-ocr page 1-
-ocr page 2-
\'
-ocr page 3-
^
N.-
\' • .
0007484
-ocr page 4-
^r* itffé
-ocr page 5-
DE SLEUTEL
VAN
HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
i
[
-ocr page 6-
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
I I I I I I I
3450 5739
-ocr page 7-
DE SLEUTEL
VAN
HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
GEDACHTEN ONTSTAAN
BIJ HET LEZEN VAN HET RAPPORT DER
ALGEMEENE ZENDING-CONFERENTIE
GEHOUDEN TE NEW-YORK IN 1900
DOOR
Ds. ANDREW MURRAY,
WELLINGTON,
ZUID-A F RIK A.
Hollaadsch-Afrikaansche Uitgevers "Maatschappij
v/h JACQUES DUSSEAU & Co.,
Amsterdam — Kaapstad.
-ocr page 8-
„%t liefbe uan (Bïjriatus bringt ons".
O, indien wij dit zending-vraagstuk lot een pe.r-
soonlijk iet» konden maken, indien wij de harten der
menschen konden rullen met eene persoonlijke liefde
tot den Zaligmaker, die voor hen gestorven is, dan
zou de onverschilligheid van het Christendom ver-
dwijnen, en het Koningrijk van Christus zou
verschijnen.
-ocr page 9-
INHOUD.
HFDSI.                                                                                                                    HI.Z.
I. DE ALGEMEENE ZENDING-CONFERENTIE ....          1
II. DE ZENDING. — EENE TOETS VAN\' DEN TOESTAND
DER KERK.............23
III.      DE MORAVISCHE KERK EN DE UEI\'OE TOT CHRISTUS 4i!
IV.      DE „CHÜRCn MISSIOXARY SOCIETY" EN DE VER-
DIEPING VAN HET GEESTELIJK LEVEN .... 80
V. DE CHINA INLANDSCHB ZENDING EX HET GEBED
DES GELOOFS.............III
VI. DE PINKSTER-GEMEENTE EN DE HEILIGE GEKST.
HET ZENDING-VRAAGSTUK EEN PEKSOOXLI.IK IETS 135
VII. ELKE GELOOVIGE EEN ZIELZOEKER......158
VIII. LEERAARS MET DEN ZENDING-GEEST BEZIELD . . 178
IX. EEN ROEPSTEM TOT GEBED EN VEROOTMOEDIGING 201
• X. EEN VOORSTEL. — EEN WEEK VAN GERED VOOK
DE ZENDING.............222
-ocr page 10-
-ocr page 11-
INLEIDING.
In het eerste hoofdstuk van het hoek heb ik medegedeeld
wat tot mijn schrijven aanleiding gaf. Ik had gemeend
den inhoud etnigszins om te Kerken, en in anderen vorm
voor onze gemeenten in Zuid-A\'frika uit te geven. Daar
ik in de uitvoering van dit voornemen verhinderd ben en
Ds. Botha van Swellendaiu mij zijne vriendelijke hulp
aanbood om het boek te vertalen, geschiedt deze uitgave
nu met de bede dat onze Heer haar gebrnike als eene
boodschap aan Zijne kerk in ons geliefd Zuid-Afrika.
Een uittreksel uit een schrijven van Ds. Botha. moge den
lezer duidelijk maken welke de hek oef/e is waarop het
boek zoekt te wijzen, en welke de zegen die het recht
gebruik er van kan brengen.
Wat de Heer in de Kampen gedaan heeft in de ont-
waking van zendingsijver onder onze jonge menschen geeft
ons de hoop dat Hij ons nog verder in dezen zal zegenen.
Ik verlang innig dal mijn tolk dit werkje in zijn eigen
taal mocht te lezen krijgen omdat ik de diepe overtuiging
heb dat de behoefte aan de boodschap van het boekje zeer
groot is, en biddend geloof dat de mededeeling van de
boodschap tot onberekenbaar veel zegen zal zijn. Och dat
wij diep, zeer diep ouder den indruk kwamen van wat
onze Heer van ons, met betrekking tot de uitbreiding van
Zijn Koningrijk verwacht, en van hetgeen Hij door ons
doen wil en doen kan!
Bij mij en bij vele kinderen van God schijnt de groote
behoefte te zijn:
Meer kennis. Kennis aan den nood
van hei menschdom, dat door zijne zonden verteerd wordt,
aan den nood van het heidendom dat in zijne onkunde
vergaat, kennis aan Christus, aan zyne liefde, aan zijn
-ocr page 12-
verlangen om de verlorenen te redden, aan Zijn plan dit
door zijn volk te dom en aan Zijne macht om dat plan
uit te voeren.
Meer liefde. Be liefde van Christus
zelf die zich uitstrekt tot den slechtste onder de slechten,
en die, icaar het de redding rait tnenschen geldt, geen
lijden, ijeen moeite, geen opoffering ontziet.
Meer geloof.
Hel geloof dal zich op (iod verlaat, zich in gehoorzaamheid
openbaart, en het er voor houdt dat „arbeid in den Heere
niet ijdel is." Het boekje wijst op zulk eene uitnemende
wijze den weg aan tot verkrijging van icat zoo onmisbaar
is om Gods kindereu te laten leven als diegenen die ver-
staan dat zij verlost zijn om den Heere Jezus in belang
voor Zijn Koningrijk te dienen. Ik dank God dat hel
boekje mij mijn kwaal heeft doen zien, en mij hel genees-
middel voor de kwaal heeft aangewezen. De kerk doet
niet wat zij doen moest omdat zij niet is wat haar Heer
van haar maken luit en maken wil. Zij zal alleen doen,
Kal haar Heer van haar verwacht ah zij door de kracht\'
d\'idige werkingen des Heiligen Geestes, die in haar woont,
geworden is, wat zij wezen moet: „het gezond en kiaehtvol
lichaam, van Christus, het Hoofd, dat al de plannen van
hel hoofd ui\'roerl."
Hal wij allen zanten in den gebede volharden, dal onze
Groote Koning Zijnen Geest met kracht onder ons geve,
om ons tot Zijne getuigen te maken, tol aan het uiterste
einde der aarde,
A. M.
-ocr page 13-
DE SLEUTEL VAN HET
VRAAGSTUK DER ZENDiNG.
HOOFDSTUK I.
£*c fflgemeene 8enbing4£onfttentic te#iro-$or&.
XTET was mijn voorrecht uitgenoodigd te
worden om op de groote Algemeene
Zending-Conferentie, in April 1900 te New-York
gehouden, te spreken. \') De omstandigheden van
ons land. alwaar de oorlog juist uitgebroken
was, waren zoodanig, dat ik geene vrijheid
gevoelde om van buis te gaan. Toen een
ernstige brief\' van Mr. Moody, er op aandringende
dat ik komen zon. en na de Conferentie ver-
toeven zou om de samenkomsten te Northfield
bij te wonen, de vraag wederom voor de aandacht
bracht, werd ik nog terug gehouden van te gaan.
i) Om de vier Jaren wordt er gewoonlijk zulk eene Algemeeno
Zending-Conferentie gohouden in Europa of Amerika. Dezelaatste
was do grootste. Er waren over de 700 zendelingen bijeen niet
een groot aantal van de voornaamste bestuurders en helpers in
de zendingszaak. Gedurende de tien dagen was de Groote
Geboorzaal, die meer dan 3i>io bevat, te klein voor do schare van
zendingvrienden, zodat er in andere gebouwen evenzeer samen-
komsten moesten worden gehouden.
-ocr page 14-
2                 HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
Maar de uitnoodiging gaf aanleiding tot veel
denken en bidden. Vragen als de volgende
deden zich voor: Heb ik een boodschap voor de
Conferentie? Zou ik in staat zijn die boodschap
zoo duidelijk mede te deelen dat het de moeite
waard zou zijn dien grooten afstand te gaan\'?
Zou het mogelijk zijn. te midden van de groote
verscheidenheid van onderwerpen den stillen tijd
te vinden tut de ongestoorde overdenking van
hetgeen mij voorkwam als het eene noodige.
Het was te midden van zoodanige redenee-
ringen dat de gedachte, die mij lang reeds had
bezig gehouden, mij duidelijker werd, en dat
ik gevoelde dat het ééne punt waarover ik zou
kunnen wenschen te spreken dit was: Hoe
de Kerk opgewekt kou worden om den
wil des Heeren met betrekking tot de
redding van rnenschen te kennen en te
doen ?
Ik had met veel belangstelling gelezen
het boek dat uitgegeven werd als voorbereiding
tot de Conferentie. Ik had den indruk gekregen
dat, terwijl — zoo als natuurlijk is. de aandacht
hoofdzakelijk gericht werd op het werk in het
zendingsveld, het werk te huis, binnen de kerk,
bestaande in hare toebereiding, om haar aandeel
van het werk getrouw te doen, nauwelijks die
plaats verkreeg, welke het wegens deszelfs
belangrijkheid hebben moest. Er is geene
waarheid meer geestelijk en geheimzinnig dan
-ocr page 15-
DE ALGEÏIEENE ZENDING-CONFERENTIE.           3
deze — dat Christus, mis Hoofd, werkelijk
en geheel en al afhankelijk is van de
leden zijns lichaams om de plannen
welke Hij als Hoofd beraamd heeft uit
te voereD.
Alleen geestelijke menschen en
eene Kerk waarin geestelijke menschen invloed
hebben, zijn in staat om de bevelen van Christus
op de rechte wijze uit te voeren. De duidelijkste
redeneering, het krachtigste beroep, richt weinig
uit waar dat niet wordt begrepen en nagestreefd,
als de maatstaf van ware christelijke toe-
wijding. Het komt mij voor dat er voor de
vrienden der zending, die voor ruime beschou*
wingen over het doel van God en zijn Koningrijk
streven geen vraag van meer dringend belang
is dan deze: Hoe kan de Kerk gewekt
worden en er toe geleid om zichzelve
met ieder lidmaat, en met al hare
krachten den Heere ten dienste te stellen
tot het werk waartoe Hij haar bestemd
heeft, en dat Hij van haar verwacht ?
In
het Voorloopig Rapport waarover ik sprak
werd het onderwerp nauwelijks aangeraakt.
Toen ik de twee boekdeelen van het Rapport
over de Conferentie \') ontving, onderzocht ik
natuurlijk terstond in hoe verre, en op welke
wijze deze vraag behandeld was geworden. Ik
i) Report of the Eruinnuicnl Hissionary and Conference
New-York 10X>. New-York & London R. I. S. 6/ii.
-ocr page 16-
4                 HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
vond vele belangrijke wenken over de wijze
waarop men de belangstelling in de zending kan
doen toenemen. Maar — indien ik het wagen
mag om het te zeggen — de wortel van het
kwaad, de eigenlijke oorzaak van zooveel gebrek
aan belangstelling, en de wijze waarop dat kwaad
overwonnen moest worden, werden nauwelijks
genoemd. Terwijl het indirect en onvoorwaar-
delijk erkend werd dat er iets verkeerd is met
het grootste gedeelte van Christenbelijders, zoo
verkregen toch de ernst en de zondigheid van
het verzuim van des Heeren bevel, dat een bewijs
is van den gebrekkigen toestand van het gees-
telijk leven en de vraag wat de zendinggenoot-
schappen doen konden om eene verandering te
weeg te brengen, niet die prominente plaats
welke zij naar mijn oordeel hebben moesten.
1. Van de wenken die gegeven werden om
voor de zending de plaats, die haar toekomt,
in de kerk en in de harten der geloovigen
te verkrijgen, handelde de eerste over de
leeraren. Dr. Puiitecost begon eene toespraak
over Den leeraar en zijn verhouding tot
de zending, met deze woorden:
„Het voorrecht en de verantwoordelijkheid om
het vraagstuk van de zending op te lossen berusten
bij den leeraar. Zoo lang als de leeraren onzer kerken
niet ontwaken tot het besef van «Ie waarheid dezer stelling,
en het wei k der zending niet als een vuur in hunne eigene
harten en gewetens brandt, zoo lang mogen de zending-
-ocr page 17-
DE ALGEMEEXE ZENDING-CONFERENTIE.         5
commissies floen wat zij kunnen in bet uitdenken van
voorwaartschebewegingen, in hetorganiseeren van nieuwe
methoden voor het verzamelen van geld in de gemeenten,
toch zullen de wielen van den wagen der zending zich
niet moeite bewegen".
Hij gaat dan voort om te bewijzen dat elke
leeraar zijn ambt bekleedt krachtens het bevel
van Christus in Mat. 28:20 en dat hij dat
bevel alleen uitvoert, wanneer
„Hij als een zendeling-bisschop de geheele wereld
beschouwt als zijn arbeidsveld. De leeraar van de
kleinste gemeente heeft de macht om zijn invloed over
de geheele wereld heen te laten gevoelen. Geen leeraar
is zijn ambt waardig, die zichzelven niet in overeen-
steinining brengt met de heerlijke uitgestrektheid van
zyn opdracht en die niet bezieling en ijver trekt uit
deszelfs wereld-wijden omvang. l>e leeraar is niet alleen
de leermeester, maar ook de leidsman van zijn ge-
meente. Hij moet niet alleen zonren voor hunne zielen,
maar ook hunne werkzaamheden bestieren. Indien
er gemeenten zijn die niet geven en niet bidden voor
de zending, dan is liet omdat zij leeraren hebben die
valsch en lafhartig zijn tegenover het bevel van Christus.
Ik ben bijna gerechtvaardigd om te zeggen dat, zooals
geene gemeente lang de geestdrift van een waarlijk
volijverigen leeraar kan wederstaan, zoo kan, aan de
andere zijde, geene gemeente zich verheffen boven de
koude onverschilligheid, of het gebrek aan overtuiging
van haren leeraar".
De toespraak eindigde niet den volzin
waarmede zij begon:
„Het voorrecht en de verantwoordelijkheid
om het vraagstuk der zending op te lossen
berusten bij den leeraar"\'.
-ocr page 18-
(i                 HET VRAAGSTUK DER ZEXDIXG.
Dr. Cuthbert Hall sprak over De Jonge
Maanen als toekomstige Leeraars — Hoe
ze met het vuur van ijver voor de
zending te doen ontbranden?
Het vuur van christelijke liefde tot zielen ontwikkelt
zich in de ziel van den christen-discipel uit de tegen-
woordigheid in ziehzelvcn van krachten en werkingen
die den geest van Christus weerspiegelen. Deze zijn:
een helder inzicht in wat de wereld is en noodig heeft:
een diep gevoel van medelijden met de wereld; daad-
werkelijke pogingen in belang van de wereld — zelfs
tot het geven van zijn leven tot een rantsoen voor
velen. Uit dit drietal van krachten kwam voort het
vuur van zijne liefde tot menschen — de grenzelooze,
onpeilbare, onsterfelijke liefde van Christus tot den
mensch. De dienstknecht van Christus mag spreken
de talen der menschen en der engelen, hij mag alle
kennis hebben, en het geloof, dat bergen verzet, bezitten
— indien hij het vuur der christelijke liefde niet
he9ft, zoo heeft hij den Geest van Christus niet,
en behoort Hem niet toe.
„Het vraagstuk van de kweekscholen der Godgeleerd-
beid moest zijn: niet, hoe om nu en dan een man voor
het zendingsveld op te leiden, maar hoe in eiken
man die de school doorgaat het vuur voor de
zending te doen ontbranden, opdat hij daardoor een
geschikte dienstknecht van Christus moge worden. Hoofd-
zaak en hoofdbeginsel is dit dat er in de school moet zijn
een heilig altaar voorliet zendingsvuur, waarbij de fakkel
van eiken leerling aangestoken en zijn tong door een
levende kool aangeraakt moet worden. Ter wille van
den man die misschien gaven heeft voor dienst in den
vreemde, moet de school der Godgeleerdheid warm zijn
van ijver voor Evangelisatie, moet zij beladen zijn met
heilige onrust over den toestand der wereld, zoodat
-ocr page 19-
DE ALGEMEENE ZENDING-CONFEREKTIE.           i
niemand binnen haar muren zal kunnen wonen zonder
ziohzelven de plechtige vraag te doen: Is het de wil
van Christus dat ik zul heengaan om Hem in de streken
daar verre te dienen?
„Met betrekking tot den msn die tehuis in een
christen-land eeu Evangeliedienaar moet worden: deze
heeft het vuur voor de zending niet minder noodig om
hem ruim te maken in zijne sympathieën en apostolisch
in zijne beschouwingen over Christus en het Christendom.
Ten einde den weerstand van onkunde en vooroordeel
te kunnen overwinnen, de aandacht van ongevoelige
gemoederen, die verblind zijn voor de groote vraagstukken
van de Evangelisatie der wereld, ie kunnen trekken,
het verstand der kerk te kunnen opvoeden, tehuis de
voorraad te kunnen bijeen brengen om het werk Gods
in den vreemde te onderhouden, heeft de leeraar noodig
niets minder dan het vuur voor de zending. Maar de
man die alzoo overwinnen moet, moet eerst
zelven door God overwonnen en aan brand
gestoken zijn".
„De studie der zending verheft zich langzaam tot den
rang van een theologische wetenschap. Maar de studie
der zending als een vak van de school der Godgeleerdheid
kan niet van zelve dat ontbranden van het vuur dei-
zending in de toekomstige leeraren te weeg brengen.
Ik zie andere krachten aan het werken in de richting
van dit heerlijk doel. Ik zie eene nieuwe opvatting
van het leeraarsambt zich ontwikkelen welke velen van
de meest begaafde, en de meest geheiligde jongelingen
tot zich trekken moet. Kr wordt thans in menig college
gevonden de bloem van onze jongelingschap, die het
leeraars-ambt niet beschouwen als een beperkte eu
sombere wereld van kerkelijke kunstmatighedei), maar
als des Konings eigen weg naar een vreugdevollen en
overvloedigen dienst. Ik zie onder jonge mannen een
geest zich ontwikkelen, die het voorteeken is van eene
-ocr page 20-
8               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
verbazende vermeerdering van geestdrift voor de zending
onder de leeraren van de toekomst. Persoonlijke heiliging
voor persoonlijken dienst is eene opvattingvan het leven,
welke al meer aantrekkelijk wordt voor eene schare van
onze edelste geesten. Uit deze klasse van geesten zullen
leeraars voor de toekomst verzameld worden. Zij zullen
zijn leeraars vol van Christus, die de heerlijkheid Gods
aanschouwd hehben in het aangezicht van Jezus Christus,
die Hem dienen niet een geestdrift van volstrekt onbe-
vreesde liefde, en die Hem voorstellen als den eenigen
Naam onder den hemel door welken menschen zalig
kunnen worden. Zij zullen vormen een zendingsleeraar-
schap, vervuld met een hartstocht oiu zielen te winnen,
helderziende om te ontdekken den voortgang van het
werk van Christus, getrouw in haar rentmeesterschap
te huis en in den vreemde, apostolisch in hare verzekering
dat Christus haar gesteld heeft om veel vrucht te dragen,
apostolisch in hare vurigheid om heinde en verre te ver-
spreiden het Evangelie van den opgewekten en ten hemel
gevaren Heer, apostolisch in hare hoop dat de onzienlijke
en gekroonde Zaligmaker zekerlijk wederkomen zal".
Andere sprekers legden even veel nadruk op
de verantwoordelijkheid van leeraren. Ds. J. F.
Daly van de Vrije Kerk van Schotland, zeide:
„Zoo lang als de leeraren niet ontvlammen, is het te
vergeefs te verwachten dat dit het geval met de
gemeente-leden zijn zal. Kr is niet een enkel geval
waar een leeraar, die in de Zending waarlijk belang
stelde, er voor bad en werkte, niet eindelijk bemoedigd
werd door een zeker aantal van zijne gemeenteleden",
(vol. 1. p. 132).
D. Brewer Eddy van de Yale Band zeide:
„Er moe\'; nadruk gelegd worden op de belangrijkheid
van leidsman te zijn. Laat ons woekeren met het talent
-ocr page 21-
DE ALGEMEENE ZENDING-CONFERENTIE.          9
om anderen aan het werken te zetten. Gij zijt <le leids-
lieden. Wij, zes niillioen jonge menschen in dit land,
zijn gewillig u te volgen indien gij ons leiden wilt. Pit
is de verantwoordelijkheid van den leeraar. De meest
bepaalde indruk van de Yale Band is misschien deze
dat de dank, of de verantwoordelijkheid en de blaam, voor
den tegenwoordigen toestand onzer Zendiugeouiinissies
op rekening van de leeraars geplaatst moeten worden...
Indien gij uw beroep grondt op de begeerte om de
leeraars te voldoen, of op individneele kerkelijke wel-
willendheid, of op seclarisehe getrouwheid, zullen onze
jonge menschen dat beroep beantwoorden in evenredig-
beid met de gronden waarop gij het doet. Maar komt
tot ons mot den diepsten geestelijken toon welke
gij kunt aanslaan, met een boodschap uit het
leven van den Meester dien wij steeds meer leeren
beminnen, en wij, zes millioen jonge lieden, zullen u
volgen zoo goed als wij kunnen", (vol 1. p. 182.)
Mr. S. Earl Taylor zeide:
„Zoo lang als onze leeraars deze onderneming niet
ondersteunen, zal er nimmer een zendingsgeest zijn die
aau de behoeften van het menschdom voldoet. Wnarde
leeraar helpt zal bijna ieder plan gelukken; waar er bij
hem tegenstand of onverschilligheid is, zal bijna niets
slagen. Terwijl Godzalige leeraars in alle deelen van het
land de studenten die in de Gemeenten arbeidden, hielpen,
wordt het ons, aan de andere zijde hier en in Groot-
Brittannië gezegd, dat de grootste hinderpaal in den weg,
om belangstelling in de kerk te wekken, de leeraar is,
wiens hart niet voor de zaak is (vol. i. p. 141).
De Hon. S. B. (\'apen:
„Er is ééne voorwaarde volstrekt noodzakelijk tot wei-
slagen. Terwijl ik geloof dat onze Christenen een groot
aandeel hebben moeten in het beramen van plannen voor
-ocr page 22-
10             HET VRAAGSTUK DER ZEN\'DING.
deze betere organisatie, zullen wij toch behoefte hebben
aan toegewijde leeraren, die ons in de uitvoering er van
leiden kunnen. De leeraren moeten nog de leidslieden
zijn in dit reusachtig werk, en een geheiligde leeraar zal
altijd lieteekenen eene geheiligde gemeente. In dit nieuw
tijdperk van zendingswerk kunnen de leeraars van dit
geslacht, indien zij dit slechts willen, de aanvoerders
zijn in dezen heiligen oorlog om gerechtigheid op de
gan<=ehe aarde (vol. i p. 189).
Revd. D. S. MacKay:
Kenisre oproeping van wege de kerk, moet. om te
slagen, niet alleen achter zich hebben, maar er in, er
doorheen trillende. d9 overredende persoonlijkheid
van den plaatselijken leeraar. Kenige blaadjes in de
kerkbanken te verspreiden en dan slechts de aandacht er
op te vestigen, is een van de beste manieren waarop de
leeraar een bijzonder beroep op medewerking dooden
kan. Het welslagen van het beroep hangt ter laatste
instantie af van den leeraar, die met liefderijken ijver dat
beroep de hoorders op het hart legt. Ik klaag op geenerlei
wijze over den dienst van zending-afgezanten nu en dan in
onze preekstoelen, maar het is de getrouwheid van den
plaatselijken leeraar, die het bijzonder beroep op mede-
werking in een persoonlijke boodschap van zijne eigene
menschen veranderd, welke bovenal het geheim is van wei-
slagen in den krijgsvoorraad van de zending (vol. i. p. VJ\'2).
De verantwoordelijkheid, welke al deze
sprekers op de leeraars werpen, is iets zeer
ernstigs, en brengt vragen van het allergrootst
belang te berde. Met betrekking tot de plaats
welke de leeraar in zijne prediking aan de
zending behoort te geven, kan er verschil van
gevoelens zijn. Revd. J. F. Daly zeide:
-ocr page 23-
DE ALGEMKENE ZENDING-CONFERENTIE.        11
In de kerk, welke ik vertegenwoordig, hebben wij een
plan gevormd, dat aan elke gemeente eens in de zes jaren
een bezoek van een zendeling op een Zondag verzekert.
Goede organisatie moest waarborgen: 1". Ken bezoek
van een zendeling op een Zondag eens in de drie jaren:
2°. een bezoek van een ringsdeputatie — b.v. leeraar. ouder*
ling en eene dame, indien mogelijk — het volgend jaar; en
eene preek over de zending door den leeraar een jaar
daarna. Eene rings-eommissie moest aangesteld worden.
om te zien dat «leze schikkingen uitgevoerd worden.
Onder de begunstiging hiervan moest er jaarlijks, op het
een of andere invloedrijke middenpunt in het distrikt.
eene openbare zendiugvergaderinggehouden worden, welke
door verscheidene zendelingen moest worden toegesproken.
Maar zelfs met zoodanige goede organisatie zijn er nog
klassen, die men zou kunnen voorbijzien."
Bisschop Hendrix zeide:
Toen Audrew Kuiler verontrust was over den geeste-
lijken slaap in zijn gemeente, leverde hij eene preek
over de plicht der kerk om het Evangelie aan de wereld
te brengen; en terwijl hij hun verstandelijk leven ruimer
maakte, hun ijver verlevendigde, en hun zocht moed in
te boezemen, liet hij er den volgenden Zondag op volgen
eene preek over de plicht van de kerk om het Evangelie
aan de wereld te brengen. Op denderden Zondagbehan-
delde hij hetzelfde onderwerp, en toen begonnen de
menschen te vragen: Indien het Evangelie de wereld
redden kan, kan het dan ook niet onze eigene kinderen,
onze samenleving redden en uit die zendingpreek ontstond
er eene van de meest gedenkwaardige herlevingen in de
geschiedenis van eenige kerk".
Het is ééne zaak voor een leeraar oin wel
eens een voorspraak en ondersteuner van de
zending te zijn: het is eene gansch andere
-ocr page 24-
12               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
zaak voor hem om te verstaan dat de zending
het hoofddoel der kerk is en dientengevolge
het hoofddoel waarvoor zijne gemeente bestaat.
Het is alleen wanneer deze waarheid hem in
hare geestelijke kracht overmeestert, dat hij in
staat zal zijn om het onderwerp der zending
hare rechte plaats in zijne bediening te geven.
Terwijl hij ziet hoe elke geloovige geroepen
wordt om van de liefde en de aanspraak van
Christus te getuigen, hoe een gezond geestelijk
leven afhankelijk is van het aandeel dat de
geloovige in het werk zijns Heeren heeft, hoe
hij de gemeente leiden moet om de uitbreiding
van Christus\' Koningrijk tot het hoogste oog-
merk van haar vereenigd bestaan te maken,
en hoe niets haar in staat stellen kan om dit
uit te voeren dan eene bepaalde toewijding om
met den Geest en met de liefde van Christus
vervuld te worden, en als hij dan denkt over
al de onkunde en wereldsgezindheid en onge-
loof waartegen hij te kampen heeft, zal hij
gevoelen dat zijn geestdrift voor de zending
niets minder behoort te zijn dan de geestdrift
van den Heiligen Geest, die hem vervult met
eene vurige liefde tot Christus, een sterk geloof
in Zijne macht, een innige begeerte om al Zijne
discipelen er toe te leiden om hun leven te
te geven ten einde Jezus Koning te maken
over de geheele wereld.
-ocr page 25-
DE ALGEMEENE ZENDING-CONFERENTIE. 13
Hoe meer wij met ernst de zending met het oog
op des leeraars verantwoordelijkheid bestudeeren,
hoe meer wij zien zullen dat alles er van afhangt
dat het persoonlijk leven geheel onder de macht
van liefde tot Christus, als de macht welke ons
aan ons werk verbindt, moet zijn. Met betrekking
tot den leeraar ten minste, zal het blijken dat
het vraagstuk der zending een persoonlijke is.
•2. Aan de Pen en de Drukpers werd de
tweede plaats gegeven naast den invloed van
den Leeraar en den Preekstoel in het wekken
van belangstelling in de zending. De noodzake-
lijkheid om zending-literatuur te bereiden, te
verspreiden, en te laten bestudeeren, werd op
krachtige wijze uit verschillende oogpunten
voor de aandacht gebracht.
„Informatie is de brandstof zonder welke liet vuur
niet branden kan. Brandstof is niet vuur en kan van
zelve geen vuur voortbrengen; maar waar er vuur is,
daar is brandstof onmisbaar om bet vuur aan den brand
te houden, of om het met meer hevigheid te doen
branden.
„Eene goed geïnformeerde kerk zal eene getrausfor-
rueerde kerk zijn. Misschien is de stelselmatige studie
der zending een van de grootste hulpmiddelen tot de
ontwikkeling van belangstelling in de zending"\'.
En het sluit met deze gewiehtvolle zinsneden:
„Zending-invloed werkt op tweeërlei wijze. De fakkel
welke wij voor anderen omhoog houden verlicht ons
-ocr page 26-
14             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
eigen pad. De kerk waakt en werkt en bidt voor
onsterfelijke zielen. Onze vertegenwoordigers zijn waar
er Let zwaarst gevochten wordt. Het is een strijd tusschen
de machten van leven en dood. Zijn wij zoo zeer in
de zaken van onze omgeving gewikkeld, dat wij ons
om de berichten van dezen strijd met het heidendom
en de machten der duisternis niet bekommeren? Indien
het ons ernst is om de kerk van Christus tot aan de einden
der aaide te planten, laat ons luisteren naar het rapport
van vooruitgang en het aan anderen mededeelen".
Onkunde is «Ie bron van zwakheid in het zendiug-
werk. Keu, en gij zult gelooven; Keu, en gij zult bidden.
Ken. en gij zult helpen in de voorste gelederen."
„Een woord over den eisch dat zending-publicaties
zoo belangwekkend en aantrekkelijk moeten zijn als de
zoogenaamde populaire tijdschriften. Wat maakt eenig
geschrift populair? Waarom is het dat gedurende de
iongate veldtochten in Zuid-Afrika scharen van menschen
elkander verdrongen voor het bord van oorlogs-berichteu
hij het Oorlogs-Bureau! Ongetwijfeld moet de ernst van
die belangstelling toegeschreven worden aan het feit
dat Britsche prestige en gezag met de gevolgen er van
gemoeid zijn. Indien christenen zoo getrouw waren
jegens hun Koning, indien zij een soortgelijk ver-
langen badden voor de vestiging van Zijne heerschappij
over de landen waarop Hij aanspraak maakt, dan zouden
de boodschappen van het slagveld met gretigheid onder-
zocht worden. Geene berichten van die soort uit het
zendingveld zouden vervelend geacht worden. Juist hier
ligt de moeilijkheid met betrekkingtotzending-geschriften.
Zij zullen de aandacht boeien alleen van hen die het
met Christus eens zijn in zijn wereldwijde ver-
lossingswerk. Laat er eeue kerk zijn wier leden, in
werkelijkheid zoowel als in belijdenis, het koningrijk
Gods eerst zoeken, en zij zullen eischen, en zullen
verkrijgen, versche en volle berichten aangaande den
-ocr page 27-
DE ALGE1IEENE ZENDING-CONFERENTIE.        15
voortgang van liet koningrijk over de wereld heen.
Indien eenmaal eene verlevendigde liefde tot den Heer
en Zijn koningrijk de harten van zijn volk vervult,
zullen de berichten uit het strijdveld met gretige toe-
jniching verwelkomd worden.
Rev\'1. Dr. Riiukin:
„Wanneer wij onze tijdschriften zoo goed gemaakt
hebben als wij kunnen, wat dan? Dan behooren de
leeraren de mensehen van deze literatuur te vertellen.
Zij moeten ze met zoo veel ernst aan hen voorleggen
dat zij gevoelen zullen, dat het iets is, dat zij niet mogen
verwaarloozen. Laat onze leeraars met goede vrouwen
de zaak bespreken, en laten die de tijdschriften onder
de menschen verspreiden. Laat onze leeraars in de
zending-literatuur roemen. Laat hen gevoelen dat die
literatuur in het verhalen van wat er op aarde voorvalt,
den voorrang hebben moet.\'\'
Dr. A. \\V. Habsey:
„liet wordt van wijlen Keith Falconer door een van
zijne leermeesters gezegd dat hij de wereld van ideeën be-
scbonwde zooalagroote waarnemende natuur beschouwen:
met bewondering, eerbied en nederigheid. In zoo-
dauigeu geestinoetde leeraar zich tot de studie van zending
literatuur begeven. Terwijl gij de zending-literatuur be>tu-
deert. wordt de overtuiging dieper, dat, ofschoon gij de
levensbeschrijving leest van Christenen van vele kerkge-
nootschappen en van verschillende talenten, die in verschil*
lende landen met een groote verscheidenheid van werk
bezig zijn, het nochthans een feit is dat deze zendelingen
allen gelooven in de tegenwoordigheid van den geest van
God. i)e leeraar die zoodanige literatuur verwaarloost,
berooft zijne menschen van hun geboorterecht eii bena-
deelt zijne eigene ziel."
-ocr page 28-
1<>                 HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
3. Het derde groote middel om belangstelling
te wekken was dat van persoonlijken invloed door
middel van organisatie teweeg gebracht. Veel
werd er op gepaste wijze over de belangrijkheid
om kinderen, jongens, meisjes, jonge menschen,
vrouwen, allen afzonderlijk te vereenigen onder
den invloed van leidslieden, die aan hunne
opvoeding tot de liefde en den dienst van het
Koningrijk de rechte richting konden geven.
Veel werd er ook gezegd van de macht welke
vrouwen reeds uitoefenen, en op nog grooter
schaal zullen uitoefenen, door binnen de perken
der kerk in christenlanden de wonderlijke liefde
van Christus te ontvangen en mede te deelen.
ten einde de kerk der toekomst op te voeden
en voor te bereiden om zichzelve aan het werk
over te geven. Neem b.v. deze passage van
Mevr. T. B. Hargrove:
„De kerk volgt waarlijk slechts de gedachten van Christus
als zij de belangrijkheiil van het kind in de ontwikkeling
van Zijn Koningrijk op aarde erkent. Want heeft Hij
niet in de nieuwe bedeeling de voornaamste plaats aan
kinderen gegeven, en vast gesteld dat de eenige weg
langs welken de mensch Gods waarheid kan verstaan,
die van teruggaan naar de denkwijze van een kind was.
Waarlijk uit kinderen, en uit mannen en vrouwen van
een kinderlijke geaardheid moet Zijn Koningrijk hier en
hierna gevormd worden.
De kerkelijke vereenigingen van jonge menschen, zijn
in strevensvereeniging en anderszins, zoo vele opleiding-
scholen waarin de arbeiders van de toekomst voorbereid
-ocr page 29-
DE ALGEMEEXE ZENDING-CONFERENTIE.        17
worden oin de plaatsen van de tegenwoordige veteranen.
die in den dienst des Heeren oud geworden zijn, in te
nemen. Veel tijd kan bespaard en groote geschiktheid
verkregen worden, indien onze meisjes in hare vereeni-
gingen van jonge nienschen ongestoord dezelfde methoden
konden volgen en voor dezelfde rechtstreeksche doeleinden
konden werken, welke in latere jaren, hare aandacht als
zending-arbeidsters zullen innemen. Een heer, die op
zekeren dag met zijn vriend, den eigenaar, over eene
fraaie, wel onderhouden boerderij wandelde, en overal
de bekwaamheid en zorg bewonderde, wees naar de
prachtige schapen en vroeg met grooten ernst hoe hij
er in geslaagd was zulke kudden te fokken. Het een-
voudig antwoord was: „Ik zorg voor de lamineren,
mijnheer!" Heeft niet de Groote Henier van Israël zijn
volk geboden om denzelfden regel te volgen\'.\' Hoe
zullen wij voor de lammeren zorgen? Door de vereeni-
gingen van kinderen en jonge menschen onder de zorg
van goede herders te houden. Zij moeten het beste dat
wij bezitten, hebben; indien er eene keuze geschieden
moet tusschen meer geschikte en minder geschikte leids-
lieden voor den arbeid onder volwassenen of jonge
menschen, geef dan altijd de voorkeur aan de jonge
menschen j laat die de besten hebben. De tegenwoor-
dige groote behoefte aan de Zending-vereenigingen
van vrouwen is, in alle kerken, over dit geheele land
heen. bevoegde super-intendanten voor de vereenigingen
van kinderen en jonge menschen. Er is behoefte aan
vrouwen voor dit werk, die kinderen en jonge men-
schen liefhebben om hunnentwil en om Christus\' wil:
aan vrouwen van veel ondervinding maar jong in hart:
aan vrouwen, die gevoelen dat Christus tot haar zegt:
weidt mijne lammeren; aan vrouwen, die geen tijd
voor zichzelven kostbaar zullen achten, indien zij op
eenigerlei wijze zielen voor den Meester mogen ge-
winnen. Maar deze ernstige, verstandige superiuten-
•»
-ocr page 30-
18             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
danten hebben hulp noodig. ]>e vereenigingen van
volwassenen moeten op <lie van kinderen en jonge
menschen zien zooals een moeder op haar dochters: zij
moeten ze niet uitsluitend aan de zorg van vrouwenbe-
Btnnrders laten. Kik volwassen lid moet omzien naar de
kinderen en jonge menschen in hun nabijheid, die haar
dierbaar zijn. en zij moei. trachten om ze op te leiden
van de vereeniging voor kinderen naar die van jonge
menschen, en uit die van jonge menschen naar die dei-
volwassenen. Och, dat het werk der zending waarlijk op
het hart van onze vrouwen ware! Geen moeite of arbeid
wordt ontzien, geene zelfverloochening geacht, waar het
hart waarlijk voor de zaak gewonnen is.
„Elke dame, superintendante. moet het tot haar eerste
doel maken om elk kind afzonderlijk met liefde
tot Christus en den heiden te bezielen.
Misschien
is de opleiding van de jeugd in dit opzicht in woningen,
in de scholen en in de vereenigingen meer gebrekkig
dan in eenige andere richting."
„Harten waarlijk voor Christus gewonnen in de ver-
eeniging van kinderen, en met teederheid en verstand
geleid in de vereeniging* van jonge menschen, zullen, in
de groote meerderheid van gevallen in de organisaties
voor volwassenen brengen Maria\'s wier al basten\'Hesschen
met kostelijke zalf aan de voeten des Meesters gebroken
zullen worden, en waarvan de zoete geur de einden der
aarde bereiken zal.
De negentiende eeuw heeft aan de vrouw vele opene
deuren bezorgd, maar geene van die is van meer belang
dan deze — zoo oud als het moederschap, doch in deze
eeuw voorgesteld in een nieuwen vorm t.w: de vor-
ming van jonge geesten en harten in de wegen
van openbaren dienst voor Christus en van de
wereld voor wier verlossing Hij gestorven is.
Laat elke Christen vrouw tot hare leuze kiezen: Ik kan
niet leven zonder het hoogste gebruik des levens; en
-ocr page 31-
DE ALGEMEENE ZENDING-CONFERENTIE. 19
laat elkeen trachten om te verstaan dat een van de
hoogste nuttigheden des levens is de ontwikkeling van
de jonge inenschen onzer kerken tot den edelen staat
van Christen-vrouwen en Christen-mannen, en zich dan
met alle kracht hier op toeleggen, (vol. pp. 135. 136.)
Er zal in het rapport, in verband met organi-
satie, veel van groote waarde gevonden worden,
waarheen ik hier niet verwijzen kan. Wat ik
aangehaald heb is genoeg om aan te toonen
hoe veel er gedaan zal moeten worden voordat
de kerk deze wonderbare macht zich ten volle
heeft ten nutte gemaakt.
Ik meen, dat men vinden zal, dat de boven-
staande drie hoofden alles insluiten dat gezegd
is met betrekking tot de opwekking der kerk
tot de uitvoering van het bevel van haren
Heer. Indien onze studenten konden opgeleid
worden in een dampkring van geestdrift voor
de zending, en onze leeraars er toe gebracht
konden worden om te gelooven dat het groote
doel van het bestaan hunner gemeenten is om
Christus aan ieder schepsel bekend te maken;
indien men de menschen bewegen kon om het
nieuws van het Koningrijk en deszelfs uitbreiding
te lezen en er belang in te stellen; indien wij
onze vrome christen-mannen en vrouwen er
toe konden krijgen om onze jonge menschen
zoo te organiseeren, dat hunne opleiding in
den dienst der zending een gedeelte van hunne
-ocr page 32-
20             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
opvoeding in do liefde van Christus en tot
een leven van godzaligheid zou uitmaken;
— dan zou er reden wezen om te hopen dat
het werk gedaan zal worden, en dat binnen
den tijd van dertig jaren het evangelie binnen
het bereik van eiken man en elke vrouw in de
wereld gebracht zal worden, en hun werkelijk
zal worden aangeboden.
Maar door al de toespraken heen is er de
geheime erkenning dat er in al deze opzichten
redenen tot onrust bestaan. De klachten over
het gebrek aan zending-idealen en zending-ijver
bij zeer vele leeraren en studenten, het gebrek
aan belangstelling in de zending-berichten bij
dn meerderheid van onze lidmaten, de behoefte
aan en het geroep om groote aantallen om
onze jonge menschen op te leiden tot een leven
van toegewijdheid aan de zending, dit alles
bewijst dat er onder al deze behoeften eene
diepere behoefte is. Er is behoefte aan eene
krachtige herleving van het geestelijk leven,
aan ware vurige liefde tot den Heere Jezus,
aan geheele toewijding aan zijn dienst. Alleen
in eene kerk waarin deze geest van herleving
ten minste begonnen is bestaat hoop van
eene grondige verandering in de betrekking
van de meerderheid der christenbelijders tot
het zendingwerk.
Ik erken dat ik gehoopt had dat dit vraagstuk.
-ocr page 33-
DE ALGEMEENE ZENDING-CONFERENTIE. 21
als een van het allergrootst belang met het oog
op de mogelijkheid van de spoedige uitvoering
van het bevel van Christus, de aandacht der
Conferentie zou hebben bezig gehouden. Toen
de Studenten Vrijwilliger Beweging haar beroep
op de kerken uitvaardigde en aankondigde dat
zij tot wachtwoord aangenomen had: „De
Evangelisatie der Wereld in dit geslacht",
werd haar boodschap met hartelijkheid ont-
vangen en beantwoord. .Moeten wij nu wachten
totdat zij voor de tweede maal komen, en de
kerk vragen om te onderzoeken wat de groote
hinderpaal is waardoor het volk des Heeren
teruggehouden wordt om voorwaarts te komen
om deze dringende zaak te ondernemen met
die geestdrift welke de Heer met recht verwacht?
Is het niet tijd dat een of ander vertegenwoor-
digend lichaam een beroep doet op alle mede-
christenen om een onderzoek in te stellen naar
den aard en de uitgebreidheid van de kwaal
welke de kerk van Christus zoo verlamt, en
voor de wijze waarop zij tot een gezond en
krachtvol leven kan worden terug gebracht?
Te weten wat verkeerd is, en met schuld-
belijdenis en verootmoediging tot den Heer
weder te keeren zou nieuw leven in de kerk
brengen, en gansch nieuwe kracht verschaften
voor het werk dat gedaan moet worden.
Het is onder indrukken als dezen dat ik
-ocr page 34-
22             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
mij gedrongen gevoel om dit boekje te
schrijven. Ik weet dat het geen gemakkelijke
taak is om op nederige, innemende, teedere en
toch getrouwe en doeltreffende wijze te spreken
over wat gebrekkig en zondig in de kerk schijnt
te wezen. En toch weet ik, dat er velen zullen
zijn die hulp welkom zullen heeten tot de
beantwoording van de vraag: Is er eenig
vooruitzicht, eenige werkelijke mogelijkheid
voor zoodanige herleving in de kerk, dat het
bewijs geleverd zal worden dat het eenige
doel van de kerk als een geheel,
en
van elke gemeente in het bijzonder.
waar het volle Evangelie gepredikt wordt, is.
om het evangelie aan ieder schepsel te brengen?
En indien dit zoo is, welke is dan de weg die
naar deze groote verandering leiden zal, en
welke zijn de stappen die door de leidslieden
op het gebied der zending gedaan moeten
worden?
Moge God door zijn Heiligen Geest ons leiden
tot een begrip van Zijn wil aangaande Zijne
kerk, tot het geloof in Zijne macht en in Zijne
belofte, en tot de gehoorzaamheid welke \'wan-
delen zal in eiken weg dien Hij opent.
-ocr page 35-
HOOFDSTUK II.
H>t Eenoing. — <fc"cuc toets uan ben
towtanb oer herh.
IX het vorig hoofdstuk word de vraag gedaan :
wat is noodig opdat het geestelijk leven in
de kerk zoo verlevendigd worde dat de zending-
zaak al die sympathie en ondersteuning zal
erlangen waarop zij aanspraak maakt. Terwijl
wij naar een antwoord op deze vraag zoeken,
is het onze eerste plicht om nauwkeurig te
berekenen wat de ware betrekking der kerk
tegenover de zending is.
Laat ons dit hoofdstuk wijden aan de
beschouwing van den toestand der kerk. Wij
nemen als grondslag van ons onderzoek gedeelten
uit een toespraak van Mr. Mott op de Confe-
rentie. Het veelvuldig gebruik van het woord
Indien wijst ons naar datgene waarin de
kerk in de vervulling van hare plicht te kort
geschoten is, herinnert aan den toestand waarin
zij gevonden moest en kon worden, noodigt uit
tot een onderzoek naar de oorzaak van misluk-
king, en leidt ons om te vragen wat het
geneesmiddel voor zulk een toestand is.
-ocr page 36-
24             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Mr. Mott zeide:
„De Moraviërs hebben in evenredigheid met hun
vermogen meer gedaan dan eenig ander lichaam van
christenen. Indien leden van Protestantsche kerken in
Groot Brittannié\' en in Amerika naar evenredigheid
gaven, zouden de bijdragen voor de zending op £ 12
tnillioen beloopen en dus viervoudig vermeerderen.
En INDIEN zij in gelijke gehalten zouden uitgaan
als zendelingen,
zouden wij in plaats van 18,000 eene
macht van bijna 4O0.0I KI buitenlandsche arbeiders hebben,
hetgeen veel meer is dan liet getal zendelingen dat
noodzakelijk wordt beschouwd, om de Evangelisatie der
wereld gedurende den leeftijd van dit geslacht te vol-
brengen. De vraag is: Wat is er in verband met hun
werk geweest dat niet weder tot stand gebracht
kan worden?
..De wereldwijde verkondiging van het Evangelie, wacht
op uitvoering door dit geslacht, INDIEN het de gehoor-
zaamheid en de beslistheid heeft om haar te
ondernemen
Wij mogen niet zegsren dat er een enkel
land op aarde is waar de Kerk. INDIEN zij dit ernstig
begeert,
niet afgezanten van Christus zenden kan om
Zijne boodschap te verkondigen.
„Stel de honderd vijf en dertig millioen leden van
Protestantsche Kerken tegenover de weinige duizenden,
die de verachte secte uitmaakten, waardoor het werk op
den Pinksterdag begonnen werd. Als wij ons de helden-
daden van die jeugdige Kerk voor den geest roepen,
kunnen wij dan twijfelen aan de bekwaamheid van de
Christenen van onze dagen, om, indien zij met eendracht
zouden besluiten om het te doen, in het tegenwoordig
geslacht nog, liet geheele menschdom de gelegenheid te
geven om Christus, den Zaligmaker en Heer te kennen?
„De geldmacht der Kerk is reusachtig. Indien slechts
een vierde van de leden der Protestantsche Kerken een
halve penny per dag zouden geven, zou men meer dan
-ocr page 37-
DE TOESTAND DER KERK.                    25
vijf en twintig millioen pond stg. in een jaar bijeen
brengen in plaats van vier millioen pond, zoo als in liet
afgeloopen jaar geschied is.
„Kr zijn niet minder dan tachtig Bijbel-Genootschappen.
INDIEN het werk behoorlijk bevorderd werd,
zou elke inwoner van Azië en Afrika nog voorliet einde
van dit geslacht in staat zijn in zijn eigen taal degroote
werken Gods te lezen of te hooren.
„De verschillende Christelijke organisaties van jonge
menschen tellen, in Xoord-Amerika alleen, ruim zes
duizend leden. Deze jonge menschen zelven zouden.
INDIEN zij behoorlijk opgevoed en geleid werden,
in staat zijn om elk jaar eene som bijeen te brengen,
groot genoeg om al de buitenlandsche zendelingen, die
noodig zijn om de Evangelisatie der wereld te volbrengen,
te onderhouden.
„De Zondagscholen tellen meer dan l\'d millioen scho-
lieren INDIEN dezen geleerd werden om één penny
per week te geven zouden zij bijeenbrengen een bedrag,
grooter dan de geheele opbrengst van alle zendinggiften
van het Christendom.
„Kr zijn nu waarschijnlijk twee honderd duizend
soldaten in Zuid-Afrika. De openbaring van de eenheid
en de macht van het Britsche Rijk heeft ons allen ge-
troffen; het voorbeeld van de republieken wier oude
mannen en jongens uitgingen om voor hun land te
vechten, heeft ons diep bewogen: en toch wanneer men
aan de hand geeft, dat het geheele Christendom zich
zou vereenigen om vijftig duizend zendelingen uit te
zenden, wordt het als onpractisch en hersenschinimig
beschouwd: men stelt het voor, alsof het voor de
hulpkrachten der kerk eene te groote inspanning
zou zijn.
