-ocr page 1-
SP*> t**
Lf
\'
L. VAN DEYSSEL.
OVER LITERATUUR,
(De Heer F. N E T S C H E R).
>
• • • .• ... - •
i . .                                                                                     . •
•
"
AMSTERDAM,
BRINKMAN & VAN DER MEULEN.
1886.
•:-. • &v^ «;"\'#"\'
-ocr page 2-
**\\/v\\ \\<Q
fe?
^ïlaS\'
-ocr page 3-
mmr:m>:.:.:
-
-
.
<f^>
I
-ocr page 4-
A06000013939107B
-ocr page 5-
L. VAN DEYSSEL.
OVI-IR LITERATUUR,
(DE HEER F. NETSCHER).
•
BIBLIOTHEEK
RIJKSUNIVERSITEIT
UTRECHT
-ocr page 6-
1 \'ƒ1
•
-ocr page 7-
Aan
ILLE1 j\\ L O O 8
-ocr page 8-
-ocr page 9-
INHOUDSOPGAVE.
Blailü.
Stemmingsklenren der lioofdstukjcns.
I. Inleiding.......licht-paarsch......i
II. Herinnering en toelichting . bruin-geel.......2
III. Specificeerende analyse, met l licht-grijs, groen-grijs, I
enkele polemische tinten . ( bruin-grijs, zwart-grijs \\\'
Inleiding..................4
1.  Het temperament.............4
Onmiddelijk uit het temperament rezulteerende eigen-
schappen :
A...................5
Hoe eigenschap A zich manifesteert:
e..................    5
I\'..................    7
B...................   10
Hoe eigenschap B zich manifesteert:
a..................   11
b................• . .   12
c..................\'3
d..................13
£...................15
D...................15
E...................15
F....................i5
Aanteekeningen bij I:
A.  De belangrijkheid van het temperament:
a..................16
b..................18
c..................18
B.  Veralgemeende charakteristiek van het temperament. 18
2.  Eerste niet dadelijk uit het temperament rezulteerende
eigenschap.
Hoe die eigenschap zich manifesteert:
A...................21
-ocr page 10-
INHOUDSOPGAVE.
Illailz
B...................22
C...................25
3.  Tweede niet dadelijk uit het temperament rezulteerende
eigenschap.
Hoe die eigenschap zich manifesteert:
A..................27
B..................27
C..................28
4.  Derde niet dadelijk uit het temperament rezulteerende
eigenschap.
Hoe die eigenschap zich manifesteert:
A..................   29
B..................   29
C..................  30
D..................   30
5......................30
Epiloog van Hoofdstuk III..........31 •
IV. Niet-analyzeerende pole-
mische charakteristiek .         licht-groen, licht-geel . . .31
V...........grijs-zwart.......34
VI........... donker-rood, zwaar-zilver. . 35
VII...........licht-zwart, licht-rood ... 38
VIII. ..........blaauw-zwart......39
IX...........rood-goud.......40
\\ zilver-goud, goud-goud /
\\ zilver-wit, goud-wit \\
XI...........donker-groen......46
XII. \'..........donker-geel......47
XIII.  Charakteristiek van \'s Heeren
Netschers verdienste . . . licht-grijs, blaauw-grijs          . 47
XIV.  Afscheid ...... licht-rose.......50
XV. Epiloog ........ licht-purper......51
-ocr page 11-
ZR LITERATUUR,
(DE HEER F. NETSCHER)
I.
dtu: hierom is beweren beter dan bewijzen, om
ne, Loetseerende, schilderende en zingende beweren
ïn, vormen en klanken in den stijl baart, dan het
Ie, ikkende en snijdende bewijzen.
•j po^en zal hier zijn eenige bladzijden met goed
chrijven; want éen alinea goede taal, in een kritiek
ir, heb ik liever dan een vel druks, waarin zeven-
irho "en worden verkondigd. Een kritikus, die ten
os wordt op een schrijver en die mooj zegt, dat
lees ik met meer pleizier dan een ander, die niet
, ;eft zich te vergissen en bedaard blijft.
in kon slagen mijn onderwerp te verdrinken in
1 aardige uitweidingen, die eigenlijk niets er meê
hadden, zou ik mij zelf goedkeurend toeknikken.
toch een beetje oppassen, want ik zou niet graag
i: te geheele literaire figuur van den Heer Netscher
•r viel mijner hooggolvende omslachtigheid, daar
i
-ocr page 12-
2                                            OVER LITERATUUR.
hij er dan toch wel eens bovenop zou kunnen blijven zwemmer
en ik dan de zwakste zou blijken. Buitendien: Zola is dekipj
die achter de hollandsche duinen het ei Netscher is komen\'
leggen. Nu moet het niet schijnen alsof ik dat ei wou opeten,
daar ik integendeel wensch, dat het tot een aardig kippetjen
opgroeye in den hoenderhof onzer letterkunde.
Maar, ik herhaal, de Heer Netscher is slechts een voorwend-
sel, een aanleiding voor mij om mij eens te ontboezemen. Ik
zal meer verzekeren dan aantoonen; die mij niet gelooven wil,
moet het maar laten.
                                                                    ,
II.
In September en December \'84 debuteerde de Heer F. Net
scher in de hollandsche literatuur, met drie schetsen in het
tijdschrift Nederland, waarvan twee onder zijn eigen naam en
een onder het thands openbaar geworden pseudoniem »H. v.
d. Berg" verschenen. Bij die gelegenheid schreef ik over laatst-
bedoelde schets een artikeltjen in het Weekblad, den Amster-
dammer.
De daarin gebezigde mij-zelf nu wel wat overdreven
klinkende termen van waardeering, het verschil tusschen den
toon dier woorden en die, welke ik nu over denzelfden auteur
1
meen te moeten schrijven, is maar schijnbaar, en dat schijn-,
bare verschil wordt verklaard door het onderscheid der tijds-1
omstandigheden van toen en nu.
Tóen was ik bijna de eenige Hollander, die het fransche\'
naturalisme liefhad en er in de koerant over schreef; de Hee-
ren Cooplandt en Netscher hadden nog maar weinig van zich
laten hooren; de laatste scheen er zelfs nog niet aan te denker.
om op te treden als theorist van het naturalisme. Ik was dus
zeer verheugd, toen ik plotseling in Nederland stukjens hol-
landsche literatuur ontdekte, van dezelfde soort, als die ik al
zoolang had aangeprezen, en ik haastte mij er met zeer veel
lof melding van te maken, <5m dat ik ze werkelijk goed vond
en óm dat \'t mij zoo\'n pleizier deed.
Nu echter is de toestand geheel gewijzigd. Het naturalisme
-ocr page 13-
1
I
OVER LITERATUUR.                                             3
in Nederland, hoe klein ook, bestaat. De Heer Cooplandt heeft
verleden jaar in bovengenoemd Weekblad een reeks aankon-
digingen over fransche natural. literatuur geschreven en zelf
onlangs een allerliefst deeltjen met schetsen uitgegeven. De Heer
Netscher heeft, niet alleen in het weekblad, maar ook in het
.Nederlandsch Muzetim, in Nederland, in den Gids, in den
Nieuwen Gids, in het Handelsblad, in de Portefeuille, ja, ik
weet niet waarin niet nogal meer, met een verwonderende
naarstigheid zijn gedachten over literatuur uit-een-gezet, en doet
nu ook den thands te recenseeren bundel eigen werk het licht
zien *). Het verschijnen van dezen bundel dunkt mij een gele-
genheid om over den auteur Netscher in \'t algemeen, den
kritikus en den kunstenaar, een woordtjen te zeggen. Want
de wijze waarop hij, vooral in zijn kritiek-artikelen, voor het
publiek is getreden, maakt het hoog tijd hem eens te ken-
schetsen. Er is geen sprake meer van: een verdienstelijk jong
talent, dat met zijn eerste pennevruchten voor den dag komt,
met eenige toegevendheid\'te beoordeelen en hem niet te ont-
moedigen bij zijn eerste schuchtere schreden in de literatuur.
Neen, de Heer Netscher voert in alle organen, welke onder
zijn bereik komen, het woord op een toon van hoog gezach,
hij keurt goed en af met een heerschappelijkheid, hij heeft
een manier van te zeggen tik doe dit of ik onderschrijf dat,
of ik ben dat van plan", die slechts kan voortkomen van
iemant, die ook aan zich zelf de hoogste eischen gesteld wil
züen. Hij wil beschouwd worden als een eerste in rang, zoo-
wel in de theorie als in de praktijk der kunst. Hij wil geschat
worden met het oog, waarmede men groote kunstenaars taxeert.
Uitmuntend; ik zal trachten hem als zoodanig te woord te
staan.
Ik zoü mij gemakkelijk van deze recensie af kunnen maken
door eenvoudig een korte charakteristiek van \'sHeeren Net-
schers talent te geven, besloten door iets als: »wat is het
*) Frans Netscher. Studie\'s naar het naakt model. Met Ptnteekeningen van
P. de Josselin de Jong.
\'s Gravenhage. Muuton & Co , 1886.
-ocr page 14-
4                                       OVER LITERATUUR
jammer, dat deze jonge man, die toch in-der daad talent heeft,
zoozeer praetensiëus is en zich zelf in de oogen zijner lezers
daarmee nadeel doet". Maar de Heer Netscher heeft zich der-
mate op den voorgrond geplaatst in onze nieuwere letterkunde,
dat dit onderwerp voor eenigszins uitvoeriger beschouwing niet
te onbelangrijk geacht kan worden. Vooral kan het dit ook
niet, om dat het verschijnsel van een optreden als het zijne een
merkwaardig geval is in de hedendaagsche literatuur-geschie-
denis. Ik zal dus beginnen met zijn werk te omschrijven en
daarna zijn verdienste pogen in het licht te stellen. Ik kan
dezen auteur zelf trouwens geen grooter genoegen doen dan
door »zijn hersens te ontleden" en een zoo »waar" mogelijk
beeld te geven van den indruk, dien hij maakt. Zóo tochzegt
hij zelf de kritiek te begrijpen.
III.
De Heer F. Netscher is een jonge man in Den Haag, met
veel meer zin voor en veel meer verstand van literaire kunst,
dan de meeste lezende menschen, dan de meeste ook buiten-
landsche literatuur lezende nederlanders. Deze jonge man heeft
zich vooral aangetrokken gevoeld door de hedendaagsche
fransche literatuur, het zoogenaamde naturalisme. Toe n hij daar
heel veel van gelezen had en vooral voor schrijvers als Zola
een groote bewondering kreeg, toen hij daarbij zag, dat zijn
geliefde auteurs in Nederland weinig besproken, nog mindei|
geprezen werden, en dat er in Nederland niemant was, die in
hetzelfde genre van literatuur werkte als zij, begon er een
steeds vermeerderend verlangen bij hem op te komen om zelf
in zijn vaderland als naturalist op te treden, als de eerste
naturalist!, èn door in kritiek-opstellen voor het buitenlandsche
naturalisme propaganda te maken, èn door het schrijven van
eigen novellen of schetsen, later wellicht ook romans.
Uit de wijze waarop hij aan dat verlangen gevolg heeft ge-
geven, uit de manier van zijn optreden in het algemeen, ver-
der uit zijn stijl en zijn beeldspraak, leeren wij het verschijnsel
;
\\            l
-ocr page 15-
OVER LITERATUUR.                                            5
Netscher, de organisatie Netscher kennen, en dan blijkt het
volgende.
i. De Heer Netscher is een schoolmeesters-temperament
Hiermee bedoel ik, dat die eigenschappen hem charakteri-
zeeren, welke, als zij vereenigd worden aangetroffen, in \'t alge-
meen de type-schoolmeester van andere individusoorten on-
derscheidt.
Die eigenschappen zijn:
A. Bij hem predomineert het verstand :
a, in den stijl zijner opstellen over literatuur; è, in de artis-
ticiteit, in de werking der fantazie; c, in den stijl der novellen.
Ga, om a te zien, den stijl na van zijn stukken: C/iérie
(in het Nederl. Musetim van September 1884), Wat wil het
naturalisme! {Nederland), de Malavoglia\'s (Amsterdammer,
no. 443 en 444). Deze stijl gelijkt, door de droogheid en
den bekrompen regelmatigen gang der gedachten, op den stijl
van zuiver-wetenschappelijke verhandelingen, van voorredenen
van leerboeken over natuur- of wiskunde. Er spreekt een
zekere kracht en logika uit, maar van kleine afmeting. Ner-
gends is het gevoel aan het woord. Voortdurend redeneert de
schrijver. Hij kent geen verrassende uitroepen van geestdrift;
hij gebruikt geen mooye zinnen om zijn goed- of afkeuring
te kennen te geven; zijn beelden zijn versleten of zwak of
slecht uitgedrukt.
Bijvoorbeeld:
Ik stel mij voor, zoo onpartijdig mogelijk, de beginselen van het naturalisme
uiteen te zetten, zoowel zijne letterkundige als zijne wetenschappelijke, en vlei
mij daarmee duidelijk te kunnen maken, dat deze litteraire richting een voort-
brengsel is der wetenschappelijke strooming onzer eeuw, een ernstig streven
naar een algemeen menschkundig doel, de weg, dien ook weldra de Hollandsche
Letteren zullen moeten inslaan, willen zij niet in den strijd des logischen
vooruitgangs een der achterblijvers worden.
(Nederland, „Wat wil het naturalisme?")
• Of dit nu al niet minder is dan velen in Nederland plegen
te schrijven, komt er niet op aan. Ik beweer, dat dit dor,
koud, omslachtig en onjuist is gezegd. Wat zijn dat de »begin-
selen" van het naturalisme, tenzij het éene der beginselloos-
-ocr page 16-
,
V\'
OVER LITERATUUR.
6
heid? De »wetenschappelijke strooming" der eeuw, het «ernstig
streven", — wat zijn dat voor vale woorden? Deze literaire
richting is niet een ernstig streven, maar een driftig willen.
Wat beteekent dat »een algemeen menschkundig doel"! Ik
begrijp noch «algemeen menschkundig" noch «menschkundig"
op zich zelf. Wat is dat: «de strijd des logischen vooruit-
gangs"? En waarin steekt de geheime schoonheid van dezen
akeligen genitivus?
Alles maakt duidelijk, dat de Heer Netscher zijn woorden
niet voelt, maar ze met zijn verstand alleen opschrijft.
Ander voorbeeld:
Naast Jen portret\' en genreschilder, bekleedt een niet onbelangrijke plaats
de landschapschilder de Goncourt, die echter, hoe verdienstelijk ook, nog van
den schrijver van La fante de rabbi Mourit en van Le ventre de Paris, den
ridderslag kan ontvangen. Wat men het naturalisme met meerder of minder
recht ook moge verwijten, hierin zal men het recht moeten laten wedervaren,
namelijk, dat het in het tournooi ter eere der natuurbeschrijving met den palm
der overwinning uit het krijt is getreden.
(Nederl. Afuzeum),
Maar de Goncourt is immers een schrijver, geen schilder?
Of noemt de Heer Netscher hem figuurlijk een «schilder",
voor de aardigheid van de mooye vergelijking ? Maar, lieve
meneer, die vergelijking is een gemeenplaats, die op de kruk-
ken van zijn ouderdom loopt. En dan, een schrijver die een
schilder tot ridder slaat, dat is werkelijk een allerkomiekste
pantomime. Of is het weer een beeld, dat de Hr. N. gebruikt,
een symbool? Maar, lieve meneer, dat symbool is zoo ver-
ouderd als de tijd, toen er nog ridders gemaakt werden.
