-ocr page 1-
rw-*fc^nwc*^:- ?iW£:c^K
^A,
ï*
-^=ö
;>^
2s£
=^
fnaatsc^PP\'J W beooraering
ö
er
oonkuns
ra
iTpreeniging voorNederlands Muziekgeschieden
\'°                   vrDÜITGAVBe^                   \'
^0*reIooniNederiandscheMeeste^en-
is
<1>
met geestelijken en wereldlijken Tekst
voor eene Zangstem met Klavierbegeleiding
J.C.M.VAM RIEMSDIJK.
Prijs ft50 IR.JH2,»)
Te verkrijgen bij
Den Algemeenen Muziekhandel            Breitkopf & Hertel
te Amsterdam.
Leipzig.
A
LIOTHEEK UNIVERSITEIT UTRECHT
2894 440 7
2^
16
-\'S!
Gt)hf>derLeipzi$
-ocr page 2-
-ocr page 3-
lo?fe
\\rf)lrv\\
overgeplaatst .
ebiedsbibliothe^k
■j____tj_r..>jg
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
nftf n£
J^.
G^
*</L
zs
So
^7^^
^/
ï
maatschappij ^eoor8erinfl
(1
er
Toonkunst
^C<^K
v:
■**&&&?
»P,«,...,- - ederlandsiuziekgeschieden,-
v°             vtdUitgave e>             "ls
Van °«<lere Noonl Xederiandsche Meestenve^n •
M
>
V
<
Inet geeslelijken en wereldlijken Tekst
voor eene Zangstem metJÜawbegeleiding
( nTbcwerkl door
J.C.M.VAiiRI»\'
*f
Muziekhj^feojjdnstituut
df^jtefWrsiteit
JpflTRECHT
Prijs fl. 50 (B..U50)
Te verkrijgen bjj
Den Algemeenen Muziekhandel           Breitkopf & Hertel
Leipzig.
te Amsterdam.
Mêt*
D.C
iQb^-
•■:
GGhd\'<:Leipz<g
-ocr page 7-
IJc Vereeniging voor Noord-Nederlands Muziekgeschiedenis heeft
niet groote ingenomenheid gadegeslagen, hoe in den allerjongsten tijd de belang-
stelling in het Nederlandsen Volkslied is toegenomen.
Letterkundigen en mannen van gevestigden naam op het gebied der histo-
rische wetenschappen hebben het Nederlandscli lied in de Middeleeuwen tot een
onderwerp van wetenschappelijk onderzoek gemaakt en daarover merkwaardige
bijdragen geleverd. Bronnen zijn aan het licht gekomen of door den druk voor
iedereen toegankelijk gemaakt, welke vroeger onbekend waren of slechts met moeite
konden worden geraadpleegd. Zelfs buitenlandsche geleerden hebben van hunne
belangstelling in o n s lied doen blijken.
In de eerste plaats zij hier de naam vermeld van Dr. G. KALFF, wiens
dissertatie -Het Lied in de Middeleeuwen" — Leiden — E. J. Brill 1884, in letter-
kundige kringen grootc belangstelling heeft verwekt. De aandacht zij verder
gevestigd op drie verhandelingen van Dr. J. G. R. ACQUOY: "Het oude Paasch-
lied Christus is opgestanden", "Het geestelijk lied in de Nederlanden vóór de
Hervorming"*), "Kerstliederen en Leisen"**), welke uitnemende bijdragen vormen
tot de kennis van het Nederlandsen Middeleeuwseh geestelijk lied. Hoewel in
deze geschriften eenc wanne belangstelling aan den dag wordt gelegd voor de
muziek-historische zijde van het wetenschappelijk onderzoek, hebben genoemde
schrijvers zich hoofdzakelijk met den tekst der liederen bezig gehouden.
Nieuwe en zeer belangrijke bronnen voorde volksmelodieën zijn echter ook
in den allerjongsten tijd opgespoord. De bekende schrijver van het belangrijke
werk "Das katholische deutsche Kirchenlied in seinen Singweisen". de heer WIL-
HELM BAÜMKER. heeft in het Vierteljahrsschrift für Musikwisscnschaft***) ons
doen kennis maken met eene verzameling melodieën met tekst, die hij ontleend
heeft aan twee handschriften uit de 15<,B eeuw, waarvan het ééne aan Iloffmann van
Fallersleben heeft toebehoord en thans in eigendom is overgegaan aan de
Koninklijke Bibliotheek te Berlijn en het andere berust in de Keizerlijke Fidei-
kommiszbibliotheek te Weenen.
Eene uiterst merkwaardige bijdrage werd verder geleverd door den Heer
D. F. SCHEURLEER te s Hage. Deze heeft op nieuw uitgegeven een bundel
geestelijke liederen, bekend onder den naam van "Een deuoot ende Profitelijek
Boeoxken" die door Symon Cock in het jaar 1539 te Antwerpen was gedrukt. De
*) Archief voor Nedotlandsche Kerkgeschiedenis, «11. I aH. 1. 1884 bis. 1—36. en dl.
Il all. 1. 1886 blz. 1.
**) Verslagen en Mededoelingen der Koninklijke Akademie von Wetenschappen, At\'dee-
ling Letterkunde, 3<l« reeks, Deel IV.
***) Uitgegeven door Fr. Chrysander, Pli. Spitta en Guido Adler, 4<l>\' Jaargang 1888
afl. 2 en 3. Leipzig bij Breitkopf n. Hiirtel.
-ocr page 8-
- n -
wijze waarop de Heer Scheurleer bij zijne nieuwe uitgave*) is te werk gegaan
moge hier in korte trekken worden beschreven.
Het éénige volledige, thans nog bestaande exemplaar heeft de Heer Scheur-
leer, niet alleen wat den tekst betreft, met eene bewonderenswaardige nauwkeurig-
heid doen herdrukken, maar de talrijke, daarin in oud notenschrift voorkomende
melodieën, heeft hij in facsimilé doen opnemen, zoodat ons een getrouw beeld van
den oorspronkelijke!! notendruk wordt gegeven. Aan de uitgave zijn, behalve cene
zeer lezenswaardige voorrede, uitgebreide aanteekeningen toegevoegd betreft\'endc
de meeste in den bundel voorkomende melodieën. Met de grootste nauwkeurig-
heid, die getuigt van eene buitengewone belezenheid en van uitgebreide kennis
van de Nederlandsche liedeboeken der lG\',e, 17\'\'1\' en 18\',e eeuw, worden in die
aanteekeningen de verschillende lezingen der besproken melodieën in notenschrift
opgegeven, zooals deze in de genoemde liedeboeken voorkomen. Die aanteekeningen
zijn eene volkomen geslaagde proeve van wetenschappelijke behandeling, welke
tot voorbeeld voor dergelijken arbeid mag worden aangenomen.
OoU muzikale bewerkingen van oude Nederlandsche volkswijzen kwamen
in den laatsten tijd aan het licht. Dr. ACQUOY gaf ons zijne "Middeleeuwsohe
geestelijke Liederen en Leisen, met eene Klavierbegeleidiug naar den aard hunner
tonen"**), welke bundel in hooge mate de belangstelling, ook van muziekkundigen,
heeft gewekt. In het jaar 1889 verscheen het eerste deel van een belangrijk werk
van FL. van DUYSE getiteld: "Oude Nederlandsche Liederen; Melodieën uit de
Souterliedekens, uitgegeven met\'inleiding, aanteekeningen en klavierbegeleiding"***);
kennisneming van dit werk zij aan allen, die met liefde vervuld zijn voor ons
volkslied, ten nadrukkelijkste aanbevolen.
Onze Vereeniging, die met voldoening er op kan wijzen, dat zij het Neder-
laudsch Volkslied steeds een warm hart heeft toegedragen, (getuige: de alom ver-
spreide en populair geworden uitgave der Valeriusliederen en Geuzenliederen van
Dr. A. D. LOMAN, en de belangrijke mededeelingen van Dr. J. P. N. LAND in ons
tijdschrift over het luitboek van Thysius), heeft terecht gemeend, dat het tot ons
gekomen nieuwe materiaal niet ongebruikt moest blijven liggen, maar, op de wijze
als is geschied met de Valeriusliederen, levend en voor iedereen toegankelijk ge-
maakt behoorde te worden. Zij besloot tot de uitgave van eene bloemlezing van
melodieën uit de 15*\'" en 16de eeuw en droeg mij de eervolle taak op om die voor
eene Zangstem met Klavierbegeleiding te bewerken.
De verzameling, die de Vereeniging thans aan hare beschermers aanbiedt,
bestaat uit 24 liederen, waarvan de ééne helft op geestelijken, de andere op
wereldlijken tekst.
Alvorens in de hiernavolgende aanteekeningen mcdcdeeling te doen aan-
gaande de bronnen, waaraan zoowel de melodieën als de teksten der liederen
werden ontleend, zij het mij vergund in breede trekken te ontwikkelen, hoc ik
gemeend heb mijne taak te moeten opvatten, en door welke beginselen ik mij
daarbij heb laten leiden.
In de eerste plaats heb ik mijne lezing der melodieën toe te lichten. De
melodieën, welke ik ontleende aan het Deuoot en profitelick Boccxskcn (No. I,
*) Deze uitgave is verschenen bij Martinus Ni.jhoft", \'s Gravenhage 1889.
*•) Verschenen bij Martinus Nijhoff, \'s Gravenliage 1888.