„AVas het niet Bisschop Thoburn die zeide dat INDIEN
deze Conferentie en diegenen die zij vertegen-
woordigt. hun plicht wilden doen, er binnen de
-ocr page 38-
26             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
eerste tien jaren van de nieuwe eeuw tien millioen
zielen voor ile kerk van Christus ingezameld zouden
worden? Kn was het niet ])r. Chamberlain die beweerde
dat liet mogelijk was om geheel Indië on<ler de heer-
schappy van Christus te hrengen binnen den leeftijd
ten minste van sommigen in deze vergadering?\'"
In een toespraak van Mr. Robert Speer
lezen wij:
„liet doel der buitenlandsche zending is om Jezus
(\'hristus aan de wereld bekend te maken. De kerk kan
liet werk doen. INDIEN zij het wilde, indien dit
doel haren geest beheerschte. Ik was blijde op de
eerste bladzijde van ons program deze woorden van den
stervenden Simeon (\'alhonn te lezen: Het is mijne diepe
overtuiging en ik zeg liet bij herhaling dat, INDIEN de
kerk van Christus ware, wat zij wezen moest
er geen twintig jaren zouden voorbijgaan voordat de
geschiedenis van het kruis aan het oor van eiken
levenden mensch gebracht zou worden."
En — om nog een getuige aan te halen —
Rev. W. Perkins, de secretaris van het Wes-
leyaansch Zending Genootschap in Londen zeido:
„De gevolgen van de buitenlandsche zending waarover
wij ons verheugen en waarvoor wij dankbaar zijn, zijn
groot, zij zouden honderdmaal grooter geweest
zijn, INDIEN de kerk, in de twee groote zaken van
gebed en milddadigheid geweest ware, wat zij had
moeten zijn."
Wij allen kennen de kracht van het woord
Indien. Het stelt voor de oorzaak waarop
zekere uitwerkingen volgen. Het wijst naar
de voorwaarden vereischt om de gevolgen
-ocr page 39-
27
DE TOESTAND DER KERK.
welke wij begeeren te verzekeren. Wij vinden
in de plaatsen door ons aangehaald, en in
zending literatuur in verschillende vorm van uit-
drukking vaak terug komende dezelfde gedachte
onophoudelijk herhaald: zij verzekert ons hoe
zeker en spoedig de Evangelisatie der wereld
volbracht zou zijn. indien de kerk niet ontrouw
ware in het doen van hetgeen haar van haren
Heer bevolen is.
Het helpt weinig dat deze overtuigingen
uitgesproken worden: laat ons zien wat wij
behooren te leeren, en wat er gedaan kan worden
om den blaam, welke er op ons als op eene
kerk van Christus rust, weg te krijgen. Dit
herhaald Indien geeft zoo als wij gezegd hebben,
vier vragen aan de hand: Heeft de kerk wer-
kelijk schuld, zoo ja, waarin? Is het haar
mogelijk om te doen wat gevorderd wordt?
Wat was de oorzaak van haar verzuim? Hoe
kan zij van dit gebrek verlost worden?
1. Het herhaalde indien wijst iets verkeerd
aan in de kerk
met betrekking tot het bevel
van Christus om de wereld te Evangeliseeren.
Let op de woorden waarop wij met de zwarte
letter klem gelegd hebben en op de beschuldiging
welke zij bevatten. De kerk heeft niet .,de
gehoorzaamheid en de beslistheid om
de taak te ondernemen,"
om het evangelie
in dit geslacht aan elk schepsel te verkondigen.
-ocr page 40-
28              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
„Zij begeert niet ernstig" om het evangelie
in elk land op den aardbodem te verkondigen.
De Christenen van onze dagen „zijn niet
eendrachtelijk besloten om het werk ten
uitvoer te brengen."
Zoo de kerk van
onzen tijd het werk deed, of het bewijs leverde
dat zij gereed was om het te doen, zou dit
herhaald beroep op het Indien niet noodig
zijn. Één vierde der leden van de Protestant-
sche kerken zijn niet gereed om ..een halve
penny per dag te geven".
Wij zijn niet
gereed om toe te zien dat het werk van Bijbel
verspreiding „behoorlijk bevorderd wordt".
De Christelijke jonge lieden van Amerika zijn
in staat
om al het geld voor de zendelingen,
vereischt om de wereld te evangeliseeren, bijeen
te brengen, maar de kerk bestuurt en voedt
ze niet behoorlijk op
voor dit doel. De
leerlingen van Zendingscholen konden zoo veel
doen, maar zij worden hiertoe niet opgeleid.
Het Protestantsche Christendom beschouwt
het „onpractisch en hersenschimmig"
om
vijftig duizend mannen te geven voor de dienst
van Christus en zijn Koningrijk in het buiten-
land: het zou eene .,te groote inspanning
voor de krachten der kerk zijn."
De
conferentie, en de kerk welke zij vertegen-
woordigt, zijn niet gereed „om hun plicht
te doen". De kerk is niet gewillig „om
-ocr page 41-
DE TOESTAND DER KERK.                     29
Jezus aan de wereld bekend te maken". Dit
doel .,beheerscht haren geest niet".
In
deze 7/,u\\k is de kerk van Christus niet ..wat
zij behoort te zijn".
Deze beschuldigingen tegen de kerk werden
niet ingebracht door ongeloovigen of vijanden,
maar door eenigen van de getrouwste dienaars
der kerk. Zij werden uitgesproken in de tegen-
woordigheid van eenige duizenden van zende-
lingen en zendingvrienden. Indien zij onwaar
waren, zou men ze ontkend en wederlegd
hebben. Maar niemand kan ze ontkennen. In
deze zaak doet een klein gedeelte der kerk
haar uiterste; in de overgroote meerderheid
harer leden is zij niet wat zij wezen moet.
Zij begeert niet waarlijk dat Christus zoo
spoedig mogelijk aan elk schepsel bekend
gemaakt zal worden. Dit doel beheerscht
haren geest niet. — Zij is niet gereed
om hare plicht te doen.
Deze beschuldiging is onuitsprekelijk ernstig
— zij is eenvoudig ontzagwekkend, liet zal
niet gaan er naar te luisteren en ze dan weg
te leggen en te vergeten. Iedereen die de
kerk van Christus lief heeft, die Christus Jezus
zijn Heer lief heeft, die de zielen die wegens
dit verzuim verloren gaan lief heeft, moet stil
staan en overwegen wat dit beteekent. Dat
Christus zijn leven gegeven heeft om ons te
-ocr page 42-
30             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
dienen, en ons gevraagd heeft ons leven te
geven om Hem te dienen, dat Christus zijn
stervende liefde in onze harten uitgestort heeft
en ons gevraagd heeft die aan anderen mede
te deelen: dat Christus in zijn liefde voor
allen gestorven is en zich van ons afhankelijk
gesteld heeft om hen van die liefde te laten
weten: dat Christus de folterende angst des
kruises verduurd heeft voor de vreugde van
de verlorengaanden te winnen en te redden,
en er op gerekend heeft dat onze liefde er
vreugde in zou scheppen om Hem blijde te maken
door Hem zijn loon te brengen; en dat de
groote meerderheid van hen die belijden alles
aan zijne stervende liefde verschuldigd te zijn,
geheel onverschillig zijn met betrekking tot
de vraag of zij Hem behagen en of zij hunne
medemenschen zegenen zullen door hen voor
die liefde te winnen, — waarlijk het kan niet
waar zijn dat zijne liefde ooit eene werkelijkheid
voor hen was, want anders konden zij hunne
roeping zoo niet verwaarloozen. Of het moet
zijn dat men ze nooit recht geleerd heeft waartoe
zij verlost zijn: de kerk moet, terwijl zij hen
opriep om redding voor zichzelven te zoeken,
voor hen verborgen gehouden hebben het groote
doel van hunne verlossing n.1. dat zij leven
moesten om anderen te redden. Maar wat ook
al de oorzaak moge zijn, hier is het ernstig
-ocr page 43-
ÜE TOESTAND DER KERK.                  31
feit, — eene kerk gekocht met het bloed van
Gods Zoon, om zijn boodschapster aan eene
stervende wereld te zijn, weigort voor liet
grootste gedeelte om hare roeping te erkennen
of te vervullen. Geene woorden kunnen uir-
drukken, en geen geest kan vatten de vreeselijke
beteekenis en de gevolgen van dit verzuim en
de veroordeeling" opgesloten in de eenvoudige
Indiens waarover wij spreken.
2. En laat ons niet meenen dat deze toestand
van zaken te wijten is aan eene noodlottige
noodzakelijkheid of aan eene natuurlijke onmo-
gelijkheid. Deze Indiens wijzen hei mi naar
wat de werkelijke bestemming der kerk
is.
Droomers spreken over onmogelijkheden
en berekenen wat gedaan kon worden als zij
verwezenlijkt werden. Wij luisteren hier naar
mannen die woorden van nuchterheid en
waarheid spreken. Deze Indiens stellen wat
zekerlijk en Goddelijk mogelijk is.
Zij
wijzen ons terug naar de Pinkster Gemeente,
en wat zij gedaan heeft.
„De wereld iu dit geslacht te evangeliseeren is mogelijk,"
zeggen zij, „als wij de zaak bij het licht van de helden-
daden der eerste Christenen beschouwen. Zij hebbeu
meer gedaan om dit werk uit te voeren dan eenig volgeud
geslacht. Als wij het geheim van hetgeen zij tot stand
gebracht hebben bestudeeren, dan komen wij tot de
gevolgtrekking, dat er geen methode van wezenlijk
belang is die zij gebruikt hebben, die niet nog heden
-ocr page 44-
3:.\'             HET VRAAGSTUK DEB ZENDING.
zon kunnen gebruikt worden, en dat zij zich van geen
macht bediend hebben, die ons ook niet ten dienste
staat."
Wij hebben de groote kracht van God en
Zijn Heiligen Geest zoo zeker als zij die gehad
hebben. De macht van Zijne stervende liefde
in het hart; van een triomfeerend geloof\'in
Christus; van een eenvoudige, moedige, per-
soonlijke getuigenis; van geduldig lijden: van
vurige, volstrekte toewijding; de hemelsche
macht welke de wereld overwint door Hem
die ons heeft lief gehad — dit alles kunnen
wij zoo zeker hebben als zij ze gehad hebben.
..Het is mogelijk, de wereld in dit geslacht te evan-
geliseeren, als wij de zaak in het licht van de heldendaden
der zending van lateren tijd beschouwen, lfet meest
treilend voorbeeld is dat der Moraviërs. Indien de leden
der Protestantsche kerken zonden uitgaan in getallen in
evenredigheid niet die door hen uitgezonden, zouden
wij eene macht van bijna 400.000 arbeiders in het buiten-
landsch zendingveld hebben, hetgeen veel meer is, dan
het getal, dat naar berekening noodig is, om de taak
uit te voeren."
I)e Moravische kerk is een van de kleinste
in getal en van de armste aan middelen van
al de kerken. Wat zij gedaan heeft dient tot
bewijs, dat de geheele kerk, als zij tot besef
van hare roeping komt, gewisselijk het werk
kan uitvoeren. Beschouwen wij de gelegen-
lieden der kerk in de geopende deuren in elk
-ocr page 45-
::;;
DE TOESTAND DEK KERK.
land der wereld, de groote hulpbronnen welke
zij heeft in de bezittingen van hare leden, de
aantallen arbeiders welke zij tot hare beschikking
heeft, en de overtuiging dat door ze uit te
zenden zij zich zelve niet verzwakken, maar
wel verlevendigen en versterken zal, dan zien
w\\j dat het geheel in de macht der kerk
is,
om het Evangelie nog in dit geslacht aan
elk schepsel te brengen. Laat ons tijd nemen
om ten volle onder den invloed te komen van
deze groote gedachte ons voor de aandacht
gebracht door diegenen die met ons pleiten.
Het zal kracht geven aan hetgeen gezegd is
met betrekking tot het vreeselijk verzuim der
kerk. Het zal voorbereiden tot het onderzoek
voor de wijze waarop wij met dit kwaad moeten
te werk gaan.
3. Deze INDIENS noodigen ons uit tot
een onderzoek naar de oorzaken van
dit vreeselijk verzuim.
Waarom is de kerk
van Christus zoo geheel ontrouw geweest?
Belijdt het Protestantsch Christendom niet. en
dat eerlijk, Christus als zijn Heer te erkennen
en Gods woord als de regel van zijn doen? Is !
het niet onze eenige hoop, dat wij de nakome-
lingen, de ware opvolgers zijn der Pinkster I
Gemeente en als zoodanig de erfgenamen van
al haar beloften en krachten? Zijn wij niet
als kinderen der Hervorming in bezit van de
-ocr page 46-
34               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
groote waarheden dat ieder levend mensen recht
op Gods woord heeft zooals het hun door Gods
Geest geleerd wordt, en een vrijen toegang door
Christus tot Gods vergevende genade? En is het
niet de hoofdsom en het middenpunt onzer
belijdenis dat wij Jezus als Heer en Meester
erkennen, en onszelven overgegeven hebben
om te doen wat Hij gebiedt? En hoe is het
dan dat de kerk, in de zaak waarvan de ver-
heerlijking van Christus het meest afhangt, en
waarop Hij Zijn liefde-hart het meest gezet
heeft, zoo geheel is te kort gekomen in het
beseffen of vervullen van hare hooge bestemming.
Het zou gemakkelijk zijn vele oorzaken te
noemen die medewerken om dezen ontrouw
voort te brengen. Maar zij kunnen allen samen
gevat worden in het eene antwoord: De lage
toestand van het geestelijk leven in de
Kerk. De leiding van den Heiligen Geest in
zijn kracht en in zijn volheid in het leven
van den geloovige is onmisbaar voor de gezond-
heid en sterkte der Kerk. De Heilige Schrift
leert ons hoe gemakkelijk het voor een Kerk
en hare leden is om te hebben eene rechtzinnige
geloofsbelijdenis, eene getrouwe waarneming
van godsdienstplichten, een ijver voor de
uitbreiding der Kerk en voor werken van
philantaropie welke binnen den omvang der
menschelijke natuur gelegen zijn, terwrjl het-
-ocr page 47-
DE TOESTAND DER KEEK.                   35
geen volstrekt geestelijk, bovennatuurlijk en
goddelijk is in een groote mate gemist wordt.
De geest der wereld, de wijsheid en de wil
van den mensen in het onderwijzen van het
woord en in het bestuur der Kerk maken
haar grootendeels tot eene menschelijke innen*
ting waarin weinig van de macht des hemels
en des eeuwigen levens gevonden wordt. In
zoodanige Kerk moge de zending een plaats
hebben, doch het is niet de plaats die Christus
gewild heeft, en er is niet de kracht welke
noodig is om het bevel van Christus uit te
voeren. Het vuur van liefde tot Christus en
tot zielen, de geestdrift van zelfopoffering en
van geloof in de almachtige Kracht die de
dooden kan levend maken, wordt gemist.
"Wereldsgezindheid en gebrek aan gebed
behooren tot de voornaamste verschijnselen
van dezen ziekelijken toestand. Indien er
iets is waarop de Geest Gods in de Schrift
aandringt, is het dat zijn Koningrijk niet van
deze wereld is, dat de Geest der wereld de
dingen van God niet kan verstaan, dat afzon-
dering van de wereld in gemeenschap en in
gedrag, en onbepaalde overgave aan het leven
dat uit den hemel is, noodzakelijk is om den
Heere Jezus te kunnen volgen. Het is een
algemeen bekend feit — dat de meeste Chris-
tenen niets voor de zending over hebben en
-ocr page 48-
36               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
er niets voor geven, dat velen maar weinig
geven, en dan niet eens wegens de hoogste
drijfveer. Dit alles is eenvoudig een bewijs
van de wereldsgezindheid waarin de meeste
Christenen leven en welke de Kerk niet zoekt
uit te werpen of niet kan uitwerpen. Christus
moest van den hemel komen om menschen
uit deze tegenwoordige booze wereld te trekken:
het eischt niets minder dan de Geest des hemels
in de discipelen van Christus om hen vrij te
maken van den Geest der wereld, en om hen
gewillig te maken om alles op te offeren om
de wereld voor Christus te winnen. Het eischt
denzelfden Geest — de Geest waardoor God
Zijn Zoon voor de wereld gegeven heeft — om
de Kerk te vernieuwen ten einde de wereld
voor Zijn Zoon te winnen.
Gebrek aan gebed is een ander verschijnsel
van dezen ziekelijken toestand. Een wereldsche
Geest in den Christen verhindert hem om veel
te bidden. Hy ziet de dingen aan in het licht
dezer wereld. Hij is niet tehuis in de hemelsche
plaatsen. Hij heeft geen besef van de donkere
macht der zonde in de menschen rondom hem,
en geen begrip van de ernstige behoefte aan
rechtstreeksche goddelijke tusschenkomst. Hij
heeft weinig geloof aan de krachtdadigheid
van het gebed, aan de behoefte aan veel en
toenemend gebed, aan de macht welke er in
-ocr page 49-
DE TOESTAND DER KERK.                   37
hem is om in Christus naam te bidden en te
overwinnen. Ware weldadigheid, het geven
wegens liefde tot Christus, het ware gebed,
het vragen en op Hem rekenen om de gave
te zegenen en om Zijn Geest in zijn werk te
geven zijn de bewijzen dat de wereldsche
Geest overwonnen wordt en dat de ziel hare
geestelijke gezondheid terug krijgt. INDIEN
de Kerk worden zal wat zij wezen moet, en
voor de evangelisatie der wereld doen zal wat
haar Heer eischt, dan moeten deze ziekelijkheid
en dit verzuim erkend worden en dan moet
er naar verlossing gezocht worden.
4. Deze INDIENS zetten ons aan om te
vragen hoe deze verlossing gevonden
kan worden.
Wat moet het geneesmiddel
zijn voor dezen ziekelijken toestand? Een
ziekelijke man kan niet het werk van een
gezonden doen. Om te helpen om het kruis
van Christus naar de wereld te dragen eiseht
de kracht van volle geestelijke gezondheid.
Hoe moet die gevonden worden?
In alle wederkeeren tot God ten einde Hem
te dienen en nieuwen zegen van Hem te verkrijgen
is de eerste stap altijd — Belijdenis. Op de
voormannen in het zendingwerk der Kerk, die
de groote behoeften der wereld behooren te
kennen, die de beteekenis en de ernst van
des Heeren bevel verstaan, die gevoelen hoe
-ocr page 50-
38              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
ontoereikend de voorziening is welke de Kerk
tot het werk maakt — op hen rust de ernstige
plicht om hunne stemmen op te heffen en Gods
volks hunne zonden bekend te maken. Het
is zeer mogelijk dat men zoo ingenomen is
met zijn 1 tijzonder arbeidsveld, en met de
gedachte aan hoeveel er gedaan wordt, dat de
uitgestrektheid en de misdadigheid van wat er
niet gedaan wordt betrekkelijk uit het oog
verloren worden. De jongste statistieke opgaven
zeggen ons dat er, aan het einde cler eeuw, als
vrucht der zending 1,300,000 avondmaalgangers
uit de heidenen waren en 4,400.000 inboorlingen
die nominaal het Christendom aanhangen en
rechtstreeksch in aanraking met evangelisatie-
werk komen. (Dr. Dennis in Rap. E. M. C.
vol. 11 pag. 423). Tegenover de duizend millioen
heidenen en Mahomedanen zijn wij dus slechts
in aanraking met vijf millioen. En zij zijn toch
allen zielen voor wie Christus is gestorven en
die door Hem aan ons zijn toevertrouwd. Men
denke wat dit beteekent. Iemand is mij Duizend
Pond schuldig. Hij heeft beloofd mij zoo spoedig
mogelijk aftebetalen. Na eenige jaren komt hij
en brengt mij vijf pond, en spreekt met grooten
ophef van zijne trouw dat hij zooveel van zijn
schuld heeft voldaan. Wat dunkt u zou ik veel
verwachting hebben van de schuld spoedig geheel
afbetaald te zien. De Heer heeft aan zijn kerk
-ocr page 51-
DE TOESTAND DER KERK.                     39
duizend millioen heidenen toevertrouwd, om
elkeen hunner met hem bekend te maken. De
Kerk heeft aan slechts vijf millioen dat gedaan;
de overige 995 millioen weten van Hem nog
niets. En is er bij de Kerk nog volstrekt niet
die ernst te zien, die de hoop geeft dat het werk
zal ondernomen en gedaan worden. Zoolang
als Christenen niet geleid worden om te gehoor-
zamen, te geven, en te leiden om geopende
oogen welke de velden „wit om te oogsten",
aan hen toevertrouwd, te zien, zullen zij nooit
komen tot de erkenning van de grootheid van
het werk en van hunne eigene ongeschiktheid,
en ook niet tot een besef van de ernstige
behoefte om te wachten op de goddelijke kracht
welke hen tot de vervulling van deze taak
geschikt kan maken.
Naarmate wij dit inzien, zullen wij gevoelen
en belijden hoe weinig de Kerk gedaan heeft,
en de schuld en schande, welke er op het
lichaam van Christus rusten, zullen als een
zware last, de last des Heeren op ons worden.
Wij verheugen ons er over, en danken God
voor de 15.460 buitenlandsche zendelingen die
nu onder de nog niet eens vijf millioen inboor»
lingen tot het werkelijk Christendom gebracht,
arbeiden. Maar welke pogingen worden er
aangewend om de duizend millioen te bereiken ?
Zij sterven tegen dertig millioen per jaar —
-ocr page 52-
40               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
binnen dertig jaren zullen zij in de donkere
eeuwigheid overgegaan zijn. Welk vooruitzicht
bestaat er dat zij spoedig bereikt zullen worden?
Elk genootschap klaagt over gebrek aan fondsen.
Het wordt gezegd dat een derde van de leden
der Kerk niets voor het Koningrijk over hebben
en er niets voor geven; dat een ander derde
er weinig voor doet en er weinig om geeft, en
dat weinige niet eens uit de rechte beweeg-
redenen; en dat van de overigen — het is
werkelijk minder dan een derde — slecht een
klein gedeelte hun uiterste doen, en met hun
geheel hart geven en bidden. Is niet de onge-
hoorzaamheid der Kerk in de groote meerderheid
harer leden, hare verwaarloozing van des Heeren
werk, haar weigeren om gehoor te geven aan
de oproepingen om tot Zijne hulp te komen
eene zonde en een schuld grooter dan wij
vermoeden? Indien de Kerk waarlijk ontwaken
zal uit haren slapen, is het ééne noodige, dat
diegenen, aan wie God Zijn zendingwerk in
de wereld heeft opgedragen, behooren te doen,
dan niet dat zij in hunne pleitredenen voor de
menschen zullen leggen de groote onevenredig-
heid tusschen hetgeen er gedaan wordt en
hetgeen er gedaan moest en kon worden, en
dat zy de schuld en de schande er van voor
de aandacht zullen brengen tot dat een steeds
toenemend aantal zich voor God zullen buigen
-ocr page 53-
DE TOESTAND DER KEEK.                    41
in schuldbelijdenis en verootmoediging, en in
een geroep om vergiffenis en genade zoo ernstig
als toen zij hun eigen zaligheid zochten ?
Met een beroep op menschen moet er een
beroep op God gepaard gaan. Het werk is het
Zijne: Hij zorgt er voor. De macht is de Zijne:
Hij geeft haar. De kerk is de Zijne: Hij wacht
om haar te gebruiken. De wereld is de Zijne:
Hij bemint haar. Hij kan Zijn volk gewillig
maken in den dag aan zijn heirkracht. Hij zal
hooren naar het geroep van Zijne knechten,
die Hem geen rust geven. Hij heeft een wei-
behagen in het bewijzen van Zijn getrouwheid
door Zijne beloften te vervullen. Zaken kunnen
niet voortgaan zoo als nu. als de wereld nog
in dit geslacht geëvangeliseerd moet worden.
Meer dan vijf jaren zijn reeds voorbij sedert
dit wachtwoord in het openbaar uitgesproken
werd. Binnen dit geslacht d.i. binnen 30 jaren
moet het Evangelie elk schepsel aange-
boden worden.
Als er niet een groote ver;
andering over de kerk komt, en zij zich niet
aan het werk overgeeft zoo als zij nog
niet gedaan heeft,
kan het werk niet vol-
bracht worden. Maar het kan geschieden indien
Gods volk op hunne aangezichten vallen willen
om hunne zonden en de zonden hunner broe-
deren te belijden. Laat hen God vragen
om de oorzaak van al de mislukking aan te
-ocr page 54-
42              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
wijzen en dan de boodschap aan Zijne kerk
brengen. Laat hen de groote waarheid prediken,
dat. zoo als het winnen van de wereld voor
Christus het hoofd — het eenige doel van het
bestaan der kerk is, alzoo de liefde tot zielen
—    de overgave van het geheele leven aan
Christus tot zijn gebruik om zielen te winnen
—   de plicht, het eenig gezond leven, voor eiken
geloovige is. Er zijn tien duizenden van Gods
kinderen die niet onwillig zijn — of laat mij
liever zeggen — die in het geheim verlangen
om hun Heer te dienen, maar die niet weten
hoe het te doen, of die den moed daartoe niet
hebben.
De tijd zal dan komen dat wij niet langer
zullen behoeven te zeggen, INDIEN de kerk
ware wat zij wezen moest,
maar dat wij
vreugde en kracht zullen vinden in het lijden
van een voorbereid volk langs dien moeilijken
douh gezegenden weg, waarop het kruis van
Cristus tot eiken mensen op Gods aardbodem
gebracht wordt, en in het worstelen met de
heiren der hel om plaats te maken voor het
Koningrijk van Christus den Overwinnaar.
-ocr page 55-
HOOFDSTUK III.
Sc ïüomuiöchc iurft en öc licfoc tot (l&ïjriatua.
I" AAT mij wederom de woorden van Mr. Mott
"^ aanhalen :
„Het meest treilend voorbeeld, van wat men in belang
van de buitenlandsche zending uitvoeren kan is dat van
de Moraviërs. Zij bobben in evenredigbeid met bunne
krachten, meer gedaan, dan eenig ander lichaam van Cbris-
tenen. INDIEN leden van Protestantsche kerken
in Groot-Brittannië en in Amerika, in evenredig-
heid met hen, zouden geven,
dan zouden de bij-
dragen voor de zending beloopen op £ 12 millioeu, of vier-
voudig vermeerderen. En INDIEN zij als zendelingen
zouden uitgaan in gelijke getallen,
zouden wij een
ïiiaoht van bijna 400.000 buitenlandsche arbeiders bobben,
hetgeen veel meer is, dan bet getal zendelingen dat
berekend wordt, noodig te zijn, om de Evangelisatie der
wereld uit te voeren. De vraag is: wat is er in verband
met het werk, dat niet weder herhaald zou kunnen
worden?"
Op de Conferentie deed de Secretaris van
het Zending Genootschap der Moravische Kerk
in de Vereenigde Staten de volgende opsonv
ming van het werk der Kerk:
„Zelfs nu hebbeu de Moraviérs voorelkeaeht en vijftig
communicanten te buis één zendeling in het buitenland
-ocr page 56-
44             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
en voor elk lidmaat in de gemeenten te huis, hebben
zij twee leden in de gemeenten uit de heidenen bijeen
vergaderd . . . Wat was nu de prikkel tot het doen
van buitenlandsch zendingwerk, dat zoodanige vruchten
heeft geleverd? Terwijl zij het oppergezag van de groote
opdracht des Heeren erkenden, hebben de Moravische
Broeders altijd nadruk gelegd op de bezielende waarheid:
Hij zal deelen van den arbeid zijn deel, en verzadigd
worden, uit .Tesaja 5!> : lo—12 getrokken, als hun
hoofdprikkel, en maakten zij het lijden van onzen Heer,
den spoorslag tot alle zending-werkzaamheid. Uit die
profetie trokken zij hun zendings-oorlogskreet: „Om
voor het LAM dat geslacht werd, het loon van
zijn lijden te winneD."
Wij voelen dat wij Hem
eenigszins vergoeden moeten voor het vreeselijk lijden
dat Hij verduurde toen Hij onze zaligheid uitwerkte. De
eenige wijze, waarop wij Hem vergelden kunnen, is door
zielen tot hem te brengen. Als wij hem zielen brengen,
vergoeden wij Hem voor den arbeid zijner ziel. Langs
geen anderen weg kunnen wij zoo krachtdadiglijk den
lijdenden Heiland de vergelding van zijn lijden brengen,
als door zendingarbeid, hetzij wij dien zelven verrichten
of anderen er toe uitzenden. Breng deze brandende
gedachte van de persoonlijke liefde tot den Zalig-
maker, die mij verlost heeft,
in de harten van alle
christenen en gij hebt den krachtigsten prikkel tot
zendingwerk. dien men hebben kan. O, indien wij
dit zending-vraagstuk een persoonlijk konden
maken!
Indien wij de harten der menschen konden
vervullen met de liefde van Christus die voor hen
gestorven is, dan zou de onverschilligheid van het
Christendom verdwijnen en het koningrijk van Christus
zou verschijnen."
Indien het beroep op het voorbeeld de Mo-
ravische Broeders eenigen invloed zal uitoefenen
-ocr page 57-
45
DE MORAVISCHE KERK.
en de kerk opgewekt zal worden om in hunne
voetstappen te wandelen, dan moeten wij uit-
vinden door welke beginselen zij bezield worden,
door welke macht zij in staat gesteld worden
om zoo veel te doen. en vooral langs welken
weg God hen tot het doen van dat werk ge-
schikt heeft gemaakt. "Wij kunnen niet dezelfde
gevolgen hebben zonder dezelfde oorzaken. Naar
mate wij de voorwaarden van hun succes
ontdekken zullen wij de oorzaak van de mis-
lukking der hedendaagsche kerk vinden, en
ook de weg van herstelling. Een beknopt overzicht
van de geschiedenis der Moravische kerk zal
zeer leerzaam bevonden worden.1)
Haar oorsprong. — Moravië en Bohemen
zijn twee provinciën in het Noord-Westen van
Oostenrijk, die aan Saksen grenzen. In de
zevende en achtste eeuw ontvingen zij hun
kennis van het Evangelie eerst van de Grieksche
en later van de Roomsche kerk. Daar de
Grieksche kerk de prediking in de landstaal
toeliet, en hun den Bijbel in hun eigen taal
gaf\', ontstonden er verdeeldheden, welke een
steeds toenemenden strijd veroorzaakten. Tmps-
wijze kreeg de Roomsche kerk de overhand,
0) De vollu geschiedenis van de oude kerk Oer Broederen (1400
— 1700) zal gevonden worden in „The History of the Cliurcli known
as the Unitas Pratrum, fonnded by the Followera of John Hu—."
door E. de Schwuinitz, Bisschop. Bethlehcm, Pa.
-ocr page 58-
46             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
en van het begin der vijftiende eeuw af, toen
Johannes Husa verbrand werd omdat hij het
Evangelie verkondigde, (1415) werd het land
het tooneel van schrikkelijke vervolgingen. In
den loop des tyda kwamen diegenen die het
Evangelie getrouw bleven te zamen in een dorp
in het Noord-Oosten van Bohemen, in de vallei
van Kunwald, waar men hen toeliet om voor een
tijd in betrekkelijken vrede te wonen. Hier
waren zij in 1457 bekend als „De Broederen
van de Wet van Christus." Toen hun kerk
gesticht werd namen zij den naam aan van
..De Vereenigde Broederen."
Hare tucht. — Een van de schoonste
juweelen der Vereenigde Kerk was hare tucht.
Het was niet den leer, maar het leven, niet
de theorie, maar de praktijk dat hun zoo veel
macht gaf. Toen de leidslieden der Groote
kerkhervorming later met hun bekend werden
schreef Bucer:
„Gij alleen, in de geheele wereld, vereenigt een heil-
zame tucht met een zuiver geloof. AVanneer wij onze
kerk met de uwe vergelijken, moeten wij beschaamd
staan. Moge God voor u bewaren, wat hij u gegeven
heeft.\'"
Calvijn schreef:
„Ik wensi\'h uwe kerken geluk, dat de Heer haar benevens
een zuivere leer, zoovele voortreffelijke jaren gegeven
heeft en dat zij zulke goede zeden, goede orde en goede
-ocr page 59-
47
DE MORAVISCHE KERK.
tucht onderhouden. Wij hebben sedert lang de waarde
van zulk een stelsel ingezien, maar kunnen het op
geenerlei wijze bereiken."
En Luther zeide:
„Zeg aan de Hroederen, dat zij vasthouden moeten,
hetgeen God hun gegeven heeft eu dat zij hun inrichting
en hun tucht niet moeten prijs geven."
En wat was hun tucht? „In elke bijzonderheid
des levens — in bezigheid, in genot, in Christelijke
dienst, in burgerplicht — gebruiken zij de Berg-
predicatie als een lamp voor hun voet." Zij
beschouwden de dienst van God als de (\'éne
zaak om voor te leven, en maakten alle anderen
dingen hier aan ondergeschikt. De leeraren en
ouderlingen moeten de wacht over de kudde
houden om toe te zien dat allen tot de ver-
heerlijking van God leefden. Allen moesten
één broederschap uitmaken, en elkander helpen
en bemoedigen om een stil en Godzalig leven
te leiden.
Haar lijden. — Gedurende de volgende
halve eeuw woonden zij hier in betrekkelijken
vrede ofschoon de vervolging elders voortduurde.
Maar in de nieuwe eeuw vereenigden zich de
Paus en de Koning tegen hen, en in 1515,
juist toen de Reformatie in Duitschland aan
het dagen was, scheen het bijna als of zü
bijna uitgeroeid zouden worden. Met tusscheiv
poozen van tolerantie duurden de moeilijk-
-ocr page 60-
48              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
heden voort, tot dat in 1548 een Koninklijk
Edict tien duizenden naar Polen dreef, alwaar
zij een groote en bloeiende kerk stichtten. Met
een nieuwen koning in 155(5 kwam de vrede
terug en de kerk der Broederen werd wederom
op vasten voet bevestigd, en verdeeld in de
drie provinciën van Moravië, Bohemen en Polen.
Aan het einde der eeuw had de kerk het volk
van een Bijbel voorzien, en de opvoeding op
zulk eene wijze behartigd dat de Boheemsche
scholen een naam in Europa hadden, en het
volk beschouwd werd als het best opgevoede
volk in de wereld. In 1609 verkregen zij den
Boheemschen Vrijbrief (charter), waardoor hun
voor het eerst volle godsdienstvrijheid geschon-
ken werd, en in 1(516 publiceerden zij hun
Orde van tucht met eene volle beschrijving
van de inrichting der kerk.
Haar ondergang. - Met de troonsbe-
stijging van Prederik II veranderde alles terstond.
De Dag van Bloed te Praag in 16i\'0 was ge-
tuige van de excecutie van zes der voornaamste
edellieden. Gedurende de zes volgende jaren
was Bohemen een bloedbad, en 36,000 huisge-
zinncn verlieten het land. De bevolking ver-
minderde van \'S millioen tot 1 millioen. De
kerk der broederen werd opgebroken en ver-
strooid. Gedurende de geheele eeuw moesten
diegenen die in het land bleven God in het
-ocr page 61-
é9
DK MORAVISCHE KERK.
geheim dienen, en vormden wat genoemd werd
„Het verborgen zaad". Als wij de draad der
geschiedenis weder opnemen, in 1722, zullen er
juist 100 jaren verloopen zijn, gedurende welke
God alleen weet wat er geleden werd. Doch zelfs
gedurende dien tijd was de hoop niet geheel ver-
dootd. Comenius, de laatste bisschop der kerk
in Moravië. schreef in 1660:
„De ondervinding leert duidelijk dat zekere kerken
somtijds verdelgd worden door de hand van God. welke
in toorn wordt uitgestrekt. Noehthans geschiedt dit op
zulk eene wijze, dat andere kerken in de plaats ervan
gesteld worden of dat diezelfde kerk in andere
plaatsen weder opstaan.
Of Uod haar waardig
achten zal, om haar in haar gehoorteland te doen
herleven, of haar te laten sterven en haar elders te
doen herleven,
weten wij niet . . . Volgens zijn eigen
belofte, zal het Evangelie door die Christenen, die
rechtvaardige] k gekastijd zijn geworden, aan de overige
volkeren der aarde gebracht worden;
en alzoo
zal — gelijk van ouds af, onze val de rijkdom der
wereld zijn."
In 1707 werden woorden van gelijke beteekenis
gesproken door Georg Jaeschke, een van de
weinige getuigen der waarheid in dien tijd. Hrj
was de Vader van Michael Jaeschke en Groot-
vader van Augustinus en Jakob Neisser, die
met hunne vrouwen en kinderen het eerste
gezelschap vormden dat naar Herrnhut werd
geleid. Op zijn sterfbed sprak hij in den ouderdom
van drie-en-tachtig jaren:
4
-ocr page 62-
50             HET VKAAGSTUK DEK ZENDING.
„Het moge schijnen ulsof het laatste einde van «Ie kerk
der Broederen gekomen is. Maar, mijn geliefde kindereu,
gij zult uwe groote verlossing zien. Het overblijfsel zal
gered worden. Ik weet niet of deze verlossing hier in
Moravië geschieden zal, dan of gij zult moeten uitgaan
uit Babyion; maar ik weet, «lat het niet lang na dezen
plaats hebben zal. Ik ben geneigd om te gelooven, dat
er een uittocht zijn zal en dat er een toevluchtsoord
aangeboden zal worden, op eene plaats waar gij in staat
zult zijn, om den Heere zonder vreeze en in overeen-
gtemming met Zijn Heilig Woord te dienen."
Een Toevluchtsoord. \') — De Heere had
voor zijn volk bereid een toevluchtsoord, waar
«Ie kerk der Broederen opnieuw gesticht zou
worden.
Het was in 1722 dar (\'hristiaan David van
graaf Zinzondorf verlof ontving, om vluchtelingen
van Moravië naar zijn landgoed in Saksen te
brengen. Christiaan David was Koomsch-Katholiek
geboren doch kon geen rust in zijn kerk vinden.
Als soldaat in Saksen vond hij Christus uit
de onderwijzing van een Godzaligen Lutherschen
predikant. Hij keerde naar Moravië terug om
den Zaligmaker, dien hij gevonden had, te
prediken, en sprak met zoo veel kracht dat er
eene opwekking op volgde. Vervolging was
spoedig het gevolg, en de prediker ging om
een toevluchtsoord voor de vervolgden te
zoeken. Toen hij van Zinzendorf de belofte
ir Zie a short History of the Moravian Chupch. Duor
J. E. Hutton.
-ocr page 63-
51
DE MORAVISCHE KERK.
had verkregen dat hij de vluchtelingen ontvangen
zou, keerde hij weder en leidde zijne eerste
bende van tien uit met wie hij Berthelsdorf,
het landgoed van Zinzendorf, in Juni 1722
bereikte. Van tijd tot tijd ging deze vrome
dienstknecht des Heeren terug om het Evan-
gelie te prediken, en diegenen uit te leiden
die gewillig waren om alles te verlaten. Langs
dezen weg duurde het niet lang of zoo wat
800 hadden zich bijeen vergaderd, velen uit
wat genoemd werd „Het verborgen zaad"
— de ware afstammelingen van de oude Broe-
deren. De plaats hun toegekend droeg den
naam van Hutberg — Üe Wachtheuvel. Zij
noemden hun nieuwe kolonie Herrnhut — Des
Heeren Wacht. Zij namen het woord in deszelfs
dubbele beteekenis. De Wacht des Heeren die
Hij over hen zou houden, en de Wacht des
Heeren welke zij in het bidden en in het
wachten op zijne leiding houden moesten, moest
hun veiligheid zijn.
De Nieuwe Leidsman. — Zoodanig was
het materiaal door God te Herrnhut gebracht,
waarvan Hij voor zich zelven een huis zou
bouwen. Laat ons voor een oogenblik letten
op den man dien Hij voorbereid had, om als
een wijze bouwmeester het opzicht over het
werk te hebben. Graaf Zinzendorf werd in
Mei 1700 van vrome ouders geboren. Zijn
-ocr page 64-
52               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
vader had op zijn sterfbed, het kind, dat toen
slechts zes weken oud was, in zijne armen
genomen en aan de dienst van Christus gewijd.
„Reeds in mijne kindsehheid" zoo schreef Zin-
zendorf later, ..had ik den Zaligmaker lief, en
had ik overvloedigen omgang met Hem. In
mijn vierde jaar begon ik God ernstig te zoeken,
en besloot ik om een ware dienstknecht van
•Tezus Christus te worden". In de school van
den Godzaligen Franke te Halle, ontmoette hij
meermalen als jongeling zendelingen, die er op
bezoek kwamen, en zijn hart werd getroffen
door de gedachte aan arbeid voor Christus onder
de heidenen. Onder de jongens op school stichtte
hij de ..Orde van het Mostaardzaad". Zij
verbonden zichzelven: 1, om vriendelijk te
zijn jegens allen; 2, om hun welvaart te zoeken:
3, om te trachten hen naar God en naar Christus
te leiden. Als zinnebeeld hadden zij een klein
schild waarop gevonden werd een Ecce Homo
(Een beeld van den lijdenden Heiland) en de
leuze, Zijne striemen onze genezing".
Ieder lid droeg een ring met het opschrift,
„Niemand leeft zichzelven". Voor dat hij
Hallo verliet maakte hij met een intiemen
vriend een verbond om voor de bekeering der
heidenen te arbeiden, vooral van degenen waar
anderen niet naar omzagen. Van Halle ging hij
naar "Wittenbnrg, waar hij met andere studenten
-ocr page 65-
58
DE MORAVISCHE KERK.
bedestonden hield, en dikwijls nachten in het
•rebed en de studie van Gods woord doorbracht
Het was omtrent de/en tijd dat hij de beeldem
galerij te Düsseldorf bezocht. Daar zag hij
een beeld van den lijdenden Heiland, door
Sternberg vervaardigd, met deze woorden er
onder:
„Zie, wat ik voor n deed,
Zejr. wat gij voor mij deedt.\'1
Zijn hart was getroffen. Hij gevoelde alsof\'
hij de vraag niet kon beantwoorden. Hij keerde
zich om, meer beslist dan ooit om zijn leven
in den dienst van den Heer door te brengen.
De indruk van dat Gezicht verliet hem nooit
weer. De liefde van Christus werd de beheer-
schende macht van zijn leven. „Ik heb", zoo
riep hij uit, „slechts een hartstocht — en die
is Hij en Hij alleen".
Het was de liefde
Gods in zijn hart dat Christus geschikt maakte
voor het werk dat God Hem als Zaligmaker
van zondaren gegeven had. Het was de liefde
van Christus in zijn hart uitgestort en zijn
leven beheerschende, welke Zinzendorf voor het
werk dat hij te doen had geschikt maakte.
De Herleving der Kerk. Toen Zinzendorf
Dresden verliet en zich op zijn landgoed ves-
tigde, wijdde hij zich aan de geestelijke welvaart
van zijne pachters (bijwoners). Met drie geest-
verwanten vormde hij „Het Verbond der Vier
-ocr page 66-
54             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Broederen". Het doel was om aan de wereld
te verkondigen de „Algemeene Godsdienst van
den Zaligmaker en Zijn huisgezin van discipelen
de Godsdienst des harten waarvan de Zalig-
maker het midden punt is". Hij nam met een
leeraar der Gemeente deel aan de predikingen
aan de samenkomsten tot gebed en gezang.
Hij leefde voor Christus en voor de zielen
om wier redding Christus gestorven is. In
de aanbieding van een toevluchtsoord op
zijn landgoed voor de Moravische banne-
lingen, had hij eenvoudig er aan gedacht om
hen een tehuis te bezorgen alwaar zij hun
kost konden verdienen en vrij zouden zijn in
de beoefening van hun Godsdienst. Toen het
bekend werd dat Herrnhut een schuilplaats
voor de vervolgden was, kwamen alle soorten
van Godsdienst-vluchtelingen er aldaar een
tehuis zoeken. De geest van oneenigheid en
twist kwam spoedig voor den dag en er was
gevaar dat het zou worden de zetel van
scheurmakerij en dweepzucht. Zinzendorf ge-
voelde dat het tijd was dat hij tusschenbeide
zou komen. Hij had geloof in de oprechtheid
en ernst der Moravische emigranten. Hij gaf
zich over aan eene persoonlijke minzame onder-
handeling met de leidslieden.
Velen hadden diep de zonde en de smart
van verdeeldheid gevoeld, en hadden gebeden
-ocr page 67-
55
DE MORAVISCHE KERK.
dat de geest van ware gemeenschap door Gods
genade wederkeeren mocht. Met vele tranen
en gebeden, en in de liefde en zachtmoedigheid
van den Heere Jezus, pleitte de Graaf met
hen die gedwaald hadden. Er was één punt
waarop de Moravische Broeders (zij waren meer
dan 200 uit de 300) niet wilden toegeven. Zij
waren onwillig om zich in de Luthersche Kerk
te laten opnemen en drongen er op aan dat
de tucht van de oude Moravische Kerk gehand-
haafd zou worden. Üe Graat\' was bevreesd
dat dit aanleiding zou geven tot vooroordeel
en misverstand in de kerk rondom; maar hij
gevoelde dat hun eisen rechtvaardig was en
hij besloot om trots alle gevaar toe te geven.
De beginselen en de tucht van de oude kerk
moesten nu weder ingevoerd worden. Zinzendort
stelde de wetten, voorschriften en bepalingen,
naar welke zij zich gedragen moesten, op.
Den 12e" Mei 1727 (juist vier jaren na de
aankomst van den eerste vluchtelingen) was
een gedenkwaardige dag in de geschiedenis der
Broederen. Hij riep hen allen te zamen en
las aan hen voor „De Wetten" waarover zij
het eens geworden waren. Er moest geen
oneenigheid meer zijn. Broederlijke liefde en
eenheid in Christus moesten de gouden ketenen
zijn die allen samen verbonden. Al de leden
schudden elkander de hand en verbonden zich
-ocr page 68-
56             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
om de Wetten te gehoorzamen. Die dag was
het begin van nieuw leven te Herrnhut.
Het dagboek van Herrnhut zegt:
Op dien dag maakte de Graaf\' een verbond met den
Heere. De broederen beloofden allen, een voor een, dat
zij des Zaligmakers ware volgelingen zouden zgu. Zij
wilden afstand doen van allen eigenwil, eigenliefde en
ongehoorzaamheid. Zij zonden zoeken om arm van geest
te zijn. Niemand moest zijn eigen voordeel vóór dat van
anderen zoeken; iedereen zou zichzelveu overgeven om
door den Heiligen Geest geleerd te worden. Door de
machtige werking van Gods Geest werden zij allen, niet
alleen overtuigd, maar als het ware weggevoerd en over-
meesterd."
Op den 12e" Mei 17S4 schreef de Graaf:
,,Heden, voor een-en-twintig jaar, hing het lot van
Herrnhut in de schaal, met betrekking tot de vraag
of zij eene secte zou worden en of zij eene plaats in de
kerk van Christus zou krijgen. De kracht des Heiligen
(ieestes besliste, na een toespraak van drie of vier uren,
voor dit laatste. Het grondbeginsel werd aldaar neder
gelegd, dat wij de gedachte, om Hervormers te zijn,
souden laten varen eu acht zouden geven op onszelven.
Wat de Zaligmaker daarna tot in den winter deed, kan
niet uitgesproken worden. De geheele plaats was inder-
daad een woonstede Gods, bij de menschen; en op den
i:>" Augustus ging het, over in voortdurende dankzegging.
Toen werd het stil en de Sabbatharust begon.
Den 12on Mei werd genoemd de geboortedag
van wat voortaan bekend zou zijn als de
Vernieuwde Broedergemeente; de 13°
Augustus, was de dag van haren doop met
den Heiligen Geest. Nadat de Wetten aange-
-ocr page 69-
57
DE MORAVISCHE KERK.
nomen waren, en allen zich verbonden hadden
om in gehoorzaamheid en liefde te leven nam
de geest van gemeenschap en gebed grootelijks
toe. Misverstand, vooroordeel, geheime ver-
vreemding werden beleden en afgelegd. Het
gebed was dikwijls zon krachtig dat diegenen
die slechts uiterlijk toegetreden waren. over-
tuigd werden en zich ot\' veranderden of in-
wendig gedwongen werden om heen te gaan.
De Graaf moest voor een tijd van huis gaan,
en bracht, bij zijn terugkeer op den 4\'" Angus-
tus. met zich een exemplaar van de Geschie-
denis der Moravische Broederen,
welke hij
gevonden had en waarin een vol verslag gegeven
werd van hun vroegere tucht en orde. Dit
veroorzaakte groote vreugde. Het werd als
een teeken beschouwd dat de God hunner
vaderen met hen was. Zoo als een van hen
schreef: „Onder de wolk van onze vaders
werden wij met den geest gedoopt; teekenen
en wonderen werden onder ons gezien, en er
was groote genade over de geheele buurt".
