-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
W^ /ó}^C
-ocr page 4-
.
.
.
.
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-
i^S-7
IIIMIIl.....»lll......I............Mllttltllll.....III........tltMIIlllMIt...........I.....MIIIIMIIIJMIIIU.....11III.....I..........1.........Ml
„PLUKSEL-BLAODJES".
ui i nu immuun.....iiimiimimimiiiu..........nin.............hiiii.....i........Minimin.....iillilillllllM.....iimmmiiiiii......~t
-ocr page 8-
RIJKSUNIVERSITEIT UTRECHT
III
021
8 6769
-ocr page 9-
r
II IMIirllllllllllllllMIIIIII II Itlllll lllllll IMIItllll III MIMI IIIIIIIMIIIMIIIMIIII llll llll llllllllltl llll Illl lllllt IIIIIMMIIIIIIII11111111111111
5348000100020201010202000202020001010201010001020100010201000100020102020001535353534848535323534848535323230002235323489090
„PLUKSEL-BLAODJES".
•Het Leven in /VIaatschappij en fruisGEziN
ic»a jcbcl\'j acvtacbt bcci
„BATAVUS."
UITGEGEVEN DOOll
Dr. A. H. DE HARTÜG.
AMSTERDAM.
J. A. WORMSER.
445899999999099999999999999999999999999999�����87
BIBLIOTHEEK DER
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
-ocr page 10-
-ocr page 11-
MIMIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIMMIIIIIIIIMIIIIIMIIIIMIMIIIIIMIIMIMIIIIIIIMMIIIM
*_J<lan a
een
(be/öf-t_J$cSi//\'aten oJl
iel
MR, G. VAN TIENHOVEN,
oBurgemeester van eAmsterdam.
0202000201000001020002020202020291904853010001020000000201020248010201010001010202020202020002
-ocr page 12-
-ocr page 13-
llllMIIIHIMMIIIIIIIIIIIMIIIIinillHllllllllllllllllltHlllllllllllllilllllllllllHIIIIIIIIIIMIMMIIIIIMIIMntlllllMIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIII
Daar „Batavus" af en aon gedurig „navraog" heeft naar    |
i    zijne Betuwsche schetsjes, wil hij ze maar „bij mekaor"    |
1    uitgeven. Prosint! ik hoop, dattie d\'r goed aon duut. De    |
|    taol is wel wat vrèmd en onbehouwen, maar niet d\'n inhoud    |
|    zullen onze „sociale"\' vrienden, naar ik vertrouw, zich best    |
|    kunnen „verstaon". En al is de toon hier en daar wat    |
I     ,luimig", al lachende de waarheid te zeggen kan ook z\'n    |
|     .nuttigheid\'\' hebben. Hannes-boer had \'r altied \'t meeste    |
j    profijt van gehad, „assie \'t snapte, dat iemand met \'n „sna-    |
I    kerigheidje" \'m \'n goeje pil te slikken had gegeven"!             \\
Met één ding heeft „Batavus" mij bezwaard, namelijk.    |
i    dat hij mijn naam in z\'n pseudonym wil „betrekken"; zoodat    |
I    ik eigenlijk z\'n „schetsjes" mot uitgeven. En nu weet ik    1
I    wel, dat mijn naam „nie veul" is, en dat ik \'t, ien de vurm    |
|    ten minste, graag heel anders zou gezeid hebben; maar as    1
I    nou „Batavus" twee honderd keer: ja! weet in te brengen,    |
Ê    al kan ik dan ook van m\'n eigen net zoo duk: neen!    I
I    zeggen; dan mot \'t toch maar gebeuren.                                    I
0200010201020001000201000001000200000202000200000200010102000000010101020001020001020102010102
-ocr page 14-
niiiilillMMMIIIiliiiiiiiiiiiiillllinilllMIIIIIIIIIIIIIIIMMIMnillllllllMIIIIMIIIMIIIIIIIItllllllllllllllllflMlllltllMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIM
Van meer belang is \'t voor „Batavus", dat z\'n oude     |
| vriend, de Burgemeester van Amsterdam, welwillend de     i
| opdracht van deze Betuwsche schetsen *) heeft aanvaard.     I
| .Daor kund\' et meê doen!" zei ik. En ik mot zeggen, dat    i
i \'k \'r dan ook erg meê in m"n schik bin; en vereerd ook. dat    |
i \'k m\'n naam voor de uitgave gegeven heb. Moge de „hooge"    |
| instemming van den , Edelachtbaren vriend\'\', ook door de     I
1 lezing van deze schetsen, ons pleit voor recht en waarheid    f
| in onze maatschappelijke toestanden ten goede komen!
Zegene de Heere onze overheid, die het zwaard niet te    I
| vergeefs draagt, met goedertierenheid en oprechtheid! En    f
1 alle onderdanen met gehoorzaamheid en vrede!
In onderdanigheid bied ik, met dit votum den „vir Ba-     f
1 tavus", onzen Burger-vader, mijne eerbiedige hulde, als zijn    1
| oude vriend, en trouwe „stamgenoot"                                         I
Dr. A. H. de Haktou.
Amsterdam, December 1888.                                                    \\
*) Overgenomen uit het weekblad „Patrimonium ".
MIIIMIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIilllllJIMIIIIIIIIIIIIIlllllllllllllHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIilHIIIIIIIMIIIIIIIII"
-ocr page 15-
^IIIIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItlllIIIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIMIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIMIlllllllllllllllllllllllllllllllin
PLUKSEL-BLAODJES.
Gij herinnert u misschien (en misschien ook niet!), dat     |
I gedurende de Aprflfeesten .bij proclamatie*1 in Amsterdam    1
i stond aangeplakt, dat de bewoners der .Batavierstraten*1    f
i afstammelingen zijn van de echte, oude Batavieren. Nu.     |
Ê wanneer „Batavier" hetzelfde beteekent als .Oranje-klant".    §
| gelijk ik in die dagen een snuggeren ouden heer, te mid-     |
i den van zijn kroost, hoorde debiteeren: ja. dan moet ik     |
ï zeggen dat de lui uit de Batavierstraten, en met hen nog
| een heele zoom anderen, zeker wel afstammelingen van de    i
| echte, oude Batavieren zijn. Maar anders geloof ik. dat    1
I hun oorsprong nog heel wat verder op in het Oosten ligt.     |
1 Ik ten minste, die midden uit het land der Batavieren, uit    |
I het hartje van de Betuwe, mijn afkomst heb, heb er nog    |
| nooit een „Batavier-strater" ontmoet, om zijne familie, of    |
[ zijn voorvaderlijk erf nog eens op te zoeken! Dezer dagen,     1
I toen ik er op uitging, om bij den eersten .kersenpluk-1 te     |
"IIMIHiiHiillllllllHMIMIIIIIIIIIIIimiimHIIIIMIIIIIIHIIHIIMIHIMIIIIIHIMIIHIMIIIIIIIII......MMIItllHMMMMIIIMHIIIMIIIIIIIIH
1
-ocr page 16-
^IMIIMMMIMIMMIMIIIIMIIMIIIIMMIMIIMIMIIIMMIIIMMIIMMMIIIMIMIMIIIMMIMMIMlMIMMMMMMIMIMIIMMIMMMMMMmiMIIMIII
= \'1                                                 PI.UKSEL-BLAODJES.                                                            Ü
I     zijn, hel) ik nog eens goed rondgeloerd. maar ik hel) er geen    i
|    enkelen kunnen ontdekken, geen grooten noch een kleinen!    i
Maar wat ik er wel gewaar ben geworden, een schrik»    ï
|    keiijken hoop muggen, een zwerm spreeuwen, die op de    §
I    kersen afkwamen: een boel maleontenterij. net als overal:    I
|    rijk en arm door mekaar, of\' laat ik liever zeggen, erg ver    I
1    van mekaar af: veel „goeierigheid" en veel .slechtigheid".    \\
|    En dan ook nog (en dat is misschien wel een goed teeken)    i
|    dat de nienscben van „de ouwe zeden en gebruiken" niet    i
|    afgaan, al gaat de spoorwagen ook midden door hun veld    i
1    been. En dan ook nog (en dat zie ik graag) dat ze erg    i
ï    .vast-kleverig" zijn aan hun land, (en daarom denk ik nog    I
|    te minder, dat de .Aprilfeesters" uit de Batavierstraten uit    f
I    die streek .van daan" zijn!)                                                        \\
In mjjn jeugd las ik al in Tacitus. dat de bewoners van    i
|    dat land „glebae addicti" zijn. Mijn meester heeft het toen    i
|    nog voor mij \'moeten corrigeeren: want ik had vertaald, dat    \\
1    ze erg op de kluit zijn. Maar dat beteekent \'t in \'t geheel    i
|    niet, zei hij; neen, maar erg gehecht aan hun vetten, vrucht-    I
|    baren grond. Nu, zoo zal \'t wel wezen. Ten minste bij de    [
|    tegenwoordige Batavieren is \'t zoo. En ge kunt ze niet licht be-    \\
|    wegen, zelfs maar voor een dag of wat. om hun hof of hofsteedje    f
TllllMIHMIIIIIII MINIMI IIIIMIII.miHMMHMMIIHMHIMMIIillMIIIIUmiMlllllllimiMUIIII.......IIIIMMIMIIIMMIIIMMIIIIMMIIIIh"
-ocr page 17-
j,IIIIIIMIIllllilMMMIIIItMIIMIlll[IIIIIIIMMIIMIIIIIIIIIIIIIMIlllMIIIIII|[|lllllllllll[IIIIIIIIMIIIIIII[IIIIIMNIIIIIIIIINNIIIIIIIIIMIIIII
152957849�99�990999999999999999999999999999999999999999999999945
54�5�5114569�5471542844�11555444451155429996444�155411554�154415
PLÜKSEL-BLAODJES.                                                3
j    te verlaten, „\'t Is toch ok zoo vrèmd, as ge uut oewen doen    [
j    uut ziet; en dan al die vremde parlefoeferjjen!"
Maar wat ik u eigenlijk wou zeggen, is dit, dat toen ik    \\
[    de laatste keer in dat land van vrijheid en vettigheid was,    i
Ë    \'t zoo „ien ins" hij me op \'t „propos"\' kwam, om mijne in-    \\
|    drukken van den dag, en mijne opinie over verschillende    j
\\    toestanden in huiselijk en maatschappelijk leven in losse
j    opmerkingen neer te schrijven. En daar nu niemand he-    j
Ë    hoeft te weten, wie ik ben; en het alleen de quaestie zal zijn.    \\
\\    niet, wie? maar, wat? ben ik zoo vrij mij te teekenen als    I
Ë    ,Batavier."                                                                                     [
Gij moet nu echter niet denken, dat ik u particulier over de    I
I    Betuwe en de Batavieren ga schrijven. Och! de menschen en    j
!    de toestanden in huis en hart zijn, trouwens, overal al net    j
Ë    precies hetzelfde. Veel eigengerechtigheid, zelfvertrouwen, har-    [
j    digheid van het hart, „achter-baksigheid\'\' tegenover een    |
j    ander.....en dan nog den trek naar de „qu\'est que c\'est    |
I    9a," zoo als mijn oude buurman Jansen zei, en dan bedoelde    \\
I    hij daar „duim-kruid" meê. En dan nog zooveel meer, wat    |
Ë    ons overal al weer \'t zelfde herinnert, dat een menschenhart    f
j    vol „slechtigheid" is. Och! als er maar een straaltje van    ï
|    boven in valt, om die „ijzigheid" te ontdooijen; en wat licht    |
\'lllillllllMllllllltillllllllllllllllllMIIIIIMIIIIHIMIIinillllllllllMIMHIIMIHIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIlMIIMIItlllllllllillllllllllllHIIIIIIIN
-ocr page 18-
^IIIMIIIIIillllllllllllllllllllllMIMIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIMIIIIIIIIMMIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIllllllllllllllMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIin
ï 4                                                  PI.UK.SEL-BLAiiD.IES.                                                          ï
|    van boven, om nieuw leven in te dragen in hart en huis.
I    dan wordt liet Goddank! wel anders. Maar anders ,van de
|     .natuur" is de ééne mensch al „geen spiereke" beter dan
|    de ander.
Van hebberigheid gesproken en van malcontenten]; dezer
I    dagen kwam ik iemand tegen met zijn „mupke" (mop), zijn
1    trouwen hond. waar hij altijd erg veel meê ophad. Ik zei tegen
i     \'111: .jong. Peperkamp, „mupke" is oud geworden!" ,,Ja," ant-
|    woordde hij, .ik zal \'r niet veul .drie guldens" meer veur naor
|    den ontvanger hoeven te brengen !" Wat \'nminsch, om dadelijk
i    de trouw van zijn hond naar de hondenbelasting te waar-
|    deeren! én wat een .mal-contenterigheid!" Ik hel) bij geval
|    dien eigen dag, „Belcampius hora novissima" van hem ge-
|    kocht voor drie gulden, en zei, bij het betalen, misschien
|    wel wat ondeugend: .zie zoo, Peperkamp, nou hèdde „mupke"
|     weer veur een jaor vrij!"
I                                                      II.                                                     f
Het spijt mij niet van de drie gulden, die ik voor „Belcampius §
laatste ure" heb besteed. Ik kan anders niet ontkennen, dat |
Tlll MIMI MUI MIMIIIIIIIIHIIIIIIIinMIIIHIMIIIIMIHItllMMIimillMMHIIIillllllllllllMIIIMI Itlllllllillllllllllllllllllll 11(11 IIIIIIIIIIIM
-ocr page 19-
nniniinmnnnninnmnuinuiunilinniiiinnniiiiiiiiimiiiiiiiiiiuniuiuiii unniimiuHiimminiinrtiiMiii........iiiniin
I                                                         PLUKSEL-BLAODJES.                                                 5 I
|    het mij wel eens gebeurt, als ik met zekere .toeschietelijk"    |
I    heid" een boek gekucht heb (of boeken!), dat ik iets gevoel    |
i    van «rouw-koop". En dat ik mijzelf eens duchtig moet on-    |
|    derliouden. of ik geen gevaar loop. om aan het .liefhebberen"    I
|    te gaan, en alleen uit .liefhebberij" altijd al maar meer    |
|    boeken te koopen.                                                                          |
.Liefhebberen" op allerlei gebied is zoo gevaarlijk. En    I
|    \'t is tegenwoordig zoo aan de orde. De een doet hierin, de    |
I    ander in wat anders, de derde in nog weer wat anders. Men    |
|    nipt er zoo eens eventjes van; zet \'t weg in de kast; meent    1
i    al een heele .Piet"\' te zijn, als men op een kast-vol kan    |
i    wijzen; verlangt al meer. al door. naar wat nieuws; is opper-    |
|    vlakkig; blijft het; verspilt en verspeelt een boel geld....    |
ï    dat is ook eene van de vei-keerdheden van onzen tijd:    |
|    en een groote ook! .Een nare „petoel,"\' zei mijn buur-    |
I    man, en dan bedoelde hij daarmee eene soort van ziekte.    |
=    die in \'t bloed zit.... ik zou zoo zegden, die noar wat    I
ï    dieper zit.                                                                                        |
Maar, wat ik zeggen wou, het spijt mij waarlijk niet,    |
I    dat ik „Beleampius" van Peperkamp gekocht heb. Laat    |
j    ik u er een proefje van meèdeelen. Ik doe dit, omdat    |
|    \'t mij telkens is, alsof ik een schets uit onze dagen    |
>\'lll||||||||||||||M|||||t|ltlllllllilHIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIMIIIIIIIHMIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillllllllllltlll.....ifï
-ocr page 20-
�99999999999999999993311443�5�55��955444�3979999�
6                                           PLUKSEL-BLAODJES.
|    lees, als hij handelt over stad en huis en maatschappij;    |
|    en dat in een eigenaardige taal en welsprekendheid,    |
=    waarvan de ouden zoo bijzonder het geheim kenden. (Soms    1
|    wel een „bietje Lank-nattig*\', zei Harmen-oom; maar hij    |
i    had er geen verstand van!) In de opdracht van zijn    |
|    werk aan het Edel achtbaar Bestuur der Stad Amsterdam.    |
1    schrijtt hij :                                                                                     1
„Dese onse stadt is als het aenghesiclit van onsen staet,    |
|    het juweel des hints, het ooge des lichaems. Maer nochtans    |
|    even hier, hier wordt gesien eene groote verdorventheijdt der    1
|    zeeden. Hier vloegen na toe veele konstenaers van quade    i
|    rancken, en vinders van snoode wercken des vleesches, die    |
|    uyt alle hoecken van de wereldt hier na toe stroomen, en    f
|    haer winckel soecken op te setten. Hier vliegen na toe vele    1
|    nachtüijlen, secten en sectarissen, vele verlejjders en verleij-    |
|    dende geesten, vele lasteraers, droomers, en droom-geesten,    I
|    die als wespen en honimelbijen mede hare huijskens soecken    |
|    te maken. Hier zien wij dickwils twist, nijdigheijt, haet en    \\
1    onderdruckinge in de straten grasseeren. Hier worden dickwils    i
|    gehoort van oude, en jonghe1), schrickelijke lasteringen    1
\') Ja zelfs „jongho" van zes, acht jaar vloeken er op straat maar op toe      |
|     als ketellappers! schande !                                                                                      \\
�54�7999�449�99944��94451�50899999999999991839245
-ocr page 21-
iiiiiMillMiiiMiiiiMtiiiillilMntllililiiiiMiiiMiiiMiiiuiiiMinilluiilHliliiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiminiiiiiiMnmiiiiiiiminii
PMJK8EL-BLA0DJE8.                                           7
0102020053020000010253534823020001010200000202000002020000010202000153020000010000020153485348530202000053020048535353485389
van Gods alderheijligsten naem, ende gesien stoute se hen-
dingen van den dagh des Heeren. Hier sien wij vreemde
en wilde zeden opkomen, in den gangh (let eens op,
hoe onze zoogenaamde „jeunesse dorée" met „door knik -
kende knieën" loopt.... dat is gracieus! bah! Batav.), in
de kleedingen, in den wandel der raenschen, die alle pracht,
ijdelheijdt, en overdaedt den rujjinen toom gheven: weleke
oninoet meer schade doet. als het sweert der vijanden oyt
gedaen heeft. Hier zien wij, gelijk ook elders mede, hooghten
des satans, synagogen der zonde, winckels der boosheijdt,
spelonken en afgronden voor de zielen, daer de droncken-
schap, de hoererij, de teerlinke de menschen naekt uyt-stroopt.
en uyt-put tot de beenderen toe. AVel is waer dat Uwe
Edel-Hoogh-achtb.! tegen deze en diergeljjcke instortende
sonden wel dicwils <roede wetten en ordinantiën hebben
gemaekt, maar het quaet steijgert op tegen de wet. Soodat
ik vertrouw dat Uwe Edel-Hoogh.-achtb. somtijds al such-
tende aensien deze geweldige schip-breuk der zeden, niet
wetende hoe zij in dese stereke roock en barningh van de
sware golven der algemeene sonden. dese groote- zee van
menschen in ordre zullen houden."
Taal en stijl moge ons, nieuwer-wetsche Hollanders,
0101535323000202000002000100010200020101020202010102020200020101013202000002000202000201020101
-ocr page 22-
0202020202000101005323000132480102020002000201010102010202000002020002020102020200020200010101
0201485353482348230200530200015353534853899023482348530102020001020001025353010023022353020000010200000102005348234853234823
8                                           PLÜKSEL-BLAODJES.
wel wa vrèmd Keken. Maer ik zeg toch, da ze\'t „zeggen"
konnen in den ouwen tijd. En da ze ons „zoo doende\'"
ok nog wel wa te zeggen hebben! Prosit!
III.
.Rieken (rijken) en èrmen (armen) motten er zijn."
plag Hannes-nèf te zeggen. .As er niks as rieke waoren,
dan was bij slot van rekening èrmoei toch troef, da
zoude \'s zien. En as de ininschen allemaol èrm waren, dan
ïitten ze mekaor van èrmoei ö])." Ik lieb van Hannes-
nèf mijne eerste lessen in bespiegelende wijsbegeerte ont-
vangen (!). En of \'t nu ligt aan de allereerste noties van
philosophie, die ik op deze manier genoot, ik weet het niet.
Maar ik ben nooit een matador in \'t „bespiegelen" en \'t
»wijsgeer zijn\'\' geworden.
Toch kan ik wel \'zeggen, dat Hannes-nèf in zijn „uit-
gangspunt" gelijk had. „Rieken en èrmen motten er
zijn." En nu hel) ik geene „redenaosie" noodig uit de
bespiegelende wijsbegeerte, of uit de praktijk van \'t leven,
555555555555555555555555555555555555555555J555
-ocr page 23-
3550089524�21889219��26118�77
PLUK8EL-BLA0DJE8.                                           9 I
of wat ook. Maar ik weet, dat Gods Woord dit zegt. En
dan is het ook zoo. Mijn .ouwe doniinè," als hij iets te
verdedigen of te weerleggen of te leeren had, „zat altijd
volop in de kracht van het Woord," zooals de nhnschen
zeijen. En als hij een tekst of uitspraak had, ging zijn
„Iriepske" van den grijzen bol, en dan klonk het van zijne
lippen met een ja en Amen! vol kinderlijk geloof\' en oot-
moedige eerbiedenis voor den Naam en bei Woord des
Heeren.
Xu, Gods Woord zegt: .rijken en armen ontmoeten
elkander: de Heere heeft hen allen gemaakt"\' (Spreuken
22 : 2). „Die het aangezicht des vorsten niet aanneemt, en
den rijke voor den arme niet kent; want zij zijn allen
Zijner handen werk" (Job 34 : 19). En „rijken en armen"
ontvangen gelijkelijk een merkteeken (Openb. 13 : 16). Ook
zegt de Heere: „vloek den rijke niet in het binnenste uwer
slaapkamer" (Prediker 10 : 20). En : „de arme zal niet op-
houden uit het midden des lands" (Deut. 15 : 11).
Mijn „ouwe dominè" zou zeker nog heel wat meer teksten
en tekst-verband gehad hebben. En ik zou ook nog wel een
enkel „woord" weten. Maar \'t is niet in het „niulta" (ve-
lerlei); het „multum" (het veelzeggende, ja alles afdoende.
\'\'MIIIIMIIIIiiiMiiHiiiMiiiiiiiiMilllllMIIIMIIMIIIIIMIIIIIIIIIHIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMItlllllllllMIMIIMMIMIIIIIIIIIIIIIliT
-ocr page 24-
i.1\'.....[ 111 r...........t......1111 r...........1111................i..........111 f.......T11 r ri 111................Illlllllllll...............n......MIJ
5 10                                         PLUK8EL-BLA0DJES.
|    zelfs van een enkel woord) is genoeg. Trouwens, wie nog    |
|    maar eenigszins gehoorzaam blijft aan het Woord, zal, al    i
|    ware het dan ook zijne laatste gehoorzaamheid, erkennen    |
I    dat er rijken en armen zijn en geschapen zijn naar de    |
|    ordinantiën Gods. En dat het een „toohoe waboohoe" een    |
|    , woest en ledig" zou worden, indien het niet" zoo ware !
Maar dit is, ook naar luid van Gods Woord, het schrik-    ï
|    kelijke, als „de rijke harde dingen antwoordt" (Spreuk,    i
1    18:23); als hij zich beroemt in zijn rijkdom, en geweld    |
I    pleegt en zijn troost weg heeft (Jer. 9 : 23, Jak. 2 : (3, Luk.    |
|    6: 24 enz.) En, als de arme niet in oprechtheid wandelt    |
|    (Spreuk. 19 : 1), en een „bedelaar" wordt (Deuteron. 15 : 4),    1
1    en zich van het recht laat afwenden (Jes. 10:2).
|        En nu geloof ik wel, dat dit door alle tijden heen    f
1    zoo geweest is. En als ik „de geschiedenis" goed be-    \\
\\    schouw, dan „miert" die wanverhouding door alle eeuwen,    =
1    betrekkingen, toestanden enz, heen. Maar in onze dagen is    i
|    dit „schrikkelijke" toch schrikkelijk erg. En \'t eind is weg
|    van de „weelderigheid" der rijken, en de „brutaligheid" der    1
|    armen (altijd: de goeije niet te na gesproken!). En die    f
|     „voornamigheid" bij den een, en die „vlêmerigheid" bij den    I
|    ander ! Die hooge, kille onverschilligheid bij de „voornamen,"    |
MIIIMIiniliniHIIIIIIIMIIIIIillllllllMIIIIIIIIIMIIMIHIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIMIIIIIItHlH
-ocr page 25-
TQ5555555555555555555555555555555555555B555555
155151862999999999999954415544544�51554
11
PLUKSEL-BLAODJES.
(en vooral bij dezulken, die voor .voornaam" willen door-
gaan) : .is \'n minsch dan en hond ?\'" kon Hannemeu zoo
aandoenlijk zeegen. En daarentegen, dat bedriegelijke en
gluiperige, en dat ..Tantje-van-alles" te willen zijn, als men
er maar meê .aan de centen kan komen."
En dan, mijn „Engelsen" ben ik haast vergeten! Maar
dit heb ik er toch nou van een Engelschen dichter uit
onthouden (misschien wel. omdat het zoo waar is), dat de
inensclien, die bij den rijkdom in de leer zijn, maar
vooral o]) deze drie dingen moeten aanhouden, trotsch, zelf-
zuchtig en dom te zijn:
AU my oommands are easy, short and fnll
My s»ns! bc proud, be selfish and be dnlll
(alweer, de goeije niet te na gesproken!).
En van de „arme lui" is er ook zoo iets, om de koers
op drie dingen te zetten, lui, zelfzuchtig en brutaal te zijn
(exceptis excipiendis d. i. gelukkig dat wij er nog velen van
kunnen uitzonderen). Maar dit .verske" is mij ontschoten.
Naderhand hoop ik op die corruptie bij rijk en arm, en de
collisies, die daaruit wederkeerig en onderling hare oorzaak
hebben, nog wel eens terug te komen, en u eenige voor-
�5295�4151415415441455
0200010002004823010200020002000200000102000202000001020001020001020100010201010102004802010000
-ocr page 26-
^IIINIIIIIIllJIIHIIIIHIHIIIIIIflIllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllfflIlllllllllllllllllllllllllllflIfflHIflIlllllllllllllIflilllllll
| 12                                         PLUKSEL-BLAODJES.
|    ()eelden uit het dagelijksch leven ter illustratie meê te deelen.
Nu wil ik u alleen nog opmerken, dat, indien er ergens
|    of immer eenige remedie tegen deze ellende zal toegepast
1    worden, dit in gehoorzaamheid aan het Woord van God. en
|    de heilige tucht van het Woord kan worden gevonden. Wat
|    men anders ook poge, of prohére, \'t gaat er meê, als de
i     Westfaler schreef aan den dokter, toen zijne vrouw, ondanks
i    de medicijnen, gestorven was:
|                                                   Bezcpte waren da?
|                                                   Ach neinl nur epitaphia.
AVelk laatste woord hij verstond, maar zeer ten onrechte,
| alsof het beteekende middelen om naar het graf toe te hel-
| pen. Maar zeker, al die middelen en pogingen, dat rekken
| en plooien, en .kalefateren en op-docteren" van allerlei
| wan-verhouding onder rijk en arm, och! \'t zijn niet meer
1 en beter dan „kwakzalverijtjes !"\', op z\'n best, zoo niet erger!
Gods Woord alleen is het „panacee," het heilig genees-
| middel tegen alle kwalen. Waar zijn de doctoren, om het in
| rechte maat en verhouding toe te passen?
IIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIillllMIIHIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIMIIIIIIHIIIIMIIIIIIIMIIIIItlMIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIItllllMnilllinillin
-ocr page 27-
IMIIMIIMIIllllllllllll............I1IIIIIIII.....Illtllllltl.........Illlll......llllllltlli..........Illlll.......lil»!............Illlllllllll
PLUKSEL-BLAOPJES.                                               1-ï
5495�45�555429992939999999��99999999999992599904�554155415415445
IV.
Dezelfde wanverhouding, die er is tusschen ,rijk en arm,"
en die haren ooi-sprong heeft in de zondige bewegingen van
een menschenhart, en in de willekeurige proportiën van het
maatschappelijk leven, bestaat ook bij heeren en knechten,
bij baas en werkman, voornamen en geringen (N. B. de vrou-
welijke helft in dezen vooral niet te vergeten!)
Al weer, ze moeten er zijn, kleinen zoowel als grooten.
ondergeschikten zoowel als .overgeschikten"\'( ik geloof eigenlijk
dat dit laatste woord niet deugt, ondanks de opmerking van
een taaimeester: als ge .onder-geschikt" zeggen moogt, dan
kunt ge even zoo goed ,over-geschikt" zeggen. Neen maar.
waarde taai-kenner, ik geloof dat uwe over-geschikten lang
niet altijd „over-geschikt," ja zelfs niet ,geschikt" zijn!):
arbeiders en werkgevers; die in laagheid wonen en die in
hoogheid gesteld zijn enz. En die zeggen, dat dit niet zoo
is. die snijden deze cpuaestie eenvoudig in stukken met het
scherpe „vliem" van zelfzucht en willekeur.
,Er is tegenwoordig met de pretensies en de brutaligheid
van het volk geen huis te houwen; wat een geluk, als we
ze maar niet noodig hadden!" zoo mokt het bij de bazen.
�99999999999999999999999999999999999�999999999�
-ocr page 28-
9999999999999999992999999999999999999994449999�
0153892353234853230001010223485300010248485323000102020001000053480000000200000002020200010200015323535348234853232353535300
14                                          PLl\'KSEL-BLAODJES.
Maar, eilieve! gij die zoo „moppert," als gij zelf eens „volk"
waart, o! Mat zoudt ge „een noten op uw zang" hebben,
met een brutalen mond misschien er bij.
.Miiin baas mag voor mijn pêrt gestolen zain: as ik\'s baas
was, neê, ik zou \'t m ênders lapp\'n; zoo\'n duiten»wipper!"
zoo raast en smelt menige .zweetert." Maar o! o! als gij
eens baas waart, of .m\'nbeer." of de .mevrouw!" wat zoudt
ge ze krijgen, en altemet de duimschroeven aanzetten !"
Maar neen, zoo ligt de quaestie niet. Of de menschen er
allerlei .raars en naars" van maken, dat is de vraag niet.
Maar of \'t beginsel recht en goed is, dat er meerderen zijn
en minderen, heeren en knechten enz. En dan ga ik maar
weer met mijn .ouwen dominé" in de leer bij Gods Woord.
En dan vind ik de heele Schrift door. tien plaatsen voor
één, en in gedurig tekstverband, dat het zoo „recht en goed"
is. Wil iemand ze hooren, ik schrijf tien bladzijen er meé
vol. En als het dan nog niet genoeg is, laat hij dan maar
eens bij mij komen, dan zal er ik hem nog wel wat bijvoegen !
Doch dit is, evenals bij „rijk en arm" het ongeluk (en
we hebben dat zooeven in de „redenaosie" van den baas.
en van den .zweetert" ook al wel gevat) dat de zonde, in
zelfzucht en onbarmhartigheid en ontrouw, alle betrekking
02020001020000020101020202320000020202000200010102010001000002020002020001020100000001010153
-ocr page 29-
0101000100010201000200010100000202010100010102020202010202010202020101010202001105010202485348
0053025323484800000001020153000001010201000100010202020201000100020000010202010001010202020000000101020001535348488990532348
1.-.
PLUKSEL-BLA0DJE8.
des levens in mis-crediet gebracht heeft. Corruptio optimi
pessima; \'t geen mijn meester, om \'t mij vooral toch recht
duidelijk te maken, voor mij vertaalde: „als ge iets heht
dat in zichzelf zeer goed is (\'t was nog zoowat in den trant
van de ouwerwetsche meesters), en \'t gaat mis. en \'t wordt
bedorven, dan is het het slechtst van alles!" En zoo is het
dan toch ook. En juist dat vloekt, als men den zegen in
vloek heeft omgezet. En juist dat .schrijnt en pijnt", als
men dan nog in zijne .wonden en zonden\'\' peper en bus-
kruid laat wrijven, inplaats van den rechten heerlijken
balsem der genezing te zoeken. En juist dat is de ellende,
ook van onze dagen, dat .eigen-gereide" wijsgeeren, en
zoogenaamde „weldoeners der maatschappij",en allerlei .beun-
hazen", die meeiien hun kans schoon te zien, met holle
klanken, en zondige theoriën, en ijdele bespiegelingen de
ordinantiën Gods trachten „ten onderste boven" te keeren.
Allemaol larie", zei de veldwachter bij mij op het dorp.
.en as \'t mijn te doen stond, dan zou \'k die lui heel gauw
hij de boks hebben.1\' Maar neen, gij dienaar van Hermandad,
zóó gaat dat niet!
555555555555555555555555555555555555555555J555
-ocr page 30-
�999999999999999999999999999999�99999999999999�
16
0048235353235302000001010200005302535323480202000100020200000102000001020101020200020102020001020048230202028990000002000002
PLUK8EL-BLA0DJES.
V.
Een paar jaar geleden ging ik op een zomerse-hen dag
eene „aehtermiddagsche" wandeling „door het veld" doón.
Na rijkelijk genoten te hebben van den overvloed en de
„malsigheid" van weiland en akker, en nu en dan eene
kleine „pauseering", onder een ouwe wilg aan den „sloots-
kant" of op een hekken, kwam ik tegen den avond
bij Arie B. den „waas-man", die midden in \'t veld woonde,
en „de wacht over \'t vee had." Den „baos eiges"\' vond ik
niet thuis; maar de vrouw, die in de wandeling „moeder*\'
hiette, had mij met „Betuwsche hartelijkheid\'\' al gauw aan
den praat over \'t weer, en of ik \'t „ien de stad nog al goed
bótteren kost?"\' en over \'t spoor, r) „dag\'ge daor tegens-
woordig zóó en eind meê weg ziet, en dag\'ge> op éénen dag
gemekkelijk naor Amsterdam en weer weerüm kunt" enz.
Totdat ons gesprek verliep, doordat een „arbeidsminseh"
inkwam, die, zooals hij zei; „zoo muui as \'n hond", opeen
stoel neerschoot\'.
„Ge ziet\' er niet erg best aon toe geleuf ik, van Welie"
zei .moeder".
\') \'l Spoor liep toen pas door de Betuwe.
-ocr page 31-
IIIIIHMIIIIIIIIIIIIMIMIIIIMIilliMIIIIMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIflIllllllllllllIlflIIItltlllllflIIIIIHIIItlllltlllllir
PLUK8EL-BLA0DJES.                                          17
5353530200010202000102000201020201000100010289530000232353000100000000020101000002020102000102000001010202010102015323530101
„Nee dïi bin \'k ok nie, vrouw ; ik bin zo muui ien de
been, en m\'n ènns hangen d\'r zoo slap bij, krek of da ze
aon \'n draodje hangen. Wilde wel geleuven, ik hè nou mar
en uureke geloopen, maar da ik nog niuuier zie, as da \'k
vroeger twee zeilings gebouwd ha?"
,Witte-wat\'\' zei „moeder" weer, „den baos zal wel zoo
stond thuus kommen; die motte alles mar is vertellen; die
zal wel en „remeelie" (remedie) veur oe weten.*\'
\'t Mag nog zoo\'n „kartierke" geduurd hebben, dat van
Welie mar zat te „hechten" en „bjj te kommen", en rmoe-
der" haar gewaardeerd discours deelde tusschen hem en
mij; en daor kwam de baos, die in de wandeling den bij-
naam had van „de vos" (dat moest ik nu eigenlijk maar
niet zeggen!) met \'n „deuntje fluiten" thuis.
Toen ie mij „ien *t vezier" kreeg, had hij erge schik:
want „we hadden ummes vroeger duk zamen gevischt, en
tippels afgedaon, en waoren verschèjen keer met de sjês
uaor de stad gewest enz." En in den iever van \'t gesprek,
nam zijne Betuwsche „familjarigheid" zelfs zoo\'n vlucht, dat
lij gedurig znn discours stopte met: „Annold, za\'k mar
«eggen!"
Op eens echter was onze „drukte" over; want „moeder"
110100010200020202020202000100010101010200020201482302020000010253000002000902020201020102
i
-ocr page 32-
0101000201020000000101020102010001020201020201100200010201000001010100020100000102010102000202
18                                         PLUKSEL-BLAODJES.
Y 555555555555555555555555555555555555555Q555555555555555555
nam het woord. Dat kon ze zoo doen (en die zijn er wel
meer, die dat zoo kunnen!) dat ze in \'t spreken een toon
aannam, alsof „ielkendeel", ui was de burgemeester er ook
bij, moest zeggen: „nu is de beurt aan moeder!"
„Vertelde gij nou is aon den baos, van Welie, wat dat
oe mankiert."
Eu daor begon het klaagdeuntje van van Welie weer.
„Ja, jong, wa za \'k oe zeggen ? \'t éten smikt me al lan<4\'
nie meer; ik zie tegenswoordig zoo mankeliek en sjagrei-
nerig as \'n ouwe kêl; ik hè zekers al vieftig gulden aon
d\'n appeteek verdokterd: maar \'t gift geen spier; ik word
egaol aldeur minder, zou \'k zoo zeggen; en \'t zal gaauw met
mien \'t vel over de hutjes wezen.\'\'
.Hou suut mar,\'\' viel Arie hem in de rede, „ik zie al
wat oe mankiert. Witte wagge doen mot, mènneke? ge
mot \'n handvol klef]) vatten, en da laoten trekken op \'n
kruk oud bier, en dan motte \'s mergens op de nuchtere
maog daor \'n glaosje vol van vatten; dan zul d\'ès wa zien.
\'n Poos geleejen hè\'k \'n mins gehad, die net \'t eigenste
mankierde as gij, en die \'k \'t eigenste remeelie heb aonge-
\') Een kleverig onkruid, dat langs de doornen-lieggen groeit.
1111 f 11.111111J1111J11111J11111111.....j 1111111111 i 111............t * j.....j 11111 j 11 j 11 i i J1111J j........1111111111111111 i 1111 r 11111 j 11111111.....\'
•
-ocr page 33-
0000020200010200010202000102010253485323484853234848480002020202000000000201020200020102020100000289530100020101020200485323
0248020002000201010002020100020202000202014831000100010200020002000002003202020000020001000202020102000200020102235300020200
PLUK8EL-BLAODJE8.                                                VJ
raojen. Hjj is \'t er dood af gegaon; mar \'t hét \'m toch
geholpen!"
.Ik vrees dat \'t mien ök wel zoo gaon zal," lachte van
Welie éf\'kes „erg witjes."
VI.
Onlangs was ik in de eigen „conterijen," waai\'van ik u
den vorigen keer geschreven heb. Na een uur drie, vier
.gekuijerd" te hebben door „klaver, koorn en koeijen,"
kwam ik weer bij Arie .de vos" (dat moest ik niet zeggen!)
en ,moeder" te land. Al spoedig wist ik \'t .gekwék" van
Arie en „moeder" daarheen te leiden, „dat ze me eens
vertellen zouden, hoe \'t toch met van Welie was afgeloopen?"
„Die is tegenwoordig weer zoo klaor as \'n „kluntje"
zei Arie.
„Zoo? Wel, wel, dat had ik nie kunnen denken," ant-
woordde ik. „Zeker van ouw klef met bier!"
.Da hou ik er tenminste wel veur, dat \'m da \'n boel
geholpen hêt; \'n puike remeelie, jong; daor zien d\'r al heel
IMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIII............
-ocr page 34-
MIllllllllllllllllllllllllllllllMIIMIIIMinilMIIIIIIIIIUIMIIIIIMIIIIIMIIIIMIMIIIIIIIIIIIIIIMIIIMIIIMIMIIIIIIMIIIIIMnilllllllllMlllllll
I 20                                              I\'Ll\'KSEI.-HLAIMMES.                                                            Ê
| wat weer nieê op de been geholpen. Mar, um oe de waor-    I
1 heid te zeggen, had ik niet gedocht, dïi van Welie \'t er    f
weer mee zou opgehaold hebben. Witte wagge doen most?    =
| ge blieft zeker nog wel een dag of\' wat bier? ge most \'m    I
1 es opzuuken: hij liet \'t nog duk over oe gehad."
En dat heb ik gedaon; ik heb van Welie .wezen op-    |
1 zuuken." Ik kon m\'n oogen niet gelooven, zoo welvarend    f
| zag diezelfde .hechtende, witjes-lachende, zieke"\' van Welie    f
ï van voor twee jaar er uit.                                                            1
»Het \'t klef met oud bier oe weer béter gemakt?" zei    |
I ik. meteen dat ik \'n .stevige hand\'\' van hem kreeg.
Nu lachte hij weer zoo gul as \'n ronde Betuwenaar; maar    §
toch met zekere ironie in \'t lachen, en een zacht verwijten-
= den blik in \'t oog.                                                                        §
,Xee," zoo begon hij, ,\'t bier en \'t klef hebben\'t\'m nie    f
I gedaon. De vrouw had \'t anders nog vèrrig gemakt, en wou    |
| da \'k \'t ês probieren zou; mar \'k hé \'t \'r gin mond aon
1 gezet... allemaol kullaosie! En ik zoo zeggen met mien    |
| domme verstand, daor houdt .onzen lieven Heer"\', met allen
| eerbied gesproken, ök niks van. Nee, mar \'k zal oe \'t geval    f
| met korte woorden vertellen.
Die put, die ge daor ziet, en waor wij soort minsen uut    |
�999999999999999999999999999999999999999999999998
-ocr page 35-
MlllllllllllllinillllllllllllllflIilIlllllflItllllllllflIllflIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIinillllllllllllMIIIIIIIIIHIMIIIIIIIMIIIMIIIIMIIMIItJ
0200000290532353000001020201020200010200000101020201020223530102004853532300014853230200010202535353232348235390480001015323
\\                                                          PLUKSEI.-ltI.AOH.IES.                                                21 |
f    drinken, had al\'n heele tied troebelechtig waoter niet zó\'n
I     .bijsmaokske." „Rood-gronderig" zijen de buren; en dut docht
|    ik ook. En \'k zie d\'r van blieven drinken. Mar \'k ])6tte me
I    d\'r den dood meê ien \'t lief. Want bijgeval kwannnen d\'r
|    heeren uut de stad, urn „spectie" te maken; en toen kwam
|    \'t uut, dat \'r \'n straoltje van \'n riool ien de put uutsiepelde.
ï    En toen..." Maar ik zal verder \'t woord maar nemen voor
I    v. AVelie; dan doen wij \'t in een oogenblik af, waar hij
1    zeker met korte «woorden"\' (o, die korte \'woorden!) nog wel
i    een half uur over werk had. Hij was er natuurlijk .zoo stond"\'
|    met dat waoter uutgeschêjen; de put was „gerepperierd";
|    klaor, lekker waoter had ie weer gekregen; en nu, met den
i    zegen des Allerhoogsten „da mostie d\'r bij zeggen," was ie
i    weer „den ouwe knaap" geworden, en zoo gezond as \'n
i     „viske ien \'t waoter."
i        En toen hel) ik met van Welie dat geval nog \'s ,deur-
ï    gepraot". Dat \'r tegenwoordig op alle manieren „mieterig
|    waoter\'\' gedronken wordt; en dat \'r \'t vergift meê ingedra-
|    gen wordt in allerlei levenstoestanden en maatschappelijke
|    condities, die toch al aan „niarasmus" lijden. En dat \'t einde
|    d\'r van niet anders kan zjjn, dan „verderven en versterven."
1    En dat er helaas! zooveel kwakzalvers zijn ïi la „Arie de
0201535353485353535353484823234853539053234853020201010102000202010201020023480201000101000201
-ocr page 36-
HIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIMIIMIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillllllllllllllllllllllHIIIIIHIin
22                                               I\'M\'KSEL-KLAOIMES.                                                          =
4823000002020023485323232301000100025348020001025353235300020248530253535323000000484848010202020201000102000102005348909048
vos\'1; en allerlei lui die slechten raad geven — zooals de    |
buurlui van v. Welie — „dat \'t maar een beetje ,rood-    i
gronderig" is, enz. „Klaor waoter, man! motten we hebben,    I
als "t nog es weer goed zal komen. En daar is maar ééne    |
put, ééne bron, ééne fontein, waar dat „klaore waoter"    |
vloeit en voedt — Gods Woord!                                                |
.Altied da\' gepreek d\'r bij", zei Jan-boer, toen ik \'m \'t    |
geval vertelde, dattie nog al aordig vond; maar de toepas-    1
sing had ik veur zien part wel achterwege kunnen laoten.    |
Ja maar, Jan-boer, ge zult .eiges\'\' niet anders kunnen    |
zeggen, of \'t is zoo!
VII.                                                  |
\'t Is waar, dat er veel voor den werkman gedaan wordt,    f
(al wordt er ook veel meer niet gedaan, wat toch o!    |
zoo noodig gedaan moest worden). Door particulieren, ver-    |
eenigingen, en maatschappijen, door dorp en stad en staat.    1
Al was \'t maai — en dat is het trouwens ook voor \'t    f
grootste deel — om de mensehen toch ook eens een pretje    |
lllllilllllllllllllllllllllllllllMlilllllllllllllllllllllllllllllllMIMIIIIIMHIIIIIIIIIIIilllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMin
-ocr page 37-
8991010201000102020123020201020202010100020002010102010202020201020001020102010200020000010100
S-\\
l\'l.l\'KSKI.-HI.Anll.lES
1    te gunnen; of een (laagje vrijaf te geven; of ze „voor een    |
|    gulden heen en terug"\' een plezierreisje te laten maken; of    |
I    ze immers in dezen, „bij de rijken" niet achter te stellen,     |
I    dat ze voor „een kleinigheid", of des noods „voor niets" op    §
|    de leer kunnen gaan bij meesters van .lagere, middelbare    |
|    en hoogere orde". Ik noem maar iets van \'t vele wat er al-    |
|    zoo voor den werkman gedaan wordt — door particulieren.    |
I    vereenigingen en maatschappijen; door dorp en stad en staat,    f
|    Een courantje kun je tegenwoordig haast gratis lezen; volks-    |
Ë    voordrachten worden er gehouden bij de vleet, om ieder vak    |
I    van kennis te „populariseren (!); door kunstmatige produc—    |
\\    ties — „botter van de koe, da\'s béter\'\', zei Tieske Jansen     |
|    — wordt „een elk en een iegelijk\'\' in de gelegenheid ge-     i
i    steld, „om zich goed en goedkoop voedsel te verschaffen".     |
1    Wandelingen , waar je \'t mooije van hebt voor \'t aangapen :    i
I    kinderspeeltuinen; volks-vermakelijkheden enz. Ik begin pas    |
ï    met al die „weldadigheden*\' op te sommen ; en ik zou er meê    |
|    van de honderd in de duizend kunnen komen.                           I
\'t Is waar, er wordt veel voor den werkman gedaan. En    1
I    ik wil de goeije bedoeling, die daarin ligt, of liever die    |
|    daarin gelegd wordt, niet miskennen. „Ge moet \'t liever    |
i    prijzen!" zei de oude ontvanger bij ons op \'t dorp, toen    |
\'"MIIIIIIIIIHIIMIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIim......Illlt.....I.........Illlllllllllllil......II lil......lllimilllllMMM!.........IIIIIII lil III n
-ocr page 38-
MIIIIMIIMIMIIIlHIMIIIMIMIIIMMntlllllllllMIMIIIIIIMIiniHlllltMIinitlllllllllllllllllllllllllMlllllllllllllllllllllllllllMIIIIIMiniM
| 24                                         PLl\'KSEL-KL.VODJES.                                                   I
|    ik op mijn manier bezig was \'t mij erg gemakkelijk te maken    |
|    in \'t opwerpen van allerlei aanmerkingen. „Ge most \'t liever    |
I    prijzen ; \'t gebeurt toch allemaal om best-wil, en „voor niks" !    |
1    Nu ja, prijzen dan! heer ontvanger! Maar dan toch onder    |
|    uitdrukkelijke reserve van mijne overtuiging, dat ge \'t niet    |
|    al deze dingen voor den werkman niet beter maakt; ja, dat    |
|    ge hem eigenlijk in erger conditie brengt. Met het klef van    \\
|    Arie „de vos", en \'t krukske oud bier, of met die beide    |
|    zamen wordt van Welie niet van zijn „malheur" genezen.    1
|    Zoethout en dropwater en kamillen baten den zwakkeling    i
=    niet. Een daagje „op de viool spelen"\' zal den uitgeputten    I
|    lijder niet weer op de been brengen.                                          §
.Maar kennis wel," zegt de Nieuwe Rotterdammer c. s.;    i
i     „leer het volk maar, en voed het met kennis, dan worden    1
|    zij rijp voor den geluk-staat (is dat soms „Utopia", van    i
|    Thomas Morus ?) en maak ze dan godsdienstig (!), dan zijn    i
|    ze rijp." — „Yer-nood-rijpt" zooals wij in de Betuwe zeggen.    f
|    En dan bedoelen wij daarmee een peerke of pruimke, dat    f
|    erg veel „van de droogte en van de zon gehad heeft," iets    f
|     „zoetigs" krijgt, maar intusschen verschrompelt, en inkrimpt,    I
|    en wegdort; en oj) een goeijen morgen, lang voor den tijd    I
van normaal en gezond rijp worden, is \'t afgevallen; en „de    f
454451455�1145151443�4��444551141544511��45411�55
-ocr page 39-
IIMIIIIIIIIMinillliniMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillHIMIIItlMIHIIIIIIIHItlllllllllllllllllllHIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII
5555555555555555555555U555555555555555555555555555%Y5555555
9�99999999999999999999999999999999999999999999999999999999999999
=                                                   PLUK8EL-BLA0DJE8.                                         25
|    keujes," die in den „bongerd" loopen, hebben het peerke
|    of pruimke „opgeknoept!"
Neen, voor alles, en in alles, en boven alles door Gods
|    Woord, en het eeren der ordinantiën, die Hij in Zijn Woord
i    gesteld heeft; door den dienst des Heeren, en den wandel
i    in het spoor der godzaligheid, die tot alle dingen nut is,
I    heeft het zorgen en waken voor den werkman een volmaakt
    werk. Uit de bron van helder water is voor van Welie
    genezing en gezondheid „gekominen".
En nu zijn wij waarlijk geen „zieltjes van potaarde," zoo-
    als eene goede kennis van mij de „zeurige lui" pleegt te
    noemen, dat we geen oog zouden hebben voor de betrekke-
    lijke waarde van wat er alzoo gedaan wordt, om den werk-
1    man eens een „verzetje" te geven, en te helpen, en er boven
    op te helpen. Maar als \'t komen zal, goed komen, waarlijk
    goed, dan moet het van boven komen, en niet van beneden.
    „Wie \'n boom ten onderste boven wil pooten, die hè z\'n
    leven gin tier of trek d\'r van te wachten", zei den boer van
    het Elshout, „leer da van mien ês."
|
1
1
Ê
|
|
|
1
|
i
l,<lllllll|||ltlllMIIMIIIIIIinilMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIMIIIIIIIMIIIIHIIIMIIIItllllllllllllUIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMlllllllllllllllllllll
-ocr page 40-
IIIIIIIIIMIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHMIIIIIIIIIIMlIIIMIIIIIIIIIIIIIilllllllMIIMIIHM........MM III MIM MM I Ml 1111111! mij
2(>                                               PLUKSEL-BLAODJES.
1554�45455���4544990995�41344451�5999999954854154411544154111145
VIII.                                                  1
Wat ui „groote lui", die de stad uit zijn, naar buiten,    |
liefst naar het buiten-land! Nu, dat iemand, die het doen    i
kan, \'s zomers de stadsgrachten ontwijkt, al was het maar    I
alleen om de .stads-geuren\'\', ik kan \'t mij best begrijpen.    |
Maar rekent men wel eens met al de schade, die daaruit voor    I
den arbeid en bedrijf-kapitaal van het maatschappelijk leven    i
ontstaat? Denkt men er welaan, hoevelen zelfs een „iets-je"    |
van al dat genot, en die ruimte en die .frisschigheid" enz.    I
moeten missen\'? Heeft de absentie van persoon niet meestal    |
de absentie van hart en hartelijkheid tengevolge?
En dan denk ik ook wel eens, waarom willen de „groote    |
lui" toch meestal naar het buiten-land? Is er bij ons niet    |
genoeg te zien, te genieten, te rusten? Kent gij de heerlijke    I
zoomen van de Betuwe ? de heuvelen en duinen in \'t Oosten    |
en Westen? de geurige dennen van \'t zandige land, en de    1
bosschen, die den Stichtschen grond bedekken? En, om tot    \\
het proza des levens terug te keeren, waarom moeten toch    |
uwe rijksdaalders en tientjes, en zooveel meer als ik er in    §
opklimmende reeks nog bij kon voegen, naar \'t Ahr-dal en    |
de Harz en naar Zwitserland enz. ? al was \'t dan ook maar    |
5451311515104999�4714914�141671351114444�5413545�
-ocr page 41-
�999988455�9947501514544411�114144444115185454145
PU\'KSEL-BF.AOIUES.                                         27
1    naar Kleef, waar de lui de mond er naar staat, om te ver-    |
I    langen naar de „rieke Hollander"? Is \'t geen schade (ik    f
ï    had bijna geschreven .schande") voor ons volk? liggen    |
1    daarom de .sporen" zoo gemakkelijk, om er maar gauw    |
ï    een heel eind ver meê ,weg" te komen? en moet, ook al    |
i    op die manier, het goed gerucht van huiselijkheid, dat wij    |
\\    van onze vaderen .geörven" hebben, worden ingeboet ?
