Pnuhntaxurt 2 Biü&*. iïtaknt 3 Q ft. (1)
De gemaakte onkosten bestonden uit 2 Schilden of uit 2 X
f3,15 = f6,30.
Dit bedrag nu wordt gelijk gesteld met 3 schellingen groote,
weshalve elk dezer op eene waarde van f2,10 moet zijn gerekend.
Eveneens wordt het Schild in betrekking tot de groote daarin
genoemd:
2tnno 1344. Stem aelvea bnflljes om een jabfl tot Stashcns bdjorf,
mtma (geren eamerünc 1 snit. iHoaht 18 Ir. ft. (2)
Voor het zadel van \'s Graven Kamerling was betaald een Schild
of 18 grooten. Een Schild was f3,15 en dit bedrag gelijk gesteld
zijnde met 18 d. grooten, moet elk dezer munten op f 0,175 zijn
gerekend geweest.
Laten wij alsnu doen volgen de opgaven hierboven bedoeld, in
welke, zooals wij zeiden, nog ten deele van het pond van f63,00
is gebruik gemaakt.
3lnn0 1345. 3tem ntlvtt bagty* betadt om een jaotl tol mgn*
fyeten bemoei getocht bt <8>em Btliru 6 ecb,ell. 1 «tilt voot 8 et.
iXlaken
13»/» »• ft- (3)
Het zadel, bestemd voor den Graaf zelf, had gekost zes zoodanige
schellingen, van welke acht gelijk stonden met de waarde van het
Schild. Elk dier schellingen was alzoo gerekend op f0,393/8, en
alsnu het vorenstaande staatje op bladzijde 18 met aandacht nagaande,
blijkt dat schellingen zijn bedoeld van het pond Hollandsch van f 7,875.
(1)    Ibid bladz. 338.
(2)    Ibid bladz. 339.
(3)    Rekeningen der Grafelijkhcid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel III
bladz.
  330.
-ocr page 60-
58
Het zadel heeft alzoo gekost:
6 fi Holl. 6 X f 0,89% =........f 2,3625.
De gemaakte onkosten zijn verantwoord met 13y2
d. gr. of met 13V2 X f 0,175 =......„2,3625.(1)
Het zij hier en voor het vervolg opgemerkt, dat de grooten
en schellingen van een kleiner pond niet van een ander gehalte of
allooi waren, dan die welke betrekking hadden op een grooter pond.
De grooten van het pond van f63,00 deden f 0,2625, die van het
pond van f42,00 slechts f 0,175, doch de eene was het 240ste deel
van f63,— en de andere het 240ste van f42,—. De eene groote
woog aan zilver 3,69 Gr. de andere maar 2,46 Gram. (2) De laatste
groote was alzoo kleiner en lichter dan de eerste; van een ander
gehalte was in die tijden nog geene sprake. Zoowel hare waarden
als hare gewichten stonden tot elkander als 3 : 2. Bij de zwaarste
of oudste ponden van vroeger eeuw, waren de grooten in nog meerdere
onderdeelen verdeeld, doch daarover en over het gewicht, eerst later.
Ook in het volgende is nog ten deele van het oude pond ge-
bruik gemaakt.
3tnno 1345. 2tem sclucs bagtjee bctaclt om ten oaet hooier acotn
tot 2 ofsluus bcljoiT, ombat l)t g\\)ten latteen an bo*n en mocljtr, ox>tr-
mits »gn eeete voete, bit Ijtm vttvrottn warm, 14 b. 1 salt votv 8 bc.
Ütalutt 272 b. § 3 mvttn. (3)
Ook hier heeft men, blijkens de bepaling van het Schild met
dezelfde Hollandsche munt te doen. Maar thans zijn het oude duiten
of deniers van den hierboven bedoelden schelling, waarmede men
gerekend heeft. Elke dier duiten, de deniers Hollandsch van het
hiervoren ontwikkelde stelsel, hebben eene waarde van f0,039/32 en
14 van die munten, waarvoor de schoenen waren aangekocht, leveren
een bedrag op van 14 X f 0,039/32 of van f 0,45|^.
(1)     Dit bedrag staat gelijk met een Florentijnschen guldeu.
(2)     Zie bladzijde 18 en 22.
(3)     Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel III
bladz. 367,
-ocr page 61-
59
De gemaakte onkosten werden verantwoord raet:
8»/, d. Q of 2i/a X f 0,175 = . . f 0,4*1$.
3 mjten, of 3 X f 0,00|| = . . „ 0,02T3ti.
Dus te zamen met:.......f0,454-5.
Zelfs blijkt, dat met dit pond groote of met de ondergeschikte ponden
daarvan nog in den vreerade werd gerekend, zooals men kan nagaan
uit posten van inhoud, als de volgende:
Utina 1345. 3ttm \'t JDiitïïrojljes, 23 ïa$l}t in iXlattt U <©rips-
mcltit itn mineitdtti bi §txtn <£>!)*«& »an flottrtv\'xllt 8 ssc. tnen «tilt
vott 16 *c. Ooltttt 9 g. (1)
Uit de bepaling, dat een Schild gelijk staat met 16 schellingen
is het duidelijk, dat hier niet het Hollandsch, maar het Tournooisch
van het oude stelsel is bedoeld. Dit Tournooisch deed f 3,9375 en
de schelling daarvan f0,19|£. (2)
De 8 schellingen, waaruit de rekening bestond, vertegen woor-
digden een bedrag van:
Q, 8 X fO.lJJU =...........f 1,575.
Het verantwoorde bestaat uit:
9  d. grooten, of uit 9 X f 0,175 =.......„1,575,
zijnde, evenals boven en juist gelijk een half Schild.
Steeds wordt bij het gebruik van tweeërlei munt het Schild
ingelascht tot aanwijzing van het pond op hetwelk een der geldsoorten
betrekking heeft. Zonder deze bepaalde aanwijzing zouden de bereke-
ningen ook of veelal zeer ingewikkeld, of dikwijls niet zijn nategaan.
Ook het gouden Lam of het pond Myten van dit stelsel komt
in de oude bescheiden nog voor. \'t Is evenwel ook mogelijk, dat
men onder het Lam het Tournooisch van het pond van f 42,00 hebbe
te verstaan. (3) Dan, hoe dit zij, uit het volgende blijkt in elk
geval, dat het Lam als rekenpond werd gebruikt.
(1)    Ibid.
(2)    Zie bladz. IS van dit werk.
(3)     Zie de bladzijden 22 en 25 van dit werk.
-ocr page 62-
60
vlinm 1345. 3 tem t>cs Sonncitbaccl)» »}i Sintc Caurcuebacl) quant
ntnn (Sjrrt tot (Srlon lm morghtitt tten, vatt bir tsemmt van b«t to*t
btlity
13 £ 13 8C. 1 b., ben acxlt votr 24 ssr. ntahrn 11 uUfelS1/]
b. § 1 Cetrr. Ülaktn 17 sr. */, ir. § 1 «eter. (1)
Zijn nu 24 Sehell. =.....f 3,15
dan is:            1 Sehell. =.....„0,13125
en 20 sehell. of 1 Pond r=.....„ 2,625.
Berekenen wij nu dezen post in het pond Myten, dan hebben
wij voor de gemaakte onkosten te Erlon:
13 £, 13 X f2,625 = .... f S4,12J}.
13 f?, 13 X ,. 0,13125 = ....„ l,7o||.
1 d. 1 X „ 0,01 ^ =....„ 0,01^.
Te zamen . . f 35,84^.
Of de gewone breuk weglatende:......f 35,84.
Daarvoor werd verantwoord:
17 0 & 17 X f MO = .... f 35,70.
\\ d. «" Va X „ 0,175 = ....„ 0,0875.
I   Ester 1 X „ 0,05| = ....„ 0,05|.
Te zamen . . f 35,84/j.
Of de gewone breuk weglatende :......f 35,84.
De klerk heeft de gemaakte onkosten ook over-
gebracht in Schilden, met:
II  Schilden, of 11 X f 3,15 = . . f 34,65.
6| d. Q
                6± X »0,175 = . . „ 1,13TV
1 Ester
                 IX» 0,05f = . . „ 0,05^.
Te zamen met . . f 35,84^.
Of de gewone breuk weglatende:......f 35,84.
Met die eerste overbrenging in Schilden, moest een zeer
klein verschil ontstaan, dat door gebrek aan een passend onderdeel
der munt niet kon worden ontgaan. Het -/jste gedeelte van een
cent veranderde in fa cent.
(1) Bekeningen der Grafelijkhcid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel III
bladz. 231.
-ocr page 63-
01
HOOFDSTUK IX.
Het Gouden Lam en het in gebruik stellen van het
Pond van f63,00.
Wij schreven vroeger de in gebruikstelling van het Pond van
f63,00 toe aan Graaf Willem II. Wij deden dit ora onder-
scheidene redenen, en vooral ook op grond van hetgeen Gouthoevkn
ons aangaande het slaan van munt door dezen vorst verbaalt. De
kroniekschrijver toch zegt: „Deze coninc Willem schijnt den eersten
„Grave geweest te zijn, die in Hollant goude Munte heeft doen
„slaen: ende werden deze penningen Lammen ghenoerat, omdat er
„een Lam met een Cruys ende een vaentjen dragende op stont; ende
„waren wegende 4 Engelschen en dry minuten gout/\'
Zonder nu te willen uitmaken of Graaf Willem werkelijk de
eerste onzer Landsheeren is geweest, die goudgeld heeft aangemunt,
is naar aanleiding van het bovenstaande, hier toch veel stof tot
opmerking. Eerstens speelt het gouden Lam in de Middeleeuwen
een hoofdrol, en het pond groote bestond uit 24 dusdanige geld-
stukken, terwijl dit pond in deze gewesten steeds als het Konings-
Tournooisch stond bekend.
Maar het gouden Lam was een bijzonder oude munt, die lang
vóór Graaf Willem bestond, als zijnde het de grondmunt ook van
het alleroudste pond. Het Pond Groote, over hetwelk wij ook tot
dusverre handelden, was bovendien reeds vóór Graaf Willems tijd
elders in gebruik. Dan, het is daarom niet onwaarschijnlijk, dat,
schoon het gouden Lam reeds overlang buiten deze gewesten was
aangemunt, het hier te lande eerst door den Koomsch-Koning ge-
slagen is. Evenzoo pleit er veel voor, dat Graaf Willem de eerste
is geweest, die hier het pond van f63,00 officieel heeft in gebruik
gesteld, of meer opzettelijk de munt daarnaar heeft geregeld.
Wat men met het Lam op die munt heeft bedoeld, is niet
moeilijk te gissen, want ook het Kruis was het symbool der Christen-
heid. Doch wij kennen dit geldstuk met zijne ernstige randschriften
uit de enkele exemplaren, die daarvan alsnog voorhanden zijn. Op
de voorzijde dan stond een lam, het Lam Gods, dat de zonden
der wereld draagt met den heiligen nimbus om het hoofd, en met
-ocr page 64-
62
een versierde kruisvaan achter of nevens zich, waaraan een kleiner
vlaggetje was bevestigd. Onder of om dit Lam las men: AGN.
DEI. QVI. TOLLT. PECA. MVDI. MISERERE. NOB., hetgeen
beteekent: Lam Gods, dat de zonden der wereld wegneemt, onferra
u onzer. Op de keerzijde vertoont zich een kruis met streepen, welks
beenen aan de einden omgekeerd zijn, en in klaverbladen eindigen,
terwijl vier leliën tusschen de beenen en een roos in het hart gezien
worden. Het oinschrift van die zijde luidt: XPC. VINCIT: XPC.
REGNAT: XPC. INPERAT, hetwelk beduidt: „Christus overwint,
Christus regeert, Christus beveelt."
Men had, zooals wij reeds vroeger opmerkten, tweeërlei Lammen,
namelijk enkele en dubbele. Het dubbele Lam was in Duitschland
bekend onder den naam van Rijnschen Aureolus. (1) De enkele
Lammen hadden eene waarde van f2,625, de dubbele van f5,25,
en in tal van oude rekeningen komen beide geldstukken tot die
bedragen voor.
Beide munten zijn ook bedoeld in de volgende posten, die
ontleend zijn aan de Thesoriers-Rekening van Jan Philipszoon van
Leyden van 1340. (2)
3lnno 1340. domino tl)altera te Ü er leb in o, l) en öu\'to kir ibibem in
biseomniitiUionem oebitornm snontm per littentm suam qnitaiuir 100
florrtwB rrjjalis; facit 6 £ 5 ec. $. (3)
De verantwoording,   gesteld in het pond groote van f42,00,
bestond uit:
6 £ $ 6 X f42,00 =......f252,00.