De geheele nacht werd door den Graaf en de
Broederen in het gebed doorgebracht, met een
groote samenkomst, te middernacht, in de
zaal. Gedurende de volgende dagen waren
allen in de zangbijeenkomsten zich bewust
van eene overweldigende kracht. Op Zondag
den ÏO\'" terwijl Pastor Rothe de middagdienst
-ocr page 70-
58             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
te Herrnhut leidde, werd hij overweldigd en
viel hij o]i zijn aangezicht voor God. Degeheele
vergadering hoog zich onder den indruk van
Gods tegenwoordigheid en volhardde in het
gebed tot middernacht. Hij noodigde de ge-
meente uit tot het Avondmaal oj> den volgenden
Woensdag, den 13(".
Dit was de eerste avondmaalsviering sedert
de nieuwe gemeenschap en men had besloten
er zeer streng mede te zijn „en de zielen
dieper in te leiden in den dood van
Christus, waarin zij gedoopt waren ge-
worden".
De voormannen bezochten ieder
lidmaat en zochten in groote liefde om ze
tot het ware hartonderzoek te leiden. Op
Dinsdagavond, bij de voorbereidings-dienst.
gingen verscheidenen over uit den dood tot het
leven, en de geheele gemeente was diep ge-
troffen.
„Oji «len Woensdagmorgen gingen allen naar Berthels-
tlorf. Op den weg daarheen, verbonden diegenen, die
zich van elkander vervreemd gevoelden, zich opnieuw
aan elkaar. Gedurende het zingen van het eerste gezang,
kwam een Goddelooze man krachtdadiglijk tot overtuiging
van zonden. De voorstelling van nieuwe leden trof ieders
hart en toen er gezongen werd kon men nauwelijks
bekennen of er meer gezang of meer geween was. Ver-
.scheidene broeders baden en smeekten den Ileere om,
daar zij als bannelingen uit het diensthuis niet wisten
wat te doen, en begeerden om bewaard te worden voor
afscheiding en scheurmakerij, om aan hen den waren
-ocr page 71-
BE MORAVISCHE KERK.                     59
aard van zijne kerk te openbaren, zoodat zij voor Hem
onbevlekt mochten wandelen en niet alleen mochten
blijven, maar vruchten mochten voortbrengen. Wij
vroegen, dat wij niets mochten doen, tegenstrijdig met
den eed van getrouwheid, jegens Hem, door ons afgelegd
en niet in het minst mochten zondigen tegen zijne wet
van liefde. Wij baden, dat Hij ons door de reddende
macht zijner genade bewaren mocht en niet zou toelaten.
dat een enkele ziel zon afgetrokken worden, van die
Bloed- en Krais-Theologie, waarvan onze zaligheid af-
hankelijk is, naar zich zelve en hare eigen verdiensten.
Wij vierden des Heeren Avondmaal, met harten, welke
tegelijk nedergebogen en opgeheven waren. \'Wij gingen
naar huis, een ieder onzer in eene groote mate opgeheven
boven zichzelven. en brachten dien dag en de volgende
dagen door, in stilte en in vrede, terwijl wij leerden,
om iief te hebben."
Onder degenen die tegenwoordig waren in
de kerk toen het Avondmaal gevierd werd
was een aantal kinderen. Iemand schrijft: „Ik
kan de groote herleving onder de kinderen aan
niets anders toeschrijven dan aan de uitstorting
van den Heiligen Geest over de avondmaal-
vierende vergadering. De Geest zweefde met
kracht over oud en jong. Overal werden zij
gehoord, soms des nachts in het veld. den
Zaligmaker smeekende om hun hunne zonden
te vergeven en hen tot zijn eigendom te maken.
De Geest der genade was inderdaad uitgestort.
De Broederen gingen dikwijls uit m de
buurt om gemeenschap te oefenen met andere
christenen, en Christus bekend te maken aan
-ocr page 72-
60             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
allen die komen wilden. Toen een van hen
in dien tijd in de gevangenis geworpen werd,
omdat hij dit deed, veroorzaakte het groote
vreugde dat zij waardig geacht werden om
voor zijn zaak te lijden.
De Gebedswake. Van den 22en Augustus
zegt het dagboek:
„Heden overwogen wij hoe noodzakelijk het is dat
onze kerk, welke pog maar in haar kindsheid is, en in
den Satan een machtigen vijand heeft, waken zou tegen
iemand die dag en nacht nooit sluimert en aanhoudend
op een heilige wacht tegen over hem zou staan. Wij
besloten dus om een vrijwillig offer van voorbidding aan
te steken, dat dag en nacht branden zou, en de zaak
voor het tegenwoordige over te laten aan het werken
van God in de harten der Broederen." Op den 2(>u" was
het plan rijp, en vier en twintig broeders en vier en
twintig zusters ondernamen, om elk één uur, hun door
het lot aangewezen, in hun eigen kamer door te brengen,
om al de nooden en belangen van degenen rondom hen,
voor God te brengen. Het aantal nam spoedig toe. Maar
daar wij op Herrnhut verlangden, om alles aan vrije
\'-\'enade over te laten en niets te hebben, dat gedwongen
is, zoo besloten wij, dat wanneer iemand wegens armoede
van geest of wegens bezigheid, niet het geheele uur in
gebed kon doorbrengen, hij inplaats daarvoor, God met
geestelijke liederen prijzen zou en alzoo de offerande
des lofs of des gebeds voor zichzelven en voor alle
heiligen brengen zou. Deze wachters in het gebed kwamen
eens in de week bij elkander, en dan werd al het nieuws
dat van verre of van nabij aangaande personen, gemeenten
of natiën ontvangen was. medegedeeld, om tot dankzegging
voor ontvangen antwoorden op te wekken, of tot meer
hartelijk en bepaald gebed te leiden.
-ocr page 73-
til
DE MORAVISCHE KEKK.
Wij vernamen dat er in een van de dorpen in de
nabijheid menschen waren die verlangden om te komen
en in de herleving te deelen. Wij onderwezen dezen in
onze tucht, in de liefde en in de nederigheid".
Zending Werk. — In den loop der volgende
maanden gingen sommigen der Broederen gedurig
naar plaatsen nabij en meer afgelegen, predikende
de liefde van Christus; en hunne gedachten waren
gedurig vervuld met het doel waartoe God hen
zoo gezegend had. De Graaf had communicatie
met alle deelen der wereld en verzuimde niet
om mede te deelen wat hy hoorde. Op eene
vergadering van den 10"" Februari 172S sprak
hij hoofdzakelijk over afgelegen landen — Turkije.
Morocco en Groenland. Van Groenland zeide hij
„dat het naar alle menschelijke berekening onmo-
gelijk scheen er een t<K-gang toe te verkrijgen:
maar hij geloofde dat Gud onze Broederen genade
en kracht zou geven om deze landen te bezoeken.
Het was een dag waarop de Geest over ons
zweefde".
De volgende vier jaren waren tijden van
voortdurende herleving. De zorgvuldige wachr
door ouderlingen en superintendanten gehouden,
de getrouwe behandeling van nulividueele zielen
naar hunne persoonlijke behoeften, de naijverige
handhaving van den Geest van broederlijke
liefde, het uitgaan van broederen in de naburige
en meer afgelegene streken met de rapporten
-ocr page 74-
1)2               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
door hen gebracht, dit alles maakte de samen-
komsten der Broederen tot tijden van veel
vreugde en zegen. Zij waren de tijden van
voorbereiding tot het zendingwerk dat nu begon.
Het kwam zoo. In 1731 was de Graaf Zinzen-
dorf naar Kopenhagen gegaan om bij de kroning
van den Koning van Denemarken tegenwoordig
te zijn. Een van de edellieden aldaar had een
slaaf uit West-Indië in zijn dienst, Anton
genaamd. Van hem hoorde Zinzendorf van
den toestand der slaven in West-Indië, vooral
in St. Thomas, een Deensche bezitting. Hij
ontmoette ook twee van de bekeerlingen van
den Deenschen zendeling Egede, uit Groenland.
Toen hij wederkeerde wekte zijne mededeeling
omtrent zijne ontmoeting met deze mannen uit
de heidenwereld de diepste belangstelling onder
de broederen. Twee van hun aantal gevoelden
zich in hunne harten getroffen; en in den avond
terwijl de zingende benden de woning voorbij
gingen, en de Graaf tot een vriend zeide dat
hij geloofde dat boodschappers naar West-Indië
en Groenland onder deze vrienden gevonden
zouden worden, werden zij bemoedigd om zich
zelven voor het werk in West-Indië aan te
bieden. Toen dit bekend weid, kwamen twee
anderen voor Groenland voorwaarts. Een bezoek
van Anton, den slaaf, maakte den indruk dieper;
en het verhaal van wat de slaven leden, hetgeen
-ocr page 75-
h:;
DE MORAVISCHE KERK.
de zendelingen ook misschien te lijden zouden
hebben, deed het vuur des te sterker branden.
Het was moeilijk toegang tot de plantages te
verkrijgen om de slaven te onderwijzen; zij
waren bereid om zichzelven als slaven te
verkoopen ten einde de zielen der arme
heidenen te bereiken.
Maar het duurde nog een jaar dat de eerste
twee zendelingen, in Augustus 1732, vertrokken.
De bevelen waarmede zij uitgezonden werden
waren allen te zamen gevat in den eenen volzin:
Toe te zien dat zjj in alle dingen door den Geest
geleid werden. Zij vertrokken te voet, met niets
anders dan eenige shillings in hunne zakken
maar sterk in het geloof in God en in Zijne
zorg. In het volgend jaar vertrokken twee
voor Groenland. In 1734 gingen er weder
achttien naar Santa Cruz in West-Indii" en in
het jaar daarna nog twaalf, om te trachten,
door kolonisatie en door eene indüstrieele zen-
ding, de negers te helpen. En ofschoon de
proefneming vele kostbare levens eischte, en
niet een succes was, verloren de Broederen
geen moed, maar, terwijl de tijdingen van
dood kwamen, zongen zij altijd den psalm
van met tranen te zaaien en uit den dood
van dat zaad een overvloedigen oogst in te
zamelen.
Ik zou wenschen een kort verhaal te geven
-ocr page 76-
64               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
van den wonderbaren zegen op hun werk in
West-Indië, maar ruimte verbiedt mrj dit
te doen. Ik moet nog slechts een punt meer
in hunne geschiedenis aanstippen. In 1741
had er eene gebeurtenis plaats, waardoor de
organisatie van de Kerk der Broederen voltooid
werd, en een zegel gezet op hetgeen haar hoofd-
karaktertrek is — toegewijdheid aan den Heere
Jezus. Leonhard Dober was eenige jaren de
hoofd-ouderling (de titel is eigenlijk Oudste)
der Kerk geweest. Hij en anderen gevoelden
dat zijne bijzondere gaven hem meer geschikt
maakten voor ander werk. Maar terwijl de
Broederen in de Synode rondzagen naar een
opvolger gevoelden zij hoe moeilijk het zou
zijn om een geschikten persoon te vinden om
zijn plaats te vervullen. Meteen viel de
gedachte meer dan eenen te binnen dat zij
den Heiland vragen zouden om zelf de oudste
van zijn kleine Gemeente te wezen. In antwoord
op gebed ontvingen zij de verzekering dat Hij
de taak zou aanvaarden. Hun eene begeerte
was dat Hij alles zou doen wat de hoofd-
ouderling tot hiertoe gedaan had, dat Hij hen
als Zijn 1 lijzonder eigendom zou nemen, zich
met elk lid afzonderlijk zou inlaten en voor
al hunne behoeften zorgen. Zij beloofden dat zij
Hem liefhebben en eeren zouden, dat zij Hem
het vertrouwen van hart zouden geven, dat
-ocr page 77-
DE MORAVISCHE KEEK.                    65
zij geen mensen als hoofd in de dingen des
Geestes zouden erkennen, en dat zij zich als
kinderen door zijn Geest en wil zouden laten
besturen. Van den dag waarop dit besluit te
Herrnhut bekend gemaakt en aangenomen werd
schrijft iemand:
„üe 13de November was de wijdingsdag van onzen
dierbaren en teederbeminden Vorst en Oudste. Het
werd besloten dat er ter eere van onzen Heer, die zich
toen nederboog om de/.e bijzondere taak van de kerk
om Zijn Bloed en Kruis te aanvaarden, een speciale
proclamatie van zijne vergevende genade zou uitgevaar-
digd worden voor diegenen die afgedwaald of gevallen
waren. De indruk was zoo diep dat er eerst eene diepe
stilte op allen viel, welke sj>oedig veranderde in tranen
van bewondering en van vreugde".
Het was eene nieuwe en openbare belijdenis
van de plaats welke zij altijd begeerd hadden
dat Christus zou innemen, niet alleen in hunne
theologie, en in hun persoonlijk leveD, maar
vooral in hunne Kerk. De Kerk had nu hare
meerderjarigheid bereikt.
Niet lang na dezen datum kwam er een tijd
van ziften, toen het scheen alsof de Broederen
zich op een weg begaven die naar gevaar
leiden kon. Maar Hij, aan wiens leiding de
onvoorwaardelijke overgave geschied was, verliet
hen niet, en redde hen van een dreigend kwaad.
En de proclamatie van Christus als hun eenig
Hoofd, werd de levende uitdrukking van de
-ocr page 78-
66               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
begeerte van hun bart dat Hij alleen zou zijn
alles in allen.
Laten wij ons nu wenden naar het voor-
naam ste doel waartoe de geschiedenis van de
Moravische Kerk aangehaald werd. Wij hebben
ons daarop, als op een voorbeeld beroepen. Roep
u weder voor den geest wat wij gehoord hebben.
In de evenredigheid van haar ledental, overtreft
zy eenige andere Kerk zeer verre, in het getal
van mannen die zij uitzendt en onderhoudt, in
het geld dat zij verschaft en in het getal harer
bekeerlingen naar evenredigheid van de lede-
maten der kerk. Gedurende de eerste twintig
jaren van haar bestaan zond zij werkelijk
meer zendelingen uit dan de geheele Protes-
tantsche Kerk in 200 jaren. Men gelooft, dat
indien andere Kerken, menschen en middelen
naar dezelfde evenredigheid zouden verschaffen,
er dan alles zou zijn dat noodig is om het
Evangelie aan alle menschen te brengen. Als
wij vragen, hoe het komt dat deze kleine
Kerk, de kleinste van allen, al hare oudere en
grootere zusters zoo overtroffen heeft, dan schijnt
het antwoord dit te zijn. Zij alleen van al de
Kerken, heeft getracht om de groote waarheid
te verwezenlijken dat het eene doel waartoe
de Kerk bestaat, is, de zielen om wier
redding Christus gestorven is, bijeen te
vergaderen.
Zij alleen heeft getracht om
-ocr page 79-
67
DE MORAVISCHE KERK.
elkeen barer leden te leeren en er toe op te
voeden om het als zijn eerste plicht te
beschouwen jegens Hem, die hen heeft lief-
gehad, om hun leven te geven teneinde Hem
aan anderen bekend te maken
Dit antwoord leidt met eens naar de verdere
vraag: Wat heeft deze kleine Kerk geleid en
geschikt gemaakt, om, in een tijd toen zij
slechts 300 leden telde, alzoo deze groote
waarheden in te zien en uit te voeren? Het
is slechts naarmate wij dit begrijpen, dat wij
ontdekken zullen, wat noodig is om andere
Kerken van dit voorbeeld te doen voordeel
trekken. De laatste volzin van het beroep
van Mr. Mott op het voorbeeld der Moraviërs
was ,.De practische vraag is deze: Wat is er
in verband met het werk door hen gedaan,
dat niet weder voortgebracht kan worden".
De genade van God die het in hen gewrocht
heeft, is nog uitermate overvloedig met het
geloof en de liefde welke er zijn in Christus
Jezus.
Indien wij aan Zinzendorf denken, dien God
zoo wonderlijk voorbereid had om de jonge
Kerk op te leiden en te besturen op den weg
der zending, dan zien wij terstond wat de
groote beweegkracht was. Wat hem bovenal
kenmerkte was eene teedere, kinderlijke,
vurige liefde tot den Heere Jezus.
Jezns
-ocr page 80-
08               HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
Christus, de Oorsprong en Bezieler van alle
zendingwerk, beheerschte hem. De stervende
liefde van het Lam Gods had zijn hart
gewonnen en vervuld; de liefde welke Christus
er toe gebracht had om voor de wereld te
sterven was in zijn leven gekomen; hij kon
in niets anders behagen vinden, dan ook voor
hen te leven, en indien noodig, te sterven.
Toen hij de Moraviërs onder zijn zorg nam.
was die liefde, zooals uit zijn onderwijs en zijne
gezangen blijkt, de eenige beweegrede waarop
hij zich beriep, de eenige kracht waarop hij
steunde, het eenig doel waartoe hij hunne zielen
zocht te winnen. Wat onderwijs, en bewijs-
voering, en tucht, hoe noodzakelijk en vrucht
baar zij ook al waren, niet konden uitvoeren,
dat heeft de liefde van Christus gedaan. Zij
smolt allen te zamen in een lichaam; zij maakte
allen gewillig om zich te laten bestraffen en
onderwijzen: zij deed allen verlangen om al
wat zondig was af te leggen; zij bezielde allen
met een begeerte om Jezus te verkondigen:
zij maakte velen gereed om alles op te offeren
ten einde die liefde aan anderen bekend te
maken, en alzoo het hart van den Heere Jezus
te verblijden.
Indien de stervende liefde van Christus de
plaats in onze Kerken en in haar onderwijs,
in onze harten en in onze gemeenschapsoefening
-ocr page 81-
69
DE MORAVISCHE KERK.
met elkander, zou innemen, welke zy in Gods
hart en in de verlossing van Christus inneemt,
zou het niet eene machtige verandering in ons
zending werk teweeg brengen?
Te zamen met deze liefde tot Christus, of
liever, als de vrucht er van, was er in het
hart van Zinzendorf een sterk gevoel van de
behoefte en de waarde van gemeenschaps-
oefening. Hij geloofde dat liefde, om genoten
te worden of in sterkte toe te nemen, of om haar
doel te kunnen bereiken, behoefte heeft aan
uitdrukking en mededeeling. Hij geloofde dat
de liefde van Christus in ons behoefte heeft aan
gemeenschap met anderen ter wille van hare
instandhouding in onszelven, zoowel als ter
bereiking van Gods doel er mede — nl. de ver-
troosting en versterking van onze broederen. Zoo
was hij bereid de vreemdelingen, door God tot
hem gebracht te ontvangen, en zich geheel voor
hen op te offeren. Zijn loon was groot. Het
gelukte hem zijn leven in hen over te gieten,
en zichzelven in elk een hunner vermenigvuldigd
te zien. Ik weet van geen waar Christendom
zonder gemeenscha]), dit was zijn beginsel.
Hierdoor werd voortgebracht die innige eenheid
welke aan elk een der leden de sterkte van den
leidsman, en van het gelieele lichaam gaf.
In onzen tegenwoordigen Godsdienst is er in het
spreken eene verzwijging van onze persoonlijke
-ocr page 82-
70              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
betrekking tot Jezus, welke dikwijls een groot
verlies veroorzaakt. Wij vergeten dat de meer-
derheid van menschen meer door gevoel dan
door verstand bestuurd wordt: het hart is de
groote kracht bestemd om op hen invloed uit
te oefenen en hen te vormen. Het is de vraag of
wij hier niet van Zinzendorfeene les moge leeren.
Een leeraar met zijn gemeente, een onder-
wijzer met zijn klas, een voorganger in een
bidstond of eene Htrevers Vereeniging, arbeidt
dikwijls om door onderwijzing en vermaning
te influenceeren. terwijl hij vergeet dat de
harten naar liefde verlangen en dat niets zoo
behulpzaam is om het jong of het zwak Chris*
telijk leven op te bouwen als de warme gemeen-
sehap van de liefde in Christus. Er zijn duizenden
van Christenen die wenschen om hun Heer te
dienen, doch niet weten hoe dit te doen, en
die slechts wachten op samenkomsten waar zij
geholpen kunnen worden om elkander te ont-
moeten onder een gevoel van de tegenwoordigheid
van den Heere Jezus en Zijne liefde — waar
zij geholpen kunnen worden om die liefde te
belijden, en zichzelven er aan over te geven
in het geloof dat die liefde hen dwingen en in
staat stellen zal om eenig ding te doen dat
hun Heer van hen verwacht.
Op de Conferentie in New-York zeide iemand
terecht met betrekking tot zendingorganisatie:
-ocr page 83-
71
DE MORAVISCHE KERK.
„Er moet nadruk gelegd worden op de belangrijkheid
van leidsman te zijn. Laat ons woekeren met liet
talent, dat anderen aan het werken zet. Pe leidsman
moet beslistheid en volharding gebruiken. Hij moet het
ideaal hoog stellen. Pe verantwoordelijkheid van leids-
man te zijn, berust bij den leeraar. Kom tot ons met
den diepsten geestelijken toon welken gij kunt aanslaan
en wij zullen u volgen." Een ander zeide: „Wij zullen
behoefte hebben aan leeraars, om de uitvoering van het
werk te leiden. De leeraars moeten de leidslieden zijn.
Indien zij het slechts willen, kunnen zij de leiders zijn
in dezen heiligen oorlog, om gerechtigheid te doen
heerschen over de gansche aarde." Een derde zeide:
„Er is niets duidelijker, in heel de geschiedenis van het
verledene, dan dat menschen ingenomen worden, niet
zoozeer door afgetrokken denkbeelden, als door de
personen, die hunne denkbeelden vertegenwoordigen.
Overwinningen worden behaald, omdat menschen den
een of ander leidsman, dien zij beminnen, volgen."
Zinzendorf was inderdaad een machtige
leidsman, wiens voetstappen wij nog mogen
volgen. Elke leeraar mag van hem het groote
geheim leeren, dat hoe heviger het vuur van
Gods liefde in het hart brandt hoe zekerder
het doorbranden zal in de harten rondom ons
heen. Het is het hooge voorrecht van eiken
leidsman te weten dat God hem zulke macht
over anderen geven kan, dat hunne liefde
jegens hem hunne harten openen kan om
meer van het leven en de liefde en de macht
van God te ontvangen dan zij zonder hem
gehad zouden hebben. Deze is Gods weg:
-ocr page 84-
72               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
om zijne zegeningen uit te deelen door middel
van enkele personen. Naarmate elke leidsman
in zijn kring, hoe klein die zij en hoe gering
hij zich acht, het voorrecht beseft van meer
vervuld te worden met het zendingvuur — liefde
tot Jezus en toegewijdheid aan Hem — en in
overeenstemming daarmede leeft, naar die mate
zal het zendingwerk in de kerk een nieuw
tijdperk ingaan. Leven en liefde welke uit
den levenden, lievenden Verlosser door levende,
lievende discipelen gaan, zullen leven en liefde
mededeelen aan diegenen die anders koud en
hulpeloos zouden zijn.
Tot dusverre omtrent den leidsman door
God uitverkoren, en de lessen welke hij ons
leeren moest. Wat nu omtrent de volgelingen,
die God hem bezorgd had! Wat was er dat
hen bijzonder geschikt maakte om, zoo als zij
gedaan hebben, de eerste plaats onder de
Kerken der Hervorming in te nemen? Laat
hun geschiedenis het antwoord geven. Er was,
voor alle dingen, die losmaking van de wereld
en hare verwachtingen, die macht om te
verdragen, dat eenvoudig vertrouwen op God,
welke de vrucht was van al het lijden en de
vervolging die zij verduurd hadden. Deze
menschen waren letterlijk vreemdelingen en
pelgrims op aarde. Zij waren gemeenzaam
met de gedachte en den Geest van zelf-
-ocr page 85-
7:)
DE MORAVISCHE KERK.
opoffering. Zij hadden geleerd om verdrukking
te verduren en op te zien tot God in elke
moeilijkheid.
Het is deze Geest waaraan nog behoefte
is in de Kerk. Eene minachting van wat de
wereld noodzakelijk en begeerlijk acht: eene
zelfverloochening die alle dingen schade rekent
om Christus te kennen en te kunnen verkon-
digen; een vertrouwen op God dat niet alleen
uitziet naar Zijn hulp onder elke netelige
omstandigheid, maar om Zijne leiding bij eiken
stap en om Zijn macht tot elk werk. Dezen
waren gewis de elementen die veel bijdroegen
tot de vorming van Zinzendorf\'s „Oorlogs
Bende", en die nog goede krijgsknechten voor
Christus vormen.
Voeg hierbij de tucht waaraan zij den alge-
meenen indruk van hunne voorouders geërfd
hadden, en waaraan zij zich op raad van hunne
leidslieden zoo geheel hadden overgegeven te
Herrnhut. Zij wortelde in de beschouwing dat,
voor den Christus, de Godsdienst het eene
is waarvan men leven moet.
Alles was
ondergeschikt aan de eene groote hoofdzaak
— den wil van God te kennen en te doen,
en zoo te wandelen in de voetstappen van
Jezus Christus. Ter wille hiervan waren zij
bereid om zich te onderwerpen aan de zorg
en de berisping van allen die aangesteld waren
-ocr page 86-
74              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
om over hen de wacht te houden. Letterlijk
geloovende aan het bevel: „Vermaant elkander
dagelijks\'*, waren zij gewillig om zich te laten
vermanen of waarschuwen zoo dikwijls als er
zonde was. hetzij van bedrijf, hetzij van verzuim.
Als zij uitgezonden werden waren zij gereed
om elkander te helpen, 0]> elkander te rekenen,
en aan elkander toe te geven. Hun gemeenschap
maakte hen sterk: de hoogste in de regeering
smeekte zijne broederen om te spreken over
wat verkeerd mocht zijn, en was gewillig om
van de geringste tekortkoming belijdenis te
doen. De geest van onderdanigheid aan elkander,
waarvan de Bijbel zoo dikwijls spreekt, bracht
zijn rijken zegen in de heiliging en versterking
van het geheele leven. Om dezelfde tucht in
onzen tijd in te voeren mag ons onmogelijk
schijnen: dezelfde geest van waakzame zorg
over, en van liefderijke onderworpenheid aan
elkander is nog binnen het bereik van elke
Kerk, die er naar zoeken wil, en zal nog eene
wonderbare voorbereiding zijn tot doeltreffend
werk in Gods Koningrijk.
Maar er was iets meer dan dit, dat aan
hunne gemeenschap hare wonderlijke kracht
gaf. Het was de innigheid van hunne vereenigde
en persoonlijke toegewijdheid aan Jezus Christus,
als het Lam Gods, die hen gekocht had met
Zijn bloed. Al hun berisping van elkander, en
-ocr page 87-
75
DE MORAVISCHE KERK.
hunne gewillige belijdenis en aflegging van zonden
kwamen uit het geloof in den levenden Christus,
door wien zij verkregen „in hun hart den vrede
van God en de verlossing van de macht der
zonde". Dit geloot\' bracht hen er toe om dagelijks
hun plaats als zondaars, door Zijne genade gered,
in te nemen, en die nauwgezet te bewaren.
Dit geloof — dat dagelijks bearbeid en gesterkt
werd door gemeenschap in het woord, in gezang,
en in gebed — werd het voedsel van hun
leven. Dit geloof vervulde hen met zooveel
vreugde dat hunne harten zich te midden van
de grootste moeielijkheden verheugden over de
triomfeerende verzekering dat hun Jezus, het
Lam dat voor hen geslacht was, en die hen
nu lief had en redde en van uur tot uur be-
waarde, het hardste hart kan overmeesteren en
gewillig was om den laagsten zondaar te zegenen.
In dezen geest kwamen zij bijna vijf jaren lang
te zamen, van den tijd van de eerste uitstorting
des Geestes tot op den trjd dat de eerste zen-
deling uitging — zij aanbaden den Zoon van
God, gaven zich aan Hem over, en wachtten
op Hem om te vernemen wat Hij van Zijne
kerk wilde, terwijl iedereen zich gereed hield
om te gaan waar — of te doen wat — zijn Heer
wilde. Laat eene gemeente of een bidgezel-
schap een Christenkring zoeken om iets van
dezen geest te hebben, om hen met elkander
-ocr page 88-
76               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
te vereenigen, terwijl allen zich verbinden in
het gebed dat de Heere zijn gezegenden wil
aan iedereen zal bekend maken en gij hebt
het begin van een leven dat niet vruchteloos
zal blijven. En terwijl de gemeenten samen-
spannen om de aanbidding en het geloof aan
den Heere Jezus en toegewijdheid aan Hem
het middenpunt te maken van hunne zending\'
werkzaamheden, zal het aantal dergenen die
gereed zijn om uit te gaan, spoedig toenemen.
Er is nog een ding dat wij niet verzuimen
moeten op te merken — de machtige beweging
van den Heiligen Geest in antwoord op het
gebed. "Wij hebben het getuigenis van den
Graat\' dat hij er zeker van was dat de geboorte
van de nieuwe kerk, op den 12°" Mei 1727,
het werk van den Geest was. Wij hebben
gelezen van het overweldigend gevoel van de
tegenwoordigheid des Heiligen Geestes, waar-
onder zij haren doop van boven ontving.
"Verscheidene malen later, gedurende de vol-
gende vier jaren, getuigt het dagboek van eene
bijzondere ondervinding van de diepe roeringen
van den Heiligen Geest. Dit geschiedde meestal
als zij in het gebed bij elkander waren, of als
zij voor het aangezicht van hun Heer, het
geslachte Lam, verkeerden. De Gebedswake
door hen tot stand gebracht, zoodat zij dag en
nacht eene gedurige offerande van smeeking
-ocr page 89-
DE MORAVISCHE KEKK.                       77
konden doen, dient tot bewijs, hoe zij des
Hemels eerste niet verstonden, nameiijk, dat
de mate van zegen en kracht afhangt van de
mate van gebed. Zij zagen en verheugden
zich zeer in het Lam op den Troon — hoe
konden zij anders dan vertrouwen dat Hij de
monden en harten, die zoo wijd voor Hem
geopend waren, zou vervullen?
Gelijk op den Pinksterdag, vereenigd gebed,
beloond met de gave des Geestes, de ingang
was tot een leven van getuigenis en over-
winning, zoo was het ook te Herrnhut. Het
is de regel voor alle zendingswerk. Indien het
voorbeeld der Moravische Broederen ons tot
naijver opwekken zal, indien wij van hen
leeren zullen wat het is te gelooven dat wij
slechts bestaan om de zielen voor wier redding
Jezus gestorven is te winnen, en onze lidmaten
op te voeden tot de gedachte dat iedereen tot
Zijn dienst gereed moet zijn, dan moeten wij
de les van veel gebed en van eene bepaalde
overgave daaraan zeer ter harte nemen, ten
einde ons geheel leven onder de leiding des
Heiligen Geestes te hebben.
Wanneer wij op het voorbeeld der Broederen
wijzen, wordt de vraag soms gedaan, of zij
hunne eerste liefde behouden hebben, en of hunne
zendelingen en leden op een hooger geestelijken
trap leven dan die van andere kerken rondom
-ocr page 90-
78               HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
hen? Het antwoord is zeer eenvoudig. Gelijk
iedere andere kerk hebben de Broederen hunne
tijden van achteruitgang en herleving gehad.
Zij waren te nauw verbonden aan de kerk
rondom hen om niet met haar te lijden toen
de winterdag kwam. De kracht van ons beroep
wordt door dit feit niet verzwakt maar wel
versterkt. Het punt waarop wij wijzen is dit:
de drie groote beginselen door den Heiligen
Geest geleerd, in een tijd toen Hij krachtdadig
werkte, — dat de kerk slechts bestaat om het
Koningrijk uit te breiden; dat elk lidmaat
opgeleid moet worden om er deel aan te nemen;
en dat de persoonlijke liefde tot Christus de
macht is die daartoe geschikt maakt: en aan
deze beginselen zijn de Broederen getrouw
gebieven, en het is in dit opzicht dat hun
voorbeeld tot ons met zooveel kracht spreekt.
De Kerk van Christus is meer aan de kerk
der Broederen verschuldigd dan over het alge-
meen bekend is. Van haar ontving John Wesley
die vreugdevolle geloofsverzekering die zooveel
kracht aan zijn prediking gaf, en hem als
instrument in Gods hand geschikt maakte om
niet alleen do Wesleyaansche Kerk te stichten,
maar om zulk een belangrijk aandeel te nemen
aan de herleving van de Evangelische Godsdienst
in Engeland. Aan de Broederen was William
Carey verschuldigd een groot deel van zijne be-
-ocr page 91-
7\'J
DE .MORAVISCHE KERK.
zieling voor de zendingzaak. Toen hij met zijne
broederen pleitte, bekrachtigde hij zijne voor-
stellen door de ondervinding der Moraviërs en
legde ter tafel de vroegere nommers van hunne
Periodieke Rapporten. Zijn metgezel,
William Ward, stelde den diepen indruk door
deze Rapporten op zijn geest gemaakt te boek,
en riep uit: „Ik dank u, Moraviërs! gij hebt
aan mij welgedaan, indien ik ooit een zendeling
ben, die een stroo waard is, zal ik het aan u
onder den zegen van den Heiland, verschuldigd
zijn". De geschiedenis van de wonderbare
genade van God in de Kerk der Broederen,
kan ons nog den weg aanwijzen én met den
moed bezielen, om nieuwen zegen voor de
wereld te zoeken en te vinden.
-ocr page 92-
HOOFDSTUK IV.
f*e „(Kïntrclj Hnssicmani .êorietu" l)
en bc SJernicnuünn wan liet ©ecstclijh £cücn.
"V/TKEK dan eens werd er op de Conferentie
melding gemankt van den merkbaren zegen
aan de „Church Missionary Society" ver-
gnnd, waardoor, binnen den tijd van twaalf
jaren, hare inkomsten van twee tot op drie
honderd duizend pond toenamen, en haar aantal
arbeiders verdrievoudigd werd. Mr. Eugene
3tock sprak als volgt:
„In liet jaar 1887 kwam de „Church Missionary Society"
onder bijzondere omstandigheden, in strijd met den
raad van hare Commissie van financiën, tot het besluit
om geen kandidaat, die van God geroepen scheen te
zijn, op nnancieele gronden opname te weigeren. Wij
namen dit besluit niet in eene vlaag van opgewondenheid..
Ik geloof, dat ik dit eerlijk zeggen mag — maar op grond
i) Het Zending-Genootschap van do Engelsche Kerk. Er zijn
in de Episcopaalsche Kerk van Engeland twee groote Zending-
Genootschappen. Hot eene is The Society for the Propagation
of the Gospel, dat hoogkerkelijk is en voor een deel naar de
Hoonisclie Kerk overhelt. Het andere is The Church Missionary
Society, dat echt Evangelisch is en aan de beginselen der
Hervorming geheel getrouw. Kortheidshalve worden dikwiils
slechts de eerste letters gebezigd: C. M. S.
-ocr page 93-
DE „CHUKCH MISSIONARY SOCIETY".         81
van dit eenvoudig bezigheids-beginsel, dat, indien God
een man roept, Hij hebben wil, dat
Hij gaan zal
en het geld voor hem vinden zal. En wij hebben
dan het recht, indien, naar merjschehjk oordeel die man
of vrouw door God geroepen is om te gaan, om te
zeggen: „O, Heer, wij zien op naar u, om ons in staat
te stellen, dezen man of deze vrouw uit te zenden en
te onderhouden." Indien nu iemand, op dien gedenk-
waardigen dag, toen wij allen over deze zaak op onze
knieën waren, tot ons gezegd had, dat wij niet wisten
wat wij deden, zon het ons niet tot oneer geweest zijn:
maar indien iemand gezegd had: „Gij zult uwe macht
binnen dertien jaren verdrievoudigen", zou het antwoord
geweest zijn: „onmogelijk". En als iemand er bij gevoegd
zou hebben: „Wel, maar gij zult het dueu, dan zou het
antwoord geweest zijn: „Er zal geen geld zijn om ze uit
te zenden; het is onmogelijk." Maar het onmogelijke is
geschied, het aantal arbeiders is verdrievoudigd en het
geld is gevonden. God heeft voorzien.
„Laat mij u hieraan herinneren: het komt er niet op
aan, welke Christelijke onderneming of welk Christelijk
werk het zijn moge maar als het een werk is, zooala
het spreken van een woord op zijn pas, tot uwen broeder
in de bank, of op uw kantoor, of in uw pakhuis, dan is
het niet een gemakkelijk werk, nietwaar? Indien het is
om een vriendelijk woord over Jezus te zeggen aan dat
jonge meisje, dat gij kent, hetwelk op den weg des
verderfs is en dat gij uit haar gevaar wenscht te redden,
dan is het niet gemakkelijk, nietwaar? .Sommigen zullen
zeggen „Ik kan niet." Of het nu eeue kleinigheid gelijk
deze is of een groot werk waarin alle commissies
en genootschappen hier in Amerika zouden opgaan.
om in het geloof in God te handelen, ik zou op ieder van
deze ondernemingen de volgende drie teksten schrijven.
Stel u ze voor, als in vlammend schrift op de wanden
van deze zaal geschreven. De eerste is: „Bij de menschen
6
-ocr page 94-
82              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
is <lit onmogelijk!" Dit is waar. De tweede: „Bij God
zijn alle dingen mogelijk! Is dit niet zoo? En wat is
de derde? Alle dingen zijn mogelijk dengenen die
gelooven!
..Misschien zult gij mij nauwelijks gelooven als ik n
zeg wat ons genootschap is. Xiet een vierde van de
Engelsche Kerk, niet meer dan een vierde van onze
Gemeenten geeft ondersteuning aan de „Chureh Missi-
onary Society" en toch is het een feit, dat wij het grootste
genootschap zijn ofschoon wij slechts een gedeelte van
de Kerk vertegenwoordigen. Waarom is dit zoo? Het
is het gevolg van de geestdrift van biddende menschen.
Het is het gevolg van de geestdrift van die menschen
die gelooven dat, buiten alle organisaties, het Kvangelie
van Christus de Kracht Gods tot zaligheid is. Wij houden
vast aan de rechtmatige onafhankelijkheid van eenig aantal
Christenen om zich aan elkander te verbinden om het
Evangelie te verkondigen, zoo als de Heer hen leiden mag."
Als wij spreken over hetgeen de Moravische
Kerk of de Pinkster Gemeente gedaan heeft,
dan verliezen de twee voorbeelden dikwijls hun
kracht, wegens de gedachte dat zij tot het
verledene behooren. De C. M. S. geeft getuigenis
van hetgeen God onder onze oogen doet in het
opwekken van zijn volk om, wat anders onmo-
gelijk was, te doen, en hen in staat te stellen
om menschen en geld te leveren in getallen en
hoeveelheden te voren onbekend. Indien wij
uit deze les nut zullen trekken, en werken
zullen dat de geheele Kerk aan God geven zal
wat hij voor de uitbreiding van Zijn Koningrijk
vraagt, dan moeten wij vragen naar den weg
-ocr page 95-
DE „CHÜECH MISSIONARY SOCIETY".          83
langs welken de C. M. S. tot de groote vermeer-
dering van zegen en arbeid geleid werd.
De geschiedenis van het Honderdjarig bestaan
van het Genootschap zegt het ons. Zij bewijst 1
dat, gelijk het noodig is om te bidden om de
kracht des Heiligen Geestes op zendelingen en
hun werk, het ook noodig is dat wij bidden
zullen voor de leidslieden der zending, en voor
de kerken welke hen ondersteunen, opdat alle
beraming van middelen en methoden, alle be-
roepen om personen en geld, alle samenkomsten
tot het wekken van belangstelling, mogen plaats
hebben in ware afhankelijkheid van del
kracht des Heiligen Geestes.
Op den duur \\
kan de geestelijke staat der zendelingen en der
zending gemeenten in den vreemde, niet hooger
zijn dan die van de kerk waaruit zij geboren
zijn. Naar mate deze waarheid ten volle in
het licht komt, zal het gevoeld worden, dat gelijk
dit werk der Zending Genootschappen en Com-
missies, ten behoeve van de heidenen en de
boodschappers tot hen gezonden, belangrijk is,
opdat het werk in Goddelijke kracht gedaan
mocht worden — zoo ook — en wel niet in
eene mindere mate — het werk van de ver-
levendiging en de opheffing der kerk met hare
leeraars en lidmaten belangrijk is, opdat hun
zendingijver en arbeid evenzeer in de kracht
des Geestes moge zijn.
-ocr page 96-
84              HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
De voornaamste les welke de Geschiedenis
der C. M. S. leert is dat de groote voorwaartsche
beweging nauw verbonden was met eene
diepe herleving van geestelijk leven en
met de leer van een hoogere standaard
van toegewijdheid
aan den Heere Jezus.
De eenige wijze om ware, diepe, geestelijke,
blijvende belangstelling in de zending te wekken
is niet zoozeer door daar op aan te dringen als
wel door ln-t leiden van geloovigen tot eene
meer algeheele afzondering van de wereld en
tot eene volkoniene toewijding van zichzelven
met al wat zij hebben aan hun Heer en Zijn
dienst.
De Geschiedenis \') brengt de beweging terug
naar het jaar 1882, toen het bezoek van Mr.
Moody aan Cambridge de krachtige bekeering
van een aantal studenten tengevolge had.
„Er zijn nu vrome leeraren en lidmaten, te huis en
in den vreemde, die hun redding (tlieir own Selves)
aan het bezoek van Mr. Moody te danken hebben. De
C. M. »S. is eene geheele opvolging van zendelingen ver-
schnldigd aan den invloed van dien tijd . . . Ken van
de belangrijke gebeurtenissen van dien tijd, was zoowel
een indirecte vracht van Moody\'s werk, als een vrueht-
bare bron van andere en grootere bewegingen. Dit was
het uitgaan naar China van het beroemde „Cambridge
i) The History of the Church Missionary Society by Eugene
Stock. Een wonderbaar en zeer belangwekkend verhaal van Gods
leiding en zegen. Er is oene kostelijke verkorting in een boekdeel
van één shilling. One Hundied Years.
-ocr page 97-
DE „CHURCH MISSIONARY SOCIETY".         85
zevental." De invloed van zoodanige bende van mannen,
die als zendelingen naar China gingen, was onwederstaan-
baar. Geen zoodanige gebeurtenis had te voren plaats
en geene gebeurtenis van de eeuw heeft zooveel gedaan,
om de gedachten van Christenen gaande te maken, met
betrekking tot de eisenen van het zendingveld en het
edele van de roeping van zendeling.
De gave van zoodanige bende — want het was waarlijk
eene gave van God — was een rechtvaardige belooning van
Mr. Iludson Taylor en zijne ambtgenooten, voor de echte
onzelfzuchtigheid, waarmede zij altijd de zaak van China
en de wereld en niet van hunne bijzondere organisatie,
bepleit hadden en voor de diepe geestelijkheid
welke altijd hunno samenkomsten gekenmerkt
hadden. En deze geestelijkheid kenmerkte op de meest
nadrukkelijke wijze de dicht-samengedrongene vergade-
ringen, in verscheidene plaatsen, waar deze mannen af-
scheid namen. Zij verhaalden met bescheidenheid en
toch zonder schroom, van des Heeren goedheid jegens
hen en van de vreugde, om Hem te dienen; en deden
een beroep op jonge mannen, niet ten behoeve van
hunne zending, maar ten behoeve van hun Goddelijken
Meester. Nooit zijn zulke zending-vergaderingen bekend
geweest, als de afscheidssamenkomst in Exeter Hall,
op den 4l" Februari 188ó. Wij zijn nu gewoon geworden,
aan vergaderingen van min of meer dezelfde soort, maar
toen waren zy geheel nieuw. In vele opzichten is de
C. M. S. veel dank verschuldigd aan de C. I. M. (China
Inland Mission, of Chineesche Binnenlandgche Zending)
en het zevental van Cambridge. De Heere zelf sprak
door hen, en het was door Zijn genade, dat de C. M. B.
ooren had om te hooren."
_De tweede invloed, die de Geschiedenis noemt
is die van Keswjckj. Bijzonder gewag wordt
er gemaakt van de toenadering van Dr. Handley
-ocr page 98-
86             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Moule tot de gelederen van de sprekers te
Keswick. In 1884 had hij door een openbaar
schrijven een ongunstig gevoelen over haar leer
uitgesproken, zooals die in een boek door Rev.
E. Hopkins werd voorgesteld. Een wenig later
schreef hij weder en zeide dat hij nu, nadat
hij Mr. Hopkins ontmoet had, overtuigd was
dat de leer niet in strijd was met Gods woord
en zijne eigene beschouwingen, en niet verant-
woordelyk was voor de cntiek die er in omloop
was. Toen volgde deze treffende en roerende
belijdenis.
„Nooit — ik zeg dit met ernst en bedachtzaamheid —
heb ik eene leer gehoord, meer vreemd aan de dwaling
van Protectionisme (Volmaaktlieidsleer), en met meer
juistheid gebalanceerd in haar voorstelling vaumogelijk-
heden en perken. En ook werd ik nooit zoo persoonlijk
in rechtstreeksche aanraking gebracht met de oneindig
belangrijke werkelijkheid van /.elf-overgave aan den
Heere en de beloften van Zijne Goddelijke werkzaam-
heid, als Bewaarder van den geest aan Hem toevertrouwd,
eene werkzaamheid, welke slechts het heilig werk van
waken en bidden des te noodzakelijker maakt . . . .
Van persoonlijke bijzonderheden spreek ik niet; het is
genoeg als ik zeg, dat die weinige dagen een keerpunt
vormden, dat nooit vergeten moest worden in het geestelijk
leven, van ten minste één veelbehoevenden Christen."
En later schreef hij:
Niet vele jaren geleden werd ik, te midden van veel
twijfeltnoedigheid en niet te rechtvaardigen vooroordeel,
er toe gebracht, om zelf te luisteren naar wat er gezegd
-ocr page 99-
DE „CHURCH MISSIONARY SOCIETY".         87
werd op eene vergadering door mr. Evan Hopkins
geleid. Hij, die de harten doorzoekt, vond mij inderdaad
dien avond, en toen toonde Hij mij ook daar ter plaatse
iets van Zijne allergenadigste kracht, om, als antwoord
op het „vertrouwen van wanhoop aan zii-hzelven\'\' te
overwinnen en te bewaren, op eene wijze welke mij te
voren niet proef-ondervindelijk bekend was. Wie ben
ik, dat ik er van zou spreken ? Maar hoe mag ik zwijgen?"
Nog ééne gebeurtenis moet worden opgemerkt
om te verstaan hoe God den weg bereidde
voor de uitvoering van zijne plannen. Gedurende
de eerste jaren van haar bestaan, had Keswick
geen rechtstreeksch verband met de zending.
Toen Mr. Reginald Radcliffe om toelating er
van op het program pleitte, kon hij niet meer
er voor verkrijgen dan het gebruik van de Tent
des Zaterdags. Op de samenkomsten van het
tweede jaar trof het beroep van een C. M. S.-
zendeling, die Christelijke dames met private
middelen vroeg om als zendelingen naar het
Heilige Land te komen, vele harten. Tegen het
volgend jaar had de voorzitter van de Conventie
het groote beginsel „dat toewijding en de
Evangelisatie der Wereld samen moeten gaan"
gevat en uitgesproken, en toen werden zending-
samenkomsten in het officieel program opge-
nomen. Aan de vergadering op den Zaterdag
van dat jaar gehouden, zond een jonge man
een £ 10 noot „om te helpen een Keswick-
zendeling uit te zenden", en dit hielp om het
-ocr page 100-
88             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
fondament te leggen van een fonds waar zende-
lingen door Keswick uitgezonden en waaruit
zendelingen van verschillende genootschappen
ondersteund werden.
Wij wenden ons nu naar de Geschiedenis
van de C. ïf. S. Het jaar 1885 wordt als een
gedenkwaardig genoemd. In Januari 1885
werd de gewone Jaarlijksche Conferentie van
de Associatie Secretarissen in het C. M. S.
House gehouden.
„Op die Conferentie werd er gewag gemaakt van het
geestelijk karakter van de samenkomsten door Mr. Hudson
Taylor en zijne Cambridge recraten gehouden, en de
gedachte werd uitgesproken om, gelijktijdig, op verschil-
lende middenpunten, speciale vergaderingen te houden
om te pleiten op de voorspraak, niet van het Genootschap
maar van den Goddelijken Heer en Zaligmaker, op de
algeheelegehoorzaamheid en toewijding van Zijne knechten.
De wenk werd in het begin niet met warmte ontvangen. Er
was een niet geheel onnatuurlijk gevoel, dat het eenigzins
beneden de waardigheid van het „aanzienlijke oude Geuoot-
schap" zou zijn om de C. I. M. na te apen! Maar het was
deze wenk die vrucht droeg in de gelijktijdige Februari
bidstonden van 1880 en 1887."
Wekelijksche bidstonden werden begonnen
in het Kerkelijk Zending Tehuis. Twijfel werd
gekoesterd of men in staat zou zijn ze geregeld
aan den gang te houden. Doch nu zegt de
geschiedschrijver.
„Maar wie zou ze nu, na de ondervinding van veertien
jaren, doen ophouden? Wat zouden wij zonder dien
-ocr page 101-
DE „CHUKCH MISSIOXARY SOCIETY".         89
bidstond doen? Slechts in de eeuwigheid zullen wij weten
hoeveel het Genootschap aan die Donderdag-bidstonden
verschuldigd is.
In dezelfde maand werd er eenige weken na
de afscheids-samenkomst aan de Cambridge
Bende in Exeter Hall, eene andere vergadering
voor mannen aldaar gehouden, bijeengeroepen
door de Christelijke .Tongeling.s-Vereeniging om
aan de C. M. S. de gelegenheid te geven om
voor de zendingzaak te pleiten.