**•) Uitgave van de Maatschappij der Vlaanische Bibliophilen: gedrukt te Gent bij
C. Amioot-Bi\'aeckiuan.
-ocr page 9-
— III —
IV, V, VI, VII, X, XI, XIV, XV, XVI, XVH, XX, XXII en XXIII), zijn, blijkens
het ons door den Heer Scheurleer bezorgd facsimilé, in Gregoriaansch koraalnoten-
schrift opgeteekend. In den regel wordt voor elke lettergreep, die op ééne enkele
noot gezongen moet worden, ééne longa q genoteerd; terwijl eene brevis of semi-
brevis, ■, ♦, alleen dan voorkomt, wanneer op ééne en dezelfde lettergreep meer dan
ééne noot van verschillende toonhoogten zijn genoteerd. Slechts bij uitzondering
komen op ééne en dezelfde lettergreep, in plaats van ééne longa, twee breves voor.
denzelfden toon aangevende. Bovendien worden op dezelfde lettergreep zooge-
naamde ligaturen gevonden, ter verbinding van eene longa met een brevis of omge-
keerd, of van twee of meerdere breves. Aanduiding van maat ontbreekt ten
(■enenmale; evenmin is van maatverdeeling iets te bespeuren. De noten, die op
elk der lettergrepen van één woord geschreven zijn, zijn van die, welke op bet
daaropvolgend woord voorkomen, door zoogenaamde baren van elkander gescheiden,
hetgeen echter hoegenaamd niet met eene maat-verdeeling in verband staat. De
notenbalken tellen vier lijnen; de sleutels zijn afwisselend f en c sleutels.
Met deze gegevens heeft men nu de melodie te construeeren. Het gaat
natuurlijk met aan, aan elke longa dezelfde waarde te geven; dit zou eene voor-
beeldelooze eentonigheid teu gevolge hebben; elke lettergreep, beklemd of on-
beklemd, zou even lang moeten gezongen worden. Dit druischt zoo lijnrecht in
tegen het begrip van volksmatigen zang, dat men gerust deze wijze van de me-
lodie te lezen terzijde kan stellen. Zelfs voor het zuiver Gregoriaansch is zulk
een stelsel af tekeuren; te meer verwerpelijk is het voor melodieën, zooals in het
deuoot en Profitelijck Boecxsken voorkomen, waarvan de meeste, blijkens de
voysaanduiding, oorspronkelijk behoorden tot wereldlijke liederen.
De tekst, die onder de melodie is geplaatst, moet den grondslag vormen,
waarnaar de melodie gelezen, opgeteekend en in modem notenschrift overgebracht
behoort te worden. Indien men aan den regel vasthoudt, dat men de woorden
moet zingen, zooals men die zonder noten uitspreekt, eii wel volgens den rhytmus,
die aan het vers ten grondslag is gelegd, dan zal men het minst gevaar loopen
mis te tasten. Terecht zegt van Duyse\': "Poëzie en muziek, metriek en muzikale
notatie staan in innig verband."
Ik heb gemeend overal eene maatverdeeling te moeten aanbrengen; dit
scheen mij, in verband met de klavierbegeleiding, noodig. Men leide daaruit niet
af, dat men dan ook streng in de maat moet zingen en spelen. Integendeel: de
voordracht moet vrij en declamatorisch zijn; men reciteere het vers op de daar-
boven gestelde noten; de begeleider heeft den zanger geheel te volgen in zijne
vrije voordracht. Het is niet mogelijk deze wijze van zingen in de kleinste
bijzonderheden door notensohrift aan te duiden; men moet volstaan met de middelen,
die ons ten dienste staan voor het aangeven van noten van langere en kortere waarde.
Het talent van den zanger, bij de voordracht ten toon te spreiden, moet het ge-
brekkige in de noteering aanvullen.
In de liederen, die ontleend zijn aan de hierboven genoemde uitgave van
Baumker (No. II, III, VIII, IX en XII) vindt men duidelijker aanwijzingen voor
de waarde der noten, dan in het D. en P. Boecxken. Daar wordt in den regel
op beklemde lettergrepen eene langere noot aangetroffen dan die, welke geplaatst
zijn boven een lettergreep, die den klemtoon mist.
Omtrent de overige liederen verwijs ik naar de aanteekeningen.
Alvorens tot het bespreken van de klavierbegeleiding overtegaan, moet ik
nog een belangrijk punt aanroeren, hetwelk de lezing der melodie betreft. Ik heb
-ocr page 10-
— IV —
mij zoo getrouw mogelijk gehouden aau het origineel wat betreft de verhoogings-
of verlagingsteekencn. Dit staat in nauw verband met den toonaard van de
liederen. Ongeoorloofd aeht ik het in de melodie zulke teekens aantebrengen, die
er niet staan, tenzij het den tritonus f?eldt. Met name heb ik vermeden in de
slotcadenzen den daarin voorkómenden \\ oorlaatsten toon, welke naar de tonica voert,
te verhoogen. Dit acht ik in den regel verboden, omdat daardoor meestal inbreuk
wordt gemaakt op den toonaard van het lied en dus ook aan het eigenaardig
karakter daarvan te kort wordt gedaan.
Leveren de lezing en constructie der melodieën moeilijkheden op, hare be-
geleiding baart niet minder bezwaren.
Eene instrumentale begeleiding van middeleeuwsche melodieën, die ontstaan
zijn in een tijd. waarin eene harmonische behandeling, zooals wij die thans verstaan,
volslagen onbekend was, is niet anders dan een noodzakelijk kwaad.
Om eene dergelijke melodie algemeen toegankelijk en bevattelijk te maken
wenscht men, dat zij van eene begeleiding worde voorzien. Men is zoo gewend
aan een harmonischen grondslag, dat men zich onbevredigd gevoelt, zoo hij gemist
wordt. De middeleeuwsche liederen behoeven eigenlijk dit hulpmiddel niet; zij zijn
niet harmonisch gedacht; door haar van eene harmonie te voorzien brengt men er
een vreemd element in. dat men, strikt genomen, zou kunnen ontberen. Men neme
b. v. het schoone lied -O! Jesu soet!" (No. IV) en late dat door eene welluidende
barytonstem in eene kerk zonder begeleiding zingen; het zal een dieper en reiner
indruk achterlaten, dan wanneer de zang met orgel wordt begeleid. Maar men
eiseht nu eenmaal eene begeleiding, omdat zonder hasir het lied niet zal worden
gezongen. liet komt er dus op aan er eene te leveren, waardoor de melodie het
minst wordt geschaad
Ik wil niet uitweiden over de verschillende wijzen, waarop men hierbij
reeds te werk is gegaan. Eeu bepaald stelsel heb ik niet gehuldigd; ik heb
elk lied bewerkt, zooals mij uit een zuiver muzikaal oogpunt het best voorkwam.
In de eerste plaats heb ik getracht den toonaard zuiver te houden; vooral heb ik
gepoogd het volksmatige in den zang te behouden. Eene zuiver vierstemmige
akkoord-en koraalmatigc behandeling, zoodat op elke noot der melodie een akkoord
wordt gesteld, heb ik zooveel mogelijk vermeden. Met dat stelsel kan ik mij in
geenen deele vereenigen; de bevalligheid en losheid der melodie gaan daardoor
meestal verloren; de vrije voordracht er van wordt daardoor bijna onmogelijk.
De begeleiding behoort m. i. te beantwoorden aan twee hoofdvereischteu:
1° zij moet eenvoudig, bescheiden zijn en den toonaard van het lied nader doen
uitkomen: 2° zij behoort door het aanbrengen van alle gepaste middelen, welke
de kunst aau de hand geeft, daartoe bij te dragen, dat het eigenaardig karakter
van het lied tot zijn recht kome en de schoonheid der melodie, zoo mogelijk nog
verhoogd, althans voor ieder meer bevattelijk worde.
Zooals gezegd, heb ik geen vast stelsel gevolgd. Nu eens heb ik de mo-
tieven van de begeleiding aan de melodie zelve ontleend en ben ik cauonisch of
imitatorisch te werk gegaan; dan eens heb ik, door het aanbrengen van eenvoudige
harmonieën, slechts een harmonischen grond aangegeven.
Eindelijk nog een enkel woord over het gebruik, dat ik van den tekst heb
gemaakt. Den oorspronkelijken tekst heb ik behouden, doch ik heb gemeend hem
niet volledig te moeten geven, althans niet voor die liederen, die geene balladen
zijn. De oude liederen zijn in den regel buitengewoon rijk aan coupletten; daaruit
heb ik slechts enkele, hoogstens een viertal gekozen, die mij het meest ge-
-ocr page 11-
— V -
schikt voorkwamen om gezongen te worden. Het doel dezer uitgave is toch
hoofdzakelijk de muziek. Aan sommige melodieën uit het deuoot en Profitelijek
Hoecxkeu, dat alleen geestelijken tekst bevat, heb ik. waar de geestelijke tekst
mij minder aantrekkelijk voorkwam, den wereldlijken tekst ten grondslag gelegd
naar de boven de melodie gestelde voysaanduiding. Hierbij heb ik ondervonden.
hoe uitnemend de wereldlijke tekst bij de aangegeven melodie past, zoodat bijna
geen twijfel kan rijzen, of de melodie moet met dien tekst ziju ontstaan.
Ik wil gaarne bekennen, dat mijn arbeid mij veel tijd en moeite heeft ge-
kost. Ik durf niet verwachten, dat op mijn werk geene gegronde aanmerkingen
zijn te maken; integendeel, ik ben mij van het vele gebrekkige, dat daaraan kleeft,
volkomen bewust. Doch ik zou mijne moeite ten volle beloond achten, indien
deze uitgave er toe moge bijdragen om de belangstelling in onze schooue oude
melodieën te verboogen.
Aanteekeningen.
Liederen met geestelijken tekst.
No. I. "Aenhoort, ick sal beghinnen".