5 fi $ 5 X f 2,10 =......f 10,50.
Of te zamen uit: . . . f262,50, voor 100 Flo-
renos regalis of voor 100 enkele Lammen weshalve één daarvan met
f2,625 moet zijn in rekening gebracht. (4)
(1)     Zie bladz. 50 en vervolg van dit werk.
(2)     Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel III
bladz.
  59.
(3)    Ibid bladz. 59.
(4)    Zie bladz. 11 van dit werk.
-ocr page 65-
63
In het volgende wordt het dubbele Lam bedoeld:
2tntto 1340. 3tem tïbtm p«r «tnï*m $enrtcum opui töhanfeaonm
(ma. qitartit ante natuta tembenti 3\'oljnnnia Uabtbu 2 bnplicfs aurco*.
DaUni 5 se. §. (1)
Voor de twee goudstukken vindt men verantwoord:
5 0 8 of 5 X f 2,10 =.......f 10,50. Voor één
van deze moet alzoo f 6,25 zijn gerekend.
Het dubbele Lam moest worden aangemunt voor het Hollandsch
van het Brabantsche pond van f42,00 en voor het Parisis van het
pond van f63,00, ssooals uit de hiervoreu ontwikkelde stelsels kan
worden nagegaan.
Bij de invoering van die algemeene munt, geslagen op het pond
van f63,00, lag eene schoone gedachte tot grondslag. De gedachte
van eenheid inet verscheidenheid werd daardoor als verwezentlijkt.
Zoowel geheel Duitschland met al deze gewesten, als Engeland,
Frankrijk en Italië, hadden één en hetzelfde hoofdpond. Wel rekende
Engeland en Friesland inzonderheid met het pond Sterling, maar
driemalen het Engelsche geld, rekende men met het hoofdpond, stond
gelijk met eenmaal dat van de overige gewesten. Frankrijk gebruikte
hoofdzakelijk de Tournooische munt, doch overal stond het geld met
het aangenomen hoofdpond in nauw verband: er bestond als ware
het een wereldmunt.
Maar men hield zich evenals weleer, niet aan de regeling. Tal
van andere ponden, op zekere hoeveelheid muntstukken gegrond,
kwamen weder in gebruik. Ook had dikwijls verandering van hoofd-
pond plaats, zonder algemeene aanneming door anderen. Reeds in
1290 had Engeland zijn derde pond Sterling, hetwelk gevolgd is
op dat van f21,00. Wij vernemen dit uit een charter van 25
November 1290, waarbij Nicolaas, Heer van Putten, aan de zuster
van zijne vrouw al het goed bevestigt, dat haar vader, Willkm
van Strijen, en hare moeder, haar hadden toegewezen. In dat
stuk komt onder anderen ook het volgende voor: „rjnde aan 48
„morgen lants, die liggen boven Emedamme aen die lange zide,
(1) Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel III
blndz. 57.
-ocr page 66-
64
„ende aen achte pont nieuwer Hollantse penninge jacrlycker, alzo
„goet ende also gave in paymente als nieuwe Hollantse penninge up
„tie tiit als deze brief was geraaect, dat is vier penningen Engelse
„van Engelant over negen nieuwer penninge Hollants jaerlickse
„renten." (1)
Ook in deze gewesten was alzoo een kleiner pondenstel in ge-
bruik gekomen, en uit de bepaling van den Heer van Putten blijkt
dat alstoen hier het pond van f 56,00 en in Engeland reeds het
sterling van het pond van f 47,25 gebezigd werd. Vier penningen
of denariën sterling van dat laatst genoemde pond, stonden werkelijk
gelijk met negen penningen Hollandsch van het hier alstoen in ge-
bruik gekomen pond van f56,00, want 4 X f0,06T96 = 9 X
f0,02{£ = f 0.2625. Uit geen der andere ponden volgt deze
gelijkheid. (2)
Men kan alzoo geruslelijk aannemen, dat het pond in 1290
sinds eenigen tijd verandering had ondergaan. In dat jaar toch
spreekt men reeds van nieuw parement en in dat jaar komt ook
borengenoemde bepaling roor de rerhouding ran het nieuwe tot het
in Engeland in gebruik gestelde pond sterling voor.
Een gelijksoortige bepaling van het Hollandsche geld in be-
trekking tot het Engelsche treft men ook aan in een charter van
1296, in een stuk, „waarbij die van Dordrecht erkennen 141 £
„Engelsch schuldig te zijn aan Jan Snider, wegens diens borgtocht
„bij de compagnie der geldschieters te Brugge en te Dam me." Ook
in dat document wordt uitdrukkelijk gezegd, dat vier penningen
van het Engelsche geld gelijk moeten staan met negen penningen
Hollandsch. (3)
Reeds in een brief, waarbij Arnout van Loven vele goederen
schenkt aan het klooster van St. Katharina-Dal, en welk stuk dag-
teekent 1279, wordt reeds van oude Ylaamsche grooten gesproken,
doch in 1274 daartegen vindt men door Hertog Jan van Brabant
nog van het Keulsche geld gebruik gemaakt, en wij weten het, de
Keulsche munt, was op het pond van f63,00 gegrond. (4)
(1)    Mr. Ph. van den Bxboii. Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Deel II bladz. 847.
(2)    Zie het vervolg van dit werk.
(3)    Mr. Ph. van den Bergh. Oorkondenboek van Holland en Zeeland. Deel n bladz. 449.
(4)    Zie bladzijde 30 en vervolg.
-ocr page 67-
•
65
Uit een en ander blijkt alzoo, dat tusschen 1274 en 1279
waarschijnlijk ook hier verandering heeft plaats gegrepen.
Wat het Keulsch betreft, wij zagen hierboven, dat daarvan alsnog
in 1274 werd gebruik gemaakt. Vóór dien tijd komt het menig-
vuldiglijk voor. Enkele voorbeelden hiervan halen wij nogmaals aan.
Zoo vernemen wij, dat in Graaf Willems tijd de Hertog van
Brabant de tollen te Maastricht, Antwerpen en Gelder verpandde
voor 300 Mark Keulsch of voor 300 Mark van het door ons ont-
wikkelde pond, (1) en in 1252 onderging de Keulsche munt reeds
verbetering. (2)
In 1249 regelde Graaf Willem II de hnwelijksgift van zijne
zuster Maegaeetha in Keulsch geld, terwijl diens vader, Floeis
IV, in 1229 daarentegen spreekt van nieuween oude ponden Vlaamsch.
Ook in 1219 vindt men yan Vlaamsche ponden gewag gemaakt.
In Grasmaand toch van dat jaar schonk Vrouw Lutgaaed, weduwe
van Godevaaet van Beeda, aan de Kerk van St. Michiel te Ant-
werpen, twaalf ponden Vlaamsche munt, daarvoor verbindende eenige
goederen te Perk bij Vilvoorden, om daarvoor op het Altaar van
O. L. V. een dagelijksche Mis te doen, tot lafenis der zielen van
wijlen haar man Godevaaet, van hare ouders, en van Godevaaet van
Bhenen, van wien de goederen gekomen waren, doch Graaf Willem I
berekende in 1214 het huwelijksgoed van zijn zoon nog in Keul-
sche munt. (3)
In het verdrag tusschen Lodewltk Graaf van Loon en den
Bisschop van Utrecht, van 1204, spreekt men van 300 Marken
Keulsch, en toen in 1200 heer Hügo van Vooene met zekere goe-
deren begiftigd werd, vernamen wij welk bedrag in Keulsch geld
daarvoor moest worden opgebracht. (4) Ja, wij kunnen teruggaan
met het gebruik van dit geld tot 1190, want ook nog in dat jaar
vindt men melding gemaakt van Keulsche schellingen.
Daar nu in een charter van 1175 nog van uncias, doch in een
staatsstuk van 1179 tot 1180 reeds van solidos gesproken wordt,
(4) Zie bladzijde 29 en vervolg.
(2)    Zie bladz. 29 van dit werk.
(3)    F. van Mieris. Deel I bladz. 163. Beschrijving der Stadt en Lande van Breda
door Thomas Ernst van Goor. Bladz. 13.
(4)    Zie het voorgaande.                                                                                       5
-ocr page 68-
66
hebben wij eenigen grond het ervoor te houden, dat in laatst ge-
noemd jaar, in 1180, reeds het pond van f63,00 met het daarop ge-
slagen Keulsch is in gebruik gesteld, en is dit werkelijk het geval
geweest, dan hebben wij dit merkwaardige pondenstelsel met een
geheel veranderde indeeling niet aan Koning Lodewijk IX, maar
aan Philips Augustus, die van 1139 tot 1223 regeerde, te danken.
Verkreeg men dan ook hier reeds in 1180 een grootelijks ge-
wijzigd pondenstelsel van 20 der zoo bekende Schilden of van
f63,00, in Utrecht werd daarentegen een pond van 20 Gouden
Lammen in gebruik gesteld. In de Vlaamsche gewesten of in Brabant,
stelde men het pond van 20 Zware Guldens vast.
Waren vroeger de ponden steeds verdeeld in 24 schellingen
en de schelling in 10 denariën, voortaan zou dit alles anders zijn.
De nieuw ingevoerde ponden stonden gelijk met 20 schellingen, de
schellingen met 12 grooten.
De Marken, ten allen tijde overeenkomende met vier schellingen,
waren steeds zesde gedeelten van de ponden; bij de nieuwe indeeling
bestonden zij wel uit hetzelfde aantal schellingen, doch door de
wijziging veranderden ook hare verhoudingen: zij vormden voortaan
geen zesde, maar vijfde deelen van de daarop betrekking hebbende ponden.
De ponden in charters van het begin der XIIIe eeuw of wel
van 1180 tot omtrent 1280 voorkomende, kunnen veelal naar de
thans ontwikkelde stelsels vrorden berekend, maar die van eenigen
lateren tijd, heeft men geene bepaalde aanwijzingen door bekende munten,
kunnen met geen genoegzame zekerheid daarin worden overgebracht.
Dan, in vele gevallen is het gebruikte geld niet nauwkeurig
bepaald. Men weet dikwijls niet of met het Hollandsche, met het
Tournooische, of met eenig ander ondergeschikt pond is gerekend.
In vele oude bescheiden is slechts sprake van ponden, schellingen
en grooten, zonder eenige nadere omschrijving. Zoo is in de Keuren
en Wetten van Middelburg van 1217, en in die van West-Kapelle
en Domburg van 1223 het geld op de overtredingen gesteld, niet
bepaald. (1)
(1) F. van Mieris. Deel I bladz. 172, 185 eu 390.
-ocr page 69-
67
Zoo ook zijn de gebruikte ponden in het volgende stuk van
1222 niet omschreven. „In den name der Heilige en ongescheidelijke
„Drievuldigheyt. Ik Wilhem, door Gods Genade, Grave van Hol-
„lant, wil een yegelyck te kennen geven, zoo tegen woordighe als
„toekomende, dat ik voor de remedie myns zieles, ende van myn
„Voorouders, overgegeven hebbe hondert ponden aen de Kercke van
„de Heylighe Maria in Rhynsburgh, \'t ontfangen in onse eerste
„inkomsten in Delf ende Pinacker, ende in Maeslant, ende Plerd-
„lingh, onder zulke forme, dat men in \'t eerste jaer zal betalen
„vijftigh ponden, ende in het tweede jaer vijftigh.
„d\'Abdisse met de voorseyde honderd ponden, zal weder koopen
„tot eygendom van hacr Klooster, onse goederen gelegen in Bukeschop,
„van den Heer Gysbrecht van Amstel, ende hetzelve Klooster van
„Rhynsburgh zal eeuwelyck bezitten de voorseyde goederen met volle
„recht, gelyekerwys dat zy bezeten zyn van ons, ende onze voorouderen.
„Daarenboven de "Vrouwe Abdisse zal betaelen vijftigh ponden aen
„de soonen van Heer Egbrecht van Amstel ende het gemelde Klooster
„van Rhynsburgh zal alsoo genieten eeuwelyck al het recht ende
„inkomsten in Bukeschop, zoo van het gesaeyde, als het ongesaeyde.