„In een opzicht was de samenkomst het kenteeken van
een nieuw doel in zending bijeenkomsten. Voor het
eerst stond de naam van het Genootschap uiet boven
aan de Kennisgevingen. Het opschrift was: „De eischen
van de Heidenen en de Mahomedanen". Dit was op zich-
zelven eene kleinigheid, maar toch was het een teeken
van revolutie. Van dien tijd af heeft de C. M. S.
er naar gestreefd om zijne vergaderingen te verheffen
boven het waterpas van het doel om geld voor een
Genootschap te verzamelen. De geheele zendingzaak,
in de wereld werd door die eenvoudige verandering
op een hooger platvorm geplaatst. Maar het moet niet
vergeten worden dat het voorbeeld reeds door Mr. Hudson
Taylor en zijn (\'. I. M. gegeven was. Van hen heeft de
C. M. S. de les geleerd.
Wij moeten Exeter Hall niet verlaten voor dat wij
eenige woorden van Dr. Moule gehoord hebben. Want
die vergadering was een van de meest gedenkwaardige
in de geheele geschiedenis van het Genootschap, en hij
zegt ons waarom dit het geval was: Er is nooit een
zendingbijeenkomst of zij is of behoort vol te zijn van
de tegenwoordigheid des Heeren. Maar is dit niet het
geval met deze bijeenkomst? Gevoelen wij allen het
niet? Wat heeft ons alhier te zinnen gebracht! Xiet de
-ocr page 102-
90             £ET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
bloote, hoewel heilige, jaarlijksche uitnoodiging, welke
wij verwachten, maar de roering van Gods Geest zichtbaar
in de wereld en in de kerk. Wij verkeeren inderdaad in
een tijd waarin God zichzelven laat gevoelen in den
geest, in het leven, in het geloof, in het werk van
mensehen, zichzelven laat gevoelen, niet met nieuwe kracht
want die is altijd dezelfde, maar langs wegen waarin
wij zijn gezegende hand met bijzondere helderheid moeten
zien. Ik geloof dat deze een zeer gewichtige avond is;
het kan een zeer gewichtige avond voor vele zielen
hier tegenwoordig zijn. Het is een gewichtige avond
voor menig zendiugveld; hiervan ben ik zeker. Het
is een gewichtige avond voor menig afgemat hart, en
menig getrouwe zendeling zal in zijn afgelegen werk-
kring, God danken als hij van dezen avond hoort. Ik
geloof dat het een gewichtige avond is voor ons dierbaar
kerkzending Genootschap (C. M. S.) en indien mogelijk,
voor onze nog dierbaarder kerk van Engeland, dierbaarder
voor ons, nader aan onze harten, meer voldoening gevende
aan onze gedachten, met eiken toegang welke wij hebben
tot de kennis van onzen Heer en van Zijne Genade en
van Zijne macht uit zijn dienst."
„Maar," zoo ging hij voort, „wij zijn hedenavond niet
hier om de kerk van Engeland, of de C. M. S. te prijzen.
Wij zijn in de tegenwoordigheid van onzen Koning; laat
ons onze gedachten op Hem, op Zijn wil samentrekken.
„Lieve vrienden, ik verlang, om zelf te spreken, onder het
besef van zijne Uoddelij ke tegen woord igheid.de tegen woor-
digheid die vrede is, die ook eene eerbiedwekkende heer-
lij kheid is, en ik wil zulks doen, er aan denkende, voor
spreker zoowel als voor hoorders, — dat zijn eiseh aan
elkeen zijner dienstknechten is, onvoorwaardelijke over-
gave, zonder beperkingen, zonder reservatiën, niets dan het
opgeven van onzen wil en van ons leven aan Hem, oui
Zijn wil te doen in de sterkte Zijner macht. Gij weet,
dat in de oude dagen van leenrecht, wanneer de leenman
-ocr page 103-
DE „CHURCH JIISSION\'ARY SOCIETY".         91
aan zijn lieer hulde deed, hij het volgende deed; hij
bracht zijne handen te zaaien en legde ze dan binnen
in de handen van zijn hoer, als bewijs van alge*
heele onderwerping aan zijn wil en bereidwilligheid tot
werken in zijn dienst. Deze is de eenige ware positie
voor de handen van een Christen — de handen, het
hart en de wil, de geest en het leven — de eenige
ware positie. Niet slechts de ééne hand, maar beide
handen geheel binnen in de handen van den Vorst, van
Hem, die oneindig veel meer is dan een Leen-Heer, die
despoot (eigenmachtige regeerder) is, heerlijke absolute
Vorst, met onbegrensde macht over zijne dienstknechten,
den oneindig vertrouwbare, den Eenigen vorst, den
Heere Jezus Christus, ü, laat mij dezen oogenblik
gebruiken, om te zeggen, wat ik niet meende te zeggen,
dat. dit heden avond, door middel van deze samenkomst,
als een persoonlijk beroep komt tot elkeen vau ons.
hier tegenwoordig. Het komt tot u, jonge mannen, die
in zidke massa\'s en scharen hier zijt, niet slechts omdat
gij hier zijt wegens ecne groote en belangrijke gelegen-
heid, maar omdat gij hier zijt voor het aangezicht
van den onzienlijken, den waarachtigen, den persoon-
lijken Heere Jezus Christus. Hij is hier voor Ui
Hij spreekt nu tot u door middel van deze verga-
deriiig als Zijn stem; en gij zult iets, in antwoord tot
Hem moeten zeggen, wat het ook al moge zijn —
gij zult moeten zeggen, of gij bereid zijt, om met
betrekking tot Zijn dienst, hetzij tehuis, hetzij in den
vreemde, hetzij in den meest algemeenen kring van bet
gewone leven, hetzij in de hoogste plaatsen van het
zendingveld, tot aan uwen dood, te leven als diegenen,
die hunne handen in de Zijnen gelegd hebben. En
verder, of gij duidelijk hebt ingezien, dat het middelpunt
vau uw leven overgegaan is van self tot op Christus, en
dat gij bepaald onder Zijne voeten hebt gelegd al de
begeerten om aandacht, terwille van uzelven, te trekken.
-ocr page 104-
92
HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
en alle roem, die op het eigen ik zal uitloopen, te verwerpen,
ja, zelfs liet geringste er van. Gij behoort Hem toe als
gij de zijnen zijt; en gij moet leven als degenen, (lic Hem
toebehooren. Al uwe winsten moeten in des meesters
beurs gaan en Hij moet beslissen, waar, boe en hoelang
gij zult moeten dienen."
Laat het in uwe gedachten gehouden worden, dat deze
toespraak geleverd werd, sleehls zes maanden na het
keerpunt in des spiekers geestelijke geschiedenis, waar-
van hierboven sprake was. Hooren wij niet in de uit-
drukkingen van Maart den weerklank van wat hij zegt
in September geleerd te hebben? — de weerklank ook
gehoord in het voortreffelijke lied, dat hij terzelfder tijd
schreef:—
„Mijn Vorst, mijn Gids naar Zion\'s oord,
Vat mijne band en leid mij voort,
Uw wil mijn wil te allen tijd,
Ik, u en uwen Troon gewijd".
„Maar het groots onderwerp van overdenking en
gebed tegen het einde van 1885, was de naderende
veldtocht van Gelijktijdige Samenkomsten, welke voor
de maand November bepaald waren, doch door de
Algemeene Heetie op zijde gedrongen werd en nu in
Februari 1880 ondernomen zou worden. Het voorstel, dat
in het begin met koudheid door den kring der C. M. S.
ontvangen werd, had stap voor stap zijn weg tot alge-
meene goedkeuring gewonnen en niet minder dan honderd
en zestig leeraren en leeken hadden beloofd, om als
gedeputeerden naar de verschillende middelpunten te
gaan.
„Klke poging werd aangewend, om door brieven, nieuws-
bladen en artikelen in tijdschi iften den C. M. S.-kring
met betrekking tot het doel van den veldtocht te
onderwijzen, namelijk, niet collecten voor de C. M. S.
te doen, niet de belangen van het Genootschap als
zoodanig te behartigen, maar de gewetens van Chris-
-ocr page 105-
DE „CHURCH MISSIOXARY SOCIETY".          93
tenen wakker te schudden met betrekking tot
hun
heiligen plicht jegens hunnen Heer en zijn
zaak,
wat ook al de bijzondere werkzaamheid welke
zij wilden gebruiken en ondersteunen, mocht zijn. Ken
uittreksel uit een artikel in de Intelligencer zal dit
punt ophelderen:
„Wij hopen ernstig dat al de sprekers, zonder uitzon-
dering met vastbevondenheid en zonder schroom, het
hoogste standpunt, in hunne toespraken zullen innemen.
De gelegenheid is niet een van die waarbij zelfs de
grappige ophelderingen, die billijk en met vrucht tot
afwisseling op eene gewone vergadering aangewend
kunnen worden, plaats hebben mogen. Vraagstukken
van Aardrijkskunde, Handel enz. zullen geheel buiten
de orde zijn. Dit zal ook het geval met alle strijd-
punten zijn. Bloote beschrijvingen van inboorlingvolkeu,
hunne maatschappelijke gewoonten en Godsdienstplech-
tigheden, zullen het voorgestelde doel geheel missen.
De houding van de sprekers voor het gehoor moet wezen
wat uitgedrukt kan worden in de woorden, „Ik hebeen
boodschap van God aan u". Hoe inoet de Evangelisatie
der wereld — het grootste van alle werken bij het licht
der eeuwigheid beschouwd — uitgevoerd worden? Wat
eischt zij van ons? — dit moet het thema van onze
sprekers bij deze gelegenheid zijn. Zoodanige thema
sluit niet uit een persoonlijk verhaal van een zendeling
of werkelijke ophelderingen van eenig soort uit het
zendingveld. Onlangs hoorden wij een dame — eene
medische zendelinge van het Zenana Genootschap der
Engelsche Kerk — in eene voorkamer bijeenkomst, op
de meest eenvoudige wijze, de geschiedenis van haar
eigen werk verhalen. Zij leverde niet eene preek, zij
hield niet eene redevoering; het was een eenvoudig
verhaal, met zeer weinige woorden van toepassing aan
het einde. Maar de toon, de geest, de taal, het groepeeren
van feiten waren van zoodanigeu aard, dat wij zelden.
-ocr page 106-
94             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
indien ooit, zulk een blijkbaar diepen indruk hebben
zien maken. Het gevoel aan bet einde was niet, „Dit
was eene fraaie toespraak", of. „Hoe goed beeft zij dit
gedaan!" of, „Zij schijnt een voortrell\'elijk en ernstig
ïnensch te zijn", of zelfs, „Waarlijk het moet een nuttig
• ienootschap zijn. Ik denk ik moet er lid van worden".
Neen. het was dit — Waarlijk, dit is des Heeren werk,
wonderlijk in onze oogen; en toch roept Hij ons om er
deel aan te hebben; niemand onzer wordt er van ver-
Bcboond; en met Gods hulp zullen wij van heden af
werken en bidden en jegens anderen getuigen zoo als
wij nooit te voren gedaan hebben". Wij begeeren op
onze Febrnari-sauienkomsten niet groote vertooningen
van welsprekendheid, maar wij begeeren dit!
„De Gelijktijdige Samenkomsten van Februari werden
in honderd en zeventig steden van Engeland en Wales
gehouden, terwijl men Londen en Ierland voorbijging
om ze later afzonderlijk te bearbeiden. Op eene voorloopige
conferentie zeide Mr. Blackwood, dat daar wij in de
beraming van plannen voor de samenkomsten in sympathie
waren met Gods voornemen wij verzekerd mochten zijn
van Gods tegenwoordigheid, in Gods kracht mochten
voortgaan, en de vervulling van Gods beloften mochten
verwachten. He week was, in een opzicht, een ongelukkige,
omdat namelijk, al de bisschoppen te Lambetb vergaderd
waren, zoo dat de meesten van hen niet persoonlijk
aan het werk konden deelnemen. Verscheidene echter
bedachten een plan om het te doen en anderen schreven
brieven van deelneming. Aartsbisschop Benson, vooral,
beloofde zijn dagelijksche gebeden gedurende de week
voor de Gelijktijdige Samenkomsten en voegde er een
van zijne beteekenisvolle volzinnen bij die niet vergeten
worden: „Wij zullen de uitwerking gevoelen." De woorden
waren eenvoudig genoeg maar zij dienden tot bewijs
van de juiste waarheid. Want de samenkomsten hadden
niet allen een goed gevolg. Het was, zooals een schrijver
-ocr page 107-
DE „CHURCH MISSIOXARY SOCIETY".         95
het uitdrukte, een dag van kleine dingen, en ofschoon
men van meer dan de helft der plaatsen rapporteerde:
„Nooit werd er zulk een vergadering te .... gehouden",
toch ontstond de vraag als men die rapporten nu leest:
„Was dat al?" En toch hebben wij gewisseiijk „de
uitwerking gevoeld". De beweging was grooter dan
slechts de opsomming van hare deelen. De gelijktijdigheid
van de vergaderingen liet zich gevoelen. De aandacht
van het publiek was gaande gemaakt. Het werd gezien
dat de zending niet meer eene liefdadige inrichting was
die om geld vroeg, maar wel eene groote en heilige zaak
die de eerste plaats de aandacht der Kerk en de aandacht
van eiken Christen eischt, en verdient.
„Eindelijk komen wij tot nog <5éne van de uitstekend
belangrijke gebeurtenissen van het jaar 18S7 — het
aannemen van de gedragslijn des Geloofs (Policy of Faith).
Het geschiedde op deze wijze. Van de wonderlijke
zendingbijeenkomst op de Keswick Conventie, van Juli
in dat jaar, werd vroeger gewag gemaakt. Wij zullen
later zien welken invloed deze vergadering had op het
bezigen van vrouwen als zendelingen door het Genoot-
schap. Maar op den Maandag, die op dien gedenkwaar-
digen Zaterdag volgde, keerden Mr. Webb-Peploe en
Mr. James Johnston van Lagos terug naar Londen, en
deelden op de gewone C. M. S.-Commissie-vergadering
van den Dinsdag, aan het Genootschap mede, wat zij
gezien en gehoord hadden. Een plechtigen indruk werd
gemaakt, en men bad ernstig dat God, hetgeen een
belangrijke spoorslag tot zeudingwerk mocht blijken te
zijn, besturen mocht, en dat Hij ook het Genootschap
in zijne betrekking tot de geestelijke bewegingen van
den dag mocht leiden. Na de vacantie, nam de Algemeene
Commissie wederom de positie, bij het licht van een
rapport der Begrootings Commissie, in overweging, en
waarschuwde het Genootschap dat kandidaten sneller
vermenigvuldigden dan fondsen.
-ocr page 108-
96             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Bij beide gelegenheden werden de beraadslagingen
met veel ernst en eerbied gevoerd, en met de duidelijke
begeerte om den wil des Heeren te kennen en te doen.
Aan de eene zijde redeneerde men dat liet werk beperkt
moest worden naar de fondsen welke bet Genootschap
ter beschikking had. Van de andere zijde voerde men
aan, dat de mannen, die nu met meer vrijmoedigheid
voorwaarts kwamen, ongetwijfeld mannen waren door
God gezonden, en, indien dit zoo was, zou het dan niet
een redelijk geloof zijn om van Hem, in alle nederigheid,
de middelen te eischen om hen te onderhouden en er
verzekerd van te zijn dat Hij gewis, op zijne eitren wijze,
voor hen voorzienig zou maken? Uiteindelijk nam men,
na vurig gebed, liet besluit om geen gesohikten kandi-
daat van de hand te wijzen, en geen zendeling,
die bereid is orn heen te gaan, terug te houden,
alleen wegens gebrek aan geld.
„Niemand wist toen dat dit slechts een terugkeeren was
naar de wijze van handelen, met nadruk vroeger in het
Jaar-Rapport van 1883, door het Comité aangekondigd.
Dit feit werd eerst tien jaar daarna ontdekt. God leidde
de Commissie wederom langs een weg dien zij niet wist.
Ook droomde zij niet van wat de gevolgen van dit
besluit van 1887 zouden zijn. Er gingen zeven jaren voorbij
voordat men er een besef van had. Maar God gaf het
Genootschap genade om bij het besluit te blijven en
Hem te vertrouwen, en dat vertrouwen beloonde Hij in
eene overvloedige mate zoo als wij straks zullen zien.
„Ondertussehen werd er, onder een diep gevoel van
behoefte aan zulke bijzondere genade, en aan het ver-
spreiden van een geest van nederig geloof en vanonvoor-
waardelijke toewijding aan den dienst van Christus in
den kring van de C. M. S. eene schikking gemaakt om
eene Toewijdiugs Vergadering van een geheelen dag in
Exeter Hall te houden. Deze vergadering werd op den lld,;u
Januari 1S88 gehouden. Men hield drie bijeenkomsten.
-ocr page 109-
DE „CHURCH MISSIONARY SOCIETY".         97
„Vier van de zes sprekers behoorden tot de meest
voortreffelijke Keswii\'k leidslieden. De drie onderwerpen
van den dag waren: Geestelijke Tekortkomingen,Geeste-
lijke Mogelijkheden en Geestelijke Beslissingen. Voor
degenen die den geheelen dag tegenwoordig waren was
het een dag van veel geestelijk onderricht en stichting.
De Commissie had hare vrienden nitgenoodigd om zich
voor God te verootmoedigen wegens alle tekortkomingen
en gemengde beweegredenen, en gehrek aan ijver en
liefde; om zich plechtig aan Zijn dienst te wijden, en
om Zijn zegen te pleiten. Aan deze uitnoodiging werd
op hartelijke wijze voldaan.
„Zoo eindigen wij het verhaal van die drie gedenk-
waardige jaren. Het is des Heeren werk en het is
wonderlijk in onze oogen".
Het feit, dat vier van de zes sprekers Keswick j
leidslieden waren — de heeren Handley Mi mie,
Webb-Peploe, C. A. Fox en E. Hopkins — be-
wijst hoe nauw de beweging tot het verdiepen
van geestelijk leven te Keswick, en de ver-
levendiging van den zendinggeest in het Genoot-
scbap aan elkander verwant waren. Het
verkondigt, als met de stern van een bazuin,
de groote waarheid, dat als de kerk wakker
geschud zal worden om haren plicht met
betrekking tot de evangelisatie der wereld te
doen, er niet alleen moet zijn een beroep ten
behoeve der zending, maar de levende onder-
vinding van de kracht des Geestes welke de
sprekers geschikt zal maken om zich op de
rechte beweegreden te beroepen, en de kerk in
-ocr page 110-
98             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
staat stellen zal om aan dat beroep te voldoen
door zich persoonlijk en met het geheele hart aan
den Heere Jezus en Zijnen dienst toe te wijden.
Tot het jaar 1890 komende zegt de geschied-
schrijver:
„Deze Geschiedenis heeft te voren gewezen op den
invloed door de Keswick Conventie op het Genootschap
uitgeoefend, en het is een ander indirect gevolg van dien
invloed dat nu dient opgemerkt te worden. Het gebeurde
dat in 189Ö verscheidene Evangelische leeraren, die
verondersteld werden zich buiten de Keswick beweging
te houden, voor het eerst op de Conventie tegenwoordig
waren, de meesten hunner als hoorders. Een gesprek
over de behoeften van de C. M. S. was aanleiding tot
eene private conferentie waarop eenige van de leidslieden
der Conventie, die tevens ondersteuners van het Genoot-
schap waren, zich bevonden. Het gevolg was dat er
een brief opgesteld werd ter verzending aan hetC.M.S.
Comité, die door hen die tegenwoordig waren onder-
teekend en aan den Secretaris te Londen verzonden
werd. Dit document werd later bekend als „De Keswick
Brief", ofschoon hij niet van de Conventie was uitgegaan,
maar slechts van een kring beproefde vrienden van het
Genootschap. Ongetwijfeld echter, werd hij bezield door
den invloed van de plechtige en roerende vergaderingen
welke gehouden werden. Men had de Stem des Heeren
gedurende die week zeer duidelijk gehoord. De zonde
van den Heilige Israels perken te stellen, de aanspraak
van Christus op al wat zijn volk is en bezit, de verbazende
mogelijkheden voor een geloof dat zich niet op een inensch,
maar op Hem alleen verlaat, dit alles had men met
groote kracht voor de aandacht van de bijeen verzamelde
scharen gebracht en de toepassing was duidelijk, niet
alleen op persoonlijke belangen, maar ook op het werk
-ocr page 111-
DE „CHURCH MISSIOXAHY SOCIETY".          99
der Kerk in do wereld. In dezen zin was de uitdrukking,
„Keswick Brief" juist.
„De brief vestigde de aandacht op de dringende behoeften
van Indië, het jongste beroep ten behoeve van China
door de .Shanghai-zendelingen Conferentie gezonden, en
de AfrikaanFche stammen op Mr. Stanley\'s laatste reis
ontdekt. „De zaak", zoo zeide de brief, „is, wanneer wij
haar uit alle oogpunten beschouwen, zoo verontrustend,
dat zij een voortgang op groote schaal onder de bestu-
rende hand van God rechtvaardigt", en men ging voort
om aan de hand te geven dat een beroep om duizend
zendelingen voor „de volgende weinige jaren" uitgevaar*
digd zou worden. Green tijdperk werd genoemd. Sommigen
zeiden, „Bij het eeuwfeest", anderen wilden een nog
korteren tijd, maar de brief liet dit eene opene vraag.
„Wij zijn er verre van af", voegde de brief er bij, om
te begeeren dat de standaard van geestelijk leven en
onderricht, in de zendelingen lager gebracht sou worden;
daarentegen dringen wij er op aan dat niemand voor eenig
gedeelte van het werk zou worden aangenomen, die niet
bewijs geeft van eene begeerte om zielen te zoeken, en
van eene kracht om ze voor Christus te gewinnen". De
brief was gedagteekeud den 2öcn, en werd door de
C. M. S. Commissie ontvangen op den 29\'". Een dank-
bare en hartelijke resolutie werd met eens gepasseerd,
en de verdere overweging uitgesteld tot na het reces.
Ondertussehen maakten beoordeelaars en tegenstanders
spoedig hunne beschouwingen bekend. Wat zou er van
de heidenen bij onze deuren worden als iedereen naar
het buitenland ging? Het scheen de ontwerpers van
deze vraag niet voor den geest te komen, dat indien één
duizend uit de vijfduizend gemeenten, die tot de fondsen
van de C. M. S. bijdroegen, ernstige ondersteunsters waren,
de brief slechts om één arbeider uit elke gemeente vroeg!
Inderdaad was het gebrek van sommige evangelische
leden der Engelsche Kerk om de verbazende oneven-
-ocr page 112-
100            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
redigheid van het aantal arbeiders thuis in vergelijking
met dat van liet Buitenland op te merken, nooit droe-
viger zichtbaar, dan nu.
In October begon het comité te werken, door zorgvuldig
onderzoek te doen naar de behoeften en sub-comités aan
Ie stellen om wenken in overweging te nemen. In Decem-
ber. toen vele vrienden om eene meer duidelijke uitdruk-
king van liet gevoelen der Commissie aangaande het
voorstel van een duizend zendelingen gevraagd hadden,
nam men eene reeks van belangrijke resoluties aan, in
verband met den algemeenen omvang van zending-onder-
ueming. de dringende behoefte aan arbeiders en de plicht
om met nauwkeurigheid eene hooge standaard in het
aannemen van candidaten te handhaven; terwijl het werd
vastgesteld, dat indien de verantwoordelijkheid der kerk
jegens haar Goddelijk Hoofd door de tienduizenden leden
der C. M. S. behoorlijk erkend werd, zij zich niet te
vreden zouden stellen met de uitzending van slechts een
duizend additioneele arbeiders.
Het kan niet gezegd worden dat deze roepstemmen
tot eenige spoedige en bepaalde gevolgen geleid hebben.
Ook mag het niet gezegd worden dat de gedachte aan
duizend zendelingen lang in den geest van de commissie
gebleven is, en dat men op de vervulling er van gewacht
heeft. Xochthans had de Heere Zijne eigene plannen,
die ofschoon nauwelijks opgemerkt, toch aan het rijpen
waren. Voor dat het jaar van het Eeuwfeest begon,
1899, was het aantal namen op de rol met meer dan
acht honderd vermeerderd, leeraren, leeken, gehuwde
en ongehuwde vrouwen, en alle waarschijnlijkheden
wijzen er heen, dat er meer dan duizend zullen zijn voor
dat tien jaren na het schrijven van den Keswick Brief
verstreken zullen zijn. Dit zou eene vermeerdering zijn,
van drie maal zoo veel, als in vorige jaren.\')
i) Voordat do tien jaren waren verstroken was het getal
werkelyk tot over de duizend gestegen.
-ocr page 113-
DE „CHüRCH MISSIONABY SOCIETY". 101
Xa eene mededeeling van hoe «Ie Keswick Brief geleid
had tot een stelsel van toegeëigende contributies waar-
door enkele personen of gemeenten een eigen zendeling
voor eigene rekening namen, en vele duizenden ponden
jaarlijks bij de inkomsten van liet Genootschap gevoegd
werden — in het jaar eindigde Maart 1898, £ 5700
— laat de geschiedschrijver volgen: „De Keswick
Brief van 1890 richtte, direct of indirect, meer uit, dan
zelfs de onderteekenaars verwachtten. Hij was inderdaad
slechts een instrument in de hand Gods om in beweging
te zetten of een stoot te geven aan zekere invloeden,
die een groot aandeel hadden aan den jongsten vooruit-
gang van de C. M. S. In al zijn voortgang mag liet
Genootschap wel met den Apostel Paulus zeggen: „Doch
niet ik, maar de genade Gods die met mij was.""
Voor dat wij de Geschiedenis van het
Genootschap ter zijde leggen, halen wij nog
een paragraat\' uit het laatste hoofdstuk aan:
Wij hebben in onze lange beschouwing geleerd dat de
vooruitgang der zending afhangt van geestelijk
leven. Evangelische Rechtzinnigheid is op zich zelve
krachteloos in het verspreiden van bet evangelie. Onbe-
rispelijke Protestantsche onderwijzing op den kansel, en
de eenvoudigste en meest schriftuurlijke eere-dienstkun-
nen aangetroffen worden in vereeniging met de algeheele
verwaarloozing van des Heeren groeten opdracht. Laat
den Heiligen Geest zelf de harten aanroeren en de oogen
verlichten, en de bekeering der onbekeerden wordt een
zaak van ernstig belang. En zoo hebben wij in deze
bladzijden gezien hoe veel de hedendaagsche ontwikkeling
der zending verschuldigd is aan de geestelijke bewegingen
van dezen tijd. In een woord, ware Toewijding aan
den Heer en de Evangelisatie der wereld gaan
samen. De laatste is afhankelijk van de eerste. De
Geschiedenis heeft ons aangetoond hoe honderd jaar
-ocr page 114-
102           HET VKAAGSTUK DER ZENDING.
geleden de zendingbeweging uit de Methodisten Herleving
ontstaan is; hoe de eerste Duitsche zendelingen de vruchten
waren van de Piëtisten beweging op het Vasteland; hoe
de jongste toeneming van zendingijver in de Kngelsche
Kerk in geen geringe mate toe te schrijven is aan den
invloed van een Anierikaansehen Evangelist en van een
Chineeschen Zendeling met een vrije lans, geen van
beiden een lid van de Kngelsche Kerk. God heeft ons
getoond dat Hij een Vorst is, en dat Hij werkt naar den
raad van Zijn Wil, somtijds door middel van de meest
onwaarschijnlijke instrumenten — omdat het Hem behaagt
die instrumenten met Zijn Geest te vervullen\'\'.
Wij hebben gezien uit de geschiedenis van Dr.
Monle, uit den Keswick-Brief, uit de voorname
plaats aan Keswick-sprekers gegeven tijdens
sommige van de keerpunten in de geschiedenis
van de C. M. S , hoe nauw het verband was
tusschen de Keswick-Beweging voor het ver-
diepen van geestelijk leven en de verlevendiging
van zending-leven en geestdrift in het Genoot-
schap. God stereotypeert niet de bewegingen
en methoden waardoor Hij Zijne zegeningen
zendt. Maar Hij wil dat Zijne kinderen in elk
geval leeren zullen wat de geheime bron van
den zegen was. Wat was de kracht in de
Keswick-Conventie en in den zegen dien zij
uitwerkte! Het antwoord kan gevonden worden
in de uitdrukking — het Verdiepen van het
Geestelijk Leven.
Niemand kan de waarde van Keswick ver-
staan, die niet de volle waarde hecht aan het
-ocr page 115-
DE „CHUKCH MISSIONARY SOCIETY". 103
diep besef bij vele geloovigen van een gebrek
in het geestelijk leven, en het geloof dat eene
bepaalde vernieuwing en versterking er van
mogelfjk is. De bewustheid van dat gebrek
werd over het algemeen gevoeld in verband
met de pijnlijke ondervinding van de macht
der zonde in het dagelijksch leven. De levens-
beschrijving van den eersten stichter der
Conventie, Canon Battersby en van het jongste
lid dat op hun platform heeft gesproken,
Rev. G. H. C. McGregor, bewijzen dit. Zij
waren beiden mannen van merkbare Gods-
zaligheid in leven en in toewijding aan het
werk van hun Meester. Maar er was een
geheime ontevredenheid en zelfveroordeeling.
"Waarom was het, vroegen zij, dat humeur,
zelfzucht, wereldsgezindheid zoo dikwijls de
overhand kregen en de ziel van haren vrede
beroofde? Al hunne worstelingen en gebeden
schenen vruchteloos te zijn; er kwam geene
verlossing. Zij hoorden menschen getuigen dat
zij eens in denzelfden toestand waren, en dat
zrj ontdekt hadden dat dit te wijten was aan
het feit dat zij Christus niet in zijne volle
reddende macht kenden.
Het werd hun
gezegd dat er eene verlossing was van de
macht der zonde, die Christus geven kon, niet
als eene verwijdering van de smet der zonde
uit de natuur maar als eene gedurige bevrijding
-ocr page 116-
104             HET VRAAGSTUK DER ZENDIXG.
van hare macht uit kracht van zijne eigene
tegenwoordigheid en bewarende macht. Terwijl
zij luisterden zagen zij in hoe weinig geloof zij
hadden in die kracht als een werkelijke voort-
durende ondervinding. Zij zagen in Gods woord
dat dit was hetgeen Christus kon doen en wilde
doen, en dat van hunne zijde niets noodig was
dan eene nieuwe — en nu, in de verzekering
dat Hij er toe geschikt zou maken, eene volle —
overgave aan Zijne bewaring en dienst. Zij
gaven zich over, zij geloofden, zij vertrouwden
zich den Heere toe op eene wijze hun te voren
onbekend, en zij getuigden dat Christus getrouw
was en hen voerde tot een leven van gemeen-
schap, van vrede en van kracht onder Zijne
eigene bewaring, zooals zij nooit te voren ge-
kend hadden. En het was de levende getuigenis
van dezen en van anderen die aan het „Keswick
platform" deszelfs wonderbare aantrekkelijkheid
en kracht gaf. Menschen stonden daar als
levende getuigen van de macht van Christus,
in de verlossing van de kracht der zonde in
het dagelijks leven.
Rondom de drie woorden, Zonde, Geloof, Toe-
wijding — een diep gevoel van zonde was dikwijls
het eerste teeken dat het onderwijs ingang
vond — bewoog zich onophoudelijk het geheele
Keswick-onderricht. George McGregor schreef van
Keswick, nadat hij daar den zegen had gevonden:
-ocr page 117-
DE „CHURCH MISSIONARY SOCIETY". 105
„Ik heb ontelbare lessen geleerd, vooral deze: mijn
eigene zondigheid en tekortkoming. Ik ben geheel
doorzocht geworden, en ontbloot, en opengesteld en door
Gods licht doorgrond. En toen leerde ik de onnaspeur-
lijkheid van Christus. Gij kunt nauwelijks voorstellen
hoe Christus hier groot gemaakt wordt. Ik heb ook de
volstrekte noodzakelijkheid van gehoorzaamheid geleerd.
Als men gehoorzaamheid en geloof heeft is niets
onmogelijk".
Zijn levensbeschrijver, sprekende over zijn
zenuwachtig gestel, dat zich in een haastig
humeur openbaarde, en over de gedachte dat
het een kruis was dat gedragen moest worden,
zegt:
..Te Keswick leerde hij om anders hier over te denken.
Daar leerde hij het, zoo als nooit te voren verstaan, dat,
het toegeven aan eenige zondige neiging, hoe diep die
ook in zijn natuur geworteld mocht zijn, en al ware die
ook twintig maal overgeërfd, zonde is. En God wil
niet dat Zijne kinderen aan eenige zonde zullen toegeven,
of in eenige zonde zullen leven. Hij roept menschen
tot heiligheid en als Hij dit doet, drijft Hij niet den
spot met hen door onmogelijkheden van hen teeischen.
Mr. Mc. Gregor had in zijn tijd van zelfvernedering te
Keswick een diep besef van het kwaad van deze zijne
boezemzonde, een slecht humeur, en deed er bijzonder
belijdenis van voor God. En toen Hij na deze dagen
van toewijding, Keswick verliet, liet hij gewisselijk ook, in
ecne groote mate, zijn kwaad humeur achter. Van dien
tijd af, was hij zekerlijk, in dit opzicht, een ander man."
Paulus schreef aan de Corinthiërs, dat daar
er nog strijd en verdeeldheid onder hen ge-
vonden werden, zij nog vleeschelijk en niet
-ocr page 118-
106            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
geestelijk waren. Een van de hoofdkenmerken
van de begeerte om waarlijk geestelijk te zijn
is de begeerte om niet meer te zondigen, om
verlost te worden van de kleine zonden, welke
de gewone Christenheid, helaas, zoo gemakkelijk
verdraagt. Als deze begeerte zich ontwikkelt
tot geloof, dan wordt de ziel tot eene geheel
nieuwe en veel helderder bewustheid van de
kracht van Christus om te redden, gebracht,
en zij leert hoe levend en diep de beteekenis
van het geloof is, als zij leeft door het geloof
aan Hem die haar lief gehad, en zich voor
haar overgegeven heeft en die nu in ons leeft
en Zelf onze Bewaarder is. De nieuwe onder-
vinding van hetgeen Christus voor iemand zelf
gedaan heeft, leidt tot een grooter vertrouwen
van wat Hij voor anderen doen kan, en geeft
eene puntigheid en eene moedigheid aan het
getuigen voor Hem waardoor er een nieuwe
toon in iemands preeken en spreken gebracht
wordt. Christus wordt meer bepaald het middel-
punt van alle denken en werken, tegelijk de
bron, het onderwerp en de kracht van al ons
getuigen. Hiermede wordt de aanspraak van
Christus en Zyne dienst op onze toewijding en
getrouwheid en algeheele overgave al duidelijker,
en het wordt gezien dat de algeheele heiliging,
waarvan men bij de bekeering nauwelijks een
begrip had, tegelijk onze eenvoudige plicht en
-ocr page 119-
DE „CHURCH MISSIONARY SOCIETY". 107
ons hoogste voorrecht is. Een werk voor Christus,
of liever een leven geheel overgegeven om te
leven voor Hem en voor de zielen die Hij lief
heeft, wordt het voortdurend streven van de
verloste ziel.
In het onderwijzen van deze waarheden werd
men te Keswick natuurlijk geleid om nadruk
te leggen op de machtige reddende kracht van
Christus, op de zonde van Hem perken te stellen,
op de roeping van Hein door een onbepaald
vertrouwen te eeren en op Zijn aanspraak op
een leven geheel aan Zijn wil en Zijn dienst
gewijd. De overgang van de gedachte van
geloof en heiliging in verband met persoonlijken
zegen, tot de aanwending er van tot een leven
overgegeven om zielen voor den Heiland te
winnen, is eenvoudig en zeker. En velen hebben
bevonden dat hetgeen in het begin ter wille
van persoonlijken zegen gezocht werd, de kracht
wordt tot een leven van zegen voor anderen.
En alzoo wordt het verdiepen van het
Christelijk leven de kracht van eene
nieuwe toewijding aan de zending en
aan het Koningrijk van onzen Heer.
Het is deze waarheid die ons door het verhaal
van de C. M. S. wordt geleerd. Deze is de les
welke de geheele kerk van haar leeren kan in
haar zoeken naar den sleutel van het vraag
stuk der zending. Velen kunnen nooit eene
-ocr page 120-
108            HKT VRAAGSTUK DER ZENDING.
Conventie bijwonen. Het mag moeilijk of
onmogelijk schijnen om onze groote kerken en
genootschappen gelijktijdig te bewegen, ten einde
het leven werkelijk verdiept en geschikt te
krijgen voor het ontzaglijk werk dat in den
naam van dit geslacht ondernomen is. Laat er
een begin gemaakt worden met enkele gemeenten.
Laat de leeraar leeren en onderwijzen dat alle
gebrek aan belangstelling in geven en bidden
voor de zending te wijten is aan een zwak
oppervlakkig geestelijk leven.
Laat hem
zijne gemeente oproepen om hem te volgen terwijl
hij tracht om hen tot een dieper geestelijk
leven te leiden. Laat hem spreken over de
zonde en over Christus als den Verlosser er
van; over het geloof in Christus als in staat
om meer uit te richten dan wij ondervonden
of verwacht hebben; over algeheele toewijding,
het opgeven van onzen wil en al wat wij hebben,
om geheel onder het beheer van onzen Heer
te zijn, als de eenige deur tot blijvend geluk
en waren dienst. Laat hem pleiten op de
liefde en de eer van Christus, op de behoefte
van den heiden, op het onbegrijpelijk voorrecht
van een kanaal der Goddelijke liefde tot menschen
te zijn en menschen bewegen om met hun
geheel hart voor Christus te leven. Laat hem
spreken over het werken voor Christus onder
degenen die nabij of die verre zijn als de eene
-ocr page 121-
DE „CHURCH MISSIONABY SOCIKTY". 109
zaak waardoor wij ons geloof\' en onze liefde
bewijzen kunnen. Laat hem de menschen
samen roepen om te bidden om de werking van
den Heiligen Geest in henzelven, om ze voor
het zendingwerk geschikt te maken. Laat hem
aanmoedigen het geloof, dat de Heere aan
menschen, die zich in eenvoudigheid aan Hem
overgeven en op Zijne leiding wachten, toonen
zal wat Hij door hen gedaan wil hebben. Terwijl
het verdiepen van het geestelijk leven en de
toewijding aan de zending te zamen gezocht
worden, zal het eene op het andere terug werken,
omdat beiden hun wortel in Jezus Christus
zelf hebben, die zich opnieuw als Zaligmaker
en Heer heeft geopenbaard.
Wanneer zulk een nieuwe openbaring van
Christus plaats heeft, en er eene nieuwe ver-
houding tot stand komt, wordt het gebed de
vrijwillige wending van den enkele, of van eene
verzameling van geloovigen, tot Hem die Zijne
macht aan hen getoond heeft en van wien zij
weten dat de kracht komen zal voor al wat
zrj te doen hebben en voor al het werk dat
gedaan moet worden. Voor het droevig klagen
over gebrek aan tijd of hart voor veel gebed,
voor het vergeefsch geroep om meer gebed, is
er maar een geneesmiddel — een gezond gees-
telijk leven. Het zending-vraagstuk is persoonlijk.
Leid menschen voor de verlossing, die daar is
-ocr page 122-
110            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
in Christus Jezus, uit het half-hartig wereldsch
leven, dat zij leiden, terug naai- de „eerste
liefde" van eene persoonlijke gehechtheid en
toegewijdheid aan den levenden, lievenden
Christus, en laat hen zien dat er geen waar
leven is dan het leven van toegewijdheid aan
Zijn Koningrijk en het gebed — verborgen
zoowel als vereenigd — zal stroomen en de
zegen dien het van den hemel nederbrengt
zal de kerk bereiden om te arbeiden zooals zij
nooit gedaan heeft, en om zegen te zien boven
al wat wij bidden of denken kunnen. \')
i) Heden, juist terwijl ik dezo bladzijden over het verband
tusschen het geestelijk leven en de vermeerdering van belang-
stelling in de zendingzaak overlees, ontving ik een brief van een
jongen leeraar, mg meldende dat hij en zijne gemeente zeerrijken
zegen ontvangen hadden gedurende de tien dagen van vereenigd
gebed tusschen Hemelvaarten Pinksteren. Hij schrijft: „Persoonlijk
was de zegen ook groot; zoo als nooit, te voron, verstonden wij de
aanneming van den Heiligen Geest door het geloof". Later voogt
h\\j er bij: Een godeelto van den zegen ontvangen is eene geheel
nieuwe en diepe belangstelling in de zending. Bijgevolg was mijn
eerste preek na Pinksteren een zendingpreek. Door de kracht
van den Heiligen Geest kwam meer dan een tot overtuiging hoe
schrikkelijk zondig onze toestand, van bijna niets voor die heerlijke
zaak te doen. is".
Het zendingvraagstuk is persoonlijk. Overwoeg de geschiedenis
van /Cinzenderf en zijne Moraviërs, van de C. M. S. on zijne leids.
lieden, en gij zult, ervaren dat do versterking van het geestelijk
leven, do gemeenschap en de ondervinding van do liefde van
Christus de zekero weg is tot ware toewijding aan de zending.
-ocr page 123-
HOOFDSTUK V.
£c «thina 3nlantiscïjc iScnbing
en het (öebcb bes (Scloofs.
/^vP de Conferentie te Xew-York, werd de
China [nlandscbe Zending meer dan eens
genoemd. Onder aanvoering van een man
des geloofs, had God. in den loop van dertig
jaren, 600 zendelingen uitgebracht, zonder
eenigen waarborg van fondsen tot hun onder-
houd, behalve hetgeen God in antwoord op
het geloovig gebed van tijd tot tijd geven zou.
Wij hebben reeds gezien hoe sterk de geschied-
schrijver van de C. M. S. zich uitlaat over den
zegen door het oudere Genootschap van de
China Inlandsche Zending ontvangen, die haar
er toe aanzette om de „Gedragslijn van Geloof"
eene groote plaats in haar werk te geven.
Indien de kerk over het algemeen voordeel
trekken zal van het voorbeeld, dan is het van
belang dat alle Christenen, die deel nemen in
de ondersteuning der zending, weten zullen
wat het geheim van deszelfs kracht was. Men
behoeft de methoden en de organisatie ervan
niet na te bootsen. Er bestaat overal in de
-ocr page 124-
112            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
kerk groote behoefte, om van alle zijden te
leeren, langs welken weg de kracht Gods in
de zending genoten kan worden.
0)i de Conferentie te New-York sprak Mr.
Hudson Taylor over de bron van kracht voor
de Christelijke Zending en gaf hij een voorbeeld
uit eigene ondervinding van wat het geloovig
gebed vermag.
Ik haal het volgende, eenigszins breedvoerig,
uit zijne toespraak aan:
„God zelf is <le groote bron van kracht. De sterkte is
Gode\'\'. . . . En Gods kracht is beschikbare kracht. Wij
zijn een bovennatuurlijk volk, herboren dooreene boven-
natuurlijke geboorte, bewaard door een bovennatuurlijke
kracht, onderhouden door een bovennatuurlijk voedsel,
onderwezen door een bovennatuurlijken Leermeester, uit
een bovennatuurlijk bock. Wij worden door een hoven-
natuurlijken Leidsman, langs rechte wegen tot gewii-se
overwinningen geleid. De opgewekte Heiland zeide,
voordat Hij opvoer in de hoogte. „Gij zult kracht ont-
vangen als de Heilige Geest over u gekomen zal zijn!
Niet vele dagen daarna kwam de Heilige Geest, in
antwoord op vereenigd en volhardend gebed, over hen,
en zij werden allen met hem vervuld. Looft God, Hij
blijft nog met ons. De kracht die wij ontvangen is niet
eene gave van den Heiligen Geest. Hij zelf is de kracht.
Heden is Hij zoo werkelijk beschikbaar en zoo machtig
in kracht, als Hij op den Pinksterdag was. Maar heeft
de kerk ooit, sedert de dagen vóór Pinksterfeest, alle
ander werk ter zijde gezet en toen dagen lang op Hem
gewacht, opdat die kracht openbaar zou worden ? Is er
niet hier een oorzaak van gebrek geweest? Wij hebben te
veel aandacht gegeven aan methoden, en aan machinerie
-ocr page 125-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          113
«n aan hulpbronnen en te weinig aan de Bron van
Kracht — de vervulling met den Heiligen Geest. Dit,
— ik meen, dat pij het mij toestemmen zult — is de
groote zwakheid, is in het verleden de gr ote zwakheid
in ons werk geweest en zal, tenzij het verholpen wordt,
de groote zwakheid van de toekomst zijn. Het wordt
ons bevolen met den Heiligen Geest vervuld te zijn.
Indien wij niet vervuld zijn, leven wij in ongehoorzaain-
heid en in zonde, en de oorzaak van onze zonde, is de
oorziiak van de zonde van Israël van den ouden dag —
de zonde van ongeloof.
„Op Gi d te wachten is niet verloren tijd. Mag ik
verwijzen naar eene kleine vergadering van omtrent een
dozijn mannen, waaraan het mij, eenige jaren geleden,
in November 1886, vergund werd deel te hebben? Wij
gevoelden in China\'s Inlandsc.be zending gmotelijks de
behoefte aan Goddelijke leiding ten opzichte van oma-
nisatie in het veld, en ten opzichte van versterkingen, (meer
arbeiders), en kwauijn dus vóór de Conferentie te zamen,
om acht dagen, in vereenigd wachten op God, door te
brengen. Om den anderen dag hebben wij gevast zoowel
als gebeden. Het was in de maand November 1SS0, dat
wij samen kwamen, en wij werden geleid om te bidden,
om honderd zendelingen, die door onze Engelsche
Commissie, in het jaar 1887 — van Januari tot December
zouden worden uitgezonden. En voorts, onze inkomsten
waren gedurende eenige jaren niet rekbiar geweest; zij
hadden omtrent £ 22.000 bedragen en wij moesten God,
in verband met die Voorwaartsche Beweging om £10.000
boven het inkomen van het vorig jaar, vragen. Meer dan
dir, wij werden bestuurd om te bidden, dat dit bedrag
in groote sommen gegeven zou worden, opdat de tijd
van onze arbeiders niet al te zeer door de erkenning
van bijdragen zou worden opgenomen. Wat was het
gevolg? God zond ons in het volgend jaar meer dan 600
aanbiedingen tot dienst, van mannen en vrouwen. T>ie
8
-ocr page 126-
114            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
men bereid en geschikt achtte, werden aangenomen en
uitgezonden naar China; en aan het einde van het jaar
bleek het, dat er juist honderd gegaan waren. Wat
omtrent de inkomsten? God gaf ons niet juist de
£10.000 waarom wij gevraagd hadden, doch Hij gaf ons
£11.000, en die £11.000 kwamen in elf bijdragen, waar-
van de geringste £ 600 en de grootste £ 2.500 was. Wij
hielden in November een dankstond voor de arbeiders
en het geld, die aan het komen waren, doch voor liet
einde van December 1887, was alles ontvangen en
verzonden.
„De kracht van den levenden God is beschikbare
kracht. Wij mogen hem aanroepen in den naam van
Christus, met de verzekering, dat, indien wij in onze
gebeden door den Geest geleid worden, die gebeden
antwoord zullen vinden."
Waar en hoe had deze man het geheim
van zoodanig geloovig gebed geleerd? Was
het eene gave door Goddelijke gunst aan een
uitverkorene geschonken, welke anderen niet
kunnen verwachten te ontvangen? of was het
de vrucht van een hemelsch onderricht en
beoefening, de belooning van getrouwheid in
kleine dingen, om ons te leeren dat ook wij
op hetzelfde pad kunnen wandelen ? Het was
inderdaad eene gave zooals elke genade eene
gave van God is, geschonken in verschillende
mate zooals het Hem behaagt. Maar het was
te gelijkertijd de uitkomst van een leven van
beproeving en gehoorzaamheid, waardoor de
gave, die er als een klein, verborgen, bewusteloos
zaad bestond, ontwikkeld werd en sterk geworden
-ocr page 127-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          115
was, opdat al Gods kinderen bemoedigd mochten
worden om in Zijne voetstappen te wandelen,
in de verzekering, dat voor een iegelijk in zijne
mate, de weg van overwinnend gebed openstaat.
Luister naar het verhaal van hoe het gedaan werd:
„Niet vele maanden na mijne bekeering, ging ik, terwijl
ik een vrijen middag had, naar mijne kamer om dien
grootendeels in de gemeenschapsoefening met God door
te brengen. Wel herinner ik mij die gelegenheid. Hoe
ik, in de vreugde van mijn hart, mijn ziel voor God uit-
stortte, en terwijl ik, bij herhaling, mijne dankbare
liefde beleed jegens Hem die alles voor mij gedaan
had, — die mij gered had zelfs toen ik alle hoop op
verlossing, ja zelfs het verlangen er naar, opgegeven had, —
verzocht ik Hem om mij werk te geven, dat ik voor Hem
kon doen als de uitdrukking voor de liefde en de dank*
baarheid van mijn hart; het moest zijn zei f verloochenend
werk, van welken aard ook, hoe bepi\'oevend of gering
ook al — iets dat Hem behagen zou, en dat ik doen kou
rechtstreeks voor Hem, die zoo veel voor mij gedaan
had. Wel herinner ik mij, hoe, terwijl ik mijzelven,
mijn leven, mijne vrienden, mijn al, in onvoorwaardelijke
toewijding o|> het altaar legde, eene diepe heilige vreeze
over mijne ziel kwam, met de verzekering dat m\\jn
offer aangenomen was. De tegenwoordigheid van God
werd onuitsprekelijk en gezegend. En ofschoon ik slechts
een jongen van vijftien jaar was, herinner ik mij,
hoe ik mij op den grond uitstrekte, en daar voor Hem
nederlag met onuitsprekelijk ontzag en met onuitspre-
kelijke vreugde. Voor welken dienst ik aangenomen
was wist ik niet; maar een diep bewustzijn, dat ik niet
meer mijn eigen was, nam van mij bezit, en dat bewustzijn
werd nooit weder uitgewischt. Binnen weinige maanden
na dezen tijd van toewijding werd de indruk op mijn
gemoed gemaakt dat God my in China wilde hebben".