Melodie en tekst ontleend uit: Een deuoot ende Profitelijek Hoecxkeu
(uitgave van Scheurleer). No. XXV. blz. 216.
De toonaard van dit lied is moeilijk te bepalen wegens het slotrefrein dat
zich in een geheel anderen toonaard beweegt dan het overige gedeelte van de
melodie, waaraan de aeolische toonaard ten grondslag ligt. De vraag zou zelfs
bij sommigen kunnen rijzen, of het slotrefrein wel juist door mij is gelezen. Tot
mijne rechtvaardiging laat ik, daartoe in staat gesteld door de welwillendheid
van den Heer Mnrtinus Nijhoff, hier het facsimilé der melodie afdrukken.
JÖEE5Ö
tf>»tj Uf\\n<&o)tti)nimxoefict
jjMirfcrt fetpicffSdr) Oimtfo
a> f<o ottfie 0eu? affe 0; o vrool
j®^@ fffispÈ
<zwoftmi ii) mfjtttei uw
éy «irjrj» ^crffrjf ft»<j« 9 Met
Ëfeü^
Ewij bot c$«r? 6cx) kfl tffoof
Men zal moeten toegeven, dat, tenzij men aan eene drukfout in het origineel
denke, omtrent de juistheid van mijne lezing bezwaarlijk twijfel kan bestaan.
De mogelijkheid van eene drukfout kan ik natuurlijk niet met beslistheid tegen-
spreken. Ik moet het echter ten sterkste betwijfelen, omdat eene dergelijke
ongewone wending aan het slot nog in andere liederen van het D. en P. Boecxkcn
voorkomt; zie b. v. No. XXVIII. blz. 49. Muzikaal acht ik het slotrefrein, in ver-
-ocr page 12-
— VT —
band met de steeds wederkeerende smeekende tekstwoorden \'\'Troost mi in mijnder
noot", van eene schoone en treffende werking.
Xo. II. "Ave Maria, maghet reyn".
Melodie en tekst uit "Baümker, Niederlandisehe geistliche Lieder nebst ihren
Siugweisen aus Ilaudsehriften des XV. Jnhrhiindcrts" in Vierteljahrsschrift fllr Musik-
wissenschaft 1888. blz. 174. Baümker (blz. 165) neemt dit lied op onder die, welke
in lydiscben toonaard zouden zijn geschreven. De juistbeid van deze bewering
beaam ik alleen voor de slotcadenz. niet voor bet overige gedeelte, dat m. i. be-
paald in (loriseben toonaard staat. De verlagingsteekenen, die HaUmker op ettelijke
plaatsen boven de melodie heeft geplaatst, en die dus niet in liet origineel staan,
hel» ik niet overgenomen.
No. III. "Maria coninghinne".
Melodie en tekst uit Baümker 1. e. blz. 177. Dorisch.
No. IV. "O Jesu soet".
Melodie en tekst uit D. en 1\'. Boecxken. No. CXLI. blz. 172. Aeolisch.
De schoone, aangrijpende melodie had een beteren tekst verdiend, waarvan
slechts een couplet is overgenomen, omdat de overige geheel onbruikbaar zijn.
No. V. \'\'Mijn tyt gaat ween".
Melodie en tekst uit D. en P. Boecxken. No. CLXXV. blz. 207. Phrygisch.
No. Vla en Vil». "Van liefden comt groot liden".
Melodie en tekst uit D. en F. Boecxken. No. LIV. blz. 74
Van de melodie geef ik twee lezingen. Het hieronder afgedrukt facsimilé
is namelijk eenigzins onduidelijk. De vraag rijst, of de verwisseling van den
a($6eqihnt.------------
gOcmept £9imm5f0?frec/
Xxtytitfi*) tornt poet tt
8*9 enftottffttvi&p groot
toft fxtmm$toitma$et
f»0ttC8e0mjflef ?tte|l 0f
W
»
fdfO ir> ütey és\\c.) conSr
ffctt
jjjnwffcr; nfrt.
a?4tia 7Drn<8o86foo»>tort
f sleutel in den c sleutel op den tweeden notenbalk wel juist is: voor eene ontken-
nende beantwoording pleit, dat het molteeken op den derden notenbalk met den c
sleutel geen reden van bestaan zou hebben, doch wél wanneer men in plaats van
den e sleutel den f sleutel leest. Daarentegen zou de duidelijke verwisseling van
den c met den f sleutel op den vierden notenbalk als argument kunnen aangevoerd
worden voor de bevestigende beantwoording der vraag. In elk geval ben ik het
met Baflmker (zie zijne aankondiging van de uitgave van Scheurleer, voorkomende
op blz. 497 van het Viertcljahrsschrift 1889) niet eens, dat bij de lezing volgeus
het facsimilé met de daarin voorkomende verwisseling der sleutels \'niusikaliselier
Unsinn herauskftmc". Ik heb in VI b het tegendeel trachten te bewijzen.
No. VII. Ghi, die Jesus wyngaert plant.
Melodie en tekst uit D. en F. Boecxken. No. XXXVIII. blz. 57. Dorisch.
Zie ook Acquoy, "Middele uwsche geestelijke liederen enz." No. XVII. blz. No. 34.
No. VIII. Die alrezuetste Jhesus.
Melodie en tekst uit Baümker 1. c. blz. 245. Dorisch.
-ocr page 13-
— vn -
No. TX. Een alre lieffelicken een.
Melodie en tekst uit Baümker. 1. c. blz. 197. Dorisch.
No. X. Adieu, natuerlyc leven myn.
Melodie en tekst uit D. en P. Boecxken. No. LXV. blz. 87.
No. XI. Och voor de doot.
Melodie en tekst uit D. en P. Boecxken. No. CXII. blz. 140.
Deze melodie heeft het volgende opschrift:
"Dit is de wisc van Tandernaken al opten rijn
"Daer saeh iok twee maeehde spelen gaen." —
Dit lied is bijzonder merkwaardig. Men lette op de herhaling van
sommige woorden van den tekst; daaruit volgt reeds, dat de tekst op eene melodie
is gebracht, die ontleend is aan een ander lied. Toch heeft men hier niet de
oorspronkelijke melodie van Tandernaken op den Rijn; wel bestaat er grootc ver-
wantschap met de oorspronkelijke wijze, zooals blijkt uit ecnc vergclyking met
No. XXI. De lezing van de melodie uit bet Ü. en P. Boeksken beeft mij veel
hoofdbrekens gekost; ik geef haar gaarne voor beter.
No. XII. O creatuer, dyn dagen.
Melodie en tekst uit Baümker 1. e. blz. 207. Dorisch.
Wereldlijke Liederen.
No. XIII. "Het daghet in den Oosten".
Melodie ontleend aan de Souterliedekens uitgave van 1564. (Ps. 4). Tekst
uit het zoogenaamde Antwerpsche Liedeboek 1544, uitgave van Hoffmann van
Fallerslében.
Horac Belgicae. Pars XL No. LXXIII. blz. 108. Dorisch.
Het moge vermetel zijn om eene nieuwe hewerking te leveren van deze
bekende melodie, omtrent de lezing waarvan zoo groot verschil van gevoelen
bestaat. In eene verzameling als deze mag zij echter niet ontbreken. Ik heb de
noteering van de bovengenoemde uitgave der Souterliedekens, naar ik meen. getrouw
gevolgd. Vooral bij de voordracht van dit lied denkc de zanger zich de
maatindccling weg. Eene vrije, vloeiende en declamatorische voordracht, waarbij de
begeleider zich volkomen zal hebben aan te sluiten, zal, naar ik mag vertrouwen,
vooral het droomcrige van melodie en tekst volkomen tot zijn recht doen komen.
No. XIV. "Het viel een hemelsdouwe".
Melodie uit D. en P. Boecxken. No. XIV. blz. 34. Dorisch.
Tekst uit het Antwerpsche Liedeboek. No. LXXIV. blz. 110. Coupletten
No. 1 en 3.
No. XV. Och ligdy nu en slaept.
Melodie uit D. en P. Boecxken. No. CLXXXVI1I. blz. 220. Mixolydisch.
Tekst uit het Antwerpsche Liedeboek. No. CXXXII. blz. 198. Coupletten
No. 1, 2, 4 en 5.
No. XVI. Alle myn gepeys.
Melodie uit D. en P. Boecxken. No. CLXXXI. blz. 212. Dorisch.
Tekst uit bet Antwerpsche Liedeboek. No. III. blz. 4. Coupletten No. 1 en 2.
No. XVII. Verlangen.
Melodie uit D en P. Boecxken. No. CXXXV. blz. 166. Mixolydisch.
Tekst uit het Antwerpsche Liedeboek. No.CLVII. blz.233. Coupletten No. 1 en 4.
No. XVIII. lek seg adieu.
Melodie uit "Een nieu Liedtboek genaemt den Druyventros der
Amoureusheijt". Anno 1602.
Tekst uit het Antwerpsche Liedeboek. No. c. blz. 151. Coupletten No. 1,2,3,5,6.
Hoewel de melodie van dit sohoone lied ook in het D. en P. Boecxken
(No. LXIX. blz. 941) en in de Souterliedekens (Ps. 65) voorkomt, heb ik de
voorkeur gegeven aan eene jongere lezing van het begin der 17\',p ecnw.
-ocr page 14-
- vin —
X». XIX. Het vlooch een cleyn wit vogelken.
Melodie uit Fruitiers, Kcolcsinsticus (uitgave van 1565) No. 110.
Tekst uit hetAntwerpscheLiedeboek. N0.LXXVII. blz.115. Coupletten No. 1 en 2.
No. XX. Ich had een gestadich minneken.
Melodie uit D. en I\'. Boecrken. No. XCII1. blz. 119. Dorisch.
