-ocr page 1-
-ocr page 2-
y*^ (o939-
-ocr page 3-
4-L
140a
22 4 7
•J                                                                                                   L
UNIVERSITEITSBIBLIOTHEEK UTRECHT
A06000034256457B
3425 6457
-ocr page 4-
iV1 > "v-
:;f-
-ocr page 5-
-,
<-
TIYO SOGA.
-ocr page 6-
UITGEGEVEN DOOR DE VEREENIGING
TER BEVORDERING VAN CHRISTELIJKE LECTUUR.
v
-ocr page 7-
-ocr page 8-
<4yo typ. <i
-ocr page 9-
^
TIYO SOGA,
DE EERSTE KAFFER-ZENDELING.
EENE BLADZIJDE
GESCHIEDENIS DER ZENDING IN KAFFERLAND.
NAAR HET ENGELSCH
J. A. CHALMERS.
F. LION CACHET.
off»1
w
Üfcü*
sea^
AMSTERDAM,
HÖVEKER & ZOON.
-ocr page 10-
LEIDEN: BOEKDRUKKER!J VAN D. DON NU.
-ocr page 11-
OPGEDRAGEN
AAN
Me vrouwe TIYO SOGA - Burnside,
DE WEDUWE,
EN AAN DE KINDEREN
TAN DEN
EERSTEN KAFFER-ZENDELING,
DOOS
DIENS VRIEND EN MEDEBROEDER
F. LION CACHET,
V. D. M.
-ocr page 12-
-ocr page 13-
Juist heden veertig jaren geleden, vond er in het kerkgebouw
der United Presbyterian Church, in Johnstreet, te Glasgow, een
indrukwekkende plechtigheid plaats. Een jonge Kaffer, die
weinige jaren tevoren uit Afrika in Schotland was gekomen,
deed openlijk belijdenis van zijn geloof in den Heere Jezus Chris-
tus als den Zone Gods en eenigen Middelaar Gods en der men-
schen, en werd daarna gedoopt in den Naam des Vaders én des
Zoons én des Heiligen Geestes. Die jongeling was Trro Soöa, van
den Heere verkoren om de eerste Zendeling uit de Kaffers te
zijn onder zijn eigen volk, in waarheid een uitverkoren vat om
\'s Heeren Naam te dragen onder de heidenen.
De hier volgende bladzijden bevatten een beknopte levensschets
van dezen arbeider in den wijngaard, geschreven niet tot ver-
heerlijking van het schepsel, maar opdat de \'Heere in zijnen
dienstknecht zou verheerlijkt worden. Uit de kraal van zijn hei-
denschen vader werd Tiro Soga geroepen, om op bijzondere wijze
en langs kennelijk van God afgebakende, wegen opgevoed en
voorbereid te worden tot Zijn dienst. Die voorbereiding duurde
lang, doch de tijd van arbeiden in den wijngaard was beperkt, en
op nog betrekkelijk jeugdigen leeftijd ging de arbeider in in de
ruste. Doch zijn loopbaan was toen ten volle geloopen; de ge-
nade Gods was in hem verheerlijkt, en in den persoon van Trro
Soga had de Heere doen zien, dat Hij nog groote gedachten des
-ocr page 14-
vredes heeft ook over de diepgezonken Kaffernatie, en voorts
hoe Zijn kracht in zwakheid volbracht wordt.
Toen mij in 1880, kort vóór mijn terugkeer uit Afrika naar
Holland, het geschrift van den Zendeling Chalmers in handen
kwam, besloot ik terstond er eene vertaling in het Hollandsch
van te bezorgen. Werkelijk begon ik in 1882 met de overzetting,
doch al spoedig bleek het mij, dat van eene bloote vertaling van
het boek geen sprake kon zijn. De stof moest voor Hollandsche
lezers anders geregeld worden; er moest tot verduidelijking heel
wat worden bijgevoegd, en er kon veel worden weggelaten. Het
geheel moest dus worden omgewerkt, en de schets, die de lezer
nu ontvangt, is slechts voor een deel vertaling van Chalmers\'
boek en verder oorspronkelijk. Dat de voltooiing van dit werk
zoo lang vertraagd werd, deed mij leed, doch was niet te ver-
helpen, daar ik aan zulken arbeid, hoe liefelijk ook, slechts mijn
snipperuren kon besteden, die vooral \'in den laatsten tijd „few
and far between", weinige en met groote tusschenpozen, zijn.
Vinde dit boekske in ons vaderland en onder de Hollandsche
lezers in Zuid-Afrika een even goed onthaal als het in Engelsche
taal mocht genieten, en drage het iets bij tot verlevendiging der
belangstelling van \'sHeeren volk in het werk der Zending. Zoo
zij het!
Rotterdam, 7 Mei 1888.                            F. LION CACHET.
-ocr page 15-
TIYO SOGA.
I.
AFKOMST EN EERSTE LEVENSJAREN.
Tito Soga werd geboren in hefc jaar 1829 nabij de Chumie-
rivier, in Kafferland, en was het zevende kind van Nosutu,
de „groote vrouw" van Soga, in de geschiedenis van Kaf-
fraria wel bekend als een der invloedrijkste raadslieden
van den Kafferkoning Gaika. Behalve Nosutu had de oude
Soga nog zeven wettige vrouwen, en in het geheel was hij
vader van negen en dertig kinderen. Zijn hooge rang onder
de Kaffers bracht mede, dat hij zooveel vrouwen had, en
het zou geheel beneden zijne waardigheid geweest zijn, slechts
ééne vrouw te hebben. Ook was het aantal vrouwen een be-
wijs van zijn rijkdom, want gelijk men onder ons, als de
bezittingen vermeerderen, eene buitenplaats koopt, of rijtuig
gaat houden, zoo koopt een Kaffer, naarmate hij rijker
wordt, meer vrouwen. Een man, die acht vrouwen heeft,
moet vermogend zijn.
Tiyo\'s vader was een groot en sterk gespierd man, met
vurige, doordringende oogen en met een gebiedende houding,
om zijn ambt als raadslid en opperhoofd meer waardigheid
bij te zetten. Schoon behoudend in de politiek, en sterk
1
-ocr page 16-
2
gekant tegen de invoering van nieuwe zeden, en van den
„nieuwen godsdienst," was hij toch de eerste, die een
ploeg van het Engelsche gouvernement aannam, en zijne
ossen heeft ingespannen, om het land te beploegen, in plaats
van het, op de gewone wijze, door zijne vrouwen met een
houten „pik" of spade te laten omspitten. Ook zal hij de
eerste Kaffer geweest zijn, die het voorbeeld der blanken
gevolgd heeft, om een stroom water uit te leiden tot be-
sproeiing zijner landerijen. Hij heeft in de Kaffer-oorlogen
van 1846—1852 den Engelschen de handen meer dan vol
gegeven, doch wordt toch door hen met zekere eer genoemd,
als een man, flie de meeste zijner mede-raadslieden verre over-
troffen heeft in doorzicht, ontwikkeling en rechtschapenheid.
Tiyo\'s moeder was uit den stam der Amantende, en behoorde
insgelijks tot de aanzienlijken haars volks. Zij was eene vrouw
van ernstigen. zachten aard. Na Tiyo\'s geboorte tot den Hei-
land geleid, en daarna van haar man, die als heiden gestorven
is, gescheiden, en door opvolgende oorlogen van plaats tot
plaats gedreven, heeft zij als een waardige Christinne, onder
vele moeielijkheden, haar weg bewandeld tot het einde. Vooral
moet zij ijverig geweest zijn in het gebed en teedere zorg
voov haar zoon, die, gelijk zij van zijn geboorte af, als bij
ingeving, verstaan heeft, tot groote dingen in het koninkrijk
Gods geroepen was.
De datum van Tiyo\'s geboorte is onbekend, doch is hij,
gelijk zijne moeder hem heeft medegedeeld, geboren „in
het jaar, toen Maqomo uit de streek van Kat-rivier verdreven
werd," dan zag hij in 1829 het levenslicht. Zijne moeder
gaf hem den naam Zisani („wat brengt gij?"), doch zijn
vader noemde hem, naar een Galeka-opperhoofd en krijgs-
-ocr page 17-
3
man, Tiyo. In ieder geval een profetische naam, met betrek-
king tot de roeping, die hij onder zjjn volk zou hebben te
vervullen.
Van Tiyo\'s eerste levensjaren is ons weinig bekend, en
wij kunnen ons slechts voorstellen hoe hij, als elke andere
Kaffer-jongen, nabij zijns vaders kraal of dorp is opgegroeid.
Zulk een kraal bestaat uit een aantal hutten van riet, in
den vorm van een bijenkorf gebouwd, en met stroo of ge-
droogd gras gedekt, die een halven cirkel beslaan rondom
de vee-kraal, waarin de koeien gemolken en \'s nachts opge-
sloten worden. De deuren der hutten zijn slechts lage ope-
ningen, waardoor men op handen en voeten naar binnen of
buiten kruipt, en zijn altijd naar de vee-kraal gekeerd. De
gebruikelijke bouworde onder de Kaffers is cirkelvormig,
„omdat bijna alles in de natuur rond is."
Ieder der vrouwen van een Kaffer heeft haar eigen hut of
„stroohuis" in zulk een kraal, en haar eigen huishouding,
terwijl de man, op de rij af, bij een zijner vrouwen woont.
Wee hem, als hij zou trachten, de eene vrouw boven de andere
te trekken, of langer bij de eene vrouw te verwijlen dan bij
de andere. Geen vrouw mag, behalve onder zeer bijzondere
omstandigheden, in de vee-kraal komen. Ook eet zij afzon-
derlijk in hare hut en nooit tegelijk met den man. De Kaffer
koopt zijne vrouw, d. i. betaalt een bruidschat voor haar,
doch zij is geen slavin. Eerder staat de man eenigszins onder
zijne vrouwen. Heeft hij een harer wat hard aangesproken,
of een ietwat gevoelige kastijding toegediend, dan kan hij
er bjjna zeker van zijn, dat zij haar „slaapmat" oprolt, haar
jongste kind op den rug neemt en naar haar eigen kraal
terugkeert, om in het oor van haren vader, of van haar naas-
-ocr page 18-
4
ten bloedverwant, zoo de vader gestorven is, hare grieven uit
te storten. Straks komt de man dan zijne vrouw halen, doch
krijgt haar niet terug, zonder den vader of broeder, die zich
in den persoon van dochter of zuster beleedigd achten,
een of meer ossen, bij wijze van schadevergoeding, betaald
te hebben. Het gevolg is dat de man zijne vrouwen zooveel
mogelijk haar gang laat gaan.
De eerste vrouw is gewoonlijk, doch niet altijd, inkosi-
kazi, of „groote vrouw," en het wordt vóór het sluiten van
het huwelijk uitdrukkelijk bedongen, welken rang de aanstaande
in de kraal van haar echtgenoot zal innemen. Doch een man
kan zijne vrouw, zoo zij misdoet, in rang verminderen, en haar
een of meer nummers achteruit zetten. De „groote vrouw" is
Sara onder de Hagars, en de anderen hebben haar de schul-
dige eer te bewijzen. Haar koopprijs wordt gewoonlijk door
den vader, en soms door de geheele familie van den man be-
taald, en de „ groote vrouw" van een kapitein of opperhoofd
is inkosikazi van den geheelen stam. De oudste zoon der
, groote vrouw" bezit het eerstgeboorterecht, en telkenmale
als de man zich een nieuwe vrouw koopt worden er eenige
koeien afgezonderd, ten behoeve van het „groote huis", der
eerste vrouw. Vooral met het oog op de verdeeling van den
arbeid ziet de Kaffervrouw het niet ongaarne, dat haar man
er nog een of meer vrouwen bijneemt.
De man, het hoofd van de kraal, brengt den dag door
met eten, bierdrinken, dagga (kaffertabak) rooken, in de
zon liggen en slapen. De eentonigheid van dit leven wordt
soms afgewisseld door het bezoek van eenige vrienden, die
met hem eten, bierdrinken, dagga rooken, in de zon liggen
of slapen, of met wie hij het laatste proces, de jongste
-ocr page 19-
5
raadszitting, of het nieuws van den dag bespreekt. Soms
gaat hij zijn koning of hoofdman begroeten, en wordt hij
door dezen bezocht, of woont hij eene raadsvergadering ot
bruiloft bij, of wel is hij genoodigd op een bierpartij, om
een vetten os te helpen opeten, of wel ter bijwoning van
den hoogst onzedelijken intonjane-dans. Over het algemeen
neemt de man het leven van de gemakkelijkste zijde, en laat
hij den arbeid aan zijne vrouwen over.
Deze doen dan ook al het werk; zij halen water, kloven
hout, of verzamelen drogen mest als brandstof, repareeren
de woningen of bouwen nieuwe hutten, spitten, zaaien en
oogsten, bereiden den maaltijd en zorgen voor de kleintjes.
Gelukkig dat het huis spoedig „aankant" is, dat er geen
meubelen zijn om op te wrijven of tapijten te schuieren, en
het keukengereedschap niet geschuurd behoeft te worden. Hoe
zou de Kaffervrouw anders ook door haar werk komen!
De Kaffer-kinderen groeien zonder veel zorg op, als ware
kinderen der natuur. Worden de meisjes wat grooter dan
helpen zij hare moeders in het huishouden of op het veld,
terwijl de jongens de kalveren en bokken moeten oppassen,
en de oudere jongens, met een schapenvel om de schouders,
en vederen van vogels in het wollige haar, het groote vee
verzorgen. De trots en vreugde van het hoofd der familie
is, \'s avonds, als de koeien naar de kraal komen, om gemol-
ken en voor den nacht bezorgd te worden, bij de vee-kraal
te staan en zijn rijkdom gade te slaan. Onder de knapen
heeft hij gewoonlijk zijn Joseph, die hem als boodschaplooper
dient, en daarvoor, als hij-zelf, bij de kraal, zijn maal ge-
bruikt een extra beetje ontvangt boven de andere jongens,
die met hem op eenigen afstand neergehurkt, het voedsel
opvangen, dat hun wordt toegeworpen.
-ocr page 20-
6
De Kaffers, die over het geheel zeer bijgeloovig zijn, heb-
ben wonderlijke praktijken bij de geboorte van een kind. De
pasgeborene wordt eerst gewasschen in een aftreksel van de
bladeren eener geneeskrachtige plant, en vervolgens over een
vuurtje van takjes en bladeren van een bijzonderen boom l) heen
en weder bewogen, tot het kind geheel droog en half in den
rook gestikt is. Daarna wordt de kleine met kleiaarde, of
met een zalf van fijn gewreven slakken en gemalen boomschors
ingesmeerd. Voordat de moeder dan tot haar gewonen arbeid
terugkeert, wordt er een os geslacht en, aan stukken gesne-
den, in de hut gebracht, waar het kind geboren is. De
geesten der voorvaderen onderzoeken nu, naar het heet, den
geslachten os, en zoo zij geen reden van aanmerking vinden,
wordt de offerande door hen aangenomen. Den volgenden
dag komen de buren en vrienden om het vleesch te eten, —
met uitzondering van de heup, welke het eigendom wordt
van den priester, die der moeder, vóór de geboorte van het
kind, de gebruikelijke medicijnen heeft toegediend, en nu de
plechtigheden verricht. De vrouwen der kraal nuttigen niets
van den os, wiens schedel gehecht wordt aan de deur der
hut, waar het kind geboren is. Na het feest, worden de been-
deren, groot en klein, mét de ingewanden en het vet, binnen
de beesten-kraal, op een vuur van nieshout verbrand, om de
reukzenuwen der voorouders te streelen. Is nu alles volgens
de voorschriften van den priester verricht, dan verwacht de
moeder dat haar kind gezond en sterk zal zijn, en is hoogst
verwonderd, indien de kleine tenger of ziekelijk is. Het ge-
\') Clausen» inequalis
Myaria inequalis Prese.
(Myaria), in de Flora Capensis bekend als
-ocr page 21-
7
neesmiddel is dan altijd weer het offeren van een os. Ook
gedoopte Kaffers hechten aan dat inwrijven met vet, en het
berooken van het kind, soms nog een bijgeloovige waarde.
In zulk een kraal en onder zulke omstandigheden werd
Tiyo geboren, en daar zijne moeder toen nog heidin was,
werd ook hij gewasschen, berookt en met vet ingewreven,
om de geesten der voorvaderen tevreden te stellen. Als
andere Kafferkinderen groeide hij op, te midden van heiden-
sche onkunde, bijgeloof, barbaarschheid en grove zinnelijk-
heid, zonder eenige aanwijzing, dat het licht der waarheid ooit
in zijne ziel, met zaligmakende kracht zou opgaan, en dat
hem de hooge eer was weggelegd, de eerste geordende pre-
diker des Woords uit de Kaffers te worden. Dit scheen ook,
naar den mensch, geheel onmogelijk. Doch Hij, die hem ge-
ordineerd had tot de zaligheid en tot zijnen dienst, had ook
de middelen en wegen bepaald, door en langs welke het licht
in die duistere ziel zou opgaan, en de heidensche Kafferjongen
een prediker des Evangelies worden zou.
II.
MET DE ZENDING IN AANRAKING GEBRACHT.
Niet ver van Soga\'s kraal werd, ongeveer negen jaren
vóór de geboorte van Tiyo, eene zending-statie gesticht door
den waardigen John Brownlee, van het Londensche Zending-
genootschap. De eerste zendeling in Kafferland, onze land-
genoot Dr. Van der Kemp, die zich in 1790, met toestem-
-ocr page 22-
8
ming van Gaika, den Kaffer-koning, onder diens volk vestigde,
had reeds in 1800 zijn arbeidsveld weer moeten verlaten en
was naar de Kaapkolonie teruggekeerd. In 1816 zette Joseph
Williams zich, met vrouw en kind, neder aan de Kat-rivier
als zendeling onder de Kaffers, doch hij overleed reeds in 1821.
Gaika, misschien nog onder den indruk van hetgeen hij van
Van dek Kemp gehoord en gezien had, en verder ajmgetrok^
ken door de goede verdiensten van Williams, wendde zich
in 1818—19 tot het Engelsche gouvernement aan de Kaap,
om meer zendelingen, „die de kinderen zijns volks zouden
onderwijzen en tegelijk de tusschenpersonen zijn, door welke
hij met het gouvernement en de Kolonie zou correspon-
deeren." Dit viel geheel in den geest der regeering, die
overigens geen zendelingen of andere blanken onder de Kaf-
fers begeerde gevestigd te zien. Brownlee was toen in dienst
van het Londensche Zendinggenootschap, doch toen het
gouvernement hem de aanbieding deed, om in Kafferland
te gaan arbeiden, zag hij daarin eene vingerwijzing Gods, dat
Kafferland weer voor het Evangelie zou worden opengesteld,
en nam hij de benoeming aan, waardoor zijne betrekking tot
het Londensche Genootschap werd opgeheven. Hij begaf zich
daarop naar Kafferland en reisde eenigen tijd rond, om een
geschikte plaats te vinden voor zijne statie. Ten laatste ves-
tigde hij zich aan den Mquali-stroom, waar deze zich met
den Chumie vereenigt. Een schooner, beter gelegen streek
voor zijn zendingpost, had Brownlee in gansch Kafferland
bezwaarlijk kunnen vinden.
Over het algemeen munt Britsch-Kafferland niet uit door
natuurschoon, doch de Chumie-streek overtreft alles, wat men
zich van prachtige natuurtooneelen in Zuid-Afrika kan voor-
-ocr page 23-
9
stellen. Hooge, met dichte bosschen bedekte, gebergten;
kristalheldere waterstroomen, nu eens van rots tot rots in
woeste vaart nederstortende, dan weer als een breed, zil-
veren lint tusschen het dichte geboomte zich kronkelende,
of, bijna ongemerkt, de heerlijkste landouwen doorsnijdende;
groene heuvelen, met wild van elke soort als overdekt, en
vlakke velden, de schoonste weiden opleverende voor groot en
klein vee. Onder het lommer der eeuwen-oude hoornen, in
de bosschen langs de bergen, woont de tijger en ander
roofgedierte, terwijl de vreemdsoortigste vogels, van zonsop-
gang tot in den laten avond, hun zang laten hooren. Won-
derlijk, aandoenlijk schoon vooral wordt deze streek, als, tegen
den avond, de bergen en bosschen, door de zich buigende
stralen der zon beschenen, ieder oogenblik van kleur schij-
nen te verwisselen, en de rotspunten, die hier en daar door het
geboomte uitsteken, de meest fantastische vormen schijnen aan
te nemen. Voorts was het land een veertig jaren geleden nog
als met Kaffer-kraaien overdekt, die, wat schuld en zonde
daar binnen ook gehuisvest moge zijn, de tooverachtige
schoonheid van zulk een landschap slechts verhoogen. Voor
een hartstochtelijk botanist als Bkownlee was, moest zulk eene
streek bijzondere aantrekkelijkheid hebben, en het is niet
onwaarschijnlijk dat, gelijk Van Riebeek\'s liefde voor de
kruidkunde dienstbaar gemaakt werd aan de vestiging der
Kaapkolonie, Bkownlee door een zelfde voorliefde geleid
werd, om zich in de Chumie-streek te vestigen.
De plaats, waar Bbownlee zich wilde nederzetten, behoorde
tot het district, waarover de oude Soga het bestuur voerde,
en gevolgelijk droeg koning Gaika aan hem op, om den
zendeling in alles behulpzaam te zijn, bij het aanleggen der
-ocr page 24-
10
statie, en om diens werk te bevorderen. Dit bracht, terstond
reeds, het huisgezin van Soga in betrekking met de zending.
Tegen het einde van 1821 kwamen de zendelingen Thomson
en Bennie, van het Glasgowsche Genootschap, zich, met eene
aanstelling van het Engelsche gouvernement, bij Bbownlee
voegen, en wat later nog de zendeling John Ross, die pas
een academischen graad behaald had. In 1823 deed Bbownlee,
om redenen van gezondheid, eene reis naar de Kaapkolonie,
bezocht bij die gelegenheid de bloedverwanten zijner vrouw —
eene Hollandsche-Afrikaansche, de Jager geheeten, te Swel-
lendam, en reisde vervolgens naar de Kaapstad. Daar zijnde,
ontmoette hij Dr. Philip, den bekenden superintendent van
het Londensche Genootschap, in Zuid-Afrika, tengevolge
waarvan hij zijne betrekkingen met genoemd Genootschap
hervatte en, naar Kafferland teruggekeerd, een andere
statie stichtte nabij de Buffalo-rivier, — het tegenwoordige
King Williams Town.
Het zendingswerk aan den Chumie droeg aanvankelijk
goede vrucht. Williams, die in het begin van 1821 de ruste
was ingegaan, had den Kaffers, onder welke hij arbeidde,
geraden, om na zijn verscheiden naar de Chumie-statie te
trekken. Dit geschiedde ook, en zoo kwamen er velen onder
het gehoor van het Woord, en op de school aldaar, die
reeds min of meer met het Evangelie in aanraking gebracht
waren. In 1827 kwam de zendeling W. Chalmers, insgelijks
door het Glasgowsche Comité uitgezonden, in Kafferland, om
het werk aan den Chumie over te nemen van de andere
zendelingen, die nieuwe statiën in de nabijheid zouden gaan
stichten. En het was onder de bediening van Chalmeks dat
Tiïo voor het eerst ter schole kwam.
-ocr page 25-
11
Er waren namelijk, in verband met de Chuinie-statie, vier
scholen opgericht, die, naar de leeraren van drie gemeenten
in Schotland, en één koopman te Glasgow, welke ieder £ 10
jaarlijks bijdroegen, voor het onderhoud van één onderwij-
zer dier scholen, de Büknetts-, Swanstons-, Mitchells- en
Struthers-scIiooI genoemd werden. Laatstgenoemde school
werd gehouden in het Kafferdorp van den ouden Soga, en
door diens „grooten zoon" en opvolger, Festiri. Deze Festiki
was meer dan eens naar de Chumie-school gegaan, in plaats
van het vee zijns vaders te bewaken, gelijk hem bevolen
was. Dit bezorgde hem dan gewoonlijk een degelijke tuch-
tiging van den ouden Soga; doch toen het bleek dat slagen
noch verwijten hem uit de school konden houden, stemde
Soga er eindelijk in toe, hem geregeld naar de school te
laten gaan, om onderwijs te ontvangen. Toen Festiri einde-
lijk had leeren lezen, bouwde hij, met behulp zijner moeder,
eene hut in de kraal zijns vaders, en onderwees hij, twee jaren
lang, zonder eenige geldelijke belooning, de kinderen dier
kraal en van de naburige kralen. Onder zijne leerlingen be-
vond zich ook zijn jongere broeder Tiyo, die langs dezen
weg het eerste onderricht ontvangen mocht. Wat later werd
Festiri onderwijzer in de school op de statie, en toen Tiyo
en twee zijner jongere broeders eenigszins gevorderd waren
in het lezen, mochten zij die school bezoeken. Dag aan
dag kon men nu de drie jonge Kaffers, met slechts een ka-
ros van schapenvel over de naakte schouders, in regen
en zonneschijn, van de kraal naar de Chumie-school zien
gaan, om het eenvoudig onderwijs te genieten. Reeds toen
was er iets in Tiyo, dat onwillekeurig, maar onweder-
staanbaar, aantrok. Tenger, fijn gebouwd, met een open ge-
laat, overvloeiende van goedhartigheid, volhardend schoon
-ocr page 26-
12
niet vlug in het leeren, gehoorzaam en dienstvaardig, stal
hij aller hart, en niet het minst dat van den waardigen Chal-
mers en diens echtgenoote. „Zulk een knaap moest, indien
eenigszins mogelijk, uit de verderfelijke heidensche omgeving
genomen worden, voordat deze een blijvenden indruk op hem
gemaakt kon hebben, en in een Christelijk huisgezin wor-
den geplaatst," meende Chalmers, die daarop ook aan
Tivo\'s moeder den voorslag deed, om den jongen geheel
in zijn huis te nemen en hem op te voeden. Voor eenige
kleine huisdiensten, die van Tiyo gevergd zouden worden,
zou hij dan de noodigste kleedingstukken ontvangen. Nosutu,
Tiyo\'s moeder, die intusschen, op belijdenis van haar geloof
in den Heiland, gedoopt, en in de Christelijke gemeente was
opgenomen, en nu van haar man gescheiden leefde, schoon
zij in zijn kraal bleef wonen, stemde hierin van harte toe,
en zoo kwam Tiyo in het huis des zendelings, eer zijn ont-
vankelijk gemoed geheel besmet was, door de afschuwelijke
praktijken des heidendoms. Duidelijk is hierin het Godsbe-
stuur te erkennen.
Ongeveer acht mijlen van den Chumie-statie was een andere
statie gesticht, Lovedale geheeten, met eene kweekschool
voor inlanders en anderen, onder de zorg van den zendeling
William Govan. Die kweekschool is later een der voor-
naamste opvoedingsgestichten in Zuid-Afrika geworden, doch
had in den beginne met bijzondere moeielijkheden te kam-
pen. Schoon het zendingwerk te Lovedale van de Vrije
Schotsche kerk uitging, had Govan bepaald, dat ook jonge
Kaffers van statiën tot andere kerken behoorende, op de
kweekschool konden worden opgenomen, tegen betaling van
£ 12 per jaar, alles ingesloten. Weinigen maakten hiervan
-ocr page 27-
13
echter gebruik, en daar Lovedale zelf geen voldoend getal
scholieren kon opleveren, werd Govan zeer ontmoedigd. In
1844 deed hij, om leerlingen te krijgen, aan zijne mede-
arbeiders het voorstel, om twee scholieren van andere statiën
zonder betaling op te nemen. De Broeders stemden hierin
toe, en nu werden er uitnoodigingen gezonden aan de zen-
delingen der Vereenigde Presbyteriaansche (TL P.) Kerk en
van het Londensche Genootschap, om van hunne beste
kweekelingen op een bepaalden dag naar Lovedale te zen-
den tot een vergelijkend examen. Dit voorstel werd met
blijdschap begroet, vooral door Chalmers, die zeer begeerde
dat Tiïo op de kweekschool geplaatst zou worden. Tiyo was
echter niet de meestge vorder de zijner scholieren, schoon hij
door zijn gedrag boven anderen uitmuntte. Om allen schijn
van partijdigheid te vermijden, besloot Chalmers, om ook zijne
keuze van een vergelijkend examen der scholieren te laten
afhangen. Op dit examen werd o. a. de vraag gedaan:
„Welk is het grootste werk van God?" „De schepping"
was het algemeene antwoord. „De redding van den mensch,
want dat openbaart Gods liefde," zeide Tiïo. — „Mooi zoo,
mooi zoo, Tiyo", riep de zendeling uit, verheugd dat zijn
liefste kweekeling dus bewijs gaf, dat hij over de waarheid
nadacht. Tiyo werd nu gekozen benevens een anderen jongen
Kaffer, Ngxohboti genaamd, die in kennis verre boven hem
uitmuntte, om naar Lovedale te gaan, en aan het vergelij-
kend examen, daar, deel te nemen.
Dit examen had plaats in Juli 1844, doch het werd al
spoedig duidelijk dat Tiyo niet zou slagen. Behalve Ngxom-
boti, was er een bijzonder knappe jonge Kaffer, door den
zendeling Calderwood gezonden, met wien Tiyo in geen ge-
-ocr page 28-
14
val kon wedijveren. Daarbij geraakte hij spoedig geheel in
de war met een aftreksom, welke hem allen moed scheen
benomen te hebben. Een der zendelingen, James Laing, met
zijn droef gelaat bewogen, wilde hem terechthelpen, en
fluisterde hem in: „Neem de onderste cijfers weg van de
bovenste." Tiyo\'s gelaat helderde op; in een oogenblik had
hij zijn duim aan den mond gebracht, en daarop, met een
enkele veeg, de onderste cijfers voor goed van de lei ver-
wijderd. Zijn aftreksom was nu „klaar", doch daarmede ook
zijn lot, voor zoover het van dit examen zou afhangen, be-
slist; de beide anderen werden gekozen en Tiyo moest, vol
schaamte, naar de Chumie-statie terugkeeren.J)
Niet echter om daar weer school te gaan. Chalhers, ten
volle overtuigd dat er van Tiyo, onder de noodige leiding,
iets te maken was, gaf de zaak niet op, en wist te bewerken
dat zijn kweekeling toch tot de kweekschool werd toegelaten.
En van dat oogenblik af heeft de edele Govan de zorg voor
Tiyo, van den niet minder edelen Chalmers, overgenomen, en
voor den jongeling gezorgd als een vader, voor zijn eenigen zoon.
\'J Het is opmerkelijk, dat de beide jonge Kaffers, die op het examen
de voorkeur hadden boven Tiïo, en tot de kweekschool werden toegelaten,
in hun verdere loopbaan schipbreuk hebben geleden. De een, leugenachtig
en diefachtig van aard, gaf zich, na eenige jaren op de kweekschool te
hebben doorgebracht, aan een leven van schande en misdaad over. De
andere, van Caldebwoods statie, een jongeling met schitterende talenten,
verbond zich met losbandige blanken en zonk in een poel van ellende,
waaruit hij, als een verloren maar wedergevonden zoon. slechts kort voor
zijn dood nog werd opgericht. Tiyo daarentegen, van wien de examina-
toren in het geheel geen verwachting hadden, werd een licht onder zijn
volk.
-ocr page 29-
15
Tiyo zag zich nu in een gansch andere omgeving geplaatst,
en in een kring, waar hij wel vriendelijk werd opgenomen,
doch een vreemdeling was en langen tijd blijven moest. Hij
miste het vriendelijke, achthoekige kerkje en de welbebouwde
statie, in het schoonste gedeelte van Kafferland; zijne vrien-
den en betrekkingen; de jongens, met welke hij had school
gegaan, en niet het minst een aantal personen, die hem
op de Chumie-statie, zoo langen tijd een open studie-boek
geweest waren. Oude Jamba bijv., de koster, die Zaterdags
op zijn paard „Duizendpoot", naar de omliggende kralen
reed, om den Kaffers te herinneren, dat het „morgen rust-
dag" was, en hen op te wekken naar de kerk te komen; die,
Zondags, harder, hartelijker en slechter zong dan iemand
anders, en die zoo „leerstellig" bidden kon. Of Edwakd Irving,
groot van postuur, zooals zijn grooten naamgenoot, met een
lang, plechtig gelaat, die, gekleed in een oud, zwart lakensch
pak, met een langen stok door de kerk liep, om de slapen-
den wakker te maken en de jongens rustig te houden. Voorts:
Mgata, de slaper, die nauwelijks in de kerk gezeten reeds
sliep, en dan zóó hard snorkte, dat de jongens in lachen uit-
barstten, en hij zelf ten slotte uit de kerk gezet moest wor-
den; oude Umbi, de jager, met een gezicht als een aap en het
hoofd en de schouders vol litteekens van wonden, door een
tijger veroorzaakt, doch een voorbidder in de gemeente, en die
nimmer naliet, een zegen te vragen „over de eerwaarde man-
nen in Schotland, die zendelingen gezonden hadden om de
Kaffers met het Evangelie bekend te maken"; Tamo, de honig-
vinder, die, op het gefluit van het honigvogeltje, altijd de
rijkste honignesten wist te vinden; Lege, de melaatsche, die,
schoon zij reeds een paar vingers aan de vreeselij ke ziekte
had verloren, en in haar gelaat de teekens van vroegere me-
-ocr page 30-
10
laatschheid droeg, door het gebruik van wolvenvet zou ge-
nezen zijn; Dukwana, de drukker, die met een kleine pers de
schoolboeken en een kleine courant, de Morgenster, drukte,
en deswegens als een orakel beschouwd werd; Nolatsho, de
maanzieke, die, als de maan vol werd, uren lang, voor de
deur van haar hut, een luid gesprek met de sterren hield;
oude Fakella, de kreupele, die op handen en voeten naar
de kerk kwam kruipen en haar vaste plaats had op de trap-
pen van den preekstoel, en Sufura, de blinde, doch op wiens
opgeruimd, blijmoedig gelaat geen spoor van droefgeestigheid
was te ontdekken. Eindelijk, Tyali, de hoofdman, die met
zijne Kaffers ter kerk kwam, opgeschikt als voor een heiden-
sche danspartij, en die meer met den zendeling ophad, dan
met het Evangelie, dat deze preekte. "Van al deze bekende
personen en toestanden gescheiden, had Tiyo, in het begin
van zijn verblijf te Lovedale, een harden strijd te strijden om
niet naar de Chumie terug te keeren. Doch zijne begeerte om
onderwezen te worden was te groot, en hij zette zich met
moed aan de moeielijke taak, die hij voor zich gesteld zag.
En dit met het beste gevolg. Aanvankelijk de laagste van
zijn klas, had hij in betrekkelijk korten tijd zijn vorigen
mededinger, Ngxomboti, ingehaald, en was hij spoedig de eerste
in alle klassen, rekenen uitgezonderd. Intusschen rees er
over Kafferland eene wolk als eens mans hand, doch die
zich eerlang als een orkaan zou ontlasten, en ook aan alle
studie te Lovedale voor langen tijd een einde zou maken.
-ocr page 31-
17
III.
NAAR SCHOTLAND GELEID.
Reeds sedert langen tijd had er tusschen de Kaffers en de
blanke grensbewoners der Kaapkolonie, slechts een schijn van
vrede bestaan. De Kaffers, die slechts door den nood gedwon-
gen de grenslijn, door het Engelsche gouvernement vastgesteld,
hadden erkend, deden herhaalde invallen in de Kaapkolonie, om
vee te rooven en verwoesting aan te richten. De grensboeren
zagen zich hierdoor genoodzaakt, steeds gewapend tegenover de
Kaffers te staan, en gevoelden zich geen oogenblik veilig. Wel
waren er sommige Kafferstammen, die in vrede met de
blanken wilden leven, doch de meeste Kaffers begeerden
oorlog, in de vaste overtuiging dat zij „den Engelschman
spoedig in de zee zouden kunnen drijven."
Eindelijk kwam het tot een openlijke vredebreuk. Een
Kaffer, van den Tola-stam, stal eene bijl uit een winkel te Fort-
Beaufort. Dit werd aangegeven, en de schuldige daarop naar
Grrahamstown gezonden, om terecht te staan. Dit geschiedde
krachtens eene overeenkomst tusschen het Engelsche gouver-
nement en de Kaffers, dat overtreders behandeld en gestraft
zouden worden in en volgens de wetten van het land,
waar de misdaad begaan was; doch de Kaffers meenden, dat
zulk een geringe diefstal als van eene bijl, niet voor het ge-
rechtshof te Grahamstown behoefde gebracht te worden, maar
op de plaats zelve kon worden geboet. Moqomo, het groot
opperhoofd der Gaika\'s, deed dan ook alle moeite, om den
schuldigen Kaffer met eene boete of andere lichte straf vrij
te krijgen, doch tevergeefs. In toorn ontstoken besloten de
2
-ocr page 32-
18
vrienden van den gevangene toen, hem met geweld te be-
vrijden, als hij naar Grahamstown zou worden overgebracht.
Dit geschiedde; nabij Grahamstown werd het gewapend escorte,
uit vier Hottentotten bestaande, door de Kaffers overvallen;
een anderen gevangene, aan wien de Kaffer geketend was,
werd, daar men zich geen tijd gunde om de boeien los te
maken, kortweg den arm afgesneden, en in het gevecht, dat
ontstond, werd de broeder van den bijldief doodgeschoten. De
Kaffers haastten zich daarop met hun bevrijdden landgenoot
terug over de grenzen, en daar de opperhoofden straks beslist
weigerden dezen of iemand, die aan den overval had
deelgenomen, op eisch van den Luitenant-Gouverneur uit te
leveren, werd hun den oorlog verklaard. Deze oorlog is in
de geschiedenis der Kolonie bekend als: de Oorlog van
den Bul.
In den bloedigen strijd, die nu volgde, werden de zending-
statiën in Kafferland nu eens door Kaffers, en dan weer door
Kolonisten of troepen bezet, waardoor alle zendingsarbeid
tijdelijk gestaakt moest worden. De Chumie-statie werd geheel
verwoest, en het werk aldaar is niet hervat. Ook de kweek-
school te Lovedale moest worden gesloten, en Govan begaf
zich, met Tiyo, naar de Katrivier, waar ook andere zende-
lingen, binnen Fort Armstrong, eene schuilplaats hadden ge-
zocht. Onder de vluchtelingen, die zich tot meerdere veiligheid
naar de Kat-rivier hadden begeven, bevond zich ook Tiyo\'s
moeder, zoodat moeder en zoon nu weer vereenigd waren.
En hier, terwijl de oorlogstoorts over geheel Kafferland was
ontstoken, vond Tiïo nog tijd en lust, om zijne studiën voort
te zetten. Te arm om eene kaars te koopen, verzamelde
Nosutu, overdag, genoeg splinters hout in het bosch, om \'s avonds
-ocr page 33-
19
in het midden harer hut, een helder vuur te hehben, hij
welks licht haar zoon kon lezen en leeren. Eerlang besloot
Govan naar Schotland terug te keeren, en zeer begeerig dat
Tiyo\'s opvoeding zou worden voortgezet, deed hij aan de
andere zendelingen het voorstel, dat zijn jonge, ijverige
kweekeling hem naar Schotland zou vergezellen. Dezen vonden
dit uitnemend; doch nu moest de toestemming van Nosutu
worden verkregen. Zwaar zou het haar moeten vallen, ge-
scheiden als zij was van haar man, die in den oorlog tegen
de Engelschen streed, en innig verkleefd aan Tiyo als haar
liefsten zoon, om dezen, en dat onder de bestaande omstan-
digheden, van zich te laten gaan: over den grooten, geheim-
zinnigen Oceaan, naar een vergelegen land, misschien, ja
hoogstwaarschijnlijk, om hem op aarde nimmer weer te
ontmoeten. Doch de godvruchtige, diepbeproefde Kaffervrouw,
die met zooveel zorg gewaakt had over haar zoon, en zijne
studiën had gadegeslagen met een biddend hart, dat hij een
werktuig ten goede mocht worden voor zijn land en volk,
was bereid om het offer, dat haar gevraagd werd, te brengen.
„Mijn zoon is Gods eigendom", zeide zij, „waarheen hij gaat,
God gaat met hem. Hij behoort ook aan Gods dienstknech-
ten, en waarheen zij leiden moet hij volgen. Indien mijn
zoon wil gaan dan zal ik geen bezwaren opwerpen; geen
kwaad kan hem genaken, zelfs over de zee; hij is daar zoo
goed in Gods hoede als dicht bij mij."
Tiïo zelf was zeer gewillig om naar Schotland te gaan, en
zijne „uitrusting", die slechts uit de onmisbaarste kleeding-
stukken behoefde te bestaan, was spoedig gereed. Van zijne
moeder en zusters ontving Tiyo nog, als aandenken bij bet
afscheid, een paar gekleurde zakdoeken, en nu haastte hij
zich de wagens in te halen, waarbij Govan zich gevoegd had,
-ocr page 34-
20
en die reeds onder een sterk gewapend escorte naar Port-
Elizabeth, aan de Algoa-baai, vertrokken waren. Zonder on-
geval werd deze plaats eerlang bereikt, en in Juli 1846
scheep gaande, kwam Govan met zijn reisgezelschap, waartoe
ook de zonen van den zendeling Ross, Richard en Bryce, en
William Thompson, van de Kat-rivier, die in Schotland zouden
studeeren beho orden, in October behouden te Londen aan.
Na een kort oponthoud aldaar, werd de reis naar Schotland
voortgezet.
In zeker opzicht was het zeer gewaagd van Govan, om zijn
jongen Kaffer-kweekeling mede te nemen naar Schotland.
Wie zou Tiyo\'s reiskosten vergoeden; wie voor zijn onder-
houd in Schotland zorgen? En hoe licht kon Tnro, waar-
schij nlijk de eerste Kaffer, die Schotland bezocht, in verkeerde
handen geraken, zoodat het doel zijner overkomst geheel
zou mislukken. Aan den eenen kant was er gevaar, dat de
Kafferjongen zou worden medegesleept door den stroom
van ongerechtigheid, waarmede ook het Schotsche volksleven
bezoedeld is, en dreigt onder te gaan; en aan den anderen
kant stond het te vreezen, dat de belangstelling, die men
hem in godsdienstige kringen betoonen zou, hem opgebla-
zen zou maken en daardoor ongeschikt voor het werk,
waartoe hij bestemd was. Indien hieromtrent eenige vrees
bij Govan bestaan heeft, dan is die gelukkig niet bewaarheid
geworden. Wat het tijdelijke betreft, nam een vriend der
zending, John Henderson, van Park, Tiyo\'s reiskosten naar
Schotland, en voorloopig ook alle kosten voor diens verdere
opvoeding, voor zijne rekening. En de stoutste verwachtin-
gen, die men van Tiyo\'s opleiding in Schotland koesterde,
zijn zeker verre overtroffen.
-ocr page 35-
21
Govan werd bij zijne aankomst in Schotland, beroepen als
predikant bij de gemeente der Vrije Schotsdie kerk te
Inchinnan, en vestigde zich daar nog voor het einde des jaars.
Hij nam Tiyo met zich, en plaatste hem vooreerst op
de gewone lagere school in die plaats. Met goedvinden van
den heer Hendekson, zond hij hem echter reeds in het vol-
gende jaar naar de normaalschool der Vrije Schotsche kerk
te Glasgow, waar hij bleef tot in October 1848.
Schoon met het Evangelie wel bekend, en gansch niet
zonder goede indrukken, was Tiyo tot nu toe tot geen
recht schuldgevoel gekomen, en had hij dus ook geen Zalig-
maker voor zijn hart gevonden. Wonderlijk werd hij intus-
schen, temidden der verleidingen eener groote stad als
Glasgow, door den Heere bewaard voor openbare, grove
zonden en afwijkingen. De hand des Heeren was over hem
ten goede, en leidde hem ongemerkt langs wegen, die hij
niet gekend had, naar den voet van het Kruis. Mocht bij
een oppervlakkige vergelijking van zijn eigen leven, met
wat hij dagelijks op Glasgows straten te zien kreeg uit het
leven van duizende naamchristenen, die evenmin van Christus
wisten of zich om zijn Evangelie bekommerden als zijn
eigen, heidensche landgenooten in Kafferland, de schaal te zijnen
gunste overslaan, en hij daardoor eenigszins gevaar loopen uit te
roepen: „Ik, ongedoopte Kafferjongen, ben beter
dan die gedoopte Christenen," de Geest des fleeren
overtuigde hem van zijn geheele verdoemelijkheid voor God,
en hij leerde zich zelven kennen als een verloren zondaar.
Het zaad des Woords, in Kafferland in zijn hart gezaaid,
werd niet verstikt, maar ontkiemde en droeg eerlang heer-
lijke vrucht. Tiyo vond zijn Heiland, en begeerde nu ook
-ocr page 36-
22
door den doop in de gemeente des Heeren te worden opge-
nomen.
Schoon Christelijke vrienden uit de Vrije Schotsche kerk zich
zijner in den laatsten tijd hadden aangetrokken, kon Tito toch
niet als eene vrucht der Zending dier kerk worden aangemerkt,
maar behoorde hij, als zendingszegen en zendingsvrucht aan
de U. P.) *) of Vereenigde Presbyteriaansche kerk. Leden dier
kerk staken dan ook in Glasgow de hand naar hem uit, en
niet het minst de leeraar der gemeente in John-street, Dr.
W. Andersox. Door dezen leeraar werd hij eindelijk, na be-
lijdenis des geloofs te hebben afgelegd, den 7den Mei 1848
gedoopt, en dat met volkomen toestemming zijner vrienden
in de Vrije Schotsche kerk. Belangloozer gedrag dan dat
van Govan, tegenover Tiyo en diens vrienden in de U. P.-kerk,
aan wie hij hem met zooveel gratie heeft afgestaan, laat
zich nauwelijks denken.
Nog in hetzelfde jaar 1848 kreeg Tiyo een kerkelijke
aanstelling als catechiseermeester of hulpzendeling, onder
zijne landgenooten in Kafiferland. Hij zal toen ongeveer 19
jaren oud geweest zijn. Had hij in Schotland willen blijven,
dan zou hem daar ongetwijfeld een begeerlijke loopbaan
zijn geopend. Doch zijn hart trok naar Kafférland, naar
zijne bloedverwanten en landgenooten, die nog zaten in den
donkeren nacht van heidensch on- en bijgeloof. Dankbaar
voor de onschatbare voorrechten en zegeningen, die hem in
*) „U. P." staat voor: „United Presbyterian Ohurch" (Vereenigde Pres-
byteriaansche Kerk). In Schotland zegt men voor United Presbyterian
Church in den regel ,de U. P."
-ocr page 37-
23
Schotland ten deel gevallen waren, verlangde hij nu niets
liever, dan naar Kafferland terug te keeren, en dienstbaar te
zijn aan de verkondiging van het Evangelie onder zijn
eigen volk. Hadden de vrienden in Schotland kunnen voor-
zien, welk eene plaats Tiyo Soga later zou innemen op den
zendingsakker in Kafferland, dan zou men hem waarschijnlijk
niet zoo spoedig naar Afrika hebben laten terugkeeren, maar
er op hebben aangedrongen, dat hij eerst de noodige
opleiding zou ontvangen als leeraar. Doch zulke groote din-
gen werden zoo min door hen als door Tiyo beoogd, en men be-
schouwde het reeds als een buitengewone zaak, dat deze jonge
Kaffer-belijder, op de eenvoudigste wijze, als hulpzendeling on-
der zijn volk zou kunnen optreden. De hand des Heeren was
echter ook in al deze dingen, en eerst later zou het blijken,
dat Tiyo\'s eerste optreden, als catechiseermeester in Kaffer-
land, een onmisbare voorbereiding was tot zijn verdere
opleiding, als de eerste geordende zendbode uit de Kaffers,
en onder zijn volk.
Volgens besluit der synodale Zendingcommissie werd
Tiyo aan den zendeling G. Brown, die naar Kafferland ver-
trekken zou, toegevoegd, als tolk en catechiseermeester,
en verder, om onder diens opzicht onder de Kaffers werk-
zaam te zijn. In de officieele acte der synode, hierop be-
trekking hebbende, wordt Tiyo genoemd, een Christen-
inboorling, en wordt hij met den zendeling „Gode en
zijne genade aanbevolen, en verder in de achting en liefde
van allen, die den Heere Jezus liefhebben, in elke plaats."
In Tiyo\'s salaris, ten bedrage van £ 25 per jaar, zou door
het Kinder-zendinggenootschap der John-street gemeente
worden voorzien. Na een hartelijk afscheid van zijne vrien-
-ocr page 38-
24
den en van hunne gebeden vergezeld, verliet Tiyo Glasgow
eindelijk op den 24sten October 1848, en vier dagen later,
met den zendeling Brown, van Londen vertrekkende per bark-
schip „Jane," bereikten hij den 31sten Januari 1848, behouden
de Algoa-baai. Van Port-\'Elizabeth werd de reis onmiddellijk
naar de Chumie voortgezet, waar Brown en Tiyo tegen het
einde van Februari aankwamen, — laatstgenoemde na eene
afwezigheid van ongeveer drie jaren
IV.
ALS CATECHEET IN KAFFERLAND WERKZAAM.
Drie jaren___, doch hoeveel was er in dien korten tijd
met hem én op de Chumie-statie geschied. Als ongedoopte
Kafferjongen was hij, met zijn reisbundeltje in de hand,
voor drie jaren vertrokken, en als belijder van \'s Heeren
Naam, als geordend catecheet in dienst der kerk, onder
wier zorg hij zijn eerste opleiding genoten had, keerde hij
weder. Daarenboven rijk aan Christelijke ondervinding en
wereldkennis, boven geheel zijn geslacht en volk. De Chumie-
statie daarentegen, voorheen een lichtpunt in het verduisterde
Kafferland — een liefelijke, Christelijke oase in het midden
des heidendoms — was verwoest, en de gemeente ver-
strooid. Het fraaie kerkje was verbrand, de woningen der
zendelingen lagen in puin, en Chalmers, de zendeling, die
met zooveel ijver en trouw het Evangelie verkondigd had, was
gestorven. De Chumie-statie was in den jongsten oorlog het
mikpunt geweest, zoowel der Kaffers als van de troepen, en
bestond nog nu slechts in naam. Maar het zaad des Woords,
-ocr page 39-
25
dat daar gestrooid was, kon, Gode zij dank, ook door dien
vreeselijken oorlog niet verstikt worden en bleef voortleven
in de harten van velen, die onder de prediking van Brown-
lee en Chalmees gezeten hadden, en nu meestal woonden in
de kraaien nabij de Chumie en langs het Amatola-gebergte.
De zendeling John Cuhming had, na den oorlog, met vrucht
getracht, deze lieden op te zoeken en te verzamelen,
opdat het zendingswerk niet geheel zou verwoest worden.
De zendeling Brown moest dit werk voortzetten en steu-
nen, en zou hierin door Tiyo Soga geholpen worden. Ge-
durende zes maanden deed Tiyo nu dienst als catecheet,
evangelist en tolk. Vooral in deze laatste hoedanigheid was
zijn dienst van onschatbare waarde, daar hij, even vertrouwd
met het Engelsch als met zijne moedertaal, de prediking van
den zendeling op juiste en indrukwekkende wijze in de
Kaffertaai kon overbrengen. Als evangelist reisde hij van
kraal tot kraal, nabij de Chumie en soms te Iggibigha,
om het Woord te prediken door woord en daad. Zijn tekst
was steeds: Bekeert u. Met smart aanschouwde hij den
ellendigen toestand, waarin zijn volk verkeerde, geestelijk en
tijdelijk; de verwoesting door den oorlog aangericht; en
vooral dat de Kaffers, ouden en jongen, aan niets anders
schenen te denken dan om andermaal den strijd met de
Engelsche soldaten aan te gaan, en dezen in de zee te drij-
ven. Zijn hart bloedde over zijne betrekkingen en over zijn
volk. En daar hij voor hen, ook tijdelijk, alleen heil zag in
de hulpe Gods, gevoelde hij zich geroepen en gesterkt, hen
op te wekken, zich tot God te wenden, om redding en ver-
lossing uit tijdelijke en eeuwige ellende. Doordrongen van
Engelands macht, in vergelijking van die der Kaffers, en
-ocr page 40-
26
vreezende dat zijn volk in den kampstrijd met Engeland
zou moeten ondergaan, trachtte hij hen op God te wijzen,
en hen duidelijk te maken, dat van Hem alleen hulpe komen
kon, in den weg van bekeering en geloof in den Heere Jezus
Christus. En dit vooral opdat de Kaffers uit de geestelijke
slavernij mochten worden verlost, en voor Gods koninkrijk
gewonnen. „Bekeert u!" was dus zijn prediking aan oude
krijgers en jongelingen, wier hoogste eerzucht het scheen,
om zich weer met den vijand in doodelijken strijd te meten;
aan mannen en vrouwen, gansch verzonken in de gruwelijk-
heden des heidendoms; aan ouden en jongen; waar ook zijne
stem gehoord kon worden. En in zijn eigen persoon was hij
een levende prediking der waarheid, door hem verkondigd.
Vrijmoediglijk beleed hij wat hij geloofde, en hij beleefde
wat hij beleed.
Tiyo had zijne erfelijke rechten, en zijne plaats onder de
Kaffers als zoon van een hoofdman, verloren door zich te laten
doopen, en door in dienst der zending te treden werd hij,
in zekeren zin, als vreemdeling in het midden zijns volks
beschouwd. Dit alles kon hij zich echter, ter wille zijner
belijdenis en van zijn werk, gaarne getroosten. Voorts leidde hij
een onbesproken leven tegenover de ontucht, wraakgierig-
lieid, hebzucht en andere openbare zonden, waarin de Kaffers
om hem henen leefden. Tegenover het verwijt, dat hem ge-
daan werd, dat hij slechts predikte „omdat hij er voor be-
taald werd," kon hij zijn £ 25 (ƒ300) per jaar stellen, die het
volle bedrag uitmaakten van zijn salaris, en zeker niet vol-
doende waren, om in zijn onderhoud, hoe karig ook, te voorzien.
Als altijd vrijgevig van aard had hij de fraaie uitrusting,
hem door de vrienden bij zijn vertrek uit Schotland ge-
-ocr page 41-
27
schonken, al spoedig aan anderen uitgedeeld, en eenmaal
werd zijn broeder ploegende op het veld gevonden, met
Tiyo\'s beste zwart lakensche rok aan en niets anders.
Tiyo Soga\'s optreden onder zijn volk was in menig opzicht
gelijk aan dat der zendelingen, in de eerste eeuwen van het
Christendom, in Europa en Afrika.
Toch maakte zijne prediking weinig ot geen indruk op
zijne landgenooten. Hij was in hun oog een droomer, in-
dien niet erger. Terwijl zij broedden over de nederlaag,
die zij pas in den strijd met de blanken hadden geleden; over
het verlies van een deel van hun land, en over de inkrim-
ping der macht hunner opperhoofden; — terwijl zij slechts
op middelen peinsden, om zich op het Engelsche gouver-
nement te wreken, en de Engelsche troepen „in de zee te
drijven"; — terwijl zij elkander tot den krijg opwekten en van
strijd en overwinning wilden hooren, sprak deze Tiyo van
God, dien zij niet konden zien; van bekeering, die zij on-
noodig achtten; van straffen, waarmede zij spotten, en van
een hemel en zaligheid, die hen niet bekoorden. Verlossing
van de Engelschen, niet van de zonde, begeerden de Kaffers;
hun land terug, niet het paradijs Gods, waarvan Tiyo hen
sprak; en gevolgelijk leenden zij aan zijne prediking het
doove oor. Daarenboven was hij, naar de Kafferwet, nog
slechts een kind, en in de oogen der Kaffers een onmondige,
omdat hij zich niet had laten besnijden, — „den moed niet
gehad had om man te worden." Wie zou naar een „kind"
hooren!
Omstreeks dezen tijd werd door den zendeling Robeet Nivbn
een nieuwe statie aangelegd, aan de samenvloeiing der
Keiskama- en Gxulu-rivieren, in het hart van het Amatola-
-ocr page 42-
28
gebergte. Na zes maanden arbeids aan de Chumie, werd
Tiyo nu geplaatst op deze nieuwe statie, Uniondale, als
schoolmeester en evangelist. Tiyo bewoonde hier zijn eigen
huisje met zijne zuster Tausé, die pas gedoopt was, als
huishoudster. Aanvankelijk scheen de school onder Tiyo\'s
zorg te zullen bloeien, en kreeg hij een 70 scholieren.
Doch al spoedig bleven de kinderen uit de school, omdat
„Tiyo zelf nog een kind (onbesneden) was, en de ouders
vreesden, dat hunne kinderen zouden sterven zoo zij hen bij
zulk eenen ter schole lieten gaan." Zelfs wilde men Tiyo om
het leven brengen, omdat hij geen „man" geworden was of
worden wilde. Toen hierover met den ouden Soga gesproken
werd, antwoordde deze Kaffer vol ironie: „Och, al brengen zij
Tiyo om, dan heeft hij toch altijd het paradijs nog." Misschien
heeft hij ook wel gemeend, dat het niet tot uitersten komen
zou. Dat Tiyo zijn persoonlijke veiligheid zou koopen ten
koste van zijne gewetensovertuiging, verwachtte de oude
heiden niet, maar wel misschien, dat men ten slotte Tiyo
ongemoeid zou laten, zonder zich nochtans aan zijne predi-
king te storen.
Temidden van al deze moeielijkheden en dien tegenstand
ging Tiyo voort met bekeering te prediken aan zijn verduis-
terde landgenooten, en de kinderen te onderwijzen, die hij
in de school verzamelen kon. Ook begon hij om dezen
tijd de Christelijke gezangen te dichten, of over te brengen
in het Kaffersch, die later zijn opgenomen in het Kaffer-
gezangboek, en wel gebruikt zullen worden zoolang de
naam des Verlossers, in de Kaffertaai, zal worden gepre-
zen en aangeroepen. In het huis van den zendeling was
Tiyo altijd een welkome gast, en werd hij als een mede-
dienaar in het Evangelie ontvangen en behandeld. Zijn aange-
-ocr page 43-
29
boren en door genade geheiligde zedigheid en geringschat-
ting van zichzelven, maakte immer dat men onwillekeurig
tot hem zeide: „ Vriend ga hooger op," en dat hij voor de
verwaandheid bewaard bleef, waarin zoovelen, in een zelf-
den toestand als hij geplaatst, zoo lichtelijk vervallen. Zijne
studiën zette hij ook te Uniondale ijverig voort. Doch reeds
in 1850 werd zoowel die studie als geheel zijn arbeid in
Kafferland afgebroken, door een nieuwen oorlog, die lang
voorbereid, eindelijk als een stortvloed over Kafferland uit-
barstte. De Kaffers, die zich onder het Kruis niet wilden
buigen, zouden andermaal met het zwaard getuchtigd worden.
V.
MLANJENI.
Terwijl nu Tiyo\'s prediking tot bekeering als machteloos
in de ooren der Kaffers klonk, was er een ander jongeling
opgestaan, van gelijken ouderdom als Tiyo, Mlanjeni genaamd,
van den Ndlambi-stam, wiens woord geheel het land in beroe-
ring bracht. Tenger van gestalte en onderhevig aan vallende
ziekte, beweerde hij eene macht te bezitten, waarvoor alles
zwichten moest. Hij verkondigde, dat hij een vijand was
van alle tooverij, en dat, zoo iemand in zijne omgeving
kwam, die zich met tooverij had bezig gehouden of tooveren
kon, hij, Mlanjeni, dit terstond aan het licht bracht, en den
toovenaar levenslang met verlamming kon slaan. Daar de
Kaffers elke ziekte of ongeval aan tooverij toeschrijven, en
-ocr page 44-
30
het dikwijls veel moeite kostte om den toovenaar te ontdek-
ken, moest zulk een prediking wel ingang vinden.
Voor Mlanjeni\'s hut waren twee palen in den grond ge-
stoken, en ieder, die van tooverij verdacht werd, moest nu
tusschen die palen doorgaan. Was hij onschuldig, dan over-
kwam hem niets; doch was hij een „toovenaar", dan viel
Mlanjeni in zwijm, en bleef eenigen tijd roerloos liggen. Dit
was dan een teeken voor de angstvolle menigte, om op den
beschuldigde aan te vallen en hem, onder het geschreeuw van
„Bolowane", dat is: leugenaar, bedorven schepsel, uit te drij-
ven, of wel terstond te vermoorden.
De naam van Mlanjeni werd hierdoor over de lengte en
breedte van Kafferland bekend en gevreesd. Er werd van hem
verhaald dat hij zieken genas, blinden het gezicht kon geven,
stommen deed spreken en kreupelen kon doen wandelen;
dat hij „zijn pijp aanstak, niet met een kooltje vuur, maar
aan de zon", en dat hij in ieder opzicht met bovennatuur-
lijke kracht bedeeld was. Ten laatste stond hij openlijk op
als een 11 o 1 a, d. i. iemand, die strijders onkwetsbaar maken
kan in den krijg, en vooral op het slagveld. Daartoe moest
men tot hem komen en een rund of bok offeren, waarna hij
takjes van een zekere plant uitdeelde, die in den strijd om
den hals gedragen moesten worden. Daarbij kreeg iedere
krijger een stok, om met de assegaaien te worden samen-
gebonden, en die in den oorlog moest worden uitgestrekt
naar den vijand, onder aanroeping van Mlanjeni\'s naam.
Dan zou den vijanden de schrik om het hart slaan en de
zee zou hen verzwelgen.
Op bevel van Mlanjeni werden voorts alle roomkleurige
en donkerbruine runderen geslacht, en hunne beenderen ver-
brand, in de vee-kraaien, als een „liefelijk reukoffer aan de
-ocr page 45-
31
geesten der voorvaderen. Hierdoor zouden dezen ook opge-
wekt worden, om het volk tegen de blanken te helpen en
den Kaffers de overwinning te verzekeren. Bij duizenden
werden nu over geheel Kafferland de runderen geslacht en
geofferd.
Daar om dezen tijd juist eene aardbeving in de Kaapkolonie
werd waargenomen, en een aantal schepen op de kust ver-
gingen, werd dit toegeschreven aan Mlanjexi\'s macht, waar-
door zijn invloed steeds toenam. Ook Sanuilli, het hoofd
der Gaika\'s, bewees hem openlijk eere, en het oog van eiken
Kaffer werd op Mlanjeni gericht als op den verlosser des volks.
Tegenover Tiyo Soga\'s prediking: ^bekeert iï\\ riep Mlanjeni:
^wapent w," en dit laatste was naar het hart der Kaffers.
Sprak Tiyo van den ongezienen Verlosser, die van de schuld
en straf der zonde verlost, Mlanjeni was in het oog dei-
Kaffers de verlosser, want hij zou hen bevrijden uit de
macht der Engelschen, en doen zegevieren over hunne vijan-
den. En dit was al wat zij verlangden. Geen wonder dus,
dat Tiyo\'s prediking met onverschilligheid werd aangehoord,
of met spot ontvangen, waar Mlanjeni\'s naam in iedere
Kafferhut met eerbied en vrees werd genoemd, en ieder
woord van dezen prediker, over de lengte en breedte van
Kafferland, met bijgeloovig ontzag werd ontvangen.
Eindelijk brak de storm los, en na eenige kleine scher-
mutselingen en oproeren stonden de Kaffers openlijk op
tegen het Engelsche, Koloniale gouvernement, dat nog van
vrede droomde. Den 248ten December 1850 deden de Kaffers
een aanval op 600 Britsche soldaten, die door de Booma-pas,
in het Amatola-gebergte, trokken, doodden negen man, kwet-
-ocr page 46-
32
sten anderen en maakten vier paarden, met driehonderd patro-
nen beladen, buit. Den volgenden dag, Kerstdag, werd de
alarmklok geluid langs den geheelen grens der Kolonie,
en vernam men met ontzetting dat er een nieuwen Kaffer-
oorlog was uitgebroken: de oorlog van Mlanjexi.
VI.
TWEEDE REIS NAAR EN VERBLIJF IN SCHOTLAND.
Die oorlog werd aanleiding dat Tiyo Soga zijn werk in
Kafferland voorloopig staken moest, en dat hij voor de tweede
maal naar Schotland geleid werd. Het is wel opmerkelijk
dat hij, een man des vredes, in zoo woelige tijden geboren
werd, en zijn opleiding tot Bode des Vredes, in den midde-
lijken weg aan het oorlogsgewoel te danken heeft gehad. Het
was oorlog toen hij het levenslicht zag; als vijfjarig kind moest
hij aan de hand zijner moeder en zuster, in den oorlog van
Hintza, een schuilplaats zoeken in de bosschen van het Ama-
tola-gebergte en zijne opleiding te Lovedale kwam tot een
plotseling einde door den krijg van den Bijl. Doch langs dien
wegkwam hij in Sch otland, waar hij een betere opleiding ont-
ving dan hem ooit in Kafferland zou hebben kunnen gegeven
worden. En nu weer werd zijn evangelie-arbeid onmogelijk
gemaakt, door een nieuwen oorlog, die dreigender scheen
te zullen worden dan een der vroegere Kafferoorlogen, schoon
onder het bestuur Gods, juist die oorlog middel werd om
-ocr page 47-
33
hem voor de tweede maal naar Schotland te laten gaan, en
daar behoorlijk opgeleid te worden, tot geordend prediker
des Woords en Zendeling onder zijn volk.
Reeds weken te voren, eer de oorlog openlijk uitbarstte,
had men op de zending-statiën, en vooral ook op Uniondale,
waar Tiyo arbeidde, de zekere voorteekenen van den naderen-
den storm waargenomen. De Kaffers op die statiën werden
bij den dag onrustiger, en kwamen eindelijk openlijk in verzet
tegen de zendelingen en hunne helpers. Ook werd er gestolen,
dat anders weinig het geval was; — zelfs uit Tiyo\'s woning
werden de dekens gehaald van het bed, waarop zijn zuster Tause
lag te slapen. Toch meende men, ook op Uniondale, dat de
oorlogswolk nog wel zou voorbijdrijven, en dat het tot geen
uitbarsting komen zou.
Uit dezen droom werd men echter onzacht gewekt door
den aanval der Kaffers op de Engelsche troepen, onder het
bevel van kolonel Mc.Kinnon, in het Amatola-gebergte. De
tijding hiervan werd op Uniondale gebracht door den kolonel
zelven, die nog op Kerstavond zijn kamp nabij de statie op-
sloeg. Op aandrang van Mc.Kinnon besloot de zendeling
Niven, onmiddellijk met zijn gezin de statie te verlaten, en
naar de Chumie te vertrekken, waar de zijnen in veiligheid
zouden zijn. En zoo moest de zendeling in den vroegen
morgen van het Kerstfeest, in plaats van te kunnen opgaan
naar het nette bedehuis, en met de kleine gemeente, uit de
heidenen vergaderd, te zingen van „vrede op aard", met zijne
vrouw en kinderen overhaast de vlucht nemen. Een reize
van meer den 30 mijlen lag voor hem, door een landstreek
"welke de Kaffers bezet hielden. Niet ver van de statie wer-
den de vluchtelingen door Kaffers overvallen, van hunne
3
-ocr page 48-
34
paarden en kleederen beroofd, en slechts ternauwernood werd
hun leven gespaard. Te voet moest nu de gevaarvolle tocht
worden voortgezet, over ongebaande wegen, zonder beschut-
ting tegen de brandende zonnestralen, zonder het noodige
voedsel, en ieder oogenblik in gevaar van een nieuwen over-
val. Door \'s Heeren goedheid mochten Niven en de zijnen
toch eindelijk de militaire post aan den Chumie bereiken,
waar zij, voor het oogenblik althans, in veiligheid waren.
Tiyo Soga en Busak, een Kaffer-ouderling, waren op Union-
dale achtergebleven, doch moesten in den nacht insgelijks
de vlucht nemen. Tegen den avond werd de statie, door een
bende Kaffers onder Anta, aangevallen en geheel in puin
gelegd. Wat gestolen kon worden, werd door de Kaffers
weggevoerd, en het overige vernield. Nivens huisbijbel werd
door eenige jonge Kaffers met assegaaijen aan flarden ge-
reten, omdat hij hen „met dat ding altijd zoo lastig
was gevallen." De kerk en andere gebouwen werden in
brand gestoken, en van de zoo veel belovende zending-statie
bleef niets over, dan een rookende ruïne.
Tiyo en Busak *) hadden, toen Anta de statie aanviel,
slechts den tijd om eenige kleedingstukken te redden en
moesten overhaast de vlucht nemen. In den nacht, door de
Amatola-bosschen dwalende, was Tiyo bijna in handen der
Kaffers gevallen. Hij werd achterjaagd doch wist te ontko-
men, en tegen den morgen bereikte ook hij in veiligheid de
*) Btjsak verloor bij dezen overyal 21 stuks hoornvee. Een jaar later
werd h\\j door de Kaffers vermoord, terwijl hij het vee van den zendeling
tegen roofzuchtige Kaffers trachtte te beschermen.
-ocr page 49-
35
Chumie. De overige lieden der statie hielden zich, gedurende
eenige dagen, schuil. bij hun naburige kraal, en trokken
daarna insgelijks naar de Chumie. Uniondale is niet weer
herbouwd.
In den oorlog, die nu volgde, leed de Zending der Veree-
nigde Presbyteriaansche Kerk in Kafferland, op zeer bijzon-
dere wijze. De zendelingen dier Kerk hadden tot hiertoe, met
veel zegen, gearbeid onder de Gaika-Kaffers; en hadden groo-
ten invloed verkregen over de opperhoofden en over het volk.
Toen nu de oorlog was uitgebroken kwamen die zendelingen
onder verdenking, dat zij de Kaffers steunden in dier vijan-
delijkheden tegenover de Kolonie. Hiervoor was geen grond
en zelfs geen waarschijnlijkheid, daar, om van godsdienst-
plicht niet te spreken, de Zending niets te winnen maar
alles te verliezen had bij den oorlog. De zendelingen zagen
zich nu, onder de omstandigheden, gedrongen om Kaffer-
land tijdelijk te verlaten, en begaven zich vooreerst naar
Philipton, nabij de grenzen der Kolonie. De Kaffer-Christe-
nen aan de Chumie vergaderd begeerden hunne zendelingen
te volgen, doch dit werd hun belet door het Groot Opper-
hoofd Sandilli, die hen bekend liet maken, dat hij hen als
vijanden zou behandelen en later vermoorden, zoo zij de
Chumie verlieten. Zij besloten daarop te blijven, — de
mannen verscholen in de spelonken der Chumie-bergen en
de vrouwen en kinderen op de statie zelve, onder leiding
en opzicht van zuster Chalmbus, de weduwe van den zen-
deling. Des zondags kwamen de mannen uit hunne berg-
holen, en vergaderde de kleine gemeente in het kerkgebouw,
om met tranen en veel smeeking God te bidden dat de
vrede hersteld mocht worden. Veel zouden de lieden echter
-ocr page 50-
36
nog te lijden hebben, eer zij de verhooring hunner ge-
beden zouden mogen aanschouwen.
Op zekeren dag ontvingen zij een bevel van den Engel-
schen kolonel Somerset, dat allen naar de vroegere woon-
plaats van den ouden Soga moesten komen, om hunne wa-
pens af te leggen. Aan dit bevel werd voldaan, doch na
dagen wachtens bij de kraal van Soga bleek het, dat niet
de bekeerde Kaffers maar de anderen bedoeld waren, in
een order van den Gouverneur, dat de Kaffers hunne onder-
werping moesten komen betuigen. De Kaffers van den Chu-
mie konden dus weer vertrekken, doch moesten hunne wa-
penen achterlaten, en toen zij de rivier weer waren overge-
trokken, werden zij door de Fingoes, de bondgenooten van het
Engelsche Gouvernement, van alles beroofd en met den dood
bedreigd. In dezen toestand zonden de weerlooze Christen-
Kaffers twee vrouwen naar het Fort Cox, om hulp te vragen
van den Gaika-Commissaris, Charles Brownlee, die hen raadde,
zich onmiddellijk te stellen onder de zorg van zijn eerwaardigen
vader, de zendeling Brownlee, te King-Williamstown. Met
levensgevaar werd deze raad gevolgd, en bereikte de, tot het
uiterste geplaagde en vervolgde Kaffer-Christenen, King-
Williamstown, waar zij liefderijk opgenomen werden. Hier-
mede was tevens ook het lot der Chumie-statie beslist, welke
sedert slechts in treurige herinnering heeft voortbestaan.
Als zending-statie is de Chumie niet weer bezet geworden.
Tiyo Soga volgde Niven en de andere zendelingen naar
Philipton, aan de Kat-rivier. Zuster Niven had intusschen
zooveel geleden, naar lichaam en geest, vooral op de vlucht
naar de Chumie, en nu weer naar Philipton, dat haar echt-
genoot zich genoodzaakt zag met haar naar Schotland terug
-ocr page 51-
37
te keeren. Doch, wat moest dan van Tiyo worden? In Kaf-
ferland kon hij niet blijven; in de Kolonie was geen plaats
voor hem. Het best zou zijn, dat hij mede ging naar Schot-
land, om zijne studiën voort te zetten." Tiyo zelf wenschte
dit; zijn vader had er niet op tegen; doch vanwaar zou het
geld komen voor de reize naar en het verblijf in Schotland ?
„De Heere zal het voorzien" meende Niven, „het geld ligt
in de Bank der Voorzienigheid." Nivens geloof werd dan
ook niet beschaamd gemaakt, en de noodige fondsen voor
den overtocht naar Engeland werden, door vrienden der Zen-
ding, bijeengebracht.
Van Philipton reisde Niven met zijne lijdende echtgenoote
en diepgeschokt gezin naar Grahamstown, waar Tiyo zich
bij hen voegde, en vervolgens naar Port-Elizabeth. Daar
werd Tiyo de betrekking aangeboden van gouvernements-tolk,
waaraan een goed salaris was verbonden. Door zulk een be-
trekking aan te nemen, zou zijn toekomst, wat het tijdelijke
betrof, verzekerd zijn, en ook zou hij altijd nog wel gele-
genheid kunnen vinden, om nu en dan eenig evangeliewerk
te verrichten. Doch de jonge Christen-Kaffer verstond zijne
roeping, en wees het aanlokkelijk aanbod van de hand. „Ik
wensch liever mijn brood te bedelen in de straten uwer
stad," zeide hij tot Niven, „en van deur tot deur op te ha-
len wat ik noodig heb, om mijn collegegelden te betalen, en
daarna theologie te studeeren, en zoo te beter in staat ge-
steld te worden, Christus, dien ik als mijn Zaligmaker heb
leeren kennen, te prediken aan mijne landgenooten, die
Hem niet kennen, dan in gouvernementsdienst te treden.
Ik wil met u naar Schotland gaan." Bedelen, voor zichzel-
ven, lag anders allerminst in het karakter van Tiyo, doch
om den dienst des evangelies zou hij zulks verre verkiezen,
-ocr page 52-
;58
boven de voordeeligste betrekking, die hem zou kunnen wor-
den aangeboden. Aan deze verzoeking ontkomen, ging Tiyo
Soga, in Junij 1851, met den zendeling en diens gezin scheep,
aan boord der „George Lord", naar Londen.