-ocr page 128-
116            HET VKAAG8TUK DER ZENDING.
Toewijding is altijd de uitwerking van eene
krachtdadige bekeering, en het geheim van een
leven waarin er kracht tot gebed en geloof zal
worden verkregen. Sommigen zijn geneigd de
toewijding te beschouwen als een doel; hare
eigenlijke waarde bestaat daarin dat zij een
begin is, eene plaatsing van zichzelven in Gods
hand om tot zijn dienst te worden bereid. Zij
is slechts de ingang tot eene hoogere klasse
in de school waarin God zelf leert hoe Hij
gediend wil worden. Hudson Taylor moest zelf
nog veel leeren, voordat hij man des geloofs
kon worden die een getuige kon zijn van het-
geen God doen kan. Terwijl hij er aan dacht
om naar China te gaan, gevoelde hij dat hij
dit in het geloof moest doen, als iemand
die God voor de voorziening in zijne behoeften
vertrouwde. Indien hij Hem daar zou ver-
trouwen, waarom zou hij dan niet leeren om
dit in Engeland reeds te doen. Mislukking in
China kon nootlottig zijn: hij wilde God daar-
om vragen hem te huis te leeren hoe in het
geloof te wandelen. Hij besloot, om ofschoon
hij als dokters assistent in eene Apotheek salaris
trok, er nooit om te vragen als het betaalbaar
was; hg zou leeren om God er voor te ver-
trouwen. Hij verstond dat het bevel: „Zijt
niemand iets schuldig", letterlijk genomen moest
worden. Hoe groot zijn behoefte ook al wezen
-ocr page 129-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          117
mocht, hij nooit geld zou leenen; toch zou hij
met niemand clan met God er over spieken.
Twee verhalen uit zijne ondervinding van dezen
tyd toonen ons het onderricht waardoor zyn
geloof geoefend werd.
„Te Huil wilde mijn vriendelijke meester, die zeer
bezig was, dat ik liein herinneren zou als de tijd voor
de betaling van mijn salaris daar was. Ik besloot God
te vragen om de zaak voor zijne aandacht te brengen
en mij alzoo te bemoedigen door mijn gebed te verhooren.
Aan het einde van een zeker kwartaal, toen mijn salaris
betaalbaar was, vond ik op zekeren Zaterdagavond dat
ik slechts één muntstuk — een halve kroon — in bezit
had. Toch had ik tot hiertoe geen gebrek, en ik volhardde
in het gebed.
Die Zondag was een zeer gelukkige. Na den morgen-
dienst werd liet overige van den dag, zooals gewoonlijk,
met Evangelie-werk in logementen in liet laagste gedeelte
van de stad doorgebracht. Het scheen alsof de hemel
hier beneden begonnen was. Na mijnen laatsten dienst
om tien uur dien avond, verzocht een arm man mij om
hem te vergezellen ten einde met zijne stervende vrouw
te bidden, daar de priester geweigerd had om zonder
betaling van eeu shilling en zes pence te komen, hetgeen
hij niet leveren kou daar het huisgezin van gebrek
omkwam. Het schoot mij plotseling te binnen dat al
het geld dat ik bezat die enkele halve kroon was, en
dat die uit één muntstuk bestond, en bovendien, dat
ofschoon ik voedsel genoeg voor dien avond en voor
ontbijt had, ik niets voor het middagmaal van den
volgenden dag had.
„Met eens was er eene staking van den vloed van
vreugde in m\\jn hart. In plaats van mij zelven te
berispen begon ik den armen man te berispen. Ik vond
uit dat hij by den armverzorger had aanzoek gedaan.
-ocr page 130-
118           HET VRAAGSTUK DER ZENDINÜ.
en dat men hem daar gezegd had den volgenden morgen
om elf uur weder te komen; maar dat hij vreesde dat
zijne vrouw niet den nacht doorleven zou. „Ah," dacht
ik, ,.als ik toch maar twee shillings en een six ponce
in plaats van deze halve kroon had, hoe gaarne zou ik
een shilling aan deze arme mensehen geven!" Be waar-
heid van de zaak was dat ik God vertrouwen kon met
een shilling en zes pence, maar dat ik Hem niet ver-
trouwt n kon zonder eenig geld.
Mijn gi Is leidde mij in eene binnenplaats; waar ikop
mijn laatste bezoek, eene ruwe behandeling had onder-
gaan. Ik volgde hem langs ellendige trappen op, en in
eene akelige kamer, en o, welk een gezicht deed zich
voor! Kr stonden vier of vijf kinderen die er verhon-
gerd uitzagen, en op een ellendig stroobed lag de arme
moeder met eene tengere zuigeling, zes t-n dertig uren
oud, kermende aan hare zijde. „Ach," dacht ik, „indien
ik twee shillings en zes pence bad in plaats van een
halve kroon hoe blijmoedig zou ik een shilling en zes
pence er van afgeven.\'7 Nog verhinderde ongeloof mij
om hen uit hunne ellende te helpen ten koste van al
wat ik bezat.
Het was vreemd, ik kou deze arme menschen niet
vertroosten. Ik zeide dat zij niet neerslachtig moesten
zijn, want zij hadden een vriendelij ken, liefhebbenden
Vader in den hemel; maar iet4 zeide tot mij: „Gij
geveinsde, spreekt gij van een liefhebbenden Vader als
gij niet bereid zijt om Hem zonder een halve kroon te
vertrouwen!" Ik stikte bijna. Had ik toch slechts een
florijn (twee shilling-stuk) en een six pence! — maar
ik was nog niet gereed om God te vertrouwen zonder
een six pence.
„In die dagen was het gebed mij eene vreugde; en ik
trachtte om te bidden, maar toen ik mijne lippen open-
deed met: Onze Vader, die in de hemelen zijt, scheen
het als of mijn gebed spotternij was, en ik ging door
-ocr page 131-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          119
«ulk een tijd van strijd als ik nooit voor of na dien tijd
gehad heb. Ik stond van mijne knieën op met groote
droefheid van geest.
De arme vader wendde zich tot mij en zeide: M\\jn-
heer, als gij ons heipen kunt, doe het toch om Gods
wil! en het woord schoot mij te binnen: „Geef dengenen
die iets van u bidt," en in het woord van een koning
is er kracht. Langzaam nam ik de halve kroon uit mijn
zak, gaf hem aan den man, zeggende dat ik hem gaf
alles wat ik had, maar dat God waarlijk een Vader was
en vertrouwd mocht worden. Al de vreuirde kwam tot
mijn hart terug; de hinder in den weg van zegen was
er geweken — geweken, naar ik vertrouw, voor altijd.
„Niet alleen werd het leven van de arme vrouw gered
maar ik werd ook gered. Mijn geestelijk leven hal zeker
schipbreuk geleden, indien ik aan de stem des Geestes
geen gehoor had gegeven. Toen ik naar huis ging was
mijn hart zoo licht als mijn zak, en de eenzame straten
weerklonken van een loflied. Toen ik aan de zijde van
mijn bed nederknielde herinnerde ik den Ileere er aan
dat „die aan den arme geeft aan den Ileere leent"; en
met vrede van binnen en vrede van buiten bracht ik
een rustigen nacht door.
„Ik was verwonderd den volgenden morgen tijdens
ontbijt de vrouw van het huis met een blief in de hand
te zien inkomen. Ik herkende nog het handschrift nog
het postmerk en kon niet zeggen waar hij van daan
kwam. Toen ik den omslag opendeed vond ik binnen
in een vel schoon papier, een paar lederen handschoenen,
en toen ik die opende viel er een half pond op den grond.
„Prijs den Ileere", riep ik uit, „vier honderd percent voor
een leening van twaalf uren." Hoe blijde zouden de
kooplieden van Huil zijn als zij bungeld tegen zulk eene
rentekoers konden beleggen." Daar ter plaatse besloot ik
toen dat eene bank die niet vallen kon, mijn spaarpen-
ningen zou hebben — een besluit dat ik nog niet betreur."
-ocr page 132-
120           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Eene tweede geloofs-beproeving had eenige
dagen daarna plaats:
„Deze merkwaard\'ge redding strekte mij tot groote
vreugde, m;uir toch konden tien shillings niet ver gaan,
en de groote som ontving ik nog niet. Ik pleitte voort-
durend met God dat hij toch geuadiglijk mijn meester
herinneren mocht dat de tijd voor de betaling van mijn
salaris meer dan verstreken was. Het was niet de behoefte
aan geid die mij hinderde maar de gedachte in mijn
geest was deze: „Kan ik naar China gaan? of zal mijn
gebrek aan geloof een hinderpaal zijn op den weg voor
dezen hoog gewaardeerd» n dienst."
„Toen Zaterdagavond kwam, was de tijd van betaling
voor de huisvrouw vervullen. Moest ik niet om harentwil
over het salaris spreken? Op Donderdagen Vrijdag nam
ik veel tijd om ernstig met God in het. gebed te wor-
stelen, en op Zaterdagmorgen ontving ik de verzekering
dat om op Gods tijd te wachten liet beste was. Zoo
wachtte ik — mijn hart was gerust, en de last was geweken.
„Dien namiddag hield ik wacht bij een pot, waarin
een afkooksel medecijn bereid werd. De dokter kwam
van zijne bezoeken terng, en naar gewoonte begon hij
over de dingen van God te spreken. l\'lot>eling, zonder
eenige inleiding, zeide hij „a propos! Tayl»r, ia de tijd
voor de betaling van uw salaris niet daar?\' Men kan
zich mijne aandoening voorstellen. Ik antwoordde hem
zoo bedaard als ik kou dat die tijd reeds een tijdje gele-
den verstrek\' n was. Hoe dankbaar gevoelde ik mij!
God had gewisselijk mijn gebed verhoord. Kort daarop
ging bij voort: Het spijt mij zeer dat gij mij niet eraan
herinnerd hebt, want ik heb al het geld dat ik heden
namiddag had, naar de bank gezonden; anders zou ik u
terstond betalen! Het is onmogelijk om te beschrijven
wat ik toen gevoelde en ik was blijde om weg te komen
zonder dat de dokter mijne ontroering bemerkte.
-ocr page 133-
DE CHINA 1NLANDSCHE ZENDING.            121
„Ik zocht toen mijn klein heiligdom open startte mijn
hart uit voor den Ileere, totdat kalmte en zelfs vreugde
aan mij teruggegeven werden. Ik gevoelde dat God op
zijne eigene wijze zou werken.
Dien avond werd met de voorbereiding tot mijn werk
voor den volge> den dag doorgebracht, en het was omtrent
tien uur voor dai ik mij gereed maakte om naar huis te
gaan. Er scheen geen hulp te zijn voor dien avond; mis-
schien zou God op Maandag voor mij tus.-rhenbeide
komen. Juist toen ik heenging hoorde ik den dokter
inkomen, hij zichzelven hartelijk lachende. Terwijl hij zijn
ontleedvertrek binnenging vroeg hij om zijn groothoek,
en zeide dat een van zijne rijkste patiënten juist geko-
men was om zijne rekening te betalen — was dit niet
iets vreemds, vroeg hij? Hij was grootelijks geamuseerd
dat een man die zieli in rijkdom wentelde, zoo laat
kwam om eene rekening te betalen, die hij op cenigen
tijd met een cli que had kunnen voldoen. liet bedrag
werd behoorlijk :ils ontvangen in het grootboek aange-
teekend, en de dokter was gereed om heen te gaan, toen
hij mij plotseling ei\'nige banknoten overhan dade en
zeide: „ü propos, Taylor, gij kunt deze banknoten nemen,
en ik zal u de balans aanstaande week geven! Wederom
werd ik alleen gelaten om terug te gaan naar mijne eigene
kleini\' binnenkamer om den Ileere met een vroolijk hart
te prijzen dat ik eindelijk dan toch naar China mocht
gaan."
Deze twee voorvallen bewijzen welke voor-
bereiding in den verborgen omgang met God
nooilig is voor dat menschen toegelaten worden
om in het openbaar getuigen te zijn van de
kracht des geloofs in God en van het krach t-
dadig gebed waarvoor het geschikt maakt. Zij
leeren ons dat, indien ons openbaar vereenigd
-ocr page 134-
122           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
zendingwerk, waarlijk een werk zal zijn waarin
de kracht van het geloovig gebed kennelijk
getoond zal worden, het geloof aan idividueele
geloovigen zijne wortels diep gevestigd moet
hebben in waarachtige toewijding aan God en
in algeheele afhankelijkheid van Zijne machtige
kracht, die door ons werkt.
In 1854 vertrok Mr. Taylor uit Engeland
naar China. Na vijf jaren gearbeid te hebben
was hij genoodzaakt wegens gebrekkige gezond-
heid terug te keeren naar huis. Gedurende zijn
verblijf in Engeland bad hij veel om vijf arbeiders
voor Ningpo, zijne standplaats in China. Een
gedeelte van zijn tijd werd besteed aan het
vervaardigen van eene herziene uitgave van het
Nieuwe Testament, met gelijkluidende teksten,
in den tongval van de menschen onder wie hij
gewoond had. Hij verhaalt hoe hij, terwijl hij
hiermede bezig was, slechts dacht aan het
nut er van voor de inboorling-Christenen. Hij
ontdekte later dat hij, zonder dezen nauwen
omgang met het woord van God, geheel onvoor-
bereid geweest zou zijn om de China Inlandsche
Zending te vormen.
„In do fctudie van het Goddelijk woord leerde ik dat
men, om voorspoedige arbeiders te verkrijgen, niet zoo
zeer noodig had zorgvuldig bewerkte beroepen om bulp,
maar vooreerst ernstig gebed tot God om arbeiders uit
te stnoten, en vervolgens om het geeste ijk leven in de
kerk te vernieuwen zoodat menschen niet te huis zouden
i
-ocr page 135-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          123
kunnen blijven." Ik zag in dat het apostolisch plan was,
dat men zich niet zou bezig houden met wegen en mid-
delen, maar dat men zou heengaan om het werk te doen,
vertrouwend op bet onfeilbaar woord van Hem die gezegd
heeft: „Zoekt eerst het Koningrijk God»en zijne gerech-
tigheid en al deze dingen zullen Q toegeworpen worden !""
Hoe meer Mr. Taylor bad en nadacht over
Gods Woord en over de behoeften van China,
hoe meer de volstrekte hulpeloosheid van deszelfs
heidendom hem, als een zware last op het ge-
moed begon te wegen. Er kwam een verzoek
tot hem om eene reeks van artikelen vooreen
zending-tijdschrift te schrijven. Terwijl hij ze
schreef gevoelde hij hoe schrikkelijk die nood
was, en hoezeer het laatste bevel des Heeren
door Zijne kerk geminacht werd. De zorgvub
dige studie van het geheele onderwerp bracht
aan het licht dat er elf groote binnenlandsche
provinciën, elkeen met hare tientallen van
millioenen, waren zonder een enkelen plaatse-
lijken Protestantschen zendeling. Langzamerhand
werd het hem duidelijk dat er, om de Evangeli-
satie van Binnenlandsch China uit te werken,
behoefte was aan eene nieuwe en speciale
werkzaamheid. Hij sprak met verscheidene
vertegenwoordigers van de voornaamste zending-
genootschappen, maar kreeg ten antwoord dat
•er of flnancieele öf politieke moeilijkheden in
den weg waren. Het geld ontbrak, of het was
niet mogelijk om door te dringen naar het
-ocr page 136-
124           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
binnenland voordat het land beter geopend zon
zijn. Langzamerhand ontstond, terwijl hij ge-
voelde hoe weinig de kerk geleerd had om zich
op de beloften van God te verlaten, de gedachte:
„Wel, indien gij deze dingen beter inziet dan
anderen, waarom gaat gij dan niet zelf voor-
waarts, om te vertrouwen dat God zijne plannen
door u uitwerken zal". De gedachte werkte
een strijd in zijn gemoed, waardoor zijne ge-
zondheid langzamerhand aangedaan werd. Het
verhaal wordt aldus medegedeeld:
„Ik zag," zoo zeide Mr. Taylor, „dat de arbeiders ver-
eischt en de ondersteuning welke zij noodig zouden
hebben, zekerlijk gegeven zouden worden in antwoord
op het gebed, omdat er om gevraagd werd in den
dierbaren naam van Jezus, die waardig is; maar daar
kroop er een ridderend ongeloof in.
„Veronderstel dat arbeiders gegeven worden", zoo
vroeg ik twijfelachtig, ,.cn dat zij er in slagen om binnen-
landsch China te bereiken: wat dan? Beproevingen zullen
komen en botsingen waarvan zij te huis nooit gedroomd
hebben. Hun geloof zou kunnen feilen en zij zouden in
de verzoeking kunnen komen om iemand te verwijten
dat hij hen in zulk een beklagenswaardigen toestandge-
bracbl heeft. Heb ik de kracht en de bekwaamheid om
moeielijkheden als deze het hoofd te bieden?" En het
antwoord was natuurlijk altijd, „neen?"
Het was slechts liet inbrengen van het eigen ik, door
ongeloof. Vreeselijk was het dilemua waarin iVc door
den duivel werd gebracht, ik was zeker dat (!od op
het gebed arbeiders zou geven. Bad ik niet dim kwamen
die verloren gaande voor mijne rekening. Bad ik wel,
dan moest ik de verantwoordelijkheid van de arbeiders
-ocr page 137-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          125
op mij nemen, en dit durfde ik niet. Ik zag niet in
hoe de Macht die de arbeiders gaf, geheel genoegzaam
zou zijn, om hen onder elke omstandigheid, hoe moeilijk
dan ook, in stand te houden.
Ondertusschen werd de gewaarwording dat de heide-
nen in China tegen een millioen per maand zonder God
stierven, in mijn gemoed ingebrand, ,,\'ndien gij om pre-
dikers bidden zoudt" zoo kwam de angstige overtuiging,
dan konden zij de kans hebbon om het heerlijk Evangelie
te hooren; maar nog gaan/.ij daar henen zonder hetzelve,
eenvoudig omdat gij niet liet geloof hebt, om voor hen
de herauten van het kruis te eisohen!"
Week na week duurde de strijd voort, totdat de span-
ning zoo hevig werd dat de slaap bijna van hein week en
het scheen als of hij zijn verstand verliezen zou. Hij
kon dag of nacht niet rusten. De gedachte aan de mil-
lioeuen van China en aan de zegen die het Evangelie
hun brengen kon, indien zij er slechts in aanraking mede
konden konen, was hem altijd voor den geest. En toch
kon hij niet toegeven om de positie en de verantwoor-
delijkbeid, die een einde aan den strijd zou maken, te
aanvaarden.
„Hoe inconsequent is het ongeloof toch altijd" zoo gaat
Mr. Taylor voort. Ik had geen twijfel, dat indien ik
om medearbeiders bad, zij gegeven zouden worden. Ik
had geen twijfel dat de middelen om uit te geven, ook,
in antwoord op het gebed, verschaft z inden worden, en
dat er deuren, in de tot hiertoe niet bereikte plaatsen
van het Kijk, geopend zouden worden. Maar ik had
toen niet geleerd om God ten volle te vertrouwen om
kracht en genade voor mijzelven te bewaren; geen
wonder dm dat het moeilijk was om Hein te vertrouwen
voor de bewaring van anderen die geleid mochten wor-
den om met mij te gaan.
„Nochthans, wat zou ik doen ? Het gevoel van bloed-
-ocr page 138-
126           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
schuld werd al heviger. Eenvoudig omdat ik er niet
om vroeg, kwamen de arbeiders niet te voorschijn, en
gingen zij niet uit voor China; en eiken dag leefden er
en stierven er tien duizenden in dat ontzaglijk groot
land, zonder de kennis van den weg der zaligheid."
„De last op zijn gemoed begon de gezondheid van
Mr. Taylor te benadeelen, en op uitnoodiging van een
vriend ging hij naar Brighton, om aan de zeekust te
rusten.
Toen Zondag morgen kwam, verdrongen honderden
van gelukkige kerkgangers elkander in de straten, rnaar
Mr. Taylor kon slechts denken aan de behoeften van
het ontzaglijk groot land, waaraan hij zijn leven gewijd had.
„Meer dan duizend zielen in China", zoo dacht hij,
„zullen de eeuwigheid ingaan gedurende het uur dat de
gemeenten met hare vele voorrechten, in de morgen-
diensten vergaderen."
De nachtgeest van het heidendom was op hem, en
het was bijna meer dan zijne ziel verduren kon. In
groote droefheid van geest verliet hij de stille woning
en ging af naar het verlaten strand. Het was een liefe-
lijke morgen; het water was laag; en ver uit op de stille
zanden waar hij alleen met God was, kwam hij tot het
keerpunt van zijn leven.
In het begin was er geen licht; de strijd was hevig.
De eenige straal van troost welke hij verkrijgen kon
ontstond uit de vreemde bedenking: „Wel, indien God,
in antwoord op het gebed, een bende mannen voorbin-
nenlandsch China geeft, en dezen gaan en bereiken die
ver afgelegen streken, en komen allen van gebrek om,
dan /.allen zij rechtstreeks naar den hemel gaan; en
indien dan slechts de ziel van één heiden gered werd
zou het der moeite waard zijn!" Maar de gedachte was
folterend, want nog kon hij niet zien dat God, indien
Hij arbeiders gaf, hen ook zekerlijk bewaren zou, zelfs
in binnenlandsch China.
-ocr page 139-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          127
Met eens ontstond de gedachte, „waarom alzoo belast?
Indien gij God gehoorzaamt, is al de verantwoordelijkheid
op Hem en niet op u."
Welk eene onuitsprekelijke verlichting! „Welaan", was
het onniiddelijke, blijde antwoord, Gij Heere zult ver*
antwoordelijk zijn voor hen, en ook voor mij."
En van dat ongenblik af was de last geheel geweken.
In dien stonde, gaf Mr. Hudson Taylor zich aldaar
over aan God en zijn dienst, en hief hij zijn hart op in
het gebed om mede-arbeiders — twee voor elke der bin-
nenlandsche provinciën, en twee voor Mongolië. Zijn
Bijbel was in zijne hand en op den rand van dat kost-
baar boekdeel teekende hij de gewichtvolle<>ndeihande-
ling, welke er tnsschen zijne ziel en zijn God plaats ge-
vonden had, aan. Weinig en eenvoudig waren de woorden
door hem gebruikt, maar, o hoe vol beteekenis!
„Te Brighton gebeden om vier-en-twintig gewillige
en geschikt" arbeiders, Juni 25, 1865."
„Hoo rustig wendde ik mij aftoen dit gedaan was!
De strijd was geheel geëindigd. Vreugde en blijdschap
vervulden mijne ziel. Ik gevoelde als of ik langs den
steilen heuvel op, naar huis konde vliegen. En hoe sliep
ik dien nacht! Mijne lieve vrouw dacht dat Brighton
wonderen voor mij gedaan had; en zoo was het ook."
In heb zoo veel uit het verhaal, van het
innerlijk leven van Hudson Taylor, aangehaald,
omdat het ons de geheime bron openbaart,
vanwaar de kracht tot waarachtig zendingwerk
komen moet. „Dat de heidenen zijn mede-
erfgenamen van hetzelfde lichaam en mede-
deelgenooten zijner belofte in Christus Jezus,
door het Evangelie", is een groote geestelijke
verborgenheid, „welke in andere eeuwen den
-ocr page 140-
128            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
kinderen der menschen niet is bekend gemaakt,
gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijne heilige
apostelen en profeten, door den Geest. Eenig
mensen kan het zendingsbevel of het zendings-
on der werp, zooals door de Schrift voorgesteld,
verstaan, maar het eischt een geestelijk gemoed
om het in zijne geestelijke beteekenis en kracht
te vatten. Wat Paulus schrijft, is heden zoo
waar als liet toen was: ,.De verborgenheid is
nu geopenbaard aan zijne heiligen, aan wie
God heeft willen bekend maken, welke zij de
rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid
onder de Heidenen". Het eischt Goddelijk onder-
wijs, het eischt de openbaring van den Heiligen
Geest om een waar begrip te geven van wat
de verborgenheid Gods is. De ondervinding
van Mr Hudson Taylor toont ons hoe God een
man opvoedt om in Hem te gelooven, om op
Hem te wachten, om zichzelven geheel en al
aan Zijn wil en Zijn dienst over te geven, hoe
groot de moeite ook al moge zijn. Het is
noodig voor de kerk om deze les te leeren,
onze zendingbijeenkomsten en onze zending-
preeken moeten het zich ten doel stellen om
de les te leeren, dat, naarmate enkele personen
zich aan God overgeven om den last van de
verlorengaanden in het geloof om zijne reddende
liefde te dragen, Hij hen naar die mate geschikt
zal maken tot gebruik in den dienst van Zijn
-ocr page 141-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          129
Koningrijk. Het was eene ontzettende onder-
neming voor Gods Zoon om te komen om de
wereld te redden; Hij moest hare zonden dragen
en voor haar sterven. Het is niet minder oene
ernstige zaak voor ons om aan het werk van
zielen te winnen, deel te nemen; het eischtdat
wrj in geloof\' en in liefde den last van zielen
zullen dragen, en. indien noodig, ons leven voor
hare zaligheid zullen geven. En het eischt
nauwen omgang met God en eene volle overgave
aan Zijne leiding om ons tot Zijn werk geschikt
te maken.
Laat mij nog een voorbeeld aanhalen om oj>
te helderen de wijze waarop Mr. Hudson Taylor
in zijne vergaderingen trachtte om christenen
in eene persoonlijke aanraking met God te
brengen. Het eerste gezelschap van twee-en-
twintig, de kinderen ingesloten, was gereed om
naar China te gaan, toen het volgende voorval
plaats had :
„In <le niaaml April werd ik gevraagd om te Totteridge.
een dorp nabij Londen, eene toespraak over China te
honden, en gewilliglijk stemde ik het verzoek toe, op
voorwaarde dat er geene collecte geschieden zon, en dat
dit op do biljetten bekend gemaakt zon worden. Mr.
Puget, die mij nitgenoodigd had, en vriendelijk als voor-
zitter ageerde, zeide dat hij nooit van zulk eene bepaling
gehoord had. Hij nam echter de voorwaarde aan en de
biljetten werden voor den 2*" Mei uitgevaardigd.
Met behulp van eene groote kaart werd er iets van de
uitgestrektheid, de bevolking, en de diepe geestelijke be-
\'.i
-ocr page 142-
130           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
heeften van China aan de vergadering voorgesteld, en
velen kwamen onder een diepen indruk er van. Aan
het einde der vergadering zeide de voorzitter dat er opniiju
verzoek geene collecte aangekondigd was, maar dat hij
gevoelde dat er velen tegenwoordig waren, die hedroefd
en ter neergedrukt zouden zijn. als men ze niet zou toelaten
om iets bij te dragen tot hel goede werk dat hier voorge-
steld werd. Hij vertrouwde dat daar deze wenk geheel
van bemzelven uitging en het gevoelen van het gehoor
uitdrukte, ik er niet tegen zou objecteeren. Ik smeekte
echter dat de voorwaarde van overeenkomst niet veranderd
zou worden, en wees er op dat de reden door den voor-
zitter genoemd, naar mijn oordeel, juist een van de
sterkste was om geene collecte te houden. iMijne begeerte
was niet dat diegenen tegenwoordig van den last ont-
slagen zouden worden, door, onder den indruk van de
tijdelijke opgewektheid daar ter plaatse, zoodanige bij-
dragen te geven als gemakkelijk mochten zijn, maar dat
elkeen naar huis zou gaan werkelijk onder den last van
een besef van China\'s grooten nood. en God vragen zou
om hem te leeren wat hij doen moest. Indien het hun
na overdenking en gebed, duidelijk was dat eene gelde-
lijke bijdrage alles was dat Hij van hen begeerde, dan
konden zij dit aan eenig genootschap dat zendelingen in
China had. geven, of zij konde ze aan mijn adres te
Londen op den post doen. Doch misschien was in vele
gevallen wat God vroeg, niet eene geldelijke bijdrage,
maar persoonlijke toewijding van Zijn dienst in den
vreemde, of de gave van een dierbaren zoon of dochter,
zoo veel kostbaarder dan goud.
Ik voegde er bij dat het de strekking van eene collecte
was. om den indruk op het gemoed te laten, dat de aller
belangrijkste zaak geld was, terwijl geen bed rag aan geld
eene enkele ziel tot bekeering kon brengen. He hoogste
behoefte was dat mannen en vrouwen vervuld met den
Heiligen Geest zichzolvon aan het werk zouden geven,
-ocr page 143-
DE CHINA INLANDSCHE ZENDING.          131
en voor het onderhoud vuu dezulken zou er nooit gebrek
aan fondsen zijn.
Daar mijn wenscli klaarblijkelijk sterk was gaf de
voorzitter vriendelijk toe en de vergadering sloot. Hij
zeide mij echter aan den avonddisch, dat hij dacht dat
ik mij droevig vergist had, en dat men hem eenige kleine
bijdragen voor de zending in de handen gesteld had.
„Oen volgenden morgen, kwam mijn gastheer een weing
laat aan de ontbijttafel, en zeide dat hij een rusteloozen
nacht doorgebracht had. Xa den maaltijd vroeg hij mij
om naar zijne studeerkamer te komen, hij overhandigde
mij de contributies van den vorigen avond en merkte
op: „Gisteren dacht ik. Mr. Taylor, dat gij met betrekking
tot de collecte verkeerd waart, maar nu ben ik er van
overtuigd dat gelijk hadt. Terwijl ik in den nacht nan
die stroom van zielen in China dacht, die immer in het
donkere voorbij snelde, konde ik slechts, zooals gij aan
de hand hadt gegeven, uitroepen: „Heere wat wilt gij
dat ik doen zal". Ik geloof dat ik de leiding, die ik
zocht, verkregen heb en hier is het gevolg er van". Hij
overhandigde mij terwijl hij sprak een cheque voor
vijf honderd pond, en voegde er bij dat indien er
eene collecte geschied was, hij er eenige ponden toe
bijgedragen zou hebben, doch dat dit bedrag de vrucht
was van het doorbrengen van een groot gedeelte van
den nacht in het gebed.
Het is nauwelijks noodig te zeggen hoe verwonderd
en dankbaar ik voor die gift was. Een brief van de scheeps-
agenten had mij dienzelfden morgen aan de ontbijttafel
bereikt, mij berichtende dat zij ons al de ruimte voor pas-
sagiers op den Lammermuir konden aanbieden. Opmijn
weg naar huis ging ik om het schip te zien, vond het in ieder
opzicht geschikt en betaalde de cheque op rekening".\')
1) Di ze uittreksels ztfn genomen Dit The Story of the China
Inland Mission liy M. Geraldini Guinness een van do belang-
rijkste boeken over do zending.
-ocr page 144-
132            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Wij bestudeeren het zending-vraagstuk. "Wij
zoeken het antwoord op deszelfs meest belang-
rijke viaat;;: Hoe kan de kerk geestelijk
verlevendigd worden om het werk met
haar geheele hart te doen in de kracht
welke God geven kan ?
Wij hebben getracht
om van hen, die God in het bijzonder gebruikt
en gezegend heeft, te leeren wat het geheim
van die Kracht is. God heeft Itndson Taylor
daargesteld als een voorbeeld, van hetgeen Hij
doen kan voor een jongen man, die zich geheel
overgeeft om door het geloof in God te leven,
terwijl hij zoekt om Gods werk te doen. Wij
hebben geleerd dat het zending-vraagstuk een
persoonlijk is. De opvoeding van Hudson Taylor
tot gemeenschap met God was zeer persoonlijk\'.
Indien het zending-vraagstuk — hoe de wereld
met God bekend te maken — slechts opgelost
kan worden door de persooi dij ke overgave van
eiken geloovige aan het werk, dan kunnen wij
van dezen dienstknecht van God leeren waaruit
dit persoonlijk element bestaat.
Het is gemakkelijk om te zeggen dat het
uit het krachtdadig gebed des geloofs bestaat.
Maar hoe kan eiken geloovige hiertoe opgeleid
worden? De les is zeer duidelijk. Wij hebben
het pad gezien waarlangs het geloovig gebed
tot hem kwam. Hij gaf zichzelven geheel over
aan Gods werk: dit gaf hem het vertrouwen
-ocr page 145-
DE CHINA INI-ANDSCHE ZENDING.           133
dat God voor hem en voor til Zijn werk zorgen
zou. Oeloof kan niet anders dan door oefening
sterk worden. Moeilijkheden zijn het oefenings-
veld van geloof; zij geven er voedsel en sterkte
aan. Een geloovige die do moeilijkheid van
zendingwerk niet beseft, omdat hij er niet sterk
belang in stelt, kan niet het voorrecht van het
geloovig, volhardend, overwinnend gebed smaken.
Wij moeten eiken geloovige opvoeden om zoo-
danig belang in den voortgang van het werk
van Gods Koningrijk te stellen dat hij den last
van deszelfs groote behoefte gevoelen en dragen
zal, dat hij de onmogelijkheid beseffen zal van
het zonder Gods eigen kracht te kunnen doen,
dat hij leeren moge om te roepen om meer
arbeiders, en meer geld, en om de kracht des
Geestes, en de inzameling van zielen.
Sterke begeerte, persoonlijke belangstelling
en arbeid, geloof in de kracht van God om in
antwoord op ons gebed te werken: deze zijn
de voorwaarden van dat krachtdadig bidden
waaraan elke geloovige deel hebben kan. Het
is noodig dat onze bijeenkomsten zich op het
aankweeken hiervan toeleggen zullen. Het is
noodig dat wij zelfs den geringste geloovige
bemoedigen zullen, door hem te laten weten
dat hij nut voor Gods zaak doen kan. De arme
weduwe deed meer dan zij wist door de toe-
gewijdheid welke hare penningskens aan den
-ocr page 146-
134           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
dag legden. Laat ons zendingwerk niet slechts
rusten op het bedrag van giften welke wij
ontvangen maar op den geest van toegewijdhoid.
die geloovig gebed met de giften paart. Laat
het gezien worden in onze leeraren en voor-
mannen, in onze kerken en genootschappen,
dat geloof in Gods werking en aanhoudend
gebed om die werking te verkrijgen, het hoofd-
element van onze verwachtingen is, en de kerk
zal worden wat zy behoort te zijn, en God zal
tot haar zeggen: „Gij gelooft: gij zult grooter
dingen dan deze zien."
-ocr page 147-
HOOFDSTUK VI.
Bc :pinkstcï-(Semcentc cu bc Setlige ©eest.
~VX7"U hebben op drie gevallen gewezen, waarin
wij gezien hebben, hoe wonderlijk God Zijne
dienstknechten in latere tijden ingeleid heeft
in het geheim van kracht en zegen op het zen-
dingveld. Laat ons teruggaan naar het Pinkster-
feest en daar zien. hoe wij bij het ontstaan
der christelijke kerk. de hoofdbeginselen vinden
zuilen waarin zij al de eeuwen door de
regel voor haren dienst en voor hare over-
winningen over de machten der duisternis,
vinden zal.
Wij hebben reeds aangehaald de woorden
waardoor Mr. Mott een beroep deed op het
voorbeeld der Pinkster-Gemeente:
„Het is mogelijk de wereld ia dit geslacht te evauge-
liseeren als wij denken aan hetgeen de christenen van
het eerste geslacht uitgevoerd hebben. Zij deden meer
om de evangelisatie der wereld te bewerken
dan eenig volgend geslacht.
De vervolgingen van
de eerste en de tweede eeuw bewijzen hoe krachtig de
eerste discipelen het geloof in Christus moeten hebben
voortgeplant. l>eze uitwerkingen komen ;ils zeer nierk-
waardig voor bij het licht van het feit dat tijdens de
-ocr page 148-
136           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
hemelvaart van Christus het geheele getal geloovigen
niet eenige honderden te bovenging. In het bestudeeren
van het geheim van hetgeen zij tot stond brachten,
komen wij tot de gevolgtrekking dat zij geene methode
van werkelijk belang gebruikten, die niet op den huidigen
dag gebruikt kan worden, en dat zij zich niet van eene
kracht bediende welke ons ook niet ten dienste
staat....
1\'enk aan de merkwaardige hulpbronnen \\vaar-
over de kerk van dezen tijd beschikt. Kr zijn niet min-
iler dan 135 millioen leden van Protestantsche kerken.
Vergelijk dezen met de weinige duizenden, die de kleine,
miskende, verachte secte uitmaakten welke op den Pink-
sterdag de evangelisatie van de toen bekenile wereld
begon. Als wij ons voor den geest roepen wat die wor-
dende kerk uitgevoerd heeft, kunnen wij dan twijfelen
aan de bekwaamheid van de Christen van onze dagen,
indien zij eendrachtig beslist waren om het te
doen,
om nog in dit geslacht de evangelie boodschap*
pers en werkzaamheden zoo te verdeden, dat het geheele
mcnschdom de gelegenheid kan hebben om Christus den
Zaligmaker en lieer te kennen\'."\'
Als deze voorstelling waai\' is — en zij is
waar — dan is zij eene schrikkelijke veroordeeling
van de kerk van onzen tijd. En indien de
erkenning van de waarheid eenigen vverkelijken
invloed hebben zal om aan te sporen of te
besturen, dan is het noodig dat wij tijd nemen
om tot de diepe overtuiging te komen van dat-
gene waarin het verschil tusschen hen en ons
bestaat en van wat het is dat ons in staat
stellen kan waarlijk in hunne voetstappen te
wandelen, en ons werk te doen zoo als zn\' het
-ocr page 149-
DE PINKSTER-GEMEENTE.                  137
hunne gedaan hebben. Onze verhoogde Heer
heeft ons niet alleen zijn Heiligen Geest gegeven,
maar in de menschen in wie Hij het eerst kwam
wonen gaf Hij ons de levende belichaming van
hetgeen Hij ook voor ons doen kan. Terecht
heeft men gezegd dat menschen belangstelling
gevoelen niet zou zeer in afgetrokken denk-
beelden, maar in de personen die deze denk-
beelden vertegenwoordigen. De Kerk van het
eerste geslacht is ons door den Heer gegeven
tot een voorbeeld en een onderpand van hetgeen
de Heilige Geest in menschen doen kan, die
Hij geheel in bezit heeft. Indien de Kerk van
onzen tijd werkelijk zijn zal wat God wil dat
zij zijn zal, dan moeten leeraren en gemeenten
geleid worden om het pinkstermodel te be-
studeeren, en met niets minder tevreden te
zijn dan eene gelijke toegewijdheid aan liet
werk van Christus overal bekend te maken.
Een boom kan alleen groeien en sterk worden
door te blijven in den wortel waaruit hij geboren
is. De zending-herleving binnen de Kerk, welke \'
wij noodig hebben en waarom wij bidden, voor
dat de Kerk geschikt zal zijn om haar werk
op de rechte wijze te doen. kan alleen komen
door een wederkeeren naar het Pinksterfeest».•<
Het einde ligt altijd opgesloten in het begin
en keert naar het begin terug. Te weten war
het Pinksterfeest beteekent, zijn geloof en zijn
-ocr page 150-
138            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
geest te hebben, is de eenige kracht om de
wereld in dit geslacht te Evangeliseeren.
Laat ons trachten om onze positie te ver-
staan. Het groot bevel werd in verband met
het Pinksterfeest gegeven en zijne uitvoering
werd er geheel van afhankelijk gesteld. ..En in
zijnen naam gepredikt worden bekeering en
vergeving der zonden onder alle volken: maar
blijft gij in de stad Jeruzalem tot dat gij zult
aangedaan zijn met kracht uit de hoogte". „Gij
zult kracht ontvangen, als de Heilige Geest
over u gekomen zal zijn,
en gij zult mijne
getuigen zijn tot aan de einden der aarde".
Het pinkster!ievel kan alleen door eene Pinkster-
| kerk worden uitgevoerd in pinksterkracht. De
beschuldiging is tegen de Kerk van onzen tijd
ingebracht en erkend, dat zij niet is wat zy
behoort te zijn. Het is te vergeefs te denken
dat dit geslacht het pinksterbevel zal uit-
voeren zonder weder te keeren tot den pinkster-
toestand. De groote en brandende vraag van
het zending-vraagstuk is. hoe de Kerk terug
gebracht kan worden naar de plaats waar de
eerste discipelen en de eerste kerk zich bevon-
den, toen zij in de kracht van den Heiligen
G-eest deden wat geen ander geslacht sedert
dien tijd gedaan heeft. De Pinkster Gemeente
was niet alleen een voorbeeld en een onderpand
van hetgeen God doen kan, terwh\'1 het aan
-ocr page 151-
DE PINKSTER-GEMEENTE.                    13U
ons gelaten wordt om te beslissen of wij den-
zelfden zegen zullen genieten of niet. Neen.
het is veel meer — liet is eene openbaring
van Gods wil met betrekking tot wat de Kerk
behoort te zijn. en van hetgeen volstrekt
onmisbaar is, indien er eenige werkelijke hoop
zal zijn dat het komen zal tot ware gehooi-
zaamheid tegenover het bevel om het Evangelie
aan elk schepsel te brengen. De pinkstertoe-
stand is de eenige waarmede God voldaan is,
en is ook de eenige waarmede wij voldaan
behooren te zijn.
Gelijk alle zaad, zoo was het Pinksterfeest
tevens een vrucht. De vrucht niet alleen van
het werk van Christus voor ons aan het kruis
en in den hemel, maar de vrucht ook van zijn
werk in de discipelen, in hunne voorbereiding
voor het ontvangen van den Heiligen Geest.
De leeraar die wenscht te weten wat de
zendinggeestdrift van zijne bediening behoort
te zijn, en hoe hij die aan zijne gemeente kan
mededeelen ; de leidsman van een zendingkring
die voor zijne bende begeert de volle toerusting
voor den dienst van het Koningrijk: elke
geloovige die verlangt om persoonlijk van zijn
Heer te leeixn het geheim van geheele toe-
gewijdheid aan Zn\'n werk, om met den Heiligen
Geest vervuld te zyn, en van zielen tot de
kennis Zijner liefde te winnen — die moet een
-ocr page 152-
140           TIET VRAAGSTUK DER ZENDING.
leerling worden in de school waarin de Heere
Zijne discipelen opgevoed heeft. Daar vinden
wij hoe zij toebereid werden om vaten en
kanalen van den Geest te zijn, nadat hij naar
den hemel zou gegaan zijn.
Het eerste komen van den Heiligen Geest
met kracht, was tot een voorbereid volk. De
kerk van onze dagen heeft, om den Geest in
pinksterkracht te ontvangen behoefte aan
dezelfde voorbereiding, — een opgeven en ver-
laten van al wat hindert, eene ontlediging en
eene reiniging, een dorsten en wachten en eene
algeheele zelfopoffering, waarop de zegen van
de kracht des Geestes zeker komt.
Laat on* de hoofdelementen van die voor-
bereiding beschouwen.
1. Er was. vooreerst, een uitroepen uit-
en afscheiding van de gewone belangen en
eisenen van het dagelrjksch leven. Het beginsel
dat ten gronde ligt van het leven van al Gods
groote Knechten in de vorige eeuwen — Abraham
en Jozef, Mozes en Jozua, David en Elia —
bestond hierin : zij werden uit hun gewone
omgeving genomen en op zijde gezet, dikwijls
door vervolging en lijden, opdat zij in de een-
zaamheid met God alleen gebracht zouden
worden, om vrij en losgemaakt te zyn van
hetgeen anders onschuldig en wettig op aarde
niochr zijn, om naar de Goddelijke stem te
-ocr page 153-
DK PINKSTER-GEMEENTE.                    141
luisteren, de Goddelijke openbaring te ontvangen,
door de Goddelijke macht gevormd en geschikt
gemaakt te worden tot het werk dat zij te doen
hadden. Zoo riep ook de Heer Jezus Zijne
discipelen om alles te verlaten, zich zei ven te
verloochenen in hetgeen voor anderen geheel
geoorloofd mocht zijn. en met Hem deel te
hebben aan Zijn Kruis en al wat liet na zich
slepen zou. Drie jaren lang had Hij hen onder
Zijne leiding. Door Zijn omgang, door hen te
laten zien wat Hij deed, door berisping en
onderwijzing, bereidde Hy\' hen voor om de
ontvangers en de kanalen van den Heiligen
Geest uit den hemel te zijn, die komen zou
om de plaats van zijne aardsche tegenwoordig-
heid in te nemen en binnen in hen Zijne-
blijvende inwoning te bewerken. In eene
zondige wereld is offerande de vaste wet van
leven en liefde. De mannen die Christus ge-
schikt gemaakt had om de leidslieden van de
Pinkster Gemeente te worden, en Zijn leven
en de kracht van de gezindheid en het leven
des Geestes, in hun leven op te nemen, hadden
geleerd om alles voor Christus prijs te geven.
Gelijk hun Heer zichzelven niet voor ons kon
overgeven, zonder alles op te offeren, zoo hadden
zjj geleerd om in hunne overgave alles te ver-
laten ter wille van Zijn dienst en Zijn Koning-
rijk. In deze algeheele zelf-opoffering van
-ocr page 154-
142           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
hun Heer om hunnentwille en van hen om
Zijnentwille, had de Pinkster Gemeente hare
wortelen diep geschoten.
In een tijd wanneer er geene vervolging is,
wanneer geld en gemak en Christelijke be-
schaving ons van elke zijde omringen, wanneer
het schijnt als of het weinig kost om een
Christen te zijn. vinden velen het moeilijk te
weten waar het verlaten van alles, om een
discipel te worden, inkomt, of welken vorm
het aannemen moet. Wij zullen het antwoord
vinden als wij aan het tweede groote element
in de opvoeding Zijner discipelen door Christus,
denken.
2. Dit was eene innige persoonlijke gehecht-
heid aan den Heer, als de voornaamste vrucht
van hun driejarigen omgang. Toen Christus
hen voor het eerst riep, was er iets in Hem
dat hen aantrok en dat die roeping onweder-
staanbaar maakte. Gelijk Christus hen trok
zonder dat zij wisten hoe en waarom, zoo leidde
Hij hen langs een weg en naar een eindpaal
hun onbekend. Zij begonnen door in Hem te
gelooven als Messias: Hij leidde hen voort om
Hem te kennen als de Zoon van God, als een
Vriend, als Meester, als Verlosser. Van Zijne
liefde tot hen of de hunne tot Hem, zeide Hij
weinig of niets vóór den laatsten nacht van
Zijn leven. Toen opende Hij voor hen de ver-
-ocr page 155-
DE PINKSTER-GEMEENTE.                    14o
borgenheid van Zijne Goddelijke liefde jegens
hen, dat Hij Zrjn leven voor hen zon geven,
van des Vaders liefde die op hen rustte en
van hunne liefde tot Hem en de bewaring
zijner geboden. Het was niet de discipelen, die
Hem gevolgd waren met de gedachte aan eenig
zoodanig doel; het was Christus, die door Zijne
Goddelijke liefde, hen alzoo in den loop van de
drie-jarige opvoeding aan Zichzelven verbonden
had. Het is deze innige persoonlijke levende
gehechtheid aan Christus, die voor het ont-
vangen van den Heiligen Geest voorbereidt, en
die ook die Pinkster-kracht brengt, zonder
welke de Kerk niet hopen kan om de wereld
te veroveren.
Hier hebben wij het antwoord op de vraag
aan het einde van de vorige paragraaf. Los-
making komt alleen door eene nieuwe en ster-
kere verbintenis. Naar mate een Christen het
inziet, dat, ofschoon hij zoo weinig van de
liefde van Zijn Heer weet,- de Heer gereed is
om hem er heen te leiden langs een weg dien
hij niet kent, wordt hij gewillig om zich af te
wenden van alles dat het hart kan innemen,
en zichzelven, in geduldig gehoorzaam discipel-
schap, aan de invloeden van omgang met zijn
Heer, over te geven. Hij leert te gelooven dat
die liefde hem kan overmeesteren. De liefde
van Christus vraagt en eischt het geheele hart
-ocr page 156-
14-i             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
en hot geheele leven. Indien wij werkelijk
onze Kerken oproepen zullen, om in de voet-
stappen der Pinkstergemeente te wandelen, en
op hare kracht en zegen aanspraak te maken,
laat ons ze dan aanmoedigen om in te gaan in
de school waarin Christus Zijne discipelen op-
voedt. Als de liefde van Christus voor sommigen
onzer alles wordt en wij onszelven overgeven
aan die liefde die voor zondaren sterft, om van
ons bezit te nemen en ons te gebruiken, dan
zal die liefde ons onderwijzen en dringen om
alles voor deze parel van groote waarde op te
offeren. Losmaking van de wereld, innige ver-
bintenis met Christus zijn de geheimen van
Pinksterzegen.