TckRt uit het Antwerpsche Licdeboek. Xo.XCVlII. blz. 147. Coupletten No. 1 en4.
No. XXI. Tandernaken op den Ryn.
Melodie uit een H. S., berustende in liet Rijksarchief te Maastricht, waarvan
eene beschrijving voorkomt in het Tijdschrift onzer Vereeniging Deel II. blz. 20».
In die beschrijving heb ik slechts terloops van die melodie, die de voysaanduiding
"Tandernaken al op ten rijn" draagt, melding gemaakt; zij was mij destijds niet
bijzonder opgevallen. Kerst door kennismaking met de hierboven sub XI ge-
noemde melodie uit het />. en V. Boecxken. en door vergelijking met andere lezingen,
die daarvan bestaan, kwam ik tot de overtuiging, dat het Maastrichtsche Handschrift
inderdaad moet geacht worden eene zeer oude en misschien onvervalschte lezing
te bevatten van het beroemde volkslied, dat zelfs Hobreeht tot grondslag aan eene
zijner compositiën heeft gelegd, liet Hs., bestaande uit schutbladen van een re-
gister van een schepenbank, dat aangelegd werd in 147Ó, kan dus van omstreeks
dien tijd dagteekenen.
Den tekst, waarvan hier drie coupletten zijn gebruikt, ontleende ik aan
een, mij door den Hoogleeraar Dr. J. Verdam welwillend beschikbaar gesteld H. 8.,
van omstreeks 1500 waarvan slechts enkele regels uitgewischt waren, die naar de
lezing in het Antwerpsche Uedeboek Xo. CXLIX. blz. 222 zijn hersteld.
Den volledigen tekst van het lied hoop ik elders mede te deelen en daaraan
nog eenige wetenswaardige bijzonderheden omtrent de melodie toe te voegen.
No. XXII. "Sijt vrolyc groot en cleyne."
Melodie uit I). en P. Boecxken. No. CLXIII en tekst eodem No. CLXTV.
Couplet Xo. 1.
No. XXIII. "Ik zag mijnen heere van Valkestein."
Melodie uit I). en P. Boecxken. No. CXCV. blz. 227.
Van deze. vooral in Duitschland zeer verspreide, ballade was de oor-
spronkelijke melodie verloren gegaan. Het D. en P. Boecxken geeft haar ons
weder onder de voysaanduiding •■lek sach mijn heere van valckensteijn." Ver-
moedelijk is dus de ballade ook ten onzent, zoowel wat zangwijzc als tekst betreft,
inheemsch geweest.
Böhme (Altdeutsches Liederbucb No. 29 blz. 101), geeft den tekst in West-
faalsch dialect.
Dr. N. Beets heeft aan mijn verzoek wel willen gevolg geven om dien tekst
ten behoeve van dezen bundel in het Nederlandsen over te brengen. Voor de
"poging", (zooals Dr. Beets zijne overzetting wenscht betiteld te zien) "om met be-
houd, zooveel mogelijk Aan kleur en toon Xo. 29 voor lezers van onzen tijd wat
duidelijker te maken", brengen wij den hooggeaehten dichter onzen hartelijken dank.
No. XXIV. Ghepeys, ghepeys, vol van envye.
Melodie en tekst uit "Diversche liedekens ghecomponeert bij wijlen Heer
Mathijs de Casteleijn. — Rotterdam, hij Jan van Waesberghe de Jonghe.
Anno 1616." No. XXII. Coupletten No. 1 en 5. Zie ook Antwerpsche Liedehoek No.
XUX.
Utrecht, 31. Januari 1890.
J. C. M. van Riemsdijk.
-ocr page 15-
Inhoud.
Liederen met geestelijken tekst.
I.     Aenhoort, ick sal beghinnen............................................................................ blz. 4.
II.    Ave Maria, maghet reyn...................................................................................   ..    6.
UI. Maria coninghinne..............................................................................................   ..    8.
IV.   O Jesu soet!............................................................................................................   ..    9.
V.    Mj\'n tyt gaet wech...............................................................................................   ,.   10.
VI?-Van liefden comt groot liden..........................................................................   „   it.
Vtf? Van liefden comt groot liden..........................................................................   „  12.
Vu. Ghi, die Jesus wyngaert plant......................................................................   ..  13.
VHI.Die alre zuetste Jhesus...................................................................................   .,  14.
IX.  Een alre lieffelicken een..................................................................................   .,   15.
X.    Adieu, natuerlic leven.....................................................................................   „   16.
XI.  Och voor de doot.................................................................................................   „   18.
XII.0 creatuer dyn clagen......................................................................................,  20.
Liederen met wereldlijken tekst.
XIII.   Het daghet in den oosten...........................................................................   „ 22.
XIV.    Het viel eens hemels douwe.......................................................................   ,, 24.
XV.     Och ligdy nu en slaept.................................................................................   „ 26.
XVI.   Alle myn ghepeys.............................................................................................   „ 28.
XVII.  Verlangen..............................................................................................................   „ 3&
XVIII. Ick seg adieu......................................................................................................   „ (jfc^
XIX.   Het vlooch een cleyn wilt vogelken.....................................................   „ 84.
XX.     Ick had een ghestadigh minneken........................................................... 35.
XXI.   Tandernaken op den Ryn............................................................................   •, 36.
XXII.  Syt vrolic groot en cleyne.........................................................................   « (80y
XXIII.Ick zag mijnen heere van Valkenstein...............................................   » 40.
XXIV. Ghepeys, ghepeys vol van envyen.........................................................   » 42.
-----—=€-3=™-----
-ocr page 16-
8
LIEDEREH
met
geestelijken tekst.
—*-*«=§♦§=»—«—
-ocr page 17-
I.
Aenhoort, ick sa] beghinnen
Langzaam en breed.
$
jih
m
&
£
^
Aon           hoort, ick         sal___ bc - - ghin - nen Om te
Mi-non tyt hob ick___ ver - - sle - ten Al         in
Rvck         God! wilt mvns          ont - - for -          - mon, Ick
È
ï
f
£^=i
f
r
»•/
m^
ê
^
£
///,
■£
ï
f
^
~o-------
liet.
fout.
swanrj
Ont - stolt ben ick        van
Myns selfs heb ick         ver
En         wilt mi doch be
sin - pon oon niou - we
son - don____ mo - nich
lip - ge in son - don
*
Hl
r
r
r
«f
sy
J:
¥
f
£
r=*
É
r
-ö—
driot;
routj
baor.
-»—
Van
Van
Van
bin - non En myn
ghe - ton, Ey - laosl
schor-men, O! Ma
hort lyt swaor vor
dat____ mi soor
ri - a ma - ghet eer
-ocr page 18-
J J J
É=É
deuch-den bon ick
deuch-don ben ick
deuch-don ben ick
deuch-den ben ick
deuch-den ben ick
deuch-den ben ick
bloot,
bloot,
bloot,
Van
Van
Van
i
m
r
X
X-
$
9
it
£
T=F
f
1-T
$
É
É
&
F^
bloot.
bloot.
bloot ■
O
O
O
schoonste bo - ven
moe . der en - de
moe - tier der ont
al - Ie               vrou - wen!
ma - ghet             rey - ne!
ferm - her - tich - he - den 1
m
m
31
3e
*
Zeer langzaam.
-tK----------
•
m
m
myn - der
myn - dor
myn - der
Troost
Troost
Troost
noot..
noot.
noot..
in
in
in
mi
mi.
mi.
$
pp
f
P
P
mm
f
f=f
r
-ocr page 19-
II.
Ave Maria, maghet reyn.
Niet al te langzaam.
M*i innigheid roor te drap,
-** «, i.- -y.„-.fct -■ *rssi 2. Z: CJ£.■ 5
^^^^^^
^^^^^
1C u         d,c          sPre - kon aon,- End
espressiro
«SS*- £-?. -.ion ï • 7*ï* *s* 9 ,""
non, Dat hi           loot, ond         die
-ocr page 20-
Ê
• *
~m----
haer
da- - ge - reit, End al dat in
gro - - te smert, Doen hi om u
is___ be- reit. In
cru - set wert. Om
crcsc.
$
*
P
¥
my - nen sin Staet
u
          leet hy         Bi
u - we min. O
si - nen tv*
         Soo
su - ver maecht, Myn
groot ver - driet; Lijdt
±
È
m
<
m
2
v
W
cresr.
2
s
Ê
£
E
f
iü bin,         Ghi
Dat
hert, myn sin, Soo waer
ghi
         nu vry Al - leen
wel bo-haechtj Van\')
hi__ ge - bietj Hier
o
i i .1
É
%
P
•t
l2F
M" r r
1
m
i
£
£
i) van o te syn = verre van u te lijn
-ocr page 21-
m.
Maria coninghinne.
Langzaam, met uitdrukking te zingen.
Ê
Myn
Dat
Tot
ningh
ont -
be -
-  ne,
-  ren,
n - a
word ie
wie yet
in
\\va
ghin
co
wel
sal
- nen
P#
P
a
J.
-U
p
T=
$
ï
£
toe - ver - laet! Ver - crycht my u soons
min is goetj Want
         si cant thert ver
troost,
u ____
—      myn
—     kints
ee -           - re, Staet        hi
niet in der
si - nen loff end
#
i
- daet.
ne, He -
ren End
nen, Tsal
min -
cla .
min -
rouw          voor myn
ghe - ven goe - den
hem ver - drie - ten
fe
I
f
T
r
X^L
i
m
^
r=f
-ocr page 22-
IV.
O Jesu soet!
Niet langzaam.
Viy en met uitdrukking te zingen.