Maar wat ik nog erger vind, is, dat er hoe langs zoo    |
1    meer „would-be-groote-lui" komen; en die ook willen reizen:    1
Ë    en ook \'t liefst naar het buiten-land; en die het geld, dat    |
i    ze misschien o! zoo .bloedig" hebben moeten uitzuinigen en    |
i    beknibbelen enz., met kwistige hand naar Motfrika (zooals    §
ï    Gijs .van \'t hekken" Duitsehland noemde) brengen; en daar,    I
I    zooals een kennis van mij zegt (die er erg vuil en helaas!    i
Ê    ook wel wat grof over kan worden), aan een „apen-snoet"    |
|    gaan verkijken. „Drie eerste klasse retour voor dertig dagen
I    naar Xassau" hoorde ik dezer dagen aan \'t loket Hijn-    |
I    station; en toen ik opzag, was \'t zoo waar mijn buurman,    |
I    die .in gonjes en balen doet", en die, met de „mevrouw"\' en    |
I    .een kennisje", daar stond in al zijne gewaande grootheid,
|    alsof \'t een land-jonker was met zijne familie. Verleden    |
1    week kwam eene „ deftige" familie thuis, heel deftig, na eene    |
0201020202010001010001020000020101020200020002010000000002000002020201000202000048530101484823
-ocr page 42-
�99929�935����9999999999999997999999994140455998�
I 28
PLUKSEL-BLAODJES.
|    l.inge „fatiguante" reis, niet een gevolg, of \'t een engelsche    |
|    lord was — — pardon! mijnheer heeft een winkeltje in    f
i    veeren en opgezette vogels. En zoo gaat het, zooals    =
|    mijn hollandsche meester zei. als hij eens een woordje    |
|     .fransen" wilde spreken, .al na venant". En wie zijne oogen    i
|    eens de kost wil geven, zal, uit en thuis, binnen\'s lands en    |
|    buiten\'s lands. een zwerm van zulke sprink«hanen vinden,    i
|    die in hunne gewaande grootheid toch hunne spichtige    I
1    beenen en ijle vlerken houden; maar die veel van de wel-    ï
=    vaart van ons land en volk wegknagen en wegdragen door    f
|    al dat uithuizig en weelderig bedrijf.                                          i
Nog eens, ik ben er waarlijk niet tegen, dat men „een    f
1    uitstapje" doet, en \'t hart in de rijke heerlijke schepping    \\
I    Gods gaat ophalen, \'t Kan onder de menschen zoo „echt    =
|    duf\' zijn, en onrustig, en ergerlijk. Ook kan de boog niet    i
1    altijd gespannen zijn. En door gepaste uitspanning komt er    i
|    temeer veerkracht van inspanning. En op zich zelf gezien,    §
|    moet ik zeggen, dat „in gonjes en balen te doen" een eer-    i
|    zaam officie is. En dat ik voor iemand, die een winkel in    f
1    veeren heeft, zelfs heel graag „van de kleine steentjes" ga.    f
|    Maar o! die grootschheid. en uithuizigheid, en bluf! en dat    I
|    uitdragen van hollandsche munt rechts en links over de    f
TlllllllillllMllllllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIItlllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIlHl\'\'
-ocr page 43-
9999999999999999999999999999999999999999�9�9�9941
PLUKSEL-BLAODJES.                                             *29 i
I    grenzen! De Duitschers zijn slimmer; als zij met hun geld( je)    |
|    naar \'t buitenland komen, dan blijven ze er zelf ook maar;    i
i    en weten op allerlei manier te profiteeren van onze loszin-    |
i    nigheid en .losse zakken", en betrekkelijk weinige ,egards"    |
i    voor ons eigen land en volk.                                                       i
| . IX.                                               j
„Moet dat een „aanloop-je" zijn voor \'t geen volgen zal ?"    |
Ë    zei mijn vriend v. O., nadat hij mijne laatste regelen.    |
Ë    voordat zij naar den drukker gingen, gelezen had.
j „Nu", zeg ik, „\'t kan op zich zelf ook wel dienen, zoo-    |
ï    veel, of liever zoo weinig als \'t dan is." Trouwens, alle stof,     |
I    die ik tot nog toe behandeld heb, is niet veel anders dan     |
|    een „aan-loopje", tot losse gedachten en korte opmerkingen,    |
I    en om wat „bij-werk" te geven. En of ik \'t ooit    |
|    verder zal brengen, weet ik niet. Misschien wensch ik    f
i    \'t ook niet. Principieele behandeling van eenige quaestie    |
I    op sociaal gebied heb ik mij \'t allerminst niet voorgesteld.    |
I    Dat laat ik over aan de „professors"; ik ben maar een een-    |
\'\'\'\'lltUIIMIIIIMIIIIIinilllllMllltllllllllMlltlllllMIIIMIMMIMIIIIIilMIIMHIIIIIIIIIIIIMMIIMIIIIIIIIlllllllllllMlllilllllllllllMIIIIIIH
-ocr page 44-
JllllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIMIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIiiriMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIlllllliij
i \'ÓO                                               I\'LlKSEI.-ISLAOnJES.
|    voudig „burger-mannetje", die niet veel meer dan „een duit    I
i    in \'t zakje" geven kan.                                                                 I
Anders ja, mijn laatste stukske kon best voor een    |
i     „aanloopje" dienen. Al was het dan ook, om er meê te    i
|    komen in "t hart van de quaestie der standen. Dat kooplui    1
|     .in gonjes en halen", en winkeliers „in veeren en opgezette    j
i    vogels"\' enz. enz. ook al „groote lui" willen zijn; en deze    =
|    weer in hunne waardigheid achter-volgd worden door anderen    I
|    van minder allooi; en deze anderen weer concurrentie wordt    j
|    aangedaan door een „soortje minder." Zoodat hij slot van    \\
|    rekening, de „groote lui", verrijzen als j^dde-stoelen uit    \\
|    den grond ; maar dikwijls ook even spoedig weer verdwijnen,    i
1    en in heur „dufheid en mufheid" geen wortel, noch levens-    j
|    vatbaarheid, noch kracht van bestaan hebben.
\'t Is eene aanmerkelijke bijdrage tot de lijdensgeschiedenis    \\
|    van onzen tijd. dat de grens-lijnen van stand en waardigheid ge-    \\
1    heel uitgewischt worden; en van de andere zijde, in plaats van    {
=    gelijkmatige af-ronding, iets zeer scherjis en hoekigs hebben    I
|    gekregen, \'t Laatste is wel het ergste en ergerlijkste. Hoe    j
|    menigeen, die in hoogheid en eere is, ziet op den minderen    i
|    man neer, alsof hij hem zelfs \'t aankijken niet waard is. Hij    \\
1    beschouwt zich zelf te „hoog" voor „jan en alleman"; heeft    I
"""!!7U7P" ""! ! ! !! !" UP""" ""!"" !"!!""
-ocr page 45-
niiiHiiifiiiiniiiiHiiiiiifiiiiiiiiiiiiriiiiMriiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiHiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiKi
1                                                          PLUKSEL-BLAODJES.                                                Ml ï
|    meer op met zijn vee, en koets-paarden, en land-ontginning,    |
|    en nieuwe bereiding van mest-specie enz.; of is oji reis: of    |
I    troont opzijn bureau; of\'is te adellijk om zoo ordinair te    |
i    zijn; of heeft een lintje in \'t knoopsgat; twee misschien:    I
|    ja, nog al meer! enz., enz. O, dat hooggaan op eigen inbeel-    i
|    dingen! zeker, dat er eene „superioriteit" \\) is in stand.    |
|    eene „majoriteit"\' ]) in de betrekkingen des levens, dat kan    |
|    zelfs een kind uit de Schrift spellen. En Jaopik Vink, bij    |
Ê    ons op \'t dorp, die anders, zooals hij zegt, „nie veul be-     §
i    griep hê van den bijbel", kan \'t best vatten, da dat \'t    |
i    er ien steet. Ielkendeel even veul te zeggen te hebben, da    |
Ê    <fêet nie .... en we zien ok allemaol lans niet even veul    I
I    mans"\'!                                                                                             f
Maar \'t misbruik ook in dezen! Zeker, er zijn tal van    |
I    „edelen\'", en „die in hoogheid zijn"\' enz., die wij gaarne    |
|    eere geven, dat zij waarlijk edelen zijn, dat ze niet „hoog"    |
|    en niet hard, en niet bitter, en niet blufferig zijn, enz.    |
|    Maar de verkeerden, weet-je! en helaas! die zijn er heel    1
I    wat meer. Hebt ge wel eens gezien, hoeveel meer „wilgen    |
|    en elzen" er in de Betuwe zijn, dan „linden en eiken"? Nu,    1
\') Twee woorden van den notaris bij ons, die zooveel als „iets voornaams"     ï
1     beteekenen.
\'illllHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIMIIIIIIIIIMIIIIIUIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIItlllllllllMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItllllllllllMIIIIIIIIIIIMIIMT
-ocr page 46-
32                                              PLÜKSEL-BLAODJES.
0223484823020001020202020001530200000001020048000000010100020202000002020000020200010202000102020002010001020000010200534800
zóó zoowat! veel beter zal tle verhouding al wel niet zijn.    ï
En dat is eene groote miserie in dezen tijd. Wie de Schrift     I
gehoorzaam is voegt zich stil in dit schromelijk ongerief\',     ï
en volgt ootmoedig zjjnen Heere, die gekomen is, niet om     i
gediend te worden, maar om te dienen. Maar dit heft de    i
schuld van den „grooten heer" of de „mevrouw" niet op.     
dat zij de grens-lijnen van stand en waardigheid zoo scherp   
en hoekig laten uitschieten. „Pas maar op"\', zei eens een   
erge „verkeerde", die in bitterheid eensklaps uit den hoek   
schoot, „\'t Zal zöö niet lang meer duren, dat er van jullie   
niet veel meer zal overschieten!" Dat vond ik erg laag en   
gemeen gezegd. En \'t deed me pleizier, dat er een ander bij   
zat, die hem, zooals hij dat noemde, eens goed „op de snep   
tikte."\' Maar toch, eilieve! als er zooveel ontevredenheid,   
murmureering, tumult, niet b|j enkelen, maar bij honderden,   
en honderd maal honderd, grasseert, ei! a qui la faute ? wie    i
draagt er voor een groot deel meê de schuld van, als de    f
„poppen aan het dansen" raakten? »0, \'t zal zoo\'n vaart    |
niet loopen", zegt onze wethouder. Wie zegt er, achtbare    I
wethouder! dat het zoo\'n vaart zal loopen ? Maar ik beweer,    |
dat de grooten en voornamen in dezen een groote schuld    |
hebben. Dat heb ik al lang „in de gaoten gehad", zei Hentje    |
�999999999999999999999999999�984�9999999999�
1
l
i
f
§
ï
i
|
i
|
799999999999999999999999999999999999999999999999�
-ocr page 47-
69934935198�339868151114118444551830093411115545�
PLUKSEL-BLAODJES.                                             33 §
1 uut den Ham, toen iemand beweerde, „dagge toch niet altied |
I zwam op de piep kunt rooken."
                                                  |
1                                               X.                                                |
Misbruik van macht maakt van „autoriteiten" autoritairen;    |
ï en is bij tegenstelling mede oorzaak, dat .onderdanen" revo-    i
j lutionnairen worden; en dat deze, een ieder op zijn terrein    |
i en wijze, helaas! grooten trek voelen om ook „op den poot    f
f te gaan spelen."                                                                             I
Misbruik van gezach maakt kleine heeren („groote" trou-    |
I wens ook wel!) tot dwingelanden ; en wekt bij onderhoorigen     |
| een ontzacheljjken lust, om op hunne beurt ook eens te gaan     |
I ,,ringelooren."                                                                                  |
Hoogheid van stand is in goeden zin goed, maar in kwade    |
i beteekenis onuitstaanbaar. En gelijk ik al vroeger mocht    |
= opmerken, zijn de „groote lui" er erg over uit, om de grens-    |
i lijnen van stand en waardigheid zeer scherp en hoekig te    |
I laten uitschieten. En \'t gevolg er van is, dat de minderen    |
i »een mier aan de grooten krijgen." En ook, dat zij die van    |
0001020002012348480201000101000200020000010000010100020100010001000202000900020000010701020000
:s
-ocr page 48-
^llllllflIfflIlllflIflfflfffflIlllflIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIMIIIIMIIMIIIIIIIIIIMIIIMIHIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIII
| 34 PLUKSEL-BLAODJES.                                                   1
s " \'                         |
| «minder allooi" zijn, en een „soortje minder" ook al „den    I
I grooten heer"\' willen spelen; om tegenover degenen, die al    i
| weer „wat minder" zijn," den gebraaijen haan uit te hangen."    I
Ja, dat wou ik eigenlijk zeggen. Toen ik nog „een beetje    l
| muziek\'\' leerde, zei mijn meester wel eens: „dit is het    i
| groote abuis van (die) muziek leeren, dat ze altijd wat    1
1 (of veel) verder willen zijn. dan ze zijn.... dat verknoeit de    |
1 kunst, mijnheer!"                                                                           \\
„Maar ik zeg op mijne beurt: dit is een groot abuis in    i
| het „maatschappelijk concert,\'\' dat wie ter nauwernood met    \\
| éenen vinger kan „tingelen," met de heele hand, ja met twee    [
| volle handgrepen wil musiceeren; en wie uitnemend op zijn    i
| plaats zou zijn, „als het vogeltje maar beliefde te zingen.    |
| zooals het gebekt is,\'\' nu partij en positie bederft, omdat    I
| hij te veel noten op den zang heeft. Of, om \'t maar op    [
| z\'n alledaagsch te zeggen, dat \'t er bij de menschen zoo    I
| inzit, om graag, ja „koeterdekoet" (zooals een oude grens-    =
| commies bij ons zei, en dan sprak hij fransch! coute que    l
1 coute: laat \'t dan kosten wat het wil!) wat meer, ja „een    I
| boel" meer te willen schijnen, dan ze werkelijk zijn.
Van onderen af aan gerekend, is \'t niet zoo ? een dienst-    =
| meisje wil tegenwoordig eene „juf" zijn; en zij, die proper    j
41�5444415115149552�15455�454114445��447�5155415
-ocr page 49-
;!i)i;ifiiiiniflliifMllilM»liiiniMl»lliniiiiMiiiMiiiiiini(iliiiniMiii(tMMiinfrfiMifiiii(iii(rMii(iilMiriiiiiiMMtMiiiiitiiliiiiMnn
PLUKSEL-BLAODJES.                                              35
en netjes in haar stand zou gekleed zijn met muts en boe-    |
zelaar, draagt zoo waar een „faletje" en fransche „bottien-     ;
tjes!" „Vrouw" is bij ons „jufvrouw". Ja, ik ken er eene    |
(en zoo zullen er wel meer zijn), die in haar trouwdag eerst    |
„vrouw" heette; en toen \'t met de tabak en \'t koorn en\'t    |
vee en de kersen erg meeliep „jufvrouw" is geworden; en    |
nu „de kiender" groot zijn, en „verkeering" hebben met    |
heeren uit de stad, laat zjj zich zoo waar „mevrouw"    |
noemen.
„Meisje, wil j\' eens zeggen, dat „de, jufvrouw" er is."
„Welke „jufvrouw" moet ik zeggen?"                                     1
„De waschvrouw zeg u maar."
Twee „juf-fles" kwamen als trippelende „pronke-pietjes"    |
i eene vrouw aan de wasch-kuip voorbij, die de moeder was    |
van éene van de twee. Moeder en dochter groeten elkaar als    |
goeije bekenden.                                                                              |
„Wie is dat?" zegt de eene.
„Onze waschvrouw," antwoordt de andere.
\'t Was dezelfde moeder, die zichzelve als „jufvrouw" had    |
laten aandienen. Nu, de appel valt niet ver van den boom.    |
Maar is \'t niet verschrikkelijk, met al \'t verderf wat er in    I
zit, en wat er uit voorkomt incluis?                                            |
""""......IHIHI......Illllllll......I......Illlllllllllllllllllllllllll..........Illlllll.....III.........III.......II..........I..........llllT
-ocr page 50-
£iiiiiMiliiMiMiiiniMiiHiiimiiniiiiiiiiiiiiilinninifilfflllMlliHiiifffitiiiiiHiifiiiiiffiiffiffiirrffifriffiiriifiitiiiiiiiifiiiiiitfii
1 36                                         PLUKSEL-BLAODJES.
En zoo is het bij den een, en zoo is het bij den ander. ])
I    „Eén pot nat." Bij klerken en bij „keuter-boerfcjes"; bij koop-
1    lui in grutten en bij kooplui in granen; bij vrouwelijk en
i    bij mannelijk; in de stad en buiten; van onderen af op, en
|    zoo vervolgens — allemaal willen ze „de piet" zijn, en, ge-
|    lijk ik straks zei, „den gebraajjen haan uithangen." En zij
|    draaijen zich, met „een opgetrokken neus-vleugel," van al
1    wie in hun air te min zijn weg; en, als ze kunnen, trekken
|    ze hun op de koop toe nog een veer uit.
Past maar op, „Piet-ten" en „gebraajjen hanen"! dat het
1    u niet gaat als de kraai, die met pauwen-veeren ging pronken:
|    en toen de vogels kwamen, en ze hem afpikten, werd de
|    kraai in al zijne armzaligheid weggepikt. Of als de ezel,
|    die \'t vel van een leeuw aantrok, om |wat mans te zijn, maar
1    vergat dat de ezels-ooren er boven uit-staken, en zoo tot
|    een spot voor allen werd. Of, om \'t u in levenden lijve voor
|    te stellen, gelijk Peter Jansen bij ons op \'t dorp, die den
|    grooten heer uithing in de stad. Maar die eilacy! op zijne
|    introductie bij een „gedistingueerd" gezelschap: „dat ze hem
\') Ik behoef wel niet te zeggen, dat ik voorwaar bij lange niet allen per-
|     soonlijk bedoel; ik heb alleen het oog op de velen, die „boven staat en stand
ï     willen".
TllllllllllHIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIilllllllillMllllltlllllllllElllllllllMlIIMirilllMMIIIIIinillllllllllllllllllllllllilllllllllltlllllllllll
-ocr page 51-
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIillllllllllllllllllllllliMIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIillllllllllllllllllllllllMllilllllllllHIIIIIIIII
PLÜKSEL-BUODJES.                                         •}?
5323232348535323484853532348484853010102005323000100010253485353230001005302005353482323485389534891000202015323000001535353
zeker wel niet zouden kennen!" ten antwoord kreeg: „wel
zeker! zouden we den varkens-slachter uit V. niet kennen?"
Wat wordt de treurige werkelijkheid van onze sociale toe-
standen nog veel treuriger, als we zien en hooren, hoe \'t wrokt
en mokt onder de menigte; gelijk bijv. op de groote volks-
ovatie, die op 4 Sept. in Amsterdam gebracht is. r) „Ik
zeg mar, \'t is \'n bange tied tegenwoordig," schreef mij dezer
dagen een echte volksman uit het .kluiterig" land, die al
heel wat „campagnes" achter den rug heeft, „maar, zoo as
die lui \'t willen, da\'s krek averechts verkeerd! da\'s net zoo
goed, as dïigge licht uut de grond wil spaojen, en, umdat
da niè geet, diigge de schup wilt hanteeren, um d\'r een
ander meê op de kop te tikken!"
XI.
„Groote slachting ! twee en dertig gekwetsten en zeventien
\') En waarop wellicht het trourig antwoord sloeg op 7 September en vol-
gende dagen in Rotterdam gegeven.
29�11�5455112699904644149999999999�991554�0298�
-ocr page 52-
jiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiriiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiliiiiiniiiiiiiiiHniniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiMiti
| 38                                             PLUKSEL-BLAODJES.                                                        ï
| dooden!" zoo liep in de dagen der Rotterdamsche onlusten    [
1 een , extra-tijding-dra ver\' door Amsterdams straten te liegen,    [
| met een haast en een heisa ! alsof hij zeggen wilde : „wat    j
| maal ik er om, of \'t zoo is, als ik er maar een slaatje    I
| uit-haal!" Wie weet, hij zou misschien nog wel een handje    j
1 hebben willen helpen, om den boel ten onderste boven te    i
I zetten, als hij „voor zijn kop" er maar wat uit,gesnaaid"    j
f had!                                                                                               j
,Ben-je al dood, of nog niet ?"\' Met dien ruwen uitval    j
1 werd ik opgeschrikt van de straat, toen ik mij onlangs op    j
| een warmen middag, wat al te gemakkelijk misschien, voor
| \'t open raam had neergevleid, en zoo, met een half geloken    j
| oog, zat te lezen. Opziende zag ik drie lui met eene brutale    \\
| tronie op straat stilstaan. En toen ik ze, op mijn manier,    =
| ook brutaal bleef aanzien, schoven ze weg, terwijl er één    \\
| uitschoot: „ja, ja! as we je centen maar hadden, dan kon    [
1 je voor ons part ophoepelen !"
Dat is een schrikkelijke wensch of verwensching, \'k voel
| er nog alles van, terwijl ik het neerschrijf. En die    I
I nog schrikkelijker beteekenis ontvangt, wijl er zooveel van    j
| die lui rondloopen, en complotteeren, en brutaliseeren, en    [
tumult zoeken (ik kom waarlijk haast in \'t gevlei der wel-    \\
ririllMlllllllllllllllinMMMIIIIIIIIIMIMIIIIillinillillllMlllllllllilllllllllllllllllltlMlllllllllllllllllllllllllllllllliMIIIIIIMIIIII»"111
-ocr page 53-
MIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIHIIMMIIMIIIIIIIIIIIMIIMIIMIIIIMMIIIIIIMIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIMIIMIIIII^
ï                                                        PLUKSEL-BI-AODJES.                                             39 I
|    sprekendheid van onzen burgemeester!), die geen anderen    |
|    lust en geen andere leuze kennen, dan \'t: „öte-toi de la,    |
=    afin que je m\'y mette", \'t geen op z\'n „plat-hollandsch"    |
Ê    zooveel wil zeggen als: al moest ik jou er desnoods het    |
i    vel voor afstroopen, dat kan me niet schelen, als ik op mijne
Ë    beurt de paling ook maar eens heb. Of wat meer punctueel,    |
zooals ik \'t in eene luimige bui van mijn meester hoorde :    =
|    „jij d\'r af, en ik d\'r op!"                                                            f
„Hebben maar", dat is de kwestie. „Hebben is hebben,    |
i    en kriegen is de kunst", zei de boer van \'t Kempke,    |
I    toen hij bij de „deiling" van de erfenis zijne mede-erven    1
i    had geraden, „dat ze \'t land mar hoog mosten laoten taxie-    |
I    ren, da gaf zö\'n bietje vertooning naor buuten". Maar die,    |
f    toen \'t op deelen aanging, zeide: „ik veur mien part belief    |
|    gin land, ik wil geld!" Sapienti sat: een goede verstaander     |
i    heeft maar een half woord noodig! Waar die trek om te    ï
—                                                                                                      OS
I    hebben als onkruid wortel schiet en weligen grond vindt,    |
|    daar komt men in den weg van allerlei ongerechtigheid    |
|    van \'t een tot het ander, van kwaad tot erger, tot allerlei    \\
I    kwaad; immers: de geldgierigheid is de wortel van alle    |
I    kwaad.                                                                                             f
Ik geloof, dat het gansche geheim van de oplossing der    |
5555W555Q5555555555555555555555555555555555555
-ocr page 54-
0101020202010201020102020002000100532323902323000189020000000100000200020202020101010200000202
| 40                                             PLÜKSKL-BLAODJES.
|    sociale kwestie gelegen is in dit dilemma (één van beiden,    |
|    een derde is er niet): dat en individu èn huis en maatschappij    1
|    enz. er op uit zijn om te hebben en te krijgen; en dan    i
|    komt de oplossing nooit, dan in verwoesting en ruïne ; of,    |
dat ieder voor zich. en „allemaol samen"\' een trek krijgen    |
|    in het geven, niet het hart er bij; en „dan zoudde êswa    |
1    zien", zei mjjne grootmoeder, eene eenvoudige, vrome ziel    I
|     ,dan wierd alles goed !" Nu, daar moet men wel eene een-    |
|    voudige. vrome ziel voor zijn, om dat geheim te vatten.    1
|    Maar \'t is zoo: niet. omdat eene eenvoudige, vrome ziel dat    i
1    zoo verstaat ; maar omdat de Heilige Schrift ons dit toont,    |
|    in vermaning en voorbeeld, in leering en belofte. Dat is die    f
|    heilige „communio", .dat zij alle dingen gemeen hadden",    1
|    doch waarvan de duivel in onze dagen „communisme"    |
|    maakt. Het eerste is geven, het andere .krijgen*\'; het    |
|    ééne is geven om Gods-wi 1, het andere hebben om    |
|    eigen begeerl ijkheids wille; „comniunio", bijbelsch,    |
|    is van God den Heere gewild en gezegend; „communisme",    l
|    een caricatuur, wordt door Satan voorgelogen, en is van den    \\
|    Heere gevloekt.                                                                              i
„Ge moet oppassen, dat ge niet „geleerd" wilt worden\'\',    I
|    zei mijn neef, die mij dezer dagen bezocht, en dien ik dit    f
TllllllllllllllllMnillllllMllllllllllllillllMIIIIIIIIIIIMIIIIIMMIMinilMllllllllllllllHIIIIMIHimillllllHIIIHIIIIIIIIMIItMIimilintlll
-ocr page 55-
MIMI linillMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIMIIMIIIIIIIIIIMIIIIMIIIIIIIIIilllllllllllllllllllll MUI MIMHIIIIMIMIMIMIII IIIIIMIMIIIIIIIIllllllll lllll^
i                                                   PLUK8EL-BLA0DJES.                                         41 I
stukske voorlas, , \'t geeft toch niks, en de minsen bij ons    |
hebben d\'r zóó gin zier aon !"                                                     1
„Zoo neef! is dat geleerd \'i als we zeggen, wat de Schrift    |
zegt ? Dat is juist ook een droevig verschijnsel van onzen    |
tijd, dat allerlei andere ,praot" niks te geleerd is voor een    |
mins. Maar als men met den bijbel komt, dan is \'t al heel    |
gauw, ja, „wat mystiek, wat diepzinnig, zóó diep motte
nouw niet gaon!" enz. En juist, neef! de ware eenvoud, de    |
waarheid, wat klaarheid en licht brengt, wat vrede geeft    |
en rust en vertrouwen, en de heerlijke zekerheid, dat God    i
de Heere regeert, dat is de Heilige Schrift. En als we nog    |
eens ooit „uit het gemier van de sociale kwestie"\' zullen raken,    i
dan zal \'t zijn, zooals de Schrift \'t ons leert; dan wordt „het    |
krijgen afgeschaft, omdat het geven in trek is gekomen."    1
„Xu", zegt neef, „ik zal er nog eens goed over denken ; ien    f
de andere week stuur ik oe in alle geval \'n mandje gruune    |
pruumen, daor ziedde nog al \'n liefhebber van ; en ik heb \'n    |
mins, veural as \'t nef van mien is, ok nog wel wat te gunnen."
„Vriendelijk bedankt, neef!"                                                       1
1599�999906685145��41999�����999999999�9�9��9�995
-ocr page 56-
MIIIIIIIHIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIillllIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIinillllllllllinillllllllllllllMIMIIIMIIMIIIIIIIIIIIIIIM
| 42 PLUKSEL-ULAODJES.                                                   i
XII.
1                                                                    I
Als het er zoo naar toe gaat, dat er „geschreeuw uitgaat    I
in plaats van gerechtigheid, en schurftheid zich vertoont    |
voor recht" (Jes. 5 : 7), dan zijn we als volk haast verloren.
| En dat een volk, \'t welk onder de volken was als „een
1 wijngaard des Heeren, en eene plant Zijner verlustigingen\'\' ;    |
| en nu tot eene aanfluiting wordt, ja zich zelf aanfluit! Wee    f
ï ons, als ook van ons zal gelden : „fuit Uium, fuimus Troes" :
| stad en land zijn er geweest! En \'t gaat er zoo waarlijk    |
i naar toe. Revolutie ondermijnt het bestaan der volkeren ;    |
| contra-revolutie breekt de laatste veerkracht. Onrecht ver-    |
ï derft stad en staat; eigen recht en „recht-doen" brengt een    f
I haastig verderf; socialisme is erg, maar contra-socialisme    |
| is nog veel erger !
„Foei, foei! wat hebben ze op allerlei stêjen „op    |
1 de poot gespeeld" en „schandelijk huis gehouden !" \'t Zien    l
oe stinkers!" zei me een Betuwsche „appelen-koopman"    ï
| die in die dagen hier was. „Ja, Jansen," zei ik, „die    \\
zijn er overal; maar toch gelukkig nog lang niet alle-    §
1 maal, lang niet. En als ge nu gezegd hadt, dat er hier    f
| zijn en daor zijn, dan hadt ge de bepaling van „stin-    f
MIIIIIIIIMHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIMIIIII1IIK*
-ocr page 57-
MIMHIIIIIIItllllllllllllllflIltltllMIIMIIIIItMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIflIIMIIIIIIMIIIIIIIIMIIIIIIIIIin
5348232389484848020001010001020002020001010201010100010201000202000001010101900102000201000102010101000102530200020002025301
PLUKSEL-HLAODJES.                                            43 |
kers," hoe leelijk die ook klinken mag, nog vrij wat leelijker    |
kunnen maken ; en dan waart ge met den naam nog lang    |
niet bij de daad geweest." Wel foei! schande over zulke    |
miserabele dingen !
Gij contra-socialen hebt de vlag onteerd ; en onder het    |
zingen van .Oranje-boven" hebt gij wet en recht en orde
met voeten getreden. Gij hebt u door schoolknapen, en    |
„baardelooze jongelingen" laten opwinden, en opstoken en    f
laten leiden tot allerlei ongerechtigheid en baldadigheid. Gij    |
hebt met straatsteenen en kapotte ruiten recht willen doen, en    |
wraak willen oefenen. Gij hebt geschreeuw doen hooren in    |
plaats van gerechtigheid, en schurftheid getoond in plaats van    1
recht. Waarlijk, als het er zoo naar toe gaat, dan zal „de    |
vlag met de modderschuit" heel spoedig in den poel verzin-    |
ken; en met een tragi-comisth ,goejen nacht Nel!" de
kaars in de pijp branden!                                                             |
Is \'t al niet erg genoeg? Moet dat er nu nog bij komen?    |
Lijdt ons arme volk toch al niet meer dan genoeg aan    |
allerlei ellenden en kwalen ? En als er genezing moet komen,    f
zal dat zijn met eene remedie, die nog erger is dan de
kwaal ? Neen zeker niet! dat nooit! Als ge den uitgeputten
lijder, die in den gloed eener ijlende koorts woest en wild
IMIMIIIIIMIMIIIIIIItllllllllllllllllllllMllllllllllllllllllllltlllllllllllMlltlllllllHIIIMMIIIIMIIIIIIIIIIIHIIIilllllllllllMIMflIlllllliï
-ocr page 58-
9O555-5555555555555555555555555555555555555555
0002020001010001020001020053530200532348532302485323000053485348532353534853015301534848534853535353232391535348234853484800
I 44                                         PLÜK8EL-BLA0DJES.
|    wordt, eens „van raakum" (zoo als de „konings-jager"\' bij
|    ons zei, als hij een haas had geschoten) „op het gezicht
|    gaat timmeren"; dan kunt ge hem wel .dood timmeren".
|    maar genezing zal er niet meê komen. Als gij den bran-
|    denden ijver van zoovele ellendigen en onrustigen en onrust -
|    stokers wilt fnuiken met er maar .op te timmeren", en
|    eene par-force-jagt houden op »van raakum"; dan moogt ge
|    al verwoesting aanrichten, en kabaal maken, en .Jan. Piet
|    en Klaas" den mond, den brutalen mond. stoppen. Maar \'t is
1    geene gerechtigheid, en \'t is geen recht; \'t is goddelooze
|    willekeur; en gij gaat er zelve ook meê ten gronde!
Den „ouwen Hannesboer" badden ze ,\'n heele boel lilliks
|    (leelijks) aongedaon\'\': z\'n erf hadden ze geschonden; z\'n
i    koolstronken uit den hof „geratst"; z\'n huuske niet modder
|    besmeerd. En toen ik met een jonge driftige kop dat hoorde,
1    en tot hem ging: „mar Hunnes-boer, hoe kunde da vélen
|    (verdragen)? jeuken oe de vingers niè, man?\'\' keek hij mij
|    zoo vredig en toch zoo vol heldenmoed aan, enzeide: „God
|    zal wel recht doen, \'t is ien goeje handen!" En dat is bijzon-
|    der mooi gezeid en gedaan. En zoo mooi, en zoo vredig, en
|    zoo „heroiek" verwacht ik \'t niet van een stad of dorp,
.van poorters of dorpers te gader.\'" En toch moet \'t die
45545���9541451�15428890641�415461577411514549�41
-ocr page 59-
IMIIIIMMIIIIMIIIIMMIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMItlllMIIIIHIMIMIIIItlllllllltlllllllllllllllllHlllllllllllllllltlMIIMIIIIIIlMIIIIM
$                                                                                     E
PLUKSEL-BLAODJES.                                               -A5 I
525499999999999999999999999999999999999997934999984754154�454551
richting uit. als land en volk nog zullen verhoogd worden    |
door gerechtigheid. Maar zoo als \'t nu gaat. over en weer.    |
rechts en links, bij partij en tegen-partij; dat gaat „holder-    |
debolder", hals over kop, den afgrond in.                                  f
.Ik zal \'t wel niet meer beleven" zegt onze oude meester,    |
die erg „zuchterig" kan zijn „over de tijden en omstandig-    |
heden." .Goddank! ik zal \'t wel niet meer beleven; maar    1
daar hangt zwaar weer in de lucht; als \'t inslaat zijn we    §
weg!"                                                                                              |
Nu, meester, ik hoop en bid vurig, dat het dreigend on-    |
weder door de hooge hand des Heeren genadig van land en    |
volk woi-de afgewend. Maar als \'t aan \'t zware weer hangt,    |
en aan \'t vloeken, en \'t geweld doen, dan zou \'k zoo zeggen,    i
slaat \'t nog eer vandaag als morgen in. Ons zij intusschen,    1
met een „Oranje-boven!" op de lippen, gedurig de bede    |
van Oranje in het hart: „mijn God! heb medelijden met    |
dit arme volk!"                                                                              i
11111111111......111L111 r 1111! T M M 111 i 11111 ( M 11 M r II111111111111 i 11E.....1111111II1111111 M 1111111111III M 11II11111JI M 1111 tl 11 M 1111111 M tl 111111 M
-ocr page 60-
MIIIMIItMIIIilllllllllllllllllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIMItlllllllllllllirilllllllllMIIIIIIIIIUIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIHIIIM
| 46                                         PLUKSEL-BLAODJES.
I                                                                                                                   I
XIII.
1 .. ...          i
Geen sprekender bewijs voor „de materialistische strek-    |
king" van den tijdgeest, dan „restauraties hier en restauraties    |
I daar", die, in menigte niet te tellen, bij den dag en bij de
| vleet verrijzen, soms wel, alsof \'t paleizen waren! Over    |
I cafés en bierhuizen heb ik het nu niet, die nog van heel wat    |
f anders een sprekend en ergerlijk bewijs zijn. En waarmee    |
ik de restauraties volstrekt niet in ,éenen deun door\'\' zou    1
| willen noemen — „want \'n mins mot toch éten"!
Zeker „mot \'n mins éten\'\'; en ik wenschte wel dat ze
| allemaal genoeg „te éten\'\' hadden. Maar wie wat te eten    |
| heeft, waarom kan hij \'t niet thuis doen? sober en genoeg.    I
| al is \'t dan ook »sobertjes"! Juist dat is \'t \'m! Men wil    |
| toch ook eens een geurig „béafje" smullen, terwijl men het    |
thuis op z\'n best met een „runderlapje" moet stellen; een    |
| „ommelet" verorberen, en wat „spiegel-eijeren", terwijl thuis    |
I „schraalhans keukenmeester" moet zijn; van de vettigheden    |
| der aarde genieten, in plaats dat men verlangt naar den konink-    f
I lijken zegen van eene bete broods, met dankzegging in eigen    f
| kring genoten! Dat „\'n mins", als hij op reis is, en geen    f
gastvrienden heeft, een schaft-huis of logement vindt, uit-    f
1                                                                                                                                               f
��591554�1044441414115515�1191141159154151�45411�
-ocr page 61-
0201010202010202010202000002020200010001010101010202010101010202535389485348912353025348535301
555555555555555555555555555555555555555555555555555555555555
47
PLUKSEL-BLAODJES.
I    stekend; en dat hij des noods, omdat hij uit is, vandaag eens
|    „een hapje toe" neemt, daar zal ik niets van zeggen, al zie
I    er de ik noodzakelijkheid volstrekt niet van in. Maar dat
I    gastrèren, dat smullen, dat leven op den buik! „ik kan oe
I    niê zeggen, hoe me da vervelt", zegt Hannes-nèf. En ik
I    zeg: erger dan verveelt; ergert. En ik houd het met den
I    veearts bij ons op \'t dorp (nog zoo\'n ouwerwetsche!) „die
I    wel wit, dat \'n mins toch niet ien de wereld gekommen is
I    urn te éten en te drinken". Of eigenjijk drukt hij nog wat
I    sterker op „éten en drinken". En dat is het dan toch ook.
.Maar waarom moeten de restauraties dat nu ontgelden?
i    Wordt er dan in huis, en familie en op partij ook niet
1    gesmuld en gegastreerd" ?
Nou hoor, ongemakkelijk kunnen ze \'m daar „katoen
i    geven". En hoe iemand nog den moed kan hebben, om
I    daarbij te „bidden", dat begrijp ik waarlijk niet. Overdaad
i    weert allen zegen van het gebed, en maakt het gebed tot
I    een vloek. Die zijne tong streelt, en \'t gehemelte prikkelt,
i    en den buik vleit „heeft zijn goed weg" in zijne overdadig-
Ê    heid; en moest liever eene plaats bestellen in de „hara
I    Epicuri" — dat mijn latijnsche meester mij leerde vertalen
I    als het „varkenskot der smulpapen" — dan dat ze zich nog
llll<<IIIIIIIIIMIIIIItiriMIIMIIMIIIIIIinitlMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIHIIIIMIIIMIMUIIMIIIIIIIIIIIIIMIMIMIIIIIMIMII(
-ocr page 62-
599999��99903448549�9999799954549449�2��514483�5�
48909000535300000202015348000102010001020200010202000102020053020202020202020053004853020001534800000053532300000102020053
48                                               PLUKSEL-BLAODJES.
vermeten den Heere te willen ontmoeten aan de aanspraak"    j
plaats van zijn heiligdom!
„Was der Mensch isst das ist er," zeggen ze in \'tDuitsch;    i
en die dat zeggen, hebben \'t geleerd uit het Latijnsche:    i
„quod est est\'\'; en dat beteekent dan in \'t Hollandsen:    I
wat een mensch eet dat is hij. Dat is het materialisme    s
van onzen tijd tot in zijn uiterste gevolgtrekking. En daar    j
voelen wij gelukkig niets van. Wel, als \'t was: ,wie    i
der Mensch isst, so ist er", en als we \'t dan in \'t Hollandsch,    |
wel wat vrij, overzetten: zeg mjj, hoe de mensch \'t met de    ï
maag stelt, en i k zal u zeggen, hoe \'t met zijn hart gesteld    \\
is. Wie een eenvoudig hart heeft, zal ook matig en sober    I
zijn in spijs en drank. Maar wie weelderig is in zijn leven,    |
— \'t wil er bij mij maar niet in, dat hij in de vreeze Gods
wandelt. Wie zelf-verloochening oefent in de doortrekkende    ï
kracht van het kruis is gezegend, zelfs al moet hij tranen-    i
brood eten. Maar .likkebaarden" en „vetmuilen" kennen    |
niets van den heiligen eisch des levens. Een Christen moet    f
met Salomo zeggen (en \'t niet bij „zeggen" laten!): „eene    |
droge bete, en rust daarbij (en in \'t verband: „met de    |
vreeze des Heeren", Spr. 15 : 16) is beter, dan een huis    f
vol van geslachte beesten" (Spreuken 17 : 1).
I.....HIIII MUI IMIIIIMMMMIimilMIMIIinMnMIIIIinillMIMHIIII MIMI llll MM MINIMIN IMHIIIMIMHMMIIIIIIIIIIII MIN IIIM1IIIM1
-ocr page 63-
iMinirilliliiilllllllMtMiiiMiMiiiiiiiiiMilllilliriliniMtiiiiiiiiiiiiriiiiniMiiiiimiiiiiiiiiiiimiiiiiiiiniiiiiiiiiniiiiiMiMiiiiiiini
I                                                          PLUKSEL-BLA0DJE8.                                               4!»
Maar ik dwaal van mijn .a propos\'\' af. Ik had u willen
1    schrijven over .smullen en smullers". Nu, .wat in \'t vat
ï    is verzuurt niet\'"; op een anderen keer hoop ik dit .puntje"
i    nog wel eens te verhandelen. Ik word ook juist in mijn
l    schrijven opgehouden door een bezoek van een buurman.
1    die naar Amsterdam geweest is, en mij als eerste indruk
i    van de reis komt meededen: „da ze daor zoo lekker éten
=    kunnen"! „Kool met aardappels, buurman; zooals wij dat
i    in de Betuwe gewoon zijn, dat is betere kost!"
529�515549362999999999359934�541441��155451854185448554�54745441
XIV.
Toon Lamers, bij ons op \'t dorp, was wagenmaker van
beroep „en orgelist"; \'t een natuurlijk door de week, en \'t
andere Zondags. AVie hem zag „wagen-maken" dacht wel
eens: nu als ie niet beter \'t orgel kan bespelen (drêjen, zoo
als ze met eene „platte geestigheid"\' bij ons zeggen) dan
wagen-maken, dan zal \'t niet veel goeds zijn. En wie hem
op \'t orgel hoorde kreeg een gevoel, alsof \'t wagen-maken
bij Toon ook wel niet erg vlot zou gaan. Maar dat kwam
\'\'\'HlHIIIIIIIIIIIIIMItlllllllllllllMlltimil IIIIMIMIIIIIMHI111111111111111111111111II lltllll ItlllllllHIIIIIIIIIMIIIlllllllllllllllllllll
•i
-ocr page 64-
iiirtniiifiiiiiiiitrfniiiffiiiiitiitiiiiifiitififiiiiiiiifiMiifiiififMiiifiiiiiiNMiiiiiiifiiiifMiiiiiiiiiifiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiii
I 50                                               PLUKSEL-M.AODJES.
|    misschien van de eelt in de vingers, „\'t adelmerk van een
I    Merkman!" Nu, wat ik zeggen wou, eens op \'n Zondag had
|     Lamers de „wiend-loai" van \'t orgel los laten staan, en
f    moest Peter .Pluksel" (eigenlijk Jansen; .Pluksel" was,
I    naar de onhebbelijke manieren, die ook op \'n dorp gelden,
i     .um iemand te vernuumen" zijn bijnaam) zich „onmondig
1    weeren (inspannen), um genoeg wiend in \'t urgel te werken."
|    \'t Was \'n heete zomersene Zondag, en \'t zweet liep hem met
I     .straoltjes"\' van \'t gezicht. „Da za \'k de kèl betaold zetten",
|    zei Peter. En bij de eerste, beste gelegenheid, ja wel.
|    hoor! kon hij zich „zoetelijk(!) wreken\'", \'t Was bij \'t zin-
|    gen van eene wijs, die Peter best bekend was. Toen de
|    laatste toon van den laatsten regel was gezongen, zorgde
|    Peter „dat er niks gin wiend meer in \'t urgel was." En
|    toen Toon nog, als gewoonlijk, een naspel wou »speulen",
|     „dee \'t orgel: poew!" en zweeg dood stil.
Wat een zoete wraak voor Peter! \'t Is al jaren geleden;
|    maar korts heb ik \'t hem nog eens (ik weet met voor de
|    hoeveelste keer al wel!) hooren vertellen, met de triumfante
|    opmerking: „dat had ik dien lempes van \'n kèl toch mar
|    is lekker geleverd!" Och! eigenlijk is de heele historie „de
|    sop de kool niet waard". En als ge dan zoo\'n geschiedenis
4848534800020001020101020202014853020201020001020201020000020101020001010001000000005301010102
-ocr page 65-
0001010200020001020201020200020002010200010100020100015353530202910201020200020201539153484800
4�54114115�15445544554141547�55414154415541154441554415411551115
PLUKSEL-BLAODJES.                                               51
I    voor de zooveelste keer, en altijd nog maar weer even „sjeuïg"
|    hoort vertellen, dan moet ge (helaas! \'t is zoo\'n gedurige
1    herinnering) wel eens denken: wat is een mensch toch een
|     „animal loquax", wat een praatvaders, en wauwelaars!
Maar wat er in zit, in de geschiedenis zit, dat heeft
|    helaas! heel wat meer te beteekenen, omdat ge \'t overal,
ï    waar menschen met menschen te doen hebben, terug-
|    vindt. Die lust om „mekaor iets betaold te zetten", om \'n
I    ander eens „een teek uit te trekken, en een poets te spelen".
|    Dat „gevuul, alsof oe de broodkruumels ien de kél steken"
1    als een ander „oe mar \'n strooispierke ien de weg geleid
|    hèt". Die „sniekerige" praktijk, om zich mogelijk voor een
=    poos te houden, of er niks is; maar bij de „eerste occasie
|    de beste"\' te laten gevoelen, dat „borgen geen kwijtschelden" is.
Och! dat geval van Toon Lamers en Peter „Pluksel" is
|    betrekkelijk op \'t „naieve af". Hoewel, „ien de kerk hadde
|    dat ten minste nie meugen doen!" zoo als manke Mientje
i    bij ons zei, als er eens iets verkeerd zat. Maar anders, ja,
I    \'t heele geval is haast op \'t naieve af. Maar onder de men-
|    schen? \'t Is een kwelduivel, die er achter zit, om het leed,
|    \'t meest nog als het denkbeeldig wordt aangedaan, te wre-
|    ken; terwijl genoten weldaden en „een handje helpen" al
01020000234802000002530201914823485353895353485323010200020002000102010000010000010101010001
-ocr page 66-
992193757395411454�9��47541115419�445��5457484541
52                                               PI.rKSEI.-Jil.AOlUES.
|    heel gauw in \'t vergeet-boek komen. 0, dat mokken van
|    den een tegen den ander! of erger nog, dat vriendelijk (!)    |
|    lachen tegen mekaar (X. B.!); om, zoo gauw als de kans    |
1    schoon is, buurman „een beentje te ligten", hem „een pijl    f
i    door de lever te schieten", eens „êfkes te laten vuulen dat\'r    |
|    nog wat in \'t vet lag"\'! enz. enz. Ik ken iemand (om nu    |
=    maar eens met een sprekend voorbeeld voor den dag te    |
|    komen), die vroeger wat lonkte met zijn linker oog; maar    i
|    door gedurig .vuil worden"\' en „veeten op een ander te ver-
|    haolen", en op wraak te turen, kortaf\' scheel is gaan kijken.    |
|    Xu, dat is \'t ergste niet. Maar, dat het hart scheel ziet, en    i
|    het vriendelijk licht van de liefde des Heeren niet wil ver-    |
|    dragen; dat is erger. En dat is „van de natuur" de kwaal    i
i    van een ieders hart. En .as \'t van binnen nie béter wordt,    =
1    dan zal \'t naor buuten ok nie béter worden", zei \'t eigenste    |
|    manke Mientje, die \'t zoo druk over de kerk kon hebben.    |
|    Maar die om Gods wil .goed leers van aord" wordt, die    f
|    leert \'t wel anders vatten. En met zoo\'n mensch wordt    \\
i    „\'t naar buuten\'" ook heel anders.                                                \\
Vergeten en vergeven wordt \'t dan. Goeije dingen niet,    |
|    die onthoudt en houdt hij dan juist. Maar kwaje dingen, en    I
|    plagerijen, en leed, en „\'t openlaoten van de wiendlaoi\'\' op    §
TllllllillllllllllllllllllMllllilllllllllllilllllllllllllllHlllllllillllllllllllllllllMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIilIl\'
-ocr page 67-
999��54411�999535741�557935151�154145��4411144545
PLUK8EL-BLA0DJE8.                                         53 ï
I alle manieren. En \'t beste, wat hij denkt en kent in be- |
f trekking tot anderen, is de wraak der lietde. Alleen zulk |
i eene wraak is zoet!
                                                                       =
\'t Zal \'n vijf en twintig jaar geleden zijn, dat ik in »\'t    |
i Zwijnshoofd" te „Aorem" zat te wachten op een „grooten    |
I heer", dien ik spreken moest; en \'t spreekt dus eigenlijk    |
| wel van zelf, dat ik moest\' ,zitten wachten". Nu, onderwijl    |
i kwam daar een Betuwsche „heeren-boer" een kop koffie en    |
| een broodje met kaas verorberen, \'t geen hem bij afrekening    |
1 25 cent kostte. Maar „m\'n-heer" gaf drie dubbeltjes. En    f
i toen de „Jan" aanmaakte om een stuiver terug te geven,    |
I zei „d\'n heer", zóó voornaam en nonchalant, dat ik \'t nog    |
| hoor, „oh! laissez ca!" hou jij die vijf centen maar! En,    1
I „Jan" wist van „verbouwereerdheid" haast niet, wat \'m over-    i
kwam! zóó \'n „nei snufke" was dat indertijd, als er boven    f
| den tax nog iets betaald en gegeven werd.
Deze ontmoeting, schijnbaar zoo nietig en onbeduidend,    |
\'\'\'\'lllllliiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiHiiHiiiiiiiiiiiiiiiMiMIIIIIIIMMIIIIIIIIIIillllllllllllllMIIIKIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIliï
*
-ocr page 68-
fffiuifliuilfiiiilfltliiiifiiiiHiifiiiiiiillliifliilrlfilinifffruiiirfffftlllifiMllltlllllluillllHtiiiiiiiiiiiiiiitiififllllllllllMliliiMliflij
I 54                                          PMJK8EL-BLA0DJE8.                                                   !
|    kwam mij dezer dagen te binnen, terwijl ik ergens, lang    f
|    zoo voornaam niet als in „\'t Zwijnshoofd te Aorem", twee    ï
|    glazen bier had „genoten", voor negen centen bet glas. En    1
|    toen ik op mijn manier ook eens „rejaal" wou zijn, en twee    |
|    dubbeltjes uit „den tes" haalde met een voornaam „oh!    i
ï    laissez ca!" en op een bedankje! of tenminste op een vrien-    Ë
|    delijk gezicht gerekend had; keek „Jan" mij aan, alsof hij    i
|    zeggen wilde: »nou, als \'t niet meer is, die paar arme-lui\'s    i
|    centen badt je voor mijn part ook wel kunnen houden",    f
=    \'t Kan verkeeren in zoo\'n vijf en twintig jaar!
| Maar \'t is vóór vijf en twintig jaar erg verkeerd geweest    |
|    van dien heeren-boer met z\'n: „oh! laissez ca!". En nu,    \\
|    na vijf en twintig jaar, erg verkeerd van mij, dat ik me,    i
1    met eene zekere voornaamheid nog wel, voor een paar    =
|    centen meê schik in zoo\'n „laissez ca!", dat in dien tijd tot    f
|    een schromelijk misbruik geworden is. Want overal „wat    |
|    toe", en overal een fooitje, en overal maar klaar staan met    |
|    de hand aan de beurs; en \'t is wel of \'t zoo hoort, en of    §
|    \'t eene verplichting is. tegenwoordig___ „ \'t is um tuureluurs    I
|    af te worden", zei onze veearts", en \'t is wel verdreid as \'k    f
|    tegenwoordig ergens iets vat um te verteren".
„Groot geliek toe, Blom!" mot ik zeggen, „\'t is maar    f
5515555��599999999945141179��0914464299927458��99
-ocr page 69-
IMIIIIIIllllllllllllllllMlinillMIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIilllllMIIMIMIIIIIIIillllMHMIIHMIIIIIIIIIMHMinilllllM
PLUKSEL-BLAOIUES.                                         55 §
jammer, dat \'n minsch er niet altijd buuten kan; maar die    |
vijf en twintig percent intrest as ge wat „vat", da\'s niet    |
urn uut te staon. Kom bij mien thuus mar liever is \'n kumpke    |
koffie of\' \'n glaoske bier vatten, dan bedde \'t heel en al
vur niks !"                                                                                      |
„Nee, da wi \'k nie pretendieren", zei Blom, .mar die    |
dekselsche fooijen altied en overal!\'1                                            |
En ik zeg: waar is de man, de held, die ons van dit    1
,veelhoofdig monster" zal verlossen? waarlijk die man, die    |
held, zal een weldoener zijn voor de maatschappij!
Maar eilieve! \'t is alsof dit „veelhoofdig monster" veeleer    |
nog meer koppen krijgt. En of we van dit misbruik telkens    |
al weer een ander „misselijk baksel" te verorberen krijgen.     |
Bij u in Amsterdam bijv. zijn ze sinds enkele jaren aan \'t    f
„snaaijen" met een najaars-groet. Ik wist eerst niet wat    |
die najaars-groet in had; en dacht aan een oud eerwaardig     |
gebruik, om elkaar in \'t „jaargetijde der vergankelijkheid"
een weemoedig „memento mori!"1) te brengen! In die mee-    |
ning hoorde ik voor \'t eerst een najaars-groet aandienen.    |
En met dat ik de hand naar \'t „mooije kaartje" uitstak, zag ik    |
mevrouw handig en haastig iets uit de „zijzak" ophengelen ...
\') Gedenk to sterven.