3. Een ander element van de voorbereiding tot
Pinksteren en nauw aan deze liefde verbonden,
was de broederlijke liefde welke Christus hun
geleerd en in hen gewrocht had. Hij had hen
aan Zichzelven verbonden, maar ook aan elkan-
der, Christus handelde altijd met enkele personen.
Hij roept zijne schapen bij name. Hij kent en
voorziet de behoeften van iedereen, maar zijn
werk eindigt niet daar. Hij maakt hen leden
van Zijn lichaam. Het Goddelijk leven is een
leven van liefde. Hij leidt ons tot een leven
van liefde. Hij roept ons. Zijn Geest stelt ons
in staat, om elkander lief te hebben zoo als Hij
ons lief gehad heeft. Zijne eigene liefde is om in
-ocr page 157-
DE PINKSTER-GEMEENTE.                  145
ons te wonen, en het lichaam tot een levend geheel
te verbinden. Hierin moet de Kerk hare kracht
vinden, om de wereld van haren Goddelijken
oorsprong te overtuigen; eene liefde die boven-
natuurlrjk en Goddelijk is. De eo-nheid welke
deze liefde geeft, deelt kracht aan elk lid mede,
en vermenigvuldigt de kracht van allen door
de hulp die van het geheele lichaam ontvangen
wordt. Het was deze liefde die dikwijls menschen
bewoog om te zeggen: Ziet hoe lief zij elkander
hebben. Het was deze liefde, die, in de een-
heid des lichaams, zwakke mannen en vrouwen
sterk maakte om te overwinnen.
Deze liefde werd in nauwe gemeenschaps-
oefening beoefend zoo wel na de komst des
Geestes, als in den leeftijd van Christus. Het
is deze gemeenschap der liefde die dikwijls
droevig gemist wordt in eene gemeente of in
een genootschap. Honderd mannen dragen bij
tot dezelfde collecte voor de zending, en namen
deel aan het zelfde Avondmaal, en weten toch
niets van de wisseling van onderlinge liefde of
van ware christelijke gemeenschap. Wanneer
wij beginnen om ernstig den geest van Christus
voor ons zendingwerk te zoeken, of wanneer
wij denken dat Zijne eerste roeringen gevoeld
worden, laat ons toch er aan denken dat er
geen plaats is waar de Geest zoo zekerlijk
werkt als waar wij met onze broederen in den
10
-ocr page 158-
146             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Naam van Jezus bijeen vergaderd zijn. Om
samen over dien naam en die liefde te spreken
heeft meer met ons geestelijk leven te doen
dan wij vermoeden.
Ons zelven over te geven om de /wakken te
bemoedigen, de onkundigen te onderwijzen, de
dwalenden te waarschuwen, door hen te vertellen
wat Christus voor ons is, is een van de zekerste
middelen om de tegenwoordigheid des Heeren
neder te brengen, de verschillende leden tot
een lichaam op te bouwen, de hoop van allen
te versterken, en allen voor te bereiden voor
den zegen van de uitstorting des Geestes. welke
onmisbaar is indien wij met kracht voor Christus
zullen getuigen.
4. Is het noodig van geloof te spreken als
een van de voornaamste lessen, die noodig was
voor het pinkster-zending-werk van de eerste
eeuw en voor dat van onzen tijd? Het was
niet alleen door het rechtstreeksch onderwijs
aan Zijne discipelen, maar door al wat Hij in
hunne tegenwoordigheid aan anderen zeide, en
door de bewijzen die Hij gaf van de volstrekte
behoefte aan de kracht des geloofs, dat Hij hen
er toe bracht om te begrijpen welke plaats het
in hun leven en arbeid innemen moest. Wij
weten wat geloof is. Van het eerste eenvoudig
geloof af, dat eene belofte hoort en Gods woord
aanneemt, tot het geloof toe. dat ingaat in eene
-ocr page 159-
DE PINKSTER-GEMEENTE.                 147
volle en bewuste vereeniging met Christus, en
in Hem blijft, en de „grootere werken" doet,
is het geloof altijd een van de eerste voor-
waarden van de kracht der werking des Geestes.
De pinkstergemeente ontving en behield den
zegen en de kracht, deed haar werk, verduurde
haar lijden en behaalde hare overwinningen,
alle door het geloof.
Geloof is zulk eene eenvoudige zaak dat velen
meenen dat het ook eene gemakkelijke is. Als
een kracht om de wereld te overwinnen, den
Satan uit te werpen en monschen uit de
duisternis tot Gods licht te brengen is het
geene gemakkelijke zaak. Het sluit in het afzien
van zichzelven, het kruizigen van zichzelven
tegenover de wereld, het afstand doen van
den mensen met zijne wijsheid en kracht en
het afhangen van God alleen. Wij spreken
van eene geloofszending, waarin geloof, in een
of ander opzicht in het bijzonder op den voor-
grond treedt. Het is noodig nadruk te leggen
op de groote waarheid dat alle zending-werk
geloofswerk behoort te zijn. En dat, als dit
zoo zal zijn, wij bij het begin moeten beginnen,
en niet alleen zoeken moeten om het woord
gemengd te hebben met geloof in hen die hooren
maar om elke gave en elk gebed ook met geloof
gemengd te hebben. „Door het geloof offerde
Abel eene betere offerande". Als de offerande
-ocr page 160-
148           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
van geld in eene collecte eene zaak is zoo
heilig als de offerande van Gebed, en als men
inziet dat het geloof, dat noodzakelijk is om
het gebed krachtdadig te maken, even onmisbaar
is om eene gave krachtdadig te doen zijn, zullen
wij het punt van aanraking met de conscientie
van individueele geloovigen vinden, en onze
zendingbijeenkomsten en collecten zullen zoo
dienstig zijn tot een leven van geloof, als de
prediking des Evangelies. Van de enkele per-
sonen zullen wij dan opklimmen tot de verschil-
lende genootschappen of gemeenten waartoe zij
behooren en door dezen heen tot de leidslieden
en bestuurders en zendelingen, totdat allen
zich in de eene diepe allesbeheerschende over-
tuiging vereenigen: zendingwerk is geloofswerk.
Wanneer het geloof dat ontstaat uit de kennis
van Christus in Zijne reddende macht in
onszelven, in Zijne reddende macht over allen,
uit de kennis van Hem als de Triomfeerende
en de Almachtige die zelf werken zal in hen
die in Hem gelooven, erkend wordt als onmis-
baar voor alle arbeiders tehuis en in den vreemde,
dan zullen wij den Pinkstertijd naderen.
5. Nog eene gedachte. Men zou meenen dat
de voorbereiding voleindigd was toen Christus
den troon besteeg. Dit was echter niet het
geval. Er was nog iets noodig om het werk
der voorbereiding te voleindigen. Zelfs na de
-ocr page 161-
DE PINKSTER-GEMEENTE.                    149
driejarige opvoeding, den geheimzinnigen invloed
van gemeenschap met Christus in den dood
dien zij Hem zagen sterven, de machtige kracht
van het opstandingsleven dat Hjj hen inblies,
de wonderbare openbaring der veertig dagen,
geheel in de kracht van het Nieuwe Leven,
de hemelvaart naar den troon, het zitten aan
de rechterhand der Majesteit in de hemelen en
Zijn ontvangen van den Geest van den Vader,
was er nog iets dat noodig was. Het was de
tien dagen van aanhoudend vereenigd
gebed en smeeking.
Ik weet nauwelijks
van een ander gedeelte der Schrift dat het
gebed in zulk een wonderbaar licht voorstelt.
God in den hemel heeft gedaan alles dat noodig
was: Christus heeft Zijn werk voor en in Zijne
discipelen voleindigd; Pinksteren, de neder -
daling des Geestes, moet nog op hunne
gebeden tien dagen wachten.
Gebed
moet nog het laatste doen en het werk der
voorbereiding voltooien. Daarin moet er ge-
vonden worden die volkomene en voortdurende
afwending van de wereld, dat openen van het
geheele wezen voor God, dat opklimmen naar
den hemel, en dat blijven in Christus aldaar,
dat bewijzen moet dat die menschen werkelijk
toebereide vaten zijn voor Gods Heiligen Geest.
Toen Jezus verheerlijkt was, toen het Lam zijne
plaats in het midden des troons ingenomen
-ocr page 162-
150            HET VHAAGST17K DER ZENDING.
had, vloeide de rivier van het water des levens
uit den troon van God en van het Lam en
stroomde in en uit deze biddende discipelen.
Het is zooals er van Christus geschreven is:
,.En het geschiedde toen Jezus ook gedoopt
was en bad dat de hemel geopend werd, en
dat de Heilige Geest op Hem nederdaalde".
Als aan elke andere voorwaarde voldaan is, is
liet gebed noodig om den zegen te doen neder-
dalen en te ontvangen. Indien de Pinkster
Gemeente een voorbeeld moet zijn, en dit niet
geschieden kan zonder den terugkeer van den
Pinkstertijd, dan moet het gebed wederom het
middel zijn waardoor de vensteren des hemels
geopend worden. Het gebed moet gepredikt en
beoefend worden, als de eerste en de laatste
plicht van eene kerk die hoopt om de kracht
Gods in haar werk geopenbaard te zien. De
tien dagen van aanhoudend gebed moeten ons
de les, die zoo eenvoudig en toch zoo moeilijk
te vatten is, leeren, dat hetgeen weinig gebed
niet verkrijgt, veel gebed, ernstig geloovig gebed,
het gebed dat lang genoeg voortgezet wordt,
gewisselijk zal ontvangen.
in de woorden welke wij in het begin van
dit hoofdstuk aanhaalden, werd er gezegd:
Zij bedienden zich van geene kracht,
welke ons ook niet ten dienste staat.
Wij hebben gezien wat sommige van deze
-ocr page 163-
BE PINKSTER-GEMEENTE.                  151
krachten zijn. De kracht van afzondering van
de wereld en ware zelf-opoffering, van innige ge-
hechtheid en toegewijdheid aan den Heere Jezus,
van lietde en gemeenschap waardoor wij een
zijn met de geloovigen rondom ons, van geloof,
van aanhoudend gebed — deze dingen maakten
de discipelen geschikt om de belofte des Vaders
te ontvangen en geschikte instrumenten te
zijn voor het krachtig werk des Heiligen Geestes
in het getuigen voor Christus tot aan de einden
der aarde. Wij hebben achtgegnven op de voor-
bereiding, de wonderlijke vorming van menschen.
<»m. gelijk Jezus, in de menschelijke natuur,
den Geest van God in zich wonende te hebben.
Bedenk nu hoe wonderlijk deze zegen op zich-
zelven was, hij was de vrucht en de kroon
van het verlossingswerk van Christus. Deze
menschen, door Christus voorbereid, werden
allen vervuld met den Heiligen Geest. Op aarde
was het lichaam van Christus de woning des
Geestes geweest, het werktuig waarvan Hij
zich bediende. Nu Hij in den hemel arbeidt,
maken de discipelen Zijn lichaam uit; zij nemen
Zijne plaats in; de Geest woont in hen als de
werktuigen van welke Hij zich bedient tot
voortzetting van Christus eigen werk. De
Geest waardoor God God is, en Vader en Zoon
elk een is wat Hij is, en waardoor beiden
Een zijn, — de Geest, het eigen leven van God.
-ocr page 164-
152            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
vervult hen. In de drievoudige werking van
Zijne levenwekkende genade, verlicht, heiligt
en versterkt Hij hen. Dit wil zeggen, Hij
openbaart de Goddelijke waarheid, Hij maakt
deelgenoot van het heilig leven en de gezindheid
van Christus, en Hij begiftigt met de Goddelijke
kracht, die te midden van zwakheid arbeidt en
lijdt en overwint. Zooals de opvoeding door
Christus hen voorbereiden moest, zoo moest
deze begiftiging hen werkelijk in staat stellen
om Zijn werk te doen. Gij zult kracht ont-
vangen als de Heilige Geest over u gekomen
zal zijn. Gods kracht voor Gods werk moest
de eene voorwaarde zijn van het welslagen
hunner onderneming om het evangelie aan elk
schepsel te brengen, om de getuigen van Christus
te zijn tot aan de einden der aarde.
„Dat Pinkster-geslacht heeft meer ge-
daan om de wereld te Evangeliseeren
dan eenig volgend geslacht".
Indien wij
zooveel zullen doen als zij gedaan hebben —
nemen wij in aanmerking de vermeerdering van
de bevolking der wereld en van het ledental
der kerk, dan moeten wij tienmaal meer doen
dan zij gedaan hebben — dan hebben wij aan
deze eene zaak behoefte: Vervuld te worden
met den Heiligen Geest als de kracht
Gods om Gods werk te doen!
Het is niet
genoeg dat de rivier van levend water nog uit
-ocr page 165-
DE PIXKSTER-GEMEEXTE.                   1Ö3
den troon van God en van het Lam vloeit;
het is niet genoeg dat wy Gods Tempelen zijn
en dat de Geest Gods in ons woont. De Geest
kan in ons zijn. en kan nochthans bedroefd of
gebluscht of weerstaan of verontachtzaamd
worden. Waar Hij met kracht werken zal.
daar vraagt Hy\' het geheele wezen, opdat Hij
het vervullen zou. Hij eischt het beheer over
het geheele leven, opdat Hij het in alle dingen
besturen en beheerschen zou. Hij vraagt dat
de mensch eene levende offerande zal zijn, een
geheel brandoffer om door het vuur van God
verteerd te worden. Indien wij eenige hoop
zullen hebben om gelijk de Pinkster Gemeente
te werken, dan moeten wij een nieuw tijdstip
in onze zending hebben. Er moet een waar
terugkeer van het Pinksterleven en van de
Pinksterkracht in de kerk plaats hebben. De
kracht van God voor het werk van God,
moet het wachtwoord van eiken arbeider zyn.
Dan alleen zal ons zendingwerk, zoowel wat
zijn omvang als wat zijne innerlijke kracht
aangaat, in staat zijn om de duizend millioen
zielen, die nog zonder de kennis van Christus
zyn, te bereiken.
Indien het beroep op de kerk gedaan, — dat
zij gelooven moet dat de Pinkster Gemeente
niets gedaan heeft dat wij niet behooren te
doen en niet kunnen doen — ernstig beschouwd
-ocr page 166-
154            HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
moet worden, wat moeten wij dan er mede
doen? Wij zijn, zoo wordt beleden, wat de
overgroote meerderheid van onze lidmaten
aangaat, op een verren afstand van den Geest
die de Pinkster Gemeente kenmerkte. Wat
moet er gedaan worden
om al de leids-
lieden in kerken, genootschappen en commissies
er toe te krijgen om het wachtwoord op tn
vangen : Terug naar Pinksterfeest: zonder
dit kan het werk niet gedaan worden!
Is er geen weg langs welken onze leeraars en
gemeenten bereikt kunnen worden, en langs
welken allen, die gevoelen dat Gods werk niet
gedaan wordt zooals het gedaan moest worden,
door een heiligen band van eenheid ineen
gevoegd kunnen worden, totdat het wacht-
woord de geheele kerk door weerklinken zal:
Terug naar Pinksterfeest; Gods macht
voor Gods werk; zonder dit kan het
werk niet gedaan worden.
Het zending-vraagstuk is een persoonlijk iets.
Elke geloovige heeft bij het ontvangen van de
liefde van Christus in zijn hart, in zich opgenomen
eene liefde die zich uitstrekt tot de geheelu
wereld. Op elk lid der Kerk rust de groote
opdracht: Het evangelie aan elk schepsel. Laat
elkeen onzer zelf beginnen om voor de Kerk
te zoeken de herstelling van hare pinksterkracht
voor haar werk om de wereld door den naam
-ocr page 167-
DE PIXKSTER-GEMËEXTE.                  155
van haren Koning bekend te maken. Pinksteren
wordt geleid door gebed — vurig, aanhoudend,
vereenigd gebed; gebed dat niet ophield voordat
het antwoord kwam. Zoodanig gebed is niet
iets gemakkei ij ks. het kost zelfopoffering en
lijden. Hudson Taylor zeide op de conferentie:
„Niet slechts moeten de zendelingen in het uitgaan lijden.
maar de kerk moet voorwaarts gaan in zelfverloochening
tot dat zij het punt van lijden bereikt. Verlossingswerk,
ziel-reddend werk, kan niet zonder lijden gedaan worden.
Indien wij alleen bidden voor zooverre het bidden eene
eenvoudige, aangename, en genoegelijke oefening is, en
niets weten van te waken in het gebed en te arbeiden
in het gebed tot moede worden, zullen wij niet de
de zegeningen afbrengen welke wij verkrijgen konden.
Wij zullen onze zendelingen, die overweldigd worden
door de schrikkelijke duisternis van het heidendom,
niet kunnen steunen: wij zullen zelfs niet het geestelijk
leven van onze eigene zielen, genoegzaam kunnen onder-
houden. Wij moeten God dienen zelfs tot het punt van
lijden, en iedereen moet zichzelven vragen: „In welke
mate, in welk opzicht, breid ik, door persoonlijk lijden,
door persoonlijke zelfverloochening, zelfs tot het punt
van lijden, het Koningrijk van Christus uit?"
Laat ons onszelven nu overgeven aan gebed,
dat de kerk tot haren Pinkster-toestand terug
gebracht raag worden. Laat ons door het geloof
onszelven geheel aan den Geest onderwerpen,
en Hem door het geloof\' ontvangen om ons te
vervullen. Laat ons onszelven overgeven aan
het gebed om de kracht des Geestes af te bidden
-ocr page 168-
156            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
voor het leven en het werk van de kerk, te
huis en in den vreemde. Het Pinksterbevel
om tot aan de uiterste einden der aarde aan
ieder schepsel het evangelie te verkondigen is
dringend, te meer daar het zoo lang veront-
achtzaamd werd. De behoefte aan Pinkster-
kracht is dringend boven alle denken. Door
gebed werd zij verkregen; nog brengt gebed
haar. En weinigen gevoelen hoe gering onze
kracht tot gebed is, en hoe gering onze kracht
om door het gebed veel te vermogen. Laat
ons teruggaan en onderzoeken wat het was
dat deze nederige visschers en vrouwen geschikt
maakte om zoo te bidden. Het was dezeeene zaak:
Jezus Christus had hun geheele hart. Zij hadden
voor Hem alles verlaten. Zijne liefde vervulde
hen, en maakte hen een met Hem en met elkander.
De gemeenschap der liefde versterkte hen.
Hun opgevaren Heer was alles voor hen:
zij konden niet anders dan bidden.
Laat
ons bidden in het verborgene. Laat ons ons in
liefde met anderen vereenigen, en bidden zonder
ophouden, laat ons waken in het gebed, dat
God, ter wille van Zijn Zoon en van een ver-
lorengaande wereld, Zijn volk mocht terug-
brengen tot hun eersten toestand in de
toegewijdheid en de kracht en de vreugde
van het Pinksterleven.
Maar laat ons altijd weder gedenken: Het
-ocr page 169-
DE PINKSTEK-GEMEEXTE.                  157
zending-vraagstuk is een persoonlijk iets. Kene
vurige liefde tot Jezus Christus, geboren uit
Zijne liefde, die waarlijk van elkeen bezit heeft,
zal ons leeren om te bidden, en te arbeiden.
en te lyden. Laat ons om zoodanige liefde
bidden.
-ocr page 170-
HOOFDSTUK VII.
isct £enbmt)-uraan,stnh een persoonlijk iets.
è*lfcc (Seloouige een jieljoehcr.
TN het rapport van de Studenten Zending
Conferentie in Januari 1900 in Londenl)
gehouden bevat het aanhangsel eene teekening
onder dit opschrift: De mogelijkheden van
persoonlijken arbeid.
Het doel er van is om
te bewijzen door de wet van cijferkundigen
voortgang, hoe indien er heden slechts één
christen in de wereld zou zrjn, en hij en alle
volgende bekeerlingen aan hunne roeping ge-
trouw zouden zijn, binnen één geslacht ieder
mensch in de wereld tot Christen kon bekeerd
zijn. De voorstelling is als volgt: INDIEN
er slechts één Christen in de wereld
ware, en hij zou een jaar arbeiden en
een vriend voor Christus winnen, en
INDIEN deze twee voortgingen om elk
jaar nog een te winnen en INDIEN ieder
mensch aldus het Koningrijk binnen
geleid, ieder jaar nog een er in zou leiden,
\'i Studente and the missionary Problem.
-ocr page 171-
ELKE OEI.OOVIGE EEN ZIEI.ZOEKEK.          159
dan zou in den tijd van 31 jaren ieder
mensen in de wereld met Christus bekend
zijn.
En dan volgt de tafel die aantoont dat het ge-
volg wezen zon — meer dan twee duizend millioen
Christenen aan het einde van een-en-dertig jaar.
Sommigen mogen twijfelen aan de wijsheid
van berekeningen die geheel buiten de perken van
mogelijkheid en van de beloften van Gods woord
liggen. Anderen kunnen bedenkingen inbrengen
tegen de juistheid van eene berekening welke
er op schijnt te rekenen dat allen die Christen
worden tot aan het einde van die een-en-dertig
jaar zullen leven, terwijl het bekend is dat
omtrent een dertigste van de bevolking dei-
aarde ieder jaar sterft. Zoodanige vragen daar-
latende, wenseh ik slechts het beginsel dat de
grond van de berekening uitmaakt te nemen, en
aan te toonen wat de uitwerking zou zijn indien
de hoofdwaarheid welke zij bevat, waarlijk-
geloofd, en gepredikt en beoefend zou worden.
Die waarheid is deze, dat Christus eiken
geloovige tot een ziel-zoeker bestemd
heeft.
Of liever, — want deze is de diepere
waarheid waarin de eerste haren wortel en hare
sterkte heeft — dat elke geloovige gered is
geworden met het bepaalde doel dat hij de
redding van andere zielen het voornaamste,
het hoofddoel van zijn bestaan in de wereld
zou maken.
-ocr page 172-
160            HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
Indien ik ooit de behoefte van het onderwijs
van den Heiligen Geest voor mij zelven en
mijne lezers gevoel, dan is het wanneer ik tot
dit punt kom. Wij nemen zoo gemakkelijk
algemeene voorstellingen aan zonder ten volle
te beseffen wat zij in zich sluiten. Het is
alleen wanneer wij er rechtstreeks mede in
aanraking komen, en opgeroepen worden om
ze toe te passen en er naar te handelen, dat
het geheime ongeloof te voorschijn komt waar-
door zij van hunne kracht beroofd worden. Het
is alleen wanneer wij door den Heiligen Geest
weg zien van den toestand der kerk rondom
ons, en van de groote meerderheid der chris-
tenen. en wachten om tot een besef te komen
van wat eigenlijk de wil van God aangaande
Zyn volk is, en van wat hij door de genade
des Heiligen Geestes werkelijk voor hen moge-
lijk gemaakt heeft, dat in ons onderwijs binnen
de kerk het ons wachtwoord zal worden —
Elke geloovige een zielzoeker! Dit alleen
zal ons een vast fondament geven waarop wij
gronden kunnen ons beroep tot zending-werk
en onze hoop op eene onmiddelijke en genoeg-
zame beantwoording van de oproeping om op
te staan en Christus aan elk schepsel te ver-
kondigen.
Maar is deze regel — elke geloovige een
zielzoeker
— letterlijk waar en bindend? Is
-ocr page 173-
ELKE GELOOVIGE EEN ZIELZOEKER.         Kil
het niet iets buiten de perken van het prac-
tische?
Is het niet iets buiten het bereik van
de groote meerderheid van ware doch zwakke
geloovigen? Juist het feit, dat deze waarheid
voor zoo velen vreemd is. en dat alleen het
geestelijk gemoed haar als mogelijk en \\erplich-
tend vatten kan, maakt het zoo dringend dat
zij onderwezen zal worden. Laat ons onder-
zoeken en zien op welke gronden zij rust.
De geheele natuur leert ons dat het zoo
moet zijn. De regel heeft zijn wortel in den
aard der dingen. Hij is een noodzakelijk be-
istanddeel van de Nieuwe Natuur. Zien wy
niet in elk kind, hoe het gaarne van zyn geluk
spreekt en tracht om anderen er toe te bren-
gen, om het met hem te deelen. Verwachten
wij niet om in elk menschelijk hart een gevoel
van mededoogen jegens den arme en den lijdende
te vinden? En waarom zouden wij het vreemd
vinden dat elk kind van God geroepen zou
worden om deel te nemen aan het bekend
maken van het geluk dat hij gevonden heeft.
<>m zich het lot van die hem omringen aan te
trekken, zich over hen te erbarmen en aan
hunne redding te arbeiden? Elke geloovige
een zielzoeker
! Wat kan meer natuurlijk zijn?
Christus noemde zijne discipelen het licht
der wereld. De geloovige is een verstandelijk
wezen — zijn licht schijnt niet alseene blinde
u
-ocr page 174-
1»)2            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
kracht der natuur, maar in de vrijwillige uit-
strekking van het hart voor diegenen die in
duisternis zijn, in de verlangende begeerte om
het licht tot hen te brengen, en alles te doen
dat hij kan om ze met Christus Jezus bekend
te maken. Het beeld van het licht wordt dik-
wijls gebruikt in verband met den stillen
invloed door goede werken en door een chris*
telijken wandel uitgeoefend. Het sluit dit wel
als een noodzakelijk bestanddeel in, maar betee-
kent toch ook veel meer. Het beteekent niet
slechts, zooals men dikwijls meent, dat ik
tevreden moet zijn met het zoeken van mijne
eigene zaligheid, en dat ik vertrouwen mag dat
mijn voorbeeld anderen tot nut zal zijn. Neen;
zooals het voorbeeld van Christus zijne kracht
ontleende aan het feit, dat het een leven was
in onzen dienst doorgebracht en voor ons over-
gegeven, zoo ligt de ware kracht van den
christelrjken invloed in de liefde, die zichzelve
overgeeft om het geluk van anderen te zoe-
ken. Daar God Licht en Liefde is, is het de
liefde die den Christen tot het licht der wereld
maakt. Elke geloovige een zielzoeker
dit is inderdaad de wet dos Geestes, des levens
in Christus Jezus.
Hoe kan het anders zijn? Daar God liefde
is, zoo is hrj die liefheeft uit God geboren,
Liefde is Gods hoogste heerlijkheid, Zijne
-ocr page 175-
ELKE GELOOVIGE EEX ZIELZOEKER.          163
eeuwigdurende zaligheid. Gods kinderen dragen
Zijn beeld, deelen in Zijne zaligheid, en zijn erf-
genamen van Zijne heerlijkheid. Maar zij kunnen
dit langs geen anderen weg doen dan door
een leven van liefde te leiden.
Her nieuwe
Leven in hen is een leven van liefde; hoe kan
het zich openbaren anders dan door lief te
hebben gelijk God lief heeft, en door lief te
hebben degenen die Hij liefheeft? Het is Gods
eigen liefde die onze harten bestraalt. Christus
bad „dat de liefde waarmede Gij mij liefgehad
hebt in hen zij." Het is de liefde van Christus,
de liefde, waarmede Hij ons lief gehad heeft,
die ons dringt. Liefde kan haren aard niet
veranderen wanneer zij uit God in ons vloeit:
zij blijft de boozen en de onwaardigen beminnen,
en hun heil begeeren. De liefde van Christus
heeft, nu dat Hij in den hemel is, geen anderen
weg om de zielen voor wie Hij gestorven is.
en naar wie Hij verlangt, te bereiken, dan
door ons. Zekerlijk kan niets meer natuurlijk
en waar zijn dan de gezegende boodschap: Elke
geloovige is verlost om een zielzoeker
te zijn.
Maar, als het dan zoo eenvoudig en zoo zeker
is, vanwaar dat er zoo vele woorden noodig
zijn om het te bewijzen en te bekrachtigen?
Helaas! omdat de kerk in een zwakken en
ziekelijken toestand verkeert, en tienduizenden
-ocr page 176-
164           HET VRAAGSTUK DEI! ZENDING.
van hare leden nooit geleerd hebben, dat deze
een van de keurigste schatten harer gezegende
erfenis is. Zij waren tevreden met de zelf-
zuchtige gedachte aan persoonlijke zaligheid en
hebben zelfs in het streven naar heiligmaking
nooit geleerd wat het doel van God met hunne
verlossing is. En er zijn tienduizenden van
anderen, die eenig begrip er van heblien dat
dit een gedeelte van hunne roeping is, die niet
er op zien als een bevel boven hunne kracht,
en niet geweten hebben dat de vervulling er
van, als eene wet en eene kracht van hunne
innerlijke natuur, zooals elke werking van een
gezond lichaam, eene vreugde en een zegen moest
zijn — de weg tot de volle ontwikkeling van
hunne geestelijke natuur. Zelfs de bevelen van
den iloere Jezus kunnen voor ons een last zijn
zooals de wet van Mozes, en met zich den geest
van dienstbaarheid en veroordeel ing brengen,
tenzij wij het gezegend tweevoudig geheim
kennen, dat de kracht tot het volbrengen geeft.
Dat geheim is vooreerst wat wij reeds genoemd
hebben — het geloof dat liefde de innerlijke
wet van onze natuur is, en dat de Geest van
Gods wet in ons is om ons in staat te stellen
om diegenen die rondom ons zijn met blijmoe-
digheid lief te hebben, te zegenen en te redden.
En dar. dat het in de overgave is aan een
leven dat Jezus van nabij volgt en in voort-
-ocr page 177-
ELKE OELOOVIGE EEN ZIELZOEKEB.         165
durende gemeenschap met Hem leeft — dat
zich in Hem verheugt, alles voor Hem verlaat,
en alles voor Zijn dienst van liefde opoffert —
dat hunne geestelijke natuur gesterkt kan
worden, en het werk van zielen winnen de
hoogste vreugde en de voltooing van het Chris-
telijk leven wordt. Voor diegenen die dit
eenigszins verstaan is er niets vreemds in de
gedachte dat „Elke geloovige een ziel-
zoeker!"
het wachtwoord moest zijn van de
prediking van eiken leeraar en het leven van
eiken geloovige.
Maar zelfs dit is niet alles. Velen zullen het
toestemmen dat elke geloovige geroepen wordt
om voor anderen te leven en te werken, doch
zij heschouwen dit nog als eene zaak van
minder belang, ondergeschikt aan de hoofdzaak,
namelijk, de uitwerking van hunne eigene
zaligheid. Zij hebben nooit ingezien dat juist
het tegenovergestelde de waarheid is, — dat,
gelijk met Christus, Zijne nederigheid en gehoor-
zaamheid en heiliging door lijden geheel onder-
geschikt waren aan het groote doel der verlossende
liefde om menschen te redden, zoo ook de ver-
lossing en aanneming en heiligmaking van een
geloovige geheel ondergeschikt zijn aan hét
bereiken van hetzelfde doel: het liefhebben en
redden van de zielen rondom ons. Elke ge-
loovige een zielzoeker
— dit beteekent niet
-ocr page 178-
16()            HET VRAAGSTUK BEK ZENDING.
alleen dat hij dit onder anderen, maar
bovenal moet zijn, als het hoofddoel van zijn
bestaan. Wij stemmen het allen toe dat het
het hoofddoel der kerk moet zijn de wereld tot
Christus te brengen. Wij weten dat God de
kerk aan Hem gegeven heeft als Zijn lichaam,
met het eene doel dat zij tegenover haar Hoofd
zou zijn wat elk lichaam op aarde is — het
levend orgaan of instrument waardoor alleen
de oogmerken en het werk van het hoofd uit-
gevoerd kunnen worden. Wat waar is van het
Hoofd, is ook waar van het Lichaam; en wat
waar is van het Lichaam is ook waar van elk
lid — ook van het zwakste. Gelijk in het
Hoofd, Jezus Christus, en gelijk in het lichaam,
de Kerk, zoo is in eiken geloovige het hoofddoel,
het eenige doel van zijn bestaan de redding
van zielen. Hierin wordt God, boven alle
dingen, verheerlijkt. ..Ik heb u uitverkorenen
gesteld dat gij zoudt heengaan en vrucht
dragen". In de uitverkiezing en opdracht van
Christus reeds vindt ons wachtwoord: Elke
geloovige een zielzoeker,
als het eene doel
des levens zijne volle beteekenis. Christus is
gekomen om wat de zonde gedaan heeft te
vernietigen, door menschen tot God terug te
brengen. Dit is het doel waartoe elk lid van
Zijn lichaam behoort te leven.
Velen worden misschien er toe gebracht om
-ocr page 179-
ELKE GELOOVIGE EEN" ZIELZOEKEB.          1(>7
deze waarheid toe te stemmen, en zullen toch
moeten belijden dat zij de volle kracht er van
niet gevoelen. Menige leeraar zal misschien
gevoelen hoe weinig hij in staat is, om deze
waarheid, en de genade die gewisselijk tot hare
beoefening geschikt maakt, te prediken met
dezelfde volle overtuiging waarmede hij de
genade tot vergiffenis predikt. Het is van
belang dat wij deze erkenning zorgvuldig in
overweging nemen. Vanwaar komt de moei*
lijkheid? Deze vereeniging met den Heere
Jezus, deze verhooging van Zijn volk om deel
te nemen aan Zijn werk van verlossing tot
zulk eene mate dat Hij het zonder ons niet
kan ten uitvoer brengen, en met ons door d<-
Goddelijke kracht uitvoeren zal, is eene diepe
verborgenheid. Het is eene eer welke ons
begrip te boven gaat; het is eene gemeenschap,
eene vereeniging om deelgenootschap aan de
hoogste openbaring van het Goddelijk leven —
deszelfs vrijkoopings-verlossingswerk — zoo
nauw en Goddelijk dat alleen de Heilige Geest
haar aan ons kan ontdekken. Eenvoudige,
kinderlijke zielen leeren de werkelijkheid er
van kennen zonder dat zij weten hoe. Voor
diegenen die een Christelijk leven geleid hebben,
en de eerste liefde, die hen er toe gebracht
zou hebben, verlaten hebben, en tot wie alles
langs den zwaren weg van het verstand komen
-ocr page 180-
168            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
moet, is er behoefte aan vernedering in het
opgeven van vooruit opgevatte meeningen, en
van het vertrouwen op hunne bekwaamheid om
geestelijke waarheden te vatten; is er behoefte
aan het wachten op den Geest van zoodanige
waarheid in het diepste van hun wezen te
werken. En er is bovenal behoefte aan een
afkeeren van de wereld met hare gezindheid
en wijsheid en een wederkeeren tot nauwe
gemeenschap met den Heere Jezus, van wien
alleen het licht en de liefde, met het besef en
de ondervinding van hetgeen Hij in ons doen
kan, komen moeten.
Elke geloovige gesteld om vóór alle
dingen en allermeest een zielzoeker te
zijn.
Ofschoon dit wachtwoord eenvoudig
klinkt, en gemakkelijk aangenomen wordt, zal
het velen veel kosten om er door overmeesterd
te worden. Maar als wij op Christus en den
geest van Zijn leven en liefde in het hart
wachten, kunnen wij de les leeren.
Het hoofddoel waarvoor de Kerk en elke
geloovige alleen bestaat — deelgenootschap
met God aan Zijn werk van verlossen — is
de kroon, de hoogste heerlijkheid, van Gods
verlossende genade — de voorbereiding van
ons zitten met Christus op Zijnen troon.
Zoodanige waarheid kan alleen in nauwe
en blijvende gemeenschap met Christus
-ocr page 181-
ELKE GELOOVIÖE EEN ZIELZOEKER.          169
ten volle van ons hart bezit nemen en bezit
houden. Wy kunnen soms deze behoefte aan
veel aanhoudenden omgang met God niet
verstaan. En toch is het hiermede niet andeis
dan met aardsche dingen. Neem bijvoorbeeld
het goud in den smeltkroes. Als de hitte
ongenoegzaam is wordt het heet, doch het
smelt niet. Wordt het blootgesteld aan de
noodige hitte, doch slechts voor een korten
tijd, en dan uitgenomen dan wordt het evenmin
gesmolten. Het eischt zoowel een hevige als
eene voortdurende hitte, en dan is het kostbare
doch harde metaal gereed voor het werk van
den goudsmid. Het is niet anders met het vuur
van Gods liefde. Zij die het in zijn kracht wen-
schen te kennen, zij die verlangen om het, in
de kracht van een levend geloof en van eene
levende ondervinding, te verkondigen en aan
anderen te brengen, moeten het in zijne hevigheid
kennen, en zij moeten weten wat het beteekent
er in te blijven. Die tijd gebruikt om in de
aanraking met het vuur der liefde dat Christus
verteerde, zoekt te verkeeren, totdat zijn geheele
wezen onder de macht er van komt zal weten
dat de liefde allen kan bereiken, allen kan doen
smelten en zelfs van het koudste en het zwakste
kind van God een liefhebber en zoeker van
zielen kan maken. In dat gloeiend en voort-
durend vuur kan een leeraar, een leidsman.
-ocr page 182-
170           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
leeren om met kracht te getuigen van de waar-
heid van het wachtwoord — Elke geloovige
een zielzoeker.
Laat mij voor een oogenblik terugkeeren
naar het beeld van het Hoofd en het Lichaam.
De lessen zijn zoo in het oog loopend dat zij
met weinig nadenken gekend worden. Het
hoofd kan alleen door het lichaam werken.
Elk lid is zoo volkomen onder beheer van
het hoofd als het geheele lichaam. Indien de
leden, tengevolge van ziekte, weigeren om te
handelen, is het hoofd hulpeloos om zijne
plannen uit te voeren. Het hoofd stelt zich
ten doel, oin eerst elk lid te gebruiken voor
de instandhouding en de welvaart van het
geheele lichaam, en liet dan zijn aandeel te
doen nemen in werk dat het lichaam verrichten
moet. Indien het feit dat wij leden van het
lichaam van Christus zijn eenige beteekenis
heeft — en, dank God! het heeft eene onein-
dige beteekenis — dan is elke geloovige in het
lichaam om voor de andere leden te zorgen,
en dan mueten alle leden met de anderen
medewerken in de uitvoering van de plannen
van het hoofd. Waar ik ook ga, en wat ik
ook doe. overal draag ik elk lid van mijn
lichaam met mij, en zij nemen deel aan al wat
ik doe.
Het is niet anders in het lichaam van Christus
-ocr page 183-
ELKE GELOOVIGE EEN ZIELZOEKER.         171
Jezus. Elk lid heeft maar (\'éne bestemming,
en in gezonde toestand zal het elk oogenblik
aan die bestemming voldoen. Die bestemming
is. om het werk van het hoofd te doen. Het
werk van ons Hoofd in den hemel is om al de
leden van Zijn lichaam op de aarde te verga-
deren. Aan dit werk neemt elk lid van het
lichaam deel; niet onder de wet van eene blinde
natuurkracht, maar onder de wet van den
geest der liefde, welke eiken ijeloovige met
zijn Heer in liefde verbindt en aan hem mede-
deelt dezelfde gezindheid en dezelfde kracht
waarmede Christus Zijn werk doet. Laat ons
telkenmale als wij van Christus, hei Hoofd,
en van Zijn lichaam, de Kerk, lezen, met
nieuwen nadruk het wachtwoord uitspreken —
Elke geloovige, gelijk Christus, eenziel-
zoeker.
En welke is nu de toepassing van dit alles
op onze behandeling over de zendingzaak? Wij
hebben het meer dan eens gezegd, en wij zoeken
om het den grondtoon van dit boekje te maken,
dat Het Zending vraagstuk een persoon-
lijk iets is.
Indien de Kerk waarlijk haar werk
ondernemen zal, is het niet genoeg dat wij
.spreken over de verplichting welke er op het
tegenwoordig geslacht en op elkeen die er toe
behoort, rust, om Christus aan elk schepsel
te helpen bekend maken. De ware opvoeding
-ocr page 184-
172           HET VRAAGSTl\'K DER ZENDING.
moet zich met den individueelen geest bezig-
houden. Bij liet algemeene wachtwoord moet
er gevoegd worden het persoonlijke. De aan-
kondiging vanXelson: „Engeland verwacht
DAT IEDER MAN zijn plicht doen zal",
was een persoonlijk beroep op eiken man in zijn
vloot gedaan. Als wij vragen, waarom, ofschoon
er millioenen van Christenen zijn, het werkelijk
leger van God dat tegen de heirlegers der duis-
ternis vecht om hun hun prooi te ontnemen,
zoo klein is dan is het eenig antwoord — gebrek
aan lust, men heeft er geen hart voor. De
geestdrift voor het koningrijk ontbreekt. En
dat, omdat er zoo weinig geestdrift voor den
Koning is. En ofschoon er veel gedaan kan
worden door zorgvuldige organisatie, strenge
tucht, en goed bestuur, om het beste gebruik
van de manschappen die wij hebben te maken,
zoo is er toch niets dat zoo het vertrouwen
en den moed kan doen wederkeeren als de
tegenwoordigheid van een geliefden Koning,
voor wien ieders hart warm klopt in onder-
danigheid en in toegewijdheid.
De oproeping tot Zendingwerk moet niet
slechts door de kracht van redeneering en bemoe-
diging zoeken, om van de krachten die er zijn
het beste gebruik te maken; zij moet dieper gaan
en zoeken om zich in te laten met den wortel
van het kwaad; zij moet de Christenen met
-ocr page 185-
ELKE GEEOOVIGE EEN ZIELZOEKER.          173
hunne henielsche kracht bekend maken. Indien er
niet een verlangen is naar het zoeken van zielen
in onze eigene omgeving, hoe kan de belang-
stelling in den verwyderden heiden waarlijk
diep of geestelijk zijn? Er kunnen vele beweeg»
redenen zijn waarop wij ons bij het vragen naar
arbeiders of geld voor de zending kunnen beroepen
— zooals de erbarming over medemenschen, de
uitroeing van de gruwelen drs heidendoms, de
opheffing van ellendigen rot hetero toestanden
de eischen van onze Kerk of van ons genoot-
schap. De ware en hoogste beweegreden echter
is de eenige die werkelijk onszendingwerkdienst-
baar zal maken aan de geestelijke welvaart dei-
Kerk en hare geestelijke kracht voor het werk
haar van den Heer aangewezen, te voorschijn te
roepen. De beweegreden is de liefde van Christus
die eiken geloovige tot een zielzoeker doet zijn.
Indien het Zending Beroep op dit geslacht om
het evangelie aan eiken mensen te brengen slagen
zal, dan zal de Kerk zich tot dit werk moeten
aangorden op eene geheel andere wijze dan zij
tot hiertoe gedaan heeft. De gewichtigste vraag
waarmede de Kerk het nu te doen heeft — in
den grond der zaak de eenige werkelijke moei-
lijkheid van het zendingvraagstuk — is hoe de
Kerk tot een besef te brengen van de grootheid
en de heerlijkheid der taak aan haartoevertrouwd,
en haar te bewegen die van ganscher harte en
-ocr page 186-
174           HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
met al hare krachten te ondernemen. En het
eenig antwoord op die vraag — de sleutel van
de geheele positie — schijnt de eenvoudige waar*
heid te zijn: Het Zendingvraagstuk is een
persoonlijk iets.
De Heere Jezus Christus is
de Bewerker en Leidsman der zending. Die
recht staat tegenover Hem, en in Hem blijft,
zal gereed zijn om Zijn wil te kennen en te
doen. De eenvoudige zaak is om zoo nauw
met Hem te verkeeren dat men Zijne stem kan
hooren, en zoo overgegeven aan Hem en Zijne
heide dat men tot het doen van geheel Zijn
wil gereed is. De geheele verhoudingvan Christus
tot ons is eene innig persoonlijke. „Hij heeft mij
lief gehad en Zichzelven voor mij gegeven" Mijne
verhouding tot Hem is evenzeer eene geheel
persoonlijke. Hij heeft zichzelven tot een rantsoen
voor mij gegeven en mij tot zijn eigendom gekocht.
En ik ben de Zijne, om voor Hem en voor Zij n
verheerlijking te leven. Hij heeft mij met Zijne
liefde vervuld, en ik heb Hem lief. Hij zegt mij
dat Hij mij, als een lid van Zijn lichaam voor
Zijne dienst noodig heeft, en in liefde geef ik
mij met blijmoedigheid aan Hein over. Hij wil
niets meer dan dat ik dit aan anderen mede-
deelen zal, en hun het bewijs leveren zal van
hoe Hij liefheeft, hoe Hij ons in staat stelt
om lief te hebben, en hoe gezegend een leven
in Zijne liefde is.
-ocr page 187-
ELKE QELOOVIOE EEN ZIELZOEKER.          175
Het persoonlijk bestanddeel van het zending-
vraagstuk moet op den voorgrond geplaatst
worden. De zendingpreek of vergadering moer
aan de liefde van Christus de eerste plaats geven.
Zijne brandende liefde jegens ons; onze brandende
liefde jegens Hem. Indien Christenen in een
lagen, kouden, wereldschen toestand verkeeren,
moet het eerste werk zijn, het wachten op
God in gebed en geloof om den Heiligen Geest.
om hen tot eene ware toegewijdheid aan den
Heere Jezus te voeren. Het schijnbaar verlies
van niet met eens met de gewone zending
informatie en redeneeringen voor den dag te
komen, zal spoedig vergoed worden. Zwakke
geloovigen die gaarne hooren en geven, moeten
opgeheven worden tot een begrip van welk een
wonderbaar geestelijk voorrecht het is om zich
zelven Christus aan te bieden om voor Zijn
Koningrijk te leven. Zij moeten aangemoedigd
worden om te gelooven dat de Heer die hen lief
heeft, hunne liefde grootel ij ks waardeert, en hen
in staat stellen zal om ze aan Hem te brengen.
Zij moeten leeren dat de stervende liefde van
Christus, terecht vraagt om de toewijding van
het geheele hart en dat hoe meer zij opofferen
hoe meer die liefde van hen bezit nemen zal. Zoo
bepaald als wij arbeiden om de belangstelling
en de giften van eiken persoon te verkrijgen,
zoo bepaald, en met nog meer ernst, moeten
-ocr page 188-
176            HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
wij arbeiden oni elkeen in aanraking met Christus
Zelven te brengen.
In het begin mag het schijnen als of\' wij te
hoog mikken. In menige gemeente zou de weer-
klank van dit beroep op een leven geheel aan
Christus gewijd gering kunnen zijn. Laat echter
de leeraar zich, bij dit licht, aan de studie van
het zending-vraagstuk overgeven. Laat hem
met helderheid en volharding aan zijne gemeente
zeggen: Gij zijt verlost om getuigen en bood-
schappers van de liefde van Christus te zijn.
Zijne liefde werd aan u gegeven, en in uwe
harten uitgestort, om u daartoe geschikt te
maken. Gelijk Hij u lief heeft, zoo heeft Hij
de geheele wereld lief. Hij verlangt dat zij die
dit weten liet bekend zullen maken aan hen die
het niet weten. Zijne liefde tot u en tot hen.
en uwe liefde tot Hem en tot hen, roepen u
om dit te doen. Het is uw hoogste voorrecht:
het zal uw hoogste geluk en uwe volmaking
zyn. Gelijk Christus zich zelven gegeven heeft,
geeft gij u zelven alzoo geheel aan dit werk
der liefde.
Terwijl de leeraar tracht om zijne gemeente
hier toe te brengen, ontdekt hij wellicht, hoe
weinig hij zelf er een besef van had. Dit zal
het begin van den zegen zijn. Terwijl hij aan
de behoeften van den heiden denkt, denkt
Christus aan zijne behoefte, en tracht hij om
-ocr page 189-
ELKE GELOOVIGE EEN ZIELZOEKER.          177
hem te brengen tot den zegen van eene nieuwe
ondervinding Zijner liefde. Terwijl zrjii eigen
nood en de nood van zijne gemeente, en hare
onmacht om in den nood van de heidenen te
voorzien, hem ter neder drukken, leert hy mis-
sehien meer dan ooit te voren om te bidden
dat de Heilige Geest hem leeren zou om de
liefde van Christus te kennen en te prediken.
Hij zal ook beginnen in te zien dat niets dan
een meer vurige geestdrift voor den Heere Jezus
en Zijne liefde, hem in staat stellen kan, om
eene ware zendingsgemeente te vormen. En hij
zal ondervinden, dat terwijl hij in het eerst
slechts aan de uitbreiding van Gods Koningrijk
in den vreemde dacht, het beroep om geheel
voor Christus en Zijne liefde en Zijn dienst te
leven tot zegen te huis leiden zal.
Het zending-vraagstuk is een persoon-
lijk iets omdat elke geloovige een ziel-
zoeker is.
Dit wachtwoord, dat uitgeroepen
wordt om de zendingzaak hare rechte plaats te
geven, zal terzelfder tijd arbeiders opwekken,
die, door de liefde van Jezus gedrongen ziel-
zoekers te huis zullen zijn.
i-j
-ocr page 190-
HOOFDSTUK VIII.
Heeraars met ben Eenbinn-(Secot bejiclb.
TN liet eerste hoofdstuk van dit boek komen
er aanhalingen uit toespraken voor, waarin
de vilornaamste verantwoordelijkheid voor de
oplossing van het zending-vraagstuk met alge-
meene toestemming, op de leeraren gelegd werd.
..Bij den leeraar berust het voorrecht
en de verantwoordelijkheid van het
zending-vraagstuk."