In Londen, waar Tiyo na een reis van 75 dagen behouden
aankwam, was juist het Kristallen Paleis geopend, en de
wonderen van nijverheid, die hij daar aanschouwde, maak-
ten een diepen en blijvenden indruk op zijn ontvankelijk ge-
moed. „Welk een onderscheid, tusschen dat wonderpaleis en
het met lijken bezaaide Kafferland. Hier industrie, kunst,
handel, voorspoed; daar verwoesting, barbaarschheid, armoede,
hongersnood. En toch stonden de Kaffers niet ten achteren,
in lichamelijke" en geestesvermogens, bij andere volken....
Konden zijne landgenooten slechts tot het Christendom en
Christelijke beschaving gebracht worden, hoe zouden ook
zij een eervolle plaats kunnen innemen in de rij der volken,
in plaats van, zooals nu, te worden uitgeroeid. Aan die zoo
gewenschte maatschappelijke en geestelijke wedergeboorte
van zijn volk mede te arbeiden, zou zijn hooge roeping zijn;
daaraan wilde hij zijn leven wijden; en daartoe ging hij zich
nu in Schotland verder bekwamen." Met zulke gevoelens in
het harte, keerde Tiyo nu, na een kort verblijf in Londen,
terug naar Grlasgow, na eene afwezigheid van nog geen
drie jaren.
De vrienden daar waren blijde om hem weer te zien, en
van harte bereid, om hem in zijne studiën te ondersteunen.
Op den 21sten October 1851 moest Niven met Tiyo voor den
kerkeraad der John-street gemeente verschijnen, om verslag
te doen van diens arbeid en gedrag, gedurende de laatste
drie jaren, en zijne redenen mede te deelen, waarom hij Tiyo
had medegenomen naar Schotland. Met een en ander was
-ocr page 53-
39
de kerkeraad zóó ingenomen, dat met eenparige stemmen
besloten werd, om de kosten van Tiyo\'s studiën aan de Uni-
versiteit, en later aan de Theologische School voor eigen
rekening te nemen, terwijl er eene commissie uit den kerke-
raad benoemd werd, om Tiyo in alles met raad bij te staan,
en een vaderlijk opzicht over hem te houden. De Zondag-
school, in verband met die gemeente, beloofde te zorgen
voor Tiyo\'s onderhoud, gedurende zijn studietijd. En zoo werd
de weg gebaand, dat hij reeds in November, na afgelegd
admissie-examen, als student aan de Glasgowsche Universi-
teit kon worden ingeschreven, en met zijne studiën een aan-
vang kon maken.
Na één jaar te hebben doorgebracht aan de Universiteit,
ontving Tiyo verlof om het admissie-examen af te leggen
voor de Theologische Kweekschool, en daarna volgde hij,
gedurende den winter, de litterarische colleges aan de Univer-
siteit te Glasgow, terwijl hij in den zomer theologie stu-
deerde te Edinburg. Dit was niet gemakkelijk, doch hij zelf
wenschte, om zoo spoedig mogelijk als geordend zendeling
naar Kafferland te kunnen terugkeeren. Geen uur mocht dus
verloren gaan.
Zoowel te Glasgow als te Edinburg betoonde Tiyo zich
ijverig, volhardend en voorspoedig in zijne studiën. Hij
werkte met nauwgezetheid, en het gemis eener geregelde
opleiding van jongs aan, werd door nauwlettende studie ver-
goed. Latijn leerde hij te Glasgow, onder prof. W. Ramsay
en Grieksch onder prof. Lushington, beiden mannen van naam
op het gebied der letteren. In Edinburg genoot hij het on-
derwijs van mannen als dr. John Beown, prof. John Eadie, dr.
M. Michael, dr. Hakper en dr. Lindsey, de bekende exegeet.
-ocr page 54-
40
Academische onderscheiding heeft hij niet behaald — ook
niet gezocht, — doch hij nam een eervolle plaats in onder
zijne medestudenten. De werken van Washington Irving,
Prescott, Macauly, Foster, Vinet, Mosheim en Palb, en
vooral het werk van Conybeare en Howson over Paulus, en
Boswell\'s Leven van dr. Johnson behoorden tot zijn lieve-
lingslectuur; en voorts vooral, de Christenreize van Buntan.
Onder de dichters schijnt hij slechts Longfellow gekend te
hebben. Zijn vrije tijd werd gewoonlijk gewijd aan evange-
liesatiewerk in Glasgow. Schoon hij vele uitnoodigingen ont-
ving, om den avond door te brengen in den een of anderen
vriendenkring, of om op „soirees" te spreken, maakte hij
daarvan zelden gebruik. Doch waar hij zich in gezel-
schap bevond, daar was hij altijd op zijn gemak, met al de
manieren van een geboren gentleman. Over het algemeen
was er reeds als student, iets waardigs over hem en maakte
hij zich nooit schuldig aan ruwheid of ongemanierdheid.
Daarbij was hij natuurlijk, niet gemaakt, nederig en met
zeer geringe gedachten van zichzelven vervuld, dat hem te
meer deed stijgen in de achting zijner leermeesters, mede-
studenten en tal van vrienden.
„Het geeft mij veel genoegen te verklaren," zeide Prof. Eadie, aan
het einde van het eerste studiejaar, door Tiyo te Edinburg
doorgebracht, „dat Tiyo Sooa, gedurende de afgeloopen sessie, zeer
getrouw en ijverig de lessen over Bijbelsche letterkunde heeft bijgewoond.
In ieder opzicht heeft hij uitstekend voldaan. In aanmerking nemende,
hoe gebrekkig zijne voorloopige opleiding geweest is voor de studie der
oorspronkelijke talen der Heilige Schrift, ben ik zeer tevreden over de
mate zijner kennis. Daar lnj reeds wat oud en te ontwikkeld scheen om
in de laagste klas te beginnen, zou hij, op do begeerte van eenige vrien-
den, terstond in de hoogere klasse gekomen zijn, doch op zijn eigen, na-
drukkelijke begeerte, is hg begonnen met het begin, en deze begeerte
moet hem hebben aangevuurd, om zoo volhardend en ijverig door te ar-
-ocr page 55-
41
beiden. Het doet mij genoegen, hem zulk een getuigschrift te kunnen ge-
ven, en ik hoop dat hij zich zal onderscheiden, door bij vernieuwing en
voortdurend zich toeleggen óp zijne belangrijke studiën."
Een zijner vroegere medestudenten, later leeraar te Man-
chester, over Tiyo\'s studietijd sprekende, zegt van hem:
„Tiïo Soga had in waarheid een godsdienstig en vroom gemoed. Hg
had een ingeboren afkeer van alles wat slechts zweemde naar eene licht-
vaardige behandeling van heilige dingen. Tegelijkertijd was zijn gods-
vrucht vrij van gemaaktheid, ijdel vertoon, en Btrengheid in het leven.
Van ganscher harte kon hij meedoen in onschuldige uitspanningen. Hij
was vol humor, en het was een genot, om zijn lach te hooren en op zijn
tintelend oog te letten, in het midden van een vroolijken vriendenkring.
Zoo vriendelijk was zijn glimlach, dat men nauwelijks bemerkte hoe don-
ker van kleur zijn gelaat was. Zijne verstandelijke ontwikkeling was on-
gemeen, en in iedere klas onderscheidde hij zich als een ijverig student.
Gedurende de vele jaren dien ik met hem heb omgegaan, herinner ik mij
geen enkele daad van hem, in strijd met zijne Christelijke belijdenis. Zijn
karakter was zoo vriendelijk, zijne manieren zoo aangenaam, zijn oordeel zoo
mild en al zijne daden zoo bedachtzaam, dat zijne vrienden gemakkelijk
vergaten, dat hij een Kaffer, maar nooit dat hij een gentleman was."
Hoe hoog Tiïo in achting stond bij zijne medestudenten,
bleek vooral bij het einde van zijn studietijd aan de Kweek-
school te Edinburg. Hem werd toen een geschenk aange-
boden van kostbare theologische werken, in 38 deelen, be-
nevens een adres, door 186 studenten onderteekend. Dit adres
luidde als volgt:
Aan den Heer TIYO SOGA.
Geliefde Broeder in Christus.
„Dit tegenwoordig oogenblik is voor ons van buitengewoon bolang. Zoo-
lang onze Theologische School bestaat is het nog niet geschied, dat een
van Afrika\'s donkerkleurige zonen, daaraan zijn opvoeding verkregen
heeft. En nu gij, na de gewone studiën te hebben doorloopen, gereed
staat, naar uw geboorteland terug te keeren, als een afgevaardigde ge-
zant van Christus, kunnen wij u niet laten gaan, zonder dit geschreven
-ocr page 56-
42
getuigenis (met een van meer tastbaren aard), van de achting en gene-
genheid, die wij u toedragen. Insgelijks van het diep belang, dat wij stel-
len in uw tijdelijk en geestelijk welzijn, en onzen oprechten wensch, dat
gij voorspoedig zijn moogt in het groote werk, waaraan gij uw leven ge-
wijd hebt. Afgescheiden van uw afkomst en vroegste opleiding, hebben
wij alle reden om u te achten voor hetgeen gij zijt, — staande op de-
zelfde maatschappelijke hoogte als wijzelven. Gij hebt uw plaats onder
ons ingenomen, en een eervolle plaats behouden, in de verschillende vak-
ken van studie, waarmede gij u bezig gehouden hebt. Wanneer wij in aan-
merking nemen de betrekkelijk ongunstige omstandigheden, waarin gij uwe
vroegste jaren hebt doorleefd, en de moeielijkheden, die gij hadt te over-
winnen, om een taal te leeren, zoo geheel anders in geest en vorm dan
uwe moedersprake, dan moeten wij te hooger schatten de mate uwer kennis
en de juistheid van uw oordeel en uitdrukking, in uwe (Engelsche) op-
stellen. Zij onzer, die u het meest van nabij hebben leeren kennen, heb-
ben ook de hoogste gedachten van uw kalm oordeel, van de eenvoudig-
heid en openhartigheid van uw inborst, van uw nederig gedrag, uwe
hartelijkheid en van de sterkte uwer Christelijke overtuiging, die u zeker
iu staat zullen stellen, om steeds volhardend en op voorbeeldige wijze deel
te nemen in het belangrijke ambt, dat gij nu gaat bekleeden.
Gij staat gereed te vertrekken naar het land, dat gij, niettegenstaande
de geestelijke duisternis, die er heerscht, toch als uw vaderland bemint;
waaraan de menigvuldige herinneringen uwer vroegste jaron verbonden
zijn, en waarvan de schoone natuurtooneelen onuitwischbaar op uw hart
staan gegraveerd. Wij vertrouwen, dat gij daarhenen gaat „vervuld met
liefde tot Hem, die u" geroepen heeft uit de duisternis tot zijn wonder-
baar licht; van ijver brandende voor de uitbreiding van Zijn koninkrijk,
en een vurig onverdoofbaar verlangen koesterende naar het heil uwer
landgenooten. Terugziende op den weg langs welken gij geleid zijt ge-
worden, kunt gij niet laten, met innige dankbaarheid Hem te loven, die
alzoo den rijkdom Zijner genade over u heeft groot gemaakt. Gij zult
ongetwijfeld met moeilijkheden te kampen hebben. Uw eerste werk zal
zyn, de oude verwoeste plaatsen te bebouwen, de vorige verstoringen
weder op te richten. Doch laten uwe moeielykheden en zorgen slechts
het middel zijn, om uw geloof te verlevendigen, en u met te meer ernst
en volharding den Troon der genade te doen zoeken. Het is onmogelijk
dat Schotland ooit uit uw geheugen gewischt worde — dat gij zoudt ver-
geten de christelijke voorrechten, die gij hier hebt genoten. Gij kunt
ook niet vergeten, dat gij velen achterlaat met wie gij zoeten omgang hebt
-ocr page 57-
43
gehad, met wie gij zijt opgegaan ten huize Godos. Laat bet ons weder-
zijds tot troost verstrekken, dat, waar wij deel hebben aan de liefde
Cbristi, wij steeds onafscheidelijk verbonden blijven, en elkander ontmoe-
ten voor den troon der genade.
En nu, geliefde en geëerde Broeder, wjj moeten u met uwen beminden
medewerker, die u op dezen uwen weg vergezelt, een plechtig „vaart-
wel" toeroepen. Moge Hij, die u tot hiertoe heeft geleid, steeds met u
zijn-----
Moogt gij, na een eervollen en voorspoedigen levensloop, in goeden
ouderdom ten grave dalen, gelijk een korenschoof in den oogst wordt
ingebracht en moogt gij gerekend worden onder de verkorenen, die „ver-
standig geweest zijnde schijnen zullen als de heerlijkheid van het uit-
spansel, en velen tot gerechtigheid geleid hebbende, blinken zullen als
de sterren voor eeuwig."
Behalve de theologische lessen, had Tiyo Soga ook eenige
medische bijgewoond, en in September 1856 was hij zooverre
gevorderd, dat hij aanzoek kon doen, om zijn eind-examen
af te leggen. De Kerkeraad der John-street gemeente „ver-
staan hebbende dat de heer Tiyo Soga, na door het Presby-
terium te zijn toegelaten, door de Zending-commissie zou
worden uitgezonden naar Kafferland," besloot hem „hartelijk
aan te bevelen bij de gemeente, en voor te stellen dat de
noodige fondsen zouden worden bijeengebracht, om hem be-
hoorlijk uit te rusten voor zijn arbeid op den zendingsakker."
Den 10den December werd Tiyo eindelijk, na afgelegd exa-
men, tot de evangeliebediening toegelaten en den volgenden
dag trad hij, voor een belangstellend gehoor, voor de eerste
maal op als leeraar in het kerkgebouw der gemeente, die
zich zijn op zoo bijzondere wijze had aangetrokken. Weinige
dagen later, den 238ten December 1856, werd hij in diezelfde
kerk, met oplegging der handen, geordend tot den dienst
des Woords en der Sacramenten.
-ocr page 58-
44
De zoete droom van Tiyo\'s jeugd en jongelingsjaren was nu
werkelijkheid geworden. Uit de kraal van zijn heidenschen vader
was hij overgegaan in de school der Christelijke zendelingen,
en zoo was hij kennelijk van den Heere, stap bij stap, geleid,
tot hij nu, als wettig geordend dienaar des Woords, naar zijn
land mocht terugkeeren, om zijnen landgenooten, in hunne en
zijne moedertaal, het Evangelie te brengen. Wat van mensche-
lijke zijde een waagstuk scheen, was, zoover men tot nu toe
oordeelen kon, van den Heere geweest, en Tiyo had de ver-
wachtingen zijner vrienden verre overtroffen. De John-street
gemeente had voor zijn onderhoud £ 202 uitgegeven, doch nim-
mer was een som gelds voor de Zending beter besteed gewor-
den, dan in de opvoeding van dezen Kafferzoon. Het zou nu
moeten gezien worden of de Kaffers hem, als een geordend
leeraar, zouden ontvangen, en zouden kunnen verstaan, dat hij
geworden was die en wat hij was, door het Evangelie, en
zij insgelijks door aanneming van dat Evangelie tot bescha-
ving en zaligheid zouden komen. Wat hem betreft, hij had,
bij zijne ordening, bij vernieuwing en plechtiglijk beloofd,
voor God en menschen, om „verdrukking te verduren, als
een goed krijgsman van Jezus Christus, opdat wanneer de
opperste Herder der schapen zou verschijnen, hij een onver-
welkelijke kroon der heerlijkheid zou mogen ontvangen."
Op voorstel van den Kerkeraad der John-street gemeente
was door het Presbyterium en de Zending-commissie bepaald,
dat Tiyo, terstond na zijne ordening, een aantal gemeenten
der U. P. Kerk zou bezoeken, om de zending in Kafferland
te bepleiten, Van alle kanten kwamen nu aanvragen, dat hij
een spreekbeurt zou vervullen; nu eens in een kerkgebouw
voor de gemeente, dan weer op Zondagsschool of avondbijeen-
-ocr page 59-
45
komst. Met onvermoeiden ijver wijdde hij zich aan die taak,
en waar hij optrad, werd hij met belangstelling ontvangen.
In zijn eigen persoon was hij het sprekendst bewijs, wat onder
den zegen Gods, van de Zending onder de Kaffers verwacht
mocht worden, en de woorden van opwekking, die hij, in
zuiver Engelsch, tot de verzamelde schare richtte, vloeiden
zoo kennelijk uit het hart, dat zijn gehoor onwillekeurig
met liefde voor die Zending vervuld werd. Die zendingreizen
hebben dan ook heerlijke vruchten voor het werk onder de
Kaffers afgeworpen.
Soms had Tiyo op deze reizen wonderlijke, ook wel ietwat
pijnlijke, ontmoetingen. Niet altijd sproot het verlangen om
hem te hooren voort uit belangstelling in zijn persoon en
werk, maar uit nieuwsgierigheid, om hem een vers te hooren
zingen, of het alphabet te laten opzeggen in het Kaffersch,
en hem de lion te maken van den avond. Dit deed hem
altijd onaangenaam aan, en benam hem zijn vrijmoedigheid.
Zoo moest hij, den Zondag na zijne ordening, optreden in
de kerk van ds. Niven, te Maryhill, voor een vrij talrijk ge-
hoor. De kerk was meer dan gevuld, vooral ook doornieuws-
gierigen, die zich zoo dicht mogelijk bij den preekstoel ge-
steld hadden, om den „zwarten prediker" eens goed te kun-
nen opnemen. Dit maakte Tiyo bijzonder zenuwachtig. Terwijl
nu de gemeente den tweeden Psalm zong, werd zijn aandacht
getrokken door een kleinen jougen, nabij den preekstoel,
wiens oog onafgewend gericht was op de zwarte hand des
predikers. De kleine scheen het niet met zichzelven eens te
zijn, waarom die hand zoo zwart was, en zachtkens
zijn vinger uitstrekkende, raakte hij herhaaldelijk Tiyo\'s hand
aan, en zag dan weer naar zijn vinger, of die ook zwart ge-
worden was. Doch neen, de vinger was schoon. Verzekerd
-ocr page 60-
4G
dat de hand des predikers vuil moest zijn, maakte de jon-
gen nu zijn vinger nat, en raakte andermaal Tiyo\'s hand
aan, in de verwachting dat zijn vinger nu vuil zou zijn.
Doch andermaal neen; en nu zag hij Tiyo zóó verhaasd
aan, dat deze alle moeite had om niet in lachen uit te bar-
sten. Voor dien middag was hij tegelijk van zijn zenuwach-
tigheid genezen.
Tiyo Soga trad, den 278ten Februari 1857, in het huwelijk
met mejufvrouw Janet Burnside. Lang te voren waren zijne
genegenheden gevestigd geweest op eene jonge kleurlinge,
Stella geheeten, uit Amerika, die met haar oom, den pre-
dikant Garnet, juist in Schotland was, toen Tiyo aan de aca-
demie kwam. Een huwelijk tusschen hem en Stella werd
ook door zijne vrienden wenschelijk geacht, omdat haar vast
karakter in meer dan een opzicht zou aanvullen, wat, den
soms ietwat onbeslisten, Tiyo ontbrak. Doch Stella overleed
op zeer jeugdigen leeftijd, en Tiyo Soga geraakte in kennis
met de Schotsche dame, die later zijn vrouw werd. In Zuid-
Afrika is het hem door velen ten kwade geduid, dat hij het
oog heeft laten vallen op eene blanke, en werd zijn huwe-
lijk uitgelegd als een poging zijnerzijds, om zich tot Engelsch-
man te „verheffen." Doch niets was verder van Tiyo\'s gedach-
ten dan dit. Hij huwde Janet Burnside om hare uitstekende
hoedanigheden en innige toegenegenheid, en omdat hij in
haar niet slechts een beminnelijke levensgezellinne, maar ook
een trouwe hulpe in zijn zending-arbeid hoopte te vinden.
En hierin heeft hij zich niet bedrogen. Was het in Schot-
land geen kleine eer, zelfs voor Janet Burnside, om de ver-
loofde, later de echtgenoote, van den algemeen geachten en
gevierden Tiyo Soga te zijn, nog zou zij den voet niet aan
-ocr page 61-
47
wal gezet hebben in Zuid-Afrika, of de meesten harer eigene
landgenooten zouden haar verwijten als een misdaad, dat zij
met een „Kaffer" getrouwd was, en haar den rug toekeeren.
Dit heeft hare liefde voor den man harer keuze echter nooit
geschaad, en tot het einde van diens leven heeft zi), onder
vele en droeve wederwaardigheden, getrouw aan zjjn zijde
gestaan. Het was een gezegend huwelijk.
Den 13den April 1857 eindelijk, verliet Tiyo Soga Glasgow,
de plaats waar de Heere hem zoozeer gezegend had, om
weer te keeren naar het land zijner geboorte en daar te arbei-
den in het Evangelie. Voor hem was dit een blijde ure, doch
zijne jonge vrouw moest het scheiden bijzonder zwaar val-
len. Den volgenden dag schreef Soga uit Londen: „Door
Gods goedheid zijn wij hedenmorgen in welstand aangeko-
men in deze stad van wonderen. Doch o, welk een nacht
hebben wij doorgebracht, vooral mijne arme vrouw. Nooit
te voren heb ik met iemand zooveel medelijden gehad als
met haar, op onze reize voorleden nacht en heden morgen.
Ik heb geen opofferingen gemaakt, maar zij, arme, brengt
al het offer. Ik hoop dat ik daar altijd aan denken zal, en
dat het mij een teeder, liefhebbend echtgenoot voor haar
zal doen zijn." Gemakkelijk kan men zich in beider toestand
verplaatsen.
Tegelijk met Tiyo Soga en zijne echtgenoote werd ds.
Robeet Johnston uitgezonden als zendeling naar Kafferland.
Te zamen deden ze nu de reis, in de „Lady of the Lake"
naar Algoa-Baai. Aan het einde dier reis schreef Johnston
omtrent zijn reisgenoot en aanstaanden medearbeider: „Wij
hadden een lange zeereis van bijna drie maanden. Gedurende
zulk een reis, aan boord van een schip, komt iemands ka-
-ocr page 62-
48
rakter duidelijk uit. Tiyo Soga heeft in dien tijd veel gewon-
nen bij allen aan boord, en na drie maanden nauwen omgang
met hem, heb ik geleerd, hem steeds meer te achten en lief
te hebben. Hij was geduldig, beleefd, vriendelijk, opgeruimd
en nederig. Hij was altijd een Christenheer en een Chris-
tenleeraar." Den 2den Juli 1857, zette Soga voet aan wal te
Port-Elizabeth.
VIL
KAFFERLAND IN 1857-
„De krijg van den Bijl" was geëindigd, in de onderwer-
ping der Kafferhoofden, die op eene daartoe door Sir Harry
Smith, den Gouverneur der Kaapkolonie, te King Williams
Town belegde samenkomst „den staf des vredes" aanraakten,
als teeken hunner onderwerping. Sir Harry wierp daarop,
met zijn gewoon theatraal vertoon, den „staf van oorlog"
op den grond, uitroepende: „dit is het einde van den
oorlog." Spoedig genoeg echter zou het tegendeel blijken.
De Kaffers hadden in den „Krijg van den Bijl" veel ver-
loren en niets gewonnen. Al het land door hen bewoond
tot aan de Kei-rivier, thans de Oostelijke grens der Kaap-
kolonie, kwam onder de Britsche vlag, als „Britsch Kaffer-
land." Zij zelven werden Britsche onderdanen en hunne op-
perhoofden Britsche ambtenaren. Het plan der Regeering
was, om de Kaffers te regeeren door hunne kapiteins, maar
in afhankelijkheid van het Britsche bestuur. Door den nood
-ocr page 63-
49
gedrongen hadden de Kafferhoofden hierin toegestemd, en
op den 7den Januari 1848, den eed van getrouwheid aan de
Koningin afgelegd. Ieder verder verzet van de zijde der
Kaffers, tegen de Britsche Eegeering, zon nu rebellie zijn,
en als zoodanig gestraft worden, doch men vleide zich met
de hoop, dat de Kaffers zouden inzien, hoe hopeloos het
was, tegen de Engelschen te strijden, en dat zij zich in de
nieuwe regeling zouden schikken. Daarbij hadden de onder-
scheidene stammen ontzettend geleden, in krijgers en in vee,
en werden velen door den honger gedwongen, om werk te
zoeken in de Kolonie, zoodat er weinig of geen vrees scheen
te bestaan, dat de vrede weer verbroken zou worden. De
Kaffers daarentegen hadden zich slechts t ij d e 1 ij k onder-
worpen en waren vast besloten, zoo spoedig mogelijk de
wapenen weer op te vatten, om hunne onafhankelijkheid te
herwinnen.
Hierop volgde de oorlog van Mlanjeni, die op Kerstdag,
1850, uitbrak en meer dan twee jaren duurde. Voor een
oogenblik scheen het nu, dat de Kaffers er in zouden sla-
gen, om het vreemde juk af te schudden, vooral toen het
corps bereden Hottentotten hun vaandel verlieten, en met
de Kaffers gemeene zaak maakten tegen de Britsche regee-
ring. Doch ten slotte moesten, zij den strijd opgeven en de
wapens neerleggen. Hierop werd, Maart 1853, door Sir
George Cathcakt, die Sir Haeey was opgevolgd, een alge-
meene amnestie verleend, doch met de bepaling, dat de
Kafferstammen, die aan den oorlog hadden deelgenomen, het
land door hen van oudsher bewoond verlaten en zich beoos-
ten der Kei-rivier moesten vestigen. Het land dus verlaten,
werd vervolgens verdeeld onder die Kaffers, welke in den
•
-ocr page 64-
50
jongsten krijg zich aan de zijde der Britsche Regeering ge-
houden hadden, en voorts tot woning gegeven aan kolonis-
ten, en aan ontslagen soldaten van het vreemden-legioen,
meestal Duitschers, die langs den geheelen oostelijken grens
van Britsch Kafferland, een soort van militaire kolonies
moesten vormen. Zoo zou de Kolonie nu voorgoed van Kaf-
ferinvallen en Kafferoorlogen bevrijd worden, en zouden de
Kaffers zelven tot rust komen.
IJdele verwachting! De Gaika\'s hadden met ontzetting
vernomen, dat zij hunnen schoonen, met bosschen begroei-
den, geboortegrond moesten verlaten, om de kale vlakten,
over de Kei, te bewonen en deden wanhopige pogingen om
het banvonnis vernietigd te krijgen. Doch dit kon niet ge-
schieden; en met neergebogen, schoon nog steeds onverwon-
nen harten, trokken zij eindelijk over de rivier. Op doodstraf
was het dezen Kaffers nu verboden, om, zonder bepaald ver-
lof, de hun gestelde grens te overschrijden. Het Gouverne-
ment verwachtte, dat bet volk, door den nood gedrongen,
zich eindelijk in de nieuwe landstreek zou vestigen, doch
het hart der Kaffers trok naar den geboortegrond, en kon
op die koude, kale vlakten niet wennen. Zelfs hun vee kwam
in opstand tegen het banvonnis. Dag en nacht kon men het
loeien der dieren hooren, die, met opgeheven kop naar het
Amatola-gebergte gericht, nauwelijks op de vlakten te hou-
den waren, en naar de oude weiden terug wilden.
Zoo werden de Kaffers steeds bitterder gestemd tegen het
Engelsche Bestuur, en als menschen, die toch niets meer te
verliezen hadden dnn misschien het leven, zonnen zij eer-
lang slechts op bloedige wraakneming, en om het land te
herwinnen, waaruit zij verdreven waren.
-ocr page 65-
51
Hierop brak, in 1854, de Fransch-Engelsche oorlog tegen
Rusland uit. De Kaffers, die hiervan vernamen, meenden dat
de Russen „zwarten" waren, en dat deze, na de Engelschen
verslagen te hebben, zouden komen, om hunne broederen in
Kafferland bij te staan. Zelfs werden dag en uur bepaald,
waarop de Kaffer-Russen zouden komen, om met de andere
Kaffers gemeene zaak tegen de Engelschen te maken, en
dezen in de zee te drijven. Wel ging die tijd natuurlijk
voorbij, zonder dat een enkele Kozak zijn verschijning in
Kafferland maakte, en werden velen hierdoor teleurgesteld,
maar toch werd de hoop niet opgegeven, dat het volk op
bijzondere wijze hulp zou ontvangen, en zoo in staat ge-
steld worden, om den verloren grond te herwinnen en de
Engelschen in zee te drijven.
In Maart 1856 werd die hoop verlevendigd door het op-
treden van een nieuwen profeet, Mhlakaza genaamd, die door
zijne dochter, Nongquasé, openbaringen uit de geestenwereld
zou hebben ontvangen. Nongquasé zou, aan de monding der
Gxasa-rivier, eenig vreemd volk en vee gezien hebben, en
dit aan haar vader hebben medegedeeld. Deze was toen gaan
zien wie de lieden waren, en had van hen het bevel gekre-
gen, om naar zijn kraal terug te gaan, zich gedurende drie
dagen te reinigen, op den vierden dag een os te offeren en
dan terug te komen. Mhlakaza volgde deze bevelen op en
zag toen, op de aangewezen plaats, een aantal Kaffers, onder
welken hij zijn eigen broeder, jaren geleden gestorven, her-
kend had. Hem werd toen gezegd, dat zij de lieden waren,
die, over de groote wateren, tegen de Engelschen gestreden
hadden; dat zij voortdurend tegen hen strijden zouden, en
dat zij hunne broederen in Kafferland nu ter hulpe zouden
-ocr page 66-
52
komen. Ook zouden de geesten der gestorven opperhoofden
Ndlambe, Hintsa, Mdushane, Gaika en Eno aan Nongquasé
verschenen zijn, en haar bekend gemaakt hebben, dat zij
rouw droegen over het lot dat de Kaffernatie getroffen had,
en vastelijk besloten hadden, om hun volk te verlossen. Zij
zouden daartoe, op een gegeven oogenblik, uit het doodenrijk
terugkeeren met andere wakkere helden, die ook reeds lang
geleden gestorven waren. De Kaffers, die dan nog leefden, zouden
sterven, doch na korten tijd geheel verjongd weder opstaan,
om niet weer te sterven. Alle tooverij zou uitgeroeid wor-
den, en alle toovermiddelen vernietigd, zoodat er ziekte noch
dood meer onder de Kaffers zou kunnen heerschen. Dan zou
de aarde hare vrucht voortbrengen zonder bearbeiding; het
prachtigste vee zou uit de aarde te voorschijn komen, en
wagens vol spijs, kleeding, en vooral geweren en ammunitie
zouden den Kaffers ten deele worden. De opstanding der ge-
storven opperhoofden zou voorafgegaan worden door een
geweldigen stormwind, die de Engelschen, zoowel als alle
ongeloovige Kaffers, in de zee zou drijven. Nog slechts een
korten tijd en dan zou deze groote verlossing plaats vinden.
De geesten hadden echter éene voorwaarde gesteld: al het
hoornvee, dat de Kaffers bezaten, moest onmiddellijk ge-
slacht, al het graan verkocht of weggeworpen worden, ter-
wijl het land niet meer bebouwd mocht worden, maar braak
moest blijven liggen. Ongehoorzaamheid aan dit bevel zou
de aangekondigde opstanding vertragen, of geheel onmoge-
lijk maken. Zelfs geen enkele spade mocht in den grond
gestoken worden; geen geitenbokje mocht blijven leven; het
oude moest verdwijnen opdat alles nieuw zou worden. Alleen
honden en paarden mochten in het leven blijven.
-ocr page 67-
53
Aanvankelijk maakte Mhlakaza\'s prediking weinig indruk
op de Kaffers, die hun vee boven hunne liefste betrekkingen
stelden, en er niet aan schenen te denken, om dit op te of-
feren voor een onzekere gouden eeuw. Na eenigen tijd ech-
ter verklaarde Kreli, het groot opperhoofd der Galeka\'s,
dat hij de nieuwe openbaring geloofde, en als bewijs daar-
van, liet hij van zijn schoonste ossen bij honderden dooden.
Herhaaldelijk hadden er nu geheime samenkomsten plaats
tusschen Kreli en Mhlakaza, en eindelijk gaf Kreli bevel,
dat over de lengte en breedte van Kafferland, al het vee
gedood, al het graan vernietigd of verkocht moest worden;
dat het land niet mocht bearbeid worden, en dat de natie
ieder gebod der voorvaderen, door Mhlakaza overgebracht,
letterlijk had op te volgen. Die zulks weigerde was een ver-
rader, een toovenaar, en een kind des doods.
De Kaffers schenen verslagen en besluiteloos, doch de be-
velen van Kreli waren onverbiddelijk. Langzamerhand ging
het bedrogen volk, door zijn opperhoofden voorgegaan, aan
het slachten van hun vee en werden de graankuilen geledigd.
Nu kwamen er wonderbare tijdingen uit Mhlakaza\'s dorp:
„Men had de hoornen der ossen, die uit de aarde zouden op-
komen reeds tusschen het waterriet rondom Mhlakaza\'s woning
zien uitsteken; een onderaardsch geloei was gehoord als van
ontelbare kudden, die onrustig het oogenblik verbeidden, dat
zij in vrijheid gesteld zouden worden; een lang gestorven
paard van Mhlakaza was door Kreli zelf levend gezien, en
een kind van den profeet was uit het graf opgestaan; een
milie-aar, van zelf, wonderbaarlijk uit de aarde voortgekomen,
werd getoond, als kleine proef van hetgeen de aarde eerlang
zou opleveren." Anderen gingen verder en verklaarden, dat zn\'
-ocr page 68-
54
een schaar van gestorven Kafferhelden uit den Indischen Oce-
aan hadden zien opkomen, sommigen te paard en anderen te
voet, die na een korte parade weer in de golven waren weg-
gezonken. Door zulke tijdingen werden de lichtgeloovige ge-
moederen ten sterkste opgewonden, en meer en meer geneigd,
om den „profeet" geloof te schenken.
Aldus misleid, hadden de Kaffers in October 1856 reeds
zooveel vee geslacht en graan vernietigd, dat zij gebrek be-
gonnen te lijden. Beownlee, de Gaika Commissaris, deed wat
hij kon, om het verblinde volk tot stilstand te brengen, en
reed dag aan dag door zijn uitgebreid distrikt, om hen te
wijzen op de zekere en vreeselyke gevolgen van hun ver-
nielingswoede. Doch men gaf hem geen gehoor. „De blanken
zouden allen veranderd worden op den naderenden opstan-
dingsdag in muizen en kikvorschen, en de geheele Kaapko-
lonie zou bewoond worden door de Kaffers." „Napakade" *)
was Brownlee\'s antwoord, doch hij vond geen gehoor. Zelfs
in Britsch Kafferland gingen de Kaffers aan het dooden van
hun vee en ledigen hunner graankuilen. De Kaffernatie
scheen werkelijk betooverd.
Intusschen ging de tijd, door Mhlakaza bepaald voor de
opstanding der gestorven helden voorbij, zonder dat er iets
bijzonders gebeurde. „Dat komt," zeide Mhlakaza, „omdat de
voorvaderen toornig zijn over de twijfelaars, die hun vee
nog niet, of slechts gedeeltelijk geslacht hebben". Dan weer
verhaalde hij den ongeduldigen Kaffers wat wonderlijke din-
gen er bij zijn kraal waren geschied: „Honderden hadden hunne
\') De beer Bbownlee draagt sedert dien tijd onder de Kaffers den
naam van „Napakade."
-ocr page 69-
55
gestorven opperhoofden en voorvaders gezien, rijdende op de
wolken des hemels, of in krijgsorde, als op een slagveld ge-
schaard, of ook wel drijvende op de zee, in omgekeerde pa-
rapluies. Die voorvaderen hadden gesmeekt, „dat men toch
niet vertragen zou met het slachten van het vee, want dat
zij niet uit het graf konden opstaan zoolang dit niet ge-
schied was". Hierop gingen de Kaffers weer aan het slach-
ten. Geen beest mocht nu ook meer verkocht worden; alles
moest worden gedood, en daar het volk onmogelijk zooveel
vleesch tegelijk kon verbruiken, werd het den honden en
aasvogels voorgeworpen, of liet men het op het veld verrot-
ten. De stank van duizende dier rottende geraamten ging op
uit het geheele land en verpestte de lucht. Ook het koorn,
dat niet gebruikt kon worden, werd grootendeels vernield.
„Nu zal eerlang de groote opstandingsdag komen," predikte
Mhlakaza, „gij zult eerst de zon zien opgaan in het Westen;
in het midden des hemels zal zij zich vereenigen met de maan;
dan zal de geheele aarde in sti kdonkeren nacht gehuld wor-
den, en zal het buskruit regenen van den hemel; dan zullen
de woningen van allen, die mijne bevelen ongehoorzaam
waren met vuur verbrand worden, en de ongeloovigen wor-
den verteerd." Onderscheidene Kafferhoofden, waaronder de
oude Soga, trachtten wel het volk tegen Mhlakaza\'s leugenen
te waarschuwen, doch hunne woorden vonden geen ingang,
en het vernielingswerk werd tien maanden lang met klim-
menden waanzin voortgezet.
Eindelijk werd de juiste dag der verlossing en opstanding
door Mhlakaza bepaald. Kkeli had aan het hoofd van 18 raads-
lieden en 5000 krijgers den valschen profeet bezocht, en een
geheim onderhoud met hem gehad, en verzekerde nu aan zgn
-ocr page 70-
50
volk, dat hij het geloei van het onderaardsch vee duidelijk
had gehoord. Binnen acht dagen tijds moest nu al het vee,
dat nog gevonden werd, met uitzondering van éene koe en
een geiten bokje voor ieder huisgezin, gedood worden en dan,
op den 18en Februari 1857, zou de groote verlossing aanbre-
ken. „De zon zou wat later opgaan dan gewoonlijk; in het
midden des hemels gekomen zou zij plotseling bloedrood
worden; dan terugkeeren naar het Oosten; en onder donder,
bliksemen, en zwaren regen zou een geweldigen wind waaijen,
die de ongeloovigen en de blanken in de zee zou drijven.
Dan zou de opstanding plaats vinden en de verzorging der
nog levende Kaffers. Maar dan moesten nu ook de bevelen
van Mhlakaza letterlijk worden opgevolgd." Dit laatste ge-
schiedde; het nog levend vee werd afgemaakt en het nog
voorhanden graan verstrooid en vernield.
Eindelijk brak de bestemde dag aan, en de Kafïernatie,
Galeka\'s en Gaika\'s, door honger gepijnigd, maar in feestge-
waad, — de mannen beschilderd met witte verf als ten strijde
gereed; de vrouwen, vooral de ouden, met ringen aan den arm
en om den hals; en allen vol verwachting der groote dingen,
die gebeuren moesten, verbeidden in bijna hoorbare stilte,
het opgaan der zon. En de zon verrees, op den gewonen tijd,
met haar gewone glans; bereikte het middenpunt des hemels
en ging onder in het Westen, als gewoonlijk. Vertwijfeling
begon nu het hart der Kaffers te vervullen. „De bevelen
van Mhlakaza waren toch tot den letter opgevolgd; de
veekraalen en koornputten waren ledig; de zwaarste offers
waren gebracht; de natie leed reeds honger en gebrek;
waarom bleef de aangekondigde verlossing dan uit?" Doch,
„misschien had men zich in den dag vergist, en zou de be-
loofde redding op den negenden dag komen in plaats van
-ocr page 71-
57
op den achtsten, na Kreli\'s terugkeer. Moed gehouden dus tot
den volgenden dag." Doch ook die dag ging voorbij als ge-
woonlijk, en nu, maar te laat, werd het den Kaffers duide-
lijk, dat de verlossing op welke zij gehoopt hadden een her-
senschim was, en dat de vreeselijkste hongerdood hun voor
de deur stond.
Mhlakaza trachtte nog wel het volk wat op te beuren,
door de schuld te werpen op „twee opperhoofden, onder den
grond, die met elkander in verschil geraakt waren, wie, naar
zijn rang, het eerst zou opstijgen", als ook op de ongeloo-
vigen, die hun vee niet gedood hadden. Voorts verzekerde hij,
dat de verlossing toch eindelijk zou aanbreken; doch de
Kaffers waren in hun vertrouwen geschokt, en half waan-
zinnig van vertwijfeling. Waarschijnlijk was dit juist wat
Kbeli en andere opperhoofden begeerden, en hadden de pro-
fetiën van Mhlakaza moeten dienen, om de Kaffers in zulk een
toestand van radeloosheid te brengen, dat zij zich door honger
en gebrek gedreven op de blanken zonden werpen, en Kaffer-
land trachten te herwinnen. „Honderdduizend Kaffers, door
honger tot het uiterste gebracht, zouden, zij het ook met
groot verlies, de Engelschen kunnen verdrijven, en het hart
der stoutsten in de Kaapkolonie doen beven." In zoover was
het plan volkomen gelukt, dat de Kaffers elk eigen middel
van levensonderhoud hadden vernield; dat het land onbebouwd
was gebleven, en dat de natie van honger moest omkomen
of door roof en moord, langs de grenzen en in de Kolonie,
zich het noodige verschaffen. Doch tegen dit laatste wer-
den in de Kolonie te degelijke maatregelen genomen, en
de Kaffernatie scheen gedoemd, om van honger te moeten
omkomen.
-ocr page 72-
58
Een vreeselijke tijd was nu voor die Kaffers aangebroken,
en vooral in KRELi-land werd onuitsprekelijk geleden. De
koornputten waren lepg, en in de vee-kraaien werd geen ge-
loei meer gehoord; en hoe de arme bedrogen Kaffers ook,
aan den morgen van eiken nieuwen dag, in die geopende
putten en ledige kraaien een angstigen blik sloegen, „of het
beloofde graan en het onderaardsch vee nog niet gekomen
waren", de putten bleven ledig, en geen enkele koe maakte hare
verschijning. En daar men, op het bevel van den profeet,
het land braak had laten liggen, bestond er geen vooruit-
zicht, dat langs den gewonen weg, in de nu zoo nijpende be-
hoefte aan voedsel zou worden voorzien. Men begon vreese-
lijk gebrek te lijden. Wortelen en bollen uit den grond
gegraven; boomschors, waterplanten en vooral ook een zeker
riet, langs de rivieren en aan de poelen groeiende, maakten
eerlang, met de weggeworpen beenderen van het vee, dat
in waanzin gedood was, en die over het land verspreid
lagen, het eenige voedsel. Wat gegeten kon worden werd
als voedsel gebruikt, tot de dood zijn hand legde op de uit-
geteerde geraamten, die zich niet langer konden voortslepen.
Naar matige berekening stierven er meer dan 20,000 Kaffers, —
mannen, vrouwen en kinderen — den hongerdood. Tal van
lijken dreven af in de rivieren, terwijl de beenderen van an-
deren onbegraven op het veld bleven liggen. Kinderen wer-
den door de ouders geslacht en gegeten, en de schrikke-
lijkste gebeurtenissen vonden plaats om een enkelen mondvol
voedsel. De ellende was onbeschrijfelijk.
Het spreekt wel van zelf, dat het Gouvernement niet
achterbleef, om in dezen grooten nood hulp te bieden. Had
men in de Kolonie wraak willen nemen op de Kaffers, dan
-ocr page 73-
59
zou men de gansche natie den hongerdood hebben kun-
nen laten sterven. Het Gouvernement liet echter milies
en vleesch uitdeelen, en in onderscheiden plaatsen in Kaf-
ferland, soepkenkens oprichten, waardoor duizenden in het
leven behouden werden. Voor velen kwam deze hulp dik-
wijls te laat, en vond men hen bezweken langs den weg,
soms op zeer kleinen afstand van de gouvernements-maga-
zijnen. Nog weer anderen waren zóó gulzig, om het toege-
reikte voedsel te nuttigen, dat zij met de spijze in den mond
dood nedervielen. Meer dan 30,000 Kaffers gingen naar de
Kolonie, waar zij werk en voedsel konden krijgen, schoon
veler reeds zoo uitgeput waren, dat zij op den weg bezweken.
Vooral de kinderen leden onbeschrijfelijk in dezen tijd van
honger en ellende, en bij 10 en 20 tallen tegelijk werden
de lijken van kinderen, in de kloven der bergen en op an-
dere plaatsen, gevonden. En zelfs te midden van dit vreese-
lijk lijden scheen de natie de hoop toch nog niet te kunnen
opgeven, dat de beloofde verlossing zou aanbreken.
Mhlakaza, wiens leugenprofetie zooveel ellende over het
land had uitgegoten, stierf den hongerdood. Van de 20 per-
sonen, die in zijn kraal woonden, bleven slechts in leven, de leu-
genprofetes, Nongquasé, die later in de gevangenis te King Wil-
liamstown werd opgesloten, en Mhlakaza\'s zoon. Hij zelf en al
de anderen stierven van honger. Mhlakaza moet, toen hij den
dood voelde naderen, Keeli het grootopperhoofd der Ga-
leka\'s gevloekt hebben, dat die hem, tot politieke doelein-
den, gebruikt had, het volk door voorgewende openbaringen
op te winden, en hen er toe te brengen, om hun vee te doo-
den, opdat zij, door den honger gedrongen, zich met den
moed der vertwijfeling op de Engelschen zouden werpen en
-ocr page 74-
60
hunne onafhankelijkheid herwinnen. De naam van Mhlakaza
blijft, tot op dezen dag, onder de Kaffers gevloekt.
VIII.
TERUGKEER IN ZUID-AFRIKA EN EERSTE ONTMOETINGEN.
Het was onder zulke omstandigheden, dat Tiyo Soga, den
3den Juli 1857, wederom in Zuid-Afrika terugkeerde. Zijne
eerste ondervindingen, reeds te Port-Elizabeth, waren verre
van aangenaam. „Dat hij, een geboren Kaffer, een beschaafde
opvoeding had ontvangen, zou men nog hebben kunnen
dragen, doch dat hij met een blanke vrouw gehuwd was,
ging te ver." En die zoo spraken waren geen Transvaalsche
Boeren maar, in den regel, Engelschen of Engelsche-Afri-
kaners. „Gij had eens moeten zien," schreef Tiyo, weinige
dagen na zijn aankomst te Port-Elizabeth, aan een vriend,
„met hoeveel verbazing dat schouwspel werd waargenomen,
van een zwarten man met een blanke vrouw aan den arm,
gaande langs de publieke straat. Wij werden overal nage-
loopen en aangestaard, door blanken en zwarten. Het scheen
wel of zoo iets ongehoords, nooit in iemands gedachten
was opgeklommen. Naar ik verstond was het bericht van
mijn huwelijk over geheel Kafferland verspreid___ Mijne
vrouw wordt veel minder getroffen door de vooroordeèlen
der Kolonisten dan ik. Ik heb mij tot regel gesteld, om
mij nimmer aan de blanke Kolonisten op te dringen en be-
vind mij daar uitstekend bij."
-ocr page 75-
61
Den derden dag reeds na zijn aankomst, mocht hij, in
zijn eigen taal, aan zijne landgenooten, en nu als geordend
dienaar des Evangelies, het Evangelie verkondigen. In den
morgendienst viel hem het preeken in de Kaffertaai vrij
nioeielijk, niet uit gebrek aan stof, maar omdat hij geen
woorden vinden kon, om uit te drukken wat in hoofd en
hart omging, \'s Middags preekte hij weer in de Kaffertaai,
en nu met gemakkelijkheid. Des avonds en den volgenden
Woensdag trad hij op voor een gehoor van blanken, meestal
tot de meest ontwikkelden, gegoeden van Port-Elizabeth
behoorende.
In Uitenhage, nabij Port-Elizabeth, preekte hij in de Ne-
derlandsch-Gereformeerde kerk en in de Wesleyaansche
kapel, en vervolgens, op de reis naar Kafferland, te Gra-
hamstown, altijd voor een zeer talrijk, aanzienlijk gehoor. En
waar hij optrad, maakte zijne prediking den grootsten indruk.
Hij wist zijne hoorders op buitengewone wijze te boeien,
vooral door zijn ongekunstelde voordracht, diepen ernst en
innige verkondiging der heilswaarheden. Oók zij die geko-
men waren uit nieuwsgierigheid, of misschien wel, om zich
over „den Kaffer" wat vroolijk te maken, werden getroffen
door de overtuiging, dat hij sprak omdat hij geloofde, en
een Heiland verkondigde, die zijn Heiland geworden was. Hij
zelf schreef, aan zijne vrienden in Schotland, over zijn op-
treden, als volgt:
„De ontvangst, die ik in de Kolonie heb mogen genieten,
heeft mijne stoutste verwachtingen overtroffen. Niettegen-
staande de sterke vooroordeelen, die hier, in zekere krin-
gen, tegen gekleurden gekoesterd worden, heeft het Chris-
telijk publiek te Port-Elizabeth en Grahamstown mij, op
hartelijke wijze, de broederhand gereikt.
-ocr page 76-
(52
In Port-Elizabeth en Grahamstown, waar de Wesleyanen
en de Independenten de invloedrijkste gemeenten hebben, werd
ik terstond uitgenoodigd in hunne kerken op te treden, en
te Uitenhage heb ik ook in de Hollandsche Gereformeerde
kerk gepredikt. Ik moet bekennen, dat ik niet zonder vrees
was, dat, schoon ik niemand in de Kolonie aanstoot had
gegeven, men het den zwarte zoo lastig mogelijk zou
maken. En indien gij verstaan kondet, hoe men in de Ko-
lonie, ook onder anders goedgezinden, tegen de zwarte kleur
is ingenomen zoudt gij mijn vrees ten volle rechtvaardigen.
Doch te meer zoudt gij u dan ook verblijden over de harte-
lijke ontvangst, die mij ten deele is gevallen. En daarvoor
heb ik, naast God, Ulieden te danken, die mij, door mij te
laten opvoeden, een positie hebt gegeven, die ik anders
waarschijnlijk nooit zou hebben bereikt. Geve de Heere mij
genade, om waardiglijk mijner roepiDg als dienaar des Evan-
gelies te wandelen.
„Het zal u niet verwonderen, dat het prediken mij, onder
de omstandigheden moeielijker is gevallen, dan in Schotland.
Daar toch was ik zeker van veler toegenegenheid, terwijl
ik hier slechts op de belangstelling van weinigen meende
te mogen rekenen. Mijn gehoor was over het algemeen
echter zeer oplettend. Ik twijfel er niet aan of sommigen
mijner hoorders kwamen slechts met het doel, om „wat
onzin van een Kaffer-prediker te hooren" en met de belache-
lijke fouten, die hij zou maken, te spotten. De gedachte
daaraan werd mij echter steeds een aansporing om met
nog meer vrijmoedigheid het Woord te prediken.... Toen
ik te Port-Elizabeth in de Wesleyaansche kapel preekte,
werd ik tot twee malen door iemand gestoord, die hardop
begon te spreken. Ik dacht toen, dat het doel was, om mg
-ocr page 77-
6:J
in de war te brengen, doch ik kreeg kracht, om kalm met
mijne prediking voort te gaan. Later bleek het, dat de man
dronken geweest was, en om een plaats gedwongen had in
het stampvolle kerkgebouw, waar geen plaats meer was.
Mij heeft het gebeurde het vertrouwen gegeven, dat storing
onder den dienst mij in het prediken niet veel zal hinderen.
Zoowel te Port-Elizabeth als te Uitenhage en te Grahams-
town heb ik ook voor Kaffers, Fingoe\'s en Hottentotten mo-
gen optreden, om het Evangelie te prediken. En hun belang-
stelling in die prediking was wel zoo groot, als onder de
blanken. O! de verbaasdheid, waarmede zij mij beschouwden!
De meesten schijnen het maar niet te kunnen vatten, dat
iemand anders dan een blanke de plaats kan bekleeden,
die mij is aangewezen. Anderen weer kunnen daarover
hunne vreugde niet bedwingen. Sommigen zijn kennelijk
in twijfel tot welke natie ik behoor, tot ik hen aan-
spreek in hun eigen taal, en dan kent hun verbazing
geen grenzen."
Over de toestand van Kafferland en de Kaffers schreef
Tiyo Soga, aan dezelfde vrienden o. a. als volgt:
„Gij zult wel gehoord hebben op hoe jammerlijke wijze
mijne landgenooten, de Kaffers misleid zijn geworden, om
hun vee te slachten, hun koren te vernielen, en hunne lan-
derijen onbebouwd te laten, in de ijdele verwachting, dat er
een opstanding van vee, zoo schoon als er nooit in Kaffer-
land gezien was, zou zijn, en dat het graan uit de aarde
zou spruiten, in zoo groote hoeveelheid, dat er geen plaats
zou zijn om het te bergen.
Mijne arme landgenooten oogsten nu de bittere vruchten
dier misleiding. Zij hebben de roede, waarmede zij getuch-
-ocr page 78-
64
tigd worden, met eigen hand aangedragen; zij hebben een
nationalen zelfmoord gepleegd.
„De ellende, die nu in Kafferland wordt ondervonden
gaat alle beschrijving te boven.
„Het land is bijna door hongersnood ontvolkt. Uit vrees,
mij aan den schijn van overdrijving schuldig te maken
noem ik geen cijfers, doch ik kan veilig zeggen, dat duizen-
den en duizenden van honger gestorven zijn. Uit de Kaap-
kolonie heeft men den Kaffers de helpende hand geboden, en
zoo weer bewezen, dat de menschen over het algemeen beter
zijn dan hunne stelsels. Een groot aantal Kaffers hebben
werk en brood gevonden in de Kolonie; anderen zijn naar
den Oranje-Vrijstaat getrokken, en nog weer anderen hebben
zich gevoegd bij de omliggende Kaffer stammen. Zoo zijn de
hoogmoedigste menschen op de wereld (de Galeka en Gaika
Kaffers) gedwongen geworden, zich te vernederen, en om
hulp te zoeken, waarvan zij vroeger zouden hebben gegruwd.
„Men zegt, dat in sommige gevallen, ouders, door honger
als waanzinnig geworden, hunne eigen kinderen hebben ge-
slacht en opgegeten.
„Op onzen weg, van Port-Elizabeth door Grahamstown naar
Kafferland, ontmoetten wij Kafferfamiliën in grooten getale,
die de Kolonie uittrokken. Die lieden waren toonbeelden
van ellende, en vooral de toestand der kindertjes was ge-
noeg, om een hart van steen tot ontferming te bewegen.
„Het waren kleine geraamten, die de handjes gretig uitsta-
ken naar het weinige brood, dat wij hen konden toereiken.
Het ergste is dat de ellende nog het hoogste toppunt niet
bereikt heeft.
„De Kaffers komen nu ook bij honderden naar de Zending-
statiën, om hulp. Wij hebben nog geen eigen statie, doch
-ocr page 79-
65
ik ben er van verzekerd dat, zoodra ik mij ergens gevestigd
heb, de Kaffers, door honger gedreven, in grooten getale tot
mij zullen komen. Zouden de vrienden der St. Johns-gemeente
mij niet een weinig ter hulpe willen komen, en mij in staat
kunnen stellen, de ellende eenigszins te verzachten? Met een
£ 15 of £ 20 kan ik al heel wat doen.
„Onder de bestaande omstandigheden is het voortbestaan
der Kaffers, als een natie, geheel problematisch. Het is ze-
ker, dat velen, die thans Kafferland verlaten hebben, niet
weer terug zullen keeren. Doch ook zij, die misschien wèl
terug keeren, zullen, door hun verblijf in de Kolonie en
elders, andere menschen zijn, wat nationale gewoonten be-
treft, dan te voren. Gehechtheid aan hunne opperhoofden
is een der sterkst sprekende karaktertrekken van de Kaffers,
doch ik vermoed, dat de opperhoofden, binnen korten tijd,
weinig meer dan een schijn van het vroegere gezag over
het volk zullen bezitten.
„De meening wint veld, dat Mhlakaza en de andere val-
sche profeten, slechts werktuigen geweest zijn in de handen
der groote opperhoofden, die het \\olk, als een man, tegen
de blanken wilden doen opstaan. Bestond zulk een plan wer-
kelijk, dan is het jammerlijk mislukt. De slag, die de blanken
verpletteren moest, is op de Kaffers zelven neergekomen, en
geen vijand zou hen dieper en gevoeliger hebben kunnen
vernederen, dan zij het, in hunne verblindheid, zich zelven
hebben gedaan. Zij hebben hun eigene handen afgehouwen.
De blanken kunnen nu hunne zwaarden tot ploegen, en hunne
spiesen tot sikkels slaan, wat betreft de vijandschap der
Kaffers.
„Onze eigene vooruitzichten, voor het Zending-werk, zijn,
5
-ocr page 80-
66
trots alle deze dingen, verre van ontmoedigend. God voert
zijn raad soms uit, door vreesselijke gebeurtenissen. In den
ramp, die mijne landgenooten getroffen heeft, ligt m. i. hoop
voor de toekomst. Nu hun vee vernield is, zullen zij zich
meer op den landbouw gaan toeleggen, dat zeer te wenschen
is. En wat het geestelijke betreft, verwacht ik. dat velen, in
de plaatsen waarheen zij gevlucht zijn, onder den invloed
der waarheid zullen komen. Er is dikwijls niets, dat het harde
hart zoo week maakt als verdrukking, en ik vertrouw, dat
de zware tuchtiging, die de Kaffers hebben ondergaan,
vruchtbaar zal worden aan hun geestelijk heil.
„Ons plan is nu," zoo schrijft hij verder, „zoo spoedig
mogelijk Kafferland te bereiken en een statie aan te leggen.
Waar zendelingen zijn komen thans de Kaffers tot hen, en
dat gaarne. Van de Kaffers, die naar de Kolonie getrokken
zijn zullen ongetwijfeld, over eenigen tijd, velen terug keeren,
en als wij onze statie nu kunnen vestigen in een streek, die
goed bewoond kan worden, dan mogen wij ons verzekerd hou-
den, dat velen, naar Kafferland teruggekeerd, tot ons zullen ko-
men. Over het algemeen schijnt het mij toe, dat de vooruitzichten
der Zending in Kafferland nooit helderder geweest zijn dan nu.
„Wij hebben nu niets te vreezen van oorlog. Waar de Kaf-
fers hunne geweren weer verkocht hebben aan de
blanken, hoe kan daar dan oorlog uitbreken!
In elk geval nu niet, daar Kafferland bijna ontvolkt is.... Ge-
denkt onzer dan: gedenkt aan het arme Kafferland; hebt mede-
lijden met de ellende — lichamelijk en geestelijk — van zijn kin-
deren. En bidt, dat er spoedig een betere tijd voor dit arme
volk moge aanbreken!"
-ocr page 81-
67
IX.
VESTIGING AAN DEN MGWALI.
Door de Zending-Commissie in Schotland was bepaald,
dat Tiyo Soga en Johnston zich, indien mogelijk, zouden
vestigen aan den Mgwali-rivier, in Britsch-Kafferland, onge-
veer 30 mijlen van King Williams Town. De plaats voor de
statie was reeds in 1854 door de zendelingen Niven en
Cümming aangewezen, doch daarna was de oorlog uitgebro-
ken, en daardoor aan allen Zendingarbeid in Kafferland, tij-
delijk, een einde gemaakt. De bedoelde plaats scheen echter
zoo geschikt voor een Zendingstatie, dat de Commissie, nu
de vrede in Kafferland hersteld was, er als van zelve toe
geleid werd, haren beiden jongen zendelingen op te dragen,
zich daar te vestigen.
De Mgwali-streek was nu echter geheel door de Kaffers
verlaten; de oorlog en de daarop gevolgde hongersnood,
had de bevolking deels uitgeroeid, deels uitgedreven; en
zouden de zendelingen, op de aangewezen plaats, Zending-
werk kunnen verrichten, dan moesten zij de bewoners der
statie meebrengen. Hiertoe werd hen, zeer geleidelijk, den
weg gebaand.
Te Peelton n.1. een Zendingstatie van het Londensche Ge-
nootschap, bevonden zich een aantal Christen-Kaffers, met
hunne vrouwen en kinderen, te samen 172 zielen, van de
verwoeste Zendingstatiën der U. P. Kerk, aan de Chumie, te
Uniondale en van Igibigha. Deze lieden hadden zich tijdelijk
te Peelton gevestigd, en steeds in de hoop, dat hun eigen
Kerk het Zending werk in Kafferland zou hervatten, zoodat
-ocr page 82-
(38
zij zich dan weer rondom hun eigen zendelingen zouden
kunnen scharen. Daarom hadden zij steeds den Heere ge-
beden, en daarnaar in hope uitgezien. Toen de beide zen-
delingen nu, op hun reis naar den Mgwali, te Peelton arri-
veerden, werden zij door deze leden der verstrooide Christen-
gemeenten met groote hartelijkheid ontvangen, en gaven de
hoofden van huisgezinnen al spoedig duidelijk te verstaan,
dat zij bereid en begeerig waren, hunnen zendelingen naar
den Mgwali te volgen.
Om zich daar echter behoorlijk te kunnen vestigen, had-
den de zendelingen de toestemming noodig van Sandilli, het
groot-opperhoofd der Gaikas, en voorts van de Engelsche-
Koloniale Regeering. Sandilli, ingenomen met de opvoeding
die Tiyo, den zoon van zijn ouden Raadsman, had ont-
vangen, en eenigszins getroffen door de gedachte hoe
zijn natie zou bevoordeeld worden, door beschaving en
opvoeding, gaf zonder moeite zijn toestemming tot het
stichten eener Zendingstatie aan den Mgwali, en gaf zijn be-
geerte te kennen, dat zijne vier oudste kinderen terstond de
school zouden bezoeken. Minder gemakkelijk ging het met
de Engelsche Regeering. Wel had dat Gouvernement toe-
stemming gegeven tot het vestigen eener Zendingstatie aan
den Mgwali, doch de Luitenant-Gouverneur van Kafferland
bepaalde, dat op die statie alleen leden der Kaflergemeente
zouden mogen wonen, en dat de zendelingen geen andere
Kaffers om zich heen mochten vergaderen. Het Gouverne-
ment vreesde, dat de Kaffers zich weer zouden vereenigen,
en zag liever het land braak en het volk verstrooid. De Zen-
delingen daarentegen begeerden, zoovelen om zich heen te
7ergaderen als wilden komen, onder de prediking des Woords.
-ocr page 83-
69
Gelukkig kwam om dezen tijd de Gouverneur-Generaal, Sir
George Grey, te King Williams Town, zoodat de zendelin-
gen, in persoon, bij hem konden pleiten, om de opheffing van
het verbod betreffende de wederinbezitneming van het land
door de Kaffers, voor zoover de Zendingstatiën betrof. Tiyo
Soga en Johnston hadden eerlang een uitvoerig onderhoud
met Sik Geoege Grey, — den meest populairen Britschen
Gouverneur, dien de Kaapkolonie gehad heeft, — waarvan de
uitslag was, dat zij zich vrijelijk aan den Mgwali mochten
vestigen, zoo zij maar zorgden, dat de Kaffers, die zich bij
hen zouden nederzetten, niet tegen het Gouvernement samen-
spanden.
De Mgwali-streek, waar de statie nu zou worden aan-
gelegd, munt niet uit door natuurschoon, doch werd door
de Kaffers geroemd als een uitmuntend land voor vee, en
geschikt voor den landbouw.
„Het was met geen gewone gevoelens van dankbaarheid
en blijdschap," schreef Tiyo, „dat wij (11 September 1857), de
plaats bereikten waarheen ons oog gericht is geweest, se-
dert wij Schotland verlaten hebben. Voor een Kaffer is de
Mgwali een land van melk en koorn. En waarlijk, ook voor
ons oog, schijnt het beloften te geven van overvloed, wat
de behoeften des leven betreft. De plaats voor de statie is
in het midden eener wijde vallei, en ofschoon kaal, zonder
hout, niet onaangenaam voor het oog. Tengevolge van den
oorlog en den hongersnood, is het land geheel ontvolkt, en
de „doodschheid" der velden is aangrijpend. Doch er bestaat
geen twijfel of de Kaffers zullen naar deze streek terugkee-
ren, en het land weer bebouwen." Dit gaf hoop voor de
toekomst.
Het eerste werk dat nu gedaan moest worden bestond in
-ocr page 84-
70
het bouwen van woningen voor de zendelingen, en van een
kerkgebouw. Natuurlijk sloegen de beide Broeders, schoon
weinig van de bouwkunst verstaande, zelf de handen aan
het werk, daarin geholpen door hunne Kaffers. Graszoden
werden gestoken, en op elkander gestapeld tot muren; het
dak werd gemaakt van takken, zoo recht mogelijk, in het
bosch gekapt, en dan met gras gedekt; de „vloer" met koe-
mest in plaats van met planken belegd; een deur en een paar
vensters aangebracht... en de pastoriën, ieder uit drie kleine
kamers en een keuken bestaande, waren klaar. Minder voor-
spoedig ging het met het bouwen eener „kerk". Die zou van
„riet en klei" gemaakt worden, en een timmerman was aange-
nomen om het gebouwtje op te richten. Doch deze liet de
zendelingen aan hun lot over vóór de kerk geschilderd was,
en toen de ramen nog van ruiten voorzien moesten worden.
Johnston nam nu op zich om te schilderen, en Tiyo om de ruiten
in te zetten. Een diamant, om de glazen te snijden, werd van
King Williams Town verkregen, en nu ging Tiyo Soga, voor
het eerst van zijn leven aan het ruiten snijden, of liever
ruiten breken. Ten slotte kwam het werk toch klaar en
kon het kerkgebouw voor de kleine gemeente geopend
worden. Tiyo zelfs geeft daarvan in een brief aan vrienden
in Schotland, de volgende korte beschrijving:
„Wij hebben het voorrecht mogen smaken, om ons eenvoudig kerkge-
bouw, openlijk met de gemeente, voor \'s Heeren dienst te mogen openen.
Wij hadden besloten bij de opening-diensten het Avondmaal te houden,
en achtten het daartoe noodig, de gemeente eerst weder te organiseeren.
„Hiermede zijn wij twee weken bezig geweest. Van onze vorige ouderlingen
aan de Chumie, Düewana, Festibi, Tobe en Hïosi, hadden wij reeds een
goed getuigenis ontvangen omtrent het leven onzer bekeerden — 86 in
getal —, gedurende den tijd, dat zij te Peelton hebben gewoond. De
meesten hebben ook attestatiën van de gemeente aldaar. Vrijdag voor
Nachtmaal, hadden wij de voorbereiding, en Zondag was de groote dag
-ocr page 85-
71
van het feest. Met zonsopgang hadden wij een heerlijke ure des gebeds.
Om 10 nre predikte broeder Johnston, zeer krachtig, naar aanleiding van
Ps. XC: 14—17. Om twaalf uur vierden wij, met ongeveer 40 personen,
het H. Avondmaal, dat door mij bediend werd, waarna Broeder Johnston
nog een korte toespraak hield. Wij sloten dezen dienst met hel zingen
van het lied van Ntsikana, do vader van Dukwana. Dit lied — het eerste
dat, zoowel wat de woorden als de wijs betreft, door een bekeerden Kaffer
vervaardigd werd, — is altijd een gewaardeerd lied geweest bij de Chumie-
gemeente, en Broeder Chalmers eindigde daarmede gewoonlijk de Avond-
maalsbediening. Waarschijnlijk is het nooit te voren gezongen, of zal het
ooit gezongen worden, zooals bij deze gelegenheid het geval was. Som-
migen onder de gemeente weenden, of gaven op andere wijze luide aan
hun ontroering lucht en allen waren diep bewogen. Geen wonder: er was
zooveel gebeurd sedert dit lied de laatste maal in een onzer gemeenten
gezongen was. . .. Bid met ons dat dit Zion-kindeke, de Mgwali-gemeente,
voorspoedig moge zijn. Schoon de aanvang klein is, de Heere kan het
werk zegenen, dat het zich uitbreide."
Wat moet er dien dag in het gemoed van Tiyo zijn omgegaan!
In Kafterland teruggekeerd, had hij zijne oude moeder nog
mogen ontmoeten, wel door de jaren en veel verdriet gebogen,
maar onverzwakt in het geloof; ook zijn vader, vriendelijk
jegens hem gezind, schoon helaas! nog altijd een heiden. In
het land, waar nog zoo kort geleden de oorlog woedde, en
de honger het volk verteerde, en dat nu sedert maanden de
verzamelplaats was geweest van wolven en allerlei soort
van roofvogels, had hij en zijn medearbeider Johnston, de
verstrooide leden der gemeenten weer bijeen mogen verza-
melen, en aan de gemeente, in haar eigen, pas ingewijd
kerkgebouw, nu het Avondmaal mogen toereiken. En aan
dien Avondmaalsdisch zaten niet weinigen zijner vroegere
mede-leerlingen in de school aan de Chumie; zaten zijne
eigene broeders, bijname Festiri, die hem het alphabet
geleerd had, van wien hij jaren lang gescheiden geweest
was, en die nu ouderling was der kleine Christen-Kaffer-
-ocr page 86-
72
gemeente van welke Tiyo zelf een der leeraren was.
Geen wonder, dat zijn teedere ziel wegsmolt in dank en
aanbidding bij de ondervinding van zoovele weldaden Gods,
en niet bet oog op de wonderbare leidingen, waarmede de
Heere hem geleid had.
Kort na de vestiging der statie begonnen de naburige
Kaffers daarheen te trekken, vooral ook om eenig voedsel.
De meesten dezer heidenen waren zoo goed als geheel ver-
hongerd, en hunne tanden, anders zoo wit als ivoor, waren
geel van den d a n d e 1 i o n-wortel, waarmede zij het leven
hadden getracht op te houden. Werken konden deze Kaffers
doorgaans niet, wegens verregaande lichaamszwakte; kwa-
lijk konden zij wat gras aanbrengen voor het dak der te
bouwen kerk, in ruil voor voedsel, dat de zendelingen hun
niet dan met veel opoffering verschaften. In dien ellendigen
toestand kwam echter gaandeweg verandering, en deze Kaf-
fers, naar de zendelingen gedreven door den honger naar een
stuk tijdelijk brood, kwamen zoo onder de bearbeiding van
het Evangelie, en werden in aanraking gebracht met het
Geestelijk Brood.
Hoe in den eersten tijd, de week in den dienst van het
Evangelie op de Zendingstatie doorgebracht werd, heeft Tiyo
aldus medegedeeld, in een schrijven aan een vriend:
„Beginnen wij," zegt hij, „met den Rustdag. In den vroe-
gen morgen, met zonsopgang, houden wij, ter voorbereiding
der andere diensten, een bidstond, die door ons, zendelingen,
geopend, doch overigens door de ouderlingen geleid wordt.
Ten 9 ure houden wij catechisatie. Om 10 uur begint de
eerste predikdienst, die, om de beurt, door Br. Johnston of
mjjzelven geleid wordt. Om half twaalf vergaderen de kin-
-ocr page 87-
73
deren, om onderwezen te worden op de zondagschool, door
onze vier uitmuntende, vrome, verstandige ouderlingen Fes-
tiri, Dukwana, Myosi en Tobe. Tegen half een is er weder
een korte Godsdienstoefening, en om drie uur onze Engel-
sche dienst, in welken wij, Johnston en ik, ook om de beurt
voorgaan. Hiermede eindigen de openbare diensten op den
Sabbath. Even als op dien dag, hebben wij eiken mor-
gen, met zonsopgang, een samenkomst tot het gebed en le- /
zen van Gods Woord.
„Maandag is een vrije dag, met uitzondering van
de morgen-godsdienstoefening.
„Dinsdag bezoeken wij eene buitenstatie, omtrent acht
mijlen van hier verwijderd. Wij gaan te paard derwaarts.
Op dezen buitenpost hadden de menschen vroeger nooit de
gelegenheid gehad, om de blijde tijding des Heils te verne-
men. De lieden hooren ons niet slechts gewilliglijk, maar
noodigen ons zelfs dringend uit, om hen dikwijls te komen be-
zoeken. Het is waarlijk een genot, onder hen werkzaam te zijn.
De jongens en meisjes zijn vroolijke vlugge kinderen. Als
wij naar deze kraal gaan, nemen wij altijd een bladzijde van
het A. B. C. mede, en als onze samenkomst met de volwas-
senen afgeloopen is, onderwijzen wij de jongelieden.
Zij zijn er zeer mede in hun schik. Een paar van de jon-
gens, die bijzonder schrander zijn, zullen, naar ik meen, onze
verwachtingen niet te leur stellen. Van den hoofdman der
kraal vernamen wij, dat deze jongelieden veel meer van de
vreemde dingen, die wg hun verkondigen, kunnen onthouden
dan de groote menschen.
Dinsdag-namiddag hebben wij een samenkomst met onze
ouderlingen, en \'s avonds hebben wij een klas voor de Kaffers,
die hier zijn komen wonen na de oprichting der statie. De
-ocr page 88-
74
verstandelijke ontwikkeling van deze leerlingen werpt waar-
lijk geen glans op den Kaffernaam. Zij vormen, zonder uitzon-
dering, de domste klasse, die ik nog ooit heb onderwezen.
„Toch wanhopen wij er niet aan, om eindelijk door hunne
dikke hoofdschedels een opening te zullen maken, waardoor
het licht zal mogen stralen, dat de sluimerende vermogens
hunner zielen kan doen ontwaken. Deze menschen zijn nooit
gewoon geweest aan iets anders te denken dan aan hunne
lichamelijke behoeften, en de kleur, het getal en de hoeda-
nigheid van hun vee; daarom zal het nog wel eenigen tijd
duren eer zij zelfs zullen kunnen onthouden dat een A een
A is. Welk een onderscheid tusschen de kinderen en deze
volwassenen; het is verwonderlijk te zien hoe spoedig de
kinderen het A. B. C. kennen.
Mijn huisjongen, van wien gij later meer zult hooren,
kende het nauwkeurig in een week tijds.
Woensdag-voormiddag bezoeken wij de menschen, die
op de statie of in de buurt wonen. In den avond hebben wij
een algemeenen bidstond, waarbij broeder Johnston of ik
eene korte rede houden.
,,Donderdag is weer een van onzebezoekdagen; Het veld,
dat wij dan te bearbeiden hebben is zóó uitgestrekt, dat wij er
den geheelen dag aan wijden; \'s avonds hebben wij weer de
klasse met volwassenen.
„Vrijdag is een vrije dag.
„Zaturdag-voormiddag wijden wij aan eigen gemeenschap-
pelijke studie. Den eenen Zaturdag lezen wij een gedeelte
Hebreeuwsch en Gibbon, en de volgende week het Grieksche
Testament en Neanuek\'s Kerkgeschiedenis.
„Zoo hebt gij nu een voorstelling van onze bijzondere werk-
zaamheden aan deze plaats.
-ocr page 89-
75
„Gedurende acht dagen moest inijn gedeelte van het werk
stilstaan, daar ik een ongeluk heb gehad, dat mij bijna mijn
gezicht, en ik mag zeggen mijn leven gekost heeft".
Dit laatste zinspeelde op het volgende ongeval:
Tiyo had van Schotland een vloeibare lijm mede gebracht,
welke hem door een vriend in Glasgow was aanbevolen,
als dienstig tot het repareeren van alle soorten van dingen.