„Maer voor die Aehnoesen, de Vrouwe d\'Abdisse zal een Priester
„ondineeren aen een byzonderen Autaer, om gecelebreert te worden
„tot onser gedachtenisse, ende van Aleydes onse Huysvrouwe, en
„onse voorouders. Opdat dan onze zoo redelyke daat zoude zeker
„ende vast blijven, ende van onse naerkomelingen ongestoort ge-
„houden worden, wij hebben doen versterken dit tegenwoordigh ge-
„schrift met onsen segel. Gedaen in tjaer der Genade MCC en XXII,
„onder den ban; van deze zake zyn getuygen den Abt van Egraont, Tere-
„kinus, monnick, Gerart, Deken van Kermelant, Willem, Deken van
„Rhynlant, Willem, persoon van Voorhout, Hendrik van .Norge, A1-
„brecht, kapelaen, priesters. Maer wereltlycke Maria, Gravinne, Isbran
„dus, Bartholomeus, Ibekoe van Haerleni, Diodrik van Wassenaer,
„Jacob Kasteleyn, Willem van Egmont ende veel meer anderen."
Zie, in dit stuk wordt slechts van ponden gewag gemaakt
Men verneemt daaruit niet, welke munt bedoeld is; eerst uit het
(1) Beschrijving der Stadt Amsterdam door Caspaktjs Commelin. Deel I bladz. 31.
-ocr page 70-
68
daarop volgende charter van 1233, insgelijks op die gift betrekking
hebbende, verneemt men, dat Hollandsche ponden zijn bedoeld ge-
weest. De 100 pond door Graaf Willem aan het Klooster geschonken,
vertegenwoordigden alzoo een bedrag van 100 X f 7,875 = f 787,50,
overeenkomende met een rond getal van 300 Gouden Lammen. (1)
In de Keuren voor Zeeland Bewesten en Beoosten Scheld heeft
men met omschreven munt te doen, en in de Keuren van Middelburg
van den jare 1254 heeft de Graaf in zake het geld zich geheel geschikt
naar de gewoonten of gebruiken van het land. De Landsheer toch
zegt daarin: „so dat enigheen mensche zoo wane, dat hi si binnen
Middelburg doet slaet, hi salne ghelden 90 £ soending penninghe,
alsulker penninghe als men mede betaelt binnen Middelburgh ende
in Walchre, ende met desen paiemente sal men ghelden al de boeten,
die in desen brief ghescreven syn." Uit andere stukken blijkt, dat
Middelburg, West-kapelle en ongetwijfeld geheel Wacheren, rekende
met het pond Myten. (2)
De boeten in de hierboven bedoelde Keur van 1254 zijn alzoo
ook in dat pond uitgedrukt. Bepalingen als de volgende, kunnen
derhalve in onze munt worden overgebracht.
3lnn0 1254. So wit fcat ftttghen nunethf hinrun Xttiib-flburfl xoortii,
ht «al ïrtn §tte botttxt 3 £ ertoe Jrtr port 10 sr.. enae etn gtyemonïen
san dhen tntun 10 »c. tribe op oe hanb enoe in \'t anjkht tt twtsct)atltn.(3)
Voor het toebrengen eener wond moest alzoo worden betaald:
Aan den Graaf 3 £ Myten, 3 X f2,625 = f7,875
Aan de Stad
           10 Q „ 10 X f 0,13125 = f 1,3125
Aan den gewonde 10 0 „ 10 X f 0,13125 = f 1,3125.
Dus te zamen.....f 10,50         of
juist vier Gouden Lammen.
Werden de wonden toegebracht aan het aangezicht, dan bedroeg
de boete het dubbele off 21,00, overeenkomende met een pond Sterling.
(1)     Zie het vorige gedeelte van dit werk.
(2)    Zie het vervolg van dit werk.
(2) Mr. 1\'n. vax den Beboh. Oorkondenhoek van Holland en Zeeland. Deel I bladz. 310.
-ocr page 71-
69
Blijkens het voorafgaande in die Keur stond op doodslag eene
boete van 90 £ „zoendingh penuinghe", dus van 90 X f 2,625 of
van f236,25, zijnde, hoe opmerkelijk, juist een bedrag van 100
Florentijnsche Guldens.
Verder luidt het in dat oude stuk:
2lnno 1252. töat manne bte wapent braecljt binnen Utttbbelburjjt)
baer wanconat of eis, ht ealo betren ben Éjere 10 sol. enbe ber port
5 Ml. (1)
Hij, die wapenen droeg met verkeerd oogmerk, was schuldig:
Aan den Graaf 10 fi Myten, 10 X f0,13125 = f 1,3125.
Aan de Stad 5 fl „
         5 X f0,13125 = f 0,65625.
Te zamen.....f 1,96875. (2)
Maar stappen wij nu eindelijk van het pond van f63,00 en
de daarbij gemankte uitweidingen af, onder mededeeling, dat in Fries-
land ook met het nevenpond van f60,00 is gerekend.
Wij eindigen tegelijk ook onze beschouwingen betreffende het
Keulsche geld met opgaaf van den prijs van enkele voorwerpen uit
de merkwaardige dagen van "Willkw II. Zoo wordt verhaald, dat
men in het Raven bergsche vier schapen kocht voor één talent,
hetgeen voor één, een bedrag oplevert van f 0,153125. (3) Een varken
werd te Utrecht verkocht voor één Fertho of voor f3,15, twintig
haringen stonden gelijk met 3 penningen Keulsch, of één daarvan
gold f 0,013125 en voor een maaltijd te Maintz op den avond van
St. Maarten betaalde men 18 onsen of f31.50. (3)
HOOFDSTUK X.
Gewichtige bepalingen in betrekking tot de oudere Ponden.
Twee merkwaardige Sterlingen van f 0,l47i2 en f 0,11%.
De geschiedenis van het geldwezen vervolgende, moeten wij ons
nog eene gewichtige uitweiding veroorlooven. Zij is noodig, eensdeels
om hetgeen wij tot dusverre mededeelden aan te vullen, en anderdeels,
om het voorafgaande of alsnog veel oudere geldwezen te verklaren.
(1)    Mr. Pu. van den Birgii. Oorkondenboek. Deel I bladz. 310.
(2)    Later komen wij op dit bedrag als bekende munt terug.
(3)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland. Deel IV blndz. 230.
-ocr page 72-
70
In een charter van 1229 betreffende de overdracht van goederen»
lezen wij zoowel van oude als van nieuwe ponden Vlaamsen. Hetgeen Graaf
Floris IV blijkens dat stut van de broeders Willem en Hendrik,
kocht, kon zoowel met 500 nieuwe, als met 480 oude ponden voldaan
worden. (1) Hieruit blijkt, dat het oude tot het nieuwe pond stond
als 25 tot) 24. En daar nu bekend is, dat het destijds gebruikte
nieuwe pond van f 63,00 gelijk stond met 24 Gouden Lammen,
moet het onmiddellijk voorafgaande, het oudere pond, ook hebben
gelijk gestaan met 25 dusdanige muntstukken of met 25Xf2,625
= f65,625.
Is het bekend, dat het tot dusverre behandelde pond, bestond
uit 24 Lammen, eu dat het voorafgaande pond eene waarde had van
25 zoodanige geldstukken, trachten wij dan ook nategaan, of niet
meer oudere ponden, op het Lam gegrond, te bepalen zijn.
Dit de merkwaardige aanteekeningen van Hocsemius bleek ons,
dat de Engelsche Mark, bepaald op 13 ft 4 d. sterling of op f 14,00,
gelijk stond met 8 onsen of een half poiid, maar dan moet een heel pond
van 16 onsen, wij merkten het reeds vroeger op, ook eene waarde hebben
gehad van f28,00. En had men nu eenmaal een pond Sterling van
f 28,00, dan moet daartegenover ook een pond groote van 3 X f28,00
of van f84,00 zijn in gebruik geweest.
Het pond groote van f84,00 bestond uit 32 gouden Lammen,
weshalve het uit deze berekening blijkt, dat ook dit oudere pond
het Lam tot grondmunt had.
Dan, wij leerden reeds meerdere oude ponden kennen, en uit
al deze bleek, dat zij veelvouden waren van het Lam. Ook de
Reilmark, hiervoren berekend op f78,75 en het bedrag van f 68,25,
reeds hierboven bedoeld, waren geldsommen van oude ponden. En
bestond het pond van f63,00 uit 24, dat van f65,625 uit 25,
het pond van f68,25 uit 26, het pond van f78,75 uit 30 en het
pond van f 84,00 uit 32 dergelijke geldstukken, dan ziet men duide-
lijk in, dat al deze oude ponden een gelijke munt tot grondslag
hebben gehad.
(1) 1\'. van Mieris. Deel I. Mr, Pu. van den Bergii. Oorkondeuboek van Holland
en Zeeland. Deel X bladz. 181.
-ocr page 73-
71
Doen wij nu de pondenreeks, op bladzijde 16 voorgesteld, op-
klimmen tot eene hoeveelheid van 40 Lammen en houden wij daarbij
dan wederom rekening met de verhouding, die tusschen de veelal
twee gelijktijdig in gebruik gestelde ponden bestond, dan verkrijgen
wij de onderstaande waarlijk hoogst merkwaardige uitkomst. En te
merkwaardiger zal die uitkomst later blijken te zijn, wanneer die in
verband wordt beschouwd met het gewicht, dat eenmaal noodwendig
aan het oudste pond moet worden toegekend. Men had dan ponden van:
1. 40 X f2,625 = f 105.              X. 31 X f2,625 = f81,375.
40 X „ 2,50 = „ 100.                    31 X „ *,50 = „ 77,50.
II. 39 X f2,625 = f102,375.      XI. 30 X f 2,625 = f78,75.
39 X» 2,50 = „ 97,50.               30 X „ 2,50 =„75,00.
III.   38 X f2,625 = f99,75.        XII. 29 X f2,625— f76,125.
38 X „ 2,50 = „ 95,00.
                 29 X » 2,50 = „ 72,50.
IV.  37 X f 2,725= f97,125.     XIII. 28 X f 2,625= f73,50.
37 X ,, 2,50 = „ 92,50.
                 28 X » 2,50 = „ 70,00.
V. 36 X f 2,625= f94,50.       XIV. 27 X f 2,625= f 70,87^.
36 X» 2,50 =„90,00.                 27 X „ 2,50 =„67,50.
VI. 35 X f 2,625= f91,875.       XV. 26 X f 2,62*= f68,25*.
35 X „ 2,50 = „ 87,50.                 26 X „ 2,50 = „ 65,00.
VII. 34 X f 2,625= f89,25.         XVL25 X f2,625= f65,625.
34 X », 2,50 = „ 85,00.                 25 X ,, 2,50 = „ 62,50.
VIII. 33 X f 2,625= f86,625.     XVII. 24 X f 2,625= f63,00.
33 X „ 2,50 = „ 82,50.                 24 X ,. 2,50 = „ 60,00.
IX... 32 X 12,625= f84,00.    XVIII. 20 X f3,15 = f63,00.
32 X ., 2,50 = „ 80,00.                  20 X » 3,00 = „ 60,00.
Hoe duidelijk is het nu te zien, dat de Gulden door alle tijden
heen een hoofdrol heeft gespeeld in het oude geldwezen. Eerst
later zullen wij, zooals reeds vroeger is opgemerkt, nu ook trachten
aan te toonen, in hoeverre echter die gulden in den loop der eeuwen
door de vele veranderingen van de munt ook in de gevolgen dier
veranderingen heeft gedeeld. Toch heet deze nog altijd Gulden, en
tot dusverre stellen wij voor deze berekeningen nog heden een Frank
-ocr page 74-
juist op f 0,50, een kleine Mark op f 0,60 en een groote Mark op
f 1,20 van diens waarde. (1)
Aanvankelijk zeiden wij werd het pond verdeeld in 24 schellingen
of looden, terwijl de schelling gelijk stond met 10 denariën. Elk
pond kwam alzoo overeen met 240 denariën.
Later bij de ingebruikstelling van het pond van f 63,00 is eene
verdeeling gevolgd van het pond in 20 schellingen en de schelling
in 12 denariën of grooten.
"Wat het gewicht betreft, het goud en het zilver werd gewogen
bij Marken Trooisch. Twee Marken vormden een Trooisch pond, dat
verdeeld was in 16 onsen, de ons in 20 engels en de engels in 32 azen.
Door herleiding tot ons tegenwoordig gewicht hebben wij:
1 £ Trooisch gewicht = 2 Mark = 492
         Gram.
1 Mark „            „                                246             „
1 Ons „            „                                  30,76 „
1 Engels „            „                                    1,538 „
1 Aas „            „                                    0,048 „ (2)
Stellen wij na al het hierboven aangehaalde nu ook twee dier
oude ponden, namelijk die van f105 en van f84 met al derzelver
onderdeelen en nevenponden voor. Men had dan ten opzichte van
het eerste of oudste pond:
Het Pond Groote van 40 Gouden Lammen of van 20 Drachma
Goud = f105.