-.—M-
«•f
I
i
\'j m 0 n, zm.
f
U
f
W±
é o
«
O Je - su soet, ver - leent mi doch confoort; Sterct mi-nen moet, Druck
i
7:
¥i
^m
j J j J
ï
f
^^
É=Ê
•—»
» ■
worpt my o - ver boort. Val-dy mi dis-coort,1\' so en can iek niet voort, So
i
*-------#
^
rT
r^
^_*_ ■
s
.£-
É
^^
r r r r r
-e—»
fe
swaer is therte ver - la -den.Blive ie dus vergoort,") In myn sonden versmoort, ver
m
?=*
U
3
-e—6
^~*
w-^P
rr-j
A
"-flL. "
^
■ a
f
ET
So is myn vruocht ghe - daen.
smoort,
m
3
m
4=4
Xï_
e—»-
#
PP.
p
m r.
f
ra
r?f
xr
-_j. o;—zns:—-s--------------
Vi/
()ValdUmi diHcoort = als gtj tegen mij zijt. ») onrein.
-ocr page 23-
10
V.
Myn tyt gaet wech.
Matig liiiiirziiaiu.
AM uitdrukking voor te dragen.
$
m m ir p r^^E^r
w
Myn tyt #aet wech, on ie daor met, Myn
Het her - te mach wol vro - lic zyn, Ton
j j)J j)j.J
m
£m
ft
-&
mm
TJs ?
^j£J^\'J frl^
fr-f-f-f
E
^
É
£
s
J J J/=tj
£
£
; ■ ■
-ren. Ick wil mi koe-ren on- bc - let, lek
• fchcn. Al is hem li - den som-tyts pyn, Al
lc - ven on mach niet duo .
derf hom niet ver- sa -
m i j i j
l
*=*
\' r f f ■
» r p
te
^
£
P
£
£
pi
I
^^
SR3*
É
^
&
*Z?3
wil mi koeren on-bc-let Van al- lo cre-a - tu
is hom li- den somtyts pyn,God salt hem helpen dra
-   ren.
-  fihen.
mm
±
m^m
m
■»—#
-»*-
i
\'m p tèf
m
£
f
j) pT
BF^TT
-ocr page 24-
n
Via
Van liefden comt groot Uden.
Langzaam en innig.
*
£
-   don Én - do
-   drn^ Si
gen Dat
Van
Ma-
Mct
li
li
oo
comt
was
grom
in
eken
*
F^W
T
P
9E?^
t r h r i
ö
*
£
e^P
Het min-de die ma-get Ma - ri - a Den
Tot Hie-ru - sa-lem,voor die poor - te, Die
O my! spraesi doen, oy - la - een! Is
on-der wi - lengroot leyt.
ghinc ee-non droo-ven gano
si hein a - ne - sa en.
(\'J i~l
t
P
t=t
ffi
«l.
i
ê
t-
2
i
Si min-de hem seer, si            had-de hem lief; AL
Gods soon wel ghe - meyt.
si ont - slo - ten vant.
dit den droeven dach,
Daer sach si co-menhaers her - ten lief Met
Die van my is ghe - pro - pheteert, Dat
mm
f
J.
*
t
M
m
i
^T
f
f
pT~p 11- J ^:i
si hem sach in              li • den Si en
ee - nen cru - ce ghe - la - den Als
.mynhert sou- de door - sni - den Dat
3on-de «he-ri
st-en
c
een ver - ban - nen
wreede         bit - ter
sweert___
m
j-j.
3-1
J:
=J=J:
y=^
W^
?
r
~ï~r
-ocr page 25-
12
VI b.
Van liefden comt groot liden
Langzaam en inni#.
É
m
-?*-
il
lief
ri
wee
-   den En
-   den; Si
-   gen Dat
de
li -
li -
(PO
Van
Ma ■
Met
don
a
nent
^ root
in
ckon
comt
was
l.v
$
m
f
r-^r t
T
P
S
-rTh
jrhtn
i
&-*-
B
Hot min-de die ma-get Ma - ri - a Den
Tot Hie-ru-sa-lem,voor die poor - te, Die
O mylspraosi doen, ey - - la - een! Is
on - der wi - Ion groot leyt,
ghino eehen droe - ven ganc
si hem a - ne - saeh.
±*
f
ï
I 1 J
^T
F
T
9
*
m
£
ï
Ê
zzr
^
r\'-JltNPJ \'MIS
m
Als
si comen haers her - ten liof Met
mv is
         ghe - pro - pheteert, Dat
Gods soon wel ghe - mcyt.          Si
minde h
si ont - slo - ton vant.          Daer saeh
dit den droe-
9
dach,          Dje van
£
i
PlÈ
-^
-Q
T
*
e
f
i=t
%
£
-P-
^
?
P
f1
É
:*=£
I
jz:
P=
?
^F
£=¥
nyetT
dief___
sweert..
hem saeh in            li
nen cru - ce ghe - la
hert sou- do door- sni
den, Si en eon-de ghe-rust-en
den Als
           een ver - ban-non
don Dat          wreede          bit - tor
SI
ee-
myn
§
5.
3
ï~-
3-1
±
g .i J
£
f
r
fT
-ocr page 26-
13
vn.
Ghi, die Jesus wyngaert plant.
Innig.
^^
i
S
n—w
£
^m
^
rr^-v
Ghi, die Je-sus wyngaert plant, Ver - blyt u o\\> dat soe - te lant, Daer
Je- ru-sa-lem ist lant ^henaemt, Vol hey- lich-he- den schoon bequaem.Ver-
Als Je-sus u daer sal ontbien, U wereken sal hi o - versien En
$
mm
SI
m
\'/ w <,
w
$
¥.
ghi syt toe ver - co - ren. Die cier - heyt is daer on - spre - ke - lyc, Die\'
eiert met al - Ie vruech-den. Van hier so en coemt-er hie-mant in, Hy en
na u duechden loo - nen. Och God, ver-leent een ye - ge-lyc Op
pn*
£Tn_j] p
^m
■ar.
f
? t J> r p f.
m
?=£
f
^J^IrJlJ i\'irp JJJtt
dzz:
bli - scap on - be -gri - pe-lyck, Die u daer sal ghe-bo -         - ren.
draecht int her - te Je - sus min Endeis verciert met duech - -den.
- nen.
dat lant te dincken hier op aertryck En dat namaelstebe-wo
^s
=^=?
rrn
*■*-
ÜÉ
i@
y * f~f j> f f »
-ocr page 27-
14
vm.
Die alre zuetste Jhesus
Innis en niet snel,
$
t j / p i r p r p o j ^
^^
Die al - re zuet - ste Jhe - - sus, Die
}-~Flï<
ö
W
r pT7
ir—-J
r
iVWT
É=l
r r p r
p
E
É=iÈ
e
#^-
ï
#-*-
Ê=l
» ■
al - re lief - ste Heer, Die mint die rey - ne maech-den, Die
J\' i\\ f-jt
É=fe
m
ït=F
P
^
^^
fl I Jl 1\' J)
maechden al - so seer___En sach van den he - mei neer,.
Hoe
É
É
3
Syn lief, syn hart - sen bruyt.
dat si was ge -
daen,1)_______
f
s
f
U
P^
#=*
^
c
^
5~*
Je
m\' |
^
ï
ï
B
r\' Li-
£
\') Hoe dat si was gedaen = Hoe zij er uitzag.
-ocr page 28-
15
IX.
Een alre lieffelicken een.
Vloeiend, op de wijze van een wiepenlied.
P
%
-fwrfm
^n
jmj jij ^
Ky1 &
Een al-re lief-fe - lic-ken een, Dat heb io uit-ver-co - ren, Dat
Ons is een kin-cle-kyn ge-bo-rcn End eensoonwel ghe-ge - ven, Wy
^=JF3
—■ —. — ■■-------------»
$
P
1&
f
/L
è
.=rrr
i- i- y.—j
g^p
r r r—f *
t^t
É
É
sëé
r p r 1Jl ülB
\'--------
is .Ihe-sus van Na- za - r
f
ri-e
B r—u
n" Is van
der ma - pot ge - bo
des minnent-lio ple
ren.
gen.
syndaer toe___ uit- ver- co-ren, Dat wy
^F=k
% J. J J\' J JQ.
f
ö
V
r
r__-f;
B
f\'. l\'-ir
^
^^
T*
r
t*m
^
£
*\' é\'
Su - - yo, su - yo, su - yo su, Su -
mDïïD n^
pp
0-*
m
p
■=*
cc
j^cjjpr\' "
p J I J 1 j Ji
m
ve susters is dat___ niet nu?\')
k_
Su - - yo, su - yo, su - yo su, Lie
f
jfil fTT^^h J.
P^P
P
^^
f
O nu — nl«
-ocr page 29-
16
X.
Adieu, natuerlic leven.
Langzaam en innig.
| J~TJ1
4**-*-*
E
i
dien, na
dicu is
- lyc
_ on
Ie - - ven myn, A
troost - lyek woort, Ghe
A
A
tuer
oen_
isk
*
m
i
m
w
*=9
al - Ie mynvruecht! A - dieu, het moet ghe -
mi . nen moet. A - dieu, ghi hebt myn
dieu, so-laes en-de
voe - Ie ie wel in
c~n ju.
m
ps
f-
Ü^
T "f \' f\'
n her-te vorhueeht, Mi
\'
seey - den syn Van al dat gho-ne dat nu my
f
her-te verstoort, Och scey-den! ghi              \'my         true - ren doet. Ie
-ocr page 30-
17
i\'f p ^4*
$
*^£
fc
E
     
r=p=p
sal niet bl> - ven
ho - pe ghi sult mi
dan die duecht; Dat ie
we - sen goct Als ie
hier vin - de wort
hier na - maels
I
J\'1 J J>
m
i j) ji ï
E
Jonc - heyt, schoon - heyt, so . laes, en - de
Och____ we - relt, valsch fe - nyn, al
mi on - to - gen;
sal ver - ho - ghen.