Op zekeren dag een pan half gevuld hebbende, met heet
water, plaatste hjj er het steenen potje met lijm in, om het
voor gebruik gereed te maken. In zijne afwezigheid werd het
potje uit de pan genomen, en op het heete fornuis geplaatst.
Toen hij nu, terug gekomen aan het lijmen zou gaan had
er, zoodra hij de kurk verwijderde, eene geweldige ont-
ploffing plaats, en spoot de brandende lijm over zijn ge-
laat. Hij wierp dadelijk het potje neer, en trachtte met beide
handen de brandende lijm op zijn gelaat te blusschen, doch
te vergeefs. De wrijving scheen den gloed te vermeerderen, en
de pijn te verergeren. Hij zag een tobbe met water, vloog
er heen, dompelde zijn hoofd er in, en bluschte alzoo de
vlam op zijn gezicht. Zich nu veilig achtende stond hij op,
doch bemerkte tot zijn schrik, dat zijn halsdoek en onder-
kleederen in volle vlam stonden. Gelukkig, dat de huisjongen
er op afkwam en tegenwoordigheid van geest had, om met
een kan water de brandende kleederen uit te dooven.
Intusschen dreigde een nieuw gevaar. Het rietendak had
vuur gevat, en het huisje had gemakkelijk een prooi der vlam-
men kunnen zijn eer er hulp kon dagen. Providentieel stond
er echter een vat met water in de keuken, wat anders nooit
het geval was, en zoo gelukte het Tiyo; met hulp van den
jongen, om door dat water de vlam te blusschen. Het huisje
bleef behouden, doch Tiyo Soga had zeer ernstige brand-
-ocr page 90-
76
wonden bekomen. Slechts als door een wonder waren zijne
oogen gespaard gebleven, en dagen lang moest hij gezicht
en armen met boomwol bedekt houden. Zulke ontmoetingen
maakten, terecht, altijd op Tiyo een diepen indruk.
Op deze wijze arbeidende op de statie aan de Mgwali
en onder de Kaffers, die zich in de nabijheid nederzetten,
door prediking en schoolonderwijs, en vooral ook door een
Christelijk voorbeeld, gingen de beide eerste jaren voor Trro
en Johnston voorbij, eer zij vruchten van hun arbeid konden
aantoonen. Toen echter mochten zij het voorrecht smaken,
om hunne eerstelingen uit de Kaffers, twee jonge mannen,
door den heiligen doop, na belijdenis des geloofs, en een
jonge vrouw, die als kind gedoopt was, op belijdenis, open-
lijk in de gemeente aan de Mgwali te mogen opnemen.
Deze drie personen hadden, sedert de stichting der statie, het
catechetisch onderwijs gevolgd, en door hun voorbeeldig ge-
drag, evenals door hun kennis der Schrift, groote voldoening
gegeven. Zij behoorden tot een catechisatie-klas uit 22 per-
sonen bestaande, van welke weinige maanden later nog 5
personen in de gemeente konden worden opgenomen. Van
den geestelijken toestand dezer lieden mochten de beste ver-
wachtingen gekoesterd worden.
Om dezen tijd vonden er ook zeer kennelijke bekeeringen
plaats onder hen, die nog geen geregeld onderwijs ontvin-
gen. Een jonge man, die zich, schaamteloos, aan allerlei
zonden had overgegeven, en van wien de zendelingen, naar
den mensch gesproken, geen verwachting hadden, kwam tot
hen in groote zielsbenauwdheid, met de vraag „wat moet ik
doen om behouden te worden?" en werd een getrouw leer-
-ocr page 91-
77
ling in de catechumenen-klas. Een jonge vrouw, die, insge-
lijks, geleefd had in al de schandelnkheden van het heiden-
dom, en wier betrekkingen een ijverig deel genomen hadden
in de jongste oorlogen, werd door honger naar de statie ge-
dreven, en vond daar, nevens het tijdelijke brood, het gees-
telijke. Zij werd in het hart gegrepen en zocht nu naar de
kennis der waarheid. Garishe, zoo was haar naam, was zeer
ontwikkeld, en daar zij van elke gelegenheid, op de catechi-
satie, en bij de openbare godsdienstige samenkomsten, ge-
bruik maakte, om met het Woord bekend te worden, gaf zij
den zendelingen veel hoop. Haar man, in deze door haar
geleid, volgde haar voorbeeld.
Een ander geval was zeer bemoedigend. Een jonge Kaffer-
vrouw, de dochter van een der oudste leden van de ge-
meente, van een schoon uiterlijk, was tot een diepen val
gekomen. Het duurde lang eer zij tot de belijdenis vanhaar
schuld kwam, en eerder scheen het of zij zich tegen God en
menschen verhardde. Doch eindelijk kwam zij tot veroot-
moediging, en nu viel zij diep voor den Heere, voor hare
ouders en voor de gemeente in de schuld. Het scheen alsot
haar hart gebroken was, en met bittere tranen beleed zjj,
openlijk in de gemeente, hare schuld en groote overtreding.
Aan de oprechtheid van haar berouw scheen geen twijfel te
zijn, en zij werd opgenomen onder de doop-candidaten. De
Geest des Heeren liet zich blijkbaar niet onbetuigd aan de
Mgwali.
Bijzonder treffend en troostend was, ook in dezen tijd, het
afsterven van eene Kaffervrouw, Notassa geheeten, de vrouw
van den ouderling Dükwana. Kort voor haar sterven had zij
haar hart nog eens uitgestort voor haar leeraar, Tiyo, en
hem medegedeeld, hoe zij er toe geleid was, zich geheel in
-ocr page 92-
78
het geloof aan den Heiland over te geven, en dat zij zoo
volkomen in zijn wil kon berusten, ook of zij zou herstellen
of\' heengaan. Weinige dagen later stierf zij. „Ik was ge-
tuige", schrijft Tiyo, „van haar laatsten strijd met den vijand,
en ik dank daar den Heere voor. Van den avond te voren
was zij bewusteloos geweest. Ongeveer een half uur voor
haar heengaan, kwam zij plotseling weder tot haar zelve en
richtte zij eenige woorden tot mij. Ik kon haar in het eerst
niet goed verstaan, doch haar stem werd spoedig helderder.
„Zeg mij, wie is het die daar spreekt?" vroeg zij. „De leer-
aar", was het antwoord. „Tiro?" „Ja." „Kom, laat ik u dan
groeten, mijn leeraar", zeide zij, en dit waren hare laatste
woorden, „want ik heb op gewacht om te kunnen sterven."
Ik drukte hare koude hand in de mijne, en zoo ontsliep zij,
kalm en vreedzaam."
„Het was mij", schrijft Tiyo verder, „steeds zulk een voor-
recht, getuige te mogen zijn van haar eenvoudig maar on-
wrikbaar geloof in den Heere Jezus, en haar blijmoedig ge-
duld te midden van veel lijdens. Notasse is lid der kerk ge-
worden onder de bediening van Chalmers, door wien zij ook
gedoopt werd, te zamen met Festiri. Haar man, Dukwana,
werd vóór haar tot den Heere gebracht. Zij behoorde met
dezen tot de eerste vruchten der Zending onder de Kaffers,
en leverde in haar persoon het zichtbaar bewijs, dat het
Evangelie de behoefte des harten vervult, en geloof, liefde,
vertroosting, blijdschap en vrede brengt, zoowel den onge-
letterden, wilden heiden, als den meest beschaafden, in het
Christendom opgevoed.
-ocr page 93-
79
Op en nabij de Mgwalie-statie, in 1857 met nog geen 200
zielen aangelegd, woonden in 1859 reeds ongeveer 4000 zie-
len. Verscheidene buitenstaties werden in dien tijd aange-
legd, bet getal ouderlingen werd vermeerderd en iedere bui-
tenstatie werd geregeld bezocht en bediend in het Evangelie.
Een dier buitenstaties lag in het district langs de Thomas-
rivier. Toen Tiyo en Johnston die plaats voor het eerst na
hun vestiging aan de Mgwali bezochten, woonde er nage-
noeg niemand. Eenigen tijd daarna \'zette een gedeelte van
het volk van Oba, de zoon van Tyali en kleinzoon van Gaika,
zich hier neder, volgens de bepalingen van het Gouverne-
ment in kleine groepen of locaties. De talrijkste groep telde
41 hutten of ruim 200 zielen. Daar velen van Oba\'s volk ge-
weigerd hadden, om, op bevel van Mhlakaza, hun vee te
slachten, hadden deze lieden betrekkelijk nog veel vee, schoon
toch ook zij gebrek leden, daar de oogst van het vorige iaar
mislukt was. Tijdelijke druk was dezen menschen echter ten
geestelijken zegen.
De hoofdman van de grootste locatie heette Kaka, en
daar de heer Chalmers juist, vroeger, onder Tiyali\'s stam
had gearbeid, en Kaka dus niet geheel onbekend was met de
Zending, had hij gereedelijk z;jn toestemming gegeven tot
de vestiging van een Zending-post aan de Thomas-rivier.
Kaka had zes vrouwen, die hij met strengheid regeerde.
Toen Tiyo en Johnston eenmaal godsdienst hadden gehouden
m zijn kraal, en eener zijner vrouwen zich wat verkeerd te-
gen hem had uitgelaten, gaf hij in de tegenwoordigheid der
zendelingen aan zijn toorn lucht, en dreigde hij de vrouw,
»zoo zij niet dadelijk zweeg haar weg te zenden, daar het
in dezen zwaren tijd toch al zwaar genoeg was om zes vrou-
wen te onderhouden." Veel werkte deze bedreiging niet uit,
-ocr page 94-
80
daar de vrouwen wel wisten, dat zoo hij een hunner weg-
zond, de vader of broeder der dus beleedigde vrouw zooveel
schadevergoeding van Kaka zou eischen, dat deze gemakke-
lijker de vrouw kon blijven onderhouden dan aan zulke
eischen voldoen.
Tegen het einde des jaars 1859 ontving de heer Johnston,
Tiyo Soga\'s medearbeider, een beroep naar de gemeente der
Independenten te Grahams Town, dat door hem, na rijp be-
raad, werd aangenomen.
Tiyo nam het, gelijk wel te verstaan is, zeer ter harte
dat juist om dien tijd, nu het werk onder de Galekas begon
vrucht te dragen, Johnston het arbeidsveld zou verlaten, om
predikant eener blanke gemeente te worden. De Zending-
commissie, in Schotland kon zich met dien stap ook niet
vereenigen en de gemeente, die Johnston beroepen had,
moest zijn reiskosten van Schotland naar Kafferland aan de
Commissie terugbetalen.
Tiyo Soga berustte ten slotte in het besluit door zijn
mede-arbeider genomen, en nam zelfs deel aan diens beves-
tiging, als leeraar der gemeente te Grahams Town. De goede
verstandhouding tusschen de beide broeders werd toen, en
sedert, voor geen oogenblik gestoord. Johnston is steeds ge-
bleven een warme vriend der Zending, en waar hij niet lan-
ger persoonlijk onder de Kaffers kon arbeiden, heeft de
Zending in Kafferland, voortdurend, in hem een trouwe steun
gevonden.
Uit het huiselijk leven van Tiyo Soga valt uit dit tjjdperk
mede te deelen, dat hem, in Januari 1858, een zoon geboren
-ocr page 95-
81
werd. Dat was een vreugde, voor net teedere, liefhebbende
hart! „Mijn zoon" zoo schreef hij, „is zulk een nobel exem-
plaar van het menschdom als men zou kunnen begeeren te
aanschouwen, en het ventje groeit prachtig. Ik heb hem
William Andekson genoemd, naar mijn vriend De. Andebson,
en diens betreurden zoon. Moge hij de deugd en de bekwaam-
heid van beiden beërven." En een paar maanden later, de ge-
lukwenschingen van den vriend aan wien hij eerst geschreven
had beantwoordende, zegt hij: „En zoo is dan mijn zoontje
reeds het onderwerp van ulieder overleggingen geweest!
Welke kleur hij heeft en hoe hij er verder uitziet?" Wel
die nieuwsgierigheid is zeer natuurlijk en zal ik gaarne be-
vredigen. Hij heeft de kleur zijner moeder, met een don-
ker tintje. Over zijn haar (of het kroezig of glad was)
moeten de vrienden uit het ingesloten vlokje maar zelf
oordeelen. Hij is zeer levendig. Ik heb ook reeds eenige
ondervinding van vadervreugde met vaderzorgen, daar ik
hem soms den geheelen nacht op de knie mag houden zon-
der één oog te kunnen sluiten." Geen vader kon gelukkiger
zijn met zijn eersteling, dan Tiyo met zijn lichtkleurigen zoon.
X.
COLLECTE-REIS VOOR EEN NIEUW KERKGEBOUW
AAN DE MQUAL1.
Het gebouwtje door Soga en Johnston, terstond na hun
vestiging aan de Mquali opgetrokken, om dienst te doen
als kerk en school beide, bleek al spoedig te klein, om het
getal hoorders te bevatten, die tot de prediking des Woords
6
-ocr page 96-
82
kwamen. Daarbij werd het aanstonds zoo bouwvallig, dat
het na iedere, eenigszins zware, donderbui, op nieuw moest
worden gepleisterd, en het dak moest worden gestopt. Er
moest dus noodzakelijk een nieuw gebouw worden opgetrok-
ken, en Tiyo, door en door bekend met de gevoelens en be-
schouwingen der Kaffers, was van oordeel, dat het in het
wezenlijk belang der Zending was, om nu een degelijk en,
zooveel mogelijk, sierlijk kerkgebouw op te richten.
Doch.... vanwaar zou het geld komen voor zulk een
gebouw ?
Tiyo Soga wendde zich daartoe vooreerst tot de lieden op
zijn statie, en trachtte hen duidelijk te maken, dat het in de
eerste plaats hun plicht was, om in de kosten voor den bouw
eene nieuwe kerk te helpen voorzien. Hierin was hij, in den
beginne, niet voorspoedig. De Kaffers hadden zoo ontzachelijk
veel geleden in en na den oorlog, en waren werkelijk zoo
arm, dat zij weinig geven konden, en daarenboven waren zij
er nog in het geheel niet aan gewend, o m iets bij te dragen
voor de Zending.
Doch Tiyo was echter besloten, om eerst zooveel mogelijk
onder de Kaffers te verzamelen, voor hij een beroep zou doen
op de hulpvaardigheid der Christenen in de Kaapkolonie en
in Engeland.
Met dit doel hield hij, in het voorjaar van 1860, een pu-
blieke vergadering aan de Mqwali. Er was een goede opkomst
van Christen-Kaffers, doch de heidenen, die op en in de
nabijheid der statie woonden, kwamen eerst, toen alles bijna
was afgeloopen. De vergadering werd geleid door den heer
Charles Bkownlee, de Gaika-Commissaris, die, met Tiyo en
den Zendeling Richard Ross, in warme woorden den bouw
eener nieuwe kerk bepleitte. De Kaffers werden vooral ge-
-ocr page 97-
83
wezen op het groote voorrecht, dat zij genoten onder de
bediening des Evangelies, en bepaald bij de verplichtingen
hen door die voorrechten opgelegd. Dat werd alles door de
Kaffers in roerende bewoordingen beaamd. Doch toen werd
hen gevraagd: „wat ieder nu voor de nieuwe kerk, die £ 500
(ƒ6000) zou kosten, geven wilde?\'1 Op zulk een practische
toepassing hunner eigene betuigingen hadden de Kaffers niet
gerekend, en zij lieten het hoofd een weinig hangen. Ten
slotte werd er een collecte gehouden, die ongeveer & 13 (ƒ156)
opbracht, terwijl koning Sandilli, die tegenwoordig was, een
bijdrage van 5 shillings (ƒ3) per maand beloofde.
Tiyo wendde zich vervolgens tot de Christenen in de Kolonie,
om hulp voor zijn te bouwen kerk. „De heidenen," zeide hij,
zijn er bijzonder op gesteld, om een goede zitplaats in de
kerk te hebben, en die kunnen wij hun thans niet verschaffen.
Ons gebouwtje is te klein en erg bouwvallig, en de ruwe
zitbanken, zonder leuning, zijn zóó ongemakkelijk, dat het
een ware penitentie is, om daar een half uur op te moeten
zitten. Een heidensche Kaffer zeide mij onlangs, kort en
goed, „dat hij wel niet te klagen had over de wijze waarop
wij hem in de week, op de statie ontvingen, doch dat hij
zich, als hij Zondags naar de kerk kwam, behelpen moest
met een plaatsje aan de deur, bij de kinderen, en dat hij
niet meer naar de godsdienstoefening zou komen, voor men
hem van een betere plaats voorzien kon." Ik antwoordde
hem, „dat de beste plaatsen bewaard moesten blijven voor
hen, die behoorlijk gekleed naar de kerk kwamen, en dat
zij, die zich, op Kaffermanier, met roode aarde in-
smeerden wel achter bij de deur moesten blijven, daar zij
anders de kleederen van de anderen zouden vuil maken,"
doch daarmee was hij niet te vreden. Een ruimer gebouw,
-ocr page 98-
84
waarin ook behoorlijk plaats is voor de heidenen, is onmisbaar
op onze statie."
Tiyo\'s beroep op de hulpvaardigheid der Christenen in de
Kolonie, vond een goede plaats in veler hart, en hij ontving
van onderscheiden zijden de uitnoodiging, om, persoonlijk,
in de gemeenten de zaak, die hem zoo aan het harte lag te
komen bepleiten. Hieraan gehoor gevende predikte hij op
den tweede Zondag in April te Grahamstown, in de kerk
van zijn vroegeren medearbeider aan de Mquali, Ds. Johnston,
en sprak hij, tusschen de morgen- en avonddiensten een woord
tot de kinderen op de Zondagsschool. Den volgenden dag be-
zocht hij, van Johnston vergezeld, eenige Christen-vrienden,
tot de onderscheidene Evangelische kerken in Grahamstown
behoorende, en het resultaat dier bezoeken, gevoegd bij de
collecte in Johnston\'s kerk en de bijdragen der kinderen op
de Zondagsschool, was de som van £ 118,10 (f 1422.) Dit was
bemoedigend.
Van Grahamstown reisde Tiyo naar Port-Elizabeth, waar
hij op twee Zondagen den dienst waarnam in de Nieuwe Kerk,
en gedurende de week, onder geleide van den heer G. Kemp,
bij de vrienden der Zending aanklopte, om hulp voor den
bouw zijner kerk. Die pogingen werden bekroond met col-
lecten en bijdragen tot een bedrag van ruim £ 204 (ƒ2456).
Hieronder waren een aantal shillings en kleinere munt, aan
Tiyo overgehandigd door de kinderen eener Zondagsschool,
met de woorden: „dat is omsteenen tekoopen voor uwe kerk."
Dankbaar aan den Heere en den menschen keerde Tiyo van
Port-Elizabeth naar Kafl\'erland terug.
Eenige maanden later begaf Tiyo Soga zich echter weder
op reis, om voor zijn kerkbouw te collecteeren, en wel dit-
-ocr page 99-
85
maal naar de Kaapstad. Toen hij te Port-Elizabeth aan het
collecteeren was, werd hem door meer dan een vriend gera-
den, naar de Kaapstad te gaan en daar, bij de Christen-
vrienden, om hulp aan te kloppen voor den bouw zijner kerk.
Het was hem toen echter niet duidelijk, dat dit in zijn weg
lag, en hij reisde gevolgelijk naar de Mquali terug. En wel
was het dat hij zulks deed, want hem zou straks den weg
naar de Kaapstad gebaand worden op een zeer ongedachte wijze.
In het voorjaar van 1860 nl. werd de geheeleKaap-Kolonie in
een soort van blijde spanning gebracht door het bericht, dat
de tweede zoon van Koningin Victoria, Prins Alfeed, (nu de
Hertog van Edinburg) toen adelborst aan boord van hetoorlog-
schip Euryalus, Zuid-Afrika een bezoek zou brengen, en een
reis zou doen door de Kolonie en naar Natal. Werkelijk arri-
veerde de Prins in Mei te Kaapstad, waar hij door de geheele
bevolking, Hollandsche Afrikaners en Engelschen, door blan-
ken en gekleurden, met onbeschrijfelijke enthusiasme werd ont-
vangen. De Prins, toen slechts een jongeling van 16 jaren, stal
aanstonds ieders hart, door zijn eenvoudigheid, nederigheid,
goed vriendelijk humeur, en hartelijkheid \'), en geen moeite of
\') Ik kan daarvan o. m. het volgende mededeelen. Ik was, tijdens
het bezoek van den Prins, te Kaapstad werkzaam, ook in een ge-
meente van kleurlingen. Juist vóór de komst van den Prins was er, in
een steengroeve aan den voet van Leeuwenstaart (een tak van Tafelberg),
een vreeselijk ongeluk gebeurd; een deel der groeve n. 1. was ingestort, en
een arbeider met zijn vrouw en twee kinderen, tot mijne gekleurde ge-
meente behoorende, hadden onder het puin den dood gevonden. De vier
lijken werden, den volgenden Zondag, onder een ontzaehelijken toeloop
van mensehen, waaronder vele Mahomedanen, op het kerkhof der gemeente
ter aarde besteld, en zelden heb ik indrukwekkender begrafenis bijgewoond.
Ook aan die menigte der Mahomedanen kon dien dag het Evangelie ver-
kondigd worden, zonder dat iemand er aan dacht zich daartegen te verzetten.
-ocr page 100-
80
kosten werd te groot geacht, om hem zijn verblijf in de
Kolonie zoo aangenaam mogelijk te maken. Na eenigen tijd
in de Kaapstad vertoefd te hebben, en o. a., te midden van
groote feestelijkheid, de eerste vracht steen in zee gelaten te
hebben voor de Alfred-docks en de breakwater, ging
hij, onder geleide van den Gouverneur der Kolonie, Sm George
Geey, een reis maken door de Kolonie en Kafferland, en ver-
volgens naar Natal. En op die reis passeerde hij, op kleinen
afstand, Tiyo\'s Zendingstatie.
Den Prins werden, op zijn tocht door de Kolonie, op bijna
iedere plaats, welkomst-adressen aangeboden, die gewoonlijk
door den magistraat of een ander hooggeplaatst persoon werden
voorgelezen en overhandigd. In Kafferland werd die eervolle
taak aan Tiyo opgedragen, en bood hij den Prins een adres
aan namens de lieden zijner statie, en der beide Duitsche
Zendingstations aan Döhne-post. Ook kon hij bij deze gele-
heid beschouwd worden, als de woordvoerder van het groot-
opperhoofd der Gaika-Kaffers, Sandilli, die met een aantal
zijner volgelingen tegenwoordig was. De Prins was zeer in-
genomen met het adres hem door Tiyo aangeboden, en be-
Dc geheele gebeurtenis had daartoe, zoo op blanken als gekleurden, een
te diepen indruk gemaakt.
De overleden man en vrouw nu badden twee kinderen nagelaten, voor
welke de publieke liefdadigheid moest worden ingeroepen. Ik opende een
inteekenlijst en ontving onderscheidene bijdragen. Op zekeren morgen werd
ik verrast door het bezoek van een net gekleed persoon, die mij vijf
pond sterling overhandigde „met de complimenten van den
Prins, en dat het hem leed deed mij niet meer te kunnen
geven voor die weeskinderen maar... hij had niet meer." Ik
vernam later, dat Lady Gbey, de echtgenoot van den Gouverneur, de aan-
dacht van den Prins gevestigd had op mijn verzoek om hulp voor de
weezen, en dat hij werkelijk gegeven had boven vermogen, daar hij betrek-
keiijk over slechts weinig geld te beschikken had.
                          Scmt.
-ocr page 101-
87
antwoordde het op zijne gewone hartelijke wijze. Sandilli
en zijne Kaffers vormden vervolgens een soort van eerewacht,
om den Prins eenigen mijlen ver te begeleiden, en Tiyo, met
den heer Brownlee, de Gaika-Commissaris, vergezelde hem.
Juist toen zij zouden terugkeeren, ontving Tiyo een verzoek
van den Prins en van den Gouverneur „dat hij Sandilli zou
vergezellen, op een reis naar de Kaapstad." Sir Geokge Grey,
die Sandilli, terecht, geen oogenblik vertrouwde, wilde dezen
de Kaapstad laten zien, om hem eenigszins te brengen on-
der den indruk van Engelands grootheid en macht, en hem
tevens te overtuigen van Engelands goedwilligheid jegens
zijn persoon en zijn volk. Doch Sandilli, die zich herinnerde
hoe vele Kafferhoofden reeds op Robbeneiland, aan den in-
gang der Tafelbaai, gevangen zaten, en wiens geweten luide
moest getuigen, dat hij genoeg kwaad had gedaan of toe-
gelaten — ten minste in de oogen der Engelschen —, om
als candidaat voor Robbeneiland te worden aangemerkt, had
in die reis, vooral over zee, weinig lust. Ten slotte gaf hij
zijn toestemming maar op voorwaarde, dat zoowel de heer
Brownlee als Tiyo Soga hem naar de Kaapstad zouden ver-
gezellen. x) Vandaar nu het verzoek van den Gouverneur en
\') Sandilli\'* volk was er over het algemeen beslist tegen, dat hij naar
de Kaapstad zou reizen. Toen hij te Port-Elizabeth was aangekomen en aan
boord van het stoomschip zou gaan, kwamen er nog eenigen, die hem
bezwoeren, om toch terug te keeren want „dat hij groot gevaar liep, om,
óf op Robbeneiland gevangen te worden gezet óf in de Kaapstad te worden
opgehangen." „Geen nood", zeide Sandilli toen, „want ik heb mijn ma-
gistraat Brownlee, en mijn leeraar Tiyo Sooa bij mij." „Ah," zeiden de
Kaffers, „daar zit het nu juist in. Als de Engelschen iemand ophangen
wordt hij alt ij d door een Magistraat en een Leeraar naar de
galg vergezeld." De arme Sandilli had sedert rust noch duur, tot hij
weer veilig uit de Kaapstad in Kafferland terug was.
-ocr page 102-
88
den Prins, dat Soga de reis naar de Kaapstad zou medema-
ken. Tiyo bedacht zich niet lang. Hier werd hem een schoone
gelegenheid geboden, om de Kaapstad te bezoeken en voor
den bouw zijner kerk te collecteeren; die weg was kennelijk
van den Heere, en daar hij slechts te volgen had waar de
Heere leidde, nam hij de uitnoodiging dankbaar aan.
De Prins zette nu zijn reis voort over land naar Natal,
terwijl Sandilli met acht zijner raadslieden, Tiyo Soga met
twee zijner ouderlingen (zijn broeder Festiri en Dükwana), en
de heer Beownlee naar Port-Elizabeth reisden, om van daar
per Euryalus naar Natal te stoomen, waar de Gouverneur
en de koninklijke gast weer aan boord zouden komen. Om-
trent die reis teekende Tiyo o. a. het volgende aan:
„Donderdag 30 Aug. 1860. Daar de branding zeer hoog en gevaarlijk
was, konden wij niet aan boord der Euryalus gebracht worden voor
Maandagmorgen, schoon wij reeds Zaterdagmorgen gereed waren om in
te schepen. Den gansehen Zaterdag en den volgenden Zondag waren wij
in groote spanning, ieder oogenblik verwachtende, dat wij aan boord zou-
den kunnen gaan. Zoo heb ik ook Zondag niet kunnen prediken vóór
\'s avonds, toen het zeker was dat wij, ten minste nog den nacht, aan wal
zouden moeten blijven. Ik heb toen \'s avonds gepredikt voor Ds. Haksant.
Den volgenden morgen vroeg zijn wij aan boord van het fregat gegaan.
Het is een vaartuig van den 2<ien rang, doch in ons oog een wonder der
wonderen. Het schip voert 51 groote kanonnen en zeker de grootste, die
ik ooit gezien heb. Dan heeft het nog 6 kleine kanonnen, die ook op het
land kunnen gebruikt worden. Er zijn 540 manschappen aan boord, en
de orde, die er onder hen heerscht, is merkwaardig. Onze Kaffers zijn
stom van verbazing over al wat zij op de Euryalus zien. Tot heden
hebben zij echter weinig van de zeereis genoten, daar allen jammerlijk
zeeziek zijn, Festibi uitgezonderd, die evenmin als de heer Beownlee
en ik zelf van de zeeziekte to lijden had. Dukwana daarentegen was
zeer zeeziek, Gisteravond slingerde het schip vreeselijk, en de Kaffers
dachten dat nu alles met ons gedaan was. Daar de wind tegen is zal het
wel een week duren eer wij Natal bereiken.
-ocr page 103-
89
„De vriendelijkheid, voorkomenheid en beleefdheid van den kapitein en
zijn officieren jegens ona is opmerkelijk. Van Sandilli en zijn raadslie-
den wordt veel werk gemaakt, Zij hebben een hut voor zieh alleen en
worden door twee negers bediend. De heer Bkownlee en ik eten met
den kapitein, Tableton, en den Luitenant-Gouverneur-Generaal Wynïabd,
aan tafel. Wij moeten dus in gala aan het diner verschijnen. Op den dag,
dat wij aan boord kwamen gaf de kapitein, ter eere van zijne gasten, een
groot diner. Ik meende dat dit de orde van den dag zou zijn en had
waarlijk gewetensbezwaren, om, dagelijks, zulke spijzen te gebruiken. Ik
gevoelde, dat het te kostelijk was voor iemand zoo als ik, en besloot mijn
excuus te maken in het midden van den maaltijd. Gelukkig werden de
diners later wat matiger.
„1 Sept. 1860. Nog altijd op zee en veel met tegenwind te kampen. Wij
hebben nu zes dagen reis, terwijl wij, met eenigszins gunstiger wind, Na-
tal in drie dagen zouden hebben kunnen bereiken. Nu hopen wij morgen-
avond de Natal-baai te zullen bereiken. Onze reisgenooten zijn aan het
herstellen van de zeeziekte en worden weer opgeruimd, nu wij in het ge-
zicht van het land zijn. (De open zee is voor de Kaffers verschrikkelijk.)
„Dinsdag i Sept. Eindelijk, na een reis van acht dagen, te Natal gear-
riveerd. Gisteren woei het zeer sterk en hadden wij hooge zeeën, zoodat
het schip vreeselijk slingerde Van morgen liet de broeder van Sandilli
ons lachen door zijne opmerking: „Waarlijk," zeide hij, „geen mensch
kan ooit van schrik sterven. Ware dat mogelijk, dan zou ik gisteravond
zeker gestorven zijn." Een der Kafferhoofden, de oude Tyala, lag gedu-
rende den storm, met de armen over zijn hangmat geslagen, aldus te filo-
sofeeren: „Ah. Zoo zoo! En dit is nu het leven genieten. Wel wel!" Onze
Kaffers zullen, hun leven lang, deze reis niet vergeten.
„De Prins, die overland naar Natal zou reizen, is nog niet te Durban,
de havenstad van Natal, gearriveerd, doch wordt spoedig, via Pieter-Ma-
ritzburg, hier verwacht. De heer Bbownlee, Dükwana en een paar ande-
ren zijn naar den wal gegaan, doch ik ben aan boord gebleven en hoop
morgen iets van de stad te gaan zien.
„Donderdag 6 September. De Prins is hedenmorgen vroeg aan
boord gekomen, zoodat er geen kans voor mij was, om aan wal te gaan.
Dit spijt mij, daar ik den kapitein zou vergezeld hebben naar Dur-
ban. Hedenavond hebben wij Natal-baai weer verlaten, op reis naar de
Kaapstad, De Prins ziet er bijzonder wel uit. Op zijn reis door de Kolo-
oie en naar Natal heeft hij zich bijzonder met de jacht bezig gehouden,
en is er meer dan 600 Btuks groot wild geschoten. De Prins met eigen
-ocr page 104-
90
hand, 24 stuks ... Er wag hedenavond gala-diner aan boord. De Gouver-
neur, Sir George Grey, is bijzonder vriendelijk.
„13 September. Het is even ongelooflijk als teleurstellend, dat onze
reis van Natal precies zoo tegenspoedig is als daarheen. Dit is nu de
8ste dag, dat wij op reis zijn; de wind is erg tegen. Wij zijn allen moede
van de reis, en zullen recht dankbaar zijn als de Heere, in zijn goede
Voorzienigheid, ons behouden te Kaapstad brengt. . . Gisteren heb ik mij,
met een adres tot den Gouverneur gewend, ZEx. verzoekende, om, mocht
dit noodig blijken, een tweede statie te mogen oprichten. Ook, om ons
de grondbrieven der statie te laten uitreiken, en een stuk lands te ge-
ven ten behoeve onzer scholen. Sir George Gkey heeft al mijne verzoe-
ken toegestaan. Zijne Excellentie heeft ook zeer vriendelijk aangeboden,
zijn naam te plaatsen aan het hoofd mijner inteekenlijst. Hij denkt, dat
ik wel slagen zal te Kaapstad met de collecte voor onze kerk. Ik hoop
dat het zoo zijn moge, doch koester geen groote gedachten. Wij zullen zien."
„De Prins zal, zoo God hem spaart en hij niet op verkeerde wegen ge-
leid wordt, een nobele figuur worden. Hij is nu 16 jaren oud, een leeftijd
waarop jongelieden gewoonlijk groote gedachten van zichzelven beginnen
te koesteren en soms lastig worden. Daarvan is echter bij den Prins geen
spoor. Integendeel schijnt zijn bescheidenheid te grenzen aan bloóheid.
De Prins is een knaap geheel en al, en houdt van een grap zoo goed als
de beste."
Na een bijzonder lange reis van 9 dagen arriveerde de
Euryalus eindelijk, den 15den September, voor de Kaapstad.
Tiyo Soga werd aan de landingsplaats opgewacht door Ds.
W. Thompson, pred. der Independenten-gemeente te Kaapstad,
en agent van het Londensche Zendinggenootschap, wiens
gast hij zou zijn.
Den volgenden Zondag preekte hij, \'s morgens, in de Union
Chapel, de kerk der Independenten, en \'s avonds, voor Ds.
Morgan in de Schotsche Kerk, en telkenmale kon het kerk-
gebouw nauwelijks de schare van hoorders bevatten. Zoo
was het trouwens telkens in de Kaapstad en elders, waar hij
optrad, om het Evangelie te verkondigen, en te pleiten voor
de Zending onder de Kaffers.
-ocr page 105-
91
Het was in die dagen, dat de Hollandsche Kerk in de
Kaapkolonie vrjj onzacht uit hare jarenlange rust was wak-
ker geschud, door het optreden van eenige jonge predikan-
ten, die driestweg verklaarden, dat zij met de oude leer ge-
broken hadden en „nieuw licht" zouden ontsteken. Het wa-
ren Kapenaars, die aan de Universiteiten in Holland
studeerende, in de moderne beginselen van Schriftbeschou-
wing waren ingeleid, en, in hun Vaderland teruggekeerd,
een moderne partij in de Kerk wilden vormen. Woordvoer-
ders onder dezen waren Ds. J. J. Kotzé, pred. te Darling
nabij Kaapstad, Thomas Burgers, pred. te Hannover, Leib-
brandt, pred. te Victoria-West e. a. Zij werden gesteund
door de Liberalen en Groningers, die sedert jaren een soort
van partij hadden gevormd in de Kaapsche Kerk tegenover
de Confessioneelen, doch die, uit gebrek aan degelijke woord-
voerders, weinig in het openbaar van zich hadden laten hoo-
ren. Bijna als door een tooverslag stond er nu een Moderne
partij op, en vooral in de Kaapstad en omstreken werd de
nieuwe leer, door die jonge predikanten, met meer of min-
der omzichtigheid verkondigd, breed besproken. En waar
toen door leeraren in de Kaapsche Kerk het gezag der
Schrift werd aangerand; de Godheid des Heeren Jesu Christi
in twijfel werd getrokken of bestreden; het gebed, in dagen
van groote droogte bijv., om regen, bespot werd; de leer der
verzoening door voldoening ontkend; toen predikte de Kaf-
ier Tiïo Soga in de Kaapstad, Christus en dien gekruist. En
dat zoo duidelijk, zoo beslist, zoo indrukwekkend mogelijk.
Onwillekeurig verkreeg men onder die prediking terstond
den indruk, dat de prediker sprak uit de diepste overtuiging
des harten, en dat waar hij Christus, de Zone Gods, God
geopenbaard in het vleesch, verkondigde als de eenige Mid-
-ocr page 106-
92
delaar Gods en der menschen, als het Lam van God, dat de
zonde der wereld wegneemt, als de Borg van zijn volk, hij
sprak als eenen, die geloofde, en aan zijn hart had onder-
vonden wat zijne lippen uitspraken. En onwillekeurig ge-
voelde men, dat het optreden van dien ernstigen, begaafden
Kaffer-prediker, te Kaapstad, juist in die dagen, in den weg
Gods een protest was tegen de leugenleer, die door predi-
kanten, in het Christendom geboren en opgevoed, nu in
woord en schrift in de Kaapsche Kerk werd verkondigd.
Tiyo\'s gastheer, Ds. Thompson, teekent omtrent zijn gast
het volgende aan:
„Hij heeft een veertien dagen onder ons dak verkeerd, en heeft zich,
al dien tijd, door zijn waardig gedrag en ongekunstelde manieren, vereenigd
met zijn verstandelijke ontwikkeling en godsvrucht, in niets van de be-
schaafdste en ontwikkeldste onzer vrienden onderscheiden, dan door zijn
bruine kleur. In don dagelijkschen omgang, hoe vrij en ongedwongen ook,
scheen hij nooit te vergeten, dat hij een dienaar des Evangelies was, en
daalde hij nimmer af tot iets, dat beneden zijn hooge roeping zou kunnen
worden geacht. Daarbij zocht hij, kennelijk, steeds het geestelijk goed
voor de Kaffers, zijne „broeders naar het vleesch," en achtte hij het de
grootste en hoogste eere, onder hen als Zendeling te mogen arbeiden. Ik
weet niet hoe het was, maar in zijn tegenwoordigheid kwamen mij gedurig
de namen van Cypbiaïtcjs, Tektcllianüs, Auqustinus en anderen voor den
geest, die in Noord-Afrika de kruisbanior geplant hebben, en de eerste-
lingen waren van den rijken oogst, die dit Vasteland nog heeft voort te
brengen."
„Tito Soga heeft onderscheidene malen te Kaapstad gepredikt, en heeft
daarmede steeds groote voldoening gegeven. Tweemalen heeft hij voor mij
den dienst waargenomen in mijn eigen kerkgebouw, dat telkenmale zóó
bezet was, dat velen geen plaats konden bekomen. Zijn preek vooral over
Matth. 20: 30, „toen zij hoorden dat Jezus voorbijging" was zeer krachtig
en heeft een diepen indruk gemaakt. De beelden waren gepast, de taal
was gekuischt en de voordracht plechtig en tegelijk teder, — de vereeni-
ging van getrouwheid en liefde. Het viel mooielijk, om er aan te twijfelen
-ocr page 107-
93
dat Jezus toen „voorbijging" zonder dat sommigen ten minste er toe ge-
leid werden, om uit te roepen: „Gij Zone Davids, erbarm U onzer!"
„Een avond werd zeer aangenaam door ons gesleten ten mijnen huize
met het Opperhoofd Sandilli en zijne raadslieden. Opmerkelijk was het
bij die gelegenheid, te zien hoeveel achting door Sandilm en de zijnen
aan Soga werd bewezen. Het was de achting voor den man en het ambt,
dat hij bekleedde; de eerbied van geboorte-rang gebracht aan beschaving,
Christendom, zelfverloochening. Het zou een prachtig onderwerp geweeBt
zijn voor het penseel van een schilder."
Door de leeraren der onderscheidene Kerken in de Kaap-
stad werd Tiyo Soga, over het algemeen, als een Broeder en
met onderscheiding ontvangen. Zoo werd hij o. a. ingeleid,
als gast, op een break fa st-meeting, — een samenkomst
van predikanten tot verschillende Kerken behoorende maar
één in hun belijdenis van den Christus, tot bijbellezing en
gebed, waarna gezamenlijk het ontbijt genuttigd werd, — om
de 14 dagen bij beurtwisseling ten huize van een hunner
te Kaapstad. De leden dezer vereeniging hadden het recht,
om evangeliedienaren als gast te introduceeren, van welk
recht ook ruim gebruik gemaakt werd, om Zendelingen,
die, op hun reis, uit Europa en Amerika naar het Bin-
nenland, de Kaapstad aandeden bij de Broederen in te lei-
den, en hen den Heere op te dragen. Zoo kwam Tiyo ook
in aanraking met de meeste leeraren in de Kaapstad. En het
was langs dien weg, dat schrijver dezes met hem kennis maakte,
en in een broederlijke betrekking tot hem kwam, die, tot
aan zijn dood, door niets gestoord is geworden.
Tiyo\'s pogingen, om gelden te verzamelen voor de te bouwen
kerk werden ook te Kaapstad met goed gevolg bekroond. De
Gouverneur verleende hem, uit \'s lands kas, de som van £ 50.
Die bijdrage bracht Tiyo echter aanvankelijk in verlegenheid.
De Kerk, tot welke hij behoorde, veroordeelt, in beginsel,
-ocr page 108-
94
het ontvangen van ondersteuning uit de publieke kas voor
kerkelijke doeleinden, en hoe kon hij nu dit geld aannemen?
Daartegenover stond, dat hij er niet om gevraagd had, en
dat het hem alleen gegeven werd voor den bouw zijner school
en kerk, — niet bepaald voor „kerkelijke doeleinden" in den
zin door de Vereenigde Presbyteriaansche Kerk veroordeeld.
Daarbij kwam ook de bijna onoverkomelijke moeielijkheid, om
deze gift te weigeren aan een man als Sm George Geey, die
zoo op elke wijze het welzijn der inboorlingen trachtte te
bevorderen. Zoo besloot Tiyo de £ 50 dankbaar aan te nemen,
onder voorbehoud echter, van de goedkeuring der Zending-
Commissie in Schotland. Mocht die Commissie er tegen zijn,
dat hij het geld behield voor zijn kerk, dan zou hij het aan
den Gouverneur terug geven.
Behalve deze & 50, collecteerde Tiyo Soga in de Kaapstad
nog ruim £ 100, terwijl, wat nog wel het beste was, een
aantal Christen-vrienden zich verbonden tot eene jaarlijksche
bijdrage ten behoeve der Zending aan de Mquali.
Prins Alfred had reeds op de reis van Natal naar de
Kaapstad, aan boord der E u r y a 1 i s, op zeer bijzondere wijze
zijn achting en toegenegenheid voor Tiyo Soga geopenbaard.
Zoo was bijv. voor Koning Sandilli en zijne raadslieden een
verblijf tusschendeks ingericht, waar zij ook spijsden, terwijl
Tiyo in het achterschip logeerde en met den Prins aan tafel
zat. Meermalen werd hij ook gevraagd, om het gebed voor
den maaltijd te doen, dat anders steeds door den Episcopalen
scheeps-kapellaan of door den kapitein geschiedde. In de
Kaapstad gaf de Prins aan Tiyo weer nieuwe blijken zijner
toegenegenheid en hoogachting, o. a. in het geschenk van
een prachtigen Bijbel, met zilveren beslag, waarop een toepasse-
-ocr page 109-
95
lijk inscriptie. Zoo eerde de Prins, voor de oogen van blanken
en heidenen, den Christen-Kaffer en het ambt, dat Soga be-
kleedde, — tot groote bevordering ook van de taak, die thans op
Tiyo\'s schouder rustte: de bo uw der kerk op zijne Zendingstatie.
Had Tiyo langer in de Kaapstad en omstreken kunnen
vertoeven, dan zou hij nog meer voor den kerkbouw hebben
kunnen verzamelen, doch de duur van zijn verblijf was be-
paald. Hij was met Sandilli naar de Kaapstad gekomen en
moest met hem naar Kafferland terugkeeren, en het Kaffer-
hoofd begeerde al spoedig terug te gaan naar zijn Kraal.
„De Kaapstad was mooi; het citadel sterk; de dokken enz.
waren onbeschrijfelijk; er werd hem allerlei eer aangedaan,
maar___ vlak tegenover de Kaapstad lag Robbeneiland,
en___de Gouverneur kon het nog eens in het hart hebben
of krijgen om hem daarheen te zenden." Zoo redeneerde
Sandilli en gevoelde zich gevolgelijk in de Kaapstad gan-
schelijk niet op zijn gemak. Men moest hem zelfs, zonder
het hem te laten merken, bewaken, opdat hij niet zou ont-
vluchten. Zoo werd dan bepaald, dat hij en de zijnen met
de mailboot zouden vertrekken naar East-Londen, de haven
van Kafferland, en moest, gevolgelijk, Tiyo Soga tegelijk naar
Kafferland terugkeeren.
De terugreis geschiedde in de Wal den si an, die den
Isten October de Tafelbaai verliet en, na een stormachtige reize,
Vrijdag den 5den October, behouden te East-Londen arriveerde.
Vv einige dagen later was Tiyo weer in het midden der zijnen.
„De goede hand onzes Gods," zoo schreef hij kort na zijne
aankomst aan Ds. Thompson te Kaapstad, heeft ons (hem en
zijne reisgenooten) in veiligheid terug gebracht in het mid-
-ocr page 110-
96
den onzer familie-betrekkingen en vrienden. De reis van de
Kaapstad naar Port-Elizabeth hebben wij afgelegd in 48
uren, — m. a. w. zóó snel als de Waldensian het nog
nooit gedaan heeft. Onze reis van Port-Elizabeth naar East-
Londen was echter onstuimig en duurde lang, zoodat wij
eerst Vrijdagavond aan land kwamen. Den volgenden morgen
vertrokken wij, met onzen vriend, Lion Cachet, te paard naar
King Williamstown, waar wij tegen het vallen van den
avond aankwamen. Den volgenden dag, sabbath, een buiten-
gewonen regendag — preekten de heer Cachet en ik voor
Ds. John Brownlee.
Maandag morgen scheidde ik van den heer Cachet en ging ik
met de heer Brownlee en mijne schoonzuster, naar de Mquali.
Ongeveer 12 mijlen van de statie, juist nadat de heer Brownlee
mij had verlaten, werd mijn paard „flauw", en zoo moest ik
de laatste 8 mijlen (Eng.) te voet gaan. Do\'m ik ging naar
huis, en de gedachte aan mijn vrouw, mijne kinderen en
lieden op de statie gaf mij kracht zoodat ik goedsmoeds mijn
weg kon vervolgen.... Op de statie vond ik alles, over het
algemeen genomen, in goede orde.... „De Heere is onzer
gedachtig geweest."
Daar Tiyo Soga zelf hier den naam noemt van den schrijver
dezes, zal het dezen niet geheel ten kwade geduid worden in
het korte mede te deelen, op welke wijze hij er toe geleid is
geworden, met hem naar Kafferland te reizen, en eenige per-
soonlijke ondervindingen, op Tiyo Soga en zijn werk betrek-
king hebbende, hier te laten volgen, in plaats van als noot,
achter aan het werk te worden toegevoegd. Hieraan mag een
kort hoofdstuk — in parenthesis — gewijd worden.
-ocr page 111-
97
XI.
„IN PARENTHESIS".
Gelijk reeds werd medegedeeld, leerde ik Tiyo Soga kennen
op een der veertiendaagsche samenkomsten van leeraars, in
de Kaapstad en omstreken, tot het lezen van Gods Woord
en gebed, door een ontbijt besloten. Ik gevoelde mij terstond
zeer tot hem aangetrokken en noodigde hem naar mijne
woning. Gedurende zijn verder verblijf in de Kaapstad had
ik menig ernstig gesprek met hem, over zijn arbeid in den
wijngaard des Heeren, en ook over mijn eigen weg en werk.
En zoo gebeurde het, dat hij, kort voor zijn terugkeer naar
Kafferland, gansch onverwacht tot mij zeide: „Broeder, gij
moet met mij mede naar Kaffraria."
Daar was reden toe.
In Juni 1858 te Kaapstad gearriveerd als licentiate bij
de Vrije Schotsche Kerk, en dus nog niet tot de bediening
der sacramenten geordend, had ik mij, kort na mijn aan-
komst, gewend tot den Actuarius Synodi der Kaapsche Kerk,
Ds. Abr. Fauee, met verzoek om legitimatie, volgens de
reglementen dier Kerk. Niet juist om gevestigd predikant in
eene gemeente te worden, maar omdat het mij was duidelijk
gemaakt, dat ik niet naar mijn begeeren, vrij en behoorlijk,
als zendeling, bijname onder de Mahomedanen, in verband
met de Kaapsche Kerk, zou kunnen arbeiden zonder eerst,
op de gewone wijze, als Cand. tot den H. Dienst, te zijn
gelegitimeerd. De Actuarius, schoon eerst bereid, om ter-
stond aan mijn billijk verzoek te voldoen, was later van
nieening, dat de Synode er over beslissen moest, en die zou
niet vergaderen vóór 1862.
7
-ocr page 112-
98
Aan werk ontbrak het mij intusschen niet. Terstond na
mijn aankomst werd mij, tijdelijk, de dienst in de St. Stephens-
gemeente (Ned. Geref. Kerk) te Kaapstad, en de predikdienst
aan de Groenepunt — het Scheveningen der Kapenaars —
toebetrouwd. Nadat in 1859 Ds. Hendrik Faure als predikant
in de Stephens-gemeente bevestigd was, werd mij door de
Synodale Zendingcommissie, het Zendingwerk onder de
Mahomedanen in de Kaapstad opgedragen, en in verband
hiermede bediende ik de kleine gekleurde Eben-ezer gemeente,
te Kaapstad. Daar ik nu nog niet geordend was, kon ik
de sacramenten niet bedienen, en dat werd mij hinderlijk
in mijn werk. Ik had wel terstond kunnen geordend
"worden als zendeling der Kaapsche Kerk, docb geen tweeërlei
„ordening" erkennende, moest ik, naar het scheen, ongeor-
dend blijven tot de Synode mijn rechtmatig aanzoek om
legitimatie zou hebben toegestaan.
Over een en ander met Tiro sprekende, maakte hij mij
indachtig, dat het Presbyterium der Vrije Schotsche Kerk
in Kaffraria met dezelfde macht bekleed was als de Pres-
byteriums dier Kerk in Schotland, ten minste wat betrof
het ordenen van leeraars, en dat ik mij eenvoudig tot dat
Kerkbestuur had te vervoegen, om ordening. Ik sprak hier-
over verder met de Zendingcommissie en met andere vrien-
den, en het gevolg der overleggingen was, dat ik in gezel-
schap van Tiyo Soga naar Kafferland zou reizen.
Gelijk reeds gezegd is, zouden wij den lsten October per
mailboot Waldensian vertrekken. Het stormde dien dag
op recht Kaapsche wijze — en dat zegt zoo iets, — doch
niettemin verlieten wij tegen den middag de Tatelbaai.
Met den wind en den stroom in ons voordeel vorderden
-ocr page 113-
99
wij snel, ten minste voor een stoomboot als de schier
afgeleefde Waldensian. Het was overigens geen plei-
zierige reis. De niet groote boot slingerde dat het een
aard had; de slaapplaatsen waren donker, vuil en benauwd;
in de salon was, met zoo vele passagiers als wij aan boord
hadden, geen ruimte; Sandilli en zijn Kafters, die gelukkig
tusschendeks logeerden, droegen niet bij, om de atmosfeer op
het schip behagelijk te maken; en een aantal honden der
Kaffers liepen, twee aan twee gekoppeld, vooral des nachts,
jankende rond, zoodat slapen bijna onmogelijk werd.
Daarbij kwam de zee-ziekte, enz. Het was dus een ware
verademing toen wij reeds des Woensdagsavonds, dus na
slechts 48 uren reis, voor Port-Elizabeth ten anker kwamen.
Dien nacht sliepen de meeste passagiers, waaronder ik zel-
ven, aan den wal.
Den volgenden dag werd de reis voortgezet, doch nu had-
den wij zoo met tegenwind te kampen, dat wij eerst Vrijdag-
middag voor East-Londen arriveerden. Het was reeds zóó
laat, het weder was zóó stormachtig en de zeeën liepen zóó
hoog, dat het nog de vraag was of wij wel zouden kunnen
landen, en of wij niet zouden moeten doorstoomen naar
Natal-baai, een paar etmalen verder. Na lang wachtens
echter kwam er een surf boot, om de passagiers en de
brievenmaal aan wal te brengen.
Deze surfbooten zijn best te vergelijken bij onze koren-
schuiten; zij worden door middel van een kabel, die over
katrollen loopt en aan ankers bevestigd is, in beweging ge-
bracht. Vóór de boot de branding nadert worden de luiken
bijna hermetisch gesloten, zoodat de passagiers in het duis-
ter zitten en nagenoeg zonder luchtverversching. Wat dit laatste
in ons geval beteekende; met een paar dozijn zeezieke Kaf-
-ocr page 114-
100
fers en een aantal honden aan boord; weigert de pen te be-
schrijven. Doch ook aan dat tobben kwam een einde, en
tegen vijf ure \'s middags, waren wij veilig geland te East-Londen,
toen een modderpoel met eenige weinige huizen en niet weinig
pretentie, als d e havenstad van Kaffraria en het Binnenland.
Wij bleven dien nacht te East-Londen en reisden den vol-
genden dag, te paard, naar King-Williamstown. Ons gezel-
schap bestond nu uit Tiyo Soga, den heer Brownlee, de
Gaïka-commissaris, onder wiens zorge Sandilli ook op de
terugreis naar Kafferland gesteld was; Ds. Laing, de zoon
van den zendeling Laing, van Burnshill, pas uit Europa
teruggekeerd, en mij zelven. Van East-Londen naar King-
Williamstown, is een reis van 40 Eng. mijlen, en toen wij
\'s avonds in laatstgenoemde plaats aankwamen was ik meer
dan moede. Tiyo en ik vonden een hartelijke ontvangst, on-
der het gastvrij dak van den ouden, eerwaardigen zendeling
Brownlee, voor wien wij den volgenden dag, moede of niet
moede, den dienst moesten waarnemen.
Tiyo Soga werd te King-Williamstown opgewacht door
de zuster zijner echtgenoote, Mej. Burnside, eene vriendelijke
jonge dame, die haar schoonbroeder recht zusterlijk begroette.
Het was een vreemd gezicht, den donkerkleurigen Tiyo zoo
gemeenzaam te zien met eene blonde dochter van het Noor-
den; ten minste het trof mij zoo. En dat niettegenstaande
ik Tiyo had leeren hoogachten, niet slechts om zijn Christe-
lijk karakter maar ook als welopgevoed man. Doch het was
in Afrika iets zóó ongehoords en vreemds, een geboren Kaf-
fer als broeder te zien omgaan met een blanke dame, dat
ik er mij niet terstond in vinden kon. Dubbel begeerig werd
ik echter, om Tiyo in zjjn eigen woning en in zijn huisse-
lijken kring te mogen gadeslaan.
-ocr page 115-
101
Maandag 8 October, des morgens vroeg, vertrok Tiyo Soga
naar de Mqwali, en nam Dr. Laing mij mede, al weer te
paard, naar de statie van zijnen vader te Burnshill, aan de
Kei-rivier, waar wij tegen den avond aankwamen. Den vol-
genden dag zette ik, onder begeleiding van eenen Kaffer, de
reis voort naar L o veda! e, de bijna wereldberoemde zen-
dingstatie der Vrije Schotsche Kerk, in Kafferland. Hier
vond ik een bijzonder vriendelijke en gastvrije ontvangst on-
der het dak van den waardigen zendeling Ds. Govan, de
vriend en voedstervader van Tiyo, en maakte ik kennis met
de zendelingen Bryce en Richaed Ross, en met Ds. Calder-
wood, nu Civiele Commissaris te Alice, en met andere Broe-
ders. Zonder verwijl werd er nu een buitengewone vergade-
ring van het Presbyterium gehouden, op welke mijn
verzoek om ordening in overweging genomen, en een-
parig werd toegestaan. Daar volgens de reglementen der
Schotsche Kerk de Candidaten tot den Heiligen Dienst, vóór
hun ordening, een peremptoir examen hebben af te leggen,
moest ik mij daaraan ook onderwerpen, en deed ik dat
examen op den 18den October. Het Presbyterium bepaalde
toen, dat de ordening acht dagen later zou plaats vinden, in
de Schotsche kerk te Alice, nabij Lovedale. En van die
acht dagen maakte ik gebruik, om Tiyo Soga een bezoek te
brengen, op zijn statie aan de Mqwali.
De reis daarheen moest, bij gebrek aan ieder publiek mid-
del van vervoer, te paard geschieden, dat mij niet berouwde,
daar ik op deze wijze het best met de landstreek, die ik te
doorreizen had, bekend zou worden. Een der docenten aan
het seminarium leende mij zijn paard, en een der kweeke-
lingen, een jongen Kaffer, zou mij begeleiden naar de statie
van den zendeling Laing, wiens zoon, mjjn vroegere reis-
-ocr page 116-
102
gezel Dr. Laing, dan verder mijn gids zou zijn naar de Mqwali.
Van al het noodige voor de reis door de Broeders rijkelijk
voorzien, verliet ik, Vrijdagmorgen, 19 October, de gastvrije
woning van Ds. Govan, en bereikte ik tegen den middag
Buenshill. Na daar het middagmaal gebruikt te hebben,
zette ik, nu in gezelschap van Dr. Laing, de reis voort, om
nog voor den avond een zendingstatie der Episcopaalsche
Kerk aan de Keiskamma-rivier te bereiken. De weg leidde
door een der schoonste gedeelten van Kafferland, langs het,
met dicht geboomte begroeide, Amatola-gebergte, en over den
zoogenaamde Booma-pass, waar, in den Kafferoorlog van
1850, op den dag vóór het Kerstfeest, zoovele Engelsche
soldaten onder de kogels en assegaaijen der Kaffers den
dood vonden. Aan de andere zijde van den bergpas, nabij
de Keiskamma-rivier, stond een fort, door Engelsche troepen
bezet, en een weinig verder was een „hotel", waar wij afzadelden
en ons een weinig verkwikten. Tegen den avond bereikten
wij eindelijk de zendingstatie, waar wij den nacht zouden
doorbrengen. Schoon wij den zendeling, den Eerw. heer
Greenstock, geheel onbekend waren, en gansch onverwacht
een beroep kwamen doen op zijn gastvrijheid, werden wij
op de meest voorkomende wijze ontvangen en geherbergd.
Trouwens, de gastvrijheid der zendelingen in Zuid-Afrika,
bij name ook in Kafferland, was toen, en is zeker nog,
spreekwoordelijk.
Den volgenden morgen, zeer vroeg, gingen wij weder op
reis, in de hoop om tegen den middag de plaats te bereiken
van den heer C. Brownlee, de Gaïka-commissaris, en ik dan
nog vóór den avond bjj Tiïo Soga zou kunnen zijn. Doch,
na eenige uren rydens kwamen wij op een onafzienbaar
plateau, minstens 5000 voet boven de oppervlakte der zee,
-ocr page 117-
103
en werd het ons duidelijk, dat wij verdwaald waren. Heinde
noch verre was een huis of Kafferhut te zien; geen levend
schepsel, dan duizenden antilopen en klein wild, was te be-
speuren, en waarheen het wagenspoor, dat wij gevolgd
waren ons zou leiden, was een raadsel. Zoo reden wij door,
tot wij laat, in den namiddag, een inboorling ontmoetten,
die ons den weg beduidde naar een „hotel" aan de Thomas-
rivier, dat wij eindelijk, even na zonsondergang, bereikten.
Het „hotel" was, zoo als de meeste hotels in die dagen in
Kafferland, slechts een hut, die als Kafferwinkel, kantien en
logement tegelijk diende; alles behalve zindelijk en uitlok-
kend, en waar het maal, dat den reiziger, tegen goede be-
taling, voorgezet wordt steeds bestaat uit „ham and eggs"
(spek en eijeren in de pan gebraden). Doch voor ons, die
den ganschen dag te paard gezeten, en, behalve een zeer
licht ontbijt in den vroegen morgen, dien dag nog niets ge-
geten hadden, was dat kleine hotel een ware rustplaats en
de „spek met eijeren" een keurig maal. Na ons daaraan te goed
gedaan te hebben, gingen wij, schoon het stortregende, weer
op reis en bereikten wij eindelijk, des avonds laat, de woning
van den heer Beownlee. Er kon natuurlijk geen sprake van
zijn, om nog dien avond door te rijden naar de statie van
Tiyo Soga, en daar het ook den volgenden morgen regende,
kon ik eerst tegen den middag naar de Umqwali vertrekken.
Van den heer Bkownlee hoorde ik, gedurende mijn kort
verblijf in zijn gastvrij huis, met innig genoegen nog
weer veel goeds omtrent Tiyo; ook in hoe groote achting
hij gehouden werd, niet alleen onder de Kaffers maar ook
onder de rechtgeaarde blanken, die in de nabijheid woon-
den. Deze laatsten beschouwden Tiyo als hun leeraar, en
-ocr page 118-
104
woonden vrij geregeld den Engelschen dienst bij, in zijn
kerk. Daar de heer Brownlee, Tiyo heel diens leven gekend
en gadegeslagen had was mij dit getuigenis, omtrent zijn
leven en wandel, dubbel veel waard.
Ik kwam aan de Mqwali, weer druipnat, eerst toen de
godsdienstoefeningen in het Kaffersch voor dien dag geëin-
digd waren, dat mij teleurstelde, daar ik Tiyo gaarne voor
de Kaffers, in zijn eigene taal, zou hebben hooren preeken.
De „kerk," die nu eerlang door een ander gebouw zou worden
vervangen, zag er zeer bouwvallig uit. De zendelingswoning
was, naar het mij scheen, in niet veel beteren staat, dan de
oude kerk; en men kon het zoo aan alles zien, dat de statie te
midden van veel wederwaardigheden was gesticht, en dat de
zendelingen het laatst aan zichzelven hadden gedacht.
Tiyo\'s woning was opgetrokken van riet en klei, een zoo-
genaamd „watt Ie and daub" huis, met een aarden vloer
en rieten dak. Zulke „huizen" staan gewoonlijk niet langer
dan een paar jaren en zijn, vooral in den regentijd, onge-
schikt voor iemand van een zwak gestel, zooals Tiyo. De
inrichting van het huishouden was zooals bij andere Euro-
peesche zendelingen in Kafferland, slechts nog eenvoudiger.
De echtgenoote van Soga maakte, reeds bij de eerste kennis-
making, een zeer gunstigen, aangenamen indruk, en zij had
blijkbaar zeer hooge gedachten van haren man. Het verschil
van kleur tusschen man en vrouw viel voor mij weg, zoodra
ik Tiyo in zijn eigen huis en familiekring had ontmoet. Had
ik te voren nog gemeend, dat de blanke vrouw misschien
wat nederbuigend zou nederzien op haar donkerkleurigen
echtgenoot, en dat de laatste tot haar zou opzien, niet vele
uren had ik in Tiyo\'s woning doorgebracht of ik was op dit
punt volkomen ontnuchterd. Tiyo was in zijn eigen huis geen
-ocr page 119-
105
„consort" maar hoofd des huizes. En dat alles ongedwongen
en natuurlijk.
Er waren toen reeds de wonderlijkste geruchten in omloop,
omtrent de verhouding tusschen Tiyo Soga en zijne vrouw.
„Die arme vrouw" heette het, „was, toen zij voor het eerst
aan de Mqwali kwam en kennis maakte met Trro\'s familie-
betrekkingen, onmachtig ter aarde gevallen, en was sedert
niet wel hij het hoofd geweest. Zij zou met geweld
naar Schotland hebben willen terugkeeren en was doorgaans
troosteloos." Die geruchten waren vooral gangbaar onder
Europeanen in Kafferland en de Kaapkolonie, en velen ineen-
den, dat „de vrouw slechts haar verdiend loon kreeg, daar zij,
een blanke, met een Kaffer, hoe beschaafd dan ook, ge-
huwd was". Op mijn terugreis door Kafferland naar de Kaap-
kolonie heeft men mij meermalen ernstig ondervraagd, „of
het dan niet waar was, dat Mrs. Soga krankzinnig van spijt
en verdriet over haar huwelijk was geworden ?" en geen kleine
voldoening was het mij steeds, om die leugens te kunnen
tegenspreken. Mevr. Soga scheen mij zoo gelukkig in haar
huwelijk te zijn als eene vrouw kan wezen, en haar grootste
bezorgheid was, niet voor haar zelven, maar voor haar ten-
geren en al te ijverigen echtgenoot.
Met verschoonbare zelfvoldoening toonde Tiyo mij de
boekwerken, die hij, bij zijn vertrek uit Schotland, van zijne
medestudenten ontvangen had, en dan den kostbaren Bijbel,
met zilveren beslag en vereerende inscriptie, hem door Prins
Alfeed geschonken. Zijn grootste aardsche schat was echter,
naast zijne vrouw, zijn zoontje, — een lief kind, lichter gekleurd
dan de vader doch met sterksprekende Kaffertrekken. Zoo ver
ik mij herinner, had de moeder een ander kind aan de borst.
-ocr page 120-
106
Met veel genoegen maakte ik nu ook persoonlijk kennis
met Fistiei, Tiyo\'s broeder en zijn ouderling, en met andere
leden zijner familie, tot het Christendom bekeerd. En telkens
weer trof het mij, hoe allen naar Tiyo opzagen en hem stil-
zwijgend als den meerderen erkenden, zonder dat dit door hem
gezocht, of, naar het scheen, zelfs bemerkt werd. Van den
Zendingarbeid op de statie kon ik, èn wegens de kortheid
van mijn verblijf aldaar, èn omdat alles, wegens den bouw der
nieuwe kerk in eenige confusie was, niet veel zien.
In Tiyo\'s woning merkte ik een jong Kaffermeisje op, van
een zeer innemend uiterlijk, net gekleed, met een veel-
kleurigen doek om het hoofd. Dit was Victoria (dus genoemd
naar Koningin Victoria), de Kroonprinses van Kaffer-
land, de meest geliefde dochter van Sandilli. Sandilli had
begeerd, dat zij in het huisgezin van Tiyo en onder diens
opzicht zou worden opgevoed, en had haar daartoe, meteen
harer jeugdige vriendinnen tot gezelschap, naar Tiyo gezon-
don. Het meisje was niet sterk, en bedeesd van geaardheid;
en schoon zij in haar vaders huis ietwat verwend was ge-
worden, had Tiyo van haar de beste verwachtingen. Be-
treurd werd het, dat zij reeds door Sandilli ten huwelijk was
uitgegeven aan een heiden, den zoon van een anderen Kaffer-
koning; de bruidschat in ossen was voor het meisje
betaald, en het droeve lot hing haar boven het hoofd, om
eerlang uit de Christelijke woning van den zendeling gevoerd
te worden naar de kraal van een heiden, als diens eerste,
maar niet eenige, vrouw. Alle pogingen, om dit huwelijk te
beletten waren, en zijn later, vruchteloos gebleken. Toen
Victoria den bepaalden leeftijd bereikt had, moest zij terug-
keeren naar de kraal van haar vader. Daar bracht zij toen
-ocr page 121-
107
eenige maanden door, in bijna troostelooze droefheid en werd
vervolgens gezonden naar Pondo-land, en op heidensche wijze
in het huwelijk verbonden met den zoon van den Pondo-Koning.
Die Kafferprins schijnt echter, onder de bediening van den zen-
deling Jenkins, en later van diens weduwe, tot eenige kennis
der waarheid te zijn gekomen, en werd zóó aangespoord door
de kennis en beschaving zijner vrouw Victoria, om ook een
betere opvoeding te ontvangen, dat hij, niet lang na zijn
huwelijk, vrouw, huis en volk verliet en naar Lovedale trok,
om daar school te gaan. Van hem werden sedert goede ver-
wachtingen gekoesterd.
Daar mijn tijd zeer beperkt was, moest ik reeds den vol-
genden dag weer vertrekken, en deed zulks in gezelschap van
Tiro Soga, die aan mijne ordening te Alice zou deelnemen.
Wij vertrokken tegen den middag te paard, en legden eerst
een bezoek af bij Koning Sandilli. In de koninklijke kraal
aangekomen, werden wij terstond bij Sandilli toegelaten, en
vonden hem in het midden zijner vrouwen. Hij had zijn Eu-
ropeesche kleeding, die hij in de Kaapstad en op de reize
droeg, weer afgelegd en stond daar naakt, op Kafferwijze
met roode aarde ingesmeerd, en slechts met een deken om het
lijf, — een Kaffer onder de Kaffers. Hij scheen een weinig be-
schaamd te zijn, dat wij hem zóó aantroffen, doch op mijn
vraag: „wat hem beter aanstond, de Europeesche kleeding of
Kaffercostuum?" antwoordde hij glimlachend: „datdekleeren
goed waren voor de Kaapstad maar niet in Kafferland." Tiyo
zeide mij later, dat Sandilli nog wel naar de waarheid wilde
hooren en ook wel kleederen wilde dragen, doch dat zijne
vrouwen hem dit beletten. Sandilli is in den oorlog van 1877
ellendig en als een heiden omgekomen.
-ocr page 122-
108
Wij namen onzen reis verder over King-Williamstown en
Pirie, en kwamen Dinsdagavond in welstand te Lovedale.
Die twee dagen samenzijn met Soga zullen niet licht door
mij vergeten worden. Wij spraken op de reize over vele
dingen, en vooral ook over de Evangelisatie der Kaffers. Het
slechte voorbeeld, dat zoovele blanken, bijname Engelsche
handelaars en militairen, den Kaffers zetten, noemde Tiyo een
der groote hinderpalen, die de uitbreiding van het Evangelie
in den weg stonden. De Kaffers werden aan den drank ver-
slaafd, en het samenzijn van Engelschen, ook Engelsche offi-
cieren, en Kaffermeisjes, werkte de zedeloosheid in de hand.
Van zichzelven had Tiyo zeer nederige gedachten. „Ik ben
een Kaffer", zeide hij, „van den Heere geroepen om onder de
Kaffers te arbeiden. Daartoe heeft Hij mij gemaakt, wat ik
ben." Men noemde Tiyo, ook onder de Kaffers, veelal „de
zwarte Engelschman," waarop hij echter, blijkbaar, niet ge-
steld was. Diep gevoelde hij, tegelijk, de minachting, waarmede
hij door sommige Engelschen, meestal soms ver beneden hem
in beschaving en kennis, behandeld werd. Dat bijv. een Ma-
gistraat hem, toen hij in een zeker dorp kwam, den „pas"
zonder welken geen Kaffer door het land mocht reizen, vragen
liet; dat men in zekere hotels langs den weg, — krotten over
het algemeen — niet met hem aan dezelfde tafel wilde eten
enz. Terecht kon hij maar niet verstaan, waarom iemand,
bloot omdat hij bruin was van huid en kroezig haar had,
minder moest gerekend worden, dan de man met lang haar
en een blanken huid. Om des Evangelies wil kon Tiyo ook
deze smaadheid wel dragen, en hij ging te midden van goed
gerucht en van kwaad gerucht getroost en stil zijn weg.
Voor de bekeering der Kaffers ging zijn gebed tot den troon
der genade, en voor zijn land en volk had hij de beste
-ocr page 123-
109
verwachting. Hij leefde en arbeidde voor zijn volk geloo-
vig, vol hope, rustende voor de uitkomst op den Heere, en
zelven verwachtende de onverwelkelijke krone der heerlijkheid.
Volgens bepaling van het Presbyterium vond mijne orde-
ning nu plaats op Donderdagnamiddag, 25 October 1860, in
de Schotsche kerk te Alice. De dienst had, natuurlijk, plaats
in het Engelsch, en was zeer indrukwekkend. Ds. Gtovan pre-
dikte ernstig en krachtig over I Tim. IV: 14: „Verzuim de
gave niet, die in u is, die u gegeven is door de protetie,
met oplegging der handen des ouderlingschaps," en las
daarna het ordeningsformulier bij de Vrije Schotsche
Kerk in gebruik. Toen vormden de leden van het Presby-
terium, Ds. Govan, de grijze J. Ross, diens zonen Bryce en
Richaed Ross, en Ds. Calderwood, benevens Tiyo Soga, van de
Vereenigde Presbyteriaansche Kerk, en de B. B. Zendelingen
Kaiser en Read, van het Londensche Zendinggenootschap,
eenen kring voor den predikstoel, en ordenden mij, met op-
legging der handen, tot den dienst des Woords en der Sacra-
menten, en gaven zij mij straks de hand, als leeraar der
Vrije Kerk van Schotland.
Het was een plechtig oogenblik. Een zoon van Abraham
naar het vleesch; in Holland geboren en tot kennis der
waarheid gekomen; aan een Seminarium der Vrije Schotsche
Kerk in Holland, opgevoed; en nu hier, in het hart van Kaf-
ferland, door leeraren uit Schotland, onder en voor de Hei-
denen arbeidende, tot den dienst des Evangelies, met opleg-
ging der handen geordend; — twee zonen van zendelingen,
zelven ook reeds zendelingen aan die ordening deelnemende.
En dan, niet het minst, een donkerkleurigen Kaffer, tot den
Christus bekeerd (de eersteling uit zijn volk tot de prediking
-ocr page 124-
110
des Woords geroepen), den geboren Israëliet mede de hand
op het hoofd leggende, in de plechtige ordening tot de Be-
diening; de proseliet uit de Heidenen dien uit Israël inlei-
dende tot de Heilige Bediening!
Onwillekeurig moesten allen, de leeraren en de gemeente
in het kerkgebouw verzameld, op het diepst gevoelen, dat
de Heere getrouw is in al zijn weg en werk, en er bij Hem,
naar de verkiezing der genade, gedachten des vredes zijn
over Israël en de Volken. Wat ik zelf in die ure doorleefde
laat zich niet onder woorden brengen. Gode zij dank voor
zijne onuitsprekelijke genade.
Zaterdag, dierzelfde week, nam ik den terugtocht aan, over
Grahamstown en Port-Elizabeth, naar de Kaapstad. Ik heb
Tiyo Soga niet weer in zijn vleesch mogen aanschouwen,
doch heb briefwisseling met hem gehouden tot kort voor
zijn dood.
XII.
HOE DE KERK AAN DE MQWALI GEBOUWD WERD.
Op den 9aen Maart 1861 kon eindelijk een aanvang worden
gemaakt met den bouw der nieuwe kerk, en op den 238ten
Juli werd, met veel plechtigheid, de eerste steen van het
fundament gelegd, door den Gaika-Commissaris, de heer Ch.
Beownlee. Er waren vele belangstellenden, zoo Kaffers als blan-
ken, bij tegenwoordig. „Ik opende de plechtigheden" schrijft
Tiyo, „door het laten zingen van een lied, vervaardigd door
Ntsikana, een der eerste bekeerden uit de Kaffers, de vader
-ocr page 125-
111
van mijnen ouderling Dukwana. Dit wekte liefelijke herinne-
ringen op en stemde tot ernstige opgewektheid. Ik las ver-
volgens Ps. CXXII, en ging voor in het gebed, waarna de twee
documenten, die onder den hoeksteen geplaatst zouden wor-
den, werden voorgelezen. Die documenten waren bijna van
denzelfden inhoud: het eene in de Kaffertaai èn in het En-
gelsch, o. a. de namen bevattende der 95 leden, waaruit de
gemeente was samengesteld, en bijzonder van de acht ouderlin-
gen en van onze 30 doopcandidaten. Het Engelsch document
bevatte ook het wijdingsgebed, door mij gedaan, en dat ik
voor de gelegenheid had opgeschreven. De gangbare munten
van het Rijk werden voorts met deze documenten, in een
looden kistje, onder den hoeksteen geplaatst, die nu door
den heer Beownlee op de gebruikelijke wijze gelegd werd.