0201000001020001000202010102000102010202010102230201000000020202015348020200010200000000000002
-ocr page 70-
JillMIllllllllllllllllMllllllllllllllltlllllllMirtlllllllllllllMIlllllMIIIIIIIIMIMIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIMIIMIIIIIIIIIIIIIlllllll
I 5(\')                                          PLCK8EL-BLA0DJES.                                                   ï
I    „daar, geef dat maar; "t houdt niet op met die najaars-    |
|    groeters!" Ai mij! hoe werd ik ontnuchterd en teleurgesteld,    =
|    toen ik merkte dat \'t al maar weer om de centen te doen    |
|    was. En dat nog meer, toen ik hoorde, dat die .groet" een    |
I    overblijfsel is van \'t .kermis-wenschen*\' (X. B.!). De ker-    i
|    mis is er niet meer, Oioddank ! maar \'t „pleizierig wenschen"    |
1    is nog in vollen gang. En dat blijft \'t zelfde, als dat de
|    duivel je „pleizier"\' laat wenschen!                                              |
Maar, om u een enkel staaltje van die „misselijke\'\'    |
|    najaars-groeten te geven; dezer dagen hoorde ik, dat    |
|    een besteller bij zjjn „compejie" voor een zeker bedrag stond    |
|     „aangekalkf, dat hij met najaars-fooien er uit moest „halen" :    §
|    kwam hjj te kort dan moest hij uit zijn eigen zak „bijpas-    |
|    sen"! — Een ander staaltje. Hebt ge ééns in uw leven een    ï
|    boodscha}) thuis bezorgd gekregen, bijv. van een gesoldeer-    1
1    den „blekken emmer", reken er op, dat de jongen, die den    |
|    emmer bracht, najaar op najaar komt „groeten". Nog een    |
|    staaltje. Netje, \'t dag-meisje, \'n dêrn-je van een jaar of    I
|    veertien, verdient voor haren doen al een aardig „dag-    |
|    gelle-tje"\'. En \'t gaat met haar nog al „fertuin" in haar    ï
|    diens-je. Maar onverwacht komt moeder „op de poot spelen",    f
|    omdat Netje maar tien stuivers „najaars-groet" heeft gehad;    |
"ïillllllllllllllllllllllllMllllilllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIUIIIIIIIIIIIIIIIIIIIl"
-ocr page 71-
�99999969415�41�56��90139451155405993114��4519145
0002484853235301005348535353230000010200535323000002000102020200010201485302020253232348905323484891010102000001020100010202
PLCK8BL-BLA0DJE8.                                         57
i    en zij „al zoo ver is dat ze een gulden „najaars-groet"
i    moet hebben".
Ik noem maar iets van al dien ellendigen rommel. Ik zou
i    er veel meer, en misschien nog veel misselijker dingen, van
1    kunnen meedeelen. Maar waartoe? Ach! en als \'t er nog
i    maar beter mee werd! Maar de lui zouden je liever nog \'n
I    brutalen mond op den koop toe geven; terwijl ze je nu, als
i    ze de „najaarsgroef maar weer beet hebben, nog in d\'r
i    vuistje uitlachen. Zoolang \'n mensch niet leert schaamrood
i    te zijn over de dertig zilverlingen, waarvoor Judas zijn Heer
Ë    verkocht heeft, helpt „al dat gepleit en gepreek" zoo
Ë    droevig weinig.
„Maar \'k zal \'t dan toch zeggen," zei Heintje-baos, als
]    hij „wa goeds veur had!"
|                                                   XVI.
\'n Mensch wil toch maar dwaas zijn. Wij bedoelen nu,
| met dit te zeggen, niet de dwaasheid voor God, die een
1 iegelijk mensch, een zondaar, voor het aangezicht des Heeren
i kenmerkt, en die hem in de dwaling zijns harten gevangen
999999999999999999��41�44��6099�99904414554515�1�
-ocr page 72-
411944544144545145445514�5414�994811�451555485414
| 58                                         PLUK8BL-BLA0DJÉS.
|    houdt, tenzij de dwaasheid van het kruis hem verlost en wijs    |
|    maakt. Van die dwaasheid is het „eind van weg", zei onze    f
|    meester, als hij iets noemen wilde, dat niet onder eenige be-    i
|    paling, \'t allerminst niet onder eenige beperking viel. En    |
|    toch meent de mensch, dat hij wijs is; juist hij en zijne con-     =
|    sorten bij uitnemendheid wijs! Arme wijzen! och! steekt uw    f
|    hoofd toch niet zoo hoog in de lucht! want ge raakt er    |
|    mee in de put; tenzij God u genadig den weg omwendt!
Maar die dwaasheid, de dwaasheid van het zondig hoogmoe-    1
|    dig hart, heb ik nu niet op het oog, als ik zoo maar in ééns    f
i     „met de deur in \'t huis val", met de bewering „dat \'n mensch    |
|    toch maar dwaas wil zijn". Neen, maar dwaas ook voor    |
|    menschen, in het onderling verkeer, in de samenleving.    =
|    Dwaas onverzichtig; dwaas laf; dwaas „kalkoenschen haan    =
|    zijn", zwellerig trotsch en hoog; dwaas in z\'n berekeningen,    f
|    dwaas in z\'n speculaties: dwaas in \'t besteden van z\'n tijd:    ï
1    dwaas „in kruiperigheid en geniepigheid", dwaas in huis en    f
|    dwaas op de markt.... en in zijne dwaasheid altijd maar    |
|    aan \'t draven „om den duit", voor den buik, en wat „pret    f
|    en jool" in \'t leven.                                                                      \\
Onder al de vormen en phases, waarin deze dwaasheid    §
|    zich vertoont (waarlijk, men zou er een dik boek van kunnen    |
18578612�12227928893487589784
-ocr page 73-
„Ouwe loeten doen d\'r zoo waor ok nog aon meê",
zei Jantje-meui.
-ocr page 74-
ItllftlflIfMIIIIIIflIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII^
=                                                        PLUKSEL-BLAODJES.                                             59 I
ï    schrijven, adres aan „Erasmus" laus stultitiae!") zijn er geene    |
|    zoo algemeen, en bespottelijk, en verachtelijk (ach! vele    |
|    Christenen doen er nog „op z\'n hardst" aan mee!) als de    |
|    dwaasheden der mode. \'t Is het gesprek van den dag, en    |
1    iederen dag, en den heelen dag; en daar zijn er maar weinig,    |
ï    wien deze afgod onder de tong begraven ligt. \'t Is het    |
=    speculeren op straat, en het spèlken" door de glazen, of ook    I
I    wel in de glazen, als \'t „spiegelglas" is! 0, pronkertjes onder    |
I    dit bloedarm en voos en ijdeltuiterig geslacht; „verfranci-    |
ï    seerde, en gegermaniseerde" mode-poppen ; ijdele schepsels ;    |
f    zijt gij daartoe in deze armelijke wereld gekomen, om maar zoo     |
|    lang en zoo laf van de mode „te droomen en te waken", tot de    |
1    allerlaatste mode toe, als gij het „dood-hemmetje" aankrijgt?    f
Pardon, mijn pen schoot een beetje uit in drifti-     |
|    gen haast. Maar \'t is dan toch ook „meer als erg" met al    |
I    „dien akeligen rommel" van veeren, kanten, sleepen, „tour-    |
1    nures", „kraaien" (van glas ook), verwaande tronies en mis-    i
1    maakte figuren; „ouwe toeten doen d\'r zoo waor ok nog aon    1
|    meê" zei Jantje-meui, die met haar eenvoudig hart, en kloeke    |
|    ziel „erg vuil" over al die „mode-prenten" kon worden.    |
1    „Jantje-meui", zei ik, »zijn de jonge dan eigenlijk ok gin    |
i    „toeten", net zoo goed?" \'t Is maar een groote ramp voor    |
�99999999999999999999999999999999999999999999999�
-ocr page 75-
ni)lfjlllinj)llfillfillllilfllliiiiiiiflilfiniilillilfJllllllMtlltlll)HfllllllllltfjllHlll(illflflliniMiiinfiiifiMMiiuiiiiiiiiiffilillinfiir
1 (10                                               PLUKSEL-BLAOPJES.                                                          |
| ons volk, dat de stoere zin, en \'t sobere leven, en \'t een-    |
| voudig kleed van onze vaderen ingeruild en ingeboet zijn    I
| voor „alamodischen onzin".                                                          |
Een dichter-wijsgeer, die in de laatste dagen van devoedings-    |
I tentoonstelling te Amsterdam, zoo\'n allegaartje van modes    1
| en kleuren bijeen zag, schreef dit
|, HEKBST-LIED.                                                  ]
I                                  Wenn sieh der Wald am schönsten f&rbt
| Dann gehts uiit ihm zu Ende. •              =
Wel wat dichterlijk en idealistisch. Maar, als ik \'t goed    f
| vat, met eene fijne satyre. En als ik \'t op mijn manier eens    1
| „op z\'n Betuwsch" mag zeggen : as \'t er zooveel ,kleur en    f
| geur" kumt. dan is \'t de beste tied vur de paddestoelen !    |
I \'t Is \'n vooze grond, en \'n .vunzige\'\' atmosfeer, waar de    i
| dwaasheid der mode zoo weelderig tiert. En als \'t November    |
| geweest is, is \'t jaar gauw uit; een volk, dat aan de mode    f
| verslaafd is, heeft zijn besten tijd gehad.                                   ï
.Xeef, wat heb je een nieuw-modischen hoed op!" zei    §
| dezer dagen een Betuwsche , huisman", die mij in de stad    I
| tegenkwam. En hij zou mij waarlijk met dit .leuke conipli-    1
| ment" haast deu moed in de schoenen hebben doen zinken,    |
| om eene satyre op de dwaasheid der mode te schrijven.    |
HIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIMIIIIIIIIIII1IIIIIIIIIIIIIII1IIII1MIIIIIIIIIIII1IIIIIIMIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIII.....Il\'
-ocr page 76-
99999999999999999999999999999991995999�999149999�
54145514155954735�154999999141115155��15999999985599902455478545
PLUKSEI.-BLAOIUES.                                               61
ï    Maai* ik ben er nu eenmaal mee begonnen. En wat ge-
|    schreven staat, moet maar blijven staan, \'t Mocht misschien
§    voor mij zelven en anderen een „goeije les\'" zijn ; al zijn we dan
§    ook zelve in het netelig vraagstuk van die ellendige mode,
|    tegen wil en dank, op ons nonimer gezet. Maar of ik er
I    een volgende keer nog weer van „ophalen"\' zal, ik weet het
i    niet. \'t Blijft altijd maar een wijze les om te leeren: herzie
i    u zelf! En ach! ik moet mij zelf zoo dikwijls schamen
|    voor allerlei eigen dwaasheid.
ï                                                 XVII.
Ik ben bang, dat het er dezen winter weer „schuins"\' naar
1    toe zal gaan met de werkeloosheid, en alle miserie en armoe
ï    die daarmee zamen gaat. \'t Zit er nu al niet erg pluis. En
§    wie zoo\'n beetje weet, wat er omgaat onder de menschen,
I    die weet ook wel, dat \'t op den duur en door lengte van
I    tijd (misschien al wel binnen korten tijd) een onhoudbre
|    toestand wordt. Maar \'s winters is \'t nog wel „ééns zoo
ï    slim (erg) als in andere tijen van het jaar"\'. Als alles dood
\'\'\'\'\'llllllllllllllMHIIIIIIIIIIMIIIMIMIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIUIIIIMIMIIIIIIIIIItlllllllllllllintlllMllllltlllMIIMMIIIIIIIIIIIIII.....lil l Ml
-ocr page 77-
�99993999951�13952135999999��9��94�111��09998999�
62                                               PLUKSEL-BLAÖIMES.
|    is om oe hér, dan is \'t veur \'n mensch ok \'n doojig be-    =
|    staon" zeit de tuinman van \'t kasteel bij ons. «Mar gij    I
|    kundet toch wel houwen, mènneke, met oew broeikèsjes en    l
|     „serres", zeg ik. „Ja mar", antwoordt hij, „daor het \'n    i
ï    ander niks aon, \'t is \'t leven niet, den rechten overvloed    ï
1    niet; \'t zuije-wiendje van de lente trekt \'r niet deur, en de    \\
I    dauw van de stommer rust er niet op; en"\'.... Maar ik laat    =
|    onzen tuinman niet langer ,deur-redenieren"; want als hij    i
|    eenmaal aan \'t „deurtrekken" is, dan zijn we (\'t gebeurt wel    ï
|    eens meer!) in \'t eerste half uur nog niet van hem af\'.
„\'t Is zoo, \'t is \'s winters veur \'n mensch \'n dooijig bestaon."    i
|     „En ien de stad zal \'t wel „één tout-meme" zien, net krek    [
i    \'t eigenste". Allicht nog heel wat erger, hoor \'k wel    j
|    zeggen. Zou daar nu niets aan te doen zijn, dat \'r    i
I    \'s winters wat werk gezocht en verschaft werd ? dat men-    I
|    schen van invloed en naam en positie deze quaestie „van    i
1    miseriën" met energie en beleid en lijdzaamheid ter hand    \\
|    nemen? dat persoonlijk initiatief zich opmaakt, en zich te    j
|    kamp stelt tot beschaming van anderer loomheid \'i Och! als    \\
i    er maar wat meer ware toewijding was — „wat feu sacré",    I
|    zegt onze notaris — er zou zich meer levenswarmte ont-    \\
|    wikkelen; en \'t leven zou voeding en sterkte ontvangen;    {
MllllllllllillMIMIIIIMJIIIIIIIIIMIMIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIillMIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIiMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII.......
-ocr page 78-
0002010001020201010000020001000001023200000200000000022353485301010002020001000202000100010202
5555555555555555555555595555355555555555555555555555555555555
PLUKSEL-BLAOP.IES.                                               (53
en de levensomstandigheden ruimer worden; en de levens-    |
behoeften zouden in den normalen weg worden bevredigd.    |
Maar, zooals \'t nu gaat (o! Goddank, er zijn van die wel-    i
doeners), (maar) over \'t algemeen: fluiten, hoor!
Ik las dezer dagen in een oud „kroniekske"\' van een    |
,menschen-freundlichen" weldoener, .die op sekeren tijdt een    |
burger van sijne plaets droevig over de muren sag leggen,    |
en tot denselven gingh, en hem vraeghde, wat hij goets te    |
doen had? (zoo\'n stijl van een „oud-kroniekske" is voor    |
ons wel wat vreemd, maar toch „erg gezellig", zegt de    |
meester bij ons; „ieder z\'n meug", meester!) Als nu den an-    |
deren daarop antwoordde: niets; zoo hernam\' hij wederom :    i
ick wil u dan wat te doen geven; komt met mij na mijn    |
huijs, en klooft mij mijn hout".                                                    1
Dat vind ik „menschen-freundlich", dat is het ware!    |
Goos-nêf (ien de wandeling zeijen ze „Goosje-snuf", liefst    |
nog wel de lui, die hij trachtte „aan den kost te    I
houden" — waarlijk, ondank is werelds loon!) Goos-    I
nêf liet \'s wienter-daags \'n elzen-stumpke rooijen, of de    I
boks van \'n uitgerooiden peppelenboom kleuven. En dan    i
betaolde \'n ie daor een aordig dagloon veur; en had eiges
wat te branden aon den hèrd. Ik heb wel eens gedacht:    |
�999959999999999999999999999999��99799703999910
-ocr page 79-
!" " " !!! !"""" " ""!"" "!" ! ! !"""!" !"""P
64
PLUKSEI.-BLAOIUES.
I     „wat mot Goosnéf bij zoo\'n vuurke de hand lekker gewêrmd    ï
|    hebben !" Leven en laten leven, och ! \'t is geen kunst, maar    |
|    een gunst. Niet als een gunst, die men bewijst, maar die    I
f    men ontvangt: \'t is een voorrecht, als we bereid zijn om te
1    helpen ; en als \'t om Gods wil gaat, is het een gunst; en
|    daar ligt \'n zegen in. Maar laat die gunst dan ook wei-k
i    geven, en geen aalmoes ! want dat helpt op den duur toch niets.
|    en ontadelt hoe langs zoo meer den aard van ons volksbestaan.     Ë
Mensehen-liet\'! wij hebben onze oogen toch niet ontvan-
|    gen, om in den zak te steken ? en als we ze in die richting
|    ook maar eens goed den kost geven, dan zullen we zien,
i    dat er dagelijks en overal nog zooveel is, om werk te ver-   
|    schaffen, en \'n mensch eerlijk \'n centje te laten verdienen.   
|    Dan zullen we niet hoeven te wachten, totdat midden in den   
|    winter eens \'n hoop sneeuw „neer-wappert"\', en een bende   
I    „los volk", als gieren, voor ons huis neerstrijkt, om voor zes   
|    stuivers den „onboel" op te ruimen. Xeen, maar morgen   
1    den dag is \'t er al wel iets te „fenieren" (werk te verschaffen).    |
Gij zult wel niet verwachten, dat ik als makelaar op de    f
|    arbeidsbeurs optreed. Maar (om \'n enkel staaltje te leveren,    |
i    ik ben nu toch met „hout"\' bezig), korts was ik met \'n    |
|     „grooten heer" in z\'n bosch aan \'t wandelen. Overal lag    i
45149999842599999909999849999999�
i
I
§
I
i
I
TlllllMIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIINI.IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIHIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIin
-ocr page 80-
iKitiiif/iiiffMniirnrfiiiiiuiiriirftntinrtiuntiunMifiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiMiiiiiiiMiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiitiiiiiMM
Ë                                                          PLUKSEL-BLAODJES.                                               (55 I
\\    \'t vol „doojje tèkken" onder de boomen. Ik zeg: „mag ik    I
I    die voor \'t weghalen?" „Ja wel", zeit ie. En nu heb ik    |
1    er \'n paar man meê aan \'t werk, en krijg zelf \'n schuur    |
I    vol brandhout, \'t Geldt in dezen ook zoo, wat geschreven    i
staat: „want wie veracht den dag der kleine dingen?"    §
Ë    (Zachar. 4 vs. 10). Zoudt gij, die zoo\'n warm hart hebt    f
ï    voor den werkman „vraag en aanbod" niet kunnen regelen:    |
I    al was \'t dan ook maar een begin in \'t klein? En intus-    |
ï    schen ons pleidooi voor de nooddruftigheden van ons volk    f
Ê    met gloed en energie voortzetten ? \'t Is één van de pijn-    Ê
Ë    lijkste quaesties, maar voor een christenhart voor oplossing.    §
Ë    en voor een christenhond voor ontknooping vatbaar.
„Zoude is nie kunnen zeggen, da ze ien de stad wa béter    =
{    motten toezien met die soepkaorten ?" vroeg mij gisteren    |
Ë    \'n groenboer. En daar ik weet, dat er bij hem volstrekt    1
Ë    geen naijver bij in quaestie is, „umdat hij de knol-selderie    |
=    vur de soep nie levert"\'; en dat \'t \'n man is, die \'n goed    |
Ë    oog heeft op allerlei verderfelijke usanties in \'t maatschap-    i
Ë    pelijk leven, zend ik zijne vraag maar aan uw adres. Antwoord    |
Ë    wordt er niet direct op verwacht.
\'\'\'iiHiiiHiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiMiiiiiiifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiin
-ocr page 81-
9999916492170999�990090999999925444991141515595�
I ()(]                                                PLUKSEL-BLAODJES.
j                                                 XVIII.
Ik moet mijn vriend „den buitenman", die mij ver-
|    zocht, om te waarschuwen tegen het .weggeven van
|    soepkaorten" („zonder apart naovraog gedaon te heb-
|    ben", zooals hij er bijvoegde) vriendelijk dank zeggen,
1    dat hij mij daarmee op mijn „apropos" gebracht heeft.
i     Waarom \'t nu alleen soepkaarten moeten zijn, waar-
|    voor hij waarschuwt, begrijp ik niet. Hoewel ik heel goed
I    weet van \'t schandelijk misbruik, dat daarmee gemaakt
|     wordt; en menige „goeije ziel" erg schrikken zou, als zij
1    vernam, dat haar kostelijke kaart „van een rijksdaalder"
1     voor zes stuivers verkocht was, om „wat snaps" of „wat
=    snoeps" machtig te worden. Ik heb daar staaltjes van be-
I    leefd, die je allen lust om nog soepkaarten uit te deelen
ï    zouden benemen. Hoewel, dat mag ik toch ook weer niet
i    zeggen; want menige arme stakker is er toch heerlijk meê
=     geholpen. En soep krijgen ze er voor, man! zóó dat er
|     dikwijls „palet" in zit, zooals een echte „smikkelaar" mij
|    eens kwam zeggen, om de waarheid getuigenis te geven,
|    maar tevens om mij te bedotten tot meewarigheid; want
|    \'t was een „snapsbroeder"!
999�99��9999999999999935573999999999999999999999
-ocr page 82-
IIIIIMIIIIIIIinillllMIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIinillMIIIMIIIIIIIIIirilllMIIMIIIIII
I                                                   PLUKSEL-BLAolUEs.                                          67
0253015348532323489053530101020223480102000000010201000202020201015323000001000102020000010200000102000002020001020289534802
Die bedriegelijke praktijken en oplichterijen, om maar te
i    speculeeren op de „goedgeefsche" menschen, vind ik een
I    van de grootste rampen in de maatschappelijke samen-
I    leving. Ook zelfs als ge er in \'t minst geen erg in
I    hebt, loopt ge toch nog gevaar van bedrogen te worden.
|    Onlangs, terwijl ik in de stad was (want daar ben ik nog
i    al eens!) kwam een „oud proper wijfke" op mij aan, terwijl
I    ik voor \'t raam zat, en diende zich bij mij aan als „eene
Geldersche", die zoo graag naar Gelderland terug wou, maar
I    geen reisgeld had. Ge hadt \'t wijfke moeten zien, om op
|    haar „eerlijk gezicht" dadelijk klaar te zijn, en haar een
reispenning te geven! Maar o wee! hoe „bekaaid" kwam ik
|    er af, toen ik datzelfde „ouwe, propere wijfke, met haar
|    eerlijk gezicht" enkele dagen later een grachtje verder er-
|    gens aan de deur zag staan, met \'t compliment aan de me-
|    vrouw (die uit Zeeland van daan komt), en „of \'t meisje
|    eens zeggen wou, dat \'r eene Zeeuwsche was, die zoo
f    graag naar Zeeland terug wou, maar geen reisgeld had".
I    En, ge hadt \'t wijfke moeten zien, om op haar „eerlijk
I    gezicht" dadelijk klaar te zijn, om haar wat te geven!
I    En toch, \'t bleek mij bij onderzoek eene sluwe op-
I    lichtster en bedriegster te zijn. Och! en die zijn er
9999999999999999999999999999999999999999999999444
-ocr page 83-
iMimiimiiiiMnimilMHHHliiMiiilllliliimiiMiiiiiiimmiHiiiMiiii........iniu n........iiniii........i.....i......III............
I G8                                         PLUK8EL-BLA0DJE8.
I    zooveel, en zoo in alle manieren, dat ge haast bang zoudt
|    worden om wat te geven. Geen post is tegenwoordig
i    onbezet; geen hoek van de straat kunt ge omgaan, of
|    ge merkt al weer zoo\'n „azer"; geen raam is een kwar-
1    tier lang veilig voor de brutale of vleiend smeekerige blikken
|    van bedelaars in \'t groot en in\'t klein, met of zonder houten
Ë    boen (dat ze dikwijls ad libitum kunnen af- en aansehroeven).
|    van „kooplui" in lucifers, potlooden, papier enz., van allerlei
|    volk, dat, met „huilerig-aandoenlijke" stem of brief, tracht
|    u aan de beurs te komen. Waarlijk, ik zeg \'t nog eens,
|    ge zoudt haast bang worden om wat te geven. Doe \'t niet,
|    tenzij ge eerst goed geïnformeerd zijt, aan wie ge geeft.
|    Maar doe het dan (ok dubbel bij zoovele waarlijk arme
I    tobben», aan wie uwe hulp goed besteed is!
„Da viend ik al wel meê \'t moiste van de godsdienst",
1    zei den ouwen Jaopik Vink bij ons, ,dagge \'n erm mins
I    beheurlik helpt". Och! \'t zit er bij Jaopik niet erg diep.
i    Wie spreekt er in ernst van \'t „mooije van den godsdienst?"
|    en wie, die voor Gods Woord heeft leeren beven, zal zeg-
I    gen, dat \'n arme te verkwikken „finis et corona" het hoog-
|    heerlijke van den dienst des Heeren is? Maar toch \'t staat
|    er; dat we ook daders des woords zullen zijn, en dat de
0001010201000101020101020002000202000200020102000200020001020000020002010201025353010000020102
-ocr page 84-
uuuiiitiiitiitiiiinntiiiiiiiiiiniHiniiinnntiiitinnitnniiiniiiiiiiitiiniiiiiiiiiiiiniiiiiiiiimuintitnniitnuiwniliiliiiiiiit
0001000053530000020200028902000001020001020100010000020102020000010202000200010102020201010002020048905353020000010102000002
PLUKSEL-BLAODJBS.                                              (59
Heere de armen in Zijne plaats heeft achter gelaten enz. enz.
Maar weet ge, wat nu van dien „eigensten Jaopik" weer
erg „lillik"\' was? dat \'ie naar de kerk ging, en den domenie
flikflooide enz. alleen om maar wat te trekken. En toen
dat eindelijk hij Jaopik niet meer zoo vlot ging, en hij
„botweg" uit de kerk bleef, en den „domenie" er eens op
afging, om te informeren, waarom hij niet meer in de kerk
kwam? zei Jaopik zoo heel leuk weg: „umdat ze ien de
kerk al net zoo goed liegen, as bij ons soort van minsen".
De domenie (een beste, dat moet ik zeggen), over die op-
merking wat ontsteld, antwoordde: „wel man, wat zeg je
daar? liegen ze bij ons in de kerk?" „Ja zeker", zei
Jaopik, „want ze hadden mien al lang \'n deken van de
djakenie (de diakonie) beloofd, en die hè \'k nog altied nie
gekregen".
0 zoo, vrind! is dat \'t „liegen"? of liegt misschien je
eigen hart ook? en was \'t je met al je quasi-vromigheid
ook soms om „den heb" te doen? Toch mogen we al die
„hebberige" lui, en al dat bedelvolkje, en al die oplichters
enz. niet laten „schieten\'\'. Die \'t waarljjk om de eer en de
barmhartigheden onzes Godes te doen is, zal ook tegenover
zulke „malheureuse" menschen eene dure en gedurige roe-
\'\'\'niiiniiiiiitiitiiiiiiiiiiiiiiiMiniiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiHiiiiiiiiiiiiiiiMiMiMiiiiiiiiiMiiMiiiiiiiiMiiiiitiiiMiiiiiniiiiiiii
-ocr page 85-
^lllllMllHMlllillllllllllliliiiiiiilliMilllllllMlllilllMlMHlllMlllltlfflflflttltllflttllttlfiti(r((rrri(((irriuirriuittrifittirilllllllirrt
I 70                                               PLl-KSEI.-BLAOD.JES.
|    ping aanvaarden, om bij hen naar waarheid te trachten, een
|    laatste overblijfsel misschien van eer-gevoel op te wekken, en
1    vooral, als \'t nog kan, te zien dat die lui wat te doen krijgen.
|     ,Wil je .absoluut" een bedelaar zijn?" zei ik een poos
=    geleden tot zoo\'n „echte strooptochter". Eerst keek hij mij
I    aan, een heele poos, en zei toen kortaf: neen!" Toen gaf
1    ik hem een kwartje ; hij ging beschaamd heen ; sinds zag ik
|    hem niet meer; totdat ik hem eergisteren ontmoette, druk
1    in \'t werk. Hij heeft me verteld, hoe dit toegegaan is, zoo
|    eenvoudig en natuurlijk, dat ik alle hoop heb op zijn maat-
i    schappelijk behoud. Als dat ook weer mis is, en gelogen
|    is, dan zou ik er maar liever heel en al uitscheijen met
I    helpen. Maar dat mag niet. Het verlorene te zoeken en
|    terecht te brengen blijft, ook onder allerlei teleurstellingen.
|    de dure roeping van den Christen.
|                                                  XIX.
Het kan \'s zomers in de Betuwe zoo „echt" zijn om te
| genieten, in al die „malsigheid en gelpigheid"; als er éen
ïiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiii......iiiiiiiiiiiiiiiiiiiininininiii........i.......i......>"\'........."»ni.....»".....iiiiiiiiinii.....umin"
-ocr page 86-
HMMMMMIMMIMMMIMIMMIMMIMMMMMIIMIMMIMMIMMMMIIIIIIMMMIMMIMIMIIIMMIIMMIIMilllllillinMMiiMiMMIIIiMIIIIMII
5143544184�154413544559994114999995545541554154154415445114154�1
�99����1199999�9999999999999999899999954�5999969099999945�999999
•                                                   PLUKSEL-BLA0DJE8.                                          71
lof is over de velden bij zooveel vruchtbaarheid en vrede;
als „alles juicht en alles zingt." Ook \'s lentes; en zelfs
vóórdat de lente komt, en \'t langs de slootkanten op, en
in het veld zoo zijn kan, dagge zeggen moet: \'t Is net
alsof ge de lente al kunt ruiken! Als kersen, pruimen en
„appele-kozen" (abrikozen) staon te bleuien, alsof alle bon-
gerden eene witte bruidsjapon hebben ,aongekregen" ; en
de merling begint te fluiten en te zingen, alsof hij de
,minstreel" of bruidzanger is. Als „den ouwen Gerrit-
baos" in zijn zonnner-huuske midden „ien de kamper-
foelie" den heelen vijf en zestigsten psalm uitzingt. En ik
wel eens zeg : ,\'tls te hopen, Gerritbaos, dat\'t tegen\'t zom-
mer en den herfst zoo kommen mag !" En \'t komt gewoon-
lijk nog veel kostelijker en overvloediger, dan wij \'t hadden
kunnen of mogen verwachten, o, \'t Is zoo\'n heerlijk stukskc
grond in de Betuwe !
Maar \'s winters kan het er erg „dooijig" zijn. \'t Is er toch
goed; want ook de winter is naar de ordinantiën Gods ;
en daarom is het er toch goed. Maar zoo in \'t aan-
zien, weette, kan het \'s winters erg ,dooijig" zijn. Als de
velden zoo vaal zijn, en de akkers zoo kaal; als hier en
daar tusschen de dorre takken een sijs of een bijmeeske zit
niiiiiHiiiiiiiiiiiii iiiji iiMiMnmniiiuiiiiMiiiiimiiiinnMMiiiiniMiimiiilini in minimum il mnm mimi HiMntii mimi ui ml
-ocr page 87-
MIMIMMIIIIMMMMMIMMIMMMMMMIMMMMIMMMIIMMMIIMIMMMIMIIIMMMIIIMMIIIMMMIMMMIIII........IIIIII llllllll II11IIIIIIIM
72                                         PLUK8EL-BLA0DJE8.                                                   I
8923005302002353534848485353534848534853232348230002020001020053532323020102010001020000020000020200010202535323235353000102
te „sjielpen" met een „ingetrokken nekske" : als \'t „zunneke\'\'    I
zoo „zondig" schijnt, dat «\'t pas is komen kjjken, of\'t gaat    |
al weer in \'t nestje" — zooals onze dorps-poëet dat uitdrukt;    I
— en als \'t dan daarbij soms net is, of de menschen de    |
„ullingen\'\' gezelschap houden, en maar door blijven „hakken"    i
(slapen)!                                                                                         \\
Maar dat doen ze lang niet ! En dat wou ik nu eigenlijk maar    |
zeggen. Wie zoo met \'n eersten oog-opslag het veld ,in-loert",    i
ziet niks anders als dooije wilgen, eenzame „hekken-posten"\'    i
enz. Maar toch, ja, daar ginds . . . van verre leek \'t wel, of \'t    I
\'n boom was! Maar \'t is \'n ininscli, die bezig is mols-hoopen    |
,te slichten". En ginds is er een met de êg bezig. En    |
daar ginder „floddert" er een langs \'t „boord van een sloot",    i
dat hij aan \'t „ophaolen" is. As \'t een beetje „zinnig    f
weertje" is, en de grond niet hard is van de vorst, trekken    i
Hannes Pauwelen en consorten er op uit om „erdêikels"    |
(aardakers) te rooijen.                                                                   |
„Zien ze tegenwoordig nog al geldig, Pauwelen?"
„Oh, wa\' za\'k zeggen?" antwoordt P. „Zeuven centen    i
\'t pond; en as \'t goeije zien, acht; en puik-beste negen    |
centen."                                                                                          i
„Ik wou, Pauwelen, daggij de slag hadt om „stadsche    |
llllllll IIIIIIMIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIII MM IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMItllllllllllllllllll III llllllll III UMI IIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIII llllllll MM
-ocr page 88-
MIIIIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIUinillllllllllllMIMIIIilllllll^
I                                                           PLI\'KSEI.-Iil.AHP.IES.                                                7^5 I
I    minschen" die dingen te leeren éten; dan kreegde zeker    |
|    zeuven, acht stuuvers veur \'t pond."\'                                           I
„Ja, da hê\'k niet; rooijen da kan \'kwel; maar ze lekker    I
i    laoten vienden, da kan \'k niet; eiges hou ik ook meer van    |
i    \'11 stuk van \'n keujen".                                                                 |
I        Dan hèdde weer andere lui, die met \'n „gedressierden" hond.    i
|    \'11 kees, op de vangst van ullingen, bunsems en wezels gaan :    |
ï    ook wel eens, geloof ik, die \'n „haos gaon strieken"; maar    f
|    daar wil ik niet van weten. Dan zitten er weer anderen    |
|    tusschen de elzen-passen in, of in de „hongerden", om hout    |
|    te hakken, en, zooals ik \'n vorige keer zei, ,\'n elzen stumpke    |
i    te rooijen, of\' de boks van \'n peppelen-boom te kleuven"\'.       i
En dan is er een boel volk noodig bij de boeren „um de    f
|    beesten te voeijeren,\'\' en um meê „aan den dorsch"\' te    f
Ê    belpen. Och, dat is anders tegenwoordig zoo niet meer als    1
=    vroeger. Toen moest het koren allemaal met den vlegel    |
I    gedorscht worden. Maar tegenwoordig doen de groote boeren    |
1    \'t haast allemaal met de „mesien" (dorsch-machine). Zoo\'n    |
1    drie- of vier-slag met de vlegel, dat klonk, man, alsof    |
I    \'t muziek was. Maar tegenwoordig, dat „gewêver" met die    |
§    machienes! „\'t Is net of de dingen oe uutsliepen,"\' zeit den    |
i    arbeider van \'t Honings-veld: „da mot ien de stad ook al    |
0000000153530202020102020102010102010100020201020001020001000101010002000023239148232302020201
-ocr page 89-
ininililllllMltMIIIIIMUIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMtlinillMIIIIIIMIIMMMIIMMMIIIIIMlIMIMMIMIIIIIMIIIIIItllllllMIMIIIMIIIIIIIIIM
0002022353910001020001530001020001020248530200535300010200000102000102020153004853000102000053485348485348530100482323532389
= 74                                         PLUKSEL-BLAODJES.
|    heel erg zien." „Ja, daar is \'t ook heel erg. En \'t werk is
|    er zoo dooijig meê geworden. En daar loopen zooveel    |
|    menschen leeg om, dat het eigenlijk wel \'n schand is om    1
|    aan te zien". Maar den „arbeider van \'t Honingsveld" hoort mij    |
|    niet meer ; hij mot net weer \'n gêrf of wat koorn ien de    |
1    machien steken; en \'t ding maakt \'n léven, dat oew heuren    |
|    en zien vergeet.                                                                             |
\'s Avonds wou ik \'m gaan opzoeken, urn nog wat met    |
|    \'m over de „machienes" te naoberen. Maar toen \'k tegen    |
|    acht uur kwam, was hij net van plan onder de dekens te    |
|    schuiven, „\'s Aovends \'t licht koopen, en \'s mergens weg    |
|    geven, da hoef niet", zeiddie me nog êfkes door de deur    |
1    heen. En ik zei \'m nog êfkes terug: „Ik dank oe wel,    |
|    Jansen, veur oew leske."                                                              |
Intusschen, de menschen buiten kunnen, ook \'s winters,
    nog al aardig aan den kost komen. Ik wou dat \'t in de    \\
=    stad ook zoo vlot ging. Toch was er met goeden wil nog    |
    wel raad te schaffen. En de lui, die klagen, ten minste    |
    veel er van, moesten maar niet zooveel noten op den zang    |
    hebben, als ik dezer dagen weer hoorde, dat ze nog geen    \\
    eens iicu zak aardappelen naar boven wouen dragen, terwijl    |
    hun in gedachte al tien cent voor iedere zak toegezegd    |
|
|
|
|
|
I
TllllllllllllllllllllllllllllllllllltllllllllllllllllllllllltillllMIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMItllllllllllMIIIIIIIIIIIIHIIIIMIIIM
-ocr page 90-
�99999999999999991599��9999�9999999999999999��999
495414449999949�52809951599999999544441���1411541�854295471544�5
PLUKSEL-BLAODJES.                                              7o
I    was. En dan denk ik ook wel eens, als men in zijne
|    klachten wat meer bij God mocht leeren klagen, dan zou
I    \'t er beter bij staan. Korts ontmoette ik er zoo een, die
1    van klager bij de menschen een klager bij God was gewor-
|    den. Maar \'t was .den eigenste mensch" niet meer, zoo iets
|    vreedzaams, vredigs en tevredens had hij gekregen. Waarlijk.
I     „de godzaligheid is tot \'alle dingen nut, hebbende de
i    Ijelofte des tegenwoordigen en des toekomenden levens!
|    (1 Tim. 4 : 8.)
\'s Winter-daags zitten ze bij ons in de Betuwe ook wel
i    in den droogen tabak te „snuffelen"\'. Maar daarover een
I    volgende keer.
|                                               XX.
Koorn, vee, aardappelen, appels en peren, „schaop", en
I alles, is er in overvloed in de Betuwe. En alles „puik-
I best", dat verzeker ik u.
Bij allerlei versiering en inscripties, die ge met de April-
I feesten in Amsterdam „te kost en te keur" kondt vinden,
I trof mij bjjzonder een opschrift in de winkelkast van een
�99�965�9999999�99�96419999968053354�266611454455
-ocr page 91-
154211541�489�����5�5459999994159999�887999991011
7(3                                               PLl\'KSEI.-ItL.ViIUES.
|    Gelderschen boter-boer. „Een edele vorst en zuivere boter,    |
1    dat is het ware." Beide volkomen juist, hoewel ik \'t ver-    |
361700270531�63670�3310��431777
|    hand niet goed kon vatten. In \'t eerste mogen we ons,    |
|    Goddank! nog verblijden ; \'t laatste wordt al zeldzamer,    |
|    naarmate de namaak in margarine, en de knoeierijen toe-    |
    nemen. Neen, in de Betuwe, en gelukkig elders ook nog    |
    wel. vindt ge de boter nog zoo mild en zuiver als \'t maar    |
    kan. En zoo alles al naar rato, overvloedig en ]>uik-best.    i
    \'t Eene jaar is \'t wel eens overvloediger en beter dan \'t    |
    andere; maar .door de bank"\'zijn de ,bei"gen" en de „melk-    |
    ton" en de „boter-têmmes"\' en de .appelen-zolder\'" enz. goed    i
I    voorzien. Jammer, dat ze in de Betuwe, net als overal,    1
|    beter verstand schijnen te hebben van klagen en ,knerpen",    |
|    als er eens een tegen-slag komt, dan dat ze den mond wijd    f
|    open doen, om blij te zijn en te zingen over zooveel zegen!    1
|     .\'t Is dan ook altied mar poot-aon speulen, \'t heele jaor    |
|    deur, van den vroegen niergen tot den laoten aovend", zeit    I
    den boer van \'t Hamenstuk, terwijl hij intusschen een    |
     „middag-slaopke geknapt hét, en nouw buuten op de bank    |
    een nootje zit op te peuzelen.", o Zoo! Jan-boer; en    |
    \'s Zondags dan ? En dochte gij dat \'n mensch de gebrajen    1
    duiven maar zoo in den mond vliegen ? \'t Is gelukkig, man,    |
|
|
|
1
|
|
I
|
|
|
I
iïlllllllllllllllllllllllllllllllllllllllillMIIIIIIIIIIHIIIIIIIMinilllMIIIIIIIIMIIIIIIIllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllHIMIIilIM
-ocr page 92-
2llllllflltlfflilHIIIIII)IIIIIIIIMIIIIIIIIIIMillllllllltllllllllllllllllllllllllt)llllll(IIIMIIilll1llllllllltlllllllllMIIIIIIII1llllllllllll1IIIIIJ
0001020102000102312323480102010202000201057101020000480200010202000002000102000102020200000201000001020100020002020002020102
Ê                                                   PLUK8EL-BLA0DJE8.                                         77 =
as ge werken kunt en werken moogt; zweetdruppels zijn    f
nog kostelijker dun oostersclie parelen !
Onder allerlei bedrijf, dat den Betuwsehen landman veel    |
werk geeft, is de tabaks-bouw zeker wel meê in de eerste    |
plaats te noemen, o, Jong! daar groeit zoo\'n kostelijke    |
tabak in de Betuwe. Ze zeggen wel. dat ze er zelfs in    I
\'t buitenland over ,zwetsen\'\'. En \'n grooten heer, die eens    |
in Italië reisde, had daar ergens in \'n stad voor een tabaks-    i
winkel zien staan: „Tabaggo di Valburgia"\' (Valburgsche    i
tabak), \'t Kan wel eens tegenslaan met den hagel, of dat    I
de prijs wat minder geldig is. Maar menigeen vindt er zijn    1
bestaan meê, en velen zelfs een overvloedig middel van be-    |
staan. Wat er al zoo in dien bouw „veur-kumt", van \'s len-    |
tes vroeg, tot laot in den herfst, met .zèjen", .poten"\'.    Ë
„schoefelen", .tuppen" ,,breken", .aonsj)ielen"..sehokkieren"\'.    i
.dreugen\'", enz., dat zal ik u maar niet uitvoerig beschrij-    i
ven; een „stads-mins" heeft daar toch niet veel aan. ,\'t Ge-    §
beurt me zelfs wel, dat ik de woorden niet eens versta\'\',    i
zei me dezer dagen een criticus uit de stad. „Ja, stadsche    |
criticus! dat kan ik niet helpen; ik geef \'t maar weer, zooals de    |
menschen in de Betuwe zijn in hun doen en spreken; och! en    |
met een beetje goeden wil kunt gij \'t wel verstaan, zeker wel! \'    1
iMiiiimiiMMimMinMmnHHHiiiiiMiMiMMiimiMMiMHtMiHiiiimiiniMiimimiiMiMuiMiiMnmmniiiiMHiMiMiimmimii
-ocr page 93-
559999999999999999999999999999999999999999999999�
i 78                                             PLUKSEL-BLAODJES.
Nu, maar om dezen tijd van \'t jaar, of wat later nog,    |
|    zitten de „tabakkers", ten minste als ze de tabak verkocht    |
|    hebben, gelijk ik de vorige keer schreef, „in den droogen    |
1    tabak te snuffelen1\'. Dan wordt de drooge tabak, die aan    |
|     „spijlen\'\' geregen is, uitgezocht en op bossen gebonden:    |
i    de goeije apart, aardgoed of best-goed, en \'t „uit-pluksel".    §
1    dat wat „krotterig is", of „daor de roest ien zit"\', of zoo    ï
|    iets, in een woord het mindere, „dat voor half geld weg-    I
1    geef\', ook apart. Korts stond ik bij zoo\'n „snuffelaar" een    i
|    poosje te praoten. We hadden \'t zoo over van alles, ook    |
§    over \'t werk en de werklui; ook over „Patrimonium\'\':    f
I    En opeens schoot de „snuffelaar" uit, en zei: „Die stuks-    |
|    kes, die „Batavus" ien die krant schrieft, die lieken mien    |
I    ok wel zoo wat veur half geld, zoo wat pluksel-blaodjes."    I
i    Jong, wat kreeg ik \'n kleur! Als eene hatelijkheid,    |
I    adres aan mijn persoon, kon ik het niet beschouwen,    |
|    want hij wist volstrekt niet, dat i k eigenlijk Batavus ben.    |
|    Maar is het dan voor mijne stukskes zelve niet des te hate-    ï
|    lijker? Ik kreeg er ten minste „stil bloed" van; en ik ging    I
|    er maar van door, na den „snuffelaar" op mijn manier nog    |
|    eene hatelijkheid uit „revanche\'\' te hebben toegevoegd, „\'t    f
|    Lijkt wel, daggij van dien „knasterf" veur half geld ook    1
7111111111111111111111111111111111111111111111111(11111111111111(1111111111111111111111111111111111111111)111111111111111111111111(111111111111(111111*11
-ocr page 94-
„Die stukskes, die \'„Batavus" ion die krant
schrieft, die lieken mien ok wel zoo wat veur
half geld, zoo wat pluksel-blaodjes."
-ocr page 95-
HiiffirfiiffiHiifiifiiiiiMiiiiiiuirtiiitiiiifiniiiiMiiiifiifiiiifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiHiiiiniiiiiiiiiiMMtiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii
§                                                          PLUK8EL-BLA0DJE8.                                               79
0053234853480200530200000102000001020102000202010101000200010000020200000101000101010102005353534890914823482348484801020100
|    eiges rookt, want \'t is van den damp van de „piep"\' bij oe
|    niet uut te houwen; ik groet je!"
Toen ik weer wat „bij bloed" kwam, heb ik over \'t ge-
|    val nog eens stilletjes nagedacht; mij in de eerste plaats
|    geschaamd over mijne wederkeerige hatelijkheid (o, die ellen-
i    dige hatelijkheid onder ons menschen!); en toen kwam \'t
|    mij vervolgens voor, alsof er zelfs nog iets vereerends voor
I    mijne stukskes was in de aanmerking van den „snuffelaar"\':
=    ze zijn ten minste \'t halve geld nog waard! En dat, dunkt
i    mij, is al meer als wel; verder mochten mijne pretenties toch
|    ook al niet gaan, ja zelfs zoover niet. En nu voel ik mij.
1    bij slot van rekening, er nog meê in \'t zonnetje gezet. En
|    ik vrees zelfs, dat mijn hoogmoed mij nog parten speelt, als
|    ik mijn schrijven een hoofd wil geven onder deii naam, waartoe
Ë    de „snuffelaar" mij op \'t spoor gebracht heeft: „Pluksel-
|    blaodjes!" Ten minste, als \'t niet al te mooi is!
1                                                  XXI.
Onlangs moest ik aan \'t loket voor expeditie van post- I
| wissels wat wachten (ik zou zoo zeggen, wie heeft daar al j
<>llllini||||ii||MIMMIIil||||lltlllllllMIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIII1llllllllllllllllltlltllllllllllllllllll1IIIIIIIIIIIIIIMIiri
-ocr page 96-
fiiiuiiMiiiiiiHiriiiii(fi(nfiuiiiiriiifiiHii(iiinfMifHifiiitniftiiutiHiutnrttMitii(iffiff(fiiirrfriiiifii(ffiii((if(iiiiiiitriit(iiHiiiu
1 80                                         PLUKSEL-BLAODJES.                                                   I
|    wel niet wat moeten staan wachten ?) omdat een ander mij    |
|    voor was. Deze. een knecht van den een of\' anderen baas,    l
|    schoof zijn postwissel door \'t raampje van \'t loket, zonder    i
|    dat de noodige postzegels er op geplakt waren. De    f
|    .mijnheer" achter \'t raampje schoof knorrig den postwissel    I
|    terug, met de opmerking «dat de i)ostzegels er nog op    I
|    moesten."                                                                                        I
.o Ja !" antwoordde de knecht, ,ze helmen gezeid, dat    |
|    ge er die hier meteen maar op zoudt doen."
Toen hadt gij den .heer" eens moeten hooren! \'t Was    §
i    of er sprake kon zijn van .gekwetste majesteit" ! En als    §
I    ge \'n razenden Roland in miniatuur hadt willen zien, ge    l
|    hadt op dat oogenblik met mij moeten staan wachten .om    i
|    een postwissel te expediëren" ! Wel, wel, wat was „die    §
1    minsch kwaod" ; zoo\'n beleediging voor zoo\'n «heer11 was    1
|    dan ook al te grof.                                                                       f
1 En ik moet zeggen, \'t is waar, daar zat iets in \'t compli-    I
1    ment van dien .snuiter"\' (als \'t nog maar een compliment    =
|    was!) dat je zoo ineens weer een blik gaf in al de „leuk-    f
1    heid", waarmee de eene mensch alles van een ander meent    f
|    te kunnen pretenderen. Maar van den anderen kant, menschen,    |
|    menschen! we mochten wel eens wat meer op de sdienst-    |
49999999999999999999999999999999999999999999999�5
-ocr page 97-
0002000008040001010100020000235301020201000000023002000001020102010002010200020101025348530002
1\'LUKSEL-BLAOn.lES.                                               81
0200482353534802000200010102020101020248535390534823020102025323000102020001020200020202020200010201005323485302015323895348
I    vaardigheden der praktijk" letten, als ik \'t zoo maar eens
I    op z\'n zachtst genomen mag uitdrukken. Twee .misstanden"
i    zag ik, in die betrekkelijk nietige ontmoeting, tegelijk voor
1    mijn\' oogen ; maar die op zichzelf volstrekt niet nietig zijn. I
\\    en een heele boel „ermeraotie" (ellende en narigheid) onder j
j    de menschen brengen. Namelijk (,\'k zou \'t met groote letters j
j    laoten drukken" zei mijn neef, die mij raadt, dat ik .over
i    dit geval is wa schrieven most" ; neen, neef, dat zulle we
j    niet doen !) de lust om \'n ander maar alles ,op te degenen"
|    (op te leggen, en op den hals te schuiven); en om schrik-
ë    keiijk gauw erg „gepiqueerd" te zijn, als we meenen,
j    dat men onze waardigheid (zij \'t ook maar een .sikkepitje")
!    te na komt. De Heere Jezus heeft het ons wel anders
i   geleerd : gelukkig wie bij Hem in de leer is !
Korts geleden kwam iemand in ons gezelschap aandragen met
j   een „hakke-fietje"\' (zoo\'n .zaakje", weette, daar eigenlijk nie-
Ê   mand grooten trek toe heeft), en vroeg om raad. wie \'m dat nu
§   zou moeten „lappen"? Onze .praeses" zei, dat hijzelf maar eens
I   goed uit de oogen moest zien, om iemand te vinden.\'\' ,En als ik
[    dan niemand vinden kan?" vroeg Jansen. . Wel, dan doe je het
zelf maar", antwoordde de „praeses". Ik moet zeggen, die
I    vond ik raak, omdat het zoo waar is. Van een ander iets
\':il|lllllll|tlMIIIIIMIIIIMIIIIfllllllHIIMIIMIIIi|IIIIIMIIIIIIMIIMIMIIIIMIIIIIIIIi>MMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIt
-ocr page 98-
�999999999999999999999999999999999�999�999907991�
079�4215429999780999199999944�599541599908299945��34�369544�51�4
82                                              PLUKSKL-BLAODJES.
te pretendéren; des noods nog iemand .opsnorren"\', die de    ï
kastanjes uit het vuur haalt; allemans-praats te hebben    1
van een ander, .die dit niet, en dat niet\'", och! daar hoef    |
je \'t oor haast niet voor open te zetten; helaas, ook omdat    |
men dikwijls zichzelf op dergelijke onhebbelijkheden kan    i
.attraperen". „Ik zie d\'r ten minste niks gin been ien um    ï
\'n ander op te drêjen, waor ik eiges gin sjeniejigheid ien    j
heb; ze hebben \'t mien ok zoo duk gelapt", zei Hentje    1
uut den Ham. En ge had het „kêlje" moeten zien, als ie    i
dat zei, met zoo\'n ingetrokken lip en een mond zonder    [
tanden, een spichtige neus, die tusschen de bakkebaardjes    I
net als een weerwijzer altijd naar \'t noorden wees, en een    i
paar oogen, die zoo .stroets" keken, alsof ze zeggen wilden:    i
.Hentje uut den Ham stekt vur gin minsch \'n vinger meer    I
ien de asch, daor kunde over rekenen." Mar vur ou zullen    I
\'t er ook niet veul doen, Hentje, daor kunde over rekenen!"    i
Och! \'t is zoo heerlijk, als ge eens iemand ontmoet, die    I
er den lust toe heeft, en er den slag van heeft, om zoo    =
ongemerkt en ongevraagd \'n handje te helpen, en zoo zonder    I
erg \'t een of ander voor je te .verhapstukken". Ik vind het    f
al heel mooi, dat ze in Amsterdam bijv. altijd klaar zijn,    I
om mekaêr een vrachtje de sluis op te .,douwen". En ik    f
�9999999999999999999999999999999999999991769��99�
-ocr page 99-
�99��9999�999582�99989699997699��999�9951����899�
PLUKSEL-BLAODJES.                                              83
5390010202000053485300010202000101020200010201000102000102000200010202020200020200010001010102010102000001020102020200010200
ï    had er satisfactie vsin, toen ik, door zoo\'n goed voorbeeld
|    geleerd, onlangs een oud joodje met een ouwen handwagen
ï    niet oud ijzer, die juist op \'t punt was om achteruit te
|    schuiven, het water in, op zijn angstig: „Vooruit! vooruit!\'\'
1    te hulp mocht schieten, en fiksch meê aan douwen. Ik kan
i    u zeggen, het doet me nog goed als ik er om denk, hoe
=    dankbaar \'t ouwe joodje zei: .\'t Zal je gezegend zijn!"
Maar waar zit \'m dat nu eigenlijk in, dat \'n mensch zoo
I    graag \'t een en ander, en van alles, op \'n ander schuift?