*
É
t <$ ir * p
f
a
\') I J j J^^
wort be - dro-ghen.
wort be - dro-ghen.
al - Ie myn vrueeht, Wie dat u mint, hy
smaect__ ghi soet,
         Wie dat u mint, hy
-ocr page 31-
18
XI.
Och voor de dooi
Krachtig en niet langzaam.
»l
$m
j / j
\'<£-
i
#—»
^
^
Och voor de doot en is troost en is troost noch boet,1)
Al hoeft mi God nu ge - spaert, nu gespaert, ge - spaert,
Met
Myn
$
1
£
Ê
£
£
JüL.
Ê
i
E
m i:
-o------------1—
men. Maer want ick im-mer, ick
sen.
         Als ick denk op die
rechte mach ick mach ick wel kcr
her-teverscrict ver - scrict van vree
m
É
I
m
f
fff?
—•-
^
^^
f
P
p r J r r ^^
s
L/\'J £/
im-mer ster-ven moet. Ryc God! wilt myn-re wilt myn-re, ont-fer
he-nen- he - nen - vaert, Die im-mer, im - mer
         eens moet we
m
m
■^z
ÊÊÊ
Fff
ÖÉ
f M
T
n j j
£
f
$
?
^m
$
É
£
ï
u\' r r
men! Al toeft die doot een jaer, een jaer oft yet, Het moet eens syn, het
sen. De doot is snel, seer snel,seer snel en wreet, Ie moetdaer aen, tsi
I
i
I
ï
f
BE
ï
rr^
r?
5;
2
*
f
p=ê
3Q
\')b()ft= geneesmiddel
-ocr page 32-
19
^^
$
£
niet, Ie moetdaer toe, alst God,,
leet, Myn teerghelt is een lin -
moet eens syn ten baet mi
lief oft leet,tsi lief oft
alst God ghe-
- nen
fe J J J J
ï
ï
\'i
Ï3
**
^*
2; .1 -
5
r
tT
r-
rrf
j.\'
s r J J J
?==
^
?
f
mn
ÉÉgj
$
3
s;
£
m
3&Ê
<^*
*#
biet, Al maeh hi mi weynich bor - gher^bor
cleet. Ie snit hier haest be - fchc - ven, be - ghe
*
i
«W
I
ï
£
£
f
*
m
ö
s
i
ppf
te mvn her-te ver
£
i
£
■» *
- driet, ver-driet.
ghen. Daer - om so lydt myn her-t
ven. Och! want te nu dat se- ker weet, dat se - kor weet,.
**^
i
§
*
3E
m
ê
f
^"^T
*
ï
ES
\' r\'dT
—&-.—
ghen.
ven.
Al - tyt le-ve ie, le-ve ie in sor
So mach ick oock wel
         be -
tm
I
j5.
-9
fp
r r
r
^
P1
f
f
\') Al-borghen = al moge God mij ook een weinig uitstel geven.
-ocr page 33-
20
xn.
O creatuer, dyn clagen.
Mol uitdrukking Ir zingen.
É
Ê^5
S
S
^^
E
=ft
Marin: O ere - a - tuer, dyn cla - gen, Dyn bid-den end dyn vra - gen Heb
Ghi wilt u hier ver - bli - den End ooc nae de - sen ti - den Myns
die ziel: Ma- ri - a! bloem der bloe . men, Dit heb ie wel ver - no - men, Het
pm
j m m m
\' H J\' JJ1
v
rf*^
ulXi-U
SEg
£
É=m
£t.
i
g
5
^
ï
£
-  gen, Maer
- den In
men End
ver- staen. Ghi wilt myn kint be - ha -
ont - faenj Maer ghi en wilt niet stri -
ghe-daen, Maer soudt u kint niet co -
ie al wel
kints so - laes
moet soo syn
ËÜÜÉ
a m j- j m
P
»=«
m
ij J> j
*
r m g f p
s
p
r-^r p
i
1
3HS
8 i-JTl
f—rf
gen, Dair al die min leit aen.
tcruys met hem niet dra
bit- ter-heit in li - -den, Als hi voor heeft ge - daen.
my int stri - den vro - -men, Hoe soud ie bli - Ven staen.
ft--i-^fPP|
ï
m
£*
j g ^r
^
-ocr page 34-
21
LIEDEREH
met
wereldlijken tekst.
-ocr page 35-
22
XIII.
Het da&\'het in den oosten
Zeer gebonden, droomerig en vloeiend voor te dragen.
P
-ocr page 36-
„Och, warent al myn vrienden
Dat myn vianden syn,
Ie voerde u uiten lande,
Myn lief, myn minnekyn!"
Dat meisken nam haren mantel,
Ende si ghinck enen ganck,
Al voor haers vaders poorte
Die si ontsloten vant.
,,Dats waer soudi my voeren,
Stout ridder wel ghemeit?
Ie ligghe in myns liefs armkens,
Met groter waerdicheit."
„Och is hier eenich heere,
Ofteenich edel man,
Die mi nu minen dooden
Begraven helpen can?"
Ligdi in u liefs armen?
Bilo! ghi en segt niet waer:
Gaet henen ter linde groene,
Versleghen so leythi daer."
Die heeren sweghen stille,
Si en maecten gheen gheluitj
Dat mciskon keerde haer omme,
Si ghinc al wcenende uit.
Dat meisken nam haren mantel
Ende si ghinc eenen ganck
Al totter linde groene,
Daer si den dooden vant.
Si nam hem in haren armen,
Si custe hem voor den mont,
In eender corter wilen,
Tot also menighcr stont.
Met sinen blancken swaerde
Dat si die aerde op groef,
Met haer sneewitten armen
Ten grave dat si hem droech.
„Och ligdi hier verslaghen
Versmoort al in u bloet!
Dat heeft ghedaen u roemen
Ende uwen hooghen moet.
„Nu wil io mi gaen begheven
In een clein cloosterkyn
Ende draghen swarte wilen,
Ende worden een nonnekyn.»
„Och ligdi hier verslaghen
Die mi te troosten plachl
Wat hebdi mi ghelaten
So menighen droeven dach!"
Met hare claerder stemme,
Die misse dat si sanc,
Met haer sneewitten handen
Dal si dat belleken clanck.
-ocr page 37-
XIV.
Het viel eens hemels douwe.
Niet snel.
p, * w /1 j j> j j i rnj, j, ü
we Voor
wen Voor
Het viel eens he - mei?»         dou
Iu -wil den moy gaen          hou
^^^
|P^
I
s
»—»
pp
i
#^£
f P Li
3BE
^
ï=3ë
Ü
-f
myns liefs ven - ster - kyn.
myns liefs ven - ster - kyn.
Ie             weet geen scoon - der
En            scen - ken myn lief
§
*
-*s-
v~r I I
\\i Q!LJ| i
ï=m
2=ï
ï
*
Si
En
we Si staet int her te            myn.
we, Die al - der - lief - ste           myn!
vrou -
trou -
ê- i jnj
i-*:
FFP
-ocr page 38-
25
ï
*
É
i
j bJ\'
pp
r p r
hout myn hert be -
seg - ghen, lief! Milt
van - - ghen Twelck is so seer          door
co - - men Voor u cleyn ven - ster - ken
»1
Ü
£
e ir p r
^5
wont.               O! mocht ie troost ont - - fan -
staen!             Ont - faet\') den mey met            bloe-
-  ghen, So
-   men, Hi
i p i p l
i
E
waer ie gansch           #e -
is         so schoo-ne ghe
sont.
da en.
3
r^ f f
*=*
m
T^
P2:
0 ont fat-t = ontvang
-ocr page 39-
XV.
Och ligdy nu en slaept
Een liedeken van den mey.
26
Vloeiend te zingen.
P
i g t
5
Mr p r p
Ö
-*
E3E
l..,Och li^-dy nu on slaept,__Myr.
3. .Je sie don lich-tcn daeh____ Al
*fe
É
S
H
^
/>
m
ie
M
mm
s
U
Ê?
9#
ö
?
44
JT3 J J)
£
püpn
g----É
uit-ver-co-ren bloe-me! Och lig-dy nu en slaept _ In u-wen eersten
door die woleken drin-gen; Ie sio diebloemkens schoone Al uit der aerden
Kil Ij
izz; p ■ ■
i
£
Ë
?
Tf
*=*
sr^r
44
r iJTJJ J>
droo-me. Ont-wect u, soe-te lief, ___ Wit door u veynster co - men, Staet
springhen. Ie sie die ster-ren elaer_ Die ver-lichten in den throo-ne, Staet
Él
*
m
LM
ö
3
■ *
«—=f
P^
tCfFf
i jftj
9^ffrfrj
B
f^
ï
*i-r
*
=TT»— I K I K
t---i -i\' J B
ÉÜ
ifflNl
E
i------E
f
*-•
op, lief! wilt orit - faen---- Den mey niet si - nen bloe . men."
op, lief! wilt ont - faen----- Den mey met si - nen bloe - men."
*
tt^-Jr-^i
i
*
f
~
t 11
r
w^
^n
j.
-ocr page 40-
27
Tweede vers.