Wat staat verder, dat «namelijk" daar vreemd, mijnheer!
Het is als een brug in den zin, dien gij voor een grapje over
een effen land zonder water legt.
Noemt gij een toernooi van natuurbeschrijvingen, een toer-
nooi «ter eere" der natuurbeschrijving ? Kom, dat meent u
niet! Verder »de palm der overwinning" en het «krijt". Hoe
komt gij er toe al die stoffige beelden uit te stallen ?
Hij komt er toe om dat zijn verstand zijn taal bouwt, in plat
van zijn gevoel, dat is duidelijk. Hij konstrueert de volzinne Ij
-ocr page 17-
OVER LITERATUUR.                                            7
niet alleen, maar gebruikt ook de beelden, zonder ze te voelen.
Wat nu b aangaat, het predomineeren van het verstand in
de artisticiteit, — hiermee bedoel ik dit:
Er is geen teederheid in zijn kunst; er zijn geen tranen.
»Het naturalisme wil objektief, onpersoonlijk zijn..." Ja, zwijg
maar stil, dat weet ik allemaal wel; maar onder de breede
objektiviteit van Zolaas stijl, hoor ik daar den kunstenaar toch
klagen en weenen, maar hier niet. De Heer Netscher obser-
veert wel goed tusschenbeide en heeft wel eens goede impres-
sies, maar het sentiment, het lijden van wat hij gezien heeft,
weet hij niet op te schrijven, al beschrijft hij zeer juist de
uitdrukking er van. Als hij iets ziet, dan ziet hij het niet zoo
hevig en zoo intens, dat èn het geziene èn de ziener er van
bloeden. Dit bloeden is het sentiment, dat hier. ontbreekt.
Voorbeeld :
Hier en daar piepte een vink, die wegvloog in de donkere diepte van het
woud, en piepte nog eens, verder, zweeg een oogenblik, en piepte nog eens,
en toen nog eens.
{Nieuwe Gids, i Dec. \'85).
Dit zinnetjen bewijst, ook om de plaats waar het staat in
de schets Herfst in het zvoud, dat de Hr. N. een goede ob-
servatie heeft gehad, een goeden tint heeft weten te vinden
voor zijn schets. Maar dat hier en daar bederft de heele zaak
en bewijst, dat de Hr. N. ook hier met zijn verstand schrijft
en zonder de harmoniën der kleinere schakeeringen te voelen
van de tinten zijner woorden. Wanneer hier stond: »eenvink
piepte eenige malen", dan zou dat zeer slecht zijn, want juist
het snog eens" en »nog eens" en »nog eens", het lezen na
elkaar van die woorden, het weten precies hoeveel maal de
vink piepte, moet mij, lezer, de gewilde impressie van dat piepen
geven, en moet in mij dat zekere stuk stemmingstint te weeg
brengen, dat op die plaats noodig is om de harmonie der
geheele stemming te verkrijgen, welke de auteur bij mij wil
doen ontstaari. Uit het shier en daar" volgt echter, dat er ver-
schillende vinken piepen, en zoodra dan het juiste aantal malen
-ocr page 18-
8                                            OVER LITERATUUR.
wordt opgegeven, dat die vinken piepen, voor elk hetzelfde
aantal, wordt de volzin belachelijk en de stemming verbroken.
Ander voorbeeld:
En toen eindelijk een griezelige herfstwind het woud een oogenblik in be-
weging bracht, de takken kraken, de blaêren ritselen, de stammen wiegelen
deed, steeg eene geheimzinnige muziek uit de zwarte massa op, benauwend als
een heksendans, zonder dat men wist waar ze vandaan kwam — en waarin
het zwartbruin der zijden bruine-beuken lage bastonen nabootste, een soort
van Te Deum, dof gerommel uit holle orgelpijpen — het effen bruin der iepen
den baryton aangaf, mannelijk, uit volle borst, met forsche longstooten —
het geelbruin der kastanje-boomen het zachte streelende eener alt — en het
helwit der berken de hooge jubelende kreten eener sopraan, dol, verwilderd,
die boven alles uitvlogen. als heksen met loszwierende haren.
{Nieuwe Gids, i D«c. \'85)
Er liggen twee groote bewijzen in deze regelen, dat het ge-
voel in de artisticiteit des Heeren Netscher nul is, en hij alles
met zijn verstand schrijft.
Vooraf is beschreven hoe de duisternis in het woud viel,
het woud wordt gezegd een »chaos" te zijn geworden, en
hier lezen wij nogmaals: «steeg eene geheimzinnige muziek uit
de zwarte massa op". Er kan dus geen twijfel bestaan, of de
kleuren der boomen tanen in die donkerte, zijn zwak geworden.
Vooreerst nu: Als de kleuren zich onmiddelijk, langs den
weg van het gevoel, in klanken omzetten, dan zal, naarmate
de kleur intenser is, de klank heftiger zijn, en hoe zwakker
de kleur, des te stiller ook de klank. Wanneer de Heer N.
nu met den onmiddelijken, spontanen faktor, het gevoelsgedeelte
zijner artisticiteit, te werk ging, dan zou hij alleen de klanken
opgeven, die de gezien wordende kleuren bij hem doen ont-
staan, en het zwart-bruin, het effen bruin, het geelbruin en
het helwit, allen door de duisternis zeer verzwakt, zouden
onmogelijk klanken kunnen voortbrengen als waartoe zij al-
leen bij hun opperste intensiteit in staat zijn.
Maar er is meer. Want de Heer N. zegt deze op dit oogen-
blik onmogelijke klanken te hooren: in het geluid van den
wind. Nu zoü hij slechts de klanken van de kleuren der boo-
men te-rug kunnen vinden in\'het geluid van den wind, zoo
-ocr page 19-
OVER LITERATUUR.
9
als het hier wordt voorgesteld, wanneer hij, de oogen sluitend,
in de klanken van het wind-geluid onmiddelijk juist diezelfde
kleuren der boomen zou zien — een onmogelijkheid.
Hij waant alleen die klanken in den wind te hooren, om dat
hij te gelijk de kleuren der boomen ziet; nu kunnen, in de
artisticiteit van een mensch, kleuren zich wel tot klanken en
klanken tot kleuren omzetten, maar buiten dien mensch om
kunnen klanken en kleuren niet in elkaar veranderen.
B.v.: als ik zie een rood tapijt, dan brengt dit een klank bij
mij te weeg, dien ik mag zeggen; als ik hoor een orgeltoon,
dan baart die in mij een kleur, die ik ook mag zeggen. Maar
wanneer de uiterst zeldzame, bijna ondenkbare koïncidentie
zich zou voordoen, dat het roode tapijt, afzonderlijk gezien, den
orgeltoon te weeg brengt, en de orgeltoon, afzonderlijk gezien,
het tapijtrood baart, en ik het tapijt in hetzelfde oogenblik
zou zien als waarin ik den orgeltoon hoor, dan mag ik die
tweeslachtige waarneming toch niet zeggen, zonder langs een
reeks van sensatiën haar voor de verbeelding des lezers mo-
gelijk te hebben gemaakt.
Deze woudmuziek is dus niet door het onmiddelijk en alleen
voelende, maar door het verstandsgedeelte van \'s Heeren Net-
schers artisticiteit zoo gearrangeerd. Hij heeft nu zoo gerede-
neerd:
De kleuren blijven, objektief, met hun volle kracht, be-
staan onder de duisternis. Nu is er duisternis en wind. Ik zie
de duisternis, de daarin verzwakte kleuren, en ik hoor het
geluid van den wind. Nu herinner ik mij, hoe de kleuren wa-
ren vóór de duisternis, en zoo laat ik ze galmen in den wind.
Hij geeft dus niet de direkte impressie, maar de valsche, door
het verstand gekompliceerde, impressie.
Ook »de hooge, jubelende kreten van het helwit der berken,
die boven alles uitvlogen als heksen met loszwierende haren"
is eenvoudig het door elkaar gooyen der fantaziën, het ver-
waarlozen van de groote leer, die verbiedt fantaziën, die tot
de verschillende plannen der verbeelding, tot de verschillende
stadia van de werking der verbeelding behooren, onharmo-
niesch samen te schrijven.
-ocr page 20-
10
OVER LITERATUUR.
Er is, objektief: het helwit der berken; de fantazie hiervan
is: hooge jubelende kreten, die boven alles uitvliegen. Uit-
vliegen is al dadelijk verkeerd, want kreten vliegen niet, en als
vliegen slaat op de heksen, had er moeten staan, gesteld dat
die fantazie hier harmoniesch ware,: die boven alles uitklinken,
als vliegende heksen met loszwierepde haren. Men kan wel
figuurlijk zeggen, dat kreten vliegen, maar de kreten hier zijn
zelf reeds figuurlijk, de kreten zijn zelf een fantazie, en men
mag niet geven de fantazie van de fantazie. Want
de fantazie heeft alleen waarde, wanneer zij voor onmiddelijken
achtergrond de realiteit heeft. Door éen herleiding moet men
van de fantazie tot de werkelijkheid kunnen komen. De fanta-
zie van de fantazie is daarom niet verdedigbaar, om dat dan de
tweede fantazie de eerste als werkelijkheid veronderstelt, het-
geen onwaar is. De gedachte van den lezer wordt te gelijk
met de fantazie de daarin omgezette werkelijkheid gewaar, en
vindt haar daarom mooi. Dus zoodra er gezegd wordt die
kreten waren als heksen, dan zijn onmiddelijk de kreten reéel,
en dit geeft hier dus een valsche voorstelling. In verzen is het
ook zoo. Wanneer de Heer Verwey zegt:
Ik heb van al mijn deugden en gebreken
Slaven gemaakt, die voor mijn voeten knielen,
dan mag hij wel van die slaven die nadere hoedanigheden
opgeven, die hen, als beeld van de deugden en gebreken, ver-
volledigen. Maar hij mag zich nu niet, binnen het geheel dezer
zelfde fantazie, het begrip » slaaf" an und für sich denken, en
b.v. zeggen:
En stil als beelden staan die slaven daar.
De Heer Verwey doet dit dan ook niet. Ik hoop, dat ik mij
duidelijk uitdruk. Het is wel denkbaar te geven de fantazie
van de aktie der fantazie, dat men m. a. w. het beeld geeft
van de wijze waarop een zekere fantazie bij ons ontstaat, het
beeld van onze hersenwerking, die de fantazie doet ontstaan,
maar men kan niet geven, zoo als de Heer Netscher hier doet:
de fantazie van den inhoud der fantazie. De Heer N. doet in
-ocr page 21-
OVER LITERATUUR.                                       11
deze schets trouwens niets als allerlei impressies, zonder het
minste fijnere harmoniegevoel, door elkaar smijten.
Opzettelijk weid ik eenigszins uit, daar het hier een derbe-
langrijkste vraagstukken geldt van de nog niet geïnaugureerde
wetenschap der moderne literaire kritiek.
c. Voorbeeld:
»Tusschen deze gordijnen hing een reusachtige spiegel....
Miss Nelly had haar stoel verlaten" {Zie Miss Nelly).
Geleek de spiegel op een reus, had de spiegel buitenge-
woon geproportioneerde menschenvormen ? Neen, de Heer N.
schrijft eenvoudig met zijn verstand op, dat de spiegel van
zeer groote afmeting was, zonder te voelen, dat hij onzin
schrijft. Had miss Nelly haar stoel verlaten, zoo als men zijn
vaderland, of zijn moeder verlaat ? Arme verlaten stoel! Be-
roerde konventioneele uitdrukking!
Alleen wanneer de Heer N. er op let, dat hij nieuwe uit-
drukkingen moet vinden om zijn indrukken weer te geven,
schieten er tusschenbeide goede woorden op het papier. Maar
als b.v. het verlaten van de stoel geen indruk op hem ge-
maakt heeft, dan schrijft hij niet onwillekeiirig zoo als het
wezen moet, maar schrijft, zonder gevoel, de banale en
verkeerde woorden neer. Uit zinnetjens als dat van de verla-
ten stoel proeft men den stijl der novellen.
»Hij scheen verre, geleerde gedachten voor den geest te roe-
pen" (De val van een minister),
»meer gloed in zijn woorden
leggend?\' (Idem; hoe doet men dat?), »Aan de landzijde lieten
zij een herberg liggen\' (Een Logeetje), enz.
B. Hij mist alle groote originaliteit.
a. Wanneer men door gedachten over of met betrekking tot
literatuur, het zeggen van hetgeen men voor feitelijke waar-
heden ten opzichte van dit onderwerp houdt, verstaat, dan
behelzen \'sHeeren Netschers artikelen Chérie, Wat wil het
naturalisme ?, Het naturalisme in Engeland, Paul Margueritte
De Malavoglias, Uit het leven, Justus van Maurik,
enz.,
dan behelzen deze artikelen geen enkele gedachte, welke hij
niet, zij \'t ook half-onbewust, uit deze werken van Zola: Mes
-ocr page 22-
12
OVER LITERATUUR.
haines, Le naturalisme au thêatre, Nos auteurs dramatiques,
Le roman expèrimental, Les romanciers naturalistes, Docu-
tnents littérair es, Une campagne,
uit V Évolution naturaliste
van Louis Desprez, uit artikelen van de Revue Indêpendante
en de Revue Moderniste, uit de Essais en Nouveaux essais de
critique et dliistoire
van Taine, uit La Jeune Belgique, uit
artikelen van Lemaitre in de Revue politique ét de littéraire,
enz. enz., heeft geput, tenzij de enkele misvattingen, waar hij
verkeerd heeft begrepen.
»Zijne (Zolaas) opstellen »Le roman expèrimental" en
»Lettre a la jeunesse" stel ik mij voor als leiddraad te ge-
bruiken," zegt de Heer N. in het begin van zijn Watzvil\'het
naturalisme,
maar wij zien, dat Zola hem tot leidkabel wordt,
een kabel, veel dikker en grooter dan de Heer N. zelf en met
al de kinken zijner misvattingen er in. Alle uitspraken van
Zola over literatuur, over de geschiedenis en de techniek van
het naturalisme, vindt men hier woordelijk te-rug. Op elke
bladzijde blijkt, dat de Heer N. niet ook die opmerkingen
heeft gemaakt en van dezelfde meening is als Zola, maar ze
eenvoudig, zonder de auteurs, waarover Zola spreekt, gelezen te
hebben, zonder op zijn beurt de techniek van het naturalisme
te hebben ontleed, met huid en haar overneemt, met dien
verstande alleen, dat de huid verkleurd en het haar een beetje
is uitgevallen. Hij zet zijn lezers den onder zijn behandeling
verschaalden wijn van Zolaas theoriën en uitspraken voor, en
nog wel in de vieze glazen der banaliteiten, waarmee hij ze
op hollandsche toestanden heeft toepasselijk gemaakt.
b. Maar niet alleen de, zuiver intellektuëele, stukken theorie
en uitspraken, ook vele wendingen van den gedachtengang
heeft de Heer N. uit Zolaas voorraad gegapt.
Het heeft mij menigmaal verwonderd, dat mannen van wetenschappelijke
opleiding, welke een open oog bezitten voor de ontwikkelingsgeschiedenis der
XIX1\' eeuw, den invloed en de rechten der natuurwetenschappen in alle takken
van het denken erkennen, behalve in dien der hedendaagsche letterkunde. Deze
mannen van ernstigen geest. . ..