Ê    Willem Blom, onze veearts, een „eigen gereide", die z\'n
ï    eigen klaor gemakt had uut „Numan", plagt altijd te zeg-
I    gen, als hij bij \'n ziek rund of pèrd of schaop geroepen
ï    wierd: „\'t Zit \'m ien \'t beest." En zonder derde van ver-
Ë    gelijking          \'t zij verre — zouden wij kunnen zeggen: \'t
i    Zit \'m in \'t hart van \'n mensch! En \'t wordt van jongs
I    aan gevoed door verkeerde methode van opvoeding, \'t zij
|    door verwennen, \'t zij door hardvochtige bejegening, (\'t Een\'
I    al net zoo erg als \'t ander.) En dan, voorbeelden trekken zoo
I    van alle kanten. En wie \'t nog eens anders zou willen, die wordt
|    gewoonlijk voor „ezeltje" gebruikt, of moet dienstdoen als
|    .Joris Goedbloed"..... „en dat begon me toch eindelijk te verve-
I    len", zeiMeeusen „van de post"; en daar had hij groot gelijk in.
1069999999999999999999999999353619109999991998999
-ocr page 100-
HIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMMIIIMIIIUIIIUMMUUUUIIIIIimimuiUIIIII........MlHIIIMMHimiimillmillllllimillllllltllllimillllllii
I 84                                         PLUKSEL-HLAoDJES.
Neen, als we \'t frisch en praktisch aanvatten, in Gods     1
|    naam en op Zijn woord, dan alleen zal "t ons gelukken dien    |
|     „onboel om alles maar op een ander te laten aankomen",    f
|    op te ruimen, en het hart te zetten op de wetenschap van    f
|    geven en weldoen; maar ook, als \'t er op aankomt, van    |
|    weigeren en weerstaan. En dan, zooals onze oude dominé    i
1    plag te zeggen, die alles met Gods Woord uitmaakte (en    |
|    daarbij zoo eerbiedig z\'n „kiepske\'" kon afzetten): „Alles,    |
1    wat uwe hand vindt om te doen, doe (dat) met uwe macht."\'    |
}    (Pred. 9 vs. 10).                                                                            f
Apropos van verkeerde praktijken in de opvoeding, waar-    i
|    van ik zooeven sprak; onlangs hoorde ik een vader tegen    |
|    z\'n jongen, een bengel van een jaar of zeven, „heel zoete-    I
|    lijk" zeggen: „Toe, Wesseltje, haol is wat hout vur de    |
|    kagchel, as \'n menneke." En „Wesseltje" antwoordde: „Doe    §
1    de gij \'t mar, Pao! dat is net zoo goed." En waarlijk, „Paó"    I
|    ging! o, Tempora, o mores!                                                         I
fblIIIHinnUlinilHIIIIIHIIHIIIIhlUIIIIIIUIIIIHIIIMIIIMIIIHIIMIIIIIHIHIIIHIIIUIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIilllllillllHIIIIIIIIIIIIMlT
-ocr page 101-
IIIIMIIIIIMIMIinHIIMIIIMMIIMIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMlIIMIMMMIIIMIIMMIIItlllllllllllllllllllllllllllllllllHIIMIIIII
\\                                                          PLUKSEL-BLAODJES.                                                8")
0200010202000101015353020000010202000101020200010002000101020101010000010153485301000101010201000102004853539191485348534823
]                                                 XXII.
Wie God eert, die zal ook den stand, waarin hij geplaatst    |
|    is, eer aandoen en in eere houden; en graag \'n ander de    |
I    eer geven, die hem toekomt. Maar wie de eere Gods licht    |
acht, die gaat zijn eigene eer zoeken, en is een zelf hehager;    |
I    \'n ander is lang niet „de minseh die hijzelf is"; en pas op,    §
ï    als ge „m\'nheer in zijne hoogheid te na komt. Ieder alzoo   
I    in het zijne; maar waarlijk zoo is het. Waar Gods eer ge-   
1    zocht wordt, daar gaat het goed; waar Gods eer niet is,   
|    daar vindt ge allerlei „misstanden\'". Ik heb u de vorige keer    |
i    geschreven van dien „heer" achter \'t loket, waar ik die   
Ë    ontmoeting meê had, toen ik moest staan „wachten om een   
I    postwissel te expediëren". Maar och, van die „heeren" zijn   
|    er zooveel, \'t zijn haast allemaal zulke „heeren", waar ge   
i    ook komt. (De goeije, wel te verstaan, niet te na gespro-   
i    ken!) En hoe meer de eere Gods wegtrekt, en de ordinan-   
i    tien Gods in vergetelheid raken, en alle dwaas (iedere gek,   
I    zegt het spreekwoord): „Ik!" zegt; des te minder blijft er   
i    over van de rechte verhouding van stand; en „daor kumt al   
I    dat gemier van daon, dat d\'n een al niks minder wil zien   
I    dan den ander, en as \'t er op aon kumt, denkt dattie eigen-   
|
i
f
1
|
|
|
|
|
|
I
|
i
I
^\'MIIIIIIIMinililllllMIIIIMMIIIllMIHIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIIIIMIIIlllllltllliniltlllllMlllilHIIIIIItllllillMHItlllllllll.........Illlïï
-ocr page 102-
MMIIUIIIiniMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMHIIMIIIIMIIMIIIIIIIIinilMilllllMIIIIIMIIIIIM
| 8(>                                               PLUKSEL-BLA0DJE8.                                                          f
i    lijk \'n heel bietje meer is, en ien alle geval d\'r de brui    |
|    van gift, urn z\'n eigen door \'n ander as knecht te laoten    |
I    gebruuken, en te laoten „koejonneeren".                                    i
Wie God eert, die brengt er een glans meê op zijn stand    |
i    en zijne roeping; en is, als \'t er op aankomt (en zonder    |
f    dat ook wel), niet bang „um de hand in de asch te steken,    §
1    en de kastanjes uut \'t vuur te haolen". En als \'t geval er    |
|    toe ligt (en zonder dat ook wel), wil hij heel graag „nom-
ï    nier twee of\' drie of\' nommer nul zijn", omdat hij wel weet,    =
|    dat dienen „macht oefenen" is; en dat wie in Gods naam    |
|    zijn stand hoog houdt, zichzelven en zijn eigene eer heel    1
i    best missen kan. Maar anders, och! dan wordt het zoo\'n    I
|    „duf zootje", en „allemaol ellende met zuur bier", als \'t er    |
i    op aankomt, om eens wat voor \'n ander te zijn; en, al was    f
|    \'t ook maar voor een enkelen keer, de minste te zijn!
„Ik kan \'t maar niet opkrijgen, daggij, van achteren ge-    1
|    zien, zooveul weg hêt van den gouverneur van Utrecht,    \\
I    Willemsen". Dat was \'t eenige, waar ik den wethouder    1
1    bij ons ooit meê in \'t zonnetje heb kunnen zetten. (Nu ja,    \\
|    wie is er ook niet graag eens in \'t „zonnetje gezet?) Dat    I
|    deed \'m goed in zijne „wethouderlijke" waardigheid: en ik    \\
|    heb \'t (ondeugend genoeg!) verscheijen keer tegen \'m gezeid.    f
9999499999999954�49�99515�5141�44111�15��5554495�
-ocr page 103-
^IIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIItlllMIIINIIIIIIMIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMMMMItlMIIIIIIIIIIIMMIIIIIMM
z                                                                                                                                                                                     ^                               5
l                                                        PLUKSEL-BLAODJES.                                             87 I
|    Maar anders, niks hoor! Als wethouder altijd vaardig, en    |
|    op z\'n post, en op z\'n tijd; en ge kwaamt nooit bij \'m ten    |
I    onpas; en als ie je helpen kon, graag hoor, „al most ie    |
|    dan eiges d\'r ook \'n veer urn laoten". En als ge dan zoo     |
|    eens mocht zeggen: „Willemsen, hoe lapte gij \'m dat zoo    |
1    netjes?" dan zei hij: ,1 Petri 2 vers 13 tot 20, daor kundet    |
E    vienden". Och, wie zichzelven kwijt is aan God, en Zijne    f
|    eer, en Zijne ordinantiën, dien valt het niet moeiel ijk, om de    |
f    hand eens uit te steken, en te toonen dat \'n mensch niet    |
I    „voor z\'n eigen plezier"\' (zooals men dat wel eens zegt) in    |
|    de wereld is. Goddank! we hebben ze nog wel, in alle    1
i    stand en betrekkingen, die daar zoo recht slag van hebben.    |
i    „As ze allemaol zoo waren, da was eerst nog is \'n leventje".    =
i    zei onze dorpsontvanger. Maar ondertusschen liet hij, helaas,    |\'
I    zelf „de minschen die kwamen betaolen-\' \'n half uur „veur    i
ï    buuten" of op de gangmat wachten. De „stieve Jaopik",    |
1    \'n boer bij ons, begon dat staan wachten eens erg te ver-    f
I    velen. Hij zette d\'r een brutale mond over op tegen den    I
ï    ontvanger. Daar kwamen woorden van, hooge woorden    |
1    (natuurlijk!); en van woorden kwam het tot daden; en de    |
|    „stieve Jaopik" vergat „z\'n eigen" in zijn drift zoover, dat    |
i    hij den ontvanger in \'t haar greep. Maar \'t was z\'n haar    |
~>lllllll||MllllllllillllllllllllllltlllllllilMllllllilllllMIIMIMIIIIIIIIIIinillllllllHIIIIMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIttllllMIIIMIIIIMIIIIIIIIIIIin
-ocr page 104-
448979997958339�941��549999999��9998800999941599�
1 88                                         PLUK8KL-BLA0DJE8.
|    niet, want hij droeg \'n pruik, dien de „stieve Jaopik" in    I
ï    \'n driftige vaart hem aftrok, waarop hij ontdaan en bleek    1
|    de deur uitstoot\'; want (zooals hij naderhand nog zoo graag    i
|    eens vertelde) hij „dacht dattie den kèl de kop had afge-    I
|    trokken!"                                                                                        \\
Juist, dat zet ook al zoo\'n kwaad bloed, dat die wat    I
|    hoog zijn \'t zoo graag willen laten voelen, en zoo „bokkig"\'    |
|    kunnen zijn tegen \'n ander, vooral tegenover „den minde-    f
|    ren man", terwijl ze tegenover de „hoogen" altijd klaar zijn    1
|    om strijkaadjes te maken en te vleien.                                       \\
Die „eigenste" ontvanger was er hoog van in de schou-    i
|    ders, zoo liep hij te „flikflooien" bij de „grooten". En zoo    |
|    zijn er \'n boel meer, al zijn z\'r dan ook niet „hoog van in    §
|    de schouders"; maar „hoog in \'t hart*\', dat is slimmer; de    |
|    hooghartige is voor God den Heere een gruwel. Och, voor    I
|    ons menschen moesten wij \'t maar „laten schieten", want    f
|    wij hebben niet beter verdiend. Maar voor den Heere moest    I
|    al wat hoog wil zijn zich schamen, en zich liever voegen    |
|    tot den kleine en geringe; want anders verkrachten ze Zijne    I
|    ordinantiën, ruïneren het „consortium" der menschen, en    f
|    vallen zelve in „ruïneuse" ellenden. Och dat \'n „ontvanger",    i
1    en \'n „heer aan \'t loket voor postwissels", en iedereen in zijn    f
1285��54�1598119�99514599980129994495404424544455
-ocr page 105-
0100020000020202000201021002020201020002000202000202006102000200020200020102020102010001020231
5415547�5414155423�9999999999995215444115415�54185415425444�4154
PLUKSEL-BLA0DJE8.                                         89
staat en stand verstaan mocht, dat den nederige en hulp-
vaardige eere geschiedt. „Wie Mij eeren, die zal Ik eeren!"
spreekt de Heere. En gelukkig, zoo zijn er nog heel wat.
„Meer nog as ge wel zoudt denken", zei mij dezer dagen
een gelukkige optimist.
^<JtiecJL*fann-
Wie het waagt, als „laudator temporis acti", eene lofrede
Ê    op den ouden tijd te houden, vindt over \'t algemeen een
I    schraal gehoor bij ons tegenwoordig geslacht, vooral bij
|    \'t „jonge Holland", \'t Mag zoo eens zijn, om wat „fratsen"
I    uit te halen, zooals gepasseerden zomer op de voedings-
|    tentoonstelling te Amsterdam, op het zeventiende-eeuwsche
I    marktplein, waar ouderwetsche geveltjes, en de „toethoren"
|    van den „bollenbakker", en de lange pijpen, waarmee men
|    liep te „trekken", den indruk van „wat ouds" moesten geven;
|    maar waar de nacht-vlinders van de negentiende eeuw zoo
I    onheilspellend tusschendoor fladderden. Of bij eene feest-
|    viering van de studeerende jeugd, (spes patriae!) die dezen
\'IIIIIIHIIIIIHIMIIIIIIIIMIIillllllllHIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIItUllllllllllllllllltlllltlllltlMIMIIIIDIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIItlllllllll
-ocr page 106-
^lllllinilllllMIIMHIIIIMMMIIIIIMIMMIIIIIIIMnillllllllllllllllllMIIIIIIIIHIIUMMIMIIIIIIIIMIIIIIIIIMIMIIIIIMIIIIMIIIIIMIIMIIIIflIl
1 90                                         PLUK8EL-BLA0DJE8.                                                   ;
i    zomer de Amsterdammers op een bloemencorso, een bloemen-    ï
|    feest in rijtuigen, model van \'t jaar nul, en met gepoeierd    i
|    haar, a la Lodewijk de veertiende, onthaalde. Of, als de    f
|    mode geen raad meer weet, om wat nieuws te schaffen, en    |
I    altijd weer terug moet tot de oude prullen . , . . o dwaze    |
|    mode! Of, als de deftige lui niet meer weten hoe laat zij    |
|     „van deftigheid" zullen gaan dineren, en daarom, uit deftig*    |
|    heid, maar weer heel op z\'n ouderwetsch, vroeg „gaon    |
1    smieksen". Of. wat er ook zij van dien aard, dat je terugleidt    i
|    in den cirkelgang, dien de menschen loopen.
Maar, o wee! als ge \'t waagt, een lofredenaar te zijn    f
|    op oude, goede zeden en gebruiken ; op al wat in deeglijkheid    i
|    en soberheid bet dagelijksche leven van onze vaderen ken-    f
|    merkte! Dat dacht ik dezer dagen nog, toen ik, als een    |
|    eenzame „strandlooper", daarheen trok door al dat ,ge\\vie-    f
|    mei van Sinterklaas". Ge moet er eens om komen tegen-    |
|    woordig, dat ge zoudt durven beweren: vroeger was \'t toch    f
1    beter! (behalve misschien bij hen. die met Kerstmis Sinter-    I
|    klaas houden!) Toch heb ik \'t gedaan (maar als een ,een-    f
|    zame strandlooper", hoor! dat kan ik u wel zeggen). Vroeger    §
|    was \'t toch beter heb ik gezeid; en ik zeg het nog. Toen    I
1    al die „herrie" ten minste bij de kinderen bepaald bleef,    f
TllllllMIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillllllllllMlllllllllllllllltllMIIIHIIIIIIIIMIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII\'>
-ocr page 107-
Miiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiii(iiH(ii((iuiniiiiiiiiifiriiiiiriiiiiiuiiiiiifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiMiiiiiiiiij
PLUKSEL-BLAODJES.                                         91 |
I    Toen we \'s avonds met een kloppend hart ,de klomp zetten"\';    f
f    en den volgenden morgen, voor dag en dauw, \'t bed uit-    |
I    sprongen, om te zien, wat er ,gebracht" was; „een schip    |
I    met goud beplakt" enz.; en als \'t mooi was, nog een kwartje    1
|    toe; en als \'t niet mooi was, een gard; en als „\'t uit" was,    |
1    een beetje zout in de klomp! Och, en zoo iets, daar zou ik    |
|    nu desnoods nog niet op tegen hebben. Hoewel, liever nog,    |
|    niets niemendal van dat alles. Niet, om „de pruik op te    \\
|    hebben"; o neen! dat volstrekt niet. Doch \'t schaadt meer,    |
|    dan \'t baat.                                                                                    i
Maar, zooals dat tegenwoordig gaat, wel foei! groote    |
|    menschen zijn er nog laffer en teller op, dan de kinderen.    |
i    En dat snuffelt, en smikkelt, en draaft dagen en weken    I
ï    lang. „Wat een tijdroover is die Sinterklaas toch!" zei mij    1
I    dezer dagen iemand, die \'t wel weten kon „met slenteren, inpak-    §
ï    ken, uitpakken „traag worden in de maag", enz." „Time is    |
i    money", zegt het spreekwoord. En als al de tijd, die voor Sin-    |
ï    terklaas verkwist wordt, eens in geld overgezet was, dan    |
i    waren alle armen van heel Amsterdam, den heelen winter    \\
1    door, geholpen. „ \'t Is veur \'n minsch, die graag ien \'t touw    I
I    is, niet um aon te zien", zeit Hentjebaos, „al dat „gelan-    |
|    terefanter", en al die „krinterigheid" van de minschen; en    |
55555555555555555555555555555555555555555U55 5
-ocr page 108-
^MlllMlllliniHiilMilliiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiMiiiiniiniMiMiiiiiMiiiHiiiiiDiiiiimiiiiiiiiiiriiiiilililllKlllllfllilltlilllHliillinrii
ï 92                                         PLUKSEL-I1L.UUUES.
i    hoe ouwer hoe gekker!" (Nou, die laatste „wijsgeerigheid"
I    komt hier eigenlijk in \'t geheel niet te pas. Hentje-baos).
|    Maar ja, \'t is niet ,mn aon te zien", al dat .gedender en
I    gedaver en geboemel"\'. (Wie niet weten mocht, wat al die
|    woorden beteekenen, moet de slenteraars van Sinterklaas
|    maar eens opnemen, dan zal ie \'t wel weten!)
Echter, dat is nog \'t ergste niet. Maar al dat „goeije
1    geldje," dat toch waarlijk wat beter en noodiger beteekenis
|    beeft, ook in onze armelijke dagen, dan om maar „opge-
I    smikkeld", en, erger nog, (hoewel, \'t een komt dikwijls uit
|    \'t ander voort) .opgepimpeld\'\' te worden. Als al dat ver-
|    kwiste geld eens gevoegd werd bij\'t kapitaal van „verkwisten
|    tijd\' dan konde dubbel Amsterdam wel den heelen winter
|    deurhelpen.
En als ge er dan nog bijvoegt al die „bedorven magen1\'
ï    en „kwaje humeuren"! En dat is nog \'t ergste niet;
|    maar die verdorven zeden! Want \'t is wel zooals onze
|    „brieven-posf zeit: „\'t Is mieterig urn aon te zien zoo as
|    \'t er hér kan gaon!" En dan nog, ce qu\'on ne voit pas!
1    Alle verdorvenheid en alle kiem des verderfs, die in zulke
i    tijden in \'t geheim gekweekt en gevoed wordt.
o, Ik weet wel, met Sinterklaas zal de zonde niet komen
Hlllllll......IHIIIIIIIIIIIIllllllirilMIIIMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIllllllllllllirillllllllllllllllHIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIHIIMIMIIIIIIIIIII
-ocr page 109-
IHIIIIMIIIIilllinilMinilHltllliniltllMIIMIIIIIiniMUIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIlllllltMIIIIIIIIIIIIIMIIIIIllllllMltllllllllllllllllllllllM
PLUK8EL-BLA0DJES.                                         93 l
of weggaan, net zoomin als de typhus komt of gaat met    f
een „kiertje tocht deur *t raam". Maar ge zult toch wel    1
oppassen, dat ge \'n doodzieken stumpert niet „ien de tocht"    I
zet. Ziet toe, dat ge voor den welstand van onze doodelijk    I
kranke maatschappij zulke dingen, als dien ellendigen tocht,    |
die de begeerlijkheden in allerlei wanverkondiging brengt,    |
(adres .den rommel van Sinterklaas") niet onverschillig    |
aanziet, of\' die zelfs misschien nog mede voedt en onderhoudt.    |
Als \'t nog te doen was om „een schip met goud beplakt"    i
zooals vroeger, en dat voor de kinderen; dan was \'t wat    |
anders. Dan deê ik misschien ook nog wel meê! Hoewel    |
toch, „zoo\'n Roomschen heilige"! Xu ja, daar zullen we nu    i
maar niet op komen. En dan ook, \'t schaadt in alle geval    |
meer dan \'t baat!                                                                          i
Waar waarheid is, daar is licht. Al wat openbaar maakt    1
is licht. En waar licht is, daar is vrede. Sinieon, die de    |
vertroosting Israels verwacht, omdat hij de waarheid lief-    i
heeft, ziet het licht, en gaat heen in vrede. En overal, waar    1
��99999999999999999999999999999999999999999999�
-ocr page 110-
�4555644695551��5598079��44�0809999��99��55101142
94                                          PLUKSEL-BLA0DJE8.
9091000202010201532353234848000102010202010001020248530200000253530000530100010201020001020002010102020023020002025348534823
de dagen van goede boodschap uit den nacht van Bethlehem    i
opwaken, zijn licht en vrede gezaaid voor de oprechten van    I
hart. Ik mag zeggen, dat ik met een ruim hart allen    1
zulk een gezegend Kerstfeest toewenseh. En dat zoo, ook    I
in onzen kring, Kerstmis kome, in waarheid en oprechtheid.    f
Zijt waar voor elkander, waar voor God ! Wie de waar-    i
heid zegent, in gehoorzaamheid des Woords, en in verlangen    |
naar het vleesch geworden Woord, die zal, in gedurige    1
genieenschap met kribbe, kruis en kroon, zich verbljjden in    1
de mogendheden des Heeren !                                                       ï
Er schiet anders, zoo onder de menschen in het algemeen,    i
niet veel over van de heerlijke en heilige beteekenis van    1
Kerstmis. De eenige vreugde en voldoening, die sommige (bij    i
slot van rekening misschien wel „een heele boel") aardsche    |
zwervelingen en zwoegers niet Kerstmis smaken, is zooals ze    ï
zeggen, „dat we die korte, „grammieterige" dagen weer eens    f
voor \'n keer achter den rug hebben".. .. Arme zwervelin-    i
gen en zwoegers; en \'t leven is zoo kort, en de dagen zijn    1
zoo kostelijk, iedere dag!                                                             §
Daar zijn er zelfs (en als ik \'t niet gehoord had, zou ik    \\
\'t niet kunnen gelooven !) die zóo\'n duf en doodig bestaan    i
leiden, dat ze (zooals ik dezer dagen nog zoo\'n ellendigen    f
lllllllllllllllilllllllllHlllllllll\'lllllllMMIIIIIIIIIIIIMIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIII""
-ocr page 111-
nMIIIMinmmilHIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIItlMIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIINIIMIIIIIIIIIIIMIIMIIIItlllMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIH
I                                                   HAKSEL-IiLAcUUES.                                          95 1
1    „braaijert" tegen z\'n kameraad hoorde zeggen) rlit \'t eenige     |
|    plezierige van Kerstmis enz. vinden, „dat je dan nog eens    ï
ï    \'n extra-daagje hebt, om lekker te kennen uithakken" (uit-    f
i    slapen), o, Foei : is \'n mensch dan een .murmel-dier" (of    1
=    erger nog ?) bij \'t licht van den vriendelijken dageraad, dien    |
i    God de Heere over deze donkere sombere aarde brengt?
Maar intusschen, laten wij die .extra-ordinairen" (helaas.    |
ï    en toch zoo „ordinair" !) nu eens voor \'t oogenblik buiten    I
|    rekening. Ach, dan gaat er toch nog zulk een aanmerkelijk    |
|    .percentage" van feest en vrede af, omdat het nienschen-    i
|    hart „vannature" geen behoefte heeft aan .\'t licht, gedaald    |
1    van \'s hemels troon". En ook, omdat er, ook onder de feest-    i
I    gangers van Bethlehems kribbe, nog zoo weinig oprechtheid    1
I    en waarheid wordt gevonden.                                                       f
De meeste kerstmis-gasten (ai, de zetter had „kermis-    =
Ë    gasten" gezet! gelukkig, dat ik een goeden corrector    |
|    heb; hoewel een vriend van me, die wat „aan den zwaar*    i
|    moedigen kant" is, „zei, dat ik \'t best kon laoten staon")    |
1    kennen geene andere behoefte, dan eens voor enkele dagen    i
|    alle zorgen aan :n kant te zetten, de familie te bezoeken,    |
|    eens lekker te „smieksen" (wie weet, misschien nog wel "n    1
|    „vetgemeste kalkoen"), \'n gezellig avondje te hebben, enz.    I
<<lll|||||H|||||MIHIIIIIIIIIIMIillllMIIIIIIMIIIMlMIIMHMMIIIinniinilltinillMIIIIMIIIIHMM(IIIIIIIIIIIIHIIIIIItllltllllllllinillltlM
-ocr page 112-
68��992898�9999999999999999999999999999999999996�
�936934499999999999999999999�
96                                         PLUK8EL-BLA0DJES.
9023480201000153234853530202000001020102010201005323022323020201010200010102000102234823480001022353234848530153535348485302
ï    En als ze wat vroom willen zijn, \'n kerstboom te versieren   
|    met wat lichtjes, en sinaasappels, en presentjes. Maar \'t is   
|    m\' \'n „vromigheid"; want zooals ik hoor, houden ze die   
|    dingen in café\'s enz. er ook al op na, zelfs nog wel met    i
|    „vrome wenschen" er bij! Och, ik zou zoo zeggen: raken    |
i    wij met al die kerstboomen enz. niet hoe langer hoe meer    |
|    van de wjjs, en van het rechte pad, dat van de kribbe tot    |
|    het kruis met heilige soberheid en matigheid geplaveid moet    |
|    zijn, en omtuind is met den duren eisch, om alle g*dijk-    |
i
f
I
|    vormigheid der wereld te ontvlieden ?                                         f
Maar laat ik niet proberen, of ik ook preeken kan! Een    f
|    mensch wil \'t tegenwoordig liever zoo maar eens gezeid    f
    hebben, dan met jtreeken. Maar, \'k zou zoo zeggen, laat \'t    |
    \'m dan gezeid zijn met Gods Woord; want ik ben \'t met    f
    den „kommies\'" bij ons eens, die beweert, „dat hij \'r maar    |
    gin begrip van kriegen kan, hoe die soort van minschen al    \\
    dat „lichjes aonstêken en presentjes ienpakken, en klaoter-    i
    goud aonhangen"\', en al dat „gemier\'\' meer, bij de „houte-    i
    ren" krib van Bethlehem kunnen te pas brengen."                  I
Neen, Jansen, daor kan ik „ok gin begrip van kriegen".  §
    Maar, daar is nog wat anders, waar ik nog minder „begrip    I
    van kriegen" kan. (Och, en van den anderen kant: wie in \'t eigen    \\
1
|
|
|
1
|
|
|
I
TllllinilllllllllllllMMIIIIMIMIIIIIIIillllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHimilllllllllllllllllllMIIIIIIHMIIMirillfi
-ocr page 113-
9999999999999999999999999924�179��411155285590444
0102000153489101020002020001020200532348010202020200485302010002020001020200010202000202020100010202000202008902000101020053
PLUKSEL-BLAODJES.                                              97
i    hart peen vreemdeling is, zal ook hierin moeten bekennen: „nil
1    mirari!\'\' verwonder u maar over niets!) Dat er, ook onder de
I    nauwere kringen dergenen, die eene plaats zoeken aan de kribbe
i    Bethlehems, dikwijls nog zoo weinig waarheid en oprecht-
i    heid is; nog zooveel hinken op twee gedachten: \'n stoere
Ë    onwilligheid om te vergeven: \'n uitstrooien van kwaad zaad.
Ë    om \'t malkaêr onaangenaam te maken: \'n terugleiden, zoo
Ë    mogelijk, tot de distelen en doornen van \'t gevloekte aard-
i    rijk, in plaats van elkander zegenend geleide te geven tot
Ë    de ,nieuwe lente", die de Heere heeft doen uitspruiten: en
i    dat men zoo\'n „mooi weer kan speulen voor \'t oog",
Ë    en achter den rug zoo „inhumaan\'\'(!) kan zijn, dat men
i    „mekaêr \'t licht in de oogen niet gunt"\'. Ai! kome
Ë    er in den weg van waarheid en gerechtigheid \'n glans
ï    over ons volk, onze kerk, ons huis en onze hoop! En
Ë    dat wij, een iegelijk onzer, met een ernstig voornemen
]    des harten om toch niet „grammieterig" te zijn, den
I    weg der vergeving en des vredes bewandelen, die in
=    Christus ontsloten is.
i Dat er eene stilte over ons kome, zoo mild en over-
Ë    vloedig, als tegenwoordig \'n „wientersche nacht op \'n
I    Betuwsch dorp". Maar ook zoo vruchtbaar en overvloedig,
511414�1�654509999999999999999999999999999969029�
-ocr page 114-
llliitiiiijiiiti;Miiti(lt;riinHiMiiiriiiiiiiiiiiiffiiifiifiiiifiiiiniiiniiiiiliiillliiiiiiiiiillliiMllllllMlllllMilllliilliilillliilMlllMiif
\'J8                                               PI.rKSEI.-HI.AnlUES.
als \'n „lentemergen. as de dauwdrupkes op \'t jonge gruun
hangen en blinken".
P.S. ,Ik luid oe tegen Oud-jaor graag \'n haos gestuurd;
mar ik heb \'t \'r eiges ien t geheel gin een gezien, laot
staon gehad!" schrijft me dezer dagen \'n landsman. De wil
veur de daod. landsman, da\'s net zoo goed.
I / tvfc ~"                                I
1                                                                   1
! XXV.                                                 |
\'t Kan \'s winters bij ons „op akker en veld" erg stil zijn,    I
I zoo stil „dagge de stilte kunt beuren\'\', \'s Nachts tenminste,    i
| Hier of daar mag er een hond op een eenzaam erf\' liggen    |
1 blaffen of huilen; of in de verte \'t schelleke, aan den hals    i
| van \'n pèrd veur \'n vrachtkar, door de stilte klingelen; of,    I
I wagge tegenwoordig ook hebt, \'n spoor door het veld heen    f
| komen „ruuschen"; of \'n katuil z\'n best doen met z\'n „wiew!    I
| goed!" Maar anders is \'t om dezen tijd stil, doodstil in de    f
| Betuw e; \'s nachts tenminste.                                                        1
Neen, dan kan \'t \'s lentes heel anders zijn, Dan is \'t ook    f
rilMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIiMllllllllllllllllllllHllltnillMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIINIIIIIIMIIIIMIIIIIIIIIIMinilMH
-ocr page 115-
1599993699999992399999999999���9999021411499999��
PLUKSEL-BLAODJES.                                              99
wel stil, heel stil, zoo dagge de „drupkes van de boomen    §
kunt hooren neertikken"; en, als \'n krekeitje ien \'t veld zit    |
te „tjielpen", \'t net is of ge \'rbjj staat, al is \'t ook vijf    |
minuten ver af. Dan is \'t ook wel stil, heel stil. tenminste    |
van allerlei geraos van minschen; zoodat dichtbij \'n merling    |
z\'n hoogste lied zit uit te zingen; en \'n nachtigaal, als hij    |
er is, met den heerlijksten triller vlakbij \'t nieuwsgierige    |
kupke door de blaadjes heensteekt. Als ,op akker en veld"    |
eene vredige rust verspreid is, die ge zelf eens moet komen    1
opnemen, om te weten hoe \'n weldadige stilte dat is. Ja.    =
\'s lentes kan \'t bij ons heerlijk stil zijn! Wie kan, zou \'k    |
zoo zeggen, kome er eens van genieten. Ze zijn in de Betuwe    |
erg gastvrij, tenminste als ze iemand ontvangen, die van wel-    f
dadige stilte houdt; rumoerige, drukke lui, daar hebben ze    |
\'t niet op. En ik mag wel zeggen, dat ik in dit opzicht mijn    §
.komaf" niet kwijt ben!
Dan is er bij ons soms nog een andere soort stilte over    I
„veld en akker"; \'s zomer-daags, als er onweer „op de    |
komst" is; als \'t zoo „breujerig" (broeiend) ien de lucht kan    |
zijn; en zoo zwoel en zoo zwaar, dat \'t „net is", zooals    |
Hermenboer zeit, „asof ge ien gesmolten lood löpt"; als zich    I
geen blaadje aan de boomen beweegt, de vogels „allemaol    |
\'IIMIIIIIII||llllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllilllMIMIIIIIIIIIIMHIIIIIIIIIIIIIIllllllllMMIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIMIIMinillll/T
-ocr page 116-
jlllll IIIIII IIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIHHIIIIIIinilHMIIMMIII MINIMI......MMMIIIMIIMMIIMMIMIMIIMMMIIMMMIMMMIIIIMIIMIMI
i 100                                         PLUKSEL-BLAODJES.                                                       È
| den bek toehouwen\'*, en niks in beweging schijnt te zijn,     ï
| dan de beesten ien \'t veld, die, door de vliegen gestoken,    f
1 met den staart omhoog door \'t weiland .bitsen"; als zelfs    |
| een razer en een vloeker „ stil bloed kriegen; en alle schepsel    I
| beeft en verwonderd staat, als de God der eere dondert.    |
| Gelukkig wie Hem dan eere zegt in zjjnen tempel! (Ps. 29)    I
Drieërlei stilte! \'k Zou zoo zeggen, een doodige stilte in    i
I den winter, een angstige stilte bij \'t onweer, een heerlijke    f
| stilte als \'t lente is.                                                                       \\
„In wat voor \'n stilte, bij geljjkenis gesproken, zouwen    =
| wij tegenwoordig wel zijn, naar ouw bedunken V zei ik    1
1 dezer dagen in \'n gesprek met Gijs Hermsen, \'n ouwe, wijze    e
1 minsch, terwijl we \'t zoo over van alles hadden, en samen    I
i „de kroniek van \'t ouwe jaor"\' opmaakten.
1 „Nou, \'t is pas Kersmis gewest,\'\' zei Hermsen, „en dan    I
I heb ik, za\'k is zeggen, ou en mien eigen niks liever te    j
1 wunschen, as da we d\'r lente meê veur ons hart en veur    f
I alle dingsigheden kriegen; en da \'t er \'n overvloedige stilte    |
| meê bij ons kwam, za\'k is zeggen, as \'s lentesmergens, as    I
| de dauwdrupkes op \'t jonge gruun hangen en blinken."
.Dank oe wel, Hermsen, van \'s gelieken." En als ik er    f
I nog is „raom" wat bij mag wenschen, dan wou ik wel, dat    I
TmIIININNMIMNNINIINMIMMNIMNNMMNNINNNMMNNNMMINMMIMMNINMNNMNNMMINNNIININMIMIINIINIMNINIMMIM\'"
-ocr page 117-
�589955�15444415541115�641599512111419414�4899445
PLÜK8EL-BLA0DJB8.                                                    1 < • 1
j er van „die lente" wat meer en overvloediger mocht be-    |
j speurd worden, in de eerste plaats in \'t eigen hart, en    |
verder van rondom in alle „dingsigheden van het leven\'\', èn    |
j in de maatschappij, èn in de school, èn in de kerk, èn in    |
j de raadzalen, en overal. Maar \'t ziet er over \'t algemeen
I schraal uit."\'
„Terdeeg," zei Hermsen, „op z\'n best \'n lente-nacht niet
I \'n nacht-vorstje, za\'k is zeggen. Neen, as \'t stil is hier en    |
\\ daor, en de minschen nog mar zo\'n bietje hén doen, liekt    |
[ mien da veul meer op zoo\'n doojige wientersche stilte, daor    f
[ ge ielken dag de slaopmuts \'n bietje dieper bij ien de oogen    1
Ê trekt, za\'k is zeggen; en die niks gin vertier gift, as dat    i
I hier of\' daor \'n hond blaft, en wat schellekes over den weg    |
[ tingelen (ze zeggen wel, dat da niet van vrachtkarren is,    |
| maar van „narre"-slejen!) en dat \'r wat stoom uutschiet,    |
i en hier en daor \'n nachtuil, za\'k is zeggen, zit te roepen,    1
I dat \'t „goed" is!"
„Ik heb \'t er nog minder op begrepen, as gij, Hermsen!
| Mien liekt die stilte, daar het jaar schijnbaar meê wegtrekt,    |
| nog meer een angstige stilte, dan \'n doodige. We motten    |
I zoo zeggen: daor breuit wat, ja wat veul, aon alle kanten;    |
f daor zit onweer in de lucht, alles drukt zoo zwaor en zoo    I
\'.....IMIIIIimiMIIIIHIIIIIIIIIIHIMII.....IHIIIIIIIIIHIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIIIIIIIIJT
-ocr page 118-
6569�890155476�999999999999���99999999944��99����
102                                         PLUKSEL-BLAODJES.
|    zwoel, \'t is net soms, alsof ge „door gesmolten lood löpt".    i
|    Op ieder gebied is er onraad en traagheid en mismoedigheid.    1
|    Alleen zij, die „door de vliegen gestoken worden" (Hennsen    I
|    weet wel, wie ik bedoel) z|jn druk in de weer, en steken    1
|    den staart omhoog, en zouden den heelen boel wel tenon-    §
|    dersteboven willen loopen. Wat er van komen moet, ik weet    §
I    het niet; ik kan er mijn hart wel eens over vasthouden,    §
|    Maar dat zijn mijne beste tijden niet; als \'t stil wordt van    |
|    binnen met eene „lente-stilte" van boven, dan grijp ik weer    \\
|    moed in den naam des Heeren, die in licht en heerlijkheid    1
|    troont, die gerechtigheid schept, en die ook het zwaarste    I
|    onweder doet breken in onmacht, en wendt tot zegen en    j
i    vruchtbaarheid. Ik wenscli u en mijzelven, Hermsen, (en in    \\
|    ons beider naam aan allen die met ons reizen) een vredigen    §
1    uitgang van dit jaar bij \'t vriendelijk licht van zijn aanschijn.    \\
|    En laten wij elkaèr met „nieuwjaar" een „tartje doen", en    \\
1    zien, wie \'t eerst bij de hand is, om \'t den ander toe te roepen,    ï
|    dat God Almachtig het wel moge maken met vaderland en    I
|    kerk, en hart, en huis, en school!                                             \\
TllllinilllllllHMIIIIIIMIIIIIIIHIIIIIItllllMIIIIMIIIIIIItMIIIMIIIMIIIIIIIIIIIillllllllMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIII"1"\'
-ocr page 119-
itilllll.....ii......tn.......iiiinini............iilllllllllllllllll i.....mi il il n.....t............imii......i..................iiiilltMlllll
I                                                      PLUKSEL-BLAODJES.                                         103
0002010200000102010202010201020001020200000201010101000202010102022353020210000102020053530000000202015353534891900201010200
|                                                XXVI.
Jaren geleden woonde er in onze streek een klokken-
Ë    maker, die in zijn vuk (en ook als wijsgeer!) eene groote
i    vermaardheid had bij de boeren. Zelfs ging de praat, dat
i    hij eens \'n horloge gerepareerd had. dat daarna door den eige-
ï    naar bij \'t hooien in \'t veld verloren was, maar \'s winter-
|    daags gelukkig weerom kwam, „umdat den baos bij \'t voei-
|    jeren van \'t vee \'t tusschen \'t hooi had heuren tikken, zoo
I    fel had ie \'t weer in mekaor geprakkeseerd!" Helaas, dat
I    onze klokkenmaker de onhebbelijke gewoonte had (en die
|    hebben \'r wel meer!) om, met de reparaotie en \'t „thuis
i    bezorgen"\', soms dagen en weken lang op zich te laten
=    wachten. En als ie zei: ,De andere week krjjgde de klok
Ê    weerom", dan konde er gerust op rekenen, dat dat op z\'n
I    vroegst in de andere maand was. „Steegsche Jupke", een
=    boer, die „ien de wandeling" zoo heette, omdat ie „uut de
I    Steeg vandaon kwam", hoewel anderen beweerden, dattie
1    zoo heette vanwege zijn „permanterigheid" (\'t kan best
|    wezen) begon dat wachten en uitstellen op \'n keer zoo on-
I    mundig te vervélen, dattie den klokkeman \'r \'n brief over
I    „op \'t dak" stuurde, met \'n adres er op: «Aan H. v. G..
�999999999999999999999999999999999999999999��999�
-ocr page 120-
nillllllMlllllllllMIIIMIIIIIIIMIIIIIMIIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIHIIlMIIIIIIIIIIIIIIUIIIIIIIIIIIIIMIIIIflIllflIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII)
| 104                                       PLUKSEL-BLAODJES.                                                   §
| horlosiemaker en ,, leugenaar\'\' te B." Dat hielp! Dat woord    i
| „leugenaar*\', en dan nog wel op \'n adres, zoodat „de post"    |
| en alle menschen weten konden, hoe weinig staat dagge    |
| op \'m maken kost, trof \'m zoodanig in de conscientie, dat    i
| „Steegsche Jupke" den volgenden dag \'t „horlosie" terug    f
| had, hest in orde, hoor, en niet de complementen der bij,    1
I .of den boer \'t asteblief nie kwaolijk wou nemen, umdat ie    |
| \'t glad vergeten had"!                                                                  \\
Och, die historie op zichzelf is niet veel. En toch:
|                               „Greift nur hinein ins volle Menschenleben,
Wo Ihr es packt, da ist es interessant".
Wat d\'n een nietig dunkt, en de moeite van \'t hooren niet    |
| waard is, is voor d\'n ander soms nog kostelijker dan \'n heel    i
| college in de philosophie. Maar dit nu daargelaten, dan moet    |
| ik toch zeggen, ja, in de toepassing is die „historie" wel    i
| veel. Want helaas, zoo gaat het er toe onder de menschen,    |
| dat ze mekaêr erg aan de praat kunnen houden, en uitstel-    §
I len, en misleiden, niet over .klokken en horlosies", maar    1
| over den tijd, en over de „hoogte van den tijd"; en mekaêr    s
| den kostelijken tijd ontstelen; en zichzelven en anderen \'n    I
i „leugenaar" zijn, of \'t zoo niks is, als de nood der tijden    I
| dringt, en de vluchtigheid der jaren zoo ontzachelijk ernstig    1
illlllllllllMllllilllllllllMMIIIIIIIi.llllllMIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIMIMMIIIIIIIIilltllllllllllllllllllliMIIIIIMIIIIIIIIIHlIMIIIIIIIMIIIIIIIIIM
-ocr page 121-
��59899�554524005�411494��9�49939999992999999��95
PLUKSEL-BLAOIUES.                                              105 Ê
|    is; en het: „hora ruit", de tijd is snel! telkens doortikt    |
|    door het leven. Erger dan „Steegsche Jupke" worden de    |
|    menschen door afstel en uitstel opgehouden. En dat „licht"    |
|    vaardig jokken" met den tijd heelt, ach, zoovelen al in de    |
\\    miserie gebracht.                                                                            |
Waar zijn, voor zichzelf\' en voor anderen, ook in de be-    I
|    hoeften en nooden der tijden, ook in de beloften en bedrei-    |
I    gingen der tijden, is een der uitnemendste middelen, ook om    |
i    in den „struggle" der sociale quaestiën vooruit te komen.    |
I    \\Vij hebben weer een nieuw jaar vóór ons. Wat \'t zijn zal.    |
|    God weet het! Hij maakt het wèl met alles! Zijn heilig    |
I    weten vergist zich nooit! Maar ook ons leert Hij eene weten-     i
|    schap, dat wij ons nooit behoeven te vergissen: indien wij    1
I    waar zijn, de waarheid liefhebben en in oprechtheid wan-    |
1    delen, ook niet onzen naaste, ook in de bedeeling en bedoeling    |
|    der tijden. Ik kreeg van m\'n grootvader, als ik goed opge-    |
I    past had, met nieuwjaar altijd een kwartje in „*n briefke"    |
I    (niet van tien gulden, ook niet van vijf en twintig; o neen,     |
I    veel meer! Honderd? Veel meer!) \'n wit stukske papier,    |
I    waarop te lezen stond: „Mijn jongen, wees waar voor God,    1
|    waar voor de menschen, waar met den tijd!\'\' En als ik dan    f
|    eens zei: „Waar met den tijd, grootvader, wat is dat ?" dan kon    |
\'\'\'MIIHIIIIIIIIIMIIIilllllllllllllllMllllllllllllllllltllllllHIIIIIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIMIIMMIIIlllllllllllllMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIlT
-ocr page 122-
^iirfiiiifriiiiifiifiuiiiiiiiiiiiiitiifftitniiiiiififiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiMniMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMMiiiiiiiMiiiiiiiiiiii
4890905323485323320200020100000200010202000201000102010200010202010202000202020200010101022348535302000002010200010102010200
| 10(5                                              I\'UKSEI.-Iil.AnlUES.                                                         È
ie mij niet z\'n oprechte oogen tot binnen in z\'n hart    |
laten kijken, en zei dan: Licht laat zich niet verklaren, en de    |
waarheid moet zichzelve bewijzen! Als \'t goed is, dan zal
je wel ondervinden wat dat is". En dat vond ik toen wel    I
wat heel wijs (in de Betuwe zijn \'t wijze minschen"!) maar
\'t is toch zoo: nu vat ik het, Goddank! En voor mijzelven    ï
en voor anderen ken ik geen tijdelijkeu schat, die kostelijker    I
is in \'t besteden en bestemmen, dan den tijd. Goed besteed    I
is \'t eene Gods gave niet een honderdvondigen zegen. Goed    i
bestemd is \'t een schatkamer van waarheid en gerechtigheid.    \\
o. Laten we elkaêr zegenen met de bede om waarheid, ook
in \'t besteden en bestemmen van de dagen en tijden en    I
oogenldikken! God zelf\' zegene ons daarin, ook opdat we den    s
tijd uitkoopen, naardien de dagen boos zijn (Efeze 5 : 1(>).    I
.Ge moest ons toch eens zeggen, wat dat is, waar zijn    1
met den tijd." zei mij dezer dagen \'n vriend, met wien ik    \\
die quaestie behandelde in \'n kringske van boeren.
Nou, zeg ik, ik ben niet wijzer, dan ïn\'n grootvader; en    f
als die \'t niet probeeren wou, dan waag ik er me ook niet    §
aan. Wel wil ik de zaak over den anderen boeg wenden,    §
en n zoo\'n enkel staaltje leveren van \'t liegen en dieven    [
met den tijd.
1111199999999999999999999996999�73052993899999999
-ocr page 123-
iitiMiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiMi;iiiiiiihi!iiMiFiiiiiiMiuiiiiMiiiMMriiMiriiimiriiiii[i[in(iiin:ir!fiii!iniii!iriiiiHl((lnn[r[u;iMMi\'i
PLUK.SEL-III.AoH.JES.                                         101
0200485302004853020000010200020101020000010201005348905323484890484853482348480223532302020000020102020200000201025353534802
En dut (rins aan. En wat we toen verhandeld hebben
ra o
deel ik u misschien D. V. later eens meè. Maar dit wil ik
u wel vast zeggen, dat bij \'t einde van ons discours diezelfde
vriend mocht opmerken: .Nou. „Steegsche Jupke" zou druk
werk hebben, as ie tegen al de leugenaars met den tijd van
leer wou trekken."
Ik zei: .Steegsche Jupke" kan da niet meer, want hij
is al lang dood. Maar anders ja, terdeeg!\'"
XXVII.
„Ge most ons is wat te lézen geven over de kwestie
vanwegens de sociale toestanden en het verhoudingsleven
ien de maatschappij.\'\' zei mij dezer dagen een wijsgeer
.met de els in de hand". En toen volgde er nog eene hate-
ljjkheid (wel goed gemeend, zeker! maar de menschen kun-
\'t maar zoo zeggen, weet je): .En as ge eiges misschien
niet op de hoogte van \'t geval ziet, koude ons ligt wa
van \'n ander laoten heuren."
Nou, twee elzen voor een, dacht ik, éen in de vingers,
999999999999999999999999999999999999999999999989�
-ocr page 124-
�511�����5599929�9999�9999999930855104855��51�541
414�41�5�5441854�1549544111554455498625�155415415454455544151545
108                                                PLlKSEI.-M.AiHUE.S.
en éen tusschen de tanden! Maar zoo gaat \'t in \'t leven,    i
Dan denkte nog zoo je best te doen, om van je beste „weten    I
en wenschen" meêtedeelen. En dan komen ze je op zoo\'n
manier, heel leuk. \'n tik op de neus geven.
Ik zei tegen den vitter: .Hoor eens, ondank is\'s werelds    ï
loon! daar moeten we ons nu maar in schikken. Maar om    i
„Wii van \'n ander te laoten beuren"\', dat doe \'k niet. Er    i
zijn \'r \'n boel, die \'t beter weten dan ik. en \'n boel beter    |
ook (en gij misschien ook wel); maar met \'n andermans    f
veeren te loopen pronken, en. as ik maar \'n .kraai" ben,    i
\'n .meerkolf\' te willen schijnen, neen ! dat doe ik niet. baas.    i
Ieder vogeltje moet maar zingen, zooals ie eiges gebekt is."    |
En nu had ik den baas nog wel meer kunnen antwoorden.    f
Maar as ge ,kwaad\'\' zijt. motte maar niet te veel zeggen.
En buitendien, ik heb geen lust, om mij met den ,wijsgeer    I
van de leest" in dispuut te begeven, \'t Zijn dikwijls zulke    f
lastige „kêljes" om meê op te schieten, die wijsgeeren van    I
allerlei slag!                                                                                   \\
Anders had ik \'m wel kunnen zeggen (en daar had ik, hoe    I
boud het ook klinke, groot gelijk in) dat de .kwestie (of eigen-    \\
lijk zei ie: kwetsie!) vanwegens de sociale toestanden en het ver-    i
houdingsleven ien de maatschappij"\' niet tot oplossing komt van    |
5399�55�199999999999999999�949���9999�9424414155�
-ocr page 125-
IIIIIMIIIIIIIHIIIMIHIIHIIIIIIMIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIMIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIKIIIIIMIIIIMIM
PLUKSEL-BLA0DJE8.                                         109 ï
de katheder, noch door bespiegelingen, noch door de school.    1
noch door de wijsheid van „de markt des levens-\'; maar juist op    i
den praktischen weg van wat men noemt de „alledaagsclie din-    l
gen": en dat wel naar die koers, welke de Schrift ons bepaalt.    |
Toen Felix, de stadhouder, nader „wetenschap van den weg"    |
wenschte te hebben, handelde de apostel Paules met hem    =
over rechtvaardigheid en matigheid en het toekomend oordeel    |
(Hand. 24.); en leidde de diepste kwestiën in niet hetgeen    i
resulteert uit de praktijk des levens.                                           |
Och, of\' ge al niet statistiek en oeconomie en overproductie    |
en werkverinogen (ik noem nu maar zoo wat!) aankomt, het    |
„ja en neen"! en »voor en tegen"! en bij slot van rekening    |
de oplossing van de saillante ( „saignante" zei onze notaris.    |
die iedereen uitlachte, als ie eens \'n .stadhuis-woord" ver-    I
keerd \'r „uitdraaide") quaestie komt er „geen haar" verder    §
meê. Maar ik ben overtuigd, indien de menscli en de maat-    |
schappij vat, wat \'t is „waar te zijn voor God, waar voor    |
de menscheii, en waar met den tijd," dan waren we \'n heel    |
eind op streek. En ik geloof, dat we op die manier ten-    |
minste wel een paard voor den wagen zouden krijgen, terwijl
nu eigenlijk de paarden allemaal achter den wagen gespannen     |
worden. Ik heb, toen ik nog op de hoogeschool was, \'n    |
\'^\'IIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillllllllllllllllllllllllllllMIMItlllllllllllMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIM
-ocr page 126-
2iiiMiiiiiiiiiiiMiiifirr(i(iifiiiiiiii((ttiMiiifiiiiiiiiiftiiiifi)iiifi>iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiinMiiiiiMniiiiMiiiHiiiiiiMiiiiiiiMiiiij
1 110                                        PLUK8EL-BLAODJE8.                                                  Ê
|    professor gekend, die \'r zoo recht de slag van had, om de    i
|    diepy.innig.ste quaesties tot de meest eenvoudige verhou-    i
|    dingen te reduceeren; en die uit de elementaire begrip*    I
|    pen van waarheid ons \'n systeem opzette, waarvan we    1
|    allemaal zeggen moesten: Dat sluit als \'n l>us! En toch.    i
I    verder dan dat .zeggen" hebben we \'t bij hem niet ge-    |
I    bracht. Want in de toepassing bleet\'ie altijd\'n .slothak*\':    i
|    en als praktikus laat hij nog altijd op zich wachten. Ziet    I
i    de kwesties aan. niet alleen zooals ze zijn. maar zooals ze    è
|    zijn bij het licht van Gods woord, en zooals ze zijn in het    1
i    leven; niet alleen zooals ze zijn in den strijd der meeningen,    =
|    maar zooals ze zijn in den .struggle tbr life", En dan, ja,    I
I    zooals ze z ij n, niet zooals ze s c h ij n e n.