**
it
l I j p p E
FTP f P P^
2._,JVat ruysschot daer aen die muer,__ Dat mi myn rus-te be -
phm
\\) i j, ji j, ji i^
E
*
* *
ro - vet? Die mi tsceyden maect suer,         Die leit hier op ge -
m
D J p l r p f pi J;; i. J, I\' p r F
doo - ghe\') In mi - nen arm so vast;___ Wl en con-nens niet ont -
fiWi m m m m J>uf a j>uj.j*i
sluy - ten; Myn bed de-kon heeft si - nen last, Plant u-wenméydaer buy - tenF
Vierde vers.
p i p i r p r p i P i i i iJ I r e
4._„A1 ston-dy daer tot mor - gen Ie en sal u niet in
f# JT] J i\\ J=jgg
Ö
A. *> * ,\\j p J J
la - ten; Myn boel lyt hier ver - bor - gen Ghi en condt mi niet ver -
*t
jW-p lp p r p iJ i> j J\' iJ p r f
ma - ken. Myn her - te - ken op u niet past Noch op gheen spel van
fMm
I*-----k-
ÈÖ
5^5
£
SE
■\'■\' ■
E
« n *
luy - ten; Myn beddekénheeftsi-nen vollen last,Plant u-wenmeydaer buy-ten 1"
<)op gedooghe ■ met mijn tin.
-ocr page 41-
28
XVI.
Alle myn ghepeys.
Mot uitdrukking te zingen.
l=g^i
*
Al - Ie myn ge - peys         doet           my so          wee!
mf
É
£
§
F1       *« " f\\ J * # I g      «1 g \'      • I g       J» •\' rJ>
Wie sal ie cla - - gen myn ver.driet? Die lief - ste en aeht op
mm
S=SF
-6
w
JJ
~9
mf
ÉËËË
Ê
-g
i
p ■• * ^r^ié «* i fcs ë *T" rj f *•
-e-
g g
my niet meer, Ey-la-cen! wat____ is my ge-seietl Ie mach wel segghen: tis
$
É^
f
3^ =
E
-<S-------ir
#8=
TT
»
TT
"77"
S
K*-
ir:
É
3cr
rJ             g\'
r
-ocr page 42-
29
— /
*
s
^
~PT
ra. d 1 rJ «>
:Efc
-g* gi. ~i~
al om niot Dat ick al - dus la - bue - rej Dies wil ie sin-gen een
^
F=*
IE
:n=
~xr
s
s
wc. z*
«^#-
^F^f
-w-
-«-
f
XE
/O
.y
i
r r i r ■*-
«=¥
«—*
vro- lick liet, Ver - lan-ghen! ghi doet______ mi true
ren!
*
1
=è=32
»
-»-
5=
/Tv
ï
frrr
«P-
Fër
Tweede vers.
ÈiÉüÉ
i
«r j* j> ,i j. ji i j ,j f r i p=g
Moet ie nu der-ven die lief-ste myn, So moet io true - ren tot
$
m
O \'i        &1
*          ri
& &ri m
in den doot! Haer eer. baer we - scn, haer claer aen-sehyn
<jP f ■ 1\' I |__J \' «
2ËÜ
\'J *J P:
\'J g
Dat brengt mi nu
in |y - den groot. Helpt mi, schoon lief!         uit
» <g
g^
o—i?
de-ser noot En Milt my daer niet in la - ten. Wat io vermach schoon
$
I
f\' r i r
■ g
g g
g ri <»
rzz
al te          ba
ten!
roo - se root, Dat ooemt
-ocr page 43-
80
xvn.
Verlangen
Hevallip voor te dragon
P
éi
^ÉÊ
S2=
p*
¥=£
oft«)
so
boel - ken,
doet mi
mynder her - te         jiyn, Al            om
knaecht,____ door- knaecht, U             min
te we - ten,
- ne
é
i
• d
W
1
pÊ^
É
É
^^
ë
3
WÜt^
4 * f 9
voet - sel om
die - wils mi - non
icx u ba -         - de         Om
groo -         - ten pyn! Ie
troos-te om
heb u so
WPf
mm
Ê
l
-*
fTy
u
É
^
£
f
*) oft- medecyn = als Ik om troost verzocht,(of Ik dien verkregen zou).
-ocr page 44-
31
m
m
de,
dri -
r r r-
lie - ve - ken
a - kei\') is
Uw
Maer
lief
u__
do
ghe
me -
noot.
cyn.
claecht
*
PppN
i
3
r
r
^
i
g
^
i
i
s
&
Jf J r
la - ci.j
la - cy
na . de; Ey
- nynj
          Ey
gaet my te
moort en fe
a
#
ï
f^=£
$
É
->9
boel- ken ay              mi!          Ey - laes!
lief -          - ste             myn. Ey - laesl
Ti i l
Ê
^m
se
-   den
-   don
schei
schei
zyn.
zyn
m
m
Y=£
r
*
m
T
»)driakelr tegengif. In plaats van tegengif, geeft gij mij den dood*en venijn.
-ocr page 45-
32
xvm.
Ick seg adieu,
Innig:.
I
\\Tj>        *
£
M3Z
^
w
è
Ick so£ a - dicu, Wy twee, wy moeten
^hF=
Ö
rs
nm
\'»n\' i a
$
É
?=^
f2
Tot
- dt>n!
op een nieuw So
scei
É
\\> ^>f
^
i / t
^
r f r~r
Ê\'
ï
r f t t
^^
É
F=
r
*
s
s
T=P
£
*
g-77
Io laet by u dat
- den.
wil i(5 troost ver - bey
é 1 Ji i j
ÉpÜI
J * W
*=E
r r
yr^a £
gj^g
ü
i
^F*
^^
T=?=f:
i
É
É
i ij j j j
?
■ ■
*=?
her- te myn,Wunt waer ^hi zyt, daer sal ie: ayn,Tsi vrueehtof pyn, Tsi
è
ji-itii-»-
«
w
—w—
J
rm
^
2
^a
£
-ocr page 46-
33
jÉ - jj u j J r i^-pH
* w ^j
Myns sins gho- quel Dat doet mi die - wils true
la danoko u lief, Rcyn min-no-lic lief #e - pre -
m
i
j i J p J r
^
P
Haer lief - do re - bel Die doet mi ther - te
Voor al - Ie
          grief So wilt mi doch ghe
ren.
sen.
n JplJ l^r J
^
ren.           \'t            scei-den van u doet mi den noot, Ie
sen.           De-se ni - ders         fel met haer fe - nyn, Si
$ J i p r J
j j i j p i ^
blyf ge - wont, ie         segt u bloot: Schoon Moe. me mi-nioot, Schoon
heb-ben be - let ons blide aenschyn Op         dit ter- - myn, Op
$
ö
i mi—ar
£
-xts.
bloe-me mi-nioot.\' U         ey - gen blive ie tot in___ den          doot.
dit tor - myn, Al - toos sal ie u vry ey - - gen           zyn.
Adieu, schoon stadt,
Adieu, prieel vol vruechden!
Reyn maeohdelyok vat,
Daer wi tsamen verhuechden.
Gedenet den troost, die ghymi bootj
Ghi zyt myn lief, die ie noeyt en vloot,
Ie segt u bloot:
U eygen blive ie tot in den doot!
-ocr page 47-
81
XIX.
Het vlooch een cleyn wilt vogelken
Met eenvoud te zinden.
m&
$
É
&E
£
Fm
^
Het vlooch een cleyn wilt
.Helt - di te nficht ge
vo - gel - ken Tot myns liefs ven - ster
vlo - #hen Al door die wille van
j=±
é
I
%
ö
f
m f f
^
»!.* J
i
S
^^
     
w
in 5 „Staet op, myn al - der
mi? So roemt ter hal-ver
lief - - ste! Staet op en laet my
inid-der- nacht, Ie
         wil u la - ten
si^è
m&
mm
f
3$
*=^r
r
&
Ê
$
i
^
m
$
g?^
in. Ie heb-be te nacht trc - vlo
in. Ie wil u___ der - ken war
heb-be te nacht ge -
wil u
          dec - ken
#hen, lo-
me, Ie
i
i
i
q=
*
¥
f
I
£
S
<5-*-
P
gg p JT3 | J [ȣp
i
P
f
- Ie
dyn.\'
me!r
vlo - - ghen Al door____ die wil
war - - me, Met my - nen snee - wit
ten ar -
jri j j pj, j
mm
m
** "*^
^
f
T
r
Hft-
f"
f
S
^
?=?
T=
-ocr page 48-
35
XX.
Ick had een ghestadigh minneken.
JSC
i
m
*=P=T
*
W3
F
Ie bad een ge-sta- dich min-ne-ken, Geen scoon - der die daer
Hoe sou-de ie haer ver - #e - ten? Ie         ligK\'he in swaor ver •
O bit-ter - ly - cke schei - don, Waor toe si dy gho
i^§
i
ï
V
»<f
TH
É
^
m
£
i
*
P
WBX.
leeft, Vor - co - ren in niyn sin - ne-ken. Van rouw myn her-te beeft, Want
driet. Van drincken noch van e - ten Can ie ghe-voe-den niet. Ie
maect? Die doot wil mi ver - bey - den Die al - so bit - ter smaect. Het
$
i
=3^
*
&=*
Il I
Hf
~9
•af
3^
s
p
f
zo.
$
É
^m
É
P=É
-m-
f?
Daer
seri - ven-. Wan -
van - ghen; Naer
spra - ken, Ie
si mi nu be - gheeft.
- om mach ie     wel
weet wel hoe si hiet, Die myn her-te-ken heeft   be
uheydei
ÉI
zyn, Schoon lief, staet mi     te
moet ghesc
W
rf
*
F^
f TT
1
^
^
32
iËÉ
i
jË^j=a
P
^
ê
f
wy - ven! Want si een an - der
lan - ghen: Ie leve in swaer ver
ra - ten, Ie blive al in die
heeft,
driet.
pyn.