De Groote of Denarie f 0,4375.
De Gouden Schelling van 40 Denarii of 4 schell. groote = f 17,50.
Het Pond Groote van Goud = 72 Gouden Schell.
of 72 X f 17,50 = f1260.
Hel Pond Sterling = 1 £ Trooisch = 2 Mark.
De Groote Mark = i/2 £ Trooisch = 1 Mark.
Het Pond Groote = 3 £ Trooisch = 6 Mark.
De Sterling omtrent 36 volle gerslekorrels zwaar = 2,05 Gram.
Een Schelling = 2 Tremissen.
__________              Een Tremisse = f2,1875.
(1)    Zie het vervolg van dit werk voor de hierbedoelde Marken.
(2)    Handboekje voor ingezetenen der Provincie Zeeland door J. de Kantïr, Piiilsz. Derde
druk. Middelburg. S. vajj Benthem bladz. 49. J. Stkootman. Beginselen der cijferkunst.
Peel 1 bladz. 170.
-ocr page 75-
73
Ponden en
onderdeelen.
£ Groote.
£ Hollandsch.
Vs £ Groote.
ri •
\'S *
£ &
art "^
c5
1 2
S art
erf «
_**
-—>
CO O
:I 2
§ 0
Ph ert
ert 2
<o 0
J-l 0
g O
£ Sterling.
\'/, £ Groote.
1£ =
[£ =
10 =
lfl =
ITrm.
ITrm.
Ipen.
f105
24 fi
f4.375
2 Trem.
f2.1875
5 pen.
f0.4375
f13.125
24 fi
f0.54fj
2 Trem.
f 0.27|4
5
f 0.05^4
f6.5625
24 fi
f 0.27^4
2 Trem.
f0.13*f
5
f0.02H
f4375
24 fi
fo.isu
2 Trem.
f0.09JJ
5
f 0.015U
f8.75
24 fi
fO.36^
2 Trem.
f 0.18^
5
f 0.0341
4 0
flO.00
24 fi
f0.41|
2 Trem.
f 0.2(>g
5
f 0.01-1
f35.00
24 fi
f 1.455
1 Trem.
5
f 0.14T7f
Volgens Hocsemiüs had de oude sterling, dat is de sterling van
het pond van f35,00, een gewicht van „36 volle", dat is van 36 goed
uitgegroeide gerstekorrels, en ziehier nu eene andere allergewichtigste
bepaling, die, moge zij ook al vaag of gebrekkig schijnen, toch geleid
heeft tot een bijzonder gewichtige ontdekking in betrekking tot de Munt.
De 36 volle gerstekorrels blijken bij weging gemiddeld zwaar
te zijn 2,05 Gram, en was dit nu het gewicht van f0,14T7y, dan
had de schelling, die f 1*45$ deed, eene zwaarte van 20,5 Gram, en
het pond, hetwelk eene waarde had van f 35,00, woog dan 492 Gram
of juist 2 Mark, gelijk staande met een Trooisch pond. En zie nu,
welk een wonderlijke uitkomst, eene uitkomst, die ons mededeelt,
dat het eerste pond Sterling in gewicht ook werkelijk overeenstemde
met een pond Trooisch. (1)
Het Pond Groote bestond uit 6 Marken ot uit 6 X f 17,50,
maar het was ook zes Marken of uit 6 X 246 = 1476 Gram,
gelijk drie pond zwaar. Immers het pond Sterling had een gewicht
van 2 Marken, en daar het hoofdpond driemaal zooveel waarde ver-
tegenwoordigde, moest ook deszelfs gewicht driemaal meer bedragen,
dan van dit kleinere pond. Had alzoo dit pond groote een gewicht
van 6 Marken, en bestond dit tegelijk uit 6 Marken in geld, dan
moet elke Mark in geld ook gelijk hebben gestaan met een Mark
in gewicht, en zie hier nu, zoo ongezocht, volledige verklaring voor
hare aanvankelijke benaming: de munt Mark heette Mark, wijl haar
(1) Zi« bladz. 72 van dit werk.
-ocr page 76-
74
gewicht daarmede in overeenstemming was. En nu moge men op
het minder volledige der bepaling van het gewicht van den sterling,
in gerstekorrels uitgedrukt, wijzen, dit doet aa?i de gelukkige vinding
niets af: uit alles blijkt, dat de Mark een Mark, een Pond een Pond,
ook in het geldwezen is geweest, en tot die wetenschap heeft de
onschatbare bepaling geleid.
De eenheid van het pond groote, bedragende f 0,4375, woog
het 240ste gedeelte van 6 Mark of van 1467 Gram. Zij stond alzoo
gelijk met 6,15 Gram, en woog derhalve juist driemaal zwaarder dan
de sterling. Dan, ook hare waarde was het drievoud daarvan, want
3 X f 0,1^ = f 0,4375.
De gewone schelling, die f4,375 deed, en die gelijk stond met
10 grooten, had eene zwaarte van 10 X 6,15 = 61,5 Gram, en
het Hollandsch, het 8stc gedeelte van het hoofdpond, vertegenwoordigde
een gewicht van 184,5 Gram. De denier, bedragende f 0,05^|, woog
0,76875 Gram.
Deze gewichtsbepaling is waarlijk een der schoonste vindingen
op het muntgebied, en dat zij juist is, zal in het vervolg op velerlei
wijze worden aangetoond.
Was het oudste pond sterling niet in 20, maar in 16 onsen,
en verder overeenkomstig het gewicht, ingedeeld, dan had men:
1 £         = f35,00 = 2 Mark = 492, Gram.
1 £         =16 onsen.
1 ons = f 2,1875 = 1 Mark = 30,76 Gram.
1 ons = 20 Engels.
1 engels = f 0,1 Ofjj = TJÏÏ Mark = 1,538 Gram.
Dan, vermoedelijk was het in hoofdzaak verdeeld, als op bladzijde
40 is voorgesteld zelfs met uitbreiding van den denier in penningen,
als volgt:
1 £ = f35,00 = 2 Mark = 492, Gram.
f £ = f 17,50 = 1 Mark = 246, Gram.
1 £ =20 ons.
1 ons = f 1,75 = T\'ff Mark = 24,6 Gram.
1 ons =2 lood.
-ocr page 77-
75
1 lood = f 0,875 = ^ Mark = 12,3 Gram.
1 lood =10 deniers.
1 den. = f 0,0875 = ^ Mark = 1,23 Gram.
1 den. = 5 penn.
1 penn. = f 0,0175 = rTfo0 Mark = 0,246 Gram.
Ja, er pleiten zelfs opgaven voor eene verdeeling van den pen-
ning in greinen.
Hier woog het pond een pond, de ons een ons, enz.; alles was
weeggeld of werkelijkheid.
Maar wij moeten nog even stilstaan bij eene andere niet minder
gewichtige bepaling, namelijk bij die, dat een pond goud gelijk stond
met 72 gouden schellingen. Een gouden schelling nu was de Mark,
die gelijk stond met vier gewone schellingen of met 4 X f 4,375
= f 17,50 en een pond groote aan goud had alzoo eene waarde
van 72 X f 17,50 of van f1260. Hieruit blijkt, dat het pond
zilver, namelijk het pond groote, tot het pond goud stond, als f 105 :
1260 of als 1 : 12, eene verhouding, die men, wat te dien opzichte
ook wordt aangevoerd, voor het muntwezen niet spoedig heeft ver-
anderd, want ook in 1605 stelden de Staten van Zeeland die aldus
nog vast.
Men had alzoo tweeërlei ponden. Een gewoon pond van 2 Mark
en een groot pond, „een pond groote", van 6 Mark, en zie ook hier
de afleiding der laatst bedoelde benaming, die reeds zoo vroeg in
geschriften wordt aangetroffen.
Een gewoon pond goud, dat is een pond van twee Mark, had
slechts de waarde van f420. Te dien opzichte had men.
1 £ = f420.—.
1 £ =16 onsen.
1 ons = f26,25.
1 ons = 20 engels.
1 engls. = f 1,3125.
1 engls. = 32 azen.
1 aas = f 0,04^^.
-ocr page 78-
76
Bij het merkwaardige en veel gebruikte pond van f 84,00 had men:
Het Vond Groote van 32 Gouden Lammen of van f84,00.
De Tremisse r= f \'1,75.
De Schelling = 2 Tremissen = f3,50.
De Groote of Denari f 0,35.
De Groote Mark = 4 fi = 40 Denarii = f i4,00.
De Klei?ie Mark = 2 fi = 20 Denarii = f7,00.
Het Pond Groote is zwaar:
A.   aan Goud = 0,4 Mark = 98,4 Gram.
B.   aan Zilver = 4,8 Mark = 1180,8 Gram.
De Sterling is zwaar 32 volle tarwekorrels of weegt i,64 Gram.
Ponden en
onderdeden.
£ Grooten.
,S ai
° "S
w O
""3 O
P3
cc
art ^
\'i 2
I °
H «
art ^
C9
- o
S O
f, o
* art
ert -
ó
.a §
\'S o
* art
ert n
1 1
g ert
art _JS
£ Sterling.
Y3 £ Groote.
1£=
l£=
lfl =
lfi =
ITrm.
ITrm.
1 Pen.
f84.00
24 fi
f3.50
2 Trem.
f 1.75
5 penn.
f 0.35
f 10.50
24 n
t 0.4375
2 Trem.
f0.21875
5 penn.
f 0.043
f5.25
24 []
f0.2l|
2 Trem.
f0.10{&
0 penn.
f 0.02^
f 3.50
24 fl
fO.U/j
2 Trein.
f0.07&
5 penn.
f o.oi \\\\
f 7.00
24 fi
f 0.291
2 Trein.
fO.14.^
5 penn.
f0.02fi
f8.00
24 ^
f 0.83 $
2 Trem.
f 0.16$
5 penn.
fO.03^
f28.00
24 fi
f 1.164
2 Trem.
f0.58£
5 penn.
f 0,114
Bij dit en bet vorige pond was de schelling verdeeld in twee
tremissen en elk dezer laatsten stond gelijk met vijf penningen. De
schelling gold alzoo steeds 10 penningen. Deze verdeeling geldt voor
alle oude ponden, welke dat van f 63,00 voorafgaan.
Bij de nieuwe verdeeling stond de schelling daarentegen gelijk
met drie tremissen en gold elke dezer laatsten vier penningen,
zoodat een schelling daarbij altijd overeenkwam met 12 penningen.
De Friezen gebruikten steeds het sterling en nu wordt gezegd,
dat het pond van 12 onsen, dat is het sterling van het pond van
van f63,00, en hetwelk f21,00 deed, viermalen genomen, gelijk
stond met één Frankisch pond. Dit Frankische pond had alzoo eene
waarde van 4 X f21,00 = f84,00 of was het bovenstaande. (1)
(1) W. J. HonujK. Ons Voorgeslacht. Deel 1 blndz. 152.
-ocr page 79-
77
Oppervlakkig beschouwd, zou men meenen, dat de schelling van
het pond groote van f63,00, en gelijk gesteld met 3 tremissen,
grooter moest zijn, dan de schelling van 2 tremissen; doch dit was
zoo niet. Men heeft het aantal tremissen in een schelling vervat,
bij de veranderde indeeling der ponden eenvoudig ook gewijzigd.
Zoolang de schelling gelijk stond met 10 penningen, waren twee
tremissen elk van 5 penningen noodzakelijk; bij eene gelijkstelling
van den schelling aan 12 penningen, had men daarentegen 3 tre-
missen elk van 4 penningen noodig.
Dat de schellingen bij de oudere verdeeling grooter waren, werd
ook door Gaupp opgemerkt. Deze toch zegt: „Er bestonden twee
Saxische schellingen, de eerste, of oudste, van twee tremissen; de
andere van drie tremissen."\' (1)
Betreffende het weergeld schrijft Hofdijk het volgende: „Het
„weergeld zal aanvankelijk voor iederen vrijen man, den priester
„misschien uitgezonderd, wel gelijk hebben gestaan, en zoo men meent
„ongeveer vijftig schellingen hebben bedragen. Maar naar mate de
„maatschappij zich vaster ordende en onderling verbond, inwendig
„en naar buiten, verscherpte zich ook het verschil van stand, en het
„weergeld rees met het rijzen der enkele personen en geslachten.