Maar ik ben eigenlijk door die „elsachtige" verzekering    j
I    van den wijsgeer-schoenmaker (voor wien ik overigens alle    \\
|    respect heb; en hij maakt uitstekend schoenen, dat mot ik    \\
I    zeggen!) van mijn apropos afgebracht. Ik had mij voorge-    \\
|    nomen, u \'t een en ander over het „waar zijn (of liever het    §
|    niet waar zijn) met den tijd" meê te deelen. Maar hierover    ;
|    D. V., een volgende keer. Alleen nog dit ééne: als alle wen-    j
schen, die met nieuwjaar van mond tot mond gaan, waar zijn,    §
|    dan schieten we in \'n jaar een heel eind op! Tenminste, dan    \\
\\                                                                                                           \\
MlllllllllllllllllllllllllillllilllllllllllllllllllMIIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIIIilllllllllllllllllllllllllllllillllllllllMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIOMlX
-ocr page 127-
lltlllllllllirMIIMIIIIIIIIIMIIMIIIIIMIIMIMIIHIIIIIIflIlllllllllltllllllllllllllllllllllllltlllllMIflIlllflIIIIIIIIMItllltllllllllflIlllltllttll
=                                                      PI.UK8EL-BLA0DJES.                                                 1 1L 1
komen we in een heel andere atmosfeer, dan die ellendige     |
apathie, en dien „Jansaliegeest", en al die onaandoenlijke    ï
zelf genoegzaamheid, waarvan ik \'t laatste .proefje" had den    |
laatsten oudejaarsavond, toen ik een „welgedanen wereldbur-    |
ger" tegen een dito dito, na \'t gebruik van .wat vets". bij "t af-    |
scheid nemen op de straat, hoorde zeggen : .Genoegeljjk einde!    |
genoegelijken avond nog van avond!" \'t Speet me, dat ik    |
.geenen slaapmuts" bij mij had. om „denzelven" bij die ge-    |
legenheid „genoegelijk" den .satisfait" over de .zanderige    |
oogen" te schuiven; „datzelve\'\' zou mij zeer „genoegelijk"    =
en recht van pas geweest zijn!                                                     |
XXVIII.                                               I
In den Fransch-Duitschen oorlog van \'t jaar zeventig    |
kwam een soldaat uit Zwabenland in kwartier bij \'n Fran-    |
schen boer. Alle „Fransen"\' dat hij kende, bestond uit slechts    I
twee woorden (wie weet, \'t was misschien wel het woorden-    |
boek van zijn heele leven!) „manger" (eten) en „boire"    I
(drinken). Hij hield den boer zijn horloge voor; en na een:    |
IMIIJIMIIIIIIIIHIimiHlimiiiliiiiMMiimillllllllllUimillllllMIIIHIIIIMMMIII.....lllllllllllllllllMIIMIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIlT
-ocr page 128-
jiiiitiiiiitiittuiiuituiiiiiiiiitinniinininiuiiiiiiiniiiiiiiiiniiliiniuilllilliliuinilliniiiiimiutntiiiiiniiitnninnilnninii:
\\ 112                                        PLUK8EL-BLA0DJES.                                                  =
|     ,Geef acht! manger!\'1 tikte hij een keer vier, vijf op \'t    I
|    horloge, om den boer te beduiden, dat hij item zooveel keer    [
|    beliefde te .schransen". En dan volgde: „boire!" en daarbij    [
|    draaide hij in \'n vaart \'t heele horloge rond, als om te be-    {
1    duiden: drinken maar altijd door !                                               j
,Hoe onthou je die ,geschiedenisles" toch allemaol?"    j
1    vroeg mij dezer dagen \'n wijsgeer van de ,,bovenste plank".     ï
„Och!" zeg ik. „daar kan ik niets aan doen, die bljjven    j
|    zoo vanzelf\' in de memorie hangen. Maar buitendien, ik ben    ï
|    er blij om, dat ik ze onthou; want in zulke .geschiedenisjes"    I
1    ligt \'n heel stuk wijsbegeerte des levens, met toepasselijke    ï
|    praktijk er bij, .De te fabula narratur", \'t is een ,geschiede-    I
1    nisje", zou ik kunnen zeggen van zoo menigeen, die niet    =
i    veel anders weet te doen, dan den tijd gedurig .aantikken"    i
|    om te .eten", en het wijzerbordje rond te draaien on; te    =
|     .drinken".                                                                                      j
Laten we \'t laatste voor \'t oogenblik eens rusten; wellicht    I
|    vinden we naderhand wel eens gelegenheid, om daarover te    i
|    handelen. Maar is \'t niet zoo, dat eten en nog eens eten    I
|    (en dan nog maar eens een keertje!) bij veel menschen,    [
|    groot en klein, stadsch en Betuwsch, ,schering en inslag"    {
1    is; en dat zoo menigeen wèl zou doen, door de les van den    \\
555555555555555555555555555555555555555555J555
-ocr page 129-
5353239048534848535348485323484853235348484853534823532348235348020000532323535300015353234823230201534848532348535323484853
PLUKSEL-BLA0DJK8.                                      113
I    ouden wijsgeer te onthouden, dat wij moeten eten om te
i    leven" en niet „leven om te eten"\':\' Of, opdat wij \'t zeggen
I    met het woord van Hem, die de weg, de waarheid en het
i    leven is, „dat de mensch bij brood alleen niet leve" en
i    „niet werke om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die
Ë    blijft tot in het eeuwige leven" ?
Zulke lui bedoelde ik al meê in de eerste plaats, toen ik
ï    \'n vorige keer sprak over menschen, die niet „waar zijn met
1    den tijd": die zich zelf en anderen misleiden, door gedurig
Ë    aan te tikken, dat \'t alweer tijd, en altijd tijd is om te
1    eten; en dut op die koers „de heele santipatie (— rommel)
Ë    van het leven" uitloopt. Ik heb \'n vader gekend (of liever
I    ik ken \'m nog), die al het „wel en wee" van het leven
|    zoozeer op den buik gezet had, dat, toen ik \'m vroeg: „Bart,
i    hoe geet \'t met oe zoon Frits; hê \'t ie nog al goeje schik
I    onder dienstV" hij antwoordde: „Beste schik; want éten, za\'k
Ë    mar zeggen, kriegt ie zat! En dat is toch \'t veurnaamste!"
I    Eiges kon Bart \'m zoo raken, dattie voor ontbijt en avond-
1    eten „deur de bank" zeventien snitjes (Geldersche rogge !)
1    d\'r „deursabelen" kon. En \'s zomerdaags, als ze bij ons
Ë    buiten „vrungel" (\'n soort dikke melk) eten, en ik Bart,
|    \'n beetje sarkastisch, opmerkte: „Dan zal \'t met \'t brood
\'\'\'\'IIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIilllllllllllllllMMIIIIIIIIIIIIilllllMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIlllllllMIIIIIIMIIIMIIII
-ocr page 130-
^tiuiiiiififuiiiiiinfftiiifiiiiiiiiiniitiitiiHittniniiitiiiiiiiriiiiiiiifiiiiiiuiiiiiiiiiiiiHiMiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiin
1 114                                       PLUKSEL-BLAODJES.                                                 =
|    wel nie veul geven?" zei hij zoo heel leuk: „Da kan ten-    |
1    minste gin naam hebben, \'n snitje vier, vijf mar!"
Och, aan dat artikel „eten\'? hangt dikwijls zooveel, zoo    |
I    alles bij de menschen. En ik zeg, dat wie zichzelf en anderen    I
|    wijsmaakt, dat men maar .op den buik\'\'door dit leven moet.    f
i    voor zichzelf en anderen \'n leugenaar is, en den kostbren    §
|    tijd „verkonkelt", en ontsteelt aan de dure roeping en ver-    |
I    antwoording van het leven. Een Christen, die de waarheid    i
|    liefheeft en zijn naaste met waarheid wenscht te zegenen,    i
|     weet wel, dat het dagelijksch brood eene koninklijke gave
|    der barmhartigheid is; want \'t is eene gave des gebeds en    I
1     der dankzegging. Maar zijn leven is meer dan het voedsel;    \\
|    en voor zichzelf en zijne medereizigers zet hij de koers van    i
|    \'t leven naar den heerlijken wensch van Augustinus\' moeder:    f
f     ,Hic parum viae, quid inultum viatici?"\' de weg schiet op,    f
|    wat zouden wij ons in de zorgen van den leeftocht    ï
|    wikkelen ?                                                                                       [
, Iedere keer is \'t net, of ge wilt beginnen te preeken,"    I
|     zeit de boer van de W.\'-sche wal, \'n „êrste smikser", en die    i
1    niet erg van preêken houdt. (Nou, Hannesboer, \'t kan \'r ook    I
|    naar zijn! Hoewel, as \'t goed is, dan hêdde \'r toch wel trek    f
1    na „urn \'s wa goeds te heuren\'\'!) En dat is dan zooveel ge-    f
0000015323000223534853905353025348482302485353482323530001000201010202230202000101020001020002
-ocr page 131-
^iiifiiitfiiifruiiirifffiiiiiffiirMiiiMiiiiMiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiHiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiMiiiiiiiHiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiin
ï                                                 PLDKSEL-BLA0DJE8.                                        115 1
I    zeid als: ge most \'r, dunkt me, veur deze keer mar weer    f
|    \'s uutscheijen.                                                                                 |
Wel, Hannesboer, ik begin pas! Want over \'t „éten" bin    |
i    ik nog lang niet uitgepraat. En dan most \'r nog zooveel    |
|    meer volgen, om dat ééne puntje te verhandelen, dat de    |
i    menschen niet waar zijn, voor ziclizelven en voor anderen,    |
ï    in \'t bestemmen en besteden van den tijd. Maar nu we d\'r    |
1    tenminste vast \'n „startje" van gehad hebben, zullen we    f
i    voor \'t oogenblik maar van \'t „chapiter" afstappen; „wat    |
1    ien \'t vat is, verzuurt niet."                                                         f
Intusschen.^k wenschte wel, dat wij allen, ook in maat-    1
|    schappeljjken zin, en in sociale verhouding, wat meer, en    |
Ë    telkens meer, doordrongen werden van den duren eisch en    |
i    prijs des tijds. lederen dag laten wij voor onszelven. en voor    |
|    anderen, zoo\'n kostbaar deel van den tijd verloren gaan. Alle    |
ï    andere woeker is vervloekt; maar woekeren met den tijd    |
|    is een zegen!                                                                                  |
Ik heb \'n vriend, die geen „griezeltje" van den tijd onge-    |
i    bruikt laat. Maar wat die voor zichzelf, en voor \'n ander,    |
I     „af kan", dat is „onmundig".                                                       |
55445455�154545114411�3114155555524554�5541�45550
-ocr page 132-
y
/ 1                L""""f\'m\'f"""M""""""""""""""""""""""""""""""""UIMm MlllllllllllllflIIIIIIIIIIIIIIMIIIMflillllllHIIIIHH
| 116                                        PLUKSEL-BLA0DJE8.                                                 I
|                                                 XXIX.                                                 [
„Weette wie ook echte „kulbroers" zijn — kumt er niet    |
| op aon \') met den kostelijken tijd? Menschen, die je zoolang    1
i kunnen laoten staon „schilderen" (wachten) en die je \'n poos    |
Ê kunnen laoten staon „brillen" — kumt er niet op aon —    |
1 as of\' \'t zoo niks is".                                                                    Ê
Nou Jansen, we motten altijd voorzichtig zijn, dat we de    |
| minschen zoo\'n leelijken naam niet geven; wie weet, wat ze    |
| van ons zeggen! iemand \'n leelijken naam te geven — neem    |
| me niet kwalijk! — waar is dat goed voor? Maar dat zulk    i
| soort van menschen je erg misleiden met den kostelijken    |
| tijd, ja, dat is zeker. Maar dat is nog het ergste niet. En    I
I als \'t oe begint te vervelen, dat staon „schilderen" en staon    |
| „brillen" — neem me niet kwalijk! — dan kun je d\'r im-    §
| mers „van door" gaan?                                                                I
|        „Kun je? nou, dat mocht wat!"                                             §
Ik trof Jansen juist in zoo\'n bui, omdat hij „ien koud    |
| mieterig weer ergens bescheijen was, nog wel, notabene! in    I
\') Een „stopwoord" van Jansen (och wie heeft ze niet, die onnoodige,     =
| dwaze, ongelijmde stopwoorden!) waar hij nadruk mee schijnt te willen     :
5 leggen op \'tgeen „daor \'t wel op aonkumt" in z\'n discours.                                ï
TllllllllllllllllllllllllllllllllllilllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllilllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIHIIIIIIIIIIIItllllllllllllll
-ocr page 133-
0201010002020101530002005353530202010000232301000000010100010202020001000101020289484848235348
559999999999299999999999999�6999999�989954999959999929999998994�
PLUKSEL-HI.AOIUES.                                            11 7
\'t belang van die ,ergens\'\' en toen Jansen d\'r op af kwam—    |
kumt er niet op aon — hadden ze \'m den halven middag    |
laoten wachten; en toen \'t „op stuk van zaken" aonkwam,    |
was \'t nog niks". En dan kan ik me best begrijpen, datter    |
wel eens „een knoop afspringt". Maar anders, dat is nog    |
\'t ergste niet, waarmee de menschen zichzelven en anderen    |
den kostelijken tijd ontstelen, verknoeien, beliegen, verderven    1
en „verkwanselen". En dat, terwijl onze tijden zijn in de hand    |
des Heeren, die ze ons schenkt, opdat er winst van komen    |
zou voor onszelven en voor anderen; en dat we ze tot zijn    =
dienst zouden besteden.                                                                 |
„Hoor eens, dienst gaat boven godsdienst," zei onze    |
stationschef, toen ik die cpiaestie met hem eens besprak.    |
Nu, dat was weer zoo\'n „dooddoener", waar je niets aan    |
hebt. Maar de trein kwam juist „aanschuiven", en ik moest    |
weg; anders had ik op dat „groote woord" zoo graag eens    |
met hem willen doorspreken . .. wie weet, of ik \'m nog niet    I
eens „te pakken kan krijgen" ! Hoewel, als \'t er op aan-    i
komt, en \'t zal „klemmen", dan hebben die lui van „groote woor-    |
den" meestal volstrekt geen tijd, weet u! Nu, verder ter zake.    |
„Lanterefanters", lui, die den halven middag en avond    I
„verslenteren", slaapkoppen, „brani\'s", die \'n „gat ien den    |
0201020002020201010201010200002302010202010023530102020202020091029101020201005301000201000002
-ocr page 134-
0001020201010102010001010200010100010001020001010200000202000100010230010102010200000100320201
5353914853530200535353530200000202000001020000000202000000000001020200010102005353230002020001010253000102025348910202010202
118                                       PLLKSEL-BLAODJES.
nacht" opzitten, op z\'n best voor niks, op z\'n slimst voor    |
den duivel; bedriegers en misleiders, die, als de raven, altijd    |
maar: „Cras! cras! morgen is \'t tijds genoeg!" opdeunen:    I
trage en luie schepsels, die, net als Gert Vis, toen ie op de
rug ien \'t gras lag, uitgaapte : „ Hé, jong ! wa zou da lekker    i
zien, as da werken was !"\' !) Ook wel „gebesogneerde lui",    i
die \'t altijd druk schjjnen te hebben, en toch bij slot van    f
rekening niets uitvoeren ; en van den tijd veeleer een ,brod-
delwerk" dan een .borduurwerk" maken. Ook zoo menige    i
rentenier, (gelukkig, niet allen ! lang niet!) en onuitstaanbare    1
„geurmakers" 2) enz. enz. Och, ik zie, dat ik er „van de    |
honderd meê in de duizend zou komen". En ik weet, bij    \\
slot van rekening, de som niet beter op te maken, dan allerlei    I
debet, dat zoo schadelijk en schandelijk hoog loopt bij zoo-    i
velen, die den kostelijken tijd verkwisten en verkwanselen,    §
voor onszelven over te zetten in een heerlijk credit: om in    |
„waarheid en trouw" rijkelijk te woekeren met den schat    f
van tijd, waarmee het den Heere behaagd heeft ons te laten    |
„rentmeesteren".                                                                             1
\') Dat hebben d\'r al wel meer gezeid!                                                              =
*) Ik merk intusschen, dat ik in \'t eigen euvel van Jansen verval, en bezig     |
ben. om erg „leelijke namen" te geven. Maar als de zaak zelve „leelijk" is,     ;
moet dat maar.                                                                                                        s
IIIIIIIMIIIIIIIIIIIIinilllllMIIIIIIIIIIIMIIHIIllllllllllllllllltlllllllllMllllllllllllllllllllllllillMIIIIIHIIinillllllllllllllllllllllltlllMl
-ocr page 135-
-ocr page 136-
5889999999999999999999��99�9811111�344�1554145032
ri.UKSEL-liLAOD.JES.                                            11!) =
Eén ontzaggelijke leugen is er nog, waarmee alle andere    |
|    samenhangen; dat men namelijk den tijd in zoovele atomen    f
|    deelt, als de menschelijke willekeur er van belieft te maken:    |
|    dat men den tijd niet eert als een scliat, ons uit de schat-     |
|    kameren der eeuwigheid toevertrouwd: dat men hoogstens    \\
i    den tijd uit de ontwikkeling der tijden verklaard, en alles    |
i    aan den tijdgeest zoogenaamd ten offer brengt; in plaats dat    |
|    aan Hem, wiens uitgangen zijn vanouds, van de dagen der    |
I    eeuwigheid, de eer en aanbidding gebracht wordt.
|        Ik moest dezer dagen eene kleine „surprise" meebrengen    |
1    uit de stad, en keek zoo eens rond in de „zes-stuiversbazar".     |
1    Daar zag ik zoo wat opgeplakte figuurtjes in een vierkantje     |
|    van \'n paar hand breed, achter een ,loer-gaatje-\', en zoo\'n    \\
l    ding heette, nota bene! een panorama! d. i. waar men alles    |
i    ziet, en overziet... en dat voor zoo\'n „zes-stuiverskinder-    |
§    spulletje". .. \'t is om te lachen! en toch, zou \'k zeggen, is     1
i    \'t nog ernst, in vergelijking van de dwaasheid der menschen.     |
I    die meenen, dat alles door \'t kijkgaatje van een dag, een    |
[    jaar, eene eeuw gaat; en dat hij, die dan alles, wat in dien    §
I    omtrek valt, overziet (of zou hij er ook eigenlijk niemendal    |
f    van zien ?), de man, de held, de wijsgeer is, die richting en    |
I     koers geeft aan de dingen; en op wiens schouders onze    \\
"MlllMMIMMniMimilllllllllllMllimilMIII\'llimmnillllllMIIIMIIIIIIIMIIIIMIIIMIIMHHIMIIMMIIIIIIHIIIIIIIIMIIIIMIMIimillin
-ocr page 137-
555555 555555555555555R55555555555555555555555
4541549515599499293�73873999999�995��349993415415414434�54549212
i 120                                        PLUKSEL-BLAOIUES.
|    dwergjes opklauteren, en zeggen: ,Wij zien alles! wij weten
|    alles! zoo is het, en zoo moet het zijn!" Och, en als er
|    maar \'n ezel niet de poot op trapt, dan ligt \'t heele pano-
|    rmna ten onderst boven, en de wijsgeeren er bij, en de ka-
=    boutermannetjes ook. Intusschen gaat de zon op en onder,
|    als voor duizend jaar: en de Eeuwige troont boven zon en
I    lucht, en licht en wolken, en belacht het ijdel gewemel dier
|    nietige aardwormen. Gelukkig is hij, <,1; den Eeuwige tot
|    zijn God, en Zijn goed tot zijn deel heeft. En dat wou ik
|    dan ook nog maar zeggen, dat juist in zulk een zegen de
i    heilige beteekenis van het „waar zijn met den tijd" tot haar
|    recht en haar eere komt. In dezen zegen ligt een volmaakt
I    beginsel; al het andere is op z\'n best maar als .stukjes en
|    brokjes", die men, als met een kinderhand, meent te kunnen
|    door mekaêr roeren, of in mekaêr zetten, net als \'n legkaart,
|    en net zooals men dat eiges verkiest; nota bene!
1/
XXX.
Ik had indertijd \'n buurman — „de minsch is er al
99999�9999999999�9999997246799999999999999999999�
-ocr page 138-
irilMNirillflflflIIMIHtlfflIlfHIflMdlMinilUfniUMflIflHIIIIIIIIIflIIMIIIIIIIIIIIMIIII........HMIIMIIIIMIMIHMIIUIMMIlMIIMIIim
\\                                                   PLÜKSEL-BLAODJES.                                       121 ï
I    lang nie meer" — die „gèrn \'n ieder liet zijne gaf" — dat    |
|    is mooi! — die \'r erg op gesteld was, „dat alle dingen d\'r    |
I    gang gingen, en alles zoo z\'n tijd had": „naor de kerk gaon    |
I    net zoo goed as slaopen"; „vasten en vastel-aovend houwen    |
|    allebei"; „fijn zijn", as \'t te pas kwam, en „grof zijn", dat    =
|    eigenlijk nooit te pas komt! Ook had hij zoo over zich, „um     |
I    niks veur niks te doen". En, als er dan eens sprake was    |
1    van dit of dat te Verhapstukken", dan lag \'t \'m zoo „as    |
i    ien de mond besturven": wa gift \'t? krieg de d\'r ok nog    |
\'n appel of \'n ei veur?" En als ge dan zoo is met \'n    |
|    eerepostje (!) aankwaamt, dan was \'t altijd: „As er nou nog
i    wa mee te „fenieren" (verdienen) viel, dan had \'k \'r niks    |
I    op tegen." En as ge \'m eens „aon de pols kwaamt vuulen"
I    om te helpen „veur niks niemendal", dan was\'t altijd: „Wel    i
i    ja, \'k zal gek zien!" en „m\'nheer" hield zich „van den    |
=    domme". Ik herinner me een aardig geval, hoe dattie intusschen     |
1    met z\'n „krinterigheid" er eens kostelijk inliep. Hent van     |
i    Megen, geen „ergen beste", d:e gestroopt had, en voor \'n    |
i    dag of wat „naor \'t pakhuus van llapperd" — zoo noemden     |
ï    ze bij ons indertijd „de kast" of gevangenis — moest, kwam    |
I    bij \'m flemen (vleiend vragen):                                                    |
„Oh! witte nie, m\'n nêf, zoudde niet \'n worst of wat veur
"!" " "!!!"!""!!" ""!!"! "!*%""!!"! "")!""
-ocr page 139-
^IIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMMIIMnilMIMIirillllMIIMIIMIIMIIMIIMHIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIlll
| 122                                       PLUKSEL-BLAODJES.
mien hebben? \'k Heb eiges nog nie geslacht, en \'k heb
wel \'n „hartversterkseltje" noodig!"
.Dii kunde begriepen, daor hè \'k ok wat aon, um ou \'n
worst of wat te geven."
,Xou. m\'n nêf, dïi bedoel ik ök niè; ik wou ze mar leenen;
as "k geslacht heb, kriegde ze eei-lik weerum.\'\'
Da veranderde de zaak. En Van Megen kreeg de worst.
En toen ie geslacht had, liet ie de varkensooren fijnhakken.
en ,ien de worst stoppen". En zoo kreeg de „krinterige
baos" de geleende worsten weerom!
Xet goed! Niet om Van Megen, en niet om de worst, en
niet om iets anders; maar omdat ie zoo „niks veur
niks" deê.
,Als ie dood was, zou ie \'t met de- vromen nog wel is
goed maken," had hij dikwijls gezeid — arme „goedmaker/ij!" —
En ja (!) in het testament had hij beschreven, dat de kerk
„!n zilveren avondmaal-stel" zou hebben. Maar zie, toen dat
kwam, stond er op „schotel en beker", zoodat iedereen
\'t „beheurlijk" zien kon: „Van G. W. (naam voluit!) en
echtgenoote"; „dat had ie er toch nog van motten hebben!"
„0 ! wan, zoo\'n soort zien d\'r zooveul!" zei \'n andere
buur van me, wien ik dat geval nog eens vertelde. Krek
484853234853534848530001532323234853534853000202000253484802005348905353485353482353485323484853
0402000200000100010001022302020201000102020200010200020253000000010002000000020011050248480202
-ocr page 140-
MIIMnilllllllllllfMlIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItlMIMIMIMIIIItHIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIMIIII
I                                                          PLUKSEL-BLAODJES.                                             12M
0002909048530200480253484800000102482353535353484853020200530200000202532353480200534848235348020253532300005323020053485353
j    zoo, buurman! en daarom heb ik \'t ook nog eens verteld:
|    „zoo\'n soort zien d\'r zooveel!"
Och! als er .zoo niks meè te verdienen valt", dan gaat
j    het helpen zoo traag: als er „zoo niks aan den strijkstok
1    blijft hangen", dan vlot het .spelen voor\'n ander" ook niet:
\\    als het ,pro Deo" moet gaan, dat mag inde bedeeling van
ï    het recht nog eens lukken, in de bediening der barmhartig-
1    beid willen de meesten daar niets van weten.
Maar nu wil ik, op mijne beurt, ook nog eens wat zeggen,
j    buurman! dat er, gelukkig, nog heel wat gevonden worden.
i    die dat anders verstaan. Zelfs bij een „natuurlijk" mensch
\\    vinje \'t nog wel, dat ze menigen .Christen\'\' beschaamd
i    maken — hoewel het toch toch voor den heiligen, barm-
j    hartigen God de proef niet doorstaan kan, dat moet ik er
i    bij zeggen! — En ook, menige .tobbert" zelfs is nog blij.
|    as ie eens \'n handje helpen kan. En menigeen maakt .niks geen
I    pretentie", als hij een beetje heeft mogen .bijspringen"!
i    — dat gaat goed! En een Christen — zal hij de facto
j    (inderdaad) een Christen zijn — moet altijd maar minder
|    voor zichzelven leven, en altijd maar meer voor \'n ander:
i    en om Christus\' wil dienen: en net als Jantje-ineui — over
i    wie ik \'t vroeger al eens gehad heb — zoo grifweg uit het
0002020101020102000202000001020202020101020002020201530001010100000102010101020100010000000202
-ocr page 141-
^IIIMiniHIIIIIIIMIIIIIIMIIMIIMIIIIIIHIIIIIMIIIIIIIMIIIMIIinillMIIIMIItllllllllinilllllllllllillllllllllMIIIIIHinillMlllltlNIIIMIII
1 124                                       PLÜK8EL-BLA0DJES.
| hart kunnen zeggen: .Hè, da dimt me nou nog is goed!"
| als ze - uni Gods wil — \'n „ermen sukkel uut den brand
| had mengen helpen ;\'" enz. enz.
Ik weet wel, van onszelven hebben we dat zoo niet, ,we
| mogen onszelve veel te graag lijjen!" Van de menschen
i leeren we \'t ook niet; die zouwen \'t ons veeleer afleeren!
i Maar in de „schola crucis": als we \'t van Hem leeren, dat
| het „zaliger is te geven dan te ontvangen"! als wij alle gaven
| en offerande en dienst waardeeren in \'t zilver van zijne
| tranen, en \'t goud van zijn bloed!
Van het kruis de victorie, ook in het dienen, liefhebben,
| zegenen en weldoen. Wie het kruis omhelst, die heeft den
| sleutel der oplossing van alle „quaestie van miseriën"; wie
| het kruis miskent, zal die oplossing nimmer vinden.
Laten wij, een iegelijk onzer, ons maar alleenlijk bij het
i kruis houden, ook al kost het veel dienst en druk: victus
| vincam: zóó, in den strijd des levens, de minste te zijn
geeft winst, en zal het winnen, en zal eenmaal de overwin-
| ning hebben!
�55115554��598�5999999999955941�1115495414�54�9�
-ocr page 142-
tlflflIllinilllllllllllllllflMllllillllllflIlllillflflHIIIflIllflIllltllltlMlllllllllllllllliltllllllJIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIllllllMIIIIIIMHIU
\\                                                   PMJKSEL-BLAODJES.                                       l-ö §
I                                                XXXI.                                                 |
Ze hebben me wel eens verteld van den burgemeester    I
i    van A., dat hij zich „per occasie" net zoo gemakkelijk met    |
ï    de brandspuit laat ,nat-spuiten", als dat hij op z\'n tijd "n    1
ï    ,groote heer" moet zijn. Xu, ik moet zeggen, ik zou \'t hem    |
I    ,geen van beijen" makkelijk nadoen. Maar zoo heb ik \'n    |
i    burgemeester gekend bij ons op \'t dorp — de tegenwoordige,    |
i    dien we hebben, dat is ok \'n goeije, daarvan niet! da mot    |
I    ik zeggen — dien ,\'t net krek allins" (\'t zelfde) was, of ie.    |
j    za\'k mar is zeggen, den .gouverneur" te gast had, ofdattie    1
j    met Gratje Tiessen, den poldermeester, deur \'t smerigste    i
=    weer de heele zeeg langs most vegen, uni .schouw te loopen".    i
ï    en te zien of alles geruimd en „ien de peê" (in orde) was.    |
ï    Als het diende, dan wist hij terdeeg zijn gezag te doen    |
i    gelden. Maar, als ge hem dan weer met dorpskiender. .met    f
I    klumpkes aon", die naar school gingen, zaagt optrekken —    |
=    dikwijls ,aon de hand" nog wel! — dan moste zoo zeggen:    |
Ë    ^VTat \'n minzame minsch is dat! Al zijne waardigheid placht    |
Ë    hij , ontleende waardigheid" te noemen, en al zijne onwaar-    |
I    digheid noemde hij .zijn eigen"!
Ik heb het voorrecht gehad, dien burgemeester erg best    I
\'\'\'\'IIIIIHIIIIIIItlllllllMlllllllllllllllllllillMIIIIIIIMIIIIMIItlllllllllllllllMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIilllllllllllllillllllllllllllllllllllMIIIIH
-ocr page 143-
nilllllllHIMItllllllMIIIIMIIIMIIIIIIIMItlllllHIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIinillllflIllflIIIIIIHillliniflIMIItlllllllllflIllfMMffMIIIIIIIMI^
i 126                                       PLÜK8EL-BLA0DJE8.                                                  ï
I    te kennen. Zelfs mocht ik liem, „als volontair", op de secre-    =
|    tarie gedurig een handje helpen met schrijven, staten op-    I
maken, enz. Daarbij had ik dan ruim gelegenheid om te    ;
|    zien, hoe dat hij was in z\'n doen en laten met de menschen.    [
i    Altijd \'n woord van pas: hoog als \'t most, zeker! hartelijk    [
|    als "t mocht. En altijd ten .goeje raoijen". En, omdat dat    I
1    zoo goedkoop ging, kwamen er \'n heele boel van profiteren:    ;
|    want goeje raad is anders duur!
Van alles kwam er ,te berde": kwesties van deilen; acties    |
|    over \'t visschen: recht op \'n streepke grond; armen-bedee-    j
i    ling (och! waarom heeft de kerk een aanmerkelijk deel van    j
I    den dienst der armen ingeboet ? door eigen schuld!) school-    I
|    dienst (item!): proces-verbaal tegen lui, die klaver van\'t veld    j
|    „geratst" hadden, of hout van de boomen „gestumperd":    I
|    en, omgekeerd, klachten van de lui tegen de „pelies" (politie).    \\
i    .die ze wel is hadden zien iengaon ien de Roskam, urn \'n    \\
|    snêpske te vatten"; allerlei relaas over allerlei „oomes en    j
|    neven en familie van de vrouw, die dit of dat te preten-    i
|    dieren hadden," en .dat \'t zoo en zoo ien het testament    j
I    beschreven stond", enz. enz.                                                        \\
Ook met de lui, die zich kwamen aanmelden, met het plan.    [
1     „da ze is \'n deuntje wouwen gaon trouwen", had de man    }
MMIIIIIIirilllllllllllllllllllllllllllMIIIMIIIIIIIHIIIinilllMllllinilllllllllllltlllllllllllllMllllilllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIII
-ocr page 144-
ilMIUItlllinillHIIIIIIIIIHIIIIIIIMIUIIUIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIinillinillllllUlllllllinilllllillHlIIIINIIIIIflHIIIIIIIIUllllllllllllM
PLUKSEL-BLA0DJE8.                                       127 |
heel wat te stellen. Als \'t goed was, dan had hij er niets op    l
tegen, en mocht hij \'t zelfs heel graag lijjen. En ik herinner    |
mij nog, hoe hij in de weer was, om \'n goeijen sukkel, „die    |
vergeten had um z\'n eigen vur de militie aon te geven", en    |
die nu, inplaats van \'n „deunje te trouwen", voor vijf jaar    |
„staon" most als soldaat, in dit „schromelijk ongeval" te    |
helpen. En bij den trouw kon hij, krek allins, riek of êrm.    |
zoo hartelijk en trouw toespreken, „dagge d\'r — zooals eens    |
\'n gelukkig paar zei - - „stil bloed van kreegt".
Maar, als \'t mis was — en daor kunde wel dagwerk meê    |
hebben! — en als de burgemeester er niks dan ellende van    |
van voorzag; o, dan kon hij zich, om bestwil, tot het uiterste    |
weren, dat er van zoo\'n trouw maar niets zou komen. Dan    |
hadje moeten hooren, wat \'n brutalen mond de man meestal    1
kreeg; en in den regel gaf \'t niks, niemendal! o, Dat trou-    =
wen, dat trouwen! Wat zijn d\'r al \'n boel menschen meê    |
in de „naorigheid" gekomen. Als \'t goed is, dan is het best.    |
En als ik, op mijne beurt, \'t eens \'n beetje hoog mag zeg-    1
gen, dan zeg ik met den dichter:
Wer ein holdes Weib errungen,
Hat das hochste Glück erreicht.                                          ï
<MitiiiiMiiiiiiiniiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiniiiiiiiiiiiiiiMiiiMMiiiiiiiiiiiiiiniiiiitiiiii>Miiii(iniiiiiiiiiiiiiiiiin
-ocr page 145-
IMIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIHIIIIMIIIIIilllllllMIIIIIIIIIIIMIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIIKIIMIIIIIIIIIHIMIUMIIIIIIIj
128                                       I\'UKSEL-HLAODJES.                                                   È
5348532348910153484853234801020000020248480201010002020001020000000202000102020200020200485323485301020200010102020001020200
Of\', zooals de Heilige Schrift \'t ons leert, dat is nog wel    [
wat hooger en heerlijker!                                                             ;
Maar anders, ik zeg maar, niks daar zoo\'n ellende van-    1
daan komt. En dat zei de burgemeester ook. En als hij dan    i
de „vrijjigheid" nam, om dat te zeggen; bijv. met het oog    i
op „armoe troef: .Maar Kobussen, ge hebt immers geen    |
brood, wat wilde toch trouwen?" dan was Kobussen zoo vrij,    j
,um daor tegen ien te reklamieren" : .Liever vrouw en gin    i
brood, as brood en gin vrouw!" En \'t „spul" most dan toch    I
maar doorgaan! En dan gebeurde \'t wel, dat \'n week of wat    j
later de man of\' de vrouw, of allebei, op de poot kwamen    I
spelen, ,d;ï ze weer van mekaor afwouwen". Maar dan was    f
het te laat. En als de burgemeester dan opmerkte, „dat ze    I
indertijd maar wijzer hadden moeten zijn", kreeg hij nog    \\
\'n brutalen mond op de koop toe: „Als wij nie wiezer wao-    \\
ren, hadde gij mar wiezer motten zien, en ons niet mot-    I
ten trouwen!\'\' En dan kon hij dat zoo doen, dat hij met    i
\'n zware zucht zich naar \'t raam keerde, alsof hij weer eens    I
\'n beetje licht en lucht noodig had. En daarmee was dan    \\
die ontmoeting afgeloopen.                                                           [
Toen heb ik \'t al wel „gevat", en sinds dien tijd ben    I
ik er nog \'n heele boel wijzer op geworden; dat van al dat    f
llltinMIIIIIMIMIHIIIIIIIIIIII\'llMiltMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIMtinilllllllllllllllllKIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIillllllllllllllllllllllllllllllll111
-ocr page 146-
......IIIIIIIM!.....III.........II.....Milt.........I........III.........I........I.......I..........IIIMIJJIJIJJJHIJJIfflfflItlllMIlllMllimi
Ê                                                   PLUK8EL-BLA0DJE8.                                       12\'.l
0202010202000102020200010202000102020000020200485302000102000053235353534848905323235353485353485353020002020053232353535323
I    onbezonnen trouwen al wel meê de meeste ellende, in \'t hui-
\\    st\'lijk en maatschappelijk leven, voortkomt. Maar dan ook
I    omgekeerd, dat \'n goede, vrome, rechtschapen huisvrouw
i    engelendienst doet in haar huis en naar buiten (Spreuken
I    :il vers 10—31).
XXXII.
„Toon-baos", de metselaar, had net zoolang „ienweeren
I    wiend*\' staan metselen, dattie er , ongemak van ien de Ie jen"
1    gekregen had. En de kloeke baas, die vroeger zoo stoer en
I    rechtop —• en goedsmoeds ! — naar z\'n werk kon stappen,
Ë    begon zachtjes aan te „schinkelen" in het loopen ; \'t geen
|    \'n „alias" de „vrijjigheid" gaf, om zoo \'s op te merken,
i    „dat het net was, asof d\'r \'n wieg hènging". En sints dien
e    tijd was \'t „spul klaor" en begon iedereen .de wieg" ! tegen
1    \'m te zeggen. En toen ik zoo\'n jongen was, kende niemand
]    „Toon-baos" meer, of Jansen ; maar as ge van „de wieg"
I    praotte, dan kon \'n „klein kiend oe wel terecht helpen".
{   Ik herinner me nog, dat ik „Toon-baos" daar eens over
|   kwam beklagen. Maar hij antwoordde, zoo echt zuchterig :
^IIIIIIIIIMIIIIIIIHIlllllllllllinillllllllMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIIIIIIIHIMIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIMIIIIIiiiiiiiHiiiini
\'J
-ocr page 147-
IIMIIMIMHMIIIIIIMIMIMIIIIMII.........111111II11111111111111111111111111111IIIIIIIII11 lllll III llll 11111111111111111111II111II111III llll 1111111 <
130                                           PI.lTKSEL-BLAOD.IES.
.Oh! laot da mar vur \'t geen wat \'t is; God wit toch wel,
hoe dat ik hiet !"
o ! Die ellendige „bijnamen" en „scheldnamen\'"! En de
menschen hebben d\'r zoo\'n schik in ; \'t gaat \'r zoo geniak-
kelijk, zoo »van eiges" in. Begrijpte dan niet, menschen.
dat \'n naam \'n schat is ? en weette niet, menschen, dat \'n
eigen naam, en *n .van"\' (geslachtsnaam) *n kostelijk „erf-
stuk" is \'t en zijt ge \'t vergeten, menschen, dat uw familie-
naam in den doop tot \'n verbondsnaam geheiligd is \'t o !
Die ellendige .bijnamen" en „scheldnamen"\' ! Gelukkig, als
we er, voor ons/.elven en voor anderen, maar „wat aan
mogen hebben", net als Toon-baos, dat God toch wel weet,
hoe dat we „hieten" ! En nog beter, als we d a t „hieten"
voor geen koningsnaam inruilen, „umdat we eigenlijk", zooals
ïoon-baos zei, .of) genaode met onzen naam „gedupt"
(gedoopt) zijn." En \'t beste van alles, als we, zooals we
heeten en zooals we zijn, zooals we \'t hopen en hebben,
„ien \'t groote boek van Gods genaode opgeteekend staon".
Op dat woord .genaode" viel Toon-baos altijd „deur de
ben"\'. Jammer, dat hij er zich door anderen wel eens meê
liet „pieren" (och! dit kan, helaas! zoo licht gebeuren)! Zoo
was er bijv. \'n andere „baos", Jan de verwer, \'n eerste
414��14454555154415544541444111�411542�11544511�
-ocr page 148-
IIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIIHIIIIIIIIMIIIIIIIIMIMIIIIHIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIHIIIIUMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIUIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIflIl
I                                                   Ï\'U\'KSEI.-HLAOIUES.                                       131 =
I    flêmer, die ze terdeeg „achter de mouw" luid. en die T0011-    i
|    baos met z\'n geflêm maar aan \'t lijntje wist te houwen,    |
I    om „uutstel van betaoling te kriegen" (zooals ie wel eens    |
i    gezeid had: „Tot St. Juttemis, as de kalver op \'t ies dan-    f
sen" = nooit)! .Eindelijketijd" begon dat .Toon-baos"
|    toch te vervelen; vooral, omdat hij hoorde, dat „Jan-baos",    |
=    achter z\'n rug, d\'r zoo raor en lillik over kon praoten\'.    |
Ë    En toen ie hem op \'n keer „ien de eenigheid" tusschen de    |
I    tubakswallen „attrapierde", kreeg hij \'m met z\'n knuisterige    |
Ë    vuisten tusschen d\'n das, en voegde \'m met \'n astrante    1
|    stem toe: „Nou zulde toch betaolen, doe lillijke kêl! gij    |
I    hê nou lang zat . Jupke" met me gespuid"!" \'t Was of , Jan-    |
ï    }>aos" „deur de kniën hènschoot", zoo ontdaan was ie. En    |
Ë    door z\'n schrik heen „knerpte" ie: „Genade! genade! as    |
Ë    ik \'t had, dan zou \'k oe zeker betalen, Wieg! daor kunde    f
=    vast over rekenen! genade, genade!"
Zoo\'n „stinkende kêl"! want \'t was allemaol mar prak-    |
Ë    kesaosie! Maar intuschen, „Toon-baos" liet z\'n eigen d\'r
|    meê uut \'t veld slaon. En umdat „Jan-baos" zoo aondoen-    |
Ë    lijk urn genade had „gelêrmd", hettie \'m nooit meer over    |
Ë    z\'n „pretensie" gesproken. En „Jan-baos" het „Toon-baos"    1
Ë    mar stillekes naar de duiten „laten fluiten".
1...........mum.....................i.....imimi.............m........iimmiiimmmmimimiimiilllliiimmi...................m
-ocr page 149-
^IIIIIIinillllllllMllllllllllltMIIMIIMIIMIIIMIIIIIMIIIIIIIIinillUIIIMIMItlllllllllMIIIIIIIIIIIHIIUtllllllllMIIIIIIIIIIIINintlllllMIln
Ë 132                                       PLÜKSBL-BLAOUJES.                                                   =
Zie, dat was nu in-gemeen, En helaas! een zeer gemeene    1
|    en algemeene bijdrage, hoe flêmers. bedriegers, afzetters,    i
|     „luilakken" enz. het kostelijkst recht van genade op \'t schan-    |
|    (lelijkst weten te verkrachten en te misbruiken. Maar anders,    i
|    ja, dat moet ik zeggen, wie dat „recht" kent, dat kostelijk    1
|    recht van genade, ook in toepassing op het maatschappelijk    1
1    leven (want daar hebben we \'t eigenlijk over), die hoeft „op    ï
1    \'n ander" niet meer „ien de leer" te gaan, om den rechten    1
1    toon te vatten, en de rechte „teneur" te vinden in de op-    ï
|    lossing van jammer en ellende,
Ach, Gnaden aus zu theilen war so sehön,
|
                       Und wer \'s vermag, der soltt\' es nicht versiiuuien.
Mekaar de honderd penningen kwijt te schelden enz. enz. \\
| (of, zooals onze doctor deè (die nooit \'n rekening stuurde), j
I \'n lange streep d\'r achter!) als we \'t „weten" mogen, dat j
| door recht de tienduizend talenten van onze schuld betaald
I zijn; en dat er nu niets anders meer te kwijten en te
| bekennen is dan: „Op genade!" dat is \'t ware! daar „komde
1 d\'r meê", en anders nooit! Wie \'t anders proberen mocht,
i die trekt de „koorde der gebondenen" hoe langer zoo knel-
lender dicht; die trekt ze „ien de knoop"; die kan d\'n
!U "" " !""""!!!"! " !" ! ")""" """? "!!" "
-ocr page 150-
�9999644799994�654699999995999999��4994�451492419
0000485348532300010102000102020001020000010201485301022348535391480000020200010202000102020000020048530202000200015323485353
133
PLUKSEL-BLAODJES.
i    roestigen grendel van de „poort der verzuchtingen" toch niet
I    loskrijgen, en „miert" dien grendel in z\'n roest hoe langer
ï    z.oo vaster. Wie op eigen recht en pretensie wil klaar ko-
i    men, die schiet er zeker „\'t hachje bij in". Maar op beding
i    van genade, dat is naar de bedeeling van het goddelijk recht,
\\    wordt de rechte vrijheid verki\'egen. voor armen en ellendigen,
i    voor schuldenaars en dwazen en gevangenen. Alleen de hy-
|    pocriten, geveinsden en leugenaars, zijn „d\'r buuten!"
[                                              XXXIII.
Dat moet gezeid worden, dat het tegenwoordig veel ge-
|    makkelijker en goedkooper reizen is dan vroeger. Tenminste
I    bij ons door de Betuwe. Hoewel de boeren zeggen, „dat ze
|    de heele Betuwe ontsierd" en „verpartelesierd" (gescheurd
[    en gescheiden) hebben met die „dekselse spoor". „Die \'t trof.
ï    hêt er nog al aordig wat veur ien \'t zekske gekregen; mar
f    anders, \'t is de eigeste Betuw nie meer; en \'n duur eindje
I    spoor, daor kunde over rekenen!" Maar als we die quaestie
§    nu \'s laten rusten, daar \'n heele boel voor te zeggen is
ï    (dat mot ik bekennen), dan zeg ik toch maar, dat het reizen
I    d\'r heel wat mee gewonnen heeft. Vroeger daags dan konde
^IIIIIMIIIIIilllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIIIIMIIIIIKIIMIIIMIIIIMIIIIIIIMIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIII
-ocr page 151-
M IJ! 11.....II11111111II11111111111»111 • 11111111....................1111 I.....I........! 1111T.....LI......IIMIIIIIIIIMIMIIIIIiniHlimilMMIIIIIII
i 134                                        PLUKSEL-BLAODJES.                                                      1
|    ja! met de diligence van Nimwegen naar Aorem over Eist,    ï
1    en vice versa natuurlijk; en dat was dan \'n reisje van minstens    ï
|    twee uur! En als ge verder most, naar Valburg, Zetten enz.,    i
|    dan was \'t al mooi, als ge bij die of gene op de stöt-kar    I
I    terecht kwaamt; en anders ging \'t altijd maar „per occaosie    =
|    te voet". Zoo\'n dag naar Tiel of lihenen, dat is tegenwoordig    1
1    niks; etens-tijd ziedde weer thuis.                                                =
Teunissen was voor \'n week of wat ook op \'n niergen    |
I    hên en weerum naor Tiel gewest, um vür \'t gerecht te    e
|     „comparieren". .Mar as ge zoo van "n kouwe kermis thuus    f
i    komt as ikke, clan is de reis toch nog lang zat, en duur    |
I    zat ook. Mar da wil \'k oe toch wel zeggen, as de kèl me    i
|    nie betaolt, en ik kan veur de rechters gin recht kriegen.    I
|    dan za \'k m\'n eigen rechter zien."
Bij zoo\'n discours ontmoette ik hem „ien de spoorwagen".    \\
|    Teunissen had \'n pretensie tegen iemand, die op \'t punt    f
=    stond „\'n gat ien de maon te schieten" (failliet te gaan).    1
|    En nu was hij d\'r meê „veur \'t gerecht". Hij was er eiges    I
|    zoo van „veralterierd" (ontsteld) gewest, dat toe ie opgeven    1
1    most aon de heeren, wat ie van z\'n ambacht was, ie gezeid    I
|    had: bouwlander, ien plaots van landbouwer. En naoderhand    =
I    was ie vuul geworden. En nou zou ie mar zien, dat ie z\'n    f
7899999999999999999999999999995999979999999999994
1.......................................................................................................................................\'............. \'"
-ocr page 152-
0023010102020102005323020000010101010000000100020101020102020200020202020002235353010102000102
PLUKSEL-BLA0DJE8.                                       135
eigen „recht schafte"\'. Dat hedde wel meer van die lui, die    |
erg „veralterierd" zijn, als ze „voor de heeren" komen;    |
maar dan ,vuü" worden; en achter den rug dan nog alle-     |
mans praats hebhen; niet, om als ,de verdrukte onschuld"    |
te paraderen, maar om \'n gepretendeerde schuld op \'n ander    |
te hebben; en die dan maar op eigen gelegenheid recht    I
willen schaffen.                                                                               |
Hedde gij Toon-baos de metselder gekend, Teunissen?
Toon-baos? neen, da \'k weet, niê?
Niet? die minsch, die altied zoo met de been liep te    I
trekken ?                                                                                          §
Oh, „de wieg"? Ja, die hè \'k best gekend.
Daar hadt je \'t alweer met die ellendige bijnamen. Daar    I
most ik eerst \'t mijne van zeggen tegen Teunissen. En toen    I
heb ik \'m \'t eigeste geval verteld met ,Jan-baos de verver",    |
die \'m zoo „sniekerig" .genade" had „ai\'geflèmd". En toen     |
heb ik \'m gezeid, wat \'k eigenlijk nu ook zeggen wou: dat    |
ik dat van „Toon-baos\'\' in \'t geheel niet goedkeuren kon,    |
dattie zich zoo „ien de luureu liet leggen\'\'. Maar dat dat    1
dan toch nog altijd iets anders was, als dat men maar zoo     |
met de mond, en desnoods met de vuist, klaar is, „um z\'n    |
eigen recht te verschaffen".
llllllilllllllllllllMIlllllllllllllllllllllllllilMIIIIIIIIIIIIMIIIlllllllllllHIIMtllllHIIIIHIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII.....llllllllllllin
-ocr page 153-
91029��8999899999999299999546679859990581�1115992
130                                      PLUK8EL-BLAODJES.
0223482300000102000048530200010200010200010201000102000202000102010200485353532348480001020001000100000201010289892348020002
Ik geloof dat, ab utraque parte (over en weer) te veel    I
weekheid en te veel „lamlendige goejerigheid" en te veel    I
kouwe ijskouwe „Rechthaberei" aan \'t woord is. En dat ook    |
in deze materie moest gelden : in medio tutissimus ibis, houd    I
rechte maat en koers, als ge er komen wilt !
Wie \'t goutien middelwegje houdt,                                             |
Die spaart liet hout, en houdt het goud ;
reciteerde mij d\'n ouwen heer „van den Esschenpas", toen    ï
we \'t over dit «jeval luidden, en ik nog al met \'m mocht    I
opschieten, omdat we \'t „aardig eens\'\' waren. Of nu dit    i
.rijmpje ter plaatse dient, en „hout snijdt", zou \'k niet    l
willen beweren. Maar dat er goud in zit. ja dat \'t goud is ;    i
dat \'t goed is, ja dat \'t Gods goed is, als we \'t recht van    =
genade bekennen in iedere betrekking van \'t leven, als schul-    i
denaren en schuldeischers, in oprechtheid en waarheid, zoo    f
dat wij er goed uitkomen, en onze naaste er ook goed uit-    i
komt, dat durf ik .veur mien part" gerust tegen \'n ielk    f
vol te houwen.
Was \'t wat .anders, dan zou \'k \'t niet licht wagen, om op    J
publieke stellingen te promoveren. Maar op \'n dissertatie    |
over „\'t recht van genade", ja, dan zou ik \'t \'m „lappen",    1
iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii......hui.......iimmiiiiiin.........iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiü
V
-ocr page 154-
ifiri(itiiniifii(ift)friiifiiiHiiiir?iiifiiiiiifliiiiiiNifiiiiiiMiiiMiifiiiii)ifliiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiliiiiiitiiiiitiiiiMiiiiiiiiiiiiiiitn
45999998499999099999999992�54559999999999999999999999145999959��
137
I                                                   PLUK8EL-BLA0DJES.
da geloof ik wel. Intusschen, praten is maar niks; doen,    i
daar komt \'t op aan. Laat \'t boek van ons leven maar eene    |
dissertatie mogen zijn, die \'t punt in quaestie in \'n heerlijk    I
licht stelt, en waarop we promoveren „annuente summo    |
numine", onder heilige goedkeuring van den Heere onzen God.    |
Ze hebben me weleens verteld, dat het woord „genade"    f
eigenlijk wil zeggen ,\'n gedurig en overvloedig nederdalen    |
van licht en zegen". Dat zit \'m dan in \'n „wortel", die ze    |
uit \'n ouwe taal van \'t Oosten trekken (nade = neder), en    |
nog zoo iets, wat \'r dan vóór komt te staan, (ge -- = ge-    i
durige herhaling). Nu, die \'t weet moet \'t maar zeggen ! Maar    l
ik wil wel zeggen, wie \'t naar de taal der heilige Schrift    |
verstaat en in de taal van \'t hart, die weet \'t wel, hoe licht en    i
zegen van God almachtig gedurig en overvloedig neder-    i
dalen, omdat zijn ,heuvelen heilig recht dragen". Uit    |
\'t vervulde recht daalt \'n overvloed van genade. Gelukkig    |
de mensch, die \'t verstaat, die kan niet meer willekeurig    |
„omspringen" met „genade"; maar veel minder nog zich    |
„z\'n eigen recht verschaffen."                                                       |
0200009053890202010000230202002301010102000002020001010201000102000101020200010202010202010002
•
-ocr page 155-
iiiiiMiiiiiiiiiiiiiMMiMiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiHiNitiiiifiiiiiiiiiiiiiiiufiiiiffMjfHiiiiiiiiiiiniififMfiiiiiiiiinifiiiiiiiiuiruiMrurnui
0001012348489123535390482300532348530253530202010200000102000002020001020102020200010000020201020002010200000101530102020053
188
PLUKSEL-BLAODJES.
XXXIV.                                               [
„Ieder, die wil, heeft\'n millioen in de portemonnaie zitten",    |
hoorde ik dezer dagen \'n „lieer" in \'t spoor beweren. Met    ï
z\'n mooie pels aan gaf hij mij wel den indruk, dat hijzelf    |
„binnen" was. En dattie daar schik van had ook. En dattie    |
\'n „loquax" (\'n praatzak) was ook. Eerst had hij zitten    |
„betoogen", dat .gelijk op verdeelen", zooals de .socialen"    |
willen, toch eigenlijk eene dwaasheid is. En ik moest zeggen:    1
.Daar heb je gelijk in, m\'nheer! over vijf en twintig jaar    \\
zou het toch weer zoo ongelijk mogelijk zitten, met louter    I
willekeur, en wanorde, en ,, mekaar op den kop tikken"    =
er bij".                                                                                            §
Maar toen .m\'nheer met de mooie pels aan" zoo man-    |
haftig begon te .geuren" met z\'n „ieder, die wil, heeft \'n    f
millioen ien \'t zèkske", toen begon ik op mijn beurt \'m \'n    =
„sprookske" te vertellen. Bij m\'n ouders huis, in \'n groote    |
elzen-pas lag een schat verborgen; allemaal „Spaansche    I
matten"; ze wouwen wel zeggen, op z\'n minst voor\'n mil-    i
lioen. Maar niemand wist, op gin stukken nao", te zeggen,    |
waar dan eigenlijk de schat zat, en hoe diep. Wel beweerde    i
Peter Vink, \'n arbeider bij ons thuis, „dattie duk zat van    |
99994799749�
999999999999999999999999999999999�
-ocr page 156-
iiiiiiiiiiiiiiiifiiiiiiHHfiMiii(HiinHii(MffifiiiiifuifitiriutfftiniiiHfiniNiiiiiifiiiiirfiir(niiMiiiifiiiiiiiiiiiiiitiiiiifMM(fiiiiiMtj
PLÜKSEL-BLAODJES.                                          139
0202000102000053000000020200010202000102483132000002020201000201020200000202005302010100010101020002020001020101020053234848
1    z\'n vaoder geheurd had, datter dwaollichtjes op dansten, en
1    eiges had ie ze ook wel is gezien. Maar as ge dan zoo
ï    „astrant" waort nm dr nao toe te gaon, dan gingen die
|    lichtjes aon\'t ,wegkiuiten\'\', zoo hard as ze mar konnen. Eéne
I    keer hadden \'n partij kèls is geprobierd, urn van verschêjen
|    kanten te geliek d\'r op ien te gaon, mar toe waoren ze de
I    lucht ien gevlogen. Eigenlijk, as \'t op stuk van zaken aon-
i    kunit, geleuf ik dat \'t alleniaol mar kul-koek is."