                          (De Gids, Jan. \'86, blz. 71).
Houd toch op, mijnheer, met uw »mannen van wetenschap^
%
-ocr page 23-
OVER LITERATUUR.                                          18
pelijke opleiding", uw »takken van het denken", uw »mannen
van ernstigen geest". Loop naar de maan met al die mannen
er bij en pluk daar met hun de sterren uwer gemeenplaatsen
en bind ze tot een ruiker en gooi ze dan ergends neer in een
land, waar alleen zuigelingen wonen, maar beproef niet zoo
onnoozel wech ons er meê te verblinden, ons, die terstond
zien, dat gij hier niets anders doet als in heel slecht hollandsch
herhalen Zolaas verwondering, waar hij in zijn Campagne zegt
niet te begrijpen, hoe geavanceerde republikeinen niets van
het naturalisme willen weten.
Mijn hartstocht voor analyse heeft er mij toe gebracht, een werk van waar-
neming en ontleding te onderstaan, dat vooral met betrekking tot een tijdge-
noot de meeste waarborgen van nauwkeurigheid en volledigheid kan opleveren.
(Nuuwe Gii/s, p. 330).
Heel gaarne, ik houd mij voortdurend aanbevolen. Maar zeg
er dan bij, dat het eerste gedeelte van dit edelaardige zin-
netje in Zola gevonden wordt bijna op elke bladzijde zijner
literaire opstellen, en het tweede sprekend gelijkt vooral op
het begin van zijn ontboezeming over Manet (in Mes Haines).
c.    Ook vele beelden, die de Heer Netscher in zijn »kritie-
ken" gebruikt, als »achter de koelissen blijven", zijn «ontleed-
mes in een werk zetten", enz. enz., (in het artikel Paul Mar-
guerzlte) ;
als: »het stramien, waarop de Heer van Maurik zijn
novellen geborduurd heeft", »met sentimentalisme doorspekt\'",
enz. enz., zijn niet van hem afkomstig.
d.  De onoorspronkelijkheid vertoont zich verder in de wijze,
waarop de Heer N. zijn opstellen over literatuur indeelt. In het
stuk over Margueritte bijv. geeft hij eerst een inleiding over
hoe men volgends hem literaire kritiek moet schrijven, daarna
beschouwt hij het voorgeslacht van Margueritte en tracht Mar-
guerittes kunstenaar-zijn daaruit te verklaren. Vervolgends zegt
hij: nu hebben wij Margueritte als voortbrengsel beschouwd,
laat ons hem nu als voortbrenger behandelen. Waarop hij dan
verslag geeft van Marguerittes werken. Deze indeelingsmethode
is geheel van Zola overgenomen. Zoo ook met het stuk over
van Maurik. Een kenschetsing van v. Mauriks kunst in \'t alge-
-ocr page 24-
14                                     OVER LITERATUUR.
meen, de oorzaak van zijn sukces, het publiek, een onderzoek
naar hem als realist, eindelijk een bespreking van dezen schrij-
ver als »artiest". Hier ook volgt de Heer N„. met enkele on-
duidelijkheden en vergissingen, Zola.
e. Ook in het sentiment der novellen en de beeldensoort
wordt de originaliteit gemist; nu en dan zijn de beelden zelfs,
zooals zij daar staan, letterlijk overgenomen. In den Val van
een minister, Oproer in het ballet, Aal Kempers, Uit den
Verkiezingstijd
is zoo zeer geen sentiment. De sentimenten
der overige novellen vindt men bij de fransche en belgische
naturalisten te-rug. Ik verzeker dat \'t zoo is; ieder, die veel
fransche en belgische naturalisten gelezen heeft en nu den
Heer N. leest, zal \'t ook zoo vinden. Het sentiment is trou-
wens zoo innig met de beeldspraak verbonden, dat uit het
onoorspronkelijke van de beeldspraak al dadelijk tot het on-
origineele van het sentiment kan gekonkludeerd worden.
Als de Heer N. twee dingen schildert, waarvan het eene, al
of niet bewegend, voor het andere uitkomt, dan zegt hij, dat
het »vlekt", dat het »een vlek vormt"; als een mensch of
menschen uit een deur komen, zegt hij, dat die deur hen
»uitbraakt" of sbraakt" (zie o. m. Uit den Verkiezingstijd\'en
Marietje Veenders); om de rust van huizengevels aan te dui-
den, zegt hij, dat zij »slapen" of sdommelen\'\', (zie Een
Logeetje).
Kleureffekten van het bosch zal hij met tapijtwerken
vergelijken; onophoudelijk gebruikt hij aan de schilderkunst
ontleende termen om natuur te beschrijven, enz., enz., enz.,
alles letterlijk uit het fransch.
Den bundel des Heeren Netscher lezende denkt men elk
oogenblik met vertalingen uit het fransch te doen te hebben.
De stijl krielt van fransche wendingen en gedachten. Dit is
de verschrompeling van een kunst, het ondergaan van een
kunst in de vergroving. Nu en dan vindt men ook in den
verteltrant oude hollandsche novellisten even te-rug. Al het
overige is fransch. De heer N. is het tegenovergestelde van
een jeugdige radikaal in de letterkunde, met een sterk spre-
kend, ontstellend temperament. Hij is eenvoudig een kuriozi-
-ocr page 25-
OVER LITERATUUR.                                      15
teit voor fyziologen, zooals een oide grijze steen dat voor
natuurkundigen kan wezen.
C.   Hij doceert voortdurend. Zie zijn opstellen passim. Als
hij spreekt, hoort men voortdurend ce stem van een vulgari-
zeerenden schoolmeester, die voor zijn dommelende en balletjes
zuigende knapen staat.
D.  Hij is praetensiëus. Hij heeft een manier van te zeggen
»ik... ik... ik ben dit van plan, ik ben dat voornemens, ik
stel mij dit of dat voor, die den opmerkzamen lezer onaan-
genaam moet prikkelen, bij het overigens zoo zeer voelbare
gebrek aan eigenheid, aan ik-heid van dezen schrijver. In
Wat wil het naturalisme! zegt hij op de ie bladzijde: »die
woorden van prof. ten Brink___ ik onderschrijf ze gaarne",
en op de laatste: »En gaarne onderschrijf ik de volgende
beschouwingen van Louis Desprez". Op blz. 353 van den
Nieuwen Gids zegt hij: »Welnu (sic), de waarheid dezer stelling
onderschrijvende". De Heer N. heeft precies die soort prae-
tensie, die, volgends een opmerking van Huet, meestal alleen
den Nederlanders eigen is, die een akte voor het middelbaar
onderwijs in hun zak hebben. In het artikel over Justus van
Maurik, zegt hij aan het slot: »Want men dient dit van mij
te weten, dat ik".,
enz.
E.  Hij toont een volstrekt gebrek aan humor.
In het artikel over v. Maurik alleen grinslacht de Heer N.
een enkele maal. Overal elders slaat hij denzelfden eentonigen,
bezadigden, bedaarden, degelijken, nooit uit de plooi gaanden
toon aan. Dit is zeer kenmerkend. Hij glimlacht nooit, hij
proest \'t nooit uit. Om dat te bewijzen, zou ik zijn heele
werk moeten citeeren.
F.    Zijn stijl, in den zin van hetgeen den schier onontleed-
baren indruk maakt, dien het geheel der reeks volzinnen zijner
opstellen en novellen, als volzinnengeheel, bij mij achterlaten,
is grijs en hortend. De wijze analyzeerend, waarop de vol-
zinnenvakken elkaar opvolgen, waarop de eene zin tot den
andere leidt, de onderlinge verhouding der woorden, den weg
waarlangs zijn taal van de eene gedachte in de andere over-
I.
-ocr page 26-
16
OVER LITERATUUR.
gaat, komt men tot de wetenschap van den stijl, maar die,
zoolang de literaire kritiek geen exakte wetenschap is ge-
worden, een gevoelswetenschap zal blijven.
Bij kritiek-opstellen is het veel gemakkelijker zoo\'n stijl
te ontleden, dan vooral bij »naturalistische" novellen of ro-
mans. Bij de kritiek-opstellen kan men b. v. al dadelijk
het gebruik der woorden »voorzeker", »alzoo", »welnu", waarmee
de Heer N. zinnen samenhecht, als zijn stijl schetsend aan-
merken. Maar bij de novellen moet men tusschen zijn drie-
ërlei indruk weten te onderscheiden. Het geldt hier niet den
indruk, dien wat de auteur schildert maakt, ook niet dien,
welken de intensiteit, waarmee hij het schildert, maakt, maar
alleen den bouw van zijn taal. En die is grijs en hortend, ten
minste zoo heb ik hem gezien.
Eenige voorbeelden uit den bundel: »dej hooggerugdew
stoel/\' (blz. 2), »een glimmenden inktkoker tusschen zich\'1\'\'
(blz. il), saan tweeën" (»a deux", blz. n), »hij wilde...
woorden . . . aan een stilte paren" (blz. 13), »vloeibaar zilver"
voor »vloeyend" (blz. 15), »hernam" (blz. 137 e. a.), »bij het
hek der kerk gekomen, sloegen zij het in\'\'\' (bl. 199), »Marietje,.
dat zich" (blz. 200), »Katotje was gekleed volgens de wel-
gesteldheid harer ouders" (blz. 201), »zij wa.s echter eeniveinig
tot rust gekomen" (blz. 231), enz. Van zulke zaken wemelt
het boek.
Deze qualiteiten vereenigd konstitueeren het schoolmeesters-
temperament.
A. De belangrijkheid van dit verschijnen van een school-
meesters- temperament, van een enregimenteerenden menschen-
geest, in het naturalisme, en zoo terstond, in de eerste bloei-
stadia van het naturalisme, ligt hierin :
a, dat de aard van het naturalisme juist anti-school, anti-
meester, anti-regiment bij uitnemendheid is.
Het naturalisme, gelijk het zich tot nu toe in Frankrijk
heeft geopenbaard, is het eerste tijdperk van een kunst, waarvan
-ocr page 27-
ff                                           OVER LITERATUUR.                                      17
de eenige vaststaande leerstelling tot nu toe is, dat de kun-
stenaar zich plaatst tegenover de konkreete natuur en den
indruk weergeeft, welken die natuur op hem maakt, hem, dat
is zijn eigen, zijn eenig, zijn individueel temperament, zijn
artistiek bewustzijn. Hoe meer ontdaan van den schijn, die
vorige kunstenaarsgeslachten er over geworpen hebben, hoe
naakter en waarder de kunstenaar de natuur ziet, en hoe
I dieper hij er dan indringt, hoe meer hij het wezen van zijn
artistiek bewustzijn weet te abstraheeren van de opvoeding,
door vroegere literaturen daaraan gegeven, en hoe grooter
harmoniën hij daarbij dan weet te stichten, die beandwoorden
aan zijn aangeboren scheppingsdroomen, die zijn spontane
scheppingsideën verwezenlijken, — des te verder vervolgt
f hij den gang van dat naturalisme, des te nader brengt hij het
tot zijn uiterste grenzen.
Zola bij voorbeeld heeft, om haar juister waar te nemen, de
waereld van een zekere laag konventiën weten te ontdoen.
Hij heeft voords het zeker aantal faktoren van het organisme
zijner artisticiteit tot hun fijnste scherpte ontwikkeld, om haar
juister te kunnen waarnemen. Met die middelen heeft hij ein-
delijk die zekere kunstgeheelen weten voort te brengen, waar-
naar hij trachtte en waartoe zijn kracht reikte.
De mate van zijn kracht en van zijn ontwikkeling, in ver-
gelijking met de kunst, die vóór hem was en met die na hem
zal zijn, zal de deduktie, uit de moeilijkst te ontleden eigen-
schappen van zijn waarnemingsvermogen en zijn stijl, eerst later
naauwkeurig kunnen ontdekken. Maar zeker is, dat het talent
van hem, die na Zola een groot en oorspronkelijk kunstenaar
genoemd zal kunnen worden, een in de boven aangegeven
drieërlei soort werking te splitsen hoogere ontwikkeling zal
moeten bereiken. Naarmate zijn werk, hoewel op het werk
van Zola voortbouwende, het minder gelijkt, zal hij dan
meer zijn.
Maar een schoolmeesters-temperament zal in de manier,
waarop de kunstenaars van het eerste tijdperk dier kunst,
welke voorschrijft zich te plaatsen tegenover de naakte natuur,
2
I
-ocr page 28-
18                                     OVER LITERATUUR.
zich tegenover die natuur plaatsen, de eenige manier zien,
waarop men zich er tegenover plaatsen kan, en zal zich, zij
\'t ook misschien andere onderwerpen behandelende, andere
stukken waereld beschrijvende, in een eenigszins anderen stijl,
in die manier als in de absoluut eenige opsluiten.
Het is dus een merkwaardig geval, dat de kunst, wier eenige
leerstelling alle absolutisme uitsluit, zich zoo spoedig tot het
begrip van absolute en eenig-mogelijke kunst in een brein
kan omzetten.
b,  is het verschijnsel van het schoolmeesters-temperament
in quaestie belangrijk, omdat het zich alleen voordoet in Ne-
derland en als zoodanig is het alleen te verklaren uit den
aard van den algemeenen ontwikkelingstoestand van den
nederlandschen geest. Onder de gegeven tijdsomstandigheden
was blijkbaar de nederlandsche grond nog niet rijp, om van
die hersenkas, in welke het fransche naturalisme hier zoü i
inslaan, een ander als vulgarisatie-werk uit te doen gaan.
c,   is dit verschijnsel belangrijk, om dat het zich voordoet
in de literaire kunst, in de kunst. Als men de hersenorganis-
men van de menschensoort, die men burgerij noemt, in b.v.
vier groote afdeelingen scheidt: literaire kunstenaars, menschen,
die zich alleen met de geschiedenis der hedendaagsche of
vroegere literatuur bemoeyen, menschen, die zich ten onrechte
verbeelden, dat zij zich met literatuur bezig houden, en men-
schen, die zich niet direkt met literatuur bemoeyen, — dan
zal men\' het organisme Netscher, hoewel tot een der laagst
staande onderverdeelingen er van behoorende, tot de eerste
afdeeling moeten rekenen.
Nu is dit het opmerkelijke, dat schoolmeesters-temperamen-
ten zich wel frequent voordoen in de tweede, derde en vierde
afdeeling, bijna nooit in de eerste.
Iemant, die wezenlijk liefde heeft voor echte kunst, die
werkelijk ook eenige kunstenaars-bekwaamheden bezit, en die
daarbij een schoolmeesters-temperament heeft, dat is een uiterst
zeldzaam groeisel.
B. De Heer Netscher zal op al deze bedenkingen and woorden,
-ocr page 29-
UVER LITERATUUR.