De heer B. hield vervolgens een toespraak tot de vergaderde
schare, waarin hij gevolgd werd door de ouderlingen Dukwana
en Festiki, en de dienst werd besloten met gezang en dank-
zegging."
Tiyo had het van groot belang geacht, dat het leggen van
den hoeksteen zoo plechtig mogelijk zou geschieden. „Dage-
lijks word ik meer en meer in de overtuiging bevestigd,"
schrijft hij, „dat men alles doen moet wat mogelijk is, om
dit volk eenig begrip van beschaving te geven, in zoover
dit op eenvoudige wijze kan geschieden. Nu hadden velen
onzer lieden wel gehoord of gelezen over het leggen van
een hoeksteen, doch zij verstonden er het rechte niet van, tot
zij nu, met eigen oogen, deze eenvoudige plechtigheid had-
den bijgewoond. Uit het leggen van dezen hoeksteen kan nu
weer aanleiding genomen worden, om te wijzen op de nood-
zakelijkheid van een goed fundament voor het geestelijk ge-
bouw, en van de hope der zaligheid.
-ocr page 126-
112
De dag, op welken de hoeksteen gelegd werd, was voor
Tiyo een dag van blijdschap en goede verwachting, doch de
bouw der kerk heeft hem ontzachelijk veel meer moeite en
arbeid gekost, dan hij zich toen kon voorstellen. Ja, de zorg
daaraan verbonden heeft, naar den mensch gesproken, waar-
schijnlijk zijn leven verkort. Hij had voor bijna alles alleen
te zorgen; zelfs het uitgraven van de steenen voor het fun-
dament en het maken en branden der baksteenen moest hij
overzien. Het gebouw toch moest, wel zoo goed mogelijk
maar ook, zoo goedkoop mogelijk worden opgetrokken, en
nu moest hij zich dikwijls met minder geschikte weeklieden
behelpen. Tiyo had weinig of geen verstand van bouwen, en
zoo gebeurde het soms, dat de metselaar geen baksteen ge-
reed vond, de timmerman niet voort kon, en het werk nu en
dan geheel stilstond. Door alles persoonlijk na te gaan
meende hij geld uit te sparen, doch het kostte hem zijn ge-
zondheid. Hij kreeg herhaalde aanvallen van asthma, en leed
daarenboven veel in zijn gemoed, tengevolge der aanhoudende
moeielijkheden en bemoeienissen met metselaars, timmerlieden,
en met de Kaffers, die bij den bouw moesten helpen en hem
dikwijls op het ongelegendst in den steek lieten. En hoe hij
ook uitzninigde, toch bleek het al spoedig, dat de kosten
veel hooger zouden zijn dan de raming, en minstens £ 1000
(ƒ12,000) zouden beloopen. Dit was nu wel niet zoo veel voor
een kerkgebouw, dat 600 a 700 zitplaatsen zou bevatten, maar
overtrof toch de som, die hij had kunnen bijeenbrengen. Zoo
moest hij, onder het bouwen, weer zorgen voor het noodige
geld, waartoe hij zich nu wendde tot de vrienden in Schotland.
Zijn bede om hulp bleef niet, gelukkig, onbeantwoord.
Eindelijk, was het kerkgebouw, welks oprichting Tiyo Soga
-ocr page 127-
113
zooveel arbeid gekost had, en zoo langen tijd het onderwerp
geweest was van zijn ernstige smeeking voor des Heeren aange-
zicht, voltooid, en werd het, 15 Juni 1862, plechtig gewijd
tot den dienst van God. Die dag zal lang in gedachtenis
blijven. Het weder was ruw en stormachtig, doch dit ver-
hinderde niet, dat van alle kanten christenen en heidenen
toestroomden, om den eersten dienst in de nieuwe kerk bij
te wonen. De predikers op dien dag waren allen mannen
van naam in de Kaffer-Zending: Ds. John Beownlee, van
King Williams Town, die reeds bijna 50 jaren het Evangelie
had verkondigd, en den vader van het Zendingwerk aan de
Chumie mag worden genoemd; Ds. Govan, het hoofd der
Lovedale-stichting, de vriend van Tiyo, van diens jonkheid
aan; Bryce Ross, met wien Tiyo samen gestudeerd had, en
James Read. En in het midden van dezen, de eerste geor-
dende prediker uit de Kaffers, Tiyo Soga, zelf. Ernstige woor-
den werden er bij deze gelegenheid gesproken, vooral ook
tot de heidenen, en het gesprokene maakte een zeer diepen
indruk. Den 18den Juni werd er een groote openbare bijeen-
komst gehouden, onder voorzitterschap van den Gaika-Com-
missaris, en werd door Tiyo verantwoording gedaan van ont-
vangst en uitgaaf, in verband met den bouw der kerk. Hij
had ruim £1100 (ƒ13,200) ontvangen, maar het bouwen had
over de £1460 (ƒ17,500) gekost, en er bleef dus nog ƒ4000
te betalen. Dit laatste lag Tiyo, die een afkeer van „schuld"
had, zwaar op het hart, doch de vrienden, die hem omring-
den, bemoedigden hem en beloofden hem hun steun.
Wat Tiyo gevoelde nu de kerk voltooid was, worde best
uit zijn eigen woorden vernomen:
„De Mqwali-kerk ia nu voltooid," schrijft hij. „Het ia geen droom maar
een feit, en men zegt, dat het de best ingerichte, de sterkste en netste
8
-ocr page 128-
114
Inboorlingen-kerk is in Britsch-Kafferland. Die kerk, op den heuvel van
de Mqwali, staat daar als een getuigenis tegen de werken der duisternis,
welke het Evangelie zal verstoren. Die kerk van veel zorg en gebeden, is
eindelijk voltooid en is, schoon kostbaar, niet te duur. Het zal nu al
mijn pogen zjjn, zoo God mij gezondheid verleent, om de schuld, die er
nog op rust, af te doen. Moge de Heere do pogingen, die daartoe wor-
den aangewend, zóó zegenen, dat wy in een jaar tijds, die schuld kunnen
betalen of ten minste grootelijks verminderen. Al wat ik gedaan heb ge-
schiedde eerlijk en met orde, en zeer zeker niet, om de voorbijgaande eer
van een mensch te zoeken, maar de eer en verheerlijking van Hem, Wiens
lof is van eeuwigheid.. . Daar is zooveel, dat nog gedaan kan worden ook
voor de zedelijke opheffing der Kaffers, doch daartoe zijn middelen noo-
dig, waarover ik niet heb te beschikken, en zoo zal het bouwen van deze
kerk wel de grens zijn van mijne nederige pogingen om hen te dienen. . .
Het gebouw is reeds gezegend geworden; sedert deszelfs opening zijn
veertien zielen toegebracht tot de gemeenschap der Kerk."
Zoo ooit een kerk gebouwd is door zelfopofferende liefde,
onder gebed en geestelijke worstelingen, dan is het de kerk
aan de Mqwali, door den getrouwen herder der gemeente, en
ijverigen, onvermoeiden Zendbode, Tiyo Soga.
XIII.
ZENDINGARBEID.
Terwijl Tiyo dus ijverig bezig geweest was, om een steenen
huis des Heeren op te richten, bleef hij niet achterlijk in
zijn arbeid aan het geestelijk huis, — de gemeente aan zijn
zorg toebetrouwd, en in de prediking des Evangelies aan de
heidenen. Geregeld predikte hij, des Zondags, twee malen
in het Kaffersch, en nog eenmaal in het Engelsch voor de
Engelschen in den omtrek, die hem als hun leeraar be-
-ocr page 129-
115
schouwden. Die godsdienstoefeningen werden vrij getrouw
bijgewoond door de christen-Kaffers, en ook door de heide-
nen, behalve in den zomer, wanneer deze laatsten hunne
danspartijen hielden. Geregeld ook bezocht Tiyo de omlig-
gende kralen, om het Evangelie aan de heidenen te pre-
diken. De school stond onder zijn opzicht en vereischte veel
zorg. Ook moesten de zieken van medicijnen worden voor-
zien en worden bezocht, zoodat op ieder oogenblik van
Tiyo\'s tijd beslag gelegd werd. Over een en ander schreef
hij aldus in zijn dagboek:
„3 Dec. Een ach o on e dag. Het was treffend, te zien hoe de men-
schen, sommigen gekleed, anderen in hunne dekens gewikkeld, zich naar
het huis van God begaven. Zij kwamen zelfs van de Bolo, en van het
boveneinde der Cwengcana. De kerk was zeor vol, en sommigen konden
geen plaats krijgen, ofschoon ik mijn best deed, om plaats voor hen te
maken.
1 Januari. De dag des Heeren. Een belangrijke Sabbathdag. Ik had
een buitengewoon groote opkomst van roode Fingoes, van de Izitolana
een plaats omtrent tien mijlen ten Oosten van hier; van de Tyolohi, en
van de beneden-Mqwali.
De diensten waren zeer plechtig. Bij den eersten Kafferdienst predikte Ik
over Jerem. XXVIII: 16; daarna, in het Engelsch, over Ps. XC : 9. De derde
dienst was eene eenvoudige godsdienstoefening, bestaande uit gebed en
dankzegging. Het is in de laatste weken zeer droog geweest, en wij wor-
den bekommerd over den oogst. Het was goed, dat de Fingoe-heidenen
b\\j dezen bidstond tegenwoordig waren, daar zij gekomen waren van die
streken, waar kort geleden groote wreedheid is gepleegd, om, zooals zij
hoopten, regen te doen nederdalen. Het blijkt, dat de mannen, tot deze
distrikten behoorende, een geheelen dag hebben doorgebracht, te paard,
met het najagen van een soort wilde kalkoen. Zij slaagden er in, zes te
vangen, en nu werden deze weerlooze vogels aan steenen vastgebonden,
en verdronken in diepe waterpoelen. Dit geschiedde „om regen te verkrij-
gen." Toch zijn deze menschen niet ontbloot van kennis aan den waren
God. Zij erkennen zijn macht en zijne goedheid als wij tot hen spreken.
Ik was zeer aangedaan bij deze bijeenkomst, door Tobe\'s gebed: „Heere,
"Ü zgn beschaamd, weer in Uwe tegenwoordigheid te komen, om te bid-
-ocr page 130-
116
den. Gij hebt ons overvloediglijk regen gezonden. Doch toen begonnen
wg te klagen, dat er te veel regen viel... Hier zijn wg nu weer voor
Uw aangezicht om regen. Heere, zijn er ooit zulke lastige menschen ge-
weest, als wij zijn!"
„De toestand der heidenen om ons heen, is zeer belangwekkend. De
Kaffers zijn nog onverschillig, en betoonen slechts uiterlijken eerbied voor
het Woord van God. Sandilli, te veel door verkeerde raadslieden ge-
leerd, schijnt achteruit te gaan. Hij handelt soms zeer wonderlijk. Op
eene vergadering, onlangs, door Bbownlee met de Kaffers en Fingoes
gehouden, om hun raad te geven, hield Sandilli, als hoofd van zijn volk,
een toespraak, waarin hij Bbownlee dankte, en er op wees hoe waar
diens woorden waren met betrekking tot de noodzakelijkheid van eene
verandering in hunne oude gewoonten en levenswijze. Bij het einde van
deze toespraak zeide hij: „Valt allen op uwe knieën, bidt en wordt be-
keerdl" Op dat oogenblik was hij in ernst. Vóór het sluiten der bijeen-
komst, werd mij verzocht, een korte rede te houden. Ik had een prachtig
gehoor van omtrent 1000 roode Kaffers en Fingoes, en sprak over de
woorden: „God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, enz,"
Nog een ander opperhoofd stelde belang in het werk, en
woonde geregeld, des Zondags, de godsdienstoefeningen bij.
Dit was Fynn, de zoon van Tyali en kleinzoon van Gaika,
en dus een neef van Sandilli. Een groot deel van de Gaika-
stam stond onder zijn beheer. Fynn was een zeer beininnens-
waardige jonge man, doch slechte raadslieden gebruikten,
in het geheim, hun invloed, om hem van de belijdenis van
het Christendom terug te houden.
Tiyo\'s grootste bemoediging in het werk onder de heidenen,
ondervond hij bij de Fingoes. Met een paar uitzonderingen
betoonden dezen zich steeds gewillig om het Woord te hooren.
Het meerendeel der heidenen, die des Zondags de godsdienst-
oefeningen bijwoonden waren Fingoes. Om onder zijne land-
genooten, de Gaika-Kaffers, van hut tot hut te gaan, ten
einde de bewoners uit te brengen naar de plaats der gods-
dienstoefening, was geen gemakkelijk werk, en daarzonder
-ocr page 131-
117
zou men lang op een gehoor kunnen wachten. Dit was nooit
noodig onder de Fingoes. Door eenvoudig den hoofdman van
het dorp te vragen, om zijne „kinderen," (de bewoners
van het dorp) te vergaderen, kreeg Tiyo hen gemakkelijk
bij elkaar, en soms ging de hoofdman uit eigen beweging
naar de hutten, om de menschen saam te brengen tot de
godsdienstoefening.
De meeste Fingoes toonden veel ontzag voor den dag
des Heeren, en staakten hun werk op Zondag. Sommigen
zelfs beroemden zich op hun viering van den „grooten
dag", zooals de Sabbath gewoonlijk door hen en de Kaffers
genoemd wordt. „Het is opmerkelijk", schreef Tiyo in zijn
dagboek, „hoe beide deze volken den grooten zegen van
regen in verband brengen met den Sabbath. Hoe het ook
moge worden verklaard, zeker is het, dat er in sommige
deelen van het land meer regen valt tegen het einde, dan
in het begin der week. Ik sprak hierover met eene christe-
lijke dame, en zij vertelde mij, in bevestiging hiervan, dat
zij eens met haar broeder op een Zaterdag op reis was; de
lucht was bewolkt, en haar broeder vroeg aan een Kaffer, die
hen vergezelde, of hij dacht, dat hun reis door regen zou be-
lemmerd worden? „Morgen is het Sabbath," antwoordde
deze, „dus het zal waarschijnlijk regenen." Deinboor-
lingen gelooven, dat indien er eenige regen zal vallen, gedu-
rende een tijd van droogte, dit op den Sabbath geschiedt. Deze
dingen hebben natuurlijk betrekking op die inboorlingen,
welke iets van het Evangelie weten.
„De staat der heidenen vertoont noodwendig overal meer
een schaduwzijde dan een lichtzijde. Het zou goed zijn als
Zendelingen, en de vrienden van Zendelingen, dit in gedachte
hielden."
-ocr page 132-
118
Tiyo verhaalt hoe hij op zekeren dag rondging te Nyacha,
acht mijlen ten Noord-Oosten van zijn statie gelegen. De dag
was heerlijk frisch, daar een zware, doch welkome donderbui,
van hagel vergezeld, over het distrikt was losgebarsten, de lucht
zuiverende, en de aarde verfrisschende. Hij verwachtte op
een dag, zóó gunstig voor den veldarbeid, bijna niemand thuis
te zullen treffen. Tot zijne verwondering, echter, zag hij, in
de nabijheid van de kraal gekomen, niemand aan den arbeid
in de tuinen, aan den overkant van den stroom.
Dit kwam hem vreemd voor, want dit volk is anders zeer
werkzaam. „Wat scheelt er aan, Gonga?" vroeg Tiyo aan den
hoofdman van de kraal, „waarom zijt gij op zulk een schoo-
nen dag niet aan het werk?" Uit het antwoord bleek nu,
dat het volk, pas bijna van honger omgekomen door aan
leugens geloof te slaan, zich weer prijs gaf aan het bijge-
loof. De Fingoes namelijk meenen, dat, zoo men, dadelijk na een
onweêrstorm, in de tuinen werkt, de toekomstige oogst ge-
vaar loopt door den hagel verwoest te worden.
Op den dag, waarvan hier sprake is, was, \'s morgens vroeg,
terwijl de menschen aan het werk gingen, een Fingoe geko-
men, die dit, zoo luide hij kon, in hunne ooren bazuinde, met
de verzekering „dat, daar zij toch geen nut zouden hebben
van hun werk, het beter was, om de vogels maar vrijen toe-
gang te geven tot het gezaaide." "Voor menschen, die zoo
kort geleden aan de smarten des hongersnoods ontkomen
waren, was dit te veel. Zij wierpen hunne spaden en pikken
op den grond, en haasten zich naar huis.
Tiyo vroeg naar den naam van den man, die hun deze leu-
gens had wijsgemaakt, doch zij wilden hem dien niet noemen.
„Dit volk," schreef Tiyo in zijn dagboek, „is gevangen in de
strikken van het bjjgeloof. Alleen een hoogere macht kan
-ocr page 133-
119
hen daaruit verlossen. Die macht is het Evangelie, de kracht
Gods tot zaligheid, door het geloof in den Heere Jezus. Moge
dit verblinde volk de hemelsche boodschap aannemen en
zalig worden."
Om dezen tijd stierf een Kafferkapitein of opperhoofd, in
wiens kraal Tiyo gewoon was godsdienstoefening te houden.
Mhlana, zoo heette het opperhoofd, had steeds grooten eer-
bied getoond, zoo voor den persoon van Tiyo, als voor de
boodschap, welke deze bracht, en was steeds bereid geweest,
om, wanneer Tiyo de kraal bezocht, het volk tezamen te
roepen, om de prediking te hooren. Plotseling werd Mhlana
door den dood weggenomen. Deze slag trof Tiyo diep, vooral
ook, daar Mhlana, schoon hij veel belangstelling in het Evan-
gelie getoond had, nochtans niet, voor zoover men oordee-
len kon, tot het geloof was gekomen. Hij werd dan ook
op de wijze der heidenen begraven. Omtrent zijn sterven en
begraven verhaalt Tiyo als volgt:
„Zoodra men bemerkte dat Mhlana\'s einde naderde, werden
in der haast eenige voorwerpen uit de hut gedragen, terwijl
droefheid en ontsteltenis op aller aangezichten te lezen
stonden. Het was alsof men het goed uit een brandend huis
wilde redden. De reden hiervan is, dat het huis, waarin
iemand gestorven is, door de heidenen als onrein wordt be-
schouwd, en men zulk een huis laat vervallen, of ook wel
wordt het verbrand, met al wat er in is.
Een oogenblik later blies het opperhoofd den laatsten
adem uit. De mannen van het dorp kwamen nu terstond
bij elkaar, om raad te houden omtrent de begrafenisplech-
tigheden.
De Galekas, van welke stam Mhlana een Fingoe-opper-
-ocr page 134-
120
hoofd was, afgezonderd als zij zijn van Europeesche invloeden,
bewaren de oude Kaffergebruiken veel strenger dan de Gaikas.
De slotsom der overleggingen van Mhlana\'s raadslieden
was, dat vijf van de voornaamsten onder hen gekozen wer-
den, om het opperhoofd te begraven. Dezen moesten nu het
lijk in een karos wikkelen, en met breede banden der bin-
nenste schors van den mimosaboom omwinden, en het dan
naar de grafplaats dragen. Zoodra deze vijf mannen ge-
kozen waren, vingen zij hunne droeve werkzaamheden aan.
Zij ontdeden zich van hunne dekens, en bonden zich strooken
mimosabast om het midden, om de borst, en om de armen
en beenen. Vervolgens maakten zij in de hut, tegenover de
plaats, waar het lichaam lag, een opening in het riet, waar-
door het lijk moest worden uitgedragen, in plaats van door
de oude deur. Door deze opening traden de mannen nu bin-
nen, en bonden het lichaam in de karos. Vervolgens kozen
zij, uit de persoonlijke bezittingen van den overledene, een
vloermat, die bij de Kaffers dienst doet voor bed; een kala-
has, waaruit hij zijn bier had gedronken; een aarden bakje,
waaruit hij gewoon was te eten, een drinkbeker en nog een
tinnen beker. Al deze dingen moesten tezamen met hem
begraven worden. Zeker zijn dit duidelijke overblijfselen van
een Kaffergeloof, dat de geest deze voorwerpen noodig heeft,
in de plaats, waar dezelve was heengegaan. Indien men de
Kaffers echter, naar de beteekenis van deze handeling zou
vragen, zouden zij antwoorden: «Dat weten wij niet;
het is zoo ons gebruik."
Na deze afzondering, zooals zij het noemen, van het
huisraad, dat tezamen met het lijk begraven moest worden,
-ocr page 135-
121
droegen zij het lichaam uit. Om de hut gaande, vermeden
de dragers zorgvuldig de oude deur. Het graf werd dicht bij
de veekraal gegraven. Het was een graf in een graf. Na tot
op een zekere diepte te hebben gegraven, maakten zij, in
den wand van den kuil, een holte, waarin het lichaam ge-
plaatst werd. (Jes. XIV: 15; Ezech. XXXII: 23).
Het volk, dat de plechtigheid bijwoonde, verspreidde
zich nu over het veld, om steenen te verzamelen. Met
deze steenen werd het „binnenkamertje", als het ware
geplaveid. Op dit bed van steenen werd het lichaam gelegd,
in de gewone houding, waarin de Kaffers slapen, met de
beenen opgetrokken. De windselen werden afgenomen, en
de karos over het lichaam heengespreid. Het gezicht bleef
onbedekt, en het lijk, had het voorkomen van iemand, die
zich ter ruste had begeven.
Later werden er lange steenen rechtop tegen elkander ge-
plaatst, zoodat het binnenkamertje van het buitenste gruis
gescheiden bleef. Deze steenen werden zoo geplaatst, dat het
binnengraf geheel gesloten was. De reeds genoemde voor-
werpen uit de hut werden op een anderen laag steenen, in
het buitenste graf, zoo dicht mogelijk bij het lijk geplaatst.
Nu werd aan de oudste zoon van den overledene een spade
ter hand gesteld, waarmede hij van de losse aarde in de groeve
wierp.
Eenige anderen van de familie volgden, en na hen kwam
een oude vrouw, waarschijnlijk de moeder van het opper-
hoofd, en deed hetzelfde. Zij voegde er echter nog een ge-
bed tot den afgestorvene bjj: „Gij moet om mij denken,
en vriendelijk op mij nederzien."
Eene andere oude vrouw kwam nu voorwaarts, en, na een
spade vol aarde in het graf te hebben geworpen, zeide zij:
-ocr page 136-
122
„Zie mij aan, gij, die naar de velen zijt gegaan."
Eindelijk wierp een grijsaard de laatste spadevol aarde in,
het graf, en besloot met het volgende gebed: „Zie op mij
neder, gij zoon van —" bier noemde hij den naam van
den vader van het opperhoofd, — „gij, die gegaan zijt
naar de heiligen!"
De gedachte, in deze laatste zinsnede vervat, is misschien
van de christenen overgenomen. Toen alles afgeloopen was
riepen al de omstanders, als met ééne stem: „Gegroet
Mhlana !"
Het waren ouden van dagen, die alzoo hun opperhoofd
begroeven, en gebeden opzonden tot de heengegane ziel,
volgens een oud, vastgesteld gebruik."
De volgende uittreksels uit Tiyo\'s dagboek, betrekking
hebbende op zijn arbeid onder de Kaffers, mogen hier een
plaats vinden:
„12 Jan. 1860. Heden openden wij een nieuwe school
aan de Bolo. Vele ouders der kinderen, voor wie de school
is opgericht, waren tegenwoordig. Onze dienst was zeer
treffend. Ik predikte over den tekst: „Het volk dat in dui-
sternis wandelt, zal een groot licht zien enz." Er waren
130 personen tezamen in de schoolhut; de kinderen in-
gesloten. Na den dienst zaten de vreemden neder aan een
maal door de menschen van de plaats toebereid. De pauzen
in deze soort van soiree werden aangevuld, met toepasselijke
toespraken van ons volk. De heidenen antwoordden hartelijk
op onze vriendschapsbetuigingen. De toespraken waren er
op gemunt, om den ouders de belangrijkheid van het onder-
wgs hunner kinderen op het hart te drukken, en op den ze-
-ocr page 137-
123
gen te wijzen, dien de kennis des Evangelies over een volk
brengt. Een algemeene hartelijkheid heerschte onder al de
aanwezigen. De hoofdmannen van de Bolo waren tegen-
woordig.
Ik twijfel niet of onze school zal goed beantwoorden; en
met betrekking tot den vrijen loop des Evangelies onder dit
volk, ben ik vol hoop. Eiken Zondag wordt hier de dienst
waargenomen. De Heere geve Zijn zegen! Singobanina
tina! Wie zijn wij?
„24sten Juli. Ik ben heden aan Sakela\'s kraal geweest
Ik had twee oogmerken met mijn bezoek. Het eerste was,
om de menschen te vaccineeren, daar de pokken op het
oogenblik in sommige deelen van Kafferland en in de K0I0-
nie heersenen.
Mijn tweede oogmerk was, om Sakela, een van Sandilli\'s
voornaamste mannen, te ontmoeten, die, naar het schijnt, aan
een verval van krachten lijdt. Ik hield een godsdienstoefe-
ning in zijn kraal, die door omtrent 32 personen werd bij-
gewoond. Het was waarlijk een van de meest indrukwek-
kende bijeenkomsten, die ik in langen tijd onder mijne arme
verblinde landgenooten heb gehouden. Na den dienst had
ik nog een gesprek met eenige der toehoorders.
„Weet gij wel, mijne vrienden," zeide ik, „dat wij Zende-
Hngen, u, Gaikas als eenigszins verhard tegen het Woord
beschouwen. Het is waar, gij toont geen uitwendigen tegen-
stand. Wanneer wij tot u komen ontvangt gij ons met har-
telijkheid, en luistert geduldig naar hetgeen wij zeggen.
Maar toch stelt gij er geen waar belang in. Gij luistert, als
menschen, die reeds genoeg hebben gehoord, of die om het
gesprokene niet geven. En waarom is dit zoo? Ik beschouw
-ocr page 138-
124
het als een goed teeken, wanneer men nieuwsgierig is om-
trent de wonderlijke boodschap, die tot ons is gekomen.
Het is waarlijk in ons belang, om alles te weten en te ver-
staan, dat gezegd wordt van God tot ons te zijn gekomen.
„Ik werd verblijd, door de wijze, waarop zij deze mijne
woorden ontvingen. Sakela zelf, en een van zijne broeders,
schenen een goeden indruk te hebben ontvangen, en spra-
ken hunne gevoelens vrijelijk uit. Ook eene vrouw, die ern-
stig belangstelt in de dingen, waarover wij hadden gespro-
ken. Deze vrouw mengde zich van harte in het gesprek.
„Somtijds gevoelen wij," zeide zij, „waarlijk de kracht van
hetgeen de menschen zeggeD, die met het Woord van God
rondgaan. Bnvoorbeeld, wanneer zij de zaak op deze wijze
voorstellen: Zoudt gij u met opzet in een afgrond
storten, wetende dat het een afgrond is? Of:
zou-dt gij u in het midden van brandend vuur be-
geven, met de oogen open? Wij gevoelen dan, dat wij
dit niet zouden kunnen doen.
Ik sprak nu verder over de heidensche gebruiken, die hun
zoozeer in den weg staan, om het Evangelie te omhelzen,
en toonde hun de nutteloosheid daarvan aan. Ik vroeg hun:
„Welk onderscheid is er tusschen u en mij? Ik ben een uwer,
een Kaffer, zoowel als gij; ik behoor tot hetzelfde volk en
tot dezelfden stam als gij. Waarom draag ik geen roode deken
om het lijf, en waarom zijn mijne enkelen en polsen niet
met blinkende ringen versierd, zoo als de uwen? Eenvou-
dig omdat ik de nutteloosheid van zulke dingen voor een on-
sterflijk schepsel heb leeren inzien. Ik zou niet in uwe
plaats willen zijn; niet omdat ik u veracht, of mij zelven
-ocr page 139-
125
als uw meerdere beschouw, maar omdat ik weet, dat zulk
een leven, als gij nu leidt, zeker op het verderf uitloopt.
Ik sprak voorts over het gewin der godzaligheid, als heb-
bende de belofte van het tegenwoordige en van het toeko-
mende leven. Vooraf had Sakela verklaard, dat hij al wat hij
van het Woord Gods gehoord had, gelootde; „maar niette-
genstaande dat," zeide hij, „leven wij voort zooals vroeger,
en doen wij datgeen, wat wij weten, dat God veroordeelt,
en wij weten niet hoe dit komt!" Toen ik over het gewin
der godzaligheid sprak, vroeg hij: „Wat zou God zeggen
of doen, wanneer een man, die in zijne zondige wegen voort-
wandelt, toch tot Hem bad, en Hem trachtte te dienen?"
Een van de mannen antwoordde onmiddellijk: „God zou
zeggen: gij zijt dubbelhartig en geveinsd." „Juist," zeide ik,
„en in zijn eigen Woord verklaart de Heere duidelijk: „Gij
kunt geen twee heeren dienen." Hij wil, dat de geheele
mensch Hem zal liefhebben en dienen." Sakela erkende ter-
stond de juistheid van mijn antwoord.
Het gewin der godzaligheid, met betrekking tot het toe-
komstig leven, bracht het gesprek van zelf op vergelding
en straf in de toekomst. Een man sprak over de kleine
kinderen.
Uit de wijze, waarop hij de zaak behandelde, bleek, dat,
wat hij van het Woord afwist, hem hierin geen bevredigend
licht verleende. „Wat zal God met de kleine kinderendoen,1\'
vroeg hij mij, „zal Hij hen straffen? Menschen zondigen
willens en wetens, sommigen meer dan anderen. Wanneer
een jong mensch, die niet zoo lang gezondigd heeft als ik,
sterft, zal de straf van zulk een voor eeuwig zijn ?" Ik kon
hem slechts antwoorden, dat, naar het Woord van God, er
-ocr page 140-
126
geen mogelijkheid van redding is voor hen, die eens de
plaats des verderfs zijn binnengegaan. Ik voegde hierbij:
„Er zijn vele dingen, omtrent God en zijne handelingen
met de schepselen, die wij niet verstaan. Wij zijn onwe-
tend, en dit is het gevolg van onze zondige natuur. Wij
weten zeer weinig, ook van hetgeen, dat wij moesten weten.
Er is voor mij, op alle vragen, die ik niet kan verstaan, of
verklaren, een bevredigend antwoord, n.1., dat God geen on-
recht kan doen, en ik ben tevreden, om te wachten, tot dat
Hi] goed vindt, mij te openbaren, wat ik nu niet versta.
Wat zegt een ouder aan een kind, dat naar dingen vraagt
verre boven zijne bevatting, en waarvan hij nu niets afweet?
Hij zegt: Wanneer gij een man zult geworden zijn, zult gij
dit verstaan. Hier zijn wij in de kindsheid van ons wezen.
Hierna zullen wij mannen worden, en dan zullen wij verstaan,
wat ons begrip nu te boven gaat." Deze stelling maakte een
einde aan verdere bedenkingen.
September. Op weg zijnde naar Glenthorn, reed ik met
een reisgezel over de steile helling van een berg, behoorende
tot den Amatola-keten. Nabij een der talrijke kloven, aan
den voet van den berg gekomen, hoorde ik een klagend ge-
luid, dat een pijnlijken indruk op mij maakte. Ik hield mijn
paard in, en bemerkte, dat eenige Kaffers, op den bergrand
juist tegenover ons, door dezelfde oorzaak waren staande
gehouden. Een van dezen liep naar den rand van de kloof,
om te zien, wat er toch gaande was. Wij hoorden nu dui-
delijk een klagende stem, die ons uit de diepte tegenklonk.
Kort daarop kwam een man te voorschijn. Zijn deken hing
los om de schouders; de palm van zijn rechterhand rustte
-ocr page 141-
127
op de kroon van zijn hoofd, dat naar één kant gekeerd
was, welke houding onder de Kaffers groote droefheid en
verslagenheid te kennen geeft. De man snikte hoorbaar, en
zijne gebrokene zinsneden, die wij tevergeefs trachtten te
verstaan, werden afgewisseld door luide kreten.
Wat nader bij hem gekomen, zag ik dat hij een heiden-
Fingoe was, die door een anderen man zachtkens voortge-
leid werd. „Och, ga toch naar huis," smeekte deze, „blijf
niet in deze plaats." „Laat mij staan," was het antwoord,
onder een stortvloed van tranen.
Ziende dat zijn gemoed overstelpt was, en niet wetende
wat ik tot dien bedroefde spreken zou, zeide ik tot zijn
geleider: „Handel zachtkens met hem, en laat hem staan
zooals hij begeert."
Daar de Kaffers zeer fijngevoelig zijn en ik niet gaarne
voor een indringer zou worden aangezien, vroeg ik, zoo be-
scheiden mogelijk, wat er aan scheelde. En nu vernam ik,
dat de man, twee maanden geleden, kort na elkaar, zijne
twee kinderen en hunne moeder had verloren, en dat hij
sedert dien tijd geheel troosteloos was. Ik wende mij tot
den treurende, en hem van mijn medelijden verzekerende,
zeide ik: „Indien gij, mijn vriend, God kendet, zooals de
christenen hem kennen, dan zoudt gij in uwe droefheid zijn
getroost geworden. Gij zoudt hebben geweten, dat zijn hand
u alzoo sloeg, door uwe twee kinderen en uwe vrouw weg
te nemen. Gij zoudt hebben geweten, dat Hij zulke beproe-
vingen zendt tot ons heil. Dat zou u hebben getroost en
uwe tranen hebben gedroogd; en dan zoudt gij zijn opge-
beurd door de hope, die het Woord ons geeft van een be-
ter leven. Weet gij iets omtrent God?"
„Neen, zoon van mijn vader," antwoordde hij, „ik wenschte
-ocr page 142-
128
het wel, dan zou ik Hem heden nog vragen, mij toe te
laten, om mijne kinderen en mijn vrouw te volgen. Mis-
schien hebt gij mijn vrouw gekend, — de dochter van
Sobektle; wellicht hebt gij van haar gehoord. Zij was mijne
eenige vrouw. Zij leefde niet lang na hare kinderen; en nu
zij mij hebben verlaten, gevoel ik mij geen man meer.
Door hen was ik iets, nu ben ik niets meer. Het is mij der
moeite niet waard, om langer te leven. En wilt gij weten,
waarom gij mij in deze plaats vindt? Hier heb ik hen be-
graven. Ik kwam om op hunne graven te weenen. Ik deed
het met opzet. Ik deed het omdat, zoo een vriend komt
weenen op het graf van zijn vriend, het niet lang duurt of
hij sterft ook. Ik zou hen willen volgen, indien ik kon!"
Ik sprak den armen man vele troostwoorden toe, en pre-
dikte hem het Evangelie. Toen ik hem verliet was hij eenigs-
zins bedaard. De indruk van den rouw van dien man, zal
niet spoedig uit mijn geheugen gewischt worden. De kracht
van des Apostels vermaning tot de Christenen van Thessa-
lonica, dat zij, met betrekking tot degenen, die in Christus
ontslapen waren, niet zouden treuren als zij, die geen
hoop hebben, kwam mij met nieuwe helderheid voor den
geest.
13den O et. 18.. Gisterenmiddag is Cathaeina Tsamse in
goede hope en in blijdschap heengegaan. Ik bad haar vroe-
ger voor een ietwat driest meisje gehouden met een slecht
humeur. Doch bij haren dood werden al mijne vooroordee-
len weggenomen.
Zij sprak veel voor haar dood, en vertroostte hare bedroefde
ouders. Hare antwoorden op mijne vragen omtrent haren
-ocr page 143-
129
staat, waren zeer bemoedigend. Toen zij, op zekeren avond,
tot eenige menschen, die om haar vergaderd waren, over
haar dood en hare heerlijke vooruitzichten sprak, was men
verwonderd over de beslistheid, waarmede zij sprak, en zei-
den eenigen: „Ze is zeker niet bij haar kennis." Zij ver-
zekerde echter, dat zij kalm en in het volle bezit van
hare geestvermogens was. „Waarom zoudt gij verwonderd
zijn over mijne woorden?" vroeg zij, „niemand, zoo nabij den
dood, zou kunnen spreken zooals ik juist heb gedaan,
tenzij hem dit van God gegeven zij." Een uur voor haar dood,
vroeg ik haar, of zij nog steeds op Jezus zag? Zij ant-
woordde: „Ja."
Juist voor zij den geest gaf vroeg zij haren ouders, om
haar in eene behoorlijke houding te plaatsen, „daar zij nu tot
haren Vader ging."
Daar zij gisteren niet begraven kon worden — omdat het
zoo lang duurde eer de kist gereed was — had de begrafe-
nis op Zondag plaats. In plaats van den gewonen derden
dienst, hield ik eene lijkrede aan het graf, waar een groot
aantal menschen vergaderd waren, niettegenstaande het we-
der eenigszins ongunstig was. Ik had tot tekst: „Alle
vleesch is gras," enz.
16den Jan. 1861. Wedergekeerd van een bezoekreis met
Festiri en Tobe, naar de Izincuka, Izitolena en Umsi.
Ik predikte in Mahamba\'s kraal voor 20 menschen. Deze
Mahamba, een Fingo-dokter, is een openhartige, heldere kerel.
Hij gaat zelden de statie voorbij, zonder mij met een bezoek
te begunstigen, en hij heeft dikwijls onze godsdienstoefenin-
gen bijgewoond, met de mannen van zijn kraal.
Mahamba zegt, dat hij gaarne naar het Woord van God
ft
-ocr page 144-
130
luistert. Ik geloof niet, dat dit slechts voorgeven is, om
gunst bij den Zendeling te behalen.
Eens te voren, toen wij zijn kraal bezochten, vonden wij
hem alleen met een paar kinderen. Om met den man in ge-
sprek te komen, begonnen wij over dingen in het algemeen
te spreken. In het midden van het gesprek zeide hij kortaf:
„En wanneer gaat gij nu tot ons spreken over Jezus, den
Heere, die voor ons gestorven is?" Mahamba had vroeger
dikwijls het Evangelie gehoord. Op ons verzoek riep hij zijne
kinderen te zamen, waarop wij met hen een korten dienst
hielden, dien hijzelf uiterst oplettend bijwoonde.
Op deze reis had ik een lang, vriendschappelijk gesprek
met hem over de onware beweringen der Kafferdokters, en
de waarheid van onzen Christelijken godsdienst. Ik zeide
verder tot hem: „Mahamba, gij zijt een dokter, en nu zou
ik gaarne iets omtrent deze dokters willen weten. Zoudt gij
mij niet iets kunnen vertellen, omtrent de geheimnissen
uwer bezigheid? Ik weet, dat er heel wat onder u wordt
geheim gehouden, dat gij anderen niet wil laten weten.
Nu, al zoudt gij mij alles openbaren, dan zou ik dit toch
niet tegen u keeren, of\' u voor anderen tentoonstellen. Mijn
doel is slechts, om alles, wat met betrekking tot ons volk
van eenig belang is, te verzamelen, opdat, wanneer menschen,
na geslachten, misschien lezen, wat ik geschreven heb, zij
zullen kunnen weten hoe hunne voorouders hebben geleefd."
Hij antwoordde onmiddellijk met nadruk: „Ik zal u alles
vertellen, want ik wantrouw u niet."
Toen ik Mahamba eens vroeg, hoe het kwam, dat ik hem ge-
ruimen tijd niet in de kerk had gezien, bracht hij een on-
beduidende verontschuldiging in, en zeide toen: „Het is niet
-ocr page 145-
131
uit verzet tegen het Woord; neen, dat is het niet; ik hoor
het gaarne. Maar," vervolgde hij met een slinkschen blik,
„daar is iets in verband met mijn gaan naar de kerk, dat
ik niet kan verstaan. Ik wensch, dat gij mij dit wildet ver-
klaren. Hoe komt het, dat ik geregeld in slaap val in
het midden van de preek? Ik vertrouw die zaak niet
geheel; er is iets verdachts in."
„Wel Mahamba," antwoordde ik, „wat denkt ge, dat er de
oorzaak van is? Gij weet, dat zelfs de menschen van de
statie dikwijls slaperig worden onder de preek. Het beste
middel, om wakker te blijven is, uwe oogen en uwe ge-
dachten op den prediker te vestigen, en te trachten, elk woord,
dat hij zegt, te volgen."
„Ach, dat heb ik al zooveel malen geprobeerd, en ik ben
toch in slaap gevallen! Ik geloof, dat er eene betoovering van
den prediker uitgaat!" „O," zeide ik, een glimlach niet kun-
nende weerhouden, „gij weet wel, dat kon het niet zijn,
want er is bij ons niets van de zwarte kunst!"
Zijne vreemde opmerking gaf mij stof tot nadenken. Het
is misschien wel waar, dat de wijze van prediking dikwijls
een slaperigen invloed op het gehoor uitoefent; en ander-
zijds moet het voor iemand, als Mahamba veel inspanning kos-
ten, om voor eenigen tijd achter elkander een doorloo-
pende redeneering te volgen, daar zulke menschen niet ge-
woon zijn aan eene langdurige oefening van de verstands»
vermogens. Hun aandacht moet wel dikwijls vernauwen onder
het gehoor van een preek, waarin ééne gedachte stelselmatig
ontwikkeld wordt. Onze preeken voor zulke menschen moe-
ten altoos helder, pittig, en kort zijn.
Mahamba vroeg nog iets, dat ik het onderwerp van een
-ocr page 146-
132
bepaalde preek moet maken. „Hoe is het, dat wij somtijds
van menschen onder u hooren, die bekend staan als geloovi-
gen, en die tot de zonde terugkeeren, en ons gelijk worden?"
Dit was een van de dingen, die hij niet van de geloovigen
kon verstaan.
Van Mahamba gingen wij verder naar de kraal van Mbomba,
aan de Izincuka, waar wij een gemeente van omtrent 30
zielen hadden. Daar vonden wij twee oude vrouwen, die tot
de Wesleyaansche Kerk hadden behoord, doch nu zonder
herderlijk opzicht waren. Wij raadden hen aan, om op de
statie te komen wonen. Wij verlieten Mbomba\'s kraal en kwa-
men tot Mhle, de hoofdman van de Izincuka. Hier bleven wij
den nacht over, en predikte ik tweemalen, bij onze aankomst
en op den volgenden morgen, voor 50 menschen. Daarna
gingen wij naar de kraal van Nkata, aan de Izitolana. Hier
waren de menschen zeer traag, om naar de godsdienstoefening
te komen, ofschoon Nkata onvermoeid was in zijne pogingen,
om hen te doen komen. Zij beloofden, doch, tot zijne en onze
ergernis, kwamen niet. Eindelijk kregen wij een gemeente van
22 personen bij elkaar. Wij gingen verder naar de Umsi —
tot het volk van Ndesé. Deze ontving ons zeer goed, en wij
hadden een gehoor van 35 menschen. Aan alle deze plaatsen
werden wij aangemoedigd, om terug te komen.
Aan de Izincuka zijn nu 15 groote kraaien; aan de Izitolana
28 en aan de Umsi 9. In de kraal van Umhle hadden wij een
vriendschappelijk gesprek met een scherpzinnigen Fingo.
Aanleiding tot dit gesprek vond ik in de mededeeling van
dezen man, dat de menschen van zijn kraal bijna allen gestor-
ven waren en dat degenen, die nog leefden, in een zeer be-
-ocr page 147-
133
denkelijken staat van gezondheid verkeerden; ook dat ver-
ziende menschen zeiden, dat zij „onder het ongenoegen van
iemand verkeerden."
19 October. Sabbath. Een scboone stille dag, en
een van onze beste dagen, wat betreft de opkomst tot de
godsdienstoefening; er was geen ledige plaats in de kerk. Bij
den eersten Kafferdienst predikte ik uit Hand. XIII: 26:
„Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden."
De aandacht van de menschen bleef goed tot het einde
van de preek, die een ernstigen indruk op hen scheen te
hebben gemaakt.
Mijn kleine Engelsche gemeente kwam heden ook goed
op. Ik predikte over Psalm CXXXVI: 23.
Bij den tweeden Kafferdienst predikte ik over 1 Thess. V: 6:
„Zoo laat ons dan niet slapen, gelijk de anderen, maar laat ons
waken en nuchteren zijn.*\' Ook nu weder werd er een goeden
indruk op de menschen gemaakt. Bij het einde vroeg ik Bacela
om te bidden, en ik werd waarlijk verrast door den aandoenlij-
ken ernst van zijn gebed. Het was rijk aan diepe gedachten,
omkleed in de eigenaardige beeldspraak van onze volkstaal.
Biddende voor den Zendeling, zeide hij: „Heere, maak hem
scherp. Welk mensch is er, die een bijl heeft, en die, wan-
neer hij naar het woud gaat, om boomen om te hakken,
niet eerst zijn bijl scherp maakt, opdat hij er zooveel te
meer werk mede kan doen? Of welk instrument is het,
waaraan de eigenaar niet arbeidt, opdat het zoo scherp mo-
gelijk zg? Doe alzoo met uwen dienstknecht. De slijpsteen
is in uwe hand, en ook de macht, om daarop scherp te
maken. Oefen uwe macht op hem uit, o Heere!"
-ocr page 148-
134
308ten O et. Heden gepredikt in de kraal van Sandilli. Er
waren 50 personen tegenwoordig, waaronder het opperhoofd
en zijne vele vrouwen; Oba, de zoon van Tyali, en klein-
zoon van Gaika, was ook tegenwoordig, met eenigen van zijn
gevolg. Allen waren zeer aandachtig. Ik predikte over de
woorden: „Die de zonde doet, is uit den duivel." Na de
preek, trachtte ik hen op te wekken, om een onderzoeknaar
de waarheid van den Christelijken godsdienst in te stellen.
Ik zeide tot hen: „Ik weet, dat gij uwe eigene inzichten op
dit punt hebt, als ook uwe eigene tegenwerpingen. Ik weet
ook, dat de meesten uwer gereed staan, om onze arme,
zwakke bekeerlingen, die niet veel over hunnen godsdienst
spreken kunnen, met uwe redeneeringen te beschamen; ter-
wijl gij in tegenwoordigheid van anderen, die duidelijk van
hun geloof rekenschap kunnen geven, zwijgt, en dan geeft
gij voor, alles te gelooven, dat gesproken wordt."
Het opperhoofd antwoordde: „Ik heb geen tegenwerpingen
te maken; zoo er iemand is, die ze wel heeft, dan mag hg
spreken."
Hierop zeide een man: „Wij hebben niets aan te merken.
Toch treft het mij, met betrekking tot deze zaak, (het Chris-
tendom) dat de wijze, waarop zij. tot ons gekomen is, niet
recht is. Ik zie niet in, hoe wij haar kunnen ontvangen, maar
toch zeg ik niet, dat zij niet waar is. De Eigenaar van het
Christendom heeft het middendoor gesneden, en heeft het
in tweeën verdeeld.
Gij weet, dat wij zijn de overblijfsels van voorbijgegane
geslachten van Kaffers. Waarom is het Woord niet tot onze
voorouders gezonden, zoodat wij het in de natuurlijke orde
der dingen weer van hen hadden kunnen krijgen. Het staat
ons tegen, dat, wat voor ons zoo kosteljjk geacht wordt, hun
-ocr page 149-
135
onthouden is geworden. Zij hadden het het eerst moeten
hebben; daarna wij, door hen."
Ik antwoordde: «Die wijze van redeneeren gaat niet op.
Wij kunnen Gods wijze van doen met zijne schepselen niet
beoordeelen. Wij kunnen er zeker van zijn, dat Hij aan onze
voorvaderen recht heeft gedaan, even als Hij aan ons recht
heeft gedaan, door ons Zijn Woord te geven. Wij moeten
het aannemen, zonder er om te denken, of het tot onze
voorouders gezonden was, of niet." Ik zeide nog: „Zie, gij
draagt een deken." „Ja." „Onze voorouders droegen ka-
rossen." „Ja." „Gij bearbeidt uwe tuinen met den ploeg en
de spade van de blanken." „Ja." „Onze voorouders werkten
met houten spaden." „Ja," „Welnu, deze dingen zijn tot hen
niet gezonden; zij hadden ze niet. Doch volgens uwe wijze
van redeneeren, behoort gij met deze dingen niets te maken
te hebben. Maar gij gebruikt ze, omdat gij ziet, dat ze u
nuttig zijn; gij hebt ze gaarne; gij behaalt er voordeel door.
Gij hebt geen bezwaar, om ze te gebruiken, ofschoon zij in
den tijd van Tshiwo en Palo niet bestonden." Hier moest
Oba hartelijk lachen. „Gij moet hetzelfde doen met het
Evangelie," ging ik voort. „Neemt het aan om zijn eigen
waarde; om zijn geschiktheid voor uwe behoeften; om zijn
noodzakelijkheid voor u, als zondaren. Met de voorgeslach-
ten uwer vaderen hebt gij in deze niet te maken."
Dit bracht den man tot zwijgen. Onder het uitbundig
gelach van de aanwezigen, zeide hij: „Neen, ik heb niets
bedoeld, ik heb alleen maar gesproken, om te spreken."
3 Januari 1862. Voorleden Zondag godsdienstoefening
gehouden aan de Bolo; er waren ruim 60 menschen tegen-
woordig in de schoolhut, die tevens voor kerk moet dienen.
-ocr page 150-
136
De Heere geeft ons daar vele blijken van zijn gunst. Toen
de Bolo-statie, nu anderhalf jaar geleden, gesticht werd, be-
stond de gemeente uit slechts zes leden, en die waren nog
met attestatie uit de Kolonie gekomen. Sedert mocht ik
onderscheidene personen uit deze locatie als doopcandidaten
toelaten. Zondag, na de godsdienstoefening, had ik een ge-
sprek met drie jonge mannen en vier gehuwde vrouwen, die
hegeerden te worden opgenomen in de klas voor doopcan-
didaten. De lieden schenen zeer ernstig gezind te zijn, en
de ouderlingen, die ook met hen gesproken hadden, bevalen
hen eenparig aan, om tot het dooponderricht te worden toe-
gelaten. Niet lang geleden waren deze zelfde jonge mannen
nog, op Kafferwijze, met roode verf besmeerd, doch hij
mijn laatste bezoek reeds hielden zij zich deswegens, uit
schaamte, schuil in hun hut. De zaken hebben hier een
ernstigen keer genomen, en vele heidenen maken getrouw
gebruik van de openbare godsdienstoefeningen en trachten
te leeren lezen.
„Gods wegen, om de hinderpalen, die de uitbreiding des
Evangelies beletten, neer te werpen, zijn toch soms zeer
opmerkelijk. Dit hebben wij ook hier ondervonden. Het
Fingo-opperhoofd van deze kraal, Makubalo geheeten, was,
schoon voorkomend jegens mij persoonlijk, een besliste, woe-
dende tegenstander van het Evangelie. In wijden kring
oefende hij een schadelijken invloed uit, en wist hij, vooral
ook door zijn bijtende satyren op den Christelijken godsdienst,
en bespotting van alles wat naar ernst zweemde, de lieden
van zijn eigen kraal eu omliggende kraaien verwijderd te
houden van de godsdienstoefeningen. Doch, nu negen maan-
den geleden, werd hy aangetast door de pokken en stierf
-ocr page 151-
137
hij. Met zijn dood werd de deur geopend voor heb Evangelie
aan de Bolo.
In een brief aan zijn vriend, Dr. Andeeson, over het Zen-
dingwerk aan de Mqwali, schrijft Tiyo o. a. als volgt:
„Hoe meer ik de verantwoordelijkheid van het werk in aanmerking
neem, zoo minder ben ik geneigd daar veel over te zeggen. Wij, Zende*
lingen, hebben ons vooral te wachten, dat wij te hoog zouden opgeven
van de vruchten van onzen arbeid. Toch moet ik getuigen, dat ik reden
heb van dank wegens den zegen op het werk. Zekerlijk, bet heeft mij
niet aan teleurstellingen ontbroken. Ik heb te kampen gehad, en heb nog
te kampen, met groote moeielijkheden, doch mocht gedurig ondervinden,
dat de Heere in ons midden is, en dat zijn hand ten goede over ons is
uitgestrekt. Daar rust zegen op de prediking des Woords; vele lidmaten
der gemeente alhier zijn vruchten der Zending aan de Mqwali, en de mees-
ten onzer doopcandidaten zijn uit de heidenen, alhier en in den omtrek
woonachtig. Op de statie zelve wordt algemeen een ernstige begeerte naar
betere dingen geopenbaard. Zoo sprak onlangs een oude, ernstige heiden,
Thomas genaamd, tot mij: „Ik heb tot nu toe geleefd zonder doel,
en ben nu tot de overtuiging gekomen, dat mijn leven nutteloos is ge-
weest." Deze man, zijne vrouw en twee zonen zijn nu in de klas van
doopcandidaten opgenomen.
„Op mijne catechisatie heb ik een jongen man, Nkohla, die, schoon niet
bepaald een dronkaard, zich wel aan den drank — slechte Eaapsche
brandewijn — te buiten ging. Op zekeren dag kwam hij in een kraal bjj
een man, die een hartstochtelijk rooker was. In plaats van tabak roo-
ken de Kaffers het zaad en de bladeren van een soort wilde hennep, die
in sommige deelen van ons land in overvloed gevonden wordt. Het rooken
van deze plant is zeer gevaarljjk, en de Kaffers laten den rook gaan door
een grooten hoorn met water gevuld, om de bedwelmende kracht van het
kruid te temperen. Nkoela had nog nimmer gerookt, doch wilde het nu
eens probeeren. Nauwelijks echter had hij eenige halen aan de pijp ge-
daan of hij werd door duizeling bevangen; het zweet gudste hem van het
voorhoofd, en hij gevoelde zich alsof hij zou sterven. Wel herstelde hij
spoedig, doch het geval maakte een blij venden indruk op hem; hij werd
zeer beangst voor den dood, en dit dreef hem, om te luisteren naar het
evangelie. Hij is nu reeds langer dan een jaar in mijn klas, en houdt vol
-ocr page 152-
138
niettegenstaande de bespottingen, die hij deswegens te verduren beeft van
de beidenen in zijn kraal. Hij en zijne vrouw wonen getrouw de gods-
dienstoefeningen bij, en scbijnen zeer oprecht te zijn in het zoeken naar
de waarheid.
„Ik zal nimmer meenen iets gedaan te hebben voor mijn arm volk,
schrijft Tiyo verder, zoolang er niets degelijk» tot stand gebracht is voor
de behoorlijke opvoeding van het opkomend geslacht, vooral van de jon-
gena. In mijn school zijn vier of vijf veelbelovende knapen van omtrent
14 jaren. Konden dezen eens een goede opvoeding ontvangen, dan zouden
zij tot veel nut kunnen zijn voor hun natie.
„Het land, dat de Kaffers nu bewonen is, zoo als gij weet, niet langer
hun eigendom. Tengevolge van den jongsten opstand is het verbeurd-
verklaard en sedert, voor het grooter deel, aan Europeanen in huurplaatsen
uitgegeven. Zelfs hebben de Kaffers geen recht meer op de locaties, waarin
zij zich bevinden. Het is duidelijk, dat indien het opkomend geslacht niet
wel onderwezen worde, er voor ons volk niets zal overblijven, dan te ar-
beiden als houthakkers en waterputters, als wagendryvers en dienstknech-
ten. Doch zoo onze jongelingen nuttige ambachten kunnen leeren, dan
zal dit anders zijn. Dan zullen zij geld kunnen verdienen en land koopen.
Indien een volk in dit land geen grond bezit, leidt het een kommerlijk
bestaan. Wij kunnen thans geen grond koopen, daar wij geen middelen
hebben, geen handel, geen opvoeding. Onze jongelingen moeten ambach-
ten leeren, zullen wij als volk blijven bestaan. Ik vraag geen opvoeding
voor hen, die hen zou bederven, maar dat zij in staat gesteld zullen
worden, zich zelven te helpen.
„Zou het niet mogelijk zijn, dat ik in onze Kerken, in Schotland, een
£, 1000 zou kunnen collecteeren, om uit de renten van dit kapitaal
eenige van de meest geschikte jongens een degelijke opleiding te laten
geven. Ik zou zulke jongens eerst hier laten onderwijzen, ook in het een
of ander ambacht, en ze dan, zoo zij zich zulks waardig toonden, naar
Schotland zenden, om verder opgeleid te worden. Behoorlijk onderwezen,
zouden deze jongelingen later anderen kunnen leeren, en zoo zou de
invloed eener Christelijke beschaving zich over de natie kunnen uitstrek-
ken. Ik wensch, dat het intellectueel vermogen, de energie en natuur-
lijke aanleg van ons volk niet worde uitgedoofd, maar ten goede ge-
bruikt. Doch: men late mij niet alleen staan. Tenzij er spoedig iets voor
het opkomend geslacht gedaan worde, is de gelegenheid daartoe misschien
-ocr page 153-
139
voor altijd voorbij. Van de ouders heb ik weinig verwachting; die zijn
tevreden om zoo voort te leven ala hunne ouders, en begeeren niets an-
ders voor hunne kinderen. Wij zijn nog niet, als natie, uit de duisternis
verlost. De verwachting is, onder Gods zegen, van en voor het opkomend
geslacht."
XIV.
BEPROEVINGEN.
„Het verheugt mij," schreef Tiyo Soga, kort na zijn vesti-
ging in Kafferland, aan een vriend, „dat ik nog niet de
kracht heh ondervonden van het woord: een profeet is niet
ongeëerd dan in zijn vaderland en onder zijne magen." Hij
was met open armen ontvangen door het volk, in welks mid-
den hij was geboren en hij zijn eerste levensjaren had doorge-
bracht. De Kaffers zagen naar hem op met een zekeren
trots. „Zoo beschaafd, zoo geleerd, zoo geëerd door de blanke
leeraars, zoo ook in gunst bjj de Regeering, en tegelijk zoo
geheel Kaffer, vooral ook in zijne liefde voor het volk." Tiyo
was de eerste Kaffer, die tot het leeraarsambt was opgeleid
en als Zendeling optrad, en dit reeds maakte een diepen in-
druk op het volk. Gewillig kwamen velen tot zijne prediking,
en in korten tijd werd de statie aan de Mqwali gevestigd.
Naar het aanvankelijk scheen, zou die statie een lichtpunt
worden voor geheel Kaffraria, en zou Tiyo\'s arbeid in het
Evangelie spoedig, en op bijzondere wijze, gezegend worden,
m de toebrenging van vele Kaffers tot het geloof in den
Heere Jezus Christus.
Die schoone verwachtingen werden echter niet vervuld,
en al spoedig had Tiyo te klagen over bitteren tegenstand,
-ocr page 154-
140
juist van zijn eigen volk. Bijzonderlijk was het jaar 1862
hem een jaar van zware beproeving.
In het jaar te voren waren er, betrekkelijk, velen op de
Mqwali-statie gestorven, en onder dezen niet minder dan
zeven leden der Kerk. Dit gaf den heidenen aanleiding, om
de plaats in kwaden reuk te brengen: „het was er ongezond
wonen", en „daar waren zeker toovenaars, die ziekte en dood
onder de lieden verspreidden." Ook: „dat het gevaarlijk was,
om de godsdienstoefeningen van den Zendeling bij te wonen
of Christen te worden, want ziet! er waren zelfs zeven
Christenen gestorven, en onder dezen van de voornaamste
belijders." Deze kwade geruchten vonden veel gehoor, zelfs
onder de Christen-Kaffers, en daardoor leed het werk geen
kleine schade.
Van ernstiger aard was nog wel het volgende. Van meet
aan hadden de Zendelingen zich verzet tegen de nationale,
heidensche instelling van Ikasi d. i. het betalen en ont-
vangen van een zekeren koopprijs voor meisjes, die in het
huwelijk treden. Het eenige goede in deze gewoonte is, dat
de ouders zorgen voor de zedelijkheid hunner dochters, wel
niet uit eenig gevoel van zedelijke reinheid, maar uit eigen-
belang. Het zedelijk gevoel zelf staat onder de Kaffers op
het laagste peil, en de Kafferhut is een broeinest van onze-
delijkheid. Doch daar slechts een maagd „haar geld waard
is\'1 zorgen de ouders dan wel, zooveel maar immer moge-
ljjk is, dat de meisjes, ten minste naar den letter, zedelijk
leven. Toen nu echter de Zendelingen geen lkasi onder
de Christenen wilden gedoogen, viel deze aansporing tot
uitwendige zedelijkheid der ongehuwde Christen-meisjes
weg, en, het is treurig om te moeten neerschrijven, lieten
vele ouders toe, dat hunne dochters zich aan schandelijke
-ocr page 155-
141
praktijken overgaven. Het Evangelie was nog niet genoeg
doorgedrongen in het maatschappelijk leven der Christen-
Kaffers, om de oude zedelooze verdorvenheid in bedwang te
houden, en het ware misschien beter geweest, indien deZen-
delingen niet terstond op de afschaffing der Ikasi had-
den aangedrongen. Doch hoe dit zij, op de veelbelovende
Mqali-statie kwamen eerlang de schandelijkste dingen aan
het licht. Vertrouwde leden der Kerk, en zelfs onderwijzers
der kinderen, bleken zich aan de grofste zedeloosheid te heb-
ben overgegeven, en moesten deswegens onder de kerkelijke
tucht worden gesteld. Dat sneed Tiyo als een pijl door de
ziel, en drukte hem zeer terneder. Van den preekstoel be-
strafte hij openlijk, en op de gevoelvolste wijze, de zonden,
waardoor de statie was verontreinigd, en met onverbiddelijke
gestrengheid werd de tucht toegepast op de overtreders.
Doch Tiyo\'s hart werd bijna gebroken onder deze zware be-
proeving, en hij droeg diepe rouwe over het verderf, dat
zich op zijn statie had geopenbaard.
Nog was deze wonde niet geheeld of een andere beproe-
ving wachtte den getrouwen Zendeling, in eene nieuwe
openbaring van goddeloosheid en verzet op de statie.
Onder de Kaffers is de besnijdenis een burgerlijke, geen
godsdienstige instelling. Zij geeft burgerlijke rechten en
verheft tot den mannelijken staat. Zoolang de jongeling niet
besneden is wordt hij als onmondig beschouwd, doch daarna
w hij een „man", en treedt hij in alle burgerlijke rechten.
Tot deze laatste behoort dan helaas ook het „recht", om
allerlei zedeloosheid te bedrijven, en de praktijken die den ritus
vergezellen zijn afschuwelijk. Hiertegen zijn de Zendelingen
lri Kafferland, terecht, van het begin aan, opgekomen.
-ocr page 156-
142
Wat gebeurde echter in het begin van 1863 op de Mqwali-
statie ?
Een tiental der meestbelovende jongens, zonen van leden
der Kerk, hadden op elkander de besnijdenis toegepast. Naar
Kaffergebruik onder zulke omstandigheden, bewoonden zij
gezamenlijk een hut, en besmeerden zij hun gelaat en lichaam
met witte aarde; en dus toegetakeld liepen zij in, dekens ge-
huld, rond op de statie. Het was een openlijke bespotting
van het Evangelie en eene tartende verklaring, dat zij als
Heiden-Kaffers wilden leven.
„Hoe met deze jongens te handelen," schreef Tiyo, „was
allermoeielijkst. Zoowel om een einde te maken aan hun
ingebeelden staat van hoogheid als om te .verhinderen, dat
zij de zedeloosheid zouden bedrijven waartoe de besnijdenis
hen, volgens Kaffergebruik, juist thans recht gaf, besloten
wij, dat zij van elkander gescheiden zouden worden en op
afgelegen plaatsen, onder opzicht, zouden wonen, tot zij zich
weder in het publiek konden vertoonen. Doch de jongens
weigerden rondweg zich hieraan te onderwerpen. Wij spra-
ken ernstig met hen en wezen hen op de smaadheid, welke zij
brachten over de zaak des Evangelies, doch te vergeefs. Ik
sprak nu met de ouders, opdat deze hunne zonen tot hun
plicht en tot onderwerping zouden brengen, doch zij wil-
den ook naar hunne ouders niet hooren. Andere jongens
voegden zich bij de overtreders, en binnen weinige dagen
was de geheele statie in een staat van onbeschrijfelijke ver-
warring en opwinding. Er moest gehandeld worden.
„Ik besloot nu, om de jongens weg te zenden, van de
statie. Onmogelijk kon ik, in het belang van orde en
tucht, toelaten, dat mijn gezag met voeten getreden werd.
Een Zendeling moet trachten, om de verblinde, wederspan-
-ocr page 157-
143
nige, onwetende heidenen, door zachte overreding tot andere
gedachten te brengen, doch dit is een moeilijk werk. Deze
jongens echter moesten de statie verlaten. Zij hadden open-
lijk het heidendom omhelsd, en waar zij niet tot het Chris-
tendoin wilden terugkeeren mocht hun niet worden toege-
laten, om hunne schandelijkheden op de statie bot te vieren.
Toen ik nu echter zou overgaan tot hunne verwijdering van
de statie, trokken hunne ouders partij voor hen. De ouders
wederom vonden steun bij twee ouderlingen, wier zonen de
voornaamste bewerkers waren van de geheele zaak, en zoo
bleven de jongens op de statie. De gemeente werd nu in
twee partijen verdeeld. Het grooter deel der gemeente stond
aan mijne zijde, doch anderen namen sterk de partij der
jongens. Ik wist waarlijk niet wat nu te doen. Ik had mij
op den Magistraat kunnen beroepen, om de weerspannigen
te gelasten, de statie te verlaten, doch daartegen verhief zich
mijn gevoel als leeraar. Toch moesten orde en tucht ge-
handhaafd worden of ik moest vertrekken.
De jongens ziende dat hunne ouders en anderen hun partij
trokken, werden hoe langer hoe moedwilliger, en begonnen
nu ook de lieden op de statie te beleedigen. Zelfs volgens
Kafferwet moeten „witte jongens" zich schuil houden, en
alleen omgang hebben met mannen. Doch deze jongens ont-
zagen zich niet, om, met witte aarde besmeerd en in hunne
dekens, op de statie, zelfs voorbij mijn eigen huis, rond te loo-
pen, en met iedereen, die hen te woord wilde staan, te praten."
Trro werd eindelijk gedwongen, zich te wenden tot den
heer Beownlee, de vertegenwoordiger van het Britsch Gou-
▼ernement in Kafferland, met het verzoek dat hij deze jongens
tot de orde zou roepen. Er bestond eene Gouvernementsbe-
-ocr page 158-
144
paling dat „witte jongens" zich niet in het puhliek mochten
vertoonen, op straffe van boete en gevangenis, en deze wet
werd nu in toepassing gebracht. De heer Bkownlee liet de
jongens in hechtenis nemen, doch moest hen, op bevel der
Regeering, een veertien dagen later, echter weer in vrijheid
stellen. Zij kwamen toen niet terstond op de statie terug,
maar bleven in een hut op een milie-veld, een half uur van
de statie gelegen, en pleegden daar hunne schandelijkheden,
tot groot nadeel van het werk der Zending.
Tiyo riep toen een Kerkvergadering bijeen, om te over-
wegen hoe er gehandeld moest worden met de ouder-
lingen, wier jongens zich zoo misdragen hadden. Deze ver-
gadering werd, op uitnoodiging van Tiyo, ook bijgewoond
door de Zendelingen Cumming en Chalmers, die zich juist op
de statie bevonden. De ouderlingen werden gehoord, doch
ontkenden, dat zij verantwoordelijk waren voor het oproerig
gedrag van hunne zonen. „Dat zij zich verzet hadden tegen
de verwijdering der jongens van de statie was waar, doch
hierin hadden zij zich gedragen overeenkomstig eene bepa-
ling, gemaakt op zekere samenkomst van Christen-Kaffers, nl.
dat indien de zoon van een Christen zich liet besnijden hij
niet zou worden uitgestooten, maar dat hij, onder opzicht
van zijn vader, zich ergens schuil zou houden tot hij weer
in het publiek kon verschijnen. Die bepaling was nooit her-
roepen, en dienovereenkomstig hadden zij zich verzet tegen
de verwijdering hunner zonen van de statie."
Toen hun nu duidelijk gemaakt werd, dat geen Zendeling
ooit door zulk een bepaling kon gebonden zijn om kwaad
toe te laten, en dat zij zich verzet hadden tegen de waarlijk
zachte pogingen, om de jongens tot hun plicht te brengen,
erkenden zij hun ongelijk. Zij werden nu ernstig vermaand
-ocr page 159-
145
om, vooral als ouderlingen der gemeente, de eere Christi te
zoeken boven alles, en zich als trouwe opzieners in zijne
Kerk te gedragen. De volgende redenen werden opgegeven,
waarom niet tot ernstiger maatregelen tegenover hen werd
overgegaan:
1.  Het was duidelijk gebleken, dat zij hunne zonen niet
hadden aangezet, zich te laten besnijden.
2.  Zij, de ouderlingen, waren mannen van goede, christe-
lijke belijdenis en, deze zake uitgezonderd, van goeden wan-
del, gedurende 30 jaren.
3.  In aanmerking moest worden genomen, dat zij, die in het
heidendom geboren waren, het kwaad der besnijdenis-praktijk
niet zoo terstond inzagen. Zij hadden doorgaans gefaald in
hun oordeel, en daaruit was hun verzet voortgesproten.
Eindelijk mocht ook niet worden vergeten, dat de Zende-
lingen zelven het onder elkander niet eens waren, hoe er
gebandeld moest worden met jongens, die de oude nationale
gewoonte volgden. Sommige Zendelingen meenden, dat zulke
jongens van de staties moesten worden gebannen; anderen,
dat ze een degelijk pak slaag moesten ontvangen; en nog
weer anderen, dat men er niets aan doen moest.
Hiermede liep deze zaak voorloopig ten einde, behalve voor
Tiro Soga, die er bitter onder geleden had. Zijne ziel treurde
over de onzedelijkheid, welke zich in het midden der jeugdige
gemeente had geopenbaard, en dat het Evangelie nog zoo
weinig vruchten droeg, zelfs onder de belijders op zijn statie.
Eerlang moesten er weer zes leden van de gemeenschap der
Kerk worden afgesneden wegens ontucht, en onder zulke
beproevingen versmolt het hart van den getrouwen zend-
bode in diepe smart.
10
-ocr page 160-
146
Hierbij kwam lichamelijk lijden. Het huisje door hem be-
woond was in der haast opgetrokken, en ganschelijk niet
geschikt tot woning voor iemand met zulk een tenger gestel
als Tiyo. Het was laag van verdieping; niet droog; wel licht,
maar kwalijk dicht. Tiyo begon te lijden aan keelontste-
king. Toch ging hij voort met prediken, en reisde hij zelfs
naar King-Williamstown, waar hij deel nam aan de diensten,
bij gelegenheid der opening eener nieuwe Zendingkerk. Dit
bracht de slepende kwaal tot een crisis, en Tiyo werd zoo
ernstig krank, dat hij niet naar de Mqwali kon terugkeeren,
maar te King-Williamstown moest blijven, onder geneeskun-
dige behandeling. Zijne echtgenoote kon niet tot hem komen,
daar de kinderen aan de kinkhoest lagen, doch hare plaats,
aan Tiyo\'s krankbed, werd met groote toewijding vervuld
door Mevr. Bkownlee, de echtgenoote van den grijzen Zen-
deling, en diens waardige dochters. Na verloop van twintig
dagen week de ziekte, doch Tiyo bleef nog langen tijd daarna
zoo zwak, dat hij geen werk kon doen. Zijne geneesheeren
vreesden reeds toen voor de tering, en hem werden strikte
bevelen gegeven, zich zooveel mogelijk in acht te nemen.
Nog meer dan door zijn eigen lichaamslijden, werd Tiyo
gedrukt door dat van zijn tweede zoontje, John Hendekson.
Naar verondersteld werd, was het kind, toen het nog zeer
jong was, gevallen, en nu het opgroeide bleek er grond voor
vreeze, dat het kreupel zou worden aan een der beenen. Dit
maakte Tiyo zeer bezorgd, en hij spaarde moeite noch kosten
om de beste geneeskundige hulp voor het kind te verkrijgen,
lntusschen werd zijne ziel door deze verschillende beproe-
vingen in veel benauwdheid gebracht, die hem tot zelfonder-
zoek dreef, en tot veel gebeds.
-ocr page 161-
147
Wat hij in die dagen doorleefde; hoe hij treurde over de
zonde van zijn eigen hart, en hoe hij worstelde met God om
meer licht, om heiligmaking, om vertroosting des Geestes,
daarvan spreken de volgende uittreksels uit zijn dagboek:
„5 Januari. — Heb ik over een groot gebrek in mijn
karakter te klagen, dan is het over onstandvastigheid. Hoe
dikwijls heb ik reeds besloten, om, met des Heeren hulp, een
beter mensch te worden. Doch al mijne voornemens in deze
zijn tot niet gekomen.
Met betrekking tot mijn staat voor God heb ik over veel
te klagen. Ik ken mij zelven in mijne bedriegelijkheid. Ik
weet dat er eene ontzachelijke verantwoordelijkheid op mij
rust, zoo ik onbedacht het werk van een leeraar op mij
heb genomen. Al wat ik tot nu toe in mijn ambt verricht
heb werd gekenmerkt door onoprechtheid; ik heb over doo-
diy;heid en hardheid des harten te klagen, en als ik Gods
Woord lees blijft mijn hart ongeroerd. Ik heb geen diep ge-
noeg gevoel van miju schuld, en kom zoo ook niet tot waar
berouw over mijne zonden. O God, verteeder Gij mijne ziel,
en Gij zult al de eere ontvangen. Gij kent mijn hart, en Gij
weet, dat het mijne begeerte is, waarlijk vergeving van zon-
den te hebben. Ik zucht naar waarachtige nederigheid en
verbrokenheid des harten, opdat ik Gods nabijheid moge
gevoelen als nooit te voren; en hoe zou dit mogelijk zijn,
tenzij God mij, om Jezus wille, vergeving schenkt. Heere, ik
stel mij zelven in uwe handen. Heilige Geest, onderwijs mij en
verlicht mg. En Gij, o Heere Christus Jezus, vervul aan mjj
uwe belofte, dat wie tot U komt, Gij niet zult uitwerpen."
„De dag des Heeren. 15 Januari. Het helpt niet. Ik
ga achteruit. Mjjn hart is op onverklaarbare wijze vervuld met
-ocr page 162-
148
ongeloof en hardheid. Help mij, Heere God, om uwer genade
wil. De zonden, die mij lichtelijk omringen zijn: schijnheilig-
heid, ongeloof en kwaad humeur. Die allen wellen op uit
de fontein van een hart, dat niet vernieuwd is."
„30 Januari. — In het heerlijk boek van Todd: „Het
doel des levens" gelezen. Het brengt mij mijn eigen
zonde en schuld duidelijk voor den geest. „Het groote doel
des levens," schrijft Todd, „is te leven voor God." Het is mij
alsof de Heere mij in staat wil stellen, mijne zonden te o ver-
winnen ___Verwerp mij niet, o Heere."
„Sabbathavond, 7 Maart. — O barmhartige God en
Vader, wees mij zondaar genadig. Heilig uw Woord aan
mijne ziele, en geef, dat het al het verkeerde in mij over-
winne. Heere Jezus, verlos mij! Heilige Geest, leer mij!