„De schijnbare gemakkelijkheid, waarmede nu een halsmisdaad
„kon worden gezoend, geld voor bloed, bestaat alleen in de ver-
„beelding der oppervlakkigen. Bij het geding hebt ge kunnen op-
„merken, dat de boetgelden verre van gering waren, en niet weinig
„op den schuldige drukten. De schuldenaar die niet betaalde, en
„die geene borgen of verwanten bezat, die het voor hem konden of
„moesten doen, verviel natuurlijk weder aan al de hardheid der wet,
„zooals die oirspronkelijk in werking was geweest, en boette met
„het lijf, wat er nog van de oude wetsbepalingen van verschillende
„Germaansche volksstammen tot ons gekomen is, kan dit nog meer
„bevestigen, en is des mededeelens wel waardig." (2)
Bij de Saxen gold het weergeld voor een Edcling 1440 schel-
lingen, dat is, neemt men schellingen van het Frankische pond, dan
stonden deze gelijk met 1440 X f 3,50 = f 5040, of met 60 £ groote
(1)    W. J. Hotoijk. Ons voorgeslacht in Noot. Deel I bladz. 130.
(2)    Ibid. Deel I bladz. 150.
-ocr page 80-
78
Voor den vrije gold het 240 schellingen, of 240 X \' 8,50 =
f840, overeenkomende met 10 £ groote.
Voor een vrijgelatene was het weergeld bepaald op 120 schellingen
of op 120 X f3,50 = f420 of op 5 £ Groote.
De boeten bedroegen ook voor:
Een edeling
          4 £ Gr. aan Goud of 24 Mark,
een vrije               2 £ goud, en voor
een vrij gelatene 1 £ goud.
Met het gevonden gewicht voor het pond van f 105 kan alsnu
ook de zwaarte van dit en van elk ander pond bepaald worden. Het
eerstgenoemde pond had een gewicht van 6 Mark of van 6 X
246 = 1476 Gram en berekent men nu daarnaar het gewicht van
het pond van f 84, dan verkrijgt men daarvoor eene zwaarte van
1180,80 Gram of van 4,8 Mark, ïrooisch, want:
f105 : f84 = 6 Mark : x, waaruit x = 4,8 Mark of 4,8 X 246
= 1180,8 Gram.
Maar het gewicht van het pond van f 84,00 kan ook langs anderen
weg worden bepaald. Hocskmius zegt nopens den sterling van dit
pond, dat deze een gewicht had van 32 volle tarwekorrels, die bij
juiste weging van eene grootere hoeveelheid bleken zwaar te zijn,
1,64 Gram. Weegt het pond Sterling 240 X 1»64 = 393,6 Gram,
dan levert dit voor het pond groote een gewicht op van 3 X 393,6
= 1180,8 Gram, als boven.
Passen wij nu de bekende gewichtsbepaling toe op het ontwik-
kelde pond van f63,00, dan vinden wij daarvoor een zwaarte van
885,6 Gram of van 3.6 Mark ïrooisch, want:
1105 : f68 = 1476 Gr. : x, waaruit x = 885,6 Gram.
Ook bij het pond groote van f84,00 was de verhouding van
het zilver tot het goud als 1 : 12. Een zoogenaamde gouden schel-
ling van dit pond vertegenwoordigde een bedrag van 4 X f 8,50 =
f 14,00, en het zoogenaamde pond goud deed 72 X f 14,00 = f 1008.
Hiet staan de bedragen van het pond groote van zilver en van goud
alzoo tot elkander als 84 : 1008 of als 1 : 12.
Maar in betrekking tot het pond van f63,00 gaat deze wijze
-ocr page 81-
79
van berekening tot het bepalen der juiste verhouding van het zilver
tot het goud niet door. Van dit pond deed de gewone schelling
f8,15. Vier dezer hadden eene waarde van f 12,60 en 72 maal dit
bedrag gaf voor het pond goud een geldsom van f907,20. Het pond
zilver stond volgens deze uitkomst tot het pond goud, als f 63 ï
907,20 of als 1 : 14,4.
Dan, deze andere uitkomst is louter het gevolg van de andere
indeeling van dit pond. Vóór de ingebruikstelling van het pond
van f63,00 waren de ponden verdeeld in 24 schellingen. Elke
schelling was dus, zooals wij reeds opmerkten, ^ deel, en vier
schellingen of een Mark, maakten ^ deel van het pond uit. Nam
men. dit ^ deel 72 malen, dan verkreeg men voor het pond goud
12 pond zilver.
Nu echter het pond verdeeld is in 20 schellingen, bedraagt elke
schellling niet meer het ^, maar het fa deel van het pond.
Door dit laatste vier malen te nemen, verkreeg men voor den zoo-
genaamden gouden schelling of de Mark, het £ deel in plaats van
het £ deel van het pond, en 72 X i gaf voor de waarde van het
pond groote van goud een bedrag van 14,4 pond zilver.
Neemt men daarentegen ook nu voor den schelling het ^
deel, even als vroeger, en handelt men vervolgens als bij de ponden
van f105 en f84, dan blijkt, dat de verhouding van het zilver tot het
goud, ook bij de veranderde indeeling nog dezelfde was.
Het »tj deel van f63,00 bedraagt f2,625, en dit geldstuk of
die geldswaarde vier malen genomen, geeft voor den gouden schelling
een bedrag van f 10,50. En dezen denkbeeldigen schelling 72 malen
nemende, verkrijgt men voor het pond goud eene geldsom van f 756.
Het zilver stond derhalve ook toen tot het goud, als f 63 : 756 of
als 1 : 12 en een en ander staaft ongezocht de veranderde indeeling
van het pondenwezen bij het in gebruik nemen van het stelsel van
f 63,00, met hetwelk wij onze beschouwingen deden aanvangen.
\'t Is wel opmerkelijk, dat juist het gewicht van de twee meest
merkwaardige oude sterlingen is bewaard gebleven. De eerst ge-
noemde, die van f 0,14^ was de eenheid van het oudste Engelsche
pond, de andere, ten bedrage van f 0,11$ was de penning van het
-ocr page 82-
80
pond sterling van f84,00, dat door zijne gunstige verhouding in
betrekking tot zekere grondinuut, zoowel als hoofd- als nevënpond
is in gebruik geweest.
HOOFDSTUK XI.
Het C 111 m se h e Geld.
Nogmaals de twee merkwaardige sterlingen van
f0,1471* en fO,H73.
Het Dubbele Lam, het Schild en de Engel.
Zijn de opgaven in de Geschiedenis van Graaf Willem van
Holland juist, dan werd half de XIIIe eeuw te Culin nog gerekend
met het zeer oude Pond Parisis van het hoofd pond van f 84,00.
Daar toch wordt gezegd, dat 60 denarii solidi in gewicht steeds
moesten overeenstemmen met een Mark, dat is met 246 Gram. (1)
Elke schelling was mitsdien zwaar 2^ =z 4,10 Gram, en de waarde
daarvan bedroeg in evenredigheid met dit gewicht f 0,29 J.
Stellen wij nu dit oude pond gegrond op zoodanigen schelling, met
zijne bekende indeeling voor, dan heeft men:
1 £ = f7,00.
1 £ =24 fl.
1 fl = f 0,29-1.
1 fj =10 nummi.
1 num. = f 0,024^. Alles volkomen in overeen-
steraming met het Parisis van het pond van f84, op bladz. 76 ontwikkeld.
Nu wordt verder medegedeeld, dat vijf Culmsche nummi altijd
aan een Keulsche nummus zou gelijk zijn. En hoe opmerkelijk, deze
nummus deed f 0,02|| en vijf malen dit bedrag levert juist f 0,14T7j
op, zijnde de oude nummus van het allereerste pond sterling. (2)
In de handvesten van Cultn wordt de nummus echter ook be-
schouwd als het vierde gedeelte van een anderen denier. Deze andere
denier of penning moet alzoo eene waarde hebben gehad van
4 X f 0,02-}-J- of van f 0,11 J, en zie, wederom opmerkelijk, hier de
sterling van het hierboven behandelde Pond Groote van f84,00. (3)
(1)    Geschiedenis van Graaf Willem van Holland door Mr. Johan Meerman, vrijlieer
van Dalem. Deel IV bladz. 221.
(2)    Zie bladzijde 73 van dit werk.
(3)    Zie bladz. 76 van dit werk.
-ocr page 83-
81
Het Culmsche geld, op het oude pondenwezen gegrond, was
alzoo vastgelegd aan het oudste pond, aan dat van f105, doch
tegelijk aan dat van het zoo merkwaardige pond van f84, terwijl
bovendien het gewicht van den schelling in betrekking tot het
standaard gewicht, tot de Mark, volkomen was bepaald. Vernuftiger
omschrijving voor het terugvinden en het vasthechten van h«t geld
aan andere munt, valt inoeielijk uit te denken.
De Culmsche munt was oud, en niettegenstaande sinds lang
de Mark en het Sterling van het pond van f63,00 in Duitschland
was in gebruik gekomen, rekende men toch nog daarmede. Bij de
in gebruikstelling van het pond Parisis of dit Culmsche geld, kende
men echter nog evengoed den sterling van het betrekkelijke hoofd-
pond, als dien van het eerste of oudste stelsel, en van beide schijnen
te Keulen ongetwijfeld standaardpenningen aanwezig te zijn geweest.
Heeft alzoo het Culmsche geld aldus bestaan, en het tegendeel
zal moeielijk te betoogen zijn, dan is tegelijk zoowel het bedrag
van het eerste of oudste pond, als dat van het zoogenaamde Frankische
pond, daarmede volkomen bevestigd. Maar ook het gewicht van
den schelling, in betrekking tot de Mark bepaald, staaft al hetgeen
wij tot dusverre dienaangaande hebben medegedeeld. En dit gewicht
is ook weder in overeenstemming met dat, aan het hoofd van dit
pond vermeld, en hetwelk op de zwaarte van het oudste stelsel was
gegrond. Voor den schelling Parisis toch vonden wij tegen 60 stuks
in de Mark............. 4,10 Grain.
Dit gaf voor het £ Parisis van 24 fl.....98,4 „
En voor het hoofdpond 12 X 98,4 = . . . . 1180,8 „
Ook met het honderste gedeelte van dit hoofdpond, dus met
f 0,84, werd in Duitschland gerekend, (1) op gelijke wijze als in
Groningen, waar men het honderdste gedeelte van het pond van
f63, en dus f 0,63 als stadspond had.
Zeer waarschijnlijk is men het Pond Groote van f84,00, van
hetwelk de Mark f 14,00 deed, in vele plaatsen blijven gebruiken,
totdat het eindelijk in de XHIe eeuw door het pond van f 63,00 geheel
werd verdrongen.
(1) Zie bladzijde 52 van dit werk.                                                                                     0
-ocr page 84-
82
De Mark van f 14,00 bleef nog eenigen tijd langer in gebruik,
zij kon echter in het nieuwe pond niet meer met een effen getal
schellingen worden uitgedrukt. Zij werd bepaald in het sterling
van dit pond op 13 Jj 4 penn., \'t geen hare waarde echter weder
volkomen bepaalde.
En met het pond van f 84 en met dat van f 63 kunnen onge-
twijfeld vele geldelijke bepalingen in Duitschland uit de XIe, XIIe
XIIIe eeuw worden ontcijferd of in onze munt overgebracht.
Uit het voorgaande vernamen wij, dat in opzicht tot het eerste
pond, de gouden schelling of de Mark zilver aanvankelijk in gewicht
gelijk stond met een Mark. En om nu te doen zien, hoe alles in
overeenstemming is met hetgeen wij zijn te weten gekomen uit
historische bronnen, lasschen wij hier enkele munten en stukken op
het slaan van munten betrekking hebbende, in. Zoo lezen wij, dat
Graaf "Willem gouden munten, Lammen genaamd, liet slaan, die 4
engels, 3 minuten zwnar waren. (1)
Klaarblijkelijk is hier bedoeld het Dubbele Lam, dat volgens
het voorgaande eene waarde had van f 5,25. Berekenen wij nu eerst
het zuivere gewicht van dit muntstuk in zilver, dan hebben wij:
f105 : f5,25 = 1476 Gr. : x
waaruit x = 73,8 Gram. Aan goud had het stuk een gewicht
van 7^4j8 = 6,15 Gram.
Voor het gewicht wordt echter opgegeven 4 engels en 3 minuten.
"Wij kennen de onderdeden minuten niet, doch men heeft daaronder
ontegenzeggelijk zeer kleine deelen van engels te verstaan. Alleen
weten wij, dat 4 engels overeenkomen met 6.15 Gram, of met het
gewicht hierboven door berekening bepaald.