19
dat dit de meest ongegronde aanklacht is, welke men tegen
hem kan instellen, daar hij juist is tegen de reglementeering
der kunst binnen de enge grensjens, waar velen haar nog in
samendrukken, dat hij is voor de vrije studie van het leven,
enz., enz. Hij zal dit andwoorden, om dat hij niet begrijpt,
wat ik bedoel. Zijn schoolmeesters-natuur zit \'em namelijk
niet in den objektieven inhoud zijner meeningen, maar in de
manier, waarop hij die meeningen zegt en in de manier waarop
hij ze toepast. Uit die manieren toch blijkt wat die meeningen
beteekenen in zijn mond. Vrijheid is altijd relatief en er blijkt
dan, welke relatieve vrijheid hij voor de vrijheid houdt bij de
studie van het leven en het schrijven van kunst. Hij vindt
,dat de fransche naturalisten de vrijheid gevonden hebben,
waarmee men voor zijn kunst het leven moet bestudeeren;
hij meent dat men niet beter kan doen dan met diezelfde
mate van vrijheid ook in Holland aan \'t werk te gaan, om
dat hij zich geen grootere, geen verdere vrijheid kan voor-
stellen. Hij kan zich die niet voorstellen door de fataliteit
van zijn schoolmeesters-natuur, die, wat de groote beginselen
van zijn bestaan aangaat, alles van anderen overneemt, en
volstrekt zonder eigen inzichten is.
Als hij spreekt van vrije kunststudie van het leven, dan
heeft hij daar de oppervlakkige bedoeling mede, dat men
zich bij die studie noch door akademische schoonheidsbegrip-
pen, noch door burgerlijke kieschheids-denkbeelden, noch door
quasi vaststaande grammatikale en syntaxièele taalvormen moet
laten belemmeren, maar op denzelfden voet van analyse, van
hetzelfde plan van levensbeschouwing, van denzelfden scherpzin.
nigheidskring als de fransche naturalisten, uit, het leven moet
bestudeeren om het weer te geven.
Dat de grens van Zolaas blik, niet wat het aantal der ge-
ziene dingen, niet wat de juistheid van vorm en kleur dier
dingen betreft, maar ook wat de intensiteit aangaat, tot hoever
de stralen van dien blik reikten en welke die stralen waren,
— bepaald, omschreven en overschreden kan worden, daarvan
toont de Heer Netscher niet het minste besef.
-ocr page 30-
20                                       OVER LITERATUUR.
Indien iemant den Heer Netscher zou zeggen, dat de vrije
studie, lang over de bovenbeduidde beschroomdheden, waar-
van het zelfs niet meer de moeite waard is artiesten te
spreken, heen, hem er toegebracht heeft een geheel andere
waereld te zien dan de waereld van Zola, en niet een andere
waereld in den zin van een hollandsche of een duitsche in
plaats van een fransche waereld, niet een andere waereld in
den zin van gebeurtenissen, die bij Zola nog niet zijn geboekt,
of van menschen, die men in Zolaas werk nog niet tegenkomt,
of van hartstochtgevallen, door Zola nog niet beschreven,
maar een geheel anders georganizeerde en funktioneerende
waereld, de waereld in éen woord, — gesteld dat Zola haar
gezien heeft bij een licht van de kracht van honderd kaarsen,
gesteld dat Zola haar gepeild heeft tot honderd meter diepte,
gesteld dat Zola de honderd naastbijgelegen raderen van haar
bewerktuiging heeft gevonden, — die waereld gezien bij dui-
zend kaarsen, gepeild tot duizend meter, ontdekt met zijn
duizend dieper draayende raderen, — indien iemant den Heer
Netscher mededeelde dat hij het geraamte der wereld een schrede
dichter genaderd was dan Zola, dat een inniger kern, een
dieper wezen voor hem blootlag, en dat hij het zag met, ook
na het fransche naturalisme, geheel nieuwe oogen, — dan zou
de Heer Netscher daar niets van begrijpen, om dat het groote
arbeidsveld, waarop men nu maar door te werken heeft, vol-
gends hem door de franschen is ontdekt, en de andere natiën
niet beter kunnen doen dan naast hen daar te gaan spitten
en ploegen.
De mijn is, volgends den Heer N., door de franschen openge-
graven, en nu hebben de overige landslieden maar elk voor \'
zich er nieuwe verdiepingen en nieuwe galerijen in te bearbei-
den. Van een diepere mijn, nog verre onder de onderste
metaallaag van deze, en waar men geheel andere metaalsoor-
ten vindt, begrijpt hij niets.
En hij behoeft die ook niet te begrijpen maar hij begrijpt
ook niet, dat die mijn mogelijk is niet alleen, maar zelfs nood-
zakelijk moet bestaan, hetzij waar ook in het buitenland, hetzij
-ocr page 31-
21
OVER LITERATUUR.
in Holland. Moet bestaan om de eeuwige evolutie van den
menschengeest.
Die waarde Heer N. spreekt van de evolutie van het natu-
ralisme. »Zoo als elke wetenschap", zegt hij in De Mala-
voglicCs,
heeft ook het naturalisme zijn evolutieleer", en als
hij dit gezegde gaat verklaren, blijkt, — o mirakel van school-
meesterlijke oppervlakkigheid! — dat hij bedoelt: het natura-
lisme gaat, bij de bestudeering der menschen, van de grofste
en eenvoudigste wezens uit, klimt door alle lagen der samen-
leving heen en stijgt tot de ontleding der hoogste en meest-
samengestelde menschenorganismen. Hij spreekt dus van evo-
lutie in den zin van aan moeyelijkheid en gekompliceerdheid
winnende onderwerpen. Dit is weer zijn stijve stokpaardtjen
van de wetenschap in de literatuur. Dat komt:
2. Hij begrijpt eigenlijk noch de literatuur noch de literaire
kritiek.
A. Wanneer de Heer N. van de evolutie der naturalistische
literatuur spreekt, dan bedoelt hij daarmee niet: het ont-
wikkelen der scherpte van de observatie, der intensiteit van
het sentiment, der weelde van de fantazie, der grootschheid
van de konceptie in de kunstwerken van Balzac af tot die
na Zola zullen komen toe, maar hij stelt het naturalisme
voor als een soort wetenschap, die er op uit is een universeele
psychologie te stichten en die van de eenvoudigste problemen
uitgaat, opklimmende tot de meest gekompliceerde. Als voor-
beeld geeft hij het vraagstuk der liefde bij de bewoners van
Midden-Afrika, het eenvoudigste vraagstuk, en de liefde bij
Parijzenaars, het gekompliceerdste vraagstuk. (Zie De Mala-
voglid\'s).
Wanneer de naturalistische literatuur bestond in het bestu*
deeren der menschheid en der waereld in het algemeen en
het opteekenen der zich in die menschheid en in die waereld
voordoende verschijnselen, dan zou de naturalistische literatuur
een zuiver wetenschappelijke inhoudsopgaaf van de waereld zijn
en daardoor onmiddelijk ophouden een literatuur te wezen.
Maar dit is dan ook zoo niet. Dit bestudeeren van die
-ocr page 32-
22
OVER LITERATUUR.
menschheid en die waereld is alleen een techniesch accessoire
van de natural. literatuur. Datgene, wat het naturalisme tot
literatuur, tot literaire kunst maakt, staat met die studie in
geen dadelijke betrekking. En nu is de evolutie van die kunst
niet te zoeken in den aard der behandelde onderwerpen,
maar slechts in datgene, wat haar tot kunst maakt, namelijk
de artisticiteit, het geheel der kunstenaarsvermogens, van de
natural. kunstenaars. De evolutie van het naturalisme, dat is
de geboorte, ontwikkeling en volmaking van die faktoren in
de zielen van een zekere hoeveelheid menschen, wier werking
die menschen tot natural. kunstenaars heeft gemaakt.
De evolutie der literatuur van Homerus tot Zola is niet te
zoeken hierin, dat Homerus Grieksche militairen en Zola Fran-
sche burgers heeft afgebeeld; maar in het verschil, dat er
bestaat tusschen de manier, waarop Homerus zijn menschen
en Zola de zijnen afbeeldt. Want de stukken natuur, die de
kunstenaar weergeeft, dat zijn de stukken natuur, maar de
wijze, waarop hij ze weergeeft, dat is de kunst.
De eene schilder schildert een landschap zonder menschen,
de andere schildert twee gelieven, die door een derde beluis-
terd worden, met een landschap er om heen. Nu is het on-
derscheid tusschen die twee niet, dat de eene een schilderij
met, de andere een schilderij zonder menschen schildert. Maar
het onderscheid is de manier, waarop die eene dat landschap
zonder menschen schildert en waarop hij ook, wanneer hij
dat onderwerp gekozen had in plaats van dit, het landschap
met menschen zou geschilderd hebben, en de manier waarop
die andere zijn landschap met menschen schildert en waarop
hij ook, wanneer hij dat had gewild, het landschap zonder
menschen zoü geschilderd hebben.
B. Dat de Heer N. niet begrijpt wat de evolutie van het
naturalisme is, komt volkomen overeen met het feit, dat hij
een volstrekt averechtsche verklaring van de naturalistische
kunst in \'t algemeen geeft. Niet alleen spreekt hij, in het
zelfde artikel over de Malavoglid\'s, van een kunstvoortbrengsel
der naturalistische leerwijze, ofschoon er van leerwijze geen
-ocr page 33-
-
OVER LITERATUUR.                                         23
sprake kan zijn, maar ook en vooral in zijn Wat wil het
naturalisme
vergist hij zich schromelijk. Dat artikel verdedigt
van het begin tot het eind de stelling, die aldus te formuleeren
zou zijn: »de kunst moet leiden tot de wetenschap van het
leven." Maar de woorden kunst, wetenschap en leven, staan
in een geheel ander verband, wanneer men ze, uit hetgeen
het fransche naturalisme tot nu toe geleverd heeft, tot een
formule zou samen stellen. En wel in dit: »de wetenschap moet
leiden tot het leven van de kunst".
De Heer N. zegt in dit artikel: »Het doel voor den proef-
ondervindelijken roman is dus geworden: »Prévoir et diriger
les phénomènes". En verder het werk van den modernen
romanschrijver kenschetsende: »Het goede en slechte door-
en-door te kennen om het in de richting te leiden, welke
voor eenig praktisch doel wenschelijk is, staat ongeveer gelijk
met het leven zoo te wijzigen en te vormen, dat het slechte
er tot een toestand van onschadelijkheid in gebracht wordt".
Even te voren heeft hij hiervan gezegd: »Ik ken bijna geen
verhevener taak". Mij bij den lezer verontschuldigende, dat
ik, door mijn citaten, hem nu en dan dezen ellendigen stijl
onder de oogen moet brengen, wil ik er alleen op wijzen, dat
dit juist de taak is, welke de Heer N. zelf, geloof ik, elders
voor wetgevers en moralisten overlaat. Dit heeft in-der-daad
met de kunst niets te maken. De stelregel: hoe getrouwer
de kunst het leven volgt, des te meer zal de kunst goed zijn,
deze stelregel, een steeds jeugdige grijsaard, brengt er den
modernen kunstenaar toe, om het beter te kunnen volgen,
het leven met behulp der wetenschappen, die er den inhoud
van opgeven, steeds beter te leeren kennen. Hoe beter hij
weet hoe het leven is, des te beter zal hij het kunnen na-
bootsen. Maar hij doet dit alleen, volstrekt alleen, op dat zijn
kunst goed zou zijn. Wanneer het hem niet bleek, dat hij
meer waar, meer levend, meer hem en zijn lezers, lezers van
nu of lezers van de toekomst, die aandoeningen bezorgend,
welke hij begeert op te wekken, het leven kan afbeelden,
na het o. a. door de wetenschap te hebben bestudeerd, —
-ocr page 34-
24                                     OVER LITERATUUR.
dan zou hij zich nooit met die wetenschap ophouden. Hij
wil de verschijnselen » voorzien en besturen", ja, in zijn roman,
om een fraai verloop van een hartstocht, van een levensgeval
in zijn werk te kunnen geven; naarmate hij het meer volgends
de natuur doet, zal het beter zijn; daarom bekijkt hij het
leven zoo innig mogelijk.
Zijn eenig doel is kunst te maken. Het eenige doel van
de kunst is een stemming bij den lezer op te wekken. In
hoeverre het doorleven, het herhaaldelijk doorleven van zulke
stemmingen den lezer tot moreele handelingen zal brengen,
is hier een schreeuwend sekundair vraagstuk, heel interessant
voor de psychologie, maar dat met de kunst in geenerlei
dadelijk verband staat.
Het doorleven van zulke stemming, is de hoogste genieting
die aan menschen gegeven kan worden.
Een zekere som van het grootste geluk op de waereld te
doen ontstaan, beschouwt de kunstenaar als de weldaad bij
uitnemendheid, die aan menschen te bewijzen is.
De beperkte utiliteits-quaestie, in hoeverre de roman, zoo
als Zola zegt, »de la simple morale en action" zal zijn, ver-
schijnt dus op een zeer ondergeschikt plan. Alleen dan,
wanneer onder de milioenen levensgevallen, een lezer het geval
omschreven vindt, waarin hij verkeert, en hoe het, naar de
min of meer sublieme gissing des schrijvers, er meê afloopt,
alleen bij deze uiterst zeldzame gebeurtenis, zou de roman in
dezen zin nuttig kunnen zijn.
Wanneer de Heer N. de ontdekking der universeele psy-
chologie voor het hoogste doel der romanschrijvers aanziet,
dan houdt hij het er voor, dat zij hun eigen vernietiging zouden
willen bereiken, want hetgeen Zola noemt »la part de l\'in-
vention" zou dan vervallen, dit, een der eerste voorwaarden
voor den roman om »kunst" te zijn.
Neen, wanneer het > naturalisme" duizend romanschrijvers
zou voortbrengen, en elk der duizend zou maar éen roman
schrijven en elk over het zelfde onderwerp, en die roman zou
goed zijn, dan zou de algemeene psychologie niets vooruit zijn
-ocr page 35-
25
OVER IJTERATUCJR.
gebracht, en toch zouden die schrijvers de »verhevenste taak"
vervuld hebben, die de Heer N. maar zou kunnen bedenken.
C. Onmiddelijk aan de voorgaande negatieve eigenschappen,
sluit zich het volkomen gebrek aan besef van literaire kritiek
bij dezen schrijver, aan. De Heer N. is, ook wat dit punt
aangaat, geen stap verder dan Zola, die wel goede ontboe-
zemingen over literatuur heeft geschreven, maar de eerste
woorden van de wetenschap der literatuur nog niet gestameld
heeft. Vooral in zijn »kritische" opstellen heeft de Heer N.
pakhuizen vol onzinnigheden en misverstanden gestapeld.
De literaire kritiek kan twee funktiën verrichten: zeggen
hoe het werk van een schrijver is, te zeggen hoe het zoo komt
te zijn. De tweede funktie zoü men het psychologische ge-
deelte der kritiek kunnen noemen. Het eerste gedeelte blijft
echter voorloopig het belangrijkste en kan ook, vooral waar
het levende schrijvers geldt, het best in toepassing worden
gebracht. In zijn artikel over Paul Margueritte nu, bedoelt de
schrijver ons eerst te verklaren, hoe het verschijnsel Paul Mar-
gueritte ontstaan is, en drn welk dat verschijnsel is. De tegen-
overgestelde orde te volgen, zoü natuurlijk beter zijn. Want
om uit de hoedanigheden van een verschijnsel zijn oorzaken
te verklaren, moet ik eerst weten welke die hoedanigheden
*jjn. Maar het kwam er niet zeer op aan, welke orde de Hr.