Ik bezocht een arm meisje, dat aan de tering ligt. Hare
onkunde omtrent God en hare eigene zondigheid was jam-
merlijk. Ik behoor daaruit gewichtige lessen te trekken."
„29 April. — Ik heb reden om te vreezen, dat ik tot
nu toe slechts uitwendig een Christen geweest ben. Verschrik-
kelijk voor iemand, die het werk der heilige bediening en
van een Zendbode des Evangelies op zich heeft genomen.
Toch mag ik, daar alle goede indrukken, gedachten, woorden
en werken alleen van Hem zijn, Die is de Gever alles goeds,
nog weer gelooven, dat de Heere in zijn genade, en niette-
genstaandc vele afwijkingen, mij, blinde, geleid heeft langs
een weg, dien ik niet kende.
Ach! het is de vurige begeerte van mijn hart, om een
recht besef van mijnen staat voor God te hebben.... Kan
-ocr page 163-
149
ik ook waarlijk onverschillig en ongevoelig zijn, omtrent
mijne ziel? Indien ik eenigszins recht mijne verantwoorde-
lijkheid als Zendeling op deze statie gevoelde, dan zou dit
een verbrijzelenden invloed op mij uitoefenen. Het bloed
van deze zielen, o Heere, zult Gij voorzeker van mijne hand
eischen. Tegen U, U alleen heb ik gezondigd! Tot U kom
ik door Jezus. Dat het U behaagd heeft, mij, in den laat-
sten tijd, toch tot eenig besef en nadenken te brengen,
moest voor mij reeds een wonder der wonderen zijn. Ik ver-
dien, aan mij zelven te worden overgelaten. Barmhartige
Vader, geef mij licht. Red mijne ziel, en red de zielen van
dit volk... Mijne grootste behoeften, zoover ik die kan na-
gaan, zijn: een hart dat voldoende geheiligd en ontvankelijk
is om Gods Woord met vrucht te lezen, en geestelijk licht
om het te verstaan. En mijn grootste gebrek is etne geeste-
lijke traagheid omtrent de dingen, waaraan ik de meeste be-
hoefte heb. Vader, bij dit alles zoek ik hulpe van U en van
Uwen goeden Geest."
,2 Mei, Avond. — In welk een toestand van duister-
nis bevind ik mij; het gebed is mij als een last. Geen gevoel
omtrent mijnen staat voor God; eerder geneigd tot eene ver-
keerde luchthartigheid. Wat heb ik dezen dag verricht. dat
de Heere zal goedkeuren? Mijn leven schijnt geen doel te
hebben, en nocïltans ben ik een Zendeling! De Heere leere
mij hoe ik mijn tijd geregeld besteden kan; dit is de eenige
weg langs welken mijn leven, ten minste eenigszins, doel
kan treffen. Ik kan op mijn zwakken, onstandvastigen wil
geen staat maken. O God, Gij Leidsman der blinden, kom
mij ter hulpe!.... Ik ben bezig aan een preek over Rom.
X1V:12: „Zoo dan, een iegelijk van ons zal voor
-ocr page 164-
150
zich zelven Gode rekenschap geven." 0 Heere, ook
ik moet voor mij zelven rekenschap geven aan U. Zult gij
mij niet in staat stellen, als ik nog wat langer op aarde
leven mag, zóó te leven dat ik niet in schaamte en schande
voor U heb te verschijnen!"
„Sabbath, 14 Mei. De laatste twaalf dagen heb ik in
zeer ellendigen toestand doorleefd. Het is alsof ik steeds
meer terugzink in onverschilligheid omtrent den staat mijner
ziel. Wat is toch de oorzaak hiervan? Traagheid meer nog
dan ongeloof? Alles is mij tot een last: de prediking; het
lezen van Gods Woord; het gebed. Ik volbreng mijne plich-
ten werktuigelijk. Kan ik onder zulke omstandigheden een
zegen van God verwachten?... Deze sabbath is zonder vrucht
voor mij voorbij gegaan. Helaas! zoo weinig belangstelling
in het heil der menschen, die heden, nog meer dan gewoon-
lijk, tot de godsdienstoefeningen waren opgekomen!
Hedenavond in A. Butler\'s preek over 2 Tim. 1:8 gelezen.
Wat hij daar zegt over traagheid heeft mij bijzonder ge-
troffen. O God, zegen die waarheid aan mijne ziel! Och, dat
ik vertrouwen mocht, dat Gij, o Geest van God, mij bij die
woorden bepaald hebt... Ik ben een zeer ongelukkig schep-
sel; zoo traag, en dan: een Zendeling! Deze gedachte, o ge-
zegende God, moest mij in tranen voor Uw aangezicht doen
wegsmelten. Doch het gevoel mijner verantwoordelijkheid is
slechts voorbijgaand. Wat zal er nog van mg en van dit
volk worden! O Heere, ik beveel mijn zaak in uwe hand.
Gij hebt mij toch niet in Uw toorn tot dit werk geroepen.
Hemelsche Vader, Gij kent mij, waar Gij een goed werk in
mij begonnen zijt, wil het dan voleindigen tot den dag des
Heeren Jezus. Ik verlang ernstiglijk, Uw eigendom te zjjn.
-ocr page 165-
151
Doch mijn hart is zoo hard. Verlevendig mij door uwen
Geest."
„22 Mei. Ik ellendig mensch, wat houdt mij toch van
God en Christus verwijderd? Het kan niet zijn mijn on-
oprechtheid, noch ook de zonden door mij tegen God bedre-
ven nadat ik de kennis aan Hem had verkregen. Het moet
zijn de natuurlijke verdorvenheid mijns harten: de afkeer
van mijn boos harte van God en van alles goeds. Wat houdt
mij van fj terug, o Heiland? Ik weet en gevoel, dat ik mijn
ziel niet kan behouden; doch waarom geloof ik dan niet
in eene verlossing door Gods genade voor mij teweegge-
bracht?"
,24 Mei. Ik behoor niets te minachten, wat ik voor mijne
ziel mocht ontvangen. Vader, gedenk mijner; verlicht mij.
Alles dringt mij, in God, mijn hemelschen Vader te geloo-
ven, en Christus aan te nemen met mijn geheele hart....
God is mijn Vader; ik ben zijn kind.... Waarom zal ik
twijfelen? Al de beloften zijn voor mij. Het is onmogelijk,
iets vreeselijkers te bedenken dan den staat van het men-
schelijk hart, — dan de verkeerdheid van mijn hart, dat
zooveel tegenstand kan bieden aan, en zich verzetten tegen
wat God heeft gedaan en gesproken... Bid, mijne ziel, om
vervuld te worden met ontzag voor God; bid om vergeving
van zonden, vooral der zonden van ongeloof en hardheid
des harten; bid om licht en om vertrouwen op het getuige-
nis Gods aangaande Hemzelven, en zijn Zoon, zijn Geest,
zijn Woord."
,,Sabbath 31 Mei. Een Sabbat minder voor mij op aarde.
-ocr page 166-
152
Ik heb gebeden, dat deze dag anders mocht zijn, dan zoo
vele reeds vervlogene, erger dan nutteloos doorgebrachte
sabbathen. Ik kan niet zeggen welke uitwerking deze dag op
mijne ziel gehad heeft. Ik ben nu in een gemoedstoestand,
die zeer moeielijk onder woorden te brengen is. Mijn He-
melsche Vader, wat kan ik doen? Het grootste verlangen
van mijn hart is, om Uw eigendom te zijn. Ach! met hoe-
veel onwaardigheid is het Evangelie heden door mij verkon-
digd! Vergeef Gij mij dit, om Jezus wille."
„Zondag, 12 November. Het is een boos kind, dat
zijn vader haat; opstandig, ongehoorzaam en brutaal tegen
hem is; hem daarenboven wantrouwt in alles wat hij doet,
en geen geloof slaat aan zijn belofte van vergeving, als dat
wederspannig kind slechts wil komen en schuld belijden.
Hoe kan ik toch dus tegenover mijn hemelschen Vader han-
delen? Ik begeer nu, van ganscher harte, van mijne twijfe-
lingen verlost te worden."
„17 November. Gisteren las ik in het boek van Phelps,
„De stille ure". Het schijnt, dat God dit boek aan mijne
ziel heeft willen zegenen. Ik verkeer overigens in groote duis-
ternis. Ik geloof niet dat er op de geheele aarde iemand
ellendiger is dan ikzelf. Mijn hart is niet recht voor God.
Het schijnt ook alsof ik anderen niet gelukkig kan maken,
omdat ik zelf zoo ellendig ben. Er zijn drie oorzaken die
samenwerken, dat mijn streven om in een rechten staat voor
God te komen schipbreuk lijden. Ten eerste: eerbied en ont-
zag voor God, de vreeze Gods; ten tweede: ik zie zooveel
op mijne zenden dat ik ontmoedigd word om op Christus te
zien; en derdens: tracht ik te zeer nog, in mgn eigen hart
-ocr page 167-
153
eenig bewijs te vinden dat ik geloof. Leid mij, o God, tot
de rechte kennis van Uzelven."
Aldus werd Tiyo Soga door vele beproevingen gedrongen,
een blik in zijn eigen hart te slaan, en vervolgens, om al
zijn kracht alleen in God te zoeken. Hij was zeer bevoorrecht
boven al zijne landgenooten: Hij had eene opvoeding ont,-
vangen als geen uit zijn volk, en bekleedde een plaats in de
maatschappij hooger dan al de vorsten van Kafferland geza-
menlijk. De tweede zoon der Koningin van Engeland, Prins
Alfeed, had hem, aan boord van de Euryalis, een plaats
aan zijn tafel gegeven, terwijl Koning Sandilli en diens
raadslieden tusschendeks spijsden. Door den Hoogen Com-
niissaris voor Britsch Zuid-Afrika, de fijn beschaafde, gelet-
terde, invloedrijke Sir Geukge Grey, was Tiyo herhaaldelijk
met bijzondere onderscheiding behandeld. Zijne vroegere
leermeesters in Kafferland, wier dienaar hij ook geweest was,
gingen thans met hem om als een gelijke. De Kerk in
Schotland, tot welke hij behoorde, betoonde voortdurend het
grootste vertrouwen in hem, en eerde hem als een harer
uitstekendste Zendelingen. Hij, de eenige onder al de Kaffers,
was gehuwd met eene blanke vrouw, uit den gegoeden
stand. — En hij, een Kaffer uit de Kaffers, stond in het mid-
den van zijn volk als prediker des Evangelies, als vertegen-
woordiger der Christelijke beschaving; in ieder opzicht als
een leeraar, boven allen in kennis en waardigheid uitmun-
tende. Dit alles zou hem, naar de zondigheid der mensche-
lijke natuur, en de geneigdheid der Kaffers in het bijzonder,
lichtelijk tot zelfverheffing hebben kunnen leiden, — hem ver-
waand hebben kunnen maken. Doch van zelfverheffing, zoo
stuitend dikwijls in inboorlingen met de Westersche bescha-
-ocr page 168-
154
ving in aanraking gebracht, was bij hem geen spoor te ont-
dekken. Integendeel was hij, zonder een zweem van kruiperjj,
de nederigste onder de nederigen; nederigheid was een zij-
ner heerlijkste karaktertrekken. En het geheim hiervan?
Wij vinden het in zijne zieleworstelingen voor \'s Heeren
aangezicht. Naarmate hij hooger rees in de achting van an-
deren, werd hij door den Geest des Heeren dieper ingeleid
in de verdorvenheid van zijn eigen hart, in zijne onwaardig-
heid voor God, in de onvruchtbaarheid van eigen werk om
voor God te bestaan. In den weg van zwaren zielestrijd,
moest hij altijd beter verstaan, dat hij, de gevierde prediker
des Evangelies, de leeraar van zijn volk, uit genade en uit ge-
nade alléén zou moeten zalig worden, evenals de onbeschaafdste
en diepstgezonken Kaffer, óf om zijn zonden verloren gaan.
Immer meer moest Tiyo leeren „hoe groot zijn zonde en
ellende was", ook nadat hij uit genade had geleerd hoe hij
van al zijn zonde, door het geloof in Christus, verlost moest
worden, en hoe hij Gode voor zulke verlossing dankbaar
zou zijn. Zoo werd zijn ziel door zwarigheid vernederd, en
hem het diep bederf zijns harten geopenbaard, opdat hij
geen grond van zelfvertrouwen hebben zou, maar de genade
Gods aan hem betoond verheerlijken. Van zijne bekeering,
en van al zjjn arbeid, moest de Heere, op de meest kenne-
lijke wijze, alleen de eere hebben.
XV.
VERKWIKKINGEN.
Zoodra de Zendingcommissie in Schotland in kennis ge-
steld was, met den waarlijk zorgvollen staat van Tiyo Sooa\'s
-ocr page 169-
155
gezondheid, werd hem gelast, zich voorloopig van allen ar-
beid te onthouden en eenige maanden op reis te gaan. Ge-
volgelijk vertrok hij, in het begin van Juni 1863, van twee
zijner ouderlingen vergezeld, te paard naar de droge, gezonde
streken ten Noorden der Oranje-rivier. Op deze reize bezocht
hij al de Zendingstaties van verschillende Kerken en Genoot-
schappen, langs welke zijn weg hem voerde, en overal was
hij een geëerde en welkome gast. Den 10en Juni bevond hij
zich op de Zendingstatie Shiloh, der Moravische Broederen,
in het Qneenstown-district. „Ik bezocht de school," schreef
hij van hier, „den molen, de werkplaatsen en de tuinen, die
alle met zorg en ijver behartigd worden. Ik vond hier, even-
als in Goshen, wel een Christengemeente maar geen heiden-
bevolking, om het Evangelie aan te verkondigen. De vier
Broederen, Gysen, Stephan, Weiz en Richter wijden hunne
krachten aan de bijna 700 inwoners op de statie. Zij ont-
vangen geen salaris uit Duitschland, maar voorzien (door
hun arbeid en de opbrengst der winkels en werkplaatsen)
in eigene behoeften. Wat overblijft wordt naar Duitschland
gezonden en in de algemeene kas gestort. De Moravische
Zendelingen mogen geen grond bezitten, en kunnen geen
geld opleggen voor zich zelven. Wanneer hunne kinderen
zeven jaren oud zijn worden zij naar Duitschland gezonden
om, voor rekening der Broederschap, te worden opgevoed.
Het gebeurt zelden, dat de ouders hunne kinderen wederzien.
De zonen worden meestal als Zendelingen naar andere lan-
den gezonden, en de dochters worden uitgehuwelijkt aan
Zendelingen of anderen. De keuze wordt bepaald door het lot."
Vervolgens bezocht Tiyo de Zendingstaties der Wesleyanen
te Lesseyton en Glen Grey. Omtrent Lesseyton schrjjft hij;
-ocr page 170-
156
„Er is hier een ambachtsschool op welke een 28-tal
jongens (inboorlingen) onderscheidene ambachten, zoo als
schoenmaken, timmeren, metselen enz. leeren. Eenigen zijn
reeds in deze school tot degelijke ambachtslieden gevormd.
De jongens lezen het Engelsch goed, en schrijven en reke-
nen redelijk. Toen ik de school bezocht, stonden al de kinde-
ren op en zongen mij een welkom toe. Nimmer nog heb ik
een school gezien waar alles zoo keurig toeging als hier.
De school wordt bezocht door ongeveer 200 leerlingen,
meestal kinderen, doch ook door volwassenen, die begeerig
zijn naar onderwijs. De statie telt ongeveer 4500 bewoners en
deze hebben, in het vorige jaar, £ 300 (ƒ3600) bijgedragen
ter behoeve der Zending. Naar het tijdelijke zijn deze lieden
in zeer goede omstandigheden; vier personen bezaten teza-
men 1400 schapen. Zij bewonen nette huizen, die wel gemeu-
bileerd zjjn. Over het algemeen zijn deze menschen allen an-
deren Christenen uit de inboorlingen die mij bekend zijn, ver
vooruit. Te Glen Grey, met de buitenstaties door ongeveer
4000 zielen bewoond, werd in het vorige jaar £ 230 (ƒ2760)
bijeengebracht voor de Zending. Tachtig kinderen bezoeken
daar de school."
Tiyo Soga zette zijn reis voort over den 5000 voet hoogen
Stormberg waar hij „ijs zag wel een "halven duim dik."
Van onderscheidene invloedrijke personen, die hij bezocht,
ontving hij introducties aan anderen, en zoo werd er op
de geheele reize op bijzondere wijze voor hem gezorgd.
Ook zorgde men voor gidsen, waar hij door minbekende
streken reizen moest. Die gidsen schijnen echter zelf niet
altijd met den naasten weg bekend te zijn geweest. Tiyo
schrijft: „Op zekeren avond, na langen tijd den weg ge-
-ocr page 171-
157
volgd te hebben, die, zooals de gids ons verzekerde, naar
de statie van den Zendeling Rolland leidde, moesten wij
eindelijk onder een bergrand afzadelen, om daar tot het
aanbreken van den morgen te vertoeven. Ik zag er zeer
tegen op, in het open veld te vernachten. Wjj maakten
vuur en braadden een klein stukje vleesch. Intusscheu ging
onze gids te voet verder, om te zien of hij een korteren
weg naar de statie vinden kon. Na eenigen tijd keerde hij
terug met de welkome boodschap, „dat hij een voetpad
gevonden had, dat zeker naar een woning leidde, en dat
die de statie moest zijn, want hij had in die richting hoo-
ren zingen." Spoedig waren onze paarden nu weer opge-
zadeld en vervolgden wij onzen tocht. Geen tien minuten
verder echter ontdekten wij, dat wij ons aan den rand van
een zeer steilen berg bevonden, zoodat wij van onze paarden
moesten stijgen, en, zoo goed het ging, naar beneden moesten
klauteren. Aan den voet des bergs gekomen, reden wij nu
eenigen tijd over een steenachtige vlakte, waar geen spoor
van een weg was te bespeuren, tot aan de Kraairivier, die
wij met veel moeite doorwaadden, en toen kwamen wij aan
een Basuto-kraal. Op onze vraag, waar de Zendingstatie ge-
legen was? vernamen wij, dat wij die reeds verscheidene mij-
len achter ons hadden liggen. Wij konden dien nacht
onmogelijk verder reizen, en vroegen om in de kraal te mo-
gen blijven. De lieden wezen ons toen een afgeschoten plaats,
waar wjj konden vernachten, doch die was zonder dak. Ik
zeide tot hen, dat ik niet in de open lucht mocht slapen,
waarop een man mij in zijn hut, waar ook zijne huisgenoo-
ten sliepen, een plaats inruimde. Men bewees ons veel vrien-
delijkheid in woorden! Toch waren wij dankbaar, dat wij
niet in het open veld behoefden te vernachten.
-ocr page 172-
158
In den morgen hield ik huisgodsdienst met de lieden van
de kraal. Zij zongen een lied in hun eigen taal, op zulk eene
wijze, dat mijn gemoed tot schreiens toe bewogen werd.
Onwillekeurig werden mijn gedachten heengeleid naar huis,
naar mijne vrouw en kinderen, van wie ik thans zoo ver
verwijderd was. En de ondervindingen in deze laatste dagen,
leidden mij tot de volgende opmerkingen:
1°. Wees vriendelijk jegens uwe vrouw en kinderen, wan-
neer gij bij hen zijt, want ieder haastig woord en elke on-
vriendelijke handeling, pijnigt u in de herinnering, als gij
van huis zijt.
2°. Wees vriendelijk jegens vreemdelingen. Wie zelf gereisd
heeft, weet zulke vriendelijkheid op prijs te stellen, en wie
nog niet gereisd heeft, kan er eenmaal behoefte aan hebben.
3°. Zorg dat de vreemdeling, die onbekend is met den
weg, een vertrouwbaren gids mede krijgt. Zelfs met de nauw-
keurigste aanduidingen van den weg, kan een reiziger zon-
der gids nog gemakkelijk verdwalen."
In Basuto-land kon Tiyo Soga slechts éene Zendingstatie
der Weslyanen, en twee der Fransche Zending bezoeken.
Zijne eigene paarden waren te vermoeid, om verder mede te
reizen, en tengevolge van den oorlog, kon hij geen paarden
te huur of geleend krijgen. Ook gevoelde hij zich bezwaard,
om lang bij de Fransche Zendelingen te vertoeven, die „uit
een salaris van slechts £ 100 (ƒ1200) per jaar, thans £ 6
moesten betalen voor een mud meel en £ 10 voor een zak
koffie." Omtrent de Fransche Zendingstaties schrijft Tiyo:
„De Christen-Inboorlingen staan verre ten achteren in uit-
wendige dingen, zelfs bij de onze, doch de Zendelingen zgn
kloeke, jjverige mannen, die met vele moeielijkheden hebben
-ocr page 173-
159
te worstelen. De Zendeling Emile Rolland is, op zijn nieuwe
statie, met bijzonderen ijver werkzaam en vindt in zijne vrouw
eene krachtige hulpe. Welk een onderscheid voor zulk eene
beschaafde dame, tusschen hare ouderlijke woning in de
hoofdstad van Schotland, en het kwalijk voltooide huisje
van twee kamers, nu door haar bewoond, met een „keuken"
zonder dak, waaruit ik haar, met oogen bloedrood van
den rook, te voorschijn zag komen. Toch was zij gelukkig
en tevreden onder de moeielijkheden, die eene dame van
haar stand en opvoeding in de maatschappij, dubbel zwaar
moesten vallen."
Zonder Moshesh, het groot opperhoofd der Basutos, wien
hij zoo gaarne ontmoet had, een bezoek te kunnen brengen,
moest Tiyo Soga van Beersheba, eene Fransche Zending-
statie ten Noorden van de Oranje-Rivier, huiswaarts keeren.
Gesterkt naar lichaam en geest kwam hij, na eene afwezig-
heid van ruim drie weken, op zijne statie terug.
Den daarop volgenden Zondag preekte Tiyo voor zijn Kaf-
fergemeente, naar aanleiding van Psalm 106:7. Aan het
einde zijner rede gaf hij zijnen hoorders een kort overzicht
van hetgeen hij op zijne reize gezien had van het werk der
Zending, en sloot toen met deze woorden: „Ik heb andere
natiën gezien, maar ik bemin mijn eigen volk boven al; ik
heb andere landen gezien, maar ik heb mijn eigen land bo-
ven alle andere lief; ik heb andere plaatsen gezien, doch ik
zou de Mqwali niet willen ruilen voor alle te zamen; ik heb
andere kerken gezien, en deze kerk is mij steeds dierbaarder
geworden. Slechts twee Zendingstaties heb ik bezocht, die
de onze in byna ieder opzicht overtreffen, en die behooren
-ocr page 174-
160
aan de Wesleyanen. Ziet toe, dat gij u, te midden uwer vele
zegeningen, niet schuldig maakt aan de ondankbaarheid, die
in onzen tekst wordt bestraft."
In September van dit zelfde jaar, werd de inwijding van
het kerkgebouw aan de Mqwali op feestelijke wijze herdacht.
Dit had eigenlijk in Juni moeten geschieden, doch Tiyo was
toen op reis. Onderscheidene Zendelingen waren tegenwoor-
dig en een twintig Kaffers werden, op belijdenis des geloofs,
door den doop in de kerk opgenomen. Er werd ook een
openbare vergadering gehouden ter bespreking van de be-
langen der statie, en uit het verslag bij die gelegenheid
uitgebracht, bleek, dat de schuld op het kerkgebouw van
£ 361 op £ 83 (ongeveer ƒ1000) verminderd was. Dit was
echter meer te danken aan de belangstelling van vrienden
in Schotland en Engeland, dan aan de vrijgevigheid der
Kaffers. „Onze menschen," schreef Tiyo, „zijn nog traag in
het geven, doch wij leeren hen, bij te dragen tot instand*
houding van den openbaren godsdienst."
Dankbaar voor de geldelijke hulpe, die hem uit Schotland
was geworden, drong Tiyo op zijne eigenaardige wijze aan
op meerdere ondersteuning. „De dankbaarheid van een Kaf-
fer", schreef hij aan een predikant in Schotland, „is retro-
spectief èn prospectief. Wanneer men een Kaffer iets
schenkt, dan zegt hij: dank je wel; maar och, wordt
niet moede als gij dezelfde gunst morgen weer
te bewijzen hebt." Zoo dank ik de vrienden ook niet
slechts voor hetgeen zij reeds voor onze Zending hebben
gedaan, maar ook voor hetgeen zij nog zullen doen.
„En waarom zouden zij ook niet gedenken aan de arme
-ocr page 175-
161
Kaffers in Zuid-Afrika, zoowel als aan de arme negers van
West-Afrika. Zij zijn even geestelijk blind als de bewoners
van Indië. En het feit, dat zij den blanken veel moeite
gegeven hebben, moet voor Christenen toch een reden te meer
zijn, om hen voor Christus te winnen.
„Verdere geldelijke bijdragen, die mij zullen worden toe-
vertrouwd, hoop ik te gebruiken om kleine Zendingkerken
te bouwen, op onze buitenstaties. Langs dien weg wordt de
Kerk uitgebreid op den Zendingakker. Ik heb nu bepaald
het oog op twee locaties, die zeer bevolkt zijn. Doch wat
kan één Zendeling doen in zulk een uitgebreid arbeidsveld!
„De vooruitzicbten om veel goeds te kunnen doen zijn ook
niet helder. Behalve dat mijne landgenooten gebonden
liggen in de ketenen van heidensche gewoonten en praktijken,
zijn er andere dingen, die onzen arbeid ten zeerste bemoeie-
lijken. Dit zijn — ik zeg het met smart — de gevolgen der
beschaving. Mijn vertrouwen in beschaving alleen,
zonder Christendom, is geheel verloren gegaan.
De beschaving van hen, die niets geven om, en niets doen
voor de zedelijke, lichamelijke en verstandelijke ontwikke-
ling van onwetende lieden in een barbaarsch land, is voor
de onbeschaafden, die daarmede in aanraking komen, ver-
derfelijk. Niemand zal meer spreken over het nut van bescha-
ving zonder Christendom, die eenmaal heeft gezien hoe de
inboorlingen hier te gronde gaan, door dronkenschap en
andere zonden van beschaafde maar ongodsdienstige lieden.
Beschaving doet dan alleen dienst aan het Christendom, als
zij daarvan het gevolg is."
Na het in menig opzicht verkwikkelijk feest aan de Mqwali,
11
-ocr page 176-
162
moest Tiyo zijn vrouw en hun tweede zoontje, John Hen-
derson, naar Schotland laten gaan. Dit kind was, gelijk reeds
is medegedeeld, gevallen en men vreesde, dat het kreupel zou
blijven. De geneesheeren in de nabijheid konden niets meer
voor het kind doen, en zoo besloot Tiyo, de moeder en het
kind naar Schotland te zenden in de hoop, dat de doktoren
daar het kind, onder Gods zegen, zouden kunnen genezen.
Zeer, zeer gaarne zou Tiyo zijne vrouw, die in September naar
Schotland vertrok, vergezeld of later gevolgd hebben, om
daar de zaak der Zending onder de Kaffers persoonlijk te
kunnen bepleiten. Doch hij zag er tegen op om van zijn Comité
hiertoe verlof te vragen, en de BB. in Schotland schijnen er
niet aan gedacht te hebben, hem daartoe ongevraagd verlof
te zenden; of hebben het ook wel misschien niet noodig of
wenschelijk geoordeeld, dat hij Schotland toen zou bezoeken.
Tiyo had tot nu toe gewoond, of liever had zich behol-
pen, in een huisje van „riet-en-klei," bij zijn aankomst op
de statie in der haast opgetrokken. Dat was echter geen
woning voor een Zendeling, en minst van al voor iemand
met een zwakke borst zooals Tiyo. Gelukkig, dat het Zending-
comité, behoorlijk omtrent den staat van zaken ingelicht, nu
oogenblikkelijk besloot, dat er een nieuwe, degelijke woning
voor den Zendeling aan de Mqvvali zou worden gebouwd,
waarvoor ruim £ 600 (f 7200) beschikbaar werd gesteld.
Nog binnen het jaar werd de nieuwe Zendelingwoning vol-
tooid, en op den 229ten December 1863 kon Tiyo haar betrek-
ken. „Dankbaar," zoo schreef hij, „neem ik van deze woning
bezit, mocht het zijn voor mijn geheele leven; en zeer blijde
hen ik, dat wij het oude huisje konden verlaten. De regens
zjjn zoo aanhoudend en zwaar geweest, als in lang niet het
-ocr page 177-
163
geval was. De geheele landstreek is overstroomd en de regen-
vloeden hebben veel schade veroorzaakt. Wij zijn nu zonder
schoolgebouw, want de regen heeft een einde gemaakt aan
onze oude kerk. Eerst wanneer er een hut zal zijn ingericht als
school, zullen wij weer met het onderwijs der kinderen kun-
nen voortgaan." Wat zou het geweest zijn als Tivo ook nog
dien winter in zijn oude, vochtige, bouwvallige woning had
moeten doorbrengen!
In April 18(34 ontving Tiyo Soga een bezoek van Dr. Alex-
ander Duff, dat hem tot even groote eere als verkwikking
en versterking op zijn weg, en in zijn arbeid, strekken mocht.
Deze waarlijk groote man, geboren den 258ten April 1806
te Auchnahyle, in Schotland, en op 24 jarigen leeftijd, in
den dienst der Schotsche Kerk, naar Indië vertrokken, had
daar nu meer dan 30 jaren, met meer dan gewonen zegen
gearbeid \')• Tijdens de Disruptie in de Kerk van Schotland,
\') Op zn\'ne eerste reize naar Indië leed Dr. Duff schipbreuk op het
rif van Dassen-eiland, nabij de Kaapstad. Zijn geheele uitmsting ging
hierbij verloren, en van een bibliotheek groot 800 deelen, „in alle vakken
van vetenschap," kwamen slechts een 40 deelen aan het strand terecht,
doch zóó geheel doorweekt van het zeewater, dat ze onbruikbaar waren.
Twee zijner boeken echter werden, na de schipbreuk, door een matroos
van het verongelukte schip, in onbeschadigden staat op het strand ge-
vonden, nl. een kwarto (Baosters) uitgave van den Bijbel, en een Schotsch
psalmboek. Deze vonst werd door de schipbreukelingen bijna als een
wonder beschouwd, en de zaak maakte op Duff een bijzonder diepen indruk,
dat hij, die zooveel voor de opvoeding van Hindus en Mahomedanen hoopte
te doen, in de eerste en voornaamste plaats hun het Woord Gods had te
brengen. Aan die roeping is Duff, zeker een der geleerdste Zendelingen,
die in Indië gearbeid hebben, gotrouw gebleven. Voortbouwende op het
fondament gelegd door William Cabev, die hem stervende gezegend heeft,
-ocr page 178-
164
had Dufp zich, gelijk de andere Schotsche Zendelingen, bij
de Vrije Kerk gevoegd, en tijdens zijn tijdelijk verblijf in
Schotland, van 1851—54, had hij de waardigheid van Mode-
rator der Algemeene Kerkvergadering bekleed. Nu bevond
hij zich op de terugreize naar Schotland, waar hij zijn laatste
dagen, maar altijd in den dienst der Zending, hoopte te slij-
ten. De Zendingcommissie der Vrije Schotsche Kerk had
hem de belangrijke opdracht verleend om, op de terugreis
naar het vaderland, al hare Zendingstaties in Zuid-Oostelijk
Afrika een bezoek te brengen, en het was op deze reize dat
hij ook aan de Mqwali kwam. Omtrent zijn bezoek aldaar
schrijft Tiyo het volgende:
„De laatste drie dagen zullen niet licht vergeten worden
in de geschiedenis van onze Zendingstatie.
„Den 6den April, des avonds, arriveerde de goede en geëerde
Dr. Dufp, van Calcutta. Broeder Chalmeks was hem den vori-
gen dag tot aan King-Williamstown te gemoet gereisd,
om hem naar hier te geleiden. Tot mijn leedwezen kon ik
zelf niet gaan, daar mijn keel weer ontstoken was, en ik het
dus niet mocht wagen, zoo ver te rijden. Ik zal niet gemak-
kelijk den handdruk vergeten, dien Dr. Duff mij gaf toen hij
uit zijn muilezelwagen stapte; belangstelling, toegenegen-
heid en Christelijke broederlijke liefde spraken in dien hand-
druk. Dr. Duff\'s gezondheid was iets beter dan toen hij,
heeft hij meer gedaan dan misschien iemand anders voor de wetenschappe-
lijke ontwikkeling van millioenen in Indië, en vooral ook voor het onder-
wijs van de lagere klassen; doch steeds op den grondslag van Gods Woord.
In zijn persoon en arbeid is Düfï een levend protest geweest tegen
seculair onderwijs met geheele of gedeeltelijke uitsluiting van den Bijbel,
en een welsprekend verdediger van Christelijk Onderwijs, zoo op de
lagere school als op de gymnasia en de Universiteit.
-ocr page 179-
165
weinige, weken geleden, in Afrika landde, doch hij was blijde,
dat de reis, voor heden, geëindigd was.
„Den volgenden dag hield hij examen op mijne scholen, en
daar de kinderen blijkbaar hun best deden, was hij zeer te-
vreden. Na afloop van het schoolonderzoek, hadden wij eene
samenkomst in de kerk, en onze menschen waren verblijd,
dat zij in de gelegenheid gesteld werden om dezen dienstknecht
Christi van aangezicht tot aangezicht te mogen aanschouwen.
De heer Beownlee stelde den Zendeling aan de gemeente
voor als „een oud man, die zijn geheele leven had door-
gebracht in den dienst des Heeren", en Dr. Duff hield daarop
een toespraak in het Engelsch, die door Br. Bkyce Ross, van
Pirie, op meesterlijke wijze, in het Kaffersch vertaald werd.
In deze rede, die twee uren duurde, gaf Dr. Duff ons een over-
zicht van Indië en deszelfs heidendom, en dit overtrof alles
wat ik hieromtrent gehoord of gelezen had. Voor onze men-
schen was zijn optreden als een visioen.
„Te spoedig moest Dr. Duff ons weer verlaten, en nu be-
geleidde ik hem in zijn wagen tot aan Tembani, waar ik
met een droevig hart afscheid van hem nam. Moge de man-
tel van dezen grooten profeet des Heeren op ons vallen.
Welk een man; welk een Zendeling; welk een Christen! Zijn
bezoek aan dit land gebracht vormt een hoofdstuk in de
geschiedenis van de Zending der Vrije Schotsche kerk en van
onze eigene. Zijne woorden van raadgeving en van Chris-
telijke belangstelling tot ons, jonge Zendelingen, die zoo dik-
wijls mistasten in ons werk, zoo weinig ondervinding hebben,
en zooveel dat ons beproeft en ontmoedigt, gesproken, zijn
ons meer waard dan duizend zegenwenschen van anderen.
Hij heeft ons goed gedaan aan het hart en voor ons werk. Ik
had vele verkwikkende samensprekingen met hem, en bijzonder
-ocr page 180-
166
werd ik getroffen door zijn opmerking, „dat hjj de eenzaam-
heid beminde! Hij kon weken lang in afzondering doorbren-
gen en zelfs in onbewoonde plaats vertoeven om alleen te
zijn". Hiervoor gaf hij geen reden op, doch wie met hem
heeft omgegaan, zooals mijn voorrecht was, kan het geheim
wel verstaan. Moge de Heere God hem nog lange sparen
voor zijn Kerk en de zaak der Zending" *).
\') Dr. Duff zelf, schreef, naar aanleiding van zijn ver blij f aan de Mqwali,
en zijn ontmoeting met Tiyo Soga, o. in.:
„Gedurende de laatste 35 jaren heb ik het als iets dat van zelf spreekt
beschouwd dat, waar het EvaDgelie in heidensche landen door vreemde-
lingen gebracht moet worden, de voortplanting daarvan, zóo dat
het geheele volk daarmede in aanraking kome, geschieden moet door pre-
dikers uit de inboorlingen. Zal er nu een opvolging van zulke, degelijk
gevormde, predikers zijn dan is het natuurlijk noodig, dat, in hoofdzaak,
dezelfde weg gevolgd moet worden als onmisbaar bleek voor de opleiding
van onderwijzers, predikers en geordende leeraren in Christenlanden.
Daar nu, in de goede Voorzienigheid Gods, de Vereenigde Presbyteriaan-
sche Kerk de eere heeft, den eersten Kaffer, die ooit tot de bediening
des Evangelies geordend werd in haar dienst te hebben, in den persoon
van Ds. Tiyo Soga. was het mijne innige begeerte, de statie van dezen
leeraar uit de inboorlingen te bezoeken, en met hem van aangezicht tot
aangezicht te spreken. En deze begeerte werd, indien mogelijk, nog ver-
sterkt door de overweging, dat deze waarlijk uitstekende man zijne op-
leiding te danken had, evenzeer aan de Vereenigde Presbyteriaansche als
aan de Vrije Schotsche Kerk, (als ware het in onderpand eener aan-
st\'iande, gezegende vereeniging der beide Kerken). Immers het eerste on-
derwijs, dat hij ontving, en waardoor hij in staat gesteld werd om de
theologische lessen in Schotland te volgen, verkreeg hij in het Seminarie
der Vrije Schotsche Kerk te Lovedale, in Britsch Kafferland.
„Nimmer kan ik de blijdschap vergeten, die mijne ziel vervulde, toen ik
dezen eersten geordenden Kaffer-Evangeliedienaar mocht ontmoeten, in zijne
eigene, nette pastorie, vlak bij een ruime welingerichte kerk, en"omringd
van Kaffer-kraaien, bewoond door Christenen en heidenen. De moeite der
reize van Kaapstad hierheen was, door den aanblik van dat alles, reeds
ruim beloond.
-ocr page 181-
167
Als nog een andere lichtstraal op Tiyo\'s weg, in dit jaar, moet
genoemd worden dat, dank zij de bijdragen van eenige vrien-
den in Schotland tot dat doel, de schuld op de Mqwali-kerk
rustende kon worden afbetaald. Tiyo\'s dankbaarheid voor
die hulpe kende geen grenzen.
Ook werd in 1864 het zoo vurig begeerde schoolgebouw
aan de Mqwali opgericht. Ieder op de statie had het zijne
gedaan tot den bouw, schoon niemand meer dan Tiyo,
die, liever dan de Zendingcommissie of zijne vrienden in
Schotland lastig te vallen, van zijn eigen, betrekkelijk klein,
inkomen ongeveer £90 (ƒ840) afzonderde voor den opbouw
der school.
Eindelijk werd Tiyo\'s hart verblijd door den terugkeer zijner
„Het genoegen werd verhoogd toen ik, den volgenden dag, een groot
aantal van Christen-inboorlingen, mannen en vrouwen, in de kerk ver-
gaderd zag; allen waren netjes gekleed en gedroegen zich zoo behoorlijk
als eenig Christelijk gehoor in Engeland of Schotland.
„Ook waren tegenwoordig de joDgens van twee scholen, en de leerlingen
van de meisjesschool. Deze werden ondervraagd in de vakken, waarin zij
onderwezen waren, en gaven blijk, dat er goed lager onderwijs werd ge-
geven. Het is te hopen, dat de middelen zullen worden gevonden om aan
eenige veelbelovende jongens meer uitgebreid onderwijs te doen genieten,
„Daartoe uitgenoodigd, sprak ik, na afloop van het examen, een woord
tot de gemeente.
„Konden de leden der Vereenigde Presbyteriacnsche Kerk in Schotland met
hun eigen oogen hebben gezien wat ik zag, en met hunne eigen ooren
gehoord hebben, wat ik bevoorrecht was, dien dag te zien en te hooren,
dan zouden zij — ik ben er zeker van — zich ruimschoots beloond heb-
ben gevonden, al zouden zij ook tienmaal meer aan deze Zending ten
koste hebben gelegen, dan zij hebben gedaan. Ik moet er bijvoegen, dat
ik in geheel Zuid-Afrika geen Zendingstatie gevonden heb die ordelijker,
krachtiger, geregelder bearbeid werd, dan deze van mijn bewonderingswaar-
digen vriend en broeder, de Weleerw. Tivo Soga, de Kafferleeraar aan
de Mqwali"
-ocr page 182-
168
vrouw uit Schotland, met de kleine John Henderson gezond,
en beter in staat om te loopen, dan toen hij vertrok. En
laatst, maar niet het minst, door de aankomst van nog een
Zendeling zijner Kerk, John Sclatee, voor het werk onder de
Kaffers.
„O welk een onderscheid tusschen vroeger en nu," schreef\'
Tiyo, „waar ik thans mag samenkomen met andere Zende-
lingen van dezelfde Kerk, in plaats van alleen te arbeiden. Een-
dracht maakt macht. God geve dat ons drievoudig snoer niet
lichtelijk gebroken worde. Deze versterking van het getal
arbeiders heeft mijn hart zeer verblijd, ook als een goed tee-
ken, dat men meer gunstig denkt aan onze Kafferzending,
die nu gedurende vele jaren, eigenlijk een twijfelachtig be-
staan heeft gehad".
De toestand der Kerk aan de Mqwali, die toen 138 leden
telde, was nu ook meer belovend. Toch kon Tiyo Soga zich
niet geheel tevreden stellen met de teekenen van Christelijk
leven zijner gemeenteleden. „Ik zou wenschen," zoo schreef
hij, „meer vruchten van liefde, ernst, werkzaamheid en ijver
onder hen te zien. Hun vordering in geestelijke zaken staat
niet in verhouding tot de genademiddelen, die hun te beurt
vallen. Nochtans is er veel, dat mij bemoedigt om standvas-
tig, onbewegelijk, altijd overvloedig te zijn in den arbeid des
Heeren".
-ocr page 183-
169
XVI.
UITBREIDING VAN HET WERK.
Geruimen tijd reeds voor Tiyo\'s reize naar de Oranjerivier,
en zijn bezoek aan de Zendiugstaties, in het vorig hoofdstuk
medegedeeld, waren de Zendelingen der Vrije Schotsche Kerk
en die der Vereenigde Presbyteriaansche Kerk, in Kafferland,
na biddend beraad, tot de overtuiging gekomen, dat zij den
kring hunner werkzaamheden moesten uitbreiden. En wel
vooreerst onder de Galeka\'s, die, na den jongsten Kafferoor-
log, verdreven waren naar de streek ten Oosten derMbashee-
rivier.
Gevolgelijk werden de Zendelingen Richakd Ross en John
A. Chalmees door de BB. afgevaardigd naar Keeli, het groot
opperhoofd der Galeka\'s, over de Mbashee rivier, om van hem
te vernemen of hij wilde toelaten, dat een of meer Zende-
lingen onder zijn volk zouden arbeiden in het Evangelie. Bij
deze deputatie sloten zich aan de heer Chaeles Beownlee, de
Gaika Commissaris, en Dr. James Stewaet, die toen juist terug
gekeerd was van eene hoogstbelangrijke reize, in het belang
der Zending van de Vrije Schotsche Kerk aan de Zambezi*).
Het land tusschen de Kei- en de Mbashee rivieren, vroeger
door Keeli en zijn volk bewoond en toen aan een grooten
\') Dr. Stewaet, de opvolger van William Govan als hoofd der stich-
ting te Lovedale, moet tbana gerekend worden onder de beroemdste
Zendelingen van dezen tijd. Het is bijna ongelooflijk, wat deze man reeds
heeft mogen doen voor de uitbreiding van het Koninkrijk des Heeren, in
Zuid-Oostelijk Afrika.
-ocr page 184-
170
tuin gelijk, was nu, ten gevolge van den oorlog, en de daarop
gevolgde uitdrijving der Galeka\'s, in een wildernis verkeerd.
Heinde noch verre was één enkele Kafferkraal te bespeuren,
en de uitgestrekte weiden lagen woest. Waar vroeger talrijk
bevolkte Galeka-dorpen werden gevonden, lagen nu de door
de zon witgebleekte beenderen der tienmaal duizenden
runderen, bokken en schapen, door het volk, op bevel van
den valschen profeet, in waanzin geslacht, en de beenderen
van de duizenden Kaffers, die door het zwaard of door
den honger verteerd waren.
Doch eenmaal over de Mbashee gekomen, zagen onze
reizigers het tooneel als door een tooverroede veranderd.
Zoo ver het oog kon reiken, was het land met Kafferkraalen
als overdekt; was alles leven en beweging. Op de heuvelen
langs de Mbashee waren rijen Kafferhutten gebouwd, welker
bewoners een waakzaam oog moesten houden op de bewe-
gingen der blanken van de zijde der Kolonie, en lang eer
de Deputatie de rivier genaderd was had Kreli, door zijn
spionnen, bericht ontvangen van haar komst. Des avonds
kampeerden de reizigers aan deze zijde op de oevers der ri-
vier, en hier werden zij onophoudelijk lastig gevallen door
boodschappers, die moesten uitvinden met welk doel de
vreemdelingen gekomen waren.
Over de Mbashee getrokken zijnde, bemerkte de Deputatie,
dat de Galeka-natie, wel verre van in stof en asche neer
te zitten wegens de ellenden die haar getroffen hadden, en
de verbanning uit het land van oudsher bezeten, feest vierde.
De zoon van het groot opperhoofd was meerderjarig ge-
worden, en had zich, met een 100 metgezellen, die voortaan
zijn lijfwacht zouden vormen, laten besnijden; en deswegens
werd nu feest gevierd.
-ocr page 185-
171
In het dorp van het opperhoofd werd den ganschen dag,
op oorverdoovende wijze, „muziek" gemaakt, o. a. door met
stokken te slaan op een gedroogde ossenhuid. Koning Kreli
liet zich niet zien eer hij verzekerd was, dat de vreemde
bezoekers geen kwaad tegen hem in het schild voerden, en
nadat de barbaarsche feestelijkheden voor dien dag waren
afgeloopen. Toen ontving hij de Deputatie, in een halfvol-
tooide Kafferhut, om het doel harer komst te vernemen. Hij
verklaarde zich daarop zeer dankbaar, dat de Zendelingen
nog aan hem dachten in zijne tegenspoeden, en scheen wel
begeerig te zijn, dat er weer een Zendeling onder zijn volk
zou arbeiden. Doch waar? „Hij was een banneling en had
over geen grond te beschikken voor eene Zendingstatie. Ja,
als het Gouvernement hem zijn land wilde teruggeven, dan
zou hij terstond het verzoek der Deputatie inwilligen". Hij
gaf voorts een droef verhaal van zijne grieven: dat hij aan
alle kanten door lastige naburen, waaronder vele gevreesde
vijanden, was ingesloten; dat de landstreek over de Mbashee-
rivier, hem door het Engelsche Gouvernement ter woning
aangewezen, te klein was voor zijn volk. „Hij begeerde zoo
vurig naar zijn verbeurd verklaard land, naar het land zijner
vaderen, dat nu toch woest lag, te mogen terugkeeren." Het
oude opperhoofd scheen het verkeerde van zijn opstand tegen
de Britsche Regeering thans wel in te zien, doch de Depu-
tatie mocht zich niet mengen in de politieke kwestiën, en
kon hem kwalijk beloven, zijn voorspraak te zullen zijn, dat
hij en zijn volk naar de oude woonplaats zouden mogen
terugkeeren.
Terwijl deze pogingen werden aangewend om de Zending
uit te breiden ten Oosten van de Kei-rivier, werd plotseling
-ocr page 186-
172
in de Kaapkolonie het gerucht verspreid, dat Kreli weer be-
zit genomen had van het land aan deze zijde van de Mbas-
hee-rivier, en dat hij met een horde gewapende Kaffers op
marsch was naar de Oostelijke Provintie der Kolonie, om zich
op de blanken te wreken. Terstond werden toebereidselen
gemaakt om de Kaffers, die men in aantocht waande, te
wederstaan, en de Europeanen, die in Britsch Kafferland
woonden, ontvingen van hooger hand bevel, hunne woonsteden
te verlaten en in lagers te trekken.
Tiyo Soga vernam dit alles met schrik en kommer. De
Zendingcommissie zijner Kerk droeg kennis van het bezoek
der Deputatie naar Kreli, en van het plan om over de Mbashee
een Zending te stichten; het mocht verwacht worden, dat
de Commissie de voorgenomen Zending zou steunen, ook door
een of meer Zendelingen beschikbaar te stellen voor het
werk onder de Galeka\'s, over de Mbashee. Doch brak er nu
weer oorlog uit, of zou de Commissie, door het loopend ge-
rucht misleid, meenen, dat er oorlog kon uitbreken, dan zou
van de voorgenomen Zending niets worden. Tiyo Soga hield
zich verzekerd, dat het gerucht omtrent Kreli\'s oorlogsplannen
geheel valsch was, en door eigenbelangzuchtige personen, met
kwade bedoelingen werd verspreid. Om het gevaar, dat der
voorgenomen Zending onder de Galeka\'s hierdoor dreigde
zooveel mogelijk af te wenden schreef hij den volgenden brief
aan Dr. Somerville, in Schotland:
„De jongste mail uit Zuid-Afrika heeft het ontrustend be-
richt gebracht, dat er een nieuwe Kaffer-oorlog voor de deur
staat. Ik haast mij om dit valsch gerucht tegen te spreken.
Het heeft, voor zoo ver ik kan nagaan, zijn oorsprong ge-
nomen uit het volgende:
-ocr page 187-
173
„Een officier der bereden politie kwam, in het einde der
vorige maand, grootelijks opgewonden, van de Mbashee te
King Williams Town met het bericht, dat Kreli, aan het
hoofd van 7000 gewapende Kaffers, op marsch was naar de
Kolonie met het doel om zijn verloren grondgebied te her-
winnen. Dat land, waaruit hij door Sir Geokge Grey ver-
dreven was, zal, gelijk verondersteld wordt, gehecht worden
aan het Koloniaal gebied.
„Dit valsch gerucht verspreidde zich met bliksemsnelheid
van Britsch Kafferland tot in de Kaapstad, en het was daar
bekend lang vóór wij, die in het midden der Kaffers wonen,
er iets van vernamen. De geheele Kaapkolonie geraakte
in beroering: troepen werden van de Kaapstad gezonden
naar de grenzen; de bereden politie rukte, onder bevel van
Sir Walter Currie, op naar de Mbashee. Spoedig echter bleek
het, dat het oorspronkelijk bericht niet anders was dan een
goddeloos en wreed verzinsel om zoowel Kreli als de Ko-
lonie in moeielijkheden te brengen.
„De officier had het bericht van een Kaffer-politie-dienaar,
en deze had het van een Kaffer over de Mbashee. Toen de
Magistraat in het Transkeische, W. Chalmers, de tijding
ontving zond hij boden tot Kreli, om dezen in kennis te
stellen met het gerucht, dat omtrent hem verspreid werd.
Die boden vonden de Kaffers in het midden hunner oogst-
vreugde, en er was geen spoor zelfs van eenige toebereidselen
tot oorlog. De lieden der kraal, tot welke de Kaffer zou be-
hooren, die \'t eerst het valsch gerucht verspreid had, werden
gevangen genomen en naar den Magistraat gezonden, opdat
de andere Kaffer den bedoelden man zou kunnen aanwijzen;
doch bedoelde politiedienaar had zich uit de voeten ge-
maakt en men heeft sedert niets van hem vernomen. Dit is
-ocr page 188-
174
het einde der zaak. Naar ik vernam heeft Sir Walteb Güeeib
eene conferentie gehad met Kreli en is hij naar de Kolonie
teruggekeerd, volkomen overtuigd, dat Kkeli thans geen oor-
log in den zin heeft".
„Omtrent de waarschijnlijkheid van een nieuwen Kafferoorlog
wil ik voorzichtig en welbedacht spreken. Hoewel sterk aan
mijn volk verbonden, ben ik de loyale onderdaan van het
beste Gouvernement voor de inboorlingen, dat er ooit onder
den hemel bestaan heeft. Wat zou ik niet willen doen om,
in Gods voorzienigheid, al de inboorlingen onder den invloed
van het Engelsche Gouvernement te zien gebracht om elke
oorzaak van prikkeling en afgunst te zien weggenomen, en
de Kaffers zich als getrouwe onderdanen te zien scharen
rondom de beste vriendin van alle menschen, Koningin Victoria.
„Wat aangaat onze eigene Gaïka-stammen, die zijn door de
jongste nationale rampen zoo verzwakt, dat er van die zijde
thans geen oorlog te vreezen is. Intusschen hebben de Kaffers,
in den laatsten tijd, zooveel vee gestolen van de Koloniale
Boeren, dat er in het Kaapsche Parlement reeds ernstig be-
raadslaagd is over de beste middelen om die veediefstallen
te beletten. Door sommigen wordt beweerd, dat deze dief-
stallen, nu even als vroeger, de zekere aanduiding zijn dat
de Kaffers kwaad in den zin hebben en oorlog willen maken.
Doch dit is niet zoo; het stelen van vee geschiedt thans al-
leen uit honger, of ook wel uit begeerlijkheid. De Kaffers
zelven erkennen zoo geslagen te zijn, dat zij voor oorlog
terugdeinzen. Zal de vrede bewaard blijven, dan is het noodig,
dat het bestuur van het land in handen zjj van verstandige,
voorzichtige, kalme mannen. Ofschoon men over het alge-
meen weinig geloof slaat aan de kracht van het Evangelie,
-ocr page 189-
175
is het toch een feit, dat door hetzelve het aantal dieven
onder de Kaffers minder is geworden en steeds vermindert.
Het doet mij leed hier te moeten bijvoegen, dat men liever
roept: „roei de dieverij uit", dan: „roei het heidendom uit",
de bron waaruit de diefstallen voortspruiten.
„Kreli verkeert nu als vreemdeling in het land aan de
overzijde van de Mbashee-rivier. Die streek behoort aan de
Tamboekies, Kkeli\'s oude vijanden. Hij woont daar slechts
bij toelating, en zoolang hij niet zeker is van het vertrou-
wen der Engelschen in zijn persoon en bedoelingen, kan hij
niets tegen dezen ondernemen. Het is ook een feit, dat hij
reeds herhaaldelijk aanzoek heeft gedaan om erkend te wor-
den als Britsch onderdaan, en dat er een Britsch Magistraat
bij hem zou worden geplaatst; doch tot nu zonder gevolg.
Hij wordt beschouwd als een onverzoenbaren vijand. Tot oorlog
zou hij alleen gedwongen worden wanneer men zou beproeven,
hem gevangen te nemen, of hem met geweld uit zijn tegen-
woordige woonplaats te verdrijven. De Gaïka\'s, die hem nog
steeds als hun Opperhoofd en van al de Kafferstammen erken-
nen, zouden in dat geval gemeene zaak met hem te maken.
„Wat mij vooral ook bedroeft, is de wijze waarop de pu-
blieke pers in Britsch Kafferland de inboorlingen-kwestiën
bespreekt. Daardoor worden de hatelijkste gevoelens opge-
wekt. Van ieder, ook het ongerijmdst, gerucht wordt gretig
gebruik gemaakt om beroering te verwekken. De bedoeling
hiervan ligt voor de hand: van zekere zijde begeert men zeer,
dat de vrede gebroken zal worden. Dit is niet nobel, om
een vijand die ontwapend is te willen slaan! Het is bene-
den de waardigheid van beschaafden, om dus vijandig op te
treden tegen barbaren, die niet kunnen schrijven of redenee-
-ocr page 190-
176
ren gelijk zij zelven. En dit is, ongelukkig, de toestand der
inboorlingen".
Dit schrijven door Dr. Someeville publiek gemaakt, werd
door het groote publiek niet gunstig ontvangen. Scherpe
aanmerkingen werden er in de nieuwsbladen gemaakt, dat
Tiyo Soga durfde schrijven, dat zij, die de geruchten omtrent
de oorlogsplannen der Kaffers verspreidden, bijoogmerken
hadden. Tiyo echter werd gedrongen om te schrijven gelijk
hij deed uit vreeze, dat de Zending schade zou lijden, èn om-
dat hij overtuigd was, dat de geruchten valsch waren. De
uitkomst heeft bewezen, dat hij recht geoordeeld heeft.
In het begin van 1865 verkreeg Keeli van den Hoogen
Commissaris, Sir Philip Wodehouse, vergunning om terug te
keeren naar zijn land, waaruit hij, acht jaren te voren, geban-
nen was, en dat het eigendom was geworden van het Brit-
sche Gouvernement. Een gedeelte van dit land was aan de
Fingo\'s, die in de Kolonie en in Britsch Kafïerland verblijf
hielden, gegeven, en draagt sedert den naam van Fingo-land.
Het overige gedeelte werd weder door Kkeli en zijne Kaffers
in bezit genomen. En zoo werd den weg gebaand voor uit-
gebreiden Zendingsarbeid onder de Galaka\'s en Fingo\'s
Zoodra Keeli in zijn land teruggekeerd was gaf hij aan
den Gaïka-Commissaris, den heer C. Brownlee, te kennen, dat
hij „nu wel een Zendeling onder zijn volk zou wenschen ge-
plaatst te zien, en dan liefst iemand, die tot een der kerken
behoorde, wier vertegenwoordigers in Kafferland, hem in zijn
ballingschap hadden bezocht". De heer Brownlee gaf hiervan
kennis aan de Zendelingen der Vereenigde Presbyteriaansche
-ocr page 191-
177
Kerk, er tegelijk op aandringende, dat zoo spoedig mo-
gelijk iemand naar Keeli zou worden gezonden, om nader
bekend te worden met diens begeeren. In overleg met de\'
Zendelingen der Vrije Scbotscbe Kerk, werd daarop besloten,
dat er eene tweede deputatie naar Kreu zou worden gezon-
den. Deze deputatie, bestaande uit de BB. Tiyo Soga en
Beyce Ross, bezocbt Keeli in Juli 1865 en werd zeer harte-
lijk door hem ontvangen. Keeli was bereid om een Zende-
ling onder zijn volk toe te laten, doch geen twee, „want een
Zendeling was reeds zulk een groote verantwoordelijk-
heid, waar de hem toegewezen landstreek zoo klein was
en zijn volk nog verstrooid". Met onderling goedvinden werd
nu bepaald, dat de Zendelingen der Vereenigde Presbyteri-
aansche Kerk, tot wie Keeli\'s aanzoek om een Zendeling in
de eerste plaats gekomen was, ook de eerste Zending onder
de Galeka\'s in Kreli-land zouden vestigen, en die der Vrije
Schotsche Kerk, zoo de weg daartoe gebaand werd, later
zouden volgen.
In het nieuwe „Fingo-land" was intusschen ook een deur
voor het Evangelie geopend. Velen der Fingo\'s, die zich
daar vestigden, kwamen van Zendingstaties in en buiten de
Kaapkolonie, of waren op andere wijze onder de beademing
des Evangelies geweest.
Zoo waren er van de Mqwali-statie niet minder dan vijf
Fingo-kapteins met hun volk naar Fingo-land getrokken.
Deze lieden mochten niet aan zichzelven worden overgelaten,
en tevens bood de vestiging van Christen-Fingo\'s, in het
midden eener heidensche bevolking, de zeer gewenschte ge-
legenheid om den Zendingarbeid uit te breiden. Met het
oog hierop, bezochten Tiyo Soga en Ross nu ook Fingo-land,
en met goed gevolg. Besloten werd, dat in het Toleni-district,
12
-ocr page 192-
178
waar vele Fingo\'s woonden, die met de Zending der Vrije
Schotsche Kerk in betrekking stonden, een statie dier
"Kerk zou worden gesticht, en in het Mbulu-district een Zen-
ding der Ver. Presb. Kerk. Voorloopig echter, en zoo lang
er geen Zendelingen blijvend in het land gevestigd waren,
zouden de beide Kerken gezamenlijk het veld bearbeiden, en
werd aan een Zendeling van iedere Kerk opgedragen om in
Fingo-land, van tijd tot tijd, het Evangelie te prediken en,
waar noodig, de sacramenten te bedienen.
Viermalen in het jaar en om de beurt nu, ging een Zen-
deling der Vereenigde Presbyteriaansche Kerk, met een der
Vrije Schotsche Kerk, het nieuwe Zendingsgebied bezoeken.
Tiyo\'s reisgenoot was zijn oude studievriend, de Zende-
ling Riciiaed Ross, met wien hij een groot deel der streek
aan de overzijde van de Kei-rivier bereisde, in den dienst
des Evangelies. Omtrent deze reize schrijft Tiyo:
„Ons laatste bezoek duurde iets meer dan 20 dagen. Het
aanhoudende paardrijden was dikwijls zeer vermoeiend. Na
al de voorbereidselen tot de reis te hebben gemaakt, en den
wagen van Br. Ross met beddegoed en mondbehoeften te
hebben vooruit gezonden, volgden wij te paard. Wij over-
nachtten in de kraal van Tyala, een oud raadslid van ko-
ning Sandilli, die niet ver van de Kei woont. Den volgen-
den morgen, na van Tyala, als bewijs van gastvrijheid, een
schaap te hebben ontvangen, trokken wij verder, en juist op
den middag kwamen wij aan de moeielijke drift van de Kei.
Toen de steile heuvels aan de overzijde beklommen waren,
ontlastten wij onze ossen van het juk, en onze paarden van
het zadel, terwijl wjj wat uitrustten en ons te goed deden
aan een verkwikkend maal. Na anderhalf uur rustens, ver-
-ocr page 193-
179
lieten wij den wagen, om een uitstap te maken over de
hooge bergen tusschen de Caba en de Mbulukweza.
„Het Caba-distrikt behoort aan een Fingo opperhoofd.
Sommigen van diens onderdanen hadden vroeger, toen zij
in de Kolonie woonden, tot onze Kerk behoord, en hebben
zich thans weder bij ons aangesloten. Toen wij de Caba
overtrokken, kwamen er twee vrouwen uit een hut, behoo-
rende tot een kraal, nabij den weg. Hare kleederen waren
zeer versleten. Zij groetten ons beleefd. Toen wij vroegen,
wie zij waren, verhaalden zij ons, dat zij, meer dan een jaar
geleden, van de Blinkwater-rivier gekomen waren, en dat
zij spoedig als leden der gemeente, in verband met de Zen-
ding van het Londensche Genootschap aldaar, zouden aan-
genomen worden. Het was lieflijk te zien, welk een blijde
glimlach zich op het gelaat van de jongere vrouw vertoonde,
toen wij zeiden, dat wij den volgenden Zondag godsdienst-
oefening zouden houden aan de Mbulukweza. Beiden zeiden,
\\ dat zij reeds meermalen op Zondag daar geweest waren, en
zekerlijk op den volgenden dag zouden komen. Voorliefde voor
het eene of andere kerkgenootschap vindt men zelfs in de
zendingwereld. Onze menschen beweren, dat zij geene moeite
zouden sparen, om de melk des Woords te drinken uit de
„m elk zak", waaraan zij gewoon zijn, doch als zij haar daar-
uit niet konden krijgen, dan zouden zij de melk nemen, die
het meest gelijkt op die van hun eigen. En deze staat van
zaken zal wel niet veranderen, zoo lang de Kerk, ook onder
de Heidenen in onderdeelen is gesplitst.
„Om vijf uur bereikten wij de Mbulukweza, waar het
grooter deel van onze vroegere Mqwali-Christenen wonen.
Zij waren uiterst hartelijk en wilden alles voor hunne leer-
aars doen. Wg zonden een bode, om het volk van Mom, in
-ocr page 194-
180
het naburige distrikt, uit te noodigen, om den volgenden
dag de godsdienstoefening bij te wonen, tevens met bet
verzoek aan de hoofden, dat zij voor Moni, die niet thuis
was, zouden handelen en een boodschapper zouden zenden
naar de Xolobe, om het Opperhoofd Mhle en zijn volk uit
te noodigen. Onze bode kwam terug met het eenigszins ruwe
antwoord van Moni\'s vertegenwoorders dat zij geen bood-
schappers zouden zenden of ook zelf naar de kerk komen;
dat zij niets van den Zondag afwisten, en geen lust hadden,
om heen en weer te worden gezonden in het belang van een
zaak, waarmede zij niets te doen hadden". Wij waren ver-
wonderd over den ernst, waarmede deze weigering in het
Kaffersch werd overgebracht. Het is eenvoudig een daad
van wellevendheid als menschen, die niet om het Evangelie
geven, er iets voor doen. Daarom rekenen wij, in den regel,
niet op zoodanige hulp. Maar wij moeten ons werk doen,
of zij van ons en onze boodschap gediend zijn of niet. Het
Woord oefent zeker zijn invloed uit, waar het verkondigd
wordt. Velen, die nu het Evangelie boven alles waardeeren,
hebben het eenmaal veracht, evenals thans de lieden van Moni.
„Op den dag des Heeren werden wij, in den vroegen mor-
genstond, gewekt door de lofzangen, die uit de hutten van
onze menschen gehoord werden. Ik predikte in den voor-
middag en Broeder Ross in den namiddag. Beide keeren had-
den wij een gehoor van 90 personen. Na den dienst hielden
wij ons bezig met de regeling van kerkelijke zaken, zoo als
het nazien van attestatiën, het inschrijven van namen, enz.
„Het getal lidmaten bedroeg 43. Vijf personen wenschten
belijdenis des geloofs af te leggen. Dezen lieten wjj later
-ocr page 195-
181
tot gemeenschap der Kerke toe. Dus is er reeds een ge-
meente aan de Mbulu, wachtende op de leiding van een
eigen Zendeling. Niet elke Zendingstatie wordt met zulk een
kern van geloovigen begonnen, die den Zendeling met hunne
gebeden en belangstelling kunnen ondersteunen.
„Een van de twee ouderlingen aan deze plaats behoorde
tot het Londensche Zendinggenootschap, en de ander tot de
Vrije Kerk van Schotland; en dit is ook het geval onder
de leden. Met onderling goedvinden hebben wij bepaald, dat
leden en catechisaDten, aan de Westzijde van de Tsomo zul-
len overgaan tot de Zending van de Vereenigde Presbyte-
riaansche Kerk, terwijl die aan de Oostzijde, zich bij de
Vrije Kerk zullen voegen.
„Maandag bezochten wij de distrikten van de opperhoof-
den Moni, Njikelana, Tobe en Mkehle. De twee eerstge-
noeraden zijn bereid om grond te geven voor den bouw van
scholen en kerken. Njikelana\'s volk, waaronder 13 leden en
2 candidaten tot het lidmaatschap zijn, verlangen zeer, om
scholen te hebben. Zoowel hier als aan de Mbulukweza is
men gewillig, om jaarlijksch £ 10 (ƒ120) bij te dragen tot
het salaris van een onderwijzer. De lieden van Njikelana zijn
wel onderwezen, op de Burnshill-statie van de Vrije Kerk. Bij
Tobe\'s kraal hebben wij niets kunnen doen, daar hij niet
t\'huis was. Toch is onze verhouding tot hem bevredigend,
daar velen van zgne menschen tot onze Kerk behooren.
„Het opperhoofd Mkehle is een vreemde oude man, met
wien wij niets konden uitrichten. Hjj was vol van het on-
uitsprekelijk gewicht zjjner erflijke opperhooidswaardig»
heid. Hjj koesterde de grootste minachting voor de lieden,
-ocr page 196-
182
die onder het Engelsche Gouvernement tot opperhoofden
waren verheven. „Wanneer ik een Zendeling krijg," zeidehij,
„dan moet ik hera voor mijzelven hebben. Ik zou er niet aan
kunnen denken, om hem met een ander opperhoofd te dee-
len. Ik ben de aarde zelf. Ik ben tot opperhoofd ge-
maakt op den eersten scheppingsdag, in het volle licht der
zon, toen alle dingen uit hun oorspronkelijken staat bijeen-
vergaderd werden, menschen en dieren, zooals de paarden
waarop gij rijdt." De oude man ging toen uitweiden over de
geslachtsrekening van de beroemdste Fingo-opperhoofden,
van welke hij afstamt, en hierin werd hij bijgestaan door
zijne raadslieden of dienaars, die verklaarden, dat al wat hij
zeide, waar was.
„Wij waren niet geneigd, zijne grootheid te betwisten,
maar wij konden niet beloven, dat er een Zendeling „voor
hem alleen" zou komen. Onwillekeurig moest ik de opmer-
king maken, dat de oude Mkehle toch maar gelijk had, om
in zulke grootsche termen van zijne waardigheid als opper-
hoofd te spreken, want dat wij hem anders niet als zooda-
nig zouden hebben aangezien. Hij was NB! nog slechts kort
geleden schaapherder geweest in dienst van een Afrikaan-
schen Boer!
„Ofschoon Mhle ons geen land kon toezeggen, ontving hij
ons hartelijk, en beloofde hij een plaats voor een schoolge-
bouw, zoodra wij een schoolmeester konden zenden.
„Op onzen weg naar het distrikt van dit opperhoofd, juist
vóór wij de steile bergketen overgingen, die zijn land van
dat van Moni scheidt, kwamen wij aan een dorp. Hier voer-
den wij een gesprek met de lieden, onder het wild geschreeuw
van een aantal kleine kroeskoppen, die ontzettend bang sche-
-ocr page 197-
183
nen voor blanke menschen en Kaffers, die als blanken ge-
kleed gaan. Op onze vraag, waar zij van daan kwamen, ver-
telde eene vrouw ons, dat zij vroeger gewoond hadden in de
nabijheid van de Pirie-zendingstatie van de Vrije Kerk.
„Dus", zeide Br. Ross, „was mijn vader uw Zendeling?"
„Ja, zijt gij zijn zoon?"
„Dat ben ik," zeide Br. Ross, „en gij moet weten, dat mijn
vader al zijne menschen in deze streken onder de zorg ge-
steld heeft van dezen leeraar, Soga, en zijne broederen."
„Nu, dat is goed," zeide de vrouw, „als hy maar het
ding heeft, dat mijnheer Ross had, en dat wij van hem
kregen".
„Wat was dat?" vroeg ik. Zij hield hare handen te zamen,
in den vorm van een kom, en zeide, dat, als hunne drink-
bakken leeg waren, in tijden van droogte, de oude heer Ross
deze vulde met overvloedigen regen.
Dit trof mij. Ik had reeds vroeger gehoord, dat onze eer-
biedwaardige vader en vriend, Ds. Ross, van Pirie, door de
inboorlingen van zijn distrikt voor een regendokter gehou-
den werd, en hier was een bevestiging van het feit. Ik
vroeg de vrouw, of Ds. Bryce Ross, de zoon van den ouden
heer, ook regen had? Van dezen wist zij niets af, maar van
den vader was zij in elk geval zeker.
„Maar hoe heeft de heer Ross u regen gegeven?" vroeg ik.
Zij antwoordde: „In droge tijden placht hij ons in zijn
huis (kerk) bijeen te roepen, en dan bad hij totdat onze
harten goed gestemd waren; en nog eer wij uit het huis
gingen, kwam de regen."
„Nu," zeide ik, „met den ouden heer, van wien gij spreekt,
kan ik mij niet vergelijken, maar, in tyd van nood zullen
wij ook tot zijnen God bidden; Die is ook onze God en
-ocr page 198-
184
Hij zal onze gebeden verhooren." Zij zeide nog, vast te ge-
looven dat de oude Ds.Ross „in den hemel geliefd was,
want dat hij alles kreeg wat hij begeerde". Dit geval bewyst,
welk een invloed een trouwe en werkzame dienstknecht van
God over het heidensch gemoed kan uitoefenen. Zóó sterk
is het geloof van de Pirie-Fingos aan de macht van den
Zendeling Ross, om regen te maken, dat zelfs de heide-
nen, in tijden van droogte, bij menigten tot hem gingen
om hem te vragen, te bidden om regen. Als de heer Ross
niet t\'huis was, wanneer zij kwamen, waren zij bitter te-
leurgesteld, daar ziij geen vertrouwen hadden in de gebeden
van iemand anders.
„Na twee dagen kraalbezoek, gingen wij naar het distrikt,
door de Vrije Kerk uitgekozen, en na onze opwachting bij
verschillende opperhoofden te hebben gemaakt, troffen wij
eene overeenkomst met hen omtrent de plaatsing van evan-
gelisten en schoolmeesters en de stichting eener statie.
„Hierna gingen wij naar Keeli\'s land. Het was vier uur in
den namiddag, toen wij bij de kraal van het opperhoofd af-
stegen. Er zijn twee kralen vlak bij elkaar. In beide waren
vele „hovelingen." Het opperhoofd kregen wjj niet te zien;
naar men zeide, was hij van huis „maar hij zou toch vóór
den volgenden dag thuis komen". Daar wij met onze ossen
niet nabij het dorp van het opperhoofd konden komen, uit
vrees dat zijn vee met de longziekte besmet mocht worden,
waren wij verplicht, op een behoorlijken afstand, zoowel van
zijn kraal als van elke andere, te blijven, \'s Avonds bracht
Lüdidi, een jongere broeder van Keeli, ons een bok, om te
slachten, dien wij met bekoorlijke dankbetuigingen aannamen.
-ocr page 199-
185
„Zeer vroeg op Zondagmorgen bracht de „Kroonprins,"
Sigcawü (spin), vergezeld van een lijf bediende, ons een be-
zoek. Sïgcawu is een veelbelovende jonge man, omtrent
24 jaren oud, van een stil, teruggetrokken karakter. Hij is
een goed opmerker van zaken. Al wat ik nog van dit jonge
opperhoofd gehoord heb, is tot zijn voordeel. De Galeka\'s
houden niet van hem, omdat hij een jongen man, die met
een van zijne vrouwen samenwoonde, bijna doodgestoken
heeft. Men zegt, dat Sigcawü anders een vijand is van de
gewone Kaffer-ondeugden. Hij gebruikte het ontbijt bij ons
met waarlijk prinselijke waardigheid. Voorbeelden van na-
tuurlijken adel worden dikwijls onder de Kaffers aangetroffen.
Het jonge opperhoofd is zeer innemend van voorkomen.
„In den voormiddag van denzelfden dag kwam Keeli met
een stoet van hovelingen naar ons kamp. Zij liepen op een
lange rij, achter elkaar. Keeli, die juist in het midden ging,
herkende ik dadelijk aan zijn groote en fiere gestalte. Op
de gewone formeele wijze vroeg hij ons naar het doel van
ons bezoek. „Dat het zijn genoegen mocht zijn, ons een
plaats voor de oprichting eener Zendingstatie onder zijn
volk en in zijn land te schenken en aan te wijzen," was ons
antwoord. Zijn wederantwoord was zeer beleefd; en hij ver-
wees de geheele zaak naar den Britschen Resident, die, naar
hij zeide, het best zou kunnen oordeelen over de geschiktste
plaats voor een Zendingstatie.
„Wij bedankten het opperhoofd voor zijn goedwilligheid,
en zeiden, dat wjj tevreden waren. Wij vroegen Keeli ver-
der naar „nieuws". Hieraan gaf hij zeer welwillend gehoor.
Kaffer-gewoonte en wellevendheid vorderen, dat, wanneer
iemand een ander om nieuws gevraagd heeft, deze, na alles
te hebben verteld, het compliment herhaalt. Zoo kwam er
-ocr page 200-
186
nadat het opperhoofd ons met zijne verhalen had bezig gehou-
den, voor ons eene gelegenheid, om aan een groote vergade-
ring van Kaffers de boodschap van liefde en barmhartigheid
te ontvouwen. Zulk eene gelegenheid hadden wij nooit te
voren met deze menschen gehad, en met des Heeren hulpe,
maakten wij er ruim gebruik van. Twee uren lang handel-
den wij met hen van rechtvaardigheid en matigheid en het
toekomend oordeel. Het gesprek, dat eindelijk een praktisch
godsdienstige richting nam, werd door henzelven begonnen.