Da geleuf ik ook, Peter. En dat heb ik tegen dien heer
i    .niet z\'n mooie pels aan" van die „Spaansche matten ien
i    de porte-monnaie\'\' ook gezeid. Nee, zoo gaat dat niet. En
Ë    dat hoeft ook niet, gelukkig niet! Dat men met \'n goeje
ï    wil, met geduld en waarheid, eerlijk en oprecht, \'n heel
Ë    eind komen kan, dat geloof ik ook wel. Maar weette, hoe
Ë    ver? Dat men met God en met eere z\'n dagelijksch brood
Ë    heeft, en dat is genoeg! Al wat daarboven en daarbuiten
Ë    gaat, dat mag niet anders zijn dan \'n exceptie op d\'n regel.
i    \'t Gebeurt weleens, zeker! En menigeen is, met goed oppassen,
Ë    rijk geworden, zeker! Maar de zegen van t willen en wen-
|    schen zit \'m toch ook niet in \'t ,dik centen\'" hebben. Zeker,
Ë    daar zijn er \'n boel, die \'t willen en wenschen, zeker; maar
i    de zegen zit er toch niet in. En ik zeg maar, «m\'nheer met
\'IMMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIllllllllllllllllllllllllllHIUIIIIIIMIillllllllllllMIIIIMIIIHIIIIIMIllllMMIIIHIIinil\'IIIMMMIIIIHtllMIIIIIIII
-ocr page 157-
llllllllltllllJllltllllllllfMHIIlllflIflflIIMIflIMMIINIIIiriltillMlirilMllltlMIKIIIIMIIfHMIftltdlKHIIMIfdlMinillllllMllllllllllllli
4544455903545475428999695271�415415529944��45���15555�4�5495�415
1 140                                       PLUKSEL-BLAODJES.
de mooie pels aan", dat ge met uw stelregel geen haar
verder komt. om de ellende de wereld uit te krijgen.
Geld is \'t geluk niet; veel geld is „de zegen" niet. Zoolang    j
als ge van \'t beginsel uitgaat, dat \'t \'m daar in zit, kunje
er gerust over rekenen, dat ge, zelfs met uwe beste bedoe-    j
lingen, „in den aap gelogeerd zijt". Midas, \'n oude geldwolt\'.    !
bad bet (\'t i.s maar \'n vertelseltje. en \'t is tocb waar) met    \\
z\'n wenscben zoover gebracht, dat alles „waor dattie mar    ï
naor wees", goud wierd! Maar toen ie nergens meer naar    §
toe „te wijzen" had, was ie d\'n ongelukkigste stumpert, die    \\
\'r op twee beenen liep . .. en had nog ezelsooren, op de    |
koop toe, gekregen. Neen. \'t zit \'m niet in \'t geld — „en    i
dan veul"! zooals Bart Jansen zei, als ie achter de zuurkool    i
met spek hen trok - \'t zit \'m in \'t hart; „as daor goud    f
is, of\' zilver, dan is \'t goed," zei \'n ouwe oom van me, die    i
weleens \'n beetje aan de mystieke kant kon zijn. maar het    i
toch zoo goed wist te zeggen.                                                     \\
.Daar bedoelde zeker „goud vanboven" en .zilver van-    §
boven" meê, oom!" zei ik dan, en was dan op mijn manier    f
ook \'n beetje mystiek.                                                                   I
„Ja," zeiddie „en dat is dan zooveel gezeid. als dagge    I
maar tevrejen zijt met Gods gunst en zijn heiligen zegen;    \\
�99999999999999999999999999999999999999995526�994
-ocr page 158-
999999999999999999999999999999999999999999999999�
PLUKSEL-BLAODJES.                                       141
\\    en dagge maar leeft uit de schatkamer van zijne barmhar-    |
I    tigheden. Wilde wel gelooven. ik heb bange tijjen gekend,    |
1    en nog heb \'t niet te breed: menige keer heb ik \'t met    1
I     ,waoteren-brij" moeten stellen: maar ik heb er altijd Gods    |
i    zegen in mogen proeven, en, „die maakt alleen ons blij en    |
I    rijk". En koning Salomo heeft gezeid — ,en die wiest \'t    |
I    wel!" — : „Een droge bete, en rust daarbij, is beter, dan    |
Ë    een huis vol van geslachte beesten, met twist." (Spr. 17 :1).    |
Maar, om nu nog eens eventjes op dien ,heer met z\'n    |
|    mooie pels" terug te komen: toen ie uit \'t spoor stapte,    |
I    had ie allemanspraat tegen \'n sjouwer, die twee kwartjes    1
|    pretendeerde „om twee koffers en \'n hoejendoos \'n kwartier    f
I    ver te brengen": „da ze net raven waren, die je \'t geld    \\
\\    uit de portemonnaie zouwen pikken."                                          =
Nu, m\'nheer, als er \'n „millioen" bij u in de portemon-     I
i    naie zit, wat zouwen dan twee kwartjes? (\'t is anders wel    |
1    rijkelijk veel, dat moet ik zeggen!) Maar dat is misschien    |
i    \'t eerste begin voor dien stakkert, om ook nog \'s \'n „millioen"    |
I    te krijgen; „where is a will there is a way": hij zal \'t wel    |
I    willen, en dan kondt gij hem vast \'n eindje op weg helpen.    1
999993999999999999999999999999999999999999999999�
-ocr page 159-
^IIIIMIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIMIIMIIIIIIIIIIMtllltl1IIIIIIIIIIIIIIIMI1IIMIIIIIIIIIIIIIIiniltltllltllllllllMI»llllllll1tlH4IHHIIIHHIIIIIIIII|
0200020048530200010102234853020200532348530148485353485323230001020001020200000100482348530100015323534848484853489090232348
142                                           PLUKSEL-BLAODJES.                                                        Ü
1 XXXV.                                        |
Daar gaan tegenwoordig heel wat vinken en lijsters en    |
i    sijsjes „de zak in". Hoe \'t „bestaan" kan, dat \'r zooveel    I
|    brutaal volk vrij toe op „vogelen" uit durft gaan, ik begrijp    |
ï    \'t niet. Ze zijn er anders handig genoeg bij (en daar hebben    |
|    ze gelijk in) om proces-verbaal, zelfs tegen \'t „streupen van    |
|    \'n haos", op te maken. Maar zoo\'n „razzia" onder ons „fijnge-    f
I    vederd en zangerig volkje", dat schijnt maarzoo te „ maggen".    ï
i Kees „de kooijer" maakt om dezen tijd van \'t jaar, ten-    I
|    minste bij open water, de kostelijkste emplêtes van „eenden-    \\
    bout". As je \'m zoo hoort „kweken" en „ieteke" roepen,    f
I    om met \'n keeshond de wilde eenden te lokken en te ver-    i
|    schalken, dan moet je toch zeggen: wat \'n sniekerig bestaan    I
|    is dat! En je zoudt die argelooze „langnekken" zoo graag    I
|    eens waarschuwen, dat \'t de teenen-fuik en den ,dooden-    i
|    dans" ingaat! Maar enfin, „\'n mensch haalt er nog \'ngoed    \\
|    bestaan mee!"                                                                               I
Peter Krienen, bij ons op \'t dorp, heeft er zoo echt de    \\
I    slag van om „de schaop" uit de wei te lokken. „Kom mar,    f
    siks-ke! kom mar, sikke-man! kom mar!"\' En hoe dichterbij    I
     „sikkeman" komt, des te weeker wordt Peter inz\'ngeflêm,    f
|
|
|
minimin..............iiiiiiimiiiiiiiiiiiiimiimiimiiiiiimiiiiiiiiiiimiiiimimniiii.....miiimiiiiiimimii..........hiiiiiiiÜ
-ocr page 160-
I
«Ml:
cd
E
£
o
?Ll
1 \\.
s
*"\' ...
ïlfcr> - ~o-v*.                           •\' ^***-. •• •
-ocr page 161-
|||IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIHNIIII1IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMI1MIIIIIIIIIII1IIIIIHIIIIMIIIIIIIIIUHIIIIIIIIH
§                                                      PLÜKSEL-BLAODJES.                                          143 |
I    en „wêvert" niet de hand, en „knipjiert" met de vingers, en    |
|    \'t is alsof hij hem alles naar achteren doorzakt, zoo buigt    |
|    en wringt ie zich, om „sikke-man" maar bij de pootofien    |
I    de vacht te kunnen grijpen. „Kom mar, siks-ke! sik, sikke-    |
i    man!" En, als ie \'m dan met \'n greep, \'n rek, of \'nsprong    |
I    heeft, — o wee! „hier, doe mietert!" is \'t dan..... „Bêh!"     1
|    reclameert dan \'t „schaop" op alle manier. „Ja, of je al    |
f    „bêht", da gif niks!" Eer d\'r vier en twintig uur verstreken    |
I    zijn, hebben ze „sikke-man" (zooals ze dat bij ons nuumen)    =
|    „\'t bukske al uut getrokken", en hangtie in de Veemarkt"    i
l    straat te Rotterdam „vêrrig" (klaar) om „o|)gesniiekst\'\' te    |
|    worden.                                                                                           f
„Nou, daor is \'n schaop ok veur\'! heeft Peter me wel-    |
|    eens geantwoord. En ik zeg: „Nou, da wil ik aonnemen!    ï
l    mar da „sniekkerige\'", om zoo\'n beest te vangen; dageflèm    |
|    en da gevlei, witte, da dunkt me zoo erg min." „Nou, ziede    |
|    gij dan mar, dagge ze op \'n andere manier kriegt,"\' eindigt    ï
i    Peter ons discours, en daar is \'t meê uit.
Maar al wat ik daar schrijf van die,vogelaars\'\', en Kees    |
|    „de kooijer", en „Peter met sikkeman"\'! dat kan me zoo    I
I    dikwijls in m\'n hart „mieren\'\', als ik op alle manieren, dag    1
|    aan dag, zie, hoe dat \'t onder de menschen net krek zoo     =
\'IIIIIIIMMIIIIinillllllMllliHIIIIIIItlllllHIIIIIIIIIMMIIIinillllllllinMIIIIIIIIIIIIKIIIIIIIIMIIIIllllllKIMIIIIIMHIIIIIMIIIMIIIIIIIIIlT
-ocr page 162-
9�9995�149414�559�411455�444455441111981�55195�44
144                                       PLÜK8EL-BLA0DJE8.
0202024853020023484802000153020000020200000101000001010201010200485302000002000002020053530000020223530000010202000290535323
|    toegaat. D\'n een is op „vogelen" uit in de politiek: d\'n    I
1    ander verschalkt den grooten hoop in het sociale: \'n derde    i
|    lokt en vleit ,\'n arm argeloos schaop" den breeden weg op.    1
|    \'n Zak vol beloften, gesuikerde lippen, \'n vleijend oog, \'n    I
|    streelende hand, die met de pink begint, om den heelen arm    |
1    te vatten, zotternij, klatergoud, snaps, allerlei bekoring en    1
|    streeling der zinnen, net zoolang tot ze je de „teenen fuik\'\'    ï
1    in hebben. En dat is erg. Want zoo \'n „lok-vogelarij", en    |
|    gevlei, en „geflem" lokt, en vleit, en verleidt, en verderft    I
|    zoo menig menschenhart, en slacht zoo menige ziel weg.    |
|    Als ge er \'n oog voor hebt, o, dan is het schrikkelijk om    |
    aan te zien, hoe allerlei netten van arglistigheid gespannen    |
    zijn, en zoet gevlei „wordt gebrouwen", en\'t .slachtofferen"    I
    door satanische verleiding hoe langer hoe menigvuldiger wordt.    I
o Als ze je hebben, die kruipers, die vleijers, die ,flik-    f
    flooijers"; dan mot-je d\'r aan, en \'t gaat , holder-de-bolder"    i
    den afgrond in. o, Als ze je hebben, die liegers en bedrie-    I
    gers, die „mooiweer-speulers"; dan mot-je d\'r aan; en, als    1
    God \'t niet verhoedt, ben je weg. o, Als ze je hebben, die    I
     „slachters van menschenharten", dan mot-je d\'r aan; en in    |
    zulke handen te vallen, dat is de hel!                                       f
Als men zien kan, wat ze met je voor hebben, dan kan    |
|
|
I
I
1
1
|
|
|
TilllMIIMIIIIIIIIIIItlllllllUIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIMHIMIIIIIIIIHIIIIIIIMIIIIIMIIIMIIIirilllllilllllllllllllllillllllllllilMIIIIIIIIIMin
-ocr page 163-
iiiiiiMiiiiinMiiiiiiiiMiiiiiiiiiMiiiiMiniiiiiiiiiiiiiiiiiffiiriiiiiniiiiiiiiiitiiiirintniiMiifKirtnifrnrKnniiHiKififiiiMiiiiiuiiiii^
PMJKSEL-BIiAODJES.                                       145
0200000202000102020153230001530200010202020000020202020202010101020002020002000102020202485302000001010202000200015390900000
men zich nog wachten, en passen voor \'t geval; en „une
personne avertie en vaut deux: goetle waarschuwing is eene
toevlucht en \'n schuilplaats." Maar dat hedekte, dat „snie-
kerige", dat is schrikkelijk.
Toch, al kun-je \'t niet zien, wat al die „bent" van ver-
leiders en bedriegers niet je voor heeft, weten kun-je \'t wel,
menschen-lief! Experientia docet: \'t geval heeft er alzoo dik-
wijls toe gelegen, dat je wel moet zeggen; „Een knappe
kerel, die \'t mij lappen zal! Neen, zegt dat niet, want dan
ben je licht nog \'t eerst „bakker-aan". Maar weet het, zoo-
als wijze en beproefde raadslui \'t u kunnen zeggen. Weet
het, met een ootmoedig en wakend hart. Weet het, zooals
Gods Woord u waarschuwt, en Gods trouw u leidt, en Gods
genade alleen u bewaren kan. Alle andere „weten" baat
niets tegenover den satanischen geest der verleiding. Geen
theorieën of bespiegelingen zijn tegen de listige omleidingen
van den „menschen-moorder" bestand. De logica der mensche-
lijke rede speelt u toch nog, zelfs al hebt ge de beste be-
doelingen, in handen van den verleider. De overleggingen
des harten, al meent ge ook, „dat ze zoo secuur zitten als
\'n vinken-nest in \'n hollen wilg", worden toch op den duur
in den strik gevangen. Alleen de logica van Gods Woord
\'\'\'^IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIMIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIilllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIlï
10
-ocr page 164-
^niiiiMiiiiiiifiiMiiiiiiijiiiiiiijiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiijiitiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiifiiiiiiiiifiiiniiiiiJiiifiiiiiiuiiiiiM]
I 146                                       PLUK8EL-BLA0ÜJES.                                                   =
| l)ant den duivel in zijne arglistigheden. Alleen Gods genade \\
1 doet de ziel, als eene duive, den sperwer ontkomen. (Psalm I
| 91 : 1—3).
                                                                                     j
| XXXVI.                                               |
Wat \'n laten, langen winter hebben we van\'t jaar. „Nog    =
| \'s \'n ouwerwetsche!\'\' zegt onze veldwachter. ,Zijn de winters    \\
| dan anders ook al ,nieuwerwetsch" geworden, Jansen?"    I
| zeg ik. „Nee man, de „ordonnanties" zullen wel „egaol    I
| deur" \'tzelfde blijven, totdat er geen „zunneke" meer op-    i
| gaat, en geen „maontje" meer schijnt. Maar deze winter is,    \\
| („net as ien \'t jaor zeuven en twintig", zooals Flipsen, onze    I
| ouwe „tabaksknecht", zich nog best kan herinneren) een erg    I
| lange en laote winter, dat is zeker."                                          \\
Andere jaren hedde soms in Februari al „sneeuwklukskes"    f
| en vroege „crocusjes". En de spreeuwen zijn dan „duk" al    i
| druk aan \'t kwinkeleren. Bart-baos hèt ien den almenak    I
1 aongeteekend, dattie ien \'t jaor „acht en vieftig" op den    \\
| il den Februari de merling al hét heuren fluiten". En wie kan    i
TllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIII\'.IIIIIHIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIlJMIIIIIIIIMIMIIIIIMIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIII1\'1"
-ocr page 165-
3999�999999999999999999999999994991999999515154��
Ui
PLUKSEL-BI.AOIUES.
i    d\'r niet van ,nieê praoten", datter in \'t begin van Maart    |
1    al .knupkes\'\' aon de struiken, en knoppen non de boomen    1
I    kommen"? Verleden jaar stond bij onzen burgemeester om    |
|    dezen tijd de „pirus japonica" al te „bleujen". Maar „van    |
1    \'t jaor" is \'t nog allemaal ijs en sneeuw. En op primo    |
ï    Maart was m\'n neus op \'n morgen net \'n ijskegel. \')    |
1    Zelfs de „huus-kroeten" (huismusschen) zaten nog maar stil—    |
I    lekes bij mekaor gekropen tusschen \'n „houtmiet\'\' in. Ka-    |
I    kelende kippen (anders ,\'t mooiste muziek van \'t veurjaar".    f
Ë    zooals Jan-boer zegt) hoorde ge nog haast in \'t geheel niet.    i
ï    En ,ielkendeel" was al maar blij, als ie bij \'n lekker warme    %
i    kachel terechtkwam.                                                                       1
Of eigenlijk kan ik dat niet zeggen. Want, terwijl menige    |
|    stumpert allerlei kou en armoe moest lijden; en „enne    1
1    Mientje op \'n mergen, toen ze koud en haast zonder eten    |
|    naar school ging, met \'n eigenaardigen dorpshumor, tegen    1
f    \'n „huus-museh", die \'t kennelijk ook niet te breed had,    |
;    zei: „Hêdde gij nog niks gehad, mênneke? ik ok nog nie
I    veul!" terwijl nood en kommer overal zoo ontzaglijk neep,    |
1    ,dat \'t zoo toch nie lang meer had kunnen duren", zou-    |
i    wen wij „menschen", zoo zeggen; waren er \'n heele boel    |
|       •) Dito, dito half Maart.                                                                                         |
555555555555555555555555555555555555555555J555
-ocr page 166-
llllllllllllllflflIIIIIIIIIIIJIIIflIlllllllllllflIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIMIIIIIIMIMMIMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIinili
= 148                                           PLUKSEL-BLAODJES.                                                        I
|    lui, die zich „met alle plezier*\' half lieten bevriezen, als ze    I
|    maar op \'t ijs konden .slieren en slenteren", of „speleva-    j
|    ren"\' in \'n narre-slee (>\'n gek, die d\'r achter op zit,"1 hel)    j
|    ik de straatjongens in IJ otterdam weleens hooren roepen).    =
|    Och ! zoo\'n jjs-vermaak op zichzelf vind ik \'n heel gezonde    j
|    beweging: en de puriteinsche beschouwing over het zondige    Ë
|    van deze .vermaking" kan ik volstrekt niet deelen. Zoo\'n    §
I    „zeeg" uit te „snorren", of \'n „singeltje" langs te rijjen,    I
|    mag gerust onder de gepaste uitspanningen gerekend worden,    §
Maar dat „leuren" op het ijs! En dan. wat er al zoo bij    )
|    komt, waar ik nu \'t zwijgen maar toe doen zal! En, wat    ï
i    ik eigenlijk zeggen wou, die „gemakkelijkheid", waarmee    I
1    men zich in alle mogelijke kou en tocht en ongemak weet    I
I    te schikken! Terwijl, als \'t om wat anders, en als \'t om    l
|    plicht of „wat deegs" te doen was, diezelfde „branis" al    I
I    heel gauw klaar zouden zjjn, om te „mopperen" en te    j
|    klagen, „dat dat geen doen is! en dat dat geen houwen is!    i
I    en dat \'n mensch toch geen kameel of\' \'n ijsbeer is! en dat    I
|    ze bedanken voor zoo\'n „hondenweer"! enz. enz. Maar nu,    \\
1    o man! menige ,pa-\' staat nog te „blinken" van schik bij    I
|    feilen noordenwind, al moet ie ook soms „voetje voor voetje"    I
1    meê, om z\'n zoontje „spillebeen", bjj \'t uitslieren van de    [
TllllllllllllllllMIIMMIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIHINIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIMIIIillllllllllllllllllllllllilillllllllllllllHlllllllllllllll"11"
-ocr page 167-
t(inilinilllllllHHIIIIIIIHIIIII>llllllllllll1ftlJlllllllllllflllfllllJI)IIIJIIIIIIIIIIfllJllilllll)IIIIIIJIIIIIIIIIIMMIIMIlflllllllllJltllflllHJ
\\                                                   PLUKSEL-BLA0DJB8.                                       149 |
schaats vast te houden; of ook, \'t is „zijne dikheid\' niette     |
veel, als hij \'t op \'n draf je zetten moet om z\'n „trots" bij    |
te houwen. Menige „ma" staat met \'n pimpelpaarsch gezicht,    |
al wippelend op de voetjes, om toch maar alles te genieten    §
van haren lieveling, die al niet één heen begint te schar-    |
reien op het ijs. Wat al „nuffies" en kantoorheertjes, wat    |
al .pieperige pimpelmeesjes" en ouwe .teuten", die van    1
alles kunnen uitbouwen, als \'t maar voor „de pret" is! Hoe    =
menige .rheumatieus" zelfs schijnt bij de kou van \'t ijs heel    f
en al te ontdooien. En of ge \'t van hier ziet, of dat ge \'t    i
van daar ziet, \'t is „allemaol één pot nat". Ge most de lui    I
eens praten van ,\'n buitje sneeuw of \'n kouwen avond, dat    |
dat zoo erg niet is, as ge maar wat helpen en „verhapstukken"    i
kunt"; o man! dan zoudde\'s wat beuren! „Maar\'n bevroren    |
.rugske", en \'n vracht sneeuw, als er maar wat „jool"\'meê"    |
te maken is, „neê, zoo\'n kniesoor mot je niet denken, dat    1
ik ben, dat ik daar nou wat om zou malen !" \'t Is min, hoor!    i
Waar zou \'m dat toch zitten, dat \'n „minsch", als \'t op    |
dienen en helpen, en plicht en ernst aankomt, zoo licht    I
geneigd is om al heel gauw te denken, dattie \'t „kwaad"    1
heeft, en te gaan klagen en murmureeren, zelfs over \'n nat    |
pak, of \'n „bietje" kouwe voeten; en als \'t om pret, en    \\
\'lilliniliiiiiiiiillliiilliiiiiliiiiiiiiiiilllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIMIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItllllllllllMlIlinillllllllllllllllllin
-ocr page 168-
150                                       PLUK8EL-BLA0DJES.
0200010102000153484853530200000200000102000101020010020200530100020202005353234853485302000201005348002323000002025391912348
allerlei ijdele nietige dingen te doen is, dattie dan zelfs voor
geen „hondenweer" bang is? Waar zou \'m dat toch zitten?
Och! ik herinner me zoo, dat m\'n moeder, die altijd met
\'n opgeruimd hart, en \'n vriendelijk tevrejen gezicht, „druk
in de weer was"; als ik weleens zei: „Maar, moedertjeliet\',
hoe hou je \'t uit?" met \'n vroolijke stem kon antwoorden:
„Wel! \'n mensch z\'n lust is \'n mensch z\'n leven." Dat
was „in \'t goeije"; maar ik denk, dat \'t in „\'t kwaoje en
verkeerde" al net zoo gaat. De waarheid vindt gewoonlijk
hare toepassing „in bonam et in malam partem": zij is den
goeden goed, en houdt zich verkeerd bij de verkeerden. Ja,
dat is het: „Een mensch z\'n lust is \'n mensch z\'n leven."
En \'t is nu maar de vraag, hoe die lust zit? En die zit bij
de meeste menschen zoo, dat al hun denken, en zeggen, en
doen, op willekeur, en pret-makerij, en futiele (nietige, ijdele)
dingen gericht is. o, En dan kunnen ze zoo\'n boel „veelen"
en verdragen... als \'t maar „bottert" (naar den zin gaat)....
och! wie vraagt er dan naar \'n bietje kou, of nattigheid,
of noordenwind, of \'n „smelterig heet zunneke, as \'t zom-
merdag is" ?
„Da zeggen van oe moeder, daor heb ik schik van!" zei
Knelis Jansen, die ouderling bij ons is, „mar daor is toch
IMIIIIMIItMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIICillllllllllllltlllllllllllllllllllMKÜIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIItlMIIMII
-ocr page 169-
�999999299999999999999�925�4�9651499�9999292999��
0000020000534801020200028923000202535389534853234848535323000102000102020001020001010202010102004853230200000102024853020000
PLUKSEL-BLAODJES.                                       151
I nog \'n boel meer van te zeggen. En as we \'t eens naor
| Gods Woord bekieken, dan kunit er nog heel wat anders
| veur den dag.*\'
,Zeker, Jansen, zeker! en daor motten we het toch mar
I uut hebben."
i                             xxxvii.
„Witte-gij ook, wat toch eigelijk een radicaal is?" vroeg
I    mij dezer dagen \'n Betuwsche kiezer — \'n nieuwe! — „Ja,"
|    zeg ik, „wat hedoel je nu: wat hij „eigenlijk is", of wat
i    hij „is"? Want \'t is er tegenwoordig zóo meê gesteld, dat
i    menigeen is, wat hij eigenlijk niet is, en, net van \'t zelfde,
Ê    dat hij eigenlijk is, wat hij niet is. „Verba valent usü", zei
|    mijn latijnsche meester; de menschen hebben zoo zachtjes
1    aan maar iets gemaakt van \'n woord, dat \'t „eigenlijk" in
1    \'t geheel niet beteekent; en menige „partijganger" heeft
I    een naam aangenomen, die \'m „eigenlijk" in \'t geheel niet
i    toekomt. En \'t gaat er meê, als in \'t vertelseltje van den
I    veldwachter, die \'r op uit moest, om Meijer te snappen; en
iimiiiiiiimiiimiiuiiiiitmiin.....mi llllllllllllllll........mi...........i.......i............iini...............i.................i......"
-ocr page 170-
tlllMMIIIIIIIIIIIilllinillllMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIinillllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllttlllllMIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIinilllllllM
415444�55418515421�4�54154155418441�04�1455451�41544155415485114
�4545�1549999999999999999999999999999999999999�9999999999999999�
1">2                                            PLUKSEL-BLA0DJB8.                                                           ï
toen ie weeruni kwam, met \'n opgestreken snor, riep: „Ik
heb \'m, maar \'t is Muller!"
\'n Ouwe wijsgeer          ze weten niet precies, wie \'t het
eerste gezeid heeft ; maar „dat kumt \'r ook niet op aon" —
heeft opgemerkt „dat de taal hij veel menschen dienst moet
doen, om de gedachten te verbergen.\'\' En we zouden er wel
liij kunnen voegen, .dat het woord bij veel menschen dienst
moet doen, om iets te schijnen, wat ze niet zjjn, en iets te
zijn, wat ze .eigenlijk\'\' niet zijn!" Met het woord „radicaal\'\'
en de „radicalen" is \'t ook zoo wat — „\'t biet mooi, mar
\'t is leelijk: daor zit \'n „wortel" ien, mar gin leven; \'n
boel loof zitter aon, mar \'t zijn wilde loten; en ze willen
wel zeggen, dat \'t \'n „beginsel" heeft, mar \'t is \'n gepoot
stêkske, net krek ten onderste boven!\'\' zoo zeit tenminste
de boomkweeker bij ons, „die verschêjen stemmen gehad
hêt veur de Tweede Kamer".
Nu, ieder praat al zoo uit zijn vak, en zoo gaat het onzen
boomkweeker, „die verschêjen stemmen gehad hêt veur de
Tweede Kamer", ook. Mar hij heeft, met dat al, me toch
wel \'n beetje op weg geholpen, „uni te weten, wat \'n radi-
caal is en wattie eigenlijk is". In der tijd, toen ik \'n stu-
dent was, ging ik nog al eens op college bij \'n professor
44999994731194199995979��1315229�99�9999999��999�
-ocr page 171-
fiiiiiiiiiiiMHiijnijiii)iiiiiiiiiifiiiMiiHiiii(iii(iMiitfirM(?iiiiiiMiiMiiiniiiMiiHiiiMitiiiti(rntriiriifii((i(riiiiriiiHiHifi(ifiiMiin
I                                                   PLUKSEL-BLA0DJE8.                                       153 |
|    in de scheikunde — \'n erg vermaarde —; \'n boer bij ons    |
|    had me dat geraojen; „dan kunde d\'r ons ok nog \'s bietje    |
l    van meedeelen,\'\' zeiddie; op \'t land, eksetera. eksetera\'\'
I    nota bene! — Nu, ik ging graag bij den professor; en heb    |
i    er heel wat anders mogen hooren, dan waarop onze\'n boer    =
I    zich „verspitste". De professor sprak ook wel eens van    |
=    .radicaal", maar dan bedoelde \'n ie daarmee laat \'1< \'t    |
i    maar eens mogen zeggen, net als hij \'t deed — «een grond-    I
|    stof, die met een ander radicaal, of grondstof vermengd \'n    1
{    zuur vormt." Misschien zeg ik \'t mis; maar dat weet ik wel,    |
1    dat „twee radicalen = zuur", met de quaestie van radi-    i
i    caal, zooals wij dat bedoelen, niets te maken heeft. Ook heb    §
i    ik — en ook bij \'n professor! — \'n beetje aan de algebra    |
i    gedaan, en dan is „radix" (waar toch eigenlijk .radicaal"     1
i    van daan moet komen — zeker, da zeegen ze aUe-    I
l    maol!) - - zooveel als \'n wortel, die uit \'n getal getrokken    |
I    wordt; zoodat bijv. vijf „de wortel" is van vijf en twintig.    =
I    Maar dat kan het toch ook niet beteekenen, dat dan bijv.    |
I    .vijf en twintig radicalen net zooveel gelden als vijf    |
|    anderen"! — of is \'t omgekeerd? — Ook ben ik\'n poos „op    |
1    studie gewest ien de taolen\'"; en heb toen uit de catheder    |
I    hooren leeren — en dan is \'t ook zoo! — „dat de radix    1
^IIIIIHMIIIIllllllllllllllllllllllllllllllllllllllMlllllllllllllltllHHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIinillllllllMIIIIIIMIMIIMIIIIIIIIinillllilUlllllllT
-ocr page 172-
jiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiMiiiiiiMiiiiiiiiiMiiiliiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiliiiiiiiiiiiiniiiiiiiiMiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiii
9091484819532300532302000102004853000001020000000200020102010200000202000102020002024853230001020001020001025353534848485302
I 154                                            PLUKSEL-BLAODJES.
de wortel of stamlettergreep is, die aan eene geheele fami-    j
lie van woorden ten grond ligt." Zou \'t dat ook zijn, heli     I
ik weleens gedacht, datter \'n heele familie van hoofden en    1
zinnen in dat woord .radicaal" zit, die allemaal den wortel    1
„ra" hebben, zoodat je moet zeggen: „Ra ra, wat is dat?    \\
wat wil die familie toch eigenlijk?" De meester bij ons    Ê
had er wel ooren naar, dat het dat misschien beteekenen    i
zou; maar ik voor mij, toen ik \'t eens tegen \'m gezeid    \\
heb, had er al dadelijk spijt van, zelfs dat ik \'t maar ge-    i
zeid heb; want dat is nu compleet niets!
En toch ben ik met al die „Abstechers" - een proefje    §
hier, \'n proefje daar — zoover gekomen, dat ik \'t, geloof    i
ik, wel gevat heb, wat .radicaal" „eigenlijk is". En dat wil    1
ik dan ook wel zeggen, mits conditie dat we er dan nog    \\
niet zijn om te vatten wat ,\'n radicaal is". Xet als bij ons    f
in het bosch achter \'t huis, waar tegenwoordig \'n hoop    i
„erdbêzenplantjes" staan, die allemaal uit één „erdbêzen-    I
pulleke", dat ik daar in der tijd gepoot heb, zijn voortge-    I
komen; zoo zijn al die loten en „pullekes" en „erdbêzen"    §
.van .radicaal", uit één wortel („radix") — \'t bijzondere    I
van \'t geval is, dat die wortel zelf nu ook juist „wortel"    I
beteekent — voortgekomen. En „radicaal" is dus eigenlijk:    [
!""""! " "!!" !" "!!! !""!"" *!" " >"!""""
-ocr page 173-
4944155541111��54�0869999999�44153589�91141185991
41���4�5141544159999�99954415549994998449544151181435����������4
PLUKSEL-BLAOIUES.                                          155
|    wat uit den wortel komt, wat van uit den grond op is. —
|    „Aspersies dus bijvoorbeeld?" zei de Betuwsehe kiezer, met
I    \'n echt „rustieke" geestigheid! — Ik liet \'m maar praten; en
|    ging door: en dan is dat zooveel als: wat grondig is, oor-
|    spronkelijk. beginselvast, en vasthoudend; wat in den groei
1    en in de ontwikkeling \'t zelfde is wat het in bejnnsel is; en
ï    waarbij men in de vrucht den wortel van het beginsel terug-
|    vindt. „Radidalen" zijn dus eigenlijk menschen uit één stuk,
|    beginselvaste lui, en die uit kracht van dat beginsel „aon
i    praoten „nie genoeg hebben"!
\'t Is dus de cpaaèstie maar, waar dat beginsel wortelt;
ï    in \'t goede, dan is \'t goed; in God, dan is het Goddelijk:
|    maar, in \'t kwaje, dan is \'t kwaad: en in den duivel, dan
I    is het duivelsch. Radicaal zijn. ,eigenljjk", kan goed zijn
i    en \'t kan kwaad zijn: \'t hangt maar aan de bepaling van
ï    \'t beginsel; waar wij tei-echtkomen!
Maar nu is, in \'t verloop van tijden, de beteekenis van
|    radicaal ook verloopen. En als men nu hoort: „Dat is \'n
|    radicaal!\'\' dan beteekent dat net zooveel, als dagge van
1    iemand zegt: „Die minsch wil nou, dat alles van onderen
1    af o]) anders, en andersom, moet worden!" Wat onder is,
1    moet eigenlijk boven; en wat tot nogtoe boven was, dat
TiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiMiiiiifitiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiMMiiiiiiiiiiiiiiiinHiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii
-ocr page 174-
�99999999999999999996059999989699099999999��98511
71777700653311��0
156                                          PLUKSEL-BLAODJES.
mot nu maar is naar onderen! „Eén is tot nogtoe minder
geweest dan alles, maar nu moet alles zich maar eens schik-
ken naar wat een eenling — \'n ieder al zoo op z\'n eigen
houtje — meenen mocht, dat recht en waar . . . en dat tegen-
over Hem, .die alles is en in allen\'\'! Ik zeg, Betuwsche
kiezer! dat is mis!
Of de „Betuwsche kiezer"\' wat muui was van al de drukte
der verkiezing; of dat de „hitst" \'m wat bevangen had,
(want we zaten bij \'n lekker werm vuureke") of dat ie d\'r
„niet erg bij was"\'; \'k weet het niet. Maar toen ik\'t op-
keek, was .ie d\'r bij ien den dut geraakt\'\'!
„Nou, dat is tenminste niet „radicaal"!" zei ik. Of ie
\'t vatte, dat weet ik niet; maar ik had het dan toch al
maar vast gezeid, weet-te.
5555555555555555555555555555555
xxxvm.                             I
|        Die vroeger den „Berkenhof" gekend hét, of tegenwoordig,    f
I    da \'s\'n onderscheid as dag en nacht. „Vroegerdaags\'\', wel    ï
|    man! de minschen stonden \'r duk bij stil, alsof ze d\'r \'t    f
|    mooije wouwen uitkieken, en het gelpe d\'r uut ruuken!    |
TllllllllltlNIillllllMlllllllllllllillllllMIIIIIIMIIIUIIIIIIIIIlllllllllllllUIIMIMlIlllllllllllltllllllllllllllllllllllllllllltllMIIIIIIIIIIIIM
-ocr page 175-
0102535348900002000102484853230001020001010200020100010201000102010201010100010101020102020000010202005389010200000202005353
PLUKSEL-BLAODJES.                                        1 ")7
|    \'t Rook er clan ook compleet zuut van den overvloed, van
I    room en bergen met hooi, van bluumpkes en vetje keutjes:
i    en alles al zoo „naor venant". En \'t was \'t \'r zoo proper-
1    tjes, zoo .wierig en zoo tierig". Ge vondt al meê gin
i    vruchtbaarder, vriendelijker ,stêdje" (plaatske) in de Betuwe
Ë    als den .Berkenhof".
Maar tegenwoordig! naoriglieid. hoor! \'t Is de eigenste    i
ï    hofstee nie meer, zoude zoo zeggen. Rommelig, verveloos.
1    vies, ziet \'t \'r uit. In stee van de bergen vol, zooals vroeger,    j
1    zitter nou niks in als wat „grip-gres"" \'n paor laogskes    \\
\\    kleverhooi, en \'n vrachtje of wat koorn; \'n paor ,schrompe-    I
Ë    lige keujes" staon aon \'t schot te mieren, umdat ze niet te    j
i    veul kriegen: de „blagen" (kinderen) loopen met \'n ge-    [
ï    scheurde broek, en „giioten ien de kous". Binnen\'s huns    |
Ë    hèt moeder „geürmd" (haar uiterste best gedaan) om \'t spul    j
i    nog zoo lang meugelik gaande te houwen; en de kiender    j
Ë    zagen d\'r dan nog tenminste „nropertjes" uit. Maar einde-    j
Ë    lijk hêt ze \'t \'r moeten aangeven. En nou herfst \'n jaor.    j
Ë    is ze van al \'t „urmen" en de „verdrietelijkheid\'\' gesturven.    j
Ë    En toen is \'t \'r hoe langer hoe „ miserabelder" geworden.    \\
Ë    "Wie nou den „Berkenhof" ziet tegen vroeger, die zou \'m    \\
|    niet meer kennen!                                                                         !
\'IIIMIIlllllMlllllllllllllllllllllllllllltlllllMIIIMnillllMIIIMIIIItMIIIIIIIIIIIIIHIMMIIIIIItlllINMIIIIIIIMIIIIIIHIIIIIIIIlllllllllllllM"
-ocr page 176-
�9�99999599420�9�999989914��99954���9999999999999
4541455548451515��56999620154�55444�19399996784�1544115415441445
158                                         PLUKSEL-BLAODJES.
Hoe of dat komt? Hebben de „minschen" „tegenslag\'\'    |
gehad? Och ,tegenslag" kan d\'r altijd komen; zooals Jansen    i
zeit, „met d\'n tabak, met \'t vee, met \'t koorn en met de    §
kinder, dus altied \'n „lukske". Zeker, Jansen; maar met    |
God en met eere lioudde \'t toch wel ien den tegenslag! En    I
in ieder geval laotte dan toch de kiender nie veur vagabond
langs de weg loopen. Tegenslag is ook zegen; maar zooals    |
\'t op den Berkenhof gesteld is, das \'n vloek!
Want witte hoe of dat komt, dat \'t daar \'n „keujeshok"    f
geworden is; en hoe of dat komt, dat \'r de „schrompelige    |
keujes" van honger aon den bak staon te „knoeperen"?    I
; Hermsen, de boer van den „Berkenhof" is \'n pruuvert, \'n    |
dronkaard, \'n lap geworden. Vroeger tijd was ie dat iens    |
geheel niet. Toen had ie zelfs \'n griezel van \'n snêpske".    I
En ik weet nog goed, toen ie zoo\'n „aonkommende kêl" was,    f
hadden we bij ons \'n kommies, \'n eerste „liefhebber\', die    [
d\'r altijd maar over uit was, om Hermsen ook aan \'t    |
„pruuven" te krijgen. „Toe jong", zeiddie dan, al smêkkende    |
met de tong, „pruuf is mee, da gift moed en veurkommen    f
en verstand!" Maar dan hadde Hermsen motten zien; hij    1
„verachtte de kêl as \'n slang", zeiddie.                                      §
En toch, hij was eiges ook \'n „pruuver" geworden. En    1
illlilllllllllllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIinillllllllllllltlllllllllllllllllllMIMIIIIIIMHIIinT
•
-ocr page 177-
iMlllllllllllllllllllllllllllllllllMIIIIMIIIIIMIIIMIIIIIIIIIIIIIIItllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIinillllllllKMIIIIIIIMIIIIIMI
Ê                                                          PLUKSEL-BI.AOP.IES.                                             1")!)
5353484823484823020000010102000001020200000153020000010102000101010200010102020090535353484853230000010201005348485348232348
\\    \'n erge „pruuver" ook. 0, „wie staat, zie toe dat hij niet
1    valle !" zegt de Schrift. Met da gaon naor de stad,\'s Maon-
I    dags naor Nimwegen, en \'s Vrijdags naor Aorem, had ie zoo
\\    zuutjes aon d\'r ook zin ien gekregen ; érst d\'r aon gerooken ;
I    toen de lippen d\'r aon gezet ; toen \'n slnkske gevat; toen
I    twee; \'n week of wat d\'r nao mosten \'t \'r al met gemak
ï    drie zijn ; en toen nog eentje op de „valreep1\'. En toen;
I    och, \'t is het ouwe deuntje; waar de slang z\'n kop kan
ï    booren, daar schiettie allengs het heele lijf door; waar
i    de duivel een pink heeft, daar moettie ook den vinger
ï    hebben, en de hand, en den arm (desnoods, om nog eens
I    \'n lustig „hopsasatje" te maken); en dan grijpt hij z\'n
I    slachtoffer om \'t middel, en sleurt en sleept \'m\'t verderf in,
ï    en stoot \'m verachtelijk weg in den afgrond !
]                                                XXXIX.
En zoo ging \'t met Hermsen ook; van \'t een op \'t ander.
I van kwaad tot erger. „D\'r was gin houwen meer aon."
I Eéne keer nog dacht d\'n ontvanger bij ons, die lid van \'t
�4111554799�999554551584675599914�45454155514999�
-ocr page 178-
0100020901010201020248000202000001050002010001482302010001010223480000020001010202020002000001
0200234853234802000202015302484848020002020002010102020002020148230000010202000102020001020002010200000102020101020210015353
1 (iO                                             PLCKSKL-BLAODJES.
„afschaffings-genootschap"\' was. .dattie Hermsen nog wel
van den drank af zou krijgen\'\', en liet \'m teekenen om
afschaffer te worden. Maar toen raakte \'n ie\'m ,aonglaos-
jes madeera1\'. En da\'s eigenlijk al net allins, al net krek
zoo erg; behalve dat \'t nog \'n bietje duurder kost! Van
alles afschaffen, da\'s best: maar ten halve, „da gift niet
veul"! Trouwens Hermsen goot op \'n keer met z\'n slappe
lip \'t „glaosje madeera" lêg; en zei toen, satanisch leuk:
„Gif me mar liever weer \'n dikkop klaore ; da vuulde beter,
waor of da blieft." Ja, waor Hermsen? da vuulde béter!
omdat \'t vuur is. da van binnen brandt! en \'n hel stokt
ien \'t hart en ien \'t huus!
                                                           j
o, Wat ben ik dikwijls „ien al dien umstand\'\' geroepen,
om toch \'s te komen, „umdat \'t zoo naor was". En dan zat
moeder te greinen (gin wonder)! En as ik dan \'s \'t mijne !
d\'r van zei, dan antwoordde de leukert: „Ja, \'k denk d\'r ok j
duk zat over, da zal .moeder" eiges niet anders kunnen [
zeggen!" Zelfs kon ie op zijn manier nog grappig zijn \\
(duivelsch grappig)! En als ik weleens zei: „Wel foei, I
Hermsen, hoe kun je toch zoo\'n „lap" zijn?" dan lachte\'n §
ie op zijn manier nog: „\'t Is altied nog beter \'n lap as \'n i
gat!" En dan was \'t in da lachen net, alsof de duivel tegen f
IIIIIMIIIIilllllllllllllllltllllllllllllllllllllltllllHtMIIIIIMIIIIMItllllllllllllllllllllNIMIIilllllllllMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillllllll\'
-ocr page 179-
�99993999��999999999999999999�9990999989165125145
1(11       I
PLUKSEL-BLAODJES.
\'m gezeid had: „Net, dat hèdde \'s net goei gezeid!" En    i
intusschen was ie bezig, om van dat hart, en dat huis, en    |
al dien hoop des overvloeds van weleer eene ruïne, eene    i
verwoesting te maken.                                                                   |
\'n Poos gelejen kwam Hermsen weer \'t huis .inzeilen":     I
en speelde op de poot, „dattie daodelijk eten most hebben,    |
want dattie \'n honger had as \'n perd." De schotel inetsnij-     I
boonen. die onder de dekens van \'t bed werm waoren ge-    ï
houwen (dat doen ze in de Betuwe wel meer!) wierd op     |
\'t commando op taofel gezet; zonder servet veur de taofel,    |
en zonder bidden veur Hermsen — wa zal \'n dronke minsch    |
ook bidden? Met \'n „wijje waot\'el" haptie ien de boonen.    |
die smoorheet zien ; brandt onmundig den mond : wordt vuil :     I
en smijt de schotel niet boonen „ien gruuselementen" op    I
den vloer. Z\'n zoon Derk, d\'n oudste — och!\'n jong, zouwen    |
wij anders zeggen, daar ook niks van terechtkomt, — kan    I
da nie veelen; dat is \'m eene beleediging veur z\'n zuster.     |
„die toch al zoo duk most liggen .mieren\'\' met \'t éten"!    f
Hij ziet, da vaoder \'n flesch met snaps achter ien de jaszak    |
hêt zitten, griept de flesch uit de zak, en gooit die bij de    §
boonen, „ok ien gruuselementen", op den grond neer.
„Zoo, Dètje", zegt Hermsen met \'n duivelsche koelbloe-    I
^lUIIMIIIIIIHIIIIiniHtlMIIIUIItlMUIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillMIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIMillllHIIIIIIIMIilllllllIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIin
il
-ocr page 180-
�99999992756��999999999999999999�5119274445455499
162                                          PLUKSEL-BLAODJES.
|    digheid, .zoo. Dètje, ik \'t schutteltje. en gij \'t flêschke?    i
I     Wacht \'s êfkes, ik zal oe is niet \'n „spielje*\' op \'t rugske    [
I    kommen!"\'                                                                                      =
|         Mar Detje is „vaoder"\' veur: griept \'m \'t .spielje" uit de    i
i    liand, en „battert" \'r den dronken ellendeling zoodanig nieê    I
|    op den rug. dattie d\'r van naor bed most. en weken lang
1    hét liggen knerpen en Bchrauwen: net zoolang, totdat ie op    j
=    \'n stökske weer d\'r uut en naor buuten kon „krabbelen1\',    \\
|    en z\'n eersten tocht maakte.... naar .de Roskam"!
Och ! \'k zal \'r nu verder niks van zeggen. Maar als iemand    j
|    vraagt hoe \'t komt, dat „den Berkenhof\', waar \'t vroeger    j
1    zoo lekker rook van den overvloed, dezer dagen voor schuld    [
|    verkocht wordt, met \'n paar „sehrompelige keujes*\' d\'r bij?    f
i    dan zal ie \'t antwoord nie ver hoeven te zuuken. „Hermsen    \\
|    hét \'t allemaol deur \'t kêlgat gejaagd; en van binnen is    i
|    \'t één en al vuur bij \'m geworden!" „\'t Brandt daor vanbinnen",    j
|    heeft ie kort gelejen eens gezeid, toen \'t \'m \'n oogenblik    j
|    al te bang wierd. Maar toen ging ie \'t weer „wegspuulen"!    I
|    o, Die drank! ja, zij is een vuurgloed uit de hel!
riMIIIIMIIIIItMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIII»11\'
-ocr page 181-
IIMIIIIIMIIIIIIIIIilllllllMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIMMMIitlMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIlllllllllllMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIiniilMMIIIIIIIIIfillll
0200010202239191485301020000010201010200000202000102482300010201020100020202020101020001020200000202484853530148535348532302
PLUK3EL-BLA0DJES.                                             1 (>:?
XL.
„Met de Paoschdagen" is onze .bom-meister" (bouwkneclit)    ]
I    .veur \'t êrst van z\'n léven" naor Amsterdam gewest. Da    I
e    kunde begriepen, zoo\'n man „van de kluiten", die eigenlijk    j
I    nog nooit veul bijzonders gezien hét, wat die \'n drukte had    I
\\    over Amsterdam! ,Daor kan Aorem en Ximwegen bij me-    =
|    kaor nog wel ien umdrêjen; wat \'n stad, wat \'n stad!" Ik    j
I    wou, dat ik d\'r \'n lêpke grond hit liggen, dicht bij \'t spoor,    j
ï    wii zou \'k \'r \'n centen van maken!" Ook al \'n duitendief,    I
i    weette!                                                                                             \\
«Mar weette wa me verwonderd hét?" zei Peters, nadat    \\
i    hij me z\'n „reisindrukken", zoo van \'t een en ander, had    {
I    meegedeeld. „Da ze daor \'s Zondags de klok nie luijen. Da    j
|    viend ik bij ons buuten altied zoon staotigen iendruk; ge    f
ï    zoudt \'t \'r haost niet um laoten durven, um naor de kerk te    |
I    gaon. En ien Eist bijv., en ien Zutfen, en ien Rotterdam,     \\
I    en overal waor \'k al zoo gewest bin in m\'n léven, daor    \\
1    luijen ze ook. Mar in Amsterdam niet; hoe zou da    1
I    kommen? En \'t moiste van \'t geval is, datter deur de wêk    f
i    wel geluid wordt. Tenminste, toe ik Paoschen-drie (Dinsdag    I
I    na Paschen) weer naor \'t spoor stapte, \'t was zoowat tegen    i
\'\'IIIIIIMIIIIIIIlllUIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIItlllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIin
-ocr page 182-
�431411849��9144999999999999999992�9899999459997�
1(54                                            PLUKSEL-BLAODJES.
|    den middag, toe beurde ik \'n klok luijen: \'t leek wel \'n    |
|    schaopenbel, niks plechtig: mar daor wierd dan toch geluid.    |
|    En daor kwam \'n heeleboel volk op af. En deftig spul ook.    ï
|    da verzeker \'k oe. \'s Zondags heb \'k \'r nie veul zóó deftig    I
|    ien de kerk gezien. En wa me verwonderde, daor liepen \'n    \\
|    boel joden, leek het wel, ok tusschen deur. En ze hadden    |
|    \'n liaost, krek of da ze d\'r nie meer kommen zouwen. Eu    \\
|    ze liepen d\'r zoo her, niks .kerk-echtig\'", za \'k mar zeggen."    i
i Ik had het al gauw „ien de gaoten", da Peters met „de    f
§    beurs" ien de war was. Want da wiest ik wel, dat dat de    \\
|    eenige stei (plaats) in Amsterdam is, daor geluid wordt. En    |
=    anders, naor de beschrijving, die ie dee, had ik het toch wel    I
|    gevat, da geleuf ik wel! Want „de beurs" is veur de meeste    1
I    lui, van de grootheid namelijk, de eenige kerk, de kerk!    \\
i    da weet \'n ieder, die in Amsterdam mar \'n bietje thuis is,    f
=    best. En as ge „zoo urn de middag"\' van links en rechts,    ï
|    van alle kanten, pelsjassen en „gouwen" lorgnetten en vin-    [
I    gers met dikke ringen d\'r aon, annex het corpus van de ge-    ï
|    rechtigden, den kant van den .Dam" uit ziet schuiven,    I
1    lachend, snaterend, of met \'n ingespannen tronie, dan kunde    I
I    gerust zeggen: Daor gaon ze weer naor d\'r „kerk" toe....    I
|    o wai mir! as ze \'s \'n beurtje mosten overslaan!                      [
3202020002020201010002020201010202010101001002020201480001484800020100020002010200001101010202
-ocr page 183-
iiiiiiiiiimiiimnjiiinHmmiiiiiKiiiitiiMimruiKititHimt itmiiminmHuiiiiiitiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiinitMiiiiiiiiiMMiiiiiiiiii^
§                                                          PLÜKSEL-BLAODJES.                                             1 ().") =
Wat \'n inh-est! wat \'n quaesties van ,to be or not to    |
I be", d\'r op of\' d\'r onder! wat \'n hooge portee! wat \'neer,    |
I om op dien „kerkweg" (!) \'n ordinaris „kerkganger" te zijn!    |
i En of bet koud is. of \'n beet „zunneke"; of\' het \'r .I111111-    |
I mig" is, of\' dat ze je .kleverig" aandouwen, of balt\' plat-    =
= drukken; of ze je in het gezicht snateren, of\'s\'n keer „voor    |
= spek en boonen laten"\'; o, wie denkt daarom? „Dat is nu     i
| onze kerk; dat \'s wat anders dan de jullie!" zeggen de heeren    |
= van „de beurs".                                                                              =
Zoo waarlijk? Nou, bet is m\'n \'n „kerk"\' en \'n „kerk-    |
I gang"! Zooals dat bij „jullie" „marcheert", m\'nheer van    |
| „de beurs", loopt „uw kerkweg" (de Kalverstraat) uit op    1
ï \'11 kalverendienst; wel te verstaan \'n gouden kalf; en gij    |
1 maakt van een afgodstempel uw „kerk"! De goejen niette    |
i na gesproken; maar dan is het gedans en gedaver rondom    |
I het gouwen kalf\' van Ailron d\'r nog niks bij; en de groot-    |
I beid van Diana van Efeze haalt niet bij den hoogen bluf    |
I van uwen afgod!                                                                            |
Zeker, de beurs is .ien allen deele" \'n goed ding, „As    |
f \'r gin beurs was, dan was \'r ok gin Amsterdam !" beweert    |
i \'11 makelaar in .suikerbieten" bij ons, die nog al \'s in Am-    f
| sterdam mot zijn. Hoe tieriger .de beurs", hoe tieriger de    5
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIMIIIIIIUIIlllMIIMMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIinillllllMIIIIIIIIIIIIIIMIillMIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIItllHIIIMfl
-ocr page 184-
MIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIIMIIIIIIItlllMIUIIIIIIIIIMIIMIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIinillMIIIIIIIIIIIIHIIIIHHIIIIIIItllflIf
1 166                                             l\'I.VKSF.L-HI.AÓD.IES.                                                           j
|    stad. Hoe meer datter „urngeet", hoe meer welvaart. „Het    I
|    is net, bij wijze van spreken, za \'k is zeegen*\', zegt onze    !
|    makelaar, ,as wat *n goeje beurs met schijven veur mien    \\
|    is, za \'k mar is zeggen : daor deilt \'n ander ók van meé :    I
|    en zelfs d\'n êrme Peter van .Huussen" hêtter z\'n partje    [
|    van.\'* Zoo, man, zoo ! ziedde gij zoo\'n erge\'n best ? en ziedde    s
|    daorum zoo\'n hooge ? en is da misschien ok al meê de reden,    i
|    da \'k oe zoo zelden of nooit meer ien de kerk zie ? is ouw    j
I     .beurs" misschien ok al ouw jrod geworden?
z                                                                                                                                        of?                                                                                                             -
Zie, zoo is het tenminste bij veul van die .beurs"-heeren    ï
|    ien Amsterdam. Ze „maggen"\' zichzelf o, zoo graag lijjeii :    =
|    ze zijn hoog; .wij zijn de lui" zeggen ze... en liet gouwen    I
|    kalf in het midden ! .en ze motten het van ons toch mar    |
|    hebben !" en het denderen en draven en dansen om het kalf    1
1    i „sturm aon de gêng" ! „Groot is ons kalf!" da klonk bij    |
|    de Efeziërs toch mooier indertijd . . . Maar hun tempel is in    I
1    puin gevallen, en „Diana" is in het hart der zee gezonken !    i
Zoo heb ik het geval met onzen „bom-meister" bepraot.    i
|    Daor was geen minsch bij, en ik kon dus maar vrij toe    f
|    het mijne d\'r van zeggen. Alleen merkte Peters op (en da    |
|    was me wel \'n bewijs van z\'n instemming — éen is \'r dan    I
i    al tenminste, die het met me eens is): „de aordigheid is d\'r    f
9544444�95151549946471544441�51415511155441725154
-ocr page 185-
1399999999999999999999999999999999999999999999999
167
0223895323239048534853535323480102000102010002000100000101110101020200010102000102010102020000020101020000010000535323484853
PLUKSEL-BLAODJES.