N. volgde, daar hij toch van zijn stuk niets te recht bracht.
Hij begint met de onbelangrijke geschiedenis van het naaste
voorgeslacht van Margueritte te verhalen. Marguerittes vader
was generaal, zijn moeder had militairen* en boerenbloed in
de aderen, zijn vader was bovendien een «temperament d\'ad-
ministrateur", nu, nu was Margueritte, de zoon, natuurlijk een
kunstenaar... Begrijp je \'t?... Neen?... Ik ook niet. Maar het
mooiste komt nog: Margueritte is een kunstenaar. Welke eigen-
schappen hij dan heeft, die een kunstenaar van een ander
mensch onderscheiden?.,. O, hij speelt zelf pantomime op
een hooizolder... Ah, juist, nu zie ik duidelijk, dat hij een kun-
stenaar is. Maar, eenmaal aangenomen zijnde, dat hij een
-ocr page 36-
26                                      OVER LITERATUUR.
•
kunstenaar is, wat charakterizeert hem nu als kunstenaar, wat
onderscheidt hem nu van andere kunstenaars ?... Ja, daar
zullen wij maar over zwijgen. O, best!
De Heer N. toont noch aan, dat Margueritte een kunstenaar
is, noch welk soort kunstenaar hij is, noch hoe het komt, dat
hij een kunstenaar en dat hij er een van die en die soort is.
De Heer N. vertelt eenvoudig eenige biografische bizonder-
heden uit het leven van Margueritte en diens ouders.
Tn plaats van zoo leuk te bazelen, had hij b.v. uit de »rai-
deur" der volzinnen van Tom quatre, Marguerittes roman, uit
het in de hoog artistieke beteekenis drooge, niet bevochtigde
van diens stijl, een bestanddeel kunnen zien, dat \'s vaders bloed
in den inkt van den zoon had gemengd.
\'s Heeren Ns. artikel over van Maurik geeft ook nog een
verblindend voorbeeld. Eerst geeft hij een citaat uit een na-
tuurbeschrijving, en dan zegt hij:
„Het is duidelijk, dat iemand, welke de stoutmoedigheid heeft een stijl te
schrijven, waarvan de aangehaalde voorbeelden voor het meerendeel slechts
zwakke staaltjes zijn, onmogelijk op den naam van artiest aanspraak kan maken. .."
Ik vraag weer exkuus voor deze aanhaling met zijn misselijk
j iemand, welke" enz. En dan zeg ik tot den Hr. N.: neen,
mijnheer, dat is niet duidelijk, dat is volstrekt niet duidelijk,
in dien zin, dat gij \'t zoudt hebben aangetoond. Ik vind zeer
duidelijk, dat gij die natuurbeschrijving niet mooi vindt, ik vind
haar ook niet mooi, maar als gij literaire kritiek wilt schrijven,
of ten minste die soort kritiek, die zich onderscheidt van de
gebruikelijke en waarop gij u zooveel laat voorstaan, dan moet
gij laten zien, waarom zoo\'n natuurbeschrijving nu geen kunst
mag heeten. Dan zoudt ge het eerst duidelijk hebben gemaakt.
De Heer N. gebruikt ook herhaaldelijk in zijn artikelen het
woord lyriek verkeerd, en stelt lyrikus tegenover naturalist.
Lyriek en romantiek is voor hem zoo ongeveer hetzelfde. Hoe
zou hij, die zelfs zijn uitroepen van geestdrift van Zola over-
neemt, ook iets anders kunnen doen dan zonder te onder-
scheiden, alle woorden en gedachten door elkaar uit Zola op
baggeren !
-ocr page 37-
OVER LITERATUUR.                                     27
3. Hij is kunstmatig, niet natuurlijk.
A. In zijn polemiek. De Heer N. wint zich op om in het
rustige Nederland Zolatje te spelen. Zoo wendt hij voor te ge-
looven, dat het »naturalisme" geheeten genre van literatuur
hier heftige tegenstanders heeft, die andere kunstbeginselen,
NB. kunstbeginselen ! — zijn toegedaan. Hij tracht volmaakt
te herhalen hetgeen Zola te Parijs heeft gedaan, namelijk overal
waar hij maar iets gedrukt kan krijgen, heftig tegen de be-
staande orde van zaken in de literatuur, ik bedoel in het proza,
los te trekken. In Parijs, waar een zeer opgewekt literair leven
is, waar dagbladen dagelijks zich half aan de literatuur wijden,
waar in de salons, in de schouwburgen, in de tijdschriften, op
de boelevaars, voortdurend allerlei hartstochten voor en tegen
oude en nieuwe literaturen vechten, daar is Zolaas veront-
waardiging, Zolaas woede, Zolaas geestdrift volkomen te ver-
klaren. Maar in Nederland, waar de literatuur naauwlijks bezig
is geboren te worden, kan een opgewondenheid tegen het
oude, als de Hr. Netscher ten toon spreidt, alleen uit een
parti-pris, niet uit dadelijke oorzaken verklaard worden. Met de
poëzie is het nog iets anders, daar zijn menschen die zich
kunstenaars gelooven en meenen, dat »de vlam van het genie
op hun voorhoofd lekt", maar onder onze prozaschrijvers is
er geen, vooral niet bij degenen, waartegen de Hr. N. \'t heeft
gemunt, die het er werkelijk voor houdt, dat hij artistiek werk
levert. En al waren er, die \'t zich verbeeldden, dan is er toch
hier zooals in Frankrijk, geen menigte, die zich voor dergelijke
vraagstukken passioneert, en waarop men invloed zou willen
oefenen. Het eenige wat men in deze sfeer voor Nederland
doen kan is brandende stukken proza te schrijven, die de
menschen plotseling de oogen wakker schitteren.
B. In zijn novellen. Hij mist de woorden om zijn stem-
ming harmoniesch weer te geven. Liever, hij zoekt naar woor-
den, zonder dat de stemming er is, waaruit zij met hun
juisten klank als direkt voortvloeyen. Miss Nelly geeft hiervan
een goed voorbeeld. De woorden zijn hier veel te sterk voor
de stemming. De Hr. N. ziet de kleuren, de vormen, de
-ocr page 38-
28                                          OVER LITERATUUR.
bewegingen, en beult zich dan af om het juiste effekt er van
met het precize woord te beelden, zonder dat zijn stemming
machtig genoeg is, om het geheel te beheerschen en aan het
geheel een intens leven te geven. Hierdoor ziet men het
gewilde bij elk woord wel en kunnen de klanken op zich zelf
goed zijn ; maar de muziek van de volzinnen ontbreekt; de
stemming zit niet aan elkaar. Het is als zag men tot den
vorm van een mensch samengevoegde armen, beenen, een
romp en een hoofd, maar met smalle spalten overal tusschen,
zonder het leven dus, zonder datgene wat hem tot éen ge-
heel maakt.
C. In zijn dialoog. Zijn eigen novellen bevatten weinig
dialoog, maar in een vertaling naar Moore in den Gids heeft
hij ons nog gaauw even laten zien, dat hij geen hollandsche
dialogen weet te schrijven. Er is wel een zekere affektatie
van natuurlijkheid met het »nee" voor »neen", enz., maar
luister, b.v. dit:
Nu, u moet niet boos zijn, mevrouw, vervolgde hij op een vriendelijken
toon ; ik spreek met u in mijn betrekking van dokter, en ik ben verplicht u
ten ernstigste tegen het drinken, waartoe u genegen is, te waarschuwen. Het
was ook reeds de oorzaak van de ziekte, waarvan u nu genezen is. Ik wil u
niet kwetsen met u de gevallen van ondergang, ellende, schande en dood te
verhalen, die reeds onder mijn oogen gekomen zijn, en die allen het gevolg
waren van — het drinken.
Dit staat hier voor :
„Daar moet u niet boos om worde, mevrouw, ik zeg \'t u natuurlijk als...
als dokter, en ik moet u wezelijk ernstig op het hart drukke ddt, u weet
wel, niet meer te doen . . . Ddarvan alleen is u ziek geworde.. . nu is u
gelukkig beter... O, als ik u es vertelde, wat ik al heb bijgewoond.. . van
menschen, die zich de grootste ellende op hun hals hebbe gehaald en dikwijls
gestorven zijn ... ja zeker gestorven .. . van dat drinken... o, u weet niet. ..
En \'t zou ook te akelig voor u zijn om te hoore...
Als de Heer N. denkt, dat gepromoveerde menschen bij
het spreken hun zinnen zoo netjes konstrueeren als hij het
Moores dokter laat doen, dan heeft ie \'t glad mis.
Een meisjen uit het volk laat hij zeggen : tzie maar" (vgl.
den bundel, pag. 205). »Wat heef \'ff\' laat hij een man uit
-ocr page 39-
I
i
OVER LITERATUUR.                                     29
het volk van zijn dochtertjen vragen. >Eerst zag \'t rond \'t
neusje ook heelemaal zwart" laat hij een vrouw zeggen (ld.
p. 232). Voords worden de volzinnen, die hij zijn personen laat
uitspreken, zoodra zij iets langer worden, onjuist. Dit komt,
om dat de Heer N. wel vermogen heeft om woorden goed
waar te nemen, maar zoodra de intuïtie er bij te pas moet
komen en hij niet letterlijk kopieëren kan, gaat \'t verkeerd.
4. De Heer Netscher spreidt als schrijver groote hoeda-
nigheden van slimheid ten toon. Ik kan hier niet gaauw ge-
noeg bijvoegen, dat ik niet misprijs in dezen schrijver al de
eigenschappen, die ik van hem opgeef. Integendeel, hij heeft
motieven in zijn ziel, die mij. zeer verdedigbaar voorkomen:
b.v. zijn eerzucht en zijn slimheid.
A.     Hij heeft aan bijna alle periodieken hier te lande, die
zich met literatuur bemoeyen, bijdragen gezonden, waarin hij
zijn natural. leerstellingen verkondigde en elk der bijdragen
min of meer geschikt gemaakt voor het tijdschrift of Week-
blad, dat hij er meê bevoordeelde. In »de Portefeuille" geeft
hij een vertaling uit het Engelsch over een boekhandel-ver-
schijnsel, in den Gids schrijft hij een stuk over Moore van
zoo een grijze langdradigheid, dat het verschrikkelijk is. In
den Nieuwen Gids maakt hij een ouden literator af en schrijft
er zijn excessieve novellen. Enz., enz.
B.     Met het grootste aplomb zegt hij de grootste banali»
teiten. Dit geeft vertrouwen, heeft hij stellig gedacht. Vol ge-
wichtigheid begint hij zijn meeste artikelen met de verklaring,
dat hij iets zeer uitstekends gaat verrichten, iets waar al het
oudere niet bij halen kan, een nieuwe uitvinding op het ge-
bied (sic, deze uitdrukking gebruikt hij ook) der literatuur-
kritiek, in éen woord de redding der waereld, en dan eindigt
, hij met in \'t geheel niets te zeggen. (Zie Paul Margueritte,
Malavoglia\' s, Moore,
etc.).
In Wat wil het naturalisme spreekt hij b.v. van 17e eeuwsche
realistische schilders en zegt dat dit heel iets anders is dan
Israëls, Maris, Neuhuys, Zilcken of van de Maarel,. .. »wier
werken", zegt hij, »met den naam van Impressionistische moe-
-ocr page 40-
30                                      OVER LITERATUt\'B.
ten worden aangeduid". Zoo, WelEdgeb. Heer, zoo, zoo, dat
is een impozante, een deftige waarheid, die u daar verkon-
digt. Zoo, zoo, moeten die met den naam van »Impressionis-
tische" worden aangeduid ? Wel, wel, \'t doet me plezier, dat
ik dit nu eindelijk zoo eventueel te weten kom. Zoo, zoo,
impressionistisch, och, och, ik hoop dat ik \'t zal
kunnen onthouden! Zoo deftig schrijft de Hr. N. voortdurend.
In Wat wil tiet naturalisme zegt hij ook in \'t begin, dat
het volgends Dr. ten Brink zoo moeilijk is een naauwkeurige
studie over Zola te schrijven. Maar de belooning zal niet uit-
blijven, zegt de Hr. ten Br. »Dit ben ik met hem eens" (sic) zegt
de Hr. N., «hopende het in de volgende bladzijden te kunnen
aantoonen". En dan geeft hij in die volgende bladzijden een
nu en dan verkeerde herhaling van Zolaas theoriën, zonder
de minste zweem van studie over Zola.
C.     Een onderdeel van de qualiteit sub B vermeld, is zijn
jongleeren met de woorden ernstig, waardig, ernst, waardig-
heid, wetenschap, degelijk, enz. Op bladz. i van zijn stuk
over Moore (in De Gids natuurlijk) zegt hij: »mannen van
ernstigen geest" en »ernstige mannen" ; blz. 2 : «rustigen ernst",
«wetenschappelijke ernst", «ernstig man", blz. 3: »wetenschap-
pelijke ernst", «ernstige mannen". Verder zegt hij daar blz. 1 :
«door kritici van groote bekwaamheid werden de scherpzin-
nigste beoordeelingen over belangrijke naturalistische geschrif-
ten geleverd", en die toch die geschriften afkeurden. Hij weet
zeer goed, dat hij hier onwaarheid schrijft. Blz. 2 spreekt hij van
de «fatsoenlijke vormen", die men moet bewaren, gij weet wel,
die vormen, «waarop mannen van kennis en opvoeding gewoon
zijn belangrijke vraagstukken te beslechten". Farceur, va!
D.     Zijn pozeeren doet hem ook zijn geschriften voortdu-
rend met het woord «naturalistisch" etiketteeren, »naturalisti-
sche studie", «naturalistische kritiek", enz., zonder ophouden.
Dit is om de naturalist van Nederland te schijnen, want het
komt er niet op aan of een kritiek «naturalistisch" is; zij
moet eenvoudig goed zijn.
5 De Heer Netscher is een schrijver, die binnen het plan,
-ocr page 41-
OVER LITERATUUR.                                          £2
waartoe hij hier is te-ruggebracht, vele verdiensten heeft. Voor
de uiteen-zetting daarvan verwijs ik den lezer naar Hoofdst.
XIII van dit opstel.
Bij een verdeeling van iemants hoedanigheden als de hier
beproefde, komt het geval onophoudelijk voor, dat een eigen-
schap, die onder de eene rubriek gerangschikt is, ook onder
de andere geplaatst had kunnen worden. Maar dit kan geen
kwaad, want eenzelfde eigenaardigheid des schrijvers kan wel
twee waarheden omtrent hem bewijzen. En zooveel mogelijk
verschillende waarheden over den schrijver op te sommen, was
mijn idee.
IV.
Zooals de Heer Erens opgemerkt heeft, is de Heer Netscher
een »homme fort", niet een «homme supérieur". Hij weet wat
hij wil, hij kent de middelen om zijn doel te bereiken en hij
heeft de kracht die middelen aan te wenden. Maar om in het
groot te reüsseeren, moet men èn homme fort èn homme supé-
rieur zijn. Men moet van een fijnere hersen- en artisticiteits-
ontwikkeling zijn dan de Heer Netscher is. Want hij staat,
wanneer men de mate van zijn talent beziet als voortbrengsel
van die groote school van het fransche naturalisme en impres-
sionisme, laag; wanneer men zijn oorspronkelijkheid meet,
niet naar het peil der Nederlandsche literaire kunst, zooals
die stond vóór zijn komst, maar als verschijnende na de boven-
genoemde fransche literatuur, is die alles behalve van den
eersten rang.