„Het opperhoofd vroeg eerst omtrent mijn bezoek te
Kaapstad, en toen omtrent de schepen der blanken; een be-
schrijving werd gegeven. Vervolgens wilde hij weten, of
„Kaapstad over de zee lag." Hem werd gezegd, dat die stad
in hetzelfde land lag, waar wij waren. Hij vroeg toen, „waar
Engeland was, het eigenlijk tehuis van de blanken, — het
land van de groote koningin Victoria ?" De gevraagde inlich-
tingen werden gegeven. Verder vroeg hij, „of er ook andere
landen en volken van blanke menschen over de zee waren?"
Andere Europeesche naties en landen werden genoemd. Nu
wilde hij weten, „of er onder de volken der aarde ook een
ander kleur bestond, behalve wit en zwart?" Deze vraag
werd bevestigend beantwoord, en als voorbeeld noemden wij
de Chineezen, Maleiers, Egyptenaren, Perzen enz.
„De volgende vraag was: „Wat zegt de blanke man, om-
trent den oorsprong van al deze verschillende rassen van
menschen?" Ik vroeg hen, wat der Kaffers eigen verklaring
hieromtrent was? Hij zeide daarvan niets te weten. Ik ant-
woordde: „De Kaffers zeggen, dat de menschen oorspron*
kelijk uit één gat in den grond gekomen zijn; de blanke
menschen uit een gat, en de zwarte uit een ander. Dit,
-ocr page 201-
187
echter, is niet wat de blanken omtrent den oorsprong van
het menschelijk geslacht kennen.
„Wij verhaalden hun nu uit de Schrift, van de schepping
van den mensch, en verder, tot op de drie zonen van Noach,
de vertegenwoordigende hoofden der bestaande geslachten
van het nienschdom. De ontzettende werkelijkheid van des
menschen verdorvenheid als gevolg van den zondeval, werd
daarna behandeld, en met veel belangstelling en opgewekt-
heid van beide zijden besproken. De bewijsredenen voor de
onsterfelijkheid der ziel schenen hen niet ontzag te vervullen;
zg hadden de natuur van den mensch nog nooit beschouwd
in het licht, waarin Br. Ross en ik haar voorstelden. Uit
eigen beweging kwamen zij tot het middenpunt van de leer
der Schrift:- den dood van den Zoon van God. Wij werden
gevraagd hieromtrent eene verklaring te geven. Ik behoef niet
te zeggen, dat het ons tot blijdschap was, deze gelegenheid
te krijgen? Doch al hadden zij er niet het eerst over gespro-
ken, toch zouden wij hun de groote verborgenheid der god-
zaligheid hebben verkondigd.
„Eindelijk hielden zij op, ons te ondervragen. Wij vroegen
hun nu of zij iets meer wilden weten? waarop geantwoord
werd, dat zij al hunne onderwerpen hadden opgenoemd, en
op al de besproken punten voldaan waren. De heer Ros3
predikte later voor het opperhoofd en diens vergaderde
raadslieden, en aldus eindigden onze werkzaamheden. Den
volgenden dag, Maandag, gingen wij naar den Britschen Re-
sident, en deelden hem de woorden van het opperhoofd mede.
Hij zeide, dat er twee plaatsen waren, van welke wij er eene
konden uitkiezen voor de oprichting van eene statie. Doch
daar de heer Ross en ik van oordeel waren, dat de beslis»
-ocr page 202-
188
sende keuze gedaan moest worden door een Commissie van
de vereenigde Zendelingen, achtten wij het niet raadzaam, op
dit punt te besluiten.
„Op den volgenden Sabbat waren wij weer in dit distrikt
aan de Toleni, en deelden wij, in een kraal van een onzer
inlandsche Christenen, het Avondmaal uit aan een gevestigde
gemeente van 91 leden. Het was een tijd van opwekking en
bemoediging voor de menschen en voor ons zelf. Als disci-
pelen van den Heere Jezus, vernieuwden de bekeerlingen het
verbond met hunnen Heer, en dat te midden van een geheel
heidensche omgeving. Met gemengde gevoelens vermaanden
wij hen, aan de tafels, om in het geloof te blijven, én verdruk-
kingen te lijden als goede krijgsknechten van Jezus Christus.
„De houding van onze inlandsche bekeerlingen aan de
Transkei is zeer bevredigend. Toen zij onze staties en de
gedurige leiding der Zendelingen verlieten, werd het ge-
vreesd en zelfs beweerd, dat zij niet standvastig zouden blij -
ven. Doch deze bekeerlingen zijn, Gode zij dank! trouw
gebleven. Zij zaten niet stil, tevreden met wat zij beza-
ten, maar verkondigden het Evangelie aan hunne heiden-
sche landgenooten, terwijl zij ook den dienst des Woords
onder zichzelven onderhielden. Zij, die de waarheid beleden,
maar, in afgelegen distrikten verwijderd van elkaar woonden,
zochten elkaar op tot gemeenschappelijke versterking in den
Heere. Zoozeer worden deze Christenen als een afgezonderd
volk beschouwd, dat wij drie vrouwen, in verschillende
plaatsen, ontmoetten, die heidensche mannen hadden, maar
toch zonder hindernis werden toegelaten, hun geloof in den
Zaligmaker te belijden. „Het Woord des Heeren blijft in
der eeuwigheid."
-ocr page 203-
189
„De moeielijkheden van een Zendeling onder het volk van
Keeli zullen noch weinig noch klein zijn. Dit moet van
het begin af duidelijk uitgesproken en verstaan worden.
Keeli, groot opperhoofd der Amakosa-stammen, is door
blanken en zwarten van alle rangen en standen gevierd,
gevleid en geliefdkoosd. Hij is gewoon geweest om geschen-
ken en alles begeerlijks te ontvangen. Het gevolg hiervan
is, dit niet alleen hij, maar ook al zijne onderhoorige opper-
hoofden verwachten, dat de Zendelingen hen met geopende
hand zullen tegenkomen. De Zendeling, die hier arbeidt,
zal de eerste moeten zijn, om deze verderfelijke gewoonte
tegen te gaan, en het zal hem niet in de achting van de
lieden doen toenemen, als hij er in slaagt, haar uit te
roeijen.
„Het is mijne overtuiging, dat de Galekas, nu, meer dan
ooit, de verkondiging van het Evangelie zullen tegenwerken.
Misschien zullen zij niet beletten, dat er Zending-staties
worden opgericht, maar zij zullen trachten, den loop des
Evangelies onder het volk te stuiten. De heerschende mee-
ning onder dezen stam is, dat Zendelingen de afgezanten
der Regeering zijn, om op de gemoederen van het volk te
werken door een middel, dat zij „het Woord" noemen; en
dat diegenen, die door het Woord worden aangedaan, en
Kaffers-gewoonten opgeven voor die van den blanken man,
onderdanen van het Engelsche Gouvernement worden. En dat
de blanken dus trachten zich in hun land te dringen, om
dat later geheel in te nemen.
„Deze meening is vrij algemeen onder het volk van Keeli.
Een andere groote hinderpaal bestaat hierin, dat Keeli steeds
eenig politiek voordeel hoopt te behalen door zjjne betrekking
-ocr page 204-
190
met den Zendeling. Is deze een blanke, en gevalt hij aan
Kreli, dan zal hij, zoo redeneert het opperhoofd, zijne (denk-
beeldige) B grieven" wel voor de bestaande machten brengen.
Het is goed, om deze dingen te weten, eer men hierheen
komt. Doch de Heere regeert onderde natiën. Al deze moeie-
lijkheden moeten als morgenwolken verdwijnen voor de
heerlijkheid van de Zonne der gerechtigheid."
Eerlang ontving Tiyo Soga bericht uit Schotland, dat de
Zending-Commissie der Vereenigde Presbyteriaansche Kerk
besloten had, aan het verzoek der Broederen in Kafferland
gehoor te geven, en eenige Zendelingen naar het nieuwe
arbeidsveld uit te zenden. Naar aanleiding hiervan schreef
Tiyo, aan Dr. Sommerville:
„In het vooruitzicht, dat spoedig eenige Broeders zullen worden uitge-
zonden om met ons in Kafferland te arbeiden, gevoel ik mij gedrongen,
een en ander op het papier te stellen, dat misschien van nut zal kunnen
zijn om in hun instructie te worden opgenomen. De volgende wenken zijn
het resultaat van langdurige ondervinding zoowel in de Kolonie als in
Kafierland.
„De Broeders moeten er zich op voorbereiden, dat zij in de Kolonie
over het algemeen, niet veel sympathie voor het Zendingwerk zullen on-
dervinden. Wel zullen zij sommigen ontmoeten, die hun \'sHeeren zegen
zullen toebidden op hun weg. Maar anderen — goede lieden op hun
manier — zullen bedenkelijk het hoofd schudden, en hun zeggen, „dat
het alles illusie is; dat de zaak wel een ander aanzien zal krijgen als
zij nader kennis hebben gemaakt met de menschen, onder welken zij te
arbeiden hebben, en dat het toch niets geeft, deze inboorlingen, die slecht
en ondankbaar zijn, te onderwijzen" enz. Nog weer anderen gaan zelfs
zóó ver, dat zij ronduit verklaren, niet aan de bekeering van een enkelen
zwarte te gelooven. Dit alles zullen zij hooren, en veel meer. Sommige
predikanten in de Kolonie, geheel onder den invloed van hunne gemeen-
ten, zullen deze zienswijze wellicht deelen. Ja, zelfs worden er Zendelin-
gen gevonden, die hier niet vrij van zijn. Zoo hoorde ik onlangs iets, dat
mij met verontwaardiging vervulde. Eene dame uit de Kolonie vertelde
-ocr page 205-
191
mij, dat een Zendeling zich had vroolijk gemaakt, over de geestdrift eener
Zendelingsvrouw, die kort geleden met haar man uit Engeland was aan-
gekomen. Zij had den Zendeling een warmen handdruk gegeven, en haar
vreugde uitgesproken, iemand te mogen ontmoeten, die reeds bezig was
in een werk, waarnaar zij uitzag. De ongevoelige Zendeling, die zich naar
Koloniale vooroordeelen schikte, had den spot gedreven met gewaarwor-
dingen, die toch zoo natuurlijk en gepast zijn in iemand, die op het
punt stond, zoodanigen arbeid te aanvaarden. De aanstaande Zendelingen
behooren het te weten, dat tegenstanders hen niet omtrent de wezenlijke
oorzaak van dezen tegenstand zullen inlichten, n. 1., dat men niet wil, dat
de inboorlingen uit hun toestand van vernedering zullen worden opge-
heven. Zij kunnen niet verdragen, dat iemand zich de belangen derzwar-
ten aantrekt.
„Ik meen ook, dat er een nauwer en heiliger band moest bestaan, tus-
schen de Zendelingen en de Eerk, die hen uitzendt, om in heidenlanden
te arbeiden. Vele Kolonisten doen het hunne, om talentvolle Zendelingen,
door vleierij, van hun werk af te trekken, hen voorhoudende, dat „het
toch jammer is, met zulke talenten als zij bezitten, onder barbaren te
wonen, die ze niet kunnen waardeeren."
„Toch is de positie van Koloniale predikanten alles behalve een bed van
rozen"; er is misschien geen ambt, dat in deze Eolonie minder in eere
wordt gehouden. \'J
„Laat de broederen komen in de bewustheid van hun roeping als
gezanten van Christus onder de Heidenen. Zij moeten komen, geheel
voorbereid, om de afzichtelijkheid van het heidendom in hare menigerlei
vormen te aanschouwen, en te leeren, dat de werkelijkheid dikwijls alles
te boven gaat, wat men op een afstand zich hiervan kan voorstellen. Zij
moeten voorbereid zijn op teleurstellingen in het werk. Geene schitterende
gaven van welsprekendheid of redeneering kunnen, zonder den zegen des
Heiligen Geestes, eene enkele ziel tot bekeering brengen. Zij hebben
harden grond te bewerken; zij moeten bereid zijn, om vuile Kafferhutten
binnen te gaan, zelfs daarin te slapen enz.
„Mannen, die voor dergelijke moeielijkheden terugdeinzen, kunnen geene
Zendelingen zijn. Nochtans, voor den waren dienstknecht van den Heere
Jezus, is de lacht boven den Zending-akker niet^enkel wolken en duister-
nis, maar wordt zij dikwijls door heerlijke zonnestralen verlicht. De be-
proevingen, die den Zendeling wachten, behooren daartoe te leiden, dat
\') Deze laatste aanmerking moet zien op de positie van Engelsche predikanten
In de Eolonie.
-ocr page 206-
192
hij te vaster zijn wapenrusting aangordt, en in te grooter afhankelijkheid
van den Heere arbeidt, om zielen voor de eeuwigheid te winnen.
„De Broederen moeten bereid zijn, zich zooveel mogelijk te vereenzel*
vigen met het volk, voor hetwelk zij land en maagschap verlaten. De
knoop van vooroordeelen en gewoonten van den Kaffer mag niet ruw
worden doorgesneden, met het onmeêdoogend mes van opgedrongene.
beschaving. Zij moet met geduld en voorzichtigheid worden losgemaakt.
Een vriendelijke blik en een goed woord vinden zeer zeker ingang bij
barbaren. Als ras, laten de Kaffers zich eerder trekken dan drijven
Tegelijkertijd zal iemand, die de menschelijke natuur bestudeert, hier een
rijken oogst kunnen inzamelen voor de studie van hunne geschiedenis,
hunne vooroordeelen en gewoonten. Te midden van veel, waarmede de
Zendeling zich niet zal kunnen vereenigen, zal hij toch veel vinden, om
te bewijzen, dat God de Vader van allen is, en dat daarom geen ras
veracht mag worden.
„De Zendeling, die zich bij Kbeli vestigt, zal wel de moeielijkste post
hebben. Hij moet een man zijn van voorzichtigheid, gezond oordeel en
takt. Keeli beschouwt den Zendeling als een politiek agent, die op het
Gouvernement van zijn land een invloed ten goede of ten kwade kan uit-
oefenen. Bij ons laatste bezoek trachtten wij de ware positie van den
Evangeliedienaar duidelijk te omschrijven. Kbeli heeft de voorkeur aan
de Presbyterianen gegeven, omdat hij meent, dat die van andere Kerken
of Vereenigingen, waarmede hij vroeger te doen had, niet zulke goede
vrienden voor hem waren gedurende zijn ballingschap, en dat de Presby-
teriaansche Zendelingen veel goed onder de Gaika\'s hebben gedaan.
Kbeli is zeer jaloersch op zijn macht en op zijn land. De Zendeling
moet deze autoriteit in alle geoorloofde dingen handhaven, vooral ook
onder en tegenover de aanstaande Christen-Kaffers. Er moet geen tweeër-
lei gezag in wereldsche zaken op de staties zijn. Kbeli heeft een natuur-
lijk gevoel voor recht en billijkheid, en mocht hij zich in deze vergeten,
dan is de Britsche Besident daar om te zien, dat niemand op de statie
worde verongelijkt. Ik schrijf deze dingen opdat de Broeders, die komen
om hier te arbeiden niet uit onbekendheid met den staat van zaken zou-
den mistasten."
Van hoeveel waarde deze opmerkingen voor aanstaande
Zendelingen waren, is later duidelijk gebleken.
-ocr page 207-
193
XVII.
ARBEID VOOR DE DRUKPERS.
Een der eerste boeken waarmede Tiyo Soga in zijn jeugd
bekend werd was Bunyan\'s Christen-Reize, en geen
boek heeft, behalve de Bijbel, een dieper indruk gemaakt
op zijn ontvankelijk gemoed. Nog voor hij een begin ge-
maakt had met zijne studiën te Glasgow, was reeds het plan
bij hem tot rijpheid gekomen, om dat boek in de Kaffertaai
over te brengen en zoo voor zijne landgenooten toeganke-
lijk te maken. Aan de vertaling werd te Glasgow de hand
gelegd, doch het werk werd toen niet voltooid, en later, te
midden van zijn onafgebroken werkzaamheden als Zende-
ling, scheen het soms alsof het door hem nooit voltooid zou
worden. Toch bleef hij, in uitgewoekerde oogenblikken, aan
den arbeid en eindelijk, op den 21sten Nov. 1866, mocht hij
in zijn dagboek schrijven: „\'s Avonds, kwartier over negen.
Door de goedheid van den Almachtigen God heb ik de ver-
taling van de Christen-Reize mogen ten einde brengen."
En aan een vriend schreef hij:
„Gij zult verblijd zgn om te vernemen, dat de vertaling van Bunyan\'s
Christen-Reize in de Kuiler taal voltooid is. Het werk zal gedrukt
worden te Lovedale, door de Broeders der Vrije Schotsche Kerk, aan welke
ik de vertaling heb overgegeven. Het Godsdienstig Tractaat-Genootschap
is zoo vriendelijk geweest om ons met de cliché\'s der houtsneden te hei-
pen, waarmede de Engelsche editie, door dat Genootschap uitgegeven,
versierd is, zoodat wij terstond een geïllustreerde uitgave het licht kun-
nen doen zien. Ik verlang vurig om te zien hoe dit uitstekende werk
door onze Christen-Kaffers en door de Heidenen, die kunnen lezen, zal
worden ontvangen. Deze uitgave is iets geheel nieuws en bijzonder ge-
schikt voor ons volk."
13
-ocr page 208-
194
Het werk werd opgedragen aan „Den Weleerwaarden
William Govan, den stichter en superintendent van
het Lovedale Seminarie der Vrije Schotsche
Kerk, een der zeer beproefde, onvermoeide,
standvastige vrienden en weldoeners van de in-
boorlingen in Zuid-Afrika, door zijn vriend en
leerling Tiyo Soga." Door hen, die bevoegd waren om
over de vertaling te oordeelen, werd Tiyo\'s arbeid zeer
geroemd, en algemeen werd de uitgave, van meet af, met
graagte ontvangen. Het boek werd gelezen op iedere Zen-
dingstatie in Kafferland, door jong en oud. Zendelingen lazen
er de gemeente uit voor en verklaarden deszelfs inhoud, en
vooral het jonge geslacht was bijzonder ingenomen met
het boek. Kort na het verschijnen der eerste uitgave zag een
tweede druk, nog beter uitgevoerd dan de eerste, het licht
en werd niet minder gretig ontvangen. Tiyo\'s stoutste ver-
wachtingen werden in deze niet teleurgesteld.
„Soga\'s bekwaamheid", schreef iemand in zijn beoordee-
ling van het werk, „als een redenaar in de Engelsche taal
wordt erkend door allen, die hem gehoord hebben; zij ech-
ter, die hem ook in de Kaffertaai mochten hooren, verzeke-
ren, dat hij, in zijn eigen taal sprekende, nog op geheel
andere wijze als spreker schittert. De vertaling nu van
Bunyan\'s werk toont echter eerst aan, welk een meester hij is
van de Kaffertaai. Met zorg en zeer gelukkig, heeft hij
de rechte beteekenis van bijna gelijkluidende woorden
uit het Engelsch in het Kaffersch weten over te bren-
gen. Het leerstellig gedeelte van het boek is zoo nauwkeu-
rig mogelijk, bijna letterlijk, overgebracht, en dit geldt
bijzonder de aanhalingen uit de Schrift. Het plaatsbe-
-ocr page 209-
195
schrijvende gedeelte en de samenspraken zijn ietwat vrijer
vertaald, en om alles in eigendommelijk Kaffersch weer te
geven is soms een woord ingelascht, schoon zonder ergens
den zin te veranderen. Vooral de hartroerende en diepingrij-
pende gedeelten zijn meesterlijk overgebracht, en lezen, bijna
of geheel, alsof Bunyan zijn eenig werk oorspronkelijk in
het Kaffersch had geschreven. Bijzonder gelukkig was Tito
ook in de vertolking der zinrijke eigennamen, en spoedig na
het verschijnen van de Christen-Reize in de Kaffertaai,
waren „Vumazonke", „Pikapele", „Sazingazwe" on-
der de Kaffers geen minder bekende en scherp geteekende
persoonlijkheden dan „Pliable" (Gezeggelijk), „Obstinate"
(Halsstarrig), „Wokdly Wiseman" (Wereld-wijs) e. a. onder
Engelsche lezers."
Van den tijd dat Tiyo zich als Zendeling in Kafferland
had gevestigd hield hij zich ook, in anders verloren oogen-
blikken, bezig met het verzamelen van Kafferfabelen, spreek-
woorden, curieuse uitdrukkingen onder het volk gangbaar,
en van allerlei bijzonderheden betrekking hebbende op het
leven, de zeden en gewoonten der Kaffers. Zijn doel was om
de bouwstoffen bijeen te brengen voor een „Geschiedenis
der Kaffers," bepaaldelijk ten behoeve zijner eigene land-
genooten. Die taak heeft hij niet mogen voleinden, en on-
gelukkig is veel van hetgeen hij daaromtrent heeft neerge-
schreven verloren gegaan.
Over den inhoud van dit werk, had hij het ten einde
kunnen brengen, kan men eenigszins oordeelen uit het hoofd-
stuk over „Kafferdoctors", na zijn dood onder zijne pa-
pieren gevonden, en hier verkort weergegeven:
„Wanneer een Kaffer aan eenige ernstige of langdurige
-ocr page 210-
196
ziekte lijdt, dan roept hij de hulp in van een tooverdokter,
wiens vaste formule is, dat de patiënt een snoertje van haren,
uit de pluim van de staart eener „heilige" koe om den hals
moet dragen. De melk van zulk een koe wordt uitsluitend
gebruikt door hen, die snoertjes van haar staarthaar dra-
gen, en mocht haar kalf sterven dan moeten die snoertjes
vernieuwd worden. Volgens de bewering der Kafferdokters
gaat de betoovering, waardoor de patiënt ziek geworden is,
over op bedoelde halssnoertjes. Indien een getrouwde vrouw
krank wordt gaat zij terstond naar de kraal van haar vader,
om de gewenschte haren, uit de staart van diens heilige koe.
Wanneer een kraal door den bliksem getroffen is, wordt
alweder de hulp van een tooverdokter ingeroepen. Is er een
os getrofien, dan wordt het dier niet aangeraakt totdat de
dokter gekomen is, die het dier terstond laat begraven.
Vervolgens „reinigt" hij de plaats, en daarna wordt er ge-
danst en feest gevierd omdat „de plaats bezocht is gewor-
den door den Grooten Geest." Niets mag uit een door den
bliksem getroffen kraal, en uit de naastbij gelegene, worden
verkocht of weggedragen zonder toestemming van den dok-
ter, gelijk ook niets, zonder diens toestemming, mag worden
aangeraakt of gemaaid op een akker door den bliksem ge-
troffen.
Er zijn zes klassen van dokters onder de Kaffers. Voor-
eerst de Kruidendokters, die in de behandeling hunner
patiënten uitsluitend van kruiden gebruik maken, welke zij
met een scherp gepunt stukje hout uit den grond delven.
Deze dokters worden in zeer groote eere gehouden, en nog
dikwijls geraadpleegd waar kranken door andere dokters,
zonder gunstig gevolg, behandeld zijn.
-ocr page 211-
197
De tweede klasse van dokters beweren, dat ziekte veroor-
zaakt wordt door de aanwezigheid in het lichaam van een
slang, of van een „geitje" x) die verwijderd moeten worden.
Bij den patiënt gekomen wrijven deze dokters op de pjjn-
lijke plaats om het dier te dwingen uit het binnenste des
lichaams naar de oppervlakte, onder de huid, te komen.
Vervolgens leggen zij op die plaats een groote pleister
van koemest, en wordt deze straks weer afgenomen, dan ligt
de oorzaak dier ziekte, — een der genoemde kruipende die-
ren — in de koemest, en moet de kranke — na verloop
van eenigen tijd — genezen! De derde klasse van dokters
zijn de Droomers of Visionarissen, die door een
soort van somnabulisme te weten zullen komen aan welke
ziekte de patiënt lijdt, en wat hij gebruiken of doen moet
om te herstellen. Op hen volgen de gewone Regendok-
ter s, die, naar het heet, regen maken; en op dezen de
Amatola- of Oorlogsdokter, zonder wier toestemming
geen oorlog gevoerd wordt. Heeft hij daartoe verlof gegeven
dan worden de krijgslieden door hem „gereinigd". Dit ge-
schiedt, door hen in een stroom waters te laten baden, en hen
vervolgens, herhaaldelijk, te laten gaan door den rook van
geneeskrachtige kruiden, die in brand gestoken zijn. De „ge-
reinigden" mogen dan slechts in de veekraal slapen en in geen
geval in hunne huizen. De „reiniging" en andere praktijken
van den oorlogsdokter, die steeds met den naam van Ca-
magu of Co\'si Heer begroet wordt, zullen de krijgslieden
onkwetsbaar maken. Eindelijk heeft men den Ruikdokter
oflzanuse, die door middel van zijn reukorgaan den persoon
\') Gecko Spheriodactyles, welks beet doodelijk heet te zijn, doch
die zoover bekend is nog nooit iemand „gebeten" heeft.
-ocr page 212-
198
aanwijst, welke door tooverij ziekte of den dood van een an-
der heeft veroorzaakt. De laatstgenoemde dokter staat, feite-
lijk, aan het hoofd van al de anderen, en is de meest ge-
vreesde man in Kaiferland. Zijn naam, Izanuse, beteekent
„iets dat vreeselijk is om aan te zien", en is onder
de Kaffers spreekwoordelijk voor al wat ontzettend is. Geen
gewoon man, maar slechts een opperhoofd, raadsman of
krijgsoverste, of ander voornaam persoon mag van zijn dienst
gebruik maken, en dan nog slechts onder zeer bijzondere
omstandigheden. Dikwijls wordt de hulp van den Izanuse
eerst ingeroepen, wanneer meerdere dokters den patiënt heb-
ben opgegeven. En dan nooit zonder de toestemming van het
opperhoofd, aan wien oogenblikkelijk kennis moet worden
gegeven van de ziekte van iederen aanzienlijken Kaffer, en die
op de hoogte moet worden gehouden van het verloop der
ziekte. Daar nu het inroepen der hulpe van den Izanuse
gewoonlijk een of meer menschen het leven kost, en het
opperhoofd als heer over leven en dood zijner onderdanen
beschouwd wordt, kan de Izanuse niet aan het werk wor-
den gezet zonder diens toestemming.
Deze verkregen zijnde, worden er terstond boden afgezon-
den naar zulk een tooverdokter, met een assegaai als for-
meele betaling voor zijn te nemen moeite. Is de dokter
erg „scherp", gelijk de Kaffers zich uitdrukken, dan begint
hij reeds in de tegenwoordigheid der boden, die tot hem
gezonden zijn, in algemeene bewoordingen aan te duiden hoe
de kwaal of het kwaad ontstaan is. Dit is het aas, dat hij
uitwerpt om den visch te vangen. De boden keeren terug;
deelen mede wat de dokter gezegd heeft, en worden dan ge-
woonlijk andermaal tot dezen gezonden om hem te vragen, naar
de kraal van den kranke te komen. Heeft de Izanuse be-
-ocr page 213-
199
sloten, zulks te doen, dan laat hij de boden terug gaan met
het bevel om al het volk uit het district, op een bepaalden
dag en plaats, bijeen te brengen, zoodat alles gereed zij tegen
zijn komst. Die boodschap valt als lood in het hart van eiken
Kaffer, want niemand is zeker, dat de dokter niet hem zal aan-
wijzen als den schuldige, die door tooverij de ziekte veroor-
zaakt of het kwaad gesticht heeft. Deze onzekerheid vervult
de harten met vreeze, en velen gaan naar de aangewezen
plaats als naar de plaats des gerichts. Niemand durft weg-
blijven, daar dit gelijk zou staan met eene openbare belij-
denis van schuld, die den dood tengevolge zou hebben.
De verzamelde menigte van mannen en vrouwen vormen,
op het bepaalde uur, een cirkel met een open ruimte in het
midden. Daarop heffen zij een gezang aan, Umlahla ge-
heeten, dat op het oordeel dat plaats zal vinden betrekking
heeft. Dit gezang is als het luiden der doodsklok over het land.
Eindelijk verschijnt de dokter in het midden zijner volge-
lingen en begeleiders. Het gezang verstomt en den I z a n u s e
wordt de hut in de kraal aangewezen, waar hij vernachten
zal. Terwijl hij zich derwaarts begeeft wordt het gezang
hervat. Plotseling verlaat nu de I z a n u s e, de eene zijde van
zijn gelaat wit geschilderd en de andere zwart, en ge-
heel naakt, zijn eigen kring en gaat met haastigen tred en
onder heftige bewegingen, rondom den cirkel van de zwijgende
Kaffers. Door een opening in den levenden cirkel weet hij
eindelijk in het midden der menigte te komen, en al spoedig
wordt nu zijn stem gehoord: „Ik zie u N.N. (den naam van
zijn slachtoffer noemend) zoon of dochter van N. N.; ik ver-
klaar u onrein."
Is de genoemde persoon in den kring tegenwoordig dan
-ocr page 214-
200
wordt hjj terstond in het midden gesteld, voor ieders oog.
Een verdediger treedt op voor den beschuldigde en onder-
vraagt den Izanuse, om de schuld des aangewezenen te
bewijzen, daar niemand ter dood gebracht mag worden zon-
der duidelijk bewijs van schuld. Soms geraakt de dokter on-
der deze ondervraging in ongelegenheid, zoodat zijne vrien-
den hem ter hulpe moeten komen, doch meestal is" het vol-
doende, dat hij verzekert den schuldige „geroken" te hebben.
Het \'gebeurt ook als de beschuldigde een geliefd opperhoofd
is eener groote kraal, dat zijne vrienden terstond naar de
assegaai grijpen om hem te beschermen.
Een Izanuse wordt nooit vervolgd wegens valsche be-
schuldiging, hoe sterke getuigenissen ook tegen hem kun-
nen worden ingediend. Wordt de door hem aangewezen
persoon niet gestraft, dan zoekt de Izanuse voor het
oogenblik een goed heenkomen, en keert daarna stil naar
zijn, of haar, kraal terug.
Kan de beschuldigde zich echter niet vrijpleiten of vol-
doende beschermd worden, dan wordt hij gevangen genomen
en allereerst gemarteld, om hem tot bekentenis te brengen.
Gloeiende steentjes worden op de beenen en het onderlijf
geplaatst; vervolgens wordt een nest van groote, levende,
zwarte mieren over hem uitgestort; of hij wordt gebonden
met, in heete asch gloeiend gemaakte, twijgen van den
„Olifantboom", hetwelk een vreeselijke pijn veroorzaakt. Be-
lijdt de gemartelde schuld dan wordt hij gedood; staat hij
de marteling door zonder schuld te erkennen, dan wordt het
oordeel van het Opperhoofd gevraagd, wat verder met hen
gedaan moet worden. Uit luidt dan gewoonlijk, dat men
-ocr page 215-
201
den beschuldigde moet ontbinden, wasschen met water en
naar huis laten terugkeeren. \')
De Kaffers hebben, voor zoo ver ik kon nagaan, geen le-
*) Een zekere Kaffer, Nomtsheke genaamd, en diens vrouw werden door
een Izanuse beschuldigd van tooverij, doch daar de zon juist onderging
en het dus te laat was om hen nog dien dag te martelen, werden zij ge-
durende den naeht in een hut opgesloten. Een sterke wacht werd rondom
de hut geplaatst om hen te bewaken, en elke poging van den man om
te ontsnappen scheen vruchteloos. Tegen het aanbreken van den dag
echter viel er een zoo zware mist over de plaats, dat men geen hand
voor oogen zien kon, en wist de man aan de handen zijner vervolgers te
ontkomen. In veiligheid bereikte hij de Zendingstatie Lovedale, doch zijne
arme vrouw, die achtergebleven was, werd over een klein vuur gemarteld
tot zij dood was. De man en vrouw hadden drie kinderen, die naar Lovedale
vluchtten en jaren lang met de Zending daar in betrekking hebben gestaan.
Tiyo verhaalt van een anderen man, Bili geheeten, den vertrouwden die-
naar van een Gaika-opperhoofd, Ngeno. Dit opperhoofd stelde bijzonderen
prijs op zijne honden, voor welke hij nu en dan een os liet slachten. Nu
gebeurde het, dat eenige dezer honden ziek werden en stierven, zonder
dat daarvoor een kennelijke reden was aan te wijzen. Een Izanuse werd
ingeroepen om het raadsel op te lossen, en deze beschuldigde den trou-
wen Bili, dat hij de honden betooverd had. De ongelukkige man werd nu
gemarteld met de gloeiende twijgen van den Olifantboom, om hem tot
bekentenis te dwingen. Doch hij bleef zijn schuld ontkennen en eindelijk
werd hij vrijgelaten. Het duurde langen tijd eer zijne vreeselijke brand-
wonden waren genezen en de merken daarvan droeg hij tot aan zijn dood.
Zoo mogelijk met nog grooter getrouwheid dan te voren zijn opperhoofd
dienende, werd hij later weer van tooverij beschuldigd en zou hij ander-
maal zijn gemarteld, doch hij wist te ontkomen naar een naburigen stam.
Na verloop van eenigen tijd echter kwam hij weder tot zijn opperhoofd, en
diende hij dezen nog vele jaren. Zijn trouwe dienst bleef niet onbeloond.
Op zekeren dag werd hem iets door zijn heer bevolen en ook trouw door
hem ten uitvoer werd gebracht, doch niet zoo spoedig als gewoonlijk. Dit
kwam het opperhoofd ter oore, en toen de stokoude, stramme dienaar van
zijn boodschap thuis kwam, liet zijn heer hem aan een boom ophangen!
-ocr page 216-
202
genden omtrent de schepping van hemel en aarde, van de
zon, maan, sterren enz. Ieder denkbeeld hieromtrent schijnt
ten eenemale buiten hun bevatting te hebben gelegen. De
mensch zoowel als de beesten is, volgens hen, van Eluh-
langeni, uit het Oosten gekomen. Uhlanga zal een plaats
zijn met drie gaten, die ieder dezen zelfden naam dragen.
Uit één Uhlanga zijn de zwarten voortgekomen; uit een an-
dere de blanken, en uit de derde de beesten. De menschen
zijn eerst uitgekomen, daarna de beesten. En de mensch
heeft heerschappij over de tamme dieren gekregen op de
volgende wijze. De dieren, die zelf schuw waren, vluchtten
gedurig in hun Uhlanga zoodra een mensch hen trachtte te
naderen. Op zekeren dag echter wist iemand een hond te
dooden. Hij liet het aas eenige dagen liggen, stopte het
daarna in de opening, die naar de Uhlanga der beesten leidde,
haalde het weer te voorschijn en sleepte het langs den grond
rondom het gat. Toen de beesten nu weer uit hun hol kwa-
men liepen zij als razenden rond wegens den walgelijken
reuk, dien het aas verspreidde, en te midden van het tumult,
dat nu ontstond, wisten de menschen allerlei beesten, zooals
ossen, schapen, paarden en pluimvee, in omheinde plaatsen
te drijven waar zij mak gemaakt werden.
Volgens het Kafferverhaal der schepping was de oudste
zoon van den algemeenen Vader een Hottentot, de tweede
zoon een Kaffer, en de derde zoon een Blanke. De Hot-
tentot was er het beste van allen aan toe, daar hij onbe-
paalde beschikking had over zijns vaders goederen. Doch het
zjjn sterke beenen, die de weelde kunnen dragen, en zoo werd
ook deze Hottentot, na verloop van tijd, lui, slordig en ge-
heel onverschillig omtrent den loop van zaken. Zijn grootst
-ocr page 217-
203
vermaak was, het honigvogeltje*) te volgen om honig te krij-
gen. Op zekeren dag ging hij weer uit om honig te eten, en
keerde sedert niet weer tot zijn vader terug. En nu zijn zijne kin-
deren, de Hottentotten, net zoo lui en zorgeloos als hun vader.
De tweede zoon, de Kaffer, zette zijn hart op hoornvee,
en toen hij mondig werd gaf zijn vader hem vee in over-
vloed. Ook gaf zijn vader hem Kafferkoorn. Hij trok daarop
naar een andere plaats en weidde zijne kudden. Daarom
houden de Kaffers, tot op dezen dag, zoo veel van vee en
van Kafferkoorn.
Terwijl nu de Hottentot-zoon het honigvogeltje volgde,
en de Kaffer-zoon met zijn ossen en bokken heentoog, bleet
de jongste zoon, de Blanke, bij zijn vader, wiens lieveling
hij was en steeds meer werd. Hij was altijd bij den vader
en diende hem. En de vader onderwees hem van alle din-
gen. Dit nu is de reden, dat de Blanke alle andere natiën
vooruit is in kennis en handigheid.
\') Het honigvogeltje Nectarina (de Indicator van Vaillant) ; voedt
zich hoofdzakelijk met wilden honig, die in de hoeken van boomen en in de
rotskloven rijkelijk gevonden wordt. Daar het, om zijn voedsel machtig te
worden een voortdnrenden strijd heeft te voeren met de honigbij, is zijn
huid zeer taai en bijna geheel ongevoelig voor bijensteken. Doch de oogen
van het vogeltje zijn onbeschermd en op deze hebben de bijen het dan
ook meest voorzien. Het honigvogeltje nu, dit wetende, roept, waar het
kan, de hulp in van den mensen om als het iemand ontmoet den begeerden
honig machtig te worden. Het vlucht daartoe in plaatsen waar honig te
vinden is — voor dezen henen, tegelijk een bijzonder geluid latende hoo-
ren, en leidt hem zoo naar den boom of de rotsholte, waar de bijen hun
nest hebben. De bijen worden dan, door wat vochtig gras voor het nest
te branden, gedood en de honig uitgehaald, natuurlijk met achterlating
van een goede portie voor het vogeltje, dat den honigvoorraad eerst ont-
dekte en had aangewezen.
-ocr page 218-
204
Omtrent de schepping van den mensch leeren de Kaffers
verder, dat de Schepper, van den aanvang, met de beste ge-
zindheid jegens het menschelijk geslacht vervuld was, doch
dat Hij in zijn\' pogingen, om den mensch wel te doen, altijd
gedwarsboomd werd door een vijand. Schiep Hij de honigbij
dan maakte de vijand de lastige vlieg; tegenover de zwaluw
stelde de vijand de vledermuis, tegenover den arend de
nachtuil. De goede Schepper wilde den mensch een voort-
durend bestaan in deze wereld verzekeren, en zond den chame-
leon om den mensch bekend te maken dat hij niet zou ster-
ven. Doch nu zond de vijand een „geitje", dat den langzamen
chameleon spoedig voorbij was, en over den mensch het
doodvonnis uitsprak, zoodat de menschen nu moesten sterven.
Hier zou echter nog wel iets aan te doen geweest zijn,
ware het niet om de volgende omstandigheid. Na langen
tijd stierf\' er een mensch, doch men wist niet wat er eigen-
lijk met den doode had plaats gevonden. Zeer ontsteld be-
gonnen de omstanders te roepen: „IJo! IJo! IJ o! IJo!"
Toen stond er iemand op een berg, die vroeg waarom zij
zoo lamenteerden? Het antwoord was: „omdat een mensch
bewusteloos is neergevallen."
„Waarom waait gij niet?" vroeg de verschijning.
„Waarmede?" vroegen de Kaffers.
„Met een Kaffermandje," was het antwoord van den vijand.
Toen nu de chameleon dat hoorde werd hij zoo boos, dat
hij zonder verder spreken wegging. „En," zeggen de Kaffers:
„had de vijand niet dat verkeerde antwoord gegeven, dan zou
de bode van den Schepper gezegd hebben, waarmede men
moest waaien, om de dooden in het leven terug te roepen,
en zoo onsterfelijkheid te verzekeren aan het menscheljjk
geslacht."
-ocr page 219-
205
Ook als dichter heeft Tiyo Soga zijnen landgenooten goeden
dienst bewezen, meer bijzonder door zijn overbrenging van
christelijke liederen uit het Engelsch in het Kaffersch. Dit
was te moeielijker, daar de Kaffers, als natie, weinig met
dichtmaat en muziek ophebben, en hun taal zich moeie-
hjk leent om er de bekende „metres" der Engelsche kerk-
liederen in over te brengen. Doch Tiyo was zulk een mees-
ter der taal, dat het hem ^gelukte, eenige der schoonste
liederen, in de Ver. Presbyteriaansche Kerk bij de open-
bare godsdienstoefening in gebruik, in vloeiend Kaffersch
weer te geven.
Zoodra Tiyo Soga tot de overtuiging was gekomen dat hij
aan eene kwale leed, die waarschijnlijk spoedig een einde
aan zijn leven zou maken, gaf hij den wensch te kennen,
dat hij het overig deel zijns levens aan het vertalen van
goede geschriften in het Kaffersch zou mogen wijden. Ook
koesterde hij nog de hoop, dat, zoo hij een paar jaar rust
kon nemen van den vermoeienden predikdienst, hij misschien
herstellen zou. In dien geest schreef hi) o. m. aan Dr. Somerville :
»Misschien zou mijn keel nog terecht komen, indien ik, ten
minste gedurende twee jaren, rust kon nemen en niet in het
openbaar behoefde te spreken. Mijn borst is nog niet aan-
getast. Ik weet niet wat de heer Laing u geschreven heeft,
doch hij en zijne broederen en andere vrienden hebben her-
haaldelijk den wensch uitgedrukt, dat ik mij met het verta-
len van degelijke werken in het Kaffersch zou bezig houden,
daar goede boeken voor ons volk onmisbaar zijn. En sedert
Mijn keel zoo ontstoken is, hebben de B.B. nog sterker aan-
-ocr page 220-
206
gehouden, dat ik mij met letterkundigen arbeid zou bezig
houden. Doch, geroepen als ik ben om het Evangelie te
prediken, zou ik dit gedeelte van den Zendingarbeid slechts
tijdelijk, en zoolang ik aan de keel lijdende ben, wenschen
te ondernemen. Mocht het echter blijken, dat er voor mij
geen hoop op herstel bestaat, dan zou ik mij aan het ver-
talen kunnen wijden tot mijn einde. Ik onderwerp mij echter
in deze geheel aan de bepalingen der Zending-Commissie.
Ik zou niet gaarne zien dat de betrekking, waarin ik tot
mijn gemeente sta, werd losgemaakt; noch ook, dat mij het
voorrecht onthouden zou worden om Christus te prediken
aan zondaren, tenzij dan dat ik niet meer zou kunnenspre-
ken, en dan zou ik mij gewillig onderwerpen. Zoo de Com-
missie zich met het denkbeeld kan vereenigen, dat er dan
een broeder worde geplaatst op mijn statie, aan wien ik,
indien het naar Gods wil tot het ergste mocht komen,
de zorg voor de statie kan overdragen. Er is toch overvloed
yan werk in dit district voor twee arbeiders. Mijn mede-
arbeider zou dan, tijdelijk in elk geval, den predikdienst te
vervullen hebben en ook voor het bestuur van de statie en
wat er aan behoort, hebben te zorgen; terwijl ik, als oudste
Zendeling, met hem het geestelijk toezicht zou kunnen uit-
oefenen. Ik laat het geheel aan de Commissie over om met
de broederen der Vrije Schotsche Kerk te Lovedale, die in
het bezit eener drukkerij zijn, de noodige schikkingen te
maken omtrent het drukken en het eigendomsrecht der te
vertalen werken. Ds. Govan, van Lovedale, zal gaarne de
zaak verder met u bespreken, daar ook hij zeer begeerig is,
dat ik mij met vertalen zal bezig houden. Doch ik ben ge-
heel bereid te doen zooals de Commissie goedvindt."
Naar het schijnt is de Zending-Commissie toen niet in het
-ocr page 221-
207
voorstel van Tiyo Soga getreden. Doch anders was het in
1868, toen het Britsch- en Buitenlandsch Bijbelgenootschap
het voorstel deed, dat de vertaling van den Bijbel in het
Kaffersch zou herzien worden door een Commissie, bestaande
uit een gecommitteerde van ieder der zeven Kerken of Zen-
dinggenootschappen \') in Kafferland werkzaam. Dit denk-
beeld vond warme ondersteuning bij de Zendelingen; ge-
committeerden werden benoemd, onder welken Tiyo Soga, die
door de Zendelingen der Ver. Presb. Kerk in Kafferland
werd aangewezen als „de meest geschikte in ieder opzicht
om als vertegenwoordiger van hun Kerk aan het hoogst ge-
wichtig werk deel te nemen." Thausgaf de Zendingcommissie
volgaarne toestemming, dat Tiyo zich aan taalkundigen ar-
beid wijden zou.
Tiyo Soga aanvaardde zijn taak met groote opgewektheid,
en gevoelde zich hoog bevoorrecht, aan zoo veel omvattenden
arbeid deel te mogen nemen. Den 6den April 1869 werd een
begin gemaakt met de revisie van het Evangelie van Mattheus.
Als Grieksche tekst werd de Elzevier-editie van Mill ge-
bruikt, vooral ook omdat de reviseurs zich zoo nauw mo-
gelijk aan de Engelsche vertaling wilden houden. De herziene
editie moest uitmunten, zoowel door getrouwe overzetting
als door zuiver, idiomatisch Kaffersch, en daar de regels
\') De Commissie van Revisie voor de overzetting van den Bijbel in het
Kaffersch, bestond uit een gecommitteerde der Vereen. Presb. Kerk, Tiyo
Soga, der Vrge Kerk van Schotland, der Episcopaalsche Kerk, der Broe-
dergemeente; van het Lnthersche en van het Londensche Zendingge-
aootschap, en der Wesleyanen.
-ocr page 222-
208
voor het wedergeven van de verschillende beteekenissen van
dezelfde woorden in de Kaffertaai nog moesten bepaald wor-
den, vorderde men in het begin slechts langzaam. Tiyo vond,
dat het gemakkelijker was, het Grieksch in zuiver idio-
matisch Kaffersch over te zetten, dan uit het Engelsch te verta-
len, daar de woordvorming der Kaffertaai veel meer overeen-
komst heeft met het Grieksch dan met het Engelsch. Onder de
broederen van de verschillende Kerken en Zendinggenootschap-
pen in dit werk bezig, heerschte van den aanvang de beste
verstandhouding, bepaaldelijk ook waar het aankwam op het
bepalen der beteekenis van het een of ander moeielijk woord
in de Kaffertaai. Van de zeven reviseurs waren twee, behalve
Tiyo Soga, in Kafferland geboren, en aan Tiyo, en een van
deze beide anderen, Bryce Ross, toen reeds een erkende
autoriteit op het gebied der Kaffertaai, werd de eindbeslis-
sing overgelaten bij verschil van gevoelen over de beteekenis
van een woord of idioom in die taal.
„Wij hebben vast besloten", schreef Tiyo, „geen enkel
woord in deze vertaling toe te laten, dat niet zuiver Kaf-
ersch is.... Ik heb geen vertrouwen in de overzetting (van
den Bijbel) in een vreemde taal door iemand, die de taal,
waarin hij overbrengt, geleerd heeft na zijn 17de jaar. Er
zijn zeker mannen van groote bekwaamheden, doch wie kan
zulk een kennis verkrijgen van een vreemde taal, die hij na
zijn 17de jaar geleerd heeft, dat hij er meer van weten zal
dan een inboorling. Ik ben op 15-jarigen leeftijd met de
studie der Engelsche taal begonnen, en zou ik mij nu mis-
schien meer bevoegd verklaren om den Bijbel in zuiver idio-
matisch Engelsch over te zetten dan een geboren taalgeleerde,
in Engeland geboren en opgevoed, dan zou men mij een
dwaas noemen, en terecht." Zoo ook, en met meer grond,
-ocr page 223-
209
meende hij, konden zij, die in Kafferland geboren en opge-
groeid waren, en daarbij een degelijke, taalkundige op-
voeding hadden genoten beter over een vertaling des Bijbels
in de Kaffertaai oordeelen dan Broederen, die, hoe geleerd
ook overigens, niet van hun jeugd aan in die taal hadden
gedacht en gesproken. Tiyo dacht zeer hoog van het Kaffersch
en was in die taal purist.
Ieder reviseur bewerkte thuis het hem aangewezen deel
der overzetting van den Bijbel, waarna allen te zamen
kwamen en ieders arbeid aan de strengst mogelijke kritiek
onderworpen werd. Zoo ging het werk voorspoedig en met
goede hope op gunstigen uitslag voort. In 18 maanden was
de herziening der vier Evangeliën voltooid, en reeds in Maart
1871 werd de herziening van de Handelingen der Apostelen
ter hand genomen. Opmerkelijk is het, dat toen de herziening
van het N. Testament voltooid was, en vóór die van het O. Tes-
tament begonnen kon worden, nog maar slechts twee van
de zeven Broederen, die het werk zoo vol moeds hadden
aangevangen, in leven waren. Tiyo Soga zelf was in de ruste
ingegaan vóór de revisie van het Boek der Handelingen voor
de pers gereed was.
XVIII.
EEN NIEUW ARBEIDSVELD.
Aan het besluit der Conferentie van de Zendelingen der
Vereenigde Presbyteriaansche Kerk en van de Vrije Schot-
sche Kerk in Kafferland om, eenmaal in de drie maanden,
twee hunner naar Kreli-land te zenden om onder de Gale-
14
-ocr page 224-
210
ka\'s te arbeiden totdat daar een vaste Zending zou zijn ge-
vestigd, werd twee jaren lang, en met zegen, gevolg gegeven.
Tegelijkertijd werden krachtige pogingen aangewend bij de
Zendingcommissie der Ver. Presb. Kerk om het werk in
Kreli-land te aanvaarden, doch zonder gunstigen uitslag. Ein-
delijk werd Kreli ongeduldig, en liet hij den Zendelingen
weten, dat „zoo de Ver. Presbyteriaansche Kerk geen Zending
in zijn land konde of wilde vestigen hij zich tot een andere
Kerk (of Zendinggenootschap) om een Zendeling zou wen-
den." Kkeli wilde slechts Zendelingen van ééne Kerk in zjjn
land toelaten, zoodat indien de Episcopalen, de Luther-
schen of de Wesleyanen zich in zijn land zouden vestigen,
de Presbyterianen, die de Zending hadden aangevangen en
die reeds tal van kleine gemeenten in het land hadden, zou-
den worden buitengesloten. Dit mocht niet, en ook Kreli
wenschte zulks niet. Doch zoo de Presbyteriaansche Kerk
niet zorgde, dat het arbeidsveld door een of meer harer Zen-
delingen werd ingenomen, dan zou Kreli wel gedwongen wor-
den, zich tot een andere Kerk te wenden, die meer geneigd
of beter in staat was, om den arbeid te aanvaarden, dan,
voor het oogenblik althans, de Ver. Presbyteriaansche Kerk.
En in belang van de Zending in Kreli-land èn om te
voorkomen dat de vrucht van veel arbeids voor de Presbyt.
Kerk verloren zou gaan, werd nu door de Conferentie van Zen-
delingen besloten, om, in afwachting van hetgeen later door
de Zendingcommissie in Schotland mocht worden gedaan, ter-
stond een statie te stichten in Kreli-land. Twee Zendelingen
zouden, gedurende drie maanden, op die statie en verder in
Kreli-land arbeiden, en dan door twee andere Zendelingen —
steeds een van de Vrije Schotsche Kerk en een der Ver-
-ocr page 225-
211
eenigde Presbyt. Kerk, worden afgelost. Vervolgens werden
Tiyo Soga en Ds. Govan, Tiyo\'s ouden leermeester, benoemd
om de statie te stichten. „Ik heb de benoeming met vree-
zen en beven aangenomen," schreef Tiyo Soga, „doch tegelijk
zeer dankbaar, dat ik met zulk een Zendeling als Ds. Govan
in dezen arbeid mocht gaan. Zij des Heeren zegen met ons,
waar wij zullen arbeiden onder de heidenen in wier midden
Satan zijn zetel gevestigd heeft."
Door de Conferentie was bepaald, dat de BB. Govan en
Tiyo Soga op hun reize naar Kreli-land vergezeld zouden
worden door zoovelen van de andere Zendelingen als daartoe,
gedurende eenige dagen, hunne staties konden verlaten. Dit
werd noodig geoordeeld om Kreli te doen verstaan, dat het
den Zendelingen ernst was met deze Zending, en voorts
ook om den BB. Govan en Tiyo Soga de handen te sterken,
in de eerste dagen hunner vestiging in een vreemd land.
Door bijzondere omstandigheden konden echter slechts twee
Zendelingen, Richabd Ross, van Lovedale, en James Davidson,
die aan de Mqwali zou arbeiden, de Broederen vergezellen,
behalve nog eenige Kaffer-Ouderlingen van Tiyo\'s statie.
Daar Tiyo Soga nu minstens drie maanden van huis zou
zijn en hij, wegens den zwakken staat zijner gezondheid,
bijzondere verzorging behoefde, besloot zijne echtgenoote met
hem te gaan. Op de nieuwe statie zouden drie hutten ge-
bouwd worden, een voor ieder der beide Zendelingen als wo-
ning, en een om te dienen als kerk en schoolgebouw. Wel
wist de trouwe vrouw welke ontberingen zij zich zou moe-
ten getroosten, in de haar geheel vreemde landstreek en onder
een haar vreemd volk, doch liefde tot haar man en tot het
werk des Heeren deed haar, die reeds door lijden beproefd
-ocr page 226-
212
was, over alle bezwaren van de reize en de nederzetting on-
der de Galeka\'s heenstappen, zoodat zij haar echtgenoot blij-
moedig volgde.
Van zijne vrouw en de twee jongste kinderen vergezeld
ging Tiyo Soga nu, den 10den April 1867, per ossenwagen op
reis, terwijl de andere Zendelingen te paard volgden. Om-
trent deze reize naar, en de eerste nederzetting in Kreli-
land schreef Tiïo o. m.: „Zondag den 14den April hebben
wij te Tsoma, aan de Tyinira, waar een groot aantal lieden
wonen, die vroeger tot onze staties behoorden, doorgebracht.
Br. Ross en ik hebben op verscheidene plaatsen godsdienst-
oefening gehouden, terwijl Brs. Govan en Davidson den dienst
vervulden in de kraal, waar wij tijdelijk ons verblijf geves-
tigd hadden. Ik trof hier eenige lieden aan van de Mgwali,
die de statie verlaten hadden zonder eenige belijdenis te
hebben gedaan van het Christendom, doch die nu zoekende
waren. Ik vreesde indertijd, dat zij ons verlieten om vrij
van de Christelijke tucht, die op de statie werd uitgeoefend,
in de zonde te kunnen voortleven. Doch nu bleek het, dat
het zaad daar gezaaid, in de woestijn was opgeschoten en
vrucht begon te dragen tot de eere Gods. Waarlijk de goede
Herder weet wanneer en hoe Hij „de andere schapen" in
de schaapskooi heeft te brengen, soms juist wanneer de on-
derherders meenen, dat deze door den wolf en den leeuw zul-
len verslonden worden. Ik moest de wijsheid en voorzienig-
heid Gods aanbidden, dat Hij van ons volk naar het Fingo-
gedeelte van het land over de Kei-rivier geleid heeft. Daar-
door is ons de weg bereid. Toen deze lieden onze staties
verlieten meenden wij, dat daardoor groot verlies aan onze
Kerken werd toegebracht. Doch nu verstaan wij dat iedere
hut van deze lieden, die over geheel het land verspreid
-ocr page 227-
213
wonen, een aanrakingspunt voor den reizenden Zendeling zou
worden, en een rustplaats, waar de beker koud waters in
den naam van een discipel gegeven wordt. Al reizende, doen
wij onderzoek waar die en die onzer lieden wonen, en als
wij hen dan bezoeken worden wij met liefde overladen. De
liefde, waarmede men verbonden wordt aan hen, die hetzelfde
geloof belijden, is toch geheel anders dan die van de zelf-
zuchtige wereld.
„Toen wij in Kreli-land waren aangekomen werd ons te
verstaan gegeven dat, schoon bij ons vorig bezoek ons de
keuze gelaten was tusschen twee plaatsen, waar wij onze
statie konden vestigen, het Opperhoofd en zijne raadslieden
daartoe later de Tutuka hadden aangewezen. De plaats is,
naar wij vernemen, zeer geschikt voor een statie, doch al
ware dit ook anders, wij hebben ons bij het besluit van
Kkeli en zijn raadslieden eenvoudig neer te leggen.
„Den 19den April hadden wij een Conferentie met het Op-
perhoofd en de raadslieden, bij den Britschen Resident. Ds.
Govan, als de oudste Zendeling, leidde het doel van onze
komst in het land bloot: „dat wij het Woord van God
wenschten te verkondigen in de Kaffer taal, maar ookon-
derwijs zouden geveu in het Engelsch, en, zoo Kbeli en zijn
raadslieden zulks wenschten, het volk ook ambachten zou-
den leeren. Doch dat ons groote doel was om het Woord
Gods te prediken tot hunne zaligheid, en daartoe zouden wij
ook trachten, belijders uit hun midden op te leiden tot den
dienst des Woords." Br. Govan drukte er verder zeer bijzon-
der op, dat de lieden vrijheid moesten hebben om „het Evangelie
aan te nemen", en wanneer zij dan noodwendig braken met
zekere Kaffer-gewoonten, deswegens nimmer door het Opper-
hoofd mochten vervolgd worden. De Christen-Kaffers daar-
-ocr page 228-
214
entegen zouden hun opperhoofd, in alle dingen die recht en
naar wet waren, als te voren hebben te gehoorzamen. Voorts,
dat wij niemand zonder toestemming van het Opperhoofd
in het land zouden brengen, en geen het minste recht zou-
den doen gelden over grond, behalve over het terrein, dat
aan de Zendelingen en onderwijzers zou worden afgestaan
voor eigen gebruik.
„Het was noodig, deze dingen zoo duidelijk mogelijk uit-
een te zetten, daar Keeli zijn autoriteit ten strengste hand-
haaft, en de kwestie van landbezit voor hem een levens-
kwestie is. Temeer daar reeds twee derde van zijn vroeger
grondgebied hem ontnomen en aan de Fingo\'s en Tamboe-
kies gegeven is.
„Keeli antwoordde „dat de Zendelingen altijd zoo spraken
wanneer zij zich in een land en onder een volk wilden ves-
tigen, doch dat er, na verloop van tijd, gewoonlijk een breuke
ontstond tusschen het volk, dat de Zendelingen aanhing, en
hun Opperhoofd, waarvan het eind gewoonlijk was dat deze
zoowel zijn macht als zijn land verloor." Deze bewering werd
door hem met voorbeelden gestaafd. Wij antwoordden, dat
wij niet verantwoordelijk gesteld konden worden voor het-
geen anderen gedaan hadden. Na nog eenige vriendelijke
samenspreking werden wij, in welgekozen woorden, formeel
door het raadslid Maki verwelkomd, en werd ons een plaats
voor de te stichten statie aangewezen aan de Tutuka, waar-
heen wij nog dienzelfden dag afreisden."
De beide Zendelingen bleven aan de Tutuka tot aan het
einde van Juni. Zij predikten het Evangelie op de statie,
bezochten de omliggende kraaien, en trachtten dus, onder veel
gebeds en in trouwen dienst, den grond te leggen voor een
-ocr page 229-
215
duurzame Zending in Kreli-land. De volgende uittreksels
uit Tiyo Soga\'s dagboek om dezen tijd zijn zeer belangrijk:
„Dag des Heeren, 21 April. Deze eersteSabbathin ons
nieuw arbeidsveld was, voor zoo ver het uitwendige betreft,
niet zeer aantrekkelijk. De lieden van de kraal, waar wij
onze tijdelijke verblijfplaats hebben, schijnen huiverig om
zich met ons in te laten; zij zijn er blijkbaar niet op gesteld,
dat wij ons hier hebben neergezet. Doch dit was te ver-
wachten. Welk belang zouden zij ook in ons en de bood-
schap, die wij brengen, kunnen stellen zoolang zij niet beter
ingelicht zijn? Ik vertrouw, dat dit spoedig het geval zal
zjjn. Het eerste werk van een Zendeling als hij zich onder
een volk nederzet, dat nog niet met het Evangelie in aanra-
king gekomen is, moet zijn om vertrouwen te winnen.
„Wij hebben de lieden, die in de naburige kraaien wonen
laten uitnoodigen, tot onze godsdienstoefeningen te komen,
doch vooralsnog met weinig gevolg. Het blijkt, dat velen
hunner in den hongersnood, die gevolgd is op de roekelooze
slachting van het vee, vóór den jongsten oorlog, een toevluchts-
oord gevonden hebben op de St. Markus-Zendingstatie, van
de Episcopalen, en dat zij daar, in plaats van voor hetEvan-
gelie gewonnen te worden, een diepen haat tegen het Woord
en vooral tegen den Sabbath hebben ingezogen. Zij verklaren
openlijk, dat „het Woord en de Rustdag hen weer van St. Mar-
kus hebben doen vertrekken; dat zij naar hun eigen land zijn
teruggekeerd om rust en vrede te hebben; en dat zij het een
ongeluk noemen overal met het Woord achtervolgd te wor-
den." Wel een bewijs van de natuurlijke goddeloosheid
des harten om het zoete bitter te noemen, en de rijkste
aller zegeningen een vloek te achten. Doch wjj houden ons
-ocr page 230-
216
verzekerd, dat de lieden, die nu zoo met minachting van het
Evangelie spreken, eerlang wel tot andere inzichten zullen
komen. Dezen rustdag echter zijn zij niet tot de godsdienst-
oefening gekomen maar, spottende, naar een andere kraal,
een half uur verder, gegaan om te dansen op een huwe-
lijksfeest.
„Dag des Heeren, 28 April. Ik hen heden morgen vroeg
uitgegaan naar de omringende kraaien om de menschen uit
te noodigen, tot onze godsdienstoefening te komen, doch
zonder veel gevolg. Een opperhoofd echter, Madikana ge-
naamd, was vriendelijk gezind en volgde mij met een zijner
bedienden naar de Tutuka. Er waren zeventien Kaffers tegen-
woordig bij de godsdienstoefening; de dienst werd vervuld
door Ds. Govan en mijzelven.
„5 Mei. Ik ben heden naar de Zendingstatie der Vrije
Schotsche Kerk aan de Toleni geweest, en heb daar het
Evangelie gepredikt. De wijde hut Avas gevuld met een aan-
dachtig gehoor, meest Fingo\'s uit de omliggende kraaien. Ik
predikte over: „Een zoon eert zijn vader, een dienstknecht
zijn heer." \'s Namiddags hield ik een samenkomst in de open
lucht met de Christenen uit het Toleni district. Het trof mij,
dat men met zoo geheel andere gewaarwordingen een gehoor
van Christenen toespreekt dan van heidenen. In het eerste geval
kan men spreken uit het Christelijk leven en over Christelijke
ondervindingen, wat voor een gehoor van Heidenen geheel
onverstaanbaar zou zijn. De Zendeling moet wél weten hoe
zich in de wijze van prediken te schikken naar zijn gehoor.
Nu eens moet hij trachten tot overtuiging te brengen dat
de leer des Bijbels de eenige ware leer is; dan weer moet
hij de zielen uit valsche gerustheid doen opschrikken; en
nog weer op andere tijden, moet hij met zorge onderrichten
-ocr page 231-
217
in de diepere waarheid. Het was mij een groote verkwikking
om deze Christenen te mogen toespreken. Zij zongen de lie-
deren Zions blijkbaar niet slechts met de lippen maar met
het hart. Wanneer de heidensche Galekas zulke liederen hoo-
ren staren zij ons en elkander verbluft aan.
„7 Mei. Wij hebben in deze week de handen vol gehad
met het bouwen onzer hutten. Br. Govan houdt de beurs en
koopt de benoodigde bouwstoffen nl. riet, dekgras, palen, touw
van gras gedraaid enz., en ik ben bouwmeester. De Kaffers,
vooral de Kaffervrouwen, brengen ons zonder moeite de bouw-
stoffen aan.
Br. Govan moest erkennen, dat hij nooit te voren door zoo
vele „dames" bediend is geworden als tegenwoordig, terwijl
deze verklaren nooit iemand gezien te hebben die over zoo-
veel klein zilvergeld te beschikken heeft als hij. Zij kunnen
niet begrijpen hoe hij aan zooveel geld komt. Een vrouw
kwam, blijkbaar in groote opgewondenheid tot mij, in de
eene hand een nieuwe sixpence (schelling) houdende en in de
andere een oude. „Beide konden toch niet dezelfde waarde
hebben" meende zij, „want op de eene stonden dingen ge-
merkt en op de andere niet. De blanke man, (Ds. Govan)
had haar beetgenomen." Ik trachtte haar de zaak duidelijk te
maken, doch eerst toen eenige Kaffers, die in de kaapkolonie
gewerkt hadden en met Engelsch geld goed bekend waren,
haar hartelijk hadden uitgelachen, begreep zij dat alles in
orde was.
„Dag des Heeren, 19 Mei. Heden voor het eerst, sinds
onze aankomst in het land, ben ik naar de kraal van het
Opperhoofd geweest om te trachten het Evangelie te predi-
ken. De plaats is bijna twee uren gaans verwijderd van de
Tutuka. Ik wil gaarne erkennen, dat ik mij nog al bezwaard
-ocr page 232-
218
gevoelde, daar ik nimmer te voren, ambtshalve was opgetreden
voor een vergadering van trotsche raadslieden van het groot
Opperhoofd om te prediken. Ik had echter besloten, recht
op het doel af te gaan, en het Opperhoofd mede te deelen
dat ik gekomen was om Godsdienstoefening te houden in
de koninklijke kraal.
„Toen ik kwam, zat Kreli een weinig verwijderd van den
grooten kring van raadslieden. Ik groette hem naar de ge-
woonte van ons volk, bezorgde mijn paard, en zat vervolgens
neder zonder een woord te spreken. Na verloop van vijf
minuten werd mij een bode gezonden om te vernemen wat
ik begeerde? „Het Evangelie prediken," was mijn antwoord.
Terstond nu was men bereid om mij daartoe in de gelegen-
heid te stellen. Daar het nogal waaide, werd mij voorgesteld
om in een hut samen te komen, waartegen ik natuurlijk geen
bezwaar had. Het Opperhoofd beval aan een jongen broeder
van hem, die naast hem zat om, persoonlijk, de lieden van
de kraal bij elkander te roepen. Daar onder zulke omstan-
digheden het woord van het Opperhoofd wet is, kwamen er
zoovelen, dat de hut tot stikkens toe gevuld werd, en ik be-
paald verbieden moest, dat nog iemand zou worden toege-
laten. Kreli luisterde zeer aandachtig, en scheen van tijd tot
tijd als in gedachten verdiept. Ik heb dikwijls opgemerkt,
dat Kaffers, die veel te doen hebben met publieke zaken,
bijv. om rechtsuitspraak te doen of politieke kwesties te
behandelen, het best onthouden wat zij in de prediking hoo-
ren. Indien men woorden van goeden zin tot zulke mannen
spreekt, kan men er zich van verzekerd houden, dat zij u
met aandacht volgen, en het woord verstaan al verwerpen zij
ook uw boodschap.
„Ik werd niet slechts persoonlijk zeer hartelijk ontvangen,
-ocr page 233-
219
maar mij werd gezegd, dat de Zendelingen, zoo veel moge-
lijk, iederen sabbath moesten komen prediken in de groote
kraal. Nimmer heb ik mij zoo dankbaar gevoeld aan den
Heere voor de uitkomst van een dag vol zorge begonnen.
Het ijs is nu gebroken. Mij werd ook gezegd, dat daar het
gebeuren kon, dat een bruiloftsdans bepaald was, juist als
wij zouden komen prediken, en het niet ging om de lieden
in zulke ceremonieele handelingen te hinderen, wij altijd des
Zaterdags moesten laten weten of wij den volgenden dag
zouden komen prediken."
Naarmate de Zendelingen beter bekend werden met het
arbeidsveld, dat hen in Kreli-land geopend was, werd het
hun duidelijker, dat de eerste Zendeling, die zich hier voor
goed zou vestigen, een man van rijke ondervinding in de
Kaffer-Zending zijn moest. Iemand geheel vertrouwd met de
zeden en gewoonten der Kaffers, opdat hij dezen in zijn ver-
keer met hen, niet uit onwetendheid aanstoot zou geven, en
die vooral ook der tale volkomen machtig zou zijn. Daaren-
boven had Kkkli reeds duidelijk te kennen gegeven, dat hij
geen Zendeling wilde hebben, die hem geheel onbekend was;
het moest iemand zijn in wien hij vertrouwen stelde. En als
met den vinger werd Tiyo Soga door hem aangewezen als
de gewenschte man.
Toen de Conferentie van Zendelingen nu, 4 Juli 1867, weer
te King-Williamstown bijeen kwam en de BB. nauwkeurig
kennis hadden genomen van den staat van zaken, kwamen
\'4J tot het eenparig besluit, dat, zonder uitstel, een Zende-
ling gevestigd moest worden aan de Tutuka, en dat Tiyo
Soga, als de aangewezen man voor het werk, verzocht zou
worden, eene benoeming als Zendeling aldaar aan te nemen.
-ocr page 234-
220
Tito Soga gevoelde zich diep getroflen door dit bewijs
van vertrouwen, dat zijne medebroeders, waaronder zijne
vroegere leermeesters, thans mannen vergrijsd in den dienst,
in hem stelden. Hij beschouwd de roepstem van Kreli,
het groot Opperhoofd, en van de Zendelingen met wie
hij arbeidde als een roepstem van zijn Heer en Meester,
Jezus Christus. Hij was terstond bereid, met vrouw en kin-
deren, zijne thans wel ingerichte statie te verlaten, en weer
van voren aan de stichting eener nieuwe statie, met al de
ongemakken daaraan voor een Zendeling met een huisge-
zin verbonden, te ondernemen. Zijn grootste bezwaar echter
was de staat zijner gezondheid. „Ik heb reeds sedert lang,"
schreef hij, „niet veel meer gelet op de lichtzijde des levens,
noch kan ik verwachten lang te zullen leven. Gedurende
mijne laatste krankheid was het mijn groote troost niets
te willen wat de Heere niet wilde, zij het nog blijven
leven of heengaan. Tegenwoordig ben ik nog al welvarende.
Kan ik dus van eenigen dienst zijn om het Evangelie te
brengen aan mijne landslieden over de Kei, en den weg te
banen voor andere Zendelingen om daar te arbeiden, dan
ben ik bereid, schoon mijne dagen geteld mogen zijn. Wat
opofferingen betreft, daarvan valt niet te spreken, vooral
waar ik gevraagd word om naar Kreli-land te gaan door
mannen, die zoowel meer voor mij en voor mijn volk heb-
ben opgeofferd. Ook ga ik niet naar een vreemd volk; Kreli
is zoowel het Groot Opperhoofd der Gaika\'s als der Galeka\'s.
Sandilli (het hoofd der Gaika\'s) heeft recht op mij als mijn
Opperhoofd, doch Kreli als Groot Opperhoofd heeft meer
aanspraak op mijn dienst. Ik ben bereid om te gaan zoo de
Zendingcommissie haar toestemming geeft, en nadat mijne lie-
den aan de Mqwali én het Opperhoofd Sandilli behoorlijk met
-ocr page 235-
221
mijn verplaatsing naar de Tutuka in kennis gesteld worden.
En verder in de verwachting, dat mij de mogelijke hulpe
verleend worde om het werk over de Kei behoorlijk te kun-
nen aanvangen."
Tiyo\'s bereidwilligheid om zich in Kreli-land te gaan ves-
tigen, was wel een bewijs hoe de genade Gods hem tot
groote opofferingen bekwaamde. Hij had de verstrooide ge-
meente aan de Mqwali, onder veel zorge, bijeengebracht
en opgebouwd. Hij had daar onder buitengewone moeielijk-
heden een kerk gebouwd, binnen welks muren thans een
aanzienlijke gemeente uit de Kaffers en ook van Engelschen
vergaderde. De gemeente breidde zich geregeld uit en wies op
in kennis en in de genade. De scholen bloeiden, en muien
ver in het rond kon hij het Woord prediken aan de heide-
nen. Ook had hij een kring van blanken om zich heen,
waaronder de opper-magistraat Chas. Bkownlek en diens huis-
gezin, met wie hij op gelijken voet omging, wier vriendschap
hij zeer waardeerde, en die hem met liefde en achting be-
handelden. Lang had hij gewoond in een vochtig, ongerie-
felijk huisje, met een dak zoo laag, dat hij kwalijk rechtop
in zijn huiskamer kon staan, doch nu bewoonde hij een
goede pastorie. Op de statie heerschten orde, vrede en
uitwendigen voorspoed. In een woord, alles moest hem
dringen om te blijven en de vrucht van zijn arbeid te ge-
nieten, vooral ook daar zijn zwakke gezondheid hem ieder
uur herinnerde, dat zijne dagen geteld waren. Ook had hij
rekening te houden met zijne vrouw, die zich reeds bij de ves-
tiging der statie aan de Mqwali, zoovele opofferingen getroost
had, en wie het gemis van een goede woning en de omgang met
blanken thans dubbel zwaar moest vallen. Doch Tiyo Soga
-ocr page 236-
222
hoorde de roepstem van den Meester en was bereid dien te
volgen. Blijmoedig zou hij zijn fraaie woning verwisselen voor
een Kafferhut, zijn welaangelegde statie voor een onbebouwde
plaats in het open veld, en zich onder een volk vestigen, dat
het Evangelie nog niet had en ook niet begeerde. En zijne
vrouw, trouwe hulpe, die zij hem was, dacht aan niets minder
dan hem moeielijkheden in den weg te leggen, waar hij zich
geroepen gevoelde, opofferingen te maken in den dienst des
Evangelies. Zij was bereid te volgen, waar hij henen trok.
De Zendingcommissie in Schotland gaf de noodige toe-
stemming tot Tiyo\'s verplaatsing van de Mqwali naar de
Tutuka, waarop, 10 Augustus 1867, ten huize van den Gaika-
Commissaris Beownlee, door de BB. Govan en Chalmers,
officieel, aan het opperhoofd Sandilli en diens raadslieden
kennis gegeven werd van het aanstaand vertrek van den
Zendeling. Sandilli gaf zijn leedwezen te kennen dat hij Tiyo
Soga zou moeten missen, hetgeen aan den heer Beownlee eene
gewenschte gelegenheid gaf om hem te herinneren aan de
onverschilligheid, waarmee hij den Zendeling behandeld had,
daar hij nooit ter kerk kwam, en de Zending meer tegen-
werkte dan bevorderde.
Sandilli luisterde naar deze vermaningen oogenschijnlijk
zeer zachtmoedig, doch zonder er zich in waarheid eenigszins
aan te storen. Hij was verslaafd aan den drank en werd be-
heerscht door zijne vrouwen, en vond het eigenlijk erg
lastig, om zoo onder het oog van een Zendeling te moeten
verkeeren. Na Tiyo\'s vertrek van de Mqwali werd Sandilli
nog onverschilliger dan vroeger omtrent geestelijke zaken,
en ten slotte is hij, in een oorlog tegen de Engelschen,
ellendig omgekomen.