De/e woorden, blijk-
baar door de geheele Conferentie geëndosseerd,
wijzen, in verband met de leeraren voor eene
hooge eer, op eene dringende plicht en de groot e
behoefte om van God genade te begeeren,
om op waardige wijze hunne roeping te ver-
vullen. Wij behoeven niet de mate van ver-
antwoordelijkheid tusschen de leeraren en de
leden der kerk nauwkeurig te verdeelen; dat
er eene heilige en zware verantwoordelijkheid in
deze zaak, op de leeraren rust, stemmen allen
toe. Laat alle leeraren dit hartelijk erkennen
en aannemen, en zich voorbereiden om in over-
eensternming er mede te leven.
Laten wij trachten om, vooreerst, den grond
-ocr page 191-
LEERAARS MET DEN ZENDING-GEEST. 179
te vinden waarop deze verantwoordelijkheid
rust. De beginselen waaruit zij ontstaat zijn
eenvoudig en toch van onbegrijpelijk belang.
Zij zijn de vier volgenden:
Dat de zending het hoofddoel der kerk
is. Dat het hoofddoel van de leeraren
is
de kerk in dit werk te besturen, en haar
er voor geschikt te maken. Dat het hoofd-
doel der prediking
in eene gemeente behoort
te zijn, haar op te voeden om haar deel te
nemen in het helpen om de Kerk hare bestem-
ming te doen bereiken. En dat het hoofddoel
van eiken leeraar
in verband hiermede
behoort te zijn, om genade te zoeken om zelven
voor dit werk volkomen geschikt te worden.
Niemand ineene dat deze stellingen overdre-
ven zijn. Zij schijnen overdreven te zijn omdat
wij er aan gewoon zijn geweest, de zending eene
zeer ondergeschikte plaats in onze gedachten
aangaande de Kerk en hare leeraren te geven.
Wij moeten altijd teruggel tracht worden naar
de groote centrale waarheid, „de verborgenheid
van God," dat de Kerk het lichaam van
Christus is, en zoo volstrekt en uitsluitend door
God gesteld om het plan van zijne verlossende
liefde in de wereld uit te voeren, als dit het
geval met Christus, het Hoofd, zelf was. De
Kerk heeft, gelijk Christus, slechts één doel
van bestaan — nl. het licht der wereld te zijn.
-ocr page 192-
180           HET VRAAGSTUK DER ZENDINO.
Daar Christus voor alle menschen gestorven is,
daar God wil dat alle menschen zullen zalig
worden, zoo kent ook de Geest van God in de
Kerk geen ander doel dan dit — dat het
Evangelie aan elk schepsel gebracht zal worden.
Al het werk van den Heiligen Geest in de
overtuiging van zonde en bekeering tot den
Heer, in de verlichting, versterking en heili-
ging der geloovigen, heeft tot één oogmerk —
ze geschikt te maken voor het aandeel dat
elkeen hunner terstond nemen moet in het
terugwinnen der wereld voor God. De Kerk
moet zich niets minder ten doel stellen, dan
hetgeen Gods eeuwig plan en de stervende liefde
van Christus ten doel hebben gehad.
Naar mate wij inzien dat dit waar is, zullen
wij ook inzien dat het hoofddoel der
leeraaren behoort te zijn, de Kerkhier-
voor geschikt te maken.
Paulus schrijft.
„God heeft gegeven herders en leeraars, tot vol-
making der heiligen tot (dit wijst op hetgeen
deze heiligen doen moeten) het werk der bedie-
ning, tot (als het doel van dit werk der heiligen)
opbouwing des lichaams van Christus". Het
is door de bediening, de liefdedienst der heili-
gen, dat het lichaam van Christus bijeen
vergaderd en opgebouwd moet worden. En de
herders en leeraars zijn gegeven om de heiligen
tot dit werk der bediening te volmaken. Een
-ocr page 193-
LEERAARS J1ET DEN ZENDIXG-GEEST. 181
Normaalschool of Opleidingsklasse, is zeer
verschillend van eene gewone school. Zij zoekt
niet slechts om eiken leerling op te voeden
om kennis van zichzelven op te doen en te
bezitten, maar zij tracht om hem geschikt te
maken om kennis aan anderen mede te deelen;
elke gemeente moest eene opleidingsklasse zijn.
Elke geloovige zonder uitzondering is een van
„de heiligen" die „volmaakt moeten worden"
om geheel geschikt te zijn voor het werk der
bediening, en der deelneming om arbeid en
gebed in belang van hen die nabij zijn en die
verre zijn. In al zijn onderwijs aangaande berouw
en bekeering, gehoorzaamheid en heiligheid,
moet dit beslist het hoofddoel des leeraars zijn
— menschen te roepen om te komen en God
te dienen in het edel, heilig, en Christelijk
werk van verlorenen te redden, en Gods
Koningrijk op aarde te herstellen. Plet hoofd-
doel der Kerk is uit den aard der zaak het
hoofddoel der leeraren.
Hier uit volgt natuurlijk de stelling dat
het hoofddoel der prediking behoort te
zijn om eiken afzonderlijken geloovige en elke
gemeente op te voeden om hun aandeel te
volbrengen in het helpen van de kerk om hare
bestemming te bereiken. Dit zal de vraag, van
hoe dikwijls er over de zending moet worden
gepredikt, beslissen. Zoo lang als wij er slechts
-ocr page 194-
182           HET VRAAGSTUK DKIÏ ZENDING.
eens in het jaar over spreken, is het waar-
schijnlijk dat de hoofdgedachte zfjn zal het
verkrijgen van eene betere collecte. Dit kan
dikwijls verkregen worden zonder dat het geestt--
lijk leven in het minste er door wint. Als de
zending hare rechte plaats als hoofddoel der kerk.
van welke de zendinggeest werkelijk bezit
genomen heeft, krijgt, dan zullen er tijden zijn
wanneer de leeraar het noodzakelijk acht bij
herhaling terug te keeren naar het eene onder-
werp, tot dat eindelijk de verzuimde waarheid
de overhand begint te krijgen over sommigen
in de gemeente. Op andere tijden, kan het zijn
dat terwijl er niet rechtstreeks over de zending
gepreekt wordt, toch al het onderwh\'s over
liefde en geloof, gehoorzaamheid en dienstvaar-
digheid, heiligheid en gelijkvormigheid aan
Christus, bezield kan zijn door deze eene waarheid
— dat wij zijn moeten, „navolgers Gods, en
in de liefde wandelen, gelijkerwijs ook Christus
ons lief gehad heeft en zichzelven voor ons
heeft overgegeven tot eene offerande." De
zending is het hoofddoel der kerk, en derhalve
van de leeraren, en derhalve van al hunne
prediking.
Dit alles leidt ons, met het oog op de ver-
antwoordelijkheid des leeraars, naar het voor-
naamste waarop er nadruk moet worden gelegd
dat het hoofddoel van eiken leeraar be-
-ocr page 195-
LEEKAAKS MET DEN ZENDING-GEEST. 188
hoort te zijn zichzelven voor dit groote werk
geschikt te maken. Om onderwijzer van een
Xurmaalschool te zijn, eischt eene bijzondere
opleiding. Om geloovigen te bezielen, op te
leiden en te helpen, is niet eene gemakkelijke
taak: het bloote feit dat iemand een ernstig
christen is. eene opleiding tot het ambt van
leeraar gehad heeft, geeft nog niet de bekwaanv
heid er toe. Het is een zaak waaraan er eene
grootere plaats in onze theologische seminaries
behoort te worden gegeven. Maai- zelfs dit kan
slechts gedeeltelijk en voorbereidend zijn. De
leeraar, die met goed gevolg wenscht te strijden
tegen de zelfzucht die zich met persoonlijke
zaligheid te vreden stelt, de wereldsgezindheid
die geen denkbeeld heeft van alles of zelfs iets
voor Christus op te offeren, hel ongeloof dat
zyne kracht om te helpen en te zegenen meet
naar wat het gevoelt en ziet, en niet naar wat
God en Zijn Geest werken kan, en die alzoo
begeert om de kerk er toe te brengen om hare
hemelsche roeping te kennen, zich daarin te-
verheugen en die te vervullen, zal behoefte
gevoelen aan eene bijzondere opleiding om hein
voor dit hoogste en heiligste gedeelte van zijne
roeping geschikt te maken.
Indien de vraag gedaan wordt hoe de leeraar
zich dan voorbereiden moet om aan zijne ver-
antwoordeljjkheid te voldoen, zal het eerste
-ocr page 196-
184           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
antwoord gewoonlijk zijn, en wij nemen het
eerst: „door studie". Met betrekking hiertoe
werden er op de Conferentie vele puntige din-
gen gezegd aangaande leden der kerk, welke
bijzonder toepasselijk zijn op den leeraar als de
vertegenwoordiger en leidsman van de gemeente
in deze zaak.
Mevr. Montgomery zeide:
„Wij allen weten dat de grootste behoefte in ons zen-
dingwerk, de behoefte is aan een voller en dieper besef
van het werk des Heiligen Geestes niet ons. Maar ik
geloof, dat het naaste hier van, onze groote behoefte is,
een breedere kennis en meer helder begrip van het
onderwerp."
Mevr. .1. T. Gracey:
„Misschien is een van de grootste bestanddeelen in de
ontwikkeling van belangstelling in de zending, de stelsel-
matige stndie der zending."
Rev. Dr. Halsey begon een toespraak over
„Het Gebruik van Zending Literatuur door den
Leeraar." met de woorden:
„Het wordt van wijlen Keith Falconer door een van
zijne leermeesters gezegd, dat hij de wereld van ideëen
beschouwde zoo als groote waarnemers de wereld der
natuur beschouwen, — met bewondering, met eerbied,
en met nederigheid! Met iets van deze gezindheid
moet de leeraar zich tot de studie der zending
begeven."
-ocr page 197-
LEER.YAHS MET DEN* ZENDING- GEEST. 18Ó
Deze laatsten zijn gulden woorden. War
kan de reden geweest zijn dat de spreker die
ze aanhaalde, er bijvoegde: „Met iets van deze
gezindheid moet de leeraar zich tot de stelsel-
matige studie der zending begeven" ? Het kan
alleen zijn omdat hij weet hoe dikwijls in de
studie van den Bijbel ot\' van Theologie alles
eenvoudig beschouwd wordt als eene zaak van
het verstand, terwijl het hart ongezegend gelaten
wordt. Het is mogelijk dat iemand de theorie
en de geschiedenis der zending bestudeert en
kent, en toch de bezieling mist welke die kennis
hem geven moest. Laat geen leeraar zeggen
dat hij toch weet hoe te studeeren. De
natuur te kunnen bestudeeren is eene groote
gave, hoe veel te meer is dit alles noodig in
de hoogere zaken van de geestelijke wereld, en
vooral in deze, de hoogste geestelijke waarheid
met betrekking tot de bestemming der kerk,
„de verborgenheid van God " >)
Laat mij eenige woorden van een grooten
meester in de opvoeding aanhalen, die nadruk
leggen op wat gezegd is: „Alle genie begint
door af te komen, en te knielen, en te smeeken
en liet\' te hebben, en zoo ten laatste den weg
tot het hart van de geesteswereld te winnen
en al hare teederste volmaaktheid te leeren
11 Ertwanl Thring. Theory and Practice of Education.
-ocr page 198-
186           HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
door toewijding aan haren dienst — geduldige,
waakzame, langmoedige toewijding. p]n indien
genie zich alzoo nederbuigt om te overwinnen,
en niet overwinnen kan zonder zich neder te
buigen, dan kan mijn geest zich ook alzoo
nederbuigen. Genie begint door buitengewoon
lief\' te hebben en door liefde de edelste vormen
van leven te leeren kennen. Allen kunnen
een gedeelte van den weg te zamen met genie
In\'wandelen. Ken schilder wordt spoedig meester
van het alledaagsche, van den buitenste schil
der dingen, en dan gaat hij voort, en hij vol-
hardt en dringt door tot binnen het onderwerp,
en hij bemint het, en ziet meer dan anderen
omdat hij bemint, en er naar streeft om wat
hij ziet te reproduceeren. Een dichter vestigt
zijne oogen, en al de kracht van zijn warm.
gevoelig hart op de voorwerpen waardoor het
diepste van zijn wezen geroerd wordt. En zoo
voort, de geheele reeks door, tot op den school-
jongen in de laagste klasse, voor zoo verre-
goed werk gedaan wordt.... Onderwijzer en
leerling moeten ware kracht winnen door een
nederig streven om nabij te komen, om een
weg te winnen door liefde tot in het hart van
het onderwerp dat zij wenschen te behandelen.
Deze is de hoogste vorm van werken dat voor
een mensen mogelijk is."
„Hieruit volgt het, dat de inbreker die plan
-ocr page 199-
LEERAARS MET DEN ZENDING-GEEST.        187
heeft door de kracht van het verstand in te
breken, en de geheime kracht voor geestes-
schoonheid, den geest daar binnen te ontwrin-
gen, gewisseljjk de liefde die daar woont niet
zal winnen. Het koude vestand zal altijd een
verworpeling uit het tehuis van het hooger
leven zijn. Liefde moet door liefde gewonnen
wordun: de minnende geest van iemand die
gewillig is om zich te laten leiden, komt nader
en nader bij het voorwerp van zijne liefde,
omhelst met eerbiedig gevoel de schoonheid
welke hij zich ten eigendom wenseht te maken,
en streeft er naar om elk werk van God of
mensch te verklaren naar deze eenige wet waar-
aan gedachten-scheppingen zich onderwerpen."
Indien de natuur alleen voor zoodanig gemoed
hare geheime wetten en schoonheden ontsluit,
hoe veel te meer is het voor ons in de verborgem
heden van het hemelsch koningrijk noodig. om
ons neder te buigen en lief te hebben en te
wachten tot dat onze harten teeder en ontvan-
kelijk gemaakt zijn, en het der Goddelijke liefde
behaagt om ons een dieper inzicht te geven in
de heerlijkheid van deze verborgenheid onder
de heidenen.
Laat ons nu spreken over de studie der zending
als iets waarvoor wij noodig hebben eene diepe
nederigheid, die zich van onkunde bewust is.
en in haar eigen verstand geen vertrouwen
-ocr page 200-
188           HET VBAAG8TUK DER ZENDING.
heelt; het eerbiedig wachten en het geduld
dat gewillig is om te staren op, en te luisteren
naar wat Gods Geest in ons leven kan open-
baren; en de liefde en de toewijding die zich
overgeeft om door de Goddelijke liefde over-
meesterd en geleid te worden, waar heen dan ook.
En wat moet de leeraar in het bijzonder
bestudeeren? In het zendingvraagstuk zijn er
drie groote bestanddeelen. De wereld in hare
zonde en ellende; Christus in zijne stervende
liefde; de kerk als de schakel tusschen die
beiden.
De eerste plicht is: Beschouw de wereld.
Neem de statistieke opgaven die u met hare
bevolking bekend maken. Denk, bij voorbeeld,
aan zoowat drie millioen heidenen en Maho-
medanen die elke maand sterven; die over den
afgrond in de somberheid der dikke duisternis
nederstorten tegen meer dan een in elke seconde.
Of neem een boek dat u in aanraking brengt
met de zonde en duisternis en lijden van het
heidendom in een of ander land. Neem, bij
voorbeeld een boek, gelijk Across India at the
Dawn of the Twentieth Century
bij Miss
Lucy Guinness. (Rel. Tract Öoc.) Ik weet
van geen boek dat, door zijne teekeningen, zijne
kaarten, zijne statistieke opgaven, den lezer
zoo dwingt om te vertoeven en zichzelven te
vragen of hij gelooft, of hij gevoelt wat hij
-ocr page 201-
LEERAARS MET DEN ZENDINGGEEST. 189
gelezen heeft. Vertoef een weinig, overdenk en
bid. en vraag God een oog om die ellende te
zien en een hart om haar te gevoelen. Denk
er aan dat deze 300 millioen uwe mede Britsche
onderdanen zijn. Zie op de schilderij van dien
man, die, met een eerbied, waarvan meniii
christen weinig weet, een cobra i,geel-slang) in
steen uitgehouwen aanbidt, tot dat gij begrijpt
wat het beteeken t. en het niet weder vergeten
kunt. Die man is uw broeder. Hij heeft,
gelijk gij, een natuur gevormd om te aanbidden.
Hij kent niet. gelijk gij, den waren God. Wilt
gij niet iets opofferen, uzelven opofferen, om
hem te redden? Bestudeer nu in zijn geheel,
dan weder in zijne bijzonderheden, den toestand
der wereld, tot dat gij begint te gevoelen dat
God u in deze donkere wereld geplaatst heeft
met het eene doel, om u die duisternis aan te
trekken, haar te kennen, en diegenen die daarin
leven te helpen.
En indien gij nu en dan gevoelt dat het meer
is dan gij dragen kunt, roep tot God om u te
helpen om nog eens, en nog eens te kijken totdat
gij weet dat de nood der wereld de plaats is, waar
gij verkiezen zoudt te wonen. Maar denk er
altijd aan dat het sterkste verstand, de leven-
digste verbeelding, de ernstigste studie u niet
het rechte besef van deze dingen geven kunnen.
Neen, niets dan de Geest en de liefde van Jezus
-ocr page 202-
190            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
zoo gij er op wacht om u te laten gevoelen
wat Hy gevoelt en n te laten liefhebben wat
Hij liet\' heeft, kan ze aan u geven.
Dan komt de tweede groote les: de liefde
van Christus die voor deze zondaars
sterft, en nu verlangt om ze voor Hem
te winnen. O, denk toch niet dat gij die
liefde kent, die liefde, die op eiken mensch op
aarde rust en die naar eiken mensch dorst!
Indien het tijd, en een nederig, eerbiedig, en
liefhebbend gemoed eischt, om te kunnen indrin-
gen in de beteekenis, en in den geest van de
natuur en hare schoonheid — wat dunkt u,
broeder leeraar, zou het dan eene gemakkelijke
zaak zijn om den toegang te vinden tot het
Heilige der Heiligen, het heiligdom van Gods
liefde, om inderdaad unze harten er door te
laten in bezit nemen? Liefde is noodig voor
den dichter die verlangt om de geheimen der
natuur te winnen. De Goddelijke liefde, de
liefde van Christus jegens eiken mensch, kan
alleen gekend en gevoeld worden door het lief-
hebbend hart dat zich er voor opoffert, dat
eerbiedig wacht tot dat het haar behaagt om
zich te openbaren. Als gij het zendingvraag-
stuk wilt bestudeeren, bestudeer het in het
hart van Jezus. Het zendingvraagstuk is
persoonlijk — het is bedoeld voor eiken geloo-
vige. Maar dit is vooral waar van den leeraar,
-ocr page 203-
LEERAARS MET DEN ZENDING-GEEST. 191
die het model, de onderwijzer, der geloovigen
moet zijn. Bestudeer, ondervind, bewijs de kracht
van de persoonlijke betrekking, opdat gy in
staat mocht zijn om dit diepste geheim van
het ware zendingwerk behoorlijk te onderwijzen.
En dan is er met de liefde van Christus ook
Zijne macht. Bestudeer dit tot dat het gezicht
van een triomfeerenden Heer met eiken vijand
aan Zijn voet, zijn licht op de geheele aarde
geworpen zal hebben. Het geheele werk van
de redding van menschen is het werk van
Christus. Het is heden Zijn werk zoo zeker
als het Zijn werk op Qolgotha was. Elke afzon-
derlijke bekeering moet zoo zeker door Hem
te weeg gebracht worden, als de verzoening voor
de zonden van allen. Zijne Goddelijke kracht
zet het werk in en door Zijne dienstknechten
voort. Wacht u, bij de bestudeering van de
mogelijke oplossing van een raadsel, in eenig
geval van moeilijkheid, voor het buiten rekening
laten van de almacht van Jezus. Aanbid Hem
met nederigheid, eerbied en geduld, totdat Zijne
liefde en de macht de bezieling van uw leven
worden.
En de derde groote les die bestudeerd moet
worden, is — De Kerk de verbindende
schakel tusschen beiden, tusschen den
stervenden Zaligmaker en de stervende
wereld.
En hier zullen eenigen van de diepste
-ocr page 204-
H)2            HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
verborgenheden van het zendingvraagstuk ge-
vonden worden. De Kerk werkelijk het Lichaam
op aarde van Christus, het Hoofd in den hemel,
zon onmisbaar voor Hem als Hij voor haar is!
Dat Zijne almacht en Zijne oneindige verlossende
liefde, zich voor de vervulling Zijner begeerten
aaneengeschakeld zouden hebben met de zwak-
heid Zijner Kerk! Dat de Kerk nu honderd
jaren lang de prediking gehoord zou hebben:
De Zending het hoofddoel der Kerk!
en nog zoo tevreden zou zyn met een toestand
waarin dat doel niet als hoofdzaak wordt be-
schouwd! En dat de Heer nog wachtende is
om op de wonderlijkste wijze te bewijzen, hoe
werkelijk Hij Zijne Kerk als één met Zichzelven
beschouwt, en gereed is haar met Zijn Geest,
en macht en heerlijkheid te vervullen! En dat
er vaste grond is voor een verzekerd geloof dat
de Heer machtig en wachtend is om de Kerk
tot haren pinkstertoestand terug te voeren, en
haar alzoo voor de uitvoering van haren pinkster-
opdracht geschikt te maken!
Te midden van zoodanige studie zal er zich
eene heldere overtuiging ontwikkelen van hoe
werkelijk de Kerk Zijn Lichaam is, begiftigd
met de macht van Zijn Geest, deelhebster
van Zijne Goddelijke liefde, de gezegende deel-
genoot van Zijne liefde en Zijne heerlijkheid. En
het geloof zal gewekt worden, dat, indien de
-ocr page 205-
LEERAARS MET DEN ZENDING-GEEST. 193
Kerk in hare leden, die het kwaad zien, en in
de Goddelijke mogelijkheid van uitredding ge-
looven, maar wil opstaan en zichzelve, in het
afstand doen van alles, aan haren Heer wil
overgeven, de pinksterheerlijkheid nog kan
wederkeeren.
De wereld in hare Zonde en Ellende, Christus
in Zijne Liefde en Macht, de Kerk als de Schakel
tusschen beiden — deze zijn de drie grootheden
welke de leeraar kennen moet indien hij het
zending-vraagstuk zal begrijpen. In zijne studie
zal hij moeten gaan naar de Schrift, en naar
zendingliteratuur, en naar boeken over theologie
en geestelijk leven; maar op den duur zal hij
altijd moeten terugkeeren tot de waarheid: het
vraagstuk is een persoonlijk iets. Het eischt
eene volkomene en onvoorwaardelijke opoffering
van het geheele wezen, om voor die wereld,
voor dien Christus en voor die kerk te leven.
En het eischt, zooals wij reeds gezegd hebben,
dat die persoonlijke overgave niét slechts zal
zijn als die van een student die besloten is
een of ander menschelijk vraagstuk te vatten,
maar als die van iemand, die, gelijk een ware
waarnemer der natuur, zich met nederigheid,
eerbied en een liefhebbend hart overgeeft, om
te wachten en te staren, en te luisteren totdat
de geesteswereld hare geheimen ontsluit. De
levende Christus kan zichzelven openbaren;
13
-ocr page 206-
194            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Hij kan Zijne liefde en Zijne macht aan den
boetvaardigen, geduldigen smeekeling mede-
deelen. Hij kan Zijne liefde de onze maken,
zoodat hetzelfde gevoelen in ons zij, dat ook in
Hem was. Hij kan het licht van Zijne liefde 0]>
de wereld laten vallen, om tegelijk haren nood
en hare hoop te openbaren. Hij kan de onder-
vinding in de ziel werken van hoe nauw en
hoe werkelijk Zijne vereenigingmetdengeloovige
is, en hoe Goddelijk Hij in ons wonen en werken
kan. Hot zending-vraagstuk jö een persoonlijk
iets dat door de kracht van de liefde van Christus
opgelost moet worden. Laat de leeraar liet
aldus bestudeeren en hij zal leeren om in
nieuwe kracht te preeken — De Zending
het groote werk van Christus; van de
Kerk; van elke gemeente; van eiken
geloovige; van eiken leeraar.
Wij hebben gezegd, dat, indien leeraren hunne
roeping met betrekking tot de zending vervullen
zullen, hun eerste behoefte is de zending te
bestudeeren. Maar wanneer het licht begint
te komen, het gemoed overtuigd is, en de
aandoeningen geroerd worden, dan moeten deze
overtuigingen in beoefening worden gebracht,
zoo de kennis en het gevoel niet vruchteloos
gelaten zulien worden. En waar moet deze
werkzaamheid beginnen? Ongetwijfeld met
gebed, meer bepaald gebed voor de zending.
-ocr page 207-
LEERAARS MET DEN ZENDING-GEEST. 195
Het kan zijn voor de ontwaking van den zending-
geest in de kerk over het algemeen, of in zijne
eigene kerk, of in zijne bijzondere gemeente.
Het kan zijn voor een of ander bijzonder
zendingveld of static. Het kan zijn om Gods
leiding met betrekking tot zijnen eigenen kring
of de kerk in zijne omgeving. Het kan zijn,
en moet zijn, zeer bepaald voor zichzelven,
dat God altijd het zendingvuur uit den hemel
geven en vernieuwen mocht. Wat het gebed
ook al zijn moge — de studie moet terstond
tot meer gebed bewegen of de vrucht zal
betrekkelijk gering zijn. Er kan meer belang-
stelling, meer werk en beter succes in organisatie
en collecten zijn, terwijl de ware ontwikkeling
van het geestelijk leven en van de liefde van
Christus in de ziel toch zeer klein is.
Laat ons voor een oogenblik hieraan denken.
In alle Godsdienst zijn er twee bestanddeelen
(factoren) — God en de mensen. Het karakter
van den Godsdienst is altijd in overeenstemming
met de mate van voorrang welke één van die
beiden verkrijgt. Als des menschen wil en
werk op den voorgrond zijn, is het geestelijk
leven zwak; Gods tegenwoordigheid en kracht
worden dan slechts in eene geringe mate gekend.
Dit is zeer merkbaar in het geval der zending.
Gij kunt menschen hebben die als deel van
hun Godsdienst zendinghoeken lezen en getrouw
-ocr page 208-
196            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
milde bijdragen geven, terwijl er toch maar
weinig liefde tot Christus, en weinig gebed
voor Zijn koningrijk is. Gij kunt daarentegen,
nederige, eenvoudige mensclien hebben, die maar
weinig geven kunnen, maar die met dat weinige,
de liefde en het gebed van geheel hun hart,
geven. De eene is de Godsdienst waarin de
mensen op den voorgrond is; de andere is van
een hooger en meer geestelijk maatstaf, waarin
de liefde van God het hoofddoel is. Niemand
moet meer ernstig dan de leeraar waken, om
toe te zien dat de geestdrift voor de zending
welke hij in zichzelven en in anderen aankweekt,
inderdaad het vuur is, dat in antwoord op het
geloovig gebed van den hemel komt om het
offer te verteeren.
Het zending-vraagstuk is een persoonlijk iets.
De leeraar, die het voor zichzelven opgelost
heeft, zal genade vinden om anderen er toe
te brengen, om ook deszelfs oplossing in de
dringende kracht van de liefde van Christus
te vinden.
-ocr page 209-
LEEKAARS MET DEX ZEXDING-GEEST. 197
De Groote Opdracht.
Elke leeraar bekleedt zijn ambt krachtens de Groote
Opdracht tot de prediking van het Evangelie in Mat. 2S.
Elkeen onzer moet het wereld-wijde veld, aan onze
zorg toevertrouwd, ter harte nemen. Benevens het
hoekje waarin wij arbeiden rust de verantwoordelijkheid
op ons om mede te werken dat het geheele veld wordt
bearbeid. Het is noodig voor eiken prediker, die zijn
ambt bekleedt krachtens die 02>dracht om ze weder te
bestudeeren, teneinde toe te zien dat wij haar recht ver-
staan en behoorlijk vervullen. Laat ons bij het gezicht
van het droevige verzuim der Kerk. en met het oog op
het geroep om de herstelling van den pinkstertoestand
nog eens luisteren naar de woorden waarmede de Heer
ons de opdracht geeft, om toe te zien dat de boodschap
van Zijne liefde ieder menschelijk wezen bereikt.
€n 3cjus jcibe, ï&ii is gegeven alle macljt
in rjemel ert ou aarbe.
Het Al van Onbeperkte Macht.
Jezus openbaart zichzelven als de Almachtige, gezeten
aan Gods rechterhand, die in het midden Zijner vijanden
heerscht, en Zijn volk in den dag Zijner heirkiacht ge-
willig maakt. Die dag was Zijn Kroningsdag, toen Hij
den geest ontving om Zijne discipelen met kracht te
vervullen, en duizenden, zelfs van degenen die hem
gekruizigd hadden, voor zijne voeten te doen buigen.
In dezen Jezus, den triomfeerenden Heer, heeft de
zending haar oorspong, haar kracht, haar zekerheid van
succes. Het woord dat hij sprak maakte zijne discipelen
sterk. Laat ons nederig buigen en wacl ten tot dat het
-ocr page 210-
1!»S           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
gezicht en het woord van den Almachtigen Christus ons
verlost van de vrees, hetzij dat de kerk niet gewillig zal
zijn in den dag van zijne heirkraeht, hetzij dat zijne
vijanden niet voor zijne voeten buigen zullen.
(Saat ban Fjcn.cn, onbcrmijst al bc uolftcn, en
ntebiftt fjet cuantjclic aan elft JTucatuur.
Het Al van Onbegrensde Liefde.
Hij is voor allen gestorven; Zijne stervende liefde
dorstte naar allen; Zijne liefde in den hemel zoekt naar
allen. In deze woorden, alle volken, elk kreatuur, open-
baart Hij aan Zijne Kerk de grenzelooze liefde welke
de maat van hare liefde behoort te zijn. Door dat woord
spreekt hij haar (de liefde) tot in het hart van zijn volk.
en er begint binnen in hen een vuur van liefde te bran-
den dat niet rusten kan voor dat elk levend wezen Jezus
kent.
Broeder leeraar.\' heeft deze liefde bezit van ons? is zij
brandende in ons?
Sccrcnbc fjen tmbctfjemben affes wat ift u
gebobcn Ijcö.
Het Al van Algeheele Gehoorzaamheid.
Hij had zijne discipelen de hemelsche gelukzaligheid
van gehoorzaamheid geleerd. Indien gij Mij liefhebt,
bewaart Mijne geboden: en de Vader zal u den Geest
zenden; en de Vader zal u liefhebben; en ik zal u lief-
hebben; en ik zal Mijzelven aan u openbaren; en wij
zullen komen en woning bij u maken; en gij zult in
Mijne liefde blijven; en gij zult mijne vrienden zijn.
(Joh. 14 en 15). Kn zij moesten uitgaan, opdat de ellendig-
sten en meest verhardden, ja zelfs zijne vijanden en
moordenaars, veranderd mochten worden, en gebracht
om alles te onderhouden wat Hij geboden had.
-ocr page 211-
LEERAARS MET DEN ZENDINü-GEEST. 199
Broeder leeraar! hebben wij het hooge doel van onze
opdracht verstaan n.1. om menschen te leiden tot een
leven, en te vergaderen tot eene kerk, van algeheele ge-
hoorzaamheid;
(En |ict ift ben met n al be bagen tot aan het
einbc bcr uierelb.
Het Al van Onafgebroken Gemeenschap.
De opdracht eindigt waar het begon — niet Jezus
zelf. Daar was het Zijne Macht; hier is het Zijne Tegen-
woordiglieid. Al de dagen, en eiken dag, zal zijn Goddelijk
blijvende gemeenschap, het doel van zijnen gehoorzamen
discipel zijn. Geene beproevingen, of moeilijkheden, hoe
donker ook; geene werkzaamheden hoe vermoeiend en
vruchteloos ook ; geen tegenstand en lijden, hoe pijnlijk
ook; geene bewuste zwakheid of onwaardigheid, hoe groot
dan ook, kan deze belofte breken of Zijne heilige, ge-
zegende gemeenschap met zijn dienstknecht verhinderen.
Voor iedereen die de Opdracht aanneemt en onder de
kracht er van leeft is de heilige nabijheid van den Heere
Jezus verzekerd.
Broeder leeraar! laat ons door den Heiligen Geest
zoeken voor een dieperen, een vollen ingang in de Op-
dracht van onzen Heer, en eene algeheele overgave aan
Zijne dienst: Hij zal zijn Belofte waar maken.
Wat was het dat deze arme visschers in staat stelde
om deze zoo Goddelijke Opdracht, zoo eenvoudig aan
te nemen, en zoo getrouw uit te voeren? Twee dingen.
Het eene was: Hunne harten zijn er op voorbereid
geworden door innige toegewijdheid aan Jezus. Zij
hadden geleerd om Hem lief te hebben. Zij waren met
Hem tot in Zijn dood gegaan. Zij waren door Zijn
opstandingsleven wedergeboren geworden. Hij was hun
alles in allen. Zijne woorden waren voor hen als water
voor den dorstige.
-ocr page 212-
200           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Het andere: Het was Jezus zelf die de woorden sprak.
Xiet een boek of een boodschapper, maar Jezus zelf.
O! kom laat ons opklimmen van de Opdracht naar
onzen opgevaren Heer zelven en op Hem wachten. En
als wij geduldig voor Hem nederbuigen opdat Hij aan
ons zou openbaren eerst de Macht waardoor H\\j werkt,
dan de Liefde waarmede Hij naar elke ziel verlangt,
door de gezegende gehoorzaamheid welke Hij ons voor
Hem leert eischen, en dan de vreugde van Zijne onver-
anderlijke tegenwoordigheid die Hij schenkt, zullen ook
wij leeren om te wachten ten einde met kracht bekleed
te worden, en ten deele helpen om de Kerk van Christus
terug te leiden naar de Pinkstervolheid des Geestes,
voor het werk dat zij te doen heeft.
-ocr page 213-
HOOFDSTUK IX.
tëene oproeping tot ©eftcb en Becootmoebiging.
TN de voorgaande bladzijden had ik meer dan
eens de gelegenheid om over het gebed te
spreken. Naarmate ik tot de laatste hoofd-
stukken van het boek kom, op den loop en de
redeneering terug zie, gevoel ik dat alles wat
gezegd is weinig nut zal doen, als het niet
tot meer gebed voert.
Terwijl wij zien op
de uitgestrektheid van het veld en op den om-
vang van het werk dat er nog gedaan moet
worden; op de geheel ongenoegzame macht
welke de Kerk tot hiertoe in het veld heeft,
en op de afwezigheid van eenig teeken dat zij
gereed is terstond zichzelven met al hare hulp-
bronnen ter beschikking van haren Heer te
stellen; op onze volstrekte onmacht om leven
te geven hetzij aan de kerk te huis, hetzij aan
het werk in den vreemde; op onze algeheele
afhankelijkheid van de kracht die van boven
komt in antwoord op gebed en geloof; op de
liefde van onzen Heer tot Zijn volk en tot
de verlorengaan den; op de beloften die Hij
gegeven heeft en verlangt te vervullen — ge-
-ocr page 214-
202           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
voelen wij dat onze eenige hoop is om ons tot
het gebed, en in het gebed tot God te begeven.
Gebed, meer gebed, veel gebed, zeer bijzonder
gebed, in de eerste plaats voor het werk dat
er te huis, in de Kerk, in belang van de zending
gedaan moet worden, is inderdaad de eene
groote behoefte voor onzen tijd. „Onze hulp is
van den Heere die den hemel en de aarde
gemaakt heeft".
Indien ik het zeggen mag, was ik eenigszins
verwonderd dat er, op de Conferentie, zoo weinig
rechtstreeks gesproken werd over het gebed
als het meest belangrijk bestanddeel van het
zendingwerk en de hoofdbron van kracht er
toe. Hoofdstuk VIII van het Rapport is wel
betiteld: Gebed en Weldadigheid, maar
bijna al de toespraken houden zich hoofdzakelijk
met het laatste onderwerp bezig. Mr. Eddy
sprak over het onzelfzuchtig gebedsleven als
ontwikkeld door het gebruik van Gebeds
kringen (prayer-Cycles). In eene korte maar leer-
zame toespraak zegt Mrs. J. H. Randall:
„Een van de groote en dringende behoeften van den
dag voor het buitenlandsche zendingwerk is het bijna
vergeten geheim van het krachtig gebed. De zending
heeft in den vreemde zoo weinig vordering gemaakt
omdat vroomheid en gebed te huis zoo oppervlakkig
zijn geveest. Breng mensohen slechts er toe om voor
de zending te bidden en zij moeten geven. Niets
dan aanhoudend bidden zal de zendingraadselen van
-ocr page 215-
EENE OPROEPING TOT GEBED.             203
den dag oplossen. God moet verzocht worden om deze
dingen voor ons te doen. Gij hebt niet omdat gij niet
bidt. God heeft groote dingen aan Zijn Zoon en aan
Zijn Kerk, aangaande de heidenen beloofd. God heeft
groote dingen aan Zijne kinderen tot het werk aan
de uitbreiding en de verhaasting van Zijn Koningrijk
beloofd. Maar merk op — deze beloften zijn voor-
waardelijk. Zijn Zoon, Zijne Kerk, Zijne kinderea
moeten voorbidden en offeren, liet gevolg van
gedurige voorbidding zal zijn eene nieuwe uitstorting
van den Heiligen Geest op den enkelen persoon, de
Kerk, eu op al het zendingwerk in de wereld. Die
het meeste bidt, helpt het meest".
Indien deze woorden waar zijn — en zij zijn
Gods eigen waarheid, — dan moet gewis de
zorg van de leidslieden van het zendingwerk in
onze kerken en genootschappen, aan wie God
de Geestelijke opvoeding van hunne leden heeft
opgedragen, zijn om genade en wijsheid van
boven te zoeken om aan het gebed die plaats
in hunne prediking en vermaningen te geven,
welke het in Gods wil en in Gods plannen
heeft.
Rev. W. Perkins zeide:
„De Zendingbeweging werd in gebed geboren, en gebed
is de levensadem waardoor zij leeft..... De uitwer-
kingen van de buitenlandsche zending zijn groot maar
zij zouden honderdmaal grooter geweest zijn
indien de Kerk van Christus geweest ware wat
zij zijn moest
in de twee groote zaken van gebed en
•weldadigheid..... Waar wij behoefte aan hebben is
dat het geestelijk leven van eiken Christen, en van de
geheele Kerk, zoo verdiept en door den Heiligen Geest
-ocr page 216-
204           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
bezield zal worden, dat het zoo natuurlijk en gemakke-
lijk zal worden om dagelijks voor de buitenlandsche
zending te bidden als het is om voor het dagelijksch
brood te bidden..... De overtuiging moet in liet
hart der Kerk gewrocht worden dat de wet van offerande
de wet der liefde is, en dat wij voor het gebed tijd
moeten vinden, al zouden wij dien tijd aan genot en
bezigheid moeten ontnemen. Opoffering alleen is
vruchtbaar\'.
„Er moet door den Heiligen Geest in het hart van
de Kerk gewrocht worden, om doordringend en blijvend
besef van den ijselijken nood der wereld, van hare
ellende, hare duisternis, haren wanhoop. Kr moet eene
macht komen die den nood zoo werkelijk, zoo vreeselijk
zal maken, dat ons eerste gevoel in de tegenwoordigheid
er van, dat van hulpeloosheid zal zijn; het volgend
gevoel „Ik moet gaan ener voor bidden!" en het volgende
„Ik zal in de tegenwoordigheid van ellenden als deze,
voor het wegnemen waarvan Christus gestorven is, voor
het wegnemen waarvan Hij wacht en reeds lang gewacht
heeft, opgeven sommige van die dingen die bijna nood-
zakelijkheden zijn!"
Indien deze woorden ernstig genomen moeten
worden, en eenig goed zullen doen dan isdegroote
vraag deze: Hoe moeten de leidslieden van ons
zendingwerk de Kerk wekken en opvoeden tot
het leven van gebed waarvan zij spreken ?
Indien de stelling waar is, dat de uitwer-
kingen van de zending honderdmaal
grooter zouden geweest zijn, indien de
Kerk geweest ware wat zij had moeten
zijn in de zaak van gebed
— dan kan er
geen meer dringende plicht op de Kerk rusten,
-ocr page 217-
EENE OPROEPING TOT GEBED. 205
dan zichzelve over te geven aan het gebed,
dat, ten eerste, hare leden te huis opgewekt
en geheiligd mogen worden om hun aandeel te
nemen in den strijd tegen de heirlegers der
duisternis „met alle bidding en smeeking bid-
dende in den Heiligen Geest". En als het bevon-
den wordt dat er scharen zijn die geven maar
niet bidden of\'die weinig geven en weinig bidden,
dan moeten zij, die weten wat bidden is, slechts
te ernstiger bidden en werken dat het leven van
Christenen zoo geheel vernieuwd mag worden
door den Heiligen Geest, dat het „zoo natuurlijk
en gemakkelijk worden zal om dagelijks voor
de zending te bidden, als het is om voor het
dagelijksch brood te bidden". God kan het
doen. Laat het ons bepaald streven en gebed
zijn: God zal het doen.
Ik vertrouw dat wat ik gezegd heb met
betrekking tot de Conferentie en de plaats die
zij aan het bespreken van het gebed gegeven
heeft, niet misverstaan zal worden. In de geheele
natuur hangt er zoo veel af van de wet van
evenredigheid. Het is ook zoo in het geestelijk
leven. Men vindt nergens Evangelische Leer
waarin het werk van den Heiligen Geest, en
de kracht des gebeds om Zijne werking te ver-
krijgen, niet erkend wordt. Zij hebben eene
plaats in de artikelen van onze Geloofsbelij-
denis. En toch is het alleen waar zij eene eerste
-ocr page 218-
206            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
plaats hebben en alle andere dingen er aan
ondergeschikt gemaakt worden, dat het Christe-
lijk leven waarlijk gezond zal zijn. En het is
alleen wanneer in de bespreking van hoe ons
zendingwerk meer vruchtbaar kan worden, en
hoe de wereld het best voor Christus gewonnen
kan worden, dat de kracht van den Heiligen
Geest, en de kracht van geloovig gebed, in-
derdaad die aandacht en dien voorrang ver-
krijgen welke zij in Gods gedachten hebben.
Dan eerst zal de bovennatuurlijke aard van ons
werk en zijne uitwerkingen ten volle openbaar
kunnen worden. Van al de vragen die de ern-
stige aandacht van de leidslieden van ons
zendingwerk te huis eischen, is er niet een die
meer dringend beschouwd moet worden die
moeilijker te beslissen is, en die eene rijkere
belooning brengen zal dan deze: Hoe kan de
kerk tot meer volhardend, vurig, geloo-
vig gebed opgevoed worden.
De leeraar
die zijne kracht er aan besteedt om in zijne
gemeente bewijs te geven van wat het antwoord
is, zal rijkelijk beloond worden. Gebed zal
tegelijk het middel en het bewijs zijn van
een gezonder Christelijk leven, van meer toege-
wijdheid aan de dienst des Heeren, van meer
hemelschen zegen die op ons werk nederdaalt.
Veel gebed zal het teeken zijn dat wij wederom
den weg gevonden hebben langs welken de
-ocr page 219-
EENE OPROEPING TOT GEBED. 207
pinkstergemeente tot haren triomfeerenden loop-
baan is ingegaan.
Wij kunnen menschen niet leeren om te
bidden door hen te zeggen om dit te doen.
Gebed is de pols van het leven. De oproeping
tot gebed moet verbonden zijn met de verdie-
ping van geestelijk leven. De twee groote
voorwaarden van waar gebed zijn altijd: een
dringend gevoel van behoefte en eene volle
verzekering van eene voorziening voor die
behoefte. Wij moeten Gods kinderen er toe
brengen om die behoefte te zien en te gevoelen.
Het werk hun toevertrouwd; de verplichting
om het te doen; de gevolgen van het te ver-
waarloozen, voor onszelven. voor Christus, voor
de verlorengaanden: onze volstrekte onmacht
om het in eigen kracht te doen, — deze groote
waarheden moeten de overhand krijgen en ons
geheel beheerschen. En dan, aan de andere zijde.
de liefde van Christus tot ons en tot de wereld;
onze toenadering tot God door Hem als Voor-
bidder; de zekerheid dat het volhardend gebed
verhoord wordt; de zaligheid van een leven van
gebed, en de zegeningen die het voor de wereld
verkrijgen kan — dezen ook moeten in ons leven
en ons bemoedigen. Wij moeten leeren om in
het verborgene te bidden, op God te wachten,
en Zijne sterkte aan te grijpen. Wij moeten
Christenen leeren om in kleine gezelschappen
-ocr page 220-
208            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
te bidden met de vreugde en de liefde en het
geloof door gemeenschap aangebracht. Wij
moeten de Kerk bij zekere gelegenheden tot
tijden van bijzonder gebed bijeenbrengen,
wanneer toch bewustzijn verlevendigd, en diep
in haar leven gewrocht kan worden, dat gelijk
het haar eenigst en hoogste doel is om door
de redding van zielen haren Heer vreugde en
heerlijkheid te brengen, alzoo haar eenig en
genoegzaam vertrouwen op Hem is, die in
antwoord op haar gebed, Zijn Goddelijke kracht
wil geven en werken wil boven al wat zij
bidden of denken kan.
In het opschrift van dit hoofdstuk heb ik
gesproken van Gebed en Verootmoediging.
Ik erken dat ik dezen toon eenigszins in de
Conferentie heb gemist. Toevallige melding
werd dikwijls gemaakt van de tekortkomingen
van leeraren en lidmaten in belangstelling, in
gebed, en in weldadigheid, en van het gebrek
der Kerk in het doen van haren plicht. En
nochtans werd er niet op den ernst, de vree-
selijkheid van de verwaarloozing van des Heeren
opdracht, op de schrikkelijke zonde van onge-
hoorzaamheid tegenover Zijn laatste bevel, op
het algeheele gebrek aan symphatie met de
begeerte om Zijne liefde te bevredigen of Zijne
heerlijkheid te zoeken, wat de groote meerderheid
van Christenen aangaat, die nadruk gelegd,
-ocr page 221-
EENE OPKOEPING TOT ÜEBED. 209
welke er, naar het oordeel van sommigen opge-
legd moest worden, voordat een terugkeer tot
den rechten toestand plaats hebben kan. Er
is een optimisme dat gaarne spreekt over wat
helder en hoopvol is. Het meent dat men langs
dien weg Gode dank en Zijne dienstknechten
bemoediging toebrengt. Het is bovenal bevreesd
voor pessimisme. En toch zijn pessimisme en
optimisme beide dwalingen die evenzeer ver-
meden moeten worden. Zij zijn in dezelfde
mate eenzijdig: beiden zijn uitersten. De God-
delijke wijsheid heeft ons geleerd „Ik doe wan-
delen in het midden van de paden des rechts".
(Spreuken 8 : 20). De ondervinding leert ons,
dat, als wij het met twee schijnbaar tegen-
strijdige waarheden te doen krijgen, er maar
één weg is om de ware verhouding te zien,
en voor het geven van een onbillijken voor-
rang aan één van beiden, bewaard te worden.
Die weg is het eerst te bezien, alsol\' zij alles
ware, en om hare beteekenis ten volle te
verstaan. Wend u dan naar de andere, en
tracht al wat zij in zich sluit op dezelfde wijze
te begrijpen. Wanneer wij beiden afzonderlijk
kennen, zijn wij in eene positie om in het midden
van den weg der waarheid te kunnen wandelen.
Pas dit op de zending toe. Aan de eene zijde
is er o, zoo veel om ons te bemoedigen waarover
wij ons verheugen mogen, en God danken.
u
-ocr page 222-
210            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
In het Conferentie Rapport wordt dezen toon
dikwijls aangeslagen. En wij kunnen God nooit
genoeg danken, voor wat Hij gedurende de
laatste eeuw gewrocht heeft, en vooral gedurende
de laatste twintig jaren. Aan de andere zijde
is er echter, in vergelijking met het werk dat
gedaan is, zoo veel werk dat niet gedaan is,
en tóch gedaan had kunnen worden, en dat
niet gedaan is om geen andere reden, dan dat
de Kerk niet was wat zij moest zijn. Wanneer
wij eenmaal met deze waarheid in aanraking
komen: Millioenen sterven vandaag zonder de
kennis van Christus, en zullen bij voortduring
vergaan, eenvoudig omdat de Kerk niet het
werk doet waartoe zij verlost en met den
Heiligen Geest begiftigd werd, zullen onze
harten vrijwilliglijk in verootmoediging en met
schaamte uitroepen, en belijdenis van onze
zonden doen. De zonde van bloedschuld; de
zonde van ongehoorzaamheid; de zonde van
ongeloof; de zonde van zelfzucht en werelds-
gezindheid, die den Heiligen Geest bedroeft,
en de liefde van Christus in ons bluscht; de
zonde van niet geheel voor Christus voor Zijne
liefde en voor Zijn Koningrijk te leven — deze
zonden zullen een last worden grooter dan wij
dragen kunnen, totdat wij ze aan de voeten
van onzen Heer nedergelegd hebben, om ze
door Hem te laten wegnemen.