Ik hield den Heer Netscher eerst voor een geweldig ge-
spierden worstelaar in de arena der waereldliteratuur, die met
zijn naakte woord wonderen van kracht en zwier zoü wer-
ken; maar nu heb ik gemerkt, dat hij slechts spit en plant
in het tuintjen onzer vaderlandsche letterkunde, en dat nog
wel in den stijven overjas van zijn bekrompen ernst.
Kom toch in uw borstrok, beste Heer, wij zijn hier zoo vroo-
lijk aan \'t werk, dat gij ons stoort met uw afgemetenheid.
In-der-daad, beste Heer, gij zijt toch van een verregaande,
-ocr page 42-
32                                     OVER LITERATUUR.
ja van een verredravende onnoozelheid. Hebt gij dan nooit even
gedacht of nooit iets werkelijk gelezen, dat gij hebt kunnen
meenen ons er in te laten loopen en uw nabauwen van de
Franschen en uw gillende oppervlakkigheid door ons als zuivere
originaliteit en als diepe gedachte te doen ontvangen?
Hoe, gij, kind, dat zich al spelende een kartonnen kroon-
tjen op het hoofd zet, gij, clown, die jongleert met aureoolen
en ze opvangt op zijn neus, gij, die een weg bewandelt, zoo
vol allerlei voetsporen, dat gij den afdruk uwer eigen voetjes
er niet op te-rug zoudt kunnen vinden, gij, die u een apostel-
mantel om de schouders hangt, maar daarbij de verlakte rijg-
laarsjes van uw burgerlijke slimheid en aanmatiging behoudt,
gij, die zijt als de gekarikatureerde weerkaatsing van Zola in
een tuinspiegel of in een tinnen theepot, gij, dien ik als een
heel klein figuurtjen zie staan op den top van den berg uwer
opgeblazenheid, gij, die staat te schreeuwen als een generaal
op een heideveld : voorwaarts marsch! halt! geeft acht! plaats
rust!, zonder dat er éen soldaat achter u staat, zoo voor de
aardigheid maar, gij, die telkens het kalkoenenrood van uw
kleinen toorn uitzet, gij, die uw kunstliefde tot een vingerring
maakt en tot een kuif om meê te pronken, gij, die verdwijnt
achter de bonte krinoline uwer telkens te pas en te onpas
door u ten polka geleidde naive belezenheid, gij, held uit een
prentenboek, looden soldaatjen uit een opzetdoos, gij, blufzak
gevuld met gemeenplaatsen, gij, die voortdurend opsnijdt van
het onsmakelijke gebraad uwer nagebootste leerstellingen, gij,,
dwaze schooljongen van de fransche school, die op een boe-
kenstapel gaat staan om zoo groot te toonen als de meester,,
gij, hollandsche kornak van het fransche naturalisme, gij, stoel,
waarop Zola in Holland gaat zitten, gij, herkauwer van Zolaas
tabakspruimen, gebocheld zoontje van Camille Lemonnier, die
u kleedt met Flauberts versleten onderbroeken, — gij zoudt
in onze literatuur zoo\'n beetje de baas komen spelen ?
Als ik u lees, dan voel ik mij niet ontroerd, maar het is
alsof ik jeuk heb aan mijn oor. Gij maakt mij den indruk
van een mug, die om mij heen gonst.
-ocr page 43-
OVER LITERATUUR.                                     33
Houd mij ten goede, waarde Heer, maar terwijl ik zoo met
u bezig ben op mijn papier, voel ik mijn lachtlust en mijn
gevoel van medelijden beurtelings geprikkeld. Ha ha ha! Ha
ha ha! Ha ha ha!
Wanneer ik u Zolaas taal hoor spreken, heb ik een gevoel
als wanneer ik wijn drink uit een likeurglaasjen. Het zijn,
behoudens uw misvattingen, die er als stukjes lak in blijven
drijven, wel dezelfde zaken, maar zij zien er zoo raar uit, zij
smaken zoo vreemd.
Gij bewoont de pachthoeve uwer wijsheid op zoo een voor-
name manier, alsof gij er de eigenaar van waart.
Ik heb zelden zoo\'n van machteloosheid knersende stijl ge-
lezen als dien uwer opstellen. Gij zijt net mijn kleine neefjen,
die op het potje zat en zich bijna te bersten drukte.
O, wat zijt gij belachelijk!
In uw artikel over Paul Margucrittc begint gij met te zeg-
gen: de tegenwoordige Hollandsche kritiek beteekent niets;
gij, kritici, moet zoo en zoo doen. Daarop doet gij zelf zoo
en zoo, en er komt iets te voorschijn, dat naar niets lijkt.
Het is ook uiterst belachelijk, als iemant, die zelf bijna
niets schrijft, voortdurend zegt, dat hij dit en dat onderschrijft.
Gij zijt een zoete jongen, maar dat is alles. Uw stijl lijkt
mij iemant, die het voorhoofd heeft van meneer die, en den
neus van meneer die, en de kin van meneer die, zonder eigen
expressie.
Ga vrij voor uw spiegel staan en zeg: »ah! moi, je suis
tin homme fort, j\'arriverai!"
Toch zult gij dat niet, in \'t groot. Gij mist de macht van
het koninklijk woord, dat menschen en volken lam slaat van
bewondering.
De woorden van uw kunst zijn geen vleesch geworden en
zij hebben niet onder ons gewoond.
Gij weet niets van de hoogte der moderne sensatie noch
van de hoogte van het moderne artistiek bewustzijn.
-ocr page 44-
34                                     OVER LITERATUUR.
V.
Ik zeg eenvoudig, dat die Holland groot wil maken, met
zijn literatuur, dat is met zijn fantaziën en sentimenten, op
een plan moet staan, waartoe het buitenland nog niet is ge-
stegen. Het is voor een Hollander zeer goed fantaziën en
sentimenten te hebben, zoo als Hollanders ze nog niet gehad
hebben, ofschoon buitenlanders er al lang een literatuur van
hebben gebouwd. (Ik bedoel natuurlijk niet fantaziën en
sentimenten naar buitenlanders vertaald, maar fantaziën en
sentimenten van ccn selfde soort als die der buitenlanders.)
Maar groot is: fantaziën en sentimenten te hebben, zoo
als buitenlanders, door de noodzakelijkheid der ontwikkelings-
wetten van de artisticiteit in de verschillende landen, ze nog
niet hebben kunnen bezitten.
Zoo als Zola erkent, brengt, bij een levende natie, elk ge-
slacht zijn literatuur voort. Er bestaat dus niet de minste
twijfel aan, of die soort literaire kunst, welke men op het
oogenblik aanduidt als »het naturalisme", zal door een andere
soort literaire kunst gevolgd worden, die door de literatuur-
geschiedschrijvers der toekomst of als een, hoe zeer ook door
affiliatie aan het naturalisme verbonden, op zich zelf staande
kunst, óf als een latere faze van datzelfde naturalisme zal
worden aangemerkt.
Nu beweer ik, dat eigenlijk hij alleen reuzen-armen heeft,
die de literatuur van zijn land het eerst tot zulk een hooger
plan weet te tillen, hij, van wien, gesteld dat de kunst van de
twintigste eeuw genoemd wordt »Sensitivisme" en gesteld dat
in een Hollander, genaamd J. H. Meere, die kunst zich het
eerst sterk accentueert, — gezegd wordt door de kritiek der
twintigste eeuw: »de romantiek, dat was Victor Hugo in
Frankrijk, het naturalisme, dat was Emile Zola in Frankrijk,
het Sensitivisme, dat was J. H. Meere in Holland."
Want of de Heer Netscher nu al zeer verdienstelijk dezelfde
soort kunst, binnen dezelfde grenzen beoefent, die de fransche
-ocr page 45-
OVER LITERATUUR.                                     35
ns\'uralisten sinds 1850 beoefenen, dat zal Holland m. i. niet
den gewenschten stoot geven. En nu ben ik eenvoudig een
beetje boos op hem, om dat hij het air aanneemt van wel dien
stoot te geven.
Beets staat tot Byron en Longfellow, Huet staat tot Sainte
Beuve, Macaulay en Taine, zooals Netscher staat tot Zola en
Camille Lemonnier. En zoo zou Holland, als Netscher er de
eerste literator van werd, voortgaan, gelijk het al twee en
een halve eeuw aan den gang is, met voor grootste mannen
slechts bleeke schaduwen van buitenlandsche namen te kun-
nen aanwijzen.
De eenige veelbeteekenende Nederlanders uit het verleden,
waarvan niet onmiddelijk de geestelijke vader of vaders in liet
buitenland zijn aan te wijzen, zijn de schilders van de zestiende
en zeventiende eeuw geweest, Rembrand, Rubens, enz. Ik be-
doel natuurlijk met veelbeteekende Nederlanders, Nederlanders
van den allereersten rang, Nederlanders, die b.v. onder de
dertig grootste namen van de geheele waereld en van alle
eeuwen genoemd kunnen worden. Ik weet natuurlijk ook wel,
dat Rembrand en Rubens uit het werk hunner voorgangers
hebben geput, maar zij brachten toch een eigen, een nieuwe
waereld meê in hun ziel; zij hebben geheele beschavingen in
verrukking gezet en nageslacht op nageslacht beheerscht. Zij
hebben buitenlanders van hen doen verklaren: »Rembrand zei:
daar zij licht I En er was licht." Zij zijn te recht de hoogste
roem van Holland voor den vreemde. Wil Holland worden in
de literatuur wat het eens geweest is in de schilderkunst, dan
moeten er nu in de literatuur maar evenkniën van die mannen
verschijnen.
VI.
Wanneer de Heer Netscher voor zijn schrijftafel zit, dan
rijzen niet, in de wiegelende deining of in de stormende vaart
hunner spontaneïteit, de sentimenten en fantaziën voor zijn
geest, ingehouden slechts en tot levende mozaïk samengedron-
-ocr page 46-
36                                          OVER LITERATUUR.
gen door de reuzenhand van het hooge intellekt. Maar zij
vallen bij stukken en brokken in hem neer uit het chaosjen
zijner opgedane impressies en zooals zij uit het door andere
schrijvers geziene in zijn geheugen zijn blijven plakken.
Hij heeft het leven nog niet gezien, want zijn oog is zonder vlam
en zijn hand onontroerd. Hij heeft met zijn ontleedmes, gelijk
hij Zola nazegt, geen hersens opengescheurd en uit geen men-
schengemoed heeft hij het bloed doen vloeyen. Want al heeft
hij eenige opmerkingsgave, hij mist de oppermacht der in-
tuïtie, die de geheimste lachjes van kinderharten bespiedt, die
mannengeesten ziet staan en gaan en zich wentelen naar haar
wil, aan wier voeten vrouwenzielen hun innigste tranen komen
schreyen.
En de vormen, èn de kleuren ! Zijn talent is nooit gegaan
op den zoeten maatgang der lijnenspelen ; zijn pen heeft nooit
gebeefd als hij staarde in de diepten der kleurenmuziek.
De bewegingen, de geluiden, de geuren der werkelijkheid
heeft hij niet in zich opgenomen en ze weer uitgestort in
den gloed van inniger leven, die een kunstenaarsziel hun me-
dedeelt.
Hij heeft nooit meenen te voelen, als hij de waereld zag en
hij zag dat zij schoon is, dat zij zoo alleen scheen om het
vuur, dat zijn oogen er op sprenkelden.
Hij is nooit bang geweest, dat hij nooit het leven volko-
men juist zou zien, om dat hij \'t slechts zoü kunnen zien door
de hooge glansen heen van zijn lichtende ziel.
Hij heeft nooit, niet het denkbeeld, maar de gewaarwording
gehad van het onpositieve van de stof, van dat slechts dat-
gene bestond, wat hij zag, en alleen op het oogenblik, dat
hij \'t zag ; hij heeft nooit gevoeld als was elk zijner blikken
niets als een korte droom van kleuren.
Neen, niets van dit alles is ooit bij hem omgegaan, om dat
hij geen groot kunstenaar is,
Hij spreekt ergends van een »dans van lijnen", maar heeft
hij werkelijk ooit groote lijnendansen gezien : de grenzen der
kleuren, die langzaamaan begonnen te bewegen, als strepen
-ocr page 47-
U j
1\'
OVER LITERATUUR.                                     37
eil en kleurloos eerst, zich langzaam-aan samenvoegend, klim-
mend en dalend in wondervreemde warrelende figuren, in
driehoeken en vierkanten, stijgend voor zijn gestalte uit, glijend
zijn voeten voorbij, zich eindelijk licht-zilver en licht-zvvart
kleurend, en opspringend, neervallend, zilver zoet, angstig-zwart,
langs zijn oogen letters vormend, woorden spellend, dat geen
letters en geen woorden waren, droomen van lengte en breedte
bouwend, in hun ontastbaarheid strepend en wijzend, ontdek -
kend de teerste waarheden, de verste verschieten, de onzicht-
baarste hoogten van rede en gevoel, later deinend, walsend,
dansend, wilder en wilder, schaterend, kletterend, bliksemend
om hem heen ?
Neen ; hij heeft de zware kleuren ook niet zien woelen en
golven voor zich uit, de teêre tinten zijn nooit komen weenen
om zijn hoofd.
Hij heeft hen niet zien komen en hem raken, als een wolk-
kleed om zijn leden, als een parelend gaas om zijn slapen.
Hij heeft nooit in zich zelf dien wonderen spiegel ontdekt,
die de geziene stukken vvaereld weerkaatst als met paarle-
moerglansen overgoten.
Bij hem geen scheppingsakte die uitgaat van een kermenden
geest, bij hem geen zielekoorts en geen verbijstering. Zijn kamer
zinkt en stijgt niet om hem heen, geen wanden, dieverschui-
ven en splijten, geen dobberen over de smartenzee der kleuren-
en vormen-oneindigheid.
Bij hem niet het leven, dat daalt in de ziel; bij hem niet
het verwoestend angst-proces van de kunst, die ontstaat.
Toch is het een heerlijk ambacht, dat hij gekozen heeft.
O, op een kamer zitten en met een wit papier voor u en
dan gaan schrijven, nieuwe woorden zoeken, nieuwe woorden
vinden om uw nieuwe ziel meê weer te geven, ongekende
zinnen smeden, al de vondsten, al de gedachten en gevoelig-
heden van de taal der voorgangers stuk slaan tot een berg
van schitterend gruis en er dan uw nieuwe, uw eigen werk
-ocr page 48-
38                                      OVER LITERATUUR.
van bouwen, — dat is de wellust van den geest, dat is het
fijnste feest voor ons geheele zintuigelijk en geestelijk bestaan.
Vooral ook het schrijven van krijgvoerend proza is een
heerlijk werk voor den modernen kunstenaar. Joelen de woor-
den u niet uit de ziel als een ruischende en klotsende berg-
stroom, strijdend tegen de drooge aarde van uw dor en doof
publiek ? Kunt gij geen volzinnen vinden, die blinken als bajo-
netten in de zon, die neersabelen als ijzel op de schedels
uwer lezers, waarom schrijft gij dan ? Hoor de woorden der
levende kunst, die rollen en steigeren neer uit den geest, die
rennen voort over het papier als trappelende kudden toom-
loze paarden! Zie de jeugdige adjektieven, die huppelen en
dartelen, hoor het trommelgeroffel der snelle perioden, zie de
fiere vederbossen waayen der stoute substantieven in de statiger
zinnen. Hoor het schel getrompetter, het donderend kanon van
de juichende en woedende beeldspraak. Zie de hollende zwen-
kingen der wilde werkwoorden, zich slingerend door den stijl,
in donkere kruitdampen van passie den lezer aanvallend en
hem verwinnend. O, ik ben verliefd op het woord! De taal,
dat is het hoogste geluk, dat is een ontzachlijke waereld, waar-
in men zich vrij kan bewegen.