ï    bij mien heel en al af; en die hoogheid, en die schaopenbel,
f    da \'s niks! as zö \'n lieer van de beurs Is \'n kalf tegenkwam,
=    en ge zeidt tegen \'m : „Nou motte gjj daorvenr nutte weg
I    gaon," dan zoudde \'s wat heuren! Mar nou „lappen" ze het
ï    nog veul erger. Xou dansen ze d\'r veur : en gaon. bij wijze
i    van spreken, d\'r veur op de knieën liggen : en maken d\'r
ï    \'n .gebedje" veur ... en da nog wel veur \'n dood kalt!"
I        Van fijne vormen en .kiesclien" smaak weet zö\'n Be-
|    tuwsche .bom-meister" nie veul at\'. Dus wat da betreft,
|    motte Peters mar laoten praoten. Mar de zaak zelve, jong!
Ê    die kunnen ze duk zoo goed vatten : en met d\'r knuistige
|    handen, jong ! slaon ze de sjnjker duk zoo krek op de kop !
Wie God vreest en het dageljjksch brood met den zegen
Ë    des gebeds geniet, die gaat .de beurs\'\' in en uit, als \'n man
[    van zaken, zeker. Maar die weet ook, dat \'n mensch toch
I    ook voor wat anders in de wereld is gekomen dan voor
j     „zaken" ; en dat .God alleen groot is\'" !
0999999999999999999999999999999999999999999994111
-ocr page 186-
933541�1999993�99999�9899963799994579999973150645
0102015348535353532348480101000000010102000102020201020000015323235390480000020001020000532353484853020100020202010131020253
1()8                                       PLCKSEL-BLAODJES.
XLI.                                                  |
„Zingen mag ik erg gèrn heuren, as \'t stichtelijk geet",    {
pleegt Goos-nêf te zeggen.                                                           ï
„Zeker, Goos-nêf, da mag ik ook erg gèrn heuren. Stich-    I
telijk zingen, dat waarlijk „opbouwt", is al wel meê de    i
mooiste muziek, die ik ken. Maar eiges hét Goos-nét\' zoo\'n    1
ruor hegri|) van „stichtelijk zingen"\', dattie altijd „op de    i
noten" zingt. En als \'n ander z\'n hart eens ophalen mag    |
aan \'t:                                                                                            j
Geloofd zij God met diepst ontzag!
dan zingt Goos-nêf: „ut, ut, re, mi, ut, mi, fa, sol!" En    i
as ge dan vraagt: „hoe kunde da zoo doen? da\'s toch niks!"    \\
dan zeit ie: „zoo hê \'k \'t van jongsaf geleerd, toen we de    i
psalmen op „stemmen" zongen!" o Zoo; en is dat dan „de    ï
stichting", Goos-nêf? neê man, in vormen, tonen en klanken    I
kan de stichting nie liggen. Wat \'r ien \'t woord zit, en dan    \\
door \'t muziek gedragen, dat is \'t \'m. „Mooi" da\'s wat    f
anders; want ook in lijnen, en in figuren en klanken zit,    1
wat wij Betuwenaars „mooi" noemen (maar wat eigenlijk    f
„schoon" bedoelt) duk zat in. En ik zou er best „\'n paor    I
iiiiiiiiiiiMiiiiiiniMHiiiiiimi minimi mum ii ii iiMMMiiimti MlMlllltlHIIIIIIIIMHlllMlllltMIIIltlllHIIMIIIHIHIIIMMlHIIlfl
-ocr page 187-
iiiiiiiiiiuiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiniiiiitiiiiiiiifJiiiiHiiiiiJiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiifiiifiiiifiiiiiifiiiiiiifiiinifniiiiiiriirffiiiHiiiii
545214415154455415419999544���1555�415543854715441554455�4154415
i                                                      PLUKSEL-BLAODJES.                                          169
§
ï    uurekes" um willen loopen. as \'k mooi muziek kon heuren.
|    Maar „de stichting\'\', die mot in \'t woord en in \'t hart zit-
1    ten, en anders is \'t niks!
Maar met dat \'k Goos-nêf zoo „de rêvelder lees\'\' (op mijn
ï    manier \'m \'n leske geef) mot ik toch zeggen: daor is ien
|    „\'t muziek", en ien \'t zingen, nog wel wat anders „um de
ï    rêvelder te lézen". As ge is denkt, wat \'t volk al zoo te
|    zingen krijgt, en de woorden, en watter bij ien \'t hart zit.
i     .As \'r zooveul mieterig grêi ien \'t éten zat, as da ge kriegt
I    te heuren met \'t zingen, dan was \'r gin minsch die d\'r \'n
|    mond aon zou zetten,\'\' zeit d\'n ouwe smid hij ons, die erg
I    veul van muziek houdt, maar nie minder van \'n goeje „pot-
|    tasie"\'; en daar vandaan wellicht z\'n ietwat „plastische"
|    vergelijking. „En ze zien d\'r allemaol toch mar even gek
i    op ien \'t zingen!"
Hou wat, ouwe\'n haas! „allemaol" da\'s al te kras ge-
|    sproken. Maar .veul", ja; èn bij de „voornamen" èn bij het
I    volk, ien het fijne en ien het grove, sentimenteel en plat,
i    is het erg „mieterig" wïigge alzoo te heuren kriegt ien het
I    zingen, \'n Laffe wijs en nog laffer woorden; muziek die op-
ï    windt, en die allerlei verleidelijke en vuile taal, als \'n hopsasa,
I    het oor en het hart indraagt; senthnenteele wijsjes „van
555555555555555555555555555555555555555555J555
-ocr page 188-
5323485348232353485323480200020200010200000202000102000001020291538953010001004801000001020001024853535323480200010202000102
57�67�69�999999999999999999999999999999999999999999�99999999999�
170                                       PLUK8EL-BLA0DJE8.
rozengeur en maneschijn", en deunen si la .maliebaan",
waarvan \'n verstandig mensch moet zeggen: hoe is het mo-
gelijk! zooveel non-sens en vuiligheid ! Ja, baas, ge hê geliek :
as \'r zooveul mieterig grêi ien \'t éten zat, as dsï ge kriegt
te heuren met \'t zingen, dan wsis \'r gin minsch, die d\'r \'n
mond aon zou willen zetten! Maar nou?! Eu het zingen.
dat is nog erger: want dat is vergift voor \'t hart, voor
allemaal die d\'r aan meedoen.
Toen de dichter zei:
„bi\'ise Menschen Bingen keine Lieder",
heeft hij zeker niet bedoeld, wat men silzoo op straat, en in
gezelschappen, en op partijtjes, en op "n .avondje" bij de
piano te hooren krijgt; want die niet „ijdel en dwaas" was
(gesteld al eens) zou het juist met zoo\'n zingen worden. Ik
schaam mij voor m\'n volk, zoo laf en zouteloos, zoo ver-
achtelijk en vies, as het met z\'n liedjes is. Toe het April-feest
verlejen jsiar komen zou, waren er \'n tal van welmeenende
volksvrienden druk in de weer, op allerhande manieren, om,
ter eere van zoo\'n heugelijk feest (God zegene onzen geëer-
biedigden Koning nog in lange dagen!) ons volk toch eens
15441559939999999�999��939599933�999�076456999���
-ocr page 189-
KHMNiifiiimiUM.\'ififUfKHiKiiiiiifiiiiurttifiiKriiFiiniiriuiiuiumrinniiiiiiinnKiMiiiiriiiiiMi r II i m 11111 * f i > i.......n......i
4�54485415229829��999999994155425545547899951415415��50854154155
l\'I.rh\'SEI.-lil.AlilP.IES.                                            171
wat deegs en wat pittigs en wat ernstigs te leeren zingen...
en toen het feest kwam (o! wien hangt die deun niet nog
in de OOren?) was het al die dagen al door: .wij leven lang
en gaan niet dood"! ! da was no<f al mee het .mooiste"
wagge te henren kreegt! In gezelschappen, op feestjes en
.gezellige avondjes"\' worden .met glaeé-liandschoenrjes". of
op ,grove stem", liederlijke liedjes voorgedragen en opge-
dennd. Eén alleen, of twee drie samen, op kantoor en college-
zaal, oj) straat en in huis. voor \'n ieder, die het hooren wil,
en die het niet hooren mag (o, arme. argelooze schepseltjes,
die het dikwijls maar hooren moet!) .onthalen" zichzelf en
hun „gehoor" op .futiele" en vuile deunen, .dat het\'n schand
is um te zeggen".
„As het niien te doen stond", zei de\'n ouwe smid, „dan
rekende ik die lui allemaal ien, en liet ze mar is stil "n bietje
brommen: da zou wel helpen."
D\'n ouwe smid is \'n man van .kort recht": ach! daar
doet men zoo dikwijls het recht meê tekort. Dat er eens
.exemplaire" straffen voor al dat uitstrooien van vergift, en
het zoet maken van .dollen kervel" gesteld werden, het
zou wel wenschelijk en noodig zijn. Maar om er zoo
maar op in te varen, en .in te rekenen", och! dat neemt
9999994189999999999999999999999999999999999999995
-ocr page 190-
IIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMUnillltllllMlllllilllllllMlllllllllllltlllllllllltllllflIlltlllMIIIIIIIMIIIIItllIlllfIflIffi
172                                       PLUK8EL-BLA0DJES.                                                    Ê
8953482353234890000102000001020201010000010200000101025300020202000102000101020102020102020102020102022353013201022353485302
den wortel en den woeker van de giftplant toch niet weg.    j
.Zingt \'r dan maar frissehe en vrome liederen tegen in",    =
beweert onze meester.                                                                    [
Dat hopen we ook te doen. meester; maar daar zingde    [
het vuil toch nie meê weg. Hoe mooi en hoe stichtelijk dat    \\
ge ook zingt over \'n .smerrige geut lien", de geut blieft    j
toch mar smerrig; dat is niet anders. Maar meester, gjj en    I
ik, en den domenie. en ouw moeder, en die .jong" van    =
ouw, die het ok al best weet. hoe het gaon mot; en tien    1
en twintig en honderd anderen, die met ons „rechte zangers"    \\
zijn, moeten bij het zingen en leeren zingen altijd maar „pit    \\
zetten" in de woorden, en er voor het hart ruimte meê    §
zoeken naar boven; en overal, waar we maar kunnen, ge-    I
tuigen, ook zonder zingen (zeggen is ok goed!) dat \'n dwaas    f
mensch zich ,\'n strop van honing urn den hals" zingt; \')    1
en alleen \'n „waar" mensch ook \'n ware zanger kan zijn.      §
En laten we dan ook zien. dawwe Goos-net\' van de    \\
stichtelijkheid der noten" tot de ,stichting deur het woord"    i
krijgen.                                                                                            \\
\') Anios 6 : 5—8.
0202020100020201020102010101234830023253230102060100020101010202010000010001010102020000010002
-ocr page 191-
^lll\'MIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIlllllllllllllllllllllllltllllllllllMIIIIIHIIIIIIIIIIilllllllMltlllllllHlllltlllllMlllllflIflIllllflIlfltlllll
I                                                           PLUKSEL-BLAODJES.                                             17:\'> I
I XLII.                                                 I
„De Bêtuwsche taol, dat is al meê de moiste tnol, die    |
I we hebben," zei dezer dagen \'n Bêtuwsche pannenbakker,    i
[ die nog \'n poosje ,op studie gewest is", \'t Was in \'n gesprek,    |
! dat we hadden met \'nstadschen „metselders-ba os", die erg    |
.lillik" op het Bêtuwsch had afgegeven: .dat da geen taal    i
was met eere, en dat \'n fatsoenlijk mensch werk had om    i
dat „koeterwaalsch" te verstaan: en nog „veul vijven en    |
| zessen" meer,                                                                                  =
„Ben-de gij misschien ok nog \'n poosje „op studie gewest"?"    |
I zei ik toen tegen den baos; want dat hedde zoo van die    i
i „halve geleerden", da ze d\'r maar op toe redeneeren, raak    |
| of mis. Gellie ziet allebei \'n bietje d\'r neven, d\'n bakker    |
[ net zoo wel als d\'n baos. Zoo mooi is het Bêtuwsch niet,    |
j maar zoo lillik ók niet. En dat \'t \'n taol apart is magde    §
! ien ieder geval nie zeggen; want het is Hollandsch.                i
„Beel-je ien \'t veld" bij ons beweert wel, dat het eigen-    |
j lijk de èrste taol is, van de Batavieren. Maor „Beelje" het    |
I al heur leven ien het veld gewoond, die Avit nie béter, daar    |
[ motte nie meè rekenen. Het is Hollandsch, man, zuiver    i
! Hollandsch! En datter een boel „lilliks"\' tusschendeur lopt,    |
IIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIItllllllllillllllllllltllllllllllllllllllHIIIIIIIIIInlIIIIIIIHIIIIIIIIIUIIIIUIIIIIIHHKIIIIIIIIIIIliï
-ocr page 192-
llllllllllllllllllllllllllllllllinilltMIIMIIIIIIIIIIIIUIIillltlliriMIIMIIIIIIKIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIINIKIMilllllllinilllllllilllttllllMIIM
ï 174                                       rUKSEI.-BI-AiiD.IES.                                                   I
I    en diior \'n stadsminsch toer meê het um \'t te verstaon, da    I
f    geef ik graag gewonnen; daor magde gij gerust uw zeil \'n    §
|    bietje over inhaolen, Bêtuwsche pannenbakker! Maar anders,     I
|    jong, d\'r is zooveel smeeigs ien liet Bétuwsch; en d\'r is niks    |
|    te bedenken, of ze hebben d\'r \'n woord veur, zoo da ge het    i
1    ziet wat ze zeggen willen. En dan hebben ze één ding, waor    \\
i    \'k nou eigenlijk op konieu wou: da ze zoo niks gin vrèmde    I
|    woorden uut het Fransch of Duitsch of Engelsen hebben.    ï
I    zoo as ge dat altied ien de stad hürt."                                      \\
Ja. daor wou ik eigenlijk op kommen, die vrèmde woorden,    i
I    die ge altied ien de stad hürt; en die vrèmde manieren, die    \\
1    ge altied in de stad mot zien. Gisteren nog in Amsterdam,    ï
|    niet dat ik even moest stilstaan, om \'n wagen, waar ,l\'ou-    ï
I    ragehandel" op „te lezen" en „te liggen" stond (wij zeggen    I
|     .\'n kar hooi") te laten passeeren, zag ik, op zes plaatsen    i
|    tegelijk, „in het Fransch" \'n bakkers-broodkast, \'n winkel van    ï
|    mutsen en linten, \'n uitstalling van goud en zilver, enz. Ik    f
i    moest daarover mijn hart eens luchten bij \'n vrind, \'n klein    \\
|    burgermanneke, die mij dadelijk bijviel. Maar o wee! in-    i
|    tusschen hoorde ik, dat het bij hem ook al niet pluis was;    f
|    want zijn Betje heet Betsie, en \'n andere, die in het doop-    I
|    boek staat als Wilhelmina (\'n heerlijke naam!) wordt zoo    ï
\'mi..........iiiiiiiiiii........iiiiiiiiiiiiiiiimiiiiimiiiiiiiiiiiiiiiii........i.......iiiriiiiiiiiiiinii......iiiiiiiiiiui.......i.......llllÜ
-ocr page 193-
�99999999999999999999999999999999999999999999999�
PLUKSEL-BLAODJES.                                             17Ö |
|    nuffig mogelijk ,Willy" genoemd, en Jan is Jean geworden!    |
|    En tusschen die bedrijven kwam d\'r \'n onder-f\'actuurschrij-    |
ï    ver van \'n bestelkantoor binnen, die voor de vrindeljjke    |
Ë    uitnoodiging, urn gouw êfkens meê koffie te drinken, be-    |
ï    dankte, omdat hij al „gelunehd" had. (Wij zouwen zeggen:    |
Ë    z\'n koffie met brood al genoten had.)                                         |
Drie taaibedervers in één ooyenblik. En dat naat zoo dn    i
Ë    heelen dag, en het heele leven door. Schande voor onze    |
|    heerlijke moedertaal, die we van God ook als een „Patri-    f
I    monium", een kostelijk vaderlijk erfdeel ontvangen helmen.    |
|    Een wijs man heeft gezegd, dat de .taal het volk is\'". En    |
|    het is ook zoo. En in ons volk is onze taal meê geworden,    1
ï    gevoed en „gevestigd*\'. En als het volk ontaardt, dan de    |
=    taal ook. En hoe meer de taal verbastert, des te meer    =
|    sluipen er in die verbastering allerlei vreemde, weeke ma-    |
I    nieren in. En, ik zal het maar eens „raom\'\' zeggen, hoe    |
È    meer „Fransche pourparleetjes" enz., des te sprekender bewijs    f
1    dat het volk minder gevoed wordt met de taal van onzen    1
|    Hollandschen Bijbel. Let eens op, waar de Heilige Schrift    |
I    het dagboek en het dagelijksch manna is, daar is men van    |
Ë    al die vreemde „biscuitjes" in het geheel niet gediend. Och!    |
e    de taal van de Schrift in het Hollandsch is zoo wonder-    |
niiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiniiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiMiiiiituMiiiiiiiitiiiiiiii.....m
-ocr page 194-
JIIIMIinilllllllllllllllllHMIIlllllHMMIIIMIIIinillllllllMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIItlllMIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIMIMIIIIIIIIIMiinilllllllin
I 176                                            PLUKSEL-BLAODJES.                                                           =
|    schoon en rein en krachtig. Alle vreemde kwik, in het    |
|    spreken ingedragen, is eene beleediging, den vollen, rijken    |
=    schat, dien wij daarin ontvangen hebben, aangedaan. En doen    I
|    en denken moest zich op dezelfde manier daarnaar regelen.    I
|        „Maar mij zul-je toch niet op \'n vreemd woord attraperen\'\',    ê
|    zegt de voorlezer bij ons.                                                             Ê
Wel man, met dat-je d\'r hoog op gaat, maak-je je ook    |
|    al aan het euvel schuldig. Maar ik dank je intusschen voor    |
|    het lesje; want ik begrijp er uit, dat \'k mij zelf ook wel    |
|    eens „herzien1- mocht. Dank-je wel, waarde voorlezer! ik    I
1    zal niet hoog zijn op mijn echt Hollandschen trant en taal    1
I    en stijl. Maar herzie gij uzelf ook! En zeg bet voort!"
I        Intusschen, het Bêtuwsch is \'n goeie, mooie taol. „Beel-    i
I    je ien \'t veld" zeit. dat het de êrste taol is. En ik mag    i
|    gern wat met Beelje praoten; het is een helder, vroom wietke.    f
|    Maar van de taol hêt ze nie veul begrip. Toch wil \'k wel    I
1    zeggen, de êrste taol niet, maar \'n „eere-taol"; want daor    §
|    komen gin vrèmde woorden ien!                                                 I
9001010011020101020001020001010102000100020100000102010201020200020200010201000101000101020002
-ocr page 195-
���:..///:: .. /:5�.� 9�.� :::/::/ B
PLUKSEL-BLAODJES.                                             1 "7
XLIII.                                                 |
Van het „krantenlezen" hebben d\'r veul bij ons in de    |
Betuwe eene „sobere" beschouwing. Het mag zoo \'s zijn „om    |
de nèitjes" (nieuwtjes), maar anders vraagt \'n boer „nie veul    |
naor \'n krant"\'. „Xuman", d\'n almenak, en „de piep"; da\'s    |
al meê het veurnaomste. Als het goed is, d\'n bijbel, zeker.    |
Maar ik bedoel nu zoo in de „alledaagsche" lectuur, plus    |
de „piep", die d\'r bij hoort. Kranten, da gif nie veul. Jansen    1
brengt Vrijdags uit Aoivm veur\'n heele week „Handelsblaoi"    1
meê... en daor lezen ze d\'n heelen Zondag van! Wel,    |
Jansen, is dat \'n lectuur voor d\'n heelen Zondag? Jungst    |
zeit, dat alle andere kranten van de heele week \'m nie    |
schelen kunnen, as ie d\'n „Donderdagsche" mar gehad hét.    1
.omdat daor het middelmootje van al het neis ienzit." En    I
dan komt er \'s Zaterdags \'n krant uit veur de heele Betuwe,    1
„ons Centraal-blad", zegt d\'n ontvanger bij ons, waarin het    I
„veurnaamste neis" voor den Betuwenaar van verpachtingen    |
en verkoopingen, en polderberichtjes, en maolen en kalver en    I
keujes enz. allemaol krek ien te lezen steet. \'n Best krantje voor    |
zo\'k soort van dingen, da mot ik zeggen. Maar anders van    |
de politiek, en z\'ok soort van dingen, steet \'r nie veul ien.    |
IIIMHII........•.....1111.......1.........1.................Illlllll..............III......Illllllll........I.........HUI...........Illllllllllllll
-ocr page 196-
MIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIINIIIIIIIMIMIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIilllllllllllllllllllllllllllll
i 178                                      PU"KSEI,-BLAOI).JES.
En da wou ik nu wel, da ze bij ons ook is iion \'t lezen
|    gingen van kranten „met \'n politiek en maatschappelijk
|    beginsel" — zooals onze meester zeit — en dan \'t liefst,
|    natuurlijk, van „ons" beginsel. En die hebben we zoo goed
i    as \'t maar h. eft. En duur? Och, da\'s betrekkelijk! Wa
1    vraogt \'n minsch, die pas met \'n „nei Utrechtsen speel-
|    wagentje" rijdt, naar tien, vijftien gulden in \'t jaar voor \'n
|    krant, plus drie, vier gulden voor \'n weekblad ? En as \'t te
|    veul is, lees dan met uw tweeen of driëen; en die \'m dan
|    \'t laatst krijgt, heeft nog \'n kruiwagen vol papier d\'r bij,
|    voor niks. Och, de duurte da zou wel schikken, as onze lui
|    maar \'s zin kregen in \'t lézen. De leuningstoel steet \'r
i    mekkelijk zat veur, Hannes-boer! tusschen de laoitafel en
=    \'t kammenet (kabinet) ien. Ge zoudt \'r zin ien kriegen; al
|    was \'t dan alleen maar om oe eigen d\'r meê ien slaop te
|    lézen; dan hadde dat tenminste alvast beet, wagge gelezen hadt.
Ik zeg dat zoo, maar \'t is ook zoo. Eigenlijk is bij ons
|    \'t lézen over \'t algemeen nog te veel „ien den dommel".
|    Druk werken; „en dan schieten oe, as ge êf kes komt te
|    zitten, de oogen toe eer da ge d\'r êrg ien hét; en dan is
|    \'t aordige van \'t lezen toch eigenlijk af." Maar\'s winterdaags
I    dan ? En as \'t .goed lézen" is, \'s Zondags ? En \'s morgens
HHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIinilimilllHIIIIIIIIUHIIIIIIUIIIIIIIIIHIHIIIIIiaillUIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIHIIIMHMIHIIIH\'
-ocr page 197-
��11154044549929999999599999995�4415��54�45�555��
PLÜKSEL-BLAODJES.                                                17!)
vroeg, as ge de slaop pas goed wakker hêt ? En als ge aon    |
de koffie met brood \'m zit te begaojen. in plaots dagge wat     1
over koetjes en kalfjes hén wauwelt ? 0 man. daor was    f
zooveul occasie te vinden: en ge zou zoo best de slaop kunnen    f
houwen ien de leuningstoel tusschen de laoitafel en \'t kam-     |
menet; as \'r mar is \'n bietje meer sjeniejigheid kwam, om     i
toch in „\'t sociale en politieke" ook\'s\'n bietje ,van wanten"    i
te weten. En \'n krant veur „alledaagsch nets" kunde best
missen, want da\'s toch eigenlijk allemaol koekoek een zang.    i
En de prijs van de botter, en de weit, en de êrdappels hedde    f
gauw genoeg naogekeken.                                                             f
Maar me dunkt, wij, die da zoo goed weten, moesten ook    1
wat minder ,ien den dommel" zijn, als we onszelve maar    |
.zat" gelezen hebben. We moesten degelijke lectuur aan-    |
preeken en smakelijk maken; en, as we \'t kunnen, zorgen    i
datter wat degelijks en wat smakelijks is. Zouwen we \'t, in    |
de sociale quaestie bijv., met , Patrimonium" niet \'s pro-    f
beeren? Ik vind dat blad in de heele Betuwe haast nergens,    |
behalve dat \'t wel \'s uit de stad meekomt, as \'r iets inge-    f
pakt zat. Korts geleejen bracht Wientjes d\'r nog \'n paor    1
dozijn „bukkem" in meê uit Nimwegen. En zoo gebeurt    |
dat wel \'s meer. Maar anders? Twee of drie exemplaren    |
\'\'MIIIIMMIIMHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIItllllllllMnillllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIfllT
-ocr page 198-
Miimiiiiiiiiiiiiini.......iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiMMMiiMiiiiiiiliiiiiiiiiiiiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiliiiiiiiiiiiiiiiniiniiiiiiiiiiififd
4853534853234853484853534802005323235302000101000001020000230153484848230200000200015353534823484853532348000101
I 180                                       PI.UKSEL-BLAOIUES.                                                 |
misschien in de heele Betuwe! Terwijl, helaas, intusschen    ï
onze sociale tegenvoeters niet rusten, en aardig succes op    I
hun .propaganda" hebben.
Er moesten tenminste \'n honderd nommers geplaatst wor-    [
den, da was nog maar \'n bietje. Maar dan toch \'n goed    ï
begin. Onl)ekend maakt onbemind. Als ze maar \'s aan \'t    I
lézen zijn, dan zulde \'s wa zien! In ieder geval, daor steet   \\
bij Hannes-boer nog \'n leuningstoel tusschen de laoitafel en    I
\'t raam. En daor kan d\'r nog een gaan zitten om te    \\
lezen; al was \'t dan alleen maar om z\'n eigen d\'r meê ien   I
slaop te lézen; dan had ie dat tenminste toch ok alvast beet.    i
wattie gelezen had.                                                                       \\
Neen, ik heb betere verwachting; as \'r maar belangstel"    j
ling en kennis en wrijving komt: en wij zorgen maar voor    j
goed koren tusschen de wrijvende molensteenen; dan zuid\'   j
is wa zien, hoe \'n happig, gezond volkje onze Batauwers    I
zijn. En da ze veur zoo \'n kost hunne gastvrijheid met alle    I
plezier in ruil willen geven. Veur honderd exemplaren „Pa-    f
trinionium" kunde dan \'n heel jaar lang \'n „Betuwsche    §
gast" zijn. En dat wil wat zeggen!                                            \\
flIMMIMIIIIIIIIIUNIIIIIUIUMlUlllllllllllillMIMUIMMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIillllllllllllllllllllllllllllllllllllllltllMll\'1
-ocr page 199-
.......IIIIIIMIIIMIIIMIIIIIIIIIIIMIIMIIIMIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIMIIIIIIMMIHIIMirilllllllMIIIIIMIIIIIIIIIMItlMIIIIIIIIIIIM.......IIIIIM
{                                                 PLUK8EL-BLA0DJE8.                                        181 |
f                                               XLIV.
Kwaad spreken, dat is al meê het leelijkste wat er is    |
onder de menschen. De Srhrift zegt er van. dat dit een    i
.geesel van de tong" is (Job 5 : 21). En dat het een    |
.scherpen is van de tong als eene slang" (Ps. 140 : 4).    1
i En dat het een .moordpijl" is (Jeremia 9 : 8). Wat je, op    |
i z\'n zachtst genomen .babbelen" noemt, dat gaat er al door
I als \'n „vliem" (scherp scheermes). En als laster is het,
| kortaf, een Satanswerk. Goed spreken, dat is heerlijk, dat    |
{ is net \'t zelfde als zegenen; maar kwaad spreken, „daor    i
ï griezel ik van, as veur den duivel ien eigen persoon!" zei    f
I onze\'n ouwe godzalige tuinman. Nou, hij heeft er z\'n partje
j ook van gehad; net zoowel as wij „alleniaol": maar een    f
j godzalig mensch, die krijgt \'t meest „van de taart".
; En weette wat \'t is? daar is naar geen enkel ding zoo\'n    i
[ navraag, als juist precies naar kwaad spreken. Goed spreken,    |
1 och! daar hebben de menschen gauw .genoeg" van. Die \'t    |
I zeit, zal d\'r nooit te veel van zeggen; en die \'t hoort,
{ trekt \'r bij z\'n eigen allicht \'n twintig, vijf en twintig    |
[ percent af. Maar kwaad? wel man, \'t gaat e weg „as    |
I gesnêjen koek"; en \'t gaat er in „as \'n stukske gebraojen spek."    1
MIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIMIMIIIIIIIMIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIlT
-ocr page 200-
00230202000000000202012301230200010002015390230101010200010101020202000202004848485348534853
I 1S2                                         PLUK8EL-BLA0DJES.
„Hoe komt het toch, dat er zooveel snaterende en kwaad-
|    sprekende tongen zijn?\'" vroeg in den ouwen tijd iemand,
|    die in een salet van lasteringen was terechtgekomen. „Dat
|    zal ik u wel zeggen." antwoordde zijn meester, „als gij mij
|    eerst maar eens vertelt, hoe het toch komt. dat er zooveel
|    lange en uitgerekte ooren zijn, die \'t smaden en kwaadspreken
i    graag hooren."
Ja, dat is wel waar, ouwe\'n docter! da zeg\' de wel! bij
|    menigeen staan de ooren d\'r compleet naar, om toch maar
|    van al dien laster en .lillike dingen" niets te missen. Neen,
|    d\'n baos bij ons in \'t tuinhuis „sabelde"\' de lui, die kwaad
i    bij \'m kwamen aandragen, allemaol de deur uit, da\'s wat
|    anders! En als iedereen d\'r zoo over dacht, dan konden de
1    kwaadsprekers in d\'r eigen vet gaar smoren .... da zou \'n
|    stinkend, maar toch weldadig „gesmoor" zijn!
Maar, om nu op de kwaadsprekers terug te komen, ik
|    heb weleens gemerkt, dat de lui, die eigenlijk, as ze op d\'r
|    eigen zien, wel doodstil mochten zwijgen, juist \'t meest aan
|    \'n lange tong laboureeren, en \'n stekelige, babbelachtige
|    tong ronddragen. Hoe losser in \'t kwaadspreken, des te
|    vaster in \'t kwaad. Hoe losser in den mond, des te roestiger
1    in het hart. „Die \'t hardste klagen, hebben d\'n hardsten
9942455555544��951114190392�5414�34���54���1154
-ocr page 201-
lllllflUfllfffIffMiriMfllftrfllllflIttlirillHIIIHIItliriUlllllllllllllltfllllIJfllllllllllllllllllHIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIIHIIIIIIIIIII
5323485302000101000002020001020000535323482353480200000202000102235353020200020202000102010201000200000102234801020000010153
j                                                   PLUKSEL-BLAODJES.                                       183
1    nood niet!"\' zeit Hentje-baos. Maar die\'t hardste (\'t zachtste
j    ook wel, Hentje-baos!) kwaadspreken, hebben wel \'t hardst
I    noodig. dat ze d\'r eigen is ien de spiegel bekieken. Hentje-
!    baos is meteen \'n rijmelaar, en heeft \'r \'n „zededicht" van
I    gemaakt (waar, maar naar!):
Wie kwaad wil spreken van mij of van de mijnen,
Die ga eerst naar huis, en bezie zichzelf en d« zijnen;
En vindt hij daar dan alles zonder gebreken,
Dan past \'t \'in nog niet om kwaad van Hentje-baos van de Lei-
;
                                                                                               (graaf te spreken.
Net zoo, Hentje-baos! Maar \'t is bij \'n .kwaadspreker\'\'
I en de zijnen .in den regel" niet erg pluis. En zoo\'n middel
Ê van den duivel is \'n recept voor \'n verdorven constitutie,
I waarmee de patiënt zachtjens aan den grond ingaat, nadat
j hij met z\'n ellendige tong z\'n gal en z\'n lever heeft uit-
I gespuwd.
Van \'t leelijkste wat er al meè is, hebben wij in de Betuw
ï een spreekwoord, dat \'r de „honden gin dreug brood van
i zouwen lusten!" En als ge dan eens leest, wat \'r staat 2
ï Petr. 2 : 22, dan kunde de toepassing zelf wel maken: kwaad
I spreken is „duivelsdrek".
0202020200010002010202020001020100020100003102010032020000010102010202020001000202020102010202
-ocr page 202-
HIMHMIIIIIIIIMIIIIIIIMIIIMMIIIIIIIIIMIIIIIIIMinilllMIIIIIIUIIIIIIIIIIIIIIIIflIlflfflflIlllffflItllftfriftftftlflinillllllllllllllllllllii
1 184                                          PLl\'KSEL-BLAOIMES.
Ik niiiak me d\'r misschien wat kwaad over. En eiges heb -  j
|    ik allicht nie beter verdiend, als dat de minschen me „over
|    den hekel" halen, of met \'n valsche tong „ien de stroop
|    douwen". En, wat wel \'t voornaamste is, de Heere Jezus,
i    die door de lasteraars als bijen omringd is, prijst u zalig,    j
|    als ze „liegende alle kwaad tegen u spreken"\'(Matth. 5 : 11).    \\
|    Maar dan hoort er bij „om zijnentwil". En daarom mogen    è
1    wij ons zelf wel ernstig beproeven, en zeer nauwkeurig    i
I    onderzoeken, of \'t ons moet „deeren of „eeren", als we door    I
|    menschentongen „;i faire" genomen worden. En als \'t ons    \\
|    eene eere mag zijn om \'s Heeren wil, ach! laat clan maar    I
|    babbelen en lasteren, wie wil. Maar in ieder geval, wij zul-    i
|    len dan zeggen: ik doe d\'r niet aan meê, om den duivel z\'n    ï
|    zin te geven!                                                                                  i
Ik heb dezer dagen \'t êrste mandje vroege spinaosie p r e -    I
|    sent gekregen; maar daar zaten \'n boel scherpe prikkels    f
=    ien. „Da\'s \'t zaod", zei de\'n tuinman. „Bewaor dat zoodje    1
|    tot \'n andere keer as te blieft," zei ik tegen \'m; „want    i
dat is net \'n kostje veur de lui, die allerlei slobberig goed op    |
|    d\'r prikkelige, scherpe tong dragen. En as ze mij „tracteeren",    f
|    dan wil ik \'t op die manier hen wederkeerig ook wel \'s doen.    |
0202010102000200018953530202020101000101020002000100020101010200010201020202010102020101010102
-ocr page 203-
45511155��5714�415��540760335441�5501154441455451
isr,
PLCKSEL-BLAODJES.
XLV.                                                  f
„Van buuten naor binnen, da gif niks." zei d\'n boer van    |
\'t Elshout. En as ie ziek was, wou ie nooit z\'n léven medi-     §
cijnen gebruuken. .As \'t nie van binnen naor buuten geet,    i
dan schiette d\'r op den duur toch ,\'t hachje\'\' bij ien".
Da zulde „op den duur"\' toch wel, vriendschap! tegen den
dood is geen kruid gewassen. En in zeker opzicht hèdde    §
geliek, dat \'t „van binnen naor buuten" béter kan worden,    |
zoolang as \'t duurt. Maor dan motte d\'r nog één ding bij    |
zeggen, dat \'t érst .van boven naor binnen"\' mot komen,    i
Aan boven naor binnen, en zoo van binnen naar buuten!
Van boven moet hot alles komen, wat leven wekt en leven voedt.                 \\
Maar juistement, omdat dit zoo is, dat \'t van boven moet     |
komen, magde ook ien \'t geheel nie zéggen : „Yan buuten    |
da git\' toch niks\'\'. As \'t er de zégen van boven maar in is.    i
dan gaat \'t ,van buuten\'" ok wel „naor binnen"\', net zoo goed.    |
Ik wil maar zeggen, menschen, die \'t van „de middelen"    |
wachten („van buuten naor binnen") die zijn d\'r glad neven.    |
Maar die niks „van de middelen" willen weten („van binnen    |
B555555583555555555555555555555555555555555555
-ocr page 204-
iiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiifiififiiiiifitffiifiitiuiiifiirfiiiifiiiiiitiiiiiiiififiiiiiffiffiiiifiiiiiiiiiiiiiiiiiiiifr
Ë 18(5                                               PLUK8EL-BLA0DJES.                                                         =
|    nuor buuten") al gin haor minder. Of kumt \'t brood ok nie     |
|    van buuten ?... da verstaon we allemaol best! En\'t „a-b",     |
|    as we leei\'en motten ? En „\'t kieken deur \'n bril", as we     |
|    nie goed meer zien kunnen ? En wie \'t is goed deur-prak-     |
|    kesiert, die zal motten zeggen, da we op alle manieren in     |
|    den weg der middelen gezet zijn. Zoo zelfs, dat de Heilige     |
1    Geest ons van de gave des geloofs, die tocb bij uitnemend\'     I
|    heid eene gave van boven is, betuigt dat ze in den weg    |
|    der middelen bekend wordt; want ,,het geloof is uit het    §
1    gehoor" (Kom. 10:17). „Met de Schrift ien de hand, slaodde    |
|    alle lui, die van de middelen niks weten willen, zoo     |
|    dood as \'n pier\'\', zeit \'n nèf van me. Daor hedde bijveur-     I
|    beeld...                                                                                          i
Nu, begin daor mar niet aon, zeg ik; want bij „partjes    |
|    en bietjes", da hoef niet; de heele Schrift zet da „vanboven,    f
|    en van binnen en van buuten" zoo ien éen organisch ver-    |
|    band, da wij „\'t ontleedmes\'\' d\'r niet ien maggen zetten,    §
um hier \'n stukske en daor \'n stukske te vatten. Want dan    |
=    kumt \'n ander ok met \'n „ontleedmes"\', en vat hier \'n ander    §
|    stukske en daor \'n ander stukske, en zet da krom en averechts    f
I    bij mekaor; en dan zeittie dat \'t heel wat anders is, as het    f
1    is. Maar „in \'t verband", lao ze dan mar kommen! Zeker,    §
0200000002010102010202010102532353915348000000010000020200020200000000000200000153532391234823
-ocr page 205-
IflIIMIirilllllMIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIfHUIHIflIflIlllflIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIHIIIIIIIIHIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMHI
I                                                 PLUKSEL-BLAODJES.                                            187
5323235390000102532391020001535353535302000102024848230248535348000102000101020001025301000202000102020001020101020200010202
I    nêf, dan slaodde ze allemaol ,7.00 dood as \'n pier", die van
|    de middelen niks willen weten.
Ge mot me goed verstaon; de middelen doen \'t \'m nie.
|    En toch, omdat ze in den weg van Gods ordonnantiën ge-
|    steld zijn, doen ze \'t m ok weer wel. Indien \'t God
|    almachtig behaagd had, zou zijn hooge hand d\'n adem net
|    zoo goed „automatisch" (as van eiges) in den mensch kunnen
I    onderhouden. Maar nou mot \'n minsch, .bij ieder trekske\'\'.
|    al weer „haolen". En dat duut ie ook, al wit ie duk eiges
Ê    niet, dattie \'t duut. En toch is \'t alleen de Geest Gods.
|    die d\'n adem op de lippen legt. Als Gods goedheid \'t zoo
|    gewild had, dan zou Hij ons enkel met den dauw van zijn
|    zegen kunnen voeden (die uitdrukking heb ik van den domenie
|    bij ons!). Maar nou motte maar zien, dagge met God en
|    met eere \'11 stukske brood verdient („zuur" van wege den
|    arbeid, maar „zoet" vanwege \'t bidden)... en dan, smake-
|    lijk eten, neef!
\'n „Kerkvader" (\'k geleuf dat \'t Augustinus is) heeft van
|    dit geval gezeid, „dat \'n minsch mar werken mot, asof ie
|    alles kan; mar veural bidden, umdat ie niks kan." En nu
1    hoef ik \'r as „kerkuil" nie nog bij te komen zitten, um te
|    zeggen, dat da „goed" gezeid is. Maar toch, as we \'t bij
MIIIIIIIMIIIIIIIHIIMIIIIIMIIIIII1IIIIMIMIIIIIMIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIMMIIIIIIIIIIIIM
-ocr page 206-
IIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIlllltlllMltlllMlllftllllfIHIIIKIIflIffllltlllllllllMltlMIIIIIIKItlKrilfMIIIiriMKIKIIIIfMMIIIMIIIKnilll
454�4�5154952999295499929544854789999���99�09989798�415499671415
188                                            PLUKSEL-BLAODJES.
ondervinding mogen weten, dat \'t zoo „goed" is; ja, dan
maggen we \'t gerust nog \'s zeggen. Ik veur m\'n eigen
heb \'n tijd gekend, da \'k alles van de middelen verwachtte.
Maar da \'s \'n schrale tijd geweest! En toen heb \'k \'n tijd
gehad, da \'k niks van de middelen verwachtte. En toe zou
\'k m\'n eigen in \'n o vergeestelijke (= ongeestelijke) over-
spanning dood gedokterd hebben. Maar nou, zou \'k zoo
zeggen, werk ik asof ik er nog kommen mot; en bin
erg „gefigeleerd" op middeltjes van „probatuni est".
En as ge me vraagt: Denkte nou, dat \'t daor vandaon mot
kommen ? dan zeg ik: Neê zeker niet! net zoo min as dat
de zon uit \'n naoldekoker kumt; mar, as \'k \'n kleermaker
was, zou ik me dood schamen, as ik de naolden ien de koker
onder de hand mar liet verroesten. Ora et labora, bid en
werkt! Werken (en ons in den weg der middelen zetten)
alsof we alles vermochten; en bidden, als degene, die van zich-
zelven niets hebben te pretendeeren. Niet „van buuten naor
binnen"; en ook niet alleen „van binnen naor buuten";
maar .van boven naor buuten en naor binnen"!
.
�999815144�416�1404699999�9449999999�999999999995
-ocr page 207-
jJIIIIIMtlllMIMIIIIIIIMMIIIIIMIItllllllllltlllllllllllllllMIIIIMinilllMlllirilllllllirilllllMIIIIIMIIMIIIIIIIUIIIIIItllllllMIIMIIIItlllM
5490�98284999998999999�99999999999999999999999999999641454��9�14
=                                                          PLUK8EL-BLA0DJES.                                             18!> I
XLVI.                                                 1
Onze Betuwenaars zijn „lui van vaste gewoonten en spraok".    |
Zoo is er dan ook bijv. in m\'n herinnering geen ééne April-    |
maand voorbijgegaan, of\' ik kon d\'n ouwen Vink, bij "t eerste    i
lenteregentje, met d\'n buis uit, en \'t haor geknipt, aon de    §
deêl-deur ontmoeten; en „strijk en zet," da miste nooit,    =
zien en heuren, hoe\'n schik dattie had. „Allemaol gres en    |
endeneier!"\' da was altied zoo z\'n zeggen. Maar van \'t jaar    1
heb ik \'t niet gehoord; primo, omdat d\'n ouwe Vink d\'r nie    f
meer is; en secundo, al was ie d\'r nog, dan zou ie \'t toch    |
niet gezeid hebben; omdat we d\'n heelen April deur, en    |
nog *n groot „partje" van Mei d\'r bij, geen „lenteregentje"    1
hebben gehad.                                                                                 |
Maar nu is \'t aan \'t komen; wel man, wat \'n lente! Och!    |
wij zijn altijd zoo bang, „dawwe te laot zullen kommen"!    |
En, as \'t \'n beetje lang koud blijft, „aon knerpen gin    |
gebrek"! Maar, gelukkig, pas is de lente daar, of al    |
dat „geknerp" ruimt op; en \'t mot al \'n erg uitgedoofde    |
„slaopmuts" zijn, wien de „tierigheid" er niet bij in de    |
leden vaart.                                                                                     |
Wa \'n gelpen mei-regen hebben we gehad! En de dauw-    |
IIIIMHMIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIilllilllllllllllilllllllllMlllilllllllllllHllllllllllllllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIMII
-ocr page 208-
59989992999909999999999999���4�999999990555545245
§ 190                                         PLÜKSEL-BLAODJES.
i    drupkes liggen meekeeren \'s mergens op \'t jonge, malsche    i
|    groen uitgebreid, as of \'t allemaol „pareltjes" zijn. \'t Gruun    |
Ë    is zoo frisch, as ge \'t z\'n léven gezien hèt; en de wêjes    =
|    (weiland) hebben al gres zat veur \'t vee, benamelijk as\'r    f
|    van \'t winter goed „gegript" is. \'t Koorn kunde compleet    |
|    zien greujen, de appelen- en pruumen- en appelekozen- (abri-    |
I    kozen) en kersenboomen zien allemaol op z\'n „bruids"; en    |
|    deur \'t heele land, en over \'t heele veld hèn, ruukt \'t zoo    |
ï    lekker en zoo frisch; veul frisscher, za\'k mar zeggen, as op    1
|    de Rozegracht ien Amsterdam !
As ge de Betuw op z\'n mooist wilt zien, dan motte urn     |
|    dezen tijd van \'t jaar kommen. Ik las dezer dagen van    |
1    iemand, die vooral met de pen, nog al \'n bijzonder bereisd    f
|    man schijnt te zijn, dat de Veluwe-zoom „een gouden rand"    1
|    is om \'n landelijk kleed"; maar over „\'tlandelijk kleed"    |
|    eiges, daor ie de Betuwe meê schijnt te bedoelen, had ie    1
I    ook nog wel \'n woordje kunnen zeggen. Want \'t is een    |
|    heerlijke landstreek! De koning mot \'s \'n keer gezeid hebben    1
i    (tenminste da vertellen ze bij ons), „dat \'t al meê de mooiste    §
i    streek is van \'t land!" Ze hadden \'m verteld, dat\'t\'n streek    |
was van:
0102532391532348489023480000010201015353535323234848534853535323534848532353235353530102020001
-ocr page 209-
MINIMI.......II......HUM......UMI.....III.....I........I.......I.........Mlllllllllllll......IMIMIIM..............MIMI.......IIIIIIIIIIMM
\\                                                  PLUKSEL-BLAODJES.                                        191 Ë
\\                                                    Gras en slooten,                                                         |
\\                                                     Slooten en gras,                                                         =
;                                        In dat gras wat koeienpooten,                                              |
\\                                        In die sloot wat eendgeplas.                                                 |
Maar toe ie \'t éene keer gezien had van de Waoldiek, wou    |
Ë    ie *t van den anderen kant ok nog is zien, van de Rijndiek ;    |
j    en toe had ie da gezeid, dat \'t al meê de mooiste streek is    f
|    van \'t heele land ! .Gras" is \'t \'r — „net as ien Gosen"\'! —
j     „slooten\'\' zijn d\'r, doch vol .ende-fluts"; „koeien" als in den    |
I    vetten droom van Farao; en enden en kippen zooveul, „da ze wel    \\
1    veur heel Amsterdam leggen kunnen\'. Mar da\'s de Betuw nie;    |
I    net zoo min, as dat \'n schoenriempke of \'n „knoet}) aon de    |
j    boks" \'n minsch is. Zeker, \'t heurt er bij. Maar al die    f
I    overvloed en pracht van boomen en bloemen; en de gelpig-    |
i    heid en malsigheid van \'t koorn en de wêjes; en de „lek-    |
I    keiügheid" van den dauw en de vruchten; en \'t mooie    |
j    gezicht op de bergen; en de merling, de koekkoek, en    |
1    duizend vinken en bijmeeskes; en de „opgehaolde" tabaks-    |
wallen, en de mooie hofstêjen — ze zeggen, „da Bismarck    f
i    d\'r een gekocht het", mar da geleuf ik nie — en al die    |
j    aordige „wegkes"; en de „huuskes\'\', die zoo vredig tusschen    |
I    de palm ien liggen; en de v\'loren zeeg, en de Wettering,    |
IIIMMMIMIIIIIMMIMIIIIMIMMMIMMiMMiMMiMiMMMMiMiMMMMiMiiiiMIIIMMMIIIIIMMMMIMMMIMIMIMIIMIMIIIIIMIIIIIIIIIMIIliï
-ocr page 210-
=IIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIMIIIMIillllMMIIIMIIIillllllll1IIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIII|IIIIHIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIMIIIMiii
1 15)2                                               rU\'K.SEL-BLAOPJES.                                                        |
1    die, as ze .geruimd \' zijn, d\'r zoo klaor en lekker deur trek-    I
|    ken as of \'t „beekskens van de rivier" zijn; o man, alles,    i
|    alles, apart en bij mekaar, \'t een en \'t ander, \'t is zoo    f
1    mooi! Behalve, as de lui uut de stad de kersen komen op-    |
|    éten; en, as de weg wi\'i stoiferig is, met d\'r „gerij" de boel    f
1    komen vol stuiven! Ik heb mar liever, dat de kersen naor    I
I    de stad gaon. of naor dn ,Altena". of naor Valks te Loe-    f
|    nen veur den Eiigelsehnian; dan geet dat spul ok rustiger     =
|    en landelijker ien z\'n werk, as da ze uut de stad de boel    =
|    \'s kommen opscheppen".                                                               ê
=        Intusscdien, da wou \'k nu maar zeggen, is zoo\'n streek    |
1    toch rijk gezegend in welvaart. En as men d\'r niks van    |
|    verzuimde, of liet varen, of verloren gaan, dan konden \'r    i
|    van „de overvloedige" Betuw nog \'n heele boel meer minscheu    f
|    bestaon. Zoo as \'t nou is, niet, da geleuf ik niet; men weet    f
1    \'r nog niet genoeg van alles te „profiteeren"; en men is \'t    \\
|     r nog erg aon de ouwe gewoonten gehecht, die duk    I
|    weinig overeenkomen met d\'n tegenwoordigen stand van    §
|    zaken; en men ziet \'r de vrênule lui ok nie graag kommen,    i
|    zelfs al was \'t maar „urn de boel \'s af te neuzen".    |
|    Maar anders. Ja, dan zou \'k zeggen: allo, d\'r uit, gaot    f
|    de Betuwe is zien! \'n mooi plekske grond! gezegend, ge-    |
0200020002000200020002000202020000320101020101010202000101020200000201020101020002015302010101
-ocr page 211-
999991454141�56�4151544555�4444554�5�41�545411151
193
PLUKSEL-BLAOIMES.