-ocr page 237-
223
Evenals aan het Opperhoofd, werd door de BB. Govan en
Williams aan Tiyo\'s kerkeraad en gemeente officieel kennis
gegeven van de aanstaande verplaatsing van den Zendeling,
die, naar goede orde, van zijne betrekking op de gemeente
aldaar moest worden „losgemaakt." Tiyo Soga was nu elf
jaar aan de Mqvvali werkzaam geweest, en het viel hem zwaar,
de gemeente te verlaten, die hij onder veel gebeds had mo-
gen vergaderen en opbouwen. Hij nam afscheid van haar
op den eersten Zondag in Juni 1868, met eene roerende
rede naar aanleiding van Hebr. X: 23, 36, 39. Weinig min-
der zwaar viel hem het afscheid van zijne Engelsche gemeente,
die geregeld in het kerkgebouw aan de Mqvvali tot den
openbaren dienst van God, week aan week, was saamgekomen,
en aan haar herder en leeraar uit de Kaffers in teedere liefde
verknocht was. Van haar nam Tiyo afscheid met de woor-
den Psalm 122 :6—9 en zeide toen o. m.
„De redenen, die mij bewogen hebben, de statie te verlaten zyn u wei-
bekend. Ik ben tot dezen stap niet gekomen dan na rijp overleg, en om
de zaak van het Evangelie. Anders zou niets ter wereld mij hebbon
kunnen bewegen van hier te gaan. Hier is de plaats waar ik het eerst
geleid ben tot de begeerte om te arbeiden in den wijngaard des Heeren;
de plaats ook van mijne vreezen, mijne verwachtingen, mijne zorgen en
mijner gebeden. Nimmer kan ik eenig ander gevoel voor deze plaats koes-
teren, dan uitgedrukt is in de woorden van den Psalmist: „Vrede zij
in uwe vesting... Om mijner broederen wil zal ik nu s p r e-
ken, vrede zy in u."
„Ik ga nu naar een plaats waar het volk woont in stikdonkere duister-
nis. Het heidendom heerscht daar inet macht. Eenmaal was dit ook hier,
onder mijn eigen volk, het geval, totdat de mannen, die thans mij vragen,
om het Evangelie aan de heidenen van een anderen stam te brengen,
gekomen zijn met het zalig Evangelie van den gezegenden God. Het
zal mijn nederig pogen zijn daar, in Galeka-land, te doen gelijk zij hier
gedaan hebben.
„Onder een diep gevoel van mijne tekortkomingen, heb ik, gedurende de
laatste tien jaren, getracht bij u, myne Europeesche vrienden, eenigszins
-ocr page 238-
224
de plaats te vervullen van herder en leeraar. Ik heb u het Woord van God,
den eenigen regel van geloof en leven, uitgelegd. Ik heb tot u gesproken
van Jezus, onzen gezegenden Heer en Zaligmaker, gelijk Hij zich in Zijn
Woord geopenbaard heeft, en ik Hem ook ondervindelijk mocht leeren ken-
non. Ik heb getracht uwe gedachten te bepalen bij het huis niet met
handen gemaakt dat den geloovigen wacht. Ik heb u de sacramenten
bediend. In hoeverre mijn geringe dienst onder u gezegend is geweest
kan ik niet bepalen. Doch dit is zeker, zult gij de eeuwige zaligheid be-
ërven, dan moet gij in den voorgestelden weg bidden, leven, arbeiden.
„Ik begeer mij en de mijnen voortdurend aan te bevelen in uwe gebe-
den en vriendschap. Och, of ik bij mijn vertrek van de Mqwali zulk een
kring van Christen-vrienden met mij kon nemen 1 Weinige Zendelingen
hebben, gelijk ik, het voorrecht gehad, in de onmiddellijke nabijheid van
hun statie zoovele Christen-huisgezinnen en vrienden te hebben, Met
sommigen uwer heb ik nu tien jaren lang op zeer broederlijke wijze om-
gang gehad, en nimmer is de goede verstandhouding tusschen ons ver-
broken geworden. Dit zegt veel voor uwe Christelijke verdraagzaamheid.
Ontvangt mijn dank voor alles wat gij voor mij geweest zijt, — mijn in-
nigsten dank voor den steun, dien gij mij verleend hebt in mijn werk, en
voor de sympathie, die gij mij hebt getoond. En wilt dezelfde liefde en
toegenegenheid bewijzen aan hen, die hier mijne opvolgers zullen zijn.
„Andermaal bid ik voor dit huis Gods, en voor de Kerke Gods, die
binnen deze muren tot Zijn vereering zal te samen komen:" Vrede zij in
uwe vesting . .. Om des Heeren onzes Gods wil, zal ik het goede voor
u zoeken."
Hoe zeer de dienst van Tiyo Soga door de Engelsche leden
zijner gemeente op prijs gesteld was, mag o. a. blijken uit
het volgende schrijven, dat hem bij zijn vertrek werd over-
handigd:
„Wij de Oudergeteekenden, leden uwer Engelsche gemeente aan de
Mqwali, hebben behoefte, nu gij van hier vertrekt naar een ander arbeids-
veld, u te verzekeren van onze waardeering der bekwaamheid en onafge-
broken toewijding waarmede gij, nu bijna elf jaar lang, onder ons gearbeid
hebt. Diep gevoelen wij het verlies dat zoowel wij als de inboorlingen in
dit district door uw heengaan lijden. Wees verzekerd van onze hoogach-
ting voor uw persoon, voortspruitende uit onze bekendheid met uw open-
baar leven, en onze persoonlijke vriendschappelijken omgang met u; en
-ocr page 239-
225
van ons leedwezen dat wij het voorrecht zullen missen van verderen
omgang met u en uw huisgezin. Zij de Heere met u in uwen nieuwen en
hoogstgewichtigen werkkring, en moogt gij, steeds getrouw arbeidend in
den dienst van uw Meester, nog meer zegen op uw werk zien, dan tot
nu toe. En houd er u van verzekerd, dat wij uw verderen loopbaan met
belangstelling zullen volgen, en dat gij altijd rekenen kunt op onze har-
telijke belangstelling."
Dit getuigenis van Engelsche Christenen, die zich onder de
herderlijke zorg van den Kaffer-predikant gesteld hadden, en
in wier huizen deze niet slechts altijd als een welkome gast
maar ook, vooral in tijden van moeielijkheid, als een raadsman
en vriend, als een getrouw zielenherder ontvangen was, is
van groote waarde voor de juiste waardeering van Tiyo Soga\'s
karakter en leven. Zonder twijfel, hoe nauwer omgang men
met hem had en hoe beter men hem kende, des te meer
moest men hem liefhebben en hem ook om zijns werks wil
hoogachten.
XIX.
AAN DE TUTUKA.
De plaats voor een Zendingstatie in KKELi-land gekozen,
droeg onder de Kaffers den naam van „Tutuka", doch werd
door Tiyo Soga „Somerville" geheeten, naar zijn vriend, den
predikant dr. Somerville, die juist, na jarenlangen getrou-
wen arbeid, zijn betrekking van secretaris van het Zending-
Comité der Vereenigde Presbyteriaansche Kerk had neerge-
legd. „Het is mij een voorrecht," schreef Tiyo „door deze statie
naar dr. Somebville te noemen, eene blijvende uitdrukking te
is
-ocr page 240-
226
geven aan mijn diepgevoelde dankbaarheid voor de liefde, de
raadgevingen en de vaderlijke zorge door mg van zijnentwege
ondervonden gedurende al den tijd, dien ik onder zijn leiding
mocht arbeiden, en ook getuigenis af te leggen van zijn on-
vermoeide belangstelling in de zaak der Zending. De inboor-
lingen echter blijven de plaatsen, aan welke wij Engelsche
namen geven, bij den Kaffernaam noemen."
Al dadelijk bij zijne vestiging aan de Tutuka, in Juni 1868,
had Tiyo Soga met groote moeilijkheden te kampen. De plaats
was vrij hoog gelegen, en dus blootgesteld aan damp en mist.
Reeds om die reden was zij niet geschikt ter woning voor
iemand van zulk een tenger gestel als Tiyo had. Toen naar
een geschikte plaats voor eene statie werd uitgezien, was het
land door eene langdurige droogte bezocht geweest, en trok
het de aandacht, dat, terwijl mijlen in den omtrek alles dor
en verdroogd uitzag, de Tutuka op een tuin geleek. Dit was
te danken aan den zwaren dauw en aan de dampen, die van de
zee opstijgende, door de toppen der bergen werden opge-
vangen en als mist-regen op het lagere land neerdaalden.
In tijden van droogte was dit zeker een groot voorrecht, doch
anders was dit hooge land koud en nat in vergelijking met
de lager gelegen streken, bij name met het gedeelte, dat
Keeli eerst voor een Zendingstatie had bestemd. Hierbij
kwam nog dat Tiyo hier zijn geriefelijke woning aan de
Mqwali moest missen, en in een Kafferhut moest wonen, wat
hem, bij den zwakken staat zijner gezondheid, niet gemak-
kelijk viel.
De eerste maanden na zijn aankomst aan de Tutuka wer-
den voornamelijk doorgebracht met de statie eenigszins in
orde te brengen. Een zeer eenvoudige woning voor zn"n nu
-ocr page 241-
227
reeds talrijk huisgezin en een groote Kafferhut om voorloopig
dienst te doen als kerk- en schoolgebouw, werden opgetrokken.
Tegelijk bezocht hij de omliggende kraaien om de lieden te
bewegen, tot de godsdienstoefeningen te komen. Vele Kaffers,
thans aan de Tutuka woonachtig, hadden vroeger, vóór den
laatsten Kafferoorlog, op Zendingstaties gewoond, doch
zonder dat zij er geestelijk nut van hadden getrokken. Veel-
eer schenen zij met een bitteren haat tegen het Evangelie
vervuld te zijn, alsof de prediking des Woords hun een reuke
des doods ten doode geweest was. Zij wilden van „het ding",
zoo noemden zij het Woord, niet weten en waren woedend,
dat het hen achtervolgde. „Waren zij daarom zoo ver ge-
trokken," vroegen zij, „dat zij nu toch door het ,ding\' zou-
den geplaagd worden?" „Daar is geen geluid," zeide een Galeka
tot Tiro Soga, „dat zoo hatelijk is in mijne ooren als dat
van een kerkklok; het heeft mij in vorige dagen ziek ge-
maakt en ik hoopte het nooit weer te hooren." Die tegen-
stand moest allereerst worden overwonnen, en dit kon slechts,
in een middellijken weg, geschieden door trouw kraalbezoek,
eenvoudige prediking van het Woord, liefderijken omgang
met het verharde volk en reinen wandel. Gemakkelijk ging
het niet, want de Galeka\'s zijn een verhard volk, evenals
de hoogmoedige, eigengerechtige Gaika\'s. De laatsten zijn
nog schikkelijk in den omgang, en weten hun tegenstand
der waarheid ietwat te bedekken onder een vriendelijk uiter-
lijk; doch de Galeka is een barbaar, die rondweg uitkomt
voor zijn gevoelen, en er niet om geeft wat hij den prediker
van het Evangelie beleedigends toevoegt.
Tito liet zich niet afschrikken door de moeielijkheden op
zgn weg, maar onderwees, vermaande en redeneerde zoo be-
-ocr page 242-
228
daard en eenvoudig mogelijk, doch steeds met beslistheid
Christus, den Gekruiste, als den eenigen Zaligmaker van zon-
daren verkondigende. Hoe hij arbeidde en welke moeielijk-
heden hij te overwinnen had, blijkt eenigszins uit de volgende
aanhalingen uit zijn dagboek:
„Dag des Heeren, 20 Juni. Wanneer het weder zulks
toelaat, ga ik eiken Rustdag \'s morgens vroeg uit om te predi-
ken, in een of meer der ver verwijderde kraaien, doch ik zorg
om terug te zijn op de statie voor den middagdienst. Ik had
heden een bijzonder belangrijke samenkomst in Nejübo\'s kraal.
De lieden daar hebben een open oor en zijn van een onder-
zoekenden geest, geheel anders dan onze buren. Na de gods-
dienstoefening had ik een ernstige samenspreking met hen
over het onderwerp, „de smalle weg, die ten leven leidt,"
dat ik had behandeld. „Zij hadden nooit te voren gehoord,
dat er twee wegen waren, een smalle en een breede weg,
en hadden altijd gemeend dat het wel met hen stond". Een
man vroeg mij, nog weer de „kenteekenen aan te geven van
iemand, die op den smallen weg wandelt." Dit gaf mij aan-
leiding tot verdere uiteenzetting van de waarheid, die ik ge-
tracht had hun op het hart te binden."
5 November. Toen ik heden na de godsdienstoefening
in Tsazibana\'s kraal gereed stond om verder te gaan, kwam
een Kafiervrouw naar mij toe en zeide: „Vrede zij met u,
o dienstknecht Gods; word niet moede om tot ons te spre-
ken, al zijn wij dood om te hooren." Gekomen nabij de derde
kraal, waar ik zou prediken, haalde ik een man in, die den-
zelfden weg ging, en na mij gegroet te hebben mij vroeg
waar ik heen ging? Mijn antwoord was. „Naar ulieden."
„Naar ons; waartoe?"
-ocr page 243-
229
„Om mijn werk te doen".
„Waar komt gij vandaan?"
„Ik heb hun iets te zeggen omtreiit hun ziel."
„Hun ziel; wat scheelt hun ziel dan?"
„Hunne zielen zijn ziek."
„Wat", riep hij nu uit," hunne zielen ziek! wat zou dat?"
„Zij moeten gezond gemaakt worden."
Wij waren nu bij de kraal gekomen en hij gaf mij wat
melk, dien ik gebruikte en waarvoor ik hem hartelijk dankte.
Danken is anders geen gebruik onder Kaffers, doch ik deed
zulks thans met het bijzonder doel om bem te wijzen op de
dankbaarheid, die wij aan God verschuldigd zijn.
Na nog eenige samenspreking zeide de man eindelijk tot
mij: „Hoor eens: ik heb maar geveinsd alsof\' ik niet wist
waarom gij hier kwaamt en wat uwe bedoeling is. Ik weet
er alles van, want ik heb vroeger op een Zendingstatie ge-
woond. Doch ik zie geen goed in dat ding, dat gij tracht
onder ons ingang te doen vinden, en waartoe gij moedwillig
uwe krachten verspilt."
„9 November. Maynanda\'s kraal. Gevraagd zijnde Daar
het doel van mijn komst, gaf mij dit de gewenschte gelegen-
heid om den lieden het Evangelie te verkondigen. Wij
spraken eerst eenigen tijd over de alomtegenwoordigheid
Gods. Een man vroeg mij of ik de namen kende van de
bergkloven en van de dorpen in den omtrek? Antwoord:
neen. „Heeft God u die dan niet medegedeeld?" vroeg hjj
verder. „Neen." „Wel dat is vreemd," zeide mijn ondervrager
nu, „gij hebt ons daareven verteld dat God alle dingen weet,
en gij zegt een van zijn dienaren te zijn; waarom heeft Hg
u deze dingen dan niet bekend gemaakt?"
-ocr page 244-
230
Ik preekte vervolgens voor een groot gehoor over de
gelijkenis van den rijken man en Lazarus. Na het eindigen
van de toespraken ondervroeg dezelfde man mij weder:
„Waarom gaat gij rond om dat ding te verkondigen?"
„Opdat verlorenen behouden mogen worden en komen tot
de kennis der waarheid gelijk die in Christus Jezus is," ant-
woordde ik. Hij vroeg mij daarop „hoe het kwam dat de men-
schen den rechten weg verloren hadden?" en toen ik hem
nog eens bij de geschiedenis van \'smenschen val in het pa-
radijs bepaald had, vroeg hij mij „waar de duivel van
daan kwam?" Ik trachtte hem ook op deze vraag zoo dui-
delijk mogelijk te antwoorden. „Maar waar was God dan,"
vroeg hij verder, „toen de duivel kwam om Hem zijn volk
te ontstelen? Gij hebt gezegd dat God alle menschen ge-
schapen heeft; dat Hij alle dingen weet, zelfs de dingen die
ik met mijne handen doe en met mijne oogen zie. Waar was
Hjj dan heengegaan, toen wij, gelijk gij zegt, onze kennis
aan Hem verloren hebben, dat Hij niet gekomen is om ons
beter in te lichten? Waarom liet Hij den duivel toe om te
komen en ons te verderven, zonder iets te doen ten einde
dezen daarin te verhinderen?"
Het leven van een mensch werd in dezen tijd onder de Ga-
leka\'s als bijna niets geacht. Het geloof aan tooverij was alge-
meen en de tooverdokters versterkten het volk daarin, om het
van de kennis der waarheid terug te houden. Geen wilde
kalkoen kon zijn treurigen kreet laten hooren, geen hond kon
blaffen tegen de maan, geen os stierf aan de longziekte, geen
kind kon ziek worden, geen man sterven, of het heette, dat
er tooverij gepleegd was, en dat de een of ander boosaardige
het er op gezet had om het volk te verderven. Dit bijgeloof
-ocr page 245-
231
was een der grootste vijanden, waarmede Tiyo te kampen
had in zijn arbeid om de Galeka\'s tot de kennis der waar-
heid te brengen. En hoewel hij zorgvuldig alles vermeed wat
het volk onnoodig aanstoot zou geven, of zijn persoon in
verdenking brengen, volbracht hij toch getrouw zijn roeping als
Zendeling, om dezen heidenen niet slechts in het algemeen
het Evangelie te prediken, maar hun ook zeer bepaald de
nietigheid en de zonde van hun bijgeloof aan te toonen,
en hoe het volk door de tooverdokters misleid en in banden
gehouden werd. Een Kafler uit de Kaffers, en begiftigd in
hooge mate met de welsprekendheid zijn volk eigen, kon
Tiyo Soga ook in dit gewichtig deel van den Zendingsarbeid
gemakkelijker en doeltreffender het hart zijner hoorders tref-
fen en hen ten minste tot verstandelijke overtuiging bren-
gen, dan een Europeesch Zendeling zou vermogen. Zelfs de
weêrstrevige Galeka\'s moesten naar Tiyo\'s prediking hooren
of zij wilden of niet, zoo zij maar eenmaal onder het bereik
van zijn stem gekomen waren.
Omtrent het geloof in tooverij onder de Galeka\'s schrijft
Tiyo nog het volgende:
„2 October 1870. Er hebben weer ernstige gebeurte-
nissen plaats gevonden. Twee mannen zijn gedood op de
beschuldiging van de tooverdokters, dat zij Kkeli\'s vee be-
tooverd hebben met longziekte. Nog anderen worden genoemd,
die zich hieraan schuldig gemaakt zouden hebben, o. a.
Maki, een van Keeli\'s raadslieden. Ik gevoel mij zeer pijnlijk
getroffen. Dit land gaat te gronde door de schandelijke prak-
tijken der tooverdokters. Ieder jaar worden er geen klein
aantal lieden heimelijk ter dood gebracht, op aanwijzing der
dokters. Somtijds lekt dit uit, doch meestal wordt het strikt
-ocr page 246-
232
geheim gehouden. Nu vooral ook uit vreeze voor hen, die
deze moorden zouden trachten te verhinderen. Niemands leven
is hier een oogenblik veilig. De lieden zijn als schapen ter
slachting, en de slachter is de tooverdokter, die zijn slachtoffer
kan aanwijzen, naar zijn wil en wanneer hij wil.
„Maki kwam Zaterdag tot mij met de mededeeling, dat
al de raadslieden naar de Groote kraal moesten gaan om den
Koning hun leedgevoel te betuigen met het verlies, dat hij had
geleden aan vee door de longziekte. «Dan", zeide hij, „zal
gevraagd worden hoe men de toovenaars kan ontdekken, die
de oorzaak zijn van de sterfte onder het vee van Keeli, en
wat moet ik dan doen?" Ik antwoordde, dat ik verbaasd was
dat hij tot mij kwam met zulk eene vraag; doch nu hij mij
om raad vroeg kon ik hem slechts wijzen op Gods gebod:
gij zult niet doodslaan. Ik zeide hem weder, dat hij den
Koning, die toch niet te overtuigen zou zijn dat zijn vee
niet betooverd was geworden, moest aanraden, de quasi-toove-
naars uit het land te bannen, maar in geen geval te dooden.
„Later op den dag heb ik Maki bezocht in zijn eigen kraal.
Hij was zeer terneer geslagen en dacht er over om uit het
land te vluchten. Daar hij niet tot de oude, conservatieve
Kafïerpartij behoort, die eenvoudig zegt: „wat onze vaders
deden is best voor ons om na te volgen", maar tot de partij,
die naar verbetering van toestanden en ordelijke regeering
streeft, zoo zocht iedereen aan het hof, van den Koning tot
den mindere, zjjn val. Ik raadde hem aan, zoo spoedig moge-
lijk te vluchten. Zoowel hijzelf als zijne zonen en een aantal
van zijne volgelingen waren reeds aangewezen om met hun
leven te betalen voor het verlies, dat de Koning aan vee ge-
leden had.
-ocr page 247-
233
Ach, dit arme land en volk ligt zoo verzonken in de duis-
ternis van het heidendom. Kkeli is mij een raadsel. Hij is
óf onverbeterlijk zwak van wil of hij is een boosaardig man.
Zoodra ik hem weer ontmoet hoop ik, met Gods hulpe, hem
te zeggen al wat in mijn hart is."
„3 October. Vroeg in den morgen bracht Maki\'s oudsten
zoon mij het bericht, dat hij er, gedurende den nacht, in ge-
slaagd was om zijn vader en al het vee over de grenzen,
in Fingo-land, te brengen, en dat de vrouwen en kinderen
met het aanbreken van den dag gevolgd waren. Er was den
vorigen avond een spion van den Koning in de kraal gekomen,
kennelijk om uit te vinden of Maki daar nog woonde, doch deze
sliep reeds sedert eenigen tijd niet meer in zijn kraal uit vreeze
van vermoord te zullen worden. Maki is op het laatste oogen-
blik ontkomen, daar reeds maatregelen genomen waren om
zijn vlucht te beletten. Volgens Kaffergebruik, wordt een
raadsman, die \'sKonings gunst verloren heeft en van wien
men vermoedt, dat hij de bescherming van een ander Opper-
hoofd zal zoeken, terstond, openlijk of in het geheim, als men
hem in handen kan krijgen, ter dood gebracht. Dit geschiedt
vooral uit vreeze, dat de man invloed zal verkrijgen bij een
vijandigen stam, en zich dan op zijn eigen Opperhoofd zal
wreken.
„Het vertrek van Maki drukt mij zeer ter neer. Hij was
een steun voor onze Zending, vooral ook in zijn betrekking
als hoofd van de plaats, waar onze statie gevestigd is. De
lieden van zijn kraal kwamen getrouw tot de godsdienst-
oefeningen op den Rustdag, en de prediking maakte blijkbaar
indruk op hen. Doch nu sedert meer dan een jaar is het
Groot Opperhoofd, met wien Maki van zijn kindsheid heeft
-ocr page 248-
234
omgegaan, tegen hem gekeerd. Kreli beweert, dat Maki het
Engelsche Gouvernement op de hoogte houdt van zijn han-
delingen; dat Maki zich bij de blanken aanzien verwerven wil
ten koste van zijn Koning; in een woord, dat hij zich een
macht aanmatigde, die hem niet toekwam, en dat hij den Ko-
ning in een weg wilde leiden, dien noch deze noch het volk
goedkeurde. Toen het bekend werd dat er vervreemding be-
stond tusschen den Koning en zijn voornaamsten raadsman,
verdubbelden Maki\'s vjjanden hunne pogingen om hem ten
val te brengen. Doch God is tusschenbeiden gekomen en
heeft de woede der vijanden beschaamd. Straks zullen zij
misschien inzien, dat zij hun wit voorbij geschoten hebben,
en aan Kreli, door het gedwongen vertrek van zulk een
waardig raadslid als Maki, onberekenbare schade hebben aan-
gebracht. Meer dan honderd personen zijn Maki over de
grenzen gevolgd, hetgeen wij goed bemerken bij onze gods-
dienstoefeningen, en nog verlaten dagelijks andere invloed-
rijke Kaffers het land.
„Het is alsof er een drukkende wolk hangt over het ge-
heele district. Het is mij nog niet helder hoe ik het Groot
Opperhoofd onder het oog kan brengen, dat zulke voorval-
len zijn eigen regeering in gevaar brengen. Ik moet ver-
trouwen op wijsheid van Boven om te weten hoe te spre-
ken, wat te spreken, en wanneer te spreken.
„Dag des Heeren. De Kroonprins en zijn oom waren
heden in de godsdienstoefening en ik had vrijmoedigheid,
hunne gedachten, zooveel de omstandigheden zulks toelieten,
te leiden in den rechten weg.
„— 23 October. Kreli zelf kwam heden ter kerk. Hij arri-
veerde reeds op Zaterdag en ik vond gelegenheid om uit-
-ocr page 249-
235
voerig met hem te spreken over het gebeurde met Maki. Hij
is blijkbaar zeer geschokt in zijn gemoed.
„20 Augustus. Heden kwam het jonge opperhoofd Sig-
caju, de oudste zoon van Keeli, met een zijner volgelingen
tot mij met de boodschap, dat zijn zuster, de vrouw van
Ngangelizwe, den vorigen avond gearriveerd was in de Groote
kraal. „Hij had nog geen tijd gehad om de bijzonderheden
te vernemen, die tot hare komst aanleiding hadden gegeven,
doch daar zij zich nu bij Krem bevond kon ik zelf gaan zien
in welk een toestand zij tot haars vaders kraal was terug-
gekomen."
Ik dankte Sigcawu voor zijne mededeeling en beloofde hem,
dat ik den volgenden Maandag zijne zuster zou gaan bezoe-
ken. Gevolgelijk begaf ik mij op dien dag naar de Groote
kraal, waar ik, na een weinig gerust te hebben, werd uitge-
noodigd door de vrouwen van Kkeli om zijne dochter te
gaan zien. Ik had reeds opgemerkt, dat een aantal vrouwen
achter elkander uit de hut kwamen, waar de kranke was, die
eindelijk zelve, leunend op een stok, tevoorschijn kwam. Allen
zaten neder in de open ruimte voor de hut, en ik zette mij
naast de jonge vrouw van Ngangelizwe. Doch hoe was zij
veranderd sedert ik haar laatst ontmoet had! Toen eene
frissche levenslustige jonge vrouw, en nu uitgeteerd, donker
van kleur en geheel neerslachtig.
Nadat ik haar gegroet en eenige woorden met haar ge-
sproken had bezag ik, op verzoek van hare moeder, haar rech-
terbeen, dat zij tot aan de knie ontbloot had. Het was een
akelig schouwspel. Het been zag er uit alsof het onder een
wagenwiel verbrijzeld of door een kogel getroffen was. De
enkel was uitgevallen en het scheenbeen was op meer dan
een plaats gebroken, terwijl het vleesch gedeeltelijk was
-ocr page 250-
236
weggerot. Het rechterbeen was geheel opgetrokken, zoodat
het reeds beduidend korter was dan het andere.
Behalve de wonden aan het been, telde ik nog dertig
andere aan het lichaam der vrouw, van het hoofd tot aan
haar middel en van de linkerknie tot aan de voet, blijk—
baar veroorzaakt door geeselslagen. Geen wonder, dat de
arme vrouw voortdurend pijn leed langs de ruggegraat en
geplaagd werd door een zwaren hoest met bloedspuwen. Zoo
zij niet tengevolge der bekomen wonden aan de tering sterft,
zal het een wonder zijn.
De vrouw sprak van een ,ongeluk\' dat haar getroffen had,
doch de waarheid is, dat zij door haar man dus vreeselijk
mishandeld is. Haar treurige toestand wekte, geheel na-
tuurlijk, de verontwaardiging op van de geheele Galeka-natie,
en al spoedig maakte men zich gereed om den wreeden
Ngangelizwe te strafien. De Galeka\'s hebben sedert een aan-
val gedaan op de Tamboekies, in welken Kreli de overwin-
ning behaald heeft op Ngangelizwe. Deze laatste heeft zich
nu, uit vrees voor Kreli, geplaatst onder bescherming van
het Britsch Gouvernement, wat de haat van de Galeka\'s tegen
hem niet heeft verminderd."
Trots al dien tegenstand en deze zwarigheden op zijn weg,
hield Tiyo Soga vol in het werk voor zijn Heer, tijdig en
ontijdig. Spoediger nog dan men zulks in het eerst scheen
te verwachten, zag hij vrucht op zijn arbeid. Eerlang kon
er, met toestemming van Kreli en diens Raad, een tweede
Zendingstatie gesticht worden, aan de Quoloka, waar later
ook een Zendeling, John Dewar, geplaatst werd. Nog werd
er een buitenstatie aan de Tutuka gevestigd, en ook de toe-
zegging ontvangen van den hoofdman Maspara van grond
-ocr page 251-
237
voor nog een statie, die later ook aangelegd is. Geregeld
werden de kraaien in den omtrek der staties bezocht, door
Tito zelf of door Kaffer-helpers. Eerlang bestond de gemeente
aan de Tutuka reeds uit achttien leden. De opkomst van heide-
nen tot de godsdienstoefening werd steeds beter en geregel-
der, en de school voor kinderen werd, naar omstandigheden,
goed bezocht. In de school werd zoowel de Engelsche taal
als het Kaffersch onderwezen. En zoo werd het Evangelie
geplant onder de eigengerechtige, ijverzuchtige, in al de gru-
welen van het heidendom verzonken liggende Galeka\'s, tot
de eere van \'s Heeren Naam en de zaligheid der zielen.
Terwijl nu de arbeid spoedde ging de arbeider, wat het
lichaam betrof, snel achteruit. Tiyo Soga sprak zelden over
den staat zijner gezondheid, en het was hem blijkbaar altijd
pijnlijk als anderen zulks deden. In ieder opzicht open en
mededeelzaam van karakter, scheen het alsof Tiyo zijn
lichaamstoestahd, zelf voor zijn beste vrienden, op het zorg-
vuldigst geheim wilde houden. Het Zending-Comite had van
Tiyo\'s dokter wel vernomen aan welke kwaal hij leed, en dat
hij door een ontsteking aan de keel was aangetast was zijnen
vrienden bekend; doch men meende dat hij daarvan genezen was,
terwijl Soga zelf aan het Zending-Comite geenerlei inlichting
verschafte omtrent den staat zijner gezondheid. Het was acci-
denteel, dat een Zendeling van het Berlijnsche Genootschap,
de Weleerw. heer Rein, te weten kwam dat Tiyo Soga in
een hevigen graad aan laryngitis leed. Deze meldde zulks
aan een der Schotsch Zendelingen met den raad, Tiyo naar
King Williams Town te laten gaan, waar hij zich on-
der geneeskundige behandeling zou kunnen stellen, en dat hij
volstrekt niet in het openbaar zou spreken, daar men anders
-ocr page 252-
238
spoedig zijn verlies door den dood zou hebben te betreuren.
Nauwelijks hadden Tiyo\'s medezendelingen Cümming, Chal-
meks en Goedon hiervan kennis genomen of zij richtten het
volgende schrijven aan den lijdenden Broeder:
Hendebson, 16 Februari 1869.
Waarde Broeder. Wij, uwe broederen, hebben met diepe smart verno-
men, dat gij u reeds geraimen tijd in zorgwekkenden staat bevindt wat
uwe gezondheid betreft, en dat dit bij den dag erger wordt. Het doet ons
ook zeer leed, dat wij zulks moesten hooren van broeders, die niet met
onze Zending in verband staan, in plaats van uit uw eigen mond. Wij
weten echter, dat het geen gebrek aan vertrouwen in ons is, dat u op
onze laatste samenkomst over uwe krankheid deod zwijgen, en dat gij
liever in stilte en geduldig lijdt, dan zelfs maar den schijn op u te laden,
als wildet gij uw wachtpost verlaten, en uw arbeid door uwe broeders laten
verrichten.
Naar aanleiding van het bericht, dat wij ontvangen hebben aangaande
den staat uwer gezondheid, zijn wij heden broederlijk samengekomen, en
hebben wjj na rijpe overweging besloten, u het volgende te schrijven:
Wij gevoelen zeer voor u en met u in uwe tegenwoordige bezoeking,
en wij hopen, dat de Heere geven moge, dat de verontrustende ver-
schijnselen in uwe krankheid mogen gelogenstraft worden, en middelen
kunnen worden aangewend tot uw herstel. Wij begeeren daarom, dat gij
ons zonder eenige terughouding over de zaak zult schrijven, en wees
verzekerd van onze hartelijke bereidheid om, wat gij moogt voorstellen
terstond te ondersteunen.
Wij hebben u gevraagd, de voorpost te betrekken, waar gij u nu be-
vindt, en het moeielijke werk der stichting eener nieuwe Zending te
ondernemen; wij hebben u naar de Tutuka gezonden, u verwijderende
van de Mqwali, waar gij zoo aangenaam woondet. Doch nu gij lijdende
zijt, en uwe krachten bij den dag afnemen, nu geven wij u met den meesten
ernst in overweging of het niet voor uzelven noodig is, dat gij die plaats
verlaat. Wg wenschen zeer van u te mogen vernemen wat wij, naar uw
oordeel, in deze aan het Comité behooren voor te stellen.
Daar de zaak zoo dringend is, behoeft er niet gewacht te worden op
antwoord van het Comité, maar kan er dadelijk gehandeld worden. Wij
-ocr page 253-
239
raden u aan, in elk geval u te onthouden van de prediking en zelfs van
het leiden van vergaderingen.
Wij wenschen zeer dat gij de Tutulia onmiddellijk verlaten znlt en een
zachter klimaat zoeken, bijv. dat gij u tijdelijk vestigen zoudt te Eing-
Williams Town, Alice, Qneenstown of Cradock. De krachten, die u resten
behooren o. i. thans uitsluitend gewijd te zijn aan het werk der vertaling
van de Schrift. En mocht de reize naar King-Williams-Town, om de Ben-
viseursvergadering bij te wonen, n te moeielijk vallen, dan zoudt gij
iemand in uw plaats kunnen afvaardigen, indien gij zelf maar voor de
vertaling zorgdet.
Misschien staat gij voor twee moeielijkheden in verband met uw noo-
dig vertrek van de Tutuka: waar gij uw huisgezin zult laten, en wie voor
de statie zal zorgen. Wat het eerste betreft, begeeren wjj geen oogenblik,
dat gij van uwe vrouw en kinderen gescheiden zoudt worden, maar dat
dezen u zullen vergezellen. En de tweede moeielijkheid kan opgelost wor-
den als Br. Gibdwood, die verlof ontvangen heeft om een nieuwe statie
te vestigen, zulks terstond doet, en dan de Tutuka als zgn buitenpost be-
hartigt, terwijl uw broeder Festibi de gewone diensten kan waarnemen.
Op deze wijze kan er o. i. voor de Tutuka worden gezorgd.
Omdat de zaak zoo dringend is, hebben wij niet gewacht met onze ver-
gadering tot die ook door de BB. Sclateb en Gibdwood zou kunnen
worden bijgewoond, doch wij mogen ons van hunne volkomen instemming
overtuigd houden. Laat het u dus niet verwonderen dat dit schreven
niet door hen is onderteekend. Wij konden deze zaak niet uitstellen tot
onze gewone vergadering. Wij hopen nu dat gij onmiddellijk handelen zult.
En mocht er in onze voorstellen iets zijn, dat gij minder goed vindt, schrijf
ons zulks openhartig.
Wij vertrouwen, dat gij ook in deze geleid moogt worden door Hem,
wiens eigendom wij zijn, en dat deze onze broederlijke handeling de ge-
wenschte vrucht mag dragen n.1. de herstelling van uwe gezondheid."
Tiyo\'s antwoord op dit hartelijk schrijven liet zich niet
lang wachten. Het was van dezen inhoud:
Waarde Broeders. Uw brief, waarin gij zoo hartelijk onderzoek doet naar
den staat mijner gezondheid, en mij zulke broederlijke en ingrijpende voor-
slagen doet, heb ik ontvangen. Ik heb dien gelezen en herlezen, met
dankzegging aan God, dat het mij, een Zendeling uit de inboorlingen,
geschonken werd, te mogen arbeiden met Broeders, die hoe langer ik met
-ocr page 254-
240
hen bekend ben, zoo meer ik hen moet liefhebben en achten om hun zelfs
wil en om des Meesters wille. Ik dank u oprechtelijk voor uwe broeder-
lijke belangstelling, en dat gij zoo onmiddellijk, afdoend, en hartelijk mij
ter hulp wilt komen. Hoe het bericht, dat ik mij in kommervollen staat
van gezondheid bevind, en dat de teekenen mijner krankheid een drei-
gend karakter vertoonen, verspreid is geworden weet ik niet en zal ik
ook niet trachten na te vorschen.
Ik wensch de zaak niet beter voor te stellen of erger dan zij is. Ik
verzeker u, dat ik na een chronischen aanval van laryngitis (kcelvliesont-
Bteking), waaraan ik na onze conferentie geleden heb, weer, wat mijn ge-
zondheid betreft, ben zooals vroeger. Gedurende een veertien dagen nadat
ik u aan de Mqwali ontmoet heb was ik onwel, doch niet zoo, dat ik langer
dan een dag mijn bed moest houden, of dat ik op den dag des Heeren
mijn werk niet kon doen. Ik ben thans redelijk wel, en ik weet niet, waarde
Broeders, wat men bedoelt met „verontrustende symtomen". Doch misschien
heb ik geen oog voor mijn toestand en kan dit mij kwalijk bekomen.
Is mijn gezondheidstoestand zorgwekkend, de Heere doe met mij ge-
lijk het goed is in zijne oogen. Vier jaren geleden reeds heb ik mij
als stervende beschouwd. Versta mij wel: ik wil niet zeggen dat mij niets
deert, of dat ik, naar het mij toeschijnt, ooit weer herstellen zal, maar
slechts dat er, voor het oogenblik, geen reden is van bijzondere bezorgdheid.
Indien ik nog wat mag blijven leven, zal het zijn als een lijder aan
asthma. Teekenen van longtering hebben zich nog niet bij mij geopen-
baard, doch er is dofheid in de linkerlong. Verschijnen de teekenen van
tering dan moet ik ze opmerken, of ik heb tevergeefs geneeskunde
gestudeerd, en tevens weet ik dat dan mijn levenstijd snel ten einde
spoedt, en mijn werk op aarde is afgeloopen. Weest verzekerd, waarde
Broeders, dat ik niet aarzelen zou, u in deze ten volle in te lichten.
En tenzij zij, die beter met mijn lichaamstoestand bekend zijn dan ik zelf,
mij de volle waarheid hebben gezegd, is er werkelijk op dit oogenblik
geen grond van ernstige bezorgdheid.
Ik acht mijn arbeid aan deze plaats van groot gewicht. Het was op uw
aanzoek, en dat van Broeders eener Zusterkerk, dat ik hier heen ben ge-
komen, schoon niet sterk van gestel. Ik wist het wel, en zoo wist gij
het, Broeders, dat ik de Mqwali niet verliet om het hier beter te
vinden. Onder welke omstandigheden kunnen iemands drijfveeren zuiver
en zonder eigenbelang genoemd worden, indien niet de mijne, toen ik mijn
onvergetelijke plaats aan de Mqwali verliet, waarheen ik, ware het niet
-ocr page 255-
241
dat ik mij geroepen gevoel, hier te arbeiden, morgen zou begeeren terng
te trekken. Mocht deze plaats beter blijken voor mijn gestel dan de
Mqwali, dan zou mij zulks aangenaam zijn, doch dit blijft bijzaak. Zeker
is het, dat ik, niettegenstaande de ongeriefelijkheden aan ons verblijf
in mistig en nat weder verbonden, raij hier beter gevoel dan in den laat»
sten tijd aan de Mqwali.
In gedachtenis houdende wie mij naar deze plaats gezonden hebben,
en dat ik door geen onzuivere beweegredenen geleid werd door de roe-
ping naar hier op te volgen, zal ik het als een duren plicht voor God
beschouwen om zoodra het werk schade zou lijden door den slechten
staat mijner gezondheid, u daarvan terstond kennis te geven.
Ik zal nu niets meer hebben te zeggen omtrent uw voorstel, dat ik ter-
stond de Tutuka verlaten zou. Schoon het mij zwaar zou vallen, u, geliefde
Broeders, iets te weigeren, zou ik in geen geval van hier willen gaan,
en liefst sterven in deze plaats, waar de Heere mij gesteld heeft, in de
bediening van mijn ambt en onder mijn eigen volk. Ik heb ten behoeve
mijner gezondheid, reeds twee uitstapjes gemaakt op kosten der Kerk, eens
naar Basutoland en eenmaal naar de Kaapstad, en ik zal geen derde ge-
zondheidsreisje doen. Ik bedoel natuurlijk niet, dat ik nooit, voor veran-
dering van lucht, naar een andere streek zal gaan, maar een verandering
van plaats, die eene afwezigheid van zes maanden of langer zou vor-
eischen, of wel mijne geheele verwijdering van de Tutuka.
Wat deze en gene overigens ook van deze streek moge zeggen, zij is
voor lijders aan borstaandoeningen beter dan Peelton, King-Williamstown en
Alice. Ik zeg zulks met nadruk. De plaats waar wij wonen ligt wel bloot-
gesteld aan wind en weer, doch dit kan door verstandig bouwen verbeterd
worden. De Heere geeft ons niet in elke plaats dezelfde natuurlijke voor-
rechten, opdat wij zullen leeren, ons te schikken naar de omstandigheden.
Wat de mist betreft, zoo die niet vergezeld gaat van motregen, vind ik
dat zij eerder verzachtend werkt op de longen dan neerdrukkend. Voorts
is mij geen Zendingstatie bekend, met hoeveel zorg ook uitgekozen, die
niet later, om allerlei redenen, afgekeurd is geworden als geheel onbe-
woonbaar. Zoo is het gegaan met de Mqwali, Henderson, Mbulu en Toleni.
Ik zal mij daar niet aan storen, en ik zou mijn post niet wenschen te
verlaten al zou de Heere morgen den dag mijn levensdraad afsnijden.
In uw hartelijk en zorgzaam schrijven herinnert gij ook aan mijne
reizen naar King-Williamstown ter bijwoning der vergaderingen van de
16
-ocr page 256-
242
Bevisie-Oommissie. Hartelijken chnk voor uw vingerwijzing in deze. Mijn
vriend en broeder Chalmers gelieve zieh dan gereed te houden om mijn
manuscript na te zien, en waar het noodig is op de vergaderingen in mijne
plaats te handelen. Daar de vertaling van het Woord Gods in de Kaffer-
taal mij het voornaamste en heerlijkste werk toeschijnt, waarin ik, onder
de omstandigheden, kan bezig zijn, zou ik u willen verzoeken, mij vrij te
laten van de gewone driemaandelijksche vergaderingen, tenzij dan dat deze ge-
houden worden aan deze zijde van de Kei en Tsomo. Mocht het mij niet
mogelijk zijn, te paard naar King-Williamstown te rijden dan zal ik ge-
bruik maken van den ossenwagen der statie.
Ik moet hier bijvoegen, dat indien ik niet gegaan ware naar do Con-
ferentie in Januari, waardoor veel arbeids hier zich opeenstapelde en ik
mij niet met de revisie kon bezig houden, het manuscript van het Evan-
gelie van Mattheus thans gereed zou zijn geweest.
Gij ziet nu, waarde Broeders, hoe openhartig ik u alles, mij en mijn
werk betreffende, heb blootgelegd. Ik heb niets voor u verzwegen en zou
ook niets willen verbergen, hetzij goed of kwaad. Wat in de toekomst ligt
weet ik niet. Doch ik kan alles in het geloof toevertrouwen aan God, in
Wiens hand ons leven is, en Die onzen weg beschikt naar Zijn wil".
Toen Tisro Soga naar de Tutuka vertrok, had hij zijn
drie zonen, waarvan de oudste nu 12 jaren oud was, achter-
gelaten te Lovedale, waar zij op de scholen aan de Zending
der Vrije Schotsche Kerk verbonden, onderwijs ontvingen.
Omstandigheden echter noodzaakten Tiyo Soga wel te over-
wegen, hoe nu verder in de opleiding dier kinderen te voor-
zien. De Vrije Schotsche Kerk had besloten om aan de reeds
bloeiende stichting te Lovedale groote uitbreiding te geven,
meer bepaaldelijk ook met het oog op de opleiding van in-
boorlingen tot predikers van het Evangelie en tot onderwy-
zers. In verband hiermede ontving Ds. Govan, die nu hoog
op jaren gekomen was, en deswegens kwalijk het bestuur
kon voeren over de stichting zooals deze nu zou wor-
den uitgebreid, zijn eervol emeritaat, en zou hij naar
Schotland terugkeeren. Hoe zeer nu Tiyo wenschen mocht,
-ocr page 257-
243
dat zijne zonen, evenals hij zelf, aan den dienst des Evan-
gelies onder de Kaffers hun leven zouden wijden, wilde hij
hen daartoe op geenerlei wijze dwingen, wat eenigszins het
geval zou zijn geweest indien zij hun opleiding te Lovedale
bleven ontvangen. Hij meende dus te moeten uitzien naar
een andere school voor zijne jongens, en dit te eerder nu
zijn vaderlijke vriend, Govan, Lovedale ging verlaten.
Doch naar welke school zou hij zijne kinderen zenden?
Niet naar eenige inrichting voor onderwijs in de Kaap-
kolonie, hoe uitstekend die ook in menig opzicht genoemd
mochten worden. Eensdeels waren die scholen hem te kost-
baar, en dan, „zijn kinderen waren wel licht van kleur maar
toch geen blanken." Het was zeer de vraag of men zulke
kinderen zou toelaten op een der scholen voor uitgebreid
onderwijs in de Kolonie. „Ik wensch niet de eerste te zijn,"
schreef Tiyo, „om de zaak op de proef te stellen, daar het
zou kunnen aanleiding geven tot een strijd, waarvan mijn jon-
gens hun leven lang de gevolgen zouden hebben te dragen.
God heeft mij in staat gesteld om het vooroordeel van blanken
tegen inboorlingen, voor zoover het mij persoonlijk betreft,
tot zwijgen te brengen, doch ik denk er niet aan om de
knapen bloot te stellen aan hetgeen ik heb moeten onder-
vinden, en minst van al bij den aanvang van hun loopbaan.
Te Lovedale konden onze gekleurde kinderen zeer vriend-
schappelijk schoolgaan met blanke jongens, zonder te schande
gemaakt te worden wegens hun kleur. Doch dit zou niet het
geval zijn op scholen in de Kolonie, gesteld dat men de kin-
deren, bij wijze van uitzondering op den gewonen regel,
zou toelaten." Dit was juist gezien. Ook zelfs de zonen van
Tiyo Soga, geordend Leeraar der Vereenigde Presbyteriaansche
-ocr page 258-
244
Kerk en Zendeling in Kafferland, een welopgevoed lid der
maatschappij, de vriend en medgezel van de voornaamste
Zendelingen in Zuid-Afrika, de man, die, aan boord van de
E u r y a 1 i s, dagelijks aan tafel de gast was van Prins Alfred,
en in het huis van den Gouv.-Generaal van Zuid-Afrika, Sm
George Gkey, steeds met kennelijke onderscheiding werd ont-
vangen, — de jongens zelfs van dien man zouden op scholen in
de Kolonie slechts jonge „Kaffers" zijn, en als zoodanig
worden behandeld, of juister gezegd, mishandeld. Wel te
verstaan, niet door Boeren maar door Engelschen, en wel
door dusgenaamde beschaafde Engelschen, in wier oog de
ruwste blanke verre verheven stond boven den meest be-
schaafden inboorling.
Tiyo Soga had op dit punt droeve ondervindingen op-
gedaan.
Men had het hem in de Kolonie tot een grievend verwijt
gemaakt, dat hij, „een geboren Kaffer", in het huwelijk had
durven treden met eene blanke vrouw, eene Schotsche
jonge dame.
„Dat blanken in Kafferland en vooral in de garnizoens-
plaatsen in ontucht leefden met Kaftermeisjes," dus werd ge-
redeneerd, „was wel erg, doch bij lange niet zoo schandelijk,
niet zoo onnatuurlijk als een wettig huwelijk tusschen een
Kaffer — zij hij ook iemand, die eene academische opvoe-
ding had genoten en het leeraarsambt bekleedde — en eene
fatsoenlijke, blanke vrouw.
Of neen, „fatsoenlijk" kon, volgens die beschaafde En-
gelsche kolonisten, geen vrouw genoemd worden, die in een
wettig huwelijk met een Kaffer was getreden!
Het is ongelooflijk hoeveel Tiyo Soga hieronder had ge-
leden, vooral ook uit teeder gevoel voor zijne echtgenoote.
-ocr page 259-
245
Doch ook op andere wijze hadden dusgenoemde beschaafde
Engelschen hem gedurig doen gevoelen, dat hij „maar een
Kaffer was" en als een „Kaffer" moest behandeld worden.
Zoo kwam hij eens, op eene reize door de Kolonie, met
een anderen Zendeling in een klein dorp, en ontmoetten zij
den magistraat of burgemeester der plaats op de straat.
Deze groette den blanken leeraar zeer beleefd en hartelijk, en
keerde zich toen tot Tiyo Soga met de vraag: „Waar is
uw pas?" Volgens de bestaande wet, mocht geen Kaffer
door de Kolonie reizen zonder pas, of straffe van boete en
opsluiting in de gevangenis. Natuurlijk had die wet op
Tiyo Soga geen betrekking, en dat wist deze magistraat ook
wel, doch het was alleen te doen om Tiyo te kwellen. Deze
gevoeld de beleediging zóó diep en pijnlijk, dat hij, na zijn
terugkeer in Kafferland, zich wendde tot den Luitenant-
Gouverneur, Maclean, met het verzoek, hem, evenals aan
iederen kraal-Kaffer, een pas te verleenen opdat hij ongehin-
derd in de Kolonie zou kunnen reizen. Kolonel Maclean, die
de hoogste achting voor Tiyo koesterde, antwoordde dat hij
het als een beleediging voor dezen zou beschouwen indien
hij hem een pas zou uitreiken; doch op aanhoudend verzoek
van Tiyo gaf hij hem eindelijk, niet een pas maar, een har-
telijk briefje van zijn hand, waarin duidelijk te kennen gege-
ven werd wie Tiyo was, en welke betrekking hij bekleedde.
Op een anderen tijd kwam Tiyo Soga de koffie-kamer bin-
nen van een klein hotel aan den weg, waar hij, vermoeid
zijnde van de reis, wat wilde uitrusten en iets gebruiken.
Nauwelijks echter was hij binnengetreden of de hotelhouder
gebood hem op ruwe wijze, het huis te verlaten, „Scheer je
weg," riep hij Soga toe, „wij laten hier geen Kaffers toe."
-ocr page 260-
246
Gelukkig was Tiyo niet alleen maar in gezelschap van iemand,
die veel invloed had in de Kolonie. Deze dreigde nu, het
schandelijk gedrag van den ruwen waard publiek te zullen
maken, waarop de vent, na Tiyo allerlei beleedigingen te heb-
ben toegevoegd, eindelijk toeliet dat deze in het vertrek kon
blijven en eenige ververschingen gebruiken.
Tiyo Soga werd eens met eenige andere Zendelingen afge-
vaardigd naar een militairen bevelhebber, om diens noodige
toestemming te vragen tot vestiging eener Zendingstatie in
een district, dat pas door de Engelschen was geannexeerd.
Toen de deputatie toegelaten was in de tegenwoordigheid
van den overste, wendde deze zich barsch tot Tiyo, zeggende:
„Wel, Soga, en wat heb jij al zoo uitgevoerd, sedert ik je
het laatst gezien heb." Opzettelijk werd het gebruikelijke
„mijnheer" achterwege gelaten om den gekleurden Zendeling
te doen verstaan, dat hij „maar een Kaffer was." Voor een
oogenblik was Tiyo door deze ruwheid pijnlijk getroffen,
doch zich terstond herstellende antwoordde hij, dat hij als
Zendeling arbeidde aan de Mqwali. Hierop volgde uit den
mond van de overste een tirade op Zending en Zendelin-
gen: „Zendingstatiën waren niet anders dan broeinesten
van allerlei ongerechtigheid; daar werd alleen het uit-
vaagsel van de Kaffernatie, dieven, bedriegers en dronkaards
gevonden. Zendelingen hadden nog nooit iets goeds uit-
gericht, en hoe weinig invloed de Zending op de Kaffers
had gehad, was wel gebleken uit de Kat-rivier opstand.
Kaffers waren niet waard om beschaafd te worden, en indien
zij ook al vatbaar waren voor zedelijke verbetering dan
waren de Zendelingen toch geheel ongeschikt om daartoe
mede te werken." Op deze wijze ging de „beschaafde" Engel-
-ocr page 261-
247
sche bevelhebber eenigen tijd voort, zijn gal uit te spuwen
op de Kafferzending, bepaaldelijk ook met het doel om Tiyo
Soga persoonlijk te kwetsen. Toen hij eindelijk zweeg ant-
woordde Tiyo met waardigheid: „Het doel van ons bezoek,
Mijnheer, is niet om met u van gedachten te wisselen over
de Christelijke Zending en wat deze heeft tot stand gebracht.
Het heeft u behaagd, misbruik te maken van uw positie;
wij ontmoeten elkander niet op gelijken voet. Want indien
wij het zouden wagen, u te antwoorden en uwe beweringen
te wederleggen, dan is het in uwe macht, ons eenvoudig de
deur te wijzen. Wij zijn echter bereid, bij iedere andere gele-
genheid ons en onzen arbeid te verdedigen." Wat de overste
tegen geen blanken Zendeling zou hebben durven zeggen,
meende hij den „Kaffer Soga" voor de voeten te kunnen
werpen. Doch Tiyo Sooa gedroeg zich zoo kalm en waardig
onder de smaadheid, die hem door dezen vertegenwoordiger
van Hare Majesteit de Koningin van Engeland, op eene
officieele audiëntie, werd aangedaan, dat de overste tot zwij-
gen gebracht werd.
Nog weer op een anderen tijd kwam Tiyo in eene zee-
plaats, waar hij een vriend zou ontmoeten, die per stoom-
boot verwacht werd. Vermoeid van een lange reis te paard,
vroeg hij in een der hotels om een kamer, en wees men
hem een kamertje bij den stal op de achterplaats, waar geen
ander meubilair was dan een tafel en een paar banken. Op
de eene bank stonden een paar weigedragen laarzen, zoo-
als de polderjongens gebruiken, en op de andere legde Tiyo
zich neder om wat uit te rusten. Kort daarna kwam de
eigenaar van de laarzen, een groote sterke polderjongen,
binnen en ziende een „Kaffer" op de bank liggen, riep hij
uit: „Wat nou!" en greep zijne laarzen zeggende: „Ik moet
-ocr page 262-
248
mijn eigendom beschermen!" Tiyo Soga barstte uit in lachen
bij de gedachte, dat de man hem in staat rekende, zijn
laarzen te stelen, en ook dat hij, zwakke, tengere Zendeling,
opgewassen zou zijn tegen den sterken polderjongen. Deze
laatste zag echter in hem „maar een Kaffer" die, natuurlijk
tot alle kwaad in staat was. Hier moet bijgevoegd dat toen
de hotelhouder verstond wie Tiyo Soga was, deze een betere
kamer kreeg, en dat toen Tiyo den volgenden dag, Zondag,
predikte hij geen ernstiger toehoorder had dan de poldergast.
Tiyo had in dezen weg veel te lijden. Het scheen dikwijls
of men hem niet vergeven kon, dat hij, een geboren Kaffer,
een beschaafde opvoeding had ontvangen en Christen-Zende-
ling was geworden, en minst van al dat hij met eene blanke
getrouwd was. Op allerlei wijze deden vele dusgenaamde be-
schaafde Engelschen hem gevoelen dat hij een „Kaffer" was
en een „Kaffer" bleef, donker van kleur, kroesharig, en daarom
verre beneden den ruwsten, onbeschaafdsten Engelschman.
Door zijn nederigen, stillen, vromen, waardigen wandel wist
hij eindelijk dit vooroordeel tegen zijn persoon wegens
zijn afkomst en kleur, gedeeltelijk tot zwijgen te brengen,
Doch zijne kinderen wilde hij niet blootstellen aan hetgeen
zij in de Kolonie zouden te lijden hebben, indien zij op een
der publieke scholen aldaar, te zamen met blanken, hun op-
leiding zouden ontvangen.
Tiyo besloot daarom, zijne drie zonen naar Schotland te
zenden om daar, naar hun aanleg en begeerte, te worden
opgeleid tot de eene of andere betrekking. Wel waren de
kinderen nog zeer jong, en zou het hem, en niet minder zijne
echtgenoote, zwaar vallen, hen op dien jeugdigen leeftijd
-ocr page 263-
249
naar Europa te laten vertrekken, doch zelden zou zich eene
zoo goede gelegenheid voordoen om hen onder vertrouwd
geleide de reis te laten doen als nu, waar Ds. en Mevr. Govan
naar Schotland terugkeerden. Dit waardig echtpaar had een-
maal voor den jongen Tiyo als vader en moeder gezorgd, en
onder hun geleide was deze voor de eerste maal naar Schot-
land gereisd; nu zouden zij ook voor zijne kinderen zorgen.
Met het volste vertrouwen kon Tiyo zijne zonen onder hunne
hoede stellen, en zij waren bereid de zorge op zich te nemen.
Omtrent een en ander schreef Tiyo Soga aan zijn vaderlij-
ken vriend, Ds. Andeeson, in Schotland:
„Om onderscheidene redenen heb ik besloten, onze drie oudste jongens
naar Schotland te zenden. Ds. Govan vertrekt in Februari en heeft op zich
genomen, gedurende de reis voor hen te zorgen, en hij zal hun vriend
en raadsman zijn zoolang hij leeft.
„Ik schrijf nu bijzonder aan U, mijn vader en vriend, over mijne kinde-
reu. Och, betoon hun nu de vriendschap, die gij mij zoo jaren lang be-
wezen hebt, en die ik nimmer vergeten kan. Ik zou gaarne zien dat zij
te Glasgow woonden, in een gezonde buurt en in het huisgezin van iemand,
die hen op vriendelijke wijze onder de noodige tucht kan houden. Liefst
zou ik wensehen, dat zij bij een lid der Johnstreet-Kerk konden inwonen,
daar zij tot die Kerk zullen behooren. Wees toch zoo goed en overleg
met den heer B. omtrent de plaatsing en de opvoeding van mijne arme
jongens. Hun grootouders van moederszijde wonen buiten Glasgow, doch
ik begeer dat zij in Glasgow zullen wonen, omdat zij daar het best, onder
den invloed van Christelijke vrienden en zonder groote kosten, kunnen
worden opgevoed.
„Do jongens zullen later, natuurlijk, van elkander gescheiden worden,
doch zoolang zij jong zijn, zou ik liefst zien dat zij bij elkander
bleven. Allan, slechts 8 jaren oud, is eigenlijk te jong om reeds naar
een vreemd land te gaan, en ik ben zeer bekommerd omtrent hem. Zoo
hij echter eenige jaren bij zijne beide broeders blijft, zal het, onder Gods
zegen, ook met hem wel gaan. De kinderen kunnen toch niet altijd onder
de zorge van mij en van hunne moeder zijn, en ik moet hen zoo spoedig
mogelijk in staat stellen, voor zichzelven te zorgen. Schotland biedt hier-
-ocr page 264-
250
toe velo middelen, en het ia mijne begeerte, dat wat zij in Schotland lee-
ron later hun eigen natie ten goede moge komen.
„Ik behoor tot een langlevend geslacht, en hadde ik nimmer mijn ge-
boorteland verlaten dan zou ik thans, naar den mensch gesproken, ge-
zond en sterk zijn gelijk mijne broeders. Doch de overplanting, op jeug-
digen leeftijd, naar een vreemd land, en mijne onbekendheid met het
klimaat daar hebben mijn leven verkort. Dit moet, zoo mogelijk, wat mijne
kinderen betreft voorkomen worden. Zij moeten warme cnderkleeren dra-
gen; vooral moet de borst goed gedekt zijn, en eens of twee maal per
week moeten zij gymnastie doen. In dit land zijn wij van onze jeugd
aan gewoon om veel in de open lucht bezig te zijn. Mijne jongens moe-
ten gedurende al den tijd van hun verblijf in Europa warm gekleed zijn,
gymnastische oefeningen doen, en iedereu morgen hun bad nemen of ten
minste met koud water het lichaam wasschen."
Aan een anderen vriend schreef hij:
„Mijne drie jongens William Andebson, John Hendebson en Kibkland
Allan gaan niet naar Schotland om fortuin te maken, maar opdat zij
nuttig zullen kunnen zijn voor Kafferland. Zij zijn hier noodig, en
niet in Schotland. Al zouden zij het ook niet verder kunnen brengen dan tot
ketellappers, toch zouden naar Kafferland moeten terugkeeren om, wat zij
van het ambacht geleerd mochten hebben, aan te wenden ten nutte van hun
natie. Laat hen toch hun geboorteland, hun familie en hun natie
liefhebben.
„\'Ik kan mijne kinderen hier de opvoeding niet geven, die zij behoeven
om voor hun land en volk, in \'s Heeren dienst, nuttig te kunnen zijn en
zend hen daarom naar Schotland. Wij zullen ons zeker zeer moeten be-
krimpen om te kunnen voorzien in de kosten van hun onderwijs en ver-
blijf in Schotland; doch ik zou mij liever elke ontbering willen getroosten
dan mijnen kinderen de opvoeding onthouden, die zij behooren te hebben.
Het geld voor den overtocht heb ik op onze dagelijkuche uitgaven uitge-
spaard, en de helft van mijn halfjaarlijksch inkomen (£. 50) moet blijven
voor het onderhoud mijner kinderen in Schotland.
„Ik beveel do kinderen aan in uwe vriendschap en in die van andere
Christenen. Zij verlaten een land, waar zij weinig aan verleiding waren
blootgesteld, voor een ander zoo vol verleiding. Ik vrees de beschaafde,
verfijnde zonde en onzedelijkheid van Europa meer dan de ingeboren
schandelijkheden der Kaffers. Ik heb beide van nabij leeren kennen en
-ocr page 265-
251
kan dus oordeelcn. Ware het niet dat mijn jongens behoorlijk onderwijs
moeten ontvangen om hier nuttig te zijn, dan hield ik ze liever thuis
dan hen naar Europa te zenden.
„Zij hebben allen een goed oor voor muziek, en gaarne zou ik zien,
dat zij daarin onderwijs ontvingen, vooral gedurende de lange winteravon- \'
den. Liefst Willie op de piano, die hij reeds een weinig bespeelt, Allan op
de fluit (hij heeft een bij zich), en John op de viool of fluit, of op welk
ander instrument gij meest geschikt zoudt oordeelen. Ik stel U dit
slechts voor, wetende dat in deze gehandeld moet worden overeenkomstig
de middelen, die ter beschikking ziin."
Bijzonder bezorgd was Tiyo over zijn tweeden zoon, John,
die kreupel was aan den eenen voet, en deswegens reeds een-
maal onder behandeling was geweest van doktoren in Schot-
land. Tiyo schreef herhaaldelijk aan een zijner vrienden over
John, begeerende, dat men het kind nog eens in een der ortho-
paedische hospitalen in Londen zou laten onderzoeken, en
dat er vooral gezorgd zou worden voor een „passende schoen,
voor den kreupelen voet".
De kinderen zouden in Februari (1870) te East-Londen aan
boord gaan van de stoomboot, die op de reize van Natal
naar de Kaapstad die haven gewoonlijk aandoet, en daarmede
naar Port-Elizabeth reizen, waar ds. Govan hen wachtte,
en van waar ze scheep zouden gaan naar Engeland. Tiyo en
zijne echtgenoote vergezelden de jongens naar East-Londen,
doch de stoomboot daagde niet op. Na drie dagen wachtens
bleek het, dat de boot, tengevolge van de zware najaars-
stormen, ergens op de kust was vastgeraakt, zoodat de kin-
deren over land naar Port-Elisabeth zouden moeten reizen.
Daar ds. Govan echter vertrekken moest met de mailboot
in welke hij passage genomen had, kon hij nu niet op de kin-
deren wachten, en moest Tiyo iemand anders vinden, die
de jongens onder goede zorge zou willen nemen, op de reis
-ocr page 266-
252
naar Engeland. Dit viel gemakkelijker dan hij dacht, daar
juist de Zendeling Ashton en zijn vrouw, van het Londensch
Genootschap, gereed stonden om naar Engeland terug te
keeren, en dezen verklaarden zich terstond bereid, voor de
jongens te zorgen, zoo zij nu in tijds te Port-Elisabeth
zouden aankomen. Tiyo\'s echtgenoote vertrok nu terstond
met hare drie kinderen over land naar Port-Elizabeth, den
vader achterlatende, die wegens eene vergadering der Revi-
seurs van den Bijbel in het Kaffersch naar King-Williamstown
moest. Dat hij niet kon meegaan naar Port-Elizabeth om
zijn jongens aan boord te brengen, was voor Tiyo een nieuwe
beproeving.
Getrouw aan zijn plicht, ging hij echter naar King-Williams-
town, en liet hij zijne vrouw met de jongens naar Port-Eli-
sabeth reizen. Het afscheid viel hem bitter zwaar, vooral bij
de gedachte, dat hij hen misschien nimmer op aarde zou
weerzien. Tiyo bleef met zijn medereviseurs aan het werk
tot de zittingen gesloten werden, doch toen ook spoedde hij
zich naar Port-Elizabeth in de vurige hoop, dat het schip
nog niet zou zijn vertrokken, en hij zijn jongens nog een-
maal aan het hart zou mogen drukken. Die hoop werd niet
teleurgesteld, en hij kon de kinderen zelf aan boord brengen.
Tiyo\'s gestel had echter in den laatsten tijd, door het
snelle reizen, en vooral door het afscheid van zijne kinderen
zooveel geleden, dat hij terstond na het vertrek van zijne
jongens hevig door de koorts werd aangetast en geruimen
tijd niet buiten gevaar was. Door de goedheid Gods mocht
hij echter nog weer worden opgericht. Nauwelijks eenigszins
hersteld van deze krankheid, gaf hij zich weer geheel aan
het werk zijner bediening. Hij predikte het Evangelie te
-ocr page 267-
253
Port-Elisabeth, en woonde onderscheidene vergaderingen bij
van Zendelingen en leeraren ter bespreking van den arbeid
in \'s Heeren wijngaard. Hieromtrent zegt ds. Mac-Intosh,
vroeger medestudent van Tiyo te Glasgow en toen predikant
te Port-Elisabeth, o. m. het volgende:
„Sedert ik in het land gekomen ben, heb ik steeds veel
goeds van Tiyo Soga gehoord, en in 1870 heb ik hem dik-
wijls ontmoet. Met veel voldoening heb ik hem hooren pree-
ken, schoon het maar al te duidelijk was, dat zijn gewillige
geest meer van het zwakke lichaam vorderde dan het dra-
gen kon.
„Tiyo\'s preek was uitstekend en werd met kracht voorge-
dragen terwijl de talrijke gemeente, die hem hoorde, als aan
zijn lippen hing. Doch de prediker stond in zijn eenvoudige
oprechtheid boven de preek, schoon deze blijkbaar de vrucht,
de rijpe vrucht was van veel overdenking en veel geesteljjke
ondervinding. Het was duidelijk aan Tiyo te zien, dat hij, wat
lichaamskracht betrof teerde op zijn kapitaal. De geheele
preek gaf onwillekeurig den indruk, dat Tiyo, zonder zulks
te willen of zelfs te weten, voor de oogen van ieder zijner
hoorders het bewijs zijner roeping van den Heere tot den
dienst des Evangelies blootlegde, en dat hijzelf aan het
einde van zijn aardschen loopbaan stond. Ieder, die hem hoorde
moest erkennen, dat hij van God geroepen was tot den dienst
des Evangelies. Zijn preek sprak, door breedte van opvatting
en veelzijdig beroep op de verschillende toeetanden der ziel,
evenzeer tot het verstand als tot het hart, en liet gedurig
doorschemeren dat de prediker zelf rijp was voor de heer-
lijkheid.
„Dit laatste kwam in deze dagen ook bijzonder uitinTiYo\'s
dagelijkscb leven; hij had zoo vollen vrede en was zoo los
-ocr page 268-
254
van de aarde. Evenals zij, die mij het naaste en dierste op
aarde was, en die omtrent denzelfden tijd als Tiyo in de heer-
lijkheid ging. Het treft mij van achteren hoe die beiden zich tot
elkander getrokken gevoelden in de gemeenschap der heiligen.
„Gedurende Tiyo\'s verblijf te Port-Elisabeth woonde hij,
zoo dikwijls hij kon, de samenkomsten bij van predikanten en
Zendelingen tot verschillende Kerken behoorende, die geregeld
gehouden werden tot gebed en tot bespreking van zaken het
werk der bediening en de uitbreiding van \'s Heeren Konink-
rijk betreffende. Nu gebeurde het op een dezer samenkom-
sten dat een der broederen — een uitstekend en algemeen
geacht prediker —, die een referaat had te leveren, in strijd
met het gebruik, een pleidooi hield voor zijn eigen Kerk,
als, jure divino, de best ingerichte Kerk, en met ver-
oordeeling van de inrichting der andere Kerken, die in de ver-
gadering vertegenwoordigd werden. Dit gaf, heel natuurlijk,
aanleiding tot, wel vriendelijke, maar vrij scherpe kritiek van
de zijde der andere broederen, zoodat er nog al spanning
heerschte in de anders zoo vreedzame vergadering.
„Tiyo Soga zat al dien tijd ernstig neder en zonder een woord
te spreken, ook niet toen de beurt aan hem kwam om zijn
gevoelen over het referaat te kennen te geven. Doch toen
ieder had uitgesproken richtte Tiyo zich tot allen gezamenlijk,
en gaf ons een broederlijke vermaning, om de liefde te be-
trachten en eensgezind te zijn in bidden en arbeid, die ik
niet licht vergeten kan. Niemand had iets gezegd dat be-
paald onbehoorlijk was; doch de referent had kortzichtig
gehandeld door te trachten op zulk een samenkomst de uit-
stekendheid zijner Kerk te willen bewijzen, en dit had een
ietwat stormachtige discussie uitgelokt. Onze Kaffer-broeder
alleen, onder de Europeesche leeraren tot wie hij zich nu
-ocr page 269-
255
richtte, was kalm gebleven. Hij naderde de volmaakte
Kerk, en was reeds meer met haar geest vervuld dan wij
anderen. Zijn ziel ademde den vrede der rust, die blijft voor
het volk van God."
Zoodra de staat zijner gezondheid zulks toeliet, keerde
Tiyo Soga met zijne echtgenoote naar de Tutuka terug. Het
was in het najaar, en tengevolge van de zware regens en
volle rivieren ging de reis met vele moeielijkheden gepaard.
Na ruim vijf weken onderweg geweest te zijn, kwam Tiyo,
in de tweede helft van Mei, in redelijken welstand op zijn
statie terug, waar hij een bericht vond van het Zending-
comité, „dat hem voor de opvoeding van zijne beide oudste
kinderen, gedurende hun verblijf in Schotland, een ruime
toelage zou worden verleend uit een tot zulk doel bestemd
fonds, en voor Allan, die nog te jong was om uit dat
fonds te trekken, eene toelage van f 300, uit de gewone
fondsen beschikbaar gesteld was." Deze vrijgevigheid trof
Tiyo te meer, daar hij het Zendingcomité om geen hulp ge-
vraagd had. Hij had nu nog slechts £ 85 (ƒ 1030) per jaar
bij te dragen voor de opvoeding zijner kinderen, welke som
van zijn salaris moest worden afgehouden. Doch deze opof-
fering getroostten hij en zijne vrouw zich gaarne ten behoeve
hunner kinderen, zeer dankbaar voor de hulpe, die hun in
dezen verleend werd.
-ocr page 270-
256
XX.
DE KAFFER UIT DE KAFFERS.
Teruggekeerd aan de Tutuka, hervatte Tiyo Soga met op-
gewektheid zijn arbeid, naar het scheen in betrekkelijk rede-
lijken welstand, doch werkelijk met gesloopte lickaams-
krachten. Een enkel jaar nog zou hij onder zijn volk mogen
arbeiden en voor zijn natie worstelen in het gebed, doch
dan zou hij zijn aardschen loopbaan hebben afgelegd en in-
gaan in de Ruste. Voor wij hem in dat laatste jaar, niet het
minst belangrijkste zijns levens, gadeslaan, vestigen wij eerst
de aandacht op eenige eigenaardige karaktertrekken van
dezen dienstknecht des Heeren.
Tiyo Soga was een Kaffer uit de Kaffers, gelijk Pau-
lus een Hebreër uit de Hebreen. Het was hem een eere uit
Kafferbloed, en wel uit een aanzienlijk geslacht onder de
Kaffers, gesproten te zijn. Hij behoorde tot den oudsten Kaffer-
adel, en schoon hem ook dit voor den Heere als schade en
drek was geworden, kon hij met betamelijk eergevoel, zijn
afkomst stellen tegenover die van zoovele blanken, die hem
om zijn donkere huidskleur verachtten. Hij had zijn land en
volk - innig lief, en was een patriot in den waren zin des
woords. Schoon in kennis, beschaving en maatschappelijke
positie boven ieder ander zijner natie verre verheven, en
door vele banden met de blanken verbonden, zocht hij nim-
mer als een blanke beschouwd en behandeld te worden.
„Waarom zal een beschaafde Kaffer minder geacht zijn in
de maatschappij dan een beschaafde blanke," redeneerde Tiyo,
„of een Christen-Kaffer in de Kerke Christi minder gerekend
-ocr page 271-
257
worden dan een Christen-blanke ?" Hij had overigens evenveel,
indien niet nog grooter, afkeer van het naapen van blanken
gelijk door vele meer of min beschaafde kleurlingen zoo
dikwijls geschiedt, als van de minachting, waarmede blanken
veelal neerzien op kleurlingen.
Tiyo Soga was een toonbeeld van verdraagzaamheid en lijd—
zaamheid, doch zijn gevoel werd opgewekt als zijn volk, omdat
het een Kaffer-natie was, werd beschimpt en geminacht. Vele
Engelschen wisten, gelijk wij zagen, doorgaans niets dan kwaad
van de Kaffers te zeggen, en beschouwden dezen als een
verdierlijkt ras, dat uitgeroeid of dienstbaar gemaakt moest
worden. Dat het Evangelie eenigen invloed op zulk een ras
kon uitoefenen werd openlijk ontkend. Voor beschaving
werd dat volk onvatbaar gerekend. En waar Tiyo Soga in
zijn eigen persoon zulke beweringen logenstrafte, daar moest
hij het bijzonder ontgelden, en gaf men soms niet onduidelijk
te kennen, dat zijn geheele opvoeding in Schotland een
groote vergissing was, en dat hij, hoe wel opgevoed ook,
toch „maar een Kaffer" bleef. Tegen dit „maar een Kaffer"
kwam Tiyo gedurig en krachtig op. Niet: „Maar" een Kaffer,
maar: „Een Kaffer", die naar de genadeleidingen Gods in de
gelegenheid gesteld was, eene beschaafde, Christelijke opvoe-
ding te ontvangen, en in wien het eenigszins bleek waartoe, on-
der gelijke omstandigheden als blanken, Kaffers komen, kunnen.