VII.
Hoort gij de klokken niet luiden, met lange bange tonen,
door den nacht van het einde, der eeuw? Ziet gij de toortsen
niet walmen door de rust der slapende steden ? Ziet toe, wij
zijn er, overal in \'t rond, wij komen óp van onder den grond,
wij komen aan van allen kant. Wij zijn de zwarte mannen,
met bleeke gezichten en roode vlaggen in de sidderende han-
den. Daar splijten de vlammen den nacht van-een, en ook daar,
en ook ginds. Dat zijn uw steden, die branden over de geheele
waereld der kunst. Dat is de wraak van ons, kunstenaars, tegen
uw middelmatigheid en uw dommen slaap. Hij het ontstoken
vuur van onzen toorn en van ons verachten, maken wij den
bouwstof voor ónze monumenten. Hoort gij dien knal niet,
-ocr page 49-
OVER LITERATUUR.                                    89
daar heel van ver; \'t is een uwer keizers, die daar wordt ver-
moord ; en dien andere, nog luider, dat is uw geliefde koning,
die valt.
Wij zijn de Revolutie in de Literatuur.
Ja, wij zijn moê gesard, ja, wij hebben ons moê geërgerd.
Op het puin van wat gij gesticht hadt en op uw lijken, zullen
wij gebouwen zetten zoo hoog en zoo schitterend, dat gij uw
oogen ziek zoudt hebben gekeken, zonder ze nog te hebben
overzien.
En wat staat onze revolutie ver boven de maatschappelijke !
Ons verzet is de strijd van de opperste krachten der natuur,
van de hoogste organismen van het bestaande, de toornklacht
van de fijnste snaren van den menschengeest, van de verbeel-
ding en het vernuft.
Wat waereld! Wat menschen! Wij dragen een waereld vol
menschen in ons gemoed, die wij storten over de stoffelijke
waereld, om haar de hoogste genieting te geven, en in enkele
uren een eeuwigheid van vreugde.
Wij kunstenaars, wij zijn alles, wij alleen zijn het geluk en
de liefde van de toekomst.
VIII.
De Heer Netscher heeft op sommigen den indruk gemaakt
van óok krachtig te haten, maar ik geloof het niet. Hij heeft
de voorreden der Haines van Zola wel gelezen, en gemeend
iets dergelijks in zijn eigen ziel te bespeuren. Maar dat was
alles. Neen, hij kent haar niet van aanschijn tot aanschijn, de
zwarte, de rood-zwarte haat. Zijn lippen hebben zich nooit
sidderend aan haar vale lippen geklemd, hij heeft haar grauwe
wangen niet gestreeld, hij heeft niet in haar bloedende oogen
gestaard, hij heeft de asch van haar adem niet opgesnoven.
De knarsende vlammen harer woorden heeft zij nooit in zijn
ooren gespogen. Hij heeft niet avond aan avond met haar
alleen gezeten, met haar als zijn eenige liefde, spottend met
die waereld, ver, ver beneden hem. Hij weet niet wat haten is.
-ocr page 50-
40                                      OVER LITERATUUR.
Het huisjen van zijn ziel kan zich niet verwijden tot een tem-
pel voor de haat.
Dat hij dan niet meer den indruk make van een passie te
hebben, waartoe hij onmachtig is. Dat hij op zijn plaats blijve,
dat hij een hekel hebbe aan, en hekele in zijn geschriften, wat
hij wil, maar dat hij niet op zijn teenen ga staan om wanke-
lend tot de hooge haat te reiken.
IX.
De stoutste droomers van alle eeuwen gaan door den nacht.
Ik zie hun bleeke hoofden schemeren en verdwijnen. Zij, die
hebben gezien en hebben gevoeld, zij, die hebben geweten en
hebben geweend, staan daar van verre, hoog en alleen. En
zij wachten en staren, of uit het land bij de zee niet een geest •
zal opstaan, die tot hun hoogte stijgen mag. En zij komen
en vragen, of uit het wilde water en van het wijde land, geen
vervoering zal rijzen, en geen hartstocht zal breken uit, om over
stelpend over de menschen te gaan, of er na Rembrand geen
zal zijn, die zich blind gelukkig ziet aan kleuren, geen, die zich
waanzinnig-gelukkig schreit om het leven. Hoort gij hen niet;
zij gaan, zij naderen, zij komen aan. Hoort gij niet hun zwaren
gang? Zij hadden lief, zij. Zij waren krachten, die wilden, en
machten, die konden. Daarom brandt het licht hunner oogen
nog over ons neer, daarom beven wij nog op onze stoelen,
bij hun geweldigen harteslag. Zij hebben zich zelf zooveel van
smart verscheurd, en zoo luid hebben zij gejuicht, dat hun
bloed nog druipt over de waereld en de lucht nog wemelt
van hun geluk.
En als ik hen zie en als ik hen hoor, wat raakt \'t mij dan
nog, of gij Netscher heet en of gij in Holland schrijft op papier
over wat gij naturalisme noemt.
Nu wij, na twee honderd jaar, naauwlijks nog, maar met
eindelozen wil opkomen, nu hoofden zich heffen en handen zich
trekken om groot te zijn, nu wij, in een storm van passie
en met een grauwen gloed van haat en verlangen in de
-ocr page 51-
OVER LITERATUUR.                                     41
oogen, de taal en de literatuur van het arme koude land
willen ophelpen, ze doen staan, ze doen gaan, en ze stoo-
ten voort, voort, voort tot duizelende hoogten, nu wij woeste,
groote schoonheid willen en mateloos ontembaar leven, nu
wij vervloeken al wat klein en onvermogend is, en wij liefde
willen, gouden liefde, purperen liefde, vlammende liefde,
nu wij werken willen om te doen ontwaken, om te doen
zien, om te doen begrijpen, om te ontstellen, om te doen
bewonderen, om te verrukken en te bedwelmen, nu wij ons
in staat voelen alles te wagen, nu onze geest, dronken van
kracht, langs de steilste afgronden der verbeelding tot de
donkerste diepten van het menschengemoed afdaalt, en wij
klimmen zullen tot het hoogste licht, om dat onze verliefde
oogen niet moê worden van te zien, en wij spelen zullen met
het heetste vuur, al blakeren onze handen en al verschroeyen
onze haren, — nu zoudt gij komen en ons willen afleiden
door het bedaarde dansjen van uw geringen geest ? Nu zoudt
gij, door de leêge gematigdheid van uw gemis aan oorspron*
kelijkheid, door uw persoonlijkheid, die er geen is, aan het
hoofd der jonge literaire beweging te stellen, Holland weer
tot de navolgster van den vreemde willen maken?... Maar, maar
dat zal niet gebeuren, maar wij wijzen u af; maar wij willen
niet een, die slechts tot Zolaas knieën komt, en vvaar-.Zola
over heen zou kunnen stappen. Het moet eindelijk eens uit
zijn met dat ellendig poppenspel van dat er in het buitenland
de een of andere literaire grootheid verschijnt en er terstond
een nederlandertje op de estrade van de kermistent onzer lite-
ratuur springt om hem na te apen.
Om dat gij niet groot zijt, kunt gij gerust thuis blijven.
Men moet in-der-daad het proza van den Heer Netscher
lezen, niet dat zijner novellen, waar hij zelf zich geheel ach-
ter de taal verschuilt, niet het epische proza, dat om zijn aard
zelf u niet zoo dadelijk met het subjektieve zieleleven van den
-ocr page 52-
42 .                              OVEE LITERATUUR.
•
kunstenaar in aanraking brengt, maar zijn lyriesch proza, zijn
literaire ontboezemingen, ik bedoel zijn opstellen over litera-
tuur, zijn taal, wanneer hij prijst of laakt.
Een groot kunstenaar kan houden van zijn moeder, kan
houden van vrouwen en houden van wijn en houden van geld
en houden van honderd andere dingen in het leven. Als hij
over die zaken het woord neemt, zal hij \'t goed doen, om
dat hij tot in de minste kleinigheden van zijn mensch-zijn
artiest is en om dat hij spreekt over wat zijn liefde heeft.
Maar meer dan zijn moeder, meer dan de vrouwen en meer
dan de wijn en meer dan het geld, zal hem zijn kunst zijn.
Zijn kunst dat is de kunst, de kunst, die hij bemint met een
forsche en jaloersche liefde, de kunst, de literatuur, die hij
bloedig wreekt als zij wordt beleedigd door het geslof en
gekriebel van onvermogende krabbelaars, die hij slechts toelaat,
dat genaderd en gestreeld wordt door vorstelijke voeten en
vlammende handen. En als hij dan over haar spreekt, over de
Literatuur, zijn hooge geliefde, zie dan naar zijn taal en gij
zult weten wat hij is. Luister dan naar het proza van zijn
goedkeuring, naar het proza zijner verrukking, naar het proza
van zijn beminnen, luister goed naar het proza van zijn spot,
van zijn lachen, van zijn verachtende onverschilligheid, hoor
naar», zijn verdriet, naar zijn klacht en zijn verontwaardiging,
luister, luister naar het proza van zijn haat.
Ik houd niets van het proza des Heeren Netscher. Vooreerst
mis ik er altijd den van alle anderen verschillenden stempel eener
persoonlijkheid in. De uitdrukking van des schrijvers oogen
en den klank van zijn stem, zijn bewegingen zie ik er naauwlijks in
schemeren. Zijn bewondering voor de fransche naturalisten
flikkert als een waskaars in een groote kerk Zijn misnoegen
tegen hollandsche letterkundigen valt op hen als handkar-
modderspatten op voorbijgangers. Zijn volzinnen rijden voort
als een kinderwagentjen of vloeyen heen als water in een
gootsteen.
Ik houd van het proza, dat als een man op mij toekomt,
met schitterende oogen, met een luide stem, ademend, en met
-ocr page 53-
OVER LITERATUUR.                                     43
groote gebaren van handen. Ik wil den schrijver er in zien
lachen en schreyen, hooren fluisteren en roepen, voelen zuchten
en hijgen. Ik wil, dat zijn taal als een tastbaar en klinkend
organisme voor mij opdoeme, ik wil dat, als ik hem lees op
mijn kamer, hij mij, uit zijn voor mijn oog bevende letters,
een geest doe gewaarworden, die mij nadert en van zijn blad
zijden uit in mij op schijnt te varen.
Ik houd van het proza, dat van uit de oneindigheid der
kunstenaarsziel als een klankenzee komt aanstroomen, met zijn
wijde golving kalm voortspoelend, naderend, naderend, altijd
nader, effen en breed, plotseling verlicht door hevige glans-
plekken.
Ik houd van het proza, dat op mij toedruischt, op mij
aanraast, op mij necrdondert in een stormenden stortvloed
van passie.
Ik houd van het proza, dat onbewegelijk en ontzachlijk is
als bergenruggen.
Ik houd van proza, dat dartelt en jubelt als een waayend
zomerwoud vol vogels.
Ik houd van het proza, dat ik daar zie staan met zijn vol-
zinnen, als een stad van marmer.
Ik houd van het proza, dat over mij daalt als een gouden
sneeuw van woorden.
Ik houd van volzinnen, die loopen als scharen mannen met
breede ruggen, zich rijend schouder aan schouder, steeds elkaar
in breeder rijen opvolgend, berg op berg af, met het gestamp
hunner stappen en den zwaren voortgang van hun schrijden.
Ik houd van volzinnen, die klinken als stemmen onder den
grond, maar opkomen, stijgen, stijgen, luider en meer, en
voorbijgaan en stijgen en zingend doorklinken hoog in de lucht.
Ik houd van woorden, die plotseling aankomen, als van heel
ver, goud te voren schietend uit een bres in den blauwen
horizont, of als donkere steenklompen hoog in de lucht kan-
telend, diep uit een worstelenden en brandenden afgrond.
Ik houd van woorden, die op mij neêrbonken als vallende
balken, van woorden, die mij voorbijsissen als kogels.
-ocr page 54-
44                                          OVER LITERATUUR.
Ik houd van woorden, die ik in eens zie staan, als klaprozen
of als blauwe korenbloemen.
Ik houd van woorden, die mij uit den loop van den stijl
plotseling toegeuren als wierook uit een kerkdeur of als reuk-
water van een vrouwenzakdoek op straat.
Ik houd van woorden, die eensklaps, onder den dreun van
den stijl door, als een neuriënde kinderstem zachtjes opklinken.
Ik houd van woorden, die heel even ritselen, als gesmoorde
snikjes.
Ik houd van het proza, dat zijn vreugde en zijn verrukking
boven mij uitsterrelt dat gloeyende zonnen van liefde ontsteekt,
dat mij voert over het eile ijs zijner minachting, door de
ruige, zwarte nachten van zijn haat, dat mij de groene, kope-
ren klank van zijn spot en lachen tegenschettert.
Indien gij mij behagen wilt, span dan een regenboog van
taal boven mijn hoofd, waarin ik roode gramschap zie toornen,
blauwe blijdschap jubelen, en lachen gele spotternij.
Neem mij op en voer mij heen waar gij wilt; ik vraag niets
liever dan machteloos te zijn tegen de macht van uw woord.
Sla mij met uw woord, martel mij met uw woord, en dat
uw woord dan weder als een kussenregen op mij neervalle.
Daar heb ik behoefte aan, om dat de literatuur, de taal,
het Woord mijn liefde is voor altijd.
O, geef mij proza om te bewonderen, geef mij taal om
lief te hebben !
Mijn ziel is een groot paleis, dat ik met teederheid heb
geplaveid, om er de schoone taal in te ontvangen; met het
vlammende purper mijner bewondering heb ik de hooge wan-
den behangen; mijn gouden geestdrift blinkt er van de zaal-
gewelven. Als mijn geliefde er binnenkomt, dan weet mijn
geest ongeziene glimlachjes te vinden, die als feeën glijden
over de vloeren om haar te begroeten. In de zon van mijn
liefde, die toestroomt van buiten, ruischt mijn tevredenheid als
de zang van vreemde vogels er naar binnen. De rozen van
mijn vreugde spreiden zich er tot een rustbed. De tranen mijner
genieting weenen er tot vloeyend edelgesteente om haar leden.
-ocr page 55-
OVER LITERATUUR.                                      45
O, kom toch, kom! In den tuin van mijn paleis ranken de
wonderlijke boomen van mijn verlangen omhoog; als gij komt,
bebladeren zich die boomen met de zilveren woorden mijner
verrukking, en mijn drift zal opzetten als een woedende wind,
en ze waayen overal heen om de hoofden der menschen,
en een lente zal gaan over het land, om dat ik mijn vervoering
gezegd zal hebben.
O, kom! Ik ben zoo eenzaam. Mijn hand zal bloeyen om
uw hand. Ik zal u den wijn van mijn vereering schenken. Ik
zal naar u luisteren met oogen, die bidden van dankbaarheid.
Ik zal u fluisteren van mijn hartstocht in een muziek van
bevende, bloedende klanken.
Kom! Wij zullen samen zijn alleen. Ik wacht u met
gloeyende armen; mijn borst hijgt naar uw schoone gestalte.