-ocr page 223-
EENE OPROEPING TOT GEBED. 211
Laat niemand zeggen dat deze de zonden
zijn van diegenen die weinig of geen belang
in de zending stellen: op eene Conferentie spreekt
men tot menschen die geheel hun hart en leven
daaraan overgegeven hebben. In den Bijbel
vinden wij dat menschen die het meest voor
de eer van God ijverden, die het vlijtigst in
Zijn dienst waren, en die het minst aan zonden
schuldig waren, de eersten waren om hunne
zonden te belijden en de zonden van Gods volk,
en er over te treuren. Mozes en David, Ezra,
Nehemiah en Daniël — de godzaligste mannen
van hun tijd — waren de mannen die de zonden
opnamen en ze voor God brachten. Moet niet
de zonde van de leden, de overgroote meerderheid
der leden, beschouwd worden als de zonde van
het geheele lichaam? Zijn niet de vroomste
vrienden van Christus en der zending, zijn niet
de mannen die in Kerk of genootschap, als
direkteuren of commissieleden, of werkers bezig
zijn juist de menschen die krachtens hun gees-
telijk inzicht, de zonde het meest behooren te
gevoelen, degenen die ze naar God moeten
dragen, en dan de dwalenden moeten oproepen
om zich met hen in verootmoediging en schuld-
belijdenis te vereenigen? Wij spreken over de
behoefte aan een pinkstereeuw, die zal vooraf
gegaan moeten worden door ware belijdenis van
zonden en eene aflegging er van. Het wordt
-ocr page 224-
212            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
dikwijls gezegd dat elke diepe geestelijke her-
leving in de Kerk zal moeten worden vooraf-
gegaan door een dieper gevoel van zonden: en
dit kan er niet zijn voordat de mannen aan
wie de Heere het diepst gevoel van de zonde
Zijns volks geeft, ze bijeengeroepen heeft tot
bekeering en overgave tot volle gehoorzaamheid.
Het Beroep in belang der zending geeft een van
de schoonste gelegenheden om Christenen van
zonden te overtuigen, door hun het gebrek aan
ware toegewijdheid en algeheele overgave aan
den dienst van God, het gebrek aan liefde en
gebed en zelfverloochening en gehoorzaamheid,
aantewijzen en voor de aandacht te brengen en de
wereldsgezindheid en zelfzucht die aan den wortel
van alles liggen te ontdekken en veroordeelen.
Dit is ten alle tijden Gods weg geweest.
Verootmoediging gaat herstelling en vernieuwing
vooraf. Op den pinksterdag was het de prediking
van „dezen zelfden Jezus, dien gij gekruisigd
hebt",
die de harten verbrak, en ze voor de
ontvangst van den Heiligen Geest voorbereidde.
Nog hebben wij behoefte aan dezelfde prediking
voor Gods volk. „Dezen zelfden Jezus" wiens
bevel gij niet gehoorzaamd hebt, wiens liefde
gij veracht en gegriefd hebt, heeft God beide
tot een Heer en Christus gemaakt. Indien wij
de Kerk zullen oproepen tot een leven van
hooger toegewijdheid in den dienst van God,
-ocr page 225-
EEXE OPROEPING TOT GEBED. 213
dan moeten het verkeerde, de schande, de schold
van onzen tegenwoordigen toestand voor haar
geplaatst worden. Wij zullen ze nooit van de
lage oppervlakte van eene zelfzuchtige zaligheid
kunnen weg krijgen om geheel en alleen voor
de eer van Christus te leven, tenzij het kwaad
van het eene gekend en afgelegd worde als
een ingang tot het andere. Het is wanneer
de zonde gevoeld en beleden wordt, dat de
vergevende liefde van Christus opnieuw onder-
vonden zal worden, en dat eene nieuwe onder-
vinding van Zijne macht en liefde, de nieuwe
prikkel worden zal om die liefde aan anderen
bekend te maken. Het is het verslagen hart
dat door God levend gemaakt wordt. Het is
aan de verootmoedigde ziel dat Hij meer genade
geeft. Een noodzakelijk bestanddeel van eene
ware zendingsherleving zal zijn het gebroken
hart en de verslagen geest met het oog op
verleden verzuim en zonde.
Deze prediking van verootmoediging tengevolge
van gebrek aan gehoorzaamheid aan het groote
bevel van Christus zal niet eene gemakkelijke
zaak zijn. Het zal mannen eischen, die tijd nemen
om op God te wachten teneinde een begrip te
krijgen van wat deze zonde der kerk eigenlijk
beteekent. Hudson ïaylor bracht vijf jaren in
China door en gevoelde voor hare heidensche
duisternis, zonder ten volle te beseffen wat zij
-ocr page 226-
214            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
was. Hü bracht nog vijf jaren in Engeland
door met werken en bidden voor China, en
nog wist hij niet hoe groot en schrikkelijk haar
nood was Het was slechts toen hij begon om
een opstel over de behoeften van China, voor
publicatie, te bereiden, dat hij de volle ont-
zetting der dikke duisternis zoo gevoelde dat
hij geen rust vinden kon totdat God hem de
vier-en-twintig arbeiders waarom hij gebeden
had, gaf, en dat hij gewillig was de verant-
woordelijkheid om ze uit te leiden op zich te
nemen. Wij zullen mannen noodig hebben,
die zichzelven in studie, en gebed en liefde
zullen overgeven, om de schrikkelijke beteekenis
van de woorden die wij zoo gemakkelijk uit-
spreken te vatten: dat de Kerk het laatste
groote bevel van haren Heer ongehoorzaam is.
Terwijl zij zich overgeven aan de ontzettende
waarheid, dat dertig millioen menschen elk jaar
in hopelooze duisternis sterven omdat Gods
volk zich er niet over bekommert;
dat
de liefde van Christus tevergeefs naar een
kanaal door hen zoekt, om de veiiorengaanden
te redden, omdat zij weigeren zich Hem ter
bes-jhikking te stellen; dat zij volkomen te
vreden zijn met eene zelfzuchtige godsdienst,
die den hemel verwacht met een Christus wiens
kruis men weigert op aarde te dragen — zullen
deze mannen beginnen te gevoelen dat zij het
-ocr page 227-
EENE OPROEPING TOT GEBED. 215
te doen hebben met eene macht der duisternis
in Gods kinderen welke door niets anders dan
de almachtige kracht van God overweldigd of
verwijderd kan worden. Zij zullen gevoelen
dat niets minder dan de kracht des Geestes
die van zonde overtuigd, de kerk overtuigen
of wakker schudden kan.
De leeraars zullen gevoelen dat zij in zoo-
danige verootmoediging moeten overgaan. De
prediking van verootmoediging kan niet in
kracht geschieden als de leeraar er geene
ondervinding van heeft Het zending-vraagstuk
is een persoonlijk iets, ook voor den leeraar.
Zoowel in hun eigen belang als in belang
van de leden der kerk die zij vertegenwoor-
digen moeten zij voorgaan. Laat de priesters,
des Heeren dienaars weenen tusschen het
voorhuis en het altaar, en laat hen zeggen:
spaar uw volk. o, Heere! en geef uwe erfenis
niet over tot eene smaadheid, dat de heidenen
over hen zouden heersenen". (Joel 2 : 17).
Hoe weinige kerken of gemeenten zijn er
van wie het in waarheid gezegd kan worden
dat de uitbreiding van Christus\' koningrijk
het doel is waarvoor zij leven en dat het
haar grootste zorg is dat ieder mensch op
aarde, zonder uitstel, het Evangelie zou
ontvangen? Wordt het niet van alle zijden
erkend dat de kerk niet is wat zij behoort
-ocr page 228-
216            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
te zijn?1) En is het niet duidelijk dat, als het
zoo voortgaat, de evangelisatie der wereld in dit
geslacht eene onmogelijkheid zijn zal. Terwijl de
kerk als een geheel zoo schuldig is voor God,
schijnt het niet alsof elke leeraar eene roeping
heeft om een gedeelte van den blaam van dezen
toestand van zaken voor zijne eigene rekening
te nemen, en te trachten om met zijne gemeente
onder de diepe overtuiging te komen, dat zij zich
zelven niet aan Christus overgegeven hebben
met die algeheele toewijding, welke Zijne liefde
en Zijn werk in de wereld eisenen; dat zij niet
genoegzaam van hun eigen belang, hun eigen
gemak, en van den geest der wereld hebben
afgezien, om met al hun kracht het groote
bevel van hun Heer uit te voeren, omdat hun
hart en leven niet geheel overgegeven waren
aan de herscheppende kracht van den Geest
en de Liefde van Christus.
Uit welk oogpunt wij ook den betreurens-
waardigen toestand van ontrouw, waarin het
grootste gedeelte der kerk leeft, en waarin wij
i) Dr. Smith\'s Short History zegt aangaande de Vereenigdo
Kerk van Schotland: „Slechts een derde van de Avondmaal.
gangers geven voor de Buitonlandsche Zending. Deze is nog de
dag van kleine dingen, wat het gebed des geloofs en den arbeid
der liefdo aangaat." En van de Kerk in liet algemeen: „Do meest
hoopvolle berekening kan niet verder gaan dan dit, dat in de
meeste Evangelische Kerken niet meer dan een derde, en in de
minst bedrijvige niet moer dan een tiendoder leden bidden,geven
of zich \'>p oenigo wyzo bekommeren over de volkeren welke de
Heer ter Evangelisatie aan elkeen züner leden heeft opgedragen."
-ocr page 229-
EENE OPROEPING TOT GEBED.               217
allen in een zekeren zin deel hebben, beschou-
wen, zoo is er voor leeraren geen mogelfjken
weg om het kwaad uit den weg te ruimen, en
een beteren toestand van zaken te bewerken,
dan deze dat elkeen onzer in de tegenwoordig»
heid van God belijdenis doe van ons gebrek aan
vurige liefde tot Christus, aan die gebeelhartige
overgave aan de leiding des Geest es, welke
ons in staat zou gesteld hebben om ware
getuigen van Hem en van Zijn wil te zijn,
dat het een werk van de kerk en van den
geloovige is om elk schepsel met Hem en met
Zijne liefde bekend te maken. Niets kan meer
redelijk zijn dan dat elke leeraar, die de werelds-
gezindheid en zelfzucht van de meerderheid
der christenen, en de zwakheid in arbeid en
gebed van zoovelen die niet onverschillig zijn
ziet en betreurt, zich zelven zal verdenken en
ten minste een gedeelte van de schuld voor
zijne rekening nemen. Het leeraarsambt is
ingesteld om in de kerk kennis en gehoorzaam-
heid aan de bevelen van Christus te bewerken:
er is eene duidelijke mislukking hierin ; dan is
het gewis eene behoefte om onze tekortkoming
te belijden, en tot God te roepen om heilige, toege-
wijde, geestelijke leeraren, die in staat zullen zijn
om de kerk er toe te brengen om hare bestem-
ming van het evangelie aan elk kreatuur te
brengen, te bereiken.
-ocr page 230-
218            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
Als de geest van verootmoediging eenmaal
de leeraaren aangrijpt, dan zal er hoop voor de
gemeenteleden zijn. Als de toon van ver-
brijzeling en van schuldbelijdenis helder en diep
is in de openbare prediking en gebed, dan zal
die gewisselijk weerklank vinden in de harten
en in de binnenkamers van alle ernstige zielen;
en diegenen, die nu onze beste ondersteuners
zijn, zullen gevoelen hoe veel meer vurige liefde,
dringend gebed, en volle toewijding, God van
allen voor Zijn dienst vraagt en gewillig is den
Heiligen Geest te werken. En in ons zending-
werk zal de waarheid van den tekst bewezen
worden : „Die Zichzelven vernedert zal verhoogd
worden." Verootmoediging is altijd de poort
tot meerderen zegen.
Luister voor een oogenblik naar wat Hij die
de zeven sterren in Zijne rechterhand houdt
tot de gemeente te Efeze zegt: „Ik weet uwe
werken en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid,
en dat gij de kwaden niet kunt dragen : en
dat gij beproefd hebt degenen, die uitgeven
dat zij apostelen zijn, en zij zijn het niet, en
hebt ze leugenaars bevonden: en gij hebt ver-
dragen en hebt geduld: en gij hebt om Mijns
naams wil gearbeid en zijt niet moede ge-
worden." (Open. 2 : 2, 3). Het zou moeilijk
zijn eene schilderij te teekenen van eene ge-
meente die nader aan eene modelgemeente is.
-ocr page 231-
EENE OPROEPING TOT GEBED. 219
Welk een vlijt en ijver in goede werken; welk
geduld in lijden; welke zuiverheid in de tucht;
welk een ijver voor rechtzinnigheid ; en dan
noch, welk eene onvermoeide volharding in dat
alles. En wat het beste is — alles om Zijns
Naams wil. En toch was de Heere niet te-
vreden : „Maar ik heb tegen u dat gij uwe
eerste liefde hebt verlaten.
Gedenk dan
"waarvan gij uitgevallen zijt en bekeer u
en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u
haastelijk bijkomen, en uwe Kandelaar van
zijn plaats weren, indien gij u niet bekeert."
De Gemeente had hare eerste liefde verlaten.
De teederheid en vurigheid van de eerste liefde,
van de persoonlijke gehechtheid aan den Heere
Jezus, ontbrak nu. De werken werden nog
gedaan, en wel in Zijn Naam, met de
erkenning dat Hij hun Heer was, maar zij
waren niet langer de eerste werken, in den
geest van de eerste liefde. Hij roept hen om
terug te zien, en te gedenken van waar zrj
uitgevallen waren, en zich te bekeeren en de
eerste werken te doen. Het is mogelijk om
veel en ernstig voor Christus en Zijne zaak
te werken, op eene wijze die schijnbaar niets
te wenschen overlaat, zoo ver als een mensen
oordeelen kan; doch er kan ontbreken datgene
zonder hetwelk de werken in Zijne oogen als
niets zijn — datgene dat Hij voor het grootste van
-ocr page 232-
220            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
alles houdt — nl. de liefde van eene persoon-
lijke gehechtheid aan Christus. God is Liefde.
Christus heeft ons liefgehad en Zichzelven voor
ons overgegeven. Zijne liefde was een teeder,
heilig geven van Zichzelven, eene persoonlijke
vriendschap en gemeenschap. Deze Zijne liefde,
door dagelijkschen omgang in het hart gekoes-
terd, door eene liefde, die Hem aankleeft, beant-
woord, bewezen door Zijne liefde die al onzen
arbeid, voor anderen te laten doordringen — het
is dit dat ons werk welbehagelijk maakt. Het
was deze eerste liefde en een brandende geest-
drift voor Hem, gehechtheid aan Christus, die aan
de pinkstergemeente hare kracht gaf. Christus
roept haar om aan deze pinksterliefde waarvan
zij uitgevallen was, te gedenken, en met berouw,
en naar dezelve terug te keeren.
Naar deze pinksterliefde moeten wij in ons
zendingwerk terugkeeren. Wij hebben gezien
hoe God de Moravische Kerk er toegebracht
heeft om de eerste Kerk der Hervorming te
zijn die den pinkster-toestand innam en zichzelve
geheel over te geven tot het werk van het
Evangelie te brengen aan elk kreatuur. En
wij hebben gezien dat het liefde was — eene
vurige aanbiddende beschouwing van de ster-
vende liefde van Christus, eene vurige begeerte
om die liefde bekend te maken, en nog meer,
om die liefde te bevredigen door de zielen voor
-ocr page 233-
EENE OPROEPING TOT GEBED. 221
wier redding zij gestorven is tot haar te brengen
— die de minste der Kerken, in dat opzicht,
tot de grootste van allen maakte. Terwijl wij
over dezen toestand der Kerk met al haar
ontrouw tegenover Christus, en de verlorem
gaande zielen van het heidendom treuren, laat
ons, bovenal, met berouw belijdenis doen van
deze zonde — het gemis der eerste liefde. Laat
ons gedenken hoe zelfs Petrus, na zijn uitvallen
uit de eerste liefde, niet hersteld kon worden,
voordat de vraag hem gedaan was: Hebt gij
mij lief? totdat het hem griefde, en hij met
berouw en vertrouwen geantwoord had. „Gij
weet dat ik u lief heb". Laat ons over het
verledene berouw hebben, en het betreuren,
laat ons voor het aangezicht des Heeren
wachten met het eene gebed: Liefde, Heere!
het is Uwe liefde die wij noodig hebben. Wij
weten er van; wij hebben er over gepredikt:
wij hebben getracht om haar te vinden; maar
nu wachten wij met nederigheid, en eerbied,
en bewondering op U, den Liefhebbende, om
haar door den Heiligen Geest in onze harten uitte
storten. Wij zien eindelijk op naar U, om ons in
staat te stellen door hare kracht, de wereld zoo in
onze harten op te nemen, dat wij, gelijk Gij,
alleen leven en sterven zullen opdat de liefde
in elke menschelijke ziel haar licht late stralen.
-ocr page 234-
HOOFDSTUK X.
dren Soorstel. — €tn D3eek oan @ebeb.
p\\E vraag is zeer sterk bij mij opgekomen,
of het niet mogelijk zou zijn, om, met het
oog op al wat op de Conferentie gezegd is aan-
gaande de tekortkoming van leeraars in predi-
king en leiding, van gemeenteleden in het
belangstellen, het geven en het bidden, Gods
volk bijeen te brengen, om in vereeniging
met elkander te beschouwen, de uitgestrekt-
heid van het werk dat er gedaan moet worden,
de oproeping tot schuldbelijdenis en berouw,
de behoefte aan eene geheel nieuwe standaard
van toegewijdheid door de geheele Kerk, en
de zekerheid dat God in antwoord op het gebed
de vensteren des hemels zal opendoen en Zijn
zegen zal uitgieten. De Conferentie vertegen-
woordigde inderdaad de geheele Kerk; maar
het is te vreezen dat slechts een zeer klein
gedeelte er van bekend zal worden met wat
zij gezegd heeft, en dus van hare onderwijzing
zal kunnen voordeel trekken. De uitdrukking
werd gebruikt: „Indien deze Conferentie
en diegenen die zij vertegenwoordigt
-ocr page 235-
EEN WEEK VAN GEBED.                  223
hun plicht zullen doen". — Zou het niet
mogelijk zijn om de vertegenwoordigers in aan-
raking te brengen met de groote aantallen door
hen vertegenwoordigd, zoo dat bij allen het besef
van eenheid en verplichting, en van vernieuwde
toewijding en hoop gewekt moge worden !
De eerste gedachte die opkwam, was, of som-
migen van de Commissieleden, die met zooveel
geestdrift in belang der zending voor de Confe-
rentie gearbeid hadden, niet een plan konden
beramen en uitvoeren, waardoor de kern en de
geest van de vele ernstige beroepen aldaar gedaan,
voor de aandacht van al de kerken gebracht
zou kunnen worden. Het is gemakkelijk te
zien welke moeilijkheden er in den weg zouden
zijn. Om krachtdadig te zijn zou het bijna
eene nieuwe organisatie met eene groote machi-
nerie eischen.
In eens werd ik er aan herinnerd dai eene
wereldwijde organisatie, metalleharemachineriën
voor de hand lag. Wij hebben de Evangelische
Alliantie, en de Week des Gebeds in het begin
van Januari. Zou het niet iets wonderbaars
en gezegends zijn, indien de geheele kerk gedu-
rende eene geheele week aan de voeten van
haren Heer kon vergaderen, en zich aan deze
ééne zaak kon overgeven — de uitbreiding van
Gods Koningrijk door middel van de zending.
Kr kan geen schooner gelegenheid zijn voor
-ocr page 236-
224            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
onderwijzing met betrekking tot den wil van
God en Zijne beloften; de grootheid van het
werk en zijne noodzakelijkheid, de aanspraak
van Christus op de geheele wereld en elk krea-
tuur daarin als zijn erfdeel, gelijk ook op Zijn
volk om de gewillige boodschappers van Zijne
liefde te zijn. Ongetwijfeld zou dit eene ge-
legenheid verschaffen om het laatste bevel van
Christus op het hart te binden, en de kinderen van
God tot gebed en toewijding op te wekken,
zooals men niet gemakkelijk op eene andere
wijze zou kunnen vinden.
Ik heb hier, waar ik schrijf, geen toegang tot
een afschrift van den brief waardoor de zende-
ling te Lodiana, het eerst het voorstel omtrent
de week des gebeds deed. Ik zou my niet ver-
wonderen als het gevonden werd dat hij meer
bepaald de buitenlandsche zending op het oog
had. Maar zelfs als dit het geval niet is
schijnen de omstandigheden, het terzijde stellen
van andere onderwerpen voor één jaar, en het
bepalen van de aandacht uitsluitend bij de
evangelisatie der wereld, als de hoofd-
beschouwing der kerk,
ten volle te recht-
vaardigen. Het kan zijn dat men in de toe-
komst ontdekken zal, dat het eene hulp is om
in elk jaar aan één speciaal onderwerp grooter
ruimte te geven. Om een jaar te nemen al
de vertakkingen van de Binnenlandsche Zending,
-ocr page 237-
EEN WEEK VAN GEBED.                  225
een ander jaar Nationale Gerechtigheid, dan
weder Onze Jeugd met al de belangen van het
Huisgezin, School en College, zou hefc middel
kunnen zijn om de aandacht te kunnen vestigen,
en belangstelling in eene groote mate te kunnen
wekken, dan met het vasthouden aau een af-
zonderlijk onderwerp voor eiken dag der week.
Dit slechts in het voorbijgaan — ik doe geen
voorstel hieromtrent.
Maar met betrekking tot het plan om de
geheele week van Januari 1902 er voor af te
staan, gevoel ik dat ik stoutmoedig genoeg moet
zijn om er ernstig voor te pleiten. De afstand
is te groot, waarop ik hier van Engeland ben.
en de tijd wanneer het program uitgezonden
moet worden te nabij, om mij toe te laten om
door private correspondentie uit te vinden wat
de waarschijnlijkheid voor de aanneming van
het voorstel is. Ik kan slechts mijne gedachten
leggen voor den Raad van de Alliantie en voor
de leidslieden op het gebied der zending, die
er belang in mochten stellen.
Mijn pleidooi is niets anders dan de opsom-
ming van wat dit boek bevat. Toen de studenten
vrijwilliger beweging haar wachtwoord aan-
kondigde: De Evangelisatie der Wereld
in dit geslacht,
werd het hartelijk ontvangen
en eenparig aangenomen. Dit aannemen van
het wachtwoord brengt met zich ontzaglijke
15
-ocr page 238-
221)           HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
verantwoordelijkheid. AVij kunnen niet niet
het beroep op onkunde verontschuldigen. Even-
min kunnen wij ons vrijpleiten door te zeggen
dat wij ons uiterste gedaan hebben. Ten behoeve
van de kerk hebben wij de verplichting op ons
genomen, en onze eerste plicht is te trachten
om de kerk wakker te schudden en te voeren
tot het gehoorzamen aan het bevel van haren
Heer. Indien er ééne les is welke door het
Rapport van de Algemeene Conferentie geleerd
wordt is het deze — dat een derde van de leden
onzer kerken, niets geeft, dat een derde zeer
weinig geeft, en dat van het overige derde deel
slechts een klein gedeelte doet wat het kan.
Hier is er de openbaring van eene schrikkelijke
ongehoorzaamheid in een groot gedeelte van het
lichaam van Christus, waardoor er schuld en
oordeel op de kerk gebracht wordt. Kan er
geen plan, door vereeuigde werkzaamheid, be-
raamd worden, om zoo velen van Gods kinderen,
als mogelijk is, bijeen te vergaderen om te over-
wegen en te besluiten wat er gedaan kan worden.
Deze is mijn eerste pleitgrond. Hier is eene
andere. Van de duizend millioen heidenen en
Mahomedanen, die zonder de kennis van Christus
leven, sterven er elk jaar in dikke duisternis
meer dan dertig millioen. Dat getal zal ook
dit jaar sterven. En dit is wel eenvoudig omdat
de kerk ontrouw is aan hare roeping. Is het
-ocr page 239-
EEN WEEK VAN GEBED.                  227
niet tijd, dat wij trachten om eiken geloovige
dien wij bereiken kunnen, er toe te brengen om
den nood te beseffen en zich in de kracht van
de barmhartigheid van Christus tot de redding
van zoo velen mogelijk aan to gorden.
De kerk zelf verliest, door haar ontrouw
meer dan genoemd kan worden. Haar geeste-
lijk leven wordt verzwakt; wereldsgozindheid
en zelfzucht krijgen de overhand over millieenen
van hare leden; de kracht van Gods Geest
wordt aan hare werkzaamheden onthouden, en
tallooze gebeden blijven onbeantwoord, omdat
God beroofd wordt van de toewijding en den
dienst waarop Hij aanspraak heeft. Zou het
niet gezondheid en zegen aan velen brengen
indien de kerk zich met hare leden zou ver-
eenigen om zich voor God te stellen met het
eene gebed, dat allen die wegens onkunde of
geestelijke zwakheid gezondigd hebben, opgewekt
mogen worden om met het werk dat op hen
wacht te beginnen? „Zulk eene ontwaking
van ware belangstelling in de zending zou
het begin zijn van eene herleving in den enkele,
en zou de begeerte naar eene meer algemeene
herleving grootelijks versterken. Doch, hoe
krijgt men de kerken er toe om samen te
werken en de gemeenteleden om zich voor
God tot onderwijzing en gebed te vergaderen?
Men kan zich nauwelijks een heerlijker ge-
-ocr page 240-
228            HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
legenheid denken dan die welke de Week des
Gebeds aanbiedt.
Ik houde mij verzekerd, dat onze zendelingen
in het veld het voorstel zullen verwelkomen,
en grootelijks door de uitvoering er van gesterkt
worden. Te gevoelen dat de geheele Kerk een
week afzonderde om die met hen voor den troon
van hun Heer door te brengen, teneinde opnieuw
hunne bevelen en toerusting te ontvangen, zou
eene inspiratie zijn. En het zou voor de
Inboorling-Kerken een onwaardeerbaar bewijs
zijn van ons diep besef dat het leven dat wy
hun aanbieden een leven is dat van boven
komt, en slechts ontvangen en medegedeeld
kan worden naar dat het gegeven wordt, in
antwoord op het gebed. Zij en wij zouden
gevoelen hoe waarlijk wij „een nieuw mensch
in Christus Jezus" zijn. En God, onze God,
zou ons zegenen.
Nog eene reden. Het hart van onzen Heere
Jezus gaat in teedere liefde uit naar al deze
stervende zielen. En in liefde even teeder jegens
al Zijne verlosten, vraagt Hij hen dat zij hunne
liefde zouden bewijzen door Zijne liefde te bevre-
digcn, en voor Hem te winnen de zielen voor
wier verlossing Hij gestorven is. Hij verlangt
er naar om ons ten volle te laten deelen in
Zijne eigene liefde en in de zaligheid van God
in de redding van menschen verheerlijkt te
-ocr page 241-
EEN WEEK VAX GEBED.                  229
zien. Hij verlangt er naar. Ons hart kan
zich geen denkbeeld vormen van wat Hij
gevoelen moet als Hij de koudheid en de
ontrouw ziet van zoo velen die inderdaad Zijn
met bloed gekocht eigendom zijn. Zou het
niet recht zijn eens te trachten om van de
de jaarlijksche samenkomsten, bij het begin
van een nieuw jaar gebruik te maken, om
Gods volk te leiden om uitsluitend en vuriglyk
om dezen eonen zegen te smeeken — eene
ontwaking van tien duizenden van geloovigen
om in te zien dat, om te werken ten einde
zonder uitstel het evangelie aan elk kreatuur
te brengen, de hoogste plicht, het hoogste voor-
recht, de hoogste zaligheid van eiken Christen is?
De nieuwe eeuw roept ons er toe. Veel is
er gezegd geworden over de vorige als eene
zendingeeuw. Wij danken God voor al wat
Hij in de laatste honderd jaren door Zijn
volk gewrocht heeft. Maar allon erkennen
dat tenzij de Kerk begint om te leven en
lief te hebben, te geven en te bidden op eene
wijze en in eene mate veel hooger dan aan
die waarop het tot hiertoe geschied is, er niet
het minste vooruitzicht is van de Evangelisatie
der wereld in dit geslacht. Het eerste jaar van
de nieuwe eeuw gaat voorbij. Wij hebben den
tijd gehad om te overwegen en te zeggen of
er de teekenen zijn van eene vrijgevigheid en
-ocr page 242-
230             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
toegewijdheid grooter dan te voren. Wij hebben
de gelegenheid gehad om te berekenen wat noodig
is als het werk gedaan moet worden. Hoe
kunnen wij de eeuw op meer krachtdadige wijze
aan God wijden dan door haar tweede jaar te
beginnen met eene grootere samenroeping van
het geheele leger van God op aarde om Zijne plech-
tige gelofte te vernieuwen: De geheele wereld
voor Christus; Zijn Evangelie voor elk kreatuur!
Nog eenige woorden met betrekking tot de
uitvoering van het plan, indien de Alliantie
vrijheid gevoelt om aan de uitnoodiging te
voldoen. Er zal veel biddend denken en werken
noodig zijn, indien de geheele kerk opgewekt
moet worden, om er op verstandige en harte-
lijke wijze aan deel te nemen, en indien wij
trachten zullen ons tot het uiterste toe van
den zegen die het brengen kan, te bedienen.
Schikkingen zullen moeten worden gemaakt,
waardoor de verschillende kerken, zooveel
mogelijk samenwerken. Zelfs waar er niet
vereenigde vergaderingen kunnen zijn, konden
mannen die geestdrift voor de zending of
geestelijke gaven hebben in verschillende kerken
over en weder aan elkander geleend worden.
Elk genootschap moet niet alleen naar voordeel
voor zichzelven zoeken, maar ook vragen hoe
het aan anderen van de zegeningen kan mede-
deelen die het van God mocht hebben ontvangen.
-ocr page 243-
EEN WEEK VAN GEBED.                    231
Met het oog op wat er op de Conferentie ge-
zegd werd van de verantwoordelijkheid van
leeraars, en de groote mate waarin de belang-
stelling in de zending van hen afhankelijk is.
moest men zich tot hen wenden, met wenken
omtrent de wijze waarop zij helpen kunnen.
Eene bijzondere studie te maken van het
zending-vraagstuk, het leveren van eene reeks
preeken vóór de Groote Week. om Christenen
er op voor te bereiden, het vooruit aanmoe-
digen tot gebed, dit alles zou een zegen voor
herder en gemeente zijn. Allen die als Evan-
gelisten gearbeid hebben, konden gevraagd
worden om voor deze eene week hunne gewone
evangelie-prediking op te geven, en hunne
hulp aan deze vereenigde poging te geven, om
Christenen te bewegen om hun aandeel te
te nemen in het winnen van de wereld voor
Christus. Zij zullen hunne belooning hebben
in een nieuwen ijver in hunne helpers in het
werk te huis. En het zal gezien worden, dat.
voor al degenen die gedurende de speciale
diensten van het vorig jaar, naar den Heiland
gebracht zijn, er niets meer heilzaam kan
wezen, dan hen aan het begin van hun Christe-
lijken loopbaan geheel vereenzelvigd te krygen
met de zendingzaak.
Er zal ook behoefte zijn aan speciale littera-
tuur. Vele Christenen zijn zoo onbekend met
-ocr page 244-
232            HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
de feiten der zaak, met wat de Bijbel daar-
omtrent leert, met den waren geest waarmede
het werk gedaan moet worden, met de be-
hoefte aan en de vreugde van zelfopoffering,
met de kracht des Gebeds, beide als kracht
om te bidden en kracht om te verkrijgen,
met de onuitsprekelijke vreugde welke de liefde
van Christus in dezen dienst geven kan. en
met de behoefte aan eene algeheele toewijding
aan den liefhebbenden Zaligmaker, dat men
wenschen kan dat een aantal eenvoudige,
puntige tractaatjes bereid konden worden en
in handen gesteld van diegenen die tot hiertoe
betrekkelijk onverschillig zijn geweest. Of
indien vier of zes mannen van geestelijke
kracht elk een opstel konden schrijven over
een of ander gedeelte van het groote vraagstuk,
en deze opstellen dan aan onze meer intelli-
gente en belangstellende Christenen gezonden
werden, dan zou dit de weg kunnen bereiden
dat zij zich overgeven om te arbeiden voor
de inzameling van een grooten oogst van
nieuwe hartelijke zending-vrienden, voor den
dienst van onzen Koning.
De vraag onstaat natuurlijk: Wie moet al
de correspondentie en arbeid in verband met
de voorbereiding tot zulk een grooten zending-
veldtocht op zich nemen ? Ik weet niet of de
Alliantie, zelfs al zou zij tot de uitvaardiging van
-ocr page 245-
BEK WEEK VAX GEBED.                  238
de uifcnoodiging gereed zijn. het wenschelijk of
mogelijk zou achten om het bestuur in deze
zaak te aanvaarden. Indien niet, zou zij niet
ten minste het initiatief\' willen nemen door
een aantal bekende leidslieden op het gebied
der zending uit te noodigen en met hen eene
schikking voor de aanstelling van eene Com-
missie van Bestuur te maken. Indien een ol
twee mannen door dit lichaam afgezonden
konden worden om informatie te verspreiden,
belangstelling te wekken, en hulp te verkrijgen,
zouden plaatselijke helpers zekerlijk overal te
voorschijn komen.
De Studenten Vrijwilliger Beweging heeft tot
hiertoe grootendeels haar werk beperkt tot de
opwekking en opvoeding van hen die gereed
zijn om naar het buitenlandsche veld te gaan.
Ik heb somtijds gedacht of zij het niet eene
voortreffelijke oefenschool zouden vinden, zich
aantebieden bij leeraars om te helpen in de
vergaderingen, die gehouden worden om belang-
stelling in de zending te wekken. Er wordt
geklaagd, dat, hoe wenschelijk het ook moge
zijn, het toch moeilijk is om een bezoek van
een zendeling voor elke gemeente te verkrijgen.
Een vrijwilliger, vol geestdrift, die een studie
van een of ander gedeelte van het zendings-
veld gemaakt heeft, of liever, twee of drie in
gezelschap, getuigende van wat hun Heer voor
-ocr page 246-
234           HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
hen gedaan heeft, en van hunne overgave aan
Zijn dienst, kunnen in menig geval dit gebrek
aanvullen. Ik weet niet of zij reeds het werk
te huis in belang van buitenlandsch zending-
werk in hun program hebben opgenomen. Ik
kan niet anders dan denken dat het een zegen
voor zichzelven zoowel als voor de kerk zou
zijn. De hoofdvraag van het Zending-Vraagstuk
is thans: Hoe de kerk verlevendigd te krijgen?
Om te helpen in de oplossing van deze vraag
is het beste werk dat voor de buitenlandsche
zending gedaan kan worden.
Buiiciiüewiiiii! umstandighf\'dt\'n i\'ischen huiten-
gewone maatregelen. De ontdekking van een
dreigend gevaar rechtvaardigt buitengewone
veranderingen, en menschen billijken het on-
gemak gewilliglijk en onderwerpen zich er
aan. De toestand der Kerk, de nood der
wereld, het bevel van Christus, schijnen mij
speciale pogingen te eisenen. De eisch dei-
zaak is zeer hoog. Er is geen tijd te ver-
liezen. Onze Meester wil dat elk menscheiijk
wezen, zonder uitstel, vernemen zal van Zijn
komst naar de wereld om hem te redden.
Laat de geestdrift van het wachtwoord: In
dit geslacht, ons niet bedriegen. Het kan
ons tevreden stellen terwijl ondertusschen de
dertig millioen per jaar die in duisternis heen-
gaan, Hem niet zouden kennen. Het kan ons
-ocr page 247-
KEN WEEK VAN" GEBED.                  235
bedriegen met liet denkbeeld dat het zekerlijk
geschieden zal. Maar het zul zekerlijk niet
gedaan worden als de Kerk op hare tegen-
woordige oppervlakte blijft. De eene diepe
indruk, welke het Rapport der Conferentie op
ons achterlaat is deze, dat tenzij leeraars en
gemeenteleden arbeiden en bidden met eene
geheel nieuwe toegewijdheid, het werk met
geene mogelijkheid gedaan kan worden. Het
is zoo groot, het is zoo moeilijk, het heeft
zooveel behoefte aan Goddelijke tusschenkomst,
dat, tenzij de Kerk tot het pinksterleven van
hare eerste liefde met dezelver gebed en zelf-
opoffering terugkeert, het niet gedaan kan, en
niet gedaan zal worden. Ik zeg wederom, de
ernst der zaak is zeer hoog. Geen opoffering
kan te groot zijn, indien wij slechts de Kerk
of het meer ernstig gedeelte er van, er toe
konden krijgen om tijd te nemen, en in ver-
eeniging voor Gods Troon te wachten, om
haren toestand te bezien, hare tekortkoming
te belijden, Gods belofte van kracht zich toe
te eigenen en haar AL aan Zijn dienst te
wijden. Ik ben vast overtuigd dat de voor-
gestelde verandering, van de week des gebeds
uitsluitend aan de buLtenlandsche zending te
wijden, Gode en zijn volk aangenaam zal wezen,
en overvloedigen zegen zal brengen. Terwijl
wij bijeenkomen, in een groot gezelschap
-ocr page 248-
236            HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
over de wereld heen, en den Meester vragen
om voor ons de Grootc Opdracht te herhalen,
on hare kracht in onze harten in te blazen:
terwijl onze harten zich in het geloof opendoen
voor de belofte van Zijne oneindige macht en
onophoudelijke tegenwoordigheid met ons; ter-
wijl wij onszelven opnieuw in gehoorzaamheid
en toewijding overgeven aan het werk van
Zijne liefde — Zullen Zijn zegen en Zijn Geest
ons geschonken worden. Ik kan niet anders
dan gelooven. dat menigeen die hartelijk mei
dit werk bezig geweest is, nader bij zijn
gezegenden Heer gebracht zal worden, en met
nieuwen ijver aangevuurd om anderen die
achterblijven voort te helpen. En menigeen
die iets gegeven heeft, en een weinig gebeden
en een weinig lief\' gehad heeft, zal geleerd
worden om in te zien wat het ware geheim
-\\an deelgenootschap met Christus aan dit werk
is. En menigeen zal een roepstem hooren om
te overwegen of de Heere niet Zijn persoonlijken
dienst in het veld van noode heeft. Menig leeraar
zal een nieuw inzicht krijgen in datgene waartoe
hij zijne gemeenteleden werkelijk opvoeden moet,
en hoeveel hij, terwijl hij tehuis arbeidt, voor
de wereld in het algemeen doen kan. En ik ben
verzekerd dat het voor velen het begin gemaakt
kan worden van eene nieuwe openbaring van
wat de Heore Jezus is en eischt, en van de
-ocr page 249-
EEN WEEK VAX GEBED.                  237
onuitsprekelijke zaligheid van, gelijk Hij, alleen
te leven om de wereld naar God terug te brengen.
Ik laat het voorstel in de handen van diegenen
die de macht hebben er over te beslissen, hetzij
in den Raad van de Evangelische Alliantie of
onder de vrienden der zending met wie zij be-
raadslagen mogen. Indien er goede redenen
zijn om de verandering niet te maken, zal ik het
doen van het voorstel niet betreuren. Het kan
de aandacht richten naar eene groote behoefte,
en op Gods tijd vruchten voortbrengen op
eene wijze die wij niet verwachten. Ik draag
de gedachte aan Zijne genadige zorg op.
En mag de dag spoedig komen wanneer Zijne
Kerk, in het wachten op God, hare jeugd zal
vernieuwen, en wanneer de heerlijkheid des
Heeren geopenbaard zal worden en alle vleesch
te gelijk het zien zal. ])
i) Hot antwoord van den Raad der Alliantie was, dat, terwijl
hy geeno vrijheid gevoelde de opgave dor onderwerpen voor de
Week des Gebods in het Nieuwe jaar te veranderen, h\\j gaarne
in de oproeping tot gebed de woorden zou invoegen: Men biddo
ook eiken dag dor week bijzonder voor de Buitenlandache Zending.
Het blijft aan elke afzonderlijke kerk on leeraren vrü zooveel tijd
als zjj goed vinden aan de Zending to wijden. Ik vertrouw dat
deze de eersto stap is op don weg om eenmaal de vervulling van
den wensen te verkrijgen dat de ganscho Kerk van Christus zich
voor haren Heer vereenige in belijdenis en gebed en toewijding
liet het oog hierop laten wü de wenken voor de Week des Gebods
onveranderd.
-ocr page 250-
-ocr page 251-
EEN WEEK DES GEBEDS VOOR
DE ZENDING.
Sottbag. Banhieggittg. Po. 145:11—16.
Dankzegging — voor de heerlijkheid van Zijn Koning-
rijk — voor hetgeen Hij gedaan heeft — voor het
aandeel dat Hij ons in Zijn werk geeft — voor wat
Hij doet en doen zal. 2 Kron. 20:14—22.
l&aanbag. üct werft en br SSerftcre.
Het Werk. Zijn omvang. Een duizend inillioen hei-
denen en Mahoniedanen. 2 Cor. 11:16. Zijne
moeilijkheid.
De macht des Satans. Ef. VI: 12.
Zijne dringende noodzakelijkheid. De waarde
eener ziel; dertig inillioen sterven per jaar.
De Werkers. De Kerk, het Lichaam van Christus. Elk
lid, zonder onderscheid, verlost ooi aan het werk
deel te nemen. Phiiip. II: 15, 10.
Gebed. Om een gezicht van den nood der Wereld van
de heerlijkheid van Christus, van de roeping der
geloovigen. Voor alle zendelingen, onze vertegen-
woordigers in het veld. Col. IV : 2—4.
©inebag. £>c Itvacljt tot Ijct lucrlt - t>( fteiligc (Beest.
De Heilige Geest. Alle zending-werk is Gods eigen
werk. 1 Cor. XII: (>. De Heilige Geest de groote
kracht Gods in ons werkende. Ef. 111:16, 17, 20.
De Geest op den Pinksterdag gegeven om het Evan-
gelie aan eiken mensch te brengen. Joh. XV: 26,
27. Hand. 1:8. Alle mislukking te wijten aan het
-ocr page 252-
240          HET VRAAGSTUK DEK ZENDING.
verlies van deze kracht. Gal. III: 3. Alle zending-
werk in geven, bidden en werken heeft alleen waarde
naarmate de kracht desGeestes er inis. Kom. XV : 16.
Gods belofte van den Geest tot ons komende, en
ons gebed om den Geest naar God gaande, onze
eenij:e hoop voor de zending. Hand. IV: 31.
Gebed. Om de kracht des Geestes als de geestdrift van
de tegenwoordigheid en de liefde van Christus in
de kerk, in zending-genootschappi::, in onze eigene
gemeente, in ons eigen leven, met het eene doel om
bij eiken mensch van Jezus te getuigen. Lnkas
XXIV : 47—49. Hand. I : 8.
JMornobnii. SJerootmöebtjjtnjj rit ücf)ulbbrliibrni0.
Schuldbelijdenis. Van het schrikkelijk verzuim dei-
kerk om hare bestemming te kennen en te vervullen.
Van het gebrek aan eene geheele toewijding aan de
eer en het Koningrijk van Christus. Van gebrek
aan liefde en zelfopoffering in het geven en bidden.
Hag. I : 1—11, Mal. III : 10. Phil. II : 21.
Verootmoediging. De eeuige weg tot herstel. Jes.
lA\'III: 1, 2, 6, 7. Gen. XLII:2l. Bid om den Geest
om van zonden te overtuigen. Joel 2.
Sonurrbag. 2)r (Srrot örr Jiinrrluugru.
Het gebed, zijne plaats. Het hoofdelement van des
menscheu zijde in het doen van Gods werk. De
sleutel van allen hemelschen zegen en kracht. Lukas
XI : 13, Joh. XIV : 18, 14, Ef. III : 20.
Zijne moeilijkheid. Het eischt de kruiziging des
vleesches om te strijden, te arbeiden en te waken
in het gebed. Kom. XV : 30, Col. IV : 12, Mark.
IX:2\'J. liet eischt een geestelijk gemoed om zijne
vreugde te vinden in den omgang met Christus en
te gelooven dat onze gebeden overwinnen zullen.
-ocr page 253-
KEK WEEK DES GEBEDS.                   241
Zijne dringende noodzakelijkheid. Meer inenschen
en meer geld zijn noodig; maar er is meer behoefte
aan meer gebed, zoo als het gebed waardoor Pinkster-
feest werd voorafgegaan. Hand. 1:14.
Bid, dat God in al ons bidden den geest des gebeds
mocht geven. En dat er eene groote toeneming van
verborgene, aanhoudende, vurige, geloovige voor-
bidding om de kracht des Geestes in ons zending-
werk mocht zijn.
XJrijbaij. Coemtjiiittg en 2Mcnstuaavbia.ljrtb.
Toewijding. Indien belijdenis spreekt, indien gebed
eerlijk geweest is, moet er eene nieuwe overgave
op volgen. 2 Kron. XV : 8—15. Dit veronderstelt
een afkeer van alle zonden en van alle tekortkoming
tot een leven van volle gehoorzaamheid en toege-
wijdheid. 2 Cor. V : 15. Het veronderstelt, in het
bijzonder, eene zeer persoonlijke overgave van zich-
zelven aan den Ileere Jezus, en Zijne liefde, om door
Hem als Zijn eigendom en bezitting te worden be-
waard en gebruikt. 2 Tim. 11:21. ïitus 11:14. Alles
hangt af van deze individueele zelfopoll\'eriug aan
den Heer; de zendingzaak is eene persoonlijke zaak.
Dienstvaardigheid. Het veronderstelt dat wij den
dienst van Jezus in het zoeken ntiar zielen voor Hem
op ons nemen. .les. LUI: 10. Dat wij Hem dienen
in belangstelling, in geven en in bidden voor de
zending in gemeenschap met anderen, en ook door
Hem bekend te maken aan diegenen die onder ons
wonen.
Saterbag. ©eloof rit be Öütibbcliihc mogclijtUjDbDn
btr Seubiitg.
Geloof. De kracht in den mensen welke overeenstemt met
de kracht Gods. Matt. XIX: 26, Markus IX: 23. Het
is de kracht die naar het gebed leidt, in het gebed
-ocr page 254-
242             HET VRAAGSTUK DER ZENDING.
sterk wordt en door het gebed overwint. Mark. XI: 24.
Het is de k nicht die de wereld overwint, omdat
Christus haar overwonnen heeft, en liet geloof in
vereeniging met hem leeft. Joh. XVI: 23,1 Joh. V : 4,
ó, Efez. VI .12, 1G.
De zending heelt geen fondament of wet, dan alleen
in Gods doel, Gods belofte en Gods macht. Deze
Goddelijke mogelijkheden maken het voedsel des
geloofs uit, en roepen eiken zendingvrieud tot deze
eene zaak - - sterk te zijn in het geloof, te zien op
wat God gezegd heeft dat Hij doen wil en dan ge-
vende God de eer. Hom. IV: 20, 21.
Bid dat deze week leiden moge tot eene diepe open-
baring van Gods gewilligheid en macht om Zijne
beloften aan Zijn volk te vervullen, en tot eene
groote versterking van waar geloof in eiken zending
arbeider en helper tehuis en in den vreemde.
Sonbag. ï>r lirfbr van 6$riattu, i\\om. S : 31.
Haar triomf in elk menschelijk hart, ons doel, Phil. II: 13.
Haar bezit onze eenige macht, 2 Cor. V: 14.
„Laat deze brandende gedachte van „persoonlijke liefde tot
den Heiland, die mij verlost heeft", de harten van alle Christenen
vervullen, en gij hebt den sterksten drang tot zendingwerk
van eenige soort die ir zijn kan.
,,0, indien wij deze zaak tot eene persoonlijke zaak konden
maken, indien wij de harten> der mensehen met eene persoonlijke
liefde tot den Zaligmaker, die voor hen gestorven is, konden
rertullm, dan zou de onverschillighiid van het Christendom
verdwijnen, en het Koningrijk van Christus zou verschijnen."
Rbv. P. DE SCHWEINITZ,
Secr. der Mor. Zending in de Vereenigde Staten.
-ocr page 255-
Van den zelfden schrijver verscheen
vroeger, en zijn alom verkrijgbaar:
De bediening der Voorbidding.
Geld. Gedachten voor God\'s rentmeesters.
Ziende op Jezus. Een verklaring van den brief
aan de Hebreeën, 2(\' druk.
De Kracht van Jezus\' bloed.
Een boodschap van den Yader in den hemel
aan Zijne kinderen op aarde.
2" druk.
Niet mijn wil. De Zaligheid van een leven
in den wil van God. Overdenkingen voor
een maand. 2° druk.
Nederigheid, het sieraad der heiligheid.
Het nieuwe leven.
Het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.
-ocr page 256-
Voorts verscheen o. a. bij de wit-
gevers dezes:
A. JIcGREGOB,
Het nieuwe L\'ateckisatieboek, bevattende
Bybelsche Kennis en Het kort begrip
met uitlegging.
V. W. B017RNE,
Billy Bray, de Koningszoon. Grootendeels
verzameld uit zijne eigene aanteeke-
ningen. 2e druk.
J. A. MALHERBE,
George MUUer. De kedendaagsche apostel
des geloofs. Uit het Eng. vertaald.
JOHN BUNYAN,
\'s Christens reize naar de eeuwigheid.
Met 12 gekleurde platen. druk.
N. J. HOFJIEYK,
Lichtstralen. Getuigenissen der Schrift
aangaande den Heiligen Geest. Stichte-
lijke Toespraken.