„Brengt aan de Kaffers het Evangelie," beweerde Tiyo; „zorgt
voor de opvoeding der kinderen; leert het volk met den ploeg
omgaan; onderwijst het in ambachten en laten de Kaffers
hunne eigen winkels hebben in plaats van afhankelijk te zijn
van blanke handelaars; in een woord, laat de Kaffernatie in de-
zelfde geestelijke en maatschappelijke voorrechten deelen met
de blanken en gij zult zien, dat de Kaffers in zich al de_ele-
17
-ocr page 272-
258
menten hebben van een groot en invloedrijk volk, en in
niets ten achteren staan bij eene blanke natie, onder gelijke
omstandigheden. De kleur van de huid kan tot de verstan-
delijke vermogens van den mensch niets toe- of afdoen, en
iemand om zijn huidskleur te verheffen of te minachten is
het toppunt van dwaasheid."
Bezield met deze gevoelens, was het Tiyo\'s vurige begeerte
om zijn leven te wijden in de eerste plaats aan het geestelijk wei-
zijn, maar voorts ook aan de maatschappelijke ontwikkeling van
zijn volk. „De gaven en krachten, die de Heere hem ge-
schonken had, moesten besteed worden in den dienst des
Evangelies, onder zijn eigen Kaffer-natie. God had hem, ge-
boren Kaffer, eene opvoeding doen- ontvangen boven ieder
ander van zijn volk, en hem een plaats gegeven in de Kerk
en de maatschappij, gelijk geen Kaffer voor hem had inge-
nomen, niet opdat hij, Tiyo Soga, iets zou hebben om zich
op te verheffen boven zijn natie, maar opdat hij, met het-
geen de Heere hem geschonken had, zijn natie zou dienen,
en de Heere daarin verheerlijkt zou worden." Zijn kennis,
zijn welsprekendheid, zijn eervolle omgang met Christen-
leeraars in Afrika en Europa, de onderscheiding, waarmede
hij door de boogstgeplaatste ambtenaren in de Kolonie en
zelfs door een Prius van koninklijken bloede werd behan-
deld, en de geschenken, waarmede hij begiftigd werd, alles
moest zijn volk ten nutte komen in den dienst des Evangelies,
en ook tot verheffing van deszelfs maatschappelijke positie.
En niet alleen dat hij zich persoonlijk tot den dienst on-
der zijn volk geroepen gevoelde en zich geheel daaraan
wijdde, ook zijne kinderen zouden, naar zijn innigste begeerte,
hun leven wijden aan het maatschappelijk en geestelijk wei-
zijn hunner natie. „Dat zij geboren waren uit eene blanke
-ocr page 273-
259
moeder moest door hen als een voorrecht beschouwd wor-
den, doch zij waren Kaffers en geen Blanken." Van hun
vroegste jeugd werd hun dit door Tiyo ingeprent. Toen hg
zijne zonen naar Schotland zond om te worden opgevoed, bond
hij hun, naar zij het verstaan konden, gedurig op het hart,
„dat zij naar Schotland gingen niet om van hun volk
gescheiden te worden maar om eene opvoeding te ontvan-
gen, die hen in staat zou stellen voor hun natie nuttig
te zijn. Indien mogelijk, als predikers des Woords; doch moch-
ten zij daartoe niet geroepen zijn dan in eene andere be-
trekking, zou het ook zijn als ambachtslieden, maar altijd in
den dienst Gods, ten nutte van de Kaffernatie". En toen zij
in Schotland waren, onder blanken en bij hun blanke be-
trekkingen van moederszijde, zorgde Tiyo Soga zooveel hem
mogelijk was, dat zij hun Kafferfamilie niet zouden verge-
ten, noch het doel waartoe zij naar Europa gezonden waren.
Dus schreef Tiyo hun, kort na zijn terugkeer aan de Tu-
tuka: „Wij zijn in welstand thuis gekomen. Ik ben veel
sterker dan vroeger en de koorts heeft mij bijna geheel
verlaten. Al uwe vrienden hebben wij in welstand aangetrof-
fen, Grootmoeder (nl. Tiyo\'s oude moeder) Gxavu, Festiei\'s
huisgezin, en de kleine jongens, uwe neefjes, Joelle en
Bella verzoeken mij u te schrijven, dat zij veel van u hou-
den en dat gij, als gij zijt opgegroeid, terug moet komen."
En later: „Grootmoeder is wel en spreekt dikwijls over
Willie, John en Allan, haar meest geliefde kleinkinderen."
Door zulke herinneringen wilde Tiyo de betrekking tus-
schen zijne kinderen in Schotland met hunne familie in Kaffer-
land levendig houden, en riep hij hun onophoudelijk toe: „Gij
zijt Kaffers, geen Blanken."
-ocr page 274-
260
Tito\'s bedoeling in deze kwam ook bijzonder uit in een
manuscript-boekske, dat hij aan zijn kinderen medegaf toen zij
Afrika verlieten, en dat hij hun, in zijne brieven, gedurig aan-
beveelt om te lezen en te behartigen. Het droeg ten titel:
„De erfenis mijner kinderen", en bestond uit 62 korte
raadgevingen, hoe zij zich te gedragen hadden. De volgende
uittreksels geven een denkbeeld van het geheel, en kunnen die-
nen als toelichting van hetgeen gezegd werd omtrent Tiyo\'s
nationaal gevoel en zijne begeerte, dat zijne zonen zich hun
Kafferaf komst nooit zouden schamen, maar eere aandoen.
„Wat ik hier voor u terneder schrijf, mijne kinderen," zoo
vangt het boekske aan, „berust op ondervinding, waarneming
en overdenking. Indien gij er naarstig acht op geeft, dan
kan het u, onder Gods zegen, tot nut zijn in deze wereld,
naar welks oordeel, gebruiken, vooroordeelen en beproevin-
gen gij u zult hebben te schikken, nl. in zoover gij zulks
kunt doen zonder op eenige wijze aan waarheid en gerech-
tigheid te kort te doen.
I. Sommige Blanken hebben een vooroordeel tegen Zwar-
ten, een vooroordeel dat alleen en uitsluitend gegrond is op
de huidskleur. Om uwszelfs wil, schaam er u nooit over, dat uw
vader een Kaffer was, en dat gij ook van Afrikaanschen
bloede zijt. Dat bloed is in ieder opzicht zoo goed en zui-
ver als wat vloeit in de aderen van blanken. Naar men
zegt, worden de negers in Amerika, die van zuiver Afrikaan-
sche afkomst, zijn het meest gehaat door de halfgekleur-
den (mulatto\'s), die het zeer schijnen te betreuren dat zg,
hoe weinig ook, van de gehate kleur zijn. Ik zelf heb ook
opgemerkt, hoe lieden van gemengd ras liefst voor blanken
willen doorgaan.
-ocr page 275-
261
Het is voor uwe rust in de wereld zeer noodig, dat gij
hierop ernstig let. Houdt altijd uwe moeder in eere als
een oprechte, nauwgezette, trouwe, Schotsche Christin, en
weest altijd dankbaar, dat gij door haar met het blan-
ke ras verbonden zijt. Doch indien gij met eere uw weg
wilt gaan; indien gij u wilt vrijwaren voor de minachting
van zekere lieden wegens uw kleur, neem dan uw plaats
in de wereld als Gekleurden en niet als Blanken, als
Kaffers en niet als Engelschen. Dit zal u in het oog van
alle weidenkenden meer eere zijn dan omgekeerd. Gij zult
daardoor ook het vooroordeel van sommigen tegen uw
kleur, alsof die tot het karakter en de waardij van den per-
soon iets afdoet, beschamen. Wat mij betreft, ik beschouw
het als verregaande ondankbaarheid en goddeloosheid om
ontevreden te zijn met de kleur, welke het God behaagd
heeft iemand te geven. Geen waar Christen kan het ernstig
betreuren, dat wel hij deze, maar geen andere gelaatskleur
heeft. En het is het toppunt van boosheid, een smaad op de
schepping Gods, dat de eene man den anderen haat omdat
hij van een andere kleur is dan hijzelf. Gij, mijne kinderen,
behoort tot een geslacht, dat, hoe verkeerd in menig opzicht,
beneden geen volk staat, wat zijn oorsprong betreft. De Kaf-
fers kunnen, in vergelijking met de onbeschaafde volken, het
hoofd wel omhoog heffen, en zij hebben al de elementen in
zich, waaruit een edele natie kan voortkomen.
II. Sommigen noemen mij — de Heere weet dat ik er mij
niet op verhef — een voorspoedig man. Ik heb een eervolle
plaats in de maatschappij verkregen, die velen onbereik-
baar achtten voor een Kaffer; doch, den Heere zij dank,
daarin tastten zij mis. Alleen de uitwendige omstandigheden
maken, altijd onder het bestel Gods, onderscheid tusschen de
-ocr page 276-
262
natuurlijke vatbaarheid en ontwikkeling van de rassen. Onder
gunstige omstandigheden, behoeft de ontwikkeling van het
verstand van den zwarte niet achter te staan bij dat van
den blanke. Laten zij, die het tegendeel beweren, razen
zooveel zij willen, toch heeft God van de schepping af,
geen geslacht verstandelijk en zedelijk boven het andere
geplaatst. Allen zijn in deze gelijk; doch opvoeding, bescha-
ving en de zegeningen van het Christendom maken onder-
scheid tusschen den een en den ander.
Dat ik, Kaffer, onder blanken geworden ben, die ik ben,
heb ik, onder den zegen Gods, aan het volgende te danken:
Ik heb steeds een brandende dorst gehad naar kennis en
beschaving. Zeer vroeg ben ik onder diepe godsdienstige in-
drukken gekomen. Aan mijne onderwijzers en leeraars en
aan allen, die boven mij gesteld waren, heb ik steeds onbe-
paalde gehoorzaamheid betoond, en ik heb getracht nederig,
gehoorzaam, gewillig en ijverig te doen, wat mij was opge-
dragen. Bovenal, schoon, helaas, zoo gebrekkig, heb ik
steeds begeerd, mij te laten leiden door de vreeze van God,
mijnen hemelschen Vader.
III.   Gij zult niet met rechtschapen menschen overweg
komen indien gij ijdel, hoogmoedig, opgeblazen zijt. IJdel-
heid, hoogmoed, eigendunk, zwetserij en zelfzucht zijn lee-
lijke dingen in iemands karakter. Waakt daartegen.
IV.   Indien gij iets leert, onverschillig wat het zij, weten-
schap, wet, letteren, theologie, talen, handel of een ambacht,
leert het degelijk en niet oppervlakkig. Begint altijd met het
begin. Anders zult gij slechts dingen ten halve leeren, en opper-
vlakkige, onvaste mannen worden, die in niets uitmunten.
VI. Gepaste zelfvertrouwen is een groote zaak; slechts
weinige jongelieden bezitten het. Toen ik aan de Universi-
-ocr page 277-
263
teit te Glasgow kwam, had ik nagenoeg in het geheel geen
vertrouwen in mijzelven. Later heb ik wel eens gedacht, dat
ware dit anders geweest, ook ik naar prijzen had kunnen
dingen, schoon ik in onderscheidene opzichten, door gebrek
aan opleiding in mijn jeugd, bij velen mijner medestudenten
achter stond. Het welslagen op gymnasia, in vereenigingen
van jongelieden, in de collegekamer, op het platform en in
den preekstoel hangt, naar den mensch gesproken, veel af,
van het vertrouwen, dat men in zijn krachten heeft. Wat
gij weet dat gij doen of zeggen kunt, doet dat of zegt het,
al geschiedt het met vreeze. Weest moedig, reeds in uwe
jeugd, doch niet in opgeblazenheid en ijdel vertrouwen. Weest
reeds in uwe jonge jaren mannelijk. Gij zult zien, dat het
onderscheid waarom de een wel en de ander niet slaagt
in zijn arbeid, voor een groot deel ligt, in de mate van
billijk zelfvertrouwen, moed en mannelijkheid, die men bezit.
VI. Hebt de menschen lief als uwe medeschepselen. Ik
heb Engelschen met minachting hooren spreken over Duit-
schers, Franschen, enz. Ik heb Kaffers, evenzoo hooren spre-
ken over Fingoes en Tamboekies. Als zulks recht is, dan is het
ook recht, dat men een vooroordeel tegen u koestert omdat
gij Kaffers zijt. Doch niemand behoort een ander gering te
achten omdat deze niet is zooals hijzelf, van dezelfde kleur
en natie. Gij zult veel zulk vooroordeel onder de menschen
vinden. Doch de wet Gods is : „Hebt liefde tot alle menschen."
X. Wanneer gij een beleedigenden brief van iemand ont-
vangt, beantwoordt dien nooit dadelijk, al wordt er ook
„antwoord gewacht." Laat er een paar dagen over heen gaan
tot gij geheel kalm zijt, voor gij een antwoord geeft, en gij
zult zien, dat gij over de zaak, die u in het eerst zoo pijn-
lijk aandeed, heel anders schrijven of spreken kunt dan te
-ocr page 278-
264
voren. Gij zult tijd hebben gehad om haar van alle zijden te
bezien, en gij zult u anders uitlaten tegen den persoon dan g\\\\
gedaan zoudt hebben indien gij terstond hadt geantwoord.
XIV. Heb niets te doen met achterklap, — dien sluipmoord
van iemands karakter. Indien gjj den aangevallen persoon
niet kunt verdedigen, blijf er dan niet bij als diens karakter
wordt beklad. Achterklap wordt best tegengegaan als
iemand den moed heeft om te zeggen: Ik begeer niet te
luisteren naar het bekladden van iemands naam en eer.
XIX. Beoordeelt niemand overeenkomstig den eersten indruk,
dien hij op u maakt. Gij zoudt anders gevaar loopen om af-
keerig te zijn van iemand met een terugstootend uiterlijk,
schoon van zeer degelijk karakter, en wegloopen met een
schelm, die een innemend uiterlijk heeft.
XXXVII. Grij zijt K1 e u r 1 i n g e n, en als zoodanig moet gij uw
leven wijden aan het welzijn van uw verachte en vertrapte
natie. Mijn raad aan alle Kleurlingen is: Staat elkander bij;
ondersteunt elkander; koopt, laat werken bij elkander, vol-
gens het beginsel, dat men zijn eigen natie in deze dingen
begunstigen en steunen moet.
Indien de Heere u voorspoedig maakt in tijdelijke zaken,
gaat dan toch altijd voort om u het meest op te houden met
uw eigen natie. Tracht het daarheen te leiden, ook door uw
voorbeeld, dat de Kaffers elkander begunstigen met werk, en
als zij winkels houden, met klanditie; dat werkt op hun
beschaving en op hun maatschappelijke verheffing, ook tegen-
over de blanken. Eendracht in alle goede dingen maakt macht,
en eendracht is vooral noodig voor een zwakke partij of natie.
Tracht deze denkbeelden ingang te doen verkrijgen onder
uwe natie, naarmate gij invloed over haar kunt uitoefenen.
LX. Gij moet verwachten, dat men aanmerkingen op uw
-ocr page 279-
265
persoon en gedrag zal maken; dat men u zal misverstaan en
zelfs uwe handelingen en bedoelingen in een verkeerd licht
zal stellen. Doch bekommert u daar niet over, zoolang uw hart
en geweten vrij zijn. Tegelijktijd, leert tucht uit te oefenen
over uzelven, en te veranderen in uw gedrag wat verkeerd is.
LIL Beleedigt niemand, maar vreest ook niemand indien gij
in eenige zaak recht hebt. Lafaards beleedigen, snoeven en drei-
gen. Een waarlijk moedig en beschaafd man beleedigt nooit.
LX. Leest de levensbeschrijving van Sik Waltee Scott.
Ik zelf heb het boek niet gelezen, maar ik herinner mij, eens
toen ik student was aan de Universiteit te Glasgow, Prof.
Fleming, van wien ik veel geleerd heb, te hebben hooren
zeggen, dat Walter Scott, toen hij zijne bezittingen verlo-
ren had, de vuist balde en uitriep: „Mijn eigen rechterhand
zal mij weer fortuin verschaffen!" Vertrouwt mijne kinderen
nooit op uw „eigen rechterhand", maar vertrouwt op den
levenden God. Indien gij op Hem vertrouwt en Zijn zegen
zoekt, zal het u welgaan."
Dus trachtte Tiyo Soga zijnen kinderen rechte liefde tot hun
land en volk in te prenten, en hen te doen verstaan dat zij,
evenals hun vader, geroepen waren, met de gaven en krach-
ten, die zij van den Heere ontvingen en in geheele afhanke-
lijkheid van Hem nuttig te zijn voor hun eigen natie, tot de
uitbreiding van het Koninkrijk Gods. Minst van al zouden zij
zich ooit mogen schamen uit KafFerbloed gesproten te zijn.
Tiyo Sooa kon, schoon hij zeer teergevoelig was, persoon-
lijk veel verdragen, doch als men iets sprak of deed, waar-
door zijn natie in minachting gebracht werd, dan werd zijn
verontwaardiging opgewekt. Schoon in ieder opzicht verre
-ocr page 280-
266
boven iederen Kaffer-hoofdman en boven het groot-opper-
hoofd Kreli zelf verheven, bewees hij dezen steeds, als heer-
schers over het volk, de schuldige achting. Aan de Mqwali
wonende, feitelijk als Britsch onderdaan, erkende hij Sandilli
als zijn wettig opperhoofd, zij het dan onder Britsch gezag,
en zou hij niets doen dat in strijd was met den eerbied door
een Kaffer van minderen rang aan een opperhoofd als San-
billi verschuldigd. Zoo wilde hij, gelijk reeds gezegd is, niet
van de Mqwali naar Kreli-land verhuizen zonder dat daar-
van formeel kennis was gegeven aan Sandilli, en toen de
Gaika-comniissaris, de heer Browlee, gelijk ook de Zende-
lingen, dit niet noodig oordeelden, werd Tiyo bijna toornig.
„Sandilli, schoon een heiden, was zijn wettig opperhoofd, en
mocht niet behandeld worden alsof men geen rekening met
hem te houden had. De gewone burgerlijke beleefdheid
moest aan het Gaika-opperhoofd bewezen worden geluk
aan ieder ander regeerder." Zóo overtuigend sprak Tiyo Soga
op dit punt, dat zoowel de Magistraat als de Zendelingen
moesten toegeven, en dat Sandilli, voor wiens persoon zij
kwalijk eenige achting konden koesteren, in zijn kwaliteit
van opperhoofd met het voorgenomen vertrek van zijn Zen-
deling formeel in kennis werd gesteld.
Zoo bevond Tiyo zich eens in het gezelschap van een
vriend, die, vergetende met wien hij sprak, zijn hart luide
lucht gaf over de ondankbaarheid der Kaffers. „Een Kaffer
wist zelfs niet wat dankbaarheid was", meende deze vriend.
Dit was te veel voor Tiyo Soga om te verdragen. „Wat",
riep hij uit, „weet een Kaffer niet wat dankbaarheid is! Die
blaam gaat mij persoonlijk aan, want ook ik ben een Kaf-
fer, en ik mag mijn volk niet dus laten smaden. Of zijn er
geen voorbeelden van ondankbaarheid onder de blanken?
-ocr page 281-
267
Zijn er alleen onder de Kaffers ondankbaren, of is de zonde
van ondankbaarheid algemeen onder de menschen!" De vriend,
die Tiyo hartelijk liefhad en niemand minder dan hem eenig
leed zou hebben willen aandoen, was gedwongen, zijne grievende
beschuldiging tegen de geheele Kaffernatie terug te trekken.
Tiyo was een Kaffer-gent Ie man en wist zich, waar het
noodig was, als zoodanig te doen gelden tegenover de min-
achting van dusgenoemde beschaafde blanken, eenvoudig om
zijn kleur. Eenmaal, op reis zijnde, kwam hij aan een hotel
langs den weg, waar hij wat wilde uitrusten, en men hem
een goede kamer wees met twee ledikanten. Nauwelijks had
hij zich op een dezer neergelegd, oi de deur werd geopend
en een officier van het Vreemde Legioen, in Kafferland ge-
stationneerd, trad binnen. Deze, ziende een gekleurde op
het bed liggen, stond eenige oogenblikken als verplet, en
vroeg toen met een verschrikkelijken vloek wie „die Kaffer
was en wat hij daar te maken had ?" Tiyo Soga stond bedaard
op en den heldhaftigen krijger strak aanziende zeide bij:
„Ik ben de Weleerwaarde Tiyo Soga en mag ik nu ook we-
ten wie Gij zijt?" De officier verklaarde later, in een kring
van andere officieren, dat de waardige houding van „die
Kaffer" hem, Europeaan, geheel tot zwijgen gebracht had.
De man moest erkennen dat Tiyo een gentleman was, doch
wat hij niet kon weten was, dat deze zich minder persoon-
lijk dan in zijn natie beleedigd had gevoeld, en voor deeere
van zijn volk was opgekomen.
Zulke voorvallen echter maakten op Tiyo een blijvenden
pi]nli]ken indruk, zoo, dat hij zich somtijds geheel aan den
omgang met blanken wilde onttrekken. Men kan ook licht
verstaan, wat het voor iemand als Tiyo geweest moet ziljn
-ocr page 282-
268
om gedurig weer, en van een zijde van welke hij het niet
verwachtte, te moeten gevoelen, dat men hem om zijn kleur
niet slechts minachtte, maar het hem feitelijk ten misdaad
rekende dat hij, een zwarte Kaffer, eene beschaafde opvoe-
ding ontvangen had. Nooit kon hij bijv. vergeten, dat
eene patrouille van bereden politie hem eens als landlooper
had opgebracht toen hij, in den dienst des Evangelies, zon-
der Kafferpas op reis was. Zulke ontmoetingen had hij dik-
wijls en maakten hem zwaarmoedig en terughoudend in zijn
verkeer met blanken, die niet onmiddellijk tot de Zending
in betrekking stonden. Gelukkig, dat hij ook verstaan mocht
wat de Heere hem in en door dit alles te zeggen had, tot
kruisiging des vleesches en dooding van den ouden mensch,
en hij ook in dezen weg oefening mocht hebben om zacht-
moedig te zijn en nederig van hart.
Als prediker in het Kaffersch had Tiyo Soga zijn gelijken
niet. Ook in het Engelsch sprak hij met gemakkelijkheid en
wist hij zijn gehoor op bijzondere wijze te boeien. Doch in zijn
eigen taal was hij een redenaar in den volsten zin des woords.
Gewoonlijk preekte Tiyo niet zonder degelijke voorberei-
ding en met een uitgewerkte schets voor zich, waarvan hij,
zonder bepaald te „lezen", wel gebruik maakte. Zijn stem
was eenigszins gedempt, schoon toch zeer welluidend. Zijne
bewegingen onder het spreken waren eenvoudig, natuurlijk,
zonder gemanierdheid, en gepast. Ook waar men geen woord
van de taal verstond, geraakte men onder den machtigen
invloed, dien hij als prediker op zijn Kaffer-gehoor uitoefende,
zoo door den ernst waarmede hij sprak, als door zijn schit-
terend oog en indrukmakende houding, terwijl de Kaffers
zelven onder zijne prediking en toespraken als aan zijne lip-
-ocr page 283-
269
pen hingen. Tiyo maakte in zijne preeken in het Kaffersch
veel gebruik van beelden, genomen uit het dagelijksch leven,
en het geringste voorval wist hij dus dienstbaar te maken
om de aandacht zijner hoorders te trekken en hun de waar-
heden des Evangelies duidelijker uiteen te zetten en op het
hart te binden. Een enkel voorbeeld moge dit toelichten.
Het was bij gelegenheid der inwijding van een kerkge-
bouw te Henderson. De kerk was bezet met Kaflers, waar-
onder vele Kafferkapiteins, raadsheeren en oude krijgers,
meest allen heidenen. Nadat er een lied gezongen was,
ging Tiyo voor in een kort gebed, en las daarna den 729ten
Psalm, waaruit hij zijn tekst nam, vs. 17: „Zijn Naam zal
zijn tot in eeuwigheid". Na den tekst in het verband
verklaard te hebben, herinnerde hij zijne hoorders aan
de Kafferhoofden en machtige strijders, in hunne eigene ge-
schiedenis bekend en geroemd. Vervolgens toonde hij aan,
hoe, in den loop der tijden, ook de naam van de grootsten
dezer in vergetelheid geraakte. Nu hield hij eenige oogen-
blikken stil. „Maar Wiens Naam geraakt nooit in vergetel-
heid; Wiens Naam is onsterfelijk; Wiens Naam zal van
kind tot kind worden voorgeplant ?" Te midden van een
hoorbare stilte noemde de prediker nu dien Naam: Jezus
Christus. Hij sprak vervolgens over de heerlijkheid van dien
Naam; wie Hij, die dien Naam droeg, was; wat Hij had
gedaan, hoe Hij had geleefd, hoe en waarom Hij was ge-
storven, en dat ook zelfs Kaffers in dien Naam zouden
gezegend worden. Nu schetste hij den heiden in zjjn maat-
schappelijke en zedelijke ellende, en wees hij op het oordeel,
waaronder ook zeer bepaaldelijk de Kaffers, wegens hunne
nationale en persoonlijke zonden, verkeerden, waarna hij zijne
hoorders smeekte, om de eere Gods en bij alles wat hun
-ocr page 284-
270
dierbaar was, hun toevlucht te nemen tot Hem, Die den Naam
draagt van Zaligmaker, omdat Hij zijn volk zalig maakt
van hunne zonden. Tiyo Soga, naar het lichaam geheel uit-
geput, zat eindelijk neder en de dienst werd geëindigd. Zoo
diep was de indruk, die deze prediking op de Kaffers maakte
dat het opperhoofd tot zijn raadsheeren zeide: „Luistert naar
hetgeen deze predikers leeren en laat het nimmer weer ge-
zegd worden, dat uwe opperhoofden u beletten het Evange-
lie aan te nemen." En een in de zonde grijs geworden Kaf-
fer riep luide uit: „Wat zal het beteekenen, dat de zoon van
Soga ons dus tot kinderen maakt zoodat onze oogen dof
staan van tranen?"
Tiyo wist van iedere gelegenheid gebruik te maken om aan
zijne heidensche landgenooten het Evangelie te prediken.
Zoo kwam hij eens, in gezelschap van den Gaika-commissa-
ris, tegen den avond aan een groote Kafferkraal, waar juist
een danspartij werd gehouden. In twee rijen tegenover elkan-
der, bewogen zich de dansers in de grootste opgewonden-
heid, op de maat van een afgrijselijke soort muziek. Terwijl
zijne medereizigers naar hun tent gingen, bleef Tiyo, naar
Kaffergebruik, in de kraal tot.de dans geëindigd was. Doch
den volgenden\'morgen vroeg liet hij al de lieden uitnoodigen
tot zijn prediking. Nieuwsgierigheid en misschien de hoop
om een pijp vol tabak te bekomen deed velen aan de uitnoo-
diging gehoor geven, zoodat Tiyo spoedig eene groote ge-
meente bijeen had. Doch hoe zou hij de aandacht dezer lieden
kunnen bepalen bij de boodschap des heils! Staande onder
de schaduw van een wilden olijfboom, in het midden eener
schare vau woeste, roodgeverfde heidenen, riep hij kort des
Naam des Heeren aan en sprak hen toen aan als een hunner.
Hij herhaalde eenige regels van het lied op welks maat zy
-ocr page 285-
271
den vorigen avond gedanst hadden. „Vroolijkheid en opge-
ruimdheid waren goed", zeide hij, „doch bij al die vroolijk-
heid zijt gij ellendig, want gij leeft zonder God en zonder
hoop in de wereld." Hierover weidde hij nu uit, vermanende
zijne hoorders om te vlieden van den toekomenden toorn, en
hen wijzende op de blijdschap der schuldvergeving in Chris-
tus, den Verlosser, die eeuwig blijft. Hoe zulke prediking
in het harte der Kaffers viel, mag blijken uit het antwoord,
dat een oude Kaffer gaf\' toen men hem vroeg „waarom hij
onder den dienst gedurig gelachen had?" „Ik had er schik
in," zeide de oude heiden, „hoe de zoon van Soga tot ons
sprak; het was alsof hij ijzeren bouten dwars door ons heen
dreef en die aan de andere zijde vastklonk, zoodat wij moes-
ten luisteren en ons onderwerpen."
Onder de Kaffers van dezelfde kraal heerscht een soort van
communisme; men heeft bijna alles gemeen, behalve het vee,
dat bijzonder eigendom is. En hoe hooger rang een Kaffer
bezit, naar die mate wordt hij verwacht een open hand te
hebben voor het mindere volk. Noblesse oblige, is vooral
onder de Kaffers van kracht. Daarbij zijn de Kaffers, aan-
zienlijken en geringen, uitgestudeerd in het bedelen; zonder
eenig gevoel van schaamte zal een Kaffer van zijn meer-
deren in rang, of die hij daarvoor wil beschouwen, vragen
wat deze heeft: spijze, kleeding, dekens, tabak, geld enz.;
doch hij deelt van den buit ook weer mede aan zijns ge-
lijken of zijne minderen. Tiyo Soga vroeg nooit voor zichzel-
ven, maar was zeer mededeelzaara, en van zijne gulheid maakten
de Kaffers gedurig misbruik. „Ik heb bemerkt," zeide Tiyo
eens, „dat als ik met twee Galeka\'s in aanraking kom, een
van hen zeker mgn neef is, en dit komt mij altijd op iets
-ocr page 286-
272
te staan, al is het maar een pijpvol tabak. Aan een „neef\' kan
men zulk een kleinigheid toch niet weigeren." De „neven"
„leenden" van Tiyo bijna alles wat hij had, behalve wat
zij ten geschenke wisten te krijgen, en Tiyo vond hierin
kwalijk iets bijzonders. Hij was een vijand van alle zelfzucht
en een voorbeeld van dienstvaardigheid.
Over het algemeen was Tiyo Soga, vooral in den laatsten
tijd zijns levens, stil en teruggetrokken schoon nooit on-
vriendelijk, of onaangenaam in den omgang. Diep gevoelde
hij, dat hij alleen stond, in ieder opzicht hoog verheven
boven zijn eigen natie maar toch door eene onoverkomelijke
klove gescheiden van het blanke ras. De Kaffers hadden al
zijne liefde, doch zijn hart bloedde bij de gedachte aan de
geestelijke en maatschappelijke ellende waarin zij verzonken
lagen, en van hunne barbaarsche gewoonte had hij een afschuw.
„Mijne arme landslieden!" werd dikwijls van zijne lippen ge-
hoord, als de onwillekeurige uiting der gedachte, die altijd
op den bodem van zijn hart leefde. In het Evangelie kon
en wilde hij hen dienen; hij den Kaffers een Kaffer; doch
overigens kon hij geen socialen omgang met hen houden, ook
waar hij dit begeerde, daar allen, wegens zijne opvoeding en
geheele persoonlijkheid, tegen hem opzagen, en hij van de
heidensche praktijken nog dieper afkeer had dan een blanke
Zendeling ooit hebben kon.
Tiro Soga was met groote gedachten voor de bekeering
en zedelijke verheffing zijner natie naar Afrika teruggekeerd,
en zijne verwachtingen zijn niet beschaamd geworden. God
heeft in Kafferland en onder de Kaffernatie groote dingen
gedaan, ook als vrucht van Tiyo\'s arbeid. Doch diens werk was
meer dat van den zaaier, die „gaat en zaait al weenende",
-ocr page 287-
273
dan van hem, die met vreugde de garven binnenbrengt. Tiyo
Soga heeft in zijn dienst veel moeten lijden, omdat hij als
een Kaffer, uit de Kaffers onder zijn volk in het Evangelie
arbeidde, en tevens de rechten der Kaffers, als volk, bepleitte
en handhaafde. Op dien arbeid heeft de Heere echter het
zegel gezet. „De Heere wrocht mede."
XXI.
AVONDROOD.
Bij den aanvang van het jaar 1871 was Tiyo Soga weer
zeer lijdende; hij gevoelde zich afgemat en uitgeput naar
het lichaam, doch ging toch voort met zijne gewone werk-
zaamheden. Van den l8ten tot den 16den Maart woonde hij,
te King-Williamstown, de gewone vergadering bij van de
Commissie tot het reviseeren van den Bijbel in het Kaffersch,
en hielp hij mede om de eerste dertien Hoofdstukken van
de Handelingen der Apostelen voor de pers gereed te maken.
Het was echter duidelijk, dat zijne dagen geteld waren. U\\)
leed aan een -onophoudelijken hoest en gevoelde zich door-
gaans zeer afgemat, zoodat hij slechts zelden bij de ope-
ning der zittingen, om 9 uur in den morgen, tegenwoordig
kon zijn. „Let er maar niet op, dat ik wat later kom," zeide
Tiyo, „ik kan den ganschen nacht geen oog toedoen wegens
den hoest en \'s morgens gevoel ik mij zoo zwak, dat ik kwa-
lijk kan loopen". Tiyo\'s gastheer, de heer Samuel, directeur
van de Hoogere Burgerschool te King-Williamstown, bood
hem het gebruik van zijn paard aan om naar en van de
vergaderingen te rijden, doch Tiyo was zoo bevreesd om
18
-ocr page 288-
•
274
„moeite te geven", dat hij slechts zelden van het vriendelijk
aanbod gebruik maakte. Geen enkele zitting werd echter
door hem verzuimd, schoon het hem zwaar viel om den
ganschen dag, tot \'s avonds 6 uur, door te werken. Hij kon
wegens zwakte niet rechtop zitten, en gewoonlijk liet hij zijn
manuscript, in plaats van op de tafel, op zijn knie rusten.
Soms werd hij door zoo hevigen hoest gekweld, dat men haas-
tig naar den apotheker moest zenden om het een of ander
hoeststillend middel. Tiyo was gedurende dezen tijd als men
hem aansprak opgeruimd, doch anders lag er een waas van
gedruktheid en lijdelijke berusting over zijn uitgeteerd gelaat.
Te midden van zijn arbeid te King-Williamstown, vond
Tiyo gelegenheid aan zijne kinderen in Schotland te schrij-
ven, o. a. aldus:
„Ik ben nu in King-Williamstown om, gelijk gij weet, tezamen met an-
dere Zendelingen den Bijbel te vertalen in het Kaffersch. Toen ik van
huid ging, nu elf dagen geleden, waren allen wel, en er is niemand ge-
storven sedert gij vertrokken zijt, zoodat de Heere ons zeer genadig is
geweest. Ik was blijde te vernemen, dat gij ook wel zijt, en ik hoop, mijne
beste jongens, dat gij dankbaar zijt aan God voor zijne liefde jegens u,
Leert in uw jeugd aan God te denken en den Heere Jezus liefhebben,
want als men oud wordt is het hart dikwijls verhard en onbuigzaam. Gij
moet zeer ter harte nemen alles, wat u geleerd wordt aangaande God en
de zaligheid uwer onsterfelijke zielen. Schoon gij nog jong zijt, hebben
uwe zielen toch behoefte aan de liefde Gods en de zaligheid, welke is in
Ohristus zijnen Zoon, evenals uwe lichamen aan voedsel.
„Ik hoor tot mijne blijdschap, dat gij goed oppast. Nu, dat behoort ook
zoo, en het zou mij smarten indien ik moest hooren, dat mijne jongens
in het vreemde land zich niet goed gedroegen en ongehoorzaam of lui
waren. Denkt er ook aan, dat gij de kinderen zijt van een armen Zende-
ling, en dat gij naarstig zijn moet in uwe studiën om, als gij zijt op-
gegroeid, u zelven behoorlijk te kunnen onderhouden en ook voor uwe
jongere broeders en zusters te kunnen zorgen, want waar moeten anders
de middelen vandaan komen om ook hun een opvoeding te geven?
-ocr page 289-
275
„Weeat steeds zeer dankbaar voor elk bewjjs van vriendelijkheid, dat
gij ontvangt. Hebt gij al geschreven aan X. en N. N., die u zoo harte-
lijk hebben ontvangen en verzorgd op de reize naar Schotland? Het zon
mij zeer leed doen indien mijne jongens op dit pnnt vergeetachtig wa-
ren. Er is geen enkele reden in u zelven, waarom zoo vele vrienden u
liefde bewezen hebben en bewijzen, want gij hebt nog niets gedaan om
u hunne liefde waardig te maken. Des te meer moet gij dus hunne vriende-
lijkheid op prijs stellen en u dankbaar betoonen.
„De oude Mevr. Brownlee is overleden. Zij stierf zeer gelukkig omdat
zij in den Heere geloofde. Even voor haar sterven zeide zij nog: „De
hemel is mijn thuis". De oude heer Brownlee is nabij den dood; hij
is lam aan de eene zijde. Hij heeft als een getrouw dienstknecht van
Christus gearbeid en verlangt naar zijn woonstede in de hemelen.
„Het opperhoofd Kreli is wel. Naar ik meen, zal hij oorlog maken met
Noanqelizwe, die zijn vrouw, Kreli\'s dochter, zoo wreed mishandeld heeft.
„Een Zendeling zeide eens tot mij dat hij zijn zoon op jeugdigen leef-
tijd naar Engeland had gezonden om te worden opgevoed, en dat deze,
nadat hij teruggekomen was, zijn vader niet liefhad en niet wilde
kennen. Het deed mij leed, zulks te hooren, en ik zeide bij mijzelven :
„Ofschoon ook mijne zonen zeer jong naar Schotland gegaan zijn om te
worden opgevoed, zullen zij hun vader toch nooit vergeten.
„Wij hebben de vertaling van de vier Evangeliën voltooid en ik ben
nu bezig met de Handelingen der Apostelen. Eerstdaags hopen wij aan de
Tutuka een kerkgebouw in te wijden, dat opgericht ia sedert gij vertrok-
ken zijt. En moge God nu met u zijn, mijn beste jongens. Dat Hij n
zegene, beware en uwer zielen genadig zij."
Tiyo Soga\'s laatsten gang, voor hij King-Williamstown
verliet, was naar het postkantoor om aan zijne kinderen een
pond sterling over te maken. „Ik was dikwijls in Schot-
land zonder een enkelen stuiver, dien ik mijn eigen kon
noemen", zeide hij tot een predikant, die hem naar het post-
kantoor vergezelde, „doch mijne jongens moeten eenig zak-
geld hebben" „Laat hen dit geld zelf op het postkantoor
gaan ontvangen", schreef hij aan hun voogd in Schotland,
„en het dan aan u in bewaring geven om bij gedeelten terug
-ocr page 290-
276
te ontvangen. Jongens moeten niet te veel zakgeld hebben,
maar hun in het geheel niets te geven is ook zeer verkeerd.
Als zij zien dat hunne schoolkameraden eenig geld hebben
en zij zei ven niets, dan wordt hun jongensgeest gebroken
en voelen zij zich achteruitgezet. Laat hen, voor hun drieën
eiken Zaterdag twee shillings ontvangen. Ik hoop geregeld
voor hun zakgeld te zorgen, om hen ook op deze wijze ge-
durig aan huns vaders huis te herinneren. Wil hen ook op-
inerkzaam maken, dat zij wat behooren te sparen, al is het
nog zoo weinig, om iets nuttigs te koopen, vooral boeken.
Indien zij ergens heen willen gaan, moeten zij de reiskosten
betalen van hun zakgeld."
Het kerkgebouw aan de Tutuka, waarvan Tiyo Soga in
den voorgaanden brief aan zijn kinderen in Schotland mei-
ding maakt, werd een maand daarna, op plechtige en voor
de Zending in Kreli-land veelbeteekende wijze, aan den open-
baren dienst des Heeren gewijd. Van Tiyo\'s eigen hand heb-
ben wij daarvan de volgende beschrijving:
„De 16de en de 19de April dezes jaars zullen niet licht ver-
geten worden in de geschiedenis onzer statie. Op Zondag
16 April werd ons kerkgebouw geopend, en op Woensdag
19 April kwamen wij samen met vele Kaffers, Christenen
en Heidenen, en niet Blanken, die belang stellen in de uit-
breiding van het koninkrijk Christi onder de inboorlingen van
Zuid-Afrika. Wij waren bijeen om met elkander blijde te zijn;
om, ziende op onze, zij het ook kleine, overwinningen, elkander
te bemoedigen, en elkander te versterken onder onze neder-
lagen. Wat op deze, ons van God geschonken, dagen gezegd
en gedaan is zal, ik ben er verzekerd van, goede vruchten
dragen; de Heere zal zijn eigen Woord en werk zegenen.
-ocr page 291-
277
Zondagmorgen, 16 April, verrees de zon zoo prachtig aan
den onbewolkten blauwen hemel, en was alles in de natuur
zoo stil en schoon als men zou hebben kunnen wenschen.
Alles om ons heen beloofde een heerlijken dag.
Van de Zendelingen in Kafferland waren tot onze feest-
viering overgekomen de BB. Bryce Ross, van Pirie, ruim
100 mijlen van hier, J. A. Chalmers, van Henderson,
in Gaika-land en J. Sclater, van Paterson, die van 40
tot 80 mijlen hadden moeten reizen naar de Tutuka.
Br. Chalmers zou de openingsrede houden in de Kaffertaai;
Br. Sclater zou den dienst leiden voor de Europeanen, die,
nu twee jaren lang, maandelijks onder mijn gehoor ko-
men, terwijl Br. Bryce Ross de samenkomst zou sluiten met
«en tweeden dienst in het Kalïersch.
Met het aanbreken van den dag werden de slapers op de statie
gewekt door het luiden der klok, die de heer Mc.Farlane
ons geschonken heeft, en die in het overdekte torentje aan
den oostelijken gevel van het gebouw is opgehangen. Tegen
zonsopgang waren de lieden van de statie verzameld tot het
gebed in de oude Kafferhut, die ons twee jaren lang gediend
had als kerk. Als gevoelde onze hut, dat haar dienst niet
meer vereischt zou worden, was zij juist in de laatste dagen
aan de eene zijde bijna geheel weggezonken, zoo, dat indien
de palen in het midden niet zeer vast in den grond
geslagen waren, wij dezen morgen geen „hut" maar slechts
een puinhoop zouden hebben gevonden. Doch het werd ons
vergund, nog eenmaal te vergaderen in deze plaats, die, hoe
eenvoudig ook, ons gediend heeft tot onze godsdienstige sa-
menkomsten, om nu met schuldbelijdenis, dankzegging en
gebed daaruit te trekken naar ons nieuw gebouw, dat juist
op den rechten tijd, geen Zondag te vroeg, gereed was.
-ocr page 292-
278
Als naar gewoonte bij onze bedestonden, gingen onder-
scheidene leden der Kaffergemeente voor in het gebed. De
samenkomst duurde ongeveer een uur en was zeer opwek-
kend, en eene goede voorbereiding tot de andere diensten.
Behalve onze eigene gemeente en de heidenen op de statie,
waren er vertegenwoordigers der Zendingsstaties tePirie, Peel-
ton, Mqwali, Henderson, Paterson en Butterworth. Het was
een treffend gezicht, zoovele Christenen uit de Kaffers bij-
een vergaderd te zien.
Tegen 10 uur arriveerden van alle kanten ossenwagens
vol belangstellenden, benevens velen te paard en te voet,
zoodat de statie vol leven was.
Een uur later werd de klok weder geluid en verzamelden
allen nabij de oude Kafferhut. Een lied in het Kaffersch,
waarin de overwinningen van het Evangelie van Gods ge-
nade en de heerlijkheid van het rijk des Verlossers vermeld
werden, werd nu aangeheven, en onder het zingen zette de stoet
z ich in beweging naar het nieuwe kerkgebouw. Toen het laatste
vers gezongen was, opende Br. Chalmeks de deuren, en in kor-
ten tijd was het gebouw gevuld met Christenen en heidenen.
Na gebed en lezen van Gods Woord, predikte Br. Chal-
mees nu over Psalm 144, van vs. 11 tot het einde. Op dezen
dienst volgde de Engelsche, die door ongeveer 40 Europea-
nen, groot en klein, en door inboorlingen, die Engelsch
verstonden, werd bijgewoond. Des namiddags om 3 uur preekte
Br. Bryce Ross weer in het Kaffersch, over Jesaia 45:22.
„Wendt u naar mij toe en wordt behouden, alle gij einden
der aarde, want Ik ben God en niemand meer." De predi-
king, zoo in het Kaffersch als in het Engelsch, was uitste-
kend, ook wat den vorm en de voordracht betrof, en maakte
diepen indruk.
-ocr page 293-
279
Ik kom nu tot onze groote vergadering op Woensdag.
Reeds in den vroegen morgen kon men goed bespeuren, dat
er iets op de statie gaande was, en dat er niet alleen ge-
sproken zou worden maar ook gegeten. Onder alle spijzen,
is er g een waarvan een Kaffer meer houdt dan van i n y a m a,
d. i. vleesch, gebraden op kolen, gestoofd, of eenvoudig in een
pot gekookt. De Kaffer-smaak voor vleesch is fijner of niet,
naar men het neemt, dan John Bull\'s smaak voor gebraden
rund- of schapenvleesch of gebraden gevogelte. De hoog-
beschaafde mijnheer moge allerlei toevoegselen behoeven om
zijn vleeschspijzen smakelijk te maken, de „barbaarsche"
Kaffer is tevreden als het vleesch versch is en vet, wel ge-
braden of juist behoorlijk gekookt. En daar hij het slechts
bij enkele gelegenheden te eten krijgt, wordt vleesch als een
feestgerecht beschouwd. Dezen morgen stonden er zeker
meer dan zestig potten met vleesch op de kolen, deels van
lieden tot onze statie behoorende, deels van Kaffers uit de
omliggende kraaien.*)
Tegen elf uur vergaderden wij in het nieuwe kerkgebouw,
dat veel te klein was om de schare, die tot onze samen-
komst en de feestviering was opgekomen, te bevatten. Min-
stens drie maal zooveel lieden zaten rondom de kerk als in
het gebouw. Ook Kkeli was gekomen met velen zijner voor-
naamste raadsleden, en behalve de BB., die des Zondags ge-
\') Ikzelf woonde, in 1860, te Sesego, in Kafferland, een kerkinwijding
bij, die door zulk een fecstmaaltijd gevolgd werd. Ik telde toen een-
en tachtig potten met vleesch en maïs, die gedurende den dienst op het
vuur stonden, om na afloop van denzelven, door de aanwezige schare ge-
ledigd te worden.
                                                                           F. L. O.
-ocr page 294-
280
preekt hadden waren nog de Zendelingen Richaed Ross,
J. Longden, van de Wesleyaansche Zending, en J. Davidson,
van Elujilo, tegenwoordig. Tot voorzitter der samenkomst
werd Ds. Bryce Ross gekozen, en nadat een lied in hetKaf-
fersch*) gezongen was, ging Br. Richakd Ross voor in het gebed.
Vervolgens bracht ik verslag uit omtrent den bouw der
nieuwe kerk, waaruit bleek, dat de kosten daarvan bedragen
hadden £ 52.19.2 (bijna /"636), die op ruim ê 12 na betaald
waren, en wel voor een groot deel, uit collecten bij de gods-
dienstoefeningen; dat de lieden der statie veel werk aan het
gebouw kosteloos verricht hadden; en dat ten behoeve der
feestelijkheden van dezen dag één rund gegeven was door
Keeli en nog drie runderen door Europeesche vrienden,
en dat 32 schapen en bokken ontvangen waren van drie
leden der gemeente en van de heidenen in de nabijheid
der statie. Terwijl ik nog dank toebracht aan de heide-
nen voor hunne vrijgevigheid bij gelegenheid der ope-
ning van ons kerkgebouw, kwamen een aantal Kaffervrou-
wen met manden vol groene railies, pompoenen en suiker-
riet, ten gebruike van hen, die van verre gekomen waren
en geen spijze hadden kunnen medebrengen. De regel, door
\') Waarvan het eerste vers luidt:
„Nina nonke nino-Tixa
„Tembelani knyo;
„Uluncedo ulikaka,
„Tembelani kuye."
Dat ia:
„Gij allen, die in God gelooft
Vertrouwt op Hem.
Hij is een helper, Hij is een schild
Vertrouwt op Hem."
-ocr page 295-
281
de Presbyteriaansche Zendelingen gevolgd om geen onder-
scheid te maken, wat eten en drinken betreft, tusschen Chris-
tenen en heidenen, en in deze de gewoonte des lands te
volgen, werkt goed. De heidenen merken spoedig, dat de
Zendelingen en de Christen-inboorlingen zich in de ge-
wone dingen des levens, niets boven de anderen willen aan-
matigen, en dit wekt vertrouwen en toenadering. Gelijk ook
nu weer bleek uit de rijke en welkome bijdragen door de
heidenen geleverd tot ons feest.
Nadat het verslag, op de gebruikelijke wijze, aan de ver-
gadering ter goedkeuring was voorgesteld en met „eenparige
stemmen" was aangenomen, werd het woord gevoerd door
onderscheidene Zendelingen en door Christen-inboorlingen.
Eindelijk stond ook Kkeli, het groot Opperhoofd, op, „om
dank te zeggen voor hetgeen bij dezen dag gezien had en
gehoord". „Hij wilde den Zendelingen verzekeren, dat hij en
zijn volk het Woord van God in oprechtheid hadden aan-
genomen, en zijn begeerte uitspreken, dat de Zendelingen
zouden voortgaan met prediken en onderwijzen onder het
volk." In gelijken geest sprak Xoxo, het tweede opperhoofd
in rang onder de Galeka\'s, en Mazabele, van de Qolora, zoo-
dat drie van de voornaamsten des volks op dezen dag getui-
genis gaven van de kracht des Evangelies, en dat zij het
Woord hadden „aangenomen". Niet in dezen zin, alsof zjj
reeds tot bekeering gekomen waren, maar dat zij geen ver-
hinderiug in den weg zouden leggen aan de prediking van
het Evangelie, en zich voor het uitwendige daarmede ver-
eenigden.
Nu werd nog een collecte gehouden tot afbetaling van
de schuld op het kerkgebouw. Kkeli, die nabij de deur
-ocr page 296-
282
zat, stond eerst op, ging naar de tafel vóór den preek-
st\'oel, waar de Zendelingen zaten, en gaf een, voor hem ko-
ninklijke, gave, nl. een halfpond sterling (f6). Hij werd
gevolgd door Mazabele, die met een zekere fierheid zes
shillings (ƒ8.60) op de tafel leidde. Waar de hoofden
dus het voorbeeld gaven, volgde het volk gewillig, en de
eene, met roode verf besmeerde, heiden na den ander kwam
en bracht zijn (of haar) t i li i e (six pence) (ƒ 0.30) of shilling
(ƒ 0.60). Geld was en is gewoonlijk schaarsch onder de Kaf-
fers en wordt nooit door hen uitgegeven dan in de uiterste
noodzakelijkheid, zoodat giften in geld, variëerende van six-
pence tot tien shillings, van heidenen ten behoeve van eene
Christelijke kerk, waarlijk ruim mochten worden genoemd.
Dat de Christenen in deze niet bij de heidenen achterbleven
spreekt van zelf."
Tito Soga gevoelde zich in deze dagen overgelukkig. De nieuwe
kerk was slechts een zeer eenvoudig gebouw, 40 voet lang bij
20 voet wijd, van riet en pleister, met een warande om het tegen
den regen te beschutten, doch het stond daar „als een getuigenis
voor den Heiland in het midden van een heidensche bevol-
king". Keeli en zijne raadsheeren hadden zich, openlijk, gun-
stig verklaard jegens de Zending, en van hunne zijde was
nu eer krachtigen steun dan eenigen tegenstand te wachten.
De kleine Christengemeente aan de Tutuka bloeide, en op
verschillende plaatsen waren reeds buitenstaties gevestigd.
Van de goede vestiging en den voortgang der Zending in
Galeka-land mochten de Broeders, die Tiyo herwaarts ge-
zonden hadden, nu op bijzondere wijze getuige zijn, en met
deze Broederen kon hij thans zijne plannen voor de toe-
komst, in verband met de Zending, in het breede bespre-
-ocr page 297-
283
ken. Dit alles verkwikte zijn ontvankelijk en dankbaar hart.
En toen straks de feestelijkheden afgeloopen en de BB.
huiswaarts gekeerd waren, en hij, betrekkelijk eenzaam, op zijn
statie achterbleef, gevoelde hjj zich opgewekt als weleer tot
den arbeid, in goede hope dat hij, in het hem toebetrouwde
deel van \'s Heeren wijngaard, nog zou mogen planten en
natmaken en ook vruchten oogsten, alles tot eere van\'sHee-
ren Naam en heil van het Kaffervolk.
XXII.
IN DE RUSTE INGEGAAN.
Weinig dacht Tiyo Soga, weinig dachten zijne vrienden, die
nu met hem zamen geweest waren, dat hij aan het einde van
zijn levenstaak gekomen was, en binnen weinige maanden
zou worden opgeroepen om in te gaan in de Ruste.
Toch was dit zoo.
Geldelijk gesteund door de gemeente van Ds. Millar te
Perth, Schotland, had Tiyo Soga een buitenstatie gevestigd
ongeveer 6 mijlen van de Tutuka, met een Kaffer-evangelist
om te prediken en de kinderen te onderwijzen. Nu wenschte
hij ook een Kaffer-evangelist te plaatsen bij Mapassa, het
voornaamste opperhoofd na Keeli. Langen tijd was Mapassa
ongezind om in zoo nauwe aanraking te komen met het
„ding", doch eindelijk gaf hij zijn toestemming, maar „Tiyo
moest zelf\' komen om de plaats voor de statie uit te zoeken
en de zaken verder te regelen."
Het was in het begin der maand Juni, midden in den
Kaapschen winter, dat Tiyo Soga daartoe, te paard, naar Ma-
-ocr page 298-
284
passa\'s kraal reed, en zeker zijnde dat men hem op de ge-
bruikelijke wijze gastvrij zou ontvangen, nam hij nagenoeg
geen voedsel met zich. Aan de kraal gekomen, bleek het
echter dat Mapassa vanhuis was. Men wees Tiyo een hut,
die zeer vochtig was, en hier wachtte hij een paar dagen,
zonder behoorlijk voedsel, op de terugkomst van het opper-
hoofd. Eindelijk keerde hij naar de Tutuka terug, waar hij
druipnat van den regen aankwam, en hem eene nieuwe te-
leurstelling wachtte. Zijne vrouw, die hem niet zoo spoedig
terug verwachtte, was met de kinderen naar Butterworth,
een naburige statie, gegaan voor verandering van lucht. De
deur van zijn woning was gesloten, doch Tiyo opende een
venster en kwam zoo in huis. Nat als hij was en uitgeput
van de reize, leidde hij zich, in een wollen deken gewik-
keld, neder op eene sofa, bibberende van de koude en van
de koorts. Na geruimen tijd dus gelegen te hebben, kwam
er een jongen Kaffer van Tiyo\'s moeder, die gehoord had,
dat hij was teruggekeerd doch zich niet begrijpen kon
waarom hij haar niet was komen groeten, om naar hem te
zien en deze vond hem in veel pijn en ljjden. Aanstonds
werd nu om Mevr. Soga gezonden, die onmiddellijk van
Butterworth terugkeerde en haar man zoo goed zij konde
verzorgde. Daar de koorts den volgenden Zondag wat was
afgenomen, stond Tiyo, schoon met veel moeite, van zijn le-
ger op en predikte in het Engelsch voor de Europeanen tot
zijne gemeente behoorende. Doch dit bekwam hem kwalijk,
daar de koorts zich weer verhief en hij nu dagen achtereen
het bed moest houden.
Den 4den Juli hield het Presbyterium zijn gewone vergade-
ring te Paterson, doch Tiyo kon niet tegenwoordig zjjn,
daar hij, gelijk hij aan de BB. schreef, „in de laatste dagen
-ocr page 299-
285
wat onwel was geweest, en hij zijne krachten wilde sparen
voor de vergadering der Commissie van Reviseurs, die in de
volgende week te King-Williamstown zou worden gehou-
den." Doch ook die vergadering kon hij niet bijwonen; hij
was te krank om van huis te gaan. Hij zond aan de Com-
missie zijne vertaling van de Handelingen, van Hoofdst. XIV
tot XX11I vers 25, aan het einde waarvan hij in het Kaf-
fersch had aangeteekend: «Mijne krachten begaven mij toen
ik tot hier gekomen was, en ik heb het werk moeten sta-
ken." Toch werd hij weer wat beter, zoodat hij onder de
warande van zijn huis kon zitten, en zelfs op 9 en 10 Juli
een aantal Kaffers, die zulks dringend begeerden, kon vac-
cineeren. Spoedig daarna echter werd hij weder door de
koorts op het ziekbed geworpen, en nu zoo hevig, dat een
geneeskundige moest worden ontboden, die drie dagen bij
hem bleef, tot, naar het scheen, het gevaar weer geweken was.
Ontrust door de verschillende geruchten, die er omtrent
Tiyo Soga\'s krankheid verspreid werden, ging een der
Schotsche Zendelingen, Cumming, in de laatste week van Juli
naar de Tutuka, om zich persoonlijk te overtuigen hoe het
met den beminden broeder gesteld was. „Ik vond hem,"
schreef Cumming, „veel erger dan ik verwacht had. Wel stond
hjj nu en dan nog eens op van het bed, doch slechts
voor zeer korten tijd. Hij was zeer verblijd, dat ik gekomen
was. Gedurig had hij aanvallen van koorts, en schoon hij
nimmer gezet was, zoo mager als thans had ik hem nooit
gezien. Geestelijk was hij zeer opgewekt, en het was mij
verkwikkend, zijne opmerkingen te hooren, als ik, aan zijne
sponde gezeten, hem het een of ander toepasselijk gedeelte
der Schrift had voorgelezen. En nimmer heb ik mij zoo
-ocr page 300-
286
naby den Heere gevoeld dan in zijn ziekekamer, als wij te
zamen Gods aangezicht zochten. Mijn voornemen was eerst
om niet langer dan eenige dagen aan de Tutuka te blijven,
doch ik kon niet zoo spoedig vertrekken en bleef tot het
weer scheen dat er hoop op beterschap bestond."
Ook de Zendeling Richakd Ross bezocht Tiro, en vond
hem „lichamelijk zeer zwak doch overigens goedsmoeds". Toen
ds. Ross, die juist van een reize door de Kaapkolonie was
teruggekeurd, klaagde over het gebrek aan geestelijk leven
in de Kerken uit de inboorlingen, antwoordde Tiyo: „Ja, zoo
is het ook onder ons; men ondervindt het in de prediking.
Doch er zal spoedig een beteren tijd aanbreken."
Dit was profetisch gezegd, want gedurende de 18 maanden,
die volgden werden er meer Kaffers en Fingo\'s tot de belij-
denis van \'s Heeren Naam gebracht dan in de voorgaande
zes jaar het geval geweest was.
Den 218ten Juli 1871 schreef Tiyo Soga zijn laatsten brief,
gericht aan de echtgenoote van ds. Richabd Ross, en van
den volgenden inhoud:
„Waarde Mevrouw Ross. Ik schrijf deze regelen in bed, om u en uw
echtgenoot te laten weten hoe het mij gesteld is. Ik ben zeer nabg den
dood geweest, doch sedert Woensdag gaat het weer een weinig beter. De
pijnen in de ingewanden en gewrichten zijn dragelijker, doch ik kan niet
loopen zonder stok, en als ik mijn roet wil oplichten is het alsof ik een
berg moet beklimmen. Ik ben zeer goed in mijne ziekte opgepast ook
door een Kaffervrouw, Poawa. Eetlust heb ik niet; vloesch is mij te zwaar
om te verteren en van brood heb ik een afkeer. Slechts kan ik een kop
thee gebruiken en wat sago of tapioca. Dankbaar ben ik, dat ik, liggende
als voor de poorten des doods, mag ondervinden dat de Heere Jezus
Christus mij duur zijne genade ondersteunt, en dat ik alles, zonder
vreeze, in zijne handen kan stellen. Het zou mij verblijden indien gij
mij in de volgende \'week kwaamt bezoeken, doch ik moet u zeggen dat
-ocr page 301-
287
mijn twee jongste kinderen de groep gehad hebben, en dat onze jongste,
die nog al ernstig ziek was, nog niet hersteld is.
Zeg aan uwe kinderen, dat ik zeer veel van hen hond en hen dank
voor al hun liefde. Ik kan niet in de buitenlucht komen, en mijn slaap
is niet verkwikkend. De dokter had te goede verwachtingen van het ver-
loop mijner ziekte. Ik was niet beter nadat hij vertrokken was.
Met hartelijke groete aan u allen, en innigen dank voor uwe vriende-
lgkheid."
                                                                                   Tiyo Soga.
Van dien tijd werd de kranke, naar het lichaam, steeds
zwakker. De sofa, waarop hij lag in zijn studeerkamer was
zoo geplaatst, dat hij door het venster een vrij uitzicht had
in de richting van zijn dierbaar Gaika-land, waar hij was
geboren en opgevoed, en waar hij tien jaren lang had mo-
gen arbeiden als een gezant Christi. Zijne vrouw, altijd
zorgzaam, week thans niet van zijne sponde. Ook zijne
oude, trouwe moeder zat daar, meestal zonder te spreken,
bij den schoorsteen in het studeervertrek van haar ge-
liefden zoon, over wiens jeugd zij met de teederste zorg
gewaakt had, en die later voor haar „als een man, ja als
een vader gezorgd had." Wat de liefde vermocht van zulk
eene echtgenoote en zulk eene moeder om in krankheid en
lijden hulpe te bieden, werd door Tiyo in deze laatste dagen
zijns levens rijkelijk ondervonden. Tiyo Soga verkeerde veel
in het gebed, en vooral in den nacht, als hij zich alleen
waande, stortte hij zijn ziel uit in luide smeekingen en ver-
zuchtingen voor des Heeren aangezicht. En wanneer men
hem vroeg naar den grond zijner hope voor de eeuwigheid,
was zijn antwoord steeds; „Dat de waarheid, die hij aan an-
deren verkondigd had, thans zijne eigene ziel tot steun en
troost was; dat hij vrede had voor zijn hart; en dat hij
alles met volkomen vertrouwen stellen kon in de hand
zijns Gods."
-ocr page 302-
288
Vrijdag, 11 Augustus, kwam de Zendeling Ibvine, van
Butfcerworth, hem bezoeken en vond hem toen zoo zwak, dat
hij terstond boden zond naar de andere Zendelingen in de
nabijheid, om hun te laten weten dat hun medebroeder ster-
vende was. In dien zelfden nacht werd Tiyo Soga, plotseling,
als met kracht bezield tot zijn laatsten arbeid als Zende-
ling onder de Kaffers. Sprekende met duidelijke stem in de
Kaffertaai, beleed hij eerst zijn persoonlijk geloof in Chris-
tus en dat hij op Hem vertrouwde onwrikbaar voor de
eeuwigheid; dat Christus zijn bloed voor hem gestort had,
en hij zich op Hem had mogen werpen. Vervolgens bad
hij vurig voor de Kaffers: „Dat zij tot Christus mochten
worden gebracht", en voor alle Zendelingen en predikers van
het Evangelie; daarna smeekte hij om Gods bijzonderen ze-
gen over de gemeente aan de Tutuka: „Dat het Woord van
God nooit koud in haar midden mocht zijn", en bad hij voor
de kinderen op de scholen, en ook voor hen, die hem droef-
heid en zorge gebaard hadden in zijn bediening des Woords,
en voor de Galeka\'s, die nu, waar hij sterven ging, zouden
zijn als „schapen zonder herder." Daarna bad hij voor zijn
huisgezin: voor zijne vrouw en moeder, en bijzonder voor
zijne kinderen, die hij over den oceaan gezonden had: „Dat
de Heere over hen waken mocht, hen brengen tot de ken-
nisse der liefde Christi, en dat zij „naar Kaf f er land
zouden mogen terugkeeren om hun eigen volk te
onderwijzen." Deze was zijn laatste hoorbare bede: Dat
zijne kinderen hun leven mochten besteden in des Heeren
dienst, onder de Kaffers. Meer kon hij niet spreken; de
krachten begaven hem; uitgeput zonk hij neder.
Den volgenden dag vroeg kwam de Zendeling Longden om
-ocr page 303-
289
hem voor het laatst de hand te drukken. Op diens vraag,
of hij de nabijheid des Zaligmakers gevoelde, antwoordde
Tiyo duidelijk: „Ja". Nog trachtte hij den aanwezigen een
woord toe te spreken, doch hem ontbrak de kracht. Aan de
beweging zijner lippen echter was het duidelijk, dat hij voort-
durend in het gebed verkeerde.
Toen de Zendeling Richard Ross, die zich op het ontvan-
gen der tijding, dat zijn boezemvriend stervende was, in
alle haast naar de Tutuka gespoed had, de kamer binnentrad,
herkende Tiyo hem wel, doch kon niet met hem spreken.
Bijna drie uren lang zat ds. Ross aan de stervenssponde, in
de hoop nog een laatste woord van de lippen van zijn vriend
en medebroeder te hooren, doch het mocht niet zoo zijn.
De stervende was volkomen bij zijn kennis, doch kon niet
spreken. Eindelijk, tegen drie uur des middags, toen ds. Ross,
die meende dat Tiyo niet gemakkelijk genoeg lag, zijn arm om
hem had geslagen, gaf de stervende een nauw merkbare zucht,
en bijna onmiddellijk daarop was de verloste ziel het kranke
lichaam ontvloden. Kalm en zacht, zonder eenigen doods-
strijd, rustende in de armen van den vriend zijner jeugd, als
een kind dat in slaap valt, was Tiyo Soga in den Heere
ontslapen. Hij had den ouderdom van slechts 42 jaren bereikt.
In den boomgaard, door Tiyo Soga zelf geplant, werd
Dinsdag 15 Augustus zijn stoffelijk overblijfsel aan de aarde
toevertrouwd tot den grooten dag der opstanding. Rondom
het graf stonden de diepbedroefde weduwe en de door smarte
neergebogen oude moeder, een zestal Zendelingen en onder-
scheidene vertegenwoordigers van de naburige Kerken, en ver-
der de rouwdragende gemeente aan de Tutuka, benevens vele
19
-ocr page 304-
290
heidenen. De lijkdienst werd gehouden in de zendelingswoning
in het Engelsch, en in het kerkgebouw, weinige maanden gele-
den met zooveel zieleblijdschap door Tiyo Soga tot den dienst
des Heeren gewijd, in de Kaffertaai. Bij de geopende groeve
werd een ernstig woord gesproken door ds. Richaed Ross
en werden vele tranen gestort. Geen gedenksteen wijst de
plaats aan, waar Tiyo Soga, de eerste Kaffer-zendeling, be-
graven ligt. Maar in het kerkgebouw aan de Tutuka werd
later zulk een steen geplaatst, de gift van een vriend in
Schotland, met eene inscriptie in de Kaffertaai, waarvan het
volgende eene zoo getrouw mogelijke vertaling is:
TER BLIJVENDE GEDACHTENIS AAN
den Welbebw. TIYO SOGA,
DE EERSTE GEORDENDE PREDIKER UIT DE KAFFERS.
Hu was een Vriend van God; hij had den Zoon lief; hij was
VERVULD MET DEK GeEST ; EEN DlSCIPEL DES WoORDS; EEN
vurig Patriot ; een Menschenvriend met een ruim hart ;
een Teedek Echtgenoot; een Liefhebbend Vader;
een Getrouw Vriend; een Wetenschappelijk
Man; een welsprekend Redenaar; een
Voorbeeldig Burger; een Zendeling,
die zijn leven besteed heeft in
den dienst zijns meesters ;
€cn podel $a#*r.
-ocr page 305-
NASCHRIFT.
-ocr page 306-
-ocr page 307-
Tiyo Soga werd in het midden zijner jaren door den dood
weggenomen, en diep werd dit, in zeer wijden kring, betreurd.
Hoe nuttig voor zijn volk zou hij nog jarenlang hebben
kunnen arbeiden als prediker en leeraar, en vooral ook door
zijne pen! De oogst was zoo groot en de arbeiders waren
weinigen, en er was geen arbeider gelijk hij, de Kaffer uit
de Kaffers, door den Heere op zoo bijzondere wijze tot den
arbeid geroepen en tot den strijd tegen het heidendom toe-
gerust. Doch de Heere geeft geen rekenschap van Zijne
daden, en Tiyo Soga werd in de kracht zijner jaren wegge-
nomen om in de ruste in te gaan. Zijn arbeid zou echter
voortgezet worden door andere Kaffers, door zijn voorbeeld
opgewekt, én, naar zgn voortdurend gebed, door zijne kin-
deren. Vooral ook in die kinderen zou zijne gedachtenis in
Kafferland in zegening zijn en zijn arbeid voortleven voor
zjjn geslacht en volk.
Tiyo Soga liet bij zijn sterven zes kinderen na, waarvan
het oudste 14 jaren telde, en het jongste kind, een meisje,
nog geen jaar oud was.
Drie der jongens waren, gelijk wy zagen, naar Schotland
gegaan om hunne opvoeding te ontvangen.
De oudste, William Andeeson, kreeg in Schotland de ma-
zelen en verloor, waarschijnlijk tengevolge eener gevatte koude,
zjjne stem. Buiten weten van Mevr. Soga, zonden vrienden in
-ocr page 308-
294
Schotland den knaap, na zijne ziekte, naar Kafferland terug,
juist toen zijn weduwe-moeder naar Europa terugkeerde.
William ging nu naar Lovedale, waar hij twee jaren bleef
en zich met studie bezighield. Het gebruik zjjner stem
herkregen hebbende, keerde hij naar Schotland terug en
kwam nu eerlang aan de Universiteit te Glasgow, waar
hij eerst in de theologie en daarna in de medicijnen stu-
deerde en examen deed. Als geordend leeraar der Ver-
eenigde Presbyteriaansche Kerk en dokter in de medicijnen
keerde hij andermaal, in 1886, naar Kafferland terug, waar
hij nu gezegend werkzaam is als Zendeling-Dokter in Bom-
vana-land, over de Bashee, in verband met de Vereenigde
Presbyteriaansche Kerk. Van bijzondere waarde was het, dat
dr. Soga terstond toen hij zijn zendingsarbeid aanvaardde,
zich als een Kaffer in de Kaffertaai kon uitdrukken, en van
meet aan is zijn arbeid gezegend geweest. Hijzelf getuigt:
, Anderen hebben gezaaid en wij gaan tot hun arbeid in." Dr.
Soga is gehuwd, gelijk zijn vader was, met eene Schotsche dame,
doch geheel anders dan zijn vader werd hij terstond in alle
kringen in Zuid-Afrika zonder vooroordeel ontvangen. De
tijden zijn veranderd, en ook is de gedachtenis des vaders
in zegening, wat den kinderen ten goede komt.
De tweede zoon, John Henderson, keerde, nu vijf jaren ge-
leden, naar Kafferland terug om zich met den handel bezig
te houden. Dit was ook wel naar de begeerte van Tiyo Soga,
schoon hij ieder zijner kinderen liefst direct in den dienst
des Heeren wenschte. Wellicht heeft John Soga dit ook ge-
voeld; tenminste, hij studeert thans aan de Universiteit te
Edinburg, en zal, als de Heere wil en op Zijn tijd, ook als
geordend prediker arbeiden onder zijn eigen Kaffernatie.
-ocr page 309-
295
John is nog altijd kreupel aan den rechtervoet, doch schijnt
er niet veel last van te hebben, daar hij onlangs een zilve-
ren medaille behaalde bij een wedstrijd inde gymnastiek!
Allan Soga, de derde zoon, is landbouwer in de Transkei
en kan alzoo indirect de Zending dienen.
Ella, Tiyo\'s oudste dochter, groeide zeer voorspoedig en
veelbelovend op. Zij ontving een uitstekende opvoeding en
ging toen naar Kafferland om onder haar volk in het Evan-
gelie te arbeiden. Spoedig echter werd zij ziek, en na veel
lijden stierf zij ten huize van ds. Richabd Ross, in wiens
armen haar vader ontslapen was, aan de longtering. Zij ont-
sliep in vast vertrouwen op haar Heere en Heiland, en ligt
begraven in de Transkei, op twintig (Eng.) mijlen afstands
van de Tutuka.
Joello, de jongste zoon, studeerde voor veearts en behaalde
zijn diploma als zoodanig. Ook hij keerde naar Kafferland
terug en is thans zijn broeder, den Zendeling-dokter, in af-
wachting dat hij door het Kaapsche gouvernement geplaatst
zal worden, behulpzaam in de Zending.
Fbances, op eene na de jongste dochter, heeft hare opvoe-
ding in Schotland ontvangen en is nu werkzaam aan de
Mqwali, Tiyo Soga\'s vroegere statie, aan een opleidingsschool
voor Kaffermeisjes tot onderwijzeressen.
Jessie Margaret eindelijk, de jongste dochter, is bij hare
moeder in Edinburg en maakt goede vorderingen in haar
studies aan de „Merchantsschool". Welken weg de Heere met
haar zal houden en of ook zij in den dienst der Zending
zal mogen arbeiden, zal later blijken.
Tiyo Soga\'s moeder is eerst weinige maanden geleden over-
leden. Vijftig jaren lang heeft zij, na hare bekeering tot den
-ocr page 310-
296
Heiland, haar belijdenis versierd door een onberispelijken
wandel. Zij mocht nog het voorrecht hebben haar kleinzoon
„Willie" als ,,dokter Soga" zijne plaats te zien innemen onder
de Zendelingen in Kafferland en heeft hare kleindochter Elui
nog overleefd. Ook hare nagedachtenis is in zegening als eene
„moeder in Israël".
De oude Soga is in den laatsten Kafferoorlog gesneuveld.
Hij hield steeds vol dat hij een Christen was, doch heeft
zich nooit van zijne heidensche omgeving losgemaakt.
-ocr page 311-
INHOUD.
Bladz.
I. Afkomst en eerste levensjaren...........................       1
II. Met de zending in aanraking gebracht....................       7
III.  Naar Schotland geleid..................................     17
IV.  AU catecheet in Kafferland werkzaam....................     24
V. Mlanjeni..............................................     29
VI. Tweede reis naar en verbluf in Schotland.................     32
VII. Kafferland in 1857.....................................     48
VIII. Terugkeer in Zuid-Afrika en eerste ontmoetingen..........     60
IX. Vestiging aan de Mqwali...............................     67
X. Collecte-reis voor een nienw kerkgebouw aan de Mqwali ....     81
XI. „In Parenthesis"......................................     97
XII. Hoe de kerk aan de Mqwali gebouwd werd................   110
XIII.  Zendingsarbeid........................................   114
XIV.  Beproevingen.........................................   139
XV. Verkwikkingen........................................   154
XVI. Uitbreiding van het werk...............................   169
XVII. Arbeid voor de drukpers................................   193
XVIII. Een nieuw arbeidsveld..................................   209
XIX. Aan de Tutuka........................................   225
XX. De Kaffer uit de Kaffers................................   256
XXI. Avondrood............................................   273
XXII. In de ruste ingegaan...................................   283
Naschrift....................................................   291