Ik zal u omhelzen met trillende lippen, en mijn kussen zullen
bloesemen over uw hoofd.
O, kom ! Wij zullen samenblijven den heelen dag, den heelen
nacht. En de dag zal verdwijnen met zijn geluiden en de
stille nacht zal liefelijker schijnen dan de dag. Ik zal al de
zilveren lampen van mijn vernuft ontsteken om u altijd beter
te zien. Ik zal u kussen met mijn verstand, u kussen met
verbeelding, u kussen met mijn gevoel. En gij zult tot mij
lachen, stilletjes lachen, o zooveel lachen, en gij zult mijn arme
hoofd streelen met uw teerste liefkozingen. Wij zullen eikaars
vlammenden adem verslinden. En wij zullen opgaan tot elkaar
in een storm van verrukkingen, en wij zullen éen zijn samen,
vergetend die waereld en die menschen daar buiten, wetend, dat
wij alleen de werkelijke waereld zijn en dat er buiten ons niets is.
O Visioen van het Woord ! O zonnezee van passie ! O hooge
bedwelming van de goddelijke taal! O horizont van glansen
waartegen de siloët van Netschers proza afsteekt als een
donkere vlek.
Ja, mijn bestaan is niet van het lichaam, mijn bestaan is
van den geest alleen. Ik zie kleuren lichten, ik zie vormen
zijn, ik zie menschen lachen. Maar zie ik dat ? Neen, ik weet
niet wat is. Het leven ruischt heen over mij en ik weet niet
-ocr page 56-
46                                      OVER LITERATUUR
of het leven is.. . Maar in ééns, daar komt het op uit den
afgrond van mijn gemoed, daar zie ik het schemeren en rit-
selen, het stijgt hooger, het nadert altijd . . ., en het bruist op
over mijn wankelend hart en het siddert heen door mijn aar-
zelend verstand. En mijn hoofd schudt neer, en het Woord
rijst, rijst over mij heen. Ik weet het Woord. Ik zie het Woord.
Het Woord alleen is.
XI.
Tusschenbeide gevoel ik een literaire teederheid voor den
Heer Netscher. Ik denk dan aan hem als aan een jonger
broertje van mij-zelf in de literatuur. Enkele jaren eerder dan
hij ben ik begonnen zoo\'n beetje in \'t publiek aan letterkunde
te doen, en après tout hebben wij toch dezelfde sympathiën
en strijden wij voor dezelfde zaak.
Maar als ik dan weer eens goed naar mijn broertje kijk,
dan zie ik dat hij er mottig en bewrat uitziet van ver-
nuftloosheid en onoorspronkelijkheid, en dan denk ik bij
me-zelf, dat ik bedank voor zoo\'n broêrtjen, ik, die wel
nooit iets zeer goeds zal produceeren misschien, maar die
een haat heb aan al wat naar plagiaat zweemt, en die
mijn stijl en mijn denkbeelden liever voor altijd vvech zoü
gooyen, dan ze op de straat der publiciteit te leiden, met
door Zola beschilderde wangen en met tanden afkomstig van
Camille Lemonnier. Maar dan denk ik weer, dat broertje nog
te klein is om zoo lichtzinnig en koket te zijn, en dat hij zich
alleen maar wat vuil heeft gemaakt bij het ploeteren in an-
derer werk. Foei, broertje, foei, broertje ! je hebt te diep ge-
keken in de konfiturenpot van oome Zolaas geschriften, want
je heele gezichtje zit er nog vol van. En wat is er een vreemd
luchtje aan je ! Je hebt zeker weer onder de rokken van tante
Lemonnier gekropen! En wat zie-je der slordig uit! Stout
broertje, och Heer, wat doeje m\'n \'n desplezier, wat beê-je\'n
\'n morspot!
-ocr page 57-
I
OVER LITERATUUR.                                      47
XII.
Maar neen, mijnheer Netscher, ik beklaag u in ernst, om dat
gij niet het reuzegroote talent zijt, waarvoor gij u zelf schijnt
te houden Gij begint pas te werken, en ik ben bang, dat de
teleurstelling later vreeselijk voor u wezen zal. Ik wil u geen
raad influisteren, die uw drift toch terstond zou vertrappen,
maar geloof mij: bezin u eer gij zoo voort gaat. Tracht u
eens onpartijdig tegenover uw werk te plaatsen, herlees en
overweeg het eens goed. Gij moet u niet vragen wat gé zijt
in vergelijking met die of naast gene, want dat gij meer zijt
dan velen ben ik de eerste om toe te geven, maar vraag u
af- of g\'j groot zijt, buig u over uw schrift, en indien gij ti
dan herleest, zonder dat een vloed van ontroering over uw
hart komt, zonder dat er slagen van verbazing op uw hersens
vallen, zonder dat gij opstaat en het uitschreeuwt van vreugde,
zonder dat gij telkens en telkens u zelf weer op nieuw schit-
terend ontdekt, zonder dat gij woorden ziet, een taal, een kunst,
die gij nergends nog zoo gezien hebt, zonder dat gij eiken keer u
zelf weer betast en duizelend overdenkt en weten wilt, wie ge toch
zijt en wat ge toch zijt, zonder dat een angst voor uw eigen
organisme u aangrijpt en gij verbleekt en rilt en er uit de
diepste diepten van uw gemoed vreemde stemmen stijgen, die
vragen wat dat is: »het leven" en wat dat is: gij — individu—,
zeg u dan, dat gij gewoon zijt en klein, en dat gij uw eerzucht
lager hebt te stellen.
Want gij zijt verdienstelijk genoeg om een doel in de let-
terkunde te bereiken. Gij kunt iets bescheidens en nuttigs
doen.
XIII.
Na de persoonlijkheid van den schrijver Netscher tot zijn
waren omvang te hebben teruggebracht, kunnen wij zijn ver-
diensten schetsen.
-ocr page 58-
48
OVER LITERATUUR.
Ik kan hem nu niet meer de hand geven, want natuurlijk
heeft hij na de vorige bladzijden mij al lang den rug toege-
draaid; nu ga ik hem dus alleen maar een beetje op zijn
schouder kloppen, om dat ik het toch wezelijk goed met hem
meen.
Ik zal hier geen verhandeling schrijven om het verschil
der prozakunst, die men als naturalistische aanduidt en de
hedendaagsche andere. Het groote onderscheid is eigenlijk,
dat de naturalisten talent hebben, voortvloeyend uit de hun
eigene hier ook niet nader te omschrijven artisticiteit, terwijl
de anderen dat missen of het ten minste in veel geringer
mate hebben. Maar genoeg. Iedereen weet wat ik bedoel, als
ik zeg : de Heer Netscher behoort tot de school der fransche
naturalisten.
Hij schrijft novellen, die van aanleg blijk geven. Hij volgt
zijn modellen terecht in hun verwaarlozing van de elders
gebruikelijke zoogenaamde intrige der novelle. Hij schetst
eenvoudig stukken leven, waarvan het begin, het midden en
het eind slechts bepaald worden door het harmonie- en kom-
pozitiegevoel der bij het bestudeeren dier stukken leven in zijn
artisticiteit ontstane stemming.
Al blijkt uit zijn werk, dat zijn stemmingen niet van de
zuiverste spontaneïteit zijn, maar meestal gewekt door dat hij
zich de werken zijner fransche voorgangers herinnert, al ge-
lijkt, om het grof te zeggen, de wijze waarop de Heer N. in
den »Val van een minister" \'s Lands vergaderzaal heeft ge-
zien, en waarop hij in «Oproer in het ballet" balletmeisjens
heeft gezien, en waarop hij in »Miss Nelly" een café-chantant
heeft gezien, en waarop hij in éen woord in »Een Logeetje",
in sMarietje Veenders", in »Uit den Verkiezingstijd", in » Stille
waters", enz., de waereld heeft gezien, wat het sentiment aan-
gaat en de sensaties, op Son Excellence Eugène Rougon, op
Nana, op Bruxelles rigole, enz., enz,, toch heeft hij het
talent gehad om die zaken ook op zijn beurt te zien en ze
weer te geven in een hollandsch, dat door zijn nieuwheid,
frischheid en plastische intensiteit boven vergelijking met wel-
-ocr page 59-
OVEB LITERATUUR.                                     49
ken anderen Hollandschen novellist van het oogenblik ook
verheven is.
Men heeft den bundel maar op te slaan om op elke blad-
zijde de uitmuntende vondsten van het talent des Heeren
Netscher te zien blinken.
Bijna al zijn nieuwe woord-kombinaties, zoo als «vuil-bruin11,
»wiegheupend", enz. zijn evenveel aanwinsten voor de taal.
Sommigen hebben tegen zulke nieuwigheden, wanneer deze
niet, zoo als zij zeggen, op de taal gegrond zijn, niet volgends
de leer der taaivorming zijn te verklaren, maar dit zijn taai-
geleerden of taalkundigen, die, bij het beoordeelen van taal,
van een andere praemisse uitgaan als wij. Al zou een woord
ten zeerste strijden tegen de geschiedenis, tegen de genealogie
van de taal, — zoodra het met zijn klank naauwkeuriger iets
aanduidt dan een bestaand woord zou kunnen, is een artiest
volkomen gerechtvaardigd, wanneer hij zoo een woord ge-
bruikt. Door mooye taal, door mooyen stijl verstaan wij
niet logiesch en netjes rondloopende zinnen, maar klanken-
reeksen, die nieuwe gewaarwordingen geven aan den artistiek
ontwikkelden lezer.
De mooiste stukken uit den bundel des Heeren Netscher
zijn: p. 135, van de 16e regel van boven tot de 31e; p. 140,
van de i6e tot de 21e; p. 141, van de i7etot de 26e; p. 142,
reg. 1, 2, 3; p. 143, reg. i, 2; p. 202, reg. 2—21; p. 232,
reg. 29—38; p. 233 geheel.
De mooiste schets van den bundel is: «Stille waters";
daarna volgt het tweede gedeelte van «Marietje Veenders";
daarna «Jan van Diepen"; eindelijk «Een Logeetje". De
overigen zijn minder.
Men zou de schetsen van den Heer Netscher in impres-
sionistische en naturalistische kunnen verdeelen. De impres-
sionistische zijn: «Herfst in \'t Woud", «Miss Nelly", «De
laatste eer aan een overledene". De naturalistische zijn de
beste.
Een van de dingen, die ook in den Heer Netscher te waar-
deeren zijn, is de groote ijver, waarmee hij zijn zaak dient.
4
-ocr page 60-
50                                     OVER LITERATUUR.
Voor de popularizeering van het fransche naturalisme in
Nederland heeft hij veel gedaan en hij kan er in \'t vervolg
nog veel voor doen, ook.
Als Nederland eindelijk in die ontzachlijke literatuur meer
belang zal gaan stellen, zal dit grootendeels aan den Heer
Netscher te danken zijn.
Krachtige en werkzame naturen als de zijne moeten zeer op
prijs gesteld worden door elk, die de literaire kunst liefheeft.
En hiermede meen ik mijn lezers en den Heer Netscher
vaarwel te kunnen zeggen.
XIV.
O ja, wacht even. Dit eene, mijnheer Netscher, wilde ik u
nog zeggen vóór ik van u scheiden ga. Gij hebt geen idee hoeveel
verdriet ik tusschenbeide heb van het schrijven der vorige blad-
zijden. Dan heb ik lust om ze in eens te verscheuren, en het eenige,
wat mij weerhoudt, is de gedachte, dat gij te trotsch zult zijn
om u iets aan te trekken van al het minder aangename dat
er over u in staat. Ja, gij moet niet denken, dat ik zoo hard-
vochtig ben. Ik heb meer dan eens de tranen in mijn oogen
gehad, terwijl ik het voorgaande schreef. Dan dacht ik aan
u, aan al uw ijver, aan al uw vuur; dan zag ik u werken en
zwoegen voor uw kunst, \'s nachts wakker liggen om er aan te
denken, over-dag u met al het andere haastend om toch aan
de Literatuur te kunnen gaan, en haar dan lange, lange, onaf-
gebroken uren wijdend, boos op een ieder, die u kwam storen,
niets liever en niets anders wenschend als alleen te blijven
met uw geliefde auteurs en uw groote hoop om zelf ook iets
te worden zooals zij. Dan zag ik u zitten, over-dag met het-
zelfde stille stadslicht in de rondte, \'s avonds onder denzelfden
nog stilleren lampenschijn, met dezelfde gele boeken vóór u
en in bewondering voor dezelfde auteurs, als die de jaren van
mijn literaire jeugd hebben beschenen en die mijn eerste geest-
drift toen hebben ontstoken.
-ocr page 61-
OVER LITERATUUR.                                     51
f
Met een zachten weemoed denk ik aan dien tijd te-rug, die
nog niet lang achter mij ligt. En dan spijt het mij toch zóo,
dat ik niet met beide handen tot u ben kunnen gaan, om u
geluk te wenschen, en u voor te stellen in \'t vervolg samen
te werken in en te ijveren vóór dezelfde literaire kunst.
Maar gij zijt nu eenmaal anders uitgevallen als ik eerst
had gedacht. Gij zijt nu een verdienstelijk scholier gebleken,
die de dwaasheid begaat voor meestertje te willen spelen.
Daarom heeft het zoo moeten zijn, en nu hoop ik maar
voor u, zooals ik zeg, dat gij lachen zult om mijn boetpre-
dikatie.
XV.
Ik weet zeer goed het eerste, het explikatieve gedeelte van
(dit opstel, niet met die zorg te hebben behandeld, welke aan
dergelijk werk wel zou kunnen worden besteed. Dit heeft twee
oorzaken: Ten eerste is het werk van den Heer Netscher
niet belangrijk genoeg om er heel veel tijd aan te geven en
om het tot in heele kleine kleinigheden te ontleden. Ten
tweede ben ik mij daarom ook al gaauw gaan vervelen, toen
ik er meê aan den gang was en heb den arbeid maar een
beetje bekort.
Maar mijn doel heb ik bereikt. Ik vond, dat de persoon
van den Heer Netscher in de jonge literaire beweging hier
te lande volstrekt ongemotiveerde proportiën aannam. Dit te
zeggen op mijn manier, te zeggen wat er met betrekking tot
dat verschijnsel bij mij omging en meteen de wijze min of
meer aan te geven waarop o. a. in het vervolg naar mijn
meening literaire kritiek moet worden geschreven, was alles,
wat ik wilde.
Te beoordeelen literaire kunst maakt bij den beoordeelaar
tweeërlei beweging gaande: de subjektieve, de lyrische, die
hem doet zeggen wat hij gevoelt over of naar aanleiding van
het werk in quaestie; en de objektieve, de analytische, die
-ocr page 62-
•
52                                     OVER LITERATUUR.
hem het werk op zich zelf doet beschouwen, en zoo te gelijk
de oorzaken van zijn eigen gevoel daarover verklaart.
Beurtelings het verstand en de verbeelding van den lezer
aan te doen, het kunstwerk voor hem uit elkaar te halen,
zijn verstand het te doen betasten in de onderdeden en in
het geheel, zijn gevoel te voeren door de stemmingen, die
het kunstwerk bij den beoordeelaar heeft gewekt; endezetwee
funktiën te verbinden tot een regelmatig geheel, tot een kom-
pozitie met zijn effenheden, zijn rijzingen en dalingen, zijn
toppunt en zijn uitvloeying, — dat is de taak van den modernen
literatuurbeoordeelaar.
•
HfV
>