^
tf ou-\' - we van al - Ie
haer staet al-Ie myn ver
val - - Ie in des - pe
i#
i
*§iü
¥
r
-*
J
p
9q=i£
£
-ocr page 49-
36
XXI.
Tandernaken op den Ryn.
Verhalend te zingen
jpjËg J JJ =
. i r ■h $
ts
p
§^
Daor sach ie twoo
Tan-der - na - kon op don Kyn
é*
ÊÈÈ
^^H
n
Ff
f
r
^
p jj> i1 g
ï
Ir^
£
meis-kons sju» - Ion gaen. Die oo - no docht my aon haor aen-schyn.
f
^3
?
M\' m
■v—■----------
w~~m
-#-*\' d*J>
___Haor noch-kons dio wa-ron mot tranon bo - vaon. .JVat hobstu. lie- ve #he-
lÊ^N
J~3 i 3
f-p f
I"
3
F
Ê
l^=M
5*
P
É
-ocr page 50-
87
r i i r J J\' l 1 ^P
^
« é
spe-Ie jroet?"„My truert myn hortte, my swaort myn moet!\'
,Hoe
m^
P ï m i
ï
=8=
^
g=£=^
É?
#=F
s
Ï=É
-o-
P m f i
^
^^=1
q j -#■
compt dat. ghe-spe - l<
goot? Ma- ko         my
dos vroet."_„Io en
;i
?t=r
r f r- p
j j j-j
JC±
^m
^
p
f
Ê
r
rr
r r ^J
P
^
^
?fr
p=;3
- gen: Tis dio moeder, diet my
cans u niet ghe - sa
m
$
3:
?
£
3E
#
É
^
f
a°=a
g      *
doet. Sy wil myn boo] ver- ja - ghen. myn bnol ver - ja - -ghon."
É
É
ft^-j-j-l
^
3E
:£S
I»-
s
jet
"-^----5:
3\'
3 \'»
-ocr page 51-
88
Tweede vers.
É
*
£m
te
s
^
c/r^\'r
■\' ■
..Och! lie-ve ghespe-le,dats groot ver-driet.\'_____ Nu set u hertto te-vrc
m
• É J J 11 g
■ J) F J> Jl
S=
§^£
denVi—Myn moe - dor plaeh te minnen, en de - do sy niet Den tyt is niot
§^-is-}i I Jv3 j 11 j i r B\'p r § lJ
lan-ge ghe-le
- den. Nu schelt sy my hier, nu vlooct sy my daor. Myn
p p J cJ I J-i-Jj
ÉËÊ#
_ g
boolkon en derf niet ko - mon naer; Daor. om is myn her-te - kêh, is myn
*
m
S=S
p^?
%
é\' *
re? En-de
her-to-kon dus swaer. Ist won-der dat ick true
I
m
j j ij»
s
B p p p
j r ir^\'r
ick en mach niet gaen van haer.Ter veynster. noch ter deu-re, ter deu - - re."
Derde vers.
m
s
a
£
\' r [jt i"
c ■
i é
$
-..Och! lie-ve ghespe- Ie, daer en leit niet an. Die mey-e, die
0 ij^iï) \'j. J |J ^J J |J r ^r|J-J) rJ; I
sal nochgroey - en. Die dan syn liefken spre- -ken mach, Syn hertte mach
^
S
r P\'p rp
hem ver- moe- -jen\'.\' .„Och! lio- ve ghe-spe - Ie, dat\'s quaet sanc; Tot
m
$
«r-A
&
£
^
m
£
■ ■
£EZ
meyte beyden is my te lanc Het sou-de mynder hort - ten ma - kon
I j i p pj f ij r [/r \'^ ^ ^\'P p^^
«=?
ven. Al en wets myn moeder ghe - non
cranc, Ie sou-do van rouwe ster
l i J> J J J>
S
m
wm
danc^Mynsboels wil - lo sal ick ver-wer-ven, ver
\') Al -«lanc = al neemt mijn moeder het mij kwalijk.
ven!
wer-
-ocr page 52-
39
XXII.
Syt vrolyc groot en cleyne
Opgewekt, en frisch.
$
Ö
m0
P
£
-*t
brengt ons al ghe-mey-ne syn bloem - kens met jo-lyt..
Syt vro - lic leeft
Ö
jjl .1 J
*=S=
WPI
^^
P=^"
i»»is» 1:
W
j i
rt&rf
ÉÉl
^S^
*
p=#=
i
^
m
P
i
EO B
E
T
FSZZT
x
i
■ e ■
a ■
3
f
£
P
sondcr nyt ghe-sta-djchint ver-boy - den Wat ghi doet oft waer ghi syt, Syt
É
M
*z=*
ï
f
" 4 3
È
\'T ■ d =»=
%
ff
*
5J
J:
P
i
ï
£
3
^
FF
P
r=r
rr
r
P i r JJr\'rJ r r rJ |jcJ^
^
rrr
vrolic met-ten meye, denmeye, den mey
-ocr page 53-
40
XXIII.
Ik zag mijnen heere van Valkenstein
Verhalend te zingen.
Ö
s
dP
é         *
Ik          zag mij - nen hoe . re van         Val - ken - stein Te
3
P
P=PÜ
»      *
£
£
zij - non burg op           rij - den, Het          schild aan den arm kwam
i
^
êpf^i
*
ü=^
*==?
*=*
- de.
hij ge - reen. \'t Blank zwaard aan         zij - ne          zij
-ocr page 54-
„God tegen u, heere van Valkenstein,
Zijt gij dos landes een heere:
Ei geef mij weer den gevangen mijn,
Om aller Jonkvren eere.
_.,Den gevangen dien ik gevangen heb
Moest ik my zuur verworven,-
Hy ligt in den toren op Valkenstein
Daar mag hij verstinken en sterven."
..Ligt hij in den toren on Valkenstein,
Moet zulker ellende gebeuren,
Zoo wil ik onder don toren trouw
Myn liefsten holpen treuren?
En nis zij nu onder den toren kwam,
Hoort zij haar Itefsten daar binnen.
..Zal ik u helpen, dat ik niet kan,
Dat brengt mij uit mijn zinnen."
_„Naar huis, naar huis, myne jonkvrouw zoet,
En troost uw arme weezen^
Neem u van het jaar een andren man
Die zal u van treuren genezen\'.\'_
„Nam ik van het jaar eenen andren man
Te slapen aan mijn zijde,
Zoo liet ik ook nog mijn treuren niet staan,
Als hy myn weezen kastijdde .
Wat gaf ik dat ik oen telle1) had
En alle Jonkvren reden,
Flus werd met den heere van Valkenstein
Door rmj om mijn lieverd gestreden!\'
_„0 neen, o neen, myn jonkvrouw zoet,
Dat waar mij groote schande,-
Neem gy uw lieverd maar bij der hand
En trok met hem uit den lande.\'?.
„Uit uwen lande trek ik zoo niet,
Gy" moet nüj geven een schrijven,
Dat waar ik in den vreemde kom
Ik daar ook mag verblijven."
Als zij nu ter grooter heide kwam,
Wel luide begon zij te zingen:
„Nu kan ik den heere van Valkenstein
Met mijne woorden dwingen.
Daar ik het nu niet hem zeggen kan,
Daar wil ik \'t van hem zingen,
Dat ik den heere van Valkenstein
Met my*ne woorden kon dwingen."
rijpaard bij voorkeur voor vrouwen.
-ocr page 55-
42
XXIV.
Ghepeys, ghepeys val von envyen,
Vloeijend voor te dragen
____ vol van o - nvy - en\') Fhvolo
- do aft me - di - cy - nen Ghe -
Ghopeys. ghe - poys.
Mocht mon mot kruv
Hoe quel-dy my
lok waer ghe - ne
oorsprono zyt dat___ mo- nich treurt,
ne- son myn-der lief- de brant.
m
w
; f\' g
r iLrr
$
r
r
£^£
i
y»n j g
»
«
£
■ ■
__met fan - ta - sy - en! My dunot dat. my myn___ her - te scheurt
- sen van der py - non Maer neont! ten") helpt zulck___ on - dor - stant.
*
mm
s
£
^
God gev haer vreueht.deur wient go . beurt Al doet se my dees
Dies^gnet \'the - las aen my - nen kant Deur dl ast dor min __ m
j J^J
J j Mm
i
3
f=f
T
r
r
éhê
fes
l
m
£
*
f"
r
<)envyen mijd. ») ten =het niet. »)dies- minnenstralesHet komt op mij neer;ik moet de pijn der liefdeptylen dragen.
-ocr page 56-
43
tt
^
I
£
s—j—*
±M
Mits1)
Met
qua - Ie! Haer we - sen fier heeft my bo keurt
Ktra - Ie: lek8) vloeck den af - godt, die my bant .
»
P
fc
^r
5E
*3É
^Eg
rrr
f
j
S
iHv4j-j
•y r r \' i a^f^
>
i
fe=
^nnp
«—#
* * \\4
\'t co-leur van co . ra - l<\\ Raschta)u ghy nachte - ga - Ie! Vlieght uit dat -wil
Ve- nus bit-ter - dvva - le.Rascht u ghy naohte - ga - lo! Vlieght uit dat •wil
mm
fm
3
■ft—■ -
r=^
e. I
m
Ê
f
Ö
A
i
^=3
£
£
-  de wout! Zeght haer dit al - te - ma - Ie En grootse my duy-
- de wout! Zeght haer dit al - te - ma. Ie En grootse my duy-
Ê
I
f
f
E:
T
TT
i
i
£
t—r
l) mits = door. *) rasiht = spoedt. 8)ick-dwale = Ik vloek den afgod,die my bond met den blinddoek der liefde.