Dan, bij narekening blijkt, dat het gewicht van het Dubbele
Lam in geen geval meer dan 4 engels aan goud heeft kunnen be-
dragen. Het oude pond toch van f 105 stond gelijk met 3 pond
Trooisch of met 3 X 16 = 48 onsen of 48 X 20 = 960 engels
aan zilver. Het Dubbele Lam was 20 malen in het pond vervat
en woog elk dezer munten nu juist 4 engels aan goud of 48 aan
(1) W. van GouTHOEVEir. Kronycke van Holland, Zeeland ende West-Vriesland, Bladz. 313.
-ocr page 85-
83
zilver, dan leverden de 20 stuks, benoodigd voor de waarde van het
pond, insgelijks 20 X ^8 = 960 engels op.
Vergelijken wij de zwaarte van het dubbele Lam in betrekking
tot een ander pond, bijvoorbeeld tot dat van f63, dan sluit de
rekening eveneens. Dit pond stond gelijk met 3,6 Mark of met
28,8 ons = 576 engels. Het Dubbele Lam was 12 maal in dit
pond begrepen, en het gewicht van dit geldstuk weder op 4 engels
aan goud of 48 engels aan zilver stellende, leveren de 12 stuks ook
juist weder 12 X 48 of 576 engels op.
Ook uit het op bladzijde 75 verstrekte staatje blijkt, dat het
Dubbele Lam niet meer dan 4 engels kan gewogen hebben. Immers
daar verkregen wij voor:
1 Engel =.........f 1.3125
dat is voor 4 engels........„5,25, of juist de
waarde van dit geldstuk.
De drie minuten, door den kroniekschrijver bedoeld, zullen ver-
moedelijk het gewicht zijn geweest, dat gesteld is ter remedie,
waarover later nader.
Maar een ander voorbeeld tot bevestiging van het bijgebrachte,
vinden wij in het zoo merkwaardige Schild. Professor Van der Chijs
geeft voor de zwaarte van die munt op 3.70 Gram.
Dit gouden Schild nu, geslagen door Graaf Willem V, is be-
rekend op f 3,15, doch bepalen wij nu het gewicht daarvan in
evenredigheid met deszelfs waarde. Wij hebben dan:
f105 : f3,15 = 1476 Gr. : x
waaruit x = 44,28 Gram aan zilver of 3,69 Gram aan Goud, hetgeen
met het bovenstaande slechts een verschil oplevert van T^ïï Gram.
Dat het Schild gelijk stond met 3,69 Gram aan goud, kan ook
op de volgende wijze worden aangetoond. Het groote pond goud
had blijkens het voorgaande eene waarde van f1260 of:
f 1260 =.......72 Mark zilver,
dat is „ 815 =.......18 Mark zilver,
of wat hetzelfde is:
f 315 =.......1,5 Mark goud
dat is „ 315 = . •.....369 Gram
en „3,15 =.......3,69 Gram.
-ocr page 86-
84
Dat men hier te doen heeft met het Fransche of daarmede over-
eenkomende Schild, blijkt duidelijk uit den vergunningsbrief van den
Hertog van 19 October 1355, in welk stuk deze zegt, dat ook de
te maken schilden, moesten zijn van goud en gewicht als de
Vlaamsche, dat is, als de Fransche. (1)
Stellig zijn alstoen ook halve schilden aangemunt, met waarden
van f 1,575, die volgens het gewicht van het heele schild eene zwaarte
moesten hebben van 1,845 Gram. Bij Van der Chijs vindt men
het gewicht van deze halve schilden bepaald op 1,80 Gram, makende
met onze berekening een verschil van 0,045 Gram. Men verlieze
daarbij echter niet uit het oog, dat de hier gegeven berekening is
eene theoretische, en die door weging verkregen, slechts bij bena-
dering wordt bepaald en steeds afhankelijk is van de gesteldheid
der alsnog aanwezige munten.
Ten jare 1330 komt de eerste regeling voor van muntspeciën,
die aan wettigen koers zouden onderworpen zijn. Wij laten dit
staatsstuk hier volgen: „Wi "Willem, Grave van Henegouwe, enz.
„maken cond enz. dat wi omme den twi, die in onsen lande was
„van den payraente, ende van den ghoudene ghelde ghemeenliken,
„met onsen goeden luden, welgheboren, ende steden van Holland, van
„Zeeland, van Kennemerland, ende van Vriesland overeen ghedragen
„ziin, ende ghebieden te ghaene:
„Enen ghoeden Hollandsen penning voir twié penninghe zwarter
„tomoys. Enen ghoeden grote Coninghes tornoys voir achte pen-
„ninghe Hollands.
„Drie ghoede oude Coninghes Engels van Engheland voir achte
„penninghe Ilollants.
„Énen ghoeden ghouden Hallingh van Florensche voir dertien
„grote, enen engelsche min.
„Eene ghouden Lam voir vijftien grote. Enen ghouden Eoyael
„voir zestien grote. Enen groten ghouden voir twie ende twintigh grote.
„Enen gouden Zetelare voir twie ghouden hallinghe voirsz."(2)
(1)    Handvesten en Privilegiën der stad Dordrecht door Mr. V. H. van der Wall.
Deel I bind/.. 351.
(2)    Bovck van diversche calculatiën en F.\'van Mitfis. Deel II.
-ocr page 87-
85
Berekenen wij nu bovenstaande muntspeciën met de ons bekende
eenheden, want uit de bepaling van het gouden Lam valt terstond
in het oog in welke grooten de geldstukken zijn bepaald. Dit gouden
Lam toch, overeenkomende met f 2,625, wordt gezegd, gelijk te staan
met 15 grooten. Elk dezer munteenheden moet dus op f ^25 =
f 0,175 zijn gerekend, en hieruit blijkt, dat de geldstukken in 1380
zijn vastgesteld in grooten van het pond van f 42.00. (1)
Men vindt alzoo de volgende waarden, als voor:
Een Gulden Halling of voor een Elorentynschen Gulden f2,3625.
Een gouden Lam............„ 2,625.
Een gouden Eeaal............„ 2,80.
Een grooten Gouden...........„ 3,85.
Een gouden Zetelaar...........„ 4,725.
Al deze bedragen zullen later blijken juist te zijn. Slechts één
dezer munten eischt reeds nu eenige toelichting. Zij is die, aange-
duid met de woorden „groote gouden", doch welker ware benaming
die van „Lichten Engel" was. Dit geldstuk, geslagen voor het
Parisis van een Brabantsch pond, komt in de rekening dikwijls voor.
Het wordt ook bedoeld in het volgende:
3lnno 1344. Ju Iren tn&Uti ïr*« JSaterlrnjjhts na Sintt iXlattma-
fcacl) tn tjcwr 44 in üRifcirflburth ontiatn »an mrin §ttt atlvt, fcu ht
met bobbelen (jhaimuncn hubbe 101 se Ut, totuc 18 b. VS. 3ttm 25
ronale tstuc 16 Ir. ^ l/2 t*ttr. 3tem 16 Cicht (CngtU, tetttc 22 i. §.
Jttrn 6 nauulioene tstvtc vatt 20 o. § tribe 2 liotnt tatnc vatt 19 >. §•
Mattt tt gaatt 11 £ 7 Q 8 >. § 4 mitm. (2)
Zie, in dezen post komt de Lichte Engel ook voor met eene
waarde van 22 van zoodanige grooten, als welke men verkrijgt bij
een Schildverdeeling in 18 grooten. De munt is alzoo ook hier
bepaald op 22 X f 0,175 = f3.85.
Dit geldstuk heette lichte Engel, omdat zoowel oudere, als zoo-
genaamde midden engelen, van grootere waarden voor andere ponden
waren in omloop gebracht.
(1)    Zie blad/. 22 van dit werk.
(2)     Rekeningen der Grafelijkheid van Holland onder het Henegouwsche Huis. Deel III
bladz. 328 en 329.
-ocr page 88-
86
Men zal later bij en nevens dezen onderscheidene andere
Engelen leeren kennen, als die van het pond:
Van f 58,80 gelijkstaande met
„ 56,70
„ 52,50
f 4,90
„4,725
„ 4,375
„ 4,20
„ 4,025 en
„ 3,85, zijnde alle
, 50,40
, 48,30
, 46,20
aangemunt tot vaststelling van het Parisis van de daarop betrekking
hebbende ponden.
Berekenen wij nu ook het gewicht van bovenboelden Engel van
f 3,85 volgens de onsbekende zwaarte van het oudste pond, dan hebben wij:
f105 : f3,85 = 1476 Gram : x,
waaruit x = 54,12 Gram aan zilver, overeenkomende met 4,51 Gram
aan goud. De munt, in de regeling van 1330 bedoeld, en daarbij
aangeduid als groote Gouden, had alzoo een waarde van f 3,85 en
een gewicht van 4,51 Gram.
Maar bij den reeds aangehaalden vergunningsbrief van 19 October
1355 liet Graaf Willkm V, nevens de Vlaamsche of Fransche
Schilden ook slaan „eenen goeden ouden gouden scilt op meester
Fakents slach goed van goude ende van gewichte, dats te verstaen
die mare op 24 caraet ende weghende op die troeysche mare 54
ende een halve scilt." (1)
Omtrent deze muntbepaling merke men op, dat vele geldstukken
in omloop zijn gebracht onder de benaming van Schild, zonder dat
daarmede eigenlijk het oude Fransche Schild werd bedoeld. Men
bespeurt dit ook in dit staatsstuk, waarin het aanmunten van eigenlijke
Schilden als de Vlaamsche of Eransche ook bevolen werd. Het geld-
stuk, hier bedoeld, was niets anders dan de „groote gouden", in de
regeling van muntspeciën van den jare 1330 opgenomen, en dat
wij hierboven als de Lichte Engel van f3,85 en van 4,51 Gram
zwaar, leerden kennen. Dit geldstuk moest in 1355 uit fijn goud,
of uit goud van 24 karaten op nieuw worden aangemunt, en 54J
stuks moesten de zwaarte van het Mark hebben. Elk stuk had alzoo
(1) Handvesten en Privilegiën der stad Dordrecht door Mr. P. H. VAN DER Wall.
Deel I bladz. 251.
-ocr page 89-
87
ook volgens deze bepaling een gewicht van |^.6j = 4,51 Gram, even-
als boven door berekening of bij afleiding uit het oudste pond.
Er waren ook halve Engelen en vierden van Engelen aangemunt. De
halve, die f 1,925 deden, hadden een gewicht van 2,255 Gram; de
vierden, gelijk staande met f 0,9625, waren zwaar 1,1275 Gram.
Professor Yan der Chijs geeft voor het gewicht van dit laatste
geldstuk 1,1 Gram op, en meent dat hier aan een derde gedeelte
van het Fransche Schild moet worden gedacht. (1) De aanleiding
tot die gedachte ligt in de omstandigheid, dat in 1355 tweeërlei
munt geslagen is^ Engelen, onder den naam van Schilden en Schilden
in overeenstemming met de Eransche.
Uit de bepaling van het goud blijkt, dat nog aan geen alliage
of aan eigenlijke muntverzwakking van overheidswege werd gedacht.
Eerst later, onder Hertog Albrecht, verkreeg men gouden munt van
23^ karaat, en later geld van nog veel minder gehalte.
Door bij menging van ander metaal had wellicht in \'t geheel
nog geene muntverzwakking plaats gehad, en hoe die kan worden
gezien in het in gebruik stellen van kleinere ponden, is ons niet
recht duidelijk. Neemt men bijvoorbeeld twee verschillende ponden
aan, bestaande het eene uit 20 Schilden, goed van goud en juist
van gewicht, en het andere van 16 dergelijke muntstukken, dan heeft
het eerste pond eene waarde van 20 X f3,15 = f63,— en het
laatste van 16 X f3,15 = f50,40. De groote van het pond van
f63 deed ^ X f63 = f 0,2625, de groote van f 50,40 had eene
waarde van ^^ X f50,40 = f 0,21. Tn het eene geval stond
het Schild gelijk met 12, in het ander met 15 grooten. Maar om
welke redenen nu het geld van het eene pond van minder gehalte
zou zijn, dan dat van het andere, zien wij volstrekt niet in. Zoo-
lang men Schilden bleef aanmunten van\'661 stul<s in de Mark of
van gelijk gewicht en van zuiver of fijn goud, veranderde de waarde
van de munt en de daarop gegronde ponden niet. Het was onver-
schillig of men ponden nam van 20, 15 of 10 Schilden of andere
grondmunten. Alleen de onderdeelen van kleinere ponden waren
ook kleiner en mitsdien lichter.