I    zegend! Zoudde d\'r ok nie kunnen en willen tieren? Nou,    |
ï    met de lente, o man! is *t \'r toch zoo weldadig, da \'k wel    |
i    \'s gezeid heb: as \'t mos, en as \'t kos, dan wou \'k m\'n eigen    |
i    nog veul liever as boerenknecht verhuren ien de Betuwe,    |
Ë    as ien de stad chef zijn van \'n »boterfabriek".
O, man, \'t is \'r zoo weldadig! En wie dan, over al dien     f
j    overvloed, Gods zegen en goedertierenheid gespreid ziet; en     |
in \'t zommerhuuske van kamperfoelie, of onder den linde-     |
\\    boom, of, tusschen de voren van \'t .gemeste" land deur, "n    |
I    lof ien z\'n hart of op de lippen vuult rijzen: die kan \'t maar    i
l    vrij toe op \'n Betuwsche wijs zetten, »dat de velden en de    §
|    dalen, alle op hunne wijze, juichen; dat Gods eer uit het    |
j    stof klimt; en zij, zijn naam ten prijze, zjjne goedheid en    f
i    zijnen lof zingen" (Ps. 65 : 2).                                                    |
,Wa me verwondert", zeit onze tuinman, met wien ik de    |
i    heerlijke lente, bij \'n gelp regentje, zat te „bekieken en te    |
Ë    bezingen", ,dagge in de Schrift nergens het woord „lente"    |
i    kunt vienden." ,Zoo?" zeg ik, „ja, da\'s bijzonder; daor hê    |
I    \'k nog nooit èrg ien gehad. Maar veur de rest, \'t geet daor,    |
i    net as hier, maar dan ien \'t allerheerlijkst; \'t is daor overal    1
i    lente; en dan kunde \'t ,woord" desnoods wel missen.
> 111111111 r 141111 j i r 111111111111 ï j 1111.11111 j 11.1111 r i j e 11 r 11111111 m 11111111111 f 1111111111111111111111 m 111111 [ 1111111111111111 m 111111111 i 1111111.....T
13
-ocr page 212-
.HUMIIMIIIimillllllMiiimillimnilMIIMIIimiMMMiMIMIIIIIIIIIIIMIMIIIIimilllHIIIIIMIIIimiHllllllitlMIIIMIIMIIiiimiliMillli
��9787999989�69999999999999909�999999579999999��999��9�2�5�54952
1 !)4                                            I\'LUKSEL-BLAODJES.
| XLVII.                                               
,\'n Dubbeltje érst nog \'s op z\'n kant zetten"\'! zeggen ze   
|    bij ons (en ze doen \'t, bjj wijze van spreken, ook!), as \'t   
|    \'r sprake van is. of we „aon dit of dat onze centen zul-   
|    len spendieren". En dat is \'n erg goed ding; ien \'t goeje, za   
I    \'k maar zeggen; want ien \'t kwaoje, dan \'s \'t „knieperigheid"\',   
|    en dat is erg „lillik\'\'! Wie ziet, dat bet onnut of onnoodig   
I    is, die doet beter z\'n „centjes"\' maar in de spaarbank te   
|    brengen. Da loopt zoo op, da tien gulden veur oew jungske,    f
I    as ie groot mag worden, twintig gulden geworden is. En    |
|    dat geeft zoo\'n tier ien \'t leven, net as dat iemand, die op    §
|    reis is, altijd nog \'n appeltje voor den dorst in den zak    i
|    beeft. En, as we \'t urn Gods wil meugen verstaan, dan ligt    |
|    \'r zoo\'n zégen in, dat \'n minsch „van kleinen doen\'\', maar    |
|    met \'n pampierke" (en zonder dat, als \'t zijn moet, ook wel!)    f
|    veel rijker is, dan \'n „rieke schobbert" zonder dien zégen.      1
En \'t is aordig, maar zulke menseben, die \'t niet „over    |
|    den balk gooien" in onnoodige en overtollige dingen, die    |
|    hebben net „veur \'t goeje" \'t liefst wat over; en\'t dubbeltje,    f
|    dat o ! zoo op „z\'n kant" stond, „as \'t zund was um \'t uut    i
|    te geven", rolt dan als van eiges van de tafel af. En wat    |
|
|
|
§
|
=
|
|
Tm ii mm.....Mll..............lilMlin.....t Itllllll lil l...........Illllllll.......lllllllllllllllillllllllllllllllllllllliillllllllllllllllllllllT
-ocr page 213-
lIllllllllllllllllllllllltllltlllllfflfillilMIIMIIIIirrilllflIilflIfHfflUMIflIIIIIIUIUIHniKIKIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIItllllllllllltlllllllllM
PLUKSEL-BLAODJES.                                             19") 1
\'t mooist is (maar daor motte \'t nooit urn doen, want clan    |
is \'t mis !) daor is geen rente, die meer geeft, as da we    |
ien barmhartigheid" (zoo as onze „mulder", da zeit) „ons    |
.gelletje" bij God den Heere uitzetten." We motten \'t \'r    \\
niet um doen, want dan is \'t mis! \'n Buurman van me zei    |
\'s \'n keer: „da wil \'k ök is probieren!" (uut speculaotie.    |
weette!); maor toen was \'t glad mis; en hij heeft van z\'n    |
rijksdaolder, .die ie d\'r aon vvaogde", geen cent weerom    f
geki-egen! Neen, buurman, zoo niet. Maor als \'t ien barm-    |
hartiglieid is, dan kunde vrij met de eene hand geven, wagge    |
in de andere hand gespaord hêt.                                                 1
\'t Is anders, „deur de bank," met \'n minschenliart, dat    |
\'n „umgekeerde tien geboden" is, zoo gelegen, dattie spaar-    |
zaam is „uut knieperigheid"; en dat is eigenlijk net zooveul,    §
as dattie gierig is, za\'k maar zeggen. En umgekeerd, dattie    |
gul en „goedgeef\'sch" is „uut baldaojigheid", en dat is    |
eigenlijk niets anders dan „kaskenaode" en roekeloosheid.    §
„D\'n bles" bij ons zat \'t geld zoo los ien de zak, dattie    i
zelfs liever op \'n flesch wien, as op \'n snêpske, traktierde.     I
En as ie bijv. op \'n erf huus aon \'t bod stond, en de notaris    |
had bij „eenmaal, andermaal, niemand meer" ? den hamer    §
al umhoog, en iemand zei dan tegen \'m; „Bles, \'t is \'n     I
0001010102020102000201020202010201020100020002020100020002000201000200000202020002020002010002
-ocr page 214-
196                                          PLUKSEL-BLAODJES.
|    zundig bietje! bie \'t \'r nog wat bij!" dan mijnd\' \'n z\'n
|    eigen nog gauw met tien, twintig gulden af! „Da\'s bal-
|    daojigheid ! da\'s ók zonde ! net zoo goed, als „knieperig-
|    beid"\' en gierigheid, man!
Over \'t algemeen zijn d\'r nie veul zulke „blessen"; en
|    da\'s maor goed ook; want, zelfs wat die lui zooveel als
|     „uit barmhartigheid" doen, daar komt nog niks as ellende
|    van. En bijv. \'n luiaard, of \'n brutalen bedelaar en be-
|    drieger te „wêteren" (zoogenaamd goed te doen!) dat is
|    eene goddelooze barmhartigheid.
.Dat is \'t wel" zeit d\'n ouwe Jansen, „en aon zoo\'n
|     „bles" heb ik dan ook \'n onmundigen hekel". Maor, Jansen,
|    d\'n .bles" hét aon ou ook \'n onmundigen hekel, umdat oe
|    d\'n duim zoo stroef is, en ge oew geld nog liever ien
|    \'n ouwe kous ien de bedstee wegmoffelt, as da ge \'t \'r is
|    beheurljjk van nlmt. Da\'s dus al zoo wat „lood om oud
ijzer". En met „aollie gerikraoi", en met „mekaor over en
=    weer" „op de snep te tikken", bin de allebei al even ver
|    van de koers. En \'k weet niet, maar ik geleuf, as \'k, zoo
I    mar, \'n „bietje te veul" of ,,\'n bietje te weinig" most kiezen,
|    da \'k bij slot van rekening toch nog liever \'n „bietje te veul"
|    gaf; al was \'t dan ook maar „voor \'n appel of \'n ei"!
Tm iiiiimi Minimin inimm.......ilMiillililllllilllilllililtllllilliilliii iimiiiiiiiiiiiiiiiiiiiimimiiiimiiiiiimiiiiiii..........nuin"
-ocr page 215-
ItlllllllllllllIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMHIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMMIIMIIIIIIin
PLUKSEL-BLAOIUES.                                          197
Neen, maar zoo staat de zaak niet; \'t lijkt er niks naar!    |
Zuinig en spaarzaam, urn Gods wil; en dan, da geet geliek,    |
\'t een komt bij \'t ander, \'t zijn „broertje en zusje", gul en    |
goedgeefsch meteen, um Gods wil. Paulus, als ie aan Timo-     |
tlieiis schrijft, en „den brief is af", dan duut ie d\'r nog \'n    |
„post-scriptum" bij, dawwe \'n schat motten wegleggen in    |
spaarzaomheid; maar in weldadigheid, in meedeelzaam-    f
heid, en in gemeenzaamheid." (1 Tim. 6: 18 en 19a) Ik heb    |
\'t ook zoover maggen brengen, da k met zuinigheid \'n spaar-    |
potje heb. Maar daar heb ik boven ien den deksel dezen    1
tekst „geplekt". Och! ik mocht \'t anders is vergeten!    f
Want „\'t loopt zoo aordig op, as ge mar kunt potten"!    1
En ge zoudt \'r oew eigen ziel al mar iedere keer weer    f
meê „ien den doofpot" zetten!
Intusschen is \'t maar gelukkig, dat \'t niê van onze    |
„knieperigheid" of „rejaoligheid" afhangt, of de velden met     |
leliën bekleed worden, en de muschkes toch altied d\'r bekomst    |
kriegen. En dat Gods goedheid den arme en ellendige, en    |
al wat op zijne hulp wacht, niet door onze schuld zal laten    f
versmachten; of als „waoterloten" zal laten opschieten op    |
onze „weelderigheid". Maar, juist daarom, moeten wij te oot-    |
moediger en te blijmoediger van die schuld af. Meer schats, dan    1
�9999999999999999999999999999999999699999936798�
-ocr page 216-
MIIIMIflIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIHIIIIIIMIMIHIIIIMIIIillllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIII.....
Ë 198                                       PLUKSEL-BLAODJES.
|    zilver en dan goud, is er in de tranen en de liefde van
|    Christus. Schuldenaars, as ze \'t goed vatten, worden door
i    die liefde „crediteuren". Maar dan, vooruit ook, vrien-
|    denlief\'! ik voel me, terwijl ik \'t schrijf\', al weer
I    \'n bietje „spaarzaam" en „scheutiger" worden. En gij, as
1    ge \'t leest, dan hoop ik, dagge zeggen meugt:, van \'t zelfde !"
Dezer dagen heb ik \'n „oud weldadig wijfke", dat altijd
|     „graag, um Gods wil, van d\'r ermoedje nog wa meê gaf":
|    maar die nou eiges „net aon" was (zeker, da kan \'s gebeu-
|    ren! maar da\'s \'t léste niet!) erg blij maggen maken ,um-
|    dat \'r ergens" op zorg en vlijt ,\'n stêdje veur haor los
|    was gekommen". „Da\'s \'n Pinksterzêgen"! zei ze.
|                                                XLVIIL
Ik las net van morgen nog, dat de godzaligheid een groot
| gewin is met vergenoeging (1 Tim. 6:6). Hè, da\'s wat
| anders, as wagge zoo alle dagen te hooren krijgt, van oe
| eigen misschien nog wel \'t „dukst", met „mopperen", „klagen".
| „knerpen", „op de poot speulen", „grainmietig zijn", „seuren".
TlllllilllllllllllllllllllllHIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIilllllllllllllllltllMIIIIIIIIIIIIIIIIMMilltllllllMIIIIIKIIIIIIIIIMI
-ocr page 217-
niiiiiiiuniiiiiiniiiuiutiiuiiiituuttiutifiiittttuiiiititutttttittmittltlitttiutit limtuuuiliuiunntinuiltliminuinimtn
PM\'KSEL-BLAOIUES.                                       199
1�544151541544554154715���9995445541544421554115418542181115�41�
|    Iedereen hèddet op zijn manier al erg kwaad. En as ge zoo
|     „bij de vaog langs"\' \'s „pools-hoogte"\' neemt, dan zoudde
i    d\'r „stik" \'n wee hart van kriegen, .dat de lui \'t zoo
|    kwaad hebben"! Och! trekt oe d\'r mar niet te veul van
|    aon, behalve as ge eiges \'n „mopperaar"\' zijt. En schaam
i    je dan, liever van daag nog as morgen: en leer toch da
§    klagen, „steen en been", af!
Gerust, denk toch niet, dagge \'t kwaojer hét, as \'n ander:
i    laot alle pretensie op „lieverkoekjes" varen. En as ge echt
|    stil bloed wilt krijgen, dan motte d\'r mar \'s over gaon prak-
1    kesieren, dagge \'t \'r eiges veul erger naor gemakt hèt, as
|    da ge \'t thuus kriegt.
En as ge dan weer \'n bietje tieriger zoudt willen worden.
I    nuum dan \'s op, as ge \'t kunt(!) wa veur goeds dagge nog
I    al zoo meugt hebben. En as ge dan weer \'s goeien moed
|    wilt scheppen, en \'t lot in lof\' veranderen, denk dan maar
I     \'s, datter geschreven staat: da God alle dingen, dengenen.
i    die Hem liefhebben, wil doen medewerken ten goede (Bom.
|    8 : 28a); en datter, zoo as onzen tuinman zeidt, „uut \'n
I    stekelige cactus al mee de moiste bloemen kunnen kommen".
Intusschen, terwijl „ien \'t generaol" de zaak zoo staat,
I    mogen wij toch ook wel van geluk spreken, as we eiges van
0200000101009100010002020200020000530102009002010202020105020000010202020002000201535302020102
-ocr page 218-
4554154�5�5�5543�155415�41541154155��54545444�554554�44154241115
200                                          PLUKSEL-BLAOIUES.
0200010201010201020090000200010202910002020000020200010200020000010200010201010001010100000102000201020200002301020002000102
\'n goed humeur zijn; en veel te doen hebben met anderen,
die ook nog al goed „gemutst" zijn. Die eiges ien \'t
tegendeel thuis zijn, en die veul met „humeurige" lui in
aanraking komen; o, ge kunt er niet meê opschieten. En
laot staon, dat \'t \'n groote zonde is veur God, da „ge-
knerp"\' en da „gesteun", makte d\'r oew eigen leven, en da
van \'n ander, zoo „podderig" meê as \'n potdeksel.
Maar wie eiges \'n goed humeur hét, en goed „leers" is,
um ien de dingen van \'t léven ok \'s \'n bietje van \'n ander
af\' te kieken, rijdt, za\'k is zeggen, ien \'n tramwagen zoo
makkelijk (al is \'t ook \'n bietje benauwd soms en vol!);
terwijl dat \'n ander deur \'t mulle pad, bij geliekenis, hêr
mot „boksen\'".
Da dacht ik nog zoo, korts gelejen, toe, op \'n erg
heeten dag (een van de êrsten van \'t jaor) de minschen
van alle kanten alweer aon \'t zuchten, steunen, en blaozen
waoren, „dat \'t zoo balsemiek" was. Ik wil nie ontkennen,
dat ik d\'r ok al \'n bietje aon meê deê, veural (as ge d\'r
bekend bint) op zoo\'n zonnig vlak „wegske," as, d\'n diek
langs, naor Nimwêgen. Maar zie, net toe \'k tot de gierpont
van de Waol gesukkeld was, met nog \'n paar andere „mop-
peraars," kwam Hermsen aondragen met \'n zak „jong
T.......II........].....rillllt......Jl............JII llll........114......i IJI......LIM t.....tlllll II.....It............lil......il III Lil lil II11.....
-ocr page 219-
iilIlitiinillllllllMMIIIIIIIIIIMIIMIIIillllMIflilllllllllllirillMIMIIIIIIIItlllllllllllllllMllllllllilllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIMMIIIIIIIIM,
PU\'KSEL-BLAOIUES.                                       21 tl |
keujes", die ie, van Aalst af, \'n uur of drie op de rug ge-    f
had had; zette op de „gier" de zak, met al da gemier    |
van „jong keujes" der in, op de grond ; wischte z\'n eigen    |
met de mouw van de jas \'t zweet af; en zei toe, doodleuk,    i
met \'n boerenglimlachje, tegen \'n ander, die ok o[> de „pont"    |
was: „\'t is deui weer, Jansen!" Ik heb d\'n heelen dag nie    |
meer geklaagd; en as ik die tevrejen tronie van Herinsen,    1
rondom ien \'t zweet, veur me kreeg, me gedurig over m\'n    |
eigen „siekeneurigheid" geschaamd.                                              |
En, terwijl ik dit schrijf, gaat \'t mij weer net zoo.     |
Aan klagen geen gebrek; druk. haastig; en \'t loopt niet    ï
meê; en \'n ander hèt \'t eigenlijk veel makkelijker as ik;    |
en, as de minschen maar anders waren: en, net da\'k uit    |
most, hê\'k de broek gescheurd aon \'n spijker, enz. enz.
Maar, daar had ik \'t weer: „\'t is deui weer, Jansen!" en    |
ik heb me geschaamd; en ik zal \'t nie weer doen, Herm-     |
sein; ik zal oppassen, jong, da\'k deur \'t zweet, en as    i
\'t mot, deur \'t treuren hèn, ok nog \'n opgeruimd tevrejen    |
gezicht zet. Och! \'t spiet me, \'k ha strak zoo\'n gezicht van    §
„ouwe lappen"!                                                                              |
„Gewillige arbeid valt niet zwaar." Maar \'t is ook    |
zeker, as we ons maar weten tê schikken naor de omstan-    |
MIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIMIIIUiniMIMIIIIIMIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIillllllllMIIIIIIIIIUIIIliï
-ocr page 220-
II......IIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIMMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIHIIIIIIII
i 202                                         PLVKSEI.-BLAOD.IES.
|    digheden, du we \'t, met Gods heilige hulp, zachtjesaon zoo-
|    ver brengen, da de omstandigheden zich naar ons schikken.
|    M\'n moeder, met \'r opgeruimd, tevrejen hart, wist \'t altijd
020001020053020000020000020100020200010202485302000101010201000253484853484853532353532300020253
|    zoo te plooien, da \'k duk gezeid heb; zóó verdriet en
=    moeite te hebben is veul jjlezieriger, as met n korzelig,
    ontevrejen humeur met de neus ien de „botter" te vallen.
    En as \'n ander zou gezeid hebben: daor is gin deurkom-
    men aan! dan was zjj al over de helft; en dan kreegde
    nog \'n vriendelijk, goeijig gezicht op de koop toe.
    Van \'n mensen, ha ze \'t niet; en uit de boeken geleerd
    ha ze \'t ok niet; maar ik geleuf, da ze \'t van boven had !
    En toch zei ze wel is: .blijf kwaje hond en brommige
1    menschen maar altijd uit de voeten; en as ge leeren wilt.
|    wat tevrejenheid is, dan moette maar veel op school gaan.
I    waar \'t licht is. En as ik dan vroeg: ,waar is dat moeder?"
|    dan zei ze: .waar vrede en oprechtheid wonen\'".
|
|
|
i
|
|
|
1
                                                 XLIX.
Dezer dagen heb ik weer eens een echten „zwetser"
ontmoet. Och! grootspraak, *t meest onder den schijn van
TlllllllllllllMIIMIIIIIIinMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIMIIMIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIII
-ocr page 221-
�94595454138415455541151155155564419511454451�140
5��542854415541159989999041�54999999999444��415445�13�43544154�5
PLl\'KSEL-BLAODJES.                                                    -\' ••">
i    nederigheid, is zoo\'n alledaagsche kost, dat we er, ook om
|    de hooveerdij van het eigen hart, dikwijls zelfs geen erg
|    in hebben, als een ander, of wij zelve, bezig zijn zoo\'n kost
|    op te dissehen. Maar als er zoo\'n .matador" komt, die je
|    de ooren van het hoofd zwetst, ja, dan merken we \'t
|    weer eens .onmundig", wat \'n onhebbelijk mensch \'n
|    zwetser is.
Niemand kon buiten hem, zoo beweerde d\'n onze. As \'r
|    wat te doen was met de verkiezingen, hij was de man.
|    Korts had ie, wel \'n veertien daag lang, mot je weten, veur
1    eigen rekening(!) stad en land afgereisd, om de heele „rate-
|    plan" kiezers de wacht aan te zeggen, dat ze zijn candidaat
I    moesten stemmen — „wa blief?" — Alle groote heeren had-
|    den hem noodig, mot je weten. Graven en baronnen nuumden
Ë    \'m maar zoo bij z\'n naam, as speciaole vrienden. Toe, \'n
I    poosje gelejen, de burgemeester zou iengehaold worden,
i    hadden ze hum d\'r veur gespannen, urn veur \'n cadeau, van
ï    wïi bin je me, te zurgen; en z\'n vrouw ha gezeid: nou, dan
I    zal ik maken dat de mevrouw ök wa kriegt. En toe had
hij \'t erst geteekend, bom! mot je weten, veur \'n rejaole som
|    veur den burgemeester; en z\'n vrouw, \'t erst, bom! veur de
|    mevrouw. En zoo hadden zij met d\'r beijen, ,con subis"
1789�926330�05114119��9999991541�5424471697694642
-ocr page 222-
^MMMIMM MM lltlirilHIIIUIIIIIII III llllllll IIIIMMIMIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIII MINIMIN MINIMI MIMI MMI MM Ml IIIIIIII llllll IIIIMMIIMIHIM
i 204                                       PLl\'KSEL-BLAOIUES.
| (cum suis = met hun vrinden) da dingske mar is netjes ge-    |
| rooid — ,W!i blief?"                                                                    i
Als hij, mot je weten, z\'n eigen erges toe zette, dan    |
| hoefde d\'r gin ander bij te komen urn te helpen; zoodat ie,    |
| toe z\'m is een vijftien gulden gestuurd hadden veur de on-    |
| kosten ien dit of dat, hij met gemak die vijftien gulden    |
1 weerum gestuurd had; met de complimenten d\'r bij van    |
| hum, Kees S., dattie mans zat was „um z\'n eigen te be-    |
| druupen.\'\'                                                                                        |
En zoo ging \'t, rateplan, van \'t een op \'t ander, ik moet    I
1 zeggen, \'t was me „ongenietbaar". Maar\'n vriend van me, die    |
| dat meê aanhoorde, vatte \'t van den schalkschen kant op,    |
| en begon ook van „mot je weten", „bom" en „rateplan",    |
| tot groote ergernis van Kees S, z\'n vrouw, die dat, naar    §
| vrouwenaard, al gauw in de gaten kreeg, maar toch de    |
| kans niet schoon zag, om haren toorn te luchten.                    |
Intusschen had onze „zwetser" \'n sigaar, ien \'n rietje,    |
| veur den dag gehaold, om is te toonen dagge de sigaoren    |
| bij hem nie minder hoefde te verwachten, as op \'t kasteel.    |
| Hij had de vriendelijkheid, da mot ik zeggen, om \'m mij te    |
f presenteeren. Maar toen ik bedankte, pijpte \'n ie \'m zelf    f
| aon; dee \'n trekske \'n of wat, wierd bleek en stil.
TllllllHIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIII\'.IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIlllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllliMllilllllllllllM
-ocr page 223-
flIflIMIIIIIIflItllllllllltllflIlllflflIllltllllllllllinillllMllttlllflIIIIIIIIIIIIIItlllllllllllllfflIlllltllllllllllllllllllflIIIIIIIIIIIMIIIIIIt
PLUKSEL-HLAOPJES.                                       205 I
598454969899573573�989999999999999999999999999999999299793299991
,Ik geleuf dat oe de sigaor niet erg best bekumt", zei    |
ik tegen \'m.                                                                                    |
„Nee, hjj is \'n bietje kras, mot je weten"\', zei Kees S.    |
„Dan mot je d\'r mijn maar een paarhonderd van present    f
sturen", zei m\'n vriend, misschien wel \'n bietje ondeugend.
En toen de vrouw! met \'n stem, o, zoo smêlerig, as of    |
ze al d\'r gal wel uut smêlen wou: „Ja, da zoudde wel    f
willen, hè !"
Maar toe raakte al „de aordigheid" van \'t gesprek af.    |
M\'n vriend kreeg het land; de vrouw kreeg het hoogc     I
woord; Kees wierd hoe langer hoe bleeker en stiller; en    |
zei eindeljjk: „Nou motte jullie mar uitrukken; ik heb oe     |
nou ok lang genoeg gehad, mot je weten".
En wij rukten uit. En toen ik „veur buuten" kwam.     |
most ik êrst êfkes stilstaon, en wijd gapen, urn wat licht    |
en wat lucht te happen; want ik had \'t bij Kees „den    |
zwetser\'\' erg benauwd gekregen.                                                  |
Ja, zoo\'n „zwetser", \'t is benauwd.
Horen, was Schwiitzer sagen,                                                          |
lat nog schwerer als zweihunderd Pfund Steine tragen.
Twee centenaars steenen op de borst, is nog nie zoo zwaar.    |
IMIIIIIIIIMIIIIIIIIIIinillllllllllllllllllllllMIIIMIIIMIIIIIIIIIIMIIIIMIIlnMIIIIMIIlnlIIMIIIIMIIIIinilllMIIIIIIIIIMIIIIMIIIMIMMIIM
-ocr page 224-
555555555555555555555555555555555555555555555
1 206                                       PLl-KSEL-BI.AOIl.IES.
|    as dagge mar mot zitten brillen, en \'n zwetser mot aonheuren.    f
En nou had ik \'m wel \'s kunnen kapittelen. En dat heb    \\
|    ik tusschen de bedrijven ook gedaan. Maar hij was zoo     I
|    vroom, „da wiest ie allemaol allang, dat \'n niinsch gin    |
i    roemens-stof mag hebben van z\'n eigen, en da ze nog kom-    |
|    men mosten, die hum ien de kennis van \'t woord „staon"    |
|    kosten; en die zooveul ien de afhankelijkheid waoren as     1
|    hij. En toe heb ik \'t \'r mar aongegeven. Want as \'n minsch    |
|    vroom is, en dan nog „zwetst" ; of zelfs op z\'n vroomheid    i
|     gaat „zwetsen"; dan geef ik \'top; dan mot ik zeggen; daor    |
1    is gin bijkoinmen aon. Gisteren heb ik \'n briefkaart van    |
|    Kees gehad, om me te verzoeken, mot je weten, as dat ik    |
1    aon m\'n vriend most zeggen, dattie \'m, met gemak, nog    |
|    wel andere\' sigaren zou kunnen veurleggen, mot je weten;    |
|    mar da z\'n vrouw „con subis" d\'r liever nie meer van ge-    |
i    diend zou zijn, dattie nog \'s weer meê kwam. „Mijn candi-    |
i    daat voor de Staoten heb ik er met glans deur gehaald;    I
|    die Kees S. op de kruiwagen hêt, mot je weten, die kom-    |
|    men d\'r wel."                                                                                ï
En ik heb \'m weeromgeschreven, dat ik \'t m\'n vriend    |
|    zeggen zou ; mar da \'k eiges ok gin plan had, um veurerst    §
|    weerom te kommen; tot tijd en wijle, dat \'t van bin-    |
02480200000200010102000001010200020200000100020102020000020200020200000048530002000102020053530000020202
4823484848234823010131020001010002010253020200020002534823535353903248235348000200010102000101
-ocr page 225-
0200000000000001024801010102020201000001480202010202010102020102020102010102000001020202000000
PLUKSEL-HLAODJES.                                          207 1
nen en vim buiten \'n bietje minder benauwd wierd; en §
da Kees ok is luisteren most naar \'t geen wat \'n ander |
te zeggen had.
                                                                                ï
L.                                                     |
„Da liê nou toch d\'n heele lente geduurd, dat \'t weer    |
net was as de „minschen", zei Jansen, toen we \'t over den    i
langsten dag van \'t jaar hadden;" da was egaol deur altied    |
mar hollen of stilstaon; van daag \'n jas te meer, en mêrgen     |
\'n jas te minder; as \'t \'s middags was urn te smelten, dochte    |
\'s avonds meê keeren, dat-ter nog wel is \'n bui sneei uut de    |
lucht kon kommen wapperen; op éénen dag hê \'k te geliek    i
ien \'t zommerhuus en bij den hêrd gezeten."
„Van \'t weer daor blief ik af\', zei \'k toen tegen Jansen,    |
„want ge weet wel, alle weer is Gods weer! En ik heb me    |
\'s erg moeten schamen veur \'n „grof" minsch, die, toe ik    |
ook \'s klaagde over \'t weer, me de les las: „gij klagen?    |
is alle weer niet goed ? ik dacht daggij nog al staat maakte    |
op den Bijbel!" Van \'t weer daor blief ik af, Jansen. Maar    f
555555555555555555555555555555555555555555J555
-ocr page 226-
JIIMIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIinillllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIlUIIIIMIIIIIIIIMMIIIIIMMIIMIMIIIIIIIIIIIIIIIIIItlMI
208                                            PLl\'KSEL-BLAODJES.
2348535348000000010002485323020001010202234853000002020001010200010002010102000200010201535302000102005302000101534848482353
as ge \'t koud of wêrm hét op éenen dag onder de men-
schen; en dat \'t oe net is, alsof ge \'t eene oogenblik lekkertjes
ien de zuije-wind zit, en \'n oogenblik daarna mot wegkrim-
pen veur de noorde-wind: en dat \'t daor hollen of stilstaon
is; en dagge d\'r niks gin staot op kunt maken; en dagge
daor erg ontevrejen over zijt, en helaas! aon klagen geen
gebrek hebt; o, da kan ik begriepen. Hoewel, ik denk wel
is: laot \'k maar „zuutjes" klagen; want bij m\'n eigen staat
het „weerglas\'1 ook lang niet altijd op „bestendig". Toch
mogen we \'t wel zeggen, en klagen ook wel, da we
tusschen de minsehen zóo leeljjk „in den tocht"\' kunnen
staan, dat ik wel\'s gezeid heb: \'t is maar gelukkig, dawwe
„van binnen" geen kouw vatten, anders had ik zeker altijd
„de koors"!
D\'n eenen dag zoo week as \'n weekdier, en d\'n anderen
dag zoo „grauw" as \'n hagelbui. In \'t een zoo scheutig,
asof \'t er met \'n stortregen uut mot; en in \'t ander zoo
schraol en zoo schriel, asof d\'r „blaok" op kumt met \'n
dorre wind. Op \'t eene oogenblik zoo lacherig, da de specht
niet onmundiger kan lachen; en dan weer zoo „doezig" as
\'n roerdomp op z\'n vuilst! Alles toegeven, of niks gedoogen!
„Net as Teunis Hermsen," zei Jansen, „die z\'n pèrd op
iniiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiniiiiiiMiiiiiiiiiiiiiiiiiitiiiiiiiiiiiiiMiiiiitiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiNiiiiiiiiiiiiiiii
-ocr page 227-
0100000202020000020002020200020202890200020090000202010202020102010202010100010001020102000102
PLUK8EL-BLA0DJES.                                       20!) ï
I    \'t ééne oogenblik den haver liet verknooijen ien den buk, en    |
|    op \'t ander oogenblik „d\'n bruine" ien \'n gloeijend „raokel-    ï
i    iezer" liet bieten,                                                                           Ë
Of zoo as Koos van Piet-baos dee, zei ik, met Dotje    1
|    van den klompenmaker (urn nou \'s \'n minsch tegen \'n    I
|    minsch te zetten!); die „de jong"\', deur z\'n toegeefelijk-    |
ï    heid, zoo baldaojig gemaakt had as \'n „vullen" ien de    I
|    wei. En toe Dotje van de wienter in z\'n baldaojigheid    f
|    deur \'t ies zakte, haalde Koos \'m d\'r weer uit. Maar    ï
|    toe Dotje ien \'n vaort naor huus toe wou schuiven.    |
|    kreeg Koos \'m „bij \'t bukske": „Nee, Dotje", zeiddie, „da     |
i    gee zoo niet, nou motte d\'r nog ins ien, dan zulde \'t wel     |
|    nooit weer doen!" En \'t erme Dotje most r „nog ins ien",    |
ï    en kreeg de koors op \'t lief; en loopt nou nog zoo te     =
i    kugchen en te trekken, dattie d\'r ligt wel nooit van bovenop    |
|    zal komen.                                                                                      |
I        Hollen of stilstaon; \'t een oogenblik „glijbeentje" rechts.     |
|    en \'t ander linksch. Hoe kan \'t toch, dat uit éen fontein    |
i    het zoet en het bitter welt: (Jakobus 3 vs. 11). Niet    |
|    anders, dan wanneer het zoet niet waarlijk zoet is, en het    |
|    bitter geen „heilig bitter" is. En wijl het een net zoowel    |
i    zonde is, als het ander.
0002000200020100028923480202010102000002020290020000000201010202010202020200020102000200020202
11
-ocr page 228-
�999624058999999999999999999653�44444499��8120�94
454145155441544445445189��541541585419028541899�541541�445154541
210                                          PLUKSEL-BLAOÜJES.
Zoo is het. En daarom is \'t helaas! niet anders onder de     ï
menschen, een alleen en allemaol bij mekaoren. Want, ien    |
\'t generaol, ien \'t groot, ien \'t sociaole, of hoe ge\'t noemen     I
wilt, hedde net \'tzelfde. Hier te rejaol, en daor te kniepe-    |
rig: hier te weelderig, en daor te stroef; hier „op de viool".    |
en daor op de „blaospiep\'". We liggen net altied tusschen    |
„den trek" ien. Hagelbuijen of domperige nevel! „Wii van    ï
boven kumt, dat is gin trek! plagt mien greutvaoder    I
wel \'s te zeggen." zei Jansen; ,en \'t zou me nie verwon-    |
deren, dattie daormeê bedoeld hét, ien \'t goeje, krek \'t    =
eigeste as gij ien \'t kwaoje".                                                       §
En \'t zou mien nie verwonderen, Jansen, da gij. ien \'t    i
goeje, wel iets van oew grootvaoder hét; want da begriep    I
ik wel, da grootvader \'t goed veur had. Van boven vatte    |
gin tocht! Wie \'t veur z\'n hart. en z\'n huis, en z\'n hoop    |
niet op de noordewind en de zuijewind zet, die van den    |
eenen hoek ien den anderen schieten; maar zich richt naar    I
Gods ordonnantiën, ook door den ijzigen winter van \'s men-    i
schen zelfzucht, en door den zwoelen, zwaren dampkring    f
van \'s menschen dwaasheid heen, die „lapt" \'t \'m wel. En,    |
tusschen al \'t „gemier" van menschelijke willekeur en harts-    |
tocht, zet hij z\'n koers op de barmhartigheden Gods, die alle    |
�9994544�441294310563351��99909999999999999�99941
-ocr page 229-
99995444141�91�44�371159995�5415545�515�45�441545
PLUKSEL-BLAODJES.                                        211 =
|    windstreken in zijne hand besluit. Vrij en blij, frisch en    i
1    vroom, ootmoedig en bljjmoedig, gaat dan de trek door    ï
\\    \'t leven. En wie zoo raad zoekt bij Hem, die recht en ge-    i
|    rechtigheid handhaaft, zal niet beschaamd uitkomen.
„Maar ,a prepo\'", urn nou nog \'s op \'t weer terug te    |
i    komen"\', zei Jansen, ,,ze willen wel zeggen dat de zon van    |
i    \'tjaor ziek is, en datter vlekken op zitten, en dat de zon    |
e    \'n bietje oud wordt."                                                                      |
Daar hadt je "t weer! de boeren zijn tegenwoordig al net    |
§    zoo wijsgeerig\'\' as ien de stad! „Jansen", zei ik, .zit nou    f
=    nie zoo te .mieren". Onder de zon is van alles ziek, en    |
i    vol vlekken, en oud. Maar d\'r boven is \'t alles licht, en    |
\\    lust en vol vrede. En de zon wordt niet oud! (Ps. 72).    i
Ê    Totdat de nieuwe hemel en de nieuwe aarde zijn zullen.    I
|    (Openb. 22 : 5).                                                                             j
LI.                                                    1
In „ Holland achter Doetinchem" (zooals ze indertijd den f
Ê achterhoek van Gelderland noemden; maar .nou motte d\'r i
\'iMllllilllllllllllllttllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIItllMIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIMItlllllllllllllMllllllllllllllllllllllltllT
-ocr page 230-
4454999948999999999999999969999999999999999545529944154554�44344
5348538991020001010001020053020001020001010102000102000102000002010253532348000002020102020001020200010248000001000002020001
212                                       PLUK8EL-BLA0DJES.
j um kommen . . . den achterhoek!!") woonden \'n paar luidjes,
! die *n winkeltje deejen, en, umdat \'t niet opnam met de
I Klanten, op den luimigen inval kwamen, nm de spullen \'n
| cent \'t pond goedkooper te verkoopen, as ze ze eiges ienge-
j kocht hadden. Toe kwamen de klanten wel; maar natuur-
| ljjk. hoe meer verkoop hoe meer verlies. Maar da be-
grepen zij niet! En toe ik \'s de vrijjigheid nam, om \'r aon
\'t verstand te brengen, da ze dïi toch nie konden volhouden.
| zei \'t kêlje ; „o jawel, witte nie jong, deur de mênnigte"! Nou,
\'t duurde dan ook niet lang, of ze zouwen „bakkeraan\'\'ge-
rakt zijn. Mar toe ze dat eiges ook inzagen, prakkesierde
t kêlje \'t net anders urn, en nam \'n cent winst op de
spullen. En umdat ie de klanten nou eenmaal had (en \'t was
\'n aordig kêlje, en \'n prompt wiefkei hieven ze bij \'m. En
ja, toe wierd \'t „deur de mênnigte"\' goed. En ze hebben
\'t nog zóó gekregen, da ze op d\'r ouwen dag de zaken aon
\'n kant konden doen, en stillekes „d\'r rente léven", \'t
Wiefke lêf\'t nog, en hét urn Gods wil, o! zoo gern wat
over veur \'n goed doel, „want alle kleine bietjes helpen, met
schik, en eiges hoef\' ik \'r nie veul meer van te „bruisen"."
Die geschiedenis kwam me dezer dagen zoo veur, toe
\'k in Amsterdam een karreke langs de straat zag schuiven
IIMMIIIIIIIIIIIIIIIiniMIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIItlllllllllllllllllllllllllllllllllllllllllilllllllllllllllllllllllMIIIIIIIIIMI
-ocr page 231-
IIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIMIIIIMMMIMIIIIIHIIMIIIIIIIIirilllltllllllllMlltlMIIMIJIIItllllttlftlllllllflIlllllfttfrflUIIIHHMKIIIH
l\'I.IKSKl.-l\'.I.VillMES.                                             218 1
waar met groote letters op geschilderd stond : Stelregel: ver-     |
koop met uiterst geringe winst. Nou, da\'s \'n mooije ,stel-     |
regel". „As ze d\'r nou <>k mar naor doen"! dacht ik bij m\'n     =
eigen, net as d\'n ouderling Jakobs bij ons op \'t durp zei. toe    |
de domenie bij de „aonneming?\' vroeg, of ie ok nog wat    |
over de .gedane vragen en antwoorden" te zeggen had?    f
,As ze d\'r nou <">k mar naor doen!" Want ik weet niet.    I
maar as men z\'n .stelregel!" zoo mooi laat schilderen voor    |
de menschen, of \'t binnen ien \'t karreke, en binnen ien     |
\'t hart ook zoo .mooi" staat! Maar anders .de stelregel" is    |
mooi, dat mot \'k zeggen. Heel wat anders, as waarover de    |
profeet most kligen (och! en die klacht is no<>- lang niet    |
de wereld uit!) over woeker namelijk, en genomen over-    §
winst (Ezechiël 18: 1:5: 22: 12) o, Daar zijn ook nou nog.    i
zooveel .nieelmuuzen\'\'! En daor blijft bij die en gene zooveel    |
.aon de striekstok"\'! En daor worden zoo veul .slaatjes uit-    I
gehaald"! .En een hazenvel mot \'n haas worden, zei     |
je gezond, dan gaat \'t zaakkie pas overbeheerlijk\'\', zooals     |
de vellenjood bij ons zeit. En of d\'r nou \'n <j;ek is. die \'t    1
\'r veur gift; of dat de waor wa verminderd wordt: of da    I
men de markt kan dwingen; of da men iemand borgt, en    |
lillijk grèi ien de marsch douwt; \'tis allemaol al krek allins!
IMMMIIIIIIIIMIIIIIiriMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIinillllllllllMIIIIIIIIIIIIMMIItllllllllllllllllllMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIH
-ocr page 232-
1 214                                        PLL\'KSEL-BLAODJES.
1    En diioruni is \'t \'r ook nog zooveul vloek onder de minschen,
|    en prikt \'t distelzaod nog zoo menigeen, as ie \'s avonds z\'n
=    heufd op \'t oorkussen leit.
Nee, maar die stelregel: verkoop niet uiterst geringe
|     winst! (la\'s \'n mooi ding! Alleen wou \'k nog maar \'s
f    vragen: waarom laat je \'t zoo mooi schilderen? zoudde
1    soms bang zijn. dat de menschen \'t anders nie gelenven
I    zouwen?" Simplex sigillum veri = lioe eenvoudiger dat \'t
|    staat, hoe gemakkelijker dat \'t \'r ien gaat! En op „\'t karreke",
i    da gilt ok niks: ien de laoi mot \'t staon, en op de scliaol,
|    en ien de zak. en ien \'t hart! Mar \'n mooije spreuk is \'t.
|    dat is \'t! En ik weet wel, as ik iemand ken, die, „d\'r
|    ok ïiaor dunt", dat ik z\'n klant bin, niet alleen veur
I    de goedkoopte (hoewel, dat is ien onzen tied (de niet
|    te versmaojen!) maar veural urn \'t beginsel van eerlijkheid
|    en goeje trouw !
In den ouwen tijd hadden ze \'n spreuk: de lucro vivere
=    ~ van de winst leven! Maar da was mooi, dat da nou net
|    bedoelde, zoo. dagge dan ook met oew winst veur den dag
1    dorst te komen; en dagge, net as die twee luidjes „ien
|    Holland achter Doetim liem", met God en met eere nieugt zeg-
ï    gen, .dagge nie met de zégen onder de minschen gevischt
TlllllllHMIIMHMIIHIIIlllllllllllllliniHIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIinillllllllllltllllllllllllllllllMMIIMMIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIll
-ocr page 233-
linilllllllllMlllllllllllllllllltliniMIIMIMIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIItMIIMIIIIIIIIKIIIHIIMIIIIIMIIIIIIMHIIIIIIIMIIIIIIIMIMIIIMIlllllllM
PLUKSEL-BLAODJBS.                                              21Ó =
1    hét", maar overvloed gekregen hebt door de macht van \'t     |
i    kleine, asof \'t allemaol daauwdruppeltjes van Gods zegen     i
§    waoren!"
Die „achterhoeksche luidjes"\', dom van verstand waren\'ze.     I
I    dat is zeker: maar ook, ze waren kinderen in de boosheid;     ï
I    en daarom zijn ze in het verstand volwassen geworden. ( I     i
i    (\'or. 14 : 20) Och! duk is \'t zoo anders: Slim ien\'t prakke-     |
i    sieren, veiiral as "t op van .spliiitum" tionkumt, (zoo as onze    i
1     „hooi o]) Aorem" da nuunit) en volwassen ien de boosheid :     |
|    en daarom eigenlijk kinderen in \'t verstand. Want, z\'n eigen    =
ï    \'n strik urn de hals te leggen deur de geldgierigheid, dat    |
i    is toch eigenlijk oliedom, en. erger nog, o. zoo goddeloos !    1
„Ge praotte daor van zoo\'n geschilderd karreke", zei    1
Ë    de mulder hij ons (sommigen zeggen wel is zuiltjes : „de    I
|    inéhnuus" tegen \'m) toen wij \'t zaam over dit geval hadden,    i
I    en \'t wel scheen, asof \'t niet erg met \'m .vlotten" wou: „hêdde    I
|    gij gezien, hoe mooi da Janbaos mien meulenkar opgeschil-    i
|    derd hét\'/ \'t kêlje liekt mien toe \'n goeje werkman te zien    i
1    ien z\'n vak".                                                                                   |
i       ,Xou", zeg ik. .da\'s gelukkig veur Janbaos, want \'n .goeje"    |
|    werkman hét ök altied \'n goed stuk brood. Mar ge mot \'m    I
1    ok \'s \'n spreuk op de kar laoten schilderen. Hermsen: stel-    i
0201910001020202000201020101010201000200010102010200010201019101534853020100020201020100010101
-ocr page 234-
54�51��699914�15510714499929�2999999990999999999�
0102020002020000000201020000000202020002010202020201020101010102000201020102020100010100020000018989534853020001020201010102
0002025353484800010002020000022353532353534848532353534801020101010200010101020202020048230200485301020000020202005300015348
21(5
I\'l.UKSEL-BI.AODJES.
regel: „eerlijkheid duurt het langst"! En gelukkig, as gij en
ik; d\'r dun ok naar doen meugen! Want van biuiten, da git\'
niks, as \'t van binnen ok nie geschilderd steef\'.
LIL
.Kunde gij me ook zeggen, Laniers, hoe \'t met den neien
dominé in K. yeet ?" vroeg ik dezer dagen aan \'n L.schen
groenboer, met wien ik saam in \'t spoor reisde.
„Da za\'k oe met korte woorden \'s gauw êfkes vertellen",
schoot daarop m\'n reisgenoot uit. ,Gepassierden Vrijdag
bin ik met \'n kar gruunten naor Aorem gewest. Daor
gaoi \'k gemeinlijk tweemaol ien de wêk naor toe, Diens-
dags en Vrijdags; net as Donderdags en Maondags naor
Nimwegen. Nou, da\'s goed: ik was al heel vroeg ien de
stad, want ik ha nog \'n ben met jonge keujes bij me, daor
\'k meteen meê merkten most. En zoodoende was \'t al \'n
bietje laot geworden, eer da \'k met al m\'n dingsigheden
verrig was. Anders zie \'k gemeinlijk al urn \'n uur of elf
klaor; mar gepassierden Vrijdag was \'t \'n uureke laoter ge-
0101020123532323530202010101010102000102000200010102010201530100000202000002020201000001020100
-ocr page 235-
[MIIIMMIIIIIIltlllltllllllllllllllllllllllllllMIIIIIIMIMIIIIIIIIII tllllllinillllllllltlllflIllllllllllllinilUlflflIllllllflflIllflMlflIIIIMIII
I                                                           PLUKSEL-BLAODJES.                                             217 ?
\\ worden. Nou, da\'s goed ; as \'k gedaon hel) op de merkt, dan    |
| gaoi \'k gemeinlijk \'n kop koffie en \'n paar broodjes vatten    |
1 bij Hermsen op de Verkensmerkt. Daor houwen wij .colle-    |
j gaas"\' groenboeren dan nog "s zooveul as \'n bietje beurs op    i
j ons eigen houtje nao. Mar \'t is gemeinljjk kweken en kof-    |
j fiedrinken (— ,en snaps misschien" schoof ik er tusschen—).    |
j meer as da we daor zaken doen. Xou, da\'s goed; net dat ik    i
j \'r zoo\'n poosje gezeten had, en m\'n nat en m\'n dreug beheur-    1
lijk gehad had. want \'k mot zeggen, as ge zoo van\'smergens    1
I vroeg af al ien de weer gewest bint, dan laotte \'t oe ge-    |
meinlijk nog al goed smaken; nou, wa \'k zeggen wou, onder    i
de bedrijven da\' k daor zat, kwam Gerritsen van \'t Honings-    I
veld uit K. ok binnen. Da witte zeker wel, die gepassier-    |
den veurjaor getrouwd is met de dochter van Frerik    I
Klaossen. Xou da\'s goed; we raakten al gauw samen in \'t    |
diskoers over „koetjes en kalfjes", en zoo as da bij mannen van    I
\'t vak gemeinlijk geet, hebben we allerlei dingsigheden samen    |
verhandeld, want hij had de tied, net as ik; totdat ik eindelijke    |
tied begreep, da \'k maken most da \'k wegkwam. En toe \'k weer    |
op straot was, toe docht ik: Jong, nou had ik Gerritsen zoo    |
goed \'s kunnen vraogen, hoe of ze \'t met den neien dominé    I
maken; dat is me nou compleet deur de kop gegaon!"
\'lllllllllllllllMllflIIIIIIIIIIIIHIIIIIIIIIIflIIIUIIIIIIIIIIIIIlllUIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIlllllllMIIIIIIIIIIII......Illlïï
-ocr page 236-
5348482348535348534853532353532353534823000202020200002353024800010102000100025323485348914823
5541511541�414411��5�415499944�1154415949954154435415�414155�445
218
1\'U\'KSEL-HLAorUES.
Nu heb ik nog maar heel in \'t kort \'t heele relaas van
Lamers, dat „compleet" op niks uitliep, weerom gegeven. En
terwijl ik dit „kort uittreksel" geef\', schaam ik me „com-
pleef\' om zoo „niks" te moeten neerschrijven.
En toch, dat is het ergste niet. Maar dat dit eigenljjk
slechts \'n ordinair staaltje is van wat men, ik zou zoo
zeggen dagelijks, te hooren krijgt, dat is het slimme van
\'t geval. Al die onnutte woorden, al die omhaal, al \'dat
kweken en „kawauwen", al dat „doorgezakte" in taal en
stijl en discours, duizend woorden overhoop halen voor een,
en dat „éene" is dan duk nog „niks" ; wie heeft er niet
over te klagen ? En misschien mochten we er ons eigen
ook nog weleens over onder handen laten nemen !
„Wagge met tien woorden zeggen kunt, gebruikt \'r toch
gin honderd veur, want de tied is te kort en te kostelijk",
zei onzen ouwen tuinbaos, die erg mans was in de daod,
maar erg min ien de praot. Misschien dattie \'t wel
geleerd had van de blumkes, en de struuken, en den dauw,
dat al de heerlijkheid ien de schepping „eigenlijk" uit
de stilte geboren wordt; en datter ien de natuur mar
net krek zooveul gekweel en spraok is, dagge „eigenlijk"
zeggen mot: hê, nou wou ik toch nog wel \'n bietje
IIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIIIIIIIIIIIIIIIIMIIIIMIIIIIIItllllll
-ocr page 237-
lllllllflIlflIfJIIIIflflIllllflIIIIIIIIIIIHItllinilflIllflIIIIIII.....MIIMIIIIIHIIIIIIIIIIIIIIIIM1IIIIHIIIIMIIIIIIHIHIII1IIIIIIMIIIIIIIIIMM
PLUKSEL-BLAODJES.                                       219 1
meer heuren! da\'s ullemaol welsprekendheid van boven!
Ja zeker, as \'t woord \'n daad is, spreek dan maar toe.
Maar anders, och! menschenlief, bedenken we toch, dat de
tijd zoo kort en zoo kostelijk is. Laten we ook in dit op-
zicht onszelven eens weer oprapen, en den gordel aan-
binden, en de lendenen weer tot vastheid zetten, en trach-
ten klem en kracht en nadruk aan onze woorden te geven.
En we zullen d\'r mekaar ook \'n groote nuttigheid meê doen;
ja, \'n dure verplichting meê vervullen. Want daar staat
ook geschreven : gij zult niet stelen ! En tijd is nog meer
dan goed of geld. En as ge dus met allerlei onnut gebazel
den tijd ook voor \'n ander zoek maakt, dan zijdde al net
zoo erg as \'n dief! Maar in \'t goeie, met \'n goed woord,
\'n woord dat spreekt, dat „hout snijdt"\', dat goud in den
mond is, wel, daar kunde \'n ander en uzelf rijk meê maken;
maar dan moet het ook „effectief" wat zijn, en wat zeggen!
Ik heb \'s uitgerekend, dat \'n buurman van me, met wien
ik kort \'s avonds zat te naoberen, en die anders nog wel
wat wist te zeggen, ien een uureke op de drie duizend on-
noodige en onnutte woorde gebruikte .... Hoeveel woorden
zou dat naar rato in heel Amsterdam op éenen dag zijn?
En hoeveul zouden er daar nog tusschen loopen van al die
0202000001530102000000020202010100000002020002020200020101010202010100000202010002010202000201
-ocr page 238-
90010100010102000101020200000200020200000102010100000002020001010200020200000201000200000001
I 220                                      FLUKSEL-BLAOD.IES.
ijdele woorden, waarvan ieder woord, in den grooten, heiligen
dag van het oordeel, op de weegschaal zal komen?
Met dat ik deze regelen schrijf, komt er een m\'n deur
binnen; en op m\'n vraag: „mot je hier zijn, vriend?" ant-
woordt hij: „ja, da weet ik eigenlijk niet; maar ik mot hier
iemand afhalen!" Ik ga, zoo gauw als ik kan, schuiven;
want ik weet wel, dat \'t hoog tijd wordt, om toch maar
dadelijk weer geen nieuw proefje van „doorgezakte woorden-
krêmerij" te moeten slikken. Daarom zet ik maar punctum.
Ps. 39 : 2.
Voorloopig schei ik er met m\'n „pluksel-blaodjes" uit.
„Te veul uutschot op ins, da\'s nie goed veur de leverantie",
zei Jansen. Dankje, Jansen, ik heb \'t begrepen.
IIIMIIillllllllillllllMMMIIIIIIIMIIIIIIIHIIIIIIIIIlllMIIIIIIIMIIIIIIMIIIIIIIIIIinilMIIIMIIIIIIIIIIIIMIIIIIMIIIIIItMMMIIIIIIIIIIIIIII
ZA^