(1) Verhandelingen, uitgegeven door Teijlers tweede Genootschap, 26ste stuk.
-ocr page 90-
88
Maar er bestaat nog een opmerkelijk geval. De Groote Reaal,
door Maximiliaan van Oostenrijk geslagen, vindt men in liet vervolg
van dit werk berekend op f 12,60. (1) De waarde van dit gouden
muntstuk was reeds berekend, vóór het gewicht der ponden gevonden
was, en wat nu blijkt ook hieruit? Bij weging is dit geldstuk
zwaar bevonden 14,80 Gram, terwijl het in betrekking tot het door
ons bepaalde een gewicht vertegenwoordigt van 14,76 Gram, want:
f105 : f 12,60 = 1476 gram : x,
waaruit x = 177,12 Gram aan zilver, of 14,76 Gram aan gond, of
slechts ^j Gram minder dan daarvoor bij weging kon worden bepaald.
Men zou voor de overbrenging of herleiding van munt in goud
of zilver ook algemeene factors als eenheden in betrekking
van den Gulden kunnen bepalen. Wij hebben toch ten opzichte
van het zilver:
f 35,00 = 1 £ = 492 Gram
of „ 1,00 = 14-^ Gram.
En ten opzichte van het goud:
f1260 = 6 Mark = 1476 Gram.
„ 1,00 = l/5 Gram.
Verlangt men nu bijvoorbeeld te weten, hoeveel het Schild ter
waarde van f3,15 weegt aan zilver, dan heeft men f3,15 X 14-j25
Gr. = 44,28 Gram. En verlangt men het gewicht daarvan te
kennen in goud, dan is:
f3,15 X 1-A Gr- = 3\'69 Grara-
Nog zij hier opgemerkt, dat de 10\'DOO Schilden, door Graaf
Willem V op te brengen, hebben opgeleverd een gewicht aan goud
van 10000 X f3.69 = 36900 Gram, overeenkomende met 150
Mark goud of 1800 Mark zilver. En de Mark zilver stond gelijk
met f 17,50, weshalve 1800 Mark deden 1800 X f 17,50 = f 31\'0*00,
hetgeen voor elk schild weder ecne waarde oplevert van f3,15.
Zie, als men dat alles nagaat, staat men waarlijk verbaasd over
de wonderlijke uitkomsten, en met welke eenvoudige of empirische
(1) Zie „Het Schild" en de daarmede in verband staande Pondenstelsels, gedrukt bij
J. M. C. Pot te Tholen. Bladz. 320.
-ocr page 91-
89
gegevens werden zij niet verkregen ? En wat nu is de slotsom van
dit alles ? Deze: wij hebben de waarde van het Schild berekend
op f3,15; door die waarde waren wij in staat reeds vele in gebruik
geweest zijnde ponden te bepalen; daardoor kon ook het oudste
pond worden berekend; van dit oudste pond wist men ook het ge-
wicht te bepalen, en het uit de waarde der munt voortgevloeide
gewicht stemt met de zwaarte der geldstukken, bij weging verkregen,
overeen. En omtrent de waarde van het Schild, én omtrent het
bedrag van het gewicht van de ponden, bestaat onzes inziens, dan
ook nu geenerlei twijfel meer. Dan, in het tweede gedeelte, in hetwelk
wij ook de Brabantsche pondenreeks zullen ontwikkelen, komen nog
andere bewijzen van hetgeen wij tot dusverre gaven, voor.
HOOEDSTUK XII.
Twee oude Ponden. De uncias en de Geldmark.
Het Hunsingoosche Landrecht. De Mark zilvers.
Eenige gewogen en berekende Grooten.
Alvorens wij van onze oude ponden afstappen, willen wij daar-
van nog enkele hier ontwikkelen. Wij willen de ponden van 30
en 28 gouden Lammen en het nevenpond van het laatste met al
de daarop betrekking hebbende payementen nog voorstellen, omdat
wij het gebruik daarvan eenigermate kennen.
Ten opzichte van eerstgenoemd pond had men:
Het Pond Groote van 30 Gouden Lammen of van f 78,75.
De Groote
= fQ$2\\\\. .
Het Pond Groote is zwaar:
A.    aan Zilver: 1107 Gram.
B.  aan Goud: 92,25 Gram.
Be Reilmark = £ = 87,75.
i
-ocr page 92-
90
Ponden en
onderdeelen.
£ Groote.
£ Hollandsch.
Vs £ Groote.
"o £
5 o
3 ert
art *r~"
d 1
o o
•t? p
2*°
* erf
a*i -t
£ Parisis.
V12 £ Groote.
IH O
i o
art ~«
£ Sterling.
V3 £ Groote.
l£=\'f 78.75
1£= 24 fl
lfl=:f3.28125
10= 10 h
lft=f0.32|3
f9.84375!f4.92-,3,.
24 fi 24 fl
f 0.41^ f0.20^
io ft | io ft
f0.04^»fffO.O2T|^
f3.28125
24 fl
f 0.18^
10 ft
fo.oi^
f6.5625 f7.50
24 fl 24 C\\
f0.27^ f0.315
10 ft\' 10 ft
fO.OZit f0.0315
bï I
f 26.25
24 fl
fl.09375
10 ft
f0.10||
Van dit pond deed:
De Groote Mark 4 fl = . .    .    f 13,125.
De Kleine Mark 2 fl = . .    .    „ 6,5625.
Het Pondenschild J £ = . .    .    „ 13,125.
Het vierde deel van een £ =:     .    „ 19,6875.
Nopens het pond van 28 Gouden Lammen had men:
Het Pond Groote van 28 Gouden Lammen of van f 73,50.
De Groote = f 0,30%.
Het Pond was zwaar:
A.  aan zilver 1032,2 Gram.
B.   aan Goud 86,1 Gram.
Ponden en
onderdeelen.
£ Grooten.
J2 S
CO O
T3 O
a es
co
art >~
- 6
i 2
1 ö
I "^
H »
art 5^
B o
* ert
art ^
c
.2 §
\'S o
f^ art
art s
ó
1 o
a
art S
£ Sterling.
»/j £ Groote.
1£=
l£=
lfi =
lfl=
f73.50
24 fl
f3.0625
10 ft
f0.30|
f9.1875
24 fl
t 0.88/y
10 ft
f 0.03|f
f 4.59|
24 S
f0.19.ft
10 ft
fo.oi|B
f3.0625
24 fl
fo.iHI
10 ft
fO.Ol^j
f6.125
24 fl
f0.2ö|*
10 ft
f 0.02*3
f7.00
24 fl
f 0.29 ï
10 ft
f 0.02^
f24.50
24 fl
fl.02TV
10 ft
f 0,10^
\'
-ocr page 93-
91
Hiervan deed:
De Groote Mark Ijs ....    f 12,25.
De Kleine Mark 2 fi = . . . .    „6,125.
Het Pondenschild:......    „12,25.
Het vierde gedeelte:......    „18,375.
De Groot had een gewicht van: . .    „ 4,305 Gram.
De halve groote „ „ „ . .    „ 2,1525 „
De Denier „ „ „ . .    „ 0,538^ „
De Penning „ „ „ . .    „ 0,269^ „
Nopens het nevenpond van dit laatste had uien:
Het Pond Groote van 20 Paviljoenen of van f 70,00.
De Groote
= f 0,29\\.
Het Pond Groote was zwaar:
A.  aan zilver 984 Gram.
B.  aan goud 82 Gram.
De Groote woog 4,iO Gram.
Ponden en
onderdeelen.
£ Groote.
£ HoUandsch .
V8 £ Groote.
\'S «
.8 ^
o p
o g
S ü
§ «•»
E-i 2
erf ^
6
•**
1 I
S art
ert *
GO O
:s 2
i o
Ph erf
art 2
o o
6 O
| C
art «3
es
£ Sterling.
»/, £ Groote.
1£ =
]£ =
lfl =
lfi =
f70.00
24 fi
f S.9l4
10 g
f 0.29J
f8.75
24 fi
f0.86U
10 %
f 0.033^
f4.375
24.fi
f 0.18ft
lo $
f 0.01^
f2.91|
24 fi
f0.12|J-
10 8
fO.Olft
f5.88|
24 fi
f 0.24^
10 (|
fo.oa^
f6.66|
24 fi
f0.27|
10 §
f 0.02$
f 23,33^
24 fi
f0.97|
10 $
f 0.09f|
Van dit merkwaardige pond deed:
De Groote Mark 4 fi = . . . f 11,66 f.
De Kleine Mark 2 fi = . . . „ 5,83-J,
Het Pondenschild......„ 11,66$.
Het vierde gedeelte.....„ 17,50.
In het Hunsingoosche Landrecht treft men de merkwaardige
bepaling aan, dat 5 onsen en 4 penningen gelijk stonden met 24 fi
der daarin gebruikte geldmarka. De overigens zoo geleerde schrijver
-ocr page 94-
92
van de Geschiedenis van Graaf Willem van Holland meende
daarin het bewijs te zien van de ongelijkheid der waarde van de uncias,
doch bij nader inzien blijkt daaruit niet alleen de gelijkheid van den
koers der ons met dien in andere landen, maar men leert er tevens
uit, met welk geld wij in dat overoude Landrecht te maken hebben.
Vooreerst zij hier nogmaals opgemerkt, dat het Hollandsen veelal
als Mark stond bekend, doch dit was geen denkbeeldige, maar alsdan
eene wezenlijke munt, altijd bestaande uit twee van die geldstukken,
van welke één het Tournooische pond voorstelde. Deze Mark werd
van de denkbeeldige onderscheiden, door hare eigenaardige benaming
van gel dm ark.
Bij het bepalen der boeten in het Hunsingoosche Landrecht
rekenden de Friezen nog met het sterling van het pond van 30
gouden Lammen, en hetwelk, zooals wij hierboven zagen, f78,75
deed. Daarvan bedroeg het pond Sterling f26,25 en de penning
van dit laatste deed f 0,10}g. (1)
Maar toch was reeds in de Hollandsche gewesten, zoowel als in
sommige streken van Duitschland het pond groote van 28 gouden
Lammen of dat van f73,50 in gebruik. Daarvan deed de geld mark
of het zoogenaamde Hollandsen........f9,1875.
Nu wordt ter verduidelijking voor de Friezen gezegd,
dat 5 onsen en 4 der door hen alsnog gebruikte penningen
gelijk stonden met het gebezigde markenpond, eene on-
schatbare bepaling voor hun verre nageslacht.
5 onsen nu bedragen 5 X f 3,75 =.....f8,75.
4 penn. 4 X f0,10}* =........„0.4375.
En alzoo te zamen voor de geldmark of het ge-
bruikte pond.............. f9,1875,
zijnde juist zooveel als boven, waaruit alsnu duidelijk blijkt, dat de
boeten zijn gesteld in het Hollandsen van het pond van f73,50,
hetwelk destijds nog was verdeeld in 24 schellingen en de schellingen
10 penningen.
Zie, wie ooit zou het gedacht hebben, dat de munt uit zoo oud
stuk, als het Hunsingoosche Landrecht nog zou zijn te bepalen geweest;
(1) Zie bladz. 90 van dit werk.
-ocr page 95-
08
wie ooit zou er op gerekend hebben, dat ook door zoo eenvoudige
verklaring, zoowel de uncias, als het gebruikte pond zou te ver-
binden zijn geweest aan zooveel ander geld; wie eindelijk heeft het
zich kunnen voorstellen, dat langs dien weg ook den vasten koers
der uncias uit onze oude munt alsnog zou zijn te vergelijken geweest.
O, er valt uit het juiste verband der oude munt zooveel te leeren,
hetgeen inzonderheid nog zou uitkomen, indien de ponden ook eens
in hunne oude penningen waren overgebracht.
\'t Is echter nu bekend, dat in Friesland het Hollandsch van
het Pond groote van f 73,50 is gebruikt, en dat de waarde van de
uncias in Duitschland, in Engeland en in Nederland, of overal
dezelfde was.
Maar wij hebben nog een bijzonder punt, en wel in betrekking
tot het nevenpond. Betreffende Graaf Floris III leest men bij Arend:
„Het volgende jaar 1180 viel de Graaf met eene overgroote macht
„in West-Friesland, verbrandde Niedorp en Winkel, doch kon de
„West-Friezen niet beteugelen. Eindelijk gelukte het den Graaf, die
„van Wieringen en Texel aan zich te onderwerpen en te noodzaken,
„van hem den vrede voor vier duizend mark zilvers te koopen." (1)
Hieromtrent merkt Arend in noot aan: „Melis Stoke, de
„Klerk van de Laage Landen, Hüydecoper op Melis Stoke en Klüyt,
„stellen hier Friesche Marken of ponden van vijftien stuivers. De
„vredeprijs zou dus niet meer dan f 8000 geweest zijn. NaarDuitsche
„zilvermarken berekend, zou hij echter volgens Scriveriüs f72\'000
„en naar Hüydecoper eene som van flOO\'000 uitgemaakt hebben.
„Zekerlijk verbazend veel in dien tijd en deswege door Scriveriüs
„en Wagenaar voor ongeloofelijk gehouden. Doch de juiste waardij
j,der Friesche ponden zegt Van Wijn is hier te moeielijker te be-
„palen, dewijl men uit de Friesche wetten, kon opmaken, dat er
„Groote en Kleine marken waren, en het niet blijkt, van welke
„soort hier gesproken wordt."
Men merke hier terstond op, dat bij het bepalen der boete,
den Friezen opgelegd, in het geheel niet van bepaalde Marken, als
(1) Arend. Algeraeene Geschiedenis des Vaderlands. Deel II. Eerste stuk bladz. 131.
-ocr page 96-
94
denkbeeldige of werkelijke telmunt gesproken wordt. Er worden
bedoeld, Marken zilvers, elders veelal Marken fijn zilvers genoemd.
Men wist in Floris\' tijd het weeg- van het telgeld nog te onder-
scheiden, en het bedrag in Marken zilvers uitgedrukt, kon natuur-
lijk worden voldaan in gangbare munt of in gebruik zijnde ponden
naar verkiezing.
De Mark zilvers, het is bekend, deed f 17,50, want twee Mark
of een pond stond gelijk met met f35,00. De 4\'000 Mark zilvers,
door den Graaf geëischt, stond alzoo gelijk met een bedrag van
4000 X f 17,50 = f 7O\'OOO, juist overeenkomende met 1000 £
Groote van het hierboven ontwikkelde stelsel.
Blijkens de getuigenissen van Worperius, Thaborita, Ubbo
Emmius en Johannis Beka, stonden deze 4000 Marken zilvers
gelijk met 12\'000 pond. Merkwaardig is ook deze aanteekening,
waaruit blijkt, dat men daarbij het oog heeft gehad op het Pond
Parisis van het ontwikkelde pond Groote. Uit pond Parisis deed
f 5,83^ en dit bedroeg 12\'000 malen genomen, levert weder
f70\'000 op.
Door deze bepaling en door het door hem gekende pond van
f6,00 is Scriverius aan het bedrag van lü\'000 X f6 of f 72\'000
gekomen, eene berekening, die echter op geen vasten grondslag rust.
Deze schrijver zegt, dat ook Melis Stoke heeft gemeend, dat hier
aan Friesche Marken, en wel aan zulke, die gelijk stonden met
15 stuivers, moet worden gedacht. Is deze mededeeling juist dan
heeft de schrijver van onze oude Bijinkroniek, zich wel vergist,
maar toch is hetgeen hij deswege zegt, merkwaardig.
De Friezen rekenden veelal met het sterling, dat aan elk
hoofdpond eigen was, doch inzonderheid gebruikten zij de munt,
die bij de Engelschen als zoodanig in gebruik was en deze was die,
geslagen op het pond Sterling, dat in betrekking stond tot het pond
Groote van f84,00.
Van het pond Groote van f 84,00 deed de eenheid, de Groote,
f 0,35 en de stuiver, steeds gelijk aan twee grooten, had daartegen-
over eene waarde van f 0,70. Vijftien van deze stuivers leverden
-ocr page 97-
95
de Mark op, die Melis Stoke meende, dat tot grondslag lag van
de bepaalde boete.
Wij hebben hier voren de Friesche Mark berekend op vier
Wedums of op 4 X f2,625 = f 10,50 en 15 stuivers van de
munt in de Rijmkroniek bedoeld, leveren eveneens dit bedrag op,
want 15 X f 0,70 = f 10,50. (1)
Opmerkelijk is in zooverre dus ook deze bepaling van Mklis
Stoke. Wij weten nu dat de Mark van f 10,50 gelijk stond met
15 der oudste stuivers, doch men staat verbaasd, als men verneemt,
dat de Mark zilvers, door Graaf Floris III bedoeld, niet overeen
kwam met 15 der oude stuivers, maar met 15 schellingen. De
schelling sterling van hetzelfde pond van f28,00 deed f],16| en
15 stuks leverden de Mark zilvers op, want 15 X f l»16-§ = f 17,50.
Of Melis Stoke heeft zich vergist in de Mark, bf in de munt, door
den stuiver te nemen voor den schelling, iets wat echter meermalen,
blijkens oude oorkonden, is geschied.
Dit het bovenstaande is alzoo gebleken, dat ook Floris III,
die in 1190 overleed, nog rekende met het pond van f70,00,
hetwelk op vele plaatsen echter sinds lang buiten gebruik was gesteld.
Dat in Floris\' tijd nog munt in omloop was van het pond
van f70, blijkt uit de gewogen groote van 4,10 Gram, door Professor
Yan der Chijs aangehaald. Deze schreef dit muntje echter toe
aan Graaf Floris V, doch bij berekening ziet men, dat men hier
te doen heeft met de eenheid vau het pond van f70. (2)
Het Pond Groote van f70 had een gewicht aan zilver van
984 Gram. De Groote moest dus zwaar zijn ||jj- = 4,10 Gram,
of juist zooveel als bij weging is bepaald. Zij kan echter ook geweest
zijn de schelling van het oude Culmsche pond, of van het pond
Parisis van het hoofdpond van f84. (3)
Maar men rekende in Floris\' tijd ook reeds met geld,
aangemunt op het pond van f67,50, hetwelk blijkens het staatje
op bladzijde 71 vermeld, het nevenpond was van dat van 27 gouden
Lammen.
(1)     Zie bladzijde 53 van dit werk.
(2)     Zie bladzijde 91 van dit werk.
(3)    Zie bladzijde 80 van dit werk.
-ocr page 98-
96
Berekent men de zwaarte ook van dit pond, dan heeft men:
f105 :. f67,50 = 1476 Gram : x
waaruit x = 948^ Gram.
De eenheid of de Groote van dit pond had alzoo een gewicht
van „,„ = 3,95 Gram, en ziehier weder een andere munt door
240
Professor "Van drr Chijs vermeld met hetzelfde gewicht. Ook deze
toch omschrijft twee Groolen van 3,95 Gram, doch meent, dat ook
deze geslagen zijn door Floius V, in wiens tijd echter niet meer
met die ponden, welke nog op de oude wijze waren ingedeeld,
gerekend werd. (1)
Ook haalt die schrijver terzelfder plaatse Grooten aan van 3,85
Gram, eene mededeeling, waaruit blijkt, dat men met munt te doen
heeft van het pond van 25 Gouden Lammen of van f65,625 met
hetwelk Floius IV heeft gerekend. (2)
Gaan wij ook de zwaarte van dit pond na, dan heeft men:
f105 : f65,625 = 1476 Gr. : x.
waaruit x = 922,5 Gram.
De Groote van dit pond had mitsdien een gewicht van
9i^5 = 3,85 Gram bijna. Deze munt moet als Groote alzoo
stellig worden toegekend aan Floris IV. Het juiste of het theorc-
tische gewicht ervan is echter 3,843, niet 3,85 Gram.
Wij hebben dus naar aanleiding van het oude pond van
f70,00, met hetwelk nu blijkt, dat ook onze Graaf Floris III heeft
gerekend, drie gewogen Grooten nader bepaald, daarbij bevindende,
dat derzelver gewicht in overeenstemming is met het bekende ge-
wicht der ponden, een en ander op grond van de zwaarte van het
Schild, en van het gewicht der bekend gebleven Sterlingen en
Marken.
Om nogmaals met een enkel woord op de Marken zilvers
terug te komen, zij opgemerkt, dat het onderscheid tusschen Marken,
als denkbeeldige telmunt, en bepaalde Marken zilvers, als weeggeld,
(1)    Zie de werken van Tkijleks Genootschap.
(2)    Zie liet voorafgaande.
-ocr page 99-
97
overal duidelijk wordt omschreven. Zoo sprak Floris I, in 1058,
toen hij Richard van Gklre en den Graaf van Leuven gevangen
nam, reeds van Marken zilvers. Beiden zouden niet uit hun ge-
vangenschap ontslagen worden, dan tegen een losprijs voor ieder
van 2000 Marken zilvers. (1) En Graaf Willem, Roomsch-Koning,
was genoodzaakt uit geldgebrek, de stad en het gebied van Nijmegen,
voor zestien duizend marken zilvers aan Graaf Otto van Gelre te
verpanden. (2) Kort te voren had de Vorst Duisburg voor twaalf
honderd Marken aan den Hertog van Limburg, zijn bloedverwant,
verpand. (3)
Nijmegen werd dus tegen eene bepaalde hoeveelheid Marken
zilvers, Duisburg tegen zeker aantal eenvoudige Marken, verpand.
In het eene geval had men inct weeggeld, in het andere met
telgeld te doen.
Bij zware geldboeten of bij het opnemen van groote kapitalen,
rekende men gewoonlijk met Marken zilvers, enkele malen ook met
ponden zilvers en niet zelden zelfs, zoowel met Marken als ponden
gouds. Onder Graaf Willem van Holland, Roomsch Koning, komt
als hoogste boete voor die van 200 pond gouds, onder den naam
van Koninklijken Ban. (4)
Een Mark zilvers deed f 17,50, een Mark gouds: 12 X \' 17,50
= f210 en twee Mark of een pond goud had alzoo eene waarde
van f420. De grootste boete, hierboven bedoeld, beliep alzoo een
bedrag van 200 X f 420 = f84\'000 of juist 1000 van het zoo
merkwaardige aloude Frankische pond. (5)
Bij andere brieven van Graaf Willem worden boeten van 100
Marken gouds voorgeschreven. Deze golden dus voor 100 X 1210 r=
f21\'000. De 1000 Marken zilvers, die op de poging om den gift-
brief van Turin te verbreken, worden gesteld, verdeelt hij in zulk
een geval met den Graaf van Savoye, als de beleedigde partij. Verder
worden nog tal van boeten vermeld, als van 50 en 100 ponden
gouds, doch al deze kunnen alsnu in onze munt worden overgebracht.
(1)    AiiEM). Algemeenc Geschiedenis des Vaderlands. Deel II. Eerste stuk. bladz. 71.
(2)    Ibid bladz. 232.
(3)    Ibid ibid.
(4)    Geschiedenis van Gnuif Willem van Holland. Deel IV bladz. 44.
(5)    Zie bladz. 70 van dit werk.
-ocr page 100-
Het is van belang het onderscheid van Marken en Marken
zilvers in het oog te houden; op de berekeningen van oude gelds-
waarden kan eene vergissing in deze van grooten invloed zijn, en
voor het bepalen van andere munten en ponden is de kennis van
het uitgebreide Marken wezen van bijzonder groot belang.
Ook van de Marken, de Marken zilvers, de Marken gouds en
de Geldtnarken is door de schrijvers over het muntwezen weinig
begrepen. Arend meldt dienaangaande het volgende: „De marken
„waren in zware en lichte verdeeld. De zware mark bevatte onge-
„veer de waarde van het kleine pond Toumooisch, de lichte zou
„thans genoegzaam een tien centstuk waarde zijn. Doch ook hierin
„heerschte in verschillende landen aanmerkelijk verschil. De Bra-
„bantsche marken onder anderen, werden gerekend tegen acht en
„veertig schellingen Zwarte Toumooisch. Men rekende insgelijks
„bij gouden en zilveren marken. De mark gouds zou nu in waarde
„met honderd en twintig, de mark fijn zilver met vijf en twintig
„gulden- onzer munt gelijk staan." (1)
Zie, hieruit blijkt, wat er van eene zaak te recht komt, wanneer
men eenvoudig overneemt wat de schrijvers ons dienaangaande verhalen.
Maar wij eindigen ditmaal onze beschouwingen. In een volgend
stuk zetten wij die weder voort, met de ontwikkeling van de niet
minder merkwaardige Brabantsche pondenreeks, toegelicht met
velerlei oude berekeningen.
(1) Arend. Algeraeene Geschiedenis des Vaderlands. Deel II. Eerste stuk, bladz. 520.